ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

yi/tc Zlt;gt;y 2^2.

%

r

-■«Cj-

npS ?]dï

k\im

nte ram nnn nrain ntyj:n

13S1N jnrSa a^iNiaoi D'Djnina .nnvri niVan nniian djt

DE PENTATEUCH

EN DE

V IJ F ROLLEN,

Opnieuw in het Nederlandsch vertaald en verklaard,

EN DE

Haphtaroth en Shabbathgebeden

met Nedenlandsche Ventaling

DOOR

J. VREDENBU'RG,

Leeraar aan het Belh-IIamtnidrash te Amstet-dam.

i.— - J -r* law %SÏ«^• -ve**--

BJBLiGTi DER I R3JKSUM!\'L:r;s:i£i;

UTRECHT

C6LL. THOM^.ASSS

AMSTERDAM,

fc;t2S2a*i2E»K.v • ^s-^KXavhamÊBbi.-

J. L JOACHIMSTHAL:

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2193 0304

ocr page 5
ocr page 6

YOORBEEICHT.

«Het moeilijkste gedeelte van den Bijbel is de Pentateuch.quot; Hoewel voor menigeen schijnbaar een paradox, blijkt deze stelling bij eenigszins nadere beschouwing toch volkomen juist. Wél is in het algemeen de taal der Thora eenvoudig, de uiteenzetting helder, — maar het groote belang van den inhoud voor het practisch godsdienstig leven van den Israëliet, het gewicht van de historische gedeelten voor de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid in het algemeen en van Israël in het bijzonder maken elke bladzijde von dit //Boek der boekenquot; zoo belangwekkend, dat zeker geen geschrift ter wereld meer nauwkeurig is en wordt gelezen, — waardoor van zelve tal van opmerkingen worden gemaakt en moeilijkheden in het oog springen, die bij meer oppervlakkige behandeling zeker over liet hoofd gezien zouden worden. Vandaar dat ook voor den leek, o. a. bij het aanhooren der wekelijksche voorlezingen uit den Pentateuch, dikwijls tal van vragen rijzen, waarop hij meestal te vergeefs het antwoord wacht. Het is waar — de meeste dier opmerkingen vindt men bij de Joodsche en niet-Joodsche commentatoren terug; maar, behalve Rasshie's veelgelezen Pentateuch-verklaring, mogen de verklaarders voor het groote publiek vrijwel ontoegankelijk worden geacht; — terwijl de nieuwere schrijvers tamelijk algemeen onbekend zijn. Toch eischen opmerkingen, eenmaal gemaakt, vooral in onzen tijd, gebiedend een antwoord ; vragen, door velen uitgesproken en telkens herhaald, moeten in voor ieder begrij-pelijken vorm worden opgelost. Vandaar dat eene vertaling van den Pentateuch zonder meer aan de eischen van onzen tijd niet meer kan voldoen.

Ik meende daarom, toen mij door den Uitgever van dit werk het verzoek werd gedaan den Pentateuch opnieuw in het Nederlandsch te vertalen, mij niet tot eene enkele vertaling te mogen beperken, maar in eene zoo beknopt mogelijke, maar toch de voornaamste vraagpunten behandelende verklaring alles te moeten bijvoegen, wat tot goed begrip van den tekst, van den samenhang en ook van de toepassing der gegeven voorschriften, als absoluut noodzakelijk moet worden beschouwd. Zoo hoop ik den weetgierigen, maar op Joodsch-wetenschappelijk gebied niet bedreven geloofsgenoot een boek in handen te geven, waaruit hij zijn dorst naar kennis zal kunnen lesschen, terwijl ook, door het naast elkander

ocr page 7

JOACHIMSTHAL's STOOMDRUKKERIJ, Muiderstraat 6, Amsterdam.

ocr page 8

nwQ

GENESIS.

ocr page 9

voorbericht.

stellen van verschillende oudere en nieuwere verklaringen, voor den ineer-geletterde op menig punt leering uit mijn arbeid te puiten zal zijn.

De »Vi]f Rollenquot; zullen eveneens voor zoo ver noodig worden verklaard en toegelicht, waardoor ik vertrouw, dat menige duistere quiicstie zal kunnen opgehelderd worden.

Wat de ullaphlarothquot; betreft, lieb ik gemeend mij tot eene eenigszins uitvoerige vertaling te moeten beperken, niet omdat verklaring daar minder noodig, maar omdat zij mij bijna onmogelijk scheen. De Haphtarolli immers zijn uit het verband genomen brokstukken van profetische redevoeringen, — en fragmenten laten zich moeilijk exegetifch behandelen. Wel heb ik, waar dit mij wenschelijk voorkwam, verschillende opvattingen aan den voet der bladzijde medegedeeld.

De uPijoetiemquot;, de gebeden voor bijzondere Shabbath-dagen, moesten daarentegen uit den aard der zaak in den breede worden toegelicht en ik heb getracht vooral dit gedeelte ook voor de mannen der wetenschap althans van eenig belang te doen worden. Terwijl ik zooveel mogelijk de bron in de Jlidrash-geschriften geef, waaruit de dichters hunne denkbeelden putten, tracht ik tegelijk door korte, maar zaakrijke aanteekeningen den inhoud zoowel, als den vorm der stukken voor ieder duidelijk te maken; ook aan de zuivering van den tekst heb ik, waar noodig, de vereischte zorg besteed.

Met dit kort inleidend woord geef ik dit eerste deel van mijn wrik in handen van het publiek, met de innige bede tot God, dat Hij mij de kracht schenke, het te voleindigen, eti dat het dan onder Zijn onmisbaren bijstand veel nut en leering moge brengen aan allen, die streven naar kennis van onze heilige Leer! Mijn doel echter zal eerst dan zijn bereikt, als mijne zwakke poging er toe zal hebben bijgettragen velen nan te sporen tot vlijtige beoefening onzer heilige Leer en der werken, waaruit haar inhoud kan worden gekend ! Mag dit doel worden verwezenlijkt, — dan zal zich ruimschoots beloond achten

De Bewerker.

Amsterdam, Elloel 5659. [ ■

ocr page 10

GENESIS I.

1 2 1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde. Wat nu de aarde betreft, zij was woest en vormloos, en duisternis [heerschte] over de oppervlakte der watermassa, terwijl de geest

3 Gods zweefde over de oppervlakte van het water. Toen zeide

4 God; ;,er zij lichten er was licht. En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tusschen het licht

5 en de duisternis. En God noemde het licht: dag, en de duisternis noemde Hij; nacht; en het werd avond en het werd morgen: één dag.

6 Eu God zeide: «er zij een uitspansel in het midden der wateren en vorme eene scheiding tusschen water en

7 waterquot;. En God maakte het uitspansel en maakte eene scheiding tusschen het water, dat onder het uitspansel,

Hoofdstuk I. 1. JTtJVtT3. In den beginne. Rashie verklaart, met verwijzing naar Hoshéa' 1,2: In den beginne, toen God schiep enz. en de

aarde was enz____ zeide God. Aanleiding tot deze verklaring geeft de

overweging, dat jto.si gewoonlijk slechts in voorkomt. Vgl. echter

Lev. 2,12 en Deut. 33,21, Jes. 46,10. De laatstgenoemde plaats weerlegt ook Ibn 'Ezra's opmerking, dat men naar de gewone opvatting iTEWQ verwachten zou. Ook de moeilijkheid, dat jvcw niet begin, maar het eerste, beste gedeelte zoude beteekenen, wordt opgeheven door Hos. 9,10 miaaa rvwjna rusra, als een jonge vijg aan den vijgenboom in diens begin, d. i. in het begin van den bloeitijd van den vijgenboom.

fCquot;0 wordt vooral gebruikt om aan te duiden, dat God iets op wonderbare wijze nieuw doet ontstaan; vgl. Ex. 34,10, Jes. 41,20, Ps. 51,11. Het komt nooit voor bij menschenwerk, evenmin wordt de stof, waaruit iets gemaakt wordt, ooit als voorwerp gebezigd. Hier dus: schiep God, zonder dat van te voren de stof bestond.

nviSx. Majesteitsmeervoud, waarvan het enkelvoud alleen in

dichterlijke stukken voorkomt. Evenals in nep diji* (Jes. 19,4) wordt de meervoudsvorm van dit woord voor de zinvorming geheel als enkelvoud behandeld.

fTJCn DNI D'DCn HU. Den hemel en de aarde, d. w. z. het heelal. Het scheppingsverhaal behandelt echter uitsluitend de aarde, als woonplaats des menschen, en wat met hare ontwikkeling in onmiddelijk verband staat. Vs. 1 is algemeen opschrift en drukt het denkbeeld uit: dat de wereld niet eeuwig bestaan heeft, niet uit zichzelf, niet uit eene bepaalde oerstof, niet door toeval of dergl. is ontstaan, maar eens door Gods vrijen wil en almachtig scheppingswoord uit het niets in het aanzijn is geroepen.

ocr page 11

.K

nn^n pKni: pKn nN4i nx a^riVx tna n'psnS =

nsinio D^h/K nini Dinn -j^ni inin \rin tin D^N «TI. : iiK-^nn HN w □quot;nbx : D^sn^ : Tj^nn pni iikh pa bnrn 219-^ nixn^ 3-i^-»n^ rh'b Nquot;ip •i^nSi dv I amp;rhn

»quot;V * :•quot; -Jquot; ' :i- t :at tI-*t |v ^ - ; t lt;• ••:

3 : IHN Dl»

: vftb D*O |'3 bnno ♦nquot;! o^an Tjina jrfpn ♦n» D^K noxn gt; rpquot;^ nnnpn^N b^an pa ,?-ia»i rpTj-nx D^K

.2. pxni. Wui nu de aarde betreft. De eenvoudige Hebr. stijl verbindt ook afhankelijke zinnen dikwijls met 1, die dan ook allerlei be-teekenissen kan hebben. Na het algcmeene -psn nsi Dvirn ns van het vorige vers, drnkt hier uit. dat men zich nu bepaalt tot de be

schrijving van de schepping der aarde, wat in de vertaling is uitgedrukt.

Dinn van Din = oisn, de woelende watermassa, die naar Ps. 104,6 „als een kleed de aarde bedektequot;; niet: afgrond, diepte.

ovrtx nm, en de geest Gods, niet: de adem of wind, die dan, naar Ibn 'Ezra, het water zou moeten doen opdrogen. Dit toch had eerst op den derden dag plaats; bovendien wordt van den wind ac: gebruikt, niet tyn. Het doelt hier echter op den goddelijken wil, die zoo aanstonds zich in een scheppingswoord zal uiten.

name. Zwevend, als een vogel, die zijne vleugelen losjes uitspreidt, hetzij ter bescherming van eieren of jongen, of al vliegend boven iets of op iets neder zwevend. Vgl. Deut. 32,11.

3. TÖN^. Het zonder moeite tot stand brengen van wat God wil, wordt hier door: zeggen, d. i. denken en willen, uitgedrukt. Vgl. voor die beteekenis van iss; Ex. 2,14 en I Sam. 20,4 e. a. p.

UK. _ Licht, nog niet aan bepaalde lichtdragers, zooals de zon, gehecht, maar lichtstof, die eerst op den vierden dag in zon, maan enz. als lichtgevende lichamen geconcentreerd werd.

5. TIK. Het hoofdgetal inplaats van het ranggetal: [I^JO.

6. jrp-i. Uitspansel, van rp-i, metaal pletten. Het is twijfelachtig of

hier de hemd in den eigenlijken zin wordt bedoeld, dan wel de dampkring, die de aarde omgeeft.

ocr page 12

GENESIS I.

en het water, dat boven het uitspansel was; en het was zoo.

8 En God noemde het uitspansel: hemel; en het werd avond en het werd morgen ; een tweede dag.

9 En God zeide : «dat het water van onder den hemel zich verzamele naar ééne plaats, zoodat het drooge zichtbaar worde ; quot;

10 en het was zoo. En God noemde het drooge: aarde, en de verzameling des waters noemde Hij ; zeëen; en God zag, dat

11 het goed was. Nu zeide God: ,/dat de aarde gewassen doe ontspruiten : kruid, dat zaad voortbrengt, vruehtgeboomte, dat, naar zijne soort, vrucht draagt, waarin zich het zaad er voor

12 bevindt, - op de aarde en het was zoo. De aarde deed gewassen ontspruiten : kruid, dat zaad voortbrengt, naar zijne soort, en geboomte, dat vrucht draagt, waarin zich het zaad er voor bevindt, naar zijne soort; en God zag, dat het goed was.

13 Het werd avond en het werd morgen: een derde dag.

14 En God zeide: «dat er lichten ontstaan aan het uitspansel des hemels, om eene scheiding te maken tusschen den dag en den nacht; en zij zullen zijn tot teekenen en tot tijdsbe-

15 palingen en tot dagen en jaren. En zij zullen zijn tot lichten

8. Het scheppingswerk van den derden dag is eigenlijk eene voortzetting van dat van den tweeden, daarom staat hier niet: en God zag, dat het goed was, wat eerst vs. 10 volgt. In LXX is het verkeerdelijk bijgevoegd.

9. Het water, dat nog altijd de aarde bedekte, zou afvloeien en zich. in bekkens vereenigen. Ps. 104,6—9 beschrijft tevens het ontstaan van bergen en hoogten enz.

11. Eerst ontstaan de planten, die den later geschapen dieren tot voeding moeten dienen. — n-t: gewassen, algemeene naam voor alle planten, nader ontwikkeld in: nt mw 3'i'r, kruiden en veldvruchten, die zelve hun zaad voortbrengen, en ns p; enz. vruehtgeboomte, waarvan het zaad zich eerst in de vrucht bevindt. — V. a. s-i; planten, die geen zichtbaar zaad voortbrengen, cryptogamen, aiT: de kruiden, die zaad geven, de phanerogamen. — De eerste planten werden natuurlijk door God in hun vollen wasdom, zonder zaaien, zonder zon of regen geschapen. — psn Sr. Te verbinden: pxn Sr psn scnri, de aarde doe op de aarde gewassen ontspruiten ; het te verbinden met ia U'tt icx, zou geven, dat alleen de vrucht-boomen hun zaad op de aarde verspreiden, wat met de kruiden evenzeer het geval is; de vertaling; waarin zich het zaad ervoor hoven de aarde bevindt, zoude {quot;«cn Sj?a vorderen.

14. VP = ViT; dikwijls wordt het w.w., vóór het onderwerp staande, onpersoonlijk gebruikt. Vgl. Deut. 22,23.

/ITJCC) lichtdragers, niet: lichtbronnen.

nwn j/^a- Volgens Nachmanides zoude het uitspansel voor het op den eersten dag geschapen licht ondoordringbaar, en dus op den derden dag de wereld donker zijn geweest. Nu werden op den 4den dag de lichtende hemelbollen aan het uitspansel geplaatst, om licht te geven op

2

ocr page 13

x nwa 3

:pquot;W bya alt;èn raiquot;

Itit •)* v: stI : •- 11quot; • :r Ia*tit ri-•• -: . - - i j-

fi : dv quot;)[5b^nn

nttnni nnK DipD-bx nnna D^ón r\p quot;iq^i d

v** tiquot;; tv i ■* t • - t - - lt;- • -- It- • v; v •» -

D^sn mpobi p« i Kipn :p-w n^3*n'

^ ■'quot;I: ' | vv TTquot; lt;• v: tI:-- hquot; • :i- at t--

pKnK^riD^NiöN'i : D'ri^x sn^ D^S' Kip^

i vtt lt;•• ; i- • ••: ■»- i • v'. v; :j'~ a-- -«ti t

iri^ir i^k li^p5? na n'^ na ^nf^

mrob ^T^nTon^N^fpNnNi'ini ^rwpNn-^^ quot;nn_: 3it3-»a NTI mrpb iri^ir ns-nquot;^ ^ a : wbw DV quot;ipb_wi air

• : j lv v. • :i- v^v

Din pa bnanb D^n nnxa n» on^K quot;iox»i ^ Kunü'? mi : D^tri D^ni Dn^ioS KnxV vni

: • lt; t : i* t ; v' t : •pi: -* : : lt; t : t :at -

aarde. Anderen meenen, dat in de volgende woorden alleen de functie der hemellichamen aan het uitspansel wordt geschetst, zonder dat uiteengezet wordt, welke werkingen zij nog meer oefenen, daar dit buiten het terrein der hier gegeven Scheppingsgeschiedenis ligt.

arn p SnanS enz. Tot nog toe was het licht over de gansche wereld verspreid en God scheidde door Zijn machtwoord licht van duisternis (vs. 4). Van nu af zoude die scheiding door zon en maan worden bepaald.

fl/UC, zinnelijk-waarneembare teekenen van Gods Almacht door natuurverschijnselen aan den hemel (vgl. Jer. 10,2), zooals zonsverduisteringen en dgl.

nnjno — van nir. tijd of plaats bepalen, — tijdsbepalingen, volgens Nachm. ter bepaling van de afwisselende jaargetijden; anderen, met Rasnie : ter bepaling der feesten, die immers, alhoewel in het algemeen vastgesteld naar den omloop der maan, toch ook met het zonnejaar rekening houden, zoodat zon en maan beiden tot hunne vaststelling dienen. (Vgl. Ps. 104,19). Men verlieze hierbij niet uit het oog, dat het Scheppingsverhaal zeer goed op Israëls feesten kan doelen, daar de Thora immers na de wetgeving op Sinai, dus ook na de instelling der feesten is opgeschreven. — Zoo is immers Gen. 2,3 de Sabbath ook reeds duidelijk genoemd.

owi twySi. De bepaling der maanden ligt óf in ow opgesloten, óf in Dnrw naar Nachm. opvatting. De toeken worden, als niet van zon en maan afhankelijke perioden, hier niet genoemd.

15. mwcöS rm- Lichtgevers. Behalve tot scheiding van dag en nacht, tot hemelteekenen, tijdsbepalingen, en tijdverdeeling zullen zij ook dienen tot verlichting der aarde. — Van hunne overige werking, zooals hun invloed op eb en vloed enz. is niets gezegd, zie vs. 14.

ocr page 14

GENESIS I.

aan het uitspansel des hemels om licht te geven over de aarde

16 en het was zoo. Eu God maakte de twee groote lichten : het grootste licht ter beheersching van den dag en het kleinere

17 licht ter beheersching van den nacht en de sterren. En God plaatste ze aan het uitspansel des hemels om licht te geven

18 over de aarde. En om te beheerschen den dag en den nacht en eene scheiding te maken tusschen het licht en de duisternis :

19 en God zag, dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen: een vierde dag.

20 En God zeide: «dat het water in menigte oplevere een gewemel van bezield gedierte; en dat gevogelte vliege boven de

21 aarde, aan het uitspansel des hemelsquot;. Zoo schiep God de groote zeegedrochten en al het bezield ged erte, dat zicli beweegt, hetwelk het water in menigte opleverde, ieder naar zijne soort, en al het gevleugeld gevogelte naar zijne soort;

22 en God zag. dat het goed was. En God zegende ze, zeggende: «weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en vervult de wateren in de zeëen; en het gevogelte vermenigvuldige zich op de

23 aarde !quot; Het werd avond en het werd morgen : een vijfde dag.

24 En God zeide : «dat de aarde voortbrenge bezield gedierte [ieder] naar zijne soort: vee, kruipend en wild gedierte der

25 aarde, elk naar zijne soort;quot; en het was zoo. Zoo maakte God het wild der aarde naar zijne soort en het vee naar zijne soort en al het op den aardbodem kruipend gedierte naar zijne soort; en God

ie. D'Sun m.von 'JC DN- De twee (/ruole /i'c/ifen, beiden zijn e/rooi te noemen met betrekking tot hun lichtgevende kracht 0(j aarde, in vergelijking met die der andere hemellichamen, waaronder voor het overige bollen van veel grooteren omvang kunnen zijn. Onderling zijn zij wederom verschillend van grootte, zoodat men zeer goed kan spreken van; de twee groole lichten, en wel het grootste (van beiden).... en het kleinere enz.

D'333n nxv. De sterren, wier werking op de aarde en hare ontwikkeling minder in het oog valt, worden volledigheidshalve slechts genoemd.

20. beteekent: talrijke, zich steeds bewegende levende

wezens, menschen (Ex. 1,7) en dieren, vooral: water- en kleine, vlugge landdieren; v. d. het werkw. pr, zich in menigte bewegen. Evenals kan beteekenen : vol zijn en vullen, zoo kan pc gezegd worden van de wezens, die wemelen, i Ex. 8,17) alsook van de plaats, die van wezens wemelt, zooals hier en Ex. 7.28.

rm vQi pc. zich bewegende wezens, met eene levende ziel. Ook de planten worden in de heilige Schrift levend gedacht, men spreekt immers van Imn dood (Ps. 78,47 ; Job 14,8 e. a. p), doch missen de ziel als levenscentrum, die alle dieren, ook die van lagere orde, bezitten, at: is de meteen lichaam verbonden ziel, het levende, gevoelende en werkende in mensch en dier.

en dat gevogelte vliege, niet; gevogelte, dat vliege, als waren de vogels uit het water voortgekomen. Aangaande de stof, waaruit deze

3

ocr page 15

N nWlD 3

'^»1 D^ókti «

-ii«an-n«i; Di»n n^pabVisn quot;iiKan-nx D^ian n'^pn

D^VK DnK rnn : D^naian nxi nb^n rhtinnb tüpn^

.^'.. v: ',T .!gt;•••- r t i - v,quot; ; t :- - v-»v : v : I It-

DI*3 : rnxrr^ yxrh D^orn

t : - - j - : • : i vit t - r : 'at t - quot; ij* : *

D^K x-i»i ^nn rm mxn vz Vnanbi0'

v jv • :i- i • v.' v: 'J— ) v a - I •»quot; ^ t I jquot; * : - -: i

is : •'irrn DI»

n^n tyfi: pir D^an wip* quot;IDN^.3 D'Vnan or-rnrrnK D^VK Kn^'i: a^at^n pNn ^

a- v. • - - ... ^ . ...^ jt: •- • it t - - )j' ; ; ^- | v r t

nxi anra1? D»an nirann i rmn irarVs hni

•• : v •• i* ; • - - :|t ... -. ... ... it jt - i- ^ •.•-••.• t -•,•:

D^ribx onK ^iy\: aitp-^ NTI inraV e]3| eji^l23 : pK3 an» ni^ni D»a»3 b^an-nN iN^ai lini na iaxS

i vit t vj' | { r : - - • - - v lt; : • : : a

s : ^an dv ipn-w nirm »

^ r • -: I v:i- v^v • :r

■^a-ii nana ni'ab rm b'ö: rnxn xïin na^'i •»

' r^'T JTquot;gt;quot; : TQ • j tquot; '■quot;lt;v » vtt quot; ' v:

n«n n?0quot;rgt;K D'rpK ^»quot;1 : nra? pirin^nv-13 Nquot;!^ inrab naixn '^arVa nNi nraVnanan-nxi nra1?

VT T -: IT V JV

dieren geschapen zijn, wordt ons niets medegedeeld, alleen wordt den vis-schen het water, den vogels de lucht als eigenlijk levenselement aangewezen.

22. quot;pTV Iemand gedijen en voorspoed door woord toewenschen of door daad doen toekomen. Hier, waar God zegent, ligt daarin tevens het schenken van de geschiktheid tot voortplanting en ontwikkeling. —• m.sS, als volgt, inleiding voor eene in directen vorm aangehaalde toespraak.

na: vmest vruchtbaar, d. i. brengt jongen voort; w\ envermenigmddigtu, d. i. verzorgt uw broed, opdat de jongen in het leven blijven en zoo uw aantal vermeerdert.

24. De landdieren worden hier in drie klassen verdeeld: nsru, het vee, de viervoetige huisdieren; vni de kleine dieren, die, daar hunne lichaamshoogte gering is, zich als kruipend bewegen ; en ps ijvn (= HTI)

het wild. Ieder dier drie namen wordt soms als verzamelnaam voor allen gebruikt.

25. De volgorde der dieren is in dit vers eene andere,«dan in het vorige. Diiar noemt men het -meer in des menschen nabijheid levende het eerst en houdt die omstandigheid als maatstaf; hier noemt men ze Kaar hunne grootte.

ocr page 16

GENESIS I.

26 zag, dat het goed was. Nu zeide God: «laat Ons den mensch maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; opdat zij heersehen over de vissehen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de geheele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.quot;

27 Toen schiep God den mensch naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hem ; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij ze.

28En God zegende hen en God zeide tot hen: „vveest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en vervult de aarde en bedwingt haar; en heerscht over de vissehen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruiptquot;.

29 En God zeide: «zie. Ik geef u al het kruid, dat zaad draagt, dat op de oppervlakte der gansche aarde is, en al het geboomte, waaraan boomvrucht is, die zaad draagt; — u zij het

30 tot spijze Doch aan al het gedierte der aarde en aan al het gevogelte des hemels en aan al, wat op de aarde kruipt, waarin eene levende ziel is, [heb Ik gegeven] al het groene kruid

31 tot spijze;quot; en het was zoo. Toen zag God hetgeen Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed; het werd avond en het werd morgen: de zesde dag.

26. Een afzonderlijk scheppingswoord leidt de schepping van den mensch in, die, hoewel het edelste onder de schepselen en daarom het laatst in het leven geroepen tegelijk het meest hulpbehoevende onder allen is, daar hij immers de gansche schepping, zooals deze in de vorige verzen is geschilderd, noodig heeft om te kunnen bestaan.

TVPTJi- Majesteits-meervoud = Ik wil maken, dis den mensch,, collectief, niet: een mensch ; v. d. rm, dat z ij heersehen, meervoud.

1101013 130SS3. Naar Ons evenbeeld, naar Onze gelijkenis. Het beheer-schen van al het geschapene door den mensch, schijnt slechts een uitvloeisel te zijn van de hier genoemde eigenschap des menschen. Zijne schepping naar Gods evenbeeld enz. doet hem worden tot een zelfbewust, dus ook zich zelfbesturend wezen met verstand en vrijen wil, waardoor hij juist de aangewezen heerscher is.

Het gebruik van de 2 bij dSï en de 3 bij nm wisselt af. Zie Gen. 5,1 en 3.

pxn Saai nonaar het wild, is hier óf onder nana begrepen, óf, wat mij juister voorkomt, onder psn Sun te verstaan; dit ziet dan niet op de onbezielde natuur, die hier zeer misplaatst zou zijn te midden van de opsomming der diersoorten.

27. Wat hier in drie korte, krachtige zinnetjes medegedeeld wordt, wordt in Hoofdst. II uitvoeriger verhaald.

JOa'V Ofschoon volgens 11,7 de mensch uit stof der aarde is gevormd, wordt hier met het oog op den hem ingeblazen levensadem toch van eene schepping gesproken.

4

ocr page 17

N nwia 1

-bm pKirVDai nannai arb^n D»n nina

t : i ^ *•* t t t : t •• : - ^ • - t - i j : , t ~ ' '• ' ' quot;•

I6^Ï3 Dixn-nx i D^ribx Nquot;a!'i : purrty t^ann trDin »

: - ; tt it v lt;••.•: t : *- | vit t jquot; it v^vt

DDK quot;q-im : DHK «13 nDplI ID? IDK Kquot;13 D^ÏSquot;3

t | vjt :- it jtt ^tIquot;: jtt a -«tt v.* ^ v: v j'' :

riEbai pKrr^N ixbai imi ns on1? iqx'i b^ribN

t a*-, : • : i 'at t v j : • gt; : J : • v; v t ^ v - • ^ v:|

: pNrr^ nbahn D'o^n D^n nina inn

V** vi. ^1T1 n'^^STiK DD1? nsn D^VN quot;IO^Iquot; yXÓ ir-it^K ^irVrnNi P.^ITVD i^^D'ó^neiirVD^pNn rrn-Vabi: rrrr

•* : • - t - | ^ t ; | v t t -•- - t : it : t : : r r.' t

rrn irs; 13'i^x p^n-^ i^ai-i TKD niirmm ntbv i^x-^-nK b^riVN Kin : p^ni ^

a : v. •• • : t t jv -; t v • v; :«— 11quot; * ;i'

3 : Diquot; -ip3-*ni s-tfrm

i* • j 1 v ^ • :i- v*jv • ;i-

28. nCSSI- Bedwingt haar, maakt haar door bewerking en verandering tot uw eigendom en voor uw doel geschikt.

VTTI enz. Hier wordt de volgorde der schepping gevolgd: visschen, gevogelte en landi/ecamp;rte (rvn heeft hier de meest algemeene beteekenis; zie aant. vs. 24). Visschen en vogels zijn afzonderlijk genoemd, om aan te duiden, dat 's menschen macht zich ook over lucht- en waterdieren uitstrekt.

29. WU Ik geef u, tegenw. tijd. Volgens Nachm., ook door Delitzsch en anderen gevolgd, zijn hier den mensch alle planten, die zaad dragen (jrit), dus ook de boomvruchten, den dieren daarentegen slechts de kruiden

tot voedsel aangewezen. Vleesch te eten werd den mensch eerst na den zondvloed toegestaan (Gen. 9,13). Uit vs. 30 blijkt, dat ook de dieren oorspronkelijk alleen van plantaardig voedsel leefden.

31. TVffJJ TCJC S3 nx. A l, wat Hij gemaakt had, in zijn geheel en zijne onderlinge verhouding was het niet alleen aio, maar ns» aw zeer goed, zoodat het aan ieder individu, aan iedere schepselsoort op zichzelve misschien nog gebrekkige, door de onderlinge samenwerking van alle elementen des heelals wordt geparalyseerd en alle deelen harmonisch in elkander grijpen. (Mendelssohn).

'BtSTT Als slot van de zesdaagsche scheppingsperiode is deze dag door de bepalende n bij het telwoord meer met nadruk aangewezen, terwijl bij de andere dagen het lidwoord ontbreekt.

ocr page 18

GENESIS II.

1 Zoo waren voltooid de hemel en de aarde en al hunne heir-

2 scharen. God had voltooid met den zevenden dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had ; en Hij hield op met den zevenden dag

3 met al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. En God zegende den zevenden dag en heiligde hem ; want daarmede hield Hij op, al Zijn werk, dat God geschapen had, te maken.

4 Dit is de geschiedenis van den hemel en de aarde, toen zij geschapen werden : op den dag, waarop de Eeuwige God aarde en

5 hemel maakte; En al het gewas des velds nog niet was op de aarde en al het kruid des velds nog niet was ontsproten, — want de Eeuwige God had nog niet doen regenen op de aarde en een mensch was er niet om den aardbodem te bewerken ; —

6 Steeg een damp op uit de aarde en drenkte de gansche opper-

7 vlakte van den aardbodem. En de Eeuwige God vormde den mensch uit stof van den aardbodem en blies in zijnen neus

8 levensadem ; en de mensch werd een bezield wezen. De Eeuwige God had eenen tuin geplant in 'Eden, ten oosten ; en

9 plaatste daarin den mensch, dien Hij gevormd had. De Eeuwige God had namelijk uit den aardbodem doen ontspruiten allerlei geboomte, begeerlijk voor het gezicht en goed tot spijs, en den boom des levens in het midden van den tuin

10 en den boom der kennis van goed en kwaad. En een stroom ontspringt uit 'Eden om den tuin te drenken; en vandaar verdeelt hij zicli en wordt tot vier hoofdstroomen.

11 De naam des eenen is; Pieshon; dat is die, welke het

12gansche land Chawiela omringt, waar het goud is Eu het

goud van dat land is goed; daar is de Bedolach en de steen

Hoofdsiük II. 1. QJOJC SsV Hunne heirscharen, zoowel die des hemels, nl. sterren en engelen, als die der aarde, planten en dieren, sax, dat overigens nooit voor planten en dieren gebruikt wordt, doch van aardsche schepselen gebezigd, steeds eene menschenmenitjte aanduidt (Jes. 34,2), wordt hier, ten gevolge van de verbinding van hemel en aarde, niet in zijne meer beperkte beteekenis: hemdsche scharen (Deut. 4,19; Nech. 9,6; Jes. 45,12), maar in den meer uitgebreiden zin gebezigd.

2. Syr Hij had met de intrede van den zevenden dag Zijn werk ge-eindigd, jwi, en hield toen op met werken.

3. rnryS onSx n-d icn iroxSo Sao nar ia 'a. te verbinden: '3

gt;ró ipn irosSn Sa nwjjS» rau ia, want met dezen hield Hij op, te maken al Zijn werk, dat God geschapen had. V. a. nwrS sia irs, dat Hij als Schepper gemaakt had-, v'gl. de uitdrukking nwrS Vnjn e. a. N, a. ; om zich verder te ontwikkelen.

4. nnSin nSx. nnSin eig.: geboorten, voortbrengselen, d. w. z. Ie nakomelingen, 2e geschiedenis, lotgevallen: vgl. Spr. 27,1 oi^ iVquot; ns, wat de dag zal baren. Anderen vertalen hier: ontslaan. — dtgt;2, op den dag = ten tijde, vgl. Deut. 31,17.

5. mr bai. Toen de planten er nog niet waren, ■— steeg een damp op enz. Het verhaal van 's menschen levensloop en zijne vestiging in 'Eden gaat

5

ocr page 19

3 mrma n

Di'3 p«m D^otrn

^ • : - j - v: lt;- : - ,t t : gt; t : » ■•\t t : ' jquot; t - •»«.;* 3

-1^« inpxbp'^p DI;? na^i njr]; inDN1?» h?^ in »3 im di^tik d^k 1

a * : ni^v1? ina^D-baö

1 «:r v: jtt v -; : , ' : T '

D^ribNnin» nfmf DV3 DN^ana pNni D^Q^H nnbinn^K-quot;

v.- v: jt : •) *-: at ;it : I quot;at t : •)- t - s: 1 •.••quot;•

a^ir^Di riNn rrrr Dit: rntrn 1 : D^öt^i pNquot;

v r- t : i vtt ^ -v:r vvlt; v t^ - - . it t . | .j.

dikt pKrr^ vribx nin^ K? ^ DIÜ nntrn

-tt ; 1 vtt *■ • v: lt;t : * : * * at : • v-v v,quot;t -

-nNn^ni pNrrfp n^;_ INI : nanxn-nK liyh -röifi^DiKrrnK D^N nin» V»I : na-iNn

i • t't t t it v • v: t : v • - it t -: it jquot; : t

: rm vbfr dinh ♦nn D^n mm vöks nsn nbiKn

it - vjv : v,t t it : - a' - ■*- : • i.t quot; : /- • - t t quot;•ffjt

im DiKirnK Dtbo^i Dtpn rn^rp nm» r^iquot;

jv -: ^t t it v t Vquot;jt ~ v|av I v,quot; : Iquot; •)quot; v: ^ st :

nKiüV -ion: YV'^i nibiNrrfö d^hVn nin^ nóï'i : rv °

: - ; jt : v i •)quot; t t t-:jt ' ' ^ * v: lt;t : - • - - itt

: yy\T ïïu fin ^ina DMnn aitpi

b^ai ï^-nx ni^nb j-r^p af to; n^inn px-ba nx nisn wn ri^a -inxn : Dnamp;n*

t *-;r I v-»v t ..«..- -• i a ■ ^t v it jquot; i* t

raxi n^ian am Kinn rixn arm : antn DirnirK ^

I v jv : ^ - jt a quot; I '-'jtt •»—: 1 ittquot; ^t v -;

terug tot den derden scheppingsdag, toen liet eerste schepsel tot bijzonder gebruik voor den mensch in liet leven werd geroepen. Het tweede deel van het vers is tusschenzin.

^■ nay, uit stof; de grondstof, waaruit iets vervaardigd wordt, staat gew. in den 4den naamval, vgl. Ex. 38,3 e. a. p.

8. tnpo- ten oosten, van Palaestina ; v. a. van vroeger, d. i. vóór de schepping van den mensch.

9- pn iira Midden in den tuin, niet: binnen den tuin, alsof de andere boomen daarbuiten waren. De beide hiergenoemde boomen vormen liet middenpunt der geheele planting, zoodat Gen. 3,3 de boom der kennis eenvoudig genoemd wordt; de hoorn, die in het midden van den tuin is.

pn 310 njnn fjn = jni sic ran ,nmn yi't, zooals meestal het bepalend lidw. bij het nwjD moet verklaard worden.

10. DCOIj en vandaar, na door den tuin gestroomd te zijn.

12. nSl3, volgens sommigen ; paarlen, v. a. een aromatische harssoort: bdellium. DHIPj volgens Sopt. onyx.

ocr page 20

GENESIS II, III.

13Shoham. En de naam van den tweeden stroom is: Giechon;

14 dat is die, welke het geheele land Koesh omringt. En de naam van den derden stroom is: Chiddekel; dat is die, welke ten oosten van Asshoer loopt; en de vierde stroom is : Perath.

15 Nu nam de Eeuwige God den mensch en zette hem neder in den

16 tuin 'Eden om dien te bewerken en hem te behoeden. En de Eeuwige God gebood den mensch, zeggende: «Van al het ge-

17 boomte van den tuin moogt gij eten; Doch van den boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten; want op

18 den dag, waarop gij er van eet, moet gij stervenquot;. Toen zeide de Eeuwige God: «Het is niet goed, dat de mensch alleen zij ;

19 Ik zal hem eene hulp maken, voor hem passendquot;. De Eeuwige God had namelijk uit den aardbodem gevormd al het wildge-dierte des velds en al het gevogelte des hemels en had ze tot den mensch doen komen, om te zien, hoe hij ze noemen zoude ; en elk bezield wezen, — zooals de mensch het noemen zoude,

20 zoo zoude zijn naam zijn. Zoo gaf de mensch namen aan al het vee en aan het gevogelte des hemels en aan al het wild-gedierte des velds; voor den mensch echter vond hij geene

21 hulp, voor hem passend. Toen deed de Eeuwige God een diepen slaap op den mensch vallen, zoodat hij insliep ; toen nam Hij eene van zijne ribben en sloot met vleesch hare plaats.

22 En de Eeuwige God bouwde de rib, die Hij van den mensch genomen had, tot eene vrouw, en bracht deze tot den mensch.

23 Toen zeide de mensch: «Deze is nu eens eindelijk been van mijne beenderen en vleesch van mijn vleesch; deze zal: mannm

24 genoemd worden, want uit een man is deze genomen !quot; Daarom verlaat een man zijnen vader en zijne moeder en hecht zich aan

25 zijne vrouw en zij worden tot één vleesch. En zij waren beiden naakt, de mensch en zijne vrouw, doch zij schaamden zich niet.

1 De slang evenwel was arglistiger, dan al het gedierte des velds, dat de Eeuwige God gemaakt had ; en zij zeide tot de vrouw : „Is het waarlijk, dat God gezegd heeft: gij moogt niet eten van

2 al het geboomte van den tuin ?quot; Toen zeide de vrouw tot de slang: „Van de vruchten der boomen van den tuin mogen wij eten.

15. Hier wordt de draad van het verhaal uit vs. 8 weer opgenonieD.. mscS maï1?. Daar mannelijk is, slaat het aanhangsel n— 0P mis.

17- mon ma enz. ova lt;3. Op den dag, algemeen, = wanneer-, niet dat hij juist op den dag, waarop hij zou eten, sterven zou.

18. nm bij hem passend, die tegenover hem geplaatst en met hem verj-eleken, blijken zal zijner waardig te zijn.

19 en 20 geven de aanleiding tot het besluit van vs. 18 op.

20. JClp' TK'JC Sil enz. Verbind: toü son Dixn iS sipgt; icx /pn be: Ssi ; en elk bezield wezen, — zooals de mensch het noemen zoude, zoo zou zijn naam zijn. i1? Nquot;i[y ito = d» msn ih sify iiwo.

6

ocr page 21

j 3 rwtm i

: pN-ba nN niion Kin rin^ ♦itrn insn-Diri: ontrn »

1 I vr.* T V.quot; quot; quot; J I A • V*.quot; - ^ JTT - Iquot; ; - I -

nnsni nxyp ^Vnn K^IH bp^in TOrouh^

jtt- : a - — :l* kquot; i- i ivv • • ; - «tt - iquot; :

-tjninnsn Dnxn-nx d^k nin* np^ :ma Nin ^

I - : ------ AT TIT V v.' •••: ^ JT : uquot;' IT; j • : IT

-iaxb dinh-^ D^ri^K nirr pjb 'B

A •• ^TT IT *• • v: ■•r : IT : T : ^T : •gt; : I v^*

bDNn yni niu n^in ^oi : bpxn VDN ^n-^. Vap11 D^Knin^no^i : nian niö isao ^dk di^ 'i

^ • ••: ^-'t : v - it j {•.' • j} : t •» : * av •

nWiï'i: nji3 quot;IT^ iV_n^K na1? dinh nin

T : v • - I: v : vv* j v *••: iv A - : V.T T IT j •:: ■» i

k^D*Di5^n«iWquot;l?3nN,i nnirn n^s naiKirra d^k

••T- • - T - I ^ t : p ■-' T - T T T ~: IT I * , V:

ÏTSJ DINH ItTK '731 lb_Kquot;lp,_nQ nlNlb DlNiT^K

vjv -JTT IT s TI : • v -: : A TI : • - ^ TTJT

^iv^inonan-^P nlb^ cnxn Nip»i *: lot^ Kin n^n =

ql ^ : T •• : - T : •• TTIT TI;*quot; i : j {.r -

: inj:3 quot;inr Ki'a-j6 anxVi mtrn nsn b'sb) D^atrn «

•• - - i;v; jt T I TT ; AVT - •»-- v J ' ~^T quot;

vni^ïD nnx np»i r^quot;i ans4n-^ namn i D^nbx nin»

T : ~ - - I---1 AT • - ^T T iTq q quot; -JT •• : - i* v: T :

quot;i^N^ïrrnKi D-n^x nrr p#i : nannn T^a quot;üD'i33

V -: «IT •• - V s- v: T : I v •- T iv : - \.T T j : quot;

riNT biKn naxn : anxn-^ nKa^i ni^K^ onxn-ra np7 «

J TTIT V ^ - IT TIT V T (.V * Iquot; AT * ; ^T T IT I . Jquot;T

'2 nt^N Kip1- nKrb niraa Tt^ai 'aï^a D^èn

j* T • -•••IT* ; A-T : * vTgt;T ~ T •'quot; 'quot;' '*

pmi laK'nNi V3K-nK wx-nry rrb^ : nKmnp1? t^^a ^

I -•- T : A • v : (,• T ••• • T -:I- I •• i T I-ra-.. v.* ••

in^Ki aixn D^anr bnquot;:^ vn»i: -ins4 Ti^nb vm

A : • : \.TT IT -: v •• : lt; : r- IT^V JT T : v. T : : • :

nb'V ni'^n n^n^aa Din^ n*n irnsm : i^iran» xbis

V.T 'T jquot; -: VT - j- - ^T -TT T',T' • - ,T . : * ^ :

i^DKn tib DT^K lax-^ six n^xn^x lax^i D^nbK nin*

: I j . v; j- T ,. ) -lt; T ■ -*T v v - A- v; ^ -T :

: ^dn: nrrry naa t^nan-^N nuwn laxm : nn Vaa 3

Iquot; HT- I r : - ATT- V *.T • IT v j quot; I IT- I quot;gt;• v. *

23. DJtöD. naar Gen. 29,35; 30,20 e. a. p. is fist onderwerp van den zin en slaat op de vrouw, terwijl orsn beteekent: deze keer, dus te vertalen : deze is nu eens enz.

24. Zie aanteekenincr op Gen. 1,14, o'irisSi. — Vs. 25 is overgang tot het volgende hoofdstuK, terwijl in D'svtr, naakt, eene woordspeling ligt met Dnr, listig, van het volgende vers.

Hoofdstuk III. 1. O f)» = '3 t]Nn. is het werkelijk waar, dat enz.,

(vgl. 1 Sara. 22,7, waar oj staat voor: DJn); v. a. ook al heeft enz., waarbij dan het gesprek tusschen de slang en de vrouw niet in zijn geheel zou ■medegedeeld zijn.

ocr page 22

GENESIS 111.

3 Doch van de vrucht van den boom, die in het midden van den tuin is, — heeft God gezegd, — daarvan zult gij niet

4 eten, noch er aanraken, opdat gij niet zult stervenquot;. Hierop

5 zeide de slang tot de vrouw: «Gij zult niet sterven. Maar — God weet, dat op den dag, waarop gij er van eet, uwe oogen zullen geopend worden en gij als goddelijke wezens zult

6 zijn, kennende goed en kwaadquot;. Toen nu de vrouw zag, dat de boom goed was tot spijs en een lust voor de oogen en dat de boom begeerlijk was om te aanschouwen, — nam zij van de vruchten er van en at; en gaf ook haren man, met haar

7 — en hij at. Nu werden hun beider oogen geopend en bemerkten zij, dat zij naakt waren ; toen naaiden zij vijgenbla-

8 deren en maakten zich sciiorten. Toen hoorden zij de stem van den Eeuwige God, stalig zich bewegend door den tuin bij het windig worden van den dag; toen verborg zich de mensch en zijne vrouw voor den Eeuwige God te midden van het ge-

9 boomte van den tuin. De Eeuwige God riep den mensch toe

10 en zeide tot hem: „Waar zijt gij?quot; Hierop zeide deze : «Uwe stem heb ik in den tuin gehoord en ik vreesde, omdat ik naakt

11 ben; daarom verborg ik mijquot;. Toen zeide Hij : «wie heeft u medegedeeld, dat gij naakt zijt ? hebt gij soms van den boom gegeten, waaromtrent Ik u geboden heb, er niet van te eten?quot;

12 Daarop zeide de mensch: „De vrouw, die Gij mij ter zijde

13 gesteld hebt, zij gaf mij van den boom en ik atquot;. Toen zeide de Eeuwige God tot de vrouw: „Wat hebt gij daar gedaan?quot; Toen zeide de vrouw: „De slang heeft mij verleid, — zoodat

14 ik heb gegetenquot;. Hierop zeide de Eeuwige God tot de slang : „Omdat gij dit gedaan hebt, zult gij vervloekt zijn onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uwen buik

15 zult gij gaan en stof zult gij eten al de dagen uws levens. En vijandschap zal Ik veroorzaken tussclien u en de vrouw en tus-schen uw kroost en haar kroost; dit zal u het hoofd verpletteren

16 en gij zult het de verzenen vernielenquot;. Tot de vrouw zeide Hij:

3. 13 lyjTI JtSl. cene verscherping van het gebod, door de vrouw er aan toegevoegd, — v. s. om daardoor den verleider van alle verdere redeneering af te houden.

6. mxn. begeerte opwekkende. VoctV yjn nsrw, en de hoorn hegeerlijk was te aanschouwen, er telkens viet aandacht naar ie kijken ; v. a. um verstandig te worden.

7. nam, zij naaiden, volgens Ibn 'Ezra: met houtjes. nS^, de enkel-voudvorm als collectiel'.

8. -iSniTO, zich statig bewegend, niet: wandelend. Divi nnS: hij het koel worden van den dag, d. w. z. tegen het vallen van den avond; anderen: naar de zijde, waarheen de dag zich wendt, d. i. aan de westzijde. — Volgens R. Jona, door Ibn 'Ezra aangehaald, slaat -jbnna op Adam en zijne vrouw.

7

ocr page 23

i rvpira T

isöp a'pibx iDK fan-^ins IE'N pyri naoi ^

nio-N1? n^n-^K arm quot;IDN^I : nnan-rs 13 mr\ ■gt;

v, at * it v lt t - J - i i •.. : i v a \. •. ' J :

D3'3^ inpsjii laèöDD^K ova »3 D^ri1?» ^ »3 :nnönquot;

quot;•••,quot;?•• J:: : •••• .-.• : r -: : ■ • v:*- I . -, :

rvnaiü ^ Kim : jmi 3113 ^ 0^x3 on^nv

I t gt; -•• ^ t • it vjquot; - ^ itt ^ pvquot; :i • iquot; v • : r

npm ^iwrh r^n -inn^ NirrmKn SSnq1?

't quot; : ' lt;t : v : • - •'quot;it j t-; r s- : t -: r ;

^yrmpsm : nsy h^^-dü rnm bstim insa'

— t : P-t • - r quot; ^t .)t • : - Isquot; • - aquot; - v, : • •

op1? i'TO. nixn nV# nsn»! on döt^ »3 linn jas ^v»nnp D'H'SN nin» ^ip-nx : n'^nn

D'hbx nin» 'aao int^Ni d^kh xsnn»quot;! ai'-n nnS

•••: -t : •• : • : • : t t it ^ _ - j .

quot;iok'1 DTNrrVN D'nbK nin» : pn ^ -]in3° ^iKDTjpsKnwip 'nynf IDN»! ifN f^n-fpn DT^. '3 »0 iqk^ IKTOVquot; nirKn D-iNn IÖ^I :n^3N WÖO-^N ♦n^1? ww*

**•* quot;: t • it att^it v v.quot; t ; it t vquot; ' t ~: J' l ' I i •»* * *

D'n^Kninno^i : rprrp ^-n:n3 «in na^ nnn:^

•» .: st : v - iquot; it I v.**^t I • t : it r • t t-•-t

.'73^ t^nanrréten iDNni n^r^rnp -^d nnK-inxhNi ^narr^K 1 d^n nirr quot;quot;io^i ^

t • t - lt; t t •*' ^t jquot; tt- v -•• •*: t

nn'^n n»n ^spinbnsn «in njnr p3i ^1? |»3i n^Nn pni^ra n^N 1 : ^»n10 quot;)ón n^Kn-bx D : 3j5jj isaityn nn^i vai

14. lt;3, omdat. De slang wordt als verleider zonder voorafgaand verhoor veroordeeld (vgl. Sanhedrien 29a.)

no,-an h:D, onder al het vee, als eenige onder allen ; niet: meer dan al het vee, want de overige dieren werden natuurlijk niet vervloekt.

Ssjcn nayi, niet als voedsel, maar als gevolg van het kruipen op de aarde; vgl. Micha 7,17.

15. Nin enz. De mensch zal de slang onder zijn voet verpletteren, terwijl deze hem slechts bijtende de verzenen kan wonden. Een strijd dus, waarin de mensch de sterkste zal blijken.

16- 131(11 quot;]313SJ7j smarten uwer zwangerschap, een begrip in twee

gecoördineerde woorden uitgedrukt = -|nn pasj?.

ocr page 24

GENESIS III, IV.

„Ik zal de smarten uwer zwangerschap zeer groot doen zijn, met smart zult gij kinderen baren; op uwen man zal uwe

17 begeerte gericht zijn, en hij zal over u heerschenquot;. En tot Adam zeide Hij: «Daar gij hebt geluisterd naar de stem van uwe vrouw en van den boom hebt gegeten, waaromtrent Ik u geboden heb, zeggende: gij zult er niet van eten, — zij de aardbodem uwentwege vervloekt, met moeilijkheden zult gij

18 er van eten al de dagen uws levens. En doornen én distelen zal hij voor u doen ontspruiten en gij zult het kruid des velds

19 eten. In het zweet uws aangezichts zult gij brood eten, totdat gij terugkeert tot de aarde, waaruit gij genomen zijt; want stof

20 zijt gij en tot stof zult gij terugkeerenquot;. En de mensch noemde den naam zijner vrouw Chawwa (Eva), omdat zij de moeder

21 werd van al het levende. En de Eeuwige God maakte voor Adam en zijne vrouw rokken van huiden en kleedde hen.

22 Nu zeide de Eeuwige God : «Zie, de mensch is geworden als een van Ons in het kennen van goed en kwaad; welnu, opdat hij niet zijne hand uitstrekke en ook van den boom des levens

23 neme en ete en eeuwig leve! —quot; Toen zond hem de Eeuwige God uit den tuin 'Eden weg, om de aarde te bewerken, waar-

24 uit hij genomen was. Hij verdreef dus den mensch en plaatste ter oostzijde van den tuin 'Eden de Cheroebiem en den vlam-menden gloed van het omwentelende zwaard, om den weg naar den boom des levens te bewaken.

1 En de mensch had zijne vrouw Chawwa bijgewoond; zij werd zwanger en baarde Kajin, en zij zeide : «Ik heb eenen man ver-

2 kregen van den Eeuwigequot;. En zij baarde verder zijnen broeder Hébel; Hébel nu werd een herder van kleinvee en Kajin werd een

3 landbouwer. Nu was het na verloop van eenigen tijd, dat Kajin van de vrucht des aardbodems den Eeuwige eene offergave bracht.

17. tw, eig. vrucht, v. d. gevolg, iiara ten gevolge van. Sommigen

vatten het hier in de oorspronkelijke beteekenis op: in hetgeen zij u levert. (Vgl. echter Gen. 8,21). — nO^DfCD. zult gij ha a r, d. i. hare opbrengst, eten.

19. Ook vóór de zonde was 's menschen taak mar1?, te arbeiden. Wat toen echter, door de groote vruchtbaarheid der aarde, den mensch tot lust was, zou voortaan, door den over de aarde uitgesproken vloek, een straf en zware last worden. — '3 = quot;ws.

20. Toen noemde, naar aanleiding van Gods woord: o*» nSn, vs. 16. Het zegenrijke in den vloek houdt Adam vast en vereeuwigt het in den naam zijner vrouw. — niH = !Tngt; de leven schenkende.

21. quot;fly DIJTD, rokken van huiden, Onkelos: rokken ter bedekking van hunne huid.

22. 130Q quot;WO ah een van Ons, gelijk aan God en Zijne engelen. Als majesteitsmeervoud kan het hier wegens de bijvoeging van: mso niet opgevat worden.

23. nnjn, welnu, — als inleiding tot een besluit, waarvan hier alleen de uitvoering wordt medegedeeld.

8

2

ocr page 25

i i wmn n

nbri zvyi rn-iK nsnn

njra^ *3 quot;IÓK CHK^ D : «ini Tjnpv^nquot; bpNn ibN1? ^rm quot;iFt? fi;n-fp '^ni ^nu'K ♦d* Va ns^DMn riaï^a riDittn miix mn

jquot;: v. t v -; i i t : i v ^; - t t -; it lt;t -; av •

: mirn nvy-nt* dVdni ti1? n^ïn nm-n ripi : ^

ivt - •-• '■' v.t : - ^it : |at - - v.quot; : quot; : » ^ ',vquot;

naso '3 nbquot;iNn-VK np on? VDKH TÖN ^

t v,quot; * j' t t -: -jt v i : i lt;- v v - ^ | v - •lt;—•;

inrK air Dixn : n^n nap-VNi nnx =

^ : • Jquot; r. •gt;TT,T^ :st':q'quot;9 1 T v.tt v ; t - -•t't i* t ; iat-..

DIKV D^ribK ninquot; ^ir»i : DK nn^n Kin ^ mn«

st t : • v: t : ^------it t r* vt : it j- r at -

a *: atón ity nuna

^ ^ iquot; • : - - j : t ■) : • :

DiL3 n^n1? 1300 nnxa n^n anxn rn D^nVx mrr i «

-• - \,-r . *•* * -•quot; ~ ; ^tt tt it I-s- • v: ^t : j-

'ni Vdni o^nn as npVi it i nnvi y-n

Jquot;t vquot; t : I- i #5quot;quot; -lt; l-t : t -»- : • i v -'t : ^ att

nbnNn-nN layb rnyrao nirr inn^n : oVr1? quot;

t t-r^t v ^ q » •••^quot; 'quot; * •••: ^t : •gt;•• : - ;i- it ^ :

h-é'ï^ ï^-1- d^d'n^ •' d'f0 nij ib'n 13

□nj? nxi D^iarrnx tik quot;ivm nnni int^k nin-nx py onxm d : d^nn«

v — - ~ ~ a : -«t- v ^ ^~t t t jt : i* - i-

vnK-nK rri^b ciDm : nin^nN k*k iD^ni rp =

V' T v vvt |v J - IT : v v.* ^ • ^ It v - I I-

'm : nonK na'^ n^n rpi jkx n^'i SarrnK^

v-:- it t -: v,tt I I-: I v v • :i- vat

: nirr1? nniD nonxn nao rp xan rpa

it i- vt : • -jt t-:it y : • I j- quot;t- a t | l-*quot;*

24. D-JKn — den mensch, Adam en zijne vrouw, naïnivsn 2inn on1?, den vlammenden gloed van het wentelende zwaard, d. w. z. het in voortdurende wenteling als in vlammen glinsterende zwaard.

Hoofdstuk IV. 1. pp, van pp = n:p. — 'D iVC — rixo, (vgl. Gen. 49,25) vanwege; v. a. met de hulp \amp;n den Eeuwige. In den een kind gegeven naam wordt dikwijls uiting gegeven aan eene gedachte, opgewekt door de bijzondere omstandigheden bij zijne geboorte, of door een blik op zijne vermoedelijke toekomst.

2. San, nietigheid, vergankelijkheid, misschien met het oog op zijn korten levensduur! mogelijk is het ook, dat Kajin nog in het paradijs, Hébel eerst na de verdrijving is geboren, en dat dus in zijn naam de vergankelijkheid van het moeitevolle aardsche leven is uitgedrukt. (Vgl. vers 1, JTT zie Rashie aldaar.)

3. nruo, eene offergave, in engeren zin: meeloffer of ook: geschenk. Hier algemeene naam, waaronder ook een dieroffer bedoeld wordt.

ocr page 26

GENESIS IV.

4 En Hébel, ook hij bracht van de eerstgeborenen van zijn kleinvee, en wel van de uitgelezensten daarvan. De Eeuwige

5 nu wendde Zich tot Hébel en zijn offer. Doch tot Kajin en zijn offer wendde Hij Zich niet; toen ontbrandde de toorn bij Kajin ten zeerste en zijn aangezicht was ter nedergebogen.

6Toen zeide de Eeuwige tot Kajin: ,/waarom brandt toorn in

7 u en waarom is uw aangezicht ter nedergebogen ? Is niet, indien gij goed handelt, [uw aangezicht] opgeheven ? Doch, zoo gij niet goed handelt, rust de zonde voor de deur; en naar u is haar verlangen, doch gij moet over haar heerschenquot;.

8 Kajin zeide het tot zijn broeder Hébel; en het was toen zij op het veld waren, dat Kajin opstond tegen zijn broeder Hébel

9en hem doodde. Toen zeide de Eeuwige tot Kajin; //waar is Hébel, uw broeder?quot; Hierop zeide hij: «Ik weet het niet; ben

10 ik dan de bewaker mijns broeders ?quot; Toen zeide Hij : „Wat hebt gij gedaan? De stem van het bloed van uwen broeder, dat

11 tot Mij schreit uit den aardbodem! En nu vervloekt zijt gij ! Weg van den aardbodem, die zijnen mond geopend heeft, om

12 het bloed uws broeders uit uwe hand aan te nemen! Als gij den aardbodem bewerkt, zal hij u zijne kracht niet langer

13 geven ; zwervend en dolend zult gij op de aarde zijn!quot; Toen zeide Kajin tot den Eeuwige: «Mijne straf is te groot om

14 te dragen! Zie, Gij hebt mij heden verdreven van de oppervlakte des aardbodems en voor Uw aangezicht zal ik mij moeten verbergen; als ik nu zwervend en dolend ben op de aarde, dan zal het geschieden: elk, die mij vindt,

15 zal mij dooden!quot; Hierop zeide de Eeuwige tot hem:

4- inaSnai iwx nroaa. van de uitgelezensten onder de eerstgeborenen van zijn kleinvee; de 1 verbindt de nadere toelichting aan Jiet meer algemeene begrip en moet vertaald worden met: en wel. (trOTH, meervoudig, ook al is de i weggelaten, zooals zeer dikwijls bij QTlSx voorkomt.)

Indirect wordt hier van Kajin gezegd, dat hij niet het beste bracht, en dus de grond voor Gods minder welgevallen aangegeven.

jraSn. Reeds in den Talmoed (Zebach. 116a) heerscht verschil van meening, of dit woord hier beteekem: de vetste dieren, dan wel: v ets tukken.

Of dit Zich icenden Gods zich uitte, doordien een hemelsch vuur het offer verteerde, (Rashie en Ibn 'Ezra) wordt in den tekst niet aangegeven.

inroo Sni 'jan Sn = 'ran nran Sn.

5. VIS I'm hij liep met terneergebogen gelaat, bedroefd en tegelijk toornig op wraak zinnend.

7- D'tSTlj goed handelen, goede daden verrichten, vgl. Jes. 1,17.

mifft verheffing van aangezicht, tegenstelling van: d^js rtasj; de goede daad alleen kan uw gemoed tot rust brengen; zoo gij thans verdrietig zijt, dan ligt de schuld bij u, — want zoo gij niet goed handelt, dan

9

ocr page 27

■r nnwna 12

IJNÏ rvhDaa «in-oa Mon Vanv i'è'? TM ü) inn:p-bKi :inn:ö-^«i Van--1 ^a: na^i mn ns1? pp-bx nirr quot;iqK'i : vj3 iVö'i iko '

j : it tv,t : |t gt;tjt t tlt; i • ut v ^.t : j - itt ^ ; •- :

nKtsn nnö1? N1? dki 3 WDK KIVH :n^a'

-quot;t - -!.•••- • •• : quot; : ' • quot; ' 1 quot;lquot;' ' '■■■t

?3n-7K -iün^ : irV^on nnxi ih^n ^nquot;-iquot; : inainn vm Van-V^ï rp Dp»i nnira onivia Vn vnK

,.. ----t v^.. j itjtquot; vt quot; . -'t ^; !• • :- a* t

idirn^t xb quot;iqn^^nn ^nn n* |^quot;bn nin^ io^» -pnK 'Di Sip n» idn»i : piK rmKirp nnx quot;insi nnyi : nDi«n-jD ^

-quot;.• -; t t-:it i • t at •* t ^t ! it tit i * quot;

♦3 : nTD TriK wntt nnpb n^-nx nn^a ^

lt;• P ivt * I v' t jquot; : v -I j-t t v ^ -«t ; it

rrnn lii p: -ib nn^-nn eiDh-^1? nbiNrr-nx tayn

jv: r vtt ^ jr |at ^t r* }jquot; i t t^-t v ^tr

: Nii'^sa Vina nirr^ pp loxn : pxa'

r ' = ' ^ quot;= JT : quot; = \ ' . v V 1 , ••■.'T9 T

♦n^ni inDN n^sai notNn tyo Di»n n^ia n ^

• 't : aquot; t v Ivvt • t t-:it -quot;• : ~ •• - r : -•• Iquot;

nirr ib inw) : ♦xvo-Vd n^m H:i v:«

t ; -• vs- -iquot; : -r ; 1 r jrr : } v t t tt ^lt;t

dreigt juist het gevaar der zonde. Immers zij ligt steeds vóór den ingang, aan u de taak haar buiten uw gemoed te houden. Uw toorn en naijver op uwen broeder, die u uw aangezicht doet neerbuigen, maakt u juist ontvankelijk voor zondige gedachten; handel slechts goed, en uw verdriet zal verdwijnen; hoe sterk de drang naar de zonde oogenblikkelijk in u ook moge zijn, gij moet en kunt haar beheerschen.

PI en inpiBn, naast het vrouw, nson, mannelijk, omdat de zonde hier als zeer krachtig gedacht wordt.

8. Kajin züde het, wat God hem zooeven gezegd had ; anderen

willen uit het feit, dat ons onmiddelijk daarna verhaald wordt, als woorden van Kajin aanvullen; mi'n roS:, laat ons naar het veld gaan (Nachm.) Evenzoo wordt dikwijls), wanneer het in den samenhang toch duidelijk genoeg blijkt, of de uitvoering van een bevel niet vermeld, of slechts het feit verhaald, zonder dat het bevel uitdrukkelijk is gegeven.

ii. noixn {0gt; van den aardbodem weg, zooals uit vers 14 blijkt bedoeld te zijn; de vloek bestond daarin, dat hij van den bodem, waarop de moord was gepleegd, zou verdreven worden en hem het leven daar onmogelijk zou zijn, daar de grond hem geen vruchten zou opleveren.

13. NHWO W Sm v. a. te groot is mijne zonde, dan dat ik haar zou kunnen boeten, vgl. Num. 5,31; n. a. dan dat zij zou kunnen vergeven worden, vgl. Ex. 34,7.

14. 'KXO S3) latere menschengeslachten of dieren.

ocr page 28

G E N E S I S IV, V.

„Daarom — wie Kajin doodslaat! Zevenvoudig zal hij gewroken worden!quot; En de Eeuwige legde Kajin een teeken toe, opdat hem

16 niet zou verslaan al wie hem zoude vinden. Kajin ging weg van voor het aangezicht des Eeuwigen en ging wonen in het land

17 Nod, ten oosten van 'Eden. Kajin woonde zijne vrouw bij, zij werd zwanger en baarde Chanoch; daar hij nu juist eenestad bouwde, noemde hij den naam dier stad naar den naam van

18 zijn zoon : Chanoch. Aan Chanoch werd 'lerad geboren en 'lerad bracht Mechoejaël voort; en Mechijaël bracht Methoe-

19 shaël voort eu Methoeshaël bracht Lémech voort. En Lémech nam zich twee vrouwen ; de naam der eene was 'Ada en de

20 naam der andere was Tsilla. 'Ada baarde Jabal; hij was de

21 vader van hen, die wonen in tenten en bij kudden. En de naam zijns broeders n as Joebal; deze was de vader van allen,

22 die hanteeren harp en fluit. En Tsilla, ook zij baarde : Thoebal Kajin, die scherpte allerlei snij werktuigen uit koper en ijzer; en

23 de zuster van Thoebal Kajin was Na'ama. Lémech zeide tot zijne vrouwen : /,'Ada en Tsilla, hoort mijne stem! Gij vrouwen van Lémech, luistert naar mijn spreken! Want een man doodde ik wegens eene mij toegebrachte wonde en eenjonge-

24 ling wegens mijne kneuzing! Doch wordt Kajin zevenvoudig

25 gewroken, dan Lémech zevenenzeventigvoudig!quot; Nadat Adam zijne vrouw wederom had bijgewoond, baarde zij een zoon en noemde zijn naam : Sheth ; want: //God heeft mij ander kroost geschonken in plaats van Hébel, dien Kajin gedood heeft!quot;

26 En aan Sheth, ook hem werd een zoon geboren en hij noemde zijn naam Enosh ; toen begon men te verkondigen in naam des Eeuwigen.

1 Dit is de opsomming der nakomelingen van Adam: op den dag, waarop God den mensch schiep, maakte Hij hem

2 naar de gelijkenis Gods. Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen; en Hij zegende hen en noemde hun naam; mensch

15. p7. Daarom — om dit te voorkomen.

Dp' DTIVSC. zevenvoudig zal hij, Kajin, gewroken worden; de woorden : wie Kajin doodtl — bevatten eene kort afbrekende bedreiging.

16. 11], eigennaam, v. a. in het land der verbanning.

20. ,3N, de vader van, d. w. z. hij, die het eerst de menschheid leerde te wonen in tenten en hij kudden. aC', beteekent zoowel ergens, als hij iemand of iets wonen.

21. SJIin quot;1UD, harp en fluit, waarschijnlijk algemeene benaming voor snaar- en olaasinstrumenten.

22. Smi ntrra vm Lo raS, die scherpte allerlei snijdend gereedschap uit koper en ijzer; v. a. die scherpte allerlei gereedschap om koper en ijzer te snijden, zoodat zijn gereedschap nog niet uit metaal gemaakt behoeft te zijn.

23. Naar onze vertaling had Lémech iemand, die hem eene verwonding had toegebracht, gedood en stelt nu zijne vrouwen gerust, dat ook hem,

10

ocr page 29

n i »

'rbï) nix nin^ d^'t\ ^jb jiirvs

a^'i mn» ♦jövo r^p t^ï»i : ink-msn quot;=

*•• jquot;' at : ■quot;• ; • • » *1^quot;^ ^ quot;■gt;'quot; i : i t ^ i -

ibn), inrii infx~nk nir-pwaquot;

: tjiin ijs d^3 n^n nü ^npn yj; n:3 w) -|i:n-nx ^'•nai sx^nd-nn iv -it^ nn^-nt^ vins ^

.. t • ; Aquot;t i : v V.quot; t t. : t **. ' '■ t*quot;

quot;hd1? ivnp^ *: tpyrw iv b^indi ^tyinqtin quot;i^'1 ^ §

i quot;\quot; j i------i v it v j-t^ ^'\t ' : quot; t j i v -t ^

nbm : n^ï nwn d^i nny nnkn diy d^: vv?'

v jquot; ' it • ^. « - ; t t - - it lt;quot; a' t -quot;• ;

dkh : n:pdi snk nw n»n «in v^ntt my«

jquot; : iv|: • v ^ jquot; • -; TT _ -» att v vt^t

■dj nvïi : sjijri h33 t^ön-b^ '5« n;n kin bnv vrik»

- -t • : it ï v ' . jquot; t • -: tt -• ^ at v* t

nirini bnsi ntrn: t^in-ss rp bain-nk kin

j -:r av :-^ v v. : jquot; t ^ - i •) - - ^ v t:it

fypjyov nbvinn^v^tjd1? quot;iqn'i * :no^ p^ain» g .•wanbnvv^ïfi1? wquot;in^n»3»mö« mwri tios

^ i* ti-.. - : ••V-*:^ : quot; : • : -t lt;• j- a t:* t^—: r | v v — ;

tiy dtk ^tl: njniri d^3t!' tjobl '3^

'3 namp; lat^-nx xnpni rs ibm in^k-nx'

lt;• it -•• aquot; ^ : v jt! : • - i •• _ v — - : •

: rp inn »3 nnn ihk inr b^nbx 1=

lt;•• ; . ^ I Iit v t -: j' v v - j- •• - ^ ••**.• • v:

nip1? Snin tk ^i:k loty-nx tsjnpn ?3—kin-qü

v.»: ' quot; . quot;quot;t a v: v. : v rrl :• - I v

nivin nöd nr d *: nin» d^3« i

l : • ••• quot; -v , ^ it : jquot; : f

: ink namp;v dtpk ^013 din d^n k13 d1;3 qiü

• ^ •'t t V,* v: ^ : • tt • v: lt; ; : at r

dik dd^'tik xip^i anx viy) dki3 ropii quot;i3t=

tt t : v lt;tl:-- t ) ••■-quot;t : - kt t: itiquot;: jtt

evenals Kajin, de goddelijke bescherming tegen de wraakneming behoedt. Anderen zien in deze verzen een j abellied op de vinding van het bewerken van ijzer, d. i. van de vervaardiging van wapenen. Dan moet vertaald worden: Voortaan dood ik een man wegens enz. Ik kan mij thans zelf beschermen, kan mij dus zelve, zoowel als mijne vrouwen door mijne wapenen meer veilig achten, dan Kajin onder Gods bescherming.

\vüv = ruyctf.

25. im O = ws.

26. jopS Smn TK- Toen begon men te verkondigen, aan te roepen; Rashie: toen begon men menschen en zaken met Gods naam te noemen.

Hoofdstuk V. 1. quot;)£)□, boek, ieder afgesloten geschrift, zelfs een brief. Dent, 24,1 van den scheidsbrief, Jer. 32,11 van een koopacte; hier: register, lijst.

ocr page 30

GENESIS V.

3 op den dag, waarop zij geschapen werden. Adam leefde honderd en dertig jaar, toen bracht hij voort [eenen zoon] naar zijne gelijkenis, naar zijn evenbeeld; en hij noemde zijnen naam

4 Sheth. En de dagen van Adam, nadat hij Sheth voortgebracht had, waren acht honderd jaren; en hij bracht zonen en doch-

5 ters voort. Zoo waren al de dagen van Adam, die hij leefde,

6 negen honderd en dertig jaren; en hij stierf. — Sheth leefde

7 honderd en vijf jaren, toen bracht hij Enosh voort. En Sheth leefde, nadat hij Enosh voortgebracht had, acht honderd en zeven

8 jaren; en hij bracht zonen en dochters voort. Zoo waren al de dagen van Sheth negen honderd en twaalf jaren ; en hij stierf. —

9 Enosh leefde negentig jaren, toen bracht hij Kénan voort.

10 En Enosh leefde, nadat hij Kénan voortgebracht had, achthonderd en vijftien jaren; en hij bracht zonen en dochters voort.

11 Zoo waren al de dagen van Enosh negen honderd en vijf

12 jaren ; en hij stierf. — Kénan leefde zeventig jaren, toen bracht

13 hij Mahalalël voort En Kénan leefde, nadat hij Mahalalël voortgebracht had, acht honderd en veertig jaren; en hij bracht

14 zonen en dochters voort. Zoo waren al de dagen van Kénan

15 negen honderd en tien jaren; en hij stierf. — Mahalalël leefde

16 vijf en zestig jaren, toen bracht hij Jéred voort En Mahalalël leefde, nadat hij Jéred voortgebracht had, acht honderd en

17 dertig jaren ; en hij bracht zonen en dochters voort. Zoowaren al de dagen van Mahalalël acht honderd vijf en negentig

18jaren; en hij stierf. — Jéred leefde honderd twee en zestig

19jaren, toen bracht hij Chanoch voort. Jéred leefde, nadat hij Chanoch voortgebracht had, acht honderd jaren; en hij bracht

20 zonen en dochters voort. Zoo waren al de dagen van Jéred

21 negen honderd twee en zestig jaren ; en hij stierf. — Chanoch leefde vijf en zestig jaren, toen bracht hij Methoeshélach voort.

22 En Chanoch richtte zijnen levenswandel naar God, nadat hij Methoeshélach voortgebracht had, drie honderd jaren; en hij

23 bracht zonen en dochters voort. Zoo waren al de dagen van

24 Chanoch drie honderd vijf en zestig jaren. Chanoch nu richtte zijnen levenswandel naar God; doch hij was niet meer, want God had hem

25 weggenomen. — Methoeshélach leefde honderd zeven en tachtig

3. Toen Adam 130 jaar oud was, werd Sheth geboren, die in den eigenlijken zin de voortplanter van Adams geslacht is; Kajin wordt, als uit de omgeving zijns vaders verdreven, niet genoemd.

22. DVlSftn DX quot;]Snrn C/ianoch richtte zijnen levenswandel naar God, eig. ging met God, en niet met de goddeloozen, gewoonlijk cpSs •gt;: b •fTnn.i, viór Gods aangezicht zijnen levenswandel voeren, Gen. 24,40 e. a. p.

24. dviSjc ipj? npS O- Want God had hem tceggenomen, door den dood, vgl. Ezech 24,16; v. a. is Chanoch niet gestorven, maar plotseling levend van de aarde weggenomen, vgl. II Kon. 3,9 en 10.

11

ocr page 31

n mftm n*

nii^ HNÖI DSSJ : osïian Di^a

tt - ; lt;• : tt •»• : - it : it • i :

DiK'^o* vn»! : m loirnx «■ip»,i lobïa iniöia nbi'i ^

tt r*: J : rquot; r* v, : v jti : • - a : - ; v, ;• ^ v j-

: maai D^| iViji nxa npp np-m itVIH nnx nit^ hiKö jrt^n dik vn»in

att ; tt •• ^ lt;- : - v -: tt lt;••: t : i''

: n2ir nxoi D^ir K'on ntr^nn D : riDn1

i v: v v ^ - at t -»- : v' t Jquot; t •• •;!- it-

niND nio^i viw ri:trnN n^in nn« »

^ ^ •• r.- : -t quot; * -v , v: v -• ■ •■-!.- •• quot; :.quot;

mtrir dw vn»i : nmi d^3 quot;i7,i,,i n^n

.. ; r.. lt;.. . .. ... t : |- - it v t v gt;- att

♦nn D : m n:^ niKO ni^0

^ at t *j' : • ^ ••: r ; - ^ i t - at t ^ ^ j- : t t

n*i^ tfon |i^-nK in^ln nnw a'iix 'rn : p;p;n« ibi»v

♦0^3 Vm : mam D^3 njiy niNO nab^'i n:^ ^

-•••: t ; r- it t v j' at t v .** -'•* 1 t.t

rrp d : nb»i n:^ ni«D rirn!i d»:# tron E'liK3'

kt i •• r:quot; ^ it- at t v quot; : ' t •*quot; t v:

-nx i-i^in nn« ri^p ♦nn : bxh^nn-m n:^ ^

J . , ...... | T ).. .. ,.. v v V quot; ATT J* : *

: ni33i D^3 -ibvi dikö nio^i ni^ D^3quot;IK bxVVnD

it v.' t v j- att v. quot; jv : tt ^-•* t i - quot; ^--j •*

D : riDquot;quot;! n:^ niNo ^irni vw Tipy rrp wbi vnn ^

it- at t v i * t v i t i quot; -•quot; : t : i* *

nT-nKnbi»quot;) n:iy DWI tron^K^no ^v»

•»• ;- vit v . •* at t j* • : t jquot;•• ; - -s i- -•'i'td

niNonwimB'nT-nN ITVIH nn» 'pxVbna

^ i. •• ;■•• : t t -•■ : vv^ v -• ■ i —! |- •• : - -: l-

D^t^ni Eton ♦d,-1?3 rnn : ni:3i d^s n:iy ^

^ : • ; lt;•• t ••:--: r -•••: t ; r- it v.* t v j' at t

DWI DTitr TTWI D : m HIND njoiri n:#*

r • : ^ • s- : w • ; i- i t - at t v. quot; J •• ï t t

n^in nn» : Tjian-nN ihri nw nKai ru# ^

j . , ••-: r w • :r | i -: v ••* v ~ at t : . v.t t

-b3 Vn^ : ni]3i D^3 ibi*i nw niKO nw quot;niin-ns3

t : i* - it v.quot; t v j- at t v quot; -»*•* ï i quot;2.

d : no^i n:ir niNO vamp;ni nity dw

^ i t - at t k. quot; jquot; » tt • • : * lt;- ; ** :

: n^inp-nK ibip. DWI E'an ^jiin niKO vbv n^inDTiK n^m nnx D^xn-nx riiin

1 v •• . : - v : ... . • . • Vï 't V | -:

vmn wm Tiian ^^?3 ♦n,,i : nquot;i23,i D^3 nbvi n:iy«

• : «•• t | a-; j**; t v* • t v.'t '• j' at t

wrNi D^ribNn-nK Tiian ■nVnn'i : nixo niir^

v •• : a- v; it v | ^ -: )jquot; - : • - itt v.quot; tt

D^bt^i V3^ nbtbmo D *: vrhx in« npb^s™

.)• : ^ - sv - v : j- ; - r v; v. ) j't r

ocr page 32

U E N E S 1 S V. VJ.

26 jaren, toen bracht hij Lémech voort. En Methoeshélach leefde, nadat hij Lémech voortgebracht had, zeven honderd twee en

27 tachtig jaren; en hij bracht zonen en dochters voort. Zoo waren al de dagen van Methoeshélach negen honderd negen

28 en zestig jaren; en hij stierf. — Lémech leefde honderd twee

29 en tachtig jaren, toen bracht hij eenen zoon voort. Hij noemde zijnen naam Noach, zeggende: ;/Deze zal ons troosten over ons werken en over de moeite van onzen handenarbeid, ten gevolge van den aardbodem, dien de Eeuwige vervloekt heeft.quot;

30 Lémech leefde, nadat hij Noach voortgebracht had, vijf honderd vijf en negentig jaren en hij bracht zonen en dochters

31 voort. Zoo waren al de dagen van Lémech zeven honderd

32 zeven en zeventig jaren ; en hij stierf. — Noach was vijfhonderd

6 jaren oud, toen bracht Noach voort Shem, Cham en Jépheth. jaren oud, toen bracht Noach voort Shem, Cham en Jépheth.

1 Het was nu, toen het menschdom begon zich te vermenigvuldigen op den aardbodem en hun dochters geboren werden;

2 Toen zagen de zonen der goddelijke wezens de dochteren der menschen, dat zij schoon waren; en zij namen zich vrouwen

3 uit allen, die zij zich uitkozen. Toen zeide de Eeuwige: «Mijn geest zal niet eeuwig in den mensch heerschen, daar ook hij immers vleesch is; zijne [levens-] dagen zullen echter [nog]

4 honderd en twintig jaren zijnquot;. De reuzen waren op de aarde in die dagen, en ook daarna, toen namelijk de zonen Gods tot de dochteren der menschen gekomen waren, en deze hun kinderen baarden; dat zijn de helden, welke van oudtijds bestonden, de mannen van naam.

5 Toen nu de Eeuwige zag, dat de slechtheid des menschdoms groot was op de aarde, en al het in de gedachten zijns harten

6 gevormde, enkel slechtheid was ten allen tijde, — Toen berouwde het den Eeuwige, dat Hij den mensch op de aarde

7 gemaakt had; en Hij was bedroefd in Zijn hart. En de Eeuwige zeide: Ik zal den mensch, dien Ik geschapen heb, verdelgen van de oppervlakte des aardbodems, zoowel mensch als vee

29. ra. niet: Dn», de trooster; v. s. om ook liet denkbeeld van nu, rust

in den naam uit te drukken. Volgens anderen is hier, zooals bij meer namen, slechts een deel van het stamwoord in den naam opgenomen, \ ol-doende om bij het uitspreken van den naam onmiddellijk liet denkbeeld, dat in het stamwoord ligt, voor den geest te roepen.

Jö 130PU', zal ons verademing verschaffen van.

Hoofdstuk VI. 2. OTlSjtn '33 De zonen der yodddyke wezens, evenals Ps. 82,6. jTiSr quot;02, verklaren sommigen hier: zonen van voornamen; anderen : engelen-, nog anderen zien in ütiS.s '03 de nakomelingen van Sheth, in Di.sn ma de dochteren van Kajin's huis. (Zie ook Meor 'Enajim, 31).

3. PT; van pi, rechter zijn, heerschen. — DJBO = DJ ifS3, daar ook; v. a. van 33V, in hun afdwaling. — VD', •syquot; leeftijd, v. a. de hem ter bekeering nog gelaten tijd, vóór de intrede van den zondvloed.

