ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

I/^C Zvy

24/

npS t]D)

Kim

m^jo riani rmn 'B'oin rB«n

quot;ÜSUC iwSa n^ixiaoi D'ojnino .nnxvi mVsn nntsan Dir

DE PENTATEUCH

EN DE

VIJF BOLLEN.

Opnieuw in het Nederlandsch vertaald en verklaard,

EN DE

Haphtaroth en Shabbathgebeden

met Nedenlandsche Vertaling

DOOR

J. VREDENBÜRG,

Leeraar aan het Beth-Ilammidrash le Amsterdam,

B?BÜOTHE£K DER \ RlJKSU^SVF^SiTErr |

AMSTERDAMr| UTRECHT

COLt. THOMAA3SE , f

J. L JOACHIMST^L w

•r-ji :,'nwt ■: * natz»

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

llilllllllllllill 2193 0270

ocr page 5
ocr page 6

-Dquot;m

N U M E R T.

ocr page 7

JOACHIMSTHAL's STOOMDRUKKERIJ, Muiderstraat 6, Amsterdam.

ocr page 8

NÜMERI I.

1 De Eeuwige sprak tot Mozes in de woestijn Sienai, in de tent der samenkomst, op den eerste der tweede maand, in het tweede jaar van hunnen uittocht uit het land Egypte, als volgt:

2 «Neemt de som van de geheele gemeente der kinderen Israels op, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, met telling

3 van namen, ieder manspersoon naar hunne hoofden. Van twintig jaar oud, en daarboven, al wie voor dienst uitgaat onder Israël, zult gij ze monsteren naar hunne scharen, gij en Aharon.

Hoofdstuk I. De telling der strijdvaardige Israëlieten, vóór hun optrekken van den berg Sienai, — als voorbereiding van de verordening omtrent de legering der stammen eu de ordening van Israel's leger bij voorttrekken en gelegerd zijn. — Het hier meegedeelde had plaats een maand na de oprichting van den tabernakel, op den eersten lejar van het jaar na den uittocht; den 208te daaraanvolgende trok Israël van Sienai op, zooals 10,11 wordt medegedeeld. Terwijl nu het begin van ons boek ons verplaatst op den Isten lejar, wordt in het begin van hoofdstuk 7 en 9 weder de eerste Niesan van het tweede jaar besproken. Ook hier staan nu twee methoden van verklaring tegenover elkander. De eene, die de chronologische volgorde overal gehandhaafd acht in het verhaal van den Pentateuch, meent, dat het geheele eerste deel van ons boek, van hoofdstuk 1 tot 10,10, slechts alle voorbereidende maatregelen voor het optrekken van het volk mededeelt. Hoofdstuk 7 is dan ingelascht om uiteen te zetten, vanwaar men de wagens voor het vervoer des heiligdoms had, en het beginvers van dat hoofdstuk moet als meer dan volmaakt verleden tijd worden opgevat. Hoofdstuk 9 heeft alleen de instelling van het //tweede Pésachoffer' voor onreinen enz. ten doel en wordt slechts door het voorschrift van het Pésachoffer ingeleid om een overgang te hebben. Dit ,/tweede Pésachquot; viel immers op den 14den lejar, dus nog vóór het optrekken des volks. — De andere methode meent, dat hier, evenals op andere plaatsen, blijkt, dat rmro imxni mpin ps, de chronologische volgorde niet is volgehouden, maar dat de groepeering der stof door innerlijke overwegingen wordt geleid. Ons hoofdstuk staat dan hier, onmiddellijk na de wetgeving tot regeling van tempel- en particulier leven met zijne heiligings- en wijdingswetten, om door die telling ook ieder individu, als het ware, zijn plaats rondom het heiligdom te doen innemen en hem zich ook als persoon tot die heiliging en wijding verplicht te doen gevoelen. Over de plaatsing van hoofdstuk 7 en 9 in dit stelsel vgl. onze aant. ter plaatse.

i. td nanpa, in de woest ij n Sienai, niet op den herg, waar de in de laatste hoofdstukken van Leviticus behandelde openbaringen zijn gegeven, maar iïi» Snsa, in de tent der samenkomst, vanwaar immers na hare wijding alle Godsspraken zouden uitgaan. — wn wh, de tweede maand,— in den Bijbel (II Kon. 6,1 en 37) Ziew, later lejar genoemd, — de tweede in de rij der maanden, die met de maand van den uittocht begint. Het ticeede jaar begint met den eersten Niesan na den uittocht. — wv«S,

ocr page 9

-imDS

tyinb nnwa n^io bnK3 ♦ro quot;isnoa hï^d-Vn nin» quot;linn«

tv: '7»quot; v - ; v,- • j' : • : •»•.• v st : •• ~:~

: ifciih onxo pKQ DHNV1? n'iirn njira ♦iirn

i •• -v,-; • | vjv •• quot;)t^ *• • ... - r • •• -

DnbNn^ Dhnst^D1? rn^-'pa B^TJIN

AT -: ; vt ; ; • :^ •• T: * iquot; ; T V :

n^Dimt^ Dn'^y po IDD1?^1? quot;lar'js mbtr -isdds j

t . ~ t TT «• : •v I v • it : ; t t ••

: jhnKi nnN ontoy1? onK npan 'jKTi^a nsï xt-^2

I i-i i- ; jt ~ VT ; • ; -JT ^1: : • Aquot; T ; * ; VT T j— t

gerekend naar hun, der kinderen Israëls, — die in vs. 2 genoemd worden, — uittocht-, het is het eerste jaar na den uittocht; begint men den jarenreeks met dat van den uittocht, dan is het het tweede.

.2., wr. neemt op, het meervoud richt zich tot Mozes en Aharon, zooals uit het slot van vs. 3 blijkt. Over issn nts swj zie Ex. 30,13. De telling had ook hier dan plaats door halve-Shékel-hefling. Hoofdzaak was hier niet zoozeer vaststelling van het aantal, als wel groepeering naar afstamming. — Drox rvaS DrnsunS, vgl. Ex. 6,14. Over de vraag, of de nnx va, de uit één gemeenschappelijken stamvader geborenen, grootere of kleinere roepen dan de nnspn omvatten, loopen de meeningen zeer uiteen, ommigen verdeelen de stammen in mnscn, afstammelingen van ieder dei-met Jakob naar Egypte gekomen kleinzonen, — en dezen weder in via nus, naar afstamming van vaderszijde bijeenbehoorende familiën; anderen zien in nnsp», wat ook wij onder familie, huisgezin, verstaan, — en laten die gezinnen naar hun gemeenschappelijke afstamming van één voorvader, natuurlijk niet te ver terug gerekend, zich vereenigen tot ma» via, die onderling gecombineerd eerst de stammen vormen. Weer anderen houden a* ivo voor een andere benaming voor den stam. — rmv Mons, onder telling van namen, d. w. z. v. s. terwijl de namen in lijsten worden opgenomen, ibod samenhangend met quot;)gp, boek, lijst; — anderen zien hierin eene

aanduiding, dat deze telling niet, als die van Ex. 30, door halve-Shékel-heffing, maar hoofdelijk geschiedde. — In verband met het doel der telling worden alleen de mannen geteld. — urhhh, naar hunne hoofden, hoofd voor hoofd, man voor man.

3. JC3X XS1 S3gt; gewoonlijk vertaald: Wie ten strijde uittrekt. Dan zou echter niet alleen een minimum- maar ook een maximum-leeftijd moeten aangegeven zijn, zooals 4,3 bij de Levieten, — een grens van 50 (leeftijdgrens voor Levietendienst t. a. p.) of 60 jaar (naar Lev. 37,3 ouderdoms-

frens). Bovendien komt saï dikwijls genoeg voor in de algemeene eteekenis:rens). Bovendien komt saï dikwijls genoeg voor in de algemeene eteekenis: dienst, taak. Sommigen maken een verschil tusschen saïS .st, dat: ten strijde uittrekken, en «ar? Na, dat; dienst doen, een taak verrichten zou beteekenen; nog anderen denken aan de beteekenis: schare, menigte, en verklaren: wie ter volksvergadering gaat; de afwisseling in het gebruik van nïquot; en «a dan evenals in 'jw en rvv n'c 'NS (Gen. 23,10 en 34,24). «aï nït is in ieder geval = saxS nst of saxa.

ocr page 10

HUMERI I.

4 En met u zullen zijn telkens één man uit iederen stam, die Bieder hoofd van zijn vadershuis is. En dit zijn de namen der mannen, die u zullen bijstaan: voor Ruben: Elietsoer, 6 zoon van Shedéoer. Voor Simon: Sheloemieël, zoon van Tsoerie-8 7 shaddai. Voor Juda: Nachshon, zoon van 'Ammienadab. Voor 9 Jissachar: Nethanel, zoon van Tsoe'ar. Voor Zebulon: Elieab,

10 zoon van Chélon. Voor de zonen van Joseph, voor Ephrajim : Elieshama', zoon van 'Ammiehoed; voor Menasshé: Gamiieël,

11 zoon van Pedahtsoer. Voor Benjamin: Abiedan, zoon van

12Gid,onie. Voor Dan: Achie'ézer, zoon van 'Ammieshaddai.

14 13 Voor Asher : Pae'ieël, zoon van 'Ochran. Voor Gad : Eljasaph,

15 zoon van De'oeël. Voor Naphtalie: Achiera', zoon van 'Enan.

16 Deze zijn de afgevaardigden der gemeente, de vorsten der stammen hunner vaderenquot;; hoofden over de duizenden van

17 Israël waren zij. Mozes en Aharon namen nu deze mannen,

18 die met name genoemd waren; En de geheele gemeente lieten zij bijeenkomen op den eerste der tweede maand, en zij gaven hunne afkomst op, naar hunne familiën, volgens hunne vadershuizen, met telling van namen, van twintig jaar

19 oud en daarboven, naar hunne hoofden, Gelijk de Eeuwige Mozes geboden had; en hij monsterde hen in de woestijn

4. oami. met u, ter assistentie, vooral voor de juiste indeeling van ieder persoon bij zijn stam. — ton rrax rvoS oxi ens, ieder van dezen is hoofd bij zijn vadershuis. Of hoofden der stammen reeds vroeger als vertegenwoordigers des volks bestonden, is onzeker; onze tekstwoorden geven nog niet, dat ieder dezer twaalf het hoofd van zijn stam was, maar kunnen evengoed beteekenen, dat zij behoorden tot de hoofden, ieder van hen was een voornaamste bij zijn vadershuis; — dan zouden zij eerst bij deze gelegenheid als officieele stamhoofden zijn aangewezen. Dit blijkt wel uit de omstandigheid, dat zij vs. 5—15 door God met name worden genoemd, wat geen zin zou hebben, als reeds fungeerende stamhoofden bedoeld waren.

b. pvnS. voor den stam Ruben; zoo bij alle anderen. — De volgorde, waarin de stammen opgesomd worden, richt zich hier naar de moeders: eerst de zonen van Lea, naar rang van geboorte; dan de zonen van Rachel en wel eerst Joseph, onder wiens zonen Ephrajim eerst genoemd wordt, daar hem door Jakob de voorrang is gegeven, — dan Benjamin. Dan volgen de zonen van Bilha en Zilpa, echter niet naar volgorde van geboorte, daar Gad in ieder geval ouder was dan Asher, ook al is het niet onmogelijk, dat Naphtalie jonger was dan deze laatste. Ibn 'Ezra tracht den voorrang voor Asher te verklaren, wat hem echter niet wel gelukt.

16. rnjfil venp) ^ voor de gemeente geroepenen, de mannen, die ook aangewezen zijn om voor de gemeente op te treden en die van nu af stamhoofden over de vadershuizen zullen zijn (oniaxniD» = Dnw» fvo rooa) terwijl zij tot nog toe slechts hoofden van duizenden onder Israël waren geweest. (Anderen verklaren mr wip; de ter raadsvergadering opgeroe-penen ter beraadslaging over de belangen der gemeente.) Vat men de

3

ocr page 11

: «in vrpfrmn*? ITNT wx HESD1? ty»N vw vn» DDPKI-1 piKib DDHK noj;' D^3«n nia^ W?KI n

v. . ... | .. ;. (sv ; * v ! 'quot; -»•• quot;» • t -: it •* z •.•••;

riirn: nnin^ : nt^nirp ri^Qtrb : TiNniy-p1

I V. : ~ t i' it- r I v v.quot; * r-. : I ^ : 1 ••; I v 7

3H^Nt VKJP: : ^yDv:]^ n0

nmth iin^öjril VDB'^K onaxS ^pi» : ^n-j21

n1? : |T3N f?b^3gt; : •mrna-|3

'|3 e^D^N nj1? : pD^-ja VN^JÖ n^N1? : namp;DT\zJ; ni^n ^np nVtf ! pTTll : bwjn ®

ntro npquot;! : on *sbx ^xquot;) oniax mtso quot;

v,quot; i-»—- iquot; v.quot; t : • jquot; : - .)•• t at -: -• - v.quot; • :

-Sa r.w : motra tap: IK'N n^xn D^awn nw rnnNi ^

t •• : 1 •• : v.':/ jquot; quot;• quot; quot; •*' tut ••lt; i a^-j i-;

annatrQ-^ nL5,n!,i 'iuri i^Tin1? nnwa ^♦npn rnyn

v,t ; : • - gt; ;r ; • - • •• - v j - tv; • I; • t^-it

nSvoi n:iy antry ?2Q niaty -10002 DnbK n^1?

t : cquot; t .)t t j*; i v • •• -»-:•; at 1 •*quot; :

quot;12103 anpa^i nvvm nin» niï : DriV-i1?:1?01

j' : • : vquot;l; : *quot; av v ^t : jt • •)••• -»iquot; it :: %:

woorden on Vniïji ibSx ipni niet op, zooals wij gedaan hebben, als doelende op de vroegere positie der nu tot stamvorsten geproclameerden, dan leveren zij allerlei bezwaren voor de verklaring op; zoo moet men dan v. s. verklaren: hoofden der tal van duizenden, waaruit iedere stam bestaat, — terwijl door anderen nog meer gedwongen verklaringen worden gegeven. — Ons vers schijnt het slot der Godsspraak te vormen, terwijl slechts de laatste woorden if.si etc. als tusschen haakjes bijgevoegd zijn ter nadere aanduiding hunner vroegere positie.

17. JTpMi % nam, d. w. z. liet bij zich komen en stelde op hun post aan. — Sap: icn, die door God zelf genoemd waren met name, niet, zooals Mendelssohn vertaalt; die hier genoemd zijn, daar dan nSsn overtollig is en de geheele zinsnede best had kunnen gemist worden. (Vgl. over den stam sp: Lev. 24,11).

18. iSnpil. ter vergadering roepen, om het goddelijk bevel aan te hooren; de telling zelve zal wel niet in volksvergadering hebben plaats gehad. — nVw, en zij begonnen zich als geborenen op te genen, naar hunne lamiliën enz. (natuurlijk was de arbeid niet nog dienzelfden dag voltooid;) — d. w. z. zich in de geslachtsregisters naar afstamming te laten inschrijven; Ibn 'Ezea: zij onderzochten den datum hunner geboorte, om te weten, of de leeftijdgrens reeds overschreden was. Mendelssohn's vertaling : dat zij zich zouden aangeven, sluit niet met de % die, naar uit den Pathach blijkt, isnnn 'i is.

19. De woorden non ris 'n mx 1BN3 behooren nog tot het vorige vers; vgl. voor zulke versverdeeling Ex. 16,34; Lev. 4,10 e.'a. p. — Dipï'i. Sommigen maken een verschil tusschen cxi s»: en Tps, dat het eerste de

ocr page 12

N U M E R 1 I.

20Sienai. — De zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, waren, hunne nakomelingen, naar hunne Jamiliën, naar hunne vadershuizen, met telling van namen, naar hunne hoofden; ieder manspersoon van twintig jaren oud en daarboven, al

21 wie voor dienst uitgaat, — De gemonsterden van den stam Ruben waren zes en veertig duizend en vijf honderd.

22 Van de zonen van Simon, hunne nakomelingen naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, zijne gemonsterden met telling van namen, naar hunne hoofden, ieder manspersoon van twintig jaren oud en daarboven, al wie voor dienst uitgaat, —

23 De gemonsterden van den stam Simon waren negen en vijftig duizend en drie honderd.

24 Van de zonen van Gad, hunne nakomelingen, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, met telling van namen, van twintig jaar oud en daarboven, al wie voor dienst uitgaat, —

25 De gemonsterden van den stam Gad waren vijf en veertig duizend, zes honderd en vijftig.

26 Van de zonen van Juda, hunne nakomelingen naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, met telling van namen, van twintig jaar oud en daarboven, al wie voor dienst uitgaat, —

27 De gemonsterden van den stam Juda waren vier en zeventig duizend en zes honderd.

28 Van de zonen van Jissachar, hunne nakomelingen, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, met telling van namen, van twintig jaar oud en daarboven, al wie voor dienst

29 uitgaat, — De gemonsterden van den stam Jissachar waren vier en vijftig duizend en vier honderd.

30 Van de zonen van Zebulon, hunne nakomelingen, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, met telling van namen, van twintig jaar oud en daarboven, al wie voor dienst uitgaat, —

31 De gemonsterden van den stam Zebulon waren zeven en vijftig duizend en vier honderd.

32 Van de zonen van Joseph: van de zonen van Ephrajïm, hunne nakomelingen, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen.

som opnemen, het laatste: tellen zou beteekenen, maar dat vaak beiden door elkaar zouden zijn gebruikt. Men verklaart dan hier: zij, de twintigjarigen, gaven zich op en werden door de stamhoofden en Aharon ingeschreven en geteld, — BTps^, en hij, Mozes, controleerde die inschrijving en telling en zag die lijsten door, monsterde de aangiften.

20 v.v. Bij de opgave der cijfers zijn hier de stammen reeds geordend naar de later (hoofdstuk 2) opgegeven legerorde. Het slot van de telling zelve viel na de godsspraak van hoofdstuk 2, die hoogst waarschijnlijk ook den eersten lejar gegeven werd. Zeer goed is het dus mogelijk, dat bij de telling reeds aanstonds de orde van de legering werd gevolgd. — om'nr, hunne geboorten — de uit hen geborenen = tot hun stam behoo-

4

ocr page 13

K 12103 1

Drnbin bxitr» iaa D * ; T1?3

nirbi on^jb niotf IÖDÖS onns; onnfi^p1? ntsoV onnpa : «r bs nS^ai ontyy po «

jquot; - ; v.v ••\l\-. itt j- v, T l ~ T tt lt;• z lv *

a : ni«o ^om d^jdiki n^ty piNi

i •• r* -j - i v vv t : - ; st • i aquot; ;

vips arbN n^V ahnötyoV an'i^in ri^o^ 'iyi ==

tI\ ; ^ at -i -•••; ^ V,t ; : * : . •'r : ' : * -•• ; •

nbyoirw on'^ rao lir-Va on^a^b nioi? iödos

t . ~ t tt lt;* ; i V • tt t t ; ï '•,; •• lt;' i ' :

D^oni nwn ti^oty nsso1? onnps : N2ï nx» b'2 »

| v v,v 4* • -:- ^t; • i ^a : • — - ; vquot; quot;t*\- 't t jquot; v.

ö : niNO vbw

t quot; m j :

nióir -10002 DrbK mb onnst^o1? DhiVin ij ^ ^

-- ; • ; at -j -•••: \.t : : gt; jt ; i t •

noob onnpfi : «2ï «v Va n^oi oniry po «

j.. - . ^.. •• ||-v; IT T Jquot; K T | : TT * : *** ** '

a : D^om niNO vvi eibN d^sini n#on u

i* • -:i- v, quot; Jquot; : i ••* v • t ; - ; ^ lt;t • -: at

nbt^ 13003 Dnb« n^1? nnna^ob onlbin niin» ^ «

•• at -: jquot;: v.t ; : * : ^ : • t : -•••^; •

naoV onnpa : ndx Vs n^oi on^ po «

j.. - . Vv ••||\; itt Jquot; V T i ~ t tt lt;•;•.•! v •

a : niKo n^aiN niin»

nbz' laooa DhaK n-ab ohna^o1? Dni^in lat^ oaV «

: at -j ■••• : vt ; : • ; jt ^ : i t t • —•

noob onnpa : xax ba n^ói oniry po ==

j.. - . vv ..|r%; ,t t y k t , - t tt lt; :v i v •

a : ni«o raiNi nbN D^om n^aiK la^'

i quot; * J- i - i I V vv r • -jl- •jtt : - at t •

nbBgt; laooa Dnax n^ab Dhnaa'ob anibin ibiar ^ab^

j- : • : at -: •»quot; : ^t ; ; • ; ^ jt^ ; i i ^ '

ntso1? onnpa : «av nï» ba nb^ói rw on^ po ^

■•quot; - : V** quot;I'S. 5 «TT Jquot; v t . — t tt «• : V ' V •

a : ni«o ^aisi oypni. n^a^ |biat onaN n»ab onna^ob on-ibin onax ^ab nol' ^aS *

at -: •quot;• ; vt : : * : ^t : i ...... j.. ; • (•• lt;•• ; •

renden, — herinnerend aan hWm uit vs. 18. Mendelssohn: naar hunne afstamming, als stond er onVinS, terwijl de S klaarblijkelijk met opzet hier weggelaten en bij onnavah enz. eerst gebruikt wordt.

21- Dinp3. hunne, = de tot hen, de zonen van Ruben behoorende gemonslerden; niet; de door Mozes en Aharon gemonsterden.

22. udS, met betrekking tot de zonen van enz. — rips, zijne, Simons, gemonsterden.

ocr page 14

N ü M E R I I.

met telling van namen, van twintig jaar oud en daarboven,

33 al wie voor dienst uitgaat, — De gemonsterden van den stam Ephrajim waren veertig duizend en vijf hondeid.

34 Van de zonen van Menasshé, hunne nakomelingen, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, met telling van namen, van twintig jaar oud en daarboven, al wie voor dienst uitgaat, —

35 De gemonsterden van den stam Menasshé waren twee en dertigduizend en twee honderd.

36 Van de zonen van Benjamin, hunne nakomelingen, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, met telling van namen, van twintig jaar oud en daarboven, al wie voor dienst

37 uitgaat, — De gemonsterden van den stam Benjamin waren vijf en dertig duizend en vier honderd.

38 Van de zonen van Dan, hunne nakomelingen, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, met telling van namen, van twintig jaar oud en daarboven, al wie voor dienst uitgaat, —

39 De gemonsterden van den stam Dan waren twee en zestig duizend en zeven honderd.

40 Van de zonen van Asher, hunne nakomelingen, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, met telling van namen, van twintig jaar oud en daarboven, al wie voor dienst uitgaat, —

41 De gemonsterden van den stam Asher waren een en veertig duizend en vijf honderd.

42 De zonen van Naphthalie, hunne nakomelingen, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen, met telling van namen, van twintig jaar oud en daarboven, al wie voor dienst uitgaat, —

43 De gemonsterden van den stam Naphthalie waren drie en vijftig duizend en vier honderd.

44 Dit zijn de gemonsterden, die Mozes gemonsterd heeft en Aharon en de vorsten van Israël, twaalf mannen, telkens een

45 man voor zijn vadershuizen was het. — Nu waren al de gemonsterden van de kinderen Israëls naar hunne stamhuizen ; van twintig jaar oud en daarboven, al wie voor dienst uitgaat

46 onder Israël; Al de gemonsterden waren: zes honderd en drie

42. Hier ontbreekt de 'h, die bij de overigen, van Simon

al', staat. v. s. vindt dit zijn verklaring hierin, dat bij de staramen, die eerder geteld werden, de personen zich uit de menigte afzonderden en zich opgaven als te behooren tot een stam, ora dan bij dezen ingedeeld te worden. Bij Naphtalie, als den het laatst gestelde, was dit natuurlijk niet noodig.

46. cnpan 73 IWI» wegens den langen tusschenzin uit het vorige vers herhaald, — Het getal van 603550 komt volkomen overeen met dat van Ex. 38,26; vgl. onze aant. aldaar. Daar alleen bij Gad het cijfer onder de honderdtallen wordt aangegeven, en ook dat nog in het ronde getal vijftig, schijnen de cijfers der totalen niet nauwkeurig te zijn aangegeven, wat dadelijk een verschil van 1000 geeft; daarbij dan nog de 22000 Levieten geteld, geeft in den korten tijd van Thishrie tot Ijar eene vermeer-

5

ocr page 15

K imöa n

: M3Ï ttr Vs on^ |3ö nbK' quot;löppa

a : rvitfo troni fjbN d^2quot;i:« d^ök ntso1? nnnpa ^ móir IÖDD3 onbK n^1? ohnsi^ö1? orrfjin n^o

j- ; . ; at -. jt. • vx .... ^ ; i v - ; j'y •

n^Db omps : «nx Va rbyoi ruv on'^ ?3ö ^

-«•• - ; v,v ••) i\; itt jquot; v t^: -t tt lt;•; 'v 1 v •

a : DTMOI nbx D,3B' niyjD

• it t | v^v : av quot; 5

rim 1ÊDD3 Dh3K n^b ohnstyo1? ornbin ?d,23 ♦33t7^

j- : • : at -: -•••: v.t ; ; • : •'t ^ : i • ' t : • — ^ •

ntsob onnps : N3ï nï» Vs n^ai n:iy Dnfry

jquot; - : v.quot; «tt v. T i quot; t tt *•: • ' v •

s : niNO ysiNi 6]bN namp;on {ö»3a nbtr quot;13003 Dhaw n^4? ohnstro1? onnbin n ^3^

- : • ; at -j -••• : j.t ; : *, ; ^ jt : i it —•

ntaob onnps : N3ï «r b'3 nbyhï nw onvy

— - : s,v quot;Ir-.; it t jquot; v t- t tt lt;•: ~v i v •

3 : niKD DWI {T,

nóc' ifipps orpK n\2b onnstfab anibin ipx » ntao1? onnpa ; N3X kï» b'3 nbyoirv# onamp;y tso^

quot;' s '* r^K nn« 4«

, i •• jquot; -: iquot; i •-• v,v •)* t : - : st v aquot; t

naamp; napos ons» nra1? anna^pV onn'pin ^na: ris30 ntap1? onn^a : msv «r Vs n^pi Dn^jso « a ' : niKD ^sini o^oni namp;bamp; ^naa

■ :- : l-^v , r,quot; ^ : «• t : -

D'iïy 7M,^lr, ♦«♦B'ji pnNi ntro npa onpan n^N ^

j.. . .. T. . j.. • ; ) -: i- ; lt;v | - t v -i •!•*:- v -••

mpa^s vn»i : vn vnSH-n^s1? nntn^K ^

jquot; i : t •gt; : r - ^ it v.t ^ iquot; : jt v r a- vt ^t

nï^^s nbyó) nw anamp;v rso ddsk nvb bniwvn

y t t. - t tt lt;• : ^ I v ' ^t^ t ; • iquot; :

ni«o_trBgt; onpan-Vs vn»! : ^Kii^'S nsï »

v ■■ : (viv ...........-K : quot; t :i - lquot; t : • : i.t t

dering van 23000, — wat te verklaren zou zijn, doordien in dien tusscben-tijd zoovelen het twintigste jaar hadden bereikt. Maar al neemt men aan, dat de Levieten ook bij de telling van Ex. 38 niet werden meegeteld, dan was de tijd niet zoolang, dat eene vermeerdering van ± 1000 twintigjarigen niet als vrij voldoende zou kunnen beschouwd worden. Dat het twee tellingen en niet ééne zijn, blijkt wel reeds voldoende uit het feit, dat de halve-Shekaliem, bij de telling van Ex. 38 opgebracht, voor de voetstukken des heiligdoms werden gebruikt, dat reeds een maand vóór Jiet hier verhaalde was opgericht,

ocr page 16

N U M E R I 1.

47 duizend vijfhonderd en vijftig. Doch de Levieten, naar hun vaderlijke stamhuizen, werden niet met hen mede gemonsterd.

48 Want de Eeuwige had tot Mozes gesproken, als volgt:

49 n— Doch den stam Levie zult gij niet monsteren, noch hun

50 som opnemen te midden van de kinderen Israels. Daarentegen zult gij de Levieten een post opdragen bij het Verblijf van het

fetuigenis, en bij al zijn gereedschappen en bij al wat er bij ehoort; zij zijn het, die het Verblijf en al zijn gereedschappen zullen dragen, en zij zijn het, die den dienst ervoor zullenetuigenis, en bij al zijn gereedschappen en bij al wat er bij ehoort; zij zijn het, die het Verblijf en al zijn gereedschappen zullen dragen, en zij zijn het, die den dienst ervoor zullen

51 verrichten ; en rondom het Verblijf zullen zij gelegerd zijn. En wanneer het Verblijf optrekt, zullen de Levieten het uit elkander nemen ; en wanneer het Verblijf een legerplaats betrekt, zullen de Levieten het oprichten ; doch de vreemde, die nadert,

52 zal gedood worden. En de kinderen Israels zullen gelegerd zijn ieder in zijn leger, en ieder bij zijne banier, naar hunne

53 scharen ; De Levieten echter zullen rondom het Verblijf van het getuigenis gelegerd zijn, opdat er geene gramschap op de gemeente der kinderen Israels kome; de Levieten zullen dus

54 de post bij het Verblijf van het getuigenis waarnemen.quot; De

47. De cijfers voor den stam Levie zijn niet opgegeven, want de Levieten enz. waren niet gemonsterd, daar God tot Mozes nad gezegd (vs. 48). Vs. 47 sluit de mededeeling der telling af en vormt tevens den overgang tot het volgende. — rrpsm, eene samenstelling uit Hoph'al en Hithpa'el: Waren niet ertoe geroepen zich te laten tellen; v. a. een reflexiefvorm van den Kal: lieten zich niet monsteren. — oaina, onder hen, te midden van, te samen met de kinderen Israels, maar zouden afzonderlijk geteld moeten worden, gelijk uit het volgende blijkt.

49. ntaa na -jk. Gij zult de som der kinderen Israels opnemen, doek den stam Levie niet monsteren te midden van de kinderen Israels, maar wél afzonderlijk.

50. nmi. CD' echter, hier v. s. niet in tegenstelling met een tot hiertoe handelend optredend ander persoon, maar: meetellen zult gij ze niet, wél echter. Anderen zien ook hier in rw«o de aanwijzing: Gij, Mozes, zelf echter zult den Levieten hun post aanwijzen, terwijl de telling des volks door Mozes, Aharon en de stamhoofden geschiedde. — Sy ... tpsn, stel aan over, of beter: een post geven bij. Het is hier niet een hoofdambt, waarbij de lagere ondergeschikte functiën door niet-Levieten bekleed worden, — maar eene bediening, waartoe geen ander wordt toegelaten. — mpn jsw», verblijf, waarin de arke met de tafelen van het getuigenis zich bevindt. —• iS -ibs Sa Syi, en bij al wat ermede in verband staat, alle hulpdiensten, gelijk later in den vasten tempel de wacht- en zangersdienst enz. — wno', zullen alles doen, wat tot goede instandhouding van het heiligdom noodig is; niet juist: den officieelen dienst verrichten, maar: de ervoor noodige diensten doen. — iodi enz. Daar de telling immers vooral de ordening naar familiën voor de groepeering in de legerplaats ten doel had, behoefden de Levieten daarbij niet geteld te worden, daar zij niet te midden der andere stammen, maar rondom het Verblijf zouden gelegerd zijn, zooals hoofdstuk 2 nader beschrijft.

1gt;

ocr page 17

K 13103 ï

NS Drax ntsD1? Dibm : D^om niNö Etom D^SK »

j at jquot; - : ^* • ; i- ; r • -ji- v. quot; r* -:i* a* t -t

s : DDins npsnn

it : ^i:it : t

ipfin tih 'V? ntso-n» ik : IdkV nt^D-^ nin» 1311no

I : • - ••• - v I-»- 1 •• jv v {T : 00

ipsn nn«i : ^3 11113 n'bti xb DK'Ki nxv

i-quot;; - t - : iquot; t ; • jquot; ; i ^ : at gt;* quot;* krq v :

■^-i^^s ^rv^r1?! ^-1 nl^ DiVrrnN

3*301 inniB'» om v'ps-bs-nKi ptrsn-nK inbquot; nan

^ r r : ;it : ^ v.quot; : t •• t v : i t ; • - v lt; : • t ••

h:n3i Di^n inx imv ïitrsn vb33i : I3n» p^a1?«

-j i- • • : 1- lt;• it: * quot; ~j kt ; • -

♦33 uni : noi» 3ipn lïni D»^n mx iD^p* r^sn^

•••• : ^ t ; it t - jt - : a- •; 1- ^ Ij'T it: ~

Dibm : DnN3^ iVar1?^ ir'Ni inano-^ wx ^«li^«

• •: 1- : it : • : v : quot; j' : ■»••-: 1- ^ s* a- t : •

♦33 mrty «i^P n^n^Kbi ni^n rs^öb 3*3D i3n»

j.. . I v Iv •quot;.•: 1* : x^'it . IJ' ï ï * t lt;-11-

i'^i : nnyn p^o moi^ö-nK oibn 1101^1 ïirtw0

v ^ii— i^mt ij- : •-%•-• : • v • • : 1- : it : aquot; t : *

51. yD331gt; als 0P Goddelijk bevel, blijkende uit het voorttrekken der wolkznil, het Verblijf zou moeten voorttrekken te midden des volks, rpiT', eig.: neerlaten, de planken uit hun rechtstandige houding doen zakken, om ze op de wagens te laden; de tapijten afnemen, zoodat zij geen dak en wanden meer vormen. — runni, als het weer rusten moest, niet voortgaan, maar een ronn, een legerplaats, zou betrokken worden, in het midden waarvan het «Verblijf moest worden opgericht, wp, zetten de Levieten het op en in elkander. Niet de priesters, zooals Mendelssohn op grond van 4,15 zegt, maar de Levieten waren met het in- en uit-elkander nemen van het heiligdom belast; de aangehaalde plaats spreekt van de gewijde voorwerpen, arke enz., die door de priesters in tapijten gewikkeld werden, alvorens aan de Kehathieden overgegeven te worden. Hier is sprake van het gebouw zelf, dat, nadat de voorwerpen verpakt en eruit genomen waren, door de levieten werd afgebroken. Volgens ééne meening is het afbreken en oprichten van het heiligdom den priester zelfs verboden ('Arachien 116). — um, de niet daarvoor aangewezene, hier: elke niet-Leviet; ook den Israëliet is het op straffe des doods verboden, den Levietendienst te verrichten. — jw, den dood, door God te voltrekken, Dlt;»o T3 nrvK, niet: gerechtelijke doodstraf.

52 en 53. En terwijl nu de Israëlieten gelegerd zullen zijn vuna Sr tw, ieder bij zijn leger, bij een der vier groepen, ieder van drie stammen, en iSjn Sy es, ieder bij zijn banier (d. w. z. in het leger weder bij zijn stam, daar, wel is waar, in het volgende hoofdstuk Sji, een banier, alleen bij den leidenden stam van ieder leger genoemd wordt, maar toch niet onwaarschijnlijk iedere stam zijn vaandel had), — zullen de Levieten gelegerd' zijn rondom enz. — moon—naci, zij zullen de post waarnemen; anderen: zij zullen bewaken of de belangen des.heiligdoms behartigen. — epp nvn xVi. De aanwezigheid der Levieten houdt iederen onbevoegde van nadering tot het heiligdom af, die met plotselingen dood, e)5tp, sterfte als uiting van Gods toorn, zou gestraft worden.

ocr page 18

N U M E R I I, 11.

kinderen Israels deden gelijk al wat de Eeuwige Mozes geboden had, zoo deden zij.

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aharon, als volgt: „Ieder bij zijne banier, naar teekenen, volgens hunne vadershuizen zullen de kinderen Israels gelegerd zijn; op eenen afstand,

3 rondom de tent der samenkomst, zullen zij gelegerd zijn. Die gelegerd zullen zijn naar het Oosten, in de richting van zonsopgang : de groep van het leger van Juda, naar hunne scharen; en stamvorst der zonen van Juda is: Nachshon, de zoon van

4 'Ammienadab. En zijn schare, zijne gemonsterden namelijk,

5 vier en zeventig duizend en zes honderd. En wie naast hem gelegerd zijn: de stam Jissachar; en stamvorst der zonen van

6Jissachar is Nethanël, de zoon van Tsoe'ar. En zijn schare, zijne gemonsterden namelijk, vier en vijftig duizend en vier

7 honderd. De stam Zebulon; en stamvorst van de zonen van

8 Zebulon is Elieab, de zoon van Chélon. En zijn schare, zijne gemonsterden namelijk, zeven en vijftig duizend en vier honderd.

9 Al de gemonsterden, tot het leger van Juda behoorende, zijn honderd zes en tachtig duizend en vier honderd, naar hunne

10 scharen; als de eersten zullen zij optrekken. — De groep van het leger van Ruben zuidwaarts, naar hunne scharen; en stamvorst der zonen van Ruben is Elietsoer, de zoon van Shedéoer.

11 Zijn schare, zijne gemonsterden namelijk, zes en veertig duizend

12 en vijf honderd. En wie naast hem gelegerd zijn, de stam Simon; en stamvorst van de zonen van Simon is Sheloemieël, de zoon van

13 Tsoerieshaddai. En zijn schare, zijne gemonsterden namelijk.

54. Zij deden zoo, verwijderden zich van het heiligdom en lieten de Levieten zich daaromheen legeren.

Hoofdstuk II. 1. Tot Mozes en Aharon gericht, als voor priesters en volk van groot belang (vgl. Lev. 11,1).

, 2. nrwo iSjt hy, bij zijn banier, het groote vaandel van ieder der vier legers, msa, naar teekenen, kleinere banieren voor ieder der stammen, en oras rvoS, naar vadershuizen gerangschikt. — Wat hier nnx heet, kan 1,52 zeer goed Sjn genoemd worden, daar het laatstgenoemde woord eenvoudig: vaandel beteekent; eerst het gebruik van njc naast Sn geeft dit laatste zijn bijzondere beteekenis. Overigens beteekent Sji ook wel eens: het onder een veldteeken vereenigde leger, evenals runn Sjt, vs. 3 de leger-groepeering, de onder den bamer van het leger van den stam N. N. ver-eenigde groep van drie stammen. — Of de vier groote en de kleine stam-banieren door kleur, door een erop aangebrachte afbeelding, of door een opschrift onderscheiden waren, staat niet vast. — i»n, van verre, op een afstand, naar den Thalmoed van 2000 el, rondom; anderen: tegenover en rondom; d. w. z.: vóór den ingang en aan de drie zijden. Daar echter viD rondom de vier zijden beteekent, en er bovendien a'aoi zou moeten staan, komt mij de eerste opvatting waarschijnlijker voor.

3. nmiD noTpgt; v. s. aan de voorzijde van het heiligdom, naar het Oosten toe; hoewel bij Oosten en Zuiden meermalen een dubbele uitdruk-

7

ocr page 19

3 K quot;I31Ö3 T

ö *: wv ra nt^QTiH nin» niï bSs bNitJquot; »33 |

i *r I gt;•• vquot; v ot : st • v -: : ,aquot; t : • -••• ; ^

ibiTby : quot;iöK1? rnns-^Ni ntro-1?» nin* n3T,iN H

lt; ; -•• i •• i v -: i- v : -iv # v t : ^ jquot; -: - 3

nvia-bnk1? 3*3D quot;ub VKniy» »33 urv oniK nn^3

V I ; gt;• T V V • /gt;quot; T : • Jquot; :# v, quot;*»quot; T •quot;* ï ï

Dn«3^ min» n3no ^ nnnra nönp D^nni : wvj

at :•; «.t ; j-t r v )••• t t: • t :l-'quot; • i-i-:i-

onn^öi 1K3V1 • 3nT3;D^-|3 nnin; ys? M'tpyp ntaD vVy D^'nni : ni^io amp;amp;) eibx n^3nK ^

— - vt T r I- : I quot; Jquot;.: l-'^v , * : ^TT :quot;

vnpsi i«3Vi: VNsmnaw» \:nb N^ns^v N^.I^Tntsö : nixo Vpw c]Ssi a^pm n^3i«' D^pmn^s^ npai ixsvi : iVn-js 3N^N |^3T »33quot;?quot; sf?ti ntip nw mn»1? onpan-1?! : ni«ö y3quot;i:«i: ^N0 DnKSï1? nixp-^siKquot;! t]^ D^OB'I

»33^ Dn^nï1? njo'ri |3i«quot;i; mnp d : ' namp;v vnpöi I«3ÏI : i^n^-[3 TIÏ^« frbn^ ntap 'vbj; D3inni : niKp t^öm n^n onn^si IK3ÏI ': n^nirja p^öty ^

king: nm?» nmp /wn 3JJ, gebruikt wordt. Ik meen daarom, dat hier eenvoudig: Oostwaarts vertaald moet worden. De ingang van het heiligdom was aan de Oostzijde, zooals Ex. 26,22 en 27,13 vv. blijkt. Juda en zijn groep waren dus tegenover den ingang gelegerd. Ongemerkt gaat men hier van de Godsspraak in verhaalvorm over, en beschrijft den toestand, zooals die bij het eerste optrekken was, met noemen van vorsten en cijfers. De goddelijke opdracht luidde alleen; „Oostwaarts de legergroep van Juda en naast hem Jissachar en Zeboeloen — deze groep trekt het eerst opquot;. — Al het andere is bij het neerschrijven op het einde van Mozes' leven als verhaal tusschengevoegd.

4- ampai VOSIj en zyngt; ^63 stamvorsten of des stams, mannen-schare, ormpEi, voor zoover zij namelijk geteld waren, d. w. z. voor zoover zij boven twintig jaar oud waren; sus beteekent dan de 20-jarige mannen, nc» den geheelen stam met vrouwen en kinderen. — De in ons hoofdstuk gegeven cijfers komen natuurlijk met die van het vorige overeen, daar zij op dezelfde telling berusten. De legering werd bij de telling tegelijk geregeld. Aan een bijzonder treffend verschijnsel, dat in twintig dagen evenveel 20 jaar werden, als er stierven, behoeft dus hier in geenen deele gedacht te worden.

9- lyD1* rUCNTi ZÜ zUn gelegerd aan de voorzijde van het heiligdom, en, als het leger voorttrekt, zijn zij ook de eersten, die oprukken.

ocr page 20

N U M E R I II.

14 negen en vijftig duizend en drie honderd. En de stam van Gad; en stamvorst van de zonen van Gad is Eljasaph,

15 de zoon van Re'oeël. En zijn schare, zijne gemonsterden

16 namelijk, vijf en veertig duizend zes honderd en vijftig. Al de gemonsterden, tot het leger van Ruben behoorende, zijn honderd een en vijftig duizend vier honderd en vijftig, naar

17 hunne scharen ; als de tweeden zullen zij optrekken. — Hierop zal de tent der samenkomst optrekken, het leger der Levieten, in het midden der legers; zooals zij gelegerd zijn, zoo zullen zij optrekken, ieder op zijne plaats, naar hunne banieren. —

18 De groep van het leger van Ephrajim naar hunne scharen, westwaarts; en stamvorst van de zonen van Ephrajim is Elie-

19 shama', de zoon van 'Ammiehoed. En zijn schare, zijne gemonsterden namelijk, zijn veertig duizend en vijf honderd.

20 En naast hem de stam Menasshé; en stamvorst van de zonen

21 van Menasshé is Gamlieël, de zoon van Pedahtsoer. En zijn schare, zijne gemonsterden namelijk, zijn twee en dertig dui-

22zend en twee honderd. En de stam Benjamin; en stamvorst van de zonen van Benjamin is Abiedan, de zoon van Gid'onie.

23 En zijn schare, zijne gemonsterden namelijk, vijf en dertig

24 duizend en vier honderd. Al de gemonsterden, tot het leger van Ephrajim behoorende, zijn honderd en acht duizend en eeu honderd, naar hunne scharen ; en als de derden zullen zij

25 optrekken. — De groep van het leger van Dan, noordwaarts, naar hun scharen; en stamvorst van de zonen van Dan is

26 Achie'ézer, de zoon van 'Ammieshaddai. En zijn schare, zijne gemonsterden namelijk, twee en zestig duizend en zeven hon-

27 Herd. En de naast hem gelegerden, de stam Asher; en stamvorst van de zonen van Asher is Pag'ieël, de zoon van

28 'Ochran. Zijn schare, zijne gemonsterden namelijk, zijn een

29 en veertig duizend en vijf honderd. En de stam Naphthalie ; en stamvorst van de zonen van Naphthalie is Achiera', de

30 zoon van 'Enan. En zijn schare, zijne gemonsterden name-

31 lijk, zijn drie en vijftig duizend en vier honderd. Al de gemonsterden, tot het leger van Dan behoorende, zijn honderd

14. terwijl 1,14 Sron staat, eene afwijking in namen, zooals

meermalen voorkomt; gelijk Nachm. opmerkt, vooral als beide namen of hetzelfde begrip óf een andere zijde van dezelfde gedachte uitdrukken.— ij mam, en vervolgens de stam Gad. Bij de eerste groep (vs. 8) is de '1 weggelaten.

16. WQ1 a^s d6 tweede der stamgroepen trokken zij op; hoewel

naar l(v4 vv. vóór hen twee Levieten-groepen uitgingen, zoolang Israël op znn tocht was. De legerafdeeling onder leiding van Ruben trok nl. wél het tweede op, doch later, nadat de Levieten, die de heilige voorwerpen (arke, tafel enz.) droegen, dezen, nadat zij verpakt waren, hadden

8

2

ocr page 21

ü •a-iöa n

na Wri -ia naai : niNO efix D^om^ b^aiwi ni^on onnpai in3ïi : Vxi^Tra ep^K»

|v v t ;quot; : lt;t * -J av ••h\: \. t : iquot; ^ ; I v Ktt; •••

nKöpiKquot;) runo1? onpsn-^a : D^om ni«a

- ; 1 •• : Jquot;-j i-; *1%: - T I* • -II- ^v. •• j~ :

ontoï1? D^oni niNO-^aiNi fiSx o^om in^i spit

at : ' : v* * ^ i- : - : | v ■»••• i- tv: | v v

rtina onbri njna D : D'JK'i ^

| -• ; jquot; t •quot; 4quot; v i ^ squot; t : ^ it • v.* * :

bai d : p w -itigt;K3 n:nan ^

v jv iv ••; • ; vt gt;* t * I -••• -ji- lt;v -j i- a i- -

onsK ♦aaS na» Dn^ax1? DHÖK nana

^vt t r v: * - : v -•• : • • t : tat vt : • : ••»-;•.* j- -i i-

: mna t^am nbx d^3quot;»« onnpfii insxi : way-ïa»1

i •• r*-Ji- I v v,*-* v t ;- av ••h\; y. r : i • I v

: iiïmö-ta n^ja aa1? n^i n^aa ntsa =gt;

i t : I v vquot; * : quot; v - ; — ; • • t : av - ; — - v.t^t ;

Ipaa ntsai : D^n^ai e^K aa^ onnpai i«nyi ^ n^an annpai iN3Vi : ajnrp rtON raaa k^ii»

st • av ••ii\: v t : r : • I v I ^t • I • t ; • ; • • t:

n^a nnax n:nab onparrba : niwa yaiNi thtt o^Viri ^

j~ : •-:••• ■'••ii-; * l\ ; - t i •• ^ j- ; - : f v r :

Van D : i^D' DnKaxb nwaï D^K-naatfi

v-«v it * v* '.s ; • ; v.T •• T -: - i : |•-••»•.•

: niy^ay-p nry^nK p aab N^ai anKaxb nabx n nana

it- I v vv- * -: I T-»•• ; * • t: at ; • ; t v t Mt ^--x i-

oahni :niNa ^ d^b'i oat^ onnpai iKavv3

j' r : I quot; jquot; i I v W r • -j- ; av ••! r..; v. t : 73

1x2x1 :pa^quot;p7xw ib'N aaV trüai naa

V T ; I IT; t I V Vquot; • quot; quot; T J- ; • T I Aquot; T -••• quot; ^T T

♦Vnaa naai : ni«a ^ani a^aixi tin onnpsiquot;

A- t ; - V,quot; quot; I •• jquot;quot;.»' fv^v T : - : st v av^ -lis:

nty1?^ onnpsi iN3xi : rrim yym ^nea an1? s^ai ^

yr : _ av ••h\: ^ v, ▼ ï mt •• 1 v * t :--•••; • • t;

n«a n nana1? onpan-Va : niwa ^aixi «iVk o^am ^

j- : I t -quot;3 i- ; -K : - t 1 *• jm t quot; ; fv vv r ■ -11-

opgenomen, trokken deze laatsten naar voren tusschen de legerafdeeling van Jnda en die van Ruben. Men stelt zich dan namelijk voor, dat bij de tochten de vier legerafdeelingen achterelkander voorttrokken; — wat waarschijnlijker is dan dat zij ook bij het oprukken den vorm behielden van de legering : aan ieder der vier zijden van het heiligdom een legergroep.

17. nj?1D SnN. algemeen, — ronon -jva, te midden der legerafdeelingen — gedeeltelijk achter Juda, de heilige voorwerpen achter Ruben. Anderen: dan, nadat Ruben is opgetrokken, zal het heiligdom optrekken en het I^evittenleger en zich plaatsen tusschen de verschillende legerafdeelingen, gedeeltelijk achter het eerste, anderdeels achter het tweede. — p wipns WD', zooals zij gelegerd zijn, ieder bij zijn groep en zijn stam, zoo zvUen zij optrekken; het behoeft niet aan te duiden, dat ook bij de tochten het heiligdom omgeven was door de vier legergroepen.

ocr page 22

N U M È R I II, III.

zeven en vijftig duizend en zes honderd; als delaatsten zullen zij optrekken onder hunne banieren.quot;

32 Dit zijn de gemonsterden der kinderen Israels naar hunne vadershuizen. Al de gemoosterden der legers naar hunne scharen zijn zes honderd en drie duizend vijf honderd en vijf-

33 tig. De Levieten echter zijn onder de kinderen Israels niet

34 mede gemonsterd, gelijk de Eeuwige Mozes geboden had. De kinderen Israels deden, gelijk al wat de Eeuwige Mozes geboden had, — zoo betrokken zij de legerplaats onder hunne banieren en zoo trokken zij op, ieder naar zijne familiën naar zijn vadershuizen. —

1 Dit zijn de nakomelingen van Aharon en Mozes, op den dag

2 dat de Eeuwige met Mozes sprak op den berg Sienai. Dit zijn namelijk de namen van Aharons zonen: de eerstgeborene

3Nadab; en Abiehoe, El'azar en lethamar. Dit zijn de namen van Aharons zonen, de priesters, die gezalfd waren, die men

4 gewijd had om als. priester op te treden. Doch Nadab en Abiehoe stierven vóór den Eeuwige, toen zij vreemd vuur brachten vóór den Eeuwige, in de woestijn Sienai, en zij hadden geene zonen ; nu deden El'azar en lethamar priesterdienst, vóór het aangezicht van hunnen vader Aharon.

31. DirSjnS. het laatste van hunne, Israëls banieren = groepen; v. a. het laatste trekken zij op onder hun banieren.

33. De herhaling van dit vers dient ais inleiding tot de 3,14 voorgeschreven telling en in 't algemeen tot de twee volgende hoofdstukken, die geheel aan de Levieten gewijd zijn.

34- IJ/DJ pi» 200 trokken zij later, toen zij van Sienai weggingen, op, bij anticipatie hier reeds medegedeeld, — wat natuurlijk is, daar immers eerst op het einde der veertigjarige omzwerving de Thora werd neergeschreven.

Hoofdstuk III. 1. Ku overgegaan zal worden tot de opgaven omtrent de Levieten, worden eerst Mozes en Aharon genoemd, die immers zelve de telling hadden verricht en dus niet onder de getelden waren begrepen. Tevens was het zaak de familie van den priester duidelijk aan te geven, die immers, hoewel tot den stam Levie behoorende, toch eene exception-neele positie innam. Daarom rnSin, nakomelingen (vgl. Gen. 2,4). Hoewel in het opschrift wordt aangekondigd eene opgave der nakomelingen van Aharon e n Mozes, volgt alleen die omtrent Aharon; — daar van reed» overledenen in de tellingshoofdstukken alleen de hoofden vau stam- ol familie-groepen, van nog levenden alleen zij, die een officieele positie, als stamvorst of priester, innamen, genoemd worden, ligt er niets vreemds in, dat Mazes' zonen, die immers naar I Kr. 23,14 slechts als gewone Levieten bij hun stam waren ingedeeld, verder niet vermeld worden. Daarom, en misschien ook omdat nij de oudste van beiden was, wordt in ons vers Aharon vóór Mozes genoemd. (Vgl. Ex. 6,28). N achm. wijst er bovendien nog terecht op, dat onder de familie der 'Amramieten, in vs. 27 genoemd, niet anders bedoeld kan zijn, dan de nakomelingen van Mozes, daar 'Amram geene zonen had dan Aharon en Mozes, en de eerste met zijn

ocr page 23

5 2 quot;Ö103 li

nnntó ni«o vw «ibsi D^oni mnah

V : * jt ~zr t a •• J- ; | •• .)• • -:i- : • : | v v

a :

n:nan nipa-ba DriSK n^1? mpa n^K ^

.-quot; - .lt;quot;1 : T:L quot;T quot;, . J'V , T: ■ '•■: ■■•'quot;

niKD trom 0^7« niNQ-trBf onxnvi

*ivi*3 Vtni^ [22 Tjina lipsnn ab D^ni : D^üm^ V5| \:z i nt^DTiN nirv mi ^ vrinöïS'D^iy'Kijrb: pi bn^'? un-p n^a-nK nin»

vt ; : • ; j' ^ r r l-*quot;: •.•••:•: lt; t I iquot; v v t :

a * : vrpK

ina nin» n|i Dib pnx rh^iri n^u-

quot;imVtt Nin^Ni m: i laan pnK-^a nioir n^Ni : TD =

v.t^t ; v • -xi- att - : - i v. -J i- : j : v r* z rr •

-1^« D'n^sn D\:n'3n |SnN nioa' nbN : non^i * MnprQ nin» 'JÖ1? NIH^KI ana nD»i : rnab D-I^ N^Ü ^

t *1; - i: t ; -»•• ; * -• • -:i- -«tt ^tjt~ liquot; quot; : v.tt jquot; •

rna^ ön1? vn-^1? D^ai ♦ro nanoa nin» ♦JÖ'? nnr w

av t -• t i v* t - • -»-:•: t : lt;•• : • tt ••

fi : onpK pnK »33-'?2 non^i

nakomelingschap voor het priesterambt was aangewezen. Indirect zijn dus de nakomelingen van Mozes in ons hoofdstuk toch gereleveerd. — iJ'D na.... 13T Dva. Dit warm de nog in leven zijnde zonen van Aharon, op den dag, waarop God tot Mozes sprak, niet in de woestijn, maar op den berg Sienai, bij de wijdingsvoorschriften (Ex. 28,42 en 29), — vóór den bouw van het heiligdom, op welks achtsten wijdingsdag zij stierven. — nx nai, dat de Eeuwige telkens sprak, lange openbaringen gaf. — naidvq, op den dag van het spreken, ^31 vgl. Lev. 14,43 — waarschijnlijk een onbep. wijs.

3...DWön D'XDn. Naar Ex. 28,41. Deze vier waren als priesters ewijd met hun vader; doordien echter de twee oudsten stierven, zonder inderen na te laten, waren El'azar en lethamar de eenigen, die met en in bijzijn van hun vader Aharon priesterdienst mochten verrichten. — Zouden Nadab en Abiehoe zonen hebben gehad, die na hunne wijding waren geboren, dan zouden ook dezen door hunne geboorte priesterwijding hebben gehad. Omtrent vroeger geboren zonen zou uit onze plaats blijken, dat ook dezen priesterrecht zouden hebben gehad. Vgl. echter onze aan-teekening Num. 25,13.

4. kan hier niet goed beteekenen: bij het leven van, daar Aharon's

zonen van den beginne af aan bestemd waren, om onder hem als hooge-

Ïiriester dienst te doen. Men verklaart daarom :iriester dienst te doen. Men verklaart daarom : onder toezicht van; Nacum. aat deze woorden aansluiten bij an: nw, en verklaart: Nadab en Abiehoe

ocr page 24

N U M E R 1 TTI.

6 5 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Doe den stam Levie naderen, en stel hem ter beschikking van den priester Aharon,

7 dat zij hem dienen. Zij zullen den door hem hun op te dragen post waarnemen, en den waakpost voor de geheele gemeente, vóór de tent der samenkomst, om den dienst voor het Verblijf te

8 verrichten. Zij zullen namelijk bewaken al de gereedschappen van de tent der samenkomst, en wat de kinderen Israels hun ter bewaking toevertrouwen, om den dienst voor het Verblijf

9 te verrichten. En gij zult de Levieten aan Aharon en zijne zonen geven; gegeven, gegeven zijn zij hem uit de kinderen

10 Israels. Doch Aharon en zijne zonen zult gij opdragen, dat zij hun priesterambt trouw waarnemen ; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.quot;

1211 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt; «Want Ik, zie. Ik heb de Levieten uit het midden der kinderen Israels genomen in plaats van elk eerstgeborene, die den moederschoot opent, uit de kinderen Israels, zoodat de Levieten Mij zullen behooren.

13 Want Mij behoort ieder eerstgeborene ; op den dag, dat Ik al het eerstgeborene in het land Egypte sloeg, heb Ik Mij al het eerstgeborene onder Israël geheiligd van mensch tot vee ; Mij zullen zij zijn, — Ik, de Eeuwige.quot;

14 De Eeuwige sprak tot Mozes in de woestijn Sienai, als volgt:

15 „Monster de zonen van Levie naar hunne vadershuizen, naar hunne familiën; alle manspersonen van ééne maand oud en daarboven

stierven hij het leven van hun vader, en mrwo quot;itïSx jro'i beteekent dan: EL'nzar en lethamar hieven als priesters over; de zinbouw verzet zich echter wel eenigszins tegen deze opvatting.

6. doe naderen, breng tot u en Aharon in nauwer betrekking. — •obS wis marm, en stel ze ter heschikking van Aharon, — in fit-.plaatsen — voor persoonlijke hulp. — ins imct, zij zullen hem diensten bewijzen, door handelingen te verrichten, die hij anders zelve had moeten doen. De Levieten zijn dus aangewezen als assistenten der priesters.

7. imatm zijn waakpost, d. i. tegelijk: de bewaking, waartoe hij verplicht is en die hij hun opdraagt; die tegelijk is mvn 73 mssm, een bewaking, die op de geheele gemeente rust; ijn» Snx ■oaS, vóór de tent der samenkomst, terwijl zij zelve het eigenlijke heiligdom evenmin mugen betreden, als de gewone Israëlieten. — ponn man, den ten behoeve van den dienst in het heiligdom noodigen arheid. — Vs. 8 preciseert dat nader; •nofi, bewaken = in orde houden. — mtso» nxi enz. en de taak der kinderen Israëls zelve voor den dienst ten behoeve van het heiligdom, — d. w. z. zij zullen ervoor zorgen, dat alles, wat vanwege de gemeenschap moet worden aangeschaft en gedaan, ook werkelijk aanwezig is.

9. nnrm, gij zult toevoegen, ten dienste stellen. — djwj ojinj, Lus 'Ezra. ; voor altijd gegeven; Luzzatto; als adjuncten gegeven, het eerste DJin: is dan zelfst. nw., het tweede deelwoord. — Sniu» ^3 nsa, v. s. van uit, v. a. vanwege; daar echter op de parallelplaats 8,16 en 19 staat ■pnn, is de eerste opvatting waarschijnlijker.

10. -nan,, zult 'jij de opdracht geven, dat enz., Rashbam: zult gij tot

10

ocr page 25

ntsö-nK bnpn : -ioN^ nin» quot;

-T r-'Si-; ••• -quot;• - v ••!: - i •• jv v : Jquot; -:- f

innöB'p-nx np^i : in'K irn^i jrian pn« ink» quot;I^id bn'x nn^n-Sa n-ió^a-nNi

-: ■-• v «quot; # v -• vquot; : * t -'t t v v ; • v :

r-nDtfö-nw quot;i^io bn'K ♦SrbmK inDiri : pt^snn

. vv,v : • ^ s quot; v j •• ; t v ; it : Iit ; - -

D'^rrnK nnrui : ra^an m'^-nx izyb bNTiy» =

• •: i- ... T -it: Iit^; • j- ^-i v ^ v !i- a- t; • jquot; :

: bNTiy» nKO ib nan DJira D:inj v:a,?i pn^

iquot; t: • jquot; : ^.. •• t •quot; j' z ^ : att : i ^-:i- ;

nipn irm Dnanrm na^i Tpan vja-nNi fhn«-nNv

Vquot;It~ jt - : fgt;tt \ z v v, ï it ; I ; • tt v ; I lt;-: i- v ;

fi : nav

nhbn-nx ♦nnpb mn »3«i : laxb nfa-bK nin»

bNnif» ^ap Dnn *1123 quot;lürba nnn VAnty» ^ina' pN3 niir^D ♦nan hvn niarbi ^ [3 iD^n^vnv ^ nanrnp m^a bKïi^a Siarba ^ ♦n^pn onxa

j' at •• : ^tt iquot; •• t : • : : t lt;* • ; -|; • • - : •

ö * : nin» riK vn»

^rnK ips : quot;ia^quot;? lanaa rtamp;D-bx nin» naTi ^

■quot;■ : v | ; i • j- : - : v v t : lt;••-:- ^

n^ai Bnmaa iDT-^a Dnnfi^ab Driaw n1?

T : v* T ■-' J I ■-■ - .)TT T ftT : : • : vt -» jquot; :

hoofden der Levieten aanstellen, Ibn 'Ezra : zult gij een taak opdragen. — Droro ns iiisbi, dat zij hun priesterambt zelve waarnemen en geen ander toestaan hun daarin bij te staan. — urn, ieder niet-priester.

12. ^{{1, /k zelve ben het, die de Levieten voor hun dienst heb bestemd in plaats der eerstgeborenen, die Ik eerst voor Mijn dienst had aangewezen, tot Ik in Egypte de eerstgeborenen doodde. Volgens de traditie dankte de stam Levie zijne uitverkiezing aan zijne houding bij de zaak van het gouden kaliquot;, waarbij de eerstgeborenen voor goed wérden verworpen. Gelijk dus eerst de eerstgeborenen, zoo zullen nu de Levieten Aft/ behooren.

13. rrr 'h, Mij zullen zij blijven behooren, naar de traditie: de eerstgeborenen onder mensch en dier van Israël, — hoewel voor den dienst des heiligdoms de Levieten zijn aangewezen, — blijven ook in het vervolg Mij gevrijd en moeten onder menschen gelost, onder rein vee als eerstgeborenen geofferd worden. Anderen; w iS, Mij zullen zij, de Levieten, dus behooren, eene geheel onnoodige herhaling.

14. ijijj quot;13103, niet, zooals vs. 1, op den berg Sienai, waar de wetgeving omtrent de priesterwijding was geopenbaard, maar onder gelijke omstandigheden als de telling des volks 1,1, werd die der Levieten in de w o estijn Sienai geboden.

15. yin pO. consequentie van de substitueering der Levieten voor

ocr page 26

N U M E R I lil.

16 zult gij ze monsteren.quot; Mozes monsterde ze op bevel des

17 Eeuwigen, gelijk hem geboden was. Nu waren dezen de zonen van Levie met hunne namen: Gershon, Kehath en

18 Merarie. En dit zijn de namen der zonen van Gershon naar

19 hunne familiën: Libnie en Shim'ie. De zonen van Kehath naar

20 hunne familiën : 'Amram en Jitshar, Chebron en 'Oezzieël. De zonen van Merarie naar hunne familiën: Machlie en Moeshie. Dit zyn de familiën van de Levieten, naar hunne vadershuizen.

21 Tot Gershon behoorde de familie der zonen van Libnie en de familie der zonen van Shim'ie; dit zijn de familiën van de

22 Gershonieten. Hunne gemonsterden, bij telling van alle manspersonen, van ééne maand oud en daarboven; hunne gemon-

23sterden waren zeven duizend en vijfhonderd. De familiën van den Gershoniet waren gelegerd achter het Verblijf, west-

24 waarts. En de vorst van het vadershuis voor den Gershoniet

25 was Eljasaph, de zoon van Laël. De waakpost van de zonen van Gershon bij de tent der samenkomst was: het Verblijf en de tent, zijn dekkleed en het afscheidingsgordijn aan den ingang

26 van de tent der samenkomst.. En de gevlochten gordijnen van het voorhof, en het afscheidingsgordijn aan den ingang van het voorhof, dat om het Verblijf en om het altaar is rondom, en de koordsnoeren ervoor, — en al wat verder tot zijn

27 dienst behoort. — Tot Kehath behoorde de familie der 'Am-ramieten en de familie der Jitsharieten en de familie der Chebronieten en de familie der 'Oezzieëlieten; dit zijn de

de eerstgeborenen, die immers, zoodra zij eene maand oud waren, gelost moesten worden. Boven de dertig dagen oud geworden, wordt een kind geacht levensvatbaar ter wereld te zijn gekomen.

16. DnOttOi naar hunne namen, die echter zelve bij die telling al lang niet meer in leven waren, waren; Gershon, Kehath en Merarie.

18. DDnSCoS» foor zoover zij familiën vormden, — er kunnen meerdere zonen zijn geweest, die echter niet in de rij der familiehoofden zijn opgenomen. Ook dezen zullen vermoedelijk allen reeds vóór den uittocht uit Egypte gestorven zijn. — Als jtgn 'na der Levieten worden hier ongetwijfeld de hoofdstammen beschouwd, drie vadershuizen: Gershon, Kehath en Merarie, — onderverdeeld in ninsu», familiegroepen. Zie vs. 24, 30 en 35.

20. •nSn. van den Leviet, niet: van Levie, — het enkelvoud voor het meerv. zooals gewoonlijk bij geslachtsnamen. Zoo ook bij alle volgenden.

24. 3N» JT3 jrBW. niet: het stamhoofd, daar de geheele stam Levie één geheel vormde, — maar: afdeelingschef, hoofd eener hoofdgroep van familiën.

25. mOCDli en wat te heioaken hadden, — daardoor laat zich rai in het volgende vers verklaren; als stond er: nnoi. — poon, de kostbare tapijten; Srw, de tapijten van geitenhaar; veoc, de dekkleeden van Thachash-en roodgeverfde ramsvellen. (Vgl. Ex. 35,12).

11

ocr page 27

5 quot;iniDS K*

: niï mn» nt^ö DHK ipö^ : D^ipsn«

it v v.quot; -*»- at : -•• « o- .)t Ij :•' i-l; : •

nbxi : moi nnpi ïii^ia onbira nb^-vn'-i tgt;.

v4quot; : i* t; v.t»; i ;iquot; at : • v, quot; : quot;jquot; :''quot;m

nnj5 ^31 : ynw] *p) DnnSEto'? niat^0'

nno nni : pian nnv!'! onns^p1?3 : DnaKn^^nnnsiroDnnb» ^IQI ^nö DhnötrD'?

it -: j'\z v.*quot; - j : z • oquot; vjquot; fgt;' : - vt : : • :

hnstf^p on nns^pi ♦iabn nns^pfi^Squot;3

ntyoi trin-ïap quot;isdds onnpa :

t . at t ••• ^ lv- tt t V quot;| |\ ; i* \ :iquot; -

»3Bhn hnst^D : niNO ironi npaty ofinpa»

a' % ;iquot;- ^ : : • i •• j» -:i- t -: Oquot; : • v quot;1^;

fip^K ax-n^ : na» wn» rattan nn« ^

Ktt; v a-•.. :iquot;- ^t iquot; j-^i tit ^ -:r mt : • - squot;-i i-

bnKnija^pn^iD nnp^pi :

^DD-nxi quot;ivnn : i^id bnit nna Tjpoi inpap13 v-nn^ohKi 2^0 naran-^i ni^K quot;ixnn nna

t t iquot; : A- t - v.quot;: • - ^- ; i .)t : • - SV -: •• t IV - -••.•

nnsi^Di 'D^iDvn nnst^ö nnpbi D : inia^ Vb1? '3

-••-:• • t : it -lt;-: • tl: • : ^ ^ i t i ;

on nbK 'bN^n nns^Di 'inann nna^ai nnvn

vquot; v jquot; a- •• i-'tit - v.quot; : * ; v r — ; • «t ; • -

26. p^on Sy quot;ll^N enz. De gevlochten gordijnen, die, uitgespannen, rondom omgeven, op een zekeren afstand, het eigenlijke heiligdom en het koperen brandofferaltaar, dat in het voorhof stond. — imay SiV, v. s. en zijne koordsnoeren voor al zijn dienst, d. w. z. bestemd om op allerlei wijze, ten dienste van het voorhof, gebruikt te worden, hetzij om de gordijnen vast te zetten, zoodat zij niet door den wind worden bewogen, of om ze, als ze opgerold zijn, vast te binden; — v. a. en verder alles wat tot zijn dienst, dien van het pp», behoort, de ^ is dan bijgevoegd en de woorden correspondeeren met irnau S31, vs. 31 en 36. Vgl. ook 4,26. Hoewel vs. 37 de onjvn, de koordsnoeren van het voorhof genoemd zijn onder de den zonen van Merarie ter bewaking toevertrouwde voorwerpen, kan daar gedacht zijn aan andere touwen dan hier; daar niet onwaarschijnlijk er touwen waren, om de gordijnen aan de zuilen te bevestigen, en anderen om ze met de pinnen in den grond vast te zetten. In ieder geval zien Rashie e. a. zich genoodzaakt, hier bij rnrpn daarom aan touwen van het jswa te denken. Ook 4,26 staan de koordsnoeren der gordijnen van het voorhof onder de zorg der Gershoniden, terwijl 4,32, die der zuilen van het voorhof uan de bewaking der Merariden zijn toevertrouwd. — Hoofdstuk 4 omschrijft den dienst der verschillende Levietenafdeelingen in nadere bijzonderheden, terwijl hier bij de telling van alle manspersonen boven 30 dagen, die dienst slechts terloops wordt aangestipt.

27. ,D^Oyn. de zonen van Mozes, die dus niet bet ambt van afdee-lingschef kregen.

ocr page 28

N U M E R I III.

28 geslachten der Kehathieten. Bij telling van alle manspersonen, van ééne maand oud en daarboven, acht duizend en zes honderd,

29 waarnemende den post bij het heilige. De familiën der zonen van Kehath zullen gelegerd zijn aan de zijde van het Verblijf

30 zuidwaarts. En de vorst van het vadershuis der familiën van

31 de Kehathieten was: Elietsaphan, de zoon van 'Oezzieël. En het hun ter bewaking toevertrouwde was; de arke, en de tafel, en de luchter, en de altaren en de heilige gereedschappen, waarmede men den dienst verricht, en het afscheidend

32 voorhangsel en al wat tot den dienst ervan behoort. En de vorst over de vorsten der Levieten was: El'azar, de zoon van den priester Aharon, belast met de aanstelling van hen, die den post tot bewaking van het heiligdom moesten waarnemen.

33 Tot Merarie behoorde de familie der Machlieten en de familie

34 der Moeshieten; dit zijn de familiën van Merarie. En hunne gemonsterden, bij telling van alle manspersonen, van ééne maand

35 oud en daarboven, zes duizend en twee honderd. En de vorst van het vadershuis van de familie van Merarie was: Tsoerieël, de zoon van Abiechajil; aan de zijde van het Verblijf noord-

36 waarts zullen zij gelegerd zijn. En het opgedragene aan de bewaking van de zonen van Merarie was: de planken van het Verblijf, en zijne sluitboomen, en zijne zuilen en zijne voetstukken, benevens al zijne gereedschappen en al wat tot zijn

37 dienst behoort. En de zuilen van het voorhof rondom en hunne

38 voetstukken, hunne pinnen en hunne koordsnoeren. — En die gelegerd zullen zijn vóór het Verblijf oostwaarts, vóór de tent der samenkomst in de richting naar zonsopgang, Mozes, Aharon en zijne zonen, bewakende de bewaking des heiligdoms, als bewaking der kinderen Israëls; en de vreemde, die nadert, zal gedood

39 worden. Al de gemonsterden der Levieten, die Mozes en Aharon op bevel des Eeuwigen, naar hunne familiën, gemonsterd hadden,

28. jjnpn mOCQ den wachterspost bekleedende bij het heilige, d. w. z. bij de hoogstgewijde zaken, arke enz., in vs. 31 omschreven. Bij het heiligdom deden alle Levieten dienst; het allerheiligste, de tempel-voorwerpen, was den Kehathiden toevertrouwd; vgl. 7,9.

29. -l-p hy, hier: aan de zijde, naast den zijwand, ruwn, die naar het Zuiden ligt, — d. i. ter linkerzijde van hem, die vóór het heiligdom staat.

30. Ook hier weer Elietsaphan, een zoon van den jongsten broeder 'Oezzieël, met het ambt van afdeelingshoofd belast.

si. pna irnBquot; -icn- waarmede men (de priesters, natuurlijk niet de Kehathiden, die slechts wacht, geen dienst doen) den dienst bij de genoemde heilige voorwerpen doet, waaronder misschien ook het waschvat en zijn onderstel is begrepen, — die anders nergens aan een der Levieten-groepen worden toegewezen. — quot;jonm. Daar 25 en 26 de gordijnen aan den ingang van voorhof en eigenlijk heiligdom zijn genoemd onder den post der Gershoniden, kan hier niet anders dan het voorhangsel vóór het Allerheiligste bedoeld zijn, dat ook Ex. 39,34 ■psn rois heet.

12

ocr page 29

5 -imoa y

nio^nbyaiKhmaD lirba nöooa ; ^nnpn nnöK'O™

«- : t'ïatt v ^ I v • tt t - ; * ; # r Tl; - : : •

-♦J3 hnötfD : iripn nnot^ö not^ ni«ö wi 03

,.. : j . . . „j, - vjv : • ^quot; ; i •• : • t -i

nna^D^ awno ra^sn •n^ by wn» nnp4

- : ; • : ^t iquot; r : t it •• Kt : • - | vjv %- a -ir ^.tI ;

rhiöni rn^ni jnxn onno^oi: ^Nnjrn TÖÏ^K wpn ^

jt : - ; 1 t ; \ - : I lt; t it t : - : * iquot; ' \ I v Kt t i* v: # a* t I: ~

: imar Vai Tibahi ona 'imir' quot;ity« ^npn ^31 nnarani

i t i i v : i t t - ; av t ^ :it : jv -i v| - -••• : ^ i ; • - :

np# mpö jrtan pnK-|3 nbn ^

^ian nnö^pi ^nsn nnat^p nnp1? : tfijijn nioirp ^ -?3D nöDöS bnnpfii : mo hnsi^D on rf?N ^

^ i v • tt t v -liv: r t ; j i i • v.quot; v -»••

2N4-n»D : D^nNDi nirtJ' n^oi irTn ^

t iquot; lt;• ; • it t v' t quot;• v t : att

un' p^an rp' t?,n,2N-?2 bwnw nia rins^a^

-Ji- mt ; • - f vjv •v»- at -x Iv • i • t ; ^ : : • ;

vnnai rSt^an Vquot;ip nia niatra mpai : maï^

v.t • ; it;-- •• :l- • t ; : v v ; ^ -»-1 \ : tit

3»2D lïnn navi : inta^ ^bi v^rSsi vaiNi vna^i ^

v t •)quot; t iv squot; \ ; i t i t v. : t •• t ; at t-ii- -«t - ^ :

nanp ritran ^sb D^nni : onnn^ai Dninn om-iKi ^

T :l- T^: - -• ••; - '- = .'••• quot;V ^ 'quot; . «••,••=-:

matfa Dna^vni ïnnxi i ni^a nrnra i i^ia-Vn^

••j*.* ; • • : i t t i ■» -: iquot; : •*'' x n • quot; '• 1 . quot; i '

nipa-1?! :nav anpTn ntni VNntr» nnai^p1? ir^an ^ -VaDnha^a1? nirv 'pri«intranpant^K o^n

t at : : • : it : j- I ) i |- : sv |-t v -i ••: i-

32. mpS, eig. aanstelling, v. d. v. s. belast met de aanstelling en aanwijzing der bijzondere personen, die ieder onderdeel van den waakdienst zoiiden waarnemen; Luzzatto meent, dat het woord van abstracte een persoonsbeteekenis heeft gekregen en hier beteekent: de aangestelde over enz. (vgl. ons woord wacht ~ wachter; staadsraarf — raadgever enz.)

36. mOCD mpai. eig.: de opdracht van de te bewaken dingen, v. s. hier uitdrukkelijk mps, opgedragen taak genoemd, om aan te geven, dat zij niet slechts kregen wat na toewijzing aan de andere groepen overschoot, maar ook hun als ernstige taak de bewaking der zware stukken van het tempelgebouw werd opgedragen.

38. Mozes en Aharon en voa, zijne, Aharons, zonen, niet die van Mozes, die met de andere Kehathiden hun plaats aan de zuidzijde des heiligdoms schijnen gehad te hebben. Zij hebben op te letten en te controleeren de bewaking van ïnpnn, het geheele heiligdom, door de Levieten te verrichten, Ss-wn •lt;» mavih, als hun opgedragen wachtpost der kinderen Israels.

39* nrWCT) gepunctueerd, om er de aandacht op te vestigen, dat, hoewel bij het bevel Aharon niet genoemd is (vs. 15 en 16), toch bij de telling ook hij dienst deed, evenals dit bij de telling der dertigjarige Levieten,

ocr page 30

N U M E R I III.

alle manspersonen van ëéne maand oud en daarboven, waren

40 twee en twintig duizend. — De Eeuwige zeide tot Mozes: «Monster alle mannelijke eerstgeborenen onder de kinderen Israels, van ééne maand oud en daarboven, en neem het ge-

41 tal hunner namen op. En gij zult de Levieten nemen voor Mij, Ik, de Eeuwige, in plaats van al de eerstgeborenen onder de kinderen Israels; en het vee der Levieten, in plaats van

42 alle eerstgeborenen onder het vee der kinderen Israels.quot; Mozes monsterde gelijk de Eeuwige hem geboden had, al de eerst-

43 geborenen onder de kinderen Israels. Toen waren alle mannelijke eerstgeborenen, bij telling van namen, van ééne maand oud en daarboven, naar hunne gemonsterden, twee en twintig duizend twee honderd drie en zeventig.

45 44 Hierop sprak de Eeuwige tot Mozes, als volgt: „Neem de Levieten in plaats van al de eerstgeborenen onder de kinderen Israels, en het vee der Levieten in plaats van hun vee; en de

46 Levieten zullen Mij behooren. Ik, de Eeuwige. En als losgeld voor de twee honderd drie en zeventig, die meer zijn boven

47 de Levieten uit de eerstgeborenen der kinderen Israel's, — Zult gij nemen telkens vijf Shekaliem per hoofd; naar den Shekel

48 des heiligdoms zult gij nemen, twintig Géra de Shékel. Dit geld zult gij aan Aharon en zijne zonen geven, als losgeld voor

49 de overschietenden onder hen.quot; Mozes nam het geld der lossing vanwege de overschietenden boven de door de Levieten gelosten.

4,1; 34; 37; 41 en 45 het geval was. Hijzelf was dan ook naar Midrash niet medegeteld. — De samentelling der gegeven cijfers voor ieder der drie Levietengroepen geeft 22300 Levieten, terwijl hier slechts 22000 genoemd zijn. De Thalmoed tracht dit te verklaren, door de bewering, dat onder de 22300 een aantal van 300 eerstgeborenen was, die niet ter lossing van eerstgeborene Israëlieten konden dienen; daar nu het hier gegeven eindcijfer alleen ten doel heeft aan te geven, hoeveel Levieten van eene maand oud er waren, die ter lossing van eerstgeboren Levieten konden

dienen, zouden die 300 eerstgeboren Levieten niet zijn meegerekend. _

Het relatief klein getal eerstgeborenen, 300 op 22000, en bij Israël 22273 op 600000 twintigjarige mannen, laat zich verklaren, doordien slechts mannelijke kinderen gerekend worden, die den moederschoot openen; gevallen dus, waar het eerste kind een meisje was, zijn uitgesloten. Sommigen nemen bovendien nog aan, dat uitsluitend gedacht moet worden aan na den uittocht geborenen.

40 j VToor.één keer moest eene telling der eerstgeborenen plaats hebben, om de Levieten officieel in hunne plaats te doen treden en als het ware iederen eerstgeborene tegen een Leviet in te lossen. Alle latere eerstge-borenen zijn van dienst bij het heiligdom ontheven en slechts aan de reeds Ex. 13,13 voorgeschreven lossing onderworpen.

4i. onSnnona JTffl. Daar eerstgeboren rein vee, zelfs nadat het een lichaamsgebrek heeft gekregen, niet gelost wordt, maar den priester moet worden gegeven, kan hier aan lossing van eerstgeborenen van rein vee

13

ocr page 31

a -inöa ^

D *: idt» |

tynn-|30 bk')®* SDT iDr^a ips n^o-bN nin*

v I •- * •• t; • ^quot;: * tt lt; ; t I : v ( v t :

^ D'l^n-nK nnpbi : Dnbir iödd n« k'b'i n^jroi«»

j'-: j' ' z i~ v t :^I-it : it : j~ : * vquot; t : t c at t

nnn D'l^n nana nxi VnTbquot; ^22 nnn nin»

-j- • • ; 1- j- v: tv •• ; aquot; t :•■»••; • ^ : t quot; jquot; t :

niï nibo ipö'i : nanaa nisr'ja30

jr' ■)'-• -r^r v p l-quot; : • - iquot; t ; • jquot; : v~ v; iv : ; t

-IST TiDa-bo 'nn : ^23 quot;iiaa-^-nN inx nin*«

^ tt ; t • :- i- t: ' jquot;: ' ^ : r v a ;

an'^vi onnpöS rhyw ^tn-po rim -löoaa

•; l.* : •lt;-: av quot;li'v: * t ; t v j I v • •) •• j': \z

ö : D^nKüi ntrbu' ei1?^

• it t ^* ; * ; jt : | v v

niDa-ba nnn D'^rrnK np : -iOKb n^Q-^K nin» isti ™

; t - lt;- • • : 1- v !-•- 1 •• jv v vt : r* -:quot;nD

D^iVn ^-vni onona nnn D'ibn nona-nxi ^aa

^ 1- r it; at: v ; - •»- v.* * : •quot; J' v: iv : •• t: •-gt;••:•

D'Siivn D'nKDni D^aurn ntb^n «ns nNi :nin* »3««

• i 1 t 'at t - : v.; • - : t : - -quot;• ; •• : .,t : jquot;s

niyon niron nnj^Si. : bjSfiE^ ^a HDaü ra

: nna anamp;y n^n Vnpn b^a nïamp;ib n[3»i : Dna D^l^n vaabi e]Dan nnn^ ^ : D^'pn ü^l'^n htiD Dinsn f]D3 nx n^D

der Israëlieten tegen dieren der Levieten niet gedacht worden. Het zoude dan eenvoudig eene confiscatie van het vee der Levieten zijn geweest, daar die eerstgeboren dieren immers öf als tos geofferd en hun vleesch door den priester gegeten, of, als met gebreken behept, geheel aan den priester zou gegeven moeten worden. De Thalmoed denkt dan ook aan eerstgeboren ezelsveulens, die naar Ex. 13,13 gelost kunnen worden. Dat vee schijnt niet geteld te zijn, maar in massa als lossing te zijn beschouwd (vgl. Rashib).

46. quot;T1S, een zelfst. n.w. gevormd als D^lpl lossing, losgeld.

Vat men het als verleden deelwoord op, dan staat er: de te lossen personen onder de 273 — terwijl dezen allen gelost moesten worden, — SïBgt;sirn DiiSn, die er aan eerstgeborenen meer zijn dan Levieten.

47. ntfori' de som van vijf Shékel, die 18,16 algemeen als lossingsbedrag voor eerstgeborenen is bepaald, en tegelijk het Lev. 27,6 vastgesteld bedrag van een knaapje boven eene maand; dit geld werd den priester gegeven, terwijl voor ieder ander eerstgeborene een Leviet den priester als het ware //gegevenquot; was.

49. OMSn quot;na. de door Levieten geloste Israëlieten, voor wie Levieten gesubstitueerd waren.

ocr page 32

N U M E R I III, IV.

50 Van de eerstgeborenen der kinderen Israels nam hij het geld, een duizend drie honderd vijf en zestig [Shékel], naar den

51 Shékel des heiligdoms. Mozes gaf het geld der lossing aan Aharon en zijne zonen, volgens het bevel des Eeuwigen; gelijk de Eeuwige Mozes geboden had.

1 De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aharon, als volgt:

2 Neemt de som der zonen van Kehath op, uit het midden dei-zonen van Levie, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen.

3 Van dertig jaren oud en daarboven tot vijftig jaren oud, al wie voor den dienst opkomt om werk te doen bij de tent der

4 samenkomst. Dit zij de dienst der zonen van Kehath bij de

5 tent der samenkomst: het allerheiligste. Aharon en zijne zonen zullen namelijk komen, als het leger optrekt, en het afscheidend voorhangsel afnemen; en daarmede de arke van het getuigenis

6 bedekken. Dan zullen zij er een dekkleed van Thachash-vel overheen doen, en een kleed geheel van hemelsblauwe wol spreiden daarover, en zijne draagboomen aanleggen.

, 50. naa nan, naar het vroeger opgemerkte, natuurlijk van de vaders der eerstgeborenen; en wel van de 273 overschietenden, die vermoedelijk bij loting werden aangewezen of wier vaders zich vrijwillig tot betaling der vijf Shékel aanmeldden. Anderen meenen, dat de lijsten der eerstgeborenen naar aanmelding werden opgemaakt en dat zij, nadat het cijfer van 22000 was bereikt, gesloten werden, zoodat allen, die zich later aanmeldden, tot lossing gehouden waren. Daarom moesten die lijsten met namen, niaü ibddd, worden opgemaakt. Luzzatto ziet in ons verseene nadere verklaring van de woorden D'stïn enz. in het vorige. Hij meent namelijk, dat de 1265 Shékalim werden omgeslagen over de 22273 eerstgeborenen, zoodat allen er aan mee betaalden; terwijl het diende tot lossing der 273, die er meer eerstgeborenen dan Levieten waren.

Hoofdstuk IV. Terwijl in het vorige hoofdstuk allen geteld worden, die tot Levietentaak kunnen geroepen worden, en dus van een maand oud af zonder een maximum-leeftijdsgrens, — worden hier de voor actieven dienst in het heiligdom geschikten geteld, in den leeftijd van 30—50 jaar. De telling geschiedde door Mozes, Aharon en de stamhoofden, zooals vs. 34 en 46 blijkt. Vs. 1—33 beschrijft in bijzonderheden den dienst van ieder der groepen, die hoofdst. 3 reeds globaal was aangegeven; 34—49 de telling.

2. als de uitstekendsten, op den voorgrond tredenden uit het midden van de Levieten; hoewel Kehath vermoedelijk niet Levie's oudste zoon was, hebben de Kehathiden de gewichtigste taak. Daarom wordt van hun telling het eerst melding gemaakt.

3. rut? po., Dertig jaren is de leeftijd, waarop de Leviet tot den dienst bij het' heiligdom geroepen wordt. Wanneer 8,24 de vijfentwintigjarige leeftijd als minimum wordt aangegeven, dan kan dit óf met Rashie als een voorbereidend novitiaat van vijf jaren, of met Ibn 'Ezra en Rashbam als toelating tot de lichtere handlangersdiensten (mc) worden opgevat, terwijl voor den zwaren dragersdienst, miaï, de dertigjarige leeftijd wordt vereisc'ht. Eindelijk kan met Nachm. de geheele plaats van hoofdstuk 8, als facultatief, niet als imperatief worden opgevat. (Vgl. onze aant. ter plaatse). — rosS», dragerswerk (Ibn 'Ezra).

14

ocr page 33

i a -imDn v

n^on «iD3n-n« npV IIDS HK»1

j i • • ; t • -: I v fir- Ij-t v.quot; t : * jquot;; •) ; •• quot;

pnN1? onsn e)prn« n^o \m : tri^n e]1?»! hind w fi * : riBto-m nin» niï nin* vnbi

iv v : jt ' .)•.• -; i- at ; -•• ^.t t :

♦33 Wthk N'tba : iaxS n^o-^N nïrr isnnN

j-: ^ v t i •• I (.-: i- v : jv v t : 3

no : Dnbx n^1? Dnnat^ nS »33 TiinD nnp1

lt;• : I v • ^it -: jquot; : it ::•:/.••■■•••: I V, * ^ tI :

nf^NS-tf1? «3-l73 njtr D^an-p nyi nV^bi niir

j ^:|- t t - t t at t •*• * *1 i v : t^t - t t t

n^io ^«3 nnp-^3 nquot;i3V hkt : n^io l?njlt;3 HSK^O ■gt;

*5,quot; v j : ^t i : iquot; : ^ j- •) ^iquot; v j : v.t t :

dn rnim ninsn ^d:3 v:3i fin« ^31 : D^ipn tr-rpquot;

^.. . . v-: i— ^ j ; • tt i lt;-:i- t ^ i- tit- v|^

♦IDS vty unji : m^n pK nx nriosi ■noan nsis1

; t t* ■« ;it: -it i j-i vquot; t • : |at t - v ■'t

*; vi3 ID'^I nbsn b^s-ias Vt^iöi K'nn -iiy

it- V t : t . at : • ■-■(_quot; : .)■ : viv s :it - - j

4. jTljy, het voorwerp van dienst der Kehathiden zal zijn B'cnpn cnp, de meest geheiligde zaken, zooals verder volgt. Het is hier niet; het allerheiligste, daar met, noch in het tempelgebouw de Kehathiden iets te doen hebben. — in» hnss, het voorwerp in den tempel, waarbij zij dienstdoen,

of: hun dienst b ij het heiligdom.

5. Zooals uit vs. 15 blijkt, mochten ook de Kehathiden de gewijde voorwerpen niet aanraken; de inhulling voor de reis geschiedde door de priesters cn na de omhulling gaven dezen ze aan de Kehathiden over, die slechts te dragen hadden. — ronnn roaa, als het leger zal optrekken, of: begonnen is op te trekken, zooals v. s. hoofdstuk 10 blijkt. — mim, staande in het heilige, dat ook door gewone priesters voor dienstbelangen mocht betreden worden, zullen zij het voorhangsel afnemen en over de arke werpen, zoodat zij deze niet zien.

6. vSy. over de arke, of: over den ids. De arke wordt, evenals de tafel, in drie kleeden gehuld, — bij de arke is het blauwe dekkleed het bovenste, bij de tafel het onderste. Ibn 'Ezra meent echter, dat ook bij de arke het Thachashvel bovenop was, om tegen stof enz. te vrijwaren, wisi is dan meer dan volmaakt verleden tijd. — V. s. hebben wij hier de Ex. 31,10 genoemde m» nj:, die naar Ex. 39,1 uit hemelsblauwe, purper- en karmozijnroode wol bestonden. — ma moi, zie onze aant. Ex. 25,13—15. De zin is waarschijnlijk; ze zoodanig verschuiven, dat zij aan weerszijden even ver uitsteken, zoodat de dragers voor en achter draagstangen vinden, terwijl ze, als de arke in den tempel stond, aan de voorzijde verder uitstaken, dan aan de achterzijde. Ibn 'Ezra meent, dat men ter vergemakkeliiking der inhulling, de draagboomen afnam, terwijl het verbod van Ex. 25,15, om de draagboomen af te nemen, niet zou gelden als dit voor den dienst noodig is; vsüi beteekent dan; er weer aan bevestigen. Hij geeft als tweede opvatting: men zal de draagstangen leggen op de schouders der Kehathiden. Hier wordt echter slechts behandeld wat de priesters te doen hebben, alvorens de Levieten de gewijde zaken in handen krijgen. Eerst vs. 15 beschrijft de overgave aan de Levieten, — wwi, nS», waarschijnlijk onder den invloed van den omkeerenden quot;i.

ocr page 34

N U M E R I IV.

7 En over de tafel der toonbrooden zullen zij een kleed van hemelsblauwe wol spreiden, en er de schotels, en de lepels, en de reini-gingspijpen en de stutten ter bedekking opleggen; het altijddu-

8 rende brood echter zal er opliggen. Daarna zullen zij er een kleed van karmozijnroode wol over spreiden, dit met een dekkleed van Thachashvel bedekken, en hare draagboomen aanleggen.

9 Dan zullen zij een kleed van hemelsblauwe wol nemen, en daarmede bedekken den luchter tot verlichting, en zijne lampen, en zijne tangetjes en zijne aschbakjes, en al hare oliegereedschappen, waarmede men daarbij den dienst verricht.

10 Dan zullen zij hem en al zijn gereedschappen in een dekkleed

11 van Thachashvel doen, en op een draagbaar leggen. En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauwe wol spreiden, en het met een dekkleed van Thachashvel bedekken,

12 en zijne draagboomen aanleggen. Vervolgens zullen zij al de dienst-gereedschappen nemen, waarmede men in het heiligdom den dienst verricht, en die in een kleed van hemelsblauwe wol doen, en ze met een dekkleed van Thachashvel bedekken, en

13 op een draagbaar leggen. Vervolgens zullen zij het altaar van asch zuiveren, en er een kleed van purperroode wol over heen

14 spreiden. Zij zullen er op leggen al zijne gereedschappen, waarmede men daarop den dienst verricht: de scheppannen, en de vorken, en de schoppen en de sprengbekkens, al de gereedschappen van het altaar; en er een dekkleed van Thachashvel over uitspreiden, en zijne draagboomen aanleggen.

7. D'jan jnSt? — O'JBn on1? jnSt'. — Over mrp enz. zie Ex. 25,29. Dezen werden, na de inhulling van de tafel met het blauwe kleed, daar bovenop gezet, en eerst dan kwamen er de 2 andere dekkleeden van vs. 8 overheen. — Tgt;»nn DnSi, het altijd op de tafel liggende hrood—dat Immers eiken Sabbath vernieuwd werd (Lev. 24,8). — tgt;%', zal op hem, de tafel, zijn, d. w. z. het toonbrood echter zal op de tafel zijn blijven liggen. Zij nemen het er niet af vóór de inhulling — daar het ■pun on1? is.

9- nVTtë DNV Sommigen bewijzen hieruit, dat de lampjes van den luchter evenmin aan den luchter zelf vastzaten, als de andere hier genoemde voorwerpen. Men kan echter verklaren, dat nwu nso hier is bijgevoegd, om eene opvatting te voorkomen, als zou de luchter slechts tot aan de lampen omhuld zijn, die dan op reis zouden doorbranden. (Vgl. onze aant. Éx. 25,37 en 38). — rusw Sa, de voorwerpen, waaruit de olie geschonken werd bij het vullen der lampen en waarin de overgebleven olie werd opgevangen.

10. nDDÖ ., .13DJ1. Naar Rashie : een soort foudraal, waar de luchter ingestoken werd. — tswn Sr, op de draagbaar; hoewel op verschillende plaatsen Dia een draagstang schijnt te 'zijn, en Rashbam dan ook hier denkt aan een draagstang, waaraan de ingepakte luchter werd opgehangen, kan het zeer goed zijn, dat toch aan een draagftaar gedacht is, waarop de gewijde zaken stonden, die geen ringen hadden en dus niet

13

ocr page 35

1 quot;D-IÖÜ 113

-j-ik unn hbbn us D^ian rnSir i

t t quot;* i it : v •• ; __ •••-••.• : ; • ^ * t - i -•- ; ■.. ;

Dn^ Tjwn ni^i? nw h^iipn-nxi naan-nNi iddi ♦it^ n^Vin naa on^ Vt^nai : n^n» rbv n»onnn

j . ; t v v« v '•^—. ■» :it iv ;r ^t^t V t-

nb5n njs i inpbi : vnrnN IÖB'I i^nn quot;iiv norm inn»

..... . ...j... j i :it : ,tquot;. v ^ t s quot; ^7, : * 1

-nxi n^npVo-nNi rrnnrntti UNsn n-iaö-riK iém

v : t v** 't : - v : t v v : t - f 1 v ' 1

unai : DrDnVimt^ nim nxi n^nhna ^

* : it : iv t v.t :it : jv t t ; - -quot;• ; t •• ; t av : -

: üian-^ un:i i^nn noDD-bx n^a-^-nNi nnN

i - v. : it ; ' *t . ■* v.quot; ^ * v t v *• t v ; t

nMps ink imi. nbbn in nntn natp '

iitk n^n ^rVa-nK 'inpSi : vistik töm trnn niv ^

sv -: quot;t. ' ** ! t v. i: it : ^it - v v t : - at ^

nM03 DJTIIN iddi rhbr\ quot;ÜS-VK ^ipa Dn-im^1

: • : t -• • : •.•••: v-v v ;it: vl - jt ;it :

vSy i'cifii naran-nK liishi : üisn-^ B'nn quot;iiv ^

tt •* :it -Aquot;:*- ^ v ^ : •; p'pquot; i :it: -at

vby imiy» ntsto vbV^-nK vbp unai : ?Ü51N

-t _t s :it ; -v -i t •• t^ v t *t j :it; I it t : - v^v

npmsn-n^i D^'n-nxi riamp;TörrnK nnnan-n« öns

)t;*- v : *gt;t - v ; t : • - v lt; : - - v v t

: via löfci rnn iiy noa Ttynssi natsn Sa

it- j t : - v.- ~ •) : r*t ^ ut -aquot;: •--••: ^

met ons gedragen werden. Wanneer eenige malen bim nbj voorkomt, dan kan dit zeer goed beteekenen: door middel van, al stonden de zaken erop; en men is niet gedwongen te vertalen: aan een draagboom. — Het bep. lidw. komt speciaal bij Din herhaaldelijk voor, zonder dat het bepaald aanwijzende beteekenis heeft. Anderen verklaren: op den eenen draagbaar, waarop alle niet aan stangen gedragen voorwerpen stonden. Nog anderen: op den daarvoor bestemden draagbaar.

12. npa D3 mw quot;irx Dien ^2 sa. Volgens Ibn 'Ezra: messen en andere niet genoemde voorwerpen van dienst. Volgens Rashie: de voorwerpen voor het reukwerk, waarmede dienst wordt gedaan in het heilige. Men ziet dan echter niet in, waarom deze niet met het gouden altaar te zamen verpakt werden; en bovendien zou, indien die voorwerpen bij het gouden altaar dienst deden, moeten staan i'S» imo' iwn (of iS); zooals vs. 9 en 14. Anderen denken hier aan het, anders nergens vermelde wasch-vat. Velen nemen daarentegen aan, dat dit onverpakt vervoerd werd.

13. Daar het uitmaken van het vuur v. s. ook op de tochten verboden was, rijst de vraag, hoe dit kan blijven branden, zonder schade voor de dekkleeden; v. s. werd daarvoor de irons gebruikt, een klokvormig groot koperen bekken, dat dan onder de kleeden over het altaar werd gezet.

14. Evenals bij de tafel, komen op het eerste dekkleed de gereedschappen en daarover het volgende kleed. Over de hier genoemde voorwerpen zie Ex. 27,3.

ocr page 36

N U M E R I IV.

15 Als nu Aharon en zijne zonen geëindigd zullen hebben met het heilige en al de heilige gereedschappen te dekken, bij het optrekken van het leger, dan zullen daarna de zonen van Kehath komen om te dragen ; en zij zullen het geheiligde niet aanraken en sterven. Deze zijn de door Kehath's zonen te

16 dragen voorwerpen bij de tent der samenkomst. Endeopgedra-

ten taak van El'azar, den zoon van den priester Aharon, zal zijn e olie tot verlichting, en het reukwerk van specerijen, het dagelij ksche meeloffer, en de zalfolie, het toezicht over het geheele Verblijf, en al wat er in is, met betrekking tot het geheiligde en zijne gereedschappen.quot;en taak van El'azar, den zoon van den priester Aharon, zal zijn e olie tot verlichting, en het reukwerk van specerijen, het dagelij ksche meeloffer, en de zalfolie, het toezicht over het geheele Verblijf, en al wat er in is, met betrekking tot het geheiligde en zijne gereedschappen.quot;

17 De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aharon, als volgt:

18 //Maak, dat de tak der familiën van de Kehathieten niet uit het

19 midden der Levieten uitgeroeid worde. Dit doet namelijk hun ter wille, opdat zij in het leven blijven en niet sterven, wanneer zij tot het allerheiligste naderen; Aharon en zijne zonen zullen komen, en hen plaatsen ieder bij zijn dienst en bij zijn draag-

20 post. Zij echter zullen niet binnengaan om te zien, als men het heiligdom inhult; zoodat zij zouden sterven.quot;

15. ttnpn DN) volgens Rashie; arke en altaar; o-ipn 'Sa de overige voorwerpen; v. a. worden onder ftp de eigenlijk gewijde voorwerpen (tafel, luchter enz.), onder cipn de gereedschappen voor den dienst dier voorwerpen verstaan. — rosa ••••rtoi, Mendelssohn en anderen: Aharon zal dit bedekken en inpakken geëindigd hébben, als het leger begint op te trekken; — dit is echter niet noodig, vgl. 10,17. De zin is veeleer: wanneer zij — telkens als het leger vertrekt — geëindigd zullen hebben enz. zullen daarna enz. — irai • ■ • lyji nSi. Dit laatste woord öf nog beheerscht door nSi, óf als gevolg van een ondersteld aanraken: zoodat zij zouden sterven, een plotselingen dood als hemelsche straf voor hun aanraking (vgl. I Sam. 6 en II Sam. 6). — iw nSi, directe aanraking, zonder dat iets hun hand van de gewijde voorwerpen scheidt. — rhs, deze voorwerpen vormen het door de Kehathiden te dragen deel van het heiligdom.

16. rnpfil. de taak; v. s. toezicht op de bereiding en geregelde verzorging van den voorraad; v. a. het vervoer; n. a. de verdeeling der draagambten dezer zaken; dit laatste is vermoedelijk de beteekenis der slotwoorden van ons vers: hij verdeelde de verschillende functiën bij het heiligdom en wat er in was, voor zoover het geldt cnp, de gewijde voorwerpen, en de daarbij gebruikte gereedschappen; — speciaal dus wat de Kehathiden aangaat, terwijl hij als algemeen opperhoofd der Levieten ook de hoofddirectie van het Verblijf zelve had, hoewel lethamar met de eigenlijke functiën-verdeeling belast was. Juist daarnaast kan hem echter een speciaal toezicht zijn opgedragen over de hier genoemde zaken, die hij dan zelve te verzorgen had. Zelve ze te dragen, zou, naar Nachm. reeds opmerkt, voor één man te veel zijn. — Het hoofd der Kehathiden had

16

3

ocr page 37

1 *0-103 TE

unpn nèsquot;? vinfnnx nbai10

vl - jquot; : t ; v| - v - : t t i i-» i- -«t • :

nNib1? nnp-»:3 )ay p-nnKï runan ^bJ3

j : • 1 : •• t tl; r* : lt;t l •• ••-: 1- : v-ji- - - *

n^pöi : -1^10 'jnka nnp-^a xm rhn inoi rtpn «=

-P'v : nquot; v j : ^ vrh iquot; : jt - v .)•• a-t v|^ -

nnaüi D^QDH nitDpi nxan ro^ rrtsn rhnN-ra i

j- : • . - - vj^I: t ~ i •-• lt;v i •• - I •»-j 1- I v ■'t t: v

iïips )T*\vi*-bD) ptparr^ mpö nn^an totyi rünn

v|^ ; v -: t : I t ; * - t -|-. ; at ; • - I •-•-••.• ; v* t -

Ö : 1^331

it •• :

TIK innpn-bx : -ia^S nin; naTi. *;;

vniDn1? im 1 nNTi : D^n -jina ^nnpn hnst^a ^

t ; v t : quot;* '• i* * : i~ I v. ' a* t »: quot; •» ; ; • # •■• v,quot;

lair^ itó» vj3i pnx D'Ehpn ^ip-nw on^a m ah»

^ t : t tt i lt;-:i- a* tit- v)j v v.t : • : '-.t ■* :

niNquot;iV 'iïy-abï : ix^a-bxi WH dhin3

•gt; : • s t 1 : it- v : r 1 •)• r r

a : mai K'npn-nK jrèoa

iquot; t v| ; - v ^ j— :

dan waarschijnlijk hoofdzakelijk de registers bij te houden en voor de uitvoering van El'azars bevelen te zorgen. —Bij de beide andere Levieten-groepen is, behalve het groep-hoofd, ook een zoon van Aharon, lethamar, aangewezen om de hoofdleiding in handen te nemen. — ■pwin nru», het dagelijks door den hoogepriester te brengen meeloffer (Lev. 6,13). Van den wijn voor de plengoffers wordt hier niet gesproken, vermoedelijk omdat die overal gemakkelijk te krijgen zou zijn. Meelbloem daarentegen was schaarsch. Alle andere hier genoemde zaken zijn samengestelde, extra bereide stoffen.

18. ÜStT) hier niet zoo algemeen: stam, als wel: tak, het deel van den Levietenstam, dat door de familiën der Kehathiden gevormd wordt. — ini-on Sn, wees niet aanleiding, of: verhinder, dat uitgeroeid worde, — daar iedere directe aanraking, misschien zelfs aanschouwing, hen zou doen sterven.

19- W3''. zullen komen tot de Kehathiden, nadat de verpakking der gewijde voorwerpen is afgeloopen, oms i»bi, en ieder voorschrijven, wat hij te verrichten zal hebben, en plaatsen bij wat hij aal hebben te dragen. Misschien is bs- = Sr en imay en ix»» — iscn may, het voorwerp van

zijn draagdienst.

20. UO1 J{blgt; sy zullen niet het heiligdom binnengaan. ïSas, eig. doen inslurpen, v. d. aan den blik onttrekken; anderen: als een slok = al ware het maar een oogenblik; ïnpn ns behoort dan als voorwerp bij nisiS (vgl. Job 7,19). Nog anderen zien in ïSa een synoniem van ihs, vgl. Ps. 55,10; en verklaren: scheiden, uit elkander nemen. — ti-ipn ns, de gewijde zaken, speciaal de arke, maar niet uitsluitend.

ocr page 38

N U M E R I IV.

22 21 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: wNeem de som der zonen van Gershon op, ook van dezen, naar hunne vadershuizen,

23 naar hunne familiën. Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, zult gij hen monsteren ; al wie opkomt om eenigen dienst te doen, om eenigen arbeid bij de tent der

24 samenkomst te verrichten. Dit is de arbeid der familiën van

25 de Gershoniden: dienst te doen en te dragen. Zij zullen dragen de tapijten van het Verblijf, en de tent der samenkomst, zijn dekkleed, en het dekkleed van Thaehashvel, dat er boven over heen is, en het voorhangsel aan den ingang van de tent der

26 samenkomst. En de gevlochten gordijnen van het voorhof en het voorhangsel aan den ingang van de poort van het voorhof, dat om het Verblijf en om het altaar is, rondom, en hunne koord-snoeren, en al het gereedschap voor den dienst ervoor; en al

27 wat er voor gedaan moet worden, zullen zij verrichten. Volgens bevel van Aharon en zijne zonen, zal de geheele arbeid van de zonen van de Gershoniden geschieden, met betrekking tot al wat zij te dragen of wat zij te verrichten hebben; en gij zult hun opdragen als waakpost alles wat zij te dragen hebben.

21. De telling der Gershoniden en Merariden wordt met een afzonderlijk ia-pi ingeleid, le omdat de Kehathiden geteld waren ii1? ija -pra (vs. 2) en hun dus een bijzondere plaats in den stam Levie was aangewezen, terwijl Gershon en Merarie ongeveer op één lijn staan; 2e omdat na de Kehathiden-telling de bijzondere, voor hen speciaal geldende vermaning vs. 17—20 was bijgevoegd en nu de draad der tellingsvoorschriften weer wordt opgevat.

22. DH DJ, door sommigen opgevat als eenvoudig toevoegsel: — ook hen — evenals vs. 2 van de Kehathiden is gezegd; — worden deze woorden door anderen als inleiding tot het volgende genomen: tel de Gershoniden, ook hen, evenals de Kehathiden, naar vadershuizen en familiën, van dertig jaar oud enz.

24- may, dienst, algemeen voor: opgedragen werk, — zooals vs. 47 blijkt, behalve algemeene term ook aanwijzing voor specialen dienst, daar t. a. p. mar mar, werk-taak, naast nd» mar, draagtaak, voorkomt. sonVi kan dus zeer wel de beide zijden van de taak der Gershoniden aanduiden. Terwijl immers de Kehathiden eerst actief optreden, nadat de priesters de gewijde voorwerpen hebben verpakt, en hun taak dus alleen in dragen bestaat, — is den Gershoniden en Merariden opgedragen het Verblijf uit elkander te nemen en weer op te slaan; vervolgens de zorg om alle benoodigdheden in orde te houden, en bovendien het vervoer van nader aangewezen deelen des heiligdoms. Het eerstgenoemde heet dan hier: nar1?, het laatste nü», wat niet juist dragen, op den schouder,beteekent,— maar algemeen: vervoeren-, zooals later blijkt, geschiedde dit door Gershoniden en Merariden op wagens. — Vs. 25 en 26 geven dan nader aan, wat den Gershoniden ten vervoer is opgedragen, terwijl het slot van vs. 26 hun diensttaak nog iets nader uiteenzet. De vorm swa als onbepaalde wijs gebruikt evenals ro»1? (10,2) e. a. p. — Mendelssohn: wat zij namelijk Le verrichten en te dragen hébhen, als nadere bepaling van mar nsr; het zou dan echter zonder bezwaar gemist kunnen worden. Uit vs. 31 bij de

17

ocr page 39

-t am v

riiyu BwTm xm : ioxb nirv quot;isti «

' lr!': Jquot;V.L .quot;■' V - T • L' quot;• rquot;' I 'T !

n:^ 130 : Dnnöirob onax n^? DrrDii »

t t ^ • ; l v • it ; ; • : ^t -; -»•• : aquot;

aniN ipan o^an-p ny nV^ai

•* z • r ' t at I-» ; • ^tt r * \ v -r T T

rinzvD niny HNT : -ijtfD NÏÏ ^

V. ; : • ^ -• r 1 '' J 1 VT t T

bn^-nNquot;) b^annin'TiK iNirji: quot;ia^1? ^Bhn ^

v - : it; * quot; lt; '; v ; t: it - ; v, ^iquot; *'\ ^iquot;-

TlDO-nNin^ü1?» v^n^^nnnnoaoi inbaü ijrio

I - T V ; T . at : ^T^T V -: -qj' ' )•• ; • •• : •

i nns i -jDQ-nxi lïnn nvt] : i^ia nns« Dnnn»D nNi a^D narsn-^i fa^pn-1?^ quot;lè'K lïnn

: najn on1? quot;iirN-Va nxi omay ^a-^a-nNi

= -i y'T; .■,v quot;riquot; svr; t. quot;!. ^ v y1 lt;r Lv: DN^o-^a1? ^a niav^a n^nn vaai pn^ «

TT- t ; • *•. :iquot; - -••• : . t v ; r t t I -: r

: DNi^D'^a nw nio^oa an1?^ ompai nma^ Vabi

it t - t v.quot; vv : • ; v ••^-: lt;v :l- : at t i^-: v. :

Merariden blijkt ook, dat seis en mar bij deze twee Levietengroepen op den. voorgrond worden gesteld.

25. 1JC1W1. zooals boven gezegd is: vervoeren, niet juist: dragen vanen naar de wagens. Het geleide der wagens,, waarop de genoemde zaken vervoerd werden, bestond uit Gershoniden. — inn Sin nsi is, wat anders enkel Srw genoemd wordt: de tapijten van geitenhaar, die Ex. 26,7—14 eenvoudig ponn Sï SnN heeten. — onrn nD3»i ireon, twee dekkleeden, die 3,25 samen irEOn genoemd worden (vgl. Ex. 26,14). — rSy ion, dat daarboven op is, op het ramsvellen dekkleed, of op den ^ns; — nSmS», van boven, het dak alleen bedekkend, niet ook aan de zijden afhangend.

26. oniay ,l» Sa jm Uit Rashle's aanteekening vs. 32 blijkt, dat hij hieronder de pinnen der tapijten en gordijnen van het heiligdom verstaat. Reeds Nachm. wijst er op, dat alle houten en metalen deelen van het gebouw des heiligdoms door de Merariden werden gedragen. Hier kan zeer goed bedoeld zijn: alle instrumenten en gereedschappen, noodig tot het opleggen en afnemen en tot het onderhoud der tapijten en gordijnen. — ipn Sa nxi enz. Al wat ten behoeve van het onderhoud enz. der hun toevertrouwde zaken te doen is, hebben zij te verzorgen. — nasi correspondeert met nar1: van vs. 24, evenals liWïi aan 't begin van vs. 25 beantwoordt aan xraS van vs. 24. — DnS, voor hen, de hier genoemde tapijten en gordijnen; Ibn 'Ezka en Nachm.: het Verblijf en het altaar, die hier echter niet te pas komen. Rashee en Onkelos: door hen, de Gershoniden; wat door hen te verrichten zal zijn, zullen zijdoen; minder waarschijnlijk.

27. V331 pnjfgt; Aharon en zijne beide zonen. lethamar wordt vs. 28 genoemd als eigenlijk hoofd en chef der Gershoniden, terwijl El'azar meer speciaal het toezicht op de Kehathiden oefent. Alle drie te zamen houden toezicht bij de toewijzing der verschillende zaken en de eerste uitvoering van draag- en werk-dienst. Waarschijnlijk was dit bij den

ocr page 40

N U M E R 1 IV.

28 Dit is de arbeid der familiën van de zonen der Gersho-niden bij de tent der samenkomst; en hun waakpost staat onder leiding van lethamar, den zoon van den priester

29 Aharon. - - De zonen van Merarie — naar hunne familiën, naar

30 hunne vadershuizen zult gij hen monsteren. Van dertig jaren oud en daarboven tot vijftig jaren oud zult gij hen monsteren, al wie voor den dienst opkomt, om den arbeid voor de tent der

31 samenkomst te verrichten. En dit is de waakpost van hetgeen zij te dragen hebben bij al hun arbeid in de tent der samenkomst: de planken van het Verblijf, zijne sluitboomen, zijne

32 zuilen en zijne voetstukken. En de zuilen van het voorhof rondom en hunne voetstukken, hunne pinnen en hunne koord-snoeren, al hunne gereedschappen en al wat tot hun arbeid behoort; en met namen zult gij [hun] aanwijzen de voorwer-

33 pen van hun wachtdienst bij wat zij te dragen hebben. Dit is de dienst der familiën van de zonen van Merarie bij al hunne dienstverrichtingen bij de tent der samenkomst; onder leiding van lethamar, den zoon van den priester Aharon.quot; —

34 Mozes, Aharon en de vorsten der gemeente monsterden de zonen der Kehathiden naar hunne familiën en vadershuizen; —

35 Van dertig jaren oud en daarboven tot vijftig jaren oud, al wie opkomt voor den dienst, voor arbeid in de tent der samen-

36 komst, — Nu waren hunne gemonsterden, naar hunne familiën,

37 twee duizend zeven honderd en vijftig. Dit zijn de gemonsterden der familiën van de Kehathiden, al wie bij de tent der samenkomst dienst deed, welke Mozes en Aharon gemonsterd hebben, op bevel

38 des Eeuwigen, onder leiding van Mozes. — En de gemonsterden

dienst der Merarideu ook het geval, hoewel dit niet uitdrukkelijk vermeld wordt. Anderen meenen echter, dat de zaken, die de Merariden vervoerden, minder aan beschadiging onderhevig waren en daarom alleen bij de Gershoniden dat algemeen toezicht van alle priesters staat, daar dezen de geheele behandeling van licht te beschadigen dingen was toevertrouwd. De door de Kehathiden gedragen gewijde voorwerpen werden verpakt en ontpakt door de priesters, zoodat dezen dadelijk konden zien, wat er aan gebeuren moest. — ompai, en gij, priesters, Aharon en zijne zonen, misschien met Mozes, tot wien vs. 21 de geheele afdeeling gericht is, zult hun opdragen, tot waakpost, ter bewaking en verzorging van

al wat daarvoor noodig is, al wat zij te dragen hebben. Hun dienst is geen mechanische draagdienst, maar een waakpost. — mnPM ips, evenals bijv. T3 jro, beteekent: in bewaking overgeven.

28. omocDi. en de uitoefening van hun waakpost staat onder leiding van lethamar, die weder het groepshoofd Eljasaf (3,24) onder zich heeft, die vooral beiast schijnt te zijn met het bijhouden der stamlijsten en de zorg voor het gesplitst houden der tot icderen stamgroep behoorende Levieten.

31. QXCÖ mOCQ. de waakpost bij wat zij te dragen hébben, omar Sub, bij al hun arbeid enz. Zoowel bij vervoer, als bij verdere behandeling der genoemde zaken is hun post een waakpost. Anderen vatten rnwn eenvoudig op als; post.

18

ocr page 41

n quot;irm n»

DnnöK'Di bnto ♦au'ian ♦ja nns^o ninv riKT

t : - : • *quot; v j : v ••. :•quot;- : ■) : : • - ^

Dhns^oquot;? niD ^3 D : jnan rhn^-p nón^K Ta»3

-»t : ; • : A'rT : S . q hquot; - I ^-: i- I %• T T •• - :

nrinVróimi^ rao : onk Tpsn Dnas^a1?^

•)m t t : _ t tt ^ ^ i v • it ) j : ' v.t -: iquot; :

niav'nx nan-^a onpan nwgt; D^on-p

V.- v .1- TT quot;. T quot; T A*,': :^ * v.T T r * I v

Sn^a Dma^'bab DN'^D motyo n^n : n^io ^

v •* ;_ vt t i i t : tt- VJV : • ; ^ quot;iquot; v ^

lïnn 'Tisjn : vinNi. vniap vnnai ja^an ^

nrnay Vabi Dn^a-^ab onnn^i bnin^i dh^-iki a^ao

at t i ï v ï •.•••: t : v •• ; -quot;• t ••* *. *.•••:-: • t

niay nxt : dk^o nwo ^Tnx npan no^ai ^

. #t. j it t - vjv : • v.quot; : I: ; • ^ ^ quot; :

■lon^ S»a nyia ^nwa annay^ab niü ^a nhSBto

t t r - ; *quot; v -• : vt t i ^ t : • t : •lt;•• : : ; •

tik myn nn^ ipan * : ?nan rhn^-ra ^

^t it jquot; ^ * : i •)-:!- : sv i ;•quot; ir* - i ^i- i v

jao : Dna« n^abi onns^D1? ♦nnpn ^a ^

tt lt;* ; i v • ^ ^ it -: -»•• : vt ; : • : a* t i: - ;

bnxa may1? «aïV «an-ba njtr o^ön-ra nyi nbyoi

v j : ^t -j|- tt- t - t att ■'• • quot;: i v • t l ~ t

niNO viv anna^ob nnnpa vn»i :

v ^ : • - : - at . : : • : ••! i\: ^ ; r - tquot;

ivia ^nfca nayn-ba ♦nnpn nnat^a nipa nbtf : D^oni

'aquot; v -» ; vquot; it t • ti: - ■» : ; • quot; ' v vlt;quot; ,* 'gt;quot;:r

nipai a : ntro-n^a nin» ♦srby hnxi ntro ipa quot;ISTN ^

| ; iv - : vt ; - i -: i- ; ••• 1 lt;-t v -:

32. on^D SaS. hun waakpost voor al hun voorwerpen, voor het oprichten en uit elkander nemen noodig. — Dmrw kan de pinnen van het Verblijf mede omvatten, daar Drrnrro ook op een deel der touwen van het voorhof en op alle touwen van het Verblijf slaat (vgl. 3,26). Zoo blijft dus voor ün^s SiS slechts gereedschap in engeren zin over, voor het bouwen en afbreken ; oma» SdS is dan al wat voor onderhoud en herstellingen noodig is, werkmansgereedschap voor reparatie en vernieuwing. — rncoi, en met namen, onder aanwijzing telkens van bepaalde personen voor ieder voorwerp, — daar bij een zoo zoo groot aantal personen anders de een de zorg op den ander zou schuiven en de zaak verwaarloosd zou worden. Bij de Merariden. wier dienst de minst gewijde voorwerpen gold van alle Levietengroepen, staat dit juist met nadruk; het spreekt vanzelve, dat ook bij de andere groepen hetzelfde moest geschieden. Anderen: gij zult de zaken met name aanwijzen, dat wil dan zeggen: hij getal, of stuk voor stuk in 't bijzonder.

34—39. Uitvoering van de ontvangen bevelen: telling van Kehathiden, Gershoniden en Merariden in dezelfde volgorde, als het voorschrift luidde. Aharon en de stamvorsten der gemeente, d. w. z. van alle stammen, nemen, evenals bij de tellingen van het volk, aan den tellingsarbeid deel. Bij de eerste telling der Levieten (3,14 v.v.) wordt van de stamvorsten geen melding gemaakt.

ocr page 42

N U M E R I IV.

der zonen van de Gershoniden naar hunne familiën en naar

39 hunne vadershuizen ; — Van dertig jaren oud en daarboven tot vijftig jaren oud, al wie voor den dienst opkomt, voor

40 den arbeid bij de tent der samenkomst, — Nu waren hunne gemonsterden, naar hunne familiën, naar hunne vadershuizen:

41 twee duizend zes honderd en dertig. Dit zijn de gemonsterden der familiën van de zonen van Gershon, al wie bij de tent der samenkomst dienst deed, welke Mozes en Aharon

42 gemonsterd hebben, op bevel des Eeuwigen. En de gemonsterden van de familiën van Merarie's zonen naar hunne

43 familiën, naar hunne vadershuizen, — Van dertig jaren oud en daarboven tot vijftig jaren oud, al wie opkomt voor den

44 dienst, voor arbeid bij de tent der samenkomst, — Nu waren hunne gemonsterden, naar hunne familiën, drie duizend en

45 twee honderd. Dit zijn de gemonsterden der familiën van Merarie's zonen, welke Mozes en Aharon gemonsterd hebben,

46 op bevel des Eeuwigen, onder leiding van Mozes. — Al de gemonsterden, die Mozes, Aharon en de vorsten van Israël van de Levieten gemonsterd hebben, naar hunne familiën en naar

47 hunne vadershuizen, — Van dertig jaren oud en daarboven tot vijftig jaren oud, al wie opkomt om arbeidsdienst of draag-

48 dienst te verrichten, bij de tent der samenkomst, — Nu waren hunne gemonsterden ; acht duizend vijf honderd en tachtig.

49 Op bevel des Eeuwigen heeft men hen aangesteld onder leiding van Mozes ieder voor zijn arbeid en voor zijn draagpost, en zijne hem toegewezen zaken, welke de Eeuwige Mozes geboden had.

46. D^n nN' ... ipa -nwc anpan Sa- Het werkwoord tps heeft hier twee voorwerpen bij zich, die beiden dezelfde personen aanduiden. Men kan vertalen; de gemonsterden, die Mozes met betrekking tot de Leineten monsterde, — of: de gemonsterden, — doordien Mozes namelijk de Levieten monsterde.

47. maj? dienst arbeid en se» mai?, draag arbeid, zie onze aant. vs. 24. Sommigen denken hier bij dienstarbeid vooral aan het opslaan ea uilelkander nemen van het heiligdom, waarvoor grooter lichaamskracht vereischt wordt dan voor het onderhoud, en waarvoor daarom de dertigjarige leeftijd is voorgeschreven, — terwijl de Levietendienst voor het onderhoud dan reeds met het 25ste levensjaar zou kunnen beginnen (8,24). De Thalmoed en Rashie denken hier aan; dienst b ij den oHerdienst, dat is dan: de zang en muziek, die den offerdienst begeleidde. Hiervan vinden wij echter in den Pentateuch geen spoor; bij de reorganisatie van den

19

ocr page 43

n am

ri:iy tfvhw rao : DhaK anins^ö1? ?iagt;quot;i3

tt lt;• : i v • ^ it ■*! Jquot; : vt : : • : i i\ :iquot; -••• :

VriKS naïb Nan-Va D^on-p n^ói

v j ; ^t —.t- tt- t - t att -,. . -J | ..^ . T^; - T

DnbK orinsi^oV onnps m ; n^io»

jquot; : • - : - at -: ^■jquot; : : *• quot;1 •j\: :r- n**

ityrr'te ^3 rinsiyQ nipfi nb« : niNö«»

vquot; it t i ;iquot; -••• ; ; : • •• i : vjquot; ^ r ; ^ ••

nipöi : mrv '3_W pn^i ntro npö ipiv bnka =»

•• 1 : ^ it : r i ^ iquot; : ■)•.* i -»~t v -: v j ;

jsö : DnbN onns^p'? nnp ria nns^p «

msy1? NaïS ksn-'ja D^on-p -ijn n^ói n:^

1.t -:i- tt- t - t att j* • -j i v ; t : - t tt

tzrabK nir1?^ anns^ab ompa vn!,,i ; n^iD 'jnka ■«

^ t —i v j^: at : ; • ; v.'* *quot;' i-.: ^ :i*- v j :

ns'o ipa ma ^a nhairD nipa nbs4 : d^-inoi ™»

^lt;-tq v -: a* t ; ^ ' •• i : v ■quot;• - tr t

nt^Q -ipa -i^N anpan-^a: ni^D-n^a nirr rSnNi«

sv iquot; t v —: t iv - : ^t ; r - i -x i- ;

: onas4 n,a,?i DhnatrD1? onbn-nK nnxi

it -: jquot; : v.t ; : • : a* • ; i- v _ t : * y • z i •gt; -j^r :

Narrba nw D^on-ra nbyoi njtr raoquot;3

t - t att -»••-:!•.• : t ; — t t t lt;• : i '•' '

vm : bnka N'^O ma^i n-ia^ niay ia^1?00

V^r- ^ iquot; v j : vt - j- -Ji- i-)t ^-: s- ^-; .r

nin» ^aquot;1?v : vivm niKO ^öni nïatf nnnpa o»

t : • ~ r : ^ r* -:i- * t -: ; av ••! i\;

imar^r n^o-i»a nniN ipa

at— : v t i : quot; •)* J' v - ; t i lt;-t

a * : ntyo-nK nirr nimtrK vnpai

Levietendienst onder David en later bij den bouw van den tweeden tempel korat die zangersdienst uitvoerig geregeld voor; het is wel mogelijk, dat men aan onze plaats het recht ontleende, om de Levieten te gebruiken voor speciale diensten naast en ten geleide van den offerdienst.

49. mpai, v. s. zijne tellingen, — de tellyig van fs bin, van ieder Leviet, — geschiedden op bevel des Eeuwigen; v. a. zijne, de aan ieder aangewezen o'ipB, opdrachten, de ieder aangewezen zaken; het is dan nog als voorwerp afhankelijk van nps of van hv in wc» Sn vnaï Sr; n. a. en zijne hoofden, evenals 31,14 en 48; op hevel des Eeuwigen stelde Mozes ieder Leviet aan hij zijn dienst- en draagpost en hij zij n superieuren, dat zijn dan le de groepshoofden, 2e El'azar of lethamar, als chefs der Kehathiden of Gershoniden en Merariden en 3e Aharon en zijne beide zonen als algemeene leiders.

ocr page 44

N U M E R I V.

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: ,/Gebied den kinderen Israels, dat zij uit de legerplaats wegzenden iederen melaatsche, en iederen aan vloeiing lijdende, en ieder, die zich

3 aan een lijk verontreinigd heeft. Zoowel mannelijken als vrouwelijken zult gij wegzenden; naar buiten de legerplaats zult gij hen wegzenden, opdat zij hunne legerplaatsen niet ver-

4 ontreinigen, in wier midden Ik Mijne woning heb.quot; De kinderen Israels deden zoo, en zonden hen weg naar buiten de legerplaats; gelijk de Eeuwige tot Mozes gesproken had, zoo deden de kinderen Israels.

6 5 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot de kinderen

Hoofdstdk V. 1—4. Verwijdering van onreinen uit de legerplaats, directe consequentie uit de inrichting des legers en zijne splitsing in groepen van verschillenden wijdingsgraad. — Zooals namelijk 3,38 blijkt, bestaat het kamp Israëls uit drie deelen; het heiligdom in het midden, rwoü runs, — daaromheen aan de beide zijden en den achterkant de drie Levietengroepen, aan de voorzijde de tenten van Mozes, Aharon en zijne zonen, te samen vormende het Levieten-kamp, mi1? ron», — en op een afstand, naar de traditie van 2000 el, daarvandaan: het leger Israëls, aan iedere zijde eene groep van drie stammen, Sxn-i run». Uit den aard der zaak was het eene van meer gewijden aard dan het andere kamp, waaruit volgt, dat de hier besproken zuivering der legerplaats van onreine elementen verband moet houden met dat verschil in heiligheid, alsook met den graad der verontreiniging, zooals die uit de bijzondere wetten voor alle hier genoemde gevallen blijkt. De uitdrukking run» in ons stuk is dus alge-meene term van rekbare beteekenis; zij beteekent met betrekking tot den melaatsche: de geheele legerplaats, alle drie de genoemde deelen, zooals Lev. 13,46 blijkt; voor den aan vloeiing lijdende is, naar de traditie, slechts verwijdering uit de twee eerstgenoemde kampen voorgeschreven; terwijl voor hem, die zich aan een lijk verontreinigd heeft, slechts het betreden van het heiligdom verboden is. Zoo is de Thalmoedische opvatting van ons stuk, die door vergelijking van verschillende plaatsen, waar de hier genoemde onreinheidstoestanden besproken worden, nader als de eenig juiste wordt bewezen.

, 2. Snibquot; quot;03 na igt;*. Tot hiertoe waren alle geboden slechts tot Mozes of tot Mozes en Aharon gericht. Hier, waar de opvolging van het voorschrift in handen van het geheele volk ligt, richt zich het gebod tot de kinderen Israëls. Deze wet bleef, naar de traditie, ook na de komst in Palaestina, zelfs na den tempelbouw in Jerusalem gelden; de drie kampen werden dan aldus ingedeeld: de tempel van af het //voorhof der Israëlietenquot; gold als heiligdomskamp; het verdere gedeelte van den tempelberg als Levietenkamp, en de verdere stad tot den tempelberg als Israëlietenkamp. — rm Sa, al wie naar Lev. 13 in den toestand van verontreinigende melaatschheid verkeert, — onverschillig welk der daar besproken verschijnselen zich heeft voorgedaan. — at Sai, ieder, die aan een der in Lev. 15 behandelde verschijnselen lijdt. Hier is niet alleen de aan vloeiing lijdende man bedoeld, die eigenlijk ar heet, — maar voor alle daar behandelde gevallen geldt de hier gegeven bepaling, zooals uit de generaliseering in het volgende vers blijkt, waar man en vrouw onder deze wet wordt gebracht. Zooals Lev. 15 is uiteengezet, wijken de verontreinigingsverschijnselen bij een vrouw sterk af van die bij een man en brengt bij

20

ocr page 45

n mi a

Vibtsh yrnN ix : iöK-? n^D-^K nin» isti « H -iy iD-tö : wsb noü Vai jnnr'ja n:nan-röa

«tt* v it t jquot; t v ï quot;t t • ^ t t v quot;ï iquot; quot; i •

■hk Wöü» Kbi DinWn njnD1? rina-Sx in^n rap:

; - :^ lt; : lt;s : - : v*- -: r - I -» • v •• - : tIquot;;

bKiir» »33 : Q3in3 r3^ -i^n an^no-»

.. t ; • !•• 'hi— ^ it ; Ir* v* quot;* jquot; v ••

n^D^Nnin» quot;i3i i^K3 mns1? nno-^N oniKin^i

t ; lt;••• * v -i r av -li*- | v. • v t ■•;-;-

fl : »J3 ?3

iquot; t ; • jquot; : ^ t ijquot;

^3-i7K 131 : quot;iDNb ni^Q-bN nin» ■)3inquot;

j* quot; t : -*quot; : v •• - i quot; jv v vt ; j** quot;: ~ 1

laatstgenoemde onreinheid, wat bij de eerste rein is. De term 2gt; is gemeenslachtig en dus zoo algemeen mogelijk; zij omvat; (mj /ot ,3» 'tp Sïai mSp (zie Lev. 15). — Ïbn 'Ezea meent echter, dat hier alleen die onreinheidstoestanden bedoeld zijn, die voor een zevendaagsche periode verontreinigen, en dus •np Sra is uitgesloten. — osjS nod Sai, ieder door of aan een lijk onrein gewordene, in Num. 19 nader besproken.

3- inStm Dit wegzenden geschiedde bij den melaatsche door den priester, die, bij het schouwen van den patiënt, de onreinverklaring uitsprak, — d. w. z. dat de priester moest zeggen, dat, als gevolg dezer verklaring, de patiënt zich uit het leger moest verwijderen. De opvolging van dit voorschrift, evenals van dat betreffende de beide andere groepen, is natuurlijk aan de nauwgezetheid van geweten der betrokken personen overgelaten. —■ omn», hunne legerplaatsen, meervoud, zooals uit Dams blijkt, bewijst mede, dat aan de verschillende deden des legers gedacht wordt. Hier aan de verschillende, op den te ondernemen tocht te Betrekken legerplaatsen te denken, gaat reeds daarom niet, omdat niet de/^aate, maar het leger verontreinigd zou worden, en dit immers altijd hetzelfde bleef.

4. Het bevel werd aanstonds ten uitvoer gebracht; en zooals de Eeuwige tot Mozes gesproken had, zoo deden de kinderen Israels ook later, op hun tocht door de woestijn. Ibn 'Ezra meent, dat dan de melaatschen achter het kamp van Efrajim werden geplaatst, vóór het kamp van Dan, dat de achterhoede van alle kampen vormde.

5—10, 11—31, en 6,1—21. Wetten omtrent teruggave van geroofd goed, omtrent eene van overspel verdachte vrouw en omtrent het Naziereër-schap. Vele commentatoren trachten een samenhang te vinden tusschen deze wetten onderling en in verband met de legerordening. Zoo zien sommigen in deze drie wetten uitgesproken het beginsel van Gods alomtegenwoordigheid in het leven van de gemeenschap, in het huwelijksleven en in het persoonlijke leven van den mensch bij zijn streven naar zedelijke volmaking. Anderen zeggen daarentegen, dat deze wetten hier eenvoudig zijn medegedeeld, omdat het feit van de Godsspraak, waarbij zij gegeven werden, en dat in ncm Sx 'n i2Ti is uitgesproken, plaats had na het in het vorige hoofdstuk verhaalde. Sommigen meenen het overeenkomstige in de hier besproken passages te vinden in het feit, dat bij allen de tusschenkomst van een priester wordt vereischt, wat dan direct aan de stukken, die uitsluitend over de Levieten handelen, aansluit. Bovendien wordt opgemerkt, dat, met uitzondering van de historische stukken, dit vierde boek van den Pentateuch eigenlijk eene voortzetting is van het

ocr page 46

N U M E R I V.

Israels : een man of eene vrouw, wanneer zij zullen begaan een van alle zonden des menschen, eene trouweloosheid tegen den Eeuwige begaande, en die persoon zich met schuld beladen voelt;

7 Dan zullen zij hunne zonde, die zij begaan hebben, belijden, en zal hij het door hem verschuldigde in hoofdsom teruggeven, en het vijfde deel ervan eraan toevoegen; en het geven

8 aan hem, tegen wien hij zich schuldig gemaakt heeft. Indien de man echter geen tot lossing gerechtigd bloedverwant heeft, om dezen het verschuldigde terug te geven, dan behoort het terug te geven verschuldigde den Eeuwige, namelijk aan den priester; behalve nog den ram der verzoening, waarmede men

9 verzoening voor hem zal doen. En elke heffing met betrekking tot alle geheiligde dingen der kinderen Israels, die zij den

derde en daar dus ook tal van bijzondere, voor de priesters belang hebbende wetten hun plaats hebben gevonden.

5—10. Eene wet, wier hoof'dbepalingen Lev. 5,20—26 gegeven zijn, omtrent de wijze, waarop onder eede afgeloochende schulden moeten worden vergoed. Daar was gezegd, dat, behalve het te brengen zondoffer, aan den benadeelde de geloochende som onder bijvoeging van het//vijfdequot; (d. i. een vierde van het oorspronkelijke = een vijfde van het ten slotte te betalen bedrag) moet worden teruggegeven. Uit de daar gebruikte woorden: iS «in irab, vien het toekomt (vs. 24) volgt, dat die vergoeding te geschieden heeft aan den benadeelde of zijne rechtverkrijgenden. Hier wordt nu het geval behandeld, dat de rechthebbende gestorven is zonder iemand na te laten, die in zijne rechten treedt; — daar nu het erfrecht in de opgaande lijn eeuwig doorgaat, en dus de nakomelingen der voorgeslachten, waarvan de overledene in directe lijn afstamde, steeds in zijne rechten treden, ook al is de verwantschapsgraad nog zoo ver verwijderd, — kan dit geval zich bij een Israëliet, normaal gesproken, nooit voordoen, en neemt de traditie dan ook aan, dat hier speciaal gedacht is aan een kinderloos overleden proseliet, die immers bij zijn overgang tot het Jodendom alle verwantschapsbanden heeft verbroken, zoodat erfrecht slechts ontstaat voor de na zijn overgang geboren nakomelingen.

, 6. a-iKn nxtan Sao. van alle zonden van den mensch, v. s. overeenkomende met de Lev. 5,22 gebruikte uitdrukking; sen1: Di.sn n'i'P iün S3» ruro, een zonde door den mensch bedreven; v. a. evenals D'cnpn pp (Exodus 28,38), enpnn pr (Num. 18,1), zonde tegen de mensch, in tegenstelling met 'na Sr»; in ieder geval blijkt uit vs. 7, dat van eene krenking van vermogensrechten van den naaste sprake is, die door een valschen eed tegelijk ontrouw tegen God wordt. (Vgl. onze aanteekeningen Lev. 5,15 en 21). De 'Ö van San beteekent: een van; Lev. 5,21 en 22 zijn namelijk verschillende gevallen van zoodanige bezondiging opgesomd.

7. mnnv v. s. is een der nieuwe bepalingen, die aanleiding geven tot de herhaling dezer afdeeling op onze plaats, dat die bekentenis moet plaats hebben, om tot schuldoffer en bijvoeging van het vijfde te komen; terwijl bij getuigenbewijs van den valschen eed slechts de hoofdsom te betalen is en de schuldige overigens door de Goddelijke straf zal worden getroffen, die Ex. 20,7 in de tien geboden tegen meineed is bedreigd. Anderen meenen, dat uit het ,/zich schuldig voelenquot; de noodzakelijkheid dier vrijwillige erkenning van het gepleegde misdrijf vanzelve volgt, en

21

ocr page 47

n am «3

nin»3 vvö tyüb n^tsn-vso ^ ^ nête-ik

at i- ' v,- ^» ; • tt it -• * t • :r lt;• t * i

orin^n-nk limni : xmn noi^ki'

*t JV -: tt- V - ; • : # r -vv - ^t ; it :

rnn vvv eidgt; in^'oni 1^-13 lotrwnn a^ni

vv -ir I - t : ^ at y l-quot;' v. * i* -Ji' : ^ t -ï v «' •• :

dt^kn v^k b^nn yvrb vnis ï^dki : ib dtrkn

•it t it t •* t t it lt;* t : quot; •tlquot; * : J' T

is'iqd* onsan nibo rna1? nin^ atfidn

^ v - ; jv -t ' \ ' quot; quot;« • : • I aquot; • ^t i- jt

lanp'-it^k nónn-^di : v1?^0

j-l:- v -1 )•• t: • iquot; : j- :)t t : t : t : it*t

dit moment in Lev. 5 daarom, hoewel niet uitdrukkelijk vermeld, toch stilzwijgend ondersteld wordt. In de eerste opvatting vertale men: als zij dan erkennen enz. zal hij teruggeven enz. — h Dirs -With, hem, tegen wien hij zich schuldig gemaakt heeft, dat is: de persoon, wiens vermogensrechten hij heeft verkort, — dus niet alleen zijn schuldeischer zelf, maar ook diens rechtverkrijgenden, die immers de geloochende som, eigenlijk hun eigendom, door de zonde des meineedigen niet in den boedel van hun erflater hebben gevonden. Zoo is de overgang tot het in het volgende vers gestelde geval vanzelve gegeven. — wrs, de zaak, waaraan hij zich met schuld heeft beladen.

8. losser. Naar Lev. 25,25 is de naaste er/gerechtigde verwant in de

eerste plaats geroepen, hoewel niet verplicht, om verkocht vast erfgoed van zijn verarmden bloedverwant in te lossen; vandaar heeft het woord den zin van: erfgerechtigd vencant gekregen. (Vermoedelijk was de naaste erfgenaam ook verplicht, ingeval zijn bloedverwant in krijgsgevangenschap geraakte, voor zijn loskoop te zorgen. Dan zou Ssu kunnen vertaald worden: tot lossing verplicht) — jros 'ns aoinn Dosn, rashie en luzzatto : het terug te. geven verschuldigde behoort den Eeuwige en is door Dezen den priester toegewezen. Vgl. Lev. 23,22; het behoort in zooverre den Eeuwige, dat de priester het moet hebben. ibn 'ezra: het verschuldigde, dat wegens vrees voor den Eeuwige teruggegeven wordt, behoort den ■priester; siporno: het verschuldigde, dat bij gebrek aan menschelijke rechthebbenden, den Eigenaar van alles, den Eeuwige behoort teruggegeven te worden, is voor den priester. — jroS, voor den priester, die het offer brengt; na de organieke indeeling in wekelijks afwisselend dienstdoende groepen: aan de leden der priesterafdeeling van de week. — Vs ia1?», behalve

nog, d. w. z. en bovendien heeft hij nog te brengen, het Lev. 5,25 voorgeschreven offer. — Dat dit geval hier behandeld wordt, kan óf zijn oor-zaait vinden in de omstandigheid, dat zich in dezen tijd (begin der 2de maand van het 2de jaar van den uittocht) zulk een geval voordeed, öf in de hier gegeven rechten des priesters op het te betalen bedrag.

9- nam heffing kan öf beteekenen: gewijde zaak, waarmede overigens geen ceremonie behoeft te geschieden, óf: iets waarmede eene opheffende beweging is gemaakt, zooals bij sommige offerdeelen is voorgeschreven. Hier schijnen beide beteekenissen gecombineerd te zijn. — Eene terloops bij het vorige aangesloten bepaling, dat de heffing, van koren enz. en van alle gewijde zaken, zooals van meeloffers enz., en ook eerstelingen, Challa enz., imp1 nw, die men als offergave brengen zal en overgeven aan den priester, dezen zullen toebehooren, evenals het pas besproken, door den Eeuwige den priester toegewezen geld. nachm. meent, dat deze bepaling hier staat, om ook vergrijpen tegen des priesters vermogensrechten op

ocr page 48

HUMERI V.

10 priester brengen, — voor hem zal het zijn. Iedereen echter — wat door hem gewijde zaken aangaat — hem zeiven be-hooren zij ; doch ieder, wat hij den priester gegeven zal hebben, zal voor dezen zijn.quot;

12 11 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: „Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen : Iedere man, wiens vrouw afwijkt 13 en trouweloosheid tegen hem pleegt; En een man heeft haar geslachtelijk bijgewoond, het is echter voor de oogen van haar man verborgen gebleven; zij heeft zich namelijk op een geheime plaats afgezonderd, en zij is verontreinigd en een getuige is er niet tegen haar, doch zij is niet ertoe gedwon-14gen; — Wanneer nu een geest van ijverzucht hem bevangt, zoodat hij op zijne vrouw ijverzuchtig wordt, terwijl zij verontreinigd is; of bevangt hem een geest van ijverzucht

dergelijke zaken onder de wet van //vergoeding van liet verschuldigde wegens wederrechtelijke onthoudingquot; te brengen, die in de vorige verzen is behandeld. Dan vallen onder het voorschrift van ons vers niet alleen de eerstelingen, Dni32, die naar den Thalmoed hier meer speciaal bedoeld zijn, daar over hunne bestemming Deut. 26 niets is voorgeschreven, maar ook de door Rashbam hieraan toegevoegde heffing van het tiende, door den Leviet van het door hem ontvangen tiende aan den priester af te staan; en evenzeer alle deelen van offers, die na eene opheffing den priester zijn toegewezen, — zooals de beide brooden van het Wekenfeest, — zonder dat iets ervan op het altaar komt.

io. mp nx cm ieder — wat door hem gewijde, of hem in eigendom behoorende zaken aangaat, — voor hem zijn zij, d. w. z. hij heeft er vrij over te beschikken, aan welken der rechthebbende priesters hij ze geven wil; — doch ieder, wat hij eenmaal den priester gegeven zal heiben, is diens onvervreemdbaar eigendom geworden. Het gebruik van ris is hier eenigszins moeilijk te verklaren; onze opvatting vindt steun in tal van plaatsen, waar het in gelijken zin gebruikt wordt. Herxheimee's verklaring, dat de woorden wtpi -ito, uit het vorige vers hier nog nawerken, gaat niet op, daar hier juist gedacht wordt aan den tijd, dat de gewijde zaken nog niet tot den priester gebracht zijn. Anderen verklaren: ieder, zoolang hij bij zijne gewijde zaken is, = zoolang de gewijde dingen bij hem, onder zijne berusting zijn, zijn zij voor hem. — iS uit net eerste deel van ons vers op den priester te laten slaan, zou den zin geven: verplichte gemjde zaken behooren den priester en wat men den priester vrijwillig geeft, behoort ook dezen. Het eerste is niet geheel waar, het tweede spreekt vanzelf en geldt niet alleen den priester, maar ieder ander evenzeer. Bovendien zou het veel korter kunnen uitgedrukt zijn. Rashbam, hoewel zelve deze verklaring gevende, voelt de moeilijkheid. De traditioneele opvatting is m. i. ook hier weer de meest aannemelijke.

11—31. De behandeling der van overspel verdachte vrouw. De plaatsing hier kan, evenals bij de vorige wet, naar oorzaak vinden in het zich voordoen van zoodanig feit, juist omstreeks dezen tijd, of in de omstandigheid, dat ook het «offer wegens ijverzuchtquot; door de priesters gegeten wordt; óf naar Nachm.: omdat bij de ordening naar familiën en vaderlijke afstamming de regeling moest worden gegeven, die de zekerheid omtrent

22

ocr page 49

n m: 3D

ïrr-itfK wx vn» iS VBhp-nN vw : rvrr ib rris1?'

Ij... v -j ,)• a : i* -• Tl T v y : iv :i* j Kquot; -

a * •' nw ib |p3^

ri-ioNi btty?' Sai. : loKb nin»

Dityi : 13 n^oi intrK nü'^n^s W on1?» ^

- t ; it v, jt^-i it ; ^ * jv ; r • av •• -i

ktii mnoii vyo ühyn ^•irn33ty nn'K wh

j. ; . . • • T - Jquot; »%.,.. .... ^ —.^ quot; 1 T J'

■nn vbr -13^1 • niranj ah «ini ns rK n«ot2^

i st't ^ gt;t: t it ; • j : t i jquot; ••: t at : •

-nn vbr 13^quot;1n nNom Nini iniftrm Napi nxjp

i «t't ' T i tat : • •*- i ' v Jquot;\' '• ')f ;I *

de zuiverheid van de geboorte uit een bepaalden vader gaf. (Vgl. onze inleidende opmerkingen tot dit hoofdstuk).

11. nüttn. nBC' afwijken van een richting, v. d. afdwalen. — ia nSmi Sr», vergrijp tegen de huwelijksreinheid wordt hier met denzelfden terra aangeduid, als vergrijp tegen de heiligheid van Gods naam.

13. Dit vers is als tusschenzin op te vatten, en omschrijft de bijzondere omstandigheden van het in het vorige vers genoemde vergrijp. Het feit draagt zich namelijk als volgt toe; Men enz. Hier kan de echtbreuk werkelijk plaats gehad hebben, doch was niet freconotateerd, was voor haar man verborgen gebleven; vast staat alleen mre:i, dat zij zich verborgen heeft, d. w. z. met een vreemden man op een verborgen plaats, waar geen derde toegang had, heeft afgezonderd, nsncj .vm, zoodat het mogelijk is, dat zij door geslachtsbijwoning verontreinigd is. De afzondering zou door twee getuigen geconstateerd moeten zijn; dan echter; als er ook niet één getuige tegen haar is, — daar de verklaring van één getuige, dat zij werkelijk verontreinigd is, haar als overspelige voor naren wettigen echtgenoot verder ongeoorloofd zou doen worden, — omdat er tal van aanwijzingen zijn, die haar overspel waarschijnlijk maken — en tospj nS .sim, en zij niet aangegrepen is, niet door geweld tot de daad is gedwongen, maar vrijwillig ertoe is overgegaan, — moet de volgende ceremonie plaats hebben. Zoo vat de traditie en de Thalmoed ons vers op. — Anderen meenen, dat ons vers de voorstelling der feiten geeft, zooals de echtgenoot zich die denkt. Hij meent, dat werkelijk bijwoning heeft plaats gehad, — hij wist het echter niet, maar alleen dat staat vast, dat zij zich afgezonderd heeft en vermoedelijk verontreinigd is, doch getuigen zijn er niet en zij is ook niet aangegrepen, op heeterdaad betrapt. — Bij bewezen overspel wordt natuurlijk al het volgende niet toegepast, daar dan de straf, in Lev. 20,10 op echtbreuk gesteld, zou moeten toegepast worden. — na ps in, er is teqen haar geen getuige, die verontreiniging constateert. Was er één, dan heeft de volgende ceremonie niet plaats, moet de man zich van zijne vrouw scheiden, doch heeft de zaak natuurlijk geene strafrechterlijke gevolgen, daar voor ingrijpen van den strafrechter twee getuigen noodig zijn. — De ontrouw bestaat dus daarin, dat zij zich met een man zoodanig afzondert, dat er ernstig vermoeden van vrijwillig overspel ontstaat.

14. Kjp, eig. eischen wat zijn recht is, v. d. in het huwelijksleven: ijverzuchtig zijn. Hier is de zin: hij eischt zijn recht tegenover zijne vrouw, vordert haar geheel voor zich, en waarschuwt haar zich met den betrok-

ocr page 50

N U M E R I V.

zoodat hij op zijne vrouw ijverzuchtig wordt, en zij is niet

15 verontreinigd ; — Dan zal de man zijne vrouw tot den priester brengen, en haar offer brengen voor haar; een tiende Epha gerstenmeel; hij zal er geene olie op gieten, noch wierook erop doen; want het is een meeloffer der ijverzucht, een her-

16 inneringsoffer, dat misdaad in herinnering brengt. De priester zal haar doen naderen, en haar vóór den Eeuwige zich laten

17 plaatsen. De priester zal heilig water nemen in een aarden voorwerp; en van het stof, dat op den bodem van het Verblijf

18 zijn zal, zal de priester nemen en in het water doen. En de priester zal de vrouw vóór den Eeuwige zich laten plaatsen.

keu persoon nogmaals af te zonderen, — hetzij vroeger wel of niet feitelijke samenleving (doch in ieder geval zelfs niet door één getuige bewezen) heeft plaats gehad ; — die waarschuwing moet, naar den Thalmoed, in tegenwoordigheid van twee getuigen plaats hebben. Het spreekt vanzelf, dat hier gedacht wordt aan het geval, dat de vrouw zich aan die waarschuwing niet stoort en zich wederom met dienzelfden man afzondert, welke afzondering wederom door twee getuigen is geconstateerd. Dan moet het hier verder beschrevene geschieden. Anderen zien in ons vers slechts een résumé van het vorige; hij verdenkt zijne vrouw van overspel, terecht of ten onrechte. Er zijn wel aanwijzingen, maar geene bewijzen voor. — Weer anderen nemen het eerste deel van ons vers als meer dan volmaakt verleden tijd in direct verband met het vorige vers en verklaren: zij heeft zich afgezonderd enz. nadat over hem gekomen was enz., zoodat ook in het in 't vorige vers behandelde geval, voorafgaande waarschuwing door den man moet hebben plaats gehad. — In ieder geval heeft na de waarschuwing de vrouw zich opnieuw met den betrokken persoon afgezonderd, en is het twijfelachtig, of zij al of niet door geslachtelijken omgang verontreinigd is.

15. De hier volgende proef heeft ten doel te onderzoeken, of het huwelijk mag voortduren. Zij kan alleen met beider goedvinden genomen worden. Wil de man zijne vrouw er niet aan blootstellen, of weigert de vrouw zich aan de proef te onderwerpen, dan moet het huwelijk ontbonden worden. — s'ani beteekent dus niet: hij moet haar, desnoods tegen haar wil, met geweld, brengen, — maar: hij zal met haar gaan tot den priester. — soar, en hij brengt op zijne kosten, zooals met alle verplichte offers der vrouw het geval'is, — haar offer, dat voor haar bestemd is; ,Tgt;'7r, voor haar, in hare plaats; eigenlijk zou zij het moeten brengen, doch hij schaft het aan en brengt het in hare plaats. Anderen: ten hare behoeve, d. w. z. opdat de waarheid omtrent haar aan den dag kome, of; tegen haar, opdat haar misdrijf blijke. De verklaring: op hare kosten, is in strijd met de feitelijke bepalingen der wet; nog anderen verklaren; rfSr, op haar, terwijl zij het draagt, vs. 25 wordt het immers door den priester uit hare handen overgenomen. — nup, gewoon ongebuild meel, terwijl anders voor offers altijd bloem gebruikt wordt. — onpw, dat, als de geringste onder de graansoorten, in den regel slechts als veevoeder dient. Slechts door de armste bevolking of in tijden van nood werd het als menschelijk voedsel gebruikt. (Recht. 7,13; Ez. 4,12 e. a. p.). Geen olie noch wierook mag erbij gedaan worden, evenmin als bij het zondmeeloffer (Lev. 5,11). — vSj?, op het offer, pip, daarom de mann. uitgang. — Het is een ijverzuchtoffer, riNJp, meervoudsvorm, zooals vaak bij afgetrokken zelfst. nw.; een pa? nmn,

23

ocr page 51

n m: amp;

N»ani : nwoü: ah int^xTiK wpi nK:piB

j. t • •• ; t^it : • j v.' ! : ' ** pjquot;'quot;'* : t : 1*

nö'Kn ny'vy nianp-nx «nm 'jnan-bx

vt quot;it r ^ -J t v TT ;It v lt;'fquot; ; I - v : •

■*3 nh1? V)Vt fn^-xbi \r2U pvab on^ nöi?,. nnk anpni : iïy maTD rm nn:D «in nk:p nn:D'°

v.t j'\: • z I i t vjv: - I v.t* j-: • tI: lt;-; •

D^np rnsn np^i : nin» ^sb ma^m rrisnquot;

V I; 'j' 1 )•• - I s- t : ^ it : jquot; : * ^t *••: iv ; I a-

{n'3n nj5» ja^sn V\gt;^ itjgt;N quot;is^n-jpi ^nn-^DS Vifii nin» ♦jö'? nEwrnK jrisn : D^n-bx ?rui ^

- T t : • t - it v l-»quot; - quot; v;!quot;.* : -it - v I^-t:

evenals andere meeloffers, is ook dit herinneringsoffer, maar niet om herinnering ten goede op te wekken, maar pp n-oirc, vermeende of werkelijke zonde, of althans wangedrag in herinnering brengend. — De geringwaardig-heid van haar offer en de geheele behandeling der vrouw als verworpe-linge, heeft ten doel haar, zoo werkelijk het ongeoorloofde heeft plaats

fehad, tot bekentenis te brengen, zonder dat de hier voorgeschreven han-ehad, tot bekentenis te brengen, zonder dat de hier voorgeschreven han-

eling behoeft plaats te hebben.

is. nnx. de vrouw, niet zooals Ibn 'Ezra meent: het meeloffer, waarbij niet de uitdrukking rnarm zou kunnen gebruikt worden, die in den regel slechts van levende wezens gebezigd wordt; van meeloffers en dgl. luidt het nrrom. — 'n 'ObS, aan den ingang van het voorhof, aan de Oostzijde dus, vlak tegenover den ingang naar het eigenlijke heiligdom. — In den tempel plaatste men haar aan den Oostelijken ingang, de buitenzijde dus, van de Nicanor-poort, die toegang gaf van het vrouwenvoorhof naar het Israël's-voorhof. — De volgende verzen werken dan nader uit, hoe dit zal geschieden.

it. Dimp a'o, heilig water, vermoedelijk uit het koperen waschvat, dat, als gewijd voorwerp, het water dat erin was, heilig karakter verleende. — c-in iSm, in een, in vergelijking met metaal, mindenvaardig voorwerp, uit een stof, die anders voor tempelvaatwerk niet gebruikt werd. — jspnn rpipa, np den hodem van het V er hl ij f, uit het heilige, eerste ruimte van het eigenlijke heiligdom, waar tafel, luchter en gouden altaar stonden. — In den tempel, waar de vloer met marmeren tegels was belegd, was één tegel los en kon opgetild worden, om uit den bodem daaronder stof te kunnen nemen. — Maimonides neemt aan, dat het uitspreken van den eed aan het bereiden van het water voorafging; dat het hier reeds medegedeeld wordt, hoewel de plaats ervoor eerst na vs. 23a is, laat zich eenvoudig verklaren; daar immers in het eedsformulier van het water gesproken wordt, moest vooraf iets daarover zijn medegedeeld.

18. TQpnV- reeds vs. 16 medegedeeld, doch hier om de nadere uitwerking herhaald. Naar den Thalmoed werd zij van de eene plaats naar de andere gevoerd, ten einde haar te vermoeien en tot bekentenis te brengen. Ten slotte werd zij dan aan den Oostelijken ingang van het voorhof geplaatst. — rnsi (zie Lev. 13,45) beteekent: vrijmaken, wild laten hangen, losmaken en de gewone bedekking ervan afnemen; dikwijls als teeken van rouw, wordt hier het wegnemen van het vrouwelijk hoofdtooisel

gebruikt als zinnebeeld van het ontbreken van vrouwelijke zedigheid enebruikt als zinnebeeld van het ontbreken van vrouwelijke zedigheid en

uwelijkstrouw. — ovinn is, water van bitterheden; ./het bittere waterquot; zou

ocr page 52

HUMERI V.

en het hoofdhaar van de vrouw in het wild doen nedervallen, en op hare handen plaatsen het herinneringsmeeloffer, een meeloffer der ijverzucht is het; — doch in des priesters hand

19 zal zijn het vloekbrengend water der bitterheid. Nu zal de priester haar een eed doen zweren, en tot de vrouw zeggen : HIndien geen man u bijgewoond heeft, en gij dus niet in verontreiniging van uwen man afgeweken zijt, dan zult gij onaangetast blijven door de werking van dit vloekbrengend water der

20 bitterheid. Doch gij — indien gij werkelijk van uwen man afgeweken zijt en indien gij verontreinigd zijt, doordien iemand zijn liggen bij u heeft doen geschieden, behalve uw eigen man,quot; —

21 (Nu zal de priester de vrouw den eed der vervloeking doen zweren, en de priester zal tot de vrouw zeggen): „Doe de Eeuwige u worden tot vervloeking en eed onder uw volk, doordien de

22 Eeuwige uwe heup doe invallen en uwen buik opzwellen. Dan kome dit vloekbrengend water in uwe ingewanden, om den buik te doen opzwellen en de heup te doen invallen!quot; — En de

23 vrouw zal zeggen : „Amen ! Amen !quot; De priester zal vervolgens deze vervloekingen op een boekrol schrijven en ze in het

24 water uitwisschen. Hij zal de vrouw het vloekbrengend water

luiden: dw. — D'nsan, het vloekbrengende; indien het feit nl. werkelijk geschied is, brengen zij der vrouw vloek aan en bitterheid. Sommigen verklaren Diinn in: het water met de hittere dingen erin, er zou nl. iets bitters ic gemengd moeten worden. Van vergif kan natuurlijk geen sprake zijn, daar immers de schuld der vrouw twijfelachtig is. — Uit vs. 24 einde blijkt, dat onn de mogelijke uitwerking van het water aanduidt. Op zichzelf onschadelijk, wordt het, zoo de vrouw werkelijk schuldig is, dood-brengend. Reeds nu wordt die ongunstige naam aan het water gegeven, omdat er toch in ieder geval ernstige verdenking van schuld, maar zeker afkeurenswaardige lichtzinnigheid bij de vrouw aanwezig is.

19. Hi zal haar een formule voorzeggen, die zij door haar herhaald ps onder eede bekrachtigen zal. — rvdd nS dsi ... 33c nS ds is één begrip; indien geen man u heeft bijgewoond en gij dus niet zijt afgeweken, zooals uit vs. 20 duidelijk blijkt. — Nachm. meent, dat reeds hier gedoeld wordt op mogelijk wangedrag der vrouw met een anderen man, dan tegen wiens omgang met haar zij gewaarschuwd is. — ns»Q miao, gij zijt afgeweken tot verontreiniging, zoodat gij u verontreinigd hebt door werkelijk gepleegd overspel. — quot;pw nnn, terwijl gij zijt onder uw man = met hem gehuwd, en gehouden hem trouw te zijn. — ipjn, blijf zuiver, onaangetast door de werking van enz. De gebiedende wijs beteekent hier natuurlijk eene verzekering: zult gij vrij hlijven; vgl. nwi (Deut. 32,50).

20. '3, eenigszins meer bevestigend dan os, met het oog op de ernstige verdenking.

21. yOBTII» hier zal dan de priester den eigenlijken vervloekingseed voorzeggen, waartoe de beide vorige verzen slechts de inleiding vormden. De formule wordt onderbroken om erop te wijzen, dat nu de hoofdzaak volgt. — nSsn nraïf, een eed, waarbij vervloeking wordt ingeroepen. — -jms mm jm nSxS, God doe u worden tot voorwerp van vervloeking, d. w. z. dat iemand, die een ander vloekt, hem zal wenschen, dat hem gebeure, wat u is over-

24

4

ocr page 53

n KP3

nnw {insn nn:p nx |n:i t^Nrnx

yatrni : öniNon onan vn» jrfan tsi Kin nkjp ^

«. . ; • ; ^ I^:it : I- ^quot;r'gt;' •'quot;^ :•• I quot; quot; lt;quot;: A» ^ TI:

KV-dni -inN ^KaD^KyDMn^n-^ioNirfiannnK

7 • : | t • j' r • t • it v lt;- t : I quot; - t

: riv'Kn omNon onan ^ao ♦psn nnn nxüta n^ty

V lquot;^t v.' -»• t - •)quot; • P t- )aquot; • - -»- V.t : \ •)' t

-jik •na WH rn»! nKOü3 »31 nnn n^'ty »3 nxi3

|t r i •••- aquot; : • kquot; • quot;v •)* t y t : - :

n^3^2 nu'Nn'nK jrün ^^B'ni : ■nt^K nr^ü innaiy «

■gt;-■■. : • t • it v ir* quot; : . i'quot;^ * i quot; * : t :

nvniy^ n^N1? -iniK nin» ?n» n^S rrtan nawi h^n

^t\ ; • : JT t : | )t ^ jt^ : i •• • t • it ' quot; ^ quot; lt;quot; t ; t t it

: naï ■qma-nKi rbë: ^iDi'-nK nin» nna -na^ Tiina

i ,^t : . l : lquot;4* lt;t * quot;»' vp

ras nias? ti^ds nbxn oniKon o^sn 33

. I ,. , . - p|. -p.. ;1 ., .. T :it : r - -

n?Nn nb«n_nx anai : rox 1 ro« nt^xn moxi r\y»

v .)quot; t ^ t it - t ; i iquot; t i Jquot; T vt * it JT : it c |aquot;t

■n« nibrrnK np^ni : onsn vïa nnüi -1333 rnan ■gt;=

t 'jt v It: • : r t - jquot; v y.r r vaquot; - Kquot;

komen; nj^t'Si, dat, ter bevestiging der waarheid eener bewering, men over zichzelf uw lot zal inroepen. — •p-v. Volgens sommigen euphemis-tische aanwijzing van het geslachtsdeel, evenals Gen. 46,26 bij een man; v. a. letterlijk: de heup. Over den aard der hier geschilderde ziekteverschijnselen is verder niets bekend. In ieder geval schijnt haar dood onvermijdelijk te zijn geweest, als deze verschijnselen zich voordeden.

22. J113sS ♦ • .1X31. het water kome in uw ingewanden, met de uitwerking, dat het doe opzwellen enz. — hsh-\ = S'e^nbi = woi. — jon, waar, of: het moge waar worden. De herhaling dient tot sterker bevestiging. De ïhalmoed ziet echter in de dubbele bevestiging ook een dubbelen eed : noch met den man, tegen wiens omgang mijn echtgenoot mij had gewaarschuwd, noch met een anderen man, — noch nu, noch vroeger heb ik ontucht gepleegd. — Weigert zij den eed af te leggen of te drinken, dan is verdere samenleving met haren man verboden. Haar huwelijk moet ontbonden worden en zij mag ook met den van overspel verdachten man niet huwen.

23. nSDS. in een boekrol, geheel overeenkomstig de eischen aan het boek, een Thorarol, gesteld: op perkament enz. — ibd, oorspronkelijk: verhaal, vandaar: een opgeschreven verhaal, geschrift, en eindelijk: dat, waarop men schrijft. — nSsci nSsn ns, het geheele eedsformulier, vs. 19—22, (natuurlijk met weglating van de eerste woorden van vs. 21), zooals Maimonides aanneemt, — èf alleen de vervloekingen van vs. 21 en 22 (;n' tot tti). Het schrijven geschiedt eerst na het afleggen van den eed. — nn-si, hij beweegt dan het geschrevene zoo in het water, dat het schrift uitgewischt wordt. De letters vloeien als het ware in het water weg.

24. In den Thalmoed heerscht verschil van meening over de vraag, of het drinken vóór of na het offer plaats heeft. Maimonides volgt de eerste meening. Ons vers staat dan volkomen op zijn plaats. Moeilijk zijn dan de slotwoorden van vs. 36, waar het drinken uitdrukkelijk na, het offer

ocr page 54

N U M E R I V.

der bitterheid doen drinken, en het vloekbreneend water zal

25 tot bitterheid in haar komen. De priester zal het meeloffer der ijverzucht uit de hand der vrouw nemen; en met het meeloffer eene wending maken vóór den Eeuwige, en het tot

26 het altaar doen naderen. De priester zal van het meeloffer eene handvol nemen — het gedenkoffer ervan — en het op het altaar in rook doen opgaan ; en daarna zal hij de vrouw

27 het water te drinken geven. Als hij haar nu het water te drinken gegeven heeft, dan zal zij zijn ; — indien zij verontreinigd is, en ontrouw tegen haar man begaan heeft, en het vloekbrengend water tot bitterheid in haar zal komen, en haar buik zal opzwellen en hare heup invallen, — dan zal de vrouw

28 tot vloek zijn onder haar volk. Doch indien de vrouw zich niet verontreinigd had, maar rein was gebleven, dan zal zij

29 ongedeerd blijven, en zij zal bevrucht worden met kroost. Dit is de leer omtrent de ijverzucht, wanneer eene vrouw van

30 haren man afwijkt en verontreinigd wordt; — Of wanneer een geest van ijverzucht eenen man bevangt, zoodat hij op zijne vrouw ijverzuchtig is; dan zal hij de vrouw vóór den Eeuwige plaatsen, en de priester zal met haar doen geheel deze leer.

voorgeschreven wordt. Sommigen verklaren die woorden daarom: en daarna kan hij, indien het van te voren niet. of niet naar behooren is geschied, de vrouw alsnog het water doen drinken. — Neemt men aan, dat vs. 26 letterlijk moet worden opgevat, en het drinken dus na het offer plaats had, dan moet men ons vers verklaren als bij anticipatie de behandeling van het water afsluitend, terwijl dan vs. 25 ons naar een vroeger tijdstip verplaatst en den geregelden gang der zaak behandelt. Men vertale dan: nis hij dan later, na het offer, de vrouw laat drinken enz.-, vs. 25 worde dan vertaald : de priesler zal namelijk eerst het offer nemen enz. — D'TBTOn D'on, dat, zoo zij schuldig is, vloekbremjend zal zijn, zal in haar komen DnaS, tot bitterheid, v. s. hetzij voor haar in geval van schuld, of voor haar echtgenoot, die blijken zal haar ten onrechte te hebben verdacht; v. a. voor haar alleen, in geval van schuld, vgl. vs. 27; nog anderen: het tot bitterheid strekkende, vloekhrengende water zal in haar komen; ono'? ■••■«a is dan gelijk Dnan ■gt;».

25. Naar de in het vorige vers gegeven opvatting van Maimonides, geschiedt het hier voorgescLrevene na het drinken. Naar vs. 18 had de vrouw het meeloffer tot nu toe op hare handen (natuurlijk lag het meel in een bekken); nu nam de priester het haar af en maakte eene wending er mede (zie Ex. 29,24) en deed het den uithoek van het altaar aanraken (zie Lev. 3,8; Lev. 6,7, waar ook 3ipn gebruikt wordt als term voor de nt'jn). Naar den Thalmoed hield bij de wending ook de vrouw het gewijde voorwerp, waarin het meel lag, met hare handen vast. De rest van het meeloffer moet door de priesters gegeten worden (Lev. 7,10).

27. npirm. Vulgata, Mendelssohn en anderen verklaren; als hij haar nu laat drinken enz. De Thalmoed verklaart deze derde vermelding van het laten drinken als verplichting: hij moet haar, ook tegen haar wii, laten drinken, nadat eenmaal de geschreven woorden in het water zijn

25

ocr page 55

n KPi ns

: anob onnxon D^sn na insi nmsün onan 'o

^ •' t ; v.' :it : r *j' - ot jx _ a- ;it : r T quot; f

nnjsrrnK ei»:ni nk:pn nn:o nx n^xn to rrün npSi«

^ t : • - v | «• •• ; ^ •% t| ; - • v,quot; t • it -•- • i •• - i lt;- t :

nman-fp jnan : naran-bx nm an^ni ^agt;13 -nx nEwrmK npi^» inKi nnarsn Ttapm nniSTNTiK

v.t • it v hv: - r - ; ta-: - v.*l: * : t t-»t: -

hyu ^oni riNDLjrDK nrvm D*bnquot;DK npt^m : D^sn»

•Sj- «S : • - t : : • •'T i it : --- v r ••'t: -it -

nka nnaxi nnab omNon D'sn na ixai hty^a

t : • jt ; it ; • t ; • :it : i- •lt;- - t t t • ;

KVDW : na^ aipa nbNb nt^xn nn'ni nan* n^s:*!«

lt; # : it quot; vlr.*; v.t t : -jt • it st:it: # at \.t :«t :

nrtT : yiT n^nr:quot;! nnpji Nin mhüi n^n nxat:: m

j -it vt *;:* : v,tI; • : a* vt : ^ t • it t : : •

ik :nKaa^ n^'x nnn nüirn nrx n'KJpn min17

j t it : ■ : * quot; ■gt;' -jt • j'.' ; v atI: - vquot;

Tajrni inirN-nN «spi nxjp nn quot;iayn ik'n

lt;• pv:iv ; a : • v -•••I*; ^t:I* quot; j -jr^r j : iquot; v -j

: rMn nnnn_l?a r\n rnan n1? n'^jn nin» ♦as'? n^NrrnK

i - vt - t jquot; 1 •• quot; t t ~r: t ;-•••: • t • it

uitgewischt. — nn'ni, dan zal zij, de vrouw, in den volgenden toestand zijn; dan zal het zijn, zou moeten uitgedrukt zijn door: rrm. — V. a. is nnvn hier reeds inleidend woord voor het slot van het vers: nW? rroso nnvn, waar dan nnvn herhaald is wegens den langen tusschenzin. De geheele zin van nmw ds tot het tweede nrpm is dan voorwaardelijk, en vs. 28 vormt de tegenstelling. — Men houde in het oog, dat ook bij werkelijk plaats

fehad hebbend overspel, dat dan uit de gevolgen van net drinken bleek, e vrouw, zoo zij al niet dadelijk stierf, toch in geen geval door een menschelijken rechter gevonnist kon worden; en ten tweede, dat de stol', waarmede de proef werd genomen, niets levensgevaarlijks bevatte, — twee punten, die de hier besproken handeling essentieel onderscheiden van de in de middeleeuwen gebruikelijke Godsoordeelen. Hoofddoel was hier om de vrouw, indien zij schuldig was, tot bekentenis te brengen, waardoor uitgemaakt was, dat zij niet langer met haar man in den echt verbonden mocht blijven, maar waaraan geene strafrechterlijke gevolgen verbonden waren.ehad hebbend overspel, dat dan uit de gevolgen van net drinken bleek, e vrouw, zoo zij al niet dadelijk stierf, toch in geen geval door een menschelijken rechter gevonnist kon worden; en ten tweede, dat de stol', waarmede de proef werd genomen, niets levensgevaarlijks bevatte, — twee punten, die de hier besproken handeling essentieel onderscheiden van de in de middeleeuwen gebruikelijke Godsoordeelen. Hoofddoel was hier om de vrouw, indien zij schuldig was, tot bekentenis te brengen, waardoor uitgemaakt was, dat zij niet langer met haar man in den echt verbonden mocht blijven, maar waaraan geene strafrechterlijke gevolgen verbonden waren.

28. jnt njnm. za^ zy bevrucht worden met kroost, v. s. eene toezegging, — zij zal een kind ter wereld brengen, wat haren man weer inniger met haar zal verbinden (vgl. Gen. 29,34); v. a. zij zal niet, gelijk in het tegenovergestelde geval, de geschiktheid om kinderen ter wereld te brengen, verliezen, — maar evenals vroeger kinderen kunnen voortbrengen.

29 en so. Djopn min. de leer omtrent de twee gevallen van ijverzucht: als zij werkelijk schuldig is, of de verdenking ongegrond was. Blijkt die schuld van begin af, bijv. door één getuige, zoodat zij wel strafbaar is, dan heeft de hier beschreven handeling niet plaats. Twijfelt men echter aan hare schuld, dan moet de handeling geschieden, en heeft in geval van schuld (vs. 28), zoowel als indien zij onschuldig is, de proef met het water plaats; — in beide gevallen heeft dus de man haar tot den priester te brengen, enz. Bij wcn ns topi van vs. 29 moet dan in de gedachte

ocr page 56

HUMERI V, VI.

31 En de man zal vrij zijn van misdaad; doch deze vrouw zal hare misdaad dragen.quot;

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt; «Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: een man of eene vrouw, die eene bijzondere daad verricht, door eene gelofte van Nazier te doen, om ter eere des Eeuwigen zich tot Nazier te verklaren,—

3 Van wijn en dronken makenden drank moet hij zich onthouden ; azijn van wijn of azijn van dronken makenden drank zal hij niet drinken; eenig aftreksel van druiven zal hij niet drinken,

4 en versche of gedroogde druiven niet eten. Gedurende al de dagen van zijn Nazierschap zal hij van al wat van den wijn-

5 stok bereid wordt, van pitten tot schil, niets eten. Gedurende al de dagen van de gelofte van zijn Nazierschap, zal geen scheermes over zijn hoofd gaan ; totdat ten volle de dagen om zijn.

aangevuld worden: en zij is werkelijk niet verontreinigd. — Rashie verklaart is van vs. 29 als ds en ziet dus in dit vers nadere verklaring van vs. 28: zij is ontroun' geweest en verontreinigd. — echter niet zoo, dat dit den man met zekerheid bekend is, maar hij wordt ijverzuchtig op haar.

31. De man zal vrij zijn van zonde; als hij, bij ernstige verdenking de proef laat nemen en zijne vrouw beschuldigt, zal hij zich niet bezondigen aan voortduring van een verboden echtverbintenis tengevolge van zijn zwijgen — hij klage haar dus gerastelijk aan, — want zij zal slechts haar misdaad te dragen hebben; — of; als de proef den dood der vrouw tengevolge heeft, stelle hij zich gerust: hij is vrij van zonde, daar zij slechts de straf voor haar misdaad ondergaat. Naar den Thalmoed sterft in geval van schuld ook de medeplichtige door een Goddelijk ingrijpen.

HoornsTUK VI. Het Nazierschap, hier geplaatst óf als handelende over een bijzondere levenswijding en daarom zich bij de legerinrichting aansluitend, — öf als geval, waarin de priester heeft op te treden, — öf als toen ter tijd bij de regeling der legerplaats zich voordoende, öf eindelijk als bevattende de bijzondere bepalingen, door den Nazier bij verontreiniging aan lijken in acht te nemen.

Zie Lev. 22,21 en 27,2. — Nazierschap is niet verplicht, maar wordt door vrijwillige gelofte voor korter of langer tijd aanvaard; naar de traditie voor ten minste dertig dagen. — -Pt: van n:, onderscheiden, beteekent v. 9. de zich onthoudende, van wijn nl., — daar echter verontreiniging aan lijken voor den Nazier veel ernstiger gevolgen heeft, dan ongeoorloofd wijngenot, kan in dit laatste niet net eigenlijke cardina'.e punt liggen; hetzelfde geldt tegen de opvatting; met ongerepten haardos gekroonde (vgl. Gen. 49,26); daarom verklaren anderen; de zich onderscheidende door bijzondere levenswijze. — TtnS, om zich tot Nazier te maken door zijne gelofte, — 'rh, ter eere des Eeuwigen, uitsluitend om Gods wil.

3. Over 13» zie Lev. 10,9. Dat de onthouding van wijn en bedwelmenden drank hier zoo op den voorgrond treedt, vindt zijne oorzaak in de omstandigheid, dat het doel der Nazier-gelofte wel zal zijn; beteugeling dei-zinnelijkheid, die door het genot van wijn enz. juist zou worden geprikkeld. Haar laten groeien is eene verwaarloozing der uiterlijke persoonlijkheid, met dergelijk doel. Verbod van verontreiniging aan lijken eindelijk stelt den Nazier op één lijn met den priester en leert hem hoogere levenswijding. Dit laatste is dus het eigenlijk positieve criterium van het

2fi

ocr page 57

'i n Nirj

fi : nyijrnN Ninn np:v^

IT quot;t V AT • ' - -T • IT ; I fTT Iquot; v.- T \ JT' l

»ar,7K-lai : 10^ nin» ISTA^ ' : nin^ innquot;? nu '-iuV kba' '3 hï^N-IN IT'N onbtf

IT 1- V' quot; : 'T •••-••.• ; • • ; - lt;• T • I -•• AV •* -:

mtyo-^Dquot;» nn^» k1? id^ ram p ran quot;in' r^o ^

lt;quot; : * t ; av : • -• •• | v ^ :!••»- | v s •- t •• : !•lt;-•

♦a' Va : üh D'n1? Dwi nr^ amp; wnty ^

■quot;' : k iquot; i K' quot; •* i' quot; •)* Tp-;i- v^: * 9 -* ' T

^DN'Nbjr^D^ïTOpnraaQ nirr quot;I^N2 VSO iir:

^iquot; j ^v.t ^-: .)• - ; -1quot; I---I v-»v • v Tlquot; _ v -: a; •

DÓ»n iPKTty -i^n mj w-bz *

■ T - : * rt -1 *~|- ^ v,quot; Ï • V-'V •• ; T

1

Nazierschap, de anderen zijn vooi-behoedmiddelen tegen zinnelijke aan

2

nu. I» is hier het afgetrokken zelfst. naamw. van quot;WJ. — iün

n»!quot;', wat bereid wordt uit, of; voortgebracht wordt door. In de eerste opvatting is D^inn: wat bereid wordt van pitten of van schillen. — De gewone verklaring; D'jï-in als pitten, jt als schil is ook door ons gevolgd, hoewel zij niet geheel vast staat. Heeds in den Thalmoed komt eene meening voor, die juist omgekeerd verklaart. Sommigen verklaren pnn : zure, onrijpe druiven, en jt uit het Arabisch; doorschijnende, rijpe druiven. — iri ...n, evenals Gen. 14,23 noc/i... noch; in de bovengenoemde eerste verklaring moet voor ieder der zelfst. naamw. nog een 's gedacht worden; al wat gemaakt wordt — hetzij van pitten of' van schillen. — jvn jbj. Evenals dis, wordt ook jsj niet uitsluitend voor wijnstok gebruikt, vgl. II Kon. 4,39; vandaar de uitdrukking }quot;n ]s: hier, waar uitsluitend de wijnstok bedoeld wordt. — Met het oog op de opsomming der bijzondere, den Nazier verboden dingen, meent de Thalmoed, dat hier onder lac; vs. 3 alleen wijnhoudende drank te verstaan is; het vormt een der strijdpunten tusschen Rabbanieten en Karaieten, hoever het verbod voor den Nazier gaat. De Karaieten achten al wat bedwelmend is, verboden, al is het niet roduct van den wijnstok; de Rabbanieten meenen, dat alles, wat van en wijnstok komt of mengsels daarmede verboden zijn, ook al zijn zij niet bedwelmend.

ocr page 58

N U M E R I VI.

gedurende welke hij zich ter eere des Eeuwigen tot Nazier zal maken, zal hij heilig zijn, doordien hij het haar van zijn

6 hoofd wild zal laten groeien. Gedurende al de dagen, dat hij zich ter eere des Eeuwigen tot Nazier gemaakt heeft, zal hij

7 bij geen lijk van een gestorven persoon komen. Aan zijn vader en aan zijne moeder, aan zijn broeder en aan zijne zuster, hij zal zich aan hen niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het Nazierschap van zijn God rust op zijn hoofd.

8 Gedurende al de dagen van zijn Nazierschap immers is hij den

9 Eeuwige geheiligd. Doch indien iemand onverwacht plotseling hij hem sterven zal en hij het hoofd van zijn Nazierschap verontreinigt, dan zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofdhaar afscheren; op den zevenden dag namelijk zal hij het

10 afscheren. En op den achtsten dag zal hij brengen twee tortelduiven of twee jonge duiven, tot den priester, naar den

11 ingang van de tent der samenkomst. En de priester zal de eene tot zondoffer en de andere tot brandoffer bereiden; en hij zal verzoening voor hem doen, wegens wat hij met betrekking tot een lijk gezondigd heeft, en hij zal zijn hoofd op dien dag

12 heiligen. Hij zal namelijk ter eere des Eeuwigen voor de dagen van zijn Nazierschap zich wederom tot Nazier ver-

• klaren en zal een eenjarig lam tot schuldoffer brengen ; en de vorige dagen zullen vervallen, want zijn Nazierschaj is

13 verontreinigd. En dit is de leer van den Nazier: op den dag, dat de dagen van zijn Nazierschap ten volle om sijn, zal hij het naar den ingang van de tent der samenkomst

6. na rS3. zie Lev. 21,11.

.7. tovo hy '•;nu •q. Mendelssohn : want de onthoudingskroon van zijn God rust op zijn hoofd, d. w. z. zijn groeiend hoofdhaar, het teeien zijner onthouding, is een hem onderscheidende kroon. — Lev. 21,12 wordt eene gelijksoortige uitdrukking van den priester gebruikt en net daar op de zalving. Evenzoo kan hier verklaard worden: het Naziersclap ter eere van zijn God is zichtbaar op zijn hoofd, door den haargroei. — De 'S van onb kan moeilijk verklaard worden door: ter wille van, daar d»n de uitdrukking üejS nod Num. 5,2 niet te verklaren zou zijn. Het le-teekent dus: aan hen zich verontreinigen.

8. Voortzetting van het slot van het vorige vers: hij mag zich niit verontreinigen, want — ... gedurende den tijd, dat hij zich tot Nazier heeft gewijd, is hij den Eeuwige heilig.

9- oxna ynaa. Deze synoniemen, die misschien stamverwant zijn, worden door sommigen verklaard hier naast elkander te zijn gebruikt, om hei plotselinge sterker aan te duiden. Willens en wetens zal geen Nazier zich verontreinigen, ja, zal zelfs elke mogelijkheid van verontreiniging vermijden. De Thalmoed vindt in het gebruik dezer beide woorden, op grond var. het voorkomen ervan op andere plaatsen, verschillende gevallen aangeduid, en wel; in ïhes, plotseling, zonder dat hij het wist, jjid ; — in dixns, onverwacht, zonder dat hij het weten kon, d:in, ja zelfs'v. s. opzettelijke veron trei n i gi n g, tiü.— vSy, bij hem, over hem, in zijne nabijheid of onder één dak met hem, zoodat

27

ocr page 59

i mi n

: iKWh n^n- t^-tp nin^ 1

jquot; s t i J~: quot;vquot; yquot; v : r -«It t i- lt;• - v -;

Vn«S lax^i : ay no nin^ imn'

• t ; * : -»• t ; it j «.*• vjv at i- v. * quot;

Va vri^nT: ^ onba on1? NS^-N1? inhx^n

^ ^ i ^ vt v: vj- ^)* at : (.v t jt - • i -•- ;

Dt^na ^nö3 vbj; no n,it:,-^i ; nin^ Kin anp inn 'Ö»b

; • ^ -jv ; t^t lt;•• t i* : it i- ^ jir a: • •quot;• :

di#3 irnnu dv3 i^^-i nbii inn pk-i nsüi

• z - j - t*; it . j ; ^ lt;- • : a: • j :

nji» na n^ IN o^n 'niy xa» n^oiyn Di»ai :

^ at -quot;• ; v,quot; ; j • ■quot;• ; • t • • ; - ^ iv: -:

n^nb nriK jnan ntr^i : n^ia nnrbK jnan-VN ^ -ns4 t^npi nur\ t^xo naai r6v^ nnxi

j-| • : vat - ^t t^ jv -: ••• t t •'•.'• ; t : jt v ;

'V23 x^ani inn ♦ö^nx nin^ nnni : Ninn ava i^xn nxn : nri ndü 'a ^aquot; an^nn o^o'ni in:ir?a ^

j : i; • v.quot; t ^ r : • # * '*,t ^ «• t - ; at t : v t ; i v

^n'N nna_l7N inx wy inn w nttba Di;a yr:n min

v j -{'.' v ■gt;• r : * jquot; : : : a-t - v

hij onrein wordt. — snci, en hij, de doode of de Nazier, maakt onrein, VrtJ rxi, zijn het Nazierschap dragend hoofd. — imno Dl'2, op den dag. waarop hij rein wordt van de door het lijk over hem gebrachte onreinheid, dat is op den zevenden dag volgens Num. 19.19 — op welk hoofdstuk hier klaarblijkelijk reeds wordt gedoeld, wederom een bewijs, dat de orde der wetten in den Pentateuch niet chronologisch is.

11. Pat hier een nson, zondoffer, gebracht moet worden, is evenmin vreemd, als overal elders; wij vinden immers juist bij verontreiniging, die ontwijding van bet heiligdom of gewijde spijzen ten gevolge heeft, indien dit in dwaling is geschied, een zondoffer, ook soms uit een vogel bestaande. (Zie Lev. 5,7). — Ook het schuldoffer van vs. 12 moet verklaard worden als dat bij den melaatsche, die ook door een ongeval is getroffen buiten zijn toedoen (zie Lev. 14,12). — t'lpi, en hij, de Nazier, zal opnieuw, voor gelijken termijn als vroeger, zijn hoofd wijden, d. w. z. een Nazierschap beginnen.

12. jram. doch moet nog een schuldoffer brengen, niet juist vóór het begin zijner nieuwe Nazier-periode. Deze begint aanstonds na het brengen van het zondoffer. Wij hebben hier bij den verontreinigden Nazier geheel hetzelfde offer, als bij den melaatsche, die tot de armere volksklasse behoort. (Lev. 14,21 en 22). — nn ms 13. Alleen verontreiniging heeft ten gevolge, dat het reeds vervulde gedeelte van het Nazierschap vervalt en de gelofte geheel opnieuw vervuld moet worden. Wijngenot breekt het Nazierschap niet af; afnemen van het hoofdhaar heeft hoogstens verlenging met dertig dagen na het scheren ten gevolge. Dat de Nazier bij opzettelijke overtreding der voor hem geldende verboden de gewone straf van geesseling krijgt (natuurlijk als de overtreding plaats had in tegenwoordigheid van getuigen, na voorafgaande waarschuwing) spreekt vanzelve.

13. quot;VIJD» de leer omtrent den Nazier, in het normale geval, dat zijn Nazierschap niet wordt afgebroken door verontreiniging. — nxS» dts. Hier blijkt duidelijk, evenals uit vs. 4 vv., dat men slechts denkt aan

ocr page 60

N ü M E R I VI.

14 brengen. En hij zal, ter eere des Eeuwigen, als zijn offer brengen ; een mannelijk schaap, onder het jaar, zonder gebrek, tot brandoffer, en een vrouwelijk schaap onder het jaar, zonder gebrek, tot zondoffer, en één ram, zonder gebrek, tot vredeoffer.

15 En een korf met ongezuurd gebak, namelijk meelbloem en koeken met olie aangemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken,

16 benevens hun meeloffers en hunne plengoffers. De priester zal het vóór den Eeuwige doen naderen, en zijn zond- en brandoffer be-

17 reiden. En den ram zal hij tot vredeoffer ter eere des Eeuwigen bereiden, bij den korf met ongezuurd gebak; en de priester zal

18 het erbij behoorende meel- en plengoffer bereiden. De Nazier zal zich vóór den ingang van de tent der samenkomst het hoofdhaar van zijn Nazierschap afscheren, en zal het hoofdhaar van zijn Nazierschap nemen en op het vuur leggen, dat onder het

19 vredeoffer is. De priester zal het schouderstuk, nadat het gekookt is, van den ram nemen, benevens één ongezuurden koek uit den korf, en één ongezuurde vlade, en ze leggen op de handen

Nazierschap voor een bepaalde tijdruimte, niet aan levenslang Nazierschap, dat inderdaad tot de uitzonderingen behoorde en misschien zelfs bijzondere bepalingen had. Althans Simson (Rccht. 14.19) en misschien zelfs ook Samuel (I Sam. 15,33) hebben lijken aangeraakt. — m.s' Nquot;quot;^. R. Jishma'el in den Thalmoed, en op zijn voetspoor Rashie, Lbn 'Ezra e.a.: zal hij, de Nazier, zichzelf hengen, =: begeven enz. Rashbam: zal hij het Nazierschap, vtn = nw wi -w, zijn Naziers-hoofdhaar, brengen naar den ingang van de tent der samenkomst, waar in geval van voleindiging van het Nazierschap het scheren moest geschieden, — terwijl de verontreinigde Nazier zich in zijne woning mag scheren of waar elders hij wil. — Deze verklaring komt mij het waarschijnlijkst voor. — Eindelijk verklaren enkelen: za.1 men hem zijns ondanks brengen.

14. Een zondoffer wordt hier gebracht v. s. wegens de onthouding, die de Nazier zich onnoodig heeft opgelegd, v. a. in denzelfden zin, als dit bij eene barende geschiedt. Lev. 12. — Als verzoening voor mogelijke verontreiniging zou geen zondoffer, maar hoogstens een schuldoffer, 'iVn bün, kunnen dienen.

15. Naar den Thalmoed tien koeken en ti( n vladen. — orrosji onruKi, meel- en plengoffer bij het brand- en vredeoffer. Het zondoffer had noch meel- noch plengoffer. (Vgl. Num. 15,3 vv.).

16. anpni- Vs. 14, waar van den Nazier gezegd wordt: yipm, betec-kent dit: naar den ingang van het voorhof brengen, — hier, waar het van den priester gebezigd wordt, beteekent het óf algemeen: als offer brengen, en volgt de nadere uitwerking daarvan, — 6f waarschijnlijker: doen naderen tot de plaats ten Noorden van het altaar, voor het slachten der allerheiligste offers bestemd. Zooals meermalen, is hier het voorwerp weggelaten; bedoeld is natuurlijk: het zoo pas besproken offer. — rwïi, en zal, op de gewone wijze, naar de Lev. 1,10 vv. en 4,29 vv. gegeven voorschriften, zijn, des Naziers, zond- en brandoffer bereiden. Bij het vredeoffer daarentegen gelden voor den Nazier bijzondere bepalingen, afwijkend y^n d§ L^v, 3,1? yv, gegevei} regels. — iriirón w, eerst het zond-, dan het

28

ocr page 61

i am na

D^ön injiy-ra los nin'b laanp-nK anpni : nyio ^

lt;• t t ; i v v v ti- -» t :it v ^ j* i: • :

nKtan1? nD^an nrutf-na nnx rivni nnK

•j-; at - : ^ • : ott : - 5- m t ; - : t^ : tv

röB'a riVn nVo niiro ^di : croS^ D'on nnK «

1 v v - j ; - v lt; - J- : r t : • v.' t JT v

anpni : dh^d^ Dnniai pvz D^niro niïö ra

. rl: • ; ••.•••;•: v.t t ; • I vat - •*' \ : v, quot; hquot;l* :

S^n-nsi : in^-nKi inKtan-nK n'^i nin» rrün ^

• - t v ; ^ 1 t 1 v ; ^ t - v jt quot;t^ : at ;-•••;• i -

■nx jrian n'^i mvan nin^ b'p1?^ nar n^;.

tj^iö 'jnk nna nnan nbii : üprnNi inn:o ^ nnn-i^K ^NH-^ jnai inp ^*1 n^trnK npbi n: ■'VKn-fp n^3 ^^Tn-nK jnian npbi : ^

jn:i nn« nya p^jrn VDH-JP nnx nyp n^ni

hrandoffer. Ibn 'Ezra, meent, dat alleen daarom nson hier het eerst wordt vermeld, omdat het 't laatst is besproken.

it. nison Sd hy, b ij den korf met ongezuurde hrooden, die als nood-zakolijk bestanddeel van het offer bij den ram behoort; het brood krijgt door het slachten van den ram zijne wijding. De zin kan niet zijn: h et ev ens den korf met ongezuurde hrooden, daar die niet geofferd werden, en slechts één van iedere broodsoort den priester werd gegeven, terwijl de andere 18 broeden den Nazier werden teruggegeven. — innja mn, het med- en plengoffer, behoorende bij den vredeofferram. Yan het brandoffer was reeds gezegd, dat het op de gewone wijze met inachtneming van alle voorschriften bereid werd; het is dus niet noodig daarbij het meel- en plengoffer afzonderlijk te vermelden. Men behoeft hier dus niet te ver-kliren: zijn, des Naziers, meel- en plengoffer.

18. Na het slachten van den vredeoffer-ram, scheert hij dan zijn haar.— liquot;» Sns nns. aan of bij den ingang van het heiligdom; naar den Thalmoed wis in den tempel daarvoor een vertrek naast het vrouwenvoorhof aangewezen ; tevens verklaart de Thalmoed deze woorden, als te bevatten het voorschrift, dat het scheren eerst mag plaats vinden, als de deuren des teiligdoms geopend zijn. — oiisScn nar nnn uw tfNn, het vuur, dat onder het vredeoffer is, d. w. z. waarop het vredeoffer staat te koken ; — het is niet let altaarvuur, dat hier bedoeld is, daar dat niet genoemd kan worden : let vuur, dat onder het vredeoffer is. Immers, van het vredeoffer werden flechts enkele deelen verbrandt, terwijl het bijna geheel of door den priester of door den eigenaar werd gegeten. Bovendien blijkt uit vs. 19, dat het vredeoffer gekookt werd, terwijl het op het altaarvuur zou verbranden.

19. jnf, het bovendeel van den rechter vóórpoot, evenals onder pw het bovendeel van den rechter achterpoot te verstaan is. — nhrn is oppositie; als bijv. naamw. zou het rhvan moeten luiden. Men vertale dus niet: het gekookte schouderstuk, maar: het schouderstuk, nadat het gekookt is. — |» Vixn kan of bij m óf bij npSi behooren. In het eerste geval beteekent het: het schouderstuk van den ram zal de priester, nadat het gekookt is, nemen ; jn bet tweede gevamp;l; hij zal het schouderstuk, nadat het gekookt is, van den

ocr page 62

N ü M E R 1 VI.

van den Nazier, nadat hij zich zijn Nazierschap afgeschoren

20 heeft. De priester zal daarmede eene wending maken vóór den Eeuwige — heilig is het voor den priester, — met de borst der wending en den schenkel der opheffing; en daarna

21 kan de Nazier wijn drinken. Dit is de leer van den Nazier, die eene gelofte gedaan heeft, van zijn offer namelijk ter eere des Eeuwigen wegens zijn Nazierschap, behalve hetgeen waartoe zijn vermogen toereikend zal zijn; volgens zijne gelofte, die hij gedaan heeft, zoo moet hij doen, boven het voórge-schrevene voor zijn Nazierschap.quot;

23 22 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot Aharon en zijne zonen aldus : zoo zult gij de kinderen Israels zegenen, zeg-25 24 gende tot hen : de Eeuwige zegene u en behoede u! De Eeuwige

26 late Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig! De Eeuwige

27 wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede ! — Zoo zullen

ram nemen. — Naar den Thalmoed werd in ieder geval het schouderstuk met het overige vleesch te samen gekookt; twijfelachtig is echter, of het schouderstuk aan den romp verbonden was bij het kooken en eerst na het kooken er werd afgenomen, of dat het er eerst werd afgesneden en in denzelfden pot werd gekookt. — Daar hier priester-spijze met voor den Nazier bestemd vleesch samen gekookt wordt, terwijl die priester-spijze den niet-priester verboden is, — wordt uit onze plaats in den Thalmoed de verhouding afgeleid, die bij menging van verboden en geoorloofde bestanddeelen het mengsel het karakter van verboden zelfstandigheid doet verliezen. — ntJ, v. s. = nr) cni, het hoofdhaar van zijn Nazierschap ; of; het kenmerk van zijn Nazierschap.

20- DflIK. De Thenoefa heeft plaats met de deelen, waarmede bij het vredeoffer altijd een wending gemaakt moet worden: de te offeren vet-stukken, den schenkel en het borststuk, waarbij hier nog het schouderstuk en de twee brooden komen. Dit alles wordt, het brood boven, de vet-stukken onderaan, op de handen van den Nazier gelegd; de priester legt zijne handen eronder en maakt de beweging in de vier windrichtingen en naar boven en naar beneden. — nsunn ntn Sr, naar onze opvatting behooren deze woorden bij onis cpjm, hij zal met de genoemden (schouderstuk en brooden) eene wending maken, daarhij nemende het borst- en het sehenkelstuk; froS son np is dan een tusschen haakjes te plaatsen tusschenzin; v. a. behooren de woorden ntn Sr enz. bij het onmiddellijk voorafgaande, schouderstuk en brooden zijn van den Naziersram den priester als gewijd goed te geven, behalve horst- en schenkelstuk, die hem van ieder vredeoffer toekomen. — jquot; -nun nw, maq de Nazier weer wijn drinken en zijn natuurlijk ook de overige onthoudingen opgeheven. Vgl. onze aant. vs. 3.

21. hangt waarschijnlijk nog af van min; de zin is dus: dit is

de leer van den Nazier, de leer namelijk ran zijn offer wegens zijn Nazierschap. — waartoe hij door zijne Naziergelofte zonder meer verplicht is, — behalve hetgeen hij, naarmate hij naar zijn vermogen ertoe in staat is, vrijwillig aan brand- of vredeoffers daaraan wil toevoegen. Wat dit laatste betreft, moet hij, zoo hij daaromtrent eene gelofte gedaan heeft, naarmate der qelofte, die hij afgelegd heeft, zijne beloofde offers brengen, toegevoegd aan de voorgeschreven Nazier-offers. — n» min Sr, b ehalve de

29

ocr page 63

i m: üd

nfiiari i |n'3n dhik : i-in-nx inbann inx inan3 pii ty.! naiann njn jris^ «in ^ hin; ^KTTanmin ntfr : ]quot; man nnts^» inNi nonnn^

j.. _. • t - j- j i 'it t - jv * •)- quot; : v,t : ~

hi: '33 nquot; yirn-iB'x -Q^n lirr^ nin^ laanp ni*

• • lt;• : at j* - v -: v.quot; : * :* t iquot; ct ^It

ö : i-iT3 nnm by_ n^;. |3 IT.

iönV vja-VNipnN-1?» 12-1 nowb irö-bx nin» 12TIquot;

•• jtt v.: i -: r v «•• - 1 •• jv v v.t : jquot; -:-j3

nin' nana» d : on1? hok ^rrK «nan nquot;3 •«

V,t : j1 : v»t ; iv t ». t a- t : • — ; v v. -jit : s

D : ^sn»).^K V331 nin» ^ D : -J-ik lairi D : DiW n1? Dfe^i VJÖ ' nin*»

v j t : i t 1.1 : jquot; t : i v •• t t «t :

leer, voorgeschreven offers van zijn Nazierschap; anderen: volg ens het voorschrift van zijn Nazierschap; na naS» komt mij de eerste verklaring waarschijnlijker voor.

22—27. De priesterzegen, hier na een groep wetten, waarbij de priester heelt op te treden, geplaatst, als bekroning van de taak des priesters. Anderen meenen, dat de voorschriften daaromtrent bij de wijding des heiligdoms werden gegeven (vgl. Lev. 9,22) en daarom hier staan als inleiding tot het volgende hoofdstuk, dat op de tempelwijding terugkomt.

23. rDgt; zoo, met de volgende woorden, naar den Thalmoed ook xiit-sluitend in het Hebreeuwsch. — DnV nsx, termjl gij, priesters, zegt tot hen, de Israëlieten; naar den Thalmoed; terwijl men van uit het volk tot hen, de priesters, zegt, d. w. z. hun de woorden voorzegt. — Naar den Thalmoed werd deze zegen in den tempel eiken ochtend bij het dagelijksch offer uitgesproken.

24. Algemeen; de Eeuwige schenke u zegen en behoede u voor alle onheil.

25. quot;pSn VJ3 Tl quot;Wi GW doe Zijn aangezicht helder voor u stralen, d. w. z. God, Zich tot u wendende, betoone u steeds Zijne gunst en genade. Het aangezicht Godsquot; laat soms een vuur van Zich uitgaan, dat de slechten verteert (Lev. 10,2 e. a. p.), maar straalt ook vaak een helder lichtend zonlicht van gunst en heil af (Deut. 30,20 e. a. p.).

26. vis 'n xir, God wende Zijn aangezicht u toe, evenals Lev. 26,9, D3'Ss Tvoii, den hoogsten graad van Goddelijke, ten gunste werkende Voorzienigheid aanduidend. — DiSr, vrede, is dikwijls de term voor het inbegrip van alle aardsch geluk en volmaaktheid. Waar het niet tegenover strijd of oorlog staat, is het misschien beter het door: welstand te verklaren, dit woord dan ook in den oorspronkelijken zin opgevat: waarbij aües wél staat.

27- 'Hm, zij, de priesters, zullen Mijn naam leggen, inroepen, óf; bevestigen, zoodat God door Israël erkend wordt; vgl. uitdrukkingen als at' lot' ns dibS (Deut. 12,5). — De priesters verleenen geen zegen, maar roepen hem in van God, die alleen den zegen geeft. — Rasubam: als zij, de priesters,

ocr page 64

N ü M E R 1 VI, Vit.

zij Mijnen naam over de kinderen Israels uitspreken, en Ik zal hen zegenen.quot;

i 1 Het was nu geschied : op den dag, dat Mozes voleindigd had het Verblijf op te richten, en dat hij het gezalfd en het geheiligd had, en al zijn gereedschap, — benevens het altaar en al zijn gereedschap; toen hij ook deze gezalfd en ze geheiligd

2 had ; — Toen hadden de vorsten van Israël, de hoofden hunner vadershuizen namelijk — dat zijn de vorsten der stammen, —

3 dat zijn zij, die over de monsteringen gesteld waren, — Zij hadden als hun offer voor den Eeuwige gebracht zes overdekte wagens en twaalf runderen ; één wagen voor elke twee vorsten en één os voor ieder; en ze hadden ze gebracht vóór het Ver-

5 4 blijf. Nu sprak de Eeuwige tot Mozes, als volgt: /,Neem ze van hen aan en zij zullen strekken om den dienst bij de tent der samenkomst te verrichten ; en gij zult ze den Levieten geven, ieder

6 naar gelang van zijn dienst.quot; Mozes nam de wagens en de

7 runderen en gaf ze den Levieten. Twee van de wagens en

Mijn naam zullen inroepen over de kinderen Israels, ook niet eigenmachtig, in eigen naam zegen zullen verleenen, zal Ik hen, de Israëlieten, zegenen. Anderen: zal Ik hen, de priesters, zegenen. De Thalmoed verklaart nsrjpi lt;nc: zij zullen Mijnen eigenlijken naam, 'n, leggen op = uitspreken over de kinderen Israels,

Hoofdstuk VIL Het hier meegedeelde brengen der wijdingsgeschenken door de vorsten had naar den Thalmoed plaats van 1 tot en met 12 Niesan, — sluit dus bij Lev. 9 aan. Terwijl sommigen meenen, dat dit hoofdstuk hier is geplaatst, omdat onder die geschenken zich wagens bevonden, voor het vervoer des heiligdoms bij de tochten des volks benoo-digd, — dat dus bijna het geheele hoofdstuk in parenthese staat en het hoofdzakelijk te doen is om te verklaren, hoe Gershoniden en Merariden aan de voor hun dienst benoodigde wagens kwamen, — dus als inleiding tot den eersten tocht des volks (10,33) — meenen anderen, dat hier de draad van het verhaal weer wordt opgenomen, dien men Lev. 9 had laten vallen, om de wetten omtrent levensheiliging ten einde te brengen, — terwijl Num. 1—6 aangeeft, hoe Israël ten opzichte van het pas opgerichte heiligdom te handelen had. — Nog anderen meenen, in strijd met de Thalmoedische opvatting, dat de vorstengaven eerst in de tweede maand van het tweede jaar werden gewijd en dat dto beteekent: omstreeks het tijdperk, wat dan nier: een maand later zou zijn. Chronologisch zou dan ons hoofdstuk geheel op zijn plaats zijn; doch tegen de verklaring van het woord is wel bezwaar. — De eerste opvatting komt mij het waarschijnlijkst voor; vs. 4—9 vormen dus den hoofdinhoud van ons hoofdstuk en de tijdaanwijzing enz. der eerste verzen moeten als meer dan volmaakt verleden tijd worden verklaard. — cpn1? nc» niSa dto, op den dag, dat Mozes eindigde op te richten, d. w. z. waarop het heiligdom door Mozes geheel in orde was gebracht, of, naar de rabbiinsche verklaring: dat Mozes het heiligdom voor goed had opgericht. (Zie Ex. 40,2). Het was dus of de eerste óf de achtste Niesan, — de achtste dag der tempelwijding. (Vgl. Lev. 9,1). — ons onswi, ze, de gereedschappen van het Verblijf en het altaar met zijn gereedschap.

30

ocr page 65

I i hwï b

bva D * : ddiük ♦öt^« *1

^ : • :- ^ ^ iquot; -:it-! r-:i- *■• r: ■ ■••• ^ i ,: '

iriK iritf nvw ji^an-nK D^nb n^o ni-b : DnK v^rbaTiNi narsn-nNi v^rbs-nKi

it jquot;I-:- v,quot; t : •quot; at •• t v ; - vquot;: / quot; •* : T ^ T gt; v :

n'èan Wm on onb» n^a ^«quot;i wm isnpn =

- - j.. . ; ..« rtx -j ^j.. ^.. t •• T; * •quot;• • ; •!:--

nin» oianp-nK : nnpan-b^ Dnojrn on ^

t : — ; • tt :It v • t - rl\ : - ^ v.* : i t jquot;

ni^i D^'t^sn ipn *\vy 3ï rhty-iïv

j ; v • ; - jquot; : ~ -yr T~-i itt JT •gt;■••• : T J iquot;

n^D-i?« nin» quot;ION»! : ptfsn ddik mnp^

jv v V.T : v i - Iit ; • • jquot; : • v,t ^ rl:-- at v :

nnn:i nvia Vnx nin^-nx lav1? vni onxo np : quot;iaxbquot;

«t -it; *.'• # v -* v- v ^i- t : t 'jquot; l-lt; ^ i

h^yrrnx niba np'i : iniajr ♦M D'Vjrr'jK aniN1

^ t^iit v v I j— it i -J ••; r v t

nKi ^1 nu : dhik \m npan-nNir

.. . t*^:it -»•• : ■••• i* *; iquot; v ^t Ijquot; •- Iatt- v ;

2- SNir'' 'NTJ. de aanzienlijksten uit Israël, die reeds toen hoofden der vadershuizen, = familiegroepen, u-aren, — zooals Num. 1,4 en 16 is gezegd. — Dn, dat zijn dezelfden, die Num. 1 door God tot vorsten der stammen zijn aangewezen, nm hij de telling te assisteeren. — nnpsn, tellingen, evenals B'hjjj enz.; v. a. geleiden, die hoofden waren over de ge-telden, — wat echter reeds in den titel awo: is uitgedrukt.

3. UC^I, herhaling van impM in het vorige vers, — wegens de lange uitweiding bij de vermelding der vorsten. — 2ï nS;r, volgens Nachm. : volgeladen wagens, 3*, samenhangend met nas, opzwellen; de wagens waren dan beladen met de na te noemen geschenken en werden eerst door een goddelijk bevel voor den dienst der Levieten bestemd; anderen: overdekte wagens, die door de vorsten van begin afaan ten dienste des heiligdoms werden aangeboden, wat op Gods bevel werd aanvaard en naar Goddelijk voorschrift tusschen Gershoniden en Merariden verdeeld — al staat dit Goddelijk bevel niet uitdrukkelijk vermeld. Nog anderen zien in ax nSjr: wagens zonder wielen, een soort draagstoelen, — overdekte draagstoelen — het overdekt zijn ligt dan in nSjp, het draagbaar zijn in 2ï — door twee ossen vervoerd, één voor en één achter den wagen, evenals bij de draagstoelen één mensch of dier voor en één achter droeg. Rashbam brengt 3ï in verband met nsï: krijgskoetsen. — ip3, collectief: runderen, iets later meer gepreciseerd: nr, een mannelijk volwassen rund, — hoewel tip ook wel gemeenslachtig als soortnaam voorkomt, — vgl. Lev. 22,27 e. a. p.

4. hetzij toen reeds, toen de vorsten ze brachten, — of later, bij de voorbereidingen tot het vertrek.

5- imaj? irw kort uitgedrukt; — het bevel zal nauwkeurig hebben aangegeven, wat hij te doen had en wat uit de uitvoering (vs. 7 en 8) blijkt. — 11-11313 '93, naarmate van de eischen van zijn dienst. Den Merariden, die de zware planken en zuilen te verzorgen hadden, werden vier, den Gershoniden, die slechts gordijnen en tapijten pnder hun toezicht hadden, slechts twee gegeven,

ocr page 66

N ü M E R I VII.

vier van de runderen gaf hij aan de zonen van Gershon; 8 naar gelang van hun dienst. En vier van de wagens benevens acht van de runderen gaf hij aan de zonen van Merarie, naar gelang van hun dienst, onder leiding van 9Iethamar, den zoon van den priester Aharon. Doch aan de zonen van Kehath gaf hij er geene; want de dienst des allerheiligsten rustte op hen, op den schouder moesten zij dragen.

10 De vorsten brachten het wijdingsoffer van het altaar op den dag, dat het gezalfd werd. En de vorsten hadden hun offer

11 vóór het altaar gebracht. Nu zeide de Eeuwige tot Mozes: „Telkens één vorst iederen dag, zal zijn offer brengen tot in-

12 wijding van het altaar.quot; — Nu was hij, die op den eersten dag zijn offer bracht, Nachshon, de zoon van 'Ammienadab,

13 voor den stam Juda. En zijne offergave was: één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heilig-doms, — beide vol met olie aangemengden meelbloem, tot meel-

15 14 offer. Één lepel van tien Shékel, goud, vol reukwerk. Eén

8. quot;lO/VK T3gt; v- 3- onder leiding van, — dan behooren deze woorden verbonden te worden met het onmiddellijk voorafgaande: imar, de dienst, die onder leiding stond van lethamar; anderen : Mozes gaf twee wagens enz. — en vier wagens enz. — in handen van lethamar. Dat de dienst der Gershoniden en Merariden onder leiding van lethamar stond, is immers vroeger reeds vermeld.

9. Bnpjl. het allerheiligste, de gewijde voorwerpen: arke, tafel, luchter en altaren.

10. lanpM. neemt opnieuw den draad van vs. 2 en 3 op: zij hadden een ojfer gebracht, vs. 2, — zij hadden nl. wagens gebracht enz. vs. 3 — met betrekking tot welke wagens toen het vs. 4—9 verhaalde geschiedde, — en brachten bovendien een wijdingsoffer voor het altaar, dat zij reeds in de nabijheid des altaars hadden geplaatst, om het aanstonds te brengen. Toen kwam echter een Goddelijk bevel, om ieder op zijn beurt het offer te brengen, naar de volgorde, zooals die voor de legering werd of misschien reeds was bepaald. (Het laat zich nl. zeer wel aannemen, dat alleen het voorschrift omtrent de telling den eerste der 2de maand is gegeven, terwijl de overige tot hiertoe in ons boek medegedeelde wetten reeds vroeger waren geopenbaard). Ieder der twaalf vorsten krijgt zijn beurt en ziet zijn geschenk ten volle tot zijn recht komen, — reden tevens voor de uitvoerige mededeeling van ieders offer in het bijzonder, hoewel ze volkomen overeenstemmen. — rarisn rojn, het offer, dienende als wijding van het altaar.

12. nt3oSgt; vorst over den stam Juda, aan te vullen dus: !fw. — .Tp, hoewel Ex. 25,29 in oneigenlijken zin gebruikt, — beteekent hier: diepe schotel, een voorwerp, waarin het meeloffer aan zijne gewijde bestemming wordt overgegeven; pit», eig.: voorwerp om te werpen, bloed nl. — een bekken dus. Naar den Thalmoed waren beide gelijk van inhoud, slechts

31

ocr page 67

T mï i6

V31K i nai : omay Titrna rn: npan

^ j- ; - jquot; ; it t i . : i a :iquot; -•••;• i vquot;t ^tt quot; :quot;

Va DnT2V 'as mo ?n: *ip3n nibir hxi

- ; t t ■* : • ; a* t : jquot; ; • i t i t t - -«- ; •• ; ^ t -: it

nquot;i3y_,3 rn: nV nnp : p3n pn^-p quot;iq;vk »

r Iatt j v.tI; r* : * ; Mquot; - I ^-irlv ^ t t^ r

najn ns4 owsn innp'i : ikb» nnaa nhhy ^ipn'

j- -j ••lt; • • ; - -••I:-- it * Iv.quot;t - v v|

D33ip-n« DN^an innp'i ijïn ntrsn ova narsn

• v.tt :It v fr ' : s*i;-- a j- T • ^ -

inx «^3 Di;i7 quot;inK «n^ nin» : narsn ^

tv lt;• t - t v * t av v ^t t v ^ ^ quot; iquot; : • -

anpDn d : naran nsjnb» oianp-nx lanp» Dl»1? ='

•)•!:-- • :- -1quot;; • - ••.-:i- tt :it v *1:-

: min» niSD1? myarP uanp-nN ri^N-in Di'3

it : jquot; - : v.tt r^- i v i ^ - a t :It i v, -it j -

nnK pTTQ nb^p hndi d^1?^ nnx e]D3-n^p_ lisn^ ^ n^sn^D D'N^p i unw t^ipn Vp.Kf na : niüp n^o 3nT nnx ^3 : nruo1?

vi ): jt quot; i v.tt jt t -)— Ij' it : ■ : i v^v - m

in gewicht verschillend; de wanden van de mrp waren dus zooveel dikker, dan die van den pit».

13. nnJD^ tot meelqffer. d. w. z. v. s. om later voor meeloffers te worden gebruikt; — evenzoo werden dan de offerdieren ten geschenke gegeven, om later voor offers gebruikt te worden. Het laat zich dan echter moeilijk begrijpen, waarom zij aan bepaalde dieren eene bepaalde bestemming gaven, vooral daar bijv. voor brandoffers dagelijks schapen noodig waren, terwijl vredeoffers, — door de gemeente althans — in de woestijn vermoedelijk in 't geheel niet, later slechts eenmaal per jaar gebracht werden. Anderen daarom: tot mee!offer, om het nu aanstonds als offer van den vorst te brengen; — de dieren werden dan ook dienzelfden dag geofferd, en, voor zoover het brand- en vredeoffers waren, werden de meel- en plengoffers daarbij gebracht.

14. rinJC 'p. lepels, waarin o. a. de wierook bij de stapels toonbrood lag. Verbind; ant tp, een gouden lepel — mcr, van tien Shékel, het Shékel-gewicht is constant en voor goud en zilver gelijk, vgl. vs. 86. — mep, reukwerk, dat anders naar Ex. 30,9 niet als vrijwillige gave mocht gebracht worden, werd hier van de vorsten aangenomen, en, naar zooeven opgemerkt, aanstonds geofferd, — en wel,, met afwijking van den gewonen reukwerkdienst, niet op het gouden, maar op het koperen altaar verbrand. Evenzoo brachten zij hier een zondoffer, dat anders ook nooit als vrijwillig offer gebracht mag worden; en wel een geitenhok, mannelijk dier, het gewone type van het zondoffer der gemeente,—■ terwijl een particulier slechts een vrouwelijk dier als zondoffer kan brengen. Sommigen meenen, dat zij tot inwijding van het altaar van elke soort der door de gemeente te brengen offers een exemplaar brachten. De vredeoffers alleen zijn vrijwillige offers eu daarom ook hier meer in aantal. Het schuldoffer blijft weg, als uitsluitend door een particulier te brengen. De plengoffers werden bij de brand- en vredeoffers gebracht (vgl. vs. 87).

ocr page 68

N U M E R I VII.

var, jong van een rund, één ram, één schaap onder het jaar, 17 16 tot brandoffer. Één geitenhok tot zondoffer. En tot vredeoffers ; twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Nachshon, den zoon van 'Ammienadab.

18 Op den tweeden dag bracht Nethanël, de zoon van Tsoe'ar,

19 de vorst van Jissachar, zijn offer. Hij bracht als zijne offergave: één zilveren schotel, honderd en dertig Shekel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aangemengden

20 meelbloem, tot meeloffer. Eén lepel van tien Shékel, goud,

21 vol reukwerk. Één var, jong van een rund, één ram, één

22 schaap onder het jaar, tot brandoffer. Één geitenhok tot

23 zondoffer. En tot vredeoffers : twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Nethanël, den zoon van Tsoe'ar.

24 Op den derden dag de vorst van de zonen van Zebulon,

25 Elieab, de zoon van Chélon. En zijne offergave was: één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aangemengden meelbloem,

26 tot meeloffer. Één lepel van tien Shékel, goud, vol reuk-

27 werk. Één var, jong van een rund, één ram, één schaap

28 onder het jaar, tot brandoffer. Eén geitenhok tot zondoffer.

29 En tot vredeoffers: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Elieab, den zoon van Chélon.

30 Op den vierden dag de vorst van de zonen van Ruben,

31 Elietsoer, de zoon van Shedéoer. En zijne offergave was: één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aangemengden

32 meelbloem, tot meeloffer. Één lepel van tien Shékel, goud,

33 vol reukwerk. Eén var, jong van een rund, één ram, één

34 schaap onder het jaar, tot brandoffer. Één geitenhok tot

35 zondoffer. En tot vredeoffers: twee runderen, vijf rammen.

16. Q'fj; quot;VyiJf, een geitenhok, onder het jaar.

17. narSl en a^s het eigenlijk de hoofdzaak vormende vredeoffer; als betuiging van dankbaarheid is het vredeoffer het meest op zijn plaats. — ow ipa, zooals uit vs. 83 blijkt, twee jonge stieren.

19- 3npngt; eenvoudig herhaling van het werkw. uit het vorige vers: op den 2den dag bracht zijn offer.... bracht zijn offer, (zeg ik) en wel enz.

5

32

ocr page 69

T mï aquot;?

injirp to iprp to«=

i*: _ it ; v, t ; I v jt v v iv .)t v *5- Itt I v t v

rorSi : nKtsn1? to q,t^ 11

lt;• •• * -: I jTT • T ; - : it quot; ; v ^ j' '

pnp nr ns^on ruir^a D^aa n^on onin^ niyon

Ij- :it r- at • -j t iquot; : r t ; t • -: - t • -:

ö • : anrs^-p Iquot;i^n: aipn : ijma Swn: anpn 'jis^n di*3 ^

•I: • IT T * v.* : 'at I V J.. ; - ; ^-1; • ... - -

pnTö 'h^pliKoi nriK ^prn^p.

nVo D^N^Q i DÏTJI? B'-fpn bpv nyiv «]D| thk

: niüp nxhv nm r\m s\5 : nnjo1? rotrn

v i I; jr quot; : ^.tt jtt •)— it ; • : I v - jt :

: nty1? in:ty-p quot;inN-syaa nnx V'n quot;ipa-ra quot;in« ns«

it : ^ t : I v jt v v iv .jt v -5- Itt I v t v j-

nntr —ipa B'o^n nar1?! : nxtsn1? -in» ony-n^ir33

.- . |JTT . T . - -j... it - : \.t j-*5 T- : ;p

HT niran 0^33 n^on onny n^on D1?^

•)••• at • -: vt t r* ; j* t ; t • -» ■gt;• '•.m t - lt;•

s : bwn: |3npT

i:3fcip : jbn-p 3N,i?K rb^r ♦J31? Wm ristin bi»3 ^

t ^ :l t I 1 •• I v ^t * v: I a\ ; Jquot; ; • v.' t • ; - - ^3

f]D3 nn« pTTp nb^p TINQI vybp nnK cjDST^ nVo d'nSo i Drv:t? i^Tpn bpv nyiw

jt : v .) • •• : -quot;.• •• : vIa- Iv-v : lvv,v : •

quot;13 ; nitip nxbo 2ni nïtry nnx «13 : nn^ob ra^3«

vil; JT •• : V.TT jtt 4- - |j- IT : • ; I vlt;v - 73

•yyw : rtifi inr^-p nn«-ir33 im h'n quot;ip3-r3 nn«n=

i*: it ; v,t ; Iv jt v v iv .)t v *5- Itt I v t v

dVk —ip3 Ib'o^iyn n3Tl?!i : nxtsn1? -in« onvquot;

lt;* quot; • - : MTT • T ; quot; -Jv: IT - : VT V J*^*

T3quot;)p nr n^on d^33 niJton onnj? n^on

Ij- :IT -jv at • -: ^T T iquot; : J* T ; T * -* -•• T • -:

Ö .* ibn-jS 3tf^K

ihnp :-iiNnirf3 quot;iix^NpiNn T3quot;in bi»3''.

t :l t 1 ••; I v v * v: »aquot; : — ; • v* t ^ • :it - 5^7

f]p3 Shk pnrp quot;hbpBto 'tinöi nn« t)D3_m^p. |D^3 nP^3 nPb d^ö 1 üww ^ipn Pp^2 quot;jptr D^3ir -p nnx ia : n-ii2p 3nT nnx ^3 : nn^D1? ^

I v t v J- v 1 I: jt •• ; vtt jtt ! ■)' - }j' it : * ; j1?

D'WTrtP : ln:^-p inNquot;ü'33 inN ip3 ^

^ j.t . (T^ . 1 .. jt v viv ot v -s- )TT

myDnDVK'b^npaa^jyn n3T,?!) : nxtsnS to ^

t * lt;• quot; *quot; : mtt • t ; - it - : it v

ocr page 70

N U M E R I VII.

vijf bokken, vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Elietsoer, den zoon van Shedéoer.

36 Op den vijfden dag de vorst van de zonen van Simon,

37 Sheloemieël, de zoon van Tsoerieshaddai. En zijne offergave was: één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aange-

38 mengden meelbloem, tot meeloffer. Eén lepel van tien Shékel,

39 goud, vol reukwerk. Eén var, jong van een rund, één ram,

40 één schaap onder het jaar, tot brandoffer. Één geitenhok tot

41 zondoffer. En tot vredeoffers: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Sheloemieël, den zoon van Tsoerieshaddai.

42 Op den zesden dag de vorst van de zonen van Gad, Eljasaph,

43 de zoon van De'oeël. En zijne offergave was : één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aangemengden meelbloem,

44 tot meeloffer. Eén lepel van tien Shékel, goud, vol reuk-

45 werk. Één var, jong van een rund, één ram, één schaap

46 onder het jaar, tot brandoffer. Één geitenhok tot zondoffer.

47 En tot vredeoffers; twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Eljasaph, den zoon van De'oeël.

48 Op den zevenden dag de vorst van de zonen van Ephrajim,

49 Elieshama', de zoon van 'Ammiehoed. En zijne offergave was: één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aangemengden meel-

50 bloem, tot meeloffer. Één lepel van tien Shékel, goud, vol

51 reukwerk. Eén var, jong van een rund, één ram, één schaap

52 onder het jaar, tot brandoffer. Eén geitenhok tot zondoffer.

53En tot vredeoffers: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken,

vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Elieshama', den zoon van 'Ammiehoed.

33

ocr page 71

t am iV

pip nt n^ön Wis nibün annv

V * v: lj~ ;It )•.• at • -; v.t t iquot; : r t z t ' i ■*•

s : iiKn^ja

: ntymrp btvobü *:nb wfr: ^'onn bi^ ^

^ it- r I v vquot; * •% : I •a : • x * t • * -i r

nnx pTra nbp^p n«oi D^VE' nnx ^prn*]^. ii3quot;!pTrt nb^3 n^b i onw B'-fpn bp^a bp^ d^3Bgt; s]D3 quot;is : nitap nióö an? nnx f]3 : nnjpb jDirn^ quot;i^ : ntyb in3ir|3 to-^I nnx VK quot;iprpnn^» DVN b,:B' npa D^aViyn nnrbi : nKtanb nnx D,TV «»

lt;• •• • - ; |jtt . t . - -jvj it - : v,t v r^'

pip nr niron owns nibon onny n^ön

tj' :It •)•• at • -: v,tt iquot; : j' r : t • -i •*• r • -t

Ö * : ntfnirra

itquot; i* i v vquot; quot; •-. •

■nquot;i^p_i:3quot;ipT: ep;^ n: wp: *iïwr\ bi'S ^

t]D3 nn« pTTp nbp^p riNSDi nil* c]D3

\mz nb^a n^b a^ba i ty-fpn bpm bpt? ■p nnK is :niüp n^bö sm mirv nn» m : nruob™

i v t v j- v i |; JT •• : j.tt jrr •)- - Jj- it : • ; n»

Dnyn^ : nbjrb iruirp nn«-^33 inx b'K ip3«

y j' ' '* : . .,t : v t :co jr ' ' ' ' ,)t v *s'

ni^ön Db'K cntf ip3 B^b^n n3tbv : rwEsnb™»»

t ■ -i lt;• •• • - : 1 jtt • r : - -jv; it - : vt v

«iD^bN pip nt ntrön n:^-^3 d^33 n^n onnv

f^ttc v ij' ;it •)v at • -j v.tt iquot; : r t : t • -:

£3 : bKi^Tp

: iin^a^-p ^Q^^bss onsK nnb jm: bi'Squot;»

inK piTp nbj5^p nNpi D^btr nnK «]Drnij;p. iSaip/» nbiba nbb D^bp i jyipn bpira bpB' nyzp c]pii iö : nitap n^bö anr ni'^ nnK na : rrab ?öiya3

■*quot; vi i: jr •• ; v.tt jT t -: ■)— \j- it ; • : i v - ^3

quot;i^ : nb^b in:^-p intf-feoa in« b^N ipr?3 im *

i* : # it : v. t i v jt ••• v iv rr v «s- |tt i v t v

ob^x ipa D'obt^n narbi : nmrh tik dw «

lt;• •• • - ; mtt • t : - it - ; v,t v j-*-

pip nr n^an D^aa n^on onnir ni^on

ir* ;It •)•.• at * -f vtt iquot; ; r t ; t • -i -•• \• t • -:

a : iiJTpg-fi yo^'bN

ocr page 72

N U M E R I VIT.

54 Op den achtsten dag de vorst van de zonen van Menasshe,

55 Gamlieel, de zoon van Pedahtsoer. En zijne offergave was: één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aangemengden meel-

56 bloem, tot meeloffer. Eén lepel van tien Shékel, goud, vol

57 reukwerk. Eén var, jong van een rund, één ram, één schaap

58 onder het jaar, tot brandoffer. Eén geitenhok tot zondoffer.

e

59 En tot vredeoffers: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Gamlieël, den zoon van Pedahtsoer.

60 Op den negenden dag de vorst van de zonen van Benjamin,

61 Abiedan, de zoon van Gid'onie. En zijne offergave was: één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aangemengden meel-

62 bloem, tot meeloffer. Eén lepel van tien Shékel, goud, vol

63 reukwerk. Eén var, jong van een rund, één ram, één schaap

64 onder het jaar, tot brandoffer. Eén geitenhok tot zondoffer.