12

ocr page 33

i n n^ïfo y

iT^innnxn^no m : TtüS'nK quot;ibi'i n:^ nxöi

- • i ••-: i- - v : )vit v v.quot; at t : . VTT

D»33 nSi»5 niNO jDtfi ni^ D^IO^ID^ niKayiymnii^bwi yvr\ n^tbmö wbs vn^inim»

V, quot; ^ j- : TT . . . ^ - «.. - v : -•••: t : r - it

n:^ n^O'i n:^ D^btri DTity ,nal?^n*,i D : ho!,i n:ïy quot;3

at t : VT t M : • s- : | v v • :i- i t - at t

gt; . gt; */rP . I . . I .

wysö^onrnT -m? n: laty-nK Nnp^i : n i^vi ==

.. tji- • ... ^ .. - ^ ., ; ... stI: *quot; . 11quot; ••• v

-p'^m : nin» nns4 nbn^n-fD irT rmyöi1'

| v v • ;i- it : j.t-:iquot;^ r.' -: t t -:jt I • -t I ^ :^' iquot;

mt? nno ^oni ni^ a^K'ni tfan ni-n» n^in nn«

ATT V. quot; quot;;iquot; tt _ : * : ***^t - v -• • i quot;-rr

^ j- ; TT ^ | v v •• : t • ;quot; i t v,quot; t v j-

ria nViquot;! niKo utorm nr^nn d : rio,,i ni«ü ^

V J - AT T . I quot; J.. -; | v - . .ITquot; AT T

^3-^ 3^ D'iKn bnn-^ : na^nwiDn-nK dithk^

-»•• : v. t t^t it -»•• •• r * : - vit v ; jt v

Dixn ni^rnK o^n^n-^a INTI : an1? hdikh 2

T T it -• ; v • v: it •• : lt; :•- ^ ivt j : \ ^ t at t-;it

-idn'i : nns -iir^ Van on*? inp^ nsn rab ^j

ITT J\' V • • T ^ V T lt; ) : •quot; ^TAquot; v, j*

nxö va» vm «in a^b d-iki ♦nn ri^-K1? nirv

JT quot; TT J T : AT T J V.T - ; T . T T IT «' 1 T I T :

p-nnx D3i bnn d^3 pN2 vn D,l5ö3n:miy an^v

Iquot; ••-;!- -Jquot; : •• T , *J'Tquot; | VTT ^ T • • :- ITT ^ l*: ^ • :

nan onb nVi onxn ni:3-i?K a^nbKn ^3

t Squot; av t *. :it : , t t it : v • v; it lt;•• : t v -;

ö *: DUTi nwN nbi^ü iwn onaan

^ ^ iquot; - jquot; : - ^t iquot; jv r • -

liV hat^no nx'-Vai p«3 anxn n^n nai »3 nirr «ti quot;

•^ : : - v t : I vat t v.ttit *j-t rr J' t ; :•»—

onxn-nK n^'quot;^ nin^ onri : Qvn-^ pi pi1

V.TT IT ^ V JT T 1* T ; V^T-- I quot; T I J~

-nx nnax nin» IÜN'I : aï^n'i pxa»

v : v T : v , • v ^••'- : - I v .t t

nanrn^ DIKQ nonxn 7^n Titna-iKte anxn

t •• ; ~ T T iquot; T T-:IT •quot;'; - •• • TT v -: «ttit

.ntnSm DTip Diwun tyrc xnpn •

5. IDS rnarno TX1 S3. Niet alleen zijne daad is slecht, maar ook al. wat de toenmalige mensch in zijn hart bedacht, was niet, dan slecht, den ganschen of eiken dag.

6. Dfm Evenals de mensch het door hem tot stand gebrachte alleen vernietigt, als het hem spijt het gemaakt te hebben, zoo wordt hier uit de vernietiging van het geschapene, menschelijkerwijze gesproken, opgemaakt, dat ook God berouw, spijt had over Zijne schepping.

7. nom -\v aixo. Ook de dieren zouden worden vernietigd, omdat zonder den mensch hun bestaan onnoodig is. (Rashie).

ocr page 34

GENESIS VL

als kruipend gedierte, en als het gevogelte des hemels; want

8 het berouwt Mij, dat Ik ze gemaakt heb. Noach echter vond gunst in de oogen des Eeuwigen.

9 Deze zijn de nakomelingen van Noach; — Noach was een rechtvaardig, volkomen [deugdzaam] man onder zijne tijdge-

lOnooten; naar God richtte Noach zijnen levenswandel. En Noach

11 bracht drie zonen voort: Shem, Cham en Jépheth. De aarde was toen verdorven vóór Gods aangezicht; en de aarde was

12 met daden van geweld vervuld. En God zag de aarde, dat zij verdorven was, want alle vleesch had zijnen levenswandel

13 op aarde verdorven. — Toen zeide God tot Noach: whet einde van alle vleesch is vóór Mij gekomen, want de aarde is door hen vol daden van geweld; daarom zal Ik hen verderven met

14 de aarde. Maak u eene arke van Gofer-hout, deel de arke in hokken af, en bestrijk haar van binnen en van buiten met pek.

15 En zoo is het, dat gij haar maken zult; drie honderd ellen zij de lengte der arke, vijftig ellen hare breedte, en dertig ellen

16 hare hoogte. Eene verlichting zult gij aan de arke maken, en deze [de arke] van boven tot op één el doen afnemen; den ingang der arke zult gij aan hare zijde plaatsen; met onderste, tweede en derde [verdiepingen] zult gij haar

17 maken. En Ik, zie! Ik zal den zondvloed, [bestaande in] water op de aarde brengen, om alle vleesch, waarin

9. Wat in vers 7 en 8 in eenige alge mee ne bewoordingen is medegedeeld, wordt hier in bijzonderheden ontwikkeld, vgl. 1,27 en II.

msn p-ns een rechtvaardig, zich naar Gods wil richtend, en vol

komen Godgewijd man; v. a. een volkomen rechtvaardig man \ Ibn 'Ezra : rechtvaardig in zijn handelen, volkomen, consequent in zijn denken.

vrrm letterl. onder zijne geslachten, = de leden van zijn geslacht, d. i. het geslacht, waaronder hij leefde. Ibn 'Ezra; onder de geslachten, die zijne tijdgenooten waren, daar bij Noachs dood Abraham reeds 58 jaren telde.

11. flNH) de aarde = de bewoners der aarde. — DTlSiCn 'JfiS. vóór Gods aangezicht, d. w. z. naar Gods oordeel; «oodat zij Gods ingrijpen noodzakelijk maakte, evenzoo vs. 13 'jbS ; anderen; letterlijk = in uet openbaar; n. a. tegenover God, in tegenstelling met Dan, dat de wanverhouding tusschen de menschen onderling aanduidt.

12. Sd. alle vleesch, d. w. z. de menschheid, vgl. Jes. 66,23; zie Naclimanides.

13. Dirm door hen, het meerv. bij ica, dat collectief is. p«n nx, met de aarde, v. a. van de aarde, vgl. Ex. 9,29.

14: nan. een arke, een kist, geen schip-, zij was van onder vlak, en liep naar boven spits toe. Van roeiriemen en zeilen wordt daarom ge-

13

ocr page 35

i m nwn v

mi. : Qnv^; ^ ^npna »3 d^dbti quot;

«5 : mrr rn «vo

IT : jquot; ^quot; : Kquot; tjt

D^ri^Nn-nN vnïna n^n D^on pnï rij rii nnVin nb»0

v.* v: it v at i : ^tt -gt;• t I •)• - r quot; quot; -•; i v ••«

-nKi on-nx Dtr-nx d^3 n: ibvi : nr^nnn '

v ; JT V v.quot; V A- T -quot;T : - V. •-* j ' quot; • | V - : r

: oan pNn K'jam d^nh riKn nnt^m : na^

• T T | VJ.T T Jquot; T * quot; A* v.* IT Jquot; : • | '-XT T Jquot; T m ~ VIT

tik 1^3-^ n-n^n-^ nnnir: nani riKn-n« «1*131

•)T t t r : * r ^tat : • -••• • ; I v^t t v r v: :s—

■^s^niV o^ri^K laNquot;quot;! D : ^

Dn^nt^Q ^jni on^aa oan pxn hkSd-^ ^a^ N3 V^3

^t • ; - r : • ; av •• ; • v.t t | v)T t jt :^it r - t : jt t t

rnnirnK n^n lar^^ nan ^ : pKrrnK^ nnK ntryn nn : quot;1333 nnai n^a nnx maai10

at V.V *•: r jv -: v: v 1 - | v. * '-f ' •gt;T jr :' 'T :

nam hax o^an nann ™ na« nixa

r : t : t t - lt;• • -: t •• - I v lt; t - J quot; s :

n^aba nabsn naK-bKi nanb ntr^n 1 tïï :nnaip nax «

t : ~ : • tjv - ; t - v : t •• - •quot;.• r - J it t h ^t

'ixi; ntrvn o^btri D'nnn Dv^n nnï3 n3nn nnair /quot;=,quot; ■ r - s s jt' - vTquot;q

la-it^K 1^3-73 nn^ rnxn-^ o^a 7i3an-nN K»3a a:n

V -: TT T -•••-: I V T T - • - J----V ......

zwegen; de arke behoefde slechts te drijven. — ffup, in nesten verdeeld, voor de verschillende diersoorten. — iss, aardpek, asphalt; rat is uit planten bereid pek.

15. Zij had dus een grondvlak van 15000 vierkante ellen en een ku-biekinhoud van 450000 kub. ellen. 1 nas, eig. de benedenarm, van den elleboog tot op het einde van den middelvinger, verdeeld in 6 dvibb, handbreedten, van 4 maw», duimen, houdt ± 57 cM.

16. VIS. eene verlichting, door een luik of venster, eene open ruimte om licht in te laten, die 8,6 pSn genoemd wordt. — ruSsn, het vr. aanhangsel bewijst, dat het op nan ziet; de arke liep naar boven spits toe, zoodat het bovenvlak slechts één el breed was. Anderen meenen, dat deze woorden op inx slaan, wat dan tegen den regel hier vrouwelijk zou zijn, en vertalen: en ter breedte van een el zult gij haar geheel, d. i. over de ge-heele lengte en breedte rondomloopeud, maken aan de bovenzijde.

17- Sl30 van verwelken, waarvan: nSsj) aas, bet. ondergang; v. a.

van 'jSa, verwarren. D^a Scan, den zondvloed, bestaande in water, volgens Ibn 'Ezra = Ven Vcw, vgl. Jos. 3,17 rvnn pxn = mian pis jvkci.

ocr page 36

GENESIS VL VII.

levensadem is, van onder den hemel te verderven ; alles, wat op

18 aarde is, zal omkomen. Doch met u richt Ik Mijn verbond op; en gij zult in de arke komen, gij en uwe zonen en uwe vrouw

19 en de vrouwen uwer zonen met u. En van al het levende, van alle vleeseh, zult gij twee van elk in de arke brengen, bm met u in het leven te behouden; een mannelijk en een vrouwelijk

20 zullen zij zijn. Van het gevogelte naar zijne soort, en van het vee naar zijne soort; van al het op den aardbodem kruipend gedierte naar zijne soort; twee van elk zullen tot u komen, om

21 ze in het leven te behouden. En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en breng ze [in de arke] bij u,

22 opdat het u en hun tot voedsel zijquot;. En Noach deed het; gelijk al, wat God hem geboden had, zoo deed hij.

1 Toen zeide de Eeuwige tot Noach: ,/ga gij en geheel uw huisgezin in de arke, want u heb ik rechtvaardig vdór Mijn

2 aangezicht bevonden onder dit geslacht. Van al het reine vee zult gij u nemen van ieder zeven, een mannetje en zijn wijfje; en van het vee, dat niet rein is, twee, een mannetje en zijn

3 wijfje. Ook van het gevogelte des hemels telkens zeven, mannelijk en vrouwelijk; om ze tot zaad in het leven te behouden

4 op de gansche aarde. Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten ; en Ik zal verdelgen al het bestaande, dat Ik gemaakt heb, van de

5 oppervlakte des aardbodemsquot;. En Noach deed gelijk al, wat de

6 Eeuwige hem geboden had. Noach nu was zes honderd jaren

7 oud, toen de zondvloed kwam in water op de aarde. Toen ging Noach en zijne zonen en zijne vrouw en de vrouwen zijner zonen met hem in de arke, wegens het water van den

8 zondvloed. Van het reine vee en van het vee, dat niet rein is, en

9 van het gevogelte en al, wat op den aardbodem kruipt; Kwamen twee aan twee tot Noach in de arke, een mannelijk en een vrou-

10 welijk, zooals God Noach geboden had. En het was na verloop van de zeven dagen, dat het water van den zondvloed kwam op

pxa, op de aarde, in engeren zin = op het drooge. Gen. 7,22. is. rm van ma, doorsnijden, waarschijnlijk wegens het bij het sluiten van een verbond in stukken snijden van dieren, zie Gen. 15,10; v. d. ook de uitdrukking fvo ma, (snijden) voor het sluiten van een verbond; rvna G'pn beteekent niet alleen het sluiten, maar ook het bevestigen va» een verbond; het vervullen der daarbij gestelde voorwaarden. Van God

febezigd is nna de door God gegeven belofte voor de toekomst, hier: die, al Noach zal worden gered. — -pa lew foai nns. Mannen en vrouebezigd is nna de door God gegeven belofte voor de toekomst, hier: die, al Noach zal worden gered. — -pa lew foai nns. Mannen en vrou

wen vormen hier twee afzonderlijke gVoepen, evenzoo 7,7 en 13. Daarentegen 8,16 wordt van: Noach en zijne vrouw en zijne zonen met hunne vrouwen gesproken. Dit bevestigt de meening onzer Wijzen, dat echtelijke samenleving tijdens den zondvloed verboden zou geweest zijn. Gen. 8,18 worden zij naar hunne historische beteekenis opgesomrl.

14

ocr page 37

Tin: T

-m ♦nbpni: D^n nnno o^n nn^

r lr-!i- ^it:* I v^t t v -: j -at t quot; v.quot; * * ^

WTm ^ntrKi ym nnx ninn-VK nKDi nnK ♦nns

K-.-t iquot;: A ■. ■. •: Ir.-t t- V, •• Tp pT . 'rtT ^ :

nann-^K Kon Vaa aquot;^ ♦nn-t?3Q,i: quot;inK

v.t quot; - v j' t •) • -s- : t t t i* - t t * i «t *

nDn3rr?üi inrüb eiiynD : vrv napji idt •hpik n^nn1?»

t •• : - I • •• • : I ^ t Iquot; i;i* ^.tI ••: jtt ) at •- ^ r ;

Vsq inrüb naixn iroi SaD ni^b

) vquot;quot; -» t ■) • -s- ; ^ Aquot; • : T-: it v r; -) • t • :

I'bx nsD^i bbw IE'N baNQ-bao ^-npnmi .'rviTinV3

I av •• v.t : quot; it : •• t iquot;^ p t -: i- t • I ; I - -«t - ; i -: r :

dti^K inK niï Vis m ^4i: onVi *h n^m »

V/ ••: •) jt ' v -: : - a it : t ; vquot;T ; -j! : ^tt :

nnnn-^K nn^rVsi nnx-Ka nis ninnoK't *: namp;v p« ? *

AT •• - V O ; iquot; t : JT - I - : t ; v lt; - it ~t I Jquot;

niintsn nonan i V30 : ntn -11-12 vüb pnï'n^-i quot;qnir^3

TP :Pquot; /T quot; : ' ■* ' ,v' j - v- t : I r ' • r t jI : 1

tib -i^k nornrqai in^Ki amp;yx ^rnpn

D^o^n D3 : in^Ni Hin mrit2j

v quot;i ((■ •,quot;r ' isquot; -•quot; , 1 : • : jquot; l-: r ^ ■

Ljwb *2 : pkrrho ^nr, n^nb n3p:i idt d^3-ix1d^ d^3-|k pkjt^t^do p3n tty

: HQ-inh ^3 '^vo bip^n-^'nx ♦n^noi n^1?

IT T-;IT •quot;• : 'v.quot;quot; * .' T I : - T V • • T T :AT

n:^ niKü nri : nin^ inrr-i^^ V33 n: n

ATT ^ •• Jquot; ' Vp ~p : . IT : V-T* V -: J zt. quot; A

varV33i rii N3»i; r-ixn-^y D^D n^n ^iasnv

•)T^T Iquot; : s : • : TT - -«T- I VIT T - • vquot; tt J — ;

-JDI nnintannanan-ra : ^iasn »0 ranrrbtf mxquot;

I * t : - t •• : - I • •* 1 ' * -»•• v.quot; : * at •• - y. *

nnriü nar» nonan i^K3 napai -iDT nnnn-^K nr^N W2 D»:tr : no-iNn»

■»•.* -: r atIquot;: -«tt v.t •• - v quot; i v st • ~: ; it t-:it

-bp vn bém w own nynamp;b ♦nn : nrnx niv

^ t - - j.. a't • : * ; ^* :* ~ 1 v v: jt *

21. nbSJcS. Er wordt door sommigen een verschil gemaakt tusschen: rtasS en SsnS. Wat slechts bij eene bijzondere gelegenheid wordt gegeten, is SonS ; wat voor gedurig, lang aanhoudend gebruik dient, is gegeven rhsah.

Hoofdstuk VII. 2. iTTinöiT Zie onze aanteekening op Gen. 1,10 onrmSi. — nrac nr:c, zeven van ieder, eig. telkens zeven-, drie paren en een stuk, dat later geofferd werd; v. a. van ieder zeven paar.

3. Hier is alleen van de reine vogels sprake; de bedoeling is, dat ook van het gevogelte van de reine soorten zeven, van de onreine twee stuks genomen moeten worden. (Rashie en Ibn 'Ezra).

9. cntr crjir, twee aan twee, telkens bij twee stuks — no, kwamen van zelve, evenals bij Adam, Gen. 2,19.

ocr page 38

GENESIS Vil.

11 de aarde. In het zes honderdste jaar van Noach's leven, in de tweede maand, op den zeventienden dag dier maand, — op dien dag braken alle wellen der groote watermassa los, en

12 de sluizen des hemels openden zich. En er was een stort-

13regeo op de aarde, veertig dagen en veertig nachten. Op dezen

zelfden dag ging Noach, benevens Shem, Cham en Jépheth, de zonen van Noach, en de vrouw van Noach en de drie

14 vrouwen zijner zonen met hen iu de arke. Zij en al het wild gedierte naar zijne soort, en al het vee naar zijne soort, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijne soort, en al het vliegende naar zijne soort: alle vogelen, al wat

15 vleugels heeft. Zij kwamen tot Noach in de arke, twee aan

16 twee, van alle vleesch, waarin levensadem is. En zij, die kwamen, waren in mannelijke en vrouwelijke exemplaren van alle vleesch gekomen, gelijk God hem bevolen had; en de

17 Eeuwige sloot [de arke] achter hem. — En de zondvloed was veertig dagen op de aarde, en het water vermeerderde, en hief

18 de arke op, zoodat zij hoog boven de aarde stond. Toen het water in kracht toenam en vermeerderde op de aarde, dreef

19 de arke voort over de oppervlakte van het water. Het water had namelijk ten zeerste in kracht toegenomen op de aarde, zoodat alle hooge bergen bedekt werden, die onder den gan-

20 8chen hemel zijn. [Nog] vijftien ellen hooger was het water

21 gestegen, nadat de bergen bedekt waren. Toen kwam om alle vleesch, dat zich op de aarde beweegt: onder het gevogelte en onder het vee en onder het wild en onder al het wemelende, dat

22 op de aarde wemelt, en hetgeheele menschdom. Alles, in welks neus de adem van den levensgeest was, van al wat op het

23 drooge was, stierf. En [de zondvloed] verdelgde al het bestaande, dat op de oppervlakte des aardbodems was, van mensch tot vee.

11. 'JBTl BTQ) in de tweede maand, volgens R. Eli'ezer : Marcheshwan, volgens R. Josua: Ijar. — nat oinn nwr», de bronnen, waaruit als het ware de op aarde aanwezige groote watermassa (in zeeën, rivieren enz.) wordt gevoed. — own rvms, een beeldspraak, alsof het hemelwater door sluizen of luiken wordt tegengehouden, bij wier geopend worden het water uit den hemel blijft neerstroomen.

12. De stortregen duurde niet langer dan veertig dagen; daarna bleef het water, waarschijnlijk door onderaardschen toevoer, stijgen, totdat het na 150 dagen zijn hoogsten stand had bereikt (vs. 24).

is. nn nrn osya, op dezen zelfden dag, den in vs. 11 genoemden 17den der 2de maand.

14. t133 ^3 TBS S3, nadere uitwerking van: rpïn Sa, al het vliegende, zoowel aUe vogels, als alle andere gevleugelde dieren, zooals sprinkhanen. (Rasiiie en nieuweren).

16. ny3, achter hem, hem beschermend.

17. Zoolang het water nog niet zeer hoog was gestegen, lag de arke stil, maar rees natuurlijk met den waterstand.

15

ocr page 39

T ni 113

èhm nr^nv nïm-vv : p«ri ^ ni'-i Dinn nir^p-^a quot;lyjtt: nin di*3 rinb ov ït^ di» d^3quot;in pkn-b^ n^n w\ : inns: d^o^n hsnki. ^ ■♦23 na^ onrd^i ra «3 ntn di*n dï^3 : nsb d^31«quot;i ^

quot;T vv-.T JT ; Iquot; : - -«T V- lt;- v^v : t :it V t : - :

-b3i non : nsnrrbn ddk v:3quot;^: ni rnwi ni^

t : t •• it •• - v vt • -jt t iquot; v s : - ^ v ■quot;' : - a

nkrrvr nro1? nansn-bsquot;) ni^a1? n»nn

| \\r t Jquot; «t v r-'T t : t t •• : - t : t * ; -«t - r

nr^N itón : «i:3-V3 nisï ^3 inrob inrob «

- ^ v jr- |itt t j • v. v* v : ' ^ t t : aquot; • :

: Dquot;n nin irn^K T^sn-^sp DW nsrin-?» D^ri'^N mx mi n^N31K3 1T^3-l?3o n3pi!) iy D,x3n,i 'o

t\' •:: v Jr • ■»•.•-;!- T T T T * lt;TIquot;: TT • T - :

riNrr^y av D^31K bi3an ♦n,i * : n^3 nin» iwi *

I VATT *- V. i' T : - 4--. s' :' ^ ' • Iquot; V.T :

!n32,,i : pxn dim ninrrnK ikb^i d»sn ^

J - I VIT T *5- •• TV.T - T - V : • - • - - - ; • -

D'Dni: rom •nbni pKrr^ n^o 13^ o^an ^

• - - ; -it - r'j vt •• - iv )quot; - i vat t i. : - • •)

-quot;IB^K D^33n Dnnn-^3 ém TND TNO ^32

v -: • ; - • t iv t \:-\ vat^t ~ v, : j : •» : it

□♦an n33 n^óba hsk miry iron : d,dtrn-t73 nnn =

• at - v : it t . ~ : t - lt;••; ^v •• -: • it t - t quot; vquot;

£11^3 pNn-V^ irann i quot;i^3_i73 : onnn iD3n «

| lt; t | v t t -•••it ■'tt t - 1't^iv v %;quot;

: onsn Vbi p^rr^ pirn pBrrVMi n»n3i nonssi : ma n3-in3 Vso V3N3 D«n nmm: quot;IITK ==

^ iquot; v.t tit v jv *: -i • t - : • - - quot; : t * r

non3-ny DINQ na-ixn i I Dip,rrb3-nK non »

t •• ; - lt;t t iquot; t t -: it -*•*: Jv -: 1 ■•; • t v - • -

18 en 19. Toen het water in kracht toenam, zoodat de bergen bedekt waren (vs. 19), begon de arke voort te drijven; vroeger drijvende, ware zij door de kracht van den stroom tegen bergen en rotsen le pletter geslagen. — voj, meer dan volmaakt verleden tijd; vs. 19 is nadere uitwerking van vers 18.

20. nSjraSa, boven de in het vorige vers genoemde bergen, wat door omn ion duidelijk wordt gemaakt.

23. nm. Daar de » geen en heeft, wordt het woord reeds door de oude commentatoren als Sp opgevat, niet als SrsJ voor nTISM; als onderwerp moet men er Viao of D'» bijdenken. — rwi — irm — ïia*gt;, — ru beteekent; pijnloos sterven door het ontvlieden van den levensgeest (Ibn 'Ezra); pi» sterven, op welke wijze ook; nno verdelgen, zoodat elk spoor van het lichamelijk bestaan wordt uitgewischt.

ocr page 40

GENESIS VII, VUL

tot kruipend gedierte en tot gevogelte des hemels, zoodat zij van de aarde verdelgd werden; alléén Noach bleef over, en 24 wat bij hem was in de arke. En het water nam in hoogte toe boven de aarde, gedurende honderd en vijftig dagen.

1 Nu dacht God aan Noach en aan al het wild en aan al het vee, dat met hem in de arke was; en God deed een wind

2 gaan over de aarde, toen werd het water rustig. De wellen der watermassa en de sluizen des hemels sloten zich; en de

3 stortregen van den hemel werd tegengehouden. Vervolgens liep het water terug van de aarde, al meer terugloopend; en

4 het water verminderde na verloop van 150 dagen. De arke rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der

5 maand, op het gebergte Ararat. En het water nam meer en meer af, tot de tiende maand; in de tiende [maand], op den eerste der maand, werden de toppen der bergen zichtbaar.

6 En het was na verloop van veertig dagen, dat Noach opende

7 het venster der arke, dat hij gemaakt had. En hij zond de raaf uit; deze ging gedurig naar buiten en weder terug, totdat

8 het water opgedroogd was van boven de aarde. Toen zond hij de duif van zich uit, om te zien, of het water gevallen was

9 van de oppervlakte des aardbodems. Maar de duif vond geene rustplaats voor de palm van haren voet, en keerde tot hem in de arke terug; want er was [nog] water op de oppervlakte der geheele aarde; hij strekte dus zijne hand uit, en nam haar,

10 en bracht haar tot zich in de arke. Hij wachtte hierop zeven

11 andere dagen af; en zond wederom de duif uit de arke. De duif kwam tot hem tegen den avondtijd terug, en zie; een olijfblad, afgeplukt, in haren bek! Toen wist Noach, dat het water

12 gevallen was van boven de aarde. Nu wachtte hij nog zeven andere dagen af en zond de duif uit; maar zij keerde

13 niet weder tot hem terug. Het was in het zes honderd en eerste jaar [van Noach] in de eerste [maand], op den eerste der maand, dat het water opgedroogd was van boven de aarde; toen nam Noach de bedekking der arke af,

HoomsTUK VIIl. 3. 31^1 quot;pSn, a l meer teruggaande. — nsm cwnn riïpa

dygt;. Na afloop van de 7,24 genoemde 150 dagen, begon het water te verminderen.

5. Eerst 74 dagen later werden de bergtoppen zichtbaar, op den 1ste der tiende maand, toen het water al meer afnam (fom fSn); daarna nam het water zoozeer af, dat nog slechts een dunne laag boven de aardoppervlakte stond (iSp, vers 11); vervolgens droogde het water in (lam, vs. 13), a. w. z. er stond geen water meer boven de oppervlakte, maar slijk en plassen maakten den bodem nog onbewoonbaar; eindelijk psn -cagt; (vs. 14) was de aarde weder tot ncï1, volkomen droogen, vasten bodem geworden.

7. myn. den raaf, die, zoo hij slechts een rustplaats vindt, de nabijheid van den mensch niet zoekt, en wiens rusteloos heen en weer vliegen (awi Niyi) dus ten duidelijkste aantoonde, dat nog geen droog plekje op

16

3

ocr page 41

n t na tü

nrTjK pKn-|D ins»i ^orn^

nNpi D^ün pKn-bj? D^sn na^i : nana ina

nónarr^-nNi n^nrrba nxi nrnK ■iavi : di,n n

T .. ; - t V : Tquot;'quot;^ V **• : quot; ^ v * v: •

: D^sn 13^1 pKn^J? nn D^n'^K nana iriK I^K : D^otrn-ro D^3n «Va»! D^^n haixi Dinn n:^a naD»i =

•itt - i • vv,quot; quot; jquot; t * ~ -att - v. |- : :«t--

nïpo o^sn non»quot;! ai^i -n^n pwn D^sn la^'i ^

.. |; . • - -. •*::-- 1% t^ | t | *'\t t *3- •• • -r - S\t-

-nva^a ^ra^n syina nann nam : ai* nxQi outran ^

\t ; • : • : quot; v j - t •• - - lt;t - i t.- : r • —.

niom -iibn Vn d^sni : dtik nn bp virh av niry *

t : j j t t ' quot; quot; ,t jquot;t v,quot; va - v jt t

: onnn ini: ^tn1? -inxa n^a n^n i^inn

r t iv r* t ^ : * v - jt v ; • • ^:it a- • ^-:it v- -

: n'irv quot;ikw nann riVn-nx ni nna^i dv D^aiK rao ♦n'v

it 't jquot; -: vt quot; - i - v - j- . .- a •*' t : ~ | k— • ;-

bya d^sn n^a^-n^ aitbi kir kvi aivrrnk nb^v

rgt;-quot; • v.-• v 7 : t t ...... A* it V Vquot; quot; ••'

♦iS^DDian^n niK^ in^o n:i*n-nN nbEh :pKnh -•jNV^Kaiymn^Teia1? mio nii»n nKvo^i : nonxn0

t •• t lt;t - t | : - t t - t : it ; it t -: it

nnk na'i nnpsi it nbt^'i pnn-Va nann

•)t jquot; t ~ t v | t- - t lt;-:•-! vat t t ■quot;• : 'kt )' t ** quot;

n^tr eib»i onnx n^a^ nir ^n»! : nann-^N vba*

j- - I ■■■ lt; - /,■••quot;. I T quot;7- ; • ^ ■■•■■*- IT •• - •■• IT •■

nani aiv n^1? n:i»n vSn Kam : nanrrro njvn-nx ^

j.. . . rj... t - lt;t .. ^ t - |t ,. » | . v.t -

: pKn tyü a^ön iVp^a n: yy) n^aa «nu nn-n^

| vitt *7- quot; • v.-- ^ t a* i |jt t

■naD,quot;Ki?i nii'n-nx nbi^i annx nyair tiv i?nM,i ^

jt ;it ^ : t - v ^--:- a'quot;^-: Tp p^~ : ' v^t*-

nnxa p^Nia ni^ niNQ-^i nnxa »n»i: nip v^K-aiir '

■*t v ; i -it tt •• iquot; : - - : • i •• i

nann naao-nxVu lan rnxn bpD o^sn iain vin1?

t quot; - jquot; ; • v - -lt;t- | vat t ----; it ... -

aarde te vinden was. Hij vloog heen en weer nw ir, totdat het water ook maar eenigszins begon op te drogen. (nv3\ zelfst. nw. met de beteekenis van onbepaalde wijs, evenals in rta's Num. 14,16) Toen de raaf wegbleef en niet meer af en aan vloog, wist Noach dus, dat hij een plekje evonden had en zond nu (vers 8) de duif, inN», van zich weg; zij zou, oor niet terug te keeren, aantoonen, dat de aarde ter bewoning geschikt begon te worden.

11. 3iy nj?b- Zij was dus nu reeds den geheelen dag uitgebleven; bovendien had zij een olijfblad, tpo, v.ersch afgeplukt, in den mond; niet een blad, dat op het water dreef, maar van een boom afgerukt, en daar-dnnr bemerkte Noach enz.

ocr page 42

GENESIS VIII, IX.

en zag, en zie: de oppervlakte des aardbodems was opgedroogd.

14 En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der

15 maand, was de aarde geheel droog. — Toen sprak God tot Noach,

16 zeggende: «Ga uit de arke, gij en uwe vrouw, en uwe zonen en

17 de vrouwen uwer zonen met u. Al het gedierte, dat bij u is, van alle vleesch onder het gevogelte en onder het vee en onder al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; dat zij zich voortplanten op de aarde, vruchtbaar zijn en zich

18 vermeerderen op de aarde.quot; Toen ging Noach naar buiten, en zijne zonen, en zijne vrouw en de vrouwen zijner zonen

19 met hem. Al het gedierte, al het kruipende en al het gevogelte, alles, wat op de aarde kruipt, — naar hunne geslachten

20 gingen zij uit de arke. Nu bouwde Noach een altaar ter eere des Eeuwigen, en nam van al het reine vee en van al het

21 reine gevogelte en bracht brandoffers op het altaar. Toen nu de Eeuwige rook den welgevalligen geur, zeide de Eeuwige in Zijn hart: «Ik zal den aardbodem niet weder vervloeken wegens den mensch, want het gevormde in 's menschen hart is slecht van zijn jongelingsleeftijd af; en Ik zal dus niet weder

22 al het levende doodelijk treffen, gelijk Ik gedaan heb. Voor het vervolg, gedurende al de dagen [van het bestaan] der aarde, zullen zaai- en oogsttijd, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht niet ophouden.quot;

1 Toen zegende God Noach en zijne zonen en zeide tot hen:

14. Volgens Rashle moeten de tijdsbepalingen van den zondvloed aldus worden vastgesteld: 17 Marcheshwan begin van den regen, die 40 dagen duurt, tot 28 Kislew, vervolgens blijft het water 150 dagen stijgen, van af 28 Kislew gerekend, dus tot den Isten Siewan (3 dagen v. Kislew, telkens 29 van lébeth, Adar en lejar, telkens 30 van Shebat en Nicsan, = 150 dagen), die in vs. 4 de zevende maand genoemd wordt, van Kislew gerekend. Van af 1 Siewan begint het water te vallen, zoodat 17 Siewan de arke vast raakt en op den eerste der tiende maand (Ab), van het begin van den zondvloed, Marcheshwan, gerekend, de toppen der bergen zichtbaar zijn. Daarna wacht Noach veertig dagen en zendt den raaf (vs. 6), zeven dagen daarna wordt de duif voor het eerst uitgezonden, (afgeleid uit nr van vs. 10) en wederom verliepen met de beide volgende uitzendingen der duif 14 dagen; na deze 61 dagen is het water van de aarde verdwenen (vs. 13), d. i. van 1 Ab gerekend: 1 Tishrie; 1 maand en 27 dagen later is de aarde droog; de vloed heeft dus geduurd van den 17den der tweede, tot den 27sten der tweede maand, een maanjaar van 12 maanden, afwisselend van 29 en 30 dagen, 11 dagen, = 365 dagen, d. i. één zonnejaar.

20. rato- ®ij Kajin en Hébel's offers wordt nog geen altaar vermeld, natn van nai, eig. offerplaats, eene opgehoogde plaats, waarop het offer wordt neergelegd. — nsron Ssa, volgens Rashie en Ibn 'Ezra van de tien reine diersoorten en van alle reine vogels; anderen verklaren San hier: van allerlei, daar anders het offer te groot zoude zijn. (? I) — mSu', opstij-gingsoffers, die geheel in damp opgaan, dus hrnndoffers. Hirsch meent.

17

ocr page 43

lj n m

nyatra ♦JBTI Winm : nöiNn ♦JÖ imn nam NTI ^

Ir :• : • .. - v it t -: »t jquot; : v : it jquot; • : -

d^k n|Tquot;) d * : p«n vinb dv on^i» |

nriN nnnn-fü KÏ : innb nr-^K quot;= normiejijn i'^rbap njnn-^ : -jnx ?|^3 ^

pK3 ixniri -jntf Kifin pKn-^ irnhn S

Vir^ai in^xi mm m : pt^n-^ü i-iai ^ *

ktt •••: • : 4tt -a -v^ v it t * v. t ; ^t ^

pNn-^ ^ai-i 73 tJ'öinquot;1?! n»nn-b3 : inx lt;='

nm^ naro m rm : nnnn~ro istï» Dnws^o1?3

at i- quot;v.quot;; • - ■» I vr- ^ it •• - I * v. :it v ••-•; : • I

quot;iin^n t^i^n Vapi nnnan nonan i Vap nj5»i ah üy^K nin* ion^i nn^n nn-nNliin» rm ; naTpa « ^lonxn nj? d-inh quot;ii^anonNn-nK ni^^p^' ejbilt; quot;i^ : -1^X3 ♦n-^-nK man1? ity eiDK-Kbi vnwo M

ti* T. J' .' ' V T . r* .•*quot;' pp' 'J'v ' 'quot; AT

^nV^DVi^m ^[51 Dni y) pn? p^n

onb quot;idn'i vj3t-ini n'rnN d^nï -inn^ : CS

■ivT vs- (.TT v : - i. v v: | v-.t:- T: •

dat evenals de namen der andere offersoorten ook deze naam aan de be-teekenis van het offer is ontleend, en vertaalt daarom: verheffingsoffer.

21. rVTJ m. üeur ter rmtverschafflng (nm: van rru, die den toorn tot rust brengt), een overdrachtelijk van God gebruikte uitdrukking, daar in het oosten aangename geuren als een der heerlijkste genietingen worden beschouwd. — iï? Ss, in zichzelve. — tnwo si oisn aS -iï' 13, de gedachte van 'smenschen hart is van af zijn jongelingsleeftijd, d. i. bij de ontwikkeling der zinnelijkheid, slecht; vgl. 7,1. Niet 'smenschen hart is van zijne geboorte af slecht, maar later, als de strijd der hartstochten begint, heeft hij steun noodig en verdient ontferming, indien hij struikelt. Aan eene erfzonde of iets dergelijks wordt hier niet gedacht. Hirsch verklaart: ,/Ik zal de aarde niet meer vervloeken ter vrille van den mensch, ook al zoude eens weder het gevormde in 's menschen hart reeds van zijne jeugd af slecht zijn.quot;

22. aim npi -rapi jnt. De geregelde afwisseling der jaargetijden was tijdens den zondvloed gestoord en zelfs het onderscheid van dag en nacht niet merkbaar. Volgens Rashie zijn hier de jaren in 6 tweemaandsche perioden verdeeld: rn van 15 Tishrie tot 15 Kislew; epm van 15 Kislew tot 15 Shebat; np. van 15 Shebat tot 15 Niesan, vormen het winter-halijaar; Txp, van 15 Niesan totlöSiewan; yp, van 15 Siewan tot 15 Ab en om van 15 Ab tot 15 Tishrie, het zomer-halfjaar. Ibn 'Ezra meent, dat -iispi mt het jaar in twee helften verdeden, het zomer-en winter-halfjaar; terwijl in -^pi □im -np tpm telkens twee van de vierjaargetijden tegenover elkander worden gesteld.

ocr page 44

GENESIS IX.

„Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en vervult de aarde.

2 En de vrees voor u en de schrik voor u zal zijn op al het gedierte des velds en op al het gevogelte des hemels, over al, wat zich beweegt op den aardbodem en over alle visschen der

3 zee; in uwe hand zijn zij gegeven. Al het zich bewegende, dat levend is, zij u tot spijs; gelijk het groene kruid heb Ik u

4 alles gegeven. Doch vleesoh met zijn dierlijk leven, zijn bloed,

5 zult gij niet eten. Doch ook uw bloed, waarvan uw leven afhangt, zal Ik opeischen, uit de hand van elk levend wezen zal Ik net opeischen; en uit de hand des menschen, uit de hand van ieder, die zijn broeder is, zal Ik het leven des menschen

6 opeischen. Wie des menschen bloed vergiet, diens bloed zal door mensehen vergoten worden; want naar het evenbeeld

7 Gods heeft Hij den mensch gemaakt. Gij echter, weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; plant u voort op de aarde en vermenigvuldigt u op haar.quot;

8 En God zeide tot Noach en tot zijne zonen met hem, zeg-

9 gende: «Doch wat Mij aangaat, — zie. Ik breng Mijn verbond

10 tot stand met u en met uw kroost na u. En met elk bezield wezen, dat met u is, aan gevogelte en aan vee en aan allerlei wild der aarde met u; onder allen, die uit de arke gingen, al

11 het gedierte der aarde. Ik zal Mijn verbond met u tot stand brengen, opdat niet weder uitgeroeid worde alle vleesch door het water van den zondvloed; en opdat er niet weder een

12 zondvloed ontsta om de aarde te verderven.quot; Nog zeide God: «Dit is het teeken des verbonds, hetwelk Ik stel, tusschen Mij en u en alle bezielde wezens, die met u zijn, tot in de geslachten der

13 eeuwigheid: Mijnen boog, Ik heb hem in de wolken geplaatst, die

14 zal zijn tot teeken des verbonds tusschen Mij en de aarde. Nu zal het zijn: wanneer Ik wolken over de aarde zal doen samentrekken en de boog in de wolken zichtbaar zal worden, —

15 Dan zal Ik gedenken Mijn verbond, dat is tusschen Mij en u

Hoofdstuk IX. 2. D3J010, uwe vrees, d. w. i. de vrees voor u. — quot;733 = *73 Sr, v. a. onder al, wat enz. zijn er in uwe hand gegeven-, n. a. zoowel — ah — zijn in uwe hand gegeven.

3. Hier wordt den mensch het eten van vleesch toegestaan, dadelijk gevolgd door een beperkende spijswet.

4- Itn US'£333 ^173, vleesch, met zijn leven, zijn hloed, zult gij niet etei, d. w. z. vleesch van een nog levend dier, waarin het bloed nog als levenskracht fungeert, wi j» Het meer algemeene tob: wordt dan door m nader toegelicht.

5- DSVTICSlS 0301 = D3VniP£U Dl. uw levensbloed; hoewel dus het

dooden van dieren voor menschelijk gebruik geoorloofd is, is het vergieten van menschenbloed verboden. — unx = zal Ik wreken. — wns rvn Sa -p», ook het dier, dat een mensch gedood heeft, wordt door God daarvoor gestraft. Voor Israël vindt dit denkbeeld zijne uitwerking in de wet van

ib

ocr page 45

ü m it

rvrr^i Mrini DD«nioi :pNn-nK iN^Pi ^ ins= rrr^ni no*i«n irann D^a^n y^iin

n^DK1? HTI» oab TTNin I^K bnrbs : un: DDT3 Dnj

at : t : vv: •* gt;*•* t quot; ■••.• -: v v t it • r.* :v ; -

1Dquot;T 11^332 n^-TlM : ^^TlK DD1? ♦nn: 2'^ pl^-»

J \, T j : - : T \ - i v «.•■• t • j-^t v i •}■*•.•;

n'n-^ TD B'H-IK DDWÖJquot;1? DSDrriN TIKI : ^aKnquot;

v.t - t J- • : v v quot;1 : - : «v^ : • v | - : iquot;

: Dixn lysrnK ïyquot;nN vn« TÜ DSkhtoi I3Bgt;TIN

itt it '.'J'.' V K. : v • t j- - ■ t t it j- ■ av : ; V

-mn^D^KD^ya^tiö^iDi onto D-inh üi

vt t •:: vjv ; •lt; |aquot;t • •» T v,ttit t t it •*-

no^i D *: rnxa IXIB' imi na ontn :m«n«

v «- it|# ; | 'at t J z- a : •» ; y.' - : ^ t t it n

TIK D»|3Ö ♦aan noK1? inw V:3-VNI ni-^N D^K» quot;iitn n»nn tfarVa nxi: oannw DsvirnKi dddk ♦nna'

■*'•' -: t - i- ^ vlt;v t •• : iv ••-; i- vquot;• : quot;•quot; •* : av ; • • ;

nann ♦KX» Va» Danx pxn n'n-VDai riDroa eii^s oinx

t •• - Jquot; : i * AV : i v^t t J- - t : 4t •• : - | *s t v ; •

quot;Va mrrK1?! oinx 'nnrriK Tbpni : pxn n»n Vab ^

t jquot;t * • : v : • • : v lt;• lr-:i- | vit t jquot; v ;

: pijn nm) Tty n^^bquot;) biaisn 'sp ït?| mi nnarrnit? ntfr iq^i ^

i v •• jquot; • •• i •• j- -: v -: • : - i « • v; v

? ^3 mn: mt^p-nN : obiy nhi1? oanx uyx n»n '

1 ATnT IV * vquot; t ' quot; it ^ ; AV : * -V -: vt- ^ V/V t

nrcrty ?: v n'^ni: pKn r»3i n»3 nn3 niKrcrty ?: v n'^ni: pKn r»3i n»3 nn3 niK1? nrrni ^

att ~ kt't -»• -:*|- : tt : i vit t i jquot; v* ** * : -• : t :it :

D3T3rr3nty« mnrnN wan :r^3 n^pn nnxnav»

v •• -..... lt;v -: • •; v j» ; -it : i it*t v v | ^v- jt -: ; • :

Spon w. Ex. 21,28. — ww fs t», niet: yz, door de hand van ieders broeder, als zoude hier aan een soort bloedwraak gedacht zijn, maar: tm t» = Ik zal het wreken op ieder mensch, die een mensch gedood zal hebben, daar hij immers diens broeder is.

6. Hier wordt in beginsel het denkbeeld van rechtspraak aangegeven. —

3se» wn dim, diens bloed zal, onder zekere voorwaarden (mnrcn nnp) door en menschelijken, anders door den Goddelijken Rechter vergoten worden.se» wn dim, diens bloed zal, onder zekere voorwaarden (mnrcn nnp) door en menschelijken, anders door den Goddelijken Rechter vergoten worden.

9. Tegenover de den mensch zooeven opgelegde verplichtingen, beloof Ik Mijnerzijds Mijn verbond gestand te doen.

10. HTI ICflJ *73 iVO. Het verbond met de dieren bestaat in de aan Noach omtrent hen gegeven belofte. — pxn rm W?, al het gedierte-, voor het gebruik van den S vgl. Ex. 27,3; vbs SsV.

13. TlDl VIBp fvc. Mijn boog heb Ik in de wolken geplaatst, d. w. z. hij wordt juist aan den hemel zichtbaar; desniettemin kan ook vroeger de regenboog wel bij tijden zichtbaar zijn geweest, van nu af zou hij echter als bondsteeken dienen.

ocr page 46

GENESIS IX.

en alle bezielde wezens onder alle vleesch; en het water zal niet meer tot een zondvloed worden om alle vleesch te ver-

16 derven. Als de boog dan in de wolken zijn zal, dan zal Ik hem aanzien om te gedenken het eeuwig verbond tusschen God en alle bezielde wezens onder alle vleesch, dat op aarde is.quot;

17 Zoo zeide God tot Noach : ,/Dit is het teeken des verbonds, dat Ik tot stand breng, tusschen Mij en alle vleesch, dat op aarde is.quot;

18 De zonen van Noach, die uit de arke gingen, waren Shem,

19 Cham en Jépheth; en Cham was de vader van Kena'an. Deze drie waren de zonen van Noach ; en van dezen uit verspreidde

20 zich de geheele [bevolking der] aarde. Noach, een landman,

21 begon eenen wijngaard te planten. Hij dronk van den wijn

22 en werd dronken en ontblootte zich in zijne tent. Toen Cham, de vader van Kana'an, de schaamdeelen zijns vaders zag, be-

23 richtte hij het zijnen beiden broeders daar buiten. Toen nam Shem en Jépheth het bovenkleed en legden het op hun beider schouders en gingen achterwaarts en bedekten de schaamdeelen huns vaders; doch hunne aangezichten waren achterwaarts [gekeerd], zoodat zij de schaamdeelen huns vaders niet zagen.

24 Toen Noach ontwaakte uit zijnen wijn[-roes] en gewaar werd,

25 wat zijn jongste zoon hem gedaan had, — zeide hij : «Vervloekt zij Kena'an ! een slaaf der slaven zij hij voor zijn broeders 1quot;

18. De namen van Noach's zonen, reeds 5,32 en 6,10 genoemd, worden hier als inleiding tot nieuwe gebeurtenissen herhaald. Zeer dikwijls worden reeds bekende feiten aan het begin eener nieuwe episode nog even in de herinnering teruggeroepen. — rr» -es sin om. Evenals in vs. 22 wordt hier Cham's zoon Kena'an genoemd om diens vervloeking in vs. 25 in te leiden en begrijpelijk te maken. Anderen zien hier in Kena'an den volksnaam: Cham is de stamvader der Kena'anietische volkeren, die Israël zou bestrijden en te gronde richten.

19. f quot;wn Sr, evenals 41,57 e. a. p. =: de bevolking der aarde.

20. JTO*! noucn CW ni Sm = ïcjS Smi, hij begon ie planten. Land-houwer was Kajin ook reeds, Noach was dus niet de eerste, (rnsisn f\s, een landman, vgl. rn» c.'\x). Men vertale daarom niet: Noach begon een land-houwer ie zijn, zooals sommigen met beroep op I Sam. 3,2: nvo iSnn wpi, en zijne oogen begonnen zwak [te worden], willen verdedigen. Rashie; de heer der aarde, vgl. Roetli 1,3, i»r: c.-'N.

21. Hij kende de uitwerking van den wijn nog niet; er wordt hier Noach volstrekt geen verwijt gemaakt, als zoude zijn drinken zondig geweest zijn; integendeel; nSnx Tiro Sjjtquot;, hij ontblootte zich in zijne tent, toen hij zijnen toestand bemerkte, trok hij zich binnen zijne woning terug.

22. In plaats vol schaamtegevoel zich af te wenden, zoo al niet zijns vaders schaamte te bedekken, zoekt hij zijne broeders op om hen op net schouwspel te wijzen.

23. JTJiriJf, achterwaarts, d. w. z. achteruit loopend. — nSno, het bovenkleed, dat ook wel als bedekking gebruikt werd, vgl. Ex. 22,26.

24. WC, uit zijnen mjnroes. — jupn ij2, zijn jongste zoon. De afwijkende volgorde waarin Noach's zonen genoemd worden, maakt het zeer moeilijk de orde hunner geboorte met zekerheid te bepalen. In den regel wordt

19

ocr page 47

u m w

nntyS ^jjoVD^sn Tiy n'n ^sr'ja rai

V,quot;' : ' S -----v:r : t t : ^.t - vjv t I -)••

D1?^ nna -bT1? n^pn nn^ni : T^3_l73 «=

t -•• ; : ' t * p at t iv v K*.— ^t:it ; it t r

; rnxn-b^ Ttra-'jsa rrn rai d^n ra

I vit( t jv -: t : tquot; vjv tlquot; • v: I •*quot;

VS) ♦ra ♦hopn nnan-niN nxr nrVx ^

I Jquot; ' quot; • | • -i jv -; • ; - i « - lt;s v v' v: v j -

s *: 'pKn-1?^ ivh i'ira-ba

| vit t - JV -: ^t t t

vu Kin oni nan om nann-?a ownnr^a vn»'! ^

j. -j ^ t : vatt jt : vquot; t •• - I * • : i - - •• : •* : r-

Vn'i: pKir^a nïöi nVxai rir^a nb» : r^ja01

Vjrm | V it t t JT : it V Vquot; quot; quot; A *• : v JT : i it I 3

ban'i nai^'i r'n-ra : Dia yta'i nanxn wn n:«

v ; •- at : l\-- i * : : r*- vit ^ v,quot; * ~ at t-:it -•• ' i.

na»*) vaK nny nx r^ia ♦ax on : ri^nx -iina =3

tgt; • i.1**.' • - quot;:r ■quot;quot; ,t:it 1 j =

n^a^n-nx nsn dv np^: rina vrnrw'?»

-v ; ^ • t- t : • - v vvt •• i--- | i^- «.t v iquot;; •

n^inK on^ai Dn^a« nnj? PN éan n^-in^ labn uyp n'iyjriBw nx yih i:«o n: rp^i: iki n1? dhox rvnyi ^

t JT v -: .)•• ^ —•- a •• • - V, i iV J- - it j v.*.* • -: J- :*v :

: vntt1? n^n» ana^ na^ ^:a wk ion^ : rupn i:a ib «

it v : jv : i* ^'tquot;^: vquot;jv I -at : •gt; r quot; K.' IitI tquot; j : \,

aangenomen, dat Jéphetli de oudste, Chara dc jongste was. Het eerste wordt opgemaakt uit 10,21 (zie de aant. aldaar), het laatste uit onze plaats. Dat niettemin 5,32; 6,10; 9,18; 10,1 de volgorde: Shem, Cham, Jépheth is, wordt eenvoudig verklaard, doordien zij naar hunne beteekenis voor Israël zijn opgenoemd. In Noach's woorden (vs. 25 vv.) wordt eerst Shem gezegend, als de eigenlijke aanleiding tot beider vereenigde daad, wat sommigen hier in het enkelvoud van np^i (vs. 23) willen aangeduid zien. Uit de gewone orde: Shem, Cham en Jépheth en uit de omstandigheid, dat bij de opsomming der nakomelingen in hoofdst. 10 Cham onmiddellijk na, Jépheth genoemd wordt, bewijzen sommigen, dat Cham de middelste in leeftijd was en dus hier zou moeten vertaald worden: zijn jongere zoon, d. i. jonger dan Shem, maar ouder dan Jépheth, zoodat de volgorde der geboorte zou zijn: Shem, Cham, Jépheth, terwijl 10,21 zou moeten vertaald worden: de oudste broeder van Jépheth. Houdt men echter in het oog,dat die volkenregisters in hoofdzaak liet oog hebben op de Semietische volksstammen en, gelijk zoo vaak, van het verder afliggende tot het meer belangwekkende wordt overgegaan, dan is het duidelijk, dat Jépheth, waarmede Israël niets te maken had, het eerst, Shem daarentegen, Israëls stamvader, het laatst moest worden behandeld. Men kan dus zonder bezwaar volhouden, dat Jépheth de oudste, Chara de jongste van Noach's zonen was. (Dat niet de oudste van Noach's zonen stamvader van Israël werd, kan waarlijk niet bevreemden. Sheth, Izak, Jakob en Mozes waren evenmin de oudste zonen hunner ouders.)

25. Kena'an, volgens Nachmanides toen nog Cham's eenige zoon, wordt hier gevloekt, niet Cham, die immers 9,1 reeds door God gezegend is. onai? nau (evenals Num. 3,32 'twj swj), een onder slaven zelfs vernederde en verachte slaaf.

ocr page 48

GENESIS IX, X.

26 Verder zeide hij: wGeloofd zij de Eeuwige, de God van Shem ! —

27 en Eena'an zij hun tot slaaf! God breide Jépheth uit en wone in de tenten van Shem; — en Kena'an zij hun tot slaaf.quot; —

28Noach leefde, na den zondvloed, drie honderd en vijftig jaar. 29 En al de dagen van Noach waren negen honderd en vijftig jaar ; toen stierf hij.

1 En deze zijn de nakomelingen van Noach's zonen, Shem, Cham en Jépheth: er werden hun kinderen geboren na den

2 zondvloed. De zonen van Jépheth: Gomer en Magog en Ma-3dai en Jawan en Thoebal en Méshech en Thieras En de

4 zonen van Gomer: Aschkenaz en Riefath en Thogarma. En de zonen van Jawan: Eliesha en Tharshiesh, Kittiem en Do-

5 daniem. Uit dezen hebben zich de bevolkingen der eilanden gesplitst in hunne landen, ieder naar hare taal; naar hunne

6 geslachten, in hunne volkeren. En de zonen van Cham ; Koesh

7 en Mitsrajim en Poet en Kena'an. En de zonen van Koesh : Seba en Chawiela en Sabtha en Ka'ma en Sabthecha; en de

8 zonen van Ra'ma : Sheba en Dedan. En Koesh bracht Nimrod

9 voort; deze begon een machtige op aarde te zijn. Hij was machtig in het jagen vóór den Eeuwige; daarom wordt gezegd :

10 «gelijk Nimrod, machtig in het jagen vóór den Eeuwige.quot; De grondslag van zijn rijk was Babel en Erech en Akkad en

11 Chalné in het land Shin'ar. Uit dit land trok hij naar Asshoer

12 en bouwde Ninewé en Reehoboth-'Ier en Kélach. En Résen,

13 tusschen Ninewé en Kélach, dat is de groote stad. En Mitsrajim bracht voort: de Loediem en de 'Anamiem en de Lehabiem

14 en de Naphthoechiem. En de Pathroesiem en de Kasloechiem, uit welke de Pelishthiem voortkwamen, en de Kaphthoriem.

15 En Kana'an bracht voort: Tsiedon, zijn eerstgeborene, en

16 Cheth. En den Jeboesiet en den Emoriet en den Girgashiet.

26. TÖ7, voor hen, nl. Shem's nakomelingen, daarom het meervoud toS — onS.

27. — nSJ') eene woordspeling. Volgens sommigen ziet deze voorspelling van uitbreiding op het groote gebied, door Jépheth's nakomelingen bewoond; v. a. op de algemeene beschaving, waarvan zij vooral de dragers en verbreiders waren. — Da iSnxa pt'ii en God zal wonen in Shem's tenten, niet: Jépheth, daar dan of Jépheth's zegen grooter zou zijn dan die van. Shem (zoo nl. Jépheth als veroveraar Shem's tenten bewoont), öf (Jépheih als onderworpen in Shem's tenten wonend) hem hier een ongunstige toekomst zoude voorspeld zijn. — De woorden ioS najj tï33 w worden, als waren zij refrein en grondmotief, telkens herhaald. Hier doelt het meervoud i»1? op de nakomelingen van Shem en Jépheth.

Hoofdstuk X. 5. nS.vo. Uit deze tot nu genoemden. — ffojn «ss, de le-volkingen der eilanden, letterl. de eilanden der volkeren, d. i. de bevolkte eilanden. VC, eiland, v. d. kust-, het is niet onwaarschijnlijk, dat hier het

geheele werelddeel Europa en de westkust van Azië bedoeld wordt.

nm een machtige, als jager en heerscher; met hem begon (mn jon.

20

ocr page 49

♦ □ ra 3

4

nö' : löS up Dty flbK nin» •nns lüxn«

; :«- it vDv l^v.quot; : r * Aquot; ••-• v: v.t : I gt;T v -73

-♦nn : lo1? 13^ 1^33 ™ Dt^ntt-j pi^i nfi^

• ;i-^ it vDv. I'1-*.- ; j- • f,quot;^ '* *: it ; I : vv: • v:

-bs 'nn : n:iy D^ani niir niKö bisan inx ra »3

T * : - IT T V • -I I- TT *\ lt;^: A - - J-- - V.

ö : no4i raty D^nni ni^ niKD nHö»

IT- ATT ^* • -;|- TT •• ^ lt;- ; - •• :

nnx aas on1? nfi^i on otr riras n^i^in nb«i« '

J— v.'t •»••• t j:it*- vatt jt v,quot; - •• ; _ : 1 •-•••:

: DTni ^^01' Vsni r vi noi iiioi lö'a niï as : biaan =

it • : I v iv at •-. ; mtt: v.- t t v -• vv -•• : 1 - -

ï^Bhm ntr^K rv a3i : noum nöni t:3^k nm a3v

'■ •• - : •quot;r .•quot;•■ KTT^-: it : Vquot; quot; :pp^ : ! * VA Iquot; : n

♦NDhïiKS D^n quot;N msjnbNa : oanii D»n3quot;

a : • v.' t : - : * - «.. • : ; • ....... 1* x 1: '

: Dnïüi ^13 Dn a3i : Dn»ii3 Dnna^ab1

' it : j • j at v.quot; : iv 1 : v.t : : • :

nayn a3i «3^301 nojni nnsoi n^ini N3D ^13 a3v

v.t^: - Jquot; : AT : ; - : ^T . -: jt : - : T T : -»•• ;

: pK31135 nivV? bnn «in nornN nV ^31: m «3^n

I vit t v, * J ' ......^ ■, a : v j-t : I it : jt :

tï quot;iisa 11033 inw p-^ mrr as1? i^risa n^n-Nin»

Hquot; J ' •) : * : quot; Tiquot; ,1 •• AT : •Jquot; : • 1 • JT T I

n3b3i n3Ki inNi bis insboo n^tn nni : mrr aab'

A.. ; _ . .AV . v t : - : - lt;• •• • : - it ; gt;••; •

nirrnN pi iwn UT xmn rnxn-rD : r-iK3 ^

••: J* v I V- a - -«tt - I vjt t I * ^it: • I ••V-* :

rhs vy\ ni:a ps prnxi : n^-nNi nanrnNi ^

-at I -»•• v**: •' ' Jquot; I v v v ;i - it v : J : v :

D^DnynKi DmVTiK onvoi : nVnan Kin^

•»• T i v : s- v - t * -: • it : - j' t k.'

quot;IB'H D^n^ps-nKi, Dpins-mi : D^nnarnKi

■n« nV* rvi3i d : onnMTiNt Dtro inv' m

•)-t I'1- - : ^ r : - v : \gt;- : • : it ' j ut

.'^ann^i noKn-nKi 'Di^n-nNi: nrrrw ii33

r TC'— v.quot; : * v:-»t v ; • : - v : r* v : v. : ' *

vgl. 4,20 en 4,26) een nieuw tijdperk; heerschers treden op, die door moed, energie en door het voeren van een schrikbewind hunne omgeving aan zich weten te onderwerpen.

li- -nrx xr, trok hij, Nimrod, uit naar Asshoer, welks bewoners door hem werden onderworpen; HON = nTjltPJC of iivnh. Anderen vertalen:

uit dit land trok Asshoer uit, zoodat deze oorspronkelijk de vlakte van Shin'ar zou bewoond hebben en door Nimrod daaruit zou verdreven zijn. Daar Asshoer echter tot de Semietische stammen behoort, zoude men de berichten omtrent hem eerst bij vs. 22 verwachten. Bovendien wordt Nimrod, niet Asshoer, hier als stedenbouwer en rijkenstichter genoemd.

12. nSrun TI?n NT!, het staat niet vast op welke der drie hier genoemde steden dit praedicaat doelt; Talmoed Joma lOo laat het, met net oog op Jona 3,3 op Ninewé slaan.

■ar?1?#

ocr page 50

GENESIS X, XI.

1817 En den Chiwwiet en den 'Arkiet en den Siniet. En den Ar-wadiet en den Tsemariet en den Chamathiet; en daarna hebben

19 de geslachten van den Kena'aniet zich verspreid. En het grondgebied van den Kena'aniet was van Tsiedon af in de richting naar Gerar tot 'Azza, [van daar] in de richting naar Sedom en

20 'Amora en Adma en Tsebojiem tot Lésha'. Dezen zijn de zonen van Cham, naar hunne geslachten, naar hunne talen, in

21 hunne landen, in hunne volkeren. — Aan Shena, — ook hem werden kinderen geboren; [hij is] de vader van alle zonen

22 van 'Eber, de broeder van Jépheth, den oudste. De zonen van Shem: 'Élam en Asshoer en Arpachshad en Loed en Aram.

23 En de zonen van Aram: 'Oets en Choel en Gésher en Mash.

24 En Arpachshad bracht Shélach voort en Shélach bracht 'Eber

25 voort. En aan 'Eber werden twee zonen geboren; de naam des eenen was Péleg, — want in zijne dagen ontstond verdeeldheid op aarde, — en de naam van zijn broeder was Joktan.

26 En Joktan bracht voort Almodad en Shéleph en Chatsarma-28 27 weth en Jérach. En Hadoram en Oezal en Dikla. En 'Obal

29 en Abiemaël en Sheba. En Ophier en Chawiela en Jobab;

30 deze allen zijn de zonen van Joktan. En hunne woonplaats was van Mésha in de richting naar Sephar tot het gebergte

31 in het oosten. Dezen zijn de zonen van Shem, naar hunne geslachten, naar hunne talen, in hunne landen, naar hunne

32 volkeren. Dezen zijn de geslachten der zonen van Noach, naar hunne afstammingen, in hunne volkeren; en uit dezen

Q hebben de volkeren op de aarde zich gesplitst na den zondvloed. hebben de volkeren op de aarde zich gesplitst na den zondvloed.

1 De geheele aarde was toen een van taal en van eenerlei

2 woordenschat. Nu was het: toen zij uit het oosten wegtrokken.

19- roxa. eig.; totdat gij komt.

21. '131 13« -Kin DJ iS' wSl. Vóór ■os is eenmaal son uitgevallen, gelijk dikwijls voorkomt. Vertaal: Aan Shem, ook hem werden [kinderen] géboren, hij is de vader van enz. —■ Siun ns' ins, [hij is] de broeder van Jépheth, den oudste-, de toonteekens verbinden het bijv. nw. beslist met rEP en niet met vw; — anderen; den oudsten broeder van Jépheth, doch volgens 11,10 was Shem bij de geboorte van Arpachshad honderd jaren oud; als oudste zoon zou hij in het 500ste jaar van Noach's leven geboren zijn en dus bij de geboorte van zijn zoon twee jaren na den zondvloed aiet honderd, maar 102 jaar oud zijn. Wanneer 5,32 gezegd wordt dat Noach, 500 jaren oud geworden, drie zonen voortbracht, dan zegt dit nog niet, dat die nu ook allen in hetzelfde jaar geboren zijn, maar alleen dat, nadat de vader 500 jaren had geleefd, hem achtereenvolgens drie zonen geboren werden. In dit vers ligt dus hoegenaamd geene onnauwkeurigheid. De

Sas geopperde moeilijkheid tegen de onderstelling, dat Shem de oudste van 'oach's zonen zou geweest zijn, laat zich dus niet oplossen door de bewering, dat die opgave -van honderdjarigen leeftijd van Shem (11,10) niet nauwkeurig zoude zijn. Vgl. verder de aanteekening 9,24.as geopperde moeilijkheid tegen de onderstelling, dat Shem de oudste van 'oach's zonen zou geweest zijn, laat zich dus niet oplossen door de bewering, dat die opgave -van honderdjarigen leeftijd van Shem (11,10) niet nauwkeurig zoude zijn. Vgl. verder de aanteekening 9,24.

24. 13y. Van zijn naam wordt de volksnaam: ffnsp, Hebreërg afgeleid;

21

ocr page 51

♦ ra KD

nöïrrnNViiiKrrnKi : TDrrnxi ^nirriKi^

I,- t : - v : j-T :- it v : r • - v : If : - it v : J- • r •■• : IT»

^35 ninfit^p lïè: '•nQnirnxi ^

nöiNi nio^i no'-io HSNS nirquot;W nnquot;i3 hd^S r'Tïp G

jt : - : ot ^:i- t s : t -; i at^- *=• t».t : jt -: i I # Mquot;

Dnvquot;iK3 Dnïtp1?1? onnsB'p1? Drnp nbK : Dpïi3 g

nW 'HN quot;la^-^rba bt? NIH-DS IV D^I D : Dn»i33 ? ani : dtki n^i. quot;i^psiwquot;! n^i, DB' as : Vinan » n^t^i nV^'DN nV i^D2iNi : irni nnii bini DIK-0

- vv : -AT V -i-T Vquot; : quot; : quot; : iquot; t vjv; v 5 I ATï

♦3 ^3 -mn aan 'Jir : m^-nN nV ™

lt;• V V T V IT Jquot; A- T -••• : v7quot;: . quot; iquot; ^ T

Tiiö^-nN :|ü^vnx o^i p«n VD»3«

Vmw) DinrrnNi : m'-nxi nionïn-mi fl'jty-nw3

IT ••• : JT -: V : -it v : -at :- ~. v : |v/it - .

ifiiN-nKi .'XDtrnNi :n?pTnm™

J- V : IT : V ; v.quot; r r -: v : jt * v : »t I : v - 03

oniriD 'nn : rup* ^3 nbK_l?3 ani'-mi n^nn-nni17

VT t I j* :~ ^ IitI'.t y \ v v.quot; t at v : ^t -:

Drinst^ab Dib-an nbx : oipn in mso n3N3 «t^so ^

^t : : • : •• •• ; v -•quot; v| r.- j' tvt : jt -: 1 .

onnbin1? nr^s hnst^p nbx : on^1? Dnïquot;)K3 Dni^? * a *: Viaan -ihn r-iK3 o^i^n ma: n^xoi Dn»ia3 t

1 - - J- - I •.\t t •)• - s : : * •.••••• a*. • 1 .

DipöDrD33,nn : onnx omni nnx nair pKrr^ w«

vIav ^t: t : v.- ;- it-: v.quot; t : atv -«t t I v^t t t ^ 2

v. a. hangt die naam samen met: inn i3r, overzijde van den stroom, omdat Abraham van gene zijde van den Euphraat naar Palaestina kwam.

25. ruSfiJ. kwam verdeeldheid op aarde, hoogstwaarschijnlijk doelende op de spraakverwarring na den torenbouw van Babel. Die tijd heet bij

onze Wijzen; njSam 111.

T t I - -

Hoofdstuk XI. 1. DTTIX Dn3l1 JTTWC nStf. Tot den tijd van Péleg, waarover 10,25 is gesproken. Wanneer niettemin reeds in hoofdstuk 10 van splitsing der volkeren DnroSS, naar hunne talen gesproken wordt, dan ziet dat op verschillende dialecten van ééne en dezelfde taal; de taal was dezelfde, de tongval op verschillende plaatsen uiteenloopend. Of wel, op de feiten vooruitloopend, wordt in hoofdstuk 10 reeds bij voorbaat iets medegedeeld, wat eigenlijk eerst later wezenlijk tot stand kwam. — onns di-oti nns dep, v. s. ziet nsü op den grammatischen bouw der taal (woordvorming en woordschikking), B'ian op den lexicalen woordenschat.

2. DipD- Uit het oosten, d. w. z. uit een oostelijk van Palaestina gelegen land, en wel: uit het verre oosten; v, anderen: oostwaarts, — jjdj, wegtrekken naar een beter oord; niet: door oorlogen gedwongen.

ocr page 52

GENESIS XI.

vonden zij eene vlakte in het land Shin'ar, en zetten zich

3 daar neder. Toen zeiden zij de een tot den ander: //Komaan, laat ons tichels maken en ze tot iets gebrands branden!quot; en de tichel diende hun in plaats van steen en het leem in plaats

4 van kalk. En zij zeiden : //Komaan! laat ons eene stad voor ons bouwen en eenen toren, welks top tot den hemel reikt; zoo zullen wij ons eenen naam maken; opdat wij niet ver-

Sstrooid worden over de oppervlakte der geheele aarde.quot; Toen daalde de Eeuwige neder, om te zien de stad en den toren,

6 die de menschenkinderen gebouwd hadden. En de Eeuwige zeide: «Zie, één volk is het, en ééne taal hebben zij allen; en dit is het, wat zij als begin hunner daden verrichten; en nu zoude hun niets onbereikbaar zijn van alles, wat zij zullen

7 denken te volbrengen. Welaan, laat ons nederdalen, en aldaar hunne taal verwarren, zoodat de een de taal des anderen niet

8 verstaat.quot; Zoo verstrooide hen de Eeuwige van daar over de oppervlakte der geheele aarde; en hielden zij op, de stad te

9 bouwen. Daarom noemde men haren naam: Babel; want aldaar heeft de Eeuwige de taal der geheele aarde verward, en van daar heeft hen de Eeuwige verstrooid over de oppervlakte der geheele aarde.

10 Deze zijn de nakomelingen van Shem : Shem was honderd jaren oud, toen hij Arpachshad voortbracht, twee jaren na den

11 zondvloed. Shem leefde, nadat hij Arpachshad voortgebracht had, vijfhonderd jaren ; en hij bracht zonen en dochters voort. —

12 Arpachshad leefde vijf en dertig jaren, toen bracht hij Shélach

13 voort. En Arpachshad leefde, nadat hij Shélach voortgebracht had, vier honderd en drie jaren; en bracht zonen en dochters

14 voort. — Shélach leefde dertig jaren, toen bracht hij 'Eber

15 voort. En Shélach leefde, nadat hij 'Eber voortgebracht had, vier honderd en drie jaren; en bracht zonen en dochters voort. —

16 'Eber leefde vier en dertig jaren, toen bracht hij Péleg voort.

17 En 'Eber leefde, nadat hij Péleg voortgebracht had, vier hon-

3. na-icS nairji, zij brandden het tot een tegel gevormd leem in een oven tot hdksteen. — non, volgens de meeste schrijvers: asphalt.

4. O'DCS icvcn, d. w. z. buitengewoon hoog; vgl. Deut. 1,28.

s. D-wcn ya, die nietige menschenkinderen. Indien God Zijne aandacht schenkt aan de handelingen van aardsche wezens, wordt van Hem dikwijls gezegd, dat Hij afdaalt. Zoo ook, indien een gesprek geëindigd is, dat God Zich verheft-, zie Gen. 17,22 e. a. p.

6. mcpS obnn mi, en dit is hun beginnen ie doen, d. w. z. dit is het, wat zij als eerste daad tot stand willen brengen. — ion = IQr, de quot;wip van den Sp van dot, uitdenken.

22

ocr page 53

x* m 33

ïakVna^n arh 'nni na~i^ naquot;i^2,i n:^1?: nan

I v t : t •• : - lt;V t • ; - at ••: * v,t : : • : * •• : jt ; ; • j t t«

^tiöi quot;i^ u^-nn: i nsn iidn'i : quot;ibn1? onb n^n nónni ■•

t: ' •jt v ; • t-«t : i ~ v i - t jtt t •• ■j~ :

: pKirba ♦aö*1?^ par|3 nb-n^i Q'éfï : onKn ^3 IJS 10 b^sn-nKi. T^rrnx nin^ iyy

ni^3 ^inn Hl1 ID nin! ^ W1

rhm rt-n: nnn : nf^ ia?» ntrx Va ono nnyi»

jt : it : t :iquot; ^ t ■*quot;lt; i -iquot; v. :it jv -: •) v jquot; t * i t -:

am nin» quot;iK'KDnaty oufquot;

no^K^jr^ : i^n niab ^nn_pKn-bD om?0 n:in* Dï'an bt^Di rnNin-ba nfity nm^ bba D^-»3 Vaa

t : jt * *.•: t • | v at t t jquot; : ^t : Jquot; t -jt * v t

2 * : pKHquot;1?!

ntóiN-nK quot;ibvi n:^ nKD-ra DB' D^ hibin

at ; - ; - v V V.quot; ^t t -'quot; • • V quot;lt; quot; -» Z i •* quot;lt;

n^a-ix-riK in^in nn« : Siaan quot;in« D^niiy ^

t : - : - v -gt; • i •• -; i- quot; • : n i ~ ~ J~ ~ hquot; ▼ :

'n -I^DSIKI D : ni:m D^3 quot;iVi'i n:^ niND Bton ^

j- ; - ; - : i t t v J- at t v •* Jquot; quot;t

hnx quot;I^D2quot;ik ♦nn : nVtrnx nbi'i aton '

••-: i- - ; - ; - •«• :- -it V V ^ ~ att {• : Jquot; t

niK' ni«o wbw nbt^-m iT^in

v j - at t v *• •'■;quot; ; 'T •J T ■ *•* ••* ■* * i

: -DirnK nbi'i mtr D^1?^ ♦n nSiyi D : nmi D,:a•1,

vtquot; v v ^ - at t •*• : v.quot; ' Jquot; : ^ it v.quot; t

niKD traiKi vhv -i^-nx n^in nnx

^ •• ^ j- : - : • t . j t v v -• • i ••-:!- - v • : r

vim D : ni^i D^3 n:^'»

v,- ~ J- :- v —r it v.* t v v- att

D^B'ibè-nNiTbin nnx quot;a^nn : J^Ö-HK nVi»')

j. . ... v v j • i ••-: i- v • :i- vit v v ^quot; att

i. nSaji = nVau de -prr van den Sp van SVa, vermengen-, v. a. 121;

T * t

van den Sp van S^, dan zal hunne taal verwelken. — ii'N = zoodal.

8. Zoo, als gevolg van de spraakverwarring, verstrooide de Eeuwige hen.

9. ^33. Volgens Ibn 'Ezra g«lijk: ^3 K3, verwarring is gekomen-, anderen = S? 33. poort van Bel of bit 33, poort Gods-, de woorden van ons vers brengen echter den naam beslist in verband met ¥73, vermengen, beter daarom: verkorting van w». eene herhaling der voornaamste stamletters, die dan eenigszins verzwakt wordt; zoo ook niBBio = niBBBB.

ocr page 54

GENESIS XI.

derd en dertig jaren; en bracht zonen en dochters voort. — 19l8Péleg leefde dertig jaren, toen bracht hij Re'oe voort. En Péleg leefde, nadat hij Re'oe voortgebracht had, twee honderd

20 en negen jaren ; en bracht zonen en dochters voort. — Re'oe

21 leefde twee en dertig jaren, toen bracht hij Seroeg voort. En Re'oe leefde, nadat hij Seroeg voortgebracht had, twee honderd

22 en zeven jaren ; en bracht zonen en dochters voort. — Seroeg

23 leefde dertig jaren, toen bracht hij Nachor voort. En Seroeg leefde, nadat hij Nachor voortgebracht had, twee honderd jaren ;

24 en bracht zonen en dochters voort. — Nachor leefde negen en

25 twintig jaren, toen bracht hij Térach voort. En Nachor leefde, nadat hij Térach voortgebracht had, honderd en negentien

26 jaren; en bracht zonen en dochters voort. — Térach leefde zeventig jaren, toen bracht hij voort Abram, Nachor en Haran.

27 Deze zijn de nakomelingen van Térach: Térach bracht voort

28 Abram, Nachor en Haran; en Haran bracht Lot voort. Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Térach in het land zijner

29 geboorte, in Oer Kasdim. Abram en Nachor namen zich vrouwen ; de naam van Abrams vrouw was Sarai, en de naam van Nachors vrouw Milka, dochter van Haran, vader vanMilkaen

30 vader van Jiska. En Sarai was onvruchtbaar, zij had geen

31 kind. En Térach nam Abram, zijnen zoon, en Lot, Harans zoon, zijnen kleinzoon, alsook Sarai, zijne schoondochter, de vrouw van zijnen zoon Abram ; en zij gingen met hen weg uit Oer-Kasdim, om te gaan naar het land Eena'an; en zij

32 kwamen tot Charan en vestigden zich daar. En de levensdagen van Térach waren twee honderd en vijfjaren; en Térach stierf in Charan.

27. mVin, hier tegelijk: nakomelingen en: geschiedenis. De zonen van Térach zijn vb. 26 genoemd en worden, ter inleiding der volgende bijzonderheden, nog eens herhaald.

28. gt;33 Sy. vóór het aangezicht, d. w. z. bij diens leven, zoodat hij het moest aanzien.

3i. orw wn. zy, Térach en Abram, de ouderen en sterkeren, namen Lot en Sarai, de jongeren en zwakkeren, met zich mede; Lot en Sarai

23

ocr page 55

n3 3d

d : num quot;ivm r\:v} niko

V Vquot; • :iquot; ^ • T T v j ' AT T V *• ^quot; : quot; : TT

vin-ntm^innntnbiprn : ^rnx nbi^i n:^

^ ; v j • i ••-;!- v v • :r 1 : v v att ■•• ;

iv-i 'n^i d : nuni d^a nat^ d^nnoi d^e' vamp;n =

^ ; J* :- IT T v Jquot; AT T quot;Jquot; T T gt;••

it^innnkivn n:^ d^vtyi wniï ^

j • i ••-; i- ^ : j- :- i: v v ^ - at t : • j~ :

w d : nüm nbvi nr^ dtinoi d^ yiv «

y : - it v.'t ••' J' at T i ' quot;*quot; T vquot; t ~ jv :

nnx ♦nn : ninrnx nsi'i naiy n'ïv»

4quot; -ti- ; j* : - it v v vquot; at t -•• : \, :

™ d : niini d^3 nbvi natr d^no iinrnk it^in^

J- ; - IT V' T V Jquot; AT T ' •gt;' T ^ T V J * I

hns una ,n,i : mrrm n^vi an^i vamp;n mm ™

••-:i- t -•• : • quot;it v v v.quot; at t v': -*,: quot; Jquot; r

d^a quot;ibi'i nkoi nit^ nn'^-^^n niri-nx n^in

v.' T v j- . AT T -•- ; gt;,'TT : •* 'quot; : quot;v v - • •

quot;iinrnk d^ktik nbi'i mn^n^ d : niini ^

V. T V T : - V V - ATT Vv ^ 1 T

-nx dssntin n^in mn mh nnsin nbxi : nrrmi»

t : - v •»• - vlt; - v j : i v •• ; I itt v :

mn rin nan : mb-nx n^in nm prrnki nin: ™

-•gt;•.• vquot; : Itt ^ tjt- • v j' Kt t : I at t v : v t

on1? quot;iimi dquot;i3k np'i *: antrs tiks im^ia pk3 v3k gt;==

V** T •) T : ^ ST : I------: '• :' 1 » ••••'••• •• A* T

nn-na n^o ninrn^n dt^i ntr d-i3n-n^k d^:

I JT T - T : T VIquot; «•• : T T T : - v Iquot; «•• A* T

: quot;bi rb mp^ ntr 'nni : n^D' 17

it t^ v.T I jquot; at^t s v~t j' t ' it : • j' —. i' \,t : - ^i* -:

riki iirf3 |*irr|| iia dentin mnnpn^ nd^b dn^3 -uno nrix ikïi 1j3 dquot;i3k inba

v v t • : - -• •• t * : Iquot;quot; a : jt : - vquot; t -

ran vn'i :d^ inty'i rnn-ij; ixnn r^ia hïik ^

jquot; t - v ••;-•; r - it I v.tt -» t - I - - : t :

ö : nna nm non nat? d'nsdi □,ab'

I ITT : quot;V** T^T- ATT ' •»' T {,' T

gingen met hen weg. Anderen verklaren ons; met elkander-, nog anderen denken aan hnisgenooten, slaven enz., die hier wel niet genoemd zijn, maar toch als onderwerp van ixn gedacht moeten worden.

32. Daar Térach bij Abrams geboorte 70 jaren telde en Abram op 75jarigen leeftijd van Charan vertrok, leefde Térach na Abrams vertrek nog 60 jaar. Zooals meermalen voorkomt, wordt dus eerst Térach's levensgeschiedenis afgesloten en in hoofdstuk 12 de geschiedenis van Abram begonnen met een tijdstip, dat veel vroeger dan het einde van hoofdstuk 11 valt.

ocr page 56

GENESIS XII.