65 En tot vredeoffers: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Abiedan, den zoon van Gid'onie.

66 Op den tienden dag de vorst van de zonen van Dan, Achie-

67 'ézer, de zoon van 'Ammieshaddai. En zijne offergave was: één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aangemengden meel-

68 bloem, tot meeloffer. Eén lepel van tien Shékel, goud, vol

69 reukwerk. Eén var, jong van een rund, één ram, één schaap

70 onder het jaar, tot brandoffer. Eén geitenhok tot zondoffer.

71 En tot vredeoffers: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Achie'ézer, den zoon van Ammieshaddai.

72 Op den elfden dag de vorst van de zonen van Asher,

73 Pag'ieël, de zoon van 'Ochran. En zijne offergave was: één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één

34

ocr page 73

t -iV

: quot;iiïmö-ra nmn ♦w1? Wm bi^

^ I T : I v Vquot; ~ AV - I jquot; ; • v' T • * ; -

nnKp^pn^p nKO1) nnn i:3ipT ™

nViba nVo d^d ' rnyp tyn^n b^tra e]p3

lö : rritap nxba anr m'^ nnK «13 : nnjDb ?o^213

-•- vil; jt •• ; v.tt jtt -i' - h- it: • : i v^v - t3

quot;Tytf : nbi;'? in^-?3 nnx-tyaa to iprra to™

•• : .,t • ^ t : ' v ''t v **'•* •)t v '*' it t i v t v

quot;ips D^bt^n naTbi : rwianb nnx d^tvc3

lt;• •• •- : 'jtt 'ti - -jv: it - : v.t v r*

raip nT n^an n^-^3 d^33 n^Dn nnnv niron

»j~ :it •)•.* at • -x vtt iquot; ; r t z r ' -j j- \^- t • -:

£5 : iiïmrp

1 t ; i v vquot; * s quot;

ii'3quot;!i5 : |T3« \mi ♦aab w'm typnn bi»? =

e]p| to p^Tp hb^p r-iKpi D'pbp nnK ^p^rnn^p.'

rho D^bö 1 Drr:^ t^ipn hpv nyiw 13 : rhup nxbö ant mt^ nnx e\2 : nnjöb ïoeo 3°

vi i: jt quot; : vtt jtt -r - |j- it : • : i v^v -

■quot;Tirtr : nbigt;b in:2gt;-p nnx-traa nnK VK iprn -inx^

r : it : v. t : i v jt v v iv jt v *s- itt i v t v

Q^ND^B'np3□quot;'obi^n nnrSi : nNtsnb nnx any™

lt;• •• •-: ijtt * t ; - --••-• : it - : v.t v j *-

nnp n? nts'on D^aa néton annv ntron

'j~ ;it •)••• at * -: vtt iquot; ; j' t : t • -: •*' t * -:

3 : ^jnrfa |T3K

lia^p : quot;ITJTO \i riab n^a®

ejoannx p^p nbpB'pnNpi owbp nnK «ipa-n^p. nViba nVp D'Kbp ' Dn^^ tripn bptya bp^ D^atf quot;iö : n-iüp nxbo anr nnK na : nmob ?o^a ^

v i i: jt •• ; vtt jtt ^-: .)- - |j- it : • ; i v^v - üq

quot;quot;1^^ : nbyb in:^-?a inK-'^aa nnK ^k npa-p to»

p' : , it : v. t ^ • ••• gt;tv v iv .)t v -s- itt iv tv

dtk ipa D'ob^n narbi : nKünb nnK ony w

......: ijtt • t : - it - ; vt v j*

fanp n? n^on njty-^a D^aa ntbon onnv hron

t jquot; ;Pt ■»••• at • -: vtt iquot; : j' t : t ' -: -»• \ ~ t • -t

3 * : ntf'Djrfa ir^nK

: pa^-|a bK^J3 nts^K [:2b w'm Dl' n^ gt;nvv ova » nnK pnrp nbpB'pnKpi vpbv nnK ejpa-nn^p ifanp »

ocr page 74

N U M E R I VIL

zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aangemengden meel-

74 bloem, tot meeloffer. Één lepel van tien Shékel, goud, vol

75 reukwerk. Eén var, jong van een rund, één ram, één schaap

76 onder het jaar, tot brandoffer. Eén geitenhok tot zondoffer.

77 En tot vredeoffers : twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf schapen onder het jaar; dit was de offergave van Pag'ieël, den zoon van 'Ochran.

78 Op den twaalfden dag de vorst van de zonen van Naphtalie,

79 Achiera', de zoon van 'Enan. En zijne offergave was; één zilveren schotel, honderd en dertig Shékel was zijn gewicht, één zilveren sprengbekken, van zeventig Shékel, naar den Shékel des heiligdoms, — beide vol met olie aangemengden meel-

80 bloem, tot meeloffer. Eén lepel van tien Shékel, goud, vol

81 reukwerk. Eén var, jong van een rund, één ram, één schaap

82 onder het jaar, tot brandoffer. Eén geitenhok tot zondoffer.

83 En tot vredeoffers : twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf schapen onder het jaar ; dit was de offergave van Achiera', den zoon van 'Enan.

84 Dit was het inwijdings-geschenk voor het altaar, op den dag, dat men het zalfde, vanwege de vorsten van Israël: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden

85 lepels. Honderd en dertig Shékel was elke schotel zilver, en zeventig elk sprengbekken; al het zilver dier voorwerpen was dus twee duizend en vier honderd, naar den Shékel des heilig-

86 doms. Twaalf gouden lepels vol reukwerk, tien Shékel was elke lepel, naar den Shékel des heiligdoms; al het goud der

87 lepels was dus honderd en twintig Shékel. Al het vee tot brandoffer was; twaalf varren, twaalf rammen, twaalf schapen onder het jaar, — en hunne meeloffers; — en twaalf geiten-

88 bokken tot zondoffer. En al het rundvee der vredeoffers was vier en twintig varren, zestig rammen, zestig bokken, zestig schapen

84. irw nron, de lijdende vorm als onbepaald; men had gezalfd, v. d. de verbinding met den vierden naamval. — ns» behoort bij rojnS, de wijdingsgave van wege enz. — dvo met ingang van den zalvingsdag, gedurende twaalf dagen aangeboden, of: op den zalvingsdag aangeboden en op twaalf achtereenvolgende dagen gebracht.

87. waarschijnlijk enkel welluidendheidshalve . — onroai,

collectief; en hunne meeloffers, vermoedelijk afzonderlijke, bij iedere diersoort Num. 15 voorgeschreven meeloffers; waaronder dan ook Aeplengoffers begrepen zijn, daar onrun algemeene naam bij offers is voor het 0'3wrinj», het meel- en plengoffer in zijn geheel. Anderen meenen, dat het meel in de schotels en bekkens als meeloffer bij de offers gebezigd werd en hier onder onnjw te verstaan is. Dan zou er geen plengoffer bij zijn geweest, wat wel vreemd zou zijn, daar alle gemeentelijke offers hier voorkomen. Eenigen verklaren dit door aan te nemen, dat de wet van hoofatak 15 in

35

ocr page 75

T m: rh

ramp;hz nVo i dh»:^ i^ijjn t]p3

*iö : n-iüp hnVd nnr nnx «p : nnao1? mamp;2 ■»

j- vil: jt quot; : v.tt jt t : .)- - \j~ it : • : i v^v - «ip

-quot;i^ : ini^-ra inN-iraa nnx nprra IHK^

•v; it • ^ t ; i v jt v viv .)t v -s* itt i v t v

quot;ipa quot;b'ab^n nnrbi : nNcanquot;? nnx d»tv»»

lt;• •• • - : Pjtt • t : - quot;jv: _ it - : ^t v r^*

?3quot;ip nr nron n^-^a D^D3 nti'on onnv nt^on

ijm :it •)••• at • -: v.t t iquot; ; y r : t • -; t * -:

ö : pT3^quot;|| ^N^JS

: riTja Vi'nK ♦aa'? DI; ïm; o^ty 01*3™

^ I it •• I v _ v • -: v.* t --t t : :

inx piTD nbptya nxai nnx noa-myp lianp w

t v I lt;t: • tIt : • r quot; ■gt;• : - - Jv-»v -^li- r :It

rbV?3 nVb 1 on^ tynpn bpKfa wyip ^pi is : niüp hn^o snr mmr nnx na : nn^o1? ?o^3»

j- vil: jt •• : v.tt jtt ■)— fj- it : • : \ v v,v - ^9

injiy-p -inx-^aa nnx Vn quot;ip3_ï3 -ihn4 ^

_ it * v. t ; i v jt v v iv ot v • squot; i t t i v tv

b^tr *ip3 D'obtJ'n n3T1?i : nNtsn1? inx nnv«

lt;• •• • - ; ijtt • t : - --*v: it - : ^t v ;••

nip nr n^an ni^-^3 0^33 né'on onny ntron

:It -)•.• at • ~j v.t t iquot; : j- t : t • -» -•■ t • -;

3 * : frjril jrn;nK

bxnty» ^^3 nKD in« n-^an bv3 nsran n3in 1 nxr ^

quot;■■ T: ' j;quot;: ' : ^ , Jquot; T ' ,= -■•:•- -V-= , J

nisa i^t d\:w ^p3MpnTD nn^ ^pa m^p_ «103 hnxn mypn riNQi vwhv : wnw 3nT ™

|v v - - it «t^-I: - t quot; -•• ; iquot;; *v jquot; : v,t t

niNQ-jmw d^n D^3n ^03 Va nnxn piran D^a^i

v .. p' ; - . ^.j-j - ... - ) vv lt; at.vit i -«t: • - :

nièp n'N^D mtrvD^nt^ 3nr nisa : ^fpn bpira ^

v I; -• •• : ••; v r* : lt;t t - v| i - I vjv :

on^ maan anr^ vipn bp^3 ^3n mfry

-»•: 'v v quot; ~ : t vIa - lv-»v : ^ ^— -jtt stt

d^n ons Ttrv rbyb np3n-b3 * : nxoi«

iquot; : lt;• •• • t jt squot; : t it itt- t ,t quot;

on^ onnaoi ivy D»itr D^33

•)* • jquot; ^ : at t : • v,t t jquot;: -jtt iquot; : s* t : t ^t

an^ D'óbtyn n3T 1 *ipa ^ai : nKtsn1? quot;3

•'•; v • t ; - _ --••.• l-*-: ^ : ,t v,tcsjt jquot;''

n:iy-^3 d,^33 amp;amp;amp; onnv dVn ons n^3iK,i

v.t t iquot; ; t i • • ■quot; •., - • • lt;• •• • t tt ; - :

de woestijn niet zou gegolden hebben, en dus plengoffers onnoodig zouden zijn geweest. — In ieder geval werd ook het meel uit de schotels en bekkens als offer behandeld.

ocr page 76

N U M E R I VII, VIII.

onder het jaar. Dit was de inwijding van het altaar, nadat

89 men het gezalfd had. En toen Mozes in de tent der samenkomst kwam, opdat Hij met hem zou spreken, toen hoorde hij de stem, tot hem sprekende van boven het deksel, dat op de arke van het «getuigenisquot; ligt, van tusschen de beide Che-roebim; en sprak hij tot Hem.

2 1 De Eeuwige had tot Mozes gesproken, als volgt: «Spreek tot Aharon en zeg tot hem: Als gij de lampen ontsteekt, dan zullen naar de voorzijde van den luchter de zeven lampen hun

89. En van dat oogenblik af, kwam de Godsspraak niet meer van den Sienai tot Mozes, maar van uit het heiligdom (Ex. 25,22) en telkens, als Mozes in het heiligdom kwam, ins laiS, om te spreken met hem, d. w. z. opdat God met hem zou spreken, niet: opdat hij, Mozes, met Hem, God, zou spreken, want God spreekt tot Mozes, niet omgekeerd. In de hier gevolgde opvatting kan het onderwerp, als vanzelve bekend, verzwegen blijven en kan men vertalen; opdat men met hem, Mozes, zou spreken. — Vipn, de goddelijke stem. — lam, een geluid, gesproken wordende; in een gesprek met een persoon, spreekt deze, een geluid wordt uitgesproken; zoo verklaart men het aeel woord van den Hithpa'el; -qti, en sprak Hij, God, tot hem, Mozes,— wat dan eene onnoodige herhaling zou zijn; anderen daarom: en sprak hij, Mozes, tot Hem, God, Hem beantwoordende. (Vgl. 27,15). — Zoo werd dus het heiligdom in waarheid ; tent der samenkomst tusschen God en Mozes, waar deze de openbaringen zou ontvangen. Daarom wordt dit feit hier aan het slot der wijding van het heiligdom bijgevoegd.

Hoofdstuk VIII. 1—4. Over den grond der herhaling van voorschrift en uitvoering van het gebod omtrent het ontsteken van den luchter op deze plaats, heerscht veel verschil van meening. Rashie meent, dat hier op dezen, Aharon opgelegden plicht wordt gewezen ter verklaring van het feit, dat de stam Levie, wiens stamvorst Aharon was, bij de offergaven der stamvorsten niet vermeld wordt. Dit zou dan zijn grond hierin vinden, dat hem een voortdurende diensthandeling, het ontsteken van het licht, was opgedragen, waardoor voor hem geen bijzondere gave bij de inwijding noodig was. Nachm., die erop wijst, dat immers nog andere dagelijksche tempelhandelingen (bijv. het brengen van het reukwerk) door den priester moesten verricht worden, meent, dat deze afdeeling hier, in het boek, dat met de verdere voorschriften omtrent den dienst in en bij het heiligdom begint, haar plaats heeft gevonden, om een aantal bepalingen als bindend voor te schrijven, die tot nog toe slechts terloops waren medegedeeld. Vs. 3 deelt dan volgens hem mede, dat, hoewel het ontsteken door alle priesters mocht geschieden, Aharon, zoolang hij leefde, steeds zelf deze functie waarnam; vs. 4 geeft dan weer eenige bepalingen omtrent den luchter zelve als bindend. — Anderen meenen, dat, daar vs. 2 bijna woordelijk met Ex. 25,37 overeenstemt en althans niets nieuws toevoegt aan hetgeen uit die plaats en Lev. 24,4 reeds bekend is, hier met nadruk nog eens gewezen wordt op de richting der lampen. Deze was, wel is waar. Ex. 25,37 reeds duidelijk voorgeschreven, maar het schijnt dan, volgens deze verklaarders, dat Aharon, — in de meening, dat het daar gegeven voorschrift betreffende de richting der lichten, slechts van tijdelijken aard was en uitsluitend voor den eersten keer gold, — daarvan was afgeweken. Zoo zou

36

ocr page 77

n r am iv

n^d : inx n^an nnk niran naan n^r wamp;vab

; i Jm t • vquot;-»!- j- .. -j « a* •

vsk quot;13-ip biprrnk ynm ïnk quot;isnfi^iq vriw-bx D^ron \:p j^o nnj;n p«quot;S^ niaan V^q 3 : vvn quot;isnn

it quot; vquot; -*•quot;

vvn nnoki ïshk-^k na^i .* naxb n^a-bx nin» natix h

at •• v,t : quot; it ; I -; r ••• ^ ** ' 1 .quot; •'•* ^ v : Jquot; 'i' 2

nyzw nniaan »:ö ^d-vk nsan-nn nribyna

•j-: * v* t t ;--•••: v •• - v | : i -sr :

dus de plaatsing van dit stuk, evenals van de wetten van hoofdstuk 5 en 6, zijn grond vinden in de volgorde der feiten. Die afwijking van het voorschrift was toen, bij of direct na de wijding van het altaar, voorgekomen en daarom wordt Aharon de wet nog eens met nadruk onder het oog gebracht. Mij komt Rashie's opvatting, eenigszins gewijzigd, het meest waarschijnlijk voor. De stam Levie behoefde niet deel te nemen aan de wijdingsgaven der stamvorsten, omdat reeds van te voren, van de wijding af, door hun stamhoofden, Aharon en zijne zonen, een geregelde dienst in het heiligdom moest en kon worden waargenomen. Dat de lichtendienst juist genoemd wordt en niet bijv. die van het reukwerk of de dagelijksche offers, kan verschillende gronden hebben. Ten eerste blijkt reeds uit de plaatsing van de wet omtrent den luchter op het einde van Ex. 27, als inleiding van de voorschriften omtrent de priesterkleeding, hoezeer in den dienst bij den luchter een der voornaamste priesterfunctiën wordt gezien, — zoodat deze dan ook hier als de voornaamste genoemd wordt. Ten tweede kan deze dienst altijd worden verricht, daar het niet moeilijk schijnt geweest te zijn ook in de woestijn olie te krijgen, — terwijl bijv. het reukwerk, hoewel in betrekkelijk groote hoeveelheid door Mozes vervaardigd, door welke oorzaak dan ook onbruikbaar zou kunnen worden en moeilijk te vervangen zou zijn. Of de dagelijksche offerdienst in de woestijn zelfs bij het gelegerd zijn des volks geregeld plaats moest hebben, is bovendien nog zeer twijfelachtig. Hiermede vervalt Nachm. aanmerking tegen Rashie's verklaring. Volgens de door mij gegeven opvatting, is vs. 3 hier hoofdzaak; het feit, dat Aharon reeds sinds eenige dagen de lichten naar goddelijk voorschrift had ontstoken; vs. 4 wijst dan op het gewicht dier dienstverrichting door te herinneren aan de groote kostbaarheid en kunstvaardige bewerking van het gewijde voorwerp, waarop ze geschieden moest. — Ik vertaal daarom het geheele stuk als meer dan volmaakt verleden tijd.

2- pnJC h}iy lo1 Aharon, evenals Lev. 24,3 niet juist: de hoogepriester, maar algemeen: de priester; zooals Ex. 27,21 blijkt, mochten immers J-m von, ook de gewone priesters dezen dienst verrichten. Niet onmogelijk is het echter, dat, althans in den eersten tijd, Aharon dezen dagelijkschen dienst voor zich reserveerde. Over de beteekenis van en de vraag,

of de lampen los op den luchter gezet konden worden of er vast aan verbonden waren, zie onze aant. Ex. 25,37. — rnwon'3B Vm S» = rwB lay sk, Ex. 25,37; letterlijk: naar wat tegenover de voorzijde van den luchter is; vgl. onze aant. Ex. 25,37 op de woorden: rros -er Vx, waar de drie verklaringen

ocr page 78

37 N U M E R I VIII.

3 licht doen schijnen.quot; En Aharon had zoo gedaan; naar de voorzijde van den luchter had hij zijne lampen ontstoken, ge-

4 lijk de Eeuwige Mozes geboden had. En dit was de bewerking van den luchter; drijfwerk van goud ; zoowel zijn voetstuk als zijn bloem was hij van drijfwerk; naar het gezicht, dat de Eeuwige Mozes getoond had, zoo had men den luchter vervaardigd. —

6 5 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: ,/Neem de Levieten 7 uit het midden der kinderen Israels en reinig hen. En zoo zult gij hun doen, om hen te reinigen : spat op hen ontzondi-gingswater; en als zij een scheermes over hun geheel lichaam hebben doen gaan, en hunne kleederen gewasschen zullen hebben.

dezer woorden uitvoerig worden aangegeven; óf: gekeerd naar het middelsle licht, of: naar het tweede licht van het Allerheiligste af, of eindelijk: op de tafel. — nw, hier of onzijdig; lichten, lichtgeven, — öf elliptisch; doen schijnen, met het verzwegen voorwerp; hun licht. — nvun moe, de zeven lampen zullen hun schijnsel werpen naar wat tegenover de voorzijde van den luchter is; — dit spreekt voor de laatst gegeven opvatting der woorden i:b Sin Sn of rros lap S.s-, — daar in de beide anderen niet zeven, maar slechts zes lampen naar het andere licht gekeerd zijn.

4. anr nrpa twee eischen: drijfwerk — en: van goud, niet; van gedreven goud, wat den Semiechoeth-vorm van ncpn zou vereischen. — iï nma ij; roT, zoowel zijn voetstuk als zijn bloem, niet: van — tot, wat door njj — p zou moeten zijn uitgedrukt. — roTquot;, zijn voetstuk, nms, zijn bloem, van den luchter zelve, dat is: van den hoofdstang, en wel d e bloem, die met drie kelken en den knop de bovenste drie palm van den hoofdstang vulde, en waarschijnlijk bovenaan zat; de hoofdstang eindigde in een bloem, waarboven het lampje zat. De woorden beteekenen dus: van onder tot boven. — nms hier als verzamelwoord te nemen, gaat om verschillende redenen niet. In de eerste plaats staat het lang niet vast, dat alle bloemen, ook die der zijstangen, gedreven moesten zijn; in de tweede plaats is er geen reden, waarom van den hoofdstang de bloemen juist genoemd zouden zijn en niet ook de knoppen en kelken, die immers ook gedreven moesten wezen. — nsi»D, als het gezicht, visioen; vgl. 25,40.— rrop p, zoo had men, Betsalel en de zijnen, vervaardigd; anderen: zoo had h ij, Mozes, doen vervaardigen. — Nachm. meent, zooals reeds is opgemerkt, dat ons vers aangeeft, dat de eisch : den luchter van drijfwerk te maken, onafwijsbaar is, 33jia; en daarom tot tweemaal toe in ons vers is uitgesproken ; — van goud behoorde de luchter gemaakt te worden, doch waren in tijden, waarin geen goud te krijgen was, ook andere metalen bruikbaar.

5—22. De wijding der Levieten, tot aanvaarding van hun dienst, had waarschijnlijk in het begin der tweede maand plaats, kort voor het opbreken uit de woestijn Sienai; doch zelfs al was zij in de eerste maand geschied, wat de Thalmoed aanneemt, dan vindt de plaatsing hier hare verklaring in het doel dier wijding: om gereed te zijn voor het dragen der gewijde voorwerpen bij de tochten des volks, en het verleenen van hulpdiensten aan de priesters. — mnci ... np, neem ze, zonder ze af uit het midden der kinderen Israels en laat hen eene reinigingshandeling ondergaan; anderen: zonder ze af door ze te reinigen, het tweede werkw. verklaart dan het eerste.

ocr page 79

n -pVyra tb

nw; n^n nniisn w%\ : ninsn ^

anr nB'pD rrüan n'^o nn : ntroTiN nirr mv ^

tt jt I: • t ; - lt;•• ^ii- v: iv v • v.t : jt' •)•* -:•

ninquot; nxnn n^nxnaa Kin nirpo nmsny

t : lt;t ; v v -i v : - - a* -«t i: • i.t : • - jt ••:

ö : nijan-nK nfry p niïn-nx

it : - v \,t t ijquot;

^3 -]lnp nhbn-ns: : -ia^v» nin»

on^mn DW? bn1? n^n-n^i: ddk JTTO annja IDSSI D'iirrVr'jy S^n nKtsn \o

v,v ••: • j : • : tt : t ^ quot; ** v:iv : at ••

7- ilNtSn ,Dgt; zondoffer-water, water gemengd met asch van de roode koe, die Num. 19,9, n.scn, zondoffer, genoemd wordt, in oneigenlijken zin natuurlijk, daar de geheele bereiding buiten het heiligdom moest plaats hebben en het dus in den eigenlijken zin geen offer was (zie onze aant. t. p.); anderen: ontzondigingswater, water, dat bestemd is om bezondiging te voorkomen, — die een onreine gemakkelijk kan begaan door het heiligdom te betreden of gewijde spijzen te eten, — of: om zonde = onreinheid, weg te nemen. — Hier blijkt weer, dat eene later eerst in den Pentateuch vermelde wet, reeds bij het vroegere als bekend verondersteld wordt. De wet van de roode koe, hoewel eerst Num. 19 medegedeeld, moet dus reeds ten minste vóór den 28sten van de tweede maand bekend geweest zijn. Het gaat moeilijk onder rxcn '» iets anders te verstaan, dan water met asch van de roode koe, — daar het anders nader omschreven moest zijn. Gewoon water kan het natuurlijk niet geweest zijn; water uit liet priester-waschbekken evenmin, daar wij nergens eene analogie ervoor vinden, dat dit voor besprenging zou zijn gebruikt. — ntn kan óf onbep. wijs of gebiedende wijs zijn. Het woord beteekent: sprenkelen. — TP woïm, na de besprenkeld ng, zullen zij een scheermes laten gaan over hun geheele lichaam, evenals een zich reinigende melaatsche, die ook eerst besprenkeld wordt (met water, vermengd met bloed van den vogel) en dan zich scheert. (Lev. 14,8). Sommigen zien een verschil tusschen rhi en lïn quot;vovn; het eerste zou beteek enen: glad ofscheeren, het laatste: gelijk snijden der haren, wat tot het geregelde onderhoud van het lichaam zou behooren. De Thalmoed kent echter zulk een verschil niet, terwijl trouwens in deze opvatting het gebruik van een scheermes voor dit doel ten eenenmale onbegrijpelijk is. — onibw iB33i. Bij de verontreinigingen van zwaarderen aard, wordt vaak alleen wasschen van kleederen voorgeschreven, waarbij echter haden van hei lichaam, stilzwijgend verondersteld wordt, zie Lev. 11,25. Ook hier ligt dus in dn*: dim, het wasschen der kleederen, het baden van het lichaam opgesloten. Anderen zien dit in: nrroni; zij vertalen dan: spat op hen ontzondigingswater; vervolgens zullen zij een scheermes laten gaan over (jeheel hun lichaam, zullen hunne kleederen wasschen en zich door baden reinigen. Volgens de gemaakte opmerking, dat het haden in 1D331 onSsc ligt opgesloten, vertale men: als zij dan, na de besprenkeling met ontzondigingswater, een scheermes hebben laten gaan enz. en hunne kleederen hebben gewasschen, zullen zij zich zelf gereinigd hébben, terwijl de eerste handeling, het bespatten, door Mozes geschied was. Mendelssohn's verklaring: dan zullen zij rein zijn, zou niHOI eisehen.

Ibn- 'Ezra meent, dat de besprenkeling het laatst van alle handelingen

ocr page 80

N U M E R I VIII.

8 zullen zij zich gereinigd hebben. Dan zullen zij nemen een var, jong van een rund, en als zijn meeloffer: meelbloem met olie aangemengd; en een tweede var, jong van een rund,

9 zult gij nemen tot zondoffer. Dan zult gij de Levieten doen naderen vóór de tent der samenkomst, en de geheele gemeente

10 der kinderen Israels in vergadering bijeenroepen. En gij zult de Levieten vóór den Eeuwige doen naderen, en de kinderen

11 Israels zullen hunne handen op de Levieten steunen. Aharon zal nu met de Levieten eene wending maken vóór den Eeuwige van wege de kinderen Israels; dan zullen zij bestemd zijn tot

12 het verrichten van den dienst des Eeuwigen. De Levieten zullen dan hunne handen steunen op den kop der varren; en doen bereiden den eenen tot zondoffer en den andere tot brandoffer, ter eere des Eeuwigen, om voor de Levieten verzoening

13 te doen. Gij zult de Levieten plaatsen vóór Aharon en vóór zijne zonen, en met hen eene wending maken ter eere des

14 Eeuwigen. Zoo zult gij de Levieten uit het midden der kinderen

15 Israels afscheiden, en de Levieten zullen Mij behooren. Daarna

geschiedde; hij verklaart: spat op hen ontzondigingswater, nadat zij nl. een scheermes hebben laten gaan enz. en hunne kleederen gewasschen hebben, zullen zij zich aan de reinigingshandeling, het zich laten bespatten met ontzondigingswater, onderwerpen. — Bij de priesters wordt de wijding steeds met den stam Dip uitgedrukt, bij de Levieten met tto; het is eene reinigingshandeling, gedeeltelijk overeenkomende met die bij een aan een lijk verontreinigde, echter met slechts ééne bespatting met asch van de roode koe, — en anderdeels, wat het scheeren betreft, in overeenstemming met de reiniging van een van melaatschheid genezene. Alles om hun het groote gewicht van hun overgang tot den dienst bij het heiligdom onder het oog te brengen. — Dat bij de priesters geen kleederen-wassching is voorgescheven, vindt misschien zijn grond in het feit, dat zij immers geheel nieuwe priesterkleeding zouden dragen, terwijl van een Levietenkleeding geen spoor is.

8. inpSl. zijy de Levieten, zullen zich nemen en aan Mozes overgeven; de bestemming van den eersten var wordt vs. 12 aangegeven. — innjsi, wederom is hier het plengoffer niet vermeld, dat echter waarschijnlijk onder nro» begrepen is. — rte, drie tienden van een Epha (15,9). — npn, zult gij van hen nemen en door Aharon doen bereiden tot zondoffer.

9. fmpnii v. s. gij zult de Levieten h e vel en nader te komen vóór de tent der samenkomst en de gemeente bijeenroepen; intusschen zult gij de Levieten in werkelijkheid brengen vóór den Eeuwige enz.; dan bevat vs.9 het bevel aan de Levieten en vs. 10 de opdracht, dat bevel uit te voeren. Anderen maken verschil tusschen Tïin Sns ':dS, d. w. z. aan dm ingang van het voorhof, en 'n •obS, d. i. in het voorhof, niet ver van het altaar. Nog anderen verklaren vs. 10; als gij dan de Levieten hebt doen naderen enz., zullen enz. — nVnpm, zie Lev. 8,3. — •oaoi, zie Lev. 1,4. De handeling geschiedde waarschijnlijk door de oudsten of de stamhoofden als vertegenwoordigers der geheele gemeente. Als waren de Levieten een offergeschenk der gemeente, zoo verricht de gemeente in hare vertegenwoordiging hier de handoplegging, als bij een offer.

38

ocr page 81

n quot;jrbym nb

nbb innjói ipa-ra *10 inpbi : nn^nin

I vat - -quot;t : v v, t : • itt I v I:it: it v • ;

'isb D'^n-nx hanpni : ns^nb npn iprp ^

V.quot; : • ••; i- v t : -i: * ; it - ; [j' ' i^tt i v •»* quot; quot;

naipni : VNity» ^3 m^-^-nK n^npni n^iD

jt ; -i: • : iquot; t ; • jquot; : r v t; - i: • ; v •»

Dnn;-nK IDDDquot;! nin» ys1? D'iVrrnK

nNö naun onVn-nK ï'in» V^i : ^

v.quot; •• ^t ; ■quot;• ; • t : .lt;• *: i- v I -11- | • •• : r*: r

idod» D'ibni : niJT nia^TiK izyh vm ^3 ='

- ::• ^ it : ^ p ^ p quot; t! aquot;.t: - jquot; !

-nKi nxcsn quot;inNn-nx rWi onsn i^ni onn^nN

v ; t t v it v •• ^tr a* t - v ••;

D^n-nK moyni: quot;123^ nin^ nVy nn^n ^

^ ; 1- v t ; - 1- : r • 1 1- ~ v.quot; - : t i- t ^ «tv it

n^ani: nirv1? naiin ddn nöim vw nnx ^a1? ^

t ; - ; • ; it 1- vt ; jt jt : -1quot; ; at t •*••;•: l ^ 1- jquot; ; *

ra-nnxi * : D^n ^ vm »33 •nino D^bn-nxiB ?

i •• ••-: i- : i* • : 1- v.* jr : aquot; t : * jquot; : it* • • : l-

11. ft'jni* Dc risun bestaat in eene beweging in de vier windrichtingen en op 'en neder. Zoo zij ook hier in denzelfden vorm plaats had — en uit niets blijkt, dat het 'anders was, — dan is het niet onwaarschijnlijk, dat deze bewegingen slechts met een of meerdere stamhoofden werden verricht. — De nsun wordt hier driemaal vermeld, nl. vs. 11,13 en 15. Sommigen meenen, dat zij inderdaad driemaal plaats had; Israël gaf nl. de Levieten als gewijd deel aan God; Deze voegde ze den priesters toe, die ze op hun beurt aan den dienst des heiligdoms wijdden. Ieder dier drie wijdingen wordt dan door eene nsun uitgedrukt. Ons vers bespreekt dan de wijding door Israël, htnv 'h ns». aan God, zoodat zij zouden strekken om den dienst des Eeuwigen te verrichten (vgl. vs. 16—19), de wet te handhaven en te verdedigen. Vs. 13 bespreekt dan de overgave der Levieten door God aan Aharon, waarbij weder eene nsion plaatsheeft; en eerst dan, als zij Aharon zijn toegewezen, mogen zij den dienst bij het heiligdom verrichten, waaraan echter opnieuw reiniging en wijding moet voorafgaan. — Anderen verklaren vs. 12 en 13 als nadere uiteenzetting van vs. 11: de Levieten zullen namelijk steunen enz. en gij zult de Levieten plaatsen enz. en een wending met hen doen maken. De herhaling in vs. 15 is dan echter moeilijk te verklaren, te meer daar in p nrw duidelijk genoeg staat, dat al het vooraf gezegde eerst moest zijn geschied. Rasiiie meent, dat iedere der drie wendingen voor één der stamhuizen der Levieten golden; de eerste voor de Kehathiden, die den dienst bij het Allerheiligste, den dienst des Eeuwigen, vs. 11, te vervullen hadden; de tweede voor de Gershoniden, die het eigenlijke //Verblijfquot;, de tapijtentent, te vervoeren hadden, daarom vs. 13, 'rh nswi; de derde voor de Merariden.

12. nCJMi en zgt;'rgt dat bereid worde. Aangesproken onderwerp is dan Mozes, die ook verder aangesproken persoon blijft.

13. mOym. De Levieten, die zich na de ceremonie van vs. 11 zullen hebben teruggetrokken naar den ingang van het voorhof, zult gij nu plaats doen nemen vóór Aharon en zijne zonen en, door eene wending met hen te maken, ze hun als gewijd goed overgeven. — nsm, gij, Mozes, zult eene wending maken (Rashbam). Anderen; zult eene wending laten maken, door Aharon.

ocr page 82

N U M E R I VHI.

zullen de Levieten intreden, om den dienst bij de tent der samenkomst te verrichten, en gij zult hen zich doen reinigen,

16 en met hen eene wending maken. Want gegeven, gegeven zijn zij Mij, uit het midden der kinderen Israels; in plaats van wat eenigen moederschoot opent, het eerstgeborene van allen

17 uit de kinderen Israels, heb Ik hen voor Mij genomen. Want Mij behoort al het eerstgeborene onder de kinderen Israels, zoowel bij menschen als bij vee; op den dag immers, dat Ik al het eerstgeborene in het land Egypte sloeg, heb Ik hen Mij

18 geheiligd. Nu nam Ik de Levieten in plaats van al het eerst-

19 geborene onder de kinderen Israels. En Ik gaf de Levieten als gegevenen aan Aharon en zijne zonen, uit het midden der kinderen Israels, om den dienst der kinderen Israels bij de tent der samenkomst te verrichten, en voor de kinderen Israels verzoening te doen; opdat onder de kinderen Israels geene sterfte ontsta, indien de kinderen Israels tot het heilige naderen

20 zouden. Mozes, Aharon en de geheele gemeente der kinderen Israels deden met de Levieten; naar al wat de Eeuwige Mozes betreffende de Levieten geboden had, zoo deden hun de kin-

21 deren Israels. De Levièten ontzondigden zich, en wieschen hunne kleederen, en Aharon maakte met hen eene wending vóór den Eeuwige; ook deed Aharon verzoening voor hen, om

22 hen te reinigen. En daarna kwamen de Levieten om hun dienst bij de tent der samenkomst te verrichten vóór Aharon en vóór zijne zonen; gelijk de Eeuwige Mozes betreffende de

23 Levieten geboden had, zoo deed men hun. — De Eeuwige

24 sprak tot Mozes, als volgt; ,/Dit is wat de Levieten betreft: van vijf en twintig jaren oud en daarboven, kan komen om een taak te vervullen bij den dienst van de tent der samenkomst.

15. zullen zij komen = in functie treden; binnengaan kan het hier niet beteekenen, daar de Levieten de tent der samenkomst (d. i. het heilige en Allerheiligste) evenmin mochten betreden als een gewoon Israëliet. — nvci, gij zult hen reinigen, d. w. z. reinigingshandelingen doen ondergaan, hetzij 'alle drie vs. 7 genoemden, ol' hier, zooals gewoonlijk, enkel baden van het lichaam.

16. J-nD3gt; ]iet openende, — mos is abstract, niet vrouwelijk van nes, — de Levieten zijn gegeven in plaats van hetgeen eenigen moederschoot opent, in plaats van het eerstgeborene van alies, zoowel mensch als vee, vgl. 3,45. Alleen de eerstgeborenen van de moeders waren heilig, onverschillig, of ze al dan niet eerste kind huns vaders waren, daarom kan men niet vertalen: de eerstgeborenen van allen.

17- DDK Wnpn. heb Ik hen, de eerstgeborenen. Mij gewijd.

19. om verzoening te doen, in zooverre, dat zij, zooals 1,53 evenals

hier gezegd wordt, door hun trouw wacht houden de Israëlieten beletten te naderen tot en zich te vergrijpen aan het heiligdom. Nadert een Israëliet niettemin, dan ligt dat aan nalatigheid der Levieten, die dus de straf te dragen hebben en de verzoening brengen. Ibn 'Ezra : om als lossing te dienen.

89

ocr page 83

n ub

dhh nfi:ni nnx nnnm npia bnK-nN la^1? oHbn itó» nnn ^inp 7 nsn D^n: D^n: '3 : naun«

: öm ♦nn^ ^3p ^3 quot;1133 DnrVs nntps ♦nsn di;3 non33,i dins ^33 ni33-1?3 ^ »3 ^

lt;• - : at •• ; quot; vttit •• t : * --1quot; : • 1 t lt;• -«•

■nK ^ nnx 'nB'^ri Dpïp pK3 H33_i?3 ^

D'ibn-nN ninxi : Vxn'f ^33 ii33quot;l?3 nnn D^bn ^

• •: 1- v t : v it iquot; t ; • jquot; : • v, : t quot; j~ a* •; 1-

n^-nx 13^ ^s^mp vbbi pn»1? 1 orina rm» nSi 'iTty quot;i33i?,i n^io i?nit3

v : i* ^ : Aquot; t; • -••• : ^ v.quot;quot; : quot;/^ï quot; t; • r-:

n^oir^i: tyljpn-^N n^s e]33 ^333

nm* nirnirx ,?33P mr^ai pnKi

lt;t : t* v -: ; a**;!- t: • iquot; ; : i •)quot;: r :

D'iVn iKann*quot;! : bKnir» ^3 Dn1? iB'jrp oh1?1? ntyo-nK quot;

• • : 1- r* t :•-gt;•• ; vquot;t ■gt; r ^.........

na3,i nin» ♦jöV naun DhN nn^ ein Dnna3 iD33n

squot;quot; :quot; at : •quot;• : • v.t : )t I j't t' |vt- v ••: • ; - n-

-na izvh D'i^n ^3 p-nnxi : mnüb nnx on^33

lt; «.ji» • •; 1- -r i •• ••-: iquot; : it-:i* : » vquot;j •quot; •)•* quot; ■

nW qim2 V33 ^abi nnx ^sh t?n«3 bni3^

t • v 11- at t •*•• : * t i ^ —j |— jquot; ! quot; ^ v j ; t t i ^

i3i,,i d : onb 1quot;^ r3 D'ibn-1?^ n^o-nx nin»»

ivt j t 1 v.quot; ••: 1- ^ v v lt;t :

rón T30 o'lbb I^N4 n^r : -mb h^D-VN mn» ■»

.. t I v • a* • : 1- ^ ^ 1 quot; . j'-\ v :

: nvia bnk n-i'3V3 K3ï «3^ «13^ nb^bi Dnfrjn

*1quot; •-• J -i'~ tt j ; * t t : - t tt lt;*; :

21. ixtann1!. zi/ ontzondigden zich, eigenlijk: behandelden zich met nscn = nscn id, met ontzondiffingswater. — De handelingen zijn slechts in algemeene trekken medegedeeld. Dit moet zoowel volgens de door ons gevolgde opvatting (waarbij wij drie wendingen aannamen), als volgens die van Mendelssohn worden aangenomen, daar volgens deze het wasschen der kleederen aan de bespatting voorafging, en in ieder geval het scheeren niet wordt vermeld. — ibdh, deed verzoeningshandelingen, d. w. z. bracht hunne offerdieren.

22. DH1? ItfJ/ pgt; gewone herhaling op het einde der uitvoering eener reeks van voorgeschreven handelingen. Ibn 3EzRi: zoo deden zij hun ook in het vervolg, zeer zwak en onwaarschijnlijk, daar van wijdingsfomrfe-lingen bij indiensttreding der Levieten in volgende geslachten evenmin sprake is, als van die bij priesters.

24. Aan de wijding der Levieten wordt de bepaling van den leeftijd voor hun dienst aangesloten. Hier wordt vijf en twintig, Num. 4,3 dertig jaar als minimum-leeftijd aangegeven. Naar Rashie was van 25—30 jaar een oefentijd, terwijl met 30 de eigenlijke dienst begon. Rashbam en Ibn'Ezra

ocr page 84

N U M E R I VIII, IX.

25 Doch zoodra hij vijftig jaren oud is, zal hij van den dienst-

26 post terugkeeren en geen dienst meer verrichten. Hij zal nog wel met zijne broeders dienen in de tent der samenkomst om wacht te. houden, maar arbeid zal hij niet meer verrichten. Zoo zult gij met de Levieten handelen, met betrekking tot hunne ambtsplichten.quot;

1 De Eeuwige sprak tot Mozes in de woestijn Sienai, in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte, in de eerste

2 maand, als volgt: //Dat de kinderen Israels het Pésach bereiden

3 op zijn bepaalden tijd. Op den veertienden dag in deze maand, tusschen de beide avonden, zult gij het bereiden, op zijn bepaalden tijd; naar al zijne wetten en al zijne voorschriften

meenen, dat hier van wachtdienst, daar van draag dienst sprake is, die meerdere lichaamskracht en dus iets hoogeren leeftijd vordert. Tegen de eerste verklaring wordt aangevoerd, dat vijf oefeningsjaren te lange tijd van voorbereiding zou zijn; tegen de tweede, dat de kracht op 25-jarigen leeftijd waarlijk niet minder is dan op 30-jarigen; terwijl tegen beiden spreekt, dat op beide plaatsen ongeveer dezelfde uitdrukkingen worden gebruikt. Bovendien zou eene nieuwe telling der 25-jarigen verwacht worden. Naciiii. meent daarom, dat de bepaling van vs. 24 slechts facultatief is: van 25 jaar af mag, wie zich ertoe in staat acht, reeds dienst doen; van 30 jaar af is de Leviet ei-toe verplicht. — 'Ezra 3,8 en II Kron. 31,17 blijkt, dat die facultatieve dienst-grens later tot 20 jaar is verlaagd.

26. vrw nx mm hy zal zijne broeders, de priesters, dienen, lt;jf; hij zal met zijn broeders, de Levieten, dienst doen. — nap xS rmn, volgens Rashbam : mag nog geen dienst doen, vóór dertig jaren, en niet meer dienst doen na vijftig jaar. — rrroj:, schijnt de zware draag- en vervoerdienst, speciaal der Kehaithiden, aan te duiden. In ieder geval mochten de Levieten boven 50 jaar nog wachtdienst om het heiligdom verrichten. — Dmaamp;'»2, bij hunne amistellingen, de hun opgedragen functiën.

Hoofdstuk IX. Ook hier wordt weder eene openbaring medegedeeld uit de eerste maand van het tweede jaar, — hoewel het begin van ons boek reeds eene Godsspraak uit de tweede maand verhaalt. Sommigen nemen nu aan, dat onze plaats hoofdzakelijk ten doel heeft, de wet omtrent het tweede Pésach en de feitelijke uitvoering dier wet mede te deelen, die in de tweede maand plaats had ; terwijl dan het voorschrift omtrent het eerste Pésach, en de mededeeling omtrent de uitvoering daarvan, slechts als inleiding tot dit hoofdthema dient. Met het oog op de wel niet duidelijk vermelde, maar toch vanzelf sprekende bereiding van het »tweede Pésachquot; staat dan ons stuk chronologisch volkomen op zijn plaats. — Nachm. meent daarentegen, dat na het einde van de behandeling van inrichting en dienst in en bij het heiligdom, met ons stuk de draad der geschiedenis weer wordt opgevat en een Godsspraak wordt medegedeeld, die in de eerste helft van de eerste maand tot Mozes moet zijn gericht. Hoofdzaak is dan het voorschrift om nu, in de woestijn, wederom een Pésach te brengen ; Ex. 15,25 toch was de verplichting tot het jaarlijks brengen van het Pésach gebonden aan de komst in het land, — zoodat voor het brengen van een Pésach in de woestijn eene bijzondere Godsspraak noodig was. — Aan dat voorschrift sluit zich dan de mededeeling aan van de toen gerezen quaestie en hare oplossing.

G

40

ocr page 85

D n -[n^nn ö

: nv i6) myn KSÏÖ ni^ D'iron pöi «

V. ^'~ -gt; !. quot;T .«T -•T^: * ^ T TT ^ J- • -f I^V •

li1? rnn^i nnotro nyia ^nka vn^-nx 13

V.T ^r vv : • - ; • v lt; ; t v v •• •• ;

a * : Dnno^oa D»^1? n'^n ros ny

^ ^ |Tp p: ; * : V: i- ^ quot;J i- t )t A^-:r

on^v1? n^a 'rp-ianpa nin» i3Ti«

: -ÏONV ?i^nn lynna D^ÏO pKD3

)•• t: • iquot;: .1quot;: p i quot; ' v. '«t vj ' ••)-;• I vsv ••

ra nin ü'-fna ovniyy : njrioa nosn-nNj

I squot; v- v - it t -'tt ;- : i -: i : quot;v.t quot;

vds^Ü-VDDT vnbn-Vaa nyba in» i^n D»3iyn

,» ^n- ^t t : Ti jt) \ r : lt;•.-: i : v ^ i' *•)* : lt;t

i- inrxm tnna. in de eerste maand, zonder nauwkeurige opgave van een datum.

2. im. De '1 aan het begin van dit vers, laat zich verklaren door een verzwegen Ssnc.1' 'ja Sn 12T ervóór te denken, — of evenals de 'i in

jr'i (Gen. 26,28): zoo zullen dan bereiden, nu het Verblijf gereed, gewijd en aan den dienst overgegeven is. — nD^Hi hoewel bij een niet

scherp scheidend toonteeken, heeft hier toch klankverandering plaats; men zou verwacht hebben: nDSit- Bedoeld wordt: het Paaschoffer, wat

het woord rras in den Pentateuch gewoonlijk beteekent. — iiïibs, op den ervoor vaslgestelden tijd, den veertienden Niesan. Naar de traditie dient dit nadrukkelijk voorschrift ter vaststelling van de bepaling, dat zelfs op Shabbath 14 Niesan, het Pésachoffer moet gebracht worden. (Volgens eene mededeeling in Séder 'Olam, viel 14 Niesan in het jaar na den uittocht in werkelijkheid op Shabbath in). — Num. 28,2 wordt bij het dagelijksche offer immers dezelfde uitdrukking gebezigd, terwijl daar uit vs. 10 ten duidelijkste blijkt, dat het ook op Shabbath gebracht moest worden.

3. raara rnpn ^ro. naar al de wetten en voorschriften, die Ex. 12,14 vv. en 43 vv. zijn uiteengezet. Het Pésachoffer zou hier behandeld worden, geheel zooals later in het heilige land, niet zooals het vorige jaar in Egypte. Het nemen van het lam op den 10 Niesan, het strijken van het bloed met een bundel hijzop op deurposten en bovendorpel, evenals het in volle uitrusting eten van het Paaschlam, vervielen dus; daarentegen traden in werking de offervoorschriften; sprengen van het bloed op het altaar en verbranden der vetstukken, alsook het ysn-verbod gedurende zeven dagen en de feestviering. De nosn npn zijn v. s. de het offer zelve, de diobü» de zijne bereiding betreffende voorschriften; anderen zien in die beide termen : de wetten omtrent het offer zelve en die omtrent de daarmede verband houdende feestviering. — Een tijdelijk verbod van al wat gezuurd is, heeft ook bij het gebruik van het Manna zin, daar reeds uit vs. 11, waar niïü vermeld worden, en uit het telkens terugkee-rende voorschrift omtrent meelbloem bij offers duidelijk genoeg blijkt, dat meel althans te verkrijgen was. — Het hier bedoelde Pésach werd dus natuurlijk gebraden en met ongezuurde brooden en bittere kruiden gegeten. — De opmerking is gemaakt, dat in de weinige uren van den namiddag vóór het invallen van den nacht, de bloedsprenging enz. door

ocr page 86

N ü M E R I IX.

4 zult gij het bereiden.quot; Nu sprak Mozes tot de kinderen Israels,

5 dat zij het Pésach bereiden zouden. En zij bereidden het Pésach in de eerste maand, op den veertienden dag der maand, tusschen de beide avonden, in de woestijn Sienai; gelijk alles, wat de Eeuwige Mozes geboden had, zoo deden de kinderen

6 Israels. Nu waren er lieden, die aan een lijk van een mensch onrein waren geworden, en dus op dien dag het Pésach niet konden bereiden ; dezen naderden vóór Mozes en vóór Aharon

7 op dien dag. En deze lieden zeiden tot hem: «Wij zijn onrein aan een lijk van een mensch, waarom zullen wij minder zijn, om het offer des Eeuwigen niet op zijn bepaalden tijd te kunnen brengen, te midden van de overige kinderen Israëls ?quot;

8 Mozes zeide tot hen : ,/Blijft staan, opdat ik zal kunnen hooren, wat de Eeuwige met betrekking tot u gebieden zal.quot;

10 9 Hierop sprak de Eeuwige tot Mozes, als volgt: «Spreek tot de kinderen Israëls, als volgt: Ieder persoon, die onrein geworden zal zijn aan een lijk, of op een verren weg, hetzij bij u of

de priesters moeilijk zou hebben kunnen plaats gehad. Men vereete echter niet, dat ieder volwassene slechts één olijfgrootte van het Pésach behoefde te eten, zoodat het aantal offerdieren reeds daardoor sterk vermindert; dat bovendien het niet onmogelijk is, dat de 84-jarige Aharon reeds kleinzonen en achter-kleinzonen had, die met hem waren gewijd, ook al worden ze niet uitdrukkelijk genoemd. Een bepaalden leeftijd voor de ambtsaanvaarding der priesters wordt immers nergens aangegeven, en het kan dus zeer goed zijn, dat die leeftijd bijv. twintig jaar was. Dat Lev. 8 bij de priesterwijding steeds van v:31 pnx gesproken wordt, bewijst, bij de wijde strekking van het woord D'a, al zeer weinig. Het vonnis van Num. 14 schijnt alleen de van 20 jaar en daarboven in de woestijn gemon-sterden te hebben gegolden, waaronder de geheele stam Levie, als van één maand oud gemonsterd, niet viel. El'azar kwam immers wél in 't Heilige Land, al was hij bij den uittocht waarschijnlijk reeds veel ouder dan 20 jaar geweest. — Trouwens moet de geheelê handeling al zeer weinig tijd en zeer weinig ruimte hebben in beslag genomen, daar wij bij Josephus, (Joodsche oorlog VI, 9,3) een getal van 256.500 Paaschoffers vermeld vinden, als op één Pésachdag gebracht.

, 5. td naioa. Naar eene ïhalmoedische opvatting werd voortaan in de woestijn geen Pésachoffer meer bereid, alleen in de woestijn Sienai, vanwaar zij den 20ste der 2de maand vertrokken. Hier werd het slechts op uitdrukkelijk Goddelijk bevel gebracht, terwijl het voorschrift omtrent het Pésach overigens eerst na de komst in Palaestina zou gelden.

6. VP1, enkelv. werkwoord vóór het onderwerp in 't meervoud, wat vooral bij rrn meermalen voorkomt. Onrein kunnen zij geworden zijn aan de lijken van afgestorven familieleden; — zij wisten reeds, dat het Pésach, als offer, slechts door reine personen gegeten mocht worden en dat die reiniging niet aanstonds te verkrijgen was, maar aan tijd en bepaalde formaliteiten was gebonden, zooals Num. 19 nader omschrijft. Weder een bewijs, dat de Nam. 19 medegedeelde wet, reeds vroeger was gegeven.— i:bS tatpo, zij naderden eerbiedig vóór Mozes enz.; dit ligt in ijbS mp, dat overigens slechts bij naderen vóór God en bij een vorstin tegenover naren

41

ocr page 87

: noön fiyyh isti :

d»a*ijri ra bh'n1? dv n^anxa ïi^knandörrnnquot;

•vquot; • it • -»quot; .*■* quot; t r *t t ^: - ; ' p p *,t quot; v -

^a liry ?a n^a-nK nin» niï quot;1^« bba laioa

jquot; : ^ t v t : lt;t * ^ v ■' : at * ■•-:•:

iïyah) dïk irfii1? d^olivn quot;it^n d^jk ™

j :tr : t t •••-••.•: • •• : lt; t v -j • t -» -•• ; - iquot; t ; •

^hn ysh] n^o ^ö1? 13*)^ ninn di»3 nosn-n^ d^koü lanaw v1?^ nnnn : xinn di»3'

# v ^ t •• t/* t t -* it ; 1 - 1 - j -

1,^^b3^1^♦?3quot;^p-nn3np^^,?3,? yin nsv dik wsiiï

~t : r : l«- :it v *1; - • : • : ^ -t • t-t at t v-»v ;

nirotyni nt^o dh^n idn»! : ^3 ^in3n

t ; : v ; -• ; av vquot; quot; j' f r: • r» i i ^ :

«3 : qd1? nln» nix»-nd

iv t ^t ; jv' ;

ian1? vnibquot; ♦33-vn quot;131 : idnv» nt^o-bn nirv i3n,i ■=

a •• vquot; ▼ s quot; 1 v 9 ~ ' quot; ■'•* v : 1

in dab nprn ^quot;n3 in 1 noü nvr-'a i^'n ^^n

lt; v t it : i v v ; vvt jquot; t r.' : i' r j- -*■

1

gemaal voorkomt. De zin is dan: zij naderden op een eerbiedigen

ocr page 88

N U M E R I IX.

bij uwe nakomelingen, en ter eere des Eeuwigen het Pésach

11 bereiden wil; — In de tweede maand, op den veertienden dag, tusschen de beide avonden, zal men het dan bereiden; met ongezuurde brooden en bittere kruiden zal men het

12 eten. Men zal er niet van overlaten tot den morgen, en een been zal men er niet aan breken; naar al de wetten van

13 het Pésach zal men het bereiden. Doch de man, die rein is, en zich niet op den weg bevond, en nagelaten heeft het Pésach te bereiden, die persoon zal uit zijn volk uitgeroeid worden; want het offer des Eeuwigen heeft hij niet gebracht op zijn

14 bepaalden tijd; zijne zonde dragen zal die man. En wanneer een vreemdeling bij u verblijf houdt en ter eere des Eeuwigen het Pésach bereiden zal, naar de wet van het Pésach en naar zijn voorschrift zal hij het bereiden ; ééne wet zal er voor u zijn, zoowel voor den vreemdeling, als voor den inboorling des

15 lands.quot; — En op den dag, dat men het Verblijf had opgericht, bedekte de wolk het Verblijf, dienende tot tent van het getuigenis;

deze verklaring, die echter door Mizeachie wordt verdedigd en ook in den Thalmoed voorkomt. Nieuweren zien in dien stip eene aanwijzing, dat de Massoreten twijfelden of hier pm of npni moest worden gelezen, daar quot;pi in beide gealachten voorkomt. — nos non, en niettemin wil bereiden enz.; anderen ; dan moet ook hij bereiden, doch op de aanstonds uiteen te zetten manier; minder waarschijnlijk.

11 en 12. Naar den Thalmoed moesten bij de keuze en de bereiding en behandeling van het //tweede Pésachquot; alle voorschriften in acht genomen worden, die voor het gewone Pésach gelden, niet echter de niet met het offer zelve in verband staande plichten, als wegruimen van ongezuurd enz. Bij het slachten van het tweede Pésach mocht men ynn in bezit hebben. — noBn npn Sas, naar al de wetten, die voor het Pésachojfrer gelden.

13. *nn{3 Xin quot;llPJC, die rein is, yrai, en ook niet op weg is g ew eest, reeds eenigen tijd te voren, zoodat hij in werkelijkheid uiet tijdig aanwezig kon zijn. Dan zou hieruit volgen, dat men niet gerechtigd is zich kort voor 14 Niesan op weg te begeven, zoodat men dien dag jier zou zijn. Men kan echter ook den geheelen zin verklaren als meer dan volmaakt verleden tijd, wie rein was en niet op weg {= op een verren weg) en toch nagelaten heeft enz. zal uitgeroeid worden. — Vim, v. s. en geheel en al nalaat het Pésach, ook het tweede, te bereiden. Dan zou dus, wie, zonder verhinderd te zijn, het eerste Pésach verzuimd heeft, eerst dan met uitroeiing worden gestraft, indien hij ook het tweede niet brengt, nrisa op het einde van ons vers beteekent dan: op geen der daarvoor vastgestelde tijden heeft hij het Pésach gebracht. Anderen meenen, dat hier uitsluitend van het eerste Pésach sprake is en de straf reeds is verdiend bij moedwillig verzuim van het eerste, zonder dat het door het brengen van het tweede Pésach kan goed gemaakt worden.

14. TJ. Zie Ex. 12,48. Bedoeld wordt de pr* u, de geheel tot het Jodendom overgegane niet-Tsraëliet. Staat het Ex. t. a. p. om te zeggen, dat de Jood geworden niet-Israëliet eerst dan het Pésach eten mag, als ul het mannelijke bij hem besneden is, — hier staat het met het oog op

42

ocr page 89

nyaiKS ♦iVn tyina : nos ntr^i üS^nniS ^

jt t quot;t t iquot; ; • •• - v - it i- - t dt: v •• •» :

: Dn^öi niïo-b^ inj« pa DV

N1? DÏ^I if33-^ 'laap n^N^r^3' n^n-k1? 'nnai nnü «irri^K V^ni : inilt; nosn ^

tt i i •••-••.• ; t V t 'Ti i J *~.l- ^ - vquot; ~

nip i n n^a^ü Kinn ^ösn nmaji noén Snm

1^. :ir j. T rtv^- ,•• - vr.*- quot;ït : : quot; *•• ~ J -siquot; quot;t;

wai : Kinnenixun inyoa anpn n1? nin^

ti*: i - j' t v.t • -» ï ••. •_j : ^ *1: • « ^t ;

ntyj?» p lüstyoal nosn npna nhquot;1? noa n'^i li aans4

^ av^i-Ijquot; v t ; • ; - r-' ' : t »- - v t ^t:^ •• v : •

Di»ai d * : rnxn nbb n»n» nnt? npn «

: # | vit t j-;^v : vquot;quot; : •quot;••: i* — i lt;t\

mj^n bn^V fi^sn-nK njgt;n noa ri^an-n» D'pn

fgt;\ quot;it v ^ : it; — v l t'tiv lt;t • i t : • - v i-^t

het tweede Pésach, — zoodat hij, na 14 Niesan, maar vóór 14 Ijar tot het Jodendom overgegaan zijnde, het tweede Pésach brengen moet. — Het spreekt immers vanzelve, dat de Jood geworden niet-Jood alle wetten des Jodendoms heeft in acht te nemen. Het hangt dus niet meer van zijn wit af, en ncri kan hier niet vertaald worden; en bereiden wil. — uSi oaS •j'-ixn mjsS. De 'i vóór u1? is hier niet: en, maar staat parallel met dien van mmVi en beteekent; zoowel... als.

9,15—23 en 10,1—10. De tijd voor het optrekken des volks was. na de viering van het tweede Pésach, nabij; voordat echter het optrekken zelve verhaald wordt, deelt ons stuk eerst mede, hoe uit het optrekken der wolkzuil de Goddelijke aanwijzing bleek, dat het volk moest voortgaan (9,15—23), terwijl daaraan wordt vastgeknoopt, hoe, bij het zichtbaar worden van dit teeken, Mozes door bepaalde signalen het geheele optrekken des volks regelde. Het spreekt immers vanzelt, dat het voortrukken eener zoo groote menigte met vrouwen, kinderen, vee en bagage niet maar eenvoudig aan de willekeur van ieder persoon of iedere groep kon worden overgelaten, maar dat daarbij eene bepaalde orde inacht genomen moest worden. De wolkzuil gaf in het algemeen de aanwijzing, dat de tijd voor oprukken of legeren gekomen was; Mozes' signalen op de trompetten

faven de orde voor de bijzondere groepen aan. De beide stukken behooren ijeen en hadden niet over twee hoofdstukken verdeeld moeten zijn. Het is trouwens niet de eenige plaats, waar de, zeer late, van Christelijke zijde afkomstige hoofdstukken-indeeling met het logisch verband en den samenhang der verzen en stukken geene rekening houdt.aven de orde voor de bijzondere groepen aan. De beide stukken behooren ijeen en hadden niet over twee hoofdstukken verdeeld moeten zijn. Het is trouwens niet de eenige plaats, waar de, zeer late, van Christelijke zijde afkomstige hoofdstukken-indeeling met het logisch verband en den samenhang der verzen en stukken geene rekening houdt.

15. trpn DV31gt; en 0P dm dig van hel oprichten, waarop hij, Mozes, het Verblijf had opgericht. Ex. 40,36—38 is het hier volgende reeds in alge-meene trekken medegedeeld, tot afsluiting van het verhaal omtrent de oprichting van het Verblijf; rco dus eigenlijk: had bedekt en was blijven bedekken. — mrn SnsS ptran w, het Verblijf, voor zoover dit dient tot tent van het „Getuigenisquot;, d. w. z. het eigenlijke heiligdom, het heilige en Allerheiligste, — niet ook het voorhof, nrn S.-in komt 17,22 en 18,2 voor in den zin van: het Allerheiligste, de plaats, waar het «.Getuigenisquot;, d. i. de steenen tafelen, in de arke liggen, r.irn jsuo komt daarentegen herhaaldelijk voor inden meer algemeenen zin: het eigenlijke

ocr page 90

N U M E R I IX.

en des avonds was zij boven het Verblijf als een schijnsel van

16 vuur, tot den morgen. Zoo was het steeds: de wolk bedekte

17 het, en wel een vuurglans bij nacht. Naarmate nu de wolk zich van boven de tent verhief, daarna eerst trokken de kinderen Israels op; en op de plaats, waar de wolk zich vestigde, daar

18 moesten de kinderen Israëls een legerplaats betrekken. Op bevel des Eeuwigen zouden de kinderen Israëls optrekken, en op bevel des Eeuwigen zouden zij legeren; al den tijd namelijk, dat de wolk op het Verblijf gevestigd bleef, zouden zij legeren.

19 En wanneer de wolk langen tijd boven het Verblijf bleef, dan moesten de kinderen Israëls de verordening des Eeuwigen in

20 acht nemen en niet optrekken. Gebeurde het daarentegen, dat de wolk slechts een klein getal dagen boven het Verblijf zich bevond, — op des Eeuwigen bevel zouden zij de legerplaats betrekken, en op des Eeuwigen bevel zouden zij optrekken.

21 En als het gebeurde, dat de wolk slechts van den avond tot den morgen bleef, — zoodra dan de wolk zich verhief in den morgen, zouden zij optrekken; of gedurende een dag en een nacht, en als dan de wolk zich verhief, zouden zij optrek-

22 ken. Of twee dagen, of eene maand, of een geheel jaar: als de wolk lang boven het Verblijf bleef, erboven gevestigd, moesten de kinderen Israëls gelegerd blijven en niet optrekken ; doch zoodra zij zich verhief, moesten zij optrekken.

heiligdom in zijn geheel. Dit beteekent het dan ook waarschijnlijk hier.

W? penn = SnN ptfD; de constructie met den 'h om opeenhooping van

niyw-vormen te vermijden. — nvrs was zij, de wolk, steeds; de toekomende tijd als aanwijzing voor duur en herhaling.

16. Niet alleen op den dag der oprichting was het zoo, maar zoo hleejT het ook voortdurend; de wolk bedekte het, en die wolk was een vuurschijn bij nacht; de vaurschijn was niets anders dan de nu lichtend geworden wolk; er was dus slechts één wolk, en niet twee. Voortdurend is in ons stuk dan ook van prn, de wolk sprake (vgl. onze aant. Ex. 14,20 en 40,38).

17. p nnxi •••'•flSi. naar mate.... en daarna, een voor ons vreemde constructie. Wij zouden verwachten; U'D1... «ta. Sommigen verklaren p imxi, dadelijk daarna, onwaarschijnlijk, daar in ieder geval de verder aan te geven signalen moesten worden afgewacht; beter komt mij voor te verklaren: daarna eerst, niet aanstonds zoodra zich het eerste verschijnsel van verheffing der wolk voordeed, maar eerst iets later. — De wolk gaf het sein tot opbreken, de richting van het voorttrekken en de plaats van legering aan.

18. 'H hy, op bevel des Eeuwigen, blijkende uit de beweging der wolk, en misschien ook, zooals uit vs. 23 v. s. blijkt, mondeling aan Mozes gegeven en door dezen aan het volk bekend gemaakt. — run beteekent in ons stuk nu eens: de legerplaats betrekken, dan weder: op de plaats der legering blijven; zoo ook p» nu eens: zich vestigen, dan weer: gevestigd blijven, pw schijnt te beteekenen: stand houden en niet verder voortgaan, als teeken, dat het Verblijf moest worden opgericht, waarboven

43

ocr page 91

12 *]r6yra ao

n^rr |3 : m rnjni «=

nvn niSvn ♦ébi : n1?^ ^K-nNiai my pjrn Tonquot;

I t quot;t iv lt;*rf • : t :it v.quot; quot; :quot; . AV quot; : Kttiv • t

-pBgt;' -IB'N DipoDi ^3 i^D» p nnxi Vyö

It:* «v -: I ; • aquot; t: * ■••, : *[ : • I •• t •»

♦33 wd' nin» •' »33 wn» Dt^ p^n d^quot;1

jquot; : ^ : • t : •»• quot; iquot; t: • jquot; ; ^-ji- jr it'tiv^ t

|3^n quot;IK'K ♦ó)-l?3 1311;. nin*

D'Si. D'D» p^prr^ j ^n ^n^nsi : wn» |3^an ^ ib'k w) i ivd' nbi nin» nno^a-m inotyi3

v -t ••: ^ it * j z v,t : vjv : • v r* t : • iquot; : s ; it :

-\gt;$) lirv nin» |3^Dn-^ iödö |3^n n;n» n^3i nprnv 3Tyo pyn n^n» : WD* mn» »3 «

st^:i- : Iv - v^v It'tiv lt;v: r v -j ••: ^ it • ^t : r

' 1^031 nyn ^^31 rhquot;^ DOI» IK i);D3i ip33 pyn

^ itt : Kt^tiv jt^ii- : ^ t:-t -«t lt; ^at t : Iv v ~ ^ mt^t iv

p^sn-V^ 13^n TjnKrii D^-IK ^in-iK D^-IX 33 : ivd» ihS^nai WD» K'JI bKquot;it^-,33 I3n» vfy pir1?

it * v, rtquot; : at * •» : vquot; t: * iquot; : j -*r t*gt; I ^ : *

dan de wolk zich plaatste; v. a. naar beneden komen, tegenover mSrn, zichtbaar dalen, als teeken voor de legering.

19- ^TJCnZJI) v- s. moet hierbij worden aangevuld: ps», als zij lang maakte haar gevestigd zijn; anderen; langen tijd doorbrengen. — vwm, hoe moeilijk hun misschien ook het verblijf op de plaats, waar zij waren, vallen mocht, hadden zij in acht te nemen, wat God hun door het verwijlen der wolk, op dezelfde plaats ter inachtneming voorschreef, en mochten zij niet voorttrekken.

20. Al lachte de plaats der legering hun toe en verlangden zij er te blijven — als de wolk zelfs na weinige dagen weer optrok, moesten zij verder trekken. — isd» dw, te tellen dagen, zoo weinig in aantal (Gen. 34,30).

21. Somtijds gaf de wolk alleen gedurende den nacht het sein tot rust, en moesten zij den volgenden morgen aanstonds weer voortrukken; of de wolk bleef dan nog oij dag en een nacht — dus twee nachten en een dag — zoodra dan de wolk zich verhief, moesten zij weer voorttrekken, 's Nachts hadden waarschijnlijk geene tochten plaats. Natuurlijk zullen in zoo korten tijd toch wel provisionneele tenten zijn opgeslagen, al was nu niet juist sprake van een legerplaats. Anderen verklaren nVri oov: 's ochtends aangekomen op een plaats, waar de wolk zich neerliet, bleven zij daar dien dag en den daarop volgenden nacht, en trokken met het aanbreken van den dag weer voort. — Dit laatste sluit met de uitdrukking dov, hij dag, beter. Dan moet men aannemen, dat zij somtijds ook des nachts voortrukten. — Bij nVn duv in moet aangevuld worden: pïn mn\

22. nadat een maand genoemd is, moet 0'tt' wederom een afgeronde periode aanduiden, dus; een jaar in dagen, d. i. een vol jaar. — Bij de zeer korte termijnen van het vorige vers, waarbij van legering geen sprake kan zijn, wordt alleen geconstateerd, dat het volk dadelijk weer moest optrekken. Overigens wordt in het geheele stuk meer de nadruk

ocr page 92

44 N U M E R I IX. X.

23 Op bevel des Eeuwigen legerden zij, en op bevel des Eeuwigen trokken zij op; de verordening des Eeuwigen namen zij in acht, volgens het bevel des Eeuwigen in handen van Mozes.

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: ,;Maak u twee zilveren trompetten; van drijfwerk zult gij ze maken; en zij zullen u dienen tot het oproepen der gemeente, en tot het

3 doen optrekken der legers. Wanneer men op hen blaast, dan zal de geheele gemeente tot u samenkomen naar den ingang

4 van de tent der samenkomst. Doch wanneer men op één blaast, dan zullen tot u samenkomen de vorsten, de hoofden

5 over de duizenden van Israël. En wanneer gij alarm blaast, dan zullen de legers optrekken, die oostwaarts gelegerd

6 zijn. En wannneer gij ten tweeden male alarm blaast, dan zullen de legers optrekken, die zuidwaarts gelegen zijn;

gelegd op het gelegerd Mijven. Bij de korte termijnen, waarbij zij immers niet van te voren wisten, dat het verblijf slechts van korten duur zou zijn, moesten zij, naar Nachm. opmerkt, toch, als er maar even tijd toe was, de legerplaats geheel inrichten, om misschien na eenige uren te bemerken, dat alles vergeefsch was geweest. Bij de langere termijnen is in het wachten de verdienste gelegen — hoewel in't gezicht van't heilige land, mochten zij den tocht daarheen niet overhaasten. — De toekomende tijden iro' en wn tot vs. 23 behoeven niet juist feiten te constateeren, maar geven waarschijnlijk het voorschrift. Vs. 23 constateert dan aan het slot, dat zij in werkelijkheid, althans in het begin, zoo handelden en de voorschriften Gods in acht namen.

23. nm -p^ 'n i£) SjT, v. s. op hevel des Eeuwigen, om nl. de aam-wijzingen der wolk te volgen, dat Deze in Mozes' handen had gegeven om het volk bekend te maken. V. a.: zij trokken op en legerden op bevel des Eeuwigen, maar tegelijk, door de hier onmiddellijk volgende regeling, door eene handeling van Mozes, de signalen namelijk.

HoorDSTUK X. 1. nï'J/. laat maken; -jV, niet juist: voor u alleen bestemd, (eene opvatting, die in den Thalmoed voorkomt), maar zooals vaak; maak u, = maak. — jrwwn, in tegenstelling met iew, een reeAï blaasinstrument van metaal. Dat zij niet gebogen waren, blijkt uit Josephus en de afbeeldingen op den triumfboog van Titus. — ons, mann. voornw., bij een vrouw, woord, een dikwijls voorkomende afwijking. — nop», ieder uit één stuk, door slaan met een hamer, gedreven. — ïdoVi ... sip»1?, twee onbepaalde wijs-vormen. Tweeledig is het gebruik der trompetten in hoofdzaak: bijeenroeping van het volk of zijner vertegenwoordigers, en 2e geven van seinen voor het regelen van het voortrukken der legers. Die beide functiën worden vs. 3—7 nader verklaard. Vs. 8 zet dan uiteen, wie die signalen geeft; terwijl vs. 9 en 10 nog eenige bijzondere gevallen voor 't gebruik der trompetten aangeven, die hier eigenlijk slechts ter loops te pas komen, om de geheele zaak af te handelen.

3. Uit de tegenstelling in vs. 4 blijkt, dat pa beteekent: op heiden, en wel waarsch.; tegelijkertijd, niet: na elkander, daar dan één trompet voldoende zou geweest zijn. — irpm. Uit vs. 7 blijkt, dat nrpn een anner geluid is dan nmri. Bij het bijeenroepen wordt dus enkel een nripn geblazen, d. i. naar de traditie een enkelvoudige, onafgebroken blaastoon, en wel tot oproeping van de geheele gemeente, in volksvergadering, op heide

ocr page 93

♦ 13 -pV.ym no

matyoTiK nin» ♦ö-byi lin» rnrr

tt t : v«v : • v ^rtT* v.t : y ; -:i- t : «•

a : nm-yi nin»

^ IV - : i.T : J-

ep5 n^ïiïn 'niy ^ n'^ : quot;iaxb nin» '

)v V -• : I -: quot;.: 1: •quot;'^ ^ . 1 quot; JV '' ^ : Jquot; ':'2

tik vddïi m^n «quot;ipD1? n? vm ddn n'c^n nt^po

v ^ v.— ï. t^'it ^ -«rl: • : |: «t ; at -»•-• vr l; •

nna-bx ni^n-Vs nyiai rna i^pni : nunanj

- v ^ t JT ^ ' v quot; quot;* 1 : ' rt** T v. 1: it : i -: i- -

awmri V]^k i^iji ^pn^nnNrDNi. nyp bnx ■gt; D^'nn niinon n^nn onypm : VnTequot; lt;£hn*

V,' i- -; i- :^it : ^T ; ^ v.*-*^: I - ; iquot; T ; • jquot; : quot;

mDTi D'inn niinon ^d:i n^nn nn^pm : nonp1

Trtx iquot; iquot; r -! i- - : it: ■ •• 't lt;vquot;: I- : t :hquot;

trompetten, wat öf door het sterker geluid, óf misschien door -verschil van toon te onderscheiden was. Werd slechts op één eene nppn geblazen, dan was dit een teeken voor de vorsten om tot Mozes ter vergadering op te gaan, waarsch. eveneens naar den ingang van de tent der. samenkomst. — 'sSs nrsi, de vorsten zijn hoofden van de duizenden, waaruit het volk bestaat. Men behoeft niet te verklaren: hoofden over de bevelhebbers over de duizenden — qibSn nw •wi. — irpnquot;, men zal blazen; daar er slechts op één trompet geblazen wordt, moet het meervoud hier als onbepaald worden opgevat.

5. nnj/pm. nrnn is een gebroken geluid blazen; — daar nu vs. 7 en 9

voor het voortbrengen van Theroe'a het werkwoord rnn voorkomt, neemt de traditie aan, dat het vereenigd gebruik van beide termen wijst op de combinatie der geluiden, zoodat nïim onrpni beteekent; gij zult een enkelvoudig e n een gebroken geluid blazen. Niet onmogelijk is bok, dat in het woord nrnn al vanzelf de combinatie ligt en het dus beteekent: gij zult blazen een gebroken geluid, voorafgegaan en gevolgd door een enkel-voudigen, langgerekten toon. — □nj.-pri, gij, de priesters, zult blazen, of: gij, Mozes en Aharon, en andere vertegenwoordigers des volks, zult hevelen te blazen. — n»ip D':nri, d. i. het kamp van Juda; runvi ffonn, d.i. het kamp van Ruben.

e. wprp nym naar de boven gegeven verklaring der traditie: combinatie van Theroe'a en Thekie'a, — de beide uitdrukkingen samengevat geven dan voor de Theroe'a altijd een Thekie'a vóór en na. — DrnronS, voor hun vertrekken, voor het optrekken der Israëlieten in 't algemeen, of voor dat van ieder der genoemde legers, of voor dat der beide nog niet genoemden: Efrajim en Dan, — in dit laatste geval vertale men: evenzoo zal men enz. voor hunne, der overigen, tochten. Voor Ibn 'Ezka's opmerking, dat na het optrekken van Ruben's kamp de priesters niet meer konden blazen, daar zij met de Kehathiden meetrokken, zie ik geen enkelen grond. 1°. blijkt nergens, dat Mozes en Aharon en zijne zonen ook bij Tiet voorttrekken tegelijk met de andere Kehathiden optrokken, al is het waarschijnlijk, dat zij in de nabijheid van de gewijde voorwerpen zullen zijn gebleven; zij kunnen dus zeer goed hebben gewacht tot alle 4 kampen waren opgetrokken; 2°. kan het blazen des noods van de plaats, waar de Kehathiden zich bevonden, hebben plaats gehad. Vooral als men bedenkt, wat wij boven in het vorige hoofdstuk (vs. 3)

ocr page 94

N ü M E R I X.

7 alarm zal men blazen bij hunne tochten. Maar wanneer men de vergadering te zamen roept, zult gij blazen, doch geen alarm maken.

8 En Aharons zonen, de priesters, zullen op de trompetten blazen; dit zal u tot eene eeuwige wet zijn, voor uwe nakomelingen.

9 Wanneer gij in uw land ten. strijde zult trekken, tegen een verdrukker, die u in het nauw brengt, dan zult gij op de trompetten alarm blazen; hierdoor zult gij bij den Eeuwige, uwen God, in herinnering komen; en uit de macht van uwe

10 vijanden geholpen worden. En op den dag van uwe vreugde en op uwe bijeenkomsttijden en op uwe nieuwemaansdagen zult gij op de trompetten blazen bij uwe brandoffers en bij uwe vredeoffers ; en zij zullen u tot aandenken zijn vóór uwen God! Ik, de Eeuwige, ben uw God!quot;

11 Het was in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigste der maand, — verhief zich de wolk van

12 boven het Verblijf van het getuigenis. Toen trokken de kinderen Israels op, voor hunne tochten, van de woestijn

gezegd hebben omtrent de mogelijkheid van een grooter aantal priesters, verdwijnt Ibn 'Ezra's bezwaar geueel. De Thalmoedische traditie neemt dan ook aan, dat ieder der legers eerst op trompetsignaal optrok.

7. Dit vers geeft niets nieuws, maar stelt alleen het verschil tusschen de signalen duidelijk in het licht; voor bijeenroeping enkel Thekie'a zonder Theroe'a. — Snpn, eig. de vergadering des volks, hier algemeen: als men de vergadering, van het volk of van de vorsten alleen, bijeenroept.

8. Zoowel bij de boven gegeven gelegenheden, als in de vs. 9 en 10 opgenoemde gevallen, heeft het blazen op de trompetten door de priesters plaats. Aan het tweetal trompetten schijnt men zich, althans voor de vs. 9 en 10 genoemde gevallen, ook later gehouden te hebben, — al komt II Kron. 5,12 een aantal van 120 trompetblazende priesters bij de wijding van Salomo's tempel voor. Dat was een buitengewone gelegenheid, waarbij niet als verplichting geblazen werd (vgl. Rosh Hashana 27a). — coS ivn, zij, de trompetten, zullen u zijn tot eeuwige wet voor uwe nakomelingen; ook in Falaestina zult gij ze kunnen gebruiken voor het vs. 9 en 10 aangegeven doel, die in zekeren zin correspondeeren, vs. 9 met vs. 5 en 6, — vs. 10 met vs. 3. Het zijn natuurlijk niet de hier voorgeschreven trompetten zdve, maar het voorschrift omtrent de trompetten, dat als eeuwige wet wordt aangegeven. Het tot nu toe aangegeven gebruik der trompetten was van tijdelijken aard en gold slechts in de woestijn. Het volgende geldt ook later, en ook dan zullen de priesters met het blazen belast zijn.

9- nOnSö VOD OV De gewone uitdrukking is; rmnSnS XT'. Sommigen maken tusschen de beide uitdrukkingen dit verschil, dat het laatste is; vrijwillig uittrekken ten strijde, het eerste: in strijd geraken, waarbij de oorlog van anderen uitgaat. Het eerste geeft tevens meer den strijd op eigen bodem, dsxim, — het laatste op vreemd terrein; het eerste den verdedi-gings-, het laatste den aanvallenden oorlog.

, io. DannDP nrai. op den dag uwer vreugde, die gij bijv. door een dankoffer viert; naar Ibn 'Ezra; vreugde over de redding, in het vorige vers besproken. — Voorts zijn genoemd verzamelingstijden, waaronder Lev. 23,23—32 ook den dag der Herinnering en den Verzoendag brengt, en het

45

ocr page 95

♦ -jnVirm na

a)) bnjjrrn^ Vnj^nni : dh^dd1? njrnn» D31? vni nmïna lyprv Dorian nn« ♦aai : ynnn

■jv t j t ; a ; i -: i- 11::^* • -j - - i -j i- lt;•• : ^ r t

D5vn«3 nón^D : DD^nhi1? obiy npn1?»

^ '•' * :quot; : t t ; * t r : iv •• i : v.t ^ ij'\ :

nin» Dpnsrai rhx'xra Dnvnni oinN liyn nïn

jt ; •• : • v ; - : • : a i -j i- v • •quot; t r v ; v ' ~ ~

DDn^iDai DDnno'E' Di'31 : DDO^D on^iii nyrhtlt;1

v ••'n i : •»•.•:-;* ; iv •• ; i •• - i : •.•••! v:

bp ayrbv nSv'VQ? D^^ni Mtshn ^Knai nin» ♦:« D^ribx ^sh rnar1? dd*? vm Qynbv tqt

jt * quot;* v •• i v: •*••!• I t *; «v t t ; av •• : - -•• : •

Ö • : DSTbK I

iv •• i r: f?

nynnbvj lyina ahTQ rnira ♦n»^

I t*t IV t IIquot; V A - •»•; •v ; V* •* quot; v J - •gt;• •• - STT - • ;-

quot;lansp Dn^DO1? ^D»! : nn^n |3^p ^

Nieuwemaans/eesl, dat zich door een bijgevoegd offer (Num. 28,11-15) onderscheidt. In Sifré vindt ééne meening in donnno dv den Sabbath aangeduid, die ook een bijzonder offer heeft; een andere meening vindt dien reeds in de analogie met het Nieuwemaansfeest, en ziet in Darmno w den

fewonen dagelijkschen offerdienst. —ewonen dagelijkschen offerdienst. — Dnrpni, eene enkele Thekie'a, zonder heroe'a. Het meervoud ziet hier waarschijnlijk op het volk, gij zult door de priesters laten blazen.

11. Op tien dagen na hadden zij dus een jaar in de woestijn Sienal doorgebracht. Eerst was op den 14de der tweede maand door hen, die op 14 Niesan verhinderd waren, het tweede Pésach gebracht. — Uit Deut.

I,6—8 blijkt, dat het optrekken der wolk gepaard ging met een goddelijk bevel; vgl. vs. 13.

12. DrPyDoS. voor hunne tochten, d. w. z. om hunne tochten naar Palaestina te beginnen; v. a. naar hunne tochten, d. w. z. naar de 2 en9 aangegeven wijze van optrekken des volks, idj kan namelijk zoowel opbreken, gaan optrekken, als: voorttrekken, den tocht voortzetten beteeke-nen; ren dus zoowel tocht, als vertrek. In de laatste verklaring moet het meerv. dtodu1? verklaard worden: naar de voorgeschreven orde van optrekken van ieder der kampen. — pso 121153 jjxm pcni, de wolk vestigde zich, bleef staan in de woestijn Paran, waarsch. hier op te vatten: bij het begin der woestijn Paran. Den naam Paran dragen, behalve een woestijn, ook nog een gebergte, een vallei en misschien ook eene stad of landstreek (I Kon.

II,18). De woestijn Paran is waarschünlijk de groote woestenij, van Egypte zich uitstrekkende tot Iduméa en Palaestina, die Mozes (Deut. 1,19) nde groote en ontzagwekkendequot; noemt. In de woestijn Paran lagen alle 11,34 en 35 en 12,16 genoemde plaatsen van oponthoud, en zelfs meerdere, die 33,18 vv. opgesomd worden. Als 12,16 gezegd wordt, dat Israël na zijn vertrek van Chatséroth legerde in de woestijn Paran, dan kan hiermede een deel der woestijn Paran bedoeld zijn, dat geen bijzonderen naam droeg, — terwijl dé andere deelen, hetzij tengevolge der daar plaats gehad hebbende gebeurtenissen óf reeds van vroeger, door bijzondere namen werden aangeduid, hoewel ze toch allen in den algemeenen naam: woestijn

ocr page 96

HUMERI X.

13 Sienai, en de wolk nam verblijf in de woestijn Paran. Toen trokken zij voor het eerst op, op bevel des Eeuwigen, in handen van

14 Mozes. De groep van het leger der zonen van Juda trok het eerst op, naar hunne scharen; en aan het hoofd van zijn leger stond

15 Nachshon, de zoon van 'Ammienadab. En aan het hoofd van de legerschare van den stam der zonen van Jissachar stond Nethanel,

16 de zoon van Tsoe'ar. En aan het hoofd der schare van den stam der zonen van Zeboeloen stond Elieab, de zoon van Chélon.

17 Nu werd het Verblijf uit elkander genomen, en trokken de zonen van Gershon en de zonen van Merarie op, die het Ver-

18 blijf droegen. Daarna trok de groep van het leger van Ruben op, naar hunne scharen; en aan het hoofd zijner schare stond

19 Elietsoer, de zoon van Shedéoer. En aan het hoofd der schare van den stam der zonen van Simon stond Sheloemieël, de zoon

20 van Tsoerieshaddai. En aan het hoofd der schare van den stam der

21 zonen van Gad stond Eljasaph, de zoon van De'oeël. Nu trokken de Kehathiden op, die het heiligste droegen, zoodat men het

22 Verblijf kon oprichten, alvorens zij kwamen. Vervolgens trok de groep van het leger van de zonen van Ephrajim op, naar hunne scharen ; en aan het hoofd zijner schare stond Elieshama', de zoon

23 van 'Ammiehoed. En aan het hoofd van de schare van den stam der zonen van Menasshé stond Gamlieël, de zoon van Pedahtsoer.

Paran begrepen zijn. — Anderen nemen aan, dat de mededeeling op onze

{ilaats anticipeert en reeds kort mededeelt, dat ten slotteilaats anticipeert en reeds kort mededeelt, dat ten slotte de wolk voor angeren tijd bleef rusten in de woestijn Paran, vanwaar de verspieders werden gezonden, — terwijl de bijzonderheden van den tocht daarheen dan nader worden verhaald. Mendelssohn vertaalt omonh: in verschillende, telkens voor korter of langer tijd onderbroken tochten; naar de doof ons gegeven verklaring onnoodig, — en in strijd met zijne eigen verklaring, die de verder genoemde stations in de woestijn Paran plaatst.

13. Hoewel ook van Egypte tot Sienai de tochten natuurlijk op goddelijk bevel plaats hadden, was het nu toch voor het eerst, dat zij in de volgorde en legering, zooals hoofdstuk 2 aangegeven, optrokken. Anderen meenen, dat als onderwerp van iro'i niet; de kinderen Israels, maar: de stammen van het kamp van Juda genomen moet worden; wegens den langen tusschenzin is dan vs. 14 het werkwoord iw herhaald. Dan moet men vertalen; Het eerst trokken op — op bevel des Eeuwigen in handen van Mozes — trok op de groep enz.

14. VOS hyX en over zijne, Juda's legerschare was stamvorst. — Sjn is algemeene naam voor ieder der vier legergroepen; sax, voor de stamgroep.

17. Het afbreken en uit elkander nemen van het Verblijf geschiedde ten deele vóór, ten deele tijdens het optrekken der legers. Num. 2,17 is reeds opgemerkt, dat alle Levieten zich misschien eerst in beweging stelden, nadat het tweede kamp, dat van Ruben, was opgetrokken; Gershoniden en Merariden plaatsten zich dan tnsschen het eerste en tweede, Kehathiden achter het tweede kamp. Hier is het hoofdzakelijk te doen om de orde tijdens den tocht aan te geven; 2,17 daarentegen om de volgorde van het optrekken mede te deelen. De gang van zaken is dus deze: Terwijl het

46

ocr page 97

» *]nbyro 10

: pNö nanoa n^n pi^i

J' at iquot; t \ t 'quot; i it t J' l • i kt^tiv \ J Z quot; at

na'^a nnin,-^2 mnp brr yamp;\ : n^D-T3 nin^ nm ^irVjn : mrarta ritrna DntóxV»

v.quot; - t : ^-; itt^ r^- I v I ^ ; - t ; quot; : at : • ;

piDT *33 ntsa K3ï-^i : ijnrp ^xjn: »:a«

i a*.. : - t ; quot; : It i v : at t • jquot; :

niD^airi^irw i^dji p^sn -mm : jVn-p 2^«^

• t : -•• : ^ I :iquot; •• ; *lt; : it : I at ; • - : I i •• I v ^t • v:

ittarbjn Dn^x1? raiwi n^no bn yb:i : ptran 'xm *

t ; -: at : • : kquot; : mJquot; ^ v •) •* t : 1 it : • - K.quot; : i

'jp ntsp Nav^quot;! ; w^0'

: 'jNiyTra eio^K ir^a ntao NarVjn : nt^nirp3

iquot; ^ ; I v Ktt: v at •• : •quot;' ' \.t i : it- 1 v

: D^3quot;i^ \2pvn-r\it Bn^on W3 D^nnpsn ^ iNar'jyi on^h onsK-^n njna ^rr ^D:I 33

^t t r vc t ; ^- : at ; • : 'vquot;: *•* . •quot; ! ^ -»quot;ii- v•)••• ^ - t:

niïnns-pVK'boan^p^antao «ar^i : nin^-ja»

kamp van Juda zich in beweging stelt, gaan de priesters het heiligdom binnen en verpakken de gewijde voorwerpen ; is dit geëindigd, dan komen Gershoniden en Merariden en nemen gordijnen en tapijten af en nemen de planken enz. uit elkander en laden ze op hun wagens. Intusschen is het kamp van Ruben reeds opgerukt; — Gershoniden en Merariden plaatsen zich nu tusschen die beide kampen, en de Kehathiden achter Ruben's kamp. Vervolgens trekken de beide anderen groepen op. — uwi •••■nvn, dezelfde tijd in verschillende beteekenis ; de eerste vorm moet als meer dan volmaakt verleden tijd worden opgevat, de tweede als onvolmaakt verleden. Naar onze opvatting echter onnoodig. Nadat Juda was opgetrokken — en inmiddels de gewijde voorwerpen waren ingepakt, werd mi het Verblijf, het gebouw, uit elkander genomen, en als dit afgeloopen was, terwijl intusschen Ruben reeds was opgetrokken — trokken de Gershoniden enz. op.

21. t^npon, meestal: het heiligdom, de plaats der heilige dingen, — hier: de gewijde voorwerpen zelve. In hoofdstuk 4 en 7.9 wordt hiervoor de term BHp gebruikt. Bedoeld zijn alle in hoofdstuk 4 genoemden met

uitzondering der arke (vgl. vs. 33). — wpni. Tengevolge van deze regeling, doordien de dragers der deelen van het gebouw achter het eerste en die van de gewijde voorwerpen achter het tweede kamp optrokken,/.on men, de Gershoniden en Merariden, het Verblijf hébben opgericht, alvorens zij zouden zijn aangekomen. — Wij hebben reeds vroeger opgemerkt, dat er omtrent de wijze van voortrukken der Israëlieten twee meeningen bestaan; de eene: dat zij zouden zijn voortgerukt, zooals zij gelegerd waren, rondom het heiligdom, in ieder der vier windrichtingen er om heen één legergroep; de andere: dat zij in trein achter elkander zouden moeten voorttrekken. Het tekstwoord op onze plaats en de eenvoudige voorstelling der zaak, spreken voor de laatste opvatting. (Vgl. onze aant. 2,17).

ocr page 98

N ü M E R I X.

24 En aan het hoofd van de schare van den stam der zonen

25 van Benjamin stond Abiedan, den zoon van Gid'onie. Eindelijk trok de groep van het leger der zonen van Dan op, — de achterhoede vormende van al de legers, — naar hunne scharen ; en aan het hoofd van zijne schare stond Achie'ézer, de

26 zoon van 'Ammieshaddai. En aan het hoofd van de schare van den stam der zonen van Asher stond Pag'ieël, de zoon

27 van 'Ochran. En aan het hoofd van de schare van den stam der zonen van Naphthalie stond Achiera', de zoon van

28 'Enan. Zoo waren de tochten van de kinderen Israels, naar

29 hunne scharen; zij trokken nu op. — Mozes zeide tot Chobab, den zoon van Re'oeël, den Midjaniet, den schoonvader van Mozes: //Wij trekken thans op naar de plaats, waaromtrent de Eeuwige gezegd heeft: «Deze zal Ik u gevenquot;; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de Eeuwige heeft goeds voor

30Israël toegezegd.quot; Doch hij zeide tot hem: wIk zal niet medegaan ; maar naar mijn land en mijne geboorteplaats zal ik

31 gaan.quot; Maar hij zeide: «Verlaat ons toch niet; immers — omdat gij ons legeren in de woestijn kent, en gij ons als

32tot oogen zult kunnen zijn. Nu zal het zijn: wanneer gij

25. ïpXO, eig. verzamelende, die de troepen samenhoudt, de achterhoede, die ook de achterblijvers opneemt en het leger afsluit. De voorhoede, heet pSn, eig. de toegeruste, vooruitgeschoven troep van krachtige strijders. (Vgl. Jos. 6,9 en 13; Jes. 52.12). — DntOïS behoort hier, evenals bij de andere groepen, bij den hoofdzin: ojiNaï1? * ■ quot;ïdh ; de woorden SsS epN» wn»n zijn bijstelling bij p rona Sin; wij hebben ze daarom in de vertuiing tusschen streepjes geplaatst. Een krachtig bewijs vóór de meening, dat de Israëlieten in gelederen geschaard, de kampen achter elkander optrokken, — daar bij een voortrukken in carré, rondom het heiligdom geschaard, niet Dan, maar Ephrajim de achterhoede vormt. Wel tracht men het bezwaar te ondervangen, door rpsn te verklaren: het laatst optrekkende, — terwijl het zich dan toch aan de noordzijde des heiligdoms plaatste, — maar het gewone gebruik van het woord is daar beslist tegen.

28. ^DO z00 was de gewone regeling bij de tochten der kinderen Israels; uw, en zij trokken op, op den vs. 11 genoemden dag, — overgang tot het volgende, waarbij vs. 33 de voortzetting van het verband met hetzelfde woord weer wordt opgenomen; of v. a. en zoo trokken zij ook nu op. Nog anderen; dit was de wijze van optrekken der kinderen Israels, als, zoo dikwijls zij optrokken. Nog anderen: toen zij nu zouden optrekken — zeide Mozes enz.

29. nCD quot;lOX'l. Mozes zeide, vóór dat Israël van Sienai vertrok. — nw» jnn 'mnn Swjn p aan1?, tot Chobab, den zoen van Réoeël. Volgens sommigen is Chobab een andere naam van Jithro, die ook Jéther genoemd wordt; dan is Re'oeël diens vader, en moet Ex. 2,18 ornas verklaard worden: hun grootvader (vgl. ook Gen. 32,10). ntra |rn moet dan hier worden vertaald: schoonvader van Mozes en slaat op Chobab, niet op Re'oeël. Tegen deze opvatting spreekt, dat Ex. 18,27 blijkt, dat Jithro Mozes verliet, — terwijl hier niet wordt medegedeeld, dat Chobab bleef volharden bij zijn wensch, om naar zijn vaderland terug te keeren, waaruit zou volgen,

47

ocr page 99

♦ quot;jnSyro tö

.* ^rvn? ya nt?» iër1?^

im*n« ixar1?^ ninan-^D1? «IDND ÏT^3 n:nD'

v%v • -: t ; : at : • ; ^ -: i— t : | : i t •• ; -••• -: i-

: pT3JJquot;|3 ^^33 1B?K *33 ncsp XÏTty] : n^'sril0 ^po nVn : IJTII ^nsi raa npo KDV1?^.» quot;p DDn^ n^a no^4i D : onKax1? 03

i v t : v -*quot; it • - at : * ; v,quot; t ; • iquot; ;

quot;i^n bipDrrbs laniN 1 d^d: h^o jnn ~:nsn 'jnivquot;! nin»-^ ■n'? uatani \:m na1? ddS tj^k infc nb» -iok

jt : r |t t • lt;t : avt I ■••• v ^ t : -- t

-^«■DN '3 ^SK NV VjK quot;ID^I : 3lü-quot;l|Tl'

1 »3 ST^n ^

-♦3 n^m : myb 13b n^m -linsa \:n:n T3-Vjr ^

,. v.t t : *it : vt t r t : t : • - •• -» t : -t ijquot; quot;

dat hij aan Mozes' verzoek, om Israël te begeleiden, voldeed. Dit blijkt ook uit Recht. 1,16 en 4,11, waar de nakomelingen van Chobab genoemd worden als onder Israël gevestigd. Anderen meenen daarom, dat Mozes' schoonvader Re'oeëi was, die ook Jithro heet of Jéther; deze zou dan met zijn zoon Chobab tot Mozes zijn gekomen, en terwijl Jithro naar zijn land terugkeerde, bleef Chobab in Israëls leger. Eerst toen het volk zou optrekken, wilde ook hij terugkeeren en had het hier volgende gesprek plaats. Men kan in deze opvatting jnn vertalen met schoonvader en op Re'oeëi laten slaan, of met schoonbroeder en in verband brengen met Chobab. Nog anderen houden ook Jithro voor een zoon van Re'oeëi en dus voor een schoonbroeder van Mozes. — Toch meenen nog anderen, dat Chobab en Jithro dezelfde persoon is; dat hij aan Mozes'verzoek, om het volk te begeleiden, niet voldeed, maar terugkeerde naar zijn land, wat Ex. 18,27 kort is medegedeeld en waarvan hier de nadere bijzonderheden worden gegeven. Uit Deut. 1,9 vv. blijkt immers, dat Jithro's raad (Ex. 18) eerst kort voor het vertrek des volks van Sienai werd gegeven, zoodat hij toen nog bij het volk was. Waar nu Ex. 18,27 zijn vertrek reeds is medegedeeld, behoeft dit hier niet nog eens uitdrukkelijk vermeld te worden. Later kunnen dan sommige nakomelingen van Jithro toch zich bij Israël gevoegd hebben, van welke dan Recht. t. a. p. sprake js. — De reis zou natuurlijk direct naar het beloofde land voeren, naar Deut. 1,2 een reis van slechts elf dagen.

30. VnVlO Ski 'SIN Skgt; mi)n woonplaats, die mij als mijn geboorteplaats nog dierbaarder is; anderen: naar mijn land en mijne familie; nog anderen: mijn vaderland, de plaats waar de familie op het oogenblik is gevestigd; de beide woorden als omschrijving van één begrip opgevat (zie onze aant. Gen. 12,1).

31. larun, ons legeren-, — niet als wegwijzer wilde hij Chobab bij zich houden, daar immers de wolk de richting aangaf en er dan bovendien had moeten staan: woS, ons gaan of iets dergelijks. De zin is echter: gij kent de plaatsen in de woestijn, waar wij op Gods bevel zullen moeten legeren, en zijt met alle plaatselijke omstandigheden bekend; gij weet.

ocr page 100

N U M E R I X, XI.

met ons zult gaan, dan zal het zijn; dat goede, waarmede de Eeuwige ons zal weldoen, zullen wij u ten goede doen komen.quot; —

33 Zij trokken nu op van den berg des Eeuwigen, een weg van drie dagen; en de arke van het verbond des Eeuwigen trok vóór hen uit, een weg van drie dagen, om voor hen eene

34 rustplaats op te sporen. En de wolk des Eeuwigen was bij hen

35 bij dag, wanneer zij uit de legerplaats optrokken. — En het was; bij het optrekken van de arke, zeide Mozes; «Op, Eeuwige! „dat Uwe vijanden verstrooid worden en Uwe haters van vóór

36 Uw aangezicht vluchten!quot; En als zij tot rust kwam, zeide hij; «Keer terug. Eeuwige! tot de tienduizenden der duizenden «van Israël!quot;

W 1 En het volk stelde zich als verdrietig aan over iets, slecht in de oorea des Eeuwigen; de Eeuwige hoorde het en Zijn toorn

welke stammen in den omtrek zich ophouden, of er water is en waar, of en waar verschillende levensbehoeften te verkrijgen zijn en kunt ons daardoor tot oogen zijn, uwe plaatselijke terreinkennis komt ons in menig opzicht ten goede. — Zoo verklaard, verdwijnt elke moeilijkheid, die bij sommigen rijst: waartoe Chobab's voorlichting, waar de wolk den weg wees. — In vs. 29 was het verzoek aan Chobab niet eigenlijk gemotiveerd, alleen wat aangedikt door de belofte, hem wél te zullen doen. Ons vers

feeft, na Chobab's weigering, den eigenlijken grond aan: doe het in het elang van Israël, dat uw voorlichting noodig zal hebben. — Sommigen zien ineeft, na Chobab's weigering, den eigenlijken grond aan: doe het in het elang van Israël, dat uw voorlichting noodig zal hebben. — Sommigen zien in dvpS uS rwn eene toespeling op andere mogelijke gewichtige raadgevingen, die Chobab zou kunnen aan de hand doen, evenals Jithro Ex. 18 gedaan had. — Dat hier niet bericht wordt, of Chobab al of niet aan Mozes' verzoek voldeed, laat zich in beide gevallen gereedelijk verklaren. Ging hij terug, dan is uit het verzwijgen van zijn toestemmen dat terugkeeren al af te leiden (waarbij nog komt, dat als Jithro met Chobab identiek is, Ex. 18,27 zijn terugkeer al is medegedeeld). Gaf bij aan Mozes' wensch gehoor, welnu, Israël, dat hem immers nog bij het neerschrijven dezer woorden in het leger zag, wist dan wel, dat hij tengevolge van dit gesprek hen was blijven begeleiden.

33. y/DU drie dagen lang reisden zij verder, toen het 11,1 verhaalde plaats had. Van Sienai tot Thab'éra is dus drie dagreizen. — 'n in is de Sienai. — 'n ivo pixi enz. V. s. de arke trok vóór hen uit op deze reis van drie dagen; zij is dan niet met de overige gewijde voorwerpen door de Kehathiden gedragen achter het tweede kamp, maar vóór het leger uit; — de afstand is echter hier niet aangegeven. Dan zou dit alleen dezen keer hebben plaats gehad, en van daar de bijvoeging ow na^v -pi. — Anderen meenen, dat de arke steeds drie dagreizen vooruittrok; — zij hadden dan de wolk als gids en de arke als zichtbaar teeken der aanwezigheid van Gods Majesteit voor zich uit. — Luzzatto verklaart: de arke ging als hun leider op dien driedaagschen weg, maar in het midden der legers; de woorden nnun DnS unS schijnen echter op een trekken aan de spits des legers te wijzen. De Thalmoed neemt ter oplossing der schijnbare tegenstrijdigheid van ons vers met vs. 21 en 2,17 aan, dat er ticee arken waren; de eene met de tweede steenen tafelen, die door de Kehathiden bij de andere heilige voorwerpen achter het tweede kamp werd gedragen; de andere met de brokstukken van de eerste steenen, waarvan hier sprake

48

7

ocr page 101

no

nitan i n^ni my -i^n

z j' quot; •. ^T ^ 4T : y quot; '•' quot;' ' ■* ' 'JTTV AT Mquot;quot;

nin^-nnarnNi dw ntrbiy Tin nin» ma lyon : ^ ^

t ; i* : i -:r a t v j ; | vv,v t : j- •• ^ ; •- | it

: nni3D Dnb mn1? QW mbw rni on^ö1? 2-

i ,t ; Vv t -» t • t v j ; i V vlt; v •• : • 2 a

♦n'i l d * : n:nan-ro Dyoaa dov dh^ nirr ^ -

^ ^ iv -: 1— I • ^t: t : at ^ lt;)t :

wsn nin» 1 nop n^o no^i p^n vwa E::'

at: i v : 1 -..t : t : jt i ^av v j - i v, t it j : • •»—

♦ö1?^ ni33i nin» nn^ quot;ion» nn^i : n^so ^Kairo^ ^

jquot; ; - ^-ii* t : -t a- v \ : | ivt * i v»*; - ;

ö t. : p nn4i nin» ^o^'i nin» ':tn3 d^:«no3 o^n ♦n^is amp;

-■*• - t * lt;* : •quot; at : jquot; ; t ; ^ v.* 't t lt;• ; -

is en die stocfe drie dagreizen voor het leger uittrok en ook in den oorlog soms werd medegevoerd.

34. airbj?, ^en, Of Oi'er Zien, beschermend in hunne nabijheid; niet; l/owen hen, daar zij immers waarschijnlijk vóór hen uittrok; anderen; orriVr, boven de dragers van de arke, die vóór het leger trok; dïd», als zij, de dragers, optrokken uit de legerplaats, om zich aan de spits van het voorttrekkende leger te stellen. — üe tegenstelling: de vuurschijn bij nacht, ontbreekt hier; daarom verklaren enkelen; de wolk spreidde zich over hen, al de Israëlieten, het geheele leger, uit hij dag, om hen tegen de zonnestralen te beschermen; terwijl zij 'snachts zich weer tot een vurig lichtende zuil samentrok.

35 en 36. Mededeeling van Mozes' woorden, telkens als de arke zich in beweging zette en weer tot rust kwam. De woorden nmp en raw worden door sommigen opgevat als een soort commando; marsch! en halt I — 'n is dan gebruikt voor; arke van het verhond des Eemdgen. ',i rma p-ix, waarin Mozes, als het ware, de Godheid gezeteld zog. „Üw vijandenquot;

zijn dan de vijanden van het volk Gods. Het eerste vers is dan eene bede om bescherming tegen alle vijanden. Over en sow zie onze aant. Ex. 23,5. — Dadelijk denkt Mozes dan reeds aan den binnen kort te voeren veroveringsoorlog tegen Palaestina, dien hij immers tegemoet trekt.

36. rDIl?» zooals boven gezegd v. s. halt! Eeuwige, Gij die voor Israël zijt als myriaden duizenden! zooals God Jes. 52,12 Israels achterhoede genoemd wordt, zoo hier; Israël beschermend als een leger van millioenen. Anderen; keer terug — neem wederom uw intrek te midden van de tienduizenden duizenden van Israël; de arke, of althans de wolk, die vóór het leger was uitgetrokken, kwam nu weer in of boven het heiligdom in het midden des legers, maai enz. is dan 4de naamval van richting,

waar Sx of -pro verwacht zou worden. — «hs maai. Gen. 24,60 staat 'sSx naai, duizenden van myriaden, logisch zeker beter verklaarbaar dan het omgekeerde. Daarom verklaren sommigen hier ibSn door; familiegroepen en de geheele phrase; tot de zestig tienduizenden, gevormd door de famüiën van Israël; — vgl. 1,16, waar ook door sommigen «tas in den zin van (uit minstens duizend leden bestaande) familiegroepen genomen wordt.

Hoofdstuk XI. 1. Nauwelijks op weg, worden zij ontevreden over de bezwaren van de reis door de woestijn — n^Msnaa, v. s. zich over iets slechts beklagend; d. w. z. zij gedroegen zich als menschen, die verdriet hebben

ocr page 102

HUMERI XI.

ontbrandde; toen brak een vuur des Eeuwigen onder hen

2 uit, en verteerde aan het uiteinde des legers. Het volk schreide tot Mo zes; Mozes bad tot den Eeuwige, en het

3 vuur verzonk. Men noemde den naam dier plaats Thab'éra, omdat het vuur des Eeuwigen onder hen ontbrand was.

4 Doch het samenraapsel, dat onder hen was^ koesterden ongepaste begeerten; en dientengevolge weenden ook de kinderen Israels en zeiden: «Wie gave ons toch vleesch te

5 eten! Wij gedenken nog den visch, dien wij in Egypte om niet konden eten; de augurken, de meloenen, het look, de

over iets slechts, nadeeligs, ten aanfioore des Eeuwigen, d. i. zoo openlijk, als was het hun er om te doen, dat God het zou hooren! Siporno : zij stelden zich aan, alsof zij verdriet hadden, in werkelijkheid ontbeerden zij immers niets, 'n ijho n beteekent dan: wat slecht was in de ooren Gods; van een daad wordt gezegd, dat zij slecht is in de oogen Gods, van een woord; slecht in de ooren des Eeuwigen. — Luzzatto verklaart de '3 hier als dien van Gen. 40,10 en 38,29: op hetzelfde oogenblik, waarop zij aan hun smart uiting gaven, was het slecht in de ooren des Eeuwigen; men moet dan vertalen als stond er ffojsriM om orn vr» enz. Dat onder 'n ».n'

niet een gewone bliksem te verstaan is, volgt uit het smeeken tot Mozes, dat immers een aanhoudend doorbranden van het vuur veronderstelt. — rwpa, op het uiteinde, — het was nog pas begonnen daar te woeden, toen het volk, verschrikt over de gevolgen van zijn smartuiting, die het dus voor onschuldig hield, zich tot Mozes wendde.

2. ypUTII, het zonk in den grond.

3. Het hier verhaalde geschiedde niet tijdens eene legering des volks, maar op weg. De plaats waar dit geschied was, noemde men later TTiab'era. Zoo is het duidelijk, dat als eerste station, waar Israël, van Sienai uit, de legerplaats betrok, Num. 33,19, niet TTiab'era maar Kibroth Hattaawah

genoemd wordt. Anderen meenen, dat het gedeelte des legers, waaronder et vuur had gewoed, voortaan Thab'éra genoemd werd. Uit Deut. 10,22 blijkt echter overtuigend, datenoemd wordt. Anderen meenen, dat het gedeelte des legers, waaronder et vuur had gewoed, voortaan Thab'éra genoemd werd. Uit Deut. 10,22 blijkt echter overtuigend, dat Thab'éra niet de naam van een plek in Israels leger, maar van een plaats in de woestijn is. De plaats zelve is zeker in de onmiddellijke nabijheid van Kibroth Hattaawah, waar zij, na het vertrek van Sienai, na drie dagen voor het eerst de legerplaats betrokken (Num. 33,16).

4- flDSDXm. samenraapsel, met verdubbeling der beide laatste stamletters 'van 5)DN, verzamelen, naar de oude commentatoren: de ai aiï, de groote gemengde volksmassa, die uit Egypte met Israël was meegetrokken, — waarbij zich tijdens hun legering om Sienai, misschien nog tal van anderen gevoegd hadden. In ieder geval stelt ons vers ze duidelijk tegenover de S.s-io'i ijn, zoodat zij van oorsprong niet tot ;/de kinderen Israelsquot; behoord hebben. — nsnn. Terwijl de Pi'el van ,-ns beteekent: verlangen naar wat

feoorloofd is, en op gepaste wijze aan dat verlangen uiting geven, betee-ent waarschijnlijk de Hithpa'el: een buitensporigen, ongepasten of ver-derfelijkeneoorloofd is, en op gepaste wijze aan dat verlangen uiting geven, betee-ent waarschijnlijk de Hithpa'el: een buitensporigen, ongepasten of ver-derfelijken lust koesteren en daaraan in harde woorden uitdrukking geven. — msn wordt in 't algemeen bij voorkeur gebruikt van lichamelijke en zinnelijke lusten. — I33',i wi, niet: toen weenden wederom, maar: daarna, ten gevolge daarvan weenden, evenals Deut. 23,14: rnD3irQ»i,

49

ocr page 103

a* ^jnbyrQ UÜ

: n:nari nxpa VaMni nb» m ar^nm. lax-Kquot;)p»i : trxn ^pB'ni nh^N n^o Vban'intrD^K orn^

^ .)tl:*- iquot; t ^ Kquot;: * - t : v v lt;•• - ; •- av v \rr

«IDöDNni: nin» D3 m^an «mn Dipsn-Dt^^

i \ : quot; it : it ; jquot; ^t jt^:it * at^quot; ; - ^ - h t - §••

^3 D5 éy) laty'i niKn iiKnn iinp3

•• t: • -•quot; j -lt;# : •- ^•quot;••tquot; ^ at-: i- v.quot; : * :l * : -v -j

ninn-nN IJ-IDT : 'O n

/quot; v -: ttquot;^ v ^ ;quot;t it t * -:i- j' : -• ~

-iiNi Tïnn-nNi D'ntaaKn nNi D^typn m D3n onsoa

v : r iv v : • • - it •• : • \ 1* - ■quot;• at • • :

daarna, zoodoende 2u?lt; gry bedekken. Verklaart men: vederom, dan moet gedacht worden aan herhaling van de klacht over gebrek aan vleesch, in de woestijn Sien, Ex. 16,2 w. — wat historisch en redactionneel te ver van onze plaats verwijderd is om eraan te denken. In vs. 1 toch was van geen weenen des volks sprake. — De klacht schijnt nog tijdens het voorttrekken des volks geuit te zijn. Eerst vs. 18 vv. blijkt, dat zij lan-

feren tijd daar ter plaatse zouden blijven. Mogelijk is, dat bij het uitreken der oproerigheid en van Gods toorn daarover (vs. 10) aanstonds de wolk was blijven staan en dus het teeken tot legeren gegeven werd.— In ieder geval is van legeren vóór het losbarsten der ontevredenheid nergens iets bericht. — Sommigen meenen, dat de lust van het samenraapsel nog een overblijfsel was van de vs. 1 geschilderde ontevredenheid, en vertalen dan:eren tijd daar ter plaatse zouden blijven. Mogelijk is, dat bij het uitreken der oproerigheid en van Gods toorn daarover (vs. 10) aanstonds de wolk was blijven staan en dus het teeken tot legeren gegeven werd.— In ieder geval is van legeren vóór het losbarsten der ontevredenheid nergens iets bericht. — Sommigen meenen, dat de lust van het samenraapsel nog een overblijfsel was van de vs. 1 geschilderde ontevredenheid, en vertalen dan: doch het samenraapsel bleef begeerten koesteren. Niets wijst er echter op, dat de vs. 1 geschilderde ontevredenheid haren oorsprong vond in klachten over het voedsel. Integendeel blijkt uit Deut. 10,22, dat de oproerige bewegingen van Thab'éra en Kibroth Hattaawa, verschillende oorzaken hadden en niet met elkander in verband stonden. — ■uSonquot;quot; vj, evenals de term jni 'li, — Gave God ons toch maar te eten. — Hoewel de Israëlieten aanzienlijke kudden uit Egypte hadden meegenomen, konden zij toch niet dan bij uitzondering vleesch eten. Immers als oude veelbkkersstam, hoopten zij ook in het te veroveren land zicli vooral op veeteelt toe te leggen en vormde dus vee het hoofdbestanddeel van hun vermogen. Daarom mochten en konden zij dus niet zooveel nemen, om meer dan een jaar lang een zoo talrijke menigte te voeden. In geen geval kon dus ieder dagelijks vleesch hebben, en wordt de Klacht: hadden wij toch maar vleesch te eten 1 althans niet onbegrijpelijk. Bovendien kan onder loa ook visch verstaan zijn, zooals uit het volgende vers schijnt te blijken, vgl. ook vs. 22, waar Mozes om hun vleesch te geven, denkt aan al de visschen.

5. pan, om niet, d. i. v. s., als om niet, zoo goedkoop; v. a. letterlijk: om niet, daar de Nijl buitengewoon vischrijk is en de Eyptenaren zich zoo niet van alle, dan toch van vele vischsoorten onthielden. — rui, waarschijnlijk collectief, visschen of vischsoorten; ji, de enkele visch. — Wij volgen bij de vertaling der plantennamen de gewone vertalingen en oude Joodsche verklaarders; de hier dan genoemde soorten komen in Egypte in grooten overvloed en voortreffelijke qualiteit voor. Ook op die planten slaan dus vermoedelijk de woorden o:n D'iïija Saw ncN. De uitvoerige opsomming voert ons, als het ware, het muitende volk voor oogen ; het is de zinnelijkheid zelve, geschilderd in al haar hechten aan weinig beteekenende zinneprikkeling.

ocr page 104

N U M E R I XI.

6 uien en het knoflook. Doch nu blijft ons zielsverlangen droog, er is niets, — behalve dat op het Man onze oogen zijn

7 gericht.quot; En het Man was toch als korianderzaad, en zijn

8 kleur was als de kleur van den Bedolach. Het volk zwierf heen en weer, en zamelde het op, en maalde het met handmolens, of stampte het in een vijzel; als zij het dan kookten in een pot, of er koeken van maakten, dan was zijn smaak

9 geworden als de smaak van een gebak met olie. En bij het neerdalen van den dauw op de legerplaats des nachts,

10 daalde het Man daarop neder. Mozes hoorde het volk wee-nend, naar zijne familiën, ieder aan den ingang zijner tent. De toorn des Eeuwigen ontbrandde zeer, en in de oogen

11 van Mozes was het iets kwaads. Mozes zeide nu tot den Eeuwige: «Waarom berokkent Gij Uwen dienaar zoo iets slechts? — en waarom heb ik geene gunst in Uwe oogen gevonden, — om den last van dit geheele volk op mij te leggen ?

12 Ben ik dan van dit geheele volk zwanger geweest? heb ik het

6. nca-1 wsj. ï'ej is hier: de begeerte, het verlangen naar voedsel; geheel onbevredigd, gebrek en honger lijdende heet zij: np'i, ledig (Jes. 29,8 en 32,6); met enkel brood voldaan, zonder eene toespijs, als groente of iets dgl., is zij nra', droog; niet voedsel ontbreekt ons — daarvoor is het Man goed, — maar het verkwikkende en opfrisschende erbij mankeert er aan, — wij verdrogen. (Vgl. Ps. 22,16). — Ss ps, alles is er niet, behalve dat op het Man onze oogen zich richten; wij zien en hebben niets anders dan het Man, dat eenvormig en niet verkwikkend is.

7. Zoo erg was toch het Man niet eens — het was rond als korianderzaad, — en de kleur schitterend wit als de Bedolach (vgl. Ex. 16,31). Over nrc zie Gen. 2,12. — quot;ij jnp. een overigens niet vaak voorkomende

Semiechoethvorm van jnj, evenals van (Jes. 5,7).

Vs. 7--9 geven een beschrijving van de qualiteiten van het Man, om hel ongemotiveerde van de klacht en den grond van Gods toorn duidelijk te maken. Voor het oog was het mooi, rond en schitterend wit. — j't, in den zin van kleur, komt bijna uitsluitend bij glinsterende dingen voor (Ez. 1,4; 7,16).

8. TOB', liepen nu in deze dan in gene richting, — v. s. om aan te duiden, dat eenige moeite moest gedaan worden, om net in bezit te krijgen; v. a. zij hadden slechts een wandeling te maken om het op te zamelen.— Dvna, een handmolen, bestaande uit een hollen steen, waarin een andere steen kan worden gedraaid; wat in de holte ligt, wordt door den bovensten steen stuk gewreven. — 131 van nm (of van met onregelmatig accent, waarvoor hier geen verklaring is) nana van -p-i. —• Wat men //mannaquot; noemt, een soort hars, is naar verklaring van reizigers niet hard genoeg om gemalen of gestampt te worden; bewijs genoeg, dat het on-rmogelijk het in den Bijbel genoemde Man wezen kan. — Men kon het malen, stampen, bakken, kooken en had dus afwisseling genoeg. Men kan de '1 in ons vers verklaren met: of, of ook met: en. Alleen de laatste schijnt echter door of terug gegeven te moeten worden, daar Hca altijd bereiding met vlueittof beteekent, terwijl nw steeds droog gebakken worden.— layo nvn. Naar Rashbam: door de bereiding werd zijn smaak, die oor-

50

ocr page 105

quot;jnbym 3

♦nba Va TK 131^33 nn^i : D^oi^rrnKquot;) D^ïan ^

v.* ; * ai-*quot; v.t •• ; jquot; : - ■)* - : r - v ; v.* t : -

: n'pnan m Nin -irjnn ram : wp rsn-bs1'

: ' ^ A V . * : r T 9 9V.

11-133 riDisa 13-1 IK DTI-O iL2pt?,i D^n 1121^quot;

t- :• t : - tlt; *- -it j-j it : I:it : t t

711131 : ro^n i^V D^Ü3 IQ^Ü n^ni niij; inx 0

vsv ; I vit^- j' ; quot; ; *: - -«tt ; fgt;\ v. j t ;

tin ntbo ^niri : vby ran n» n^S mnarrVy

^ ... ... it't i^t - jquot;quot; t : at v,•* •quot; ~ •)- -

nin» «iNTTn i^nN nnab ty'N vnhs^D1? n3'3 o^n

^ t ^ lt; i a 't r/'' '' t v t; t

njnnno1? ninrl7xn^o : ^1 hb'o ifca*

t ^ •-: lt;t t t ; v v v - ^ ^ it vv jquot;

■^3 N'^o-nN d#7 i,3^3 rn tisd'n? na^i 113^ quot;

t •,t ~ . •* t ' av : Kquot; • jt t I t ot : I v :

nh D^n-^ nK ♦nnn ^'jnh : ♦bv nn nyn ^ quot;quot;

v* it ' v- *^tt t •■lt; * t j' it v it t ^ ~ ot t

spronkelijk in rauwen staat geweest was als een koek met honing (Ex. 16,31), zoet dus, — als een gebak met olie, olijfolie,, die in het Oosten de plaats van onze boter in menig opzicht vervangt. — ii'S beteekent Ps. 32,4: vochtigheid, levenssap, hier dan ook; iets, dat vochtig, sappig is van olie, v. s. oliegebak, v. a. de vettige, sappige smaak van olie.

.9- vhy. daarop, op den dauw; Ex. 16,14 blijkt, dat het Man eerst zichtbaar werd na het optrekken van den dauw. Vertaalt men hier Tgt;Sp met erop, dan lag dus het Man op een laag dauw en was wederom door dauw gedekt. Anderen verklaren hier v^ï ; daarmede, daarbij. (Vgl. onze aant. t. a. p.). De toevoeging van dit vers dient om erop te wijzen, hoe het wonder der spijziging met Manna ook gedurende hunne tochten zich voortzette, wat het volk van morren tegen die wonderspijze had moeten weerhouden.

10. vnnacoS. naar zijne familiën, d. w. z. v. s. in al zijne familiën; het was niet een oproer, waarbij het volk te hoop liep en aan het muiten sloeg; zij weenden bij familiegroepen, in gezinnen vereenigd. — nnsS es

ieder familiehoofd aan den ingang zijner teut. Ieder gezinshoofd stond aan zijn tentingang met zijn gezin om zich heen. — Daar in de stammen de familiegroepen weer bijeen gelegerd waren, ligt in iinnst'a1? juist, dat zij zich niet dooreen mengden, maar in de gewone legerorde bleven. — -imi, Gods toorn ontbrandt, — zooals vs. 18 blijkt. Een voor-loopig bericht, dat voor het oogenblik niet nader wordt uitgewerkt, om eerst in den breede Mozes' klacht uiteen te zetten, met Gons antwoord daarop; daarna eerst komt de feitelijke uiting van Gods gramschap tot bespreking. — jn n»ö vrai, en in Mazes'' oogen was zijn toestand iels kwaads. De handelwijze des volks, die ,/Gods toorn zeer opwektquot;, is in Mozes' oogen niet eenvoudig in. Het doelt klaarblijkelijk op wat hij aanstonds zegt; nrm. God heeft zijn positie bijna ondragelijk doen worden.

11. quot;jTJD jn TlïQ JcS noSl» = waarom ben ik bij IJ in ongenade gevallen; de ontkenning sS behoort eigenlijk bij jn; ik heb gevonden het tegendeel van gunst in Uwe oogen; de geheele zinsnede staat in parenthese en de woorden didS enz. sluiten direct bij rjnn nn1?.

12. vnn en beide werkw. van de moeder gebruikt. Ben ik de moeder van dit volk, dat Gij tut mij zegt -, draag het als in uw schoot

ocr page 106

N U M E R I XI.

dan ter wereld gebracht ? dat Gij tot mij zegt: „Draag het in uwen schoot, gelijk de voedstervader den zuigeling draagtquot;, naar den bodem, dien Gij zijnen vaderen toegezworen hebt!

13 Van waar zal mij vleesch toekomen, om aan dit geheele volk te geven ? want zij weenen, tegen mij morrende, zeggende:

14geef ons vleesch, opdat wij eten! Ik kan niet, ik alleen, dit

15 geheele volk dragen; want het is mij te zwaar! En als Gij zoo over mij beschikt, dood mij dan toch, indien ik gunst in Uwe oogen gevonden heb; en laat mij niet mijn onheil aanschouwen !quot;

16 De Eeuwige zeide tot Mozes: «Verzamel Mij zeventig man van de oudsten van Israël, waarvan gij weet, dat zij de oudsten des volks en zijne ambtslieden zijn, en gij zult ze nemen naar de tent der samenkomst, en zij zullen zich daar bij u opstellen.

17 Ik zal nederdalen en dd,ar met u spreken; en Ik zal afzonderen van den geest, die op u is, en leggen op hen; dan zullen zij met u

naar den lodem, dien Ik het heb toegezworen — zooals een jsx, iemand, die de verzorging van een wees ol' onverzorgden verwant op zich genomen lieert, dien zuigeling in den tijd, dat hij zich nog met volle liefde en toewijding aan het kind geeft, op den arm draagt! — Anderen vatten hier op als van den vader gebruikt, zooals Gen. 4,18 en 10,8 e. a. p. Dus; ben ik moeder of vader van dit volk? — nmsn Sr = ns-ixn Vs-,naar den hodetn, of = nr, tot op den hodem. — nïaco ics. Daar inswenz. Gods woorden in directe rede weergeeft, zou men hier wsdj ips verwachten. Plotseling valt de tekst weer in Mozes' rede tot God terug.

13. 133,gt; zi/ weenen tegen mij. komen in opstand ; anderen: zij rceenen

rondom mij, in mijne nabijheid. — Mozes vraagt hier niet om helpers in het bestuur der aangelegenheden des volks, — die waren er reeds, — maar, zooals verder blijkt, om steun in zijn profetische werkzaamheid, mannen, die met hem de geestelijke leiding van en de verantwoordelijkheid voor het volk op zich zullen nemen.

is. nas dn*. als zoo een slecht lot, de leiding des volks aan mij alleen over te laten. Gij mij heschikl, dood mij dan toch.—Tisx® dn, eig.: als ih gunst in Uwe oogen heb gevonden. Is dit werkelijk het geval, dan zal zijn bede om steun worden ingewilligd. De uitdrukking heeft hier oneigenlijke beteekenis, zooveel als ons; als het u belieft, een krachtig versterkt nj. — m mannelijk enkelv. vorm -- rins. — vir-o nxix bsi, laat ik niet mijn onheil aanschouwen, — daar ik op den duur den last niet zal kunnen dragen en er onder zal bezwijken, óf mij tegen ü bezondigend óf door het volk gedood! — De Thalmoed ziet in onze plaats een der voorbeelden, waar, uit eerbied tegen een hooggeplaatst persoon (hier tegen God), de uitdrukking wat het voornw. betreft, eenigszins gewijzigd is; terwijl de bedoeling is; «laat ik niet zien Uw kwaad, d. i. Het door U berokkende kwaad, o Godquot;, zegt de tekst; laat ik niet zien mijn ongeluk.

16. Het eerst krijgt Mozes antwoord op de klacht in vs. 14 uitgesproken. nflDX. Het streepje onder den 's, dat in de beste uitgaven voorkomt,

tracht Heidenheim zoo goed mogelijk te verklaren, zonder daarin noch-thanquot; te slagen. De Ségol onder den invloed van de keelletter, evenals nsir Job. 33,5. — S.w vpm, van de oudsten van Israël, niet juist in leeftijd.

51

ocr page 107

N' -pVyro x:

{öKn m* quot;ite nwnn mm iirm^

i it^ lt;t • v -; r llv •• ; -••• t quot; ** . quot; •' . a* : • ;

quot;iiba •h r«o : vnbxb quot;ik'n nónxn hy prn-nx ^

tt •!•lt;-•• it . *:r^ t^iv* ï * -»quot; quot;* t t-:it ^-lt; i •• -

Tea ubrijn ib«S ^ ,i33,-,3 nn d^h-^d1? nn1?

v,t t jt t ; •• - #* i* fgt;quot;quot; #-»t t t : vquot; t

nrn Dyrr^rnK nn1? bi» : nbaïCi ^

AV - ^ ^tt t V V.quot; t • - ; • it lt;- i tlquot; :

jSn N3 ^ n'^-nx i nD3-DNi : ^ao 133 »3»

t t •lt;•• : t • v : - tjt • : • iv • v t j*

a : ,n^quot;i3 nKiK-^Ni vyyz rn ♦n«XD-D«

^ i* t it : v.quot; *• •* quot; : I av ^** : Kquot; t ^ •

■'■1?NnB',,3pT0Bgt;,« D^3^ ^'nSDX n^Oquot;1?» Hln» IDti*quot;!»

•• t: • -•••i: * * • ri- : • • t : V v v t ;#

Sn'N-1?» bnx nnpbi orn 'jpT Dn-»3 nVT

v v t lt;t ; 1-it : at ; i : h-*quot;*quot; gt;quot;l: * •»quot; * t^: -t -«v -:

btf ^jaj; 'nnam : Tja# isv'nni ^èp n ïinN on^v 'no^i nnn-p ^xki

i : * lt; : it : av quot; -: | i.-.- T jv -: - ■» t i • • : - it :

maar hoofden der familiën, op wie als zoodanig de zorg voor een groep van menschen rust (vgl. Ex. 3,16), van wie gij weet, dat zij zijn ('3 = -iün) de oudsten des volks, ook door den breederen kring des volks als hunne voornaamsten en besten erkend en ambtelijk aangesteld als leidslieden en vertegenwoordigers, — uit denzelfden kring, waaruit ook de stamvorsten waren voortgekomen; Tnücn, en zijne ambtslieden, die ook Ex. 5,6 voorkomen, maar daar als door Egyptische chefs aangestelde voorlieden van het werkvolk; het woord schijnt hier te beteekenen, dat zij door het volk zelve erkend en aangewezen waren als handhavers van het gezag; misschien werden de mannen uit de //vorsten over duizendquot; gekozen, die vermoedelijk door een soort van volkskeuze waren aangewezen. Uit de woorden van het bevel volgt, dat het niet dezelfde mannen waren, die Ex. 24,1 als: zeventig van de oudsten des volks genoemd worden. Of dezen intusschen waren gestorven of om andere redenen (bijv. deelneming aan de gouden kalf-zonde) niet meer waardig geacht werden eene zoo hooge functie te bekleeden, staat niet vast. — Hier wordt dus een blijvende, vaste raad van zeventig oudsten ingesteld, die met Mozes de leiding des volks zullen op zien nemen; het voorbeeld voor de later optredende vergadering; het Synhedrion, dat eveneens uit 71 leden bestond. — l3ïgt;rCTi, zij zullen voor dezen keer zich met u plaatsen vóór de teut der samenkomst, zooals vs. 24 blijkt. Anderen meenen, dat deze samenkomst vóór het heiligdom telkens zou moeten plaats hebben, als vergadering van den raad der oudsten noodig was.

17. DC. daar, aan den ingang der tent, terwijl anders de Godsspraak tot Mozes komt in het heiligdom. — viSïsi, eig. terughouden, onthouden, — d. i. niet geven, wat wel voor iemand geschikt zou zijn; de zin is niet: onttrekken, wegnemen wat iemand reeds heeft. Mozes' profetengave verminderde niet, maar nnn JO, van den zei fd e n profetischen geest, als

die op Mozes rustte, werd een deel door God hem onthouden en den oudsten geschonken. — fbr ipn, die op u rust, pleegt te komen bij de Godsopenbaringen; de geest is niet in Mozes, maar komt van buiten af op hem.

ocr page 108

N U M E R I XI.

aan den last des volks dragen, en gij zult dien niet alléén

18 te dragen hebben. En tot het volk zult gij zeggen: Houdt u bereid tegen morgen, dan zult gij vleesch eten; daar gij immers ten aanhoore des Eeuwigen geweend hebt, zeggende; ;;;,Wie gave ons toch vleesch te eten? Want wij hebben het in Egypte beter gehad!quot; quot; daarom zal de Eeuwige u vleesch

19 geven, dat gij kunt eten. Niet slechts één dag zult gij eten of twee dagen, ook niet vijf dagen, noch tien dagen, of twintig

20 dagen; Maar tot eene volle maand toe, totdat het u den neus uitkomt en u tot walging wordt; omdat gij den Eeuwige versmaad hebt, die in uw midden is, en vóór Zijn aangezicht geweend hebt, zeggende: waarom dan toch zijn wij uit Egypte

21 gegaan ?quot; Mozes zeide : „Zesmaal honderd duizend man te voet, is het volk, in welks midden ik mij bevind, en Gij zegt: dat

22 ik hun vleesch zal geven, dat zij een volle maand eten! Zou, als al het klein- en rundvee voor hen geslacht zou worden, het voor hen toereikend zijn? of zou, als men al de visschen der zee voor hen bijeen verzamelde, dit voor hen toereikend zijn ?quot;

23 De Eeuwige zeide tot Mozes: „Is des Eeuwigen hand te kort ? nu zult gij zien, of Mijn woord u overkomen zal.

18. Antwoord op de vraag van vs. 13 en op het morren des volks, waaruit tevens Gods toorn blijkt (vs. 10); de eigenlijke uitwerking dier gramschap wordt eerst vs. 33 beschreven. — icnprin, houdt u bereid; van wijding door baden of anderszins kan hier niet goed sprake zijn, daar geene heilige handeling te verrichten zal zijn. De zin is; bereidt u voor op een gewichtige, ernstige gebeurtenis.

is- irw DV xS., niet één day, zooals Ex. 16,8 en 35 blijkt; vgl. echter onze aant. vs. 13 aldaar. Terwijl volgens de daar gegeven opvatting anders dagelijks zooveel kwartels kwamen, dat zij vleesch als toespijs bij het Man konden genieten, wordt hun hier gezegd, dat zij in zoo groot aantal zouden komen, dat zij er tot stikkens toe vol van zouden worden. Hun gulzig, grofzinnelijk verlangen zal niet gedoogen ook maar iets van den voorraad ongebruikt te laten en zij zullen zich dus zoo vol eten, dat het uit hun neus komt (wij spreken van; de keel uitkomen), — bij sterke braking komt vaak een deel van het braaksel door den neus, — en hun tot .si7, v. s. van -it. iets vreemds, walging wekkend s; anderen van mt, verstrooien, wegwerpen (Jes. 30,22) ; tot uitwerpsel, braking zal zijn.

20. Over Din' fin zie Gen. 29,4. — De sterfte vs. 33 trof wel een groot deel, maar niet het geheele volk; het overgebleven deel kan dus, en zal waarschijnlijk ook, een maand lang van het vleesch als hoofd voedsel hebben moeten leven, zoodat het hun inderdaad tot walging werd. Zij hebben zich dan die maand of in Kibroth Hatthaawa opgehouden, üf ook bij het verder trekken bleef hen de kwartel-vlucht begeleiden. Men behoeft dan niet met Mendelssohn jiSssn in ons vers te verklaren; zult gij kunnen eten, wat tegen den eenvoudigen zin van het woord strijdt. — 13 fxquot;' = ifk jp, in beantwoording ervan, dat. — d32ip3 ics, die door het Man en andere wonderen getoond heeft in uw midden te zijn, wat uw morren nu veel erger maakt, dan dat van vroeger.

52

ocr page 109

nhan : nmb nn« oyn mm ^

f *t^t v^: |iv- ; V.T quot; jt ' ; ^tt -«t - :

ibnh nin' on^a »3 %3 on^Ni nnab i^ipnn

t ; ••; t ; ^ v • : • t t -»v ; - -:i- t t ^ :l- ; •

Ttr3 D31? nin» rnji DnïD3 i:1? 3iLr»3 quot;1^3

v.t t •)••• t st ; i - t : • at : • : j ' t r •••-:!-lt;•

niron i KVI D'Dl» Kbi n^Kn nnK DV N1? : DH^NI ^

-» t * quot;t -• ; 'at : I v : ' -jT ••• ^ -* ^ iv : - -ii-

d'd* 2h'n i quot;iv •* nntrü ni'^y Nbi D'o»3

•t v j 'j- i r; v v. : ' r jtt^-; : * t

quot;JIN DnDNÖquot;*3 tr X^ïb D3b H'm D33KQ 1$

lt;v ; - ; r - istt;^ v** ▼ jtt : v ;# * iquot; ••quot; •* lt;quot;

n? ns1? Ion1? v:a^ i33ni D33ip3 mrv

jtx vv .TJT ^ ^ tt : lt; : • - v :l • ^ jv -: t :

ni?K Dirn ^:-i niNOw HB'O IQN'I : onyso«

r.- -: tt t • ; - i v v •• iquot; v p v - • it : • •

on1? TPs41^3 mÓK nnNi I3quot;ip3

it v j v, *• 't : v t l-»quot; v tt t ; - t -«t - ; a :!• ; v.* it

a»n ^T^rnK dn Dnb nïdi on1? unw *ip3i tnïh -=

•)t- r* : t v J' avt jt t t Jquot; t * i itt i S

a : on1? xxoi on1? pidn*

iv t •'T T gt;gt; *.v T |r* tlquot;

•nip^n nx-in nvpn nirv tti mbD-1?» nin* loxn »

j] ;l:*-t •)••• : * at I; • vt ; J~v v t ; v lt;-

2i- 'Sn lt;e voet gaanden, d. w. z. krachtige mannen, die als voetknechten in het leger te gebruiken zouden zijn. — onS jnx -ito is óf directe aanhaling van Gods woorden tot Mozes: Ik, God, zal hun vleesch geven, öf indirect; Gij hebt gezegd, dat ik, Mozes, hun vleesch zal geven. In die laatste opvatting is Mozes' vraag begrijpelijk; waar moet ik dat vleesch van daan halen; het is dan niet een twijfel aan Gods macht om die groots menigte te verzorgen, maar aan Mozes' eigen kracht, om zulk een reuzentaak te volvoeren. Hij verkeerde namelijk in de meening, dat hij en de oudsten met die taak, het volk van vleesch te voorzien, zouden worden belast en dat daarom het antwoord op zijn laatste vraag, de aanwijzing der oudsten, was voorafgegaan. De woorden ddS 'n jm (vs. 18) laten die onderstelling nog altijd toe. — Zoo wordt het ook begrijpelijk, dat vs. 23 Mozes niet met harde woorden zijn gebrek aan vertrouwen wordt verweten.

22. np31 JtfSn enz. De woorden DnS nïsi vormen eigenlijk den hoofdzin; zou het dan voor hen toereikend zijn, als kleinvee en rundvee, d. w. z. óf al hun vee, óf al het vee ter wereld, — evenals dvtui Sa in het tweede versdeel,— voor hen geslacht zou worden t Bij visschen wordt slechts de uitdrukking cpx gebruikt, parallel met bto bij vee, waaruit naar den Thalmoed blijkt, dat visschen niet behoeven geslacht te worden, maar, na door onttrekking aan hun element, het water, te zijn gestorven, zonder meer mogen worden gegeten. — cpt^ Dn •'JT Ss rs, het onbep. werkwoord in den lijdenden vorm -.men zal verzamelen, geconstrueerd als ware het bedrijvend met het voorwerp in den vierden naamval, evenals Ex. 10,8; 21,28 e. a. p.

23. Hoewel niet door een wonder, zal toch door een daad Gods Zijne toezegging uitkomen. De bestaande hoeveelheid zal blijken voldoende te zijn om het volk van vleesch te voorzien, zonder dat door een wonder dieren ontstaan. Daarom is hier niet de uitdrukkisg -in 'nu nSbvi of iets

ocr page 110

N U M E R I XI.

24 of niet.quot; Mozes ging uit en sprak tot het volk de woorden des Eeuwigen ; vervolgens verzamelde hij zeventig man uit de oud-

25 sten des volks, en liet hen zich plaatsen rondom de tent. De Eeuwige daalde neder in de wolk en sprak tot hem, zonderde af van den geest, die op hem was, en legde dien op de zeventig mannen, de oudsten ; en het was : toen de geest op hen rustte,

26 profeteerden zij, doch daarna niet meer. Nu waren er twee mannen in het leger achter gebleven, de naam van den eene was Eldad, en de naam van den ander Médad; toen nu op hen rustte de geest, — zij waren namelijk onder de opge-schrevenen, doch waren niet naar de tent uitgegaan — profe-

27 teerden zij in het leger. Nu liep een jongeling, en deelde het Mozes mede en zeide: Eldad en Médad profeteeren in het

28 leger.quot; Nu nam Jehoshoea', de zoon van Noen, de bediende van Mozes van zijne jongelingsjaren af, het woord, en zeide:

29 «Mijn heer Mozes ! belet hen !quot; Doch Mozes zeide tot hem : «Wilt gij soms voor mij ijveren ? Wie er het geheele volk des Eeuwigen tot profeten deed worden, dat de Eeuwige namelijk

dgl. gebruikt. — TP1'1' 0f u ,reffengt; overkomen; Mendelssohn meent, dat in dien zin had moeten staan: ■j'? mppn, en vertaalt daarom: of naar u-ensch zal uitkomen, m. i. onnoodig; vgl. üen. 42,29: oriis mpn.

24. XïM, hij ging naar huiten uit het heiligdom, waar de Godsspraak tot hem was gekomen, naar het volk. — 'n quot;31 nx, vs. 18—20. — ifflw, hij liet hen plaats nemen, ptod, rondom, hier v. s. niet: aan alle vier kanten, in een cirkel er om heen, — maar in een halven cirkel, in het voorhof vóór den ingang des heiligdoms, evenals Num. 21,4 md gebruikt wordt in den zin van: langs de grens van een deel van een land trekken, niet er geheel om heen.

25. D'jpin, de nu tot oudsten, leden van den raad der oudsten aangewezenen. — Wat God tot Mozes sprak, wat de mannen profeteerden, wordt niet nader aangeduid. — Si'NM = W.1- — God daalt neder in de

wolk, die bij het legeren des volks rustig boven de plaats van 't Verblijf zweefde; de wolk daalde dus nog lager en in die wolk vertoonde zich de //heerlijkheid Godsquot;. (Vgl. Ex. 34,5). — isdi sVt isawvo, zij gedroegen zich als profeten en voegden niet hij het te doen, d. w. z. deden het nooit weder; zoo Septuaginta en Sifré; Onkelos e. a. en hielden er niet mede op, tegen het gewoon gebruik van tp'. — NMnn beteekent niet juist: voorspellingen geven, maar; spreken onder dictaat of inspiratie Gods. — Lüzzatto verklaart: zij profeteerden, zooals later nooit weer iemand deed (vgl. Deut. 5,19). Onder profeteeren verstaat hij dan: door den goddelijken geest gesterkt, het volk op zijn fouten wijzen.

26. Met Mozes stonden zeventig man om het heiligdom, de twee achtergeblevenen behoorden dus niet tot de zeventig. Noch thans behoorden zij tot de opgeschrevenen, zoodat er dus een lijst van 72 namen gemaakt schijnt te zijn; waarschijnlijk, naar Sifré, zes van iederen stam. Of zij nu uit bescheidenheid, öt als de jongsten, öf als bij het lot daartoe aangewezen, zich niet naar het heiligdom hadden begeven, is niet uit te maken. Anderen meenen, dat zij tot de zeventig behoorden; terwijl dan bij het

53

ocr page 111

Nm 33

nin» nm nKDrrrVtna-n KX»I : N^-DK nm ^

at : -»••;• 'tt v •• - :- v ^....- | • /f^*T :

: nb^D ons o^n ^ptD amp;x D^nsy ejDX4i

vit ^ i' : ï T •**' I; * * r : ' I v.^iv-

nnn-ro nam pjra i nin» ■n'i ^

t t -«v -j quot; t i * v t~ t *• i t t iv jt : v—

^33nn ninnbn^ ni33 'n^. D^in |n»i

nn^s41 -inKn DB' ninaa i IIN^'A : IÖD* «bi.13

iNï^biD^nsansniminDn^ n3m ITO ♦im Wi

i. ;it j : •'%'.' t quot; : - t jv quot;^-r - st - t.....- •• :

natfn ni^o1? na»quot;! nwn p»! : nansa quot;iK33nvi n^n^n»

a- - ^v ; jquot;'- *--- | tjtquot; iv-li- - v. : quot; atv: i t

nxto nrra inrirr rri :n3na3 D»«33no rroi TIVNquot;3

j-t : i i • --- iv-: i- - v.* : - : • t •• -«t: v

nK'Q b quot;IONquot;! ; DN^a ntfo quot;IO^I vinao ni^o03

v v -j '*quot; T 1 J- r ^ ^ •• : '

nin' D^,33 nin» D^_t?3 rn» w 'b nnx «spon

■it : I $•• * r • • : t : t I •• • • fgt;' ^t - jquot;l' : i-

lieiligdom inderdaad slechts 68 stonden, is vers 24 het ronde getal genoemd. M. i. onwaarschijnlijk, daar Mozes zich niet erbij zou hebben neergelegd, dat een tweetal aan het vereischte aantal ontbrak. — De woorden nam tot nSnsn vormen een tusschenzin ter verklaring van het feit, hoe het kwam dat op hen de geest rustte. — runna, terwijl zij bleven en gebleven waren in de legerplaats. Ook de zeventig zullen misschien wel in de legerplaats des volks geprofeteerd hebben. — maar de geest Gods begon op hen te rusten, terwijl zij rondom het heiligdom stonden. Zij echter, Eldad en Médad, begonnen, hoewel in de legerplaats gebleven, plotseling te profeteeren.

27. de jongding, v. s. Mozes' lijfbediende; v. a. Mozes' zoon, Gershom; ■— anderen verklaren: een jongeling, vgl. Gen. 14,13.

28. nraa- v. s. is Diiro jongelingstijd, evenals DWpt, oinyi enz., dus: van zijn, Jehoshoea's jongelingsjaren af; v. a. van ma. uitkiezen: die van zijne, Mozes' uitverkorenen v:as; n. a. van zijne Mozes* uitverkiezing af, ffnna dan van ina met de beteekenis van: de tijd van uitverkiezing. In ieder geval dient de bijvoeging om aan te toonen, dat Jehoshoea', hoe lang ook reeds met Mozes intiem verkeerende, hem en zijn karakter toch niet voldoende kende, daar hij meende, dat Mozes naijverig zou kunnen zijn op het profeteeren van anderen. (Vgl. 12,3). — DxSa, belet hen, houd hen tegen; anderen: sluit hen op, vgl. de uitdrukking nSdh rva voor: gevangenis. — Hij vreest, dat door het profeteeren in het leger, zonder dat die profeten-geest van het heiligdom, en dus voor ieder zichtbaar van God, uitgaat, het gezag van Mozes en den pas ingestelden raad van oudsten zal worden ondermijnd.

29- JOpDH. De vragende 'n met enkelen Pathach (niet met quot;=) vóór

den 3)3 Nir. — Wilt gij soms voor mijn belangen en rechten opkomen? Dit is niet noodig, — want die worden niet aangetast. In het profeteeren van Eldad en Médad ligt niets wat tegen mijn gezag indruischt, integendeel : tiv 'm — Gave God, dat het geheele volk profeten werden, doordien God direct, al ware het buiten mij en het heiligdom om. Zijn geest op hen

ocr page 112

HUMERI XI.

30 Zijnen geest op hen zou doen rusten!quot; Mozes trok zich

31 terug naar het leger, hij en de oudsten van Israël. En een wind trok van wege den Eeuwige, joeg kwartels op uit de zee, en wierp ze neer over de legerplaats, ongeveer een dagreis aan deze, en ongeveer een dagreis aan gene zijde, rondom de legerplaats, en ongeveer twee ellen hoog boven de opper-

32 vlakte van de aarde. Het volk stond op, dien geheelen dag en den geheelen nacht en den geheelen volgenden dag, en verzamelden de kwartels; — die weinig had, had tien Chomer verzameld; — en zij spreidden ze zich uit rondom de leger-

33 plaats. Het vleesch was nog tusschen hunne tanden, nog was het niet fijngesneden, — of de toorn des Eeuwigen ontbrandde tegen het volk, en de Eeuwige richtte onder het volk een zeer

34 groote slachting aan. Men noemde den naam dier plaats Kibroth-Hatthaawa; want daar begroef men het volk, dat on-

35 gepaste begeerte had gekoesterd. Van Kibroth-Hatthaawa trok het volk op naar Chatséroth ; — en toen zij nu te Chatséroth waren, —

deed rusten! Mijn hoogste doel zou bereikt zijn — als ik onnoodig ware geworden I — Anderen verklaren de 'n van eopnn als bepalend lidwoord; doordien de volgende letter een xri' heeft, blijft dan de wi na de 'nweg. Dan vertale men: de ij ver aar zijt gij voor mij! = gij zijt wel ijverig in het handhaven van mijn recht! De zin blijft overigens dezelfde.

30. v. s. ging zijn tent in de legerplaats binnen, anderen: van de afgezonderde plek vóór het heiligdom, begaf hij zich weder de legerplaats in. — Vsitn '«jpn sin. De oudsten zouden, naar het woord van onzen tekst, eerst nu weder het leger zijn binnen gekomen. De profetie, door hen uitgesproken, zoude door niemand zijn gehoord. Daarom nemen velen aan, dat ons vers slechts als inleiding en overgang tot het volgende dient. Dan moet vertaald worden: toen Mozes zich iceer hegeoen had in het leger, hij en de oudsten van Israël, — trok enz.

31. nni- een Zuidoostenwind, zie Ps. 78,26. — ovi jn, van de Roode Zee. — uii, van tu of 7«, eig. snijden, beteekent v. s. sneed den zwerm, die uit Afrika komend, noordwaarts vloog, af van de zee; v. a. dreef voorhij; vgl. Ps. 90,10. — pbh, en u-ierp ze verspreid rond. De zin is, dat de kwartels neervielen in en rondom de legerplaats over een ruimte van een dag reis aan weerszijden in de omgeving —- en wel twee ellen hoog, in een hoop van twee ellen dikte over den bodem. De zin is niet: zij vlogen op een afstand van twee el hoven den bodem, daar dan meer te doen was dan opzamelen. Vermoeid en uitgeput door den wind, die hen uit hun koers had gedreven, vielen de vogels in onmetelijk aantal neder.

32. Niettegenstaande de toezegging, dat zij eene maand genoeg zouden hebben, haastten zij zich om ieder zooveel mogelijk van den voorraad machtig te worden. Daaruit spreekt hun onstuimig begeeren en tegelijk hun wantrouwen in Gods woord. — ü'isn, Chomer, een inhoudsmaat (Lev. 27,16). Hoewel vogels gewoonlijk niet per maat gemeten worden, vooral niet als ze nog leven, — (waarom sommigen vertalen: houpen, evenals Ex. 8,10, wat echter geen duidelijke aanwijzing der hoeveelheid zou zijn) — kan hier in dit bijzondere geval het toch wel zijn geschied.

54

ocr page 113

^ na

^pTi xin mnarrbK twü cid^i * : orrby inirns4 ^

^..1;.; ^ av-: i— v v.v Ir* Ti-- iv •■ ~~i v

b'n-p a^ir Tri nin» nxo i ^d: nni :

T- i • . *S~ Tquot;,Tquot; T : j-•• j— T - : r* Ty '

nia^d ni dv ti-nai ni di* quot;nna ninan-by

v ^ ^ I •.•lt;••• : - I •••*■■■ : V -: I- - - ■ -

Kinn Dvn-Va Djn Dp ^ :pNn DTiaNm mnan^

- t ^ t t it-^t-^ i vitt jquot; : - hquot; t - i avquot;; iquot; -

epk titaan i^rrnk isdn^i rnnan di» i Vdi nS^n-^i

K~ t ' : — t : - v :^ t*: it - j ■• : t ; - - t :

Tjban : rnnan nia^D nièt^ anquot;? onan ^

^ tt- iv -; i----^ : quot; t v t a* T ▼: ^■*Tgt;T •

mn*-i4'! Di?3 mn ntr nia» Dni3 on^ty pa i-nty

t : )«— tt -,t t ti |lt;-: aquot; t ' v^v v •• * i •gt;quot; v *

nnap «mn Dipan-Diy-nK Nip»1) : n^a nai naa

v quot; \ j t - iquot; v otI ; •- ^ i ; ^•'t ' v.t - 't t

mxnn nnapa : onxnan D^n-nK nap Dt^-'a ni^nn ^

•)t-:i- - s:»* * r-:-- *\tt v ; Iit t • at-: i—

ö : niiïna vm miïn D^n waa

i i- v ; r- a •• -: ^.tt j : it

dat de bewustelooze vogels op elkaar gepakt werden en zoo ongeveer de hoeveelheid naar de inhoudsmaat werd bepaald. Bovendien kan de zin zijn; zooveel, dat men van het vleesch tien vaten, ieder van een Chomer inhoud, had kunnen vullen. — DnS inDCquot;l, zij spreidden ze uit, om te drogen in de zon ; er waren zooveel, dat zij ze niet dadelijk konden opeten. I)it geschiedde waarschijnlijk eerst na het vs. 33 beschreven strafgericht door de daoraan ontkomenen. — arh, zich, ethische derde naamval, — of: ten hunnen behoere, voor later gebruik; anderen = Dni.s, de kwartels; vSc? is echter vrouwelijk. (Vgl. Ex. 16,13).

33. rrDV vernietigd worden, d. w. z. zij hadden het nog niet opgegeten en ingeslikt; v. a. nog niet gekauwd, rro, fijn snijden door tanden en kiezen, wat met Dm:» po unr goed sluit. — Aanstonds wierpen zich een aantal Israëlieten op het vleesch en begonnen het te verslinden; de vs. 10 reeds aangekondigde toorn kwam nu tot uitbarsting en een groote sterfte, nïi roo, ontstond. Wat overbleef van het volk, kan nog zeer wel een maand lang het vleesch hebben gegeten. Hoe en op welke wijze de slachtoffers stierven, wordt niet aangegeven, en het heeft geen zin zich daarin Ie verdiepen, zooals sommigen doen. — Dat de rest des volks zich aan het vleesch verzadigde, blijkt uit Ps. 78 vs. 29 en 30.

34. nwjin nrap. graven weg ens de ongepaste begeerte. Niet de begeerte, maar de begeerenden werden daar begraven.

35. nnm Chatse'mth, waar zij ten minste eene week bleven, zooals uit het einde van het volgende hoofdstuk blijkt. Of de naam, zooals de tot nu toe in ons hoofdstuk genoemden, eerst door de Israëlieten aan die plaats gegeven werd, of reeds vroeger bekend was, is niet zeker; waarschijnlijker is het laatste, daar anders de aanleiding tot het geven van dezen naam wel zou medegedeeld zijn. — nmnn vrro, inleiding tot het volgende: toen zij nu in Chatséroth waren, sprak enz.; anderen:zij bleven, waren gedwongen te blijven te Chatséroth, want Mirjam sprak enz., en dientengevolge was oponthoud noodzakelijk. 12,16 sluit dan onmiddellijk bij ons vers aan.

ocr page 114

N U M E R I XII.

12 i Sprak Mirjam en Aharon ten nadeele van Mozes, wegens de Koeshietisehe vrouw, die hij genomen had ; — want hij had

2eene Koeshietisehe vrouw genomen; — En zij zeiden; «Heeft dan de Eeuwige slechts alleen met Mozes gesproken ? heeft Hij niet ook met ons gesproken ?quot; — En de Eeuwige hoorde

3 het. De man Mozes echter was zeer bescheiden; meer dan alle mensehen, die op de oppervlakte van den aardbodem

55

4 zijn. — Nu zeide de Eeuwige plotseling tot Mozes, tot Aharon en tot Mirjam; «Gaat alle drie naar buiten naar de

Hoofdstuk XII. 1. pHJO □'HO quot;QIDV Mirjam wordt het eerst genoemd en het werkwoord staat in den 3den persoon vrouw, enkelvoud; bewijs genoeg, dat de eigenlijk handelende persoon Mirjam was en Aharon zich slechts door haar liet medesleepen. Wij zien dan ook, dat, hoewel vs. 4 v.v. de berisping Gods zich tot beiden richt, — vs. 2 gebruikt trouwens het meervoud en wijst er dus op, dat Aharon niet enkel zwijgend toehoorder bleef — de slra/ vs. 10 alleen Mirjam treft. Sommigen willen den 'i van pnxi verklaren in den zin van: met, Mirjam sprak met Aharon. — now, tegen, ten nadeele van Mozes; de o in vijandigen zin, gelijk dikwijls voorkomt. — jvcon ncsn nns Sjr. Koesh is een van de zonen van Cham, de stamvader der Aethiopiers, een volk, waarvan enkele stammen in Egypte en in Arabic woonden. Op eenige plaatsen wordt door 'ïo een neger aangeduid (Jer. 13,23). — Sommigen denken hier aan Tsippora, Jithro's dochter; deze was echter eene Midjanietische, van Abraham en Ketoera stammend, geene Aethiopische; — maar al neemt men zelfs aan, dat zij van Koeshietischen oorsprong was, dan blijft het toch vreemd, dat eerst nu, ruim een jaar na den uittocht, daarover zou worden gesproken. Anderen meenen daarom, dat Mozes inderdaad (misschien na den intusschen ingetreden dood van Tsippora) een tweede huwelijk was aangegaan met eene vrouw van Aethiopische afkomst, behoorende of tot hen, die zich bij den uittocht bij Israël hadden aangesloten, óf tot de om de woestijn Sienai wonende stammen, waarvan ook velen zich bij het volk schijnen te hebben gevoegd. Mozes' doel zou dan geweest zijn, door een daad de wettelijke gelijkstelling van geboren Israëliet en vreemde te bekrachtigen; aan eene heidensche en heidin gebleven vrouw kan natuurlijk niet gedacht worden. Onze tekst voegt er uitdrukkelijk bij, dat het feit, door Mirjam besproken, waar was, rtph r'uo nos» ■o, mant hij had inderdaad eene Koeshietisehe vrouw genomen, wat zich alleen laat verklaren, als dit feit kort te voren had plaats gehad. Moeilijk blijft echter in deze opvatting het verband tusschen deze aanmerking tegen Mozes en het volgende vers. Rashbam neemt aan, dat in vs. 2 een nieuwe klacht over Mozes wordt uitgesproken: aanmatiging tegenover Mirjam en Aharon; anderen meenen, dat in vs. 1 het begin, in vs. 2 het einde van het gepraat over Mozes wordt medegedeeld; uitgaande van zijn pas gesloten huwelijk, zochten zij in zijn leven en zijne verhouding tot hen al, wat in zijn nadeel was, op en spraken ten slotte het in vs. 2 medegedeelde. Luzzatto meent, dat zij Mozes' huwelijk met eene Aethiopische aan aanmatiging toeschreef, om zich niet met eene Israëlietische familie te vermaagschappen en zij zich nu beklaagde, dat hij bijv. zeer goed eene dochter uit hare of Aharon's familie had kunnen nemen. Hirscïï meent, dat uit de opeenvolging van vs. 1 en 2 blijkt, dat zij het vs. 1 medegedeelde feit toeschreven aan Mozes' profetentaak; hij wijst er nu op, dat ms Sr steeds beteekent;

ocr page 115

y quot;jr^yro na

n^sn niwa ntboa nn^ DHÜ ninm ^

■quot;.' -i v.* \ - jt, quot; it •) v : 1 -j i- : lt;t : • .... -

-13-1 ntrorTiK pnn liDN'i : npS rvBb np^ =

• v : |- i lt;--i ; i- i it t v.' \ jt r i at t

niïfj : ninquot; nan wroa nin»j nih» quot;iqn»i d *: nonxn ^rVj; im onkn 730 iüü ■•

t ; v - it t-jit : ^ vquot; quot;* t t -jt • a :

■bx INV DHÖ-^NI nnM-^i ntro-^N DNnsj

vv : : t : gt; : t : • •-• : i -i i- v : lt;••• v : •

ten hehoeve van de lijdende persoon of zaak, wier belang ter sprake komt; zoo Gen. 21,11 en 25; Ex. 18,8. Dan zou hier nm Sr beteekenen: in het belang van de Koeshietische vrouw; hij vermoedt nu dat de uitdrukking ji'pa ncx npS beteekent: zich van echtelijke samenleving onthouden, met zijne vrouw omgaan als ware zij eene negerin. De zin is dan: zij spraken erover, dat hij zich van zijne vrouw, Tsippora, feitelijk gescheiden hield, — wat inderdaad het geval was, voegt dan de tekst erbij. Zij hielden dat nu voor onrechtmatig tegenover de vrouw, daar immers hun, ook profeten zoo goed als Mozes, dergelijke onthouding niet was opgelegd. (Vgl. Siphré).

2. '3 quot;131, hier : spreken tot; vgl. II Sam. 23,2; Chab. 2,1; Zach. 1; 2; 4, herhaaldelijk; vooral de laatstgenoemde plaatsen bewijzen duidelijk, dat de beteekenis niet kan zijn: door middel van, zooals sommigen meenen. — ■]N pin, dubbele restrictie; vgl. Ex. 14,11. — in ua d;. Tot Aharon zijn verschillende wetsopenbaringen direct gericht; Mirjam wordt Ex. 15,20 profetes genoemd en schijnt dus ook herhaaldelijk als orgaan der Godheid gekozen te zijn, al wordt het overigens niet uitdrukkelijk medegedeeld.— 'n rntm, de Éeuwige hoorde het alleen, zij spraken dus alleen onderling erover; anderen: de Eeuwige vernam het met verontwaardiging; vs. 4 sluit dan daarbij direct aan; terwijl Mozes, die het ook hoorde, als hescheidenste der menschen, geen woord zeide, — hoorde God liet ook, doch zweeg niet, maar vs. 4 zeide plotseling enz.

3. uy, zoo onzelfzuchtig, dat hij geen oogenblik aan de beteekenis van zijn eigen persoonlijkheid dacht; — dit wordt dan hier vermeld, of om het ongerechtvaardigde der beschuldiging van aanmatiging aan te toonen, èf, zooals zooeven gezegd, om te zeggen, dat hij de ook hem ter oore gekomen gesprekken zelfs niet met een enkel woord van verwijt beantwoordde. — De vraag: hoe met die bescheidenheid te rijmen het feit, dat die bescheidenheid hier in hem wordt geprezen, — gaat van de veronderstelling uit, als had Mozes deze woorden eigenmachtig neergeschreven, en verliest uit het oog, dat hij slechts op Goddelijk dictaat schreef.

VfSi Saal naar buiten uit uwe tenten; evenals ejow (11,30) gebruikt wordt voor: het gaan van het heiligdom naar het leger; de lent der samenkomst bevond zich in het midden, niet buiten de legerplaats.—tw schijnt te beteekenen; uit een kring van menschen naar voren treden; hier worden dus alle drie ontboden naar het heiligdom, waarbij zij den kring van hun gezin verlaten; vs. 5 worden zij door de Goddelijke stem geroepen en treden naar voren; Mozes blijft alleen staan. Mozes moest echter tot versterking van den indruk van Gods woord en tegelijk tot openlijk eerherstel erbij aanwezig zijn. Het vermanende woord richt zich echter alleen tot Aharon en Mirjam, die daarom van Mozes gescheiden worden. (Vgl. Rashie en Nachm). — osns, plotseling, voor hen onverwacht; Onkelos; op hetzelfde oogenhbk.

ocr page 116

N U M E R I XII.

5 tent der samenkomst!quot; en zij gingen alle drie naar buiten. De Eeuwige daalde in eene wolkzuil af, en plaatste zich aan den ingang der tent, en Hij riep: «Aharon en Mirjamquot;; zij traden

6 beiden naar voren. Hierop zeide Hij : «Hoort toch Mijne woorden: Indien uw profeet des Eeuwigen is, dat Ik Mij in een visioen aan hem bekend maak, in eenen droom Ik met hem spreek; —

7 Niet zoo is Mijn dienaar Mozes ; over geheel Mijn huis is hij

8 vertrouwd. Mond tot mond spreek Ik tot hem, in een direct gezicht, en niet in raadselen, en als de gestalte des Eeuwigen aanschouwt hij; en waarom hebt gij dus niet gevreesd, te

9 spreken ten nadeele van Mijnen dienaar, van Mozes ?quot; De toorn 10 des Eeuwigen ontbrandde tegen hen, en Hij ging heen. Toen

nu de wolk geweken was van bij de tent, en zie: Mirjam

5. nOJPI, de Goddelijke verschijning in de wolkzuil, of de wolkzuil zelve. — Snsn nns, aan den ingang der tent, van het eigenlijke heiligdom. Mozes, Aharon en Mirjam waren gegaan naar de tent, d. i. waarschijnlijk: naar den ingang van het voorhof; uit de wolk, aan den ingang van net eigenlijke heiligdom staande, roept Hij nu; //Aharon en Mirjamquot; — (Hij riep Aharon en Mirjam, zou moeten luiden ; pns1? N-ip'i) — en zij traden huiten de plaats, waar zij zich bevonden, meer naar het heiligdom naderend, — dus; traden 'het voorhof binnen. Het heiligdom betraden zij dus niet, — wat trouwens niet geoorloofd en wegens de daarvoor staande wolk ook onmogelijk was. Anderen meenen, dat zij alle drie zich in het eigenlijke heiligdom bevonden en nu op Gods bevel Aharon en Mirjam naar huiten, naar het voorhof, gingen; in. i. zeer onwaarschijnlijk.

6. lyDC) hoort toch en neemt u ter harte Mijne woorden. — 'n oasis: = ds1? hïs 'n s'::, uw Godsprofeet, d. i.: de Godsprofeet, zooals gij u dien denkt en waarvoor gij ook uzelve houdt; anderen: indien uw Godsprofeet is, — d. w. z. indien gij u den profeet zoo voorstelt, dat Ik in visioen of droom Mij hem openhaar, — niet zoo is Mijn dienaar Mozes; het geheele vers is dus voorzin en de nazin begint met p sS, vs. 7. Nog anderen; indien iemand van u profeet is, dan openhaar Ik, de Eeuwige. Mij aan hem in visioen of droom. Weer anderen : indien hij slechts profeet voor Israël roare, zooals (jij, dan zou Ik Mij hem, Mozes, geopenbaard hebben enz. — Over HJCIO vs. 8.

niet zoo is Mijn dienaar Mozes; anderen: niet zoo is het, Mijn

dienaar is Mozes; — eene opvatting, die vooral met de laatst gegeven verklaring van het vorige vers zeer goed sluit. — 'nïr. Onder nay van een vorst wordt dikwijls verstaan : zijn minister of vertegenwoordiger. Zoo v. s. ook hier: Mozes is, s. v. v., Gods tweede raadsman, met wien Hij overleg pleegt; hiermee komt bijna overeen de opvatting: die steeds in Mijn dienst staat. Anderen; geheel aan Mij onderworpen als een trouwe slaaf. — wa Ssa, evenals bij een vorst, kan ook hier va beteekenen: alle gewichtige aangelegenheden. In den koningstijd vinden wij een ambtenaar, ivan Sï los, die zooveel als eerste minister is. Ook van Jozef wordt gezegd, dat Potiephar hem aanstelde wo Sr (Gen. 39,4). Zoo opgevat zouden de woorden wi jas: 'jva 'wa beteekenen ; vertrouwd is hij over Mijn geheele huis. Ik schenk hem vertrouwen en laat ten deele aan zijn oordeel over te beslissen in de meest gewichtige zaken; anderen: onder geheel Mijn huis,

56

8

ocr page 117

y -pbyro ia

n'mn tlijniaya nin» : ambv n^ia Vn'K^

v. ^:i— I ti j - : t : _•.•lt;•— it: t^: ». ;iquot;- 'aquot; v

iq^'i : on^ inï^ ohai pn« trm nna1

v v.- quot;quot; : v, :•••- t ; ^ i ti;*- vat - -••.•

v-hmKvbKnNnDS nin* DDN^3 n^-oxnan «nvoty

^ t- ; v jt •• t : - - t : •••-:-••; v; i* • att ; -»t ^ ; •

ra«: ♦n,3-l7D2 ntro nnj? p'N1? : irnaiN nibna'

I jt v;iv V* T : ^ : • vquot; • v v. quot;J'*

naoni ni'na nVi nNnoi né^N na : Ninn

-in'i : nK'Qa nanV Dnxi» KS yinoi wy nin» ^

- r- iv : y 1 : v ••: j - «s*- vT :

ono nsni Vn'Nn byo no fi^m : -1^1 D3 m ris^

it : • r-• : v t 'quot;quot; t« ' t tiv ; li--- (.t it : |s-

onder Mijne ontelbare dienaren, engelen en Godsgezanten, is hij de meest vertrouwde; dan zou men echter jnjon verwachten. Nog anderen; met geheel Mijn huis is hij vertrouwd, hij kent het het best.

8- na S}C n3gt; mond tot mond, zoodat hij woorden hoort en woorden spreekt; dus niet in ren» en niet in ciSn. De uitdrukking is nog sterker dan Ex. 33,11; d'jd Ss 0^3; dit geeft alleen, dat de Godsspraak tot Mozes kwam als direct woord; onze plaats duidt tevens Mozes' geheel onbenevelden toestand aan. — n?OD) onderscheiden van nNlD) is iets,

wat direct gezien wordt, terwijl njflO slechts eene verschijning aanduidt,

hetzij een spiegelbeeld (ook den spiegel zelve) of een phantastisch visioen. — Zoowel ns Sn ns als nsini zijn bijwoordelijke uitdrukkingen, daarom niet; nsnsai; of wel de woorden; nxisi enz. zijn als voorwerp afhankelijk van Bi3'. — Dus; in direct gezicht, en wel helder en duidelijk, niet in raadsels, zooals bij droomgezichten, wier verklaring dikwijls aan het subjectieve oordeel des droomers is overgelaten. — 'n room, de gestalte des Éeuuügen aanschouwt hij, v. s. hier anthroporaorphistisch gesproken; hij ziet de Goddelijke profetische gezichten zoo duidelijk, dat, van een mensch gesproken, men zeggen zou; hij ziet zijne gestalte; v. a. is njinn de soort-vorm, de combinatie der essentieele eigenschappen der soort; tegenover deu indivi-dueelen vorm, die isin of n'Jin heet; onder 'n niinn is dan te verstaan;de algemeene verschijnselen, waardoor de Godheid Hare aanwezigheid toont, = 'n tu3, de heerlijkheid Gods.

9. God ging teeg; — in een wolk was Hij neergedaald; het weg gaan bestaat dus in het wijken der wolk van voor den ingang des heiligdoms.

10. Sruvn hyü. van b ij de tent, van vóór den ingang van het heiligdom. Dan wordt hier gesproken van de wolk, waarin God was neergedaald. (Vs. 5K Anderen verklaren; intusschen was de wolk geweken van boven

het heiligdom, het sein gevende tot vertrek des volks; id, dus = nVw; _

zij zouden nu vertrekken, toen bleek dat Mirjam melaatsch was. Daarom bleven zij, niettegenstaande het teeken van vertrek was gegeven, toch nog te Chatséroth (vgl. vs. 15 en 16). — jVo njm», melaatschheid, in den Pentateucli besproken, bestaat in meer of minder schel witte kleur. — jB'i, toen Aharon zich tot Mirjam wendde, misschien om naar Lev. 13 als priester het onderzoek in te stellen en over rein en onrein te beslissen, zie, toen bleek, dat zij melaatsch en dus onrein was.

ocr page 118

N U M E R I XII.

was melaatsch, als sneeuw ; Aharon wendde zich tot Mirjam, en

11 zie ! zij was melaatsch. Hierop zeide Aharon tot Mozes ; „Och mijn heer! laat niet op ons rusten de straf voor de zonde, die

12 wij in dwaasheid en die wij in zonde begaan hebben. Laat zij toch niet zijn als iets doods, bij welks te voorschijn treden uit den schoot zijner moeder de helft van zijn vleesch ver-

13 teerd is.quot; Mozes schreide nu tot den Eeuwige, zeggende: „O God ! genees haar toch!quot;

14 De Eeuwige zeide tot Mozes: „En indien haar vader voor haar aangezicht uitgespogen had, zoude zij niet zeven dagen beschaamd zijn geweest ? Zij worde opgesloten zeven dagen buiten de legerplaats ; en daarna zal zij er weder in opgenomen

15 worden.quot; Mirjam werd buiten de legerplaats zeven dagen opgesloten ; en het volk trok niet op, vóórdat Mirjam weder

16 was opgenomen. Daarna trok het volk van Chatséroth op, en legerde in de woestijn Paran.

11- UIJC 'Sj v* s. = ^y het leven van mijn heer! v. a. = 'ja

ijls, mijne vraag is, mijnheer ! — In de nederige houding van Aharon, den ouderen broeder, tegenover Mozes ligt reeds eene volledige erkenning van onrecht. Hij had zich door Mirjam laten medeslepen en is aanstonds overtuigd, verkeerd gehandeld te hebben. — nun Sx, leg ons niet op, doe niet op ons neerkomen, riNBn, als zonde, of: de straf voor de zonde, evenals JU' (Gen. 4,13). — uscn to'.si ijH.su iva, de herhaling van het betrekkelijk voornaamwoord ion, belet de twee werkw. hier als één begrip te verklaren : die wij in dwaasheid begaan hébben; de zin is; laat ons niet de straf dragen voor wat wij in dwaasheid o f in zonde hebben verricht. — ijSnij, van — Ssi, eene omzetting van den stam Sn, waarvan Vis, de dwaas.

ia. vin jo Sx. laat zij, Mirjam, niet zijn als iets gestorvens, zooals uit het volgende blijkt: als een in den moederschoot gestorven vrucht; de melaatschheid tast de lichaamsdeelen langzamerhand alle aan, zoodat zij tot rotting overgaan; vandaar het beeld. Anderen: wees gij, Mozes, niet ongevoelig als een doode. — ins« icx enz. Rashie : gij, van wien, daar gij voortgekomen zijt uit den schoot van dezelfde moeder, de helft van het vleesch zou verteerd worden, als Mirjam ziek bleef, — de derde persoon ijiNxa en npa voor den tweeden persoon; naar de laatst gegeven verklaring der eerste helft van ons vers, eenvoudig in verband met het eveneens op Mozes slaande nn; bij aangesproken personen vinden wij in een betrekkelijken bijzin zeer dikwijls den 3den persoon gebezigd. Uog anderen: laat zij, Mirjam, niet zijn als iets doods, daar immers, bij zijn komen uit denzelfden moederschoot, als het ware van den broeder de helft van zijn eigen

57

ocr page 119

y n

: njhïö nam Dna-bx rhn» rö»i nviïo ^

J' m ^t •'quot; * : V'T :^' V t quot;Squot; vat - ;

-ie'n nxèn mn «rbx ♦j-in »3 h^d-^k nn#

jv -: t - quot; t lt;•• t t - -; j- av v I ^ -: r

inNxa iKte ns3 ♦nn KrbK : ukür IB'KI nbxu ^

•• : lt;v aquot; - v* : rr - it t jv -i i- : v.quot;

né'o pjrï'i : ntra ♦vn 1?3K»i IQNÏ oma ^

v,t ; v v it ; r -: vquot; ti*— • v■quot;.•••

ö : nb K: «sn x: ioK^

quot;» gt; ^ ,T ''T : ')T r quot; A quot;

obsn N7n pquot;!' pi» n^Ki ntbn-^N ninno^i*-^

t • J 1 t v t# ; i -tl «t ^ t • t : v v xiv

: ^DKn inKi ninab pnp lion

^d: n1? b^m ww runa1? nno ono UDni10

t j t t : a t n-: • vv-: r- I j • jt : • r-t • -

quot;I2-1D3 wn'i nnvno o^n i^oa nnxi : ona eptrr-mquot;3

j- '. ' \ v. -: i~ aquot; -; iquot; \rr *0 ; it 0— : it : • kquot; t iquot; -

£3 : pKS

vleesch verteerd wordt in de melaatschheid van zijn broeder of zuster. Het ware dus of ik, Aharon, half afstierf. — Waarschijnlijk komt mij echter de gewone verklaring voor, die de zin iün enz. op na laat slaan en het geheele vers niet op Mozes, maar op Mirjam.

14. iTJM» vóór haar aangezicht, evenals Deut. 7,24, -ps- uns 3ïlt;jti nS, wat toch onmogelijk; in uw aangezicht, noch: in de richting naar uw aangezicht kan beteekenen. Uitspuwen, terwijl een ander het ziet, zonder zich af te wenden, wordt als bewijs van minachting beschouwd. In het gelaat spuwen is iets zoo onmenschelijks, dat daaraan wel niet gedacht zal worden, zoo min als l)eut. 25,9. — dw nyac, ten minste zeven dagen volgens Mendelssohn, — óf een afgesloten periode voor het onbepaalde: dagen lang of weken lang. — Zou haar vader haar openlijk beschaamd hebben gemaakt, dan zou zij daaronder een week gebukt gaan, — welnu. Ik, haar Vader in den hemel, heb haar, door haar melaatsch te doen worden, openlijk tot schande gemaakt, — zij drage dus even lang, cene week, de gevolgen dier schande. — udji, zie Lev. 13,3. — epsn, worde z ij weer in de legerplaats opgenomen, als geheel genezen, niet meer onrein; anderen: worde zij aan het reinigingsceremonieel onderworpen, ter weder-opneming in den kring des volks. — Dim, en het volk trok uit eerbied en liefde voor Mirjam, niet op, voordat Mirjam weder in de legerplaats was opgenomen.

16. J-ttC3 ~D1D3, nog altijd in de woestijn Paran; ook Kibroth Hatthaawa en Chatséroth lagen in de woestijn Paran; anderen; dieper de woestijn Paran in, in een gedeelte, dat meer speciaal woestijn Paran wordt genoemd.

ocr page 120

N U M E R I XIII.

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: //Zend u mannen, die het land Kena'an zullen verspieden, dat Ik den kinderen Israels geef; telkens een man voor den stam van zijn vaders-huis zult gij zenden ; ieder zij een aanzienlijk persoon onder

3 hen.quot; Mozes zond hen uit de woestijn Paran, op bevel des Eeuwigen; allen mannen, hoofden der kinderen Israels zijn

4 zij. En dit zijn hunne namen: voor den stam Ruben; Shammoea',

5de zoon van Zakkoer. Voor den stam Simon: Shaphat, de

6 zoon van Chorie. Voor den stam Juda: Kaleb, de zoon van

7 Jephoenné. Voor den stam Jissachar: Jig-al, de zoon van

8 Joseph. Voor den stam Ephrajiin: Hoshéa', de zoon van

9Noen. Voor den stam Benjamin: Paltie, de zoon van Raphoe.

10 Voor den stam Zeboeloen: Gaddieël, de zoon van Sodie.

11 Voor den stam Joseph, voor den stam Menasshé : Gaddie,

58

12de zoon van Soesie. Voor den stam Dan: 'Ammieël, de

Hoofdstuk XIII. 2. Uit Deut. 1,22 en 23 blijkt, dat de wensch tot het zenden van verspieders van Israël was uitgegaan en door Mozes was goedgekeurd. In verband met onze plaats schijnt nu de loop der zaak als volgt te zijn geweest: In den door het volk uitgesproken wensch zag Mozes niets kwaads; daarom onderwierp hij de vraag aan Gods goedkeuring, die hem dan ook verleend werd. — Zooals reeds Siporno opmerkt, wijkt echter het hier aan Mozes gegeven Goddelijk hevel (vs. 3) in menig opzicht af van den Deut. t. a. p. raeegedeelden wensch des volks. Zij vroegen: laat ons mannen vóór ons uitzenden, naar onze keuze; aan Mozes wordt hier opgedragen zelve de mannen te kiezen, en wel van de uitstekendsten. Ook de opdracht aan de mannen zelve luidt anders; terwijl het volk gevraagd had psn ns -ih nïmi, letterl. uitgraven, om bet verborgene aan het licht te brengen en wel speciaal roet het oog op den weg naar de het eerst aan te vallen stad en die stad zelve, — dus: het zoeken naar de zwakke punten waarop de aanval het best kan worden gericht, — luidt hier de opdracht: vuvo, wat reeds door Luzatto verklaard wordt: het goede in iets trachten te vinden, hetzij het werkelijk of het vermeend goede, — bijv. het de zinnen streelende. — Uit het gezegde volgt tevens, dat hier wel degelijk een bevel gegeven wordt, zooals trouwens vs. 3 'n 13 Sr duidelijk gezegd wordt. De door velen gevolgde opvatting, dat hier slechts een verlof zou gegeven worden om den gevraagden maatregel te nemen, komt mij dan ook zeer onwaarschijnlijk voor. — quot;jS n',®gt; zend u, evenals in ^ np, (Ex. 30,23) -jS ntc, (Num. 10,3) e. a. p. eenvoudig een bevel; anderen: voor u, voOr uw, niet voor Mijn belang; of: op uw verzoek, niet op dat des volks en in hun zin. — wiax nonS = Tras rro nD»1?, voor den stam van zijn vadershuis, evenals 1,16. — d.-q n'c: Sa, ieder van hen een vorst onder hen, zijne stamgenooten; niet: ieder vorst onder hen, — het waren immers, zooals uit de namen blijkt, niet de twaalf stamvorsten, die gezonden werden; en aanzienlijken, mannen van aanzien en beteekenis, waren er meer dan 12 onder Israël. — Dra squot;^:, een aanzienlijk, verheven man onder hen, onder het volk, niet ambtelijk hoven hen staande; — mannen, die onder hun stamgenooten een bijzondere positie innemen, zooals vs. 9 het uitdrukt: Ssw '33 'irai, voornamen onder de kinderen Israels. — Of het meervoud inSon de aanwijzing en uitzending aan Mozes en Aharon of aan Mozes en de oudsten opdraagt, staat niet vast. Anderen

ocr page 121

r quot;i1? nbiy n:

-nK mi nin» quot;i2in« ^

9 '••t: • ti -«1: -: 1 quot; j'.' v v.t : jquot;-:-3

tnK i^'K |n: 02 pK

DnK nSt^'i : onn bbin^n VnbN ntaD1? inx^

-»t - ; • - iv t j' t ^ t : t -: lt;•• - ; tv

D^:K oba nin» rnxa quot;Ü-isd nsro

,.. . j,. t . t .j jt at : -•• ~ kt t j- : • • r-

niam pixi nuDquot;? onioir nbw : nan

i - I v v, ~ * *•, : jquot; - ; at ; v v,quot; : ^ t iquot; v,quot; t : *

: n-isrp aba nnm* niso1? : nin-?a ri^aiy njaoV *

iv \ : i v t t : -••• - : r I v v.t t I ^ : •

: nj-p ^trin onsx niao1? : spina bay *\bvw n^D1?»

I i } • quot;• jquot; : v jquot; - : |iquot; I v v.t : • t ^ t * ~ : n

: niD-?a Vxna r^ar ntsDb : NiflTta rtna niaD1? q

i* I v vquot; i \ : -»••-; i t i v v,* : quot; ' quot; t ; * : i

pT ntaöb : piD^a na nf 30 hesoV ^dv ntsob ^

1

meenen, dat het meervoud zich richt tot hel volk. Vgl. echter onze opmer

ocr page 122

N U M E R I XIII.

13 zoon van Gemallie. Voor den stam Asher: Sethoer, de zoon van

14Mieehaël. Voor den stam Naphthalie -. Nachbie, de zoon van

ISWophsie. Voor den stam Gad: Geoeël, de zoon van Machie.

16 Dit zijn de namen der mannen, die Mozes uitgezonden heeft om het land te verspieden. — Mozes had Hoshéa', den zoon

17 van Noen, Jehoshoea' genoemd. — Mozes zond hen heen, om het land Kena'an te verspieden, en zeide tot hen -. //Stijgt hier

18 op in het zuiden, en beklimt het gebergte. En ziet het land, hoe het is; en de bevolking, die er op woont, of zij sterk is

19 of wel zwak, of zij weinig is of wel talrijk ? En hoe het land is, waarin het woont, of het goed is, of wel slecht; en hoe de steden zijn, waarin het woont, of in open steden of wel

20 in vestingen ? En hoe het land is ? of het vet is of wel mager; of er geboomte in is, of niet ? En gedraagt u moedig, en neemt van de vruchten des lands.quot; — En de tijd was toen juist de tijd

14. ',D31gt; Wophsie, niet; Waphsie; de — is kort, zooals uit het ontbreken van den Metheg blijkt.

16. }{1p,Tgt; Mozes had reeds vroeger hem Jehoshoea' genoemd, onder welken naam hij steeds voorkomt (met uitzondering van Deut. 32,44) en wij hem ook al vroeger ontmoet hebben. Wel kan die naam, toen het in Ex. 17,9 en Num. 11,28 verhaalde voorviel, nog Hoshéa' hebben geluid en bij het te boek stellen van den Pentateuch, op het einde van Mozes' leven, deze, toen reeds lang gebruikelijke naamsvorm zijn gebezigd; — doch het is niet onwaarschijnlijk dat de naamsverandering door Mozes geschiedde aanstonds, toen Jehoshoea' zijn vertrouwde leerling en dienaar werd. Er zou, voor zoover wij zien, niet de minste aanleiding zijn geweest, om nu, bij het vertrek der verspieders, eerst den naam juist van dien éénen man te veranderen. — De verandering van naam voegt aan dien naam rein, die beteekent: hulp of help, den Godsnaam toe: de Eeuwige ix hulp. — Rashbam meent, dat toen Jehoshoea' Mozes' dienaar werd, deze zijn naam veranderde, zooals dit ook bij Joseph en Daniël voorkomt. Daar werden echter namen in vreemde talen gegeven; hier schijnt echter de naam veeleer te wijzen op een beginsel; vandaar dat ik de verandering van naam liever plaats op het oogenblik, waarop Jehoshoea' als directe leerling van Mozes in nadere betrekking tot dezen kwam.

17. 3J33 nr iSjr, stijgt op hier. d. 1. v. s. gaat Palaestina binnen, daar elk gaan naar Palaestina door nSr wordt uitgedrukt; v. a. trekt heen op het stijgende terrein; nr = nc, hier; 2«3 = het Zuiden van Palaestina; zij waren ten Zuidoosten van het land gelegerd; niet: naar het Zuiden, want zij gingen juist in eenigszins Noordelijke richting. — mn ns DmSri, en beklimt het gebergte of den bergketen, die in het Noorden de grens van de woestijn Paran vormt, en dat Deut. 1,20 het Emorietisch gebergte genoemd wordt.'

18—20. Het driemaal herhaalde ps heeft v. s. telkens andere beteekenis: vs. 18 het land, naar zijne topographische gesteldheid, vlak of bergachtig enz., — of algemeene vraag : ziet het land en wel 1°. het volk enz.; vs. 19 het land als bodem voor ontwikkeling van menschen, dus: klimaat; vs. 20 het land als bodem ter bewerking, uit het oogpunt van geschiktheid voor

59

ocr page 123

y quot;I1? rhv t:3

ntao1? : nmo nè'x ntsDb : ♦böa-ra ^

• t : - jquot; - : iquot; t r I v v. : quot; t j» - : ,. - . | v ^

nïm nbx : ^a-p Vxiw ii ntaoV : ♦Dörp ♦anj»

j : v ••« r r i v v.quot; : t — - ; r ; t i v v.' : quot; TD

ntJ'O inp»quot;) P«n-n« nnb D^KH

■)v jtl:*quot; i vat t j t jquot; t v * t-j it

pNiTiK quot;iinb n^o omn^i .'^in* pr|3 ^inV Dn^ii : inn-nN on^i 2333 nr iby dh^k quot;iö^i r V33 ^

j.. • : ^ itt v v.quot; • .1- vv^- v vquot;-: v ■•- i at i

ninn «in prnn D^n-nKi Nin-nü ptfrrnx

v t-j ^ i jtt iv^ t v t jquot; - t t v : a* | v^t t

naiun nii «irrn^K p«n noi : 3*1-0« «in ü van ^

jt ~j t jquot; quot;j i v t t •jt it * v ■gt;' ' iquot;

D,3nD3n n3n3 3^^ onyn noi h^tdn Nin

_ t quot; t -• ^ ^ v —• p p 't iv -t nt t v

n3-^»n nn-DK «in n3a^n rixn noi : Dnx303 DK 3

jt iquot; -: ^t t • • t •• ; quot; i v t t ^ jt ^ i* t# : * ; ^ r

w D^b'ni p«n nsp onnpbi onptnrirn ^n-dn ^

landbouw enz., speciaal de bodem. — nrn rNi, en de bevolking; daar in Palaestina meerdere volkeren woonden. — irSr atnn, en vs. 19 na 20'. Het verschil tusschen de beide uitdrukkingen schijnt te zijn, dat Sp 2trgt; beteekent: wonen op een bodera, terwijl 'a ac» beteekent: wonen in een land; het eerste beschouwt dan de bevolking onafhankelijk van het land; het tweede het land als den bodem, waardoor het volk zich op bepaalde wijze ontwikkelt. Men zou Sr at» kunnen vertalen: bezet houden, a at» met; bewonen. — risnn Nin pirn, alle andere alternatieven worden ingeleid met dn —'H; sommigen meenen daarom, dat hier niet een alternatief

wordt gesteld, maar dat de uitdrukking met 'n... 'n ingeleid zooveel beteekent als : hetzij ze dan sterk is of zxoak. Het doet voor Israëls toekomst eigenlijk niets ter zake, of de bevolking sterk is of zwak. — rei, eig. slap, moedeloos; ptn dus niet juist: krachtig van lichaam, maar: dapper.

19- {OH roiün, of het goed is of slecht van klimaat; waterrijkdom enz. — D'jnnan, of het woont in legerplaatsen, of, daar runa in dien zin het meervoud ni:nn heeft, en ook Diir dan in oneigenlijken zin zou gebruikt zijn, v. a. open steden, evenals D'-isn; ffnïan zijn vestingen. De constructie van het begin van het versdeel wordt niet volgehouden: hoe de steden zijn, waarin hij woont — of hij woont in open steden of in vestingen.

20. nn DN Kin rUQCrii of de bodem vet is of mager; daarin is dan de vraag naar de bodemgesteldheid en vruchtbaarheid geheel besloten en vr na en slaat niet op vruchtboomen, maar bevat de vraag of er wouden en boschrijke streken in het land zijn. Dat er vruchtboomen zijn, is buiten twijfel, daar Mozes aanstonds de opdracht geeft, vruchten mede te brengen. — Dnpinrni, en gedraagt u moedig; hoewel gij daardoor de verdenking der bevolking zult opwekken en hun het doei van uw komst duidelijk zal worden, zoodat gij in gevaar komt, laat niets u weerhouden te nemen enz. — Dinvn, de tijd des jaars was nl. juist die van het rijpen der druiven, nog niet die van den druivenoogst, in welken tijd het meenemen van vruchten minder de aandacht zou getrokken hebben. Zooals vs. 23 blijkt, waren ook vijgen en granaatappelen reeds rijp; de tijd des jaars is dus de voorzomer, ~ naar de Thalmoedische traditie: einde Siewan.

ocr page 124

N U M E R I XIII.

21 van de eerstelingen der wijndruiven. — Zij stegen op en verspiedden het land, van de woestijn Tsin af tot Rechob toe,

22 op den weg naar Chamath. Zij stegen namelijk op in het zuiden en kwamen tot Chebron; en daar waren Achieman, Shéshai en Thalmai, de geborenen uit den Anakiet; en Chebron

23 was gebouwd zeven jaren, vóór Tso'an in Egypte. Nu kwamen zij tot het dal Eshkol, en sneden van daar af een wijnrank met één tros druiven, en droegen dien aan een draagboom met hun

24 beiden, en van de granaatappelen en van de vijgen. Deze plaats gaf men den naam ; het dal Eshkol, wegens den druiventros, dien de kinderen Israels van daar afgesneden hebben.

25 Zij keerden terug van het verspieden van het land op het

26 einde van veertig dagen. Zij gingen en kwamen tot Mozes en tot Aharon en tot de geheele gemeente der kinderen Israëls, naar de woestijn Paran te Kadesh; en zij brachten hun en aan

21- jï n3U3) waarschijnlijk de uiterste rand van de woestijn Paran, in het Zuid-Oosten van Palaestina; am, Rechoh is een stad in het latere stamgebied van Asher, niet ver van Tsiedon. — nan saS, v. s. is ren sa één naam, en duidt de 'h de richting aan; tot Rechob en nog iets verdelen de richting naar Bo-Chamath; daar deze naam echter elders niet meer voorkomt, Chamath daarentegen wel, vertalen anderen: om te komen (N31? = JOS, vgl. roxa Gen. 13,10) naar Chamath, in de richting naar

Chamath. Deze stad, — hetzij zij dan Bo-Chamath of Chamath heet, — wordt 34,8 onder de punten van de noordgrens, en wel in het Noord-Westen, genoemd. De verspieders gingen dus van Zuid-Oost naar Noord-West ; dus een diagonaal; zoo hebben zij het niet zeer breede land van de bergtoppen af in al zijne onderdeden kunnen zien. Van de bergen van het gebergte Ephrajim kan men bij gewoon helder weer zoowel de zee als den Jordaan zeer duidelijk zien. -— Schwartz, Palaestina, pag. 6 (en 349) meent, dat niet Chamath zelve tot Palaestina behoorde, maar dat de v:eg naar Chamath een natuurlijke grenslijn aan de noordzijde van Palaestina vormde.

22. V. s. voortzetting van de beschrijving van den tocht: van

Rechob, dicht bij de zee in de vlakte gelegen, reisden zij terug en bestegen, meer zuidelijk gekomen, de bergen weer en kwamen tot Chehron. Zij zouden dan van Noord-West in bijna rechte lijn naar het Zuid-Westen gegaan zijn en vandaar Oostelijk naar Chebron ; andereu meenen, dat hier het in het vorige vers algemeen reeds verhaalde wat meer in bijzonderheden wordt uitgewerkt. Zij hadden nl. in het Zuiden de hergen beklommen en kwamen tot Chebron en daar was nu voor het eerst iets, dat bijzonder hun aandacht trok; en men kwam, enkelvoud in den zin van het onbepaald voornaamwoord. — pirn ,|TlT'. geborenen van den 'Anakiet; de bepalende 'n zoowel als de uitdrukking o'pw '02 wijzen er op, dat p:r hier niet persoons-, maar volksnaam is. De 'Anakieten behooren tot de D'Ss), de oude reuzen-geslachten ; het woord beteekent: halssieraad ; en als volksnaam misschien de langhalzigen. Uit Jos. 11,21 blijkt, dat in verschillende steden'Anakieten woonden. De drie hier genoemden waren of de eerste 'Anakieten, die de verspieders zagen, en maakten daarom op hen bijzonderen indruk, — óf zij waren, zooals sommigen uit de uitdrukking p:ïn 'tV» in tegenstelling

60

ocr page 125

y quot;l1? D

-■IÜ frisnaü *pxn-nK i^»quot;) * : D^jv niaa «

i r » vatt v j-..t- *. ^-u— r t : jquot;

rD»nNDE'i?iquot;i3n-n)rKa»i aiaa ; nan am^

it*-: lt;t : i ^ : v ^ tquot; v v - j — it -: j ^ :

nn333 rinnm piyn ♦abm

r: ■ t ::; \T '. v': /quot;'! ':quot;!

miQT D^Ü iNn'i : onvö ryï»

t ; lt;t • : ; * - ; v ~-,~ _ t - ^ • it : * ' ~ j

-pi D^bin-pi L21D3 inKtf»! inK D^ijr

I • v' 'it I • '«st: • v. quot; a t • - _ t v • t • « : v :

nnk bn: K^p Kinn Dips'? : D^«nn ^

: v it j « a ; v -j- vtFt - I-» t - r •• : -

rpD ri«n iwD ^3 D^D imriK'N«

Ik- I •■•«TTf - • UT- 'quot;Q T :lt;5 * Jquot;:„, ^ • •- !IT ■• -

-73-7N1 pnK-^NI HB'O-bK IKD»quot;) UTI .* DV D^3quot;)K13

^ t v ; I -: i-^ v : v v T ;iquot;- i *j'r im

quot;131 DDK n^np pNö -1310-^ ,?K^»-»i3 mr

t t lt;t * t- t aquot;l t i v.t t j' '. ' v .)quot; tc * iquot; ; s 't

met pjj) ija willen afleiden, de reuzen onder de reuzen, pjr 'Ja zijn dan wie weet hoe ver verwijderde nakomelingen, p:rn itS', de kinderen van den eersten 'Anakiet, het tweede geslacht dus. Volgens Nachm. was 'Anak een zoon van Arba', naar wien Oliebron rmx niip heet (vgl. Jos. 15,13). — jnam enz. Chehron nu was zeven jaren gebouwd, vóór Tso'an in Egypte; daar de tijd van bouw van Tso'an niet wordt aangegeven, is de nauwkeurige tijdbepaling zeven jaar vóór Tso'an nog altijd nietszeggend. Mij komt daarom waarschijnlijker voor de verklaring; Chebron is gedurende zeven jaren gebouwd, is dus een zeer sterke stad, en wel vóór, nog eerder dan Tso'an in Egypte, de overoude stad. Tso'an is Tanis in Ueder-Egypte, v. s. de hoofdstad der Phara'onen tijdens Israels verblijf in Egypte.

23. Het hier verhaalde zal zeker kort vóór het einde der reis moeten geschied zijn, — daar zij de vruchten wel niet weken lang zullen hebben kunnen vervoeren, zonder dat zij tot bederf overgingen. — Ssun Sra ligt waarschijnlijk in het Zuiden des lands, op den weg van Chebron naar Kadesh. Al neemt men nu aan, dat vs. 21 algemeen verhaal is en vs. 22 een bijzonderheid uit de reis van vs. 21 mededeelt, — vs. 23 zal in ieder

feval later dan vs. 21 moeten geschied zijn. Het komt mij daarom het est voor, om vs. 21 te verklaren ; zij maakten de reis schuin door het land heen, van Zuid-Oost naar Noord-West, gingen vervolgens naar het Zuiden, beklommen daar de bergen en kwamen tot Oliebron;eval later dan vs. 21 moeten geschied zijn. Het komt mij daarom het est voor, om vs. 21 te verklaren ; zij maakten de reis schuin door het land heen, van Zuid-Oost naar Noord-West, gingen vervolgens naar het Zuiden, beklommen daar de bergen en kwamen tot Oliebron; vervolgens kwamen zij naar Nachal Eshkol, — reeds nu zoo genoemd naar aanleiding van den toen gegeven naam, hoewel de plaats, toen de verspieders er kwamen, dien naam nog niet droeg. — 'tocni nniST, een wijnrank, waaraan een tros; op ins ligt bijzondere nadruk met het oog op het volgende: dat voordien éenen tros twee man noodig waren om te dragen. — dim, aaneen draagboom; op een draagbaar zou luiden: oiun Sr. — Sommigen meenen, dat het dragen tusschen twee man geschiedde om de vruchten niet door het vervoer te doen lijden; zij hingen zoo vrij, zonder door drukken of stooten beschadigd te kunnen worden; dan is echter ms niet goed te verklaren.

26. rrcnp. naar Kadesh, voluit; Kadesh Barnéa'. Ook in het veertigste jaar na den uittocht kwamen zij daar weer terug. De Israëlieten hadden of hunne terugkomst afgewacht ter plaatse, waar zij hen hadden verlaten, zoodat zij van Kadesh, in de woestijn Tsin en in de woestijn Paran

ocr page 126

N U M E R I XIII.

de geheele gemeente rapport, en toonden hun de vrucht des

27 lands. Zij vertelden hem, en zeiden: „Wij zijn gekomen in het Jand, waarheen gij ons gezonden hebt; en het is ook

28 vloeiende van melk en honig, en dit is zijne vrucht. Doch — dat het volk, dat in het land woont, van geweldige kracht is, en de steden zijn versterkt en groot; en ook de geborenen

29 uit den 'Anakiet hebben wij daar gezien. 'Amalek woont in het land van het zuiden, en de Chittiet en de Jeboesiet en de Emoriet woont in het gebergte, en de Kena'aniet woont bij de

30 zee en langs den oever van den Jordaan.quot; Kaleb bracht het volk tegenover Mozes tot zwijgen, en zeide: ,/Laat ons gerust optrekken en wij zullen het in bezit nemen; want wij zullen

31 er zeker tegen op kunnen.quot; Doch de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden : ;;Wij kunnen niet optrekken tot

32 het volk, want het is ons te sterk.quot; Zij brachten dus lasterpraat te berde over het land, dat zij verspied hadden, tegenover de kinderen Israels, zeggende: «Het land, dat wij doorgereisd hebben, om het te verspieden, is een land dat zijne inwoners verteert, en het geheele volk, dat wij daarin gezien hebben, zijn

33 mannen van buitengewone afmetingen. En daar hebben wij de

gelegen, (zie boven vs. 3) waren weggegaan, — óf Mozes, wien de naaste verblijfplaatsen des volks reeds bekend waren of althans de richting, waarin het zou voorttrekken, had den verspieders gezegd zoo om en bij Kadesh het volk weer te zullen treffen. — ons ■onïquot;, zij brachten rapport aangaande het doel hunner reis; ons, aan Mozes en Aharon en het volk.

27. UnnSï?. waarheen gij, Mozes als hoofd des volks, ons hebt gezonden. — Dit zijn vermoedefijk de bewoordingen van hun rapport, zij het ook, dat dit niet in zijn geheel is medegedeeld, maar slechts in hoofdtrekken. — DJi, en weliswaar is het, zooals Mozes ons gezegd heeft, vloeiend van melk en honing, — want ziet slechts, hier is zijn vrucht.

28. D3K, doch — er komt iets ernstigs bij : ïr '3, dat van geweldige kracht is het volk enz. en wij hebben geen vertrouwen, dat het mogelijk zal zijn ze te overwinnen. — Wat zij zeggen is waarheid, — maar de conclusies, die zij eruit getrokken willen hebben — zooals uit vs. 30 blijkt: tegen zoo machtige volkeren kunnen en mogen wij den strijd niet aanbinden, — zijn foutief. Daarin ligt hun geheele misdaad: gebrek aan vertrouwen op de hulp en bijstand Gods.

29. Korte schets van het geheele land: 'Amalek in het Zuiden; Chittieten en Emorieten op het gebergte, dat van Noord naar Zuid door het midden des lands loopt, en de Kana'aniet aan de westkust, aan de zee, en in het Oostelijk deel, de vlakten langs den Jordaanoever. Hier worden alleen öf de toen voornaamste öf de oorlogzuchtigste en meest woeste stammen onder de Kena'anietische volkeren genoemd.

so. om. bracht tot zwijgen; zij begonnen dus oproerig te worden; Kaleb beproefde nu hen tot kalmte aan te sporen, no» Sn, ten opzichte van, tegenover Mozes. Josua, als minder aanzienlijk, misschien ook jonger (vgl. aant. vs. 4), laat Kaleb optreden en grijpt zelve eerst in het volgende hoofdstuk in (vs. 7), misschien ook omdat'hij als Mozes' vertrouwde te

61

ocr page 127

y quot;j1? ND

nrnw DIKI'I n^n-^TNi«

: j- ; - :- ••*•▼ tp p j* ! quot; v. :*quot; t v;

■nn «in nat dji wnnbtr nB'K r^Nn-^ 13N3

^ v : .)- : jt t - t - : at : - : -»•.• -: | vvt t v t

hVna nnva onpni rixa at^n o^n dsn : nns «

; «\ : •quot;gt; iv ; | vat t vquot; quot; t t • v vlt; it ; •

aaanpKsa^i* pi^n n^'-oai INO quot;

vavf - i v-»v : {quot; ^ f t _ it j' i ^t^xit jquot; ' t quot; : p ; ^

D^n-ty 21^1» ♦jwam ina au'i* nDKni 'Dis^ni ♦nnni

t ~ •quot;• • ~ii~ : - : tt •••• • v:it : *• : quot; : • • i- ;

nbv nüN'i n^öquot;^ D^n-nK abs Dn»1) : rii»n n»

« t v - av ^ v ^tt v t -j~ i iquot; ;- quot; l

byim D^JNni : rö bim nnk vamp;yï

lt; t v -i * t -: t : it v,quot; j t r t ; j-t: ^v^-ji-

: 13ÖD Kin prn-^ D^n-bx ni1?^ VDW N1? nax ID^

iv • ^ I jt t r quot;att v -« ^i- v.quot;^ ^ : it •

Ion1? Vkïb» nn« nn rixn nai wri ^

a ^ v.quot; t: • r* ; v t j t -«v -: ^ | vtgt;t q *quot; * !»* '

tmn^v rhïH riK nhk -nn1? nn 1:12^ nt^KpKn

tv; i v lt;v | vjv t -• t t : - t v -: i v t t

■nx irxn m) : nno *mn naina D^n-^Di ^

* t jt • i • jquot; : - v.t ; j' t v -j Ttt t ;

veel in de zaak betrokken schijnen zou. Vo', tegen iemand kunnen standhouden ; vgl. onze volksuitdrukking: ik kan hem aan.

31. Dj;n Sn = orn ^r, tegen het volk. — «s» wn pin 13, het is ons te sterk-, hun kracht is zoo groot, dat wij er zelfs met hoogeren bijstand nog niet in kunnen slagen, het te overwinnen. Dat de zeven Kena'anie-tische stammen sterker waren dan Israël, wisten ze wel vooraf. Het is sterker dan wij geeft dus geen goeden zin. De Thalmoed verklaart; want het is zelfs sterker dan Hij, God, wat in het woord uiss op zichzelf zou kunnen staan.

32. zy brachten te voorschijn, öf = verzonnen (Nachm.), óf = zij brachten nu eerst te berde, wat zij tot nu toe verzwegen hadden, psn ral, lasterpraatjes over het land, d. w. z. verkeerde, tendentieuse voorstellingen van de zaken. — rfaoi» nSss, dat zooveel van zijne bewoners eischt, juist door zijne vruchtbaarheid, dat het ze verteert, hun krachten sloopt; althans als het gewone menschen zijn, — want inderdaad zijn de menschen daar van buitengewone afmeting, — normale menschen kunnen het er niet uithouden. Al hebben wij het dus veroverd, dan kunnen wij er toch niet blijven leven. Dit in antwoord aan Kaleb: al hebt gij gelijk, wat het resultaat van den oorlog betreft, dan is het toch doelloos testrijden voor wat wij toch niet behouden kunnen. Maar ook uw zekerheid, dat de strijd goed zal afloopen, kunnen wij niet deelen; want zij zijn allen meer dan normaal groot, nnn i»jn, (vgl. Jes. 45,14; 1 Kron. 11,23; 20,6), — bovendien leven daar de oude reuzen, tegen wie de strijd hopeloos is.

33. o'S'san nx. de oude reuzen. Gen. 6,4, waarvan de verhalen der oudheid gewagen. — d^eoh jo par iJ3, „de zonen van 'Anak, de 'Anakieten in 't algemeen, — die behooren tot de Nephieliemquot; — waarschijnlijk een gewone spreekwijze, als men over den lichaamsbouw en de heldenkracht der 'Anakieten sprak. — 0'3Jn3, zoo klein als sprinkhanen. — wn pi, en zoo waren wij, schenen wij, naar wij vermoeden, zeker ook in hunne oogen.

ocr page 128

N ü M E R I XIII, XIV.

reuzen gezien, de zonen van 'Anak, van het reuzengeslacht; zoodat wij werden in onze eigen oogen als sprinkhanen, en zoo waren wij in hunne oogen.quot;

1 De geheele gemeente verhief en lieten vrijen loop aan hunne

2 stem; en het volk weende in dien nacht. Nu morden tegen Mozes en Aharon al de kinderen Israels; en de geheele gemeente zeiden tot hen ; «Waren wij toch maar in het land Egypte gestorven of in deze woestijn, — waren wij maar al ge-

3 storven! En waarom brengt de Eeuwige ons naar dat land, om door het zwaard te vallen, — onze vrouwen en kinderen zullen tot buit worden ! Voorwaar, beter ware het voor ons,

4 naar Egypte terug te keeren!quot; Hierop zeiden zij de een tot den ander: «Wij willen een opperhoofd aanstellen, en

Snaar Egypte terugkeeren.quot; Mozes en Aharon vielen op hun aangezicht, voor de geheele vergadering van de gemeente

6 der kinderen Israels. En Jehoshoea', de zoon van Noen, en Kaleb, de zoon van Jephoenné, die behoord hadden tot hen, die het land hadden verspied, hadden hunne kleederen

Hoofdsidk XIV. aSip DiV UfPI nij?n Sa xrm. de geheele gemeente verhief zijne stem, — üSip ns behoort ook als voorwerp bij nwvi — wm ns, en lieten hun stem vrij, lieten vrijen loop aan hun gejammer; anderen: de geheele gemeente hief aan en verhief hare stem, ncj intransitief, zooals Jes. 3,7; 42,2 en 11; Mendelssohn; verhief zich en lieten hun stem zich geven. — Onder mrn Sa meenen sommigen de verspieders te moeten verstaan, wat echter wegens Sa niet gaat; Jehoshoea' en Kaleb deden immers zeker niet mee. — Anderen denken aan de oudsten, die tot muiten overgingen en daardoor het volk meesleepten; zoo ontstaat eene verklaring; de oudsten wekten het volk op en verhieven hun stem, zoodat het geheele volk weende in dien nacht. Weer anderen verklaren mrn Sd: deyeheele gemeente, hetzelfde als orn, het volk en al de kinderen Israels (vs. 2). Het bezwaar, dat het volk het verslag der verspieders niet zoo spoedig kan gekend hebben, deel ik niet; 1° daar het naar 13,26 en 30 in volle volksvergadering schijnt te zijn uitgebracht; 2quot; daar, ook al meent men, dat eenige tijd noodig was om het gerucht bij het geheele volk bekend te maken, toch al verscheidene uren verloopen kunnen zijn, daar het weenen geschiedt in den nacht na der verspieders terugkeer. (Naar eene Thalmoedische traditie was dit de nacht vóór 9 Ab; de verspieders zijn dus 28 of 29 Siewan vertrokken). Niettemin komt mij de verklaringen van mr door; vertegenwoordigers der gemeente, het meest waarschijnlijk voor, daar anders drie verschillende uitdrukkingen voor hetzelfde begrip zouden zijn gebruikt. De gang van zaken was dus als volgt; de oudsten beginnen op de laatste woorden der verspieders luide te schreeuwen, protesteerende tegen het aanvaarden van den strijd; zij slepen het geheele volk — mannen en vrouwen — mede tot weenen in dien nacht — en den volgenden dag waarschijnlijk, morren alle zonen Israels, de ter vergadering geroepen twintig-jarige mannen, tegen Mozes en Aharon (vs. 2). — win iS enz., waren wij toch maar vroeger in Egypte gestorven of in deze woestijn — maren wij maar al dood! Anderen; stierven wij nu maar in de woestijn, liever dan ons aan zulke gevaren bloot te stellen. In de eerste verklaring komt, dunkt mij, de -qï van wn» beter tot zijn recht /, Waren wij toch maar al

62

ocr page 129

T y -jV nVty 2D

impiD^jrü ♦nai pajr

V.'T Ijquot; ; • T-: i- •• : «• : - A* • : - ' * ^ ' VT^-» jquot; : r

D^n ^y) D^ip-nK ^n»i nn^n-^a «irni : on^^a« ~

^tt j : • - at i v v. : •quot; t -,t ^ t • - iv quot; 1quot; ;

VNiir» ^a Va rSn^-^i : Kinn nV^a -

rtquot; t : v,. ' -: r • ^ 'quot;•\ quot; • - ;j- -

nansa IK onïo pwa ^no-iV nn^rrba DHVK nDK^

^ jt : • - ) * -; • i •••-••.•; ^ : 'p p t it t v -j : i-

nNin rnxn-bK wnK koq nin» nobi : lino-iquot;? nnj

- i vlt;t tv t • quot; t : jt t ; : itf v.v quot;

aity i:S alt: xibn Tab vn» uset anna Vöi1?

j v,t ^ s a- t j ; 1« v.quot; - : gt;•• t v v - ■gt; : •

: nonso nai^ii mru vnx-bx tr'N noN#i : nanvo ^

t : it: • t j t x v. jt ; * a* t v -•• ^ ; i - t :it ; •

: VxTtr» ^a my bnp-ba ^ab on^s-by rhnNi ntro bö'iquot;

1« t ; • jquot; : 1: t •• ; • av ^ I v,quot;» i* : •)••* j • -

^Tr n^C1quot;^ aba^ pi-fa

lang geleden in de woestijn gestorvenquot; zou beter passen bij klachten over woestijn-ellende; vs. 28 spreekt ook voor een der eerstgenoemde opvattingen. .

3- a-TD ^337 is niet het antwoord op de vraag, geeft dus niet het doel van den tocht naar Palaestina, maar het nu waarschijnlijk geworden gevolg, waarop juist de vraag: waarom ? slaat. Als wij dan toch door het zwaard moeten vallen, waarom ons dan naar dit land gebracht ? n»S beteekent dus: met welk nut of doel. — Vgl. ook Ex. 17,3.

4- üwn ruju wij willen een opperhoofd aanstellen; daar men echter runs ütn i:1? zou verwachten, verklaren anderen; wij willen rechtsomkeert maken, het gelaat naar Egypte wendend. De uitdrukkingen cx-i jiij en tpï fro zouden dan militaire termen zijn, epp jrJ voor: zich omdraaien van iets weg, ONi |nj zich omkeeren naar iets toe; hier dus: toij willen keeren en naar Egypte teruggaan. Die terugkeer zou natuurlijk te land geschieden, daar zij geen schepen hadden en op een wonder niet mochten rekenen; trouwens van begin afaan had Mozes en Israël niet anders gedacht, dan langs een land-weg van Egypte naar Palaestina te komen. — Uit Nech. 9,17 blijkt, dat een begin van uitvoering aan het plan werd gegeven. Daar staat namelijk cnt «nu. Ware nu een bepaald persoon als hoofd aangewezen, dan zou die wel met name genoemd en bijzonder bestraft zijn. Daar zal men dus, indien men de zooeven gegeven verklaring als te gewaagd niet wil aannemen, moeten verklaren: zij stelden zich hoofden aan, en ook hier zou üïo als verzamelwoord moeten opgevat worden. Die hoofden waren dan niet onwaarschijnlijk de tien verspieders.

5- quot;m zij vielen op hun aangezicht, om God te smeeken niet toornig te worden, ten aanzien, in tegenwoordigheid van de gehede gemeente Israels, of, met Naciim. : zij vielen op hun aangezicht vóór de gemeente, om hen te bezweren van hun voornemen af te zien en moed te vatten. Mendelssohn: moedeloos vielen zij op hun aangezicht in tegenwoordigheid van enz. Sommigen zien in Snic «2 r.-iï hnp de vertegenwoordigers des volks aangeduid; het »neervallen van Hozes en Aharon voor henquot;, beduidt dan, dat Mozes en Aharon de leiding, waaraan het volk zich heeft onttrokken, neerleggen en het volk aan de leiding zijner hoofden teruggeven.

6. ynp. Aanstonds toen zij zagen, welken treurigen loop de zaak nam, hadden zij hunne kleederen ingescheurd, als teeken van smart en

ocr page 130

N U M E R I XIV.

7 ingescheurd. En zij zeiden tot de geheele gemeente der kinderen Israels, als volgt: ,;Het land, dat wij doorgetrokken zijn, om het

8 te verspieden, — goed is het land in de hoogste mate! Indien de Eeuwige slechts welgevallen in ons heeft, dan zal Hij ons naar dit land brengen en het ons geven; — een land, dat is

9 vloeiende van melk en honig. Slechts — weest tegen den Eeuwige niet oproerig, dan behoeft gij het volk des lands niet te vreezen ; want zij zullen ons tot spijze zijn. Hunne schaduw is van hen geweken, en de Eeuwige is met ons; vreest hen dus niet!quot;

10 De geheele gemeente zeide, hen met steenen dood te werpen, toen de heerlijkheid des Eeuwigen verscheen in de tent der samenkomst, aan al de kinderen Israels.

11 De Eeuwige zeide tot Mozes: /,Tot hoelang zal dit volk Mij hoonen ? en tot hoelang zullen zij niet in Mij vertrouwen, trots

12alle wonderteekenen, die Ik in zijn midden heb gedaan? Ik wil het slaan met de pest en het verdelgen; en Ik zal u tot

13 een volk maken, grooter en machtiger dan dit.quot; Doch Mozes zeide tot den Eeuwige: «Wanneer nu de Egyptenaren het hooren, — want Gij hebt met Uwe kracht dit volk gevoerd

14 uit zijn midden; — En zij zullen tot den inwoner van dit land zeggen : — zij hebben immers gehoord, dat Gij, de

rouw. Het is nu smart over de geheele mislukking van Mozes' taak, — zij hadden zich immers aan zijne leiding onttrokken — hier treedt dus Jehoshoea' op en wordt daarom vóór Kaleb genoemd, als het naast erbij betrokken.

8. indien maar, wat onder gewone omstandigheden zeker het geval zal zijn, de Eeuwige behagen in ons heeft, ons welslagen wil; — het is niet een mogelijkheid; indien God zou willen, — maar tegenover de klachten zeggen zij : hoe groot ook het gevaar, als God wil, verdwijnt het geheel en brengt Hij ons enz.

9. slechts. zoo gij niet oproerig zijl, Dnsi, dan hebt gij niets te

vreezen; ns dus zooveel als: mits, en onsi niet: doch gij, daar ook in den voorzin dezelfde personen het onderwerp zijn. — on ■unnS is, zij zijn onze spijs, wij zullen ze zoo gemakkelijk verdelgen als onze spijzen. — dSï, de hen beschermende schaduw, hun beschermengel, — het geluk ot de angstige vrees, die zij inboezemen, wijkt van hen, daar en zoodra de Eeuwige met ons is, die ons tot schaduw en bescherming is. Anderen: hun beschermgoden, in wier schaduw zij zich veilig wanen, wijken van hen, maar met ons blijft de Eeuwige, die onzen strijd voert; daarom vreest hen niet! — Tweemaal in ons vers nN si' in de beteekenis van: angst koesteren voor.

10. nDJCH ze zeiden bij zich zelve, dachten er reeds aan. — ons, hen, Jehoshoea' en Kaleb. — inn Sn.xa, in de tent der samenkomst, niet zooals

gewoonlijkewoonlijk erboven; toch moet de glans der verschijning naar buiten heb-en gestraald, zichtbaar voor al de kinderen Israels.

11. minachting toonen en uitspreken. — mnsn Sw, niettegenstaande al de teekenen.

13—19. Mozes' voorbede voor Israël. Twee motieven voert Mozes aan; 1°. Gods eer onder de volkeren is ermede gemoeid, dat Israël behouden

63

ocr page 131

T ^ rhv 3D

y-iKn ioKb : omaa'

I Vquot;tt quot; Vquot; t; • 1quot; : T V ^ : -- iv^-;-

quot;dn * riKöTwp p«n naitannN^n? ra n^Niquot; i:1? nanji' mh fiNn-bx \:hü K^ni nin; 1:2 fan ■quot;nhpn-bK nin^ -]« : ^n nni xin-i^N px»

D^v quot;IV ^ 'I1 Drn^ o^l

Diri1? nWn-W : dni^n ^n« ninn dh^d '

J : • t jt t 1 'quot;•gt; •*% T r - V.T • -»T I- ■)•.• ..^-:iquot;

lyio bnxa nxn: nin» niDDi d»33N3 dpk

: ' ^ ' ... v j ; t : * t ; •* : a* t -: it

3 :

:. 1 1 'quot; T; ■

n:N-quot;iVi nn nyn n^Q-^N nm* ID^I ^

t t A: AV- ^TT v.-..-;i-; rjr 7* quot; . t : v lt;-

133N : impa 'n^ ninxn Vsa ^ irDx,-^,7 ^

jv - 1 :!• : • v.* ^: * ■*• quot;*•quot;

id^I : laaa or^i ?|nif 1212 ^

oyn-nN ^nb3 rvtyrra onïo I^Q^I nin»-1?^ n^a

^TT ,1-1. :. T s-lt;•:.•.■ • „ - = • :,,T : »T ! ■•• «.quot;

nnH_,3 wpif hNin pxn 3^i,_7N nDNi : lanjpp n;Tn ^

zijn doel bereike ; 2°. op grond van de hem, Mozes, op Sienai geopenbaarde woorden omtrent Gods wereldbestuur. Het eerste gedeelte, vs. 13—16, toont voortdurend overgangen van constructie; de eene gedachte wordt door de andere gedachte verdrongen; het zijn woorden, zooals iemand in hoogste spanning en opwinding ze spreekt onder omstandigheden, waar tal van levens in gevaar zijn. — 13. di-ix» U'OTi, de Egyptenaren zullen hooren, wat hier geschiedt, — zij in de eerste plaats, want zij zien voortdurend uit naar het lot van dit volk — want Gij hebt dit volk met Uwe kracht, toonend Uwe onverwinnelijke kracht, uit zijn midden gevoerd. —

14. Dan zullen zij, de Egyptenaren, zeggen tot de volkeren van Palaestina — dan volgt weer een tusschenzin ter verklaring, waarom Egypte zich juist tot dezen wendt en zij hun gewillig oor zullen verleenen : omdat zij gehoord hebben, welk gevaar hen bedreigt in de wonderbare leiding, die Gij dit volk ten deel doet vallen. — 15. nnnni neemt de gedachte weêr op, — Mozes' woord tïtttn, sloot direct bij de bedreiging: imn aan, —dit woord wordt nu in nnnni weer in herinnering gebracht, als had Mozes aan zijn eerste woorden van vs. 13 laten voorafgaan ron dn, als Gij doodt, iiONi, dan zullen zij, Egyptenaren en volkeren van Palaestina, met anderen, die van Uwe daden gehoord hebben, zeggen. Kort samengevat is dus de loop van den zin : als Egypte het hoort en het den Palestinensischen volkeren zegt — dan zullen zij beiden zeggen enz. Anderen: 13. Egypte heeft immers vernomen en weet, dat Gij hebt uitgevoerd enz. —14. En heeft het gezegd tot de volkeren van dit land; en ook zij hébhen vernomen; —

15. Nu zoudt Gij doen sterven! enz. — dan zouden immers zeggen enz.

i4. 'n nm avu pya py -ibw, Lüzzatto: daar oog in oog men gezien heeft, dat Gij de Eeuwige zijt; anderen: Wie oog in oog is

ocr page 132

N ü M E R I XIV.

Eeuwige, onder dit volk zijt, dat als oog in oog men gezien heeft, dat Gij de Eeuwige zijt en Uwe wolk boven hen staat, en dat in eene wolkzuil Gij vóór hen uittrekt bij dag, en in eene

15 vuurzuil des nachts; — Zoudt Gij nu dit volk als één man dooden, dan zullen de volken, die de tijding van u vernomen

16 hebben, zeggen, als volgt: „Buiten des Eeuwigen vermogen ligt het, om dit volk in het land te brengen, dat Hij hun toegezworen had, daarom heeft Hij hen in de woestijn geslacht!quot;

17 En nu, laat toch groot zich toonen de kracht van mijn Heer,

18 gelijk Gij gesproken hebt, zeggende : ,/„De Eeuwige, langmoedig en oneindig in genade, vergeeft misdaad en schuld, laat echter niets ongestraft, maar gedenkt de misdaad der ouders aan

19kinderen, tot in het derde en vierde geslacht.quot;quot; Vergeef toch de misdaad van dit volk, naar de grootheid Uwer genade, en gelijk Gij voor dit volk telkens verdragen hebt, van Egypte

20 af tot hiertoe !quot; De Eeuwige zeide : „Ik heb vergeven overeen-

21 komstig uw woord ! Maar, zoo waar Ik leef, en de heerlijkheid

22 des Eeuwigen de geheele aarde vullen zal, — Dat al de mannen, die Mijne heerlijkheid en Mijne teekenen gezien hebben, die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht,

verschenen, waart Gij, o Eeuwige, is in ieder geval geen deelw.,

maar een verl. tijd. — fgt;ï, als oog in oog, gelijk de eene mensch den ander in de oogen ziet; imi'i, volgens Luzzatto : doordien namelijk Uwe wolk enz., dat is dan de Goddelijke verschijning, die men, het geheele volk, gezien heeft.

15. DJC yjjüi? ICJfi die gehoord hébben en nu hooren zullen

de berichten over U; die gehoord hebben, hoe Gij Israël tot heden hebt beschermd, en hooren zullen, hoe Gij ze nu hebt laten omkomen.

ie. Donm • • • nSaquot;1 vfap. Buiten het kunnen des Eeuwigen staat het, daarom slachtte Hij hen. Bij de vertaling; wegens het niet-kunnen, komt de 'i van Dcn!quot;i niet tot zijn recht en blijft onverklaarbaar. — Mozes laat een krachtig argument, den eed aan de voorouders, ongebruikt, en roert het slechts terloops aan, — omdat die eed ook zou gehandhaafd zijn, indien Mozes' nakomelingen het land in bezit nemen.

17. Daarom laat groot zich toonen de kracht van God en eenerzijds door de volkeren worden erkend, door Israël te sparen en het zijn land te doen veroveren, — anderzijds laat Üwe macht zich toonen en erkend worden door Israël, doordien Gij het vergeeft, — zooals Gij gesproken hebt, Ex. 34,6 en 7; met het oog op de mij daar geopenbaarde onuitputtelijke genade Gods vraag ik vs. 19: Vergeef toch. — nsto -ictoi, gelijk Gij gedragen hebt. nl. pr, misdaden, ten behoeve van het volk, run op1?; gelijk Gij dit volk gedragen of verdragen hebt, zou moeten luiden: run om n.s. — vs. 18 vat de beide zijden van de Ex. 34,6 en 7 gegeven openbaring: liefde en recht in de Godheid vereenigd, kort samen; Mozes mag hierom niet zwijgen; dat ten slotte Israels daad niet geheel ongestraft mag blijven, weet hijzelve ook; zijn doel is alleen het vreeselijke vonnis van direct uitsterven opgeheven te krijgen.

is. ran ijn. tut hiertoe, eig. plaatselijk; van daar ook van tijd: tot nu toe.

64

9

ocr page 133

T ^ nViy -id

nin» nm i hk-i: nrn Q^n sipa nin'

t jt - ■'T :quot; i; 1v -; av - ^tt v| ^v; ^ t :

dov Dn^ab -j^n nnx jij; na^rn onb^ -töjr ^2^1 nnK iy»K3 nrn D^n-nK nnnni : m iwynv0

at v j* : vv - jtt v -it - iquot; ; t :it {.'• j :

rt'y TiSna : ian^ ^Ö^TK D^n I-iöni

Dnb rnxn-VK nrn oyrrnK N^n1? nin»

av t ■J- : quot; v -: i *\t t «v ^ v - ^tt v • t ; t :

mai quot;i^KD ':iü nis «rV^ nri^i : -is-iaa Dtanty'i ^

tv.- • jv -:r at -: - ^ v.t -;^ ^t^- : it : • - vquot; t ; • -

n^:i m: ipn^ni Q'Sk ^quot;ik nin» : ia«b ^

: D^ir^ niaj* ])% ips n^r ab

d^1? imi) nn ^-1:2 nrn oyn mb xi-nbo^

'-•tt t tt lt;v -n- ; i av ; - v-» : v, ••quot; ^tt i ■) .' r - 1:

: mi2 'nnbo nin* ion'i : nan-n^i onvaa nrn3

Iivt : • • h-t t : v tiquot; ; -v.quot;: * * v -

■SD ^ : r-iKn-^rnK nin»-ni3D ttVa^ DVINI m

t j* j vit t t v vt : : r* t • ; at - : 33

onxan ♦nh*rnNi h^tik D^'m D^jxn

• ^-; * ; * j' t v -t - J v : • : v lt;• it • t-:it

20. innSD. Ik l,eb reeds vergeven op de door u aangevoerde gronden. De geheele bedreiging van vs. 12 gaf slechts aan wat Israël eigenlijk had verdiend, zonder dat het ooit in Mijne bedoeling lag er uitvoering aan te geven.

21- D^WCV Hoewel Ik heb vergeven, blijven zij niet ongestraft. Evenwel doe Ik den volgenden eed : zoo v:aar Ik leef en eens van Mijne heerlijkheid de geheele aarde vol zal zijn, enz. — psn Sa ra is onderwerp bij een lijdend gezegde. — nSs' is wat den vorm betreft wel een Srsj, maar misschien in werkelijkheid een Kal van den Pa'ël-vorm. Dan zou hier

beteekenen : vullen en zou psn S3 ra het voorwerp wezen; sS» kan namelijk zoowel vullen als vol zijn beteekenen. Men kan dus vertalen: de heerlijkheid des Eeuwigen zal de aarde vullen, — maar ook; de aarde zal vol worden van Gods heerlijkheid; de plaatsing der woorden spreekt meer voor het eerste. De zin is: zoo waar Ik leef en eens Mijne macht door gansch de wereld erkend zal worden. Maimonides maakt verschil tusschen het steeds van God gebrachte iJX in en de bij menschen voorkomende formule: de

eerste zou beteekenen: 200 v;aar Ik het leven h en in hoogste potentie; het laatste: bij het leven van enz.

22. 13, dat, na een ontkenningseeds-formulier, zou door nS moeten gevolgd worden. Wegens den langen tusschenzin wordt echter vs. 23 weer het 13 herhaald en dus de gewone regel gevolgd, dat //zweren dnquot; beteekent: ontkennen. — inra nsi ra d\sm enz. V. s. die Mijn heerlijkheid gezien hehl/en en Mijne teekenen, die Ik verricht héb enz.; anderen nemen, met de toonteekens, t'üj) -m, als bijzin bij beiden : nas en Tra, en verklaren deze beiden als één begrip; Mijne in iconderen zich uitende heerlijkheid, macht. — DinïB iüï, een rond getal; de Thalmoed vat het echter hier letterlijk op en zoekt de tien gevallen aan te geven.

ocr page 134

N U M E R I XIV.

en die Mij toch nu reeds tienmaal op de proef gesteld en niet

23 naar Mijne stem geluisterd hebben; — Dat zij het land niet zien zullen, dat Ik hunnen vaderen toegezworen heb; geen van allen, die Mij met minachting behandeld hebben, zullen

24 het zien. Mijn dienaar Kaleb echter, omdat er een andere geest bij hem geweest is, en hij ten volle Mij volgend heeft gehandeld, hem zal Ik in het land brengen, waarheen hij gekomen

25 is, en zijne nakomelingen zal hij het doen erven. De 'Amalekiet en Kena'aniet wonen in het dal; morgen wendt u om, en trekt weder de woestijn in, den weg op naar de Sehelfzee.quot;

26 De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aharon, als volgt:

27 „Tot hoelang zal het deze slechte gemeente nog vrijstaan, dat zij tegen Mij oproer stoken ? Het morren der kinderen Israels,

28 dat zij tegen Mij doen morren, heb ik gehoord. Zeg tot hen : zoo waar Ik leef, is het gezegde des Eeuwigen ! dat Ik, zooals

29 gij ten Mijnen aanhoore gesproken hebt, zoo u doen zal! In

23. Van Jehoshoea', die op andere plaatsen (vs. 30, cn 38 en in Deut.) met Kaleb genoemd wordt, werdt hier niet gesproken, misschien omdat hij nog geen twintig jaar oud was geweest bij de telling en dus niet onder het vonnis van vs. 22 viel, zooals vs. 29 blijkt; vgl. echter vs. 30, waar hij onder de uitzonderingen op den regel wordt genoemd en dus blijkt, dat hij wél onder den regel zou zijn gevallen. Ibn 'Ezra meent, dat Kaleb alleen genoemd wordt wegens zijn optreden in Num. 13,30. Anderen meenen, dat Kaleb alleen genoemd wordt, omdat het slot van het vers, de toewijzing van een bepaald deel des lands, alleen op hem van toepassing was. Jehoshoea' zou immers leider des volks worden (27,15) en als zoodanig zou hem vanzelve een woonplaats worden aangewezen. — i-ins tiSnvi = 'inx roSS en hij ten volle alles gedaan heeft om Mij te volgen.

24. not? JO nCN pxn iSj naar uit Jos. 14 volgt, Chehron; hij zegt immers, dat Mozes hem dit beloofd heeft. In wi (13,22) vindt Midrash een aanwijzing, dat Kaleb alleen daarheen zou gegaan zijn; dan zou ons vers dus direct op Chebron doelen. (Vgl. Deut. 1,36). — rucnv ijnti. V. s.; en zijn kroost zal het bezitten; het gebruik van den Vrsn is dan echter vreemd; anderen; en aan zijn broost zal hij het vererven, cmin, dat gewoonlijk met 'S verbonden wordt, hier dan met den vierden naamval, evenals Recht. 11,24;

25. Paar nu de 'Amalekieten en Kena'anieten wonen in het dal, achter den bergrug, waarvóór gij thans gelegerd zijt, en gij dus door voort te trekken een strijd tegemoet zoudt gaan, waarin Ik u 'niet zou bijstaan, — trekt terug, de woestijn meer in. — De naam Kena'anieten schijnt hier meer algemeen gebruikt te zijn, hoewel het niet onvereenigbaar is met de 13,29 aangegeven woonplaatsen der Kena'anieten, dat zij achter een bergrug vóór Kadesh ook woonden.

26 vv. In vs. 11—25 was de veroordeeling des volks in algemeene trekken aan Mozes aangekondigd; de hier volgende verzen, voor mede-deeling aan het volk bestemd, (vs. 28) bevatten de nadere bijzonderheden;

65

ocr page 135

T -f? rhv no

-DK : ^ipa xbi D'D^ö ïtpy ni 'hx isri lanam «

i* I ; { : it j : • ; v v« • •» -; - at ; • -

Nquot;? 'ïKJD-bD'i anbN1? ♦n^atï': quot;ity« rixn-nx IKI»

j -:i- : : ^ AT quot;,r : * -»v -: i vtt v :•

KbD'i ióv mn« mn nn^n aSs navi : nw ■»

v.quot; -;- ^ vv - - lt; t:it quot;t •j* . : t i ;•

: natyni» ivquot;in natb k3-quot;i^k rnNn-^x vnK^m nnx

tiv -i jt v -: | vt t v • r -;i- at-;i-

nanan onb 1:3 quot;ino po^a ^aam 'p^oyni quot;3

v,t : • - ■»••• t *0 ; : t t i vv*t — v ••* s ~ : ij*quot; t^jit;

Ö * : e]1D-D' -jn-T

'na-ny : iDH1? nnN-b^ n^a-^K nin» quot;laTi13

lt;t'%,it ~ t i •• i ^-:i- v : jv v r : 73

VnTit» »33 ni^n-nx ^ d»j^o nan im nsin hynn

quot; t : ^ : v at't v.quot; * quot; t jquot; r.' -: - 't^tit

■dn: Dn^K naN : ^a^ o^^a nan *iew «

•%: • t - v •• -: -• v: *: it t {.-*t •)• * - t5quot; v -:

nsnaa : os1? ntr^N ra *:TN3 oman N'TDK nin'^

-t : • - iv t jv •v;iv Kquot; ist;t ; ^v :- • jv -:r • t :

zii zijn tot Mazes en Aharon gericht, als de beide leiders des volks. (Vgl. Ex. 6,26).

27. njnn myS Vlö ipgt; tot hoelang zal het zijn aan deze slechte gemeente, zal het hun ongestraft vrijstaan; anderen: tot hoelang zal Ik vergeven aan deze slechte gemeente, waarbij dan verzwegen is. mrS

nnn, vgl. onze aant. vs. 1. De Thalmoed ziet hier in my de vergadering der tien verspieders; di^So beteekent dan: doen morren, tot morren opwekken. Het eerste versdeel spreekt dan over de verspieders: zij hebben door hun oproer stoken den dood verdiend; het tweede deel richt zich tot Israël: het gemor van Israël, dat zij, de verspieders, hebben aangestookt, héb Ik gehoord en ook het volk heeft dus straf verdiend; daarom zeg tot hen enz. (vs. 28); anderen meenen, dat ook hier my op het volk doelt, en beroepen zich op vs. 35, waar huns inziens mj) bepaald op het volk in zijn geheel slaat. (Ook daar echter kan dit woord van de verspieders alleen gebruikt zijn; vs. 32 is immers reeds het sterven des volks uitgesproken ; vs. 35 voegt daar nu aan toe, dat het sterven der verspieders op bijzondere wijze zal geschieden (wrp), en vs. 36 en 37 verhalen, dat dit inderdaad geschiedde.) Volgens deze verklaring beteekent o1'^» niet: doen morren, maar; morren, vgl. Ex. 16,7 en 8. De breedsprakigheid van ons vers is echter in deze opvatting wel wat groot; men verklaart dan: tot hoelang zal dit volk tegen Mij blijven morren, want ook nu weer heb Ik het morren der kinderen Israels gehoord, dat zij tegen Mij uiten; het morren is nu direct tegen Mij gericht; niet, zooals Ex. t. a. p. tegen Mozes en Aharon.

28. IBtf, enkelvoud, richt zich in het bijzonder tot Mozes. — ürha, tot hen, de laatstgenoemde Ssic ■ua. — sS dn, formule voor een bevestigenden eed; eigenlijk moet een nSs, inroepen van vloek, voorafgaan; maar ook al gaat, zooals hier, enkel eene nyiac, eene beëediging, vooraf, dan wordt toch dikwijls dezelfde formule gehandhaafd, omdat in eiken eed de vervloeking bij overtreding, hoewel onuitgesproken, gedacht wordt.— o.vn ibm, zooalt gij vs. 2 gesproken hebt.

ocr page 136

N U M E R I XIV.

deze woestijn zullen uwe lijken vallen, en al uwe gemonsterden bij al uwe tellingen, van twintig jaren oud en daarboven, —

30 zij, die gij tegen Mij aan het morren hebt gebracht. Dat gij niet zult komen in het land, waaromtrent Ik Mijne hand opgeheven heb, om u daarin te doen wonen ; behalve Kaleb, de

31 zoon van Jephoenné, en Jehoshoea', de zoon van Noen. Uwe kleine kinderen echter, waarvan gij gezegd hebt; „zij zullen tot buit zijn,quot; hen zal Ik brengen, en zij zullen het land leeren

32 kennen, dat gij versmaad hebt. Doch uwe, uwe lijken, zullen

33 vallen in deze woestijn. En uwe kinderen zullen in deze woestijn veertig jaren gelijk herders omzwerven, en uwen afval dragen, totdat het laatste uwer lijken in de woestijn gevallen

34 zal zijn. Naar het getal der dagen, dat gij het land hebt laten verspieden, veertig dagen, iederen dag tot een jaar gerekend, zult gij uwe misdaden dragen, veertig jaren; zoo zult gij

35 leeren kennen Mijne weigering! Ik, de Eeuwige, heb gesproken! zwerende, dat Ik dit ten uitvoer zal brengen tegen deze geheele

29. DD'US iSs1, letterlijk; zullen, uwe lijken vallen, d. i. zult gij als lijken neervallen; bij het vallen zijn zij natuurlijk nog niet dood. Deze woorden richten zich, naar de vs. 1 gegeven verklaring, in de eerste plaats tot de woordvoeders; oonps Sdi omvat dan het verdere volk: al de door u gemonslerden. Anderen; uwe lijken, tot het geheele volk gericht, — namelijk al uwe gemonslerden, de gemonsterden onder u. — ddisd» SsS, hij elke meer tellingen, waarbij immers, voor zoover het volk aangaat, alleen de mannen boven twintig jaar geteld werden; anderen; naar uw geheele aantal, een omschrijving dus van So in wnps Ssi. — Daar onder deze tellingen noch de vrouwen nóch de Levieten begrepen waren, meenen velen, dat dezen van het vonnis waren uitgesloten ; misschien hadden zij ook aan het oproer geen deel genomen. In werkelijkheid zien wij zoowel El'azar als Pienechas nog in leven onder Jehoshoea's regeering. Al waren zij echter niet onder het vonnis begrepen, dan is daarmede nog niet gezegd, dat ook alle hoogbejaarde vrouwen en Levieten in leven bleven tot de komst in het land; zij kunnen dan toch ten deele in de woestijn zijn gestorven, maar niet als straf, maar na hun levenstijd te hebben doorleefd.

30. DN? ontkenningseed; Ik zweer, zooals vs. 28 is gezegd, dat gij niet zult komen. — ons, met nadruk, in tegenstelling met den aanhef van het volgende vers. — 'quot;n ns tscj, Ik heb Mijne hand opgeheven om een eed te doen. Vgl. Gen. 14,22.

31. 032531, uwe kleine kinderen, niet juist: zeer jonge kinderen, maar algemeen : jonge menschen, hier; onder de twintig jaar. Evenwel verlieze men niet uit het oojj, dat bij een omzwerving van bijna veertig jaren, van hen, die nu reeds een leeftijd van dicht bij de twintig jaar bereikt hadden, nog wel heel wat zullen gestorven zijn, zoodat dsbo tegenover DDvaa van vs. 33 hier ook zeer goed in de gewone beteekenis van : zeer jonge kinderen kan gebezigd zijn, terwijl D3'J2 daar de reeds wat ouderen, dicht bij den twintig-jarigen leeftijd staanden aanduidt. —

geschreven als de andere vorm VljCOHI

32. DAV D3nj31, en mee lijken, die van u, met nadruk het bezittelijk aanhangsel 03— herhalend, — in tegenstelling met de kinderen.

66

ocr page 137

T ^ rhv id

on^ |3Ü DDispü-baS ban^s-VDquot;) obnjfi nfn pKrrbN iNnn bn«-DN : Qnvbn quot;it^N n^VDi n:^1'

I /- t t v •* t v - • it T r -: jv -: ^ tT^istt v,t t

niana aVa-DN »3 na oanx ra^b n^-rn 'nm:

V •-. ; I V Jquot; T • •lt; (ST V** ï v IJquot; quot; ï 'T V • TT lt;••• -J

♦nK^ani n»n» TaV oniDK oaaüi : nna ^

j. ••!••: av : r -•-t v,quot; ïquot; quot;» -»v ~s v ; - ; lil- •*

onx oanjsi : na DnpKp pxn-nN i^ti DnK ^ D^aiK Haisa vn» oa^aiquot; : nrn naisa ^

^ t : - t : • - : • •.•••; iv - ^t : • - v : *

iSDoa : naiaa oanjs orny oa^m^-nx iNtrii nity^

quot; : * : it : *, ~ {'■' quot; '• ' J av •• i ; v v, ï «t : t t

QI» njV1? DI* bi* D^aix pArrnK Dmn-quot;i^N o^ó'n

j tt- -• ^-t : - | v t t v v -: • t-

■nx anjnn niiy D^aiN Da'nïi^-nN imn n:^1?

• - r at t \.' t : - v •• -• ^-: v : • t t -

m^n-^a1? n^T i ü^-qh wat nirr ♦jn :

*t it t : v ,:iv j j • • :- • t : i* t i :

33. Qijn vn\ zuüen een herdersleven leiden, evenals herders, nomaden, rondzwerven; zooals Luzzatto opmerkt: niet onbeschermd ronddwalen, dut, maar: evenals herders, voor een bepaald doel werkend, dat hun voortbestaan verzekert. — rut» tyijms, gij zult zoolang rondzwerven, dat gij in het geheel veertig jaren in de woestijn doorbrengt; van het oogenblik der veroordeeling af nog ruim 381/5 jaar. — ostiijt, de gevolgen van en de straf voor meen afval, ontrouw aan God; v. s. wijst het meervoud op de nu reeds zou vaak gebleken ontrouw; ons vers is, evenals het volgende, zeker tot het geheele volk en niet enkel tot de verspieders gericht. — DsnjB Dn quot;ir, letterlijk; totdat op zijn uwe lijken, d. w. z. totdat de laatste man gevallen is; niet: totdat uwe lijken verteerd zijn, — daar met den dood van het nu oproerige geslacht de straf voor het volgende ophield.

34. Dmn, die gij, Israëlieten, door uwe gezanten verspied hebt, de zending geschiedde immers op den wensch des volks. Anderen: die gij, verspieders, verspied hebt; het schijnt echter uit vs. 37 te blijken, dat dezen direct stierven en op hen past dus het vonnis van veertig-jarige omzwerving niet. — rwS dv, eiken dag tot een jaar uitgebreid; voor eiken dag een jaar zou moeten luiden : dv1? rut'. — viswi. lie Hiph'iel beteekent: weigeren. verbieden, weerhouden; de Kal dus: weigering ondervinden; het zelfst. naamw. nsw, dat behalve hier alleen nog Job 33,10 voorkomt, beteekent nu: weigering, en wel v. s. hier: Mijne weigering u verder te beschermen, zooveel als: vervreemding; v. a. de tegenover Mij gepleegde weigering, de gevolgen van uwe weigering Mij te volgen.

35. üh DN VHSquot;!) ^ gesproken, zwerende en vervloeking inroepende, als Ik niet enz., dus: heb gezworen, dat Ik het volgende doen zal. — myn nrm, hier zeer waarschijnlijk: de verspieders, zie onze aant. vs. 27. — mn', zullen zij te gronde gaan op bijzondere wijze, en daar zullen zij sterven. Anderen meenen, dat ook hier onder mr het geheele volk begrepen is; dan beteekenen deze woorden: in deze woest Vi zullen zij tot den laatsten man sterven.

ocr page 138

HUMERI XIV.

slechte gemeente dergenen, die tegen Mij samengespannen hebben; in deze woestijn zullen zij vergaan, en daar zullen

36 zij sterven.quot; De mannen nu, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en die, na teruggekomen te zijn, de geheele gemeente tegen hem aan het morren hadden gebracht, door lasterpraat over het land te berde te brengen, —

37 Deze mannen, die den slechten lasterpraat van het land te berde gebracht hadden, stierven door eene plotselinge sterfte,

38 vóór den Eeuwige. Doch Jehoshoea', de zoon van Noen, en Kaleb, de zoon van Jephoenné, bleven in het leven, van die

39 mannen, die gegaan waren om het land te verspieden. Toen Mozes deze woorden tot al de kinderen Israels sprak, treurde

40 het volk zeer. Zij stonden den volgenden morgen vroeg op, en wilden naar den top van den berg opstijgen, zeggende; //Hier zijn wij, om naar de plaats op te trekken, waarvan de

41 Eeuwige gesproken heeft; want wij hebben gezondigd.quot; Doch Mozes zeide: «Waarom wilt gij overtreden het bevel des Eeuwi-

42 gen ? het zal immers toch niet gelukken ! Trekt niet op, want de Eeuwige is niet in uw midden ; opdat gij niet verslagen

43 wordt vóór uwe vijanden! Want de 'Amalekieten en de Kena'anieten zijn daar vóór u, en gij zult door het zwaard vallen ; want daarom — omdat gij van den Eeuwige afgeweken

44zijt, en de Eeuwige niet met u zal zijn.quot; Zij echter bestegen in dolle vermetelheid den top van den berg; doch de arke van het verbond des Eeuwigen, en Mozes, weken niet uit de

45 legerplaats. Toen kwamen de 'Amalekieten en de Kena'anieten af, die in dat gebergte woonden, en versloegen hen en vernietigden hen tot Chorma.

37. n£U03' door een plotseling intredende sterfte, 'n ■osS, ap Gods besluit, evenzoo üen. 43,33; of: door een klaarblijkelijk van God uitgaande sterfte, '3sS = ijsS». — Dat sterven schijnt plaatsquot; gehad te hebben op het oogen-blik, waarop het vonnis aan het volk bekend werd gemaakt. Zoo sluit het volgende vers direct aan.

40. iSjn, zij begonnen op te klimmen, of: wilden gaan opklimmen. — im, het gebergte, dat hen nog van Palaestina scheidde.

41. n «i m. het vs. 25 gegeven bevel om terug te trekken. Uit Deut. 1,42 blijkt, dat de woorden van vs. 42 door Mozes op Goddelijk bevel werden uitgesproken, en ook dit uitdrukkelijk herhaald bevel volgden zij, zooals vs. 44 blijkt, niet op. Daarop doelt Mozes Deut. 1,42. — sim, eti dit, wat gij nu onderneemt, — of: en dit, het overtreden van Gods woord, — kan nooit gelukken.

43. p h]! O» zie Gen. 18,5; want — daarom zult gij verslagen worden en moet gij dus niet optrekken — omdat gij afgeweken zijl enz. en daarom God niet met u zal zijn.

44. een twijfelachtig woord ; Ssr is een vestingmuur, die sterken tegenstand biedt, vandaar sommigen : zich als een muur in dm weg plaatsen,

67

ocr page 139

t quot;p rhv td

: w Dtri isn» nrn quot;isnaa anyvn ntiin n^in

^ r..t jt : ' ■)•.• - jt : * quot; at't i - r tit

uib'quot;! r-iKn-nN nn1? ntro n'jB'-iB'N ^

lt;• -- * •••quot;quot;*■ t v -gt; t V,quot; j' tm v -: • t^~ijt :

; pKrr^ nan «'yin1? nnyn-brnK vty*

* t mijt \t- | vit t ^ v,t * J' : t jt t v t x

-ra öB^ln^ : nin» nssaaa njn rixn-nai ^kïiq ^

I • r it : : • ^t •• - - ^.t^t | «att - • jquot; • i^

-n« nmb D^Vm nnn D^jNn-?o vn nss^-p nbm ni

v J t j t j' t-:it i * ^ t av \ ; i v t s i

VNTBquot;HVKH Dnann-riN ntro -qti : rnsn ^

aquot; t : * {quot; : t v v •• t j* t ; - v v lt;•• | vit t

inrr^T1?» quot;ip33 losty'i : i«ö Q^n iVaxn»')n

v.t t i v J iv - j- ; | : ^TT J l - lquot;

: mm »3 nin» quot;idn-IB'K Dipsrrbx win lo^1?

it t J' vt ï t v -t m t ~ v *t : ^ v • a ••

M1? Kim nirv Dn3^ onx n-t no1? niba ^

^ at^ ; -•• v ; n jv - .)••• Trr v v ■» -

iö33n «bi D33*ip3 nin» vu »3 : nbïn =»

: : «• :gt;\v. ,T : \ J- r quot;--c, - .T : •

3in3 Dn^öii D3,:a7 di^ 'pbo^n '3 : d3,3,n «

tat V ^v; - ; •.•••;• t j'^hr : - : l'quot;iT*hiT ' iv •• : i

: D3Sjr nin» nin» nn«ü bn3U'

iv t_ • : -»v; r i : t : jquot;-jr •• v : - llt;quot; - r

-üb nt^ai n,in^nn3 rn«i mn ibav'i ^

t^ ; r:^ I lt;-:i- at t •» v ^

quot;ra 3^n 'pSo^n -nn : n:nön 3quot;ipa i^o ™

-t t - *^1- : - : i * quot;it t it *.•lt;•- iv -i i— vljv • ^t

3 : nonnrrw Dquot;in3,i D13»! wnn

it : t i- v, : - - j a -

hardnekkig vasthouden; anderen zoeken verband met Sbn, en verklaren : blindelings handelen, mSïS iSsiquot;1! dan: in den blinde handelend bestegen zij; vgl. de uitdrukking: ntm Deut. 1,43, die ongeveer hetzelfde zegt. •— jrw enz. Hoewel de arke, die door haaf voorttrekken, en Mozes, die door zijn woord en door zich aan het hool'd des volks te plaatsen anders altijd het sein tot oprukken gaven, zich niet verwijderden, gat' het volk toch uitvoering aan zijn voornemen.

^5. irD,- ''in die bergs treek, daar vs. 25 gezegd is, dat zij in het dal woonden ; zij woonden in de vallei, achter liet door Israël te bestijgen gebergte, beklommen eerst de bergen en daalden aan de andere zijde weer af. Als Deut. 1,44 de Emorieten genoemd worden als de Israël hier bestrijdende stam, dan is dit daar algemeene naam voor een geheele groep van Kena'anietische volkeren, waartoe ook de hier genoemden behooren. — oiroii, volgens Elia Levita een Hiph'iel-vorm van ro: = D1iT3quot;1i v. a.

een Kal van dien stam = DIDS'I. de Chierik dan in Pathach veranderd,

om gelijkluidendheid met dum te verkrijgen; nog anderen van nro, en

wel of Pi'el = DIDTO1!. of Hiph'iel = Dirp'l. verbrijzelen, de legerbenden

geheel en al vernietigen. — namn ijr, terwijl zij hen vervolgden tot Chorma.

ocr page 140

N U M E R I XV.

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt; «Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen : wanneer gij in het land uwer

3 woonplaatsen zult gekomen zijn, dat Ik u geven zal; En gij een vuurgave ter eere des Eeuwigen bereiden zult, een brandoffer of een vredeoffer, wegens eene bijzondere gelofte, of als een vrijwillig geschenk, of op uwe feesttijden, om ter eere des Eeuwigen een lieflijken geur te bereiden, van het rund- of van

4 het kleinvee; Dan zal hij, die zijn offer ter eere des Eeuwigen brengt, ook brengen een meeloffer van één tiende [Epha] meel-

5 bloem, aangemengd met olie een vierde van een Hien. En wijn tot plengoffer, een vierde van een Hien, zult gij als offer bereiden

Hoofdstuk XV. Ook hier rijst weder de vraag omtrent den grond der groepeering van de stof in den Pentateuch. Terwijl sommigen aannemen, dat de hier volgende mededeeling van wetten en gebeurtenissen eenvoudig de orde der openbaringen en feiten volgt, meenen anderen, dat er innerlijke gronden voor de plaatsing dezer wetten zijn aan te geven. Men neemt dan aan, dat deze wetten, hoewel Mozes op den Sienai medegedeeld, op Gods bevel hier eerst of nogmaals in den breede aan het volk werden medegedeeld. Ibn 'Ezra en Naciim. meenen, dat de wet vs. 1—16 ten doel had om bij het geslacht, dat in den treurigen tijd der omzwerving opgroeide, de hoop op de toekomst op te wekken en levendig te houden en hun blik op het beloofde land te richten; daarvoor werden hun wetten bekend gemaakt, die eerst in Palaestina zouden gelden (1—16 en 17—21). De wetten van vs. 22—31 sluiten dan bij de pas verhaalde feiten aan, vooral vs. 30, dat van opzettelijke weerspannigheid spreekt, — het vergrijp, waaraan Israël zich zoo juist had schuldig gemaakt; — de bepalingen voor dergelijk vergrijp, in dwaling gepleegd, worden dus gegeven om vs. 31 en 32 als tegenstelling daar tegenover te plaatsen en tegelijk aan te toonen, dat de Israël opgelegde zware straf nog genadig was, vergeleken met den ernst van hun misdrijf en de uitroeiing, die zij verdiend hadden.— Deut. 1,45 en 2,1 wordt gezegd, dat zij te Kadesh langen tijd bleven en eerst daarna gevolg gaven aan het 14,25 gegeven bevel, de woestijn dieper in te trekken, terug in de richting naar de Schelfzee. In het algemeen worden ons uit de 38 jaren van omzwerving slechts enkele feiten medegedeeld, eenvoudiquot; omdat er niet meer vermeldenswaardige gebeurtenissen plaats hadden. Het geleidelijk uitsterven van de strijdbare mannen behoeft niet vermeld te worden, juist omdat het geleidelijk geschiedde. Hoofdstuk 33,19—30 geeft ons een aantal verblijfplaatsen op gedurende de reis. die 20,1 wederom te Kadesh eindigt in de eerste maand van het veertigste jaar. Daar de meeste daar genoemde plaatsen niet met zekerheid zijn aan te wijzen, kan men geen overzicht van de reis vormen, duidelijk genoeg om het volk op zijn tocht te volgen.

2. Davano fIX. het land meer woonplaatsen, het meervoud in afgetrokken beteekenis, dus = het land uwer blijvende woning, waar gij dan voor goed u zult vestigen, tegenover •puo bij de aartsvaderen (Gen. 17,8). — Naar r. Jishma'el drukken deze woorden uit, dat de hier volgende wet, die in de woestijn voor particuliere offers niet gold,eerstin werking zou treden na de blijvende vestiging in Palaestina en dus tijdens de verovering en verdeeling niet zou gelden. II. 'Akikba daarentegen, uitgaande van het denkbeeld, dat ook in de woestijn bij particuliere offers de hier gegeven wet reeds gold, verklaart onzen tekst: ook wanneer gij komen

68

ocr page 141

id -j1? nbr no

nnoKi bKquot;)^ nan : iaNb n^ö-^K nin» : Dpb |n: D^niipio px-^K i^an »3 Dn1?»

ninjn ix1—nrx^a1? narix rh'y nin^ nt^N Dn,^,ij

t t : * -• vv •• - : - v jt t i- lt;v • v • ^1-

■fD ik quot;ip2n--?o nh'b nn^ nn ni'^S oanyba ik

i • j ktt^~ • * t i- - . - cquot; ^—.r av •• -: i : ^

nVp nn:p ni'n^ iJ3npT anpan snpni :

nti^ri pnn : \m pnn n^ana btiz*

zult in het eens door u t e hew on en land, en gedurende den ver-overingstijd het brengen van offers niet aan een bepaald heiligdom zal zijn gebonden, maar ook op privaat-altaren zal kunnen geschieden, — moet gij toch ook daar deze wet opvolgen.

3- nar W Thy- quot;3' = naT, een vredeoffer, en wel beide soorten, eenvoudige zoowei als dankvredeoffers omvattend; alleen bij deze offersoorten dus, die ook onverplicht als vrijwillig offer kunnen gebracht worden, geldt deze wet; doch dan ook bij alle brand- en vredeoffers, ook bij de verplichten. De volgende woorden geven slechts voorbeelden, daar de beide eersten van vrijwillige geloften, maar D3iiï»2 van verplichte feestoffers spreekt. Over vu sSb1? zie Lev. 22,21; over nu en ran Lev. 7,16. — oanrDa. Bij de feesten werden brandoffers gebracht, msi mVir; (vgl. Ex. 23,15; 34,23 en Deut. 16,16), en vredeoffers, ruran 'abo. Ex. 23,14. — Onder de wet vallen dus niet die offersoorten, die alleen als verplicht en niet ook als vrijwillig offer kunnen gebracht worden; eerstgeborenen, tienden, Pésach, zond- en schuldoffer. — jssn f» is ipan jn, dus niet bij een vogelbrandoffer. Hier wordt alleen van particuliere offers gesproken. Voor de offers der gemeente was reeds Ex. 29,40 en 41 voor het dagelijksch offer en worden Num. 28 en 29 bij de bijzondere feestoffers plengoffers voorgeschreven. (Vgl. ook Lev. 23). Dezelfde quantiteiten gelden ook voor de offers der gemeente.

4- anpon. wie brengt, de eigenaar van het offer, moet naar het voorhof des helligdoms tot den priester brengen enz.; of; hij, de priester, die den offerdienst verricht, moet ten offer brengen; mij komt het eerste waarschijnlijker voor. — Si1», mann. bij jtot; vs. 6. n^iSa, vrouwelijk, bij n^D; vs. 9. brta dwjj niïSo nSo, waar het mannelijke, enkelvoudige Vta nóch op het vrouwelijke pSd, nóch op het meervoud twicr kan slaan, moet men verklaren: deze massa aangemengd enz. — p-icr, een tiende van een Epha. De Epha heeft drie Sea, de Sea zes Kah, de Kab vier Log a zes middelmatige kippeneieren. De jvroy dus = 431/5 ei. — Over nSna zie Lev. 2,4. — pnn ivraia, een vierde van een Hien. De Uien, groote maat voor natte waren, heeft twaalf Log, is dus gelijk drie Kab. Het kwart van den Hien is dus drie Log = 18 eieren.

5. nrjm. zult gij als offer bereiden, overgang van den derden in den tweeden persoon. — -insn csdS, voor ieder schaap, waaruit uw brand- of vredeoffer mocht bestaan. — Het meeloffer bij de dieroffers onderscheidt zich in zooverre van het eenvoudige meeloffer (Lev. 2), dat er geen wierook bij komt en het in zijn geheel verbrand wordt, zonder dat er eene//handvolquot;' van genomen wordt. Het plengen van den wijn geschiedde niet op het vlak van het altaar, — maar de wijn werd in eene opening aan den

ocr page 142

N Ü M E R I XV.

6 bij het brand- of dieroffer, voor ieder schaap. Of bij een ram zult gij een meeloffer bereiden van twee tienden meel-

7 bloem, aangemengd met olie een derde van een Hien. En wijn tot plengoffer, een derde van een Hien, zult gij brengen

8 tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen. Bereidt gij echter een jong van een rund als brand- of vredeoffer, wegens eene bijzondere gelofte, of tot vredeoffer ter eere des Eeuwigen, —

9 Dan zal hij bij het jong van een rund tot meeloffer brengen : drie tienden meelbloem, aangemengd met olie de helft van een

10 Hien. En wijn, zult gij brengen tot plengoffer, de helft van een Hien, een vuurgave, tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwi-

11 gen. Zoo zal bereid worden bij iederen os of bij iederen ram,

12 of bij een lam onder de schapen of onder de geiten. Naar het getal dat gij brengt, zoo zult gij bereiden bij ieder, volgens

13 hun aantal. Ieder inboorling zal zoo ze bereiden, om een vuurgave te brengen, tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen.

14 En wanneer een vreemdeling zich bij u ophoudt, of wie in uw midden zich zal bevinden, bij uwe nakomelingen, en een vuurgave, tot lieflijkeH geur, ter eere des Eeuwigen wil be-

15 reiden; — zooals gij moet doen, zal ook hij doen. Vergadering!

Zuid-Westelijken hoek van het altaar gestort en liep vandaar naar den bodera onder het altaar.

6. of, indien het daarentegen is; vgl. Lev. 13,16 en 24. — aas is een schaap onder het jaar-, Ss boven de dertien maanden. Uit vs. 11 blijkt, dat voor geiten, zoowel onder als boven het jaar, altijd dezelfde hoeveelheden gebruikt moeten worden als bij jonge schapen.

8. npa p is soortnaam, dus niet; een jong rund, raaar: een jong van een rund; hierbij is ook geen verschil in leeftijd; voor een S;r, een kalf onder het jaar, of een is of w, een volwassen rund zijn meel- en plengoffer gelijk. — d'aSc in na nSb1?. Uit deze tegenstelling blijkt, dat hier onder vu shu een brandoffer wordt verstaan. Gewoonlijk staat tegenover n: steeds nan: en tegenover diisS» steeds n^iï1. Vredeoffers zelve tocli kunnen, evenals brandoffers, zoowel ru als roi: zijn; men kan beloven een bepaald dier of een nader aan te wijzen dier als brand- of als vredeoffer te brengen. Daarom verklaren soraraigen hier D'nSo als: betaling eener vrijwillig op zich genomen schenking = nau

9. anpni. overgang uit den 2den persoon in vs. 8, naar den derden; vs. 10 gaat weer in den 2den persoon voort.

10. HlTNi vuuurgave, kan in den eigenlijken zin alleen met het oog op het meeloffer gebezigd zijn, daar het plengoffer, zooals wij zagen, niet op het altaan-uur komt. De zin is dus: het geheel, meel- en plengoffer, is iets, waarvan een gedeelte op het altaarvuur komt. Vgl. Lev. 24,9; evenwel hier: het meeloffer.

ii- rm precies zoo, naar deze maten. — zal bereid worden als offer. — rwV, voor een jong dier, algemeene naam voor beide kleinvee-rassen. Daar wél tusschen »35 en W, niet echter tusschen rr en quot;wo een verschil is aangegeven, moet bier onj'a n» als soortnaam worden opgevat. Voor

69

ocr page 143

ID 'P nSiy E2D

nnw ik : nn^n ^D3b pd^ IK nVyn-1?^1

t : • -,... 1; ,- • - t lt; it vit vvv- -lt;st- -• ^t it

^D?1? r'l : pnn \:t nVo'

-jan^n-p') * : nin^ nn^rnn. anpri pnn nw)pquot; anpm : nin»1? D^D^-IK ■nrN^aV nariK n1?^ quot;ipa®

«•):•: it i- i* t : i vjv •• - ; # -at ^ -t^ Iv,tt

♦xn nty1?^ nVo nnia -ipan-rrV^

j- -j i v^v - j t a- : *v ^t ; v v, t : • Itt - i v ^

: nirr1? nn»rnn nm rnn ♦xn tids1? nnpn : rnn1

it r - k ' - iquot; Jquot; ' I a- - -» -1 l/.\v - ^rl; - l*r: » i* -

D^annryiN nnxn IN nnxn

v,* t ; - jv - i at v it •j- t v t v it - v ~riquot; tjt

: DiöDD3 wyn nD2 im naoDa :D^3 IK-1

itt : • : vt v it j i - t-)t a -: r •»•.• -: v.t ; • - i * it j

rirvrnn ntrx anpnb nbx-nN narn^' nnrNn-Va ^

- v . ~ ,•* ^ jquot; * : - : vaquot; ^ v ^ t».tq v •Hr Jt: v it t

Db^mnV in quot;12 ddfin nw-^i : nirr'?^

v •• -• ; v : 1 ; v -j lt; •• v : • t r : it i-

Snpn : Tivy p i'^vn 11^x3 nin^ nfrrnn na'N n'^i«

T J T - IV ^IIquot; I Jquot; ^ quot;liquot; JV -11- AT I* * t * - Iquot; Jquot; * JT T :

alle geiten, jong of oud, is het meel- en plengoffer dus gelijk. Mogelijk is ook, dat geiten, evenmin als bij gemeenteoffers, door particulieren voor brand- en vredeoffers veel gebruikt werden; kwam het voor, dan misschien uitsluitend jonge dieren, die om deze reden dan hier alleen genoemd zijn, terwijl van oude geiten als offer, als zeer ongewoon, geheel gezwegen wordt.

12. ^3303, Naar het aantal offerdieren, dat gij als offer brengt, zoo,in de genoemde hoeveelheden, zult gij voor ieder der dieren afzonderlijk het meel- en plengoffer bereiden, naar hun, der offerdieren aantal. Lbn 'Ézra : naar hun voorgeschreven getal, volgens de opgegeven cijfers der verschillende grondstoffen van meel- en plengoffers.

13. m'fCn S3gt; ieder inboorling moet dezen zoo brengen, irnpnS, b ij het brengen van enz.; het staat dan als algemeen voorschrift hier toch, om de wet van het volgende vers: omtrent den vreemdeling, er aan vast te knoopen. Anderen verklaren 3gt;ipnS om naar behooren te brengen. — De Thalmoed verklaart; ieder inboorling mag zoo, in deze hoeveelheden, ook dezen, meel-en plengoffer alleen, zonder dieroffer, brengen, o m zoo te brengen enz., d. w. z. wanneer het zijn doel is een offer te brengen als vrijwillig geschenk, kan hij bijv. beioven een meel- en plengoffer, zooals dat bij een rund of schaap zou moeten gebracht worden.

14- quot;m1 'Dl. als nu zich bij u ophoudt een u, een tot het Jodendom overgegaan niet-Israëliet, p-iï n, — of iemand, die in uw midden zal zijn in uwe nageslachten; — Ibn 'Ezea juist omgekeerd: als eens later iemand als u in uw midden zal leven, of iemand, die nu reeds in uw midden is, en bij uwe nageslachten, in eenige toekomst, zal willen bereiden. Anderen: als iemand van buiten Palaestina zich bij u als -u zal vestigen, of iemand, die, in Palaestina geboren en bijv. op grond van zijn erkenning van den Joodschen Godsdienst gespaard, in uw midden zal zijn bij uwe nageslachten en zal willen enz. Dit laatste komt mij het meest waarschijnlijk voor.

15. Snpn. gijgt; vergadering des volks, v. s. evenals Lev. 4,13 de vertegen-

ocr page 144

N U M E R I XV.

ééne wet is er, voor u en voor den vreemdeling, die zich [bij u] ophoudt; eene eeuwige wet voor uwe nakomelingen ;

16 gij en de vreemdeling zult gelijk zijn vóór den Eeuwige. Eéne leer en één recht zij er voor u en voor den vreemdeling, die zich bij u ophoudt.quot;

18 17 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: wanneer gij in het land komt,

19 waarheen Ik u breng; Dan zal het zijn: als gij van het brood des lands zult eten, zult gij eene heffing nemen voor den

20 Eeuwige. Als eersteling van uw deeg zult gij een broodkoek als heffing nemen ; als de heffing van de schuur, zoo zult gij

21 ook dit als heffing nemen. Van de eerstelingen uwer deegen zult gij ter eere des Eeuwigen eene heffing geven, bij uwe

22 nakomelingen. — En wanneer gij in dwaling al deze geboden niet vervult, die de Eeuwige tot Mozes gesproken

woordigers des volks, die met de zorg voor de handhaving van wet en recht belast zijn. — un aan te vullen; naris. — i» d33, de dubbele '3 bij de twee leden eener vergelijking is gewoon in het Hebreenwsch: m.-p ua D33 = rrrp un D33. Hier wordt dus den vreemde dezelfde verplichting opgelegd, als den inboorling; zij mogen niet hunne eigen gebruiken volgen.

16. HStrOI kan ook op de bepalingen omtrent de offers slaan. (Vgl. Lev. 9,16). De uitdrukkelijke en herhaalde vermaning omtrent de gelijkstelling van vreemde en inboorling wijst echter op een meer algemeene uitbreiding van het voorschrift en men verklaart dus meestal: één leer en één recht, ook op gebied van godsdienstig en rechts-leven volkomen gelijkstelling ! In tegenstelling met het vorige vers geeft dan het onze de gelijkheid van rechten aan tusschen vreemde en inboorling.

1®- DDJ03- Terwijl gewoonlijk zooals vs. 2 von '3 gebezigd worden, wordt hier de uitdrukking D3S33 gebruikt. Rashie verklaart op grond van Siphré de eerste uitdrukking: als gij gekomen zult zijn, = gevestigd zult zijn; de tweede: zoodra gij komen zult, zoodra gij den bodem zult hebben betreden.

19. DaSsiO» a's 9y eten U)iiïgt; zooals uit het volgende vers blijkt, niet vóór het eten, maar reeds vóór het bakken, terwijl het deeg nog in den trog is. — nnnn, iets afgezonderds, vgl. Ex. 25,2. — 'rh, ter eere des Eemci-gen, door het aan een priester te geven. — psn onStt. Onder het begrip DnS valt alleen een tot een op brood gelijkend product verwerkt baksel uit een of meer der vijf graansoorten: tarwe, gerst, spelt, haver en rogge.

20. MHDII/) v. s. uw brooddeeg, v. a. de baktrog, en vandaar eerst: de inhoud van den baktrog, het gekneede deeg; het woord noni1 komt in den Thalmoed ook in den zin van: wieg, bak, waarin een kind ligt, voor. — 03/1013) rpBN-i, het eerste van uw deeg, d. w. z. een gewijd deel, evenals de eerstelingen der vruchten zijn; de zin is niet: het eerst bereide stuk, — daar bij het kneden het geheele mengsel tegelijk bewerkt wordt, en aan bakken, waarbij van eerste sprake zou kunnen zijn, hier niet gedacht wordt. — nSn, eig. een broodkoek, v. d. algemeen: een stuk brood; noch de hoeveelheid noch de wijze van gebruik wordt duidelijk aangegeven. Het laatste wordt evenwel door den naam rmiip, die eraan gegeven wordt, voldoende bepaald, als voor den priester bestemd, die het eten moet. (Vgl. 18,12 en 13). Ook

70

ocr page 145

IÜ I1? nbiy y

quot;133 D32 npn nan nabi D31? nnx npn

jquot;- •)••• t v •• j ; t at- -»••- : t •)- quot; Ijt\

na1?! 03^ n^n» nnx üsirai nnx min : nirr ^aquot;?

- : rtv t -»v :r v jt ; • •)- - jt it : jquot; ; • c-*:i*

a * : dddk nan

iv ; • jtquot;

müKi V^n^» ^Tba nan : noxb mvbx nin» nann ^

v.t : - it : •• t : • Jquot; : v •• - i ••_ jv v ^t : r* -;-ngt;

: nm Dan« K'aa n^sj ^nsn-^K oaxaa Dn1?»

^ t it : v j' •• •)• -j jv -: | v t t v v -: i ; lt;sv •• -j

h^Kn : mn^ nöinn mnn rnwn onbo oa^axa n'^ni ^

it i- V.t : -gt;• t | vat t V-'V • ^V ; t -J_r t t : 3

: nnx lonn ra ?na nüinna ncmn lann mn aanbn^

it j* t kquot; i V -i- ; • at : •j\ t V.t - V •• -• -^-r

♦at D *:Da,nnnt?nQinnnin^ lann DamDnvn^Nnoquot;

•gt;' : iv ^ ; at : vt i- j ; * •.• ••-» ^ quot;iquot; 33

nin» nan-it^N nton n'iïsn-^a nK i'^n laa'n

: jv ' v v ftquot; t \.i ' ' t jquot; : iquot; j ; : •

de naam jtuïni wijst daarop. — De traditie ziet in Mwnr tegelijk de mininmm-quantiteit aangeduid, die een deeg onder de plicht van Challa doet vallen; het is namelijk de in een maal gemengde hoeveelheid, noodig voor de voeding van een persoon gedurende een dag, welke volgens Ex. 16,16 en 36 een 'Omer = een ppp = i3l/s ei bedraagt. Hoeveel gegeven moet worden, heeft hier, evenmin als bij Theroema, oorspronkelijk eenige vaste bepaling. Challa is de gewone naam voor deze helling geworden. — nmtna

Ïu,u, gelijk de heffing van de schuur, d. w. z. van den inhoud van de schuur, iet koren, waarvan, nadat het gedorscht is, de helling moet gegeven worden aan den priester. — p;, de schuur of dorschvloer, de plaats in het open veld, waar het koren gedorscht wordt.

21- Dirn-nS, uwe nakomelingen. Volgens ééne opvatting in den Thalmoed; alleen zoolang gij allen in Palaestina zijt vereenigd; dan is na den ondergang van den eersten tempel ook in Palaestina, en daar buiten altijd de Challaplicht een rabbijnsch voorschrift. Ter instandhouding van de herinnering aan het voorschrift wordt nog heden Challa afgezonderd, doch niet aan den priester gegeven, die het als onrein toch niet zou mogen eten, maar eenvoudig verbrand.

22—31. Het hier behandelde vergrijp is: niet doen van alle geboden, die God geboden heeft, vs. 35, door Aiozes, sinds den dag dat Hij tot Mozes gesproken heeft, en verder. Uit het verschillend ceremonieel blijkt, dat het geval, hier behandeld, niet hetzelfde is als dat van Lev. 4,13 en 27. Terwijl daar gesproken wordt van: doen van een verbod, schijnt hier sprake te zijn van: niet-doen; men zou dan msKn Sd kunnen verklaren: alle geboden, en zou dan krijgen het geval: dat iemand afvallig is van de geheele wet; of: als gij niet doet, v;at God heeft geboden, maar het tegendeel, of: niet opvolgt zijne verheden, daar Lev. t. a. p. verboden worden genoemd: wï'iti nS quot;ion niSD- I'1 al deze opvattingen komt men tot het resultaat, dat hier van een zeer ernstig vergrijp sprake is; aan nalatigheid in de vervulling van één der geboden te denken, gaat niet goed, daar wij nergens straf vinden, noch een zondoffer voor particulieren, voor dergelijk vergrijp van nalatigheid. — Er is hier, naar de traditie, sprake van afgodendienst, die eene geheele ontkenning der Thora in zich sluit. Uit vs. 24, nnt'j';, er is iets geschied, blijkt trouwens ook, dat niet eenvoudig van niet-doen

ocr page 146

N U M E R I XV.

23 heeft; — Al wat de Eeuwige voor u door Mozes geboden heeft, van den dag af, dat de Eeuwige geboden heeft, en verder bij

24 uwe nakomelingen ; Nu zal het zijn: wanneer verborgen voor de oogen der gemeente het in dwaling gedaan is, dan zal de ge-heele gemeente bereiden een var, jong van een rund, tot brandoffer, tot lieflijken geur ter eere des Eeuwigen, en zijn meel-en zijn plengoffer, naar het voorschrift; en één geitenhok tot

25 zondoffer. En de priester zal de verzoeningshandelingen doen voor de geheele gemeente der kinderen Israels, en het zal hun vergeven worden; want eene dwaling is het, en zij — zij hebben hun offer gebracht, een vuurgave ter eere des Eeuwigen, en hun zondoffer vóór den Eeuwige, wegens hunne dwaling.

26 Dan zal aan de geheele gemeente der kinderen Israels vergeven worden, en den vreemdeling, die zich in hun midden ophoudt;

27 want [het overkwam] het geheele volk in dwaling.—Indien echter een persoon door dwaling zondigt, dan zal hij eene vrouwelijke

28 geit onder het jaar tot zondoffer brengen. De priester zal de verzoeningshandelingen verrichten voor den dwalenden persoon, daar hij door dwaling gezondigd heeft, vóór den Eeuwige;

sprake is, maar wel degelijk van eene overtredingsh an del in g. Sommigen verklaren nu: als gij eens zoo ver zoudt afdwalen, dat gij niet meer zoudl willen doen enz., d. w. z. als gij afgoden zoudt dienen en dus de verbindende kracht der wet ontkennen. Waar een offer ter verzoening eener slechte daad voldoende is, is natuurlijk van in dwaling gepleegd vergrijp sprake, wen oi.

23. '0' U zich richtend. — dw ja, indien gij niet doet, al wat God voor u door Mozes geboden heeft van den dag af, dat Hij het eerste gebod hoeft gegeven, en verder wat Hij nog gebieden mocht, hij uwe nakomelingen-, de zin is dus: indien gij of een uwer nakomelingen de geboden Gods, die Hij ooit gegeven heeft, niet zult opvolgen. Mendelssohn: indien gij, van den dag' af dat God geboden heeft of later, niet zult opvolgen wat Hij heeft geboden; m. i. minder waarschijnlijk.

24. myn v. s. vanwege de oogen der gemeente, de oogen der gemeente beteekent v. s. de vertegenwoordiging, de raad der 70 oudsten; indien van hen uitgaande, door hun dwaling dus, de zaak geschied is in dwaling door de gemeente; v. a. verborgen voor, onttrokken aan de oogen der gemeente, in denzelfden zin: doordien de zaak verborgen was, niet goed bekend was aan de oudsten en zij eene verkeerde beslissing hebben gegeven (vgl. onze aant. Lev. 4,13). Nog anderen: doordien het ontging aan de oogen der gemeente, d. w. z. de geheele gemeente handelde in onwetendheid ; in de beide laatste opvattingen moet het woord oSr: vóór vjja bijgedacht worden. — nwïo, vrouw, als onpersoonlijk : het is geschied, eene positieve daad, dus niet enkel omissie. — ion, rfe gemeente moet op hare kosten laten ten offer brengen door den priester (Lev. 4,14). Lev. 4,13 v.v. was voor eene andere dwaling der gemeente een var als zondoffer voorgeschreven ; hier bij afgodendienst der gemeente een var tot brandoffer en een geitenhok tot zondoffer. In strijd met den gewonen regel, dat het zondóffer vóór het brandoffer gebracht wordt, gaat hier het brandoffer aan het zondoffer vooraf, wat de Thalmocd in de defectieve schrijfwijze

71

ocr page 147

ilj -jb nVtr Ny

-?o rró-rs nin» nix Vik : ntyo-^M«

1- a... v ,■..••-= ot : st- v -. t •• .v

dn rvrn : QD^mib nx^ni nin» mï Di»n^

jt. *1. ,.• tt: •••• quot; • : t ht t -jt : st • v -:

nn« 'iprta quot;is rnjrr1^ nn'^y: nivn

t v it t i v j- T it t -• •t : # tt : ^ ^ -t : •Viv lrT ,T

-)^i üöb'D? I3p]i innjüi nin^ nn»; nngt;

nn^r1?^ frün i|pi : n|nb nnx ^ nin^ nianp-nx win om «in nai^-'a an^ nboji *

t i- JV • tt :It v .....: • -«tt : i* avt j- : • ;

^2 hiv-bDb nin» ^ onNtam13

j.. . -lt;. t : - : • : itt : • vt : r* : * ot t - : ^

-dni d *: n3^2 orn-bd1? '3 DDina nan nabi |'é

• ; itt : • ^tt t ; r «st : -t - : •• t: • o

: nxtsn1? nruirna ry nnnpm najira Nünn nnx irs:

it - : v.tt ; t •)•!: * : att : • jt v: iv v.- - vjv

njn; 5^ rejr? nKtana rajyn toTrbs fan is?iquot;=

ncn1? voor nsxnS aangeduid vindt; het schuldoffer speelt een ondergeschikte rol. — De hier genoemde bok tot zondoffer behoort tot de niscn nwJS ; het bloed wordt in het heilige gebracht en tegen het voorhangsel en op het gouden altaar gespat, terwijl het vleesch, na offering der vet-deelen, geheel verbrand wordt. (Zie Lev. 4,4—21). Naar de traditie bracht iedere stam afzonderlijk zulk een offer.

25. D33quot;lp DN' brando/fer, dat in zijn geheel een vuurgave is ter eere des Eeuwigen, en hun zondoffer, dat vóór den Eeuwige komt in het heilige; anderen 'n 'JfiS ...wan, en zij hebben hun brandoffer en hun schuldoffer gebracht vóór den Eeuwige.

26. den zelfs zich maar in het land ophoudenden, dwo, vreemdeling, niet-proseliet, den at/in u, die slechts zijn heidendom had afgezworen, zal ook de handeling in dwaling verbeven worden. —njjea nrn SsS'3, wanlt; Aelt; is geschied, overkomen, voor het geheele volk in dwaling; zoo reeds de zoogenaamde vertaling van Jonathan. Mendelssohn : want het wordt het geheele volk, ook den onschuldige, als dwaling aangerekend; de eigenlijk door hun gebrekkige kennis schuldigen zijn de leden van het hoogste reentscollegie;

zeer onwaarschijnlijk. De woorden vormen tevens den overgang tot het volgende: dit heeft te geschieden, wanneer het geheele volk in dwaling handelt; — indien echter één persoon enz.

27. Jtt, als elk particulier zondoffer, van het vrouwelijk geslacht (Lev. 4,28). Het geval is hetzelfde: een enkel persoon, die in dwaling, zij het ook op grond eener beslissing van het gerechtshof, afgodendienst heeft gepleegd. Het offer is hier vast een geit, terwijl Lev. 4,27 en 32 de keus Iaat tusschen geit en schaap. Het is hier verder een gewoon ruwn nscn, dat, nadat het bloed op de vier hoeken van het brandofferaltaar is gestreken en de vetstukken verbrand zijn, door den priester wordt gegeten (Lev. 4,29—31 en 6,17—23).

28. 'D behoort bij -isoi, niet bij nscra. — In onze vertaling komt duidelijk uit, dat fhi 133S niet een eenvoudige herhaling van ibdi is,

maar een nieuw zindeel inleidt; de stam ieo is hier in zijne beide be-

ocr page 148

N U M E R I XV.

om verzoening voor hem te doen, opdat hem vergeve worde.

29 Wat den inboorling betreft onder de kinderen Israels, en voor den vreemde, die zich onder hen ophoudt, — ééne leer zal

30 er voor u zijn, voor hem die door dwaling handelt. Doch de persoon, die het met opgeheven hand doet, hetzij van de inboorlingen of van de vreemden, den Eeuwige lastert hij; en die persoon zal uit het midden van zijn volk uitgeroeid wor-

31 den. Want het woord des Eeuwigen heeft hij veracht, en Zijn gebod verbroken; uitgeroeid zal die persoon worden; zijne misdaad komt op hem zelve.quot;

32 Toen de kinderen Israels in de woestijn waren, vonden zij een

33 man, hout sprokkelend op den Shabbathdag. Zij, die hem gevonden hadden terwijl hij hout sprokkelde, brachten hem tot Mozes

34 en tot Aharon en tot de geheele gemeente. Men stelde hem in verzekerde bewaring; want er was geene bepaling gegeven.

teekenissen gebruikt; de verzoeningshandeling doen, en: verzoening tot stand brengen. — n^isna. of: hij het zondigen, met achtergevoegden

'n, zooals vaak bij de onbepaalde wijs voorkomt, of: hij haar zondigen = n$BPD. evenals vs. 31 wij) e. a. p.

29- rmn 8taat absoluut vooraan, voor mtssS; anderen lezen het door met het vorige vers: uVi ... mtsn iS en hem — den inboorling —

zal vergeven worden en den vreemdeling enz. — rw mx min, het mann. werkw. nvrquot; hier onpersoonlijk te verklaren: er zal zijn, vgl. Ex. 12,49 e. a. p. — Deze algemeene regel geeft naar den Thalmoed de criteria voor de misdrijven aan, wier overtreding in dwaling door een zondoffer verzoend kan worden. Zooals vs. 30 blijkt, is de opzettelijke overtreding hier met uitroeiing bedreigd; terwijl wij reeds boven gezien hebben, dat hier aan eene overtredingsAartdeftn^ gedacht wordt. Alleen dus bij zulke verheden, op wier opzettelijke overtreding de straf van uitroeiing staat en die door een daad begaan kunnen worden, wordt, in geval van overtreding in dwaling, een zondoffer gebracht (vgl. Lev. 4,2, pag. 11).

30. nm T3. met opgeheven hand; Ex. 14,8 en Num. 33,3 in den zin van: als overwinnaars, met vrije, onbeperkte macht; zoo ook hier: met opgeheven, zich van God onafhankelijk voelende hand. Deze krachtige uitdrukking en het driemaal herhaalde woord nis wijzen op den vreese-lijken ernst van het misdrijf, versterken dus de Thalmoedische verklaring, dat hier aan afgodendienst gedacht wordt. — tpjo sin 'n nsc, het is, amp; lasterde hij God-, elke diensthandeling ter eere van een afgod, met opzet verricht, is God loochenende lastering. Voor tiu zie II Kon. 19,6 en 22 in verband met 18,32—36; Ez. 20,27. De traditie vindt hier tevens de aanwijzing, dat Godslastering, — een misdrijf, dat Lev. 24,13 v.v. met steeniging gestraft wordt, indien het na voorafgaande waarschuwing in tegenwoordigheid van getuigen is gepleegd, — bij ontbreken van een dezer vereischten, maar toch bij opzettelijk plegen, met uitroeiing wordt gestraft.

31. quot;igHi hij heeft verbroken, vernietigd; het verbond en de verdere uitvoering van Zijn gebod in zekeren zin voor zich onmogelijk gemaakt; niet eenvoudig: overtreden. — na row, zijne zonde = de straf voor de zonde, rust op hemzelve, vgl. 13 (Lev. 20,9); hij alleen draagt de verantwoorde-

72

10

ocr page 149

iü ^ nVir

quot;ian nabi ^33 fnr^n : i1? nboai vb^ iödS 03

-T- r- ' ( •• T: • -•••:• T:VIT I ; • : V.T^T -»•• - :

;n3^3 n'^1? DibnwnnN min DDins17

v -: v v - : itt 1 * v.*-* ,T ^ v T quot;'•*:quot; quot; lt;T rtT :

t)i)p wn nirrnK quot;iin-föi mmn-fQ nói T3 1 n^n -j-ini nT3 ninn3quot;i »3 : na^ 3ipü «inn nnnsai ^

v ; tt t : - : lt;• it vijv - vjv - )t : : • :

a : n3 n:'^ Ninn irsan m3n 1 m3n quot;isn miïö

it jt k; - quot;jquot; - •)*• t • squot; t • a- quot; v t : •

di»3 d'ïv wpö n3nD3 t7Kquot;)Bgt;^»:3 vm ^

j '•• jquot; I : •»* ; : •- «st ; • - v t: • iquot; ; j ;r-

ni^D'bK inx ombn in« i3np^ : n3K'n ^

is* -••• i : v .»• ; 1 - -H:-- it - -

*3 10^03 IHN in^'i: m^n-^ hw rSnx-bNi ^

j •lt; rtr : • - v. j'quot; it*' it t v.v • » -: iquot; v ;

lijkheid ervoor; anderen ; de zonde komt op hem zdf neder in de straf, die hij lijdt; nog anderen: zijne zonde richt zich niet in hare gevolgen tegen God; deze en Zijne Macht blijft onaangetast, — maar op hem valt zijne zonde terug. — hij heeft de gevolgen te dragen. — HJIJ? öf = PIJIJT. of

een vrouwel. vorm van pr, waarvan het meerv. jruiiquot; naast den vorm dw ; de zin is dan: er is zonde op haar, de üe:.

32. Hier volgt na de mededeeling van een voorval, dat ongetwijfeld na de veroordeeling tot veertigjarige omzwerving plaats had, Ssnen 13a twi ■mso, — en volgens Ibn 'Ezra hier geplaatst is als voorbeeld van het opzettelijk handelen, rmi T2, vs. 30; — hoewel nóch de feiten noch de straf overeenstemmen. Daar gold het afgodendienst, hier Shabbathont-wijding; daar was de straf uitroeiing, hier gerechtelijke doodstraf. Vgl. overigens onze aant. vs. 34. — rüp», samenstoppelend, eig. stoppelen zamelen, v. d. algemeene term voor het opzamelen van afgevallen of staangebleven stukjes stroo of hout. — isïü'i, zij, een gedeelte des volks, vien vond, trof, vgl. vs. 33.

33. myn S3, hier zeker: de vertegenwoordiging der gemeente; de raad der oudsten. Dat men hem aanstonds als overtreder voor den rechter bracht, bewijst wel, hoe diep de Shabbath-wet reeds wortel geschoten had in het volk. — Rashie ziet in de woorden cup» vis DiNïnn de aanwijzing, dat aan de daad eene waarschuwing door getuigen was voorafgegaan, wat naar de traditie onafwijsbare voorwaarde voor de strafbaarheid eener overtreding is; hij verklaart de woorden : die hem getroffen hadden, terwijl hij op het punt stond te sprokkelen; eene andere opvatting verklaart de woorden: die hem b e vonden hadden, opzettelijk en bewust van de be-teekenis zijner daad, hout te sprokkelen in dezelfde beteekenis: hij ging er ook na de waarschuwing mede voort.

34. quot;IQCOS, in vóórarrest; vgl. Ex. 21,19, waar Rashie en Ibn 'Ezra ook aan voorloopige hechtenis denken; zie ook Lev. 24,12. — c-a nS ia. Ook Lev. 24,12 was nadere opheldering noodig; daar echter was nog niet bekend, dat de Godslasteraar den dood schuldig was; in ons geval echter, was Ex. 31,14 reeds de doodstraf tegen Shabbathontwijding bedreigd. Vandaar dat de Thalmoed verklaart, dat alleen niet duidelijk was, tv at hem gedaan moest worden, welke wijze van doodstraf op hem moest worden toegepast. Hiertegen is echter op te merken, dat vs. 35 begint met

ocr page 150

N U M E R I XV.

35 wat hem gedaan moest worden. — De Eeuwige sprak tot Mozes: „Ter dood gebracht zal de man worden; dood werpen zal hem de geheele gemeente met steenen buiten de legerplaats.quot;

36 De geheele gemeente voerde hem hierop naar buiten de legerplaats, en zij wierpen hem met steenen, zoodat hij stierf, gelijk de Eeuwige Mozes geboden had.

38 37 De Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt; „Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen, dat zij zich schouwdraden zullen maken aan de hoeken hunner kleederen, bij hunne nakomelingen; en dat zij bij de schouwdraden van den 39 hoek, een snoer van hemelsblauwe wol voegen. En dit zal u tot schouwdraden zijn; en wanneer gij ze zien zult, zult gij u herinneren al de geboden des Eeuwigen en ze vervullen ; opdat gij niet [de wereld] beschouwt, volgend uw

te constateeren, dat hij de doodstraf verdiend heeft, »\sn rmv rrns; en bovendien dat Mozes op den Sienai immers alle wetten mondeling waren bekend gemaakt; het volk kan dus wel met de bijzonderheden nog onbekend zijn geweest, maar Mozes niet. Bij het Lev. t. a. p. verhaalde feit waren zij nog aan den Sienai en is het das mogelijk, dat deze wet in hare bijzonderheden toen zelfs Mozes nog onbekend was; hier echter laat zich dat minder gemakkelijk aannemen. Vandaar eene andere opvatting: men twijfelde, wat hem geschieden moest, — of hier, waar in ieder geval ook bij de getuigen nog zekere twijfel heerschte, de doodstraf kon worden toegepast; vs. 35 zegt nu; de man, die hout sprokkelt, is de doodstraf schuldig, en wel ook in dit geval, hoewel niet aan alle eischen der wet is voldaan. Nog anderen meenen, dat de onzekerheid hierin bestond, dat met de verwerping van het thans levende geslacht, naar sommigen meenden, ook de verbindende kracht der wet was opgeheven. Men twijfelde dus, of een toch reeds tot uitsterven veroordeeld geslacht ook getroffen moest worden door de doodstraffen, tegen bepaalde overtredingen bedreigd. Ban is ook de plaatsing van dit feit in onmiddellijk verband met hoofdstuk 14 duidelijk; hoofstuk 15 vv. richt dan het oog der veroordeelden op de toekomst, onze plaats op het heden.

35. -ION1!. in den regel: nadere uiteenzetting van reeds gegeven wetten; iaTi, inleiding tot nieuwe wetten. — Over ins du-i, mrn Sa en run»1? virro zie Lev. 24,13 vv. en 20,2.

37. quot;|QN,V Behalve als inleidend formulier tot nadere uiteenzetting van reeds gegeven wetten, komt deze uitdrukking ook voor om de vol-

fende wet als uitvloeisel van een voorafgaand feit voor te stellen (zooende wet als uitvloeisel van een voorafgaand feit voor te stellen (zoo

!um. 18,1; Ex. 12,1). Zoo ook hier. Het pas medegedeelde feit had de noodzakelijkheid aangetoond van een voortdurende herinnering aan de geboden öods, die het volk dan ook in het hier volgende voorschrift wordt gegeven.

38. nsis, van een stam px, die v. s. in het Arabisch oorspronkelijk : glinsteren beteekent; v. d. vwj, de schitterende vonk; een hlit werpen,— en anderzijds: iets blinkends, de bloem en de vederen van een vogel; v. d. dan wï, dat, ontleend aan de schitterende pluimage van een vogel, gebruikt wordt voor: de lokken van het menschenhaar en op onze plaats een soort, eigenlijk niet bij het kleed behoorende franje of kwast aanduidt. Anderen nemen als grondbeteekenis: een van binnen uit naar buitendraaiende beweging; v. d. fsn, van bloemen, — en als zelfst. nw. de bloesem zelf,—

73

ocr page 151

1L2 quot;j1? nSjr W

növ mo ntbö-^K nin» IÜ^I D : ib n^V'-no ^

c.A' t J ••, ••• T !: 1

iriK in'ï»i : mns1? nno idk Di:ih

iv-: i- - i v. • t^—t • t -:it « . t

nb'i a^ato m'K ninaquot;? nnö-^K niyn-Sa

at- v.' t -:it •) j : v-; i-- | • v t^-it t

Ö : n^o-nK nin» mï

^3_i?K ill : -iöN^ njyo-^N ninnoN^.*^ | wnai orm1? onnn nw on1? tirtn an^N

•) :it: at ^ i : vquot; quot;: * r* : - ^ •)* • r.* t 't : v •• -:

lm on^m hrvS M1? n»m : Vns tiaan rwv ^

■quot;' r' ! . * * : VT JTT : . v,quot; : 1 Ivtt^quot; r •

nnKmnrrNbi onk on^i nin* n'iïD^rnK oman

«..-si- T i : at vv * t ; j ; • t v

ook : de vederen en de haren ; het naar buiten dringen van den blik uit een afgesloten ruimte naar den weg, — hier dus; uit het kleed naar buiten tredende draden, en wel naar Deut. 22,12 : a'S-nj, gevlochten, maar aan het einde loshangende draden. Mendelssohn vertaalt; sclwuwdraden, van de afgeleide beteekenis van den stam, in -pïn, uitkijken, met het oog op d.tsii, — draden, bestemd om naar te kijken. Zooals gezegd, beteekent psn echter niet: naar iets kijken, maar: uitkijken, wat dus nier niet zou passen, en is bovendien slechts in poëzie gebruikelijk. Niettemin hebben wij de gewone, algemeen verbreide vertaling van het woord behouden. — •«ws Sr, naar Deut. t. a. p. aan de vier hoeken, — dus alleen aan minstens vier-hoekige kleederen. Ouder usn wordt verstaan de hoek, waar het kleed ophoudt kleed te zijn, — ten hoogste drie duimbreedten van den rand af, en ten minste op een afstand van de lengte van het bovenste lid van den duim van den rand, — natuurlijk van de beide randen, die aan den hoek samen komen. De draden moeten zijn ; op den hoek, bevestigd aan het kleed, én, over den hoek heenloopend, van het kleed afhangen. — orr-m, waarvoor Deut. t. a. p. nioa wordt gebruikt, zijn niet: dekkleeden, maar • kleederen, die men draagt. — rpDn rix'ï Sï, hij 'de sclwuwdraden van iederen hoek zullen zij voegen rtan Svib, een koordsnoer van hemelsblauwe wol, een door tweernen uit meerdere draden ineengedraaid koord van hemelsblauwe wol. — Dus: draden aan de hoeken van het kleed, waarbij één van hemelsblauwe kleur gevoegd wordt. Naar de traditie vier draden, die, door een gaatje in het kleed gehaald en aan weerszijden van de stof afhangend, acht einden geven, waarvan één of twee hemelsblauw geverfd moesten zijn. Die kleur werd verkregen uit een soort blauwpurper-slak, Chalazon genaamd, die reeds lang niet meer met zekerheid bekend is; vandaar dat de schouwdraden bij ons éénkleurig, in den regel wit zijn.

39. rvm v. s. de riSan Vtie, v. a. de aldus samengestelde franje zal u zijn tot de door Mij voorgeschreven — D;i!{ = — nwn nSi, en zie niet

naar denkbeeldig goeds uit (zie 13,1). — 'irw, volgend uw hart en uwe oogen, Drmns icn, welke volgend, dw ddn, gij van Mij afvallig wordt. Als gij u bij de beoordeeling van goed en kwaad laat leiden door uw hart = uwe begeerten, en uwe oogen = uwe zinnelijkheid, wordt gij Mij ontrouw = vervalt gij tot afgodendienst. — rw, de gewone uitdrukking Voor Israels afval tot heidendom; gelijk eene gehuwde vrouw, die ontrouw pleegt tegenover haren man, door zich met een ander op te houden. Anderen:

DiJt ons icjn, die gij gewoonlijk in wellustig, overspelig verlangen volgt.

ocr page 152

N U M B R I XV, XVI.

hart en uwe oogen, die gij slechts in afval van Mij zoudt

40 aanhangen. Opdat gij u herinnert en uitoefent al Mijne ge-

41 boden, en heilig zijt voor uwen God. Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte uitgevoerd heb, om u tot God te zijn. Ik, de Eeuwige, uw God !quot;

1 Korach, de zoon van Jitshar, den zoon van Kehath, den zoon van Levie, nam en Dathan en Abieram, de zonen van Elieab, en On, de zoon van Péleth, nakomelingen van Ruben, —

2 Zij traden op vóór Mozes, en twee honderd en vijftig mannen uit de kinderen Israels, vorsten der gemeente, opgeroepenen

3 ter raadsvergadering, mannen van naam. Zij verzamelden zich tegen Mozes en tegen Aharon, en zeiden tot hen: «Het is nu voor u genoeg geweest! want de geheele gemeente, zij allen zijn heiligen, en onder hen is de Eeuwige ; en waarom verheft

4 gij u boven de vergadering des Eeuwigen ?quot; Toen Mozes dit

5hoorde, viel hij op zijn aangezicht; — En sprak tot Korach

en zijn geheelen aanhang, als volgt: «Morgenochtend, — dan zal de Eeuwige bekend maken, wie de Zijne is, en wie de

40. enz., de Tsietsieth hebben ten doel, u door hun aanblik te

herinneren aan en op te wekken tot vervulling van de geboden en af te houden van het volgen van begeerten, — maar dit alles met de blijvende werking; opdat gij dan ook zonder dit herinneringsmiddel steeds denken zult aan en volbrengen de geboden Gods, die de bron en de drager is van uw volksbestaan.

Hoofdstuk XVI. Het gewichtigste feit gedurende de ruim 37 jaren van omzwerving, voor dat Israël in het begin van het 40ste jaar na den uittocht weer te Kadesh terug kwam (20,1). Over den juisten tijd, waarin, en de plaats, waar het oproer plaats vond, laat zich niets met eenige zekerheid beslissen.

i- np'n en hij nam.... en zij stonden op; de in het volgende vers als onderwerp van ispn geldende en daar genoemde 250 man moeten dan als voorwerp van npii gedacht worden. (Vgl. II Sam. 18,18). Anderen verklaren: nam zich het recht van spreken, of: nam, vatte op het plan; nog anderen: vernam, hoorde van het aan den overtreder of aan de verspieders voltrokken doodvonnis. Men verklaart dan Ex. 22,10 vbra rtpSi evenzoo: de heer zal het aanhooren, vernemen. Vgl.Ps.6,10waarnjyparallel staat met rno. — Korach was een volle neef van Mozes; zijn vader Jitshar was een broeder van Mozes' vader, 'Amram. Elieab was een zoon van Palloe, den zoon van Ruben; van Péleth is niet bekend in den hoeveelsten graad hij van Ruben afstamde. On schijnt in ieder geval een ondergeschikte rol te hebben gespeeld of zich later te hebben teruggetrokken; .ten minste hij wordt niet meer genoemd. — Korach, een Kehathiet, ver-eenigt zich dus in de eerste plaats met Rubenieten, een stam, die in de onmiddellijke nabuurschap van de Kehalhieten gelegerd was, verder met 250 voornamen uit Israël, uit de verschillende stammen; niet in hoofdzaak van den stam Levie, daar dit zeker wel vermeld zou zijn. Dat er ook

74

ocr page 153

ra iü mp ^ ny

: DnnnK d^t Drw-^K nn^i baaaV»

lquot;-»quot; : iv quot;-n- {- jv - v -i v •• *1quot; -quot;'-liquot; : v ; - ;

: nyrbnh D^ip on^ni 'hiïD-^-nN anwy\ liarn

jv •• 1 •• I: jv • : r at ; • ^ t v • ^tr ; : •

D3nN ♦nKSin itrx ayrhn mrv

v : v • lt;•• v v •• 1 v: •'t x • -»

ö : dstiVn nirr ♦:« dd1? n^nV

iv •• 1 v: -1 ft' r* vquot; t j : 1*

»33 rnni 'iVra nnp-p iny-ra nip np'i«

■»t * v: squot; : t * -n- i t^t; ^ a*quot; iv vti: » v jt : • i v -| !-•—

d^JNI nibo iDp»1) : pwquot;i ïini =

r Ttt- v -••• : • Ivr- li- : jquot; : v^v Iv \ j :

n^io ♦«quot;ip my Wm D^kdi D^tron

... - ^.. J,. -Ij j„ . . • AT T •»•••: Vquot; Tï • iquot; ! *

bnyrn dhVk nüxn rSn^-^i !nnp,i : Dtrj

vt - •.•••-: j : 1- i -:i- :. •quot;' -ii it— r*

W^:nn ynoi nin» DDinm D^np oba rnwr^a »3

a : ~ ^ quot; at : v.t : • i: ■•r \ t^'it t «•

quot;SK -dti : vas-^ Ss'i n^D ynm : nin» 'jnp-by

.. -j- it t ^ v *quot; vp quot; vjquot; ,t : •''': h

-nNi 17-n^N-nx nin; yv] innjrbrbw nip

Levieten bij waren is wel waarschijnlijk, — in de eerste plaats al Korachs huisgenooten. De aard hunner grieven volgt uit den loop van het verbaal.

2- my 'JCnn aanzienlijken in de gemeente, mannen, die bij belangrijke volksbelangen ter vergadering geroepen werden; mannen van naam dus. Er waren niet meer dan 12 stamvorsten en 70 oudsten; dezen kunnen dus niet bedoeld zijn, tenzij men verklaart: en 250 mannen uit de kinderen Israels, waaronder zoowel stamvorsten als ter vergadering geroepen oudsten, — allen mannen van naam; eene m. i. niet zeer waarschijnlijke opvatting. Korach is de eigenlijke aanlegger, Dathan, Abieram en On de aanstokers van het oproer en bij hen sluiten zich de 250 aan, die dan als oproerige bende samenkomen tegen Mozes.

3. mS 21, gij matigt u te veel aan; anderen: het is nu genoeg geweest; vgl. Deut. 3,20. — Mozes proleet, Aharon priester — waar de geheele gemeente allen, man voor man, obs, heiligen zijn, is geen priester, — waar God in hun midden is, geen profeet noodig. En zoo al, — waarom verheft gij uzelve boven de gemeente Gods, — waarom niet de keuze aan het volk overgelaten. Het schijnt, dat hier, als het ware, het wachtwoord van den opstand wordt gegeven — waarachter zich de persoonlijke eerzucht van een Korach, misschien ook van de leden van den stam Ruben, die als zonen van Jakobs oudsten zoon bijzondere aanspraken meende te kunnen maken, gemakkelijk kan verschuilen.

4. Mozes treedt alleen op; de aanklacht tegen Aharon was immers slechts, dat hij priester was, waartoe, naar de aanklagers beweerden, Mozes hem had aangewezen; hij had zich dus niet te verdedigen.

. 5-. T3' in den eerstvolgenden ochtend; in» beteekent eenvoudig morgen, in den loop van den eerstkomenden dag. — V? quot;ws ns, wie Hem behoort, door Hem als Zijn gezant en dienaar is aangewezen; onpn nsi, en den

nïp ntfö

ocr page 154

N U M E R I XVI.

heilige is, dien Hij tot Zich doet naderen; en wien Hij ver-

6 kiest, dien zal Hij tot Zich doen naderen. Doet dit: neemt u

7 vuurpannen, Korach en zijn geheele aanhang; En doet er vuur in, en legt er reukwerk op, vóór den Eeuwige, morgen; dan zal het zijn : de man, dien de Eeuwige verkiezen zal, die is

8 de heilige; het is nu genoeg voor u, zonen van Levie!quot; Mozes

9 zeide tot Korach : „Hoort toch, gij zonen van Levie! Is het u te weinig, dat de God van Israël u uit de gemeente van Israël afgezonderd heeft, u tot Zich doende naderen, om den arbeid bij het Verblijf des Eeuwigen te verrichten, en vóór

10 de gemeente te staan om haren dienst waar te nemen ? En dat Hij u en al uwe broeders, de zonen van Levie, met u heeft doen naderen; dat gij nu ook nog het priesterschap

11 begeert? Daarom gij en uw geheele aanhang zijt het, die samengespannen hebt tegen den Eeuwige; en Aharon, wat

12 is hij, dat gij tegen hem mort?quot; Mozes zond, om Dathan en Abieram, de zonen van Elieab, te laten roepen; doch

13 zij zeiden ; „Wij komen niet. Is het te weinig, dat gij ons hebt cjoen optrekken uit een land, vloeiende van melk

Heilige, tegenover Difip van vs. 3, — wie althans zoo heilig is, dat God hém als priester wil. - mpm, den li ei li ge, dien Hij tot Zich doet naderen; de volgende woorden geven dan de wijze aan, waarop God dit zal doen kennen: hem namelijk, dien Hij zal uitkiezen, zal Hij tot Zich laten naderen.

^ quot;oa an. De hier aangegeven maatregel heeft noodzakelijk ten doel de aanspraken van Korach op het priesterambt te niet te doen — daarbij zijn dns eigenlijk uitsluitend de Levieten betrokken — daarom eindigt hij deze, tot de geheele oproerige bende gerichte toespraak, met de woorden: het is nu genoeg, gij zonen van Levie! gij matigt u met uwe eischen te veel aan; ol' v. a. gij hebt al genoeg in uw bijzondere Levieten-taak. Dit wordt echter eerst vs. 9 in een afzonderlijke toespraak tot Korach besproken. Men kan uit het noemen van de zonen van Levie hier in ieder geval niet met zekerheid opmaken, dat zij het grootste deel der 250 man vormden. Dit duS 2T is natuurlijk het antwoord op hun ds1? m van vs. 3.

8. Mozes wendt zich nu tot Korach alleen, misschien wel in een persoonlijk onderhoud onder vier oogen in Mozes' tent; zoo laat hij dan vs. 12 Dathan en Abieram verzoeken tot hem te komen, om ook hen ernstig het verkeerde hunner daad onder het oog te brengen.

9. aan ayon. is het minder dan gij uwer waardig acht; of: is het u te gering. Het meervoud richt zich tot den geheelen stam Levie, die te zamen den arbeid bij het heiligdom in opdracht van het volk hebben te doen (vgl. 3,6-8).

10. quot;jjiy, ugt; Korach, en mee broeders, de zonen van Levie in engeren zin,

de Kehathiden, deed. Hij nog verder tot Zich naderen door hun de zorg voor de heilige voorwerpen op te dragen. — Anderen: en nu Hij zoo u en uwe broeders, de overige Levieten, naderen deed — vraagt gij nog enz. — Mozes doorzag Korach en zijn engeren Levietenaanhang geheel en spreekt tot hen om hen tot inkeer 'te brengen.

11. 'n hv agt;ijnn -jmy Sai nm. Op die laatste woorden komt

75

ocr page 155

iu mp njr

n«T : vba anp» irina» nxi vba anpni ^iipn^

v. it •• rl;- i. - : • jv t -iquot; : at •• -h: • ; v.»t-

K'N i pn lani : nip ninna DDb-inp i^T

.. t J T quot;S T : . r! quot; JV, '1 :Q Vquot;1

n^ni nno nirr ♦jö'? nmp i p^j; io^i

v -: ■)• t tt : tt t : «•• ; • v 1: I v •• • ;

7WT2 : ♦iV '33 DD^'Dquot;) ^llpn NIH ITiiT IHD»quot;

IV ^ V j - !••• Jquot; ; O* t - aIt- -• v,t : j- ; •

♦ri'jK Dio ; quot;ib »33 «r^ö^ nip-^K»

v: * : * i* v • ; i- ^ r- jquot; : ^t ^ * -Ia

-óy1? vb» D3nK 3npnt? mjro DSHK VwTiy»

^-w at •• ; v j'l: - : •• t ; • j-^riquot; v :^v «•• t : *

inp'i : om^ m^n ^ nin» pB'Q

••i;-- it ;it : v,t quot;it jquot; ; • •) ^-ii-: t : i-1- : * -

p1^ : nana-Di on^pni quot;1^

iamp;n '3 «in-no nnxi on^bn ■nm^-bsi nnw ^

- j' - i j -:i- s at : i'^ri.quot; i :•'t -z t ; t - «n

3N^« ♦33 aquot;l,3K,?1 rm1? Nip1? n^o n1?^ : * -r-

^ at • v: : j.t •^-ii-^: Ijt t: ■)!: * v j- • • - it^t

nbn n3T rnxn »3 ü^on : n1?^: K1? nQfn ^

tt t i vv •• t ■ v;IV «■ : i- i'.' :iquot; j ; ; i-

het aan: niet tegen ons, tegen God spant gij samen. Dit is de zin — doch dan moet men verklaren, alsof onwn tegelijk bij voegelijk naamw. en gezegde is; gij en uw aanhang, die samenspant, spant samen tegen God. Anderen; niet wij, die gij van aanmatiging beschuldigt, als hadden wij tegen Gods woord, of althans zonder bevelen ons aan het hoofd des volks gesteld en dus tegen Gods wil door eigendnnkelijk samenspannen ons macht verworven, — maar gij zijt het, die tegen God samenspant. Nog anderen: daarom — nu God u zoo heeft onderscheiden — wat wilt gij eigenlijk, gij en uw aanhang, die tegen God samenspant — en Aharon — tegens wiens ambt gij protesteert — wat heeft hij gedaan? Hij heeft zich immers het priesterambt niet aangematigd, maar op door mij uitgesproken Goddelijk bevel het ambt aanvaard. — uiSn, de Kerie heeft: wSr, doet morren, of mort; de Kethieb: wSn, den Kal, mort.

12. JOpS''' nSc'l. niet juist van een voorname, die een ondergeschikte laat ontbieden, maar ook van vriendschappelijke uitnoodiging (vgl. Ex. 2,20; 34,15; Num. 22,5; 20,37 ; I Sam. 16,3; I Kon. 1,19). Hij wilde hen afzonderlijk spreken, zooals hij juist met Korach had gedaan. Korach schijnt zonder te antwoorden te zijn heengegaan, vasthoudende aan zijn voornemens. Mozes wil nu beproeven de beide andere hoofdaanleggers van het oproer tot betere gedachten te brengen, om daardoor ook den verderen aanhang tot inkeer te doen komen. Tot hen als niet-Levieten zal hij natuurlijk geheel andere argumenten moeten bezigen. —wij komen niet, letterlijk; wij stijgen niet op naar de iets hooger gelegen plaats, waar het onderhoud zou plaats hebben; of; vjij gaan niet naar de rechtsplaats of het heiligdom; het gaan naar deze om hun beteekenis verheven plaatsen wordt immers vaak door Th? uitgedrukt (vgl. Deut. 25,7; 17,8; Recht. 4,5; ■ Roeth 4,1).

13. tfan aSn D3l I'TNOi een land, dal werkelijk vloeit van melk en honig, Egypte, niet wat ons slechts voorgespiegeld was ;^bittore ironie 1

ocr page 156

N U M E R I XVI.

en honig, om ons in de woestijn te doen sterven, dat gij

14u nog als heerscher over ons gedragen wilt ook? Ook niet in een land, vloeiende van melk en honig, hebt gij ons gebracht, noch ons gegeven een erfdeel van velden en wijngaarden ! wilt gij de oogen dezer mensehen uitsteken ? wij

15 komen niet!quot; Toen werd Mozes zeer bedroefd, en hij zeide tot den Eeuwige: /,Wend U niet tot hun offer! Niet den ezel zelfs van één hunner heb ik weggenomen, en niet één

16 hunner heb ik kwaad gedaan!quot; Mozes zeide tot Korach: „Gij en uw geheele aanhang, weest aanwezig vóór den

17 Eeuwige, gij en zij en Aharon, morgen. En neemt ieder zijn vuurpan, en gij zult er reukwerk op leggen, en brengen ieder zijn vuurpan vóór den Eeuwige, twee honderd en vijftig

18 vuurpannen ; en ook gij en Aharon ieder zijn vuurpan.quot; Zij namen ieder zijn vuurpan, deden er vuur op en legden er reukwerk op, en plaatsten zich aan den ingang van de tent

19 der samenkomst, en Mozes en Aharon. Korach had de geheele gemeente tegen hen in vergadering doen bijeenkomen naar den ingang van de tent der samenkomst; toen verscheen

20 de heerlijkheid des Eeuwigen aan de geheele gemeente. — De

■vinün 01 wSr nnun 'S, dat gij nog altijd voortgaat naar willekeur dm baas over ons te spelen; de herhaling en voortduur, die in de bijvoeging van den onbepaalden wijs bij den toekomenden tijd reeds ligt, wordt door d; nog versterkt.

14. Ook behalve dat gij ons uit een zoo goed land hebt weggelokt, hebt gij uwe belofte. Ex. 4,30, „ons naar een uitstekend land te brengenquot; niet gehouden. — jnm, nog afhankelijk van sS c]n. — -mn onn o'ejsn ■«jgt;rn, denkt gij de oogen van deze mannen, van dit volk, op den duur te blijven verblinden? Wij zullen hun de oogen openen en ons tegen uw aangematigd gezag verzetten: xmj komen niet. Anderen: denkt gij ons volk blind te maken? {deze mannen — wij) neen, wij begrijpen u beter en zeggen u de gehoorzaamheid op: wij komen niet.

15. -)rn. branden, v. d. vaak van toorn; doch onpersoonlijk gebruikt gewoonlijk van verdriet, zoo Gen. 4,5 en 6; I Sam. 15,11; Jona 4,1; 4 en 9 e. a. p. — onnj» Ss, tot hun geschenk, het reukwerk, dat de bende van Korach brengen zal. Wel waren waarschijnlijk Dathan en Abieram niet onder de brengers van het reukwerk, — daar zij aan den ingang hunner tenten stierven, terwijl de '250 man verbrandden. Doch Mozes doelt op de geheele groep oproermakers, — wat uit: ona nns ook blijkt. — Persoonlijke redenen kunnen de oproermakers niet leiden — zelfs niet den ezel, het minwaardig lastdier, van één van hen heb ik eigenmachtig weggenomen; vgl. I Sara. 12,3; noch een van hen ooit iels kwaads gedaan. Naar den Thalmoed hebben de eerste vertalers van den Pentateuch in het Grieksch hier opzettelijk niet met: ezel, maar, als stond er quot;IDn oi niOH;

v v

iets kostbaars vertaald; een van de weinige in den Thalmoed als opzettelijk aangegeven afwijkingen, die in onzen Septuaginta-tekst nog worden aan-getrolTe». Vgl. echter I Sam. 12,3. — on» -tas nrjn, niet met Rashbam en

76

ocr page 157

TÜ nip

* : wby quot;)Wn-»3 lanaa wn^prjl? ^ani ?

n^n: i^-rnni lanNnn'trani nbn nar Vn»-1?» i6 ei» ^

V- -«- T I V • - T -*• 1 - ; lt;T T quot; T | VV V -• f quot;

quot;in»! : üb nsan onn D^3«n onsi m^«

-«•-^ r.p-;i- ^ k*- ; lt;»•• t t-:it^ •• quot;^iquot; vat-»vt

mon DnniQ-^N ran-^ IOK^ T«D n^a1?

-i at t : • v i v vquot; - t : v v . * * 1 •* :

-IQ^I : ono inN-nN ♦nynn TiNih bno IHN «

lt;- IV •• j- - v •—J ^ ^ • tt v •• ^ lt;t V

oni nntf nin» 'ish vn ^rnjr^i nn« nip-^x n^a

•jquot; t ^t^- at ; jquot; ; • v. - i i^T quot;i Ti t quot; quot;1

niüp Dn^jr onmi innno i inpi : quot;ino r'msi ^

v i: v lt;v - : t : - -•• -»1; it t 1 ^-*i- ;

nnna d^dnoi D'iran innno nin» onanpni

^ a ; - *t y • ~i t : - •»• t : lt;••: • v ; -i: • :

bn^v un't innnö rm : innno pnNi nnw ^

v •• lt; : * - t ; - -»• i: • - it;- i v-:i- ; -'t

n^oi n^iD Vnx nna riojn niüp iavuquot;i

,v v j - •)•• ï^quot;rquot;gt; va,: j* t'

bnK nna-^K ni^n-^-nx nip on^y bnpn : pnxi ^

v -» - ^v v t^—t t v -| jv ••!;-- i i-: i- :

quot;i3Ti D * : nn^irbr1?» ninpias nyy n^io31

Nachmanides: een ezel van hun eigendom, maar: den ezel van één van hen.

17. Ziende, dat al ziine pogingen te vergeefs zijn, herhaalt Mozes het bevel van vs. 6 en 7. Terwijl Ibn 'Ezra verklaart: gelijk Mozes gezegd had : //doet dit enz.quot; (vs. 16 en 17) namen zij enz. (vs. 18), — verklaart Nachm. de herhaling door het uitdrukkelijk noemen van Aharon, terwijl uit vs. 6 en 7 nog zou kunnen afgeleid worden, dat Korach of een der zijnen de uitverkorene zou zijn. De eerst gegeven verklaring komt mij echter aannemelijker voor.

is. innno. de voor hem bestemde vuurpan; orpSp, op die allen, meervoud ; mannelijk voor jmSr, zooals dikwijls. — Tweehonderd en vijftig vuurpannen, — waar het getal met nadruk genoemd wordt, kan aan afronding niet gedacht worden. Men moet dus aannemen, óf dat Bathan en Abieram en On vs. 2 onder de 250 begrepen zijn, wat niet waarschijnlijk is, — öf dat zij een afzonderlijke groep onder de oproerlingen vormden, wien aan het priesterschap van Aharon niet gelegen lag, — die slechts om de oppermacht streden. Zij namen dus geen deel aan de proef met de vuurpannen (vgl. vs. 27). Zoowel vs. 6 als vs. 16 wordt gesproken van Korach ims Soi; misschien wel zijn Dathan en Abieram daaronder niet begrepen. — inpn, waarschijnlijk, overeenkomstig Mozes' bevel, den volgenden dag. Luzatto's meening, dat zij vol ongeduld nog denzelfden dag de proef wilden nemen, dwingt tot zoo gewrongen verklaringen van het volgende, dat ik haar voor hoogst onwaarschijnlijk houd. — iri» SnN nns, in het voorhof; vs. 19: una SnN nns Sn, na a r den ingang van de tent der samenkomst, d. i. naar het vrije plein vóór den ingang van het voorhof, waar enkel Mozes' en Aharons tenten stonden.

19- mrn Sa m. het geheele volk, zooveel hij bijeen kon krijgen; zoo zeker voelde hij zich van zijne zaak.

ocr page 158

N ü M E R I XVI.

21 Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aharon, als volgt: ^Scheidt u af uit het midden van deze gemeente, en Ik zal haar ver-

22 delgen als in één oogenblik.quot; Zij' vielen op hun aangezicht en zeiden : «Almachtige ! God van de geesten van alle vleesch! zal dan één man gezondigd hebben, en Gij over de geheele

23 gemeente toornen ?quot; — De Eeuwige sprak hierop tot Mozes,

24 als volgt; «Spreek tot de gemeente als volgt: „Trekt u terug uit den omtrek van het verblijf van Korach, Dathan en Abie-

25 ram.quot; Mozes stond op, en ging tot Dathan en Abieram; en

26 achter hem gingen de oudsten van Israël. Hij sprak tot de

femeente als volgt: „Verwijdert u toch van bij de tenten dezer oosaardige menschen en raakt niets aan van al het hunne,emeente als volgt: „Verwijdert u toch van bij de tenten dezer oosaardige menschen en raakt niets aan van al het hunne,

27 opdat gij niet mede omkomt door al hunne zonde.quot; Zij trokken zich terug uit de nabijheid van het verblijf van Korach, Dathan en Abieram rondom; maar Dathan en Abieram waren

21' JlJCin mrn, deze gemeente, Korach's aanhang; of: het door Korach ter vergadering verzamelde volk. In beide opvattingen sluit het volgende vers goed, daar beide groepen zich immers door Korach hadden laten leiden. Het bevel zich te verwijderen had natuurlijk niet ten doel, Mozes en Aharon voor het de anderen bedreigende gevaar in veiligheid te brengen ; zij zouden, ook al stonden ze in de onmiddellijke nabijheid, toch niet mede getroffen worden. Het geheele bevel heeft, evenals dat van 17,10 ten doel, Mozes en Aharon voor te bereiden op wat gebeuren zal en hun zoo aanleiding te geven, te toonen hoever hun toewijding voor Israël, ja ook voor de tegen henzelve oproerigen gaat.

22. quot;itya SdS nnnn VlSjCt God, die kent de geesten van alle sterflijke menschen, wa. üij weet, hoe licht des menschen geest zich voor een enkele, dien men boven zich verheven acht, laat leiden. Menschen als straffende handhavers des rechts optredend, mogen dan vaak de onschuldige verleiden treffen en den veel meer schuldigen drijver vrijlaten, — Gij, die als Almachtige kunt treffen wien Gij wilt, en die als God der menschelijke geesten ze kent en doorgrondt en weet, wie al of niet eigenlijk schuldig is — Gij kunt de schuld, wier geestelijke vader slechts één man is, niet op een geheele groep willen wreken! — Laat men mu in dit en het vorige vers op het geheele volk slaan, dan werd Mozes' bede verhoord. Verstaat men er echter de 250 man van Korachs aanhang onder, dan werd zij niet vervuld; zie vs. 35. Sommigen meenen, dat Mozes dacht, dat God het geheele volk treffen wilde, terwijl in werkelijkheid slechts de 250 bedoeld waren Dan krijgt hij in de volgende vereen indirect antwoord, dat niet het geheele volk gemeend is. — Mozes' woorden bevatten eene bede, geen verwijt. Juist door het veroorzaken van zulke beden opent God Mozes bij herhaling den blik voor de wijze van Zijn wereldbestuur, — aan welk nieuw verworven inzicht Mozes dan in den vorm van een gebed uiting geeft. — = CVCiT verwonderingsvraag. De Kamets misschien

ter vervanging van een Dagesh, die dikwijls na zulk een 'n voorkomt. (Lev. 10,19; Niuu. 13,19).

24. iSyn. eig- maakt u uit de voeten. —pus, verblijf, woning, later tenten genoemd. Vaste woningen had Israël in de woestijn natuurlijk

77

ocr page 159

ru mp

nn^n Tiino i^an : iün1? nt^Q-bx rrirr «

JT^' IT ) ^ * t^T * . I quot; I C -» I- vi jv V T ;

VK 'hart»,i on^a-^ iSa^i : dhk nb3«i nK-n ^

: j - v quot; : . ^ « ; • - it : v.t r.' - -:i- a -

m^n-^ by) Nibn» ma riinn ♦riV»

it t *5-; t v;iv tv lt;• t at t t ; v it jquot; v:

m^n-bt? 131 : iDNb n^Q-^ nin» D : ejïpn »

v.t^-it v jquot; - i •• -iv v \,t : jquot; - ^ i « i ï • na

mbo op quot;i : on^Ni rm nip-p^ob 3'3DD iV^n ioN1?«

^ v Itjt- it * -;i- ijt t -ki-;*; • t • ^rr* a

: •jKTir» 'jpT VIHK ID^ DT3«I mr^N ^«

^ ,,. t: . ^.|; • ^ it~ «'q -» • iquot;quot; quot;t • -:i- ijt t v ) ••vquot;'

D'inyin D^Jt«n K: niD ibxb nn^n*1?»

t :it k. t -| ,t .. ▼; it quot; t -• •* t quot; it

: Dnxtsn-^a iSDn_?3 on1? wn-bw n^Nn

it quot; ^ t ; v. t • i v av t T ; 1 : * - : v •• t

dtsni rmi 3»3D0 DTSKi Tm nip-pc'D byn »

t • -ir 1 t t ; a* t * ^t • -:i' i jt t -i.) i - ; • *s-quot; 'ti'—

niet. Toch kunnen de aanzienlijken wel een zekere mate van weelde ook in den bouw hunner tenten hebben ten toon gespreid, die aanleiding geeft tot de meer statige benaming: pc». — Het volk moest dus uit de nabijheid der drie tenten verwijderd worden, waarvan die van Korach in het Levietenkamp, die van Dathan en Abieram in het kamp van Ruben gelegen waren, op tamelijk grooten afstand dus van de eerste. Daar Mozes en een groot deel des volks mi vóór het heiligdom stond, in de nabijheid dus van Korachs tent, was ter voldoening aan het bevel dienaangaande niets noodig, dan mededeeling aan de omstanders. Om hen, die zich in de nabijheid van Dathan en Abieram's tenten bevonden, te waarschuwen, was het echter noodig, dat Mozes er heen ging om de waarschuwing uit te spreken. Dat is dan de bedoeling van Mozes' gang tot — in de richting naar Dathan en Abieram, (vs. 25) om tot het volk te spreken. Anderen : om nog een laatste poging te beproeven hen tot inkeer te brengen. Hij wendt zich echter vs. 26 niet tot Dathan en Abieram, maar tot het volk. — Korach zelve stond op dat oogenblik waarschijnlijk met zijn aanhang, met de vuurpannen in de hand, vóór het heiligdom. — De 70 oudsten begeleidden Mozes om of door hun aanwezigheid öf door hun woord aan zijn optreden nog meer kracht bij te zetten.

26. nnS nCN S33gt; van ^ ^un bezit, dat als om mede ten ondergang gedoemd is; gij moogt u dus daarvan niets toeëigenen. — onsen Saa, wegens al hunne zonden, die, zoo gij u niet geheel aan hunne gemeenschap onttrekt, en door een openlijke daad blijk geeft niet met hen in te stemmen, u mede ten verderve voeren. Dit openlijk bewijzen van hunne gezindheid is de bedoeling van het zich terugtrekken hier, evenals van het zich voegen bij Mozes na de goudenkalf-zonde op den uitroep; ■'Ss'nS'D (Ex. 32,26).

27. D'aSJ TJlt;S,gt; 'twen naar buiten gegaan zich opstellend, in trotsehe uitdagende houding, — zoo weinig bekommerd om de geuite bedreiging, dat zij hunne vrouwen en kinderen ook niet aan het gevaar trachtten te onttrekken, maar het hen zelfs lieten trotseeren. — osei orwaï omvatten den geheelen huiselijken kring, volwassen en onmondige, alhoewel niet juist zoo zeer jonge kinderen, of: de huisgenooten, slaven en dienstbaren.

ocr page 160

N U M E R I XVI.

naar buiten gegaan, zich opstellende vóór den ingang hunner tenten, en hunne vrouwen, hunne groote en hunne kleine kin-

28 deren. Nu zeide Mozes: ,/Hierdoor zult gij weten, dat de Eeuwige mij gezonden heeft, om al deze daden te verrichten,

29 dat niet uit mijn eigen hart, — Indien, gelijk alle menschen sterven, deze sterven zullen, en als een lot van alle menschen over hen beschikt wordt, dan heeft de Eeuwige mij niet ge-

30 zonden. Maar als de Eeuwige eene nieuwe schepping zal voortbrengen, dat namelijk de bodem zijnen mond openen, en hen benevens al het hunne verslinden zal, zoodat zij levend inden afgrond dalen; dan zult gij weten, dat deze mannen den

31 Eeuwige gehoond hebben.quot; En het was: zoodra hij geëindigd had al deze woorden te spreken, spleet zich de aarde

32 onder hen. De aarde opende haren mond, en verslond hen en hunne huisgezinnen, en alle menschen, die van Korach

33 waren, en al de have. En zij en al het hunne daalden levend in den afgrond; en de aarde bedekte hen, en zij

34 verdwenen uit het midden der vergadering. En geheel Israël, dat rondom hen was, vluchtte op hun geschreeuw.

28. nSxn D'CJ/Ön Vs» a' wat tot nu toe geschied is, v. s. met speciale betrekking tot Aharons verheffing tot het priesterschap en het vonnis van het uitsterven in de woestijn. — lab» sS 13, aan te vullen: vwr, dat ik ze niet uil eigen wil heb gedaan.

29. DINH nm het sterven van alle menschen, een natuurlijken dood, niet door buitengewone gebeurtenissen begeleid; niet plotseling op één oogenblik tegelijk, — maar sterven als gevolg van de raenschelijke eigenschap van sterfelijkheid. — mpBi, en het lot, het beschikte over ieder mensch ook over hen beschikt wordt, — d. i. v. s. sterven ten gevolge van noodlottige voorvallen, zooals die meermalen menschen treffen ; mps = bezoeking als straf of onheil; v. a. en het opzicht, de Voorzienigheid, over alle menschen ook over hen plaats heeft, als Gods Voorzienigheid ook over hen waakt en ze voor plotselingen dood behoedt. — ■orbD 'n nS, dan zult gij terecht hebben beweerd, dat in de bestreden punten ik niet als Godsgezant heb gehandeld.

30- {OT nxna, een scheppingswerk scheppen, d. w. z. een buitengewoon ingrijpend wonder verrichten, — of iets wat door de omstandigheden, waaronder het plaats heeft, door op het juiste oogenblik te geschieden en hen alleen te treffen, klaarblijkelijk een bijzondere, in het oog vallende Godsdaad is, — al is het feit op zichzelf niet bovennatuurlijk. — Mozes zwijgt van den ondergang der 250, waarschijnlijk omdat het hem alleen erom te doen was, het volk den ondergang der hoofddrijvers van het oproer als een directe Goddelijke straf en als blijvende bevestiging zijner zending te doen begrijpen. — nSs», in het graf, waar de lichamen der door God geoordeelden hun ondergang vinden.

31. J?p3m, werd gespleten, er ontstond een spleet, de tot nutoeaaneen-gevoegde bodem barstte. — .tb ris pssn nriBni, opende zich, de spleet wordt wijder en vormt een gapende opening. Het zijn dus twee opeenvolgende momenten van hetzelfde feit.

78

ocr page 161

tü nip

iDtT'i : dölji Dn^aai Dn^:i Dh^ntt nns cma imï» «

it - ; v.v ••: jvm quot; : v •• ▼; it - vlt; ^ • t • j :it

D^Dn-VanKnftby1? nin»-»3 ?^in n^ra hm

^ #5,1- - t j.. ^ ^-ji- * - t : -*t : i* i ; iquot; ;

rnpöi nbx mw onKrrba niaa-ox :'3bö Kb-'a nbxn *=

: v •• i j \ i tt it t lt; : • r • • ^ v a- t

NTrnNnrDiO : nin^Von^ ipamp; ontrrba''

•'Ti • T * ; ^* ; -itt : ^t j av quot;^-r i^quot;t* ^ tt-'t t

quot;it^N-ba-nKi on'K nj^ai n^-nx nonxn nnïöi nin»

jv -: t v ; t '«t: it t v «t t-:it t ; it t ;

nvgt;Kn d^^nh iïn: »3 Dn^m D«n Dn1?

v vquot; t j' T-: it •) -»r s* v - r t a ; j :it: v t

Vpani ni?«n onmrrba m -lanquot;? inbaa ™ : nin'-nx ^

^ Ijt * - v a'^t v't^;-^ t Jquot; •• -: - : * it ; v

V^ani n»ö-nK pxn nnsni : on'nnn non^n ^

^ j- ; • - t * v | v t t lt;- ; • - iv •• ; - jv -| ^t t quot;i it

: B'iann-^a rw nip1? im Dixn-ba nxi DHTOTM DHX

i :it^ t : -i ; -i tt it t lt;•• : av •• it v ; ^^t^

p^n orrb^Dam nto DMn on1? -i^x-^ai on ini»quot;! ^

i v t t v •• i - t a ; - .)••• t jv -j t : jquot; ;i*—

oSb^ ID3 Drvna^ao bN^^^ai : bnpn 'nino na^i ^

ati ; jt vv ** i * ! ov -i •• t; * t ; itit* } J ' ^ : i'

32. Dn^lS rUC1gt; hunne tenten en hunne gezinnen, van Dathan en Abieram. — mpS ifs onsn Sa nsi, en al de menschen, die Korach toebehoorden, — niet: die met hem zich hadden verbonden, — daar de 250 op andere wijze stierven, en van de anderen, die naar vs. 19 in oproer waren gekomen, nu nog geen stierf; eerst bij het oproer op den volgenden dag brak onder de toen oproerigen de sterfte uit (17,11 en 14). — Hier wordt Korach niet genoemd onder de door de aarde verslondenen; integendeel, daar hij vs. 17—19 genoemd wordt bij de met vuurpannen voor het heiligdom staanden, schijnt hij veeleer met dezen verbrand te zijn (vs. 35). Wél worden hier uitdrukkelijk de mannen van Korach genoemd, wat hem eveneens schijnt uit te sluiten van den ondergang in de aarde. Daarentegen worden vs. 35 uitdrukkelijk 250 man genoemd, waar Korach dus niet bijgerekend is; Num. 26,18 wordt Korach bovendien wél onder de verzwolgenen genoemd. Vandaar in den Thalmoed twijfel, tot welke der beide groepen Korach behoorde, en eene meening, dat hij door beide rampen getroffen zou zijn: door het vuur getroffen en daarna verzwolgen door de aarde (misschien nog levend). De beide plaatsen zijn moeilijk op andere wijze met elkander in overeenstemming te brengen. Onder ons alle drie, Korach, Dathan en Abieram, te verstaan gaat niet, omdat dan het noemen van de mannen van Korach onverklaarbaar zou zijn. Naar 26,11 stierven Korachs zonen niet; misschien hadden zij in'tgeheel geen deel genomen aan het oproer, of zich tijdig teruggetrokken; zoo zeer jong zullen zij wel niet meer geweest zijn, daar hun vader wel niet veel jonger dan Mozes zal zijn geweest. — omSï CDm, de aarde dekte over hen heen, d. w. z. de aarde sloot zich over hen en bedekte hen, zoodat zij zonder eenig spoor achter te laten te gronde gingen en verdwenen uit het midden des volks.

34- SjOBquot; SDI. geheel Israël, voor zoover het op eenigen afstand (vs. 27) van de tenten stond, vluchtte, oSpS, wegens hun geluid. Hun schreeuwen, toen zij door den gapenden afgrond verzwolgen werden; men

ocr page 162

N U M E R I XVI, XVII.

35 want zij zeiden: «— dat niet de aarde ons verslinde!quot; En een vuur ging uit vanwege den Eeuwige, en verteerde de twee honderd en vijftig mannen, die het reukwerk gebracht hadden.

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Zeg tot El'azar, den zoon van den priester Aharon, dat hij de vuurpannen van tussehen den brand neme, «en het vuur werp er uit ver weg,

3 want zij zijn heilig geworden, — De vuurpannen namelijk van deze zondaars aan hunne eigen levens; men make ze tot dun-geslagen platen, tot belegging van het altaar; — want zij hebben ze vóór den Eeuwige gebracht, en dus zijn zij heilig geworden; — opdat zij den kinderen Israels tot teeken zijn.quot;

4 De priester El'azar nam de koperen vuurpannen, die de verbranden gebracht hadden, en men plette ze tot belegging van

5 het altaar. Ter herinnering voor de kinderen Israels, opdat geen vreemde, die niet van Aharons nakomelingen is, nadere, om een reukgave vóór den Eeuwige te ontsteken; opdat hij niet worde als Korach en als zijn aanhang, gelijk de Eeuwige in handen van Mozes tot hem had gesproken.

behoeft hier niet aan geknetter te denken, waarmee ze als in «.helsche zwavelvlammenquot; in den afgrond zonken. — ïtos '3, niet dat zij die woorden juist uitspraken, maar zij dachten, — dit was de drijfveer van hun vlnchten: de vrees, dat de aarde hen zou verslinden, js st.

35. rwr was intusschen, vermoedelijk op hetzelfde oogenblik, uitgegaan vanwege den Eeuwige.

Hoofdstuk XVII. 2. DT], — verkorte vorm van O'TT, — als uitdrukking van een wensch of bevel; hier indirect teruggegeven, daar Mozes' woorden tot El'azar natuurlijk luidden; Qquot;irt enz.; in rnr, gebiedende

wijs, is het bevel in directen vorm voortgezet; zulke plotselinge overgangen komen tamelijk dikwijls voor. Het als onbepaalde wijs op te vatten geeft geen rationeele verklaring, hoewel het, wat den vorm betreft, mogelijk

zou zijn, rnr voor mt evenals Ez. 21,15. —Het woord ombeteekent

tegelijk; opnemen en wegnemen. — nsn'n, de brand, het afgetrokken zelfst. naamvv. voor: de verbranden; de pannen lagen tussehen de lijken in. — fxn, de gloeiende kolen, het vuur, dat de offerenden zelve op de pannen hadden gelegd. Het vuur blijft verworpen en mag niet voor eenig doel gebruikt worden; het staat in zekeren zin op één lijn met een voor een afgod gebracht offer. — lïtp, zij, de vuurpannen, zijn heilig geworden, door het feit, dat zij vóór den Eeuwige in het voorhof met cle bedoeling om reukwerk te offeren gebracht zijn (vs. 3).

3. nmna m enz. kan als voorwerp de woorden mnnan ns uit vs. 2 nader verklaren, of bij de volgende woorden ii'ri behooren; in ieder geval staat met nadruk het karakter dier vuurpannen hier op den voorgrond. — DnoBM... D\son, die zondaren aan hun personen, die door hun zonde hun leven verbeurd hebben. — ens 'rpi, plettingen tot platen = dun geplette bladen. Door dit pletten hield de verontreiniging, door de aanraking aan de lijken der verbranden ontstaan, in ieder geval op; bovendien kan de

79

ocr page 163

v it: nip up

^ninwnxö nxx» K'KI : pxn VIÖK

- at ; -•quot; •• v,t :it j*' : i vit t ^ ^quot;t ; • i v : it -••

13T1 D : rriüpn 'anpö D^HKOI D^pnn nK« ' D*in frl2n?hn«-?3 nr^K-bK Ion4 : quot;ioxb nt^D^N nirv =

lt;quot;t: I •• - I j -: i- I v t t : v v v: # i •• r-* v vt ;

: itrnp »3 n^rrniT ^«n-n«i naiirn rao nrinan-nx

.-IT i-r V»T VT ••• : f T ••: ^ quot;■quot; ' q = quot; quot; v quot;

^.J51 DnK Dncsja nbKri D'M^nn ninnö n^? * nittb vn»i Dnnpn*^ nira1? ♦isv b^na

v. ; ^ : r: atI : • - v.t ; iquot; : • a * 1: * ^ •

ntfmn ninna m rn'an n!5»i :

: - j : - ••lt;!••- jt t : v i - • - r* t ; • jquot; : •

*:£gt; rm : naTa1? ♦ISÏ o^pnn lanpn 'im *

: • i t • quot;'quot;V quot;p J ' O'- rquot;-' a- - pv p* ■'•■ quot;*

jinx ^30 a) quot;itrx IT anp^-N1? quot;IB'K innaai nipa nin» rsaV nitap i^pnb «in

a : i1? ntftrTa nin» 131 quot;i^xa

Num. 19 voorgeschreven reiniging hebben plaats gevonden vóór het pletten, ook al wordt dit niet uitdrukkelijk vermeld; evenzeer is het mogelijk, dat bij het sterfgeval Lev. 10 een reiniging der verontreinigde tempelvaten moest plaats hebben, zonder dat dit uitdrukkelijk vermeld wordt; terwijl daar ook nog de vraag is, of wel verontreiniging plaats had, daar v. s. de dood van Nadab en Abiehoe in het niet overdekte voorhof plaats had en dus geen //verontreiniging door onder één dak met het lijk zijnquot;, SnN nsisiB, ontstond. Daarmede is Ehrlich's opmerking, dat door een Goddelijk strafgericht overledenen niet als andere lijken verontreinigen zouden, weerlegd. — roinS msï, als belegging voor het altaar, het brandofferaltaar, dat tóch reeds met koper belegd was. Vermoedelijk liep deze tweede belegging niet over de volle hoogte van het altaar, zoodat men duidelijk onderscheiden kon tusschen het oorspronkelijke en dit belegsel; zoo kon dit nieuwe koper-belegsel een teeken en een herinnering zijn voor ieder, die het altaar zou zien.

5- map quot;VDpnS. algemeene uitdrukking voor; het uitoefenen van priesterlijke functiën, speciaal: voor alles wat op het altaar geofferd wordt, vgl. Ps. 66,15, ffiW mop; reuhverk in engeren zin kan het hier niet goed beteekenen, daar een symbool aan het brandofferaltaar niet goed als teeken kan dienen voor het verboden zijn eener handeling, die nooit op dit altaar geschiedde. — iS rw» ta 'n mi it'to, — volgens Rashbam behooren deze

woorden bij vs. 4: El'azar nam enz.....gelijk de Eeuwige hem, El'azar,

door Mozes had gezegd; anderen: gelijk de Eeuwige omtrent Am, Korach, door Mozes had gesproken, nl. 16,5 —7; Ibn'Ezra en Rashie: omtrent Aharon, dat deze alleen hoogepriesterlijke en zijne zonen priesterlijke functiën mochten verrichten. Mij komt Rashbam's opvatting het eenvoudigst voor.

ocr page 164

N U M E R I XVII.

6 Nu morde de geheele gemeente der kinderen Israels den volgenden dag tegen Mozes en tegen Aharon, zeggende: «Gij,

7 gij hebt het volk des Eeuwigen gedood.quot; En het was: toen de gemeente tegen Mozes en tegen Aharon in volksvergadering bijeenkwam, keerden zij zich naar de tent der samenkomst, en zie, de wolk had haar bedekt; en de heerlijkheid des

8 Eeuwigen werd zichtbaar. Mozes en Aharon kwamen nader

9 tot voor de tent der samenkomst. — En de Eeuwige sprak

10 tot Mozes, als volgt: «Zondert u af, uit het midden van deze gemeente, dat Ik hen in één oogenblik verdelgequot;; toen vielen

11 zij op hun aangezicht. Mozes zeide tot Aharon: «Neem de vuurpan, doe er vuur in van op het altaar, en leg er reukwerk op, en breng het spoedig naar de gemeente, en doe verzoening voor hen ; want de gramschapsuiting is uitgegaan van-

12 wege den Eeuwige, de sterfte is begonnen.quot; Aharon nam het, gelijk Mozes gezegd had, en liep heen naar het midden der vergaderde menigte — en zie, de sterfte had reeds begonnen onder het volk ; — en hij legde het reukwerk er op, en deed eene ver-

13 zoeningshandeling voor het volk. Hij plaatste zich tusschen de

14 dooden en tusschen de levenden, en de sterfte hield op. En de

6. rnnoa. ^en volgenden dag, den dag, volgende op Korach's ondergang en het verbranden van zijn aanhang, in hoofdstuk 16 medegedeeld. Het vs. 4 verhaalde maken van de koperbedekking voor het altaar zal wel niet denzelfden dag hebben plaats gehad; daar is, die zaak afsluitend, terloops medegedeeld, dat aan Gods bevel ook werkelijk voldaan werd; ons vers neemt den draad van het verhaal omtrent het verloop van Korach's opstand weer op en sluit dus bij hoofdstuk 16 aan. — „Gij zijt het, die het volk Gods helt doen stervenquot; luiden des volks woorden. Gij hadt dit onheil door uw beden kunnen en moeten afwenden, de gestorvenen waren tóch trots alles leden van het „volk des Eeuwigenquot; (16,3). Hoewel het sterven zelve wél indruk op het volk had gemaakt, waren zij toch niet tot het rechte besef gekomen van de eigenlijke beteekenis van het oproer en van de Goddelijke zending, aan Mozes en Aharon opgedragen.

7. im zij, Mozes en Aharon, of de gemeente, wendden zich, waarschijnlijk het laatste; zij worden nu getroffen door een bijzonder verschijnsel: de wolk, die anders op een afstand boven de tent zweefde, bedekte haar nu geheel en straalde in bijzonderen lichtglans als bewijs, dat de Goddelijke Majesteit met Mozes wilde spreken.

. s- jm zij gingen van hun tent af meer in de richting het heiligdom in, maar slechts iïi» hns ':£) Sn, naar hel voorhof, zij betraden het eigenlijke heiligdom niet

10. TOin. Nipb'al van d»i = on; hegeeft u spoedig mg. Uit dit meervoud

blijkt, dat de Godsspraak, hoewel tot Mozes alleen gericht, Aharon en diens zonen evenzeer betreft, — misschien zelfs meerdere anderen, als Jehoshoea' en Kaleb, die ook nu aan de samenrotting des volks geen deel namen. — In mm ligt nu direct reeds de aankondiging van een

80

11

ocr page 165

v nip ö

a •• i v*^iquot; : r.' ~ t*: it • •• t: • iquot; ; t

nt^ö-^ m^n Vnpna ♦ni : nin» D^nx onon Dn»»

■*'•' t quot;it lt;*,It • ; * :quot; . it : j- ^v v.quot; quot; quot;» a* ~

1122 nii mn inDD nuni i^id brix-bx \:an rinir'jvi

J : v.t*- iat*t iv vt • Jquot; ' ; v -• : •- i -: i- ^ ;

1311 D *: iyio biN r'inNi ni^o NDI : nin»n p

Jquot; quot;tquot; ^ lquot; ^ v gt; ; v i -: i- : v lt;tquot; it : q

n-JDNi nx-Tn ni^n iino iDin : 1a«b hb'ö-^n nin^

JV - -si- - -«T^'IT^ I • ^ •• I •• JV V VT :

■nx np_ finN-VN namp;o ioni. : Dn^a-1?^ iVai wid ddn ^

(**. J *.*gt;'»* I 'quot; j r Ol * ■at: p lT p

Tj^ini nipp nDTsn V^d itk nrinsn

nin» ♦aabö eixpn NÏ^D on^jr laDi ni^n-^ nino

i.T : I ■•M-- JTT I- «• ••'Ï! r J.. - ; ^ V IT•• :

pinÊ'D 1311 itsteD priK npi : cjaan laDi niapn-nx jrii d^s e]J3n Vnn nsni Vnpn vm : naaan lï^ni D»nn pDi D»nsn-p3 idvi : D^n ^

,T.. - - v-quot;T Iquot;- n- -1- I ■••• ^. .. - 1 ,.. j^-u-- Itt T»

aanstonds uitbrekende sterl'te, daarom vallen zij biddend op hun aangezicht._

ïj-o r= r;i33, als in een ongenblik.

11. Het gebed is echter dezen keer vruchteloos: ejxpn, de gramschapsuiting, de sterfte is begonnen; daarom moet Aharon, waarschijnlijk volgens een Mozes gegeven, hoewel dan niet vermeld Goddelijk bevel, dat dan het antwoord vormde op zijn gebed, eene verzoeningshandeling doen, juist bestaande in hetzelfde, wat Korach's aanhang den ondergang had berokkend. — natnn Sr», afgenomen van het altaar af. — de gebiedende wijs van den Hiph'iel.

12. mapn nx jm. Hier blijkt, dat hij het reukwerk eerst op het vuur legde, nadat hij te midden des volks gekomen was. Zoo zal het ook wel geschied zijn, daar het eene verzoeningsAandetóiy geldt; het leggen en in rook doen opgaan van het reukwerk is dan het zoenoffer. Wanneer in het vorige vers gezegd wordt; en leg reukwerk er op en breng het naar het volk, dan is daar eerst de te verrichten offerhandeling in haar geheel beschreven, zonder dat juist precies op de volgorde der handeling is gelet. Misschien beteekent mop oiüi ook wel: verzorg, breng aan, ol neem reukwerk in uw hand-, dan zou er tusschen de beide verzen in het geheel geene tegenstrijdigheid zijn.

13. hij plaatste zich tusschen dooden en levenden, als waren er twee groepen, eene van dooden aan de eene zijde, eene van levenden aan de andere; de zin is dan: hij trad als bemiddelaar op om de nog levenden, die door de dooden als het ware meegesleurd dreigden te worden naar het graf, aan den dood te onttrekken; —anderen: hij plaatste zich midden tusschen levenden en dooden, in de volksmassa, waarvan velen reeds waren gestorven. — nsjn, v. s. de sterfte, het resultaat van den epj, wat de het volk treffende zweepslag van den Goddelijken toorn beteekent, die een sterfte ten gevolge heeft.

ocr page 166

N U M E R I XVII.

door de sterfte omgekomenen waren veertien duizend en zeven honderd, behalve die wegens de zaak van Korach gestorven

15 waren. Aharon keerde tot Mozes aan den ingang van de tent der samenkomst terug, en de plaag had opgehouden.

16 De Eeuwige sprak tot. Mozes, als volgt; «Spreek tot de kinderen Israels en neem van hen één staf voor elk vaders-huis, van al hunne vorsten namelijk naar hunne vadershuizen,

18 twaalf staven ; ieders naam zult gij op zijn staf schrijven. En den naam van Aharon zult gij schrijven op den staf van Levie;

19 want één staf voor het hoofd van hun stamhuis. En gij zult ze leggen in de tent der samenkomst, vóór het „getuigenisquot;,

20 waar Ik samenkomsten met u bepaal. Nu zal het zijn : de man, dien Ik uitkiezen zal, diens staf zal bloeien; zoo zal Ik tot rust brengen, van Mij af, het gemor der kinderen Israëls,

21 dat zij tegen u morren.quot; Mozes sprak tot de kinderen Israels; nu gaven hem al hunne vorsten één staf voor eiken vorst, voor hunne vadershuizen, twaalf staven ; en Aharons staf was te

22 midden van hunne staven. Mozes legde de staven neder

15. msyj nSJOnii v- s- nadat de sterfte had opgehouden, liet geheele vers als zelfstandige zin opgevat; Ibn 'Ezra en Bieoer; toen Aharon teruggekeerd was, nadat de sterfte had opgehouden, — sprak enz. (vs. 16) — tegen de Massoretische Parasha-scheiding, die hier een groote pauze maakt; nog anderen zien in de woorden van vs. 13 nsjon quot;ixïni slechts het bericht, dat de sterfte zich niet verder verspreidde: zij werd teruggehouden, haar werd als het ware halt! toegeroepen ; ons vers bericht dan, dat Aharon tot Mozes terugkeerde en dat toen de sterfte geheel en al had opgehouden te woeden, ook de reeds door de ziekte aangetasten waren genezen. rmr:, met den toon op de voorlaatste lettergreep, is verleden tijd, geen deelwoord. — De sterfte schijnt een soort sneldoodende pest te zijn geweest.

17. npVquot;7l31gt; spreek tot de Israëlieten, dat zij u zullen geven, en neem dan van hen in ontvangst. — 2N ira'? beteekent hier zeker: stam; juist echter omdat men een kleineren kring er onder zou kunnen verstaan en zoodoende een grooter aantal staven nemen, wordt het getal twaalf uitdrukkelijk aangegeven. — mo ns üw — b\si ü\s op (vgl. Gen. 15,10), ieders naam, van den stam namelijk, — niet van den vorst, daar in dit geval het voorschrift van vs. 18 overbodig zou zijn; als hoogepriester is Aharon immers stamvorst van Levie. Alleen bij dezen stam werd dus de naam van Aharon geschreven, omdat immers voor altijd zijn priesterrecht boven allen twijfel zou worden verheven. De slotwoorden van vs. 18 bedoelen dan te verklaren, dat priesters en Levieten samen slechts één staf hebben te geven, — want één staf voor lederen stam werd slechts genomen en de priesters behooren immers tot den stam Levie. — Een vraagpunt is het nog, of Aharon's staf onder de twaalf begrepen is, zoodat dan Ephrajim en Menasshé voor dit geval als één stam Joseph beschouwd worden, — öf wel dat buiten de twaalf een 13de staf voor Aharon als vertegenwoordiger van den stam Levie werd gegeven. Noch uit vs. 17 en 18, nóch uit het slot van vs. 21 blijkt het duidelijk, daar op beide plaatsen bovendien kan worden bijgedacht. De samenvoeging van twee altijd afzonderlijk

ocr page 167

V nquot;lp K3

□♦nan -inbp HIKD -ivy n^aiK naib? b^nan

lyp VriK nna-^K n^o^x pnx : nip-na^-1?^ « s * : nnï^: naaarn |

npi ^rbx i -isi : ioxb hi^d^n nirr isvi« '

:. quot;T: quot;lquot;v ■•quot;. r' • r s-;* ■■■ ^ ■■ „'■-■■-* an2N rvrp onx^r?! n«D 2N n^1? nao ntao dhmq

mi : intaD-1^ anon ibB'-nx nitsD quot;iamp;v D^ty ^

,. ; Iquot; quot; , v. : * :. v -•* •% - V.T Tquot; r* ;

]T3 K'NIV nriK ntsa »3 MS ntao-^ 3h3fi finN DB'

^,. v . t vm - 'lt; ft' •• j.. - ^- v. j * » -: iquot;

■nw ib'x nin^n lyfo l?n«3 onnsni : Dni3K ^

jquot; T * •»••• -: it •• : • 'Aquot; •.•-•; : - • ; IT -:

♦nsK'm ma» inao i3-in3« nirK n'^m ; natr DS1? 3

at : * jquot; - ^ - ; v jv -; •)• t ^ t t : t it t

: D3»v»ö on quot;iagt;N ^3 niaVn-nK ^ro

^ iv •• ».• • - -»•• •)'•' i •• t: • — ; \ : ^ v - nri-

ntsp on^^r1?! I V^N ijn'i ♦jr^K n^o quot;i3TV« liry onbN Sn« ntsa -inK wmh

vt t r* : t -: •jquot; : t v lt;• t : v - t v • t ;

nbsrrnK n^o mn : oniisp Tjins pnx nisoi niaa ==

*

genoemde stammen tot één stam Joseph, verder het vs. 21 uitdrukkelijk geconstateerde geven der staven door iederen vorst, maken de door Ibn 'Ezra e. a. gevolgde meening, dat er slechts twaalf staven waren, wel eenigszins minder waarschijnlijk.

19-. nnyn waarschijnlijk in het allerheiligste, vóór de arke,

waarin de tafelen van het yetuigenis. — nrw, g eio o on hen te bepalen; oaS, voor u, meervoud, — Jlozes en Aharon, welke laatste immers ook nu en dan Goddelijke openbaringen ontving.

20. ^j?o vorm. Ik zal tot rust brengen en van Mij af wenden het gemor, enz. — oa^ï...'Vr», Ik zal van Mij afwenden het morren, dat wel direct tegen u. maar eigenlijk tegen Mij gericht is; in 'Sr» ligt zoo tegelijk een woordspeling met het oog op het slot van het vers.

21. pnN nüDl. of: en bovendien nog Aharons staf, of; en Aharons staf, als een der twaalf, te midden van hunne staven, van de overigen door niets te onderscheiden; v. a. midden tusschen hunne staven in, geheel door de andere staven omringd, zoodat het later zich vertoonende verschijnsel niet aan de nabijheid der arke of iets dergelijks kon worden toegeschreven. //Aharons stafquot; wil natuurlijk hier zeggen: de staf van den stam Levie,— niet de staf van Aharon, die Ex. 7,9 e. a. p. genoemd is, waarmede de teekenen door Aharon of Mozes verricht werden. — Uitdrukkelijk wordt

i'uist geconstateerd, dat Aharons staf met de anderen volkomen overeen Lwam; naar de grondbeteekenis van het woord waren het waarschijnlijk'uist geconstateerd, dat Aharons staf met de anderen volkomen overeen Lwam; naar de grondbeteekenis van het woord waren het waarschijnlijk

fewoneewone boomtwijgen, van niet meer bloeikrachtig hout, waarvan vernieuwde loei niet te verwachten was.

ocr page 168

HUMERI XVII, XVIII.

23 vóór den Eeuwige, in de tent van het «getuigenisquot;. Nu was het den volgenden dag, toen Mozes de tent van het getuigenis binnenkwam, zie — toen bloeide de staf van Aharon, voor het huis van Levie; hij bracht bloesems voort, en botte in sprieten

24 uit, en deed amandelen rijpen. Mozes bracht al de staven van vóór den Eeuwige naar buiten, tot al de kinderen Israëls ; zij zagen het, en namen ieder zijn staf.

25 De Eeuwige zeide tot Mozes : «Breng Aharons staf terug vóór het getuigenis, om hem te bewaren tot een teeken voor de kinderen der weerspannigheid, opdat gij hun geftior doet op-

26 houden, van Mij af [wendend], en zij niet sterven.quot; Mozes deed, — gelijk de Eeuwige hem geboden had, zoo deed hij.

27 De kinderen Israëls zeiden tot Mozes, als volgt: ,/Zie! wij sterven weg, wij gaan te gronde, allen gaan wij te gronde !

28 Al wie tot het Verblijf des Eeuwigen nadert, wie het ook zij, sterft; zullen wij dan tot den laatsten man wegsterven?quot;

1 De Eeuwige zeide tot Aharon : «Gij en uwe zonen en het huis uws vaders met u, zult de misdaad tegen het heiligste op u nemen; doch gij en uwe zonen met u, zult de misdaad van

22. myn SrWC3gt; 'n de tent, -waarin zich de arke met de tafelen van het getuigenis bevond, een ongewone uitdrukking, vgl. echter rinyn pw» (Ex. 38,21).

23. ma rum Ziegt; ^oen Stond in bloei; na rum behoeft ook in een verhaal de niet de beteekenis van meer dan volmaakt verleden tijd te hebben. — yx ms snel. (quot;H? beteekent waar het voorkomt: bloesem,

bloem, en het werkwoord: bloeien. Er staat dus: hij bracht bloesem voort-, ygt;ï schijnt slechts: spruit, de ontkiemende, nieuw-uitspruitende, uit den knop te voorschijn schietende blaadjes aan te duiden, zeker meestal een stadium van den boomgroei, dat aan het bloeien voorafgaat. Het is daarom moeilijk, om, zooals velen doen, in fï y:ri een verder stadium te zien, dan in ms xn. In die opvatting zijn er dan nog twee verklaringen; 1°. die van Rasiibam : zie, toen siond Aharons staf in bloei, — nu bracht Mozes haar naar buiten en ten aanzien des volks bracht zij knoppen voort, liet bloemen spruiten en deed amandelen rijpen;'!'', die van Mendelssohn e. a.: zie, toen had de staf van Aharon gebloeid; hij had namelijk een knop voortgebracht, had dien tot een bloem ontwikkeld en tot amandelen doen rijpen; — die voortgaande phasen van ontwikkeling bleken dan alleen uit het feit, dat er nu amandelen aan zaten. Wij meenen, dat de staf alle stadiën van ontwikkeling tegelijk vertoonde en dat vertaald moet worden : zie, toen bloeide Aharons staf, hij droeg namelijk bloemen, deed sprieten uitbotten en droeg rijpe amandelen, onptf Snjn, eig.: maakte amandelen rijp, d. w. z. droeg geheel rijpe amandelen. Anderen zien in ms algemeene naam voor: teeken van bloei, of knop, in y's de geopende bloem. — Dnpc?, letterlijk: de haastigen, daar de amandelboom het eerst bloeit en vrucht draagt.'

24. mpM wn, zij, de kinderen Israëls, zagen en zij, de stamhoofden, namen ieder zijn staf; anderen: zij, de vorsten, zagen, herkenden ieder zijn staf of zijn schrift en namen dienovereenkomstig ieder zijn staf.

82

ocr page 169

rv r aa

ht^D «nn ninöo : mvn Vn^a nin» »

v •gt; ^ v ^ v lt; t- t*; it • ■quot; :quot; i-. ,,it v ^ : at ;-•••; •

f X*?- hquot;1-? K5?!l \V7 pn^'^tao nna mni nrtyn 'bx njn» \:sbf2 hban-^rnK n^ö uk]: on^ bbw pv13 a * : tieo inp*i bniw* ^a-ba

^ iquot;- r v.1:*quot; J :•quot; aquot; t; • ^quot; ; ^t

nn^n ya? pnx ntsa-nK atrn n^ö-^N njrv nDN'i ^ : ino» tyü oniibn bani no-^ab niNb niot^öquot;?

i% t ^ : v~ t iquot; -jt i : s- ; 'av quot; ï * . ^ : vr/ ; • :

a : niry ?a inK nin» niv ite ntfo vy*)«

•t tquot; \jquot; v jt : st- # v -: i- av

liba liiaK liyia rn iax1? nvn-bx ^a »

jt \ hquot; t :^quot;t 1^quot; a •• v.v quot; •• t; * -quot;• ; ; i-

won own niö» nin» faB'p-'jK a^n i a^n Va : unaNquot;3 VptfTvai ?|»aai nnx nin» IO^I D : * TIN iNfn ^«^ainn^^psn ^nK

25. mDB'oS. ,er bewaring = om hem te bewaren, nixS, zoodat hij tot teeken diene, ■n» 'aV, voor de kinderen der weerspannigheid, voor de, naar het schijnt, steeds tot oproerigheid geneigden. — De staf lag, evenals het kruikje Manna, Mozes' staf en naar den Thalmoed de kruik zalfolie, vóór of naast de arke; bij de tochten werden deze allen vermoedelijk bij de arke door de priesters verpakt en den Kehathiden overgegeven. — ^am, een Pi'el, moet dus vertaald worden: en gij zult doen ophouden, of: het neerleggen, mnü», (Siporno) of bloeien van den staf zal doen ophouden. — iSïs, gij zult van Mij afwenden en doen eindigen hun gemor.

28. anpn 3-ipn Sa = 2ipgt; ips aipn Sa, al wie, wie het ook zij, nadert = te nabij komt, als niet gerechtigde op gewijde plaatsen komt. Vgl. uitdrukkingen als vSy n» nw quot;oi (Num. 6,9), wo vhi» isn smvi nvn (Recht. 11,31) enz. — ruS mn Dsn. Het woord osn komt enkel nog Job 6,13 voor, en ook daar is niet met zekerheid de beteekenis vast te stellen. Sommigen verklaren = xSn, voorwaar — wij eindigen te sterven = wij sterven tot den laatsten man uit, wij gaan al stervende geheel en al verloren; anderen vragend; zouden wij soms tot den laatste toe moeten sterven f ïijS i:»n wordt door sommigen verklaard alsm»S nnnSan iüjs S3 wn ibm (Deut. 2,16), en osn als negatieve vraag dus: houden wij dan ooit op te sterven f de sterfte zal zich door de nabijheid des heiligdoms en de daaraan verbonden gevaren telkens weer herhalen. Het volgende stuk geeft het antwoord op de hier uitgesproken vrees.

Hoofdstuk XVIII. 1. De Godsspraak richt zich direct tot Aharon, daar zij een uitsluitend priesters en Levieten betreffend voorschrift behelst. Rashie meent op grond van Siphré, dat pns Sn verklaard moet worden : sprak tot Mozes met bestemming voor Aharon, wat echter niet in het woord ligt; anderzijds moet men echter toegeven, dat vs. 24, waar tot Mozes

fezeed wordt:ezeed wordt: doch tot de Levieten zult gij spréken, de onderstelling wettigt, at hij ook reeds vroeger een bevel tot spreken had ontvangen. — Vs. 2-7

ocr page 170

N ü M E R I XVIII.

2 uw priesterambt dragen. Ook uwe broeders, den stam Levie, den stam uws vaders, doe naderen met u, en zij zullen u toegevoegd worden en u dienen, terwijl gij en uwe zonen met u

3 vóór de tent der samenkomst zijt. Zij zullen den door u hun op te dragen post waarnemen, en den post bij de geheele tent; doch tot de heilige voorwerpen en tot het altaar zullen zij niet

4 naderen, opdat zij niet sterven, zoowel zij als gij. Maar zij zullen u toegevoegd zijn, en zullen den post bij de tent der samenkomst waarnemen, met betrekking tot allen arbeid voor

5 de tent; maar geen vreemde zal tot u naderen. En gij zult den waakpost bij het heilige, en den waakpost bij het altaar waarnemen, opdat er niet nogmaals eene gramschapsuiting op

6 de kinderen Israels kome. Doch Ik, zie. Ik heb uwe broeders, de Levieten, uit het midden der kinderen Israels genomen ; u zijn zij als geschenk gegeven, ten dienste des Eeuwigen, om den

7 arbeid bij de tent der samenkomst te verrichten. Doch gij en uwe zonen met u, zult uw priesterambt in acht nemen, zoowel ten opzichte van al wat het altaar betreft als binnen

bevatten geen nieuwe wet, maar enkel duidelijker uiteenzetting van de reeds vroeger gegeven bepalingen omtrent de onderlinge verhouding van priesters en Levieten en hunne verantwoordelijkheid ten opzichte van het heiligdom. — -pas jvat, v. s. de Levieten in het algemeen, — die echter vs. 2 uitdrukkelijk genoemd worden; Rashie ; de Kehathiden, tnpon be-teekent dan hier, gelijk tnp op meerdere plaatsen, de gewijde voorwerpen, die aan de Kehathiden ten vervoer, aan de priesters ter verzorging en verpakking waren toevertrouwd. Dat daaraan geen vreemde hand roert en zich den dood berokkent, — waarvoor het volk zooeven zijn vrees had uitgesproken — daarvoor zijn de priesters en Kehathiden aansprakelijk; voor zonden in de uitoefening van het priesterambt, Dsruro pr, speciaal door het naderen van vreemden tot den dienst, dragen de priesters alleen de verantwoordelijkheid, yiN f:-1 nn.si.

2. -pax taatr 'iS nno. uwe broeders, den geheelen stam Levie, den stam van uwen vader = van uw vadershuis, foxrvo Datv, waartoe uw geslacht, de Kehathiden, behoort, — dus ook Gershoniden en Merariden, — aipn yis, doe tot God en Zijn dienst naderen met u. — ins nnsi, Mendelssohn, naar Sipoe.no: terwijl gij en uwe zonen zijt vóór de tent van het getuigenis, — zullen de Levieten dezen dienst doen ; — anderen met Ibn'Ezra ; doch gij alleen en uwe zonen, en niet ook de Levieten, zult verblijf houden vóór de tent van het getuigenis. — rnrn Snx is het voorhof.

3. -|mora. den door u hem op te dragen post; SnNn Sd msum, alles wat zij ter verzorging van het gehou w des heiligdoms, planken, gordijnen enz. te doen hebben. Ook hier is dan sprake van Gershoniden en Merariden, die de gewijde voorwerpen zelfs niet dragen mogen. Vgl. 3,6—10. Er wordt tegelijk aan draag- en aan wachtdienst gedacht, — zoodat zij het middel zijn om als wachters het naderen van Israëlieten tot het heiligdom te verhinderen; hier dus het antwoord op de 17,28 uitgesproken vrees des volks. — Het tweede versdeel spreekt ol' van draagdienst en dan uitsluitend van Gershoniden en Merariden, — of van eeredienst, naderen dus om dienst

83

ocr page 171

rv nip jfi

'iS nèü^wnN wi : D^nsns ]]$ = SHK 'ish quot;nnN n^ni hnNi iiVn ■nnx

^ •* J lt;quot;q' ' {T • I quot;* *•* T T - : | A :IT • I^V*T JT • : |T •

IK motJtoi •nmoiya i-iotyi :

quot; ; V | - VAT T •.\v : | ; : - : ^ • : it : r-. quot; it

: DfiK'Da Dn-oa uip» N1? narsn-^i Bgt;lpn

iv- - i~ .- AT l , T,:- J .. . vl.-

rgt;'y? n^io n-ioK'p-nN liat^i tripn n'ioa'p dn Drinof i : D3^n nnp^N1? nn Vn'Nnquot; : Vkiit» nvp n^n^i naran moirD nxi

|.. T: . ^. . I Vl(.v ^ jv:i- : -Aquot;:— ^ v-v : • (/• :

dd1? 'jNiiy» ^3 Tiino D'i^n DD^nN-nx ♦nnp'? nan ^nv

•* T aquot; t ; * jquot; ; ) v, * * •: i- -gt;'.• ^ •• -: v_ • quot; t lt;•• • • -: i-

nnxi : nyiD rnüjrnN Tajr1? nin^V b^n: njriD»

JT - ; V J ^-: •• |- T^ 1quot; * P*** 1 P T ~

naran -inrbD^ DDnana-nx noirn ^dn inai

jquot; • ; quot;•)*•:• - s- : t : v ; - ; v ; : • | ; • | -••-• t

te doen, en dan van den geheelen Levietenstam. — ons c; an dj w»' xSi, opdat gij niet heiden, priesters en Levieten, sterven zult,— Levieten wegens het onbevoegd uitoefenen van eens anders functiën; priesters, daar zij dit hebben toegelaten; de Thalmoed vat het eenigszins algemeener op: laat Levieten geen priesterdienst, priesters geen Levieten-functien waarnemen, want beiden zouden den dood schuldig zijn; de straf is hier: DWT2mr1», dood door den Hemelsehen Rechter.

4- dd^Sn anpquot;1 nS ui. maar geen vreemde zal tot u, priesters, als assistent naderen. De zin kan niet zijn: zij zullen den post waarnemen enz. opdat geen vreemde nadere, daar het dan zou moeten luiden: it 3t[yi nSi, en bovendien dan DrpS.s', tot h e n. het heiligdom en zijn gewijde voorwerpen, zou worden verwacht, niet tot u.

5. amatn en gij, priesters en Kehathiden, zult de bewaking van het heilige, de gewijde voorwerpen, en die ran het altaar op u nemen; anderen laten het geheele vers op Levieten en priesters slaan; met het altaar hebben echter Gershoniden en Merariden niets uitstaande.

.6. nS D'jru ruDD coS, aan u, priesters, als geschenk gegeven, doch niet ten eigen bate, maar ten dienste des Eeuwigen, om u bij den arbeid des heiligdoms te assisteeren; anderen: u zijn zij als geschenk gegeven door den Eeuwige, evenals Gen. 14,19 W? Di2S fa, gezegend zij Abraham vanwege God; nog anderen: van uwentwege, Israëlieten, zijn zij, de Levieten, den Eeuwige als geschenk gegeven.

iraoSi, —pi SdS. Zoowel met betrekking tot... als voor ivat aangaat; rOlsS rvonVi, binnen het voorhangsel, d. i. in het allerheiligste, deed uitsluitend de hoogepriester dienst; hier wordt dus in één trek priester-en hoogepriester-dienst geschetst. Anderen willen ronsS rvo» verklaren: binnen het schutgordijn, dat den ingang tot het heilige bedekt; dan kan dus het geheele vers op de gewone priesters slaan; dit gordijn heet echter Too. nooit roiB, waaronder steeds het voorhangsel verstaan wordt, dat het heilige van het allerheiligste scheidt. — run» nizx, een dienst, u als geschenk.

ocr page 172

N U M E R I XV1I1.

het voorhangsel, — en zult den dienst verrichten; tot een dienst als geschenk doe Ik uw priesterambt worden; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.quot; —

8 Verder sprak de Eeuwige tot Aharon: wDoch Ik, zie, Ik heb u de bewaking Mijner heffingen opgedragen; wat aangaat al de gewijde zaken der kinderen Israëls, u heb Ik ze gegeven als wijdingsaandeel, en uwen zonen tot een bepaald deel

9 voor eeuwig. Dit zij voor u van het allerheiligste, van het vuur: al hunne offers, zoowel al hunne meeloffers, als al hunne zondoffers, als al hunne schuldoffers, die zij Mij zullen brengen,

10 zullen als allerheiligst voor u zijn en voor uwe zonen. Als allerheiligst zult gij het eten; ieder manspersoon kan het

11 eten; heilig zal het voor u zijn. En dit is voor u als heffing hunner gave: wat aangaat al de wendingsdeelen der kinderen Israëls, u heb Ik ze gegeven en uwen zonen en uwen dochters met u, als een bepaald deel voor eeuwig; iedere

12 reine in uw huis mag het eten. Al het vet van olie

als eerefunctie, opgedragen. — jnx, zal Ik in aller oogen doen worden uw priesterschap, — zoodat wie zich uwe rechten aanmatigt, in zekeren zin majesteitsschennis pleegt.

8. iJXIi tegenover uwe verplichtingen heb Ik, van Mijne zijde, u ook zekere rechten gegeven, wier uiteenzetting hier volgt, en wel 8 — 20 voor de priesters, en 21—24 voor de Levieten. — vwvi miivis, de bewaking van Mijne heffingen, de heffingen, die u zullen moeten gegeven worden en wier opsomming hier volgt, hebt gij in acht te nemen en te behoeden voor verontreiniging, ze op voorgeschreven tijd, plaats en wijze te eten enz.— Ons versdeel bevat dus, als inleiding tot hetgeen volgt, een nieuwen pnes-terplicht. — rm»»1?, tot wijding, d. i. v. s. tot priestergave; v. a. tot voortdurend hernieuwde herinnering aan uw wijding. — D'fin:, heb Ik ze, de heffingen, gegeven. — jjaSi, aan uwe zonen, de latere priesters; —van de personen, die de verschillende gaven mogen gebruiken, is hier nog geen sprake; de vrouwen en kinderen, voor zoover zij sommige gaven mogen

genieten, krijgen hun deel mede van den priester, die ze ontvangen heeft; eze, niet de vrouwen en kinderen, zijn tot ontvangst gerechtigd. Men behoeft dus niet teenieten, krijgen hun deel mede van den priester, die ze ontvangen heeft; eze, niet de vrouwen en kinderen, zijn tot ontvangst gerechtigd. Men behoeft dus niet te xvcMen: enuwekinder en,omoo\ de vrouwen eronder te kunnen begrijpen.

9. Hier begint de opsomming der priestergaven, en wel met D'tn,quot;) 'ïiip, zond-, schuld- en meeloffers. — oto p, van het vuur af, d. w. z. naaat de vuurgaven daarvan, — vetstukken of handvol — op het altaar zijn verbrand; eerst daarna mag, naar de traditie, de priester de voor hem bestemde offerdeelen eten. Wat het woord betreft, verklaren sommigen; wat overblijft van het vuur, — anderen: van die offers, waarvan een deel op het altaarvuur komt, — in tegenstelling met Theroema in den gewonen zin, dat van het koren enz. gegeven wordt; nog anderen: behalve wat op het vuur komt, = niTN* — 'quot;' W?, zoowel alle... als

alle enz. — wen iox, dat zij Mij zullen terug geven, in zooverre elk offer beschouwd kan worden als afdoening eener dank- of zonde-schuld aan God; anderen roeenen, dat het meer bijzonder op dspn doelt, speciaal met het oog op gevallen, als Lev. 5,15 en Num. 5,8 beschreven; vgl. I Sam.6,3.

84

ocr page 173

it mp ns

mpn quot;itm DsnanrnN ?nK nino oma^i na'ns1?

^••1T quot; JT - i v : - \ : V I quot; V T T quot; w- AV ; - ^-W V V ▼ ~

a : nov

IT

mo^QTiK ^ 'nnj nan riin«quot;,?« nm* quot;Ian*!n

•.\v : • ••• I: 'U-T ^ -••• • p' -Ji-p 111- V t ; —

nnB'Q1? o^nn: ^ ♦Ehp-bn1? ^nbnn

lv,quot;t : quot;jt ; t ; s* quot; ; |: •• t : * iquot; : jquot; :it t ; at i :

-^2 mn-m D^ipn Bgt;ipa nS n'n» nr ; oSi^-pnb»

t aquot; t i ^ v* titquot; v| J • •)! ; JV ir/r JV ,T p T :p

13^» quot;ItTN DDirK-,731?!) DnNtfln^DVl DnnJD'VD1? DJ3-1P

j« t ■*••• -: t t -i t : t t - t ; t t : * t :i t t :l t

isbDNn D'Bhpn lynpa : «in ^ vvip t^Tp ♦S1

Av : i v tit- quot;ij : i ivt : ^ ol: ^ tit ^ v| j

oina nann ^■nn ^b-n^n» irip ins

t t - ■•- : |: v; |it v ; r vlv, tt t

?jnK »33 nsuriquot;1?^

nnx» abn ^3 : ink nn,33 quot;iincr^ obi^-pn'? 2'

t ; • « 1 j~ ; iquot; ; j t t at ^ 1 t ;

10. D^npnnpa. in het karakter van de allerheiligste offers, dus wat tijd en plaats en in acht te nemen reinheidsbepalingen betreft, die bij meel-, zond- én schuldoffers Lev. 6,9; 19; en 7,6 uitdrukkelijk zijn opgegeven. (Nachm.) I n hel allerheiligste kan het niet beteekenen, daar men daar geen offers eet, ja, behalve de hoogepriester op den Verzoendag, niet eens komen mag. Anderen: in hei heilige, waar heilige zaken zijn en gegeten worden. Mij komt Nachm. verklaring het meest aannemelijk voor, al zou men misschien D^ctp tnpa verwachten. Voor de beteekenis van de 'a in deze verklaring vgl. nSroa psn pSnn, Num. 26,53. — -idt Sa, ieder manspersoon, uit het priesterlijk gezin.

11. Nu volgen de den priester toegewezen deelen van O'cnp, die nonn DJnn, heffing als hun, der Israëlieten, u gegeven geschenk, of: heffing van het den Israëlieten door God van hun offer toegewezen geschenk genoemd worden; of: het is het den priester toegewezen afgezonderd deel, nowi, van hun, der Israëlieten, offergeschenk. Deze laatste verklaring komt mij het waarschijnlijkst voor. — Sa1'!, wat aangaat aidenisun, offerdeelen, waarmede een wending is gemaakt, dat zijn; borst- en schenkelstuk van dank-en vredeoffers, brooden van het dankoffer, en gemeente-vredeoffers van het Wekenfeest met bijbehoorend brood. De plaats is niet beperkt, en zij mogen dus, evenals de offers, waarvan zij afkomstig zijn, in de geheele legerplaats (tijdens het bestaan van den tempel te Jerusalem in de geheele stad) gegeten worden, en wel door nno Sa, mannen zoowel als vrouwen, groot en klein, tot het priestergezin behoorende, zoo zij slechts ritueel rein zijn. — Anderen zien in ons vers algemeene inleiding tot de geheele volgende groep ; jdbwi beteekent dan in het algemeen: offers, (vgl. Ex. 35,22) en de bovengenoemde gevallen worden dan vs. 18 en 19 behandeld.

12. Nu volgen die gewijde spijzen, die niet in het heiligdom behoeven te komen, en dan ook zelfs tijdens het bestaan van een vasten tempel in het geheele land gegeten mochten worden, Vaj 'isip. In de eerste plaats Theroema. — aSn, het vet = het voortreffelijkste, wat door ernstige godsdienstige mannen zeker wel als noodzakelijke voorwaarde zal zijn gesteld

ocr page 174

N ü M E R I XVIII.

èn al het vet van most en koren, — het eerste ervan, dat zij den

13 Eeuwige zullen geven, u heb Ik ze gegeven. De eerstelingen van al wat op hun land is, die zij den Eeuwige zullen brengen, voor

14 u zal het zijn ; ieder reine in uw huis mag het eten. Al wat

15 tot ban verklaard is in Israël, zal voor u zijn. Al wat den moederschoot opent, van eenig vleesch, dat men den Eeuwige brengt, onder mensch of vee, zal voor u zijn ; doch lossing zult gij aannemen voor het eerstgeborene van den mensch, en voor het eerstgeborene van het onreine vee zult gij lossing

16 aannemen. En zijne lossing — van af dat het ééne maand oud is, zult gij de lossing aannemen tegen de vastgestelde waarde van vijf Shekel zilver, naar den Shekel des heiligdoms; twintig

17 Géra heeft hij. Doch voor het eerstgeborene van een os, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van een geit, zult gij geene lossing aannemen, — heilig zijn zij;

bij de afzondering van het priesterdeel hunner veldvruchten. — Dn'BNi, het eerste van hen, de genoemde producten; hier wordt niet, zooals in het volgende vers, van ,/brengen naar het heiligdomquot; gesproken; de eerstelingen, in het volgende vers behandeld, zijn dus hier niet bedoeld. Gedacht wordt aan Theroema, de heffing, na het inzamelen van koren, most en olie den priester te geven; deze is rwsn, het eerst ervan af te zonderen, na volbrachten oogstarbeid, voordat men zelve eet of andere heffingen (tienden) geeft; bepaalde hoeveelheid eischt de Schrift niet; rabbijnsch voorschrift geeft ais middelmatige quantiteit '/sn van den oogst. — tw van mï, glinsteren, gewoonlijk gebruikt voor versch geperste olijfolie, evenals orm voor jong gepersten, nog niet geghten wijn, most. Evenzoo is onder pi niet: „koren, zooals het groeitquot;, te verstaan, maar het na dorschen en wannen op een hoop geworpen en glad gestreken koren, het als handels-of voorraadartikel gereed gemaakte product.

13. ^133. Vgi. Ex. 23,19 en Deut. 26,2, waar liet ceremonieel bij dat //brengen voor den Eeuwigequot; nader wordt besproken. Het zijn de eerst-rijpende vruchten, die als eerstelingen naar den tempel gebracht worden en na het Deut. 26 voorgeschreven ceremonieel den priester worden overgegeven en door dezen gegeten. — Dïisa nrs Sa, van al wat in hun land groeit.

14. nnn ba. zie Lev. 27,28. Wanneer hier het tot ban verklaarde den priester wordt toegewezen, terwijl het t. a. p. gezegd wordt voor den Eeuwige te zijn bestemd, — dan is v. s. op beide plaatsen sprake van zonder nadere bestemming tot om verklaard goed, een om one, dat dan, den Eeuwige toegevallen, door Dezen den priesters wordt toegewezen, als ware het van begin af voor den priester bestemd, □■ore 'mn. — Anderen nemen aan, dat den priester alleen de uitdrukkelijk voor hem bestemde o-in toevalt, zoodat hier van zulke fforo imn sprake is, terwijl Lev. 27,28 aan ban zonder nadere bestemming, D'üin ono, gedacht wordt, die dan voor den Eeuwige, d. i. voor de teinpelkas, r.'an piaS, bestemd wordt. — De eenvoudige zin der woorden spreekt meer voor de eerste verklaring, zoodat alle Chérera, den Eeuwige toegevallen, door Hem den priester wordt toegewezen, — uitgezonderd alleen het geval, dat het goed uitdrukkelijk voor God bestemd is, toj '»in, in welk geval het der tempelkas ten goede komt.

85

ocr page 175

it mp ns

; D^nj nin^ t^ii'n n^rrbDi

r - ; j|; r J ; * V -J -jt • iquot; I ATT; ■• * quot; r :

-bi rm» tf? nwV dïinsj npa ^

: rrrr Din-ba : nn^a quot;tint: t

t iv s i* j]i Vquot; T: • : vr* r iv ; i v.! ; •quot; : p J r •)amp;

nanaai dins nin^ innp'-n^N I'^rbD1? om itaö

vt •• : - jtt it -jt i- rl:- v -: t t t :i v v v■••.•

-niD3 nxi Dn^n 1133 na nian n'ns 1 tik ^rrvrv

I ; ^ 4quot; t t it ^ ••« v: • ■gt; t l-^- | at v ; r

n3~ij;3 rnan irTn-no vnai : man rwoian nonan «

I : :*v : v; • vj I v • t : iv : • ^t •• ; - jt •• : -

TjK : Kin nns on^ n^on e]D3

on tip man 16 w 1133-1« 3^3 1133-1« 11^-1133quot;

aquot; v| j v.*-* : * j J • v v : 1 1 :

15. -«ya SsS om noa Ss. al wat den moederschoot opent voor — van eenig vleeschelijk wezen. — 't? wip' ips, het eerstgeborene, dat men den Eeuwige behoort te brengen = wijden; het betrekkelijk voornaamwoord ifx behoort niet bij ica, maar bij idb ; — daar van mensch en dier sprake is, kan aan lypi niet de beteekenis; ten offer brengen gegeven worden, maar is de zin: dat men God vlijden moet, naar Ex. 13,2 en 11; — uit het slot van ons vers blijkt immers, dat ook aan onrein vee gedacht wordt, dat zeker niet als offerdier kan dienen. — msr ms kan zoowel losgeld geven. vrijkoopen, beteekenen, als; losgeld aannemen, vrij laten koopen. Hier, waar de priester aangesproken is, heeft het de laatste beteekenis. Bij eerstgeborenen van menschen is de vrijkoop met nadruk op den voorgrond gesteld, daar het onafwijsbare plicht is; bij onrein vee, naar Ex. 34,20 en 13,13 beperkt tot eerstgeboren ezelsveulens, kan de lossing, hoewel eigenlijk voorgeschreven, achterwege blijven, doch moet dan het jong worden gedood. Als eerstgeboren gewijd wordt alleen een mannelijk kind of jong, dat de eerste telg zijner moeder is, om ids. — msfi nsnon nnnan quot;voa fuo, zult gij lossen voor een lam (Ex. 13,13).

16 vnSV □quot;'IIS = DVIS) lossing, gevormd als D'iU'J enz. Vgl. 3,46.

Vat men het ook hier als deelwoord op, dan verklaremen; en zijn te lossen individuen. — Er is uitsluitend van eerstgeborenen van menschen sprake, zooals uit dé aan te geven som blijkt. Dit is ook in het aanhangsel van •nnsi aangeduid; zijne, des menschen, lossing. —man ... Trnsi, zijne lossing zult gij aannemen van af dat het een maand oud is, de maand moet ten volle ver-loopen zijn. — V®3; naar de vastgestelde som, niet naar werkelijke, door schatting te bepalen waarde, maar'volgens de Lev. 27,3 vv. gegeven vaste schaal; zie voor de beteekenis van -p-iï onze aanteekeningen aldaar.

17. \y 'SEO /^157 zijn hier weer soortnamen en beteekenen : rund- en een der beide soorten kleinvee; daar immers voor eerstgeboortewijding alleen het moerferdier, niet de vader, in aanmerking komt. (Vgl. Lev. 22,28). — msn sS, gij zult er geene lossing voor aannemen, zij blijven gewijd; ook al hebben zij bijv. een lichaamsgebrek gekregen, dat ze als offer ongeschikt maakt, kunnen zij niet, als andere gewijde dieren, die een gebrek gekregen hebben, gelost worden, — daar zij van nature heilig zijn, Dn eip. — pun, sprengen, werpen uit het bekken tegen het altaar; daar hier niet, zooals bij het brandoffer (Lev. 1,5), bij het zondoffer (Lev. 8,15) en bij het schuldoffer (Lev. 7,2), voorgeschreven is, dat de sprenging jod moet ge-

ocr page 176

N U M E R F XVIII.

hun bloed zult gij tegen het altaar sprengen, en hun vet in rook doen opgaan, als een vuurgave, tot lieflijken geur, ter

18 eere des Eeuwigen. En hun vleesch zal voor u zijn; gelijk de borst der wending en de rechter schenkel, voor u zal het

19 zijn. Alle heffingen der heiligdommen, die de kinderen Israëls ter eere des Eeuwigen heffen zuilen, heb Ik u gegeven, en uwen zonen en uwen dochters met u, tot een bepaald deel voor eeuwig; een eeuwig verbond als zout is het vóór den Eeuwige,

20 voor u en voor uwe nakomelingen met u.quot; Nog zeide de Eeuwige tot Aharon: «In 1 1 quot; quot; erfgoed be-

hebben; Ik

zitten, en een deel zult

ben uw deel en uw erfdeel te midden van de kinderen Israëls. —

21 Doch aan de zonen van Levie, zie, heb Ik alle tienden in Israël als erfdeel gegeven ; als loon voor hun dienst, dat zij verrichten

22 den arbeid bij de tent der samenkomst; — Zoodat de kinderen Israëls niet meer tot de tent der samenkomst naderen, om eene

23 zonde op zich te laden tot stervensschuld. De Leviet, hij alleen

schleden, — d. w. z. zoo, dat het bloed aan de vier zijden des altaars zichtbaar is, — neemt de Thalmoed aan, dat bij een usa slechts éénmaal het bloed behoeft gesprengd te worden, en wel op een deel des altaars, waar aan de onderzijde zich het voetstuk bevindt (zie Ex. 27,1). Het voetstuk van het altaar immers, Tien, een blok van één el hoog en aan Noord en Westzijde 32 el lang, aan de Zuid- en Oostzijde slechts ter lengte van één el uitspringend uit het erop geplaatste vijf el hooge tweede blok, vormde een gaanderij, die op een el van den Zuid-Westelijken hoek beginnende, langs West- en Noordzijde rondliep en aan de Oostzijde op één el afstand van den Noord-Oosthoek eindigde.

is. onrai. hun vleesch, zoowel van het als offer gebrachte, als van het door een lichaamsgebrek onbruikbaar geworden eerstgeboren dier, — is voor den priester. — nsmnn mro enz. evenals het borststuk en de rechter schenkel van het vredeoffer (Lev. 7,16 en 28), die gedurende twee dagen en een nacht gegeten mogen worden en naar vs. 11 voor alle leden van het priestergezin bruikbaar zijn, zal ook het vleesch van het eerstgeborene voor u wezen.

19. nnnpn nonn Sd* Volgens Rashie : samenvatting van alle heffingen, vs. 9—18 behandeld, evenals in vs. 8 als inleidend vers, zoo hier aan het slot. Alle heffingen van heiligdommen dus, waaronder dan ook bijv. het vleesch van eerstgeborenen begrepen is, heb Ik u en uwen zonen, ten deele ook nwen dochters, gegeven tot eeuwig deel. Anderen laten ons vers op de deelen van de vredeoffers slaan, die door particulieren gebracht worden, die ook vs. 11 behandeld zijn. Sipobno denkt hier aan heffingen van brooden, als de vier brooden, die van het dankofferbrood den priesters worden toegewezen, de beide gezuurde eerstelingenbrooden van het Wekenfeest en het als Challa afgezonderde en den priester gegeven deeg. — oSir nSn rii-o, een eeuwig zoutverbond, d. w. z. zoo eeuwigdurend en evenmin aan verslapping en bederf onderhevig als zout (vgl. Lev. 2,13). — mi, is het, al het in dit stuk voorgeschrevene. — 'n 'jb1?, voor den Eeuwige, dat Hem steeds voor oogen zal staan. — Y7» ten uwen gunste.

20. DXUO. in hun, der Israëlieten, land, bruri nS, zult gij geen erfelijk

86

ocr page 177

rv mp ia

nnb Ttbpn oabn-nmi narsn-1?^ phw ddthk

- j,. ; 4.. . • I: - -«t : v v ; ^ | . T T

?»o»n purDi naunn nrna •n^-nn» oitrai : nirvb rim™

i V*t quot; i ^ s-ii- |at v ; r v,tt : it i- - v •

S«Tï^-^3 ion» D'tihpn nbnn i Va : n»n» t?0'

^ •• t; • iquot;: j*t v -i • tIt- •» ; -» iv ;r j|:

nna a^rpn1? ^ 'nni Hin^

nin» quot;IÖ^I : 'nnx nyirbi nin» ^a1? km D1?^ n1?»3

t : v - I it • jk—. :-; v.1: . t :-•••: * * jt ^ - v

♦:k DDirü nb n^n^N1? pbni Vnan amp; dïquot;in3 nn^-bK

lt;• -1 lt;st : u: Jquot; : i* I v •• ; t : • ^ t ^: - : I -1^1-

nan D * : Tina ^nSnii ^rp^n» |

j......f ; • : iquot; t: * jquot; : I i : I ;-t -ji- ; |l: ; v P

Dn-itJ'N onia^ ïibn rhniï ^Nit^a T^a^a ♦nna

j.. ... -, t t 1 ^ i v «•• at -iiquot; ; v.quot; t : • ; jquot; 1- t t

^a nii? inn^-Nbi : -tyio Vrtx nia^-nK ona^» -nN Kin 'fen *njn J moV Ntan n^S n^iD VnM-^K»

• •• - -'t : it ; ;** iquot; t ~quot; v - v

éezii krijgen, zult gij geen land aangewezen krijgen, dat gij als erfgoed uwen kinderen kunt nalaten; oairo... pSm, ook zult gij niet hebben een aandeel aan hetgeen het volk door de ontwikkeling des lands of andere gunstige omstandigheden zich verwerft. — Aharon wordt hier aangesproken als vertegenwoordiger van de geheele priesterschap. — Uit de hier en elders den priester toegewezen zaken wordt in den Thalmoed eene lijst van 24 priestergaven samengesteld, die Maimonides, anoa nuSn, allen opsomt»

21- SxiCD quot;lU'J/D Sdgt; al het tiende der onder Israëlieten geoogste landbouwproducten, — evenals Theroema, van koren, most en olie af te zonderen; dit tiende, door den Thalmoed ptw i»r», eerste tiende, genoemd, om het te onderscheiden van het door den eigenaar in Jerusalem te verteren tweede tiende, w wr» (Deut. 14,22 vv.) en het in het derde en zesde jaar van iedere Shemitta-periode daarvoor in de plaats tredende armen-'tiende, i:ï lürn, — moest den Leviet na de Theroema-afzondering worden

fegeven en isegeven en is hun erfgoed, treedt voor hen in de plaats van den bodem, ie den Israëliet worat toebedeeld, en is hun dienstloon; het heeft dus geen bijzondere heiligheid en mag dan ook overal en door ieder gegeten worden. — Aan het Lev. 27,32 besproken tiende van vee, dat als offerdier behandeld en dan door den eigenaar gegeten wordt, is hier natuurlijk niet gedacht. — mar ns onar an ipn djvto, loon voor hun dienst, — namelijk dat zij den arbeid hij het heiligdom verrichten; anderen, naar de toonteekens: loon voor hun arbeid, dien zij verrichten, — namelijk den arbeid hij enz.

22. De dienst, dien de Levieten verrichten als wachters om het heiligdom, heeft ten gevolge, dat geen Israëliet naderen kan tot de tent der samenkomst, zonder gewaarschuwd te zijn; dit naderen zou ernstige gevolgen kunnen hebben, zooals 17,28 door het volk was uitgesproken; voortaan zullen zij dus niet ongemerkt en ongewaarschuwd kunnen naderen, zoodat zij een zonde op zich zouden laden, die hen den dood zou schuldig doen worden.

23. De Leviet zal zijn waakrfiensi waarnemen, en de Israëliet, die dus nadert tot het heiligdom, weet, dat hij iets onrechtmatigs doet, en hij is dus zelf aansprakelijk voor de gevolgen, — tn zij, de Israëlieten, zullen

ocr page 178

N Ü M E R I XVm.

zal de dienst bij de tent der samenkomst verrichten — en zij zullen hunne misdaad dragen ; — eene eeuwige wet voor uwe nakomelingen; en onder de kinderen Israels zullen zij

24 geen erfdeel krijgen. Want de tienden der kinderen Israels, die zij ter eere des Eeuwigen als heffing wijden, heb Ik den Levieten tot erfdeel gegeven ; daarom heb Ik van hen gezegd; te midden van de kinderen Israels zullen zij geen erfdeel krijgen.quot;

26 25 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Doch tot de Levieten zult gij spreken en zeggen tot hen; Wanneer gij vanwege de kinderen Israels de tienden in ontvangst zult nemen, die Ik u van hen gegeven heb, als uw erfgoed, — dan zult gij voor den Eeuwige daarvan eene heffing nemen, het tiende van het tiende.

27 Uwe heffing zal door u namelijk gerekend worden, als het koren uit de schuur, of als de overvloed uit de perskuip; —

28 Zoo zult ook gij de heffing des Eeuwigen nemen, van al uwe

. tienden, die gij van de kinderen Israels in ontvangst zult

nemen ; en gij zult de heffing des Eeuwigen ervan geven aan

29 den priester Aharon. Van al wat u gegeven wordt, zult gij elke heffing ter eere des Eeuwigen afzonderen, van al het vetste

30 ervan, het geheiligde deel ervan. Zeg hun verder; wanneer gij

dus hun eigen misdaad dragen; sin en on dus in tegenstelling met elkander; — anderen: terwijl dan de Leviet dienst doel, zullen zij, de Levieten, aansprakelijk zijn voor hun, der Israëlieten, misdaad, — zoo zij het heiligdom naderen door onachtzaamheid der Levieten, — of: en zij, de Levieten, zullen dus hun eigen misdaad dragen, bestaande in nalatigheid in hun dienst.

24. Dn'?, omtrent hen, v. a. tot hen, indirect door Aharon.

25. De hier volgende wet, de heffing voorschrijvende, die de Levieten van hun tiende den priester moeten geven, behelst een bevoordeeling van den priester, reden waarom, volgens Ibn 'Ezra, niet de priester Aharon, maar Mozes met de bekendmaking aan de Levieten wordt belast.

26. DSnSriJS. in ^et karakter van uw erfdeel, evenals vs. 10 tfcnpn 6-ipa. — Het woord behoort naar de toonteekens bij vipn, als gij als uw erfgoed de tienden in ontvangst zult nemen, die Ik u gegeven heb. — 'n nnnn, heffing ter eere des Eeuwigen, wederom den priester te geven; in den Thai moed heet deze heffing icyn nnnn.

27. DsS arrm en door u zal uwe hejjimj beschouwd worden als de vrucht, die men van dorschvloer of perskuip als heffing geeft; — d. w. z. de Theroemath Ma'aser heeft volkomen hetzelfde karakter als Theroema. Zoolang zij niet van het tiende is afgezonderd, staat dit op één lijn met koren, waarvan nog geene Theroema is gegeven; het is het mag door geen niet-priester gegeten worden en niet in onreinheid worden gebruikt enz. Anderen: de u. Levieten, g eg ev en heffing zal door u beschouwd worden als koren van den dorschvloer enz., dat de Israëliet als oogst inhaalt, — dat zijn eigendom is in alle opzichten, doch waarvan hij eene heffing moet geven, —- zoo zult ook gij enz. — dsS, door u; of: voor u zal door God gerekend worden. — nsbMi, zie Ex. 22,28; in het woord ligt zoowel overvloed, als volkomen rijpheid; gewoonlijk wordt het van akkerproducten gebruikt, hier van perskuip-opbrengst.

87

ocr page 179

rr nip tö

Di^nïiV abiy npn Qiïy oni quot;ijtiq Vnfc hiav

•.•quot;•gt;: t I at ~i •gt; : • v,quot; J . •* -* ~ -i

-lt;33 ïpya-nK 6 i n^nj V?ny

~ - v • it -:i- lt; j •• t ; • ^ : | :

-ty rbm'? on1?'? 'nni nbnn nin^ ion» -itfK VXTB»

^ at li-1 v* *: •quot; * j' t t : t ^i- «'t _ v -: •• t^; •

3 *: rbm tib »33 ^ln3 Dn1? won ra

it ii- v quot;J! * j •• t :•-»•• : | : v t • t i ••

n-iOKi nsnn : ioN^ n^o-bx nin» laTA^

»nn3 -ivynrrm ,?kquot;i^,-'J3 nxo inpn^a 'bnbN

•s-T V -: ••*11- - ^ •• t : • Iquot; ; •• •• I: • r v •• -x

itrvo nirr nonn wao onbnm D3nbn:3 Dn«o dd1?

v.quot; ^i- t : ■*- ^ : v * lt;v •••-ji- av ; - -»- ; ^t * !•• ■)•-• t

n^oairtrnorro Dsnonn oa1? : i'worrïo «

V,t •• : i- ; 1 v - I • 't t- av : - ^ : v*•* t : v ; r- - I •

Da^n^yo^ap nin» nonn anN-oa lonn ja : a^rrfp = nin» nownK uao Dnn:i bivïw ♦:3 nxo inpn

t : J- ; v v • ( lt;v - ; a** t ; • ^ -••• ; •• i ; • -«v -:

nin» nonn-ba nx lonn oawno Sao : pan nn^1? »3

at : j- : t • t *.••••»:- • liquot; - i :

oaonna onbN mo«i * : isoo ittnpo-nx laVn-'jao ^

lt;v ; r-xi- av •• -; vt ; - it : iv • ^ ;l; • v : v t •

28. Evenals ieder Israëliet van zijn producten Theroema aan den priester moet geven, zoo zult ook gij de heffing ter eere des Eemcigen afzonderen. — jron pnsS, aan Aharon als hoofd der priesters; het is een gave, die aan alle gewone priesters gegeven kan worden, niet juist aan den hoogepriester.

29. Dsvum de u g es ch o nk en gaven, het bezittelijk voornw. als voorwerp te verklaren; bedoeld zijn de tienden. — nnnn Sa nx, in het bijgevoegde *73 ziet de Thalmoed eene aanwijzing, dat, indien de Leviet zijn tiende heeft ontvangen, nadat het koren eens Theroema-pliehtig geworden was, doch vóór de Theroema ervan was afgezonderd, de Leviet verplicht is de in het tiende zich bevindende Theroema (± V50) den priester te geven behalve de //Theroema van het tiendequot; — hij moet des noods alle heffingen den priester geven. — i:ai: wip» ns laSn Sdc, hierbij moet Wip als werkwoord gedacht worden; de zin is dus: gij zult zijn gewijd deel ervan heffen van al het beste. — wip», het deel van het tiende, welks aanwezigheid het geheele tiende heilig, SaD, doet zijn, voor menschengenot onvruchtbaar maakt. — iian, van het tiende; — herhaling van het suffix in ic-tpn, maar tegelijk bij het verzwegen win behoorend: gij zult zijn gewijd deel van het tiende afzonderen van al het beste ervan. — De mannelijke aanhangsels slaan waarschijnlijk op een gedacht ipï».

30. Als gij het vetste ervan als heffing ervan hebt gegeven, d. w. z. als gij de Theroera'ath Ma'aser den priester hebt geschonken, dan zal het tiende verder door u beschouwd mogen worden als opbrengst van een veld, — d. w. z. gij moogt hel eten enz. — nxian, letlerl. dat wat van het veld inkomt in schuur of huis. — Hoewel vs. 24 het tiende nisnn genoemd is, heeft het toch, nadat het deel van den priester ervan is afgezonderd, geen bijzonder gewijd karakter meer. Dit moet juist met het oog op vs. 24 gezegd worden om alle misverstand te voorkomen.

ocr page 180

N U M E R I XVIII, XIX.

het vetste ervan als heffing ervan neemt, dan zal het door de Levieten beschouwd worden als de opbrengst van de schuur

31 en als de opbrengst van de perskuip. Gij moogt het op iedere plaats eten, gij en uw huisgezin; want loon is het voor u, ter

32 belooning van uw dienst bij de tent der samenkomst. En gij zult geene zonde op u laden, wanneer gij het vetste ervan als heffing ervan hebt gegeven ; doch de heiligdommen der kinderen Israels zult gij niet ontwijden, opdat gij niet sterft.quot;

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aharon als volgt: ;/Dit is de wet der leer, die de Eeuwige geboden heeft, zeggende : Spreek tot de kinderen Israels, dat zij nemen en u brengen eene volkomen roode koe, waaraan geen gebrek is, op welke

3 nog geen juk is gekomen. En gij zult haar den priester EFazar geven; men zal haar naar buiten de legerplaats voeren, en

4 haar in zijne tegenwoordigheid slachten. De priester El'azar

34. aip» ^33; op elke plaats, in en buiten tempel en tempelstad, ja zelfs op een onreine plaats.

35. Als gij het beste ervan als Theroema geeft, laadt gij geene zonde op u; geel't gij dus niet het beste, maar iets minderwaardigs, dan hebt gij u daardoor met zonde beladen; de handeling is echter naar den Thai moed geldig. — •'Bip mi. Al moogt gij het tiende op iedere plaats eten, denkt er echter om, dat gij de overige gewijde zaken niet door verontreiniging ontmjdt, door ze bijv. te eten, terwijl gij onrein zijt; of: öHtioijdt het geheiligde deel in de tiendgave der kinderen Israels niet door het zelve te eten en het niet den priester te geven. — ininn nSi, door den Hemelheer.

Hoofdstuk XIX. De hier volgende wet omtrent de reiniging na verontreiniging aan een lijk, staat hier zeker niet in historisch verband. Immers, 5,2 en 9,6—12, onderstellen de wet omtrent de i'erontreiniging en hare gevolgen als bekend, terwijl bij de Nazier-wet 6,9 en nog duidelijker bij de wijding der Levieten (8,7) van de reiniging door ontzondigingswater uitdrukkelijk melding wordt gemaakt. De wet is dus vroeger reeds gegeven en schijnt, evenals vele vroegere wetten in ons boek, hier te zijn geplaatst als een der verrichtingen, waarbij de hulp des priesters, — althans wat de bereiding der ascli betreft, — onafwijsbaar noodig is. Bovendien is de wet voor de legering in de woestijn als aanvulling van de bepalingen van 5,2 noodzakelijk.

1. Wetten omtrent onreinheid en verwijdering uit het heiligdom zijn in het algemeen tot Mozes en Aharon gericht. (Zie onze aanteekening Lev. 12,1 en 18,1.) Mozes, als leeraar, zal net het volk moeten mededeelen, Aharon, als hoeder des heiligdoms, zal voor de practische vervulling hebben te waken. Het stuk bevat twee deelen, 1°. de bereiding van het reinigingswater (2—10a), en 2°. de aanwending ervan om den onrein gewordene het recht tot het betreden des heiligdoms terug te geven (10amp;—22).

2- minn npn nxi- Deze verbinding van de beide voor «ie/gebruikelijke uitdrukkingen komt alleen nog 31,22 voor, eveneens bij eene reinigingshandeling met het oog op het dagelijksch leven van alle leden des volks. De woorden worden door sommigen verklaard; dit is eene grondbepaling der

88

12

ocr page 181

w rv npn nip nö

: pa nwans d»quot;)1?,'? laèp labn-nK

kin i3tr»3 D^n^i am aipD^ss inx on^Ni ^

^ jt t r av : iquot; vquot; quot; it t ; lt;v : • -ti-

Kün vty iNtyn-^i : i^ia bnKa oan-iay tibn DDS ^

... t t lt; : • i : nquot; v ^ ; vv : -1 ^: | v jquot; v t

i^nn N1? ^np-nwi laao is'jn-nN DDonna

^ ^ ■»•• r : • iquot; ; squot; ;It v ; /iv • v : quot; quot; -»••* : r-n-

s : inion

it j i

niim npn nt^r : iü*h rhnK-^i nin» « amp;

r - ilt; i •• i vquot;ï •quot; quot; : jquot; -* t : 3

inpn ♦J3-,?K 1 nan iöK'? nin»

-• i: •: •• t : • f •,quot; quot; a quot; v,t ; —. ^ ^

rby-ib quot;IK'X DID rDTK quot;1^« nó^n nónx me

^ jt'r i •)•••-* tilquot; lt;V -» t • : t \-J tt | V ••

nn^ K'sini rnsn imbx-bx nnfc onnji : b'y rt^v gt;

t lt;• : i aquot; - v.tt ; v v t -••.• - : *1 t v-'^t

rn'an iwbslt; np1?quot;) : vteb nnü ünt^i ninsb rinD-^K ■gt;

I■)•• quot; st*t ; v l-t ; itt: ^t j' t : v 1- - | j •

leer, — daar zonder maatregelen tot reiniging van door een lijk verontreinigden tal van wetten onuitgevoerd zouden moeten blijven. — iü.x 'n mï behoort bij npn. niet bij min; dit is de wet, die God geboden heeft, als volgt. Eene tweede inleiding, met-wnV gesloten, — zooals die meermalen voorkomt. Tien zie bijv. Ex. 20,1 bij de tien geboden; het gebruik van 'n mx nes voor vm icn kan waarlijk niet bevreemden, waar wij zelfs het gebruik van eerste en derde persoon in hetzelfde vers zien afwisselen. — Sommigen willen, ter ontwijking der moeilijkheid van de herhaling eener inleidingsformule, iwó uit vs. 1 verklaren: om te zeggen tot de oudsten; onze tekstwoorden vormen dan den aanhef van de toespraak van Mozes en Aharon tot de oudsten. — -pVx inprn, dat zij nemen en U, Mozes, brengen (Ex. 37,20). — na'nn. Daar in de volgende woorden reeds de eisch is uitgesproken, dat de koe geen gebrek mag hebben, kan dit in nö'on niet liggen. Vandaar, dat de Thalmoed dit woord bij nans leest en als bijwoord verklaart; volkomen rood, zonder dat er zelfs twee zwarte of witte haartjes aan zijn. — Onder ms verstaat de Thalmoed een jonge koe, die haar derde levensjaar is ingetreden, de leeftijd, waarop het dier jongen kau voortbrengen. — Sr mSr n^r itwi, waarop geen juk of eenige andere arbeidslast is gekomen (vgl. Deut. 21.3).

3. anrm gij; de boven indirect toegesproken kinderen Israels (mpi, 3de persoon) worden hier direct aangesproken. De eerste roode koe werd door El'azar bereid; wat later te verbranden roode koeien betreft, heerscht verschil van meening. Sommigen nemen aan, dat hier ,-insi met nadruk voorop staat, om aan te duiden, dat later niemand anders dan de hoogt-priester, en niet diens vermoedelijke opvolger, met de bereiding mocht worden belast; anderen meenen, dat ook later een getcoon priester de bereiding mocht verrichten. Toch deed in den regel de hoogepriester het (vgl. Para 3,8). — ramh yina Sx, geheel buiten de legerplaats van Israël, — in den tijd des tempels: buiten Jerusalem. — orren, men, v. s. in ieder geval een priester, v. a. ook een niet-priester, zal haar slachten, ms1?, in zijne, El'azar's, tegenwoordigheid, terwijl hij het oog op de handeling houdt.

ocr page 182

N ü M E R I XIX.

zal van haar bloed met zijnen vinger nemen ; en spatten van haar bloed in de richting naar de voorzijde van de tent der

5 samenkomst, zeven maal. Men zal de koe vóór zijne oogen verbranden ; bare huid, haar vleesch en haar bloed, zal men

6 met hare mest verbranden. De priester zal cederhout nemen en hijsop en karmozijnroode wol; en dit midden in de bran-

7 dende koe werpen. En de priester zal zijne kleederen wasschen, en zijn lichaam in water baden, daarna mag hij in het leger komen; doch de priester zal onrein zijn tot

8 den avond. En die haar verbrandt, zal zijne kleederen wasschen, zijn lichaam in water baden en tot den avond onrein

9 zijn. Doch een rein man zal de aseh der koe verzamelen.

4. jron quot;vyhs. Het telkens herhaalde jnan wijst er volgens den Thalmoed op, dat de handelingen in compleet priesterornaat moeten geschieden en anders ongeldig zijn. — npSi, hij neemt, van liet uit de slachtsnede stroomende bloed, het in zijn linkerhand opvangende; en sprenkelt dan met den wijsvinger der rechterhand, nï» Sns 'jb ns: Sn, naar tegenover de voorzijde van het heiligdom; hij stond geheel buiten de legerplaats, met het gelaat naar den ingang des heiligdoms, die aan de Oostzijde gelegen was, dus naar het Westen gekeerd, en spatte. In den tempel was de Oostelijke toegangspoort iets lager dan de overigen, opdat de priester, op den Olijfberg staande, over den buitensten muur heen den ingang des eigenlijken heiligdoms zou kunnen zien. — Het overige bloed, dat naar vs. 5 mede verbrand moest worden, werd v. s. in een bekken opgevangen. Evenals bij andere dergelijke spattingen, (Lev. 4,6) moest voor iedere spatting de vinger opnieuw in het bloed gedoopt worden.

5. mn, voor El'azar's oogen, terwijl hij nauwkeurig toezicht houdt, dat alle bepalingen worden in acht genomen. Alles wordt verbrand, zells de ingewanden worden niet gereinigd. — nuns Sï nm mi, haar bloed, v. s. ook het slagaderlijk bloed, dat bij het slachten uit de wond vloeit, en dat dan, onmiddellijk nadat de priester van den eersten bloedgolf een gedeelte in zijn hand had laten vloeien, in een bekken moet zijn opgevangen. Anderen meenen, dat slechts aan het in het lichaam nog aanwezige bloed gedacht wordt, terwijl men het bij het slachten vloeiende bloed liet wegloopen. — tpuii, op een daarvoor gereedgemaakten houtstapel; het verbranden zelf moest door een priester, niet juist door EPazar geschieden.

6. pSD, een priester, in priesterornaat; v. a. depriester El'azar. — nyWi wi, een vlok ongesponnen, met nrSin, een worm, die de karmozijn-verf levert, geverfde tool, ixi van ruc, veranderen, afgeleid, zou de verklaring

feven:even: door karmozijn van kleur veranderd; zie Ex. 25,4. — msn nSTi', de rand van de koe — de brandende koe; vgl. Num. 17.2. Zij moet reeds branden en nog koe zijn, — zij heeft reeds grootendeels vlam gevat, maar is nog niet tot asch verbrand.

7. De priester, die aan de verbranding heeft deelgenomen door het inwerpen van liet cederhout, den bijsop en de wol, wordt onrein voor een dag; hij kan zich echter aanstonds baden en zijne kleederen wasschen (zie Lev. 11,25), waardoor hem, als du Siao, iemand, die nog slechts zonsondergang heeft af te wachten om rein te zijn, de toegang tot het Israëlieten- en Levietenkamp reeds weer geopend is. runnnSs xai msi beteekent dus: mag hij in de huitenste legerkringen komen — terwijl de toegang tot

89

ocr page 183

w npn L3fi

nöiö quot;wVriN nirbw nim hoid

^ - JV t • )•• vi squot; : - v t * : f\ t : v ; vt t •

m'^rnxi nl^-nK man-nx : D^DVS quot;

tt : v ; lt;t ••• at. •• • v.tt - v ) J-T i r~T :

aimquot;! nst ^ jrian n^Si ; narnKi1

vn33D33i : msnnaiir -iin-bK T^m n^in

TT : v • : iTT - j' ••: ) v. •* J ' : AT ■J' :

rrian ndüquot;! njnan-Vx nd» nnxi oéa iiira rmi fnan

kquot; - jquot; t : «sv -;j- - ^ v -• t ^: quot; t ; 1 lt;- t ; i ••

1^3 TTHI D^sa vua D2a» nnx ; anrn-ivquot;

v, t : i t ; • - - tt ; ; t |jquot; - : vhtt

nnan quot;iên nx ninü i ïidki : anrn-ip noüi o^sa0

TT- ■.•-•quot; ••lt; T ■Jquot; !-•- T : '-'IT T - l,quot; T ; ' r*T -

het voorhof hem nog ontzegd is. Daartegen spreekt echter, dat nergens blijkt, dat hij, die de roode koe behandelt, in hooger graad van onreinheid verkeert, dan de aan een lijk verontreinigde. Daarom verklaart Rashie e. a. dat hij als priester, dus om het heiligdom te betreden en Theroema enz. te mogen eten, eerst zijne kleederen moet gewasschen en zich gebaden hebben, — eerst dan mag hij in zijn leger, d. i. de plaats, waar alleen de priester dienst doet, het heiligdom, komen, — dit staat dan bij anticipatie in nauw verband met zijn bad, — echter blijft hij onrein tol den avond en eerst dan is hem dit betreden des heiligdoms geoorloofd. Voor de bereiding der koe moest men zich wel buiten de drie legerplaatsen begeven, maar werd toch niet even onrein geacht als een melaatsche, de eenige, voor wien Terblijf buiten de drie legerplaatsen was voorgeschreven.

8. Het vorige vers sprak van den priester, die de laatste handeling bij het verbranden had verricht; ons vers van hem, die bij het verbranden medewerkt; uit de combinatie der beide verzen leidt de Thalmoed af, dat allen, die op eenigerlei wijze met de roode koe-bereiding bezig zijn, tot den avond onrein zijn en zich moeten baden en de kleederen wasschen.

9- ï]DN1. Nadat de koe tot asch verbrand is, zal een tot nu toe rein man, iemand dus, die zich nog niet met de bereiding heeft beziggehouden, de asch opzamelen en zal die neerleggen buiten het leger, d. i. buiten het heiligdom, het leger, waarheen de aan een lijk verontreinigde niet mocht komen, — echter slechts op een reine plaats, en daar zal zij, de asch, bewaard blijven tot tijd en wijle, dat men ze tot reiniging noodig heeft. — mar»1? beteekent dan heel eenvoudig: bewaren, evenals £x. 12,b. — Naaiden Thalmoed werd de asch in drie deelen verdeeld, waarvan één binnen den binnen-muur van den tempelberg, maar nog altijd buiten het eigenlijke voorhof, — het tweede op den Olijfberg, waar de geheelebereiding plaats had, werd gedeponeerd, — terwijl het overige onder de verschillende priesterafdeelingen ten gebruike des volks werd verdeeld. — Daar IBS mannelijk is, moet hier ms, de koe, als onderwerp gedacht worden. — nu Tsb, eig. water ten gebruike bij een toestand, waarin ontvluchting des heiligdoms moet plaats hebben (vgl. Lev. 12,2); de zin is dus; om het te bewaren voor, om er van te maken water, dat den mgt;toestand opheft, — reinigingswater. — iwun, ontzondiging, tot het voorkomen van bezondiging door in onreinen staat betreden van het heiligdom; anderen, met den Thalmoed: het heeft hel karakter van een zondoffer, de daarbij geldende wetten omtrent de bij de bereiding te koesteren bedoelingen enz. gelden ook voor de roode koe.

ocr page 184

N U M E R I XIX.

en neerleggen buiten het leger, op eene reine plaats; en zij zal voor de gemeente der kinderen Israels in bewaring zijn tot reini-

10 gingswater ; een ontzondiging is het. En wasschen zal hij, die de asch der koe verzamelt, zijne kleederen, en tot den avond onrein zijn ; dit zij den kinderen Israels en den vreemdeling, die zich

11 onder hen ophoudt, tot eene eeuwige wet. Wie het lijk van

12 eenig menschelijk wezen aanraakt, is zeven dagen onrein. Hij alleen zal zich daarmede laten ontzondigen op den derden en op den zevenden dag, dan wordt hij rein; doch wanneer hij zich op den derden dag en op den zevenden dag niet laat ontzon-

13 digen, wordt hij niet rein. Al wie een lijk van een menschelijk wezen, dat gestorven is, aanraakt, en zich niet laat ontzondigen, — de woning des Eeuwigen verontreinigt hij, — die persoon zal uit Israël uitgeroeid worden; want reinigingswater was niet op hem gesprengd, hij blijft dus onrein, — nog steeds

14 is zijne onreinheid op hem. Dit is nu de leer: een mensch.

10. D331, natuurlijk moet, waar zelfs kleederenwassching is voorgeschreven, evenzeer een ritueel bad genomen worden, zie Lev. 11,39. — nnvn enz. Slot van het eerste deel, bereiding der asch; evenzoo vs. 21 aan het slot der beschrijving der reinigingshandelingen. — oaira -un ubi, den geheel tot het Jodendom overgeganen proseliet.

11. din' ra: SsS noa. aan een lijk behoorende bij = afkomstig van welk menschelijk wezen ook, zelfs van een niet-Israëliet of een niet-levens-vatbare lijfsvrucht; — aanraking maakt in ieder geval onrein, vgl. 31,19.— Een dierlijk aas geeft door aanraking enkel persoonlijke verontreiniging voor één dag (zonder dat zelfs kleederenwasschen noodig is. Lev. 11,24 en 39) en maakt zeker geen bespatting met ontzondigingswater noodig. (De in vele Rishie uitgaven voorkomende woorden nr:» nxmid nSx, waaruit zevendaagsche onreinheid voor aanraking van dierlijk aas zou volgen, moeten, zoo zij behouden moeten worden, wat m. i. niet onwaarschijnlijk is, luiden nrac; pxuid nSi, zoodat er staat, dat zoodanige aanraking noch bespatting met ontzondigingswater noodig maakt, noch zelfs zevendaagsche verontreiniging ten gevolge heeft). — etki nraw südi. Eene bepaling van den duur der verontreiniging aan een lijk, die tot nu toe nergens was medegedeeld; men vertale dus; dan is hij onrein gedurende zeven dagen; soqi is dan een -ar met omkeerende 'i en geen deelwoord ; ook 14 en 16 is immers de bepaling der onreinheid als nazin aan de uiteenzetting van het geval toegevoegd. Dit alles spreekt tegen Ibn 'Ezra's verklaring, dat dit versdeel nog tot den voorzin behoort, waarvan het volgende vers eerst den nazin zou bevatten. Hij verklaart dan: iemand die aanraakt enz. en daardoor onrein is geworden, — die zal enz. xaiDl is dan is» gebleven. — Vs. 11—13 bespreken de wetten voor door aanraking onrein geworden menschen; vs. 14 en 15, als zeer belangrijke nieuwe bepaling met mirrn ns? ingeleid, behandelen de verontreiniging zonder aanraking, maar eenvoudig door het zich met het lijk onder één dak bevinden, Sns Jisnio, voor personen en zaken; vs. 16 voegt daaraan toe, dat zonder gemeenschappelijke bedekking slechts aanraking onrein maakt, en wel menschen zoowel als zaken. Vs. 17—19 bespreken dan de wijze van ontzondiging ; vs. 20 de mogelijke gevolgen van nalatigheid in deze, die ook vs. 13 reeds aangestipt waren; — terwijl 21 en 22 nog eenige aanvulligsbepalingen geven voor hen, die de spattingen enz. verrichten.

90

ocr page 185

ia» npn ï

nnrn imi: Dipüa njna1? T*inö irm

Squot; t : • iquot; : ^ -^-ir p tp;it ; at l-» t : v.v-ir - | j • - r ' :

-ifiirnK t]p«n oaai : «in natsn nnDtyp1?1

Sn-ist» nn^ni v^rnN fnan

. .. t; . j.. . . t :it : v'att v,quot; t : tt : v tt -

«qüi dik naa ^an : npnb DDina lan^

V,quot; t : att •.*-••.• t ; v.quot; : - it ^ ; jt -

Di'ai DI»3 i3-«t2nn» Nin : ^

; quot; -» quot; •)•♦;- s - t - : • ^ -« ^ r t *0- : •

: inü^ N1? Di'm DV3 «énn» ktdki quot;inca*

'T : ' . J '' • = - V r • = quot;, s-, Tq- : • „T : •

TK N'^nn* K^I. nw-im onxn ^3:3 nos ^

nnj 'h h Ninn trssn nmoji xhu nin» p^o

t* • f\quot; t : ' * v.' quot; '•■gt;'•'quot; ot^ : ; • : quot; \ t : : *

Dquot;in rnim hnt : ia inxat: n^n» «012 rVy pir^b

^t t t - lt; i j t : \ v: r -«•• t t •gt; I «- 1

12. Kin. ^ V alleen, en niet wie op eenige andere wijze onrein is geworden. — 12, mannelijk, door de asch, ien. — Ncnns zal zich laten ontzondigen, een lijdende vorm van den Hithpa'el, afgeleid van den Pi'el XSH»

ontzondigen, hier gelijk: aanleiding tot zonde, in onreinen staat betreden van het heiligdom, v-egnemen. — ijwn nroi DTa, op den derden en

op den zevenden dag na de verontreiniging; me, dan zal hij, na ritueel bad op den zevenden dag, met het eindigen van dien dag met zonsondergang rein zijn; — zooals uit de tegenstelling in het tweede deel van het vers en uit vs. 19 blijkt, moet zoo geconstrueerd worden, — en niet: hij zal zich op den derden dag laten ontzondigen, dan zal hij op den zevenden dag, iia nogmaals bespat te zijn en zich gebaad te hebben, rein zijn, eene verklaring, die overigens èn door het gebruik van -ine voor ■vrai, èn door de toonteekens wel voor de hand zou liggen. Als regel behoort de be-spatting op den derden dag na de verontreiniging voor de eerste, en op den zevenden voor de tweede maal te geschieden. Rasuie neemt nu aan, dat indien, door welke omstandigheid ook, de eerste spatting op een lateren dag is geschied, de tweede toch niet vroeger noch later aan den vierden dag na de eerste moet plaats hebben; Maimonides heeft een eenigszins andere opvatting.

i3;. maquot; -nwc dinh fflja noa. aan een lijk, namelijk aan een men-schelijk wezen, voorzoover de mensch sterfelijk is, dit ligt v. s. in den toekomenden tijd en den bepalenden 'n van Disn; xsio 'n pen ns, en die dan, door het te betreden in zijn staat van onreinheid, het heiligdom verontreinigt; het behoort nog bij den voorzin, waarin het geval wordt uiteengezet. Uit het vorige vers blijkt immers, dat het nalaten der spatting alleen ten gevolge heeft, dat de betrokken persoon niet rein wordt; zou er de straf van uitroeiing op gesteld zijn, dan moest die daar vermeld zijn (vgl. vs. 20). — piT, enkelvoud na den collectieven meervoudsvorm nu i». Al heeft hij op den derden en zevenden dag een ritueel bad genomen en houdt hij zich dus voor rein, — zoolang het reinigingswater niet is gespat, hlijft hij onrein, — rust nog altijd zijne vroegere onreinheid op hem.

, i4. mr. dit hier volgende, is nu d e leer, de bijzondere, vs. 2 bedoelde wet. — nto'' '3 din, een mensch, die gestorven zal zijn en wiens lijk zich bevinden zal in eene tent, hetzij de persoon in de tent is gestorven

ocr page 186

N U M E R I XIX.

die sterft in eene tent, — al wie dan in de tent komt, en al wat

15 in de tent is, zal zeven dagen onrein zijn. En elk open voor-

16 werp, waarop geen vast aansluitend deksel is, is onrein. Doch al wat in het open veld zal aanraken iemand, die door het zwaard verslagen of die gestorven is, of eenig menschenbeen of een graf,

17 zal zeven dagen onrein zijn. Voor zulk een onreine zal men nemen van de asch van het verbrande ontzondigingsmiddel en er

18 levend water bij doen in een voorwerp. Nu zal hijsop nemen en in water indoopen een rein man en spatten op de tent,

of daar als lijk is ingebracht. — Snx, tent, is hier als voorbeeld gekozen; doch geldt de wet in alle gevallen, waarin geheel of gedeeltelijk een dak boven een lijk is gevormd ; in de woestijn woonde Israël in tenten, vandaar het gebruik van dezen term. — Snxn Sn san hs, ieder, die dan komt in de tent, zoolang het lijk of een deel ervan zich in de tent bevindt; is het lijk er uitgevoerd, dan kan slechts door aanraking aan het onrein gewordene, verdere verontreiniging ontstaan. Naar den Thalmoed wordt een persoon reeds onrein, zoodra een deel van zijn lichaam onder één dak met het lijk is gekomen. — Sreo ics Sii, en al imt in de tent is aan personen of zaken. Uit vs. 18 blijkt, dat ook de tent zelve, al is zij aan den grond verbonden en dns overigens niet voor verontreiniging vatbaar, in dit geval onrein wordt. De Thalmoed beperkt dit echter tot de bij het heiligdom gebruikte kleedingsstoffen; wol, huiden en geitenhaar, en uit het plantenrijk uitsluitend vlas; gebouwen worden dus niet onrein. — Wat voorwerpen betreft, geldt de wet van verontreiniging nsn S.-iss, onrein worden door het zich onder één dak bevinden met een lijk, alle voorwerpen, die voor verontreiniging ontvankelijk zijn, — hehoudens de in vs. 15 gemaakte uitzondering.

is. mna Sar ieder open vooncerp, nader verklaard: niet juist geheel open, maar zelfs van een deksel voorzien, dat echter niet vast sluitend 'is; daaruit maakt de Thalmoed op, dat er sprake moet zijn van een voorwerp, dat alleen langs de geopende binnenruimte aan de verontreiniging toegang verleent, en dat, zoo deze is afgesloten, niet onrein worden kan; waarbij dus van verontreiniging door aanraking of dgl. aan de huitenzijde geen sprake is. Uit Lev. 11,33 nu weten wij, dat dit alleen bij voorwerpen van aardewerk het geval is. Een voorwerp van aardewerk dus, dat een nauwsluitend deksel heeft, zoodat de verontreiniging de holle binnenruimte niet bereiken kan, blijft rein en beschermt zelfs al wat zich erin bevindt, tegen verontreiniging. Is het onbedekt of sluit het deksel niet vast aan, dan wordt het echter door de aanwezigheid onder één dak met een lijk zelve onrein en ook zijn inhoud wordt door de verontreiniging getroffen. — Sve tex, beide stammen beteekenen: verhinden. Zoo ipa ittï, een saamgehonden span ossen, on'Dï, armbanden, misschien uit schakels of verbonden kettinkjes bestaande; Sns in Ste, een uit draden ineengedraaid snoei- of koord; — de zin is dus: iets vast verbondens, v. s. een met een koord, Ste, verbonden deksel, een verbinding, een koord; Sins is dan oppositie bij toï ; v. a. een innig verbonden, nauu-sluitend deksel, — t»ï beteekent dan : iets bij het voorwerp behoorends, dat, er buiten staande, toch een deel ervan vormt, deksel, en Sins is bijvoegelijk naamwoord. — Ook het deksel moet natuurlijk uit zoodanige stof bestaan, dat het niet voor verontreiniging aan de buitenzijde vatbaar is. — Naar den Thalmoed zijn bovendien van deze Sns naisiB uitgesloten alle voorwerpen, die door stof

9i

ocr page 187

w npn Kï

wot:» brixa bn'Ka nw*2

v.t : * v t -«v -i t ; v t v «t - ^ t v a : j t r

vty ^ns Tarr« n^K ninö ,l?3 Vdi : niraty»

at t j* t i •• .}••• -: - t ■'• : : ^ r t ; -

iNi bai : NIH KOL: ^

^ j ...... - -: i- v t - -••• : ~ - • v -: ; i vquot; t

inpVi : njni? NOG» napa IN DIN D¥ID-IK nbnt,

I;it; i* t J~ : * vt : • viat: j vtt V^jv: i •• :

D,!,n d'ü v1?^ rn:,i nxiann naitr naya Nibtsb

^ V ^ v.- - ' jquot; . •)■*quot; t i t ^ at - i- j-^.. . ^ v.- -s iquot; quot; t -

^nxn-ty ninnina B'sa aim np^i * :

«* t lt;t ' • t •»' ---j- t ; quot; ) - t ; • iv

of door vorm voor verontreiniging niet vatbaar zijn, als voorwerpen van aarde, steen enz. en groote houten voorwerpen enz. — sin xnc, gedurende zeven dagen onrein.

16. rnCn by, op het open vel/l, d. w. z. op een plaats, waar het zich niet met het lijk onder één dak bevindt. Hier is naar het woord weer sprake van aanraking, die vs. 11 summier is behandeld; in vs. 14 en 15 was sprake van de enkele aanwezigheid onder hetzelfde dak. Ons vers geeft dan als nieuwe bepaling vooral de wet, dat deelen van een lijk dezelfde werking kunnen hebben als het geheele lijk. — ain SSro, aan een door het zwaard doorboorde, die een gewelddadigen dood is gestorven, nnaw, of aan iemand, die op natuurlijke wijze gestorven is; of v. a. aan eendoor het zwaard doorboorde, d. w. z. aan een deel van een menschenlichaam, dat door het zwaard van het overige lichaam is gescheiden, al leeft de persoon nog, waarvan dit deel afkomstig is, wi j» las; nn is dan een geheel lijk. — dis oxr: in, of aan een stukje menschenbeen, minstens ter grootte van een gerstekorrel. — in, aanraking aan een graf, ook al buigt men zich er niet overheen, maakt eveneens onrein.

IT. NQüS. hetzij voor mensch of voorwerp, dat onrein geworden is. — isï», van de tot stof fijngewreven overblijfselen van den brand der koe-, zoowel de asch der koe, als de overblijvende stukjes verkoold hout en beenderen worden samen fijngewreven. —- isr en isn worden meermalen door elkaar gebezigd. — mpS, men, een volwassen, toerekenbaar persoon, ook eene vrouw, zal nemen, jnji, en m e n zal doen, het eerste meervoud, het tweede enkelvoud, beiden in den zin van het onbepaald voornaamwoord: men; de Thalmoed leidt uit die getalwisseling af, dat het niet door denzelfden persoon behoeft te geschieden. — -hl Sn Dquot;n qid iiSï, letterlijk: men zal er o p, op de asch, doen levend water, zoodat de asch eerst en dan het water in het voorwerp zoude komen ; — het slot van ons vers: levend water in een voorwerp geeft daarentegen, dat het water eerst in het voorwerp werd gedaan. De Thalmoed neemt dan ook aan, dat men eerst water in het voorwerp deed, daarop asch strooide en dan roerde, zoodat het water op de asch kwam. Men vertale dus: hij zal daarmede levend water in een voorwerp doen. Vgl. Lev. 14,5 en 6. — D^n O'S, water uit een levende bron wordt in een voorwerp geschept, — iiVi», vulling, — en vervolgens wordt daarop de asch gestrooid en geroerd, cnTp.

18. 31IJC, drie stronken hijsop, tot een bundel saamgebonden; hier alleen voor de sprenkeling gebruikt, evenals Ex. 12,22. — una cn, een rein man, een meerderjarig, toerekenbaar persoon, moet de menging -verrichten, terwijl het spatten slechts door een mannelijk persoon, al is hij ook minderjarig, geschieden mag. Een priester wordt er niet voor ver-

ocr page 188

N U M E R I XIX.

en op al de voorwerpen en op de personen, die daar geweest zijn, en op dengene, die eenig been of een verslagene

19 of een gestorvene, of een graf aangeraakt heeft; De reine namelijk zal op den onreine spatten, op den derden dag en op den zevenden dag; als hij hem op den zevenden dag ontzondigd zal hebben, zal deze zijne kleederen wassehen en

20 zich in water baden, en des avonds zal hij rein zijn. Iemand echter, die onrein is geworden, en zich niet laat onzondigen, die persoon zal uit het midden der vergadering uitgeroeid worden ; want het heiligdom des Eeuwigen heeft hij verontreinigd, reinigingswater is niet op hem gesprengd ; onrein is

21 hij gebleven. Dit zij hun tot eene eeuwige wet. En wie het reinigingswater spat, zal zijne kleederen wassehen; en wie het

22 reinigingswater aanraakt, zal tot den avond onrein zijn. En alles waaraan de onreine aanraakt, zal onrein zijn ; en de persoon, die hem aanraakt, zal onrein zijn tot den avond.quot;

eischt, hoewel hij het natuurlijk mag doen. Dat het onderwerp iirra es achteraan, na het tweede, niet na het eerste werkwoord staat, vindt zijn oorzaak in het feit, dat hier niet liet nemen, maar het indoopen hoofdzaak is. — D1D3gt; in het juist beschreven, met asch vermengde water. — ntrn,

hij kan, na eenmaal te hebben ingedoopt, achtereenvolgens tal van personen of zaken besprengen. — do vn Ti's slaat zoowel op menschen, als op zaken en bespreekt de Snx rewm; yjjn Sri enz. behandelt de verontreiniging door aanraking, zoowel voor personen als voor zaken.

i9- jfoan h]} -intan ntm. naar de traditie niet iuist; een absoluut rein persoon, maar iemand, die relatief, gezien naast den hier besproken onreine, als rein beschouwd zou kunnen worden; — hieruit wordt dan afgeleid, dat de spatting, en in het algemeen de geheele bereiding der roode koe mag geschieden door iemand, die, na onrein geworden te zijn, zich reeds gebaad heeft en nog slechts op zonsondergang heeft te wachten om geheel rein te worden, dii S120, die ook Lev. 14,8 reeds rein genoemd wordt. — iscni, als hij hem dan met nson '» heeft besprengd op den zevenden dag, zal hij, de onreine, wassehen enz. — slaat niet op dengeen, die de spatting verricht, daar deze, naar de traditie, niet onrein wordt; zie vs. 21. Zelfs al zou men dat vers op het geval van ritueel noodig spatten laten slaan, zoodat, in strijd met wat de traditie leert, zou worden aangenomen, dat, wie de spatting verricht, wel onrein wordt, — dan kon nog d33i niet den de spatting verrichtende tot onderwerp hebben, daar in dat geval vs 21 onnoodige herhaling zou zijn.

20. Nadrukkelijke herhaling der strafbedreiging van vs. 13, om haar bijzonder in te prenten. Ibn 'Ezra meent, dat vs. 13 van verontreiniging door aanraking, — ons vers van verontreiniging door het in één tent zijn met het lijk spreekt. — ncid 'n cnp» ra, het heiligdom des Eeuwigen heeft hij verontreinigd, als hij het in onreinen staat betreden of gewijde spijzen gegeten heeft. Vgl. vs. 13.

21. nnS nrrm enz, afsluiting van de beschrijving van het bespattings-ceremonieel, evenals 106 van de bereiding der asch. — Dn1?, voor de in het vorige vers in Vipn collectief aangeduide Israëlieten, daarom: voor h e n.

92

ocr page 189

w npn

D^'vn -itfK D^sn-brV^i

Di'3 NÓcsn-1?^ Hntan nm : napn ik rm in b^nn in ^

J - quot; t - t - lt;t • ;^ v i itquot; J ^quot; - J tt IV ■»

V123 D3D1 Dl'S iKtsni Di'ai

•)tt : Squot; • : * : - J - : • : a* • ; - -» - v* * ï ~

Kènn* N1?1! NQü'niyN : 3T^3 tot D^aa rmi =

t - : • ^ j ^ t ; • '' qquot;* *' : '•'it t Jquot; t : • v— i j- t :

tsjóü rrirr ^ipa-nN »3 Vnpn Tiina Ninn irsan nmsai

... t : -i; • v • atit- i * v.' ' vjv - .)t : ; • :

o^iy npnb an1? nn^ni : «in kou vby plrx1? m: 'D «

at ^ i-»--. : v't jtcit;^ ^ i # jquot; t \,r~r i -n' jquot;

-nv hüw nnsn ♦oa psni vnaa 033* man-'D nroi

v.t : • t • - -••• ; ^- •• - ; tt : j.. - • t* - iquot; «•• -

nwsn Etesm NOÜ» xotsn 13^-quot;IB'N Vbi : 3quot;)^n23

- VJV - ; at : ' t - j . v -j .) ; v*|t t

3 : 3quot;Wmy Nöün

•- ir t quot; jt : •

niet; voor u. — Mm• • • ntöl. Nu volgen nog eenige bepalingen in verband, niet met de spatting, maar met de onreinheid, die het ontzondigingswater brengen kan. Reeds uit de plaatsing volgt dus, dat nm niet doelt op dengene, die het ontzondigingswater spat om een onreine rein te doen worden, dus op ritueele spatting; de constructie mai enz. spreekt eveneens tegen die opvatting, — vgl. vs. 19 en 10, op grond waarvan men zou verwachten : mw ns Nacn Sr ntan D33i; — de woorden geven veeleer te ken-ken: wie ontzondigingswater spat buiten eenige betrekking tot een te reinigen zaak of persoon, evenals in het tweede versdeel bij rj:m absoluut niet aan eene reinigingshandeling gedacht wordt. De zin is dus: wie van het water, zonder de bedoeling om iemand van onrein rein te doen worden, spat, in beweging brengt, wordt onrein tot den avond en zelfs zoozeer, dat ook kleederen-wassching moet plaats hebben, behalve zijn ritueel bad. — Uit de analogie van verontreiniging door aas, waar aanraking enkele persoonsverontreiniging, dragen ook kleederen-onreinheid ten gevolge heeft, (Lev. 11,25) wordt dan ook hier onder nro het dragen, in beweging brengen, zelfs zonder directe aanraking verstaan. — sue, zal onrein worden, maar niet iets of iemand anders onrein kunnen maken-, de veronti-einigingplant zich door verdere aanraking niet voort.

22. Sar v. s. alle voorwerpen, waaraan de aan een lijk verontreinigde aanraakt, zullen onrein worden, ts:m, en een mensch, die den onreine aanraakt, zal tot den avond onrein zijn. Bij voorwerpen, die alleen aangeraakt u'orden, is de onreine als onderwerp genomen; bij personen, die actief kunnen aanraken, de persoon zelve. De mensch ia onrein tot den avond, na ritueel bad; de voorwerpen eveneens, docli daar men daar met het baden wel niet altijd groote haast zal maken, is daar dan de grens niet nauwkeurig aangegeven. — tsnon, de of het door aanraking aan een lijk onrein gewor-dene, niet: de door aanraking aan ontzondigingswater onrein gewordene (vgl. aant. vs. 21). Het lijk is hoofdbron van onreinheid, nsBicn irns •os; wie er aanraakt, wordt bron van onreinheid, nssiBn as, evenals aas en dgl. zoodat hij verontreiniging kan brengen aan menschen of zaken, die hij aanraakt; dezen krijgen dan onreinheid van den eersten graad, nsnioSpOTn, die zich op menschen en voorwerpen niet verder voortplant.

ocr page 190

N ü M E R I XX.

J 1 Nu kwamen de kinderen Israels, de geheele gemeente, in de woestijn Tsin, in de eerste maand, en het volk vestigde zich

2 te Kadesh; en Mirjam stierf daar en werd daar begraven. En er was geen water voor de gemeente; toen verzamelden zij

3 zich tegen Mozes en tegen Aharon. En het volk twistte met Mozes en zij zeiden aldus: „Waren wij toch maar weggestorven

4 bij het wegsterven onzer broeders voor den Eeuwige! En waarom hebt gij de vergadering des Eeuwigen naar deze woestijn

5 gebracht, om daar te sterven, wij en ons vee ? En waarom hebt gij ons uit Egypte doen optrekken, om ons naar deze akelige plaats te brengen ? het is geene plaats van zaad, — noch van vijgeboom, of wijnstok, of granaatappel, —en water

6 is er zelfs niet om te drinken.quot; Mozes en Aharon gingen terug wegens de vergadering tot den ingang van de tent der samenkomst, en vielen op hun aangezicht; en de heerlijkheid des Eeuwigen verscheen hun.

8 7 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Neem den staf en

Hoofdstuk XX. 1. [quot;nj/n Deze bijvoeging, nadat het volk reeds als de kinderen Israels is aangeduid, wijst er volgens Midrasti en Raskie op, dat het de geheele volksgemeenschap der toekomst was, het nieuwe geslacht, dat den bodem van Palaestina zou betreden. Dan ligt hierin eene aanwijzing voor den tijd, waarin het volgende voorviel; het moet dan in het veertigste jaar geweest zijn. Dan zouden zij in Niesan van het veertigste jaar te Kadesh zijn aangekomen, terwijl wij hen 1 Ab van hetzelfde jaar bij het gebergte Hor vinden (vs. 22, vgl. 33,38), wat niet geheel zou sluiten met acni, dat een vestiging voor langdurig verblijf onderstelt. Daarom meenen anderen, dat de komst te Tsien en Kadesh veel vroeger plaats had, dat het volk er lang gevestigd was en dat toen eerst Mirjam stierf. Kort daarna vallen dan de verder in dit hoofdstuk verhaalde feiten en het vertrek naar Hor. mrn Sj moet dan echter een anderen zin hebben. Men meent dan, dat het hier, bij het openen van het verhaal van een nieuw oproer, staat, om de algemeene deelneming aan den opstand reeds van begin af aan te duiden, — evenals vs. 22 aan het begin van de mededeeling van Aharons dood, om de algemeene deelneming aan den rouw vs. 29 aan te duiden (Nachm.). — -ai». In de woestijn Tsin en te Kadesh zagen wij het volk ook reeds Num. 13,21 en 26. Op hun tochten zijn zij dus ten slotte weer daar teruggekomen. Tsin is waarschijnlijk een deel van de woestijn Paran, Kadesh waarschijnlijk gelijk Kadesh Barnéa', een grensstad van Eiom, in wier nabijheid Israël dan nu gelegerd was. — atquot;!, hei vestigde zich voor lang verblijf, vgl. Deut. 1,46. — Daar volgens Midrash het verblijf bij Kadesh negentien jaren duurde, en de in hoofdstuk 10—17 verhaalde gebeurtenissen na de tweede maand van het tweede jaar zijn voorgevallen, is in de laatst vermelde opvatting de moeilijkheid van den plotselingen overgang van de gebeurtenissen van het tweede naar die van het veertigste jaar niet meer zoo

froot; wij hebben dan tot nu toe feiten uit de eerste twintig jaar gehad;root; wij hebben dan tot nu toe feiten uit de eerste twintig jaar gehad;

rijgen nu in ons vers de mededeeling van de verblijfplaats gedurende de volgende negentien, waarin, juist omdat zij op één plaats gelegerd bleven, niet veel vermeldenswaardigs zal zijn voorgevallen; terwijl dan de vele feiten uit het laatste jaar in den breede worden beschreven. Mirjam was ouder dan Mozes en waarschijnlijk ook dan Aharon.

93

ocr page 191

3 npn

rii2gt;Kquot;in Eh'ns \rnaiü itóquot;!«

vr— I -it v - I • quot; : *. lt;T^' T T •• T : • iquot; : JT-

d*Ü n^n-^i : Dtf nnpni DHO DO nam anpa Dj?n =

•V.- T^T : IT lt;.quot;IT • - T : • T Tlt;T- Aquot;) T t vTT

D^n aTi. : pn^^i, ^n^i. j

nó^i : run» wrw ym 1:^13 ibi i6ab iwi-1

«t t : gt; it : jquot; s * ' j~: ' : -rr j : quot; •* : 1-

mx of niob nn quot;lanan^N nW ^rip-nK on^nn Dipan-Vx unK onïDü nóbi: n

|j t - v t ^ V** T : • -; • • \ * v:iv lt;tt : •quot; * :

d^i ifiai. TOwni ^quot;it qij^d 1 Nb nrj yin ^HK hnrbN bnpn ^sa pnw nèü ks»! : nin^V1

v j - v ••• t I t - Jquot; : * I -J1- : v t - 1.: *

£3 * : DH^N nin^HDD «nn Dmsfby ibaquot;')

iv •• -j v.t : 1 : -it— isv •• : - v. : *quot;

-nx bnpni nèarrnN np : iaxb nirDquot;1?» nin» '

«••I; - : V - - V I-quot;- I •• jv V 1,T : jquot; -:- n

3- DtJ'O Di?) legen Mozes, als leider des volks, richten zij hun woorden, hun verwijt geldt echter ook Aharon, zooals uit het vorige vers en uit de meervoudsvormen vs. 4 en 5 blijkt. — a-m is Kal van 311, behoeft geen Hiph'iel te zijn. — ijins ïlja, toen onze broeders stierven, de in de woestijn gevallenen; daar de uitdrukking ru, zacht wegsterven, voor den aanhang van Korach niet past. — 'n 'OsS, vóór den Eeuwige wordt hij geacht te zijn gestorven, die tot zijn laatste ure de genadebewijzen Gods heeft ontvangen. Zoo de in de woestijn gestorvenen, die steeds van God hun voedsel en drank hadden gekregen en niet van honger of dorst waren omgekomen, wat zij nu vreezen. Men kan die woorden of bij uru 1S1, öf bij wns ïua lezen; de zin blijft dezelfde. Anderen verklaren 'n W?: op Goddelijk vonnis, m. i. minder waarschijnlijk.

5. mpo, plaats, waar men uitgezaaid koren vindt, waar rijp graan wordt aangetroffen; de klacht houdt niet in, dat zij niet zaaien kunnen, maar, zooals uit de in het volgende genoemde vruchtsoorten blijkt, dat nergens eetbare vruchten of graan gevonden wordt; — een bewijs dat Mozes zijne beloften, hen te brengen naar een land van overvloed, niet heeft gehouden, ps di»i, en zelfs water is er niet, het onderwerp slaat met nadruk op den voorgrond. — Anderen meenen, dat de genoemde verfrisschende vruchten hun bij gebrek aan water tot lessching van hun dorst hadden kunnen dienen.

6. gingen dieper de legerplaats in, trokken zich naar het centrum, het heiligdom, terug; de oploop had waarschijnlijk plaats vóór de tenten van Mozes en Aharon, die op eenigen afstand aan de Oostzijde van het heiligdom stonden. — ^npn •osn, uit vrees voor, of: vluchtende voor. Vgl. Gen. 7,7. — orros Su iVj'i, zij vielen biddend om Goddelijken steun om het volk water te geven, op hun aangezicht.

8- ntaon. ^ en staf, volgens Ibn 'Ezra: Mozes' staf, dien wij het laatst Ex. 17,9 bij de overwinning op 'Araalek in Mozes' handen zagen, en die dan, zooals uit vs. 19 blijkt, vóór den Eeuwige, d. i. vóór de arke in het allerheiligste lag; v. a. den staf van Aharon, die was gaan bloeien en

ocr page 192

N U M E R I XX.

roep de gemeente in vergadering bijeen, gij en uw broeder Aharon, en spreekt tot de rots vóór hunne oogen, dat zij haar water geve; zoo zult gij voor hen water uit de rots doen komen, en zult gij de gemeente te drinken geven, benevens 9 haar vee.quot; Mozes nam den staf van vóór den Eeuwige, gelijk

10 Hij hem geboden had. Vervolgens deden Mozes en Aharon de vergadering bijeen komen, in het gezicht van de rots en hij zeide tot hen; «Hoort toch, gij oproerigen! moeten wij

11 soms uit deze rots water voor u doen komen ?quot; Mozes hief zijne hand op, en sloeg de rots met zijn staf twee maal; toen kwam er veel water uit, en de gemeente dronk en haar vee. —

12 Hierop zeide de Eeuwige tot Mozes en tot Aharon : „Omdat gij geen vertrouwen in Mij gehad hebt, om Mij voor de oogen der kinderen Israels te heiligen, daarom zult gij deze vergadering

13 niet brengen in het land, dat Ik hun gegeven heb.quot; Dit zijn wateren van Twist, dien de kinderen Israels tegen den Eeuwige gevoerd hebben, en waarbij Hij zich aan hen heilig toonde. —

14 Mozes zond boden uit van Kadesh naar den koning van Edom:

die //vóór de arlie was gelegd om hem te bewaren als teeken voor alle toekomstige weerspannigenquot; (Num. 17,28); inisn, vs. 11, beteekent dan: de staf, dien hij in handen had. — Snpm, breng het volk hijeen, naar de rots, waarschijnlijk een bekende rots, waaruit tot nu toe een bron was opgeweld, die hun water had verschaft; deze was dan plotseling verdroogd — en Mozes' woord zou haar doen terugkeeren; zoo wordt duidelijk, dat in het slaan, en zeker in het herhaald slaan op de rots een zoo ernstig vergrijp lag Een krachtige beweging op de plaats, waar nog kort geleden water was geweest, kón als natuurlijke oorzaak van het hernieuwd opwellen van het water worden verklaard, — wat bij een eenvoudige toespraak uitgesloten ware geweest. — Deze opvatting van wordt bevestigd door de uitdrukking i'Bi» jn:i, zij zal haar water geven, evenals vroeger; was er nooit water geweest, dan zou men eenvoudig di» verwachten.

10. quot;IBfCI; en hij* Mozes, zeide, misschien bijgestaan door Aharon, zooals uit sosu, meervoud, blijkt. — uSon pn enz. Verlangt gij soms ook nog, dat wij u uit deze rots water doen te voorschijn komen ? — v. a. kunnen ivij soms, wij menschen, zoo iets doen ? Gebeurt het dus aanstonds toch, dan is dat een Goddelijke Voorzienigheidsdaad; — in deze opvatting zou echter het persoonlijke voornaamwoord meer op den voorgrond moeten treden.

11. Het is zeer wel mogelijk, dat de eigenlijke misdaad van Mozes en Aharon door het verhaal van den Pentateuch niet wordt medegedeeld. Vs. 24 en 27,14 wordt de misdaad gequalificeerd als oproerigheid tegen God, Deut. 32,51 als fe, ontrouw tegen God; — een zoo zware straf doet ook aan een niet geringe misdaad denken. Vgl. aant. vs. 10. — ijinj icn, dat Ik hun beloofd heb te geven en dus zeker geven zal; dat dus als het ware hun reeds gegeven is, zoo zeker zullen zij het krijgen.

is. nana 'o non. Dit zijn, d. w. z. vandaar de naam : timteren van twist, dien enz., de plaats heet: roi-i» ■gt;» of cnp nana ■gt;», 27,14 en Deut. 32,51. Anderen verklaren quot;icw met: waar; In het Hebreeuwsche spraakge-

94

ocr page 193

3 npn

dniani. pn^i nnw nn^n -nsn myn-nx n^pi^m ^èn-jö b»ó on1? nNïim VO»D

V : IT V JT )• ; * ; ^ - V - I * • - JVT T quot; I : AT ••

: imv ^«3 nin» ^öv'D n!|Dn-n« n^D n^,\ : DT^aB on1? -ip^i ^njTi-n^ prw nt^ö iVn^.v

□Ti : d*ö dd1? «♦ïij nin ^on-fpn D^an kpym * D^in INVI D'QI^S intfloa p^Dn-nx TI'I IT-DK nvv

• - -J- ;|quot;- '(ST. I- V.quot; quot; ï quot;•)•• quot; •• IS*' T

-Vki niro-bN nin» iqk'i d : nnjrn ntfm*

... ; J... ... T : . 'T : i.T^-iT ; : gt;••-

^2 ♦2^1? *3 DriJOKH-N1?

: on1? ♦nnn^K rn^n-bx nin VnprrnK W^in n1?

IV T ■ J-T ■■ -: I ■■\T T v v - JT I T - V ■ T lt;

wy*\ nin'-HK nin» »0 nsn/

D11N Tl^D^N nitfO nSty'l D * : D3^ |

av; )•.■-.•.• v i.-It- .)• t : - •)••• - : •- it ï*

bruik komt mij de eerste opvatting waarschijnlijker voor. — 'rms'oi, door op te staan tegen Mozes en Aharon, waren zij indirect tegen God zelf in opstand gekomen. — 03 cnpquot;. Zijne heiligheid, waaraan het volk toonde te twijfelen, ievesligde Hij iceer tegenover hen, het volk, of v. a. Hij toonde de onaantastbaarheid en onschendbaarheid van Zijn heilig woord aan hen, door hen, Mozes en Aharon, te bestraffen.

14. Van Kadesh uit zendt Mozes gezanten tot den koning van Edom, om vrijen doortocht te vragen, wat echter geweigerd wordt. De terugkomst der gezanten heeft het volk te Kadesh, aan de grens van Edom, afgewacht en trok na het weigerend antwoord en op het bericht, dat Edom gewapender hand den doortocht wilde beletten, van de grenzen des lands af, naar den berg Hor; en vandaar trokken zij de grenzen van Edom om, op eenigen afstand van de grens (21,4). — D'O.sSn ncn nScni, Mozes zond gezanten met de volgende opdracht. Dit feit had in het veertigste jaar plaats. Niettegenstaande Mozes wist, dat hijzelve Palaestina niet zou betreden, doet hij toch nog wat hij kan, otn langs den kortsten weg zijn volk het beloofde land te doen bereiken; — die kortste weg leidde door het gebergte Sé'ier, Noordelijk en Westelijk van Kadesh; langs dien weg kwam men in het Zuiden of Zuid-Oosten van Palaestina. — Stoun -pas, uw hroeder Israël, met een beroep op de nauwe stamverwantschap wordt het verzoek ingeleid; uit Deut. 2,4 vv. blijkt, dat, met het oog op die verwantschap, het Israël verboden was, de wapenen tegen Edom te voeren. — De namen Edom en Israël, door 'Esau en Jakob gedragen ten gevolge van bepaalde feiten in hun leven, zijn de hoofdnamen geworden van de van hen afstammende volkeren. — Breedvoerig wordt het lijden en de wederwaardigheden van Israël geschetst en slechts zeer kort stil gestaan bij den ondervonden Goddelijken bijstand. Broederlijk medegevoel moet Edom leiden tot het toestaan van het verzoek. Op de bezetting van Palaestina wordt niet gewezen, om niet de oude haat weer op te wekken.

ocr page 194

N U M E R I XX.