1 De Eeuwige had namelijk tot Abram gezegd; «Ga heen uit uw land, uit uwe geboorteplaats, en uit uvvs vaders huis, naar

2 het land, dat Ik u aantoonen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen, en uwen naam groot maken; en word tot

3 zegea. Ik zal zegenen, die u zegenen; en die u vloekt, zal Ik vloeken; en met u zullen al de geslachten des aardbodems

4 zich zegenen.quot; Abram ging weg, zooals de Eeuwige tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; Abram nu was vijf en

5 zeventig jaren oud, toen hij vertrok uit Charan. Abram nam Sarai, zijne vrouw, en Lot, zijns broeders zoon, benevens al hunne have, welke zij verkregen, en de zielen, welke zij te Charan verworven hadden; en zij gingen heen, om naar het land Kena'an te gaan, en kwamen [inderdaad] in het land

6Kena'an. Abram trok het land door, tot aan de plaats van Shechem, tot aan het bosch Moré; en de Kena'aniet was toen

7 in het land. En de Eeuwige verscheen Abram, en zeide : „uw kroost zal Ik dit land geven!quot; Toen bouwde hij daar een al-

8 taar ter eere des Eeuwigen, die hem verschenen was. Hij brak van daar op naar het gebergte, ten oosten van Beth-El, en hij sloeg zijne tent op; [zijnde] Beth El ten westen en 'Ai ten oosten ; en hij bouwde daar een altaar ter eere van den

24

9 Eeuwige, en riep den naam des Eeuwigen aan. Vervolgens reisde Abram gedurig verder naar het zuiden.

Hoofdstuk XII. 1. iS quot;iS. Een derde nv. bij -|Sn, zooals in Ex. 18,27: iS iSl, hij ging zijns weegs, Hoogl. 2,11 e. a. p. — Hot is twijfelachtig, of deze Godsspraak tot Abram gericht werd, toen hij reeds in Charan was (dus na het 11,31 verhaalde) (Rasule); of wel dat het verhaal nog vroeger teruggaat en deze woorden tot hem gericht werden vóór zijn vertrek uit Oer-Kasdiem (Ibn 'Ezra, Kimchi). Vóór de laatste opvatting spreekt, dat Abram hier wordt bevolen, initio zijn geboorteplaats te verlaten, waaronder, naar 11,31, niet Charan te verstaan zoude zijn. Bovendien wordt 15,7 gezegd, dat God Abram uit Oer-Kasdiem heeft uitgevoerd. — Vóór de eerste meening pleit daarentegen, dat 12,4 Abram's leeftijd wordt opgegeven bij zijn vertrek uit Charan, terwijl immers op de reis van Oer-Kasdiem naar Charan Térach en zijne familie Abram vergezelden en hij dus eerst van daaruit zijn vaderlijk huis verliet. Verder wijst men op plaatsen als 24,4 en 7 waar Abram o'lru dis, Mesopotamië (d. i.: Charan) als geboorteplaats 'jïiSmi 'sis aangeeft en niet: ones ns, d. i. Babylonië. Térach's verblijf in Oer-Kasdiem zou dan slechts tijdelijk zijn geweest; de eigenlijke woonplaats der familie was van oudsher: Mesopotamië (vgl. Jos. 24,2), terwijl Abram in Oer-Kasdiem zoude geboren zijn. Om die reden vertalen anderen ■pt-iso als één begrip: vaderland, in wijderen zin: niet juist het geboorteland, maar de plek, waar thans het ouderlijk huis gevestigd is, de woonplaats der familie. Zoo ook imVia S.si 'ï-is 'ra (24,4 en 7), waar zonder twijfel Charan bedoeld wordt. — -ps rwi vrfrnnl quot;ix-iso. De op-eenhooping van nadere bepalingen dient om duidelijker op den voorgrond te doen treden, hoe groot het offer was, dat van Abram geëiseht werd; evenzoo 22,2.

4

ocr page 57

y quot;jV nV -D

n»3Di nmViööi nvino nVrib nin» 10^*1« y

. — * «. F •• yquot; • • ^ I : : - Iquot; ^ I : | v t : - v t : v «-

Sl^a T?Â¥ 3

?i^quot;i3o naiDNi : nana n^ni nbuNi

I v -:-»t ; t :it-:i- it t ; ; iv ^ Pav ; vt :--:r f : •/-•t-rr

onn^ : nonxn nnötfö ^ ^3 Üquot;)3JI INK

^ t; - I vj— it t-:it j : : ' v. I : •* ; y : at v.1 : v^l- ;

^on-p DirjKi mx n^in» lai 1^x3

r • t lt;quot;^t I v Tq: quot; : A V, * I vr- t : t •• lt;v • v -: i-

inirM n'^TiN D13N n^i : nno inKïa ni^ *

: • quot; t v t : - ^ i j— i it t iquot; v quot; : t t '-•• ; • :

^öan-nN'! IK'K D^iDTbrn^i vnirfa üiyntti : tjr:3 nïquot;)N ma ikï^ pna Svp-^m

t^-iT : t :j- v. t - i - - : t :j- v v t :iquot;- i att -» r v -;

'j^sninniDji^nj;. oi^ DI^O quot;i^pKa onaK pwrnKmK'ijnT5? quot;iatlt;»iD'ii3tr,?Knin»Ki*i :p«3 TK»

I ^vjt t v I v,quot; v r-: :- : v ~ t : - v t^ : lt;t— | vit t jt

pny'i : v^tsj ntvi-isn nin^ nato aü pn r-iNinn

i quot; : quot; it •• jv : • quot; vt 1- - .. : • t i •.•lt;• - a -

♦ym d'ü bN-n^a nbnN m bK-n^ab üipn mnn dï^q

n-r : t • lt;•• iquot; a ^rit ■quot;•- vquot;. iquot; : ^ vmv* tt t t •

oiaK : nin» o^a «quot;ip^i nin^ naro o^-pn mpo °

t ; quot; quot; it : jquot; ; v.tI : • - t i- - •• • • lt;t ivr- v|v •

ö : naisn yiDJi ^ibn

t : iv - ^ v, t : i -» t

2- nD'IS (Tm. De gebiedende wijs als voorspelling, evenals un ne. Gen. 1,28; via noi, Deut. 32,50, wat natuurlijk beteekent: dan zult gij sterven. Zoo ook hier; gij zvlt tot zegen zijn, d. w. z. men zal u als gezegend erkennen, vgl. vs. 3. Anderen; gij zult gezegend worden door God.

3. — 73-DO. Sommigen zien in den meervoudsvorm van

■pa-m tegenover het enkelv. ^Sp» eene aanwijzing, dat zij, die Abram vervloeken, steeds gering in aantal zullen zijn; velen daarentegen hem zullen zegenen. — -ja «im Met « zullen zich zegenen, d. w. z. zij zullen zich zelve toewenschen te worden als gij (Rashie). De Sïeo heeft hier wederkeerige beteekenis, zooals uit parallelplaatsen, waar de Vrsm gebruikt wordt (22,18 en 26,4), blijkt.

5. tTflïl, slaven, vgl. Lev. 22,11; Ez. 27,13. Midrash en Onkelos; de personen, die zij tot erkenning van den éénigen God hadden gebracht. — wy = «p, vgl. Gen. 31,1; Deut. 8,17.

6. CDC Dipa ip, tot de plaats van Shechem, d. w. z. tot de plaats, waar thans (bij het te boek stellen van den Pentateuch op het einde van Mozes' leven) Shechem ligt. De stad zelve bestond ten tijde van Abram nog niet. — pSx = iïiSs, collectief, terebynthenbosch. — in, toen reeds waren de Ke-na'anieten in het land, die Israël geroepen was, op grond van de toezegging in het volgende vers, te verdrijven.

8. SN JT3, het later door Jakob zoo genoemde Loez. — 'n oeo nijw, v. a. evenals Gen. 4,26; hij verkondigde dm naam des Eewmgen.

ocr page 58

GENESIS XII, XIII,

10 Er ontstond hongersnood in het land ; toen daalde Abram af naar Egypte (Mitsrajim) om zich daar op'te houden; want de

11 hongersnood was zwaar in het land. En het was: toen hij bijna in Egypte aangekomen was, zeide hij tot Sarai zijne vrouw: ffZie toch ! ik weet, dat gij eene vrouw zijt, schoon van

12 aanzien. Nu zal het zijn: als u de Egyptenaren zien zullen, en zeggen: «deze is zijne vrouwquot;, dau zullen zij mij dooden,

13 en u in het leven laten. Zeg toch, dat gij mijne zuster zijt; opdat het mij wel ga om uwentwil, en mijne ziel uwentwege

14 in het leven blijve.quot; — En het was: toen Abram nu in Egypte kwam, zagen de Egyptenaren de vrouw, dat zij zeer schoon

15 was. Ook zagen haar de vorsten van Phar'o, en prezen haar bij Phar'o; zoodat de vrouw in Phar'os huis genomen werd.

16 Aan Abraifi echter deed hij goeds om harentwil j en hij verkreeg kleinvee en runderen en ezels en slaven en slavinnen en ezelinnen

17 en kameelen. Maar de Eeuwige bezocht Phar'o en zijn huis

18 met zware plagen, wegens Sarai, de vrouw van Abram. Phar'o ontbood Abram, en zeide: «Wat hebt gij mij daar gedaan? waarom hebt gij mij niet medegedeeld, dat zij uwe vrouw is ?

19 Waarom hebt gij gezegd: //zij is mijne zusterquot;, zoodat ik haar mij tot vrouw genomen heb? en nu, ziedaar uwe vrouw, neem

20 haar, en ga heen!quot; Phar'o gelastte [eenige] lieden omtrent hem; en zij deden hem uitgeleide en zijne vrouw en al, wat hem toebehoorde.

1 Zoo trok Abram op van Egypte, hij en zijne vrouw en al het

2 zijne, en Lot met hem, naar het zuiden. Abram was zeer rijk

3 aan kudden, aan zilver en aan goud. En hij ging naar zijne tochten, van het zuiden tot Beth-EI, tot de plaats, waar zijne tent in den

4 beginne geweest was, tussehen Beth-EI en tusschen 'Ai; Tot de plaats van het altaar, dat hij in het eerst aldaar gemaakt

5 had; en Abram riep daar den naam des Eeuwigen aan. Ook Lot, die met Abram ging, had kleinvee en runderen en tenten.

10. Til. Uit het bergland Palaestina daalt men af naar het Nijldal: Egypte; v. a. n1 omdat hij in zuidelijke richting gaat. In den Talmoed blijkt, dat elk vertrek uit Palaestina it, elke reis daarheen rhv genoemd wordt. — hjS, niet om zich daar te vestigen, maar om daar tijdelijk te verwijlen.

11- NoS anpn ICND. ^npn heeft hier de beteekenis van een bijwoord: toen, hij hij na gekomen was.

18. Phar'o heeft, nadat de ziekte hera getroffen had, in Sarai's aanwezigheid in zijn paleis de oorzaak meenen te zien. Hij ondervraagt Sarai en komt tot de ontdekking, dat zij Abram's vrouw is; dit alles laat zich uit ons vers gemakkelijk aanvullen.

20. DUTJJC — IS1!. Phar'o gaf mannen het hevel, hem te begeleiden; de uitvoering wordt medegedeeld, waaruit de inhoud van het bevel van zelve volgt.

25

ocr page 59

y y ^ iS nD

-Dma otb quot;iiib nonïo Dinx TI»I r-iK3 avn w

^t ^ r t •* t t : - ; lt;t : - v- | vat t ^t t r :-

quot;io^i nanxa kid1? anpn 1^3 ♦n,i : rixa arm ^

t :at ; •* t v.1: • jv -: i- • ;- | vit t ^ttit

: m nx-ia-na^ »3 ♦nyn» «rnan in^K nir1?»

: it v,quot; :quot; - : jt ' r ' : ~r jt • : • j- t

u-im nxr WH IIONI Dhxsn -im n;ni ^

V. ^ :it : a gt;J ^ * V, : quot;t : • : • - | t lt; :• r t t ;

i^o1? m WN «rnpN : vn* ^ nonïD Dquot;i2N K133 ♦nn *^02 nn^ni ^

lt; : *-^ t:at: • vt : - j : * : - |iquot;t : • rrcit:

nir nnw Kin n^Nn-nx onxsn10

jquot;t t « ;•- 1 : v,' -'t t r t • -«t v •: • -

: n^-13 n»3 nuwn npni n^is-bK nnK ny-ia

^ i : - jquot; v.t^ • it tj-\- a : ~ v v.t -11-:- ^ :-

ona^i D^am npnrjKV mma DinKbi quot;=

•t -;i- • -; 1- i tt i 1 lt; • ;i- at —. r k' quot; jt : ~ :

D^na ny:: n^nrnK 1 nin» yan : d^dji njnxi n'nstri ^

y '• yt'r: ■) : - v st : ^ - -; - r - ; v. -:i- t :

Di^K1? njna Kipquot;!: mnx n^K nt? quot;arbv ^

t : - : ^ : - lt;tI : * - it : - v ^-t jt •. ^ a •• v :

.•Kin^n^K ^3,l? man-K1? nab ^ nvw nKrnü naK'i

i* • t :■•-• i t tlt; a* t -»• ^t

nan nnyi n^K1? 'h nnK npKi Kin 'rinK moK nö1? ^

y' t - : at • : -jt ij-vit • j -: t : - t «t t

-nKi inK D^aK n^-13 vby m : -ibi np ^nm =

■•: p5 : -r:- »■ r,-: q i :-q „t't .-:- ,quot;t i.- j : : •

IDB'KI Kin DnSDO D13K ^quot;1 : iTItyK'^TlKI In^K «

s : • : ..... t : - ^ - - i v -: t •-• : v : *

napss ikü 133 di3ki : nsaan id# mbi iV-i^k-Vsi = Dipsrn# ^K-n^-n^i 3a3p V^DQ1? ^^I : 3rK3i e]p33j bipD-^K : ^n r3i ^K-n^ nbnn3 n^nK Dtf n^rriirK ■gt;

» : v itt I jquot; iquot; Ir* t * : - ▼; it lt;t r t v -:

0^3 D13K db' Kip»i na^K-)3 db' n'^ïT^K niiTsn

jquot; : vt : - ot jt I: * - at r t \.t t ^t -; -....-

: D^n'Ki *ip3T?Kï n^n dquot;)3ktik nVnn Di^-Dai * :nin^

r t i : gt;j.tt i i jt t at : - v )v i- : - ; • it :

Hoofdstuk XIII. 1. rDJJil) d- i- naar het zuidelijk deel van Palaestina, niet; van Egypte uit in zuidelijke richting.

2. naa, eig. zwaar-beladen.

3. vyaoh, naar zijne tochten, d. i. van rustplaats tot rustplaats; Rashio: naar zijne vroegere dagreizen.

4. n3ir«T3, Wj zijne eerste aanwezigheid daar ter plaatse (12,8); het was het tweede door Abram gebouwde altaar. — tnas oo N-ipm. De herhaling van het onderwerp o-ax wijst er op, dat enz. eene nieuwe hoofdzin is en niet voortzetting van den betrekkelijken bijzin; men vertale daarom niet: en waar Abram aangeroepen had, maar: en Abram riep daar den naam des Eemcigen aan.

ocr page 60

GENESIS XIII, XIV.

6Maar het land droeg hen niet, om samen te wonen; want hunne have was veel, en zij konden niet te zamen wonen.

7 Hierdoor ontstond twist tusschen de herders van Abrams kudden en de herders van Lots kudden; en de Kena'aniet en

8 de Perizziet woonden toen in het land. Toen zeide Abram tot Lot: «Laat toeh geen twist zijn tusschen mij en u, tusschen mijne herders en uwe herders; daar wij immers toch bloed-

9 verwanten zijn. Is niet het geheele land vóór u ? Scheid toch van mij ; zoo gij naar de linker-, dan zal ik ter rechterzijde gaan en zoo gij naar de rechterzijde gaat, zal ik links gaan.quot;

10 Lot hief zijne oogen op, en zag de geheele vlakte der Jordaan, dat zij door en door waterrijk was; (eer de Eeuwige Sedom en 'Amora verwoest had, was zij gelijk de tuin des Eeuwi-

11 gen, als het land Egypte, in de richting naar Tso'ar). Toen koos Lot zich de geheele vlakte der Jordaan, en Lot

12 toog oostwaarts; zoo scheidden zij van elkander. Abram woonde in het land Eena'an; en Lot woonde in de steden der

13 vlakte en sloeg zijne tenten op tot bij Sedom. — En de mannen van Sedom waren zeer slecht en zondig tegen den

14 Eeuwige. — En de Eeuwige zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: «Hef toch uwe oogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, noordwaarts, zuidwaarts, oostwaarts en

15 westwaarts. Want het geheele land, dat gij ziet, zal Ik u

16 geven en uw kroost tot in eeuwigheid. Ik zal uw kroost doen worden als het stof der aarde; zoodat, als iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, ook uw kroost geteld zal worden.

17 Maak u op! trek het land door, in zijne lengte en in zijne

18 breedte; want u zal Ik het geven.quot; Abram sloeg nu zijne tenten op, kwam en zette zich neder in het bosch van Mamré, dat bij Chebron is; en hij bouwde daar een altaar ter eere des Eeuwigen.

1 Het was in de dagen van Amraphel, koning van Shin'ar, Arjoch, koning van Ellasar, Kedorla'omer, koning van 'Elam en Thid'al,

2 koning van Gojim; dat zij oorlog voerden met Béra', koning

6. DCISH. niet alleen levenlooze liave, maar ook en hier hoofdzakelijk: vee. Het land gaf niet genoeg weide voor de talrijke kudden van beiden.

7. 3*1 vn. Er ontstond twist, daar ieder van beide partijen meen le, dat de ander hem zijn weideplaats ontroofde. — 'ui urum. Dit wordt hier bijgevoegd, om aan te toonen, dat de ruimte nog meer beperkt werd, doordien de nomadenstam der Perizzieten zich te dier tijde juist in Kena'an vestigde.

8- riff) broeder, broederszoon, bloedverwant.

9. hvn, weg van hij mij; vgl. Ex. 10,28. — S.xïcn — povi, naar rechts, naar links, vul aan: jv.i.i t-iBn dx, zoo gij van mij scheidt in de richiing naar rechts, dan enz.

10. nyx rofa, d. i. naar het zuiden toe, nadere bepaling van het vruchtbare deel van het Jordaandal.

26

ocr page 61

T V ID

^ n1! DB'Dquot;) n^n-»3 nn» naiyb rnxn om gt;

j : t t : lt;tt r lt;st : - v-»v t i '-xt t rr t i :

ainx-njpp ^jn ^3 nn^n^i : nn»

quot;iQ^l •' n«| stT ^ 'h.sni ^:3ni; taiS-n^p rj?i ^ T?1nnna ♦nn Kr^x üi^-bx onaK nan n^iab pKn-bn K^n : ijnaK D^HK ®

VJT • I v t : I v t t t « -: : »t -: v. quot; r t -: r )

-K'B»I :nyN0ifKi^0»n-DKi n:bw ^NO^H-DK «r I nptra nbD ^ rn^n naD-bs-nN *m vry-nt? ts^

•*••;• i av: - v,t ••. r - ■*quot; '. t v :'quot; t v -•

nsxa onxDpKa nin^-paniornNi biDquot;n« nin» mtf

v.t -: i • - : i vjv ; t : I - : t ^-: v : : v t ; -••• -

onj?» 1211? ^p»i p.^n ia?-1?! nx di1? iVina»! : *

3B» ül^l rVJ3-pK3 3^ Dquot;13K : VHN bVO WX nnS'l ='

- t : i at: I viv : j-t v.t : - r t ^-•• v.' :-*t * -

D^tsni D^n DID : D-ID-^ i33n nvs^

at-: t ^ : -•••:-: i ; v;iv- t • - j'^t :

la^o üiy-nsn nnx ninN^K iqk nfnn : IKQ nin^ ^

' iquot; ■' quot;it • •• -: I- t : - v j- t t I- ^ ^ I ; v.t r

n3i:T nisx Dtr nnN-n^x Dipsn-jo n^i K:

t hvt t -» t at jt - v -: K t - I ■ •• : | v •' lt;r -«t

nsjnx quot;p n«i nnK-*i^N pNn-'js-nK »3 : nan nanpi«

tav: v : vquot; J* ~ •• ~ i ••.)t t t v s* titt t :lr*t

quot;DN 112fK pNn 13^3 tpntquot;?'!,D

: ma* ^nr oa pxn iö^-HK huab ^JS Vsvquot; Diaxbn^i rmjmn1?^ n3nnL?i n3quot;iNl? pN3 n-'nnn ^

t : - jquot; v;iv- tiv : v v.» : J' at : t ; v,t ; t : | vt t )-•••- : •

n3Ta Dirpi ri-)3n3 IITM Niiaa ♦:,?N3 zm K3«i

quot; vquot;: quot; ^t i vr- i a: v : -v -: : - jquot; i- ; v r~ ^t-

s * ; np'l? i

ID^K rjba Tjinx quot;i^-T^a VönaK ^a^s ^nn« T rfm p3-nx nan'pa wy : D;ia ^a bjnni o'^v. ^a -

11. mpo. oostwaarts, nl. van Bethel uit.

12. quot;)23n afwisselend in de verschillende steden van het Jordaan-dal, nu eens hier, dan weer daar, en had tenten in de geheele streek tot Sedom. Sa'adja ; hij sloeg zijn tent op, van stad tot stad voortgaande, totdat hij naar Sedom kwam.

14. tjc 'm. niet; 'n iimw, wat men, daar het hier volgende ook chronologisch aan het voorafgaande aansluit, zou verwachten. Het hier volgende is tegenstelling tegen vs. 11. Lot koos het Jordaandal, God daarentegen koos als het ware voor Ahram het geheele land Kena'an (vgl. Ps. 47,5).

ocr page 62

GENESIS XIV.

van Sedom, en met Birsha', koning van 'Amora, Shinab, koning van Adma, en Sheméber, koning van Tsebojim, en den

3 koning van Béla', dat is Tso'ar. Deze allen trokken vereenigd

4 naar het dal Siddiem, dat [thans] is de Zoutzee. Twaalf jaar hadden zij Kedorla'omer gediend, doch in het dertiende jaar

5 waren zij oproerig geworden. En in het veertiende jaar kwam Kedorla'omer en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Rephaiem in 'Ashtheroth-Karnajim, en de Zoeziem in Ham,

6 en de Emiem in Shawé-Kirjathajim. En den Choriet op hun

7 gebergte Sé'ier, tot El-Paran, hetwelk aan de woestijn ligt. Toen keerden zij terug, en kwamen naar 'En-Mishpat, dat is Kadésh, en sloegen het geheele veld van den 'Amalekiet, en ook den

SEmoriet, die in Chatsatson-Thamar woont. Nu trok uit de koning van Sedom en de koning van 'Amora en de koning van Adma en de koning van Tsebojim en de koning van Béla', dat is Tso'ar; en zij stelden zich tegen hen in slagorde, in

9 het dal Siddiem ; [Namelijk] tegen Kedorla'omer, koning van 'Elam, en Thid'al, koning van Gojim, en Amraphel, koning van Shin'ar, en Arjoeh, koning van Ellasar, vier koningen tegen

10 vijf. Het dal Siddiem nu was vol leemputten; toen nu de koning van Sedom en van 'Amora vluchtten, vielen zij daarin;

11 en de overigen vluchtten naar het gebergte. Genen namen al de have van Sedom en 'Amora, ook al hun mondvoorraad, en

12 gingen heen. Ook namen zij Lot en zijne have, (den broe-derszoon van Abram,) en gingen heen. Hij woonde toen na-

13 melijk te Sedom. Nu kwam een vluchteling en verhaalde het aan Abram, den Hebreër; deze woonde toen in de bos-schen van Mamré, den Emoriet, broeder van Eshkol en broeder van 'Anér, en deze waren bondgenooten van Abram.

14 Toen nu Abram hoorde, dat zijn bloedverwant gevangen was, liet hij zijne geoefenden uittrekken, de in zijn huis geborenen, drie honderd en achttien [mannen], en hij jaagde [de vijanden]

15 na tot Dan. En verdeelde zich tegen hen in den nacht, hij en zijne knechten, en hij sloeg ze en vervolgde ze tot Choba toe,

16 hetwelk ter linkerzijde van Damések ligt. Hij bracht al de

Hoofdstuk XIV. 3. nSjC Sï, nl. de in vs. 2 genoemde vasallen.

4. Geeft de reden op van den in vs. 2 genoemden strijd. — naï, waren zij schatplichtig. — mc-'l1 = moy oSuai, in het dertiende jaar, ms, weigerden zij den cijns te betalen.

io. mcyi did iSo = majj quot;froi ons -jSd; de koning van Sedom werd er uit gered, zie vs. 17; v. a. staat misn ons ■f?» hier in den zin van; des konings troepen; zoodat enscorn op de drie overige bondgenooten en hunne legers zoude slaan.

13. t3,l73ngt; v- a. de vluchteling en, het ontkomen deel van het leger; collectief. — narn, hij, die -iron i3ï», van de overzijde van den Eulraat gekomen is. — disn jvna 'Sra Dm, dient ter verklaring van hun deelneming aan den strijd.

27

ocr page 63

T *]b -p T3

nó-iK 12«:^ njpj; ^trnrnKi bnp pö^bK inan hv'N-^ : i^rK^n ^3 ^öi D«'5V j quot;lay^naTiK n:ir rnfry wm inban üquot; KinD^tm ^

* * a t : t: v ^ : nr ^ TT q **: • *quot; : quot; ,v JT V, A' • -

nD^-nn K3 niiy mamp;y ^aiNni: nna n^ mmr^Kn.-.

•* t : .t : jt tt ••: v ^ - : - ; it t ^t t jquot;: ~v i :

■nKi D^quot;)[5 nhn^ü b^srnN int? bp^sni onnna nnn-nxi : D'nnp ni^a D'-p^n riNi ona onwn1

IT^ ^5: pTK2

^aKrrnK bjn quot;pSa^n m^_b3quot;nK é*) i^np «in batfo

v:-»t v -: Ia- •• it^-iit^ vquot;: t -- quot;It -•• t : •

-j^i nSo^ aquot;np-quot;r|i?o kï»i : ion f'yxna 2^»nquot; hm 15^*1 n^v-Kin ^3 Tjboi D'px -jboi no-iK

-jbüm :Dn^npnyznbn'ppo D^D^Ü n^-nx nobK quot;nbü ninxi 1^3^ -ibü SanoKi oHa

*.• t : 'jtt : - at^t v )vjv It.:-; ^t ; • ) •.•-••.• v t : - :

■■n^D rari nbn nhK3 nixa an'^n poyi m^Dnn-nN1

» ■• ,quot; p-r-.t quot;p t •• v: iv lt;v:iv • • - I •.••Squot;: it • -; i-

-nK inp»quot;! : id: rnn DnN^srn nsEf-iVö'i nip^bnp^ üib-nK inp'i : ,iDtquot;,i D^X-^TINI niD^i DID B'ijT-Sa ^

^ s v i:*quot; iquot;quot;- vt : t t v : ot —.r s: ••. : t

Nnn : 0-103 2^ Kini lob'i DIt3X »nK-f3 i^ornNi. ^ naxn Nquot;IDD ^^3 p'^ t*m n3^n DISK1? nan ü^an

• v: it jquot;; - •• iquot; : i •• : /»''.• n -«t : - : ^••-- • t -

ai3K : D-i3N-nn3 ^^3 oni 'nNi Vairx ^nx ^

^ t:quot; -j~x,— it: - r : v.quot;: «^t^ j- -; r : v «• -1

ntry nibir in»3 vrnrrnx pTi VHK n3^i »3

t t «t : .. j.. . . t -: v ) vt- aquot; t : • j'

v^iNinn^ion^ p$nn : n-nv PIITI nixn ty^v0

i.ttnquot; ^ j t :r sv ••^-: i •• tiquot;- i it 7- i •• ^ ;

nN 3iy»i : p'iraiV ^NO'^O niin-np DÖIquot;I!,I DS'VO

V.quot; v t- i v it -: V. : • JV -: t - quot; : :•- aquot;—

14. I^JTI DX p^, letterl. hij ledigde zijn huis van zijne geoefenden, zooals •om frgt;is, it zal mijne schede ledigen van mijn zwaard, door het uit de schede te trekken; de zin is dus hier: hij deed zijne geoefenden uittrekken-, v. a. hij deed hen het zwaard trekken. — raw, de door hem geoefenden, ingewijden, en wel alleen; ijtgt;3 vpV1, in zijn huis géboren slaven, niet van elders gekochten.

15. pSrn hij verdeelde zijn troep en tastte den vijand op verschillende punten aan. — püoiS Ssar», links van Dame'sek; d. i. voor hem, die met het gelaat naar het oosten staat, ten noorden van Damések.

ocr page 64

GENESIS XIV, XV.

have terug, en ook Lot, zijnen bloedverwant, en zijne have

17 bracht hij terug, en ook de vrouwen en het volk. Toen ging de koning van Sedom hem te gemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedorla'omer en de koningen, die met hem waren, — naar het dal Shawé, dat is het Koningsdal.

18 Malki-Tsédek, koning van Shalem, liet brood en wijn naar buiten brengen ; deze was een priester van God, den Aller-

19 hoogste. Hij zegende hem en zeide : «Gezegend zij Abram door God, den Allerhoogste, den Eigenaar van hemel en aarde.

20 En geloofd zij God, de Allerhoogste, die uwe vijanden in uwe hand geleverd heeftquot;; en [Abram] gaf hem het tiende van alles.

21 Toen zeide de koning van Sedom tot Abram :-«Geef mij de

22 personen, en de have neem voor u!quot; Doch Abram zeide tot den koning van Sedom: „Ik heb mijne hand opgeheven tot den Eeuwige, God, den Allerhoogste, den Eigenaar van hemel

23 en aarde, — Als ik van draad tot schoenriem, als ik van alles wat het uwe is, iets nemen zal; opdat gij niet zult kunnen

24 zeggen; «ik heb Abram rijk gemaakt.quot; Verre van mij! slechts wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel der mannen, die met mij gegaan zijn, 'Anér, Eshkol en Mamré, dezen mogen hun deel nemen.quot;

1 Na deze gebeurtenissen was het woord des Eeuwigen tot Abram in een gezicht, als volgt: «Vrees niet, Abram! Ik ben

2 u tot schild, uw loon is zeer groot.quot; Toen zeide Abram: «Mijn Heer, Eeuwige God ! wat zoudt Gij mij geven, terwijl ik kinderloos heen ga, en de erfgenaam van mijn huis is Eli'ezer van

3 Damések ?quot; Voorts zeide Abram : «zie! mij hebt Gij geen kroost

18. plS ^Sö. Malkie-Tsédek (koning- in rechtvaardigheid) schijnt de

titel van den koning van Shalem (waarschijnlijk oude naam voor Jerusalem) geweest te zijn. — pil onS smi, als bewijs van dankbaarheid voor de verjaging der vreemde troepen. — fro, priester, niet: dienaar, zooals blijkt uit den door Malkie Tsédek uitgesproken zegen en zijn aannemen van het tiende.

22. vr VTiann, ik héb mijne hand opgeheven, om te zweren.

23 Sin quot;pHJ' BTTID. van een waardeloozen draad, tot een even waardeloozen schoenriem = zoowel — als, hier door het negatieve, dat in dn ligt: noch — noch. — npx ox, ik heb gezworen, dat nis ik iets nemen zal onheil mij moge treffen; vandaar dat de eed iets te zullen doen, meestal luidt: nS dn, d. w. z. ongeluk kome, zoo ik het niet doe; terwijl de eed: ds, de verzekering inhoudt, iets niet te zullen doen.

24. samengesteld uit ^3 —- S3, niet en njp, tot, hij; niet tot mij

kome, d. 1. verre van mij, dat nimmer.

Hoofdstuk XV. 1. TTHC- Volgens Rashie beteekent ins: kort na, •nrw na verloop van germmen tijd. — rune;, een gezicht, profetisch visioen, waarbij

28

ocr page 65

m i' quot;i^ na

D^rrm dji WDII VHK DJI

V.' t - v j- : • •• •-. : «* t v - : *.. :it t

hünöii^ nnst'inNip1? quot;D'-iD-TibD NÏ»I : D^n-nNV'

- ,.. j..-. ,- t! : • : | v iv -•••••- _ Itt v :

«in nW inx -it^N o^ban-nxi lojr^na-nK

^ quot;Tl v quot;jquot; v a * -»v -: v.' t ; - v : v ^ t : t :

Nini Dn1?. N^'in -]SSD pnr^boi : TjVan

^13 quot;IOK'I ^ fna01

?|T3 ^nx fap-iB'N VK -jnai : pKj DW mp» ^■m Dm4-1?» D'nD-nSö IÖN'I * : Vaa amp;

j' V at : - V iV IV j - 1 • v.quot; ^II- v • - ^

quot;nam did t^d-Sk d~i2k iok'-i : -frnp U'Dim ^asn^

^ a: |v •**•* v \.t : - v j - |it i- : it : vv-

uinp-DN : pNi d^q^ nip |i^ uk nin^K n»» quot;ni^n -loxn npK-DMi.

D^3«n pbni Dnjnn ^dk ivh pn n^a : DIDN-W3

• T-:IT ivquot;: ••gt; : - -• : it JV -; i -« -quot;r : ' it: -

nnx d : Dpbn mp'1 on xnaai Vd^k ^n s ICS

■*- - 1 |t: ... j ) :• ^.. ^.. . - j . v ..^ a* • v. ; it Jquot; -:

iQK1? nrnaa d^dk-^k nm^nm n^n n^xn onnnn

a quot; v,v-: 1----t : - v t : - : lt;t t v quot; t -gt;'t : -

naN'i : ixa nsnn n-iDt^ rh na ba» DSDK 3

jquot; 1 : jquot; : quot; ^ i :it : )t ij'-t * it t : - jt *

pf a-|ai nnj?; ^in ♦'rfnrrna nin». nnK dtdn nnnj ah ^ rn Dinx nax^ : nybx p'^an xm

T v.quot; t J . 1 Jquot; T : - J- vnv • v: I V jv - v, • ••

de mensch in wakenden toestand ziet, wat God hem profetisch wil toonen; tegenover DiSn, een droomgezicht, dat in den slaap den mensch getoond wordt. Nachmanides meent, dat mno een profetisch gezicht hij dag, DiSn daarentegen hij nacht aanduidt. — nth Ks. Vrees niet voor de wraak der overwonnenen; anderen; wees niet bevreesd, dat de voorspellingen betreffende de toekomst van uw geslacht niet zullen verwezenlijkt worden, hoewel gij oud geworden zijt en nog niets is geschied om hunne vervulling waarschijnlijk te maken.

2. heengaan, d. i. sterven. — pun p, de erfgerechtigde, van pan, in

beslag nemen, vgl. Tsefanja 2,9: Sim pp»», door doornen in beslag genomen-, anderen; van ppp, verlangen, evenals 030 van dd3 : hij, die verlangend uitziet

naar mijn huis, om het te erven; het woord is klaarblijkelijk gekozen als allitteratie met pcm. Rashie: van pos, verzorger, bestuurder. —upSspem, niet: ■'pEW itpSs wegens de klankovereenstemming met p»» p, vermoedelijk staat daarom ook de stedenaam vooraan. Anderen vertalen: Eli'ezers Damascus, d. w. z. zijne aldaar gevestigde familie; nog anderen: is Damascus, Eli'ezer namelijk, die van daar afkomstig is. Eli'ezer schijnt, volgens vs. 3 en Gen. 24,2 een huisslaaf te zijn, dien Abram, in geval hij kinderloos zou sterven, tot erfgenaam had aangewezen.

ocr page 66

GENESIS XV.

gegeven, dus zal mijn huisdienaar mijn erfgenaam zijn.quot;

4 En zie, het woord des Eeuwigen was tot hem, zeggende: «Niet deze zal u beërven ; maar een, die uit uwe ingewan-

5 den zal voortkomen, die zal u beërven.quot; Hij voerde hem naar buiten en zeide: «Zie toch naar den hemel en tel de sterren, of gij ze tellen kuntquot;; en Hij zeide [verder] tot

6hem: «zoo zal uw kroost zijn.quot; [Abram] vertrouwde op den

7 Eeuwige; en Hij rekende het hem tot deugd. Verder zeide Hij tot hem: «Ik ben de Eeuwige, die u uit Oer-Kasdiem heb uitgevoerd, qm u dit land te geven om het in bezit te nemen.quot;

8 Doch hij zeide: «Mijn Heer, Eeuwige God! waaraan zal ik

9 weten, dat ik het in bezit zal nemen ?quot; Daarop zeide Hij tot hem: «Neem Mij eene driejarige vaarze, eeue driejarige geit, eenen driejarigen ram, eene tortelduif en eene jonge duif.quot;

10 [Abram] nam Hem die allen, sneed ze midden door, en legde van ieder het eene stuk tegenover het andere; maar het geil vogelte sneed hij niet door. Toen daalde het roofgevogelte

12 neder op de azen; doch Abram joeg ze weg. En de zon was aan het ondergaan, toen viel een diepe slaap op Abram; en zie,

13 eene angst, groote duisternis overviel hem. Toen zeide Hij tot Abram: «Weet dan, dat uw kroost vreemdeling zal zijn in een land, dat het hunne niet is ; men zal hen dienstbaar maken en hen ver-

14 drukken vier honderd jaren. Maar ook het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik richten; en daarna zullen zij uittrekken met groote

15 have. Gij zelf echter zult in vrede tot uwe vaderen komen;

5. In het profetisch visioen kwam het hem voor, alsof God hem naar buiten voerde (Maimonidjss, Moré 2,46).

6. 'na joxm. —a )».sn beteekent: vertrouwen, —S jesn gelooven.

8. jnjf noa. Waaraan zal ik erkennen-, het is geen twijfelende vraag, maar een bede om een teeken, waaraan hij zal kunnen erkennen, dat het bestemde tijdstip gekomen is. Het antwoord volgt vs. 13: itn ït.

9. ntshvO, driejarig (Ibn 'Ezra), omdat die dieren dan het best zijn; Nachm., evenals Onkelos en Rasuie; drievoudig, ten getale van drie. liet zijn de verschillende voor offers geoorloofde diersoorten, die Abram nemen moet.

10. nra van ieder zijn stuk. — iron. Hoewel wij hier in den eigenlijken zin niet met een offer te doen hebben (de stukken worden immers niet verbrand, van een altaar is geen sprake), komt hetgeen ons hier geschilderd wordt toch veel overeen met het sluiten van een verbond bij een offer. Ook daarbij gingen de pacteerende partijen tpsschen de offerstukken door, symbolisch aanduidend de onmogelijkheid van den bonds-breuk. Hier, waar het verbond eenzijdig is, alleen God eene belofte geeft, zonder van Abram eene toezegging te vorderen, is het alleen de verschijning der Goddelijke Majesteit, die tusschen de stukken doorgaat, vs. 17. De naam nna van ma, snijden, en de uitdrukking rvna ma voor verhond en verbond sluiten drukken juist dat doorsnijden der stukken uit. — Abram deed dit alles natuurlijk op Goddelijk bevel, ook al wordt dit niet duidelijk uitgesproken.

29

ocr page 67

112 quot;I1? -jS Ü3

iDN1? nani : ™ wiv ♦n'rp nam

^ t •• lt;t : - ; •• • : r jquot;^ quot; I v jquot; • ; -at

«ïi»i : Kin DK-^ HT N1? •■,

.. - iiv T r ^ v. i ^.-•• • — •• jv -: ^ av vf; it- ^ gt;

quot;dk D^aian isoT hd^duti Kraan nïinn ini*

. t -• - ; t : * t quot; -*t v - v ~ t

nin»3 TDKni : nw ri3 Dn« iaob ^rp

at^ r U* v: iv : nv ;- ^v : r j v •» - at j ; * v,quot;

TnNïin iwa nin* V1?^ *: npiï lb natynquot;quot;!»

i • quot;i lt;v -; t : j--: at •• ^- iitt: ^ t jv :

-io^i : nnt^i1? nxn parrnK nV nnb iwd n

^ a- - it : * : v. ~ i quot;JT r v .)): vst * 1. ' ■* quot;

'b nnp i^k : natril »3 ^nx nss nin» ♦ai» °

jr] i t •• v j- t iv ti* j' *' ^t - * v; jt -:

-n[5!,i : Vmi im vhuü ryi rwfaiïü 1

i--- it : : at •.. : ; v v,v •-. : *5quot;: v v : ■'T :^v

nxnpb iins-tr^K |ri»i -jw? bntt nbN-brnN i1? 3^n Dnasrrby uyn m : -)n3 ah -iaïn-nKi inyn ^

Jquot; - - a't : - - *quot;v-t •.v— itt -» v * quot; •* ï aquot; *•

Dquot;)3«-^ nbs: nD-nni xiib i^a^n ♦nn : Dquot;ÜK dhk ^

at : - quot; jt : it v.t ; t v v - lt;• : - it : - vt

QSSN1? quot;IDK'I : nba'] nVna n3^n na^ nam'

t ; - : v j - it t v jv v.t : jt quot; -: -it •• jquot; ' :

13^1 3113^1 BH1? Oh pN3 ^quot;IT i quot;ir»3 yiP ♦33« n rf3r 1^« 'ian-DK sai : m# niNQ ysiN om^

• a t Ijt v. ^—.r j\' -: .) - v s- : it t ^ •• j~ : - at

nTóK-VN Ni3n nnNi: bn-i ^313 IKÏ' p-nnNi«

at: i v.v -: v j t jt - ; it a : * :•** ijquot; : r :

12. pSlJ nSCn nOWi «w/s^, groote duisternis overviel hem alleen en wel nog vóór zonsondergang. Nadat nu al het aardsche aan zijn oog is onttrokken, schenkt God hem een blik in de toekomst. — De angst wordt door sommigen verklaard als ontzag voor de nabijheid der Goddelijke Verschijning; door Rashie: als het gevolg van een voorgevoel der toekomstige verdrukking, waarvan dan ook de duisternis het beeld is.

13. onajn. zii, de Egyptenaren, de bewoners van het vreemde land, zvllen hen doen dienen — Dro nap, evenals Ex. 1,14; Lev. 25,39. Anderen; zij, uwe nakomelingen, zullen hen dienen, waarbij dan uïi een ander onderwerp krijgt. De 400 jaren worden van Izak's geboorte af gerekend, (60 jaren van Izak tot Jakob's geboorte, 130 jaren tot Jakob's komst naar Egypte, 210 jaar werkelijk verblijf aldaar), de woorden rut' jïiso mix be-hooren dus reeds bij fru mm ij ■o. Vgl. Ex. 12,40, waar de 430 jaarvol-

fens Iens Ibn 'Ezra gerekend moeten worden van af Abram's vertrek uit Oer--asdiem.

14. 'ajN n. Ik zal hen straffen, omdat zij hen tot slaven maken en verdrukken uit eigen beweging, willekeurig, zonder te weten, dat zij slechts werktuigen in Gods hand zijn (Nachm.).

.15. Trcie Sn xian, tot uwe vaderen komen, kan hier niet beteekenen: bij hen begraven worden, daar Abram immers in Machpéla begraven werd, Terach daarentegen in Charan was gestorven. Het schijnt dus te doelen op het leven na den dood.

ocr page 68

GENESIS XV, XVI.

16 gij zult in goede grijsheid begraven worden. En in het vierde geslacht zullen zij hierheen terugkeeren; want het misdrijf van

17 den Emoriet is niet volkomen tot zoolang.quot; Nu was het: de zon was ondergegaan en diepe duisternis was er; en zie, als een rookende oven en eene vuurfakkel, welke doorging tus-

18 schen die stukken. Op dien dag sloot de Eeuwige met Abram een verbond, zeggende: «Uw kroost heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan de groote rivier, de rivier

19 Perath. Den Kéniet, den Kenizziet en den Kadmoniet. Den 21 20 Chittiet, den Perizziet en de Rephaïem. Den Emoriet, den

Kena'aniet, den Girgashiet en den Jeboesiet.quot;

16 I. En Sarai, de vrouw van Abram, baarde hem niet; en zij

2had eene Egyptische slavin, welker naam was: Hagar. Nu zeide Sarai tot Abram: «Zie toch! de Eeuwige heeft mij [den schoot] gesloten, zoodat ik niet baar ; kom toch tot mijne slavin, misschien zal ik door haar gebouwd worden.quot; En Abram

3 luisterde naar de stem van Sarai. Toen nam Sarai, de vrouw van Abram, Hagar, de Egyptische, hare slavin, (na verloop van tien jaren, dat Abram in het land Kena'an woonde,) en

4 gaf haar aan Abram, haren man, hem tot vrouw. Hij kwam tot Hagar, en zij werd zwanger; toen zij nu zag, dat zij zwan-

5 ger was, werd hare meesteres gering in hare oogen. Toen zeide Sarai tot Abram ; «Mijne verongelijking komt op u neder! ik zelf heb mijne slavin in uwen schoot gegeven, en toen zij zag, dat zij zwanger werd, ben ik gering geworden in hare

6 oogen; de Eeuwige richte tusschen mij en u.quot; En Abram zeide tot Sarai: «Zie, uwe slavin is in uwe hand, doe haar wat goed is in uwe oogen.quot; Toen vernederde haar Sarai, zoo-

7 dat zij voor haar vluchtte. Doch een Engel des Eeuwigen vond haar bij de waterwel in de woestijn; [namelijk]

na'ir, grijsheid, d. 1. zeer hooge ouderdom, meer dan rupr.

ie. 'jran nn, v. s. na verloop van de vierde eeuw, vgl. vs. 13, v. a. in het vierde geslacht, zoo is bijv. Aharon van het vierde geslacht, daar zijn vader 'Amram, zijn grootvader Kehath en zijn overgrootvader Levie in Egypte geweest waren. Door den opstand na den terugkeer der verspieders kwam echter eerst een volgend geslacht naar Palaestina. — ■noxn, algemeene naam voor de Kena'anietische stammen.

17. yffy quot;11{B'J/, bijv. nw. = W,- Ovenrook zou moeten luiden

njn |ri7.

18. OHHÜ quot;TUC, v. s. den Nijl, vgl. Jos. 13,3, v. a. = cp-m hnn, de rivier El Arisch.

Hoofdstuk XVI. 2. n)CÖ n33JC ^IJC, zal ik opgebouwd worden, d. w. z. kinderen krijgen. Evenals rvo, huis — familie is, zoo worAt gebouwd worden gebruikt voor: kinderen krijgen. De woorden p en na, zoon en dochter 'zijn beiden van roa afgeleid, zoodat men hier misschien met een van het zellst. nw. afgeleid werkw. te doen heeft, en eenvoudig mag vertalen: zal ik kinderen knjgen.

30

ocr page 69

TE3 lü ^ I1? S

ny nri ms» i'in : nniü quot;Dpn»

I •)quot; T^ I r TAquot; ^ T ^*. *^ '• ^ ^ : 'quot;H JT quot; '• ^quot;,T *

iian nani n»n nxi ^QBTI ♦nn : nsn-nv naxn ^

lt; - •• • : ATT \,t T :i~ t t v v - «* : - T Iquot; - V.' ^ v: it

Kirin Di'3 : nbxn onwn ra ihy VX ysh)

J - v ,.. T J.T . - I ^.. - 'y J... -; .. J- - : I T T

r-iKn-nx ♦nn: ^16 -iaxS nna dentin ninquot; nna

I v-,t T V • -T 1^: :-: A •• -•■ : «gt;T :~ v ot ; S'T

^^rrrtK : ma-im Viin nnan-i^ anva ihsd nntn ^

■ I - - v it : - : v.t ~ jtt ~ * -: • j'.: '

-nNi nnsn-riNi ♦rinn-nNi. : 'jbn^n nxi ♦hjpn-nNi3 -nKi '^quot;lan-nNi ♦i^jan-nNi naxn-nxi : D^ann ^

v : t : * - v : v : • v: it v : r t : it

nnstr nVi n-i^' D-I^K ntftt ntri D : ^Din^n«

jt : • it : a vt:it j t : f~ '' quot;quot;' i quot;r : r : '

^IÏV j^rnan naxm nrinoEnnnxD3

T T •• • T : - ~T V - IT T -quot;T : ^V.- •• ■

v^'i nasü niZN *nn^-hn N1:-^ nin^

j~ : * - tav • v,quot;T • Jquot; • t : • v x vv • t :

hnvan irrnx Dnnsrnaw ntr npm .•nt^Vip'? m2Nj

• : • - lt;t t v t: - viquot; j-t I- * - ,quot;rT^ : VT : quot;

|nm_ pN3 dtik ns^1? iamp;%v nnns^ knrn inm -un-^N K3#i : lb nwa amtib nnif

V •• - - A--V.T T V J T ~ IT • : J V.T • JT t ~ ^ -JT

d-qn-Vx ntr -lONni : n'j^a nnquot;oa Vpni nnin »3^

T : - v J- T v - ^t IV ; ^t : * : Ijquot;quot; quot; t t t j*

nnin ^3 xirn ^p^n3 -nna^ ♦nnj *3:x 'oon

t tt J- ... •• - 11 v •• : ■ t : ■ • lt;-t it I v^t t -;

ntr^K D^K IDN'-I : ^3 nin» □atr» n^^3 ^pxi1

_T V T : - V - I IV •• j' quot; {.T : J : -^T av : K—IT

3ian nb-w# ^nnau' njn

quot;i3na3 D^sn tybv nin* nxïö^ : m3ni1

at : ■ - -i.- - I v* -jt : Is- : - t t : •- t r.-r • v.- : • -

1

Onvruchtbaarheid geldt als de grootste schande, als bewijs van onwaardigheid der vrouw. Spm, v. s. Niph'al van v. a. Kal van n'jp, gering geschat zijn.

ocr page 70

GENESIS XVI, XVII.

8 bij de wel, op den weg van Shoer. En hij zeide: «Hagar! slavin van Sarai! van waar komt gij en waar heen gaat gij ?quot;

9 Zij zeide; «Voor Sarai, mijne meesteres, vlucht ik.quot; Toen zeide haar de Engel des Eeuwigen: ;/Keer terug tot uwe meesteres

10 en verneder u onder hare handen.quot; Verder zeide de Engel des Eeuwigen tot haar: «Ik zal uw kroost menigvuldig doen worden, zoodat het niet geteld zal [kunnen] worden wegens

11 de menigte.quot; Ook zeide haar de Engel des Eeuwigen : «Zie, gij zijt nu zwanger en zult eenen zoon baren; dan zult gij zijnen naam Jishma'el noemen, want de Eeuwige heeft gehoord

12 naar uwe verdrukking. Hij echter zal als een woudezel onder de menschen wezen; zijne hand tegen allen, en de hand van allen tegen hem, en tegenover alle zijne broeders zal hij wonen.quot;

13 En zij noemde den naam des Eeuwigen, die tot haar sprak; „Gij zijt God van het zien ! want,quot; zeide zij, /,heb ik dan ook

14 hier [God] gezien, nadat Hij mij gezien heeft ?quot; Daarom noemt men die bron : Bron van den Levende, die mij ziet; zie zij

15 is tusschen Kadesh en tusschen Béred. En Hagar baarde aan Abram eenen zoon ; en Abram noemde den naam van zijn

16 zoon, dien Hagar gebaard had, Jishma'el. En Abram was zes en tachtig jaar oud, toen Hagar Jishma'el aan Abram baarde.

1 Toen Abram negen en negentig jaren oud was, verscheen de Eeuwige aan Abram, en zeide tot hem: „Ik ben God, de Almachtige! voer uwen levenswandel vóór Mij en wees vol-

2 maakt. Ik zal Mijn verbond tusschen Mij en u geven, en Ik

3 zal u in zeer hooge mate vermenigvuldigen.quot; Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak verder tot hem, zeggende:

4 „Ik, zie. Mijn verbond is met u, en gij zult tot een vader van

5 vele volken worden. Ook zal men uwen naam niet meer Abram noemen, maar uw naam zal zijn : Abraham; want tot een vader

11. mSï' =

» :• tv

12. DIK een wilde ezel onder de memchheid, vgl. Spr. 15,20. Over den woudezel, zijne vrijheidsliefde en vlugheid, zie Job 39,5—8. — rn.x ha ijd Sjn, tegenover cd zijne broeders, v. a. ten oosten van enz. Vgl. Gen. 23,19; 25,18.

is. vn Sn, een zelfst. nw. tils (dat in pansa zou luiden 'JÓ, niet

: Gij zijt de God van het zien, d. w. z. alziend. — w ■nns oVtti Dn,

heh ik dan ook hier [God] gezien, nadat Hij mij d. i. mijne ellende, aanschouwd heeft? (Ibn 'Ezra). DiSn, gewoonlijk: hierheen, hier: hier, thans. w ■nrw, na een, die mij ziet, niet: na mijn zien, wat door 'mi ■nns zou moeten worden uitgedrukt. Anderen: heb ik waarlijk hier achtemagezien Hem, die mij ziet? Tijdens het spreken met den engel zag zij dezen niet; toen hij verdween, zag zij hem na en begreep, dat het een Goddelijk wezen geweest was.

15. Abram noemde zijn zoon Jishma'el, daar Hagar immers het in vs. 11 haar verkondigde aan Abram zal hebben medegedeeld.

31

ocr page 71

r Ti3 -p -f? kV

nxa n-TD^K ntr li'n idn'i .* iw 'nna frrrSrn

V.T JV • iquot; •)quot;T : TT ~ ^ quot; ' IV: }-\'r *-

naN»quot;! : nni2 ♦DiK ♦rina-i ntr »:3D no^rn oVn hjki o

v lt;- - i- it • : • ; j-t •• ; • v _ -aquot; •• t-«t :

-ion4i : nn» nnn ^yrrn -ininrbK nin» tik^d m1?'

V lt; - T r.T - r v. quot; : * : | Aquot; : • : v v. t : t

: 3'id nsD^ n^i nanx n;nn nin^ -ixba n1?

^ , .. y*»t ^ ; I'aquot; :- V v.*-* : - .-'T : quot; t : |-- : - t

IDÏ^ nKnpi ra mn nin» 'nxVo n1? IQN'I ^

lt;tit:^iaquot; : : ^tt )jx- t : - t lt;-

d^k ^13 rvrr Kim : nin» ^

^ tt v-»v v : r lt; : fi-z^t v v,t : ^ j- t r •• t : •

nirrDtftnpm : ptr' vnx-^ ^a-^i 13 Va ti Vi)3 it ^

t : iquot; «tl: • - I 1 : • ^t v t jquot; : ^ : a v : quot; -«t

nnx ♦n^K-i bVn djh niax *3 -ki Vk nnK n^x -i3in

jquot;—. r * v.* t •) -: j- -: t : it -•• a- ▼; -«•• t v '*

^31 ^ip-ra nan ♦Kn nN3 1N3^ Kquot;ip p-W : ♦KTquot;

I jquot; I t I Iquot; jquot; • A- c-- jquot; •• : - jtIt I •• *• r

mb^iirK 1:3-3^ aquot;i3K Kip»i 73 Di3Ki7 quot;ijn iVm : -1-13«

jt:it v -: •) ; v st : - t»:* - Iaquot; v,t ; - : -jt t v j-- vit

un-m^ D^a^-p cn3Ki un 'Q

JTT viv : a- t — : \.tt r : i v t: - : v* t : • v.t t

nity D^trn-p ai3N ^nn D : Dquot;I3KV SKVO^_nK« T

v.tt j' ; v t ^ it: - : ^««t ; •

ntf VK-^K VVK naN'i D^K-VK mn* Kin

j.. ... t *• v lt;- ti- v t : t*— a t ^ - jquot; ;

n3,ïNi nr3i 'jp ,nn3 ninxi: o^an n^m ♦jöV nbnnn =

Jquot; : quot; : iav •• -•• •• v.' * : : v : r t jquot; ; iv t : ]jquot; - : *

D^nVKinK quot;i3quot;n onax : IKD n«D3 nniK^

v.- •/: •) * jquot; - ATT ^ v.t: - j •• i : lt;» : * v,l : •

-nVt : DM3 ?lon 3kV rvrn quot;nriN ♦nn3 nsn : quot;iDN1? ^

1 : r » V.~y t • t ; ) at ».• * : jquot; • * -; i •• n

riQnquot;3K *3 Dnquot;i3K nm Dquot;i3N na^-nx nv xip*

ij-: - •)■ t t ; - I : - lt;tt : at : - 11 : ■ v '.) j-It'

Hoofdstuk XVII. 1. D,Of| n'iTI) u'ees volmaakt, d. \v. z. doe al, wat God van u eischt.

2. Het verbond bevat hier eenerzijds de belofte ook de nakomelingen van Abram tot God te zijn, anderzijds de verplichting tot de besnijdenis. Zoo wordt het eerste ingeleid met 'jni, vs. 4, het laatste met nnso, vs. 9.

4. 3X^5 voor •on'S, met het oog op den naam orrcs; evenzoo komt voor: ahvsx naast diSü 'as. —• pan, van rran, dreunen, eig. gedndsch bijv. eener volksmenigte, vandaar; die menigte zelve.

5. DmSN. Wordt bij de geboorte van een kind in den naam, dien men het geeft, öf een feit uit het jongste verleden herdacht, öf een blik op de toekomst geslagen, — bij naamsverandering van volwassenen is ook steeds een van beiden het geval, diss beteekent verheven vader (Q1 3J{)«

volgens Rashie: vader van Aram (□quot;!{{ 3N); door de invoeging van on,

de voornaamste stamletters van pon (waarvan door de o van den oorspron-kelijken naam de ü weer wordt uitgestooten) krijgt de naam dn-as de beteekenis . van: vader eener menigte, bommigen houden d.tos voor eene samenstelling van 3{J en QHT, een woord, dat in het Arabisch ongeveer

van gelijke beteekenis is als het Hebr. psn.

ocr page 72

GENESIS XVII.

6 van vele volken heb Ik u bestemd. Ik zal u in zeer hooge mate vruchtbaar maken, en u tot volken doen worden; en

7 koningen zullen uit u voortkomen. En Mijn verbond zal Ik tot stand brengen tusschen Mij en u, en uw kroost na u naar hunne geslachten, tot een eeuwig verbond; om u tot God te

8 zijn, en uw kroost na u. Ik zal u, en uw kroost na u, het land van uw oponthoud geven, het gansche land Kena'an, tot

9 eene eeuwige bezitting en Ik zal hun tot God zijn.quot; Verder zeide God tot Abraham: «Gij echter moet Mijn verbond in acht

10 nemen, gij en uw kroost na u, naar hunne geslachten. Dit is Miju verbond, dat gij in acht zult nemen, tusschen Mij en u, en uw kroost na u: laat zich bij u alles, wat mannelijk is,

11 besnijden. Gij zult het vleesch uwer voorhuid besnijden; en dit zal tot een teeken des verbonds zijn, tusschen Mij en u.

12 En acht dagen oud, worde bij u al het mannelijke besneden, naar uwe geslachten j een in huis geboren kind, of een dat voor geld gekocht is, uit alle vreemden, die niet van uw kroost

13 zijn. Besneden moet worden, wat in uw huis geboren en voor uw geld gekocht is, opdat Mijn verbond aan uw vleesch zij

14 tot een eeuwig verbond. En een onbesneden manspersoon, die het vleesch zijner voorhuid niet zal besnijden, die persoon zal uit zijn volk uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond ver-

15broken.quot; — En God zeide tot Abraham: ;/Uwe vrouw Sarai, haar naam zult gij niet meer Sarai noemen, maar Sara zal

16 haar naam zijn. En Ik zal haar zegenen, ook zal Ik van haar u een zoon geven; Ik zal haar zegenen en zij zal tot natiën worden, koningen van volken zullen uit haar ont-

17 staan.quot; Toen viel Abraham op zijn aangezicht en lachte; en zeide in zijn hart: »Zal aan eenen honderdjarige nog [een kind] geboren worden ? en wat Sara betreft, zoude

18 zij, die negentig jaren oud is, nog baren ?quot; Abraham zeide nu tot God: «och! mocht slechts Jishma'el vóór Uw aan-

19gezicht leven!quot; Doch God zeide: «Waarlijk, uw vrouw Sara

6. D'U. Niet alleen de stammen Israëls, maar ook de andere natiën, die door Jishma'el, 'Esau en de zonen van Ketoera vaii Abraham afstammen.

10. Vim 'wbj np» van Si»; de onbep. wijs staat in plaats van deu

gebied, wijs; onbeji, vs. 11, is volgens sommigen Vp van 4»:; v. a. Sïeo

van SStï, voor DTlScil. — De herhaling in vs. 13a van hetgeen reeds in

vs. 12 is gezegd, is volgens Ibn 'Ezra, speciaal tot Abraham gericht. Zie daarentegen Rashib.

.14. -ia; Sm een mannelijk kind, dat onbesneden gebleven is, en bij zijne kerkelijke meerderjarigheid opzettelijk nalaat zich alsnog te doen besnijden, en dus Sir blijft. — nrvoii, uilroeiing, een van uit den Hemel te voltrekken doodstraf, bestaande in vroeger 6f kinderloos sterven.

32

5

ocr page 73

D^bpi quot;iKpa Tnarn : ^nnj D^1

^ ^n.3quot;n^ * : ikï* ?|ap»

^-161 wribxh ^ nvnb abi^ nnnb Dn'T-iV nnn^

1 • 'quot;I: * ; 'V .J;p'p ^ ': 1

nK ^njo pK 1 nx ^nns4 ^7 ^nai, : ^nnx n IONJI : D^ilbx1? Dn) ♦n^rn abi;gt; n-rnKb pN;-^» mnn nm iairn ^nnrnx nnxi Dni2H_i?K D^VK

jTquot;. :-: jt - ^ rt : • -••.•; v vt - : t t : -

D^rni ♦rsnpa'ri ^nna nx? : onnnV TjnnN -DDnbi^ Ttra nx onbaii: -or^ D^b bian ^nnx ^it ^ Dsb bis» D*p* n:bf-|di : nna nixb rrrn ='

xb quot;II^K quot;i5r|| bap e]D3Ti:j5pi i-y M^nnnb narbi njvrri ï]öD3 na^pi ^73 bia* 1 bian : Kin ^itq ^ 'bis^Nb ii^K idt 1 biyi : abiv nnnb Dmcoa'mnn^

1 «v -; tt jquot;^r : it j- : • v.v : - ; • .)* * :

♦nnrnK n\a^a Ninn ^asn nn-irni inbnv ntyrnx

v.quot; * : v .t av •quot; *•' quot; . v-'v quot; ; : * : t :^t -i- ;

Ki^n-Kb ïjnB'K na' onnaN-bK D^nbN npN»i D : nan ^ n-iaa 'nn: ain nnx ♦nami ; nat^ m'^ »5 nt^ na^nx'«

. t jv * • s-t -: t -•• : -1quot; it : i.t t ^ att ^t ;

ban : vn* nsaa D^a^ ^ba oHjb nn^ni n^nami ra nSquot;

S/quot; ^ 1 : r tjv • v' ~ jquot; : - • ■•t :it : t ■ : - •• Iaquot; ».1 :

inr n^-nxa pbn üba naxn pnvn v:a_bp on-DN

quot;t- tt it •• llt;v : - v j - | at : •- v.tt *- .)t t : -

'bK annnx naN'i : nbn n:^ a^^rrnan nntroNi ™

'•' v vt t : quot; , v -'quot; quot; ^tt ~ ■ - -'■ tt

mi? baK D^ribK laN'i : n^ab n^n» bKraty» ib Dflb^n

■*tt t -: * v: v j- Iivt: r.': r \quot;t : ' j a- v: it

is. nr, van me, strijden, • worstelen, beteekent; de strijdbare, i— is

niet bezitt. voornw. maar zelfst. nw.'s uitgang. — mr, vorstin, als stammoeder van het toekomstige volk.

17. pnï1! V33 Sp 'quot;SS'l. Hij viel dankend op zijn aangezicht, zijn lachen was dus niet een gevolg van niet gelooven aan de toezegging, zooals bij Sara (18,12), maar een lachen van vreugde en geluk. Vandaar dan ook dat Abraham niet, zooals Sara, van dit lachen een verwijt gemaakt wordt.

18. quot;J'jS'x Vóór Uw aangezicht, d. w. z. als een voorwerp van Uwe

voortdurende liefde; vgl. Spr. 4,3, ics ia1?; anderen: leven naar Uw wil, ■pisS in denzell'den zin als in 'jsS quot;jS.-im.

19- 73Jf) oorspronkelijk eene verzekering van het tegendeel van wat voorafgaat; v. d. in het algemeen eene verzekering.

ocr page 74

33 GENESIS XVII, XVIII.

zal u eenen zoon baren, en gij zult zijn naam noemen : Izak (Jitschak), en Ik zal Mijn verbond met hem tot stand brengen, tot

20 een eeuwig verbond, voor zijn kroost na hem. Doch aangaande Jishma'el heb Ik u verhoord ; zie ! Ik heb hem gezegend, en Ik zal hem vruchtbaar maken, en hem in zeer hooge mate vermeerderen; twaalf vorsten zal hij voortbrengen, en Ik zal hem

21 maken tot een groot volk. Maar Mijn verbond zal Ik tot stand brengen met Izak, dien Sara u baren zal om dezen tijd, in het

22 volgende jaar.quot; Toen Hij geëindigd had met hem te spreken,

23 steeg God op, van Abraham weg. Abraham nam zijn zoon Jishma'el en alle in zijn huis geborenen en al de voor zijn geld gekochten, al het mannelijke onder Abrahams huisgenoo-ten ; en hij besneed het vleesch hunner voorhuid op dien zelfden

24 dag, zooals God met hem gesproken had. En Abraham was negen en negentig jaren oud, toen hij zich het vleesch zijner

25 voorhuid besneed. En zijn zoon Jishma'el was dertien jaren oud,

26 toen hij aan het vleesch zijner voorhuid besneden werd. Op dienzelfden dag werd Abraham besneden en zijn zoon Jishma'el.

27 Ook al zijne huisgenooten, de in huis geborenen, en de voor geld van vreemden gekochten, werden met hem besneden.

18 i Daarna verscheen hem de Eeuwige in het bosch van Mamré, terwijl hij zat aan den ingang der tent, toen de dag heet was.

2 Hij hief zijne oogen op, en zag : en zie, er stonden drie mannen dicht bij hetn; toen hij hen zag, liep hij hun te gemoet van den ingang der tent en wierp zich neder ter aarde.

3 En hij zeide: wMijn Heer! indien ik toch gunst gevonden heb in Uwe oogen, ga toch niet weg van Uwen dienaar lquot;

20. 0X^3 1VV D^r. zie Gen. 25,12—10. d.st:, geene do1?», stamvorsten, geen koningen, zooals Izak zijn toegezegd (vs. 6).

22. SlTI- God was dus neergedaald om met Abraham te spreken, vgl. Ex. 19,20.

Hoofdstuk XVIII. 1. 'H VS» KTI. Wat God bij deze verschijning Abraham wilde bekend maken, wordt eerst vs. 17 medegedeeld (zie vs. 3). Anderen vatten dit vers als algemeen opschrift op, dat in het volgende nader is uitgewerkt. God verscheen hem dan onder de gedaante vaneen engel, door twee anderen begeleid. Vs. 3 richt zich dan tot dien engel.— Snsn nnr, waar onder de boomen een schaduwrijk plekje was. — Dm ons, bij het heet zijn van den dag, het tegenovergestelde van dim rmS, Gen. 3,8; de s dient tot bepaling van tijd; vgl. Ex. 11,4.

2. rUPX innBquot;! zegt nog niet, dat Abraham wist, hoogere wezens voor zich te zien; het zich ter aarde werpen is eene gewone wijze van eerbiedige begroeting.

ocr page 75

rr r -p aV

-nx 'no^ni pnx» lot^nK |3 ^ nn^ .^n^ts : innK I^T1? oViy nnnS IPK ♦nna:' iko -i^oa ipk ♦n^ni inM ♦nnsni ina ♦nana i nan

a : j : • v j' : •) ^* •• : * : • . j-.. j.. .

♦nna-nNi : bi-ia vrinai hwamp;i quot;iwyrnyp** m#a ntn -t^ia1? rnir n1? nSn pnv»-nK d^k

v.tt - V- •3quot; - tt lt;| : •• •• V -: | at : * v U-t

: amax D^VK in« nanb ba^i *: mnxn»

^ it : - v • V: ^ ^•J~ A quot; j.. - : ; - viv - it

nKi in»a n^-^a n^i lia ^N^oi^^nN onnaK n^i» Tca-nN bon DmaK n^a ^«a quot;larba lèoa napo-Va

•j', : tt- at t : - -••• v.quot; : - : tt t ^ -•-!:• t

arnaxi : dtiSk ins2 nai quot;i^xa nrn Di^n oxva nn^in ^

t t : - : r v: v. • JV • OV -; i- v - j - v *.' : t t :^t

* : inbn^ i^a ibana n:^ ^^ni o^^n-ja ™ bï^a : quot;i^l^^snK ibbna rw ^b^a iiao in^a ^jK'bai : i:a bNyotyn dhisn bis: nrn ovn«

••lt;••;- t : i : t : • : at t ; - ^. * v - j -

ö : inK iVa: nana nxo ciDa-napDi n^a ^

I * v. • atquot; I V — •• IV v.v -I: • * t J- ;

tina briKn-nna atr» xmi Knao ^'^3 nin» Vbx xnn«

J : v v t - iv jquot; : a- : - iquot; ; t ; t •• lt;t—

vty D^ÏJ D^JN rwhw nam xnn vr^ NBgt;n : Di»n =

at't t ■ • t-: jt •• • ; ;-- ^t lt;r • - i -

naxn : n^nx inn^n brixn nnso bnxnpb pn nti j

a- - t : it v.quot; : •quot; ••• t -jv • t ti: • 1 tlt;t-

: ^na^ byo na^n Krbx ^i^a }n TINÏÖ NJ-DK 'inK

1

TIN. Volgens den Talmoed (Sheboe'oth 35J) is hier de naam Gods bedoeld (i'ip); de toestand is dan aldus: Terwijl God hem verschijnt, ziet Abraham plotseling de drie vreemden, en wendt zich verontschuldigend tot God met de bede Zijne openbaring hem niet te onthouden, maar nadat hij de plicht der gastvrijheid zal hebben vervuld, hem Zijne mede-deeling te doen; v. d. de vertaling: ga niet weg van Uwen dienaar, waarbij

2

ook hvn beter sluit, vgl. 17,22. — Anderen meenen, dat hier de voornaamste der drie engelen is aangesproken en de woorden lam nj Sn de bede inhouden, van zijne gastvrijheid gebruik te maken: dan zon echter Sr urn sa Ss beter passen, vgl. IT Kon. 4,9.

ocr page 76

GENESIS XVIII.

4 ;,Dat men toch een weinig water neme en wascht uwe voeten,

5 en rust uit onder den boom. Dan wil ik eene bete broods halen, en sterkt uw hart, daarna kunt gij verder gaan, daar gij nu toch voorbij uwen dienaar gekomen zijt!quot; Zij zeiden daarop: «Zoo

6moogt gij doen, gelijk gij gesproken hebt.quot; Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en zeide: «Neem spoedig drie Sea

7 meelbloem, kneed het en maak koeken.quot; En naar het rundvee liep Abraham [zelf] en nam een jong rund, malsch en goed, en gaf het aan den jongen, die zich haastte, om het toe te

8 bereiden. Toen nam hij boter en melk en het jonge rund, dat hij toebereid had, en zette het hun voor; hij stond bij hen

9 onder den boom, en zij aten. En zij zeiden tot hem: «Waar

10is Sara uwe vrouw?quot; Hij zeide: «zij is in de tent.quot; En hij

zeide: «ik zal weder tot u komen, als op dezen tijd, wanneer hij weer opleeft, en zie, een zoon zal dan uwe vrouw Sara hebben.quot; Sara hoorde het aan den ingang der tent, die achter

11 hem was. (Abraham en Sara nu waren oud en gevorderd in jaren; het had bij Sara opgehouden te zijn naar de wijze der

12 vrouwen.) En Sara lachte bij zich zelve, zeggende • «Nadat ik afgeleefd ben, zoude ik nog wellust hebben ? en [ook] mijn

13 heer is oud!quot; Hierop zeide de Eeuwige tot Abraham; «Waarom toch heeft Sara gelachen, zeggende: «zoude ik waarlijk nog baren,

14 terwijl ik reeds oud ben ?quot; Zou den Eeuwige iets te wonderbaar zijn ? op den bepaalden tijd kom Ik weder tot u, als op dezen tijd, wanneer hij weer opleeft, en Sara heeft eenen zoon.quot;

15 Sara loochende [het] en zeide : «ik heb niet gelachenquot;; want zij

16 vreesde. Maar Hij zeide: «neen! gij hebt wel gelachen.quot; De mannen stonden van daar op, en zagen uit naar de vlakte van Sedom; en Abraham ging met hen, om hun uitgeleide te doen.

4. Abraham wendt zich nu tot de drie vreemdelingen en biedt hun in de meest bescheiden termen, gastvrijheid aan. n: np*, eig.: laat er genomen worden, de lijdende vorm voor den onbepaalden zin: men neme. Voet-wasgching is daar, waar men of barrevoets of met onder de voeten gebonden zolen (sandalen) reist, het eerste wat de reiziger noodig heeft. — worn, en rust uit, eig. en leunt in gemakkelijke houding om van de vermoeienis te bekomen.

5. p hj! 'Si wnt omdat-, v. s. in dien zin: want daarom vraag ik dit, omdat gij enz., niet omdat gij het noodig zoudt hebben, v. a. want daarvoor zijt gij enz., als zag Abraham in hun verschijnen eene beschikking, om hun gastvrijheid te veneenen: juist daarvoor zijt gij mij voorbijgekomen.

6. DWD tpSc. De Sea is '/a van eene Éfa; hij nam dus eene volle Éfa, d. i. eene hoeveelheid gelijk aan 432 eieren. Deze groote hoeveelheid werd niet den gasten voorgezet, maar daaruit werd door uitzeeften van het mp, het al te fijne stuifmeel, de j-iSd, de bloem, afgezonderd. Naar AJenachoth 766 blijkt, dat voor de toonbrooden uit ééne Sea een tiende Éfa bloem

34

ocr page 77

IT KT1 quot;h

nn^Ni: pyn nnn wnni d^q-l^d Krn^ ■«

Dnquot;i3^: lii^n IHK 053'? n^pi. Drtrnaquot;

onnnK quot;inon. : nian I^KS n^n f| DDI2^ * Tib nVo no^b^Kp nno noK'i nbn'Nn 3iKi^ii53;t| n|j'! Dn-DN nw^quot;':

quot;Rislni nNDnn^gt;i : inx nffyh tno'i nyjrvbN [n-v-n£!^nri on^ najr^iniDn^a1? |n»i n'^^K^an : bnto nan quot;ion'-i nni^N mtr n»K v^k nox»') : iSdWi «

v it jquot; v v. ~ f av : • _ jtt vquot; t quot; j : i - iquot;

ni^7 irnani n»n n^3 ^Sn dib'n ïïv iq^V rn^i Dmatn : mnK Kim bn'Nn nna nvnv mtyi ^

tt : lt;t t: - ; it-: i- j : v ^t -jv *.,- jt t ;

pnxni : D^33 n^ nir? mw D^3 D^3 : |f5TT niKi nh^ ^-nn^n ♦nbn nnx iDNVna^i nn^ eixn Idn1? nnty npnï nr na1? DmsN-1?» nin» loS'i ^

p quot; t t it -:it v tjt at t : - v vt : v jquot;

sibw nfrnb nan nin'D Kb^n : ♦njjp.T »JKI -IVN DJÜK^ ah ifcub 1 mty BTiDni * ; ?2 ni'^Vi n»n nvz n^N18

, j 1 quot; stt .. . . - ),„ jtt . lt . jquot; t i.,... ..

atyD iDpn : npnï »3 Kquot;? 1 ION»quot;) HNT I »3 ♦npnv»»

t * i «--.t- ; I: it t# r ^ v, v j - t a-t -•• • h^-t

: Dn?ty7 DS^ TiVn onnaxi DID ^a-Vp o^axn

•t : quot; ; vt * fjquot; t t; quot; ; a; -•••; ~ k*: quot;• • t-:jt

Ï;ewonnen werd, de hoeveelheid, die juist voldoende was voor de dage-ijksche voeding van een mensch. De zin is dus: neem spoedig den bloem van drie Sea meel, d. w. z. voor drie personen voedsel. V. a. is die groote hoeveelheid het teeken van groote gastvrijheid, en dient tevens om hun daarvan op reis mede te geven.;ewonnen werd, de hoeveelheid, die juist voldoende was voor de dage-ijksche voeding van een mensch. De zin is dus: neem spoedig den bloem van drie Sea meel, d. w. z. voor drie personen voedsel. V. a. is die groote hoeveelheid het teeken van groote gastvrijheid, en dient tevens om hun daarvan op reis mede te geven.

10. TOK*!. En hij zeide, een onder hen, wien deze zending was opgedragen, terwijl de beide anderen naar Sedom zouden gaan (vgl. 19,1). _

wi nï3, als op dezen tijd, wanneer hij weder levend wordt, d. w. z. over een jaar om dezen tijd. — nw, en deze, de ingang, was achter hem, hij zat met den rug naar den ingang; Sara luisterde dus, staande aan den ingang der tent, doch zonder door de gasten gezien te worden.

pn3Cm. Zie onze aant. 17,17. Zij lachte om het onnatuurlijke en

dus schijnbaar onmogelijke der voorspelling. — Wa letterl.: nadat ik versleten hen. — ij-ro, en mijn heer, d. i. mijn echtgenoot.

ocr page 78

GENESIS XV111.

17 En de Eeuwige had gezegd: //Zoude ik voor Abraham ver-

18 bergen, wat ik doe ? Terwijl Abraham toch tot een groot en machtig volk worden zal, en met hem al de volken der aarde

19zich zullen zegenen? want Ik heb hem erkend, opdat hij zijnen kinderen en zijn huis na hem gebieden zal, den weg des Eeuwigen te houden, om liefdeplicht en recht te oefenen; opdat de Eeuwige op Abraham doe komen, hetgeen Hij over

20 hem heeft uitgesproken.quot; Dus zeide de Eeuwige: «Hoewel het geschrei over Sedom en 'Amora zoo groot, en hunne zonde

21 zoo zeer zwaar is; laat Mij toch afdalen en zien: of zij naar het geschrei over haar, hetwelk tot Mij gekomen is, ge-

22 daan hebben geheel en al, of niet, — dat wil Ik weten.quot; De mannen wendden zich intusschen van daar en gingen naar

23 Sedom; terwijl Abraham nog stond vóór den Eeuwige. En Abraham trad nader en zeide : //Zult Gij dan ook den rechtvaar-

24 dige met den booswicht verdelgen ? Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad ; zult Gij dain ook verdelgen en de plaats niet vergeven ter wille van de vijftig rechtvaardigen, die

25 in haar midden zijn? Verre zij het van U zoo iets te doen, den rechtvaardige met den booswicht te dooden, dat de rechtvaardige gelijk den booswicht zoude zijn! Verre zij het van U!

26Zou de Rechter der geheele aarde niet recht oefenen?quot; De Eeuwige zeide: «Zoo Ik in Sedom vijftig rechtvaardigen binnen de stad vind, zal Ik de gansche plaats om hunnentwil verge-

27 ven.quot; Abraham antwoordde en zeide : «Ik heb nu eens ondernomen tot den Heer te spreken, hoewel ik slechts stof en asch

28 ben. Misschien zullen er aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult Gij, om die vijf, de gansche stad verderven ?quot; En Hij zeide: «Ik zal niet verderven, als Ik er vijf en veertig

29 vind.quot; Toen ging hij nog voort tot Hem te spreken, en zeide: //Misschien zullen daar veertig gevonden worden?quot; en Hij zeide:

30 «Ik zal het niet doen ter wille der veertig.quot; Nu zeide hij ; ,/Dat toch de Heer niet in toorn ontbrande, zoo ik [nogmaals] spreken wil: misschien worden daar dertig gevonden ?quot;

17. Hier volgt nu het gesprek, waarvan de inleiding vs. 1 is aangekondigd, maar dat door de verschijning der drie mannen werd afgebroken. Volgens de andere opvatting, daar gereleveerd, bleef een der engelen hier bij Abraham achter en deed hem de hier volgende mededeeling.

19. IVIITT Ik heb hem erkend, d. w. z. in tegemoetkomende liefde uitverkoren en houd steeds Mijn oog op hem gericht, opdat enz. — 'n quot;pi, den weg, door God voorgeschreven.

20. 'D TCjn. Dus, tengevolge van bovenstaande overweging, zeide God tot Abraham. — ma npïr, het wraakgeschrei der verdrukten over Sedom. — mi '3, ofschoon het groot is.

35

ocr page 79

rr «Ti r6

Dn-i3«i: rivy DninKO ;:k nDDan nox nin^iquot;

t t : - : i't r quot;• V.quot; ~s t : ~ iquot; quot; •: «v quot; ms iquot; at t lt;.t i-

'3 : pxn Dwjn Vns nw in ^

,J- ' V,T.T •'■■, 1 quot;S'- lt;!' :q , 5T

noB'i vin« in^-n^i vjrnx nw r^D? vnyv

; it : t-;r quot; v : «t t v v - ; v -: » - ~ :, • : :

HIT N'nn nj^nv ni^V nin» T]quot;ii

nio^.Dnpn^ninnD^') :v^ quot;lain^K nx ornnK3 nxnKi xrmnsï : IKO rran »3 DnNtani n3T»3«

v : v : -«t t -; iquot; • : ^t : it r t t - : t at •

usn : nv-iN Kb'DKi nbs i itrjr nxan nnwvsn»

lt; : •- itquot; ^ * : at t ■gt; t {,- quot; t jx quot; _ otit^quot;!»quot; ï

: nin^ lor ornDNi nono OB'O

it : jquot; : • jv ^ t t; - : t a: i. ; iquot;- • t-:it t *

^ : yan-D# pnv napn f]xn -iqk'i on'ipK aipaS Kfn-^i nspn f]Nn n^n -jina d^iv D^pn i n'^D ^ nbSn : nsnpa D^nïn D^pn ^ n^n pnïD n^m yamp;rov pni* nfn nma

t •*' t at tit i v.--- -'t tit t ^- | • - lt;* t j ^ v ~ jt tquot;

quot;DK nin^ : üöt^p n^_ ah pNn'^3 «

DipJön-^^^iiT^n^npD^VD^pn pnpp kïok isi1? ^n^Nin xmsn laN»! dhidn ryi: »

t -: v ^ — quot;: ' : quot; lt;t • aquot; quot; p it t : - i -jquot; it -:,-

nÉ'pn Dpnvn D^pn pipir : iski quot;103; quot;Ziw ^ NïDX'DK wnvx Hb quot;ion'1 quot;i^n'^TiK n^Qns n^n^nn

. •'t : v v : ' ^ '* quot; *■ t ^ t v v.t * -; i- r : - _-:

quot;hw quot;ipN'i ia*!1? ^ *]amp;) '• njfpm D^3quot;IN « : D^SINH *112^3 ntb^N Kb naxn D^SIK DIT nKïa'

j t : quot; 't gt;■ .■•• •■••,v :- •••■, , quot; ; '■ t :quot; ,, £ ' vy,

DE' riKva* ^IK m3is4i quot;in» Krw IOKquot;! s

Aquot; : i t I J : it * ■)* t r t I- quot;lt;• t V -

21. Hoewel de angstkreet der mishandelden Mij voldoende overtuigt, wil Ik toch door eigen aanschouwing zekerheid verwerven, alvorens te vonnissen en te straffen. — nnpron, of, als het geschrei over haar, Sedom, als de voornaamste stad, zij, de bewoners, gedaan hebben. — nSs, geheel en al, v. a. ten verderve, of niet. Anderen vertalen; Indien zij enz. gedaan hébben, dan; verderf-, zoo niet, dan zal Ik het weten-, n. a. dan zal Ik ver-schoonen.

22. Dit vers sluit direct aan vs. 16 aan. — dï n van daar, tot. waarheen Abraham hun uitgeleide gedaan had.

ocr page 80

GENESIS XVIII, XIX.

en Hij zeide: wIk zal het niet doen, als Ik daar dertig vind.quot;

31 En hij zeide : «Ik heb nu eens ondernomen tot den Heer te spreken; misschien worden daar twintig gevonden Pquot; en Hij

32 zeide: ,/Ik zal niet verderven ter wille van de twintig.quot; Nu zeide hij : 7,Dat toch de Heer niet in toorn ontbrande, wanneer ik nog dezen keer spreken wil: misschien zullen daar tien gevonden worden ?quot; en Hij zeide: «Ik zal niet verderven

33 ter wille van de tien.quot; De Eeuwige ging weg, toen Hij geëindigd had tot Abraham te spreken ; en Abraham keerde naar zijne plaats terug.

1 De beide Engelen kwamen des avonds te Sedom aan, en Lot zat in de poort van Sedom ; toen Lot hen zag, stond hij op, hun te gemoet, en wierp zich met het aangezicht ter aarde.

2 En zeide: «Ziet toch, mijne heeren! neemt toch uw intrek in het huis uws dienaars, overnacht, en wascht uwe voeten; dan kunt gij [morgen] vroegtijdig opstaan, en uws weegs gaan.quot; Maar zij zeiden: wNeen! wij willen liever op het marktplein

3 overnachten.quot; Doch hij drong zoo zeer op hen aan, dat zij bij hem hun intrek namen en in zijn huis kwamen; toen bereidde hij hun eenen maaltijd en bakte ongezuurde brooden, en zij

4 aten. Nog hadden zij zich niet neder gelegd, of de mannen der stad, de mannen van Sedom, omsingelden het huis, van jong

5 tot oud, het gansche volk van het uiterste einde. Zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem ; «Waar zijn de mannen, die dezen nacht tot u gekomen zijn ? Voer ze tot ons naar buiten, dat wij

6 ze [nader] mogen kennen !quot; Toen ging Lot tot hen naar buiten

7 aan den ingang [des huizes], en sloot de deur achter zich; —

8 en zeide: „Mijne broeders! handelt toch niet slecht! Ziet toch ! ik heb twee dochters, die geenen man kennen ; laat mij die toch tot u naar buiten brengen en doet haar, wat goed is in uwe oogen ; slechts dezen mannen doet niets, daar zij toch

9 onder de schaduw van mijn dak gekomen zijn.quot; Maar zij zeiden: „Weg daar!quot; en zij zeiden: „Deze enkele is als vreemdeling gekomen, en wil telkens rechter zijn ! nu zullen wij u meer mishandelen, dan hen.quot; Zij drongen sterk aan bij den

10 man, bij Lot, en naderden om de deur te verbreken. Doch de

33. ac omaja en Abraham keerde terug van de plaats, tot waar hij de engelen had begeleid, iDpnS naar zijne plaats, naar de bosschen van Mamre.

Hoofdstuk XIX. 1. -ijnra, in de poort, die tegelijk als markt en gerechtshof dient en waar zich alle verkeer concentreert.

2. Sn KJ rno. letterlijk: wijkt toch af van uwen weg en begeeft u naar enz. — Bij Abraham waren zij op het midden van den dag gekomen, hij noodigt ze dus alleen ten eten; Lot biedt den des avonds aankomenden nachtverblijf aan.

4. nxpO = ■quot;«i*1 mtpn fu, van het eene uiterste der stad tot het andere, d. w. z. zonder uitzondering.

36

ocr page 81

n» quot;i1?

-nan : wvhw Dt^ nïük dk n'é^si ^ ^

^ ** * ^ v quot; •* : V,t jt : v • v ^v; iv ^ -» v

nat^'i onquot;^ D^ riKïö* ♦i'i«-1?K nanb v^kin «3

^ v - a* : •• ».t I ^ : it 'pp-»' t quot;! v -quot;• -: • : - «t

quot;in» KS-^K iQNn : ontren n»n^N ^

t ^ 1- ^ - lt;• T - v - r: v it v. i- • : - ■*

KV IÜK'I m'^ nNïa» ♦bitt D^én-nst maiNi

j v - att . ^t I j : it * •)quot; --- I - jt - -: i-

quot;VN quot;DI1? n^a *ityN3 nin» : nn^n 'nis^a n^na'K ^ nano D^K^SH ^ iKaquot;^ *: loba1? at? DniaNVon-QK«

_t : lt;• t : ~ : tquot; i i : * jr ^t t : quot; : at t ; ~

ornKip1? Dpn üib-XT'i D'iDquot;^^ ^

T l-l:- p It^t- ^ :-- a: r : .•• , : v vt

n^-^K K3 ino ^in-ks nan iü^i : nïiK d^ök inni^n 3

v t •* -: it ■»•••• v - t : it ^ quot; j~ : •-

oro1?™ onas^m DD^an ixmi oann^

AV : ; - : jv :--;i- : - ; • : •.•••;- -• -: i-: • ; lt;v : :^-

vSx no^ iKa Drivs^ : rSa nima ^ ië naK*ij

t •• •* ■. t - : jt quot; : » i' t ^ ;it r ^ : 1 ~

oStD: ^dn'i nöN niïai nn^a onb ^

..... ,.. quot; ^t t J v : v t ^-e— a^ quot; v v,t-

nyaa 1353 onp ^3« n^rn ^3^:

n.'K 11? iia^i. bi1?quot;1?» : ni^a D^rrVa » : dhk n^n3i 13^N Ds^vin nb^n D^3«n

it v.t :!••; •• •• j»* • 1 t :at ~ | vquot; ** jt v ■: •)* t -: it

K3-l?K naN'i: VTiK -I3D nbmi nnnan mb on^N kï#i 1

jr ' a- it-:i- j~ t v vquot; ~ : t : av^ ■)•■ quot; -: r*quot;quot; 7

■nK'ïiK t^N ivi^Nb T^xniin ♦ntr ^ Krnn : win n

ti* *p :it lt;v -: t -»•• : t •• * iquot;t vquot; quot;

D^3Ni? pi Q^373 3la2 pb DD^N ?nnN K3

«• t -:it I - av •• *1quot; ; v quot; 1 v t ^ ^tr v •• -: i v : v^ lt;t

1 inaN'i : 'nip Vva ISÏB rr^jr^ i'^n^K Sxn °

j : ,- i' Th r* : ^v.t i jquot; - r t ^t -• -: iquot; ~ •• t

nb v-13 nn^üièty^^nwyuannKn •naKn nNbn-ira

K. }: J'T 'T. T •*'.quot;' t t lt;t v it : „ i quot; t : t

in^'i : nbm wa'i n'«a mai ona'

lt;:•.-- v it - j : • v : *quot; : : «* t : : • - av ••

5. Drw njnn, zooals uit. vs. 8 blijkt, duidt dit woord op bevrediging van onnatuurlijke lusten.

8. Lot offert liever zijne dochters op, dan zijne gasten; hij waagt reeds door zijn tegenspraak zijn leven, alleen om dat van zijne gasten te redden.

9. njcSn Vi. Treed nader weg van daar, waar gij zijt, d. w. z. weg daar! v. a. roepen zij elkander toe; nader hierheen, laat ons hem nauwer insluiten. — nj1? sa insn. Deze is de eenige, die hier ooit als vreemdeling gastvriendschap genoten heeft, dbf cboi en treedt nu telkens als rechter en zedemeester op, nnr, nu, enz. — ■ms'i, zij drongen bij hem aan weg te gaan en de deur vrij te laten, en toen dit vruchteloos bleef, naderden zij om de deur met geweld te verbrijzelen.

ocr page 82

U E N E S 1 S XIX.

mannen strekten hunne hand uit, en brachten Lot tot zich

11 in het huis, en de deur sloten zij. En de lieden, die aan den ingang van het huis waren, sloegen zij met verblinding, van klein tot groot, zoodat zij zich te vergeefs moeite gaven om

12 den ingang te vinden. Nu zeiden de mannen tot Lot: ,/Wien hebt gij nog hier ? eenen schoonzoon, uwe zonen, uwe dochters,

13 en al wat u behoort in de stad, voer uit deze plaats. Want wij verderven deze plaats, omdat het geschrei over haar groot is voor den Eeuwige; daarom heeft de Eeuwige ons gezonden

14 om haar te verderven.quot; Toen ging Lot uit, sprak met zijne schoonzonen, die zijne dochters nemen zouden, en zeide : „Staat op! gaat uit deze plaats, want de Eeuwige verderft de stad.quot; Maar hij was als schertsende in de oogen zijner schoonzonen.

15 Zoodra nu de dageraad opging, drongen de Engelen bij Lot op haast aan, en zeiden : ,/Sta op ! neem uwe vrouw en uwe twee dochters, die aanwezig zijn, opdat gij niet omkomt door het

16 misdrijf der stad.quot; Doch hij draalde; toen grepen de mannen zijne hand, de hand zijner vrouw en de hand zijner beide dochteren, (daar zich de Eeuwige over hem ontfermde;) zij voerden hem naar buiten, en lieten hem buiten de stad staan.

17 En het was: toen zij hem naar buiten gebracht hadden, zeide hij [een hunner]: „Red u ter wille van uw leven, zie niet achter u om, en sta niet stil in de gansche vlakte; red u naar

18 het gebergte, opdat gij niet omkomt.quot; Toen zeide Lot tot hen ;

19 «Niet toch mijn Heer! Zie toch, uw dienaar heeft gunst in uwe oogen gevonden, en gij hebt de genade, die gij mij hebt bewezen, groot doen zijn door mijn persoon in het leven te laten ; doch ik kan mij niet naar het gebergte redden, opdat niet

20 het onheil mij achterhale, en ik zou sterven. Zie toch! deze stad is nabij om daarheen te vluchten en zij is klein; laat ik mij toch daarheen redden, — zij is immers klein — opdat mijne ziel

21 leven blijve.quot; Nu zeide hij tot hem ; „Zie, ik houd rekening met u ook in deze zaak, dat ik de stad niet zal omkeeren, waarvan

22 gij gesproken hebt. Haast u, red u daarheen ; want ik kan niets doen, tot dat gij daar gekomen zult zijn.quot; Daarom noemt men

23 den naam der stad Tso'ar. De zon was opgegaan boven de aarde,

24 toen Lot te Tso'ar aankwam. En de Eeuwige deed regenen over Sedom en 'Amora zwavel en vuur, van den Eeuwige uit

25 den hemel. En Hij richtte deze steden te gronde en de gansche vlakte, benevens al de inwoners der steden en het gewas

26 van den aardbodem. Toen zijne vrouw achter hem omzag,

13. DfirwS) om haar, de stad Or, vrouwelijk) te verderven.

17. quot;|grrjj toSon. Red u Ier wille van uw leven, d. w. z. bekommer ii om niets anders, tracht slechts uw leven te redden.

H7

ocr page 83

w «quot;n T'

n^n-nxi nn'an DJT^K taiynK wn»! DT'HK [□[5p Dn)jp3 \2n n^n nnsn^N D^jkhtiki üiS-bN d^jnh tidn,i : nnsn nïq1? inVi Sinri^i31

• t-:it : i- -it quot; J •■ ^' v. : *. i

«yin yyz Vdi ^rnirn jnn na jjr^ nbnr^ ntn aiparrn^ unix D^nntro-^ : Dipan-jp^

lt;r :it i* Av- k t - v ; --t j- • ; - i* gt;'

üiS : nnn^b nin* nin» ^ö-nK nnp^v t

....- ^ |t_:r . ^ t t Jquot; : v t it -.1

Dipsn-fp INÏ iQip ipN'i vn:3 ♦np'p i v^nn^K i •' i^nn ^^3 pnvPP i^n'nK nin* n^n^a-^ ntn np mp iasjb mi d^nVsh i^N'i nfy mirn iodv0

i- i rt •• J : v* t^: — r T' t t r - -- - :

p#3 nöDri-|3 n^ïpan ^n':? wTiNti ^n^nK a^a«n ipnn»1! i nanon^ : quot;i^n 'o

: • -: jt : • t-; it i *-:i— t ; - : •quot; t

pna inns»1! in^ïn mn* nbüra vnjn w I'm

'l J • ; . JS '- : ■• = T0 : Jquot;: A

-Sv ü^sn quot;iqki nïinn onK DN'ïina

jquot; t • v - t - t t • : • : - . ''t

mnn nsan-Ssa Tojrrrbsii nnnx ü^n-bN

^tjtt at • - t : (. -1- - : i -•-: r -,quot; quot; quot; »•* :

: n'-isï quot;io«n •' nfiDrrfö ül7S^n, z

iB'Nf ^ipn bquot;ijni KVO xrnan

vbnrh Sdin ^ ♦b'JNi ^arn^ ni^nnb nap

-»•• t ■ : - ^ lt; -p it : a* : - v v : * t t ■ t

nahp nx-Tn yvn «rnan : 'nai n^in ^psnmö mnn3

•)t i: s - t t •• • • i- t ^ttit • )j~t z * i v tt t

Kn -i^va xVn natb «i nèVaK «mi na^ di:1?

^t : • ^ tt t ^ t ; it 'at: * ■•* : t ^t J T

nn -irnb □: ♦nxtrj nan v^x lax'i *: ^ö: mm «t

av - jt t - v.- | v t •-•tt quot; ' t quot; v -» * 1quot; : quot; J' ' w

quot;2 nm cban 'ma : nnsi i^n-nx ^an ^aV33

j. t t •**• t ' •• - t ;i- • J'-' -; t v •'' :^T •»*:•:

n^n-Dir Nip p-^ nair nxa-ny lin baiK kV

quot;v t iquot; jtit mquot; tat -: i tt -• -:i~ ~ *

nin^i : n-iyy KS UISI riNrrby XÏ* B'airn : i^iï»

t r it -; i jt v : i quot;-'at t -«tt v v.quot; quot; ' ij

-ra nm* n«a e'ki nnaa niav^i did-1?^ quot;i^aan

^ i • v.t : jquot; •• aquot; t , t ^t : • ^ 4: r : •

nxi la^rrba HKI Vxn an^n-nx Tjan»i : n^a^n ^3

quot; ; at • - t : •• t -j**tiv v | -tl'- • it t -

vinKa m^N aam : nai^n navi onyn ♦a^quot;^13

at-; r •• ^ : • j.. - - it t -: it • w : ' T iv -»•• ; i t

ocr page 84

GENESIS XIX, XX.

27 werd zij eene zuil van zout. — Abraham begaf zich des morgens vroeg naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des Eeuwigen

28 gestaan had. Hij zag uit naar de vlakte van Sedom en 'Amora, en naar de geheele vlakte van het land der streek ; en zag, en zie, een damp steeg op uit de aarde, als de damp van een

29 kalkoven. En het was : toen God de steden der streek verwoestte, dacht God aan Abraham, en zond Lot weg uit het midden der verwoesting, bij het te gronde richten der steden,

30 waarin Lot gewoond had. En Lot trok op van Tso'ar en ging wonen in het gebergte, en zijne twee dochters met hem; — want hij vreesde in Tso'ar te wonen. Hij woonde in eene

31 spelonk, hij en zijne beide dochters. Toen zeide de oudste tot de jongste: «Onze vader is oud, en er is geen man in het land, om tot ons te komen, naar de wijze der gansche aarde.

32Kom! laat ons onzen vader wijn te drinken geven en bij hem liggen; opdat wij van onzen vader kroost in het leven bren-

33 gen.quot; Zij gaven haren vader dus dien nacht wijn te drinken; toen kwam de oudste en legde zich bij haren vader, maar hij

34 merkte niet haar zich nederleggen, noch haar opstaan. En het was den volgenden morgen, toen zeide de oudste tot de jongste: «Zie! ik heb mij ia den afgeloopen nacht bij mijnen vader nedergelegd ; laat ons hem ook dezen nacht wijn te drinken geven, en ga gij dan en leg u bij hem, opdat wij van

33 onzen vader kroost in het leven brengen.quot; Zij gaven ook dien nacht haren vader wijn te drinken; toen stond de jongste op en legde zich bij hem, maar hij merkte niet haar zich

36 nederleggen, noch haar opstaan. En de twee dochters van

37 Lot werden zwanger van haren vader. De oudste baarde eenen zoon, en noemde zijnen naam : Moab; deze is de stamvader

38 van [het volk] Moab, tot op dezen dag. En de jongste, ook zij baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Ben-'Ammie; deze is de stamvader der kinderen 'Ammons, tot op dezen dag.

1 Abraham trok van daar naar het zuiderland, vestigde zich tus-

29. p3 3Bquot; quot;KTN. de steden, in eene waarvan Lot gewoond had, vgl. Richt. 12,7: en hij werd hegraven in eene van de steden van Gil'ad. In deze korte recapitulatie wordt als nieuw moment bijgevoegd, dat Lot zijne redding aan Abraham's voorbede en verdiensten te danken had.

3i. pjo yn rw. Er is geen man in het land. Sedom is verwoest; om elders heen te trekken, daarvoor is onze vader te oud; en in deze streek een man te vinden is onmogelijk. Anderen; en geen man is op aarde, als meenden zij de eenig overgebleven menschen te zijn. In elk geval was het motief slechts: voortplanting der familie.

37. 3N10 = 3ÏCÖ, van den vader. — owi nr, tot op dezen dag, waarop

38

ocr page 85

D id* kti rh

DipsrrbK onnaK D3^ : nbö yw ♦nrii» nio^. bnp : nirr ip^™

quot;itypa p^n iü^p nam xnH naan pK ^rSs

v. i' : | v t t -l* t t ^ *•• *.: :-- at* - | v-v v.quot; : t

D^N quot;isri i33n n^-nK DTISN nn^a ♦nn. : i^nan quot; Dhjrn-nN ^sna riDann -]ino biym nW^. Dn^nK-nK ♦n^nna Tjmo jna ^

♦ntri Kin n^DaW't ■wiïa.m#1? kt ^ id^ Vn:n

Jquot; : ^ ^ t't ; - v ••- a : v-v t \.quot;t j- t :

r»N trw TpT m^ïn-^N nn^an quot;idkhi : vrta^

I lt;•• • ; lla'-t -»* V,t • : - v ot * ; - v s - ^ it^ ;

irsK-m np^a nab : pxn-^ nma 12^ KiaV pKa^

■)• t v Isv: - t : i vit t t | \\v: ••*t ^ t | v t t

p^trnK rp^m : p? nrw la^ n35iy:i

i •)••* • -: v ti ijv; - - ^ -it^ v* t •quot; jv - : a jt : ; • : .h—

yy-tihï n^K-DK m^an xnm Kin nV^a

j-t i : t • v -*quot; : t ^ : - t ' a t :j--• v

rrrysflrbK m^amo^ni ninso ^n^ :nDipsi

T v quot;-■. ./ ' : quot; rquot; V . TT:,T ■ • :- .'T 1 = it;.- ■

-Kni nV?n-D3 p vpm 'naaty-rn

•»• ; • • t:— quot; i * ~ i v; - a* t v v • : gt;-t i iquot;

-m Ninn nV^a Q3 r^p^ni : imND n^nii isy ^

.) - t :s— -'- tI iv :--^ ^ -it v* t iquot; r.' - :

naaB'a pm-N1?'! isp aatfm m^ïn opm rn^K

^ vt : • : j-t 1 : * j- ; • - t ^* : - i t«t- i -at i i*.* • -:

nTmn n^ni : rn^xo 121^1:3 rnnm : nopav^

t • ; - •.•lt;••- i iv • -: iquot; v. 1 : j- ; ti ■)•.•-: i— iti** : n

: oi'n-n^ 3KIO-»3N Nin dkio «npnvp^

ct • : quot; : 1- ^t r-; ^ at . ^ : ^ti: * - iquot;

|isr^3 Nin *s^-|3 tnprn |3 nnV Nin-aa -p3 3^1 3Jiin nxquot;i« bnquot;i3M db'o vdm d : Di'rrnv»

1 iquot; v r— v v - t ; t t : - lt;t - . - , -

dit door Mozes verhaal4 werd, d. w. z. de Moabieten ten tijde van Mozes waren de directe afstammelingen van Lot, en niet een van elders in het land gekomen stam, die den ouden naam had aangenomen. Deut. 2,9 en 19 wordt op grond van deze bloedverwantschap Israël verboden 'Ammon en Moab te bestrijden.

38. iQy p, zoon van mijn volk, d. w. z. gesproten uit ouders van dezelfde familie.

Hoofdstuk XX. 1. DCÖ, daar, van Mamré. — 2J:n ps, naar het land in het zuiden van Palaestina. — san, het Zuiden, eig. het door de middagzon uitgedroogde.

ocr page 86

GENESIS XX.

schen Kadesh en Shoer en hield zich nu en dan op te Gerar. 2Abraham zeide omtrent Sara, zijne vrouw: zij is mijne zuster; toen zond Abiemélech, koning van Gerar, en nam Sara weg.

3 Toen kwam God tot Abiemélech in een nachtelijken droom, en zeide tot hem : «Zie, gij zijt den dood schuldig wegens de vrouw, die gij weggenomen hebt. daar zij door een man tot echtge-

4 noot is genomen.quot; Abiemélech nu was niet tot haar genaderd; hif zeide dus ; „o Heer ! zult Gij ook een onschuldig volk dooden ?

5 Heeft hij niet tot mij gezegd: «zij is mijne zuster?quot; en zij, ook zij heeft gezegd; «hij is mijn broeder;quot; in den eenvoud mijns harten, en in reinheid mijner handen heb ik dit gedaan.quot;

6 Toen zeide God tot hem in den droom; «Ook Ik weet, dat gij dit in den eenvoud uws harten gedaan hebt; en ook Ik heb u er van teruggehouden tegen Mij te zondigen; daarom heb

7 ik u niet toegelaten, haar aan te roeren. En nu! geef de vrouw van dezen man terug, want hij is een profeet, opdat hij voor u bidde, dan zult gij in het leven blijven; doch indien gij [haar] niet teruggeeft, weet dan, dat gij sterven moet, gij

8 en alles wat u toebehoort.quot; Abiemélech stond vroeg in den morgen op, riep al zijne dienaren en sprak ten hunnen aan-hoore al deze woorden; en de mannen werden zeer bevreesd.

9 Nu liet Abiemélech Abraham roepen, en zeide tot hem: wWat hebt gij ons gedaan, en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en mijn rijk zulk een groote verzondiging hebt gebracht? Daden, die niet behooren gedaan te worden, hebt gij

10 tegen mij gepleegd.quot; Verder zeide Abiemélech tot Abraham : wWat hebt gij er toch in gezien, dat gij deze daad gedaan

11 hebt ?quot; Abraham zeide : «Omdat ik dacht: wellicht is er geene vrees voor God in deze plaats; dan zal men mij ombrengen,

12wegens mijne vrouw. En ook inderdaad is zij mijne zuster;

zij is mijns vaders dochter, maar niet de dochter mijner 13moeder, en zij werd mij tot vrouw. Nu was het: toen God mij nu uit mijns vaders huis deed ronddwalen, zeide ik tot haar: //dit is uwe genegenheid, die gij mij bewijzen zult: op

2. rrW SjC) omtrent Sara, = Sr. — -|S»ias, waarschijnlijk evenals Phar'o in Egypte, öf constante naam of titel van alle Philistijnsche koningen.

4. jnnn pnx DJ Wilt Gij ook een onschuldig volk ombrengen? Uit vs. 7 en 18 blijkt immers, dat het geheele volk ziek en met ondergang bedreigd was.

5. vja'j 0JT3gt; in den eenvoud mijns harten, zonder aan slechtheid te denken; ppjïi, en in reinheid mijner handen, ook bij mijne daden was niets in strijd met de zedelijkheid, nsi 'rwr, heh ik dit gedaan, nl. dat ik haar tot mij heb genomen.

39

ocr page 87

3 KTI amp;

omnx quot;ion»I : TIJS m quot;n# rai ahp=

V ; • jt t v -jt t : - v s ~ ^ ^,T: ' T^Tquot; A ' Jquot; ^quot;'T

: nnirnK ^o'aNt n'p^ittin TinK gt;

-Vy no nan I1? loxn nVVn Di^na d^k

•• ^) : • v -- t :at - -« -;r P'-'v.quot;. * quot;•' quot; •)* v;

mp : ^3 n^3 Kini nnpVi^K nt^Kn ^

^ v.-IT j |v v -^-rr quot; it -n\ : v.* : t : I-t v -: -^t • it

^■quot;IQK Nin Nbn : jnnn pnrna ♦un n^Nn

- it lt; -: i -: i- i v,quot;quot; quot; j -: t ~: - - t a\' ••

rpjm oaVona «in 'nx nioK Ntn-DrK^m «in ♦rinx

hl: • : •)' T : , T : rA ■,quot; T j^T :qIT qJ* ' '• : * * ^

'DJN oa b7n3 o^n^n V7K ION'I : nKT r-wy *331

lt;• ,t -:.- • v:,t ; r ■■• ,quot; ' ■ j' v '■t

•nnisï ♦DitTDa -i^nxi nw n^y quot;nnnb-ann »3 ♦nri»

V | : 1 •)' it - I s : v it t ■gt;• I : it : t : lt;• • ^: -r

-nm 3^n nn^i : ya:1? ^nna-N1? ?3-^ ♦V-icano»

v iquot; lt;•• t t ~ : t iv j : • } y,- ~ : t ijquot; ^ -: iquot;

ÜI 3^0 ïwïtdkï n^ni n-iy3 Vbsn^i «in N»3a-*3 ^^n

^ • •• •* | ; iquot; • Aquot;: iv vf • i~ ■gt;quot; ' ' ''- jquot;_ t r • t

-ip33 03^*1 : nnK nión niDquot;»3n

Dn,3TK3 nbxn D^TV^T-IN quot;13T1 Vn3Vquot;S3l7 Nnp»'!

«sv ••: t : ^ V v.quot; t j' t ;- ^ t v^ .)••-;- tt*1: t . t|:--

iS -)0Nn Dnnsx1? ^0*3K : IXD D^iKn IKT»!13 ,n3i70D-'l7Vi nN3rr»3 n1? ^n^^n-noi n^jrnö

v.* : - : - 't t squot; •• r |t • -t t^ v t t lt;• ^t

: nsy n^ quot;itrK D^O nVna nxün1

j - r t t v' t tiquot; # -«v -: • ^-:i- at : -«t t-:

: nrn i3tn-nNt nn?y »3 n^i no omsN-VN

iv - jt r - v t v' •quot; -»■ t • t -«t at t : - _ v jv^v • -;

mn DipD3 D^ri^N nK^-r^K pn ^móx '3 ornsx noN»i ^

av - Kt- • v: j- : • I iquot; I -lt; • ; - t -•* t t ; -

■HN «in ^3Nquot;n3 ^nnx mox-Dai : WK -13-1-^ »3wini ^

|^- • t - lt;• -: t ; t -: r ; • j- : • v t-:i-

lt;nn wnn nt?K3 : n^S ^-nni *öN-n3 ^

^ : • sv -: i- • :- ,t * .*• v '. *• quot; a' ' ~ ^ ^

bx nar ^n quot;i^k thdh nr n1? 10^1 b^n^o

«v a' t v* • •quot; r.* -: i ••: - ■»••• t ■«- it • t -••• •

7. Jt'SJ. de verkondiger van het woord Gods, dat tot hem komt. — SSsm, opdat hij hidde. De eenvoudige toekomende tijd: en hij zal hidden moest door SSsmi worden uitgedrukt.

12. Sara wordt hier als Abrahams halfzuster voorgesteld, wat volgens Ibn 'Ezra slechts een voorwendsel van Abraham was, daar zij Gen. 11,31 niet als dochter van Térach genoemd wordt. Volgens de traditie is Sara en Jiska dezelfde persoon en was zij dus eene dochter van Abrahams broeder Haran en dus niet juist zijne zuster, maar toch zijne bloedverwante. Vgl. urax Dins dims 's, Gen. 13,8.

13- ippTIi zonder hekend einddoel dnen rondzwerven.

ocr page 88

GENESIS XX, XXI.

elke plaats, waar wij komen zullen, zeg van mij : (/hij is mijn

14 broeder.quot; Toen nam Abiemélech kleinvee en runderen en slaven en slavinnen, en gaf ze aan Abraham ; ook gaf hij hem

15 zijne vrouw Sara terug. En Abiemélech zeide ; «Zie! mijn land

16 is vóór u; waar het goed is in uwe oogen, zet u neder.quot; En tot Sara zeide hij : «Zie! ik heb uwen broeder duizend zilverstukken gegeven, dit zij u tot oogendekking tegenover allen, die bij u zijn; en tegenover een ieder zult gij gerechtvaardigd

17 zijn.quot; Abraham bad tot God ; en God genas Abiemélech, en

18 zijne vrouw en zijne dienstmaagden, zoodat zij baarden. Want de Eeuwige had eiken moederschoot gesloten in het huis van Abiemélech, ter zake van Sara, Abrahams vrouw.

1 De Eeuwige had Sara bedacht, gelijk Hij gezegd had ; en

2 de Eeuwige deed Sara, gelijk Hij gesproken had. Sara werd zwanger, en baarde Abraham eenen zoon in zijnen ouderdom,

3 op den bepaalden tijd, dien God gezegd had. Abraham noemde den naam van zijn zoon, die hem geboren was, dien Sara

4 hem gebaard had: Izak. Abraham besneed zijnen zoon Izak, toen deze acht dagen oud was, gelijk God hem geboden had.

5 Abraham was honderd jaren oud, toen hem zijn zoon Izak ge-

6boren werd En Sara zeide: «God heeft mij lachen bereid;

7 elk, die het hoort, zal om mij lachen.quot; Verder zeide zij : «Wie had Abraham toegezegd: Sara zal kinderen zogen ? en toch

8 heb ik hem eenen zoon in zijnen ouderdom gebaard.quot; Het kind groeide op en werd gespeend ; en Abraham maakte een grooten

9 maaltijd op den dag, waarop Izak gespeend werd. Toen Sara nu den zoon van Hagar, de Egyptische, dien deze Abraham ge-

10 baard had, spotten zag, — Zeide zij tot Abraham : «Verdrijf deze dienstmaagd en haren zoon ; want de zoon dezer dienstmaagd zal

11 niet erven met mijnen zoon, met Izak.quot; De zaak mishaagde

16. Zpyi]} rPp3. iets, wat voor u tot oogenbedekking, d. w. z. tot herstel van eer dient, tegenover allen, die hij u zijn. Anderen: eene bedekking van den schijn van (eig-. dekking tegen het aangekeken worden op) onkuischheid. Nog anderen; een verzoeningsgesehenk voor alles, wat met u geschied is. — rraji. De 1 dient tot verscherping der tegenstelling. Door de eervolle wijze, waarop gij door Abiemélech, die u niet eens heeft aangeraakt, zijt heengezonden, zult gij ook voor het vervolg tegenover leder van zelve gerechtvaardigd zijn.

Hoofdstuk XXI. 1. In de toezegging Gen. 17,15 vv. ligt Sara's „bedenkingquot; ; dit eerste versdeel dient tevens, in tegenstelling met het onmiddellijk voorafgaande, tot overgang op het volgende. Het tweede deel van het vers bevat eerst de mededeeling van de daadwerkelijke vervulling der belofte.

2. VjptS, in zijnen ouderdom-, anderen: voor zijnen ouderdom, vgl. Gen. 37,3, waar Josef, die ten hoogste zeven jaar jonger was dan Ruben, eveneens awp» p, de steun van Jakob's ouderdom, genoemd wordt.

40

6

ocr page 89

«3 3 ö

n^i : wn tik hdb' Kin: bipan-Vs ^

b 2^1 onnnx^ ]m rina^i bn.^i npni jnï aiö? nan ^vd^k iqn^ : iritf» n^ nx»

^nxb è]D3 «]•?« ♦nn: nin -iók nn^bi : iw ^3^3»° : nna'ii Va nNi -jnx VdV nips ^-«in nan TjVa^N-nN DvftK köti D^nVttn-VN on-jnK Sbsn'v ■73 n^3 nhquot; ivy vnndni intrtrnki ^

t *j~ : t : -'t lt; r r ,....- VT ; - ; ^ : • v ;

ninn d : Dnquot;i3N ni^K nity ,i3Ti?p tiVd^n oni«

•)T I- IT T : - V Jquot; V.TT j' : IV AV • -: Jquot; ; V

: -121 quot;lEteJ mty'? nin» vp) -iök -1^3 mirnK npö

,.. . jv -: I- vtt : OT : — at t -v -: i- v,tt q'-''T

-ör-iBte ni^iaquot;? vawb rs Dn-i3KI? miy n^rn nnm =

r.- • v -: quot; - Iv.quot; 4T t : - ; ^ STT •,•••- - - -.

■■ifN iV-n^ian laro^-nN on^tt jnpn : inK J quot;|3 ii3 pnx»-nx bn*i3K San : pnv» mty ib-nn^ ■gt;

I •• ; I jt : • v t t : - tlt;t- I it : • ^tt j t :it

quot;|3 djtoki * : dti^n inK niï quot;1^3 aw nim *

' '•m ^t t : - ; r v: v. JT' t r' ~: 'quot; A'T V !

laNni : 133 pnr vh n^ins n:^ nxa1 \)gt;ü ^a nartrii : ^-pnr ^a'^n-bs d^h^k ^ n^T pnï» bin : vaprV p mir □♦an np\rn ornnxbn

j-:- itI*..: • Uquot; • :j-t r ^1quot;1quot; ■, T It r •• t t: - :

: pnxmK ^aan dv3 ^ina nntra Dn-i3N t^y»i ^aai n^n

I it : • v jquot; r : r -•.•:• t t : - «.lt;— a- t * - •.%••• -

nn-DN1? myniTK nnxan -lan-rs-nK rnfr ^ni°

^T t : - : jt ; it v -: r : • - st t I v ^ v ^ t t

♦3 na3-i-M nN-rn naxn ^ia Dni3Ni? naNni : pnva^

■*• AT : V ; v quot; jt t IT .)quot;T t t ; - : v - I iquot; - ;

quot;i3in yy) : pnvo^ »a3-Dy ntün naKn-?3 n1? ^

■)T T ~ -r- I IT I • V* • * - JT T IT I V - • «

6- Dim, lachen van blijdschap bij haar zelve, van verwondering en spot bij anderen. Hier wordt niet eene nieuwe aanleiding tot den naam van den jonggeborene opgegeven, maar het is eene uiting van het volle moederlijk geluk der hoogbejaarde Sara. Evenmin staat de naam van Izak in verband met Jishma'els spotten (21,9), maar werd door Abraham aan zijnen zoon gegeven ter uitvoering van het Goddelijk bevel, Gen. 17,19.

8. Het speenen geschiedde op het einde van het tweede of in het begin van het derde levensjaar (Talm. Gittien 756, vgl. I Sam. 1,23 v.v.).

9. pTOO. spotten, honen-, v. s. Izak uitlachend, die als de jongste toch

niet de aangewezen erfgenaam van Abraham zoude zijn. Daardoor wordt Sara's eisch (vs. 10) nog begrijpelijker.

ocr page 90

GENESIS XXI.

12 zeer in Abrahams oogen, ter wille van zijn zoon. Maar God zeide tot Abraham: „ Laat het niet mishagen in uwe oogen om den jongeling noch om uwe dienstmaagd; in al wat u Sara zeggen zal, luister naar haré stem; want door Izak zal

13 u kroost genoemd worden. Doch ook den zoon der dienstmaagd zal Ik tot een volk maken, omdat hij uw kroost is.quot;

14 Toen stond Abraham 's morgens vroeg op, nam brood en een lederen zak met water, en gaf het aan Hagar — het op haren schouder leggende, — en het kind, en zond haar weg. Zij

15 ging heen, en dwaalde in de woestijn van Beër-Shéba'. En het water uit den lederen zak raakte op, toen wierp zij het

16 kind onder een der struiken. En zij ging en zette zich daar tegenover, verre af, als de afstand van een boogschot; want zij zeide: //Ik wil niet aanzien het sterven van het kind.quot; Zoo

17 zat zij daar tegenover, en verhief hare stem en weende. En God hoorde de stem van den jongeling; en een Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel en zeide tot haar: «Wat is u Hagar? vrees niet! want God heeft naar des jongelings stem

18 gehoord, daar waar hij is. Sta op! hef den jongeling op, en ondersteun hem met uwe hand ; want Ik zal hem tot een groot

19 volk maken.quot; Toen opende God hare oogen en zag zij eene waterwel; zij ging heen, vulde den lederen zak met water, en

20 gaf den jongeling te drinken. En God was met den jongeling, en hij werd groot; en woonde in de woestijn, en werd een

21 boogschutter. Hij vestigde zich in de woestijn Paran ; en zijne moeder nam hem eene vrouw uit het land Egypte.

22 Het was om dezen tijd, dat Abiemélech en Pie-chol, zijn legeroverste, tot Abraham zeide, als volgt;

23//God is met u in alles, wat gij doet. Welnu, zweer

12. pnra ^ enz. Door Izak zal u kroost ten deel vallen, dat uwen naam draagt en de daaraan verbonden zegeningen door alle geslachten heen deelachtig wordt.

14. quot;iSvi iWgt; afhankelijk van jm, niet van rnssü Sr oir. Vgl. Gen. 43,15. Jishma'el was ± vijftien jaar oud en kon dus niet door Hagar schrijlings op den schouder gedragen worden, evenmin als op de aangehaalde plaats de broeders Benjamin, evenals het geld, in de hand nemen. De woorden naa» Ss dü zijn dus als tusschenzin te beschouwen. — = nynni. van nrn, niet van rrn. — iVti. Een löjarige wordt hier

•h, kind genaamd; Gen. 27,30 is dit het geval met den zeventienjarigen Josef. De verhouding van den levensduur toen en thans (120 en 70 jaar) maakt dit begrijpelijk. De leeftijd van 15 a 17 jaar komt overeen met dien van een kind van 8 a 10 jaar bij ons. —• rac? ins lama, in de woestijn van Beër Shéba', zooals de nabij liggende stad later, vs. 31, genoemd werd.

16. riCp ,Tnt303) evenals zij, die met een boog schieten, zich van hun doel verwijderen. Zij wil het sterven van haar kind niet aanzien, maar haar knaapje toch ook niet uit het oog verliezen en zet zich dus tm», tegenover de plek, waar hij ligt, op een gemimen afstand.

41

ocr page 91

S3 KT1 «Ö

annnK-^ : m nniw ^ DïTpK nxa ^

^J?N na^n lè'N bs ^ON-^i quot;i^rr1?)? yr#3 VT^** quot;{rriN Dii : jnr^1? pn^3 »3 nVps

1p33 I Dnquot;l3« D3t^1 : Kin ^IT »3 mWH nüNn^

r quot; •,tt:' .-quot;■ quot;. pp'L'1 :quot; /■■■ ■'s lt;Jj:19itt,t

quot;iTn-nNi noaty-1?^ DIT irnK rn'i D^Ö nanionrnp»!

•.\v- v ; ot ; • st tt v i jquot; • - • - - •• ; v v i---

-p D^on ^3»i : vzw quot;)N3 quot;13103 jmni -ibm nnbtr^i»

1 • , ^V, 9' : •quot; IT : - IV * T*v: - :■-

3^1 -jbni : Dn^nnnKnnn i^n-nK npnri« nio3 rrnöN »3 nirp ♦inE3ö3 pmn uio nb

j : v - t : it -•• v |v t- : • 1^ •• : - vv • t

Erribt* ^0^*5 : nbp_nN trtrrn i^p 3^ni iVnquot; D^fn'IP njn-bx i D^ribx Knp»i n^ari bip_nNï Vip-bs D^ribK yöir»3 quot;iin quot;nb-nö rh quot;iö^i

\j v 4' v; s' t r * ; j- - att I-^t - ^t v j -

TIN ♦pvnni n^sn-ns w ^ip : oty-Nin 1^X3

] • r —. i-y quot;quot; quot; v -•• : • i lt; it ^v -: i- -

n^nx D^ribsi npsn : ISD^K Sina 13 -nt? p^ni d^ö hmirm «bprn, -jbrn. d^d ins xini nins3 3^1 bin -lyrrnN D^K

V :- t ; • - v ••- at: - - v ^ v; s* ;- ^it -

n^N isx iVnpm pMö -13-103 3B',,i : mp n3n«

^t •) * J i- * - iat t -»-:•: vv.*- it i- jv

a * : Qnvo pNp

Dnquot;i3«-i?N i^3rWi sinn n^3 .♦nn =

vr t :^ - v t : - | v v • -: v j t • : -

n^3f n nn^-i : nfety nnN-i^N bss d^k -iax1?«

is. 13 it1 na ^rm, letterl. maak uwe hand sterk aan hem, toon de kracht van uwe hand, door hem te steunen.

19. *W3. «ene wel, hetzij van zelve ontsprongen of door mensehenhand gegraven; iia een gemetselde regenbak.

20. ntrp rm letterl.: een werper (rei = aai), namelijk een loogschutter; met Kimchi ntm = n^p te verklaren, verbiedt de tui, die het tot eene

tl- v i*

persoonsaanwijzing stempelt. Anderen: en hij werd als jongeling een boogschutter; nog anderen: hij werd een leermeester voor boogschutters, nfp dan als voorwerp bij rei opgevat.

21. 3t5f*1. In vs. 20 wordt zijne verblijfplaats tijdens zijne ontwikkeling aangegeven; eenmaal volwassen, bericht vs. 21, vestigde hij zich voor goed in de woestijn.

ocr page 92

GENESIS XXI, XXII.

mij dan hier bij God, dat gij tegen mij, noch tegen mijne kinderen, noch tegen mijne kleinkinderen, leugenachtig zult handelen; gelijke genegenheid, als ik u bewezen heb, zult gij mij bewijzen, en aan het land, waarin gij u opgehouden 25 24 hebt.quot; Abraham zeide ; «ik zweer.quot; Doch Abraham berispte Abiemélech wegens de waterwel, die Abiemélechs slaven ge-

26roofd hadden. Maar Abiemélech zeide; «Ik weet niet, wie deze zaak gedaan heeft; ook gij hebt er mij niets van medegedeeld ; en ook ik heb er niets van gehoord, dan op heden.quot;

27 En Abraham nam kleinvee en runderen, en gaf ze aan

28 Abiemélech; en zij sloten te zamen een verbond. Abraham

29 plaatste zeven moederschapen afzonderlijk. Toen zeide Abiemélech tot Abraham: «Wat beduiden hier deze zeven schapen,

30 die gij afzonderlijk geplaatst hebt ?quot; En hij antwoordde: «Dat gij deze zeven schapen uit mijne hand zult aannemen, opdat het mij tot getuigenis zij, dat ik deze wel ge-

31 graven heb.quot; Daarom noemt men deze plaats: Beër-Shéba',

32 want aldaar hebben zij beiden gezworen. Zoo sloten zij een verbond in Beer Shéba'; daarna stond Abiemélech en Piechol, zijn legeroverste, op en keerden zij terug naar het land derPhilis-

33 tijnen. Hij (Abraham) echter plantte geboomte in Beër-Shéba', en verkondigde daar den naam des Eeuwigen, den God aller

34 eeuwigheid. En Abraham hield zich in het land der Philistij-nen langen tijd op.

1 En het was kort na deze gebeurtenissen, dat God Abraham op de proef stelde en tot hem zeide; «Abraham !quot; en deze

2zeide: «hier ben ik!quot; Hierop zeide Hij: «Neem toch uwen zoon, uwen eenigen, dien gij bemint, Izak, en begeef u naar het land Moria en breng hem daar tot brandoffer, op een van de

3 bergen, dien Ik u zeggen zal.quot; Abraham stond des morgens vroeg op en zadelde zijnen ezel en nam zijne beide jonge bedienden met zich en zijnen zoon Izak; hij hakte brandoffer-hout, en maakte zich op en ging naar de plaats, die God hem

4 hem gezegd had. Op den derden dag, toen Abraham zijne

5 oogen ophief, zag hij de plaats van verre. Toen zeide Abraham tot zijne jonge bedienden: «Blijft gij hier met

23. ^pcn, leugenachtig-, trouweloos handelen.

31. DIpoS; diz plaats, waar de bron is en de eed plaats had; Gen. 26,33 wordt ook de nabijgelegen stad Beer Shéba' genoemd, naar aanleiding van de bron Shib'a, die Izaks herders daar vonden. Robinson heeft inderdaad niet één, maar twee diepe, heldere bronnen op die plek gevonden, die nog den naam: verwenschingsbron dragen (Delitzsch).

Hoofdstuk XXII. 1. HDJ. Op de proef stellen-, eene menschelijke uitdrukking, van God gebruikt. God stelde Abraham in de gelegenheid, te toonen, dat ook het hoogste en dierbaarste door hem, op Gods bevel, in Zijn dienst zou worden opgeofferd.

42

ocr page 93

2D X3 xyi 20

-quot;1^« noro ^ -iptyn-DK nsn b^rtbxn »S

gt; '•■ quot;S ■•■■•'quot; A : ■■•: ^ : ' |j: ': ' Tquot; , '

quot;ion'I : na nnnri^K pKn-o^i nt^n ^

hiiK-^ -ibo^K-nN nmnx nsim tpnamp;ti quot;DIN annm™

~- IV A'.' • -: v VT T : - #- r ; ^ iquot; t • V quot;T t t : -

KV quot;nba^K quot;iük»I : rj^nti nny ibn D^an -)N3«

J I... ... . -. ... j- ^ |....... . -. j...r. ^ ;|T JV _ j.. .

DJi ♦'•? m^n-N1? nriN-D3i nin nnin-nK n^y ♦n 'nvi»

s-: • t t - -: av- t - v v.t't r • ^: -t

fn'nèni ?KÏ omnK npn : arn ♦nVa ♦nva^ KV b:Kquot;

iv.quot; • - ' t t i -j t t: - 1«— i- y -. • * : ^~ t ^ •)• it

jnirnK DrnsK nï'i : nna imD^i ™

- •)••• v t t ; - i* ; (,•-• •• : j : : -- )•-• av • -:r

naii na Dm2K_1?N nVa^K noKn : p-nb jKïn nt?23 ^

t •• jt at t : - V I v vv • *-• J- IIV ; - ; I v. quot; v : •

-m *3 noK^i : nnnV nnn ntrx rn^xn hirna

*lt; v - t it - : t^ : -»*.■ -: v •• t t : ^ - lt;v

♦msn '3 nn^V Vn^nn n4o npn ntbaa vnamp;

' Hquot; t j* t^** : J* v : r - at- Ij.-- t : ^

pnv ns2 Kinn DipaV Knp rr^ : nK-rn nxan-nK ^

at jquot; : ^ - ij t- otit i quot; i - jquot; : -

Dpn -IK33 nnn imD4quot;! : Dn^ir waty: Damp; gt;3*

i tjt~ ~ at ; j . . .- ,v ^ . t r

ym : D^ri^ö pK'VK 13^1 iK3rn^ Vb'öi

quot;iaquot;i : VJNÏ nin» D^3 Di^tnpn ^3^ 1K33 VITK-'1'

tst- it ^ Jquot; v.t : r' : t ti ; • - ^ - at -••• : • v

s * : D'3n a^n^bö pK3 Dnn3K quot;iQKn Dnquot;i3K_nK na: a^nb^m nbxnan3in nnK DD

... j- at t :^— v {.t -p • v:jt : v •• t j* t : - - - • ;-

^quot;i^n^-n^ ^3quot;nK «rnp. naxn : ^sn ivw) annsK vVk = in^ni nnan f^'Vx pnvnJS nanK-i^K Dnn3N D3amp;*): yïx lax im annn irk ^ nS'vb bty ^

t t : - •• : —^ i iv •• j- V.V -:^ • t iv - ^•lt; ; t

pnr nxi inK np'i i-iarrnx -ipija

lyiaK-n^N ai^an-bK DpTn nVy ^ J^pan. 1:3 ■nK Kin vyrnN am3K xm av3 : a^nbKn^

v ^ :j— .)t v st t : - t f' ~ ' ' ' '^ quot;* quot; '* v:,t

■d^ ns 03^31? vnpr^K aniax naxn :pnna aipan*

* Jquot; t i : t t : V t t : - v - I i tiquot; Ut-

2. -jtit. Uw eenigen, uit uw eigenlijk huwelijk metSara geboren zoon;

niet: uw, na Jishma'ela verdrijving eenig overgebleven zoon. — rrnisn in, zooals uit II Kronijken 3,1 blijkt, de hoogte, waarop de schuur van Arawna stond, de latere tempelberg, hoewel deze overal elders Tsion heet.

ocr page 94

GENESIS XXII.

den ezel, terwijl ik en de jongeling gaan tot ginds; en wij willen

6 ons nederbuigen en dan tot u terugkeeren.quot; Abraham nam het brandoffer-hout en legde het op zijnen zoon Izak, terwijl hij in zijne hand nam het vuur en net mes; en zij gingen beiden

7 te zamen. Toen zeide Izak tot zijnen vader Abraham, en zeide; «mijn vader!quot; en deze zeide: «Hier ben ik mijn zoon;quot; nu zeide hij : «Zie, hier is het vuur en het hout, doch waar

Sis het lam tot brandoffer?quot; Abraham zeide: «God zal zich het lam uitzoeken tot brandoffer, mijn zoon!quot; Zoo gingen zij

9 beiden te zamen. Toen zij nu kwamen naar de plaats, die God hem gezegd had, bouwde Abraham daar het altaar, ordende het hout en bond zijnen zoon Izak en legde hem op

10 het altaar, boven op het hout. Reeds strekte Abraham zijne hand uit en nam hij het mes, om zijnen zoon te slachten; —

11 Toen een engel des Eeuwigen hem van uit den hemel toeriep en zeide : //Abraham ! Abraham !quot; En hij zeide : //Hier ben ik !quot;

12Nu zeide hij: //Strek uwe hand niet uit naar den knaap en doe hem niets; want nu heb Ik erkend, dat gij godvreezend zijt, daar gij Mij uwen zoon, uwen eenigen, niet onthouden

13 hebt.quot; Toen nu Abraham zijne oogen ophief, zag hij en zie: een ram; daarna werd deze in de struiken vastgehouden bij zijne horens; toen ging Abraham en nam den ram en bracht

14 hem tot brandoffer, in plaats van zijn zoon. En Abraham noemde den naam dier plaats: «de Eeuwige zal zien!quot; waarvan nog heden gezegd zal worden : «Op den berg des Eeuwi-

15 gen zal gezien worden !quot; Hierop riep een engel des Eeuwigen

16 Abraham ten tweeden male toe uit den hemel. En zeide: «Bij Mij zelve heb Ik gezworen, spreekt de Eeuwige, dat daar gij deze zaak gedaan hebt, en uwen zoon, uwen eenigen, niet

17 onthouden hebt; — Dat ik u zegenen zal en uw kroost talrijk zal doen worden, als de sterren des hemels en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw kroost zal erven de poort

18 zijner vijanden. En met uw kroost zullen alle volkeren der aarde zich zegen toewenschen, als belooning ervoor, dat gij

19 geluisterd hebt naar Mijne stem.quot; Nu keerde Abraham terug tot zijne jeugdige bedienden, en zij maakten zich op en gingen te zamen naar Beër-Shéba'; en Abraham bleef wonen te Beër-Shéba'.

13. TIN. daarna, vgl. Gen. 18,5 e. a. p.; anderen: op dm achtergrond-, daar echter injO een verleden tijd, geen deelwoord is, schijnt de eerste opvatting juister.

14. rWT 'D noemt Abraham de plaats, in dezen naam de herinnering aan zijne eigen woorden (vs. 8) vasthoudend. — rusr 'n tu. „Op den berg des Eeuwigen zal gezien worden,quot; dit offer, evenals de later door Israël

43

ocr page 95

33 ay) aa

: Dr^Krai^i mnnmi ria-ny i^ani ^ni nónn

iv •• -: t ^ t: vvquot;: •' : ' :^ : iquot; quot; - - : •J^-: r i-

its np*i 133 pnï^-Vv D^ii n^n 'xv-nN Dni3N np^i1

t : U— ^ : I jt : • v t- t^it v t t: - I---

prir iox^ : on»:^ n^NsrmNi trun-nN»

It:* v - it : - •• : j :iquot;- vav -: i- - v : r

rnn io^^i »33 no^i ♦is: io^i V3N Dnquot;)3K-i?N

«•• • v - a' : ^ *Jv ^ v v.- • t v -- • t *t ti -

D^ribN Drn3K quot;IÜK'I : nV^b n'^n nw a^v^ni ^NH n

v: t t : - v - it t c •* quot; jquot; - : * : •• t

-VN ^3»I : nn^ on»:^ 13^1 ^3 nb^1? ntrn IV-HKT «

t- ^ it;- v.quot; quot;: ^ J :•quot;- *' ■ iT : •»••• quot; ^ quot; :•

nstan-nN Dn-i3N Dt^ \y) b^n^n ib-iQN oipan

v t t : - «t I v • - • v:^it •» - it -••.• -: It-

niTsn-^inK pnv*quot;nK tpjn D^^htn n^KörrnK np»i ittin brroKnVisM : VpsD'

vav —: 1— v 1^— t v t t: - lt;- ; •- i* ''it v *

D^birn-ra nin» -IN^D V^K Nip»1! : I:3TIK dn^1? ^

V ^quot; • - t - i • t : |«- ; - t •• tl: - 1 : v v *• *

nbtfrrVK la^i : ♦aan Dm3N 1 Dm3K ^

i :it lt;- : * - v - -iquot; • v ^ - at t : - -«t t; -

d^k Kn^-^a nnjr 1 »3 hoiko ib '^n-VNi nyan

, • v: r • ~ -t -«t^- ••• t a ; ^ quot; j~ - :

Dnquot;i3K K'^i : ^DO nn^n^-HK ^33-nN n3Bgt;n NVI nnK ^

t t : - t • - • iv • ^ I : r ^ v ^ P * v t^: -r t j : t -

i'rp3 V1*}- sj-n vi^-nx

Nnp'i : 133 nnn rbvb in^'i S^rrnx np'i bm3K ^

stI;*- 1 : - j- ^t : r*— • - t v I-»— t t; -

quot;)n3 Di»n quot;laxquot;1 nx-i» 1 mrr Ninn oipan-DB' Dm3«

jquot; : - ■quot;' tiquot; v -: av :* jt : v - ut- iquot; -jt t ; -

■p Dm3Kquot;^K nin» •nxbo Kip'i *: nxquot;i* mrr«

^ i at t : - v ^t : \j' : ' oti: • - iv tiquot; \,t :

rmy I^K *3 nin»-DK3 ^3^3 »3 iö^I : D^DBT»'0

t • t lt;v -i |^--lt; • at ; •. : * 1 ^- ; * r '.• - * it t -

,n*i3quot;*3 : ^Tn^-nx ^33-nNi n3^n n^i riïn n3irmK

l—t I* ( |iv • ; V j) : • ^ v t : v.- t j : v^- -«t t -

istk bin3i D'jb^n *33133 ^quot;irnx n3iK n3ini -p-DN

v,v -; - : • - t - -••• ; i : | -: :- v lt;v ; - t : - ; | : vit -;

'i^quot;iT3 i3quot;)3nni : vtn nx trn^i Dsn 01

^1 ; : -* -:it : • : it : i - j- v.quot; i • ï' at- -•-: -

anquot;i3N 35yii : ^p3 njrot^ quot;1^ 3pi; rnxn «13 Vsc,

t t; - tlt;t- 1* i : t : t j\' -: iv^1* | vat t -'•• v.

Dnquot;l3H quot;3^1 ^3^ n«3-l?Ni m 13^1 1Dp»1 V^3-bNJ

ct t : - v jquot;- — at -*•• ; v ^t : - j :!••- Ir-.t- t~r:

a • : yw quot;IK33

- it jquot; : •

te brengen offers, die immers na den tempelbouw alleen daar zouden mogen gebracht worden (Deut. 12,11). Anderen; op den berg, waar de Eeuwige verschijnt.

ocr page 96

GENESIS XXII, XXIII.

20 En het was na deze gebeurtenissen, dat aan Abraham medegedeeld werd, zeggende: «Zie! Milka ook zij heeft uwen

21 broeder Nachor kinderen gebaard. 'Oets, zijnen eerstgeborene, en Boez, diens broeder, en Kemoeël, den vader van Aram.

23 22 En Késed en Chazo en Pildash en Jidlaf en Bethoeël. En Bethoeël heeft Rebekka voortgebracht; deze acht heeft Milka

24gebaard aan Nachor, den broeder van Abraham. En zijn bijwijf, wier naam was Reoema, baarde ook: Tébach en Gacham en Thachash en Ma'acha.

De leeftijd van Sara was honderd zeven en twintig jaren;

2 dit waren de levensjaren van Sara. Sara stierf in Kirjath-Arba', dat is Chebron, in het landKena'an; en Abraham kwam

3 om over Sara rouw te bedrijven en haar te beweenen. Vervolgens stond Abraham op van voor zijne doode, en sprak tot

4 de kinderen van Cheth aldus: «Een vreemdeling en bijwoner ben ik bij u; geeft mij een begraafplaats in eigendom onder u, opdat ik mijne doode van voor mijn aangezicht begrave.quot;

5 En de kinderen van Cheth antwoordden Abraham, zeggende

6 tot hem: „Hoor ons, mijn heer! gij zijt een goddelijk vorst in ons raidden; in de uitgelezenste onzer begraafplaatsen begraaf uwe doode; niemand onzer zal zijne grafstede u onthouden,

7 om uwe doode te begraven.quot; Toen stond Abraham op en boog zich neder voor het volk des lands, voor de kinderen

8 van Cheth. En hij sprak met hen aldus: „Indien het in uwe bedoeling ligt. dat ik mijne doode van voor mijn aangezicht zal begraven, hoort naar mij, en dringt voor mij aan

9 bij 'Ephron, den zoon van Tsochar. Dat hij mij de spelonk Machpéla geve, die hem toebehoort, die namelijk aan het einde zijns velds is; voor het volle geld geve hij haar mij in uw

10 midden tot eene begraafplaats in eigendom.quot; 'Ephron nu zat

20. Als inleiding- tot hoofdstuk 24, waartoe cap. 23 slechts den overgang vormt (zie 24,67), staat dit familiebericht hier.

21. Kemoeël is waarschijnlijk stamvader van een jongeren tak van het Araraeesche volk, zoodat 'onze plaats niet in strijd is met Gen. 10,22, waar Aram onder de zonen van fcihem wordt genoemd.

22. quot;ItJO is niet de stamvader der oude Kasdiem (Chaldeërs), maar van een Nachorschen stam, die misschien denzelfden naam droeg.

Hoofdstuk XXIII. 2. iTIp is de oudere naam der later Chebron

fenoemde stad; Arba' was de naam van een tot het reuzengeslacht be-enoemde stad; Arba' was de naam van een tot het reuzengeslacht be-

oorenden beheerscher der stad (Jos. 14,15; 15,13), die zeven jaren vóór Tso'an in Egypte gebouwd werd (Num. 13,22). Op grond van laatstgenoemde plaats meenen sommigen, dat de naam ra-is n^p (Gen. 35,27 imp jaisn) zijn oorsprong vindt in de aanwezigheid van de daar genoemde vier Anakieten. Delitzsch vermoedt: stad der vier districten. — sïi. Naar

44

ocr page 97

3D 3D mi? Kin ID

rnV nan inxh Dmnxb nan nb^n onDTi nntt ™ =

t:it •• • a •• vt t : - : j~\~ v •• t j't :- •—: r * :~

tidtiki 1132 fw-nK : i'nK nnj1? D^D Kin-Da nsbo «

•» v ; ^ : i j ••* | •' t j r: v,' T ■*' jt '

iirrnKi -i^D-nKi: dik ♦dk bNiDp-nxi vriK = n^N nibt^ npDi-nx nV VNimi: ^Nina nw eib^-nKi»

v •• jt : i at: • v -«-t y,quot; : iquot; : ^ (at ;• v :

n^ninoiKnnotyii^'fii: oninK iin:b niba mV-13

•.•lt;••- at : jt : ^ - r it t ; - ^ r -: v, t : t : gt;quot; •jt:it

a : nDgovw ^nri-nNquot;! Dnrn«i n3L3-r)« Nirroa ns:v onfew r\:v hnd ni^ »n Vn»i«

^quot;: a* t ^ ••*•.• : i.t t r: quot; : ^t t jt quot; tt •quot;'' ;r-

p«3 |iquot;i3n Kin ysiK nnps ni^ noni :nn^ «n 3 Vpo Dnquot;i3K bpn : nhb^i quot;Tsd1? Dni3K k^i r^3j

quot;v-•• t t : - I tt- it : • : V,tt : j : • t t ; - t- I^-at :

D3Djf s^inria : noK^? nn-^s-^K iyr) ino ^ö-1 nn-^3 i:ri •• ^abo »no mapKi DDD^ n3p-wnN ^ i:nquot;

^ •»•• •• : s^'u— it^t : • V.' quot; jt : \ : v : v t^' vlv - -; lt;• :

nnK D^ribtt quot;iiK i i^Qty : h ioK1? Dni3Kquot;nK1

t - lt;• v: • : • -: '-'••t : i j quot; v,t t: -

i-i3p-nK lasö tr^K ^no-nN nap i:n3p quot;insos WDina -d^1? inn^'i ditok opn : nno quot;iapa nan nbD^K1?»

; j- : • - ot t : - i tst- | iv •• j i; • ^ p : * jv : * i

DDK'firnK t^-DK -iaxb nnx nam : nrrwb rnxnn

v : : - v jquot; * a •• v.t • jquot; -: - ^ ...... * i 'at t

: inrfs jiifl^a ^'i^öi ^iyoip 'riD~nK iap1? mntr nvpa im I^-I^K nböDsn nn^a-nx ^-rnnD

aquot;t -quot;quot;l: • V,v quot; quot;■ t - *-*t : v *1 •.*•;

zw riiö^i : iDp-nrnx1? Drains 'b min^ CIDDD'

v.- 1 J: '• : v 1 it - •-, -: i- : i : •)• tjv : • quot; t )v :

de Midrash-opvatting dat Sara onmiddellijk na het in het vorige hoofdstuk verhaalde stierf, beteekent syi, dat Abraham van Beer Shéba' naar Chebron kwam. Niet onwaarschijnlijk echter moet Sara's dood ongeveer twintig jaar na Izak's offering geplaatst worden en was Abraham intus-schen naar Chebron verhuisd, sn beteekent dan: hij ging naar binnen in de tent (vgl. Recht. 6,19; Jes. 26,20). Natuurlijk nam ook Izak aan het rouwbedrijf deel en wordt als hoofdpersoon alleen Abraham genoemd.

4- acini quot;U. Ik ben een vreemdeling, die evenwel reeds langen tijd onder u woont. — tap n»ns, een graf in eigendom, niet alleen het verlof zijne doode te begraven, maar een graf, waar het lijk ten eeuwigen dage zal blijven rusten.

9. «SO «p33, voor het volle geld, d. w. z. voor zooveel als zij waard is

(I Kron. 21,22), niet: voor vohoichtig geld.

ocr page 98

GENESIS XXIII, XXIV.

tusschen de kinderen van Cheth; en 'Ephron, de Chittiet, antwoordde Abraham, ten aanhooren van de kinderen van Cheth, voor allen, die de poort zijner stad inkwamen, zeg-

11 gende : ;,Neen, mijn heer! hoor mij : het veld geef ik u, en de spelonk, die daarin is, u geef ik haar; voor de oogen der kinderen mijns volks geef ik ze u, begraaf uwe doode.quot;

12 Toen boog zich Abraham neder voor het volk des lands.

13 En hij sprak tot 'Ephron, ten aanhooren van het volk des lands, aldus: «Zoo gij mij toch wildet aanhooren ! ik heb het zilver voor het veld [reeds] gegeven; neem het van mij,

14 dan zal ik mijne doode aldaar begraven.quot; 'Ephron antwoordde

15Abraham, zeggende tot hem: wMijn heer! hoor mij: een land

van vier honderd sikkelen zilver, wat is dat tusschen mij en

16 u ? begraaf slechts uwe doode.quot; Abraham hoorde naar 'Ephron, en Abraham woog aan 'Ephron het zilver toe, waarvan hij gesproken had, ten aanhooren der kinderen van Cheth, vierhon-

17 derd sikkelen zilver, bij den koopman gangbaar. Zoo bleef dan het veld van 'Ephron, dat te Machpéla is, hetwelk vóór Mamre ligt, het veld en de spelonk, die daarin is, en al de boomen, die op het veld zijn, welke binnen al zijne grenzen

18 rondom stonden; Aan Abraham als aankoop voor de oogen van de kinderen van Cheth, van allen, die tot de poort zijner

19 stad ingingen. En daarna begroef Abraham zijne vrouw Sara in de spelonk op het veld Machpéla, voor Mamré, dat is Chebron,

20 in het land Kena'an. Zoo bleef het veld en de spelonk daarin aan Abraham, tot eene begraafplaats in eigendom van de kinderen van Cheth.

t En Abraham was oud, gevorderd in jaren: en de Eeuwige

2 had Abraham in alles gezegend. Toen zeide Abraham tot zijnen dienaar, den oudste van zijn huis, die al het zijne bestuurde: «Leg

3 toch uwe hand beneden mijne heup ; Opdat ik u doe zweren bij den Eeuwige, den God des hemels en den God der aarde, dat

10. ITJ/ ll/C 'JO SdV in tegenwoordigheid van alle stadsbewoners, die in de poort kwamen ter volksvergadering, ir» w-ït (Gen. 34,24) be-teekent eveneens: allen, die uitgaan naar de stadspoort.

11. Hoffelijk geeft 'Ephron te verstaan, dat de spelonk alleen door hem niet wordt afgestaan. Het geheele aanbod (Tim, zonder betaling) is niet ernstig gemeend; 'Ephron weet blijkens vs. 15 zijn belang goed te behartigen.

is. 'jpnif iS nnx dx ik. Ik neem uw aanbod aan, doch (^s) slechts indien (dn) gij als het u helleft (iS) naar mij luisteren wilt, slechts onder de volgende conditie: Tru, ik heb reeds eene som bepaald, neem die aan.

15. Waarop 'Ephron een hooge som noemt, schijnbaar nog altijd verkoop afwijzend. — Nin no quot;[ïoi va, wat heteekent dat tusschen u en tui/? De som is te onbeduidend voor u om ze te geven, voor mij om ze te nemen!

45

ocr page 99

■D 3D mt? «n nD

nn_,p^TK3bn^aK-nNwn nn-^a ^jins

^nnirnt^n ^iro^ ^-IK-N1? : -IDK1? iTjnjn? VD1? ^

• J-T VT quot; ' T : •*' ~: I i quot; V. • T » %

-]bT ri^nn: nrnni ^ irn^x nn^ani ^

quot;)3Ti.: pNiTD^ ♦ifl1? onnsN :?|no ^ C]p3 ♦nni np«quot;DK T]K quot;ion1? p«n-D^ ^ms

tik rnsv rv'i : nai^ ^-iotik m3pKgt;i ^óö np 'mtwr

,1 1*5- ^ T1Tq l,quot; .quot; jt : : ■•■•.• l|jquot; ■•■t quot;

nKD ^31K pK 'tym 'pi* : 17 quot;IQK? Dnquot;l3N10

quot;bN dtonV?^. : fino'nKi Kirrno yjr3i ^3« ♦:m3 121 im e]p3nquot;nK brn3N ^»1 'jna^

nn^'D^n *:nnD1? 13^ «]D3 hiNO nn-^S'1 nT^ani nn'^n tnoo ysh h^össs pns^. : 3*3D iS3r^33 nt^K rnEgt;3 itrtsi i3n^«

i t v -. : t : jv -: vt - Jv -: | quot;•• t t ; v -:

-nnKi; ^3 ^3 nn-^3 njpob on^K1?quot;'

••-: I- : , r. *. 1- j.. T ^ : A** •• : •quot;• quot;• : ixh • : JT^T : -^: C

nVssan in^N Dn*i3K n3p p

•)t - squot;; : v jt t v t t : - - it i ••

n^srn n%n d^I :|^3 pN3 jnsn Kin NTO 'JÖ'quot;?^3 Drmw D : nn-^3 nxo *i3pquot;nTnï6 Dnquot;i3Nb «

^t t : - : iquot; •• : quot; v Iat -*-. -ir v.t t : - : •» v -:

Drn3N quot;lON'l ; l733 Dm3Kquot;nN -113 mnn 0^*3 «3 JpT 3

t t : - v j - i - V.t t : - v I-»-quot; -iT r A'Tgt;' ''**T

nnn ?|Tt Nro^ b^Dn in^s |pj iis^'bx

nirK pxn ♦ril?Ki n'Q^n ^VN nin»3 : wj

v -: 1 vat t Vquot; •quot; * - t - -•quot; v: t r rquot;. r ••;

16. luisterde, d. w. z. hij begreep 'Ephron. — -noS lar. Hoe

wel gemunt geld nog niet voorkwam, schijnen de kooplieden hunne baren zilver gemerkt te hebben als teeken van volwichtigheid. Misschien werd daarbij dan ook verschil gemaakt tusschen grootere en kleinere baren en laten zich de namen Spi' en ncicp (Gen. 33,19) op die wijze verklaren.

Hoofdstuk XXIV. 2. n3J? SjC. Eli'ezer, die 15,2 de bestuurder van Abrahams huis genoemd wordt. — •ot nnn, een eed bij de heiligheid der besnijdenis. (Zoo heeten nakomelingen: -pin inïv). Ibn 'Ezea beschouwt het als een teeken van onderworpenheid. Rashbam verklaart het feit, dat zoodanige eedsaflegging alleen hier en Gen. 47,29 van Josef tegenover Jakob voorkomt, dat deze wijze alleen in zwang was bij kinderen tegenover ouders en slaven tegenover hunnen heer, terwijl anders handslag of stukkenverbond de gewone wijze van overeenkomst zou zijn.

ocr page 100

GENESIS XXIV.

gij geene vrouw voor mijnen zoon zult nemen uit de doch-

4 teren van den Kena'aniet, in wiens midden ik woon. Maar dat gij naa' mijn land en mijne geboorteplaats zult gaan, en

5 eene vrouw nemen voor mijnen zoon, voor Izak.quot; Hierop zeide de dienaar tot hem : «Misschien zal de vrouw mij niet willen volgen naar dit land; zal ik uwen zoon dan terugvoe-

6 ren naar het land, van waar gij zijt uitgegaan ?quot; Toen zeide Abraham tot hem : «Wacht u, dat gij mijnen zoon niet weder

7 daarheen voert. De Eeuwige, de God des hemels, die mij genomen heeft uit mijns vaders huis en uit het land mijner geboorte, en die mij toegezegd en mij gezworen heeft, zeggende: wAan uw kroost zal Ik dit land geven,quot; — Hij zal Zijnen Engel vóór u uitzenden, zoodat gij eene vrouw voor mijnen

8 zoon van daar nemen zult Maar zoo de vrouw u niet zal willen volgen, dan zijt gij vrij van dezen mijnen eed; slechts

9 mijnen zoon zult gij niet weder daarheen voeren.quot; De dienaar legde nu zijn hand beneden de heup van Abraham, zijnen heer;

10 en hij zwoer hem, omtrent deze zaak. Toen nam de dienaar tien kameelen van de kameelen van zijn heer, en ging heen, met allerlei kostbaars van zijn heer in zijne hand; hij maakte zich op en ging naar Aram-Naharajim, naar de stad

11 van Nachor. Hij liet de kameelen nederknielen, buiten de stad, bij de waterwel, tegen avondtijd, den tijd dat de [water-]

12 schepsters naar buiten gingen En hij zeide: «Eeuwige, God van mijnen heer Abraham ! laat het voor mij toch heden zich

13 schikken, en bewijs gunst aan mijnen heer Abraham! Zie! terwijl ik sta bij de waterwel, en de dochters van de mannen

14 der stad komen om water te scheppen, — Zal het zijn : het meisje, tot wie ik zeggen zal: «Neig toch uwe kruik, opdat ik drinke,quot; en die zal antwoorden : «Drink, en ik zal ook uwe kameelen drenken,quot; — die zult Gij hebben aangewezen aan Uwen dienaar, aan Izak; en laat ik door haar erkennen, dat

15 Gij aan mijnen heer gunst bewezen hebt.quot; En het was: hij had nog niet geëindigd te spreken, en zie, daar kwam Rebekka naar buiten, die geboren was aan Bethoeël, den zoon van Milka, de vrouw van Nachor, den broeder van Abraham, met hare

16 kruik op haren schouder. En het meisje was zeer schoon van aanzien, eene maagd, die geen man had bekend; zij daalde af naar

17 de wel, vulde hare kruik, en kwam naar boven De dienaar liep haar te gemoet, en zeide; «Laat mij toch een weinig water

18 slorpen uit uwe kruik.quot; Zij zeide: «Drink, mijn heer!quot; en zij haastte zich, liet hare kruik neder op hare hand, en gaf hem te

19 drinken. Toen zij geëindigd had hem te drinken te geven.

14. rm, en door haar, anderen: daaraan, aan het feit.

ie. Sym. en kwam uit de diepte naar loven, anderen: zette de kruik

46

ocr page 101

-ID mt? iü

niiao ♦b'? n^K n^n-xb : pnv'1? ^rh ni^K nn^i Tjbri W^IDSNquot;) ^in'^K quot;a ^ -bNnnK robb n^xn nnxn-^ ^IN -QynWtf quot;IOKquot;! n

».--: |- vjv T t t JV ^ I - •* •* t t •• v lt;*

nNï»-quot;)^» rixn-^K ïprnx ym n^nn n^in .pttn

t jtt v -; | quot;.\t t v ) ; * v * t lt;•• t iv a ~ i '•'•'t t

^rnx D^n_f3 nb noirn amns4 V^K : DK'O 1

: v j' t i v | : ^ v jt at t : - ^.t •• v J' it •

ptfüvnx n^p^npb own i nin» :na^' |nK ibtö II^KI 'rnbio

nirK nnpVi bxVo Kin nxtn pxn-nx

V^* : • ot • jr :I-it : | v t : t : -^ «- : • I vjt t

n^;i ^nnN n^xn nnxn ^TDKI : DB^O n nnn ittik nairn D'^'i insty atfn ih ^rnK pquot;i n^ro

- .)- t v v v t vlt;t- t it t J ' '. v i jquot; a

na^n n^i *: nin wn-V^ vrw DniT2K -1

Dp'i V:IN V:'-ik ^Ö-ID

I tt~ rtt: v.t -: ^ t : )v- t -;lt;••-: • • - : tt -:

pnD D^onn : ninj n^-^K onm ^»1 ^

| j • •)•-:- ) s-: — it v • —:i- j- -; v | v.)—

: nnN'^n nNïï nyb ni^ nyb □quot;an yfi

i -; i - j- ^••: v^.« : at^- -quot;• : v ^ v.* t

-n'^i Di^n^aquot;? xrmpn DH-DN ^nx 'riVxnin* i 31

•• ^rr a - v,quot; t : jt ••!: - t t : - ■J* -: •• v: t : quot;

hiiai D'an rjr^ nan : Dn-OK niK non ^ ri

^ : -at - \ (.t • r it .)•• • it t : - r quot;:. v.* quot; quot; la,

n^NnaK^Svsn n^ni: D^O n^n p

t v •• lt;- v -: t .i-- •'t t : -it j : * v. : i^ * t — ; - ri

nnK npt^K n^oroai nnty nrr^xi nnD Kr»t2n

«t Iav: - I v.quot; ~ : quot; : quot; *• -quot;t : it : v : v : | quot;quot; ^ *t -

: ♦riiTD# non vi** nai pnx^ nnD'n

nN^ npm namnmb n^3 quot;dig «in^nn«

t ; •-. lt;v -: •• I -quot;t; * squot; ' ; •• -; jt • vv * ;r

m^Di DniT3« ♦nK nin: nm* n^p^a E:

n^TnVtywn^na tko hKno rab : no;)#'0 R

'rttt: ^ *.• : t : ; v : - lt;- t^-:\- ' : it : •

nnx-ip1? -a^n r^i : ^ni mD Nbom n:^n -nniquot; -r-

at tI : * v t I tjt- - it - V.T ' Jquot; quot; : quot; t t V-iquot; -

nni^ quot;iQKm : nnaa Q^-D^O T^^ajn IOK^ ^

v v. - ) !••- • H~ •• • r • : -

inp^nV b^ni : inp^m .TO nim inam 01

Al:-: - liquot;:-- I.TT or - v s - ; . A. -:

o/) haren schouder of op haar hoofd, vanwaar zij haar vs. 18 op hare hand neerlaat.

ocr page 102

GENESIS XXIV.

zeide zij : ,/Ook voor uwe kameelen zal ik scheppen, totdat

20 zij genoeg zullen gedronken hebben.quot; Zij haastte zich. goot hare kruik in den drinkbak uit, liep weder naar de bron

21 om te scheppen, en schepte voor al zijne kameelen. De man zag haar verbaasd aan, zwijgend, om te ervaren, of de

22 Eeuwige zijnen weg had doen gelukken of niet. En het was: toen de kameelen genoeg gedronken hadden, toen nam de man eenen gouden neusring, een Béka' zwaar, en twee arm-

23banden aan hare handen, tien [sikkelen] goud zwaar; En zeide: «Wiens dochter zijt gij ? deel het mij toch mede; is er in uws vaders huis ook plaats voor ons, om te overnachten?quot;

24 En zij zeide tot hem : /,Ik ben de dochter van Bethoeël, den

25 zoon van Milka, dien zij Nachor baarde.quot; Verder zeide zij tot hem: «Zoowel stroo als voeder is in overvloed bij ons;

26 ook plaats om te overnachten.quot; Toen boog zich de man, en

27 wierp zich voor den Eeuwige neder. En hij zeide; «Geloofd zij de Eeuwige, de God van mijn heer Abraham, die Zijne genade en Zijne trouw mijnen heer niet onttrokken heeft; op den rechten weg heeft de Eeuwige mij gevoerd, naar het huis

28 des broeders van mijnen heer!quot; Het meisje liep heen, en deelde ten huize harer moeder deze gebeurtenissen mede.

29 Rebekka had eenen broeder, wiens naam was Laban ; en Laban

30 liep tot den man, naar buiten bij de wel; — het was namelijk, toen hij zag den neusring en de armbanden aan de handen zijner zuster, en toen hij hoorde de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: «Aldus heeft de man tot mij gesproken,quot; — en hij kwam bij den man, en zie, deze stond nog bij de kameelen

31 aan de wel; Toen zeide hij: «Kom, gij gezegende des Eeuwigen! waarom staat gij buiten? terwijl ik het huis heb opgeruimd,

32 en plaats voor de kameelen.quot; De man kwam in het huis en ontzadelde de kameelen ; vervolgens gaf men stroo en voeder aan de kameelen, en water om zijne voeten te wasschen, en

33 de voeten der mannen, die met hem waren. Men zette hem te eten voor; maar hij zeide: «Ik zal niet eten, totdat ik mijne woorden gesproken heb;quot; en men antwoordde: «Spreek!quot;

35 34 Toen zeide hij: «Ik ben een dienaar van Abraham. En de Eeuwige heeft mijnen heer zeer gezegend, zoodat hij groot is geworden. En Hij heeft hem gegeven kleinvee en runderen, 36 zilver en goud, slaven en slavinnen, kameelen en ezels. En Sara, de vrouw van mijn heer, heeft eenen zoon aan mijnen heer gebaard, nadat zij oud geworden was; aan dezen heeft

21. nxnCQ. Vol verbazing over het spoedig intreden van het door hem gevraagde teeken, ziet hij zwijgend, in stille, gespannen verwachting de verrichtingen van het meisje aan.

22. DIJ, waarschijnlijk niet: een ring, die door den neus gestoken wordt, maar een gouden spang, die van net voorhoofd over den neus hangt en dient om den sluier te Devestigen. — ypa = quot;/s Shekel.