«Zoo spreekt uw broeder Israël: gij weet al de moeilijk-

15 heid, die ons getroffen heeft. Onze vaderen waren naar Egypte afgedaald en wij woonden in Egypte langen tijd; doch de Egyptenaren behandelden ons slecht en onze va-

16 deren. Wij schreiden tot den Eeuwige en Hij verhoorde onze stem, en zond eenen bode, die ons uit Egypte voerde; en zie, nu zijn wij te Kadesh, eene stad, die op de uiterste

17 grens van uw gebied ligt. Laat ons toch door uw land trekken ! wij zullen door geen akkerveld noch wijngaard trekken, en zullen geen bronwater drinken ; den koninklijken weg zullen wij gaan, wij zullen rechts noch links afwijken, totdat wij uw

18 gebied zullen doorgetrokken zijn.quot; Doch Edom zeide tot hem: wGij zult niet bij mij doortrekken ! of ik zal met het zwaard

19 u tegemoet gaan.quot; Nu zeiden tot hem de kinderen Israels : «Wij zullen langs den gebaanden weg optrekken, en zoo ik van uw water drink, ik of mijn vee, dan zal ik den koopprijs er voor geven ; slechts — het .is eigenlijk niets — te

20 voet alleen wil ik doortrekken!quot; Doch hij zeide: «Gij zult niet doortrekken!quot; en Edom trok uit, het tegemoet,

16. een hode, Godsgezant; bedoeld is Mozes, die, als afzender van het gezantschap, zijn naam als Godsgezant niet noemt; anderen: een engel, vgl. Ex. 23,20. — nïp, het einde van uw gebied; Ssj, eig. grens, beteekent dikwijls; het door de grenzen omsloten terrein, gebied. Einde van de grens zou een zinloos pleonasme zijn. Evenzoo beteekent het vs. 21 gebied. In vs. 17 kan het grens beteekenen; dan is de zin: tot wij de tegenover liggende grens van uw gebied zijn o v e rgelrukken; maar ook gebied, en dan is dè zin: tot loij uw gebied zijn doorgetrokken. Of Kadesh een Edom iet ische grensstad of een stad dicht bij het Edomietisch

febied was, onder andere heerschappij, laat zich niet met zekerheid eslissen.ebied was, onder andere heerschappij, laat zich niet met zekerheid eslissen.

17. TJO 'O. water uit g egr av en pulten, of aangelegde waterreservoirs, die dus privaat eigendom van particulieren of steden zijn; zij zullen natuurlijk wel drinkwater moeten hebben, maar dat uit de natuurlijke wellen, pï», die vanzelve ontspringen en voor algemeen gebruik bestemd zijn, nemen. Anderen meenen, dat reeds hier gedacht moet worden aan aanbod van betaling en de zin dus is: wij zullen geen bronwater drinken zonder het te betalen; daartegen spreekt echter 1°. het gebruik van het woord dat steeds een kunstmatige waterverzamelplaats aanduidt; 2°. dat vs. 19 bij het tweede gezantschap uitdrukkelijk betaling wordt aangeboden voor u w water, d. i. het van nature opwellende water, dat uw eigendom is, doordien het zich op uw grondgebied bevindt; al is het eigenlijk publiek domein, het is toch staatseigendom. — -pi, den koninklijken heirweg, de breede wegen voor het doortrekken der koninklijke troepen aangelegd; waar dus ruimte genoeg is en geen vrees voor beschadiging van privaateigendom behoeft te beslaan. Bij het tweede gezantschap wordt dan aangeboden: nSyj nSona. — n^on, van samenhangend met dSid, ladder, wordt op tal van plaatsen met nSï verbonden en schijnt dus een pad over de bergen aan te duiden. Er schijnen dus twee wegen door Edom naar Palaestina geweest te zijn: de koninklijke heirweg, door de

95

ocr page 195

3 npn nv

m nm ^quot;hk ion rü

JV -j i.t t : - t J- t . -t -«t ^ quot; t : i j* t - t lt;

onïoa 3^31 no^nxo irnhx : linNXD10

j. t • ^- ; • ; vjquot; - T : - ; • •• -: lt; :•••quot; : it T ;

yöBh nin»-1?^ pyvai : irn3ilt;l?,i onyo ^ D^I «=

; • - t : v | •lt;- ; • - iquot; -11- : • v- : • f -jt jquot;t- a*# quot;

yy B'npa i:niN nsni onxao trkbn

-IT: h-^-J •• • : -AT : • • v.quot; • i - )T : - j- ; . - .. |

D-ID^ nn^a iajjji nïp ^

t'o* nta: N1? TI1?: ^DH -itt ixa nn^: K^I

; I •*' t v- )••quot; |vjv - ) vsv rtquot; ; -quot;• v.quot; : * j -

♦a KV DinK nQN'i : iv *

fgt;' { -t i- j v: t •• ^ v lt;- Piv •.. ; «. ~:\~ v -» *7-

nVoaa VVK iion^ : nnNnpb NXN anna-ra o1

jt • ; ,- .. t . . ,.. . jt quot; ; - i iv tl: • Jquot; quot; \\v - i v

-px pi DTpö ^nii. ^ippi n^:

inNnpVom NÏ^ Pa^n K1? quot;idn^I : nia^K ^:na nai3

tI: - v: lt;quot;'•• rt -: iquot; j v vquot; t(quot;*;iv j-: - : \,r t

dalen loopend, korter en gemakkelijker; en een bergpad, over de kruinen der bergen heen, langer en moeilijker; — op beide punten wordt dus bij het tweede gezantschap iets minder belangrijks gevraagd, dan bij het eerste. — Over voedsel behoeft niet gesproken te worden, daar men immers het Manna heeft.

18. 13, door m ij = mijn gebied. —- Edom is hier natuurlijk, evenals vs. 20, de koning der Edomieten of de macht, die het volk vertegenwoordigt en in zijn naam handelt. — vSn, tot hem, Mozes, door zijne gezanten vertegenwoordigd. — Dit Deut. 2,4 en 29 blijkt, dat ioj) 'a, het volk der Edomieten, althans ten deele, toch Israël niet zoo ongunstig gezind was en zij een deel van Edoms gebied doortrokken en zelfs door de bevolking werden geassisteerd Voor den doortocht dwars door het land was echter koninklijke machtiging noodig, die geweigerd werd.

19. SjnCquot; quot;ija, de kinderen Israels, vertegenwoordigd door hunne gezanten, die het antwoord des konings aan Mozes hadden overgebracht en nu met eene nieuwe zending werden belast, — of die reeds van begin af d» opdracht hadden, na weigering van het eerste, dit subsidiair verzoek aan den koning voor te dragen. — ■psi?:, het op de bergen stroomende water; zie vs. 17. — Dis», van quot;130. koop, en vandaar: koopprijs; v. a. van

nquot;13D (van rro, koopen, Deut. 2,6) in denzelfden zin, dat echter alleen

Tsephanja 2,9 in geheel andere beteekenis voorkomt. — 121 ps pi maïN, slechts — het is eigenlijk niets, der moeite van het spreken niet waard, — met mijn voeten alleen wil ik doortrekken; 'Vjna, als orgaan, waarmede het doortrekken geschiedt, bijgevoegd om te doen uitkomen, dat het in letterlijken zin, uitsluitend doorgaan en niets anders, bedoeld Is; zoo ook TJTa nsn, (Deut. 3,27) en tal van andere plaatsen. Anderen verklaren lan j's; er zal echter niets van watervragen enz. komen, daar ik enkel doortocht vraag.

20. quot;133 DJ/3gt; met een machtig leger; ons is hier dus ook: de koning; nptn -roi, met sterke, gewapende hand.

ocr page 196

N U M E R I XX, XXI.

21 met een machtige troep volk en met sterke hand. Daar Edom nu weigerde Israël toe te staan zijn gebied door te trekken, week Israël van hem af.

22 Zij braken op van Kadesh, en kwamen — de kinderen

23 Israëls, de geheele gemeente, — aan het gebergte Hor. De Eeuwige zeide tot Mozes en tot Aharon aan het gebergte Hor,

24op de grens van het land Edom, als volgt: „Aharon zal tot zijne volkeren verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, dat Ik den kinderen Israëls geef; omdat gij tegen

25 Mijn bevel oproerig waart, bij de Twistwateren. Neem Aharon en zijn zoon El'azar, en laat hen den berg Hor bestijgen.

26 Laat Aharon dan zijne kleederen uittrekken en laat zijnen zoon El'azar zich ermede bekleeden; en Aharon zal verzameld

27 worden en daar sterven.quot; Mozes deed, gelijk de Eeuwige geboden had; zij gingen den berg Hor op, voor de oogen der

28 geheele gemeente. Mozes liet Aharon zijne kleederen uittrekken, en liet daarmede zijn zoon El'azar zich kleeden; en Aharon stierf daar op den top van den berg, en Mozes en El'azar

29 daalden af van den berg. Toen de geheele gemeente zag, dat Aharon verscheiden was, beweenden zij Aharon gedurende dertig dagen, het geheele huis Israëls.

1 De Kena'aniet, de koning van 'Arad, die in het zuiden woonde, hoorde, dat Israël langs den weg der verspieders kwam;

21. vSj70) van bij hem, uit de nabijheid zijner grenzen, in de in het volgende vers aangegeven richting.

22. Het hier bedoelde gebergte Hor ligt naar vs. 23 dicht bij Edom, en is wél te onderscheiden van den 34,7 en 8 als noordelijkste grenspunt van Palaestina genoemden herg Hor, die, naar Schwartz, Palaestina 6,25 en 27, ten Noorden van den Libanon ligt. De naam vin in duidt soms één bergtop, soms de geheele bergstreek aan, zooals hier. Waarschijnlijk is welluidendheidshalve de naam quot;in quot;in omgezet in den anders niet

gebruikelijken vorm inn in, vgl. echter uitdrukkingen als Sn:n palt; (Deut. 3,16). De legerplaats heet Deut. 10,6: Mostra, dat Num. 33,30 Moséroth genoemd wordt; hier wordt de berg Hor als station genoemd, evenals 33,37. Het is niet onmogelijk, dat Moséra de naam is voor eene streek, loopende van Bëéroth Bené Ja'akan tot den berg Hor, — terwijl Moséroth de naam is van een bepaalde plaats, in de nabijheid van Bëéroth Bené Ja'akan; zij trokken dan op den tocht van Kadesh naar Hor over Moséroth naar de 33,31—37 genoemde plaatsen, die samen Moséra heeten; daar (Deut. 10,6) in Moséra, en wel op den berg Hor, stierf Aharon. Zij zijn dan op dien tocht opnieuw, — ten derden male dus, naar Kadesh gekomen.

24. JpX1 enz. Zie Gen. 25,8; uit vs. 26, waar het sterven na tpso genoemd 'wordt, blijkt wel, dat de uitdrukking niet: hegraven worden beteekent; ook is Aharon niet bij zijne in Egypte gestorven vaderen begraven; tenzij men verklaart: evenah zijne vaderen begraven worden, en noi: nadat hij gestorven zal zijn. De uitdrukking schijnt te beteekenen: tot het eeuwige leven overgaan, evenals zijne vaderen. — reis iih, bij gelegenheid van de Twistwateren, of met Ibn 'Ezra 'S = '3; te Mé-Merieba.

96

13

ocr page 197

to 3 npn tx

|ra mix i : n^n T3i D^3 ^ ö * : v^o bxiiy» □»1 inv I

it t •• t : • j*— a \ : * v • r

: inn In nnyn-ba IN2^ B'nsa WD'I 23

v s - itt J it t •)quot; t: • iquot; : s t - ih t * 1 : *quot; j3

Dinx-pN binrb^. quot;inn td pnx-^i n^a-^x nin» quot;i}?** n^Kkn: K1? ^ vaj;_l?K jnnx f]Dx* : quot;ioK^ ^

: V-ona ^ ♦ö-nK Dnnn-nm by »nn:

it • : jquot; : lt;.* quot; -'quot; * : quot; quot;* •)quot; aquot; t : • ^ -•• ; • • v.-t

taiyani : quot;inn quot;in dhn 1:2 n^^K-nNi pnx-nK np «

lt;••;-: it t j vt : a : v,t t : v ^ v : i -y v I -lt; o

riDK* rhnxi 1:2 on^a^m vi^-nx rhnx-nK

Kquot;tiquot;I j-:i- ; 1^; jt^t: v v v.t : - 1 • : tt : v I -; r

nnn nn-^N i^'i nin* niï quot;1^2 nu'o : av nm »

t t -• v *hi~ at ; -«t * -: 1-^ v it jquot;

ip^*) vnj3_n« nn^-iiK ntfa : m^n-Va ™

lt;••;-- tt : v i -: 1- v v .. .-- it*:.it t ^*' s

nvD nquot;i,'i quot;inn ^quot;12 dit rhnN na»! lb quot;it^Sn-hn dhn

•)V vs— ATT J ; V.T I •)-J I- ^TSTquot; ; -quot;Tt1 : V V T

tern pn« jm '3 nn^n-^ wnn : mn-?a quot;it^ki c3

lt; ;•- i A-:r ^-t j- t quot; t :quot; . it t i v.t't i v ;

Vm*) d : n»3 Vs Di'pnisrnK« ^ onnxn ■nnn VNTSP» N3 »3 3J3n 3^» nn^-nba ♦i^^n

A t -:it i vv,v •• t; • -r •lt; vv- Jquot; t • |viv lt; ^:r : -

26. VTO m. zyne hoogepriester-H«ec?eren; ons raS.n, door liet aantrekken der hoogepriester-kleederen wordt El'azar tot Aharons opvolger aangewezen (Ex. 29,29). Men kan verklaren: laat Aharon zijne kleederen uittrekken en laat El'azar ze aantrekken; dan geeft Mozes slechts aanwijzingen, maar doet zelve niets; de dubbele vierde naamval komt dan ook goed tot zijn recht. — tps' korte uitdrukking voor; vos Sn eps'.

28. JIO'I, een plotselingen, zachten dood. Aharon was, naar Num. 33,39, bij zijn dood 123 jaar oud. Zijne begrafenis, tegen de gewoonte hier niet vermeld, wordt i)eut. 10,6 aangestipt. De begrafenis geschiedde waarschijnlijk door Mozes; El'azar mocht zich als hoogepriester ook aan het lijk zijns vaders niet verontreinigen, zoolang er een ander was, om het te verzorgen.

29. W-lil. zij zagen — vernamen; of volgens de zoogenaamde vertaling van Jonathan : zij zagen Mozes met tranen in de oogen en teekenen van rouw dragend van den berg komen; n. a. zij zagen, dat slechts Mozes en El'azar van den berg afkwamen en begrepen, dat Aharon gestorven was.— 133*1, bedreven algemeenen rouw.

Hoofdstuk XXI. 1—3. Ty; quot;^Sd. 'Arad, in het zuiden van Palaestina, — 3J:n, de drooge vlakte in het zuiden van Juda's stamgebied (vgl. 33,40) — wordt ook Jos. 12,14 als regeeringszetel van een Kena'anietischen vorst genoemd, wiens gebied zich dan ook meer Oostelijk moet hebben uitgestrekt, — of die tot den aanval op Israël zich buiten zijn land naar de woestijn begaf. — o^nsn -pi. Naar Septuaginta en Sa'adja een overigens

ocr page 198

N U M E R I XXI.

nu voerde hij oorlog tegen Israël en voerde eenigen ervan als

2 gevangenen weg. Toen deed Israël eene gelofte ter eere des Eeuwigen en zeide : „Wanneer Gij dit volk in mijne macht

3 geven zult, zal ik hunne steden tot ban verklaren.quot; De Eeuwige luisterde naar de stem van Israël; Hij gaf hun den Kena'aniet over en het verklaarde hen benevens hunne steden tot ban ; en men noemde den naam der plaats Chorma.

4 Zij braken op van het gebergte Hor, in de richting naar de Schelfzee, om het land Edom om te trekken ; doch het volk

5 werd moedeloos op den weg. Het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gij ons uit Egypte opgevoerd, om in de woestijn te sterven ? want er is noch brood noch water, en

6 onze ziel heeft een weerzin tegen het ellendige voedsel.quot; Hierop liet de Eeuwige tegen het volk de vergiftige slangen los, welke

7 het volk beten, zoodat er veel volk van Israël stierf. Toen kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: „Wij hebben gezondigd, dat wij tegen den Eeuwige en tegen u gesproken hebben; bid

niet t)ekende plaats; naar Onkelos e. a. = D'nrn, langs den vroeger door de verspieders ingeslagen weg, van de woestijn Tsin het land in; anderen: van een oud Hebreeuwsch, in het Arameesch nog overgebleven woord iriJJ) plaats, streek, — in de richting naar deze zuidelijke streken. In

ieder geval achtte de vorst zich door Israël bedreigd ; het zou den doortocht kunnen forceeren, daar 'Arad waarschijnlijk niet zoo machtig was als Edom; waarschijnlijk had deze aanval na Aharons dood, in de nabijheid van Hor, plaats, daar het ook Num. 33,40 in onmiddellijken samenhang met Aharons dood vermeld wordt.

2. Tioinm, tot ban verklaren, een God gewijd eigendom, waarvan geen mensch profijt mag hebben (Lev. 28,28).

3. jm Hij gaf, namelijk in Israëls macht. — 'Arad lag in het eigenlijk Palaestina, misschien nog voor een deel er buiten. De daar gelegen steden kan Israël toen reeds verwoest hebben, hoewel dit niet waarschijnlijk is, daar in dit geval iets moest vermeld worden, dat dit deel van 'Arad's land door Israël in bezit was genomen. Het komt mij dus het aannemelijkst voor, dat het land 'Arad in het eigenlijke Palaestina lag en hier alleen voor de latere verovering de gelofte werd afgelegd, de steden van 'Arad tot ban te zullen verklaren. Niet het volk en het land, maar slechts het als vijand uitgetrokken leger viel dus Israël in handen, en wel, terwijl zij naar hun land terugtrokken met de gemaakte gevangenen ; dezen werden dan bevrijd en het vijandelijk leger verslagen. Ibn 'Ezra neemt aan, dat er twee'Arads waren en twee plaatsen, die Chorma heetten, één ten Oosten van den Jordaan, in de woestijn, waarvan dan hier sprake is, (vgl. echter 33,40) en één Westelijk van den Jordaan in Palaestina, dat Jos. 12,14 besproken wordt. — Dipsn, de plaats, waar de Israëlieten het leger van 'Arad verslagen hadden; notn wordt ook 14,45 en Josua 12,14 als plaatsnaam genoemd. Het laatste is eene stad in Palaestina; het eerste een plaats bij de woestijn Tsin, die haar naam, evenals hier, aan een daar geleden nederlaag ontleende. Het kan zeer goed zijn, dat verschillende plaatsen dezen naam verkrijgen. Het woord beteekent: ban; Lev. 27,28 en 29.

97

ocr page 199

to npn tï

Tia laöö ' 3^*1 Qnf*la

^Pinni n;3 ntn D^n-n« jnn jnrDK IOM»I nin^ ^arrnw jn'i njn^ : onnjrnK *

a : nam Dipon-Diy Kip»i DnnrnKi onriK Din»!

it :t K t - i** . jt I: * av quot;^ir ; v jquot;-:i—

quot;ixpp»? 01*1« p,«;nN 2307 ïjiè'D* ^}! innino iyD*i ^ noS n^03i B^ks D^n isnp. ; ^3 D^rr^öaquot; Dvb pxi bnS pK »3 quot;i3quot;jö3 nio1? Dnvaö lan^n D^nannKDV3 nirr Dn^3 nip ^

^ j. t : - ••lt; t r t : - - :- liquot; It- •.%••• - tIt

^3*1 : 3TD^ m, DjttrnN D^ijfn»

Sbfinn Tpi nin»3 ii*i3T,3 i3KL3n nvn-bn airn

•• - : ■ I t t t i- :«- • r t t -■ : l - v ••• quot;r r

4- fjlD Q1 -J-n, in de richting naar de Schel/zee, evenals vroeger 14,25 van Kadesh uit, zoo nu van het niet zeer ver, maar vermoedelijk meer westelijk gelegen Hor uit. De Schelfzee ligt Zuid-Westelijk van Hor; zij trekken nu eerst in Zuidelijke richting, om dan, nadat de Zuidgrens van Edom bereikt is, meer naar het Oosten en dan naar het Noorden zich wendende, het gebied van Edom om te trekken, en bij Moabieten en eindelijk Emorieten aan te komen (vs. 10; 22,1 vv). — pbj •lïpm, Recht. 16,16 en Job. 21,4 absoluut gebruikt voor: moedeloos worden; zie Ex. 6,9, ongeduldig of anstig worden. — fna, op of door de reis. Volgens Deut. 2,1 duurde die omtrekking van het gebergte Se'ier = het land Edom, tamelijk lang, cai D'»', en scheen tevens een lange omweg naar het beloofde land. Daardoor verklaart zich de moedeloosheid des volks.

5. gij, meervoud, ons opgevoerd, dat ia: gij, Mozes, en God, of: gij en de andere volksleiders, de oudsten. — lanna nmS is of ironisch antwoord op de vraag wvSïn na1?, of deel van het verwijt: waartoe diende het ons uit Egypte te voeren, als wij toch in de woestijn moeten sterven ? — Di 13 ji.si on'? px, er is geen gewone spijze en drank; zij klagen niet over gebrek aan voedsel, maar over het ontbreken van de gewone menschelijke spijs. — rtxp iwsji, onze ziel, v. s. onze begeerte naar voedsel, zooals op meer plaatsen iïe: voor verlangen gebruikt wordt; dan is de zin: hoe ook naar voedsel verlangend, hebben wij een weerzin tegen het Man. Anderen: onze ziel = onze persoon. — SpSpn Dn'?;, v. s. verdubbeling van Sp, licht, zeer licht verteerbaar, maar daardoor ook weinig krachtgevend, — v. a. van nSp, verachten, de verachtelijke spijze.

6. waarschijnlijk van tp», verbranden, dus: brandend, vergiftig. _nron, de Pi'el in den zin van: loslaten, speciale term voor den aanval

van troepen wilde dieren op menschen. De bepalende 'n moet verklaard worden als: de in die streek te huis behoorende slangen; Gods hand toonde zich hier niet in het aanwezig zijn, maar in het aanvallend optreden der slangen. — owi, Pi'el in intensieve beteekenis.

ocr page 200

N U M E R I XXI.

tot den Eeuwige, dat Hij de slangen van ons afwende.quot;

8 En Mozes bad ten behoeve van het volk. En de Eeuwige zeide tot Mozes: ,/Maak u eenen Saraph en plaats dien op een stang ; nu zal het zijn : ieder, die gebeten is, — als hij

9 dien aanziet, dan zal hij in het leven blijven.quot; Mozes maakte een koperen slang, en plaatste haar op een stang; nu was het: als eene slang iemand gebeten had, en hij dan keek

10 naar de koperen slang, dan bleef hij in het leven. — De

11 kinderen Israels trokken op, en legerden in Oboth. Zij trokken op van Oboth, en legerden te 'Ijim bij den 'Abariem, in de woestijn, die tegenover Moab ligt, van de zijde van zons-

12 opkomst. Van daar trokken zij op en legerden in het dal Zéred.

13 Van daar trokken zij op en legerden aan de overzijde van den Arnon, die in de woestijn is, — die uit het gebied van den Emo-riet komt; want de Arnon is de grens van Moab, tusschen Moab

14 en den Emoriet. Daarom wordt er gezegd in het boek van de oorlogen des Eeuwigen: „— Waheb te Soepha, en de beken, die

15 „van den Arnon. En de uitstorting der beken, die een kromming „maakt voor de bewoning van 'Ai-, en tegen Moabs grens leunt.

8. De stof, waaruit de slang moest vervaardigd worden, schijnt niet voorgeschreven te zijn. Uit vs. 9 blijkt, dat Mozes haar van koper maakte. — Het optreden der slangen moest het volk bewijzen, dat zij in de woestijn voortdurend door gevaren waren omringd; dat dus, zoo zij zulke lange tochten ongestoord hadden kunnen maken, de Goddelijke Voorzienigheid hen beschermde üit zou hen de blik naar de hoog in de lucht opgerichte slang diep in 't gemoed prenten. — vu, leven blijven o{: herstellen.— De koperen slang schijnt niet alleen toen, maar ook later die werking gehad te hebben, zooals uit het gebruik der woorden-[c-j dn mm enz. blijkt; niet alleen de toen gebetenen, maar telkens: als iemand door een slang was = zou worden yebeten enz. Uit 11 Kon. 18,4 blijkt, dat eerst Chizkija de door Mozes vervaardigde slang liet verbrijzelen, waarschijnlijk omdat men er bijgeloovig of afgodisch misbruik van maakte.

10. naar 33,41 en 42 uit Tsalmona of Poenon, op een van welke beide plaatsen het in de vorige verzen verhaalde plaats had ; v. s. te Tsalmona. dat juist aan het beeld, dSs, van de slang zijn naam zou ontleend hebben.

11. anarn .quot;ya. te 'Ijiem, dat deel uitmaakt van of dicht ligt hij het gebergte 'Abariem. — quot;r beteekent: puinhoop of eenzame plek, woestenij; het schijnt slechts eigennaam te zijn (33,45 enkel Dquot;r) van een stuk woestijn, waar zij eerder aankwamen, dan aan het gebergte 'Abariem (33,48). Het ligt Oostelijk van Afoab, zoodat zij, van hier westwaarts door het land Moab trekkende, direct in het Oosten van Palaestina gekomen zouden zijn. Naar Deut. 2,9 en 13 maakten zij echter den tocht zoo niet, vermoedelijk daar Moab, evenals vroeger Edom, en later 'Ammon, weigerde den doortocht toe te staan (vgl. Recht. 11,17 en 18) en het ongeoonoofd was, Moab te bestrijden, daar het, als van Lot afstammend, aan Israël verwant was.

12. nr v. s. een beek, v. a. een diep dal, in den regentijd met water gevuld, of: een vroeger stroombed, wadi. Ook Deut. 2,13 en 14 kan het beide beteekenissen hebben.

98

ocr page 201

ïo npn nv

: ü^n ^3 nt^o trnsn-nK no^

^ Ttt ri-: vquot; ■gt;quot; quot; :. *quot; ^ lt;stt - v ^••nr i- jquot;t: t ;

n^ni or^ inx D^I ei'itr ^ rivy n^D-bNninnö^iquot;

TT ; Aquot; .V. J' ^ '• I TT | : lt;•• ^5-; V V T :

inoim ntrnj irn: ntro tr^4! : 'm in'K -ii^sn-bau

lt;.quot; • :- v ; •Jquot; : . v iTT v. jt t: ) t- t

t^nrVx ü^m B^KTW t^nsn -itrrDx n^ni oan-^

^- : « o* * ; * v TT- I lt;* t • t t : aquot; - -

i^D'i : nbN3 wn'i l7N^ïy, ^3 * : ♦ni n^nsn' g

•v..: • - • : ^ V. -!•— ^ a- t : • Jquot; ; quot;v, ; • - it t v v, : - X*» '

3X1D ^3quot;^ quot;ItTN -13103 Dn3^n quot;^3 nbKID

T jquot; ; v -» t ; • - t : it ■quot;• • ; -:r- a iquot;

i^d: DB'D : quot;nr l?n:3 d^d : n-irao ^

TT T • VIT - J- : ^-:i-- AT T ».T VIT ~

*3 hoKn ^ao Kvvn i3ns3 II^NÏ |I:IN 13^0 lin*quot;)

a*^ v: it ; • v,quot; ~ t : • - •*'.• -: I : - ...*lt;•••• ^ -n--

IÜK» rs-1?^ : noKn r»3i 3«io 3Nia ^33 riiiN^

- Tiquot; I •• r •.*: it I jquot; ^t I jquot; t -• ; I : -

: Tim4 D^mrrnKi nsioa 3nrn« nin» nbnVo 1303

I i : - t : - v ; t ; -»•• t v at ; ^ -: : * vvquot; :

: 3X10 Tytr:quot;) iy nüi ivx D^nsn iB'Ki»

it j : • l*^-; • : 'at vjv ; ^t t jv -: • t ; - v v :

13. Van Zéred verder trekkende, dat overigens Num. 33 vs. 45 vv., vermoedelijk met de namen van zijne onderdeelen is aangeduid, daar het eene groote vlakte schijnt te zijn, trekken zij nu verder Moab's grens langs, tot zij aan de Noordgrens van Moab komen, waar de Arnon het Moabietisehe land van dat van den Emoriet scheidt; zij legeren nu -dj?» 131)33 Ti'N jws, aan dien oever van den Arnon, die in de woestijn is, d.i. den Noordelijken oever, in het Emorietische land, en laten vandaar Siechon om verlof tot den doortocht vragen. — sïvi is appositie bij ju-in; de Arnon ontspringt in het land van den Emoriet en vormt met zijn benedenloop de grens tusschen Emoriet en Moabiet.

14. p by. met het oog op het hier gebeurde, de toezegging van de onderwerping van Siechon, die ook werkelijk vervuld is. — n nsnSs -ibd3 -idsi, wordt gezegd in het boek, of: het verhaal van de oorlogen Gods; de zekerheid van de vervulling der toezegging en de vele wonderfeiten van den laatsten tijd kunnen zeer wel in het volk sommigen bezield hebben en aan epische verhalen het aanzijn hebben geschonken, die al of niet werden opgeschreven, (-ISD is niet juist; boek, maar: verhaal) doch in ieder geval onder het volk bekend waren. Fragmenten uit zulke volkszangen hebben wij dan hier 15—20; en 27 en 30. — Door onbekendheid met de hier genoemde namen is deze plaats voor ons bijna onbegrijpelijk. — m sluit aan bij een voorafgaand werkwoord, dat overwinnen, of veroveren of iets dergelijks moet beteekenen. — jwis D^mn = pm* 'Sn: cSnjn.

15. de uitstorting van beken, of: de plaats, die zij besproeien; gewoonlijk mUW.- in bet meervoud. — na: ill's, die een bocht maakt, -ij) rocS, zoodat zij een open, vrije ruimte laat voor het wonen van 'Ar, d. w. z. die in een bocht het terrein omsluit, waarop 'Ar, een van Moabs voornaamste steden, gebouwd is; anderen; ir rac, de residentie, koningswoning te 'Ar.— jïpji, en leunt tegen, d. w. z. juist loopt langs de grens van Moab.

ocr page 202

HUMERI XXI.

16 //En van daar naar de bron, — dit is de bron, waaromtrent «de Eeuwige tot Mozes gezegd heeft: //Verzamel het volk, Ik

17 wil hun water geven.quot; — Toen zong Israël namelijk dezen zang: //Kom op, gij bron! heft beurtgezang aan haar ter eere!

18 «Gij bron, die vorsten groeven, die de edelen Zijns volks //dolven, met den wetgeversstaf, met hunne staven,quot; — en van

19 //Midbar naar Mattana; van Mattana naar Nachalieël en van

20 //Nachalieël naar Bamoth. En van Bamoth naar Gai, dat in «het veld van Moab ligt, op den top van de Pisga, en uitziet «over de vlakte der wildernis.quot;

21 Israël zond boden naar Siechon, koning der Emorieten, zeg-

22gende; «Laat mij door uw land trekken; wij zullen naar geen

akkerveld noch wijngaard afwijken, en geen bronwater drinken; langs den koninklijken weg zullen wij gaan, totdat wij over

23 uw grens zullen getrokken zijn.quot; Doch Siechon wilde Israël geen verlof geven door zijn gebied te trekken; maar Siechon verzamelde al zijn volk en trok uit, Israël te gemoet, naar de woestijn, en kwam te Jahats en bestreed Israël.

24 Doch Israël versloeg hem door de scherpte van het zwaard, en veroverde zijn land van den Arnon tot den Jabbok, tot aan de zonen van 'Ammon; want sterk was geweest de

25 grens van de zonen van 'Ammon. Israël nam al die steden in.

16. Of dit nog bij het citaat behoort, of voortzetting van de beschrijving van Israëls tocht is, staat niet vast. Ibn 'Ezra neemt het laatste, Mendelssohn het eerste aan.

17. Waarschijnlijk een overigens niet bekend feit, aan den Arnon voorgevallen of op de voortzetting van den tocht. Bij plotseling opgekomen gebrek aan water, schijnt daar op Gods woord plotseling een bron te zijn ontsprongen, en het volk, in vreugde over de redding, een lofzang te hebben aangeheven. — 1X2 'Sr, stijg op uit de diepte, ontspring en blijf voortstroomen.

18. DnC en D'snj, de edele leiders van het volk Gods, — Mozes, El'azar en de oudsten. — onsjwna ppnisa, met den wetgeversstaf, of: den griffel, — van ppn, graveeren, uithollen, — aan hunne staven, die in hunheerschers-ambt in de eerste plaats als wetgevers hebben op te treden; v. a parallel: hron, die de hoofden des volks gegraven hébhen met wetgeversgriffel, met heer-schersstaf. — runa imnm, zet de beschrijving van den tocht of van den in het citaat beschreven loop van den Arnon voort. En van Midbar, de woestijn, waarschijnlijk een plaats in dit gedeelde van het Emorietische of Moabietische land, dat toen bij voorkeur Midbar heette. De lezing van Septuaginta: en van Béér, is, juist omdat zij zoo eenvoudig schijnt, beslist onjuist; het zou onbegrijpelijk zijn, hoe uit die eenvoudige lezing onze tekst heeft kunnen ontstaan De afschrijver, aan wien die verandering te wijten is, heeft innn niet begrepen, en naar eigen inzicht uit de vorige verzen den tekst veranderd. — De hier volgende plaatsnamen zijn overigens in het algemeen niet nader bekend.

20. JCVin ^an hier niet dal beteekenen, daar het gezegd wordt op den top der Pisga te liggen; waarschijnlijk is het hier in degrondbeteekenis:

99

ocr page 203

jo npn

-nK KDK nin» 1^« iNan «in mus DI^OI »

) v: v : t ; lt;- t v -i •• ; quot; ■J' taquot; ; . '

-n» bNTir» TK d : co Dn1? mnKi nj^n ^

•• t : • •** t tlt; * it vquot;t jt : v : *gt; t

hna ontr nnan nxa : n*?-^ ins ^ n^rn rrwn ^

t t • t t -j t ~i •* ; it *v: ; r a - v.t • -

runaoi : nana naiDQi Dh^tyoa pphoa D^n nn: ^

t - • ^ it t it : • • at ^-i : • : i kquot; : • *t t j- • :

3X10 m'tra it^N K^n niósoi : niD3 Vtt^naoi =

T j»»: • v -j ; - - t • it v.quot; ' ~i~ * aquot; • -n-

s * : rb^'n nap^ji moan ^n-i

i i • :- jquot;: ^ tiv.t;^ • ; at; • - ».

: iöK1? noKrr^o frvpquot;^ nS^4iM

quot;ikd '0 nni^j k1? Diim VIBJ amp; nna^N33 -nx (n»p jnrNbi : ^ ^an Tj-ina »

nNnpgt; Kri IDJ?-V3TIN p'p f]b*n 'Haaa

: ^«^2 onb^ nxn» KTI rrjinan ^ ♦jri^ par^ pquot;!sso quot;iilK-m annas'?

on^n-Va nx np/i : jiaj; rn Visa rjb ^ iio^/3

hoogte, en beteekent het ook in het algemeen niet gewoon: dal, maar veeleer: hoogvlakte. Hier houden velen het voor een eigennaam. — asm rrwa is : het vrije veld, eene vallei of hoogvlakte in het land van Moab. — rwDsn, v. s. een keten van bergtoppen, v. a. een hoog bergplateau, een uitkijk; n. a. een naam van het Noordelijk deel van den 'Abariem-keten. — •osbr, ower het oppervlak; naar zou moeten Iniden : ■os Sn. — fiwn, de eenzame, woeste wildernis ; 34,49, nis*tquot;n rvo genoemd; waarschijnlijk naam voor een plaats bij den Jordaanoever, aan het N. O. strand van de Doode Zee.

21. SjOC1) Mozes in naam van Israël. De plaats, vanwaar de gezanten naar Siechon gezonden worden, heet Dent. 2,26; woestijn van Kedémuth; dit laatste is eene Emorietische stad, in wier nabijheid Israël, ten deele op Emorietisch gebied, gelegerd was.

22. nU'N 1]?; hier: totdat ivij uwe andere, tegenovergestelde grens zullen zijn overgetrokken en dus uw land weer zullen verlaten hebben.

24. Van Arnon tot Jabbok; Arnon is de Zuidelijke, Jabbok de Noord-Oostelijke grens van Siechons gebied. Uit vs. 26 blijkt, dat dit Noordelijk deel van Siechons gebied door hem op de Moabieten was veroverd; het slot van ons vers geeft de reden aan, waarom hij zijn veroveringstocht niet had voortgezet; — is '3, want te zeer versterkt was de grens der 'Ammonieten. Dezen waren zijne Noord-Oostelijke naburen, terwijl ten Noorden van Siechons land het gebied van 'üg lag. — Israël was het wegens stamverwantschap verboden tegen Moab en 'Ammon strijd te voeren, om hun land te veroveren. Daarom heeft het verklaring noodig, boe Israël in het bezit kan komen van landstreken, die eens aan Moab hadden toebehoord.

ocr page 204

N U M E R I XXI.

en Israël vestigde zich in al de steden van den Emoriet, in

26Cheshbon en al hare dochtersteden. Want Chesbon was de stad van Sieehon, den koning der Emorieten; hij had namelijk met den vorigen koning van Moab strijd gevoerd, en had al zijn land

27 aan zijne macht ontnomen tot den Arnon. Daarom zeggen de dichters; „Komt naar Cheshbon! Opgebouwd en bevestigd worde

28 „het als Siechons hoofdstad! Want een vuur ging uit van „Cheshbon, eene vlam uit Siechons veste, verteerde 'Ar van Moab,

29 „de bezitters van de hoogten van den Arnon. Wee u, Moab! „verloren zijt gij, volk van Kemosh! hij gaf zijne zonen als vluch-„telingen, zijne dochters in krijgsgevangenschap over aan den

30 „koning van den Emoriet, Sieehon. Wij wierpen hen neder — „te gronde ging Cheshbon, tot buit werd Diebon; wij hebben „verwoest tot Nóphach, ja tot Médeba toe.quot;

25. 3^1, en Israël vestigde zich, schijnt te beteekenen, dat voorloopig reeds eene bezetting werd achtergelaten; de eigenlijke vestiging geschiedde eerst, toen Mozes het veroverde gebied aan de stammen toewees, die het gevraagd hadden. — mrua, de kleinere steden, die, als kinderen de moeder, de groote stad omgeven; anderen : dochtersteden, van Cheshbon uit bevolkte en bestuurde steden, koloniën, waarbij men de stad, die ze stichtte: moederstad noemt.

26. J13rn. oorspronkelijk eene Moabietische stad, was, na door Sieehon veroverd te zijn, de hoofd-starf of residentie van Sieehon geworden. — pexm, natuurlijk niet; de eerste, maar; de vorige; den voorganger van den 22,2 als koning van Moab vermelden Balak. — Tot dien tijd was dus het land ten Noorden van den Arnon, tot den benedenloop van den Jabbok toe, in Moab's bezit geweest; vandaar dat de legerplaats van Israël vóór den overtocht over den Jordaan, tot het land Moab gerekend wordt, waartoe het oorspronkelijk had behoord (Deut. 1,5; vgl. Deut. 3,12 e. a. p.)

27. Q^COn. eig dichters van een Mashcil; Sc», spreuk, gelijkenis en vandaar; gedicht in het algemeen. Waarschijnlijk hebben wij hier een Emorietischen zegezang, naar aanleiding van Siechons overwinning, die, na de verovering van Siechons gebied, ook onder Israël bekend werd en door hen als zege- en volkslied werd gebezigd. — isa, komt en aanschouwt de macht van Cheshbon. — Zoo noodigen zij hunne medeburgers uit, — het, Cheshbon, worde nu in trotsche kracht opgebouwd, daar het door beleg en verovering wel geleden zal hebben, — en blijve dan voor eeuwig gevestigd als hoofdstad van Sieehon.

28. m 'O. want een oorlogs-in/ur ging uit van Cheshbon, dat het eerst belegerd en veroverd schijnt te zijn, en dat misschien, door weigering van cijns of dgl., waartoe het verplicht zal geweest zijn, in opstand was gekomen en zoo den oorlogsfakkel had doen ontbranden. — jrrgt;B rvnp», uit de stad, die nu als zwaar versterkte vesting, Siechons hoofdstad is geworden. — asm ir, een der bekendste Moabietische steden, die nog bij Jesaja en andere profeten als hoofdstad voorkomt — jnx niM ■'Sja, de Moabieteo, de vroegere beheerschers van de sterke bergvestingen op de hoogten aan de oevers van den Arnon.

29. Kemosh, op tal van plaatsen in de Profeten als nationale

100

ocr page 205

ND npn p

: noNn njr-baa rta«n

t iv : t : i {, •. v : • v: it t ; •• t : * v - v aquot; t

Tj^oa orto Mini «in n,o«n -jbü {irp tj; jia^n »313 |r^ *: quot;i^o iïquot;!«quot;^3'nN n$\ fi^wnn axiD» | -♦3 : ïirvD yy rjüni man risirn ^3 d^dh moK» ^

i 1 • d* i v.quot; • ; jquot; t ' 1 ei ; v ^ v.* ; 1 - j^i 1

3^10 ij; n^N rn^D nnpD n3n,7 riai^no nxx» K'N

t 'jt t : it ia j- :l • • vt nv i : v iquot; -«t :it ••

rnj tyiQ3-DV rn3K 3Mio ny»iN : nut nio3 ^3quot;

i-t a: t t t -»1 : 1 i 1 ; - ^ j r v^i-

: ÏIITD nD« n^3ty3 vm3i DÜ^Ö ?

4t • - ' 1 *' v: 1 v ;v : • ; - -t ; • •• ; lt;t t jf-

JKaTö-ni? nsrn^ a^ai |3T^ I^tpn nax j?

afgod der Moabieten vermeld; Recht. 11,24 ook bij de 'Ammonieten. — jro, hij, Kemosh, ga/ enz. (vgl. Jeremia 48,45 en 46, die een navolging zijn van onze plaats).

30. D'VJI = Dquot;TU1gt; van iifj naar heneden werpen; anderen = Dl'JI) en hun macht ging ten gronde, de macht van Cheshbon namelijk; de eerste opvatting komt mij aannemelijker voor. — nr. buit is geworden Diebon; het komt meer voor, dat in één vers hetzelfde woord in twee beteekenis-sen is gebruikt, zoodat he: -ir zeer goed vertaald kan worden -.tot Nophach. (Zie Mandelstamm). Anderen: en wij wierpen ze neder, nu Cheshbon verloren was voor Moab, t o t Diehon. — bwi = □£•'31, = 0{?31 van ooü, verwoesten,

of DB'JI = DDW DtP31. van nw, als schuldeischer optreden, de Hiph'iel

intensief, — of: doen vergeten, — of = D'B^NJV van o5quot;'» a^s schuldig ver-

oordeelen of straffen. — Op grond van Jer. 49,20 en 50,45 komt mij de eerste verklaring de aannemelijkste voor. — N2T» is ibx. Nophach iseene stad, waarvan dus moeilijk gezegd kan worden, dat zij zich tot eene andere stad uitstrekt. Men moet dus of aannemen, dat Médeba tevens naam eener landstreek is, — of wel ups als versterkende uitroep opvatten: ja, zelfs. — Wij hebben het stuk opgevat alsEmorietischzegelied; anderen houden het voor een overwinningszang der Israëlieten, na den oorlog tegen Siechon. De uitnoodiging ,/komt naar Cheshbon en bouwt het weer op 1quot; is dan ironisch, spottend tot de overwonnen Emorieten gericht; komt en herbouwt het weer, als gij kunt; — gij waart toch eens zoo machtig, dat van uw hoofdstad uit het oorlogsvuur Moab aantastte. Vs. 29 richt zich dan tot het, tot nog toe niet door Israël bestreden Moab; Nu zal het niet lang meer duren, of ook gij zijt verloren, in Israëls macht gekomen; want voor Siechon leedt gij de nederlaag — en, vs. 30, dezen hebben wij nu geheel te gronde gericht; de beurt is thans aan Moab. — Ik geef beide opvattingen terug, daar ik geen argumenten zie, die aan de eene boven de andere de voorkeur doen geven.

ocr page 206

N U M E R I XXI, XXII.

32 31 . Israël vestigde zich dus in het land van den Emoriet. Mozes zond uit om Ja'zer te verspieden, en zij namen hare dochter-

33 steden in; en men verdreef den Emoriet, die daar was. Zij wendden zich om en trokken op, in de richting naar Bashan; toen trok 'Og, de koning van Bashan, uit, hen tegemoet, hij

34 en al zijn volk, ten strijde, naar Edré'ie. De Eeuwige zeide tot Mozes : „Vrees hem niet, want in uwe macht geef Ik hem en al zijn volk en zijn land; en gij zult hem doen, gelijk gij gedaan hebt aan Siechon, den koning van de Emorieten, die

35 te Cheshbon woonde.quot; Zij versloegen hem en zijne zonen en al zijn volk, totdat men hem geen rest overliet, en zij ver-overden zijn land.

1 De kinderen Israels trokken op en legerden in de valleien van Moab, aan deze zijde van den Jordaan tegenover Jerécho.

2 Toen Balak, de zoon van Tsippor, vernam al wat Israël den

3 Emoriet gedaan had; En dat Moab zeer bevreesd was voor het volk, omdat het zoo machtig was; en Moab een weerzin had tegen

31. herhaling van vs. 25; niet het geheele volk vestigde zich daar, maar het gros was nog altijd bij den Arnon gelegerd.

32. nSc1!' Mozes zond, Sj-iS, mannen om te verspieden. Ja'zer schijnt naar Jos. 13,25 tot het vroeger aan 'Ammon behoorende gebied te hebben behoord, waarvan Siechon echter slechts een klein deel bezette, zie Jos. 13,25 en 27 en Recht. 11,13. Of Ja'zer zelf nu reeds, of eerst eenigen tijd later, mede veroverd is, dan wel enkel de dochtersteden, is niet zeker. Uit 32,45 blijkt, dat de stad door eene verovering minst genomen ernstig geleden heeft, zoodat zij opnieuw gebouwd moest worden. Wat onze plaats betreft, kan men zeer wel aannemen, dat uit de verovering der dochtersteden die der moederstad van zelve volgt; evenzeer is echter de tegenovergestelde meening te verdedigen, dat zij Ja'zer zelf als te machtig niet konden vermeesteren. — cnw, naar den Kerie, verdreef-, de Kethieb,

nam in bezit; of; werd erfgenaam van.

33. uan zij wendden zich, van de Oostelijke richting gingen zij nu naar het Noorden, iSpn. — jüj, een koninkrijk ten Noorden van den benedenloop van den Jabbok gelegen en Noordwaarts tot den Chermon zich uitstrekkend; het volk behoort, evenals dat van Siechon, tot den stam der Emorieten. — Edré'ie was naar Deut. 1,4 een der residentiesteden van Bashan, waarschijnlijk in den Zuid-Westhoek des lands. Jos. 19,37 komt een Edré'ie in het West-Jordaansche land in den stam Nafthalie voor, dat natuurlijk met het onze niets te maken heeft. Deut. 3,10 komt nog een Edré'ie in Bashan voor, als vormende de N.-W. grens des lands, dat hier evenmin bedoeld kan zijn, daar de Israëlieten van uit het Zuiden BaaXxan binnentrokken.

34. nvü Sn 'n lojn. Tot Mozes, om het Israël te zeggen, dat zij geen vrees behoefden te koesteren.

35. I^1), zy versloegen, misschien wel: zij doodden. — quot;VJCCTI. een onbepaalde wijs = quot;VJCBTI*

101

ocr page 207

aa to pVa npn Kp

n^o : npKn pN3 a^*i^ r iSv»i ^s'l :db'-I^K noNn-n« Bh**i n»n':3 £

^ii— i •- it v -j j* v;it v ^ v t AV : v,: : **

Kin onNnp1? i^sn-Tibo aiy Kin j^sn -^ in^ «Trrbx nin» -IOK^ * : 7quot;ii« nonSa^ ^ |

jt • - v v «t : y quot; ^ iv : v v,t t ; * - f-

quot;ityx3 iv» n^i lï^N-nNi lajr^-nKi inx ♦nn: rns2 »3

-»•.* -tr t ■«• nr: a : - v : v. t v ; •) s* t I :iT: -••

ins i3»i : |i2^n3 3^1' ♦ioKn p'pb jrtbj; ^ -in^ ib-nwn V33tini

v : i- a t ^ r ; ^ r : • t tt

quot;i3ro 3NID ni3quot;i^3 vm »33 ivo'i : lïnK-nK» 33

vv*•• t -• in-; -:i— lt;squot; t; • —; ^v. : *quot; i ;-

D : inT

i3»i : nowquot;? n'^-'iu'K-Vs nx narp nquot;i»i =

tt- r v:it t : • jt 'r v -: r ■»quot; a • i v i t ;j— j|

»:3ö 3Nio rp'i K^n-3n »3 TKD D^H ^ao 3Nia

* T | IT-T- A - J- ^ ; TjTT Jquot; : • T

Hoofdstuk XXII. 3}lt;10 in de valleien die vroeger van Moab

waren geweest, die door Siechon veroverd en nu door Israël in bezit genomen waren. De verovering was natuurlijk niet door het geheele volk met vrouwen en kinderen geschied, maar door kleinere of grootere, door Mozes afgezonden leeer-afdeelingen, —■ terwijl het volk gedurende dien tijd in de Arnonstreek gelegerd was gebleven. Nu trokken zij echter op en betrokken de legerplaats in het pas veroverde gebied. — nar», aan de overzijde van den J er ie cho-J or daan, dat is: de Jordaan, waar hij langs Jeriecho stroomt, dat op korten afstand van de rivier ligt. — i3j?o, aan den overkant, eig. aan een zijde, beide zijden van de rivier kunnen natuurlijk bedoeld zijn. Hier, waar jeriecho genoemd wordt, denkt men aan die zijde, tot het bereiken waarvan van Jeriecho uit, de Jordaan eerst overgestoken moet worden; van Israels legerplaats uit was het natuurlijk niet; de overzijde, maar; de naastbijgelegen Jordaanoever.

2—5 meen ik als één zin te moeten beschouwen. De toestand was namelijk deze: Balak, van afkomst een Arameër, (wat uit vs. 5inr 133ps, het land van de zonen van zijn, Balaks, volk blijkt), had zich van het koningschap in Moab weten meester te maken, na de door zijn voorganger geleden nederlaag. Toen nu Siechon, de overwinnaar van Moab,

door Israël overwonnen was, werd het Moabietische volk, asi» vs. 3, zoo beangst, dat het, huiten zijn koning om, tot de oudsten van Midjan het aanbod van een bondgenootschap tegen Israël richtte (vs. 4). Toen Balak, — als koning reeds voorbijgegaan en dus vreezende, dat men hem van zijn regeering zou vervallen verklaren, zoo hij geen reddende daad verrichtte,— dit zag, vs. 3, zond hij boden enz. vs. 5. De slotwoorden van vs. 4; ja pHai •hn hbs enz. dienen dan om in parenthese de eigenlijke aanleiding tot Balak's optreden mede te deelen: Moab, het volk, had, buiten zijn koning om, gezanten naar Midjan gezonden, terwijl toch Balak koning over Mom

ocr page 208

HUMERI XXII,

4 de kinderen Israels, En dat Moab gezegd had tot de oudsten van Midjan; «Nu zal deze vergaderde menigte onze geheele omgeving afeten, gelijk de os het groene des velds afeet,quot; — en Balak, de zoon van Tsippor, was koning van

5 Moab in dien tijd, — Toen zond hij gezanten tot Bil'am, den zoon van Be'or, naar Pethor, dat aan de rivier ligt, het land van de zonen zijns volks, om hem te ontbieden, — zeggende: «Zie, een volk is uit Egypte getrokken, — zie, het bedekt het aangezicht der aarde, en het heeft zich tegenover mij neder-

6 gezet. Welnu, kom toch, vloek mij dit volk, want het is mij

was in dien tijd. — Vat men den samenhang niet zoo op, dan biedt onze plaats groote moeilijkheden; 1°. de wisseling van onderwerp: Balak in vs. 2, Moab in vs. 3; deze trachten sommigen op te lossen door nto vs. 2 als Hiph'iel op te vatten en te verklaren ; hij het zien, Balak maakte zijn onderdanen opmerkzaam op het gevaar, dat hen van de zijde van Israël bedreigde, — toen werd zijn volk, Moab, bevreesd; eene opvatting, die mij minder aannemelijk voorkomt; — 2°. indien Balak reeds aan Midjan het verzoek tot een defensief verbond heeft gedaan, waarom dan niet eerst het resultaat daarvan afgewacht en een gezantschap tot Bil'am gezonden; dit verklaren sommigen als het resultaat van het overleg tusschen Moab en Midjan, daar vs. 7 ook Midjanietische oudsten als leden van dit gezantschap worden genoemd; — vs. 5 echter blijkt, dat het inroepen van Bil'ams hulp op Balaks initiatief geschiedde; — 3°. de slotwoorden van vs. 4: het constateeren, dat Balak koning van Moab was, komen in geene andere verklaring goed tot hun recht. — Ook de Tgt;nj) met omkeerenden 'i kan in mededeelingen van feiten de beteekenis van een meer dan volmaakt verleden tijd nebben; — -mifn (vs. 4) en dat gezegd had — de eenige grammaticale moeilijkheid, die tegen de bovengegeven verklaring der verzen kan worden opgeworpen, vervalt dus. — i-ittxS, den Emorieten, Siechon en 'Og; uit Deut. 3,8 blijkt, dat ook de laatstgenoemde tot den Emorieten-stam behoorde. Moab grensde aan het pas door Israël veroverd gebied ten Oosten.

, 3. 3T beteekent niet alleen : talrijk, maar ook: machtig, vgl. Ps. 48,3; Jes. 19,20 e. a. p. — ':e?3 ...^ni, een afkeer hebben van, hetzij uit vrees, zooals hier, of uit haat, zooals waarschijnlijk Ex. 1,12, of' ook uit verachting. Volgens Rashie, Rashbam en Siporno moet hier iquot;ra bijgedacht worden ; zij hadden een weerzin in hun leven wegens enz. Vgl.onze aant. Ex. 1,12.

4. p-ia ypt Sn. de oudsten van Midjan zijn v. s. de vijf vorsten, die Num. 31,8 genoemd worden en Jos. 13,21 gezegd worden, vasallen van Siechon, door dezen aangestelde hoofden te zijn geweest; anderen meenen, dat de oudsten des volks van Moab en Midjan direct met elkander onderhandelden, beiden hun vorsten voorbijgaande. — Snpn, die troep, verzamelde menschenmassa. — yi1» .... ■onV Bij een groot aantal de Pi'el in intensieve beteekenis, bij een enkele de Kal; of, wat waarschijnlijker is, daar hier collectief is, (daarom de bepalende 'n) de Pi'el in ver

sterkte beteekenis van den stam. Vgl. Recht. 7,5 en 6. — yh. Ukken, aflikken, ook bij het likken van water en stof gebezigd (Miecha 7,17; I Kon. 18,38), van het grazen van den os gebruikt, v. s. omdat hij met de tong het gras pakt en net zoo uitrukt; v. a. tot den bodem toe afgrazen, als iemand, die een schaal aflikt en er geen spoor van het vroeger daarin aanwezige in overlaat. — Üit Deut. 2,29 blijkt overigens, dat de Moabieten Israël voor

102

ocr page 209

aa pVa ap

'Snpn wnb» nny rnö nxio *10^»quot;! : os1

tit - « -:i-: t it ; * •*•• i; * v t v - iquot; t: • r* ;

ii2ï-?3 pbsi n-i'^n pi' nN Hibn ,nnl?3 irrna^D^rnK

•» • 1 v#l st t avt - i v^v -ij;* •• ■»• : t .

■ra mm : «inn n«iob TISD quot;

i v ^t: • v • t ; - - ; •• r - rgt;quot;T p: p ' v-'•*

nÓN1? ly^ipS is^33 pN inarr^ quot;1^« mins quot;ii^a

quot; quot; l:. ■ l quot; gt;quot;■• ■} •quot;■■ 'TTquot;, gt;quot;■• T 1 pp'

ïw Nini pKn p^rnx no? nan onypp xv n% nan kin oiïya nfn Dï^n-riK ^-niN wrna1? nnyi : ♦bsö1

j r r v - *jtt v • tit t t ; t quot; ; r \ *

geld brood en water leverden, vermoedelijk ook omdat zij te bang waren

Êeworden om iets tegen hen te ondernemen. Dat het Israël verboden was en te bestrijden en hun gebied te veroveren, was den Moabieten niet bekend. —eworden om iets tegen hen te ondernemen. Dat het Israël verboden was en te bestrijden en hun gebied te veroveren, was den Moabieten niet bekend. — tibï p pSai enz. Volgt men onze opvatting, vs. 2 gegeven, niet, dan moet men aannemen, dat hier eerst op Balak's verhouding tot Moab wordt gewezen; men zou dan eenvoudig vs. 2 bij de vermelding van Balak's naam de bijvoeging asvs quot;f?» hebben verwacht; de uitdrukking

3N1qS voor asm -f?» is ook vreemd; de zin schijnt te zijn: als

vreemde, die tot de heerschappij geroepen is, heeft hij de koningsplichten ten opzichte van Moab te vervuilen in dien tijd, misschien nog maar sinds kort; daar Siechon's veroveringsoorlog tegen Moab, onder Balak's voorganger, niet lang te voren schijnt gevoerd te zijn.

5. nStrn hij, Balak, zond. — irun Sr, aan de rivier, den Euphraat; Bil'am woonde volgens Deut. 23,5 (vgl. Num. 23,7) in Aram Naharajim, Mesopotamië, Abrahams geboorteland. Hij was met Israels geschiedenis, die spoedig algemeen verbreid schijnt geweest te zijn door de wonderfeiten, die zich daarin hadden voorgedaan, bekend; en misschien mede daardoor, alsook ten deele door de in zijn land nog levende herinnering aan Abraham, eenigszins met het wezen Gods, zooals dat door Israël ten gevolge van de openbaring werd opgevat, bekend. Vgl. Gen. 24,31, waar ook Laban den naam des Eeuwigen noemt, ook waarschijnlijk uit zijn familie-traditie met dien naam bekend. — isr •'» ps, naar het land van zijn, Balak's volk; ook Balak was dus Arameër en daardoor met Bil'ams bestaan en zijne kunst bekend. Het op Bil'am te laten slaan : naar het land van Bil'ams volksgenooten geeft geen zin, daar het öf vanzelve spreekt, öf ter aanduiding, dat Bil'am geboren Arameër was. geheel overbodig is. — is.sS, den gezanten de volgende zending opdragende. — ron • • • ron, leiden ieder een gedachte in : 1° een volk is uit Egypte getrokken — uit dat overmachtige, sterk georganiseerde land — iets buitengewoons, — en daarom is dit volk op zichzelf al voor iedere natie gevaarlijk; 2° het is zoo uitgebreid, dat het den psn pr bedekt — en levert voor mij gevaar op. — pxn fij} rx, het oog der aarde, dat, wat van de aarde door den mensch gezien wordt; het aangezicht der aarde; vgl. onze aant. Ex. 10,5. — De uitdrukking py ns noa psn, komt vooral van sprinkhanen voor en wordt daarom door sommigen verklaard: hedekt het de aarde aanziende oog = de zon; of; den blik der aarrf-bewoners, zoodat deze de zon niet zien kunnen; de zin is; zij zijn zoo talrijk als de sprinkhanen.

6- nnjn dient dikwijls als inleidend woord voor het eigenlijke, te behandelen onderwerp; zoo in brieven na de algemeene begroeting, als men tot de eigenlijke zaak overgaat, II Kron. 2,10—12. Soms zelfs begint de ona

ocr page 210

N U M E R I XXII.

te machtig; wellicht kan ik verkrijgen dat wij het een slag toebrengen, en ik het uit het land verdrijf; want ik weet: wien gij zegent, is gezegend, en wien gij vloekt, is vervloekt.quot;

7 De oudsten van Moab en de oudsten van Midjan gingen dus heen, met waarzeggersloon in hunne hand; zij kwamen tot

8 Bil'am en spraken tot hem de woorden van Balak. Nu zeide hij tot hen : ,/Blijft hier dezen nacht doorbrengen, dan zal ik u antwoord geven, gelijk de Eeuwige tot mij spreken zal.quot;

9 De vorsten van Moab bleven dus bij Bil'am. God kwam tot

10 Bil'am en zeide: „Wie zijn die mannen bij u ?quot; Bil'am zeide tot God : „Balak, de zoon van Tsippor, de koning van Moab,

11 heeft tot mij gezonden: „Zie, het volk, dat uit Egypte gegaan is, en het aangezicht der aarde bedekt — welnu, kom ! ver-wensch het voor mij ! wellicht zal ik dan het kunnen bestrijden

12 en het verdrijven.quot; God zeide tot Bil'am; //Gij zult niet met hen gaan; gij zult het volk niet vloeken, want gezegend

medegedeelde passage uit den brief met nnïl, waaraan dan natuurlijk in het werkelijke stuk de begroeting voorafging (II Kon. 5,6; 10,2); bij een boodschap, eveneens na den groet, als overgang tot de eigenlijke zending, I Sam. 25,6 en 7; zoo volgt ook hier op nnpi het eigenlijke verzoek, waartoe het voorafgaande slechts als inleiding dient. — ,gt;17 m», vloek voor mij, ten mijnen behoeve. — 6611 onregelmatige vorm voor riTjk; of de —

onder den 's lang of kort is, in welk laatste geval de Métheg ter vervanging van den pji in den 'i moet dienen, — staat niet vast. — •oa» Kin DWJM3, net is mij te machtig, niet: het is machtiger dan ik; vgl. Ex. 1,9. — Soin ia ros, misschien kan ik het bereiken, dat wij, Midjan en ik, of gij, Bil'am, en ik, een slag ertegen richten. Bij innige verbinding van twee werkwoorden, zoodat zij één begrip vormen, worden zij dikwijls zonder verbindings-'i naast elkander geplaatst; noodzakelijk is deze constructie als de beide werkwoorden niet in denzelfden persoon of in hetzelfde getal staan; zoo onze plaats Sdin enkelvoud roj meervoud, en Jes. 47,1 -f? isijr isioin nS. — roj is dus eerste persoon meerv. van den toekomenden tijd. V. a. een onbepaalde wijs van den Pi'el. — ia na:, niet: het verslaan, wat door den 4en naamval moest zijn uitgedrukt, — maar; het een slag toebrengen. Zijn doel is alleen het kwijt te zijn, wuni, — niet het te vernietigen.

piQ ijpn 3JOD ''Jpl, Midjanietische oudsten sloten zich bij de Moabie-tische gezanten aan, doch treden geheel op den achtergrond; verder worden alleen de Moabietische gezanten genoemd. — D'oopi, eig. waarzeggerijen, v. d. waarzeggersl o o n, evenals mc?3, eig. blijde boodschap, v. d. het loon ervoor (II Sam. 4,10) en nSys, eig. werk, v. d. werkloon-, quot;QO, eig. verkoop,

een verkoop-object (Nech. 13,16), v. d. verkoopsprys. (Ibn 'Ezka uit naam van Ibn Nagdela) ; vgl. Deut. 23,5, waar Balak, = Moab, gezegd wordt Bil'am te hebben gehuurd, -otr. Anderen ; waarzeggers-toovermiddelen, waarvan het dan echter niet duidelijk is, waarom men ze naar Bil'am, den BBip, toovenaar (Jos. 13,22), mede moest nemen, — daar hij ze, zoo al, dan toch niet in Aram, maar in Moab noodig zou hebben. — Het schijnt naar Bil'ams en Balaks meening noodig geweest te zijn, dat de verwen-scher den te vloeken persoon in zijn onmiddellijke nabijheid had en zag (vgl. vs. 41; 23,13). j

103

ocr page 211

33 pbn 3p

m '3 i3-n|j ♦biK ♦aèü

3niq ♦ipT is^h : IKV quot;iKn ^39 ^an-^K» ♦13-1 v^n iquot;i3in D^br1?^ Win d-i»3 D^ODpi rhö ^pn

jquot;; * v.t quot; 't : * •• ^ t- att: v.* t i: It:* —•!;•:

*131 DDHK »ri3^m nVvTi ris wb on^N hDa*) ; p^quot;

tt v ; v «• r quot;siquot; t ;- - lt;• v •• -; v j- I it t

N3,,i : orbs-DV 3«iö_nir 13^1 ♦Vk nin» nsn^ -11^x3»

j t' it: * iquot;t ^ : !••- at •• v.t : Jquot; •)•.• -: 1-

quot;ion»i : quot;na^ nb«n d^jnh »0 ion'i d^k1

v j quot; Iit^* v V,quot; t t -j it •)• v - *at; • v v.*

: ,j?n 3^10 'nbo Isrp pSs D'n^n-^ DyS3

itquot; j~ t V.t i •' jquot; 4 • i v i ^ st t a- v:it^ v ^t: •

nD1? nn^ pan r^-n« D3,i anvao Nï»n o^n nan ^

^ lt;t ; t quot; i vat t i ■quot;' v V,* : * ..... J.. - *quot; •

D^Nnö^i : vnü'iai 13 anVn1? bïMt inw ^-n3p^

v: ••• •* v. quot;jr • : •)quot; . j- • tiit

Tjins »3 DjbnTiK quot;litn Dns^ -jSn ab D^S-'JK

8. ',quot;1 n3T quot;ICND- Bil'am noemt God voortdurend 'n, terwijl de Godsverschijning aan hem bijna altijd met den naam D^nSs wordt ingeleid. Hij kende dus den naam, waaronder God zich aan Israël had geopenbaard; doch zag hij in Israëls God waarschijnlijk slechts een der vele nationale goden, zooals hij die van vele landen en volkeren kende.

9- DJ/Ss Sj{ DTlSx JO,1. Deze uitdrukking komt van Godsverschijningen alleen nog Gen. 20,3 bij Abiemélech en 31,24 bij Laban voor, als een onverwacht verschijnen; aan personen, die daartoe eigenlijk niet waardig waren. Ook hier : onverwacht en aan een onwaardig persoon, immers een heidensch toovenaar. Bil'ams woorden : zooals God tot mij zeggen zal, drukken niet eene bepaalde verwachting uit, maar schijnen veeleer slechts eene phrase te zijn, om indruk op de gezanten te maken. Althans de gezanten, bij Balak teruggekomen, geven Bil'ams woorden vs. 13 „de Eeuwige weigert?' terug met: „Bil'am weigert' (vs. 14). — D'ojwi »» ■jn» nSsCT. Wie zijn deze mannen hij u, volgens Ibn 'Ezra een inleiding tot een gesprek ; v. a. wat willen die mannen bij u; daar op de vraag: wie zijn zij ? als antwoord een persoonsaanduiding moest volgen, terwijl hier het doel hunner komst uiteen gezet wordt. (Vgl. Roeth 3,16 en Gen. 33,5 en 8). 10. rhlamp;t heeft gezanten tot mij gezonden met de volgende opdracht.

11- rDj? v- s. van apj = naj? (vgl. nan van a-P = nail); v. a. van

aap = n3P of Dap (met korte o). — Er schijnt een verschil in beteekenis . T 1 • T'T

te zijn tusschen -ns en apj, dat echter niet met eenige zekerheid te bepalen is; waarschijnlijk heeft ns verdere strekking dan apj, waarom Bil'am slechts van het laatste tegenover God melding maakt. De Godheid, Wien immers Balak's opdracht bekend is, verbiedt hem echter i.sn nS, gij moogt Balak's wensch niet vervullen.

12. Gij moogt niet gaan; moogt of kunt ook hier, in uw woonplaats, en zelfs als gij, ongehoorzaam aan Mijn verbod, tóch zoudt gaan, dit volk niet vloeken, want het is door Mij gezegend. Moogt of kunt. Dit hangt af van de vraag, of men in zegen of vloek van patriarchen, profeten en

ocr page 212

N U M E R I XXII.

13 is het. Toen Bil'am des morgens opstond, zeide hij tot de vorsten van Balak: «Gaat naar uw land, want de Eeuwige weigert

14 mij toe te laten om met u te gaan.quot; De vorsten van Moab gingen heen en kwamen tot Balak en zeiden ; ,/Bil'am heeft

15 geweigerd, met ons mede te gaan.quot; Hierop zond Balak wederom

16 vorsten, meer en aanzienlijker dan dezen. Zij kwamen tot Bil'am en zeiden tot hem -. „Zoo heeft Balak. de zoon van Tsippor, gezegd: laat u toch niét weerhouden van naar mij

17 toe te gaan. Want ik zal u groote eer bewijzen en al, wat gij mij zeggen zult, zal ik doen; kom daarom toch! verwensch

18 voor mij dit volk !quot; Bil'am antwoordde en zeide tot de dienaren van Balak : „Al gaf Balak mij den vollen overvloed van zijn huis aan zilver en goud, kan ik het bevel van den Eeuwige, mijn God, niet overtreden om iets kleins of groots te doen.

19 Welnu, blijft hier, ook gij, dezen nacht, dan wil ik trachten te

20 erkennen, wat de Eeuwige weder tot mij zeggen zal.quot; God kwam tot Bil'am in den nacht en zeide tot hem: //Indien deze mannen gekomen zijn om u te ontbieden, op, ga met hen ; doch slechts het woord, dat Ik tot u spreken zal, dat

21 zult gij doen.quot; Bil'am stond des morgens op, zadelde zijne

22 ezelin, en ging heen met de vorsten van Moab. De toorn van God ontbrandde, dat hij heen ging; en een engel des Eeuwigen

mannen als Bil'am voorspelling, of eenvoudig uiting van een wensch ziet. Is het het eerste, dan moet men vertalen: gij kunt niet, —is het het laatste: gij mo ogt niet (vgl. Ibn 'Ezra, Gen. 27,40).

15. Bil'am heeft het eigenlijke motief van Gods weigering verzwegen; uit zijne woorden; met u te gaan, en uit die der gezanten: Bil'am weigert met ons te gaan, maakt Balak op, dat hij met een aanzienlijker gezantschap wel wat meer gedaan zal krijgen. Hij zendt dus meer en voornamer personen, die hij groote beloften laat geven (vs. 17).

is. -jSna. van te gaan van huis weg, quot;jbn = op reis gaan.

17. 133 vj enz.: eer zal ik n bewijzen en wat gij ter volvoering uwer eigen weuschen verlangt, zal ik doen; zooals uit Bil'am's antwoord vers 18 blijkt, denkt deze daarbij vooral aan dit laatste: goud en zilver, dat de koning hem in ruime mate zal willen geven (Ibn 'Èziia).

18. Ook hier laat Bil'am, evenals vs. 13, niet onduidelijk doorschemeren, dat hij niets liever zou willen, dan aan 'skonings wensch te voldoen; maar God staat het hem niet toe en verbiedt het, naar hij zegt, uitdrukkelijk. — pus ijpt Sn. Sommigen wijzen erop, dat, waar hier werkelijk vorsten tot hem komen, hij ze klaarblijkelijk volgens ons tekstwoord ais bedienden van Balak behandelt, terwijl vroeger, vs. 8, waar slechts oudsten van Moab, minder voornaam dan dezen, tot hem kwamen, zij, in zijn huis zijnde, f,vorsten van Moabquot; genoemd en dus waarschijnlijk als zoodanig behandeld worden; Bil'am's karakter dus: neerbuigend vriendelijk tegen lagergeplaatsten, trotsch tegenover aanzienlijken. — vvo shn, letterlijk: de volheid van zijn huis, d. w. z. al de overvloed, waarover hij beschikt, de volle inhoud van zijn vorstelijk huis. — mut1?, iets te doen, d. w. z. te spreken.

is. nym ik wil gaarne zien te weten te komen-, hij spreekt reeds minder zelfbewust van een Goddelijke openbaring.

104

14

ocr page 213

33 -ip

-ba id1? p'b n't^-bK Dpn * : «in ^

v ^ ^ ^ i tt -••• t V v - i v - . t : • i tlt;t- i

ntf loipn : DDQ^ Ti^nb ^nrb nh* ?NO »3 ddïih t

j*,t I Tquot; iv t I-» -n- v,* * : t ; I-»quot; •• •« AV ; ; -

C\amp;Ï '. VBV 0^3 rxo nöN'i phT^n iK3,,i 3Niö *=

iv J' it i-» -j ^t; • ir* •• ; ■»- i att ^ y vtquot; t

D^,?3-i?N ^3»! : nbND 0*13331 D'3quot;l DHB' riS^ p^quot;3

'at: • v ^ t~ viquot;quot; v' t : • : ^quot; * t quot; -• ; I at t

: -jbna nisrp p^ iok ri3 i1?

^ it quot; M -: iquot; t * JT - • i V i jt t ^ - t lt; : •* -

Nrn3l?,i n'^N ♦bN quot;iQ^n*nïrK TXÖ TI33K n33_,371

t^ t : av *V;iv ^ •• ^ J- v -t •) : ; | ;v--: «•• - r

pS3 n3r,7N quot;IÜN*I D^3 ryi : nrn o^n HK ^-ropquot;'

I TT •••• • V V - *gt;: * l^-J— IV- JTT Vquot; * Tl IT

-rw Vil» i6 3nri nD3 in»3 k^d ^-frrDK

^ti- - j at t ; I v jv v •* ^ : I jt t I v •

nT3 131^ nn^i : nbna IK nstjp m^1? ^Nnin» 'ö ^

•)vt jt t s it ; j vt - I: j ^ti- r v: jt ;

I D^ribx ^3*1: 'ÖJ? quot;i3i nin» c]D'-no njnNi nb^ri DPN-DJ = D^3«n IKS Mh ^npyoN quot;h hV1?' D^^-VK

• t-jit •'t i i lt;1: • • v j- t:- *

inx n^K quot;i3nN-*iB'^ ^3-in-nK DHK -IS DIP

j } v.••• quot; *■* •• ■* ot t , - ^ v i - ; at • i jquot; k

quot;D^ quot;nVi i:nK*nN trDn»1) ip33 d^Sd Dpn * : n'^n ^

• I vv*- a -j v v. -:r- iv - t : • It«t- iv *-i r

tin1?» Dï'n'i Nin^in*^ D^ri1?^ eiN-nn»-! : 3^ID ntf»

Is- : - quot;- : •- i-»quot; r • v: i■,~ ' iquot; it jquot;t

20. KIpS DN. Balak wilde, naar vs. 16, in de eerste plaats, dat Bil'am althans tot hem zou komen; in de tweede plaats, dat hij zou vloeken. Dit laatste was wel is waar het hoofddoel, doch ook op de vervulling van zijn eersten wensch bleek hij prijs te stellen. Het vloeken was Bil'am vs. 12 beslist verboden; hier wordt hem nu toegestaan te gaan, als hij dat wilde en de mannen naar zijn overtuiging alleen gekomen waren om dat van hem te bereiken ; doch werd daaraan toegevoegd, dat hij, zoo hij al ging, slechts die woorden zou spreken, die God hem zou opdragen. Het vers bevat dus volstrekt niet een formeel verlof, waardoor de daad van het gaan zelve, iets van haar God ongevallig karakter zou verliezen, daar in het verlof in zekeren zin voor Biram de plicht tot gaan zou liggen, — maar alleen het in zijn vrije keuze stellen, of hij al aan niet zou gaan; de zedelijke appreciatie zijner beslissing zou dus blijven afhangen van de gezindheid, waarmede die genomen zou worden.. Het gaan zelf kon al reeds een verkeerde en dus strafbare daad zijn, ook nadat het uitdrukkelijk verbod was opgeheven.

21. Hij zegt den gezanten niets van het beperkte verlof, dat hij heeft gekregen, en zooals 23,3 en 15; 24,1 blijkt, gaat hij met hen in de overtuiging, dat het toch misschien nog mogelijk zou zijn, den vloek uit te spreken. — i:ns. De ezel en ezelin komen meermalen voor als de geliefkoosde rijdieren van voorname personen (Gen. 22,3; 49,11; Recht. 10,4; 12,14 en 5,10).

22. mn v. s. de toorn Gods was ontbrand, toen hij zich gereed maakte om te gaan, -jSm, bedrijvend deelwoord; de zin is dan: daar God vertoornd

ocr page 214

N ü M E R I XXII.

Elaatste zich op den weg om hem tot hindernis te zijn; — ij nu reed op zijne ezelin, en zijne twee jeugdige bediendenlaatste zich op den weg om hem tot hindernis te zijn; — ij nu reed op zijne ezelin, en zijne twee jeugdige bedienden

23 waren met hem. — Toen nu de ezelin zag den engel des Eeuwigen, staande op den weg, en zijn zwaard, getrokken, in zijne hand, week de ezelin van den weg af, en ging het veld in; Bil'am sloeg de ezelin, om haar den weg op te leiden.

24 Toen plaatste zich de engel des Eeuwigen op een smal pad tusschen wijngaarden, waar een heining aan de eene en een

25 heining aan de andere zijde was. Toen de ezelin den engel des Eeuwigen zag, drong zij zich tegen den muur, en drong Bil'ams voet tegen den muur aan ; toen sloeg hij haar nog-

26maals. De engel des Eeuwigen ging verder vooruit; en plaatste zich op eene nauwe plaats, waar geen weg was om uit te wijken

27 rechts noch links. Toen de ezelin den engel des Eeuwigen zag, ging zij liggen onder Bil'am; nu ontbrandde Bil'ams toorn, en

28 sloeg hij de ezelin met den stok. Nu opende de Eeuwige den mond der ezelin, en zij zeide tot Bil'am: „Wat heb ik u ge-

29 daan, dat gij mij nu reeds drie maal geslagen hebt?quot; Bil'am zeide tot de ezelin: «Omdat gij mij zoo moedwillig behandeld hebt; o, had ik een zwaard in mijn hand, voorwaar, ik zoude

30 u dadelijk gedood hebben !quot; Hierop zeide de ezelin tot Bil'am :

was, plaatste zich, op Zijn bevel, een engel enz. Anderen verklaren: Nin '3, omdat hij als iemand was, die, zijn doel nastrevend, op reis i s. Nachm. : omdat hij ging om te vloeken, gegaan was zonder de vorsten van Moab de beperking mede te deelen, waaraan hij gebonden was, — waarvan echter niets in den tekst staat. — h ;ccS, een engel, bode Gods, met de opdracht hem tot hindernis te zijn, om hem in den weg te treden. — De vorsten van Moab rijden vooruit of volgen Bil'am op eenigen afstand; althans schijnen zij bij het volgende tafereel niet aanwezig te zijn geweest. — ii-uj: ijtn, zijne twee jeugdige \\]i-bedienden; anderen: twee van zijn bedienden.

23. De engel, dien de ezelin ziet, blijft door Bil'am onopgemerkt, doordien God, die de oogen der ezelin den engel deed opmerken, Bil'am zoowel als zijn slaven den blik in deze benam (zie vs. 31). —nshv mm. c|Sd beteekent; iets aftrekken van datgene, waar het omheen zit, — zoo een schoen van den voet; zoo de schede van het zwaard; de uitdrukking beteekent dus: zijn zwaard, van de schede ontdaan; vgl. Ex. 15,9, jms, waar dezelfde gedachtenovergang plaats heeft.

24. D'tron Siytroa, op een smal voetpad, zuoals dat gewoonlijk tusschen de wijngaarden is. De weg voerde waarschijnlijk tusschen de wijnbergen door; op een plaats, waar de weg zeer smal was en uitwijken onmogelijk, plaatste zich de engel vóór de ezelin, zoodat deze, niet kunnende uitwijken, zich angstig tegen den muur drukt. — nj is eene omheining, afsluiting, niet juist een haag, maar ook een houten schutting of steenen muur; -pp schijnt meer speciaal een steenen muur te beteekcnen.

26. IS, eng, nog nauwer dan het voetpad van vs. 22, waar althans door zich tegen den muur te dringen, de ezelin kon vermijden, direct tegenover den engel te staan.

105

ocr page 215

33 pta np

: ID]; lihx-b^ 33^ kini iV ^3 nin»

1T3 ViaV?^ i3quot;inquot;i Tniz 3ïj nin» quot;n^D-nN quot;rimn «nm «

t : t : ^ lt; ; - ; I vv - -«t • t : I - : - v t it v— -

|in«rrnN ^»1 ^ni Tj^n-fp prwn tani *Tn| D^Dnsn V^t^ps nh\ Tj^p n'a^i. : Tj-iTi nntan1? ^ rn^ni nin» Ti^D-nK ïinNn N^rri : TOD nji HTD «

i quot; t • - t ; |J- ; - v i t it v quot; - iv • ^quot;t ; vquot; *

: nnsnV e]Dji D^ps ^n^n?

■nnrrN quot;ib'x nv DipD3 iD^»i quot;1131; nin^-nNbö eiDl»v3

I VJV I Iquot; # ■)••• -1 T Ij^t ; ^ii— A^-t {.T : I - : - | v j-

pimnin^^D-nNtinKn Nquot;ini : ^IKDBquot;) TD» »

i v.- : • - t - v i t it •-•lt;•• - 1 : i t ^ •

nns»i : b^ps flnxn-nK D^3 e|N_in»i D^?3 nnn« ^n^sn »3 ^ ♦n^rnD 0^3^ iDNm rin^n 'ötik nin»

* t ' ' j* i : • -• v ^ nr ; • ; v lt; - i a t it -• ^t ;

t »3 n^nn '3 jinN1? D^1?? ID^I : D^JI vbw nr^ rinxn -iDKrn : tiwh nny »3 3quot;in-ty^

^t : • v I t it v - I r ; - -i y -t ;

27. QySs nnn, onder Bil'am, d. w. z. terwijl Bil'am op haar rug gezeten was. — SpM, met den stok, dien lilj in de hand hield, maar tot nu toe niet had gebruikt. Hij had natuurlijk reeds uit het driemaal terugschrikken van zijn rijdier wel moeten merken, dat er iets bijzonders moest wezen ; doch was te veel in beslag genomen door het doel zijner reis om op wat ook te letten.

28. Het spreken der ezelin van Bil'am, door Maimonides als een droomgezicht van Bil'am opgevat, door de Thannaieten reeds als een bijzonder groot wonder beschouwd/zoodat zij zich gedwongen zien om de mogelijkheid daartoe reeds als bij de Schepping gegeven voor te stellen, moet als feit worden gedacht; de Almacht, die immers ook de tien Geboden duidelijk voor het geheele volk hoorbaar heeft gesproken, doet hier de ezelin klanken voortbrengen, die gearticuleerde woorden vormen. De uitdrukking «1 nns laat geen andere verklaring toe. De ezelin zegt niets van den engel, doch beklaagt zich alleen over het geleden onrecht; — zij weet immers niet, dat Bil'am den engel niet ziet! Bovendien wat zij zegt, doet eigenlijk niets ter zake; hoofddoel is om Bil'am erop te wijzen, dat zijn mond in Gods macht staat. Die hem kan doen verstommen of tot het spreken van bepaalde woorden kan dwingen, evenals hij het anders stomme dier tot spreken brengt.

29. In zijn ziendenden toorn treft het Bil'am niet eens, dat zijn rijdier spreekt; op de klacht heeft hij dadelijk eeiie verdediging gereed. — 'a rHrsm, zie Ex. 10,2; moedwillig tegen mij gehandeld hebt.

30. niiyD» van dat S'J bestaat, natuurlijk eenigszins overdreven, de zin is; van dat gij rijden kunt, sinds langen tijd ; v. s. moet men er aan bijdenken : van dat gij rijdt; er schijnt in ieder geval uit te blijken, dat Bil'am niet oud was; zijn rijdier is ouder dan hij.

ocr page 216

HUMERI XXII.

«Ben ik dan niet uwe ezelin, waarop gij gereden hebt van dat gij bestaat, tot op dezen dag ? ben ik dan gewoon ge-

31 weest, u iets dergelijks te doen?quot; Hij zeide : ,/Neen!quot; Toen onthulde de Eeuwige de oogen van Bil'am, en hij zag den engel des Eeuwigen, staande op den weg, met zijn zwaard getrokken in zijne hand; toen boog hij zich en wierp zich

32 voor zijn aangezicht neder. Nu zeide de engel des Eeuwigen tot hem : ,/Waarom hebt gij uwe ezelin nu reeds driemaal geslagen ? Zie ! ik ben tot hindernis uitgegaan, want de reis tegen

33 mij in voert ten verderve. Nu zag de ezelin mij en is driemaal voor mij uitgeweken; misschien is zij wel uit vrees voor mij uitgeweken, want voorwaar, ik had zelfs u omgebracht, doch

34 haar het leven gelaten.quot; Biram zeide tot den engel des Eeuwigen : «Ik heb gezondigd, want ik wist niet, dat gij op den weg stondt tegenover mij ; en nu, als het kwaad is in uwe

35 oogen, wil ik terugkeeren mijns weegs.quot; Maar de engel des Eeuwigen zeide tot Bil'am: „Ga dan met de mannen; evenwel: slechts het woord, dat ik tot u spreken zal, dat zult gij spreken.quot;

36 Zoo ging Bil'am met de vorsten van Balak. Toen Balak hoorde, dat Bil'am aankwam, ging hij hem tegemoet naar

31. .Sm letterlijk; ontblootte, d. w. z. nam den sluier weg, die zijn blik verduisterde; God had hem, als het ware, een nevel om de oogen gelegd, zoodat hij tot nu toe den engel niet had kunnen zien; dien nevel deed God nn verdwijnen, zoodat zijn blik dus weer onbelemmerd was. — nps beteekent; iemand de oogen openenen voor dingen, die hij tot nog toe niet in staat was te zien (Gen. 21,19), zoo ook: ziende maken van oogen, die physiek tot zien ongeschikt zijn ; dus veel sterker dan rhgt;. — nssS inncni, hij wierp zich vóór zijn, des engels, aangezicht neder; vskS = vos1? (Gen. 48,12j. Anderen: op zijn, Bil'ams, aangezicht, I'SnS = -pss Hy.

32. njuS -pin üt quot;D. Volgens Luzzatto e. a. beteekent c-o, naar het Arabisch: ten verderve voeren, eig. steil afwaarts voeren, versterkt tv,— en i-wS fnn is: de reis, tegen mijn, des engels = Gods (Ex. 3,2 en 4) zin en wil ondernomen, — met de bedoeling nl., om Israël te vloeken. Vgl. Spr. 21,30: 'n UiS, tegen Gods wil in. Men verklaart dan: quot;UDT —

Job. 16,11 als van denzelfden stam: storten. — Anderen verklaren: staat mij tegen, en voegen gt;i)h bij elkander; het woord komt dan in den Bijbel niet meer voor.

33. volgens Rashie = iSiS, ware zij niet uitgeweken voor mij; — een tweede voorbeeld daarvan komt niet voor; anderen daarom : misscAzen is zij wel uit vrees voor mij uitgeweken, doordien zij mijn getrokken zwaard zag en voor haar leven vreesde. — nnj) 'O, woordelijke herhaling van Bil'ams woorden, vs. 29. — nnixi ... rore dj. Voor zooicel... als heeft het Hebr. verschillende uitdrukkingen : dj — dj ;dji — dj en ook 'i — dj. De beide eersten, wanneer inhoud en wijze van uitdrukking in beide zindeelen overeenkomt, conjunctief dus; (zoo Gen. 24,25; Ex. 5,14 dj •••dj; Ex. 6,4 en 5 dji •■•dj); ■— de vorm 'i •••dj echter alleen, als het tweede deel óf wat inhoud, óf wat vorm betreft, een tegenstelling vormt met het eerste, adversaticf; zoo hier. Job 2,10 Sapj s1? nn nto • • • Sap: aion n.soj; en

106

ocr page 217

33 ^3 lp

nin Di^n-nj; n33n-quot;i^K ^hK ^KKiSn

v - •» - - | : quot;i •• -•gt; t : -•- t v -: | : i -: - it -:

-nK nin» by) : Nb quot;iön»i nquot;3 nb ^n^on rsonn ^

t ; i v ^ - lt;s v | : j ^-w • ; - ; • I —; - r

na1?^ isnm Tj-ins 3ï; nin» ny_\ 0^3 \y%

nóquot;^ nin» 'nxbo v1?» iok^ : vön1? inn^'i n'p»i n»3 ^

: t - t : ,1-- : - tquot; v lt;- ,t - : : y : •• l.y :

rta^b »nNX» »3^« nan D»73quot;i iribty nT ïiinK-nx n»3n

i tt : * •'tt 'it lt;quot;* ^vquot; v ^ t vv ' : j quot;! v t * *

rbty nT ♦ifi'? Em ?inxn ; nüb -mn üquot;)'-»3 ^

quot;J t V.V - t ; — - | tit • - . • - i *; v : ) - j-t r

nni«i wn n3nK-D5 nn^ »3 »iöD nnü: d»1?^

jt •. • : v,-t jr : i^ - ot^- r -r - ■'t : it - a-t ;

»nj;T^ »3 »nxün nin» 0^3 quot;ion»1) : »n»»nn ^

• ~t j •lt; • t t t . |«. . . .. *r : ' v - • iquot;v; iv

n3,it5'N ^»r^3 nnyi quot;1*113 »nx^pb 3VJ nnx »3

T ,J T ■' '■•quot; : Jquot; ■'T. : ■•■'T' rl' T|:' ' 9 *,T •'■

DfiNquot;) D»^:«riquot;Dy Tjb DJP3-7K nin» -|«^o : »v» ^ quot;D^ d^Vs nsnn im ?)»Vn quot;isiK-n^N quot;i3in-n«

-quot;?« InNIp1? Nï»! D^3 N3 »3 p^ : p?3 »1^ *gt;

ti: • •■quot;- •at: • jt -lt;• i i.t t j- : • - i it t jquot;t

Job 18,5. De zin is dus: waarlijk, ik zou niet alleen haar in het leven gelaten hebben, wat ik nu toch ook doe, — maar u ook gedood hebben; zij heeft dus niet alleen niet verkeerd gehandeld, maar u zelfs het leven gered. — Rashie : ik zou u zelfs gedood hébben en niet alleen uw reis eenigszins vertraagd.

34. man. v. s. ik heb in onwetendheid gezondigd, want ik wist niet enz.; anderen: ik erken schuld, — en vraag vergiffenis ervoor, want enz. (vgl. Ex. 9,27).

35. Nogmaals wordt hem, nog sterker dan vs. 20, gezegd, dat hij wel gaan mag, als hij wil, — hij krijgt geen bevel om terug te keeren,doch ook niet om te gaan; -[S beteekent niet juist: ga, maar: gij kunt gaan,7.00 gij wilt; — doch slechts zal mogen en kunnen zeggen, wat God hem in den mond zal leggen. — -[Sii, hij vervolgde zijne reis.

36. Als eerbewijs, om hem gunstiger voor zijne plannen te stemmen, gaat Balak, natuurlijk met groot gevolg, Bil'am tot de grens van zijn rijk tegemoet. Over de grenzen kan hij niet gaan, omdat hij waarschijnlijk lijfwachten bij zich heeft en den schijn van vijandige bedoelingen wil vermijden. — asm •va' is waarschijnlijk de hoofdstad van Moab, die dikwijls 'Ar Moah, 3JOQ quot;1^ (21,15 e. a. p.) genoemd wordt; quot;ij; is waarschijnlijk een oude vorm van quot;VJp, welks meervoud n,quot;l^ van quot;)^ schijnt

Sevormd te zijn. — pis Vcj is de door den Arnon gevormde grens van [oab; de Arnon vormt, na Siechons veroveringen, de noorder grens des lands. Het was misschien oorspronkelijk hoofdstad, dusevormd te zijn. — pis Vcj is de door den Arnon gevormde grens van [oab; de Arnon vormt, na Siechons veroveringen, de noorder grens des lands. Het was misschien oorspronkelijk hoofdstad, dus de stad van Moab, maar na de verovering van Siechon, als te dicht aan de grens gelegen, daartoe niet meer geschikt; het zuidelijker gelegen Rabba schijnt toen hoofdstad te zijn geworden. — 'rnjn rrapa, aan de uiterste grens van het gebied van Moab.

ocr page 218

N ü M E R I XXII, XXIII.

'Ier van Moab, dat aan de Arnongrens ligt, dat op het uiterste

37 van het gebied ligt. Balak zeide totBiram: //Had ik niet reeds tot u gezonden, om u te ontbieden ? waarom zijt gij toen niet tot mij gekomen? Waarlijk! zoude ik u niet eer kunnen bewijzen?quot;

38 Bil'am zeide tot Balak: //Zie, ik ben nu tot u gekomen; welnu — zal ik iets kunnen spreken ? het woord, dat God mij

39 in den mond zal leggen, dat zal ik spreken.quot; Bil'am ging met

40 Balak; en zij kwamen te Kirjath-Choetsoth. Balak slachtte rund- en kleinvee, en zond daarvan aan Bil'am en aan de vor-

41 sten, die bij hem waren. Nu was het des morgens, toen nam Balak Bil'am en voerde hem naar een van de hoogten van Ba'al; en hij zag van daar de uiterste grenzen des volks.

1 Nu zeide Bil'am tot Balak: «Bouw mij hier zeven altaren,

2 en zet mij hier gereed zeven varren en zeven rammen.quot; Balak deed, gelijk Bil'am gesproken had; en Balak met Bil'am offerde

3 een var en een ram op elk altaar. Bil'am zeide nu tot Balak: «Blijf staan bij uw brandoffer en ik wil heengaan; wellicht zal de Eeuwige Zich mij tegemoet laten treffen, en wat het ook zij.

37. VinSr Pihlff JfSn» Balak verwijt Bil'am, niet aanstonds na het eerste gezantschap gekomen te zijn. TinSB is dus meer dan volmaakt verleden tijd: had ik niet reeds vroeger tot u een gezantschap gezonden enz. — masn, hebt gij waarlijk gemeend, dat ik, de koning, u niet voldoende zou kunnen eeren ? — Balak schrijft Bil'ams aarzeling nog altijd aan hebzucht of eerzucht toe.

38. Gekomen ben ik nu, maar daarmede is voor u niet veel gewonnen, want kan ik iets spreken uit eigen drang? Wat ik zeggen wil, zal ik waarschijnlijk niet mogen zeggen; wat ik zeggen mag en moet, zult gij niet gaarne hoeren; — dat bedoelt hij, maar zegt hij niet duidelijk; het verbod van vs. 12 deelt hij nog altijd niet mede; Balak kan nog in de meening verkeeren, dat vloek uitspreken mogelijk is; Bil'am laat hem in die meening — en hoopt misschien in stilte toch nog, zijn taak te kunnen vervullen.

39. jmn nnp, eig. Stratenstad, d.i. of: stad met vele straten, d.w.z. dicht bevolkt, óf: stad, waarop de hoofdwegen samenkomen, knooppunt van straatwegen.

40- ron. v. s. offers, hetzij als dank voor de komst van Bil'am, of als bede voor het welslagen der te beproeven poging; v. a. slachtdieren voor een maaltijd. — rftcni, Pi'el: wegzenden, zenden van iets, waarvan men niets meer terug verlangt te zien (vgl. Gen. 8,7). Waarschijnlijk was hierin een eerbewijs gelegen. — Balak had Bil'am een eere-escorte van vorsten toegevoegd, hetzij dezelfden, die hem naar Moab hadden begeleid, of anderen; hij zendt nu van zijn maaltijd of van zijn offer voor Bil'am en zijn omgeving.

41. ^3 m03, waarschijnlijk niet ver van Kirjath Choetsoth, een hoogte, en wel de naastbijgelegene, vanwaar hij het volk, zij het ook slechts ten deele, zou kunnen zien; v. a. voerde Balak hem juist daar heen, omdat die hoogten aan Ba'al, den natuurgod, gewijd waren, waar dus, mar Balak's meening, die godheid hare macht zou doen gelden

107

ocr page 219

W 33 Tp

: ton nïpa nEte |iquot;iK 3Kio T^'17

nsb ^quot;NnpS nSKgt; 'kbn p^3

f TJT I T ^ ' : * I v •• • : lt;- T - T ^ -I T ; • V I T T

D^3 quot;IQK'l .* ^133 ^IK DIDNH ♦bK ^

T: * v - | iv ; - v~ -» t : ^.. i- ^ quot; t : v.- t i

naiKO -131 b™ ^'n nnv 'nwnan pl53-1?«

t a : ■quot;• - j r-i t - p v •• • t •• I t t

D^3 Tlb»quot;! * : -QIX InK »33 D'PiVN quot;ll^N 13in ^

Ir: • |vr— i- --: j v.- : .)• v: s* t v -i t t-

nVan r^ïi ip3 p1?3 nsri : niïn nnp My) p^-ojr0

----^ tquot; i 1st mtt j t J' l ' - i \ J' 'j' v, tquot; i at t *

tin p,?3 np'i -ip33 ^n'i : inx on^i Dpl?3i7«»

v I TT |lt;—- |y - J* ;- I • J\' -z V,quot; T - ; Tl • ;

iok^ : D^n nïp d^o ^3 nl03 d^S3 «

'.'% lt;-^ \tt Jquot;\l v.t • ;j— at j t v.quot; •!quot;quot; /t : *

nb ^ pm nn3TO n^3ty nT3 p^-^N d^3

vt • ir* t ; a : : • • v,vt y •• ; i t t v t ; *

n^3121 iiy«3 p^3 ^»1: nv3^i ons ront^

p,r: • • v,v -j i-^ I TT «.j— i* •• : • ; v* ▼ ^T : ^

p^1? D^3 : n3TD3 VnI IS 0^31 pb3 J

i tt: yr: • - -!••:•- hquot; t ^t ^ót: • i st t

1311 ^K-ipb nirr nnp; ns^Ni Bif^n

tegenover de Israël beschermende machten. — Sra man, het meervoud = een van de hoogten van Ba'al (vgl. Recht. 12,7), of v. a. eigennaam eener stad : Ba'al's-hoogten. — orn nxp, v. s. hel uiterste einde, d. i. het verst van de hoogte verwijderd liggende deel der legerplaats; dus slechts een deel; v. a. tot het einde des volks toe. daar rrep, einde, ook collectief alle einden beteekenen kan; 23,13 blijkt ook wel eenigszins, dat den eersten keer Bil'am het geheele volk had gezien. — nto, hij, Bil'am, zag, of volgens Mendelssohn e. a. hij, Balak, toonde hem, wat i.-into zou doen verwachten; zooals boven opgemerkt, achtte Balak het noodzakelijk, dat Bil'am om het te vloeken, zoo dicht mogelijk in Israëls nabijheid was.

Hoofdstuk XXIII. 2. n3?03gt; 0P ieder altaar, de bepalende 'n in

distributieve beteekenis, zoo ook Gen. 45,22, WaS; Ex. 16,22, nnjfS;

e. a. p.

3. Sy arm hlijf staan met uw volle aandacht bij uiü offer, het geheele aantal vormt één geheel. — Sï 3*gt;nn, oorspronkelijk: rechtop staan, wordt vooral gebruikt van menschen, die zich in rij en gelid vóór hun meerdere plaatsen, in afwachting van zijne bevelen (Job 1,6; Zecharja 6,1 ; II Kron. 11,13); hier dus: blijf bij uw offer staan om al wat er voor noodig mocht zijn, te verzorgen. — raSxi, ik wil mij verwijderen-, waar hij eene directe openbaring Gods verwacht, wil hij die, alléén zijnde, ontvangen en mag Balak daarbij niet tegenwoordig zijn. Inderdaad wordt 23,4 en 16, waar Bil'am alleen is, de uitdrukking dviSn ip'! gebruikt; terwijl 24,2, waar Balak en de vorsten van Moab bij hem staan, de woorden van Bil'am worden ingeleid met: toen was op hem de geest Gods, klaarblijkelijk een niet zichtbare wijze van openbaring, van minderen graad dan het: Zich laten treffen. — vwip1? 'n mpi iVin, misschien zal God Zich laten treffen, mij

ocr page 220

N U M E R I XXIII.

dat Hij mij toonen zal, zal ik u mededeelen.quot; En hij ging

4 naar de eenzaamheid. God liet Zich treffen door Bil'am, en deze zeide tot Hem ; „De zeven altaren heb ik in orde ge-

5 bracht, en op elk altaar een var en een ram gebracht.quot; Nu legde de Eeuwige een woord in den mond van Bil'am en Hij

6 zeide: „Keer terug tot Balak en aldus zult gij spreken.quot; Hij keerde tot hem terug, en zie, hij stond nog bij zijn brandoffer,

7 hij en al de oversten van Moab. Nu droeg hij zijn spreukwoord voor en zeide; „Uit Aram voerde Balak mij hierheen, „de koning van Moab, uit de bergen van het oosten: „■—Kom!

8 „vloek mij Jakob! kom, toorn tegen Israël! Hou zou ik ver-„wenschen, dien God niet verwenscht ? en hoe zou ik toornen

9 „op wien de Eeuwige niet toornt? Want hooger dan den top „der rotsen zie ik het, dan de heuvelen aanschouw ik het; «zie, een volk is het, dat afgezonderd woont, en onder de

10 „natiën zich niet rekent! Wie telt het stof van Jakob ? en «op te sommen het vierde deel van Israël ? Sterven moge

tegemoet-, zal Hij, Zich openbarende, voor mij en mijn wenschen bereikbaar worden en mij de kracht geven om mijn doel te bereiken. V. a. zal Hij, als h ij toeval, mij tegemoet komen, van mp», toeval. — n» 1211, en wat het ook zij, dat, evenals no vto (II Sam. 18,22). Vgl. I Sam. 19,3. — iSi iBP, van nsc, kaal zijn en maken, v. d. een kale, onbegroeide heuveltop ; zoo verklaren velen hier: hij ging naar den top van den berg; evenwel doet het onbegroeid zijn van dien top, wat beslist in het woord is uitgedrukt, hier niets ter zake; bovendien wordt: naar een hoogte gaan, consequent niet door -jSn, maar door n^ï uitgedrukt en zou men dus verwachten; 'SP Sro; — daarom anderen met Onkelos : in de eenzaamheid, daar waar hij alleen zou zijn, — kaalheid. — Zooals uit 24,1 blijkt, wilde Bil'am hier en vs. 15 de ctru tegemoet gaan, — d. w. z. hij ging een manifestatie der Godheid in hemelteekenen of natuurverschijnselen tegemoet, daarop rekende hij en wilde dus alleen zijn. Misschien dat in ieü iSn — gaan met stilte, eenzaamheid, geheimzinnigheid — een magische term verscholen ligt, die dan zooveel beteekent als: hij nam voorbereidende maatregelen tot een, door wichelarij bewerkte, manifestatie der Godheid.

4. nrDton nyar m, de voor wichelarij gewone zeven altaren, of v. a. de zeven altaren, die Gij mij bevolen hebt te bouwen. — TOiï, eig. ordenen, stapelen of in een rij zetten, hier vermoedelijk van hout of steenen opgestapeld, of v. a. in een rij naast elkander gezet, voor welke laatste opvatting echter het bewijs, dat zij op een rij stonden, ontbreekt.

7. iS^Q. Het werkwoord Sun heeft de beteekenissen; heerschen en vergelijken; v. s. is de grondbeteekenis: uitspreken wat is en behoort te zijn, dus: bevelen geven, leiden, besturen — en: gelijkenissen geven. Zoo beteekent Sc», spreuk, levensregel, v. d. gelijkenis. Hier waarschijnlijk het eerste: een oordeel over de dingen, zooals zij zijn. Soms wordt net woord ook nog algemeener gebruikt voor: gedicht. — Ntni. De uitdrukking np» voor: profetie en Sp» n'pj komt dikwijls voor en schijnt te beteekenen: voord ragen en voord r acht. Deze verklaring heeft het voordeel, dat zij op alle plaatsen doorgaat, waar de uitdrukking voorkomt, terwijl alle andere opvattingen voor verschillende plaatsen verschillende verklaringen moeten geven. — Dip mi», uit de bergen van het Oosten. Mesopotamië ligt

108

ocr page 221

JD pbz np

DyVrVK D^ribx npn : tj^i i? ♦mam ^K^-nö-»

vgt;t : • v v.- v; \jt— ^ - tv J-.v- Ut • v.quot; :-

Vni 13 wSy nharan n^a^-nK v^k

Hquot; t -»t •)quot; t * ; quot; »■ : : • - *«•: • v t •• v j-

2)v inamp;i nybn nm nin» D^I : narDa^

i ^t t v j v •)- *Vgt;t; • -•• ; vt t ^t : vst- -!••:• -

ntr-bai «in inty-1?# aï: nani v^x : nann nai1

^quot;t t . v. at p^tp ^ * t t jquot;*1quot; . ' * ƒ *

aKiD-^o p^a ^na» onx-p IOK'I I^Q : aNiD»

t |v iv | lt;t t • •• : - t-; i * a- - ^ : jt quot; . ,t

nn : SKÏBquot; nap na^i app ^'ntK naV onp^nnoquot;

^ -«t iquot; t : • ^t : I -:i~ •»• tit t : vlv •• ; -j-

ons ^k-io_,3 : nirr opr nlt;1? op?K nm ^ nap xb apN0

• \ lt; •• r it ; ^-t j : v •*t aquot; v'quot; j m I '•'

ab D^iaai raty» -na1? ninn la-nu'^ m^aaDi laxiK

j v* quot; ' 5 * -'t t ; quot;t I v av -j ^ v t ; * v : v

non pai-riK quot;isddi app iö^ nao ^ la^nn^

lt; t isquot; t : * ~ j v v.t : • i .1quot; tt lt;• it - : •

ten K.-Oosten van Palaestina en ten deele ook nog Oostelijker dan Moab.

(Vgl. Gen. 29,1). — nDJ/T, waarschijnlijk van een Pi'el-vorm; van den

Kal moest het nojfj of noyi zijn. Het woord beteekent: toornig zijn of

misschien; toornig maken, toorn Gods opwekken (vgl. Malachie 1,4; Spr. 24,24 en 22,14). — Jakob en Israël, beiden als namen des volks gebruikt; v. s. Jakob voor dc raateriëele zwakke zijde, Israël voor de geestelijke zijde van Israels volksbestaan.

8- 3p{lt; van apj, of Arameesche vorm van aap; nap = lap, van aap.

9- ux-ix ons cjno quot;a want hooger dan de top van rotsen zie ik het, hooger dan heuvelen aanschouw ik het, — d. w. z. het is grooter en machtiger dan alle andere volkeren — daarom: zie, dit volk kan gerust alleen wonen, heeft geen hulp van anderen, geen verbond of samenwerking noodig, het rekent zich niet onder de volkeren, want het staat boven hen; dat is het bewijs, dat God het niet gevloekt wil hebben. — De meesten verklaren; van de rotshoogte af zie ik het en van de heuvelen af aanschouw ik hel, dat het een volk is, dat een geheel bijzondere plaats inneemt, door zijn wet, de Goddelijke bescherming. — -na1?, alleen, eenzaam, jatquot;, woont het veilig. — acnn' .sS D'Uai, het rekent zich niet onder de natiën, d. w. z. het wil zich en kan zich bij hen niet aansluiten; of volgens de eerste opvatting: het behoeft zich niet onder hen, als deel van het volkeren-verbond, te rekenen; anderen: bij het noemen der staatsmachten rekent het zich niet, want het zoekt in andere zijden zijn grootheid.

10. ,quot;130 611 lïD onderscheiden zich in zooverre, dat n» mondeling tellen, iSD, getal opschrijven beteekent; v. d. n» voor kleine, IBD voor groote getallen en ook voor dingen, die men niet vóór zich heeft, abstracte dingen enz. Sommigen verklaren nn app nsr: wie telt een klein deel van Jakob en maakt de besomming van het vierde deel van Israël, van zelfs een zijner legerkampen; rai dus een grooter aantal, daarom de stam ibd. — Anderen: wie telt Jakob's, als het stof talrijke menigte, en maakt de berekening van een vierde van Israël, — rus en isd zijn dan geheel synoniem. Nog anderen; wie telt de stof van Jakob, berekent hem naar zijn stoffelijke grootte, of somt op de dierlijkegeboorten van Israël; ran komt ook Lev. 19,19 en 20,16

ocr page 222

N U M E R I XXIII.

//mijn persoon den dood der rechtvaardigen, zoodat mijn einde zij

11 «als het zijne !quot; Toen zeide Balak tot Bil'am : //Wat hebt gij mij gedaan ? om mijnen vijand te verwenschen heb ik u ge-

12 nomen, en zie, gezegend hebt gij !quot; Doch hij antwoordde en zeide: //Waarlijk, wat de Eeuwige mij in den mond legt, dat

13 te spreken moet ik in acht nemen !quot; Balak zeide nu tot hem: //Ga toch met mij naar eene andere plaats, van waar gij het zien kunt; doch slechts het uiterste ervan zult gij kunnen zien, en geheel zult gij het niet zien ; en verwensch het mij

14 van daar.quot; Hij nam hem mede naar het Veld der Wachters op den top van de Pisga ; en hij bouwde zeven altaren, en

15 bracht een var en een ram op elk altaar. Nu zeide hij tot Balak: //Blijf hier staan bij uw brandoffer, en ik zal mij ginds

16 laten treffen.quot; De Eeuwige liet Zich door Bil'am treffen en legde hem een woord in den mond, en zeide: «Keer terug tot

17 Balak en zoo zult gij spreken.quot; Hij kwam tot hem, en zie, hij stond nog bij zijn brandoffer en de vorsten van Moab met hem; en Balak zeide tot hem: „Wat heeft de Eeuwige ge-

18sproken?quot; Nu droeg hij zijn spreukdicht voor en zeide: «Op!

19 „Balak, en hoor! luister naar mij, zoon van Tsippor ! Niet «een man is God, dat Hij liegen, geen menschenzoon, dat Hij «van besluit veranderen zou ; zoude Hij gezegd hebben en niet

in den zin van; dierlijk paren voor. — ibdui, waarschijnlijk een onbepaalde wijs, evenals sip»1? (10,2): wie is in staat te tellen; of samentrekking nit: 1BD i», wie telt, of eindelijk een zelfst. naamwoord ; is er een getal, doch dan is rx moeilijk te verklaren. — ra-i, v. s. = or volksmenigte; anderen: vierde deel, een der vier kampen; nog anderen: van va-», verwant met (Ps. 139,3): het rustig liggen; eig. van dieren, maar Spr 24,15 ook van menschen, — dus: het leger van Israël, de plaats, waar het zich rustig nederlegt. — icb: non, mijn ziel — ik, mijn persoon zou willen sterven den dood der rechtvaardigen, dan is mijn einde zooals het zijne, — d. w. z. dit volk is rechtvaardig — zijn einde is schoon. — in»3, gelijk het volk, d. i. gelijk het einde van het volk. — D-nf, misschien met zinspeling op Israëls eerenaam jvte».

11. quot;jVinpV) ik u genomen, d. w. z. laten halen. — -pa n;n3, de

herhaling van het werkwoord om den nadruk erop te leggen; — nog sterker wordt dit door de ongewone plaatsing van den onbepaalden wijs achter den vervoegden vorm; men zou kunnen vertalen: zegenen is het, wat gij gedaan hebt!

12. quot;Q~lS quot;lOCX inN, dit te spreken, moet ik in acht nemen en iets anders mag en kan ik niet zeggen; anderen : dit moet ik inachtnemen, het na te spreken.

13. TjS = PdS. 'Ja toch (Recht. 19,13 en II Kron. 25,17); roS = i1? enkel

Gen. 27,37. — mxp, slechts het uiterste van het volk; — Balak meent, dat de aanblik der imposante menigte des volks Bil'am zoo diep heeft getroffen, dat hij daardoor alleen tot zijn lof- en zegenspreuk is gekomen. Hij zal hem nu slechts den uitersten rand van het leger laten zien — (iets

109

ocr page 223

3D pVa Bp

-bt* pb| 10^5 : irio3 ^nnnK ♦nni Dn^* niö Vö? ^ : ^3 ripna nani ^nnpb ipb ^ no D^a iotfK im »03 nin» I^K nx ^n no^. 1^*1 ^ SnK DipQ-^K 'm Kr?]1? pSa VVK noK»i * : quot;lan1? ^ f -laapi nxnn nNnn mïp DÖK D^D laxin

! ! gt;*•••■.••■ J VL:' -VT •■';* ^T V Jï :' . -■ quot;

ja'i napön tyKTbK d^öï niv inn^n : DB'p n'3 3ïmn p^iTbn :n3TS3 ^ 13 ^»1 nn3Tü™

jquot; - :# * 1 TT^ •* v quot; -•quot;: - -VTT JT ^-- : ; •

0^^3-7« nin' -ip4,i : ri3 msK 'sjni nn?Vquot;^,D

vjt' 't : • v t : Ut- i v| jr • ^ it: Iavt^i ^

lani 1^« nsnn nsi pbr^K 3w vas 13^/

quot;)3TnD ib in» 3«io ntyi 3ï3

• - i t t v lt;^- a • v.t Jquot;r ; tquot;^ t •

133 ny niVNn yaan p^ Dip *idn»i i^^o n'ci : nin» ^

j ; v' t t j'—11— t ~: 1 i tt i lt; a-_ - ^ ^ t ; jt 'quot; it :

ïónoN Ninn onjnn dquot;in_|31 3bn ^1? : iö^ ^

j : - t lt; - at v : •: i.t t i ■-■ '■ ~ r •• r J i •

ervan zien is voor de tooverkunst, naar het schijnt, noodig, die zonder nabijheid van het object geen kracht uitoefent). —Hieruit blijkt, dat 22,41 waarschijnlijk onder orn n*p, het geheele volk verstaan moet worden. — uapi, ingevoegde voor 13p^ (in?p1) of 12^1; vgl. naamwoordvormingen

als ffijut /Qlt;jnrn en dgl.

14. D'SS mtJ'. iiDï, eig. van boven neerzien-, v. d. vérzien, zoo voor wachtposten, die moeten uitkijken, of de vijand in de verte aankomt, en voor zieners, profeten die de toekomst vooruitzien, qibï m» dus: wach-ters- of zieners-weW, naam eener plaats, op het hoogplateau der Pisga. — jsm, en hij, Bil'am, liet bouwen, spquot;, en hij, Bil'am, bracht metBalak,evenals vs. 2, de offers. — mïf», en hij, Biï'am, zeide. Anderen: hij, Balak, houwde en bracht, en hij, Bil'am, zeide.

15. mpK. zal mi) laten treffen, zal zorgen, dat, zoo God mij tegemoet wil komen. Hij mij daar vindt. — na, eig. zoo, hier = ns, hier. Vgl. Ex. 2,12, waar nai na ook: hier en daar beteekent, zoo ook hier.

18. Dip, op! aansporend om zijn zin geheel te richten op wat volgt; niet: sta op! daar vs. 17 gezegd is, dat Balak stond. — runxn, neig uw oor om scherp te luisteren. — iir, t o t mij = in de richting naar mij, of: een hooren, dat tot den spreker reikt, — scherp, nauwkeurig luisteren. — Evenals Sy en Sn wordt ook nr bij de verbinding met, eigenlijk bezittelijke, aanhangsels als een meervoudsvorm behandeld. — 112 = p, een tweede-naamval-vorm, die alleen nog in poësie gebruikelijk is. — Bil'ams toon tegenover Balak is reeds veel meer uit de hoogte; de inhoud van de tweede Godsspraak is ook van wijder strekking, dan die van de eerste.

19. Niettegenstaande ook ü thans bekend is, uit vs. 8, dat God Israël niet gevloekt wil hebben, draagt gij mij toch nog op het nogmaals te

ocr page 224

N U M E R I XXIII.

20 «doen ? gesproken en het niet volbrengen ?quot; Zie ! zegen heb «ik ontvangen; Hij heeft gezegend, en ik zal het niet afwenden.

21 «Hij blijft niet aanschouwen het onheil onder Jakob, Hij ziet «niet ellende onder Israël toe; — de Eeuwige, zijn God, is

22 «met hem, en de liefde des Konings is op hem gericht. De «Almacht is het, die hen uit Egypte voert; als de reuzenkracht

23 «van een Réëm heeft het. Want geen teekenen-uitlegging is «noodig in Jakob, geene waarzegging in Israël; op zijn tijd «zal gezegd worden tot Jakob eu tot Israël, wat God besloten

24 «heeft. Zie, een volk is het, als eene leeuwin rijst het op, en «als een leeuw verheft het zich ; die zich niet neder legt, vóór-«dat hij prooi verteert, en het bloed der verslagenen drinkt.quot;

25 Balak zeide tot Bil'am: «Evenmin als gij het verwenschen

26 moogt, evenmin zult gij het zegenen!quot; Doch Bil'am antwoordde en zeide tot Balak; «Heb ik niet tot u gesproken, zeggende: al wat

27 de Eeuwige spreken zal, dat moet ik doen ?quot; Balak zeide nu

beproeven (vs. 13). — God echter vervult wat Hij gezegd heeft, en verandert niet zonder grond van besluit.

20. TinpS T13 rUil) zegenen heb ik als opdracht ontvangen; ■pa, de onbepaalde wijs, als zelfst. naamwoord gebruikt, is het voorwerp van vinpS. — -pai, en Hij, God, heeft gezegend, njansx sSi, en ik zal het niet afwenden, d. w. z. ik heb daartoe niet de macht. De vrouwelijke uitgang ru— voor het onbepaalde; het, of de roia, den zegen.

21. SpJTS J1X tran nS. Hij, God, aanschouwt niet onrecht in Israël, d. i. v. s. het motiel', waarom God Israël zegent en liet niet wil laten vloeken: Hij ziet geen nietswaardigheid, jis, en ontwaart geen ellende. Sar, als gevolg der zonde, daarom loy imSs 'n; anderen: Hij aanschouwt niet, ziet niet lijdelijk aan, onrecht tegen Jakob, of: onheil onder Jakob, en ziet niet werkeloos toe ellende onder Israël, maar zijn, Israëls, God is altijd met hem, staat hem bij, en huldiging Gods geschiedt onder hem, Israël, gelijk men den na de overwinning terugkeerenden koning met bazuin- en trompetgeschal begroet; nog anderen: men ziet geen r amp onder Jakob, geen ellende onder Israël, maar zijn God is met hem en als koning huldigt men Hem en juicht men hem toe onder het volk. Weer anderen : onrecht kijkt niet uit naar Jakob, ellende loert niet op Israël, d. w. z. kan geen vat op hem krijgen, want de Eeuwige zijn God is met hem en de vriendschap des Konings aller koningen is op hem, Israël, gericht, (zoo Onkelos, Rashie en Rashbam). — nrnr van rn, alarm blazen, hier dan als bewijs van hulde, of van njn, vriend zijn, of ook rn als stam van jn, vriend, (vgl. Psalm

27,6 en 89,10). — Het parallellisme schijnt mij die laatste opvatting te bevestigen. Wat het eerste versdeel betreft, zijn de geciteerde opvattingen te verdedigen, doch schijnt mij de in de vertaling gevolgde de meest aannemelijke.

22. nnspD dk'sid Sn. God in Zijne almacht voert hen uit Egypte, den weg, dien zij nu nog gaan, daarom het deelwoord en niet den verleden tijd. — iS dst nspva, omdat God hen leidt, heeft het, Israël, reuzenkracht als een Réëm (Sipobno) ; deze opvatting wordt door 24,8 bevestigd,

110

ocr page 225

33 pVa p

»nnpS nan : naD^p» *6i nani nïr^» =

^ : Kquot;quot; . * :Iatt Kquot;t jquot; \ ^ t^iv !•; ^ ; *,•.••: v ^:i-

SOV n^TN^i nprs psï ü^n-N1? : nan^N «

ftquot; t : • : v.t't jt t i : » -ji': I v t •'* * . t,v ' quot;s

DnïSD DK^IÖ : 13 n^nni is^ vn^H nin^3

•at: • • jt * i V,quot; . r-Yv . J~ '' X tv; lt;t :

btni^a Dpfp:^1?'! ap^^a »3 :17 D«n nbjrins » N^VS b^_fn : bN b^rno 'jK^Vibp^l? noN». n^3 ^ Q'SQ'DII 33^» KS xmw ntoi Q)p\

nnroa i33pn nS 3p-Da d^s-Vk pb3 quot;iok'i : nn^ «

it - avk; • ^ K - : * v i t t v lt;- iv ; •

TSK ,m3i K^n pbs'bN D^,?3 ^»1 : !i33quot;)3n Ï6 13 -?■

i v •• • ;«- • quot;j i ftT t v v v- •gt; : • l^j-- iv -jt : J n

pbs noN'i * : ntrysj mx nin^ n3n,-n^K Vs PÜNS » | ^

I T t v «- IV V: iv j IT : Jquot; -: v -1 0 •■ ^1

waar dezelfde woorden voorkomen en in al wat volgt, waarschijnlijk niet God, maar Israël onderwerp is; anderen: als reuzenkracht van RëémisHij, God, voor hem, Israël; nog anderen: reuzenkracht als van den litem heeft Hij, God. — niSïin, v. s. van t)ïi = e]iiquot;, snelle loop, of; zich in de hoogte verheffen, dus: reuzengestalte, zoo ook Diin niBïiri, (Ps. 95,4) in de hoogte zich verheffende bergtoppen (vgl. Dan. 9,21); v. a. van ejr', moede ivorden, in een van den Hiph'iel afgeleiden vorm, dus: vermoeiing, inspanning brengend, wat moeite vereischt, — v. d. groote kracht; ot' reuzenafmeting — Dsi, v. s. eenhoorn, v. a. buffel, n. a. steenbok of gems. Wij laten het woord onvertaald; in ieder geval is het een beeld voor groote kracht. Vgl. Deut. 33,17.

23 CTIJ nS quot;D enz- Er is onder Israël geen waarzeggerij n oodig, daar zij te zijner tijd telkens door God openbaring krijgen van wat Hij doet; v. a. waarzeggerij is niet van nut, want op dit oogenblik zelf, waarop ik spreek tot den koning van Moab, wordt ook aan Israël medegedeeld door zijn profeet, wat God hier verricht heeft. — njo, v. s. te gelegener tijd; v. a. op dit oogenblik zelf, evenals Recht. 13,23; nog anderen: evenals nu, zal ook later aan Israël gezegd worden enz. — Ss Srs nu, icat God verricht, of: van plan is te doen (zie bijv. Miecha 2,1, waar iSïs parallel staat met ■ocm). — Over cru zie Lev. 19,24; hoewel waarschijnlijk oorspronkelijk: waarzeggerij door natuurverschijnselen, door menschen of dieren, is het toch algemeene term voor wichelarij geworden (Gen. 44,5). — DDp, eigenlijk: waarzeggerij uit beweerde hoogere inspiratie; v. d. algemeene term voor waarzeggen en bezweringen.

24: Ssn1 ij; aar'1 ah, hij, de leeuw, legt zich niet neder, voordat hij

Ïirooi zal kunnen verteren;irooi zal kunnen verteren; de prooi verteert hij liggende. — cpr, eig. iet verscheurde of: te verscheuren dier, dat als voedsel voor het roofdier dient.

25. nS DJ ''' DJ, zoo min... als, hier : het eene moogt gij niet, daar God het verbiedt, — hel andere zult gij niet, daar ik het niet wil. — «apn nS ap, wederom de stammen aap en apj, naast elkander gebruikt; van aap moest de tweede vorm immers luiden: IJSpri of: liQprv

ocr page 226

N U M E R I XXIII, XXIV.

tot Bil'am: „Kom toch, ik wil u naar eene andere plaats mede nemen; misschien zal het goed zijn in de oogen van 28 God, en zult gij het mij van daar uit verwenschen.quot; Balak nam Bil'am mede naar den Pe'or-top, die uitziet over de vlakte 29der wildernis. Bil'am zeide tot Balak: «Bouw mij hier zeven altaren, en zet mij hier gereed zeven varren en zeven rammen.quot; 30 Balak deed, gelijk Bil'am gezegd had, en hij bracht een ram en een var op elk altaar.

24 i Toen Bil'am nu inzag, dat het goed was in de oogen des Eeuwigen Israël te zegenen, ging hij niet, zooals telkens van te voren, om wichelarij te plegen, maar wendde zijn aange-

2 zicht naar de woestijn. Bil'am hief zijne oogen op en zag Israël, naar zijne stammen gelegerd, toen kwam de geest Gods

3 over hem. Hij droeg zijn spreukdicht voor en zeide: «Gods-«spraak van Bil'am, den zoon van Be'or; en Godsspraak van

4 «den man, wiens oog geopend is. De uitspraak van hem, die «Gods gezegden hoort; die een verschijning vanwege den Al-hmachtige aanschouwt, nedervallend, nu hem de oogen zijn

5 «onthuld. — Hoe goed zijn uwe tenten, Jakob! uwe woningen.

27. quot;H?quot; misschien zal die plaats goed zijn. — dviWi W2, in de oogen van den God Israels, of: in de oogen 'der goden van Balak. — inopi, en zvlt gij het kunnen vloeken. Anderen vatten ir» als onpersoonlijk op : zal het goed zijn, iropi, dat gij enz. Wat op twee plaatsen niet gelukt is, zal op een derde misschien beter slagen.

28. nyanrjn* naar den Pe'or-top, een bergtop in het 'Abariem-gebergte; het is ook de naam van een afgod: Ba'al Pe'or, wiens tempel misschien op dien berg stond (zie 25,3).

30. SjfM) Balak bracht, bijgestaan door Bil'am; vgl. 23,2 en 4.

Hoofdstuk XXIV. 1. KTV Na zag Bil'am in, dat al zijne

pogingen, om door tooverkunsteu of vertoon van wichelarij, toch nog tot vervloeking des volks te geraken, ijdel waren, daarom bleef hij nu bij Balak, en ging niet, — dï92 Dr£0, gelijk keer na keer, de beide vórige keeren, 23,3 en 15, — wichelarijen tegemoet, — D'cra, waarzeggersk imsten — verwijderde zich niet naar een plaats, waar hij wichelaarshandelingen zou kunnen verrichten, — maar wendde van de plaats af, waarheen Balak hem had gebracht, zijn gelaat naar de woestijn, waar Israël gelegerd was. De Pe'or-top was niet ver van Israëls legerplaats verwijderd.

2. VBSB'Sj naar zljne stammen; hieruit en uit het op den voorgrond treden der tenten en woningen Israëls in Bil'ams volgende uiting (vs. 5) maken sommigen op, dat hier Balak vooral Israël uit het oogpunt van het familie- en geslachtsleven beschouwd wilde hebben (Ba'al Pe'or = afgod der zinnelijke natuur). — dviSn rrn vgt;Sï vini. Terwijl sommigen in ipvi (23,5 en 16) en ■psa dcto een als toevallige inspiratie zien, zonder profetische extase en zonder profetische verschijning, en daarentegen het «.op Bil'am rusten van Gods geestquot; voor een profetische bezieling houden, hooger' staande dan de eerste, — meenen anderen, dat de hier gebezigde uitdrukking een minder krachtige Godsopenbaring aanduidt (vgl. onze aant. 23,5).

Ill

ocr page 227

quot;id jn pbn «'p

quot;inx Dipo-^N nnpx krnib Djrba-bK

Jquot; *Ï» J - • lt;- Aquot; - K T V I -tMT V T T ; T :# *

ni^ön^NTD^rnNpVa npn :D^D ^ ihapi

^ : - -• ^t: • ^ v I vr t Ij—- it ■ v* gt;1-: * v: it

nn ^-nja p^a^N d^1?? lö^n : jb^^n e^iin »= : dVk ona nb ^ pni nhsra

r •• Dt: • : t jt : • vt • I t : lt;s ; : • : •

: n2TD2 n«3 ^»1 DjrVa 10« ib'KD p^a ^

-•••:•- .* Vquot; T -IT •)quot; ^ f\T: • J- T vquot; ■: •quot; I T T ^-J—

Tibn-Nbi VNniynN to1? nin* ♦j^a 316 »3 hquot;!»! «

p- t I : •• t: • v [-•••t ; t : «•• ^** : •*• •gt; : • :-•—

N^»! : VJS quot;lanan-^N n^i D^n: nNipb o^aa-D^aa =

t •- itt v,t : • - v •.•jt- a* t J-1: * quot;v.quot; : 1- :

rby ♦nm ptr bKT^^-nK «quot;)»i vi^-nK

^t t r : m ist • Kquot; •• t ; • •-• :~ ~ t v *t : •

D«3n^a 11a D^a dk: ibi^a n'^i : DTib** nnj

^ A : : -^; t : • lt;•-.: a- - ^ t : -»t •- r v: - j

•gt;iamp; nrno S^noK ya# dk: : r^n Dn^ quot;nar-p

lt;••-;i- V -: t\quot; •• ; • ^-v,quot; # \: I Tt T A: ••\V quot;

^hjat^o a'pjr lab-no : nVai ^a: nh^

I ;■-■ : : • l^-:i- ( ^■-■ T i ^ - -it j : i,quot; vr:iv

3. DJW' Semiechoeth van een zelfst. naamwoord QJ^l godsspraak. —

pïn one;. De stam DJIB^ die in de Mishna, 'Ab. Zara 109a (5,3) voorkomt van het openen van een vat, beteekent v. s. ook hier; openen, — dan be-teekenen de woorden: wiens geestelijk oog thans eerst geopend is; het enkelvoud dan ppn, niet own, omdat het overdrachtelijk is gebruikt. Anderen meenen, dat DDB' hetzelfde beteekent als DJIB'» Klaagl. 3,8 en DriD, Dan. 8,26; sluiten en verklaren: gesloten van oog, wiens lichamelijk oog gesloten is, daar met de profetische visioènen de zinnelijke waarneming verzwakte of geheel ophield. Nog anderen verklaren naar het Arabisch: leedvermaak of afgunst koesteren; daarom pjjn enkelvoud, evenals jij: aio (Spr. 22,9) e. a. p. waar het op innerlijke karaktereigenschappen doelt; de hier gebruikte uitdrukking beteekent dus: wiens oog hen afgunstig aanziet.

f bx no» yar, die nu eerst bemerkt, dat, wat hij hoort, in waarheid gezegden Gods zijn, onveranderlijk en waarop door geen tooverkunsten invloed geoefend kan worden; — of: die, of hij wil of niet, moet aan-hooren de woorden, moet zien de visioenen, die God hem toont-, — anderen: die hoort al wat God zegt; ziet, al wat Hij hem laat zien; — de andere opvatting schijnt mij juister, daar hij Balak dim rekenschap geeft, waarom hij spreekt. — Sb:, hij valt neer onder den indruk der nu in volle

kracht hem overweldigende Goddelijke waarheid. — d^ï 'iSji, nu hem het vlies voor zijne oogen is weggenomen, nu zijn oogen helder zien, niet meer door verkeerde voorstellingen omneveld zijn (zie 22.31). — Anderen : hij valt neer onder den invloed der profetische extase, maar zijn oog blijft profetisch geopend.

5- 13!2gt; hoe goed zijn, v. s. hetzelfde als; isi nü, hoe schoon zijn van uiterlijk; v. a. innerlijk goed, en //tenten en woningenquot;, dus in de beteekenis van ; gezinnen en familieleven.

ocr page 228

N U M E R I XXIV.

6 „Israël! Als stroombeddingen spreiden zij zich uit, als tuinen «langs eene rivier, als de aloës, die de Eeuwige geplant heeft,

7 «als eederen aan het water. Vloeien zal water van zijne «takken en zijn zaad in waterrijken grond; en machtiger wordt

8 «dan Agag zijn koning, verheffen zal zich zijn rijk. De Al-„machtige is het, die het uit Egypte voert; als de reuzen-

kracht van een Réëm heeft het; het verteert de volken, zijne «benauwers, en hunne beenderen verbrijzelt het, en zijne pijlen

9 ,/doet het zwemmen [in hun bloed]. Hij knielt, legt zich neder „als een leeuw, en als eene leeuwin ; wie durft hem doen op-„staan ? Die u zegenen zijn gezegend; die u vloeken, vervloekt.quot;

10 Toen ontbrandde de toorn van Éalak tegen Bil'am, en hij sloeg zijne handen tegen elkander; en Balak zeide tot Bil'am: „Om mijne vijanden te verwenschen heb ik u geroepen, en zie, geil zegend hebt gij hen nu reeds drie malen ? Nu dus, neem de vlucht naar uwe woonplaats; ik was voornemens u te eeren,

12 doch zie, de Eeuwige heeft u teruggehouden van eer.quot; Bil'am echter zeide tot Balak: „Heb ik dan niet ook tot uwe gezanten,

13 die gij tot mij gezonden hebt, gesproken, als volgt: „Al gaf Balak mij de volheid van zijn huis zilver en goud, kan ik het bevel des Eeuwigen niet overtreden, om iets goeds of iets

6. D^rUD. v- s- als waters tr o o m en, die in de schuin hellende bedding vloeien, en wier loop zich dus voortdurend versnelt; v. a. als stroom-h e ddin g en, wadi's, die de weligste landouwen vormen, daar de bodem er waterrijk is; het tweede versdeel, waar Israël met njj, tuinen, vergeleken wordt, eischt m. i. ook in het eerste deel eene vergelijking met land, niet met valer. — ïdj O'S.-bw, Israël is als aloës, die God geplant heeft-, of v. a. als aloës heeft God hen geplant.

vSlö D'O Sp- Wij volgen Ibn 'Ezra, die vSi verklaart als iwVi,

wateropzuigende takken; hoewel de vorm dan vrstn zou moeten luiden,

kan men toch een nevenvorm rpSli meervoud D,t?1 aannemen. Dan gnat

men voort in het beeld van een boom en uquot;m is het door dien boom ontwikkeld en afgeworpen zaad, dat wederom gezegd wordt O'ai ovsa = DipM □■o-i d,i:, op een waterrijke plaats te znllen neervallen. Anderen; xcater zal vloeien uit zijne beide emmers; het bteld is dan ontleend aan een waterdrager, die twee boordevolle emmers draagt, het water loopt over de randen heen, Uquot;'tl en zijn kinderen wonen op een waterrijke plaats. — Met het tweede versdeel gaat men in ieder geval weer tot Israël over, nu in den derden persoon tot vs. 9ft. Nog anderen : het valer, dat Israël drenkt, vloeit uit Zijne, Gods, emmers en Zijn zaad, het door God uitgezaaide, is het, dat op waterrijken bodem tiert; daarom enz. - jjxc, dan Agag; evenals Phar'o in Egypte, Abiemélech in Gerar, schijnt Agag bij de 'Amalekieten naam van de dynastie of titel van den koning te zijn geweest. De naam komt ook in den ti.jd van Shaoel (I Sam. 15) voor. 'Amalek was, naar het schijnt (zie vs. 20), in dien tijd bijzonder machtig.—laSn, njn, Israels, koning, v. s. God, v. a. zijn beheerscher; nog anderen denken aan profetische voorspelling van Shaoels overwinning op Agag.

112

15

ocr page 229

quot;ia pVa yp

nin» ^ h333 vè: D^n:3 :

t s j~ t * t -j t~ ''t t . -j' quot;j iquot; : t • •j* t ; * iquot; t ; •

D'TI D^n DV23 V^IÜ b^D-br : D^D-^ Dnixs»

lt;t: rt' quot; •-gt;- : ^ :-: t : jt • • - -r -it ••_-j t -:«-

nbyins DnïDO ix^ia : mn^D Ntr-im i^o «XÖ n

i : • - . • - j • , ••lt; i \ : - v - • ; : ~ - -i iquot;

jr^ia : fno* Vïm Dquot;iy Dn^b^i viï ^5# iV dkt 0

- t | it ; • jt • : v,quot;T: r* •• i ; quot; : t t -•• - a vquot; i

: ttik nnixi -nna ^D^OÖ i3D»p' »ö n«3 naty

i t | v,*.* -j i : ^ | t | -••.• -:it : av i •: j- ^ ' t^: rquot;' r squot; t

■7« pSa -iün'I vsrnN pbp'i D^rbx p)z ^quot;in^v : d^s nr non? nrn Dpb o^a

nanquot;) ^quot;DDK ia? WOK ^aipQ-^^-nnann^^ ïi^Kbo-'jN oa K^n pb^-^K noNquot;'! : -ii33o nin» ^

i •)'.• t : - v ^s- -j i at t v 'vt: • j - it* v.t :

xbo ♦rrrrDK .* Ion1? ^n-i3quot;i ^

-• : I t t • I V • • •• 'U- • •• T :j' r v -i

nniü nirr ♦ö'HK iiyb b5iK n1? 'bnn eioa in^a

•)t j ^-:i- t : j- v ^-:i- - j tt: ) v-quot;.•

, 8. SDN', het, Israël; anderen; Hij, God, verleert volkeren, wï, die het in het namv willen hrengen. — du1', van DU, heen, — de beenderen wegnemen of stukslaan. — ^rw twi, en zijne pijlen doet hij zwemmen, eig. trappen, naar Ps. 68,24 (Rashie) ; zooals Lüzzatto, ter verklaring van den pfotse-llngen overgang van de vergelijking met een krachtig dier tot een aan den oorlog ontleend beeld, opmerkt, zou hier eigenlijk moeten volgen: en hun bloed drinkt hij (vgl. 23,24); dit van Israël te zeggen, gaat echter niet goed, waarom dan //het drinken van het vijanden-bloedquot; in een koen beeld van den overwinnaar op diens pijlen wordt overgebracht. Anderen; en met zijne pijlen verplettert hij hen, mn - iixro, of: en zijne pijlen verpletteren, doorboren, yrro' = liTWi; nog anderen; en het verplettert zijne, des vijands, pijlen, dan zou er echter Dniïm moeten staan. ynD beteekent niet: doorboren, maar: verpletteren, wat een wond, door pijlen toegebracht, niet doet; de eerstgenoemde opvatting acht ik dus de beste.

9. Dan, na de overwinning op zijne vijanden, buigt hij zijne knieën en legt zich rustig neder — en niemand durft hem tot toornig opstaan te nopen I De slotwoorden van ons vers komen overeen met Gen. 12,3 bij Abraham en Gen. 27,29, waar Izak ze Jakob als zegen toevoegt.

10. V£D riN p3D,V Het de handen ineenslaan komt als uiting van schrik (Klaagl. 2,15), maar ook van toorn voor, gelijk hier en Job 27,23.

11. quot;[S rm Wilt gij niet, dat ik u in mijn gramschap straffen zal, wat ik tegenover u, den grooten toovenaar, niet zou willen, doch wat Ik, uw waardigheid vergetende, in toorn allicht zou kunnen doen, — maak u dan uit de voeten, vlucht-, ^S,bijgevoegde derde naamval. Evenzoo 'Amos 7,12. — vniss, ik had gezegd, u laten zeggen (22,17 en 28,7); of: ik had bij mijzelf gezegd, mij voorgenomen.

ocr page 230

N ü M E R I XXIV.

kwaads te doen uit eigen beweging; wat de Eeuwige spreken

14 zal, dat zal ik spreken.quot; quot; /,En nu, zie — ik ga tot mijn volk terug; kom, laat ik u aankondigen wat dit volk uw volk

15 doen zal in latere dagen.quot; Hij droeg zijn spreukdicht voor en zeide : «Godsspraak van Bil'am, den zoon van Be'or; en Gods-

16 «spraak van den man, wiens oog geopend is. Godsspraak van whem, die Gods gezegden hoort, en de kennis vanwege den ,/Allerhoogste kent; eene verschijning vanwege den Almachtige «aanschouwt hij, nedervallend, nu hem de oogen onthuld zijn.

17 «Ik zie hem, doch niet nu ; ik aanschouw hem, doch niet nabij : «eene ster treedt op uit Jakob en een scepter verheft zich «uit Israël; hij verplettert Moab aan beide einden, en vernielt

18 «alle zonen van het slaggewoel. En worden zal Edom tot ver-«overing, en worden zal tot verovering Sé'ier, zijne vijanden; doch

19 «Israël behaalt macht. Uit Jakob zal een heerscher komen, die

20 «den laatst overgeblevene uit 'Ier verdelgt.quot; Vervolgens zag hij 'Amalek, en droeg zijn spreukdicht voor en zeide: «Het eerste

14. nrUHi wederom bij het begin van de eigenlijke uit te spreken gedachte (zie 22,6). — quot;[WS, ik wil u raden, d. w. z. iets geheims, dat tot nu toe voor u verborgen is, mededeelen (Job 26,3), of: iets mededeelen, waarin vanzelf een raad of waarschuwing opgesloten ligt. De Thalmoed verklaart: raadgeven en meent, dat het doelt op de verleiding der Israëlieten, tot den Pe'or-dienst en overspel met Moabietische vrouwen (Num. 25), die 31,8 en 16 e. a. p. aan eene raadgeving van Bil'am wordt toegeschreven; de slotwoorden van ons vers sluiten dan echter niet goed aan. — rpinw Diain, in lateren tijd, (zie Gen. 49,1).

ie. jvSj; njn y-n. en kent, wat de Allerhoogste hem doet kennen, de van God uitgaande wetenschap der komende dingen, vgl. nw ntn».

17. 'UntJ'JC Het mannelijke aanhangsel « — sluit op den

verder te noemen 331D, ster. — in, zijn weg beginnen; een gewone

term voor den loop der sterren in het luchtruim. — cao npi, een scepter, heerschersmacht, — het beeld van de ster dus dadelijk in een meer duidelijk beschrijvend beeld overgaand; die scepter is tegelijk een stok, die verplettert asm viss, — Semiechoeth van een tweevoudvorm DVINS. van

het enkelvoud nsE, hoek, — de heide hoeken, uiteinden van Moab, d. w. z. Moab van het eene einde tot het andere (vgl. Jer. 48,45); anderen: de hoofden, zonder analogie, dan het parallellisme t. a. p. waar npipi, en den schedel, volgt. — Heidenheiji verklaart cnü door: staartster, komeet, — door vele volkeren in verschillende tijden als voorteeken van naderend onheil opgevat; er zal een ster komen, lichtend voor Israël — die echter voor Moab een onheil brengende komeet zal zijn en het zal verpletteren. — iptpi, v. s. van Tgt;p, muur, — de muren omver halen, Jes. 22,5, v. a. algemeen; verwoesten. Jer. 48,45 staat pxc 132 npipi asre nss pal; zooals gewoonlijk gebruikt Jeremia ook hier zijn citaat vrij. Alleen maakt die plaats het waarschijnlijk dat nc hier niet moet verklaard worden : zonen van Sheth, d. i. dan het geheele menschdom, — maar ris = jisu (Klaagl. 3,47) van rusf, gedruisch maken, gelijk jisf, speciaal van krijgsgewoel, rw 1:2 dus: de

113

ocr page 231

quot;5?quot;

quot;ID pVa rp

nn^i * : inx nirr n^Tl 1l?T |~

nnn«3 ntn oyn nquot;^» ^iïv^ ha1? ♦ari? Tt^in ' £

r-»r : # v.1 : • ^ )quot;quot; ^tt v •hi- v -j | : ^r • t : a-^- : Kquot;

DNll ijD 133 D^S DN3 quot;)DNS1 iVtPO K^»1) ; D^DTI»

A ; ^ ; j : t.: ' lt;1fc s gt; rt~ quot; V t : jt • - rr-

ri^jr n^i VN-hok ^DÏT DN: : p^n on^ lain« 1311^« nnj; tfynaifiK : Vö: nrn» nrnüquot;

fnöi bat? D^V ap^«ö 351a TjnT aii^

n'ni om n^ni : n^-^a-ba npnpi axia tws ^

stt ; t ••; v: tt : iquot; •• : t Kquot; :!-: t •*••-j i-

Tawni ab^'Q : Vn rivy vyn TI^

j' v:iv : u^r* : ;vquot;; ' it v _ j v.quot; t: at:i •• ^t ••:

rwin I^D K'^I p%v-nx KTI : 1^0 nnif3

lt;• •• ft- - it: jt • - I quot; t ~s v :— l-•• vt

krijgslieden, of: rfe zonen der zelfverheffing, trotscheid, dat is dan: de vorsten van Moab.

18. Edom en Sé'ier, — naam van het volk, naar 'Esau, en van het voornaamste gebergte van zijn land, en van het land zelf (Gen. 22,4), is hetzelfde. Deze zullen zijn HtJ'T» bezitneming, = het veroverde. —■ raw,

Edom = Sé'ier, die zijne. Israels, vijanden zijn; anderen; P2\s •••ncni, tot verovering van zijne, Edom's, vijanden, d. i. Israël. — Vn rrcr, kracht, vermogen maken, zich verwerven; niet j nist: oorlogsdaden verrichten.

19. -nn = rm-i dij^i, er zal een heerscher opstaan (Ibn 'Ezra); of: er zal iemand heerschen; nog anderen = quot;Tn, hij, Edom, zal door toedoen

van Jakoh, of: lager dan Jakob dalen. — Tism, en hij, die heerscher of Jakob, zal te gronde richten den laatst overgeblevene zelfs, den enkelen nog ontkomene. — iu'B, uit 'Ier, Moabs hoofdstad, zie 22,36; anderen: uit of van d e steden, tï, collectief, als Ps. 72,16. — Mendelssohn : een opwekker, wreker, wn, zal het overgeblevene vernietigen, zeer gewaagd, daar er Tosm tic -pï» zou moeten staan. Nog anderen: verdelgt de rest van de heilige stad Jerusalem uit, eveneens minder waarschijnlijk. Hij bespreekt nog steeds Moab's ondergang, waarbij tegelijk Edom, Israels vijand en misschien wel Moabs natuurlijke bondgenoot, daar hij het naburige land bewoonde, wordt te gronde gericht (vs. 18). Dan komt hij weer op Moab terug en het heeft dus niets bevreemdends, dat 'Ier Moab hier vermeld is. Ik volg daarom deze opvatting.

20. Of aan de andere zijde der Pisga-hoogvlakte een 'Amalekietische stam gelegerd was, of dat Bil'am van de Pe'or-hoogte af den in het Zuiden van Palaestina wonenden hoofdstam van 'Amalek zien kon, is niet zeker. Waarschijnlijker komt mij het laatste voor; Bil'am staat op de hoogte der Pisga en ziet naar het Zuid-Westen, waar Israël gelegerd is; dan zijn blik verder latende gaan, ziet hij eerst heel in de verte, in het Zuiden van Palaestina 'Amalek en dan, dichter bij, den Kéniet (zie vs. 21). — cu rwst, het eerste der volkeren, niet: het oudste, daar 'Amalek's stamvader, een kleinzoon van 'Esau, jonger was dan Moab en zeker dan Asshoer en andere oudere stammen; sommigen verklaren: het eerste = machtigste of krach-

ocr page 232

N U M E R I XXIV, XXV.

«der volken was 'Amalek; en zijn einde is tot ondergang.quot;

21 Nu zag hij den Kéniet, en droeg zijn spreukdicht voor en zeide:

22 «Vast zij uwe woning, en vestig in eene rots uw nest; Want, „wanneer Kajin der vernietiging zal worden prijsgegeven, tot

23 «waarheen zou dan Asshoer u gevankelijk wegvoeren ?quot; Hij droeg verder zijn spreukdicht voor en zeide: «Ach! wie zal „blijven leven, nadat God Zijn oog op hem gevestigd heeft?

24 «En krijgsschepen van de kusten der Kittiem, — zij zullen ver-„drukken Asshoer en zullen verdrukken 'Eber; doch ook hij —

25 „tot de vernietiging.quot; — Hierop maakte Bil'am zich op, ging heen en keerde naar zijne plaats terug; en ook Balak ging zijns weegs.

1 Israël bleef te Shittiem gevestigd en het volk begon tot de 2doehteren van Moab af te vallen. Deze riepen het volk tot

tigste; anderen: het voornaamste der volkeren, die Bil'am in verbond ver-eenigd ziet tot vruchteloozen strijd tegen Israël; weer anderen: Tiet eerste onder de volkeren, dat Israël durfde te bestrijden. — wnreo, en zijn einde is, het gaat zoo lang op zijn weg voort, n2s ny, tot het iets wordt, dat geheel

verloren is.

21. Tpn dn. Onder de tien volkeren, van wier land God Abraham het bezit toezegt, komt Gen. 15,19 ook de Kéniet voor; I Sam. 15,6 wordt de Kéniet door Shaoel uitgenoodigd zich van 'Amalek terug te trekken, om niet met hem in den verdelgingsoorlog te worden vernietigd. Mogelijk is dus, dat mede in het Zuiden van Palaestina, dicht bij het door'Amalek bewoonde gebied een Kénieten stam woonde, die dus hier bedoeld is. Anderen meenen, op grond van Recht. 1,16 en 4,11, dat hier gedacht moet worden aan een tak van een volksstam, die zich van zijne stambroeders Kajin had losgemaakt en daarom den naam Kéniet behield, en zich bij Israël had aangesloten. Die aansluiting had plaats op initiatief en onder leiding van Jithro, Jlozes' schoonvader. Bil'am zou nu bij zijn rondblik dezen, in de onmiddellijke nabijheid van Israëls kamp gelegerden stam in het oog hebben gekregen en hun een enkel woord hebben gewijd. —

jrvs, sterk zij uw ironing, nvp is dan verzwegen; de zin is in de eerste verklaring: zorg, dat sterk wordt uw woning, want enz., in de tweede: Zaai sterk hl ij ven uw leaning, blijf u aansluiten bij Israël, den vasten rots, waarop gij kunt vertrouwen. Anderen: sterk is uw woning. — Difi, in onze opvatting gebiedende wijs, wordt dan verklaard als verleden deelwoord van diï', geplaatst op een rots i s uw nest.

22. pp riVT DN ,3) want, indien gij niet bij Israël u blijft voegen, maar tot uwen hoofdstam terugkeert, — als straks Kajin, uw stamvolk, den ondergang zal zijn prijsgegeven, tot waarheen zal Asshoer ü dan zoel wegvoeren'! — of: laat uw woning goed versterkt zijn en uw nest op een rots geplaatst, loant anders — als het nest tot af weiding of verbranding zou zijn, o Kajin! tot waar enz. Nog anderen: toanneer het tot vernietiging komt met de volkeren, als alle natiën vernietigd worden, — o Kajin! tot waarheen, of: hoe lang enz. — quot;p'-'n, onderwerp is wn, vrouwelijk, zooals vaak bij gepersonifieerde steden, landen en volkeren.

23- IDlTOi nadat God op hem Zijn oog gericht heeft ten kwade;

114

ocr page 233

ro quot;ia pbn Tp

i'^OK'^vrsn-nKWi nax ny innnxi p^av

V t : jx *quot; • iquot;quot; v :-- !•• j*quot; : v. *iquot; : ^1 •• t

n^-DN »3 : ?|3p n^i ^B'iö |n^ no^n M n'n» »0 *IK iok»quot;) Ni^'i : -nuw nD-ny r^p »

V- : I* r is- - v t : jt - - m I iv ; v, quot; jt I-|at

quot;DJ1 1^-13^1 13^1 D^nS TÖ D^l .* VK IDB'Ö13

- : v quot;aquot; : v quot; J ' : * ' ••- * • : iquot; ^ ••. •

pba-Dii lap»1? -iVi d^3 opn : n3K nv Kinquot;3

i v.t t - ; a i ; • tjtquot; i vv.quot;- ; • i t-^t - iquot; v.

a * : is-nquot;? TjVn omx)

: 3«io niia-VN niió Dirn D^tsi^a Stn'tJquot; 3^»i« HD

it j : v ^: • tt t v-»t- a* • - vquot; t ; • v r—

dw = pr dip; vgl. Jes. 41,20: wei = aS wiyi; — na zooeven den ondergang van Kajin te hebben vermeld en op het punt om ook Asshoers verdelging aan te kondigen, geeft hij dus een algemeene sententie: niemand,

geen volk, hoe machtig ook, blijft bestaan, als het eenmaal Gods toorn onherroepelijk heeft gewekt. Anderen: wie kan leven blijven, nadat God hem, Asshoer, in het volkeren-leven heeft geplaatst; — nog anderen: wie kan leven blijven, nadat Hij, God, deze onheilen — Ss =x — heejt

doen ontstaan; weer anderen: wie kan = hoe zou Asshoer kunnen blijven leven, nadat hij deze gruwelen bedreven heeft, of: zich tot God gemaakt heeft. Eindelijk sommigen : zonder dat God het hem oplegt ?

24. a^SI, naar Jes. 33,21 en Ez. 30,9 blijkt: schip. — dvo tü, van het strand der Kittiem; — (t als in jnvi t 13,29 en isvi t Ex. 2,5). De Kittiem worden Gen, 10,4 onder de nakomelingen van Jawan genoemd, het is dus een Pelasgische stam, — naar eene rabbijnsche overlevering, een der Grieksche koloniën in Zuid-Italië, — dus: een Romeinsche vloot van de Zuid-Italiaansche kust. — nar i:ri niw Uïi, en zij verdrukken Asshoer, en verdrukken 'Eb er, v. s. Assyrië aan de eene. 'Eber aan de andere zijde van den Euphraat, onder welke laatsten dan tal van volkeren, ook Israël, zouden te verstaan zijn ; anderen houden Asshoer en 'Eber voor twee namen voor hetzelfde land, evenals Jes. 7,20: iwn -[Sm tu ■nara. — Nin d;i, en ook hij, de Kittiem, of v. a. en zoo is ook hij, Asshoer, den ondergang prijs gegeven.

25. lapaS acn quot;fra ging op reis om naar zijne woonplaats terug te keeren, zonder dat hier gezegd is, dat hij daar werkelijk aankwam; in den kort daarna door Israël tegen Midjan gevoerden oorlog, is hij dan ook in het Midjanietische leger en wordt door Israël gedood (31,9). Hij kwam terug, zou luiden: inip» b.s

Hoofdstuk XXV. Uit verschillende plaatsen blijkt, dat Bil'am door raadgevingen op Balaks en Moabs verdere houding tegenover Israël nog invloed geoefend heeft; en het is dan ook zeer waarschijnlijk, dat op Bil'ams raad Balak de dochteren lloabs ertoe bracht de Israëlieten tot ontucht te provoceeren.

1. Q,I3E'3, hetzelfde als dibdh Sas, 33,49, vermoedelijk het noordelijkst deel der legerplaats, dicht bij de Moabietische grens. Het was het laatste station van Israël, vanwaar zij onder Jehoshoea' optrokken om den Jordaan over te trekken. — Sn rmtS, af te vallen tot de dochters van Moab, d. w.z.

ocr page 234

HUMERI XXV.

de offermaaltijden harer goden; het volk at, en wierp zich

3 voor hare goden neder. Israël verkoppelde zich dus ter eere van Ba'al Pe'or, en de toorn des Eeuwigen ontbrandde tegen

4 Israël. Nu zeide de Eeuwige tot Mozes; «Neem al de hoofden des volks, en laat hen ophangen, ter eere des Eeuwigen, op klaarlichten dag, opdat zich de brandende toorn des Eeuwigen

5 van Israël afwende.quot; Mozes zeide tot de rechters van Israël: «Doodt ieder die zijner mannen, welke zich ter eere van Ba'al

6 Pe'or verkoppeld hebben.quot; En zie, een man uit de kinderen Israëls kwam aan en voerde tot zijne broeders eene Midjanie-tische, voor de oogen van Mozes en voor de oogen van de geheele gemeente der kinderen Israëls; en zij stonden weenende

7 aan den ingang van de tent der samenkomst. Toen nu Pienechas, de zoon van El'azar, den zoon van den priester Aharon, het zag, stond hij op uit het midden der gemeente, en nam eene

8 lans in zijne hand; En ging den Israëlietischen man achterna in het slaapvertrek, en doorstak ze beiden, zoowel den Israëlietischen man als de vrouw, door haren buik, en de sterfte werd

9 tegengehouden van de kinderen Israëls. De gestorvenen door de sterfte waren vier en twintig duizend.

11 10 De Eeuwige sprak nu tot Mozes, als volgt: «Pienechas, de zoon van El'azar, den zoon van den priester Aharon, heeft Mijnen toorn van over de kinderen Israëls afgewend, doordien hij als

af te vallen van God en de dochteren Moabs te volgen, hetzij dan tot ontucht of tot afgodendienst; v. s. toch gaf de afgoderij aanleiding tot den ontucht; v. a. omgekeerd de ontucht tot de afgoderij.

2. (irnSx. hare god e n, of misschien : haar god, Ba'al Pe'or.

3. verbond zich aan, — beter: zich verkoppden, waarin dus ook het afschuwelijke van den Pe'or-dienst, — een der meest zedelooze Venus = Astarte-diensten, die bekend zijn, — is uitgedrukt. De toorn Gods uit zich in een uitbrekende sterfte.

4. ddw rpm. en hang die daar, die zich aan zoo walgelijke zedeloosheid schuldig maken, — zooals uit Deut. 21,23 blijkt, na de executie door steeniging, de straf, die zij als afgodendienaars verdiend hadden; zie vs. 5, waar Mozes duidelijk bevel geeft ze te dooden, «in. — wtwmju, tegenover de zon, bij lichten dag, of: zoodat de zon hen beschijnt. — Onder Dïn 'fsn worden in de tot nu gegeven opvatting de hoofden des volks, de oudsten, die als rechters fungeeren, verstaan. Anderen verklaren: neem de hoofdschuldigen onder het volk en hang hen, dezen, op enz.

5. vrac. zijne mannen, die naar de Ex. 18 getroffen regeling onder zijne jurisdictie vallen. — Juist zouden zij dit bevel gaan uitvoeren, vs. 6 rum, toen plotseling het volgende gebeurde. — aip1!, hij bracht nader, uit haar verblijfplaats, naar het centrum van het leger van Israël, ttts Sn, tot zijn broeders, bloedverwanten en stamgenooten. De stam Simon schijnt zich vooral bij deze gelegenheid zeer bezondigd te hebben, althans naar

115

ocr page 235

na Drwfi pVa itsp

: ijrrfpK!? D^n bstf) ♦nat1? D^1? ^«npni 3 nötih .'bini^a nin» t]X-in^ n^a tyib nin^ Dni« v$n\ D^n n^ n^a-^K nfn»

ntba iQ^n : bKTty^o nin*-«iK rim a'^n trDtrn njj»

j- iquot; t ; * * vT : 1 ~ ï jquot;: •gt; t: v rtt - v-«v

: -ii^a b^a1? Dn.Qï^n vta ir'K uin

n^nan-nx VnN-Vx ai^i xa quot;iap nsnv

nns D^aa nani VxTt^-^a mr^a nibo wpb

- ^v • t •'quot; : a** t : * iquot; : ^ t •• ; v jquot; :

b^|nanpn«-f3 iT^b^-fa bnra nti *; lyp ^riK' quot;VN nnx xa^i : iTa r.Dh njsn nn^n ^inpn

-bx n^Kirnw nw on'^-nx ipy\ naj^n

D»nan vn'quot;) : Vtni?» ^a bpa nasan Sï^m nnap0

^. ,. _ . ,.- .. t . . j'» : •• t *• ~ ~ ~ t iquot; ~ at tl*:

a : «ibx on'^i nyaiK naaaa

|v it : 'v ; quot;jtt : - atquot; - ~

nnx-p quot;ifybfrna onrs : la^b n^a-bx nin» lan^'

i j-:i- 1 v T T v i v t : r ^ 1 jv v ; Jquot; -:-5^

-nx iNjpa ^n^-^a 'nan-nx a^n |nan

de cijfers van hoofdstuk 26 te oordeelen, was daar de sterfte het grootst geweest. — DMnDIT de voorname Midjanietische, of: eene Midjanietische,

het lidwoord als versterking. — Ww 'ja rnr, waarschijnlijk de oudsten, de rechters, die bij Mozes nog bijeen waren; evenzoo vs. 7.

7. non. een werpspies.

8. ropn, van anp = 3pJ, uithollen, of naar het Arabisch; gewelf, — een kleine tent, vooral om als slaapvertrek te dienen. — nDSp»v-s- verwant met nD'p. de maag, — beteekent hier: de buikholte, de genitaliën en hunne omgeving.

11* lnXJp DfC WJp3' De uitdrukking .s:p beteekent; iemands recht vorderen, eischen wat hem toekomt; van God gebruikt, beteekent het steeds; dat Hij Zijn recht eischt, niet duldt, dat Israël andere goden volgt; tegenover andere volkeren komt het nooit voor. De zin is dus hier; omdat hij als ijveraar is opgetreden, gehandeld heeft als iemand, die voor Mijn recht opkomt-, ins:p dus; het ijveren voor Mij; v. a. doordien hij, Pienechas, Mijn recht heeft c/ehandhaafd. vaarvoor I k anders zelve ah eischer zou zijn opgetreden; vsjp, de door Ut ij te oefenen ijver. — wSa sSi enz. Zonder zijne daad zou door Gods toorn het geheele volk zijn om-

ocr page 236

N TJ M E R I XXV.

ijveraar voor Mij onder hen is opgetreden; zoodat Ik de

12 kinderen Israels in Mijnen ijver niet verdelgd heb. Daarom

13 zeg; zie, Ik geef hem Mijn vredeverbond. En het zal voor hem en voor zijn kroost na hem, zijn een verbond van eeuwig priesterschap ; omdat hij voor zijnen God als ijveraar is opgetreden en een daad van verzoening voor de kinderen Israels

14 verricht heeft.quot; En de naam van den verslagen Israëlietischen man, die met de Midjanietische verslagen werd, was Zimrie, de zoon van Saloe, vorst van een vadershuis der Shim'onieten.

15 En de naam der verslagene Midjanietische vrouw was Kozbie, de dochter van Tsoer; volkshoofd van een vadershuis in Midjan was hij. —

17 16 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Oefen vijandelijkheden uit tegen de Midjanieten en gij zult hen verslaan.

ekomen. Deut. 4,3 wordt verhaald, dat allen, die aan den Pe'or-dienst adden deelgenomen, door God verdelgd zijn, dat is of door de vs. 8 en 9 besproken sterfte, of later langzamerliand zijn weggestorven; dit laatste komt mij waarschijnlijker voor, daar er wel meer dan 24000 schuldigen zullen zijn geweest, waardoor de hier uitgesproken straf, die het geheele volk anders had getroffen, begrijpelijk wordt. Hier aan een door Pienechas of op zijn initiatief ingesteld' strafgericht te denken, zooals Ex. 32,27, gaat niet, 1°. omdat er niets vermeld wordt van verdere direct als slachtoffers der zonde gevallenen; 2°. omdat Deut. t. a. p. de verdelging der misdadigen als een daad Gods, niet van menschen, vermeld wordt. — VKOpa, door den door Mij aan den dag te leggen ijver voor Mijne zaak.

12. quot;IOJCj zeggt; 'naak openlijk aan het geheele volk, en natuurlijk ook aan Pienechas zelve, bekend. — oi1?» 'jma ra, v. s. is diSp een bijvoegelijk naamwoord, zooals op meerdere plaatsen zou blijken; of het van rfw, rustig, veilig zijn, of van dVp, volmaakt zijn is afgeleid, is niet te beslissen. Anderen verklaren hier ~ diSü nna. Mijn vredesverhond, — of: rvna wo DiSt', Mijn verbond, een vredebond. Zooals reeds meermalen is opgemerkt, is BV7C niet enkel; vrede, maar algemeen; wélstand, waarbij alle uiterlijke en innerlijke omstandigheden met elkander in overeenstemming en op de beste wijze geregeld zijn; zoo dus hier: hond van waar geluk.

is. nirm. het verbond zal hem zijn tot enz., nadere uitwerking van het vorige vers. Ibn 'Ezra •. en er zal voor hem zijn een verbond enz.; vs. 12 is dan een belofte, dat hij niet door wraakoefening van Zimrie's verwanten zal worden getroffen, vs. 13 de belooning voor zijn daad. — Over den zin van dit: eeuwig priesterschap bestaat verschil van meening. Terwijl Rashie, naar den Thalmoed, aanneemt, dat Pienechas, die waarschijnlijk nog in Egypte geboren was (Ex. 7,25), hier het gewone priesterschap zou zijn verleend, daar alleen Aharon en zijne zonen, niet ook zijn reeds geboren kleinzonen tot priesters zouden zijn gewijd, — meenen anderen, naar een eveneens in de Thalmoedische litteratuur voorkomende opvatting, dat hier aan het h o o g e priesterschap gedacht moet worden. Weliswaar was reeds Ex. 29,30 en Lev. 6,15 ondersteld, dat het hoogepriesterschap als regel een erfelijk ambt zou zijn, en zagen wij El'azar zijn vader opvolgen, zoodat vanzelve het ambt op zijn oudsten zoon Pienechas zou overgaan ; doch ware het niet ondenkbaar geweest, dat lethamar, als zoon van Aharon, vóór diens kleinzoon zou gaan en dus de erfopvolging naar directe verwantschap met Aharon zou geregeld worden. Hier wordt het

116

ocr page 237

no Dnya tüp

ioKp1? pnwpa ♦n^3quot;Nl7,i DDina ,nïwp=,

a v: k-t r t : i* : t; • i-: ' r • i ; at ; v.* : i •

nna vin« lb nn^ni: ♦nnrnN i? ?n: ^

v,-; t-:i- ■* :quot;: t #;«t : ^ i t v,* •: v •) »r* •; •

: Vintr» laDn vn^xb xap im nnn dSi^ nana

,.. t: . ,.. . _ * i t ,•• -i- lt;••• -= - - at ^ :

-|3 npT nnnan-nK nan -law naan bxiv' vx n^nan naan nt^xn d^i : awno wm kiVd 10

^•t : • - ot •-. - st • t •• : 1 * : • - v.t iquot; : at

£3 : Nin pD3 2s,-n^3 max quot;iirna ♦STS

1 ht; • : .)t !•• ^ j a - j- : t

on^m D^nan-nx im : iaxb nt^a-^ nin* -isti to

ambt dan in Pieneclias' geslacht erfelijk verklaard. Met uitzondering van een niet zeer lange periode, waarin hel hoogepriesterschap door alstam-melingen van lethamar werd bekleed ('Elie, zie I Sam. 2,30), vermoedelijk tengevolge van wangedrag van den anderen priesterlijken tak, — zien wij daarvóór steeds en daarna weder van Tsadok af (I Kon. 2,27 en 35) een nakomeling van Pienechas als hoogepriester, in wiens stamhuis het ambt voortaan bleef. — Anderen meenen, dat Pienechas en zijne nakomelingen hier blijvend belast werden met het ambt van nw» jro nnnStt, een met hoogepriesterlijke waardigheid bekleed priester, die in den oorlog mede uittrok, ten einde zoo noodlg Gods oordeel over te nemen maatregelen in te winnen, en de den priester opgedragen functiën bij het leger (Deut. 20,2 v. v, vel ook Num. 10,8 en 9) te verrichten, üat zou dan de zin zijn der woorden Num. 31,6; N2ïS jron . ..Dro'B nsi, Pienechas, den oorlog s-hooge-/? r i est ev (zie onze aanteekening aldaar). — isoii, de belooning wordt Pienechas toegekend, omdat hij Gods zaak onder Israël tot haar recht heeft doen komen en daardoor liet volk heeft gered; het is belooning van den volksmMer.

14. hoofd van een der vijf vadershuizen, — nnEi'» (26,12

en 13), waaruit de stam Shim'on bestond; hij was niet het stamhoofd, maar hoofd eener familie. De aanzienlijke positie der beide slachtoffers geeft Pienechas' daad nog grooter waarde, daar het gevaar, waaraan hij zich blootstelde, er door vermeerderd wordt. Om dus den gronden voor de belooning van Pienechas nog meer klem te geven, staan namen en positie der beide slachtoffers hier vermeld. Dat het eerst hier en niet dadelijk bij de daad wordt vermeld, geschiedt v. s. om in de vermelding, dat de vrouw eene aanzienlijke Midjanietische was, den overgang tot het volgende te vinden.

15- 3X iTS niON CJCT v- s. hoofd van een der uit familiën samen-

festeldeestelde stammen, nss, als Gen. 25,16, stam; anderen : de volksstammen —

et geheele, uit verschillende, waarschijnlijk vijf (Gen. 35,4), stammen bestaande volk der Midjanieten, en tegelijk no wi, eigenlijk slechts gewoon familie-stamhoofd, behoorde hij ook tot de vorsten des volks; hij wordt 31,8 onder de vijf koningen van Midjan genoemd; vs. 18 noemt men hem s'w, een titel, die Jos. 13,21 aan alle vijf Midjanietische koningen gegeven wordt.

17. 'nnjj, onbepaalde wijs = gebiedende wijs, eigelijk; in het nauw brengen, vandaar algemeen: als vijanden behandelen. — Drvom, en gij zult, of: gij m o et ze verslaan, — geheel uitroeien; vgl. 31,7 en 17. Het bevat tegelijk een bevel en een belofte.

ocr page 238

N U M E R 1 XXV, XXVI.

18 Want zij hebben als vijanden tegen u gehandeld — door hunne listen, waarmede zij u verstrikt hebben, — in de zaak van Pe'or, en wegens de zaak van Kozbie, de dochter van den vorst van Midjan, hunne zuster, die op den dag der sterfte

1 om de zaak van Pe'or verslagen is. Het was na de sterfte; —

Toen zeide de Eeuwige tot Mozes en El'azar, den zoon van

2 den priester Aharon, als volgt; „Neemt de som van de geheele gemeente der kinderen Israels op, van twintig jaren oud en daarboven, naar hunne vadershuizen, al wie voor dienst uitgaat

3 onder Israël.quot; Mozes en de priester El'azar spraken met hen in de valleien van Moab, bij den Jordaan tegenover Jerécho,

4zeggende: „Van twintig jaren oud en daarboven,quot; evenals de Eeuwige Mozes en de kinderen Israels geboden had, die uit

5 het land Egypte getrokken waren. Ruben, Israels eerstgeborene;

18. D'quot;n2£ '3 enz. Volgens Ibn 'Ezra; zij hebben u als vijanden behandeld in de zaak van Pe'or, waar zij misschien wel de aanleggers der verleiding waren; en zij zullen u thans des te vijandiger gezind zijn, ter zake van Kozbie, voor wier dood zij wraak zullen willen nemen. mS iSs: 'ton orrSsM is dan tnsschenzin en de beide Sr behooren bij '3 DaS on D'-nx. Anderen: zij hebben u vijandelijk behandeld door hunne listen, die zij tegen u gebezigd hebben door middel van Pe'or en vooral door middel van Kozbie; de beide w Sj? behooren dan bij ddS iSsj ton; in deze opvatting is echter niet duidelijk, waarom Kozbie's dood hier vermeld moet worden. — Djinx, hunne bloedverwante, voor wier dood zij bloedwraak zullen willen nemen. — -nrs im Sj? nsjnn dto, op den dag, dat onder Israël wegens den Pe'or-dienst een sterfte was uitgebroken, is zij door eene gewapende hand, niet door sterfte, verslagen, -nrs -qi Sï behoort niet bij ronn, maar bij nsjon.

Hoofdstuk XXVI begint met imx vto ; de Massora plaatst een pauze tusschen voor- en nazin, vermoedelijk om goed den nadruk te leggen op het feit, dat de hier volgende telling na de Shittiem-sterfte plaats had. Dit heeft echter met de niet van Joodsche zijde afkomstige hoofdstukken-indeeling niets te maken. — Aanleiding tot de telling op het einde der veertigjarige omzwerving, gaf de spoedig op handen zijnde verovering en verdeeling des lands, waarvoor de tegenwoordige getalsterkte bekend moest zijn. Na de vele sterften van allerlei aard, die sinds de vorige telling (begin van ons boek) hadden plaats gevonden, was nieuwe telling ter bepaling van het getal zeker noodig.

3. oriX *' * 13quot;rigt; sprak tot hen erover, zeggende : //•••■ van twintig jaar oud en daarboven laat u tellen, en in de lijsten opnemen,quot; — 12T met den 4den naamval, evenals Gen. 27,4. De oudsten des volks moeten ook hier aan de telling hebben deelgenomen en sommigen zien die hier in onis aangeduid; dan moet vs. 4. worden aangevuld : zult gij tellen. —

Anderen; in, hier; tellen, evenals Recht. 7,15, DlSm quot;ISpO. verhaal

van den droom beteekent, zoo omgekeerd nat, eig. spreken, voor: tellen__

inxS, terwijl hij hun zeide zich te laten tellen van twintig jaar af. — Sntoi 1J3i nw» n.s, v. s. geboden had Mozes en de kinderen Israels; dan zou

117

ocr page 239

13 na Drwö vp

-by DS1? übb bn oniï ^ : Dni« ^

- v** t j : ' ^ v -: •»••• •• ; • : v^t •• r : i -•• it

nasn orm ?no N^rra -iiys-nai

jr \ - t-jit:* lt;•: - -ct -; -;

a * nöüsn nnK ♦nn : II^Ö nfiaarrDi^«

f,r ~ - jquot;-:!- i.*:~ i ; : ^ v.tquot; - ~ i:

: Ion1? rrisn nn^-p nybit n^D-^N mn» idn'I

i •• Iv,quot; - I ^-11- I v ot't : v sv : v •„• t : v lt;-

n:v on^ po 1 ^rnN ik'^3

•)t t ^Jquot; : '.• i v • •• t; • iquot; : j-^-: t -* v :

ntrD nm : ^^2 N^Ï ar\bn n^oi ^

iquot; t : * : vt t gt;•• t at -: ■*•• ; t^: t

: Iön1? inT na^a Dnx jnan

♦aai ruroTiK nin» nix n^oi rw on't^y raö ^

•»•• : v v «t : t * v -: i- t : at t ^t t r: •v _ i .)•.• *

^xnt^ iiaa * : onvD pNO D^ï»n ^

tgt;quot; t : • j : 1^quot; ; • it ; • i vjv •• ^ ; i - •• t; *

men echter b.sicn ijs nsi verwachten; anderen = 'mV, ten opzichte van, met betrekking tot de kinderen Israels; anderen brengen naar Septuaginta de slotwoorden van ons vers in verband met het volgende; en de kinderen Israels, die uit Egypte getrokken waren, zijn: Ruben enz.; hier worden echter de i'amiliën niet naar de D'iïn \srp, maar naar de Di-iïn 'S3, naar de naar Egypte gekomenen genoemd ; bovendien zouden de woorden DWgt;n enz. geheel overtollig zijn. Wij volgen daarom de eerstgenoemde opvatting, — gelijk God Mozes en Israël, toen zij eerst sinds kort uit Egypte gelrokken waren, in het eerste en later nogmaals in het begin van het tweede jaar, geboden had (Ex. 38,26 en Num. 1,3).

5. De hier volgende lijst van familiën, die uit Jakobs nakomelingen zijn voortgekomen, sluit over het algemeen met de naamlijst der naar Egypte gekomen nakomelingen van JaTkob, Gen. 46,9 —24. De afwijkingen, die wij achtereenvolgens zullen behandelen, betreffen soms den vorm der eigennamen, soms de opgegeven afstamming, en ook wel het aantal bij iederen stamvader gegeven zonen of kleinzonen, daar hier soms namen zijn weggelaten, die Gen. t. a. p. zijn genoemd. Zij laten zich gereedelijk verklaren eenerzijds door klank- of grammaticale overeenstemming, anderzijds door het uitsterven van familiën in den loop des tijds. Het vormen van een grooter of kleiner aantal stamfamiliën in één stam hangt niet samen met de getalsterkte, daar bijv. Benjamin met 45000 man zeven. Dan met 64000 slechts één stamfamilie telt. Dat soms kleinzonen der zonen van Jakob als familiehoofden genoemd worden, schijnt zijn oorzaak hierin te vinden, dat enkele takken eener bepaalde familie grooter betee-kenis kregen en zoo eigen familiën vormden, invloedrijke, in zekeren zin een zelfstandigen kring vormende geslachten. — i3jnn. De uitgang ■gt;— als

geslachts- of plaats-aanduiding wordt, als het kan, achter den grondvorm van het woord geplaatst; bij opeenstapeling van klinkers met tusschen-voeging van een zooals •oSü van nSur, -ois van nis; soms, als het stamwoord op 'j eindigt, met uitstooting dezer letter, 'nr: van pyj. Eindigt het stamwoord reeds op '— dan blijft het onveranderd, zooals n1?

enz.; soms ook als het op n— eindigt, zooals ruis', vs. 44.

ocr page 240

N U M E R I XXVI.

de zonen van Ruben: Chanoch, de familie der Chanochieten;

6 van Palloe, de familie der Palloeïeten. Van Chetsron, de familie

7 der Chetsronieten; van Karmie, de familie der Karmieten. Dit zijn de familiën der Rubenieten ; hunne gemonsterden waren

8 drie en veertig duizend zeven honderd en dertig. En de zonen

9 van Palloe Elieab. En de zonen van Elieab: Nemoeël, Dathan en Abieram ; die Dathan en Abieram zijn het, opgeroepenen der gemeente, die opgehitst hebben tegen Mozes en Aharon bij de samenspanning van Korach, toen zij ophitsten tegen den

10 Eeuwige; — En de aarde haren mond opende, en hen met Korach verslond, waarbij ook de aanhang stierf, doordien het vuur de tweehonderd en vijftig mannen verteerde, — en die

11 hierdoor tot een waarschuwingsteeken werden. Doch de zonen

12 van Korach waren niet gestorven. — De -zonen van Shim'on naar hunne familiën : van Nemoeël de familie der Nemoeëlieten ; van Jamien de familie der Jamienieten, van Jachien de familie

13 der Jachienieten. Van Zérach de familie der Zarchieten ; van

14 Shaoel de familie der Shaoelieten. Dit zijn de familiën der

15 Shim'onieten ; twee en twintig duizend en twee honderd. — De zonen van Gad naar hunne familiën : van Tsephón de familie der Tsephonieten; van Chaggie de familie der Chaggieten;

16 van Shoenie de familie der Shoenieten. Van Oznie de familie

17 der Oznieten ; van 'Erie de familie der 'Erieten. Van Aród de familie der Arodieten ; van Ar-ëlie de familie der Ar-ëlieten.

8. quot;031, meervoud, ook al wordt slechts één zoon genoemd, — hetzij omdat men tegelijk aan de nakomelingen van dien éénen denkt (zooals vs. 29,36 en 42), of als collectief: de nakomelingschap.

9- my.-PKnp, de afgevaardigden der gemeente, of: opgeroepenen ter vergadering (16,2). — 'n bï omro • • • • «n i»s. Dathan en Abieram hitsten de gemeente tegen Moses en Aharon op, terwijl zij zelve eigenlijk tegen den Eeuwige in opstand wilden doen komen. Anderen : toen zij de mï tegen God in opstand brachten, het overige volk van God afvallig wilden maken, daar de opstand tegen Mozes indirect tegen God gericht is. — mp jnja, bij de s amenr otting van Korach, hier mï in den zin van het samenzweren, niet van de samenzicerenden. — mn, v. s. doen twisten, ophitsen, — v. a. strijd voeren.

io. trxn Sdjo rnyn niöa behoort bij elkander; zij stierven, verzwolgen door de aarde; de overige aanhang stierf tegelijkertijd, maar door een Goddelijk vuur verteerd. — d:1? wi, en zij, Dathan en Abieram, die ondergingen, zooals nooit iemand aan zijn einde kwam, werden tot waarschuwend teeken. Door hemelsch vuur zijn ook anderen nog gestorven ; van de 250 man kan dus minder goed gezegd worden; DJ1? wi. — oneigenlijk een als teeken in de hoogte gestoken zaak, v. d. de paal, waarop het staat en het teeken zelf, vaandel of iets dgl. — mp n.si üra ïSam, over Korach's ondergang zie 16,32.

ii- mp •021. naar Ex. 6,24 drie zonen, die waarschijnlijk zich van hun

118

ocr page 241

ia Drwfi n»p

: ^ban nnatyo »5:nn nnöiro Vtijn pim »33

f \-- - v.- : • quot; : • -: i- -J- ; • | -: I •• : ;

rha : wan nnöi?o 'ónab ^inxnn nnst^D rnxn1?1

vy ^ r : - - • ;- ; *• ; v i- • I : v : t

r|bilt;t d^2quot;ini onnpa rr\^ ^niNquot;in nns^Q

r.\ v * t : - : «t : v ••h*.,: j :i*- a* •• :it j : : •

^31 : 3«^K wbö *331 : nlKö JDtfh ^ nè'K wnp DT3NI rnTKin DI^KI mm ^103

v -: t^'it •»quot; *1: t • I t t 1 at • -: 1- I-«t t : v.quot; :

: nin^-^ onïns nip-nn^a priK-^i iïn

myn nto3 nip-nNi dhn n^-nx psn nnani1

at it -• : -k v : ^.jt ^ Jm t ' m T v i vt t - : * -

quot;,33!l : 03^ vn41 WH DTIKDI D^on DN tfKn V3K3 ^

... ,.. . ^ : r - • • - t «• • -; -••• •• t •* -j i-

brina^pb pyvp *32 D : ir-ia-N1? nip2' : ^3»n nnst^o r5^ nna^o ^Nioan nnöB'D

i. .it - - : -1 * t ; a* 'it quot; - v.quot; : * ' * t : • •• j : ~ ~ *

n-'K : 'biNt^n nnstro ♦mtn nnat^o nnrV ^

v v.quot; r it - quot;v.quot; : * t ; a* - quot;vquot; : * -v; «p

♦33 D : onirp hnötyo10

— : -IT T Jvr-- 1 ■)■: ^ • : Squot;: lt;»• . : ' quot; ■' : ^'

'3nn nnat^o ^laïn nnsü'o ?iaï^ bn'na^ob -13

a* - i- quot;vquot;ï* * quot; : * : ~ 1 ;• t ;;•: .t

nnöB'o nv1? ^TNnnnaPD :»3!iu'nnnaiyD WSto

-v- : . .•-... rt jtit -v.quot; : * ':r: r - ;

: ^ninh nnSEto nn«n nnst^o ninK1? : n^n quot;

r •• ; - it ' : •••;-: a* -j it : -: 1- r^'it

vader hadden teruggetrokken en daarom niet met hem omkwamen, (vgl. 16,32), werden de stamvaders der Korachieten-familie (vs. 58), wier leden dikwijls in de Kronijken genoemd en aan wie als zangers elf psalmen worden toegeschreven of opgedragen.

12—14. Shim'on, van wien Gen. 46,10 ze.1! zonen genoemd worden, vormt slechts vi/f familiën; Ohad schijnt namelijk kinderloos gestorven te zijn of zijne nakomelingschap had te weinig beteekenis om een eigen familie te vormen, — öf was geheel uitgestorven. Nemoeël heet Gen. 46,10 J e moeël, een gewone kleine afwijking in namen, waar Noen en Jod vaak afwisselen. — Van Nemoeël, den zoon van Elieab, vs. 9, stamt geen eigen familie af, daar Elieab's nakomelingschap in haar geheel zelf een deel van de familie vormt.

13. Zérach heet Gen. t. a. p. Tsochar, en wat de beteekenis van den naam, èn wat klank betreft bijna overeenkomende.

15. prjjj heet Gen. 46,16 |vsï, misschien met het oog op de vorming van den familienaam verkort.

16. ^JfJC heet Gen. t. a. p. Elshon, waarschijnlijk een andere naam voor denzelfden persoon, wat zéér dikwijls voorkomt. — De volgorde is hier, evenals hoofdstuk 1, naar de legering; dus Ruben, Sim'on, Gad.

ocr page 242

N U M E R I XXVI.

18 Dit zijn de familiën der zonen van Gad naar hunne gemon-

19 sterden ; veertig duizend en vijf honderd. — De zonen van Juda: 'Er en Onan; doch 'Er en Onan waren gestorven in

20 het land Kena'an. Dus waren de zonen van Juda naar hunne familiën : van Shéla de familie der Shélanieten : van Pérets de familie der Partsieten; van Zérach de familie der Zarehieten.

21 De zonen van Pérets waren: van Chetsron de familie der

22 Chetsronieten ; van Chamoel de familie der Chamoelieten. Dit zijn de familiën van Juda, naar hunne gemonsterden ; zes en

23 zeventig duizend en vijf honderd. — De zonen van Jissachar naar hunne familiën: van Thola' de familie der Thola'ieten ;

24 van Poevah de familie der Poenieten; Van Jashoeb de familie der Jashoebieten ; van Shimron de familie der Shimronieten.

25Dit zijn de familiën van Jissachar, naar hunne gemonsterden;

26 vier en zestig duizend en vier honderd. — De zonen van Zeboeloen naar hunne familiën: van Séred de familie der Sardieten ; van Elon de familie der Elonieten; van Jachleël

27 de familie der Jachleëlieten. Dit zijn de familiën der Zeboeloe-nieten naar hunne gemonsterden, zestig duizend en vijfhonderd.—

28 De zonen van Joseph naar hunne familiën: Menasshé en

29 Ephrajim. De zonen van Menasshé : van Machier de familie der Machierieten ; en Machier bracht Gil'ad voort; — van Gil'ad

30de|familie der Gil'adieten. Dit zijn zonen van Gil'ad: le'ézer de familie der le'ëzrieten; van Chélek de familie der Chel-

31 kieten. En Asrieël de familie der Asrieëlieten; van Shéchem

32 de familie der Shichmieten; Van Shemieda' de familie der

19. 'Er en Onan waren kinderloos gestorven nog in het land Kena'an; ook Gen. 46,12 is dit vermeld ter verklaring van het feit, dat zij niet naar Egypte kwamen.

20. Wij hebben een familie Zérach in Shim'on en eene in Juda, een familie Chetsron in Ruben en eene in Juda. — Chetsron en Chamoel, die bij de komst naar Egypte reeds geboren waren, vormen afzonderlijke familiën, terwijl de overige zonen van Pérets samen de familie Pérets vormden.

21- j'IÖ '33 Vm, de zonen van Pérets, toen hij naar Egypte kwam, waren, zie Gen. 46,12. Hij had echter later meerdere zonen gekregen. Anderen meenen, dat de familie Pérets slechts uit de twee takken: Chetsronieten en Chamoelieten, bestond, zuodat vs. 21 slechts nader de familie Pérets beschrijft, die dus in de familiënlijat niet als drie, maar als twee familiën wordt gerekend.

23. iJ12ngt; = 'J-ISH. welluidendheidshalve samengetrokken.

24. 3TOquot;, Gen. 46,13, staat 2ïgt;, — wederom twee verschillende namen, die vermoedelijk gelijke beteekenis hebben, daar ai' van een stam is, die in het Arabisch terugkeeren beteekent.

28. Menasshé en Efrajim worden naar ouderdom genoemd en geteld.

119

ocr page 243

13 orwö i3»p

i^Dm«]bts Drin^fi1? nr^a HnöB'ö nVK^

pxa tiiKi no»quot;! tiiNi min' ♦ja D : n1NöB, nna^o onns^D1? nw^a vn»! : 3

. tj.. - — ; • t •• : t ; : • ; t : r* ; -» : r- I^-it :

-♦:D vn»! : ♦nnrn nnö^p nnb ♦ïnsn nns^p ^nsS « : ♦ViDnn nna^o Vión1? ♦ahïnn nnsst^D rnvnquot;? pa

r it v -v.quot; : * t : lt;s- ; v i- -^ : • I : v : | vv

^ani qbN D^nüh nirty annpab min» nnfiB'O »

jquot; -:i- |vv,v : * : st ^ av : j : : • v r'

^inn nns^D ^in onnat^ob quot;laiyty» »33 D : niKO »

^•t i - -v- : ' T T !i : | * : T T * *quot; ! • quot;

naKgt;V nnst^o : man nnatro niab ^

i ; • ; A* \ it- -v- : * t : r - - v' : ' t*., :

nrsnx onnpa1? mvv nnairo nbw : 'jhDt^n nnatro «

t : - av ••||\ï * t * j '. i ' v ■)•• i* ; * - quot; vquot; ï *

bnhö^p^a?!?? D : t]b« DWV3

nnatfq ^^n nna^o niDn hna^D iibb

- ^- ; • a* r* t quot; v* ! ' quot; ï ' : ~ quot; - : * vv ;

hVtsï www onnpa^ ^iatn hnat^ü nbx : ^Kbn'n»

|v »,•.• y • av *•'•*•.: * • !quot; j : : • v .)•• !•••:;--

: onfiNi niyjü onha^D1? eiDV ^3 D : niKö i^Dni«

•it; v : V.V - : at ; ; • ; fv.quot; ^ i •• r*-:r

n^rnx n^in -vdoi noon nnatra tso? n^jp ^3quot; nna^p ys n-?K ; n^ban nna^a ^

nna^p : ^bnn nnatfa p^nb nr^^n ^

nna^Q yratsh : ,ö3tï'n nnatro D3^i ^tnawn3''

- ; ■ t * ï i* : • - quot; V : ' v v : a* quot; r: - it

in afwijking van Num. 1 en 2 ; naar Ibn 'Ezra met het oog op Ephrajim'a in verhouding mindere talsterkte.

29. nCJO ,33. de nakomelingen, daar enkel Machier genoemd wordt. Het schijnt, dat de andere zonen van Menasshé zich tot de familie Machier rekenden; dat er andere zonen waren, blijkt o. a. Num. 32,41 en42,waar Ja-ier en Nowach genoemd worden. (Vgl. Deut. 3,14). Machier's oudste, of althans voornaamste, zoon vormde dan een eigen familie, waarin weer de voornaamste zonen op hun beurt eigen familiën worden, terwijl de minder aanzienlijke huizen onder den verzamelnaam Gü'adieten bekend blijven. Machier had meer zonen, zooals Gen. 50,23 blijkt. — -nSm Toni, en' bovendien, behalve de familie der Machierieten, bracht Machier Git ad voort, die stamvader werd van een eigen familie, en van wiens zonen zes weer nieuwe familiën vormden.

30. -tySj 'ja ilStf. Dit zijn zonen van GiVad, er zijn er echter meer, die geen familiën gevormd nebben. — itïw samengetrokken uit to 'as (Jos. 17,2).

ocr page 244

HUMERI XXVI.

33 Shemieda'ieten ; van Chéplier de familie der Chephrieten. — En Tselophchad, de zoon van Chepher, had geene zonen, maar alleen dochters; en de namen der dochters van Tselophchad waren :

34 Machla, No'a, Chogla, Milka en Thirtsa; —Dit zijn de familiën van Menasshé; en hunne gemonsterden waren twee en vijftig dui-

35 zend en zeven honderd. — Dit zijn de zonen van Ephrajim naar hunne familiën : van Shoethélach de familie der Shoethalchieten ; van Bécher de familie der Bachrieten ; van Thachan de familie

30 der Thachanieten. En dit zijn zonen van Shoethélach; van 'Eran

37 de familie der 'Eranieten. Dit zijn de familiën der zonen van Ephrajim naar hunne gemonsterden, twee en dertig duizend en vijf honderd; dit zijn de zonen van Joseph naar hunne familiën. —

38 De zonen van Benjamin naar hunne familiën : van Béla' de familie der Bal'ieten; van Ashbél de familie der Ashbelieten;

39 van Achieram de familie der Achieramieten; Van Shephoepham de familie der Shoephamieten; van Choepham de familie der

40 Choephamieten. Zonen van Béla' waren: Ard en Na'aman; de familie der Ardieten; van ^a'aman de familie der Na'amieten.

41 Dit zijn de zonen van Benjamin naar hunne familiën ; en hunne gemonsterden waren vijf en veertig duizend en zes honderd.—

42 Dit zijn de zonen van Dan naar hunne familiën: van Shoe-cham de familie der Shoechamieten. Dit zijn de familiën van

43 Dan, naar hunne familiën. Al de familiën der Shoechamieten naar hunne gemonsterden waren vier en zestig duizend en

44 vier honderd. — De zonen van Asher naar hunne familiën : van Jimna, de familie der Jimnaïeten ; van Jishwie de familie

33. Daar Tselophchad's dochters strak?, als de verdeeling des lands ter sprake komt, — met het oog waarop hier immers de telling plaats heeft, — een niet ongewichtige rol zullen spelen, wordt bij het noemen der familie der Chephrieten die tak der familie even besproken.

3fi. nakomelingschap, of: een van de zonen, daar er slechts één zoon

genoenul wordt; de overige zonen vormden geen eigen familie, maar rekenden zich tot de Shoethalchieten.

38—41. Van de tien Gen 46,21 genoemde zonen van Benjamin komen hier alleen Béla' en Ashbél met onveranderden naam voor. Dat Achieram met den daar genoemden Echie, Choepham met Choeppiem identiek is, behoeft niet gezegd te worden, terwijl Shephoepham een andere naam vyn Moeppiem is. 1 Kron. 8,5 wordt een Shephoepham als kleinzoon van Benjamin vermeld Niet genoemd zijn dns hier: Bécher, Géra en Na'araan, Rosh en Ard, die waarschijnlijk kinderloos zijn gestorven, of allhans geen eigen familiën vormden. Wel ontstonden familiën uit twee van de zonen van Béla', — die nog andere zonen had, die tot de familie Béla' vereenigd werden, — en wel uit Ard en Na'aman. namen, die met die van twee in Gen. 46 genoemde zonen van Benjamin overeenkomen. - =

■quot;sïiïï', afkorting ter vergemakkelijking der uitspraak en ter wille van de welluidendheid; evenzoo 'Ki: - ijni-j.

42. DnVii'^! Gen. 46,23: Choeshiem, omzetting dus. — 'ja, hier weer: nakomelinyschap, daar ook Gen. t a. p. geen andere zoon genoemd wordt.—

120

10

ocr page 245

id Dnrö 3p

quot;Kb -ifirm nnabïi : nsnn nna^a ifini

v •• iv jt ; t : •* : quot; r • v •• : t i* : -

n^no nnabï nua db'i nurDK »3 D^a i1? vn

tt s •'t s *■ t : t : ^ : •• ; at • •»• t •)

Dnnpfii n^:o nhSB'O : nsmi nabo nbjn ^

v ••|J\: av - ; j ; : • v vquot; it : • ; ^.t : • jt : r

bnfiK-^3 D : niNO D^om aw *

... v . ... •quot;• 1 ^ : 'v V-V r ' quot;''' *s':

npan nns^o ids1? ♦nbntrn nnsato nbrnt^b hnnspnb nnöa'O nbrn# ^3 n^i : ^nnn nnöt^a fnnV ^

-V.- ; • it'5*: -#at —^i ^ v v.quot;: ri- - quot; v,quot; : * I - - :

Dn^tjhD^tf onnpfi1? DnöN-^annsK'o nbs: :

r : 's- : •• ••I-'-..: • • - ; v iquot; ; lt; : : • v ■quot;• r tquot;iquot;t

♦33 d : dnnfib'o1? ^di»'^3 n^n ni«ü trom ^

•gt;•• : it ::• :^ Iv.quot;^ r* : v r* a •• — ii- | v^v

nnöK'ö ^gt;3n nns^p brins^pquot;? nnsi^o DSifity1? : ^quot;inxn nnsi^o DTHN1? o1'

quot;v,quot; : t ; • r ti* -:it quot;vquot; : t • -:i- lt;%•••:■ it

iik ^l?3quot;,33 vn4quot;! : 'osnn nnst^d dfiinb ♦oöikti8

j.j- ^ - v,-• •* : j:i— i- t i - ^ r ^ '• a- t i -

n^N : nna^p ni.xn nnstrp «« vm eibx d^3quot;ik,i n^on onnpfii Dhnfi^D1? ro^3-^3

jquot; : I v v.v ,•)• t . st • -: v ••I-quot;-.: at ; ; • ; K't; * iquot; :

nnöïro dnity1? onhs^ö1? p-^3 nb« d : ninü =»

- vquot; : • t : t :: *; It**: *.*lt;** i ••

♦örnirn hnö^D-bs : Dhnatra1? n nnsi^o nbK «

v t i - j • t it : ; * : i v.t j : : • v •)** a- t i -

♦:3 d : niND ^3nxi siVk n^3in onnps1? ^

■quot;* : ^ i /* : quot; : i v v,*.* •)• * ^ it t ; - av **ii\ : *

nnöB'p ♦W»'? nip»n nns^p nip»1? anhstyp1?

Dnnsnj1? p r\nsm nSs, evenzoo vs. 50; onnBü»1? i^dbj nnsrn nSs, dit zijn de fcimiUen van Dan, die zich weder in familien splitsten, doch allen onder één verzamelnaam Shoecham (of zooals vs. 50 onder de daar te voren genoemde familiegroepen) begrepen zijn; anderen: dit zijn de familiën der Danieten, naar hunne familiën gerekend; nnic», meervoud, hier dan als collectief, hoewel er slechts één familie is.

43. •'Omen nnsra Sa. Het schijnt, dat alle uit Dan ontstaan zijnde familiën, hoewel ze zeer talrijk waren, om welke reden dan ook den naam Shoechamieten behielden en zich niet naar hun engeren stamvader noemden. Sommigen meenen, dat Dan verscheidene zonen had, die allen den naam Choesh droegen; Choesh i e m, de meervoudsvorm van Gen. 46,23, beteekent dus; meerdere Choesh. Dan zijn hier ook die meervoudsvormen daarmede te verklaren

44. Se'rach, die Gen. 46 ook genoemd is, vormt toch geen familie. Gen. t. a. p. wordt ook nog Jishwa onder Asher's zonen genoemd, die alweer óf kinderloos gestorven is, óf te weinig en te min belangrijke nakomelingen had om een eigen familie te vormen.

ocr page 246

N U M E R 1 XXVI.

45 der Jishwieten ; van Berie'a de familie der Berie'ieten. Van de zonen van Berie'a; van Chéber de familie der Chebrieten; van

46 Malkieël de familie der Malkieëlieten. En de naam der dochter

47 van Asher was Sérach. Dit zijn de familiën der zonen van Asher naar hunne gemonsterden ; drie en vijftig duizend en

48 vier honderd. — De zonen van Naphthalie naar hunne familiën: van Jaehtseël de familie der Jaehtseëlieten; van Ooenie de fa-

49milie der Goenieten; Van Jétser de familie der Jitsrieten;

50 van Shillém de familie der Shillemieten Dit zijn de familiën van Naphthalie, naar hunne familiën ; en hunne gemonsterden

51 waren vijf en veertig duizend en vier honderd. Dit zijn de gemonsterden van de kinderen Israels; zes honderd en één duizend zeven honderd en dertig.

53 52 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Aan dezen zal het land als erfgoed toegedeeld worden uaar telling der namen.

54 Voor die talrijk is, zult gij zijn erfdeel grooter doen zijn, en voor die minder in getal is, zult gij zijn erfdeel kleiner doen zijn;

45. quot;13nSj Gen. t. a. p. staat 13)1; afwisseling van lange en korte

klank, die bij namen meer voorkomt. Berie'a had meer zonen, die geen eigen familiën vormden, maar wier nakomelingen tot de familie Berie'a gerekend werden.

121

51. Het totaal is hier 601.730, Num. 1 was het 603.550, beide keeren zonder de Levieten mede te rekenen, — ecne totaal-vermindering dus met 1820 personen. Ter vergelijking plaatsen wij de cijfers voor de verschillende stammen hier naast elkander; wij krijgen dan;

STAM.

Telling in het 2de jaap.

Telling in het 40ste jaar.

Vermeerdering.

Vermindering.

Ruben ....

46.500

43.730

— 2.770

Shim'on . . .

59.:-)00

22 200

— 37.100

Gad.....

45.650

40.500

— 5.150

.Tuda ....

74.600

76.500

1.900

jlssachar. . .

54.400

64.300

4- 9.900

Zeboei.cen . .

57.400

60.500

4- 3.100

Menasshé . . .

32.200

52.700

-j- 20.500

Epiirajim . . .

40.500

32.500

— 8.000

Benjamin . . .

35.400

45.600

4-10.200

Dan.....

62.700

64 400

1.700

Asher ....

41.500

53.400

11 900

Naphthalie . .

53.400

45.400

— 8.000

603.550

601.730

59 200

— 61.020

Totaal — 1620

Vooral Shim'on ia zeer sterk verminderd, waarschijnlijk vooral tenge-

ocr page 247

15 orwè top

nnö^p nan1? njHn ^n1?: ^nan nnstyp n^n^1? ^»n ™ : nnif naw-na ow : nnstrD nann «

-it vquot; t - jquot; : r •• r :-- - v,- : • •••;-: a- ; v i-

C]7Nt D^pni n^B' onn^fiquot;? nhs^p n^K«

SNïn^DrinsB'pb ^Sna: ^2 D : rixa nnst^D : ^in nnstyo ♦JU1? ^«ïn»n nns^Q®»

-^- j . ....... ,. - -v- . . . . A. ,. . . ._ - v.quot; J *

^na: nns^o nbx : nnstrD q-j^V nï»n3

V,- T : - j : : - v . •• • ; a- : • -

: ni«a D^aiKi namp;an ohnnsn Dnnzamp;o1?

1 •• ^: I *•* v•' v' t x— t st ■ -i v ••|-\: ^ ; : • :

niNQ ynw t^sii nbx nipa nbK^

V •• ^ j- ; |v lt;ST T f V VV j quot; Iquot; •• t; • —; quot; I ; V ••

3 * : D^Bh

nbn:3 rn«n pbnn nb»1? : loxb n^Q-^K nin» lann23

VT-:r; I v-jt t I j- t i- v •• t ^ i •• jv v v.t : jquot;

in^n: tryon inbn: nam aSS : niüt^ 13002 ^

n T -11- V : - - : |- : T -ii- V : - -T I •• j- : • :

volge van de sterfte te Shittiem. Waar de uit Egypte getrekkenen allen zijn uitgestorven en bovendien herhaaldelijk groote sterfte onder het volk ontstaan was, moet het aantal geboorten zeer groot zijn geweest, om na ruim 38 jaren reeds weer een zoo groot aantal twintig-jarigen te hebben, dat slechts een nadeelig verschil van 1820 personen blijft.

53. nViÓ» aan dezen, v. s. de bij deze telling als twintig-jarigen in de lijsten opgenomenen; zoodat allen, die na die telling vóór de verdeeling

twintig jaar zouden worden, van de verdeeling bleven uitgesloten, _

terwijl anderzijds het aandeel van hen, die tot de verdeeling zouden sterven, op hunne erfgenamen zoude overgaan, als den overledene toekomend goed. Anderen: aan deze stammen, — met uitzondering dus van den stam Levie; dit zou echter m. i. niet gezegd behoeven te worden, daar het reeds herhaaldelijk is uitgesproken. — nVi», als, bij wijze van erfdeel; de 'a hier gebruikt evenals Num. 18,10 D'tnpn Bips. — rruif naar de telling

van namen, zich regelend naar de in de tellingslijsten opgenomen namen; d. i. v. s. naar het aantal hier getelden, in den boven aangegeven zin; v. a. naar de verschillende namen, die in de lijsten zijn vermeld: van den stam, familie, gezin en persoon, onias rvaVi DninBivnS, — zoodat in het gebied van lederen stam de familiën, in ons hoofdstuk genoemd, een samenhangend, aaneengesloten deel zouden krijgen, in iedere familie wederom elke gezinsgroep, en daarin wederom ieder nu twintig-jarig mannelijk persoon zijn aandeel zou aangewezen zien.

54- rmn 3^gt; aan de talrijken zult g ij, de stam-autoriteit, die met de verdeeliug belast zal worden (zie 34,16 vv.), veel doen zijn. — ü\s = de 'S van 3T? moet ook hier bijgedacht worden, aan iederen stam, zooals uit mpfi ibS duidelijk blijkt; van gemonsterden kan natuurlijk alleen bij een stam, niet bij een persoon, sprake zijn.

ocr page 248

N U M E R 1 XXVI.

ieder, naar evenredigheid zijner gemonsterden, zal zijn erf-

55 deel gegeven worden. Doch door het lot zal men het land verdeelen ; naar de namen hunner v aders-stam men zullen zij

56 hun erfdeel verkrijgen. Door uitspraak van het lot zal zijn erfgoed toebedeeld worden, zoowel den talrijke als den minder

57 talrijke.quot; — En dezen zijn de gemonsterden van de Levieten naar hunne familiën ; van Gérshon de familie der Gérshonieten; van Kehath de familie der Kehathieten ; van Merarie de familie

122

58 der Meratieten. Deze zijn de familiën van Levie: de familie der Libnieten, de familie der Chebronieten, de familie der Machlieten, de familie der Moeshieten, de familie der Korchieten;

55 SnJ3 quot;jX. door het lot. Over de vraag, hoe door het lot en tegelijk naar getalsterkte het land verdeeld kan worden, heerscht tusschen de schrijvers groot verschil van meaning. In hoofdzaak staan twee voorstellingen tegenover elkander; die van Nachmanides, door Abbabanel nader verduidelijkt: dat eerst door het lot de land.sVreefc zou worden aangewezen, waar ieder der stammen zich zou gaan vestigen, dus in het Zuiden of Noorden, aan den Jordaanoever of de zeekust enz.; dan zou in die streek over den stam de bodem naar getalsterkte verdeeld worden (vgl. Jos. 14,1). Eene andere voorstelling der zaak is, dat eerst aan iederen stam, overeenkomstig zijn aantal, een stuk land werd toegewezen en dat dan in dit stuk de voor ieder persoon te bestemmen stukken land door het lot werden bepaald. — Of de stukken, voor ieder persoon bestemd, in oppervlakte of in waarde gelijk waren, staat niet vast. In den Thalmoed komt de meening voor, dat de iederen stam toegewezen stukken, gelijkwaardig waren. —• Drcx nici: miioS naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij, de hier getelden, het land als erfdeel verkrijgen, d. w. z. v. s. zij zullen het land bezitten als stamgoed, de naam van den stam zal voor eeuwig aan het hun toe te wijzen deel gehecht blijven. De Thalmoed vat de woorden aldus op : naar de namen = op naam van de afstamming van hun vaders, de bij de telling in het tweede jaar gemonsterden, de uit Egypte getrokken twintig-jarigen, zullen zij erf deel krijgen, z\i zullen als erfgenamen hunner vaders het land verdeelen. Er zijn dan twee opvattingen: 1° die van R. Josuiahoe: de nu getelde twintig-jarigen krijgen één aandeel, berekend naar de hoofden der bij den Sienai getelden; zoodat bijv. twee broeders, die als twintig-jarigen uit Egypte waren gegaan en jn de woestijn waren gestorven, hun aanspraken op het land bij vererving op hun kinderen lieten overgaan; had dus de eene één, de andere negen zonen, die nu den twintig-jarigen leeftijd hadden bereikt, dan kreeg die eene alleen evenveel, als de negen anderen te zamen De het land verdeelenden, dat zijn zij, die bij de laatste telling door Mozes twintig jaar oud waren, kregen dus hun aandeel zuiver als erfgenamen hunner vaders. Het andere systeem is dat van R. Jonathan, die de beide tellingsresultaten gecombineerd in aanmerking neemt; en wel zoo, dat het aantal deelen eerst bepaald wordt naar het getal der nu getelden; dezen worden dan echter beschouwd, alsof niet zij, maar hun vaders erfden van hun grootvader, zoodat de toegewezen deelen, teruggevoerd in de opgaande lijn, dan ten slotte hun als kleinkinderen van hun grootvader toevallen. Nemen wij aan, dat A. en B., broeders, bij den uittocht uit Egypte twintig jaar oud waren; A. heeft twee, B. drie zonen, die bij de hier besproken telling twintig jaar zijn; A. en B. zijn beiden gestorven. Bij de verdeeling worden

ocr page 249

Dn:*ö Mp

pKHTiN pVn» : in^n: rn» vnpfl ^sh ™

I v at t v i v.quot; ti*^ t ^: | - i t -: i- i v,quot; % tI\ : -»• : *«

in^n: p'jnn ^nian : ibn:» onbN-niiso niDtr1?quot;

a t -i i- i v.*' t iquot; t - • it : * vt ~: i quot; j : '

p^VbnhSB'a^^n nipfi n^i D : uynb ni ^3» nnaK'D niü1? ♦nnpn nnai^ü nnpS nna^o

-V- : . r* t J * a-^tI: - - v.quot; : • Tl; • • •-. :-quot;•- • - - ; •

nnöB'D nns^p ^ nna^D i : man ™

. : . J'»! : . •gt; ,,.T: quot; ♦n-i^n nns^p ^isn niwp ^nsn nwp ^innn

nu de kinderen van A. en B. beschouwd als voor yy/deelen op te komen; die vijf deelen worden nu teruggevoerd tot bij erfenis van hun vader aan A. en B. toegevallen goed, dat zij dus gelijkelijk deelen, ieder dus 2'^ portie; de beide zonen van A. deelen dus a1/,, de drie zonen van B. eveneens 2'/2 erfportie; de eene groep krijgt dus l1/, deel, de andere i/6 deel per hoofd.

56. mSm z i)n erfdeel, of van ieder persoon, ris, öf van iederen stam, al naar mate men zich de zaak voorstelt, wat door het lot, wat door verdeeling werd aangewezen, — wn1? n yi, moet verdeeld worden t u s s c h e n den talrijke en den geringe, of: zooicel den talrijke als enz., worden toegewezen; anderen: liet oog houdende op het verschil tusschen groot en weinig in aantal. — In de opvatting, dat het lot in het stamgebied ieder persoon en familie zijn bepaald deel aanwees, moet hier er»1? ai pa ook op de familiën slaan; talrijk of niet, het stuk, al schijnt het hem te klein, dient aanvaard; hij kan zich niet over verongelijking beklagen, daar het lot het aanwijst; eene m. i. zeer moeilijk te verdedigen opvatting.

57. Ook hier zien wij weder het verschijnsel, dat de drie zonen van Levie familiën vormen, en sommigen van zijne kleinzonen, ja zelfs zijn achterkleinzoon Korach, op hun beurt wederom. Alle overige kleinzonen met hunne nakomelingschap rekenden zich tot een der drie hoofdgroepen: Gershoniden, Kehatliiden en Merai iden, hetzij om hun geringe getalsterkte of om hun mindere beteekenis en aanzien. Genoemd als eigen familiën

Sevormd te hebben zijn: Libnie, zoon van Gershon, —Chebron, zoon van ^ehath, — Machlie en Moeshie, de beide zonen van Merarie, — en eindelijk Korach, zoon vau Jitshar, zoon van Kehath, met wien de tekst weder op Kehath terugkomt, waarbij dan tevens de afstamming van Mozes, maar vooral van Aharon meegedeeld wordt, wiens nakomelingschap, de priesters, immers ook een bijzondere plaats in het volk inneemt en dus de familie der 'Amraraiden vertegenwoordigt. Mozes' zonen waren gewoneevormd te hebben zijn: Libnie, zoon van Gershon, —Chebron, zoon van ^ehath, — Machlie en Moeshie, de beide zonen van Merarie, — en eindelijk Korach, zoon vau Jitshar, zoon van Kehath, met wien de tekst weder op Kehath terugkomt, waarbij dan tevens de afstamming van Mozes, maar vooral van Aharon meegedeeld wordt, wiens nakomelingschap, de priesters, immers ook een bijzondere plaats in het volk inneemt en dus de familie der 'Amraraiden vertegenwoordigt. Mozes' zonen waren gewone Levieten, waarschijnlijk gerangschikt bij de Kehatliiden. — Niet genoemd zijn dns: Shim'ie, zoon van Gershon, en 'Oezzieël en Jitshar, zonen van Kehath; van welke allen Num. 3,21 vv. wel familiën worden genoemd; dezen waren dan mi, op het einde der veertig jaren, niet talrijk genoeg om nog als eigen stamhuizen te gelden, — öf er stond daar bij de opgave van familiën, alleen het hebben van kinderen op den voorgrond, zoodat rnifn TKwH beteekent: Shim'ie, met zijn nakomelingen, enz., terwijl men hier vooral het vormen van in zekeren zin zelfstandige farniliegroepen op het oog heeft, die in eigen kring misschien een zeker patriarchaal familierecht of iets dergelijks handhaafden en zich onder het hoofd der familie stelden als leden van één groot gezin. — iiSn, de Levieten, vs. 58. — iiS, in het begin vau het vers, is de naam van Jakobs zoon.

ocr page 250

N U M E R I XXVI, XXVII.

59 en Kehath had 'Amrarn voortgebracht. En de naam van 'Amrams vrouw was Jochébed, de dochter van Levie, die zij Levie in Egypte had gebaard; zij baarde van 'Amram:

60 Aharon en Mozes, en Mirjam hunne zuster. Aan Aharon werden

61 geboren Nadab en Abiehoe, El'azar en lethamar. Doch Nadab en Abiehoe stierven, toen zij vreemd vuur brachten vóór den

62Eeuwige. Hunne gemonsterden waren drie en twintigduizend, al het mannelijke van een maand oud en daarboven ; want zij werden niet gemonsterd te midden van de kinderen Israëls, want hun zou geen erfdeel gegeven worden te midden van de

63 kinderen Israëls. Dit zijn de gemonsterden door Mozes en den priester El'azar, die de kinderen Israëls gemonsterd hebben in

64 de valleien van Moab bij den Jordaan, tegenover Jerécho. En onder dezen was geen man van de gemonsterden door Mozes en den priester Aharon, die de kinderen Israëls in de woestijn

65 Sienai gemonsterd hadden. Want de Eeuwige had aangaande hen gezegd: «Sterven zullen zij in de woestijnquot; ; er bleef dus geen man van hen over, behalve Kaleb, de zoon van Jephoenné, en Jehoshoea', de zoon van Noen.

1 Nu naderden de dochters van Tselophchad, den zoon van Chépher, den zoon van Gil'ad, den zoon van Machier, den zoon van Menasshé, uit de familiën van Menasshé, den zoon van Joseph; en deze waren de namen zijner dochters: Machla,

2 No'a, Chogla, Milka en Thirtsa; — En zij kwamen staan vóór Mozes en vóór den priester El'azar en vóór de vorsten en de geheele gemeente, aan den ingang van de tent der samen-

3 komst, zeggende : «Onze vader is gestorven in de woestijn; hij is echter niet geweest onder de groep, die tegen den Eeuwige samengespannen hadden bij de samenspanning van Korach;

59- mS' die z ij, Levie's vrouw, had gehaard, nadat Jakob en

zijn gezin in Egypte waren gekomen. Hoewel El'azar en lethamar reeds kinderen hadden, misschien ook wel reeds kleinkinderen, hebben deze toch geen eigen familiën gevormd; de priesterschap bestaat quot;op het oogen-blik, waarvan hier sprake is, uit één familie: de Aharoniden; vandaar dat over Aharon's nakomelingen, waar het om opsomming van familiën te doen is, verder niet wordt gesproken.

65. ono vm xbi, geen man was overgebleven; daar enkel mannen

geteld w,erden, moet hier ex gebruikt worden, ook al neemt men aan, dat de vrouwen ook weggestorven zijn. De stam Levie was v. s. van de sterfte uitgesloten. Hoewel men dan vs. 64 en 65 vóór de opgave van de getalsterkte der Levieten zon verwacht hebben, laat zich toch de plaatsing Hier verzen goed verklaren als slot van het hoofdthema van ons hoofdstuk: de telling der 20jarige Israëlieten. Het is anderzijds niet te ontkennen, dat telling der Levieten overbodig zou zijn geweest, als ook niet onder hen groote verandering in het aantal was ontstaan. Echter verlieze men niet uit het oog, dat er, zij het dan ook niet tengevolge van het Goddelijk strafvonnis van Num. 14,30, heel wat bejaarde Levieten kunnen gestorven

123

ocr page 251

n ID onyfi jap

-na naii» i d^i i -iSm nnpi ^

^ - v v t : v •»quot; -»•• : it : v r ^ ^tI#;

rinx-nx ainfi nVm onxoa nb1? nnK mV n^N ^

i -ii- v t ; ; v ■«•• - 'at; • : ; ot ^t:it v -s •••

-n«i Dnrnx rSnx1? nbvi : DhnN ono mi nètoTM °

v ; ^tt v I -: i- : •quot;* t*- it -: jt : m vquot; ï v v :

an: no»! : quot;lon^-nNi

^ ft • -:f- ^tt t^t- it t i* V ; v.t't : v V f, • -x

Dntpjnnj^Dirnpövrn :nin» ♦JÖ'? rnrt^N oanpna»

• v: lt;t : v ••li\; •» ; r- it : jquot;; • ^tt iquot; ^t m: - _;

♦ja quot;nina inpann n1? i »3 nVyoi trin-po nar^a

-••• : | : i:it : t -• -*• t : quot;tt^ v j i v • ^tt^ t ^ )v v

nbN : ♦ ^a Trina rrèm on1? rnr^ quot;2 'jNiir»«

v ••« ^ i** t ; * jquot; • ' : ~l'' v t i lt;- * i quot;tc •

rianva^NTf^a-nNnpö quot;iB'wrrian namp;önipa

j ^ ; •• t: • *•• : v I;it -;^iaquot; - v,* tquot; : *• ' •* . jquot;.' :

nipao ir'N rrn-K^ nb^ai : inn» rn» by a«io ^

j.. | ; . . TJT ... ... , ... | r. .. T

-♦a : wd nanoa ^a-n^ npa quot;ib'n ?rian nnKi ™

r .,T^* j' t * i vquot; t: • jquot; ; v •) i: it jv -:# ia**^ - i v-:i- :

♦a ono mir^i na-isa ino» mo on1? nin» id«

•« • v •• «- i ; at : • - t j v t t : «- t

nija naaipm d : prja n3fi»;fa aba-D«8 t3 nmv nns^o^ n^p-ja quot;i^aD-ja n^rja quot;tan-ja quot;inöbï : ny-ini na^ai n^ni njrinbno vn:a niD^n5?^ novp

it : • : vT : • jt : t ; 'r 'jt t : quot;' : •••••: |aquot; i V

DK^an ♦as1?quot;! jrian n^o \:sb nr'ó^v

hansa no wax : iax1? nna myróaij

t : . - jquot; • t i quot; vquot; ••* • quot; jquot; at it t :

nip-m^a Dnymn ni^n Ttina wirn

-Ia - -:|- ^t : o-t i - t^'it | ^ ; tt i :

zijn en door geboorten aangevuld, zoodat zij ten slotte met zeven honderd zullen zijn toegenomen in veertig jaren tijds.

Hoofdstuk XXVII. 1. nJS'lpm. ZV naderden, zonder dat er bij staat tot wien; dit blijkt echter uit het volgende vers, vanwaar rro» 'as1? enz. ook hier bijgedacht moet worden, zoodat hier de uitdrukking ijsS aip, eerbiedig naderen met een verzoek, gebezigd is. — rnBcn1? enz. Tselophchad, die behoorde tot de familiën, gesproten uit Menasshe', en wel tot de familie der Chephrieten. Sommigen verbinden nnscn1?...roaipm, zij naderden tot de familiën van Menasshe', zoodat zij hare zaak eerst voor de hoofden van hun stam, de familiechefs, zouden hebben gebracht en, eerst toen dezen zich onbevoegd hadden verklaard, zich tot Mozes zouden hebben gewend. Voor naderen tot wordt echter gewoonlijk Ss aip gebruikt, niet 'h sip.

2- myn Ssi. ook hier waarschijnlijk; de raad der oudsten, de vertegenwoordigers der gemeente, zie ook vs. 21. De geheele gemeente zal toch wel niet steeds aan den ingang des heiligdoms verzameld zijn geweest.

3- quot;13103 no lyajC» onze vader is, evenals alle uit Egypte getrokkenen, in de woestijn gestorven tengevolge van Gods algemeen vonnis. — rm xS «wi

ocr page 252

N U M E R I XXVII.

maar voor zijne zonde is hij gestorven en zonen had hij niet.

4 Waarom zal de naam van onzen vader uit het midden zijner familie verdwijnen, omdat hij geen zoon heeft ? Geef ons een

5 erfelijk bezit te midden der broeders van onzen vader!quot; Mozes bracht hare rechtzaak vóór den Eeuwige.

7 6 De Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt -. «Juist spreken de dochters van Tselophchad ; geven zult gij haar een bezit als erfdeel te midden van de broeders van haren vader; en gij

8 zult het erfdeel haars vaders op haar doen overgaan. En tot de kinderen Israels zult gij spreken, als volgt; Iemand, die sterven zal, en hij heeft geen zoon, dan zult gij zijn erf-

9 deel doen overgaan op zijn dochter. Indien hij geene dochter heeft, dan zult gij zijn erfdeel geven aan zijn broeders.

10 En indien er van hem geene broeders zijn, dan zult gij zijn

11 erfdeel geven aan de broeders van zijnen vader. Maar indien er ook van zijn vader geene broeders zijn, dan zult gij zijn

enz., hij heeft niet behoord tot de mi-, voor één plan samengekomen groep, die tegen den Eeuwige samenspande, mp mra, hij gelegenheid van de samenspanning van Korach; de '3 is hier m. i. niet synoniem met -pre, zoodat nip rnra eenvoudig nadere toelichting van het voorafgaande zou zijn. Wat de zaak betreft, merkt SlPOliNO en ook de Tlialmoed op, dat dus klaarblijkelijk de deelnemers aan dit oproer voor hun persoon alle erlaanspraken verloren hadden ; in het boven 26,55 gegeven stelsel zouden dus de zonen van dezen, voor zoover zij niet mede waren omgekomen, alleen hoofdelijk, maar niet tevens door de vaderslijn heen erven. Had dus Tselophchad tot die groep behoord, zijne dochters zouden met geen aanspraken zijn opgekomen. — nu ixrro ir, door zijne eigen zonde, die alleen hem, niet ook de gemeente tot nadeel strekte, is hij gestorven. R. Juda Hallevie; maar helaas, hij is gestorven, zonder dat hij zonen had; Mendelssohn ; omdat hij gezondigd had, is hij gestorven, want zonder zonde begaan te hebben, sterft men niet. Nog anderen: door zijne zonde is hij, zonder dat hij zonen had, gestorven; het niet hebben van een zoon als klaarblijkelijke hemelsche straf voor eene zonde beschouwd. — Hij had nooit zonen, wier nakomelingen misschien tegen de aanspraken der dochters zouden kunnen opkomen.

4. yijP, letterlijk: verminderd worden. Terwijl de familie van Cliépher diens zonen als stuken zal beschouwen voor de landverdeeling en, indien een van hen, een zoon nalatende, gestorven is, diens recht aan dien zoon zal overgaan, zal Tselophchad's naam verdwijnen; zijn naam zal bij de verdeeling des lands in 't geheel niet genoemd worden — ntns i:S n:n, hier: laat ons geven een erf deel, of: g e.e f, verleen ons een erf d eel. — ins, verwanten.

5. Hoewel hun zaak duidelijk en relatief eenvoudig is, brengt Mozes haar tot God, en beslist niet zelf. Hij is niet wetgever, maar wetstoe-passer en uitvoerder.

7. p, gegrond, juist. — Drros vw -pns, te midden van de broeders van haren vader, de andere zonen van Chépher; de dochters zullen te samen opkomen als rechtverkrijgenden van Tselophchad, dus als één staak onder Cbéphers zonen; of: onder de verte an ten huns vaders, de overige leden

124

ocr page 253

D onrö iDp

•ninü jrw na1?: i1? vh-n1? no iNt3nr»3 ^

| j . • T r* lt;_t * t-'t i jr v,- t •• j ; v ; r

: 'ns -iina ninx i:b-n:n ?3 i1? ra ^ irinsirQ

,. t -: | v : t •-. -: -»t t : v. ' Jquot; •)quot; ; - ; •

ö * : nin' 'asi1? rusmrnK ntJ'o mp#in

^ ^ it : r* ; • Kt t : • v •}•-• r*l; --

fnj nnni insjbï nua ri : n^Q-bx nin' -10^11

i t : • t : t : -«tlquot; 1 quot; jv '•' : v j'f

-na mnyrn dh^n ♦n« ^ina n^nj ntnN an1? ?nn

•jr ; - i- ; av • -: j- -; i ^ : t -; i~ *.. -: v t i «•• •

-♦3 BMK -joN1? nam : rnb rn^x nVn:quot;

i* -'• 0 •• -*•• ~ : t ; • jquot; : v ; I iv t l^v • -; j—: iquot;

ib j^-DNquot;! : inbnrnx orna^rn 11? px ]y\ mo;B annjiD^n^ 6 rN'DNi : vnx1? in^nrnN onnji

- ; ft' - y, i jquot; • : it v ; ^ t -;i- v jv - : «s-

-HK Dnn:i V3N1? DTIK r^'DNi : V3« in^nrnx ^

jv - ; • t : .-Ij.» . ; i* T jquot; -:i- v. t -;r

van den stam Menasslié. — nSn: jitns, een recht op hezit als erfdeel; daar naar Jos. 17,3—6 hun aandeel in eigenlijk Palaesüna ten Westen van den Jordaan lag, geschiedde de verdeeling niet door Mozes, die alleen de verdeeling van het transjordaansche land verrichtte. Ons stuk staat ook chronologisch dus geheel op zijn plaats. (Vgl. nochthans Rapopout'Erech Millien, s. v. Sjoun ps 5). — riaïni, het toewijzen van een erfenis aan eene dochter heet i^rn, óverleiden, daar hij huwelijk der erfdochter het goed na haren dood op haren zoon, die tot zijns vaders stam behoort, overgaat, of, indien althans het erfrecht van den echtgenoot op de goederen zijner vrouw als Pentateuch-bepaling, wimo, te beschouwen is, bij ontstentenis van een zoon aan den man zelf vervalt, — in ieder geval dus in een anderen stam wordt overgebracht. Met het oog daarop werd voor de dochters van Taelophchad, om bij de eerste verdeeling vermenging van stammen te voorkomen, hoofdstuk 36 een nadere bepaling omtrent haar huwelijk gegeven.

8. Na de bepaling voor het bijzondere, thans aanhangige geval, volgen de algemeene regels voor vererving, in geval iemand geen zoon heeft. Dat, als er een zoon is, deze bij uitsluiting erfgenaam is, was dus reeds bekend. — iS px pi, als hij in 't geheel geen zoon heeft, ook geen nakomelingen van een zoon meer in leven zijn, dan eerst komt de dochter — of de dochters, zoo er meerdere zijn, ieder voor gelijke deelen, — aan de beurt. Als regel van erfrecht geldt, dat descendenten van den naastgerechtigde altijd vóór ascendenten gaan ; dus bijv. een ze'fs vrouwelijk achterkleinkind van een zoon gaat vóór een dochter enz.

10. De broeders van den overledene beërven hem, naar de traditie, slechts als rechtverkrijgenden huns vaders. Men denkt hier namelijk aan het normale geval, dat de zoon niet bij het leven zijns vaders sterft; vandaar dat van het erfrecht des vaders gezwegen wordt. Gevolg daarvan is, dat kinderen van vóóroverleden broeders voor huns vaders aandeel opkomen Natuurlijk geldt ook in de zijlijn de wet, dat bij ontstentenis van mannen, de vrouwen erfgerechtigd zijn en, eerst als ook dezen ontbreken, men in een verderen graad opklimt.