47

ocr page 103

-a «n tö

inoni : nmb i^roN Di quot;'ö^nv

SNiym -iKarr1?# rini nptbn-^N rna -mm

^- ; • - a : • vquot; : * •* •) i quot; (••• - v t - *lt;-: -

n^xnn tJ'nno nS nxn^a : v^orVD1?«

- y : • i- ^-t *-: r at^ vquot; t ; • j- t : it - : t :

n^nin^V n^psn iVs quot;i^iO : NVdk ism. nin» quot; m'K'y nn,_by bn^ov ♦itri iSp^o yps an: DT: ^«n

jtt ; t vt • • : lt;•• : A It : • ^ TT v-»v • T

-n^ ir'n ^ a: n^n nw ^a-na quot;idn^I : D^ptro anr»

,.. s..-; aquot; vt -r - f : - -• - v - itIt: • v.tt

■{3 bKinrna ra noKni : vbb uS Dipü quot;tzw

i v -at vquot; 5 quot; . t quot; v ■* * i r t vt i J t i ■)' r

NifiDO-aa pnquot;D3 quot;iQNm ninj1? ib'N n^Oquot;

v : * quot;I '-'J'' ' t quot;. '•' ^ ' ' t: it: it jv -: t : •

* : nirr) ; pVb Di^a-Da liay |

non 3T^-Kb -ib'n orraN nirr -nna iqn»!quot;

•): - j'*t i v -: t t : ~ ^ ^ quot;: quot; v: t : i «t

: nix rva nin* ^n: -]^3 6':n yix D^D inpNi npaibi : hVkh anms höm n^1? nam njm pni n= amp;

i^t: • v iquot; t v t ; - at • -••• ; vquot;^quot; * t^:r - i t t - 03

1 ♦nn : t^n-^N nxinn tr^n-VK p1? m idi^i nt«l' ^

■•• :- ' ■ IT T v tvquot; r t v istt i tt- i att -• : vt ^

■n« 1^0^31 inn» n;;^ DnpyirnKipm-riK mna -1?kn3»i wxn 'bx i3Tri3 i6nb irinx npm nai

t- a* t vquot; ** •'** * ' quot; quot;: Ilt;t: • ••: *

fp-Q N13 löKn : f^rp^ D^aan-^ na^ nsm amp;tstn ^ : D^oa1? DipDi n^in 'n^a bitfi nn3 lo^n nab nin»

^ r - : - lv t ^ quot; ,*■'•• • it : I - . tr.j t«t at :

xiSDai ?3n ?n*i D^aan nns^i nrvin N3',,i amp;

. . i v lt;v f .. • - A- - : - t--^ • t -ct-

: inK quot;itrx DWNn v?aquot;i rmS a^ai D^aa1?

i • JV -: v* t -:it r*: t : -^ | -^ ; •

quot;laN'in3^*m3TDNbixablaK'iD'^'I^ 1-

v vquot; att : • ;v- * j~ - -* v - v:iv tt: lt;t - o

iKa 'aiKTiK Tjns ninn :pa« Dni3N quot;13^. quot;la^n nsnj quot; D^aainnsfib^i 3nn e|D3i jnv i^rn -fnnnnaprnhN♦i'-iNl?|3^'nxibni. :onarn^

27. TK, der bloedverwanten.

30. J{3'1 sluit aan bij pil, vs. 29.

32. De quot; scheidt nrci van jrrn, zoodat dit laatste niet Eli'ezer, maar een ander (Laban of de dienaren des huizes) tot onderwerp heeft.

ocr page 104

GENESIS XXIV.

37 hij al het zijne gegeven. Nu deed mijn heer mij zweren, zeggende : «Gij zult geene vrouw nemen voor mijnen zoon uit de

38dochteren van den Kena'aniet, in wiens land ik woon. Maar naar mijns vaders huis zult gij gaan en naar mijne familie en

39 eene vrouw nemen voor mijnen zoon.quot; En ik zeide tot mijnen

40 heer; //Misschien zal de vrouw mij niet volgen.quot; Daarop zeide hij tot mij : «De Eeuwige, vóór Wiens aangezicht ik mijn levenswandel heb afgelegd, zal Zijnen Engel met u zenden en uwen weg doen gelukken, zoodat gij eene vrouw voor mijnen zoon kunt nemen uit mijne familie en uit mijns vaders huis.

41 [Eerst] dan zult gij vrij zijn van mijnen eed, wanneer gij tot mijne familie zult gegaan zijn ; en als men u dan niet geven

42 wil, dan zult gij vrij zijn van mijnen eed.quot; Nu kwam ik heden bij de wel, en zeide: //Eeuwige, God van mijnen heer Abraham! indien Gij toch mijnen weg, waarop ik ga, wilt

43 doen gelukken ; — Zie ! ik sta hier bij de waterwel; nu zal het zijn ; de jonge dochter, die naar buiten komt om te scheppen, en tot welke ik zeggen zal; //Laat mij toch een weinig water

44 drinken uit uwe kruik,quot; En die mij antwoordt: /, Drink gij, en ook voor uwe kameelen zal ik scheppendeze zal de vrouw zijn, welke de Eeuwige voor den zoon van mijnen heer aange-

45 wezen heeft.quot; Ik had nog niet geëindigd in mijn hart te spreken, en zie, Rebekka kwam naar buiten, met hare kruik op haren schouder; zij daalde af naar de wel en schepte; en ik

46 zeide tot haar: «Laat mij toch drinken 1quot; Toen haastte zij zich, liet hare kruik van zich af, en zeide: //Drink, en ook uwe kameelen zal ik drenken.quot; Ik dronk, en ook de kameelen

47 heeft zij gedrenkt. Ik vroeg haar en zeide: «Wiens dochter zijt gij ?quot; en zij zeide : «De dochter van Bethoeël, den zoon van Nachor, dien Milka hem gebaard heefttoen deed ik den

48 ring aan haren neus, en de armbanden aan hare handen. Ik boog mij en wierp mij voor den Eeuwige neder; en loofde den Eeuwige, den God van mijnen heer Abraham, die mij op den waren weg gevoerd heeft, om de dochter van mijns heeren broeder

49 voor zijnen zoon te nemen. En nu, indien gij liefde en trouw aan mijnen heer wilt bewijzen, geeft het mij te kennen; en zoo niet, geeft het mij [ook] te kennen, dat ik mij rechts of links

50 wende.quot; Hierop antwoordde Laban en Bethoeël, en zeiden : «Van den Eeuwige is deze zaak uitgegaan; wij kunnen niets tot u

51 spreken, noch kwaad noch goed. Zie, Rebekka is vóór u, neem haar en ga heen; dat zij de vrouw worde van den zoon van uwen

52 heer, gelijk de Eeuwige gesproken heeft.quot; En het was: toen de

38. xS DJC. Het eedsformulier luidt: vervloeking, nS}C, moge mij

treffen, n1? ds, indien ik niet het volgende doe.

49. non, van God: genade, van menschen: liefde. — nas, trouw, oprecht

srcmcend handelen.

48

7

ocr page 105

quot;id mt? «n no

n^rrrt1? Idk1? : iS-^K-brm iS ^

quot;bx NVOK : ivquot;iN3 2W'1 »DJK itrx ♦iyjan niiaa 'nb *

V s • I :- : jquot; V.- IT JV -: ^:i-: - ; • T •

quot;7K ioki : nn? riEw nnp^i ^nnst^o-bNi ^

V 'T • • jt : I quot;it : a* : _ ; • v ; )^,• •• .)• x i**

nh] IÜK^ : nnx n^Mn ^n-K1? TIN » n^xrn: \\m idnVo vis'1? rnpbnnn

♦3 vhVko ri!53n tk : n»3oi ♦nna^so 'ia1? ntrK^

J * T-»T *• ' quot;T lt;T I'^T Jquot; ■ V* 5 quot; ! * * * : * T *

NDKvrnbKOK^DNI^nna^p-VKNian^ kr^^-DK DhTDK \:ix W^K nin» lótti. Di»n

^ ™ nan :n^ ^jVn ^JK IITK n^vo» Nr^^nn^N 'TONT zbif? nNvWna^n n^ni D^an ^I^Da1? DJi nn^ nriK-oa^N rnpKi : -|-i2p D'Q-Ü^D^ DIÜ^N : nin; n^n-i^ n^xn ttin

noD^-^ n^Di nxï' n^-i mnviif^ isib ribx quot;inorni : N: n^K IQNI DNt^rii n:^n -iirii ™ n^Ki TOK ■rWrni nn^ lo^ni 'ma -mm

• • ^ » ,AV: ' ^ •' quot; : quot; : quot; ' V •* quot; T V T Iquot; T- V lt; -

quot;lO^nK'DTi? naNinnK nnj^n o^piin djv5 btiin D^Ninabp ib-m^ Wiinrra SNinr-na

T ,T nT . ^ T: IT J\' ~: T I V •• ; -

T!?Ïlt;It nin^ ninn^Ni ipw ; nn;-^ a^vni'nöK™ nnf^ nDN ni^Nj ornnN ^in ♦hSk nin^-m

-ion onry aa^DX nn^i ; ija*? ^in 'n^-nrnx ^ r»:-^ n:3Ni; 4 K^-DNI ^ n^n \JiK-nK ddki na^n w nin^o no^Vnai \pT

: aitp-iK pn nai' ^au ^D^n^Ka »np. :nin» nan -iE*a ^hx-ja^ n^K

51. JjaS, vóór u, ter uwer beschikking. — 'n n2T -icm, zooals de Eeuwige, door Zijne wonderbare beschikkingen, heeft te kennen gegeven.

ocr page 106

GENESIS XXIV.

dienaar van Abraham hunne woorden hoorde, wierp hij zich

53 ter aarde voor den Eeuwige. En de dienaar bracht zilveren en gouden voorwerpen en kleederen te voorschijn, en gaf [ze] aan Rebekka; ook gaf hij kostbaarheden aan haren broeder

54 en aan hare moeder. Vervolgens aten en dronken zij, hij en de mannen, die met hem waren, en zij overnachtten. Toen zij des morgens opstonden, zeide hij ; «Laat mij ver-

55 trekken naar mijnen heer!quot; Toen sprak haar broeder en hare moeder: //Laat het meisje [nog] een jaar of een tiental [maan-

56 den] bij ons blijven, dan kan zij vertrekken.quot; Doch hij zeide tot hen: «Houdt mij niet op, daar de Eeuwige mijnen weg heeft doen gelukken ; laat mij heengaan, dat ik tot mijnen heer

57 trekke.quot; Zij zeiden: //Wij zullen het meisje roepen en haar

58 uitspraak vragen.quot; Daarop riepen zij Rebekka en zeiden tot haar: //Wilt gij met dezen man medegaan ?quot; Zij zeide: //Ik

59 wil gaan.quot; Zij deden dus hunne zuster Rebekka en hare voedster, en Abrahams dienaar en zijne mannen, uitgeleide.

60En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: «Onze zuster! word tot duizend tienduizenden, en dat uw kroost de poort

61 zijner haters inneme!quot; Rebekka maakte zich op en hare maagden, en zij reden op de kameelen, en volgden den man ;

62 de dienaar nam Rebekka mede, en hij trok heen. Izak kwam juist van eene reis naar de bron van den //Levende, die mij

63 zietquot;, doch hij woonde in het zuiderland. Toen nu Izak ging om te bidden in het veld, tegen het vallen van den avond, hief hij zijne oogen op en zag, en zie, daar kwamen kameelen

64 aan. Toen ook Rebekka hare oogen ophief en Izak zag, liet

65 zij zich van den kameel af. En zij zeide tot den dienaar: «Wie is die man, die in het veld ons te gemoet gaat?quot; En de dienaar zeide: «Dit is mijn heer!quot; Toen nam zij den sluier

66 en bedekte zich. De dienaar verhaalde Izak al de zaken, die

67 hij verricht had. En Izak bracht haar in de tent van Sara, zijne moeder; en hij nam Rebekka, en zij werd hem tot vrouw en hij beminde haar; zoo troostte zich Izak na [het verlies van] zijne moeder.

53. Dat ook Bethoeël iets kreeg, wordt hier niet vermeld. — kostbaarheden, v. s. zeldzame vruchten of dergl.

55. ~\VP]} IN DW» «en jaar of een tiental maanden, anderen: een grooter aantal of ten minste een tiental dagen.

59. anriN. hunne hloedcera-ante; anderen: hunne zuster, niet: hunne dochter. omdat Laban, als woordvoerder, zijne ouders had verdrongen.

62. 3JUn pN3. in het Zuiderland, in de nabijheid van Beër-Shéba', niet meer te Chebron.

63- mts-S, om te denken ~ m»1?, nadenken, bidden; Ibn 'Ezka: onder de bvi'ï-, struiken, wandelen, ter vcrfrissching of om naar de aankomst

49

ocr page 107

id mr quot;n m

* : nirrb nïiN inmn onnarnx onnax nn^.quot; | rni nhiói npai1? ?nn onani inT

Ij-t t: • I at: •: Kquot; • - -t : tt lt;•• : | v v •• ; v^v t

D^iNm Nin IVDN»quot;) : nn^i rrn^ •»

^ -:^ r t-:it; •) ; *• -• ; i- it * : t i/ t :

nóKi n'nK : n'-^ quot;iDN'n^a ™ 5.

bnbx IDN'I : rhn quot;in» IN unx Van n^n« p

v •• -: v lt;- i iquot;quot; v.quot; quot; a t j t -jt * jt^n— •• •• ■—

: hd1?^ on n^xn ninn vfc innNn-1?» ^

I* ^t : Iquot; ; ; - a- :---•; • vt# r --: r : quot; jv,

nö^»! npmb : n^-nx -nrs? «np: » p

^ : i- It: •: lt; :!:•- t r v v.t-; : • : at^:i-- -'ti: • . iquot; TO j—

nparnNin^i: -i^k noxm nin ^♦hh-d^ obnn rl

tjr: ' v •) : - :i- hquot;quot; v ^ - av - .•*• t • v' : •** m- t quot; quot;

onnn : vmx-nx) onnnN n^-nKi nnpwnKi orintt»

lt; -:it : - it t -: v : ^t t : - v^v v : at! : • r* ^ v : vr -:

nam 'shfh Mn m urinK n1? noxn npan-nN

^ j- .^: at t : -•••:-: v*quot;!r : ^** ~j t : •»' it: • lt;

njninni n^ri^ai n^i D^ni : vxi^ lyv nx W : ^»1 npai-nK na^n np*i ^^n nnx niDVni D^oan-1?^

) i-quot;- Kt: • v v qquot;r ) j— a* t -«••-: i- t : ^- •• - ' quot; S'

: awn riN3 xim ♦Nh -i«3 «lia xa pnn ==

viv - I vr.y. v.quot; j i a- v-- ;•• : • -«t I t ; •:

nam Knn vvv any nuab mira mfr1? pnx* KÏM «

j,, . . t lt;t *quot; '• ht j iv t ~ quot; ^ t i -jt : * -»quot; *—

Vam pnï»-nK «nm n^i^-nx npan : o^a D^oaquot;»

^ v * quot; i at : * ^ v -.x- - t v v it : • lt;t * - i t v quot; :

m'^a quot;n^nn mbn ^'Kn^o na^n-^K -lütfm iboan ^

vt - 1«quot; r vt - lt;• t i* v •* t v v j - ,tt.quot; ' quot;

: oanni n^ïn npm ':ix Nin nayn quot;lON'i unNnp1?

it : • - I 1*t - I-»-* - a- -: -j vv.*t v j- •• t!;*

nny) : rtamp;v im onann-ba nu pnvb nayn ison13

t -*v • :- it *t j'.' -z v.-t : - t jquot; i at z 'v^vt - :-td

n^ ib^nni npan-nx np^ ISK nbnxn priy

^t ' : j • : - I-»t: • v is—quot; -jtt t v: t it;*

Ö * : 10K nnx pn'r onsn nant^'i amp;

1 • jquot;'z r I ct : • jquot; t • - t av t v: iv |?

van den dienaar uit te zien. De traditie knoopt aan deze plaats den oorsprong van het Mincha-gebed.

64- Ssni. Zij Het zich afglijden, het is eene eerbewijzing tegenover een meerdere, om niet op zijn rijdier te blijven zitten.

65. Nu eerst sluiert Rebekka zich, gedurende de reis bleef zij dus ongesluierd.

67. iok mt? nSrwn, volgens Ibn 'Ezra op te vatten als: Srw rhnm ion nw. — ms ■nas, na het verlies van zijne moeder \ vgl. Gen. 30,30: i»1?, vóór mij = voordat ik kwam.

ocr page 108

GENESIS XXV.

O i Abraham nam weder eene vrouw, wier naam was Ketoera.

2 Deze baarde hem Zimran en Jokshan en Medan en Midjan en

3 Jishbak en Shoeach. En Jokshan bracht voort Sheba en Deddn ; en de zonen van Dedan waren de Ashoeriem, de Letoeshiem en

4 de Leoemiem. En de zonen van Midjan ; 'Épha en 'Épher en Chanoch en Abieda' en Elda'a; deze allen zijn de zonen van

6 5 Ketoera. Abraham gal' al het zijne aan Izak. Maar den zonen der bijvrouwen, die Abraham had, gaf Abraham geschenken ; en hij zond hen weg van Tzak, zijnen zoon, terwijl hij nog 7 leefde, oostwaarts, naar het land van het oosten. Dit zijn de dagen der levensjaren van Abraham, die hij geleefd heeft, 6 honderd vijf en zeventig jaren. En Abraham verscheidde en stierf in goeden ouderdom, oud en [levens-] zat, en werd vei-9zameld tot zijne volken. En Izak en Jishma'el, zijne zonen, begroeven hem in de spelonk Maehpéla, in het veld van 'Ephron, den zoon van Tsochar, den Chittiet, dat tegenover Mamré ligt.

10 Het veld, dat Abraham van de kinderen van Cheth gekocht had,-—

11 daar werd Abraham begraven, en Sara, zijne vrouw. En het was na den dood van Abraham, toen zegende God Izak, zijnen zoon; en Izak woonde bij de bron van den «Levende, die mij zietquot;.

12 Dit zijn de nakomelingen van Jishma'el, den zoon van Abraham, dien Hagar, de Egyptische, de slavin van Sara, aan

13 Abraham gebaard had. Dit zijn de namen der zonen van Jishma'el, naar hunne namen en geboorteopvolging ; Jishma'els eerstgeborene was Nebajoth; daarna Kédar en Adbeël en Mibsam.

15 14 En Mishma' en Doema en Massa. Chadad en Thema, Jetoer, Na-

16 phiesh en Kédma. Deze zijn de zonen van Jishma'el en dit zijn hunne namen, naar hunne open steden en naar hunne burchten;

17 twaalf vorsten, naar hunne volkstammen. En dit zijn de levensjaren van Jishma'el: honderd zeven en dertig jaren ; toen verscheidde hij en stierf, en werd hij verzameld tot zijne vol-

18 ken. Zij woonden van Chawiela tot Shoer, dat tegenover Egypte ligt, in de richting naar Asshoer toe; zijne woonplaats lag tegenover alle zijne broeders.

Hooïdstuk XXV. 6. onwS«n. de bijvrouw en, Hagar en Ketoera. — Bip |'in Sn, Arable. Erfgerechtigd waren de kinderen der bijvrouwen niet; bij overlijden zou dus Abraham's geheele vermogen van rechtswege aan Izak komen, onafhankelijk van de wilsbeschikking van den erflater. Hij geeft dus dezen kinderen hun deel 'n imra, tijdens zijn leven.

8. jan = CD'1 JDfen (Gen. 35,29). — wv Sn epsro, hij werd tot de

zonen zijns volks verzameld Oer = toï' 'h), d. w. z. stierf, evenals zij gestorven waren; v. a. zijn ziel kwam bij die zijner voorouders.

16. Dnsn zijquot; niet-ommuurde plaatsen, een complex van huizen, dat overigens niet versterkt is. — nivo, bevestigde }gt;laatsen, burchten; v. a. tent-legers, in een kring opgeslagen tenten, die den bedouïnen-stammen tot woning dienen.

50

ocr page 109

ro me quot;n :

jnprnN 6 iVni : npei n#K annnx e]p*i ^ HD : niirnxi pae^-nNi rnQ-nni na-n^i ribp^nNi

- • v ; | v,t ; • v : I at : * v : Kt ; v ; I x I ;t v :

qiwx vn m ^3i pmNi Ka^-nK nV rirpn j

: J' ' •» t I t : -quot;Y at : v : ^t : v -t I-tIit:

-Va n^Ki pT3Ni •nim na^i na^ jho ^

t att : v : ^t * ■:i~ J ~:i~ «t It : • -••• : r •.. ;

: pnx^ lyieN-brnx amax ?n4,i : miüp »J3 n-JKquot;

I^it : •; lt;. v -: t v ot t : - I s-• - ^ it I: r* : vv.quot;

on^en n:nD Dmnx rn: orrnK1? ♦wVi1

•• : - :i- at- v,t t : - 1 j- t t t : - : - r - lt;••;•:

'o* nbKi. *: Dnp. pipK 1:3 pn^ 1 |

eoni rw a^ntyi n:e n^o ♦n-it^K DH-dn

Jquot; t ; V.TT *5* : • : -it t J- ; at V -: vt t : - jquot;quot; iquot;:

«1DK!,,1 ^3^1 fpT n3lL2 n3ve3 Dnquot;l3K noquot;! nri : DWn

i vv.tquot;- quot;quot;aquot; t : ^t jt •• : .)t t : - ^tstquot; :quot; ~ »* t

nn^p-^si vh S^ü^n pny intt nsp»! : = : Nnoü -it^K wn nnrjs pa^ nn^-^K nfapan

Dm3K quot;i3p nse nn-^3 nxo Dm3K njp-ni^N m'^n1

^t t : - ^ J-1T-)T aquot; •• : -»•• VT T: - rrlT v -: .)•.• t -

TIK D^K ■in3,,i Dn*i3X niD nnx ^rin : in^N mei ^

v.- v; IVJT: - t t: - ••-: r • ;- 1 : • jtt :

a * : w ^ quot;iX3quot;D^ pnv* 3e»l 1J3 pnv» ? mïsn lin nnV Dni3K-?3 hxym* nnVn ^ rquot;

.)•: •- stt ^t:,t v quot;: at t; - i v ^quot;t : • j: i •.*.)••:

hïlt;vüw ys moe nbjsi. : qh^n1? nne nnae ^ VxaiKi mpi nb: -133 arnbirV? anoe3

: ; - ; jrtquot;: r : t : • lt; : at : 1 : v.t ; *

e^a: iiw Nö'ni Tin : Keüi noni voem : 0^301 ^

I-T j : _ T 1 IT- vT ■. * jt ■. ■ it T • iB

onnvns onbe nwi ^3 an nbx * : nonpv^ | bxvDW nn^e nbxi: DhaN1? üWm Tep-D^e Dnquot;i^3iquot; quot;

•• t ; • - •• ; v •• : it *.. : {• • : jr iquot; ; at r :

e]D*n non vw\ D^e ^3ei n:e n:e nxp

onyp yö'S; neK ibe»! :

a : Va: vnK-1?3 ^a-by nmex n3K3

it t ^t v t Jquot; s taquot; v.t -: i

18. im Sa ya hv, tegenover al zijne hroeders, anderen: oostelijk van al zijne broeders. — Sb:, viel, nl. ipSn zijn landbezit (Ikn 'Ezra). Vuig.: tijdens het leven van al zijne hroeders mei (stierf) hij. — De geschiedenis vaii Jishma'el wordt afgesloten, om in het volgende die van Izak ongestoord mede te deelen.

ocr page 110

GENESIS XXV.

19 Dit zijn de nakomelingen van Izak, den zoon van Abraham:

20 Abraham had Izak voortgebracht. Izak was veertig jaren oud, toen hij Rebekka, de dochter van Bethoeël, den Aramiet, uit Paddan-Aram, de zuster van Laban, den Aramiet, zich tot

21 vrouw nam. Izak smeekte den Eeuwige met het oog op zijne vrouw, want zij was onvruchtbaar; en de Eeuwige liet zich door hem verbidden en Rebekka, zijne vrouw, werd zwanger.

22 Toen bewogen zich de kinderen hevig in haar binnenste; nu zeide zij : «Als dit zoo is, waartoe ben ik dan toch?quot; En zij

23 ging om den Eeuwige te raadplegen. En de Eeuwige zeide tot haar: «Twee volken zijn in uwen schoot, en twee natiën zullen zich van uwe ingewanden af scheiden; en de eene natie zal machtiger worden dan de andere natie, en de oudste zal

24 den jongste dienenquot;. Toen nu hare dagen vol waren om

25 te baren, zie: tweelingen in haren schoot! De eerste kwam te voorschijn, rood, geheel als een haren mantel, en zij noemden

26 zijn naam 'Esau. Daarna kwam zijn broeder te voorschijn, wiens hand een van 'Esau's verzenen vasthield, en hij noemde zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, toen zij ge-

27 boren werden. Toen de jongelingen opgroeiden, was 'Esau een man, die de jacht verstond, een man van het veld ; Jakob

28 echter was een vroom man, een tentbewoner. Izak beminde 'Esau, omdat hij wild in zijn mond had; maar Rebekka

29 beminde Jakob. Eens kookte Jakob een gerecht; en 'Esau

30 kwam van het veld, terwijl hij vermoeid was. Toen zeide 'Esau tot Jakob; „Laat mij toch zwelgen van het roode,

19- pnS1 PS tStI DTPOK. De geslachtslijst begint bij den stamvader, niet met den betrokken persoon, evenals I Kr. 1,24. V. a. dient deze bijvoeging, als tegenstelling van vs. 20, om het verschil in de afstamming en opvoeding van Izak en Rebekka als oorzaak van al het volgende aan te geven.

20. DTJC p3. de vruchtbare vlakte van Aram; Hos. 12,13 gebruikt daarvoor din rw; Gen. 48,7 staat ps alleen.

22. p DN- Als dit zoo is; als ik zooveel pijnen moet verduren, waardoor de gelukkige geboorte der vrucht zeer twijfelachtig wordt, — rmS

m, waartoe hen ik dan toch op de wereld ? Even zoo roept zij 27,46 uit: □quot;n ■h rmh, wegens de dreigende ontaarding harer familie. V. a. waarom hen ik dit, nl. zwanger. Nog anderen; en zij zeide, wanneer het zoo was: „waarom ondervind ik dit? nl. zulke ongewone pijnen. Hoewel ontmoedigd, verliest zij het vertrouwen op God niet, maar: •jSm, ging zij naar een der door eene openbaring of Godsvereering geheiligde plaatsen, om God te raadplegen; volgens de traditie; naar de leerschool van Shem en 'Eber, die beiden toen nog in leven waren.

23. Gelijk gewoonlijk, eene Godsspraak in dichterlijken vorm. •pr»» ■mB'', 'ij zullen zich scheiden, ieder eigen richting inslaand, reeds van uwe ingewanden af. Anderen: zullen zich uit wee ingewanden afzonderen = uit u geboren worden, Pan korat echter nóch de woordplaatsing nóch itibi

51

ocr page 111

ro nnVin n:

: pnï^-ns4 arn^N amax-ra pnv nnbm nVKi^

i it : * v j' v.t t ; - at t : - i v i : * j: i v .)•• ;

-na njban-nK innpa D^K-fa pnv! ™ 3 : ntfió iS ^a-iNn \^h ninK dik

^ it • ; j —:it i^tt •) -: at-: k-^- • • --:it :

iV nn^i Kin nip^ ^a ïnm naab nin»1? pnr nnv'i«

v lt;tquot;~ *' ^tit^: j' : • - •* : r i- 1 lt;t : * - ^:v-

nü^ni nanpa b^an lïïhn'i : int^K npan mni ninquot;«

j - ;|. . • t - « i ; •- i : • i jt: • - ^— t :

ninna^i : nin^nK nbni nr n,^ p-DN»

t : ^ ■•quot; ~ it • v -».••' . ) •• r*quot; '.at vquot;^ # t-rr ' quot; »'

D^p axPi rns* Tj^ap d^ónV quot;wi ^paa \p rn oom nani n^ rvw : n^ï nar am rbtr^

jquot; * ; VAVT t ^vt j : : •- ^ r t -» ^-rr v.quot;: I t v:iv

iNquot;ip»i ~\yw nmxa iba ji^Nnn xv i : müaa™

:!:•- atquot; ^ ^vjv - : v ' : - i *it lt;••••- it : * :

Svy ap^a nrnx iti VHK KX* p-nnxi : Svy 1^«

t •* Mquot;^-:i- vv lt;t : • t -«tt I •• ••-: i- : it quot; v. :

: Dnx nnba n:# D^trra pnvn ap^^ ^p^ »

- it^ vjv ; ^t t r • I v I .)t : • : I *—.\- ^ : jr) :•-

an apvn nn^ TÏ vngt; iév ♦n^i anvan

t ■*• I -:i-: avt * v.quot; jquot; •)* t •• j*:- *#t : -

npam vsa n^r^a VtrynK pnv* anxn : a^nK n:j

i^t: • : a* : • j- • •• v i ot : • j- v:iv- r t i v.quot;

xmi mim-rö Kan ap^» nrn : ap^,_nx nanx quot;

j : vvt - * ot j t - a' t k .1quot; vjt- ^ i .1quot; ^ v vjv

Dnxn-jp X3 ap^;;1?^ ramp;V, quot;löKn. : t];^s

goed tot zijn recht. Ook het tweede gedeelte der Godpspraak bevat immers twee gedachten, zoodat eene eenvoudige herhaling in het eerste deel minder passend schijnt.

24. nmn = mawn.

25. 'JIDHN) quot;an roodbruine lichaamskleur, een bewijs van krachtige constitutie; iïr nnss 1^5, over zijn geheele lichaam met haar bedekt, gelijk een mantel, een bewijs van volkomen ontwikkeling; v. d. de naam irr = 'UT, geheel ontwikkeld-, v. a. naar het Arabisch: harig.

26. SpP') die de verzenen vasthoudt, vgl. Hos. 12,4. Izak was bij de geboorte zijner zonen 60 jaar oud. Abraham leefde dus nog vijftien jaar na hunne geboorte; llebekka was twintig jaar lang onvruchtbaar.

27. DH Uquot;N', een eenvoudig, braaf, liefderijk mensch. Evenals in hunne lichamelijke ontwikkeling, onderscheidden zij zich in karakter (pn p\s en ■p* ï-iv) én levensberoep (qiVis acv en m» ew).

28. raa ts gt;3, icant n-ild tras in zijn, Izaks mond, d. w. z. hij at steeds en gaarne van 'Esau's jachtbuit; anderen : vïld teas hem naar den mond — naar zijn smaak; nog anderen: want jacht was in zijn, 'Esau's, mond, d. w. z. hij kon steeds aangenaam jachtavonturen verhalen, of; hij wist ook zijn vader door zijn woorden te verschalken. — Grond voor Rebekka's voorliefde voor Jakob wordt niet opgegeven, maar laat zich uit den samen-hang vermoeden, Het vers vormt de inleiding tot hoofdst, 27,

ocr page 112

GENESIS XXV, XXVI.

dat roode daar, want ik ben vermoeidquot; ; daarom noemt men

31 zijnen naam: Edom. Jakob zeide : Verkoop mij nog heden uw

32 eerstgeboorte.quot; Daarop zeide 'Esau; «Zie! ik ga immers ten

33 doode, waartoe dient mij dan de eerstgeboorte ?quot; En Jakob zeide; «Zweer mij dan op heden !quot; en hij zwoer hem, en ver-

34 kocht zijne eerstgeboorte aan Jakob. Jakob had intusschen gegeven aan 'Esau brood en een gerecht van linzen; hij at en dronk, stond op en ging heen. Zoo versmaadde 'Esau de eerstgeboorte.

) 1 En er ontstond hongersnood iu het land, — behalve den vroegeren hongersnood, die er ia Abrahams dagen geweest was, — toen ging Izak tot Abiemélech, den koning der Philis-

2 tijnen, naar Gerar. Toen verscheen de Eeuwige hem en zeide : «Daal niet af naar Egypte ; woon in het land, dat Ik u zeggen

3 zal. Houd u in dit land op, en Ik zal met u zijn en zal u zegenen; want u en uw kroost zal Ik al deze landen geven, en den eed gestand doen, dien Ik Abraham, uwen vader, ge-

4 zworen heb. Ik zal uw kroost talrijk doen worden als de sterren des hemels, en uw kroost al deze landen geven ; zoodat zich met uw kroost alle volkeren der aarde zullen zegenen.

5 Ter belooning er voor, dat Abraham naar Mijne stem gehoord, en Mijn voorschrift, Mijne geboden, wetten en leeringen in

7 6 acht genomen heeft.quot; Zoo vestigde Izak zich te Gerar. Toen nu de bewoners der plaats aangaande zijne vrouw vragen

30. om. de romig.

31. 0V3, op heden, oogenblikkelijk. Niet materieele voordeelen waren het, die aan het eerstgeboorterecht verbonden waren. Het dubbele erfdeel voor den 1132 is eerst door de Thora ingesteld en niets bewijst, dat reeds vroeger zoodanig gebruik bestond. De rechten op het beloofde land zou hij toch eerst na meer dan 300 jaar kunnen doen gelden, terwijl Jakob wist, dat daaraan een lange lijdensgeschiedenis zou voorafgaan. Vgl. Nachmanides en Hirsch,

32. HIds -|bin 'SiK njn. 0a ten doode; door de voortdurende gevaren, waaraan ik mij op de jacht moet blootstellen, heeft de eerstgeboorte voor mij geene waarde, daar ik toch vermoedelijk vóór mijn vader sterf. V. a.: zie, ik hen op het punt te sterven, te versmachten van vermoeienis en honger.

33. -mi, en hij verkocht, voor geld; het eten had Jakob hem reeds dadelijk gegeven, jn:, niet: jm.

Hoofdstuk XXVI. 1. naso = is1?. — pwin ann, den vroegeren hongersnood, zie Gen. 12,10. Anderen: den eersten hongersnood, dan zoude er vóór Abrahams tijd nooit hongersnood zijn geweest en ontstond die toen als eene beproeving voor Abraham. Izak ging naar Abrahams bondgenoot Abiemélech (zie Gen. 21,22); het kan, met het oog op den

52

ocr page 113

id ro mVm 3:

IQN'quot;! : diik lo'^-Nnp 'b:K «vi^a n:tn Dixn ^

v.- I v: V, : t I it I Jquot; • rtt K t j' v' t it

'DJK nmtby ■IÜN»I : ^ ^iniDrnK DI#D mao spr217

j* it •)quot; * t •• v j - r v.' : gt;t : v •) quot; jt : * ia -:i~

^ quot;IISN'I : n-ina ^ nrnabi Tibin ^

^t : «t • I -:\~ •-• ~ it : v.* jv tit : a t K*^

jnj : 3^7 iniarnNi ^ yzm aib ^ YBgt;# Dpn sps*»-) mn dpi1? ramp;V1*

2 ; rrparrnK

■D'a n'n ivx riÉgt;Nquot;in ^ynn 12^ rixa 21^ ,n,i«

-quot;• ^.tt jquot; -: i quot; it ^jtt it quot; : • i vt t *t t lt;• : -

Nn»i : mna ^nt^ir-iSa pnx» quot;ib'i omnx =

lt;T- tit; v.* ; • : ) v iv )v j\' • -: v i ot : • | vs— at^t ; -

-ii^K ;nx3 ptr nanïd -nn-^K ion'i nin- v^k

j- -: 1 vt t i -• ; t :at : • -••••• - t~ t : t ••

^prbi ^pnnKi min px2 3

♦nvat^: nva^n-nN^nopm VNH nv-iKn-^-nx rnx

■ : v.~ : • _ jv -: ^t •-. : - v • i r-:i- •• t -• t-; it t v i •• v

quot;nrui D^atyn ^irnx Ti^mi : -j^N on-mN^11

j. -it: . _ T - j.. . , . |^-; ;- v lt;•••:•: i r t jt t : - :

: rixn ^iii Va quot;imanm Vxn ninxn-^ nx np-ir1?

I vit t jquot; { 1 : :- : -» -:it : • : aquot; t *. t-: it t j- ] :- :

♦n'ivp woirp iD^. ^pa □nnnx 3pi;n

bipan ^nü^'i : 1-153 pnv sen *: 'n'iim ♦nlpn1

• t- «•• : - -: ; • - it: ■ i ^.t : • v y- it i : j' \ \ 7

toenmaals langweren levensduur der menschen dezelfde koning geweest zijn of een zijner opvolgers, die eveneens den naam of den titel Abiemélech droeg. (Zie aant. op Gen. 20,2). Izak's doel is, om, evenals Abraham, naar het graanrijke Egypte te gaan, Gods bevel houdt hem echter in Philistaea terug.

3. Snh - nbxn.

5. vnoro, 'ld, Ik hem ter inachtneming opdroey, is algeraeene naam voor alle voorschriften, nader ontwikkeld in: 'niï», plichten, die uit eerbied (zooals een zoon den raad zijns vaders opvolgt), 'nipn, plichten die uit vrees voor straf worden vervuld (naar de verhouding van den slaaf tot zijn heer) en win, plichten, waarin men de goede bedoeling van den wetgever begrijpt, (gelijk de leeringen van den onderwijzer aan zijn leerling) (MuNDELssoirN). IjiN 'Ezra en Rasiibam meenen, dat hier gedoeld wordt op de verschillende voorschriften betreffende de besnijdenis. Hiescu : 'niïn, plichten van rechtvaardigheid en liefde, '•mpn, wetten ter bevordering der zedelijkheid en der levensheiliging, win, de leeringen, leerstellingen betreffende het . ware en goede, waarin wij de beginselen en drijfveeren voor ons handelen hebben te zien. — Meermalen worden door opeenstapeling van dergelijke synoniemen alle Goddelijke wetten en voorschriften samengevat.

ocr page 114

GENESIS XXVI.

stelden, zeide hij : //Zij is mijne zusterquot;; want hij vreesde te zeggen : //Mijne vrouw,quot; „opdat niet de bewoners der stad mij dooden wegens Rebekka; daar zij schoon van aanzien is.quot;

8 Nu gebeurde het: toen er hem een lange tijd verstreken was, keek Abiemélech, de koning der Philistijnen, [eens] uit het venster en zag, en zie: Izak schertste met Rebekka, zijne

9 vrouw. Abiemélech liet hierop Izak roepen en zeide: „Zie! zij is immers toch uwe vrouw ; hoe hebt gij dan kunnen zeggen : „Zij is mijne zuster?quot; Izak zeide tot hem: //Omdat ik dacht: dat ik

10niet sterve om harentwil.quot; Abiemélech zeide; «Wat hebt gij ons daar gedaan? hoe licht had een uit het volk uwe vrouw bijgewoond, dan hadt gij eene schuld over ons gebracht Iquot;

11 Toen gebood Abiemélech het geheele volk, zeggende: «Wie dezen man aantast, of zijne vrouw, zal ter dood gebracht

12worden.quot; — Izak zaaide in dit land; en hij oogstte in dat

13zelfde jaar honderdvoudig; en de Eeuwige zegende hem. De man werd groot, werd hoe langer hoe grooter, totdat hij zeer

14 groot was. Hij bezat kudden van kleinvee en kudden van rundvee en een grooten slavenstoet, zoodat de Philistijnen

15 hem benijdden. En al de bronnen, die zijns vaders slaven gegraven hadden in de dagen van Abraham, zijnen vader,

16 hadden de Philistijnen gestopt en met aarde gevuld. Nu zeide Abiemélech tot Izak: „Trek weg van ons; want gij zijt ons

17 veel te machtig geworden.quot; Zoo ging Izak van daar weg, en

18 legerde zich in het dal van Gerar en vestigde zich daar. Izak groef de waterbronnen weder uit, die zij in de dagen van Abraham, zijnen vader, gegraven hadden, en die de Philistijnen hadden gestopt na den dood van Abraham, en hij gaf daaraan namen, gelijk de namen, waarmede zijn vader ze benoemd

19 had. Izaks slaven groeven ook in het dal en vonden daar eene

20 bron van levend water. Doch de herders uit Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: ,/Ons behoort dit water!quot; Daarom noemde hij den naam van die bron: 'Esek, omdat zij met hem twist

8. pVin, het venster, vermoedelijk een door hekwerk afgesloten uitkijk op het platte dak (vgl. 11 Sam. 11,2), zoodat hij door Izak niet gezien kon worden. — dn prnra srherts wisselen, elkander liefkozen; woordspeling met den naam pngt;t\ Uit de wijze van liefkozen maakte Abiemélech op, dat zij niet broeder en zuster, maar man en vrouw waren.

10. pyn TIN, een uit het volk, de een of ander; aan zich zelve denkt Abiemélech niet; een reden te meer om aan te nemen, dat hij dezelfde is, die met Abraham een verbond sloot, en dus reeds hoogbejaard was. Anderen: de e'éne onder het volk, d. i. de koning.

11. Uit dit bevel blijkt, dat Izak's vrees niet ongegrond was.

12. Het uitoefenen van den landbouw, wat bij Abraham nog niel voorkomt, bewijst, dat Izak reeds vasten voet in het land heeft gekregen. In

ocr page 115

id mVin 33

quot;10*6 KT '2 Kin WK noN*i quot;idik ^ fi^. : «in nra n3iL3quot;»3 n^ar^ bipan ^3Kn pbnn 1^3 a^na'Vö o'P^ ^

Nn^i : int^K npm nx pnïo pnrnsni Ki'i o

|v v • -: Tl:- i : • gt;:,, • v I ■• - : I t lt;^- : _ :quot; quot;

Kin ^nnx rnpN Tj-Ni «in nan -idk»\ pnïv ^VDKION^. :n^niaK-|ö WÓN ^ pny^Vquot;^ no^v ïjrh^K-nK b^n nnK zyy uyvs wV n^jr nx-rno ^an iDxb D^n_i?3-n« rn : 13^ nwani ^

Ninn p«3 pnv^ : nnv nio in^Di mn ^K3='

• - | v-'t t 1 ti' *~: *quot; it j ^ : • ; •»••*- j* t

* : ninquot; inD^n. on^E' nxo Kinn nxo»i ^ |^rn3po ib-^n^i: ixo bnr^ n^ bn^ ^ibn ^ ^«n^ nSKan-bai: int» iwp^ nai ipn n3pm®

•• : - t : r : • : *. j :l-:- at - ^ 'tt —I: •

Drnt^ö Diano VDK amnx vix najr nan

• : • : j : • lt;s* t jt t : - • t ■quot;• : : it lt;v -:

■♦3 130570 -jb pnï^K -jbp^K quot;IpN'l : quot;löj; D1N70n'0 3^1 quot;n3-i?n33 rn'i pnï» nvfc rh^ : n«o isdö no^»1

vj-- ^t: -i- : I-r- i at : • ^.t * ) vj— i : ^.v • ^ r : /quot; t

^3 nön -it^N D^ón nnN3-nN i isnn pnr3ty»i :DIy^,

... . ,T lt;v -: • - - ■*quot; :, v -•:--» t : • t t- it

xnp»quot;! Dni3Kt nia nnx D^trVa Dionon V3K Dni3K

lt;tI:*- at t : - -, ^••-:i- • : • : •»:- ;- • t f jt^t: -

pnï^n3V nan»'): V3K tnb snp-i^s4 nó^3 niótr nb ^

I v.t ; • iquot; : j : : -' r r Kvt jtIt v -: .quot; ' ^ •• I v t

quot;n3 quot;Vl ,13''T1 : D^H quot;1N3 DU'-1Ki*0!,1 ^333

*■ t: t- r- T v,quot; : t : ; •- -at-

ip'^nn *3 p-^ PKsn'Dt? tnp»i D^an 13b iaN1? pnv»

dit land en in dit jaar, die beiden even ongunstig wareu, (Rashie) vond hij, d. w. z. verkreeg hij Bquot;ru .1X5, honderd maten voor elke maat uitgezaaid koren; een zichtbaar bewijs van den Goddelijken zegen, die op zijn arbeid rustte.

14. mDi?) komt alleen nog Job 1,3 voor, v. a. homdand. — inx is^m. Sommigen willen een verschil maken tusschen: —3 sop, iemand om iets benijden, en nx sjp, op iemand ijverzuchtig zijn, zijne geheele handelwijze als ongepast en nadeelig voor zich zelve beschouwen.

15. Zij hadden de bronnen dichtgeworpen, om zoo zijn vee door watej*^ gebrek te doen omkomen.

ocr page 116

GENESIS XXVI.

21 gezocht hadden. Zij groeven eene andere bron, en ook

22 over deze twistten zij ; daarom noemde hij haar: Sitna. Hij brak van daar op, en groef eene andere bron, en daarover twistten zij niet; en hij noemde haren naam : Kechoboth, terwijl hij zeide: //Want nu heeft ons de Eeuwige ruimte ge-

23 maakt en wij kunnen toenemen in het land.quot; Van daar trok

24 hij op naar Beër-Shéba'. De Eeuwige verscheen hem in dien nacht, en zeide ; «Ik ben de God van Abraham, uwen vader; vrees niet! want Ik ben met u, Ik zal u zegenen en uw kroost

25 vermeerderen ter wille van Abraham, Mijnen dienaar.quot; Toen bouwde hij daar een altaar en riep den naam des Eeuwigen aan, en sloeg aldaar zijne tent op; en de slaven van Izak be-

26 gonnen daar eene bron te graven. Abiemélech was intusschen tot hem gegaan van Gerar, met Achoezzath, zijn vriend, en

27 Piechol, zijn krijgsoverste. Toen zeide Izak tot hem: «Waarom komt gij tot mij, terwijl gij mij immers haat en mij van n

28 hebt weggezonden ?quot; Zij zeiden : «Wij hebben klaarblijkelijk gezien, dat de Eeuwige met u is; daarom zeiden wij ; er zij toch een eed tusschen ons onderling, tusschen ons en u, en

29 laten wij een verbond met u sluiten ; Dat gij ons geen kwaad zult doen, gelijk wij u niet aangetast hebben, en gelijk wij u niets dan goed gedaan hebben en u in vrede lieten vertrekken;

30 gij zijt immers thans een gezegende door den Eeuwige.quot; Hij

31 richtte voor hen eenen maaltijd aan, en zij aten en dronken. Des morgens maakten zij zich vroeg op, en zwoeren de een den ander; en Izak deed hun uitgeleide, en zij gingen in vrede van hem weg.

32 En het was op dienzelfden dag, toen kwamen Izaks slaven, en berichtten hem aangaande de bron, die zij gegraven hadden.

21. nJDC) verhindering, vijandigheid.

22. mam, ruimte, in tegenstelling met de beperkingen, mï, die men hem tot nog toe had willen opleggen.

24. Ook in zijne nieuwe woonplaats, waar hij eindelijk hoopte rust gevonden te hebben, bevestigt God de hem vs. 2—5 gegeven beloften, ter wille van Abraham, die, hier alleen, nar, Gods dienaar, geheel aan Zijne leiding zich overgevend, genoemd wordt. Hiermede wordt tegelijk Izak's levenstaak aangewezen.

25. na*!, ma het eerste in den grond steken van de spade, horen, isn de gemaakte opening uitdiepen, verder uitgraven; vgl. Ps. 7,17: ma na imsmt. hij hoort een kuil en graaft hem uit. — Zij beginnen te graven, terwijl eerst vs. 32 wordt gemeld, dat zij water gevonden hebben.

26. injno nirm Achoezzath, zijn vriend, d. i. raadgever, misschien de naam van een belangrijk staatsambt. Onkelos : en een aantal zijner vrienden. — Het bericht van het vinden van water komt juist tot Izak, op den dag, dat Abiemélech bij hem is (vs. 32), terwijl het begin van

54

ocr page 117

id mVin quot;w

: r\:üv nm n^^-D3 INS iian^ : idv m

it : • it : JTi: * ~ t AV»t - I'tquot; v.- - Jquot; : : :-- I •

hm «lp»! rrty im mnx -i«3 isn^ D^O ==

t : lt;t 1: •quot; t av't v. t j : vv - -••• ; : t • i :

* : pN3 iriai nin» na«h_ niann

noN'i Ninn n^ahinn^NKTi :jniyquot;iN3

v - t :j- quot; t : «t •• t**- it jquot; : i.t * . J ID

Vnsmi ^:N k^n-bx omaK 6:K

I • : -!•• • T J gt; ; • r T • - I A- t jt t : - V,quot; *•*: - it

narp ]y\ : arnriK WTlquot;3

: 1X3 pns^nav ibnx sv-u*) nin^ D^3 kipquot;quot;!

I** : I ».T ; • Iquot; : JT Squot; ' A T: IT v't vquot; t : :. ,. T,:quot;

:1N3Vquot;^ V^ai nnNi. lyo VJ?K TjVn

'nt? DnN:tf anxi Dns43 pnv bn^M quot;10^»

jv •• ; v - : at •• jv t ~ ^ quot; It:* v •• quot;! quot; *quot;

1 nin^ n^n-a nQNs,i : dddnq «

)t • ^t : jtt i- • t j t : i- !•.•;• iquot; v : quot;

nnn nnnD^i nmi irra irnira nbx k: Tin imn

^v.-: jt : . . u. • ^ j 1 ^ .)t t ^ -»t

T^KDI ^3^; Nb quot;iB'iO n^-i i:a^ ntr^n-DK : -]a^ •»

s: nr* ti3 n?gt;-ai!??'3 n

-ipsa IO^^I : im*) ibDKn nni^p bnb DI^ 1 Tin : Di^a inKO pnv* anb^i vnx1? ^

j - j. : _ it: v. • i- j : !•• - i t : • ^ a-^t : ^ •*•

nan T^N ixan nnx-Vr i'1? pns» naj? iKnn Ninn

att •quot;•• -: vquot; : quot; -» -•---i t : • t-

het graven reeds vs. 25 is medegedeeld. — Of Piechol, evenals Abieraélech, vaste ambtsnaam is, of dat wij aan kleinzonen van den Abiemélech en Piechol van Abraham te denken hebben, die denzell'den naam dragen, laat zich niet beslissen.

28. nSx, eig. vloek, het inroepen der Goddelijke verwensching zoo men zijne belofte niet gestand doet; v. d. synoniem met: nra», eed. (vgl. Deut. 29,11 en 13). Vandaar dat bij eedsformulieren de formule n'S ox de belofte aanduidt iets te zullen doen, de formule os, die van iets te zullen nalaten. »Vloek moge treffen, indien gij ons kwaad doet!quot; — wil«, Rashie en Rasiibam: laat toch de eed, die reeds tusschen ons sinds Abraham bestaat, zijn tusschen ons en u; anderen zien in -pal W2 nadere toelichting van wriwo, gelijk onze vertaling, wnwa is een meervoudsvorm van pa, gelijk in het nieuw-Hebreeuwsch de dualisvorm DViyS = J1?.

29. nny n/W, een woordspeling met bijna gelijkluidende woorden, evenals in: '»gt;• •ojn, Ps. 25,16.

ocr page 118

GENESIS XXVI, XXVII.

33 en zeiden tot hem: «Wij hebben water gevonden.quot; Deze noemde hij Shib'a; daarom is de naam der stad Beër-Sheba',

34 tot op dezen dag. — Toen 'Esau veertig jaren oud was, nam hij tot vrouw Jehoedieth, de dochter van Beëri, den Chittiet,

33 en Basemath, de dochter van Elon, den Chittiet. Zij werden tot zielsverdriet voor Izak en Rebekka.

1 En het was: toen Izak oud werd, en zijne oogen te dof werden om te kunnen zien, riep hij 'Esau, zijnen oudsten zoon, en zeide tot hem: ,/Mijn zoon!quot; en deze zeide tot hem: //Hier

2ben ik!quot; Hierop zeide hij; „Zie toch ! ik ben oud, ik weet

3 den dag van mijn dood niet. Nu dan, neem toch uw gereedschap, uwen omhang en uwen boog, en ga uit naar het veld,

4 en jaag mij wild. En bereid mij smakelijke spijzen, gelijk ik ze gaarne heb, en breng ze mij, opdat ik ete; opdat mijne

5 ziel u zegene, voordat ik sterf.quot; En Rebekke hoorde, terwijl Izak sprak met 'Esau, zijnen zoon; 'Esau nu ging naar het

6 veld, om wild te jagen, om het te brengen. Toen zeide Rebekka tot Jakob, haren zoon, aldus: „Zie! ik heb uwen vader

7 hooren spreken tot 'Esau, uwen broeder, zeggende : „Breng mij wild, en bereid mij smakelijke spijzen, dat ik ete; opdat ik u

8 zegene voor den Eeuwige, vóór mijnen dood.quot; Welnu, mijn

9 zoon, hoor naar mijne stem, naar hetgeen ik u gebied. Ga toeh naar het kleinvee, en neem mij van daar twee goede geitenbokjes; dan zal ik ze bereiden tot smakelijke spijzen

10 voor uwen vader, gelijk hij gaarne heeft. Die zult gij dan aan uwen vader brengen, dat hij ete; opdat hij u zegene

11 vóór zijnen dood.quot; Jakob zeide tot Rebekka, zijne moeder ; „Zie! 'Esau, mijn broeder, is een harig man, en ik ben

12 een glad man. Misschien zal mijn vader mij betasten.

33. Twee bronnen en twee met Abiemélech gesloten verbonden geven der stad Beër-Shéba' haren naam. Zie aant. Gen. 21,31. — tgt;j)n dp p Sp, daarom is de naam der stad Beër-Shéba', niet; noemde hij, Izak; endenaam bleef nu ovn ir, tot op den dag van heden, wat bij de eerste naamgeving 21,31 niet gezegd wordt. Door dit tweede feit werd de reeds vroeger gegeven naam bevestigd en bleef voortaan in zwang.

34. 'Esau's huwelijk is de indirecte aanleiding tot Jakob's vertrek en ligt ook chronologisch hoogstwaarschijnlijk tusschen het voorafgaande en hetgeen hier volgt.

35. nia v. s. = Jquot;nO (Spr. 14,10) zelfst. nw. van nn, verbitteren, ver-

littering, verdriet; v. a. Sïis wa van mn, weerspannig zijn, ieder van haar was weerbarstig van geest tegen Izak en Rebekka (Rashie en Rashbam).

Hoofdstuk XXVII. 1. De tijd, waarin het hier verhaalde plaats had, laat zich aldus bepalen; Bij de komst in Egypte was Jakob 130, Josef 39 jaar oud. Josef nu werd geboren op het einde van het veertiende jaa,r van Jakob's verblijf bij Laban, zoodat hij bij zijne aankomst aldaar 77 jaar was; Izak was dus bij het geven van den zegen ± 137. — Rashie

55

ocr page 119

d id mvin n:

kipn :d»d ukïd iv !nön»i^

^ T iquot; llt;quot; ^ T: quot; JT :'quot; ' ,T T ^ ^ : gt;-

njb' d^31kquot;|3 vp# d : ntn diti nk3^ f^irna nb^rnKi ^nnn nnrna nnin^nx np»!

iv. - - : -'t v ; a* • i- v.* quot; : ~ quot; : •* t • llt;—

■♦3 'm d : npanbi pnx^ nn nio ?quot;nni : ♦nnn ^.

r • ; - liT: • : I vt : * : quot; * - -^ tKv : r - •**•quot;}? |

Snan 1:2 1 ^quot;nK Nip'i nxia vr^j'npni pnT |^tt

K^napr wnsmoN»! :^3n V^N WI 'ia vbx -

j ' :|lt;\-T V,T •• • v - •!••• VT^* j- • ; T •• V «-

kïi xrxv nri^i : ^nio DV

^nnnx -iifto vnyun ^-n^i : fn^ ^ mwi nni^n ■gt; I

• : -r t j'.' -: |- - : - * quot; .r • it v* t : v t - r

: niDK D-1L23 ?iDquot;)2n quot;113^3 n^DNi 'b n«'3ni ^

1 t '.vv ; v' vit ; •»^-:r taquot; : . v t t :

n%n wy, 1:3 T^-^N pnv» nans nyoi? npaii ^ nan iüib n:a apv^K nnox hpan : wnrh tï tiï1? 1

lt;•• • ft •• v.t : i j^ir v t : •'t it : • ; i t: ^vquot; ^ j t

*? nK-an : quot;iDNb^nNi^-^ quot;lanD ^iK-nn 'nyoP»

j- t t • quot; i \.' t jt^quot;^ v •}quot;-: i ' t v * . - t

nin' 'Jö1? naanaxi nba^i ^-n'^i TÏ

^.. . . . r. . . : vit -: r t a- : quot; : quot; r •• -;iquot; • -r

: -jnN niïD 'Vpa ym ^2 nn^i : 'nion

n^N-, D^b any 'na 'JP DB'P 'ynpi. iNïn-bN kr^» baN'i n'aKV nxam : anK -iPxa ^aK^ vdvud anx1

at t ; i v.' T : -'T quot;iquot; : iquot; t jv •: iquot; P t : r ; - st

idk nparVx ap^' -ion',i : inia 'aa1? nana' n^x na^a ^

i% • Kt:^ • v I -:r •.•-gt;- i jquot; : • •• vit jv -: -j-. :i~

'a^ï 'a^ö' 'biK : pVn ir'N 'aaw n^sr P'K 'HK P ^

t • •• *•.; lt;quot; i it t r it ; t j* • t lt;t i ■quot;•

leidt uit het noemen van Jishnaa'els zoon Nebajoth bij 'Esau's huwelijk (Gen. 28,9) af, dat dit voltrokken werd onmiddellijk na Jishma'els dood. Deze stierf 137 jaar oud, Izak was dus toen 123 en zijne zonen 63 jaar. De veertien jaren tusschen Jakob's vertrek van huis en zijne aankomst bij Laban vult Kasiiie aan, door hem die in het leerhuis van Shem en 'Eber te doen doorbrengen, welke laatste althans toen nog leefde en eerst stierf toen Jakob 89 jaar oud was (vgl. de tabel Gen. 11,10 vv.).

3. ^D, de omhang, de pijlkoker en bandelier, of het zwaard aan den riem.

7. De woorden van Izak zijn niet letterlijk herhaald, 'n vóór den Eeuwige, onder Zijne sanctie, met profetische macht.

9. Geitenbokjes liet zij nemen, omdat het vleesch in smaak op wild gelijkt; v. a. om de harige huiden, wier haar eenigszins stug is als dat van den mensch, en niet wollig als bij schapen.

11. p^n, onbehaard.

ocr page 120

GENESIS XXVII.

dan zal ik in zijne oogen zijn als een misleider, en zal ik vloek

13 over mij brengen, en geenen zegen.quot; Zijne moeder zeide tot hem: «Op mij zij uw vloek, mijn zoon! hoor slechts naar mijne

14 stem, en ga heen, haal [ze] mij.quot; Hij ging heen, haalde, en bracht [ze] aan zijne moeder ; en zijne moeder bereidde smake-

ISlijke spijzen, gelijk zijn vader gaarne had. Rebekka nam de kostbare kleederen van 'Esau, haren oudsten zoon, die bij haar in huis waren, en kleedde er Jakob, haren jongsten zoon, mede.

16 En met de vellen der geitenbokjes bekleedde zij zijne handen en

17 het gladde van zijnen hals Toen gaf zij de smakelijke spijzen en het brood, hetwelk zij bereid had, in de hand van Jakob,

18 haren zoon. Hij kwam bij zijnen vader en zeide : //Mijn vader!quot;

19Deze zeide: //Hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon?quot; Jakob

zeide tot zijnen vader: //Ik ben 'Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan, gelijk gij tot mij gesproken hebt; sta toch op! zet u neder, en eet van mijn jachtbuit, opdat uwe ziel mij zegene 1quot;

20 Izak zeide tot zijnen zoon : «Hoe hebt gij zoo spoedig iets gevonden, mijn zoon ?quot; Deze zeide: //Omdat de Eeuwige, uw God,

21 het mij deed ontmoeten.quot; Izak zeide tot Jakob: //Treed toch nader, dat ik u betaste, mijn zoon, of gij toch mijn zoon 'Esau

22 zijt of niet.quot; Jakob trad nader tot Izak, zijnen vader, welke hem betastte en zeide: «De stem is Jakobs stem, maar de

23 handen zijn 'Esaus handen.quot; Hij herkende hem dus niet, omdat zijne handen waren als de handen van zijnen broeder

24 'Esau, harig; en hij zegende hem. Hij zeide echter [nogmaals] : //Zijt gij dan mijn zoon 'Esau?quot; en hij zeide: //Ik ben het.quot;

25 Nu zeide hij -. «Reik mij toe, dat ik ete van den jachtbuit van mijnen zoon, opdat mijne ziel u zegene Iquot; Hij reikte hem toe

26 en hij at, bracht hem ook wijn, en hij dronk. Toen zeide tot hem zijn vader Izak: //Nader toch en kus mij, mijn zoon !quot;

27 Hierop naderde hij en kuste hem en toen gene de geur zijner

12. jnyDD3. als een bedrieger. Izak schijnt onbekend gebleven te zijn met den verkoop van het eerstgeboorterecht door 'Esau; misschien wel omdat niemand den ouden man het verdriet wilde berokkenen, hem zijn oudsten zoon in zijne ware gedaante te doen kennen. Jakob vreest nu, dadelijk door zijn vader, als ware hij een bedrieger, vervloekt te zullen worden en geeft daarmede tevens zijne moeder bedektelijk te kennen, dat de ingeslagen weg hem niet nobel voorkomt. „Ik ben geen bedrieger, maar zal, zonder mij verder te kunnen verdedigen, door mijn vader daarvoor gehouden worden.quot; In rnïrm ligt volgens sommigen de nevengedachte: hem voor den gek houden, om hem te bespotten (vgl. II Kron. 36,16).

13. „Op mij kome de door uw vader over u uit te spreken vloekquot;, ik wil hem met al zijne gevolgen dragen; — niettegenstaande het schijnbaar minder juiste van het middel, vertrouwt zij op het woord der Goddelijke toezegging en meent op een oogenblik, waarop de vervulling daarvan bedreigd wordt, dit tot eiken prijs te moeten verhinderen.

56

8

ocr page 121

in mVin u

: riDin Kbi n^p ybv pnynoa vryri ^n^ni

it t : j : v.tt i: -r t J' •' !•• : aquot;^: - : ■ : ' r r :

Myn^yVpa -]K ^ iè« i1? lONnv

: vsNanN aéyuD lax '^ni la^b Kn'i np^i ^

T Jquot;.T ^:quot;:r ' .r ' ^ ^T*p p'-quot; •••quot;

nnK -ib'k monn ^-i-n nn wy nj-rnx npm npm «

v.t • jv -: ^ t - lt;t : t ••: • v »t ; • |j- • -

D^T^n quot;ii ntfi. : n:3 ^;;nK n^3 « D'a^tpan-nN fnni : inxix npgt;n ^ VT;^ ni^^n ^ Kn,i ; ni3 ipy T3 nntrp T^K onbrrnw ^

v.- t v ^ t- it^: l j -:\- v.quot; : t#st_ t -«v -: v^v - v :

vnK'bK 3p^» ION»I : ^3 nnx 'O ^in quot;idxsI ^3K quot;IQN'I ^

• t v i ^-:i- v - r : v,t - r • v • v j- a t v j-

Ni-Dip ni3i ims wéy n^33 Yirv biK

t : -jtlt;t i i at •• t:».-* r.* -: i- • • *t ) v ; -'t *•' it

1:3quot;^ pnv» ION'I : ^3*nn -113^3 n^o nVsNi =

; v It;* v lt;- I iv : - -j--;it : ^ • •• • t : t :

piaVTri^Nnin^mpn »3 naxn ^3 kïd1? mno nrno

itt : } v.V v: -»t : otI: • v - a- : v. : quot; t :j- • -jv

♦33 nT nnxn ^3 I^oki xrn^ ^pv^-^x pnr »

.-'■ : •)••• JT - 1- a- ; U : •*•. quot;5«quot; t : I ^—.r v It:* v lt;-

^pn -ION'I intron V3N pnr-^K 3p^» : K^DK ïvv -gt;

I - V - Aquot; *..: - t i JT : V l-)^-;i- s-*- i V.T

n's in» vn^3 i^3n tibi : ramp;v quot;i* on^ni 3pv» ^ip»

.)•• * tt •* t i* j : it jquot;: * ^-t- : i ^—.r |-•

quot;iDNp. *33 nr nnx iün'I : vnx ^

^3p3n '33 i^p n'^Ni '4 rr^n naxh : pnï* VVN quot;laN'i : n^i r» 6 N3n ly^an ^3«

' jt : v,t •• v j- :^ ; !•— I \- -st- - - v-- a* : -

nn-riN nn^irp^i vw : »33 ^quot;npt^i

Jquot; '•' quot;jt- i - •- -•- i* : v* it-: 1 jt T : a- t

15. n'aa. binnenshuis, in de tent; men behoeft niet aan een houten of steenen huis te denken.

19. nac Ui Dip. Izak schijnt te bed te hebben gelegen en Jakob verzoekt hem te gaan zitten om te eten, hetzij dan overeind in bed te gaan zitten, of wel aan tafel. Op verschillende plaatsen wordt acn bij eten gebruikt (o. a. I Sam. 20,5 bij een hof-maaltijd), waaruit sommigen opmaken, dat men oorspronkelijk, evenals bii ons, aan tafel zat en het op sofa's aanliggen eerst later door Grieken en Romeinen werd ingevoerd.

21. m nrwn. of gij, daar vóór mij, mijn zoon 'Esau zijt, of niet?

23. «De stem, — en zooals onze Wijzen verklaren: de uitdrukkingen en wijze van spreken: -pp1™ 'n, — is die van Jakob,quot; zegt Izak en laat zich niettemin door de harige handen om den tuin leiden!!

ocr page 122

GENESIS XXVII.

kleederen rook, zegende hij hem, en zeide : «Zie ! de geur van mijn zoon is als de geur eens velds, hetwelk de Eeuwige ge-

28 zegend heeft. Zoo geve God u van den dauw des hemels, en het vette der aarde, en overvloed van koren en most.

29 Volken zullen u dienen, natiën zich voor u nederbuigen; wees heer over uwe broeders, en dat de zonen uwer moeder zich voor u nederbuigen; vervloekt zijn, die u vloeken, die u zege-

30 nen, gezegend !quot; Nu was het: toen Izak geëindigd had Jakob te zegenen, toen was het: Jakob was nauwelijks weggegaan van voor het aangezicht van Izak, zijnen vader, of zijn broeder

31 'Esau kwam van zijne jacht. Ook hij bereidde smakelijke spijzen, en bracht ze zijnen vader, en zeide tot zijnen vader: z/Mijn vader sta op en ete van den jachtbuit van zijn zoon,

32 opdat uwe ziel mij zegene.quot; Toen zeide zijn vader Izak tot hem: «Wie zijt gij ?quot; en hij zeide; «Ik ben uw eerstgeborene

33 zoon 'Esau.quot; Toen verschrikte Izak met groote ontsteltenis, ten zeerste, en zeide: «Wie is hij dan, die wild gejaagd en mij gebracht heeft, zoodat ik van alles gegeten heb, eer gij kwaamt, en dien ik toen gezegend heb? ook hij zal gezegend

34 blijven.quot; Toen 'Esau de woorden zijns vaders hoorde, hief hij een overluid en zeer bitter geschrei aan, en hij zeide tot zijnen

35 vader: «Zegen mij, ook mij, mijn vader.quot; Deze zeide: «Uw broeder is gekomen met slimheid, en heeft uwen zegen geno-

36 men.quot; Toen zeide hij: «Heeft men daarom zijnen naam Jakob genoemd, omdat hij mij nu tweemaal den voet heeft gelicht! mijn eerstgeboorterecht heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijnen zegen genomen !quot; En hij zeide [verder] : «Hebt gij mij

37 geenen zegen voorbehouden ?quot; Izak antwoordde en zeide tot 'Esau: «Zie! ik heb hem tot heer over u gesteld en al zijne broeders heb ik hem tot dienaren gegeven, ook met koren en most heb ik hem verzorgd; en wat ter wereld zal ik nu voor

38 u doen, mijn zoon?quot; Toen zeide 'Esau tot zijnen vader: «Hebt gij dan slechts éénen zegen, mijn vader? zegen mij, ook mij, mijn vader!quot; en 'Esau verhief zijne stem en weende.

39 Izak, zijn vader, antwoordde en zeide tot hem : «Zie! bij het vette der aarde zal uwe woning zijn, en bij den dauw

27. De kleederen van den steeds op het veld levenden jager rieken als een door God gezegend akkerland, vol van allerlei kruiden.

28. Dauw is bijna de eenige neerslag, die in den zomer in Oostersche landen valt, en is een van de noodzakelijkste voorwaarden van vruchtbaarheid.— •ooon, de vetheid = het vette; anderen: van de vetheid. Vs. 28 bevat de toewijzing van den bodem van Kena'an, vs. 29 behandelt Jakobs toekomstige positie onder de wereldnatiën. — quot;pn.sS, over uwe bloedverwanten, alle verwante stammen. — -jks 'Esau's nakomelingen, parallel van

31. Men lette op het verschil in den toon, waarop 'Esau hier zijn vader toespreekt, met dien, door Jakob, vs. 19, aangeslagen.

57

ocr page 123

n mSin T3

13-12 'im nn'ty nns ♦ia nn nNi iük'1 inaian maa

v, -: iquot; r.' -: v t -»•• : : quot; •quot;' quot; : quot;f t !•quot; v.tt :

riNn D^buti ^tsa d^Vnh nyrnn * : nin»«

vat t • ^* quot; t#quot; quot; ' * v:,t ' v,*: ,t 1 -»

^aj nin d^ónV ^ inn^: ^na^.: ^Tni |ri ani^C : Tji-ja ^anaöi ^n-iK ?|DN ^a ^ ir

5gt;4r tin ap^'-nx rinabpnï» nba ite 'nn ^ ^

tt lt; t | -•- * : - I -:i- v f •gt;quot; t : 1 t : * jt • v -; i- • : -

^»1 : itïq «a vnK Vtryi vax pnï» ♦iö nNO apv» ^

^ ^ i •• * vt * t •'t s a' t i -'t : * ^** : r* l

Va^n ^aN op* van1? -IDN'I va^ Na^i aripoD Nin-oa

; • t Ilt;-..t • t : v j- a- t : v,quot;tquot; . ^- : -

vaK pnï* ib quot;iön»i : nira: *3anan -iaya lia tïd ^

v.* t I jt ; * .)^ v j' | iv : - • j- -:it : v,: -,quot; *

rmn pnï* -nn»i : wy niaa ^2a -laxn nnx^o ^

tt-; 'rJT :^*q qquot; •■:iv- it *• v.1 :^i : -»i : * r —. v - t at •

baxvbxanTri^n «in NifiN-*D nKO-m n^na

J~ it • quot;t- • - it - -• •• r v - ; jt :

ïamp;v ^o^a *: rrrv -ina-oa in3quot;i3K,i «I3n onua bsa^ |

t •• quot; * : * iv : r | ^ t - a- -:it -:it v, t vjv : .) •

quot;iqk'1 iND-njr mni nVna npyï p^xn vax na^nx

v -• - a : ^t t jt : It t | quot;j- : • - • t jquot; ; •

n^i. np-ipa ^HK NS iqn'I : ^ÏTM ♦aans vax1? ^ D'o^nf^ap^isp^* iDty xyr bn nöt«»i : ?|n3-ia ^ nbïN-xbn idn,i *n3quot;i3 npS nn^ nam np1? ,ni33quot;nx

^t : j- t i -: ~^ - a- t : • lj- t r * i ^ itt -•• t i :

-jb vnot? n*3a fn naxn pnx* jjrn : nsns *bh n3l?i vn3DD ran cn3i^ h *nna vnx-^3-nN,i

-*t : ^a* ; - : ^ ; ijtt:^ *t^-:i~^ • lt;-t tv t v :

nnKn3n3n V3X_v?N ïvy -IDN'-I :*a3n^K HÖ NIÖNquot;1'

lt;— t t-:i- • t v t v - r : ^.v 'v.- iv

rri • iVp i'typ *3K 'ax-Da »a3-)3 *3« ^y-Kin ^

i •)— : f iiquot;- ^ i -jt ^jr '- a-t ■ vt ~ *~:it • t |: r

btsai niïria n*n* pxn ♦aoiya nanv^KWi V3« pnr

j' * i v t i ■,v:r | vt t «••- ; • •• • at •• v j - v.' t i jt : •

36. jjlp OH. Heeft men bij Jakobs naamgeving een voorgevoel gehad van hetgeen geschieden zou? spr', die den voet lichten zal! Anderen ■on: voorwaar, terecht heeft men enz.

37. K13K staat óf na het vraagwoord (hier: n») öf na het woord, waarop de meeste nadruk ligt. Wat ter wereld kan ik voor u doen?

39. 'ODB'D, v. a. verre van het vette der aarde, dat volgens vs. 28 en 37 reeds aan Jakob was toegewezen. Het Edomitische bergland zou nl. tot de onvruchtbaarste streken der aarde behooren; Malachie 1,3 bewijst echter daarvoor niets, daar het daar als straf bedoeld kan zijn, en dus beteekenen kan: door vijanden verwoest; Num. 20,17 spreekt veeleer van bloeiende

ocr page 124

GENESIS XXVII, XXVIII.

40 des hemels van boven. En van uw zwaard zult gij leven, en uwen broeder dienstbaar zijn ; doch het zal zijn; als gij zult

41 klagen, dan zult gij zijn juk van uwen hals afwerpen.quot; En 'Esau haatte Jakob om den zegen, waarmede hem zijn vader gezegend had; en 'Esau zeide in zijn hart: «De dagen van den rouw over mijnen vader zullen komen, dan zal ik Jakob, mijnen

42 broeder, ombrengen.quot; Men berichtte Rebekka de woorden van 'Esau, haren oudsten zoon; toen zond zij, liet Jakob, haren jongsten zoon, roepen, en zeide tot hem : «Zie, uw broeder 'JEsau

43 troost zich wegens u, om u te dooden. Welnu, mijn zoon! hoor naar mijne stem, en maak u op, neem de vlucht tot Laban,

44 mijnen broeder, naar Charan. En vertoef bij hem eenigen tijd,

45 totdat uws broeders gramschap zal zijn afgewend. Totdat de toorn uws broeders van u zal zijn afgewend, en hij vergeten zal hebben, wat gij hem gedaan hebt; dan zal ik zenden en u van daar nemen; waarom zoude ik van u beiden op éénen

46 dag beroofd worden ?quot; En Rebekka zeide tot Izak «Ik heb weerzin in mijn leven, wegens de dochteren van Cheth; zoo Jakob eene vrouw neemt van de dochteren van Cheth, gelijk deze, uit de dochteren des lands, waartoe [dient] mij dan het leven?quot;

1 Izak liet Jakob roepen, zegende hem, en gebood hem en zeide tot hem: «Gij zult geene vrouw nemen uit de dochteren

2 van Kena'an. Maak u op, ga naar Paddan-Aram naar het huis van Bethoeël, den vader uwer moeder; en neem u van daar eene vrouw, van de dochters van Laban, den broeder

3 uwer moeder. En God, de Almachtige, zegene u, make u vruchtbaar en vermeerdere u, zoodat gij tot eene verzaraeliug

4 van volkeren wordet. En Hij geve u den zegen Abrahams, u en uw kroost met u, zoodat gij het land van uw oponthoud zult bezitten, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.quot;

5 Izak zond dus Jakob weg, en deze ging naar Paddan-Aram

wijngaarden en welige velden, in een bronnenrijk land. Aan Jakob is toegezegd, dat God hem overvloed en natuurrijkdom zal schenken; aan 'Esau; dat hij op een van nature goeden bodem zijne woonplaats zal hebben; overvloed van koren en most wordt 'Esau niet voorspeld; en de zegen van 'Esau is dus veel minder omvattend, dan die van Jakob. Wij hebben op deze gronden aan de vertaling: h ij Tiet vette enz. de voorkeur gegeven.

40. van, het middel tot onderhoud, vgl. Deut. 8,3. — tnn iüso. Als gij, wegens de ondragelijke verdrukking, zult klagen tot God, zal Hij u verhooren en zult gij zijn juk verbreken. Aldus Rasiiie, Ibn 'Ezka, Rashbam. Vgl. Ps. 55,3. IjiN 'Ezba als andere meening: als gij eens zult heerschen, een nevenvorm van rm; n. a. als gij u zult vernederen, (nn = tv) ; weer anderen: als gij rusteloos rondzwerft. Mendelssohn in zijne verklaring geeft de opvatting der oude commentatoren, en zegt in overeenstemming daarmede vertaald te hebben: ah gij genoeg zult hebben geleden, eene vertaling, die noch met het woord, noch met den zin van het vers en van de commentatoren overeenstemt.

58

ocr page 125

ro D mbm nj

h^m n^nn : byn D^oi^n»

t t «s . iquot; I t v : v: i- j| : :- ^-; nrquot; • v,quot; t -

tik btst^i : ?nKiï npiai -nn ~i^«3 «

T y* lt; ; • -^ p IV T - O- •• V -. jtI '• .quot;«T ^ . ■ T JV -; I-

üVa iqk'I vax isna niian-S^ np^. npmb iw : 'nx ripjrnK n^nKi \yiv =»

it ; •: r t i j .r v vr : ~ i~ : ' t •• : :| : •

rupn nja «npni nbVm b'-inma nnrnx

i tit- -«t : i ~:i~: lt;t ): * - - : - at- ^t : ^t r*: *

'32 nnyi : ^nn1? quot;iS onjna famp;v n:n V^K noxni«

v.' : jt : |iv :t ; ^|; jquot; - z • i * t -«t •• • t •• v -• -

iav : min pybx Dipi ^'pa yoB'^

v. jt : - it : ^ t itt v* t ijtt •)|: - : i s ; a- i ; ^ •*- ;

^l^nN-ïiN aitrnjr: n^ns4 non DnnK ™

i • t )- i i* t j- -: ^ t v -: *5- ^ a* t -: -j- t

DB'o n^-nt^N na HD^I ^SD

at • P - it : t j- *t v -: -quot;• - t ; I : *

pnv!quot;1?^ npTm quot;löKrn : nnx dv DD^^-oa b|tyK nob « n. nn-nijap r\m 3pP^ npjp-DK nn ni:3 ^ao ^nn »rivi?- 1 ip^N pnr Kipquot;1! : D,!,n ^ nab pxn nuao ribxaN HD

k :i~ quot; I ot : • jt) : * - i* - r tjt I »VT^T •* : • v •• t

: mi ni:3o nm npn-x1? 6 imïn ipn rny)

^ » it : j : • v.t • ij-* i ... j- a ^ | v-it: -

db'o ïiV-npi noK ^mnn nn»3 onx nna -iV Dip =

t • lt;p : )-: |av -• -; vquot; : t jquot; t-: jt-quot;.*- )•• b

?iiö^i nnx Ta* nir bxi : m rn1? ni:20 nibx^

v.p i p-^'t : -- lt;••; p iv • r -: ktt j : • t •

^ an^K naprnx : Q'dz bnp1? n^ni ?|3Ti ^

D^ribK |nrquot;i^K ^ifo px-nx ^nrbi

onK nna n^i ip^-nx pn^ n^'i * : DnnaK1?quot; p

at-: jt-quot;.'- l'-v*quot; ' •*'quot; V p t : • lt;- : • - it t : - :

41. isSa, in zichzelve. 'Esau zegt: //Spoedig zal mijn vader sterven, en eerst dan zal ik Jakob dooden.quot; Hij wacht den dood zijns vaders af, om dien niet te bedroeven (Rashie). Anderen: dagen van rouw zullen voor mijn vader komen, daar ik Jakob dooden zal. 12s Sax beteekent echter waarschijnlijk rouw over mijn vader. Waarschijnlijk heeft hij aan zijn haat wel tegenover dezen of genen uiting gegeven (Ibn 'Ezra).

42. DTUTD. Troost zich met de gedachte u te zullen dooden; anderen: wil zijn toorn aan u luchten, om u om te brengen; Nachm. : stelt zich tegenover u als getroost aan over den hem ontnomen zegen, ten einde u te kunnen dooden.

45. □313^ DJ. Beiden zoude zij verloren hebben; Jakob zou gedood zijn, 'Esau zoude als moordenaar zijn ouders niet meer onder de oogen durven komen. Men behoeft hier dus volstrekt niet aan bloedwraak of dgl. te denken.

46. nn nua. de 26,34 genoemde vrouwen van 'Esau. Den ouden Izak wil zij niet verontrusten en verzwijgt daarom 'Esau's haat en booze plannen tegen Jakob.

ocr page 126

GENESIS XXVIII.

naar Laban, den zoon van Bethoeël, den Arameër, den broeder

6 van Rebekka, Jakobs en 'Esau's moeder. Toen 'Esau nu zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aram gezonden bad, om zich van daar eene vrouw te nemen, — terwijl hij hem zegende, en hem gebood, zeggende : //Gij zult geene vrouw

7 nemen van de doehteren van Kena'an— en dat Jakob naar zijnen vader en zijne moeder geluisterd had, en naar Paddan-

8 Aram gegaan was; En 'Esau zag, dat de doehteren van Kena'an ongevallig waren in de oogen van Izak, zijnen vader; —

9 Toen ging 'Esau tot Jishma'el, en nam Machalath, dochter van Jishma'el, Abrahams zoon, de zuster van Nebajoth, bij zijne [andere] vrouwen, zich tot vrouw.

10 Jakob ging weg uit Beër-Shéba' en begaf zich naar Charan.

11 Hij trof eene plaats, en overnachtte daar, omdat de zon ondergegaan was; en hij nam een van de steenen der plaats, stelde dien op als hoofdkussen en legde zich te slapen op die

12 plaats. Toen droomde hij, en zie : een ladder ter aarde gesteld, wier top tot aan den hemel reikte, en zie, de Engelen Gods

13 klommen daarlangs op en af. En zie, de Eeuwige stond bij hem en zeide: «Ik ben de Eeuwige, de God van Abraham, uwen vader, en de God van Izak; het land, waarop gij ligt,

14 zal Ik u geven en uw kroost. En uw kroost zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar west en oost, naar noord en zuid; en met u zullen alle geslachten des

15 aardbodems zich zegenen en met uw kroost. En zie! Ik zal

Hoofdstuk XXVIII. 6—9 vormen één zin, waarvan de nazin met vs. 9 begint; toen 'Esau zag, dat en waarom Jakob vertrokken was, en hij dus bemerkte, dat zijne vrouwen zijn vader verdriet berokkenden, nam hij eene dochter van Jishma'el tot vrouw.

9- SwOttquot; S.V. Zie onze aant. op Gen. 27,1. Neemt men aan, dat Jakob bij zijn vertrek van huis 77 jaar oud was, dan beteekent Wetquot; Sn hier: tot Jishma'els familie, daar Jishma'el zelf op dat tijdstip reeds lang dood was. Nebajoth wordt als oudste zoon, na zijns vaders dood, hoofd van het geslacht; zoo wordt Mirjam Ex. 15,20 „zuster van Aharonquot;, haren oudsten broeder, genoemd.

10. Jakob's vertrek is 28,5 reeds medegedeeld, hier wordt die mede-deeling herhaald, om hetgeen hem op reis geschiedde te berichten. Hier toch begint het verhaal van Jakob's levensgeschiedenis. Als doel der reis wordt daar de streek Paddan Aram (vgl. 24,10 Aram Naharajim), hier de stad Charan (evenals daar: de stad van JVachor) opgegeven. Jakob trekt hier van huis weg zonder vermogen en zonder eenig geleide, misschien wel met het oog op 'Esau's afgunst.

11. D1j?ö3) op de bekende, maar hier niet nader aangeduide plaats. — '«sis, eene van de steenen, zooals vs. 18 uitdrukkelijk gezegd wordt. —

59

ocr page 127

na KX'1 mbin apv' DK npm ♦nx ♦snKn^mnrp rnb-^K1

:-»— it ^* : K •!quot; ^ jquot; It : * ■** -: ' 'quot;ï,t ^ quot; : ' v 'lt;tt

-nnp1? dïk na'ia inx Tpr^ïtby

-1 iquot;t t-: jt^ lt;-• : I -:i- v I t : * !-•-•• r t

nm npn-xV laxb vby W) infc isiaa r\m dito ib

v.t • i j- * i •• t i* , ~ •• -: t : at • ^t • j

T]^ lÖN-^NI VSN-bNt 3p^. * .* j^S nlJ3p'

pn^ ♦j^a W33 ni:3 nivi ^ YtJ^ «ti : dik nna»

i jt : • v.quot; : i^at : -• : t j' t :-•— it-: -»t-»v -

Vm^-nai nbno-nx np»i :vaKö

t : * - j--: it v i--- 'ft-t : • v lt;.t i vr- r t

a : ntTK1? ib nva: nin« Drna«quot;ra

it • : ) ^t t ~ ■) t : s -; t t ; - I v

b^rVquot;') Dipsa :njin •n^i ^a^ quot;i«an ap^ kï'v

t lvlt;t- It- ^ - : • - t1tt l'-vquot; *T -••• : • K .1- -»••••-Xquot;»

vmxiD D'^'i aibsn ♦jaxö np'i xa^a

ist -: r : v^t- It- j»* ; - i«« !-•- v v - jt

nin^ a^o obo njrn a1?!!»! :xinn aipsaaa^i21 nsni :ia nnnn ♦axba mm no^oiyn

.. . : , :i : y ^ •*•• -: : - •• • : t :at t - ~ •'' ~

♦nVwi n^ax omaN »ribK nin^ avj nin»

v.quot; iquot; | • t -«t tc- •• t :■••■quot;: - - t t jt ' tl

' n3:nK ^ aa'^ hnts quot;I^K p^n pn^ najii njfivi nonpi na» mai rnxn na^a n^ni ^

^ t:avt ^t j t : t :Iv.quot;t tjt -jt : -it i vt t } -: :- lt;t t :

♦ai» nam : n^nrai nanxn nnstrn-^a ^ia laiaai10

• it •• * : i r-' ;-: ^t t-:it j : : • t gt;1 : j :: ' :

ynuxn ovgt;i, en plaatste dien zoo, dat hij hem zou dienen om zijn hoofd

op neder te leggen. m'Bgt;fna = IWNTQ (vgl. nTSjquot;lC, de plaats, waar

de voeten liggen), de plaats, waar men het hoofd neerlegt. Jakob plaatst den steen, vóórdat hij zich te slapen legt; er kan dus van hoofdeinde nog geen sprake zijn.

12. nSTX 32CD. geplaatst op de aarde, van uit den hemel. Het driemaal herhaalde n:m wijst op drie perioden in de verschijning. De deelwoorden beschrijven de verschijning als tamelijk lang aanhoudend. Een ladder reikt van de aarde tot den hemel, het beeld van den geregelden samenhang tusschen God en menschen; die samenhang wordt onderhouden door engelen, die van God de bevelen ontvangen en dan afdalen om ze op aarde uit te voeren. Jakob wordt geen tijd gelaten om een der engelen iets te vragen, maar zie, plotseling staat God bij hem en geeft hem de verklaring van zijn visioen.

13. tSp. Met Sa'adja vertalen wij: stond bij hem, Jakob; Sr aw be-teekent 18,2; 24,13; 45,1; en op tallooze andere plaatsen: hij iets of iemand staan, niet: op iets staan; men vertale dus niet, zooals sommigen willen: stond daar boven op, op de ladder.

ocr page 128

GENESIS XXVIII, XXIX.

met u zijn, en u overal, waar gij gaan zult, behoeden, en u naar dezen bodem doen terugkeeren; want Ik zal u niet ver-

16 laten, totdat Ik gedaan heb, wat Ik u heb toegezegd.quot; Toen ontwaakte Jakob uit zijn slaap en zeide; HZoo is dan waarlijk de Eeuwige op deze plaats, en ik heb het niet geweten!quot;

17 Toen werd hij bevreesd, en zeide: «Hoe ontzagwekkend is deze plaats! dit is niets anders, dan een huis Gods, en dit is

18 de poort des hemels.quot; Jakob maakte zich des morgens vroeg op, nam den steen, dien hij tot rustplaats voor zijn hoofd gelegd had, en zette hem tot gedenksteen overeind, en goot

19 er olie boven op. Hij noemde den naam dier plaats: Beth-El;

20 daarentegen was de naam der stad in vroeger tijd Loez. Jakob deed eene gelofte, zeggende : «Als God met mij zal zijn, en mij behoeden zal op dezen weg, dien ik ga, en mij brood om te

21 eten en kleeding om aan te trekken zal geven; En ik in vrede tot mijns vaders huis zal wederkeeren, — dan zal de Eeuwige

22 mij tot God zijn ; En zal deze steen, dien ik als gedenksteen opgericht heb, een huis Gods worden; en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik ü het tiende geven.quot;

1 En Jakob hief zijne voeten op, en ging naar het land der

2 zonen van het oosten. Daar zag hij, en zie: een bron op het veld, en zie, daar waren drie kudden kleinvee neder-liggend daarbij; — want uit deze bron drenkte men de kudden, — en de steen op den mond der bron was groot.

3 En als alle kudden dan daar verzameld waren, dan wentelde men den steen van den mond der bron, en drenkte

16. ptf, inderdaad, tegen mijne verwachting! Ook buiten het vaderlijke huis verschijnt God! — en ik héb het niet geweten, anders zou ik mij niet te slapen hebben gelegd! (Rashie).

18. Olie had Jakob, als voedingsmiddel, bij zich. Het uitgieten van olie op den top van den steen, geeft hem de wijding, evenals later de zalving de tempelgereedschappen wijdt. Deze steen werd later door de heidenen bijna afgodisch vereerd. De Thora verbiedt overigens het oprichten van jtoï», gedenkteekens uit één steen bestaande, en staat alleen het bouwen van altaren, rotn, toe die uit verscheidene steenen door men-schenhand gebouwd worden.

19. Niet de stad, maar de plaats in hare nabijheid, waar hij de verschijning had gehad, noemde hij met het oog op zijne eigen woorden vs. 17, Beth-El, een naam, die langzamerhand ook op de stad zelve overging.

20. «Indien God met mij zal zijnquot; geeft niet te kennen, dat Jakob ook maar in het minst twijfelt aan de vervulling der Goddelijke beloften, maar is de gewone gelofte-vorm; de conditie gaat aan de toezegging vooraf, die eerst gelden zal, als de voorwaarde zal zijn vervuld. De nazin begint vs. 216: dan zal de mij door God betoonde genade mij een spoorslag zijn om hem als ovtas te erkennen en mijn leven naar Zijn woord in te richten!

60

ocr page 129

ÜD na Nïn D

nKin Vaa

fp^'A •' ^ nx 'n^-öK xb »3 »

^xi nn Dipas n'in^ amp; px noxh quot;'in:^o a'pr

V,* it : isv- Ut- t : -»•• I •• t ^v - t : • I p:iquot;

♦anr ?♦« nn oipan xnirna naK4,iN^»i : 'njTT ah*

•lt; v i jquot; rtv - i -• t - ct - - - t quot; . : ,tt j

n^i n^iaap^Da^i :D»auTi ^yv nn d^k n*3quot;DKm psn nnva nnx vn^xna D'tr-n^K p^n-nx

\ j quot; ftT quot; ~ v.t v jtquot; t -: i- : •'T v -: i v v t

xmn oipan-Q^nN Kipquot;! : n^xr^ ra^ ^

aquot; iquot; v quot; IJ T ~ iquot; v 4ti : ■ - it i v v,quot;

■dn iax1? nn; 3^. nnn. : n^xpb i^n-o^ nb d^ni 2-\nn Tj^in i^k htn -jpn? ^na^i nay njn;.

DiP^a : ^3^ nni bDxb anS ♦? «

rt- t v ^ v. t : j- : - : i : • v r.- ^ v:iv v.)v r

róva ^nai^-niyK min pxni : a^nbxP ^ mn» nni m

t •• - • ; - v -: - I •.'•gt;•.' t ; r iquot; v.' -JT : stt :

* : -]b 13^« 1'^ ^-fnn IB'N D'nbx n\3 n^n» -IK3 nani «nn : Dnp-^3 nïnx n^i vbin 3pjr» itm *

jquot; ; squot; • : :-- vliv ••^; t :j- fv^- at: - k^i- jt • - a

nNan-ra '3 n^y D^3h mrnny n^ty Dtrnani nntr3

j,. : - I . -c t v t j* : 1 i •• :*v lt;t : t •• • : vt -

: nN3n ♦ö-by nVns pxm onnyn ip^' Kinnj

: viv: iquot; : - j' vquot; quot;» : v •'*• t : a* t t it k ï quot; * '

iptym nN3n »3 Va}3Nn-nN annyn-^ nair

K ; • ; •• : - •• i v v t v « -;it : • t^-:it t tjt

1

22. DYlbK ri'S. eene plaats, waar God voortdurend zal gediend worden. Vgl. Gen. 35,14. — •jS i:-irïN nüi\ Ik wil daarvan het tiende geven ter Uwer eere, aan een priester (zooals Gen. 14,20).

Hoofdstuk XXIX. 1. Versterkt en bemoedigd door de Goddelijke toezegging, hief hij zijne voeten op en onderneemt eene reis van meer dan 100 mijlen. vSn wi. Evenals in wr scm, wordt de uitdrukking nc: gebezigd van het bij de handeling betrokken lichaamsdeel. — Dip 'Ja nns. Alles, wat oostelijk van Palaestina ligt, heet Dip ps, vgl. Gen. 25,6. Die naam omvat dus zoowel Arabië als Mesopotamië. Palaestina vormt als het ware de grens tusschen Oosten en Westen.

2

pmjn. de kudden met hunne herders, die in den verderen loop van den zin steeds als onderwerp gedacht zijn.

ocr page 130

GENESIS XXIX.

het kleinvee, en bracht men den steen weder op den mond der

4 bron, op zijne plaats. Jakob zeide tot hen : „Mijne broeders! van

5 waar zijt gij?quot; Zij zeiden: «Wij zijn van Charan.quot; Hierop zeide hij tot hen: «Kent gij Laban, den zoon van Naehor ?quot; En zij

6 zeiden : „Wij kennen [hem].quot; Hij zeide tot hen : „Geniet hij welstand?quot; En zij zeiden; „Het gaat hem wel, en zie! Rachel, zijne

7 dochter, komt daar juist met het kleinvee.quot; Toen zeide hij : „Ziet, de dag is toch nog lang, het is nog geen tijd om het vee naar binnen te drijven; drenkt het kleinvee en gaat weiden.quot;

8 Maar zij zeiden: „Wij kunnen niet, totdat al de kudden verzameld zijn; dan wentelt men den steen van den mond der bron

9 en drenken wij het kleinvee.quot; Terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel met het kleinvee, dat haren vader behoorde;

10 want zij was eene herderin. Toen nu Jakob Rachel, de dochter van Laban, den broeder zijner moeder, zag, en het kleinvee van Laban, den broeder zijner moeder, trad Jakob toe, wentelde den steen van den mond der bron en drenkte

11 het kleinvee van Laban, den broeder zijner moeder En Jakob

12 kuste Rachel, verhief zijne stem en weende. Hierop deelde Jakob Rachel mede, dat hij een bloedverwant haars vaders en de zoon van Rebekka was; toen liep zij heen en deelde

13 het haren vader mede. En het was: toen Laban de tijding hoorde van Jakob, den zoon zijner zuster, liep hij hem te gemoet, omarmde hem, kuste hem en bracht hem naar zijn

14huis; en hij vertelde aan Laban al deze gebeurtenissen. En Laban zeide tot hem: „Voorwaar mijn gebeente en mijn vleesch

15 zijt gij !quot; — En hij bleef bij hem eene volle maand. Nu zeide Laban tot Jakob : „Zijt gij dan mijn bloedverwant, om mij om

16 niet te dienen ? deel mij mede, wat uw loon zal zijn.quot; Laban nu had twee dochters: de naam der oudste was Lea, en de naam

17 der jongste Rachel Lea's oogen waren zwak; maar Rachel was

18 schoon van gestalte en schoon van uitzicht. Jakob nu beminde Rachel, en zeide: „Ik zal u zeven jaren dienen om Rachel,

19uwe jongste dochter.quot; Hierop zeide Laban: „Het is beter, dat ik haar u geef, dan dat ik haar aan eenen anderen man geef;

4. TIJf. mijne vrienden! evenals Gen. 19,7.

5- HPU p pS, den kleinsoon van Nachor. Bethoeël treedt ook hier, evenals in hoofdstuk 24, op den achtergrond.

10. Sn. Hij alleen wentelde den steen van de bron at'. Zoo krachtig is de 77-jarige man! Do banden der bloedverwantschap, die hem aan Rachel verbinden, worden hier driemaal met nadruk genoemd.

13. iS pam hij breidde de armen naar hem uit, inptw en kuste hem herhaaldelijk. — nSsn Dnmn nx. De aanleiding tot zijne reis en wat hem daarbij overkomen was.

61

ocr page 131

üd Nin ND

low : napab *iK3n ^ni ^rrn^

: i:n:« pna np^'i onx ^kd 'm 2p^. bn1?n Dn1? quot;ioN»i : ujrr ninrn nb-nx on^i^n onb1

IV T V J- ' ITT l, : I - ^ lt;1 T I ••• l/TT v ^vquot;; - : 1quot; V T

: ïtfüfrrDy nN2 iri3 nani di1?^ nox'i i4? Dibt^n

| I - lt; ^t T -quot;• T •• • : _ T ^ l - « T .

|Nïn i^n njpsn 6]DNn n^-N1? blij Di»n |n *

Dni^n-^s laDKn^Kn^''quot;^ n1? : quot;ijn

■ t :jt t : it •• lt;v -: *-•- ~ -* : ' quot;. * '' ' '

nanp vyy : |Kyn ir^ni nxan ^ b^a |2xn-nK i^i0 : Kin n^h ^ IÏTN |Kïn_Dy nNS i Vnni Qgi? i^ïtini, lóx ♦n» i^yn? bnTnK np^. nxn VK3 1

quot;iK3n jnxrrns4 bri. 3p^. Ï^I IQK 'HK iVp-nN xm bnnb spy p^i : iqk 'na pb r^rnK^

J v jr 'quot; aquot;.tS \,'-.r 1 .- •• ■ ■ ' ,-■ Ktt I . •■

np3Tp »31 «in n^K 'nN ^ bmb npjr w

. ^T: ' 1 ■•• J- : mt '.7 .quot; quot;:q J' quot; T: ,' quot;:l..... ■'•'

ap^j yüsrnN pb #OKp 'n^ : npxb isni prn inp-bx mNpn. ib-pty;^. ibquot;p2nn in^npb p^i innx~|3 ^Dï^-iK pbib laKquot;'!: nb^n onnirrba nx pbb isd^i ^

j- : *■ Ir I t v lt;- v iquot; t r t : - t jquot; I t t : jquot; - ;

-^n npirb pb ion!,i irtn lay nnx ni^sv0

r -: I ^:r: Itt v lt;- it v j v. T ,ST . ^'T :

|3bbi : ^jrars-riD 'b mn qan nriN m»»

nxb tvi : bm n^üpn d^i nxb nbian nün 'n^'1

^t •• jquot; quot;: iquot; t vt -1: - jquot; : r •• r : - ^ a t jquot; ; ^

3nK^ * : nxiE nan nxn-ns* nn^n bnni niaiquot;1 i

Iv, :iquot; -»-v:iv- iv :- jquot; * v. quot;'• t:it •• t: a ^

: müpn ^ bnia vïv nöK'i SnrnK inx ^'«b nnK 'nno nb nnx ♦nn aiu pb iok!,i 01

Aquot; - j' : l,T J- • • IT -IT j- * e ITT V J -

14. quot;]X. V. s. tocA, lioewel arm, zijt gij mijn bloedverwant. —Dinnsm, een maand, naar dagen geteld, d. i. een volle maand.

15. Hieruit blijkt, dat Jakob reeds vrijwillig gedurende deze maand allerlei dienstwerk had verricht. Laban heeft ingezien, hoe goede diensten Jakob hem kan betoenen.

17. not, zwak (Septuaginta, Rashie, Ibn 'Ezra) ; anderen met Rashbam en Onkelos: zacht, d. i. mooi; men noemt dan alleen de goede eigenschap. In ieder geval blijkt uit de tegenstelling, dat Lea minder schoon was, dan Rachel.

ocr page 132

GENESIS XXIX.

20 blijf bij mij.quot; Zoo diende Jakob om Rachel zeven jaren, en zij waren in zijne oogen als enkele dagen, daar hij haar

21 beminde. Nu zeide Jakob tot Labao: «Geef [mij] mijne vrouw, daar mijne dagen verstreken zijn, opdat ik tot haar

22 kome.quot; Laban verzamelde al de mannen der plaats, en maakte

23 een gastmaal. En het was des avonds, toen nam hij zijne dochter Lea en bracht haar tot hem; eu hij kwam tot haar.

24 Laban gaf haar zijne dienstmaagd Zilpa, voor Lea, zijne

25 dochter, tot dienstmaagd. Toen het nu morgen geworden was, zie! toen was het Lea; toen zeide hij tot Laban: ffWat hebt gij mij daar gedaan? heb ik u niet om Rachel

26 gediend ? waarom hebt gij inij dan bedrogen ?quot; Hierop zeide Laban: «Er wordt niet aldus gehandeld in onze plaats, de

27 jongste vóór de oudste [tot vrouw] te geven. Houd de [bruilofts ] week met deze ten volle uit, dan zullen wij u ook die [andere] geven, voor den dienst, dien gij bij mij dienen zult

28 nog zeven andere jaren.quot; Jakob deed zoo, en hield de [bruilofts-] week van deze ten volle uit; toen gaf hij hem zijne dochter

29 Rachel, hem tot vrouw. En Laban gaf aan zijne dochter Rachel

30 zijne dienstmaagd Bilha, haar tot dienstmaagd. [Jakob] kwam ook tot Rachel, beminde ook Rachel nog meer dan Lea, én

31 diende bij hem nog zeven andere jaren. Toen de Eeuwige zag, dat Lea minder bemind was, opende Hij hare baarmoeder;

32 maar Rachel was onvruchtbaar. Lea werd zwanger, baarde eenen zoon, en noemde zijnen naam : Ruben; want zij zeide: HWant zeker heeft de Eeuwige mijne ellende aangezien; want

33 nu zal mijn man mij liefhebben.quot; Zij werd nogmaals zwanger, baarde eenen zoon, en zeide; //Omdat de Eeuwige gehoord heeft, dat ik minder bemind ben, heeft Hij mij ook dezen

34gegeven.quot; En zij noemde zijnen naam: Simon. Zij werd wederom zwanger, baarde eenen zoon, en zeide; «Nu, deze keer zal mijn man zich aan mij hechten, daar ik hem drie zonen gebaard heb.quot; Daarom noemde hij zijnen naam: Lévie.

35 Zij werd nogmaals zwanger, baarde eenen zoon, en zeide:

21. '0% mijn diensttijd.

23. Lea wordt gesluierd in het bruidsvertrek gevoerd, waardoor het bedrog mogelijk gemaakt wordt.

26. Laban neemt als voorwendsel, dat de huwelijksaanvrage voor de jongste dochter tegelijk die voor de oudste omvat. Hij had dat echter vooraf moeten zeggen.

27. nNI J?3ü'. ra», week, is mannelijk (Deut. 16,9); het beteekent dus; de week van deze, de bruiloi'tsweek (vgl. Recht. 14,12). De nieuwe zevenjarige dienstperiode begint eerst na het huwelijk met Rachel.

so. nxVa Sm DJC DJ. Hij beminde ook Rachel meer dan Lea, dus

62

ocr page 133

123 3D

vnn. DW bnna : naj? nn^3

nnn py^N iw IÜ^I : nm iranjc onnx «

jt t I t t v Ilt;*-:]- v - it v, t -: r : *t,quot;: -,*t:

TIK p1? «I'DX,I : nxinKi w IKVO P ♦rnK'K-m23

v |.)tt M v:iv- t iv •• t ^ t : «stt V. *• it J' ' '' ' 1 ''

nxynx np'i mvn 'nn : nnt^a Dipan ^:k-73 »

jt •• v i--- •■ r j- ; - iv : • Jquot; ut- r* : ' , t

-nx nVp1? rnn : n^x N3»i vVk nnx wi

t i tt !lt;•••- t iv •• 1.t- at quot; vt j-t'

xin-nani np'33 'nn : nnaEgt; inn ns4^ innö^ nöbr quot;3

v- : I v - ,TV ' ^ ' JT quot;'• at:* V.T ; •

♦rnsj» ^nnn xbn ^ nxrna lax'i nxV

• :j-^ ••tc lt; •: t -j* t -itt v v j- .',t

talpas jd n'^^xb jn1? nax'i : ^n^an naS ^ay 13 ^ ninji hnt xba : nipan *:sb m^xn nn1?»

i : t : • ; a : v.quot; quot; it • : -^ r* : • ^t - r*t

na^ Tn^ri itrx rria^a nxrnx'oa Vprnx iyfn^_ nxT yy# xjaquot;! || bp^. : ni-inxn rb inna^ mbrnx ina pV ?n!,,i: n^xb iV ina123

V.T at;- \.t : • v • -••• t : I t t I lt;•• • - ^ it • : J '

ns'ba ^nrnN-Di bnr^K na x:n : nna^b ^

•» ^1:!— atquot; • vquot;^t v - j- v:iv- •• t v j- t- it : :

namp; nxiitr-p nin» xi4,i : nnnx quot;iijr la^ kS

t .. jt : i* ^ t ; i •• -: r r - iv v.

xipni n nbmnxb nnm :mp^ ^nn nanrnx nnan ^

jtI: - 1 •• v Jquot; - T •• ~ itIt -: vquot; t : at : - v v.quot; : quot;quot;

nnv p «jva nin» hktp nnax p piNquot;i la^

• j- t v:iv ^t quot; y • . t : t : «t t r t : it ia** : v, J

nxi^'p nin* va^-p laxriip quot;ibm mm : ^x ^

jt . t lt;- t r v - i •• v jquot; - ^ - j- - •

inrn : p^a^ la^ xnpni nrnx_Da ,yjn,i pix ^ rythv 6 'jTfr-p ^x ni^ bpan nny quot;laxni p

jt ; ^ . ;j_ t -.. «vt * v - i quot;

naxni p n^m inrn : nS la^-xip p-b^ D'p ^

-!•• v jquot; - ^ - — r •• v. : ti it ) jquot; a* t

beminde hij Lea ook. — nsS njojo 13 (vs. 31) beteekent dus: dat Lea de gehate, d. i. de minder beminde onder haar heiden was. Er staat dan ook niet: nttw nxS 13. — Het gelijktijdig huwen van twee zusters was Jakob natuurlijk nog niet verboden.

32. piJCT = //Ziet, een zoon!quot; —3 nsi, deelnemend aanschouwen.

34. Nip. Hier geeft Jakob den naam aan zijn zoon en bevestigt daarmede Lea's verwachting. — 'iS beteekent; hij, die aanhankelijkheid tot stand brengt.

ocr page 134

GENESIS XXIX, XXX.

„Deze keer wil ik den Eeuwige danken.quot; Daarom noemde zij zijnen naam: Juda; en zij hield op met baren.

1 Toen nu Rachel zag, dat zij Jakob geen kind schonk, benijdde Rachel hare zuster; en zij zeide tot Jakob: „Verschaf mij

'2 kinderen! zoo niet, dan sterf ik.quot; Toen ontbrandde de toorn van Jakob tegen Rachel, en hij zeide : „Ben ik dan in de plaats

3 van God, die u lijfsvrucht onthouden heeft ?quot; Hierop zeide zij: „Zie, mijne slavin Bilha, kom tot haar, opdat zij bare op

4 mijne knieën ; en ook ik door haar gebouwd worde.quot; Zij gaf hem dus Bilha, hare dienstmaagd, tot vrouw; en Jakob kwam

5 tot haar. Bilha werd zwanger; en baarde Jakob eenen zoon.

6 Toen zeide Rachel: «God heeft mij recht verschaft, ook heeft Hij naar mijne stem gehoord, en mij eenen zoon gegeven;quot;

7 daarom noemde zij zijnen naam; Dan. Bilha, de dienstmaagd van Rachel, werd nogmaals zwanger; en baarde Jakob eenen

8 tweeden zoon. Rachel zeide: «Worstelingen Gods heb ik met mijne zuster geworsteld, ook heb ik overwonnenen zij

9 noemde zijnen naam : Nafthalie. Toen Lea zag, dat zij had opgehouden te baren, nam zij Zilpa, hare- dienstmaagd, en gaf

10 haar Jakob tot vrouw. En Zilpa, de dienstmaagd van Lea,

11 baarde Jakob eenen zoon. Toen zeide Lea: «Geluk is ge-

12 komen!quot; en zij noemde zijnen naam: Gad. En Zilpa, de dienstmaagd van Lea, baarde een tweeden zoon aan Jakob.

13 Toen zeide Lea: «Tot mijn gelukzaligheid! want de doch-teren noemen mij gelukzaligquot;; en zij noemde zijnen naam:

14 Asher. — Eens ging Ruben uit, in de dagen van den tarweoogst, vond alruinen in het veld, en bracht ze aan zijne moeder Lea; toen zeide Rachel tot Lea: «Geef mij

Hoofdstuk XXX. 1. 133N riDD, dan sterf ik van schaamte.

2. Slechts God kan kinderzegen schenken; -p», u heeft God dien zegen onthouden, ik heb immers kinderen!

3. 13-13 iSm. Zij zal kinderen baren, die ik op mijne knieën, als waren zij de mijnen, zal opvoeden. Zoowel Rachel als Lea geven zelve den kinderen der slavinnen de namen. Niet onwaarschijnlijk waren Bilha en Zilpa met Rachel en Lea opgevoed en dus, als vertrouwde huisslavinnen, meer hare vertrouwden, dan hare ondergeschikten. — •o:s dj ruasa Ook ik, evenals mijne zuster door hare eigen kinderen, zal door haar opgebouwd worden, d. w. z. in hare kinderen als het ware voortleven; v. a. ook ik zal kinderen verwerven door haar; n:3 als stamwoord van p, zoon, genomen, in den Srs:: kinderen krijgen.

8. DTlSx 'SlDSl worstelingen Gods, d. w. z. om de Goddelijke genade, of ik al of niet den kinderzegen zal deelachtig worden; dus: worstelingen om God; v. a. worstelingen, zooals eigenlijk alleen God ze voeren kan, een machtigen strijd; vgl. dviW? nVra ■pi', eene machtig groote stad (Jona 3,3); n. a. worstelingen ter eere Gods. SnsJ, worstelen, waarbij de lichamen der strijdenden zich in elkander draaien, wringen; vgl. Sjis, een ineengedraaid snoer.

63

ocr page 135

V LD 2D

rnirr löf nKn^ |rb^ nniN b^sn

nrinNaVniNSpm rn^ ab '3 Vni Nim : m^D«

rtt -: I- v,quot; t r*)- : - I ^rr: t; it lt; -•• T VJquot;quot; viv -

■in'i : d:k nno ^k-dni D-ia ^■nan iONrn_2

-jaa ^ü'iK'K D3K b^ribN nnnn iüamp;\bnyi i^ejN nbm n^K K3 nnbn ♦na» nan lOKrn ; rirna ^

quot; •• •• ; t rtv •• -• v.t : • r t -: .)•• • v - ) •.• it • :

nnnfity nn^a-nx ibquot;?nm : naso D:K-D3 njSNi

Ti' JT : • v .) i v • - t iv • v.- it - j\' t • ; - ; ■

: |3 n^ni. nnbs inni : 3^. n^x K3^ n^N1? * |3-^ |3 ^p3 VKv bi D^nbN iDNnv

73 Vm nns^ nn^ i^ni mni : p iq^ ntnri»

\jquot; rtquot; t -•- : • v.t : • ^ v •• - ^ - 1 ,t ^ - ;t :|7t

quot;D^ Tbris; 1 D^n^K 7^3: bn-) lOKni : 3^^ nna^ »3 nxV Nini ; ^na; lotf Nnpm. ^VD^D^rinN» : 3b^^ nnx ?nm nnnsty ns^rnK npm nnba

^it • : ^ k^-rr: -jt 1 jquot; ■ - r r : ' ■'T : • v | - • - vav *

quot;W3 nió quot;iQxm : r3 3p^^ rw'? nnstr nsVr n^ni'

at-t ^t v liquot;^ |^:r: ^t •• j- : • .JT; . v •• - ^

|3 nN? nnötf n^r nVni ; na io^-nx Nipm ^ tik Nipm ni:3 »3 n^K3 n^1? naxm ; 3p^L? ^

^ V jr): - AT • v: • r ' : fT : Tquot; J' li*:r :

D^nin KÏÜ'I D'tsn-i^vp jnixi iq^T

■^n nxybN iaKm IQN nxb^N DDK N3n nn'^

• : t *• v quot; t v lt; - a • ^t •• v t jquot;t- vt -

11- quot;U3. Gelezen wordt: n sa, onverwacht geluk is gekomen-, vgl, Jes. 65,11 e. a. p. waar i; in de beteekenis van: toeval, geluk, voorkomt' v. a. (min waarschijnlijk): scharen van kinderen komen.

13. nrxa = ^ icm, hij is geboren in gelukzaligheid voor mij! leant zeker zullen mij de dochteren, d. w. z. de vrouwen, gelukkig prijzen.quot; De ■ar na 13 duidt de zekerheid van haar vertrouwen aan.

14. CTXTTI. alruinen, mandragora, die naar Hoogl. 7,14 liefde wekken en in het oosten dan ook als middel daartoe gebruikt worden. De naam hangt vermoedelijk samen met onn, liefdeblijken. Of Rachel ze tot zoodanig doel wilde gebruiken, staat lang niet vast. Hirsch neemt aan, dat Jakob beurtelings zijne avonden bij eene zijner vrouwen doorbracht; aan Rachel zou dien dag de beurt zijn geweest; de woorden: „is het nog te weinig, dat gij heden mijn man neemt', moeten dan meer als scherts worden opgevat. Trouwens wat beteekent het vragen van een paar bloemen, tegenover het verwijt, Lea's echtgenoot van haar vervreemd te hebben! — Lea geeft haar dan uit zichzelve de bloemen en Rachel zegt: uS, omdat gij zoo vriendelijk waart, sta ik u mijn avond af.

ocr page 136

GENESIS XXX.

15 toch van de alruinen van uwen zoon.quot; Maar zij zeide tot haar: «Is het niet genoeg, dat gij mijnen man wegneemt, dat gij ook de alruinen van mijn zoon nemen wilt?quot; Rachel zeide: «Daarom zal hij ook dezen nacht bij u liggen, voor

16 de alruinen van uwen zoon.quot; Toen Jakob nu des avonds van het veld kwam, ging Lea hem te gemoet, en zeide: «Tot mij zult gij komen, want om loon heb ik u verworven voor de alruinen van mijn zoonquot;; en hij lag bij haar dien

17 nacht. Toen verhoorde God Lea; zij werd zwanger, en baarde 18Jakob eenen vijfden zoon. En Lea zeide: «God heeft mij

mijn loon gegeven, dat ik mijne dienstmaagd aan mijnen man gegeven hebquot;; en zij noemde zijnen naam: Jissachar.

19 Lea werd nogmaals zwanger, en baarde Jakob eenen zesden

20 zoon. Toen zeide Lea: «God heeft mij een schoon deel toebedeeld; nu zal mijn man bij mij wonen, daar ik hem zes zonen gebaard heb en zij noemde zijnen naam: Zeboeloen.

21 Daarna baarde zij eene dochter, en noemde haren naam : Diena.

22 Toen dacht God aan Rachel; en God verhoorde haar en opende

23 haar moederschoot. Zij werd zwanger, baarde eenen zoon, en 24zeide: «God heeft mijne schande weggenomen.quot; Zij noemde

zijnen naam: Joseph, zeggende: «De Eeuwige voege mij nog

25 eenen anderen zoon er bij.quot; En het was: toen Rachel nu Joseph gebaard had, zeide Jakob tot Laban: «Laat mij vertrekken,

26 dat ik naar mijne plaats en naar mijn land ga. Geef mijne vrouwen en mijne kinderen, om welke ik u gediend heb, dau wil ik heengaan; want gij kent mijn dienst, hoe ik u

27 gediend heb.quot; Laban zeide tot hem: «Indien ik toch gunst gevonden heb in uwe oogen! — Ik vermoed, dat de Eeuwige

28 mij om uwentwil gezegend heeft.quot; Voorts zeide hij : «Bepaal

29 slechts uw loon voor mij, en ik zal het geven.quot; Hierop zeide hij tot hem: «Gij weet, hoe ik u gediend heb, en wat

15- nnpSl) om nu ook nog te nemen, een onbep. wijs met het voorzetsel S; als 2de pers. vr. enk. van den quot;Cï moest het nnpSl luiden.

ï : P- * I

16. Xin = Nim.

18. quot;IBW = quot;ws WJi, omdat. — -yyavi, overal te lezen: Jissachar, niet met twee v. De naam beteekent: hij brengt loon.

20. De naam is afgeleid van Sat, dat hier dan ook gebruikt wqrdt. Dit woord beteekent waarschijnlijk: wonen, en rus-Sat: zijne woning bij iemand vestigen; anderen: zal mij hoog houden, uit het Assyrisch en in overeenstemming met Septuaginta. De dank, in de eerste woorden van ons vers neergelegd, wordt, ter wille van de woordspeling juist met den stam lat uitgedrukt. — 'nat = ■h nat, heeft mij geschonken. Het komt als w.w. alleen hier voor, doch dient dikwijls tot vorming van eigennamen (vgl. Jos. 7,1; Nech. 11,14; en herhaaldelijk: in Kronijken).

21. Uit Gen. 37,35 en 46,7 maken sommigen op, dat Jakob meerdere dochters had; (anderen meenen, dat met vnua op die plaatsen zijne schoon-

64

9

ocr page 137

b Nvn ^ID

Tjnnp b^on nb : ^33 WTIIÖ ^ N:«

r\n$ ja1? bm noNni »:3 wirnx oa nnp^i xxnib^an^n-fpwnnnn nV^nquot;= mil 13^ »3 Kiin inNnpS n^

nnni n^-^K daVn vnm ; Kin n^bs na# ♦jaquot; nstf QT^K |n: HK1? noKrii : won |3 3^^ nbniquot; ny -inrn : idamp; nnpn) wwb 'nnpiï ♦nnrn^K^ ' D^ribx ^131 loKni : 3^;^ ibni nx1? =

0^3 n^ ib \iib^2 *amp;*ti vbzï1 bran hm iy ™

A* T JT • ^ • :gt;- Tl* • • •-quot;• ; ; • *■- - - VJV

notf-nK K^ni ns -inKi ; pbsi lotrnK K^nv^ nnsn 'DTn^ •* nr-i ^

: ^aquot;in-nK d^Vk t]DK quot;iüKrn_|3 ibnnnni: nonrnx «

♦n^i : quot;inx ?3 'b nin» C]Dgt; IDK'? iDtrnK Kipm ^

1 V. . :' , '•,quot; ï'. ,T : ,squot; quot; quot; l^quot;. ■• '■ ,quot; STI: • - ns

»:n^ tsybNi 3p^ -iok'I bni nib^

nè'K n^-nxi ^rnx nin : ^ipa-Sx n^Ni« -IEW ♦nnn^-nK n^T nnx »3 ro^Ki |n3 ^jnK 'rn3^ ^r^3 |n 'nxïa «rox vVx wi': ^nni^» \^T tll?V n^: ION'I * : ?|^3 nin» ^3i3Tn nxquot;! Tnn3r -i^k na n^T nnx v^k wi : mnxi«

•J • | a ; ~; -jv ~; T : ~T ■jT ~ T •• J - T |» •,. •

dochters bedoeld zijn). In de eerste opvatting wordt Diena hier uitdrukkelijk genoemd met het oog op hoofdst. 34. De naam Diena is misschien een triumfeerend antwoord op den door Rachel gegeven naam: Dan.

22. quot;Qpi, God dacht aan haar, evenals bij Channa (I Sam. 1,19), d. 1. nam de schande der kinderloosheid van haar weg (vgl. vs. 23).

23 en 24. Evenals bij Zeboeloen is hier eene woordspeling gebezigd, t)DN en eps zonder dat aan eene dubbele etymologie gedacht behoeft te worden. De naam rpv beteekent niets anders, dan: God moge bijvoegen.

27- JO DJf enz. De nazin wordt verzwegen: spreek daar dan niet verder over; eene beleefde vorm voor: o neenl — wro, ik meen te weten, heb een voorgevoel, dat het mij om uwentwille wel gaat; niet om uw werk, maar alleen uit een soort bijgeloof wil ik u gaarne houden 1

28. i^y, dat op mij als verplichting zal rusten, dat gij van mij te vorderen zult hebben.

ocr page 138

GENESIS XXX.

30 uw vee bij mij geworden is. Want het weinige, dat gij vóór mij gehad hebt, heeft zich tot veel uitgebreid, dus heeft u de Eeuwige sinds mijne intrede gezegend ; en nu, wanneer zal ook ik

31 eens voor mijn huisgezin bezig zijn?quot; En hij zeide; ,/Wat zal ik u geven?quot; Jakob zeide: «Gij zult mij niets geven; zoo gij mij het volgende wilt doen, dan zal ik wederom uw kleinvee

32 weiden, het hoeden. Ik zal al uw kleinvee heden doorgaan, er van afzonderend elk lam, dat stippen of vlekken heeft, ook elk donkerkleurig lam onder de schapen, en wat vlekken of

33 stippen heeft onder de geiten, dat zal mijn loon zijn. Mijne rechtschapenheid zal dan getuigenis tegen mij afleggen, op eenen komenden dag, als gij bij mijn loon zult komen, dat vóór uw aangezicht is: al, wat niet gestippeld of gevlekt is onder de geiten, en donkerrood onder de schapen, zal bij mij

34 gestolen zijn.quot; Laban zeide: «Goed! het moge dan zijn, gelijk gij

35 gezegd hebt!quot; Hij zonderde op dien dag af al de voetgeteekende en gevlekte bokken, ook al de gestippelde en gevlekte geiten, alles, waar slechts eenig wit aan was, ook al het donkerkleu-

36 rige onder de schapen en gaf het in handen zijner zonen. En deed een weg van drie dagen zijn tusschen zich en tus-schen Jakob; Jakob echter weidde het overgebleven klein-

37 vee van Laban. Toen nam zich Jakob versche stokken van witte populieren, hazelaars en kastanjeboomen, en schilde

30. op mijne voetstappen, tegenovergestelde van ■osb, vóórdat ik tot

u kwam, dus: sinds ik bij u ben; v. a.: waar ik maar den voet zette; n. a.: niet 'bSjs, ter ville van mij, maar ■hïh, op mijn onvermoeid werken heeft God u gezegend.

31- jnn lÓgt; geven zult gij mij niets, ik verlang slechts een matig loon; anderen: niet gij, maar God zal mij mijn loon bepalen.

32. quot;DH. v. s. gebiedende wijs: verwijder gij, Laban, vandaar, — v. a. onbep. wijs = icrn. Ik zal uw kudden doorgaan, om te verwijderen. — nu, een jong van zoowel van schapen als geiten. — niSdi tpo, waaraan nvnp:, stippen of D'jAs, grootere vlekken zijn. Zooals uit Hoogl. 4,1 en 2 blijkt, waren de schapen gewoonlijk wit, de geiten, zoo al niet zwart, dan toch donkerkleurig en slechts zelden wit of witgevlekt. Jakob vraagt dus slechts een gering loon: het ««V-gevlekte onder de geiten en het donkerkleurige onder de schapen. —• iia» rvrn. Rashie, die ion als geb. wijs opvat, en dus alle gevlekte jonge dieren, die zich in Laban's kudden bevonden, door Jakob aan Labau laat afstaan, verklaart: en dit, de gevlekten, die van nu af zullen geboren worden, zal voortaan mijn loon zijn. Volgens vs. 31 vraagt Jakob immers voor zijn tot nu toe bewezen diensten geen loon. De afzondering van de jonge gevlekte dieren heeft dan ten doel om zekerheid te hebben, dat Jakob zich alleen de later geworpenen toeeigent. Anderen: ik zal de gevlekten voor mij afzonderen en dezen zullen, evenals de nog te werpen abnormale dieren, mijn loon vormen.

33. -no, niet juist: morgen, maar: eens in de toekomst, vgl. Ex. 13,14.— ■job1? behoort, volgens de toonteekens, bij nsc, niet bij nnwi, zoodat men niet mag verklaren: mijne rechtschapenheid zal tegenover v getuigen

65

ocr page 139

V nï'i no

pö'i hpb ï]5? 6 : ♦riN ^

♦3iN-D3 nfryK 'no n%i nn^ nirr rny) ^

v.quot; it quot; jquot; .:iv -j-^t t : a* : -: : i -it : | vst :- t

naiKO ^-fnn-Kb np^'' ion»! ^quot;rn» no quot;iq^ : 'n^1? ^

t ; •«• i v • i i ^:i- v «- Jat i v iv -«t v vquot; •* quot;:

: inm ^TiKï n^iK naiirx nin mm ^■n'^n-nsi

i ; v v I : • vv : v t •gt; t v^- jt t - • v ^-: r ^

■Vdi lp: i ntrVa dito non Di'n ^Kï-te ^

t : t : i-»t -••.• t t ■ •• t - | ; i t : •;:iv

-nn:pi : nDfr n^m Tpii «ibüi D^aa bin-ntf ^

t : Tt : r t : ^t t : a* it Kt: j t : • t : -

-ibw Va ïj^aV na'^-Vj? Nian-'a ino ova ^n^ny 'a : TIK Kin aua D'atraa mm an^a KIV^I IM

v jt^ ^ • t : - : it t : It v ••

D'^nn-nK xmn ava quot;iD'i; nnana ♦n» iV rn raV quot;ion»1» ^

. • t: - v - - ^ - jt- f ivt :• r : ' a- Ivtt v ^-,-17

Sa nAVtsnquot;! nnpan on^n-Va PNI D^Vpni on^n -ni tim : vja-n^a m»i D^a'^aa om-Vai ia raV-i^^

f v vlt; v t- it t - : Kquot; ' ■ a* t : - v. t : i t t v -:

jaV |Nrnsi n^n ap^i a^. pai ira aw nvbp Vïö'i riD-i^i tiVi nV njaV VpD apv' Aquot;np»i ; n^nisn^

ft : : -• : vquot; •»•••:• j j~ - i -:\~ ■* i- •- it i ~

tegen mij. Het beteekent dus: wanneer gij eens verlangt, dat mijn loon, d. i. mijne kudden, aan u worden vertoond en gij het in oogenschouw neemt, zal mijne rechtschapenlieid enz. — 12 nrori beteekent altijd: getuigen tegen iemand. De zin is dus; zoo ik mijne rechtschapenheid niet aan den dag leg, zal deze tegen mij getuigen, d. w. z. zult gij mij van oneerlijkheid kunnen beschuldigen; anderen: zal voor mij getuigen, waarvoor geen bewijsplaats is aan te halen.

34. JH) evenals in de Mishna-taal; ja.

35. T3*), Laban verwijderde. Volgens de in vs. 32 genoemde opvatting van Rashie week Laban in zooverre van de afspraak af, dat hij niet alleen de jonge (nc), maar ook de volwassen geitenboliken (D'ii'vi), de fokdieren, waaraan maar eenige vlek was, afzonderde. Volgens de tweede daar gereleveerde verklaring zou Laban óf wederrechtelijk zich vooraf van al het gevlekte hebben meester gemaakt, öf wel uit wantrouwen tegen Jakob en om hem steeds bij Labans kudden te houden en door zorg voor eigen bezit niet te laten afleiden, zelve de afzondering hebben bewerkstelligden over Jakob's eigendom zijne eigen zonen als bewakers hebben aangesteld.

36. -[TT, eene tusschenruimte van drie dagreizen, om te voorkomen, dat de aan Jakob toevertrouwde witte schapen en donkere geiten zich met de gevlekten zouden paren.

37. Tegenover Laban's trouweloosheid, waardoor Jakob's kans om iets in eigendom te verkrijgen, uiterst gering werd, stelde Jakob alle middelen in het werk, die zijne zaakkennis hem aanbood (Abkabanel). — jwir, kastanjeboom, v. a. ahorn, die zich van zijne schors ontdoet, pais van onr, naakt.

ocr page 140

GENESIS XXX, XXXI.

daaraan wilte strepen, door het witte te ontblooten, dat aan

38 de stokken was. En plaatste de stokken, die hij afgeschild had, in de gooten in de waterdrinkbakken, waar het vrouwelijke kleinvee tegenover het mannelijke kwam drinken, en waar zij

39 zich verhitten, als zij kwamen om te drinken. Als het kleinvee zich dan verhitte bij de stokken, dan wierp het kleinvee voet-

40 geteekenden, gestippelden en hagelvormig gevlekten. En de schapen zonderde Jakob af; en hij richtte het aangezicht van het kleinvee naar het voetgeteekende en al het donkerkleurige onder het kleinvee van Laban; zoo maakte hij zich afzonderlijke kudden, die hij niet bij het kleinvee van Laban plaatste.

41 Nu was het: telkens wanneer het vroegwerpende kleinvee zich zoude verhitten, dan plaatste Jakob de stokken voor de oogen van het kleinvee in de gooten, om ze door die stokken te ver-

42 hitten. Doch als het kleinvee laatwerpend was, plaatste hij [ze] niet; zoo waren de laatgeworpenen voor Laban, en de vroegge-

43 worpenen voor Jakob. De man breidde zich ten zeerste uit; hij had veel kleinvee, dienstmaagden en slaven, kameelen en ezels.

1 Nu vernam hij de woorden van de zonen van Laban, welke zeiden: „ Jakob heeft al, wat van onzen vader was, weggenomen ; en van hetgeen onzen vader behoorde, heeft hij zich al dien rijk-

2 dom verworven.quot; Ook zag Jakob het aangezicht van Laban, en zie,

3 het was niet meer jegens hem als gisteren en eergisteren. En de Eeuwige zeide tot Jakob: //Keer terug naar het land uwer vaderen

4 en naar uwe geboorteplaats; en Ik zal met u zijn.quot; Hierop zond Jakob en liet Rachel en Lea roepen naar het veld, bij zijn kleinvee;

niSsa. eig. afgeschilde plaatsen. — pSn door hier en daar het witte te ontblooten.

38. D'on mnpca D'orm in de gooten, die zich in de drinkbakken bevonden; v. a. is dwi nirpüa nadere verklaring van — jxxn roaS, volgens Rasiiie: hij plaatste de stokken tegenover het kleinvee; naar de toonteekens: waar het vrouwelijke kleinvee (rusan, 3de pers. vr. meerv.) kwam drinken tegenover het mannelijke kleinvee. — rusmi, de mann. en vrouw, vorm gecombineerd; zooals de Massora het uitdrukt een der drie pSo DWUWiJN, tweeslachtige woorden. Het woord Dun wordt hier gebruikt in de beteekenis: bronstig worden.

39. IDTTI = 'tOrrn Nipli 'al van D»n, of = IC/Tl, Kal van om.

i- — —

40. In het vorige vers schijnt alleen van de geiten te worden gesproken, waarbij alles, waaraan iets wits was, voor Jakob zou zijn; hier wordt ons verhaald, welk middel hij bij de schapen gebruikte, die bonte vlekken moesten hebben om Jakob te behooren. Hij zonderde de witte schapen af en plaatste ze zoo, dat zij altijd de bonte en donkerkleurige dieren in het oog hadden. Het eerste jnïm in dit vers doelt dan alleen op de schapen, zooals meermalen een algemeene naam voor een enkel onderdeel gebruikt wordt. — Door deze verklaring worden, naar ik meen, alle moeilijkheden vermeden, die andere opvattingen aanbieden.

66

ocr page 141

«b b id

: ni^sn-bj? *\m nibbni^ajna^

mnn \m o^an ninp^n bïö nibpan

ti t v -: 'at quot; j i-:i* : t :it •• • i; - ~

ian»i : nini^b in33 nian'i ?nin ns'jb hin^b r^ïn ^

gt; v:ivquot; i ; * ' jt : t : i - - -• ; : • i lt; -

: a^17t:,i onp: anp^: nibpan-^k |nïn

din-bdi |n'{ dp^. nnan b^ani»

: \±gt; |xrs^ anty linb bnnj; 6 n^»i pv ?nï3

i it t ' j v.t t ^ j - : • t : lt; v t - i att i ■• ;

nibpan-nx d'^i hn^pan |nyn nvn*»

jnïn : nibpaa nsan^ *yyb™

I v - j j.k.. . i I : - - tv,quot; -:i- a- t : it I v. quot; jquot; quot;:

pan : ipyb antypni n^m ^»

i j: quot; i i^-:i-:^ 1: - : itt : ^ * •-. ^-:it lt;t t : a* t •*

d^aai onsjri ninstyi min tnï ika nxa wxn

v.* - : . * r^-.r t ; ^ - I -• • :i- a : -• ; v.* t |_

nx apjr np1? imb nnrnk yai^i : onam n nquot;

V i ^rr ij-t •• i t t iquot; : lt;••: • v ^ - : • - r -:r

: n-tn t33n_l?3 nk namp;y irikb n^kai irnkb i^k-bs

iv - v, t ~ t jquot; t t * t : •••.* ~: iquot; a* t ; ■»•.• -: t

: bians lav wx nsni p1? ♦jstik ap^» k^ =

i x * ^ ^ : • v ■)••* quot; jquot; • : i att jquot; ; iv. .1quot;

rrnki ^mpiabi tni3k pk-^k ipjrbk nin^ nak'i j

vv: iv ; pav :- i : I v'-* -: | vjv v •) I _-:i- v t : lt;quot;

: ukrbk m'^n nkbvi vmb kip»! npv» : 'nay-'

i v vvt - atquot; : •*quot; t : vti: *quot; i ^-ir j- : • - | tr^*

1

41. rmCpö) vroegwerpmden, v. a. gebondenen, n. a.; wat de spieren en pezen betreft, v. d. sterken-, n. a. de opgébondene vrouwelijke dieren, waarvan de staarten werden opgebonden, om de mannetjes bronstig te maken. (Vgl. Shabbath 526).

42. Jfüymi, v. 2. ^aa' werpen, v. a. zwak zijn (vgl. Ps. 102,1; Klaagl. 2,19); n. a. by het omhuld, bedekt, niet-opgebonden zijn. Vgl. het vorige vers. Dergelijke middelen worden nog heden bij de teelt van kleinvee aangewend.

43. Zijne slavinnen, slaven enz. had hij waarschijnlijk voor een gedeelte zijner kudden gekocht.

Hoofdstuk XXXI. 1. De zonen van Laban waren bij Jakobs huwelijk, waarbij zij niet voorkomen, nog zeer jong; thans zijn zij volwassen en beklagen zich, dat zij door de Jakob toegekende rechten benadeeld worden. — Tiaa, rijkdom, en imponeerend aanzien, eer.

2

Drie oorzaken tot terugkeer: 1) de verdachtmaking door Labans zonen, 2) Labans wantrouwen en 3) het Goddelijk bevel.

ocr page 142

GENESIS XXXI.

5 En zeide tot haar: ,;Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het niet meer jegens mij is, als gisteren en eergisteren; doch de

6 God mijns vaders is met mij geweest. Gij intusschen weet,

7 dat ik met al mijne kracht uwen vader gediend heb. Maar uw vader heeft mij te leur gesteld, en mijn loon tien malen veranderd; doch God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad

8 te doen. Als hij aldus zeide: «Gestippelden zullen uw loon zijn,quot; dan wierp al het kleinvee gestippelden; en als hij aldus zeide: «Voetgeteekenden zullen uw loon zijn,quot; dan wierp al

9 het kleinvee voetgeteekenden. Zoo heeft God het vee uws

10 vaders onttrokken, en mij gegeven. Nu was het: toen het kleinvee zich verhitte, hief ik mijne oogen op en zag in den droom, en zie de rammen, die het kleinvee beklommen, waren

11 voetgeteekend, gestippeld en hagelvlekkig. En een Engel Gods zeide tot mij in den droom: «Jakob!quot; en ik zeide:

12 «Hier ben ik !quot; En hij zeide : //Hef toch uwe oogen op, en zie ; al de rammen, die het kleinvee beklimmen, zijn voetgeteekend, gestippeld en hagelvlakkig; want ik heb gezien al, watLaban

13 u doet. Ik ben de God van Beth-el, waar gij een gedenkteeken gezalfd, waar gij Mij eene gelofte gedaan hebt; nu dan, maak u op, ga heen uit dit land, en keer naar het land uwer ge-

14 boorte terug.quot; Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem : «Hebben wij nog deel of erfgoed in het huis van onzen

15 vader ? Zijn wij bij hem niet als vreemden geacht, daar hij ons verkocht heeft en zelfs het geld voor ons heeft opge-

16 geten ? Want al de rijkdom, dien God aan onzen vader onttrokken heeft, behoort ons en onzen kinderen; en nu, al

17 wat God tot u gezegd heeft, doe.quot; Toen maakte Jakob zich op, en hief zijne kinderen en zijne vrouwen op de ka-

18 meelen; en voerde al zijn vee, en al zijne have, die hij verworven had, het voor zijn eigendom gekochte, hetwelk hij in Paddan-Aram verworven had; om zich tot Izak, zijnen

19 vader, naar het land Kena'an te begeven. Laban was namelijk gegaan om zijn kleinvee te scheren; en Rachel stal

s. tiSki enz. Niet op oneerlijke wijze, maar door Gods bijstand ben ik tot welstand gekomen.

7. d'jd mvv, tien, d. w. z. talloos vele malen.

10. Niet Jakobs handelingen, maar Gods wil was de oorzaak van zijn rijkdom. Hiermede wordt de billijkheid van Jakobs wijze van doen uitgesproken.

is. Sn m Sxn = Ss no Sn Sxn, de bepalende n bij het nwDD, gelijk Gen. 2,9. De engel, in naam Gods sprekende, zegt: Ik hen God-, vel. Gen. 22,16.

15. 1J130. Hij heeft ons verkocht, voor uwen veertienjarigen dienst, en in plaats het door u verdiende ons te doen toekomen, heeft hij het als onzen koopprijs verworven geld, zelve opgegeten (Rashbam e. a.); Men-

67

ocr page 143

Hh tWI TD

♦Sk \r\b iftamp;y

♦na-^DS ^ mrw : na^ n^n flbxi D'2gt;S^ 1

t : '« 1 ft'.'. -: tv.quot;quot;: ^ r t^quot; ^tt • t •»•• iquot; a ; •

♦rn^D'HN ejVnni '•a ^nn p^Ni. .* [D^xtik ♦ma^»

ió^ nquot;3quot;DK : ^mb ijnj-Nl?i D^o nn^n

j . ,. t^'. t . . ... j t . , . a. v-v»i;

iDN* nrDKi a^ipa rNvn-V^ nVi n»n» bnpa

^ • : «s-|\ : i v - t j:it: i v t : Jv ; r -j-..;

d^k jKïn-bD inVi m

quot;yy kïjw |Kïn on* h^3 ♦nn : DD^K mpp-nN1 onp: on^ jKïn-1?^ D^n bnnjrn mni oibna «nw noKT, 2$ïi ai^ns D^riV^n -j^o IÖ^I. : onnni ^

bnn^n-^nNni ra1? nt^N-^ nx »3 D'TDI onpa Dnp^ f^ïn

ktt jv ^-: t .)quot; ' ^' t j' . a* 'quot;y v.*!-. : j'»•. . •

nnïo Dtr nn^o itrx ^NH : rp ^

t •• - t t : lt;- t ^ v -; quot; ...... lt;• it ' ,t gt; **

rnrn pxn-p kï Dip nny quot;na d# ^ nmi itytsi

V. ; - 1 v-tt i • •• ^1-» t ~ VAV ^t •)• t :j-t v -;

Tiyn quot;h nJipxninK^Vnn f^ni : ^rnbio iV UDt^na ninDi : i^dk n^3 nbnii pbn

^ : j' : v ■) • : t s -; r t r* : v.t -:r: i v jquot; ot

quot;IK'K »3 ; ^ÖDD-nK ^IDK-DÜ bDNn 1J1DD '3 «

v -: ^v t ■quot; iquot; : - v c t - ' ^j- ^tt : -••

iük IB'K V3 nn^i irjD1?'! «in i:1? D^VK ^ïn

s- t V -! t : aquot;t : v. -quot;T • t Iquot; * v: «• •

™ v:rnK 3p^ Dj5 »1. * : n'^^N Q^Nquot; g i^T^-nNi inipD-^-nK :nri: D^mn-Vjr ^

wv -: %. ; t v : H: • t v j- ; — r -^: - v.t t

pnv^-bw X131? DIN nö3 1^3quot;) IWtt Ij'ip HJpÖ 1^31

I jt ; • v •) t at f vquot; t Jquot; t : i • •• i: • t t

Srn 3^m i^rnx iiib n^n nbi : r^3 nxiN V3K ^

.• T •-•(,:• | - T I ■•TT : I '-it : T : j- I T

delssohn : en nu zou hij ook nog ons geld, het door u verworven vermogen, urillen opeten.

18. irUpO. zijn vee, wot, zijn andere roerende hezitdngen, dat iwp rupn, voor zijn eigendom (pjp) gekocht was, en dus eerlijk verworven, pst ito. Anderen: w:p njp», het vee, dat zijn eigendom was, als nadere verklaring van irupis, waardoor de omschrijving wel wat al te breed wordt.

19. Door Labans afwezigheid kreeg Jakob gelegenheid tot de vlucht. Het schapenscheren werd feestelijk gevierd (vgl. I Sam. 25,8 en 11; II Sam. 13,23 vv.).

ocr page 144

GENESIS XXXI.

20 de Theraphiein, die van haar vader waren. En Jakob stal het hart van Laban, den Aramiet, in zooverre, dat hij het hem

21 niet mededeelde, dat hij wilde vluchten. Zoo vluchtte hij met al, wat hem behoorde, en maakte zich op en trok de rivier over; en richtte zijn aangezicht naar het gebergte Gil'ad.

22 Op den derden dag werd Laban bericht, dat Jakob gevlucht

23 was. Toen nam hij zijne bloedverwanten met zich, jaagde hem na, eenen weg van zeven dagen, en haalde hem in

24 bij het gebergte Gil'ad. Doch God kwam tot Laban, den Aramiet, in eenen nachtelijken droom, en zeide tot hem: «Neem u in acht te spreken tot Jakob, noch goed, noch

25 kwaad.quot; Toen nu Laban Jakob bereikte — en Jakob had zijne tent opgeslagen op eenen berg, en Laban met zijne bloedver-

26 wanten had [de zijne] opgeslagen op den berg Gil'ad, — Toen zeide Laban tot Jakob; «Wat hebt gij gedaan ? dat gij mijn hart hebt gestolen en mijne dochters als krijgsgevangenen weg-

27 gevoerd hebt? Waarom zijt gij zoo in het geheim gevlucht, en hebt mij bestolen, en hebt gij het mij niet medegedeeld ? zoodat ik u had uitgeleide gedaan met vreugde en gezangen,

28 met pauk en harp ? Gij hebt mij niet eens toegelaten, mijne zonen en mijne dochters te kussen ; nu, — gij hebt onverstandig

29 gehandeld ! Ik heb de macht in handen, om u kwaad te doen ; maar de God uws vaders heeft in den afgeloopen nacht tot mij gezegd: «Neem u in acht met Jakob te spreken, noch goed,

30 noch kwaad.quot; En nu — gij zijt heengegaan, omdat gij zoozeer verlangdet naar uws vaders huis, — waarom hebt gij echter

31 mijne goden gestolen ?quot; Hierop antwoordde Jakob, en zeide tot Laban: «Omdat ik bevreesd was; want ik dacht: gij

32 zoudt misschien uwe dochters mij ontrooven. Bij wien gij uwe goden vinden zult, die zal niet leven! onderzoek, in bijzijn van onze verwanten, wat van het uwe bij mij is, en neem het voor u.quot; — Want Jakob wist niet, dat Rachel ze

ffS-m Uit vs. 30 blijkt, dat het afgoden waren; v. s. beschermende huisgoden, v. a. orakels gevende beelden; Rachel zoude ze volgens Rashbam hebben medegenomen, opdat zij Laban de door Jakob genomen richting niet zouden verraden; v. a. om haren vader op de nietigheid zijner afgoden te wijzen; n. a. omdat zij zelve nog wel eenige waarde aan de afgoden hechtte.

20. 3^ 33J, hij stal het hart, d. w. z. leidde om den tuin; vgl. de Rab-bijnsche uitdrukking; nn asi;. — De uitdrukking 2» is hier gebruikt met zinspeling op Rachels diefstal. — ton 'Sa Sr, doordien hij hem niets liet merken, tai, evenals Ps. 19,3 niet juist: mededeélen, maar in het algemeen: tot zijne kennis doen komen.

21. quot;iron, den Euphraat. — ir^jn in, dien naam kreeg het gebergte eerst later (vs. 48).

24. Tracht Jakob noch door schoone beloften (aio) noch door bedreigingen (n) tot terugkeer te bewegen.

25. ypn pSl. namelijk: zijne tent. — npbin via, op den berg, die later

68

ocr page 145

Kri no

pb aV-m ihy ö^nnn-n«3

a- —: it Ktt jquot;^ v I ^-;r - t r t : jv -: v* t^: -

iS-n^K-^Di «in ma»! : «m nia »3 i1? Tan

v -: t : j- : •' i - vquot; -gt;' ■j* * • :

ra1?1? na»') n^an nn varnK Dt^t quot;inan-nK -bin op »1=3

kt t : j-., - ^ it: • - j~ t v v jt- at t - v -• ^:i— | t^t-

quot;ia^ vnKTiK n^i : 2^. nnn *2 Di»a»

: n^ban ina inK p3quot;i4i Tin vin»-»

s t~ It: * - j- : v I jquot; 'quot; a*t *-•-; * | v^v t-:r

^l1? quot;lüETi i1? nb^n bVna ^INH py?K DTibK

•)| : vsT • Jquot; t;lt;st ~ -• -: 1- v,- --: it I^tt v 4* v:

3i^;:nK fa1? ïm : ^rny. map ajsjrDj? quot;i3quot;irgt;-fö ™ : n^^an ma vn^-nx jrpn p1?! -na iVnN-nN ^pn ap^n

It:^' j~ : i.t v v Ij-t I ot t : t t *: it v J«- t I ^r:

-nx anani 'aa^-nK aaani no ap^^ ja1? 10^113 aaani n'ia'? hxana nsb : am nvaB'a Tüa»

1 : a- lt; • ' ~ ~ : * t •• : - tlt;t vit ^ / quot; :

ah) : naaai nna Qn^ai nno'tra ^ man quot;3

•* : 1 • : 1 j i v* quot; : jt : * ; 41 ~:iquot; - -:it • t :■•- •

: ïvy nVaon nn^ 'naabi ♦aa1? pt^a1? ♦ari^iaa d3

j.. . .. , wl. t . j- . . {,t ~ ^ at : • : v.quot; t : ir*-; • - : - :

'ba quot;10K 1 ITDK aa^aN oas^ nf^b n»

J- ,. s_ T V JV v * -: •• Iquot; at V.v t J -: ~ 't

Tjbnnn^ : vriy aiao a^;;D^ laia ^jb iD^n ièx^ : Tibx-nK naaa nab ^^ax n^ab nnsoaa fpaa^a nabn

it v: v t H-t tjt f aquot; t , : t : v.quot; : ' Ij:' r t : - t

-nK bran-p ♦mÓK ♦a ♦hnt »a pbb noN^ ap^» ^

j : ' v po 'po * quot; t quot;** ' quot;t ■*\ Iatt ip v j ~ i v

naa quot;h^ xb ^ribx-nK «xpn quot;i^k : '•s^o ^niaa ^ Snquot;i *a ap^» v^'^bi quot;nb™ na^ na nbnan lanx

v,quot; t j' i -:r j-t 1 : |at l-: jt •) f ; v - squot; -

meer in het bijzonder Gil'ad genoemd werd; die nl., waarop het gedenk-teeken werd opgericht, waaraan het geheele gebergte zijn naam ontleende.

27. MIN 3jjm, v. s. = inaS ns awm; v. a. hebt mij bestolen, door uw bezittingen mede te nemen; v. n. a. ziet het reeds op het stelen der afgoden.

29. n' 'Wb Bquot;, v. s. = 'tS Sn v, mijne hand heeft de kracht-, v. a. het staat in de macht van mijne hand. Sommige dichters ontleenen aan deze

uitdrukking het woord SkS als synoniem van ro, en vatten dan op: er

is macht van mijne hand.

30. De versterkende herhaling roSn iSn en nscDJ rjos:, wordt door de meeste verklaarders aldus opgevat; gij zijt vermoedelijk zoo spoedig weggegaan, omdat gij zoo sterk naar uwe familie verlangdet, uit heimwee, dat plotseling bij u opkwam.

31 en 32. Ik ben heimelijk gevlucht, uit vrees dat gij mij uwe dochters, mijne vrouwen, niet zoudt laten medenemen (vs. 31); wat de beschuldiging van diefstal betreft, die is onjuist (vs. 32). — nan, tracht te erkennen, ■nap n» -[S, wal van het u hehoorende (quot;j1? = •jSü») hij mij is.

ocr page 146

GENESIS XXXI.

33 gestolen had. Laban kwam in de tent van Jakob, in de tent van Lea, en in de tent der beide dienstmaagden, en vond niets; en hij ging uit Lea's tent en kwam in de tent van Rachel.

34 Rachel nu had de Teraphiem genomen, en ze in het zadelkussen van den kameel gelegd, en zat er op; nu doortastte Laban de

35 geheele tent, doch vond niets. Zij zeide nu tot haren vader: ,/Dat de toorn niet ontbrande in de oogen van mijn heer, dat ik niet voor u kan opstaan, want het is mij naar der vrouwen wijze jquot;

36 hij doorzocht [dus], maar vond de Teraphiem niet. Toen ontstak Jakob in toorn en begon hij een woordenstrijd tegen Laban; en Jakob hief aan en zeide tot Laban : «Wat is mijne misdaad, wat mijne zonde, dat gij mij zoo vurig nagezet hebt ?

37 Dat gij al mijn goed doortast hebt; wat hebt gij van al uw huisraad gevonden ? leg het hier neder ten aanzien van mijne en uwe

38 verwanten, dat zij beslissen tusschen ons beiden! In deze twintig jaren, dat ik bij u geweest ben, hebben uwe schapen en uwe geiten niet misgeworpen; en de rammen van uw klein-

39 vee heb ik niet gegeten. Iets verscheurd heb ik niet tot u gebracht; ik zelf moest het boeten, van mijne hand vorderdet

40 gij het gestolene bij dag, en het gestolene bij nacht. Waar ik was bij dag, verteerde mij de hitte, en de koude bij nacht; en

41 de slaap week van mijne oogen. Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest, ik heb u veertien jaar gediend om uwe beide dochters, en zes jaren om uw kleinvee; en gij hebt mijn loon

42 tien malen veranderd ! Ware niet de God mijns vaders, de God van Abraham en de Geëerbiedigde door Izak, met mij geweest, dan voorwaar zoudt gij mij nu ledig weggezonden hebben; mijne ellende en den moeitevoïlen arbeid mijner handen

43 heeft God gezien, — en den vorigen nacht beslist.quot; Hierop antwoordde Laban en zeide tot Jakob: «De dochters zijn mijne dochters, en de kinderen mijne kinderen, het kleinvee is mijn kleinvee en al, wat gij ziet, is het mijne; doch mijne dochters — wat zal ik dezen heden doen, of haren kinderen.

33. De volgorde van het onderzoek is: de tent van Jakob, daarna die van Lea, Rachel en de dienstmaagden. Omdat echter bij het onderzoek van Rachels tent langer moet worden stilgestaan, wordt dit het laatst genoemd.

35. iS ffCJ quot;pi O. Daardoor wordt het onderzoek van het zadelkussen vermeden en tevens elke verdenking bij Laban onderdrukt, want' zij zou toch in haren toestand niet op zijne godenbeelden gaan zitten !l

38. iSdC nS. hebben niet, tengevolge van onvoldoende verzorging, mis-geworpen.

39. rutm = ruNxrw, moest het vergoeden. — TOJJ = fDJJ, met bijgevoegde i.

69

ocr page 147

tih Nï'l 12D

nsV? i pS ay) : Dnaaa ^

jquot; : v ■» ; t •• v •* : i •J -:i~ ^ v i : i t t t - - it t :

: 'jriKa Nm hk1? bn'Ma nvgt;i kïd n^i nnaxn

,,. t v j : ^ t - t •• v j •• •• •• - at t •» ; c t -: it

Drrty atfrn boan naa oa^ni D^-inrrm nnpquot;? bnn

av •• v jquot; - v,tt - j-1 -»•• * : - • t : - v jtI:it •• t:

nÓN-^K na^ni : KÏO KVI bnxn-^-nK ra1? ^

t • t v v j quot; ,t t,ï j 1 v v t t v l )tt ^ * t-

D^: -pT^ mpb wb ^

v.* t i v jv | v t ' ijt - lt; j- • -; jquot; :

\2bz 21in»quot;) : D^wnN KÏQ frfim

iatt : vjtquot; K :•quot;: 'jquot; r r : ~ v ^t t j - a*

'3 wtfn no ^a-no lü^n. apjr V3D nNya-no ^3-VmN : nnK ^

I v .....t t t - - •• t v t : ' r it-:r

onp# nr: irair |3 inw ♦nK ij: nii ^ : K1? ïptfï Nb nn^i 'na^ biK

• : it t j : i jquot; •• : aquot; • -lt; k*. , ; | jv •• ; | t \ ' ,t

♦naj-i na^p^n n»o naènx ^n^nn-Kb nsnu ^

j* ; t\: tav i: - : v.'t • t v - -: j* it | v •• • jquot; •• i t •• ^

mpi nin di»3 ♦n^n : rh^ »

t :at - -»•»•.•: v ^ ' j~ t ~; •) - * s* t t :it lt;.* : 1%:

^npn^ on^ ^-nr : Tini^

^nm niKïa ?i»n33

1jquot;-:r - Iav^ : q v*t j- : i v ; j- : • tt lt;••: • ^ r :-

Dr~iquot;i3N flbK ♦aK ♦rii?N : oab nityy wat^D-nK38

t t :^- quot; v: • t ■gt;•• v: •• r vjv^-: a* : : quot;

-nKi ^j^-nK ^nnbty opn nn^ ^ ^ rrn pni^ nnai

v ; * :^T '•' ^ * at : - * mt •* ^t ~ r ' tjt It:* quot; «quot;

IÖK»! rab r^i * : I^OK navi DTibx HKI ^33 w«

J- itt I------'t - J - V.' v; ^JT t 4- - - s*:

^JKÏ ?Nïm '33 D^sm »ri'33 niian ipy^K

... -: ^ ^ i ^ j - . - t k. t . . . t - 1 ^:i-

rn^a1? IN Di»n n'^N-na HNI nn»

i ;•■• •• : • -» - v •• t «v *••: iv t - ; • ; a • vv jt '

40. nV» mpi. De nachten zijn ook in het Oosten dikwijls zeer koud. Hiermede is niet gezegd, dat Jakob steeds op het open veld overnachtte, want ook het vee werd 's avonds op stal gezet; alleen bedoelt hij, dat ook des nachts het vee dikwijls zijne zorgen vereischte. Onze plaats is dus volstrekt niet in tegenspraak met Gen. 30,16, waar Jakob des avonds naar huis komt.

42. -m voorwerp van vrees, de Gevreesde; evenals niio, Jes. 8,13.

43.quot; Ik heb de macht en ook het recht aan mijne zijde, alles behoort eigenlijk mij; doch — ook al had God het mij niet verboden — mijn vaderlijk gevoel verbiedt mij mijne dochters en kleinkinderen slecht te bejegenen.

ocr page 148

GENESIS XXXI, XXXII.

44die zij gebaard hebben? Nu dan, kom! laat ons een verbond sluiten, ik en gij, en het zal tot een getuigenis zijn tusschen mij

45 en tusschen u.quot; Jakob nam eenen steen, en richtte dien op tot

46 een gedenksteen. En Jakob zeide tot zijne verwanten : HZamelt steenen opquot;; zij namen steenen, maakten eenen hoop, en aten

47 aldaar op dien hoop. Laban noemde dien: Jegar-Sahadoetha;

48 en Jakob noemde hem : Gal'ed. Toen zeide Laban : ,/Deze hoop zij heden een getuige tusschen mij en udaarom noemde

49 men zijnen naam: Gal'ëd. Ook : Hammitspa ; daar hij zeide : „De Eeuwige zie toe tusschen mij en u, wanneer wij de een

50 voor den ander zullen verborgen zijn. Indien gij mijne dochters mishandelt, en zoo gij vrouwen neemt, behalve mijne dochters, al is dan geen mensch bij ons, zie! dan is God getuige tus-

51 schen mij en u.quot; Voorts zeide Laban tot Jakob: „Zie I deze hoop, en zie! deze gedenksteen, dien ik opgeworpen heb

52 tusschen mij en u; — Getuige zij deze hoop, en getuige deze gedenksteen; dat ik tot u dezen hoop niet zal voorbijtrekken, en dat gij tot mij dezen hoop en dezen gedenksteen niet zult

53 voorbijtrekken, ten kwade. De God van Abraham en de God van Nachor zullen tusschen ons richten, de god huns vaders.quot; Jakob echter zwoer bij den Geëerbiedigde door zijnen vader

54 Izak. Hierop slachtte Jakob een stuk vee op het gebergte, en riep zijne bloedverwanten, om maaltijd te houden; zij hielden

55 maaltijd en overnachtten op den berg. Laban maakte zich des morgens vroeg op, kuste zijne zonen en zijne dochters en zegende hen; vervolgens ging Laban weg, en keerde naar zijne plaats terug.

32 i Jakob ging ook zijns weegs, en Engelen Gods ontmoetten 2 hem. Jakob zeide, toen hij hen zag: „Dit is een leger Gods 1quot; En hij noemde den naam dier plaats: Machanajim.

44. nm. Daar n'ia vrouwelijk is, kan dit niet het onderwerp van nvn zijn. Rashie daarom: en Hij, God, in vs. 42 genoemd, zal tot getuige zijn. Anderen nemen het onpersoonlijk; er zal iets tot getuigenis zijn-, n. a. mee-nen, dat de in vs. 46 genoemde Sj hier als verzwegen onderwerp bij gedacht moet worden.

46. ITHcS» tot zijne bloedverwanten, de begeleiders van Laban (vgl. vs. 23).

47. xnnnir in het Chaldeeuwsch, evenals het Hebr. quot;iïSj, steenhoop tot getuigenis.

49. naxom, vanwaar God als het ware naar ons beider handelingen uitziet-, tegelijk eene zinspeling op de nas», vs. 45.

53. Laban roept als rechters op (icso' meervoud) den God van Jakobs grootvader Abraham en dien van zijn eigen grootvader Nachor, en voegt

70

ocr page 149

±gt; vh xn y

ipb rrm nnxi 'jk nnn nniDJ nab nn^i : n^-10

v*; jt t : ^ tatt j*-: v^* : jt : : • -it : t ^- : itt jquot; -:

: n^ïo non^i jdk n^i : rra ^ ■bjr brSvyi D^2K inwi itapb rm^

v.t ; ^ - at -:i— t ~: j ]: ' - • t -; j i: • tv?

xnp Nrrnntr nr rib iy«np^ : ^n»»

*1-: ' { tut i ^:-*-: at -: it : itt -• ^ ti:*- it-

i05yquot;Nquot;ip p-^ Di^n ïiyni ip nrn ban ?iP no^im

v : t i it i jquot; w- a- ^): iquot; -»'••. r' jquot;- ^ -- itt v j-

-inDi »3 nrai ♦ra mn» tir ^ÜN nsvsni : i^Va ™

^.. t • y |av •• j* •• i.t : 1 '-r - t jv -: t ; • - : iquot;: -

♦jnir^b^^n^-DNvnirriN nj^n-DK : m^riö pVno^i *: hnt usy

Ktt v ) - )iv •• J- •• V* ^ J- •.•: •• : at^* v* I Jquot;

: ni^i ♦ra ♦nn^ im niïan nam nin ^n i nsn apv»1?

|iv quot; ^ -IV -: T .. - - .... V- J-- J.. • |a-:i-:

-nx naïan mjri nfn

I V •• «~:iv * T • AT^quot; - - :p p vquot; ••*

naïan-nNi mn ^rrnK ia^n-N1? nnx-DNi nfn ban

jt •• - - v : •)*.* - j- - v - -: i-^ t - • ; v - -

irra ^2^ ninj ^n^Ni omax ♦nbst : n^nb nxm »

.... j . . . t *•* iquot; t t : - •• v: it t : ^ quot;

ap^.naT^ : pnx' va* nnaa ap^.ya^i Dnp«

Dn1? ^axn DnyVaN1? vnxS Kip^i quot;ina nar

v.-t- v v : j - vat t v: iv ^t v ; ^ jt! ;' - t t -v

^iian vni:abi v^a1? p^^i ipaa ra1? oa^'i * : nna™

| v^t:- j.t : • : ot t : i squot; lv - itt « ; -- it t

la-iv^i laTi1? TiPn apy^ : ibpoS p1? aty^i onnw

v. ^ ; : •- a : -: |jquot; t i v, .1quot;: • i : ' ktt t jt- | v.)*— av : v

nr DM1?** nanta dnt it^Na ap^ quot;io^i •' d^Sk ♦ax1?»3

av v: Jquot; -: r tt ■*••' -: r I .r v lt; - r v: jquot; -: : -

s : D^no Kinn Dipan-D^ xnp4!

quot;it —: |— v - ij t - iquot; 4tl:*-

daaraan toe den god van hun gemeenschappelijken stamvader Térach, Jakob echter zweert alleen bij den God zijns vaders, d. i. die van Abraham. Anderen; crvcx viSx, de goden hunner voorvader en, dan zou men echter Dnias, meerv., verwachten.

54. nat. Daar hier geen altaar vermeld wordt, beteekent na» waarschijnlijk niet een offer, maar een stuk vee, iets, dat geslacht wordt, voor een gemeenschappelijken maaltijd. — phnS, evenals vs. 46, Labans begeleiders.

Hoofdstuk XXXII. 2. D'JTTDj ''fee legers, dat der engelen en dat van Jakob.

ocr page 150

GENESIS XXXII.