11. De algemeene regel, waarvan de wetten vs. 9 en 10 uitvloeisels zijn; de erfenis gaat over -op den hloedverwant, iw, die hem het naast

ocr page 254

N U M E R I XXVII.

erfdeel geven aan zijnen nabestaande, die met hem het nauwst verwant is uit zijne familie, en hij zal het erven. Dit zal den kinderen Israels tot eene bepaling van recht zijn, gelijk de Eeuwige Mozes geboden heeft.quot;

12 De Eeuwige zeide tot Mozes: „Bestijg dezen berg van den 'Abariem, en zie het land, dat Ik den kinderen Israels gegeven

13 heb. Als gij het gezien hebt, zult gij tot uw volkeren verzameld

14 worden, ook gij, gelijk uw broeder Aharon verzameld is; Toen gij aan Mijn bevel ongehoorzaam waart in de woestijn Tsin, bij het twisten der gemeente, om Mij door het water als heilig te doen erkennen vóór hunne oogen; — dat zijn de Twist-

15 -wateren van Kadesh in de woestijn Tsin.quot; — Toen sprak Mozes

16 tot den Eeuwige, als volgt; „Stelle de Eeuwige, God van de geesten van alle vleesch, toch een man over de gemeente

17 aan; Die vóór hen zal uitgaan en vóór hen naar binnen zal

faan en die hen zal uitvoeren en hen weder zal naar huis rengen; opdat de gemeente des Eeuwigen niet zij, als kleinvee,aan en die hen zal uitvoeren en hen weder zal naar huis rengen; opdat de gemeente des Eeuwigen niet zij, als kleinvee,

18 dat geen herder heeft!quot; De Eeuwige zeide tot Mozes: „Neem u Jehoshoea', den zoon van Noen, een man, in wien

bestaat, tgt;Ss :ipn, en tot zijne familie behoort, inns»?}», d. w. z. uit dezelfde vaderlijke lijn; afstamming uit ééne moeder geeft geen erfrechtelijke verwantschap. — no» ns 'n mx -loxs, de 3de persoon hier gebruikt bij een voorschrift; de zin is: en het zal hun een rechtsvoorschrift blijven, waarvan zij zullen zeggen: ,/wij doen, zooals God Mozes geloden heeftquot;. (Vgl. Nachmanides).

12. Na de volkstelling en de regeling van het erfrecht voor de verdeeling van het land, wordt Mozes zijn spoedige dood aangekondigd. De woorden nSj) en nsii bevatten eehter nog niet een bepaald, aanstonds uit te voeren bevel, dat eerst Deut. 32,48 gegeven wordt, — maar slechts eene aankondiging: gij zult over eenigen tijd den 'Abariem bestijgen, het land zien en dan sterven; gij hebt slechts de voorbereidingen voor de verdeeling te treffen, die gij zelve niet meer zult leiden. Dit werd dan dadelijk na de voorafgaande feiten aan Mozes gezegd, waarop hij om aanwijzing van zijn opvolger bad. Die aanwijzing door God en Jehoshoea's voorstelling aan het volk geschiedde aanstonds, wat natuurlijk niet verhindert, dat Mozes hem Deut. 31,3—8 nog eens uitvoerig op zijne taak wijst. Ook uit Deut. 3,21—28 blijkt, dat Jehoshoea' reeds vóór het Deut. 31 verhaalde als Mozes' opvolger was aangewezen, zoodat hier niet aan een kort vermelden van het Deut. 31,48 verhaalde gedacht kan worden.

13. in. Zooals uit Deut. 32,49 en Num. 33,47 en 48 blijkt, is de 'Abariem een gebergte, waarvan de Nebo. waar Mozes stierf, een top is; D'-cïn in beteekent dus: een terg, hehoorende tot het gebergte 'Abariem. ntn wijst erop, dat de Nebo niet ver van Israels legerplaats verwijderd was.

14. quot;HPJO, v. s. daar, omdat, een beteekenis, die het woord anders niet heeft; v. a. = nrsa, doordien, evenals I Sam. 28,18; Miecha 3,4; nog anderen: toen ; de zin is dan : evenals Aharon gestorven is, toen gij ongehoorzaam waart enz. Eindelijk houden sommigen aan de gewone betee-

125

ocr page 255

a Dnyfi nap

nn^ni nnK inna^ao vbx nnpn in^na

T : t : AT J-T: ^ : - ; • • •gt;T.,* J'T quot; ^ ** : * T

a : nira-nN nin» mï nt^to Datra npnb nn1?

^ IV V V.T : JT • ■)••• -II- T *• .' l-,quot;\ : ^ .. T :•lt;... .

n^ii nn ona^n in-^K rbp hk'O-VN nin» IOK«,I =gt;

«. . AVT iT j- v oquot; v v t : ^ v lt;-

nöDKii nri« nn^ni : bxiv* ♦nnj quot;it^K rixn-nx ^

jr - v:iv r r •quot; r: iquot; t : • jquot; : • * t jv -: I v t t

anno -itstos : pn« sidni nn«-D2 ^

• : v -n- | r t I j -: i- K-v:iv ^ r- -; i- tat - J

on Diryy1? o^sa nn^n nnnoa rrnanoa »3

■)•• AV quot; iquot;: ^ •{- - * jquot; •I; - : T quot; IT - * ; • I • - ; • ;

nirr^K ntbo nann D : rmano i^np nnnDquot;,oiB

^t ; v v j.. -;- Ir - ; • ^ v.quot;It j- • : iquot;

: ntyrVab nrrnn quot;ribx nin» ipa»: Ion1? «

IT quot;IT ~ AT T T ; IT Jquot; v.* T : IJ : • I ••

*)m\ ik'KI DH^SS tiy on^s1? «vp^Kquot; : ny'i Dnb-rx its'N nin» h'nn nS Dtvy

nv v-'t I Jquot; jv -: I - ^t i j~~~z v : r lt; : aquot; *

■quot;JB'K wx prfa ^jyin^-nx ^quot;rnp ns'D'b'N njn» irzü^

kenis: evenals, vast, en verklaren; gij zult sterven gelijk Aharon, evenals gij beiden ongehoorzaam waart enz. — 'S rs. Mijn bevel, dat luidde: •wnpnS enz. deze woorden geven den inhoud van het bevel aan; Ibn'Ezba : gij waart weigerachtig, Djrnn, om Mij te heiligen; anderen : toen het gold Mij te doen heiligen. — pt -om cip, Kadesh van de woestijn Tsin, ofimis = isnna, Kadesh in de woestijn Tsin.

15. Het door Mozes uitgesproken gebed om dit besluit alsnog af te wenden, wordt Deut. 3,24 en 25 medegedeeld, doch hier niet, om de hoofdzaak : de bede om de aanstelling van zijn opvolger, aanstonds op de mede-deeling van zijn aanstaanden dood te doen volgen.

ie. -IP3 SaS nnnn viSnv ook hier bij de mededeeling van een vonnis; zie 16,32; aan dat vonnis onderwerp ik mij — maar Gij, die de gemoederen kent en de harten peilt, kies Gij den waardigste tot mijn opvolger.

17. DrrjflS quot;lU'N. mi nï1 beteekent: heen en u-eer, in en uitloopen,

dat is: de gewone zaken behandelen ; 'JbS «ai xr beteekent dus: als de leider des volks de dagelijksche aangelegenheden behandelen; dsw quot;toni enz. beteekent dan: op wiens hevel hel volk zal handelen in al zijn doen en laten ; of; die hen ten strijde zal voeren en hen behouden doen huiswaarts keeren; — het beeld is v. s. ontleend aan het herdersleven; de herder loopt dan vóór zijne kudde en leidt haar. Luzzatto : die hun zaken leiden zal, Drvos1! siri -it\s- enz. en ook in staat zal zijn hun voorganger te zijn, dwïv los enz. Anderen: die zelf als voorbeeld handelt in openbaar, tiï», en bijzonder leven, w, en ook hen evenzoo zal doen handelen osw ,dn-iïv. — run onS ps icx jsss, als kleinvee, dieren, die geen herder hébhen.

is. ia mi irx. in wien een bijzondere geest is, evenals nnn 'cjk. Num. 13,32; vgl. onze uitdrukking; „een man van geestquot;. — ■p'1 ns ronoi, uwe beide handen, zooals bij iedere handoplegging. Daardoor zal Mozes' waardigheid op hem overgaan, zal Jehoshoea' tot zijn nieuw ambt gewijd zijn.

ocr page 256

N U M E R 1 XXVII, XXVIII.

19 een bijzondere geest is, en steun uwe hand op hem. Gij zult hem namelijk plaatsen vóór den priester El'azar en vóór de geheele

20 gemeente; en draag hem zijn taak op vóór hunne oogen. Zoo zult gij van uw waardigheid op hem leggen ; opdat de geheele

21 gemeente der kinderen Israels luistere. Öoch vóór den priester El'azar zal hij zich moeten plaatsen en deze zal voor hem naar de rechtsuitspraak der Oeriem vragen vóór den Eeuwige ; naar diens uitspraak zullen uitgaan en naar diens uitspraak zullen ingaan, hij en al de kinderen Israels met hem, en de geheele

22 gemeente.quot; Mozes deed, gelijk de Eeuwige hem geboden had ; hij nam Jehoshoea', en plaatste hem vóór den priester El'azar

23 en vóór de geheele gemeente. Hij steunde zijne handen op hem en droeg hem zijn ambt op, gelijk de Eeuwige gesproken had door middel van Mozes. —

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: „Gebied den kinderen Israels en zeg tot hen : Mijne offergaven, Mijne spijze, voor Mijn vuren, Mij tot een lieflijken geur, zult gij in acht nemen,

3 om Mij, ieder op zijn bepaalden tijd, te brengen. Zeg hun dus; Dit is het vuuroffer, dat gij ter eere des Eeuwigen zult brengen : schapen onder het jaar, zonder gebrek, twee eiken dag,

4 tot brandoffer, voortdurend; Het eene schaap zult gij des morgens bereiden ; en het andere schaap zult gij bereiden tus-

5 schen de beide avonden. En een tiende van een Epha meelbloem tot meeloffer, aangemengd met een vierde van een Hien

19- nadat gij hem geplaatst zult hebben enz.; vs. 22 en 23

volgt de handoplegging eerst na het plaatsen vóór El'azar enz —mïnSs, ook hier waarschijnlijk weer: de oudsten. — ruvw, gij zult hem zijn taak, de elschen van zijn ambt, duidelijk maken en hem het reyeerdersamht opdragen-, vgl. 1 Sam. 13,14; 25,30; II Sara. 6,21; 7,11.

20. quot;pinOi v s. van uw aanzien; doordien gij hem ten aanzien des volks of zijner vertegenwoordigers tot uwen opvolger aanwijst, brengt gij uw aanzien, dat gij bij hen geniet, op hem over, — doch slechts ten deele, daar zijn macht gebonden is aan de uitspraak der Oeriem, terwijl Mozes onmiddellijke Godsspraken kreeg. Anderen: door de handoplegging draagt gij mee waardigheid of; uwe majesteit, de profetische kracht, op hem over; door hem openlijk tot uwen opvolger aan te wijzen zorgt gij, dat geheel de gemeente der kinderen Israels, het geheele volk, naar hem zal luisteren.

21. zal hij, telkens als hij Gods oordeel wil of moet inwinnen, zich moeten plaatsen; naar den Thalmoed vooral bij beslissing over oorlogsverklaring. — iS Sïtn, en deze, El'azar, zal voor hem, Jehoshoea', vragen; anderen : en hij, Jehoshoea', zal hem, El'azar, vragen. «Iemand iets vragenquot; wordt echter steeds uitgedrukt met: '3 ■ •-ntt Snït, de persoon dus in den éden, niet in den 3den naamval, vgl. ook I Sara. 22,15. — 113 Sr, op zijn, El'azars, uitspraak. — rnrn Ssi, nadat de kinderen Israëls genoemd zijn, kan natuurlijk niets anders beteekenen dan: de oudsten.

Hoofdstuk XXVIII. De in dit en het volgende hoofdstuk behandelde

126

ocr page 257

ro TD onrfi i3p

hsh im mo^ni : vbjr TVTW mödi 13 nii lt;='

JT^r : v •• : • jt ; -^i- ; it't u :t jt ; - it r a - -•

Trinönnnn .•Dn^^mknnnïi n-i^n-^a ?ri3n =

vl : i •• -it; iv •• iquot;; ^ ^t * * : at^'it t ; i

nr^N ^3 nn^quot;^3 J^Ü1? vby«

va-^ nin» omxn DStroa i1? iby irisn

- at :-»••:• v,* 't j' : ' : •) - jt : -:\' i quot;

: m^n-boi lm Nin vö-Vjri

^ ^ it it t : v, * t : • iquot;: t : •) t -quot; . : ï ''*

^ln,_nK np»i inNnin» mï nibo 33

•• • ^ji—\ : v Ij—- a {.t'. jt • •)••• -i i- v ^ ^-j—

v^-nx TpD'i : m^n-Vs ♦IÖ^I rrian ^Ö1? »

vt*t ott v |s : •- it^mt t v.quot; : * ï 'quot; quot; jtquot;t ; v •• : •

a * : ntrQ-TS nirr 131 quot;iirK3

iv - ; ^t -»v • .)••• -: i- aquot;- : quot;

nnoNi VNniy» ^3_nN IÏ : quot;ioxb n^D-bK nin* i3Ti n ^

^t : - it : ,.quot; t : • v -« i •• jv ^ v j.t : jquot; -:quot; 2

3npnl? T-bi^n 'nn^ nn ♦ón'? ':3ip-nK Dn1?^

j'\: - : ; : • • r -••lt;-• ;^ • : - , • t :it v av •• -:

nlrr^ i3npr\ -ik'n né'Nn nr on1? pidni : iquot;i^i)33 ^J

at i- v*': quot; -»••• quot;: v ' |t ••'« vt jt ; - it : i -: i :

ir33n-nK : Ton rh'v oo^n d^33 ^

VJV - v i* t JT vquot; 'j' i . •)• *5 st t iquot; : • t :

: D'S'iyn ps n'^ri 'ii^n fcgsn nxi np33 n^n nn« n^»3quot;i n*n3 ra^3 rhbs nnio1? n^b ns^n nn^iquot;

v - : v,- t i •-• JV : .)t : lt;st : • : v ^ -jt ■• it s* * .1quot;

dagelijksche en voor bijzondere dagen bestemde verplichte gemeenteoffers, waarop reeds Lev. 23 met een enkel woord, als'nS nrs oraipm, gezinspeeld was, werden waarschijnlijk in de jaren van omzwerving in de woestijn niet gebracht; misschien alleen bij het begin van het 2de jaar, aan den Sienai, bij de inwijding des heiligdoms. In Palaestina gekomen, zou die plicht voor het volk intreden en dus, nu dit oogenblik nadert en tal van voorbereidingen worden getroffen voor de leiding des volks en hunne vestiging in het land, wordt hun uitvoerig gezegd, welke offers zij dagelijks, wekelijks, maandelijks en op de bijzondere gedenkdagen zouden hebben te brengen.

2. 'J3quot;ip, hel offer Mij ter eexe, zie Lev. 1,2; hier collectief. — icxS, voor Mijne altaar-wwrni, van rs; anderen; tot vuurgaven Mij ter eere, — van ntrx- — De zin is: het door Mij voor iederen gewonen en bijzonderen

dag voorgeschreven offer zult gij telkens op zijn vastgestelden tijd brengen; ons vers is dus vooropstelling van een algemeen beginsel, — een soort opschrift; daarom begint de omschrijving van het eerste offer met: mosi DnS, vs. 3.

3. mrjcn nr. au is het vmroffer, dat gij dagelijks te brengen hebt; of rWN collectief; dat zijn de vuuroffers, die gij brengen moet, 1° dagelijks, enz.— dvS voor eiken dag; — rnr, als brandoffer; Tan, steeds, zoolang de mogelijkheid bestaat, onafgebroken; vgl. Ex. 29,38—41.

ocr page 258

N U M E R 1 XXVIII.

6 sestooten olie. Een voortdurend brandoffer, dat bij den berg Sienai bereid is, tot een lieflijken geur, als vuuroffer ter eere

7 des Eeuwigen. En zijn plengoffer, een vierde van een Hien, bij het eene schaap; in het heiligdom plenge men een plengoffer

8 van wijn, ter eere des Eeuwigen. En het tweede schaap zult gij tusschen de beide avonden bereiden ; gelijk het meeloffer van het morgen-[brandoffer] en gelijk zijn plengoffer zult gij bereiden, als een vuuroffer, tot een lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen.

9 En op den Shabbathdag, twee schapen, onder het jaar, zonder gebrek, en twee tienden meelbloem tot meeloffer, met olie

10 aangemengd, en het erbij behoorende plengoffer. HetShabbath-brandoffer op eiken Shabbath, behalve het voortdurende brandoffer met zijn plengoffer.

11 Op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer ter eere des Eeuwigen brengen: twee varren, jongen van runderen, en één ram, schapen onder het jaar zeven, zonder ge-

12 brek. En drie tienden meelbloem tot meeloffer, met olie aangemengd, voor eiken var; en twee tienden meelbloem tot

6. quot;1,-13 nWn. dat b ij den berg Sienai b er ei d is, door Mozes

bij de wijding des heiligdoms, — en na dien tijd niet weer, doch dat na de komst in Palaestina weer plicht zou worden; anderen: dat vast gesteld is op den berg Sienai, en wel Ex. t. a. p.

7- pnn een vierde Hien — drie Log wijn. — nnsn casS, voor

het eene, tot nu toe behandelde schaap; niet: voor ieder schaap, daar ook bij het tweede vs. 8 uitdrukkelijk het plengoffer besproken wordt. — wpa, in het heiligdom, of: op het heilige, koperen altaar. — -jon, gebiedende wijs: pleng = plenge men; idj, een plengoffer van wijn, — noewelistr meer in 't algemeen : bedwelmende drank beteekent, — en wel: zuiveren wijn.

8. quot;ip3n nruaa = quot;iron nSy nrotsa. Sommigen verklaren ■. en met het tweede 'schaap, — dat gij bereiden zult tusschen enz. — zult gij bereiden als het meel- en plengoffer enz.; de eerste woorden van ons vers, 'jen ümh rsi Dinirn pa norn, hoewel herhaling van vs. 4, dienen dan als inleiding tot het volgende omtrent meel- en plengoffer. — iaD:ai, mannelijk aanhangsel, misschien met het oog op caa, zoodat men zou moeten aanvullen: npan V33 nruoa; Ex. t. a. p. staat: naoaai.

9 en 10. Voor den offerdienst zijn dus op Shabbath allenoodige handelingen geoorloofd, ook al vallen zij onder het begrip ros1?». Ook Lev. 23,38 was reeds op Shabbathoffers gezinspeeld, — een bewijs, dat de hier gegeven wet, hoewel om de bovengenoemde reden eerst hier geplaatst, reeds vroeger bekend was gemaakt. — qijiüï ijüi, twee tienden Epha, voor ieder schaap één; zie Num. 15,4. — nruo rho, meeloffer-meelbloem; d. w. z. bloem, zooals die gewoonlijk voor meeloffers gebruikt wordt, — d. w. z. tarwebloem. — lao:!, en het bij ieder schaap behoorend plengoffer; daarom het mannelijk aanhangsel. — irato na» rhv, het brandoffer van den Shabbath-dag op zijn Shabbath, d. w. z. het voor iederen Shabbath voorgeschreven offer, telkens als een Shabbath komt; vgl. vsna op lal, op iederen dag de voor dien dag voorgeschreven zaak. Naar analogie daarvan heeft misschien hier ira»a het mannelijk aanhangsel, hoewel naw vrouwelijk is, vgl. echter

127

ocr page 259

na Dnrs rap

: nirvS ntjw rin^ nnb ma Vwn Ton nVy : rnn1

it r v.v • quot; • - jquot;: - • : t \ ^ir a- t v.quot;^ gt; 1 quot;

^pa Tjon iy-fj53 ™n ^aa1? pnn n^an lawy nnjoa D'an^n rs n'^yn 'iirn traan htti : nin^n

- ; • ; • at ; it i -quot;* ~t iquot; • •• - v ^v - ^ : ,t 'quot;

a : nin»1? nn»: nn nm* nèpn laojai npan

it i- - v * quot; Jquot; •)quot; * v ^ i- ^ i v lt; -

Q^inirv DD^on ma^ja D^aa^at^ na^n avai0

: jquot;: a- • ; v,t t iquot; : t ; r* ; t - - :

-bv inatra naa' nbi; : laoji ro^a n^i^a nn:ö nVb'

a — : vquot; quot; 1 : • : I v v.*.* - ^t : -rr ; • v s

a : naoii n^nn nVy

^ it ; • : v,*^t -

b^T^'^a ana nin^ nbj; lanpn aa^in ^^-lai ^

•-; Ilt;tt i- ; t at i- vt rl; ~ v •• :t t;

n^sri: oo^on nyair n^-^a a^aa nnN VKI ='

; -«t ; r • : ^t; • ^tt ^ r* ; s t t v :

nVa nnxn nab rois'a nViba nmo n^b

v lt; • : v ■•quot; ; at v it ^t - I v v - jt : t ; • v lt;

Jea. 56,6. iSSnn nao itsw, waar het mannelijk gebruikt wordt = pawn ov. — Si', hij, boven en behalve; — vs. 23 staat daarvoor naS»; tevens ligt hierin, dat het dagelijksch ochtend-offer eerst, en het Shabbath-offer eerst daarna gebracht werd.

11. Na den wekelijks terugkeerenden Shabbath wordt het evenzeer periodiek terugkeerende Nieurcemaansdag-offer behandeld, hoewel de dag zelve volstrekt niet het karakter van een feestdag heeft, — waarom hij dan ook Lev. 23 niet is behandeld. Wel was Num. 10,10 onder de gelegenheden, waarbij op de trompetten moest worden geblazen, ook de Nieuwe-maansdag genoemd, een bewijs alweder, dat bij het neerschrijven dier wet bekend was, dat de Nieuwemaansdag zich door iets bijzonders onderscheidt, wat eerst hier wordt medegedeeld. Hoewel oorspronkelijk zich, behalve door liet bijzondere offer, door niets van gewone werkdagen onderscheidend, werd de Nieuwemaansdag toch later als een soort feestdag gevierd, zooals uit tal van Bijbelplaatsen blijkt. (Vgl. bijv. I Sam. 20,6; Jes. 1,3; 'Amos 8,5: II Kon. 4,'23 e. a. p.) — oa'cm iDtnai. Het woord bti, eig. vernieuwing (der maan), beteekent zoowel: nieuwemaan, als de periode van de eene nieuwemaan tot de andere, maand. Ook wcin zou dus reeds; uwe Nieuwe-maansdagen kunnen beteekenen, zooals vs. 14 inderdaad met cin het geval is. Duidelijkheidshalve is hier echter Nieuwemaansdag uitgedrukt door: bin üsi, hegin der maand. Zooals Bioer en reeds Ibn 'Ezra opmerkt, zou onder oa'c-in cs-i op grond van Ex. 12,2 in de eerste plaats de eerste Niesan, de dag waarmede uwe maandenrij geopend wordt, verstaan zijn; daarom worden hier beide woorden in het meervoud gebruikt. Daar de Nieuwemaansdag niet altijd tegelijk de eerste dag der maand kon zijn, — daar de bepaling daarvan afhankelijk was van het werkelijk gezienzijn der maan — vertale men hier liever: eerste der maand o(: Nieuwemaans/e est, hoewel mij dit laatste minder juist voorkomt, daar het eigenlijk geen feest was. — oöi«n behoort bij alle genoemde dieren, hoewel het naar de toonteekens alleen bij de schapen gezegd is.

12. intfn SwS, voor den één en ram, niet: voor eiken ram, daar er slechts één gebracht werd.

ocr page 260

HUMERI XXVIII.

13 meelofifer, met olie aangemengd, voor den éénen ram. En telkens een tiende meelbloem tot meeloffer, met olie aangemengd, voor elk schaap; een brandoffer, lieflijke geur, een vuurgave,

14 ter eere des Eeuwigen. En hunne plengoffers: een halve Hien zal het zijn voor iederen var, en een derde van een Hien voor den ram, en een vierde van een Hien voor ieder schaap, wijn. Dit is het Nieuwemaansdags-brandoffer op eiken nieuwemaans-

15 dag, voor alle maanden des jaars. En één geitenhok tot zondoffer, ter eere des Eeuwigen ; behalve het voortdurend brand-

16 offer zal het bereid worden, en zijn plengoffer. — En in de eerste maand, op den veertienden dag der maand, is het Pésach

17 ter eere des Eeuwigen. En op den vijftienden dag dier maand is een feest; zeven dagen zal er ongezuurde brooden gegeten wor-

18 den. Op den eersten dag is eene bijeenroeping tot heiliging;

19 geenerlei dienstwerk zult gij verrichten. Gij zult als vuurgave een brandoffer ter eere des Eeuwigen brengen: twee varren, jongen van runderen, éénen ram en zeven schapen onder het jaar,

20 zonder gebrek zullen zij u zijn. En hun meeloffer: meelbloem, met olie aangemengd ; drie tienden voor iederen var en twee

21 tienden voor den ram zult gij bereiden. Telkens één tiende

14. Tquot;, dat aan het einde van het eerste versdeel staat, behoort bij alle genoemde hoeveelheden — wma cin nSr, zie vs. 10. De Thalraoed verklaart ; slechts op z ij n Nieuwemaansdag te brengen, zoodat, als deze is verstreken zonder dat het offer is gebracht, dit niet later kon worden gebracht.

15. JltftsnS quot;injf OVJ/ een geitenhok tot z ondo ff er, wat wij bij alle ieestoffers terugvinden. De Thalmoed geeft nauwkeurig de verschillende verkeerde handelingen op, waarvoor ieder dezer zondoffers verzoening brengt, die allen óf in onwetendheid bedreven zijn, of waarvan de herinnering zelfs verloren is gegaan, en die voor het meerendeel vergrijpen zijn tegen het heiligdom en gewijde spijzen. — 'rh, ter eere des Eeuwigen, slaat, evenals het volgende nop, op het geheele hier omschreven offer. Wel is waar komt het bij de in dit en het volgende hoofdstuk omschreven offers nergens anders voor, dan hier, — wat aanleiding gaf tot de eigenaardiffe, door Kashib geciteerde Midrashverklaring, en tot Maimonides' opvatting (Moré 3,45); voor God, niet ter eere van de maan; — doch de uitdrukking komt overigens dikwijls genoeg voor om ook hier tot geen bijzondere opmerking aanleiding te geven. — iddji,en zijn plengoffer, van het dagelijksch brandoffer, — het mannelijk aanhangsel óf op Tttn slaande, dat zelfstandig naamwoord is, of op een gedacht, maar niet uitgesproken pip. Het zondoffer had geen plengoffer (vgl. Num. 15), het aanhangsel kan dus op ditï Tm niet slaan. — Het algemeene voorschrift van vs. 2, dat alle hier behandelde offers tom, op den daarvoor bepaalden tijd gebracht moeten worden, sluit in, dat ook op Shabbath, als daarop de Nieuwemaansdag inviel, het offer voor dien dag gebracht moest worden. Naar den regel, dat het vaker voorkomende steeds vóórgaalt, werd dan na het dagelijksch brandoffer eerst het Shabbath-, dan het Nieuwemaansoffer gebracht. 'Evenzoo bij alle feestdagen, die met den Shabbath samenvielen.

128

17

ocr page 261

na onyfi nap

nmö nbb rinifv •* quot;in«n roiba nViba rin:o ^

t : - V lt; i t ^ i j t ' : ^ it V it t i V v - jt ^ : t : •

: nirrb nm rin^ nn r6y nnxn irna1? roiba nbiba

it i- v.quot; * ~ • - jquot; t ^at v it^ qvv,vquot; » •* *•• ~ quot;jt :

Vrs1? j^nn ns1? n^pnn »ïn on^p:^ : njirn le'nna iy-in rtiy nxr p» traa1? rnn

itt - ^** : t ; :t ; v j' ^ •* i *at v^v - i ^o* -

nar n^nn rbyhy nin^ nxan1? nnx anjr «

v.v ^tiquot; •)• t - s- - at i- - ; .)t v r^* • :

Dl» ït^y n^3n«3 riK'N-in t^lnm D * : 13DJV12

v. ot •gt; jj t : - : I -it ^ V-» - i : ■ :

jn nn dv nquot;^ n^onm : nin'1? nos ^Tn1?quot;

at quot; v ) quot; •) ^t t t * -: iquot; it 1quot; quot; v a ~

trip-Nipo riB'Nnn DI»3 : niïa ^

t v|a ti: • i -it j- iquot; tiquot; v quot; 't : •

nin^ nVy n^N nranpni : T^n üh map na^ö ^

t i- t ^ lt;v • v ; -|; • : i ^—. r ^ v,t -; v jv ;

natr »J3 a^aa npa^i ma qw -ipa-^a ons

t^t ■»•• : • t : lt;t; • : atv \-; Iott r* : s-t

n^1?^ ra^a nbi^a nVa onnjai : oab vn» oo^n =

^ t ; I vat - jt i v v tt;* iv t j : r v* * !

jiT^ |in^ : T^n Vxb ié1? quot;

Ook op den eerste der zevende maand ging het Nieuwemaansdagsoffer aan dat van den feestdag (29,1 vv.) vooraf.

16. nD2. Pésach-offer-dag, zoo Num. 33,4, nosn mnss, den dag, volgende op dien van het Pésachqffer. (Vgl. ecliter Jos. 6,11, waar nas den'eersten dag van het P é s a chf e e s t beteeken t).

17. JH» Zooals Ex. 13,6 opgemerkt, een dag, waarop /eestvieringqffefs gebracht moesten worden, rij'jn ,gt;»Sr, door den offerende en zijn gezin te eten vredeoffers; v. a. van :jn, waarvan rovr;, passer, waarmede men cirkels trekt, — een kring vormen, een dag, waarop Israël zich als in een kring om zijn God schaart; het wordt dan ook alleen bij de drie opgangsfeesten gebruikt, waarop het plicht was, naar het heiligdom op te trekken en daar voor God te verschijnen. — oi»'' nvac, van den vijftiende beginnende, zeven dagen. — Sdjo, zal er gegeten worden = zal men eten. — mï» is niet onderwerp, maar eigenlijk voorwerp; S3.\quot;i rroi = m» iSoxn. Zooals Ex. 12,20 reeds opgemerkt, is het niet plicht die zeven dagen ongezuurd brood te eten, maar alleen het eten van gezuurd brood verboden, zoodat wie brood of meelspijzen van een der vijf graansoorten eten wil, die slechts in ongezuurden staat mag genieten. Misschien is met het oog daarop hier de constructie gewijzigd, daar nisu iVosn, zonder nader voorafgaande of volgende toelichting, {zooals die in Ex. 12 is gegeven) een positief gebod zou inhouden.

18. Over tip sis» zie Ex. 12,16 en Lev. 23,2; over mar rON1?» Ex. 20,10 en Lev. 23,7.

2i. D'Koan nyat?1? -inxn raDS. voor ieder schaap, en zoo voor de zeven schapen; anderen; voor ieder schaap van, behoorende tot de zeven schapen.

ocr page 262

129 N U M E R I XXVIII.

zult gij bereiden voor ieder schaap, voor de zeven schapen.

22 En één zondofferbok, om verzoening voor u te doen.

23 Behalve het morgenbrandoffer, dat tot het voortdurend brand-

24 offer behoort, zult gij deze bereiden. Zooals deze zult gij eiken dag gedurende zeven dagen bereiden, als spijze, een vuurgave tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen ; behalve het voortdurende brandoffer zal dit bereid worden, en zijn

25 plengoffer. En op den zevenden dag zal u eene bijeenroeping tot neiliging zijn; geenerlei dienstwerk zult gij verrichten. —

26 En op den dag der eerstelingen, als gij een nieuw meeloffer ter eere des Eeuwigen brengt, op uw Wekenfeest, zal voor u eene bijeenroeping tot heiliging zijn ; geenerlei dienstwerk zult

27 gij verrichten. En gij zult een brandoffer brengen, tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen ; twee varren, jongen van

28 runderen, éénen ram; zeven schapen onder het jaar. En hun meeloffer : meelbloem, met olie aangemengd ; drie tienden voor

29 eiken var, twee tienden voor den éénen ram. Telkens één

30 tiende voor elk schaap, voor de zeven schapen. Één geiten-

31 bok om voor u verzoening te doen. Behalve het voortdurende brandoffer en zijn meeloffer zult gij ze bereiden ; — zonder gebrek zullen zij u zijn, — en hunne plengoffers.

22. nKBn -iwi. een bok, als gewoonlijk voor zondoffer gebruikt wordt, een zondofferbok, d. i. een ovr tï» ; herhaaldelijk komt tïi» voor in den zin van dvï quot;v'jv. Het schijnt, dat tïü eigenlijk alleen voor een man-nelijken geit hoven hel jaar (13 maanden) gebezigd wordt, evenals W voor een schaap boven de 13 maanden; de bijvoeging van üvï dient dan öf ter voorkoming van misverstand, daar fpv in oneigenlijken zin ook wel voor schapen werd gebruikt, öf om te oud geworden dieren uit te sluiten, zoodat Dny tïü beteekent: een jonge geit, doch hoven het jaar.

23. laSö. hehalve, dat is dus; na, zie vs. 15. — T»nn rhih -ics, dat tot het voortdurende brandoffer behoort, er een deel van vormt; het namiddagoffer vormt het tweede deel ; — v. a. dat tot voortdurend brandoffer dient en daarom eerst gebracht moet worden.

24. DV1?. iederen dag, aw nio», gedurende een zevental dagen, die het leest duurt; hoewel de 2de tot en met den zesden dag minder heilig zijn dan de eerste en zevende, daar zij geen cip topD zijn en niet een zoo streng werkverbod hebben als de eerste en zevende dag, is toch het offer volkomen hetzelfde.

26. onmn ovai Ex. 34,22, dag van de eerstelingen van den tarweoogst genoemd. — nom nru» ownpro, zie Lev. 23,16. — osviraco, op utv Weken-feest = DSViïao jna; zie Ex. 34,22. — Hier is het eenige feest in de

Êeheele lijst,, waarvoor geen bepaalde datum is vastgesteld ; alleen blijkt ev. 23,16 vv'., dat het de vijftigste dag naden eersten dag van het Pésach-feest gevierd moet worden. Daar oorspronkelijk de begindagen der maanden alleen op grond van het zichtbaar worden der maan op den 30sten dag der afgeloopen maand moesten bepaald worden, en bij gebreke van vertrouwbare verklaring daaromtrent, eerst de 31ste dag van den vorigen lïieuwemaansdag de eerste der volgende maand was, zouden de maandeneheele lijst,, waarvoor geen bepaalde datum is vastgesteld ; alleen blijkt ev. 23,16 vv'., dat het de vijftigste dag naden eersten dag van het Pésach-feest gevierd moet worden. Daar oorspronkelijk de begindagen der maanden alleen op grond van het zichtbaar worden der maan op den 30sten dag der afgeloopen maand moesten bepaald worden, en bij gebreke van vertrouwbare verklaring daaromtrent, eerst de 31ste dag van den vorigen lïieuwemaansdag de eerste der volgende maand was, zouden de maanden

ocr page 263

ro oni^ üDp

nam nn«n vif? nis^n »

TDnnnV^ ij^an nhy na^P : D3^SöD^nn« » Dn) D'p^ nyzv bi»1? Y^n nV«3 : n^K-nK V^n ^ : 130:1 nwy i»onn nbivquot;1?^ nirr1? nn^rnn namp;t*

i : • : v,v *riquot; r r - Squot; ^ . at i- - v. • quot; •quot; Jquot; •

niny nDuba-bs Dpb nw irijp-wnpp bi»2i ^

nnjp DÓanpna onisan Dipi D ; Vtr^n N1? « nDtiba-hs DD1? nw DD,rij^2B'3 nin'b n^nn

nin^ nn»: nn1? n1?^ onai^ni : i^n n^« : naty '33 tffeOD nyzv -IHK VN D^tr npr^a ons

. itt •'quot; : ^ v t : quot;tt ; • atv -i- -v; |.)tt iquot; : s* t

nnttn naquot;? namp;bamp; iDamp;n nVi^a nVo Dnn:ói ^

t v it -t - • •• ^ lt;t : i v at - jt v v tt:*

nriKn pi'fv |1T^ : nn^n VKV hamp;quot;

na^o : DD^jf las'? mx on^ : Dvtr33n nrau'1? V

- ; • iv vquot; quot; : at v v* - r3- : r t : - Tquot; : * : N7

a : on^DJi D3yvn, DQ'on i^n inniDi ^ann n^r

iv •• ; • : ».vt : i* • : n ^-i i- v t : * .)- t - s-

Niesan en Ijar of beiden 29 óf beiden 30ófeen29en een 30 dagen kunnen tellen, waardoor het Wekenfeest dus op 5, 6 of7 Sievvan kon komen; vandaar dat geen vaste datum kon bepaald worden. (Vgl. onze aant. Lev. 23,21).

27. Het hier voorgeschreven offer ia het nationale feestojf'er, een geheel ander dan dat van Lev. 23, waar de feesten naar den loop des jaars en wat die meebrengt, geregeld zijn en het eigenlijke feestoffer bij de meesten slechts in den algemeenen term 'nS nra oraipni is aangeduid. Daar worden alleen de met den tijd des jaars in verband staande bijzondere offers van den tweeden dag van het' Paaschieest en van het Wekenfeest in den breede behandeld. Waar nu daar ter plaatse bij het Wekenfeest een offer wordt besproken van den dag zeil, blijft zelfs de algemeene verwijzing naar het feestoffer weg, die bij het Paaschfeest, waar het eerstelingenoffer van den gerst niet op den feestdag, maar eerst den dag daarna gebracht wordt, is bijgevoegd. Het hier genoemde feestoffer voor het Wekenfeest komt geheel met dat voor het Paaschfeest overeen, waarvan het eigenlijk het Slotfeest, jvwr, zooals het in den Thalmoed bijna constant genoemd wordt, vormt

31. DiTODJI OdS rrp DD'On irj;n, 9$ lt;le genoemde offers herei-den, — zonder gebrek zullen zij u zijn — een tusschenzin, als algemeene regel voor alle genoemde dieren, — en hunne plengoffers, voor zoover die voorgeschreven zijn, dus niet voor het zondoffer; het woord orroDJi is een tweede voorwerp bij lorr, waarbij onw verzwegen is. De Thalmoed verklaart : zonder gebrek zullen z ij, alle genoemden, dieren zoowel als meel-offers, u zijn en evenzoo hunne plengoffers; meel- noch plengoffers mogen een gebrek hebben, d. w. z. van slechte qualiteit of in meerdere of mindere mate bedorven zijn, bijv. meel van wormstekige korrels gemalen of

ocr page 264

K U M E R 1 XXIX.

1 En in de zevende maand, op den eerste der maand, zal voor u eene bijeenroeping tot heiliging zijn ; geenerlei dienstwerk zult gij verrichten ; een dag van bazuingeschal zal het voor u

2 zijn. En gij zult een brandoffer, tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen bereiden ; één var, jong van een rund, één ram;

3 zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En hun meel-offer, meelbloem, met olie aangemengd: drie tienden voor den

4 var, twee tienden voor den ram; En een tiende voor ieder

5 schaap, voor de zeven schapen. En één geitenhok als zond-

6 offer, om verzoening voor u te doen. Behalve het brandoffer van den nieuwemaansdag en zijn meeloffer, en het voortdurende brandoffer en zijn meeloffer, en hunne plengoffers naar hun voorschrift; tot lieflijken geur, een vuurgave ter eere des

7 Eeuwigen. — En op den tiende dier zevende maand zal voor u eene bijeenroeping tot heiliging zijn en zult gij uw personen

8onthouding opleggen; geenerlei werk zult gij verrichten. Gij zult een brandoffer brengen ter eere des Eeuwigen, tot lieflijken geur; één var, jong van een rund, één ram, zeven schapen

9 onder het jaar; zonder gebrek zullen zij u zijn. En hun meeloffer, meelbloem, met olie aangemengd: drie tienden voor den

10 var, twee tienden voor den éénen ram ; Telkens één tiende

11 voor elk schaap, voor de zeven schapen. Eén geitenhok als zondoffer: behalve het zondoffer der verzoening en het voortdurende brandoffer, en zijn meeloffer en hunne plengoffers. —

12 En op den vijftienden dag der zevende maand zal voor u eene

zelve dooi- maden aangetast, — wijn, waarop schimmel is gekomen of die begint zuur te worden enz. Nadat bij liet Nieuwemaansdagsoffer meel- en plengoffer zijn genoemd, wordt bij de overige feestoffers in het algemeen enkel liet meeloffer vermeld, het plengoffer niet. Num. 15 waren immers beide als onafscheidelijk aan elkander verbonden voorgeschreven. Do vermelding der plengoffers ware hier dna eigenlijk overbodig; vgl. echter 29,11 en 19, waar Drrosyi ook de plengoffers bij alle vroeger behandelde offers omvat, waarbij zij noodig zijn.

Hoofdstuk XXIX. 1. BnrDI. hier: maand, zooals uit de bijvoeging van c-inS -ireo blijkt. — nrnn dv. Num. 10,10 was op de Nieuwemaans-feesten nppr, T hek ie'a-blazen op trompetten voorgeschreven; hier wordt voor den eerste der zevende maand T k er o e 'a-blazen verordend, d. i. Theroe'a, voorafgegaan en gevolgd door Thekie'a (zie Lev. 23,24). De traditie leert, dat het bovendien op dien dag op Shofar, een van nature hollen dierhoren, als hoofdinstrument (na den ondergang des tempels als uitsluitend instrument) moet geschieden, evenals bij de afkondiging van het Jobeljaar (Lev. 25,9, waar de Shofar duidelijk als instrument wordt voorgeschreven).

6. unnn nSy -nSa- Hel hrandoffer is bij alle bijzondere feestoffers hoofdzaak; vandaar dat hier het zondoffer van den Nieuwemaansdag is weggelaten, hoewel het natuurlijk ook gebracht werd. — orroDJi, hunne plengoffers, van de pas genoemde offers: Nieuwemaans- en dagelijksch offer; hiér behoeft het niet op de speciale offers van den dag te doelen.

130

ocr page 265

ÜD DrWfi bp

quot;ba oi1? rrrr trip-NnpD ly-in1? nnxa uhinai«

: dd1? rrrr njrnn dv v^n xb n^fnjr n3«)ö -D^as -inw Vk nnx np3-n -13 nin'b nrra nnb nVt?

S* T : AT V •J- V.T V _ l-»TT^I V S- T I- quot; • - T ^

roi^D nVo onmoi : oo^on nrnK' j

I VAT - -t : v v TT : • ,. . : ^t: • nr quot;

nnK fin^i : yvh yü is1? D'jh^ ntihp ^

-in« any—: a^aan ny2B'i7 -inxn *

lT.' ^ quot;. r ' quot; p. ' l1quot; quot; ' K',' '•T quot;■• IT ■^■quot; quot;

nnnjoi ly-tnn n)v inbp : iamp;y? nK^n1 nfM nn^ nn1? DU3^a| on^pii nrpnjpi n^onn nty) kip-inpD njn n irin1? D : nin^ gt;

: i'B^n nawVo-Va DD^srnK an^vi DDS

1 •'quot; J vt t ; t rtv •• 1 ; - v.v : v t -v : i»

quot;inK im iprp -13 nir: nn nin^ nbi? anmpmquot;

AT V •-,-gt; VT I OTT I V S- quot; ' - •quot;• T 1-^ lt;T V : -| ; • ;

n^b Qnnioi : DD1? vn» Dü-Qn ni?atr D^23 0

V v. t t ; • ^ IV J ; r v* ^ * ï T : * t t ••• : «• t :

•' quot;inNn D'iïf# néP füiso

Dny-n^Bgt; : Dv^3n n^n^1? quot;inxn |ii^ pquot;i^ ^ nnn:oi TÓm n^i ansan nxtsn iSbo nKcsn nnx'

'•TT'quot;. Tquot;. ■•quot; :r •,•■• qquot; 'quot; quot; quot;=■ quot;T- •■•

■«npD vfh dv -1^ n^onai D * : on^Dii.21

waarbij in den regel, zooals reeds opgemerkt, de plengoffers, als noodzakelijk met meelofters gepaard, niet afzonderlijk vermeld worden.

7. Over Dfvoïi zie Lev. 16,29. — Op den Verzoendag is rosSn hs, nlle werk, ook dat voor persoonlijk genot, verboden (vgl. Lev. 23,27).

11. D^San nNÓri; zondoffer der verzoening ot' beter misschien; van den Verzoendag = Qi-nssn oi,« n.stDn; bedoeld is het geheele samenstel van offers, dat Lev. 16 is omschreven, waarbij de zondoffers, de var en de twee bokken, hoofdzaak zijn, doch waarbij ook een ram aln brnndnj/er behoorde, dat dus met meel- en plengoffers gepaard ging, zoodat het meervoudig aanhangsel orrowi op het dagelijksch brandoffer en het verzoendagsbrandoffer kan slaan en ook hier niet bepaald aangenomen moet worden, dat de plengoffers bij de feestoffers afzonderlijk zijn vermeld. Dat het van quot;a1?!: afhangt, spreekt vanzelf. — Het hier in 't begin van het vers genoemde zondoffer, een yeitenbok, onderscheidt zich in tal van opzichten van die van Lev. 16; daar is het een var voor den hoogepriester, en een bat voor het volk, wier bloed in het allerheiligste en het heilige gespat wordt, en wier vleesch verbrand moet worden en niet mag worden gegeten; hier mag het bloed uitsluitend op het koperen altaar worden gestreken en het vleesch moet des avonds door de priesters gegeten worden, zooals bij alle andere gewone zondoffers.

ocr page 266

N U M E R I XXIX.

bijeenroeping tot heiliging zijn; geenerlei dienstwerk zult gij verrichten, en gij zult een feest vieren ter eere des Eeuwigen,

13 gedurende zeven dagen. En gij zult een brandoffer brengen, een vuurgave tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen : dertien varren, jongen van runderen, twee rammen, veertien

14 schapen onder het jaar; zonder gebrek zullen zij zijn. En hun meeloffer, meelbloem, met olie aangemengd : drie tienden voor eiken var, voor de dertien varren, — twee tienden voor

15 eiken ram, voor de twee rammen. Telkens één tiende voor

16 elk schaap, voor de veertien schapen. En één geitenhok als zondoffer; behalve het voortdurende brandoffer, en zijn meel-

17 en zijn plengoffer. — En op den tweeden dag: twaalf varren, jongen van runderen, twee rammen, veertien schapen onder

18 het jaar, zonder gebrek. En hun meeloffers en hunne plengoffers, voor de varren, voor de rammen en voor de schapen,

19 naar hun getal, volgens het voorschrift. En één geitenhok als zondoffer; behalve het voortdurende brandoffer en zijn meel-

20 offer en hunne plengoffers. — En op den derden dag elf varren, twee rammen, veertien schapen onder het jaar; zonder gebrek.

21 En hun meeloffers en hunne plengoffers, voor de varren, voor de rammen en voor de schapen, naar hun getal, volgens het

22 voorschrift. En één zondofferbok; behalve het voortdurende

23 brandoffer, en zijn meel- en zijn plengoffer. — En op den vierden dag: tien varren, twee rammen, veertien schapen

24 onder het jaar; zonder gebrek. Hun meeloffers en hunne plengoffers, voor de varren, voor de rammen en voor de schapen,

25 naar hun getal, volgens het voorschrift. En één geitenhok

12. jngt; en wel het noen ;n, Huttenfeest, zooals het Lev. 23,34 genoemd wordt; zeven dagen, te beginnen met den 15de der zevende maand.

is. onanpm op den vs. 12 genoemden dag: den 15de der maand, d. i. den eersten dag van het feest. — Het offer wordt voor iederen dag afzonderlijk behandeld, en is, behalve wat de varren betreft, eiken dag geheel hetzelfde. De varren alleen verminderen iederen dag met een, van dertien tot zeven dalende, v. s. om met zeven, welk getal bij de feestoffers nog al vaak een rol speelt, te eindigen; het aantal der schapen, op de andere feesten steeds zeven, is hier op veertien bepaald.

14. pnS TVOhtifS quot;irwcn IsS) voor iederen var, en zoo voor de

de dertien varren; of: van de dertien varren; zie 28,21.

18. DnppJI onruoi, bet eerste woord enkelvoud, het tweede meervoud; waarschijnlijk moet het eerste als collectief worden opgevat. Misschien wordt de meervoudsvorm Drpmroni, een zeer lang woord, welluidendheidshalve vermeden. Hier en in de volgende stukjes worden de plengoffers bij de feestoffers wél afzonderlijk genoemd, misschien wel om de verkeerde gedachte, dat wegens het bijzonder groote aantal men met één plengoffer voor meerdere dieren zou'kunnen volstaan, te voorkomen. —

131

ocr page 267

ÜS Dnra

in onani tih nnay ds1? nvr Wip

•)' jv^ - a 11quot; \,t ^'t ^ v r.* ; t vt ■*•.• : •• v|

nh'a nn oranpni .* nw wziï nin^ ^

t i- - ...... t v : -I: * ; r t */•: • i-

rutr^s D^33 ^pr»33 ons

•)T T Iquot;: S* T : #AT' . quot; VT T -»T : I OTT I** : S* T

röirn nbiba nbb onnjoi : vn* DD'on iwy

VAT - jt 1 . '-\{ T T : • I ; I* ^ VT^T yTT : quot;

D»:^ ana Ttpy ntr1?^ nnun is1? w'rtvy nwhv „

; *v lt;•• ; • t quot;t gt;#lt;t : * t v it -■t - ; t : amp;.

nnttn rvifcy rntrvi : nn«n Vk1? 10 a

^ AT V IT V - I T * I T * S 1' ** IT V** • * T V IT • ■»- T J*-

quot;rabonNtan nnK Dny-Tyi^i : D^33 ^

quot; : • at - ct v n* : i* t ; * . Jiquot;T : ~ :

ona ♦iuTi ovni D *; naoii nnnao Tom n^'1

s*T • •• - J - IT i • : V,T t ; • • T - •»-

npa-iK rutr»:3 D^ty D1?^ ipa-'aa

quot;Ott :- OT T iquot; : ps'pT : 'AT: T Jquot; : :

Db^Kquot;? ona? an^o:! onruDi : Do^an

•)* t ^: - : s* •• it • t - •.*••;•; -»t t ; • r * ; ^t t

n^ir nxtan -inx maoDa ^

J- ^ - : • at - vt v r^» *1' : it ; • - vt t : • :

ona Dim d : Drvswi nnnaöi -i^onn3

rr r • : m s • iv ••; • ; vt t : • • t -

quot;it^y n^2quot;iN niir^a Dvsy33 D»:ir DVK

VT T ^tt : - .)T t iquot;: s'pT :p 'AT: quot; VT T iquot; ;

DiaD03 0^33^1 dVkS onab Dn^Dii onnioi: do^dh quot;

VTT : • : t ; - : s* ^quot;IT • t ~ *.•••:•; -«t t ; * r • ;

nnnaoi ybnn nb'v -13^0 nn^ nxtan : Datrss «

vt t ; • • t - Jquot; - ; • at v vt - *? ; it ; • -

ob'ti ona ^^quot;in 01*31 d ; .130:1»

•at; •*' •• vTT -J j*t • ;it squot; it : * :

0n»303i onnjo : OD^Dn n^3iK n:ty-^3 0^33 ^

•.*••:•: -«t t : • r quot; : vt *gt; Ott : - .)T t Iquot; : s' pT :p

inK on^-i^i : üa^ao oiaoDa 0^33^1 d^^kS onabn3

1.T v j ' t : it :• • lt;tt : ■ : •)• T : - : s* quot; it • t -

of wel als aanduiding van de alleen door traditie bekende waterplenging op het Loofhuttenfeest; waarvoor de Thalmoed in de overcompleete letters van OrroDJi, vs. 19, n'aDJi, vs. 31 en Q-stBDS, vs. 33, die samen het woord bi», water, vormen, eene herinnering, ni, vindt. — dibdod, naar hun aantal, evenveel meel- en plengoffers, als er brandofferdieren waren; zie 15,12; db®»5, naar het Num. 15 gegeven voorschrift, wat en hoeveel bij iedere diersoort te brengen is.

19. DiTODJI PinrUDI. en z ?) n meeloffer en hun plengoffers; het meervoud, zoowel van het woord, als van het aanhangsel in a-rowi kan hier niet op de bijzondere offers van den dag doelen, daar die vs. 18 genoemd zijn ; men moet het dus hier op het dagelijksch offer, of liever op de twee dagelijksche offers laten slaan, zoodat onder T»nn rhï hier en in de volgende verzen niet; het ochtendbrandoffer alleen, maar beide dagelijksche brand-offers te verstaan zijn.

ocr page 268

N U M E R I XXIX, XXX.

als zondoffer; behalve het voortdurende brandoffer en zijn meel-

26 en zijn plengoffer. — En op den vijfden dag: negen varren, twee

27 rammen, veertien schapen onder het jaar ; zonder gebrek. En hun meeloffers en hunne plengoffers, voor de varren, voor de rammen en voor de schapen, naar hun getal, volgens het voor-

28 schrift. En één bok als zondoffer : behalve het voortdurende

29 brandoffer, en zijn meel- en zijn plengoffer. — En op den zesden dag : acht varren, twee rammen, veertien schapen onder

30 het jaar; zonder gebrek. En hun meeloffers en hunne plengoffers, voor de varren, voor de rammen en voor de schapen,

31 naar hun getal, volgens het voorschrift. En één zondofferbok; behalve' het voortdurende brandoffer, en zijn meeloffer en zijne

32 plengoffers. — En op den zevenden dag: zeven varren, twee

33 rammen, veertien schapen onder het jaar; zonder gebrek. En hunne meeloffers en hunne plengoffers, voor de varren, voor de rammen en voor de schapen, naar hun getal, volgens hun

34 voorschrift. En één zondofferbok; behalve het voortdurende

35 brandoffer, en zijn meel- en zijn plengoffer. — Op den achtsten dag zal een slotfeest voor u zijn; geenerlei dienstwerk

36 zult gij verrichten. En gij zult een brandoffer brengen, een vuurgave, tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen : één var,

37 één ram, zeven schapen onder het jaar; zonder gebrek. Hun meeloffer en hunne plengoffers, voor den var, voor den ram en voor de schapen, naar hun getal, volgens het voorschrift.

38 En één zondofferbok; behalve het voortdurende brandoffer, en

39 zijn meel- en zijn plengoffer. Deze zult gij bereiden ter eere des Eeuwigen, op uwe bijeenkomsttijden ; behalve uwe geloften en vrijwillige gaven, voor zoover die betreffen uwe brandoffers, en uwe meeloffers, en uwe plengoffers en uwe vredeoffers.quot;

1 Mozes zeide tot de kinderen Israels, gelijk al hetgeen de Eeuwige Mozes geboden had.

31. rP3D31. zie de vorige aanteekening.

35. DV3, niet oi'ai, zooals bij alle overige dagen en feesten, daar de achtste dag, hoewel Slotfeest, toch geheel op zichzelf staat. Dit blijkt 1°. uit het offer, dat geheel met dat van den Bazuindag en den Verzoendag overeenkomt, maar van de offers van het Loofhuttenfeest en van de beide andere opgangsfeesten afwijkt; 2°. doordien alle plichten van het Loofhuttenfeest met dien dag ophouden. Wanneer wij in onzen tijd dien achtsten dag nog in de Loofhut doorbrengen — zonder lofzegging uit te spreken — dan geschiedt dit op denzelfden grond, waarop in het algemeen twee dagen als feest met werkonthouding enz. worden gevierd, waar in den Pentateuch slechts één dag wordt voorgeschreven. Over rmy zie Lev. 23,36.

39. Vergelijk Lev 23,38. Over vu en nau zie Lev. 7,16. — osviSi'S enz. met betrekking tot uw brandoffers enz. d. w. z die bestaan in brand-of vrede-offers, of meel- of plengoffers. Andere offersoorten kunnen slechts

132

ocr page 269

^ üd onra aVp

Dini D : rDWï nnnao ^bnn nabo n^tan13

s ~ it ; • ; vt t : • • t - - : • at -

rwa-iN n^quot;^3 D^tr DV« ons

'jtt ; - .)t t iquot; : ps* t^; ^'at t quot;** quot; vt ' ' j' t,. •)• * ~t 1quot;

D'-ia'? Dn»3D:i onniüi : on^an nfry »

•»• t : - : s* quot;it • t - •.•••;•; -«t t : • r • : VT

-i^bnn nn-JO inN rwtsn ypm : ustraa disdds n3

• t - - ; • at v vt * quot;O* : it : • - v.tt : * :

n:bty ons wn di»^ d : nson nnnjoi lt;==

-»• •• vt : j* t 4* * - s quot; it : • ; vt t ; •

Dnnioi : DO'Dn n^ia 17

-•t t ; * r • ; t quot;jtt ; - .)t t i- ; ^ s'pT : p 'ATÏ

Tjten : □SB'Da Dquot;i3D33 Dna^ an^D^ ^

: it ; • - ^tt : • : ■)* t : - : r quot;it^ 't - v •• ; • :

DI^I D .'n^Dnnnnio Tünn nVj? i^üin^n^n

s - t ivt ; ^t t : * • t - quot; - ; • at v v.t -

DVN ons

Dtt ;- -it t r* : ps* t^: m*,st: quot;quot; quot; v,t: • rr •)* * : *

DnaDJt onnjoi : Do-on ^

•)*# t : - : r ^quot;it • t - •.•••;•; ^t t : • i* • : v.t •gt;

Tom nVv mbo nnx nx^n n^i : D^strna 012003 ^

• t - • at v ^t - y; it t ; • : v.tt : * :

do*? n^nn mvy 01*3 * d : hodji nnn:a ^

av t : r . v^v^-t ^ * I quot; ' it ; • ; ^t t : •

nnn^ nS^ ona-ipni : nS nto^ noKba^a ^

- ...........t v ; -i; • ; 1 ^-:i- j ^t • v y.' ^ t

nvaB' n^-^3 0^33 quot;inN nnN quot;13 rrirr1? nn^:

yJT : • 4t t 1quot; : s* t ; ^at v • v.t v Jquot; t iquot; quot; *

013003 0^33^1 Vn1? isquot;? on^ojquot;) Dnn:o : oo^on»1'

V.tt : • : t : - ; *squot;-,t t ~ •.•••;•: -«t t ; • r • :

nnmoi n^onn rhy 13^0 inx nKtsn : □2^03 ^

^vT t : • v t ' •j~ - : • at v vt - quot;5* : it : • ~

D3m30 13*? □3n^io3 nin^ : rooji ^

..... - . av i ; ^ \.t 1- j 1- v .)•• it ; • :

: □3,'017tyV,i oo^o^i Qo-nnjobi oo^hV^1? oÓTQ-m -m nin» S33 bsncquot; ♦33_l7N nt^o IOSI x

^t : jt ' v -: •) : aquot; t : • Jquot; : v v.*-* *♦* 'quot;

3 : nt^o

IV

als verplicht, niet vrijwillig gebracht worden. Anderen verklarea: behalve ... uwe brandoffers; laS» met 'S verbonden komt echter nooit voor. Nog anderen nemen D3'3wSi DSTnjnSi DaT^sS bij elkander: uwe brandoffers met de daarbij behoorende en dns door u te brengen meel- en plengoffers; zij vergeten echter, dat ook de vredeoffers, naar Num. 15 meel- en plengoffers hebben.

Hoofdstuk XXX. 1. Ook hier is de Massoretische indeeling, die dit vers als slot van het vorige stuk beschouwt, beslist beter dan de hoofd-stukkenverdeeling, die hier het dertigste hoofdstuk laat beginnen, terwijl van vs. 2 tot het einde dan een geheel nieuw onderwerp wordt behandeld. Septuaginta komt in deze met de Massoretische methode overeen.

ocr page 270

N U M E R I XXX.

2 Mozes sprak tot de hoofden van de stammen der kinderen Israels, als volgt ; „Dit is de zaak, die de Eeuwige geboden heeft:

3 Een man, die ter eere des Eeuwigen eene gelofte doet, of een eed zweert, waardoor hij zijn persoon een band aanlegt, zal zijn woord niet ontwijden; naar al hetgeen uit zijn mond uitgegaan is,

2—17. Wet omtrent handhaving en ontheffing van geloften. Lev. 27 behandelt de vervulling van geloften ten bate van het heiligdom vooral met het oog op de wijze, waarop dit naar de verschillende vormen van gelofte moet plaats hebben ; ons stuk bespreekt de heiligheid van het woord in het algemeen en de wijze, waarop in zekere gevallen de door dit woord ontstaande verplichting kan worden opgeheven. Speciaal behandelt ons stuk geloften wbj Sr idn idsS (vs. 3), letterl. een band aanleggende aan zijn persoon, dat is; geloften of eeden, waardoor men zich tot eene handeling verplicht of zich iets ontzegt; de cej nuï1? -idn nïw is vh, gelofte of eed, die een band aanlegt met de strekking een persoon onthouding op te leggen, dus de eigenlijke onthoudingegeloften (vs. J4), vormen een onderdeel van deze algemeene rubriek. — Vooral de geloften der vrouwen, gehuwd of ongehuwd, worden hier in hunne gevolgen behandeld, nadat vs. 3 het algemeene beginsel voor allen heelt aange-

feven, — Wat de plaatsing van dit stuk betreft, meenteven, — Wat de plaatsing van dit stuk betreft, meent Ibn 'Ezra, dat et hier staat, — hoewel natuurlijk reeds lang aan Mozes bekend — als inleiding tot het hoofdstuk 32 volgende en eerst daarna zou zijn gesproken. Anderen meenen, dat het stuk in verband staat met hoofdstuk 31 en 32. In beide hoofdstukken toch komen geloften voor; in 31 de wijding van een deel van den buit, in 32 de gelofte van de 2V3 stam om aan de verovering des lands deel te nemen. Aan de mededeeling dier geloften

faat dan vooraf de regeling van de onschendbaarheid van het woord, ehoudens bijzondere omstandigheden. —aat dan vooraf de regeling van de onschendbaarheid van het woord, ehoudens bijzondere omstandigheden. — Nachm. en Rashbam meenen, dat de 29,39 genoemde //geloften en vrijwillige gavenquot; aanleiding geven tot de uitvoerige behandeling in ons hoofdstuk. Bovendien meent Nachm., dat Mozes, op het einde zijns levens, eene functie, die tot nog toe alleen door hemzelve was waargenomen, pp de oudsten en stamvorsten des volks overdroeg, en wel: de beslissing over ontheffing van geloften, — die, zooals wij zien zullen, naar sommiger meening in ons stuk ook voor mannen behandeld wordt. Met ons stuk wordt dus de reeks van maatregelen, in verband met Mozes' aanstaand heengaan op het einde van ons boek geplaatst, voortgezet, een reeks, die 27,12 is begonnen.

2. nCO n3T1. Mozes sprak, nu, wat God hem veel vroeger, op den Sienai, had geopenbaard. Waar herhaaldelijk van geloften, ook van vrouwen sprake was, (zie bijv. Num. 6) moeten de algemeene regels over de gevolgen ervan bekend geweest zijn. — rmsnn '•cw Sn, tot de hoofden der stammen, v. s. de vorsten, v. a de oudsten, of nog algemeener; allen, die een ambt als hoofd van een kring in het volk bekleedden. — vzh nionn wi ibnS, v. s. = Ss-iw '«S iün' nioan 'cwi Sn, tot de hoofden der stammen van de kinderen Israels; v. a. Mozes sprak tot de hoofden der stammen voor de kinderen Israels, dat zij het namelijk aan het volk zouden bekend maken, ionS, wat volgt; n. a. ibn^ Snib» '«S = 'jjowi ^aS msS, om tot de kinderen Israels te zeggen. Nachm. volgt de eerst gegeven verklaring, daar het bekend maken van de mogelijkheid om onder zekere omstandigheden een gelofte op te heffen, de onschendbaarheid van het woord in het oog des volks zou verzwakken; de geheele zaak moest dus den leiders des volks bekend zijn, om niet dan bij hooge noodzakelijkheid gebruik ervan te

133

ocr page 271

V niuö jbp

linn nr quot;mS niéan n^D nam =

t t- -••.• a •• kquot; t^: • : • ^ quot; quot; ■gt;'• t v v «•• -;-

^D^n-iK nirrS -ni Tr»3 : nin» mv -itrK ^

quot; lt;T • I T I- vv • r • ,T gt;: ^7quot; * quot;!gt;

vfip inn-] bir ^ IDK iDN1?

maken; het volk zelf echter bleef zij onbekend. Zeer waarschijnlijk echter sprak Mozes gewoonlijk, en ook hier, niet tot het gehede volk, maar tot hun vertegenwoordigers, die dan het gehoorde onder het volk bekend maakten, en was, wat hij zeide, voor het geheele volk bestemd. De opname van de wet in de schrift gaf haar immers vanzelve algemeene bekendheid, en de aard der zaak, vooral de omschrijving van de rechten van den man en den vader ten opzichte van geloften van vrouw en dochter, brengt mede, dat de wet allen bekend moest zijn.

3. rvc, een volwassen man, d. i. boven de 13 jaar en die reeds uiterlijke teekenen van manbaarheid bezit. Onder dien leeftijd is hij nog kind en kan zich dus in het algemeen niet tot iets verbinden. — vo Yf '3, die in gelofte-vorm, nï3» rawn in, of onder eede eene verklaring uitspreekt. — it'ej Sj; idn idnS, om zich een hand aan te leggen. Het kunnen, zooals gezegd, onthoudingsgeloften zijn, doch evenzeer positieve geloften om iets te doen. Volgens onze opvatting behoort idn idn1? enz. bij beiden, zoowel bij vu, als bij nrw. Gewoonlijk beteekent vu zonder meer alleen eene tvijdings-gelofte; hier echter; gelofte in het algemeen, waaronder ook wijdingsgeloften, maar evenzeer onthoudings- of verplichtingsgeloften vallen. Wanneer verder telkens vu en ids naast elkander geplaatst worden, dan is of het tweede eenvoudig verklaring van het eerste, zooals vs. 10 blijkt, — óf vu is in zijne speciale beteekenis van wijdingsgelofte gebruikt. — Uit de bijvoeging van 'rh bij vu is niet te bewijzen, dat dit woord ook in ons vers en het volgende den uitsluitenden zin van wijdingsgelofte zon hébhen; ook de eed, van welke strekking ook, die een verplichting oplegt, wordt gedaan ter eere des Eeuwigen, hetzij om zich voor overtreding van wetten in acht te nemen of om zich in zijn doen en laten te beperken; het woord 'rh, hoewel achter de eerste uitdrukking geplaatst, slaat toch op beiden.— Anderen zien in vu eene tcijdings-, in icx eene onthoudingsgeloÜe; men begrijpt dan echter niet goed, waarom die laatste of enkel ids of wno ion wordt genoemd; niet iedere onthoudingsgelofte behoeft immers onder cede te geschiedeh. — De Thalmoed ziet in idn vt: een cmMowrfmf/sgelofte, waarbij aan het object der onthouding het karakter van gewijd goed wordt gegeven; dus bijv.; „wijn zal door mij beschouwd worden, als ware hij als offer gewijd,quot; — in ids npw een gewone onthoudingseerf, //ik zweer geen wijn te zullen drinken.quot; Voor ieder dezer klassen gelden dan uit-eenloopende algemeene bepalingen, omtrent den aard der door zoodanige verklaring te treffen zaken of handelingen. Zoo moet idis vu steeds een zaak betreffen, niet eene handeling, terwijl door den onthoudingsefd ook een handeling getroffen kan worden, als; slapen. — von Sm so, zal zijn woord niet ontwijden; zijn woord is heilig en niet-nakomen ervan ontwijdt

het. — S/I1 = SlTS evenals Ex. 39,7. Sommigen onderscheiden den Pi'el van den Hiph'iel in ons woord aldus: beteekent: het gewijde ontwijden; de zaak blijft heilig, maar wordt behandeld als ongewijd; Snn

beteekent; ongewijd doen zijn, zorgen dat de zaak niet heilig wordt. — De traditie verklaart: zal h ij zijn woord niet de bindende kracht kunnen

ocr page 272

N U M E R I XXX.

4 zal hij doen. Doch eene vrouw, die ter eere des Eeuwigen eene gelofte doet, of zich een band aanlegt in haars vaders

5 huis, in hare jonge meisjesjaren; Nu verneemt haar vader hare gelofte of hare verbintenis, waardoor zij haar persoon een band heeft aangelegd, en haar vader zwijgt ten haren opzichte, dan zullen al hare geloften bevestigd zijn en elke band, die zij haar persoon heeft aangelegd, zal bevestigd

6 zijn. Doch wanneer haar vader -op den dag, dat hij het vernomen heeft, haar verhindert, dan zullen alle hare geloften en hare verbintenissen, die zij haar persoon heeft aangelegd, nietig zijn ; en de Eeuwige zal haar vergeven, want haar vader heeft haar ver-

7 hinderd. En wanneer zij aan een man verbonden wordt en hare geloften op haar zijn, of hetgeen door hare lippen uitgesproken

8 is, waardoor zij haar persoon een band aangelegd heeft; Nu hoort

ontzeggen, doch een andere autoriteit wél; daarmede wordt dan indirect uitgesproken, dat de misnn k'n-1, de wetgeleerden, en allen die als hoofden kunnen optreden, — dat zijn naar den Thalmoed zelfs drie gewone, vertrouwbare, met de wet niet geheel onbekende personen, — de geloften kunnen opheffen; de Thalmoed geeft op grona der traditie een groot aantal bindende bepalingen, waardoor ontbinding van, den persoon alleen tegenover zichzelf bindende, geloften nog in hooge mate beperkt wordt. Geloften betreffende verbintenissen tegenover derden, uit wier niet-vervul-ling voor derden, op welke wijze ook, eenig nadeel zou kunnen ontstaan, vallen natuurlijk geneel buiten het kader der hier besproken bepalingen.

4—6. Geloften der ongehuwde vrouw, rroN fi^as, en wel jmra, in haren staat van mrj, d. i. voordat zij geheel volwassen is, het eerste halljaar na het optreden der teekenen van Huwbaarheid. — moio • • • na nn gt;3, zooals boven gezegd, of: die eene trijdings- o f een onthoudingsgelofte doet, de 'i dus scheidend, — üf: die een gelofte doet, zich nam el ij k een band aanlegt, de 'i verklarend. — De geheel volwassen dochter, nuia, is geheel een zelfstandig persoon, over wie de vader in geen enkel opzicht rechtsmacht heeft; haar geloften binden haar geheel, zooals een man door zijn woord gebonden is; de vader kan ze bevestigen noch vernietigen. Voor de minderjarige vrouw geldt het boven voor den minderjarigen manspersoon gezegde.

5. nS. mnrn. eig. houdt zich doofstom; 'S D'inn, zich doofstom houden ten opzichte van iemand, niets aangaande hem zeggen; '12 01-1,in (Job 13,13) verstommen, eig. van iemand af, — niet meer spreken tot iemand, om hem gelegenheid te geven zelve het woord te nemen; — Ss t-nnn, doofstom zijn voor ieder ander, om zich te wenden tot, te luisteren naar een bepaald persoon (Jes. 41,1). — inpi, dan zullen door dit zwijgen bevestigd zijn, en kunnen door den vader of door haarzelve niet zonder geloftebreuk worden overtreden. — jjdüi, vernemen; niet: hoor en, daar hij de gelofte niet bij het afleggen behoeft te vernemen; hieruit blijkt, dat de dochter, en ook de vrouw, niet verplicht is van hare geloften haren vader of man kennis te geven; zoolang de vader of man met de gelofte niet bekend is, bestaat echter nog altijd de kans, dat hij, ervan hoorende, haar vernietigt; zij is dus voor het oogenblik gebonden, doch niet definitief voor den tijd, dien zij in haar gelofte heeft genoemd.

6- K'Jrii verhinderen, tegenhouden (14,34); speciale uitdrukking voorde vernietiging van geloften eener vrouw door naren vader of man. De in

134

ocr page 273

•? msD ibp

n^Kn^a ID« hidki nin^ -in HB'NI :

t v* t jquot; : tr • ^ jx : it : at i- \\v jf' r ^ t • : iv ^ir

niDK niDNi nSnrnK rvix yoe'i : nn^33quot;

-'t ; it ■*•.• -i ttv:iv ! *^ v t ' t t : t ivquot;a : •

-~\m nsN-bD'i nnnrVa iopi rb tfnnni nibfij

vi .)T • t : t v t; t ^ It: t a* t ^t r *:iv; t : •

quot;iüDi^ ova nn« jtdh K^n-D«i : Dip^ n^fir4?^ hidn1

; t : t t j* t • •• • : 11 t ^t ; - ^ ; it

ninn Dip» ab nquot;iD«-quot;i^K nnoNi nnnr^a

ti- Iat ^ v.t ; - ' jt : it v -i t -jvt v:iv t v t: t

nmai VH-DKI : nnx n^-n^'

t v,-* t; • ; v ; r lt; t • : it t^ v' t j' quot; r t - : i*

ym) : n^ör^ niDN IPK n^nair IK n^n

j- t : it : - : ir jv -i t v t : ■•t : • lt; t

werking getreden gelofte wordt gestuit. Die stuiting moet mondeling, niet enkel ia gedachte, geschieden. — vw du:, op den dag, dat hij ervan hoort, vóór zonsondergang. — Of het stuitingsrecht van den vader alle geloften der dochter betreft, of alleen de beide soorten, die de man tegenover zijn vrouw kan stuiten (vs 14), dus: zulke geloften, die een band aanleggen, oplegging van onthouding aan een persoon, naar den Thalmoed enkel het samenleven en persoonlijke onthoudingen betreffende geloften, vormt een punt van bespreking. — Dip1» ah, de negatie is met het werkwoord tot één begrip samengesmolten, — men vertale dus: zullen nietig zijn. — rh nSo' 'm. En God zal haar het niet-houden harer gelofte vergeven, daar immers haar vader haar de verdere inachtneming harer op zich genomen verplichting belet. Naar den Thalmoed: zoodra haar vader haar gelofte maar vernietigd heeft, ook al is dit haar niet bekend geweest, toen zij in strijd met haar gelofte handelde, vergeeft God haar de schijnbaar begane zonde, daar zij immers niet beter weten kon, dan hare gelofte te hebben gebroken.

7- irwS irnn vn rm en als zij een man zal gaan behooren, rrhs irrui, terwijl hare geloften op haar rusten, d. w. z. als zij in het huwelijk treedt, nadat zij eene gelofte heeft gedaan in het huis haars vaders, — waarvan haar vader nog niet vernomen had. Daar vs. 11 het geval behandelt, dat zij in het huis van haar man een gelofte heeft gedaan, vinden sommigen in ons vers ook het geval van een gehuwde vrouw, rwicJ, die reeds met haren man samen woont, maar vóór het huwelijk, terwijl zij nog in haars vaders huis was, een gelofte had gedaan; de Thalmoed meent, dat in ons vers gedacht wordt aan de eerste huwelijksverbintenis, pBTTp, de handeling, waardoor de man eene vrouw voor zich hestemt, zonder dat het eigenlijk huwelijk nog is gesloten; wel zijn door die handeling de man en de vrouw aan elkander verbonden, — zoodat zonder echtscheiding de band niet kan worden verbroken, — maar van huwelijkssamenleving is nog geen sprake, daar de vrouw in haars vaders huis blijft. De uitdrukking cquot;sS nwi wordt op meerdere plaatsen voor de verbintenis om te huwen gebruikt. Hier bespreekt men dus het geval, dat eene vrouw rmwa, als bijna volwassene aan een man verbonden wordt; ook voor de geloften, die zij dan uit haar meisjesstaat in het huwelijk meebrengt, geldt dan de hier volgende wet. Het recht van den vader blijft onveranderd, doch de man moet ook medewerken; bij een door pwvpp verbonden myj kan de gelofte slechts- door verklaring van man en vader gestuit worden. — mnsr soa», het gepraat, ondoordacht woord harer lippen, hier synoniem met rpnsw nï», vs. 13.

ocr page 274

N U M E R I XXX.

haar man ervan — op den dag, dat hij hoort, — en zwijgt ten haren opzichte, dan zullen hare geloften bevestigd zijn en hare verbintenissen, die zij haar persoon heeft opge-9 legd, zullen bevestigd zijn. Doch' als op den dag, dat haar man het vernomen heeft, hij haar verhindert, en hij dan vernietigt hare gelofte, die zij gedaan heeft, of hetgeen door hare lippen uitgesproken is, dat zij haar persoon als band

10 heeft aangelegd, — en de Eeuwige zal haar vergeven. En de gelofte eener weduwe of verstooten vrouw, — al wat zij zichzelf als band heeft aangelegd, zal op haar bevestigd blijven.

11 Doch wanneer zij in het huis van haren man eene gelofte

fedaan heeft, of haar persoon een band aanlegt onder eede; — In haar man hoort het, en zwijgt ten opzichte van haar, verhindert haar niet; dan zullen al hare geloften bevestigd zijn; en elke band, die zij haar persoon heeft aangelegd, zaledaan heeft, of haar persoon een band aanlegt onder eede; — In haar man hoort het, en zwijgt ten opzichte van haar, verhindert haar niet; dan zullen al hare geloften bevestigd zijn; en elke band, die zij haar persoon heeft aangelegd, zal

13 bevestigd zijn. Doch indien haar man ze vernietigt op den dag, dat hij het verneemt, dan zal al hetgeen uit hare lippen uitgegaan is, voor zoover het hare geloften of een band voor haar persoon betreft, nietig zijn; haar man heeft ze vernietigd

14 en de Eeuwige zal haar vergeven. Elke gelofte en eiken eed, die een band aanlegt, een persoon ontnouding opleggende, kan haar man bevestigen en kan haar man vernietigen.

15 Doch zwijgt de man ten haren opzichte van den eenen dag

8. wm ova wjc jratn nu verneemt haar man, op welk en dag hij het dan ook h o or e, zooals i-tps dtoi (Ex. 32,34), op een of anderen tijd, dat Ik straf; anderen: rh cmn irnc Bira, en zwijgt ten opzichte van haar op den dag, dat hij hoort.

9. De nazin begint met iku

10. Hier is sprake of van eene msj, die weduwe wordt, na geheel gehuwd geweest te zün, — of van eene volwassen vrouw, die dan.zelfs maar ten deele gehuwd, non», enkel door pcrpp verbonden, behoeft te zijn

geweest. De zin is dus: geloften, vóór het huwelijk gedaan, kunnen tijdens et huwelijk door den man worden vernietigd; — na ontbinding van het huwelijk echter blijft al wat zij vooraf, tijdens het huwelijk, op zich heeft genomen, als plicht op haar rusten, waarvan zij alleen door volkomen ontheffing door een collegie kan worden bevrijd. Of naar den Thalmoed: geloften, rustende op eene tot echteweest. De zin is dus: geloften, vóór het huwelijk gedaan, kunnen tijdens et huwelijk door den man worden vernietigd; — na ontbinding van het huwelijk echter blijft al wat zij vooraf, tijdens het huwelijk, op zich heeft genomen, als plicht op haar rusten, waarvan zij alleen door volkomen ontheffing door een collegie kan worden bevrijd. Of naar den Thalmoed: geloften, rustende op eene tot echt verbonden mw, kunnen, zoolang het huwelijk duurt, slechts door man en vader vernietigd worden; wordt het huwelijk eener nonxn mw ontbonden, zoolang zij nog mw is, dan keert zij in de jurisdictie haars vaders terug; wordt zij weduwe na werkelijk gehuwd geweest te zijn, dan is zij voor goed uit de machtsfeer haars vaders getreden en is zelfstandig; niemand kan dus dan meer hare geloften vernietigen, onverschillig van wanneer die dateeren. Ook een volwassen weduwe, n-uia, is natuurlijk geheel aan haars vaders macht onttrokken. — n:i, en wat de gelofte betreft van eene weduwe enz., nader verklaard in mos ibx Sd, — zoodat wij hier weer -ox ru hebben; df -irK Sa = -ibk hst, met weglating der 'i, een tweede groep naast de eerste geplaatst. — oipi zal blijven rusten, mSr, op haar.

11. JTS WO kan natuurlijk niet op de nu weduwe geworden

135

ocr page 275

V niüö rhp

n^iDKi rnu löpi rh ^nnm i^öiy dvs

v -» t )•-• t v:iv t vt: Ijt; p ^«vriv : ^ : t j : jt •

hniN ni^K ybv DI^DHI : w ntsterty mDNQ

T J-T T • ^- J : ^ : * : Pist ^V.T : - ^ : IT

niDN^w n^nöB' Ktaao ntti ntrK nna-riN nóni

^t: it jv -i t v t : jt : • •• : r v T -quot;.• -* t :• v •• •• :

ntynji ™ : nVn^D* nin^i ntyar^'

v -i -i at : ^t t : - vjquot;: it - : r ^t i- at : -

■IN nma n^K rvrotfi : why op» D-IDN ^

TATT ^VT jquot; ' : T IV T ijt \.t l m ^ JT: IT

rb t^nnni •' n^ar^ IDN nnpx ='

-by mDK-itfK idn-^DI nnna-bs iDpi nnx tnn ^

- jt : it v -: *)T * t ; t vt:^ qT It: at j

■ba fyötf Di^a n^'K i DDK quot;isnarrDNi .* Dip' ntrai^

^T : T -• : T * -«T -T •• T • : 11 T v.T : -

oSan n^N Dip» N1? nt^a: quot;IDN^I nm:1? n^nair KÏI»

Tquot; -: jt IAT •» VT ; - j- • : T -»•.• T: * T sv T : t

n^t^aaha^iDK n^atr-bai mrba : nb-n^o^ nin»^

jt ' ^ VAT ■'^ : vT^ • \ : T : vr* T it - : I* V,T I-

Dl»» nb B^nn» t^inrrDNi : «na» nty^i i3D»p»»o

j . t jt •-:§- ••-: 1quot; • ; iv; jt • : v** I * :

vrouw slaan, daar vs. 12 de gevolgen van handelingen van haren man bespreekt, die altijd blijven doorwerken; heeft hij de gelofte vernietigd, dan blijft zij ook na zijn dood nietig; heeft hij gezwegen, dan blijft de gelofte geldig en zijn dood verandert daaraan niels. Hier is dus sprake van eene vrouw, levende in het huis van haren man, d. i. een gehuwde vrouw, pinipj, die in haar huwdijksstaat geloften heeft gedaan ; alleen dezen heeft de man het recht te vernietigen.

12. rVW JCJn kSj ^eefl ^aar n*et gestuit, is óf als tusschenzin te beschouwen, maar dan overbodig, — öf als nazin: als de man ztvijgl. — heeft hij haar niet gestuit en blijven geldig enz.

13. Dip' ah enkelvoud, Difin meervoud; het eerste slaat op n*i», het andere op idsS mn:.

14. Algemeene bepaling omtrent den aard der geloften van de vrouw, die de man kan vernietigen ; het zijn de vrouw bindende geloften ubi rupS, die onthouding opleggen, — waarbij dan nog op grond van vs. 17 komen: geloften, die van nadeeligen invloed zijn op de verhouding der echtgenoo-ten tot elkander, waS iïw dvot. — Het mannelijk aanhangsel in «ib' en way slaat op quot;na. — «I3»[y, kan door te zwijgen bevestigen; hij behoeft niet uitdrukkelijk eene bevestiging uit te spreken-, zijn zwijgen doet de gelofte van kracht blijven.

15 en 16 geven de algemeene bepaling nog eens nauwkeurig, hoofdzakelijk om vs. 16 te zeggen, dat de man, zoo hij later, na den dag, waarop hij ervan gehoord heeft, de gelofte vernietigt, en de vrouw zich op grond daarvan aan schending harer gelofte schuldig maakt, de straf voor hare zonde te dragen heeft. — w Sn bvb, van den eenen dag tot den andere, d. w. z. tot de nieuwe dag is ingetreden, tot na zonsondergang;orgt;beteekentniet: etmaal, 24 uur, maar chronologisch : dag, die dan, als gewoonlijk, gerekend wordt met den avond te beginnen. Sommigen zien in uw oto de beperking tot den dag van het hooren, d. i. tot volgenden zonsondergang, in cv Sn dto de volle 24 uren; ik zie niet in op welken grond.

ocr page 276

N U M E R I XXX, XXXI.

tot den anderen, dan heeft hij al hare geloften en al hare verbintenissen, die op haar rusten, bevestigd; hij heeft ze bevestigd, omdat hij ten haren opzichte gezwegen heeft op den dag, dat

16 hij het heeft veruomen. En als hij ze vernietigt, nadat hij het

17 vernomen heeft, dan zal hij hare schuld dragen.quot; Dit zijn de wetten, die de Eeuwige Mozes geboden had, tusschen een man en zijne vrouw, tusschen een vader en zijne dochter, zoolang zij in hare jonge meisjesjaren in haars vaders huis is.

2 1 De Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt: /,Neem de wraak der kinderen Israels op de Midjanieten ; daarna zult gij tot uwe

3 volken verzameld worden.quot; Mozes sprak tot het volk, als volgt: «Kiest als uitgelezen troepen mannen uit uw midden uit ten strijde, dat zij tegen de Midjanieten uittrekken, om de

4 wraak des Eeuwigen op Midjan te oefenen. Duizend van iederen stam, uit alle stammen van Israël, zult gij uitzenden

5 ten strijde.quot; Toen stelden zich uit de duizenden van Israël ter beschikking duizend uit eiken stam, twaalf duizend, uitge-

6 lezenen tot den strijd. Mozes zond hen, de duizend uit eiken stam, ten strijde, hen en Pienechas, den zoon van El'azar, den priester voor den oorlog; en de heilige voorwerpen

16- IJTDtJ' nrtN = UW DV na den dag, wnarop hij gehoord heeft. Indien de vrouw, hetzij in de meening, dat die latere vernietiging alsnog geldig is, óf dat de raan op den dag, dat hij het hoorde, de nietigverklaring heel't uitgesproken, haar gelofte schendt, is zij onschuldig, maar hij verantwoordelijk. Is zij met de onwettigheid der nietigverklaring bekend, dan heeft zij natuurlijk hare gelofte te liouden. Het recht van den man geldt niet langer, dan den dag van zijn vernemen.

17. 'n rm -itwc. die God Mozes geboden had en die deze nu, naar vs. 2, aan de vorsten mededeelde. — iris rvc rmua, tusschen een vader en zijne dochter, zoolang die nog niet geheel volwassen is, in zijn huis levend, — dus zoolang zij niet gehuwd is of nog niet ten volle meerderjarig, nuw.

Hoofdstuk XXXI. 2. Reeds 25,16 was gezegd, dat een strijd tegen Midjan zou moeten gevoerd worden ; hier wordt nu het bevel tot uitvoering van dat gebod gegeven. Ons vers bevat slechts het algemeene bevel zonder de bijzonderheden omtrent de wijze van uitvoering; als wij Mozes in de volgende verzen daarvoor bepaalde maatregelen zien treffen, dan berustten die waarschijnlijk op een uitdrukkelijk Goddelijk voorschrift; zooals zoo dikwijls, blijkt dan ook hier uit het bij de uitvoering medegedeelde de nauwkeurige inhoud van het bevel. — Snib* ■03 nap:. Se waaifc over de door hun toedoen gevallen Israëlieten. — nns, daarna, — dit zal uw laatste naar buiten werkende daad voor het volk zijn ; het beteekent niet: aanstonds daarna, daar Mozes nog eenigen tijd later geleefd heeft.

3- nnm* een Niph'al-vorm met een voorwerp in den 4den

naamval, evenals v. s. onSwi, Gen. 17,11 en meerdere plaatsen; — het is

een van het zelfst. naamwoord pSn afgeleid werkwoord. Dit zelfst.

naamwoord, — van den stam ■^n, uittrekken uit eene verbinding, zoo van

136

18

ocr page 277

kV nitiö ibp

quot;ipk nnoK-^rnK IN nn-ir^-nM b^pni hvbn

t av*t •*•.* quot;1 t t v.* t j t v ti t v i * •• :

onK quot;is» ian-DNi : lyotf ni^ nb tyinn-^ onK n^pn «

^ vt ■)•• t r^t • : • : t ^ j*v:iv r t I-*quot;

nin* niï D'pnn nvgt;N : n:^_nx m) lyotf nn»quot;

t : lt;t • v -i 1- \r *.••»•• it v v.T T: 'a : t# i-

n^a nn^:3 irnV ra n^o-n«

jquot; T v,quot; % : * * ! -rliquot; A : • ; I jquot;

fi * : n»3K

gt; T r T

nm bxy?' nap: bp: : ioxb nirr quot;iaTi«

D^n-^N ntj'ö -lam : Tajr1^ «iDxn quot;inx D^nsnj

«5T T _ V V ^ lt;••-;- I IV V ) jquot; Tlquot; Vquot; quot; A* T : * *

nn1? pa*^ vnn «aïb d^:» Danxo lïSnn -ïon1?

jquot;t it^: • :r : at t - ^ v* t -j •)•• : * !•• s ; it •• ••

niEO ^ab n^D1? nès1? : jnoa nin^nop: ■gt; ntss1?^1?» ^KO nDD»'! iNaï1? inbiyn

av — ) V .. T. • J.. ; : IT • - ITT - ^ ; ; • •• T : •

ntflö1? siïK nBgt;D onn : «aï eiSN 1

vv 'V * i r'\ JT i: ,T T fJquot; t ' *■*' fgt;jrPr *quot; '\

♦731 f^aïb rn'an quot;ir^^-ra DnymNi ddk Naïb

jquot; : tt* I quot; - * t t: v iv t : * v : t at t -

steenen uit een muur (Lev. 17,3), of van een vastgebonden schoen (Deut. 25,9) — beteekent: de uit een leger uitgelezen keurbende, die als eerste slagorde voor het gevaarlijkste en moeilijkste werk is aangewezen. De Niph'al, hier in zijn meermalen voorkomende beteekenis van : voor zich iets doen genomen, beteekent dan : zich een keurbende aanwijzen, waarbij dan zeer goed een voorwerp kan staan. Mozes spreekt Dyn Ks, tot het volk, niet tot de oudsten; de aanwijzing zou dus waarschijnlijk bij onderling goedvinden door het volk zelf moeten geschieden, misschien op grond van vrijwillige aanmelding. — 'n rrnpj, de uraak Gods, Die voor Israël opkomt of door Israëls afval, gevolg van Midjans verleiding, beleedigd is.— Het is niet uiting van het gevoel van tvraakzucht, maar bestraffing van gepleegd onrecht, dat hier, evenals Gen. 4,15 e. a. p. in den slam op: ligt.

5- nDÖ'l. zy werden overgeleverd, de door vrijwillige aanmelding ofbij onderling goedvinden aangewezen duizend man uit iederen stam meldden zich wiiarschijnlijk bij hun stamhoofden aan en werden door dezen ter beschikking van Mozes gesteld; anderen verklaren: leverden zich over — stelden zich ter beschikking, wat mij zeer waarschijnlijk voorkomt. Het woord komt behalve hier en vs. 16 in den Bijbel niet meer voor. — 'sSnd Snuïi, uit de vele duizenden, waaruit Israël bestond, daar het volk in groepen van duizend verdeeld was. Sommigen maken hieruit op, dat een geheel duizendtal uit iederen stam werd genomen; m. i. onmogelijk, daar immers ouden en zwakken ook ingedeeld waren en de indeeling, naar uit alles blijkt, naar famüiën geschiedde.

e. K3sS pan. den priester voor den oorlog, — priester bij het leger te velde, die in'de latere litteratuur rwn1»» piku heet. Op verschillende plaatsen blijkt, dat bijv. de arke mede ten strijde gevoerd werd, — vermoedelijk ook de Oeriem en Thoemmiem, — verder moest door een priester de bazuin geblazen worden (Num. 10), door een priester de toespraak van Deut. 30,2—i

ocr page 278

N U M E R I XXXI.

7 en de alarm-trompetten onder zijne berusting. Zij voerden strijd tegen de Midjanieten, gelijk de Eeuwige Mozes geboden

8 had, en doodden al het mannelijke. En de koningen van Midjan doodden zij behalve de door hen verslagenen, Ewie en Rékem en Tsoer en Choer en Réba', de vijf koningen van Midjan ; en ook Bil'am, den zoon van Be'or, doodden zij door het

9 zwaard. De kinderen Israels namen de vrouwen van Midjan en hunne kleine kinderen gevangen ; en al hun vee, al hunne

10 kudden en al hun vermogen plunderden zij. En al hunne steden met hunne andere verblijfplaatsen, en al hunne burch-

11 ten verbrandden zij door vuur. Nu namen zij al den buit en

gehouden worden. Voor dit alles werd een priester als veldpriester aangewezen met gedeeltelijk hoogepriesterlijke waardigheid; het was dus een onderscheiding, die hier Pienechas ten deel viel, die zich immers in de Midjanzaak zoo verdienstelijk had gemaakt. Ware met jron enkel op Pienechas' priesterlijke afkomst gewezen, dan ware 1°. .N2xL' overbodig, daar het in het eerste versdeel reeds staat; 2°. zou evenals 25,7 en 11 ook Aharon genoemd moeten zijn. — cnpn 1S31, de heilige voorwerpen, arke en steenen tafelen, of naar de vertaling van Jonathan (?) en Aerabanel : de arke en de Oeriera en Thoemmiem. Anderen; de heilige voorwerpen, namelijk de trompetten. — vra, onder zijne berusting, in zijne macht; hij was aansprakelijk ervoor en had bijv. bevel te geven tot blazen, daar er buiten hem ten minste nog één priester aanwezig moest zijn; het blazen moest immers door priesters op twee trompetten geschieden.

7. IjniTI. Van in den strijd gevallenen wordt gewoonlijk nsn gebruikt; ;nn van na den strijd gedoode krijgsgevangenen en vluchtelingen. Natuurlijk waren niet alle mannen ten strijde getrokken en -oj Sa, dat, zonals blijkt, letterlijk opgevat moet worden van alle volwassen manspersonen, ziet dus op de gevallenen in den veroverings- en strooptocht, die klaarblijkelijk na den strijd is gehouden. Vrouwen kunnen misschien in een leger aanwezig geweest zijn, maar kinderen toch zeker niet.

8, nrpSSn hy- De koningen, die zij levend gevangen hadden, doodden zij na hun overige slachtoffers; ostentatief, ten aanzien der geheele strijdmacht, werden de koningen het laatst gedood (vgl. Jos. 8,23 en 29; 1015, 17 en 24; Recht. 1,7; I Sam 15,7). üeze koningen waren waarschijnlijk onafhankelijke hoofden van vijf stammen, die samen het volk van Midjan vormden, of althans de regeerende stammen waren; zoo in het Philistijn-sche bondgenootschap vijf vorsten, koningen van vijf hoofdsteden. — Ook Bil'am werd levend gevangen en gedood; hij viel niet in den strijd. Hij moet dan na zijn vertrek van Balak zich naar Midjan begeven hebbenen heeft daar dan den raad gegeven, dat Midjans dochters Israël tot zedeloosheid zouden trachten te verleiden (vs. 16); misschien ook was hij nu, bij het naderen van Israëls leger, door Midjan tegen hen te hulp geroepen.

9 •otn. pa™, Vw en na onderscheiden zich waarschijnlijk aldus : nac, van levende wezens, speciaal van menschen, krijgsgevangen maken, — doch ook algemeen voor mensch en dier, (npSn wordt uitsluitend van in beslag genomen dieren gebruikt); L,L|Cr; wat den vijand uitgetrokken is, eig. de buitgemaakte wapenen en krijgsuitrusting van gevallen vijanden, ook meer algemeen van levenlooze dingen; — 'beiden als gemeenschappelijke buit des

137

ocr page 279

kV niüö 6p

nix : its nynnn niixvni lynpn'

jt- •)'.• -:r It; • ^quot; ; ; •- it: quot;^t : - j : i -ti- vh -

-bv mn rna 'D^D'nNi : quot;idt-Vs wnn»! n^o-n« nin»n

j «t^It : • •• ; - v : ^it t ^ t v. :~iquot;- av v \,r :

jraTPKi quot;nn-nxquot;) quot;nrnxi □prnKi ^NTIN Dn^n : mns inn opSa n«i rno vhn n^an o

s : • - vit v v •.•t ^ : • •-• ^t : • •• : i at : • -quot;• : - v -:

-nxi onDnrVa nKi a-su-nNi rna ^rnK

v ; St : ; t •• ; at - v : I^t : • r* : v •»•• t : • i- :

Droi^ioa onn^-Va n^i : wa D^^n-^rrxi DnapD-^'

t : -• : V quot;it t ^ ; itt vt •• t v : •}•••••!; • t

nxi bSt^n-brnN inp'i : ^N3 nxi ^

: tt- t v i: iquot; r ^ :it at r t vquot; :

volks ; — na, eindelijk de geplunderde buit, wat ieder krijgsman als zijn particulier eigendom zich toeëigent, meestal van levenlooze zaken, soms ook van levende dieren. Het verschil wordt echter niet altijd streng in het oog gehouden. Gaat men hier op de toonteekens af, dan is w van menschen, ma van dieren en levenlooze dingen gebruikt; anderen echter verbinden alleen dSvi *73 nxi, als voorwerp met irn, zoodat alle levende wezens, in ons vers genoemd, als voorwerp van w worden genomen. In ieder

feval blijkt vs. 30, dat de levenlooze have als particulier eigendom werdeval blijkt vs. 30, dat de levenlooze have als particulier eigendom werd

ehandeld. — Drop» Sa rai Dnnna Sa nto. Het woord rupn, eig. het venoor-vene, vermogen, is speciale naam voor liet hoofdbestanddeel van het vermogen van het, immers vooral in veefokkerij zijn bestaan vindende, Israë-lietische volk, het vee of liever: bezit aan dieren; dan is nana speciale naam voor wat ook wij vee noemen, koeien enz., en rop» meer algemeenenaam voor alle diersoorten, die het vermogen vormen, waartoe dan vooral kleinvee en ezels gerekend moeten worden. Anderen: nana, trek- en lastdieren, nap», de veestapel; nog anderen verklaren n:pa hier; roerend vermogen, vooral in goederen, en dSvi voor geld, wat mij minder waarschijnlijk voorkomt.

10. oriTD Sa mi Dnacioa omy Sa nxi. Zie Gen. 25,16. Verklaart men Dm'D met: burchten, vestingen, — dan zijn onder Drrnr open steden te verstaan, die door de Midjanieten, hoewel eigenlijk een nomadenvolk en dus in tenten levend, (vgl. Recht. 6,5, Chabak. 3,7 e. a. p.) toch bijv. in den regentijd betrokken werden. Verklaart men ditto als: tent-legers, dan zijn on'ip bevestigde steden. Ook de Gen. t. a. p. besproken nomadenstammen der Jishma'elieten hadden versterkte plaatsen. — onacina verklaren dan sommigen; die hun soms, bijv. in den winter of in tijd van oorlog, als woning dienden; anderen -.met hun overige woonplaatsen, dorpen en gehuchten.

11. inpn zij namen, na hun terugkeer, wa'i en brachten; vs. 12 zijn de voorwerpen herhaald wegens den langen tusschenzin. — SSfn Sa ns, den eigenlijken oorlogsbuit, wapentuig enz., dat dan ter beschikking der volksleiding bleef voor legeruitrusting; wij vinden niet, wat daarmede gedaan werd ; misschien werd wel voorloopig een verzamelplaats daarvoor aangewezen, om tegelijker tijd het volk daaruit te wapenen. — mpSc, het in beslag genomene, dat eveneens der gemeenschap ten goede zou komen, a's aller gezamenlijk eigendom. Hoewel speciaal-naam voor vee, hier ook voor menschen, dus algemeen voor levende wezens gebruikt.

ocr page 280

HUMERI XXXI.

12 al het in beslag genomene aan menschen en aan vee; En brachten tot Mozes en tot den priester El'azar en tot de gemeente der kinderen Israels de gevangenen en het medegenomen vee en den buit, naar de legerplaats, in de valleien van Moab, die bij den

13 Jordaan tegenover Jerécho liggen. — Mozes en de priester El'azar en al de vorsten der gemeente gingen uit, hun te gemoet,

14 naar buiten de legerplaats. Nu werd Mozes vertoornd op de bevelhebbers van het leger, de oversten over duizenden en de oversten over honderden, die van den krijgstocht terugkwamen.

15 En Mozes zeide tot hen: „Hebt gij alle vrouwelijke personen

16 in het leven gelaten? Zie, zij juist waren voor de kinderen Israels, op het woord van Bil'am, aanleiding om trouweloosheid tegen den Eeuwige te doen plegen ter wille van Pe'or, waardoor de sterfte onder de gemeente des Eeuwigen

17 ontstaan is. Nu dan! doodt al wat mannelijk is onder de kinderen, en ook elke vrouw, die een man kent ten opzichte

18 van mansbijwoning, doodt! Doch al de kinderen van het vrouwelijk geslacht, die de bijwoning van een man nog niet

19 gekend hebben, houdt voor u in het leven. Doch gij, — blijft gelegerd buiten de legerplaats zeven dagen; ieder, die een persoon omgebracht, en ieder, die een verslagene aangeraakt heeft, zal ontzondigingswater gebruiken op den derden dag en op den zevenden dag, zoowel gij, als uwe gevangenen.

20 Ook elk kleed, elk lederen voorwerp en al wat van geitenhaar gemaakt is, en elk houten voorwerp zult gij met

21 ontzondigingswater behandelen.quot; — De priester El'azar zeide

12. '33 mjT. hier wederom : de oudsten. — Naar uit Jos. 13,21 blijkt, werd het land der Midjanieten ook door Israël in bezit genomen ; dit was echter een deel van Siechons gebied, aan wien de Midjanieten onderworpen waren geweest. Zij hadden zich echter na Siechons nederlaag onafhankelijk gemaakt. Het land werd als deel van Siechons gebied beschouwd; vandaar dat de verovering ervan niet afzonderlijk wordt vermeld. — runnn Sn, in de richting naar de legerplaats-, vs. 13 blijkt, dat zij de legerplaats nog niet betraden.

13. ixn, om hen te begroeten; niet omdat zij de geheele legerplaats niet mochten betreden, — daar zij als aan lijken verontreinigd, alleen van het heiligdomskamp waren uitgesloten, maar Israëlieten- en Levietenkamp voor hen open stonden. mnaS pms, vs. 19, slaat uitsluitend op het run» nyow, het heiligdom en zijn naaste omgeving; hier echter op net geheele kamp, daar er van Mozes, El'azar en de oudsten, welke laatste immers te midden hunner stammen in het Israëlieten-kamp woonden, gezegd wordt, dat zij naar buiten gingen, dus buiten de drie kampen.

is. nap: ba. alle vrouven, ook de volwassenen, hebt gij laten leven? niet: eenig vrouwelijk wezen, daar hij, zoo zij slechts de vrouwelijke kinderen in het leven hadden gelaten, naar uit het vervolg blijkt, geen aanmerking zou hebben gemaakt.

16. J,quot;| = jljn, zie. — S.w ivi, waren voor de kinderen Israels

138

ocr page 281

*6 niüö rhp

ntyD-bx iKi'i : nonaai DIKS nipbarr^ ^

t^r ; v v : v v • t- it •• : - vttit - ia: quot; quot; t

ni^arrnxi 'a^n-nsï nny--btlt;) frün

n-i^-^ 2Nio ninjrbK njnsn-^N W^rrnwi

quot; :quot; l 'V quot;: T i J 1 quot;■gt;. '•■ S'-Wquot; v ^TTquot; v:

'smrai ïnan ntro IMÏ»! D * : ini*^

jquot; ' : t ; I •)quot; - st t : v ; v ;••- i ••:

nips ^ niba : ftnp-bx Dnxnpb nn^n ^ : nonban NSÏD D^an niNsn n'^i b^nn nir ^♦nn

it t^: • - ^jt : • v* t quot; *• ~ •quot;•t ; • t -;it «quot;t 'at v

♦331? vn nan ?n : naprba on^nn mra on^N quot;idn»quot;) «=

«•• ; • t t •• i-»quot; it!•• : t {•.' •• i- av vv ** quot;* ^ quot; ^quot;tio

♦nni n^s-iar^ nin^a ^d-^dd1? D^a quot;iana •jnTbquot;

y : - a ; - ; ^t iquot; j- t ; • *gt;: • ; • •• t : •

n^N-'pai ntaa narVa nn^i : nin» mva naaan^

t • t : |at - ^tt t ^ J x * t quot; ! it : j-^-ji- vtquot; - ~

■üb quot;it^N o^aa eitan Vai : lam nar aa^a1? njn^

jv -: * t - mquot; quot; ; i-i ^tt j- ; • : •)• - j-

n^aiy nana1? fina lan dfiki : oa1? vnn nar aat^a w

^r,-: • v,v-J i-quot; I gt; * ■» *: *•* ' : ,v T V.-»«- *rrf :q * V. :it

ova wtsnnn ^na jraa i ^ai i^sa a-in ba D^a»

• ; - lt; - ; - : r t t iv ^ ; v •• lt;s- t

-bai nv^a-Sai -laa-^at : oa^atyi am Di^ai =

t : ~) • ^: t : vsv t : iv • ; ^ ; ^ -

laN'i D : iNtsnnn ^-♦ba-bai DvT^ n'^va «

xr^r ; v v - it - ; • I *aquot; • : t : v. 11quot;

aanleiding om (de 'S van iduS); v. a. evenals bijv. in ens'? rwn, — gaven zich prijs aan de kinderen Israels. — DïSa -ons, op het woord, aanraden, van BiCam; vgl. 25,6 v. v. — Sm idsS, de grondbeteekenis van id», overleveren, schijnt: geven te zijn; v. d. dan, evenals jn:, bewerken, maken; zou hier; om troutceloosheid te doen plegen. Sommigen houden

voor een zelfstandig naamwoord van het type OD?) en verklaren:

zij waren den kinderen Israels tot doen plegen van enz. — im Sr, ter wille van, om Pe'or te volgen, of: ter zake van.

17. rjt33 quot;|3I ^3. Vs. 9 is dlïd dus: kinderen van beiderlei kunne. — De uitvoering van dit bevel wordt weder, als zoo dikwijls, niet bericht; het is echter natuurlijk geschied naar Mozes' bevel.

19- rUnoS pna. zie VS. 13, Num. 5,1—4 en 19,11 v.v. — »53 jvi Ss,

wie iemand doodt, en het wapen, waarmede dit is geschied, aanraakt, wordt onrein, zoolang dat wapen bij de aanraking nog aan het lijk verbonden is. Hier wordt natuurlijk alleen aan dooaen door een steekwapen gedacht, niet aan werptuig of projectiel. — 031301, uw gevangenen, de vrouwelijke kinderen, — naar Kashie: nadat zij tot het Jodendom zijn overgegaan, daar heidenen niet voor verontreiniging vatbaar zijn en die dus ook niet kunnen overbrengen; naar Nachmanides: de kleederen enz. uwer gevangenen, die misschien door aanraking aan een lijk verontreinigd zijn en een mensch tot den avond onrein zouden doen worden.

ocr page 282

N U M E R I XXXI.

tot de krijgslieden, die mede in den oorlog geweest waren: „Dit is de wet der leer, die de Eeuwige Mozes geboden heeft:

22 Maar wat betreft het goud en het zilver, het koper, het ijzer, het

23 tin en het lood; Iedere zaak, die door vuur inkomt, zult gij door vuur verwijderen, dan zal het rein zijn, nochtans moet het door reinigingswater ontzondigd worden; en al wat niet door

24 vuur erin komt, zult gij door water verwijderen. En gij zult uwe kleederen wasschen op den zevenden dag, dan zult gij

25rein zijn; en daarna moogt gij in het leger komen.quot; — De

26 Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt: „Neem de som op van de in beslag genomen gevangenen aan menschen en aan vee, gij en de priester El'azar en de hoofden van de vadershuizén der

27 gemeente. Gij zult dan het in beslag genomene gelijk verdeelen tusschen de krijgslieden, die ten strijde uitgetrokken zijn, en de ge-

28 heele gemeente. Daarna zult gij een vast bedrag als heffing nemen ter eere des Eeuwigen, vanwege de krijgslieden, die ten strijde

21- nOnSoS D'JOH» die ten strijde gekomen waren, of v. a. die ten strijde zouden gaan; de bier gegeven wet zou dan reeds vóór het uittrekken van het leger zijn bekend gemaakt, doch eerst hier bij de uitvoering ons die mededeeling zijn verhaald.

22. quot;jjf, doch, — terwijl de vs. 20 genoemde zaken enkel door ontzondigingswater uit hun staat van verontreiniging tot reinheid gebracht moeten worden, is bij de hier te behandelen voorwerpen van metaal nog iets meer te doen.

23. quot;131 Sd. enz. v. s. elke zaak, elk voorwerp, dat in of op vuur komt, d. w. z dat bij het gewone huiselijk gebruik in directe aanraking komt met vuur, zult gij dour het vuur laten gaan, waardoor dus alle er door het vuur ingetrokken bestanddeelen er weer uitkomen; daardoor worden dan de door Midjanieten gebruikte voorwerpen, waarin verboden spijzen gekookt zijn, 'weer voor gebruik geschikt; — anderen; elke zaak, ieder vreemd bestanddeel, dat indringt door directe, niet door vloeistof verzwakte inwerking van vuur, zult gij verwijderen door vuur; de zin blijft ongeveer dezelfde, alleen komt 't mij voor, dat de laatste opvatting zich beter bij de woorden aansluit; dan moet echter ris in het vorige vers niet als voorwerp, maar als algemeene aiinhef, in den zin van: wat betreft opgevat worden. De zin is dus: wat door directe inwerking van vuur in de wanden van een voorwerp is gedrongen, moet er door vuur, d. w. z. door het voorwerp ongeveer rood-gloeiend te maken, uit verwijderd worden. — iTorn, verwijderen, evenals II Sam. 12,13 ; Ps. 119,39 e. a. p. — mei, dan zal het rein zijn; deze uitdrukking bewijst volgens sommigen, dat het ook hier uitsluitend te doen is om reiniging van de onreinheid, door lijken ontstaan. Het is dan echter niet duidelijk, waartoe dat uitkoken of uitgloeien dienen moet, waarbij klaarblijkelijk aan verboden spijzen gedacht wordt. Anderen daarom: zal het ten opzichte van het huiselijk gebruik rein, d. i. voor het gebruik geschikt zijn. — rru 'na 1« Ncnrp, v. s. door ontzondigingswater, dat hoofdstuk 19,9 nu i» heet, water met asch van de roode koe, moet het echter ontzondigd worden. El'azar zon dan de door Mozes pas gegeven wet aanvullen door metalen te bespreken en er zou alweerultsluitend van de reinwording na verontreiniging

139

ocr page 283

nninn npn hkt nDnVob D'Kan «ixn ^k-Sk rrün

T quot; |j-\ lt; AT T : * - V,' T quot; TT- Jquot; ; - V I ••

tik eiD3n-nNi anin-nN : ntJto-nN nin» mr-ii^N ==

|vat^- V ; V.TT- V IJ- IV V VT : ^JT • -j

-lifVa :m£i^n-n«i ^narmK bhan-ns4 ni^nan »

^ v -: tt t vit it v ; v' : ^quot; v V : - - v v : -

Vai Ntann» ma ^02 tik nnui n^n tyjb ay

: at - ; • ^T * jquot; : ) - •• T : •• T «•-:•- •• T -• T

di'a ddnaa dnoasquot;) : d^öd n^n bwa 1^« ■gt;=

j - .)••• ••: • sv : - • : • it - j' ~i 1- t •) t i jv -:

quot;ION'I D *: ninsn-^N ixan inxi Dmnüi «

J' ^ ^ IV-I I- - V ^ T V.- - •- AV :- : • : -

D1K3 nip^D ns Nib : -jQNb nin»«

, VT,T ,T • : - - I = - . ... ; T 'quot;,'•• ■•• ^ !

n'ïm : myn dük rn'3n nn» nanaai«

t • t : it'5, it j -: v,quot; t : I •• - -«t t ; v ; r - ^ at •• ; -

quot;Sa rm a^ï'n nanban ^sn ra mpbarrnN

T I at T - ^ : 1 - T T ; * - Jquot; : 1^ 1^ ••lt; quot; 1 : - -

D'Nï'n nan^an 'mx nxa nin^ oaa naim : ni^n ™

J. ; I - T T . .... T ,- ... ... T |quot;-:|- IT IT

aan lijken sprake zijn. De Tlialmoed verklaart de woorden : doch door water der in afzunderingstijd v er k e er end e zal het ontzundigd worden, d. w. z. in een bad, zooals dat bij de reiniging van menstruatie is voorgeschreven, moet het metalen voorwerp (immers, er is alleen sprake van voorwerpen, die direct op vuur gebruikt worden; zie ook va. 22) eerst nog een ritueele reinigingshandeling ondergaan. — X2' nS icx ^21 enz., en wat niet door directe inwerking van vuur is ingedrongen, moet gij door water verwijderen, d. i. door hel voorwerp in kokend water uit te koken, waardoor het alle vreemde ingedrongen bestanddeelen opgeeft. Zou hier van reiniging van lijkenverontreiniging en besprenging met asch van de roode koe sprake zijn, dan moest Nunn' m: vsa na deze woorden staan. — Naaide aangegeven opvatting gelden de hier voorgeschreven wetten alle metalen, tot spijsbereiding enz. te bezigen voorwerpen, die uit niet-Joodsch bezit in dat van een Israëliet overgaan ; de ongeoorloofde bestanddeelen moeten eruit verwijderd en het voorwerp zelf door onderdompeling in een ritueel bad in ritueelen zin gereinigd worden.

26. 'arn mpsa. Jen 'Ezra : = 'ncni mp^nn, veroverd vee e n krijgsgevangen menschen, waarbij echter 'O'vn mpSnn verwacht zou worden, ook al zou het weglaten van den '1 hier Ie verklaren zijn; beter daarom; in heslag genomen, gevangen levende wezens, nader verklaard in nsroai duo; wij merkten reeds op, dat nipS», hoewel meer in het bijzonder voor dieren gebruikt, toch ook voor menschen gebezigd wordt, en evenzoo omgekeerd.— d1n3 00, aan menschen, kleine meisjes numelijk. —■ mrn ivds iüïo — ibst mrn mas vs, hoofden der vadersh uizen = stamvorsten.

27. nOnSon die de oorlogst aak op zich hebben genomen, zoowel gewone soldaten, als hoofden van duizenden enz. omvattend. — mrn Sa pi, en de geheele overige qemeente. De 120G0 strijders kregen de eene, de rest des volks de andere helft.

28- D30. e'g. berekend deel, een zeker quotum, een vast en verplicht gedeelte; men kan het van rmnr onderscheiden, door tan meer in adrainis-tratieven zin, rxiw meer in godsdienstige beteekenis te verklaren. De

ocr page 284

N U M E R 1 XXXI.

uitgetrokken zijn, één wezen van de vijfhonderd, van men-

29schen, van runderen, van ezels en van kleinvee. Van hunne helft zult gij ze nemen; en ze geven aan den priester El'azar

30 als heffing des Eeuwigen. Maar van de helft der kinderen Israels zult gij nemen één, uitgegrepen uit de vijftig, van men-schen, van runderen, van ezels en van kleinvee, van allerlei veesoorten; en gij zult ze den Levieten geven, die den wacht-

31 post bij het Verblijf des Eeuwigen waarnemen.quot; Mozes en de priester El'azar deed, gelijk de Eeuwige Mozes geboden had.

32 Nu bedroeg het in beslag genomene, behalve den buit, dien het krijgsvolk buit gemaakt had: aan kleinvee zes honderd

33 vijf en zeventig duizend. En aan rundvee twee en twintig 35 34 duizend. En aan ezels een en zestig duizend. En menschelijke

personen, aan vrouwen namelijk, die de bijwoning van een man niet gekend hadden, — alle personen waren twee en dertig

36 duizend. Dus bedroeg de helft, het deel dergenen namelijk, die ten strijde uitgetrokken waren; het getal van het kleinvee be-

37 droeg drie honderd zeven en dertig duizend vijf honderd. Nu was de belasting ter eere des Eeuwigen: van het kleinvee zes honderd

38 vijf en zeventig. Eu runderen zes en dertig duizend; en de belasting daarvan ter eere des Eeuwigen twee en zeventig.

woorden 'rh osa nisvn beteekenen dus: gij zult als heffing nemen een vast bepaald gedeelte; bij enkel gebruik van rronn zou het aan den vrijen wil zijn overgelaten, hoeveel men ervan wilde geven. — üsj inx. Het telwoord nnx vóór het zelfst naamwoord komt hoogst zelden voor; bovendien is tij vrouwelijk, en hier het mannelijk telwoord gebruikt; misschien is ms hier distributief; telkens één op elke 500, en daarom vooraan geplaatst, bij welke plaatsing geslacht en getal meermalen uit het oog worden verloren. — Een van 50 is juist de verhouding tusschen de strijdbare manschap des volks (600.000) en de uitgetrokken 12000 man. — De aan te wijzen individuen werden hier waarschijnlijk uitgekozen, daar het een heffing ter eere Gods gold; er staat hier althans niet, zooals bij het deel der Levieten (vs. 30), dat het nas, uitgegrepen, in den blinde, voor de hand weg genomen moest zijn.

29. El'azar, als hoogepriester, kreeg hier het aandeel aan den bult, waarschijnlijk ter verdeeling onder alle priesters. Het is hier het eenige geval, waarbij den priester een aandeel aan den oorlogsbuit wordt toegewezen ; zij hebben er anders niets van te vorderen.

30. DIN' uitgegrepen, zie vs. 30. V. a. door het lot gegrepen, evenals I Kron 24,6; er bestond echter hier tot loten geen aanleiding. — n»,-on San, van al de genoemde veesoorten, versterkend, om tot stipte opvolging van het gebod aan te sporen, daar een betrekkelijk groot deel moest worden weggegeven. Ibn 'Ezra: van alle andere diersoorten, als kamcelen enz.; er wordt echter bij de besomming van andere soorten geen melding gemaakt, en zóó weinig zullen het, zoo zij er waren, wel niet geweest zijn, dat er zelfs geen 50 waren om één als heffing van te geven;boven-

140

ocr page 285

«V mesa Dp

-iparrto'i niNsn i^Dno quot;inn «2ÏS

i tt - i * tt it i • a quot; - v,quot; quot;* iquot; v v -quot;t v t t quot;

nnn:i inpn nn^nm : mïrrrai nnonn-pi

i* : v ; ot - it; pat* • -: i- • i i - i • v.- -j r i •

I nnx I npn nvnaai : nin* nann rnsn1'

jt v i-»-* •• t : i** : •-:•-• it : J~ : hquot; -

■fa,i onann-p iparrp DiKn-ro Q^anrnD thn

i • J' ~J iquot; i • l )tt * st t it i • • • -: r i • t

r-nDtfo noa' ah1?1? ddk nnn:i nonan-^D r^ïn

\\v : • •• : i • •: t lt;t - it : at - t * i v quot;

nin* my ib'ks rrian n^ö vy) : nin* raa'D ^

^t : jt * •)••• i- I a** - v.t*gt; : v : v ip*-j— it : ij- :

M3ïn dv VT3 tin -in' nip^an »nn : nwD~r\a *

at t - j- v.: it jv t - - i ; - - • ; - iv

ipai : ntrom eibw T^if ^

Itt iquot; t -: v jquot; -:i- | v quot;j- ; • ; |J quot; •quot; ' P

: onom : sfix Dyzw uyp J ^

D'jtr u'sr^a -IDT 33^0 -1^« a^an-ra onx quot;

'j- ; v v t att j- : * ^ zit ^ j'.' ~z • t - i • tt %

quot;i«5DD ^3ï3 D'NX'n p'pn nvnsn 'nm : ^ o

■j- ; • att- v.- : • - I t v; iv - ^ 'v ,t : •—

tfam D'Ö^N jxirn n

: D^Dt^i B'on niND trty m^n-ro nirr1? D3an ♦n'l : niNQ

quot;7* : • : jquot; t v ** Jquot; i a - i • v,t i- v jv - •)• : - . 1

: D^ntri nirr1? dddqi D^Viri ntrtr quot;ipam ^

n* : * : : ^.t 1- jt : - \ v at v ; jt • Itt* :

dien is niet in te zien, waarom dan ook vs. 28 die andere diersoorten niet genoemd zouden zijn. — DiiSS. Hoewel de priesters ook Levieten zijn, spreekt het vanzelve, dat zij niet nog eens deel krijgen aan deze heffing, nadat zij reeds een relatief veel grooter geschenk hebben ontvangen. Het aantal priesters immers bedroeg lang niet het tiende van dat der Levieten.

32. jan UT, v. s. het o v er tj ehlev e n e van het geplunderde, na het dooden van volwassen vrouwen en mannelijke kinderen en hetgeen op weg aan vee geslacht was ter proviandeering van het leger. Wij zagen echter reeds, dat n gewoonlijk van levenlooze have en vooral van het ten eigen hate bij plundering door de krijgslieden vermeesterde wordt gebruikt; npSi, ten bate van het algemeen veroverde oorlogsbuit, kan dns onmogelijk overblijfsel van n zijn. Anderen: het voortreffelijkste van den particulieren buit, 12, werd tot np^n, gemeenschapsbuit aangewezen. Wij vinden echter geen spoor ervan, dat de soldaten ook nog vee voor zichzelf zouden hebben bemachtigd, wel levenlooze voorwerpen. Het waarschijnlijkst is dus Rashie's verklaring: behalve den buit aan roerend goed, dat (ie soldaten naar vs. 53 ieder voor zich, ten eigen bate hadden geplunderd, in1, eig het meer zijnde, hier: wat er nog meer is, behalve iets anders. — Mozes en ECazar hadden de leiding der zaak, natuurlijk, overeenkomstig het bevel van vs. 26, ter zijde gestaan door de stamvorsten. Voor de hooge cijfers verlieze men niet uit het oog, dat de Midjanieten een herdersvolk waren; hun bezit bestond vooral uit kleinvee.

ocr page 286

N U M E R I XXXI.

39 En ezels dertig duizend vijf honderd; en de belasting daarvan

40 ter eere des Eeuwigen een en zestig. En menschelijke personen zestien duizend; en de belasting daarvan ter eere des Eeuwigen

41 twee en dertig personen. Mozes gaf het bepaalde deel als heffing des Eeuwigen aan den priester EFazar, gelijk de Eeuwige

42 Mozes geboden had. Van de. helft der kinderen Israels echter, welke helft Mozes genomen had van de lieden, die ten strijde

43 getrokken waren, — En de helft voor de gemeente was; van het kleinvee drie honderd zeven en dertig duizend vijf honderd;

45 44 En runderen zes en dertig duizend; En ezels dertig duizend

46 vijf honderd; En menschelijke personen zestien duizend; —

47 Nu nam Mozes van de helft voor de kinderen Israels het uit-gegrepene, één uit de vijftig, van de mensehen en van het vee; en gaf ze den Levieten, die den wachtpost bij het Verblijf des Eeuwigen waar te nemen hadden, gelijk de Eeuwige Mozes

48 geboden had. Nu naderden tot Mozes de bevelhebbers over de afdeelingen des legers, zoowel de oversten der duizenden, als

49 de oversten der honderden; En zij zeiden tot Mozes: „Uwe dienaren hebben het hoofdelijk getal der krijgslieden opgenomen, die onder ons bevel geweest zijn, en er wordt van ons geen

50 man gemist. Daarom hebben wij den Eeuwige een offer gebracht, — ieder, die in bezit heeft gekregen gouden voorwerpen, voetkettinkjes, armbanden, vingerringen, ronde oorsieraden en halsketens, om voor onze personen verzoening te doen vóór

51 den Eeuwige.quot; Mozes en de priester El'azar nam het goud

41. nonn ddo. het bepaalde deel, dat als heffing dienen zou.

42. JTSnOOV Dquot;'' woord leidt het vs. 47 gezegde reeds in, men vuile dus aan : npS; 43—46 staan tusschen haakjes, als toelichting tot de straks volgende cijfers der den Levieten toegewezen menschen en dieren.

47. inxn SIN' het uitgegrepene, wat toevallig ter hand kwam, één op de vijftig.

48. xasn ^shah ■nrK. v. s. niet juist: de aangestelden, die dienden voor de duizenden des legers, daar bij de monstering ook de hoofden der kleinere groepen, die straks worden genoemd, werkzaam waren ; maar algemeen; af deeling en van het leger; anderen verklaren: alie aangestelden, dienende voor de duizenden, waaronder dan de bevelhebbers over honderd en vijftig vanzelve begrepen zijn; daarom dan niet;'bSs ■nips, maar: toïn 'sSsS -irx onpsn.

49. quot;ipSJ. gemist worden, eig. overdacht worden, doordien hij afwezig is. — «»», van ons, eerste persoon meervoud ; v. a. van het getal, vuri, derde persoon enkelvoud.

50. nu hebben wij op dit oogenblik gebracht, of; zijn wij voornemens te brengen, wat dan wegens de stellige zekerheid van bet plan als reeds voldongen feit wordt besproken. — nïb irs, die in het bezit is gekomen van, vgl inSisj '13 sïmi (Lev. 25,26). — 2.n 1S5, en de volgende woorden in het enkelvoud, als collectief. — mrxtf, van iïï, schrijden (Jes. 3,20 mïx)

141

ocr page 287

K1? nit3Ö Köp

inK nirrS dddoi nixa t^Dni ciS« ononi ^

V t.T I- ^ JT ; * a •• •Jquot; -n- P V v** ,»• : * -:i-

D':^ nin^ dddoi DIN tya:i : D^tri»

-jquot;. t i- t ; • IVat ^ ^t t jt tt v-»v; r • :

-imbsb nin* nonn motn HB'O rn4,i : irsa D^ah«»

v.t^-: v: t : ■•- : v v v v l^.. •- vit v* : c

bNTiy» »33 n'xnööi *: ntyoTK nin» nis nirxa rnan =» amp;

aquot; t; • jquot; : v* * 'v v vt ; jt ' gt;•.• -:i-^iaquot; - •*

nivn nïno 'nm : d-kdïh D^^n-ro nèn nxn «

^t it j' v: iv ■»• : - # • : i - ^ v* t^-: it i • v t v -j

a^K nyzp tf?k

onom : qbN D^Bh niris' -imi : niso Btom ■

y i •tl- I v it v ; f rr • It t i •• jquot; ~i iquot;

nuü n^i: D'IN ^£331 : nlND ^oni eiquot;?»

i------| v it ^t iquot; •'t ' ^ t t *•■quot;•* ï • quot; -'** quot;f j v vquot;

DiNn-ra D^onn-p tnN Tnxn-n« nïnao

vt t it i * •gt;* ' ^ '' gt; **t v ^ t ,t 'v quot; gt;t 1 ' ,quot; : quot;j iquot; '

nin' n*iQ^a npjp D'^ DPN \n*\ nDn3n-|pi -ib'k Dnpsn ntbo-bK bnpquot;) : niro-nN nin» niï nty«3nK

v.v -i •!•..: - v v iv v v.t : jt • ov -j r

no^'i : niKsn n'^i D'öbxn nty N3vn 'sbiiï b«

; i- i •* — jquot; t : t -!it jquot; t att - jquot; t quot; ;

13^3 quot;ibk nonban ^3« ^ntpn 1^3

i : quot;*•* quot;! v.t t : • - jquot; : - ^ ■) v ; it i -'vt^-j

KXO IB'N sy'K nin» pnp-nN 3^31 : laao ip33j

lt;t t v quot;*§ * t : l-»- ;It v quot;l: - - i* v** * Ij-: •

quot;IÖSS TOI3I n^3ü TQÏI mjrvK 3nr^3

jquot; - : at : •** iquot; /• gt; * t : jt't : v tt r ;

snn-nN rnsn hb'o npquot;quot;! : nin» i3,n^a3«

^tt - v I •)*• - st^t ; v ; v I - • - it : jquot; ; • v.quot; ; -

voetkettinkje, om de passen klein te doen zijn en bij het loopen geluid voort te brengen ; II Sam. 1,10 een armband; — daar echter ■vns naar Gen. 24,22 beslist armband beteekent, is hier mrxx waarschijnlijk een beenversiersel. Over t»ï zie Gen. t. a. p.; over nrao en tnw Ex. 35,22. — Vw, iets ronds, i8 naar Ex. 16,12 een oorsieraad. — iedS om verzoening voor ons te doen, v. s. wegens hetgeen gij ons vs. 14—16 verweten hebt; volgens Rashbam : voor het tellen der strijders (vgl. Ex. 30,15 en 16); anderen: wegens het dooden van zoovelen der Midjanieten ; daar er onzerzijds niemand gesneuveld is, lijkt het niet een gewone oorlog, waar door het gevaar, waarin men zelve verkeert, het dooden van den vijand in zekeren zin wettige zelfverdediging wordt, — maar een bloedbad, waarvoor wij, als onwillekeurig bedreven, in zekeren zin verzoening noodig hebben; zij zoeken die niet in een offer, maar in een schenking.

51. DtJ'jrO 'Sd Ss. Ollen bewerkte voorwerpen; wat zij brachten, was niet een voorraad goud, maar een aantal gouden werkstukken; waarschijnlijk alles vrouwentooisels, waarvan zij zien ontdeden om ook de herinnering aan de Pe'or-tnisdaad uit hun omgeving te verbannen. Misschien is het nog deze zonde, die zij door deze offerdaad willen verzoenen, en bedoelen zij dat met irncsj Sp issS van het vorige vers.

I-TO

■no

V TO

ocr page 288

N U M E R I XXXI, XXXII.

52 van hen; alles bewerkte voorwerpen. Nu was al het goud der heffing, dat zij ter eere des Eeuwigen als heffing gaven, zestien duizend zeven honderd vijftig Shékel, van de oversten der

53 duizenden en de oversten der honderden. De gemeen-krijgs-

54 lieden echter hadden ieder voor zich geplunderd. Dus nam Mozes en de priester El'azar het goud van de oversten dei-duizenden en der honderden; en zij brachten het in de tent der samenkomst, als eene herinnering voor de kinderen Israels, vóór den Eeuwige.

1 Groot veebezit was het eigendom van de zonen van Ruben en de zonen van Gad zeer machtig in aantal; nu zagen zij het land Ja'zer en het land Gil'ad, en zie, de streek was een plaats

2 voor de veefokkerij. Toen kwamen de zonen van Gad en de zonen van Ruben en zeiden tot Mozes en lot den priester

3 El'azar en tot de vorsten der gemeente, als volgt; „'Ataroth en Diebon en Ja'zér en Kimra en Cheshbon en El'alé en Sebam

4 en Nebo en Be'on, — Het land, dat de Eeuwige voor de gemeente van Israël ten onder gebracht heeft, — is een land

5 voor vee; en uwe dienaren hebben veebezit.quot; — Zij zeiden verder: ,/Indien wij gunst in uwe oogen gevonden hebben, laat men dit land aan uwe dienaren tot erfbezit geven;

53. Terwijl de aanvoerders behoefte gevoelden van het buitgemaakte

foed, dat hun particulier ten deel was gevallen, een deel aan God te wijden, addenoed, dat hun particulier ten deel was gevallen, een deel aan God te wijden, adden de soldaten geplunderd ieder voor zich alleen, behielden het geheel voor zich, zonder iets ervan een hoogere bestemming te geven.

54. Zij brachten het goud in het heiligdom en lieten het daar ongebruikt liggen tot eeuwige herinnering voor de kinderen Israels, of maakten er het een of ander voor het heiligdom benoodigde van, dat dan bekend bleef als van dit goud gemaakt, zoodat het de offervaardigheid, hier betoond, steeds in herinnering bracht; v. a. brachten liet in het heiligdom als tempelfonds, waaruit later al het noodige zou worden bekostigd. Rasubam verwijst ook hier, evenals vs. 50, naar Ex. 30,16, waar het ver-zoeningsgeld bij de telling aan den dienst des heiligdoms wordt overgegeven en gezegd wordt: den kinderen Israels tot herinnering te zullen zijn, — zoodat ook hier het zoengeld voor de telling in hetzelfde geval zou verkeeren. De uitdrukking 'n ■osi1? jvai1? komt echter meermalen in geheel anderen samenhang voor.

Hoofdstuk XXXII. 1. quot;1X0 ^er sterk in aantal (zie Ex. 1,7), is

volgens sommigen nadere versterkende appositie bij en slaat dan op den veestapel van heide stammen; anderen verklaren: de zonen van Ruben hadden veel vee en de zonen van Gad een zeer groot getal, zoodat is» diïjj (■■opa) alleen bij u 'wVi behoort. Inderdaad wordt alleen hier Ruben als de oudste het eerst genoemd, terwijl verder voortdurend Gad voorop staat; vgl. Deut. 33.20 en 31; volgens Ibn 'Ezra omdat van hen het initiatief uitging, wat dan zijn aanleiding vond in Gads bijzonder groot veebezit. fiat vee hadden zij ten deele uit Egypte medegebracht, anderdeels op de Midjanieten veïoverd. Wij zagen reeds 11,4 en 22, dat

142

ocr page 289

2b kV müü nop

ntyst nónm anrba i : n^D ^3 Va onKD33

lt;•..-. t :- - = T . JVquot; . 'quot;■■ quot;quot;'■gt;. V : ll 1 quot;Vquot;

D^nni niND-^i^ nbK nin^ iq^H

I VAT v.* ^-Jl- J quot; ~ : |v.)V ^T x T • T|- ^

W3 N3ïn VIK : niKan ntr nnoi o^xn n'^ nxo «

^' 'T TT- •■:=- Jquot;T, r. ' Tr: 'T Jquot;TI ;■ quot;

nir nxo ann-nK rn'an itjpki ntro np4quot;) : 1? ^

jquot;t •)quot; •• TT.quot; -' ï •* ; v !-•- 1 j-

-^a1? ?iquot;i3T n^io im niKani

iquot; : • i j t ' v ■* v «-t- a •• - : v.'t -:it

ö * : nlrr quot;lih

it : jquot; : • v,quot; t: •

iNn»! TNO Q^v iroabi pi^n onb n'n nS 1 napoi«

;•- a : -* t v.t quot; : * : l*quot;. ; Squot; : • t t^ - -«vl: •

: n:po Dipo Di^on rrrn 1^3 pN'nKquot;) pKTK rrtsn ITVVNquot;1?»! H^D-VK noN'i pi«i »321 nr»33 !iK3!,,i2

I •• - jtt ; v v : v v lt; : - Iaquot; : ■quot;• : v,T quot; ï J Tquot;

pni : IONV nnj^n j

nin» nan ivx rnxn : mi 12:1 oatyi nb^Ki1

•• ; • t : «r • v -: | v t t in ; v, : ■'T : . *quot; t : v :

D : mpp «in mpp pK nn^n ntnxb ïpay1? n^rn r-ixn-nK rn ijkvo-dk

at % -: 1- i ^vt :i~ •) - i vst t v 1 - \ i v ■■ ; l •■ lt;t t

de klacht over gebrek aan vleesch volstrekt niet bewijst, dat Israël geen vee had, daar zij dit, als hoofdbestanddeel van het vermogen en voorwaarde van de welvaart in het te veroveren land, niet konden opofferen voor de voeding des volks. — iir» ps, het landschap, waarvan Ja'zer de voornaamste stad is; vermoedelijk was vooral deze streek rijk aan weideplaatsen ; naar 21,32 was dit land op de Emorieten veroverd, Gil'ad, althans ten deele, op 'Og (21,35; zie ook Deut. 3,10 en 12). — Dipnn, de streek; n:pn Dip» = njp» ps (vs. 4). een veeland, geschikt voor de veefokkerij.

3. De hier genoemde steden zijn ongetwijfeld de voornaamsten in het veroverd gebied; zij worden in psn, vs. 4, nog eens samengevat.

4- nan HWC. welks bevolking God verslagen heeft, ■«jsS, ten behoeve van de kinderen Israëls. — rupn ■parSi, en ui';e dienaren, wij, hebben groot veébezit.

5. nnjn herhaald, wat waarschijnlijk den Massoreten aanleiding gaf om hiervoor een pauze-teeken te plaatsen. Zij formuleerden dan niet dadelijk hun verzoek, maar wezen eerst, vs. 3 en 4, in algemeene termen op de bijzondere geschiktheid van het land voor hen, om dan, als Mozes er uit zichzelf niet op ingaat, met hun wensch voor den dag te komen.— pxn rs pi, laat men het land geven, = psn rs ujv; in den lijdenden vorm, als onbepaald gebruikt, is het oorspronkelijk voorwerp van den bedrijvenden zin in den vierden naamval behouden; de lijdende vorm in den 3den persoon mannelijk, zonder er acht op te slaan, dat het nu eigenlijk onderwerp geworden voorwerp vrouwelijk is. Wij hebben dus hier niet nx bij een eersten naamval. — u-iarn S.s,' dwing ons niet over te trekken.

ocr page 290

HUMERI XXXII.

6 laat ons niet den Jordaan overtrekken.quot; Mozes zeide tot de zonen van Gad en tot de zonen van Ruben: «Zullen dan uwe broeders

7 ten strijde trekken en gij zoudt hier blijven wonen? Waarom toch wilt gij het hart der kinderen Israels afkeerig maken van naar het land over te trekken, dat de Eeuwige hun gegeven heeft?

8 Zoo hebben uwe vaderen gedaan, toen ik hen van Kadesh

9 Barnéa' zond, om het land te zien. Zij trokken op tot het dal Eshkol en zagen het land en maakten het hart der kinderen Israels afkeerig, dat zij niet het land zouden binnengaan, dat

10 hun de Eeuwige gegeven had. Toen ontbrandde de toorn des

11 Eeuwigen op dien dag; en Hij zwoer, zeggende: «„Dat de mannen, die uit Egypte getrokken zijn, van twintig jaren en daarboven, niet zullen zien den bodem, dien Ik aan Abraham, Izak en Jakob toegezworen heb; omdat zij niet ten volle Mij

12 volgend hun plicht hebben gedaan. Behalve Kaleb, de zoon van Jephoenné, de Kenizziet, en Jehoshoea', de zoon van Noen; omdat zij ten volle den Eeuwige volgend hun plicht gedaan

13 hebben.quot;quot; Zoo ontbrandde de toorn des Eeuwigen tegen Israël en Hij deed hen veertig jaren in de woestijn omzwerven; tot het geheele geslacht geheel was weggestorven, dat gedaan had

14 wat kwaad was in de oogen des Eeuwigen. En nu stelt gij u in de plaats uwer vaderen, gij, gebroed van zondigende mannen! om den brandenden toorn des Eeuwigen nog te vermeerderen

15 tegen Israël! Wanneer gij u van Hem afwendt, zal Hij het nog langer in de woestijn laten; en gij zult voor dit geheele

16 volk tot verderf zijn.quot; — Zij naderden tot hem en zeiden;

6. DDNI ♦ • • nrpnxn- Zoudt gij, terwij l uwe broeders ten strijde trekken, hier rustig gevestigd zijn? de eigenlijke vraagzin, door den vragenden 'n ingeleid, is het 'tweede versdeel, evenals 23,19. — = D3,nj{i%

daarom welluidendheidshalve in den veranderden vorm een accent bij de in a veranderde halfklank.

7. jTJODi tegenhouden, hier indirect en van het gemoed, 2S, gebruikt, een argument aan de hand doen om iets niet te doen.

8. yj-D irnpa. Num. 13,3 wordt gezegd, dat de zending der verspieders van de woestijn Paran geschiedde; ibid. 26, dat zij naar Kadesh terugkeerden; hier blijkt, dat op beide plaatsen Kadesh Barnéa' bedoeld is; vgl. onze aanteekening t. a. p.

9. JO TiSaS, zij hielden hun hart tegen, zoodat zij nietwildenhinnen-gaan het land enz. Dat zij niet komen wocto», wordt eerst in het volgende als straf voor het niet-willen medegedeeld.

11- WT DK. ontkenningseed, waaraan natuurlijk een bezwerende formule voorafging, bijv. us in of iets dergelijks. — ■nns isbn, zie 14,24.

12. napn, tot de familie van Kenaz behoorende; deze moet dan een van de voorvaderen van Kaleb geweest zijn; Kaleb's broeder 'Othnieël wordt Jos. 15,17 e. a. p. «p p, zoon van Kenaz, genoemd, wat ook wel: nakomeling

143

ocr page 291

21? rnuo iap

laiK-i n^Q 1 l_

?iKi:n ns1?quot;! ; ri«3 mirn Dnxi nibn^a1? Wr DD'nxn' x

I • : tjT : i ^ : iquot;_ vquot; ~ T T : • - t V •• i- - **quot;

: mn» on1? rnr-iaw r-i^n^K »33 3^-nK -r-

it : v, •• t t j't v -: I VT t v iquot; t ; • •quot;*:

-nN niKquot;)1? ^an3 irnpa dpk ^^3 D3»r*3« ïpy risquot;

^ ^ _: - jquot;}t ■ ir y z t : av •• 1 -: v ▼ J

■dn p^n-nx Vii^K ^nr-tj; : pxri ° : nin' Dn1? jnni^x pkitVN üT'röïb ,7KTty» »33 3^

it : v.v t ^ I t v -i I v t t v • ; • : aquot; t : • jquot; : vquot;

D^3«n intdk : Ion1? «mn di^j nin' el«-quot;^^♦,)'

• T -j IT ;• • I ^ T • - A - ^ - - ^T : IJ- quot; I*quot;

•itJwré-iNnnN n:^ T30 onïao D^n

JV -z T T-JIT ••lt; T ; — T TT lt;• ; ^V I V * . - . . . j ^ T

: nnK ixbo-K^ »3 pnv'1? DHISK1?

it-: r v : * ' Ia^ji-; I ^t : •; ^ jt t : - ; •':■»-:•

nnx ikVo *3 nrp n:pn nasrp ^3 ='

Jquot; -s I- V : • ' A ' v.\ • • • I: V \ ; I v lt;•• t • ; •

hjk' d^3*ik nsnas D^yi bk'iwz nin* fiN--quot;)n»i : nin» ^

ATT vt ;- t : * - •%...- .. T. . . t j llt;-^ -r- ^ it :

onop rmi : nin» ':^3 ynn ntr^n Dh-tt? ^

v : I- ■*•• • : it : jquot; ^ ^tt jv ^ r t -

rin Vy ui? niiJDin Vy ui? niiJD1? D^tan Q*ma msnn Drnbx nnn

j -i ■)- _ ^ :. * at- -*■ t -: ^ : - v •• j -j - -lt;

in^nb niir CIDI innxa pi^n »3 : ^quot;I'K^-VK nin^tiN «

v * - ; ^ ^ I-^-t; t-:-»- •• I ••. : lt;* iquot; t ; • v v.t : | -

inöK»i vSk iirii»! d : nn djwi quot;i3na3 ra

: •J- t quot; lt; :•- IV- vt t t : - r : ftr : • -

Kan Kenaz zou kunnen beteekenen. Misschien ook had Kaleb's vader twee namen. Kenaz voor den stiefvader van Kaieb te houden, gaat moeilijk met het oog op onze plaats, die Kaleb tot de familie Kenaz rekent.

14. DDTOK nnn onap rum. nu plaatst gij u op de plaats van uwe vaderen, met uw voorstel volgt gij geheel het door uw vaderen ingenomen standpunt. — mam, voorlgehrachten door zondige mannen; naar lichaam en geest, waardige kinderen uwer ouders. Het behoort bij het onderwerp van onnp en niet bij 03W3.S'; zij, niet hunne vaderen, zijn een D\scn D'ws mairi.

15- VinjCD piBTI quot;Oi als gij weer op uw vroegeren levensweg terugkeert van het Hem volgen, d. w. z. niet langer Guds wil volbrengt, die het land door Israël wil doen veroveren. Blijft gij nu hier, dan wekt gij ook bij anderen den lust, om rustig te blijven wonen en den strijd niet aan te binden; zoo blijft het land onveroverd en is Israiël in zijn geheel God ongehoorzaam.

16. vSn Waarschijnlijk hadden de oudsten van de beide

stammen het verzoek aan Mozes overgebracht en waren na Mozes' afwijzing heengegaan om met hun stamgenooten over die weigering te beraadslagen. Zij komen nu met nieuwe voorstellen, als gevolg van Mozes' argument tegen het direct zich vestigen der beide stammen. Uit de algemeene legerplaats naderen zij dus eenigen tijd later tot Mozes, die vóór het heilig-

ocr page 292

N U M E R I XXXII.

Schaapskooien willen wij voor onze kudden hier bouwen en

17 steden voor onze kinderen. Doch wijzelf, wij zullen wél uitgerust als keurbende vóór de kinderen Israels uittrekken, totdat wij hen naar hunne plaats gebracht zullen hebben; intusschen mogen onze kinderen in de versterkte steden wonen, uit vrees voor

18 de inwoners des lands. Wij zullen naar onze huizen niet terug keeren, totdat zich de kinderen Israels in het bezit zullen ge-

19steld hebben ieder van zijn erfdeel. Want wij verlangen niet met hen een erfgoed te verkrijgen aan gene zijde van den Jordaan en verder, daar ons erfdeel ons zal zijn toegevallen aan deze zijde van den Jordaan, ten oosten.quot;

20 Toen zeide Mozes tot hen: „Als gij deze zaak doen zult, wanneer gij als keurbende vóór het aangezicht des Eeuwigen

21 ten strijde zult trekken; En ieder uitgelezen man bij u den Jordaan zal overtrekken vóór het aangezicht des Eeuwigen, totdat Hij zijne vijanden van vóór Zijn aangezicht verdreven

22 heeft; En het land voor den Eeuwige onderworpen zal zijn, en

fij dan eerst terugkeert, en u dus van uwen plicht, tegenover en Eeuwige en tegenover Israël, gekweten zult hebben; danij dan eerst terugkeert, en u dus van uwen plicht, tegenover en Eeuwige en tegenover Israël, gekweten zult hebben; dan

23 zal dit land u tot een erf bezit blijven vóór den Eeuwige. Doch wanneer gij niet zoo doen zult, zie, dan zondigt gij tegen den Eeuwige; en denkt wel aan de straf voor uw zonde, die u

24 treffen zal! Bouwt u dus steden voor uwe kinderen en schaapskooien voor uw kleinvee; doch wat door uw mond is uitge-

144

25 sproken, zult gij volbrengen!quot; De zonen van Gad en de zonen van Ruben zeiden tot Mozes, als volgt: „Uwe dienaren zullen doen.

dom zijn tent heeft. — jsï .-nu, omheinde ruimten voor kleinvee, dat het hoofdbestanddeel van hun veestapel geweest schijnt te zijn, hoewel zij ook rundvee hadden. — ■uedS, voor onze kleine kinderen en hunne verzorgers; hier meer algemeen; allen, die niet strijdbaar zijn, vrouwen, ouden, zwakken enz.

17. fSrU zullen als ySn, keurbende, die steeds aan de spits des legers trekt en voor het gevaarlijkste en moeilijkste werk wordt gebezigd, vóór het volk uittrekken; terwijl de andere stammen hun land door het lot zien toegewezen, kiezen wij het onze uit; daartegenover nemen wij dan ook grootere verplichtingen op ons voor den aanstaanden veroveringsoorlog. — «rosi niet directe tegenstelling; ^anderen zullen dit, doch wij het volgende doenquot;, maar in tegenstelling met Mozes' vermoeden: wij willen niet dadelijk ons hier vestigen izoooals liij vs 6 had verondersteld), wij willen slechts onze kinderen en kudden hier verzorgen, wij zelve echter zullen enz. — dth, v. s. vol ijver, v. a. goed ten strijde ïiityerust-, weer anderen: de ijverigen onder ons, daar Jos. 4,12 en 13 van de 100.000 man, waaruit de 2l/j stammen bestaan, slechts 40.000 mee den Jordaan overtrekken. Er moest immers ook voor bescherming der achtergelaten kinderen en kudden worden gezorgd; de zin is dus; de ijverigsten onder ons, de beste oorlogsmanschappen. — owan, tot wij hen door ons onvermoeid streven tot hun doel hebben geleid. — -iMtn quot;ra, in de door ons te versterken steden, niet in open dorpen, daar wij voor een aanval van de bewoners des lands vreezen.

lü

ocr page 293

DV miDD nop

rVn: ris n:23 ?«ï nnnaquot;

I ■quot;•TIquot; : - -siquot; Iquot; quot; ; ^ t ; A (.••!: • : j\- ; -^1 .j ^

DQlpO-1?^ Di^^n-DN quot;1^« ny bxTiy» ^3 'JÖ1? D^n

at I ; v v.% r -: • jquot; -: *5quot; •• t :•-»•• : •• : • • -..

3^: ah : ri«n ♦jso njra wsü

^ ^ T j I VIT T Jquot; : I »/• : • T : - -quot;quot; T ; •• - «-T :

N4? ^ : in^ni SNntsquot; ^njnn lir wnr^K ^

- : . lt; j- ^ i^t-:i- v.* quot; t: • -quot;• : .. - . • t A..T

nayD ^ nx^ni nn^ layo Dn» -p-

•.•*Jquot; •• •• •• •• T -;i- T«T J- T ; AT T I V.quot; :quot; ~ •.•*gt;•••• T • ft

a * : nnnrp pTn

iïbnnquot;DK ntn -imrrm n'^n-os4 n^a bn^x quot;lö^'i = ' ^

.) ; IT •• • AV - JT T - V I ^ ^ : I- • V V ••-J v lt; -

nn^,—i-nx ribn-^ Dj^ ; non^D1? nin* ^aS «

I^.. .. _ I •) t T SV T quot; r; IT T : • - V.T : r*: •

r—iKn h^sd:'! : v:eo va^-nw itfnin ~\y nin» ^a1?33

I pquot;T t t : : •: .t t ■ VT:t v •gt; . quot; t quot;squot; : -.••:•

nn^ni nin^o D'p: on^ni quot;inNi nm^ ^a1?

T^ : IT ; Aquot; T : * • V.T i- ■)• I * : sv • ; r •.. T : T ; lt;•• : •

p n'^n n^-dxi : nlrv ^a1? ninxS dd1? nNTn r^Nn »

Iquot; I : Iquot; « * : IT : r* : • V.T\-;I- ov T j- | VT t

; Q3nN NVDD HyN4 DDJlNtSn IJHI Hln^ DilKün nan

iv : v \.t ; • JV v : - - ^ ^ at i- ^ v,v t -; jquot; •

: i^n DS^ao nï'hi rhm ddsü1? onv Dsb-ija ^

I ^-: I- v,v • • jquot; • ; av ti- ; ••: v : - ; ^ T lt;v t i ;

i^N-i ^21 ir-^s quot;io^In3

20. QX« De nazin begint óf bij nnvii, vs. 22/), öf bij Dip; orvvn in hetzelfde vers; als gij het volgende doet en het land veroverd zal zijn, dan zult gij uw plicht hebben gedaan enz ; waarvan dan onsen run van vs. 23 de tegenstelling vormt. Beide opvattingen zijn te verdedigen. — 'n ■os'?, v. s. roor Gods aangezicht, ten Zijnen aanzien; v. a. in Zijn dienst; n. a. naar Gods wil; weer anderen: vóór Gods woord uit, evenals SswiwoiS,— vóór de arke gaande, die mee ten strijde werd gevoerd.

21. Niet' gij allen behoeft uit te trekken, maar alleen pSn Sd, ieder uitgelezen man, de beste troepen onder u ; vgl. Jos. 1,14 Vm ■nia; Sa.

22. HCDSJIi ei?; neergedrukt zijn, vandaar: onderworpen zijn. — Dnquot;m D'pj, gij zult vrij zijn, van straf wegens schending van nw belofte, vgl. Gen.'24,41; hier: vrij zijn van de verplichting, die gij tegenover God en Israël op u hebt genomen.

23. oam Ni*on hpn Dsnxan um. denkt icel aan de straf weer zonde, — nson, evenals pï Gen. 4,13, straf der zonde, — die u treffen zal; anderen: veest u dan hewust van uk zonde, die zeker op uzelf zal terugvallen; nog anderen: weet dan, dat uw zonde (of de straf ervoor) u treffen zal = D3nscn osns Nï?:n ibn iiti.

24. D3N'JïS. van een vorm X3Ï = n3ï. Ps. 8,8, een verlengde vorm van jn*.

25. enkelvoud, als onpersoonlijk, of: hun vertegenwoordiger zeide»

ocr page 294

N U M E R I XXXII.

26 gelijk mijnheer gebiedt. Onze kinderen, onze vrouwen, ons veebezit en al ons vee zullen hier blijven in de steden van

27 Gil'ad. Uwe dienaren echter zullen overtrekken, ieder uitgelezen krijgsman, voor den Eeuwige in den oorlog, gelijk mijnheer

28 spreekt.quot; Toen gaf Mozes met betrekking tot hen het bevel aan den priester El'azar en aan Jehoshoea', den zoon van Noen, en aan de hoofden van de vaders-stamhuizen der kinderen

29 Israels. Mozes zeide namelijk tot hen: «Indien de zonen van Gad en de zonen van Ruben met u den Jordaan overtrekken, ieder uitgelezene, ten oorlog voor den Eeuwige, en het land dan voor u onderworpen zal zijn, dan zult gij hun het land

30 Gil'ad tot een erfbezit geven. Doch wanneer zij niet als keurbende met u overtrekken, dan zullen zij onder u hun erfbezit

31 krijgen in het land Kena'an.quot; De zonen van Gad en de zonen van Ruben antwoordden aldus; „Hetgeen de Eeuwige aangaande

32 uwe dienaren gesproken heeft, zoo zullen wij doen. Wij zullen als keurbende voor den Eeuwige naar het land Kena'an overtrekken; doch bij ons blijft ons erfelijk eigendom aan deze zijde

33 van den Jordaan.quot; Mozes gaf hun dus,—aan de zonen van Gad, aan de zonen van Ruben, en aan de helft van den stam van Menasshé,den zoon van Joseph, — het rijk van Siechon,koning van de Emorieten, en het rijk van 'Og, koning van Bashan; het land met zijne steden en het bij ieder dezer behoorend gebied, de

34 steden van het land rondom. De zonen van Gad bouwden nu

26. Ujpo. ons veebezit, het kleinvee, dat ons vermogen uitmaakt, Sai winra, en als ons ander vee, koeien, ezels enz.— dc, vs. 16 ns. daar, in de

Sinds liggende streek, — of;inds liggende streek, — of; zullen daar blijven, als zien zij zich reeds aan e overzijde van den Jordaan.

27. N3S pSn. een uitgelezen krijgsman. — vaj.quot;1, zullen den Jordaan ov er-trekken ten strijde; ten strijde trekken wordt met sa of niinSnS kï' uitgedrukt.

28. riiDön niSN tjo. combinatie van jras tni (= nias vo en nwnn 'cni; het zijn de stamhoofden, niet alleen de nu fungeerenden, maar zij, die ten tijde van de toewijzing van het land stamhoofden zullen zijn en met de verdeeling belast zullen worden (zie 34,18).

29. Ik meen, dat nnnSn1? ook hier met rari os verbonden moet worden. De zin is dus; trekt de uitgelezen schare met u den Jordaan over om den strijd te voeren, enz. — dd^eS psn ncaaji, als dan het land veroverd en onderworpen vóór u ligt, dan enz

30. Houden zij hun belofte niet, dan mogen de overige staramen door het lot laten aanwijzen, wie het transjordaansche gebied zal krijgen, en den stammen Gad en Ruben bij loting hun gebied aan de overzijde toe-deelen. — imxp, zullen zij rmns, er/eigendom krijgen. — Tot de verovering des lands, zoolang het onzeker was, of zij al of niet hun belofte zouden houden, was het land den beiden stammen slechts voorwaardelijk toegewezen. Men zou hen, bij niet voldoen aan hun woord, des noods door geweld van wapenen uit hun bezit aan de overzijde van den Jordaan mogen verdrijven.

145

ocr page 295

n1? niüö nap

-vn^ ^nönrbDi usta : myp ♦rw 1^x3 «

nin*'isj1? KDÏ ribn-^ nnr Ji^annya DI^»

v.t :-»••:• jt t » ^ quot;! T : -•- I v t ^-:i- nr; • - j-^t ;

n« n^o on1? iri *: m 'Ha nonVa1? ^

-•t^t ; v ••lt; v v t «-;- Iquot; V' quot;S quot;»•- at t : • -

ria1? nitapn ni2« prja ^pirr üki jrtan

i piKT^ni nr^n •n^,quot;DN DHVN nvrj quot;lak»-) : «=

I — : !•• : -T •• : -y ^-r v •• -: v ^ v - i-^t :

mraaii nin» ^ö1? non^aV PTHTIX DDnx

jt : : * ; t ;•»••; * t t ; * - | lt; t t i - v v : •

quot;Dxi : nTn^b n^anptrnN Dn1? onnai DD^Ö1? PKH''

• : it -.. -;r \t: • - I vjv v )■-• t jv - : tgt;v •• ; • | '.\t t

: mz pM3 DDDha ITHNJI DDnN D^iVn N1?

» it : i v jv : ^.-y i v-j i: »%•.•:• -: 4 ; ^-r s

■Vx nin' quot;121 -ibw DK -iaNV pi^i nr^3 wyn ^

•)t : sv * v -j •• a •• iv.quot; : jquot; : .)t •• ; s^n—

pNf nin* ^öV D-ïibn iiyj ^ ^

n^a i DnV mn : nn^ mpa un^n: mnx bnNimjs ^

-•vt |jquot;*- i iquot; ;-- v^......Tf-tt- j- \-i • :' ~at:

tin t]pv-p nf;a i CDD^ I quot;ïnbi piN-i nr-^nb jtrari TjSa 31^ nD^aa-nN'i n'a^n Tjba jh'D naSpa tin -iHn wa»quot;) : pKn ny ri^aaa nny1? pxn *

t ••:-•:• - r t I 'at t j^ t \ : • r v*t : | vt t

31- 'H ^31 ICN» Mozes handelde natuurlijk op Goddelijk bevel. — •y-Bï Sn = -pM-' Sr, aangaande uwe dienaren.

32. unSm mnN unNi. als wij overtrekken, gaat met ons mede, blijft ons nieitemin verzekerd ons erfdeel hier, aan deze zijde van den Jordaan.

33. Dat hier ook de halve stam Menasshé optreedt, kan zijn grond hebben in het feit, dat het veroverde land te groot was, in verhouding tot de oppervlakte van Palaestina, voor de stammen Ruben en Gad en dus nog een ander deel des volks daar moest wonen. De helft van den stam Manasshé, ook een veefokkersstam, d. w. z. eenige familiën uitdien stam, kunnen nu het verzoek tot Mozes gericht hebben, onder dezelfde voorwaarden, als de beide andere stammen, dit gedeelte te mogen bezitten. Ook kan het zijn. dat de verder in ons hoofdstuk beschreven veroveringstochten meer naar het Noorden toe omstreeks denzell'den tijd plaats hadden (vgl. ook Deut. 3,12 vv.) en de familiën van Menasshé nu in het door hen vermeesterde gebied gevestigd bleven. — nSaj: .tijj1? psn, het land naar zijne steden met stukken gebied, d. w. z. de steden met het ertoe be-hoorende omliggende gebied; de stad is beheerscheres van een aantal dorpen en gehuchten in de omgeving en heeft gebied aan landerijen, die den bewoners behooren. Waarschijnlijk werd nu aan iedere familie of groep van familiën, nnsu?:, een stad en omliggend gebied als eigendom toegewezen; anderen: het land stadsgeicijze in nauwbegrensde stukken grondgebied verdeelend. — 2gt;20 pan ■nr, alle steden des lands rondom, nadere verklaring van het voorafgaande; v. a. alle, ook de thans nog niet te bewonen steden des lands rondom, d. w. z. in het geheele land.

ocr page 296

N U M E R I XXXII, XXXIII.

35 Diebon, 'Ataroth en 'Aro'er; En 'Atrotli-Sliophan en Ja'zer

36 en Jogbeha; En Béth-Nimra en Béth-Haran, — tot vaste

37 steden en kooien voor het kleinvee. En de zonen van Ruben

38 bouwden Cheshbon en El'alé en Kirjathajim. En Nebo en Ba'al-Me'on, wier namen veranderd werden, en Sibma; en zij noemden met de oude namen de namen der steden, die zij

39 bouwden. En de zonen van Machier, den 'zoon van Menasshé, gingen naar Gil'ad, en veroverden het; en verdreven den

40Emoriet, die er in was. Toen gaf Mozes Gil'ad aan Machier,

41 den zoon van Menasshé, en bij vestigde zich daar. En Jaïer, de zoon van Menasshé, ging heen en veroverde hunne dorpen

42 en noemde ze: „Jaïer's dorpen.quot; En Nobach ging heen en veroverde Kenath en zijne dochtersteden en gaf het den naam Nobach, naar zijn naam.

1 Dit zijn de tochten der kinderen Israels, die uit Egypte getrokken zijn naar hunne scharen, onder leiding van Mozes en

2 Aharon. Mozes schreef hunne plaatsen van vertrek en het doel

34. Tengevolge van die toewijding wordt nu alles voorbereid om de vestiging van vrouwen en kinderen enz. mogelijk te maken.

34-36. nsao ny... uan zij her-bouwden de vroegere steden t o t vestingen voor hun vrouwen en kinderen en tot schaapskooien voor hun kudden. Het waren bestaande steden, die zij ten deele versterkten en waar zij verzamelplaatsen voor het vee bouwden; niet geheel van grond op nieuwgebouwde steden.

38. Qi? rQDIQ, Nebo en Ba'al AFe'on, steden, die namen van afgoden droegen, kregen een veranderden naam, die hier echter niet genoemd wordt; nnca isipn, doch overigens noemden zij met de vroegere namen denamen der steden, die zij bouwden (Rashie). Naciimanides : die onder Siechon van naam veranderd waren-, doch noemden zij, de Hubenieten, nu weder met de oude, Moabietische namen de steden, die zij gebouwd hadden.

39. Taa 'JS» niet alle, maar een gedeeile van de familie ü/ac/uer, daar Jos. 13,81 eenige takken der familie Machier als in Palaestina gevestigd genoemd worden

40. jm. Mozes gaf Gil'ad aan Machier, zonder twijfel onder dezelfde voorwaarden, als waaronder Ruben en Gad hun gebied hadden gekregen. Gil'ad is naam van een gebergte, van een stad en van een groote landstreek in Noordelijk Peraea ; — va» het land kreeg ieder der 21/,, stammen een gedeelte. Hier schijnt de stad bedoeld te zijn, waarop msSi ook beter past, dan op eene landstreek.

41. nCJD p Jaier, de nakomeling van Menasshé, met zijn familie; of; het nageslacht van Jaier, den zoon van Menasshé; er wordt nergens een zoon van Menasshé van dien naam vermeld, wel echter komt Jaier voor als de naam van een kleinzoon eener dochter van Machier (11 Kron. 2,21 en 22), die echter tot den stam Juda behoort. Het is zeer wel mogelijk, dat Jaier zoowel als Nobach zonen van Menasshé waren.

146

ocr page 297

iV nV ^dö nit:» lop

jaiiy nxi nhü^-nNi. jnn. ^

nh-wi ix2D njr r*in n^-nxi nno: rvrnxi : nnaan ^

j :• : : • Jquot; t Iatt -,quot; v ; ^T 1 quot;. ^ Jquot; '•' : it ; :t:

: D^nnp n^i riat^n-nx lia raiNT »J3i : rxv

•ITT :!• : tf' t : v v ; I ^ ; v v t I •• : «•• ; I i

no3^-nNi DB' rüDia |i^p ^2-nNi iSrnKi ^ quot;f3 quot;)»3D *33 ; i:3 1^« nlOty-nN nDU'3 ^

I v s* t •• : ; ••- it -iv -; v.'^r iv ^ : v •• ;

rn'i * : n3-quot;iB'K na«n-nN Bhin msbn nmn» «

!lt;quot;•- it v -: j- v: it v v V t a*.. ; : •-_ ^ •)••• - : £

quot;|3 : n3 3^1 n^D-?3 quot;i'DQ1? lir^n-nK HB'Q ™

I v lt;• t: it v^quot;- av - ; I v v,quot; t : r :■ - ^ v^

: mn rnnx Nipn Dn^nin-nx n^D

r t J' i ^v tv jri: •quot; av •• i - v ^ : * ~ ( - t_ ••• - :

n3i nb K-ipquot;! rrntoTiNi n:p-nN TS1?quot;! Ti^n n3:i20

- v. JJT stI; •- t av ; v ; v.tI; v j : •- ]' r - ■» :

3 : 101^3

i :

Dn«3^ onxD rquot;iKD INÏ» IB'N V«I^'-^3 ^DD nbx« J»

at : • : • ^-; • | v jv •• ^ .) : it ^ jv -: •• t : • r* : ^••; - v ••

orr^DD1? Dn^ïiQTN ni^Q 3n3n : r1™ =

Vquot; : ■)••• quot;IT V ■-• : •quot; I i-!i- : -:

die echter geen eigen familiën vormden, maar wier nakomelingen zich, althans tijdens de omzwerving in de woestijn, tot een der andere uit Menasshé ontstane familiën rekenden (vgl. onze aant. Num. 26) — Drvnin, hun, der Emorieten, dorpen; de aileiding van dit woord is onzeker; eveneens slaat niet vast. ot' het bevestigde of open dorpen zijn.

HoorDSTUK XXXIII. Op het einde van den veertigjarigen tocht door de woestijn, vóór de mededeeling van nog enkele, direct met deinachtneming des lands in verband staande wetten, volgt hier nog een overzicht van de gemaakte tochten. Aan ieder der genoemde plaatsen zal wel of voor het geheele volk öf voor enkele familiën eene herinnering verbonden zijn geweest, ook al zijn vroeger tal van hier genoemde plaatsen niet vermeld, of enkel genoemd zonder mededeeling van daar plaats gevonden gebeurtenissen.

i- pnxi nB'o T3 behoort waarschijnlijk bij ii'D», — niet bij wsi; T2 beteekent hier: onder leiding van.

2. DrWDoS DrPKSID, en op het einde van het vers; DmNïiaV dtcdis. xïvj kan beteekenen: vertrek; ïd», tocht, of ook wel: doel der reis,station; dan beteekenen de woorden: hun telkens vertrekken naar hunne stations en : hun reizen naar plaatsen, vanwaar zij weer spoedig vertrekken zouden ; dit laatste is wel wat gedwongen, waarom anderen den 'h hier eenvoudig als verbindingswoord verklaren en vertalen; hun plaatsen van vertrek en hun stations, zoodat DrPïDnS Dn\ssi» en DniNïiD1? orvïD» precies hetzelfde is. Luzzatio merkt op, dat sïi ook gebruikt wordt voor; ergens heengaan, zoo; w irm Sss ixx'i (Ex. 15,22) en verklaart daarom: hunne stations o p hunne tochten en; hunne tochten naar hunne stations. De beide laatste ver-

ocr page 298

NU M E R I XXXIII.

hunner reizen op volgens het bevel des Eeuwigen; en dit

3 zijn hunne haltplaatsen en hunne plaatsen van vertrek. Zij trokken op van Ra'meses in de eerste maand, op den vijftienden dag der eerste maand; daags na het Pésach trokken de kinderen Israels uit met opgeheven hand, voor de oogen

4 van geheel Egypte. De Egyptenaren waren bezig te begraven hen, die de Eeuwige onder hen geslagen had, — alle eerstgeborenen ; — en ook aan hunne goden had de Eeuwige straf-

5 gerichten geoefend. De kinderen Israels trokken op van Ra'meses,

6 en legerden te Soekkoth. Zij trokken op van Soekkoth, en

7 legerden te Etham, dat aan de grens der woestijn ligt. Zij trokken op van Etham, en het keerde terug naar Pie-Hachierothi, dat tegenover Ba'al-Tsephon ligt, en zij legerden vóór Migdol.

8 Zij trokken op van tegenover Hachieroth, trokken door de zee naar de woestijn, en gingen een weg van drie dagen door de

9 woestijn Etham, en legerden te Mara. Zij trokken op van Mara, en kwamen te Elim; en in Elim waren twaalf waterwellen

10 en zeventig palmboomen, en zij legerden daar. Zij trokken op

11 van Elim en legerden bij de Schelfzee. Zij trokken op van

12 de Schelfzee, en legerden in de woestijn Sien. Zij trokken op

13 van de woestijn Sien, en legerden te Dophka. Zij trokken op

14 van Dophka, en legerden te Aloesh. Zij trokken op van Aloeshen legerden te Rephiedim; en daar was geen water voor het volk om

15 te drinken. Zij trokken op van Rephiedim, en legerden in de woes-

16 tijn Sienai. Zij trokken op van de woestijn Sienai, en legerden te

17 Kibroth-Hatthaawa. Zij trokken op van Kibroth-Hatthaawa, en

18 legerden te Chatseroth. Zij trokken op van Chatseroth, en legerden

klaringen sluiten met het in ons hoofdstuk telkens herhaalde wi — u'D'i.— 'n is Sj! kan bij orvjonV orPNxm behooren ; waarschijnlijker echter bij aro'i; dat reizen en rusten op Gods bevel geschiedde, weten wij reeds; hier komt het erop aan te zeggen, dat de lijst van tochten op Gods bevel werd neergeschreven.

3- nDSn mnOO. den ochtend, volgende op den Paaschnffer-Aag, den 14 Niesan. — Over nni t; zie Ex. 14,8.

Dnapa. De Pi'el versterkend; velen waren bezig om velen te begraven, waren maar aldoor aan het begraven. — 1133 Sa —ion ns. De gewone constructie: ona 'n ron iun 1133 Ss m ware minder sierlijk; zooals de woor-. den nu staan, is naa Sa nadere verklaring van ona 'n nan it's ns. — Dit eheele vers is een nadere verduidelijking van het in het vorige gezegde, at Israël met opgeheven hand uit Egypte gegaan was; Egypte was in het leven zijner eerstgeborenen van mensch en dier en in de strafgerichten tegen de vermeende goden zoo diep getroffen, dat voor allijd voor Israël vaststond, dat de Goddelijke bijstand alleen zoo iets had kunnen bewerken.

7. Vgl. Ex. 13,20 en 14,1. — acm, enkelvoud, het volk. — Sj) = Sn, naar.

8- rrmn = mvin IB ijbS», daar Ex. 14,1 staat, dat zij legeren

zouden: jrmn '3 •osS, voor, in de richting naar Pie-Hachieroth, zoodat zij van

147

ocr page 299

b ^DO TOp

DDoyio i^D'i : DrrNXio1? DH^DÜ n^Ni nin» j

.. . : • - iv •• it : •■: - v jquot; : at ; •'•

mnsD riB'Kin irin1? di* niyara ri^Kin irTnn

it -Ia 'it v j - ^ ot t ^ jt • -: i- I 'it v •* -

onvoi: onvD-Va nai ^3 ixr noén ^

•-»-:• * it : t vquot; : t t ^t : •• t ; • ^r* : ^ lt; :it - v -

DrrnbKDi npr^ ona nin' nan iitn dn onapo

jr t ... .. j .. ^ ; t t .)t : st • v -: •• • : i - :

: haoa ^n1quot;! DDD^ID Vtntr'-^a : Q'üsjb' nm* ^

^ • •. : v. *quot; '• : t: • iquot; : j : *quot; it; v.t ;

^D'i : laian nxpa quot;iew onxa wnn naoo 1

: * ~ it : • - jquot;l; • v,v -: t •• ; -•-:i-- • .v. : 'quot;T

^n»1! riöï ^a itrN n^nn a^'i Dn«D

v. -:i— ia: - -j- : jv -: * quot; t t- t .....

nnanan DTTTjina na^i nS^nn ^ap i^p»! : Vnjp ysbn i^D'i : n-iDa lin^i dhn quot;lanoa nm laSiQ

: • ~ it t : v, quot;ïi*quot; r t •• : * : p ' Tp v lt; : | •.•■»••• : *•-

D'^at^i D'o nrv Dquot;^ ob^ai no^« iNa,i n-iao

*5* ; • ; • •)- j *•• ••: •• : * •• : t a* quot; ^ t- t t •

i^D'i * :eTiDquot;D^wn»i drm i^on : Dtrijn»quot;! onon1

v. : •quot; i i - vquot;• •• iquot; 'v : •- it quot;liquot;quot; v.*t : ^

: npana un'i rtnaisQ u-D'i: ronanoa vm ^quot;crcra ^

^ I it: t : v. -tiquot; - Ia* - : • * \. : Ir - : * ; ^ -:i-- | a

Dn^ana : ^ibxa un*! npano i^d»! ^

• • : • -:i-- atiquot; v. : * ~ it: v, quot; 'at: t • ^ v ï t

wnn DTaiD : niniy1? D^Q Dtr rrn-K'n10

v-:iquot;~ a* • : iquot; { : ' ~ 1 : • ^tt ••)* jt tt :

: niKnn nnapa td nanaa ^d,i : ^'D nanoa to

it-: 1- - gt; : i • : -:i-- at * j- : • • ^ : •- it * jm i ' z

un»! nhxno : rhïna un'i mxnn n'iapD ^d,,i ^

v -:i~~ a •• -1 iquot; \ • '' 1 quot; quot;t iquot; v quot;»i*quot; at-j r - j : 1 • • v. : 'quot; pp

daaruit gezien konden worden; vandaar vertrokken zij dan weer en trokken de zee door. Anderen; 'jbb = 'sa. — ons -anM, de woestijn hij of tegenover Etham, zie Ex. 16,22.

10. fpQ ^y, hij de Schelfzee op een niet nader aangeduide plaats. Zou Jam Soef een plaatsnaam zijn, dan moest hier staan e)iD Dquot;Q. — Over Mara zie Ex. 15,23; Eliem Ex. 15,27; Schelfzce en woestijn Sien Ex. 16,1; Dopbka, Aloesh en Rephiedim Ex. 17,1 ; Sienai Ex. 19,2.

16—36. Van Sienai naar Kadesh, 21 stations. Op grond van de overeenstemming der namen van vs. 37—49 met die van 20,22—22,1, waar de tochten van het veertigste jaar worden beschreven, nemen de meeste commentatoren, ook de nieuweren, aan, dat vs. 36 de aankomst te Kadesh in het veertigste jaar van den uittocht beschreven wordt. De 21 namen van vs. 16—36 zijn dus de stations van af het vertrek van Sienai, in de 2de maand van het 2de jaar, tot het begin van het veertigste.

18. Rithma, waar het volk van Chatseroth uit komt, is, naar velen meenen, de plaats, vanwaar de verspieders zijn uitgezonden; van Chatseroth uit, wordt ons nl. 12,16 gezegd, ging het volk naar de woestijn Paran, en daar, van uit de woestijn Tsin, werden de verspieders gezonden, die

ocr page 300

N U M E R I XXXIII.

19 te Rithma. Zij trokken op van Rithma, en legerden te Rim-

20 mon-Pérets. Zij trokken op van Rimmon-Pérets, en legerden

21 te Libna. Zij trokken op van Libna, en legerden te Rissa. 23 22 Zij trokken op van Rissa, en legerden te Kehélatha. Zij

trokken op van Kehélatha, en legerden te Har-Shépher. 24 Zij trokken op van Har-Shépher, en legerden te Charada. 26 25 Zij trokken op van Charada, en legerden te Makheloth. Zij

27 trokken op van Makheloth en legerden te Thachath. Zij

28 trokken op van Thachath en legerden te Thérach. Zij trokken

29 op van Thérach, en legerden te Mithka. Zij trokken op van

30 Mithka, en legerden te Chashmona. Zij trokken op van Chash-

31 mona, en legerden te Moseroth. Zij trokken op van Moseroth,

32 en legerden te Bené-Ja'akan. Zij trokken op van Bené-Ja'akan

33 en legerden te Chor-Hagidgad. Zij trokken op van Chor-Ha-

34 gidgad, en legerden te Jotbatha. Zij trokken op van Jotbatha,

35 en legerden te'Abrona. Zij trokken op van'Abrona, en legerden

36 te 'Etsjon-Géber. Zij trokken op van 'Etsjon-Géber en legerden

37 in de woestijn Tsin, dat is Kadesh. Zij trokken op van Kadesh en legerden bij het gebergte Hor, aan de grens van het land

38 Edom. Hier steeg de priester Aharon op naar het gebergte Hor, volgens het bevel des Eeuwigen, en hij stierf daar, in het veertigste jaar na den uittocht der kinderen Israels uit het land

39 Egypte, in de vijfde maand, op den eerste der maand. En Aharon was honderd drie en twintig jaren oud, toen hij op het

40 gebergte Hor stierf. — Toen hoorde de Kana'aniet, de koning van 'Arad, die in het zuiden in het land Kena'an woonde,

41 van de komst der kinderen Israels. Zij trokken op van het

42 gebergte Hor, en legerden te Tsalmona. Zij trokken op van

43 Tsalmona, en legerden te Phoenon. Zij trokken op van

44 Phoenon, en legerden te Obóth. Zij trokken op van Obóth,

veertig dagen later naar Kadesh terugkeerden. Het is nu zeer waarschijnlijk, dat in de woestijn Paran een deel Rithma heette; bij het zenden der verspieders wordt in het algemeen gezegd, dat Mozes ze liet gaan van de woestijn Paran uit, de naam van een zeer groote oppervlakte, wier onderdeelen verschillende afzonderlijke namen dragen. De hier genoemde plaatsen zijn overigens bij het verhaal der tochten niet genoemd en niet uitzondering van Moseroth, Bené Ja'akan, Gidgad (Goedgod) en Jotbatha, die Deut. 10,6 en 7 genoemd worden, verder niet bekend.

22. nnSnpa. De toon op den voorlaatsten lettergreep bewijst, dat de vorm van den naam eigenlijk was, met een richtings-aanhangsel:

nnSnp; zoo ook nroo'1, — nJUDD naast ruon, nsrn naast f.-p; mju naast •wu enz.

32. IJlJin irD. holte, misschien: ketel tusschen de bergen van Gidgad.

35. 'Etsjon Gcber is de bekende havenstad aan de Elanletische golf, waar onder Salomo en Jeliosaphat de Israëlieten een vloot bouwden

148

ocr page 301

jV ^do nop

rbno won : riö tana noma wi : noma ^

i j •!•• ^ : •- i vit i j * ; v.-:i-- ist ; • iquot; v, : it : • ; 3

ivo'i : riD-ia un9'! nanbD i3n4i pa «

^ ; •- it • ; v. -ji-- at ; • • ^ ; •- it : • ; v. -n— I vat 23

: -isirnrn nn'i nn^npo i^D'i : nnbnpa i:n*i nono »

v it • ~ ; ^ -:r- tat •• i: * ^ : *~ tit •• i: * ^-:i-- at ••••

nnno i^D'i : nnna unn -ifliy-nnD !lyD!,,l■':,

v.-:i-- att-iiquot; v. : *quot; itt-:i- ^-:i-- vat ~ iquot; ^ : 'quot;ro

nnna i^o'i : nnna n^npaa : rbnpaa13

- at • \ - - it ; v, -:i-- a quot; i; - • ^ - i •• i; - ; 73

npnso lyDquot;'! : npnoa wn»quot;! mno : mna !i:n»i ^

Iat ; • * { ■ ' ~ Iit; • ; v. quot;!•— quot;at • ^ - -it : v. quot;*•—D3

wo'i : niiDba ^n'i n:birno WDn : n:btrn3 urn1'

1 : • - iquot; i : v-Jquot;quot;quot; at : - iquot; ^ - it ; - : v. ~i~quot; N7

ina rpr'330 :?Pr ^33 iin»i niiDSD3''

j : ^-ii— 11at -:i- -••• ; • iIit^;i- jquot; : * ^-tr- aquot; i *

nn3ü»D : nn3u,3 lan'i n-nan quot;ino ivd*i : lanan i

tat ; t • v : * quot; t it : t ; v. at : * - j •• quot;v, ï *quot; it - *n

i^p'i : 13a |^3 : nn3j?3 lan'Aj

bnn trnpo ivo'i : i^np Kin rr*13103 13a rï^o

-;i-- a-It • q q,quot;'T J' ' *•' ~ ^-11-- vat^ I-• : v iquot;

lir^irten pnx : diin4 pNt nïp3 inn ins ^ -^3 nxï1? D^siNn nwz nv no^i nin» inn

i- ; lt;•• : t : - it j- ; • at tjt- ^t ; j' yquot; -jt t

t'lnNi : t^lnb inN3 ^'onn Ehra onïo riNO •jKity» ^

i -:j- ; vi- jt v ; v,* * iquot; v j - • - ; • | •.•-••.• •• •• t ; •

d : inn in3 inb3 nair pnoi on^i »

^ - itt j : v. : at t . 4*: •*: ^ j t i v

♦33 K33 |^3 pK3 3333 11^ TJ^O ♦^JSn

nabbïo iroi : nabVïs inn ino i^di : bKi'tr»«»

at ; - * v. : 'quot; it : - ; *. -ji-- at t -• quot; v : *quot; •quot; t : • 30

n'3«o : n3S3 lan'i niao ^d'i : nias ^n»1!«

a Iquot; I:-- 1 : 1,-11-- In ■ quot; : li : l-11---1?3

en uitrustten voor de tochten naar Ophier (I Kon. 9,26 en 22,14; vgl.

II Kron. 20,36).

37. Zie 20,22. Hor ligt dicht bij Kadesli, dat eveneens grensgebied van Edom genoemd wordt (20,16).

38. -inn -in Snv op een der bergen van het gebergte Hor. Sommigen meenen, dat Hor ha Har, Hor op den berg, ook naam eener stad is; wat dan vooral vs. 39 zou moeten gelegd worden in inn inj; vs. 37 is de stad dan bedoeld, vs. 38 een der toppen van den bergketen, vs. 39 weer de stad.

40. Zie voor de gevolgen van dit hooren Num. 21,1—3 Dat het hier vermeld wordt, geschiedt waarschijnlijk, omdat het de eerste vijandige ontmoeting was met een stam, tot de bevolking van het in bezit te nemen land behoorende. — '3 ï»'-quot;, hier: met belangstelling vernemen; hooren na informatie, niet toevallig. Vs. 41—43 zijn de tochten, die 21,4—9 besproken zijn en daar in de woorden ons ps rus aaoS zijn begrepen.

ocr page 302

N U M E R I XXXIII.

45 en legerden te 'Ijim bij den 'Abariem aan de grens van Moab. Zij

46 trokken op van 'Ijim, en legerden te Diebon-Gad. Zij trokken op

47 van Diebon-Gad, en legerden te 'Almon bij Diblathajim. Zij trokken op van 'Almon bij Diblathajim, en legerden aan het gebergte

48 'Abariem, voor Nebó. Zij trokken op van het gebergte 'Abariem, en legerden in de valleien van Moab bij den Jordaan tegenover

49Jerécho. Zij waren toen gelegerd bij den Jordaan, van Beth-Hajshiemoth, tot Abél-ha-Shittiem toe, in de valleien van Moab. —

50 De Eeuwige sprak tot Mozes in de valleien van Moab bij den

51 Jordaan tegenover Jerécho, als volgt: «Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen ; Wanneer gij nu den Jordaan zult

52 overtrekken naar het land Kena'an ; En gij al de inwoners des lands van vóór u verdrijven zult, zult gij al hunne beeldhouwwerken vernietigen, en al hunne gegoten beelden zult

53 gij vernietigen, en al hunne offerhoogten verdelgen. Zoo zult gij het land veroveren en u daarin vestigen; want u

54 heb Ik het land gegeven, om het in bezit te nemen. Gij zult het land, door het lot, naar uwe familiën u als erfdeel aanwijzen; voor die talrijk is, zult gij zijn erfdeel grooter doen zijn, en voor die minder in getal is, zult gij zijn erfdeel kleiner doen zijn ; waarheen voor ieder het lot zal uitkomen.

43 en 44 = 21,10 en 11; voor D'-oïn quot;ra zie aldaar. De stations van 'Ijiem tot 'Abariem zijn niet verder bekend.

^6. DOVlSsT JoSjD) 'Almon hij, in de richting na.'dr Diblathajim, welke laatste stad Jer. 48,22 Héth-Diblathajim genoemd wordt; de bijvoeging van dien naam bij 'Almon dient om het van andere plaatsen, die 'Almon heeten, te onderscheiden (Jos. 21,18).

47. Neho is een top van het 'Abariem-gebergte; zij legerden dus in het gezicht van, of v. a. ten Onsten van den Nebo. Misschien is hier ook wel de stad Nebo bedoeld (32,3). — Wanneer sommige der Num. 21 genoemde stations hier niet voorkomen, dan vindt dat zijne verklaring óf in het feit, dat hier op onze plaats of daar verzamelnamen genoemd zijn, — hetzij Nachal Zéred daar, of 'Almon of Diebon-Gad hier, — waaronder andere stations mede begrepen zijn, — of dat de in 21 genoemde plaatsen slechts oogenblikkelijke halten, geen fe/er-plaatsen waren.

49. IjrPV hun legerplaats strekte zich uit, van Zuid naar Noord genomen, van Beth Hajshietnuth, vlak tegenover Jeriecho, aan de noordpunt van de Zontzee, tot Abélha-Shittiem, een afstand, volgens Josephüs, van 60 stadiën — de door den Thahuoed opgegeven uitgestrektheid van 3 Parsa = 12 Miel a 20lX) el. — nn^n rv^J, woestenijhuizen, nwen = jitwquot;. —oiovn ^as, plateau, hoogvlakte der Shitta-hoomen.

50—56. Nu de overtocht over den Jordaan aanstaande is, worden eenige hoofdwetten voor de verdeeling van en vestiging in het land hier medegedeeld. Als algemeen voorschrift gaat daaraan de waarschuwing vooraf, alle sporen van het heidendom uit te roeien ; — om het groote gewicht der zaak is zij herhaald, daar alle hier gegeven voorschriften reeds in Ex. en Lev. voorkomen.

149

ocr page 303

ih ^DD ÜDp

vm quot;pz ijn«i ™

^-:i-- ft' r* v, : ' ~ it j : • t : it jquot; ' : o -:i--

: no\^3i rbVjra lin»! -13 pnü ^d4') : quot;ia pna^

t ; it t ; * ij'.-'. ^ 1i-- at i j quot; it ij * ;

: id: quot;ish ana^n nna wn»! no^nSai i^o'V»

1 ; jquot; : • t quot;jit jquot;t ; o -ii--^ t : «nt t ; • i j ; 1quot; ^ ; • -

: lm» nn» asiio nbquot;ij?a un»! ona^n nno lyo'inn

1 ••: 1 jquot; :~ t j :^* : -:i-- a* t'hit j-tiquot; v : •-

róny:? D^ETI VSK np. nó^'n rvap jiTnquot;1?)? rn^-^v 3Nquot;iQ rcnya nirQ-bN nin» quot;13-1^ d *: 3Kia3 -

i jquot; ;- ^ at j •.- : ^v_ v : ^squot; -:- it

DPN »3 Dr6K PIDNI 131 : ION1? inn^«

r.' - J' AV •• -; V.t : - ^it : •• t ; • -•• : v •• - i quot; v. *quot;

Dri^iini : |^3 pNi-^K |iquot;i»n-nK ona^ ^ ♦o^x-Vs nNquot;) Dh^o-ba nx oniSKi DD^sqVquot;1^

lt;•• ; - t •• : at • : quot; t \,quot; •••:-•; •• : *^1 v t t

TIN onEhim : Dnio3_i?3 nsi nixn ddsdd «

r.' : - i ; r ; - ^t it t jquot; ; •• - ; t r* quot;

: nn« niri1? rnxn-nN tdj onb ^ ns-ona^i risn

it V r.'t^ | *\t t V • j' t r,)v t •'* ^ at v :qquot; '* ' *-\t t

TIN lain 31^ Di^hnstyo1? Vii33 riKHTiN Dn^nannquot;)11

lt; ; - t v qquot; 1 : : . * : T : 1 v t t ^ v v ; iquot; : • ;

nm quot;h xt-ivx in^nrnN ü^on inbn:

t .,t j •••• v -; v t -:|- v *J' •. - ^- ; - : t -ti-

51. D,'13J7 DDN 'Si v- s- daar gij nu zult vertrekken en (52) zult verdreven hebben enz. zult gij vernietigen.

52. DS'JSO. van voor uto aangezicht, zoodat zij plaats voor u maken; üviin, met geweld iemand beërven, zijn goed in bezit nemen; cv, erven of beërven, en ook; in bezit krijgen, — hier dus r-nin: den bewoners hun land ontnemen; 53, den bodem van zijn eigenaar berooven; andereu verklaren daar -pxn = psn wp. — divod» = Dnvoun 'j2,s, zie Lev. 26,1; over nisa zie Lev. 26,30.

53. nj{ Dnanim. v- s. als gij dan zoo het land zuü ontdaan hebben van de sporen van heidendom, dan zult gij daarin kunnen wonen; zoo niet, dan treffen u de onheilen van vs. 55. Anderen: als gij dan het land hebt veroverd, zult gij enz. Sipoimo: dan zult gij het land vererven aan uwe kinderen en er in blijven wonen; de Hi ph'iel uinn heeft echter, zooals wij zagen, den zin van: met geweld in bezit nemen. Beter daarom: gij zult nu met die bedoeling het land veroveren en u er vestigen, — en dat wel op de vs. 54 uiteengezette wijze.

54. Zie 26,52 — 56. — psn ns DnSronni, gij zult u tot erfdeel aanwijzen het land, d. w. z. ieder uwer een deel als erfgoed aanwijzen. — i1! sv ipn Sn nVTquot; iS S-njn nnc, aan wien het lot zal uitkomen, hem zal het behooren, de 'h van het tweede is dan herhaling van Ss aan het begin ; Stu beteekent dan ; de door het lot toegewezen plaats; Rashie : Dipun Ss, naar de plaats, waarheen het lot hem zal uitkomen, zal voor hem die plaats zijn, alsof er stond : Snon nnc h nïi irs oipsn, waarbij Ss geheel overtollig is; •— nog anderen : nnp Sx, waarheen het lot hem zal uitkomen, dat zal voor hem zijn. — iS, een persoon, familie of stam.

ocr page 304

150 N U M E R I XXXIII, XXXIV.

dat zal hem toebehooren; doch naar uwe vaders stammen zult 55 gij u uw erfdeel aanwijzen. Maar indien gij den inwoner des lands niet van vóór u zult verdrijven, dan zal, wat gij van hen zult overlaten, tot doornen zijn in uwe oogen en tot prikkels in uwe zijden ; en zij zullen u in het nauw brengen in 56het land, waarin gij wonen zult. Dan zal het zijn: zooals Ik

gedacht heb, hun te doen, zal Ik u doen.quot;

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Gebied den kinderen Israels en zeg tot hen : Wanneer gij nu in het land Kena'an komt, is dit het land, dat u als erfdeel zal toevallen, het land

3 Kena'an naar zijne grenzen. Dan zal u de zuidelijke uithoek zijn van de woestijn Tsin af, langs Edom, zoodat de zuidelijke grens voor u begint van het uiteinde der Zoutzeee, aan hare

4 oostzijde. Nu zal de grens voor u zich wenden van het Zuiden naar de stijging van 'Akrabbiem, en zal naar Tsin doorloopen, en zijne uitloopers zullen ten zuiden van Kadesh-Barnéa' zijn ; van daar zal zij loopen naar Chatsar-Addar en naar 'Atsmon

55. Tot doornen, die u in de oogen steken, en tot prikkels, die u de zijden verwonden. — mïl, zij zullen u als vijanden in het nauw brengen.

56. WOl Tk^NS enz., v:at Ik gedacht had hun te doen, hen uit het land te verdrijven, zal Ik u doen.

Hoofdstuk XXXIV. 2. JP33 quot;quot;USTI te verklaren of met Ibs'Ezra = [I'M Vis fisn, dus; het land van Kena'an, óf met Naciim evenals oScwvaTi, het land, nl. Kena'an. — ^isn jw enz. zal dit, wat hier naar zijn grenzen omschreven volgt, het land zijn, dat u zal toevallen, het land Ken a'a n naar zijne grenzen namelijk; — dit laatste is dan óf eigenlijk van den zin, zoodat het beteekent: het thans als land Kena'an naar zijne grenzen bekende gebied zal het zijn, dat u ten deel zal vallen, — óf het is eigenlijk nadere verklaring van het onderwerp: zal dit, — het land Kena'an, — het zijn, dat enz. — De nauwkeurige opgave van de grenzen van het eigenlijk als stamland te beschouwen gebied was o. a. noodig met het oog op tal van wetten, die, als aan den bodem van Palaestina gebonden, alleen daar zouden gelden. Dit zou vóór de eerste verklaring spreken, waarbij dan het slot van ons vers zegt: het u toevallende land zal zijn het eigenlijke Kena'an. — De grensomschrijving begint bij den Zuid-Oostelijken hoek, om van Oost naar West de Zuidgrens te beschrijven; dan langs het Westen naar het Noorden gaande en daar van West naar Oost de Noordgrens beschrijvend, komt men eindelijk langs de Oostgrens van Noord naar Zuid tot het uitgangspunt terug. Moeilijker echter zijn de bijzonderheden na te gaan, daar verscheidene plaatsnamen slechts hier voorkomen en de gelijkluidendheid met nog heden bij de bevolking voorkomende namen lang niet altijd als bewijs kan worden aangenomen voor de identiteit der plaatsen. Het hier omschreven gebied heeft niet de uitbreiding, die bijv. Deut. 1,7 en 11,24 toegezegd wordt; het omvat alleen hel aanstonds te veroveren gebied, waarbinnen de landbouwwetten enz. zouden gelden (vgl. Rashieï. Uitbreiding van het door Israël te beheerschen gebied bleef echter mogelijk (zie Deut. 19,8), wat onder David en Salomo ook inderdaad geschiedde.

3. aj: ma. v. s. de Zuid-Oost hoek, v. a. de Zuidelijke grens, zal

ocr page 305

lb amp; ^DD 3p

iiynin : iVn^nn DD^riaK nitso1? rrrr quot;h bii-in «

• : it v : • •• i -j j - : isv : r -•

a^tfV ono m^riin n^ni DD^SD ~pNn -ijsto ps4n-^ir Q3nN nnvi mnva Drivbi DD,J^2 onb 'rvDn 1^x2 n;m : na dhk quot;

jv *•::!'; t j ^ir * •)• * Jquot; -x i- tt ; it r : i v.** -

fl : Di5,?

maw IÏ : -mb nin* naTi«

^t ; - it •• t: * lt;quot;: *•* ' • quot; Jquot; v ».t : jquot; quot;.'2

San ntyx pan HNT mjs pNn-1?^ D'xa DHN-^ DH1?^

x • v -| i v t t^ j • at : i v-jt t v t jv_ - i* ^ v •* -;

sarnNö DD1? n'ni : rrri^a1? mi3 nbn^a as1? ^

v.)v - : sv t tt : tï '•* ,■*• : * ' : ' '•quot;'•* t -:i- : vt

nSön-D;nypQ33i^2aDDi?n;n,i am nyby jriansp niv 2220 bósn'opb id:) : noi^quot;1

quot;lavi quot;n«-quot;)ïn ^313 K'ip1? nm vn^ïin rrni B

j- t : {T ~ —: jtt : : - -quot;'It: ■.\v • t : i •'. t : rT-

..................................................................................................................................................................................r-

zijn jï i:nss, v. s. uitgaande mn de woestijn 1'sin, onx it hs, langs Edom; d! w. z. de Noordgrens van Edom loopt langs de Zuidgrens van het gebied ; dit grensdeel is dan v. s. van West naar Oost aangegeven, daar ïsin ten Westen van Idumaea ligt, dat op zijn beurt Westelijk van de Doode Zee ligt. Schwarz vindt echter het hier bedoelde Tsin aan de Zuid-Westelijke punt der Doode Zee, Oostelijk van Edom. — nvn enz. en de Zuidergrens zal u zijn het Oostelijk uiteinde van de Doode Zee, — d. w. z. de Zuid-Oost-punt der Zoutzee is het eindpunt uwer Zuidelijke grens. — Anderen zien in het eerste versdeel algemeene omschrijving, die met het tweede versdeel nader wordt uitgewerkt. Het tweede versdeel moet dan vertaald worden; de Zuidgrens zal u namelijk zijn, uitgaande van de Oostpunt der Zoutzee, en dan enz. — nxpii = nïp p, van het einde af.

4. 3D31, de grens buigt zich van het Zuiden af, d. w. z verlaat de rechte lijn, die als Zuidgrens van Oost naar West zou loopen, en gaat waarschijnlijk naar het Noorden, daar Jos. 15,3 de uitdrukking gebruikt wordt, dat zeer wel; naar het Noorden gaan kan beteekenen, evenals hier vs. 11 en 12 toi : naar het Zuiden gaan; echter kunnen die beide termen evengoed wijzen op een bergop- of bergafwaarts loopen van de grens. — rhvrh Di2ipquot;, Scorpio enen-stijging, een steile hoogte. Anderen verbinden: de grens zal afbuigen ten Zuiden van Ma'alé 'Akrahbiem, nSrnS 2J3ü, evenals op het einde van ons vers: WO cnpS 23:» — De grens loopt dus: van de Zuid-Oost-punt der Doode Zee naar de stijging van 'Akrabbiem en van daar ■an, loopt zij door naar Tsin, de woestijn of v. a. eene stad. — rgt;m WNïin, haar uitloopers zullen zijn, d. i. waarschijnlijk het Zuidelijkste punt der grens, Zuidelijk van Kadesh Barne'a', dat dan in Palaestina zou liggen. Men moet dan aannemen, dat dit niet hetzelfde is, als het herhaaldelijk als legerplaats van Israël genoemde Kadesh Barnéa'. — xro, langs het Zuiden loopende, gaat de grens dan ais uiterste punt naar Chatsar Addar en loopt dan recht door, ■qui, in Westelijke richting naar 'Atsmon. De genoemde plaatsen zijn voor het meerendeel onbekend en wat ervan bij de verschillende schrijvers gezegd wordt, berust op louter vermoedens.

ocr page 306

N U M E R I XXXIV.

5 doorloopen. Dan zal de grens zich van 'Atsmon afbuigen naar Nachal Mitsrajim en hare uitloopers zullen zijn naar de Zee.

6 Dan de westelijke grens: hier zal u de groote zee en het aan-

7 grenzende gebied zijn ; dit zal voor u de westgrens zijn. En dit zal voor u de noordelijke grens zijn: van de groote zee

8 zult gij u eene lijn trekken naar den berg Hor. Van den berg Hor zult gij eene lijn trekken naar Bo-Chamath; van daar

9 zullen de uitloopers der grens zijn naar Tsedad. Van daar zal de grens loopen naar Ziphron en zullen hare uitloopers zijn

10 Chatsar-'Enan; dit zal voor u de noordergrens zijn. Gij zult u dan voor de oostelijke grens eene lijn trekken van Chatsar-

11 'Enan naar Shepham. De grens zal dan van Shepham neder-gaan naar Ribla, ten oosten van 'Ajin ; en de grens zal nog verder nedergaan, totdat zij den oever van het meer Kinné-

12reth raakt, ten oosten. Van daar zal de grens nedergaan naar den Jordaan, en hare uitloopers zullen zijn de Zoutzee. Dit

13 zal voor u het land zijn naar zijne grenzen rondom.quot; Mozes gebood den kinderen Israels, als volgt: «Dit is het land, dat gij door het lot u tot erfdeel zult aanwijzen, dat de Eeuwige geboden heeft aan de negen en een halven stam te geven.

14 Want de stam der zonen van Ruben naar hunne vaders-huizen, en de stam der zonen van Gad, naar hunne vaders-huizen hebben genomen, en de halve stam van Menasshé

5- D,quot;13£D nSrU naar Sa'adja : de Wadi el Arisch, die naar het N.-W. loopt en zich in de Middellandsche Zee stort. De Nijl is natuurlijk niet bedoeld. — iwiin vm, hare uiterste punten naar het Westen toe loopen naar de zee, nl. de Middellandsche Zee.

6- Siaji Svun dm dsS rrm, en die grens zal u zijn de groote zee, — de Middellandsche Zee, aldus genoemd in tegenstelling met de Doode Zee en de binnenmeren, — en het gebied der zee, v. s. de kuststreek, v. a. de langs de kust liggende eilanden. Anderen verklaren den 'i van in den zin van den dus: de groote zee zal u tot grens zijn. Vgl. Deut. 3,16 en 17 en vele plaatsen in Josua, waaruit met zekerheid blijkt, dat Snji geographische term is in den zin van : het aangrenzend gebied. De ook in den Thalmoed voorkomende opvatting, dat een reeks eilandjes langs de kust bedoeld is, —- gelegen binnen een lijp, loopende van het N.-Westelijke punt naar het Z.-Westelijke punt der landsgrenzen bij den Nachal Mitsrajim, — komt mij daarom het meest aannemelijk voor.

IJWID. Pi'el van nsn = mn, een teeken maken, een lijn trekken. — inn in, het Noordelijkste punt van Palaestina, is niet hetzelfde als de 33,38 genoemde top 'in het Zuid-Oosten, waar Aharon stierf. Het is een bergtop in de nabijheid eener plaats Amana.

8- DOn naar den weg naar Chamath, waarschijnlijk een natuur

lijke grens, zie Num 13,21; — het beteekent niet: tot naar Chamath. misschien wel: in de richting naar Chamath. — nsüir, een uitlooper, in Noordelijke of in Oostelijke richting, loopt naar Tsedad.

10. Dirwnm. waarschijnlijk verlengde vorm voor Drwini of voor

151

ocr page 307

-h ^DO KJp

vn^ïin vm onva nbn: rioï^ö biasn DDii : n:bx^quot;

i.T : i jr : -rtT: • T : -«- I ^ 1quot; ■» : - s- T : T i

DD1? n^n'-nr binii ^nan D^n ds1? n^m D; : ns'n1

T Jquot; : I* V A : V, T - JT quot; •)'•' T JT T : T J : TIT -

iNnn Vnan DTHD ?IÖÏ biaa DDb n'n'-nn : D» Viaa»

j t : T - T - 1 • I A T J : ^ vquot; T jv : r v: IT j :

nKïln vm nön tinb iNnn inn Tno : inn Tn m1? quot;

j : i .) t : AT -: -• : v. T : ^ T T -» •• IT T J T

ny -iïh vnxïin vm n^sr nvi : nms bnzn«

IAT^* j- -: V.T : i j t : r : ' \ ' lt;TT : TIT : : quot;

nonp bmb DD1? Dn^xnni : ri£3ï DD1? mn«-nT'

T :l Aquot; -• : • vquot; T -»••••-;•; ^ 1 T J : r JV : '*

r^1? Dipü nVmn DS^D quot;im : hdsb' rr^ quot;ixnö ^

I**ATT VI JV • vT '• ''T •)■»■ : ' S'. : quot; quot;t: TIT : KT *• -i iquot;

quot;n»i : nonp marD» nnm ='

: - lt;-T: ^ T ;liquot;q '-W T | v jv ~ .)T T * . ■Jquot;r:

risjn dd1? n^nn tnt nben D' vnNïin vm

| v •)t t jv t v : r - AV JT vT ; • ^ T : T

nNT ^rnN im : yno ^

J A. quot; *■quot; Ty ' Jquot; '• . v v •* Tgt; T : *

nn1? nin» niï it^N nnx ibnann itrK pf^n

^ .)•• T T ; JT^* v -: T : T lt; -JI- : • v -j | v T T

♦jaiNnn nèo inpb ^ : ntasn »ïm nitssn ^

... i T lt;.• : •• - I:IT ■»• iv - - j' -:i- v quot; quot; *7quot; : • :

nè'ia n^D ♦ïm onhx n^1? nan-^n ntaoi onbx rva1?

v - ; Jquot; - - -:i- AT -: ■gt;quot; : T ~ iquot; : Jquot; - T -: -quot;• ;

DH'srirn. — nnsc, Shepham is waarschijnlijk de grot, waar de Jordaan ontspringt, die bij Josephus Banjos of Paneas heet.

11. -m of; naar het Zuiden gaan, of: het dal inloopen, van de bergen af naar beneden. — frS öf een stad 'Ajin, die haar naam ontleent aan een bekende bron, èf die bron zelve. — nnm, slaan, raken, vgl. i-j:, aanraken, en vijandige slag, ramp. De grens raakt dus en loopt langs

jv133 D' cin3, den schouder, de zijde van het meer Kinnéreth, nl. de Oostzijde, zoodat het meer, later meer van Galiléa of van Tiberias genoemd, binnen Palaestina komt te liggen.

12. nyiTil» naar den Jordaan; daar de grens, den Oostelijken oever van het meer van Tiberias volgend, van den loop van den Jordaan was afgeweken, gaat zij nu weer tot den loop dier rivier terug en volgt dien tot hare monding in de Zoutzee, die bet Zuidelijkste punt der Oostgrens vormt, — wiswi.

13. «quot;1. Mozes gebood nu het volk, het land, welks grenzen hiervoren zijn omschreven, slechts onder de 9'/, stam te verdeelen, daar de 2l/!,hun gebied ten Oosten van den Jordaan hadden gekregen. De 9l/j stam, die

nog overzijn, — daarom de bepalende 'n, nDDH 1ïm DIEDH njJCnS-

14. Bij Menasshé is Dros weggelaten, omdat niet alle vadershuizen hun deel in het Trans-Jordaansche ontvingen. — onSru inpS •••inpLgt;. gewone herhaling van het werkwoord na een lang zindeel, dat gezegde en voorwerp van elkander scheidt.

ocr page 308

N U M E R I XXXIV, XXXM.

15 hebben hun erfdeel genomen. Deze twee en een halve stam hebben hun erfdeel verkregen, aan deze zijde van den Jordaan tegenover Jeréeho, oostwaarts, in de richting van zonsopgang.quot;

17 16 quot;De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Dit zijn denamen der mannen, die het land voor u als erfdeel ontvangen zullen:

18 de priester El'azar en Jehoshoea', de zoon van Noen. En telkens één vorst van eiken stam zult gij er bij nemen, om het land

19 als erfdeel te ontvangen. En dit zijn de namen dier mannen :

20voor den stam Juda: Kaleb, de zoon vanJephoenné. Voorden

stam der zonen van Simon : Shéraoeël, de zoon van ' Ammiehoed.

22 21 Voor den stam Benjamin; Eliedad, de zoon van Kislon. Voor den stam der zonen van Dan als vorst: Boekkie, de zoon van

23Joglie. Voor de zonen van Joseph, voor den stam der zonen

24 van Menasshé als vorst: Channieël^ de zoon van Ephod. Voor den stam der zonen van Ephrajim als vorst: Kemoeël, de zoon

25 van Shiphtan. Voor den stam der zonen van Zeboeloen als vorst:

2(jElietsaphan, de zoon van Parnach. Voor den stam der zonen

27 van Jissaehar als vorst: Paltieël. de zoon van 'Azzan. Voor den stam der zonen van Asher als vorst: Achiehoed, de zoon

28 van Shelomie. Voor den stam der zonen van Naphthalie als

29 vorst: Pedaël, de zoon van 'Ammiehoed. Deze zijn het, die de Eeuwige bij bevel heeft aangewezen, om den kinderen Israëls hun erfdeel te geven aan het land Kena'an.quot;

35 i De Eeuwige sprak tot Mozes in de valleien van Moab, bij

2 den Jordaan tegenover Jeréeho, als volgt: «Gebied den kinderen Israëls, dat zij den Levieten, van hun erfelijk bezit, steden geven om te wonen ; en een weideplaats bij de steden, rondom

3 haar, zult gij den Levieten geven. De steden zullen hun nu tot woning dienen; en hare weideplaatsen zullen dienen voor hun vee, voor hun verworven bezit en voor al hunne levende wezens.

15. nmiD noip. evenals in nJS'n ra:3. Ex. 26,18, worden hier de beide uitdrukkingen voor Oosten naast elkander gebruikt.

is. ddS iSnr ntrx. die voor u, in uw naam, als uw vertegenwoordigers, het land als erfdeel zullen in bezit nemen; v. a. die u het land als erfdeel zullen toewijzen. Als zoodanig worden aangewezen : één man, uit ieder der betrokken stammen, onder algemeene leiding van den hooge-priester El'azar en Mozes' opvolger Jehoshoea'. De orde, waarin de stammen hier genoemd zijn, komt bijna geheel overeen met de ligging van hun stamgebied in Palaestina, van Zuid naar Noord. Wij zagen echter .reeds vroeger, dat, naar eene opvatting, slechts het ieder toekomend deel in het stamgebied bij het lot werd aangewezen, niet echter de ligging van het stamgebied zeil'. In deze opvatting kan bij de aanwijzing van het land van iederen stam de hier gegeven lijst als uitgangspunt hebben gediend. Evenals Jehoshoea' en Kaleb 38 jaren te voren verzekerd was, dat zij in het land zouden komen, kan ook den hier genoemden met hun aanwijzing tot hun ambt tegelijk de verzekering zijn gegeven, dat zij tot beëindiging hunner functie in het leven zouden blijven.

152

20

ocr page 309

r6 -6 ^DD 23p

DnVn: inpb ntasn ♦ïni m^sn : Dnbnj inp1? ™

T T -;i- •* hiT av - - j- -:i- ^ - j- ; it T -:I- ^I:IT

S) * : nmro no-ip im» pn^ hvd

T it: • T :ljquot; ^ ••; I jquot; ;-; •.•%••••

quot;IB'K nioiy nbx : iaxb nirQ-bN nin» na-ri quot;=

... -. • t-:it ^ : •.• ••lt; ^ i •• jv v ,.t : r* -: - p

trfeo'i : pr|3 ^t^inn jrün p^n-ns1 op) ijny * nbNi : pNn-n» VnaV mpn ntsao ihk wm

quot; V.'Y I VITT V J '' ', .* AV ' * V J' T ',T V

♦ja niso?') : njej'-p 273 ntsQ1? D^JNH ninir =

J- : •• - ; iv •..: I v v.quot; t t : -»•• - : a- t -« it - :

: |p^3 ntao1? nin^D^-fa bNioï? jiypty

-♦:3 n^D1? eiDV ♦ps ww: rr^a ntsDbi ==

iquot; : jquot; - : Iquot; Jquot; : • r ;t I v IV-. A T KT •• : j- - :

wm Dn£3«quot;,:3 ncaobi : TSK-p nt^:o ^

«S- T «v,-; V Iquot; : Jquot; - : i •• I v • - a t »,•.• - :

: rarbx N^: ntsDbi:

|it : - P v Kt t i' •.•: a- t I v,--. ; iquot; : jquot; - : I it : • I v | ;

t iquot; : j- - : t ir ~ I v {.•••:- a- t vt t • iquot; ; j- - : 73

b^nis tvm ,i?P3r,:3 ntaobi : -iin^nx W: ™

a t *.• T ; - iquot; : jquot; - : i- : I v ^ a* t

^nj1? nin» mï i^k nb« : quot;nrroirnquot;

vquot; t ; • iquot;; v jquot; - : at ; ^t • v,quot; s '•' quot; 1 • ^ I v

a * : 1^3 pK3

: iaN1? inT DNIO nbnys mn» ■13T1«

1 •• v. ••; Ir* ;- ^ at j : v.-.- v .)t : squot;

nsiy? on^ dathk nbnso oh1?1? univ'bntbquot; ,33-nnlï =

VAT t ■'• T V.T T ••. -; •gt;—:i- • • •: 1- ^ ; IT ; •• T ;•-«•• ;

Dn1? Dn^n vni : d»!1?1? unn on^nb^D bnv1? eHjoi

V.VT ■i-'t IV ST ; ••^1- *. : • v •• j • : •'tiv t; *

: on^n oiïDnbï onarab vn* anwnio) nnvb

itt- 1, : t \ : • : t : ■•• : • lt; : i- ............./it t

22. is bijstelling, behoort niet bij den eigennaam, de zin is: voor

den stam N. treedt als vorst op enz.

29- i'IJO *'' SruSgt; een deel te geven aan het land; v. a. erfdeel aan te wijzen in het land, daar het Trans-Jordaansche door Mozes reeds verdeeld was.

Hoofdstuk XXXV. 2. quot;UDJl, 2y zullen, stam voor stam, van het te veroveren bezit sleden geven aan de Levieten, die dezen als speciale woonplaatsen zullen dienen en hun blijvend, onvervreemdbaar eigendom zullen zijn (Lev. 25,32 vv.). Naar vs. 8 werd het aantal steden, naar de getalsterkte der stammen, over de verschillende deelen des lands verdeeld. De uitvoering zie Jos. 21. — onjnx nSn:n. runs nSn: = nSn: rins, erfelijk hezit. — Over bij» zie Lev. 25,34.

3- QDQrüS. hun rund vee, last- en trekdieren. — dwiVi, den veestapel, vooral het kleinvee, dat het eigenlijke hoofdbestanddeel van het vermogen

ND

1 J

ocr page 310

N U M E R I XXXV.

4 Deze weideplaatsen der steden, die gij den Levieten geven zult, zullen zijn van den muur der stad naar buiten, duizend

5 el rondom. Gij zult buiten de stad meten : aan de oostzijde twee duizend el en aan de zuidzijde twee duizend el en aan de westzijde twee duizend el en aan de noordzijde twee duizend el en de stad in het midden; dit zullen hun de weideplaatsen

G rondom de steden zijn. De steden, die gij den Levieten geven zuil, — de zes toevluchtsteden namelijk, die gij aanwijzen moet, opdat de moordenaar daarheen vluehte; en behalve deze zult gij

vormt en daarom ook nspa heet. — Drm SsSi, en voor al hunne verdere levende wetens, zooals bijen, duiven ete.; dan zijn hier alle levende elementen van hun bezittingen genoemd. Anderen, met den Thalmoed: voor al hunne levensbehoeften, bijv. voor het wasschen van kleederen; vel Jes. 57,10; men verklaart dan ook ccoi door : voorraden aan (joederen, die op erven b.iiten de stad kunnen worden opgestapeld. Dan wordt dus als bestemming van den oun aangegeven : weide-plaats voor het vee,, stapelplaats voor goederen en aangewezen ruimte voor alle in huis niet te verrichten bezigheden ten behoeve van het gezin.

153

4 en 5. Deze beide verzen leveren groote moeilijkheid op, daar vs. 4 van 1000 el, vs. 5 daarentegen van 2000 el spreekt. Rasiiie meent, dat rondom de stad eerst aan alle vier zijden een strook van 1000 el breed als weide-plaats werd aangewezen, en daaromheen wederom een strook van 1000 el breedte in alle richtingen tot velden en wijngaarden, duster beplanting; vs. 4 spreekt dan enkel van den tn;», vs. 5 van de beide strooken te zameu. Maimonides meent, dat behalve den cua-strook van 1000, nog een tweede voor beplanting ter breedte van 2000 el werd toegewezen, samen dus 3000 el. Nachmanides meent, dat inderdaad buiten de stad aan weerszijden slechts 500 el werd gegeven, te zamen dus 1000 el, — de strooken met de stad, die dan op 1000 el in het vierkant gesteld wordt, geven dus een vierkant waarvan de zijden 2000 el lang zijn. Zoo vat althans Luzzatto Naciimanides op (vgl. Bioer); anderen verklaren; 1000 el aan weerszijden, zoodat, de stad buiten rekening latende, de zijde van het buitenste quadraat 2000 el wordt.

1000

1000

1000

1000

1000

1000

1000

Luzzatxo verklaart: vs.é buiten den stads-m uur een strook van 1000 el, vs. 5, van buiten de stad gerekend, van af het huizencomplex, dat de stad vormt, echter 2000 el, daar tusschen de huizen en den muur binheiï den muur een vrije strook van 1000 el gelaten moest worden. Nog anderen meencn, dat evenals er een Shékel des heiligdoms was, dubbel zoo groot als de gewone Shékel, er evenzoo een el des heiligdoms was, dubbel zoo groot als de gewone; vs. 4 rekent dan met die dubbele ellen, die vs. 5 in gewone ellen omzet; zulk eene el des heiligdoms vinden wij echter nergens vermeld. Weer anderen meenen, dat vs. 5 spreekt van 20U0 el, vah uit het midden der stad gemeten, -pra iu'.-ii ; vs. 4 daarentegen van huiten den stadsmuur af; dan zouden al de steden juist een quadraat van 1000 bij 1000 el hebben gevormd, wat zeer onwaarschijnlijk is, daar o. a. Cheshbon en 'Ashtharoth, de hoofdsteden van Siechon en 'Og, tot de Levietensteden behoorden, die zeker wel veel grooter waren. — Dat er twee strooken waren, hetzij dan in de voorstelling van Rasuie en Maimonides buiten de

ocr page 311

tpa nvini Vyn I^D i:nn D'-hrn ^

| v JV r r t i «• • /.••:!- v : * •'t iv •• :; •

HD^rixs-riN pnp aniDi : yzo nax ^ D^N i D^nNa-nNi nóxa D^X aarnKS-nNquot;! nmz n»n» nr Tiina nsxa tiöï nxa nki nósjn

quot;*quot; :•• •■« |vat-^. •i' t ; v,t - it o- : - i •) t J- : •• : t - it

r-iN unn iwa anyn DKI ; onvn on1?1

••lt; ••:!- : • lt;v -: •'riv -••• ; i-^tiv v.quot; ;:• v t

linn Dn^yi nshn nsir Dib unn quot;itrx ü^pan nir-tyjr

. . j... ..•=•1- -a.. ,t tlit j-^ t : • jv -: ti: • - jquot;*r iquot;

stad, of naar Luzzaito één binnen en één buiten den muur, blijkt uit het

Jos. 24. en I Kron. 6 bij iedere stad gebruikte meervoud ol'ntnjQ.

T% v T

Het ligt in den aard der zaak, dat, om zulke 1000 el breede strooken te kunnen toevoegen, de omtrek der stad een regel matigen vorm moest hebben, of althans in regelmatigen vorm moest gebracht worden. Deïhalmoed verklaart nu, dat men over de uiterste punten elkander loodrecht snijdende lijnen trok, zoodat een rechthoek werd gevormd, die als stadsgebied beschouwd werd; van die lijnen af rekende men dan eerst nog een strook van 70-/3 el breedte bij de stad en vandaar af mat men de 2000 el. Dat men het gebied tot een rechthoek maakt, heeft boven den eenvoudigen cirkelvorm dit voor, dat de hoeken tot het stadsgebied en dus ook tot de open strooken, gerekend worden.

5. anyn TUI? anS rvn1 nt. dit, deze strooken van 2000 el, zat voor hen, de Levieten, zijn tot weide-plaatzen der sleden. Hoewel cnio in engereu zin enkel de weide-plaatsen van 1000 el omvat, waarvan vs. 4 sprake is, beteekent het in wijderen zin ; het géheele, rondom de stad vrij te laten terrein, van 2000 el breedte in alle richtingen. — quot;pre lu'm. Zooals wij reeds zagen, v. s.: van het midden der stad aj gemeten; anderen: en de stad in het midden, zoodat er op tweeduizend el afstand van de stad, wier grondvlak nu een rechthoek vormt, aan de vier zijden opnieuw lijnen worden getrokken en een rechthoek gevormd.

2oao 1

2000

2000

en niet: | 2000

2000 i

20U0

2000

6. anyn rw is voorwerp van het vs. 8 voorkomende werkwoord lain; de steden... zult yij van den stam met groot grondgebied veel doen zijn; wegens den langen tusschenzin is aan het begin van vs. 8 dan D'iïm herhaald. Anderen: wat aangaat de sleden, die gij den Levieten geven zult met de zes toevluchlsteden enz.; DrvSïl, daarbij dan zult gij voegen enz. de 'i in versterkenden zin, met nadruk. — rbpnn nr, die vs. 9 vv. besproken worden. van zhp, terugtrekken, v. d. in zich opnemen, tuevhtcld.— D.tSïi, aan deze toevluchtsteden zult gij toevoegen 42 steden, die ook in zekere mate naar den ïhalmoed als toevluchtsteden gelden.

ocr page 312

N U M E R I XXXV.

7 nog twee en veertig steden geven, Al de steden dus, die gij den Levieten geven zult, acht en veertig steden ; zij met hare S weideplaatsen, — De steden nu, die gij van het bezit der kinderen Israels geven zult, zult gij van dengene, die veel bezit, veel doen zijn, en van dengene, die weinig bezit, minder doen zijn; ieder zal naar evenredigheid van zijn erfdeel, dat zij erven zullen, van zijne steden den Levieten geven.quot; 9 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen : Wanneer gij nu den Jordaan

1 i overtrekt naar het land Kena'an, — Moet gij goed te bereiken steden voor u uitkiezen, toevluchtsfeden zullen zij u zijn ; en daarheen zal vluchten een moordenaar, die een persoon heeft

12 doodgeslagen zonder opzet. De steden zullen u tot toevlucht dienen tegen den losser, opdat de moordenaar niet gedood worde, alvorens hij vóór de gemeente te recht gestaan heeft.

13 De steden, die gij aanwijzen zult — zes toevluchtsteden zullen

14 het voor u zijn. Drie dezer steden zult gij aan deze zijde

jnnjf. vierde naamval afhankelijk van i:np, — hoewel eigenlijk parallel staande met aan het begin van het vers, dat in den eersten

naamval staat.

8- 3quot;in. Uit Josua 21 blijkt, dat hier niet alleen aan de getalsterkte, maar ook aan de uitgebreidheid van het grondgebied en de beteekenis der steden wordt gedacht; vgl. Nachmanides.

11. aj-npm. evenals Gen. 24,12 : doen treffen, gij zult steden gemakkelijk bereikbaar doen zijn, hier: gemakkelijk te bereiken steden aanwijzen, vgl. Deut. 19,3. Ibn 'Ezka, brengt het in verband met mip, stad, en verklaart : steden bouwen; het gold echter niet den bouw van nieuwe steden met die bestemming, maar aanwijzing van bestaande steden tot dat doel. Anderen brengen het in verband met mp, waarvan mpn, zoldering, en verklaren dan ook: bouwen, waartegen bovendien nog het bezwaar bestaat, dat bezolderen niet hetzelfde is als bouwen. — De hier volgende wet. Ex. 21,13 reeds in algeraeene bewoordingen toegezegd, geel't het middel aan de hand, om dengene, dié zonder opzet aan een raenschenleven een einde heeft gemaakt, aan de noodlottige gevolgen daarvan te onttrekken. — mi, moordenaar, zooals uit het gebruik in vs. 16 vv. blijkt, eigenlijk een moordenaar in den strafrechterlijken zin, iemand, die met voorbedachten rade een moord pleegt, heeft ook een algemeene beteekenis: iemand, die aan een anders leven een einde maakt, door manslag of dgl. De volgende zinsnede heldert nu op, dat hier van een zonder opzet gepleegden doodslag sprake is. — njjca, eig. in dwaling, naar uit Ex. 21,13 blijkt; niet met het opzet om te dooden, en wel zoo, dat het gebeurde niet het gevolg is van grove nalatigheid, noch ook ten eenenmale onberekenbaar was.

12. eig. losser, die naar Lev. 25,25, als losser der verkochte

familiegoederen optreedt, dus voor de belangen der familie moet opkomen, is de naaste bloedverwant; hij heeft hier de plicht te zorgen, dat de moordenaar bestraft worde; — dat aan bloedwraak in den gewonen zin ook bij de uitdrukking dti Snj niet gedacht wordt, en dus iu Israël geen recht van bloedwraak gehandhaafd bleef, blijkt uit het slot van ons vers.

154

ocr page 313

rh 7D0 nip

dHV1? \:nn ib'k Dn^n-Va : yy dr

^ j' t ; quot; • •: i- ; • lt;••• -: •'tiv t *i- * t ; -

lann quot;IB'K on^ni : jn^-up-nxi fnnK ny quot; lü^on ü^ón nKoi linn bin nxo n-TnxD

•a* : - v,quot; : ~ •• : - -T «.. .. \quot; T'' ' '** : '*• quot;! ,,*

«3 *: Dib1? vquot;i^D TW i^nr nytf in^n: »33 b

i* • : 1- v,t^r^iquot; t jquot; • t ; • -«v -: t -:i- lt;• : • •quot;

masn ^NIEquot; ^S-VN nan ; ioxb nt^ö-bN nin» 12-11 *

v.t : - it : •• t : • -*•• : v •• - 1 •• jv v v.t : jquot; -t

nnnpni ; hïik jii'n-iiK nn^ Dn« '2 Dibx ^ -nao nil hm D:I DD1? nynn üVpo ny D^ir qd1?

^ tt -»t : «sv t tjv ; r vT»; • jquot; r 't v t

niD» bxaD ü^po1? on^n D31? vm : ^

t « : lt;squot; «.tJ: • : o'^tiv sv t t ; itt; • v^v

inn it^N on^m : ni^n iiov-ijr nïin ^

^ aquot; • -: v,quot; tlt;•• : it ; • - v.t^'it ,»••;* •) :'t ^ - •• it

unn onvn 1 ns4 ; DD1? n:quot;nn Ü^PD ^

1 . •*tiv j : -•quot; iv t tjv: i* vt): • j-'t r*

waarbij ook voor den opzettclijken moordenaar terecht staan, mïnvóór de rechtbank als vertegenwoordigende de gemeente, wordt geëiseht. I)e bloedwraak, die misschien, gelijk bij de meeste oude, en bij vele nieuwere volken, ook onder Israël als geiooonterecht bekend was, zou juist door de instelling der toevllichtsteden worden opgeheven. — nnn riis1' nSi, opdat de moordenaar niet gedood worde, naar den Thalmoed noch de opzettelijke moordenaar, noch hij, die zich aan doodslag heeft schuldig gemaakt. Wie iemand gedood had, hetzij met of zonder opzet, vluchtte aanstonds naar een der toevluchtsteden, vanwaar hij vanwege de rechtbank teruggehaald werd ter behandeling zijner zaak. Bleek hij met opzet te hebben gehandeld en was aan de eischen van strafvordering voldaan, dan werd hij ter dood veroordeeld; viel hij in de termen dezer wet, dan luidde zijn vonnis: verbanning naar eene toevluchtstad ; was ook dit niet het geval, dan werd hij vrijgesproken; vgl. vs. 25; ia'i?m, vgl. Jos. 20,4 vv. — mrn, de gemeente, gelijk zoo dikwijls ; de vertegenwoordiging der gemeente, naar de'traditie: eene rechtbank van 23 leden.

13. an^rn en wat het aantal hetreft van de steden, i:nn quot;iun, welken gij die bestemming zult geven. De Thalmoed verklaart: de steden, die gij zult aanwijzen, zullen eerst als het zes toevluchtstedsn zijn, als zoodanig werken; de naar Deut. 4,43 door Mozes aangewezen drie steden in het trans-jordaansche golden niet eerder als toevluchtsteden, dan na aanwijzing dei-drie in het eigenlijke Palaestina (Jos. 20,7). Het aantal was weliswaar vs. 6 reeds genoemd, doch slechts terloops, zoodat het hier zeer goed uitdrukkelijk kan bepaald zijn.

14. p-pS nDJ/D kan natuurlijk beide zijden van den Jordaan bedoelen ; uit de tegenstelling in ons vers blijkt, dat hier. zooals op vele plaatsen in den Pentateuch, de Oostelijke Jordaanoever bedoeld is, het gebied van de 21/2 stam. Dat het aantal toevluchtsteden in beide deelen des lands, die door den Jordaan gescheiden werden, even groot was, vindt volgens Nachmanides zijne eenvoudige verklaring in de bijna gelijke oppervlakte van beide deelen.

ocr page 314

N U M E R 1 XXXV.

van den Jordaan aanwijzen, en de drie andere steden zult gij in het land Kena'an aanwijzen; toevluchtsteden zullen zij zijn;

15 Voor de kinderen Israels zoowel, als voor den vreemdelingen den bijwonende onder hen, zullen deze zes steden tot toevlucht dienen, opdat ieder, die zonder opzet een persoon doodgeslagen

Ifi heeft, er heen kunne vluchten. Doch indien hij met een ijzeren voorwerp iemand geslagen heeft, zoqdat deze gestorven is, dan

17 is hij een, moordenaar; gedood zal de moordenaar worden. En indien mét een te hanteeren steen, waardoor men sterven kan, hij hem geslagen heeft, zoodat hij gestorven is, dan is hij een

18 moordenaar; gedood zal de moordenaar worden. Of als met een houten te hanteeren voorwerp, waardoor men sterven kan, hij hem geslagen heeft, zoodat hij gestorven is, dan is

19hij een moordenaar; gedood zal demoordenaar worden. De bloedschuld-losser, hij zal den moordenaar dooden; waar hij

20 hem aantreft, zal hij hem dooden. En indien hij hem uit haat een stoot heeft toegebracht, of met arglist iets op hem

21 geworpen, zoodat hij gestorven is; Of hem uit vijandschap met zijne hand geslagen heeft, zoodat hij gestorven is,

15. -uSl, en voor den vreemde, den proseliet, — aennS, en voor den hijvonende, den auin i;, den geboren heiden, die de Noachidische plichten op zich heeft genomen, geldt onder zekere omstandigheden bij onopzettelijke moord de wet omtrent ballingschap naar een der toevluchtsteden; iniedcr geval kan ook hij niet dan gerechtelijk wegens moord gedood worden.