3 Jakob zond boden voor zich uit, tot zijnen broeder 'Esau,

4 naar het land Sé'ier, de landstreek van Edom. En hij gebood hun, als volgt; „Zoo zult gij zeggen tot mijnen heer, tot 'Esau; aldus spreekt uw dienaar Jakob: Bij Laban heb ik mij opge-

5 houden, en er vertoefd tot nu toe. En ik verwierf mij ossen en ezels, kleinvee, slaven en dienstmaagden; en nu zend ik om het u, mijn heer, te berichten, om gunst in uwe oogen

6 te vinden.quot; De boden keerden tot Jakob terug, en zeiden ; „Wij zijn tot uwen broeder, tot 'Esau, gekomen; ook trekt hij

7 u tegemoet, met vier honderd man bij zich.quot; Toen vreesde Jakob zeer en werd beangst; hij verdeelde het volk, dat bij hem was, en het kleinvee, de runderen en de kameelen, in

8 twee legers. Want hij zeide: „Indien 'Esau tot het eene leger komt en het verslaat, dan zal het overblijvende leger tot redding

9zijn.quot; En Jakob zeide: „God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Izak, Eeuwige! die tot mij gezegd hebt: „Keer naar uw land en naar uwe geboorteplaats terug, en Ik

10zal u weldoen!quot; —ik ben te gering voor al de genadebewijzen en al de trouw, die Gij uwen dienaar reeds bewezen hebt; want [slechts] met mijnen stok ben ik dezen Jordaan overge-

11 trokken en nu ben ik tot twee legers geworden; — Red mij toch uit de hand mijns broeders, uit de hand van 'Esau! want ik vrees hem, dat hij niet kome en mij ombrenge, moeder met kinderen;

12Terwijl Gij immers hebt gezegd: „Weldoen zal Ik u, en uw kroost doen worden als het zand der zee, hetwelk wegens de tal-

13 rijkheid niet geteld kan worden.quot; Hij overnachtte aldaar dienzelfden nacht; en nam van hetgeen hij in zijn bezit gekregen had,

14 een geschenk voor zijnen broeder 'Esau. Twee honderd geiten

3. TW nXTK. 'Esau hield zich reeds op in het land Sé'ier, dat hij bezig was op de Chorieten, de oorspronkelijke bewoners, te veroveren'; zijne definitieve vestiging in dit land valt, naar Gen. 36,6, eerst na Jakob's terugkeer, misschien zelfs eerst na Izaks dood. Bij voorbaat wordt het land hier reeds ons mw genoemd, hoewel het eerst later in zijn bezit kwam. Sé'ier ligt niet op Jakobs weg van Charan naar Palaestiiia; toch zendt hij boden daarheen om hem te verzoenen.

7. Jakob weet niet, Of 'Esau met vriendschappelijke of met vijandelijke bedoelingen komt; niets wijst hem op eene veranderde gezindheid bij 'Esau. Jakob wordt dus bang; hoewel hij, nog onder den indruk der engelenverschijning bij Machanajim, vol Godsvertrouwen is, noopt de dreigende toekomst hem toch, alle middelen tot redding te baat te nemen. Zoo bidt hij dan tot God, terwijl hij eerst Gods vaderlijke liefde prijst en zijne eigen geringe verdiensten in het licht stelt, vervolgens tot de eigenlijke bede overgaande, om met de uiting van het vaste vertrouwen op den höogeren bijstand te sluiten; —- bereidt zich op het uiterste voor, om te redden, wat te redden valt; — en tracht door geschenken en deemoedige onderworpenheid zijns broeders toorn af te wenden.

10. ^30 VUÖj?) ft te. gering voor al de genadebewijzen, d. w. z. ik

71

ocr page 151

aV rhw\ w

yyv nyn» vnx I^-SN via1? rtët^v

^nN'? jnöKn nquot;3 ió^b bnK : DIIK nnir i

v.- i- I : i - quot; t lt;-: - i ••; r*:

•' nnjrn^ inw ^n-ii |3^dj; Sok na

♦i'-iN^ Tan1? nnb^Ninna^na^'i |kï quot;iibni_ Vw» 13X3 iONb 3^:^ DpNbonb^l : ^r^3 fn-NVp1?1 : loy niKp-^iNi Tjbh bi. ^nK-bt?

-nNi irhir-jK'N DynTiK pm quot;b INO 3^;_ NT'V Ki3*quot;DK quot;ion'i : nuno 'wb o^oam quot;)p3n-nNi r^inn

j r ' v - i -; r j-: v.- - : - : mtt - v : I s -

iN^n nsnon n^rn insni nnxn mnon-^K pniquot; ^3N ^n^Ni Drn3K 3py ~quot;)Oii»i ; nu^öquot;?B

i at : • j' t v.quot; iquot; t t : - quot;•• t •• v: i ^:i- v - |t .. ; '

: n^tpw ^nnbiobi lö^n njn;

nwy nt^K nÓKrr^Di bnonn Sso vuibir

(av : v t v •gt; jv -: v v:-»t r • • t -: r lt; • • : I t

: niano nri^i nin 0Tn-nN ^3^ ^03 '3

in» biK ity-*3 )amp;v TO ^HK I»O K:

-• t i v -it *,,t i* at_ •• j- • t r • 4t • }•• ' -

^notfi Tm 3,L2*K 3L3»n mow nnNi; 3^3-^ dn nini»

lt;• :^ - : I at ^ •• _;.... t j — t -«t ~ ; r t • - * :

n^bs fbn *: 3no iöd^kV ~i^k dti ^ins ^irnK ^ D'riNO nny : vm Svyh nn:o N3n-ro np^ xinn^

• ~ t -• ■ i* t -'t • : \.t : • -jt ; st - i • |------f, -

ben reeds niet waardig al de mij door God bewezen weldaden, — cn toch waag ik het een no^ grooter gunst te vragen! — ras, trouw aan de gegeven beloften, die Zijn woord vervult.

11- D^a hp ÜK 'JDm. en mij verslaan, namelijk moeder met kinderen (SiroRKC); anderen: '»m = i1? riDm, en bij mij verslaan moeder met kinderen. Di33 Sr dn, eig.: moeder over kinderen, de moeder, die hare kinderen beschut en ze, evenals de kip hare kuikens onder hare vleugels dekt, met haar lichaam beschermt.

12. nnW. Terwijl Gij immers toegezegd hebt enz.; en deze belofte zou niet vervuld worden, zoo 'Esau ons zou dooden.

13. iT3 xan p, van hetgeen in zijne macht, in zijn eigendom, was gekomen-, vgl. itgt; jnx (Ps 95,7); niet: van het eerste het beste, wat hem in de hand kwam, — want hij neemt zoogende kameelen en zorgt voor de juiste verhouding tusschen mannelijke en vrouwelijke dieren (vgl. Rashie).quot;

ocr page 152

GENESIS XXXII.

en twintig bokken; twee honderd vrouwelijke schapen en twintig 15rammen. Zogende kameelen met hare veulens, dertig; veertig

16 koeien en tien stieren; twintig ezelinnen en tien jonge ezels. Hij gaf ze in de hand zijner knechten, elke kudde afzonderlijk, en zeide tot zijne knechten;Trekt voor mij uit, en laateenetusschen-

17 ruimte tussehen de eene kudde en de andere.quot; En hij gebood den eerste, als volgt: «Wanneer mijn broeder'Esau uontmoet, en u vraagt, zeggende: „Wien behoort gij; en waar gaat gij

18heen; en voor wien zijn deze, die vóór uzijn?quot; — Dan zult gij zeggen: Aan uwen dienaar Jakob; een geschenk is het, gezonden aan mijnen heer, aan 'Esau; en zie, ook hij zelf komt ach ter

19 ons.quot; Hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die achter de kudden gingen, zeggende: «Gelijk deze woorden

20 zult gij tot 'Esau spreken, als gij hem aantreft. En gij zult zeggen: ook zie, uw dienaar Jakob komt achter ons.quot; — Want hij dacht: «Ik wil zijn toorn verzoenen door het geschenk, dat vóór mij uit gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; mis-

21 schien zal hij mijn aangezicht opheffen.quot; — Het geschenk trok dus voor hem uit, maar hij bracht dien nacht in het leger door.

22 In dienzelfden nacht stond hij op, nam zijne twee vrouwen, zijne twee dienstmaagden en zijne elf kinderen; en trok het

23 veer van den Jabbok over. Hij nam hen, deed hen de beek over-

24 trekken, en bracht al het zijne over. Zoo bleef Jakob alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.

25 Toen deze nu zag, dat hij geen macht over hem had, greep hij hem bij den heupbal; toen werd Jakobs heupbal, bij zijn worstelen

26met hem, verwrongen. En hij zeide: «Laat mij vertrekken, want de dageraad is opgegaanquot;; maar hij [JakobJ zeide: «Ik zal u

27 niet laten vertrekken, tenzij gij mij gezegend hebt.quot; Gene zeide

28 tot hem: (/Hoe is uw naam?quot; En hij zeide: ,/Jakobquot;. Toen zeide hij: «Niet Jakob zal meer uw naam genoemd worden,maar Jisraël;

17. nSx quot;ob), beteekent niet: «wien behooren zij,quot; want aan wien de herder behoort, behoort ook de kudde; het ware dus een onnoodige vraag. Men vertale: «voor wien zijn dezen, daar vóór u, bestemd?quot; Zoo luidt dan ook het antwoord op deze vraag, vs. 19, wr1? 'JisS.

20. na maax. Evenals Spr. 16,14, kan ook hier ieo zeer goed den toorn tot voorwerp hebben; it zal zijn toorn tot bedaren brengen. — NEquot;, zal hij mij mijne angst ontnemen en zoo mijn aangezicht weer opgeheven doen zijn (zie onze aant. Gen. 4,5 en 7). Anderen: zal hij mijn persoon gunstig opnemen.

21. ]S Nim. Hij bracht den naeht in het leger door; de angst liet hem echter geen rust vinden, hij stond dus in het midden van den nacht op (vs. 22) en bracht zijne vrouwen en kinderen en eindelijk zijne bezittingen over den Jabbok, en bleef alleen aan deze zijde van die rivier (vs. 24).

22. VlS' 'YffV TIN nXI. Van Diena wordt geen melding gemaakt, zooals meermalen minder beteekenende personen worden weggelaten, als vanzelve bij de hoofdpersonen behoorende.

25. patn. van pas, stof, omdat bij het worstelen stofwolken worden

10

72

ocr page 153

D^oa : onipy DTIND D^m ontrv D^jvi 10

s* - : . i*: • •• ; ' V.quot; t r •• : a-: v.' t :

nïriK onsi D^|quot;IK nns vfbv nn^m ni^ro na1? TIJ;, vn^-i^a anir^«»

:quot;|1?.r?i T$TI1D^nn! vnir^K quot;10^1

•iON1? ♦HN ,^^a, quot;2 iOMV ri^NinTiK iïn ^

|: iquot; : • T -«T^quot; P ; IT ; i* •*' A quot; I V. IT V j- : -

n^QNi : y:*) ♦obi hjki nnx^ü1? ^ Kirroi nam 'ritó nni^ j^in nnao

V - r* • ; AT 1- T : jt : ■ I *-:r:

quot;brnK oa ^^^rrnrs 0^ 'a^n-nx pa iv?!! •' lannx ^ ïvvbx nnamnin 12*13 imb onn^n nnx o^Vnn

T quot; V I J : - ; V- lt;T T - A •• i.'T^riT jquot;-: I- • ; J -

lannK rizv nan oa ornoNi : ijik ddkïos 3

Aquot;quot;=r, K :i~ J} : :; -j •'••,. - , . .V:r :

nxin p-nnNi ♦aab robnn nnasa vaamsaKioM-^

JV : v P •• ••-: |- : T T : VJV I- T ; • - T T JT : - -; T r

■nb^a f1? Nim vaa-1?^ nnasn i^m : ♦as kb» ^ik vaö«

A T :i }jr .) ; ATT (.T : • - j*-:r~ IT T JT • r TT

vm w-nK npn Kin nb^3 1 opn : nansa xinn==

T T lt;quot;: v I------T :•'----I TJT~ V -; i— ^ -

quot;Dya HK ia^i mV wmi vjnnfitr ♦niy-nNi

J~ ■ 1- v,quot; ^n— AT T : V.T t j— v : T : • •quot;• : v ;

: ly-itwrn^ n^»i Vnan^nK anayi onpn ; pa»»

••■ -: v .••«:,- :-at v -It- I ,-

KTI nnBn t^'K paK'i na? apv» mm ^

. ••— -it- s quot;■ ^ lt;•' 1 Jquot; Ti— h'-tr j-T-na

zpZ lir6!? laT-fjaa ^1 tgt; Sb» ah »3 noN'nn^nnS^ »3 ♦an-?^ idk^i : lav ip3Nn3quot;

- V - - AT - V.T T r • .. : - V -• - I • I ^ : IT •• :

quot;iün'1 ^jöE^na iüü]) : ♦ananrDK 'a » Sx-if^DN »3 ?jü^ hty -10K» bip^. ah noK'i ;' 3^™

opgejaagd. Rashie : pas = pan, omarmen, omdat de worstelaars elkander omvat nouden. V. s. ligt in dit woord eene toespeling op den naam: pai = p2Nquot;i. — dw, een engel, zooals vs. 29 en 31 blijkt.

28. De naam Jakob verdwijnt niet, maar komt of als bijzondere naam van Jakob, óf ter aanduiding van Jakob en Israël in een toestand van zwakte, ook verder nog voor. Het vers beteekent dus; niet Jakob alleen zal uw naam genoemd worden, maar ook Israël. De nieuwe naam wordt hem in Beth-El door God zelve gegeven (35,10). (Vgl. Hos. 12,5). — Deze worsteling, waarin Jakob ten slotte de overhand houdt, ook al blijkt hij den volgenden ochtend niet geheel ongedeerd te zijn gebleven, is het antwoord op zijn gebed. Het feit van zijn hinken maakt het onmogelijk hier aan een profetischen droom te denken.

ocr page 154

GENESIS XXXII, XXXIII.

want gij hebt om den voorrang gestreden met goddelijke wezens en met menschen, en hebt de overhand behouden.quot;

29 Jakob vroeg en zeide: «Deel mij toch uwen naam mede!quot; doch hij zeide: «Waarom toch vraagt gij naar mijnen naam?quot;

30 en hij zegende hem aldaar. Jakob noemde den naam der plaats; Peniël; «Want, ik heb een goddelijk wezen van aangezicht tot aangezicht gezien, en mijn persoon werd gered.quot;

31 De zon ging voor hem op, toen hij Penoeël voorbij trok;

32 en hij hinkte aan zijne heup. Daarom zullen de kinderen Israels de verwrongen spier niet eten, die op de heupbal is, tot op dezen dag; omdat hij Jakob bij de heupbal, aan de verwrongen spier gegrepen heeft.

1 En Jakob sloeg zijne oogen op en zag, en zie, 'Esau kwam aan, en met hem vier honderd man, — toen verdeelde hij de kinderen bij Lea, bij Rachel, en bij de twee dienstmaagden.

2 Hij plaatste de dienstmaagden en hare kinderen vóóraan. Lea en hare kinderen daar achter, en Rachel en Joseph als de

3 laatsten. Hij echter ging vóór hen uit; en boog zich zeven malen

4 ter aarde, terwijl hij tot zijnen broeder naderde. 'Esau liep hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om den hals, en kuste

5hem; en zij weenden. Toen hij nu zijne oogen opsloeg, en de vrouwen en kinderen zag, zeide hij: «Wie zijn u dezen?.quot; En hij zeide: «De kinderen, waarmede God uwen dienaarbe-

6 gunstigd heeft.quot; Nu naderden de dienstmaagden, zij en hare

7 kinderen, en bogen zich neder. Toen naderde ook Lea met hare kinderen, en zij bogen zich neder; daarna naderde Joseph

8 en Rachel, en zij bogen zich neder. Nu zeide hij: «Waartoe dient u dat geheele leger, hetwelk ik ontmoet heb?quot; En hij zeide: «Om gunst te vinden in de oogen van mijn

9heer.quot; En 'Esau zeide: «Ik heb in overvloed; mijn broeder,

32. p hy, daarom, wegens dit feit. — ntn üvn ir, tot op dezen dag, waarop dit gelezen wordt. Het verbod is natuurlijk bij de wetgeving aan Israël gegeven; twijfelachtig is het, of het als gebruik ook reeds vroeger heeft gegolden en daarom hier reeds opgenomen is; dan wel bij de wetgeving eerst aan Israël werd voorgeschreven, maar hier bij de historische aanleiding ertoe zijne plaats gevonden heeft. (Vgl. Choellien 100Ö, 1016). Volgens het eerste gevoelen (dat van R. Jehoedain de Mishna t. a. p.) vertale men; daarom eten de zonen Israels niet enz., het is dan een gébruik, — waartegen echter het gebruik van S.w 132 in den zin van: de zonen van Jakob spreekt; — naar de tweede opvatting: daarom mogen de kinderen Israels niet eten-, het is dan een verbod.

Hoopdstük XXXIII. 2. Bij de verdeeling zijner bezittingen in twee legers (32,9) is van de vrouwen en kinderen geen sprake. De beide legers kunnen zeer goed gescheiden gebleven zijn, terwijl hier alleen verhaald wordt, hoe Jakob het leger, waarbij hij zich met vrouw en kind bevond,

73

ocr page 155

ih zh rhm ty

quot;iqn'I npr D^JK-DVI D^riVs-or nnir'3

I ^ir j- ; • - ,t - v.' t -: : •»• v;# t j- t r

inK 'nmn ♦db'1? •jKirn nt na1? quot;idk'i «rnn^n

^ v I -vt : - a- : • •»- ; • t^t v - i v ; t r -

♦nwa Dipan oty aby» tnp»quot;) * : |

v: ** t r Aquot; • : Ktquot; Jquot; stI:** it ?

-in^ 1^X3 vnfn i^mn. : wz: bïsm. D^-^N D^S ^ p-ty : 131^ «mi ^uötik ^

^ .. t; • iquot;: : i | ., ^- , ... j : v :

jm '3 ntn ovn ny Tii'n pi3-^ n^n n^rnK

T av- V I^T- )-- v -: VT- quot;• f

nanixin vi^. 3p^;_xm : n^n tj3 ip%_ ^v^33« J?

on^n-nx HIND ^3quot;INlajn«s

■dni ninfityn-nx D^'i : ninö^n Vyi bnrSvi =

•gt; t : - v vst- ^ it:- Jquot; : *[-; •• t :

-nNi VnrnKi D^FIK nnVi n«^_nKi n:^Nn tnn1?»

v : ^jquot; t ^ v ; -: i- t vt i* lt;tquot; v : at r Kv ••; -

^3ty ny-ix inw»quot;) dn'jö1? 13^ nini : d^ihk ^dv j inpsnp, inK^quot;? p»i ; vnN-n^ int^rn^ D^b^s ^ -m «T'i vi^-nN : i33!,lt;i inp^i nnirby

;lt;— t •• v -'t • - i : • - |aquot;t •- vt t- j • - •quot; -j

■*I^n Qn^n quot;IDK4^ ^TnV«-»p -iDtfi onVn-nNi b^an •rquot; p. innV.i nan nins^n * : ^TyrnK d^piVk fjn 1 1^3-1 «IDV quot;iriNi linnen nn^n nNV-oa mw : pmn^nv

I -iquot; Jquot; - - : a-:i- : •- t \.quot;t r -jt •• - j- • - tI iv-:i- : • -

♦niyja ntn n:nan-^3 ^ 'D io^'i : nnn^i bnn *

• :att -v -; v.v- jv-tt— t •)! ; r v - i -: r : • - vquot; t;

'na 31 ïamp;V quot;idn'I : ^riN 'J73 ?n-Kïob no^i»

• t AT -• v vt • v J- r -: gt;•• *1. : lvquot; : •

ordende. Aan eene wedervereeniging behoeft niet gedacht te worden; van eene tegenstrijdigheid tusschen 32,9 en 33,2 is dus geen spoor.

3. IIWI. JTonmi is; zich lang uit, met uitgestrekte handen en voeten, met het aangezicht ter aarde werpen. Jakob duidt daarmede zijne onderworpenheid aan 'Esau aan. — inoj iï, terwijl hij naderde (Mendelssohn, J. Ts. Mecklenburg); vgl. voor deze beteekenis van ij) Recht. 3,26; Job 1,18; anderen: totdat.

5- l*? nSiC quot;O- In welke verhouding staan dezen tot u? Zijn het uwe kinderen of uw slaven?

8. quot;]S 'D — i7 n»; vgl. Recht. 13,17; -pu in. — ntn runsn, die kudden met hunne geleiders.

ocr page 156

GENESIS XXXIII.

10 voor u blijve, wat het uwe is.quot; Maar Jakob zeide: «Niet toch! indien ik toch gunst gevonden heb ia uwe oogen, neem dan mijn geschenk uit mijne hand; en wel: omdat ik uw aangezicht gezien heb, gelijk men het aangezicht eens goddelijken wezens ziet,

11 en gij mij gunstig opgenomen hebt. Neem toch mijn zegen, die u gebracht is; want God is mij gunstig geweest, en ik heb

12 alles.quot; Toen hij nu bij hem aandrong, nam hij het aan. 'Esau zeide: «Laat ons optrekken en voortgaan, en ik zal aan uwe

13zijde gaan.quot; Doch gene zeide tot hem: «Mijn heer weet, dat de kinderen teeder zijn, en [dat de zorg voor] het kleinvee en de runderen, die zoogend zijn, op mij rust; als men ze slechts éénen dag te veel drijft, dan sterft al het kleinvee.

14 Dat mijn heer toch voor zijnen dienaar vooruit trekke; en ik zal met mijn langzamen gang voortgaan, naar den stap van het werk, dat vóór mij is, en naar den stap der kinderen, totdat

15ik bij mijnen heer te Sé'ier kom.quot; 'Esau zeide: ,;Laat mij dan toch bij u stellen van het volk, dat bij mij is;quot; doch hij zeide: //Waartoe dit? laat mij gunst vinden in de oogen van

16 mijn heer.quot; 'Esau keerde op dien dag zijns weegs terug naar

17 Sé'ier. Maar Jakob trok naar Soekkoth, en bouwde zich een huis; en voor zijn vee maakte hij hutten; daarom noemde men

18 den naam der plaats: Soekkoth. — Jakob kwam behouden in de stad Shechém aan, die in het land Kena'an is, toen hij van Paddan-Aram terug kwam; en legerde zich in het ge-

19 zicht der stad. En hij kocht het stuk veld, waar hij zijne tent had opgeslagen, uit de hand der kinderen van Chamor,

20 den vader van Shechém, voor honderd Kesieta. Hij richtte daar een altaar op, en noemde het: God is de God van Israël.

10. DVlSjC yö DKTD, gdijk men het aangezicht van een engel ziet, gij zijt mij tegemoet gekomen met hemelsche welwillendheid, als een vriendelijke engel. V. a. Ik dacht uw aangezicht te aanschouwen, gelijk men tot een rechter opziet, — gij echter zijt mij genadig geweest. Neem dus mijn geschenk als dank voor uwe welwillendheid.

11. VOquot;Q. Rashie: mijn b e g r o et ing s geschenk-, TSkcbm.: dat, waarmede God mij gezegend heeft-, anderen; de uitdrukking van mijn zegenwen-schen. — Sa 'S un. Ik heb alles, wat ik noodig heb, naast 'Ësau's ai -h v (vs. 9).

12. nj/M. Wegens het ontbreken van den pji in den d, verklaren sommigen: trek op-, anderen; laat ons optrekken. — -pjjS, zoo, dat gij mij steeds in het oog hebt en op mijne bescherming rekenen kunt.

13. 'hy iïh)}. Heidenheim verklaart 'Sj = QiSr; het klein- en rundvee zoogt jongen.

14. naar den stap van rosSsn, het vee, dat het voorwerp van mijn zorgen en werken is. — ifs' tr enz. Misschien lag het in Jakobs voornemen zijn broeder, van Chebron uit, in Sé'ier te gaan bezoeken.

15. In Jakobs weigering behoeft nog volstrekt geen wantrouwen tegen

74

ocr page 157

jn ♦mïD KrDK krbx toxn : rp ♦n^ nK-i3 ïj'ja TVNquot;! il-^ ^ n^p ^nnja nnpVi.

Ti1? n«nn ♦nairriN xrnp : nvnni D^N ♦JÖ^

|t -t •-. -v -: t ; * v lt;r i- •!••;•- ^ ••: Jquot; :

nyw : nj5;i irnvs?!

Dn^n-'a it ^'-IK V^K IÜN»! : n^Ni namp;n* : |Nïn-b|i iriDi nriN DI» bipfini ^t n^n^Kïrn D^I nD^ban nbnjnN ^sh «ri^.T

: m^ ^'in-VK N2K-niyN ny on^'n ♦jöVitrK

t v quot; quot; •* j t v quot;: t:- vjv: tt: v -:

nsb no^vriK IE'K D^n-fp •rjajr «rn^ïK Sv# ip^v0

istiV Kinn di^dbAi : »:-in ♦j^a rn-NvoK ni«

^... 1tlt;. tt. ,. ,..^v iv.. t:v .,

n^i? |S4i nn3D ^DJ : HT^quot; _ D : nüD Di^ari'DE' jr^ nioquot;' TIN |n«i onx pöp ixaa |^:3 p«2 DÓB'i^DbV tq i'i'nN btrnm ie^k nn^n np^n-nx ?pn .quot;vvn ^

j' • *: it t tit lt;v -; vt - jj- ; v v 11 v • - t jquot;:

n3Tp DBrain : nca^p nwoa DDK' ♦aM niDn-»:33 a * : Vkiïj» ^ribN •?«

iquot; t: • jquot; •;: i.quot; ti : ■ -

'Esau te liggen. Bescherming door soldaten kan Jakob zeer wel onnoodig geacht hebben.

17. 11130. Eene stad in het over-Jordaansche gebied (vgl. Jos. 13,27; Recht. 8,4—8), niet te verwarren met het Ex. 12,37 genoemde Egyptische Soekkoth. Na den vermoeienden tocht had zijn vee rust noodig; daarom houdt Jakob zich nog geruimen tijd in het trans-Jordaansche op. Volgens Midrash zoude zijn verblijf te Soekkoth ongeveer anderhalf jaar hebben geduurd, en wel op grond van het hier tweemaal gebezigde; rro, winter-verllijf dus twee regenhalfjaren, waartusschen één zomer, gedurende welken hij niao, hutten bewoonde.

18. Na zijn oponthoud te Soekkoth stak hij den Jordaan over en kwam na jarenlange afwezigheid en na tallooze moeilijkheden en gevaren, oSff, hehouden, ongedeerd te Shechem aan.

19- ntStrp. Volgens R. 'Akieba (Rosh Hashana 26a) is Kesieta — nrn, een muntstuk; v. a. lammeren. — Evenals Abraham de spelonk Machpéla, koopt Jakob de plek, waar zijne tent staat.

20. Evenals Mozes, Ex. 17,16, het door hem gebouwde altaar 'dj 'n, noemt Jakob hier het zijne: S.s-icn viVx Sn, d. w. z. hier worde God vereerd, die getoond heeft Israël bij te staan. De Godsnaam Sn is hier gebezigd in herinnering aan Beth-Él

ocr page 158

GENESIS XXXIV.

1 Diena, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging

2 uit, om naar de dochteren des lands te zien. Toen zag haar Shechém, de zoon van Chamor, den Chiwwiet, den vorst des lands; hij nam haar, lag bij haar, en deed haar geweld aan.

3 Zijne ziel hechtte zich aan Diena, de dochter van Jakob; hij

4 beminde het meisje en sprak tot het hart van het meisje. En Shechém zeide tot Chamor, zijnen vader als volgt: «Neem mij

5 dit meisje tot vrouw.quot; Jakob nu had gehoord, dat hij zijne dochter Diena onteerd had, en zijne zonen waren toen met zijn vee in het veld; daarom zweeg Jakob, totdat zij thuis kwamen.

6 Chamor, de vader van Shechém, ging uit tot Jakob, om met

7 hem te spreken. De zonen van Jakob waren intusschen uit het veld gekomen, toen zij het hoorden; de mannen waren bedroefd en zeer vertoornd; want: «eene schanddaad heeft hij gepleegd tegen Israël, om bij Jakobs dochter te liggen, en zoo

8 behoort niet te geschieden!quot; Toen sprak Chamor met hen, als volgt: «Mijn zoon Shechém — zijne ziel heeft verlangen naar

9 uwe dochter; geeft haar toch hem tot vrouw. En verzwagert u met ons; uwe dochters kunt gij ons geven, en onze dochters

10 voor u nemen. En bij ons kunt gij wonen, en het land zal voor u [open] zijn; zet u neder, trekt er in rond, en verwerft u

11 grondbezit daarin.quot; En Shechém zeide tot haren vader en tot hare broeders: «Laat mij gunst vinden in uwe oogen; en wat gij mij

12 zeggen zult, zal ik geven. Vordert van mij nog zoo veel bruidschat en huwelijksgeschenk, en ik zal geven naar wat gij mij

13 zeggen zult; geeft mij slechts het meisje tot vrouw.quot; Jakobs zonen

Hoofdstuk XXXIV. 1. Diena, die op het einde van het tweede zevental jaren van Jakobs verblijf bij Laban of in het begin van het laatste zestal geboren is, moet op dit tijdstip reeds een aankomend meisje geweest zijn; ook Jakobs oudste zonen zijn reeds volwassen herders, zoodat tusschen Jakobs vertrek van Laban en het hier verhaalde een tijdperk van ± 8 jaar ligt. Diena was dan op dat tijdstip ongeveer 14, Joseph ongeveer 13 jaar oud, zoodat diens verkoop dan vier jaar later valt.

2. niJPI nn* SDC*)! hij deed haar geweld aan en woonde haar bij, één begrip in twee werkwoorden uitgedrukt.

3. mj/an aS Sr quot;on. hij sprak haar liefderijk toe, om haar geneigd te maken, zijne vrouw te worden.

7. Vooral de broeders voelen zich in de hunne zuster aangedane be-leediging gekrenkt. — eene schanddaad, gewone uitdrukking voor

geslachtelijke onzedelijkheid; v. s. van Sn:, verwelken, overdrachtelijk: ontaarden-, v. a. van Ssj, dwaas, omdat het volgen van wellustige begeerten, in strijd met eer, fatsoen en recht, als het toppunt van dwaasheid beschouwd wordt. — SNicna, tegen Israël, volksnaam, van het tijdstip der wetgeving beschouwd; of wel: omdat Jakobs familie, door zich niet met andere volkeren te vermengen, reeds als afzonderlijke stam gold. — sS pi nry, v, s, en zoo pleegt niet te geschieden bij inboorlingen; v. a. en zoo

75

ocr page 159

mwa niK-iS im nrn Nxni«

j : ' v • ' Ifr-zr: ^t:it r.* -: tquot; - t * lt;•• •• -

npquot;'! rixn k^: nnn -iiarm Dstr nriK : ri«n =

\rquot; I vat t J* : v* • •quot; •) -: I v jv : t :— | vit t

nana 1^2; psirn : nnx nnx ^ n; -bn *ION»I : ^nn ayty -i3nn ^an-riK anK'-i ■gt; p

... : v -•- it -:i- - jquot; - -:- t^i— v - v:iv- i—

2ipy»i : nK-rn m^n-nK ^-np ioKb vax quot;iionquot;

l-* .i~: it * : v.quot; v .)' lquot; T ^ ~!

m^3 in:pD-nN vn vani inn n:n-nN am '2 vvv

avt - v**': * v ^ t .)t t • -«t • v •• • lt;• t

ap^'-^N DDir»aK -non kï'i : dks-i^ ipy trnnni1

^ Ia^i- v vv : ,* quot;n j quot;' *quot;quot;' ,T f v :r rv;iv ;

nn^n-fp ins ^21 : im lyi?1 Mir1? n'tyjr n5nj ^ TKD onb -im a^:Nn

quot; : * •• t : • ; -r ^t t t : •*• a ; v*-* t -rquot; * t -: it

iDNb onx quot;iiDn quot;13-in : nivy n'1? pi apvnrnNquot;

a •• -*t • v, -; gt;•• - :^- iv t*!** ^ ^ kquot; : i :i~

: n^Kb *6 nnK XJ i:n DDnna i^a: npirn ^3 DDtr

it • : .jt jt : v : • : ^ : - |lt;t: it • : ■Jv ;

: inpn irnaa-nw^ DD^nia ^nnnni.»

irnxni nnnoi QD^a1? rrnn linxi1

». it quot; : t t : ; _ •.•••;• jv : r | ^vt t : a** •• V.t • :

DD'rjD |n;NïpN n^nN-^Ni IQN^ : na^

niinKi rnonno^D dm :?nN naKn -law^ _

t ; v^: I t - - - lt;-*t : - I iquot; v v~ •* -J : • sv -; i- I-J

■quot;33 : HB'N1? n^sn-nK quot;VK noxn 1^3 ^ H

•• ; :i it • : -:i- ~ v j* ; at •• v : ' quot;: •quot; ........................................................................................................................................................ n.

behoort niet tc geschieden-, aan zulke daden van geweld moest eens vooral een einde gemaakt worden.

10. ïTn^TQIj tvebt evtn i ond, als reizende kooplieden ofj wat waiar-schijnlijker is, als nomadische herdersstara; na unsm of, zoo gij wilt, verwerft u grondbezit en vestigt u op eene bepaalde plaats. Zoo Krociimal (lain laiaj nni:, § 8, pag. 32), die er op wijst, dat bij het doen van den voorslag aan de bewoners van Shechem juist dat recht van blijvende

vestiging door den vorst wordt verzwegen (vs. 21).--a TTOtn, eig. zich

door den bodera laten vasthouden, zich ergens blijvend vestigen.

12. jnoi quot;TIO, geldelijke verplichtingen van den man tegenover zijne vrouw en hare familie (-rra) en geschenken aan hare familieleden (jns). Shechém tracht ook zelve aan de woorden van zijn vader kracht bij te zetten en wendt zich tot vader en broeders, om onder den meest eervollen vorm om Diena's hand te vragen. Jakobs zonen laten zich echter door de hun voorgespiegelde stoffelijke voordeden niet leiden! Hoe weinig gemeend het aanbod was, blijkt reeds uit het enkele feit, dat Diena gevangen bleef en niet aan hare familie werd teruggegeven, maar later met geweld moest worden bevrijd! Dit verklaart al het volgende.

ocr page 160

GENESIS XXXIV.

antwoordden Shechém en Chamor, zijnen vader, met list; en

14 spraken zoo, omdat hij hunne zuster Diena onteerd had. Zij zeiden namelijk tot hen: ;/Wij kunnen deze zaak niet doen, onze zuster aan een man te geven, die eene voorhuid heeft;

15 want dat ware ons eene schande. Slechts onder deze voorwaarde zullen wij u ter wille zijn, wanneer gij wordt gelijk

16 wij, dat elk manspersoon onder u besneden worde. Dan zullen wij onze dochters aan u geven en uwe dochters voor

17 ons nemen; wij zullen bij u wonen en tot één volk zijn. Maar indien gij niet naar ons luistert, om u te laten besnijden, zoo

18 zullen wij onze dochter nemen en heen gaan.quot; Hunne woorden schenen goed in de oogen van Chamor, en in de

19 oogen van Shechém, den zoon van Chamor. En de jongeling aarzelde niet de zaak ten uitvoer te brengen; want hij schepte behagen in de dochter van Jakob; en hij was geëerd boven het

20gansche huis zijns vaders. Chamor en zijn zoon Shechém kwamen naar de poort hunner stad, en spraken tot de mannen

21 hunner stad, aldus: «Deze lieden zijn vreedzaam gezind jegens ons, zij willen zich in het land nederzetten en er in rond reizen; het land toch, zie, het ligt naar beide zijden vóór hen ; hunne dochters kunnen wij voor ons tot vrouwen nemen, en

22 onze dochters hun geven. Doch, slechts onder deze voorwaarde zullen deze mannen ons ter wille zijn, om met ons te wonen en tot één volk te zijn, als wij onder ons elk mans-

23 persoon laten besnijden, gelijk zij besneden zijn. Hunne kudden, hunne have en al hun vee, zijn die niet voor ons? laat ons slechts hun ter wille zijn, opdat zij zich bij ons nederzetten.quot;

24 Zij luisterden naar Chamor en Shechém, zijnen zoon, allen, die de poort zijner stad uitgingen; en alle manspersonen wer-

25 den besneden, allen, die de poort zijner stad uitgingen. Nu was het op den derden dag, toen zij pijn leden, — toen namen de twee zonen van Jakob, Simon en Levie, de broeders van Diena, ieder zijn zwaard, en overvielen de stad, die zich

26 veilig waande; en doodden alle manspersonen. Ook Chamor

13. Jakobs zonen, allen spreken met list. Volgens Nachm. waren zij voornemens Diena op den derden dag met geweld te bevrijden en huns weegs te gaan. Simon en Levie echter moordden de stad uit, wat niet in het plan lag; daarom worden vs. 25 en 27 zij alleen genoemd en wordt hun door Jakob (Gen. 49,6) daarvan een verwijt gemaakt. — -ips, omdat enz., daarom achtten zij zich gerechtigd geweld met list te bestrijden.

15. DJtD, in ruü voor het volgende.

ia rmih' niet: de besnijdenis aan zichzelve te voltrekken, want in vs. 20 roepen zij eerst de bevolking bijeen om hun den voorslag van algemeene besnijdenis te doen; de woorden beteekenen: hij aarzelde niet uitvoering te geven aan den voorslag van Jakobs zonen en de voorbereidende stappen te doen, door onmiddellijk de volksvergadering bijeen te roepen.

76

ocr page 161

nV rhm

ksü nö^aa V2K iion-nNi D^TIK ipv»

quot; ' gt; JV ': [ \.r : - : r r j -: v : v : v | ^-;i-

I2in ni'^S ^12 tib dh^k nüN^ : DrinN nn nn^

jt t - • r - lt; •.•••-: ^ ; i - ^ it ^ jt * v.quot;

Nin nsnn-^ nbiv b-ivn unnK-nN r\rh nin

jt : v r at :^t -» v -: ; r* -: v •• t

■ba DDb ^'anb vnn dn4 dd1? niN3 nNta-TtK : u1? ™

t v.quot; t j • i r J : r quot;« av^t ^ -• quot; ». : l quot; it

123^1 DD^rnxi Di)V irnirnx ^nji : i3T«

;-«-t: at !-• quot; i : v : v t •• : v «-t : itt

bian1? I:^K ynvn ^-DKI : -IHK DJ?1? irrn DinNquot;

a • ; •• •) : : s • ; it v *j-: v*t : v : •

^aman^aonnan n^ni i:nrn« unpbi ^

V.quot; quot; : a -: -»••'ï* ; v.quot; quot;: * -»:••- ; it t : r* * quot; : I ^quot;t :

ran ^ linn nitpy1? npn -inN-K^i : man-ra D3^

| v,quot; t j' tt- j -:r -- lt;- •• i ; i -: i v jv :

Dalman Ka»i : vaK n^a Saa naa: Nini ap^^-naa=

jv^; 4 -: j t' tt jquot; ^ * t : * -• : ia^-;!- - ;

d^jnh : nax1? Dquot;i^ nam dti? ua «

* t-:it i •• ^ : quot; v •):-:quot; at -■'- v v. ;

pKm nnK nnon pxa la^n un^ an a^abi^ nbxn

I v)tt : t I v t^t lt; : !••: t * ■quot;• s* •• :i v •• t

■nsn D^:1? ub-npa ariaa-nN an^ab an^nann nan

7 , T S quot;•■ PPquot;--'.....iquot;T '/■quot;

wnw naty1? a^Kn i:? im^n^a-nK :Drtgt; rnj wn:a =

t • v-v t • t-:it lt;t ^ ^ : |- iv t i-iquot; • v,quot; :

: D^a: an i^Na nar-ba uS biana nn« a;gt;S nvn1?

r • jquot; vv -: i- t t t t j ' : at V : v : •*

anb nmx: nx an ^ «ibn anana-Vai brapi an:pa »

vt t -4 •• i-lt; a** J.t t : V : t : tt :i• : lt;v|; •

W W'^a liaaa^Ki nian-bN ^a^i njn« la^n^ 'ty^trn ovaVi : -ipv nar-ba vm iw™

^ ... - - • : 1 p p J~ • t tt t • - A

mn ♦nK p^a^ap^^-^a-^ inpn D^a anvna nian-nKi narba inn»! naa Tirn-ty ixan iinn^N«

-: v : itt t v. :quot;i~- quot;av t j t- ;- ■••

21—23. Zij zijn vriendschappelijk gezind; liet is dus ons voordeel daarvan gebruik te maken. Ruimte is er genoeg, zij zullen ons in geen opzicht hinderen. En ten slotte zullen wij of door huwelijk óf door vererving in het bezit komen van al, wat hun toebehoort!

25. D'DXD, toen zij, tengevolge der besnijdenis-operatie, zeer pijnlijk waren. De derde dag na de operatie wordt als eenigszins gevaarlijk beschouwd. — noa Vïn Sjj iN3i% zij overvielen de stad, die zich veilig waande; v. a. zij overvielen de stad veilig, zonder vrees voor tegenweer. Het onrechtvaardig uitmoorden der stad wordt hun door Jakob ernstig onder het oog gebracht: Israëls goede naam als rechtvaardig volk zal verloren gaan, gij hebt onrecht gedaan; — bovendien zijn wij weinig in aantal en dus hebt gij ook onverstandig gehandeld (vs. 30).

ocr page 162

GENESIS XXXIV, XXXV.

en zijnen zoon Shechém doodden zij met de scherpte van het zwaard ; daarop namen zij Diena uit Sheehéms huis, en gingen

27 heen. De zonen van Jakob overvielen de verslagenen en plunderden de stad, omdat zij hunne zuster onteerd

28 hadden. Hun kleinvee, hunne runderen en hunne ezels en

29 wat in de stad en wat op het veld was, namen zij. Ook al hun vermogen, al hunne kleine kinderen en hunne vrouwen namen zij gevangen, en plunderden zij; ook alles, wat in huis

30 was. Toen zeide Jakob tot Simon en Levie: «Gij hebt mij in moeilijkheden gewikkeld, door mij in kwaden reuk te brengen bij de inwoners des lands, bij den Kena'aniet en den Perizziet; ik heb slechts manschappen, die te tellen zijn; zoo zij zich nu tegen mij verzamelen, kunnen zij mij verslaan; en zal

31 ik verdelgd worden, ik en mijn huisgezin.quot; Maar zij antwoordden: ;/Zou men dan onze zuster als eene ontuchtige behandelen ?quot;'

1 En God zeide tot Jakob: „Maak u op, trek op naarBeth-El en vestig u daar; en sticht daar een altaar, ter eere van den God, die u verschenen is, toen gij voor uwen broeder 'Esau

2 vluchttet.quot; Hierop zeide Jakob tot zijne huisgenooten en tot allen, die bij hem waren: //Verwijdert de goden uit den vreemde, die in uw midden zijn, en reinigt u en verwisselt uwe klee-

3 deren. En wij zullen ons opmaken en naar Beth-El optrekken ; en daar zal ik een altaar stichten, ter eere van den God, die mij ten dage mijner benauwdheid verhoorde, en die met mij

4 was op den weg, dien ik gegaan ben.quot; Hierop gaven zij aan Jakob al de goden uit den vreemde, die in hunne handen waren, en de ringen, die in hunne ooren waren; en Jakob

5 begroef ze onder den lindeboom, die bij Shechém is. Toen trokken zij op; — en eene angst van God was op de steden, die rondom hen waren, zoodat zij de zonen van Jakob niet

26. 3TI De scherpte van het zwaard wordt als een alles opslokkende mond gedacht.

30. DiTDJ?, letterlijk: gij hebt mij troebel gemaakt, in het heldere, zuivere water van mijn goeden naam iets geworpen, waardoor het troebel wordt; d. w. z. hebt mij in moeilijkheid gebracht. — ibd» tto, mannen, die te tellen zijn, zoo gering is hun aantal.

Vs. 31 bevat het motief der geheele daad. Niemand moest meer wagen de hand te slaan aan eene van Jakobs dochteren! — Van beoordeeling der medegedeelde feiten onthoudt de Thora zich geheel. Zij verzwijgt ook de verkeerde handelingen niet, het aan ons overlatend'daaruit de noodige conclusiën te trekken.

Hoofdstuk XXXV. 1. Waarschijnlijk onmiddellijk na het in het vorige hoofdstuk verhaalde, zeide God tot Jakob: „Ga naar Beth-El en houw daar, volgens uwe gelofte (Gen. 28,22), een altaar voor God, die u daar, toen (jij voor 'Esau op de vlucht gingt, verscheen en u uit al uwe nooden gered heeft.quot;

77

ocr page 163

r6 quot;6 w

n^ö njn-nK m ih aairntti

V.v : r* • -rr • v s i: •- vat • : v :it : -••.•: v :

ixau Tvn lü'i D^bnn-^ iK3 ^3 : «

\. : • t' —. fgt;' t v. t- • t tlt; I ^:r — ; .....-

Tttricw mi onnon-nNi Dquot;ipmNi öJ«mK :Dnin«™

*5- t v -: squot; : av •• 1 -: v : ^tIt : v :. jt v it -:

-nKi böta-bmNi D^^n-ba-nNi : inpS m^3 c3

v ; t - t v ; lt;t •• t v : i it t ^vt - jquot; -: _ v :

-VK ipy quot;iON»i : n^3 n«i in1quot;)

I ^-.r m v - ^*,Tquot; J'' .quot;' r : AcsïTquot; f ^ T •• •• ;

^:333p.^n3^3^K3ny'nK Drns^

^-om iödk:'! IÖDÜ ♦DD ^NI mssi

r -: v.' : quot; : * ï * quot; : ~ « : v iv; t : • -••• ; • -; r a* • : -

3 : i:ninK-nK nüiDn notf-i 1 m)*

,.. -. .. t ; - a^ : 1 - 1* quot;

-n^. D^-3^1 bi4quot;n*3 ip^pN D^ribN quot;IÜN^n

: TC^ T}^ ^ niTtp av

»r6«-nK non is^ quot;irvrVx zpy quot;IQK^ -

lt;•• v: v * t a ■quot;.• -: t v.quot; : **. quot; ' -iquot; v lt; -

nüipji : DD^hVot^ nntsm oiina IITK IDSH j

t ijr^z iv quot;i : v.--: 1-: -: 1- • : v : i : ■quot;.• -: t •• -

DV3 quot;nK nj'vn ^ naro otrn^Ki

j : • lt;v^ it •* t - .. : • jt v ^v:iv : ^ aquot; ^ iquot; vv. •'quot;;

n« 2p^,_i?K nnn : TO^n nay wv

j.. ) v j : •- • : it t jv -: j ••w - ^■t ' * t,t

rb^iDn^msiirKD^ran-miDVa ID^H 'ribN-Va

i lt; : •- av ••: t : -v -: v't: - v : tt : -«v -; Tquot;' . ^ quot;: T

nnn 1 w) wd»i : dd^d^ quot;iï^k nbxn nnnnp^DnMquot;

j- • ~ ^ at ' ~ iv jv -:^ v.t quot;^it - j- I -;i- t

gt;:3 nn« üb) Dn»ni3»3D ib'k on^n-1?^

jquot; : v,quot;-: 1- :it -• : •.•••-••: v -: 'tiv • v:

2. TsnnS». de goden uit den vreem.de, Theraphiem en andere afgoden, die óf uit Mesopotamië waren meegebracht óf bij het langdurig verblijf in Palaestina onder hen opname gevonden hadden. — De reiniging bestaat in baden van het lichaam en verwisseling van kleederen, terwijl de vroeger gedragen kleeding door wasschen gereinigd wordt. Eene dergelijke reiniging gaat, aan den voet van den Sinai, aan de wetgeving vooraf (Ex. 19,10).

1

om oorringen, die öf met heidensche voorstellingen versierd waren, of als amuletten golden. — nSsn, de linde-, v. a. de tcrehynth; in ieder geval een boom, die een hoogen ouderdom bereikt en daarom dikwijls als her-inneringsboom voorkomt. V. s. is dit dezelfde boom, waarbij Josua met Jakobs woorden Israël beveelt de goden uit den vreemde te verwijderen (Josua 24,23; vgl. Recht 9,6). — pro, hij verborg ze onder den grond, d. w. z. hij begroef ze.

ocr page 164

GENESIS XXXV.

6 vervolgden. Jakob kwam te Loez, dat in het land Kena'an ligt, dat is Beth-El, hij en al het volk, dat bij hem was.

7 Hij bouwde daar een altaar, en noemdé die plaats: God te Beth-El; want daar had zich God hem geopenbaard, toen hij

8 voor zijnen broeder vluchtte. — Daar stierf Debora, de voedster van Rebekka, en werd beneden Beth-El onder den eik begraven; en men noemde zijn naam: Allon Bachoeth.

9 God verscheen Jakob nogmaals, toen hij van Paddan-Aram

10 gekomen was, en zegende hem. God zeide namelijk tot hem : „üw naam is Jakob; [doch] uw naam zal niet meer Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn ;quot; zoo noemde

11 Hij zijnen naam: Israël. En God zeide tot hem: «Ik ben God, de Almachtige! wees vruchtbaar en vermenigvuldig u; een volk, ja, eene verzameling van volkeren zal uit u ontstaan, en

12 koningen zullen uit uwe lendenen voortkomen. En het land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, zal Ik u geven;

13 en uw kroost na u zal Ik het land geven.quot; God verhief zich van hem weg ter plaatse, waar Hij met hem gesproken

14 had. Jakob richtte een gedenksteen op, ter plaatse, waar Hij met hem gesproken had, een gedenkteeken van steen; hij

15 plengde er een drankoffer op, en goot er olie op. Jakob noemde den naam der plaats, waar God met hem gesproken

16 had: Beth-El. Zij vertrokken van Beth-El; en er was nog eene streek lands om naar Ephrath te komen; toen zoude Rachel

17 baren, en zij had het zwaar bij haar baren. Toen zij het nu bij haar baren zoo zwaar had, zeide haar de vroedvrouw: «Vrees

18 niet, want ook deze is u weder een zoon!quot; En het was: toen hare ziel uitging, — want zij stierf, — noemde zij zijnen naam:

19 Ben-Onie; maar zijn vader noemde hem : Benjamin. Zoo stierf Rachel, en werd begraven op den weg naar Ephrath, dat is

20 Beth-Léchem. Jakob richtte boven haar graf een gedenkteeken op; dit is het gedenkteeken van Rachels graf, tot op dezen dag.

7. De plaats bij Loez, vroeger door hem Beth-El genoemd, gaf hij thans den naam El Beth-El, God is te Beth-El. — iS«, het meerv. bij als enkelv. op te vatten; volgens Ibn 'Ezka; waren hem God en de engelen (28,12) verschenen.

8. Of Debora, die als voedster van Rebekka (24,59) haar bij haar huwelijk begeleidde, inderdaad, gelijk in Midrash wordt beweerd, door Rebekka tot Jakob was gezonden om nem naar Kena'an terug te doen keeren, zooals zij hem 27,45 had beloofd, dan wel op andere wijze zich bij Jakob bevond, staat niet vast. Haar dood wordt medegedeeld ter verklaring van den naam noa pSx, die v. s. identisch is met de Recht. 4,5 genoemde mal lun.

9. ffW nSJO 1K33 HIT, nogmaals hij zijn terugkeer met dezelfde beloften, die hem op de heenreis gegeven waren.

14. quot;pi een plengoffer van wijn.

15. Hernieuwing van den 28,19 gegeven naam; vs. 7 is alleen sprake van de plek, waar het altaar stond.

78

ocr page 165

r6 rhm

ttin |233 pK3 quot;iK'K mrh üy) : Dipa^kift**! roTobtf r^i Msr^ ö^n-VDi ^n»

v lx- t):*- - •• ; • t I vlt;*- ^ i ^ v -! quot;jtt r : ^

nom ; vhk ♦iöo imaa D^Nn vVk )biï ^ n

t lt;t - r t j** z ' ^ : t : * v: it t •• lt; ; • t -•• •••

riVxn nnn bKTi^b nnnö quot;opni npnn npro niai

i a - it -•»- ...... - j- • o-it • - it : • i•.•-»••• •• t :

£3 : ni33 ribt* ide' inp»i

: int? *T\y\ Dquot;IN riöö IKDÜ iiy Dpy»-7« 0

'.. l-AT:r- , quot;T-: I— • , : ' I -:,- v lt;■ v: T-

♦sap^. np^. jjÜE' D»™ ITIO^V

iS Knp^ nw ^

d^öiïido D'ia bnpi ^ni-n ma nt^ ^ w

V* t : Iav • jv : r *,• j-1: •) •• : •»••: -- lt;•••-: • v:

n1? pnv^i DmnN^ ♦nna ivx pKn-nNi .* INÏ* n^bno ^

-• i : i v.t ; • ; ^t t : - : • -r t jv -: | vt t v : ••••• f jvt -: iquot;

D^riVx vtyo ^ ' pKn-nx mx ttik n3:nx ^

a- v: ^t tquot; r* | vit t v Ir* v I I.V-; r j r—. ;-: tav : v

Dipsa niïö Dpr ^ * : IHK Dipsa ^ |

h t - t •• - i y*:'quot;^ ' ' jquot; ' v -: kt- '

^ö^n^pri'nDin^ -iD'i px naïö im naTi^tt

i v it t ^v t i J ■ - \v\' T qv t }lt;•--i vat v-v- v. * ^ jv • ^ v -:

a^ribx DEf irix -fl-i IE'N aipön DsrnK ipjrj. inp'V0 «ia1? pKn-ma^ bs» n^ö ^D'i :

j t i '-xt t - ; • j • :r •• -••• • ^ : * - iquot; iquot;

nn-i^3 nn'B'pna ♦n^i : nmba lypni -ftm nmaNquot;

at : * ; ^ ^t i: - : ^* :- it : • : U-; - v r* - tat:^v

nNï3 'nn : ra -j1? nrora ♦NTri-VK m^an n1? iQNm ^

lt;•• ; • ;- Ir* )v.t r.' - r • : -•• - vv-; i- lt;t ^v

: i^-Kip V3N1 ^iK-ra la^ mpni nno ^ n^33

I i-t: • j tIit v.- t ; a- I v ^ : jtI ;^ • - r quot; •gt;• r : -

n-ri : QnV «in nrhaN napni noni^

5*------vit jquot; v* t t: v | v-»v; quot;It * - aquot; t tv.t-3

: Di»n-^ bnrmnp mïö Nin nmap-^jr navD apv»

, - v.. T -r-.l; v jv - .)• at ti-.I : ~ ^t •• - l-)^:r

16. iTQ3, waarschijnlijk eene bepaalde maat, ,1123; v. a. is de 3 de jiwin 'a, ongeveer eene nis, een strook, stuk.

17. p -h ill DJ lt;3, zooals gij bij de geboorte van Joseph gewecscht hebt. 1 1

18. ■01N p. zoon mijner smart-, ps'a, naar Rashie: zoon van het zuiden, als de eenige van Jakobs zonen, die in Palaestina geboren is; anderen: zoon van mijne rechterhand, d. i. mijne beminde vrouw; n. a. po' = BW, zoon van mijne oude dagen-, Machm.; zoon van mijne kracht, zoodat Jakob uit het smartelijke w p de gunstige bcteekenis op den voorgrond plaatste (vgl. ■w jwni, Gen. 49,3).

ocr page 166

GENESIS XXXV, XXXVI.

21 Israël reisde verder, en sloeg zijne tent op aan gene zijde van

22 Migdal-'Eder. Toen nu Israël in dit land woonde, ging Ruben heen, en lag bij Bilha, zijns vaders nevenvrouw, en Israël hoorde het; —

23 De zonen van Jakob waren twaalf. De zonen van Lea: Ruben, Jakobs eerstgeborene, en Simon, Levie, Juda, Issaehar

24en Zeboeloen. De zonen van Rachel: Joseph en Benjamin.

25 De zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Naphthalie.

26 De zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Asher; deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.

27 Jakob kwam bij zijnen vader Izak, in Mamré, te Kirjath-Arba', dit is Chebron, waar Abraham en Izak zich opgehouden had-

28 den. De [levens-] dagen van Izak waren honderd en tachtig

29 jaren. Izak verscheidde en stierf, en werd tot zijne volkeren verzameld, oud en verzadigd van dagen; en 'Esau en Jakob, zijne zonen, begroeven hem.

1 Dezen nu zijn de nakomelingen van 'Esau, dat is: Edom.

2'Esau nam zijne vrouwen uit de dochteren vanKena'an; 'Ada, dochter van Élon, den Chittiet, en Aholiebama, dochter Van

3 'Ana, dochter van Tsib'on, den Chiwwiet. En Basemath, doch-

4 ter van Jishma'el, zuster van Nebajoth. 'Ada baarde aan

5'Esau: Eliephaz; en Basemath baarde: Re'oeël. En Aholiebama

baarde Je'oesh, Ja'lam en Korach; dit zijn de zonen van

6 'Esau, die hem in het land Kena'an geboren werden. 'Esau

22. Kort wordt hier een feit medegedeeld, dat in den eigenaardigen vorm van den zegen 49,4 zijne straf vindt.

26. iS iS1 TOK. die hem, althans grootendeels, in Paddan Aram ge-boren waren.

29. Hoewel Izak eerst veel later stierf, wordt zijn dood, evenals de ontwikkeling van 'Esau's geslacht, hier medegedeeld, om verder ongestoord Jakobs levensgeschiedenis te kunnen voortzetten. Bij Jakobs komst naar Egypte toch was hij 130 jaar oud, bij Joseph's verdwijnen dus 39 —17 = 22 jaar jonger, dus 108; Izak was dus toen eerst 168 jaar oud en leefde dus nog 'twaalf jaar na den in hoofdst. 37 verhaalden verkoop van Joseph.

Hoofdstuk XXXVI. 1. 'Esau's nakomelingen en de ontwikkeling van zijne macht wordt hier, na het geslachtsregister van Jakob, ingevoegd, omdat na Izaks dood Jakob en 'Esau niet meer met elkander in aanraking komen. Tevens wordt hier aangetoond, hoezeer de toezegging aan Izak (Gen. 25,23) en Izaks zegen (27,39) ten volle werden bevestigd, ja, dat 'Esau zelfs veel vroeger tot macht en aanzien kwam, dan Jakob.

2. De hier genoemde namen van 'Esau's vrouwen wijken af van die in Gen. 26,34. Daar heeten zijJehoedieth, dochter van Beërie, den Chittiet, en Basemath, dochter van Élon, den Chittiet, terwijl Jishma'els dochter, die 'Esau zich tot vrouw nam. Gen. 28,9 Machalath genoemd wordt. Hier heet Elon's dochter: 'Ada, Jishma'els dochter, Basemath, terwijl Jehoedieth geheel verdwenen is en eene andere vrouw; Aholiebama genoemd wordt. Bashbam's verklaring is in deze de meest waarschijnlijke en wordt door Séfer Hajjftschar ondersteund. Jehoedieth zoude namelijk kinderloos, al-

79

ocr page 167

V? r6 w

nxbno ri^nK qn ^D»I « nnVrnK rSiKi -i^i Ninn r-ixa

•*quot;*•* * v.t ; • v -;•-!quot; ; Jvj— - | v^t t •• t ; • q

Ö * ypEh VÏK s-

|21Kquot;! quot;1133 riNb ^2 : 1'^ vn»i« I

nDi^ Srn ^2 : ri^n iD^n nninn nSi riyo^i ^ s

k- •• T - : I . •..: ^r T ■: , t r - ••: 1 quot; : - : F_

n37T ^y\ : n bm nnat^ nn72 ^21 : \my\ ™

■iT : ' jquot; : r t : - : I •• t j- : • t : • «•• ; I r t : • gt;3

nö2 1#« 2pr ^2 Hv'N quot;i^Ni quot;ia nx1? nnat^

ij— : v - •-. r.' -: i .1quot; -*••: v ••lt; a** t : ^ -«t quot; j~ : *

Kin y2quot;iKn nnp nido V2k pn^-^K 2pr ^2»i ; dquot;)N«

-•' tr : quot; it j- :|- vquot; ï ~ • t i -«t : • v i *~i- lt; t- it-:

nNQ pnï' »0' m : pnxn Dnquot;i2« Dtrnrna'N fhnn quot;3

j- : i at : • jquot; : ^ ^1 it : •: : ~ jr ,t v quot;: ' : v

rpr vsr^ nD'i pnï» : rvw o^b^i rwlt;quot;

11 v'*t t - v i *•* jt ** — tt- i lt;t : • ^ -: •- itt r : ^tt

2 : v:2 2^1 ïv% iriK n2p»i d^ü» ^2^1 -nx npS ; dhk Min nnSn n^Ki« 17

Ij-t ^ rr^quot; 1 v: j vt : 1 v ■)quot; : 3

-nxi ♦nnn ni^-nx j^2 niJ2p vm

-n2 no'f 2-nNi : ♦inn fi^2Vquot;n2 n^rro no2^nK ^ nö^2iTfi^N-nN i^1? nVrn :ni»2: ninx b^ö^i

- : -T AT * v:# V ^T : ■JT^T V J» - IT: j \»t : •

E^'nK nn^ no2^nNi : ^NI^THN nn^ n |quot; n[5»i : {^32 p«2 quot;ii^N '32 n^K nip-riNi1 r-

thans zonder zonen, gestorven zijn en daarom bij de geslachtsuiteenzetting niet in aanmerking komen. Verandering van 'naam na huwelijk of na andere gewichtige gebeurtenissen komt zoo dikwijls voor, dat het ook hier niet onwaarschijnlijk is, dat 'Esau zijnen vrouwen andere namen gaf, hetzij omdat bijv. de naam Maehalath, herinnerende aan nbn, ziek zijn, in gunstiger zin veranderd werd (Kachm.), of om wflke andere reden dan ook. Mogelijk is ook, wat Nachm. aanneemt, dat Elons dochter Basemath eveneens kinderloos gestorven was en 'Esau toen hare zuster 'Ada tot vrouw nam. Later nu, nadat 'Esau zich in het land van Sé'ier, den Choriet, had gevestigd, eene aan de Chiwwieten nauw verwante volksstam, misschien wel een onderdeel van dien stam, verzwagerde '£sau zich met hen en nam zich Aholiebama, dochter van 'Ana, tot vrouw. Daar er evenwel onder de Chorieten twee personen waren die den naam 'Ana droegen (vs. 20 en 24), wordt hier duidelijk aangewezen wiens dochter hij nam: de dochter van 'Ana, de klein-docAter van Tsib'on, dus de dochter van den in vs. 24 genoemden. Uit vs. 5 blijkt, dat hij dan na zijn huwelijk met Aholiebama weder naar Kena'an terugkeerde, wat door zijne deelneming aan Izaks begrafenis (35,29) niet onwaarschijnlijk blijkt.

ocr page 168

GENESIS XXXVI.

nam zijne vrouwen, zijne zonen, zijne dochters en alle personen van zijn huis, en zijne kudden, al zijn vee en al zijne bezittingen, welke hij in het land Kena'an verworven had, en ging naar een

7 [ander] land, wegens zijnen broeder Jakob. Want hun vermogen was te veel, om te zamen te wonen; en het land van hun oponthoud kon hen niet dragen, wegens hunne kudden.

8 Dus woonde 'Esau in het gebergte Sé'iei'; 'Esau, dat is: Edom.

9 Dit zijn de nakomelingen van 'Esau, den stamvader van Edom, 10op het gebergte Sé'ier. Dit zijn de namen van 'Esau's zonen:

Eliephaz, zoon van 'Ada, vrouw van 'Esau; Re'oeël, zoon van 11 Basemath, vrouw van 'Esau. De zonen van Eliephaz waren: 12Thcman, Omar, Tsepho, Ga'tham en Kenaz. En Thimna' was eene nevenvrouw van Eliephaz, den zoon van 'Esau, en zij baarde aan Eliephaz: 'Amalek; dit zijn de zonen van 'Ada, 13 vrouw van 'Esau. En deze zijn de zonen van Re'oeël: Nachath en Zérach, Shamma en Mizza; dit waren de zonen van Base-14: math, vrouw van 'Esau. En dit waren de zonen van Aho-liebama, dochter van 'Ana, dochter van Tsib'on, vrouw van 'Esau; zij baarde namelijk aan 'Esau: Je'oesh en Ja'lam en 15Korach. Dit zijn de stamvorsten van 'Esau's zonen: de zonen van Eliephaz, den eerstgeborene van 'Esau: de stamvorst Théman, de stamvorst Omar, de stamvorst Tsepho, de stamvorst Kenaz.

16 De stamvorst Korach, de stamvorst Ga'tham, de stamvorst 'Amalek; dit zijn de stamvorsten van Eliephaz in het land

17 Edom; dit zijn de zonen van 'Ada. En dit zijn de zonen van Re'oeël, 'Esau's zoon: de stamvorst Nachath, de stamvorst Zérach, de stamvorst Shamma, de stamvorst Mizza; dit zijn de stamvorsten van Re'oeël in het land Edom; dit zijn de

18 zonen van Basemath, vrouw van 'Esau. En dit zijn de zonen van Aholiebama, vrouw van 'Esau: de stamvorst Je'oesh, de stamvorst Ja'lam, de stamvorst Korach; dit zijn de stam-

19 vorsten van Aholiebama, dochter van 'Ana, vrouw van 'Esau. Dit zijn de zonen van 'Esau, en dit zijn hunne stamvorsten; hij is

6 en 7. Na Jakobs terugkeer uit Mesopotamië, trekt 'Esau naar een ander land, niet: omdat hij niet met Jakob wil samen wonen (er staat immers: icegens zijnen broeder Jakob, vs. 6), maar omdat, evenals bij Abraham en Lot (Gen. 13,6), door de talrijkheid van beider veestapel, de streek hunner vestiging voor beiden geen ruimte liet.

woonde, vestigde zich. Hij was er reeds vroeger geweest, maar vestigde er zich eerst na Jakobs terugkeer voorgoed. (Vgl. ook Gen. 33,16 «nS, wat misschien beteekent: hij zette zijn voorgenomen tocht naar Sé'ier voort; later keerde hij dan naar Palaestina terug, om ten slotte zijn vaste woonplaats in Sé'ier te kiezen.)

12. 'Amalek. Van hem stamt, naar de traditie, het volk uf, dat Israël in de woestijn aanviel (Ex. 17,8). Wanneer Gen. 14,7 van een veldi-an den

li

80

ocr page 169

quot;i1? rbm a

niK'örba-nKi vrurnw vtrrnx samp;y

quot; j : quot; t _ V ; t v ; -»t t v ; t t v t

p^atra-j quot;IK'K linp-ba nxi inünrVrmi inapa-nNi

i VJV ; t jquot; ~: t : i • t •• : ; v : t v ; -quot;•) ; • v ;

an DBhm n»n-»3 : vn« ipy ^so pn-Vk ^ rwa»

VT 4T ; STT r ^ r T \j*-:r v.quot;: * I vv v )•.•-••- I^at :

♦3öD DriK nN'^b Dnnuo px NSI inn*

V,quot; : • t Jquot; t v •• 1 ; ^ I vlt;v T'j:,T : at: - *.•-••.• •

n-'Ki ; DiiK Kin yyv nna ivv nm : on^pon

V 4quot;: 1 v: ^ VT •• J- ; t •-•lt;••- iv ••): • q

^■^3 nioif nv'K : yyw nna QI-IK ninbh'

: npfr|3 bxip n^K rrj^-fa

nn*n 1 yyon] : npi on^i isx IOIK |o»ri TÖ^K ya vn»i ^ ^3 p^ö^-nN nVn^ i^-ja TS^

htüi nat? mn nn: »33 nbNi : mv *

at- -quot;r ' , quot;l'-quot;tlt; quot;gt;quot; quot; : ■quot;•: v •■ : it v jquot; vt*t

nö37nij »J3 vn ^«1 : i'^ nt^K np^3 ^3 vn rt-px ^ -n«i n^K |i^3Vquot;n3 n:^;n3 g

1133 TS^K ^3 V^-'J3 nbx : nipTlKl D*?^» -r-

t ■• - : - • v: lt;•• : «t lt;• ,•• : - - v v -1,^ v : vt*-

nir6]^ •' ^7« naiN |o»ri «|1^K »O

Dinx pK3 TÖ^N nbx pba^ tjibK onya tfhx nnj tjibx ^3 nbNi : ^3 nbx ^

DiiKpNS^N'i^ 'D^k n vW nip e]^N na^ tjiVK rnr nB'N na3^nK ^3 nbxi : Vt^v na^3 »J3 nbx ^

*• •* * t t r^*: it lt;•• : v •• ; it v jquot; v~ : it jquot; ; v ••

na^bnK nip e]Vvgt;K tpbx

Kin Dn'Sibx nvgt;Ki i'^-^3 nbK ; ïamp;y nt^x njigt;-n3 ^

j V,quot; •• • quot; V jquot; : -jt Iquot; : V Squot; IT *•• '.' jquot; {t*-: -

'Amalekiet sprake is, bewijst dat nog niet, dat reeds vroeger een volk van dien naam bestond; maar kan daarmede zeer goed eene streek bedoeld zijn, die ten tijde der wetgeving door 'Amalekieten bewoond werd. — Rasïïbam meent, dat op grond van 1 Kron. 1,36 moet aangenomen worden, dat Elieplmz, behalve zijne vromo Thimna', ook een zoon van denzelfden naam had, die dan met den ve. 16 genoemden stamvorst Korach onder de kinderen van Eliephaz, identiek zou zijn. Het woord rjsm zoude dan bij vs. 11 en 12 moeten worden gelezen. Vgl. 3os. 13,7 en 8; en I Kr. 8 35 en 36 met Ibid. 9,41 en 42.

ocr page 170

GENESIS XXX^I.

20Ecloiii. — üit zijn de zonen van Sé'ier, den Choriet, de be-

21 woners des lands; Lotan, Shobal, Tsib'on en 'Ana. Dishon, Etser, en Dieshan; dit zijn de stamvorsten van den Choriet,

22 de zonen van Sé'ier, in het land Edom. De zonen van Lotan waren: Chorie en Hémam; en de zuster van Lotan was Thimna'.

23 Dit zijn de zonen van Shobal: 'Alewan, Manachath en 'Ebal, 24Shepho, en Onam. Dit zijn de zonen van Tsib'on: Aja en

'Ana; dit is 'Ana, die de Jémiem gevonden heeft in de woestijn,

25 toen hij de ezels weidde voor zijn vader Tsib'on. En dit zijn de zonen van 'Ana: Dishon; en Aholiebama, dochter van'Ana.

26 Dit zijn de zonen van Dieshan: Chemdan, Eshban, Jithran en

27 Eeran. Dit zijn de zonen van Etser: Bilhan, Za'awan en 'Akan. 29 28Dit zijn de zonen van Dieshan: 'Oets en Aran. Dit zijn de

stamvorsten van den Choriet: de stamvorst Lotan, de stamvorst

30 Shobal, de stamvorst Tsib'on, de stamvorst 'Ana. De stamvorst Dishon, de stamvorst Etser, de stamvorst Dieshan; dit zijn de stamvorsten van den Choriet, naar hunne stamvorsten, in het land Sé'ier.

31 En dit zijn de koningen, welke in het land Edom geregeerd hebben, vóórdat een koning over de kinderen Israels regeerde.

32 Er regeerde in Edom: Béla', de zoon van Be'or; en de naam

33 zijner stad was Dinhaba. Béla' stierf en in zijne plaats regeerde

34 Jobab, zoon van Zérach, uit Botsra. Jobab stierf en in zijne

35 plaats regeerde Choesham, uit het land Théman. Choesham stierf

20. pan w, de oorspronkelijke bewoners van het land, Sé'ier, waar 'Esau zich vestigde. Het register der Chorieten is ingevoegd, om te verklaren, hoe 'Esau door zijn huwelijk met Aholiebama vasten voet in het land kreeg.

24- njjn ÏTJO. v. s. is de 1 hier eenvoudig voorgevoegd; v. a. heet de eene zoon VVeaja. — owi, v. s. muildieren, uit kruising van paarden en ezelinnen; en tnts beteekent dan: de kunst van kruising uitvinden-, — anderen meenen dat ciai = dwk, de reuzen (Deut. 2,10) die hij dan het eerst zou aangetroffen hebben; n. a. warme bronnen, die hij ten zuiden van de Doode Zee zou gevonden hebben.

25. De kinderen van de in vs. 20 en 21 genoemde zonen van den Choriet Sé'ier worden in de daar gevolgde orde opgesomd. Do in ons vers genoemde 'Ana is dus niet de zoon, maar de broeder van Tsib'on. Wanneer nu hier eene dochter van 'Aua, Aholiebama genoemd wordt, dan zou men tot de gevolgtrekking komen, dat deze dezelfde is, als de vrouw van 'Esau, die echter dochter van 'Ana, dochter van Tsib'on genoemd wordt (zie vs. 2). Neemt men echter in aanmerking, dat vs. 41 Aholiebama onder de stamhoofden genoemd wordt, dan wordt het niet onwaarschijnlijk, dat er twee Aholiebama's waren; ééne, Tsib'ons kleindochter, de dochter van zijn zoon 'Ana, die met 'Esau gehuwd was; en eene tweede, de dochter van ïsib'ons broeder 'Ana, die hier en vs. 41 bedoeld is. Er is dan geene tegenstrijdigheid tusschen de verschillende verzen, terwijl men niet zijne toevlucht behoeft te nemen tot de veronderstelling, als zou Tsib'ons broeder 'Ana kinderloos zijn gestorven; de rij der nakomelingen van iSé'ier, den Choriet, wordt dan geregeld voortgezet. — -oa, zonen, terwijl

81

ocr page 171

'h nbi^i

pxn n'nn nbx d * : om =gt;

ninn 'atoK n^K -ivni fi^ni : n^i fi^vi « ninKi Do^rn nn luiy^p vn^ : ons4 pK3 yyv »:3 « 13^ iyy) nmöi |^. baity ria h^Ni : ^jpn füi1?« NÏD iK'K ni^ Nin n»Ni p^sr^D nbxi : 031x1 ^ n^Ni: vsk {i^sï1? anonn-nx in^ia li-iaa bprrntf^ |nan \vn \:Ï nbxi : n^-na nD^VnNi ff T n^-^2 «

é* -M-'ot1, tb1?? lirw ': n?i

cjiVx jtii1? e]^N nnn 'SiVk nbx : pTNi_ 03

Ï]^K iïk e]ibK \vi f]^K : n:^ ej^N fl^av «]ibN bilt? ^ a * •' yyamp; pN2 an^Kb nnn »aibx nbx jugt;n ^ab -jbö-^ba ]teb Dm pxa ia^p opban n?Ni ^ • nann it^ d^i quot;ityrja ^a'oiiKa if?w{ : non : niïaD mrra aav vnnn rhwi wba na n ^

tv.t- it : t • -v.v iv JT t : - )■•:•- ^ - at t^t - ^

at^n nan ; ^a^nn pxa Qtyn vnnn Tiban aai» ^

quot;t ■-. t;t- 1- tlquot; - i vr.' •■ ;t ■-, t : - )-•:•- ut

slechts één zoon volgt; vgl. Gen. 46,23. Hier misschien; kinderen, omdat een zoon en eene dochter genoemd worden.

26 en 28. Vs. 21 worden zij genoemd; Diskon en Dieshan, terwijl hier beiden Dieshan heeten. De beide namen worden niet streng uit elkander gehouden, tenzij ze in hetzelfde vers voorkomen. Vgl. de naam Chierom en Chieram (I Kon. 7,40), waar dezelfde persoon bedoeld wordt.

30. QiTsSnS- Dit zijn hunne stamvorsten, zooals die ieder in het bijzonder heeten. — cyrts, dat wat den vorm betreft met pin en Dirn te vergelijken is, kan niet goed in de beteekenis van: vorstendom worden gebruikt; het duidt een persoon aan. Behalve bij Zecharja, komt het slechts bij Edo-mietische vorsten voor.

31. De koningen van Edom worden hier opgesomd, ten bewijze hoezeer zich Izaks zegen vervulde; veel vroeger dan Israël heeft 'Esau zijne koningen; quot;[Sd -f?» •odS, vóórdat de toezegging aan Jakob (Gen. 34,11) „dat uit hem koningen zouden voortkomenquot;, vervuld was. Al de hier genoemde koningen gaan natuurlijk aan Israël's komst in Palaestina, d. i. aan den dood van Mozes, vooraf. Sommigen meenen dan ook. dat met -[Sd •obS op Mozes zelve gedoeld wordt: vóórdat Mozes koninklijk leider van Israël was. — De stamhoofden schijnen den koning van Edom bij keuze te hebben aangewezen; ook Jes. 34,12 blijkt, dat in Edom kieskoningschap, geene erfelijke regeering bestond.

ocr page 172

GENESIS XXXVI. XXXVII.

en in zijne plaats regeerde Hadad, zoon van Bedad, die Midjan in het veld van Moab versloeg; en de naam zijner stad

36 was 'Awieth. Hadad stierf en in zijne plaats regeerde Samla

37 uit Masréka. Samla stierf eu in zijne plaats regeerde Shaoel,

38 uit Rechoboth, bij de rivier. Shaoel stierf, en in zijne plaats

39 regeerde Ba'al-Chanan, zoon van 'Achbor. Ba'al-Chanan, zoon van 'Achbor, stierf, en in zijne plaats regeerde Hadar; de naam zijner stad was Pa'oe; en de naam zijner vrouw

40 Mehétabël, dochter van Matréd, dochter van Mé-Zahab. En dit zijn de namen der stamvorsten van 'Esau, naar hunne familiën, naar hunne woonplaatsen, met hunne namen: de

41 stamvorst Thimna', de stamvorst Alewa, de stamvorst Jethéth. De

42 stamvorst Aholiebama, de stamvorst Ela, de stamvorst Pienon. De

43 stamvorst Kenaz, de stamvorst Théman, de stamvorst Mibtsar. De stamvorst Magdieël, de stamvorst 'leram; dit zijn de stamvorsten van Edom, naar hunne woonplaatsen, in het land, door hen in bezit genomen; dit is 'Esau, de stamvader van Edom.

1 Jakob woonde intusschen in het land van zijns vaders op-

2 onthoud, in het land Kena'an. Dit is de geschiedenis van het geslacht van Jakob; Joseph, zeventien jaren oud zijnde, weidde met zijne broederen het kleinvee; hij was als jongeling bij de zonen van Bilha en de zonen van Zilpa, de vrouwen zijns vaders; en Joseph bracht het kwade gerucht aangaande hen tot hunnen

3 vader over. Israël beminde Joseph meer dan al zijne zonen, omdat hij hem een zoon des ouderdoms was; en hij maakte

4 hem een veelkleurig bovenkleed. Toen zijne broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijne broeders beminde, haatten zij

37. -imn mama. uit llechohoth aan de rivier, v. s. den Euphraat; dan zoude deze koning zelfs een buitenlander zijn geweest ; v. a. aan den stroom, eene rivier in liet land Edom.

39. De laatstgenoemde koning, waarvan meerdere bijzonderheden worden aangegeven, was waarschijnlijk de tijdgenoot van Mozes, tot wien deze, Num. 20,14, een gezantschap zond met verzoek om vrijen doortocht door zijn land.

40—43. In deze verzen worden 11 vorsten genoemd, waarvan slechts enkelen met de vroeger genoemde 14 overeenstemmen. Misschien wordt hier de toestand ten tijde van Mozes geschilderd, terwijl in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk de oorspronkelijke indeeling naar geboorte en afstamming wordt medegedeeld. — onnes, vermoedelijk: naar hunne namen, n.1. die der plaatsen. ,

HoofDSTUK XXXVII. 1. apj?1 aC'l) parallel van 37,8 icü acni; terwijl 'Esau zich in het gebergte Sé'ier vestigde, woonde Jakob in Kena'an.

2. apy nnSn, hier: geschiedenis zijner nakomelingen; zie Gen. 2,4.— jüïa—nn — jNxn as nn; evenzoo I Sam. 16,11; 17,34. — ija m iïj wn enz.

82

ocr page 173

6 ib rhm na

3kid rn^a jnü-nx nam th vnnn : n^tyap rhnp vnnri Tjbpn inn nö »1: rn# 1-17 DB'i ^ nDi : man nümö bixtr vnnn nbo'i nboir nö'V?

tit- ^tt-^ . :,.. vt t :- ).: •- at;- t^t-ns

Ipn ^3 nw\ : iiaa^a |jTn bj^a vnnn -j^i in^K D^i 1^3 itjt Dt^i lin vnnn Tjba*! niaa^fa ♦a^K mó^ nwi * : anT 'ü na quot;inpo-na ^Na^^npe ejiV^ jraon e^K Qnb^a onbfpp1? Dnna^pb : [ra nbK fjibK noa^nx tjib^ :

e]lbK bxnip e]^K : nïap «]^K |o»n e]^N np =» Kin DhrnN rnxa briatya1? DIHK I n^K Dn»)?

vt •• j tt *•. ~: i vjv : t ; 1 : ••; •»*• - v -*•• at

: Din« ^aK

1 v; -»• -:

mnVn 1 nbx : |^a pxa vax n.up pxa ap^a^u-vnirnK n^n njn h:^ nn^-^a^-fa «]Di» ap^;.

vasi nabr ^rnxi nnba ^rnx t/: Kini jN-b anx S^n : DnoN_i?N n^n anarnK CjDi» xy)j nj'na quot;h n'^i ib «in a^prp-^a vh-Sao èiDV-nK

• j : ^ _ t jt : ^ a v j' ' \' » *•• i* tt t • ) ••

vriK-bao nn^ax anx im-^a vnx : d^dö-1

^ ; ; •- tv t • ••••-: lt;- t r tv j ;•- r -

Met uitzondering van Issachar en Zeboeloen, waren Lea's zonen betrekkelijk veel ouder dan Joseph, terwijl de zonen der dienstmaagden ongeveer van zijn leeftijd waren. Anderen meener, dat ir:, evenals herhaaldelijk in Rechteren en elders, hier beteekent: jeugdig dienaar; met het oog op Joseph's positie als zoon van Kachel komt mij dit zeer onwaarschijnlijk voor. — run onn nx, het kwade gerucht aangaande hen; anderen; hunne onderlinge onaangenaamheden en praatjes over elkander.

3- DUpI p. «era zoon des ouder doms, hem op hoogen leeftijd door zijne geliefde Rachel geschonken. Benjamin was wel later geboren, maar nog te jong, dan dat Jakob in hem den steun van zijn hoogen ouderdom zou zien. — D'ob ruro, een veelkleurig bovenkleed, een kleed, uit didb, verschillend gekleurde stukken samengesteld. V. a. een kleed, dat tot op de bgt;db, de uiteinden van handen (Dan. 5,5) en voeten (Ez. 47,3) afhing, een lang pronkgewaad (vgl. II Sam. 13,18), dat alleen door voorname personen gedragen wordt.

ocr page 174

GENESIS XXXVII.