16—21 bevatten de omschrijving van de bijzondere omstandigheden, die bij den moord met voorbedachten rade gerechtelijke bestraffing mogelijk maken. Baarbij komen, behalve de tegenwoordigheid bij de daad en de waarschuwing onmiddellijk voor de daad van ten minste twee rechtsgeldige getuigen (vgl. vs. 30), — waardoor dns de voorbedachte raad en het bewustzijn der misdaad worden vastgesteld, — vooral de objectieve, feitelijke omstandigheden in aanmerking; de door den dader aangewende middelen, ol' dus naar menschelijke berekening de dood als het directe gevolg van de handeling des daders is te beschouwen. Daarbij komt het aan op grootte, stof en toestand van liet moordwerktuig, op de door den dader aangewende kracht, op de bedreigde en werkelijk getroffen lichaams-declen van het slachtoffer en zijn lichamelijke gesteldheid enz., altemaal punten, die naar de traditie in den tekst zijn aangeduid. — Vóór alles iionde men echter in het oog, dat door de noodzakelijke waarschuwing reeds dadelijk het geval van manslag is uitgesloten en er dus uitsluitend van moord met voorbedachten rade sprake is. — Als stof van liet werktuig worden genoemd; ijzer, steen en hout (16, 17, 18), bij welke twee laatsten de bijvoeging -p gevoegd wordt, d. w. z. een te hanteeren .quot;teen of houten voorwerp, dat is; niet te groot, zoodat het niet in de hand is te nemen, doch vooral ook niet te klein, van voldoende grootte, om zoodanig ernstig gevolg mogelijk te maken; bij ijzer ontbreekt die bijvoeging, naar den Thalmoed omdat in den regel elke, ook de kleinste wond, door ijzer toegebracht, den dood tengevolge kan hebben. Evenzoo ontbreekt bij ijzer de bijvoeging 13 rw -rx, u-aardoor men stereen kan, die bij steen en hout wél staat; het instrument zoowel als de toegebrachte slag moeten zoo zijn, dat de ingetreden dood als gevolg van den slag

155

ocr page 315

r6 ^DQ nap

ny 1^33 pNS3 linn an^n nxi ftr1? inyn nmn osina 32'ini?i quot;niSquot;) : nv»nn r^po ra

t •)•••: r t ; t - ; lt;•• - • « T . . j.. . . T iv ; r I: •

: njj^3 ^arroo-1^ natb DI^ nbxn onynw

IT T : • VV,V •• - T TT •» T AT I : * : V {quot; T . ^'^TIV Iquot;

: nïhn nov niD Kin nxn nó'i in^n i ïnn ^dtdw ia

.T v- JA V.T-^ .)T • qsv ;- • ; • ^ :

ma Kin nxh nb^ man na nwnamp;N r ptlt;2 dx) *

j a v.^t- .)T • ^ rr t v -: t I v -»•.• : • :

nb,i man 13 niont^N r-yv ,l?D2 in : nïhn nov ^

V T- ir * ^ ^ T v -; T I 1quot; J* ; • - iquot; IT Vquot;

tin rvö' «in nnn : nïhn niav nio «in nx1! ^

V.' T J T - -•quot; ' Iquot; IT V.quot; -» A Jquot;

-lx isanrv rWt^rDNi : isna» Nin inp£33 nxhn =

1 ^ av *; : v ^t : • ; ^ • : iv • : j ^ • 1 - a- it

nó,i 1T3 msn n;rN3 IN : rim nnïa «

T- T : lt;T • T •• : •» IT- VT • ; * 4T 't } j- 1 *

beschouwd moet worden; bij ijzer komt het op de grootte van het werktuig niet aan. Eindelijk nsii iron, naar deskundig oordeel moet hij hem r/eslagen helhen, zoo dat hij ervan is gestorven, d. w. z. moet de dood het directe gevolg van den slag zijn. Eerst als aan al deze voorwaarden voldaan is, is hij een moordenaar en moet deze moordenaar, — nïin, de zooeven genoemde, — door mensclienhand gedood worden. Uit vs. 24blijkt,dat over al deze punten nS.sn D'BStfnn 'n-, de rechtbank alleen te beslissen heeft.

19. mn SnJ1gt; de losser der bloedschuld, de naaste bloedverwant, wiens taak het is, voor het vergoten familiebloed recht te eischen, is bij gerechtelijke veroordeeling de eerst aangewezene ter voltrekking van het vonnis. — 12 1ï;E2, als hij hem aantreft; nadat de moordenaar gerechtelijk veroordeeld is, doch dit vonnis, bijv. tengevolge van op de vlucht gaan van den moordenaar, niet wordt voltrokken, heeft hij zijn leven verbeurd en kan door den naasten verwant zelfs in een der vrijsteden gedood worden, zonder dat deze daarvoor gestraft zal worden, wanneer later zijne zaak gerechtelijk behandeld wordt. Van dooden door den bloedwreker zonder rechterlijk vonnis is nergens sprake. Luzzatto: doordien hij hem treft, aanvalt, zonder dat hij, de moordenaar, in staat is tegenweer te bieden; zooals Recht. 8,21; I Sam. 22,17 e. a. p., waar het altijd wijst op dooden van ongewapenden of geboeiden; de rechtbank „geeft den moordenaar den bloed losser in bandenquot; (Deut. 19,2) geboeid, zoodat hij geen weerstand kan bieden, — en de bloedlosser treft hem, d. w. z. doodt bem. — sin, zoowel in het eerste als het tweede zindeel met bijzonderen nadruk, hij in de eerste plaats zal hem dooden.

20 en 21, gevallen, waarbij geen werktuig voor den moord gebruikt is,— waarbij dus eveneens erop gelet moet worden, of de kracht en de middelen voldoende waren en direct hut noodlottige gevolg veroorzaakten. — ULim, stooten, wegstooten; daar met hand of voet stompen of stooten zondermeer in het volgende vers begrepen is, verklaren sommigen hier: stooten tegen iets anders, zoodat ons vers de belde gevallen behandelt van werpen van den persoon op een zaak of van een zaak op den persoon. De haat als drijfveer en het opamp;t moeten natuurlijk door getuigen bewezen zijn. — t,v7ï' quot;pVcn, bier moet zeker als voorwerp bijgedacht worden : een zaak.

21. ro'jo. van 2\s ; naar LüzzatïO: zich,in daden toonende vijandschap ; reu» daarentegen meer: gevoel van haat (vgl. Ex. 23,5).

ocr page 316

N U M E R I XXXV.

dan moet hij, die geslagen heeft, gedood worden; een moordenaar is hij; de bloedschuld-losser zal den moordenaar doo-

22 den, waar hij hem aantreft. Doch heeft hij hem onverwacht, zonder vijandschap een stoot toegebracht, of eenig voor-

23 werp op hem geworpen zonder arglist; Of met een steen, waardoor men sterven kan, zonder te zien, en heeft dien op hem doen vallen, zoodat hij gestorven is, terwijl hij hem niet vijandig was, noch gezocht heeft hem kwaad te doen;

24 Dan zal de gemeente richten tusschen hem, die den slag toegebracht heeft, en den bloedschuld-wreker, op grond van deze

25 rechtsvoorschriften. De gemeente zal den moordenaar uit de hand des bloedlossers redden, en de gemeente zal hem weder terug doen keeren naar zijne toevluchtstad, waarheen hij ge-vluclit was ; en hij zal daarin gevestigd blijven tot den dood des hoogepriesters, dien men met de heilige olie gezalfd heeft.

26 Doch indien de moordenaar uitgaan zal buiten het gebied zijner

27 toevluchtstad, waarheen hij vluchten zal; En de bloedlosser hem vindt buiten het gebied zijner toevluchtstad, en de bloedlosser

22—28. De wetten omtrent den niet opzettelijken moordenaar en zijne straf. — vnsa, plotseling, zonder dat hij het wist; zie 6,9; noch de voorbedachte raad, nóch de wil is aanwezig om te dooden ; als hij niet eens weten kon, dat de verslagene hem in den weg liep bijv., dan is hij vrij van elke straf, daar hij dus is, onder force-majenr gehandeld heeft. — rcs sSa, zonder voorafgaande vijandschap, daar bij een vijand het vermoeden van opzet voor de hand ligt of althans van zoo grove nalatigheid, dat het bijna opzet wordt. — nnx sSa, zonder opzet, zonder het bewuste doel om te dooden.

23. f3{{ ^33 IX' 0f geschiedt het met eenigen steen, waardoor men. sterven kan, zoodat de dood aan niets anders kan worden toegeschreven.—, dist sSa. zonder te zien, zonder dat hij, de moordenaar, het slachtoffer zag. — vSr Sev, en hij deed het vallen, was directe, actieve oorzaak, dat-het viel, — of: liet het vallen, indirecte, passieve oorzaak, de zaak schoot hem uit de hand en viel. Naar de traditie letterlijk op te vatten: alleen dan wordt hij met ballingschap gestraft, als het in de bedoeling van den dader lag, de zaak, waardoor de dood wordt, veroorzaakt, in neerwaartsche richting te bewegen, bijv. bij het afhijschen, — niet echter, als hij de zaak wilde ophalen en zij tegen zijn wil een neerwaartsche richting insloeg.

24. myn. ^ vertegenwoordiging der gemeente, eene rechtbank van 23 leden; het meervoud icbci bij een verzamelwoord. Het gerechtshof zal een oordeel uitspreken in de zaak, die hangende is tusschen den bloedlosser en den moordenaar; de eerste zal aan opzet willen denken, ten einde het vergoten bloed van zijn familielid te lossen door dat van den moordenaar, en dus diens ter dood veroordeeling eischen; de aangeklaagde zal beweren niet schuldig te zijn; — die vraag zal in ieder geval de rechtbank hebben uit te maken. — nSsn D^sscnn Sr, op grond van deze rechtsvoor schriften, of hij ter dood of tot verbanning moet veroordeeld worden, of wel geheel vrij te spreken is.

25. e» ~lt;tl den aangeklaagde redden, zoo een der van af vs. 22 besproken gevallen zich heeft voorgedaan; de Thalmoed; en zal, indien maar eenigszins mogelijk, den aangeklaagde redden, zoodat bij voorkeur

156

ocr page 317

rh ^dd vp

nïhrrnN nw ain btti win nxh naan nDvnio

- ^.. ,t ... .,. t t - jquot; ft - jquot; v.v - - jquot; |

v^jr ■n,btyn-iN isnn ^naroxi : invaaa -=

•)Tquot;gt; I i A T-: ^T *• I : ^ - jv : • ; i ^ ; - ;

niNi na tas-bon 1« : nnï vhi »

: -• : t j t v -: I v v t ; ^ -, it • : j : v,* ; t

: in^n irsao D'IK-N1? Nimi nb'i vby Van

• t it j ; -••• 1 ; rtt-# vt^t j- —

a^öB'sn by am r^i nisn pa rn^n luötyi ^

V,-t : • - j' at- jquot; I v,quot; v - - 1 ••lt; t quot;it : it ;

bin bxa i^d nihrrnK niyn ; nbxn ^

«• •• ; t- -quot;•' quot; * quot; quot; it v t it • * viquot; t

ni 3E',i naty oy^üa itftpü n^-bs4 nn^n ink

t ~ jt : t at •'t v -; v, t i; • v # t quot;it

nï^-dni : t^ipn inx n^a-i^K Vian rrisn hia13

j t • : vli - I v j\' : v, j- t v -: t ~ l-»quot;

N*ÏDI : naty oir IB'N4 lübpo ^larnN nïnn XÏ» »

^ lt;t t t'r/, t i: • jquot; : v - aquot; it ^ vquot;/'

bin Vxa nvii. lubpa 1^ bin^b pno Din ^ ln«

in het strafrecht naar vrijspraak moet worden gestreefd. — mwi, zij zullen hem terugbrengen naar de stad, vmarheen hij reeds vroeger gevlucht was. Hieruit en nit Jos. 20,4 vv. blijkt, dat ieder, die, op welke wijze ook, een mengch had gedood, vluchtte naar eene toevluchtstad en daar, na een summier onderzoek door de hoofden der stad, werd opgenomen; op aanklacht der getuigen ter bestemde plaats werd dan de moordenaar gerechtelijk onder vrijgeleide uit de toevluchtstad naar de zitting der bevoegde rechtbank gebracht; luidde dan het vonnis op ballingschap, dan werd hij teruggebracht naar de toevluchtstad, waarheen hij vroeger gevlucht was. De rechtbank zorgt dan ook voor geleide, zoodat de verwanten hem ook op reis niet kunnen treffen. — rc acw, hij moet daarin blijven wonen, de verbanning is een straf; in de gevallen, waarin het zelfs niet tot eene veroordeeling tot verbanning komt, maar de aangeklaagde geheel wordt vrijgesproken, is de bloedverwant des verslagenen, die den onwillekeurigen moordenaar doodt, natuurlijk aan de volle strengheid der wet onderworpen. — Sun jron nis ny, tot den dood van den hoogepriester, dien men met de heilige olie gezalfd heeft; uit de herhaling der uitdrukking hoogepriester, vs. 28, maakt de Thalmoed op, dat allen, die ooit met hoogepriesterlijke waardigheid bekleed waren, door hun dood den verbannene het recht op terugkeer geven. De verbannene moet in zijn toevluchtsoord blijven en mag het om geene reden verlaten, zelfs niet als het land hem zou noodig hebben.

26. ilJC, het gebied der vrijstad, waartoe ook de vs. 6 besproken vrij te laten omstreek der stad behoort. — ns nï% evenals Ex. 10,29; naar den Thalmoed: alleen als hij opzettelijk het gebied der vrijstad verlaat; is het zonder opzet geschied, dan wordt de moord op hem met alle strengheid der wet bestraft.

27. De bloedlosser heeft dan het recht, niet den plicht, hem te dooden, en S'ST iS ps, er is wegens hem geen bloedschuld, d. w. z. v. s. in het algemeen : wie hem ook doodt, wordt niet als moordenaar behandeld; v. a. slaat ook het slot van ons vers op den bloedlosser, zoodat ieder ander, hem doodende, als moordenaar behandeld wordt. (Vgl. voor Dl h rs Ex. 22,1).

ocr page 318

N U M E R I XXXV, XXXVI.

den moordenaar ■ vermoordt, dan is wegens herti geene bloed-

28 schuld. Want in zijne toevluchtstad moet hij blijven tot den dood des hoogepriesters; en na den dood des hoogepries-ters mag de moordenaar terugkeeren naar het land van zijn

29 bezit. Deze zullen u zijn tot rechtswet bij uwe nakomelingen,

30 in al uwe woonplaatsen. Al wie iemand doodgeslagen heeft, naar de verklaring van getuigen zal men den moordenaar dooden ; doch één getuige kan niet tegen een persoon getuigenis

31 afleggen, ten doode. Gij zult geen losgeld aannemen voor den persoon eens moordenaars, die ten doode toe schuldig is; maar

32 gedood moet hij worden. Ook zult gij geen losgeld aannemen voor den gevluchte naar zijne toevluchtstad, om wederom in het land te komen wonen, vóór den dood des hoogepriesters.

33 En gij zult het land niet schenden, waarin gij zijt; want het bloed is het, dat het land schendt; en voor het land kan, wegens het bloed, dat erin vergoten is, geene verzoening gedaan worden, dan door het bloed van hem, die het vergoten

34 heeft. Gij zult dus het land niet verontreinigen, waarin gij woont, waarin Ik Mijn verblijf houd ; want Ik, de Eeuwige, houd Mijn verblijf, te midden van de kinderen Israels.quot;

1 Nu naderden de hoofden der vadershuizen van de familie der zonen van Gil'ad, den zoon van Maehier, den zoon van Menasshé, een van de familiën der zonen van Joseph, en spraken vóór Mozes en vóór de vorsten, hoofden van

29. oara npn1?. tot loet omtrent strafrechts-oefening. — Ssa, in al mee woonplaatsen; zoolang nl. strafrecht in Palaeslina wordt geoefend, moet het ook door Joodsche rechtbanken in de Joodsche nederzettingen buiten liet land worden gehandhaafd^

30. ^33 piDÏ SD' wat betrert al wie iemand gedood heeft, geldt voor de oefening van het strafrecht nog de volgende bepaling; op grond van de verklaring van ten minste twee getuigen, nïi', zal men gerechtelijk, of: hij, de bloedlosser, na rechterlijk vonnis, den moordenaar dooden. — .sb quot;ins m rop, en één getuige zal geene getuigenverklaring kunnen afleggen tegen iemand, zooddt deze dientengevolge gedood zou kunnen worden.

si. moS yn jein new. die een hooswicht is ten doode, d. i. die gerechtelijk gebleken is den dood scluildig te zijn. Hef verbod, voor zijn leven losgeld aan te nemen, is tot de rechters gericht. De Thalmoed leidt mede hieruit af, dat bij verwonding en dgl. de straf uitsluitend in gclde-lijken afkoop bestaat. Vgl. onze nant. Ex. 21,24.

32. DIjS, v. s. = D131?, voor den gevluchte, een lijdend deelwoord van den Kal, dat overigens van de iquot;i-slammen slechts zelden voorkomt, (zoo bijv. besnedene); het deelwoord beteekent dan : de reeds geduchte,

dns niet eig. lijdend, maar verleden, en daarom ook van onzijdige werkwoorden gebruikt, als: iiidi (Jer. 17,13) de reeds lang van Mij geicekenen, e. a. p. (Luzzatto). Anderen vatten het als onbepaalde wijs op; om te

157

ocr page 319

h r6 ^DD Tip

212^ lubpo »3 : DI ib rt? nïhn-nKn3

c •• •• ^xl: • .. ^* : •quot; ^ ,T v ' ^quot; quot; quot; jT

PntVk nï'nn aiiy» Vn^n rrian niD nnxi Vnan rrtsn

| v v,v v - •• it t t - I -quot;• r*-: iquot;^: at* I-»quot;

^ba ddwn1? ustyo npn1? DaS rni ; inTns^quot;

i. : lt;sv •• i ; ^t ; • ^ ijm\ ; iv r v *•• t : i t \ ~s

nsnrrm nxT on]; *sb rsi-nsa-^a :

'jquot; : - /.•• it v v.quot; :* • •• J : vv •• - t iv •• • ; ^ i

nsn irsiVnsD inpn-Kbi : niob ihk ^

- •• v-»v: v j i:, • i : it v^v ; jv it- t v

Dii^na'D inprnó'i : nov niDquot;^ yvi ^

v. t V j I : • i : it V, ^ a t ^ vt t j v -:

: jrian niQ-n# pN3 nity1? i^pp quot;TJr^jl7 tik ci^n» Nin D-in '3 na bns4 ntrx pxn-ns4 is^nn

| v,* -:iquot; j t quot;. ''' t quot; *quot; quot;j I vt t V -• -j i-

: •öfitr dis dx_,3 nr-is^ d-6 quot;isd,_^ p«bi pttn

i : i j' : v.* . * t | •-. jv -j t - - \ : i i v-»tt : i vat t

p'^ »:N na'K na dpk pi^n-nN mur\ Nbi ^

I-*quot; v ~ -gt;••• -» t •quot; : i v - lt;v -: 1 v t t v -•••-; j :

a * : »33 Tin3 rSr nirr '3 n3in3

iquot; t : • jquot; : i v : quot; t : -»• -j •lt; at ;

nte-pT3ü-r3 :i^r»:3nn32'ü,7ni3Kn^Nn irHpn*

v - : i v ^ j t i v t i ' i** : t it ■quot;• t ;i; ••

^ni D^an^fibiniyo 'JÖ1? «IDV ^3 nna^aa

jquot; t • • ; - jquot; ; • : v lt;■•: • : -: - i a- -•quot; : v, : : * *

duchten, d. w. z. om af te koopen het vluchten, om hem geheel daarvan te dispenseeren, of zelfs maar 2iüS enz. hem toe te staan weder in het land van zijn bezit te gaan iconen vóór den dood des hoogepriesters, — een duidelijk bewijs, dat de verbanning als een straf moet beschouwd worden en niet eenvoudig als beveiliging tegen bloedwraak.

33. la^nn huichelaar, vleier, v. d. algemeen : snood, misdadig; het werkwoord dus: misdadig maken, ontwijden, schenden, profa-neeren. Het opzettelijk vergoten hloèd, de bloedschuld is liet, die het land, welk ook, ontwijdt; ons vers spreekt algemeen; het volgende verstaat onder psn Palaestina.

34. jcoan xSr en verontreinig niet, enkelvoud, overgang van getal, gelijk meermalen voorkomt. Ibn 'Ezra : dat zij, de namp;un, die slechtheid,

niet verontreinige.

Hoofdstuk XXXVI. 1. m3Jlt;n quot;'CJO = n«sn T2 ns-, evenals Ex. 6,25 en meermalen. Wij zagen reeds Jierhaaldelijk, dat ri'3 en nnsu» in wijderen en engeren zin worden gebruikt. Hier hebben wij daarvan een sprekend voorbeeld. Git ad, Tselofchad's grootvader, had zes zonen, die met hun nakomelingen samen de tï^j 1:2 rnsce, de familie der Gil'adieten vormen; iedere tak, «it een der zes zonen van Gil'ad gesproten, héét nu hier :s itc, — terwijl aan het slot van het vers onder de rvcx ts-i = rii2sn in: iuin, de stammen, dus complexen van familiën, te verstaan zijn.— De vraag wordt natiutrlijk door belanghebbenden gesteld ; een deel dei-zonen van Machier moet dus zijn erfdeel in het eigenlijke Palaestina hebben gekregen; en 32,39 wordenquot; niet alle Machierieten bedoeld.

ocr page 320

N U M E R I XXXVI.

2 vadershuizeu der kinderen Israels. Zij zeiden: H[ü,] mijn heer! heeft de Eeuwige geboden, om het land door het lot tot erfdeel te geven aan de kinderen Israels; tevens echter is mijn heer dooiden Eeuwige geboden, om het erfdeel van onzen broeder Tseloph-

3 chad aan zijne dochters te geven. Wanneer zij nu de vrouwen worden van een van de zonen uit een der stammen der kinderen Israels, dan wordt haar erfdeel van het erfdeel onzer vaderen 'afgenomen, en iets gevoegd bij het erfdeel van den stam, aan wiens leden zij zullen gaan behooren ; en zoo zal van het ons door het lot toegewezen erfdeel afgenomen worden.

4 En wanneer ook voor de kinderen Israels het Jobeljaar zijn zal, dan zal haar erfdeel bij het erfdeel van dien stam gevoegd blijven, aan wiens leden zij [tot vrouwen] zullen zijn ; en van het erfdeel van den stam onzer vaderen zal haar erfdeel afge-

5 nomen blijven.quot; Mozes gebood den kinderen Israels op bevel des Eeuwigen, als volgt: «Juist spreken de stam der zonen van

G Joseph. Dit is het woord, dat de Eeuwige ten opzichte van de dochters van Tselophchad geboden heeft, als volgt: Aan wien in hare oogen goed is kunnen zij tot vrouwen worden ; doch behooren zij aan iemand uit een familie van den stam haars

7 vaders tot vrouwen te zijn. Opdat geen erfdeel bij de kinderen Israels van stam tot stam overga; maar de kinderen Israels ieder aan het erfdeel van den stam zijner vaderen gehecht blijven.

2- quot;OIX iTX, een eerbiedige uitdrukking voor het persoonlijk voornaamwoord van den 2den persoon, dus = quot;jnw. — nn1?, om door uwen opvolger te doen geven, of: dat men zal geven. — pxn rs, het land, het cis-Jordaansche Palaestina. — Uit de omstandigheid, dat zij zich bij hun vraag op de toewijzing des lands beroepen, leiden sommigen af, dat de hier volgende maatregel slechts voor het toenmalige geval gold, daar anders het begin van ons vers geheel overbodig zou zijn. — 'na mx 'nsi, gij hebt op uw aanvrage van God de opdracht ontvangen; het eerste bevel ging direct van God uit, het tweede was het gevolg van uw initiatief; dit ligt v. a. in den lijdenden vorm. — wns, onzen bloedverwant. Naar het eerste bevel wordt het land er/goed, dat dus geregeld den loop der

feslachten blijft volgen en onvervreemdbaar is; naar net tweede echtereslachten blijft volgen en onvervreemdbaar is; naar net tweede echter

an die regelmaat worden afgebroken.

3. Het naar toe te wijzen erfgoed gaat natuurlijk bij haar dood op hare zonen (naar de opvatting, dat reeds naar Pentateuch-recht de overlevende man eenig erfgenaam zijner vrouw is, ook op den man) over,die tot den stam huns vaders behooren. — 'jaa in.sS, aan een der leden van de stammen der kinderen Israels; het eerste ':3 is individueel, het tweede collectief. — wes nbm, het erfdeel onzer voorouders, uit kracht van wier rechten immers ook wij ons erfgoed aanvaarden (zie Num. 26,55); v. a. = wnas non n^ro, dus zooveel als : het erfdeel van onzen stam. — epw en jnj', v. s. mannelijk voor vrouwelijk; volgens anderen onbepaald: iets zal bijgevoegd of afgenomen worden; op het einde van vs. 4 is het werkwoord mannelijk, omdat het aan het onderwerp voorafgaat. — idx onS wvir, het meervoud Dn1? slaat op de personen, leden van den vreemden stam, aan wie zij als vrouwen zullen gaan behooren, = die zij zullen huwen.— wbru Vtwm, van het lot van ons erfdeel, d. i. het ons bij loting toegewezen

158

ocr page 321

I1? ^do mp

-na r\rh nirr niv ^-iK-nx ^ max =

.. t t ; jt^* quot;: v ; i - i** t ; * jquot; : v ▼

nfb nino nix 'J-IKI bnua nbn:3 p^n

•• t i- \ ■ p i-p aquot; t ; • jquot; : • v.t : jt -;i- : I v st t

quot;□ntr ^30 inx1? vni : vnin1? irnx nnabï nVna-n^j

•• : • t v ; t ; ^ it : * v.* t jt : t : ■»quot; ~:iquot;

bv epui irnbN nbnso rnbn: n^-iJ2i

quot;-lt; )- : •• -: -*- -:i- • i t t-:iquot; lt;r:i*i * T.: •• t; * ••• :

: jnr wnbni on'? m^nn iitk nèsn n^n:

iquot;t • j-^ ' ^ avt -tv**; i* j'.' ^ v — -- -11-

nèsn nbni rnbn: nsDiiV'^NTt^ n^n^DNi ^

v - - j—: iquot; -c I t t -: iquot; t : i : •• t; • •*•* : * •• - r • ;

: rnbnj viy li'nbK ntso hbnsai anb nj^nn

iitt-:r v.-t* •• -: - —:i-/ avt t r -»v -:

-♦33 n'iao ra iDNb nin» ,33-nN nirD quot;

,.. : j.. -|,)quot; * - v.t : j- ~ •• ti • -••• : v v lt;-;- ^

nnöbx ni23l? nin» nwim quot;i3in nr * : Dn3'i eiDV1 I

t ; t : lt; : • t ; -r • v -: t t quot; -quot;v r : i Kquot;

n^D nnistyDb nmn 3i,i3,7

jquot; - - r : * : I a t: t -••.•: i* \,v •• V* ; j '

ntsDO ^3i7 nbni 3bnquot;N,?i : D^:1? Dn»3«T

- • •• t : * •*quot; : * t -; i~ lt; • : r t ; t jv ; r • -:

: ^3 psn* vniN ntao rhnn wit *3 n^o-1?»

,.. T: • jquot; : K : : • T -: ■quot;• - - -:i- : • -•• «•.• -

deel. Zoo zou dus een bij de verdeeling aan den stam Menasslié toegewezen bezit in een anderen stam overgaan en, vs. 4, dat zou van hlijvenden aard zijn; zelfs het Jobeljaar zou den ouden toestand niet herstellen, daar geen vervreemding, maar vererving van grond heeft plaats gehad.

4- DN1gt; en wanneer zelfs enz.; het is niet voorwaardelijk, slechts als mogelijk onderstellende wat volgt. — daar natuurlijk elk vijftigste jaar Jobeljaar is, — maar in den zin van: en ook bij het intreden van het Jobeljaar (vgl. Ibn 'Ezra).

6. nt. De met deze formule ingeleide wetten hebben in den regel slechts beteekenis voor het oogenblik; in den Thalmoed wordt dan ook aangenomen, dat de hier volgende bepaling omtrent het huwelijk van erfgerechtigde dochters alleen de dochters van Tselofchad gold en niet als blijvende wet voor latere gevallen was gegeven ; ja zelfs voor de dochters van Tselofchad was het v. s. niet eens een dictatoriaal gebod, maar slechts een goede raad om in hun eigen stam te huwen. — rmiS, met b etr ekki n g tot de dochters, of v. s.: ten behoeve van, n. a. voor, om hun bekend gemaakt te worden, niet: tot. — onwa 2gt;dS. Volgens de boven gegeven opvatting; hun keuze blijft wettelijk onbeperkt, zij mogen huwen in welken stam zij willen; doch goed is het, zoo zij iemand uit een der familiën van hun vadersstam Menasslié tot echtgenoot kiezen. • Anderen: wat den persoon betreft, mogen zij huwen wien zij goedvinden, doch onder voorwaarde, dat hij, wat zijn stam betreft, bekoort lot een der familiën van Menasshé.

7. Overgang van erfgoed van stam op stam is toch niet te voorkomen; als bijv. een broeder, erfgenaam zijns vaders, kinderloos sterft, nadat zijne zusters, nu dus zijne erfgenamen, reeds in een anderen stam gehuwd zijn. gaat het erfdeel tóch over; een bewijs dus, uit het hier gegeven motief, dat het alleen voor de toen zich voordoende gevallen gold, zooveel mogelijk vervreemding in een anderen stam te voorkomen.

ocr page 322

N U M E R I XXXVI.

8 En elke dochter, die een erfdeel erft, van de stammen der kinderen Israels, zal aan iemand uit een der familiën van den stam haars vaders tot vrouw zijn; opdat de kinderen

9 Israels erven, ieder het erfdeel zijner vaderen. En geen erfdeel van één stam tot een anderen stam overga; maar ieder aan zijn erfdeel, de stammen der kinderen Israels gehecht

10 blijven.quot; Gelijk de Eeuwige Mozes geboden had, zoo deden

11 de dochters van Tselophehad. Dus werden Machla, Thirtsa en Chogla en Milka en No'a, de dochters van Tselophehad,

12 de vrouwen van de zonen harer ooms. Van personen uit de familiën der zonen van Menasshé, den zoon van Joseph, werden zij de vrouwen; en daardoor bleef haar erfdeel bij den stam

13 van de familie haars vaders. — Dit zijn de geboden en rechtsvoorschriften, die de Eeuwige in handen van Mozes den kinderen Israëls geboden heeft in de valleien van Moab, bij den Jordaan tegenover Jerécho.

8. Voor erfdochters, die een door het lot toe te wijzen erfdeel erven, d. w. z. voor meisjes, die tot de verdeeling des lands als erfdochters aanspraken op landbezit mochten krijgen, zal dezelfde bepaling gelden. — De opvatting, dat de hier gegeven wet een blijvend karakter had, vindt wel is waar in de woorden van ons vers steun, doch ontmoet tal van practische bezwaren, daar voorkoming van overgang van grond van stam aan stam door vererving toch niet mogelijk is, zooals vs. 7 door een voorbeeld is aangetoond (vgl. Thalmoed, Baba Bathra 120a en Kachmanides). — Dooide uitbreiding der voor Tselofchads dochters gegeven wet tot alle analoge gevallen, die tot het oogenblik van de verdeeling des lands zouden voorkomen, is ook de herhaling van het motief in vs. 9 verklaard.

9- quot;ireC ntSoSi onregelmatige punctuatie voor die overigens

niet in alle edities voorkomt.

10. De uitdrukkelijke mededeeling, dat alle dochters van Tselofchad het bevel opvolgden, schijnt mede de opvatting, dat de wet ook voor hen niet hindend, maar slechts facultatief was, te bevestigen. — De orde, waarin zij hier genoemd worden, wijkt af van die van Num. 26,33 en 27,1 en Jos. 17,3. Volgens Ibn 'Ezra, worden zij hier genoemd in orde van hun huwelijk, elders naar ouderdom.

12. nnStt'Q» aai1 nienschen uit de familiën. enz. Misschien moet jnm uit het vorige vers erbij gedacht worden.

is. nSx. De van af hoofdstuk 26 meedegedeelde wetten, allen in meer of minder nauw verband staande met de aanstaande inbezitneming van het land. Ons vers sluit dan de aan den Jordaanoever in de valleien van Moab gegeven wetten af, en dient tegelijk als slot voor het boek. Wat in het vijfde boek volgt, zijn vroeger gegeven, maar eerst op het einde van Mozes' leven door hem aan het volk bekend gemaakte of ter krachtiger inprenting herhaalde wetten. Vgl. onze aanteekeningen op het vijfde boek. — Evenals Leviticus, eindigt ook Humeri met een samenvattend slotvers.

159

ocr page 323

lb ^DO üJp

nnSB'Dp »:3 niissönbnj r\py nrbDin

wtlt; bsn'iy» ':3 Wquot;iquot; r^ó1? n^N1? n^nn nax ntao

v,* •• t : • ■gt;quot; : : r 1quot;^ - : at • ; •»•.* : r t vquot; t jquot; -

^^-♦3 nn« ritSD1? naaa nbn: nbrrKbi : vnbK nbnac

rtquot; - jquot; - ; - • .)T -:i- s • i : it -: j' -n-

-jin nin» niï quot;irxa : ^3 nitso ip3T 1^33'

V,T : jt * •)•.* -: iquot; iquot; T: • -gt;•• : v quot; • : :* T ;

ninn rhm nr'nni * : inöbï ni33 wy p ^

t : • jt : - t v ; r - it : t : ^ ; v. t Ir* av

: a^:1? rnm inabï ni:3 i3boi nVjni

• quot; t ; Kv^ quot;ijquot;'.' at : T : : V.T ; -JT : * ST : T :

-Vy rn^n: 'nni vn ►nov-p n^D-^3 nna^aa ='

■■ I t T ~ii~ • : - a- T : J T Kquot; • *•* -»•* quot; : iquot; : •»::•*

nè'K D^s^arn n'iïsn nbx : jnpN nns^p nisa ^ bv 3M1D n3^3 bx'ïw ^ybn nin» nis

t - ; a- t ; * -quot;• : v v.v - ; -jT : st •

; InT pT

.prn

f\sn nMi Vim : po ITfllJC ' ^515^quot;1 B^Sfi Dgt;nssi ^.s wns ud ipiDS Diss • v-nji • jk's i:nji n3 '« * 7\yffy vnvc-iil : mi' vib» 12 mis Ti'N n.st iS'3ïquot;gt; isan quot;i^ * T'S iVquot;151 • 3''3 wwppsi : ;n'B ows ■h ni: iwd 3S Di^Om HN'Q ^3.1 * VW mswoni * D^UTll O'DC winLn ps ; J^D

: p'D irhm -|pSn w * nms naon

ocr page 324

-no

nnzDsnn

naiaa TSDS

HAPHTAROTH

VOOR IIET

BOEK NUMEEI.

21

ocr page 325
ocr page 326

LOFZEGGINGEN vóór eu na de HAPHTARA.

Nadat de Wetsrol is opgerold en gesloten, zegt hij, die de Uaphtara zal voordragen, de volgende lofzegging:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die goede profeten hebt uitverkoren en behagen hebt geschept in hunne woorden, die met waarheid werden uitgesproken ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die hebt uitverkoren de Leer en Uwen dienaar Mozes en Uw volk Israël en de profeten van waarheid en recht!

{Bij de Portugeesche Israëlieten icordt na de voordracht der Ilaphtara,

vóór de slotlo/zeggingen, het volgende gezegd:

Onze Verlosser, de Eeuwige Tsebaoth is Zijn uaam, de Heilige van Israël!)

En na de lezing der Ilaphtara zegt men :

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, Rots van alle eeuwigheid, rechtvaardig door alle geslachten, vertrouwbaar God, die zegt en ook doet, die spreekt en vervult, al Wiens woorden waarheid en rechtvaardigheid zijn. Vertrouwbaar zijt Gij, Eeuwige, onze God, en vertrouwbaar zijn Uwe woorden; en niet één van Uwe uitspraken keert ledig (onvervuld) terug, want een vertrouwbaar God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, God, die vertrouwbaar zijt in al Uwe woorden!

Ontferm U over Tsion, want het is het huis, waar wij (in waarheid) leven, en help spoedig in onze dagen [de s(ad], die bedroefd is van ziel; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Tsion zich doet verblijden in zijne kinderen.

Verblijd ons. Eeuwige, onze God! door den profeet Elia, Uwen dienaar, en door het koningschap van het huis van David, Uwen gezalfde, moge hij spoedig komen en ons hart doen juichen ! Op zijnen troon zal dan geen vreemde meer zitten en andersdenkenden zullen niet weder zijne heerlijkheid deelachtig worden, want bij Uwen heiligen naam hebt Gij hem gezworen, dat zijn licht immer en eeuwig niet meer zal worden uilgebluscht; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van David !

Voor de Leer eu voor den dienst en voor de profeten en voor dezen Shabbalhdag, dien Gij, Eeuwige, onze God, ons gegeven hebt tot heiliging en tot rust, tot eer en tot roem, — voor dat alles danken wij U, Eeuwige, onze God, en zegenen U; Uw naam worde geloofd door den mond van al, wat leeft, gedurig immer en eeuwig; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Sliabbath heiligt!

ocr page 327

rrrasnn no-D

TDSDn ipy -SSun isjr mNi -maann mnp omp DW;J33 nna iv}slt; « nnx Tjina

nris4 Tina noxa Dnown annma nxni D^ID

t quot; | t ^ av v; iv j* t •.•;!•.• - v, •* *• : * : ^ jt t;

ID^ n^Dai mira nman »

r* * : * - •quot;• t : • : ; -quot;.• : t - lt;•• - *;

: (pnyni xquot;j) piïi noxn

) viv - : I VIV T V.quot; v: IT

niiinnxn nwian Dngt;p mtDsnn nx^-ip mx cmsDn jiru»)

c ï^i-ip ioe' niK^ï nin» i^kü

iquot; T : * v': rt : ^ T : jt t •• -:

Taaon 1-131 maann avnp mNi pnv / Dvpbi^n-bs TIV / obiyn r|bo irpb^ ^ nns4 ^13 nanDn , nsixn /fown , nnwSia /WrfrK «in n-K jos4: • pnvi n^K . p^öi

*5 'Dpn, quot;iins4 ^nnia nnx 12*11 ^nai D^dnji : VIt3T^3 |os;3n nns1 ^-13 • nrgt;N jon:

wp: nni^bi , iy»n n^a ^ \VTh% oni : p'v nsjyQ ,quot;gt; nriK -ji-ia /iro^ ninpa

nn n^ niD^öm 113^ *r33n in^x3 irriVs4 « ^nstr

• T •• ; - : I iv: - • T - IT • •• ; r* ••: *: iquot; ; -

3B* vh 1KD3 byr ' Mïh Sri N3» mnps /^jn^p nystpj ?)2np d^3 *3 .iH33-nK onnx ity tny ah] ,-ir : Ti.! P.^ V: ni^ quot;T1*1? * ^ tyv) quot;gt;quot;15 nsp' Nbiy ^

' ntn ns^n DI^I n^^sn-b^, nninn-^

• mNSnVi T)33i7 nni^bi n^ipS irrtbw « nnsty

•••it : • : T : t ; • : t -..1: • i- v: ▼; it t i- t v

Tjisn» /TjniK onio unax irnb^ by

: nsETi iyipö « nn« Tj-ns * -$1 n»ön ^n-Va ^3

ocr page 328

HAPHTARA van BAMMIDBAR.

Hoshéa' 2,1—22.

1 En het aantal der kinderen Israels zal zijn gelijk het zand der zee, dat niet gemeten wordt en niet getold; en het zal zijn: op de plaats, waar van hen gezegd wordt: „niet Mijn volk zijt gij,quot; — zal van hen gezegd worden: „zonen van den

2 levenden Almachtige.quot; Dan zullen zich verzamelen de zonen van Juda en de zonen van Israël te samen en zullen zich één hoofd aanstellen en optrekken uit het land; — want groot is

3de dag van Jizre'eel! Zegt tot uwe broeders: „Mijn volk!quot; —

4en tot uwe zusters: „In barmhartigheid aangenomene!quot; Voert strijd tegen uwe moeder, voert strijd, — want zij is niet Mijne vrouw en Ik ben niet haar man, — laat zij verwijderen haar ontuchtmiddelen van haar aangezicht en haar overspelver-

5 lokkingen van tussehen hare borsten. Opdat Ik haar niet naakt uitkleede en haar doe staan als op den dag, dat zij geboren werd; en haar doe worden als de woestijn en haar make als

6 een dor land en haar doe sterven door dorst. En over hare kinderen Mij niet zou erbarmen, — want kinderen van ontucht

7 zijn zij. Want ontucht heeft gepleegd hunne moeder, schandelijk heeft gehandeld zij, die hen ter wereld bracht; want zij zeide: „Ik wil volgen hen, die mij hun liefde toonen, die geven mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn

8 verkwikkende dranken.quot; Daarom — zie, Ik stel op uwen weg een haag van doornen en maak dicht de schutting aan hare

9 zijden, zoodat zij hare paden niet meer kan vinden. Als zij dan met ijver zal najagen hare vrijers, maar ze niet zal bereiken, en zij ze zoeken zal, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: laat ik heengaan en terugkeeren tot mijn eersten

10man, — want beter was het mij toen, dan nu!quot; Want zij had het niet ingezien, dat Ik haar had gegeven het koren en den most en de olie; en zilver Ik had doen vermeerderen voor

11 haar en goud, dat zij bereidden ter eere van den Ba'al! Daarom zal Ik weder terugnemen Mijn koren op zijn tijd en Mijn wol

12 en Mijn vlas, om hare schaamte te bedekken. En nu zal Ik hare verlepping blootleggen voor de oogen barer vrijers; en

13 niemand zal haar redden uit Mijne macht. En Ik zal doen ophouden al haar vreugde: haar feest, haar nieuwemaansdag

14 en haar Shabbath, en al hare feesttijden. Eu maak tot verlaten woestenij haren wijnstok en haren vijgenboom, waarvan zij zeide: „üntuchtloon zijn zij mij, dat mij gegeven hebben mijne vrijers,quot; — en Ik zal ze doen worden tot woest woud, en het wild des

15 velds zal ze verteren. En Ik zal aan haar bestraffen de dagen der Ba'als, waarvoor zij rookdamp deed opgaan en zich sierde met hare ringen en haar halssnoer, en volgde haar vrijers, — terwijl

10 Mij zij vergat, is het gezegde des Eeuwigen! Daarom, zie, Ik zal haar overreden en haar brengen naar de woestijn en spreken

162

ocr page 329

m-iEn mcosn

•2quot;3—'gt;s' '3 JQiD ym-D

nöD» Nbi 13^ DTI bina nsoü n'nv^-

aquot; t • -» ^ ^- • i -• t - j : •• t : • iquot; : lt;- : • t t :

quot;IQ^ oriK arh iw -itjw oipoa n^nf

Jquot; T Iquot; _ v -»• I V T lt;•• Tlquot; V -; I ; • TT :

■mi m rnirr ♦h iï3|5if : 'n-bx »J3 on1? =

nax : btfinr DI» ^ rixn-p ibjn nnK ITK-I Dn1? ^

j '• ' . ^ iv ::* ^ v.t -»• | vat t i • ^ tquot; : v,t v j .y.' t

■♦5 mn D3as42 mn : niann D^ninx^ ^

n*3i3S2i n^so friw iDni n^'N Nlt;1? ^:KI N1? N»n

t -:i : t v t • t v ^ ; «quot; t : at • j it : • : • j •

nnbin DV3 n^Jïni nó^ naunyfiK-fa : nn^ papquot; quot;ns4i : Nrjï3 n^noni n»ï pxa nnt^i niiöD n'nötri ^

v : itlt; t t v* * quot;!'quot; t • | v-»v ; t • - ; t ; • - tj*:-:

n^inDöKnnjpa :nön D'JW DHIN K) n^a» mi'pnV ^ni^anNü nntsj na^x rnpx »a annin

o^TDa Tjairnx ja1?: ^ip^i ♦jüb' npvn

■nx na-ini : xïpn xb n»nia^n:i nnnrnx 'n-inji gt;= nabx nSpxi xvpn xbi an^ai onx rtrn-xbi n^anxp x^ni : nn^p tx ^ aiü \a p'^xin ♦ir^x-Vx hai^xv

t]Dai ^iTnni jnn n1? rnnj ^aix ^a n^T xV

'^mnpVi a^'x rab : ^ab wy ann nb i'-ain^

• t : «• ; i it : # t ij-t ^ - it - J v,t t : ot • r* : •

-nx niDaV ♦ni^ai npï 'nbvrii in^ipa in^a -X1? i^^xi rranxs nn^arrx nb'^x nnvi: nnnv ='

i y : r nv -:i- : i. : ^ ... r.. - .. ,|Tlt;» . |T T

nna^i n^nn nsn n^f^p-^a ♦nairni : n»p ns^V! ^ n:nx nnax^x nn^xm naaa ♦nb^m : niüio Sa^1

JT : v t : it -v -; tt-quot;' ; t :- • -;i- ,t*; i ^;

ri»n araxi d^o'^i ranxp ni^x ^ han orh n^pn n^x b^yan ^»-nx wpai : m'^n «

v t : ■iquot; quot;• 'tl' lt;•• : v t v *t :l- it ivt -

-DX3 nnair 'nxi n^anxD nnx Ti^m nn^ni nar: ivni

\ : ^t : it j' ; t av ~; i~ ; Jquot;~: i~ I quot; vquot;~ tt ; v ; t : • ^- lt;—

♦man lanan n^aVm n^naa »a:x nan raV : nin^-

v.' ; - *: at ; • - t V.- ; - i ; t v - : • it «•• • | .. t it :

ocr page 330

H A P H T A R O T H.

17 tot haar hart. En Ik zal haar hare wijngaarden geven van daar, — en het „dal der beroeringenquot; tot „poorte der hoopquot;; want daar zal zij [Mij] weer antwoorden als in de dagen harer jeugd en gelijk den dag, dat zij optrok uit het land

18 Egypte. En het zal zijn op dien dag — is het gezegde des Eenwigen, — zult gij roepen: „mijn Man!quot; en zult gij er

19 Mij niet langer roepen: «mijn Ha'al!:' En Ik zal doen wijken de namen der Ba'als uit haren mond, en zij zullen niet meer

20 met hun naam in herinnering gebracht worden. En Ik zal voor hen een verbond sluiten op dien dag met het wild des velds cn met het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte van den bodem; en boog en zwaard en oorlog zal Ikquot; breken uit

21 het land en doe hen in veiligheid zich nederleggen. En Ik verloof u aan Mij voor eeuwig; en Ik verloof u aan Mij door recht en rechtsoefening, en door genade en door erbarmen.

22 En ik verloof u aan Mij door vertrouwen en gij zult den Eeuwige erkennen.

HAPHTARA van NASO.

Rechteren 13,2—25.

2 Er was een man uit ïsor'a uit het geslacht der Danieten, wiens naam was Manoach; en zijne vrouw was onvruchtbaar,

3 en had geen kind voortgebracht. Nu verscheen de vrouw een engel des Eeuwigen en zeide tot haar: „Zie toch, gij zijt onvruchtbaar en hebt nooit een kind voortgebracht; gij zult

4 echter zwanger worden en een zoon baren. Welnu, neem u in acht, en drink geen wijn of bedwelmenden drank, en eet

3 niets wat onrein is; Want zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes ooit zal komen, want Nazier Gods zal de jongeling zijn van den moederschoot af; en hij zal beginnen Israël te redden uit de hand der

6 Philistijnen.quot; Nu kwam de vrouw te huis en zeide tot haaiman, als volgt: „Een man Gods is tot mij gekomen, wiens uiterlijk was als het uiterlijk van een engel üods, zeer eerbiedwekkend ; zoodat ik hem niet dorst te vragen, vanwaar ergens

7 hij was; en zijn naam heeft hij mij niet medegedeeld. Maar hij zeide tot mij: „Zie, gij wordt zwanger en baart een zoon; welnu, drink geen wijn en bedwelmenden drank en eet geenerlei onreinheid, want Nazier Gods zal de jongeling zijn van den moe-

8 derschoot af tot den dag van zijn dood.quot;quot; Nu smeekte Manoach tot den Eeuwige en zeide: „Ach, mijn Heer! de man Gods, dien Gij gezonden hebt, moge hij toch nogmaals tot ons komen en ons leeren, wat wij voor den knaap zullen doen, die staat ge-

9 boren te worden ?quot; En God hoorde naar de stem van Manoach en een engel Gods kwam nogmaals tot de vrouw, terwijl zij zat

10 op het veld, en Manoach, haar man, niet bij haar was. Nii haastte

163

ocr page 331

miün nman JDp

quot;iiair poy-nxi Dïbo n^ó^-riN nb ♦nnii •: ^

v. t 1 v v ; t • t v t : v ^ lt;r • - it : it * ~

-p«o nnib^ di^i »a^ natr nrujn nipn nnö1?

| viv •• ^t quot;j j : t v ^ ; jquot; tt t «sti : * -jv:

-Ni7,I wpn nin^DNi Ninn-DVa n^m : ^

i : ft' :l: • t : ••.: - i- lt;tt ; • it : •

rvaa D^an nio^-ns4 'nioni ; ^ wpn»'

ta'* ^•'t : J i quot; '' ':|~ i' • quot; ~ •)• j* :l: •

xinn DI»3 nna onV : oo^a -115; =

j - • ; lt;v t • ^ -ir : «t ; • ^ 'v, j :'t* 1 ;

nini ntypi nDnxn irani D^ót^n mirn n^n-o^

v«v : v |v: at t-:it v ^v: • - t - .1 ■* '• v t - ^

: nünb D^nna^ni p«n-fD 113^« nonSoi«

) r : -iquot; : - iv t v.- ; - : • ; i vt^t i • -•;•.* t t : •

: iDnai piva ^ Dbiy1? ^

i* -; 1-; v v.v : t : • ; i •.*-••.•; • | r : -iquot; ; at ^ : v.'

: nin^riN ^ tiwini m

it ; v '.'\,'r: at v;iv v.' i j' : -iquot; :

Hirj nn^sn

.nquot;3-'2 jquot;i jCD D'aaica

inuwi ni:D nnaü'ao n^quot;iïD inx q,nn = ?

j • • ; ~at j; v.' t* - ; • • -it :t • st v • • :-

ion'I nin^-riKbo KTI : ah*\ nnp^ j

-» - at * it v v.t : i quot; : jt— titt j ^tlt quot;i

nnvi: ra m^i nnm n^i mp^-nx «rnan 1

^ t - : hquot; ; ij-tz v.'t : ; ;-t ^ : tit^-: : quot; lt;t quot; • tv ••

'3 : nvh nj no^n ^

iquot; t t ^*, : 1 quot; : quot;t ** : rjquot; l* : * quot; : t • i-^t^ •

quot;inr^ nnioi |3 htj -]3n

TO b«T;^quot;,nK Nini ?L:2n-?a

j- • t ; * ^ v y ; .)•• t ; i v at - i • ~ jv: r

lüNm n^n xam : 1

..;it lt;• •• t • : v j - t • it j t ~ i* : • :

xbi nxo «ni: D^nVs'n TJS^O nïnoa insnoi xs

lt; ; a : jt v.* v: it Ij-: - )•• ; - : •• : - ^ -r

^ ION''! : ^ n^n-N1? lo^-nNi «in nrö-^ *

v j - 1 * j* • 1 ^ : v ; jv • i** • ; • :

quot;IDE'I tquot; 1 *y\wr\-^tlt; p rn^n nnn Tian

. : , - . t .. . 1 .j. ~ ^ : iaquot; : :j- ; .v.tt ]jt'

: iniQ t^an-fD Trèn o^ri^x quot;inr-a

1 j ' v v.v - i • - jv : ,. . v; lt;•: 1- t : *.. t

i^s4 D-ribxn tyw 'iiiN *2 nin,-1?N niw nnyin

jv -: • v: it -,* t ~ ^ v't : v ~ ' t j~ 1 vquot;

: nbvn n'^s-no uni'i ny Nr^4i2, nn^

it - ^ v* q ;iquot; quot; •• : quot; quot; jt i t t ; - t

-VKnii? DTibxn -nxbo XTI ni:o ^ipa a^nVxn jroun13

^ • v: it ) - : - j t- - a t lj : v.* ^ v;it ; *quot;

TOm : na^ px ni:Di nniyi» n^xn'

- it * 1 jquot; vt ' - j r vt - v jv • ; t * it

ocr page 332

HAPHTAROTH.

zich de vrouw en liep heen en deelde het haven man mede; zij zeide namelijk: «Zie, verschenen is mij de man, die op

11 den bewusten dag tot mij is gekomen.quot; Nu stond Manoach op en ging en volgde zijne vrouw en kwam tot den man en zeide tot hem: «Zijt gij de man, die tot deze vrouw ge-

12 sproken hebt?quot; en hij zeide: „Ik ben het.quot; Hierop zeide Manoach: „Welnu, als nu uwe woorden in vervulling komen, wat zal het den jongeling passende en zijne handelingen zijn ?quot;

13 Toen zeide de engel des Eeuwigen tot Manoach: „Voor al, wat ik tot de vrouw gezegd heb, moet zij zich in acht nemen.

14 Van al wat uit den wijnstok voortkomt, mag zij niet eten en wijn en bedwelmenden drank zal zij niet drinken en wat ook, dat onrein is, zal zij niet eten; al wat ik haar geboden heb,

15 zal zij in acht nemen.quot; Nu zeide Manoach tot den engel des Eeuwigen: „Laten wij u toch terughouden en bereiden en u

16 voorzetten een geitenhokje!quot; Hierop zeide de engel des Eeuwigen tot Manoach: „Indien gij mij ook al terughoudt,zal ik toch niet eten van uwe spijze; en wanneer gij een brandoffer wilt bereiden, breng het dan ter eere des Eeuwigen!quot; — want Manoach wist niet, dat hij een engel des Eeuwigen was.

17 Nu zeide Manoach tot den engel des Eeuwigen: „Welke is uw naam ? opdat, als uw woord zal zijn uitgekomen, wij u eer

18 kunnen bewijzen.quot; Hierop zeide de engel des Eeuwigen: „Waarom toch vraagt gij naar mijnen naam? deze is immers

19 wonderbaarlijk!quot; Nu nam Manoach het geitenbokje en het meeloffer en bracht het op de rots ter eere des Eeuwigen; en Deze handelde wonderbaarlijk,!) — terwijl Manoach en zijne

20 vrouw het zagen. Het was namelijk, toen de vlam van het altaar hemelwaarts steeg, steeg de engel des Eeuwigen in de vlam van het altaar op; en Manoach en zijne vrouw, het

21 ziende, vielen op hun aangezicht fer aarde. En de engel des Eeuwigen werd niet meer zichtbaar voor Manoach en zijne vrouw ; toen wist Manoach, dat het een engel des Eeuwigen

22 was. Nu zeide Manoach tot zijne vrouw: „Sterven moeten

23 wij, want een Goddelijk wezen hebben wij gezien!quot; Toen zeide zijne vrouw tot hem : „Zou de Eeuwige werkelijk ons willen dooden, dan zou Hij niet genomen hebben uit onze hand een brandoffer en een meeloffer en zou ons niet deze gebeurtenissen alle hebben doen aanschouwen, en zou ons, als op

24 dezen tijd, niet iets dergelijks hebben doen vernemen.quot;3) De vrouw baarde een zoon en noemde zijn naam Shimshon ; en

25 de jongeling groeide op en de Eeuwige zegende hem. Nu begon de geest des Eeuwigen hem mee te slepen in Machané-Dan tusschen Tsor'a en Eshthaol.

164

ocr page 333

m: nquot;iuan nop

nan naxm nan^ prn n^n

- .. lt;T ; • •• • T •* •* -* quot; (ST * I -,•• I TV.T ' _ Ir

intrK nriK niao D^I. : Di'D N3quot;quot;)^K ^ rin2Ti^« t^^n nnxn iS ion'i t^ssn^K k^i. -na ?|nnn xy nri# niio nox^ : ^s4 idn^i n^n ^ niaD-^K'nin» T]^ nü^n : m'^öi n^an LJStyp n)n» ^ jöap n^Nn-1?^

SpNrr^ nNpü^Di. nrpn-^ b5«n NS |«n

nin» ' ni3D noN^. : notfn n^n^ïquot;quot;)^ ^1B

Tj^a no^i : ony na ^aaV nir^ai ^niN «rnn^a'0 n^j;n_Ds4i. ^onVa Vd^-n'? 'anxyri'DN niia^K njn* : «in nin' niaD^Tquot;»1? ^ nabyn nin^ rh'v

I ; | j- ; ~ I • T Jquot;T I '* Tn. :i \ • 2 •

rj'-^nn v? nin* niaa quot;iük^v1

WfWn nj. nsS nin{ -jxVo h if2ü\\ : ^anpi^ Svn nnaan-nNi bnyn na-nx niao npn : Nini ^

t ; • - v : * it «•; v - t Iquot; ' ~ •quot; ^ •

wy : D^n niaoi N^DI nin^ niïn-1?^ = an^a nin^Vü nü^ó^n nirsn ^onn^nni^n -kV! : nï-ix Dn^as-1?^ I'psn dgt;4'i in^Ki niaai naran « jhmk in^x-bKi niaa-bx ns4nnV nin» -]^a niy fjo; nia Wn-^k niaa naNp. : Kin nin» ^?23

nin^^an^ int^K lb naxni : la^n a^K ^ niaa» SVnK iax*in xbi nnaai nVy 'laTa n^-K'? lan^an^ «npnilii nV^n n^ni : nxra ia^;atpn ah njbi rb$™ niV^nni : nin» manTi n^an ^nan ji^a^ latp-nN^ : 7^1 nvnv ra pnanaa iaj;a^ nin»

it: v I jquot; \.t : t 1 jquot; I at •• -; i- ; v, -iiquot; : t :

1

1) Anderen: En er geschiedde een wonder.

2

Anderen: En als in dezen tijd geschied, heeft men ons iets dergelijks niet doen vernemen.

ocr page 334

HAPHTAROTH.

HAPHTARA van BEHA'ALOTHECHA.

Zecharja 2,14—4,7.

14 Jubel en verheug u, sjij dochter van Tsion; want zie. Ik kom en vestig Mijn verblijf in uw midden, is het gezegde des

15 Eeuwigen. Dan sluiten zich vele volkeren aan bij den Eeuwige op dien ,dag en zij zullen Mij tot volk zijn ; doch Mijn verblijf vestig Ik in uw midden ; en gij zult weten, dat de Eeuwige

16 Tsebaoth mij tot u gezonden heeft. Dan zal de Eeuwige Juda, Zijn deel, in bezit nemen op den heiligen bodem en voor het

17 vervolg Jerusalem uitkiezen ! Zwijg, alle vleesch, voor den Eeuwige, want Hij wordt opgewekt [uit Zijne schijnbare rust] van uit Zijn heilig verblijf!

1 En hij toonde mij Jehoshoe'a, den hoogepriester, staande vóór den engel des Eeuwigen, terwijl Satan stond aan zijne rechter-

2 zijde om hem te hinderen. Toen zeide de Eeuwige tot Satan : „De Eeuwige toorne op u, Satan, en de Eeuwige blijve op u toornen. Die Jerusalem heeft uitverkoren! Is deze dan niet een

3 brandhout, gered uit het vuur ?quot; En Jehoshoea' was bekleed met

4 verontreinigde kleederen en stond vóór den engel. Toen zeide Hij tot hen, die vóór Hem stonden, zeggende: //Neemt de verontreinigde kleederen van hem afquot;; en Hij zeide tot hem: „Zie, Ik heb uwe zonde van u afgenomen en kleed u met pronkge-

5 waad !quot; Nu zeide ik: „Dat men een rein hoofdomwindsel op zijn hoofd plaatse!quot; En zij plaatsten het reine hoofdomwindsel op zijn hoofd en kleedden hem met gewaden, terwijl deengel

6 des Eeuwigen staan bleef. Nu gaf de engel desEeuwigen Jehoshoea'

7 eene vermaning, zeggende: „Zoo zegt de Eeuwige Tsebaoth : Indien gij in Mijne wegen gaat en in acht neemt, wat Ik u ter inachtneming heb geboden, en gij ook het recht van Mijn huis zult oefenen en Mijne voorhoven ook zult beschermen, — dan

8 zal Ik u toegangen geven tusschen dezen, die hier staan! Hoor toch, hoogepriester Jehoshoea', gij en uw vrienden, die vóór u zitten, waarlijk mannen van wonderen ') zijn zij ; want zie, Ik doe komen Mijnen dienaar, „den spruitquot; [van David].

9 Want zie, de steen, dien Ik vóór Jehoshoea' heb gelegd, op den éénen steen zijn zeven oogen gericht; zie. Ik graveer hare versieringen, is het gezegde van den Eeuwige Tsebaoth,

10en doe wijken de misdaad van dit land op één dag! Op dien dag, is het gezegde van den Eeuwige Tsebaoth, zult gij ieder zijn naaste noodigen plaats te nemen onder een wijnstok en onder een vijgenboom!quot;

1 Nu keerde de engel, die telkens lot mij sprak, terug en wekte mij

2 op, gelijk een man, die opgewekt wordt uit zijn slaap. En hij zeide

165

ocr page 335

m^an nop

quot;i a-'s 'j o jq^d nnata :nin»DNi Tiainn Nr^^n »3 ri»rn3 'nütyi ^ ^

it : j\: Kquot; :. j-:-it:^ ir • : r s' l «s • : •'' t

ovb gt;b vm ^'inn Di'a nirr^ D^n D'la nVii 10

'at: i.- jt : - - t : v lt;• - / ; • :

Vmi : gt;n,b« niN2ï nirr^ n^Ti 'nDina «=

- t ; ) it •• - J- T : v t : jr : ' : - -r : ^ l •• : - it ;

.'D^iTanwnnmiyipnnQnK1?^ ip^n min^nx nin»

•it t i • \ j- t v| a - j- ; - i : v t : v «t :

: i^np ?i^dd nip ^ nirv ^ao nirr^ Dn^ Jt

... ....-- , :] t \ j : * p.quot; j k at ; : • ^t t ^ t^ j- s

IO^ fü^ni nin^ -js^p ^aS nó'v biian frian ?|3 nirv nyy njn» nrDtih : 1:1:^ =

bïo quot;tin nr Nibn inian na nirr quot;i^ri fut^n

jt •.. v jj-' s -: att i • vquot; ~ ' • t : lt;-:•; i r t -

: -j^an ipp) DWÏ onja n^n ^inn.: mn gt; D^ïnonjan iT-pn iDNb Vjab Dnö^n-1?» 10^) jy?)1 ?|nilt; ^bnquot;! HNT iDti^ vbyp

wynqiD'''m imrbv quot;rinu ïi^ï id^' quot;idki : niï^no ^

J ,T • ■ T- . * ST 1/ .,• T^ - IT lrT-=.-

: ipV nin^. DHia mvzy) imrty Hnan1 niN3ï nW nÓNiTis : iON1? ^trin»3 nin» ^SD'

t : ■jt : quot; t 1 1 quot; ^-v,-. t : lj- : quot;

-nx jnn nriN-Dii ió^n 'nwp-nK DS4I ^tis-DS4 onbrn ra Q'Dbno 'nnii nxn-nN io^n DJI

v.- : n t I jquot; • : : - |: lt;• - it : at ••-: v -• : • vquot; : * quot;

T^ni nn« ^iisn irün 1 ^irr a'yynvf: n^Nriquot; : hdï nnr-nK wnn '::n-*2 nan nöia ^^a1?

- ,... :«• v .)• » j' : ' • ^taquot;^ j- : - i- i vt :

nynv nn« jnNquot;by. ^in» 'nnj i^k |2Nn mn 1 »3« m-ntt ^oi nixav nin* dnj nnna nnaa ^in

I v )• ; - t : -r : ••. ; t ••. • - — - : s- : * -at

niK3i' nin» dk: Ninn Di'a : nnx ova N^nn-p^n'

t : •jt : •-. : - ••quot; it v j : v.' quot; i vit t ^

: n:xn nnn-bsn ras nnn-bx itnpnx '

t t- it •• : quot; v,quot; v : i v^v - j' v a** ••: j* ^ ;i : *

noN'i: in:amp;D nwim amp;W3 vry) '2 mnn nxVan =

-.• J- IT! ■ quot; ■• v —• I,- : „ jquot; - )VT:--

') Mannen van de grootste beteekenis, die de aandacht trekken en door hun bestaan Gods macht verkondigen.

ocr page 336

HAPHTAROTH.

tot mij: //Wat ziet gij?quot; En ik zeide : «Ik kijk, en zie: een luchter, geheel van goud, en zijn oliebak er bovenop en zijne zeven lampen er op, telkens zeven aanvoerpijpen naar

3 de lampen, die er bovenop zijn. En twee olijfboomen er op; een ter rechterzijde van den oliebak eu een aan zijne linker-

4 zijde.quot; Nu antwoordde ik en zeide tot den engel, die tot mij

5 sprak, zeggende: «Wat beteekeneu deze, mijn heer?quot; Toen antwoordde de engel, die tot mij sprak en zeide : «Weet gij dan niet, wat deze beteekenen?quot; En ik zeide: «Neen, mijn heer!quot;

GNu antwoordde hij en zeide tot mij, zeggende: //Uit is het woord des Eeuwigen tot Zeroebabel, zeggende: Niet door legermacht, en niet door lichaamskracht, maar door Mijn geest!

7 zegt de Eeuwige Tsebaoth. Wie zijt gij dan, gij groote berg? Voor Zeroebabel tot effen vlakte! Hij zal te voorschijn brengen den sluitsteen voor den geveltop, onder juichgalmen: ,/Gunst [van God], gunst ruste daarop!quot;

HAPHTARA van SHELACH LECHA.

Josua 2,1—24.

1 Nu zond Jehoshoea', de zoon van Noen, van Shittiem uit twee mannen als verspieders, in het geheim tot hen zeggende: «Gaat heen en neemt in oogenschouw het land en Jerieehoquot; ; nu kwamen zij in het huis eener ontuchtige vrouw, wier naam

2 was Rachab, en namen daar hun nachtverblijf. Nu werd den koning van Jerieeho bericht gegeven, als volgt: ///ie, mannen zijn hierheen gekomen dezen nacht uit de kinderen Israels om

3 het land uit te vorschen.quot; Toen zond de koning van Jerieeho tot Rachab, zeggende : «Lever uit de mannen, die bij u gekomen zijn, die in uw huis zijn gekomen ; want om het ge-

4 heele land uit te vorschen zijn zij gekomen.quot; Nu nam de vrouw de beide mannen en verborg ze ieder, en zeide : ;/'t Is waar; gekomen zijn tot mij de mannen ; doch ik weet niet,

5 vanwaar zij zijn. En het was : de poort stond op sluiten tegen donker, toen zijn de mannen er uit gegaan; ik weet niet, waarheen de mannen gegaan zijn; achtervolgt hen dus spoedig,

6 zeker zult gij ze inhalen.quot; Zij echter had ze naar het dak laten klimmen en ze verborgen onder de vlasstengels, die haar

7 op het dak gestapeld waren. En de mannen vervolgden hen in de richting naar den Jordaan, die naar de overtochtplaat.s leidt; en de poort had men gesloten, nadat uitgegaan waren

8 zij, die hen nazetten. En zij hadden zich nog niet neergelegd,

9 of zij steeg tot hen op naar het dak. En zij zeide tot de mannen: ,/lk weet, dat de Eeuwige u het land heeft gegeven;

166

ocr page 337

inbyi-D mtsfin iDp

dht nó^i hnt nm no

t *.. t- : iquot; * : '. ^ t ^ quot; it quot;•' ,«t ■ jt quot;

nipïia n^n^'! nyip n^^in^KT1?^ nbii.

nnx D^nn D^tri : wh nils1?3

i -■■ t v tav^t y quot; ^ it JV -j y-

n:nn Tjx'psn-^s4 i6h\ : rhxnv-bv quot;in«i n^n -gt; -iok'quot;) '3 nnin : 'riK nb« no IQNS '3 n

quot;IONquot;quot;! r^;;,i : ^TS1 i6 quot;iDNi n^N nan-no n^T NiVn ^

lt; - i^ -- i* -; J v* 't v aquot; _ t-»quot; t t : v,quot;t _ ^ 's f~ quot;

*6 ias^ ^nanrbx nin^ -inn 'SK

Vnmn nns^nj : niN3i* ninquot; im ^rnnrDN4 »3 n33'

.)T- - ST - r 1 T : ^JT : V.- T •

rn niN^n p^rrnx ït^o1? 733quot;it ♦js1?

]j- •.. ; t t i v -,v t v • : ft • : vv t '-.j -»quot; : *

: rh rn

it v*

*]b rhw nnüan

.t'3-'N '3 jo-o

B'in n^^.P cmiK D^^n-jp pfjs ^in» ^ n*3 inn»-n«i rixrrnK isn 13^

J- t- ;iquot;- a •: v ; i v^t t v j : ■) :

inn» iqn'i : naty-^^'i 3m nat^i n^r nm -

v •; ) v jquot; : quot; t-quot;- t it ^ ; ; •- ^t t ^p: p or •

-ps ian1? ^Nncquot; ^30 nV^n nsn 1N3 D^N nsn -iQs4t7

j :- ^quot;p1quot;^' •'quot; : ' t:quot;)-- TSquot;. quot;,r ^ T quot;» -quot;• * ^

D^JNn ^Nj'ïln -ias1? 3nv,7K inn* : fixn ^

• t -:it • • a •• v.t t •• •: ) •.••quot;.• : ^- i vit t

ps4n--,?3quot;nN -ian1? '3 ^r\^b iN3-ityx -i^x D^3n

j •.\t t t v j ; - .)• i quot; •• : jt v -: )• - .. lt;• t -

ri: quot;lONni liavu-i D^axn ^t^-nN nB'Kn npni : i«3 ^

i •• v j - a : : • - v.* t -:it j- : v sr * it^ is- • - it

quot;iiiD1? irtrn ♦nn : nan rxa 'nyT D^axn 1^3 ^

: • - ,.- t1,. j.j. ., * . ^-t .»gt;: • t-: it -^quot; ^ lt;t

131-1 n^jsn i3^n ms4 K1? ixiquot; D^jxm ^3

) a* t ~: it V. : quot;t t jt * . ~t ^ tt •j* t ~: it : |v

biüum njjn anVj^n s^ni : mr't^n '3 onnnK ma 1

,. : . . « tat- -jt v:iv v.* : i • - j* v,quot; •quot; ■gt;quot; quot;

bnnnN ian : J3n-^ ni3^n r^n ^^33»

..-;i- « : it • t-:it : it- - vt ) ••. -:it i .t jquot; : ' '•

ixv; 1^X3 nnx nio quot;i^nmns^sn ^ p^n Tj-ii Dn'br nn^p {sj^m tl33^, mu nam : Dnnnx o^Tmn

vv •• -'. JT i It ■)• : i at:* v-'v ti.quot; ; ^ iv ••-: 1- v.* : it

DS1? nm* rnr^ D^JKH^K ■mm ; isn-1?^^

vv t ot ; Is-t r • : quot;t • t-: jt v v - it- ^

ocr page 338

HAPHTAROTH.

en dat de schrik voor u ons overvallen heeft, en dat al de

10 bewoners des lands als wegsmelten voor u. Want wij hebben gehoord, hoe de Eeuwige de wateren der Schelfzee voor u droog heeft doen worden, toen gij uit Egypte zijt getrokken ; en wat gij gedaan hebt den twee konirigen der Emorieten, die aan de overzijde van den Jordaan zijn, aan Siechon namelijk

11 en 'Og, die gij tot ban hebt doen worden. Toen wij het hoorden, smolt weg ons hart en bleef geen moed in iemand tegenover u; want de Eeuwige, uw God, Hij is God in den hemel

12 daar boven en op de aarde hier beneden. Welnu, zweert mij toch bij den Eeuwige, daar ik met u genade heb geoefend, dat gij ook met het huis mijns vaders genade zult oefenen, en geeft

13 mij een teeken van trouw. Dat gij in het leven zult laten mijn vader en mijne moeder en mijne broeders en mijn zusters en al wie tot hen behoort; en gij onze personen zult redden

14 van den dood.quot; Nu zeiden de mannen tot haar; „Onze ziel zij in uw plaats ten doode, indien gij althans deze onze zaak niet mededeelt; dan zal het zijn : wanneer de Eeuwige ons het land geeft, dan zullen wij met u in genade en trouw handelen.quot;

15Nu liet zij ze af langs het touw door het venster; —■ want haar huis was in den diktewand van den stadsmuur en in den

16 muur woonde zij; — En zij zeide tot hen: „Naar het gebergto gaat, opdat de vervolgers u niet ontmoeten; en verbergt u daar een drietal dagen, tot den terugkeer der vervolgers, en daarna

17 kunt gij uws weegs gaan.quot; Nu zeiden de mannen tot haar: „Vrij zijn wij van dezen uwen eed, dien gij ons hebt doen

18 zweren. Zie, als wij in het land komen, zult gij het snoer, uit dezen karmozijndraad bestaande, binden aan het venster, waardoor gij ons hebt afgelaten; en uwen vader en uwe moeder en uwe broeders en het geheele huis uws vaders zult gij bij

19 u in het huis verzamelen. Dan zal het zijn: al wie gaat uit de deuren van uw huis naar buiten, de schuld voor diens bloed kome op zijn hoofd, maar wij zijn er vrij van; doch ieder, die zijn zal bij u in het huis, de schuld voor diens bloed kome

20 op ons hoofd, indien een hand aan hem wordt geslagen. En wanneer gij deze onze zaak zult mededeelen, dan zullen wij

21 vrij zijn van uwen eed, dien gij ons hebt doen zweren.quot; Hierop zeide zij : „Gelijk uwe woorden, zoo zij het!quot; en zij deed hen uitgeleide en zij gingen heen ; en zij bond het karmozijnsnoer

22 aan het venster. Zij gingen en kwamen naar het gebergte en bleven daar een drietal dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd waren; en de vervolgers hadden gezocht op den geheelen

23 weg, doch niet gevonden. Toen keerden de twee mannen terug en daalden uit het gebergte af en trokken over en kwamen

167

ocr page 339

-f? nbty nntaön top

pxn lib: DDHD^N* nbar^i rnxn-nx

I vv,tt jquot; : i t *) t J' •• t v ; -p r* lt;t ;it • : I vat t

t|iD-D: 'ö-nN njn» vyniï [2 : DD^SD 1

nstfn on^ Dnïao DDn^ïa DD^ÖÖ

: Dni« Dnpnnn quot;I^K fn^p1? jiTn IBW ♦3 D3k2aö nn iij; nü^KVi ^nn1? Da»! pKn^jn hyèD b^nbs; Kin a^ribx nin» non dddv nirra nn^i : nnno*

vat vv nr r t 'quot;. ^ ' jt ; it • ^ t - ; ^ - it •

: nox nis4 -b onnii npri n^ro^ on^-Da on^i ^-b3n«vMnN4quot;n^»nK_n«v)2N-nN,i ^«-n^ Dn^nnv

-quot;.• -: t v,quot;

i^a: D^J«n nb max4!: mao iawarnx on^ïm on1? ^

lt;•• : - • t -:it -r : squot; '•• it * vquot; ï * •* .-»••• : quot; * ? avt

nin»iin3n;ni nr i^nrm iTin «b DN4 nióbas^nn

X3 3

t t : av v,quot; t

bnnn annini : naxi non ir^i ps'n-nN i^ vo : ra^v nonm nóinn n^pa nn^ ^ ribnn nyz

VIT J- V.T I- T I- l-» : T •• » A - I- r,-:

DnamiD^irnn odd igt;gt;;a^_?3 13? nnnn Drt? nütfnva

•.•••:-: a- : i t v.v t ^ '• : ' ' •* quot; tjt r '•' tv lt; -

: Dam1? iDbn nns4i 21^ na^

IV ; ; -; ^ : iquot; «.--: *. : 1T quot;* '* * t v ^ ; t t

-it^K nn Tjn^siyp unis4 0^3 Q^ixn rvS* inpN»^ 'r^nuinnipn'nx px3 D^ND i2n:s4 nsn : ^

. t - ~l: • V | V AT T v.* T :j- )•• * it^: - ; •

-]ó«-nxi -]^K-nsi li iin-inin nf« jibna n;fpn nrn n;ni: nn^n^bs4 ^dn4 n^rba hs4i; ^n^-nxv^ D;p?i3n?«ii^quot;i3 ion nxinn Tjno ♦nbnQNV»-i^« ba : irn^nn -i^dn4 ion rvin \m bbi

i v : r ^t ' . *' : t • - - ) t * lt;V : r •• -; :

-i^s4 quot;rjn^n^p D'p: i^ni nr iinnT_nx ^^n-QNi 3 n^pniisbnDnWni s4in-f| Danana ba^ni : ^

b# lati'n nnnn ixnn iDbn : tibna nipn-nx =:

T :lt;••- TTT -quot;T- tlquot;- I I - I- V'T - J-): •

nmn-bDa D^nnn i^pnn D^nn 13^-1^ n^b^

) vvv- t ; •)* t it s I: - ;- a- ; 1 t v,t ^ quot; • t v ■• :

iNDninayn quot;inno mn D^:s4n iai?»i : IKÏÖ «bi»

T- ; *1-- t t iquot; j tlquot;- * t-jit lt;•• : \t- it t ^ :

ocr page 340

HAPHTAROTH.

tot Jehoshoea', den zoon van Noen, en verhaalden hem

24 al wat hen was overkomen. En zij zeiden tot Jehoshoea':

„____Want zeker heeft de Eeuwige in onze hand gegeven

het geheele land en ook smelten weg alle bewoners van het land met het oog op ons.quot;

HAPHTARA van KORACH.

I Sam. 11,14 en 15; 12,1—22.

14 Samuel sprak nu tot het volk : «Komt, laat ons gaan naar

15 Gilgal en laat ons daar het koningschap hernieuwen!quot; Nu ging het geheele volk naar Gilgal en stelden daar Shaoel tot koning aan vóór den Eeuwige te Gilgal, en slachtten daar vredeoffers vóór den Eeuwige ; en Shaoel en alle mannen van Israël verheugden zich daar ten zeerste.

1 Nu zeide Samuel tot geheel Israël: «Zie, ik heb geluisterd naar uwe stem, met betrekking tot al wat gij mij gezegd hebt;

2 en heb een koning over u aangesteld. En nu, zie, daar is de koning, zijn leven leidend aan uw hoofd, en ik, ik ben oud en grijs geworden, en mijne zonen, zie, zij zijn immers onder u ; en ik heb aan uw hoofd mijn leven geleid van mijn jeugd

3 af tot op dezen dag. Hier sta ik nu, legt getuigenis af tegen mij, tegenover den Eeuwige en tegenover Zijnen gezalfde! Wiens os heb ik genomen en wiens ezel heb ik genomen en wien heb ik wederrechtelijk iets onthouden, wien heb ik onderdrukt en uit wiens hand heb ik losgeld aangenomen, opdat ik mijne oogen aan hem zou onttrekken ? — dan zal ik het u

4 teruggeven!quot; Hierop zeiden zij : «Gij hebt ons niet te kort gedaan en ons niet onderdrukt; en gij hebt uit niemands hand

5 iets genomen !quot; Nu zeide hij tot hen : ,/Getuige is de Eeuwige tegen u en getuige Zijn gezalfde op dezen dag, dat gij niets bij mij hebt gevonden.quot; En men zeide: «Hij zij Getuige!quot; —

6 Toen zeide Samuel tot het volk : «De Eeuwige, die Mozes en Aharon heeft doen opstaan, en die uwe voorouders uit het land

7 Egypte heeft gevoerd, [zij getuige] ! En nu, plaatst u hier, ik wil met u in het gericht gaan vóór den Eeuwige; wegens al de weldaden des Eeuwigen, die Hij u gedaan heeft en uwen

8 voorvaderen. Toen Jakob naar Egypte was gekomen, schreiden uwe vaderen tot den Eeuwige en zond de Eeuwige Mozes en Aharon en zij voerden uwe vaderen uit Egypte en deden hen

9 zich vestigen op deze plaats. Doch zij vergaten den Eeuwige, hunnen God; en Hij leverde hen over in de macht van Siesera, den legeroverste van Chatsor, en in de macht der Philistijnen en in de macht van den koning van Moab, en

10 dezen bestreden hen. Toen zij nu schreiden tot den Eeuwige

numeri. 22

168

ocr page 341

^ rhv mt3ön nop

; oniK niKïarrbs nx -ba ubroii pxn-VrnK nin» jnpa

: irjfiö ris^n

lquot;t • i v v,t t Jquot; :

nip m^an

.3quot;3-'s 3quot;1 ,V'B ^T'i {{quot;I J0-gt;D N' \\10C3

DB' Wpri izb ö^n-^K 'bwm -iönv1

nx D^ D^H-^D : ns^an «

t • ; - - t : • - t t t : r— it : -

nin^ D'D1?^ DTOT Di^-insn Vi1?^ nin» VIN^

at :■•••; • ».• t : t : ot : ; • - t : • - t ; lt;•• ; ï ^

^KIOB' nöN»l ; IXp-I^ DB' nQ'^n *

^ DniüK-i^K bb1? DDVpn ^a^nsn

•s* vv : quot; ~: v -; j : v : I i ; • ; j- T ... „ T . , T

DD^Ö1? ^nnp i Tj^an-mn nri^i i oyty

^p^nnn'JNiDDnK Dan ^DI sF}ïé\

in^o n^i njn; -m q,n \::n : nrn Dvn-n^ n^aa ^ ♦Dquot;ns,,i ^nnpb nioni ♦nnpb ^ i ni^-'nN

• i; - t lt;* v : • : |-t f -•• s -:r^ • : i - t

D^NI 13 [yy D^xi IÖD ♦nnpb 'D-rw 'nivi ♦o-nx quot;Tü nnpy-K1?'! uniïn xbi unp^ K) npN»i : DD1? ^ in^ö 1%) DDD nin; 1% Dn^sï ipK'i : noiNp ^♦N quot; lö^*! : iv quot;iQK'i nüiNö n»2 onxïD nV »3 nfn divv

J •quot; quot; V t ^ t • •)••• t ; s -gt;' v - -j -

i^Nipn^-nxi n^DTK n^ nin» a^n-^K ^xiü^ n^N4quot;! invnn nn^i: Dnvp rixo DDTüx-nx nSrrv

JT .it . •).. t^. it. i v,'v •• ^ v •• i -; •,• ot^quot;!*.*

dddk n^'n^N niiT nipnvquot;1?? nx nin» ddmn DD^niaN ip^n Dnxp ap^. «ri^ND DD^niDK-nxv TK pHN-nxi n^Q-nK njn* nS^»! ningt;--SN nin^nx ina^i : ntn Dips? did^'i Dnvap Q^nbN -quot;TDi iiïn NDri^ knop n;3 onx nap»! Dnfl^K hin^K ip^n. : D| lonjn axia TjVp TDI D^VÖ1

ocr page 342

HAPHTAROTH.

en zeiden; »«Wij hebben gezondigd, doordien wij verlaten hebben den Eeuwige en gediend hebben de Ba'als en 'Ashtharoth; — welnu, red ons uit de macht onzer vijanden, — en wij willen U

11 dienen,quot;quot;— Toen zond de Eeuwige Jeroeba'al en Bedan en Jiphthach en Samuel; en Hij redde u uit de macht uwer vijanden

12 van rondom, zoodat gij veilig woondet. Toen gij echter zaagt, dat Nachash, de koning der zonen van 'Ammon, tegen u opkwam, zeidet gij tot mij : «Neen — maar een koning zal over ons heer-

13schen,quot; terwijl toch de Eeuwige, uw God, uw koning is! En nu, zie hier den koning, dien gij zoo gaarne wildet, dien gij gevraagd hebt; en zie, de Eeuwige heeft over u een koning aangesteld, —

14 Indien gij althans den Eeuwige vreest en Hem dient en naar Zijne stem luistert en niet weerstreeft het bevel des Eeuwigen en gij zoowel als de koning, die over u heerscht, zult blijven

15 volgen den Eeuwige, uwen God! Maar indien gij niet luistert naar de stem des Eeuwigen, maar het bevel des Eeuwigen weerstreeft, dan zal de hand des Eeuwigen zijn tegen u, als

16 tegen uwe vaderen. Ook nu nog — blijft staan en ziet deze

17 groóte zaak, die de Eeuwige doet vóór uwe oogen. Het is immers lieden tarweoogst! Ik zal nu den Eeuwige aanroepen, dat Hij donderslagen geve en regen ; weet en ziet dan, dat uwe slechtheid groot is, die gij gedaan hebt, in de oogen des

18 Eeuwigen, door u een koning te vragen.quot; Nu riep Samuel den Eeuwige aan en de Eeuwige gaf donderslagen en regen op dien dag; en het geheele volk vreesde zeer den Eeuwige

19en Samuel. En het geheele volk zeide tot Samuel; «Bid ten behoeve van uw dienaren tot den Eeuwige, uwen God, opdat wij niet sterven ; want wij hebben aan al onze zonden eene

20 slechtheid toegevoegd, door ons een koning te vragen.quot; Hierop zeidé Samuel tot het volk: «Vreest niet; gij hebt wel is waar al deze slechtheid gedaan, — doch wijkt slechts niet af van het volgen van den Eeuwige en dient den Eeuwige met ge-

21 heel uw hart. En wijkt niet af, — want volgen zoudt gij slechts het nietige, die niet nuttig kunnen zijn en niet redden

22 kunnen, omdat nietigheid zij zijn. Voorwaar, dan zal de Eeuwige Zijn volk niet in den steek laten, ter wille van Zijn grooten Naam, — daar de Eeuwige begonnen heeft u Zich tot volk te maken!quot;

169

ocr page 343

nip müfin taop

■mi D^|n-nN 13^31 nin^-nK »3 np^'i nin» rhw\: wn* nn^i. niin^n^

^!! ^KiQf-nxi nn^-nxi prnNi ^STTIN Tfe? ^n: '2 ixnri'i : ncpa 13^1 a^Dp hyyit ^ü*

N1? ^ mö^ni. DD^ «3 |isr-»:3 onins -rö Tj^an nan nn^i ■' dm^ü dd^k nin»V' iKTri-Qx : D3^: nin» |nj niini dhSn^

♦iSTiN nan NSI: i'jips Qnynpi IDK omn^ nin»-nK HP!™ DriNVori;.rn. nin»

♦a-nN onnoi nh; 'jipa Vo^rn kV-qki. : orriiW0 in^riri nn^-Qi : a^nhKni DDS nin»-T. nn^ni riinquot;» : ntry nh\ rrn' ^Viri n3^n-n«'1^

n^ai mypinn nin;-1?^ inpK Di»n b^n-i^p

rrirv yyi hnwv_: ib'n n|i D3n^T»3 m i^-ii 11201 hSp nin» |rn nin^-^K Nipn : ^Vp D3^ ^ .* ^Niajp-nNi nirrnx iHp D^n-^s xirin 01*3

D^rrVs

'pKf1? nin wnam-^-hv nm-bw

Dnx WTn-Vx o^n-bx bwtiamp; 10^1 : 2rgt;n3^i nin» nnxa TIN nxm n^in-^ nu

'■ • . ■quot;■■!'quot; quot; T quot; I quot; 1 - ~TTIT T Jquot;

namp;N innn \-inx 1 \2 mon a)] : dms^Vss ninrnx « hin; '3 : nan inn-'s iVv! ^1, »

D3nK nf^b n^n» ^Nin »3 ^nan la^ 113^3 lav-n»

•'• • - j quot;!•quot; T : •lt; at- -• : v ^iquot;

: D^ iS

ocr page 344

HAPHTAROTH.

HAPHTARA van CHOEKKATH.

Rechtcren 11,1—33.

1 En Jiphthach, de Gil'adiet, was een dapper held, — en hij was de zoon eener ontuchtige vrouw; en Gil'ad had Jiphthach

2 voortgebracht. Ook de wettige vrouw van Gil'ad baarde dezen zonen; toen nu de zonen der wettige vrouw groot geworden waren, hadden zij Jiphthach verdreven en tot hem gezegd; «Gij zult geen erfdeel hebben in het huis van onzen vader,

3 want de zoon eener andere vrouw zijt gij.quot; En Jiphthach was gevlucht voor zijne broeders en had zich gevestigd in het land Tob; en nu hadden zich bij Jiphthach verzameld nietswaardige

4 lieden en trokken met hem uit. Nu geschiedde het na verloop van tijd, dat de zonen van 'Amnion oorlog voerden met Israël.

5 En het was; toen de zonen van 'Amnion oorlog voerden niet Israël, gingen de oudsten van Gil'ad oin Jiphthach uit het land

6 Tob te halen. En zij zeiden tot Jiphthach : «Ga toch mede, dan zult gij ons tot aanvoerder zijn en willen wij de zonen

7 van 'Ammon bestrijden.quot; Hierop zeide Jiphthach tot de oudsten van Gil'ad: «Gij hebt mij immers juist met haat behandeld en mij uit mijn vaderlijk huis verdreven ? Waarom komt

8 gij dan nu tot mij, nu gij in het nauw zijt gebracht ?quot; De oudsten van Gil'ad zeiden nu tot Jiphthach: «Daarom juist komen wij nu weder tot u ; ga gij nu met ons, en bestrijd de zonen van 'Ammon, dan zult gij ons tot hoofd zijn over al de

J) bewoners van Gil'ad.quot; Hierop zeide Jiphthach tot de oudsten van Gil'ad : «Indien gij mij doet terugkeeren om de zonen van 'Ammon te bestrijden en de Eeuwige hen in mijne macht geeft,

10zal ik u tot hoofd zijn?quot; Toen zeiden de oudsten van Gil'ad tot Jiphthach : „De Eeuwige moge het zijn, die hoort tusschen ons — voorwaar, dat zoo, gelijk uw woord, wij zullen han-

11 delen!quot; Nu ging Jiphthach met de oudsten van Gil'ad en het volk stelde hem over zich tot hoofd en aanvoerder aan ; en Jiphthach verhaalde nog eens al zijne overeengekomen woorden

12 vóór den Eeuwige te Mitspa. Nu zond Jiphthach gezanten tot den koning der zonen van 'Ammon, met de opdracht „Wat hebben wij met elkander uitstaan, dat gij tot mij komt om

13 mijn land te beoorlogen ?quot; Hierop zeide de koning der zonen van 'Ammon tot de gezanten van Jiphthach: „Dat Israël niijii land heeft afgenomen, toen het uit Egypte was getrokken, van den Arnon tot den Jabbok, tot den Jordaan ; welnu geef ze

14 mij in vrede terug!quot; Nu zond Jiphthach nogmaals gezanten

15 tot den koning der zonen van 'Ammon. Eu liet hem zeggen : „Zoo zegt Jiphthach: „Niet genomen heeft Israël het land van Moab en het land van de zonen van 'Amnion.

16 Maar — toen zij uit Egypte waren opgetrokken en Israël door de woestijn ging tot de Schelfzee en gekomen was

170

ocr page 345

npn niüön

.yh—'* $ •lt; JO'D D'üflitra

miT n^K-|3 Nini 1133 n»n nnan« -♦ja 0^3 i1? -i^brn^x ibm : nns»-nK . =

• •'. :v J quot; T ^ , V,T: ' v 'quot; quot;squot;' 'T '■ ' '■' r

ir3x-n\33 7njn_N7 11? np^i nnfirrw i^nri n^wn y^\ vns ^jso nna' n^y\ ; nnx mnx n^-fs *3 j : ia^ D^n, D^:N nna^-bx 319 pxs

^ lanbn. D^»p w/

pNö nn^-iiK nnpb ^pT '13^1 fisjTVPquot;

^33 niDnbii pïpb lib nn^m ns1? nna^ noN'i ; 3112 ^

* v.T -:it • ; I ^A* I T : V.T T T ; T : T ; •; J ; 1 - |

vnix DriNJ'^ oriK xi^n Tfi: ^p6 nna» naxn : pa^ t igt;' ^K3 Dn^i ^IIQI psj n»3p ^iipnjni

Ï|^K ^3^ nn^ p1? nn^-^N4 ^pr npKn 33^quot; ♦3if' bb'p n^ni ji^ ^33 non^:'! npbni

vriK onx ^pr^nnfi» np^i

D3V n*n« '3iN vjö1? oniK nirv rnii ?ièv »333 bnbn1?

V.v t J'.' ;^V ^ IT rtT T : V.T OT ; 1 squot; T : I ^ j.. . - .. T . .

wnirs n^n» nin» nna^bx -ij^r^pT '

njhripTO nnö» -]%. : n'^p. js ^313 KV-dk^ ■nx nna» linn rïpbi ^n1? on^v mix Din ID^^I

V ST ; • •• ^-:- I rt-1 T: -• : ^v '•*■: ■) quot;rr • T-

quot;7N4 0*3x70 nns^ n^'i : nsvps nin» ^

anbnb nx3^3 -1^ ♦b-np ioNb riar^a 'nbo

^ t ^ . T JT. I . rJ /Ï quot;9 v9quot; 'quot;: ' *'r**

np^quot;*3 rw ^^pquot;7X pö^'^3 tpft quot;ipN'i : ♦ÏINS ^ -^ip3»n-n^i piiND Dnïöp ini^s ;vi«quot;nK Vsnty* nria* nj; t]Dip.: oi^s jnnx n3^n nri^i ^ quot;N^rw npx ri3 6 quot;ip^i : p^ ^3 -j^p-^x Dpx'pp ® ♦3 : pay ^3 pK-nw 3«io p«'riK np!?»

N3^ ^b-D^-ny 13-133 TjTI Dn^pp DHlV^S

ocr page 346

HAP H TAROT H.

17 in Kadesh, — Zond Israël gezanten tot den koning van Edom, zeggende: /;WLaat ik toch door mogen trekken door uw land,quot;quot; — doch de koning van Edom luisterde niet; en ook tot den koning van Moab zond het, doch ook hij was onwillig; — zoo bleef

18 Israël in Kadesh. En het ging de woestijn in en trok om het land van Edom en het land van Moab en kwam Oostelijk van de zijde van zonsopgang van het land Moab en zij legerden aan den oever van den Arnon ; maar zij kwamen niet binnen het gebied van Moab, want de Arnon vormt de grens van Moab.

19 Nu zond Israël gezanten tot Siechon, den koning van den Emoriet, den koning van Cheshbon, en quot;Israël zeide tot hem : „Laten wij mogen doortrekken door uw land tot de mij be-

20 stemde plaats. Doch Siechon vertrouwde Israël niet, om door zijn gebied te trekken; en Siechon verzamelde al zijn volk en

21 zij legerden te Jahtsa — en hij bestreed Israël. En de Eeuwige, de God van Israël, gaf Siechon en geheel zijn volk in de macht van Israël en zij versloegen hen ; en Israël nam in bezit

22 het geheele land van den Emoriet, die dat land bewoonde. Zi j namen namelijk in bezit het geheele gebied van den Emoriet, van den Arnon tot den Jabbok en van de woestijn tot den

23 Jordaan. Welnu, — de Eeuwige, de God van Israël, heeft den Emoriet verdreven voor zijn volk Israël, — en gij zoudt het

24 uit zijn bezit willen verdrijven ? Voorwaar, wat Kemosh, uw god, u doet ia bezit nemen, dat kunt gij in bezit houden; maar al wat de Eeuwige, onze God, ons in bezit heeft doen nemen,

25 dat houden wij in bezit. Welnu, — zijt gij waarlijk beter dan Balak, de zoon van Tsippor, de koning van Moab ? Heeft hij twistzaak gevoerd met Israël of een oorlog tegen hen gestreden ?

26 Terwijl Israël reeds woonde in Cheshbon en in hare dochtersteden, en in 'Aro'er en in hare dochtersteden en in al de steden, die aan de oevers van den Arnon liggen, gedurende driehonderd jaren — waarom hebt gij het dan niet «bevrijdquot;

27 in dien tijd? Ik nu heb tegen u niet gezondigd, maar gij handelt slecht met mij door mij te bestrijden ! Moge de Eeuwige, de Richtende, recht oefenen heden tusschen de kinderen Israels

28 en de zonen van 'Amnion !quot; Doch de koning der zonen van 'Ammon gaf geen gehoor aan de woorden van Jiphthach, die

29 hij hem door een gezantschap had laten zeggen. Nu rustte op Jiphthach de geest des Eeuwigen en hij trok door Gil'ad en Menasshé ; hij trok door Mitspé Gil'ad en van Miispé Gil'ad trok

30 hij over naar de zonen van'Ammon. Nu deed Jiphthach een gelofte voor den-Eeuwige en zeide: «Indien Gij geven zult de zonen

31 van 'Ammon in mijne macht, — Dan zal het zijn: Wat uitgaat, dat uit zal komen uit de deuren van mijn huis, mij tegemoet

171

ocr page 347

npn müön «pp

■iÓN1? DI-IK I D^D ngt;^ • HEhpquot;

2«ID D^ ainx Tjbo ym a)) w-nnaj^K 3pji lino? : t^npi 2^1 naw nW ^

^o^'nnrap K^I DNID pK-rw DITN pK-nK prx »3 2NID ixrxbi jinx p:m snid nüNn-^D fin^p-^K D^K1?» SK*I^ : ixiD Viaa»' : Nrmaj;; WI paVn ^o

■nK jin^p cjDNp. i'^aja -ia^ pn»p ppKn-tfS3

nin^ |nn : ^«nifro)? an^i nvn;a lan»quot;! lè^-Va^ oian VNTjy» Ta isp-Va-n^rrin'D-nx

, quot; ^ t • j i •) ~ t v : I s ■ ' v quot;ti' iquot; v:

; N^nn p^n apv ^oxn p^-ba n« Vt«i =3 '^] quot;ia-ian-[oi pa^n-ipi pjnKp noxn biar^a nx ♦JÖÖ noKn-nttVnin I nin» nn^i : |^»n »

B'ioa ^nv im nx : is^Tn nnxi 'lop ^ wrtaf nin| trnin i^K-^a nsji b^th inV quot;ii2V[a p^ao nri«3iu aiun nnpi : vy: ini« 13^30 ^ najfa : oa on1?: onbrax^x^^ap an aiquot;in ajjio ^Sü « bnvn-^aai n»hi:aai mp-iirai rrrmaai fia^na'

ti. t . t ,.'** * j : quot; : tv ; • 1 ; v : ' •• t; *

Dn'pv^ piiai niKü vhp pi-iK n;-^ IB^K njn nfety nnxi ^ 'riNun-N1? bixi : K^nn n^a» ^a pai ^ntfquot; ^a pa o^n bfitrn nirr üsk'» »3 Dnbn^ n^ quot;)^k nr\amp; narSs4 pap ya ^?a y6v ^v.-pap^ quot;nxi np^n-nx ■iap'i nin» nn nna^bp ♦nni : vVK 03

• : vtï ' .quot; v ^ quot;•' t :_ - -» ti* lt;• ; - it quot;

♦ja nar navaai nsva-n^ napn n^a''

-« . v. t t : j.. . . . t : • j- • • v ^1— av - :

^aquot;nN fnn pnrDN nin^ nna nna» iti : pap v 'n»a 'n'pia xr -IBW Kxi»n Tni : n;a pap^

ocr page 348

HAPHTAROTH.

l»ij mijn terugkeer in welstand van de zonen van 'Ammon, — dat zal den Eeuwige gewijd zijn, ik wil het als brandoffer

32 brengen.quot; Nu trok Jiphthaeh over naar de zonen van 'Am-inon om hen te bestrijden ; en de Eeuwige gaf ze in zijne

33 macht. En hij versloeg hen van 'Aro'er tot in de streek bij Minnieth, twintig steden, en tot Abél Keramiem, een zeer grootc nederlaag ; zoo werden de zonen van 'Ammon vernederd voor de kinderen Israels.

HAPHTARA van BALAK.

Mieclia 5,6—14; 6,1—8.

6 En worden zal het overblijvende van Jakob te midden van véle natiën gelijk de dauw van wege den Eeuwige, als regen-stroomen oj) gewassen; die niet hoopt op een man en niet

7 vertrouwend wacht op menschenzonen. En worden zal het overblijvende van Jakob onder de volkeren te midden van vele natiën als een leeuw onder de dieren van 't woud, gelijk een leeuwenwelp in kleinveekudden, — die, als hij er doorgaat,

Sneertrapt en verscheurt, zonder een redder. Hoog zal Uwe hand zijn tegen die ze benauwen en al Uwe vijanden zullen

9 uitgeroeid worden. En het zal zijn op dien dag, — is het gezegde des Eeuwigen, — dan zal Ik uwe paarden uitroeien

10 uit uw midden en zal te gronde doen gaan uwe wagens. En zal Ik verdelgen de steden van uw land en omverhalen al uwe

11 versterkingen. En zal Ik uitroeien toovermiddelen uit uwe

12 hand, en tijdenaanwijzers zullen er bij u niet meer zijn. En zal Ik uitroeien uwe gesneden beelden en uwe gedenksteenen uit uw midden en gij zult u niet meer neerwerpen voor het

13 werk uwer handen. Én Ik zal ontwortelen uwe gewijde plan-

1-1 tingen uit uw midden en zal uwe steden verwoesten. Dan zal

Ik in toorn en ziedende gramschap wraak oefenen op de volkeren, die dan nog niet geluisterd hebben. —

1 Hoort toch, wat de Eeuwige zegt: „Sta op, voer een twistgeding legen de bergen, opdat de heuvelen uwe stem vernemen.quot;

2 Hoort dan, bergen 1 het geding des Eeuwigen, en gij onwankelbaar vasten, gij grondslagen der aarde ! Want geding voert de Eeuwige met Zijn volk en met Israël gaat Hij een rechts-

3zaak aan.quot; „Mijn volk! Wat heb Ik u gedaan, en waarmede

4 heb Ik u vermoeid ? getuig tegen Mij ! Zeker, gevoerd heb Ik u uit Egypte en uit het huis der slaven u bevrijd, en zond als

5leiders vóór u uit een Mozes, Aharon en Mirjam! — Mijn volk! herinner u toch, welk plan Balak, koning van Moab, smeedde en wat hem antwoordde Bil'am, zoon van Be'or — van Shittiem af tot Gilgal toe — om te komen tot erkennen van

G de liefdeblijken des Eeuwigen!quot; — „Waarmede zal den Eeuwige ik treden tegemoet, zal buigen ik mij voor den God in den hooge? Zal Hem tegemoet ik treden met brandoffers.

172

ocr page 349

npn niüan

: nVy irvn^m nin^ n^ni ^ao Dibt^a

it ^* • ^:!- ; ti- t t; 1 rt -•quot; ; * t : y :

: its nirv d:n»i D3 onbn^ |ia# nna» n*b~a Wnjn yj; on'^^ n^o D5?i ^

: ♦ja »330 rio^ ':3 VJS'I quot;iilt;D nbna nso

i** t ; * jquot; : ^quot; : • i •j•,: ^ :it*quot; a ; jt : ^t -

pba nntaan

•'n—'s '1-'1 'H JO'D na'oa

nin» nxD d^i. anpa ap^». nnxtp i n^nv n

bn» NVI -itste 3'^:^

D'li bnp3D;i53 n^ni : D^K yih'

onu naroN4 t^rm^a i^D3 monaa nnto

t: ■)-'t sv -; i a •• ;^.* : r : * -j quot;:•quot; : ;

: mna» ^IT D'in : Vvo eintain

i*quot; t | i^v : i t ; | avt ^ ^l ;it lt; j t ^ r - i r* : kquot; r ;

♦rinnxni ^quot;ipp ^DID ^rnprn nin^ox: «mn-Dio n^n'iQ

: ♦npnni ^gt;quot;1^ WPPI

♦mam : ■nV-vn» hto ♦msm *

s- - : • : I it : r j r : 1 : mvt- lt;• r : 21

: Tiwyxh ny mnn^n-Kbi ^3ipa n^ninïoi n^oa

I ivt jquot; ^ti' : ~ j'.'-: 1- ; • 1 : |av :|- • | v,quot; •quot; quot; I •»•* * :

^3-ipp wrui ^

nN «ywöE' : wm N1? IITN D'ian-nN op: nara^ 1

j- t ; * * iquot; t j \.v -: a* - v Ktt -rr •• :

ni^23n D^nrrnK nn nip quot;ip« nin'-i^N

♦3 pK npiD D^nKni Hn' 3,TnN bnn lynp : ^Sip = 'öjr : nsin» ia^quot;D^ nin^ 3nj

on.vp p.siü *3 : »3 najr nai ■gt;

: onoi nnK nt^DTiN ^naquot;? nb^Ni n^nna onsy n^öi

it : * I ^-; i- v I v t : -»- vit I a* •; ^V'T -: *

Dj^3 inK n^-nDi 3^10 ^0 p^s Nrisr

: nirv nipn.v j^o1? 1^ bwn-p -il^3-|3 niSi^3 ispnpNn ono TiVtf? «]3K nin; onpK nss1

ocr page 350

H A P H T A R O T H.

7 met kalvren nog onder het jaar ? Heeft behagen de Eeuwige in duizenden rammen, in myriadental van olLestroomen ? Zal ik mijn eerstgeboor'ne geven voor mijn misdaad, de vrucht van

8 mijnen schoot voor zonde mijner ziel?quot; — Hij heeft u meegedeeld, o mensch! wat waarlijk goed is, en wat de Eeuwige vordert uwerzijds, — slechts doen van recht en minnen van genade en stilverborgen levenswandel leiden met uw God !quot;

HAPHTARA van P1ENECHAS.

I Kon. 18,40; 19,1—21.

(Is het na 17 Thammoez, dan wordt de Ilaphtara der volgende afdeeling gelezen).

4(gt; En de hand Gods was op Elijahoe, toen omgordde hij zijne lendenen en liep vóór Achab uit, tot men haast komen zou in Jizre'eel.

1 Nu deelde Achab lezébel mede al wat Elijahoe gedaan had; hoe hij namelijk al de profeten gedood had met het zwaard.

2 Toen zond lezébel een bode tot, Elijahoe met de opdracht: «Zoo mogen de goden doen en bijvoegen te doen, dat ik morgen om dezen tijd uw leven zal doen worden als het leven

3 van een van hen !quot; Toen hij het inzag, stond hij op en ging heen om zijn leven te redden; hij kwam te Heer Shéba', dat tot Juda behoort, en liet zijn jeugdigen bediende daar achter.

4 Doch hijzelve ging door de woestijn één dagreis; en kwam en zette zich neder onder een zekeren bremstruik ; en wenschte zijn ziel te sterven en zeide : //Het is genoeg nu, o Eeuwige ! neem mijn ziel, want niet beter ben ik dan mijne vaderen !quot;

5 Hij legde zich neder en sliep onder een zekeren bremstruik, en zie, daar was een engel, die hem aanraakte, en hij zeide tot

(i hem ; «Sta op, eet!quot; Hij keek op, en zie, aan zijn hoofdeinde een op kolen gebakken koek en een flesch water; nu at hij

7 en dronk en legde zich opnieuw neder. En ten tweeden male kwam de engel des Eeuwigen terug en raakte hem aan en zeide: «Sta op, eet! want te groot is voor u anders de weg!quot;

S Nu stond hij op en at en dronk en ging, gesterkt door dit eten, veertig dagen en veertig nachten tot den berg Gods

f) Choreb. Hij ging daar de spelonk binnen en bracht daar den nacht door ; en zie, het woord des Eeuwigen kwam tot hem

10en zeide tot hem: «Wat zoekt gij toch hier, Elijahoe?quot; Hij zeide: //Geijverd heb ik voor den Eeuwige, den God der heirscharen, want verlaten hebben Uw verbond de kinderen Israels; Uwe altaren hebben omver zij gehaald en Uwe profeten gedood met het zwaard; en ik bleef over gansch alleen, en zij zochten mijn ziel om ook haar te nemen !quot;

11 Nu zeide Hij : //Ga naar buiten en ga staan op den berg vóór

173

ocr page 351

niDsna nin* : n:^ D^Jira»

v. ; r ; * •• -•••;-: t ; lt;v ;•-; it t jquot; : ^ t^:i-

: ^33 nxtsn na niD3 rnxn rotr^m n

j' • r : - j- - v.* : * J' : * : I lt;•• v i- I v at •• -:i-

□ÖI^Q ni'^-DK ^2 ,naD2'-ii-i nirpTiBi ai'ia-nü DIK ^

t : « -: 1 •quot; i : * jquot; t : t a - v.tt .)| :

: Tv?^quot;0^ ri^ VP™. rarwi. onra nntoan

.squot;3_'is- ^quot;in'quot;' JO^D 'X aoSoa

•(DIDO 'El I.T'DT' nan DnraS r^» ns^a Tquot;* msS ps)

D«nN ^sb V^'i v:na oaiyn tp^n-Vn nn^n nin» ti 1»

t : - -.••;• i tt-^ at : ^t vquot; quot; : ~ t • ■quot;• v t:it t : -•-;

■ityN-ba ns* bnT'N? axriN : nVxyn?» riDKS'iy «

r- -: t •)•• vv • ; t : - lt;••-- t tv ::• ^.t -: i ^

: anna D^^an-^-nK :nn dni in^N n'trv

, ••'t ■■ i -:- t ■•■ •rt •'■■• quot; .t vquot;:, at- iquot; ^t'T

D'Tpii |V^';nquot;3 quot;iON? T]N^Ö ^nrss nSt^riv

: DTO ma wsni nt^örnK amp;m SnD nv^-^ niov n'Di

•quot; *• J~ ~ vv,»* s I ; : - v •*■ r r t i* I • i -• ;

naquot;! min^ quot;iirx yyamp; quot;iK3 ayi i^arbx TM bp'i NTV

j---,. ar ,. •* -w ^ jquot; 1 tquot; : quot; v i-.-.- itt-

nan ay) DV -niT -12102 -ibn-Nim : DI^ n^rnN ■gt;

•-•*•- t- i ■-•-■•.■ ■,t : quot; i'quot; t 1 = # it i*:i-

nn^ 2ij idn'i nib? i^-nx nnx oni nnn te'quot;! 22ty'T : 'nbND »23« 2,iü-N^ »2 np nin^

i - •- - : •- it -: i- v.- j .)• • : - i-»- t :

:y)2KDp ^ 12 piiNbü nrnsm nnx Dnh nnn

I, v; I j v •* Jquot; -*•• It:- lt;v •• • : at v v j -

ni^h Dp nnsïi D^VI niv vntyNia nam ^

• • . j -• : r t : t*'quot; q ')Tq quot;' r : squot; • :

laxp, i2_ya'i i nin* ^70 2^1 : 23^11 2^v TjSi ^2N^ Dj^n : TjTri ?|pp 21 ^2 bba Dipn in -ip n^1? 0721x1 bi' D721N N^nn nV2«n 1 n22

j' •)quot; t;- ^ t : - : r»'t : - • - -«t • -;it - -• ;

quot;*121 nsni D^ fbi nijran-Vs D^-N2i ; 2in D^nbxn lt;= MN3p N3p io^'i : 12 ib'HQ 6 1DN1 v^x rnrv1

quot;»• 1- v - ^ it * iquot; v J} : - v -•- t •• t :

quot;ilN ^NI'Equot; '32 in,12 12Ty2 n1«2ï Tl^N I nlH^

. v ^ •• t :•-»•• ; I : r : lt; iTt * t : -•••_ v; jt i-

*12*? '3« iniKI 2112 1311 TN^MM IDII 1Mn2TQ

* - *• * -j lt;•• t - it vat v j :it i • : v ; tt | -••.• : : •

•32S quot;112 niü^i nï ionï : nnnpS ^23tik 1^121 ^

— ; • T T JT . _^t; j.. ... - |T . j - . v.* ; - V j I: - ; -

ocr page 352

HAPHTAROTH.

den Eeuwige! — Eu zie, de Eeuwige, voorbijtrekkende!quot; — en een groote en sterke wind, losrukkend bergen en verbrijzelend rotsen vóór den Eeuwige uit, — niet in den wind de Eeuwige! En na den wind aardsehudden, — niet in het aardsehudden de

12 Eeuwige ! En na het aardsehudden vuur, — niet in het vuur de

13 Eeuwige, en na het vuur het geluid van diep stilzwijgen ^). En het was, toen Elijahoe dit hoorde, verhulde hij zijn gelaat met zijn bovenmantel en ging naar buiten en plaatste zich aan den ingang der spelonk; en zie — tot hem kwam een stem, die

14 zeide: „Wat zoekt gij toch hier, Elijahoe ?quot; Nu zeide hij ; «Geijverd heb ik voor den Eeuwige, den God der heirscharen, want verlaten hebben Uw verbond de kinderen Israels; Uwe altaren hebben omver zij gehaald en Uwe profeten gedood met het zwaard; en ik alleen ben nog in leven, en men zocht

15 mijne ziel haar te nemen!quot; Toen zeide de Eeuwige tot hem: «Ga heen, keer op uw weg terug naar de woestijn bij Damascus; en als gij daar gekomen zult zijn, zult gij Chazzaël zalven

IGtot koning over Aram. En Jéhoe, den zoon van Nimshie, zult gij zalven tot koning over Israël; en Eliesha', den zoon van Shafat, uit Abél Mechola, zult gij zalven tot profeet in uw

17 plaats. Nu zal het zijn; Wie ontkomt aan het zwaard van Chazzaël, dien zal Jéhoe dooden; en wie ontkomt aau het

18 zwaard van Jéhoe, zal Eliesha' dooden. Zoo zal Ik doen overblijven onder Israël zeven duizendtallen, alle knieën namelijk, die niet geknield hebben voor den Ba'al, en eiken mond, die

19 hem niet heeft gekust.quot; Nu ging hij van daar heen en (rof Eliesha', den zoon van Shafat, en hij was bezig te ploegen, met twaalf span runderen vóór zich, en hij was bij het twaalfde; — nu ging Elijahoe voorbij, naar hem toe en wierp

20 zijn mantel hem toe. Nu verliet hij de runderen en liep Elijahoe snel na en zeide: «Laat ik toch mogen kussen mijn vader en mijn moeder en dan u mogen volgen !quot; En hij zeide tot hem : „Ga, keer terug, want wat heb ik u dan gedaan ?quot;

21 Hij keerde terug van hem te volgen, en nam een span runderen en slachtte het en met het tuig der runderen kookte hij hem het vleesch en gaf het het volk en zij aten; nu stond hij op, volgde Elijahoe en werd zijn dienaar. —

HAPHTARAvanMATTOTH,aalleen deze.afdeelingivordtgelezen.

(Op Jen Niemcemaansdag wordt ie Amsterdam de voor dien day (/ebruikelijke Ilaphtara qelezen.)

Jer. 1,1—19; 2,1-3.

174

1 Woorden van Jirmejahoe, den zoon van Chilkijahoe, van de priesters, die in 'Anathoth woonden, in het land Benjamin; —

') Zoo Rashie; anderen: van zacht gelluister.

ocr page 353

Dnya müön -13^01 Dnn'p-iö^ pfm nm nin* nm nin»

lt;•• - ; . ^'T •• T ; I T T ; t : - J : ^ jt ; s**'*^; t ;

a*-) wyi ni—in nnNi mrv b^D

j - - t «- - ; at ; - ^ i T ^ I T ; ■quot;• ; • * T ;

trxn inw nin* ir^a I^K pjnn quot;in^i : nin* ^

•• T -•- - ; at ; v,quot; T j •• - - T ; IT : - *.quot;T

in*n«3 v:a Ü^I in'^s4 i : npn ns^n ^ip ^

: - - : T T v«T- _ * Iquot; ~ - I IT- jt T ; K

nV-no quot;iön'i ^ip v^k nam myan nna lo^'i

J : v t •• lt;•• : /T t q v. -:i

-♦2 niN2ï ^n^N41 nin'? Tgt;s»p xap -iok'i : in^K na ^

t : •quot;• •:: jT i- * quot;'* . 'quot; v ,T' 'quot; ^

^■grnNi lonn ^nn^ra-nK ^nnn IDTJ;

: nnnpb ^arnx ippm nnb ini^i anna mn

it : I - : v.- : - v j I; - ;- • - : • -: «•• t • it ^ vat v :it

nsin p'^an mma ?i3quot;nb aw ^ vSk nin* noN!,,i»

t t I v at - ^t-»- ; • v,l : : J Hquot; t •• t : v «-

^orp Nin* hxi : rhrz^ bsvn-ns4 nntJ'DV0

• ; • I v j •• •• : it-: Iv^v ; ■)•• t-: v st : quot; it

n^ina ba^-?3 nboV n^Dn

t ; j- t iquot; t t I v ^ lt;t • v: v ; aquot; t : * - | v^v : j- ; •

Vs'in mna übosn n^m : Ti^nnn ntranquot;

j. T V..T-; ..vv •• •)t ; * — tt ; I iv ; - v.* t ; j- ; •

bNn^»3 WKBTTI : n,Q, xm» nnna uboam snn* ^

v.quot; t : • : r : ~ : it • v: j- t (. •• vjv •• ot ; • - : aquot;

nsn-^i D^inan-ba D^VN4

v - t : :it «•••-: .... - T a- t -; J- : •

ba^ra WANTIN N'ioquot;! : i1? p^rxb itrs4 ^

T T I V lt; T * •.•; V T ; • -^ T ) V-quot;— I ) V,- T I jquot; -:

T^vn 0*3^3 Nim via1? onoy «m

at t iv Jquot; • • ^ : T T : • T : lt;t •gt; iquot; :^ ^ ** •• :

quot;ipan-nK 3t^i : vbx imns4 rhm v^n4 irrbs4 13^13

Itt - v ^ -«-ri— ^it •• v. ; - - I jquot; : -- t •• t • iquot; ^ quot;:Vquot;quot;

hd^ni 'dnSi K-rnpEW lax'i irrbs4 nns4 ri'i

: !•• ; • • ; ■*■ T : T I T ▼: v v - T* iquot; Jquot;-:!- I tt-

v-ins4D zwh : quot;n^-no '3 31^ -6 i1? quot;ids4'quot;! nnns4«

T-:I- •• TT'^ 'IT * v ,v ^ '■quot;* v quot; ' AV~:

T^an dV^3 1-ip3n ,L)33i ,)nn3r,'i quot;ip3n lorns4 npn

T T - JT : • Itt - lt;• : * •• T ;•- IjTT- vsv V I-*—

: in^N4 nns4 op'i ,)173n4!,,i a^b rnn

iquot; -;it:i- v.t • iquot; jquot; -; 1- ) v.)*— Itt- a- - vTT

-n233 rviüo maan

.'J pws '3—'}C JO-D n'OTS

nquot;-i sin os -ttSs iJTDO 'li yjfcli? pup ts i^DQI riVOG J'iainu dni)

•(\s'D3 a^cn r-i'OE» ^

'/quot;1X3 nin^3 n^s4 b^ri3n-p in'pbn-p n3ix

I v^v ; r -:i- jv -: • -; 1 - 1 • at! • : • I v ^t : ; * jquot;: '

ocr page 354

HAPHTAROTH.

2 Tot wien het woord des Eeuwigen zich richtte in de dagen van Joshijahoe, den zoon van Amon, koning van Juda, -— in

3 het dertiende jaar van diens regeering; En het was [tot hem gericht] in de dagen van Jehojakiem, den zoon van Joshijahoe, koning van Juda, totdat geëindigd waren elf regeeringsjaren van Tsidkijahoe, den zoon van Joshijahoe, den koning van Juda, — totdat Jerusalem in ballingschap ging in de vijfde

4 maand. — Het woord des Eeuwigen was tot mij, als volgt:

5 «Vóórdat Ik u in den moederschoot had gevormd, kende Ik ii; en vóórdat gij uit de baarmoeder te voorschijn kwaamt, had Ik u gewijd ; tot profeet voor de volkeren heb Ik n aan-

Ggesteld!quot; — Toen zeide ik: «Ach, mijn Heer, Eeuwige God! zie, ik kan immers niet spreken ; want te jong ben ik nog!quot;

7 Hierop zeide de Eeuwige tot mij: «Zeg niet: «ik ben te jongquot;; maar naar al, waartoe Ik u zenden zal, zult gij gaan en al, wat

8 Ik u zal gebieden, zult gij spreken! Vrees niet voor hen; want met u ben Ik om u te redden, is het gezegde des Eeu-

9 wigen!quot; Toen strekte de Eeuwige Zijne hand uit en deed die op mijn mond aanraken, en de Eeuwige zeide tot mij : «Zie, hiermede heb Ik Mijne woorden in uwen mond gelegd !

10 Zie, Ik heb u op dezen dag aangesteld over de volkeren en over de koningrijken om neer te werpen en omver te halen, om te vernietigen en te verbrijzelen, om te bouwen en te

11 planten !quot; Nu was het woord des Eeuwigen tot mij, als volgt: «Wat ziet gij, Jirmejahoe?quot; En ik zeide: «Een stok van aman-

12 delhout zie ik !quot; Toen zeide de Eeuwige tot mij: «Gij hebt goed gezien ; want haastig, als amandelbloei, ben Ik met be-

13 trekking tot Mijn woord, om het te verwezenlijken!quot; En het woord des Eeuwigen was tot mij ten tweedenmale, als volgt: «Wat ziet gij ?quot; En ik zeide: «Een aangeblazen pot zie ik,

. 14 wiens voorzijde 1) is uit de richting naar het noorden !quot; Toen zeide de Eeuwige tot mij : «Van het noorden zal de reeks van

15 onheilen geopend worden over al de bewoners des lands ! Want zie. Ik roep alle familiën der noordwaarts gelegen koningrijken, — is het gezegde des Eeuwigen — en zij zullen komen en plaatsen ieder zijn zetel aan den ingang van Jerusalem's poorten en op al hare muren ; en zoo over al de steden van

16 Juda. Dan zal Ik Mijne strafvonnissen over hen uitspreken wegens al hun slechtheid, — dat zij Mij verlaten hebben en rook deden opgaan voor andere goden en zich nederwierpen

17 voor de werken hunner handen! Gij echter, gij zult uwe lendenen omgorden en zult opstaan en tot hen spreken al, wat Ik ii gebieden zal; wees niet verschrikt voor hen, op-

18 dat Ik ii niet vóór hun aangezicht doe schrikken! En Ik, zie. Ik heb u heden gemaakt tot een versterkte stad en tot een ijzeren zuil en (ot koperen muren over het geheele land.

175

ocr page 355

niüö mraan nyp

quot;p quot;wz v'jnj n^n iamp;h : =

y' jt i -)•• • t •• t : - : lt;tt v -; I rr : •

^'3 : •b^'? njir n-nn» tiVd tidn j

*• .' * i : t : ^ v.t t jquot;: : '• i •*-»••• i ^ t

on-^ nnin' T^Q i^ina ni^r-iy n-nn* rtVo

^ - \~ t^ 1 *• -'^: ^1quot; : »'••-'•• lt;t' i i ••• jt\- : • :

?ü33 ïimïs4 DIL:3 : -iDN1? quot;ba nin^m-i ♦nn : ^'Dnn •gt;

i v v - -c» ; t v vv ; i .. j- .. : ' : j :- i -;i- n

: ^nn: dm^ Np: ornp xi*n a-iLpquot;)

: bis4 quot;i^r'3 quot;i3~i nsn nh* ♦J'-IX hn^ -iqki ^

^ -it ^v- • a - - quot;p hquot; t i -»•• • • v; •jt quot;*: t -: - it

'3 '3^ ipi noKn^N nin» -ic^i *

|-:ir : ••• lt;v -: t quot; • «s t - •• t ; v lt;-

-»3 d:t:3d xiTi-bK : quot;i3in ^iVN4 nNi iigt;r\quot;

i* av •• : • v,t ' ^ quot; iquot; - : v.1:- -: -: t j- ; ) •• ••

^ iT'nK nin' : nin^Dxa ^ïnquot;? ^

i Tmpsn nxn : n,33 n3i ^n: nsn 'Sk nin* '

) j. :)- ; • •• : i • : v.-t : • j-t o*^• - •• t ; v lt;-

npKn^i fin;^ EMn:1? ni^psn-tyi D^i-iri-^mn ovn -no quot;iós*1? nin,quot;i3quot;i nto onn1?! ^

it .. j- .. t ; ; v. : • a-;i- :

nin* lOKn : nsn quot;ipt^ noxi ns4n nnx ='

^•)t : v s- iv j -: K-r irquot; - it lt;%t : :• jt -

♦nn ; in'^V n3T^ np'^-^ niNn1? mtrn ^

•;- i v*t ; - •)* -: Ijquot; r a^:' t ; •*- •• ^quot; ••

n^o quot;IÓNI nxn nnx no quot;idn1? i nin,-i3^

lt;• - it rtv v.t - jt •• j •• - •• «t : - :

?13ÏO nin» quot;ION^I : n:i3ï ♦J-SÖ vaai nsn nis: ^

i t • at quot; ^t : j ~ t i t jquot; : v,t t v j -: - t

-VS4? snp i '3 : rnxn ^^3 ^ njbnn nnan10

t : ••|, qJ :' j „ ' vitt : 1 t t t,t ■*quot; t

IND3 vn:) iN3i nin'-DNJ miöï ni3700 ninsB'D

: ■ • :it : ^ t ^ at : •.. : t !, t j : : - ■)■.:■

nv-^3 3*33 rrnbirr^ ny^ i nna

jquot;*r t ; • t t v i t : •- t i: j-*;,- -jv

^IDTV I^K Dn^Tt?3 ^ oniK 'ca^a : min» «=

t -: •jquot; quot;! at t it t v.quot; t -ti* lt;*;-•; it :

hnxi : onn» nnnty'i onnx d^NV napnquot;

t - ; iv ••: jquot; : i~ : v-:i- : •- • ..^-: j. ,.. :|-:i-

•niïx '3iN quot;i^N_l73 nx DH^N4 m3quot;n nopi n^inü irxn

|av- -: V,- it r.- -; t )•• v •• -; -t : - • ; t : i-: | v t -•:•.•

?|»nn2 njn 'Ski : ^nnx-p ori'jsp nnn-Vs4quot;'

pxn-^r^ n^n: nia'n^ bns msj^n quot;iï3p yyb Di»n

') Rashie; woseni, damp.

ocr page 356

HAPHTAROTH.

voor de koningen van Juda en zijne vorsten, voor zijne priesters

19 en voor het volk des lands. Wanneer zij dan ook tegen u zullen strijden, zulleli zij niets tegen u vermogen, want met u ben Ik, — is het gezegde des Eeuwigen — om u te redden!quot;

2 1 En het woord des Eeuwigen was tot mij, als volgt: „Gaen roep ten aanhoore van Jerusalem, als volgt: „Zoo zegt de Eeuwige: Ik gedenk u de aanhankelijkheid uit uwe jeugd, de liefde uwer bruidsdagen, dat gij. Mij volgend, gegaan zijt in

3 de woestijn, in een land, nog nimmer bezaaid! Heiligdom is Israël den Eeuwige, de eersteling van Zijne voortbrengselen ! Allen, die het eten willen, maken zich schuldig, — onheil zal komen over hen 1 — is het gezegde des Eeuwigen.quot;

HAPHTARA van MAS'é,

naar Amsterdamsch gébruik ook indien Mattoth dienzelfden dag gelezen is.

(Op den Nieuwemaansdag wordt te Amsterdam de voor dien dag gebruikelijke Ilaphtara gelezen.)

Jeremia 2,4—28; 3,4; en naar Portugeeschen ritus nog 4,1 en 2.

4 Hoort het woord des Eeuwigen, gij huis van Jakob, en alle

5 geslachten van het huis van Israël! Zoo zegt de Eeuwige: „Wat voor onrecht hebben uwe voorvaderen aan Mij gevonden, dat zij zich van Mij verwijderd hebben en volgden het nietige,-

6 zoodat zij zelve nietig werden? En zij zeiden niet: „Waar is de Eeuwige, die ons heeft opgevoerd uit het land Egypte; die ons gevoerd heeft in de woestijn, in een land van vlakte en kuilen, in een land van dorheid en doodsschaduw, in een land, waar geen man ooit doorgetrokken was en waar geen mensch

7 ooit had gewoond.quot; En Ik bracht u immers naar een vruchtbaar land om te eten zijn vrucht en zijn goeds; en gij kwaamt erin, maar verontreinigdet Mijn land en Mijn erfdeel deedt gij

8 worden tot gruwel! De priesters zeiden niet: ;/Waar is de Eeuwige ?quot; en die de leer moesten handhaven, kennen Mij niet en de herders zijn Mij ontrouw en de profeten profeteeren in naam van den Ba'al en die geen nut kunnen stichten,

9 volgen zij. Daarom — voortdurend zal Ik geding voeren met u, — is het gezegde des Eeuwigen, — en met de kinderen uwer

10kinderen zal ik rechtszaak voeren! Want trekt over naar de eilanden der Kitthieten en ziet, — en naar Kédar zendt en brengt het u goed tot erkenning en ziet, — is wel ooit iets dergelijks

11 geschied ? Heeft ooit een volk zijn goden verruild — en deze zijn immers niet-goden — en Mijn volk heeft wat Zijn heerlijkheid

12 is, verruild voor wat geen nut kan doen ! Ontstelt, gij hemelen ! over iets dergelijks en raakt in storm en als verwoest ten

13 zeerste,quot; is het gezegde des Eeuwigen. — Want twee slechtheden heeft Mijn volk gedaan : Mij hebben zij verlaten, de Bron van levend water, om zich te graven putten, gebarsten putten, die

14 geen water houden ! Is Israël soms een slaaf, is hij 'n in huis

NUMERI. 23

176

ocr page 357

niLJö rrraan iDnbji : rnxn nni^V rnirr ♦DbaV ^

I {quot; •• j : | vit T j~ : t -J I ; T VT : . T

-IDT ^nn_ : ^iVvn1? nirrDNU nn«-'3 quot;nS *

'• • J L ir - VT 'q ''q' 0 ' Ljl ' * • L l* • :

ns idk1? n^npi -nSn : ids4'? mrr =

lt; •• •- T : ••: T : tIT: | T I .. j- .. V^T :

•qns1? nnnx ■nnijn ion Vi1? ♦maT Dh* 10«

!lt;•• ; v | at 1 vquot;] • ' ^ : vjv |t • ;lt;-t t ; ^ -•- t

nh'1? bNnir» tfip in^nTK1? pxa na-iaa nns^

v* quot; Tl- quot;t;* v|c tt : j \ •.•»,•.• ; T : --II-

: nin^DKi DH^K xnn V^DN4-^ nns'ian

it : ••. : {quot; •• -: j t .JT T T : v -»T : I T A T 1 ;

7DO maan

.'2-'s '1 /n 'J ,nquot;3—'1 '3 JQID H'DTS

: n^a nins^^ai 3p^ n»3 nin»-on

Iquot; T : • V. ; : * t^; Ia^-:I- -••• ^T : - : *0 : •

ipm »3 Vii? *3 D3»nh« m'a-no nin» nox 1 rta

K -: IT r '-' t • j\' •• 1 quot;s : it - T ; •*- T j

nh» n»K nas4 : iban^ bnnn nnx ^Ü1

t ^ : J- - : it ^ ^ it :v- v v.v - jquot;-: iquot; 0 ;iquot;- at t iquot;

p,N3 naisa unx -j^Sisn nnyp pKO i:n« n^an ra quot;id^'nV pK2 niD^i'i n4ï px2 nnitri nniy

t - *t I v v : vt : - : -quot;t • | vv ; t ; «t t^:

VDNV bÓquot;l3n DDHN N4,3S41 : D»1 Dn«

-1 v;iv v ; - - I vj.' v v : v lt;• t it ^ ^ it ^t t j- t i :

anü'tr ^n^nji 'ïiN-nx iN3ni nniui ma

j:w. - r T■ ::- ••• , J : quot; : ■ ,T f quot; : ^ = •

N7 niinn ^ani nin* n^s4 moK N? D^ran : nnvin1?n

-1 T - lt;•• : I ; t : - : it lt; * -: 1 - IT'** I :

quot;K1? nnxi ^33 is43: b,x33m »3 lystfa D^hni ♦JWT

• j**-: i- : j ; • • • : - ; A- : -T IT : • T:

^3-nNT nin^DS4: DDPX 3nsj ^ ri1? : gt;=

; v ; at : \ : vquot;. ï * ^ -»• t I ** t it t

•mianrn in1?^ -npi ^s4 ^3^ *3 : 3nN4 03^3'

v. : 1 : * ; j : / otI**: ; ...lt;... ; ,-T vv .. .

n1? nam »ia T-a^nn ; nNT3 nn^n rn ixn

j tv,quot; : * v; j- *• 1- it ^t : it I jquot; ; a :

nNTquot;1?^ DVJB' NIVS ni33 quot;ran D^'^N4 ^

a quot; ' v~ T J * J • v • -gt;*** •)* -: A-

♦ay n'^y ni^i : nin^DN4: n^a i3in nrtyi ^

^ A- quot; •'t t \. T ^ • r '. 1* IT : *.. : ^ ; ■' : Tr ■gt; :^~ :

nhK3 ninKa on1? rinb amp;;n qsd i mpa ary^ns4

v t^ f : ' ' ~ ■■Jquot; I -* : :*it

ivzrb'-DH bitnv* n3irn : D*an ibyab im ^

r : * •• t: * v ^v - -it- v.*t i /•••-: t : •

ocr page 358

HAPHTAROTH.

15geboren slavenkind? Waarom werd hij tot buit? Tegen hem brullen leeuwenwelpen, verheffend hun stem; en zij deden worden zijn land tot eenzame woestenij, zijn steden zijn ver-

16 brand en zonder één bewoner! Ook de zonen van Noph en

17 Thachpanches verbrijz'len u den schedel! Voorwaar, dit zal het u doen : dat gij verlaten hebt den Eeuwige, uwen God,

18 in den tijd, dat Hij u wilde voeren op den weg! En nu, wat hebt gij te doen op den weg naar Egypte; misschien te drinken Shiechor-water ? en wat te doen op den weg naar Asshoer?

19 misschien te drinken water van deu Euphraat? Uw eigen slechtheid zal u tuchtigen, uw eigen, telkens herhaalde afval u berispen; erkent dan en ziet in, dat slecht is en bitter uw verlaten van den Eeuwige, uwen God ; en dat de vrees voor Mij u niet voor oogen stond, is het gezegde van den Heer, den Eeuwige

20 God Tsebaoth. Want van oudsher heb verbroken Ik uw juk en losgerukt uw handen ; doch gij spraakt: «ik wil niet overgaanquot; — want op eiken hoogen heuvel en onder iederen

21 lommerrijken boom trekt gij heen en drijft ontucht. En Ik - had u geplant als edelen wijn — een rank, geheel van vrucht-

belovend zaad, — en ach, hoe zijt gij Mij veranderd tot ont-

22 aarde spruiten van wilden wingerd! Want al wascht gij u ook met nitron en neemt u nog zooveel loog, blijft uwe zonde

' vlekken toonen vóór Mijn aangezicht,quot; is het gezegde van

23 den Heer, den Eeuwige God. „Hoe kunt gij zeggen : „Ik ben niet verontreinigd, de Ba'als heb ik niet gevolgd ?quot; Zie uw levenswandel in het dal, — zie in toch wat gij hebt bedreven,

24 lichtzinnig veulen, steeds wisselend zijn wegen! Als een woudezel, voedsterling der woestijn, die in het verlangen zijner ziel wind snuift, — in zijn eigenzinnigheid, wie zou hem om doen keeren ? Mogen toch al wie hem zoeken, niet vermoeid raken,

25 in zijne maand ^ zullen zij hem vinden ! Houd terug uwen voet van ontbloot zijn en uw keel van dorstigheid. Doch gij spreekt: „Vertwijfeld! neen, ik bemin veeleer de vreemden en

26 dezen wil ik volgen 1quot; Gelijk de teleurstelling van een dief,

' die wordt betrapt, zoo heeft Israel's huis de verwachtingen' beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten en hun priesters en

27 hun profeten. Zij zeggen tot het hout: „Mijn vader zijt gijquot;, .en- tot den steen: „Gij hebt ter wereld ons gebrachtquot;; want zij hebben Mij den nek toegewend, en niet het gelaat — maar in den tijd, dat het hun slecht gaat, zeggen zij : /,Sta op en

28 help ons!quot; Waar zijn dan uwe goden, die gij u gemaakt ; liebt? Laten zij opstaan en u helpen in den tijd, dat het u

slecht gaat! Want het aantal uwer steden dat waren uw goden, ■ gij Juda!quot; —

4 Voorwaar, van nu af roept gij Mij aan: „Mijn Vader! de Vorst mijner jeugd — Gij zijt het alleen!quot;

177

ocr page 359

♦yoö nnüön Dbip anöD Vby : rab rvn vno Kin» ?

^ lt;• t- rtt i . v. :it • • : t£t i-t jt t ^- lt;. - a

Dojanm nr^ro^ : nn^: mp na^ IÏ-IK«

K quot; : ^ quot; iquot; , -»• ; • \,\ : ' jx^t r - : : - p

■jvbtf nln^nx quot;]b;n^ri nxrxibn ; Tp-i^ ^i^Tquot; g ninf gt; anvD rpib ^-HD nn^i : Tj-na n^a ^ S ■pD^n : nn: nlri^1? quot;n^x -j-inb ^quot;nDi Hn^ ^ ^ ^ TN4 Tjar^ -101 VT'3 'xn Tjnpin ^niappi quot;^njn '3 : niKnv nin» •n^N^mnsj Kbi ^rt^K nin^

IT! I- v: jt —* •.. : I • - ^quot; •, T : - ■: : Iwt y: : j,

a) nQKni, 'npn: *$y D^D ^

: hit nK ji^ nnrn nraa n^arquot;-?^-1?^ quot;2 ^ niD ^ nas4 gt;nr, pTifr ^ri^; pixiM .

ons3 nna -ly^nm -inh 'D2Dn_DN »3 : nns: rsn^

lt;t ; • A- Kt • : - : v v - • : - ; • «- it • ; t I vjv -

nnx^ópi^noKri : nirr ♦:-!« dnj nnDan^no yi wn w ^3^n x) b^sn v^s: ms43 quot;13-id izh i xna : n3i^D n^p ^ f

t :- lt;-- :. t : ^ ,-•. • •••-.•.■ t iv t: v r.t : ^rl- '-

n^in3 k1? n^p3ö-?3 n33^ »ö nnixn nn nsN^ rquot;quot;

vt :t : 't • - t v i : - : # t tav v.tt-:i- - -r -:it

npKni.nxpïo TjniJi fjn'Q -j^i : n^Nïp»^ g Nvaquot;1 *3 333 ni?33 : -pn Dnnnsi onr ,n3nK^3 n6 « JT

*' t ' •'■ tquot;. v ...... -»•• •*quot;? •quot; : v.*t • ; j- t i*

an^rf3i ann^ arrobo nan ^sntr» v^^in ?3

* '••. ' ■=• : quot;■• ■,quot;JTi , ■■' quot; :. T r/quot; T: '■, Jquot; quot;•' 'Jquot; .J-

»jmy nx pKbinrN ^ rr? QHOK : an»N'33v= F:

t : * : . : v v t : t - •-t | t : i iv •• r :

nüip noN» an^i n^3i D^a ri^ ♦VK I:Ö~»3 ^

t K : i |. t x \t a-t^ ^ : I -A .)- quot; gt;t r

^ijr^v-DK Tj^ ^n^N4 n^i : «

Nibn : nnin^ ^nbx vn ^nj; ispp »3 n^ai^ 1 : nrs4 »3« ^ 'nxip nnva p

tit (.-•\ : 1 j - /v- t i,- jrlt t •■ ü

■) Het schijnt op rtcn bi'onsttijd te iloelen.

ocr page 360

H A P H T A R O T H.

De Portugeesche Israëlieten voegen nog bij:

1 Indien gij terugkeeren wilt, o Israël, — is het gezegde des Eeuwigen — zult tot Mij gij terugkeeren ; en indien gij uwe gruwelen van vóór Mijn aangezicht verwijdert, zult gij niet

2 verdreven worden. En als gij zweert: «Zoo waar de Eeuwige leeft!quot; in waarheid en rechtvaardigheid en liefde — dan zullen volkeren met Hem zich zegenen en in Hem hunnen roem vinden!quot;

vm Ewn roBO TÜÖO1? nanp nVo D'intyy msn -isb rotya rhbï nnjo nSn

v « • ; : at v it ^t quot; I v v - jt : t : • v lt;

nnjö rV?b riniry : -inxn nbibs hn^o

T : * v lt; I t ^ I •* t it v IT • v~ T I v v - t _ ; t : *

: nirv1? nn^ nn nVj; nnxn irnsS

IT Iquot; \,V - • - jquot; T ^ AT V ^IT ^ V^V - I V V quot; ^ r 5

nyon fnn ié1? :»nn an^on

• ; • - t | - s . * : ^t - ^ v ;i- I • - :

: n:^n ^-ir6 itbnna trin nxr iraa1? fnn

^ : it t - ; t ; : t ; v j- ^ j I'at v^v - »•)•quot;■

: 13031 rivv TDnn rtybv nin^ nNBn1? onj?

i : • ; nriquot; •)• t - s~ - at i- v.t - ; -jT v j ^

Haphtara van Shabbath Eosh Chodesh.

Jesaja 66,1—24.

1 Zoo zegt de Eeuwige ; de hemel is Mijn troon en de aarde de bank Mijner voeten ! wat is 't dus voor een huis, dat gij voor Mijn Naam zoudt houwen, en welke is de plaats, waar 2Ik zou rusten? Terwijl deze allen Mijne hand heeft gemaakt, waardoor deze allen ontstonden, — is het gezegde des Eeuwigen. Doch op dezen richt Ik Mijn blik: op den arme en den geslagene

3 van geest en die siddert op Mijn woord. Doch —die den stier [Mij ter eere] slacht, is [tegelijk] een mannenmoorder; die [Mij] het lam offert, een hondenwurger; wie [Mij] een meeloffer brengt, zwijnenbloed [plengt hij voor de afgoden] ; wie als herinnering wierook brandt, hij zegent tegelijk onrechtmatigheid [afgoden]; evenals zij verkoren hebben hunne wegen en

4 in hunne gruwelen hun ziel behagen had, — Zoo zal ook I k verkiezen hen smadelijk te behandelen en hunne verschrikkingen zal Ik hun brengen; omdat Ik geroepen heb en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet luisterden, maar zij bleven doen wat kwaad was in Mijne oogen, en waarin Ik geen

5 behagen schepte, kozen zij. Hoort het woord des Eeuwigen, gij, die siddert op Zijn woord ! Uwe broeders, die u haten.

17S

ocr page 361

maan nyp

.iSx D^piDü 'a po amaon

nWDNI 2wr\ nin'-Ds4: i bNnty» rrórrDK« ^

' •)quot;'• s* t • ; . rt T v.'^quot; : •.. ; squot; t; • r

□atppa noK3 nin'-^n ri^a^i : quot;n:n ^ap = : im dm-i ia laianm np-iïai

i^nn m'i) na^a i^aoV n«np

VB-'D nquot;3 13103

nVo 'iw ao^n nit^-^a D^aa-»jty nai^n bvai

quot; s • : •• •quot;• : . a- • : vt t i- : j- t ; r* ; t - - ;

ma^a natr nS^ : 120:1 roira nVi'ja nn:o

* ~ ~ z vquot; quot; Jquot; 1 : • : I v vv - ; -jt : ■

a : nap:*!. Tpnn

b,i5jgt; ipaquot;»:a ona nin^ rhy tanpn oa^tn 't^Kiai

•- : l«TT Iquot;: T AT I- y\'. - v •• :t •• t:

nty^i: oo^n n^a^ njty-^a D'traa ins4 Vxi

s quot; ■•T ; i- • ; AT : * IT t iquot; : s- T ; T V * :

cnn ptni nat^ maan

T3- 's V'D jo'D

h'a nr^K quot;hii bnn riKni ^oa D^t^n nin* iqk na« ID

• quot; at : - J -: 1 vv.T T : • : • -J- T - T • -- T lt;

n» nbN-^a-nNi: 'nn^D nipo nrw ^-uan n^tt = „

JT v^quot; T V ; r T I : Kt jv •• : • ; • -*v -i «

-nail win nrVxi nin^ox: nbN'Va m nn'tby t.

, •• : t v - .... ... ; „t^: -, : ...... T , ... - T T X

nfn naiT i^N'naö n^n unity : nar?^ mm nii ^ a jinï mao mab quot;i'atü quot;inn-oi hnio n^o a^a niii?

Iv at I ••jt : ; j- : - • -: - t : • •• v ) j- ~

'iN-Dü: nxan otfa: an^iptyai on^ama nna nsn-o: ^

• -J - ^ TI-^T JT : - v,*- •* M • V : -:ir t ••

Dniwöi anuria max 'nïan-N1? i^xai ♦j^a inn 'man

•^V-T qi r.- -: 1- - ^ - t lt; ~-u- ^a-^t - : • rv.- •

üyna ITO nar?» omnn nin^iaT mna^

V •• -: ; IT AT; V V* •quot; T ; - : ^ : • IT T

ocr page 362

II A r H T A K O T H.

die n verstooten. zeggen: „Ter wille van Mijn naam moge de Eeuwige Zijne heerlijkheid toonen, dat wij aanschouwen uwe

6 vreugde en dezen [wij] beschaamd worden!quot; Stem van gedreun uit de stad ! Stem uit den tempel! Stem des Eeuwigen, dièVer-

7 gelding betaalt Zijnen vijanden! Vóór zij weeën voelt, heeft zij gebaard; vóórdat smart over haar komt, heeft zij een knaapje

8 doen uittreden. Wie heeft dergelijks gehoord, wie zoodanigs gezien? Onstaat onder weeën een land in één dag? Wordt een volk in één maal geboren? Want bij de weeën heeft Tsion ook

9 reeds gebaard hare kinderen ! Zou Ik tot den barensstoel brengen en niet doen geboren worden, zegt de Eeuwige ; zoude Ik,

10 die doe baren, den schoot sluiten ? zegt uw God. Verheugt u met Jerusalem en jubelt over haar, allen die haar bemint! Verblijdt u met haar in volle blijdschap, gij allen, die thans

11 over haar rouw bedrijft! Opdat gij kunt zuigen en u verzadigen aan de borst barer vertroostingen ; opdat gij kunt slurpen en u te goed doen aan den prangenden overvloed barer

12 heerlijkheid. Want zoo zegt de Eeuwige: Zie, Ik leid tot haar als een stroom den vrede en als een overvloeiende beek de heerlijkheid der volkeren, en die zult gij zuigen; op de

13 zijde zult gij gedragen worden en op knieën geliefkoosd. Als een man, dien zijne moeder troost, zoo troost Ik u en met

14 Jerusalem zult gij vertroost worden. Dan zult gij zien en zal uw hart zich verblijden en uwe beenderen zullen als het gewas bloeien ; dan wordt dé hand Gods bekend aan Zijne dienaren,

15 terwijl Hij toornt met Zijne vijanden. Want zie, de Eeuwige — in vuur komt Hij, en als een dwarrelwind zijn Zijne wagens, om Zijn toorn te doen overgaan in ziedende gramschap en

16 Zijne bedreiging in vuurvlammen. Want met vuur houdt de Eeuwige gericht en met Zijn zwaard met alle vleesch ; zoodat talrijk zijn de door het zwaard des Eeuwigen doorboorden.

17 Die zich zeggen te heiligen en te reinigen met het oog op de [heilige, den afgoden gewijde] tuinen, achter één in het midden; maar die eten het vleesch van zwijnen, onrein gewriemel en muizen; te zamen gaan zij te gronde, is het gezegde des

18 Eeuwigen. Ik! — hunne handelingen en hunne gedachten zal Ik..!'Zij komt, [de ure], oin te verzamelen de volkeren en de

19 talen; dan zullen zij komen en zien Mijne heerlijkheid! Ik zal in hen een teeken geven en Ik zal van hen vluchtelingen uil-zenden naar de volkeren, naar Tharshiesh, Poel en Loed, die den boog hanteeren, naar Thoebal en Jawan; de verre eilanden, die de mare van Mij niet hebben gehoord en niet hebben gezien Mijne heerlijkheid, — en zij zullen Mijne heerlijkheid

20 verkondigen onder de volkeren. Dan zal men al uwe broeders uit alle volkeren als geschenk brengen ter eere des Eeuwigen, met paarden en wagens, in draagstoelen en met muilezels en met dromedarissen op Mijnen heiligen berg, Jerusalem, zegt

179

ocr page 363

Knn CKT) natr nnusn üjrp

Donnar nsn:i nin» taD» ^otr rya1? dshjü dd^We'

v.v : - : • : jv : : t : J- : * • ; 1^-«- : v ••- : v •• : i

dïwd niir Vip byrw Vip n^o tinkgt; Vip : ^ dhi ^

r* - : t ; 1-» •• iquot; Jv. . quot; i t llt; • •• r* ;

nV Van xi;r Qquot;iL33 mS» S'nn ontja : VITKV Vioi'

^ «.t ^ v .)quot; ^ t V^v : tistt v.* t «.w ; it : i ; v. : r

px Vro^n n^N3 nx-i 'n n^b : nar n^Vonin

i v v - lt;-: v quot; t t t lt;• t j~ t i* itt ^ x j' x * :

ri'ï nnV'-oa nVn-'3 nnn D^S 'U IVvdk IHK DI»3

i v. • jt:it - t-)t • at v ' vjt' * tv •* :

nin» ion» TVIK N^VI : n^3-n«B

s- -: • at ; j- j : r : - j* -: i- t iv t

IV^I ino'^ : TI^VN4 nDK n^ian1

J' ' % • •)quot; t i: v s : • ^ )-it v: t • :\,~ r : -r

: n»Vy D^VaKnsrrVs tyi'^D nnx n^nx-Va na

t ivquot;t v.' : quot; ï * ~ t t t * lt;• t av -: i t ^t

□na^nni ^bn ^oV n'onin iamp;D on^atri \prri |^aV ^ DiV^nma n»VN-ni2r:jn ninnoNinr^ :mi33 no*

t tt : t v ^ iv •»• : r t : -•- t -• • it : j' '

D^nrVyi iN'^an irV^ Dnp:n D;12 HM s]üi^ Vmai aDon:^ biN p laomn ISK ^»«3 : wamp;yamp;njquot;

... ; vj--; • it llt;quot; av -;i- : ^ jv -: • ; ^it^it :

Ntrna oyniDvy) D52^ vm an^n nonin DV^^I^

v ■»•-•- v.v •• 1 :^- ; v : • --t : ^ v • : it*.. ; \- r i •

-♦3 : oyn vnn^-nK nin^-i^ n^iUi mman®

it : i v \~t : t t -; v t ; ~ lt;t : i : t : a* : •

13K nona a^nV vnbano nsiDm kü' nin» nan

t •• ; «• t : at : : - ^t - : t -••• t t ; lt;•• •

-Vs-nx 13-inm uhv: nin» iïm ^ : ^«-^nVa innpi«

t v v. : - : t : • ^t : •• t lt;• iquot; •• -;iquot; : v. t -;i- :

nibn-Vs4 onnissni o^npnsn : nin» ^Vn ^

• -: i- • - : • :lquot;; ~ ^ it : jquot; : - ^ rtt t

nn» naDpm fp^m nnnn ^3« ,nin3 -inx nnN

jt : ~ at ; it : i iv^v - : •^-: 1- -•- : •• ; 1 | •.* t - - - -

r3pVnN3 orrnb^noi DH'^D bixi : nin^DW laD^

i jquot;! - ; %t t v - v •• i- • it ; it : \: ^•.. t

an3 ♦na'^i: ni33quot;nx ixm 1x3-1 ni:^Vni D^in^TiN ^

v t * : - : ^ r v j t ; ^t ^ a : - : ~ t

quot;nVi V13 D'ian-VK D^^VS 1 dhö ^nVt^i nix -nK i^Dty-xV ik'n D^pmn d^nh r vi V3in nu'p »3^0

lt; : it v -: r :it j* • it Iatt: jquot; v l^v •' : j

ix^ni : 0*133 ni33-nN iTm ni33-nx INTNVI 3

-•■pquot; :p ~ j, : v -gt;* quot; : • : v j t 1 ; ^ ; •

33-131 a*DiD3 nin^V nn:o 1 D'i]in-V3D 1 D3»nN-V3-nN

... vt quot; t iquot; jt : * j' - t • jv •• -: t

-)ek DVt^m* ♦ï^np -in ni,;i3n33i Dn-iö3i □»3ï3i

-j- t vquot; t 1: •)* ;it j- ■*- t ; • ~ • t : - . - -

ocr page 364

HAPHTAROTH.

de Eeuwige; gelijk de zonen Israels het meeloffer brengen in

21 rein vaatwerk naar het huis des Eeuwigen ! En ook van hen zal Ik nemen tot priesters, tot Levieten, zegt de Eeuwige.

22 Want — evenals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik bezig ben te maken, vóór Mij bestaan, is het gezegde des Eeuwigen, zoo zal uw kroost bestaan blijven en uw naam.

23 Dan zal het zijn : na verloop van een maand op zijn nieuwe-maansdag en na verloop van een week op zijn rustdag, zal alle vleeseh komen om zich vóór Mijn aangezicht neder te

24 werpen, zegt de Eeuwige. Zoo zij dan uitgaan, zullen zij zien de ontzielde lichamen der mannen, die tegen Mij gezondigd hebben; want de hen verterende worm zal niet sterven, het aan hen brandende vuur niet gebluscht worden en zij zullen tot afschuw worden voor alle vleeseh !

Doch het zal zijn: telkens na een maand op zijn nieuwemaansdag en na eene week op zijn rustdag zal komen alle vleeseh om zich neder te werpen vóór Mijn aangezicht; — zegt de Eeuwige.

füe l'ortur/eesche IsratUeten voegen, indien ook den volgenden dag llosh Chodesh is, aan deze llaphtara nog het eerste en laatste vers van de hier volgende llaphtara toe.)

Haphtara voor den Shabïath op den dag vóór het Nieuwemaansfeest.

I Sam. 20,18—42.

18 En Jonathan zeide tot hem: ,/Morgen is nieuwemaansdag; dan zult gij gemist worden, wanneer uw zitplaats zal worden opge-

19 nomen. Welnu, drie dagreizen zult gij verre afdalen en komen tot de plaats, waar gij u op den dag der [bekende] gebeurtenis 1) hebt verborgen ; en gij zult u nederzetten bij den wegwijzer-

20 steen. En ik, ik zal drie pijlen naar den kant afschieten, als

21 om voor mij op een doel te schieten. En zie, dan zal ik mijn jongen bediende de opdracht geven : „Ga heen, zoek de pijlen !quot; Indien ik dan tot den jongen zeggen zal: «Zie de pijlen zijn van u af hierheenquot;, neem hem [een er van] dan en kom, want

22 vrede is u en niets nadeeligs, zoo waar de Eeuwige leeft! Doch indien ik aldus zal zeggen: «Zie de pijlen liggen van u af

23 verderopquot;, ga dan, want de Eeuwige zendt u weg! En de zaak, die ik en gij hebben afgesproken, — zie, daarvoor is de

24 Eeuwige getuige tussehen mij en u tot in eeuwigheid!quot; Nu verborg zich David op het veld; en het was nieuwemaansdag,

180

25 toen zette zich de koning aan den maaltijd om te eten. En de koning zat op zijn zetel, gelijk telken male, op de zitplaats

^ Bij Shaoel's aanslag op David; vgl. I Sam. 19,10.

ocr page 365

win mm natr nntaan ap

iva quot;lints ^33 nnisn-riK wy ims nin*

r* v, t j' z ' or : * - v squot; t : • •• : • t i- at ;

quot;iirNS *3 : nin» o^rto1? npN Dno-Dai : nin*«

.. 1t . j-^r r.:,- i •)-•.• p - : it : 33

Dnovn'^^N n^nnn ri^m o^nnn D'Ot^n

^ J':*t •)•■• -»• -: v -: t t-:r I vt t : • t-: i- • t -

i^Tn-no n;m : D3o^i D3^quot;it my r3 nin^DKi »

tt ; iv ; • : vquot; • -» ••quot; '•)quot; at : \ , vquot; t :

'isb mnn^n1? 1^3-^3 «13' ^3^3 n3ïy noi i^-in3

vquot; t : j ; -jt t t ^ s t a--^t - jquot; • ; t :.

♦3 *3 o^an naas wn injï'i : nin» ion^

j- *• v ; • - • t-:jtf ••; • ; ^ t: ;it: it : j- t

: Tt^-^ Tixn vm n33n disw nión ah on^Vin

it r t; i ^tiquot; j t v : * -» t • ; t -• t: - 1

ninntrnS ira Sa xia1 inara nar noi itnna trin no n'm : mn1 quot;ion 'jaS

jnnsi jirs-n pios ^bihS /n dv: imnsS p'o dv; nquot;T Sn dm ^'tied JnJS) .(nsan Cin IHO nicEn So

n3^3 Vni^ iy-in jtni 3quot;iy1? muan

.aquot;»—nquot;i '3 jo'D a Sxiotra

: ^3^10 npa» *3 ^quot;ipaii ^Tn ino rnain» m 2

I iv t i l^-t * j* t ^ :l - : * : * v a quot;,t.t ' t ^ : j •* i ~

DKgt; mnori^x nipsn-^N IN» nn ntyV^i ^

^t t i Jm I ' v quot;Z It- v t t Z j.. .. t ; - • .

D^nn nt^i? »:NI : brxn pxn ^3^1 ntyysn 0^33

-V.' * iquot; . v j ; • -:i- v^it t i v jv t v t ; - jt: av i----j;

■^S i^in-nx n^K nani : n^o1? rniK nnsN3 ^sp 1 D'^nn nan ION: quot;IQ^'DK D^nrrnN urn n^-Dxi : nin^-'n 131 jw ÏT1? ntói isnp nani»

* * : it ; quot; ^ vt t I jquot; z ol : j t r t •) r svl t ^ t •• t

: n^n: jiï® t? D'ïnn nan iptlt;

n:»3i ^'3 nirr nan nnxi i:i3n ivx n-nni»

quot; : ** ot : squot; * ^ tatt jquot; -: :v- • jv -; t t- ;

□nbn-^ -iban 3^!,i Eh'nn ^nn nquot;ii^3 in ms'i: obiv

^ y^v - v |v .)v - vr— v^ - j» :- cvt -^ t jquot; t • ' it ^

3^1Q-17N4 0^33 I D^as 13^10quot;^ TJ^Sn 3^1 :

ocr page 366

HAPHTAROTH.

aan den muur, toen stond Jonathan op en Abner zette zich

26 aan Shaoel's zijde; en David's plaats bleef onbezet. En Shaoel sprak niets op dien dag; want hij zeide : „Het is zeker een

27 toeval, hij is misschien niet rein, zeker niet rein !quot; Nu was het den dag na den nieuwemaansdag, den tweede [der maand], toen weder de plaats .van David onbezet werd gevonden, zeide Shaoel tot zijn zoon Jonathan : „Waarom is Jishai's zoon noch

28 gisteren noeh heden ter maaltijd gekomen ?quot; En Jonathan antwoordde Shaoel: „ David heeft van mij verlof gevraagd om

29 naar Beth-Léchem te gaan. Hij zeide namelijk: „Laat mij heengaan, want een familie-offerfeest hebben wij in de stad, — en hij, mijn broeder, heeft het mij bevolen ; en nu, indien ik gunst in uwe oogen gevonden heb, laat ik mij dan mogen terugtrekken en mijne broeders gaan zienquot; ; — daarom is hij niet

30 aan de tafel dès konings gekomen.quot; Nu ontbrandde de toorn van Shaoel tegen Jonathan en hij zeide tot hem; „Gij zoon van meest verdwaasde weerspannigheid! Ik weet immers lang, dat gij dien zoon van Jishai de voorkeur geeft, tot uwe eigen schande en tot schande voor de schaamte uwer moeder!

31 Want alle dagen, zoolang die zoon van Jishai leeft op den aardbodem, zult gij en uw koningschap niet op hechten grondslag gevestigd zijn; welnu, zend heen en laat hem tot mij

32 halen, want een kind des doods is hij !quot; En Jonathan antwoordde zijn vader Shaoel en zeide tot hem: „Waarom zal hij gedood

33 worden ? Wat heeft hij gedaan ?quot; Toen wierp Shaoel den spies tegen hem om hem te treffen ; en nu wist Jonathan, dat het vanwege zijn vader vast besloten was, David te dooden.

34 En Jonathan stond op van de tafel in brandenden toorn ; en hij at niet op den tweeden dag der maand eenige spijs, want hij was verdrietig om Uavid [en] daar zijn vader hem smadelijk

35 had behandeld. Nu was het in den morgen: toen ging Jonathan uit naar het veld, naar de met David bepaalde plaats, en een

36 kleine jongen was bij hem. Nu zeide hij tot zijn jongen: „Loop, zoek toch de pijlen, die ik schiet.quot; De knaap liep heen en hij

37 schoot den pijl, zoodat hij hem [den knaap] voorbij vloog. Toen nu de jongen kwam tot de plaats van den pijl, dien Jonathan had geschoten, riep Jonathan den knaap achterna en zeide :

38 „De pijl is immers van u af verderop.quot; En Jonathan riep den jongen achterna: „Spoedig, haast u, blijf niet staanquot;; en de jongen van Jonathan zamelde de pijlen op en kwam toen

39 tot zijn heer. En de knaap had niets gemerkt; slechts Jonathan

40 en liavid wisten de zaak. En Jonathan gaf zijn gereedschap aan den jongen, dien hij had, en zeide tot hem : „Ga heen,

41 breng het naar de stad.quot; De knaap was juist heengegaan, — en David stond op van bij de Zuidzijde [van den wegwijzers-steen] en viel op zijn aangezicht ter aarde en wierp zich

181

ocr page 367

roEO vm müan xsp

: in Dipö npö'i ViKty -IÏO *1^2« ai^'i rn^in» bpn n^n

i* t )j '. K-t*- rt t -•- • v.quot;: quot; v j-- i t t j : i tt- r -

^3 «innnpö nox'3Ninn Di'a hdind

r : ■ jvI; • - t lt;* a - j quot; tv.: •) t jv * i :

npsn 'ii^n t^inn mnao 'nn : nnu Kin nmu »

Kquot;t ...........v - lt;-r;it • • :- ^ it j • v. •) t

^na N3-N1? 1:2 ?n:in,-l?K nn nipa

.)- • I V ST - : l-'TT I : V T V lt;- A T M :

h'Kty: biNir-rw rn:in» : anbn-bx Di'n-oa ^lan'o;n;j

^ t v Ktt 1^: i j— vit - v vquot; quot; J '• quot;

ra: »3 k: ■idn»'i : anV wTiy na^o nn 1:3

- v j- t -jquot; ; - v - vit jquot; t iquot; •,* t ^ jquot; : *

jr. 'nNïD'DK nnri Kim 1^3 nna^a

i •• • lt;t t t : • t • t • lt; : t t t t; •

N3'Nb |3;^ ^nN-iiN nsns4! «3 nubas4 rrnnan mvr?311? noN'i rniin^ Sin^ eix-in^ : rpnn ^

A : - - V.quot; .1' '/•• v j - I TT -^ • T Nquot; -r- |v iv -

n^i quot;qntyiV ^i'p1? nnx nnr'S sMbn ri3n kV nDiKn-^v V,quot;r3 quot;it^K '3 : nsK ^

i v • j t t-iit ^ j' -•»••• ^lt;v -: ■ t - t j' i iv •

: Kin nio*j3 '3 ^k inK n^i nn^i ^quot;obai nnrs nrj nav na1? vbx naK'i V3K ViKiy-nx ?nJ1n, ^

JV vquot; T''T ■)T quot; v s~ T ^ T V t Tgt;T quot;* :

?n:in' im insnb n^nn-nK biKi^ SÜ^ : ntyjr ^

1 t t -• : quot; A - : v.t't •)' -:r v s t vt- it quot;t-

?njin» Dp»i : nirnK. nW? V3K a^a K^n r-hys*

I nr t 1 : Itst- r r v y r : v.' t quot;v* •• •)• t^t

onV '^n ^Tnn-DV3 VSK-KVI eis4-nn3 rnb^n D^a

v v • •• - vlt; - 1 : - t 1 : |rtt •'cit Kt : - y ••

Kïn ip33 : V3K ia^3n '3 nn-Vx 3Ï^J '3 ^

squot;quot;' l v - -i* :- i t ' i ' i' * t v quot; *: v lt;•

quot;laK^. : la^ |bpT quot;1^1 nnnjria1? nn^n |niingt; ^ -Kim r-i nvnn mia ^iK i^k o^nn-nK krxïa p

i : 1 t _ J- - AV \ ^ it ^ -)V -: * *J- V t t ; i ••.

m» nt^N ^ynn Dipa-n^ ijnn ks»! : n3^nb 'ïnn ni» ^

V.TT JV -; • .. - Ij ; ^ ^ T quot; I • . r : • v.. - JTT

•qaa 'ïnn Kibn naK'i i^sn nnK fin^n' Kipn rn^in»

j ) : • • ^.. - ... - — lt;•• -; 1- l T T 1 : -»T I; • - 1 at T 1 :

nayn^K n^m nma lyin nnKm^ln' Knp'i: n^m ^

rt^.i- - t ^ jtquot; : ^ 1- i t t^ 1 : lt;tI:*- t^; it t

-KV ■mam : vnK-^K KS'i ^nn-nK rmin' n^: ap1?^ ^

1 — : it -; v i, t quot; • • -*- ^ v I tt 1 : «- Iquot; - ; -

rniin» rm : -13-in-nK wn' nin ?n:1n, -ik naiKa yn'»

I tt i : I lt;•• • - itt- v *\ iit • t: I t t 1 : |lt;- t a ^^ j-t

: i'yn K^n nS 11? naK'i IS-II^K i^an-^K V^TK

T* T r* T I V.quot; ^ V A V -; -v-- V

nïquot;iK vsk1? Vsquot;'! 3^n bvKa Dp nini K3 ^ln

t :■)' jt - : •' vv- v-»quot; •• |t« * t: t

ocr page 368

.nn n^jo

HET ROEK KOETIT.

ocr page 369

rDKO bnamp; win mi niyb muan nap m^rnK i ip^i D^O^S vbiï iamp;s* ai1?^1? TIS nnb rnain» iüamp;Ï : Vnan TiTnv =»

v -; * t : \ ■»quot; .».quot; t; ^i ott i : v squot; r : ^ ' v* T^

'ra i n'n; nin» iai6 mn» 0^3 wniK i:ya^3

■■ ofjtrw üó r,?1 Tï i'? 'ii'?

driemaal neder; en zij kusten de een den ander en weenden de een met den ander, totdat David het sterkst weende J).

42 Toen zeide Jonathan tot David: «Ga tot vrede! Daar wij immers beiden hebben gezworen bij den naam des Eeuwigen, zeggende: De Eeuwige zal zijn tusschen mij en u en tusschen mijn kroost en uw kroost, tot in eeuwigheid!quot;

') V. a. zich vermande.

ocr page 370

HET BOEK ROETH.

I.

1 Het was in de dagen, dat dc Rechteren hun ambt bekleedden, dat er hongersnood was in het land ; toen ging een man uit Beth-Léchem in Juda om als vreemdeling in de velden van Moab zich te vestigen, hij en zijne vrouw en zijne twee zonen.

2 En de naam van den man was Elieinélech, en de naam zijner vrouw Na'omie en de naam zijner twee zonen Maehlon en Kiljon, Ephrathieten, uit Beth Léchem van Juda;—zij kwamen

3 nu naar de velden van Moab en waren daar gevestigd. Nu stierf Elieinélech, de man van Na'omie; en bleef zij over en

4 hare twee zonen. Zij huwden zich nu Moabietische vrouwen, de naam der eene was 'Orpa en de naam der tweede was

SRoeth; en zij woonden daar ongeveer tien jaren. Nu stierven ook zij beiden, Maehlon en Kiljon ; zoo bleef de Vrouw

Cover van haar twee kinderen en van haar man. Nu stond zij op, zij en hare schoondochters, en aanvaardde de terugreis van de velden van Moab; want zij had gehoord in het veld van Moab, dat de Eeuwige Zijn volk bad bedacht, om

7 hun brood te geven. Zij ging weg van de plaats, waar zij

Hoofdstuk I. 1. 1331? ',Q13 WV Met deze woorden wordt,

evenals Esther 1,1, her, verhaal ingeleid en de ti.jd der gebeurtenis globaal medegedeeld, — zonder dat nochthans ons boek daardoor bij het boek der Rechteren aansluit. Het behoort immers naar den Thalmoed niet tot de •profetische boeken, maar tot de ffovo. Wel volgt in Septuaginta ons boek op dat der Rechteren, maar daar geschiedt de plaatsing der boeken naar een geheel ander beginsel, dan in den Thalmoed; niet de oorsprong van het boek, maar de tijdsorde der verhaalde gebeurtenissen geeft daalden doorslag. — Ons boek schijnt, naar het slot te oordeelen, in den bloeitijd van Davids regeering te zijn ontslaan, daar het geslachtsregister niet verder dan tot David loopt. Bovendien is de bekendheid met bijzondere toestanden uit den tijd van het verhaal zoo groot, dat niet al té veel eeuwen tusschen het verhaalde en den verhaler kunnen zijn verloopen.— ajn wi. Er was hongersnood in het land, niet alleen in lieth Léchem. Het is twijfelachtig in welken tijd het verhaalde valt. De Thalmoed identi-fleert Bo'az met Ibtsan, den rechter (Recht. 12,8 en 10), die na Jiphthach optrad. Diens verheffing tot rechter zou dan zeer wel na zijn huwelijk met Roeth kunnen gesteld worden, zoodat het hier verhaalde in het begin van Jiphthachs optreden valt. Voor de bepaling van den tijd is van groot gewicht de beantwoording der vraag, ol' in den stamboom op het einde van ons boek alle geslachten genoemd zijn, of alleen de voornaamste. Is dit laatste het geval, dan kan men aangaande den tijd van het hier verhaalde niets zeggen. Sommigen denken dan aan den tijd van Gid'on, toen door de rooftochten van Midjan en 'Amalek, die zich tot Gaza toe uitstrekten en zeven jaar duurden, het in het geheele land zeer

ocr page 371

.nn nSija

n^ü wh quot;riV'i pN3 dstr 'O^a ,n,ix

squot; • • |v- | vat t ^tt r : - : i - -• ; •• • • :-

: v:n «in 3N1ö n^3 iw1? rmr nnS

it t : v ! * ï J r t ^ : 'q T T : v JV

ribnD i V33_^Bgt; DB'T intrx D^I oan =

i lt; : - •'tt iquot;: jquot; i ' ■r:it : • •• : | v v •^v; -** t f -*■• :

quot;vn^ 3Niö-niy itó'i mm» on1? n^o D'nnaN4 'ri'Ssi

:r- v,t iquot;: gt;» t- at : v^v r* • • t : v i : • :

: n^n iNt^ni quot;nbo^x nan : nv gt;

t iv t jquot; : v* jquot; t • - a*^:it J- |v ^v • v: t^tquot; it

n^t^n Dtyi nanv hnxn üü mbxa b^J Dn1? 1x5^1 ^

vquot; •• quot; jquot; : t : t ~ ~ it lt;•• • -: 1 * t v t -» : • -

nbna Dn^B'-Da ino»! : D^iy T^a lairn nn11

J . - Vv •• : - J\r- r t v «Ov ; ^t : a

N^n Dpni : n^'NDi nn^ ^^0 ntb^n -iw^ni 1

1 t lt;t - it *■ i** t ^vt : j- : ' t • it .. t . - ia;*:

npr^a nxio nnira n^o^ '3 dkid n'^o at^ni n^ri^i

Ilt;-t t •*quot;: • 1quot; : it lt;• at -«*•: • t vt ~ t ^v - :

-quot;itfK Dipan-fö Nïm : on1? onV nn1? la^'nN nin»'

v -; I t - I * .... - .. IT ^V t -gt;•* t V t :

wel tot hongersnood kan zijn gekomen. Dat sluit dan met de mede-deeling vs. 4, dat eerst na meer dan tien jaren aan terugkeer kon gedacht worden. — Doch zelfs aannemende, dat alle geslachten in het register genoemd zijn, kan toch nog niets met zekerheid worden bepaald;-—daar David do jongste van acht zonen van Jieshai was en deze dus reeds op betrekkelijk hoogen leeftijd kan zijn geweest, toen David geboren werd; en bovendien niet gezegd wordt, dat Davids voorouders eenige of oudste zonen hunner vaders waren. De chronologie van het boek der Rechteren biedt overigens zooveel moeilijkheden, dat het riiet mogelijk is met eenige zekerheid iets omtrent, den tijd van ons verhaal vast te stellen.

2. Terwijl de namen van man, vrouw en zonen echt Hebreeuwsch zijn, laten die der schoondochters, Roeth en 'Orpa, zich niet gereedelijk uit het Hebreeuwsch verklaren, een niet onbelangrijk bewijs voor het historisch juiste der verhaalde leiten. — dwisn, van mtx, den ouden naam van Beth Léchem, die misschien aan de streek ook later gegeven werd; dit woord geeft dan de streek, en de volgende woorden de stad aan, waar zij gevestigd waren.

4. Hoewel naar Deut. 23,4 het ,/opnemen van Moabieten in de vergadering des Eeuwigenquot;, d. w. z. het huwelijk van Israëlieten met Moabieten verboden was, betrof dit verbod alleen, naar de traditie, de mannen en niet ook de vrouwen. Uit 4,10 blijkt, dat Roeth de vrouw van Machlon, den oudste der zonen, was.

5- nrxn ixcm. en de vrouw, Nii'omie, hleef alleen over van hare heide zonen en van haar man, = van het vroeger zoo veel grooter gezin; anderen: beroofd van hare heide zonen enz.

ocr page 372

HET BOEK ROETH I.

verblijf had gehouden, en hare twee schoondochters met haar; en zij gingen op weg om terug te gaan naar het land Juda.

8 Nu zeide Na'omie tot hare beide schoondochters : „Gaat heen, keert terug ieder naar het huis harer moeder; moge de Eeuwige met u genadiglijk handelen, gelijk gij gehandeld hebt tegenover

9 de overledenen en tegenover mij. Geve de Eeuwige u — dat gij rust moogt vinden ieder in het huis van haren man.quot; Nu

10 kuste zij ze, doch zij verhieven hare stemmen en weenden. En zeiden tot haar: t,.... maar met u willen wij terugkeeren tot

11 uw volk.quot; Hierop zeide Na'omie : „Keert terug, mijne dochters! Waarom zoudt gij met mij medegaan ? Heb ik soms nog kinderen in mijne ingewanden, die u tot mannen zullen worden ?

12 Keert terug, mijne dochters! gaat heen; ook ben ik immers te oud om nog eenen man te behooren ; als ik zou kunnen zeggen : ik heb nog hoop, zelfs al zoude ik dezen nacht eenen man

13 toebehooren, ook al zou ik zonen baren, — Zoudt gij op hen dan wachten kunnen, totdat zij groot geworden zouden zijn ? Zoudt gij om hunnentwille u willen onthouden, om niet eenen man te behooren ? Neen, mijne dochters! Want bitterder is het mij dan u, want de hand des Eeuwigen is tegen mij uit-

14 gegaan!quot; Zij verhieven daarop hun stem en weenden nogmaals ; toen kuste 'Orpa hare schoonmoeder, doch Roeth bleef

15 haar vergezellen. Nu zeide zij: „Zie, uwe schoonzuster is teruggekeerd tot haar volk en tot hare goden; keer terug, het voor-

16 beeld uwer schoonzuster volgend !quot; Hierop zeide Roeth: „Dring niet bij mij aan om u te verlaten, om terug te keeren van u ie volgen ; want waarheen gij gaat, zal ik gaan; waar gij den nacht doorbrengt, zal ook ik overnachten; uw volk is mijn volk en uw

17 God mijn God! Waar gij eens sterven zult, zal ook ik sterven en daar zal ik begraven worden; zoo moge de Eeuwige mij doen

8- nON iTsbj naar hel huis uwer moeder — die de jonge weduwen liet best kunnen troosten; naar 2,11 leefde althans Roeth's vader nog. Anderen: keert terug naar de vrouwenvertrekken in uws vaders huis. Nog anderen meenen, dat zij beide vaderlooze weezen waren — daar zij anders niet met vreemden gehuwd zouden zijn; 2,11 gebruikt Bo'az dan slechts de gewone spreekwijze, hoewel de vader reeds dood was.

9. jnS pcni) zy kitste ze tot afscheid.

10. 13. V. s. verzekerend: waarlijk; v. a. is hier slechts het voornaamste uit hunne woorden medegedeeld en moet iets voorafgegaan zijn met de beteekenis van; wij zullen niet doen, gelijk gij zegt, — maar enz.

11. Ik draag geene kinderen onder het hart, die gij zoudt kunnen huwen. Als vreemden zult gij in het land Juda moeilijk een man kunnen vinden. Keert dus terug, want:

12. Ik heb geen kinderen meer te verwachten, daartoe ben ik te oud. Vervolgens stelt zij drie gevallen, het eene al onwaarschijnlijker dan het andere. Stel, ik zeide bij mij zelve: ik kan nog een man behagen — zelfs

NUMEEI. 24

184

ocr page 373

« nil nap

-bK iwb mz nay n»hbD ♦ntri nsib nn^n

•• . V T . I V V - T ; -•- quot; - rtT^' T V,quot; ~ jquot; : T T T : JT

r\rtamp; nwS n»nVD noNni : min» p«n

t : t : ■gt;quot; t ~ ^ : * * ^:'t # v c quot; «t ; \ vjv ^ |

iiPiO non ddö^ nin* ntrv» noK ntrx g

•)'• * sv -: i- v v v T0*' lt;r •. at • ■quot;•:

™Nnm:oT|Nxpi nin» jrv : na^i D^nsn-Dir0 -rquot; nnoxm : nvsnni rbip n:N^ni rn1? pi^ni n^K

t :v- , - t iv^t • - kt i t jv • - i v t i j- • - rtt * —

nab ♦n:3 n:3^ vy: iDNni : nay1? zw: nnN-'a nb ^

tjt - ; t : -• •'Var v * quot; ^ v. t I^t • r at

ntt# : d^jn1? dd1? vm ^aa o^n ♦ay inabn ='

t : lt; r ^vt ^ t : •• : -t lt;• - a ^ t : r quot;

nipn wok »3 ni^na 'napT ^ p1? ViiD

ti : •»* v • ; - t lt;• a* ; -• : r • : iv,quot;t j* ti ; •• - :

njiit^n I rnbn : o^a 'mV DJI n^n ♦n^n Da ^

t :•• - : -i i* t • zj-t v.- : • ; t;— • lt;• t -»-

♦nia Vn nvn ♦n'pa1? nj^n jnbn -it^N r^ip ny^m : nin^n» »3 im'^a oaa i«a ♦'rna-^ ^ ^

» t i t-quot;.* * - it : - vquot; :it • v • : «• - i'

: nrnpm nm nnian1? nsny pt^m nv nrasni

it It : it v.: t -:i- t :*tgt; I lt;- • - ^a t vquot; : * quot;

nnx w nflbN-bNi naybx ^^la3, n3^ rm naxni «=

jquot;-: i- • ^ t av v: v : v | •• • : t-t

■qnnKD m^S -p.^b 'r^aan-bK nn laKni : » quot;Tj^nbKvay T]a^ pbK Vpn quot;)^N3i pbn »3

^nin» n'^na quot;üpN1 D^I nias 'man : ^nbK51

jt ; v ^-:i- a-i t v v.t : t • t lt;v -: i- it v;

al ware die ijdele hoop reeds vervuld, ja al zou ik zelfs hedennacht nog kinderen voortbrengen — zelfs dan is uwe hoop nog gering — want de tijd is nog zoo lang.

, 13. nJJiyri) vai1 pi'j onthouden, opsluiten, van eene treurende vrouw, vandaar in den Thalmoed voor eene verlaten vrouw. — Aan leviraats-huwelijk wordt hier niet gedacht, daar de nog ongeboren broeder des overledenen niet onder de wet van Deut. 25,5 vv. valt en zijne schoonzuster, als vrouw zijns broeders, voor hem verboden blijft; en bovendien slechts bij broeders uit denzelfden vader van leviraatshuwelijk sprake kan zijn. Het is hier slechts een liefderijke toespraak om hen tót terugkeer te bewegen. Het mogelijke, maar hoogst onwaarschijnlijke geval van huwelijk in Juda vermeldt zij niet, juist omdat hare schoondochters daarin een argument, zij het ook een zwak, zouden kunnen vinden om bij hun voornemen te blijven. - DDfi isï 'S i!2 13, het is mij bitterder gegaan dan u, ik heb niet alleen mijn man, maar ook mijn zonen en mijn vermogen verloren. Anderen: het is mij hitter te moede om u, waarbij dan het volgende niet goed aansluit.

14. ptJVll) gaf haar den afscheidskus. — n|quot;Oi, hleef aan haar gehecht, met haar vereenigd.

ocr page 374

HET BOEK ROETH I, 11.

en zoo voortgaan te doen — dat slechts de dood eene schei-

18 ding zal teweeg brengen tusschen mij en u!quot; Toen zij nu zag, dat zij vast erbij bleef om met haar te gaan, hield zij

19 op tot haar te spreken. Zoo gingen zij beiden, totdat zij naar Beth-Léehem kwamen ; en het was: toen zij te Beth-Léchem aankwamen, kwam de geheele stad in beweging over haar en

20 zeiden de vrouwen : «Is dit Ka'omie ?quot; Nu zeide zij tot haar: «Noemt mij niet Na'omie, de lieflijke, — noemt mij Mara, de bitter lijdende — want de Almachtige heeft het mij zeer

21 bitter doen gaan. Ik — vol ben ik weggegaan en ledig heeft de Eeuwige mij doen terugkeeren; — waarom zou dl gij mij Na'omie noemen, terwijl de Eeuwige tegen mij getuigt en de

22 Almachtige mij kwaad heeft beschoren?quot; Zoo keerde Na'omie terug en Roeth, de Moabietische, haar schoondochter, met haar, die terugkeerde uit de velden van Moab; en zij waren te Beth-Léchem aangekomen in het begin van den gerstenoogst.

II.

1 Na'omie nu had een kennis van haren man, een wakker, vermogend man, van de familie van Eliemélech, wiens naam was: 2Bo'az. — Nu zeide Roeth, de Moabietische, tot Na'omie: //Laat

17. ^ 'p| JICJ?1 rDgt; 200 moge de Eeuwige mij doen — mij onheil zenden, en voortgaan te doen, — het is het inroepen -van de rha, den Goddelijken vloek, zoo men zijn woord breekt. — '3, hier niet liet inleidende eedsformulier: waarlijk, — maar eenvoudig: dat.

18. DïONnOi eig. zich sterk maken, bij een voornemen volharden. — iTiS, om in ontradenden zin te spreken.

19. Dhni. Niph'al van om, evenals 1 Sara. 4,5; I Kon. 1,45, heu-ogen

worden. — ruissni, onderwerp is : de bevolking der stad, vooral de vrouwen, bij wie de vrouw Na'omie natuurlijk meer bekend was geweest en die nu verwonderd en bewogen vragen : Is deze arme, door leed gebogen vrouw dezelfde, die wij als rijke, gelukkige echtgenoote en moeder hebben gekend ?

, 20. xno = m», van im, hitter zijn of in bittere, droevige omstandigheden verkeeren, tegenover 'Bïj == n'öjjj, de met lieflijkheid toegeruste.

21. HnSü. volgt; hier: met man en kinderen, als rijke echtgenoote en moeder; evenzoo Dpii; niet haar vermogen beklaagt zij in de eerste plaats, maar man en kinderen. — 12 n:ï, heeft tegen mij getuigenis afgelegd, door het mij toegezonden ongeluk, dat ik niet //lieflijkquot;, maar door Hem strafschuldig bevonden ben. Septuaginta e. a.: heeft mij verootmoedigd, geteisterd, wat echter niet door '3 maar hoogstens .door Jquot;)}{ njj; wordt

uitgedrukt.

22. De mededeeling van den terugkeer van Na'omie wordt met dit vers afgesloten; terwijl het slot de inleiding vormt tot het verdere verhaal. — rocn, die terugkeerde, met den toon op de voorlaatste lettergreep, als ware het derde persoon vr. enkelv. van den verleden tijd, terwijl liet

185

ocr page 375

i N nil nVao nöp

nïöKHD-^ «nni : W2) mö' nièn ^ riDini

v jv - : * i* v - )iquot; •• j- *• \.' i ' vt - -»• I • ■* :

orrn^ njpbn-i : n^s4 -i|ib ^nn-i nnx rob'? x^n ^ V^n-^a onni on1? n:^3 ♦nn onb rva n^irn^

■ t t « *• - v t -•quot; t t ; * ;- vat •»quot; t v.t

na^pri-VK jn^K quot;iöNn\ : nxTn nj-ipNm. fn^3 x nxba : -I«Q ♦V nty -ion-^ sno ^ mnp *ovj ^ « P_

^ jtquot; ; * -: ^ i : v* -r - j- - r tt • tI lt;v|: a-^it v,- q

mm »^2 'b nisnpn na1? nirr opm wbn n

^ t i- •'ttut • t ^ lt;v| : • tjt at : •-•-••.•: Kt ••: • ; - t

nnbs n'nsMan nm airni : ♦i n:v23

tt- lt;t • -: i - : •'gt;:it t jt - r ^ -iquot; v.quot; - : • t^t

yvp nbnna onb n»3 iN3 nsni 3^10 nfro n3^n nar

-»• i: ^- • : • v v -••• t« t •• : at j-; • t ^.t - t ^

: on^

3

Tjba^N nns^aa Vn msa ri*a ♦a^bi« F

-robN 'a^rbs4 nbxian nn naxm : t^3 latri = -n-

t : iquot; • ^r:\t v t • -i i - v - i ^ ;

tqch een deelwoord is, blijkens de voorgevoegde bepalende 'n. In den eigenlijken zin kan wel niet van Roeth worden gezegd, dat zij uit Moab terugkeerde, maar de nadruk ligt op het begeleiden van Na'ora'ie, in wier gezelschap ook Roeth gezegd wordt teruggekeerd te zijn. Men behoeft dan roon niet op Na'omie te laten slaan, zoodat er staan zou: Na'omie keerde terug, die terugkeerde uit de velden van Modb. — dgt;iïb vxp rhnra, in het begin van den gerstenoogst, dit is in Niesan, vgl. Lev. 23;10.

Hoofdstuk II. JHIO* Geschreven (Kethieb) is helende; gelezen

(Kerie) wordt: yilO» ^cn Semieclioeth-vorin van Plia eig. bekendheid,

v. d. lekende, evenals het Nederlandsche: kennis. De zin is hier dan: goed vriend. Dat hij een bloedverwant van Eliemélech was, wordt eerst verder gezegd, -frr.^a rns»»». — Op het Semiechoeth volgt het woord, dat ermede verbonden is, hier met den 'S. — eveneens Job 18,2 e. a. p. — Sin na: »\s. gewoonlijk : een krachtige held, wat echter hier niets ter zake zou doen. Evenals Ex. 18,21 kan hier Sn rw beteekenen; iemaiul van zedelijke kracht, en de bijvoeging van tcj, de groote mate dier kracht aanduiden; de uitdrukking beteekent dan zooveel als; een zeer hraaf, wakker man. Tegelijk kan echter ook aan de andere beteekenis van Vn, vermogen, zijn gedacht, — waarom wij beide uitdrukkingen in de vertaling hebben ver-eenigd. — tï2, v. s. = U' 12, in hem is sterkte, misschien wel: in Hem, God, is sterkte, daar gewoonlijk de namen niet de eigenschappen van hunne dragers, maar een levensrichting aanduiden. Anderen naar het Arabisch: hekwaamheid, scherpzinnigheid. — Naar rabbijnsche overlevering zou Bo'az een broederszoon van Eliemélech geweest zijn, wat echter niet nader blijkt. — Wat deze mededeeling hier ter zake doet, blijkt eerst in den verderen loop van het verhaal.

ocr page 376

HET ROEK ROETH II.

mij toch gaan naar het veld en laat ik oplezing houden onder de aren, achter iemand, in wiens oögen ik gunst zal vindenquot;; — hierop zeide zij tot haar: «Ga, mijn dochter!quot;

3 Zij ging nu en kwam en las op in het veld achter de maaiers; en het toeval trof haar [te komen] naar het stuk veld van

4 Bo'az, die tot Eliemélech's familie behoorde. En zie, Bo'az kwam uit Beth-Léchem en zeide tot de maaiers: „De Eeuwige zij met u !quot; en zij zeiden tot hem ; „Moge u de Eeuwige zegenen!quot;

5 Nu zeide Bo'az tot zijn jongen, die over de maaiers was aan-

6gesteld: „Van wie is deze jonge vrouw?quot; Hierop antwoordde

de jonge man, die over de maaiers was aangesteld, en zeide : „Een Moabietisch meisje is het, die met Na'om ie teruggekeerd

7 is uit de velden van Moab. Zij heeft gezegd: „„Laat ik toch oplezing mogen houden en inzamelen tusschen de schoven achter de maaiers,quot;quot; zoo kwam zij en is gebleven van den vroegen morgen tot nu toe, op dit oogenblik; —• dat zij ge-

8 zeten heeft in het huisje, was maar weinig.quot; Nu zeide Bo'az tot Roeth : „Hoort gij niet, mijn dochter ? Ga niet opzamelen op een ander veld, en evenmin zult gij van hier weggaan; en

9 zoo zult gij in gezelschap blijven met mijne meisjes. Uwe oogen gericht op het veld, dat zij zullen afmaaien, -— zult gij achter haar gaan ; — ik heb immers de jongens geboden u niet aan te randen; — als gij dan dorst hebt, ga dan maar naar de drinkvaten en drink van wat de jongens zullen schep-

10 pen.quot; Toen viel zij op haar aangezicht en wierp zich neder ter aarde; en zeide tot hem; „Waarom heb ik gunst gevonden in uwe oogen, zoodat gij mij vriendelijk opneemt, — terwijl

11 ik toch eene vreemdelinge ben?quot; En Bo'az antwoordde:

2. Roeth wil gaan, om als arme de gevallen aren op te lezen (Lev. 19,9), — Na'omie zelf schijnt daartoe niet te hebben kunnen overgaan, om als arme vrouw in Beth-Léchem van haar recht gebruik te maken, waar zij vroeger een voorname positie had ingenomen. —- vjiya |n sïss ion -ins, achter hem, in wiens oogen ik gunst zal vinden; de armen hadden wel het recht op de nalezing en de landeigenaren waren verplicht hnn toe te staan nalezing te houden, — maar vooral vrouwen schijnen dan wel eens lastiggevallen of geheel verjaagd te zijn. Daarom zegt Roeth hier: op het veld van iemand, die het mij zal toestaan en mij niet ruw bejegenen zal.

3. Niam zi) ging het veld in. — mp» quot;ifni, eig. haar toeval trof, d.w. z. het geschiedde toevallig. — rrwn npSn, de vierde naamval van richting. Het werkwoord mp wordt niet met den 4den naamval verbonden, maar met Sn. Dus niet: haar toeval trof het veld enz.

4. DSOJ? Tl en 'n 13131 schijnen de gewone vormen van groet en tegen-groet geweest te zijn ; vgl. Ps. 129,8.

5. rnjnn. niet juist: meisje, maar: jonge vrouw. Het is ook mogelijk, dat zij als weduwe niet meer als gehuwde vrouw gekleed ging, maar meisjeskleeding droeg.

7. nayra en Heef hezig; het tegenovergestelde is: nrar, zij ging zitten afrusten. — ipan van vroeg in den morgen af; jss, alsof het al zeer lang geleden is. — rrc nrs tïi, tot nu toe, op het oogenblik, evenals II Kon.

186

ocr page 377

3 nn nVjö isp

v:^3 Tn-NVüx IITN quot;inx n^p^Ki hn'^n NS

ftt t ; v jv -; - - • ▼; • - jti ; - -:i- vt - lt;r

nnx niwz t:pVm Nüni quot;nbni : ^ nb naNm3

v,--: 1- vt - i-quot;- ; - ^ t - |v lt;•• - r • r z v.t v j -

nns^Eö ipK nquot;|^n n^n nnpp ipn_ onypn nin' Dnïipb inm Dn^ n»3ö N43 Tp-nsn*! : ^

3ï3n Va idn^ : nin» nDin» ib no^i dss^ quot;

vt • - -:i-: - v lt; - it : ^1 : vit: ^ : jquot; av t '

avari i^n ; riN-n nn^an ♦ab anïipn-^1 n'^a »O^2-dv n3Kgt;n s^n n»3Nio mp quot;ION»I onïipn

jquot; : * v,quot; ^it * t jt - ' rj -: i lt;t -:i- a- - ^* ; li -

onxipn nnx 'nöDNi «rnap^K lONni : 2x10»

a* : h quot; v,quot;quot;:iquot; • t •▼:it j* ^ - it : ^t ^ t i : - -: v - it

^ün^nnraiy nr nn^n^npan txö nió^m Nüm

^ ~t ; ^ *V ~ jt : • •)••• t ^ : Iv - lt;t •gt;quot; q ■' t -

□p1?1? 'p^n-^K ^3 K^n niT^K 1^3 noN»iquot;

: 'nhyro^ ?,p3in risi nto ni3^n N1? mi quot;m m^3

it -:i- i »v.*t ; * j : *gt;•.•• v* • iquot; j •)quot; : •• ~ -«vt :

TIN «iVn jnnnK ria^ni piïppE'N nn'^s ^ ntrxo n^nti'i D^n-bN4 n3^m nóïi -np: ♦n^1? onran

-iv -:r* • t : • •• - : ; - t ; t : -• : • : v t: -

quot;iDKni rtviK inn^rii bsni : on^sn

t^. : nn?? 'p^l lö ^KV? ^quot;10 V^N ^

8,22. Te verbinden wi2» ,17 gaat moeilijk, daar dergelijke constructie alleen bij bepaalde personen of zaken voorkomt, zooals Éx. 32,1; Recht. 5,5; Jos. 9,12 enz. Sommigen willen het echter toch zoo verbinden in den zin van: dat gij haar daar nu ziet zitten, is eerst sinds korten tijd; dit haar zitten is weinig, evenals op de laatst aangehaalde plaats. Tegenover ipius» komt mij echter als tegenstelling m nnr nn zoo krachtig voor, dat ik de eerste verklaring aannemelijker vind, te meer daar Bo'az haar bij zijne komst op het veld dadelijk ziet en zij dus op het veld nog bezig schijnt geweest te zijn. — n^n, in het huisje, een tent of hut op het veld, waar maaiers en anderen, die met den oogst bezig zijn, nu en dan even kunnen uitrusten en van de gloeiende zonnehitte kunnen bekomen.

8- nvm, NiSn. een bevestigende vraag: gij hoort het toch wel! — va = //meisje!quot; — //Ga nietquot; — zegt hij — //op een ander veld en ga evenmin van dit stuk land wegquot;, maar blijf hier opzamelen, roi, en zoodoende zult gij steeds beschermd zijn, daar gij u hij mijne ondergeschikte vrouwen kunt aansluiten.

9- jmnfCi achter de schovenbindende meisjes. — D'iwn, de jongens, de dienaren, die als maaiers werkzaam zijn. — j'jj, lastig vallen. — rpasi van nüï = sds.

10. irrarn. eigenlijk; hei-kennen, iemand met belangstelling aanzien, vandaar: vriendelijk ontvangen.

ocr page 378

HET BOEK ROE TH II.

,/Bericht gt;verd mij al wat gij tegenover uwe schoonmoeder hebt gedaan na den dood van uw man ; en hoe gij verliet uw vader en uwe moeder en het land uwer geboorte en gegaan zijt naar een volk, dat gij gisteren en eergisteren niet hadt gekend.

12 De Eeuwige betale het loon voor uw werk en moge uwe belooning ten volle u geworden vanwege den Eeuwige, den God van Israël, onder Wiens vleugelen gij een toevlucht zijt komen

13zoeken.quot; Hierop zeide zij; „Moge ik gunst blijven vinden iu uwe oogen, mijnheer! want gij hebt mij getroost en hebt uwe dienaresse moed ingesproken, terwijl ik toch niet ben gelijk

14 een uwer dienstmaagden !quot; Nu zeide Bo'az tot haar tegen den etenstijd : „Nader hierheen en eet van het brood en doop uw bete in azijn.quot; Nu zette zij zich neder ter zijde van de maaiers en hij reikte haar geschroeide korrels en zij at en hield, na

15 verzadigd te zijn, nog over. Toen zij nu weer opstond om te gaan oplezen, gebood Bo'az zijne jongen», als volgt: „Ook tusschen de schoven mag zij oplezen; en maakt haar niet

16 beschaamd ! En ook uittrekken zult gij voor haar uit de bundels en ze laten liggen, zoodat zij ze kan opzamelen, en zult

17 haar niet beknorren.quot; Zoo zat zij op het veld tot den avond; toen zij nu uitklopte, wat zij had opgelezen, was het ongeveer

18 eene Epha gerst. Nu nam zij het op en ging de stad in, — en haar schoonmoeder zag wat zij had opgelezen; nu bracht zij te voorschijn en gaf haar wat zij had overgehouden van hare

1!) verzadiging. Toen zeide hare schoonmoeder tot haar: „Waar hebt gij toch heden oplezing gehouden en waar waart gij bezig? Worde hij, die u vriendelijk heeft opgenomen, gezegend!quot;

11- -IDian DN rvrp = nï rwr, Vgl. II Sam. 16,17; Zech. 7,9. — m» •nnN, ook na den dood van uw man, toen dus de aanverwantschap had opgehouden. — dpSü bisr, nog kort te voren.

i2. nionS rwa iva enz. Het beeld is ontleend aan de wijze, waarop jonge vogels bij hun moeder bescherming zoeken, door onder hare vleugels te kruipen.

is. a1? by man. hier natuurlijk niet, zooals Gen. 34,3 en Recht. 19,3: overreden, — maar: tot het hart dringende woorden spreken, moed inspreken. — rvns •ojni enz. Gij hadt u zeer goed aan mij kunnen onttrekken, daar ik niet tot uw dienstpersoneel behoor.

14. Vön. azijn; een gewoon gebruik is het in de oudheid om despij-zen in eenigen drank te doopen; azijn wordt, als veririsschend, zeer vaak daartoe gebezigd.

is. onapn tusschen de gebonden schoven mar/ zij zoeken, terwijl in den regel alleen gezocht mocht worden op plaatsen, vanwaar het afgemaaide koren was weggebracht, uit vrees voor diel'stal uit den voorraad van den eigenaar. — rvraibsn nVi, en maakt haar niet beschaamd, door haar te verbieden of te verjagen, of door haar als vrouw lastig te vallen.

16. van uittrekken; vandaar wapenbuit, de aan de op het

187

ocr page 379

3 nil nVao rap

nnK^niDn-n^n^-'iK'K ^ ♦*? nan nan rb nöK*i T^i -^x -jnnbiD pKi -jÓKi ^2« nip -

♦nm n^3 nin* : tivbv bion nvn'-N1? quot;itfK dj) ^

• : iv^.it ^T : Jquot; ~ : 1 S * J '' ^quot;T 1 •'•'

nionb nttpKW VNnir» ♦n^K nin» o^p np^ ^nnatrp ♦anon: »3 'anx n»a^3 rn-^ïOK iDKni : Vfia3-nnn ^

• t : -r -•• -: jlt;v : i •• t : v v - itt : - 1-

:nnna^nnK3 n^K ah »33x1 nnnat^ 3yi?y nn3n »31

iiv : * *.--; v^; iv -• • it : |av t : • j.. ^ ^ ^t q:v- • r :

Qn?n-|p r63Ni bbn ^a bsi^rn n^ T^3 fh —ipN'i ^ ^pT mb-tasï'i onvpn nïp hrói fphs ^ns nbppi vn^a-n^ tj;3 r^i L2p^ opni : nnni ^3trni «

t t* ; v - : - I a— : I t;t - it - ^ v,- : - j -

iVbtt1?# oai: nio^3n üb) ap^n onoyn ps oa nÓN1?10

j t i •)- : t 1 • : - j i I v,*'~ : •)• t *;it i s** •»- ••

Dp^ni : n3-in^an K^I nt^pbi Dn3r^i Dgt;n3ïn-?a n1? ^

fjquot;' : - it : • j : v,t i: • jv :-^r a* t ; - i * ^t

nö^3 ♦nn nap'nB'K na lasnm 3nyn-n^ nn'^s

jt quot; : v.* :quot; tIquot;* v -: ^ v^tt ^vt -

-quot;itrx nx nniDn «nm T^n tlt;i3ni N'^ni : ^

q v -: •quot;■ it -.■J- - t , t quot; t quot; 1 .•■

npNni: n^3^p ninirrn^N nx n^fnni Nïini nppS^ nin3 ni»3ü w wwy nasii bi'n ntapb na^x nnian n1?

i at kquot; ' quot; j' • * t ■'t : - : ; ilt;— •• t -: t

slagveld gevallenen ontnomen wapenen en kleederen. — dtöï. kleine bundels, dadelijk na het maaien gebundeld, die op hun beurt weer tot schoven worden saamgebonden. — re m'Jn nSi. behandelt haar vriendelijk en niet norsch.

i7. taanm met een stok uitkloppen, om de korrels uit den halm te krijgen. Dorschen op de gewone manier deden natuurlijk de armen met hetgeen zij opgezameld hadden, niet; bovendien was het koren daartoe ook nog te versch. (Vgl. Mishna Menaehoth 10,4 en den Thalmoed t. a. p. 66a). Het koren in het stroo mee te nemen, zou te lastig en te weinig de moeite loonend geweest zijn. De enkele korrels gaven bijna eene Epna zuivere gerst.

19- N'ïim. ~ij bracht te voorschijn, uit een zak, — wat zi) had overgehouden, nï2D?:, van hetgeen, waaraan zij zich had kunnen zat eten, van de haar door Bo'az gegeven geschroeide aren en het brood ; of misschien: nadat zij verzadigd was. Uit het vele, dat Roeth als oplezing in gerstekorrels naar huis brengt, en vooral uit hetgeen zij haar geel't als overschot van een maal, waaraan zij had deelgenomen, bemerkt Na'omie, dat Roeth niet behandeld is als een arme, die de naar de wet aan den eigenaar onttrokken en den arme toekomende armengaven komt inzamelen, maar dat de grondeigenaar, op wiens land Na'omie bezig was, haar liefderijk heeft behandeld. — n'tT rusi, een algemeener term, dan ncpS; hebt gij alles gedaan, wat tot de handeling van oplezen behoort. — quot;p'Se, zie vs. 10.

ocr page 380

HET BOEK ROETH II, III.

Ku deelde zij haar schoonmoeder mede bij wien zij bezig was geweest, en zeide: „De naam van den man, bij wien

20 ik heden bezig was, is Bo'az.quot; Nn zeide Na'omie tot hare schoondochter: „Gezegend worde hij door den Eeuwige, dat hij zijne liefderijke gunst niet heeft onttrokken met betrekking tot de levenden en tot de gestorvenen.quot; En Na'omie zeide tot

21 haar: „De man is onze bloedverwant; onze losser is hijquot;. Nu zeide Roeth, de Moabietische: „Ook, dat hij mij gezegd heeft: De bedienden, die ik heb, zult gij op den voet volgen, totdat zij afgemaakt zullen hebben den geheelen, mij behoorenden

22 oogst.quot; Hierop zeide Na'omie tot Roeth, hare schoondochter : „Goed is het, dat gij uitgaat met zijne meisjes, opdat men u

23 niet lastig valle op een ander veld.quot; Zoo sloot zij zich aan bij de meisjes van Bo'az om oplezing te houden, tot het einde van den gerstenoogst en den tarweoogst, en woonde bij hare schoonmoeder. —

III.

1 Nu zeide tot haar Na'omie, hare schoonmoeder: „Mijne dochter! Ik moet immers een rustplaats voor u zoeken, opdat

2 het u welga. Welnu, is Bo'az er niet, onze kennis, — bij wiens meisjes gij voortdurend waart ? — Zie, hij is aan het wannen

3 van de gersten-dorschvloer dezen nacht. Nu zult gij u was-schen en zalven en leg uw gewaden aan en daal af naar den dorschvloer; zorg, dat gij niet door den man wordt opgemerkt,

4 totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken. Nu zal het zijn: als hij zich nederlegt, zult gij ervaren de plaats.

20. x1? nrjc. slaat op Bo'az; v. a. op God, evenals Gen. 24,27; hier echter komt mij liet. eerste waarschijnlijker voor. Dat Bo'az ook den overledenen, Eliemélech en zijn zonen, als bloedverwant zijn goede gezindheid getoond heeft, wordt wel niet uitdrukkelijk vermeld, maar is uit Bo'az' karakter vanzelve duidelijk. — Nin ■uSnj». Vele handschriften hebben hier: «'Ssas, wat dan beteekenen zou: hij behoort tot onze lossers; de raeesten volgen echter de ook bij ons gevolgde lezing, als enkelvoud, üe 's moet dan verklaard worden evenals v. s. Lev. 4,2 in njrw rnxs, de een of andere van deze; hier dan: hij is in zekere mate onze losser. De naaste bloedverwant had naar Lev. 25,25 het recht of de plicht, de door zijn verarmden verwant verkochte vaste goederen terug te koopen. Zie onze aant. t. a. p.

21. 13 v. s. = zoo is het ook', hij schijnt zich ook als familielid tc willen gedragen, — want enz. Anderen: ook heb ik n nog te zeggen, dat. — D-orn or, algemeene term voor mannelijke en vrouwelijke bedienden ; zij had immers naar vs. 15 de jongens te volgen eu naar vs. 8 zich in gezelschop der meisjes te houden.

23. arm. en woonde, d. w. z. als zij 's avonds van het veld huiswaarts keerde, woonde zij met hare schoonmoeder, — voorbereiding tot de in het volgende hoofdstuk beschreven gebe'.irtenissen.

Hoofdstuk III. 1. een bevestigende vraag: zeker, ik moet enz.—

msn, rustplaats, — een vaste levenspositie.

188

ocr page 381

a a nn nVaü nsp

lONni lav nn'^-n^K nst nhiünb nam

. T o. v - i TT V -: lt;quot; T -II- J..^--

Ti3 'üvj noNrn :^3 Di'n ID^ i^i3 'üvj noNrn :^3 Di'n ID^ i^3

^ T T T - : • 'VlIT V - I f ^ ' gt; '} *. S' ^ v quot;:

a^nan-nNi o^nn-nx i-bn dt^-kS nin,l7 Kin

a* •• - v : {• - |- v ; - -«-nr I v -: t i~

natril : kxin K^n 'i:S nnp ♦dj;: n1? id^w3

^ v v ■ ' I • • t t j\r ' **:tr -«t v s -

anyan-oy ,13K noK^a ' oa n^Nian nn

... -j i - .. j- T i* _ -Jquot; at • -; I - -gt;

quot;ny: noKni : ^-iwn n^ïpn-^ nx I^-DK ny rpann33

V,* ^it v j - r v —: ^ v*It- t jquot; ' • ■*- I I * t : •

■1^:^ «bi vni^a-D^ 'Nïn »3 ^na nnba mrVx

^ ; : * J ; T ^ti- ^ • : iquot; lt;• ^ • • J AT t - J

□[pS1? ^3 ni-j^aa pinrn : inK nni^a ^3» : nniDn-nx 3^ni D^nn n^pi Dnyamp;iTTïp

it -: . v ,v vquot;- a- • 1- —I; ; - rl:

a

im niao •]lr^p3Nt xbn ^3 nnian ^a rh naNni«

JV -: - V. T |)T lv- -:^ -: • • at -: j *V:it v j -

n«n quot;II^N lan^io tv3 KVH nnyi : TtS^taquot; =

V.* t jv -: t ; - 1 j -: t*1, ; ) it - i*

1 rwmi: nVbn on'rirn na-nx nir Nin-nan vnma-nKj

: : J~ T : T :it - ^ ' VJ v *T *hi-

pan 'rrnn -]^ ^♦nVpir 'nü'^i nppi bipsn-nx n^nn 133^3 'nn : nwbi ih^3 njr*'

It- : ' -T; : t : •*• • 1 : * : j v: iv ^ v*

.2. unynn. nn», het abstracte zelfst. naamwoord; kennis voor: bekende, zie 2,1. — onrm pj, den dorsdwloer van de gerst = de gedorschte gerst.— mit, het kaf door den wind uit de graankorrels laten uitwaaien, door het koren met schoffels op te werpen, wannen. — nS'Vn, tegen den avond óf in den arond, omdat dan eerst wind komt opzetten, soms tot diep in den nacht den arbeid voortzettend. — pj is oorspronkelijk niet een schuur, maar een effen, vastgestampt stuk land in het open veld, waar gedorscht wordt; vandaar soms: het gedorschte koren, en nog verder: de plaats, waar het gedorschte koren wordt neergelegd, voorraadschuur.

3. -prter, uwe beste kleederen; de Kethieb: ■jSn»» beteekent: uiohoven-Meed, wat dan doelen kan op den mantel, die als onderlage gebruikt werd om op te slapen of als dekking bij het doorbrengen van den nacht in de open lucht. — rrm, daal af van bet op een berghelling liggende Beth-Léchem naar de velden. — iinn Sn, laat u niet opmerken, geef u niet te herkennen en vertoon u niet. — den man, Bo'az.

4. Hoewel ons de door Na'omie gegeven raad voorkomt in strijd te zijn met de goede zeden, schijnt in de toenmalige omstandigheden daarin minder aanstootelijks gevonden te zijn, te meer daar Bo'az althans iemand van geposeerden leeftijd schijnt te zijn.

ocr page 382

HET BOEK ROETH III.

waar hij zich nederleggen zal; dan zult gij komen en zijn voeteneinde ontblooten en u nederleggen; — en hij zal n dan inededeelen, 5 wat gij te doen hebt.quot; Hierop zeide zij tot haar: «Al wat gij mij tizegt, zal ik doen.quot; Zij daalde af naar den dorsehvloer en deed 7 gelijk al wat haar schoonmoeder haar bevolen had. Toen Bo'az namelijk gegeten en gedronken had en het hem wel te moede was geworden en bij gekomen was om zich neer te leggen aan bet einde van den korenboop, -—■ kwam zij in het geheim en ontblootte zijn voeteneinde en legde zich neder. gt;S Nu was het in het midden van den nacht, toen verschrikte de man en wendde zich heen en weer en zie: eene vrouw liggend 9 aan zijn voeteneinde. En hij zeide: //Wie zijt gij ?quot; Toen zeide zij : //Ik ben Roetb, uwe dienstmaagd, — breid uwen

10 vleugel uit over uwe dienstmaagd, want losser zijt gij!quot; Hierop zeide hij; //Word gezegend door den Eeuwige, mijne dochter! gij hebt uwe latere gunst beter geplaatst dan uwe eerste, dat

11 gij niet gevolgd zijt de jongelingen, of arm of rijk. En nu mijne dochter ! vrees niet; al wat gij zeggen zult, zal ik voor ii doen; want de geheele poort van mijn volk weet, dat gij

12 een brave vrouw zijt! Welnu •— want in waarheid dat ik losser ben, — maar ook is er een losser, die nader verwant

13 is dan ik. Blijf den nacht hier doorbrengen, — nu zal het zijn in den morgen, indien hij u lossen wil, goed, laat hem lossen; maar als hij u niet wil lossen, dan los ik u,

quot;ivp Xim* V. s. een verbloemde aansporing om zich geheel aan Bo'az over te geven; v. a. echter eenvoudig: hij zal u zeggen, ol'hij lossen wil of niet, en wat gij dientengevolge te doen hebt. Uit vs. 9 toch blijkt, dat Na'omie Roeth juist had geraden, Bo'az als losser te vragen haar ten huwelijk te nemen.

7- VnSjnQ Sam, waarschijnlijk lag hij geheel gekleed te slapen en is de zin dus allee» : zij sloeg den deken terug, dien hij over zijne voeten had gespreid.

8. naLn. Iiin 'Ezra : zich her en derwaarts neigen, of: zich voorover buigen om te zien, wat daar aan zijn voeten lag; Rashie; en werd aangegrepen door schrik.

quot;j33D iTw-'ISli 0'j uwen Vleugel uitspreiden, v. s. als een vogel, die met zijn vleugel zijn jongen beschermend dekt; v. a. meer waarschijnlijk = huw mij, spreid de eene zijde, den vleugel van den deken van het huwelijksbed over mij uit. — nns Sw is. Om dal gij de aangewezen losser zijt Deut. 25,6 slaat de verordening, die uit Gen. 3ö blijkt reeds eene oude familiegewoonte geweest tc zijn, dat, bij kinderloos overlijden van een broeder, de oudste hem overlevende broeder verplicht is de nagelaten weduwe te huwen en daardoor tevens in de vermogens-rechten des overledenen treedt. Lev. 25 komt de wet voor, dat de naaste verwant tot lossen van wegens armoede verkocht erllaud enz. het naast geroepen of gerechtigd is. Dit schijnt nu door gewoonterecht gecombineerd te zijn, in dien zin, dat verkocht erfland door den naasten bloedverwant werd gelost en, ingeval de verkooper intusschen kinderloos was overleden, de losser dan tevens diens weduwe tot vrouw nam. Daardoor bleef de grond in de familie van den

189

ocr page 383

3 rvn nbiö üfip

w Kim 'rosEh vri^no nxm Dtb-aat^ ntrK T

-«• - ; ; ;rtt t ; ^.t : : - j* • : or t quot; ; *

• noxn-i^K Va noNni : ?v^n m TISquot; .£

Lquot;quot; J' : i ••• quot;: •) t isv •• v ». quot; I r i~ jv -i v,quot; I t *quot;

: nniön nmrnt^ï bba ^rn pjn -nm : 1 i'

,t -: t,- :■ -: ^ : - - - 1 v^- -.v - .vv:^ ^

non^n nvpa 22^ N2'i 137 niyn T^a Vaxn» ^

at *' : it jquot;l; • v ' t~ * -jquot; *quot; : : quot;~ c - - p

mn'i nS^n ♦ïna ;nn : aatrni vri^-io bam róa xanin r:

vquot;v;iv- t : ~ ~ ■quot; ~:i~ * : ~ it ; * ~ ;:quot; j' : - t ~ ■* t ~

n«-»ö mw) : vrbno naatr nam nfib»i c

:at • v v- : :- •-•lt;.•.• t • ^ rt-t*- r t

bxa '2 ^naN-1?^ Ptnai ^hax nm 'ais* lOKni

Vquot; j- i :jt -: i v t : lt;r ; -it | v t ^ -• - it

rnnNn -iiDn naü^n 'na dk nana quot;iök»i :nn«'

I ^-:i- t Ir*: - ::•)-•• • • i- ; lt;- t : v - tit

: i^y-DNi Vtdk D^iinan nns na^^nba1? ritrNquot;in-|o

i* • : v.quot; * -jquot; quot; quot;-:i- v v • : • : ^1 a it i •

^iv quot;2 Tt^ntr^N noNnntrK ^a 'na nriyi ^ j,

quot;* lt;* :'AT V VS,V : ' 1 quot;\ J : * /lquot; * 13

dn 'a D30N 'a nnyi : nx n^K »a ^^quot;73 ^ n

r t ; t •** t : : ,t *lt;■quot; v jquot; •,* * quot; 1 t «-

rrm 1 : ^ao anp B'» dji ^ai^ 7n: ^ ^

«tt : T :- - * J. • iv ^ j) r # v.quot; ^ r : * A n_

Tj^KJi ^ant ntdni alt: ipaa gt;

..................................................................................................................................................................................fï

c.

oorspronkelijken bezitter en werd tegelijk tegen uitsterven der familie gewaakt. Gij zijt losser en zijt dus verplicht met de lossing van den grond ook mij te huwen. Evenals echter bij het leviraatshuvvelijk de verplichting niet absoluut was, maar men zich eraan kon onttrekken, zoo schijnt het ook hier aan den wil van den verwant te staan, of hij wél of niet tot lossing wil overgaan; — aan lossing van het goed is echter huwen der weduwe als bindende voorwaarde verbonden.

10 jnnxn quot;pon rniiTl» mL'e latere Uefdehetooning hebl gij beter doen zijn, dan de eerste, tegenover uwen overleden man ; v. s. thans hebt gij uwe liefde goed geplaatst, door mij, den man op leeftijd, te vragen u te huwen en niet de jongelingen te volgen. — wr dsi Sn dn, v. s. vragende, of zij arm zijn of rijk; v. a. hetzij arm of rijk. Anderen : de liefde, die gij den overledene en uwe schoonmoeder thans bewijst, is nog hooger, dan die gij vroeger hebt bewezen, daar gij, door mij, den bejaarden man, te willen huwen, toont, hoeveel u aan het belang der familie gelegen is.

1

terugkeeren en laat haar dus tot tegen het aanbreken van den dag daar liggen, om haar dan, nog in halfdonker, heen te laten gaan.

ocr page 384

HET BOEK ROETH III, IV.

14 zoowaar de Eeuwige leeft ! Blijf liggen tot den morgen.quot; Zij bleef liggen aan zijn voeteneinde tot den morgen ; en zij stond op, voordat iemand zijn naaste kan herkennen; hij zeide namelijk: «Laat men niet te weten komen, dat de vrouw op den dorschvloer

15 is gekomen.quot; En hij had gezegd: „Geef hier den omslagdoek, die op u is, en houd dien vast.quot; Zij hield hem vast en hij had gemeten zes [maat] gerst en had die gelegd op haar ; —

16 en ook hij kwam naar de stad. — Toen zij nu kwam tot hare schoonmoeder, zeide deze; „Wie zijt gij, mijne dochter?quot; Nu

17 deelde zij haar mede al wat de man haar gedaan had. En zij zeide : „Deze zes [maten] gerst heeft hij mij gegeven ; want hij zeide tot mij; gij zult niet ledig tot uwe schoonmoeder

18kómen.quot; Hierop zeide zij: „Blijf zitten mijn dochter, totdat gij weten zult, hoe de zaak zal uitvallen ; want de man zal niet rusten, tenzij hij de zaak nog heden ten einde heeft gebracht.quot;

IV.

1 Bo'az was intusschen naar de poort gestegen en had zich daar neergezet, en zie — de losser ging voorbij, van wien Bo'az had gesproken. Nu zeide hij ; „Wijk af en zet u hier

2 neer, Felonie Almonie!quot; Hij week af en zette zich neder. Nu nam hij tien mannen van de oudsten der stad en zeide: „Zet

3u hier nederquot;; en zij zetten zich. Nu zeide hij tot den losser: „Het stuk veld, dat onzen bloedverwant Eliemélech heeft behoord, heeft Na'omie, die teruggekeerd is uit het veld van Moab,

4 te verkoopen. Nu dacht ik: ik wil uw oor openen, zeggende: koop het, ten aanzien van hen, die daar zitten, en ten aanzien van de oudsten mijns volks; indien gij lossen wilt, los, — en

15. (jeef hier, dat wil niet zeggen: geef hem mij, maar: houd hem mij vóór. — rcvnsi, en houd hem vast om hem uit elkander te houden. — Biije t't', zes ongenoemde maten gerst; naar de Chaldeeuwsche vertaling 6 Se'a — 2 Epha, een niet al te zware last. — Al liet in dit veis verhaalde tot op de slotwoorden titi sci, had plaats gehad vóór het in vs. 14 medegedeelde. Het zijn de nadere bijzonderheden van het gebeurde vóór dat Eoeth wegging; dat zij weggegaan is, is vs. 14 in opm reeds verhaald. — •vïn wi beteekent dus: en later ging ook hij naar de stad, — als inleiding tot 4,1.

16. rWC 'Dj eene hoedanige zijt gij? Wat is u overkomen ; vgl. Recht. 18,8 : ons n».

18. '3^, hlijf rustig thuis, en doe geen stap meer; Bo'az zal al het verdere wel regelen; gij behoeft u niet zelve tot den naasten bloedverwant te wenden.

Hoofdstuk IV. 1. nSj/; tvas uit de stad naar de poort gegaan,

evenals Deut. 17,8. Hij was reeds in de stad en het kan dus niet betee-kenen : van den dorschvloer naar de stadspoort. — mio, wijk a/van uwen weg en kom hierheen. — •uSe, woorden van onbekende afleiding:

zeker iemand. De schrijver ïieeft den naam van den naderen verwant of

190

ocr page 385

i y nu rto ïp

inibjno natyni : np-in-i^ nin^-^n ^2N4 ^

0Z T :^:- ^- : • - Ivi - **•* : * AT :. quot; *. ^ T

T3! nn^a D^rn. ipin -nnsn nnsuan ♦an ION'I : pin n^xn nN3iB

•*;iv; l'-r^r v -:# -s* : • -^ * t v - I vi - v.t • it t^t

: quot;ryn Na»! n^v n^i an^-^ -id^ na rnxni nn

*|* t v, t- t v*t v-»tquot; : iquot; .t,:t~ at v ^quot;j ~ v.t

-ba nK n^-narn 'na nx^a quot;loxni nnion-1?^ xiam 'c

t 4quot; T v-- a' * v v. ~ t -: v t quot;

Tn: n-wn Dh^tyn-^i^ lONm : nyn't^

1 --«t v v•• t j'^ : - iquot; v - r t v.t t tT j'.' -:

'ïw laxni : ^nian-bt^ opn 'xinn^K * ids* '5 quot;h™

j. . - ) iquot; -: v Kt •• * ^ t ^ - •• j- t *lt; fgt;'

-♦3 bp^' ah »3 -im TK r^nn -ibw ip 'na

,. * t i : • lt; j- at t j • | vquot; i : iquot; •*•* quot;! c * *

: D'i'n nain nba-DN

i - v,t t - JT '

1

-lil ii^N; na'v ^Nian nim a^i^l'n nb% ryni* : -ion vbbti 'ibs ris-rav miD -laKquot;quot;) w'h

iquot; quot;~ ~ i^t- a' : - •*• : ^ t : t t ^ •) ~ ^

: inwi na-iair quot;IQK'I i^n npro a^:« ni'^ np»i =

.....- ^ : v j- T j-l: - ^ •)• T-: STT^

maa ibamp;bnb irnNV nvt* nnt^n npbn -nöN'i2

jt ; it | vav • v:iv t : jv -: vt - l-: v •• -

nósb ?i2tN nbitt 'niótt 'ixi : as4io m'^D nai^n quot;óy:1

f •• ^I::t s'-\: '•'^ ' :quot; t * -rr it coquot;'quot;: * T^T quot; *pp;IT

^KJpxin-DN4 'jpT D'a^'n -ui nip

- : • • : t : - : • * • t j..); • ...-«v; • ; i - v-»v •• I;

1

niet meer gekend öf het niet belangrijk genoeg geacht dien te vermelden.

2

mao. Naar de wet der Thora erft de vrouw nooit van haren man ; Eliemólech's erfgenamen waren zijne zonen en de erfgenamen van dezen, die kinderloos gestorven waren, de vader van Eliemélech en door dezen heen diens zonen en hnnne nakomelingen. Niettemin staat hier: heeft Na'omie verkocht. Al neemt men nu aan. dat gewoonte meebracht de weduwe in het bezit der goederen van haren echtgenoot te laten, dan kan dit woord man hier toch niet in zijn gewone beteekenis worden opgevat, daalde weduwe toch wel in geen geval liet recht zal gehad hebben de goederen te vervreemden. Bovendien was Na'omie bij haren terugkeer arm en moest door aren lezen in haar onderhoud voorzien. De goederen zullen dus wel door Eliemélech zijn verkocht, voordat hij het land verliet. Nu wordt telkens gesproken van Na'omie als hoofdeigenares en van Roeth als mederechthebbende. Het schijnt dus, dat de gewoonte aldus was: de weduwe heeft te beschikken over de lossing der verkochte goederen, inzooverre zij als rechthebbende wordt beschouwd, om de lossing te bewerkstelligen ; zij behoorde dan echter den naasten verwant daarvoor aan te wijzen, rro» beteekent dan: ~ij kan het lossingsrecht overdragen. — n:p beteekent: het lossingsrecht aanvaarden uit de hand van Na'omie.

DJp) volgens sommigen : verricht een handeling, een formeeJe daad

ocr page 386

HET BOEK ROE TH IV.

indien gij niet lost — deel het mij mede, opdat ik het wete — want er is buiten u niemand om te lossen, en ik ben het na

5 ii,quot; toen zeide hij : «Ik zal lossen.quot; Nu zeide Bo'az: „Op den dag, waarop gij hot veld aanvaardt uit de hand van Na'omie, en vanwege Roeth, de Moabietische, hebt gij ook de vrouw van den overledene u verworven, om den naam des overledenen stand

6 te doen houden op zijn erfdeel.quot; Hierop zeide de losser: „Ik kan niet voor mij lossen, opdat ik mijn eigen erfdeel niet bederve ; los gij u, waarop ik loBsingsrecht heb, want ik kan niet

7 lossen.quot; En dit gold voorheen onder Israël ten aanzien van lossing en bij inruiling om elke rechtshandeling te bevestigen: iemand trok zijn schoen uit en gaf dien zijn naaste, en dit was

8 de betuiging in Israël. Nu zeide de losser tot Ho'az : „Aan-

9vaard het voor uquot;; en hij trok zijn schoen uit. En Bo'az

zeide tot de oudsten en het geheele volk ; „Getuigen zijt gij heden, dat ik verworven heb al wat Elieinéleeh en al wat Kiljon en Machlon heeft behoord, uit de hand van Na'omie;

10 En ook Roeth, de Moabietische, de vrouw van Machlon, heb ik mij tot vrouw verworven, om den naam van den overledene stand te doen houden op zijn erfdeel, opdat de naam des overledenen niet uitgeroeid worde van bij zijne broeders en uit de

11 poort zijner plaats; — getuigen zijt gij heden !quot; Toen zeide al het volk, dat in de poort was, en de oudsten : „Getuigen zijn wij! geve de Eeuwige, dat de vrouw, die zoo straks in uw huis zal komen, worde als Rachel en Lea, die beiden het huis Israels hebben opgebouwd, en maak kracht in Ephrath en noem

12 een naam in Betli-Léchem. En uw huis worde als het huis van Pérets, dien Thamar aan Juda gebaard heeft; — door het kroost,

13 dat de Eeuwige u zal geven van deze jonge vrouw!quot; Zoo nam Bo'az Roeth en werd zij hem tot vrouw, en hij kwam tot haar ; en de Eeuwige gaf haar zwangerschap en zij baarde een zoon.

14 Toen zeiden de vrouwen tot Na'omie; „Geloofd zij de Eeuwige,

191

ocr page 387

i nm nbiQ Kïp

ibK4i nnnN ♦DiNi rx ^ hiw •gt;$ m^n

vquot; i av; i- v it ; :• i ; it i lt;•• ■gt;• *r ziquot; : • tj* -

TD nn^n nnup-DVa IOÜ'I : 'D:K n

a ^:it ■•- • V.vt - jl il: ^ i : ^ v j- it: v j' it^

-ty narrat D'pn1? quot;nhp nan-n^s4 n43Nian mi HNOI

v,quot; ~ iquot; irr: ^ t •• - v iquot; lt;t • -: i - ^ •• ••

-nx mn^N-ra bmx K1? ^an quot;lü^n : m^n:1

^ ... v.' : quot; ' ••* t ; • - lt; ~ •-•-»- it -:i-

riNTi : »3 ♦nbxrnN nn« ^y^Na ♦rbmj

: i : • v,quot;^ i j' • t \ : v t - lt;1 : - ; is* t -:i-

nnrba o^pb mionn-bpi ^Ttr^ D^aS

tt t jquot;|- ; t : - ~ ; lt;t *.. : - •• t : • : • t :

: Sn4quot;i^3 nniynrr nxn in^n1? |n:^ 1^3

: i^jn rhm quot;nVnip ION»I n

v - , . k : -.- ,ut quot;1: , oquot; - s-d

n^x-73-nK ,n^pT ^ Di'n onx on^ D^pT1?

-n« Dii : TO ri^nDi ri,l?DV nsi 1

•v :. '* T|T ^ •/ ; ^ * V J' quot;' 7^ Q '}quot; : * v * v:,v

nan-DK' D'pn1? ^ n^no nt^N n^xian jrn

.. - ,.. Ic-t; t • ; -•• • s*Jt I : - v •• t • -: 1 - j

iDipo I^^ÜI VHK D^O narrDt? ma^Nbi in^nrb^

a i : quot;-s-j- . ... -j- .. .,.. - ,..^ s** t • 1 ; t -;j~

D^pTm D^n-^a inoxn : Di»n onx

^ V,*lquot;: quot; : - •)- quot; v -: 'stt t : ^ - i^- - j *-

n^Di 1 Vms naan n^Kn-nx nin* rn» onv

tquot; ; lt;quot; t : i v •• v ■jt t ~ t • it v t ! i •• • ft'quot;

nnnaxa ^n-n'^i bk—iw n^aTix bn^ntr 133 -ityx

t t; v ; •-»- •• ^;i- •• t; • -••• v v •• : « t v -;

pa n,33 ?irv3 : on1? n»33 Dt^^npi ^

jt:it v -: | vv _ | : iquot; • vit jquot; : vquot; tI :

: nNTn nn^arrfp nin» \r}' yifrrja nnin^ ion rb nirr rmi n^K ib^nm hn-nx TV3 npn ^

•)t jt : I •• • - t^ av •• v t - t • : j • : - v ^- lt; I - • -

nhquot; ^quot;13 'ayrVx b^sn nnoxni : n n^ni ?inn ^

t : i quot;* t • '▼.it v • t- t - 11quot; v jquot; ' i v, t 1quot;

0- nyn Sai, en at het aanwezige volk.

11- 'n JjT enz. Waarschijnlijk een soort huwelijksdicht, met zegen-wcnschen voor den bruidegom, — en bij de offi.cieele definitieve bekrachtiging van een voorgenomen huwelijk. — Sn ni'ïi, maak kracht = breng zonen voort; hier niet; verwerf n vermogen, maar parallel van Dü Nipi, en noem een naam = moge uw naam, door uwe nakomelingschap, beroemd worden.

12. Pérets' huis, waartoe ook Bo'az behoorde, stond reeds vroeg in hoog aanzien. — Nachshon was stamvorst van Juda en zijne zuster de echt-genoote van den hoogepriester Aharon.

14. ^XJIi een losser, iemand die, als uw nakomeling geldende, uw geslacht, dat van uwen man namelijk, zal voortzetten.

ocr page 388

no

-irmn niSsn

.ruBTi rnnac bzh

O E, 3D E

deb

OCHTENDGEBEDEN

vooe den

SHABBATH.

Opnieuw in bet Nederlandsoh vertaald en van verklarende aanteekeningen voorzien

door

j. vbedenburg,

Leeraar aan het Beth Hamidrash te Amsterdam.

Amsterdam, J. L. JOACHIMSTHAL.

ocr page 389

n»m ; x-ipn Dvn -n1? n^n nh ivx™

^ tlt;t^: iquot; t : • ; v, J jquot;i tquot; : «s - v,quot; l-)t r _; • J v -:

-]nnriK-i^K Tjnb? ^ Tjn^-nN VabD'pi irsi ywnb ^

npni : Q^3 ~6 hdid x^n-i^s4 ^^^n, ïb

:y^T 'quot; •quot; '•t. lit= • • |t = t j ■. •■• , ■ t: ivgt; mxiprn : hjös4? ly^nrii np;n3 inn^ni n^n-nN11

Nin liny loty n:Nquot;ipni p-n-j» iDN^ W ni:3irn

j . t cv| ^ • - f\' '▼;it : v.quot; ~ *•. quot; •• ,»••;-

t-IK n^in pa pé nnbin : nn ^s4 ^

-»• i •.\v i vt j: .' v •• : i ^t J- -: v~ • •* ~ï

: yivny-ïM* Tbin nn qïtin Tbin rnvni : rnvn ^

^ itt r^- V J- {x: t -quot; I : v ; I i : v

riaV^i: noVsrnN i^in n^nai ïit^nrnK n^in hnrsri3

I : - : ,TV quot; v J' I v. : quot; : ' : quot; v j- tt : ^3

TIK -rbin TSIH r^ni r^-nx T}in =

: TirnK T^m

die u heden niet een losser heeft onthouden; en moge zijn

15 naam genoemd blijven worden onder Israël. En hij moge u zijn tot verkwikker der ziel en om te verzorgen uwe grijsheid; want uwe schoondochter, die u zoo groole liefde heeft betoond, heeft hem ter wereld gebracht, die u beter is

10 dan zeven zonen.quot; En Na'omie nam het kind en legde het

17 aan haren boezem en werd hem tot verzorgster. En de buurvrouwen noemden hem een naam, zeggende : „Er is een zoon geboren aan Na'omiequot; ; en zij noemden zijn naam 'Obéd, deze

18 is de vader van Jishai, den vader van David. En dit zijn de nakomelingen van Pérets; férets bracht Chetsron voort.

19 En Chetsron bracht Ram voort, en Ram bracht 'Amienadab

20 voort. En 'Amienadab bracht Nachshon voort en Nachshon

21 bracht Salma voort. En Salmon bracht Bo'az voort en Bo'az

22 bracht 'Obéd voort. En 'Obéd bracht Jishai voort en Jishai bracht David voort.

15. Vele zonen, een steun des ouderdoms en de menschelijke zekerheid voor het vooribestaan der familie, zijn een zegen. Maar meer is voor u nog ook maar één zoon van uwe brave schoondochter.

18. Waarschijnlijk zijn in het register tal van schakels uitgelaten; men geel't slechts tien geslachten op, — voor het verblijf in Egypte vinden wij Pérets eu Chetsron, die naar Gen. 46,12 mede naar Egypte was gekomen, en Ram, 'Amienadab en Nachshon; dit verblijf op 210 jaar gesteld, zou dit gaan. Van Nachshon tot Bo'az echter zou slechts eén geslacht zijn tot een tijd, die ten minste 2'/2 eeuw van den uittocht uit Egypte alligt, wat natuurlijk niet gaat; tusschen de komst in Palaestiniï en Davids geboorte immers liggen 366 jaar.

ocr page 390

i OCHTEND-GEBED.

Aan den ingang der Synagoge zegt men;

Ik, — door Uwe overgrocte genade kom ik in Uw huis, ik werp mij neder voor Uwen heiligen tempel in vreeze voor U.

Bij het binnenkomen zegt men:

Het huis Gods betreden wij met eerbiedigen schroom.

Nadat men de Synagoge is binnengegaan, zegt men;

Hoe schoon zijn uwe tenten, Jakob ! uwe woningen, Israël! Ik, — door Uwe overgroole genade kom ik in Uw huis, ik werp mij neder voor Uwen heiligen tempel in vreeze voor U. O Eeuwige ! ik bemin den zetel van Uw huis en de plaats van het verblijf Uwer heerlijkheid! Ik, — ik wil mij nederwerpen en knielen, ik wil de knie buigen voor den Eeuwige, mijnen Maker! Ik, — moge mijn gebed tot U, o Eeuwige, komen in een tijd van welgevallen; o God, in Uwe overgroote genade, verhoor mij met Uw waarachtig heil!

Vóór het ochtendgebed wordt nog het volgende gezegd:

Ik roep ü aan, want Gij verhoort mij, o Godl neig Uw oor tot mij, hoor mijn spreken. Ik — In gerechtigheid aanschouw ik Uw aangezicht; ik wil mij bij het ontwaken verzadigen aan Uwe verschijning! Ik —op U vertrouw ik, o Eeuwige; ik zeg: mijn God zijt Gij 1 Hoor het geluid mijner smeeking, wanneer ik tot U schrei, wanneer ik mijne handen ophef naar het binnenste van Uw heiligdom! Eeuwige, mijn God, ik schrei tot U en Gij geneest mij. Tot Ü, o Eeuwige, roep ik, en den Heere smeek ik. I)oe Uw aangezicht lichten over Üwen dienaar, help mij door Uwe genade 1 Want op U, o Eeuwige, hoop ik; Gij, Gij zult verhoeren, Heere, mijn Godl Hoor toch mijn gebed, o Eeuwige, luister naar mijn schreien, zwijg toch niet bij mijne tranen. Hoor, o Eeuwige, eh wees'mij genadig. Eeuwige! wees Gij mij tot helper.

■Lied Hamma'aloth van David. Ik verheug mij, wanneer men mij ie^t: laat ons gaan naar het huis des Eeuwigen I Ik verblijd mij met Uw gezegde, gelijk iemand, die grooten buit vindt. Luister naar het geluid mijner smeeking, mijn Koning en mijn God, want tot U bid ik. Eeuwige! des morgens moogt Gij mijn stemme hooren; des morgens, als ik voor U offers orden, — en naar 'ü uitzie. Ik roep U aan, want Gij verhoort mij, o God I neig Uw oor tot mij, hoor mijn spreken 1 Mijn voet staat op vlakken bodem, in volksverzamelingen loof ik den Eeuwige.

Verheerlijkt worde God, d'Allevende, hoog worde Hij geprezen,

Die absoluut bestaat, en Wiens bestaan geen tijd tot maatstaf heeft;

Die eenig is, geen eenheid is gelijk de Zijne;

Voor menschengeest verborgen, is Zijn grenslooz' eenigheid.

Hij heeft geen lichaamsvorm, is onlichaamlijk Wezen,

Geen nog zoo krachtig woord beschrijft Zijn heiligheid!

Voorafgaand aan 't Heelal, uit niets door Hem geschapen,

Was Hij de eerste, aan Zijn bestaan ging niets vooraf.

ocr page 391

mnty n^sn quot;no k

/3quot;3.12 nirpa tsp» nncn noaan rpzh Dtip

•' Wlhï ^ K3K fj'ipn ana ^KI

IKsquot;1! JVfla iS' TNl

: t^jia Tjbnj o^ri1?^ n^a

i»Nquot;i nojon JTO1? Djycs

^pn aha : bK-iip» ^riaa^p ap^. ^Snx lassTio ^HK » ; ^jnNTa ^f-ipT ba^n bx ninn^K ?|n»a xax

: ^i'aa |a^p Dipai ^n^a p^p DTftit fixn n^ ♦♦ ^ ♦nban : wy « nsna^ : nüKa ^pn ana

pis? J wpN paif' ^ ?];w tan 13 ïprisoi? VJ?

^IP* Z: ^na? yet! : ^niiQi^ ppro n^arN Tj^a V: '- ^lp, ^ n; wj? ^Sk yuqn Sip ': nrw

nT^Cl ! *»?) ^p?? V: T,^ : ^fsTF1! ^S.N* ww? 'rpK

^nin ^ ?)^ ••a : ?)^pn? ?j^3£ bg

VW - Sk ^pi b$ nm wtfi ^ ^ri^ nyav : rf# '- 'S in'y n^n « y:ni quot;

.. ^ ..... T: .,..T . y..

bg viK iev : r[Sj v» jts ■h nnpw? inS ni^an ^ 'O^NI ^?1?» ^■p ns^pn : an SStf xslo? ^nnajs

: nsj»?] ^ r)i^ 1^3 iStp j/arn ips \\ : SSsnx ^Sx i^o? nnp^ : ij-inoN' yof ^ an Sjc 'J^n ^ ^asnp : v; 113?? aanpas

: iniN^vo VK n# p^i NÏO: • nan^n 'n Vnr

•* innnxV c]1D DJI D^: * innp I'it pxi nn«

infip vVK -jin^; N1? • i:w «jian ma-r 6 px

; n^N-i p^-i • «na; ivx nar^aV p'anp

ocr page 392

OCHTEND-GEBED.

«Ziedaar den Heer van 't Alquot;; met luider stem verkondigt Al, wat geschapen werd, Zijn groote koningsmacht.

Hij gaf profetengeest, den straal van Zijn genade. Den mannen, die Hij Zich tot roem en eer verkoor.

Doch onder Israel's stam wordt geen profeet gevonden, Die Mozes evenaart, aanschouwend Zijnen troon !

De leer der waarheid heeft Hij ons. Zijn volk, geschonken. Door Mozes, Zijn profeet, vertrouwd in gansch Zijn huis! God ruilt Zijn wet niet in, verandert geen bepaling, In verste toekomst blijft onwrikbaar nog Zijn woord! Alziende, kent Hij ook ons diep verborgen denken.

Ziet van den eersten kiem het eind van elke zaak!

Naar ieders werken schenkt Hij 't loon van Zijn genade, Bestraft den booswicht ook voor 'tgeen hij heeft misdaan. Hij zal op zijnen tijd ons den gezalfde zenden,

Die elk bevrijden zal, die Zijne hulp verbeidt!

De dooden doet God eens door Zijne gunst herleven!

Zijn naam, zoo roemrijk, zij in eeuwigheid geloofd!

O Wereldbestuurder, die koningsmacht kendet.

Voordat een gewrocht uit het niets was ontstaan, —

Toen plots door Uw willen het al was geschapen,

Werdt Gij als Almachtig Beheerscher erkend !

En mocht eens de Schepping geheel weer verdwijnen,

Ook dan zal gevreesd nog Uw koningswoord zijn!

Toen niets was, bestond Hij, Hij is in het heden.

Zal eeuwig bestaan in Zijn stralenden glans.

Zijn wezen is eenig, geen tweed' is te vinden.

Met Hem te vergelijken of naast Hem geplaatst!

In tijd niet begonnen, geen einde bestaanbaar,

Bij Hem slechts is macht en berust heerschappij !

Slechts Hij is mijn God, mijn Verlosser, Allevend!

Is Rots in mijn lijden, in tijden van nood !

Banier is mij God, is mij veilige toevlucht.

Mijn deel aan den kelk !), op den dag, dat ik roep.

Ik leg in Zijn handen mijn geest met vertrouwen.

Wanneer ik te slapen mij leg en ontwaak;

Doch niet slechts mijn geest, ook mijn stof'lijk omhulsel!

Is God slechts mijn steun, zie, dan vrees ik niet meer!

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt, de handen te wasschên.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die den mensch met wijsheid hebt gevormd en aan hem verscheidene openingen en holle organen geschapen hebt. Het is openbaar

2

ocr page 393

inüböi mbna nii»

iniKfini invOD inaiön-nK wii in»| fDKJ i«^j t-1?^ in^T1? D^iyquot;? inn lna^3 lai tjlD1? E3»3ö m^-ja v*i yv-h jn-jj fp. ^nüni-isb inbnri di^ njrn^ ^na

rhzn a

™-bï) - ubty piK lan

un: inKia: quot;i^ n^Q3 Dj5 xb

' ^ quot;iö^1? fn: nüK m_in

unno nöiï

* non wxh Vöia un^D pp» ^1? rhw\

* npn aia ^ n^n» d^dd


•^SD -IK'Nt • DVir pIM ^3 ivfira n'^j nyb

Ssn nib33 nntsi nin xmi n»n Nini

; t t :

^ |w -inN stm'i n^3n ^3 n^K-i ^3 ^K-I ♦ni ♦SK Kinquot;! quot;h Di:ai ^p; Kini ♦nn TpöM ITS ♦rvu 'nii D^)

vniyps utf-p -gt;m thyn ^ irri^ quot; nrix ^ : Dn» n^üj by

* «tt - • : it • :

D-JKH nN nv: a^i^n ^So wrbtlt; « nnx ^

gt;033 yv b2 aquot;l[23

iDtp -jbü ♦TK

TjlSp» I-DS nnxsna n*n» Kim n^annV ib'^onb nifsni tyn h) nnï njD tiïi di»| »pü n:ö nT^Ki n^a NTK ♦S «

^ o^n D»3pa D»3pj 13 K-)31 nD3nT3

hoTif y.f^o^S' ^®'5, waar de dichter God noemt: zijn aandeel in grondbezit en levensvreugde; vgl. daarmede Num. 18,20 en Deut. 18,2.

ocr page 394

3 OCHTEND-GEBED.

en bekend voor den troon Uwer heerlijkheid, dat indien een van hen geopend of verstopt zou worden, het niet mogelijk zou zijn te bestaan of in het leven te blijven vóór Uw aangezicht. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die alle vleeseh geneest en wonderbaarlijk handelt.

(In vele gemeenten, o. a. te Amsterdam, leest men hier: Mijn God! enz. (zie hieronden terwijl de lofzegginqen over de heilige Leer gezegd worden vóór de af deelingen betredende het dagelijksch offer, hlz. 6).

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die on8 door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt, ons met de woorden der heilige Leer bezig te houden; doe toch. Eeuwige, onze God, de woorden Uwer Leer aangenaam zijn in onzen mond en in den mond van Uw volk, het huis Israel's, zoodat wij en onze afstammelingen en de afstammelingen van Uw volk, het huis Israel's, wij allen worden kenners van Uwen naam en beoefenaars van Uwe Leer (ter wille van haarzelve); geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de heilige Leer aan Uw volk Israël hebt onderwezen. G. z. G., E. o. G. K. d. w. die ons uitverkoren hebt boven alle volkeren en ons Uwe Leer hebt gegeven; g. z. G. E. die de heilige Leer gegeven hebt.

fZij, die de lofzeggingen over de Leer hier uitspreken,

laten daarop nog dit volgen:)

De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede. Dit zijn verplichtingen, waarvoor geene bepaalde maat is voorgeschreven: de hoek (van het veld, waarvan een niet vast bepaald gedeelte bij het maaien voor de armen moest staanblijven'), en de eerstelingen der boomvruchten 2), (die naar Jerusalem werden gebracht) en het brandoffer bij het verschijnen in den tempel bij gelegenheid der drie feesten ■'') en de verrichting van liefdewerken door persoonlijke daden en de beoelening der heilige Leer4). Dit zijn zaken, waarvan de mensch de vruchten geniet in deze wereld, terwijl de hoofdsom hem blijft voor de toekomstige wereld5). De volgenden zijn het: eerbied voor vader en moeder, en verrichten van liefdewerken en tijdig bezoek van het leerhuis des morgens en des avonds, en gastvrijheid tegenover vreemdelingen, en bezoeten van zieken, en het verschaffen van uitrusting aan Druïden, en het begeleiden van lijken, en diepe aandacht bij het gebed, en het stichten van vrede tusschen den mensch en zijn naaste, doch beoefening der Leer weegt tegen hen allen op.

Mijn God ! de ziel, die Gij in mij geplaatst hebt, is rein; Gij hebt haar geschapen, Gij hebt haar gevormd. Gij hebt haar mij ingeblazen, en Gij bewaart haar in mijn binnenste ; en Gij zult haar mij eenmaal ontnemen, doch haar ook weêr in de verre toekomst in mij doen terugkeeren. Zoolang dus de ziel in mijn binnenste is, dank ik U, Eeuwige, mijn God en God mijner Voorouders, Meester over alle werken, Heer van alle zielen! Geloofd zy' Gij, Eeuwige, die zieleu doet terugkeeren in gestorven lichamen!

\ ygf Lev. 22,22 e.a.p. 2) Vgl. Deut. 26,2. 3) Vgl. Deut. 16,16 e.a.p.

vgl. Josua 1,8.

ocr page 395

rvw nbsn a

nnKDnD^ IN DHÖ im nnö^ ïjiim KM ^ITI

T V quot; T * V *• T V quot; l»* T * * •* | IV ï • 'T.

köii « r\m Tjini * ^20^ quot;110^1 D^nn1? ^ dhö : m^1? -i^3_l?3

.nstJj 'nb» }!0 jiVnrm oiistynsa QJI mSnp naina

vm vniypa obiyn irn'Sx « nnw Tpa

nirnN irribN « «rmyni * min nana pi^1?

». : • v !•• v: *: t •quot; : t ••:•;» :

irNïKVi. uniN n^n:1). bNTt^ n»? ^I2p 1^3 n'3 ?]D^ («^p «spi)

la^b nnin ns^nn v; nnK rpa * ^ofS) ^n^in noibquot;! ^quot;quot;in? D^n TjbD lyjiVN V nriK ^quot;13 :

: nninn |ni: ♦; nnt? Tpa • innirrnx 1:]? |n:i: D^rrbao

gt; i r 1 ^ quot;':n'33

Dir;i ^ r;s 1« ras 1;;: tx; : ^ ^

anaani nxsn -nw an!? IW ^ '* Dl1?^ ïl1?

SsTn aw ana-] ibx : n-jin mn^ni onpn niS^a^ ^ini OKI 3X 1133 jn ^Ni • «an dSt^S no»p. nm nin dS^s Driving D^miK nprni n^i^i nnrj^ trnian nquot;1? nas^ni onoq rwS'öJi di^ j,3 Dlbtf ntjani p^yi nan nn^ nSa nD»ni o^in upsi ; QS3 1J33 min naSni npnS

t *-. viv: t : - ; * I

nnK nnxna nm sj^n minü ^ nna^ no^ /ribK

T - T T : T - T ; T |- T y T T : T ..

nnNquot;! nna^D nn^; ^ nnna: nm nnnr lar^l : ndV »3 rrinnn'pi ^qü ny^1?

♦rib'N ♦; ^JÖS nniD ♦anpa nö^an^ -innan « nnx Tjna * |i-i« Dn^arrba {isn

: D^no onjö1? moir:

... t : • T ;

5) Men beschouwt 's menschen deugden als een Gode geleend kapitaal, waarvan de mensch op aarde de renten geniet, terwijl in het leven hiernamaals de hoofdsom als het ware wordt teruggegeven.

ocr page 396

OCHTEND-GEBED.

G. z. G. E. o. ft. K. d. w. die den haan inzicht hebt gegeven, om te onderscheiden tusschen dag en nacht,

G. z. G. E. o. Gr. K. d. w. die mij niet tot niet-Israëliet hebt doen worden.

G. z. G. E. o. Gr. K. d. w. die mij niet tot slaaf hebt gemaakt.

G. z. G. E. o. Gr. K. d. w. die mij niet tot vrouw hebt gemaakt.

(De vrouwen zeggen: G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij naar Uwen wil gemaakt hebt).

G. z. G. E. o. Gr. K. d. w. die blinden de oogen opent.

G. z. G. E. o. Gr. K. d. w. die naakten kleedt.

G. z. G. E. o. Gr. K. d. w. die geboeiden losmaakt.

G. z. G. E. o. Gr. K. d. w. die gebukten opricht.

G. z. G. E. o. Gr. K. d. w. die de aarde hebt uitgespannen over de wateren.

G. z, G. E. o. G. K. d. w. die voor mij al mijne benoodigd-heden gemaakt hebt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die de schreden van den man vast doet zijn.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die Israël met mannenkracht omgordt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die Israël kroont met luister.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die den vermoeide kracht geeft.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die verwijdert den slaap van mijne oogen en de sluimering van mijne oogleden; en het zij U welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, ons geoefend te doen zijn in Uwe leer; en doe ons gehecht zijn aan Uwe geboden en doe ons niet komen tot zonde, noch tot overtreding en misdaad, noch in verzoeking, noch tot verachting; doe de kwade neiging niet heerschen over ons en verwijder ons van slechte menschen en slechte metgezellen, doch doe ons gehecht zijn aan de goede neiging en goede handelingen, en buig onzen hartstocht, zoodat hij zich aan U onderwerpt; en laat ons heden en eiken dag geraken tot gunst en genade en barmhartigheid in Uwe oogen en in de oogen van al, die ons zien, en bewijs ons goede weldaden. G. z. G. E. die goede weldaden bewijst aan Uw volk Israël.

4

ocr page 397

rm? nVsn -i

|w 1^« obi^n -jbö wflbN « nm ^3 : nVV pni dv pa pnan'? : nsa ^ oVipn tiVo wrfrK « nntt quot;n^a

• : t * i- t v t t i v iv iquot; v: *: t - | t

: izv wy obiyn Tibo irnbK « nnx Tina

vnr • 1- t v t t i v iv iquot; v: ▼; t - ) t

: ni^K Kbty Dbi^n •nbo lyribn M nnK Tina

t • 1- t v t t i v iv iquot; v: *: t - | t

c üis-p nSij?n :i3,nL'N V. ^ l1quot;1? nnnix cori)

; oniy npiis D^i^n wpbK « nnx ^quot;13 : D^i^n » nriK ^113

: oniDK rm D^i^n irn^K « nrw : D^aias ^IT D^I^H -j^o irnbK « nriK rps : D^sn-bjr pxn Dbij^n « nnK Tps

: ^ nbi^n rbü irribx « nm Tira

• :t t • t itv t t |v iv iquot; v: ▼: t - | t

: quot;Drntfïö r^n D^i^n irnbK « nnt? ^113

vit :•!••• v -: t ^ t )v iv iquot; v: ▼: r - l r

: nii3J3 1T1K D^iyn irnbK « nnx r\i3

t : • •• t; • •• t t |v iv i** ^*; ■*: t - | t

: nquot;)Nön3 obi^n irriSx ♦♦ nn«

tt : • : •• t : • •• t | v iv iquot; v: ▼: t - | t

: ni |ni3n d^i^h « nriN

'i^o n^Dn DVI^H rjbo lyribK « nnK ^113 ♦riVNi irn^K « nawni

N1? VNI rnvDi up3-n ^min3 iwisk

iquot; • : - : I iv ; • ; 11quot;; -; I iv t ; iquot; • : - v iquot; -j

fin3n;V üb) jvo; nb) p^. n;b t6); «pn pi n3nöi cmo up^mni wa-ü^n VNI

~ .. t .. ^ t t •• 11quot; * ; ~ : ~ t viquot; it v ; - - :

«]131 D*31B 0^031 31i3n quot;1^3 1^3*11 dwiVI ipnSi jnb DVV331 D^n iwni

nnx -rjiis * D»3it3 Dnon liboini ^2^3 : isrb D*3it3 onon bm M

.. t ; • ^- ; • • t -: •• ▼:

ocr page 398

OCHTEND-GEBED.

Het zij welgevallig voor ü, Eeuwige, mijn God en God mijner ■voorouders, mij heden en eiken dag te behoeden voor onbe-schaamden en onbeschaamdheid, voor slechte menschen, en slecht gezelschap, en voor een slechten buur en voor noodlottig toeval en verderfelijk hindernis, voor een strenge rechtspraak en eene harde tegenpartij, hetzij hij tot het verbond *) behoore of niet.

Steeds zij de mensch godvreezend in het geheim ') en bekenne de ■waarheid en spreke de waarheid in zijn hart (binnenste); hij sta vroeg op en zegge;

Meester over alle werelden!s) Niet [in vertrouwen] op onze verdiensten storten wij onze smeekingen voor U uit, maar [steunende] op Uwe groote barmhartigheid! Wat toch zijn wij, wat is ons leven, wat onze gunst, wat onze rechtvaardigheid, wat onze hulp, wat onze kracht, wat onze sterkte? Wat zullen wij voor U zeggen. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders? Zijn voor ü niet alle helden als niets, en de mannen van naam, als Jhadden zij nooit bestaan, en wijzen als zonder kennis, en verstan-«digen als zonder oordeel? Want hunne nog zoo talrijke handelingen — niets zijn zij; de dagen huns levens, ijdel zijn zij voor U; ook dat, waardoor de mensch boven het vee verheven is, is niets — want alles is ijdelheid.

Voorwaar, wij zijn Uw volk, de zonen van Uw verbond, de kinderen van Abraham, die U lief had, dien Gij op den berg Moria hebt toegezworen; het kroost van Izak, zijn éénigen zoon, die gebonden werd op het altaar; de gemeente van Jakob, uwen eerstgeboren zoon, wiens naam Gij wegens uwe liefde, die gij hem toedroegt, en wegens de vreugde, waarmede Gij U over hem verblijddet, Israël en Jeshoeroen genoemd hebt.

Daarom zijn wij verplicht ü te danken en U te loven en U te roemen, en Uwen naam te zegenen en te heiligen en lof en dank te brengen aan Uwen naam. Heil ons! hoe voortreffelijk is ons deel, en hoe liefelijk ons lot en hoe schoon is onze erfenis ! Heil ons! dat wij des morgens vroeg en des avonds Iaat Ons opmaken en tweemalen eiken dag zeggen:

Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is éénig!

0|

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig!

■) Door God met Israël gesloten. ') Ook al kan hij in het openbaar wegens vervolging niet al zijne plichten vervullen. 3) De uitdrukking dSijj, in het meervoud gebezigd, doelt meestal op de beide werelden, duze en de toekomstige.

ocr page 399

rvw nbön n

-bsni di»n ♦niax ♦ribxi flbK \\ fiabü jiri ♦n» ri quot;innöi ^-i dinü D^a m-^oi a^a n^o ai» b^api |np rmBton vi vi |?^oi : nnrfa 13^ j^i nna-fa Kin^ pa |n

rni'DI I^D? D'O^ NT. a-JN* NT CdS^V : noj«'i D3^:i ina1?? n??? naii] n^n-S^

minn D^SÜ unaM irnpnvV^ N1? pan

wn no ^n:K nö • dot ^onn bj? ^ ^aS wmiarnQ wnrn» un^'-na upnrnD mon nö

,.. t ; - !•• - iquot; *t ; - li**:' - !••: -

Dniasn-bs xbn wnm 'rrbxi irnbx « n^aV noKrnö

• - t -: iquot; -: •• quot; iquot; v: ▼: | ivt :

d^üji yip ^03 D^pDni vn xhz D^n ^aab 1^3 * ïj^a1? bnn nn^n w\ inn Dn^o 21 rs ^baa : ban ban ^a nonan-p Dnxn nniDi

v it - • i * it t •• : - i • t t t

nya^t? ^jantt onnaK ria • ^nna ^a umx ba» narsn arb^ n^3^ inrr pn^ ^nT * nnan nna ib ^nnp^pi inn nanx^ ^nanxa^ ^iaa ^:a ap^ nn^; : nnah bKnt^ lötr-nK nxnp ia nna'^

i \ • quot;tl' : v t it it t : i- t v

-j-iabi ^xabi ^natrbi ^b nininb D^n ijnpK ^ab aits-na irnirK : noirb nnim nairnnbi rnpbi

iquot;: - » iv; t t ; ' iv vit ; ••!quot; :

mm unuh» na^noi ubma D^rnoi i:pbn

; r-: v r*; - i-t •..: t t r» t t - liquot;; v

□vbaa D^o^a onoixi npai an^. D^an^pi D,ö,at!'ö

: -ro 1quot; ijtïSK ^ hsrW vziï

it v -t: v v: ^t: a*» t; • w :

.nunsn pnöii D^npnon j njn obi^b iniaba maa -jina vrhi

ocr page 400

OCHTEND-GEBED.

Gij waart dezelfde, toen de wereld nog niet was geschapen; Gij zijt dezelfde, nadat de wereld geschapen is; Gij zijt dezelfde in deze wereld, en Gij zijt dezelfde in de toekomstige wereld ! Heilig Uwen naam over hen, die Uwen naam als heilig erkennen, en heilig Uwen naam in Uwe wereld en door Uwe hulp worde onze horen ^ hoog en verheven. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwen naam heiligt in het openbaar.

Gij zijt de Eeuwige, onze God, in den hemel en op aarde en in de hoogste hoogten der hemelen! Het is waar! Gij zijt de eerste en Gij zijt de laatste 2) en buiten U is geen God. Verzamel hen, die op U hopen, van de vier hoeken der aarde, opdat erkennen en weten alle wereldbewoners, dat Gij alleen God zijt over alle koninkrijken der aarde! Gij hebt gemaakt hemel en aarde, de zee en al wat in die allen is; en wie is er onder het gansche werk Uwer handen, onder de hoogere en onder de lagere wezens, die tot U zou zeggen: „Wat doet Gij ?quot; Onze Vader, die in den hemel zijt! bewijs ons genade terwille van Uwen

frooien naam, die over ons genoemd is; en bevestig voor ons, leuwige, onze God, hetgeen geschreven is: In dien tijd zal Ik u brengen, en in dien tijd verzamel Ik u; want Ik maak u tot roem en lof bij alle volkeren der aarde, wanneer Ik uwe ballingen terugvoer voor uwe oogen, zegt de Eeuwige.rooien naam, die over ons genoemd is; en bevestig voor ons, leuwige, onze God, hetgeen geschreven is: In dien tijd zal Ik u brengen, en in dien tijd verzamel Ik u; want Ik maak u tot roem en lof bij alle volkeren der aarde, wanneer Ik uwe ballingen terugvoer voor uwe oogen, zegt de Eeuwige.

fin vele gemeenten worden Mer de lofzeggingen over de heilige Leer uitgesproken, zie blz. 3).

Ex. 30,17—21. De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Gij zult maken een waschbekken van koper en zijn onderstel van koper, om zich te wasschen; en gij zult het plaatsen tusschen de tent der samenkomst en het [koperen] altaar, en er water in doen. En Aharon en zijne zonen zullen zich daaruit hunne handen en voeten wasschen. Wanneer zij namelijk in de tent der samenkomst gaan willen, zullen zij ze met water wasschen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij naderen willen tot het altaar om dienst te doen, om een vuuroffer in rook te doen opgaan voor den Eeuwige. Dan zullen zij hunne handen en hunne voeten wasschen, opdat zij niet sterven; dit zal hun zijn tot eene eeuwige wet, voor hem en voor zijn kroost, voor hunne geslachten.

6

Lev. 6,3—5. De priester zal [des morgens] zijne linnen kleeding aantrekken en een linnen broek aantrekken op zijn bloot lichaam en eene heffing nemen van de asch, tot welke het vuur het brandoffer op het altaar zal hebben verteerd, en die leggen naast het altaar. Hij zal zijne kleederen uittrekken en zich met andere kleederen kleeden, wanneer hij de asch wegbrengt buiten het leger naar eene reine plaats.

') Als zinnebeeld van macht. s) Vóór al het bestaande, waart Gij, en als eens niets van het geschapene meer zal zijn, zult Gij nog bestaan.

ocr page 401

rvw nVan i

oVi^n Kin nntt «-12: amp;amp; -ty «in

t t t ; • v • t- t t ti' v ^ t-

trip K3n Kin nnNi mn DVIJTS Kin nnw

••iquot; t- t t t * : t t t-

?|n^i^^i ^B'-nN vip) ?]ü^ ^npü bv_ : ^ö^'nN « nriK -pa • ui-ip nsini Diin D^ö^n ^ü^ni rnt^ni D^Ö^S « xm nnx

• 1- t - •• : • I v it t • i- t - !•• v: ▼: t -

|iquot;inN Kin nriNi ji^ Kin nriK nüK * D^i^n pan nifl:3 ^anKo ^ip pp • |»K ^n^bapi D^nbKn xin-nnK »3 ^k|-S| ijrn ii^» n^n-nKi D.^K'n-nK n^jr nnK * p«n ni^boo Vd^ D^i^a n^D-^3 'Di * D3 n^K'brnKi D»n-nK

i3»3x * nfe^rrna -IDK^ D^innnn IK uV'Djpi irb^ K^p^ Snsn ïjütf 113^5 npn my riv% ♦ïap n^ai DDHK K^K K^nn n^a ninstrnD U^K «

• : i - t v ; v • t • - i't tv - iquot; v: ▼:

♦ait?3 pKn 'iï# Sba nVnnbi d^ dshk jriK-^ D?nK : quot; quot;IDK D^niat^-nK

•nmnn nana 1« qiibin fiiSnp naina

r , . 'h ni»w

1351 ntfm quot;ii»3 nv^i: : ioK? n^ö-bK nr\\ nsn^i. nsran r3i n^iü bnK-ps ihK nnii n^mb ntiru

' •*quot; quot; v « i iquot; ■'t - it : at : t : v ^ ;

-nKi Dn'T-nK 1300 v:3i pnK ivmi : d^o not^ nnji IK ino» K^i D'ö-iïn-i» nyiö VnK-'i'K DK33 : on^i

■' H-.T ■quot; : n- -: :• •■• J v : iv ■• : -

onn» lïmi; nin^ n^K yuprh n3Tön-l7K on^n

j. • : .) -: it: it i- • r i: - ; •mr : -...•- ... ct . . .

: Dn'i-i'? lyiTbi lb D^iy-pn on1? nn^m ma» Kbi on^Jii

,T .« ï J quot;iT i t svt t :it : ast -• : v,v

onni vz)* nr^o^üi n? no jrün ^èbi ^ ^

^K lótri n3Tan-^ nb^n-nK i^Kn ^Kn I^K r^nn-nK

• ^ t : - aquot;; • - - ^t it v 4quot; t j~ ^ v -: i v v -

quot;hk K'ïini nnnK anj3 ^3bi in33-nK lj^öi : n3Tan

«• : ft-.. -. j-r : . v.quot; t ; tt : v ^ - ^t - iquot;: • -

: ninü DipO'^K nina'? pno-bx j^nn

ocr page 402

7 OCHTEND-GEBED.

Num. 28,1—8. De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Gebied den kinderen Israels en zeg tot hen: het offer voor Mij, Mijne spijze, voor Mijn vuur, tot een liefelijken geur voor Mij, zult gij in acht nemen voor Mij te brengen op zijnen bepaalden tijd. En gij zult tot hen zeggen: dit is het vuuroffer, dat gij den Eeuwige zult brengen: schapen, in dit jaar geboren, zonder gebrek, eiken dag twee tot gedurig brandoffer. Het eene schaap zult gij bereiden des ochtends, en het tweede schaap zult gij bereiden tusschen de beide avonden. En een tiende van een Epha ^ meelbloem tot meeloffer, aangemengd met een vierde Hin 1j gestoolen [olijf-]olie. Een gedurig brandofifèr, gelijk het bereid werd bij den berg Sinai, tot een liefelijken geur, als vuuroffer voor den Eeuwige. En zijn plengoffer: een vierde van een Hin [wijn] voor elk schaap, in het heiligdom uit te gieten tot wijnplengoffer voor den Eeuwige. En het tweede schaap zult gij bereiden tusschen de beide avonden, gelijk het meeloffer des morgens en zijn plengoffer zult gij bereiden, een vuuroffer, tot liefelijken geur voor den Eeuwige.

Lev. 1,11. En hij zal het slachten ter zijde van het altaar, ten noorden, vóór den Eeuwige; en de zonen van Aharon, de priesters, zullen zijn bloed sprengen op het aldaar rondom.

Gij zijt de Eeuwige, onze God, voor Wien onze voorouders het reukwerk van specerijen in rook deden opgaan in het heiligdom, zooals Gij hun geboden hebt door Uwen profeet Mozes; zoo toch staat geschreven in Uwe Leer:

Ex. 30,34. De Eeuwige zeide tot Mozes: neem u specerijen, als: welriekende hars, en zeenagel en galbauum; dergelijke specerijen en zuiveren wierook; in geheel gelijke deelen zal het zijn. Gij zult het maken tot reukwerk, een mengsel, naar de wijze des specerij mengers, goed dooreengemengd, zuiver, tot een heiligdom. Gij zult daarvan tot fijn poeder stooten en daarvan leggen vóór het getuigenis in de tent der samenkomst, waar Ik u op bepaalden tijd verschijnen zal; heiligdom der heiligdommen zal het u zijn. — (Ex. 30,7 en 8). En er is gezegd : Aharon zal daarop reukwerk van specerijen in rook doen opgaan; eiken morgen, wanneer hij de lampen reinigt, zal hij het ontsteken. En wanneer Aharon de lampen aansteekt, tusschen de beide avonden, zal hij het ontsteken; een gedurig reukwerk vóór den Eeuwige, bij uwe nageslachten.

Onze leeraren hebben geleerd: 3) De samenstelling van het reukwerk: balsem, zeenagel, galbanum en wierook ieder tot een gewicht van 70 Mané 4). Mirre en kassia, nalm-dunne nardus en saffraan, ieder tot een gewicht

1

) Gewone inleidingsformule voor eene bepaling uit oude Boraitha s.

ocr page 403

mntp nbön T

, . . nquot;3 lynsa

rnpw iï : iDN? nf ö-7K niiT quot;lann

npirn ♦rin»: nn ^kS ^ónS dh^n

isnpn ivK nibtn nt Dn1? mm) : n^ioa ^ nnpnb

vl: quot; jquot; -; v • it vlt; vt -t : - it : i . i : rl: - :

■HN : n»on nV^ Dl*1? aonan 0^33 mrrb

1* t ^ jt ^quot; 'j'-\: y ' : stt iquot; ; t : at i-

ra n'^n rnan nxi n'^n inx t^aan

I j- v,quot; • iquot; • •• - v -••.• - •• : |v rt - Jv r v v r.* -

n^na ïD^a n^iba nnjoquot;? nbb' ns^n nnn^n : D^ai^n

v* t i v jv : 4t : at : • : ^ v v. -jt •• it s' * -iquot; * it . it

n^Khn»: nn1? ♦i^D nna n^ nTon : rnn n^an

vv • - •--••: - • j- : t ^: it a- t ^ ir- :

TiDJ 'non B'ipa inxn '^aaS rnn njran laoji : nin^

iV r.quot; - VI - at v it V^V^- i • - quot;j* • ; ; * : it i-

nmoa D^anyn ra n'^n ^ijti i^aan rw : nin^1? -idi^

- : • ; 'at : it i -••• vquot; •quot;•*quot; ' quot; • «t r vt quot;

: nin*1? nn^ nn n^K n%n laDjai quot;ipan

^ it r quot; v ' quot; jquot; 4quot; • v 1- : • ; ^ i v lt; -

ipquot;in nin» ^a1? n^bï narnn -p bjr inK tant^i '«^

I ;it: at :•*••: * t ^ r f vjv *5- -y quot; t9:

: a^D naran-1?^ iD-r-nx mnan rnnw ^a

r t - vquot;: * quot; ■) quot;t v s* -; 1 - I -: 1- •• ;

iT1??' {op D^n wjilajf -irnS^ y sin nn#

: ?innln? ami? nf D T-SJ? nnix ms • Djp

T'1? 'h r))au

ntebn) nbhw 1 D^D ^-np n^o-bN nin^

nnép hnfc n^i : n^n» naa na nat njabi d^sd

v i: ^ t t «• ^t : iv ; i* vquot; : j~ at- -«t : v* quot;

pnn naao npn^i : ^np quot;iinta nboa npn n^o npn

i •• t tv • ■jt i; ~ it : v|i j vt *.. : -1 a- r ^ | - ^

nöB' ^i1? lyw n^io ^nxa nn^n ♦jö'? nsóa nnn:i

tat vi : v't* •)•••-; v it lt;•• ; • tv • t -it:

niüp rnn» vVy Tüpni quot;idkji : na1? nnn D^np tfip

. v-• I; I vquot;i- ot t rl; • : - v;v : iv t jv : • v* tIit vij

rin^nai : m^mp» nnan-nx la^^na ipaa ipaa d^öd

. :iquot; : tiv • h- v- • v 4 • iquot; : |v - lv-« - a* -

♦jöS Tün niüp nan^p» D^aiyn ra n'ian-nK nn^

jquot; i • 4- t v j i; tav •!;■ quot;v~ . quot;it i r* 4quot;- v i s-:i-

: Da^n'Tn1? nin*

iv •• 1 ; vt ;

öW ^0 niaVni Ilssni nsr? 'Dia^n mtss • ijst iri ne^ bffio ' Di3quot;)5i: tö. rtyv# Ho • ruo

4) Een Mané, eigenlijk een munt, heeft 100 denaren; de zilveren denar heeft een gewicht van 96 gerstekorrels.

ocr page 404

8 OCHTEND-GEBED.

van 16 mané. Coatus 12 mané, speceriibast drie en kaneel 9 mané. Loog van Carshiena ') 9 kab, wijn van Cyprus drie sea en drie kab, en indien men geen wijn van Cyprus heett, neemt men ouden zeer witten wijn. Zout van Sedom een vierde van een kab, een weinig van het kruid Ma'alé 'Ashan (dat den rook doet opstijgen). Rabbi Nathan zegt: ook een weinig hars van den Jordaan. — Indien men er honig heeft ingedaan, heeft men het ongeschikt gemaakt voor offergebruik; en indien men een van al zijne specerijsoorten er aan laat ontbreken, is men den dood schuldig J). Rabban Shim'on, de zoon van Gamliël, zegt: de balsem is niet anders, dan de hars, die van den balsemstruik afdruipt. — De loog van Carshiena dient om daarmede den zeenagel af te spoelen, opdat deze schoon zij. De wijn van Cyprus dient om daarin den zeenagel te weeken, opdat hjj sterk van geur zal zijn. Hiervoor zoude immers ook urine geschikt zijn? doch men brengt uit eerbied geen urine in het voorhof.

Er is geleerd: Rabbi Nathan zegt: terwijl men [de specerijen] stoot, zegt men: stoot fijn! stoot fijnl omdat het geluid goed is voor de specerijen. Heeft men het op de helft samengesteld, zoo is het geschikt voor het gebruik; op een derde of op een kwart, daaromtrent hebben wij geene overlevering gehoord. In verband hiermede zeide Rabbi Jehuda: dit is de regel: is het in de vereischte verhouding bereid, dan is het ook op de helft voor het gebruik geschikt; heeft men er echter een van de specerijsoorten aan laten ontbreken, dan is men den dood schuldig.

Bar Kappara deelde de volgende bepaling mede: Eenmaal na zestig of zeventig jaren werd van het overgeblevene gebracht eene hoeveelheid, gelijk aan de helft van het reukwerk 1). Nog deelde Bar Kappara mede: zoude men er een kortob 2J honig bij doen, zoo zoude niemand den reuk er van kunnen verdragen; en waarom mengde men er geen honig onder ? omdat de heilige Leer zegt: want alle zuurdeeg en alle honig, daarvan zult gij geen vuuroffer voor den Eeuwige in rook doen opgaan.

De Eeuwige Tsebaoth is met ons, de God Jakob's is ons tot toevlucht, Séla! Eeuwige, Tsebaoth, heil den man, die op U vertrouwt. Eeuwige, help tochl Moge de Koning ons verhooren op den dag, dat wij Hem aanroepen. Gij zijt mij een schuilplaats, voor nood beschermt Gij mij. Gij omringt mij met reddinesjuichen, Séla! Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offer van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden, als in de jaren der oudheid I

Ach, Heer! verlos 't gebonden Israël door de krachtige grootheid van Uw rechterhand ! ...

Verhoor het schreien van Uw volk, bescherm ons, doe ons rein zijn, Eerbiedwekkende! v .,

Behoed als Uwen oogappel, Almachtige 1 hen, die Uw eenheid zoeken te verbreiden; ^ .. ,

Zegen hen, doe rein hen blijven, ontferm U over hen; bewijs hun Dij voortduring Uw welwillende liefde!

Albedwingende, Heilige, leid Uwe gemeente met de volle grootheid Uwer goedertierenheid!

Eenige, Hoogverhevene! Wend U tot Uw volk, die Uwe heiligheid steeds gedenken. ^ ,

Verhoor ons smeeken, luister naar ons geschrei. Gij, die het verDor-gene kent I .... . ,

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig I

1

) Keriethoth 6a en b, vgl. Thalm. Jerus. Joma 4,5.

2

) = l/ci Log, eene zeer kleine hoeveelheid dus, vgl. noot 1 op blz, 7.

ocr page 405

rvw nVön n

'Ttytfn pquot;o|pi tj^pn * naa ^

dxi 'jcri^ i^p.i JcnSn pKp -ppnsip jv. • pap. n^n nj^ns n^ia '3pTri yai'-j n'pnp nSp *p^ pnin nar) n^o f pnsp p; iS pss pa dni 'Kin^-Sa p-yn na? ^ -iöin jru • xin^-Sa nSya H |3T : nri^n 3«ri nyap-bao nn?j npn dni • nSo? Ja-n na nrtria nna ♦ t]üpn ^ ir» nsn now ^03

■rus ia piW ppnsp. p:. * nx: n? 'Ilssn-r^ na p$rr ppV?n p^ -nS p$; o^l 'O «Sqi • raj? .j-tesn

: n'aan ^?a /.quot;intra a^l quot;quot;a V?o -pnn aia^n aa^n pnn now pni^ wnf? new jnj 'si nw kS wbf1? •nntt'? pjjxqS no:?? * vavib na; Sipn^ cw * p^sqS nnr? -nnnoa dx ^S?n n; nnm; 'an nox • uyaf

: nn^o a»n '.n^op-Saa nnx nan hf nxa nn^n niiï ayw*? w ww) nm now jcisp. na ^n aianip na |riü .-rn -i^w ^nsp. na yn nly • pxsnS nan^ ^3n na pan^a p» noSi; ^nnn. ^?a nia^S Sü; onx px ^an Sb? j «S nfjc isaa Tvppn ah Oan-Sa? n^-^a v nnpx nninrf '^so nnx nfx nwas « : nSp apj;; uS aa^a «a/ nwas nsa ,L? lOp nrwi : -uk^ dv? «?J2; ^San n^in 7 : ^a naa ' ^a qWnn nnm^ nma ^ nan^i : nSp yagian a^a ^n yn^n : nwianp. n^ai qSigt;

•rupn ja Nquot;gt;:iro lai nSsn

- nnny n^n Tjrp; hSti ris? ^

pe-'ï-tp • Nnij unoö -ua# ^ njn Sap mv'-ui • anoB» naa? ?]nin' ^in niaj nj imquot;ra • dSm Tan ?jnpns aaqn anno 0553 ïJB'apn • Tjrtnj^ Snj ?j3ia aina ^inpT ppn PT»quot;^ • ?jn^np n^it nj? rjafi nxl n^n;

m'ypa - nioS^njTwnp^D^ Sapun^ ' 1^4 oSiy1? TniaVe nisa up Tjna

ocr page 406

9 OCHTEND-GEBED.

Num. 28,9 en 10. En op den Shabbathdag: twee schapen, onder het jaar, zonder gebrek; en twee tienden meelbloem tot meel-offer, aangemengd met olie, en zijn plengoffer. Dit is het Shabbath-brandoffer op eiken Shabbath, behalve het gedurige brandoffer en zijn plengoffer.

Op het Nieuwemaam/eest zegt mm:

Num. 28,11—15. En op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer brengen voor den Eeuwige: twee jonge stieren, jonge runderen, en één ram, zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En drie tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij iederen stier; en twee tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij den éénen ram. En telkens een tiende meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij elk schaap; een brandoffer tot liefelijken geur, een vuuroffer voor den Eeuwige. En hunne plengoffers: een halve Hien zal zijn bij eiken stier, en een derde van een Hien bij den ram en een vierde van een Hien bij elk schaap, wijn; dit is het Nieuwemaans-brandoffer voor eiken eersten dag der maand voor de maanden van het jaar. En één geitenhok tot zondoffer; behalve het gedurige brandoffer zal het bereid worden en zijn plengoffer.

!) 1. Welke is de plaats [voor de verschillende dienstverrichtingen] der dieroffers? De allerheiligsten 1) worden aan de noordzijde [van het voorhof] geslacht; de stier en de bok van denverzoendag worden geslacht aan de noordzijde, en het opvangen van hun bloed in een voor den tempeldienst gewijd voorwerp geschiedt aan de noordzijde; en hun bloed moet met den vinger gesprengd worden op de plaats tusschen de draagboomen [der verbondsarke] en op het voorhangsel [dat tusschen het heilige en het allerheiligste hing] en op het gouden [reukwerk-] altaar. [Het nalaten van] ééne dezer spattingen houdt de verzoening tegen. Het overblijvende bloed goot men uit aan de westzijde van het voetstuk2) van het altaar, dat buiten [in het voorhof] stond; indien hij het evenwel niet uitgestort heeft, belet dit de verzoening niet. — 2. De [andere] stieren en bokken, die verbrand moeten worden, moeten aan de noordzijde worden geslacht en hun bloed in een voor den dienst gewijd voorwerp aan de noordzijde opgevangen worden; hun bloed moet met den vinger gesprengd worden op het voor-

1

') Tractaat Zebachiem, Hoofdst. V. 3) Brand-, schuld- en zondoffers.

2

) Het altaar in den tempel bestond namelijk uit een voetstuk ter hoogte van één el (tid'') en 32 el lang en breed; daarop stond een tweede prisma-vormig stuk, ter hoogte van 5 el en 30 el lang en breed, en daarop het eigenlijke altaar, drie el hoog en 28 el lang en breed; aan de Vier hoeken van dit bovenste stuk stonden kubussen ter lengte, breedte en hoogte van één el (ninp, horens). Het bovenvlak van het tweede stuk heet mid, omgang, gaanderij.

ocr page 407

nnnty nbön ü

'13 n'^ 12DS3

nVo Dö'pn ni^n bvni

in2^3 r\ïp rhy : 12021 ro^a nh-hz nmo : n3D:i i^ann nVyby

it : • : v.quot; t -

D-nn usrh

b^B' ipr»23 ons nirrb mnpn D^Enn Wniii

• - : i lt;tt iquot; ; • t rtt i- v.t^ J-): - v •• ; t •• t :

nB'^i : Dtrpn DV^3 nnx b^i

nVo »^1 -inxn 131? jDfa nViba nn/p nVo nn:pnVp |i%^ n^i •quot; nnKn |üEonW?anmü : nin^ nw nn^ nnnV^ nnxn iraab nbéa

•t iquot; v.v * - ~ •*quot; t at v ^it ^ v^v- i v v - jt :

n^^-11 pnn né1? n^n; pnn Drt^p:i n^i: na^n ^nnViibTO trin n)gt; nxr I^bos'? pnn : laDJi n't^r n^nn rh'ybv nin^ nKcan1? nnx cmv

i : • : v.v tiquot; .)• t - s-^ at i- v,t - : ot v r*

'n pis D^naT

is |13ï3 tnü^nf D^npT ,^npT D'nnrV^ jaipp n jon biapi |13ï3 \nwp,v aniaan DVbp i^i nopan-^i onan prb^ nnn ji^u joni jisva n-i^ ^pa n^n Din • nn^o fnp nnx njriö anin narp-^i : N1? |nj KVok firnn naTp-1?^ oi^p iiD,;i7^ ^aii? jan biapi païa |nt2»ntp D^if^n nn.^i D^i^n ons a anjnnarp-^i naian-1?^ nnn jaii ps^a ni^ ^3

4) 1°. De stier, door iederen stam te brengen, indien door eene verkeerde beslissing van het hoogste gerechtshof eene overtreding door het volk heeft plaats gehad, die, indien opzettelijk geschied, met uitroeiing (nis) gestraft wordt (tdï bv in oSrn is); 2°. de door den hoogepriester te brengen stier, indien hij op grond een er verkeerde wetsbeslissing eene dergelijke zonde heeft begaan (mro [na is); 3°. de bokken, door iederen stam te brengen, indien op grond van eene verkeerde beslissing van het hoogste gerechtshof eene overtreding op het gebied van afgodendienst heeft plaats gehad

(Tquot;ï VflJJ»),

ocr page 408

OCHTEND-GEBED,

hangsel en het gouden altaar; [het nalaten van] één dezer spattingen houdt de verzoening tegen; het overblijvende bloed goot men uit aan de westzijde van het voetstuk van het altaar, dat buiten [in het voorhof] stond; heeft hij het niet uitgestort, dan belet dit de verzoening niet. — Zoowel dezen als genen (de stier en bok van den verzoendag) worden op de aschplaats ^ verbrand. — 3. De zondofifers der gemeente, zoowel als die van enkele personen, — de zondoffers der gemeente zijn namelijk de bokken, op de nieuwemaansdagen en de feestdagen gebracht, — moesten aan de noordzijde geslacht en hun bloed in een voor den dienst gewijd voorwerp aan de noordzijde worden opgevangen; hun bloed moest vier maal met den vinger gestreken worden, aan de vier horens van het altaar namelijk (zie noot 3 op blz. 9). Hoe handelde men daarbij ? De priester beklom den trap1) en wendde zich naar den omgang (zie noot 3 op blz. 9) en kwam het eerst aan den zuidoostelijken horen, [ging van daar rechtsom en kwam achtereenvolgens] aan den noordoostelijken, noordwestelijken en zuidwestelijken horen [terwijl hij telkens met zijn vinger een weinig van het bloed aan den horen streek.] Het overblijvende bloed goot hij uit aan de zuidzijde van het voetstuk. — Deze offers werden gegeten binnen de gordijnen [die het voorhof begrenzen] door alle mannen van den priesterstam; op welke wijze ook toebereid, gedurende éénen dag en den volgenden nacht, tot middernacht. — 4. Het brandoffer behoort tot de allerheiligste offers; het moet dus geslacht worden aan de noordzijde en zijn bloed in een gewijd voorwerp aan de noordzijde opgevangen worden en zijn bloed moet in twee spattingen aan de vier zijden van het altaar komen2) en de huid moet worden afgestroopt, het offer naar zijne deelen ontleed en geheel op het altaarvuur verbrand worden. — 5. De vredeoffers der gemeente 4) en de schuldoffers, — de schuldoffers zijn namelijk de volgenden: het schuldoffer wegens roof5), het schuldoffer wegens gebruik van gewijde zaken 6), het schuldoffer wegens onteering eener verloofde slavin 7), het schuldoffer van den Hazier8), het schuldoffer van den melaatsche 9) en het schuldoffer wegens eene twijfelachtige overtreding I0), — moeten geslacht worden aan de noordzijde, en hun bloed moet in een gewijd voorwerp aan de noordzijde worden opgevangen en hun bloed moet in twee spattingen aan de vier zijden van het altaar komen (zie noot 3). Zij worden gegeten binnen de gor-

10

1

J) Aan de zuidzijde van liet altaar bevond zich eene helling, ciaa genaamd, waar langs men tot boven op het altaar kon komen; daar naast was een kleinere opgang naar den mid.

2

) De priester wierp namelijk uit het bekken een weinig bloed aan den

ocr page 409

n»w nban ♦

'Tjöiii' rrn dti |nü nnN rum

^snfi iVst NVdn jiï'nn nstfrbp

niaïn nam |n iVk -i»n*ni: navn n^ian j : jann n^na |OT Viapi |i35f2 |nü»nB' D^nn ^K-I

niaflö ^3quot;ISÏ p^ü inn1! |1ÖÏ3 »b33 npS ib-Kai aaiD1? n^si B'aas nbjr nx»3 - maip

I v||v : T .. - tt v iv - t't - •• Tl:

• rrnyö n^ifiï * n^iaï n^mta • n^n-itü rmm

* t -: - • ; • ; • t: • • t: • • :

* wi hd^ -jöi^ n^n D'in - n^iquot;n

Va^ö-baa nsnD nsrS a^bpn-fp

nnt2»n^ a^np trip nbiyn -i •. niïn-nir rb'h) Dl»quot;1?

tt*: • tit v|i t t -: ^- t:i-t :

♦ntf noni jis^a ♦bas nan Siapi |1ÖÏ3 : dwS Vbai niwi ü^an n^tpi jranx fn^ nupio Dt^N * nio^K rn * n^nm) -im nbv ♦nar n

- -: t quot;j i quot; iquot; t -: - . - •• : •

de'^ nn: d^k nsnn nnatr nm mVyo am nibra

- -: • t - -: t -: r : • - -x ^ : - -: ••;

^23 \ïyi biapi |1öï3 fna^ntf • nVn dew yniïp amp;:ph * ya-iK |n^ nunp jdti psva

noordoostelijken en zuidwestelijken hoek van het altaar tegen de ribben, zoodat aan de vier zijden bloed zichtbaar was.

4) De 2 schapen, die op het Wekenfeest met de brooden der eerstelingen (oviiyan orh) gebracht werden.

6) Vgl. Lev. 5,25. «) Vgl. Lev. 5,15.

7) Lev. 19,21. Verloofd beteekent in rabbijnsche taal iets anders dan bij ons. Het wil nl. zeggen, dat een bindend huwelijk is gesloten, doch de bruid vooralsnog in het huis haars vaders blijft; de pcrpp hebben plaats gehad, de nam, de eigenlijke echtverbintenis nog niet.

8) Vgl. Num. 6,12. s) Vgl. Lev. 14,12.

W) Vgl. Lev. 5,18. Voor het geval namelijk, dat er twijfel bestaat, of iemand eene overtreding heeft begaan, die, opzettelijk geschied, met ma gestraft wordt.

ocr page 410

OCHTBND-GrEBED.

dijnen van het voorhof, door de mannen van den priesterstam, op welke wijze ook toebereid, gedurende één dag en den daaropvol-genden nacht tot middernacht. — 6. Het dankoffer en de ram van den Nazier !) zijn offers van minder heiligen aard; zij mogen geslacht worden overal in het voorhof en hun bloed moet tweemalen gesprengd worden, zoodat het aan de vier zijden van het altaar komt; zij mogen gegeten worden in de geheele stad Jerusalem, door een ieder, op welke wijze ook toebereid, gedurende een dag en den volgenden nacht tot middernacht. Hetgeen als heffing daarvan [voor den priester] wordt afgezonderd, staat er geheel gelijk mede; met dien verstande evenwel, dat dit afgezonderde slechts mag gegeten worden door de priesters, hunne vrouwen, kinderen en slaven. — 7. Vredeoffers zijn van minder heiligen aard [dan de in Mishna 1—5 genoemden]; zij mogen overal in het voorhof worden geslacht en hun bloed moet tweemalen gesprengd worden, zoodat het aan de vier zijden van het altaar komt. Zij mogen gegeten worden in de geheele stad, door een ieder, op elke wijze toebereid, gedurende twee dagen en den daar tusschen liggenden nacht. Hetgeen als heffing ervan wordt afgezonderd, staat er geheel gelijk mede, met dien verstande, dat het afgezonderde slechts mag gegeten worden door de priesters, hunne vrouwen, kinderen en slaven. — 8. Het eerstgeborene en het tiende van het vee en het Paaschoffer zijn van minder heiligen aard. Zij mogen overal in het voorhof geslacht worden en hun bloed behoeft slechts éénmaal gespat te worden, mits men dit doet op eene plaats, waaronder het voetstuk zich bevindt 3). Wat het eten betreft, bestaat er tusschen deze offers verschil: het eerstgeworpene nl. wordt door de priesters gegeten, het tiende daarentegen door een ieder, doch beiden in de geheele stad, op elke wijze toebereid, gedurende twee dagen en den daartussehen liggenden nacht; het Paaschoffer daarentegen mag niet anders gegeten worden, dan bij nacht, slechts tot middernacht, slechts door hen, die er bij gerekend ziin, 3) en niet anders dan Taan het vuur] gebraden.

Rabbie Jishma'el zegt: Door middel van dertien afleidingsregelen kan de Heilige Leer verklaard worden: Door gevolgtrekking van het minder tot het meer gewichtige; door toepassing van dezelfde wetten bij verschillende zaken op grond van traditie betreffende gelijkheid van uitdrukking; door eene bepaling bij eene zaak als stelregel te gebruiken, hetzij die bepaling op een of twee verzen berust; door een algemeen begrip, gevolgd door bijzonderheden (waar onder het algemeen begrip niets gebracht mag worden, dan wat uitdrukkelijk genoemd is) en door bijzonderheden gevolgd door een algemeen begrip (waardoor alles wordt inbegrepen).

Wanneer een aantal bijzonderheden worden voorafgegaan en gevolgd door een algemeen begrip, moogt gij de wet op niets

11

ocr page 411

fvw nVfin w

: mn quot;$■ nVbi nana narquot;? D^b^n JÖ

niT^a DipO'Vaa rnt^n^ D^p D^np ma minn i

tt^jt lx t:Itt*: •)- *tIt 't ••; t

Tjflr^a r^Ni^ * ^3*]« |n^ nianö ♦nip p^ü |ÖItI onü D-nan * niïn ny nVbi ovb ^Nö-bsa anK-Sa1?

* •• t - -i t : i- t : t -: - t : t t t ;

Dn»:?quot;?1! o^rü1? Vdk: ariana' hVk ona xyi*a niT^a aipD-baa inü^nf D^p a^np wnbp r : anna^bi quot;bab i^n-Vaa pbawi |n^ niana gt;r\p fani Nyi»a onD anian * nm n^bi a^ baxa-baa anx

... v •• t ~ tv t : i- : * t •• ; * t -; - t ; t t

: anna^bi an^abi an^ab a^nab baw anianiy kVn ana

•• : : •.•••;•; •.•••;• ' -: - t v; v t - v t v v t

aipa-bsa inü'n^ a^p a^npT naani T^ani. maan n : niB'n uaa rn»ir nabai • nnK nana ma jam nima

: - viv ; i •• • v t : • tv t t - i ^ t i t t; tt^t

anK-baS n'^ani a^nab bax: maan rn^axa nw

tt ti ,. r--, - - . ■ -. t vj v ', ~ itt ' quot; t *

* nnx nVbquot;! a^a» wb ba^a-baa quot;i^n-baa rba^i

tv t ; i- : • t »• ; • t - t : ^ t t : i * r v: v;

ni^rp^ nVk Vax^ irNi nVba Vdnj wh nasn : nVK Va^j uw vuaV NVN VDW irwi

• t tv t v; v quot; : t ; ' t v t v;v •• :

.o^ns mm erna W»»1' 'n NJmia

; nninn nna ni^jr t^b^a -laix bttyntf* *31 inti amaa ax r^aa - nit^ mraai * naini bpa

tv t * t it: * ' tt tquot;: * vit i quot; *

* bVai aiaai * u^iai Waa • a^aina Vamp;D ïx naai

t: t;* t: t;* :••:• tit:**

S^aa * üiön rya N'^M ?-I nnK bbai anai b^a

t : - t : ~ i : tv it t - • r : t : r :

■) Vgl. Num. 6,17.

2) Aan een deel van de oostzijde en een deel van de zuidzijde liep nl, het voetstuk niet door.

3) Vgl. Exod. 12,4.

ocr page 412

12 OCHTEND-GEBED.

D»tfToan w pi • iöidd nobn isni

. : - - . . ... | .. . •• t - T T ; T ; ••

: Dirra ninan nrn« nr

rnnpa Cjpan irnóN; flSxi wn'S» \] p'sn vi;

D^?! nSi^ lO1? nNT3 T)-D£3 D^1: ! ^niln? 1^1; wp;?

; nl'JlDip

quot;imy» Tia' 3quot;asi naiai mip jpnnS nxiw vwv Sn; n'bo eiorma

wn vn'iïüa oVi^n 'HVD irnVx « nnK Tiins

it' : t ; • ; it ;l • v -: t ^ r |v iv i- v: *: t - | t

: nv^s ^Vnrh

i»s'» insw injo

HIT : ïv?ö' ^ D^n'^K ^Dn 115» na

D^n npa »3 : uppn bni] : ±gt;-np^ ^ipn -j'^o : quot;iiwn^

tenzij de heilige Schrift haar uitdrukkelijk wederom onder den regel begrijpt. — Iets, dat uit den samenhang [met andere wetten] wordt afgeleid of iets dat uit het vervolg [der bepalingen betreffende de zaak zelve] wordt afgeleid. — En evenzoo: twee bijbelplaatsen, die elkander tegenspreken, [kunnen niet worden opgehelderd,] tenzij een derde bijbelplaats de tegenstrijdigheid oplost.

Het zij U welgevallig, Eeuwige onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak üwe leer tot ons deel. Én daar zullen wij U in eerbied dienen als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

Bij het aantrekken van het groote Tallieth zegt men staande:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt ons met de Bchonwdraden te omhullen.

Vervolgens doet men het Tallieth om en zegt, terwijl men erin gehuld is: Hoe kostbaar is Uwe genade, o God! ook menschenkinderen vinden bescherming onder de schaduw Uwer vleugelen! Zij drinken tot verzadiging uit den overvloed van Uw huis, en Gij drenkt hen uit den beek Uwer heerlijke genietingen. Want bij U is de bron des levens, in Uw licht zien wij licht! Verleng Uwe genade voor hen, die U kennen, en Uwe gerechtigheid voor hen, die oprecht zijn van hart!

ocr page 413

rvTO nban y

-Ss * Sbab ÖIÖDI • ÜW ^ Kinty

t t ; • | • t v t : * t : • 1 • t

-Sy nabV tih naS1? Sban-jö Kvn bbaa n»n^ 131

•• - i •• - : t ; - i • tt: t : • tt v t t

-DTVIS * tsjr ib Wan nabV KÏ» ioï^

t t t tt •-. t : - ~ quot; quot; .: tv tt : quot;

Kr 13^3 Ntini^ nnx wb Sbaa n^nty

tt t •.• z v t v I • i i ^ : * tt: t ; • tt v

rijrü1? Kvn SVas nrrbs * n^nn1? ^Vi bpn1?

i ^ ; • tt: t:* t t v ttt •-:-: ; Iquot;t;

inrba - ^annbi bpnb KÏ» Nbty TIK

tt v tt t • -: - : i •• t : tt t . * : v •• - l^- i

nnnnS Vid» nnx ^ i^nnn *012 ?nb Kvn Was

• -j - : t t- • t t v ttquot; i * tt: t:-

nabn im • ibbaV aman lannn»^ ip ibSaquot;?

,. t - t t .. : t ; • t - iv •-:- v ■ t : •

anders toepassen, dan op hetgeen met die bijzonderheden overeenkomt. Door een algemeen begrip, dat nog nadere toelichting in bijzonderheden noodig heeft, !) en door bijzonderheden, die door het algemeene begrip opgehelderd worden. 2) Elke zaak, die in het algemeene begrepen was en uit dit algemeene is uitgetreden [afzonderlijk behandeld is] om ons iets nieuws te leeren, is niet alleen afzonderlijk behandeld, om ons [de nieuwe bepaling] voor die ééne zaak zelf te leeren, maar is afzonderlijk behandeld, om [ons die nieuwe bepaling] te leeren met betrekking tot het ge-heele algemeene begrip. Elke zaak, die in het algemeene begrepen was, en afzonderlijk behandeld is, om eene nieuwe, verlichtende bepaling vast te stellen, in een geval, waarin volgens de bepalingen bij het algemeene begrip eene zwaardere wet wordt toegepast, — is afzonderlijk behandeld, uitsluitend om die lichtere bepaling te geven, doch niet om de verzwaringen, die bij het algemeene begrip gelden, toe te passen. Elke zaak daarentegen, die in het algemeene begrepen was en afzonderlijk behandeld is, om nieuwe bepalingen te geven, voor gevallen, die bij het algemeene juist tegenovergestelden invloed hebben, is afzonderlijk behandeld, om de daarbij uitgesproken verlichtingen en verzwaringen aan te geven [zonder dat uit het algemeene iets op die afzonderlijk behandelde zaak mag worden evergebracht]. Eene zaak, die in het algemeene begrepen was en afzonderlijk behandeld is om volgens eene geheel nieuwe bepaling behandeld te worden [die bij het algemeene in het geheel niet voorkomt], heeft men niet het recht weder onder den algemeenen regel te brengen,

') In welk geval niet de regel snsi V73 geldt.

J) In welk geval het niet wordt beschouwd als SSai bib.

ocr page 414

13 OCHTEND-GEBED.

(Het zij U welgevallig-. Eeuwige, onze God, en God onzer voorouders, dat de vervulling van dit gebod der schouwdraden beschouwd worde, alsof ik het vervuld had in al zijne bijzonderheden en nevenbepalingen en met de daaraan ten grondslag liggende gedachten, met de 613 geboden, die ermede in verband staan; -amen!)

Van iiisw tot ninaorü SSn» wordt staande gezegd, terwijl men de heide voorste j-wï m de rechterhand houdt. Zoodra men uquot;3 begonnen is, mag het gebed tot na xquot;o niet onderbroken worden; echter met deze uitzonderingen: op cnp te antwoorden met rm rra» in* jbx; op 1313 met lïi d^ïS -p^n 'n quot;p1-, bij niynp de verzen rnp en 1133 quot;pis mede te zeggen, zoolang men niet zelve bezig is te lezen-, is dit het geval, dan zwijge men, zoolang een dier formulieren wordt uitgesproken, en luistere.

Bij het verrichten van het gebed met de gemeente, komt het in hoofdzaak er op aan, rquot;» tegelijk met de gemeente te lezen, zoo mogelijk ook u»quot;p met zijne lofzeggingen. Wie dus te laat ter Synagoge komt, om alle Psalmen en bijbelplaatsen, die hier volgen, aan zijn gebed te doen voorafgaan, kan, indien er geheel geen tijd meer is, onmiddellijk nx -vsv met de gemeente beginnen; heeft hij eenigszins tijd, zoo begint hij üquot;3, en zegt vervolgens 'TwN tot niiSSn, vervolgens mui en n3nï\ Heeft hij nog meer tijd, dan worden nog andere stukken bijgevoegd, zóó echter, dat hij tin w met de gemeente kunne zeggen. Hetgeen bij het gebed niet gelezen is, behoort later bijgevoegd te worden, evenwel zonder en renen.

Geloofd zij Hij, die zeide — en de wereld ontstond, geloofd zij Hij ; geloofd zij de Maker van het begin der wereld ; geloofd zij, die zegt en ook doet; geloofd zij, die besluit en volbrengt; geloofd zij Hij, die zich ontfermt over de aarde; geloofd zij Hij, die zich ontfermt over de schepselen; geloofd zij Hij, die degenen die Hem vreezen, met goeds beloont; geloofd zij Hij, die eeuwig leeft en door alle tijden bestaan blijft; geloofd zij Hij, die bevrijdt en redt; geloofd zij Zijn naam! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der Wereld, Almachtige, Albarmhartig Vader ! Wiens daden geprezen worden door den mond van Uw volk, die geloofd en geroemd wordt door de tong Uwer vromen en Uwer dienaren. — Met de liederen van Uwen dienaar David willen ook wij Uwe daden prijzen, Eeuwige, onze God, met lofprijzingen en gezangen Uw grootheid verkondigen, U loven en roemen, Uwen naam in herinnering brengen en U als Koning doen erkennen, onze Koning, onze God, Eenige, Eeuwiglevende, Koning, Wiens groote naam geloofd en geroemd worde tot in eeuwigheid. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Koning, Wiens daden in lofprijzingen worden geprezen!

Na de schouwdraden gekust te hebben, laat men ze los.

^ Dankt den Eeuwige, roept Zijnen naam aan, maakt Zijne daden bekend onder de volkeren! Zingt te zijner eere, verheft uwen zang tot Zijnen lof, bespreekt al Zijne wonderdaden! Zoekt uwen roem in Zijnen heiligen naam; dat zich verheuge het hart van hen, die den Eeuwige zoeken. Verlangt naar den Eeuwige en Zijne macht, zoekt steeds Zijn aangezicht! Gedenkt Zijne wonderdaden, die Hij gedaan heeft, Zijne teekenen en de rechtsuitspraken van Zijnen mond! Gij kroost van Israël,

ocr page 415

n»w nVön v

•1^3 it nrs nii'o irnó?? quot;•liSxiirri^ ^ ^i^aSo p's-j 'ngt;

: jcN * na a^Snn nisp mm mnijpi n^p^-Sp? nvip.^

DinaCna lï IGaV quot;]n3 rTiKn ■■piDB t)iD2 -I«ïn sïïi nDJ3n m1! S2ü gt;o

D^atrn |o 'n dk ibSn 2quot;™ mSSn nSiy nyi ir nnS nSnn p msi •w döcj 3quot;nsi n^SSn iï tripa ha iSSn 3quot;n^ n^SSn lanp ay ^ Dimxinii»^ mm xini ^ 'nS mn ^ ^ ^ ^ ^ inanr1

/quot;lONï^ quot;]na pi sS V73 ninn iS jw dni pmn or ^snn1? n3 'TiiW Diipt?

NipM iw isv naia W11 nis -IS11 i^nnn dsi narin norj inS nSnn

■fflN' m»r row» msi ^«ïn or rmy njior ^«-1= m ^qb* nxnp

.nanü' vsSi msc ms' -nanc1 ■» 'iai 'nS mn .nT»ï2 wsnii quot;ISiVB* -ina wss nï'i'2 JVJBTi 1T2 vjd1?» ns'xn 'TO trw

rivty Tjna • Kin Tp-D * D^i^n n^ni naK^ ^12

- D^QI im tjna • rivty) -iüik * n^ina

Tjiia * ninan-^ nniü Tji-is * pxn-^. onnp

* hïjS D'pi n^S ♦n -ins * VKT1? 3iu *av abtra

-iv t t i - : t ) t t •• * tt •• - :

Tjba irribK ^ nnK * iü^ • Vvpi nnia ^iia iksqi naE'ö lap '53 Vbnan romn nxn Vxn * abi^n

t ; t *.. : ~ ' : t *.. : - i t -; -t t t •• t t ^ t

irribx « ^3^ nnr * vn^i VTpn ^3 ïjöa' ^Kö2i ^^3 ni^ppi nin2^3

INÖOI na^o 'nbo • »n irnbs4 ^D^O:I

t ; t ••. : |v iv * t t •• • t iquot; v; 1quot; ; - p : * ; - ;

: nina^na bbnp ♦;. ni?i? ' Vnjn IÖP quot;ir^

.itö Drr»:*»-! nrgt;^n pur»

V'» 'N nquot;n

iS nn? ; vnb^ i^nin latrn isnp) «4 iB'ip atra ibbnnn : vn^Vfir^a in^ i^-nar

:It •• : -: - : • t : ; • t : r : -

IIDT : Tan v:fi 1^3 ^ ^n-t : ^ ^psa 21? na'^ Sins^ p-ir : in^-^ö^ai vnsa nfry vn^^a:

.. t; • ^ -iv ....... t . t t v -ï t : : •

■) I Kron. 16,8—37. Deze verzen werden gedeeltelijk 's morgens, anderdeels des middags bij het brengen van het dagelijksche offer uitgesproken.

ocr page 416

OCHTEND-GEBED.

14

Zijnen dienaar, zonen van Jakob, die Zijne uitverkorenen zijt, — Hij is de Eeuwige, onze God, over de gansche aarde reiken Zijne rechtsuitspraken! Gedenkt dus tot in eeuwigheid Zijn verbond, het woord, dat Hij geboden heeft, tot in duizenden geslachten; [het verbond] dat Hij gesloten heeft met Abraham, en [gedenkt] Zijnen eed aan Izak; Hij stelde het voor Jakob tot een vaste bepaling, voor Israël tot een eeuwig verbond, zeggende: u zal Ik geven het land Kena'an, het u toegewezen erfdeel. — Toen gij nog weinig in getal waart, gering — en er als vreemdelingen u ophieldt, en zij zwierven van volk tot volk, van het eene koninkrijk naar eene andere natie, liet Hij niemand toe hen te verdrukken, en bestrafte om hunnentwille koningen: //Raakt niet aan Mijne gezalfden en Mijnen profeten doet niets kwaads!quot; — Zingt ter eere des Eeuwigen, aardbewoners allen! verkondigt van dag tot dag Zijne hulp! Verhaalt onder de volkeren Zijne heerlijkheid, onder alle natiën Zijne wonderdaden. Want groot is de Eeuwige en Zijne daden hoog geprezen. Hij is eerbiedwekkend meer dan alle goden! Want alle goden der natiën zijn afgoden, de Eeuwige echter — Hij heeft den hemel gemaakt; majesteit en glans is vóór Hem, macht en blijdschap op Zijne plaats! Geeft den Eeuwige, gij geslachten der natiën, geeft den Eeuwige heerlijkheid en macht! Geeft den Eeuwige de heerlijkheid van Zijnen naam, draagt geschenken en komt vóór Zijn aangezicht, werpt u neder voor den Eeuwige in heilig pronkgewaad! Beeft voor Hem, gij aardbewoners allen! dan staat vast de wereld, zij wankelt niet! De hemel verheugt zich en de aarde jubelt, als men zeggen zal onder de volkeren: «de Eeuwige regeertquot;. Dan bruischt de zee en wat haar vult, luide jubelt het veld en al wat erop is. Dan juichen al de boomen des wouds voor den Eeuwige, — want Hij komt om over de aarde recht te spreken! Dankt den Eeuwige, want Hij is goed; want tot in eeuwigheid duurt Zijne genade! En zegt: help ons. God van ons heil, en verzamel ons en red ons van de volkeren, opdat wij danken Uwen heiligen naam, opdat wij ons roemen in het prijzen van Uwe daden. Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid!!) — en het gansche volk zeide: //amenquot; en prees des Eeuwigen daden.

Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijn voetbank, heilig is Hij! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijnen heiligen berg, want heilig is de Eeuwige, onze God. Doch Hij, Albarmhartig, vergeeft misdaad en vernietigt niet; reeds veelmalen wendde Hij Zijnen toorn af, en wekt nimmer Zijne geheele gramschap. Gij, o Eeuwige! onthoud

') In deze woorden vinden de geleerden eene toespeling op de toekom-

ocr page 417

mm? nVan t

: pKirbM irnbx « Kin : vvna na 113^

-n« rns : in ^k1? my quot;inna abi^1?

pn1? np^b nTp^n : pn^1? in^-a^i annnx : DsnSn: San f^rpN jnx ^ iosi1? .* aVijr nna -VK 'IÜÖ ^nrn : na an^ quot;ISDO ♦no oanvns Dp^b n^rr^ : quot;in« naVüööi »13

bsï »n»irp3 ^an-^is : a^bo DH^ nDin

: in^i^ Dvbx-Dip pxn-ba : ^nn

« biu »3 : vn^Vö: D^s^rrSss niaa-nN nao

▼; t t : ; • • ^- t t : : v • - ;

♦riVx-bs '3 : a^N-Ss-^ snn xni^ IKD

v: t v: t t : ; t •-. :

mini vjsb -nm nin : n'^ D^ty «i

t ; v ; t t ; t t : t t • i- t t - •-•.•: • - t

lan : rpi nü3 inn a\^ ninsjrD quot;b isn : lüpoa

t t tt-#t * : ; • tquot; t f*

«S linnen vja^ indi nn:D )tlt;amp; lot? niS3

t- -;-:* tt: i t:* ; : : t

: raian-1?? |i3n_«]N pNrrb3 Vifi^ö i^n : ^ip-mnna Dyn^ : ribo « a^ias noxn pxn bin) avamp;n inD^

:* | t t ▼: • - : . : I v it t •• t ; • i- t - : : •

liii; TK : 13 I^NJ-SSI nnagt;n IKVOI a^n 3ii2 *3 nin : rnxn-nN ^is^ «3^3 « ^sbo

t- | vit t v ; • t •*:••:• * itquot;quot;

mspi ♦iibK npKi : npn abi^b »3

: ^nbnrD nsn^n) ^np Di?b nnnb D^ianquot;|ö -S3 )1Damp;) oV^n-i^i Dbiyrrjü » ^ns

Din1? iinntrni irribx « löpn : Sbni |qk a^n itrnp nnb nnnirni irnbK « loon : Min t?np vbn

:It - . : i- v; ▼: -: It t : quot;

n^n^t NSI |i^ 103; Dim. Kirn : irnbK « ^np. »3

-ab quot; nnK : inon-S3 yy ab) ism 3^nl? n3nni

▼: t- t -: t t : ~ *t: t:*:

stige wereld; dit formulier zou nl. juist zijn ingesteld met het oog op hen, die het leven hiernamaals ontkenden.

ocr page 418

OCHTEND-GEBED.

mij Uwe barmhartigheid niet; Uwe genade en Uwe trouw mogen mij steeds besehermen! Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige! en üwe genadebewijzen; want sinds alle eeuwigheid zijn zij! Kent God macht toe, Wiens hoogheid over Israël is, gelijk Zijne macht in de wolken. Eerbiedwekkend is God, meer dan uwe heiligdommen! de God van Israël, Hij is het, die macht en sterkte geeft aan het volk; geloofd zij God! God der vergelding, Eeuwige, God der vergelding! treed stralend te voorschijn! Verhef U, Gij Rechter der aarde, geef vergelding hunner daden den hoogmoe-digen! Doch bij den Eeuwige is de hulp, over Uw volk is Uw zegen, Séla! De Eeuwige Tsebaoth is met ons, de God van Jakob is ons tot vesting, Séla. Eeuwige Tsebaoth, heil den mensch, die op U vertrouwt! Eeuwige! help toch, moge de Koning ons verhooren op den dag, dat wij Hem aanroepen! Help toch Uw volk en zegen Uw erfdeel, weid hen en verhef hen tot in eeuwigheid. Onze ziel verbeidt den Eeuwige, Hij is onze steun, ons schild; want in Hem verblijdt zich ons hart, want op Zijnen heiligen naam vertrouwen wij. Zoo moge dan Uwe genade over ons zijn, o Eeuwige! gelijk wij op U hopen! Toon ons, o Eeuwige, Uwe genade, en verleen ons Uw heil! Sta op tot onzen bijstand en bevrijd ons ter wille van Uwe genade! Ik ben de Eeuwige, uw God, die U heb opgevoerd uit het land Egypte; open wijd uwen mond, en Ik zal hem vullen! Heil het volk, dat iets zoo-danigs bezit! Heil het volk, wiens God de Eeuwige is! En ik, ik vertrouw op Uwe genade, mijn hart juicht in Uwe hulpe; ik wil zingen den Eeuwige, want Hij heeft mij welgedaan!

Psalm 19. Voor den zangmeester: een psalm van David. De hemelen verhalen de heerlijkheid Gods, en; «Werk Zijner handenquot; deelt het uitspansel mede. De eene dag doet den andere toevloeien het woord, en de eene nacht verkondigt den andere kennis. Niet uitspraak is het, niet woorden, wier stemme niet wordt gehoord, — maar over gansch de aarde strekt zich hun meetsnoer, en tot het einde der wereld hunne uitspraken; voor de zon plaatste Hij een tent in hen. En deze, gelijk een bruidegom uit zijn bruidsvertrek te voorschijn treedt, verheugt zich als een held om de baan te doorloopen. Van het einde der hemelen is zijn uitgangspunt en zijn omloop over hunne grenzen, en niets kan zich verbergen voor zijnen gloed! — De leer des Eeuwigen is volmaakt, zij verkwikt de ziel; het getuigenis des Eeuwigen betrouwbaar, het maakt den onnoo-zele verstandig; de bevelen des Eeuwigen zij n rechtvaardig, zij verheugen het hart; het gebod des Eeuwigen is zuiver, het verlicht de oogen. De vreeze des Eeuwigen is rein, zij bestaat eeuwig; de rechtsuitspraken des Eeuwigen zijn waar, rechtvaardig allen te samen. Zij zijn meer begeerenswaardig, dan goud en fijn goud in menigte; en zoeter dan honig en uitvloeiend zeem. Ook Uw dienaar wordt door hen gewaarschuwd; bij hunne inachtneming [vindt men} groote belooning.

15

ocr page 419

nnnt^ nVön its

: wit ?]nüNi ^pn ^sp xbnn iy i:n : nan nbi^ü ^ ^nom « Nin ^En^ao D^VK nit1: : D^nf3 IT^I, miw

Sn « niöpTJ ba : D^nbNt ^na nioï#rn w |n: : D'Kr1?^ n^n p^n uüv N'^sn : nia^j -2pf2 way niK^v V •' n^D in^n ^ay^ n^w^n ^ ♦♦ : na nü3 anx nt^K niMï quot; : nbo spy ^

▼: | t - iquot; tt ••: - t : ▼; t iv i -:- •• v; it

Tjini ^aynN n^^m : m*)pT DI^ -]San njr^in vyy ^ nnan mz:; obiyn-ny ns^ii ^nbnrnK -w : wnün i^ip Dt^n ^ na'^^ ir^ : Kin imai

• : ; it t :l t •• ; iquot; * - : • • iquot;* t

ïjnpn v: ^Kin : T]1? ubn» v; ^pn

»» ^jn : nnon wa1? wnsi ^ nmry nap : uS-rnn

▼; • t mv: quot; » iquot; : iquot;: it t it:'1.* t i it i v •

nt^K : intfpaw ^rnn-in onïp p.^a i^an ^n^ »nna2 n^ona ♦JNI : vnbx quot;v D^n nt^K ib naatr nvn

• ; i- t | :: - : • -: - t •.•:▼:•.• r t ••: - tit v ^t t

: ^ ^a: '3 «b nym 'ïh hv

t t - t t- t 1' t | iv t * * quot;t

n'^ai bx-Tüa nnsoa ora^n : irh nara nïjab w

'• —. - quot; : •; - : • i- t - • t ; ; • - iquot; - : -

nVt?,i iaK yy a)^ DI^ : ypm n^aa vn»

t ;r : . v i r - : Ir t t • - tt

yat^j 'Sa onan p^i im pK : n^Tnin» n^VS

vmb on^a nvpai Dip xr pttn-Vaa : obip

v iv - ... •• • •• •• •• i; • tl- tt i vit t t ; t i

ni3J3 quot;insna kï* ?nn3 xim : ona bnx d'^

• : * t r \ quot; •• i t t : : v t v i t

Dniïfp-^ insipni isïïia D^a^n nvpa : nix piS wbi nywn na^an « mm : mana nno: rNi

quot; vit quot; r : t * : *: - t - •• t : • I •• :

nwa aV 'na'^a '1^3 ; 'ns na^na niax: ^ ipb may mina « nK-i': na^ rn^a ma quot;

♦: •• : : • t viv^ t : *: - ;• *it - • : tt ■»■:

i^a^a D^pmai 21 Taai anra onansn : mn» ipnv naK

: • i • ; t - • tt* * t v: v - t : - i : t v v;

: an aj^. D*ia^a ona nnn '^ay oa : d'öiï naai

ocr page 420

OCHTEND-GEBED.

Dwalingen — wie bemerkt ze?! houd Gij mij rein van verborgen zonden! Ook van moedwilligen houd Uwen dienaar terug, dat zij mij niet beheerschen; dan zal ik schuldeloos zijn en rein van zwaar vergrijp. Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser!

Psalm 34. Van David, toen hij zijn verstand verloochende vóór Abimélech, waarop deze hem verdreef en hij wegging ^: Ik wil den Eeuwige loven ten allen tijde; steeds zij Zijn lof in mijnen mond. Mijne ziel beroeme zich op den Eeuwige; dat bedrukten het hooren en zich verheugen. Verkondigt des Eeuwigen grootheid met mij; laat ons te samen verheffen Zijn naam! Den Eeuwige zocht ik en Hij antwoordde mij, en uit al wat mij verschrikte, redde Hij mij! Die tot hem opzien, ontvangen Jicht en hun aangezicht wordt uiet donker van schaamte. Deze ongelukkige riep, en de Eeuwige verhoorde, en hielp hem uit al zynen nood. De engel des Eeuwigen legert zich rondom hen, die Hem vreezen, — en maakt hen vrij! Ondervindt en ziet, dat de Eeuwige goed is; heil den man, die bij Hem bescherming zoekt! Vreest dus den Eeuwige, gij Zijne heiligen; want geen gebrek lijden zij, die Hem vreezen! Jonge leeuwen lijden gebrek en honger, maar zij, die den Eeuwige zoeken, ontberen niets goeds! Komt, kinderen, luistert naar mij, de vreeze des Eeuwigen wil ik u leeren: Wie is de man, die leven wenscht, die vele dagen begeert om goeds te zien ? Bewaar uwe tong voor kwaad en uwe lippen voor het spreken van bedrog; houd u verwijderd van het kwade, en doe het g®ede; zoek vrede en jaag hem na! Des Eeuwigen oogen zijn gericht op rechtvaardigen, Zijne ooren wenden zich tot hun schreien; het aangezicht3) des Eeuwigen richt zich tegen de boosdoeners, om hun aandenken van de aarde uit te roeien. Doch als zij schreiden, dan hoorde de Eeuwige, en redde hen uit al hunnen nood. Want de Eeuwige is nabij de gebrokenen van hart, en helpt de terneergeslagenen van geest. Wel zijn veel de rampen des rechtvaardigen, maar uit allen redt hem de Eeuwige; beschermend al zijne beenderen, zoodat niet één van hen gebroken wordt. Den booswicht daarentegen doodt het ongeluk, en die den rechtvaardige haten, boeten hun schuld. Doch de Eeuwige bevrijdt de ziel Zijner dienaren, en die bij Hem bescherming zoeken, boeten hun schuld niet!

Psalm 90. Gebed van Mozes, den man Gods; o Heer, een toevlucht waart Gij voor ons in alle vroegere geslachten. Voordat bergen voortgebracht waren en Gij aarde en wereld deedt baren, en van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God! Gij voert den sterveling tot verbrijzeling, maar spreekt; Keert terug, gij menschenkinderen! Want duizend jaren zijn in Uwe oogen als de dag van gisteren, als

') Vgl. I Sam. 21,14. 5) De toorn.

c

16

ocr page 421

JTW nVsn TE3

öntü D5 : nnripaö p^-^ü n^p -nDK ji^ vn? : an vpm DH^K TK : ^51 nix « ïj^aS ♦ab pgt;3rii »£J

: ^.ll 'jfiV löjnrnN inia^a mb nS

«3 : »03 inVnn i^pri n^-^3 «TIK npnaK noonji ♦nx ^ bit : on:^ ^a; bbnnn lü'an : 'ninjü'baüi «tik T^n-i: nn* ia^ ■bapi ym «i Nnp nr : nan^K orwai iimi vb»

t itt tit t v it ; v ~ •.•••: it t : t quot;

: Dï^nn VKquot;!^ a^ao « TjKbp nj'n : vnnv V^i5 quot;T-IK : laTiDn) nain n^K « aiu^a IN-II -ah » yp] la^ wi Dn»aa : vktS HDHO px »a ■♦ö : nanabK « DNT 'b-tytip D^riab .* am-ba npn»

iïj : am niKib d^ anK aquot;n psnn B^a aiü-n'TO quot;iid : npip nanp ^na'tyi ^quot;ip : DnjriErVts vjtNi o^^vbts V • inaii'i DI1?^ Vkv quot;1 ip5$ .* Q'iar pKp nnanb yi wyz « ■^arnsii aS-nat^ib « anpT : oV'vn onm-bapi quot;ip'iy : « isS^v! D^api pnv ni^*i man : nn nvi nnton : maty: ah nano nnx vrioïirba

.tt tt •• tit : ' tlquot;quot; quot; quot; t ! quot; t

quot;Sa lotyx» K7i vnajr « nis : pnv Wiri

t : ; v ; t t : v iv ▼: v it : v | • - ••; :

: ia DOT

liv» n^n nnn |i^o ♦j'nK D^bKn-^^ n^ob nban s bani pN Winni onn ontsa : ini ina

•• •• : 1 viv •• ; - it-.. 't viv ; t :

npKni xar^ atrn ; bK-nnx obi^pi

'a SiDm D^3 ?|^3 t]btlt; t,3 ^D^-^a 'la^

ocr page 422

OCHTEND.GEBED.

hij voorbij is; als ééne wake in den nacht! 1) Gij doet henweg-stroomen, als een slaap zijn zij; doch des morgens vernieuwt het als gras zijn levenskracht; des morgens bloeiend en vernieuwd van kracht, snijdt men het tegen den avond af, zoodat het verdroogt. Want wij gingen te gronde door Uwen toorn, en door Uwe gramschap zijn wij verschrikt. Gij steldet onze misdaden tegenover U, ons geheimste denken in het licht van Uw aanschijn. Want al onze dagen zijn heengegaan in Uw toornig woeden; wij eindigden onze jaren als een enkelen galm! De dagen onzer jaren — hun aantal is zeventig jaren en, als zij machtig veel zijn, dan tachtig jaren; — en hun trots is zorg en nietigheid; want spoedig is het afgesneden, en wij vliegen henen! Wie kent de macht van Uwen toorn! Ja, gelijk de vreeze voor U is Uw toornig woeden ! Leer ons dan zóó onze dagen tellen, dat wij een hart vol wijsheid verwerven. Keer terug, o Eeuwige, — tot hoelang nog! — en verander van besluit over Uwe dienaren ! Verzadig ons in den morgen met Uwe genade, opdat wij jubelen en ons verheugen gedurende al onze dagen! Verblijd ons gelijk de dagen, toen Gij ons vernederd hebt; de jaren, dat wij onheil zagen. Moge Uw werk zichtbaar worden voor Uwe dienaren, en Uwe heerlijkheid voor hunne kinderen. Moge de liefelijkheid van den Heer, onzen God, rusten op ons; en het werk onzer handen bevorder voor ons, ja, bevorder het werk onzer handen!

Psalm 91. Wie zit onder de bescherming des Allerhoogsten, verblijft in de schaduw des Almachtigen. — Ik zeg met betrekking tot den Eeuwige; mijn toevlucht en burcht, mijn God, op Wien ik vertrouw, — Dat Hij U zal redden van des vogelaars strik, van vernietigings-pest. Met Zijn vlerken bedekt Hij u en onder Zijne vleugelen vindt gij bescherming; schild en pantser is Zijne waarheid. Gij hebt niet te vreezen den schrik van den nacht, den pijl, die bij dag vliegt; de pest, die rondwaart in het duister; de besmetting, die des middags woedt. Al vallen duizend aan Uwe linkerzijde en tienduizend aan Uwe rechterhand, U zal het niet naderen. Slechts met uwe oogen zult gij aanschouwen, zult zien de vergelding der booswichten. — Want gij hebt den Eeuwige, mijnen Beschermer, den Allerhoogste, tot uw toevlucht gemaakt! Daarom zal geen onheil u beschoren zijn, geene plaag naderen tot uw tent. Want Zijne engelen zal Hij omtrent u gebieden, u te behoeden op al uwe wegen. Zij zullen u dragen op de handen, opdat gij uw voet niet stoot aan een steen. Op luipaard en adder zult gij dan treden, zult vertrappen jonge leeuw en slang. ,/Want in Mij schept hij behagen, daarom red Ik hem; Ik verhef hem hoog, want hij kent Mijnen naam. Als hij Mij aanroept, dan antwoord Ik hem; met hem ben Ik in nood; Ik bevrijd hem en maak hem geëerd; Ik verzadig hem met lengte van dagen, en doe hem Mijne hulp aanschouwen.quot;

17

ocr page 423

nnnt? nhan v

quot;i^VOl 1^33 vn» QriD^T :

?|öK2 : Eon ^ID» «]brn pv' quot;ips? : ejbn» : niKo1? vzb$: : i^na^nmni^

irnu^'ö»:ran-iDD 12^ 1^3 IJS irp^-bV^ P: oanT) n:^ a^ia^ nhiaja dki mtf d^'J ona ?jnNTDi ^jöK : nö^i iy»n n »3 pKi So^

nait^ : noan aab KSJI yiin \2 ww n^p1? ':

nw-iji ?]quot;iDn -i^a onani wniJ «

uw nijBgt; niD's uns^ : nnp^ji

™ : Dn^r^ ?]^3 ntsT. ^ njn

n'^pi wfy naiü ii»T n'^oi 1:»^ irn'^K ♦JIK

: imjü un»

,quot;-: rT

tttivdi 'Bnp ^ quot;ipK : jiibn» n.E' bxz jvby -inoa as : min iniD mpi nsp ?|^V! «in »3 ; ia-nL23« ♦ri'jN : inpK mncn toï nDnn vöjs nnni TjD» in^xa bö«3 nrnp : ddi» tji^ ^np nb^ insp KTn-N1? ^ ?|rp»p n33quot;)i 6]Vk ^VP :Dnnï ni^stp^p quot; nntrs : HNnn D^^I. npWi pi :

■J6 yw nawri-^ : ^p ntif |i^ ^np

: ^3-iT-b33 vsKbp-^s : ^ntja anp»

^quot;in |rifiiT bnp-bv : ^ jaKa ^n-|ö 0^3-^ 5;T-,3 ina^K mabfiNi ptfn *3 »5 : pani 1^3 bünn : innssKi inxbnN nTp p:K ia^ 'jKip» : ♦pV B,ö, T« : inxiNi in^^a^K o^p» TpK

') De nacht wordt, èn met het oog op den zang der engelen èn met betrekking tot den tempeldienst, gewoonlijk in drie nachtwaken, ieder van 4 uur, verdeeld (vgl. Berachoth 3a).

ocr page 424

OCHTEND-GEBED.

Psalm 135. Halleloe-Jah! Looft den naam des Eeuwigen, looft, gij dienaren des Eeuwigen, die staat in het huis des Eeuwigen, in de voorhoven van het huis van onzen God! Looft God, want goed is de Eeuwige, bezingt Zijnen naam, want dit is liefelijk! Want Jakob heeft God zich uitverkoren, Israël tot Zijn eigendom! Want ik weet nu, dat groot is de Eeuwige, onze Heer, meer dan andere goden! Al wat de Eeuwige begeert, doet Hij in den hemel en op aarde, in de zeeën en alle diepe wateren. Hij doet wolken opstijgen van het einde der aarde. Hij vormt bliksemflitsen bij den regen, laat de wind los uit Zijne schatkamers. — Hij, die sloeg de eerstgeborenen van Egypte, van mensch tot vee; Hij zond teekenen en wonderen in uw midden, o Egypte, op Phar'o en al zijne dienaren; — Hij, die vele volkeren sloeg, en machtige koningen ombracht, Siechon namelijk, den koning van den Emoriet, en 'Og, den koning van Bashan, en alle koninkrijken van Ke-na'an. En hun land gaf Hij tot erfdeel, tot erfdeel aan Zijn volk Israël! Eeuwige, Uw naam duurt immer, Eeuwige, Uw aandenken door alle geslachten! Want de Eeuwige zal eens Zijn volk recht verschaffen en van besluit veranderen over Zijne dienaren! De afgoden der natiën zijn zilver en goud, werk van menschenhanden. Een mond hebben zij, — doch spreken niet; oogen hebben zij, — doch zien niet; ooren hebben zij, — maar zij hooren niet; ook adem is niet in hun mond. Mogen hun gelijk worden zij, die hen maken, allen, die op hen vertrouwen! Gij echter, huis Israëls, looft den Eeuwige; gij, huis Aharons, looft den Eeuwige! Huis van Levie, looft den Eeuwige; gij, die den Eeuwige vreest,looft den Eeuwige: „Geloofd zij de Eeuwige van uit Tsion, Hij, die woont in Jerusalem !quot; Halleloe-Jah !

Psalm 136. Dankt den Eeuwige, want Hij is goed,

want eeuwig duurt Zijne genade. Dankt den God der goden, w. e. d. Z. g.

Dankt den Heer der heeren, w. e. d. Z. g.

[Dankt] Hem, die alleen groote wonderdaden verricht,

w. e. d. Z. g.

Hem, die met doorzicht den hemel gemaakt heeft, w. e. d. Z. g. Hem, die de aarde heeft uitgespannen over het water; w. e. d. Z. g. Hem, die groote lichten heeft gemaakt, w. e. d. Z. g.

De zon tot beheersching van den dag, w. e. d. Z. g.

De maan en de sterren om te zamen te heerschen

des nachts; w. e. d. Z. g.

Hem, die Egypte sloeg in hunne eerstgeborenen, w. e. d Z. g.

18

ocr page 425

JTTO nban n»

iVbn « Dtrnx ibbn i nnbbn rhp

\] aiüquot;^ rT-ibbn : irn'S^i rva ninvna ♦;

: inbip1? bKquot;!^' n* lb ins 3p^-»3 : ^ lo^b iia? pfiirn^K bb : D^bK'bap y »3

nb^a : nionn_i?5i □^quot;a pjsai d»Ö^3 nquot;^ « : vnmiND nn nxiq igq1? pKn nxpa D^nfibi n'niK nb^ : nanrn^ onija nnïo nirm nant^ D^n nan^ : vnn^-bani ri^-iaa'an^p pins if|n ^ba iiybi naxn ^a pn»pb : D^aixj; Dpba Jini : la# b*nTfc»b nbn; nbn: dïik jdji : nübaa bbbi

1a^ I! PT'3 •' '1■,^'-iquot;,^ ^ja^ »

«bi onb-ns : d-jk n* n'^a anri. e]p3 Dn'iin '3^ : Dmn* •px 6]« wm» Nbi onb d'jtk : ini* xbi onb nan* rva: ona ndaquot;quot;i^K ba Dirfety vn* aniaa : on^a nirt^» TIN laia nbn n»a : lana pns4 n^a «-nx laia bsn^' : nnbbn D^ahT p'ty fi»gt;*a « -jna : «tik lana quot; W »♦

: npn obi^b '3 am '3 «b nin iSp

: non Dbi^b '3 DTibxH ♦ribKb nin

: iiDn Dbi^b »3 D^INH 'jixb nin

: non Db^b »3 nab mbna niNba; nfctyb

: npn abi^b *3 njiana D.^a^n n'^S

: npn Dbiyb »3 Q'an-b^ p.Nn yp.nb

: nan Dbiyb »3 ' D^bna on.ix n'^pb

: npn obipb »3 ova nb^aab E'amTN : npn abipb »3 nb;ba nib^aab d^d^i nnn-nx

: npn Dbi^b »3 onnpaa onxa nsaS

ocr page 426

OCHTEND-GEBED.

19

En Israël uitvoerde uit hun midden, Met sterke hand en uitgestrekten arm; Hem, die de Schelfzee in stukken deelde, En Israël er midden doorvoerde.

w. e. d. Z. g.

w. e. d. Z. g.

w. e. d. Z. g.

w. e. d. Z. g.

Doch Phar'o ea zijn leger uitschudde in de Schelfzee;

w. e. d. Z. g.

Hem, die Zijn volk door de woestijn voerde, w. e. d. Z. g.

Hem, die groote koningen sloeg.

En machtige koningen ombracht,

Siechon namelijk, den koning der Emorieten,

En 'Og, den koning van Bashan,

En hun land tot erfdeel gaf,

Tot erfdeel aan Zijn dienaar Israël;

w. e. d. Z. g.

w. e. d. Z. g.

w. e. d. Z. g.

w. e. d. Z. g.

w. e. d. Z. g. w. e. d. Z. g. w. e. d. Z. g.

Die in onze vernedering aan ons dacht,

w. e. d. Z. g. w. e. d. Z. g.

Ea ons verloste uit de macht onzer verdrukkers; w. e. d. Z. g.

Die spijze geeft aan alle vleesch, Dankt den God des hemels!

Psalm 33. Jubelt, rechtvaardigen, in den Eeuwige; den oprechten betaamt lofzang! Dankt den Eeuwige met de harp, bespeelt den tiensnarigen luit Hem ter eere! Zingt voor Hem een nieuw lied, — speelt goed met jubelschallen. Want oprecht is des Eeuwigen woord, en al Zijn handelen met trouw ! Hij bemint rechtvaardigheid en recht, — doch de aarde is vol van de genade des Eeuwigen. Door het woord des Eeuwigen werden de hemelen geschapen, en door den adem van Zijnen mond al hun scharen. Hij verzamelt als tot een stapel de wateren der zee, legt woelende wateren als in voorraadkamers. Daarom vreeze den Eeuwige de geheele aarde, voor Hem verschrikken alle bewoners der wereld; want Hij sprak, — en het was; Hij gebood, — en het bestond ! De Eeuwige vernietigt den raadslag van natiën, verijdelt de plannen van volkeren, doch het raadsbesluit des Eeuwigen bestaat voor eeuwig, de plannen Zijns harten voor alle geslachten. Heil de natie, wier God de Eeuwige is; het volk, dat Hij zich tot erfdeel heeft uitverkoren ! Uit den hemel ziet de Eeuwige neder, aanschouwt alle kinderen des menschen. Van de plaats van Zijn wonen

ocr page 427

jtw nVsn Ü»

D3inD VKnir» NVIquot;!

t • •• t: • -

n^ü: jrinpi npm TS onnb» epo-Dt yh üina bxiw e]iD_D^ i^ni n^na lyn nanaa ID#

Dpbo nso1? onnN D*3^O naKn pn^p1?

|^2n nbn;'^ dïik fnii IT^ nbnj ^y-OT

it - t r* : • ; v

lanyo i:pquot;iö»i -i^rbr^ onb rri3

tt t ; v iv i ••

D^ot^n bxb nm

trnn ^ : lynar Htr^ hip npnv Dn'K : r\mxï : n^nna

It t : •• t v: v ,.. - t . t; - . t t ^r : •

nnai wyi quot; -ima : rnxn n^o M non

- i : quot;^i - • i- t t: - : • | vit t t : t *; v iv t ; •

: niDinn ni-iviK2 ?n: Dsn »0 naa d:3 : DNarba vs

; t : i •• t t t i t

1DK «in *3 : ban nw isaa rixrrba «Q

- t ......: t it iv • i vit t ttquot; ! *

nia^ns D»ia nx#. TSH « : Ta^i njv «in : quot;ill n1? lab nia^no la^n oVijrb « • D'Q^ : iS rbraS ma D^n vribsj «-quot;iïtx ♦lan n^x

t -; - ; quot; t t t » t v: quot;r: v ~: quot; *• : ~

inaty-riaaö : Qi^n ^a-Sa-nw nxquot;) « ü^an dwd

iipn

tyv)

iipn

npn

iipn

npn

tyv)gt;

npn

iipn

npn

non

iipn

tyv)

iipn

npn

npn

npn

npn

npn

quot;iiaaa quot;b nm

ocr page 428

OCHTEND-GEBED.

richt Hij Zijnen blik op alle bewoners der aarde. Hij, die aller harten vormt, Hij let op al hunne handelingen. De koning wordt niet geholpen door groote legermacht, de held niet gered door groote kracht; bedriegelijk is het paard als hulpmiddel, en met al zijn sterkte doet het niet ontkomen ! Zie, het oog des Eeuwigen is gericht op hen, die Hem vreezen ; op hen, die Zijne genade verbeiden ; — om hun ziel te redden van den dood, en hen in het leven te behouden bij den hongersnood. Onze ziel wacht op den Eeuwige; Hij is onze hulp en ons schild. Want in Hem verheugt zich ons hart, want op Zijn heiligen naam vertrouwen wij. Zoo zij dan Uwe genade, o Eeuwige, over ons, — gelijk wij U verbeiden!

Psalm 92. Zang-psalm voor den Shabbathdag: Het is goed den Eeuwige te danken en ter eere van Uwen naam, o Allerhoogste, de snaren te doen klinken, — te verkondigen des morgens Uwe genade en Uwe trouw in de nachten — op tiensnaar en op luit, met zinrijke woorden, begeleid door de harp. Want Gij hebt mij verblijd, o Eeuwige, door Uw wrochten, wegens de werken Uwer handen jubel ik! Hoe groot zijn Uw werken, o Eeuwige! oneindig diep zijn Uwe gedachten. De verstandelooze beseft het niet en de dwaas ziet dit niet in; wanneer goddeloozen als kruid opbloeien, en onrecht-volvoerders bloesemen, — [dan geschiedt dit] opdat zij vernietigd worden voor eeuwig! Doch Gij blijft eeuwig verheven, o Eeuwige! Want zie. Uwe vijanden, o Eeuwige! — want zie, Uwe vijanden zij gaan te gronde, zij lossen zich op, alle onrecht-volbrengers! En Gij verheft mijnen hoorn als eenen Reëm, ik word met verfrisschende olie overgoten ! Zoo ziet mijn oog neder op hen, die mij beloeren; van hen, die als kwaadwilligen tegen mij opstaan, hooren mijne ooren ! De rechtvaardige zal bloeien gelijk de dadelpalm, als de ceder op den Libanon hoog opschieten. Geplant in het huis des Eeuwigen, zullen zij bloeien in de voorhoven van onzen God. Nog in grijsheid zullen zij vrucht dragen, sappig en frisch blijven zij ; om te verkondigen dat rechtvaardig is de Eeuwige, mijn Rots, en geen onrecht is bij Hem!

Psalm 93. De Eeuwige is nu Koning, heeft zich met hoogheid bekleed, bekleed heeft zich de Eeuwige, met macht zich omgord; nu staat ook vast de wereld, wankelt niet meer! Gevestigd was Uw troon van oudsher, sinds alle eeuwigheid zijt Gij ! Wel verhieven stroomen, o Eeuwige ! wel verhieven stroomen hunne stem; stroomen verheffen hun dreunend geloei. Doch meer dan de geluiden van groote wateren, de machtigen, de brekende golven der zee, is geweldig de Eeuwige in de hoogte. Uwe getuigenissen zijn vast vertrouwbaar, aan Uw huis past heiligheid, o Eeuwige, tot in lengte van dagen!

Moge de erkenning der heerlijkheid des Eeuwigen eeuwig duren, zoodat de Eeuwige zich verblijde in Zijne werken. De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid. Van de opkomst der zon tot haren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen.

20

ocr page 429

mntr nVan a

l^an Dsb nn;. irn : pxn iratpn

-ah iisa Vn~nn3 ^13 Tjbsn : Dn^D-br^K ah iVn nhni n^^nb Dion : nr'313 bw S^n1? : nonb D^n^ab vk^-^k « nan : tab»; 13quot;)^ «b nron ir^a: : 3^3 an^nbi a^s: niaa

j,.;^, t- t ; * iquot; : - t tt t - : t : - vit •

: I3nü3 1^115 D^3 *3 133'? nDt^» 13quot;*3 : Kin wsioi

; it t ;it •• ; * iquot; • - : • * iquot;* t

•' ^ ubn» T^K3 wby V: ^jipn ïjpB'V quot;1061 niTnV 3iü : ns^n Dl»1? HöTp as : ni^Vs ïjn^öKi ^pn 1^33 : |i,L7^ ^3 ♦; ^nna^ *3 :11233 pan bsr^^i 11^ :^n3^nü ipü^lKü t'T^ ^irnD :|3iK ^ÖS niö3 : nNrn« Vp3i vy i6 i#3 wx nnxi : Dio^nb ps? i^^i 3^:ia3

113^ nsn-^s « nan *3 : « aVjrb DIIQ : |^-i la^s ♦iip d^is oini: |i« ^rbs iiisn» pnï : n^ottfn D^ip D^Ü^S ni^3 tisni nnvos V. ^'33 D^im : ra'^' fiJsVs HKS niö* ions : rn» D^;^-II DMEH n3^3 p3iy nip : innai irribK : 13 nnbi^ jói niï « n^nb

t it t : • ▼: tt* * quot; : 1

-bs bsn |i3n-t]K imnn T'^ « ^3b vz) nm « JS min: : nns4 dVi^d tno in4D3 ?132 : üian

t : : t t it t t •• )quot;•::* i t

d*3i D\a mVpa : doi min: iKf» nbip niinj quot;

. - . i- ) . t : t t : : • t i t : : t ▼:

IND lipw ^ni^ :quot; anas ihn D^nsfa Dnn« : D^a» 11K1? « Kh'TniN:

• t ) v i ; t: v| i t-:it

-]i3a ^ dk' ♦n» : v'^as v. na'^^ obiy1? « 1133 'n* :quot; 3^ Vbna iNi3a_i^ ^a^-niraa : abivi^i nn^a

ocr page 430

OCHTEND.GEBED.

quot;Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Eeuwige, Uw naam is voor eeuwig. Eeuwige, Uw aandenken van geslacht tot geslacht. De Eeuwige heeft in den hemel Zijnen Iroou gevestigd en Zijn koningschap lieerscht over alles. De hemel verheugt zich en de aarde jubelt, wanneer men zeggen zal onder de volkeren: «de Eeuwige is Koningquot;. De Eeuwige is Koning, de Eeuwige was Koning, de Eeuwige zal Koning zijn immer en eeuwig. De Eeuwige is Koning immer en eeuwig, de volkeren gaan verloren uit Zijn land. De Eeuwige vernietigt den raadslag van natiën, verijdelt de plannen der volkeren. Veel zijn de plannen in het hart eens menschen, doch des Eeuwigen raadsbesluit, dit krijgt bestand. De raadslag des Eeuwigen bestaat voor eeuwig, de plannen Zijns harten door alle geslachten. Want Hij sprak — en het was, Hij gebood — en het bestond. Want de Eeuwige heeft Tsion uitverkoren, heeft het begeerd tot verblijfplaats voor zich. Want Jakob heeft God zich uitverkoren, Israël tot Zijn eigendom. Want de Eeuwige zal Zijn volk niet prijs geven, en Zijn erfdeel niet in den steek laten! Doch Hij, al barmhartig, vergeeft misdaad en vernietigt niet; reeds veelmalen wendde Hij Zijnen toorn af, en wekt nimmer Zijne geheele gramschap. Eeuwige, help toch ! de Koning verhoore ons op den dag, dat wij Hem aanroepen.

Heil hen, die wonen in Uw huis, voortdurend prijzen zij U, Séla. Heil het volk, dat iets zoodanigs bezit; heil het volk, wiens God de Eeuwige is.

Psalm 145. Loflied van David. Ik wil U verheffen, mijn God, o Koning! en Uwen naam zegenen immer en eeuwig. Eiken dag wil ik U zegenen en loven Uwen naam immer en eeuwig! Groot is de Eeuwige, en zeer geprezen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk! Geslacht na geslacht roemt Uwe werken en Uwe machtige daden verkondigen zij. De schoonheid van de heerlijkheid Uwer majesteit, en de verhalen Uwer wonderdaden wil ik bespreken. Over de macht Uwer eerbiedwekkende daden spreekt men, en Uwe grootheid — ik wil haar verhalen. De herinnering aan Uwe groote goedheid doen zij als een bron opwellen en wegens Uwe gerechtigheid jubelen zij. Genadig en barmhartig is de Eeuwige, langmoedig en groot in genade! Goed is de Eeuwige voor allen, en Zijne barmhartigheid strekt zich uit over al Zijne werken. Al Uwe werken, o Eeuwige, danken U en Uwe vromen zegenen U. De heerlijkheid van Uw koningschap vermelden zij, en Uwe almacht spreken zij uit; ten einde den mensohenkinderen Zijne machtige daden bekend te maken en de heerlijkheid van de schoonheid van Zijn koningschap. Uw koningschap is ee« koningschap van alle eeuwigheid, en Uwe heerschappij over alle

21

ocr page 431

rvw nVfin

chtyb ^ : niD5 quot; D^irba-^ on

Va? iniDbai 1KD3 pn v; : TO ^ : Tj^ö ♦; d?152 nö^i pNn Vani, o^Q^n ina'f ♦ : n^D 1^1 « : iyi oV^b t! I! ^ \\

nü^no K^n D^ia nv5?: quot;i^n \] : IÏ-iko DMJ nnst : Dipn K^n nv^. nii^na nün : a^sjr

Kin ^ : ill inb 13gt; niaipnö TD^n ♦♦ nv^

rm fi»V3 V inr^ : la^i niï noK

e^-*6 '3 : iriVip1? i1? in| ■ tgt;

wnw Dinn xini : üb inbn?i ID^ «

Tjban n^^in ^ : man-ba Kbi ISK a^nV nanni : WN^-öVn 13^;!

: nbD

: vnbN D^n n^K iV nDair D^n ntfK

t v: ▼: v t t ••: ~ t it v 'y t

nDquot;i3Ni -]ban ♦nibx ^oaiiK irh nbnn nop • njri n)^b ^jpB' nVbnKi : njri

n3t^ *iin'? nn : quot;ipn px inbn^i iko bbnai « Sna ^nxbs: nnni ^nin maa nnn : ^nntaai quot;or : nanspN ^nbn^ noN^ nT^ :

d*ök -pK « ainni psn : wy ^n^nïi t\

fni» : v^p-Si-^ vanni : npn Snii

wiüquot; ^niabo niaa : nDia^n^ ^Tpni f^o_L?| ^ Ttn niapi vniiaa on^n ^ninb : riyv; ^rrnrui nir^a innaai a^a^-ba nuba ^niaba : mwVa

.■jnSnji ••npl pTO iniSui * .yra SllJI *

ocr page 432

OCHTEND-GEBED.

geslachten. De Eeuwige steunt alle vallenden, en richt op alle gekromden. Aller oogen richten zich vol hoop op TJ, en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd! Gij opent Uwe hand en verzadigt al wat leeft tot welgevallen. Kechtvaardig is de Eeuwige in al Zijne wegen en liefderijk in al Zijne werken. De Eeuwige is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem in waarheid aanroepen. Hij volbrengt den wil van hen, die Hem vreezen; Hij hoort hun smeeken en helpt hen. De Eeuwige behoedt allen, die Hem beminnen ; doch alle godde-loozen verdelgt Hij. Den lof des Eeuwigen moge daarom mijn mond uitspreken; en alle vleesch zegene Zijn heiligen naam immer en eeuwig! — Ook wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid, — Halleloe-jah!

Psalm 146. Halleloe-jah! Prijs, mijne ziel! de daden des Eeuwigen. Ik wil des Eeuwigen daden prijzen, zoolang ik leef; wil mijnen God bezingen met snarenspel, zoolang ik besta. Vertrouwt niet op vorsten, op een menschenkind, bij wien geen hulp is. Zoodra zijn adem hem verlaat, keert hij terug tot zijne aarde; op dienzelfden dag zijn zijne plannen verloren. Heil daarentegen hem, wiens bijstand de God van Jakob is, wiens vertrouwen zich richt tot den Eeuwige, zijn God, — die maakt hemel en aarde, de zee en al wat in hen is; die eeuwig trouw bewaart [Zijne beloften vervult] ; die recht verschaft aan bedrukten, die den hongerigen spijze geeft, — de Eeuwige maakt geboeiden los; de Eeuwige opent blinden de oogen, de Eeuwige richt gekromden op, de Eeuwige bemint rechtvaardigen; de Eeuwige behoedt de vreemdelingen, heft op wees en weduwe, doch kromt den weg der booswichten. De Eeuwige regeert in eeuwigheid, uw God, o Tsion, alle geslachten door! Halleloe-jah!

Psalm 147. Halleloe-jah! Want het is goed onzen God met snarenspel te bezingen; want het is lieflijk, passend is lofgezang. De opbouwer van Jerusalem is de Eeuwige, Hij brengt de verstootenen Israels te zamen; Hij, die de gebrokenen van hart geneest en verband legt op hunne pijnlijke wonden. Die voor de sterren getal vaststelt, hun allen namen geeft. Ja, groot is onze Heer en rijk aan kracht, voor Zijn inzicht is geen getal [tot maat]. De Eeuwige heft op de bescheidenen, vernedert de booswichten ter aarde. Heft ter eere des Eeuwigen een danklied aan, bezingt onzen God met de harp. Die den hemel met wolken bedekt, die regen bereidt voor de aarde, die op de bergen gras doet spruiten. Hij geeft het vee zijn spijs, den jongen raven, die [er om] roepen. Niet in de sterkte van het paard vindt Hij behagen, niet in de schenkels van den man zoekt Hij welgevallen. — De Eeuwige vindt welgevallen in hen, die Hem vreezen, die verbeiden Zijne genade. — Roem,

22

ocr page 433

mnt^ nbön 33

« ^oid : ini

nnis : m^n d^dktk Dnb-jni: nnxi Vd

Tpni VD^TVDS v pnv : fivi ^n-bp1? pïm ^T;nt^ : naKü in^p» b'^h rxip-bD1? « nnpT : v^d-^m ? IQlir : Q^^VI Dn^l^TlKl n'TO VKTquot;|1ï1: ♦ö nan* quot; nbnn : D^^in-ba mi vnnsrbsTiN

•••-;▼: - * ; * : - ^'t ;t t •• : t-: t

it Tj-iaj umNi : i^np

: nnbbn nn^o

nnatK «na « nSVnK : «tik ^aa ^Sn n^n iop D*JKquot;|33 intsan-bx : ni^3 ^N1?

Kinn di»3 inön^ inn kïh : n^i^n lb |w * ^3'^ nr^s 3p^ n^N : vn:h^ max DS-^^K-VSTINI D'n-nx psji to'm nquot;^ : vnbkx

t v -: t v ; t - v 1 v it t • i- t v t

Dnb |n: a^pi^b DS^D n'^ : obi^b nost nairn m t|pT « oniy npgt; « : oniDK i^nD « a^nb Tj'ini n-|i^' niöbxi Din» onrnx itiv « : D^pnv 3nK

: nnbbn nnnn1? |i»v ^n'^K nbtyb « : nyr

: nbnn nix3 irnb^ nnar 3it2~»3 nnbbn tap

t • : t t t iquot; v: t : - t -: -

Köinn : D33» 'nn: « pb^in» n:i3

obab d,3313i? nöDö n:iD : onmyb iranoi 31? ni3^b

t *-. ; * t - t : * v t : : •• - ; ••••!:•

: quot;ISDQ r^Ni ini^nquot;? na-mi iriinx bi-ia : tlt;np» niQ^

t : • I •• t : • - i -: r* -; t tl: •

nnins «b ia^ : tii^d

pxb t^aan d,3^3 qkv nD3on : nisaa irribxb mar

| vit t i • •• - • *t : • i- t v - ; - • : iquot; •• ; -

yiy ♦i3b nanb non3b ?ni: : tïh onn n^Dïan idü

•• : - r:- t •• : • I •• • t ■ t -r:-- t t

^pit^a'Nb parr DIDH n*ii3J3 xb : igt;op» n^x ^nai^ : inanb D^bn^on-nN vxn^nN « nxin : hït

ocr page 434

OCHTEND-GEBED.

Jerusalem, den Eeuwige! Prijs de daden van uwen God, gij Tsion. Want heeft Hij sterk gemaakt de grendels uwer poorten, heeft uwe zonen in uw midden gezegend, zoo maakt Hij uw grens tot gebied van den vrede, zal U met tarwemerg1) verzadigen. Hij toch, die zendt Zijn bevel ter aarde, zeer snel loopt Zijn woord; die sneeuw geeft als wolvlokken, die rijp strooit als asch, die Zijn ijs neerwerpt als brokken, tegen Zijne koude, — wie is er tegen bestand?! Dan weder zendt Hij Zijn woord en doet ze smelten, Hij doet Zijn wind waaien — en zij vloeien weg tot water. Hij deelt ook Zijne woorden mede aan Jakob, Zijne wetten en Zijne rechten aan Israël. Zoo heeft Hij niet gedaan aan eenig volk, en rechten — zij kennen ze niet! Halleloe-jah!

Psalm 148. Halleloe-jah! Prijst des Eeuwigen daden van uit den hemel, prijst Hem in de hoogten! Prijst Hem, gij. Zijne engelen, allen; prijst Hem gij, al Zijne heirscharen ! Prijst Hem, zon en maan; prijst Hem gij allen, lichtende sterren! Prijst Hem gij hemelen der hemelen, en gij, wateren die boven den hemel zijt! Dat zij prijzen den naam des Eeuwigen, want Hij gebood, — en zij werden geschapen. Hij deed hen bestaan voor immer, voor eeuwig; Hij gaf eene wet, die nimmer wijkt! — Prijst ook des Eeuwigen daden van de aarde, gij zeegedrochten en alle woelende wateren, vuur en hagel, sneeuw en damp, stormwind, die Zijn woord volvoert! — Bergen en hemelen allen, vruchtboomen en alle cederen; veldgedierte en al het tamme vee, kruipend gedierte en gevleugelde vogel; koningen der aarde en alle volkeren, vorsten en alle rechters der aarde; jonge mannen en ook jonge maagden, ouden met jongelingen, — dat zij prijzen den naam des Eeuwigen, want hoog verheven is Zijn naam alleen. Zijne glorie is over aarde en hemel. Hij verheft den horen voor Zijn volk, tot lof voor al Zijne vromen, voor de kinderen Israels, het volk, dat Hem nabij is; Halleloe-jah!

23

Psalm 149. Halleloe-jah! Zingt ter eere des Eeuwigen een nieuw lied, tot lof Zijner daden in de samenkomst der vromen ! Israël verheugt zich in zijnen Schepper, de kinderen Tsions mogen jubelen over hunnen Koning! Mogen zij Zijnen naam prijzen met rijendans, met tamboerijn en harp te Zijner eere zingen. Want de Eeuwige heeft welgevallen aan Zijn volk, siert be-scheidenen met hulp. Vromen juichen in heerlijkheid, jubelen op hunne legersteden. Verheffing Gods [uiten zij] met hun keel, en een tweesnijdend zwaard voeren zij in hun hand. Om wraak te oefenen op de volkeren, strafgericht onder de natiën, om hunne koningen in ketenen te binden, hunne meeat geëerden

') De beste bestanddeelen der tarwe.

ocr page 435

mnt^ nbön amp;

'nna pm i pgt;v : D'tsn nVn Tjbna D^n : Tjaipa bv \nm • nrt py nw^ pst imoK nVtrn inn|5 ^ab D^ns^ irnp : itö» iön3 1133 ioï? T3Q : D^nVr inn DDp:i nnrn^* : lojr quot;p quot;b^1? p kS : vüs^oi vpn iptr1? vnai

T;Tn^nD^^U .......

t -: - ^ t: - * t : *

mibbn : D'öi-iaa im^n D^^n-fo «tin i^n nybbn nop

ini^n vas^o-Sa Q^ni cwn Kv in^bn ; HN ^2^2 ^ni^n m

: rnv ^in »3 « DtrnK ibbir : D^oi^n byn t^k «■nK iVbri ; iin^ N^I jnr-pn dSi^V oyo^) nn quot;iita^i inai I^K ; nianri-^i pKri_|p : onnx-bDi na ^ m^nr^i nnnn : nan nn^p D^Nyboi pN-^^p : e]T23 niövf^öl nonr1?^ njnn : Dn^ra^ D^j5T ni^mrDJi onin? : px ♦□sip-VDi. oni^ : D'ütJ'i 'pN-^ nin na1? lojy üv: *3 « D^-nx ibVn»

it t : i v|v - - ; ; t : * * *: •• v -; - ;

VTpn bzb nbnn inyb p.^., avi :

-nüquot;^ : Dn»pn inbnn ^nn quot;b n^bbn aop loip : D3bp2 fi»r^3 vfetya dquot;!^: quot;is^a \] nyn-»3 : iV_nsr nispi ejns Vinos : Dniss^p-S^ UJT 11333 an^pn ITS^» : nap: ni'^S : Dn^3 ni»a^ 31-11 d:1quot;ij3 ba nioon

xix. . tt: • • viv : t : • •• -;

Dnn33Ji d^ts anvbü isxb : d'önV? ninsin 0*153

.*ro was * .yn 1131 •

ocr page 436

OCHTEND-GEBED.

in ijzeren boeien; om aan hen te voltrekken het voorgeschreven gerecht! — het is glorie voor al Zijne vromen! Halleloe-jah!

Psalm 150. Halleloe-jah! Prijst God in Zijn heiligdom, prijst Hem in het uitspansel Zijner almacht! Prijst Hem in Zijne machtige daden, prijst Hem naar Zijne grenzelooze grootheid! Prijst Hem met bazuinenschallen, prijst Hem met luit en harp! Prijst Hem met tamboerijn en rijendans, prijst Hem met snaren en fluit! Prijst Hem met helder klinkende bekkens, prijst Hem met dreunende bekkens! Al wat adem heeft prijze God, — Halleloe-jah!

Geloofd zij de Eeuwige immer, amen en nogmaals amen! Geloofd zij de Eeuwige van Tsion uit, Hij die troont in Jerusalem, Halleloe-jah! Geloofd zij de Eeuwige, God, God van Israël, die alléén wonderen doet; en geloofd zij eeuwig de naam Zijner heerlijkheid; en de geheele aarde worde vervuld van Zijne heerlijkheid, amen en nogmaals amen !

{Het volgende tot na 1312 wordt staande gezegd:)

I Kron. 29,10—13. En David loofde den Eeuwige ten aanzien der gansche vergadering, en David zeide: Geloofd zijt Gij, Eeuwige, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Aan U, o Eeuwige, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want [u behoort] alles in den hemel en op aarde; aan U, o Eeuwige! is de heerschappij, en Gij zijt het, die boven alles als opperhoofd verheven zijt! Zoowel rijkdom als eer gaan van U uit en Gij heerscht over alles; en in Uwe hand is kracht en macht, en in Uwe hand ligt het alles groot en sterk te maken. En daarom, onze God, danken wij U en prijzen Uwen roemrijken naam.

Nechemja 9,6—11. Gij, Eeuwige, zijt het alleen. Gij hebt gemaakt den hemel, de hemelen der hemelen en hun gansche schare, de aarde en al, wat erop is, de zee en al, wat erin is; en Gij houdt hen allen in het leven en de schare des hemels werpt zich voor U neder! Gij zijt het. Eeuwige God, die Abram hebt uitverkoren en hem hebt uitgevoerd uit Oer-Kasdiem en zijnen naam Abraham genoemd hebt; Gij vondt zijn hart getrouw voor U en sloot met hem het verbond, te geven het land van den Kena'aniet, den Chittiet, den Emoriet en den Perizziet en den Jeboesiet en den Girgashiet, —

D

24

ocr page 437

nnntr nban na

■bD1? Nin nn aina ona : Sr^n ^233

t ; tt t t : v t v ; - ;

: mbbn vtdh

T -; - T • -;

iniVbn : it# ^j!3quot;i3 imSbn lahps bK-^bn n^ri jp

tnibVn : ibna ana mibSn vrhia^a m^Sn Sinai ejna inibbn : naai ba^a inib^n quot;isity

1 -: - T I : 1 -: - • ; ••• iquot; ; i -; - T

: n^nn ^ïbïa imSbn mi^n ; a^i a^pa

: 'n '»'n n 'quot;a : n» Sbnn natjan Va

- T ; - T -; - T ••-; tt:-

oS^n» jat? |i»vp t! : abi^b « -ji-ia

m'N^j bNi^: 'rbvt D^nbK « ^na :

■brm inaa maa de' Tpai : naS

: ipNi fpN pKn

.1Dquot;)3 in.s -iï irarS yt-i cquot;3 'x nquot;n

« nnN Ttna mi naN»i bnpn-ba quot;TIN TH nan

'= t - I t . t ... . - tIt- r ••*•: v . T |.,,T:-

* ^7 : 071^0 irasj

D^ou'a ba^a iinm nwni mNanm mia-ini nbiin

' t - • - : -!••-: viv : • - : t ; - ; t •..: -

: mi) Sab x^jnani nabasn « pKai ïjTai nniaji na ^Tai Saa bt^io nnxi ^:abo -tiaarn Tjb um^ï aniD irnbsj nn^i : ^ab prnbi biib ^nab ^ xin nnn ,d .• ?|rinxan D^b D'bSnpi ps4n DkVa^-bai kv D'o^n-nt? nnrv nnK

I vit t t t : t : * i~ t - •• ; ' |- t quot; v t r t -

quot;nx nsnü nnxi ana nt^K-bai ar^n n^br n^x-^ai

t - ; v t v 1 t : • - - t iv v -: t :

QflbNn « Kin nnx : nnnmp ^b ar^^n xaxi aba iDf nDi^i D^a mxp inx^mi Dna^a rnnna n^K nnan is^ miai ^jab fax: laab'nx hnxdi ; annax pia^ni nnani noxn ♦nnn ^aan pN'nN nnb

.aw na *

ocr page 438

OCHTEND-GEBED.

het te geven aan zijn kroost; en Gij bevestigdet Uwe woorden, want Gij zijt rechtvaardig. Toen Gij zaagt de ellende onzer vooroudera in Egypte, en hoordet hun geschrei bij de Schelfzee, — toen gaaft Gij teekenen en wonderdaden tegen Phar'o en tegen al zijne dienaren en tegen gansch het volk van zijn land; want Gij wist, dat zij moedwillig tegen hen gehandeld hadden; en Gij verwierft U een naam gelijk op den dag van heden. En de zee kliefdet Gij vóór hen, zoodat zij door het midden der zee doortrokken op het droge, hunne vervolgers echter wierpt Gij in diepten als een steen, in machtige wateren.

Exodus 14,30 en 31. De Eeuwige redde op dien dag Israël uit de macht van Egypte en Israël zag Egypte dood aan den oever der zee. Toen Israël zag de groote macht, die de Eeuwige tegen Egypte had geoefend, vreesde het volk den Eeuwige; en zij stelden vertrouwen in den Eeuwige en in Zijnen dienaar Mozes.

Exodus 15,1—19. Toen zong Mozes en de kinderen Israels dit lied ter eere des Eeuwigen; zij zeiden namelijk, als volgt: Zingen wil ik ter eere des Eeuwigen, want hoog is Hij verheven ; paard en zijnen berijder stortte Hij in de zee. Mijn zege en mijn zang is God, Hij was mij ter hulpe; deze is mijn God, Hem wil ik verheerlijken, — de God mijns vaders. Hem wil ik verheffen. De Eeuwige, Heer van den oorlog. Eeuwige is Zijn naam ! — De wagens van Phar'o en zijn leger slingerde Hij in de zee, en zijne uitgelezen legeroversten werden in de Schelfzee bedolven. Woelende wateren bedekken hen; zij daalden af in diepten gelijk een steen 1 Uwe rechterhand, o Eeuwige, prijkend in kracht, Üwe rechterhand. Eeuwige ! verplettert den vijand ! — En in Uwe overweldigende hoogheid rukt Gij Uwe tegenstanders omver; zoudt Gij Uwen brandenden toorn vrijlaten, hij zou hen verteren als stoppelen. En door den adem van Uw neus hoopten wateren zich op, bleven vloeistoffen overeind staan als een muur; stolden woelende wateren in het midden der zee. Reeds zeide de vijand: ,/Ik wil vervolgen, ik zal inhalen, ik zal buit verdeden; mijn verlangen zal aan hen bevredigd worden; ik zal trekken mijn zwaard, mijn hand zal hen terug-veroveren.quot; Doch Gij bliest met Uwen adem, — de zee bedekte hen; zij zonken in de diepte als lood in geweldige wateren! Wie is U gelijk onder de machten. Eeuwige! wie is U gelijk, prijkend in heiligheid, eerbiedwekkend in lof, wonderen verrichtend ! — Evenals Gij uitstrektet Uwe rechterhand, — de aarde verslond hen; Zoo leidt Gij door Uwe genade dit volk, dat Gij verlost hebt; zoo voert Gij het door Uwe macht naar Uw heilig verblijf. Volkeren hooren het, — zij beven; siddering grijpt aan

25

ocr page 439

mnp nVön na

-nK N-irii ; nriK p^v ^ Ü^1 i^lï1? nnquot;?

inni ; epD-Dr1?# ri^o^ on^rmi DnTVö3 ij»ni3M ^ ri^T »3 iï*ix Dr^ni v^r^rn ri^isa o^nabi nh^ ^i?| D»ni : nn Di»n3 db' ^^rn. Dn^: nnn »3 risWn DirairnN'! D^ma na^i. Dn^a1?

: Dnjr D^a j3ïriD3 riViypa

T'i nw»

'^1^! Nt-1- d^tVP T-P Kinn di»3 njn» j^-h

quot;J-IK VK-IB^ K*|»I : DTI nsty-^ nD Dnïp'm TIK D^n Dnïps hp\ rivy' n^n n»n : najr nin»3 whw mn»

I . IV : Tl- • ~II— AT :

.D'Oïisn pjjai noioa mcxS ilt;ix □i|-|

njn^ nKin n^arrnK ♦bi TK

non 133^ pip n'Kr-'3 hln^ rrrgto io^

imjKi riT n» hnprf njT: d»3

n33quot;ip : io^ nin; nonVp nin» : impDhKi rionri ; t]ip-D»3 i^sd vübü innpi d;3 ht ly'nV'ri^-ia 033 nin; : |3K_iD3 ri^yos i-it io;p3* n^n ^ö[5 Dhnn rjjixa yiï) : 3»inj nin»

iriop 13W D»p IÜ-I^: ^ÖK nni : v$2 la^j ^h'n pvinK WK tji-iK 3»1K -1ÜN : p»-3b3 riünn wap na^j : n» iQ^nin »inn pnx ^a/iox^pn ^ n3ö3-»D : onnK D^S n^èijD 'I^Ï D;t IODS ^nrp • hbnn Knij Bh]53 n3b3 \ rijn'D^

C»1?^ T'W OVl '• Hl? ^;p» nèj THK pnT V7p% WÜV : njr^K ^3 nbru

ocr page 440

OCHTEND-GEBED.

Philistaea's bewoners! Dan verschrikken de vorsten van Edom; de machtigen van Moab — beving grijpt hen aan; weg smelten zij, allen bewoners van Kena'an. Verschrikking en angst overvalt hen; wanneer Uw arm zich groot toont, verstommen zij als steen; — tot voorbij is getrokken Uw volk, o Eeuwige! tot voorbij is getrokken dit volk, dat Gij U hebt verworven ! Totdat Gij hen hebt gebracht en geplant op den berg van Uw erfdeel, den zetel voor Uw verblijf, dien Gij ü bereidt, o Eeuwige; het heiligdom, o Heer, dat Üwe handen vestigen! De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!

(Want Phar'o's paarden waren gekomen met zijne wagens en met zijne ruiters in de zee; toen had de Eeuwige over hen de wateren der zee teruggevoerd, terwijl de kinderen Israëls gegaan waren op het droge in het midden der zee.)

Want aan den Eeuwige is het koningschap en Hij heerscht over de volkeren ! En redders zullen bestijgen den berg Tsion, om te richten den berg 'Esau, dan zal den Eeuwige het koningschap zijn. Dan zal de Eeuwige tot Koning zijn over de geheele aarde; op dien dag zal de Eeuwige eenig zijn en Zijn naam eenig! En in Uwe leer staat als volgt geschreven: //Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig!quot;

De ziel van al, wat leeft, zegene Uwen naam. Eeuwige, onze God! en de adem van alle vleesch roeme en verhefFe steeds Uw aandenken, onze Koning! Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God, en buiten U hebben wij geen Koning, die verlost en helpt, bevrijdt en redt en onderhoudt en zich ontfermt in eiken tijd van nood en druk ; wij hebben geenen Koning, dan U ! God van de vroegere en na ons komende geslachten. God van alle schepselen. Heer van alle geboorten, die in tal van lofzangen geprezen wordt, die Uwe wereld leidt met genade en Uwe schepselen met barmhartigheid ! En de Eeuwige sluimert niet en slaapt niet; Gij, die de slapenden opwekt en door diepen slaap bevangenen doet ontwaken, en die stommen tot spreken brengt en geboeiden losmaakt en vallenden steunt en gebukten opricht, — U alleen danken wij ! Indien onze mond ook vervuld ware van liederen, gelijk de zee [vol water is], en onze tong vol jubelklanken als het ruischen harer golven, en onze lippen vol lof als de uitgestrektheid van het uitspansel, en al waren onze oogen lichtgevend als zon en maan, en onze handen uitgespreid als [de vleugelen van] de arenden aan den hemel, en onze voeten zoo snel als [die van] de reeën, — zouden wij U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, niet genoeg kunnen danken en Uwen naam kunnen

26

ocr page 441

nnnt^ r6an ID

iDjnilt;| 2N1Q Dinsj ♦aibK ibnn: TK : n^Ss Vquot;]33 quot;insj nnow Dn^Vön : j^JD ^ UD: rD^ -in^p^ nirr in^;^ |3n:| m pi-lï nb^a JIDÖ ^nbnj ina lö^^ni loto :'n^ M : iyi 1 nin» : nn» iwia ^IN vipn nin»

•r: Tvt jt^ : K : * jt : I ivt ;-; i -; tI: • at :

: quot;ijn D^b -jba»

nln: 3^»i oja üai? ri^ns did N3 ^) (; ajn ^ln? n^|s.3 «^n ^ * njn ^ r\$

vzpb ji'V D^^ID by): bvfoi nsiban quot;b »3 ^Ü1? ^ n^ni : naiVsn ^ nn^m nn-nx aina ^nninni : nnK lOBh nnN « Ninn Di»a pxn •' inN ^ irrtbK « iaxb

■S| nni • irnbst « ^2n 'n-Sa nü^;

■■|p * ynn I^SÜ ï|i3T Donni ixsn i^s Vxia wb px ^n^api * VK nnx D^i^n-^i oVi^n n^ïi nnv n^-Ssa dito DJnfiüi nnis ^^iai nibx • Dnnnxni D»:i^in ^nbK : nnx -IVO i:1?' m

- i v: * -: - t : • t •• v; tit t v |v iv it I ••

anion nina^rin nna bbnipn nnVm-ba ptK mnrbs

♦ ^»-^1 Dir-^ • D^nia vnmai ions lobiy

It- : t t - • -: - : ▼ • : v i* ; r *

quot;i^nani n^ani D^nni pponi -niypn i^mK ^ ♦ D^IÖ3 ^iTni n^ai: ^öisni Dn.iDK vVa jions nan d»3 nT^ n^ö wp ibx * dhid

* HTDI ^0^2 nn^p irnina^-i pj* : ni^N3 mbp ir^n * d^ ntyj3 ni^na

» quot; t - t i- !••:-: •*it t ••; * ; : iquot;t:

^371 • 13^13« 'ribKi irnbK « ^ nnin^ D^^pp UTOK

ocr page 442

OCHTEND.GEBED.

zegenen ook maar voor een duizendste van de duizenden mil-lioenen en milliarden malen aan onze voorouders en ons door U bewezen weldaden! Uit Egypte hebt Gij ons verlost, Eeuwige, onze God! en uit het slavenhuis hebt Gij ons bevrijd, bij hongersnood hebt Gij ons gevoed en in [tijden van] overvloed ons verzorgd, van het zwaard hebt Gij ons gered en voor pest ons beveiligd en ons aan boosaardige en wissen dood brengende ziekten onttrokken. Tot dusverre heeft Uwe barmhartigheid ons bijgestaan en hebben Uwe liefdebewijzen ons niet verlaten; o geef ons, Eeuwige, onze God, dan ook niet prijs tot in eeuwigheid ! Daarom zullen de ledematen, die Gij gescheiden hebt aan ons, en de adem en de ziel, die Gij in onzen neus hebt ingeblazen, en de tong, die Gij in onzen mond hebt geplaatst, — zie! zij zullen danken en zegenen en loven en roemen en verheffen en de macht, de heiligheid en het koningschap toekennen aan Uwen naam! Want elke mond moet U danken en elke tong U toezweren en elke knie voor 17 zich buigen en elke hoog opgerichte gestalte voor U zich nederwerpen en alle harten moeten U vreezen en alle ingewanden en nieren Uwen naam bezingen, naar het woord, dat geschreven is: „Gansch mijn gebeente zegge: Eeuwige, wie is U gelijk, die den arme redt uit de macht van hem, die sterker is dan hij ; en den arme en behoeftige uit de hand van wie hem berooft!quot; Wie is U gelijk? Wie kan bij U worden vergeleken ? Wie kan bij U als verhouding worden aangegeven ? Gij groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God, Eigenaar van hemel en aarde! Wij willen U loven en ü prijzen en U roemen en zegenen Uwen heiligen naam, gelijk er gezegd is: „Loof, mijne ziel! den Eeuwige; gij, mijne ingewanden allen, Zijn heiligen naam 1quot; Gij God, door de krachtige uitingen Uwer macht, groot door de heerlijkheid van Uwen naam, machtig tot in eeuwigheid en eerbiedwekkend door Uwe eerbied afdwingende daden. Koning, die zetelt op den troon hoog en verheven, — eeuwig troont Hij ; Verhevene en Heilige is Zijn naam; en er is geschreven: „Jubelt, rechtvaardigen! in den Eeuwige, den oprechten betaamt lofzang!quot; Door den mond der oprechten wordt Gij geprezen en door de woorden der rechtvaardigen gezegend, en door de tong der braven verheven en door de ingewanden der heiligen !) geheiligd 1

En in de verzamelingen der tienduizenden van Uw volk, het huis Israels, worde Uw naam, onze Koning, met gejuich geroemd door alle geslachten; want dit is de plicht van alle schepselen vóór Uw aangezicht, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, om U te danken, te prijzen, te loven, te roemen,

^ Vgl. iets vroeger: nnp 2ip hoi, waar een loflied als het ware

opstijgt uit 's menschen ingewanden. — Anderen vertalen; te midden der heiligen, in den samenhang minder juist.

27

ocr page 443

nnnt^ nvsn d

maan ^ nnt? by * ^jb^-nk

un'pw onvsp •' wjsyi irnnx nwyp ninitan d^üj^ö * uwt ^quot;i3 * unna on^ n^oi wr6k «

t t it:- 't t : it • : * t^: •• • r* ••: •*:

d^quot;i d^nm • nmai • vnbxn mno *

t * t ▼; •• it : - • v iv • it : - • viv •• it : - : •

* *pdn untrn1?') • uw nan-iv : dudwi

I iv t —: i t : : I iv -: - it -: t iquot; it • • • t v: v:

* us ruvöty qn^n p-^ : wr6k «

it t :r * v • t •• I •• - — iv t i** v: *: iquot; : • - ;

tn * irsa naiy-n^n nnaat^ notyji nni

i •• r : t : i- v -: i t : iquot; - : t : i- t v t t ; - i :

lüdinn •nt^sn my) in* on * niv ïj1? ns-va p id^an

* riinri^n ^jö1? nüip-^i tjnr^i *p -ims * iidt* ni^di anp-bai • niaab-^i

tt- liv ; • ; -: t : vhv t : Pit* t ; t :

prnö ^ b^a • nim « naiü^n

1 t t •• • *t * quot; Pit ▼: t : r - : - t t v

quot;to! 'pi w ^quot;no^ v : ibrip \v2i*] uap : pki Q*m r\:p kiisni maan vnan bxn * -]b

quot;110x3 * ^tihpt d^tik tj-is^ ïjns^i ïjbbn:

: lanp dt^-rik mp-^i quot;-nx ^s: »313 tnquot;?

; I t •• v - t I; t ; ▼: v • : - • -: t • t :

nv^ ii3an * 11333 bnjn * niüï^ns ban - m:] dit xd3 by 3^i»n -jban * ^ni«quot;ii:3 kiiani

.msnpoai «w vnpm rnpnn ■quot;' nj? pir p« yvn □n^ «3 d^pnv 3^3quot;! * id^ diid pitf

* i-i3nn d^p^ï ^13131 • ^bnnn an^* ^3 ; nbnn mw

i - t : • i* quot; :*,: t — : * -t: •: *t*: tt

: ^ipnn d^inp 3^31 • doiinn onpn 11^31

-ixöjt nsns bifp* n»3 ?|a]r nürn nivnposi dnix^n-^ n3in 73^ iiti -1its33 133s0

: - t ^ - P •• v t t : iquot; ; -

ims1? 13^ bbn1? ninnb wni3k ^ribki irribtt« i^a1?

•• t ; - iquot; - ; •• - ; ; iquot; -: •• •• r* ••: ▼: i ivt ;

ocr page 444

OCHTEND-GEBED.

te verheffen, te verheerlijken, te zegenen. Uwe hoogheid te erkennen en ü te bezingen nog boven alle woorden van zangen en lofliederen van David, den zoon van Jishai, Uwen dienaar, Uwen gezalfde!

Geloofd worde Uw naam tot in eeuwigheid. Gij, onze Koning, God, groot en heilig Koning in den hemel en op aarde! Want U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, komt toe lied en lofprijzing, danklied en gezang, almacht en heerschappij, zege, grootheid en kracht, verheerlijking en roem, heiligheid en koningschap, zegeningen en dankzeggingen, van nu tot in eeuwigheid ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, God, Koning, groot in lofzangen. God, wien dankzeggingen toekomen. Heer der wonderdaden, die behagen schept in lofgezangen. Koning, God, Eeuwiglevende!

Voorlezer: En nu, moge de kracht van mijn Heer zich groot toonen, gelijk Gij gesproken hebt, zeggende:

Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige, en Uwe genadebewijzen, want sinds alle eeuwigheid zijn zij.

Moge Zijn groote naam in zijne grootheid en heiligheid erkend worden in de wereld, die Hij naar Zijnen wil geschapen heeft; moge Hij Zijn koninkrijk weder vestigen tijdens uw leven en in uwe dagen en tijdens het leven van gansch het huis Israel's, spoedig, in nabijzijnden tijd ; zegt; Amen!

Gemeente: Amen 1 Zijn groote naam worde geaegend immer en in alle eeuwigheid!

Voorlezer: Gezegend en geprezen en geroemd en verhoogd en verheven en verheerlijkt en vereerd en geloofd zij de naam van den Heilige, geloofd zij Hij, — verre boven alle zegeningen en liederen, lofzangen en vertroostingen, die in de wereld worden uitgesproken ; zegt Amen !

28

Be voorlezer:

Looft den Eeuwige, den lofwaardige !

De gemeente:

Geloofd zij de Eeuwige, de lofwaardige, immer en eeuwig.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die het licht hebt gevormd en de duisternis geschapen, die vrede sticht en de Schepper zijl van alles!

Wanneer men Jotser bijvoegt, zegt men:

Het eeuwige licht bevond zich in de schatkamer des levens; „lichten [zullen ontstaan] uit de duisternis,quot; zeide Hij, — en het was!

(Terwijl de voorlezer 13quot;Q voordraagt, zegt de gemeente zacht J

Geprezen en geloofd en geroemd en verheven en verhoogd worde de naam van den Koning aller koningen, den Heilige, geloofd zij Hij; want Hij is de eerste en Hij is de laatste en buiten Hem is geen god! Baant den weg voor Hem, die door de hemelvlakten snelt, rp is Zijn naam, en jubelt voor Zijn aangezicht! Zijn naam is verheven boven elke zegening en lofzang! (Terwijl de voorlezer 'n zegt-) Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig! De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid!


ocr page 445

mnt? nban na

nar1?! ^nb Tinb tuümb

: ^jn^p ^♦-ja ivi nina^ni 0*0^3 ü'iipni binan Vxri rDnc»

Ttr irniSK 'rbw ^rnbK ♦♦ nw »3 pKii

,.. -. .. .. ,.. ... T; v t i . . | VIT T

minji nv'ia nxa n^oüi ip man Sbn nnn^i

t : t ••.: quot;iv t t ; v t ; • : •• - t t :

-i^i nn^D niNnini niDis ni^bQi mKsni nbnn niKiinn bx nins^na bma -ibo Vk quot; nnx Tiina * obi^

t - .. t . . - t i v IV quot; t: t - ) t t ^

: D'pbt^n ♦n Vk m\ n^3 inian ni^aan |1-ik

: iaxS jnns-n ^quot;in* na nj nn^i pquot; : nan □bi^o rs ingni ^ ^'Dni -tr nnipnp xnrn KQ^3 Ksn nöf t^ipnn Vnan» pquot; m Von »ra fia^ria nniD1?»

noNi 2n^ |opT N'oSj? ■'oS^Si □Sj;'? pap kst, nn-f xri,: * jon ^ rn Tinnn DQiinn, ixsnn n?n^n v* Va |p nquot;iEfï2) Kin -pa K^nipn na^ ^nnn; KD^a P^ÜNI Knonai xnna^n xnaia

T : T : it*-;- T T : v; T T : ; •-. T T • : T T : •

; |J3K mOKI

.-jnan1 quot;«is 1313 IJ» ytsn» nrta

: Tjiapn ^nK lana v*

: ijn cSiyS -]-i3pn ^ ^jns nquot;ip

irnbx ^ nriK -jna

quot;lijsï quot;1X1* D^l^n Dib»^ n'^ ^n K-iiat : San-nK «Tiai

Dquot;n isixa oSiy nljc wonoixM

1 .T . • HT D^DIÖ

j^vna^^anmic

□annn nN?n,i na^'i ^■!^n, ^So ^SD Sr 10f tfinir Nin ^na rnpn QoSpn px rn^Saai jnnx xini p'^Ni iW n;? nl3^3 33iS iba -dmSN

Sa hz nana iW-i * vj^S -ir^i il33 de' ^na : n^nni nana ^ np '.t : nji aSip'p imaSa : aSiy nn^a -[-pa

ocr page 446

OCHTEND-GEBED.

Gedurende den zomer, van den Shabbath vóór het Paaschfeest tot de Seliechoth-dagen, wordt het volgende tot cnpn wni in beurtzang door Voorlezer en Gemeente voorgedragen.

Allen danken U en allen prijzen U en allen zeggen: niemand zoo heilig, als de Eeuwige! Allen verheffen U, Séla! Gij, die het heelal hebt gevormd; God, die eiken dag de deuren van de poorten van het oosten opent! !) En die vensters in het uitspansel uithouwt 2), die de zon laat te voorschijn komen uit hare plaats en de maan uit het verblijf, waar zij gevestigd is. En die der geheele wereld en haren bewoners licht verschaft, die Gij geschapen hebt, [geleid] door de eigenschap van barmhartigheid! Gij zijt het, die de aarde en hun, die haar bewonen, licht geeft met barmhartigheid, en door Uwe goedheid eiken dag gedurig het scheppingswerk vernieuwt! Gij Koning, die alleen verheven zijt van oudsher, die geloofd, geroemd en hooggeprezen zijt van af de dagen der oudheid ! Gij, God der eeuwigheid ! ontferm U over ons in Uwe groote barmhartigheid, Gij Heer onzer macht. Rots van onze toevlucht, Schild van ons heil, Toevlucht voor ons! Niets is met U te vergelijken, niets is buiten ü, niets is zonder U, en wie gelijkt U ? Niets is met U, Eeuwige, onze God, te vergelijken in deze wereld; en niets is buiten ü, onze Koning, in het leven der toekomstige wereld ! Niets is zonder U, onze Verlosser, in de dagen van den Messias; en niets gelijkt U, onze Helper, bij de herleving der dooden!

God, Heer over alle schepselen, geloofd en gezegend door den mond van alle zielen! Van Zijne grootheid en Zijne goedheid is de wereld vervuld; kennis en inzicht omgeven Hem! Hij is hoog verheven boven de heilige Chajjoth, en prijkt glansrijk in heerlijkheid op de Merkaba. 3) Erkenning van verdiensten en rechtvaardigheid staan voor Zijnen troon, genade en barmhartigheid vóór Zijne heerlijke verschijning! Goed zijn de hemellichten, die onze God geschapen heeft; Hij vormde ze met kennis, met inzicht en oordeel; kracht en macht schonk Hij hun, om te kunnen heer-schen te midden der wereld ! 4) Vervuld van schittering, en glans uitstralend; heerlijk is hun schittering door de geheele wereld! Zich verheugend bij hun te voorschijn treden en verblijd bij hun huiswaarts keeren, vervullen zij in vreeze den wil van hunnen Eigenaar! Roem en eer kennen zij Zijnen naam toe; gejuich en gejubel bij de herinnering aan Zijn koningschap. Hij riep de zon — en er straalde Jicht, Hij /ag — en ordende de gestalte der maan ! Lof kennen Hem toe alle scharen in de hoogte, roem en grootheid de Serafiem, de Ofanniem en de heilige Chajjoth.

') Waardoor als het ware de zon naar buiten treedt {a-ei), om haren weg aan het uitspansel af te leggen.

') Waardoor de stralen der zon, wier plaats boven het uitspansel wordt gedacht, tot de aarde kunnen doordringen.

29

ocr page 447

mnt? r6ön LJD

•inv San nin^on quot;'a1Siun nare : «3 psi iw Vani • Vani Van di^2 nnian • Van nvi» nbo ^öoit Van nan ♦jibn ; nn?p n,^ nmbn

• raf tküi ; nnn^ paap mnbi noipap n^ Qn^i rnsj^ i^an : D^ni niü3 Njnaty

t IV t * t~ ï | V IT t ... — ... - ~ * : tt V

: n^D n»pn di^ds ^na 1211221 * D^nna K'^nani i^iaani na^pn * TNO I-DV oaiipn -jban

• 1:^ on-] D^nn ^anna thty : obiy nia^p ï|3^3 pN : unga lïm vyw |ja uaa^p niï wy |m « pK : Tjb-naii »pi ïjnVa döx - pxi : N|n obi^n uabp ^nVir pxi • nrn dVi^| irnVtf i:^^ia ^-noin pxi • ir^an nia^b I^kiü dsk

: D*nan n^nnb

: ^3 Tjipüi • o^pn-Vs b% jnx VN

: mix D^ab naiani n^n • oVi^ xbo imm ibns : n^ipn*^ 11232 nmi * üipn nvn-1?^ nwnan

t t j v t ; t : v : v 11 ~ - ~ v t ï * ~

d»21ü : 11122 D^pnii ipn * iKp2 ni^pi ni2r : ^2^121 nypa n^i2 cm* • irnbx niiiKp d^6ü ; ^20 2ij52 10 nvnV * Dn2 |n: nn^ii rtp

DnNï2 D^na't^ : Dl?ivn'i?22 Din ik: • toi: d^^di in

t •• ; • •• : t r t : t • v t - i I • • :

D^nu 112211K2 : D3lp pïquot;! 10^2 D^l^ * DN122 D Wl

• HK-niri wfovh tnj?; inisVp 126 n3quot;ii nVny * io^V

• duo K2rb3 quot;h d»jni: 12^ : n32bn ni.iï ppnni nKi

: tfipn ni»ni d^öini d^I^ nbui mxön

vquot; quot; quot; : * quot; : * t: t •..; viv ; •

3) De troonwagen der goddelijke Majesteit. 4) Vgl. Gen. 1,18.

ocr page 448

OCHTEND-GEBED.

Den Almachtige Damelijk, die met alle werken ophield op den zevenden dag, zich verhief en zette op den troon Zijner heerlijkheid. Met roemrijkheid omhulde Hij den rustdag, tot genot bestemde Hij den Shabbathdag; dit juist is de roem van den zevenden dag, dat daarop God ophield met al Zijn werk. De Shabbathdag zelve prijst dan ook en zegt: „een zang-psalm voor den Shab-bath: !) het is goed den Eeuwige te danken!quot; Daarom roemen en zegenen God al Zijne schepselen; lof, eer en grootheid kennen zij toe aan God, den Koning, den Vormer van het heelal, die in Zijne heiligheid aan Zijn volk Israël rust tot erfdeel heeft gegeven op den heiligen Shabbathdag. Uw naam, Eeuwige, onze God, worde geheiligd en Uw aandenken, onze Koning, geroemd in den hemel boven en op aarde beneden. Wees geloofd, onze Helper! wegens het prijzenswaardige werk Uwer handen en wegens de stralende lichtverspreiders, die Gij geschapen hebt, mogen zij ü eeuwig roemen, Séla!

Wees geloofd. Gij onze Rots, onze Koning en onze Verlosser, Schepper van heilige wezens ! Uw naam worde eeuwig geprezen, onze Koning, die dienaren hebt gevormd, en Wiens dienaren allen staan in de hoogte der wereld en vol eerbied te zamen met luider stemme doen hooren de woorden van den levenden God en eeuwigen Koning! Allen zijn bemind, allen uitverkoren, allen machtig; en allen volbrengen zij met vreeze en eerbied den wil yan hunnen Meester! En allen openen hunnen mond in heiligheid en in reinheid, met lied en gezang; en zegenen en loven en roemen en kennen kracht, heiligheid en koningsmacht toe aan den naam van God, den grooten, machtigen en eerbied wekkenden Koning, heilig is Hij ! En zij allen nemen in beurtzang op zich het juk van het koningschap des hemels 1) en geven elkander verlof hunnen Schepper te heiligen met opgewekten geest, in zuivere taal en met lieflijk geluid; heiliging heffen zij allen te zamen aan en zeggen met eerbied:

Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de geheele aarde!

Wanneer men Ofan bijvoegt, zegt men-. En de Chajjoth zingen en de Cheroe-biera roemen en de Serafiem juichen en de Er-elliem zegenen ten aanzien van elke Chajja en eiken Ofan en Cheroeb

En de Ofanniem en de heilige Chajjoth verheffen zich met groot gedruisch

tegenover de Serafiem; tegenover hen staande prijzen zij en zeggen:

30

1

) Di^apa is hier in twee beteekenissen gebruikt: vSr brno, op zich nemen, erkennen; en nw nr Sapo, van elkander overnemen. Vgl.deChaldeeuwsche vertaling van m S.s' nr .sipi; die beide beteekenissen doet de vertaling uitkomen.

ocr page 449

mnt? nVfin b

nb^nn oio awym-bm quot;ift^ bxS irosn di»1? nt:^ niKfiri : itüd 3^;i

ia^ T^n Qiquot;^ nn^ nr : na^n DVb ■i^ nioïa ioiki n^o DI^ : inpK^p-bsa *?« Sxb IDITI 1-)^ -j^ab : *h niTnb 3iü na^n DI^ Vnaan ^ nxv 'nbo bx1? un» nbiii np» naty -v^y^a

• : — •• | v iquot; •• t ; * t ••.; It: - iv t : t

« ïpp : nip avi inBnpa la^b nmaa -^'i S^öp d»Q^3 * nxan» ^pn *

-hy) ïp» n'^D ^lann : nnnp pNn

: n^D nns^ hn4

t iv i i -: t ; t r *gt; v quot; :

^jpir nariE': o^np k-i.13 tóp wniv Tp.anri vmi^o quot;i^Ki D^nniyü waVa n^1?

t *.. t -: t : v -: - --it: quot; iquot; : - t

na-t bipa in» n^Ta a^^p^pi nbi^ ona anoiy D^a onna oba D^ainx oba : obiy -|Soi D«n o^btt D^nniö obai ö2ip jivp nx-ini nü^a D'fcty obai oniaa D^natrai D^iaai marai nn^a mn^ai n^ipa Dn^-nN

• ; - ; * -: t : t : • : t • : tt; t : tv;* v *

D^a^ppi D^nppi D^ïn^pi Dntföpi D^ai : Nin ^np Nnism maan Vinan n'Pan Vnh Dtrnx

t ••. ; It t - : • - t - | v iv - •• t ••

Denial * nip nr niabp Vjr orrb# D^apa mna ns'^a mrnnaa mvvb ^npnb • nr1? m mEh

t : t t ; - i quot; iquot; : t ; : * i. quot; : vt v :

nxma anpiNi D^ai^ nriNa D^a ninp no^aai : maa p.Nn-ba nVo niKaï \\ irnp trnp irinj5

ni'ni D'aöiKni

^pa i^npri D^ano Sna

.ni mxi J2\\ D'-imsü-s

lah» d^i'^i nxa» D^aiai ni'nm

■ it tc i** t : • *•. : •• ; - - ;

anai TÖINI n^n-^a ^as lana' D^KIKI

: I - : t - t •• : r't; • v : v :

DnoiKquot;! ona^o ana^P o^zrp na^P

ocr page 450

OCHTEND-GEBED.

Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats.

God, den geloofde, wijden zij lieflijke klanken; ter eere van den eeuwig levenden en bestendigen God spreken zij gezangen uit en doen zij lofliederen hoeren, dat Hij alleen het is, die machtige daden verricht, nieuws wrocht. Hij de Heer is der oorlogen, die weldaden zaait, en hulp doet ontspruiten; die genezingen schept, eerbiedwekkend in lof. Heer der wonderdaden, die door Zijne goedheid eiken dag gedurig het scheppingswerk vernieuwt! Gelijk er gezegd is: [Dankt] Hem, die groote lichten gemaakt heeft, want eeuwig duurt Zijne genade! Een nieuw licht moogt Gij over Tsion doen schijnen, zoodat wij allen spoedig den glans ervan mogen deelachtig worden; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper der hemellichten!

Met groote liefde hebt Gij ons bemind. Eeuwige, onze God; Gij hebt ü in groote, in overgroote ontferming over ons erbarmd; onze Vader, onze Koning! ter wille van onze voorouders, die op U vertrouwden en wien Gij levenswetten leerdet, — o, wil ons evenzoo genadig zijn en ons onderwijzen! Onze Vader, barmhartig Vader, Albarmhartige, ontferm ü over ons en schenk ons hart de ingeving, te willen begrijpen en verstaan, te willen aanhooren, leeren en onderwijzen, te willen in acht nemen, doen en vervullen met liefde al de woorden, die wij in Uwe heilige Leer vernemen. — En verlicht onze oogen in Uwe Leer en doe ons hart ehecht zijn aan Uwe geboden, en maak tot eenig streven onzes arten Uwen naam te beminnen en te vreezen, opdat wij niet beschaamd worden tot in eeuwigheid ! Want op Uw grooten en eerbiedwekkenden heiligen naam vertrouwen wij, dat wij eens zullen jubelen en ons verblijden in Uwe hulp. (Men neemt de vier schouwdraden bijeen en houdt ze gedurende het lezen van Shema' in de linkerhand, ter hoogte van het hart.) En breng ons in vrede te zamen van de vier hoeken der aarde en voer ons met opgerichte gestalte *) naar ons land. Want Gij zijt God, die reddende daden verricht, en ons hebt Gij uitverkoren boven alle volkeren en talen, en hebt ons doen naderen tot Uwen grooten naam. Sela, in waarheid, opdat wij U danken en met liefde Uwe eenheid erkennen; geloofd zijt Gij, Eeuwige! die Uw volk Israël met liefde hebt uitverkoren I (Wie alleen hidt, zegt: God, getrouwe Koning I)

Deut. 6,4—10.

Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is éénig!

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig!

31

Gij zult den Eeuwige, uwen God, beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met geheel uw vermogen. En deze woorden, die Ik u heden gebied, zullen [steeds] in

') Niet meer gebogen onder liet juk der ballingschap.

ocr page 451

mntr nbsn «b

: iDipöp 'piM Tjna i-iök» niipT D^i Ti bx • 11^ niQ^: Tjiia bx1?

rwv niTiaa Vyia nnb Kin ^ • wt2p\ nina^ni Kquot;!i3 ni^iiy» n»övo mpny ^nir niDnbp byz nijy-jn ■Sd3 121123 B^inon niKbssn jnx mbnn xni: niNian D,l?i5 DniK n^jrb : n^Kia n'^o Tpn DI» wbD narji n^n p'ï by ^nn quot;iix : npn »3

: nniNan quot;lïi' \\ nrtt? Tjns • i-iik^ mnp ribon ninn nbi-u nbon irnb^ « i:nanx nan mriK

t ; r t t •• t : t : v i- ••; ▼; IT . - T - t -: -

?|3 u'ninsi mnjn usbp : irSjr jonin 3Kn wn» : unabrn inann |3 D^n ^n onabni id^ gt; Vafnbi i^n1? ^aba frn dhi nrnon ?|nnin no'pn narVs-nx nf^bi -io^gt; na^i inn ^n'iïpa wab pani ^nnina INHI ; nanxa DEO »3 : t^iarN^ ^oip nK^Vi nanxV 1333gt;

: nnof i:nü3 snüm Sn:n

nisjs ^3*IN4O rfSxaun iTa rn^xn ^3pgt;

: * fquot; :quot; *' ■*■ : .......quot; .d^otir •'otir^i nr vquot;p iwa asn ijj

ni^t 7^2 7K *3 : nvppip pxn

nVp bnan unrn^ D^-^D nnna ):y\ nm inian ^ nnx r\m - n3riN3 nV nmnb quot;npK? : 19^. ■?«? ^ w : n3nilt;3 la^a

ff 't 'i [fin

: ip»1utp?? ^-pquot;. m

: n^i Dbiy1? iniaba nas DE' tjiis wSa quot;Smi ^ar-bsai ^asb-baa ^riVx nirv n» nsnNti Dijn ^xd »3jk nbtsn dwh vm I ïjiKD

ocr page 452

OCHTEND-GEBED.

uw hart zijn! Gij zult ze uwen zonen inprenten en er over spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u nederlegt en als gij opstaat. Gij zult ze binden tot teeken op uwe hand en zij zullen zijn tot voorhoofdsband tusscheu uwe oogen. En gij zult ze schrijven aan de deurposten van uw huis en aan uwe poorten.

Deut. 11,13—22. En het zal zijn, wanneer gij zult luisteren naar Mijne geboden, die Ik u heden gebied, — om te beminnen den Eeuwige, uwen God, en Hem te dienen met ganseh uw hart en gansch uw ziel; dan zal Ik den regen in uw land geven op zijnen tijd, vroegen regen zoowel als laten regen; en zult gij inzamelen uw koren en uw most en uw olie. En Ik zal gewas geven op uw veld voor uw vee; en gij zult eten en u verzadigen ! Neemt u in acht, dat uw hart niet verleid worde, en gij zoudt afwijken en andere goden zoudt dienen en u voor hen neder-werpen. Want dan zou de toorn des Eeuwigen tegen u ontbranden en Hij zou den hemel sluiten, zoodat er geen regen zoude zijn en de aardbodem zijn opbrengst niet zoude geven; en gij zoudt spoedig verdwijnen van het goede land, dat de Eeuwige u geeft. En gij zult deze Mijne woorden in uw hart en in uw ziel opnemen ; en gij zult ze binden tot teeken op uwe hand en zij zullen zijn tot voorhoofdsband tusschen uwe oogen. En gij zult ze uwe zonen leeren, om er over te spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u nederlegt en als gij opstaat. En gij zult ze schrijven aan de deurposten van uw huis en aan uwe poorten. Opdat uwe dagen en de dagen uwer kinderen zich vermeerderen op den bodem, dien de Eeuwige uwen voorouders toegezworen heeft, hem hun te geven, zoolang als de hemel boven de aarde blijft.

{Men neemt de schouwdraden in de rechterhand en kust ze telkens lij het uitspreken van het woord: Tsietsith.)

Num. 15,37—41. De Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt: Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen, dat zij zich schouwdraden zullen maken aan de hoeken hunner kleederen, gedurende al hunne geslachten; en dat zij bij de schouwdraden van den hoek een hemelsblauw snoer voegen. En dit zal u tot schouwdraden zijn; en wanneer gij ze zien zult, zult gij u herinneren alle geboden des Eeuwigen en ze vervullen; opdat gij niet [de wereld] beschouwt ï), volgend uw hart en uwe oogen, die gij slechts in afval van Mij zoudt aanhangen. — Opdat gij u herinnert en uitoefent al Mijne geboden, en

') Eigenlijk: verspiedt, onderzoekt.

E

32

ocr page 453

nnm nbön 31?

•nnaVai D3 ma-ri

-• i : : v : | v •• : lt;| : : • ; «st v.t ; - •: | v t ; -»t ; - * ; liv t :

vni anquot;)^^ : ^oipni

: ?|n»3 nina-^^ onanpi : pa nfidu1?

.:quot;•' nquot;1 0'13t

DDm niïo 'Djk quot;i^k ^vp'bx ^b^quot;D« rrrn quot;SD2 in^ySi DD^ri1?^ nin^TiN nSriKb oi'n

t : ; quot;V : v •• i v: lt;t : v t -: r ; a -

nnv inva QDÏIK-^DÜ ^nnii : DDtysrbDai D3331?

Jv v r' '• •)quot;•• : : quot; •* : s* - it ; iv : : - t : sy : - i

ïi-i^a iwp 'nnii : ïpm nbi nsoxi

Vl :it ; v riquot; r -it: |ivt ; •; J; i • : |vt ; -^t : - it : Ia;-

ora:}1? nns^-fö ni1? noBTi : n^i ^nona1?

av^; - : v,quot; : * ' quot; quot; t ^ : it • t it t : ^t^: - it : )av :•••:•

mni : anb omrwm Dnn« d^h^k omnvi arnoi

tt : iv t v,*.- ^ -• v: v : - ^;i- v :- :

nbnsjni ncbo o^o^n-nK Dia nin^K

t t -: -quot;t : tt ^ ■,v: r ; * - t - v lt;-#t ; v t t ; | -

nhbn pxn hyn rnno an-in^ n^n^nK jnn ü) ütth-bv nbK narnx nriü'^i : apS |n: nin» ie'k vni a^T'S^ nixS om DDB'flr-S^'i

D3 naib DD^rnK nnx onnsbi : DD*:^. pa hfi^itsS Drisnai : ^prn

*0^ hyw 13T i^p1? : 7^31 ^n;2 ninTp-1?# ws on1? r*r\b DD^nnN1? mrr vim hóinh bv

Jquot; ' av t jquot;t {'•' •• 1 -:i- ot : ^ s' : • v -: t t-;it lt;

: pNn-^ D^p^n

jpt»:» jiï'ï nVn mis» dïb 'raai nx'ïn Sw tquot;'? Vb laisa

nil : *iQN-? n^ö-^K nin» onnja nw Dn1? nn^K maNi

vv ••: • r* : - •)• * jv r *r : v •• -: -«t : - it ;

DDV n^ni : nbrrn b^ns naan nï^rbir unji onin1?

v t quot;jt t : ^ viquot; ; J' : ktt^ quot; J' ' ' ■) : it : at i :

arw^ri ,—1^ niïp'VrnK arnDn IHK onwi n^v1? DnK-iiyx Di^7 nnsïi DDMV nnx imnn-N1?! DHK

jv - v -: v •• tquot; -•••-: r : v ; - ; lt;quot;-;i- t i : at

on^ni 'n'WD-bTnx om^i nam r^Db : onnnx nnr

jv • ; i* at ; • t v vquot; * •gt;quot; ï : * J- ; iv ••-: r v*

ocr page 454

OCHTEND-GEBED,

33

heilig zijt voor uwen God! Ik ben de Eeuwige, uw God, die u heb uitgevoerd uit het land Egypte om u tot God te zijn; Ik, de Eeuwige, uw God!

Waar en juist, gegrond en bestendig, rechtvaardig en vertrouwbaar, bemind en geliefd, begeerenswaard en lieflijk, eerbiedwekkend en machtig, welgeordend l) en door overlevering aangenomen, goed en schoon is dit woord voor ons immer en eeuwig. Het is waar, de God der eeuwigheid is onze Koning; de Rots van Jakob is het schild onzer hulpe; voor alle geslachten is Hij bestendig en Zijn naam bestendig en Zijn troon vast gegrondvest en Zijn koningschap en Zijne trouw bestendig tot in eeuwigheid ! En Zijne woorden ^ijn eeuwig levend en bestendig, vertrouwbaar en begeerenswaardig voor immer en voor alle eeuwigheid, {Hier kust men de Tsietsith en legt ze uit de hand) voor onze voorouders, zoowel als voor ons, voor onze kinderen en onze nageslachten en voor alle geslachten van het kroost van Israël, uwe dienaren, voor de vroegeren zoowel als voor de lateren is het woord goed en bestendig immer en eeuwig, waar en vertrouwbaar, een wet, die nimmer wijkt! Het is waar, dat Gij, Eeuwige 1 onze God zijt en de God onzer voorouders, onze Koning en de Koning onzer voorouders, onze Verlosser en de Verlosser onzer vaderen, onze Schepper, de Rots onzer hulpe; onze Bevrijder en onze Redder is van oudsher Uw naam; geen God is er buiten U!

Wanneer men Zoelath bijvoegt, zegt men:

Waar en juist, gegrond en bestendig, rechtvaardig en vertrouwbaar, goed en schoon is dit woord voor onze voorouders zoowel als voor ons, voor onze kinderen en onze nageslachten en voor alle geslachten van het kroost van Israël, Uwe dienaren, voor de vroegeren zoowel als voor de lateren, immer en eeuwig, een wet, die nimmer wijkt! Het is waar, dat Gij, Eeuwige! onze God zijt en de God onzer voorouders immer en eeuwig. Gij zijt onze Koning, Gij waart ook de Koning onzer voorouders ; wil spoedig ter wille van Uwen naam ons verlossen, gelijk Gij onze voorouders verlost hebt 1 Het is waar, dat van oudsher Uw groote naam met liefde over ons genoemd is; geen God is er buiten U!


Bijstand voor onze voorouders waart Gij van oudsher. Schild en Helper voor hunne zonen na hen in elk geslacht. In de hoogte der wereld is Uw zetel en Uwe rechtsoefeningen en Uwe liefderijke mildheid reiken tot de einden der aarde. Heil den man, die luistert naar Uwe geboden en Uwe leer en Uw woord zich ter harte neemt! Het is waar, Gij zijt een Heer voor Uw volk

') Door bepalingen (n«pn) verzekerd.

ocr page 455

jvw n^ön b

DDHK ♦nttïin Di^nbK nin» ♦SN : D^tïhp

jte.: wfa niquot;: •» öw ^ onvp rm

.riDN* osrhit 'n mn yen

jöwi D^I föri yw PDN D^:I lonii ainNi

T : T : v: • t : T ;

31L31 bipüi if^riDi : inKi «11:1 : I:^t n?n i^n nan

ap#! quot;nï uaVö DVI^ ♦ril?N npN xin nnj in1? 13^ po ini^ÖI |Ü3 ISiMT D'j? lOB'l Dquot;n mn-n : nwp lyb innaxi

•t tt : vitI- ^t t v;v

Qnan:i D^QSÏ: owpi

t • t v: v ; • t v: v • t|- :

,.. -; 1t,ö drr,3gt;1 t quot; ; ^ :

irnniT^i wbvT\

htt : ?|n^ bNn'f ♦ JHT ninrba aiü inn D^nnNn bji) D^iK'N'in pn mioKi nax ; 1$) d^i l* «in nnm J-IÜK : 112^ i6\ • irnuK irn1?^

ii»ni2K u'jKia irmnK

|.. ; ,.. -. .. ,.. -. ,.. ..

D^Ü wVvoi 1:113 wn^iB'» niï : ^n^iT pK • ïjoi? («in)

on^nb x^iai fao dVi^o «in nnx irninx r-nr# ïj^^pl^lo Dbi^ D113 : quot;11-11 *llT^33 DnnnK ^n'ivpb vm*v wx ; px ♦pax ^npnvi ï|ö^ piK Kin nriK nöN : iaquot;? ^ dvb» ïjnani ^nnini

.nt D'-iaw Ji^it oii»\s»3

D*pi |ü:i yv] hdk na»i niüi ?0N2i

v t ; ; I t v: v ; t t :

irniSK by nin nann S^i 1:^3 li^i niiiT1?^ by) wnnin

t ~ : iquot;

: vit

1 ,.,.T*; .. T! . ^.....

S^i D^icNnn n^i DVI^V D^nnitn nüK • nin^ «bi pn ii^n^K M Kin r\r\m

Iquot; v: -r: t - t

1^nl2N ♦ri^NI vzbü «in nnN : njn - nm ii»nüN nSa

t it !•• -; i v iv

nnp

r-iN nbssïü

t ; iquot; t v -: -

Dbi^anoK : irninK KnpJii^ ^i^n Tpp :^it DTi^pttnanKa

ocr page 456

OCHTEND-GEBED.

en een machtig Koning om hunnen strijd te voeren! Het is waar. Gij zijt de Eerste en Gij zijt de Laatste en buiten U hebben wij geen Koning, die verlost en helpt! Uit Egypte hebt Gij ons verlost, Eeuwige, onze God! en uit het slavenhuis hebt Gij ons bevrijd ; al hunne eerstgeborenen hebt Gij omgebracht, doch Uwen eerstgeborene hebt Gij verlost, en de Schelfzee hebt Gij gekliefd en overmoedigen daarin gedompeld en de U dierbaren er door gevoerd, doch de wateren bedekten hunne verdrukkers, zoodat niet één van dezen overbleef. Daarvoor loofden de beminden en verhieven zij God, en wijdden de dierbaren zangen, liederen en lofprijzingen den Koning, den eeuwiglevenden en bestendigen God; die hoog is en verheven, groot en eerbiedwekkend, die trotschen vernedert en vernederden verheft, die gevangenen uitvoert en verdrukten bevrijdt en behoeftigen bijstaat, en die Zijn volk antwoordt in den tijd, dat zij tot Hem schreien; lofzangen [wijdden zij] God, den Allerhoogste, geloofd zij Hij en alom gezegend; Mozes en de kinderen Israëls hieven voor U een lied aan met groote vreugde en zeiden allen;

;/Wie is U gelijk onder de machten. Eeuwige! wie is U gelijk, prijkend in heiligheid, eerbiedwekkend in lof, wonderen verrichtend !

In een nieuw lied prezen de verlosten Uwen naam aan den oever der zee, allen te zamen dankten zij en huldigden en zeiden: ,;De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!quot;

Rots van Israël, sta toch op om Israël bij te staan en bevrijd, gelijk Gij hebt toegezegd, Juda en Israël; (onze Verlosser, Eeuwige, Tsebaoth, Heilige van Israël is Zijn naam); geloofd zijt Gij, Eeuwige! die Israël verlost hebt!

o Heer! open mijne lippen, opdat mijn mond üwen lof verkondige.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders. God van Abraham, God van Izak en God van Jakob, groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God ! die weldoende gunsten bewijst en Eigenaar zijt van alles, en de goede daden der voorouders gedenkt en in liefde voor hunne kindskinderen den verlosser doet komen ter wille van Uwen naam; !)

(In de tien hekeeringsdagen zegt men:

Gedenk ons ten leven. Gij Koning, die leven wenscht, en schrijf ons in het boek des levens om Uwentwille, levende God !)

Gij Koning, die Helper en Redder en Schild zijt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham!

34

Gij, o Heer, zijt machtig in eeuwigheid. Gij zijt het, die de dooden doet herleven, krachtig om steeds te helpen;

') Niet ten gevolge hunner verdiensten.

ocr page 457

mrw nbfin nb

nriNi «in nnt* nDN : onn y*hT quot;iiaa ^di Dnïaö : VNIÜ Tjbö lib px ^n^api p-inK «in onniarb - unnö ona^ n^üi irnbK «

Dn.nn, nyarp onn n^pa fp-nn nbm' n^n n^rV^ : nni: n1? dhd nnx onnx d^d iDpn rnn^n niT^ nn^pT Dnn^ ianii bs? IODITI owiNt h'^i DT : dt»J51: ♦n Tibab ni^ini nirm nina^rn nnifii on^pK n^Jpi D^a xniii bna

nibnri : v^k n^| is^b nii^i d^i

ï]1? n^o * Tjiapi «in Tjns bx1?

nboa *D « DbK3 noDD-^D • noNi naquot;! nnüiya ni^

t i T * ▼:. • •• T TIT • t \ : T ; T - T : • : T *

: Kbfi-n^ ribnn Nnia ^1[53 tin:

Dba nir DT»n nö'f amp;bm inai^ n^nn nyv

: DV^1? ipw \] - naitf D^pni. nm

• rrrirv nnai nnr^a na^ iiï : btf-i« nnN quot;nna • 6tn'^ trnp niKav « vbaz)

•• t : * quot; t *: t ~ I t quot;Ti ' 1: ; t ; *: r* -:

: t-p w nnan 'fiaiy ^

♦rib« orriaK irniax ^ribxi wribK ♦; nriK -n^a |i^ bx Kniani iaan Vnan bxn npjn rtbw pnv bNia N^pi nüN non iditi Van njp. d^Iü onpn bpia • nanxa IQ# \ydigt; on^n

.■«in w.s roin onm na» dsi D^H 1SD3 OIDDI 'quot;|103 'D ^Jquot;13t ouidi» nquot;u^)

c □quot;n oflbs ?JJJ?D^ * Dquot;nn ngo? warai * n^na j'an ^So • a^rh wnpr : Dnnax po \\ nnx Tjina • pai ^^IDI nri^ r^n

* 3*3 nriK D»np n»np \\ chtyh maa nnx

ocr page 458

OCHTEND-GEBED.

{Van Tiet Slotfeest tot het Paaschfeest:

Die den wind doet waaien en den regen doet nederdalen;)

Die de levenden verzorgt met genade, de dooden doet herleven met groote barmhartigheid, die vallenden steunt en zieken geneest en geboeiden losmaakt en Uwe belofte vervult aan hen, die in het stof slapen. Wie is als Gij, Heer der machtige daden, en wie gelijkt U, Koning, die doodt, doch weer doet herleven en hulp doet ontspruiten;

{In de tien hekeeringsdagen: Wie is als Gij, Vader der barmhartigheid! die Uwe schepselen ten leven gedenkt met barmhartigheid!)

Gij zijt vertrouwbaar, dat Gij de dooden zult doen herleven; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven!

Gij zijt heilig en Uw naam is heilig en heiligen prijzen U dagelijks, Séla; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God ! {in de tien bekeeringsdagen: heilige Koning.)

Mozes verheuge zich met het hem toebedeelde geschenk!); want een trouwen dienaar hebt Gij hem genoemd; een krans van heerlijkheid 3) hebt Gij op zijn hoofd geplaatst, toen hij vöór Uw aangezicht stond op den berg Sienai en twee steenen tafelen in zijne hand naar beneden bracht, waarop de inachtneming van den Shabbath geschreven was; en aldus is nog geschreven in Uwe Leer:

Ex. 31,16 en 17. De kinderen Israels zullen den Shabbath in acht nemen, den Shabbath te maken voor hunne geslachten tot een eeuwig verbond. — Tusschen Mij en de kinderen Israels zij hij voor eeuwig een teeken, dat in zes dagen de Eeuwige gemaakt heeft den hemel en de aarde en met den zevenden dag ophield te werken en Zijn doel had bereikt.

En Gij gaaft hem niet, Eeuwige, onze God, aan de volkeren der landen, en schonkt hem niet als erfdeel. Gij onze Koning, aan hen, die afgodsbeelden dienen ; ook zullen in zijne rust onbesnedenen niet zetelen; maar alleen aan Uw volk Israël hebt Gij hem met liefde gegeven, aan het kroost van Jakob, dat Gij hebt uitverkoren, het volk, dat den zevenden dag heiligt, die allen zich verzadigen en verlustigen in Uwe goedheid ; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd, Gij bestemdet hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

35

Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust; heilig ons door Uwe geboden en laat D we leer ons deel zijn; verzadig ons met Uwe goedheid en verblijd ons met Uwe hulp, en reinig ons hart om U in waarheid te dienen; en doe ons, Eeuwige, onze God! in liefde en welgevallen Uwen heiligen Shabbath deelachtig worden, opdat daarop mogen rusten Israël, die Uwen naam heiligen; geloofd zijt gij. Eeuwige, die den Shabbath heiligt!

') Den Shabbath, welks wetten Mozes aan Israël had mede te deelen, vgl. Ex. 16,29; Talm. Shabbath 106. J) Een stralenkrans. Ex. 34,29.

ocr page 459

mm? nbsn nV

(' D^in Tllöl nnn dgt;iow hcet '« dv e)di» is nixr vse t)dw (»)

D^öi: TjiaiD D»3quot;i D^pnna D»na n»nü npna DMn

• 13% vamp;b i™DK D^ÜI DniDK -l^öl D^ln Möl-Vl n^npi n»pD noiT »01 niniaa 'qioD ♦amp;

• n^pïöi

c o^oqi? Dquot;nS inis; isii * ffonin 3?j TjioD DifiiDiu n'^ra)

: D^nsn n?nD \] nriN Tjna * D^np nvnnb nm |ö«ji

* HVD DV Vds D^npi ^npT tfi-ijs nnx

(• B'npn ^San «wn nw») ; bxn ^ nnK Tjiis

b'ba * ib nKnpT |ÖW »3 ip^n njnpa n^D na^»

* ^pquot;in ^ np^a * nn: 1^13 n*iNön

♦ mty nn^ty ona dwdi * n»a min d»j3k nnb ♦jtri

t - - * : v t t : t : • • t -: *-. •• :

nitr^ nsu'n-nK na^i : ^mina aina pi

ni« '33 pai 'ra : obi^ nna anri1? na^n-nx

n«n-nxi D^otrn-nN « nirj; n^-'a DV^«n-nxi D^otrn-nN « nirj; n^-'a DV^1? «in

itt v : • I- t - V ▼: t t • t VIquot; * t S

nixnKn via1? irnbx «inn: ^1.: na^ ^♦aari Di'ai tib inniipa mi: * nai^S waVp inSnri nSi

3pr. * nanKa inna 'a * vsw

^3^1 i^a^i Dv'a yzp ^ipp • rma oa nKip miN dw man m^npi ia n^xi ♦yatyni • naitsa

t itit • t - ; v ; -|* : t i*t *: quot;: hv

: n^tna n^ab lai n^n'iïaa i^ip wnmaaa nïi w^max 'nVwi wrhx

] iv : • : iquot; :l- r* t : * •• : i- -: •• •• i- v:

^n^^a^nD^^aitsp uyai? ^mma upVn |ni nanxa wn^K « i:Vn3ni naxa ua1? in^i Tjina * ^af ^ipa b^\ na imjn ?|ty-!pT na^ iiïiai : nat^n ^tpa quot; nnx

ocr page 460

OCHTEND-GEBED.

Schep behagen, Eeuwige, onze God, in üw volk Israël en in hun gebed; en breng den tempeldienst terug in het binnenste van Uw huis, opdat Gij Israëls vuuroffers en hun gebed in liefde welgevallig zult aannemen, en steeds zij welgevallig de eeredienst van Uw volk Israël!

Op het Nieuwemaansfeest zegt men-.

Onze God en God onzer voorouders ! Moge voor Uw aangezicht opstijgen en komen en naderen en gezien en welgevallig aangenomen en gehoord en bedacht en herinnerd worden de herinnering aan ons en onze bedenking en de herinnering aan onze voorouders, en de herinnering aan den Messias, den zoon van Uwen dienaar David, en de herinnering aan Jerusalem, Uwe heilige stad, en de herinnering aan geheel Uw volk, het huis Israël?, — tot redding, ten goede, tot gunst en tot genade en tot barmhartigheid, tot leven en tot welstand op dezen dag van het begin dek maand. Gedenk ons. Eeuwige, onze God, daarop ten goede, en bedenk ons daarop tot zegen, en help ons daarop tot leven! En ter wille van de toezegging van hulp en barmhartigheid, spaar ons en wees ons genadig en erbarm U over ons en help ons, want tot ü zijn onze oogen gericht, want een genadig en barmhartig God en Koning zijt Gij!

En onze oogen mogen het aanschouwen, wanneer Gij met barmhartigheid naar Tsion terugkeert; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert I

36

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, immer en eeuwig. De Rots van ons leven, het Schild onzer hulp zijt Gij voor alle geslachten 1 Wij danken U en verhalen Uwen lof voor ons leven, dat in Uwe hand is overgegeven, en voor onze zielen, die aan U zijn toevertrouwd, en voor Uwe wonderen, die eiken dag met obs geschieden, en voor Uwe wonderbaarlijke weldaden, die ten allen tijde, des avonds, des morgens en des middags [op

Bij de herhaling van het gebed, zegt de Gemeente, terwijl de Voorlezer oma zegt, het volgende:

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, de God van alle vleesch, onze Vormer, de Vormer van het Scheppingswerk ; lof en dankzegging [brengen wij] Uwen grooten en heiligen naam, dat Gij ons hebt doen leven en doen voortbestaan! Zoo moogt Gij ons laten leven en ons laten voortbestaan en onze ballingen verzamelen naar de voorhoven van U w heiligdom, om Uwe geboden in acht te nemen en Uwen wil te volbrengen en U van ganscher harte te dienen; [wij danken U ervoor] dat wij ü kunnen danken;

geloofd zij de God. der dankzeggingen! te merken] zijn; Gij, Algoede, Wiens barmhartigheid niet eindigt; Gij, Al barmhartige. Wiens genadebewijzen niet ophouden, — van oudsher hopen wij op U 1

Op Chanoekka zegt men-,

[Wij danken UJ voor de wonderen en de verlossing en de machtige daden en de reddingen en de krijgsverrichtingen, die Gij voor onze voorouders verricht hebt in vroegere dagen op dit tijdstip.

In de dagen namelijk van Mattnithjahoe, den zoon van den hooge-prieuter Jochanan, den Chashmoneër, en zijne zonen; toen de boosaardige


ocr page 461

mntp nVön i1?

* DnVanni t! r,^1

S^n niriNa an^ani yyp

- Tjo^ nniax n^pn ♦nni pina

•xaM rhy Q^wx mn rxna tmm npsn yarM nsquot;i,i rwn j?,ii,i nsm nS^1. irniax 'ribxi irrjSx

••t*: I**t*: t *: v t**: v t**: ~ r . t. • . i • • ••

jnsti Tflaj? nn js nyo jnpri wpiajf in?n «Jlf ^ wjli?!

naitsS n^Sab Tj^a1? Sxnf ? n'? ^i^'Sa p-pn Tf quot;IR ^ PÏ^T

quot; wiat * rwn rinn rNn ova aiS^Si D^nS a^annSi ipnSi mS

▼; iquot;: t v- vi- : t . . . . . i. . » .

naiai * aquot;nS la Mj^rini nana? ia ui^ai naia? ia irnbj? i]Sp SN wrjp TJ-'SN ••a w^ini omi wani om * D'onnj * nnx rami jian

nnnsn « nnw * D^pn^a |i»ïV wvy, njnnni : ji'v1? quot;iny?^

«in nnxty i? DHID

t - t )t ; r -:

\iü m -nï *

* nm irh «in nn«

t : T - n-: •

* ^nVnn quot;10031 ^ nnia TO Q'liDsn wn -jV ninpsn la^niöf: 123^ DI^DS^

^3 mtsn onnïi i|52i 3*13;. ^niniüi ^niNböi

• it*; t : iv 1 t viv quot;•• t ; v » iv ; i 1. . .

• -]S D^I^O ^non isn-x1? ^ Dnnoni ^Dnn

rOUTQ

nian^an Sji niy^n Sj;i nnia^n Sj7i jp^sn D'Dan hji

- n?n jaja onn n^aja u'nia^S tyvvt jr maSa maj^a vjai wjia^n Sna ;n'3 ijnv'ja invpjia 'B'?

pnm CTl^

« Nin njjWB' urn» onia

wnlax ,nSjlt;i niana nWl.? isv «nsv n^a Sj? ^iij^ni Snjn nixiini ja iria^pi un^nn^ nn?n^ ^'oxni

?|na^^ ?|3i3c*j nlrj^i ■rj^n ia^S •■sjSanlaum???' ^ nSr aaSa ! nwninn Sx ^na

ocr page 462

OCHTEND-GEBED.

Grieksche regeering opstond tegen Uw volk Israël om hen Uwe leer te doen vergeten en hen af te brengen van de wetten van Uwen wil; doch Gij in Uwe groote barmhartigheid, stondt hen bij in den tijd van hunnen nood; Gij voerdet hunnen strijd. Gij kwaamt op voor hun rechtzaak. Gij naamt voor hen wraak; Gij leverdet helden over in de macht van zwakken, en velen in de macht van weinigen, en onreinen in de macht van reinen, en booswichten in de macht van braven, en moedwilligen in de macht van hen, die zich bezighielden met Uwe leerl U zelve maaktet Gij een grooten en heiligen naam in Uwe wereld, en voor Uw volk Israël bereiddet Gij groote hulp en verlossing tot op den dag van heden! En daarna kwamen üwe zonen in het binnenste van Uw huis, en ruimden [het verontreinigde] weg uit Uw paleis en reinigden Uwen tempel en ontstaken lichten in de voorhoven van Uw heiligdom, en stelden deze acht dagen van het inwijdingsfeest vast om Uwen grooten naam te danken en te prijzen!

En voor dit alles worde Uw naam, onze Koning! steeds geloofd en verheven immer en eeuwig;

{In de tien hekeeringsdagen-.

En schrijf in voor een goed leven al de leden van Uw verbond!)

En alle levende wezens zullen U danken, Sela! en Uwen naam in waarheid loven, o God, onze hulp en onze bijstand, Séla! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam «de Algoedequot; isenWien het past te danken!

Bij het herhalen van het gebed zegt de Voorlezer:

Onze God en God onzer voorouders! Zegen ons met den in Uwe leer uitgesproken drievoudigen zegen, die voorgeschreven is door de hand van Uwen dienaar Mozes en uitgesproken door den mond van de priesters Aharon en zijne zonen, gelijk er gezegd is: De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede.

Geef vrede, heil en zegen, gunst en genade en barmhartigheid ons en gansch Uw volk Israël; zegen, onze Vader! ons allen te samen met het licht van Uw aangezicht! Want met het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven, Eeuwige, onze God, de leer des levens en de liefde tot genade en welwillendheid, en zegen en barmhartigheid, en leven en vrede; o, moge het goed zijn in Uwe oogen, om Uw volk Israël in eiken tijd en elk uur te zegenen met Uwen vrede!

{In de tien hekeeringsdagen;

In het boek van leven, zegen en vrede en ruim levensonderhoud mogen wij herdacht en opgeschreven worden voor Uw aangezicht, wij zoowel als geheel Uw volk, het huis Israëls, tot een goed leven en tot vrede; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper van den vrede!)

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.

37

ocr page 463

nnrn? nbsn tV

^isquot;) fna ^nnin nn^n1? L'^iT;f'! ?it?j? by n^-in

nn oan-ns nnn onns nya n^S mp% avin yaq-p owotpi awva T3 avi] arthn t? oniaa nnpo Dnnp;rn^ np^j D^n^jr ?iVi ^rnin ^piy t? onp D,p,quot;:i^ t? d^ii onlnp t? □1»ri? jpTquot;)2i nSn; njpamp;v ny% ^

nqt3i: TjS^n-n^ «ai tpiS ïj^a wa p-inNi n^n nnlnquot;? % najq W niiaf iyapTi T^ip, nn^n? rn-u ip^Sini : Snan SSnS

• ny) obtyh ran vpbü DÜW] Tpaiv obr^i

c Tinna ^a 6a) Dplo ainai «wn ^ rnna)

vnyw* btin no«3 ^qb' hk bbry nbs D^nn Vsi ïjSi ïjöE' niian ♦♦ nnts ^na * nbp : nninb na:

: v t

ym ■mis* nSsm mtna

it hv naman nuna nthamp;ün naiaa uaia irm'ax •'nSxi irnbx

^ t : - t - v iv •-. : - t t: - iquot; -:t iquot; -: quot; quot; • v;

: moxa ?if Inp dj; cnqa nai pq?c •'Bp nniojfn n^o Dt?;i ras ^ Kr: : 7]3n''i vjs « in; : ?]np^,i ^ ?iaia» (p's-j 'n? I? ow) : DlW ?]^

bv) D^nni nom rn naiai naiü aiS^

; iquot; *t • -: -; v iv t 1 •• t t : t . t

niNi2 nnK3 uba irnK ^

; tv; it •-. r t iquot; -:t P iv^- •• t; * t

nanKi DMn niin ^ nn: niNS »3

—: - : • - - iquot; v; ▼: it t i- t P iv t : * I iv t

-pab ?|^j;3 3iL2i di^i D«ni D^pnni nanai npn^i non ' ^01^3 nyiï bïïi bifp* ^a^-nK

nawn w n-Msra)

Tipj-Saiums ïj^V 3ft3Jl quot;i3i? nalca npj-isi DiS^i nana D,!:n nöpa c DiWn rivy \] nnjj ^na * DiW^ Q'ai'ta Dquot;n^ n1?

: DiV^a b^w iörrgt;N « nnx •qma

ocr page 464

38 OCHTEND-GEBED.

Mijn God! bewaar mijn tong voor kwaad en mijne lippen voor het spreken van bedrog; moge mijne ziel zwijgen tegenover hen, die mij vloeken, en moge mijne ziel tegenover ieder zoo nederig zijn ais het stof! Open mijn hart in Uwe leer en moge mijne ziel Uwe geboden najagen! En allen, die kwaad tegen mij beramen, o, verijdel spoedig hun plan en vernietig hunne gedachten! Doe het ter wille van Uwen naam, doe het ter wille van Uwe rechterhand, doe het ter wille van Uwe heiligheid, doe het ter wille van Uwe leer! Opdat de door U beminden gered worden, help met Uwe rechterhand en verhoor mij! Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser. Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede voor ons en geheel Israël; zegt hierop: Amen!

Het zij U welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij ü in eerbied dienen, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid. Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offergeschenk van Juda en Jerusalem, als in de dagen van net vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

De Voorlezer herhaalt het gebed, waarbij na own rvnn de volgende Kedoesha wordt ingevoegd-.

Voorlezer ■. Laat ons Uwen naam heiligen in deze wereld, gelijk men hem heiligt in de hooge hemelen; zooals door Uwen profeet geschreven is; En de een riep den ander toe en zeide: [De Gemeente-) Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de gansche aarde! (Het volgende wordt door den Voorlezer herhaald {) Vervolgens doen zij met een groot, machtig en sterk stormgeluid een geluid hooren; terwijl zij zich verheffen tegenover de Seraflem, zeggen zij, tegenover hen staande: «Geloofdquot;. (Gemeente-) Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats! (Gem. en daarna de Voorlezer-) Moogt Gij van Uwe plaats stralen, onze Koning! en over ons regeeren, want wij verbeiden U, wanneer Gij als Koning weder te Tsion zult regeeren; o moogt Gij spoedig in onze dagen, en dan voor immer en eeuwig, daar zetelen! Dan zult Gij in Uwe grootheid en heiligheid erkend worden in Uwe stad Jerusalem voor alle geslachten en in alle eeuwigheid! Mogen dan onze oogen Uw koningschap aanschouwen, naar het woord, in de liederen, die Uw macht bezingen, uitgesproken door David, Uwen rechtvaardigen gezalfde. — (Gem. en daarna de Voorlezer-) De Eeuwige zal dan in eeuwigheid regeeren, uw God, o Tsion, door alle geslachten; Halleloe-jah!

(De Voorlezer -.) Alle geslachten door willen wij Uwe grootheid verkondigen en in alle eeuwigheid Uwe heiligheid uitspreken, en Uw lof, o onze God, zal nimmer uit onzen mond wijken tot in eeuwigheid, want een groote en heilige God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige Godl (in de tien hekeeringsdagen: heilige Koning).

ocr page 465

nnnir nVsn nb

^33 nm vyi iïa

?)nnin3 'ib nns : n^nn V31? ^3^3 ^0:1 ann nan n-inQ ^ D^inn VDI ^S; f]mn ^niïoni j^üb rivz * ]VK) nfcgt;£ * onn^no bpb\gt;] Dnx^

* ^nnin i^ob rw%: ' ^n^np ]V.iï?

♦fi-npK \wh vn» : n^^in pïbn»

Kin VDinpa Dib^ n^ : •hrtn niv « fi^m

: |ÜK iiöni Dib^

nnno? isnpan n',3 njs'r wniax '•nSxi irnS^? ^ ^öv»» r's-J D^SI ahty ,Di3 nxT? 115^ OBh. : jni irp^g

: nvionp awai oViy ws DS^n,i min1 nrao quot;S naiyi : nvianp

;l- * t : t •• • «it t * t ; - : • t- t '.r: • ;l-

•nSann mrna yvb ntrnp rquot;

ono 'ütfs iniN nwipm 0^3 ^np-nx

* ipxi ht btlt; nr y 3in33

: 11133 pKn-b3 tfbp niN3ï « ^npT irnpT trnp quot;quot;v D^'^jnp ^ip n^^ptpp pTni -in« bna bip3 tx 'quot; \* 1133 Tjiis quot;quot;v : npK» -]ii3 Dna^b na^S

D^snp *3 irb^ ^ibpni ^^in i:3bp ^oipoo 'n : iQipap : |i3^n Dyv1? ^£3 3np3 |i»v3 'nü ^ urn» : dto nx^niinii^i^ pV^in» -]in3 iripnni biann -111 n» n^3 iiPKn 1313 ^nttVp nrffin irr^i : nn^n innib pv t! ^Q,nquot;1p: ^IPHV OT»

■irriVx ïjqa^i trn^ D^nw ns^i ^S-ja T53 ini quot;inS i'n

* nrwv Sina Sn 1? ijn oSiy1? ria; kS wso

c ^in[?n ^San nquot;wa) : t^npri Wn ^ nnx -p-Q

ocr page 466

OCHTEND-GEBED,

Op Rosh Chodesh en Chanoekka zegt men:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt Hallel te lezen.1)

Psalm 113. Halleloe-jah! Prijst, gij dienaren des Eeuwigen! prijst den naam des Eeuwigen! De naam des Eeuwigen worde

feloofd van nu tot in eeuwigheid ! Van de plaats van opkomst er zon tot baren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen. Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Wie immers is als de Eeuwige, onze God, die hoog verheven troont, — en toch in de diepte nederziet, in den hemel en op aarde?! Die opricht uit het stof den arme, van den mesthoop opheft den behoeftige, om hem te doen nederzitten naast vorsten, naast de vorsten zijns volks; die de onvruchtbare vrouw in het huis doet neerzitten vol vreugde als moeder van zonen; Halleloe-jah!eloofd van nu tot in eeuwigheid ! Van de plaats van opkomst er zon tot baren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen. Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Wie immers is als de Eeuwige, onze God, die hoog verheven troont, — en toch in de diepte nederziet, in den hemel en op aarde?! Die opricht uit het stof den arme, van den mesthoop opheft den behoeftige, om hem te doen nederzitten naast vorsten, naast de vorsten zijns volks; die de onvruchtbare vrouw in het huis doet neerzitten vol vreugde als moeder van zonen; Halleloe-jah!

Psalm 114. Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakob's uit het midden van een volk, dat eene vreemde taal sprak, werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn machtgebied! De zee .zag het, — en vluchtte, de Jordaan wendde zich achterwaarts, de bergen huppelden als rammen, de heuvelen als jong kleinvee! Wat is u overkomen, gij zee, dat gij vlucht; gij Jordaan, dat gij u achterwaarts wendt?! Gij bergen, dat gij als rammen huppelt; gij heuvelen, als jong kleinvee?! Voor den aanblik des Heeren beef, gij aarde, voor den aanblik van Jakob's God; die den rots doet verkeeren in een watervijver, hard gesteente in een waterwel!

Op Rosh Chodesh wordt het volgende stuk niet gezegd.

39

Psalm 115. Niet ons, o Eeuwige, niet ons, maar Uwen naam slechts verschaf eerbied, ter wille van Uwe liefdevolle genade, ter wille van Uwe waarheid! Waarom zullen de volkeren zeggen; «Waar is toch hun God?quot;, terwijl toch onze God in den hemel is. Hij volvoert al, wat Hij will Hunne afgoden daarentegen zijn zilver en goud, het werk van de handen eens menschen. Een mond hebben zij, maar zij spreken niet; oogen hebben zij, doch zij kunnen niet zien; ooren hebben zij, maar kunnen niet hooren; een neus hebben zij, doch kunnen niet ruiken. Hunne handen, — zij tasten er niet mede; hunne voeten, zij gaan er niet mede; zij uiten geen klank met hun keel! Gelijk zij zelve worden zij, die ze maken, allen die op hen vertrouwen I Gij daarentegen, o Israël, vertrouw slechts op den Eeuwige; Hij toch is hun Steun en hun Schild. Gij, huis van Aharon, vertrouwt op den Eeuwige; Hij is hun Steun en hun Schild! Gij, die den Eeuwige vreest, vertrouwt op den Eeuwige; Hij is hun Steun en hun Schild I

') Het lezen van Hallel behoort tot de zeven door de geleerden, Soferiem, voorgeschreven verplichtingen, waarover (met het oog op De ut, 17,10) evenals bij de vervulling van in de Thora voorkomende plichten, eene lofzegging wordt uitgesproken. Daartoe behooren nog: het ontsteken van het Shabbathlicht, 'Eroeb, het wasschen der handen vóór den maaltijd.

ocr page 467

rvw nban 12b

cisw nauni t^nn trx-ia

liiïi vn'iïöa i:^p obi^n tiVo irn^K « nn« -tna

it • : t : • ; rr ;l* .v -ï t ^ t )v iv iquot; v: *; t - | t

: Sbnn-nN «inp1?

quot; 0^ V\ : t! ötf-nK iVbn « nn^ ibbn * irMn ?? 1% irD^-nnTSö : oVi^-n^i nn^o Tjiaü : niM Q^o^rt-^ « D'irVa-^ DI :« Dtr bbn» 1x130

: * iquot; t quot; — *: • t t ▼: •• t •-. : :

ninnV 'n^aaan irn^K «a ♦amp;

♦a^in^ : |i»aK on* ns^Nü ^ »p^p : pfoi D^an-DN n^an nn^ »a^iD : ia# »an: D# D^anra# : m^n * nnaty

t -i - t •• :

nn*n : D^a ap#» n^a onvaa nxïa t? nsn D4n : vniV^aa wipb min»

t t t- t : : - •• t : • ;it: t ;

■^aa ni^aa a^^a np-i annn : ninKb aa* frrn b:»i annn : ninN1? aan pTn aun »a BT»n ^rna : |nï ^sba pij ♦Vin }m ^abp • jNr^aa niyaa a^b^a mpnn : D^a-ir^ab E*abn a^a-a^ nïn pann : ap#;. nibx

OJS NS d'-wsw px rin cxia naS : ?ir)Ojj_Sj? ^i^pn-Sy. nlas jn ïjipt^^ r? wS xS ^ uS j6 «p

Va Q'ara wnVxi : ori^Sx xrnw DMjn npx' iih] n^h ns : DIK n.' nir^o ann e^ra Qirasj;. : i'gn NSI DflS-^K waf: ah] a^S : int. NSI ayh apg nsT : Qjn^ia NS Ö-??' nS? DD'!?^ xS) ott 5 pnn? dwoi onji; ';a na? Sn^: : di^i niaa Sa aytfj; vy onlo? va inipa i] : Nin najai ^a intpa pri^ n1? : Nin : N-in D:;BI

het uitspreken der lofzeggingen vóór genietingen (ju-un nttta), het lezen van de rol Esther op Poeriem, en het ontsteken van het Chanoekkalicht.

ocr page 468

40 OCHTEND-GEBED.

De Eeuwige toch heeft ons herdacht, Hij zegent, Hij zegent het huis Israels, Hij zegent het huis van Aharon. Hij zegent hen, die den Eeuwige vreezen, de kleinen met de grooten ! De Eeuwige zal u bijvoegen, bij u en bij uwe kinderen! Gezegend zijt gij door den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde! De hemel is de hemel voor den Eeuwige, doch de aarde heeft Hij den menschenzonen gegeven. De gestorvenen prijzen God niet, noch zij, die afgedaald zijn in doodszwijgen, — maar wij, wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid! Halleloe-jah 1

Op Rosh Chodesh wordt het volgende stuk niet gezegd.

Psalm 116. Ik bemin den Eeuwige, dus zal Hij zeker hoeren naar mijne stem, mijn angstig smeeken. Want Hij neigde Zijn oor mij toe, daarom wil ik Hem al mijne dagen aanroepen! Als banden des doods mij omstrikten en de angsten des grafs mij troffen, als ik ondervond nood en kommer, — en dan aanriep den naam des Eeuwigen; //Ach, Eeuwige! red mijne ziel!quot; — dan was de Eeuwige genadig en rechtvaardig, en onze God vol erbarmen! De Behoeder der argeloozen is de Eeuwige; ik was diep gezonken, en ook mij redde Hij! Keer dus terug, mijne ziel, tot uwe rust, want de Eeuwige bewijst u goeds! Want Gij hebt mijn ziel aan doodsgevaar onttrokken, mijn oog aan tranen, mijn voet aan neerstorten. Ik zal voortaan gaan voor den Eeuwige in de landen der levenden. Ik bleef vol vertrouwen, toen ik sprak: //Ik ben zeer arm gewordenquot;. Ik zeide daarom nog bij mijn overhaaste vlucht: //Alle menschenhulp is bedriegelijkquot;.

Hoe kan ik echter den Eeuwige teruggeven al Zijne mij bewezen weldaden?! Den heilskelk wil ik opheffen en den naam des Eeuwigen aanroepen ! Mijne geloften wil ik den Eeuwige betalen, ik wil het gaarne doen ten aanzien van gansch Zijn volk! [Toen ik sprak:] „Kostbaar is in de oogen des Eeuwigen het sterven Zijner vromen. O Eeuwige! — ik ben immers Uw dienaar, ben Uw knecht, de zoon van Uwe dienstmaagd, Gij hebt zoo vaak reeds mijne banden verbroken ! U ter eere zal ik dan offeren een dankoffer en den naam des Eeuwigen wil ik aanroepen Iquot; Deze mijne geloften voor den Eeuwige wil ik betalen, wil het gaarne doen ten aanzien van geheel Zijn volk, in de voorhoven van het huis des Eeuwigen, in Uw midden, o Jerusalem; Halleloe-jah!

Psalm 117. Prijst den Eeuwige, gij volkeren allen; roemt Hem gij natiën allen! Want machtig uitte zich over ons Zijne genade en de trouw des Eeuwigen duurt in eeuwigheid; Halleloe-jah!

Psalm 118. Dankt den Eeuwige, want Hij is goed;

want eeuwig duurt Zijne genade.

Spreke Israël het uit:

„want eeuwig duurt Zijne genadequot;.

Zoo spreke ook het huis van Aharon:

„want eeuwig duurt Zijne genadequot;.

Mogen zoo spreken allen, die den Eeuwige vreezen:

«want eeuwig duurt Zijne genadequot;. F

ocr page 469

mnp nbön ö

: prjN rvrrw n^-m ^ «

D3^ quot; i]amp; : D^^n-DJ? D*3ü[5n «

D'a^n : pKi D'Ü^ rivy DnK D^na : DD^r^yi

• i- t - i vit t • i- t quot; T~ v - • ; V •• : :

^i; •'T-^n» D^nsn-N1? : fn: ptjni quot;b vftv

• n^n Dbi^-njri nn^ü n» ^a: : non

.■'fianx B^»w r« nn cxia wzi 'S ütn ntsma : 'jwnn ,Slp-n!lt; quot; 'norm »»p

quot;t: • : t t* * t -: - *• v ▼r -; • ^ • : i~ t

Iüm nns ••jwsi? Swf njD-iS?^ : Nipx •lynSxi pni'i \] pan : ^93 naVe ^ ri|x Nnf5» : «sax

li v ^nupS ^93 inb-n ^ owns noê' : onno

: TI^O i^n-n^ n^pTia wrn# niao ^93 ns^n ^ : yhy ha-y

• Ini? ••ri^ tal?? ^ ^pjfO : Q^nn nisT??? v. 'ïsh

: 313 n-ixn-ba n^n? ^px ^

mx ^ ♦niViöjn-1?^ «b ^tftrnö

quot; : t v t : t T I : - T T- 'TT

lp» : ïDybsb NrmJi m: : KipK «

ptt t : t t:v t- - t; tI: V *:

^ ♦♦ nsK : VTpnb nnian « « min nat narx nb : noiab nnna ïinöN-ra

*: •• ; t »quot;,v» quot; : quot; I s tquot; : t : 1- • |iv t -: I v

nnvna : is^~?nb mrnTü Q^m quot;b nn: : j^npK

: - : t : t t:v t - -t; tI; v

: nnbbn Dbtyi'T ♦aaina « n»a

t -: - -it t : • !•• ; ▼;

■üi »3 : D^öKn-ba imna# D»ir-i?3 M~nN ibbn rv

quot; t • '•, t t i ; - • t ▼: v -: - '

: nnbbn * «-nüNi non

n^»

mn S,np ; -j-flpn Dbl^b '5 3lü »3 ^ HlH fquot;

nm bnp ; «j^n Q1?^ »3 Vïniiquot; «riDK» I'quot;

: quot; t ; • •• t : • t - 1

nm Snp ; -j^pn chtyb »3 pnK'n^ fquot;

mn ; ^Dn ^ 110^ t'n

***** T'

ocr page 470

OCHTEND-GEBED.

Van uit de benauwdheid riep ik God aan, Hij antwoordde mij door onbegrensde verruiming. De Eeuwige is met mij, dus vrees ik niet; wat zoude een mensch mij doen ? ! De Eeuwige is mij onder mijne helpers, — ik zie dus rustig mijne haters aan. Beter is het bescherming te zoeken bij den Eeuwige, dan te vertrouwen op menschen. Beter is het bescherming te zoeken bij den Eeuwige, dan te vertrouwen op vorsten. Al omringen mij ook alle volkeren, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren! Al omringen, ja, omsingelen zij mij, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren ! Al omringen zij mij als bijen, — plotseling als een doornenvuur gaat hun vlam uit, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren! Wel hebt gij mij gestooten om mij ten val te brengen, doch de Eeuwige hielp mij. Mijne zege en mijn zang is God; Hij was mij terhulpe. De roep van juichen en redding klinkt in de tenten der rechtvaardigen ; „de rechterhand des Eeuwigen schenkt macht; de rechterhand des Eeuwigen is hoog verheven ; de rechterhand des Eeuwigen schenkt macht 1quot; Ik zal niet sterven, neen, ik blijf leven en zal verhalen de werken Gods! quot;Wel heeft God mij getuchtigd, maar aan den dood gaf Hij mij niet prijs! — Opent dan voor mij de poorten der rechtvaardigheid, ik wil er binnengaan, wil God danken ! Dit is de poort des Eeuwigen, rechtvaardigen treden er binnen ! Ik dank U, dat Gij mij verhoord hebt en mij ter hulpe waart! De steen, die de bouwlieden verachtten, zij werd tot sluit- en hoeksteen ! Van wege den Eeuwige gescïiiedde dit, het is wonderbaarlijk zelfs in onze eigene oogen ! Dit is de dag, dien de Eeuwige ons heeft bereid; wij willen ons er mede verblijden en verheugen!

Ach, Eeuwige ! help toch !

Ach, Eeuwige ! help toch !

Ach, Eeuwige ! schenk toch geluk!

Ach, Eeuwige! schenk toch geluk!

Gezegend hij, die komt in den naam des Eeuwigen; wij zegenen u van uit het huis des Eeuwigen ! God is de Eeuwige. Hij heeft ons licht verschaft; bindt daarom het feestoffer met touwen tot aan de hoorns van het allaar I Mijn God zijt Gij ; ik wil ü danken; mijn God, ik wil U verheffen ! Dankt den Eeuwige, want Hij is goed; want eeuwig duurt Zijne genade!

Al Uwe werken mogen U loven, Eeuwige, onze God; en Uwe vromen, de rechtvaardigen, die Uwen wil volbrengen, mogen met gejuich Uwen naam danken en zegenen en prijzen en roemen en verheffen en zijn macht, heiligheid en heerschappij erkennen, onze Koning! — Want het is goed, U te danken en het is gepast Uwen naam te bezingen; want van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Koning, Wiens daden in lofliederen worden geprezen !

Kaddiesh Thithkahbal.

41

ocr page 471

nnntp nVan no

■nö ntk xb quot;b \] : n» ♦ntt^ nv^n-jü

aiü : Kpz nNquot;)N n^a »4 « : DIK ^ nfc^ ; D^n:3 nbap «a nionb aiü : DnK3 nbap ♦♦a nionb \] D^3 ♦jiaaD-Di ♦aiap : dVÖN ^ « Dtra D^rba ♦3 \] Dt^s D^ip onnnp 'mo : DVOK *3

-♦nn rr mori ny : «i Vs:1? rim : d^dn

* :- t t : •; •'t -itt^-: t- • i- • : t - • -:

\] pp» D^nx ^nN3 ns-i Vip : h njnK-»3 mDN-N1? : ^n n'^ « \w nopn ♦; pp» : Vn ■mna : ♦wn: NV mabi n» ♦•TID* ID* : n» IÖDKI

: • -it t : vit - : t • i-: * - t •• -: -

My D^pnv ^ quot;i^^n'nT : n; mix D3 N3N p-ivn^ ^ IDNÖ |3st T« : ^quot;^nni »3 ïplN : 13

nN^ö: N*n HNT nn^n « nxa : r»3ö TNquot;!1? nn^n D»ji3n

t : * • t ;it ▼; •• •• t • : t : t -

^ : 13 nnat^Ji « riamp;y diti nr : ij»vv3

t : i • : t rx ▼; t *gt; - v iquot; ;

ruw Vnpni X3X JJ3quot;31 quot;»ln t»quot;71 ruir Snpm jjm pnn

N3 ny^ln M N3N N3 H^^lH « N3N

t T I' r; t T T *r f *j tt

: N: nn^ïn « KSK K: nrvVxn ♦♦ K3N

t t • ; - t t t t ■ : - t t

IÏS'1 » VN 1quot;= ; ♦♦ n»3p 0313313 « D^3 M3n TjinS

^ : nsTpn ni3np iy crn^s jn-inpN vb ♦3 3iüquot;,3 quot;b iiin ^ : ?jööiiNt ^INII nnN

: npn obiyb

?)3in ♦iriv D^nx ^Tpm * ^'^p-Vs 13^« »; ^bir ins^n i3-i3n mi» n3-i3 n»3 ^pr^i.

wsbp ^jpK'-nK i3^pn wn^i IÖDITI HK^I

Dbirw Di?1^'?? ^ n^? ^o^bi nnn1? 31L3 »3 : nin3^n3 Vbn» quot;nSo « nnx ^1-13 * VN nnN

t : • - t ••. ; I v IV ▼: t - | t •• t -

•Sapnn r^np

ocr page 472

OCHTEND-GEBED.

Bij het openen der Heilige Arke om de Wetsrol er uit te nemen, zegt men:

Het was bij het optrekken der Arke, toen zeide Mozes: Verhef U, Eeuwige! dat üwe vijanden verstrooid worden en zij, die U haten, mogen vluchten voor Uw aangezicht! Want van Tsion gaat de leer uit en des Eeuwigen woord van Jerusalem!

Geloofd zii Hii, die de leer heeft gegeven aan Ziin volk Israël in Zijne heiligheid !

Sommigen zeggen nog het volgende:

Geloofd zij de naam van den Heer der wereld; geloofd zij Uw kroon en Uw verblijf! Moge Uw welgevallen immer met Uw volk Israël zijn en doe Uw volk de verlossing door Uwe rechterhand aanschouwen in Uw heiligdom. — Doe ons toekomen den zegen van Uw licht en neem in barmhartigheid ons gebed aan ! Moge het U welgevallig zijn ons leven te verlengen in welzijn, en moge ik bedacht worden te midden van de braven, zoodat Gij U over mij ontfermt en mij behoedt en al het mijne en al wat Dw volk Israël toebehoort! Gij toch zijt het, die alles voedt en alles onderhoudt; Gij zijt het, die alles beheerscht; Gij zijt het, die ook koningen beheerscht, en alle heerschappij is aan U. Ik daarentegen ben slechts een dienaar van den Heilige, geloofd zij Hij, voor Wien en voor Wiens verheven leer ik mij ten allen tijde nederbuig; niet op een mensch vertrouw ik, noch steun ik op eenig ander goddelijk wezen, dan alleen op den God des hemels, die is de God der waarheid en Wiens leer waarheid is en Wiens profeten waar zijn en die in rijken overvloed daden van liefde en waarheid verricht; op Hem vertrouw ik en ter eere van Zijn grooten en geëerden naam spreek ik lofzangen uit! Zoo moge het U dan welgevallig zijn mijn hart te openen voor Uwe heilige leer, en moogt Gij mijne harlewenschen en die van gansch Uw volk Israël vervullen, ten goede, tot leven en tot vrede!

De Arke wordt gesloten en de Voorlezer zegt:

Kent met mij grootheid toe aan den Eeuwige; laat ons te zamen Zijnen naam verheffen.

De Gemeente antwoordt:

Aan U, o Eeuwige, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want [U behoort] alles in den hemel en op aarde; aan U, o Eeuwige, is de heerschappij, en Gij zijt het, die boven alles als opperhoofd verheven zijt! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijne voetbank; heilig is Hij ! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijnen heiligen berg, want heilig is de Eeuwige, onze God!

42

ocr page 473

rvw nbfin 20

tpiuixi nnn ISO D-npn pis QinniB

ID^I « naip n^o quot;idn»I psin üon »n»i

: ♦♦ quot;inni nnm Kïn p»vp ^ : ^JSÖ

: id^V rriin fn^ ^3

««sen Tin ^nnso wa •'-i|-cS xiiasa min ibd ppb» ia jij)»» iai ion /an io'b1? V3 laS m1? ijasi sVy1? nansn r.x pniroi pnmt

w • -pnai Tjnna -jna KD^ K-IÖ-I nnv Tjna n^s nnK • d^1? ^

♦ ppnna wni^ï Tjiin: 3^p N:^ ^IÜÖNSI TjBnpö KTpfiKaKKinVi * Knia'üa p»n f^nim nh»

^n1?! rn w nmo^i ^ Dnno^* in Kin riiN -K^ Di-iapi K^'IT xin njK • ♦^n ^-n Nniabpi Ko'pp wbpiwn rijx * «bï ^ *1^ Kö^pi nap. ww ttin ^na K^nipn wny kjk 1? ^ N^I -ttixn-j tyjx by ttb ' fiy ^3 nnniN

♦ KnbK Nin-i • N»pipn NPIVKS K^t- «jipo pn^t?

♦ ü'^i paü N5Dp^ * ÜB'ip - D'ip nnnixi

♦ fns^w ION N:N NT^I np^V • pnn NJN na

♦ »3gt;n p'pK^p Dbern «nn.iNS ♦sb nnfim ^o^ NI^ «n»

^VV1?! 3^ • TjD^

: nn» lot^ nooiquot;i:i ♦m «■? ibia r™

tiquot; ; t ~i ; * * tquot; ; —

nsw Snpm

D»o^3V3 »3 ninn-i nysrn niNsnni rn^Jini nbn^n « ^ loon : trKn1? S31? K^nani np^ppn « ^ 'pKSi ♦♦ toon : Kin ^npT vVfi D-in^ nnn^ni ij»n^K « •' t! ^quot;'quot;'R. '3 ïbhe ^ iinn^ni 1:^^

ocr page 474

OCHTEND-GEBED.

Boven alles worde de grootheid en de heiligheid erkend, worde geloofd, geroemd, verheven en verheerlijkt de naam van den Koning aller koningen, den Heilige, geloofd zij Hij, in de beide werelden, deze wereld en de toekomstige wereld, die Hij geschapen heeft; [dit geschiede] naar Zijn welgevallen en naar den wensch van hen, die Hem vreezen, en naar den wensch van het geheele huis Israels! Rots van alle eeuwigheid. Heer aller schepselen, God aller zielen; die troont in de uitgestrektheid daar boven, die zetelt in de overoude hemelen. Wiens heiligheid [een grootsehen indruk maakt] op de Chajjoth, en [de indruk van] Wiens heiligheid rust op den troon Zijner heerlijkheid; zoo worde dan Uw naam geheiligd door ons, Eeuwige, onze God! ten aanzien van al wat leeft! Laat ons voor Hem een nieuw lied uitspreken, gelijk er gezegd is: Heft een lied aan ter eere van God, bezingt Zijnen naam, baant den weg voor Hem, die door de hemelvlakten snelt, ÏT is Zijn naam, en jubelt vóór Zijn aangezicht ! Mogen wij Hem oog in oog aanschouwen, wanneer Hij terugkeert naar Zijn verblijf, gelijk er geschreven is: Want oog in oog zullen zij aanschouwen, wanneer de Eeuwige naar Tsion terugkeert. En er is gezegd: Dan wordt de heerlijkheid des Eeuwigen openbaar, en alle vleesch te zamen zal zien, dat de mond des Eeuwigen gesproken heeft!

De Vader der barmhartigheid. Hij moge zich ontfermen over het volk, dat door Hem van zijne geboorte af beschermd werd, en moge gedenken het verbond met [de voorouders,] de krachtige instandhouders der wereld, en moge onze ziel redden voor ongelukkige oogenblikken, en moge in toorn verdrijven de kwade neiging van hen, die door Hem [zoolang zij bestaan] gedragen worden, en Hij zij ons genadig tot eeuwige redding en vervulle onze wenschen in rijke mate, in heil en barmhartigheid!

Nadat de Wetsrol op de Biema is neergelegd, zegt de Voorlezer;

Moge Hij bijstaan, beschermen en helpen allen, die op Hem vertrouwen, laat ons hierop zeggen ; Amen ! Schrijft thans allen grootheid toe aan onzen God en bewijst eer aan de heilige Leer! De Kohen kome nader, en wel N. N. de Kohen plaatse zich hier! Geloofd zij Hij, die de Leer heeft gegeven aan Zijn volk Israël in Zijne heiligheid. De Leer des Eeuwigen is volmaakt, aij verkwikt de ziel; het getuigenis des Eeuwigen is vertrouwbaar, het maakt den onnoozele verstandig; de bevelen des Eeuwigen zijn rechtvaardig, zij verheugen het hart; het gebod des Eeuwigen is zuiver, het verlicht de oogen. De Eeuwige verleent Zijn volk macht, de Eeuwige zegent Zijn volk met vrede. God, Wiens weg volmaakt is; het woord des Eeuwigen is gelouterd; Hij is het Schild voor allen, die op Hem vertrouwen.

43

ocr page 475

mnt? nVsn jd

• Döinrn nantrn ty-i^nn Van b%

* xin D^Vsn ♦DSÖ IQ^ iixnai i:ivn3 * «an DVipni run obi^n niöVi^s ninarrba jiix D^pbi^n nis : btfiw n^r1?! VKT ♦aty »0^3 pitrn diid ^maa HISK

„ : ,. . . i .. - t •• - t : - t i v;

1531 : ninsn KD3 inEhpi nl'nn bv_ in^np : Di|5. yv Viö5? iqnti :

DDIquot;!1? IVD loir nar 11^ * i^in

t : t •• t i ; ;- ... r t - tt

inquot;).: btf 13^3 |^3 : v:öb quot;iaip n^s

ni33 n^:i naNii: ji»y quot; aira INT |^3 ^ * smaa

: -,3n m ^ »3 ^n» iN-ii «

•••*:• • t : - tt t t : ▼:

D^nx nns man dto# d^ dht Kin o^anin ntlt;

ia n1^quot;lrJ IP V^V!1!

irnibx^a kW) Q'abi^ ntp^ab UHINJ pn ow'^n : D^ami nniü maa

• -: -: t : t t • :

quot;iöini jnSon by ^quot;cn rpj» nï'an Sr yen pAia

bn;: inn ban ; lax naKJi 13 D^pinn bob pn iir^n p quot;oiSa ma^ * snp ina - n-jinb 1135 i:ni irnb^b nnin : inanps bK^» la^b nnin insir ^quot;13 : irün ^iba nipö : na^na masj « nn^ nn^a na^an «

,. i . . ,.. _ - t t v: v ▼: quot; v it - r ; t • : ▼:

larb w M : 0^7 nTxa ma « nixa ab 'naiya Dnty* «

^ ^ *it - * : tt ▼: - : • •• : • t ; ▼:

? maK i2quot;in D^an bxn : oib^a ia^ n« Tp.^ V ï^-: 13 D'pinn bbb Nin |3a nsny

lt;

ocr page 476

OCHTEND-GEBED.

De Gemeente en daarna de Voorlezer:

En gij, die gehecht zijt aan den Eeuwige, uwen God, gij allen leeft heden •).

Lofzegging vóór de lezing uit de Thora;

Looft den Eeuwige, den Lofwaardige.

De Gemeente:

Geloofd zij de Eeuwige, de Lofwaardige, immer en eeuwig!

Hij, die voor de Thora geroepen is, vervolgt:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons hebt uitverkoren boven alle volkeren en ons Uwe leer hebt gegeven; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de leer gegeven hebt.

•) Men leest eiken Shahhath de afdeding der week voor, over ten minste zeven personen verdeeld; — men heeft echter het recht het aantal der voor de Thora geroepenen te vergrooten, mits men zich bij de verdeeling der afdeding strikt aan de daarvoor geldetide voorschriften houdt. Te Amsterdam is het vaste gébruik, de afdeding altijd over acht personen en niet meer te verdeden. Hij, die de Haphtara zal voordragen, wordt niet meêgetdd, daar voor hem slechts enkde verzen, die reeds zijn voorgdezen, worden herhaald. — Nadat nu de laatst voor de Thora geroepene de slutlofzegging heeft uitgesproken, draagt de Voorlezer half Kaddiesh voor, en leest men ten minste de drie laatste verzen nog eens voor aan hem, die de Haphtara zal voordragen.

Indien twee weekafdeelingen op één Shahhath gecombineerd worden, dan wordt voor den vierde het slot van de eerste en het begin van de tweede afdeding gdezen en wordt als Haphtara het voor de tweede afdeding aangewezen stuk uit de Profden voorgedragen, behalve bij combinatie van Acharé en Kedoshiem, en van Nitsabiem en Wajjélech, in welke beide gevallen de Haphtara der eerste afdeeling voorgedragen wordt.

Indien op Zondag het Nieuwemaansfeest zal invallen, wordt de voor dat geval bestemde Haphtara gelezen; de Haphtara 'Ania So'ara wordt echter niet voor die van Macnar Chodesh op zijde gezet.

Indien uit twee Wetsrollen moet worden gelezen, verdeelt men steeds de weekaf deeling over zeven (resp. acht) personen, en nadat de laatste de slotlofzegging heeft uitgesproken, legt men de tweede Wetsrol naast de eerste en zegt half Kaddiesh; vervolgens wordt de Wetsrol, waaruit is gdezen, opgeheven en der Gemeente getoond en opgerold; ment opent de tweede Wetsrol en leest daaruit den Maphker voor.

Indien op Shahhath het Nieuwemaansfeest invalt, leest men uit de tweede Wetsrol Num. 28,9—15, de afdeding over het bijzonder offer voor den Shahhath en dat voor den Nieuwemaansdag, en als Haphtara leest men Hassharaajim Kis-ie (Jes. 66,1—24); behalve wanneer de tste Ah op Shahhath invalt, daar alsdan de Haphtara Shim'oe (Jer. 2,4—28 en 3,4) toch wordt voorgedragen. In de sloüofzegging na de lezing der Haphtara wordt van het Nieuwemaansfeest geene melding gemaakt.

Indien uit drie Wetsrollen moet worden voorgdezen, bijv. indien op den Shahhath van het Inwijdingsfeest tevens het Nieuwemaansfeest invalt, leest men uit de eerste Wetsrol de afdeeling der week, over zeven personen verdeeld; nadat de eerste Wetsrol is opgeheven en gesloten, leest men uit de tweede de afdeding voor het Nieuwemaansfeest. legt vervolgens de derde Wetsrol naast de tweede en zegt half Kaddiesh. Nadat ook de tweede Wetsrol getoond en gesloten is, leest men uit de derde de afdeding voor het Inwijdingsfeest (resp, Shekaliem of Hachodesh), en leest de voor ieder dier dagen bestemde Haphtara.

44

ocr page 477

nnnip nbsn nö

i* : Di»n DDba DMn D^riVK «a D'prin Dn^ v™ : Tjippn « HN 1313 ^ ^ n'7irn : Q^^1? ^pn « Tjina o'worrn : Tjinpn « Tjiia

d^D^n^p wa'ins I^N obi^n -jbo ^rnbK « nriK Tjina : nninn |ni: ♦; nriN Tjina * mnin m

jroon pquot;p nai ^dio ^Dinb nsi dni naj nyaf nar San pnip (* Tssaom -inv pa^iapNvpnnx Nipj Nim -in# ny nnpS jnui fn Yquot;vn now runrw nana jnnxn -patr irwi fjon jo irx DKI 'nnan ^ioar D^pioa 'i quot;mmb «nip aquot;nNi innxS jvv 'a •insr loa mipa D'pioa -ja ba xmpi thdo ov rnnrn nrax ^

nno fjiDD ^^aiS nnpnS pjnu nnaina nmo vn? vv nara p pin 'ioquot;Dr n^r hv msaana pn^aai ^miD rhnnb pToaor quot;i^i D^asj pi /nnx hvi pTöaor DTnpi nnx {w rnp noxi Ttm dj? rrenan nquot;Di yvn nro cw .o^ajcj Sra int n-ipc noo Ttaaan or xip' aha -iroc my nnp? jnx •nyar pjo? nSiy TDBO

myiD p pin ^nn mo pmtaao naca inxa Snr nn nyatr pnp nSiyS min nao ,ni5' pjcisiora .n^mj njw ••jr nquot;D pnMO njimx nana jnnxn ^lac nnxSi yiam moa naj jirxn nquot;D i'SSui pn'ajoi -nnw hy rnp iowi pcx-n Ssx w nquot;Da -i'DaoS jmpi pnnxS -par ■•o pjnui w nquot;D pnniai

^NDaD'orn pTaaoi n a r n d i ^ a i'jr nquot;Da pnp nm nara naan1? iSn nunaa D'jnijr nara hrw ax nn ja pin •maan naiaa nn pToro px oSiySi .lyor

nyar jWNTa p-iip naum nn nara pja nquot;D nrSr px^intra w nquot;D pnniai jirNi nquot;D pSSui pn^jm ^iarn noa whv n-D pn^ai -nn Sra pnn^^ pnpi ^'arS ^nar pjnui prvajoi üryhv pquot;n pnowi nn^tr Hv S^an ponai /jnSrn hv iSsx }nipi pnnN'S -[nar ounui vrhv nquot;D pnniai ^r nquot;D pSSui nnyTNDNpxi pi -quot;nori pTtsaoi naian i-idd TDaaS jn^aomrian noa nr'Sra jmp aSiySi mnn 'aa w o^pr 'aa

•nrna Sra

ocr page 478

OCHTEND-GEBED.

Na de lezing:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons de ware leer gegeven hebt, en [daardoor den weg tot] het eeuwige leven in ons midden geplant hebt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de leer gegeven hebt.

Wie van eene ernstige ziekte genezen, van eene zee- of woestijnreis teruggekeerd, uit de gevangenis ontslagen, of aan eenig ander gevaar ontkomen is, zegt het volgende na, de Thoralezing:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ook aan schuldigen weldaden bewijst, — dat Gij mij allerlei goeds hebt bewezen.

De Gemeente antwoordt ■.

Hij, die u [tot dusverre] allerlei goeds heeft bewezen, moge u ook voortaan allerlei weldaden bewijzen. Sela.

Op den dag, waarop iemands zoon, na het hereiken van den dertienjarigen

leeftijd, voor het eerst voor de Thora geroepen wordt, zegt de vader na, de ThoravooHezing en nadat hij den priesterzegen over zijnen zoon heeft uitgesproken, nog het volgende •.

Geloofd zij Hij, die mij van de strafplichtigheid voor dezen bevrijd heeft.

Na afloop der Thora-voorlezing zegt de Voorlezer half Kaddiesh; vervolgens

leest men ten minste de drie laatste verzen nog eens voor aan hem, die de Haphtara zal voordragen; daarna wordt de Wetsrol opgeheven en het schrift aan de Gemeente getoond; hierbij zegt men:

En dit is de leer, die Mozes den kinderen Israels voorlegde, op bevel des Eeuwigen door Mozes. Een boom des levens is zij voor hen, die aan haar vasthouden ; wie haar steunt, is gelukzalig. Haar wegen zijn wegen van liefelijkheid, en al hare paden zijn vrede. Lengte van dagen is in hare rechterhand, in hare linkerhand rijkdom en eer. De Eeuwige schept er behagen in ter wille van Zijne gerechtigheid, de leer steeds meer groot en verheerlijkt te doen worden!

Nadat de Haphtara en hare lofzeggingen zijn uitgesproken, vervolgt men het gebed aldtis :

Moge van uit den hemel verlossing, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven en overvloedig levensonderhoud en hemel-sche bijstand en gezondheid van lichaam en uitstekende voorlichting, een kroost, dat leeft en blijft voortbestaan, een kroost, dat nooit ophoudt en nimmer zich onttrekt aan de woorden der heilige Leer, beschikt worden over onze leeraren en onderwijzers, de heilige genootschappen zoowel in het land Israels als in Babylonië, (alsook in alle andere landen onzer ballingschap), over de leiders der volksvoordrachten, de hoofden der ballingschap, !) de hoofden der leerscholen, en de rechters, die in de poorten [der verschillende steden] zitting hebben; over al hunne leerlingen en over alle leerlingen

45

ocr page 479

rvTO nVfin no

Ss nquot;D3 ntmN- maS t inbii jVdtiö mSwsün it td' nuna mpS snpn h^nmva ssu fwipn in.si nboa nho svpn dp ivnsa nip1 Nin dji ;n!oipn jot

nüN m.in vb fru vrfN « nriK

: niinn |ni: « nriK * usira obty «ni

'si pw1? pj'm ia-ma ^n» '»i ^ao nsn cs tvgt;» •gt;» ^nmns pai-ix nyaix v niia uss'i , npi Bgt;ti3Nn n'aa nan rprw 'm , Nsinai nSm nvit»

•nuna ins'ip Sr ninns naia in.s -pa

nüiü DOT6 böian obi^n -jbü irri^N » nnK : aiü-ba

t *1- t : v

: nba 210 bs Ntn aiü-ba *0 ™ hnP™

t iv t i: t : • t i : t ; v

it naia -mis /irus ow ruo jquot;vja Nino wm mxa ia*? ï'in uao ■gt;»

.naïa wa hhnrmv nrwa w nquot;DS ua m jiTipc nrca

: ntbv imyfj Tjiia

.pquot;n yquot;t'n i»i« ns'ipn lïibcna Dnaix orS anan nisin1? mns min iron mainua

-r2 « lt;22 'isb namp;D oamp;'iptt nynn nNTi

: iamp;HQ n'Dbn) na Dunns'? wn D«n~^ : namp;D n:w2 dw -pK : Dib^ n^nin^nrVai n^n

t • * • t 1 V i t t IV • ; t : • •• : quot; t iv t :

: nn^n n*iin bnr ipiy jypb fan « : niaDi iamp;y nbüDamp;z

Dnms n:iin.s% .1312 ^cdch nnx

»aiTQi «ni ♦OHTI Knoni N3n ^O^_|Ü fp^ö Q)p\ ' Nquot;iin:!) Nöia nvpi ^p^-n Kn^pi Staa^N1? ni pDö^sib n KVquot;IT • sïD'pi M»n

• t •: i \ : • t • :- tti-: t- 't :-

NViNa n xnu'np wnian 1:311 * «nm» ^anso

•v ; - ; • tt *1- tt -:Itt-;ittt: t ; - •• t ; • •

Kniba ♦trn^ ^5 * b222 ni n^oVn-SD^ rin'ToVn-Sa1? * xarn ^nbi Kna^no

.. . ; - t . i .... - t . t t • quot;t - ; tt*:

!) De door de regeering benoemde staatkundige hoofden der babylonische Joden, v. d. in het algemeen de leiders en bestuurders der Joodsche gemeenten in de ballingschap.

ocr page 480

OCHTEND-GEBED.

hunner leerlingen en over allen, die zich met de heilige Leer bezig houden; — moge de Koning der wereld hen zegenen, hun leven vruchtbaar doen zijn en hunne dagen vermeerderen en hun lengte van jaren geven; mogen zij verlost en bevrijd worden van allen druk en alle verderfelijke ziekten ; onze Heer in den hemel zij hun tot hulp ten allen tijde en in elke stonde; laat ons hierop zeggen : Amen I

Wie niet met tien personen het gebed verricht, zegt de twee volgende stukken niet.

Moge van uit den hemel verlossing, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven en overvloedig levensonderhoud en hemelsche bijstand en gezondheid van lichaam en uitstekende voorlichting, een kroost, dat leeft en blijft voortbestaan, een kroost, dat nooit ophoudt en nimmer zich onttrekt aan de woorden der heilige Leer, beschikt worden over deze geheele heilige gemeente, groot en klein, kinderen en vrouwen 1 Moge de Koning der wereld u zegenen, uw leven vruchtbaar doen zijn en uwe dagen vermeerderen en u lengte van jaren geven; moogt gij verlost en bevrijd worden van allen druk en alle verderfelijke ziekten; onze Heer in den hemel zij u tot hulp ten allen tijde en in elke stonde; laat ons hierop zeggen: Amen!

Hij, die onze voorouders, Abraham, Izak en Jakob gezegend heeft. Hij zegene deze geheele heilige gemeente benevens alle andere heilige gemeenten, hen, hunne vrouwen, hunne zonen en hunne dochters en al de hunnen; ook hen, die bedehuizen bestemmen om het gebed te verrichten, en hen, die daarheen gaan om te bidden, en die brandstof schenken tot verlichting en wijn voor de wijding en het afscheid [van Shabbath en feestdagen] en brood voor doortrekkende vreemden en giften voor de armen [ala ook al, wie vatten wil den eerstvolgenden Maandag en Donderdag en den daaropvolgenden Maandag] alsook allen, die zich trouw bezighouden met de aangelegenheden der gemeente; de Heilige, geloofd zij Hij, schenke hun loon daarvoor en houde van hen alle ziekte verwijderd, en geneze hun geheele lichaam, en vergeve hun elke zonde, en zende zegen en geluk op al het werk hunner handen, evenals aan gansch Israël, hunne broeders; laat ons hierop zeggen: Amen!

Geted voor de Koningin en het Koninklijk Huis.

Hij, die hulp verleent aan koningen en heerschappij verschaft aan vorsten; Wiens koningschap is een koningschap over alle eeuwigheid; Hij, die Zijnen dienaar David bevrijd heeft van het verderflijke zwaard;

46

ocr page 481

mntp nVsn 10

* «nniKs |o VDVI |in»TöVn

* pnn^1? hdik jri^ |irroi» xiwy |in«n vw Tpy n po • |^3 füi N^-^a |p pn?n^n pp^isrn

: |ü« iDKJl. *|^ lö^l l1n^P2 wWl

.-por '•0 nSi nt |pquot;)ej oipi mw px wa S^Bnon

♦jiTpi ♦an» «ni ^on-ii K^pm wn wotf'fp fpna Dip*

• NHn:i Nfiiü nviai K»oiy-n xn^oi wi

t : ~ _ t : t ; - t-; t';--:quot; •:

Sün^Kb ni pp^-M1? n xjnt - N»n DV «^quot;i2-i pn NB'np Kbnp-^V • KnniK ♦ainöp ^*0: |iDn; Tpa» Ko^-n K^Q * «n^r

parn^ni ppnanni • fiD^b HDIK in»*! |iD»pi» pa^n Nsn» Kimn n po - pt^a p^quot;iD-b| joi Mp^'Va |o

: |pN quot;)ON:,I ♦ pyi jor-^i p^p3 Srm Tjin^ Kin ripjn pnv' oninK ii»ni2K ^13^ ♦» Dn^ai Dn * an'pn nibnp-^ DJ; * nin BM-ipn bnj^n ni»D:3 ♦na onn^ '01 * Dny-i^N-bDi on^nuai on^m

. .. : ** t •-:-;••• • y t v -i t : v •• : v •• :

13 D^niaE' ♦o!) -^ann) DDina D^SB' ♦01 * nbsn1? ü»wb npnïi D^nniK1? nai * nSnanbi irnp1? pn niKO1?

cjb') ,B,1pqi w nü^i^n^» n^ii^ 'D Sai ; )'quot;Dn -mis a-na rwrn ^sSü nara)

siin Tpa tyi-ij^n nrnxi niav *51^ Q'pfW nbo^i DöirbDh' xöin nbno-ba ono I'Dn aiïv dvw

- : •; t t : r :•: t -: - t v •• • t: tt : •• - :

-Va d^ Dnn» n^o-^Da nnbïni nrna nbwi üiïy-bsb

t ^ v ••; ..»=..- t ; t t . - . t t ; - ; •: r r :

: fox lo^ii Dn^nx

•n-T mnmi rroSon rca nj/a nSan n^o iniDbo Dp'Dii1? nb^Doi DpboV njjit^n |ni3n jnian * nj^n anno nay irrm nviön D^obiyVa

ocr page 482

47 OCHTEND-GEBED.

die in de zee een weg, in machtige wateren een pad heeft gebaand, — Hij zegene en behoede, beware en steune, verheffe en make groot onze Gebiedster, Hare Majesteit Koningin

WILHELMINA en Hare Majesteit de Koningin-Moeder, die tijdens de minderjarigheid van H. M. de Koningin als Regentes over ons land heeft geheerscht, en het geheele doorluchtige Koninklijke Huis!

De Koning aller Koningen schenke Haar in Zijne barmhartigheid leven en behoede Haar en bescherme Haar voor allen nood en kommer en schade; en onderwerpe volkeren aan Hare voeten, doe Hare vijanden voor Haar vallen en moge Zij gelukkig zijn, waarheen Zij zich ook wende ! De Koning aller Koningen schenke in Zijne barmhartigheid Haar hart en het hart der Koningin-Moeder en dat van al Hare raadgevers en vorsten een gevoel van barmhartigheid, om ons en gansch Israël wel te doen; moge in Hare en onze dagen Juda geholpen worden en Israël veilig wonen en de Verlosser komen voor Tsion; zoo zij het welgevallig; laat ons hierop zeggen : Amen !

Ashré, blz. 48.

Op den Shahbath vóór het Nieuwemaansfeest zegt men;

Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, deze maand voor ons te doen beginnen ten goede en tot zegen en ons te schenken een lang leven, een leven van vrede en welzijn, een leven van zegen en levensonderhoud en versterking van ons gebeente, een leven vol eerbied voor God en vrees voor zonde, een leven zonder schande en schaamte, een leven van rijkdom en aanzien, een leven, waarin ons bezielt liefde tot de heilige Leer en vreeze Gods, een leven, waarin al de wenschen onzes harten ten goede bevredigd worden; Amen, Séla 1

Intusschen draagt de Voorlezer het volgende voor:

Hij, die voor onze voorouders wonderen heeft verricht en hen uit slavernij bevrijd heeft en hen tot de vrijheid heeft gevoerd, Hij verlosse ons spoedig en verzamele onze verstootenen van de vier hoeken der aarde, gansch Israël vereenigd; laat ons hierop zeggen: Amen 1

ocr page 483

mni? nban to

niïvi iio^n Tp,^ Kin • DvTJ; D^orn ^ D»? n^sn unnaa m nbynb biw Daim -rnjn

nnV^po Vïs IB'K nabon DK PKI xr pbnSi n^rbDi nan nrvn nna ii^a li^n

t: •t - t- t:t t • : r t

* oiin DIT nisbsn

t t : - -

pri mv bapi nnp^^ n»n» vonna D^Vsn ^o n^sb n^iitr Van n^i nnn nann n^V! p^J ï^. vonna Dpbpn ^bp ^Vo • n^ïn n^sn iTïjri* ^3 abni naSpn dk riVrn naVpn unnaa n^o^a * VK^: ba op. 1:0^ naiü nitr^1? n^on-i nn^i bxii i^v1? «ai nanS iiatr* rnirr ^^iri nquot;a V nrx : JON quot;ipKJI. |1Squot;1 VT pi

.1» n^sn ibi1? Dvnu Do-ianc Dtipi cmn 013-12» enn üki ijbSü nawa

irbv irmasj ♦nbKi imbx »♦ n^abo ri^i

r-'r ••- : v iquot; -: ......... *: | ivt ; • I t

cram D«n nS-rnm nanabi naiüb n-Tn t^inn-nN

-: • - it iv * : t t ; * ; t : v - v i -

-hv D^n naia-1?^ a^n naiü-1?^ D^n aib^'b^ a^n

t t ; v • - t v i quot; tv

alt;m nxT ana wv a^n nios^ pbrrb^ D«n nana bp D«n nobai n^ia ana |w D«n kür nKnn D«n nxm mm nan« 13a Knn# D«n iiaai

• 1- t - : •: t —: - it ••;•.* • - t :

: nba TOK • naiüb uab nibN^o Va-nK vb Kbnm

t iv i •• t t : iquot; • -: ; * t v it •• - .; v

.rwvv vquot;ün ms%i Kin • nmnb nmaj^o aniK bttii irmaN1? d^dj n'^ty »0

•• : :r- ., r - t. ,.. -j - t x v •

pKn nia:a yanxp irnn: pajri anj^a uniK bw : |pK quot;ip«:i bKif^ba anan

ocr page 484

OCHTEND-GEBED.

De Voorlezer neemt de Wetsrol in den arm en zeyt:

Het begin der maand.....zal zijn op aanstaanden.....dag, die voor

ons en gansch Israël ten goede korae 1

De Gemeente en daarna de Voorlezer:

De Heilige, geloofd zij Hij, doe haar [de maand] beginnen voor ons en geheel Zijn volk, het huis Israels, tot leven en vrede, tot blijdschap en vreugde, tot hulp en vertroosting; laat ons hierop zeggen: Amen!

Heil hen, die wonen in Uw huis, voortdurend prijzen zij U, Séla. Heil het volk, dat iets zoodanigs bezit; heil het volk, wiens God de Eeuwige is.

Psalm 145. Loflied van David. Ik wil U verheffen, mijn God, o Koning! en Uwen naam zegenen immer en eeuwig. Eiken dag wil ik U zegenen en loven Uwen naam immer en eeuwig! Groot is de Eeuwige en zeer geprezen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk! Geslacht na geslacht roemt Uwe werken en Uwe machtige daden verkondigen zij. De schoonheid van de heerlijkheid Uwer majesteit, en de verhalen Uwei-wonderdaden wil ik bespreken. Over de macht Uwer eerbiedwekkende daden spreekt men, en Uwe grootheid — ik wil haar verhalen. De herinnering aan Uwe groote goedheid doen zij als een bron opwellen en wegens Uwe gerechtigheid jubelen zij. Genadig en barmhartig is de Eeuwige, langmoedig en groot in genade! Goed is de Eeuwige voor allen, en Zijne barmhartigheid strekt zich uit over al Zijne werken. Al Uwe werken, o Eeuwige, danken U en Uwe vromen zegenen U. De heerlijkheid van Uw koningschap vermelden zij, en Uwe almacht spreken zij uit; ten einde den menschenkinderen Zijne machtige daden bekend te maken en de heerlijkheid van de schoonheid van Zijn koningschap. Uw koningschap is een koningschap van alle eeuwigheid, en Uwe heerschappij over alle geslachten. De Eeuwige steunt alle vallenden, en richt op alle gekromden. Aller oogen richten zich vol hoop op U, en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd! Gij opent Uwe hand en verzadigt al wat leeft tot welgevallen. Rechtvaardig is de Eeuwige in al Zijne wegen en liefderijk in al Zijne werken. De Eeuwige is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem in waarheid aanroepen. Hij volbrengt den wil van hen, die Hem vreezen; Hij hoort hun smeeken en helpt hen. De Eeuwige behoedt allen, die Hem beminnen ; doch alle godde-loozen verdelgt Hij. Den lof des Eeuwigen moge daarom mijn mond uitspreken; en alle vleesch zegene Zijn heiligen naam immer en eeuwig! — Ook wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid, — Halleloe-jah!

48

ocr page 485

nnnp nban nö

181!« nlt;3 nquot;D npiS yquot;tfn

: nalu1? xan dv? n^. ^in iïtii

n»3 IDJ?_S3 by\ 13^ Min ^12 lyn^n in^nn» • nambi • nno^bi \Wwb • D^n1? •

: |OK IÖ^JI

: n^D ?py?rv niy nvtlt;

•' vri^K D^n nirK ib o^n

chtyb ïjot? nana»! ^sn 'HIVK ^001*1« ni-iS nbnn nop ; quot;i^i ïjOK' nbbn«i ov-^a : i$)

na^i in'? -in : i^n ptlt; inbi^i TKD ^bnpi « Sna ^nKbs: nani ïfiin niaa Tin : ^nhiaai IDT : nanspK ^jnbrwi iidk» ^nxni: n?^i : nn^x d*ök Tj-ix « Dinni pan : 1:3*1» ^n^nvi 1^^! ^niü ai ïjinv : v^p-S|-^ vDrni b'sh ^-diü : npn Snai Tiftw ^nia1?» ni33 : nDiana» ^tdhi ^^d_S| « nnn iüdi vnhina DiKn '321? ^ninquot;? : iist ^nniaai mrbaa ^nS^oDi crp^r1^ nis^'o ^niobo ; miVö wy, : D,|5iö3n-l?Di7 e]j5iTi D^ssn-^b quot; -joio : quot;ini nnis : in^| d^dk-hk DnV-fni3 nnxi nafe» ?j^k Va npni vanrVaa « pnv .* pï'i ,n-i?pi? ^3i?oi : nöN3 inKij?' ipk bbV VKip-^b « ai-ipT : v^o-Vss ♦♦ quot;IDI^ : D^VI ynw Qn^i^-nxi n^ v^Tp'^l ♦fi n3i» « nbnn : tdb* D^ahrrVs nxi vsn^-Va-m n; ^quot;133 i3n3Ki .* n^i nVi^b op 1^3-^3 ijnnn ; np^n DVI^-I^I nnj?ö

.3gt;regt; Snji • .quot;inSnji ^ pw imbnji *

ocr page 486

OCHTEND-GEBED.

Op den Shuhhath vóór het Wekenfeest en dien vóór den 'éden Ah draagt

de Voorlezer na Ashró het volgende voor:

De Vader der barmhartigheid, die in de hoogten troont, moge met Zijn machtige ontferming in barmhartigheid gedenken de braven en rechtvaardigen en volmaakten, de heilige gemeenten, die hun leven hebben opgeofferd voor de heiliging van Gods naam ! Zij waren bij hun leven [door God] bemind en Hem dierbaar en lieten zich ook door den dood niet van Hem scheiden I Sneller waren zij dan arenden, krachtiger dan leeuwen, om te volvoeren den wil van hunnen Eigenaar en het verlangen van hunnen Rots ! Moge onze God hen ten goede gedenken met de andere vromen uit alle tijden en in onze dagen, ten onzen aanschouwen wreken het vergoten bloed Zijner dienaren; gelijk geschreven is i'n de Leer van Mozes, den man Gods: Doet juichen, gij natiën! Zijn volk, want Hij zal wreken het bloed Zijner dienaren en wraak oefenen op Zijne vijanden, en Zijn volk verschaft verzoening aan Zijn aardbodem 1 Én door Uwe dienaren, de profeten, is aldus geschreven : En Ik laat vrij, doch hun bloed laat Ik niet ongewroken, de Eeuwige toch troont te Tsionl En in de heilige Geschriften is gezegd: Waarom zouden de volkeren zeggen: waar is hun God ? Moge Hij onder de volkeren ten onzen aanschouwen bekend worden, als wraak voor het vergoten, bloed Zijner dienaren! Ook zegt de heilige Schrift: Want Hij, die vergoten bloed opeischt, heeft ook hen herdacht; Hij vergeet niet het geschrei der bedrukten. En nog zegt de heilige Schrift: Eens richt Hij onder de volkeren die natie, die vol is van lijken, nadat Hij zal geslagen hebben liet hoofd van een machtig land, die, omdat hij dronk uit den beek aan den weg, daarom trotscn zijn hoofd verheft I

De Voorlezer neemt de 'Wetsrol op en zegt:

Men prijze den naam des Eeuwigen, want hoog verheven is Zijn naam alleen.

De Gemeente: Zijne glorie is over aarde en hemel. Hij verheft den horen voor Zijn volk, tot lof voor al Zijne vromen, voor de kinderen Israel's, het volk, dat Hem nabij is; Halleloe-jah!

Psalm 29. Een psalm van David : Kent den Eeuwige toe, gij zonen der krachten, schrijft den Eeuwige toe heerlijkheid en macht! Kent den Eeuwige toe de eer van Zijnen naam, werpt U neder vóór den Eeuwige in heilig pronkgewaad ! De stem des Eeuwigen over de wateren, de God der heerlijkheid dondert, de Eeuwige over machtige wateren! De stem des Eeuwigen verheft zich in kracht, de slem des Eeuwigen verheft zich in luister. De stem des Eeuwigen breekt cederen, de Eeuwige verbrijzelt des Libanon's cederen, en laat ze huppelen gelijk een kalf, Libanon en Sirjon gelijk het jong van den Reëm ! De stem des Eeuwigen splijt tot vuurvlammen! De stem des Eeuwigen doet de woestijn beven, de Eeuwige doet beven de woestijn van Kadesh. De stem des Eeuwigen doet hinden baren en ontbladert wouden, en in Zijnen tempel zegt alles: heerlijkheid! De Eeuwige troonde reeds bij den zondvloed, de Eeuwige troont nog als Koning voor eeuwig ! De Eeuwige zal Zijn volk macht geven, de Eeuwige zal Zijn volk zegenen met vrede!

49

ocr page 487

mntf nban ^

ijbSp roto

o'pqi? np?1 Nin • n^ais^n raqn? • n^ano jails' cpqin asj

D^$3 nipö^ nl^n[5 • D^o^orini Dn^prjn

nn^a • npflj }ib oriToai a,-tquot;n3 D'ö^ni o^n^n • deti mnj? wrihi* n^v : D-J« f-sni ojip pin ni^S na* nr-woi bp. v»3j: di napj u^.1? u'o;? ni'p^i: • oSiy quot;in^quot;D^ naiaS Ql ^ itsj; D'ü wj^n • □,n'S^n b',k n^o mjn? ainaa :

,T hyj : Ta# ina-jN nsai: inT^ a^; D^JI • crip^ may ^331 : jrz? pr • wpj NS oa-i ^^31 • lajcS ama owin D?la3 jnr • co^dSv n^Un naN- naS • le^o ^ipn nsB' xS nar tanw D'a'i cni 13 iaw] : rjia^n ?jnay. q-i napj

: rilquot;1- n* ^ rn? Jii'W «Va D.iüa pT lawi : D'IJ# npjs : D,i; 13 ^ nnf ? ^3 Snaa

■mini irwnSi na^i ,» i^SnS its nnnn ibd npiS rquot;c;,-.

• mb lo-f zïamp;i »2 « D5?-m ibbn*

nbnn izyb p^, avi : awamp;i psi ^ nm ^

: 13^

t quot; : • t • -: t :

ian ^ ^3 ^ lan ^ niDtD M

t! •' vTmn? ^ linnen 10amp; 1^2 D3? T^P • D^I nrp-^ « D^nn iinan-VK D^an-^ ; p^'pn quot;i^'riH « -i3^i aniK 15^ « ^ip ; Tina'« bip aïh ^ip : D»OK^ 103 pn^quot; p:i V^ioï DTpTi Sip : Bhj? -I3TP :» Vw 13% vgt;ip ': ^ ^ quot; ■' quot;1133 quot;ion iVs ^n»i m^K ♦♦

Tir « ; -jbo quot; 3^1 •• 01^3 la^-nx

ocr page 488

OCHTEND-GEBED.

Terwijl de Wetsrol in de Arke geplaatst wordt, zegt men;

En als [de arke] rustte, zeide hij: keer terug, o Eeuwige! met de myriaden der duizenden van Israël. Begeef U, o Eeuwige! naar Uwe rustplaats, Gij en de arke Uwer macht! Uwe priesters mogen met gerechtigheid zich bekleeden en Uwe vromen jubelen! Ter wille van Uwen dienaar David wijs toch het aangezicht van Uwen gezalfde niet af! Want goede leering verschaf Ik u, verlaat dus Mijne Leer niet! Een boom des levens is zij voor hen, die aan haar vasthouden; wie haar steunt, is gelukzalig. Haar wegen zijn wegen vol liefelijkheid en al hare paden zijn vrede. Voer Gij, o Eeuwige! ons tot U terug, dan zullen wij in waarheid terugkeeren! Doe opnieuw onze dagen worden als vroeger!

Bijgevoegd-gebed voor den gewonen Shabbath en voor dien, die met het Nieuwemaansfeest samenvalt.

De Voorlezer zegt half Kaddiesh.

Wanneer ik den naam des Eeuwigen aanroep, kent dan grootheid toe aan onzen God.

o Heer! open mijne lippen, opdat mijn mond Uwen lof verkondige.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, God van Abraham, God van Izak en God van Jakob, groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God! die weldoende gunsten bewijst en Eigenaar zijt van alles, en de goede daden der voorouders gedenkt en in liefde voor hunne kindskinderen den verlosser doet komen ter wille van Uwen naam;

{In de tien hekeeringsdagen zegt men:

Gedenk ons ten leven, Gij Koning, die leven wenscht, en schrijf ons in het boek des levens om Uwentwille, levende God!)

Gij Koning, die Helper en Redder en Schild zijt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham !

Gij, o Heer, zijt machtig in eeuwigheid, Gij zijt het, die de dooden doet herleven, krachtig om steeds te helpen;

(Van het Slotfeest tot het Paaschfeest;

Die den wind doet waaien en den regen doet nederdalen;)

Die de levenden verzorgt met genade, de dooden doet herleven met groote barmhartigheid, die vallenden steunt en zieken geneest en geboeiden losmaakt en Uwe belofte vervult aan hen, die in het stof slapen. Wie is als Gij, Heer der machtige daden, en wie gelijkt U, Koning, die doodt, doch weer doet herleven en hulp doet ontspruiten;

50

ocr page 489

rvw nbfin 3

o^iois Saw -[in *10 on DID^DSÜ nswa

l! noip : Sk-J^r rii^i » nyv -ION» nn^i

^Jits ; fiisji nnx ^jnnijü1? : ?|n^a ♦jö -II-T 11^3 • ^Tpm

ö«n-^ .* i^ri'VK win w: niü n^ »3 n»ni3'nrV3^D^r^n»3^ n^Kon^Dhina D^nnsV : Dquot;ip3 i:»»» ^n n3^:,i : DI1?^

.11.. lquot;T ••- t I t: I IV •• t; ...... T

.nm rnt^ ^DIÖ n^sn

.onp nn iDW j-'Tn

: wn^jcS Sij ■•an Nnpx v 15 : T1^ 'si nn$n var ynjj

'rbx oniaK wninx ♦riVNi irnbK ♦♦ nriK ijna

^ «quot;iisni laan Vnan a'p^ ♦nl?«i pnï!

brty n»3üi ni3N non isiti Van n:pï' d^ils onpn bm - n3n«3 iöit ^D1? on^a ^

.im WN rwian onm njw osi .Dquot;n n2D3 OIDSI ^103 'O /T3T3f dh^di» n'^ya)

c dquot;ö ngt;n^ * n«nn 150? uariDi • o^n? fan -jSa ■ D^nS unpr : DTON |3ü « nnx Tpi • poi ^^IDI 1?^

* a-i nm DTIO n»nD « dVi^1? 1133 nnx c D^an inioi nnn a^'o D'-iow njEt 'n dti epio is mïï i:inc; cjdiis [O)

D^fiU Tjoio D'sn D^pn-is DTip n»np ipns D^n VsVao

* ^ in:iDK D^ÜI DniDK i^noi o^in Ntani n»n)3i n^pD ?|b npiT 'pi nnu^ S^s ?|1Ö3 'p

* njna» n^vpi

ocr page 490

BIJGEVOEGD-GEBED.

{In de tien hekeeringsdagen: Wie is als Gij, Vader der barmhartigheid! die Uwe schepselen ten leven gedenkt met barmhartigheid!)

Gij zijt vertrouwbaar, dat Gij de dooden zult doen herleven ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven !

Gij zijt heilig en Uw naam is heilig en heiligen prijzen U dagelijks, Séla; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! (in de tien hekeeringsdagen: heilige Koning.)

51

Voor den gewonen Shahbath;

Gij hebt den Shabbath ingesteld, met welgevallen zijne offers voorgeschreven, hebt zijne nadere toelichtingen als geboden verordend, evenals de orde zijner plengoffers; zij, die hem als een genot beschouwen, zullen tot in eeuwigheid eer deelachtig worden; die hem genieten, erlangen het eeuwige leven en ook zij, die woorden omtrent hem gaarne hooren, hebben het hoogste goed verkoren ; reeds toen, van den Sienai af werden hun aangaande hem [dien dag] geboden gegeven en hebt Gij, Eeuwige, onze God, ons bevolen op dien dag het bijgevoegde offer voor den Shabbath naar behooren te brengen. — Moge het U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, welgevallig zijn ons in vreugde naar ons land op te voeren en ons te planten op ons gebied, opdat wij daar vóór Uw aangezicht onze verplichte offers kunnen bereiden, de gedurige [dagelijksche] offers naar hunne orde en de bijgevoegde offers naar hun voorschrift. Ook het bijgevoegde offer van dezen Sliabbathdag

Voor den Shabbath, waarop het Nimwe-maansfeest invalt-.

Toen Gij Uw wereld in de oudheid hebt gevormd, hebt Gij Uw werk voleindigd op den zevenden dag; Gij hebt ons bemind en in ons welgevallen gevonden en ons verheven boven alle .talen en ons geheiligd door Uwe geboden en ons doen naderen tot Uwen dienst, Gij, onze Koning! en Uwen grooten en heiligen naam over ons genoemd ; Gij gaaft ons, Eeuwige, onze God ! met liefde Shabbathdagen tot rust en Nieuwe-maansdagen tot verzoening; doch daar wij zoowel, als onze voorouders, gezondigd hebben vóór Uw aangezicht, is onze stad verwoest, ons heiligdom eenzaam geworden, ging onze glans in ballingschap en werd alle heerlijkheid aan het huis van ons leven [onzen tempel] ontnomen en kunnen wij onze verplichtingen niet meer vervullen in het door U uitverkoren huis, in het groote en heilige huis, waarover Uw naam genoemd is, wegens de hand, die aan Uw heiligdom geslagen is. — Het zij U dan welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, ons in vreugde naar ons land op te voeren en ons te planten op ons gebied, opdat wij daar vóór U vv aangezicht onze verplichte offers kunnen bereiden, de gedurige offers naar hunne orde en de bijgevoegde offers naar hun voorschrift. Ook de bijgevoegde offers van dezen Shab-bathdag en dezen Nieuwemaansdag


ocr page 491

t]Diö nVfin a:

c D^nS inis; lair * a^oqin ax ïjioa •gt;» DiB'DW nquot;'l'3)

: D^nsn n»no ^ nriN Tp-Q * d^hd ni^nn1? nn« * n^D Di» ^3 tyiipT nnïs

(: B^npn ^an nawn w n^w) ; ^•j-tj5n ^12

win ».sii naüS

n^3 qi^ü rnr nnx uniK riDn« Dl»? ^npNbp n^i^n-^p iinpoi-ii 1:3 IJSVD ^niïpa un^pjquot;)

irb^ ^n^ni -Tjo^i ^nnia^1?

nnnxa irnbK »-ub-rnni • nxip

t-: - : iquot; v; . it I v r - t itIt

D^nn ♦u'Nï-n nnuo1? ninat^

Txï •• T : T ; * T -

iJKünt^ ♦abquot;) * möD'?

: 1--: I iv t : it t v • : tt - :

rva DQ^I nann irni^i

.. T ; ,.. T : T Iquot;

n^o T)33 btsji imp» n^i utripa

** * T ~ •-.: i-IT: TT: I- TI : •

niquot;^^ umN * ir^n bn^n n»33 ^im^na n^a irnmin

t - • i- - I iv t • ; •• ; iquot;

♦JÖO ?|p^ ^iquot;ij5ni

fiïn : ^j^ppa nnbri^t^ TH irnlDK 'ri^Ki « Tj^abp

u^ni uviN1? nnpfco nx rivy: DB^I Dnoa Dn^Dn irnmin nuaip

t : • ; • • : i- ; ;|T

^DIQ-nKI * DHD^na D^diüi

•• : V ; T T : • : - T

^■fnn I^Kquot;) 01**1 mn na^n ai'

na»1?

pquot;iwn dquot;j?

n^quot;i /nat^ man

TI T T quot; T : Iquot; *

mï * n^nuaip

t r • t iv : :| t

nno ojr n^na

... T IV

maya ' n^noj

t : t iv :^- ; t iv t :

n^D^-iü * i^nr 1133

t iv it : • T

D^nlKH DJquot;) * 1DT Dnn

• -; T - : T

* nna nnai

IT T T quot;•, : T IV T :

* m-n ♦J^do m

T IV T - : • - • • T

nnpn^rn^N^nm^i nip I^did |2p^ na fiïn

lypbx « Y^aba

manias4 WX^KS nnp'^a

* wSiaja

^na^ n'TO a^i irmain ni:aip-nK

lquot; ; ;l T

q—inpa o^Tpn

* anp^na D^DIOI

t T : • : * r

na^n di* ^maTis'i

ocr page 492

B IJ GEVOEGD-GEBED.

zullen wij met liefde bereiden en brengen vóór Uw aangezicht, naar bet gebod van Uwen wil, zooals Gij het ons hebt voorgeschreven in Uwe leer door Uwen dienaar Mozes naar de uitspraak Uwer heerlijkheid; gelijk er gezegd is:

En op den Shabbathdag: twee schapen, onder het jaar, zonder gebrek ; en twee tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, en zijn plengoffer. Dit is het Shabbathbrandoffer op eiken Shabbath, behalve het gedurige brandoffer en zijn plengoffer.

(Op het Nieuwemaansfeest: Dit is het offer voor den Shabbath; en ook het offer van [het feest van] heden [zullen wij dan brengen], gelijk er gezegd is:)

52

Voor den gewonen Shabbath:

Zij verheugen zich in Uw koningschap, zij, die den Shabbath in acht nemen en hem een genot noemen, het volk, dat den zevenden dag heiligt; allen verzadigen en verlustigen zij zich in Uwe goedheid ; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd; Gij be-stemdet hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust; heilig ons door Uwe geboden en laat Uwe leer ons deel zijn; verzadig ons met Uwe goedheid en verblijd ons met Uwe hulp, en reinig ons hart om U in waarheid te dienen; en doe ons. Eeuwige, onze God ! in liefde en welgevallen Uwen heiligen Shabbath deel-

Voor den Shabbath waarop het Nieuwemaans-feest invalt:

En op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer brengen voor den Eeuwige:' twee jonge stieren, jonge runderen, en één ram, zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En het daarbij behoo-rende meeloffer en hunne plengoffers, gelijk er uitgesproken is: drie tienden [van een Epha] voor eiken jongen stier en twee tienden voor den ram en één tiende voor elk schaap; en wijn, naar het daarbij voorgeschreven plengoffer; ook een bok, om verzoening te doen; benevens de twee gedurige [dagelijksche] offers naar hun voorschrift.

Zij verheugen zich in Uw koningschap, zij, die den Shabbath in acht nemen en hem een genot noemen, het volk, dat den zevenden dag heiligt; allen verzadigen en verlustigen zij zich in Uwe goedheid; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd; Gij bestem-det hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

Onze God en God oazer voorouders ! schep behagen in onze rust en laat voor ons op dezen Shabbathdag deze maand beginnen ten goede en ten zegen, tot vreugde en blijdschap, tot hulp en vertroosting, tot verzorging en levensonderhoud, tot leven en vrede, tot vergiffenis van zonde en kwijtschelding van misdaad ; {in de schrikkelmaand: en tot verzoening van misdrijf;) want Uw volk Israël hebt Gij uitverkoren boven alle natiën


ocr page 493

c]Diü nban n:

103 nixpa nanwa 2np;i n^a ntn : iioni ^quot;|133 ^11% nt^D ^mjra 13^ ao^ön Dn^m# na^n Dim

: • *• : r ' * : tt**: • t : •• : t - - :

ina^s nzv rny : 13021 föf? n^ibn nn:o n^p : n3p?i n^nn nVr^

c maxa ovn |3-!^i nar pn;? nr

.ü-in ükii naüS

Dns mnpn DD^nn W-DI

•tt- t rl; - v •• : t •• t:

♦:3 nnx ^KI nps ^2

•• : t : tv • 1- ; -i- : it t •• :

on^DJi Dnn:Di : DD^n

•.•••;•; t t ; • • • ; *r : ' t r

gt;:m IÖ1? n^tr nanos

•• : t - • : t : t •

|^i pti^i S^Ntb

on^pn ^ imS 130:2 : ono^na

t t ; • :

♦tnipi na^ noi^ ^niabao wtiw

Dv'a * o^

^^fni ^oitap ij^rn ' nxip iniK n^an in^ipi 13

t itit • t - : v ; -i • ;

: n'^Db -iot

ianniJ03 nïi irni3K 'n^Ki irnbK -m ntn na^n ova i2^v ^mi

t - - i** t ••- :

ri^trb * no-nbi noiüV nrn t^nnn

» t : t t : • ; t : v - v i -

nojiö1? * nan^^i n^iE'»1? * nna^i

t t : - : t t v : *t t : • :

rbTtii • oi^bi o^n1? • nVo^o^i

-•:* t: •-: t t ; - ;

(^s nnsa^ ™:) |1^ nn^oSi Kün •niöKn-^SD mna Vkïequot; »3

**. t t • t : r t quot;ti * I : ^ :

Bin i\sn na»1?)

•nscf1?

?|ni3bo3 inö'^» 'Niipi ns^ naiE' d# xy

1^3'^ 0^3 * ^3# ?|3it3p

13 n^ïquot;!

ww mpn m^ipi nor * nxip mix

viquot; t it i t

: n^jrp riwyzh ♦nb^i irn^Nï nïi ia^ni3Si i:^p unniios

iquot; :l - iquot; t ; •

i:pVn jni

1:^3^ ^niins i:na^i ^oitap i^s1? nnüi naNi3 ^3^4 v. i^'njni nsB' fiira n3nN3

ocr page 494

B IJ GEVOEGD-GEBED.

53

Voor den Shabbath waarop het Nieuwemaans-feest invalt:

en hebt hun Uwen heiligen Shabbath bekend gemaakt en voor hen de wetten der Nieuwemaansdagen vastgesteld; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath en Israël en de Nieuwemaansdagen heiligt!

Schep behagen. Eeuwige, onze God, in Uw volk Israël en in hun gebed; en breng den tempeldienst terug in het binnenste van Uw huis, opdat Gij Israëls vuuroffers en hun gebed in liefde welgevallig zult aannemen, en steeds zij welgevallig de eeredienst van Uw volk Israël!

En onze oogen mogen het aanschouwen, wanneer Gij met barmhartigheid naar Tsion terugkeert; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert!

Wij danken U, dat Gij zijt Bij de herhaling van het gebed, zegt de Eeuwige, onze God en de de Gemeente, termjl de Voorlezer onw ~ - - zegt, het volgende:

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God 'onzer voorouders, de God van alle vleesch, onze Vormer, de Vormer van het Scheppingswerk ; lof en dankzegging [brengen wij] Uwen grooten en heiligen naam, dat Gij ons hebt doen leven en doen voortbestaan! Zoo moogt Gij ons laten leven en ons laten voortbestaan en onze ballingen verzamelen naar de voorhoven van Uw heiligdom, om Uwe geboden in acht te nemen en Uwen wil te volbrengen en U van ganscher harte te dienen; [wij danken U ervoor] dat wij U kunnen danken; geloofd zij de God der dankzeggingen!

morgens en des middags [op te merken] zijn; Gij, Algoede, Wiens barmhartigheid niet eindigt; Gij, Al barmhartige, Wiens genadebewijzen niet ophouden, — van oudsher hopen wij op U !

(Op Chanoekka zegt men: 'Al Hanissiem [blz. 36).

En voor dit alles worde Uw naam, onze Koning! steeds geloofd en verheven immer en eeuwig;

(In de tien hekeeringsdagen:

En schrijf in voor een goed leven al de leden van Uw verbond I)

En alle levende wezens zullen U danken, Séla! en Uwen naam in waarheid loven, o God, onze hulp en onze bijstand, Séla ! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam «de Algoedequot; isenWien het past te danken!

Voor den gewonen Shabhatk;

achtig worden, opdat daarop mogen rusten Israël, die Uwen naam heiligen; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt!

God onzer voorouders, immer en eeuwig. De Rots van ons leven, het Schild onzer hulp zijt Gij voor alle geslachten ! Wij danken U en verhalen Uwen lof voor ons leven, dat in Uwe hand is overgegeven, en voor onze zielen, die aan U zijn toevertrouwd, en voor Uwe wonderen, die eiken dag met ons geschieden, en voor Uwe wonderbaarlijke weldaden, die ten allen tijde, des avonds, des

ocr page 495

e]Dio nVan

(yS

^i^ni • n^nin onb na^i •nna • n^p quot;Dn4? o^nn ♦ir^n

i t t . iti t v t t *: •• t

ra^n iripo « nnw

t: •• t : •: t - - ••!- ; ▼: t -

: D^in

t ▼;

nnia^n-nK n^m • onbsnm ?ia^3 wnVx M nvn

t j t v •• t ; t t • : ; •• t : • ( : ^- ; iquot; v: *: •• :

Sapn nanxa Dnbsni yyi^?

' m.in^ n^pri jivj1? ^nni fivn

mnan \\ nnx * owna ?|3W3 13*3^ mnnrn

: |i»v^

«in nnNty TI1? i3n3N oma

t - t |t : r -:

i3^ni2N «

|3D I3^n -nï • 1^1 abi^ 'quot;innnV «m nnt* vyw - ^nbnn quot;10031 ^ nni3 ^T3 oniDsn w*n

7^1 ^ nnipsn 13^10^3 133^ ai,-i?D3E' ^D3 ♦3 nitsn onnvi npbi 2quot;]^, ^niniüi ^niK^s;

• quot;Jjb ^np ^npn lan-N^ gt;2 ornorn ^oni ^yah

.(V'S t|ia D^DJn Sj; □■quot;inix nsuna)

* übi^S n^pn 13^0 Dpnrn Tjijan» Dbr^i

c ?]nn? (Sa) oola DwnS airai «wn ■gt;*■gt; mcra)

^NH nQK3 ^pB' TN n^D ^nv D«nn VDI : niTinb nN3 ^ ai^n »» nnx * nVp wnTTj;!

33

•raf1?

ro inirquot;) • *|En|3

« nnx Tj^a : nai^n

pnn U*im

^Nin nnxr unw anio ■•n'bx «vriag 'riSNi irn^v nis-ig n^xna %'v uii-v tra Sa bs tfnjTn Siijn TjiprS niNilni wp^rn imn j? wnip^i

nnsn^ w'nvSa ^IDX^II ?|3l2£-! nlr^i Tj^n io^S • onto wn^T dSe^ saS? : nliVilnn SN* rjns

ocr page 496

BIJGEVOEGD-GEBED.

Bij het herhalen van het gebed zegt de Voorlezer:

Onze God en God onzer voorouders I Zegen ons met den in Uwe leer uitgesproken drievoudigen zegen, die voorgeschreven is door de hand van Uwen dienaar Mozes en uitgesproken door den mond van de priesters Aharon en zijne zonen, gelijk er gezegd is: De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede!

Geef vrede, heil en zegen, gunst en genade en barmhartigheid ons en gansch Uw volk Israël; zegen, onze Vader! ons allen te samen met het licht van Uw aangezicht! Want met het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven, Eeuwige, onze God, de leer des levens en de liefde tot genade en welwillendheid, en zegen en barmhartigheid, en leven en vrede; o, moge het goed zijn in Uwe oogen, om Uw volk Israël in eiken tijd en elk uur te zegenen met Uwen vrede!

(In de tien hekeeringsdagen;

In het boek van leven, zegen en vrede en ruim levensonderhoud mogen wij herdacht en opgeschreven worden voor Uw aangezicht, wij zoowel als geheel Uw volk, het huis Israels, tot een goed leven en tot vrede; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper van den vredel)

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.

Mijn God! bewaar mijn tong voor kwaad en mijne lippen voor het spreken van bedrog; moge mijne ziel zwijgen tegenover hen, die mij vloeken, en moge mijne ziel tegenover ieder zoo nederig zija als het stof! Open mijn hart in Uwe leer en moge mijne ziel Uwe geboden najagen! En allen, die kwaad tegen mij beramen, o, verijdel spoedig hun plan en vernietig hunne gedachten! Doe het ter wille van Uweu naam, doe het ter wille van Uwe rechterhand, doe het ter wille van Uwe heiligheid, doe het ter wille van Uwe leer! Opdat de door U beminden gered worden, help met Uwe rechterhand en verhoor mij! Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser. Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede voor ons en geheel Israël; zegt hierop: Amen!

Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij U in eerbied dienen, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid. Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offergeschenk van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

54

ocr page 497

t]Dio r^sn i:

yen luis nSfirn nirna

'T ^ nain^n rnina n^Wp.n nDn?? «ana irniax ^Sni wriSj? : moxs DJ;; ouna vjai pnx -«sp n^ojjn ?i^ ni^o ot?;! vis v: nïquot; 5 ^n1! ïj'Stf vjs ^ in; : ?|neüf,i ^ Tja^ (p'sn w I? D,J1i') : niStt' tjS

D^nii npnj |n nrnrn naita diSu' dv^ iiN3 nnsjs lbs 1V2K SNT^-bs

: t v ; it •-. r t i- -:t | iv^- •• t : • t

nanK1! D«n nnin ♦; rinj ^30 nwn »3 ^33 Tj'ia1? 31L31 di1?^ D^ni D^nTi noini npn^i non

nawn i»' niüïs)

^I^'SsvunJN ariaai la^j naits npnS' Di^i nana □quot;n napa (! DiSrn ntrj? quot; nnx quot;nna • DiWSi Qiara Dquot;nS SNit^ rra

t ▼: t quot; i t t : • • ~ : •• t : • ••

: DI1?^? bïrü^ ia^-nN -jiDan ♦; nnx Tjiis ^öi ^Vpa1?'! naia i3quot;io ♦nfiiri vna iïj ^ribK

t : • .. - • - t ; t •• • : ; tv:

^nnina ^7 nnö : njnn VaS 10^3 aim iön mno njn ^ D^^inn V3i ^0; cji-nn ^niypsi l^?1? iïv'l * riamp;z - Dn^nD onï^

Wdï - ^nnin f^D1? rw^; * n'^ *

♦|j-naN pïn1? vn» : n^^in

Nin Vüi-i03 di^ nfcty : niï « ♦sV p^ni : |pK IIONI L'Kquot;itf,quot;b3 13^ Dlbtt'

nnnpa r^an n,a naa^ «vriax ^hSni -irnSx ^jaSa p'^T D'jB'pi oSiy ipquot;1? rtNT.g ^iia^A Dri: : ^nnlna ini iran : nrjaip, D^ai oViy ^■•a piS^n,i mm1 nrua quot;S naijn ; nviaip

.1 t . t 'itt t : - : * tquot; t : t'. • ;l-

ocr page 498

B IJ GEVOEGD-GEBED.

Bij de herhaling van het gebed, begint de Voorlezer na own mn» aldus: Wij willen Uwe macht en Uwe heiligheid uitspreken, naar de wijze, waarop die uitgesproken wordt door de vergaderde heilige Serafiem, die Uwe heiligheid in het [hemelsehe] heiligdom verkondigen; zooals er geschreven is door Uwen profeet: En de een riep den ander toe en zeide: (De Gemeente .■) Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de gansche aarde! {De Gemeente en daarna de Voorlezer ■) Van Zijne heerlijkheid is de wereld vervuld ; Zijne dienaren vragen elkander: waar is de [eigenlijke] verblijfplaats Zijner heerlijkheid? Zij, die tegenover hen staan, zeggen : geloofd ! {De Gemeente:) Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats ! {De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Van Zijne verblijfplaats wende Hij Zich in barmhartigheid en begenadige het volk, dat des morgens en des avonds de eenheid van Zijn naam uitspreekt, en steeds eiken dag tweemaal met liefde zegt: Hoor! {De Gemeente:) Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig ! {De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Eenig is Hij, onze God, Hij is onze Vader, Hij is onze Koning, Hij is onze Helper; moge Hij in Zijne barmhartigheid ons ten tweedenmale voor de oogen van al, wat leeft, laten hooren: om U tot God te zijn! {De Gem.:) Ik ben de Eeuwige, uw God!

Op eenen Shabbath, waarop Ofan gezegd is, wordt een der onderstaande met Elohéchem beginnende stukken hier ingevoegd. *)

{De Voorlezer:) En in Uwe heilige woorden is aldus geschreven: {De Gem. en daarna de Voorl.:) De Eeuwige zal dan in eeuwigheid regeeren. Uw God, o Tsion, door alle geslachten ; Halleloe-jah!

(De Voorlezer-.) Alle geslachten door willen wij Uwe grootheid verkondigen en in alle eeuwigheid Uwe heiligheid uitspreken, en Uw lof, o onze God, zal nimmer uit onzen mond wijken tot in eeuwigheid, want een groote en heilige God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! iin de tien bekeeringsdagen: heilige Koning).

*) Op den Shabbath, waarop het Niemcemaansfeest invalt:

Uw God late Zijne zon stralen in het zevenvoud van hare kracht, moge de maan bij hare vernieuwing stralen gelijk de zon;') dan moge de Nieuwemaansdag, als hij weder heilig verklaard wordt, opnieuw zijne verzoenende werking doen, zoodat die dag weder zijne functie verricht en men aanschouwt de heiligheid van Gods Majesteit, op eiken terugkeerenden Nieuwemaansdag en op eiken nieuwen Shabbathdag. — (De Voorlezer-. En in Uwe heilige woorden enz.)

Op een Shabbath, waarop eene besnijdenis plaats heeft:

Uw God ben Ik, Ik gedenk het verbond [der besnijdenis]; zie. Ik zend voor Israels rest hem, [den profeet Elia, den bondsengel] die eens zich schuil hield in het dal Kerieth J), (die voor zich uit alles schoonvegen en moedwil uitroeien zal;) om heil en vrede te verkondigen op het einde der dagen; dan mogen allen, met wie het verbond is gesloten, weten, dat Hij het is, die verkondigt aan Tsion: Uw God regeert, gij glansrijk stralende! — (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

55

ocr page 499

epiü nban n:

nwnp im.si nSsnn inn ^quot;pn

?|üï? Q^n^m ngt;v mos

nr bx riT snTpTi • y ^ 2^22 ^3 pstn-^ nbü niN^v » ^npT ^ ^

n?« nT1? nr d^ki^ vnn^o abi^ mi 'n ; ^2 l! quot;1^3 -jns quot;quot;v : noN» ^-13 DnapS 1-1133 aipo onn^n dj; |in;i D^orrn ]amp; Kin löipsp'n /iDipsp : DnaiN^ n3nK3 D^D^Ö Tön DIgt; bos'-ipbi 3^ IQ^ irp^N snn nnx; nnx « irnbx ♦;

van-is Kini • ujrtfia Hin quot;^ü xin nih •quot; « gt;:xquot;quot;v ; D^VN1? D31? ni»ngt; ♦n-'?!

.(nouS^D^B-un) DD'HSN B'B'DTO jaiJC DI-I»\S'Ü xnratra

^rh* nbtyb « quot;quot;v ; naxS 3in3 nnnni •' nn^n iii quot;iib pgt;ï

•i^pSj? T]n?^? Tjn^np 0^ n^Si TJSij w: in, ^ ,,„ • nrw tfiipj hi-12 quot;i^a Sn- v ipi ahiy^ Ma; tih irso c t^npn ^i^an ^ux=) : trnpn hs'n » nnt* ^jna

.cm cni riacS

' i^^nnn? n^n • vtto.?? D'ri^atr • loots' nnp D^'riSx • itw'? arn m-imsa v^n'?' iamp;ip.vn? tfinm '• Tnnnr icnp^rcn nr,^ ^ ^ .^^r-fnnc -'^Wnr'-ip nirn

.nVi» r.na nacS

Snj? Tnprnjj • n^-uvc^ nSv^ •dj# njn • nnan idt? ^ 05^^ ^T.' nnnx? olWi ala il-gS * (nn?! pin vjch nw) • nnj ■PT V'rn ! nnin? Tn^ ^Sa p^naix ' - nn? w^-ha mij

■) Vgl. Jes. 30,26; waar voor de toekomst aan de hemellichamen eroo-tere glans wordt toegezegd. Vgl. Jes. 66,23. ») Vgl. I Kon. lquot;,3

ocr page 500

BIJGEVOEGD-GEBED.

De Voorlezer vervolgt de herhaling van hel geheel en zegt Kaddiesh Thithkabbal ; daarna wordt het gebed aldus voortgezet:

Niemand is als onze God, niemand is als onze Heer, niemand is als onze Koning, niemand is als onze Helper! Wie is als onze God, wie is als onze Heer, wie is als onze Koning, wie is als onze Helper? Laat ons danken onzen God, laat ons danken onzen Heer, laat ons danken onzen Koning, laat ons danken onzen Helper! Geloofd zij onze God, geloofd zij onze Heer, geloofd zij onze Koning, geloofd zij onze Helper! Gij zijt onze God, Gij zijt onze Heer, Gij zijt onze Koning, Gij zijt onze Helper! — Gij zijt het, voor Wien onze voorouders het reukwerk van specerijen in rook deden opgaan!

De samenstelling van het reukwerk: balsem, zeenagel, gal-banum en wierook ieder tot een gewicht van 70 Mané. Mirre en kassia, halm-dunne nardus en saffraan, ieder tot een

Op den Shabbath, waarop de afdeding Berésliieth gelezen wordt:

Uw God zal eens Zijnen dienaar [Israël] verstand schenken, dan zal Zijn zetel gevestigd zijn als van den beginne; Hij zal de stad op hare puinhoopen herbouwen en het paleis [den tempel] herstellen en [den breuk van] Zijn altaar heelen om de plaats der plengoffers te herstellen; zal de maagd van Israël vrijlating toeroepen, zoodat zij vrij zal zijn;zie, dan zal de kracht van Zijn toorn Zijne tegenstanders verstrooien als met een alles tot zwijgen brengenden, scherpen wind, en zal Hij regeeren over het volk, dat den Shabbath der wereldschepping in acht neemt. — (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

Op den Shabbath van het Inwijdingsfeest:

Uw God zendt eens Zijnen gezalfde, die zich siert met den gordel van rechtvaardigheid en trouw; die den booswicht doodt door den staf van zijnen mond, den vijand te gronde richt; ') zoodat men wegens de wonderen geheel Hallel zal uitspreken, daar men ['Esau] thans den jongeren broeder [Jakob-Israël] niet meer tot slaaf maakt; nieuwe kennis doet Hij dan ontstaan, zoodat men zijn oor neigt om te luisteren en het niet meer zwaar maakt [om niet te hooren] s); den glans van het bekoorlijke heilige gebied zal Hij herstellen en ons ten deel doen vallen, dan zullen wij zingen den psalm van David tot inwijding van den tempel. — (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

Op den Shabbath na den 9den Ab:

Uw God zal ten tweeden male Zijne hand uitstrekken om uwe verstrooiden te verzamelen; zal den tijd verhaasten, waarop men zal zeggen: „gaat heen uit uwe boeien Iquot; Hij zal Zijnen bondsengel [Elia] zenden om uw hart [tot Hem] terug te brengen 3); baant voor hem den weg, zoodat de kromming tot een rechten weg wordt, — en Hij zal u naar Zijne stad verzamelen; gij, die den Shabbath in acht neemt, hij is een verbond tus-schen Hem en u; looft Zijnen naam en gunt u geen zwijgen; zoo waar Zijn heilig aandenken leeft 1 //troost,quot; spreekt eens uw God; //want Ik ben uw Koning en zal over u regeeren 1quot; — (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

') Vgl. Jesaja 11,4—8. ') Vgl. Jes. 6,10. 3) Vgl. Mal'achi 3,23 en 24.

H

56

ocr page 501

epiö r6an 13

.U'riSn3 jin B'iaw TNi Sapnn wnp •mis nVsm ms

: vyviïDï pK • uaboi pK * px

: i^E'iOD »0 • lia'j'Op »0 * wil-tto p * irri1?^ »0

nni: • nni: * nni: • rrm

♦ vsbn ^-i3 • irjm Tjina -

nnN * wji-ik «in nriK • irn^K «in nnx :

wnüK ■n^pnE' «in nnx : KIH nnx • u-iVa tm

: D*QDn niipp nx ïj^a1? Sp^p * ninbni nj^nni ps^rn narn niüfpn Ditss b3*i?i iquot;i3 rtizp n^^pi lo • rno oynt?

.rwira moh

jiay$j nw nhn hjr yyn • dtniq? wip? ^ na^ ^aip: oynquot;^ nn^S n^ • wtfrh ^iaj oippi nst fdiqi • n1^;

nai^ dj; by_ ^jVp^ • n^nn pu; rapT ioyj p?n ran • n^/an nnvn

T-T ^-131 f'vn : n^N1| nzv

•nam nau1?

rssaar? nw yrnn • njie^ni pis -1% in^o ayrhs rrü-m nj?Ti *TajpD no^ Sbn o^ri ^1 a^w

* im ooip^ Bnp Siai nipn nnrj • T3?nö jw nits.n Vw T'V yan : i-f-h n^n nsjn y# niata

.i»nj rat'S

• oa^Dga wv IDNS vw ngn • Da^rrisia: fapS ÏT ^DV oyriSx iWd-? ap^ .Tni =13? ü-n • na??'? a^n^» nS^ inn? ^Sai

la-f «na *05^3=1 ira n\i nn? nar onairn • na^ap.i n^Si D3^a Kin m v - aa^nS^ ION1 ion} iiïipr nar. ^n • apS w wnn

T-np naiai fvn ; QaiSj;, ^aJ?!

ocr page 502

B IJ GEVOEGD-GEBED.

gewicht van 16 Mané. Costus 12 Mané, specerijbast drie, en kaneel 9 Mané. Loog van Carshiena 9 Kab, wijn van Cyprus drie Sea en drie Kab; en indien men geen wijn van Cyprus heeft, neemt men zeer ouden witten wijn. gt; Zout van Sedom een vierde (van een Kab), een weinig van het kruid Ma'alé 'Ashan (dat den rook doet opstijgen). Rabbie Nathan zegt: ook een weinig hars van den Jordaan. — Indien men er honig heeft ingedaan, heeft men het ongeschikt gemaakt voor ofFergebruik; en indien men een van al zijne specerij soorten er aan laat ontbreken, is men den dood schuldig. Rabban Shim'on, de zoon van Gamlieël, zegt: de balsem is niet anders, dan de hars, die van den balsemstruik afdruipt. — De loog van Carshiena dient om daarmede den zeenagel af te spoelen, opdat deze schoon zij. De wijn van Cyprus dient om daarin den zeenagel te weeken, opdat hij sterk van geur zal zijn. Hiervoor zoude immers ook urine geschikt zijn ? doch men brengt uit eerbied geen urine in het voorhof.

De liederen, die de Levieten zeiden in den tempel: op den eersten dag [der week] zeiden zij [Psalm 24, die begint met de woorden:] «Den Eeuwige behoort de aarde en wat haar vult, de wereld en die haar bewonen!quot; Den tweeden dag zeiden zij [Psalm 48] : „Groot is de Eeuwige en zeer geprezen in de stad van onzen God, Zijnen heiligen berg!quot; Den derden dag zeiden zij [Psalm 82] : „God plaatst zich in de gemeente Gods, te midden van rechters houdt Hij gericht!quot; Den vierden dag zeiden zij [Psalm 94] : „God der wraakneming, Eeuwige, God der wraakneming, doe Uwen glans stralen !quot; Den vijfden dag zeiden zij [Psalm 81]: „Laat jubeltoon klinken voor God, onze Sterkte; juicht voor den God van Jakob!quot; Den zesden dag zeiden zij [Psalm 93]: „De Eeuwige is nu Koning, heeft Zich met hoogheid bekleed, bekleed heeft Zich de Eeuwige, met macht Zich omgord; nu staat ook vast de wereld, wankelt niet meer!quot; Op Shabbath zeiden zij [Psalm 92] : „Zangpsalm voor den Shabbathdagquot; ; een zangpsalm namelijk ook voor de toekomst, die komen zal, voor den dag, die geheel Shabbath en rust zal zijn, voor het eeuwige leven!

Rabbie Eli'ezer zeide uit naam van Rabbie Chaniena: de leerlingen der wijzen [de wetgeleerden] vermeerderen den vrede in de wereld, want er is gezegd : Indien al uwe zonen leerlingen des Eeuwigen zijn, dan zal groot zijn de vrede uwer zonen; lees [verklaar] niet: BOnajich (uwe zonen), maar BOUnajich (uwe opbouwers). Groote vrede [valt ten deel] aan hen, die Uwe leer beminnen, hun ligt geen struikelblok in den weg. Vrede heersche binnen uwe muur, welvaart in uwe paleizen!

57

ocr page 503

«piö nbfin TJ

' quot;if# üB'pn • hjö nfv

nrtf-D nna • n^tpri pospquot;) • r\vbv naibp-i 1quot;. iquot;? pK DNi * Knbn nrhn pxo ppna^ p» • p^ öpn) n»pi-iD n^ü ; pmn non pona^ •bz p.Tn nsa ^ npix jn: n^o

n^öp bap nnK npn dn * nboa ^5^1 na fn: dk{ *Nin^ n^K irx n^n * -IDIK |3 p^at^^i/: nn^p 2»n nx na pa^ nr^-ia nna : f]L^n ^^p c|-iW pisvn jin ia pni^ ppnap p» ; nx: Knn^ na - pain pp^appK^^K n) pa; D^I »p xbni ; n^ «nri^ 'na : maan ^ao nnr^a D^ii ^

T - •• : • TT ; T ■ |- : -

.n'^B DnsiD 'Dttl T»n 'Dtt ej-ID

ptrK-in Di»a : Ehppn n^aa onpiK rn T^n

; na ♦afin Van nxta p-ixn ' anaiK vn quot;in i^a tko bbnpi « ^na • onpiK vn »^3 ai^a Vk ni^a a^j d'h^n • onaiN vn 'E^^a ; 1^ niopTJ bx ♦♦ niüpTa Vk • anpiK vn ^♦ana : uhp\ d^Vk i^nn D^ribx1? i^jnn * anpix vn ^pna : ^♦ain tyab trab nm Tjbo \] * onpiK vn ^jra ; apy; ♦nbNb • onpiN vn na^a : üian ba ban pan t)N imnn V « □vb • xab i»n^b yp iiDrp : na^n ovb yamp; niorp

: D'pbi^n «nb nniapi na^ ibatr D^aip a^pan ♦Tpbn • Nv:n »a-i npx it^k ♦aquot;i npx oibf ai.i « nisb ^aa-bai ipx^ * nbi^a oibf ♦anNb an aibf : ^jia xbK -j^a xnpn' b^ T* ^Ja : ^nUD-iNa mb^ -jb^na Dibf-»n»: 'bitmap lab pxi ^nnin

ocr page 504

B IJ GEVOEGD.GEBED.

Ter wille van mijne broeders en mijne vrienden wil ik u den vrede wenschen ! Ter wille van het huis van den Eeuwige, onzen God, wil ik goeds voor u afbidden ! De Eeuwige geve Zijn volk macht, de Eeuwige zegene Zijn volk met vrede!

Op ons rust de plicht den Heer van het heelal te prijzen, te verheerlijken den Vormer van het Scheppingswerk, dat Hij ons niet heeft doen worden gelijk de volkeren der landen en ons niet heeft gelijkgesteld met de geslachten der aarde, dat Hij namelijk ons deel niet heeft doen gelijken op het hunne, en ons lot op dat van hunne menigte — Wij immers knielen en werpen ons neder en spreken onzen dank uit voor den Koning aller Koningen, den Heilige, geloofd zij Hij, — die den hemel uitspant en de aarde grondvest. Wiens heerlijke verblijfplaats is in den hemel van boven, en Wiens machtige verschijning in de hoogste hoogten is. Hij is onze God, niemand anders; onze Koning in waarheid, er is geen buiten Hem ; gelijk in Zijne leer geschreven is: en gij zult heden weten en u ter harte nemen, dat de Eeuwige God is in den hemel boven, en op aarde beneden, niemand anders!

Daarom hopen wij op U, Eeuwige, onze God, om spoedig de heerlijkheid Uwer macht te mogen aanschouwen, dat Gij de gruwelijke schijngoden zult doen verdwijnen van de aarde en de nietswaardige afgoden zullen worden uitgeroeid, zoodat Gij de wereld volmaakt doet zijn door de heerschappij des Almachtigen en alle vleeschelijke wezens Uwen naam aanroepen; dat Gij tot U richt alle booswichten der aarde, zoodat erkennen en weten alle bewoners der wereld, dat voor U zich behoort te buigen elke knie, bij U behoort te zweren elke tong! Mogen zij voor U, Eeuwige, onze God, knielen en nedervallen en de majesteit van Uwen heerlijken naam erkennen, en mogen allen op zich nemen het juk Uwer regeering, zoodat Gij Koning over hen zijt, spoedig voor eeuwig en immer! Want U behoort de regeering en tot in eeuwige tijden zult Gij in heerlijkheid Koning zijn; gelijk in Uwe leer geschreven is: «De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig.quot; En er is gezegd: «Dan zal de Eeuwige Koning zijn over de ge-heele aarde, op dien dag zal de Eeuwige eenig zijn en Zijn naam eenig!quot;

Hier wordt door iemand, die een zijner heide ouders verloren heeft, Kaddiesh gezegd.

En nu, moge de kracht van mijn Heer zich groot toonen, gelijk Gij gesproken hebt, zeggende : —

Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige, en Uwe genadebewijzen, want sinds alle eeuwigheid zijn zij.

Moge Zijn groote naam in zijne grootheid en heiligheid erkend worden in de wereld, die Hij naar Zijnen wil geschapen heeft;

58

ocr page 505

epiü nbön n:

irjibK I^Ü1? : Tja Ki-manK *jni ♦HK I^Ü1? : Dibfn larnx ^ « fn^ ?pT^ • ^ alt:

n^K-D iïi^ nbna nnb San inxV HDINH nins^pa UOB' K^I niïixn D^-IÜ umsïi * QJion Saa I^-IIJI ana li^n a'^ trnpn apbsn ^So ^ 'dhidi onnn^ai b^DO lip' 2^101 pK -!Din HUU wnt? NIH

i ' i~ t jt: ~ | vit •• ; • i~ t v v

nQK * p« irrtVN Nin : D»anp ♦naja IT^ bx r-a^rn aigt;n n^nn in-iini mnaa mbiT dsjk i^bö nnnp pxn S^i bynn d^^kh nih »^a1?

: nip px

n-iKsna mno niNnb * wnVtf « n^: p by_ li^n'? * pnii» nii| D^^xni pNn |p i^n5?

• ?|ü^n im ^2 nv nia'paa abty ^ '2 * Van ^ Va ip-in • px

irn'btf « ; ji^b ^-13 bi p-ipn

Sip nK DVD iba^i • urr quot;iiapbi * ibisn

niD^pn »3 • npi abipb mnp on^p -ji^ani *

quot;^nniris 3in33 • 11333 -ji^an np *pi?ipi?!i * K^n *n«n-S3 Vp Tjbo^ « n^ni IONJI ; npi oVpb ipw « : nnK lo^i nnx »» n^n» Ninn DIgt;3

•miT rnp : Idn'S riia^ t^n3 •'jij? na n-j bir, nnjn : nan d^ö '? ^npDl' V' quot;i^r nrnp-13 xnirn ^ïab^s sjs-I np^ t^n^nn. Sn^n»

^ Vgl. Jeremia 10,19: //Niet als dezen is het deel van Jakob, want [zijn God] is de Schepper des heel als.quot;

ocr page 506

59 B IJ GEVOEGD-GEBED.

moge Hij Zijn koninkrijk weder vestigen tijdens uw leven en in uwe dagen en tijdens het leven van gansch het huis Israël's, spoedig, ia nabijzijnden tijd ; zegt; Amen !

Gemeente: Amen 1 Zijn groote naam worde gezegend immer en in alle eeuwigheid!

Gezegend en geprezen en geroemd en verhoogd en verheven en verheerlijkt en vereerd en geloofd zij de naam van den Heilige, geloofd zij Hij, — verre boven alle zegeningen en liederen, lofzangen en vertroostingen, die in de wereld worden uitgesproken; zegt: Amen ! 1)

Gemeente-. De naam des Eeuwigen zij geloofd, van nu tot in eeuwigheid!

Moge van uit den hemel groote vrede en leven komen over ons en over gansch Israël; en zegt: Amen !

Gemeente: Mijne hulp gaat uit van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde!

Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede over ons en over gansch Israël; en zegt: Amen !

(Te Amsterdam wordt het lied van Gods eenheid en dat van Zijne heerlijkheid, benevens Psalm 92 onmiddellijk na het mor(jengehed vóór de Thoralezing voorgedragen).

Zang op Qods Eenheid.

Toen [bij de Schepping] rusttet Gij op den zevenden dag, daarom hebt Gij den Shabbatndag gezegend.

Voor al, wat Gij geschapen hebt, wordt ü lof gebracht; Uwe vromen zegenen U ten allen tijde :

//Geloofd zij de Eeuwige, die deze allen gevormd heeft, de levende God en Koning der eeuwigheid!quot;

Want van oudsher rust op Uwe dienaren de volheid van Uwe barmhartigheid en genadebewijzen.

1

Bij Kaddiesh-Derahbanan wordt het volgende ingevoegd:

Voor Israël en voor de geleerden en voor hunne leerlingen en de leerlingen hunner leerlingen, alsook voor allen, die zich met de heilige Leer bezighouden, hetzij in deze plaats of op andere plaatsen, — voor hen (en voor Uj moge beschikt worden veel vrede, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven, en overvloedig levensonderhoud en verlossing, vanwege hunnen Vader, die in den hemel is; en zegt; Amen !

ocr page 507

epiD nVan

VNn'f» n^a bsi «nsi pn^na nniabü Tj^P!'!

nOKI 3nj5 |Dp1 K^S N'öVjJ ■'öS^Sl DSJ;1? ^-)30 N31 iïüp NV • JOX Vnp nbjtfn Tinnn Dann'i -iKsnn' nan^^i ^2^

Va fp (n^S-i nquot;icT2) Nv»^ Kin T]n3 x^iipi Vbnn'i KD1?^ xnomi Knna^n KHI^I

T : quot;T : It--:- T T : v; T T : ; •.. T T • : T T : •

(* : fpN nüNl : oSty nnj;o ^lap v. atf w bnp

bz by) vby a^ni |o «an NÜVB'

: |QK HDNI ; I'INI a1^ namp;y y aya nrj

bxfw bi by) wïy DIV^ nquot;^ wn vüinpa aib^ n'^ : ]t2Slt; npKi.

min ibd nsïin onp Sapnn ciip nas- cmis squot;p dticpus pquot;p2)

•(dv Sr notoi nDDn quot;1^1 mn,n Tr

.quot;nrrn i'v

' nana |a by na^n dv - nm ^jra^n Di»a : naiana: ^'^aa ^tdh - nVnn ^rba

: ^ ^01 Dquot;n a^x • a^a quot;iïv ^ ^na : inani ^onquot;i an * ^na^ by quot;a

•nt D^BIDIS noSn ins pan rnp D^ttlSwD (*

♦Tp^n-ba by) by) |:ai by) Skt^ hy

|nn K-jnKa n Knnixa \r2-b2 by) finn^pSn j^sn Nïa-i sïo^ qiaS) xrr -inxi quot;inN-^aa m D^-|p N^nai xn^n NJITQI panx |^n,i panni snpni '131 jeoSr «en' : |pK npNi N^p^a n fimax

ocr page 508

ZANG OP GODS EENHEID.

Reeds in Egypte zijt Gij begonnen bekend te maken, dat Gij verre verheven zijt

boven alle goden; toen Gij groote strafoefeningen richttet tegen hen en hunne goden!

Toen Gij vervolgens de Schelfzee kliefdet, zag üw volk de groote macht, en vreesden zij 1

Gij leiddet Uw volk, waardoor Gij U een roemrijken naam vestigdet, en Uw grootheid toondet!

En Gij spraakt met hen van uit den hemel, toen dropen ook de wolken van watey.')

Gij kendet hun gaan in de woestijn, in een woest land, waar geen mensch was doorgetrokken.

Gij verdreeft vele volkeren en natiën, wier land zij veroverden met de moeitevol verworven rijkdommen der volken.

Opdat zij in acht zouden nemen de wetten en leeringen, de uitspraken des Eeuwigen, reine gezegden 1

Zij verlustigden zich in vette weide, en uit den harden rotssteen vloeiden oliestroomen. —

Toen zij nu rust kregen [van hunne vijanden], bouwden zij Uwe heilige stad en sierden haar met Uw heiligdom;

En Gij spraakt: //Hier wil Ik gevestigd blijven tot in lengte van dagen ; haar voedsel zal Ik zegenen!

Want daar offert men rechtvaardige offers, ook Uwe priesters kleeden zich in rechtvaardigheid!

En het huis van Levie zingt lieflijke liederen U ter eere, zij jubelen en zij zingen!

Het huis Israels, en allen, die den Eeuwige vreezen, vereeren en danken Uwen naam, o Eeuwige!

Gij hebt dus den vroegeren geslachten in hooge mate welgedaan; o, bewijs ook den lateren zulke weldaden!

O Eeuwige! verblijd U toch over ons, gelijk Gij U verblijd hebt over onze voorouders.

Zoodat Gij ons vermeerdert en weldoet; dan zullen wij U eeuwig danken, dat Gij weldaden bewijst!

O Eeuwige I herbouw spoedig Uwe stad; over haar toch is Uw naam genoemd!

Doe daarin Davids hoorn weder ontspruiten; en zetel Gij, o Eeuwige I voor altijd in haar midden!

Dan zullen wij daar wederom rechtvaardige offers slachten en zal, als in de dagen der oudheid, een U aangenaam meeloffer worden gebracht!

En zegen Uw volk door hun Uw aangezicht te doen lichten, want zij verlangen Uwen wil te volbrengen 1

Volvoer dan met welgevallen ons verlangen ; zie toch op ons allen, uw volk, [met liefde] neder !

60

Ons hebt Gij uitverkoren om een volk te zijn, dat Uw eigendom is; moge dan Uw zegen rusten op Uw volk, Séla!

i) Vgl. Ps. 68,9.

ocr page 509

-nrm yv d

1ND »3 niVnn ünvpsi Dn^ribNai D^atp Dna - D^K VS bjr

: n^nin TH ixn f]iD D» ; Tjb^ niNnnV * rman Dt^ T]1? ni^1? nan;

: D^O iêü: D^yn DJII * rö DDV niaii

• it : it •'tv - : • it t - i • t * t :i~ *;

: 12^ x1? wx n'ï riK3 * nanoa anD1? nv-r-

t t t • | viv : t : • - t : v t : i~t

: D'ö ■nïQ'i iKtp ♦ d^ok' ^p^1? nrin : D^NV dïquot;I;K 1^quot;!^ * D^n D'ü

: niiinp nnox ♦; nmpx * muni a^n noa* 1^3 : |öi^ ^3 iiï ^'p^npi * jöb' n^quot;ip3

: 'qBf'ipp n^s 1*1X^1 * 1:1 onm

: ^3K Tjna nnï * D»p» -j-iixb' 2^k ris quot;lo^ni.

: pnï wzb* ?|^n3 t]K * p-tï 'nnr insr av ^ : t|K OT'in' * ^f? nar. nbn jrrn

: v. nvi raD* * « rva

: D^nnxS D3 p * D^IB'KIV iND nin^n

-j - t - . .. | .. • * t ; Ti* v:

: irninK mv K: 'vvn quot;

,.. _. T : i- v -: - i** t . t * t ▼:

: ywn '2 rnui. * niannS uniK

: «njp: ^ • nnno tpy n^nn «

: nanpi « DSI^ p3^ni * ns n^pvn -II.T. •• nniD 3nj;n Dip - nnan nai^ piï ♦hst

t : • — /: v vhv •• r ; t : : • t it i viv •• : •

: D^ÖÖ »3 • ^:Ö quot;iiK3 -jnsi

: i^3 ?|ÖJ? xa uan * uvan n'^n : HVD ^n3i3 * nbip d^V ^ nvn nnins

ocr page 510

ZANG OP GODS EENHEID.

Dan zullen wij steeds Uwen lof verhalen en Uwen roemrijken naam loven !

Moge dan Uw volk met Uwen zegen gezegend worden, want wie Gij

zegent, is in waarheid gezegend I En ik, zoolang ik besta, zal ik mijnen Schepper loven. Hem zegenen,

zoolang de dagen van mijn levenstaak duren 1 Gezegend zij de naam des Eeuwigen in eeuwigheid, van eeuwigheid tot eeuwigheid!

Gelijk er geschreven is: Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! — en het gansche volk zeide; ;;amenquot; en prees des Eeuwigen daden. Toen hief Daniël aan en zeide: De naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot eeuwigheid, Hij, Wien alle wijsheid en kracht is! En er is gezegd: Toen zeiden de Levieten Jeshoea:, Kadmiël, Ranie, Chashawneja, Sherebja, Hodija, Shebanja, Pethachja: Welaan, looft den Eeuwige, uwen God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en men love Uwen heerlijken naam, die verheven is boven alle zegening en lof!quot; En er is gezegd : Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid; en het geheele volk zeide: „amen! Halleloe-jah !quot; En er is gezegd : En David loofde den Eeuwige ten aanzien der gansche vergadering, en David zeide : Geloofd zijt Gij, Eeuwige, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid !

Zang op Gods Heerlijkheid.

(Dit stuk wordt hij geopende Ar Jee voorgedragen).

Sommigen zeggen vooraf de volgende verzen; Ps. 24,7—10.

Heft op, gij poorten I uw hoofden, verheft u, gij overoude toegangen, opdat binnenkome de Koning der heerlijkheid! Wie is de koning der heerlijkheid? De Eeuwige, onoverwinnelijk en machtig, de Eeuwige, een held in den strijd! Heft op, gij poorten! uw hoofden, en verheft u, gij overoude toegangen, opdat binnenkome de Koning der heerlijkheid! Wie is Hij, de Koning der heerlijkheid? De Eeuwige, Tsebaoth, Hij is de Koning der heerlijkheid ! Séla!

Lieflijke zangen wil ik uiten, liederen wil ik samenstellen ; want naar U smacht mijne ziel I

Mijne ziel verlangt naar de beschermende schaduw van Uw hand; te kennen al Uw verborgen plannen.

Telkens wanneer ik over Uwe heerlijkheid spreek, klopt mijn hart van verlangen naar L'we liefdeblijken.

Daarom spreek ik van Uwe voortreffelijkheid, en verheerlijk Uwen naam met liefdezangen.

61

ocr page 511

Tirrn yv nd

: ifipi Tprn

: Tjinü -]quot;inri Vs hk ^ - -py ^nD-iaai : ♦Ü» bi inansKi * ♦xiia nbbnK niya ^NI : D^i'^n i0 * ^1^1? I! D^ 'H'

•nax^i • oViyn n^i D^i^n |p ♦ribx ^ -jiia ain|5 na^NinbnaNi VK^mjr '-quot;b Vbni |ON d^O'^? KnniaJi xnppn n no^'^i ^20 «nbs-n

n^3^n ^3 VN^pn^i. a^n noxquot;! : N'n nyn p dd^Vn «-nx iD-i3 m n^nna nnin n^iiy

I * v •• ••: ▼: v -:t I i t ; - : t: - : t • t : ••••

nD^s ^ ^ Doinoi ^133 nvt oSi^n 13; n^i^n Dbi^n 1^1 D^irn |p bx'ïw 'rf?* V. ^0^^ •' n^nni W1? rni? Tn : n^n W** ba quot;idki

watt bjnt^ »♦ nnN quot;nina nnn quot;ION»! bnpn bs

r t •• t: • •• v: ▼: t - ) t * t v 1 - tIt - t

: obty IV] ü)tyD

.nDDn -i'tr

.iS* D'pios rsis isiS ttquot;1 mvm DTJnS cnpn jm D'nnisws

: liaan -tSa Nia-'i nSiy \nns wiram Dan^xi onyr wtr

t - Iviv t: t ^ •• : * ; t • : v •• t '*r : :

: nanSa -ilaa « nlaJi ïwy ^ ni3|n l1?» ni ^ : maan ^0 Na;i obly 'nns wri os^xn nanjji?5 wtf : nSp niaan tjSo Nin niNas \] liaan ^So ni xm 'p

: jn^n ^sj »3 * jnKN vyp) niTDT D^:K : ^iiD n-^3 n^n1? * ^ ^2 man

I IV TT ^ I-T ) IVT •• : T : * : -

: ^pii Vk ♦aV nam • nsn np : niTT ISDK ^nvy • nnapa ^3 nnnx ^ ^

ocr page 512

ZANG OP GODS HEERLIJKHEID.

Ik zou Uw heerlijkheid verhalen? — ik heb U nooit aanschouwd 1

Zou U door gelijkenis of bijnaam omschrijven? — ik ken Uw wezen niet!

Door Uwe profeten, in de vergadering Uwer dienaren liet Gij in gelijkenissen den schitterenden glans Uwer majesteit beschrijven.

Uw grootheid en Uwe almacht stelden zij voor naar de kracht Uwer werkzaamheid!

Zij gaven een beeld van U, doch niet in overeenstemming met Uw wezen; zij schetsten U naar Uwe werken 1

In talrijke visioenen gaven zij uiteenloopende voorstellingen van U; toch zijt Gij één, met al die gelijkenissen 1

Zij zagen aan U nu eens ouderdom, dan weder jeugd; en het haar van Uw hoofd somtijds grijs, dan weer zwart;

Ouderdom op den dag des oordeels, en jeugd ten dage van strijd; als een oorlogsheld, die strijd voert met zijn handen;

Hij plaatst dan op Zijn hoofd den helm der hulpe; dan steunt Hem Zijn rechterhand en Zijn heilige arm!

Met schitterenden dauw is Zijn hoofd bedekt; Zijne haarlokken met nachtelijke droppels.

Hij beroemt Zich op mij, want in mij schept Hij behagen; daarom is Hij mij tot een sierende kroon.

Zijn hoofd is als het zuiverste schitterende goud; op Zijn voorhoofd is Zijn heerlijke, heilige naam gegrift!

Tot hulde en eerbewijs, tot roemrijke verheerlijking vlecht Zijn volk [in zijn gebeden] Hein een krans !

Dan is Zijn hoofdhaar weer gelijk in jongere jaren. Zijn lokken golven ravenzwart I

De woning der gerechtigheid, het sieraad, waarop Hij roem droeg, — o moge Hij het tot Zijn hoogste vreugde maken!

Zijn uitverkoren volk zij een sieraad in Zijne hand, een koningsdiadeem, een luisterrijke tooi!

De beladenen. Hij droeg ze; met een kroon sierde Hij hen; omdat zij dierbaar waren in Zijne oogen, vereerde Hij hen.

Hij beroemt zich op mij en ik beroem mij op Hem; Hij is mij nabij, wanneer ik Hem aanroep !

Schitterend rood, in bloedrood gewaad, wanneer Hij den perskuip heeft getreden, als Hij van Edom terugkeert!')

Den knoop der Thefillien toonde Hij den bescheidene [Mozes] ; voor wiens oog de verschijning Gods zichtbaar was.

Hij, die in Zijn volk behagen schept, zal bescheidenen sieren; opdat Hij, die in lofzangen troont, door hen verheerlijkt worde I

Gij, Wiens voornaamste woord //waarheidquot; is, die van den beginne af alle geslachten oproept, — richt Uwen blik op het volk, dat U zoekt!

Neem toch aan mijn talrijke gezangen; moge mijn jubelzang tot U naderen !

62

Mijn lofzang zij een kroon voor Uw hoofd, en mijn gebed worde aangenomen als reukwerk 1

') Vgl. Jes. 63,1, 2 en 3.

ocr page 513

TODH yv 2D

aquot;s dquot;ï

•* ITO ' T^l

: ?|nin 1133 nn n^on • IID3 T?

: ^nb^ö tjp.nb 123 • ?]nbna

: 'sh ïpitfn * iaquot;!

: nwri'i bDa im - ni:inn nna ^b^on : nnn^i nn^3 ^x-i n^i • nnnni mp iTn«i

:;n 11? vt niönVp ^N3 -aip di^ ninnai |n Din njpr : ^gt;iquot;)!,i i^P' quot;iV n^in * i^Kia J;D13 nbn

: »D^Dquot;) vniïipi * K^D: wai mniN

t :it •• r ; t *..1: t : • •• : -

: ♦b n^n» Nim. - ^ ^sn »3 ^ iKsn*

: i^ip di^ nüs nïo ^ pni • i^ni nioi rs ninü orö

:It •• ; - iv I - ; : t t v iv

: mt^ mta^ iV ina^ • m«an rnV

t t : t : t •.. t t ; • • ; t ; i •• :

: mintf D^riVn rnivip - mnnn wis niaSnü : innpB' EWT N3 * irmön plW : rnKön nDibp cj^vi ' quot;it^ 'nn invgt;Jp : Dnaa vj^3 I^KO • Dn^ niü^; DK'^: D^DID^

: v)** ^quot;!l^3 3i*i|5i • vby nxsi nxa : Dl-IKÜ 1N133 13113 HIIÖ * DIN lïmbb DHM nï

•.*:•• : : t : t t ; • t ; ~

: vy% IJ:1? \\ ruian * nxnn : iKannb D3 mbnn 3B'1, * wy is^3 rran

.. t : • ; t • : •• quot;tc • t i :

i^i-i-i D^ • quot;ii-ii in t^KiD Niip noK ?|quot;i3i mi : 3ipn »n3ii • K: n_^ |ion rm

: niiLpi^ |i3n 'nbani * ni^ ♦nn ^nbnn

ocr page 514

ZANG OP GODS HEERLIJKHEID.

Moge de zang eens armen in Uwe oogen even waardig zijn, als het lied, dat bij üw offers gezongen wordt!

Mijn lofzang stijge op tot den Alverzorger, tot den Schepper, den Voortbrenger, den Rechtvaardige, den Machtige !

Voor mijn lofzang moogt Gij mij welwillend toeknikken; neem dien [lof] voor ü aan, als kostbare specerijen !

Moge dan, wat ik zeg, U aangenaam zijn; want mijne ziel smacht naar U1

(Sommigen zeggen hier-. Wie kan uitspreken des Eeuwigen macht; kan geheel verkondigen Zijn lof!?) Men sluit de Arke, Kaddiesh Jathorn. Vervolgens zegt men Psalm 92, Kaddiesh Jathom.

Als slotgebed zegt men het volgende:

De Eeuwige, onze God, zij met ons, zooals Hij met onze voorouders was; moge Hij ons niet verlaten en ons niet prijsgeven! Zoodat Hij ons hart tot Zich neige, dat wij gaan in al Zijne wegen en inachtnemen Zijne geboden en wetten en rechten, die Hij onze voorouders geboden heeft! Zoo mogen dan deze mijne woorden, die ik vóór het aangezicht des Eeuwigen als smeeking heb uitgestort, dag en nacht den Eeuwige, onzen God, nabij zijn, om te oefenen het recht van Zijnen dienaar en het recht van Zijn volk Israël, eiken dag het op dien dag benoodigde. Opdat alle volkeren der aarde weten, dat de Eeuwige God is, niemand andera ! O, Eeuwige! leid mij door Uwe welwillendheid juist wegens hen, die mij beloeren; effen Uwen weg voor mij ! Ik — in mijn eenvoud ga ik; bevrijd mij en wees mij genadig; want ik ben alleen en ongelukkig. Mijn voet staat thans in de wijde vlakte, in volksverzamelingen wil ik den Eeuwige prijzen ! De Eeuwige behoedt mij, de Eeuwige is mijn schaduw, aan mijne rechterhand ! Mijne hulp komt van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde. De Eeuwige behoede mijn uitgaan en mijn binnenkomen tot leven en tot vrede, van nu tot in eeuwigheid! Zie neder van Uwe heilige verblijfplaats, uit den hemel, en zegen' Uw volk Israël en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk Gij onzen voorouders hebt toegezworen, een land, vloeiende van melk ea honing! God der heerlijkheid ! U wil ik wijden zang en loflied, ik wil U dienen dag en nacht. Geloofd zij de Eenige, die als éénig wordt erkend, die was, is en zijn zal! De Eeuwige, God, God van Israël, Koning aller koningen, de Heilige, geloofd zij Hij, — Hij is de levende God, de Koning, die leeft en bestaat immer en tot in alle eeuwigheid ! Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig! Op Uwe hulp hoop ik, Eeuwige!

Vóórdat men het bedehuis verlaat, zegt men zittende het volgende:

Doch rechtvaardigen danken Uwen naam, braven zullen zitten vóór Uw aangezicht!

63

ocr page 515

TDDn yv 3D

: quot;ib'V iïyw n^n

: quot;1*25 pnv ^binp * n^n ♦nana

: B'K-) D»pf23 ^ n^ nniNi * vüi ^

.jmn ruw ; ?|^ Jll^n ^31 *5 ' W 2^

c inSnn Sa ya^quot;1 quot; nnia-i ^a1 'a : dvww v)

r • : t i* : ~ *: ; •• - :

.a^n, rnp .rotrn dvS it nora o'-iaw .airp vy

: nt IBS'quot; niSsrin Sa ins

^KI VK irniK Di? n*n imz uay irn^N « ♦n» iö^bi vmT^ro nsb1? vVn nitsn1? : vamp;w

: * ; t t : t : v iv t t •• iquot; t : - ; r* : •

nbxnmvrn : irnnx nx mï -ib'x vus^oi vpm vniïa

viquot; -t : : • : iquot; ~: v t • v -: t t : • It •-. : t : •

n^J?} ooi* \] ^N4 D^np « ^a1? ^n^nnn iïtk : 101^ Dl» inquot;T IS# DSEtol IIDj; ÜÖE'P

^ : nijr fN DflbKn xin ^ ^ pxn ^ n^n ^o1? 'öm -ii^n nnit^ ?|npnïn

D^npoa quot;iit^oa mo^ ^ ^ TH» »3 ^ani ^ns

• •• i; - : * : r -.t • ; - * it - t : • r • •f t ; • r*:

n'^ ^ D^D n?^ : T ^ quot; np'ty « : ^ -|-i3N nnj^Q DIV^I Dquot;nV ^131 »nKï « : rixi D»oty

: t - quot; t : • - : • •• t : • *: | vit t • i- t

?]a^ nK rpai D\a^n |p ^-ipT fi^sa na^n : d^i^ ^3^2 i^K3 ^ nnn: -m'K hü-inh nNi b'NnB'» nx

t : i~ : • v -; - it t i- t v -: t t -: t •• : •• t : *

yv nquot;? rnx ni3Dn bx : Bom 3bn n3T p«

i : i •• v t - •• t : tt -t i viv iquot; -: -

nin n»n * nrvoi Tn» rnn : ^bi Dl» nV-iD^i * Sbni

tt t •. : • t ) t •• t i : tquot;v: v ; •• - :

tri-pn D'pban ♦sbo -jba »ribx D^^N « : n^nn nyh D'pi »n Tjba D,sn D^VK Kin : Kin ^ns : -i^i Dbl^1? iniDbp 1133 op -|iquot;i3 : D'pbl^

: v

; msii CÏ» atn j'snan NWHO

: ^22 nx Dn,^» 13^ m» D^nv ^

ocr page 516

SLOT- GEBED.

Vervolgens, staande, met eene buiging vóór de heilige arhe:

Al gaan ook alle volkeren ieder in den naam van zijnen God, — wij gaan in den naam van den Eeuwige, onzen God, immer en eeuwig! Mijne hulp komt van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde ! De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!

Daarna begeeft men zich naar de deur en zegt, onder eene herhaalde buiging vóór de heilige arke:

O Eeuwige! leid mij door Uwe welwillendheid juist wegens hen, die op mij loeren; effen Uwen weg voor mij !

Eindelijk hij het verlaten van de synagoge, de volgende drie verzen: Gad, benden grijpen hem aan, doch hij valt hen aan in de verzenen! David was in al zijne wegen voorspoedig, en de Eeuwige was met hem. En Noach vond gunst in de oogen des Eeuwigen!

64

Psalm 67. Voor den zangmeester: op Negienoth !); een zangpsalm. God verleene ons gunst en zegene ons; Hij doe Zijn aangezicht lichten met ons; Sela! Opdat men op aarde Uwen weg leere kennen, onder alle natiën Uwe hulp. Dat U danken volkeren, o God ; dat U danken de volkeren allen. Mogen natiën zich verheugen en jubelen, want Gij zult richten volkeren met billijkheid; en de natiën op aarde, — Gij leidt hen; Sela! Dat U dus danken volkeren, o God ; dat U danken de volkeren allen! De aarde gaf reeds haar opbrengst; zoo moge ons zegenen God, onze God! Moge God ons zegenen, en mogen Hem vreezen alle uiteinden der aarde !

•) Eene bekende melodie; v. a. onder muziekbegeleiding.

I

ocr page 517

— quot;ID

: -ibnvi cupn jns* Sis ninnw hïï» squot;nsi

quot;■Dtïgt;3 Tjbj UmKI Vnb'N U1?' Q'S^n'SD »3

: pKj ntry i] oyfj nry : iy) Dbiyb : ^3 Tj^a» i*

: ids'»! D-npn jm SID mnnirii irnnxS nnsn Ss fy 3quot;asi

: ?]3^ ^pb nTi# |^oV ^nj «

: OiplDB 'J iSx IttN' -jVinCO 3''nsi

b'ïvo VDiTbïb nn ♦nn : 2p^ nr Nini wnw» -11^ ia

■ t. t: * t *;quot; I'^t '..t ; iv : ; t

: ♦♦ ^^3 |n kïo mi : is^ «i

in* ^y) wan: DTI^K : IIÖTD nvm n^pV ID

D^ir^a t]2ii pN3 : nbp unx VJS ina'f ♦ : ?jnigt;

Dn:ri px2 ds^n-^ d^k1? wj'in

nana pK : obs d^dj; dv6k D'ajr 1 nbp

iniN iki^i D^ri^K 1J313» : irribs4 D'ribK UD-in* nbi^ : ptf-'DSN-bo

ocr page 518

JOTSEEOTH

•nV1» nnaS

Die door de vreeze voor Hem wordea gesterkt'), zal Hij met levensdauw drenken ; die de door Hem uitgesproken wet in acht nemen, in de eeuwigheid hun gebied aanwijzen,—naar het bijbelwoord: a Ware niet Mijn verhond hij dag en bij nacht!quot; Met het heilig bondsteeken bezegeld bij hunne vorming3;, werden de grondslagen der wereld onwankelbaar gevestigd; „de wetten van hemel en aarde [zou Ik anders niet hebben vastgesteld].quot; Ook door het bloed des verbonds worden de mijnen vrijgelaten, om niet te worden overgegeven, zoodat hunne gevangenen niet langer in de put, waarin geen water is, worden geworpen 4), want: ndit is het toeken des verbonds, dat Ik stel.quot; 5) Moge God, wanneer Hij de volkeren ieder naar zijn lot opschrijft, dit volk, dat door het verbond is geteekend, tellen om het te verheffen, zoodat van ieder, die ten leven is opgeschreven, zal worden gezegd: heilig 6).

Toen Hij Zich herinnerde Zijn heilig woord aan hem [Abraham], die zijne geoefenden aanspoorde, zond Hij vooraf tot hem, om hem de blijde boodschap te brengen, Zijne dienaren, de door Hem gezegenden, Hij, God, die het ivoord van Zijn dienaar en het plan Zijner engelen tot stand brengt.'1) Voorwaar, eerst gebood Hij hem de voorhuid te verwijderen, en toen bracht hij in reinheid voort den lieveling, den eenige, den reine, — u Gord het zwaard aan tegen uw heup, gij held.quot; 8) En toen werd hij bedacht met den op het altaar gebondene [Izak] als de vrucht van zijn lijf; en op den achtsten dag legde hij hem het zegel aan en maakte hem tot bloedbruidegom door het bloed des verbonds, en besneed Abraham zijnen zoon Izak. 9) Zijne rank [Jakob], wiens beeld gegrift is op den troon van den Almachtigen God 10), werd besneden geboren en beminde [de geboden der Thora, talrijk als] de opeengepakte lokken11) — en Jakob was een vroom man, zittend in de tenten 12) [der Thora]. — Toen nu de hinderaar [Bil'am] naar den top van den berg kwam om zijne spruiten te verwenschen, zag hij de in zand verborge-nen ls) en sprak: «hoe zou ik vloeken,quot; — nwie toch telt het slof

*) Het hier volgende stuk bestaat uit drieregelige verzen, wier aanvangletters alphabetisch zijn, terwijl in liet vierde vers en het laatste gedeelte de naamletters van den schrijver als acrostichon zijn ingevlochten. De twee eerste regels van elk vers bestaan uit vijf woorden, terwijl de derde regel door een bijbelvers wordt gevormd.

De schrijver is R. Eli'jszeb hen Natuax uit Mainz, ± 4900 a. m.

(1140 g. j), schrijver van ruïs toïiï, een tijdgenoot van Rasiiie's kleinzonen R. Samuel b. Meier (oquot;3ri) en R. Jakob Tham.(LANDSi£iiT,rni2ïniiinrpag.20vv.)

') Volgens den Thalmoed (Sanhedrien 110/y) wordt een kind door de besnijdenis het eeuwige leven deelachtig, zooals blijkt uit Ps. 88,16: een volk,' arm en bijna stervend van der jeugd af — van dat ik de vrees voor U, Uwe geboden, draag, ruiïs ben ik gesterkt. Aan dit laatste woord is hier de uitdrukking ^ibn ontleend.

2) Jer. 33,25; Ware niet Mijn verbond bij dag en hij nacht, dan zoude Ik

65

ocr page 519

mn*? isv HD

(* .jrj '212 wVs Dim e)1D21 2quot;S oquot;s

dVI^ innpK ni np# • n^c:1? □quot;n Vya VÖ»K niK3 : n^bi DOV 'nnn K1? DN quot;IOINS *

: t :it t t • • ; • v i ; t r : - :

* pa ^3 npio DWfp • pj^a D^pmn ^ nna ni33 • inanbp ♦nWp nns ons m : pKi mpn ♦;n ie'n nnsn nix nxr * |nbp i Dnn^pN Q'ö i3_pN D^T/iT DJ • ib3np i 3in33 nisp* : jni:

: ^npT IV'IQK^ D^nV 3,in3n-i73 • ib^1? ,nn3 vmt^a n^3l7 ibïK nnpn • V3^n r-i6 i3T3 i^np -i3i

t : t : : fquot; : : ** ' quot; t —: —: -t: :It - :

N^n : VDKSP nv^l n3^ quot;i3i D^p • V3ii3pi

* 113:'! in» nnnas n^in * 113^ inn* vish

* 1:133 ns -ips: mi : ni35 by ïjsnn niin pnv» m dnquot;i3« * i:nn nn3 dquot;!3i lann miotybi

» t : • v t t : quot; titquot; ;• •: -; ; • t ;•;

nvip 33ni ^nö ^12 * d,1?n bx d33 npipn inniöt : 113 »3^ ]nv n33 : n^nx 3^ on ipyy • vbrhn ^3^ n:a - 3ipN-no rai Vin-^isty nsn TN • ttb

quot; quot;: t t • i v t i t •• i ; t t t | t

de wetten van hemel en aarde niet hébhen ingesteld, wat de Thalmoed (Nedariem 32a) op liet hesnijdenisverhond laat slaan.

3) •pp2, hij de vorming, eig.: uitsnijding, vgl. Job 33,6: ■os dj TXip icn», uit leem werd ooh ik gesneden. Voor den zin zie de vorige aanteekening.

4) Eene omwei-king van het vers Zecharja 9,11. 5) Gen. 9,12. 6) Eene omzetting van Jes. 4,3. quot;) Jes. 44,26.

8) Ps. 45,4. Het vers is hier natuurlijk in geheel oneigenlijken zin gebezigd, als doelende op de besnijdenis: richt uw zwaard op uwe heup, om u te besnijden (Jalkoet 1,81). Dat -pi op de besnijdenis kan doelen, blijkt uit Rasiiie Gen. 24,2 e. a. p.

s') Gen. 21,4. '») Ber. Rab. 68, Choellien 91,i.

u) Het eerste versdeel van Hoogl. 5,11 wordt in Jalkoet t. p. toegepast op de Thora; onze dichter ontleent daarom ook zijn beeld voor de Thora aan dit vers. Misschien ligt in D'SnSn ook eene toespeling op de bekende uitdrukking; jroSn Sü o'bn 'Sn, geheele groepen van bepalingen.

12) Gen. 25,27. Midrash ziet nl. in de D'Sns, hier genoemd, de leerscholen van Shem en 'Eber, waar Jakob zich langen tijd zou hebben opgehouden om met de oude overgeleverde leerstellingen aangaande God enz. bekend te worden.

13) De afgesneden voorhuiden der Israëlieten, die in zand waren gelegd en zijn gezichtsveld geheel vulden.

ocr page 520

JOTSEROTH.

van Jakob.quot;l) Ze te verbergen in zand is daarom een wel onderzochte en volkomen wet van Hem, die het zand tot grens stelde voor de zee, als een eeuwige wet; Hij stelde het Jakob tot wet, Israël tot eeuwig verbond. De bewoners van Noph 3) deden het verbond van mijn leeken ophouden, tot de tijd hunner bedenking kwam, om uit te trekken en hen te bevrijden, 3) „alleen de stam Leviequot; 4) [stoorde zich aan dit bevel niet]; — Daarom zegende hem de man Gods met het verpletteren [zijner haters] 5j, en prees hem de profeet6) [en zegde hem toe], dat hij nimmer zou worden vergeten, [met de woorden] : Mijn verbond was met hem, het leven en de vrede.quot; Hij [Mozes] had zijnen eerstgeborene niet besneden en werd daarom [door den doodsengel] opgeëischt in het nachtverblijf, hadde niet de ijverige, [door schoonheid en deugd] zich onderscheidende [Tsippora] een scherpen steen genomen en afgesneden de voorhuid van haar zoon. 7) „Uit harden dienst heb Ik u bevrijd door de braafheid uwer volmaakte vaderen, toen uwe alruinen geur gaven en uwe wijngaarden bloeiden 8) en Ik bij u langs ging en u zag, wentelend in uive beide bloedsoorten. 9) Uw leven heb Ik gespaard, toen Ik alle eerstgeborenen sloeg I0); doordien Ik aan uwe deuren het teeken liet aanbrengen, zoudt gij in het leven blijven; en Ik zeide tot u: „door uw bloed zidt gij leven.quot; H) Als loon, voor de dienstbaarheid dienden de [gouden] spangen met de zilveren stippen 13); ten einde hare [Israels] vlerken in goudglans te meer schitterend te maken, werden de vleugelen der duif met zilver bedekt. 13) De Allerhoogste heeft wegens het besnijdenis-verbond den zeetong drooggemaakt14), en deze zaken zijn in een duidelijk sprekend bijbelvers neergelegd : «[Dankt] Hem, die de zee kliefde voor de besnedenen.quot;15) Zij werden weerhouden en lieten, wegens de moeilijkheden der reis, na, zich te besnijden, terwijl zij in de woestenij op weg gingen, geheel het volk, dat in de woestijn tijdens de reis ivas geboren.1G) Toen echter [Mozes'J dienaar Jehoshoea' en het volk

^ Num. 23,10, waarbij isï ook opgevat wordt als zinspeling op het zand, waarin de voorhuiden waren gelegd. Zie Jalkoet, Numeri N0. 766; Pirké R. Eli'ezer, 29.

2) Noph, een der voornaamste steden van Egypte, waarsch. Memphis.

3) Naar aanleiding van Ez. 16,6 verhaalt Midrash, dat vóór den uittocht uit Egypte de Israëlieten zich besneden; vgl. Jos. 5,5.

4) Num. 1,49. Vgl. Shemoth Rabba, 19.

5) Op de aangehaalde plaats brengt Midrash de woorden door Mozes, den /,man Godsquot; (Ps. 90,1) tot Levie gesproken, Deut. 33,8—11, in verband met Levie's handhaving der besnijdenis, uOmdat zij Uwe u-oorden inacht-

namen en Uw verhond beschermden,.....verpletter de lendenen van hen, die

tegen hem opstaan enz.

6) Malachie, op de straks aan te halen plaats, Malachie 2,5.

'') Ex. 4,24 en 25, naar ééne opvatting in Midrash. nawn, wordt Tsippora genoemd, naar de opvatting, die in de woorden j-prs nes (Num. 12,1) eene toespeling op hare bijzondere schoonheid en deugdzaamheid ziet.

66

ocr page 521

n'^JD nnsb IÏV ID

I bias ^in • dV^oi tfru pin Sina |1öü : np^;. : Dbi^ nna pr6 np^b nTp^»i * obi^-pn d'^

• 'nnb n^ïb ompa for nj; • nn nna ib-in e^u ^351 * Dibn1? 1Dquot;13 D^ri^Nn ntso nx

: DiV^ni D^nn inK nn»n ♦nna * lobp

• nsi^ai nrnr -iï nnpb * n:^oa i^panai itös Vo xb

t •-. : t •: t i : t •• t : • !••-:•: ; t

^n.m n^iD3 ^niinn Tj-iap ; nn HK nipni ■]^ * Tj'onp niDDi ^tfrn nn, 11133 • ^o»pn

• «nD3 niD3 ^3 ^nMnn : vniz nDDisnö 'nxnNi

•: • : : t • iquot;v: v )•• ; - |-it t; v iv : • ) •• : vt

n3'tr : Mn •vrm rp 10^1 - «nn vn n^nns bv ,n»in3

- : • -: j • 1- t : )t - i t • ; • t )• i- t : -it:

pnpl^ ♦ïiin n^nnsN pjs • pjpsn nnp:i Dnin ni3^5y D* nn33 |i^ : e]p33 nsn: rui' »3:3 - «ipin1? : onub e]iD d? nmb * onsnn |n jn kVq xipai - onnn hy po^ ^Vin Siobp * Tjinn nniu ^ap i^-ini ids mtro ïiy mbï : '^^n3 ■)3ns3 nn'^n D^n VD - nm

•T : I •• :- : t I vit- t : ■ - . . - *V t t | vtv

8) Vgl. Hoogl. 2,13, hetgeen door Midrash in verband gebracht wordt met Israels deugdzaamheid bij den uittocht uit Egypte.

9) Ez. 16,6; het meervoud -ps-n wordt verklaard te doelen op het bloed van het paaschoffer en dat der besnijdenis, met welke beide heilige handelingen Israël bij de bevrijding zich bezig hield.

10) iinsa, van het Chaldeeuwsche sno, slaan, vgl. in het bekende smeekgebed voor de boetedagen: '301 inO-

11) Ez. 16,6. Vgl. aant. 9.

IS) Vgl. Hoogl. 1,11, waar Midrash deze beide uitdrukkingen in verband brengt met den rijkdom uit Egypte meegenomen, en den buit, aan de zee behaald; ook Èz. 16,7 doelt volgens Midrash t. a. p. met de woorden dvi-ijj nra op die beide bronnen van rijkdom.

13) Jalkoet, Psalmen, n0.795, wordt het vers Ps 68,14 eveneens in verband gebracht met de bovengenoemde schatten en vertaald: «In Egypte werden de vleugelen der duif [Israël] met zilver hedekt, doch aan de zee hare vlerken met schitterglans van gedegen goud.quot;

H) De uitdrukking is ontleend aan Je?. 11,15; het denkbeeld aan Mechiltha Ex. 14,15, waar o. a. gezegd wordt, dat het klieven van de Schelfzee ter belooning van de besnijdenis zou hebben plaats gehad. Zie ook Jalkoet, t. p. I n0. 233.

15) Ps. 136,13; vgl. de aacgeh. plaatsen. Dn»1? is dan = dihïjS = dwoS.

16) Jos. 5,5.

ocr page 522

JOTSEROTH.

Gods den Jordaan waren doorgetrokken, gebood Hij te maken steenen messen, en toen hij daaraan voldeed [luidde het bevel:] iien besnijd wederom de hinderen Israels.quot; ^ Toen de vorst des volks [David] ontkleed in het bad ging, sprak hij : //thans zijn de [Tsietsieth-] snoeren er niet en is mijn hoofd niet met [Thephil-lien-] kroon versierd, — uivees mij daarom genadig, o Eeuwige, want ik versmacht. quot;3) Hij verzadigde ü met talrijke liederen en lofzangen, om U te verheffen, en zeide vóór U, met betrekking tot het zegel van Uw verbond: „ Ik verheug mij over Uwe uitspraak.quot; 3) Toen hij zag, dat door het achtste [gebod] de spin [Edom] zou worden weggesnoeid, verkondigde hij het geheele menschdom de grootheid van uw lof, zeggende ; „voor den zangmeester .... op het achtste \_gebod\, zeggendequot;. ■1) De Thishbiet, [Elijahoe], was een ij veraar, zooals hij voor God sprak: «Ik heb geijverd voor U, Helper en Verlosser ! ivant de kinderen Israels hebben Uw verbond verlatenquot; 5). Voorwaar, daarom maakt men twee zetels gereed, één voor hem, en één voor den sluiter des verbonds 6), dat deze kan zitten en zal verschijnen in bijzijn van het getuigenis, ter inachtneming, tot teeken.l) Om hem [den besnedene] te genezen, daartoe blijft de zetel staan; 8) de Schrift duidt het aan: «om op den derden dag u te doen opstaan en tot nieuw leven op te wekkenquot; 9) — want: „zie, Ik zend u [den profeet Elijahoe] !quot; 10) Laat hij spoedig komen om zijn pand in te lossen, om het niet langer in te houden; de Waw van zijn naam is tot pand gegeven als getuigenis bij Jakob, — „en Ik zal gedenken Mijn verbond met Jakob.quot; 11) «Mijn uitverkoren volk, dat van Mijne tafel is verwijderd, zal Ik in barmhartigheid gedenken wegens de verdiensten van het verbond, dat door hen als wet wordt gehandhaafd, — en ook Mijn verbond met Izak. n) Den verstrooiden in de vier [windstreken], hun, die eens door Mij zijn verworven voor een Léthech en een Kor 13), zal Ik een sein toefluiten en Ik zal ze verzamelen om hen nimmer weer te verkoopen, —• en ook Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken.11) Besnijdenis-bond, Shabbath en Thora zijn [heden] als tweelingen

•) Jos. 5,2.

5) Ps. 6,3. Vgl. voor den inhoud dor drie over David sprekende strophen: Menaclioth 43?/.

3) Ps. 119,162.

4) Vgl. Menaclioth t. p. In Jalkoet, Ps. 6,1, N0. 633 komt eene opvatting van noiawi hs voor, zooals ik die in de vertaling gegeven heb: de besnijdenis als het achtste gebod, door God aan menschen gegeven, nl. de zeven Noachidische plichten, en het gebod der besnijding aan Abraham. Zoo doelt dus ook onze strophe op de besnijdenis, jvaw, Spr. 30,28, is eene spin. Het vers wordt door Midrash op Edom betrokken. B. R. 66, einde; Jalkoet 1,115; 11,964.

5) I Kon. 19,10. Zie Pirké R. Eli'ezer, 29 einde; vgl. Jalkoet 11,15 en 11,217 einde, waar dezelfde Midrash abrupt voorkomt.

6) __rvn2 Sra. Hieronder worden verstaan de «vader van het te besnijden kindquot; (pn -cn), hij, die de besnijdenis verricht, (Sm») en hij, die tijdens

67

ocr page 523

n^» nna1? iïv TD

Viö 31^1 * bxns oniï main nftr^ niv * ^ D^I pK • bbv? frnab DJrna ny pvp : ^ nK nin^tr an nn : bboN ^3 M ah) ^na

i: • t ; ••. • ▼; • iquot; t t : •-. • : • t

vv - ^nna n^nn ^ ^ IÜX'I. * nina^ni

»3 iv : ^rnps4 ^ *3:« ^irn : TiOTp wvnwn hy nvinb * IQN41? quot;jnbnn V3^ inT^ »3 • bwi ypfo -[V ♦riKSj!) K3|5 * Sxn na1? ^33 K3p i1? • ni«p3 *r}f wpy p3 pA : ^3 ?jnn3 : nix5? ninpnh nn^n ^sh * nisnbi 3^',L7 nnsri ^,L7^n d^3 ran • pS fpnp xds nvhv inxsn^ ay wrv : Dpb nbv nsn »3 * asnlrinbi Dpa^n1? »riquot;)3n * 3p^3 nn^V nui3^ Vn * 313^211:13^ bxiï DDI'S * pnquot;n n^ns ^aj : 3ip^ ^nns nK

d^-^t : pniquot; ^nns nx c]^ * pmn nns ni3r3 nüTNi * quot;i^p1? i b?5? quot;iiir |'3psn pii^N4 * quot;113^. -jquot;V3 ^1-13 ,iquot;i3n mini n3^ nnl : quot;i3Tx Dni3K ^n3 n« eiKi

it ••. t ; t - * ; ; v t t ; - • • ; v | - ;

de handeling het kind op zijn schoot houdt (piJD, gevader, peet). Hier is laatstgenoemde bedoeld.

7) Num. 17,25.

8) Ik heb dit gebruik, om den imbx Sc x:d drie dagen te laten staan, nergens kunnen terugvinden, noch in Midrash, noch in de decisoren, die allen wél melding maken van den in^s hv nds met vermelding van den oorsprong der zaak.

9) Vgl. Hoshéa' 6,2.

10) Mal-achie 3,23.

''i Lev. 26,42. Daar staat nl. aipj.quot;', met een Waw geschreven, wat Rashie aanleiding geeft tot de opmerking, dat deze volledige schrijfwijze van Jakob's naam vijfmaal voorkomt, evenals de onvolledige schrijfwijze van den naam Elia/ioe, waarvoor op vijf plaatsen Elia staat. De Waw zou dan als het ware aan Elia ontnomen en aan Jakob toegevoegd zijn, als waarborg dat Elia, de bondsengel, tevens de voorlooper van den toekomstigen verlosser (Malachie 3,23), Israël zal bevrijden om die letter weer bij zijn naam gevoegd te zien. Reeds Berliner zegt de bron van deze aanteekening van Rasiiie niet te hebben kunnen vinden.

12) Hoshéa' 3,2. Israël is door God als Zijn eigendom verworven door een Léthech, d. z. 15 Sea, en een Kor, dat is dertig Sea. Vgl. Jalkoet t.p. 11,519.

ocr page 524

JOTSEROTH.

vereenigd ; om hunnentwille werden gegrondvest de //Voetbankquot; [Gods] 1) en de hemellichten en de hooge hemelen, — in den beginne schiep God3). Bij de vervulling van deze drie zult gij, Mijne beladenen, verlost worden, zoo gij in aehtneemt, wat Ik u heb toevertrouwd, Mijne geboden. Mijne wetten en Mijne leeringen, doch vooral — die Mijne Shabbathen zullen in acht nemen. 3) Plaats en naam zal Ik u dan geven in Mijn huis; met het goede, dat [voor de braven] is weggelegd, zal Ik u verzadigen, gij Mijn volk en Mijn erfdeel ! die verkiezen, waarin Ik behagen schep, en vasthouden aan Mijn verbond.quot;3) Gij, die in genot den rustdag viert, den Shabbath in aehtneemt, gij, Zijne besnedenen, erkent de macht Gods naar Zijne groote daden, verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor den bank Zijner voeten,*) van Hem, den Heilige!

•JS IK

[De engelen] Die omgord zijn met schrik, en geschapen tot vrees, — machtig in kracht, te verheffen Zijn troon, — de schrikwekkenden ... sidderen en dienen met vrees, — bezingen hun Koning in heerlijken lof!

Ook Zijn volk, eens genomen in heilig verbond.

Looft Hem, die herdenkt den Besnijdenisbond!

Den geprezen Beheerscher, wie zou Hem niet roemen ? Wie niet den lofwaardigen Koning verheffen ? Den heiligen Koning te prijzen, te huldigen, — hoog heerlijk te roemen Zijn lof te vermelden____!

En Zijn volk in den avond- en morgenstond.

Roemt d'eenheid van Hem, die gedenkt het Verbond!

De dienaren Gods staan daar krachtig en hoog; die glanzende wezens, zij stijgen en rijzen; zij roemen en loven zoo luide, zoo gaarne; zij nemen de harp, begeleidend het lied !

En Zijn volk, — als de dauw, is gering ook de rest5), — Zij roemen den Heer, die gedenkt het Verbond!

De machtige wachters door Sheehiena gewekt6), zij vlechten er kronen voor God in Zijn woning; den Hoogste bezingend met juichenden roep, volbrengen z' in hoogste getrouwheid hun taak! En de natie, de dochter van 'Ibrieschen grond.

Verheerlijkt den Heer, die gedenkt het Verbond!

In gezang en begroeting, in loflied en dank, barsten los vonkenschietende Chashmalliem luid! De Vlammen omhoog staan rondom als een krans, — zich beijv'rend en naarstig Zijn grootheid te roemen!

En het volk, eens zoo schoon, doch zoo zwart nu van kleur7).

Het looft toch zijn God, die gedenkt het Verbond!

') De aarde, vgl. Jes. 66,1.

2) Gen. 1,1. Bij de Schepping had God nl. hoofdzakelijk o. a. Thora en Shabbath op het oog (Pirké R. Eli'ezer 3); wat de besnijdenis betreft, zie onze aant. op de 1ste strophe. 3) Jes. 56,4,5. 4) Ps. 99,5.

68

ocr page 525

n^ü nnnb iïv no

rvtftna • o^nü^ D^n^i Dim noi: DJ^3 * D^nnV

TT * •* : * : * * ; -: : T ' :^. • : ~ :

npty • thv : DTI^K

qv}\ t : ♦nnSB'TiK T|N * Thirn ♦npn ♦n'ivp

nn| * ^nji pa^n DIÜ * mz DD1? fm

nzv np'^i : ^nnna D^nnoi »nvan IB'K?

M lüain * vb^öD b-rto D^N1? TI^ i!n * vSina

iquot; v: ▼: -: t t : * v i ; • : t ;

inr ban : * v^ri Dlnnquot;? iinn^ni

.Dnnnn Tsia rans isnnn di? J2VC

d^d^k * 1KD3 nb • nxy hd^k n^A : nsj nbnn azbdï nnax * nnyz dhdi^i onjrh

TT T * : T : - ; •: T:-; • ; ^ ; • •

: nnan idit1? D^bna • nnn ^nna

• niK» t6 na^pn -jbaS * TTT K1? *p Vbnpn -jba1? : inn^ nxs^ bpbpb * ■nnquot;^ rhy) t^nj^n

: nnan idit1? onn^p • nnn^i r^nnjr is^;

• l^nr ^#3 ^nn^p inaan* n^rv : H3D * p^v? iSbn1? ns^

: nnan -dit1? onxap • nnx^ Süp isjp p^. * npj;a onna npi^ * nrp^ 'p^ap nnma n;j; : niiDN |piK3 orpN^p * ra-ii D^jnp : nnan npir1? nninp • nnn^ n? din*)

• hbnb D^nxis Qybmn w ♦ ^m nxnin na-ai mor

.... . . . _ . - )... •• - ; TT T T : T : •

: Sbob hiz onn? on^nr • ibib on^na» nV^a nnr

•• - : ;T • •; • • ; •• - : • • ; - T^;I- ••▼;T

: man quot;iai6 D^nat^p * nninnn^ nix: dini

ocr page 526

JOTSEROTH.

De wagen van God, het zijn duizend myriaden, — zij dond'ren het „heiligquot; drievoud in twee legers; zij peinzen ; „geloofd zijquot; steeds zonder verpoozen; zij schudden, doen wankelen drempel en post!

En de natie, bezegeld met heiligen bond,

Zij looft steeds den Heer, die gedenkt het Verbond !

• nSn

Drie malen heb Ik een bondsteeken gegeven tot genezing der wereld : door het plaatsen van den boog in de wolken «om te gedenken het eeuwig verbond,quot; ■— de besnijding, — en den rustdag heb Ik in hun gebied gegeven ; tusschen Mij en de kinderen Israels is hij een teelcea voor eeuwig. Mijne lievelingen zijn daarmede gesierd, Mijne uitverkorenen. Mijne beproefden, die geteekend en gewaarmerkt zijn, om gered te worden van de kolen Mijner verbranding3); en al wie hen ziet, zal erkennen, dat zij volmaakt zijn vóór Mij ; dat zij vormen een kroost, dat de Eeuwige gezegend heeft.3) Vijf maal werden snijwerktnigen aangewezen voor het verbond aan het lichaam, bij het besnijden der twee voorouders [Abraham en Izak], dat zijn de stamvaders '); de reine [Tsippora] deed liet ten derden male en [Jehoshoea',] de zoon van Noen hief er twee op, en Jehoshoea' maakte zich zwaarden van gescherpten steenquot;. 5) Toen werden steenen tot zwaarden veranderd 6), om daarmede te besnijden, gelijk zij met een scherpen steen hadden besneden gisteren en eergisteren 7); daarom heeft [Mozes'] dienaar hen gesteund met een voorschrift om te besnijden: „Maak u ziuaarden van scherpen steen en besnijd wederomquot;.9) ïoen de heerlijke zanger [David] den kampvechter [Goliath] neervelde [met een steen], kwamen zij alle vijf voor den dag en werden tot één om hem te helpen 9) en het ijzer trok zich uit zich zelve terug, toen het aan zijne [Goliath's] wijze van doen dacht en zoo drong de steen in zijn hoofd.10) De bezigheid voor de besnijdenis doet [de wetten omtrent] de Shabbathrust wijken, het verrichten der handeling zelve, het losscheuren en ombuigen der onderhuid, het uitzuigen en afwassciien der wond, de komijn en pleisters voor het verband; en voor eiken noodzakelijken arbeid, dien men den vorigen dag [vóór den ingang van den Shabbath] niet had kunnen doen [is het geoorloofd] te naderen tot den arbeid om hem te verrichten u) In de oudheid hebt Gij U Uwe gemeente tot eigendom gemaakt van tusschen de „ezelsquot;,

*) De Sch rij vei- van dit stuk is R. Eljakiem of Eljakoem, waarsch. b. Meschoellam. (Zie Landshut s. n.)

!) Ex. 31,17.

2) De vlammen van het Géhimiom; zie 'Eroebien 19a; Abraham zit aan den ingang van Géhimiom en staat niet toe, dat een besnedene het betrede. De besnijdenis is dus een teeken, waarop hem, die het draugt, de toegang tot Géhinnom ontzegd wordt. 3) Jes. 61,9.

69

ocr page 527

n^d nnnv üd

•d^niinüa ^iquot;ipT vbp d^jii • denial, ♦öbk d^k sdt nquot;v : D^niSK ^p D^nin

nvnm ; nnan idit1? nanap * nnaa nomn diki

(* .Dip'Sx Dim eilD31 3quot;« C'JJ nSir

iaf? n^. nr^3 * dSi^ k^o1? nna nix

♦ra * D^rua ♦nnj am ™ • o1?^ nna

... t j * • r t vi : tquot; : t ^ • :

mna onta^o i dü nn : db^b kin nis4 Vnïü» ^3 pi SDI • »2ViD ♦ÖB'-IÜ D*nn«Di D^aoon - ^ina

t : t ; • •• : .....t * : • t \ : ■ t \ : - t :

IJÖT :quot; ^13 Dn ^ * 'ish D'poniü i on^ arrKi-i

* Dnïi»n nan mnx avn * nn'^a nnnV n^ün oniï

* : - t iquot; 'i- ; t viv • t : • : • t • -:

^in» 6 ügt;^ * onn pr-pi nninp

* SianV 1^3 nünn1? Dngt;' i3pv ; oniï nimn

* biüb j-n^o ♦nva ddqd pb * biani ai^b^ iva

t quot;t : * : t t : 1 •• t : ; * : it

D'ran yun : Vo nwi nnv ninin ^ n'^

bnan pVp * inbv1? nns4 iamp;yn |niran i:ain * inbsp n|^ n^ö pp^.: inïüD p^n ^apni * irm ipD ioïJ?

* nn^DNi riaa nnv^m nnrïai nn^na * nnn^y nnn

t • t : : • ; i - r t • : t t • : r t • : t t • ^:

vk nnip1? * nnf^^b ndnbo -jhï

* oman paa ^nVrn Dip. nap : nnx ni'^b nDxban

4) I Kron. 4,23.

5) Jos. 5,3. Uit den meervoudvorm wordt afgeleid, dat Jehoshoea' tweemaal dit zwaard gebruikte, ni. vóór deu uittocht uit Egypte en na de komst in Kena'an (Bamidbar Rabba, 11).

6) Zij gebruikten toen geen mes, maar een sclierpen steen.

quot;) D. w. z. vroeger.

s) Jos. 5,2. Uit het woord: zwaarden schijnt de dichter de bepaling af te leiden, dat voor de besnijdenis bij voorkeur ijzer gebruikt moet worden. (Vgl. Maim, 'n 'Sn 2quot;s nSio 'Sn ;'3 (iquot;di Tquot;1 ïquot;ctc).

'') Zie Jalkoet, I Samuel 17,40, Nquot;. 127. De vijf steenen, die David noodig had, vereenigden zich vanzelve tot één.

'») I Sam. 17,49.

11) Ex. 36,2. 15) De Egyptenaren, vgl. Ez. 23,20.

ocr page 528

JOTSEROTH.

toen Gij zaagt, hoe zij [Israël] in gemengd bloed') wentelden, toen Gij de eerstgeborenen sloegt; Almachtige bevrijd ons en onze vijanden zult Gij in stukken snijden, dan zullen als op de tijding omtrent Egypte, de verdrukkers beven.3) God moge in Zijne genade opstaan om Zijn woord te vervullen; moge ons spoedig in erbarming aannemen en ons ten tweeden male redden van de lasten [der ballingschap] ; als in de dagen der oudheid moge Hij ons weder wonderen doen aanschouwen, Hij, onze Verlosser, Heilige is Zijn naam, de Eeuwige Tsebaoth.

•nn rxn nvh isv

Onze God is in waarheid God, en Zijne leer in waarheid betrouwbaar, //Voorwaar, ook Zijne eerste woorden zijn waarheid! 3) en het einde ervan wijst op de waarheid [der eerste woorden;]quot; Hij vestigt de grondslagen der wereld op recht, vrede en waarheid 4). — Vóór de vroegste oudheid overdacht Hij den raad der ware wijsheid 5), die op Zijn nitgestrekten arm was geschreven, — want een gouden plaat was nog niet geschapen, noch ook een huid van vee of wild. — Hij rolde duisternis en donker weg voor het doorbreken van het licht; toen Hij echter zag, dat het verheven was boven eiken glans en licht, borg Hij het als een schat weg voor hen, die zich bezighouden met de Heilige Leer, die lichtend is.6) «Hemel en aardequot;7) gebood Hij, als een koning zijn dienaren — en zij werden tegelijk geschapen, volgens de beslissing, gegeven door den voornamen geleerde en zijne leerlingen, als bewijs daarvoor aanhalend het bijbelvers: nik roep hun toe — en tegelijk bestaan zijquot;. 8) — Toen nu tot in het oneindige

ï) Van paaschoffer en besnijdenis. De uitdrukking noian Dl beteekent een mengsel van bloed, voor en na den dood aan een verslagene ontvloeid, en wordt door Maimonides Mishna-commentaar Aholoth 2,1 afgeleid van roDian», Ez. 16,6.

2) Vgl. Jes. 23,5. iï, eig. Tyrus, wordt op talrijke plaatsen door Midrash als het beeld van de verdrukkers in de tegenwoordige ballingschap opgevat.

*) Het stuk draagt de naamteekening R. Benjamin, volgens Heideniieim R. Benjamin ben Zérach, vooral wegens het mystiek karakter van het stuk. Deze R. B. b. Z., met den bijnaam nu hx2, leefde volgens Zünz in Rashie's tijd ± 4820 (1060). Landshut, pag. 52, noemt 10 stukken met zijn vollen naam geteekend en s. n. R. Benjamin drie anderen, die aan hem worden toegeschreven.

3) Ps. 119,160, waar Rashie die woorden den volkeren in den mond legt, die bij de 1ste groep der tien geboden de opmerking maakten, dat zij allen op God betrekking hadden, maar door de latere geboden; //gij zult niet moordenquot; enz. ook tot erkenning van de waarheid der vroegeren werden gebracht. 4) Aboth 1,18.

5) De Thora, die, naar Midrash Konén, ook gedeeltelijk in Jalkoet,

70

ocr page 529

n^ö nnnb n^iT

wyw he' * DniD3 ÜI_ nmnn ^niKquot;i

: dhï ^S^n; Dn.vp1? IB'JS? * D,173 i JDön vvhn) ^onn1? • nKbo1? ia»: nona mjr

i trnp i^xia • niNbflj i:Kn* Dip ws * niKbno

; ) t iquot; -: t : iquot; :- v I iv •• • t ; •

mrj? : niKDï «

t : t:

E^in nat?1? tst

(* .pa larmn d» ciieai 3quot;« Dquot;JJ

iyNi D:ÖK * noK naiöK mimi • nox ombx umbx TQ^OI * noxn ^ n^ia ISIDI * nosï iini »oij5p |3 : noxn bp) Dib^n by} \nr\ by obi^n iid; '2 ' niL33n IJJIID nama nn^nn * n^m nv:£ ^ nip, bsiN Sbü : rrm nana iiy NSI ariT DLS nxm: üb

vi - T T - : T •• : : tt - •• : •

Sa ^ n^n: ^ • nxn nap -j^ini nri ibni pii : iik mma D^pDi^V i^oxni quot;iT:3 * ii«di

t • v iv : i - 1 : i * : ^ ; r v: v : t : t

* vTü^ni wm yn.pLö nil ixinn * vn# bv mninn : nn» na^ an^x tnip ini1? n^ii

Spr. 8,22 vv. aangehaald, vóór de schepping bestond, geschreven niet op metaal, noch op leder, daar dat nog niet bestond, maar in vuurletters a. h. w. op Gods arm. Zij werd vóór de Schepping door God geraadpleegd en haar raad opgevolgd.

6) Vgl. Chagiega 12a, Ber. Rabb. 12.

7) -Wil pn, hemel en aarde, pn voor hemel met het oog op Jes. 40,22, iSn voor aarde, vgl. Ps. 49,2.

8) Chagiega t. a. p. en B. R. 1, komt een verschil van meening voor tusschen de scholen van Shammai en Hillel, of de hemel dan wel de aarde het eerst geschapen is. Eindelijk verklaart R. Shim'on b. Jochai de beide meeningen niet te begrijpen, daar beiden tegelijk geschapen zijn, als een schaal met zijn deksel, die te samen vereenigd gebakken, eerst later van elkander afgesneden worden (vgl. voor dgl. potten Thosaphoth Bétsa 32a, en 'Aroech s. v. csSs). Hij beriep zich daarbij op het boven aangehaalde vers Jes. 48,13. De geleerden van zijn tijd nu waren het algemeen met hem eens. — Ik prefereer daarom de lezing die ook in Machzor Romie voorkomt, daar de constructie —a ri-on moeilijk te verdedigen is.

ocr page 530

JOTSEROTH.

zich uitbreidden de uitspansels van Zijn glansvolle woning, moesten zij plotseling een; //het is u thans genoegquot; hooren en verstijfden op Zijn woord,1) i,de zuilen des hemels schudden en worden angstig bij Zijn dreigen.quot;3) Daarna verdeelde en splitste Hij de ,/inet Zijne hand gemetenquot; [wateren] 3); de eene helft hief Hij op en plaatste Hij in de hoogte tot latere eerbewijzing, dat zijn de reine wateren, die eens zullen gesprengd worden. — Toen schreeuwde de rest in opstand ; //waarom zou mijne eer tot schande worden ! ? Laat ook ik boven de wolken-hoogten stijgen en met mijn wederhelft gelijkgesteld wordenquot; ; toen verbrandde het een verterend vuur en werd de grommende bedwongen.4) — Hij vernieuwde de oppervlakte der aarde door vruchtboomen en gewassen, en gaf voorschrift aan de boomen: //ieder naar zijne soortquot;, doch niet aan de gewassen; toch maakten zij voor zichzelve eene gevolgtrekking en de gewassen kwamen in afzonderlijke soorten te voorschijn. 5) Den physieken aard der beide hemellichten maakte Hij [oorspronkelijk] gelijk in gestalte6) en vorm; en naar het aangezicht van den door Gods hand gevormde [den mensch] gaf Hij hun gelijk uiterlijk en droeg hun op en gebood hun door hetzelfde venster te voorschijn te treden. De maan echter berispte Hem; dadelijk werd zij kleiner gemaakt, omdat zij aanmatigende woorden tegenover Hem had gesproken en niet begreep haar, in trouw haar toegewezen, tijd [van werkzaamheid]; en Hij troostte haar wel met vertroostings-gronden over hare kleinheid, doch haar geest werd niet tot kalmte er door gebracht; — daarom brengen mijne scharen een zoenoffer voor den Heilige op alle Nieuwe-maansfeesten naar mijn wettelijk voorschrift: één geiteboh tot zondoffer voor den Eeuwige.'1) Van hen beiden [zon en maan te zamen] leeren de rozenbloesems [Israël] tijden en eindpunten, nieuw en oud, en zij zullen zijn tot teekenen en tot tijdsbepalingen en tot dagen en jaren 8). Den maancyclus geven de letters aan, hare tellingen worden telkens door de zes eersten [samen te voegen] bekend ; voegt gij de zevende [letter] er aan toe, dan stijgt het getal tot dat van den zonnecyclus. Dan zijn van den eersten regel nog twee over en van den tweeden en derden nog vier, niet waar ? terwijl de Zajin (|), de 'Ajin (J?) en de sluit-Noen (j) voor hen

') Zie Chagiega t. a. p.

2) Job 26,11.

3) Vgl. Jes. 40,12.

4) De voorstelling is ontleend aan Midrash Konen; vgl. ook Ber. Rab. 2, Jalkoet 11,789.

5) Choellien 60a, vgl. Rashie, Gen. 1,12.

6) De gewone lezing is: kroon, d. w. z. uiterlijken glans(?);

Ottensosek leest; jrD, van •l'quot;ixn jin (Jes. 40, ) en vertaalt omtrek. Machzor - : '

Romie geeft de lezing: nwn, in gestalte, wat mij het meest eenvoudig

71

ocr page 531

unn natr1? quot;ivv xy

nwy • inYüK bv_ inni D^n ' imn i nin n d^ivb' nvnni iba tni : inipo man^ iaaiT

• ^ : t v: v ; •• • t : t : ~ • ; : • : it ; • - t

Dnintan o^an dh * oniaD1? n^h on^nö * onnsn

• na ^ n'33 rmn D^Tn, it : Dn;n^; pnib -i^k nbax i^K inLinSni • naiK 2% ^noa

• d^k^ti na ^3 nanK ♦:amp; tr^n : nainn xm 1^33:1 bp_ |av^3 * D^K^-in by ah] inrab ^ nni

mana nn^a ^na : own ^a in4v^ quot;iaini nn« fibna nxvi • n^i |j5n lab d-m yv n^nnni * nnyn vaba n»an ^3 * a^an:i ^non id^ : rnn npa 1a1?

t - : - i* * * : ~ : ^* - : • : - r - •• * t • : iquot; t it

rn^n: ah) jaif: ^ainina lanii • naiax |n ah) ^3 * aian pnpa pb -1313 : in^n

1 a^ab : quot;b nxanb nnx avT^ n^tr • aa^ nquot;i3 D^nn vrn * ds n^nn D^pi oaar * *nquot;i3 ona ni'nx na3'v'n niina : Da^i D-a^i an^iabi niriK1?

t t : - -:- • t : • t : : :

^ö'Dins * n^nmsp nu'^in 2^3 - m^nia

• nj'^Ki nam? 1 mini: : ntyaa nan1? n^»3^

T. * T * * 1 * T • L •

nar^s p:i [ni • n:iaK3 ^sin nw?amp;i na^ai

voorkomt, temeer daar de uitdrukking nvn in Midrasli en bij de

Paitaniem zeer gewoon is.

r) Vgl. Clioellien 601), waar dit geheele verhaal voorkomt. De maan maakte de opmerking, dat in de geheele Schepping de grootere aan de kleinere zaak gepaard was; twee even groote hemellicliamen zouden slechts aanleiding geven tot strijd. Als straf voor haar eerzucht, daar zij natuurlijk de grootste wilde blijven, werd juist zij verminderd. Toen begon zij eene discussie over haren toekomstigen werkkring, totdat zij eindelijk door God werd aangewezen als uitgangspunt van feestbestemmingen; ook toen was zij nog niet tevreden en zeide God: brengt daarom eiken Meuwe-maansdag een zoenoffer voor Mij, omdat Ik de maan kleiner heb gemaakt. Dit wordt vastgeknoopt aan het woord 'nS (Num. 28,15), dat alleen bij den zondoffer-bok van het Nieuwemaansfeest wordt gezegd, terwijl het bij de zondoffers op andere feesten ontbreekt.

8) Gen. 1,14. Zie onze aant. aldaar op het woord D'H'l».

ocr page 532

JOTSEROTH.

allen de rekening doen sluiten. ^ — De visschen, die zwemmen in de zee, deed Hij wemelen in 700 reine soorten, en voor gebruik geoorloofd gevogelte zonder einde of getal, en [onreine] te verafschuwen vogels vierentwintig. — Daarna raadde Hij ; «dat de aardbodem voortbrenge wild en vee, onrein en kruipend gedierte te doen wemelen in machtig aantalquot;; toen bewoog zij [de aarde] zich als het ware zelve van insecten, die toch allen voor eene of andere noodzakelijkheid dienen. [David] die na talrijke bepaalde jaren [bij het brengen der bondsarke in Jerusalem] zou dansen en springen 2), vroeg ; ■,waartoe zijn gekken, spinnen en horzels geschapen ?quot; Hij antwoordde hem : «gij zult ze eens noodig hebben, op den dag, dat gij, om u te redden, zult moeten vluchten.quot; 3) — Toen Hij nu voleindigd en voltooid had het bevelen van al het geschapene, sprak Hij : «laat Ons een mensch maken naar Ons beeld.quot; Hij mengde hem dus [uit stof der aarde en water] en gaf hem de ziel en zette hem in zijne «hulpquot; [de vrouw] de kroon op. Toen hem een gemakkelijk gebod gegeven was, deed zijn misleid hart hem afwijken; en richtte Hij hem door Sanhedrien's besluit als een zinverdraaide en verdwaasde om op hem te vervullen: met den kromgeestige gedraagt gij u dwaas*). In die afdee-ling teekende Hij 71 Godsnamen op; van Beréshieth, totdat hij geschapen zou worden 5) en van dat hij geschapen was tot de verdrijving, — beantwoordende aan [de 71 leden van] het San-hedrien, de mannen van onderzoek en navorschen. 6) Zij beiden hebben gezondigd en worden in de Heilige Leer veroordeeld en de slang met hen, omdat Hij [God] niet de juiste argumenten voor hem aanvoei-de, immers : [wanneer tegenover elkander staan] de woorden van den leeraar en die van den leerling, — past het

') De gewone maancyclus omvat een tijdperk van 19 jaar, waaronder 7 schrikkeljaren, waarin één maand wordt ingevoegd, ten einde er altijd voor te zorgen, dat het Paaschfeest in de min, d. i. in de lente valt. Daardoor wordt dan het zonnejaar met het maanjaar in overeenstemming

Ëebracht (19 X 354 210 = 19 X 365 4- 1). Dit is de zoogen. jop ntn». laarnaast staat nog een cyclus van 21 jaar, d. i. van zeven driejarige perioden, omdat de maan telkens na 21 jaar op haar plaats in verhouding tot de sterren is teruggekeerd, die zij bij hare schepping innam, Vmebracht (19 X 354 210 = 19 X 365 4- 1). Dit is de zoogen. jop ntn». laarnaast staat nog een cyclus van 21 jaar, d. i. van zeven driejarige perioden, omdat de maan telkens na 21 jaar op haar plaats in verhouding tot de sterren is teruggekeerd, die zij bij hare schepping innam, Vm -mriD rus*? Sc. De zonnecyclus omvat 28 jaar, en wordt rmnn -mn», ook wel, in de latere litteratuur gewoonlijk, Sn; -mno genoemd. Plaatst men nu de letters van het Hebr. alphabeth, met de sluitletters, in drie rijen;

ö n n n n j 3 n

S 3 J?D 3 O S 3 1

f I a inn p

dan zijn alle berekeningen te maken. De zes eerste letters van de eerste rij (l--Ngt; geven tezamen 21, d. i. het aantal jaren van den grooten maan-

NUMERI. J

72

ocr page 533

vnn trxni ivv zy

* Dnintp niNö pi^n o^np : n:^1? ni^npö run-iK niai^'i * Dnspüi npn n^üi ^önj ypv ' nonni n»n nonK t^vin ^ r on^i : nan dVdi fTina» n^nn • fn^n1? 1N133 nob i btlt;v - ni^iap naob quot;isiddi nis

it ; • tit ~ t i: * t t - ;

nnna avb lab rnwn * nipnxi rrhisi avv

t • ; : «t ( vit : • • v; ^ r: ' r :

Wöbïa DIK n^: * bbDEh -i!3J3 ^13 ba niï : ni^i^nb

tt v ^~:i~ •• : • : -t : - i t ; •

ab inrsm niüv:^ nbp : bba ib nT;n lo^jm iba: • bbo

it • : t - ; * : t iquot; •• • vtquot;: • : * : : • •• •

vb^ D^b • bns;i 1333 pnrnp pna uni * bnm

• n^nsa im) oyzv ibf nmpm de't : bnann oy |nnn:p quot;1333 • n^na ivKfw nxi: n^xnsp rnai * min3 ^'nnai iKün : niynTi nquot;i*pn ^3

t t ; t - : - : • : : t *1quot; ; t * : t i • -: •• ^1 -

♦ini 3quot;in n^aSni 3n Dipö3 * nnirs Kb^ DO^

.no'iiin1? ^quot;Ij^l. : NiT'N p^BTlS Bipna rw ninna *

cyclus; de zevende er aan toegevoegd, geeft 21 -f- 7 = 28, het aantal jaren van den zonnecyclus. In de tweede rij krijgt men op dezelfde wijze 210 (280) en 2100 (2800). Dan schieten dus de beide laatste letters van iederen regel over, terwijl de letters J (in den Isten), JJ (in den tweeden), en sluit-J in den derden regel alleen dienen om den maancyclus tot zonnecyclus te vergrooten.

2) II Sam. 6,15.

s) De zoogenaamde Ben Siera (ed. Amsterdam 5457, pag. 10?;) verhaalt, dat David God eens de vraag zou gesteld hebben, waartoe Hij gekken, spinnen en horzels had geschapen ? Het antwoord luidde: zij zullen u eens diensten bewijzen, dan zult gij niet meer vragen. Toen hij dan ook op de vlucht voor Shaoel zich in de spelonk verborg (I Sam. 23,14), werd hij door het web van een spin, die daar op Gods bevel zich nestelde, aan het oog zijner vervolgers onttrokken. Bij Achiesh, den koning der Philis-tijnen, werd hij alleen gered door zich krankzinnig aan te stellen (I Sam. 21,11—lö); en bij gelegenheid van Davids overrompeling van Shaoel, waarbij hij diens lans en drinkschaal wegnam (I Sam. 26,8 vv.), redde eene horzel David het leven.

■gt;) Ps. 18,27.

6) De Godsnamen in nipS.s- obïa en van cpSs -p^i (Gen. 1,27) worden nl. niet medegeteld.

f) Vgl. Ber. Rab. 20.

ocr page 534

JOTSEROTH.

voor des leeraars woorden ontzag te hebben. ^ De zevende dag zag om naar den [door God] gevormde, daar hij der vertwijfeling ten prooi was, en stond op als een held om hem als eene muur te beschermen en smeekte vóór het aangezicht van den Vergevensgezinde en bracht tot bedaren toorn en gramschap. 2) Zoo rustte daarop Hij, die woont in het verblijf in de uitgespreide [hemelen]; Hij gaf hem tot erfdeel aan Zijn volk, dat in Zijne schaduw toevlucht zoekt, die loven Zijn naam, [zeggende:] „want op dien dag rustte Hij van al Zijne werken,quot; de Heilige!

• IfllK

Millioenen macht'gen U ter eere zeggen : „heiligquot; 8).

De schitterstralen, iedren morgen nieuw geschapen 4),

hun zeggen is: „geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: „heiligquot; en „geloofd.quot;

Heirscharen hoog ter Uwer eere luide — zeggen: „heiligquot;;

Zacht suizend, zoet gemurmel U ter eere,

hun zeggen is: „geloofd,quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: „heiligquot; en „geloofd.quot;

Dreunend dreigende donders U ter eere, — zeggen: „heilig.quot;

Voor U verzaam'len zangerscharen zich — en zeggen; „geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath, zeggen: „heiligquot; en „geloofdquot;.quot;

Schreiend de schitt'rende hemelsche boden — zeggen: „heilig.quot;

Siddrend staan vóór U de groepen Chashmalliem

zeggen: „geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: „heiligquot; en „geloofd.quot;

Tot U vliegen vorsten van 't vast firmament, zij zeggen: „heilig.quot;

Tot U roepen eng'len en fladd'ren en vliegen 5)

en zeggen: „geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: „heiligquot; en „geloofd.quot;

■) Dit zoude de juiste verdediging van de slang zijn geweest. ;,Eva had Gods woord boven dat van de slang moeten stellenquot;. Daar de slang zelve dit argument niet aanvoerde, werd het in dit geval, waar men met een verleider te doen had, ook door den Rechter niet in aanmerking genomen (Sanhedrien 29a).

quot;) Pirké R. Eli'ezer, 19.

73

ocr page 535

Enn ewi ixr yy

-I13J3 • noinpb fn: »3 17» yip in : kiio^ 1 p| t'quot; : noniD^a ^2p\ bniö ♦js bio |3m * nDina pnS •D*pin ibïa idj;'? iVn: • o^ns |iDp 3^1*13 tya: inr San : ^npT * D^sn bso 13 '3 D^nsa'p

oSwa 2quot;X Bquot;3J JtJT^

B'n^ DHDIN ♦fiVN D^K ^

Tfra DHDIK Dn|33 'Nins D^-)3 ?|gt;

: quot;rjiisi rn[5 onüiK D'trra nins^s n^np *p

onoiN D^nnj niii o^ia ^

■^ns onpiN npn HDDT D»331quot;I ^

: viïipT onoiK D^TOI ninsK's ni^np ^

B'np onoiN n^an 'pin D»pin ^

Tjns onpiN D'^ni ni^i Dmpi ^

: ^*131 onpiK D'tynn^i nin3^3 n^np ^

vïipT anoiN 'sr o^^ir

^quot;13 onaiN D^p^n ♦Vn o^n ^

: ^1131 trnj? onpiK D^nnsi nini^s ni^np tp ^npT onpit? D'nisjp npöü opü nV

tps onpiN pUT pUT pNquot;)p* ^

nvnni : ^-131 irnj5 onpiK D^nnsi nins^s nlbnp

3) Gedoeld wordt op de Kedoessha, heiliging van den naam Gods, door de engelen-koren, die, bij Jesaja 6,3 het //driewerf heilig enz.quot;, bij Ezechiël 3,12 het: „geloofd zij de naam des Eeuwigen enz.quot; aanheffen. Deze beide verzen vormen ook in onze liturgie de Kedoessha.

4) De engelen, die als bliksemstralen glanzen en iederen morgen nieuw geschapen worden, vgl. Chagiega 14a. B. R. 78.

s) Ps. 68,13.

ocr page 536

JOTSEROTH.

74

•nSiT

Uwe trouw is waarachtig en groot, Gij, die in de vergadering der heiligen als heilig wordt geprezen; telkens als Gij het teeken des heils [aan den hemel] plaatst bij het vernieuwen van het morgenrood, zullen de [uit Egypte]' verlosten U huldigen!) telkens op iederen Shabbath en nieuwemaansdag en zeggen: „Uwe getuigenissen zijn ten zeerste vertrouwbaar, Uw huis betaamt heiligheidquot;.'2) Het is gewoonte «de schoone vruchtquot;3) [van den olijfboom, d. i. de olie] te gebruiken als brandstof ter verlichting, bij het naderen der ochtendschemering echter gaan de lampen uit, daar hun gebied ten einde is; en kort vóór den morgen orden ik mijne bede en zie hopend op naar U, Eerbiedwekkende, — want bij U is de bron des levens, in Utv licht zullen vdj het licht aanschouwen. ') Moge de glans van het verblijf Uwer heerlijkheid [Tsion] Uwen uitverkorenen getoond worden naar hunne verdienste; vensters, [naar binnen] kleiner, en [naar buiten] grooter wordend,5) mogen in pracht zich verheffen als bij den eersten en tweeden [tempel]; de voorspelling van Uwen ziener moge bewaarheid worden: ;/dat maan en zon zich verbergen, 6) want de Eeuwige zal u zijn tot eeuwig licht.quot; — De kroon der schoonheid. Uwen tempel, vestig hem, leg vast zijne grondslagen; maak weer volkomen den troon en Uwen heiligen Naam, bedien U niet meer van slechts twee letters;7) verschaf Uwen dienaren een nieuwen naam,9) gelijk er een nieuwe hemel en nieuwe aarde zal komen;9) nJubelt hemelen, want de Eeuwige verricht het; juicht, gij diepten der aarde!quot;10) Wanneer Gij [naar het gebied] van den top van Amana af binnenwaarts11) de ballingen uit hun gevangenschap bijeen trekt, doe hen dan hun zangstuk erven, terwijl vrouwen de mannen omringen;12) als het geheim van hun leiding in hunne jeugd, toen maagden den tamboerijn sloegen [bij den uittocht uit Egypte, aan de Schelfzee] nil [den val van] het leger; de stad is dan ons tot kracht, tot hulp doet Hij strekken muren en tusschenmuur.13) Het woord der bedenking in Chanés [Egypte] heeft opgewekt het verbond met onze dooden [de aartsvaders];131) gij, rechtvaardige spruit! vernieuw in nabijzijnden tijd onze jaren; dan gaat Gij gevreesd als koning daar heen, en ik [Israël] als Uw pachter u) en te zamen verlustigen wij ons; dan wordt vol van gejuich en lachen

1

De schrijver is R. Meier ben Iz.vk, met den bijnaam Sheliach TsiMioer (Yquot;v, Voorlezer), die herhaaldelijk door Rashie geciteerd wordt, soms als reeds overleden (V'xt). Hij leefde te Mainz en te Worms omstreeks 4820 (10B0) en R. Jitschak Hallévie uit Worms, Rashie's leeraar, roemt zijne dichtstukken en voordracht. Zijn zoon R. Jitschak was te Worms een der slachtoffers van den eersten kruistocht (4856, 1096). Van hem is o. m. het beroemde nmipN, dat op het Wekenfeest bij het begin der Thoralezing wordt voorgedragen. Landshut pag. 162—167 noemt als beslist van dezen dichter uit de verschillende ritus 21 stukken.

ocr page 537

unn mi) nar1? rhv ny

(* .D1310 d'üïmi n-iina pin pw ia -vso own ^1021 ;quot;x dquot;ï fjSlt

p»V • ^pnp gt; D^np iioa nan 'npN ^n:iQN

no ^TpKt D^ixa • unnnan in^n TO •' njNi ^jva1? -IKO iipK: • Knini.

133 nni:sn nit^D^n Tpbn • hksV -133 'nn iKin ns '3 * quot;tlKJ ^ naïKI Tjll^N quot;1[513V -jiopl * UNTl1? I ^33 hnt ^1133 Dipa nniT : UN hni: ^pixs Dquot;n nipo ?|öy nT3i HTS nirppp niaibn * o^as ^Tns1?

^ « *3 * D^nnquot;? hki iï ^in D^CJ * abyb

nun D3 • nvnv ID: 3E* ^73*1 bbpD ^

D'Khns j^-in dv * nvnix ^^3 t^an^np 1 D^n : ni'-nnn i^nn quot; »3 m * nvniK n^im

' : quot; i* t *: t t- • 1-t it t t -: -

33iDn n3p: * ^n^n3 o^a ni^a d^sVi n:ax trxia

: t i ••; : t : • • • t • : • : t t -:

quot;in« nififiin nia^s ma^jr ain: no * Vn: yw p-12 quot;132 D:n3 nTps na : bm main yy •

♦ 1 t^inn D'Jiy 3quot;ip pny nay * m3 m'vn

lquot;t ••- : • t v||v i •- - iv ..... ; • ; t quot;

pini^i mi Hbw tn • w:v onNi ,nVa3 Nquot;iia ,nii?nn

i : t • •■ t - t ......- : • t : i •■• i ■■■ : t | -: -

■) ■jn,'?3s,) vgl. Deut. 26,17. 2) Ps. 93,5.

3) Jeremia 11,16. ■•) Ps. 36,10. 5) I Kon. 6.4. 6) De uitdrukking is ontleend aan Jes. 6,30, het denkbeeld aan Jes. 60,19, waaruit de tweede plaats is genomen.

') Ex. 17,16 staat m ds br -p 13, het woord n;d dus //gebrekkigquot; geschreven, zonder s, en de Godsnaam slechts uit de twee eerste letters bestaande. Hieruit leiden onze Wijzen af, dat, zoolang de eindstrijd met 'Amalek door Israël niet is volstréden, Gods naam noch zijn troon weer volkomen zullen zijn. De bedoeling van orize strophe is dus: maak een einde aan 'Amalek's macht.

8) Jes. 62,2. 9) Jes. 66,22.

I0) Jes. 44,22.

quot;) Amana is de noordelijkste bergtop in Palaestina. //Van Amana binnenwaartsquot; duidt geheel Palaestina aan. Vgl. Challa 4,8: Gittien lh en 8a. «) Jer. 31,22. 13) Jes. 26,1.

13*) Zie de aanteekening op het einde van dit deel.

14) D'-is is een werkman, die van den landheer land in pacht neemt onder voorwaarde, dat de opbrengst in zekere verhouding zal verdeeld worden.

ocr page 538

75 JOTSEROTH.

ome mond en onze tong!quot; ^ Door het te plaveien met Poech en Saffier 3) maak hecht en sterk mijn voorhof; den, cypres en ceder, populieren zijn de latten bij mijn terugkeer; en men stelt schoon een heerlijken zang in, als destijds toen ik de zee gekliefd zag!

Neem ter hand schild en schutpantser, en sta op om mij te helpen!3)

Voor den derden Shabbath in Ijar.

*) Gij zijt mijn God alleen, en buiten U is niemand ! 't Wellustig [Rome] spreekt: «Ik, ik ben 't, verder geen!quot; w'k Ben doorgedrongen in des tempels binnenkamer. Verwarring bracht ik op de plaats van Gods verschijning4)! En ben toch ongedeerd te voorschijn weer getreden,

Terwijl geen ramp mij trof, noch struikelde mijn voet!

Gods helden trapt' ik neer, Zijn dapp'ren kon 'k vertreden. Zijn burchten slechten, ja, betreden zelfs Zijn woning. Het allerheiligste verblijf Zijns heil'gen woords Verbrijzeld' ik en mocht Zijn erfdeel zwaar verdrukken;

Zijn legerscharen sloeg ik tot verniet'gens toe,

En zelve werd ik door geen onheil ooit getroffen!

Voorwaar! ik leef in rust, vol vetheid, krachtig bloeiend, Ik woon in mijn paleis in kalmt' en veiligheid!

Waar zijn Gods wond'ren thans, zoo vaak verricht voor 't

„boompjequot;5)?

Waarom toch redt Hij 't niet uit mijne [zware] hand?

Ik deed verstommen en ontwijdde tempelzangen,

Verbrandd' in vuur Zijn huis, verwarde Zijne hoven,

Ontwijdde Zijn geheim 6), sloeg bressen in Zijn wanden,

En op Zijn eigen outer slachtt' ik priesterscharen!quot;

Het woord der zienerschaar der weggestormde natie, Het grootsch profetenwoord van 't angstig wachtend volk Voorspelde haar: „nog eens zal zij met vreugd zich sieren7)!quot; Doch lang wordt ons de tijd, —bedriegt't visioen der zieners 8) ? Daar geen verkwikking naakt van 't vlammend pijnenvuur!

Almachtige, Gij zijt de Eeuwige, onze Heer!

Bedwingt G' ü bij dit al, laat zwijgend G' ons verdrukken ? Waarom toch ziet Gij 't aan, dat trouwloos z' ons weerstreven ; Wat zwijgt G', als snoodaard's muil de rest des volks verzwelgt?

') Ps. 126,2. !) Jes. 54,11. ') Ps. 35,2.

ocr page 539

vin naif1? n^ir ny

tfina 1 mji pin npn -i^pi -jia nib'is ; wa tiybb yv • ♦nnrn ♦nna ni^ni nnnn mry : 'rnjr^a nDipi naïi po pTnn • ♦nnn D»3 NO

.-rx m tix mrhv rap1? n'nr

.dSCO bwquot; ^331 3''{{ Dquot;r

• my ♦pSNi *jk no: njn^ • my px rjn^T'i d^k nrix DiWni • ni^! Dipo nnna »nN3

• vT3Nt ♦n^piir ini35 : niyipi ps ^3 'nxv; inVn: ♦nxyi n^i * TOOquot;! vni:3iro ♦nonn vnii'ü

t -i - : i~ t • ; • : i- t r ; ; • •;!-•• t

man nib^ ♦aan .* ♦n^x ab yii VK3Ï *

tquot; : tquot; i • : • • iquot; •-. ^ -: • ; i- • t t : • i-^-

vniN?a; nw * nsjN^i n^p^ p'oiNs nzfv - nM^ii 1*73^ nn-or : naquot;?^» x1? n'o yno * n33'? «^an ni^K

t •• • : tiv • - *t ' i ~ t - : • ; • v -t

♦nnynyi ^K3 'nyni • vnn^ ♦nVVni 'n^nn

• . Iquot; ;^# : tI : • •• t • r • : t • •:!-•: • i- v: v

insTp * vnimp ♦rnplpquot;) Uiav ^^n * vnnxn D'Kaan * n^aiv ♦«♦3J1 ni^io nin ^tp : vni^o ^n30 pK • n^avo p'Tn -i3Ni 131k d»p* * n»an nyn my nb Vyn * iwnK quot; nnM ns quot;i,33 : n^aah t^No nm n1?

■ iquot; -: *: t - - i - t iv t : •• •• tt : t

D'ppn anaia □♦sn no1? * i:3yni n^nn paKnn nVx D»3#OI D^io : ir^np nnxiy yb33 t^nnn - ir^

1

De schrijver is dezelfde als die van vm -p3ix, zie peg. Nquot;»p deel III.

4) quot;nn Dip», de plaats, door God bestemd, om met Mozes saam te komen (Ex. 25,22).

6) nja, naar Ps. 80,16: Bedenk.... en dit spruitje, dat Uwe rechterhand plantte, een veelgebezigd beeld voor Israël.

quot;) wsx, de plaats in den tempel, die voor ieder verborgen, ontoegankelijk was, het allerheiligste.

7) Naar Jer. 31,3; eens zult gij weder u sieren met tamhourijnen enz.

8) n;s hier gebruikt in den zin van: niet uitkomen, niet vervuld warden.

ocr page 540

JOTSEROTH.

Zij kwellen en pijn'gen steeds, vertreden Uw gemeente,

Slechts last'rend, schennend woord wordt tegen U geuit. Gevreesde Almacht, Gij, Wiens toorn geen volk kan dragen. Sla hen met angst'gen schrik, die durven U bestrijden.

Verwar hun geest, huil blik door 't dond'ren van Uw storm !

Zij sloten met geweld den mond van wie ü huldigt,

Verboden ons Uw naam als een'gen God te prijzen; Zij vorderden een valsch getuig'nis hun te geven,

Te looch'nen [o verraad!] Uw eeuwig waarheidswoord !

Waak op dan, waarom zoudt Gij langer blijven slapen?

Waak op dan en verdelg, die opstaan tegen U!

Om in het openbaar Uw koningschap te toonen,

Voor gansch der wereld oog Uw eenheid te betuigen!

Doe lichten Uw gelaat, bewijs Uw wonder-gunsten!

Help wie op U vertrouwt, doe jub'len Uwe vromen;

Leid weer Uw kleinvee naar de stad, waar Gij verschijnt! Dan weet weer gansch 't heelal, dat geen is buiten U!

Richt op Uw hut, als eens, op Shalem's schoone bergen,

Breng daar bijeen d' in West en Oost [zoo wreed] verteerden;

Dan spreken overluid wij Uwe grootheid uit.

Dan treden wij met dank en lofzang voor Uw oog.

Als G' onze ballingschap terugvoert [naar haar plaats].

Vernieuw dan als weleer de dagen onzer glorie!

Dan wordt een nieuwe zang, een prijslied aangeheven.

Als Gij het arme volk uit trotsehe macht bevrijdt.

Om hun banier geschaard, welt uit hun hart Uw lof,

Gelijk eens aan de zee, toen zij door golven trokken.

Bevestig dan Uw woord, o eeuwig levend Koning!

«Men zal niet meer het juk der 'Anamiem 1) gedenken,

Maar spreken zal men ; leef [d' Almacht'ge Opperheer], Die voert van verstverwijderd oord, van 's werelds grenzen [Zijn volk], dat hopen bleef [op Zijn beloofden steun]

In nood der ballingschap, bij brandend barenbruischen !quot;

Ahata voor den Shabbatli vóór het Wekenfeest.

De Voorlezer zeyt tot Oelejachedcha Beahaba.

76

*) Op U, o Heer! slechts hopen wij eiken dag. Uw naam herdenken, vormt ons geheel vertrouwen!

') De 'Anamiem zijn volgens Gen. 10,13 een Egyptische volksstam. — De gedachte is ontleend aan Jeremia 23,7 en 8: Zie, dagen komen, zeyt de

ocr page 541

nn inN n^T

HM: • wm a^nai - D^SO-IQI

^ipa Dani ^nnp mn» - ?|D^T o^ia quot;nMi

ipv nnj; * nn^p ni'fi lonp : ^JD^I

* inpnV |^n nsb nii^ * nnab ^npNi -i#n4 N^ani -ixn ^13 : -iriD1? »3p£j3 ^nia^p nnp^ 1 ^n: • ^Tpn jnni ^♦Din ^in * ^non

?|3d Dpip : pst ^ San * ^10

pan1? ïjniDpn * D-ippi iinxp nyi * onppa

: □-ipp trnn i:n^ * nnp: ^33 nninai

* D^Sin «]3p D^ ^nna • fyjai ^ ?|nbp : D^a pa onni^i ma • D^a-i; i^a! nbnn

* crpj# bnp nna quot;i^rnV * D^ip 1 o^n nip-j3 nViaa vbn^o * crpinn 'paxp n^an 'n iaKS

mtj; : Dpinn

m^ntr -JSS rarS nnnx

•pin pnx' 'ana onax a-s cy

quot; rinx * irix ^-iprbi ïjatf1? * irip Di»ri Sa n1?1) * innaty nv:1? naV * inmn niiaa ra : ivdk

; ; - : -iv t tit : - • I : : I •• i* t

Eeuxcige, dat men niet meer zal spreken: zoo waar deEeuwiqe leeft, die de kinderen Israels uit Egypte heeft gevoerd; — maar: Zoo waar de Eeuwige leeft, die het kroost van het huis Israels heeft opgevoerd en gébracht uit het land in het noorden en uit alle landen, waarheen Ik hen verstrooid heb enz.

*) De schrijver van dit stut is R. Efiiajim b. Tza.k uit Regensburg, een tijdgenoot van R. Jakob Tam; hij stierf ± 4935 (1175) en was dus, evenals de schrijver van het voorafgaande stuk, getuige van eenige kruistochten-vervolgingen. In de Poolsclie liturgie zijn voor de Shabbatdagen tusschen Paasch- en Wekenfeest nog twee stukken van hem opgenomen, terwijl ook voor andere bijzondere dagen door hem gezangen zijn vervaardigd, o. a. het beroemde r»ü xn. — De derde en zesde regel van iedere strophe zijn citaten of vrije aanhalingen van bijbelplaatsen.

ocr page 542

JOTSEROTH.

Gij, Eeuwige, zijt onze Vader!!)

Wel hebt G' Uw eerstgeborene [wreed] verstooten, — Waarom toch zoudt Gij hem voor altijd vergeten?

Niet weder hem \ge71adiglijk'] tot JJ nemen?3)

o God! hoe lang nog ! ?

Verdreven uit zijn binnenvertrek, den tempel,

Verjaagd uit al zijn vroegere pracht en grootheid,

De deur achter hem gesloten!*) Al voortgestooten, niet meer teruggezien,

Geslagen wreed, te pletter, geheel verbrijzeld.

Gevangen, ach, — en geen die hem ooit zag weder!

0 God! hoe lang nog ?

Zoo zwaar getuchtigd, brak ik in jamm'ren uit, [Aan smart ten prooi], in plunderaars macht gegeven,

Gelijk aan den eenzamen vogel! 5)

Zoo vluchtt' ik telkens, iederen dag vervolgd.

Steeds weer als uitgeklopt door geweld'naars plannen, [Al voortgejaagd] door de stem van gevallen blaren^), 0 God ! hoe lang nog !

Zij trachten listig, loerend op ziel en leven;

Hoe toch ontkomen aan 's vogelaar's leugenstrikken ?!

Ztj bloeien, hun knoppen zwellen! 7)

Steeds lastert driester, die mij naar het leven staat! Wat kan ik hem op zijn schelden ten antwoord geven ? In zwijgen leg ik mijn hand op den monds), verstommend! o God ! hoe lang nog ?!

Verborgen netten spreiden zij voor mijn schreden. Den schoonheidsstaf9) bedreigen zij met verderven.

De natie, in gramschap zoo woedend! 10) Te zamen fluist'rend stellen zij lagen mij 11), Hun strikken spannend voor alles, wat mij behoort, En daag'lijks weer mijn ondergang ijv'rig zoekend!12) o God ! hoe lang nog!

Zij graven kuilen, daar mij met list te vangen. Verbergen knippen, ondergang mij beramend;

Verlaat mij toch niet, 0 IIeere !18)

Waarom toch zoudt Gij in eeuwigheid mij vergeten?14) U tot mij wendend, bestraal mij met Uw genade!15) 0 Wil mij redden uit 's vijands verwaten pralen / 16)

o God ! hoe lang nog!

Wat kan ik wachten, wat blijft er nog te hopen ? De heil'ge berg, het sieraad, gewijde woning,

[Beploegd, en] gelijk aan de dalen! ^)

77

ocr page 543

V?30 KÏIO * imn n'30 Ehia:quot; 'na n^i * innpb 3^n

-•• t t t ~! ••• quot; *: quot;t quot;: ;l-; t

-13^: * ntn: n1? n^i nn^j : innK nap nbnni * innn npiDSi :« 'no ' nxn jw natr; * ntfrni n™ 'npai : Tii3 iisxa 'n^n • -n# Ta imv ' Tl^np ♦no bipi • f]nTf; D^vn^ nna '* eprn Di»ri

n^3 nnby * nmia D^pv nsoi • nnp1? ioot : «

t • t : t - r * i: - * - i i-t • : quot; -:t

• 'fiiin iai d^k noi * ♦fiKt? nbo siin : nmiöD «'ni

• : t t • t t • -: tiv | •••• - r ; • ;

iVan * DVfi1? n^i I:OÜ : quot; 'no i^i • 'nob 'no'ty n»

*-1- : v iv : t • : • ; i- t

itfK hf) ' iiynbn' 'Vjr in; : D^T im D^n * Djm i|50 nnitr ii| : quot; 'no i^i * will' Dl' ai' * 'V no1? : 'jnwn-bN D'ribx * ':i3^ i:oü D'nai • 'na1?1?

tit • iquot; . ' * v: •!••:-; : t • - • iquot; : t :

iwi • ^^^n TV '3'KO * 'jam '•?« nas * 'anatrn nxa1?

* • : •• i-t : - •• •• ; * i** t : * -ivt

Sn * m: trip 'nv in * npK noi ^'nix no : quot; 'no

vt v 11 • : - vl--: t • t

i) Jes. 63,16. ') Naar Dent. 24,19. 3) Gen. 19,6.

lt;) Ex. 22.9.

5) Naar Ps. 102,8.

6) Lev. 26,36.

?) Naar Gen. 40,10.

8) Job 40,4.

s) Zech. 11,7 ; voor het weiden der den dood reeds prijs gegeven kudde nam ik mij twee staven, den een noemde ik: lieflijke schoonheid en den ander noemde ik: verderf. Sanhedrien 24a wordt die eerste naam in verband gebracht met Palaestina's geleerden, die elkander welwillend behandelen. Waarschijnlijk denkt onze dichter aan die verklaring.

10) Naar Mal-achie 1,4.

quot;) Ps. 41,8.

1J) Naar Jes. 58,2.

l3) Ps. 71,18.

quot;) Naar Klaagl. 5,20.

1S) Ps. 25,16.

is) Naar Ps. 18,18.

17) Zeer geestig gebruik der woorden Gen. 14,17.

ocr page 544

JOTSEROTH.

Mijn ziel versmacht, in wachten op 't eind der tijden!); Weer nieuwe rechten3) bedreigen mij eiken morgen, En alle troost is verborgen voor mijne oogen ! 3)

o God 1 hoe lang nog ? 1

Zie, telkens hoop ik; ;/thans is eens de tijd gekomen!quot; Doch neen, slechts dood en verderf [komt mij tegengrijnzen]

En geen, die besluit tot herstelling! 4)

Vertrapf, vertreden, als voetbank word ik gebruikt! Vertwijflend kan ik al bijna niet meer gelooven.

Dat eens toch komt nog het einde der jammer-rfwe/i / 5j o God ! hoe lang nog ?!

Verdrukkers doen verwild'ren, verteren mij,

Zij brengen ons aan de grens van den ondergang.

Ach, zij domp'len in d' afgrond mij! 6)

Ons leven smorend, eischen zij zielsbesmetten7); Hun doode goden aanbiddend, tot hen te smeeken;

Hoe zij mij tergen, met niet-god mij pijn'gend kwellen! 8) o God! hoe lang nog ? 1

In wreedheid roepen zij : «bloed moet er thans vergoten !quot; Zij stellen ü, o Rechter! zich niet voor oogen!

Wat zoudt Gij dan langer nog slapen?9)

Gij ziet, o Heer! hoe Uw naam z'in hun trots ontwijden, Hoe snood zij telkens weer nieuwe beschuld'ging uiten, Hoe luid zijn heerschers in vreugde hun macht bejub'len10). o God ! hoe lang nog ?!

Gebrul stijgt op uit Uwer weerstrevers mond:

Om mij te binden, in kerkermuur m' op te sluiten.

Voornamen zoowel als geringen/11)

Het onheil, ach, het vermoeit, het verzwakt te zeer! Zij maken puinhoop, een ak'lige woestenij 12),

Be natie, eenmaal genoemd : uaan het zwaard ontkomen.quot; 13) o God ! hoe lang nog ? !

Zij dachten reeds m' uit der natiën rij te delgen,

Zij brieschten m' aan, door schrik moest ik zijn bevangen!

Doch ik stel den Heer mij voor oogen!u)

Toch staalden zij zich het voorhoofd, vol overmoed, In groote trotschheid verzamelden groepen zich 15), De menschen vangend, slepen zij weg den buit! 16)

o God ! hoe lang nog ?!

Al moordend nemen goed'ren z' in hun bezit;

Zwaar drukt de last ons van 't zwaar te verdragen juk !

Mijn rug met hun ploegschaar doorsneden! 17)

78

ocr page 545

nijroip nan» nv

* onpa1? o^ann • ♦njr fpS ia: : n^ pay. nsni * I biTN nVp : M ♦no ny) - syyn nns^ oniai

'nmK • pann :n quot;|'^T!?i?,| * n^l

^io ^i^nö :« 'na n^i * j'a'n fpb * paxn^a my max : ^Vpat^ nnt^a ^ n^Dn n^i * ^iVdn

* ♦iiwp on * Ski^i nan Sn ^nn * ^nnb «n wrt^t ^ia^ * DTTjfi^ onpN IK^ : « *na np

* ^bn n^iT: Din; ^ nai • onii1?

* nViy ^apT jiK^ : ^ 'na -ijn * ib^n» vWiai * - 3quot;in Dnixbn : nbpsa 13333 * NVS n^s i-iaA : quot; ^na -ivi * 2in nnir d^ * 3iin ni3quot;in lat?

: t vit •• r ; v i : t it

Drns : ♦; ww * nnnnb imi * 'Tnsn1? ^iaa ♦na * itiri 13^ * i-T^ri d:ik: 31131 * iT^ni iptn : win »33 ^i ' iPpn ^ cby * iB'T D3i: inxn : «

') ^p is de gewone term voor: de bepaalde tijd, waarop de verlossing komen zal. i:nr -^p beteekent: het verloop der door de Profeten en Daniël aangeduide wereldperioden, die door de definitieve verlossing zullen gevolgd worden.

') in, strafgerichten.

3) Hoshéa' 13,14. 4) Naar Jeremia 30,13. 5) Dan. 12,13.

6) Naar Job 9,31.

7) SsonnS, ons te bevlekken door heidensche voorschriften en godsdienstceremoniën te volbrengen; vgl. voor de uitdrukking Dan. 1,8.

8) Deut. 32,21. 9) Jona 1,6.

10) Naar Jes. 52,5. i^vrn eig. jammeren, hier: juichen, evenals jji in beide beteekenissen gebruikt wordt.

11) Naar Jes. 3,5. — Zie over deze strophe Baer.

quot;) Naar Ez. 29,10.

quot;) Jer. 31,1.

quot;) Ps. 16,8.

15) TOn, verzamelen, naar Ex. 9,19; eene aardige woordspeling. '«) Gen. 34,29. Naar Ps. 129,3.

ocr page 546

JOT8EROTH.

Met lange streken trekken zij ploegers-voor',

Zij trekken 't meetsnoer over 't volmaakte plan 1),

Want Gij, o God, voert hun liart op verkeerde wegen!3)

o God ! hoe lang nog ?!

Uw naam verheffen, die prijzen Uw eenigheid ; Om Uwentwille worden vermoord, ontworteld,

Die des Eeuwigen wachtpost betrokken 3).

Uw kind'ren, vaak beproefd, zijn daardoor gekend.

Wier stroomend bloed hun martelaarschap verkondigt In eiken ochtendstond, ieder oogenblïk! 4)

o God 1 hoe lang nog!

Zoovelen trachten van Uw weg ons af te leiden,

Beramen plannen, door U mij te doen verachten;

Zij roepen mijn ziele toe: buig u!6)

Zij denken immer, mijn volksnaam eens weg te rukken. Zoodat Uw naam dan ook nimmer men meer gedenke! Voorwaar zou God dan die wandaad niet onderzoeken? 6) o God! hoe lang nog!

Uw kleinvee-kudde, den dood reeds ten prooi en hinkend, Steeds voortgestooten, van ongeluk vol verzadigd,

o Eeuwige! help toch!'1)

Allevend God! Verlosser sinds eeuwen her!

Doe óp weer bloeien in 't dal mijnen rozenstam !

Waak op, o Heer! waartoe dan nog langer slapen!s)

o God! hoe lang nog ?!

Die U weerstreven, ruim weg gelijk dierenmest;

Neem dure wraak voor Uw Naam, zoo alom geprezen,

Ach, thans door de volk'ren geschonden ! 9)

Almachtig Vader, Verlosser van Israël,

Wek op Uw macht, o spoed U toch mij te hulp!

Waak op, mijn eere! op I0) uit uw doodenslaap!

o God! hoe lang nog!

Stort op ons neder Uw teederste liefdeblijken.

Wek op Uw wraak in het ziedendste gramschapswoeden

Op 't hoofd van den wreeden verdrukker! n)

Gedenk die allen, die in 't diepst hunner ziel U minnen, O draal niet langer, te schenken hun loon naar werken! Gij mint ons immers met eeuwige vaderföe/tfe /12)

Dan zijt Gij, o God, onze Vader!

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die behagen schept in Zijn volk Israël met liefde !

79

ocr page 547

mjroip nairb nan» uy

aaV n» niaon * n^sn nK itidi • ^ 'ontr

T • V T I • -: * : T -; T • -J - - T I* T

T7^ ' ^nn^D : « 'na i^i • n^ninx

• d^VT ïj^ins ^:| : no^ ♦♦ n-iot^p * nowi in*iD3 D*5n : quot; 'na njn • d^Vquot;! Dn^a1? * o^niö i Q*m) : *ptob IIOK * ♦n^tn'? ^ap • ^nnn1? DnoiN

• npn! xbn • ii2?bo ny ïjpty * np^ quot;m lor

• ni^ia nn^ - n3*inn jnï : « ♦na w ni^ * f^-i^ pö^p n^pyn * »n : n^trin »♦ ^pp K3p * *ij;3n ?pöpT : « ♦no n^i • |^n np^ /^rnna * rrrriy /bNia p?n : Vbnp i D^iaai - V^npn nan : « ♦no - miy mas mw - mr^1? niyin

T * T I : T i T:*v : T I

: Tiiyn lïn • nii^n nona ^n^Jp ' ^l^n nnn;

• D^trbo i anb^a in^n Vni * 5^0:3 n^aniN nar

. TT ; •• - ; - : t *-. viv ; f iv -: ;

: i:*aK M nnxi * D^IJ? nanx unanK

r t ▼: t - : t ^ - -: - it ; - -:

: nanxa Snibquot; 10^3 nman 'n hdn ina Cidi -jS nmnS pquot;,^)

') Ez. 43,10. Het beeld is ontleend aan het naar Romeinsch gebruik beploegen van veroverd en in bezit genomen land, dat dan werd uitgemeten en onder de soldaten van het overwinnende legioen werd verdeeld, man is hier gebruikt in de beide beteekenissen, waarin het in den Bijbel voorkomt: teekening, plan, (Ez. 43,10) en volmaaktheid (Ez. 28,12). Het is de bodem van Palaestina, waarop de dichter doelt, of Israël zelve.

5) I Kon. 18,37.

8) Num. 9,23.

4) Naar Job 7,18.

') Naar Jes. 51,23.

6) Ps. 44,22.

') Ps. 20,10.

a) Ps. 44,24.

») Naar Ez. 36,23.

•o) Ps. 57,9.

quot;) Num. 10,9. quot;) Naar Jer. 31,2.

ocr page 548

JOTSEROTH.

Zoelath voor den Shatbath vóór het Wekenfeest.

*)Met onz' ooren, o God! hebben [vaak] wij vernomen,

Onze vaad'ren, zij hebben ons [dikwijls] verhaald

Van de daden, [in groote genade] bedreven,

In de dagen der oudheid, voor ons, [üwen^ stam]!

Ja, in alle geslachten verriehttet Gij wond'ren.

Die met eerbied doen noemen Uw naam [steeds gevreesd].

Groot zijn Uwe daden, o Eeuw'ge, mijn Heere!

Uwe wond'ren en plannen, op ons steeds gericht!).

Gij bevrijddet met machtige hand ons zoo vaak reeds

Van de listige slang, uit verdrukkers geweld,

Uit den muil van den leeuw, uit des beers sterke klauwen.

Uit den greep van den panther, uit allerlei ramp.

Doch zie thans ons getrapt, de verplett'ring ons dreigend,

Door den poot van den ever, wild woedend in 't woud!2)

Bijna wankelt de voet ons, mijn voetstap glipt uit/3)

Reeds te lang hebt, o God! Gij gestraft met verachting [Uwe natie, die Gij thans] vergeet, naar het schijnt;

Reeds veel meer dan een duizendtal jaren van zuchten. Van smarten en weenen ging mij over 't hoofd!

En nog steeds is de ziel mij verstoken van vrede.

Worden bressen geslagen, weergalmt mijn geschrei!

Want ter eere van U laten daag'lijks w' ons dooden,

Wij gelijken op kleinvee, ter slachtbank geleid! 4)

Perioden van lijden gaan heen na elkander,

Steeds hoopt' onze ziel, dat het einde eens kwam!

Doch hoe lang liet de eindpaal van dulden zich wachten. En geen heling werd zichtbaar [voor schrijnende wond]! Toen de tijd van het schriftwoord : „Wilt Jakob bejuub'lenquot;5) Was gekomen, verwachtten wij hulp op haar tijd,

Doch men hoopte op welzijn, maar 't geluk liet zich wachten; Op den tijd van genezing, doch helaas! niets dan schrik/6)

Ach 1 wij hoopten op goeds, doch 't bleef duister en donker;

Na den tweehonderd vijftig en vijf maal'gen loop

Van negentienjarige maanjaarperiode.

Geschiedde het plots in het elfde jaar,

Dat te zamen [tot machtigen strijd] zich vereenden

De volk'ren, zoo trotsch, zoo aanmaat'gend, zoo wreed!

Ja, toen zonk mijn leven in ziedende waatren,

De stroomen der boosheid bedolven mijn ziel! ?)

*) Over den schrijver, R. Eli'ezer b. Nathan, pag. 65 (bij den w nV» jrna na»1?). Ons stuk bestaat uit vierregelige strophen, waarvan tel-

numbri. k

80

ocr page 549

mrDB' 'jbS rae^ nbnt b

.pjo ptn jnj quot;«ana iwhs Dinm 3quot;s dquot;ï

Sps * uS mso irniax mnw zrnbK

i it ; • iquot; -: : i~ t !••: t : v:

—iim -in ^33 * i^yoS onp ♦O's n1?^

t t : r* -: ~ : vhv •• r t : ^i-t

'n^N « nm man • noiy niNiu

I iv ; : • -•••:*: t ~ t i* x - iquot; t ; iquot; t

• Qnïi irnso prina un^Ka : ^niairnQi

• t ; tt* t i v i ; it : - : ,.. .. | iv : : -

nnn nnj? uiNai * anniï -idji nni n«o nnK K^n : oniEW vm tivoa * onr

t - -: • -: : : r* ; - it t ^- ; • •*t:

• nnjNi |ir3 do# ^nd nnv • nna^1? i:nn:T D'rjbN Sa i^iin ^i^jr »3 * nnivi paa i:^aj di^^d njwi

t : i- I r.m T t t ; I viv ; iquot; ; - t * -: • -

• nnan wsj i |pT -in« jot : nnaü |Nïa uaE'n: Di»ri

iran ap^S quot;isnpa^n *nn^ n1? nami ^pn : nn^a n:ni köquot;i:d aiü nip 4 nn^a

nnN W] nirnaa * wmpw baiN rani unp aiü D^an wa; na^ n« * D^Ö TJ; 'ia IÏ^I: vin'. *

kens de eerste en derde met een opvolgende letter van het alphabeth beginnen. Tusschen en 'd zijn drie strophen ingevoegd, alphabetisch van 'n tot 'ï, betrekking hebbende op de vervolgingen in de Rijnstreek gedurende den eersten kruistocht, 4856 (1096). — In de daaropvolgende strophen is de naam van den dichter ingevlochten. — De laatste regel van elke strophe is een bijbelcitaat.

gt;) Ps. 40,6.

2) Over deze zinnebeeldige aanduiding der vier wereldrijken, zie deel III, pag. 142, noot 1.

3) Ps. 73,2.

4) Ps. 44,23.

6) Het jaar 4856 (1096), het vervolgingsjaar tijdens den eersten kruistocht, viel in den 256sten itiaanc\'clus van 19 jaren, die met het jaar 4845 begonnen was. Naar aanleiding van dit cijfer 256 (V'ji) zegt nu onze dichter, dat men gehoopt had in dit cyclus-cijfer een gunstige voorbeduiding te vinden, daar het immers Jer. 31,6 luidt: nnair apr*1? Uquot;), Jubelt Jakob vreugde toe.

6) Jer. 8,15.

') Ps. 125,5.

ocr page 550

JOTSEROTH.

Toen hun toorn ontbrandde, hun gramschap ontvlamde, Verzwolgen zij levend mijn treurige rest;

Jonge kind'ren en vrouwen, — [niets spaarde hun woede] — Als kleinvee ter slachtbank — zoo rukten z' ons weg! Den zuig'ling op straat door het zwaard te verdelgen. Van de pleinen den jong'ling, [nog stralend in jeugd] ; Zij ontzien niet des priesters eerwaard'ge verschijning,

Geen genade voor grijsaards !), [door jaren gekromd].

Voor de stem van den last'raar, Uw naam schand'lijk smalend. Voor den vijand, die wrekend zijn godsdienst verbreidt, Die van U ons wil scheiden, tot afval ons voerend.

Ons de grens Uwer paden verkrommend, o God !

Daarvoor schrikt onze ziel, is door vreeze bevangen Voor de woedende drift van verleiders-gespuis.

Zoudt Gij dan hij dit alles hun daad niet bedenken,

Niet eens eind'lijk U wreken,2) [omgordend het zwaard] ?!

[Ach, hoe groot was de doodslag, ja een dag was 't van slachting;

In Acht zes en vijftig 3) viel 't zware besluit;

Toen zijn heil'ge gemeenten vermoord en geplunderd,

In ziedende gramschap getroffen door 't leed !

Ziet, hoe grijsaard en jong'ling te zamen daar sneven,

Hoe de maagden gansch naakt naar hun graf zijn gesleurd!

Zie de kuilen, gevuld met zoo jeugdige wichtjes.

Met knapen en meisjes, uit de leerschool gesleept!

Zie, nog was niet gereed d' Ezrachiet4) vader Abram,

Toen zijn eenigen zoon hij tot ofFring spoord' aan, —

Toen een stem uit den hemel het woord hem deed hooren: ,/Strek uw hand ter verniet'ging niet uit [naar den knaap]!quot; Ach, hoe talrijk zijn thans er de offers gevallen,

Geslacht onder Juda, zoo dochter als zoon!

En de Heer haast Zich niet om ter hulpe te snellen De geworgden, verbranden op houtmijt, in vuur!

Het geschenk Zijner Thora, [eens op Sinai ontvangen] Zoo gekoesterd door God, lang het voorwerp der lust, — Thorarollen, beroemd, ach, als tent thans gespannen. Ruw verscheurd, stukgereten, op stangen gespreid!

Zelfs, o jammer! tot slot maakt men lendenbedekking.

Broek en schoenen ervan voor der onreinen voet!

Zie, om dezen, mijn God! smelt ik weenend in tranen.

Welt het nat uit mijn oog, als een stroomende bron!]

o Gij, heilige Wetsrol, — gij, woord mijner Leere, Verdrukkers zij koelden aan ü hun gemoed!

ocr page 551

nijroi? ^sh natr1? nVir NS

jtfï? «]□ * lii^a D«n i:3 dsn nnn? ; o^mn

• irnian-iD i onina pnp VViy nnsnS • ui^rin nnsts1? c]quot;ino Sipp : iwn KS D^n ah D^n'D \is ^nimiK aio Vnsnb * D^npi 3*IN ♦JÖD ej^pi Syn • Dj^on non ^sp ixp 1:^33 • nüC3 dvi 3quot;i j-in] : DMnn os-npfin NS nb«

-it ; - viv !••- ; • : T )T; .

majjquot;) Dtfn Bhipn nibn[5 lanmi • rnu mn: wrins nmsn • ny\2pb laf DJ D'p-i^ n^nai ninai fpT • niïi tits ♦mTK rrn diü ; minn n'o^m nnVi onV ni^o

—; • x; v tt viv t - •••;-; t • • t ; •• :

* nTQBTi^ ?|T nhtn bx Q'pfn fp mjrpt^ * nn^1? iTn»

BTi «V • min'3 maai D^2 nnv nD3

i* : t t • t • t * t : * t t -

nap q^i^b' p'Qx |np •' nnpio by D'niap

* D^ipn niüiD ^ D^na brixV nnin

nb» Vi? * o^nivp ♦Van ^pquot;? D'jritf 'na DIKquot;^ Ï]1D

• onv ^a iVVi^nn nninn lap pd'jdü d^ds wyy n»3i3

') Klaagl. 4,16.

') Kaar Jer. 9,8.

3) 856 = 4856 a. m. = 1096 gew. jaartelling.

4) I Kon. 5,11 wordt van Salomo gezegd, dat hij roijzer was, dan Ethan, de Ezrachiet. Baba Bathra 15a en Thanchoema Choekkath wordt gezegd, dat daaronder Abraham te verstaan is, onder verwijzing naar Ps. 89,1, waar dezelfde naam voorkomt. Thanchoema, -f? ^7 (ed. Buber n0. 18) en nti (ed. Buber 40) worden eenige der voornaamste verzen van dezen Psalm in verband gebracht met feiten uit Abraham's leven, o. a. met de offerande van Izak. Vandaar dat het opschrift van den Psalm wordt opgevat in den zin: met betrekking tot den Ezrachiet, Abraham; en dat deze bij de Paitaniem dikwijls onder den naam Ezrachie wordt aangeduid.

ocr page 552

JOTSEROTH.

Zij ontnamen de telgen aan hen, die U vorsehen, En vermoordden de mannen, als schatten mij dier!

O eisch wraak voor den smaad, waarmee U men dorst krenken. Voor den smaadj over zielen der braven gebracht!

Barst in jammerkreet uit, g'lijk een maagd, in haar jonkheid Met den rouwzak omgord om de liefde der jeugd! !)

Stort Uw harte dan uit voor des Eeuwigen zetel,

Wil Uw bede vereen'gen met Israel's geklaag 2).

Dat Hij spoedig, om wraak voor Zijn eere te nemen.

Zijne pijlen weer drenke met stroomen van bloed!

Dat Zijn zwaard dan verteer', wie er Hem durft weerstreven. En een bloedgolf er kleure gansch rood weer Zijn schild ! O breng hulpe, [o God !] uit de hand des verdrukkers,

Dan blijkt ijdel de redding, verwacht van een mensch!3)

Sta dan op weer, o Eeuw'ge! in ziedenden toorn.

Houd gericht tegen ieder, die U dorst weerstaan;

Laat de helft hunner dagen toch niemand bereiken Van die mannen des bloeds, [zoo met bloedschuld bel aan] ! Doch die volgen Uw sporen, snel loopend Uw wegen. Die hun ziel in Uw dienst aan den dood geven prijs,

Geef hun deel onder grooten, laat hen mede verdeelen Den te plunderen buit van der machtgen bezit!4)

Boezem schrik in, o Eeuwige! [en angst en ontzetting] Aan de mannen, die voerden den strijd tegen U!

Dat niet langer zij [wreed met hun wetten] verdrukken Ons, het kroost van [de vaad'ren], die U minden alleen ! o. Bevestig aan ons Uwe schoone voorpelling,

In Uw Thorageschrift ons zoo heilrijk beloofd:

ii Eens zal weder uw God u erbarmen verleenen.

Zich genadig ontfermen, vermeerd'ren uw kroost!quot; B)

Uwen heiligen arm zult Gij dra weer ontblooten,

Om ons nogmaals te maken Uw [heerlijkst] bezit;

Wil ons, Eeuw'ge, verlossen uit onze ellende,

G'lijk de vaad'ren, uit Noph [in Egypte] bevrijd!

o Versterk onzen arm, schenk ons kracht en vermogen, Als het groote moment, toen ik trok door de zee;

Haast ü, spoedig, ter redding, — wil ons hulpe verleenen. Gij, o Eeuiv'ge, mijn Heer! Gij, mijn eenige hulp/6)

Zoelatli voor den eersten Shatoath na 17 Thammoez.

*) Tot den levenden God wil ik biddende schreien,

Met mijn lichaam en hart [zoek ik] smeekend [Uw troon] ;

Gij, Almacht'ge, Wiens gunst ons de kennis verleent!

ocr page 553

niyois' quot;ish natr1? nbiT 30

1 i13^! * onp; Dn^ao -j^nn bsp dji

: oniya ^3 bj; pv n*vm n^n33 - onns: tpsa

• dia vïn y2p\ -jnop: Dip:1? * diids -ns1? psir » ^3

. *** x '

Wamp;n kW n3n iïo -irp • dino po313in 73^n vniï

: ; t : t it t • v*iquot; t t : i •• t : ; - - t -:

^2« dn»»* ixn* xbi * d,qpt üiöb'1? ^3n3 « noip : dik

• d^p'^p rna1? ?]nnK d^n * dw ♦tyjN1? KniD « nrw : bbv loS-pbrin D^lns nnt33n IB'K i^'D'pn • ^3ni« ^nr -iip * ?|3n ^lp : ?j3quot;)m ^prrn D^pni. ^ |n|v?j3ri3p3 i^iquot;)t *irni3nnnngt;k5 6)i3p quot;i^ks '^niap mv

mry : wnyiirn nirin - ^13^3 d»3 tns

tquot; t ; t -: iquot; t: .• : t 1 i-:'r ; t - t :

.nara r ttk hjib's-i naë'1? ririT

•p^3£, quot;13 pyoc own e|1D31 2quot;« oquot;s

: pin n^. np • janm ibgt;3i 3^3 * ]yix »n Sn Sn

!) Joël 1,8.

2) 0tid3 (maxS : Dipua DiSc 131-1 'an rwiB:) moet beteekenen: met de vergadering Israëls.

») Naar Ps. 60.13.

*) Naar Jes. 53,12. 6) Dent. 13,18. 6) Ps. 38,23.

*) De schrijver is de beroemde Paitan R. Shim'on b. Jitzchak b. Abboen, bijgenaamd Haggadol, nit Mainz, een jongere (?) tijdgenoot van Rabbenoe Gekshom, in het begin der elfde eeuw. In zijn tijd viel onder Keizer Hendrik II eene vervolging der Joden in Mainz en omgeving, die hoofdzakelijk ten doel had hen tot den doop te dwingen. Vgl. vele der Seliechoth van R. Gershom zoowel als van R. Shim'on b. Jitzchak. (Zie overigens Gkaetz, Gesch. der Jnden 5, pag. 407 vv. en noot 22). Het stuk bestaat uit strophen van telkens twee drieregelige verzen; elke strophe sluit met -jS wr Ss; terwijl de verzen alphabetisch zijn. De laatste strophe bevat in een acrostichon den naam van den schrijver.

ocr page 554

83 JOTSEROTH.

♦ tfjri» TjBte 11^ * {ypiDi na i:oü : Vk ^nnn Vk • wyr ' PJJ * y?h m1?^^ tyw : Ï|DÖ quot;iia^

• ra-ij? nno^ bz : bx tynnn bx * yw Vni3 ïjop

♦ nniis £2»3n nab : nn '3 wnyi * nn-ipS ^3 Va

I iv; - tit t it iquot; t r t :It ; • :

: Vk annn ha ' ^ncn fion pawrö • ?jnn» i^nnn

: DOlJró Dl'n V3 • DÖITI ^3^» quot;03 * DOiy ^3^ nvD

••■ : * quot; t •• : • : i- t tt •• t • t •• *•• ••

D^nn nnta^i • ni^^n jaijr ^31 * ni1?i^ D^nsr ibtsa m3K' o^pr • ijny nnn:p nio : Vn trinn • nib?1)

En toch smacht onze ziele naar U slechts, o Heere!

Blijf niet langer toch zwijgen !

Zij verbergen den valstrik en vangende netten,

Zij loeren vol list, als de voog'laar op jacht,

Met het doel om van U weg te buigen ons pad! Zoo verzinnen zij valsche beschuldiging, in boosheid.

Waar geen misdaad ooit was, en geen wandaad bedreven ! Van U, Heere! alleen kunnen hulp wij verwachten !

Blijf niet langer toch zwijgen !

[Ach, mijn pad is zoo donker], verduisterd mijn vreugde. Neen, ik kan niet meer naad'ren tot feestjubelklank.

Daar te groot mijn' ellende [mijn smarten te zwaar] ! Ach, waarom ziet Gij neer op die trouw'looze scharen?

Blijft Gij zwijgen, als z' Uwe geliefden verslinden?

Waarom langer Uw rijke genade bedwingen?

Blijf niet langer toch zwijgen !

Sinds den tijd, dat mijn tempel verwoest werd [door vlammen]. Zat ik zwijgend en eenzaam ter neer [in mijn smart].

Eiken dag stom verbaasd [over nieuw dreigend leed].

Hoe is vrede- en brandoffer wreed mij ontnomen,

Hoe is heerlijke praal van paleizen geweken.

Zijn ontrukt ons de kransen van bruigoms en bruiden!

Blijf niet langer toch zwijgen !

Des Sanhedrien's gerechtszaal een prooi der verwoesting. De geleerden verjaagd uit de poorten der stad !),

') Waar zij ter terechtzitting bijeenkwamen.

ocr page 555

naro r nnx niiirNi nair1? n^iT 33

• ^0 npn * taanN nï^a ^ • taan w So^a

• rvbT! ^ quot;iDina • ni^a ^ nnaa : Khnn ^

• ♦ap ?|iDT • -11531 3^. ^^3-1 : rvbi ons ♦nit-is

• nxbna ^10 ♦aiain : E'inn ^ * quot;i^a1? ^3 ^am Da1? nai : n^nö nan tidmi • nttbn n3i3 ♦iifiatsi

v t - t t : - •• • : t ; t ; v - - : • i ; • :

rnnnV» * 3-?p npa 'nna^; *3Vï; \^: ' zhyrib

n^iö bai * D53 nai on^p * wuyn 'p# 'rimr : ?|^tlt; amp;p: • imn pn ^aai • vm »n : aan

Ach! aanschouw mijn ellende, mijn smartelijk lijden, Hoe, komijnzaad gelijk, ik geklopt word, geslagen !!) Wend, o Heer! van mij af toch de tuchtigings-roede! Blijf niet langer toch zwijgen !

Ja, te machtig, te zwaar drukt mij ballingschapslijden. Waar mij alles ontbreekt, onder armoe gebukt, —

En ik zien moet, helaas! hoe nietswaardigheid stijgt!2) Zie, zij mart'len mij 's avonds, bij ochtendstondsgloren. De herinn'ring aan U aan mijn mond te ontrukken.

Dat ik niet meer bezoek' Uw gewijde verblijven!

Blijf niet langer toch zwijgen !

Mijn verdrukkers, zij kwellen met allerlei lasten. Zij bezoed'len mijn ziel met verachtelijk vuil.

En dan spreken zij smalend: «Zie! hoe groot is Uw last! Wat behoeft gij nog langer dien smaad te verdragen ! Door de schuld des gekruisigden, op u geladen,

Zijt, gelijk een gestorv'ne, door God gij vergeten !quot;

Blijf niet langer toch zwijgen !

Ik veracht en versmaad hun wellustig genieten,

Hunne drinkersgelagen, hun vorst'lijken spijs,

Hunne plecht'ge vergaad'ring ter eer van hun feest! Ja, voor U, Eeuwiglevende! laten w' ons dooden!

Als de ledige vaten staan veracht wij ter zijde!3)

1

!) Het beeld is ontleend aan Jes. 28,27.

2

) Naar Jer. 51,34.

ocr page 556

JOTSEROTH.

Uit de hallen des tempels van Libanon's woud!)!

Mijn genot is verkeerd in verlatenheidszuchten Weggestorven de lied'ren beg'leid door de snaren.

Niet meer klinkt zangers-stem bij het gastmaal der vreugde! Blijf niet langer toch zwijgen !

o Bedenk toch den wijnstok, Uw spruitje zoo teeder2). Bij het lot toegewezen tot erf en bezit,

Uwen dierbaren wijngaard, den sier van Uw hof!

Wil, mijn Rots! hem dan spoedig Uw heil doen bereiken. Wil met schitt'renden schijn van Uw licht hem bestralen. Wil bij dag en bij nacht hem beschutten, beschermen !

Blijf niet langer toch zwijgen !

Wil de vest' Uwer blijdschap dan spoedig herbouwen ! o Breng schrik over 't wouddier, dat leeft in het riet!3) Neem Uw volk nog eens weer tot Uw blijvend bezit! Als het zand [aan de zee] wil vermeerd'ren zijn scharen. Wil bevest'gen het zienerswoord zijner profeten,

Moog' de wolk Uwer eer zijn vergad'ring bedekken 4).

Blijf niet langer toch zwijgen!

Zet de kroon hem op 't hoofd, als een bruigom het sierend. Doe het wonen als vroeger in 't machtig verblijf.

Rijk voorzien met des bruidegoms gift en geschenk !

Geef de koningsmacht toch den rechthebbende weder.

Spreid Uw schaduw weer uit [met Uw vleug'len hen dekkend]. Laat als bruid zij in heerlijken tooi zich weer sieren!

Blijf niet langer toch zwijgen!

Zend bevrijding en redding van uit Uwen hemel.

Dat wij zingen een liefdegezang U ter eer.

Zooals eens, toen [bevrijd] ik uit slavendienst toog!

Toen door golven der zee Uw herd'rin was getrokken,

En in vrijheid zij juichend 't gevaar was ontkomen.

Toen prees zij den Heil'ge voor dezen. Zijn bijstand !

Blijf niet langer dan zwijgen!

ocr page 557

nona rquot;» nnx n:^Kquot;i mvb rbv iö

*yp Tjön:' tiy : njr jun1? n^p -

* ?|n33 faa nips : ^quot;inn • \md niKn^p n^p • ja?

* nrnpn iiv : non ona * ^njo bani Vnia : bii i^nnn ^ * nunxjn oin n^b • mnnan nnx

t iv; : • t t :i- t iv-:quot; ; i : •

: rnpn ^ mp ' n»n n^a • nis ^1'tra nnp niD3 nsn * n^K^: ' firn D^pi * n^2ï Sina nsn

t - \ t iv • : i -i ••!-: t iv t : -

na^ingt; • fnns nnxs ^ dnn * rwnppa

* rn^a1? nai^p yvn .* jnpi nrip nana * jjtk n^a : ^nnn * n^a nn^n nbaai * rr^y Dinsn n^v

t iv •• v : t t 1. t i . ^

»nNï3 tm3 • nrrr —n^ii -nmsnpyp

*quot;: t : * t' ♦ #

tyinp * niT^yjj quot;wpn nw * nina ^n^n d^3 : nnzyo mty : bt* irnnri Vn * pnt nnatr

1

I Kon. 7,2 wordt gezegd, dat Salomo bouwde: jwaS ■u*gt; ri's n«. Joma 396 worden die woorden toegepast op den tempel: Libanon van p1?, wit zijn, heet de tempel, omdat hij de zonden der menschheid uitwischt en van bloedrood sneeuwwi' doet worden. Met het woud, ip is hij te vergelijken, omdat hij, evenals het woud jaarlijks nieuwe takken doet ontstaan, telkens opnieuw in bloei herrijst.

') Ps. 80,15 en 16.

3) Ps. 68,31. De woorden rup nm -iiu worden Pesachiem 118amp; op twee wijzen verklaard: hreng schrik onder het wilde dier, dat in het rup, riet woont = verpletter Edom, dat Ps. 80,14 ir» Tin heet; en 2°. breng schrik onder het wild, en verwerf (j-q[7 = rup) u Mijne gemeente. De beide verklaringen zijn hier dooreengeweven.

4) Naar Jes. 4,5: dan zal de Eeuwige scheppen... over al Tsions samenkomsten een wolk bij dag en rook en vlammenden vuurglans des nachts — ja, o ver alle eer eene h edekking.

ocr page 558

JOTSEROTH.

Zoelath voor den tweeden Shatoath na 17 Thammoez.

*)Edoin'8 leeuwen verstootten 't verstrooide [kleinvee Jakob's]

Uit het [grootsche] gebouw, met zijn voorhof en zijn zalen,

Vanwaar zou ik hulpe mij zoeken ?

Zij, [de volkeren] allen, zijn in verbond getreden,

In het harte beradend geheel mij uit te roeien,

Zonder rest mij te laten!

o Snel mij ter hulpe!

Toen te zwaar werd mijn zonde, te groot mijn euveldaden. Kwam de vijand m' omringen, in 't diepst der ziel mij hatend!), En hij maakte mijn wijngaard tot woestenij [o jammer] !

Hoor, hoe brullen de beeren, hoor leeuwen toornig brieschen, In hartstocht'lijk verlangen den strijd met U te voeren!

Hoor mijn binnenste loeien als stormgezweepte baren!

o Snel mij ter hulpe!

Ach, den hoogste der bergen3) —zie, hoe z'omver hem rukten! Zij doorsneden mijn land met de stroomen 8) ['s vijands drommen]. Die zich haasten en ijlen tot [schuld'loos] bloedvergieten! En toch altijd, te midden van [loerende] leeuwinnen.

Bleef ik hopen en wachten op Hem, den Heer der scharen! Wis, dat Hij mij zou toonen een teeken, heil mij spellend! o Snel mij ter hulpe!

De moedwilligen smalen, bespotten m' al te zeer!

Met een werkstuk, veracht'lijk 4), tracht mij men weg te stooten; En zij last'ren en spreken: „Wat hebt gij nog te wachten? «Lang voorbij is de tijd, en heengesneld de stonde,

«En al minder geluk, en uw voorspoed steeds geringer! wEn het eind van uw lijden — hoe lang zal 't nog duren ?quot; o Snel mij ter hulpe!

Zij verbergen hun netten, om m' in hun strik te lokken ; Ja, wél lang duurt [mijn lijden,] mijn ballingschap, zoo zwaar. Niets dan angstige schrik en diep donker nacht'lijk duister! Uwe lieflijke woning [door 's vijand's hand] veroverd; Uwe zonen verdreven zij uit [des tempels] midden5).

En zij dreven hun ploegschaar, mijn rug vol pijn doorsnijdend! o Snel mij ter hulpe!

Als ik denk [vol verlangen] aan 't huis der [ware] ruste. Aan de plaats, waar eens offers van dier en meel men bracht.

85

ocr page 559

norn r tik ïtje' roc^ nhr na

•nm nar wn iVex mis diibin otcpün pquot;p2i

.ühy 310 sxiqc t3 fpv mnn ^onv ytf dquot;3?

iyp3N rwo • mtyi n^o 1 rrnra innn nm»

iquot;—: i • i- •• tt*5!- t : •• • t ; r * t-:

* nnsn'p aS • nnaa d^d iks :

* nö^Ni «Lpn 123 : wt^1? ntfin * nn«^ nn ♦bap

* lom ninni d^i : nstf1? Dtr • noB'ia ej'pD 3^ik

itt T - • •.. T - : • : - T T T ; • M * quot; quot;

iDin : nt^in • w d*3 yn * ion ?|nrip ^xsn : onnoo i ai * onna ikts ^1« • onn duo

t);* 't: ;t •;- • t :

naita1? uNin • niton ♦nVn» * niNS1? ■nina Töm

t ; iquot; : - t : - •• •• • ; i- • t ; | : * t ;

hdj hkd i onr : ♦mry'? nirin * ni«

wy ^ |pT e]Vn : ♦mw nanri np * 'airfin na i:öü : nirin • p^ioi D^p * jnjrpi niTT : nsi^ni hd^k nsn • nDtro: niKD niVa • hd^ö1?

•: t t..........tt:* ; t t:t;

nt^n * 'sa ' iBha lap • D»:a * IBH; ^ri^^p ♦nxbo * nnaoi nn? oipa - nm:a rva nsTa :

iquot; t t : • -iv i : t : •• • ; t:

1

De schrijver is R. Josef b. Samuel Tob 'Elem (Bonfils), een bekend geleerde, die omstreeks 4800 (1040), dus kort vóór Rashie, leefde en o. a. bekend is als verzamelaar van oude responsen, en die ook van andere oude werken afschriften liet vervaardigen. De vermoedelijk door hem verzamelde d^mn niawn zijn, met eene inleiding van Rapopobt, in Berlijn (5608, 1848) uitgegeven. Ons Machzor bevat o. m. van hem de feestgebeden voor den eersten avond van het Weken- en Loofhuttenfeest — Do vorm van ons stuk komt geheel met dien van het vorige overeen. — De drie laatste strophen bevatten het acrostichon.

') Naar Ps. 17,9.

2) Den Tempelberg, naar Jes. 37,24 en II Kon. 19,23.

3) Naar Jes. 18,2.

4) ntaj aw?, naar Jer. 22,28.

') Naar Job 30,5.

ocr page 560

86 JOTSEROTH.

• ^ lïajj : witf? ntrin • q^m anb-fn 'nan : B'ID ^HK * D^^-ID ♦niK nnnaa

: mrin * nopn ♦; pp' • nooit? ♦ n^a * noion •' DT^ * anirn owai ids * wtm nn^

• nnotr ^3 rony -nntr * nniï n^otr: Ton

t ; • t t : t ^ tit r rv ; - *t t : t : : * * t

* ■jj'iDp nj533 'nm * -pM o^pDia *yy; : ♦niTy'? ntrin

• naana taatra * ntsao niïb n:iö : tt ^ 'npao

t t ; v v: viquot; ; t t - ; t i quot;t ':,quot;*t

* n^itr Sipa D^Niiy : nirin * nta^ani « ntt-i

'' ~ 1 : v1 * t ,- - : -r: ••

* Dniï'1?^ ^»n N3N : n^iT pi. nsni • n^ia^i nna o^ano

Geef hun 't loon hunner daden, [de straf, die zij verdienen!] o Snel mij ter hulpe!

Tegen mij zijn verzameld de kind'ren, zuigelingen,

Die den bitteren drank van het lijden mij doen leed'gen. De bewoners van Edom's en Jishma'elieten tent!

Doch de stad, eens zoo volkrijk, zit zwijgend thans ter neder. Hoopt nog steeds op Uw hulpe in al haar eenzaamheid,

[Want zij spreekt vol vertrouwen:] «Gods hand is hoogverheven!quot; o Snel mij ter hulpe!

De gezangen in tempelgewelven — weggestorven I De profeten en zieners — verdwenen, heengegaan!

Ook de pralende trots der voornamen is geweken! Wat gehoord wordt gedurig: mijn angstkreet en geschrei! Ach, mijn ziel is gebogen, in 't stof ter neer geslagen.

Alle vreugde met jammer-herinnering vermengd !

o Snel mij ter hulpe!

Die betwisten mijn waarheid, zij trappen mij met strengheid, En mijn geestkracht ontzinkt mij, verslapt door angst en vreezen; Op de heupen mij slaande, barst los mijn jammerklacht! Tot den Rots, dié haar Toevlucht steeds was, ook thans weer

[wendt zich

Uwe natie], het doel van der menschen geesselslagen ;

En zij spreekt; i,o, aanschouw het, o God! zie op mij neder! o Snel mij ter hulpe!quot;

Zie, zoo schreien en smeeken zij luider steeds en luider, In verwachting, dat d' eed en 't verbond bevestigd worde. Doch, helaas! niets dan angst en ontzetting is t' ontwaren! O, ik bid U, breng dra hun den tijd van hoogst verblijden!

ocr page 561

nora r'quot; inx nbiT is

nnxi 1 niava jw ♦no * ni33 Tjönj ba»1? : nn3«i |ia; ^ pnquot;j * ^iflp ^ -jba : ntrin * ni tkh • Dnj«np ïjpB' : tyinni ts^n HD^K * 2hi quot;iüd : n^in • onaia ü^n na1? * dhjid d^k

- t •; • - tit • : • v:

: quot;1^ Q'ipina * nnrw -jan; nin * nnsp nfra

• D^pio pop1? •nap' * D^ppp ^nin» «^n1? • D^p ni«o

• Dniï^ tin • onïp nniDpp it^iö : nirin

• D^nni nt^nn hd1? • d1?^ iiï : onxn 3i«ö3

. . . v ... v t it t •• v; •.. -. -.

Dan vervult zich het hart mij van kommer, leed en zuchten! Ja, in rouw is verkeerd thans mijn eens zoo blijde harpe! Ach! wanneer zal mij God weer Zijn veste doen bereiken?1) [o Wanneer] zult Gij weer mij Uw licht doen tegenstralen ? o Snel mij ter hulpe!

Gij, o Koning, Wiens macht toch zoo duid'lijk is gebleken, Hoe vermoogt Gij t' aanschouwen, in kalm en rustig zwijgen, Hoe men drukt den behoeft'ge, hoe men den arme plaagt! Zij verbinden zich driest, om te last'ren Uwen naam,

Terwijl zelve zij buigen voor ijd'le niet-godsbeelden 1 o Waarom toch aanschouwen de daad dier trouweloozen ? o Snel mij ter hulpe!

Zie, mijn huid is gerimpeld van sidd'rend bange vreeze; Al mijn pracht is geweken, verdwenen schoonheidsglans.

Sinds zij allen in eendracht op mij hun plannen richten! Hoe hun nek zij verharden, stijfhoofdig U trotseerend. Uwe eenheid's erkenning [van d' aard] te doen verdwijnen! Des beraden zij samen, den valstrik mij te spannen!

o Snel mij ter hulpe!

Die mij brengen in nood, zie, hoe 't vangnet zij mij spreiden! Hoe de vijand belagend de zwaar vervolgden drukt!

Hoe in hinderlaag liggend in hoven hij beloert!

o Mijn Rots, [Heer der Schepping] o Eeuw'ge God [der wereld]! Wat nog langer te zwijgen? verberg U toch niet meer!

1

Naar II Sam. 5,8: luxa jm, beteekent eig.: en de waterleiding zal hereiken, maar de zin is: wie de eerste zal zijn, die den voet op Jerusalems bodem zet. Vandaar is hier tuï voor Jerusalem gebezigd.

ocr page 562

Aanteekening Fag. 74 JOTSEEOTH, noot 13*).

Mijn geachte Vriend, de Heer S. Seeligmann, wees mij op de groote moeilijkheid, verbonden aan de uitdrukking rrpps HS- Hij vestigde tevens mijne aandacht op eene plaats in Pirké R. Eli'ezer 48, waar o. m. voorkomt, dat de Israëlieten, na het eerste optreden van Mozes en Aharon, zich tot Serach, de dochter van Asher, begaven en haar verhaalden van de wonderteekenen, door Mozes verricht. Zij antwoordde: //die hebben geen beteekenis.quot; Toen echter de oudsten haar mededeelden, dat de Godsgezanten waren opgetreden met de woorden: vnps tps. Ik heb u bedacht (Ex. 3,16), zeide zij; //dan is de redder gekomen; want zoo heb ik van mijn vader vernomen: de tweemaal herhaalde letter {fë zal het teeken der verlossing zijn.quot;

In verband met dezen Midrash zou moeten gelezen worden: nrps UW tvtt nr^n Djna, en vertaald: «De nb, waarmede het woord der bedenking begon, getuigde voor het verbond met onze dood en, de aartsvaders.quot; — Ook de volgende woorden pm nm wijzen met hun dubbelen '* op de toekomstige verlossing, die Zecharja 6,12 met de woorden n»ï rmv twnm top, met dubbelen 's dus, wordt aangekondigd.

ocr page 563

noro rquot;gt; hm mv nzvh nbiT ts

: ♦nnT^1? nirin - onKxa pji3ü TN3 * DPX^D pn nip ?|tI * rrvaEpi nDibp |ni:i • nnaxs -j^id niü ^io • D^I * D*iko^ nB'n ?|nnj : nnnai

mty : ntrin * D»n mwa

• r: '.': T i T - ••;

Dat Gij luistert en hoort weer hun zoet welluidend lied,

Gelijk vroeger, toen Noph in Egypte zij verlieten ; —

o Snel mij ter hulpe!

o Algoede! die ateun geeft, met vleug'len ieder dekkend. Die de koningsmacht schenken, maar ook ontnemen kan, In Wiens machtige hand zich de kracht bevindt en sterkte,— Voer terug Uwe kudden naar 't oord van hun verlangen, Om de eer van Uw naam. Gij, die eeuwig bestaat, Die beheersclit en bemeestert de trotsche kracht der zeeën, — o Snel mij ter hulpe!

3X quot;quot;i 0X1 ma quot;tn.s3 xSn hn wtfi .dW? ms m' ifgt;n 1S0 nquot;-i 3j{ pn : in1!!! nVTN ri^ir ia piow» pi nquot;-n nao Saaa pSSsnn ^awa mwh ps jrop inj» bi» Dip» hxv jenn rmnn Spa anai ^jroan ipbna niosan ; ijlt;D3 D'OCn I'ssn1' ïi:p pxi' oipoa Sas ^Sa .oncwoN pquot;pa jruon pi

ocr page 564
ocr page 565

-

O

Hu

■ ; ■-•• ■ .' ■■■

.= ; J

■ m

L

ocr page 566
ocr page 567
ocr page 568