5 hem en konden hem niet vriendelijk toespreken. Nu had Joseph eenen droom, dien hij zijnen broeders mededeelde; toen haatten

6 zij hem nog meer. Hij zeide namelijk tot hen: //Hoort toch dezen

7 droom, dien ik gedroomd heb. Zie, wij waren bezig schoven te binden in het midden des velds; en zie, mijne schoof richtte zich op en bleef ook staan; en zie, uwe schoven plaatsten

8 zich rondom, en bogen zich voor mijne schoof nederquot;. Toen zeiden hem zijne broeders-. «Denkt gij dan koning over ons te worden? wilt gij dan over ons heerschen?quot; Zoo haatten zij hem nog meer, wegens zijne droomen en wegens zijne woorden.

9 Hij had daarna nog een anderen droom, en vertelde dien aan zijne broeders, en zeide; «Ziet! ik heb nog eenen droom gedroomd; en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich

10 voor mij nederquot;. Toen hij het vertelde aan zijnen vader en aan zijne broeders, berispte zijn vader hem, en zeide tot hem; «Welk een droom is dit, dien gij gedroomd hebt! ? zullen wij dan komen, ik, uwe moeder en uwe broeders, om ons voor u ter

11 aarde te buigen ?quot; Zijne broeders benijdden hem; doch zijn vader

12 hield de zaak in gedachte. — Nu gingen zijne broeders het

13 kleinvee huns vaders weiden te Shechém. Toen zeide Israël tot Joseph; //Weiden uwe broeders niet te Shechém? kom, ik wil

14 u tot hen zenden.quot; Deze zeide tot hem; //Hier ben ik.quot; Nu zeide hij tot hem; «Ga dan, zie naar den welstand uwer broeders en naar den welstand van het kleinvee, en breng mij berichtquot;. Hij zond hem uit de vallei van Chebron, en hij kwam te

15 Shechém. Een man vond hem, terwijl hij in het veld omzwierf;

16 toen vraagde hem de man; «Wat zoekt gij?quot; Hij zeide: «Mijne

17 broeders zoek ik; deel mij toch mede, waar zij weidenquot;. De man zeide: «Zij zijn van hier vertrokken; want ik heb [hen] hooren zeggen; laat ons naar Dothajin gaan.quot; Joseph ging

18 zijne broeders zoeken en vond hen te Dothan. Zij zagenhem van verre; en vóórdat hij nog bij hen kwam, maakten zij

19 eenen aanslag tegen hem, om hem te dooden. Zij zeiden de

20een tot den ander: «Ziet! daar komt de droomer aan! Nu

dan, komt, laat ons hem dooden, hem in een der putten

4. 1131. hem toespreken tot vrede, zoodat de vrede bewaard bleef.

8., rnoSn Sy, over zijne droomen, hoewel hij hun eerst één droom heel't medegedeeld; het meerv. is hier in den zin van een werkwoord gebezigd; wegens liet feit, dat hij zoodanigen droom had gehad. — Sn viai, en wegens zijne woorden, omdat hij hun zijn droom had verteld en er dus klaarblijkelijk waarde aan hechtte.

17. nrm. Dothajin en Dothan zijn twee vormen van denzelfden naam; (vgl. 11 Kron. 13,19; 'Efron in sto ; 'Efrajin in iip).

18. irttc iSsjm = 12 (vgl. Ps. 105,25), zij beraamden een plan

83

ocr page 175

6 J£3

vrnV ia»1) Di'^n V-]DV nai mxquot;

at v : v.quot; ~~ -: | •• lt; -:i- - it: ^ - v : «t j : a

n-tn DiVnn dh^k noK^i : ln« tlt;2amp; Tiv löDl'i1

~ J ~: i~ ^T ^ : • av •• -; ^ - 1 ^ ^ j- -

n%n Tiina d^dVnd uniK narfi : ^nabn »

: *T. i ■gt; ' •» c quot; ' : quot;: quot; '1 * : •■»■ T JV ■;

D^na^K nraon njni nayrDai ^naV» no^T mm V^ön -iban vnx iS •naN^ ; rinniim»

quot;.V L ' ■■r': 7'^ : quot; '■ T ■.. -:.- TI r.-: .- : •-

vnD7n-^ mx ispi»! 1:3 Vtfpn Si^d-dk

laK'i vn^ inK löDn IHK DIVH nip aVn'i nnrrHnn»

^ V - AT V ; v. jquot; ~ :- •• - ^ quot;• . ^ j quot;•*'— quot;TT : :

Ivp nnxi nn'ni ü'a^n nsni utr aibn ♦nobn nan

t t - ; - -t - ; v jv - squot; • : ^ -; • : lt;-t

impri vnK-^i naon : 'b onnntrD D^DÜ-

-• - ; •quot; TV V : • T V -«•• - :- r v*quot;: : * * T 1

NÜ: Kian riDbn im nm Di^nn na i1? notfn V2K

T T :at T •*'.' -; vv ~ ^ ~J iquot; -IT V -»~ * T

VHK iriNipn : ni'quot;i« nS nmn^n1? n^nKi naxi

at v *. ; I -: - t : it v I '• j-: r : • : | v - : -• | : • : • -:

?Nrrix nijnb vhk * : lann-nx vaxi ='

» j ^ •■• ^ quot;.) : • at v i. : iquot;quot; f ,T T~'l v ''' T V.' t :

Nl^n tjOvVx quot;10^*5 : Dp^3 DH^K ^ quot;h naxn : quot;h naxn DH^N nn^xi HDV DDira^

... j - • iquot; ^ ^ j - ^av -: j I -: it : v : v,t^: v : •

inn |Nïn Di^-nxi DiVtr-nN nxn nsni mKïan : naD^ Knn rinnn para «

Jquot; : • Jquot; T : • - tiv: ^t- I : v 1 v^-- •• t : •-

na^i : ^pnnna naN1? nvh •=

• iquot;quot; : quot; V .** T Squot; T : •quot; avt - ^v

na^l: D^jn on n^K ^ xrnTan tr^na 'n^-nK ^ fpv nVn nrnn hd^ anas1 Wat^ quot;2 nia wd:

Iquot; vvlt;**~^ T:AT v.t : Iquot; • : 1 ' : ~ t lt;• v* *-« : it • t

aip* onaai pma inx wti : rnna DNïan vhk mx ^

J-| : • v v : I a Tiquot; v, j :•' I it : t : • - t v j—

byz nan VHN-^K WX na^n : in^an4? inx i^aann on^K ^

quot; v * gt; t a' t '** ■*' ^ : 1quot; 1 ' j : - : - v •• -:

nnxs inr^n minnai idV 1 nnpi : K3 nrbn niaVnn =

J : •••:-: J : : IT V.vt - j -: 1-

teyen hem. Si porno ; zij stelden zich voor, dat hij plannen beraamde, wan1?, opdat hij hen zonde dooden, d. w. z. hen door hun vader doen vervloeken ; Hirsch ; zij stelden zich voor, dat hij zoodanige plannen smeedde, dat hij waard was hem te dooden.

19. JHO^nn ^3, de man der droomen; v. a. de meester over droomen. wien voor zijne bedoelingen droomen ten dienste staan.

20. na, een put, tot het verzamelen van regenwater; in;, eene bron.

ocr page 176

GENESIS XXXVII.

werpen, en zeggen: een wild dier heeft hem verslonden; dan

21 zullen wij zien, wat van zijne droomen worden zal.quot; Toen Ruben [dit] hoorde, redde hij hem uit hunne hand, en zeide:

22 ,/Laat ons hem niet om het leven brengen.quot; Ruben zeide namelijk tot hen: «Vergiet geen bloed; werpt hem in dezen put, die in de woestijn is, maar slaat geene hand aan hemquot;; [hij zeide dit] om hem uit hunne hand te redden, opdat hij

23 hem tot zijnen vader zoude terug brengen. En het was: toen Joseph bij zijne broeders kwam, trokken zij Joseph zijn bovenkleed uit, het veelkleurige bovenkleed, dat hij aan

24had; En namen hem en wierpen hem in den put; doch de

25 put was ledig, er was geen water in. Toen zij zich nu nederzetten, om brood te eten, hieven zij hunne oogen op en zagen, en zie; eene karavaan van Jishma'elieten, komende van Gil'ad, wier kameelen specerijen, balsem en welriekende gom

26 droegen, reizende om het naar Egypte af te voeren. Toen zeide Juda tot zijne broeders: „Welk voordeel [hebben wij er van],

27 als wij onzen broeder dooden en zijn bloed bedekken? Komt! laat ons hem aan de Jishma'elieten verkoopen, en laat onze hand niet aan hem zijn, daar hij toch onze broeder, ons vleesch

28 isquot;; en zijne broeders hoorden [naar hem]. Intusschen togen Midjanietische mannen, kooplieden, voorbij, zij trokken en haalden Joseph op uit den put, en verkochten Joseph aan de Jishma'elieten voor twintig zilverlingen; en dezen brachten Joseph

21. Wij hebben ons de feiten aldus voor te stellen: Terwijl eenige der broeders (volgens Séfar Hajjashar: Simon en Levie) het plan opperen Joseph te dooden, stelt Ruben voor hem in een der jTntten te werpen, met de heimelijke bedoeling, hem te redden en tot zijn vader terug te brengen (vs. 21). De broeders nemen dien voorslag aan, denkende, dat Joseph dan in dien put óf door verdrinken of door den honger zal sterven, zonder dat zij zelve de hand aan hem slaan (vs. 24). Toen zij nu eene Arabieren-karavaan zien aankomen, stelt Juda voor, Joseph niet te laten sterven, maar hem door verkoop aan de Arabieren uit den weg te ruimen; om ook indirect niet zijn dood te veroorzaken (vs. 27). Intusschen waren echter Midjanietische kooplieden voorbij den put gekomen, waarin Joseph geworpen was en hadden hem er uit gehaald; en dezen verkochten hem aan de Arabieren, die hem naar Egypte brachten (vs. 28). Indien vs. 36

tezegd wordt, datezegd wordt, dat de Midjanieten hem naar Egypte verkochten, dan kan itquot; zeer goed indirect opgevat worden; zij verkochten hem aan naar Egypte trekkende Arabieren, die hem daar aan een anderen heer overgaven. Gen. 40,15 zegt Joseph: ik ben gestulen uit het land der Hebrëers, wat bij verkoop door zijne broeders minder passend is. Ook uit de omstandigheid, dat de broeders niet het minste vermoeden hebben van Joseph's verblijf in Egypte, blijkt dat zij hem niet aan de Arabieren, die naar Egypte op weg waren, verkocht hebben; niettemin rust op hen ten volle de verantwoordelijkheid voor zijn verkoop, daar hiermede immers hun plan ten uitvoer gelegd werd. Zoo zijn Joseph's woorden Gen. 45,4 en 5 te verklaren; gij hebt mij verkocht, d. w. z. wjllen verkoopen, welk plan

84

ocr page 177

tb na

: vhbVn vrrnü nNUi innV^K n»n uiüki mian

it ^ i -; ^ : i* - •-•:•: : at t -: t jt - ; - t :

nöK»1 : ^33 1333 K1? lOK»') D140 ^7^1 pltn VtiW)«

^ v - vit i'.' - j v - att • V.quot; * — » quot; : J~ : — 2D

mn quot;iian-^K ihx bri^ö^n^K pwi i

^ - v •*• ; - t : : * - i •• : •gt;•.• •• -:

Dnsü mx Vïn la-inbtrn-Vsi TI ninoa

tt * lt;• - 1*^ - : : : • - (.t: t ; • - •»•.•-:

lu^aquot;'! vnK-^K tiov * : V3N-VK irmn1?»

lt;• - at v v Kquot; jt v -; i- • ;- _ r t '•'^ i. ' quot;

!innp»i : o'Dan n3h3quot;nN in3n3-nK ^Di^nx ^

•-.it-- it't jv -: i.- — v j : v ; t •-. v

quot;bDK1? ia p-i -iiani n-ian inx id^'i «

t v:iv : iquot;- it v. Jquot; I •• quot; S ■T* ' ^ j' :

nK| nniK nsni wt?»i bn1?'

minb a^bin L^I nïi nK33 aw3 on^Dii iphïD

r ^: v.' : i t -*• : ; •: i -••.•••- : It : * *

TIK 3Ti3 *5 ^ïrnD vntt-^N min» -lOKn : nonxo«

^ ^ v -: i- lt;• ^ - v - at v v V.t : j - t : it ; *

13T1 13^303,l iS1? : lOTHK WQD) 13^«»

q quot;t: . ^.. . . .. : it v v- • ; • t

; VRK «in 13^3 i3»nN^3 ü^nn-^K ™

*iiin-fö èipvnx bfo»i onnb D^inp d^3n f)pv-nK c]D3 on'f^s ^D^-DK nsö'i

door de Midjanieten werd verijdeld en ten slotte door de Jishma'elieten toch tot uitvoering kwam. — Anderen meenen, dat Jishma'elieten en Midjanieten twee namen voor dezelfde personen zijn; onder den eerst-bedoelden naam worden nl. ook later al/e Arabische stammen, dns ook de Midjanieten en Medanieten, aangeduid. Dan hebben de broeders Joseph aan de Midjanieten verkocht, die hem naar Egypte afvoerden en daar verkochten. (Vgl. Recht. 8,22, 24 en 26.)

25. De karavaan, van Gil'ad naar Egypte reizende, komt voorbij Dothajin, in de nabijheid van Shechem, evenals Jakob op zijne reis van Gil'ad naar het zuiden van Palaestina. Chebron echter, Jakobs woonplaats, zoude zij niet aandoen. — nsa), specerijen, algemeene naam. — balsemhars. ■— uS, ladanum, eene welriekende harssoort, die tot reukwerk en voor zalvingen gebruikt werd.

26. ral dn iroai. en zijn Hoed bedekken, d. w. z. zorgen, dat onze misdaad niet aan den dag kome.

, 27 13 vjn Sn T3T1. laat ons direct noch indirect de schuld aan zijnen dood op ons geweten laden. De daad zou als broedermoord schandelijk, als moord verwerpelijk zijn, en ons doel, wraakneming over zijne aanmatiging, zou niet bereikt worden, daar wij ons op onzte daad niet zouden kunnen beroemen, maar haar verborgen moeten houden (Abrabanel).

28. ISITOMj z'j trokken Joseph naar hoven, één begrip in twee

werkwoorden uitgedrukt.

ocr page 178

GENESIS XXXVII, XXXVI11.

29 naar Egypte. Toen nu Ruben naar den put terugkeerde, en zie, Joseph was niet meer in den put, — toen verscheurde hij zijne

30 kleederen. Hij keerde tot zijne broeders terug en zeide: ,/De

31 knaap is er niet; en ik, waar zal ik nu heen?quot; Zij namen het bovenkleed van Joseph, slachtten eenen geitenhok, doop-

32 ten het bovenkleed in het bloed; En zonden het veelkleurige bovenkleed en lieten het tot hunnen vader brengen, en hem zeggen; ;/Dit hebben wij gevonden; herken toch of het uws

33 zoons bovenkleed is, of niet.quot; Hij herkende het, en zeide: «Het is het bovenkleed van mijn zoon! een wild dier heeft hem

34 verslonden; Joseph is zeker verscheurd!quot; Jakob scheurde zijne kleederen, deed eenen zak om zijne lendenen, en treurde over

35 zijnen zoon langen tijd. Al zijne zonen en al zijne dochters maakten zich op, om hem te troosten; doch hij weigerde zich te laten troosten en zeide: «Neen! maar ik zal tot mijnen zoon, rouwbedrijvende, in het graf dalen.quot; Zoo beweende hem

36 zijn vader. De Midjanieten verkochten hem naar Egypte aan Potiephar, eenen hofbeambte van Phar'o, den overste dei-lijfwacht.

1 Het was in dezen tijd, — Juda was zuidwaarts getrokken van zijne broeders weg, en nam zijn intrek bij eenen man uit

2 'Adoellam, wiens naam was Chiera. Aldaar zag Juda de dochter van eenen koopman, wiens naam was Shoea'; hij nam

3 haar, en kwam tot haar. Zij werd zwanger, en baarde eenen

4 zoon; en hij noemde zijnen naam : 'Er. Zij werd nogmaals zwanger, en baarde eenen zoon ; en zij noemde zijnen naam

5 Onan. Zij baarde wederom eenen zoon, en noemde zijnen

6 naam Shéla; hij was te Kezieb, toen zij hem baarde. — Juda

29. Het schijnt, dat Ruben zich intussclien van zijne broeders verwijderd had; misschien wel om de voorbereidingen te treffen om Joseph te redden en in veiligheid te brengen.

30. Als oudste, voelt hij zich tegenover zijn vader het meest verantwoordelijk.

34. pjj», eene stof, van geitenhaar vervaardigd.

35. rn». zijne schoondochters. — tin t, ik wil geen troost aannemen, maar zal, nog bij mijn dood, over mijn zoon rouw bedrijven; niet ik zal van verdriet, maar: in rouw sterven.

36. = D^i», vs. 28. Medan en Midjan zijn, volgens Gen. 25,2, nanw verwante stammen. — cnr, niet juist; eunuch, maar iu het algemeen; hofbeambte. — ovaon -if, niet; vorst der slagers, maar opperste voltrekker der doodvonnissen (vgl. nao Ez. 21,15; Klaagl. 2,21), scherprechter, welk ambt gewoonlijk aan den bevelhebber der lijfwacht was opgedragen, onder wiens toezicht ook de staatsgevangenis stond (Gen. 40,3).

Hoofdstuk XXXVIU. 1. Het in dit hoofdstuk vs. 6 vgg. medegedeelde kan na Joseph's verkoop hebben plaats gehad, daar een tijdperk van

85

ocr page 179

nb Tquot;? zm nü

yip) *ii33 f]pi^K nam 131«*) 30 : nö^vp quot;

♦iKi i3rN n^n lo^i VHK-VK 3^1 : v*i53-nt^1'

tjx v.' ~j«~ _ v quot; vj*.^- aquot; - v.t v v tjt- ittt

iVspi1! f]Di* njnrnK inp!,.'i : K3quot;^« ^

D^èan ruhs-nx irib^n : 0^3 nj'nsn-nK ^

. t - • — v •» : v : - :r it - v v, *•. quot;.

: Nin 133 n3n3n Kr*i3n unïü nxt Dn*3K

i • r )l : • v s : - t v - at t 1, : ^ i-

sóv nhü ^^3« n^i n^n ^3 n3h3 IO^ m*3n ^

kquot; i j t :/gt;t t —. ~rt jt' ' : '•' •' : quot; quot; lt;t •--

bzxm vjno3 pv Diy»i vn^ü'iy 3p^. : tiDi^

: # at . t . r i t. . jt ^ t .q q i - i '• ,

rKQ'l lani1? Vn33-S31 V:3-,?3 1Dp,,):D^3-lDWl33-7^^

l •• t ; - -:r: t : t : tt t r-.t- r - ,J'T S :

:v3Kin«^3si ^3'bK i^3 imh omnnb

nvns Dno Dnvo-^K inK I*IDÜ onnani ^

^ - -»•: - • i : * at : • ••• v. j : it • t : ~ :

ö * : D^nsian

LJ'I vn« nxü min» i^i Ninn n^3 n

T .,^-; j. .j..- at v -quot;• •• ^.t : vr— • - -*quot;t * :~

vw lot^i ^Vi3 E'^-n3 min» d^quot;Nquot;i4i : ni»n 10^1 =

a j : v. ~:i~ : -»* quot; -jt ; st :it * j •

: *1^ la^-nx xnp'i r3 nbm mm : n^N N3gt;i nnnn •»

n- ^ : v jt) : *quot; iaquot; vjquot;- quot; quot; t iv •• jt' t^vitquot;

nbni p|pni :pTiN la^'nK Kipm |3 nbni mnr np'i : mx nmS3 3n33 n»ni rhv loirnK Kipm ?31

is— i jt : ' : k' •• quot; jtt : at quot; v. : quot; jtt: ' - l quot;

twee en twintig jaar ligt tusschen Joseph's verkoop en de komst naar Egypte, gedurende welke tijdruimte Juda zijnen zoon Pérets en deze zijne Gen. 46,12 genoemde beide zonen kan hebben voortgebracht. Om ook vs. 1—6 na Joseph's verkoop te plaatsen, moet men de tegennatuurlijke berekening van Seder 'Olam en Sefer Hajjashar volgen, waarin 'Er, Onan en Pérets reeds op hun zevende jaar gehuwd zouden zijn geweest. — Wij leven hier, van af vs. 6, in Jakobs huis een deel van den tijd mede, waarin Joseph verdwenen is; tegelijk worden de spr1 nnVin hier verder uiteen gezet. — to,-in nra vrn, kan gezegd worden van een feit, dat reeds veel vroeger heeft plaats gehad. Vgl. Deut. 10,7 en 8. — Mogelijk is ook, dat de woorden doelen op den hoofdinhoud van het verhaal, vs. 6 vv., zoodat van -nn tot vs. 6 als tnsschenzin te beschouwen is. — ivi, van Dothan naar 'Adoellam, in de vlakte van Juda, — dus: van het Noorden naar het Zuiden; anderen: van een bergland, de omstreken van Chebron, naar het laagland, de vlakte van Juda. — oil, hij nam zijn intrek hij (ir, vgl. I. Sam.9,9) hem; anderen: hij sloeg zijne tent O]) tot het gebied van Chiera.

2- hier niet: Kenn'aniet, maar evenals Job 40,30: koopman.

Gen. 46,10 wordt de zoon eener Kena'anietische vrouw uitdrukkelijk als uitzondering genoemd, zoodat Jakobs zonen geene Kena'anietische vrouwen gehuwd schijnen te hebben.

ocr page 180

GENESIS XXXVIII.

nam eene vrouw voor 'Er, zijnen eerstgeborene, wier naam

7 was Thamar. Doch 'Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de oogen des Eeuwigen; en de Eeuwige liet hem sterven.

8 Toen zeide Juda tot Onan : «Kom tot de vrouw uws broeders, neem haar als zwager tot vrouw, opdat gij uwen broeder na-

9 komelingen verschaft.quot; Daar nu Onan wist, dat de nakomelingen niet voor hem zouden zijn, — nu was het: telkens, als hij tot zijns broeders vrouw kwam, verspilde hij ter aarde, om

lOgeene nakomelingen aan zijnen broeder te geven. Het mishaagde in de oogen des Eeuwigen, wat hij gedaan had; en

11 Hij deed ook hem sterven. Nu zeide Juda tot zijne schoondochter Thamar: //Blijf als weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon Shëla zal groot geworden zijnwant hij dacht:

12 //Opdat niet ook deze sterve, als zijne broeders.quot; — Thamar ging heen, en woonde in haar vaders huis. Geruime tijd verliep, toen stierf de dochter van Shoea', Juda's vrouw; toen nu Juda getroost was, trok hij op naar de scheerders van zijn kleinvee, hij en zijn vriend Chiera, de 'Adoellamiet, naar Thimna.

13 Men berichtte Thamar, zeggende: «Zie! uw schoonvader trekt

14 op naar Thimna, om zijn kleinvee te scheren.quot; Toen legde zij de kleederen van haar weduwschap af, bedekte zich met eenen sluier, omhulde zich, en zette zich aan den ingang van 'Enajim, dat aan den weg naar Thimna ligt; want zij zag, dat Shéla groot geworden, en zij hem niet tot vrouw gegeven was.

15 Juda zag haar en hield haar voor eene ontuchtige vrouw, om-

16 dat zij haar aangezicht bedekt had. Hij week tot haar af naar den weg, en zeide: «Veroorloof toch, dat ik tot u komequot;; want hij wist niet, dat het zijne schoondochter was. Zij zeide: «Wat zult gij mij geven, om tot mij te komen ?quot;

17 Hij zeide: «Ik zal een geitenbokje van het kleinvee zenden.quot; Zij zeide: «Zoo gij een pand wilt geven, totdat gij het

18 zendt.quot; Hij zeide: «Wat is het pand, dat ik u geven zal?quot; Zij zeide: «Uwen zegelring, uw snoer, en uwen staf, die in uwe hand is.quot; Hij gaf het haar, kwam tot haar, en zij

19 werd zwanger van hem. Zij maakte zich op, ging heen, deed

7. uit aj, vs. 10 blijkt, dat 'Ers misdaad dezelfde was, als die van Onan.

8. Wat Deut. 25,5 als wet ia vastgesteld, blijkt hier reeds oud gebruik onder Israël te zijn. Indien een broeder kinderloos gestorven is, dan heeft de oudste zwager (O^) der weduwe de plicht haar te huwen

(oa'). Daarmede treedt hij tevens in alle rechten van zijn overleden broeder. — Zoolang dat zwagerhuwelijk nog niet is voltrokken, geldt de weduwe toch als met den zwager door den band (npv) dier verplichting verbonden, zoodat Thamar's vergrijp, als vermeend overspel eener gehuwde vrouw met den dood zal gestraft worden.

11. Juda houdt Thamar voor de oorzaak van den dood zijner zonen; hij zendt haar dus, als kinderlooze weduwe, naar hare familie terug

86

ocr page 181

r6 zm

nnw w : nüniiids n^K min^»

t ; •gt; ^: •'lt; • : - it t vt : «s ; * ir :

as riiiN1? min* -lüxn : nin^ inna^ nin» wyz quot;

•) 1 t : t ; v lt; - it : ; jquot;

riiK vnn ; ^nab Dpni nnx oan n^K-VN0

It ^ | r t : ^ -^v ^ i jquot; r ; ^ at j—; | t v jquot;

nntri vm n^K-^x ^s-qk nvri ^nn m 6 ^

jquot; • : • t v lt;•• v t • t t : -at- jv; r v. / .4*

n'^ *\m nirr ^^3 : vn^ jnnm 'röiï

at t jv -r v,t : Jquot; •' : ^ -•)•— ^ r r : ^ quot;%•.• It: ^* : • : t : -

mü^K ^ in^ ion4? nnin^ ION'I : mx-Di

jt t ; - 5' : t - t t : t : v j^- i - v^t -

vnK3 Nin-DS niD^-ra ION ^ 'ia ^irny •n^N-n^

at V : v. - J t I V ^ - t ■quot; • ; jt •• - : * ^ | * t •quot;

noni d^ti isti : strni nbn quot;nVni ^

^ - t^t - ■ t - :•- t I* t jquot; v V.quot; - t t i v ■quot;•-

nyr\) «in im1 nfrb^ ^ nnin^ nmn^n^N

•)t • : lt;••: I - ^--- t : vjt* ~ at : v r*

rUp ^ön nan no»1? ion1? : nnaon ^

J'' i ■»• t Jquot; - ^ a •• ^t^t : qJ~'''~q t,t : * v,* t ■r-ziT riquot;quot;

DDm n^o nrmo^N -lom : I:KÏ nb nn^on ^

lt;- ; - t vquot;gt; Iquot; t : : - ••: • ' t gt; 1 j t ^ ; •

nnpün a^.r^ nnaa 2vr\\ cj^nni.

nx-iquot;! : ntfK1? iV mnrN1? NVTi btr-s nnxi *210

t -Jv :• - it ^ jt : • i • : t •• j-t i* t it lt;•

-jn-in-^K n^K é\ : n^snnpD^ mirV nn^nn rtirr»» laxni Kin inbD ^ jrr vh »3 NÜN krnan

a' ^ t — j' ~t ■» *lt; j* - •• j t t t it

on^-na nbm ^JK IQN'I : Kian ^ ^-?nn-nü ^

,. , .j. |t v - it quot; ^ t j' ' i v '

no idnH : ïjnbs' n^ p^, jnnquot;DK nöKni |tfïrqp ^

ïjcsoi ^i^nai ^ann la^ni quot;^VfriK -ifK pnn^n loni Ti^rn Dpni : i1? mm n^N nd^i nyrn^i '^TaB,

- jr - i v •• - i t jt - 1 - j- - t {.v quot; jt~ or i v •- |avt:

(vgl. 22,13) en geeft haar de toezegging, dat, als Shéla huwbaar geworden zal zijn, deze haar tot vrouw zal nemen.

14. fpynni) zy omhulde zich, naar de wijze der ontuchtigen (vgl. Hoogl. 1,7 n'Dïa). Zij wilde eene ncnp schijnen, wat haar dan ook gelukte. — BW nnsa, aan den inganq van het dorp Enajim — DJ'T, 'Enam, — evenals Dothajin = Dothan — (Jos. 15,34), een plaatsje in de vlakte van Juda, gelegen aan den weg van 'Adoellara naar Thimna, en vermoedelijk de woonplaats van Thamars familie. Anderen: aan den kruisweg, die op den weg naar Thimna was.

15. De wijze, waarop Thamar haar gelaat bedekt had, kwam overeen met die der mmp, de vrouwen, die zich ter eere eener afgodendienst prijsgeven.

18. iSvia, het snoer, waaraan de zegelring op de borst (Hoogl. 8,6) word gedragen. Het afdrukken van het zegel gold als onderteekening.

ocr page 182

GENESIS XXXVIII, XXXIX.

haren sluier van zich af, en trok de kleederen van haar

20 weduwschap weder aan. Juda zond het geitenbokje, door de hand van zijn vriend, den 'Adoellamiet, om het pand uit de

21 hand der vrouw te nemen; doch hij vond haar niet. Hij vroeg de lieden harer plaats, zeggende: «Waar is de aan ontucht zich prijsgevende vrouw, die te 'Enajim aan den weg was ?quot; Zij zeiden : „Er is hier geene aan ontucht zich

22 prijsgevende vrouw geweest.quot; Hij keerde tot Juda terug, en zeide; «Ik heb haar niet gevonden; ook hebben de lieden harer plaats gezegd: „Er is hier geene aan ontucht zich prijs-

23 gevende vrouw geweest.quot; Juda zeide: «Zij behoude het voor zich, opdat wij niet tot schande worden! ik toch heb het bokje

24 gezonden, maar gij hebt haar niet kunnen vinden.quot; Het was omstreeks drie maanden daarna, dat Juda het volgende bericht werd: „Uwe schoondochter Thamar heeft ontucht gedreven; en ook zie, zij is door ontucht zwanger geworden.quot; Juda zeide :

25//Voert haar [de stad] uit, dat zij verbrand worde.quot; Terwijl zij nu uitgevoerd werd, zond zij naar haren schoonvader, zeggende: „Van den man aan wien dezen toebehooren, ben ik zwanger!quot; en zij zeide [verder] : „Herken toch, wien deze zegelring, dit

26 snoer en deze staf toebehooren.quot; Juda herkende ze, en zeide: „Zij is rechtvaardiger, dan ik; omdat ik haar niet aan mijnen zoon Shéla gegeven heben hij woonde haar daarna niet

27 meer bij. Nu was het ten tijde, dat zij baren zoude, en zie:

28 er waren tweelingen in haren schoot. En het was: toen zij baarde, stak [een kind] de hand uit; de vroedvrouw nam, en bond een karmozijn-rooden draad om zijne hand, om aan

29 te duiden : „deze is het eerst te voorschijn gekomen.quot; Nu was het: terwijl hij zijne hand terug trok, zie, toen kwam zijn broeder te voorschijn; toen zeide zij: „Wat hebt gij u baan ge-

30 broken!quot; En men noemde zijnen naam Pérets. Daarna kwam zijn broeder te voorschijn, op wiens hand de karmozijn-roode draad was, en men noemde zijnen naam: Zérach.

39 1 Joseph was intusschen naar Egypte afgevoerd; daar kocht hem Potiephar, een hofbeambte van Phar'o, de overste dei-lijfwacht, een Egyptisch man, uit de hand der Jishma'elie-2 ten, die hem daarheen afgevoerd hadden. De Eeuwige was

24. Juda spreekt als familiehoofd het doodvonnis over Thamar uit. In de Mozaïsche wet is de straf van eene gedeeltelijk (door foiTN) gehuwde vrouw, die overspel drijft, steeniging; de weduwe, die, vóórdat de zwager haar gehuwd heeft, zich aan overspel schuldig maakt, wordt niet met den dood, maar met geeseling gestraft.

25. Zij zegt niet; van u, om Juda niet in het openbaar te beschamen; zooals zij het hem doet weten, draagt niemand, dan hij zelf, kennis van het gebeurde.

87

ocr page 183

-nK rrnrr : nmjöbK nas n^yn na^ï =

t : - : •- it : : - jquot;: • v,quot; : * t av^tiquot; v.t ^ :

n^xn m rün^n nnpS in^i Ta onrn na

at • it -•quot; * I tI-t ^ - Ir* t * t •-. -;it *-••• •• - ; it -••:

n^-i^n n;K ibtf? nopo 'mx'nx bamp;m : nxxp n^i » 2^1 : nenp nra nn^n-K1? no^i ,nnin-l?v xin -=

ttquot; . ,t ïquot;': v-vt ^t:it ^ ; ^- ) vat~ \- ^-it r

-n1? vioN Dipan dji n^-ixïo k1? quot;idn»i rnin^K

: it It- : - -^: t a- t ; ^ - t ; v

nan n^n: rs n^npn nnm^ iün'i : nanp nn nn^n »

lt;•• • at : r Kv t l-r t : v lt; - it ••!: v,vt ^t :it

D^Énn i 'nn : nnxva ai) nnxi nrn nan ^ nnn nan oai nan nnar na^b min^ na»i

a- : * igt;tt', •'quot; * •»' : i •• t - -«tt t :it •• «t i*

nnba' N»rn,n«ïia «in : cp^ni nix^in nnm» na^iquot;3 naNn-i mn ^ax % nbK-i^K W'kquot;? ibvh rr-an-bx

v at t it v**quot; v —ï * ; *' t quot; t v

nninpan : n^n ntaani D'Vnani nannn ♦óV Krnan^ With) ^an nb^b n^nnrxb rrb^-^ ^aaa npiï na^i

)j-t i ; a- : -t •• ; t v* * : i ijquot; r • v • I-^tcit

: napaa D^aiNn nani nnnb n^a : nn^nb ni^»^ hv n^. itrpm m^an npni nnn»i nmVa ™

t «t i: • quot; vv- : i- i-j- ' - at 1 v • - ^t : * : j' :-

vnK nï» nam ^ yamp;03 t wi : na'B'N-i n? la^ ^

t^ jt t quot; * ; t ;- ,x r jtt

**£ quot;inxi :p3 laf pa ninrna nosn^ t]Di^ D * : niTT laf xnp'i ♦afn ïyty ifK VHK « b^natan nc njna ono na^ia mapn nanva min

v ' t - ~ *' : quot; *: quot; * i ••):•- ^ t ;at ; • -•-

mn» ♦n,i: nai^ innin nm a^svDwn ra nxa ty»K =

ti lt;• : - t it 'i jv -: . r.. ... . _ . ...

29. 3^03, op liet oogenblik, waarop hij zijne hand terug trok, vgl. Gen. 40,10. — ■pB -pbr nïiB nc, Wat breekt gij u haan! -pSï = iS. Ibn 'Ezra: wat breekt gij u laan? (mis nn) Op u rust de schuld van dit vooruitdringen (pB ■pl'ï). indien uw broeder daardoor letsel mocht hebben gekregen I

30. mt. de schitterende, met het oog op den karmozijn-rooden draad om zijne hand.

Hoofdstuk XXXIX. 1, Gen. 37,36 was reeds kort medegedeeld, dat Joseph aan Potiephar verkocht werd. Met hoofdstuk 38 was Joseph's geschiedenis afgebroken en wordt met de eerste woorden van ons vers: weer opgevat. — nïtt ®\s, een Egyptisch groot.heer.

ocr page 184

GENESIS XXXIX.

met Joseph, zoodat hij een man was, dien alles gelukte; en

3 hij was in het huis van zijnen heer, den Egyptenaar. Toen zijn heer zag, dat de Eeuwige met hem was, en de Eeuwige alles,

4wat hij deed, in zijne hand deed gelukken; — Vond Joseph gunst in zijne oogen, en bediende hem [zelf]; hij stelde hem aan over zijn huis, en al wat hij had, gaf hij in zijne hand.

5 En het was: van af het oogenblik, dat hij hem aangesteld had over zijn huis en over al wat hij had, — zegende de Eeuwige het huis des Egyptenaars, ter wille van Joseph; en de zegen des Eeuwigen was over alles, wat hij had, in het huis en op het

6 veld. En hij liet alles, wat hij had, in de hand van Joseph, en bekommerde zich bij hem om niets, behalve het brood dat hij at. — Joseph nu was schoon van gestalte en schoon ran

7 uiterlijk. En het was: na deze gebeurtenissen, hief de vrouw van zijn heer hare oogen op tot Joseph, en zeide: «Lig toch

8 bij mij!quot; Doch hij weigerde, en zeide tot de vrouw Tan zijn heer; //Zie! mijn heer bekommert zich bij mij om niets, dat in huis geschiedt; en al wat hij heeft, heeft hij in mijne

9 hand gegeven. Niemand in dit huis is grooter dan ik, en hij heeft mij niets onthouden, behalve u alléén, omdat gij zijne vrouw zijt; hoe zoude ik nu dit groote kwaad doen, en tegen

10 God zondigen ?quot; Nu was het: toen zij dag aan dag Joseph aldus toesprak, en hij niet naar haar hoorde, om bij haar te

11 liggen, of bij haar te zijn; Toen was het op zekeren dag, toen hij in het huis kwam om zijn werk te verrichten, en geen van

12 de personen van het huis daar in het huis was; Dat zij hem bij zijn kleed greep, zeggende: «Lig bij mij !quot; Doch hij liet

13 zijn kleed in hare hand, vluchtte, en ging naar buiten. Nu was het; toen zij zag, dat hij zijn kleed in hare hand gelaten

14 had, en naar buiten gevlucht was; Riep zij de personen van haar huis, en sprak tot hen, als volgt: //Ziet! hij heeft ons eenen hebreeuwschen man gebracht, om den spot met ons te drijven;

2- VJIX JT3D TPI. en hij was in het huis van zijn heer. Het eerste blijk van onderscheiding van den kant van zijn heer was: dat hij hem in zijn huis nam. Vervolgens;

4. IDN men, wer^ zVn lijf bediende, werd van tap, slaaf, mtin, aangewezen tot persoonlijke bediening van zijn heer; daarna stelde hij hem aan tot verzorger van zijn huis en eindelijk tot beheerder van geheel zijn vermogen.

6- 1DX JH1 xSl. bij bekommerde zich bij hem, Joseph, om niets; v. a. ins, bij zich, om hetgeen in zijn huis omging (vgl. echter vs. 8). De slotwoorden van het vers zijn inleiding tot het volgende.

8- JXCl, hij weigerde beslist, wat meer zelfbeheersching en kracht aanduidt, dan nas nVi, hij wilde niet (Reggio). Na de besliste weigering, argumenteert hij die door te wijzen op zijne plicht van dankbaarheid, haar te herinneren aan haar vrouwenplicht en eindelijk aan de bezondiging tegenover God.

88

12

ocr page 185

uh na

gt;lt;1!!! •' VJIN ^ ,n,i fjbv-nx ^

: 1T3 n^ïü nt\\ iïfy xin-n^K Soi inx nin» ^ vi'-iK quot;Sai iri'r^ innpa^inK vj^a fn cjDi» KÏD^ ^ niTK-VaS^i irna in« quot;i^an mo ♦nn.: ITS |ri: i1?-^ n nana fn ^di» bhn nysn n^-nK nin» Tj^i -I^K-1?! arjn : rriamp;2\ nin'1

Kmn^K Dnbn-DK »3 naiND IDK '«IDI» T3 ^

J v quot;:^ ''K'-' y T : ^ lt;-T I ; I •• -i- ;

ann-in IHK ™ *: nxno nan. ixn'ns» e]6i» w) ^IN » nnDB' nöNni n^^-nx vnK-mtf K^rii nb^n

*riK i?T;Kb ^iiN fn vi~iK n^x_bK IOK»! I |Kon ; ♦öy» rnn n^3 13:^ : Vbin^-no»

in^K-riK -itifca ^ni«quot;DK ^ hdind Höo hm

'nn : ♦nNüni nN-rn nVian n^in n'^K ^KI 1 nVïK 23^ yairiói dv i nv ïidv-Sn nians

K.T t V ^ . T •)••* '• ^quot; T I : A •» V JT i ~ l

iwk^d ni'^b nn^n ny\ nfn oi'na : nap nvn1? ^ iüNbinaaainiPönrn : n^a D^n^an nniNiaw .'nyinnNyiDJ^nTa lua arrvsynaait''

t : ■ * ;quot; T 1 - jquot;quot;- T^T- TT: ; • lt; -:i— ^ JT : •

nn»a «npni : nïinn d:»i m^a i^a am-»a^

T ...... ■ : Tl: • - Tl- T^T- «TT: v; • J-^T 7

1:2 pnp na^ vb N»an ini Idn1? dh1? quot;iokpi

quot;T f v -» ; V' ï ' J' -iT ' jquot; : •• v t v « -

9- UJW- Anderen: Hij zelf is in dit huis niet yrooter, dan ik.

10- nSJ/ iivrn- Volgens de Joodsclie commentatoren (Ibn 'Ezka, Rasubam, Siporno) vermeed hij zelfs alleenzijn met haar.

11- nin DVn3) 0P zoodanigen dag, van de dagen, dat zij aldus tot hem sprak (vgl. DV dtgt;, vs. 10); Ibn 'Ezra : Juist een jaar later. — rwaï, in het binnenste gedeelte van het huis, bij de vrouwenvertrekken; evenzoo nnnn (vs. 12), niet bepaald naar de straat, maar naar het meer buitenwaarts gelegen deel van het huis.

12- xn on, ging vluchtende naar buiten (zie echter Siporno).

14. xpn. liygt; de heer des huizes, heeft gébracht-, even minachtend als

zij Joseph viaj) cns noemt, spreekt zij van haren man eenvoudig als: hij._

prw, vgl. Gen. 26,8. — 132, met ons allen, alle vrouwen van het huis ziin in haar beleedigdl

ocr page 186

GENESIS XXXIX, XL.

deze is tot mij gekomen om bij mij te liggen, maar ik riep

15 met luider stem. En het was: toen hij hoorde, dat ik mijne stem verhief en riep, liet hij zijn kleed bij mij liggen,

16 vluchtte en liep naar buiten.quot; Zij legde zijn kleed bij zich,

17 totdat zijn heer naar huis kwam. En zij sprak tot hem die zelfde woorden, zeggende: «De hebreeuwsche slaaf, dien gij ons gebracht hebt, is tot mij gekomen, om den spot met mij

18 te drijven. Nu was het: toen ik mijne stem verhief en riep, liet hij zijn kleed bij mij achter, en vluchtte naar buiten.quot;

19 En het was, toen zijn heer de woorden zijner vrouw hoorde, die tot hem sprak, zeggende: ,/Zulke zaken heeft mij uw slaaf

20 gedaantoen ontbrandde zijn toorn. Joseph's heer nam hem, en zette hem in de gevangenis, de plaats, waar des konings gevangenen opgesloten waren. Hij was dus daar in de ge-

21 vangenis. Doch de Eeuwige was met Joseph, wendde hem welwillendheid toe, en gaf hem gunst in de oogen van den

22 overste der gevangenis. De overste der gevangenis gaf in de hand van Joseph al de gevangenen, die in de gevangenis waren;

23 en alles, wat men daar deed, geschiedde door hem. De overste der gevangenis zag niet om naar iets van al, wat in zijne hand was, omdat de Eeuwige met hem was; en al, wat hij deed, liet de Eeuwige gelukken.

1 Het was na deze gebeurtenissen, dat gezondigd hadden de schenker des konings van Egypte en de bakker, tegen hunnen

2 heer, den koning van Egypte. En Phar'o was vertoornd op zijne twee hofbeambten, op den overste der schenkers en op

3 den overste der bakkers. Hij liet hen dus in het huis van bewaring zetten, dat in het huis van den overste der lijfwacht was, in de gevangenis, op de plaats, waar Joseph gevangen

4 was. De overste der lijfwacht stelde Joseph bij hen aan, en hij bediende hen: en zij waren geruimen tijd ia hechtenis.

5 Nu droomden zij beiden een droom, ieder zijnen droom

l5- nn. llij fot zya kleed, dat hij reeds had uitgetrokken, liggen,

in de haast van zijn vlucht, hij mij, in mijne kamer; om de waarheid niet te verraden zegt zij niet: 'Ta. — Ue huisgenooten, toch waarschijnlijk reeds naijverig op Joseph's gunstige positie, worden door haar dus als getuigen tegen Joseph te hulp geroepen.

20. quot;nnDH jTD. waarschijnlijk: een rond (vgl. den stam vo = 32D), of: een met een ringmuur omgeven gebouw (vgl. den naam nan no). Het diende tot staatsgevangenis en stond onder directie van Potiephar, als hoofd der lijfwacht. V. s. beteekenen de woorden; ircn ito Sk vwm, dat zijn heer Joseph overplaatste en hem aanwees voor den dienst in de gevangenis en zoodoende dc vm, was Joseph feitelijk zoo goed als gevangene. Deze laatste woorden zijn anders overbodig.

21. quot;inon jTO nr. vorst over de gevangenis, die weer ondergeschikt

89

ocr page 187

o é? ua

■'3 liroiyD ♦nn : bi-ii bips N-ipKi éy isvh N3 ^

i* : t ; it ^ h ; ^ti ; vit * -j- : • - •• lt;t

: nïinn on ^ïn nj2 iw'i NipKi ^ip win

it i - r*quot;- t^t- • ; v ; • at): vit v.* I • j *-;

v1?» -i3ini : irvr^K v:ix Nimir H^ÏN I-IJ2 nam«

t quot; ~ : ~ i •• v j.t -: j at : v v.: * ^---p

nNnn-i^K na^n nn^n K3 Pok1? onna

t Jquot; quot; v -: r : ^ it Vjvt - •• -«t a •• v^quot; t rr :~

^ÏK 1-133 3^'i NipNi ♦Vip'onro 'nn : »3 pnïS

v ^: • j .r- at! : vit v,*^ I r *^-; r ~ »* i v j- :

quot;i^Nj inirK n3TnK vinK vo^3 m :nïinn ow*

v -: : • j.. ; • ... t -J - : • ' :T * ~ TJ1quot;

'• nn»i ^3# ^ n'^ nVNn nnapa ioKb vbx npsp Dipa irion n^s-^x \nin»i ihx e]pv rnx np'i^ tin nin» w : Tten n'33 Dirvn onm quot;nVan niDK« ^

t : lt;•: - - i - : ^t • :r a- -i | v v,v - r- • -:

rnn : in'Dn-n»3 ïi? n^3 lin non vbx m nol'» r-

] .... - 1 - lquot; j- ; • ij..-- vat ^ Jquot;- iquot;

nriDnn»33iir« Di^DNn-^ nx «IDI^T3 iriDn-n^ Ttr

- a - jquot; ; -: • • -:jt t ••« | quot; ^ ; - - iquot; lt;-

■n»3 quot;ity i r« : n^n Kin Dtb amp;vv n^iquot;

iquot; J- i •quot;• IV jt t t^ * ^ lt;v -: t •• ;

Kin-quot;i^Ki irw nin» quot;i^N3 IT3 noiND-Vs-nN HKI m'ón

j v -: i- a * ^t : jv -; i- t ; t : t v lt;v

a * : n^sü nin» npy

Dnxp-^So np^o i^un nb^n onspn nnx 22 ni^a fiïp'i : Dnxü -iSab on^nK1? nattm =

7 '* quot; i : quot; * it : • | v jv : v,quot; quot; • •quot; av it :

Dnx twi : D^aiKn Pp D'p^sn Tc P^ vono

t | .. • - ,• ,t j- i * : - - -•- c at 'it -•••:

i^n Dipa quot;iriDn n»3quot;P« D^ns^n Tc n^s lócaa DmnpBf^DnK tjOi^nK D^ns^n Tc Tpa,Pi: DC tidk-1 ib^n CK DH^C Di^n labnn : locoa vn4iquot;

-: «. v •• : -: : -i-- it : ■ : v't j : r-

was aan den vorst der lijfwacht. Deze stond misschien op zijn beurt weder onder de bevelen van wie weet hoeveel vorsten. Altemaal titels, wier aantal gewoonlijk toeneemt met de beperking van de zelfstandigheid hunner dragers!

22. fWy irn Nin. geschiedde naar zijne regeling.

Hoofdstuk XL. 3. iqïj'qs, m het huis van bewaring, eene plaats voor personen, wier zaak nog in onderzoek is. Vgl. Lev. 24,12; Num. 15,34.

D^» geruimen tijd, zonder dat een bepaalde duur is aangegeven; Rashbam : een vol jaar.

ocr page 188

GENESIS XL.

in eénen nacht, ieder naar de uitlegging van zijn droom; de schenker en de bakker des konings van Egypte, die in de ge-

6 vangenis opgesloten waren. Toen Joseph nu 's morgens bij hen

7 kwam, zag hij hen en zie, zij waven bedrukt. Hij vroeg dus Phar'os hofbeambten, die met hem ten huize van zijn heer in hechtenis waren, zeggende: «Waarom is uw aangezicht heden

8 zoo bedroefd ?quot; Zij zeiden tot hem : «Wij hebben eenen droom gehad, en er is niemand, die hem uitleggen kan.quot; Joseph zeide tot hen: «Zijn uitleggingen niet aan God?! vertelt ze mij toch.quot;

9 Toen vertelde de overste der schenkers zijnen droom aan Joseph, en zeide tot hem: «In mijnen droom, — en zie, een

10 wijnstok was vóór mij. En aan den wijnstok waren drie ranken; en hij : op het oogenblik, dat hij uitbotte, kwam er

11 bloesem aan, deden zijne trossen druiven rijpen. En Phar'os beker was in mijne hand; toen nam ik de druiven, drukte ze in Phar'os beker uit, en plaatste den beker op Phar'os hand.quot;

12 Joseph zeide tot hem: «Dit is zijne uitlegging: de drie ranken

13 beduiden drie dagen. In nog drie dagen, zal Phar'o uw hoofd verheffen, en u op uwen post herstellen; en gij zult Phar'os beker [weder] in zijne hand plaatsen, naar de vorige wijze,

14 toen gij zijn schenker waart. — Moogt gij u dan slechts mijner herinneren bij u zelve, wanneer het u wel zal gaan : dan zult gij mij de gunst bewijzen, dat gij bij Phar'o melding van mij maakt, en mij zoo uit dit huis voert.

15 Want gestolen ben ik uit het land der Hebreërs; en ook hier heb ik niets misdaan, dat zij mij in den kerker gezet

5. Beiden droomden een droom (Reggio; zij droomden heider droom, onnoodig en onwaarschijnlijk). — vsSn jnres ira, ieder, naar de uitlegging van zijn droom, d. 1. ieder droomde iets, dat geleek op eene hem betreffende toekomstvoorspelling (jnns); de droom was zoodanig, dat zij den indruk kregen, dat er gewicht aan gehecht moest worden. (Dit is naar onze meening Rashie's verklaring; niet: ieders droom kwam met de later daaraan gegeven beteekenis overeen, zooals Mendelssoun opvat; door deze verklaring vervalt ook Nachmanides' aanmerking tegen Rashib, daar ook Phar'o zich over zijn droomen verontrustte, juist omdat hij daarin eene toekomstvoorspelling zag. — De droomuitlegger moet zijn taak al zeer slecht vervullen, zoo hij eene verklaring geeft, die met den droom zelve mei overeenkomt! V. d. dat wij Mendelssohn hier niet volgen.)

8. inK |\\ nnai. er is niemand van de droomuitleggers, die hier in de gevangenis tot ons komen zou om ons gerust te stellen en eene verklaring te geven! Joseph antwoordt: Is het niet Gods wijsheid alleen, die de waarheid kan doen begrijpen? Hy alleen is het, die ware uitleggingen den menschen ingeeft! Misschien doet Hij ook mij zulk eene ingeving deelachtig worden!

io. nmaa- De a heeft hier dezelfde beteekenis als Gen. 38,29: Op hetzelfde oogenblik, waarop hij begon uit te schieten, waren de bloesems opgekomen en de druiven rijp geworden (Nachm.) Dit wees op eene spoedige vervulling van den droom en was eene aanwijzing, dat het

90

ocr page 189

ö zm v

•nbüb nóKni np^on lobn riinsa wx TIK nVVa

i *•*«••.* : v -: v it : hv; - - a -; i ^ : • ; tv t t-- :

fiDV Dn^N ay) : m'Dn n»M DHIDK dhvd 1

kquot; ■»•* quot; ~ st- - i - : r -: r.- -: * - : •

nj^ia ♦DHD-HK quot;JK^I : wm onx KTI ipaa»

: ~ — •: v - ; - i- 1 v.t • : t i va -

: Di»ri D'jn DD^a ^yid ioxb vj'ik n^a no^pa irix fióv on1?» ION'I inK ^nai ai^n v^x 110^*1n

pquot; v •• -: v - a i jquot; vquot; : - t •» -: t •• j : • -

D'piysn-quot;)^ -)3D^ *: ^ «msD D^nnö xibn» '£

h'i quot; ~ quot; r* - r v.t : - ; • r* lt; -: 5^

raaai .'^tarnanvóiVna 6 10^1 tiDi^ ibSn-nK1

l-v. - ■tt; i -.v- ■• ■:. ' -: lquot; , ,v - i»quot; : gt;■ quot; , ■•

min nïi nn1?^ nrhaD Nini Djntr

. t vv : : - • t * -t ; 'ir - - : lt;• ; a- • it •'t :

DniN D»3:yrrnN np^iVTa rnna düi :

^ t : vit • t^it v i-»-vit a-t; ^ j : r t*-:

11? iö^i : n^*]2 c]r^ Dün-nx jnKi rf^ia dü'^k ^ 111^3 : on D^D» rwhv D^irn lihnö nr cidv ^

^ 1 '•* v' t v j : • -t v ; a : • v.v )••

rin:1] ^35-^ ^NTnK m\ nphp ♦3 : inpB'o n«n ibw riB'Nnn 1T3 n'vifi-Dio ^

s' hquot;: - t v't jv -: 1 *it ^ t ; • ~ t ; ^ ;- 1

quot;ion na^ xrn^jri ^ nnnDrox

♦naaaasr's ; ntn n^n-?o ♦jntrcim brnarm10

• :-s r ,v-; •.-- i- r quot; . = ^ :- v :

'HK iwi HDINO Tinyy-io HÖ-DJI onnvn PKD

j t 1- t : • ■quot; 'r i - : h' ! it i '•\quot; •■

drietal ranken aanduidde drie dagen en geen langeren termijn, als weken of maanden. Te meer aanleiding had Joseph daartoe, omdat hij wist dat over drie dagen 's konings geboortedag zou herdacht worden, waarbij de beste gelegenheid voor eene amnestie zou zijn (Ibn 'Ezra). — Rashie: en hij kwam mij voor als Moeiende.

13. quot;I^JO HJC—NC1. staat ook II Kon. 25,27 in den zin van: iemand uit gevangenschap bevrijden. — ]3, voetstuk, v. d. een post, dien men bekleedt, eene plaats, die men inneemt.

14. 0^ 13. Verzwegen is hier: Voor deze gunstige voorspelling en de u tijdens uwe gevangenschap bewezen diensten verlang ik niets, dan alleen, dat gij u mijner herinnert, ■jns, in uwe gedachte, dan zal vanzelve misschien wel eens een gunstig oogenblik komen, wroTTn, om melding van mij te maken bij den koning.

15. 313 'S. Zie onze aant. Gen. 37,21. — 112, een gemetselde bak tot het verzamelen van regenwater, v. d. elk onderaardsch metselwerk, de gevangenis. — onarn vis noemt hij het land Kena'an als verblijfplaats van Abraham, iiarn (Gen. 14,13) en tegelijk om zijne nationaliteit aan te duiden (vgl. Gen. 39,14, waar Joseph 'laji wordt genoemd).

ocr page 190

GENESIS XL, XLI.

16 hebben.quot; Toen de overste der bakkers nu zag, dat hij gunstig uitgelegd had, zeide hij tot Joseph: «Ook ik, in mijnen droom,

17 en zie: drie gevlochten korven waren op mijn hoofd. En in den bovensten korf was van allerlei spijs van Phar'o, bakkerswerk, en het gevogelte at het uit den korf, van boven mijn hoofd.quot;

18 Joseph antwoordde, en zeide: «Dit is zijne uitlegging: de drie

19 korven zijn drie dagen. In nog drie dagen zal Phar'o uw hoofd u laten afnemen, en u hangen aan eene galg; en zal het gevogelte

20 uw vleesch van u afeten.quot; En het was op den derden dag, den geboortedag van Phar'o, toen maakte hij eenen maaltijd voor al zijne dienaren; en nam hij het hoofd van den overste der schenkers en het hoofd van den overste der bakkers op

21 onder zijne dienaren. En herstelde den overste der schenkers op zijn schenkers-post, zoodat hij den beker weder op

22 Phar'os hand plaatste. Maar den overste der bakkers liet hij

23 ophangen, zooals Joseph hun uitgelegd had. Doch de overste der schenkers dacht niet aan Joseph en vergat hem.

1 En het was na het einde van twee volle jaren, dat Phar'o

2 droomde, en zie: hij stond aan de rivier. En zie! uit de rivier kwamen zeven koeien op, schoon van uiterlijk en gezond

3 van vleesch; en zij weidden in het oevergras. En zie! zeven andere koeien kwamen na dezen op uit de rivier, slecht van uiterlijk en dun vau vleesch; en zij plaatsten zich naast de

4 koeien aan den oever der rivier. Nu verslonden de koeien, die slecht van uiterlijk en dun van vleesch waren, de zeven koeien, die schoon van uiterlijk en gezond waren. — Toen

5 ontwaakte Phar'o. Doch hij sliep weder in, en droomde ten tweeden male; en zie, zeven korenaren schoten op in één

16. iJfC DJ. aan te vullen: ook ik zag iets dergelijks in mijn droom. — 'in iSd, Rasiiie; gevlochten, zoodat telkens kleine openingen (D'nn) blijven; Sa'adja; korven vol wit hrood, van nn (Jes. 29,22) wit zijn; anderen: fijne, kostbare korven (in verband met DiTin, vrijen, hooggejilaatsten, Jes. 34,12, Jer. 27,19).

19. jljf—dezell'de woorden als bij den schenker, die echter door toevoeging van -pSïn geheel tegenovergestelde beteekenis krijgen. Hij zal onthoofd en daarna het lijk aan een hout, een langen houten paal, opgehangen worden (vgl. Deut. 21,22).

20. NBquot;!, met Rashie vertalen wij: nam hij op, bij het nagaan van zijne dienaren (vgl. Ex. 30,12). Anderen; hij verhief het hoofd van den schenker door hem in zijn ambt te herstellen, dat van den bakker, door hem te doen ophangen.

, 23 -or jcSi, hij getroostte zich de moeite niet, nu en dan eens aan Joseph te denken, de herinnering aan zijn verblijf in de gevangenis eens weder op te wekken, en zoo, inrwM, vergat hij hem geheel, zoodat ernstige

91

ocr page 191

no D 'fpü Ns

-fiK eévVN ins nm ^ n-a^n-i'^ Ntai»,i : 1122'u

)- )•• V V - ATT v.- IT - :j— ^ I -

ri^yn nn ^d n^t^nani ♦oibna

I ; •'IT -•- - r quot; v.- jquot; ' -JT : •• • : * -: i- • -:

Vsn-fp Dn» VDN tjivni nöN n^ö n^-13 SDNÖ bsa a^pn hiy V ^na nj IONK ]]£! ' ^

tik rivi£5 m1' r\vbü 1 ni^a : on w nvbvc,

*C :- T • • T V - : ^ : iquot; v* t ^ v ^ :

?]n^rnNï]^n ^IN nVni ^^0

n^quot;i3quot;nK nnbn DI» av? 1 ♦np. * : ^^03 -nm D^piysn iv 1 iïm vnnr^b nniro

v ; I • ;-- J- -• v T *quot; at T ; T : v.v ; •

a^p^an Tty-ns4 31^1 : quot;nina D^Nn Tc ewt «

Iv,*; - - jquot; V V.)T- IT T : \ j 1 V.' «T J- ■»

D'öxn nir HNI : njna Dian in»! in^o-'^23 ■nx D^pi^arrquot;)^ : tiov onb ina quot;i^N3 n^n»

).)•;-- - S-T I ; llquot; IV T •)■ T r.' -! I- AT T

3 : innaai

: mm D^n ri^nsi D»O» vrv-

nKnm nsno ni^ nins yiv iK^n-ja ram 3 nity minx m-i3- viv nsm : inK2 nrpnm quot;1^3j

lt; ^ •• -: -»T SV quot; * : ITT T quot;^v ^ * quot; AT T

bvK nn'DVni 1^3 mpm hniö m^i quot;iïrrna rnnnsi

v jquot; t : •} . I— at t I-» -: v.*-* ïquot; s t : - I • I v ••-; i-

hxian min mnsn n:t?DNni : quot;iN'n na'^-by nnsn ^

v ; - - *lt; t T - t : -»- quot; 1 : - j- : - v, t -

rpn n^nam nsnan hö* mnan pnir ns4 Ttban npm

1 Kquot; •- a • ; - : v.'-* ;-- j : t - ^ - Jv ••« t t - Ij -:

n:^ mVy o^sty 1 n.3n1 óVmi : n^na ^

gebeurtenissen uoodig waren, om Joseph's beeld weder in zijn geheugen te doen opkomen!

Hoofdstuk XLI. 1. □TUC quot;pQ, na het einde van twee jaren in

dagen, d. i. twee volle jaren; het is niet zeker of dit geschiedde twee jaren na het begin van Joseph's gevangenschap, of twee jaren na de bevrijding van den opperschenker. — quot;wn Sï, aan den Nijl, de rivier van Egypte, van welks periodieke overstrooming de vruchtbaarheid van Egypte afhangt. Vee en koren zijn de beide vertegenwoordigers van Egypte's voortbrengselen.

ocr page 192

GENESIS XLI.

6 halm, gezond en goed. En zie ! zeven korenaren, dun en door

7 den oostewind uitgedorscht, ontsproten na deze. En de dunne aren verzwolgen de zeven gezonde en volle aren. — Toen ont-

8 waakte Phar'o, en zie! het was een droom. En het was in den morgen, toen was zijn geest verontrust; hij zond dus en ontbood al de beeldschriftkundigen van Egypte, en alle daar aanwezige wijzen; en Phar'o verhaalde hun zijnen droom, — doch niemand

9 kon ze aan Phar'o uitleggen. Toen sprak de overste der schenkers tot Phar'o, zeggende: «Mijne zonden breng ik heden in herin-

10 nering. Phar'o was vertoornd op zijne dienaren, en liet mij in het huis van bewaring zetten, ten huize van den overste der

11 lijfwacht, mij en den overste der bakkers. Wij hadden toen eenen droom, in denzelfden nacht, ik en hij; ieder naar eene

12 uitlegging van zijn droom droomden wij. En daar was bij ons een hebreeuwsch jongeling, een slaaf van den overste der lijfwacht ; wij vertelden hem, en hij legde ons onze droomen uit;

13 een ieder legde hij uit naar zijnen droom. En het was; zooals hij ons had uitgelegd, zoo gebeurde het; mij zette men weder

14 op mijnen post, en hem heeft men opgehangen.quot; Hierop zond Phar'o en ontbood Joseph; en zij haalden hem spoedig uit den kerker, hij liet zich scheren, verwisselde zijne kleederen, en

15kwam tot Phar'o. Phar'o zeide tot Joseph: «Ik heb eenen droom gehad, en niemand kan hem uitleggen ; maar ik — ik heb van u gehoord, dat men zegt; «Gij hoort eenen droom om

16 hem uit te leggen.quot; Joseph antwoordde Phar'o, zeggende: «Dat staat aan mij niet! Moge God antwoorden het welzijn

17 van Phar'o.quot; Nu sprak Phar'o tot Joseph : «In mijnen droom :

18 zie, ik stond aan den oever der rivier. En zie ! uit de rivier kwamen zeven koeien op, vet van vleesch en schoon van

7- rUySsm. Volgens Heidenheim droomde Phar'o niet. dat de dunne aren de goeden verzwolgen, — want iets physiek onmogelijks droomt men niet — maar is de beteekenis dezer woorden; de zeven dunne aren groeiden over de anderen heen en maakten hen onzichtbaar. — DiSn rum, en zie! het was een droom, terwijl tot nog toe de voorstelling zoo levendig was geweest, dat hij haar voor werkelijkheid had gehouden.

8- D'OD-in. van om, griffel, zij die met de Egyptische hieroglyphen, schriftteekens in beelden, bekend waren. — onis, den tweeledigen droom, daarom het meervoud. — njnsS, dat eigenlijk overbodig is, wordt door Rashie verklaard: niemand verklaarde ze zoo, dat de verklaring Phar'o afdoende voorkwam.

9. vnan nx. mijne zonden tegen den koning; hij gebruikt het meerv. uit respect voor den koning, om zijn vergrijp, waarvoor hij gestraft werd, niet te gering voor te stellen. Tegelijk verontschuldigt hij zich in zekeren zin, dat hij den koning een zoo onaangenaam voorval in het geheugen terugroept, rat».

ii- mSn rnnaa cw. ™ Gen. 40,5.

13. mengt; de koning, herstelde. — inxi, hij noemt den bakker niet,

om voor den koning niet van den hoogverrader melding te maken.

92

ocr page 193

KD fpO 3Ï

nij5i vziï nani : nin'üi nittna nnx1 ^3^ m ni^n o^a^nn^Sani : jnnnK ninbï • w : Dibn nam ri^is niNbani niKnan n Dnxö ♦sü-in-^rnK n^'i inn D^sm npin

* V.quot;: ' jquot; \ : ' t v -rrh * - - : •- ^ • - |v -

oniK quot;inirrw lo^n-nK nrh ri^na quot;isd^i n'oan-^-nxi

vt jquot; i iquot; : quot;:• v v tf « :- •• - : - t av t -: t v ;

♦Km-m quot;iQN^ n^ia-nK D^^an •naTi : n'^iaS ^ iDfpa ^lè'l : Di»n Taro

oi^n nabnsi : o^xn nxi quot;hu D^natsn quot;ïw n^a ^

-: jt c - r- r it j- v.quot; : * • t - - -•- ••«

otri : wo'rn labn rnnaa wt* Kini ♦jk mx rMa ^

t : : it t v. quot;s^ • J : * : r lt;s t ^t v t :j- :

^-quot;ina^ i^-iaom a^na^n ta^ na^ linx

v.t t : • - v - ; - • t - - j- : v^vlt; * : * -■'- r *

ra uV-nnjj n^xa ♦nn : ma labna üw irna^n-nx ^

i •quot;' vt ^ ~ it jquot; -: iquot; •»* :quot; itt ^ -: iquot; j' aquot; i -:

xipn n^quot;ia rhm : n^n inKi ^a-b^ a^trn n»n ^

-•Tl:*- ;- «- ; •- ,Tgt;T j ï r ~ J' quot; •)* ATT

-bn Na»quot;! vnVa'c qVnn nbri man-ra qbi^ns4

V.t- t ; • l-quot;*- :- ^ a - i • v.-. *:- |quot;

pK inai ^a'pn aiVn «jpi^K ri^-ia laN'i * : njna1Q : in» quot;inab oibn va'^n -iaN1? ^^air ^ki inx

i gt; : * i. ^ j- : • •• i v nr ' . t • -: r a ^

DibirnN D^ribx n^Va iaK1? ri^s-nK «]DV na^-1?^ lay *:in ♦aVna n^ia quot;lann • n^-ia ^ na»i quot;i^a mtna nina va^ nVv i^n-ja nam : quot;iN'n ^

-• • i.T T j -.: t •*'' * ; - l • -»•.•: i : -

14. insnM. eig. men liet hem haastig hopen, d. i. v. s. haalde hem spoedig, v. a. liet hem spoedig vrij. Joseph echter stoort zich niet aan de blijkbare haast der hofbeambten, maar scheert zich, naar Egyptisch gebruik, en verwisselt van kleederèn, om waardig voor Phar'o te komen.

15. yOEVT Gij behoeft slechts een droom te hooren, om hem te kunnen uitleggen. Anderen: gij verstaat (roï'n = rm) een droom uit te leggen; dan zou men echter verwachten: DiSn msS j.wn.

16. nySS) dat ligt huiten mij (vgl. 41,44), slechts God kan mij de geschiktheid daartoe geven; moge Hij dan mijne bede om bijstand verhooren en mij antwoorden iets, dat tot PharVs welzijn strekt.

17. In de volgende verzen wijken eenige uitdrukkingen af van de in de vroegere mededeeling gebezigden. Zoo staat vs. 19 niTi, wat vs. 3 niet voorkomt; mpi, waar vs. 3 nipn heeft; v. 18 en 19 isn, vs. 3 en 4 nsm; vs. 23 jtiimx, wat vs. 6 niet staat. Phar'o verhaalt meer den indruk, dien de verschijning op hem maakte (v. d. vs. 21, waar hij natuurlijk verhaalt

ocr page 194

GENESIS XT4.

19 gestalte, en zij weidden in het oevergras. En zie! zeven andere koeien kwamen na haar op, zeer schraal en leelijk van gestalte, en mager van vleeseh; ik heb in het geheele land Egypte niet

20 gezien als dezen, wat slechtheid betreft. De magere en slechte

21 koeien verslonden de zéven eerste vette koeien. Zij kwamen in haren buik, doch men merkte niet, dat zij in haren buik gekomen waren, want haar uiterlijk bleef slecht, zooals in den

22 beginne; — toen ontwaakte ik. Daarna zag ik in mijnen droom, en zie; zeven aren schoten op in één halm, vol en goed.

23 En zie! zeven aren, dor, dun en door den oostewind uitge-24dorscht, ontsproten na dezen. Nu verzwolgen de zeven dunne

aren de zeven goede aren; — dit heb ik den beeldschriftkun-

25 digen gezegd, doch niemand kan het mij mededeelen.quot; Toen zeide Joseph tot Phar'o: ,/De droom van Phar'o is één ; wat

26 God doen zal, heeft Hij Phar'o medegedeéld. De zeven goede koeien zijn zeven jaren en de zeven goede aren zijn zeven

27 jaren; het is één droom. En de zeven magere en slechte koeien, die na haar opkwamen, zijn zeven jaren, even als de zeven ledige, door den oostewind uitgedorschte aren ; er zullen

28 namelijk zijn zeven jaren van honger. Dit is het woord, dat ik tot Phar'o gesproken heb; wat God doen zal, heeft Hij

29 Phar'o laten zien. Zie, er zullen zeven jaren komen van grooten

30 overvloed in geheel het land Egypte. Doch na deze zullen zeven jaren van honger ontstaan, zoodat al de overvloed in het land Egypte vergeten zal worden en de honger het

31 land zal vernielen. En de overvloed zal in het land niet meer bemerkt worden, wegens dien honger, die daarna zijn

32 zal; want hij zal zeer zwaar zijn. En dat de droom aan Phar'o herhaald is, tweemaal, — dat de zaak bepaald is bij

33 God en dat God die spoedig ten uitvoer zal bréngen. Welnu, Phar'o zie dan om naar eenen verstandigen en wijzen man,

34 en stelle hem over het land Egypte. Phar'o handele, en stelle opzieners aan over het land, en late het land Egypte het vijfde opbrengen in de zeven jaren van overvloed.

wat hij zag; en dat daarom in de mededeeling omtrent zijn droom (vs. 3—6) niet staat.) Een enkel moment laat Phar'o geheel weg, nl. dat de magere koeien naast de vette gingen staan en ze eerst daarna verslonden (vgl. Hirsch). Bij herhalingen komen trouwens meermalen kleine afwijkingen voor, wanneer het alleen te doen is om de hoofdfeiten nogmaals mede te deelen (vgl. Gen. 24).

24. TJÖ PNIj doch niemand kan het, d. w. z. den zin er van, mij mededeelen.

27. vrp. er zullen zijn-, hot kan moeilijk op D'W pa» slaan, daar het dan vrouw, meerv. rwnn moest zijn; vóór het onderw. ijw- laat zich echter de mann. vorm verklaren. — Hij begint met de jaren van honger, omdat daarvoor de droom hoofdzakelijk nut heeft, ten einde de noodige voorzorgen te kunnen treffen (Nachm.)

93

ocr page 195

KÖ po iï

hnnK niisrjntf nam :

j ^ .. -j lt; t ~ iv •* * : itt t •\v^: - a

nanD ^nwN1? to mpm tko ixn nijni m^irnnnN

t^quot; t * s* t i at t i j : ^ i. : quot; •) J ti - i v quot; . i

nirnni ni|3quot;in ninan mbD^ni ; phb onxo

** tit : k -it t - t : - - -it ' vquot;: ' i quot;j'' t .

nainp-^K njNani : nsnan ni^m ni-isn vzw na «

t v : i ' v t j t - i * ; - i* t 0 t - gt; ' sv xquot;'

nbnna nps v\ njinp-VK yni: J6I; nnK n:j?3 n'^ yiü i nam 'b^na Kquot;IKI : fj^Ki23 man^ man niQiï mm : niabi ni*1?»»

nK rip^n : onnnK ninov onj^^

quot;iün»i : quot;b i^o rKi D'óüTirrVK naKi mntsn

lt;- r J jquot; : • ••. :- r v - it a - ~

D^n'jNn -i^k nx Kin -inx n^ia Dibn npna-bx «idv

•)• v: it sv -: •quot;• lt;s •jt v v :quot; -gt; -J :quot; v p *

mn b^B' yzt nibn nna .* n^n 13 : Kin nn^ aibn nsn yzv nim b^at^n

I JT . I -: TAquot; . T 'r-.V , quot; quot; V 'p quot;V

a»:^ |nnnx ntyn npnm nipin nnsn ü3^ vn^ onpn maniy nirnn D'ba^n ^3^1 nan

jquot; : ^ - (.v : i- a-It- t •-. : I quot;it * ▼:/ - ^ quot; lt;v : t ••

a^nV^n nirK njnrVtf ivx ninn Kin : 2^ ™

■)• v; it sv -: * :quot; v • ; ^- • jv -: t t - j it t

Vim vzw niK3 vzv nan : n^ia_nK nxm rivy ^

^ jtt: ^t1 '•■ ■.!quot;• pp':quot; ■•■ jt :v /quot;•■ ,

nr^ai |nnnK lyn \:v yyamp; IÜ^I : onïp ^

pnrKbi: pKn-nK s^nn n^Di onvp pN3 ^^n-^a ^

: iko Kin m-*2 rrnnK «mn aynn ^sq pK2 ^n

1 : v, Jquot; t r Iaquot; ••-;!- lt;. - ^/t tit )•• : • i vtt t t^ -

D^D lyin jür'i p^aya n^ns-^K Di^nn ni:^n ^K ni?quot;ia KT nn^i : in^b D^nVKn inoöi DTIVKH ^ n^ia n^. : DnTVP inn^n. ddhi jia^ : va'^n yv anva pK-nK ^ani pKn-^ nnpö

34. npü'1')—nU^''. Phar'o zelf trede handelend op, en stelle beambten aan-, anderen: moge Phar'o het volgende doen-, beambten aanstellen-, nog anderen: Phar'o moge benoemen en aanstellen beambten. —• mm, hij heffe een vijfde (evenals -ict, een tiende nemen of geven) van de geheele opbrengst, wat bij den buitengewoon overvloedigen oogst met het oog op het doel, waartoe het bestemd was, niet overmatig veel kan genoemd worden.

ocr page 196

GENESIS XLI.

35 En zij zullen al de spijze verzamelen van deze goede jaren, die komen zullen, en koren ophoopen onder de macht van Phar'o

36 [tot] spijsvoorraad in de steden en dit bewaren. Zoo zal die spijze tot bewaard goed strekken voor het land, voor de zeven jaren van hongersnood, die er in het land Egypte zijn zullen, opdat het land niet te gronde gericht worde door den hongersnood.quot;

37 De zaak scheen goed in de oogen van Phar'o en in de oogen

38van al zijn dienaren. En Phar'o zeide tot zijne dienaren:

HKunnen wij iemand vinden als dezen, eenen man, in wien

39 Gods geest is ?quot; Nu zeide Phar'o tot Joseph: //Nademaal God u dit alles heeft doen weten, is er niemand zoo verstandig en

40 wijs als gij. Gij zult over mijn huis [aangesteld] zijn, en door uw bevel zal geheel mijn volk verzorgd worden ; slechts den

41 troon zal ik grooter zijn, dan gij.quot; Voorts zeide Phar'o tot Joseph: «Zie! ik heb u gesteld over geheel het land Egypte.quot;

42 Phar'o nam zijnen ring van zijne hand, deed dien aan Joseph's hand, kleedde hem in kleederen van fijn linnen en deed den

43 gouden keten om zijn hals. En deed hem rijden in den tweeden wagen, dien hij had; en men riep voor hem: knielt ! —

44 Zoo stelde hij hem aan over geheel het land Egypte. Ook zeide Phar'o tot Joseph: «Ik ben Phar'o; maar zonder u zal niemand zijne hand of zijne voet opheffen in geheel het

45 land Egypte.quot; Phar'o noemde Joseph's naam: Tsaphenath Pa'néach; en gaf hem Asenath, de dochter van Potie-Phéra', priester van On, tot vrouw. — Hierop doorreisde Joseph het

46 land Egypte. — Joseph was dertig jaren oud, toen hij stond voor Phar'o, den koning van Egypte. — Joseph ging weg

35. Bovendien moeten die beambten al het te koop aangeboden koren opkoopen en dit onder Phar'o's macht, d. i. in koninklijke magazijnen, opstapelen, Sjn, tot spijsvoorraad in de verschillende steden; n»pi, en zorg dragen, dat het niet bederft.

40. ptJquot; -pg De huldigingskus is niet een kus op den mond, maar voet- of hand-kus. Men vertale dus niet; en uwen mond htsse geheel mijn volk. pfJ beteekent: aaneen voegen, v. d. zich wapenen met de nauw aansluitende wapenrusting. Ibn 'Ezra daarom: op uw bevel wapene zich; anderen: naar uw bevél richte, voege zich. Rashie e. a. denken aan ppc, waarvan wa po» ja (Gen. 15,2), en vertalen: worde verzorgd. — soan p, slechts wat den troon en de aan de koningsmacht verbonden voorrechten betreft, sta ik boven u.

41. Vs. 40 is de uiting van PharVs voornemen, vs. 41 de offlcieele benoeming.

42. Door het overhandigen van zijn zegelring maakt Phar'o hem tot zijnen vertegenwoordiger. — t'ü naa, fijn linnen kleeding was die der priesters in Egypte. Joseph werd dus in de hoogste kaste opgenomen, vgl. vs. 45. — antn to-i, den gouden ambtsketen als teeken zijner waardigheid.

43. nJB'On rODHQ. Bij plechtige optochten rijdt Joseph in den wagen.

94

ocr page 197

KO fpÖ lï

irnavn nbtn naan mi'tsn ^Di^-VrnK lïspn ^

^ t : : • : v aquot; it- - j* t - v t v ; 1: *:

mpjfi1? n^ni : iiötyi Dnjra baK nnn ^

I It • : v « t tt ; it t : f riv v ^ - - s-

-tfbi onxo pN3 r^nn ainn ysvb

i : -at; • | •.•■••.• : tuv : r jv -: 't t it jquot; : ~ ••• : | vt t

n'^na ^^3 min : wü riNn nisn»17

•• : :.quot; quot;,quot; • v.t t - j- • - tttit i v^t t r-r •

quot;itfK ^Khb NïDin V-O^N rtviö nüjri :

r»v -I ^ • VT -«T : * AT T l v v :* V J - IT T ; t

j;nin nnx c]pv_1?x ri^ns 10^1 * : 13 a^nbK nin ^ n^nnnnK inioa Dam rürï^K m-^rnN nniK D^ri^0

-»v : r t - I 1 t vt t : I ^ t I iquot; a t *• u : i •»• *.•:

: ?jao NMri pn pF* T^'^l : onvD riN-Vs ^ •nnx 'nn: ntn cidi^k n'^na quot;idn4,i n8

• it : • i vr.' t i : 1 • •*- t : |aquot; v ^ ;- •*gt;*'quot;

t|Di* t;^ nnx in4quot;) it tyo in^auTi^ njna ipji30 22Ti : mirby ann nan Diy,,i B'ib-naa inK iy3,7!,i«

it- vtt- : v^t- •• •*: * : quot;quot;

rin:*! Timx vaab IKID^ njtran naanoa in»

I J t : |aquot;: - v.t t : j :t:-- v -: v : • - vlt;v :• :

eiDi^N ny-ia IÖ^I : onïa bjr inK-«

quot;a : - -• -: Kquot; v *4 : - v s- • it: • i ^ vjv t .

: onïD pN-^DS ibJTnKi ITTIN on^V

• it : • i vjv t : v, : - v *• ^t v s' t i i •.•*¥ ^: *

tq niipKTiK ^quot;fn'An^ö n:sv^pi^Di^ ri^ns «ipn™ ï]p^i: nnïp e]DV nt] |p3 ^IÖ ^pia «

è|Di» «Ï»I DnïQ--|ba ri^-13 ^a1? ino^a a^trn

die onmiddellijk op 'skonings staatsiekoets volgt. — -pas = -pan is: kniel! (vgl. d'3ün, Jer. 25,3)-; v. a. een Egyptisch woord, dat dan misschien Joseph's titel aanwijst. — iirui, onbepaalde wijs voor den verl. tijd (vgl. Ex. 8,11).

44. Bij de benoeming wordt Joseph's bevoegdheid, zooals die in de laatste woorden van vs. 40 door Phar'o is aangeduid, nog eens duidelijk omschreven.

45. rijyö DJSS- Hoogstwaarschijnlijk een Egyptische naam, eenigszins voor Hebreeuwsche ooren en uitspraak geallittereerd. V. s. beteekent die naam; wereldredder, v. a. steun des levens. In verband met ibï, verbergen, verklaren Joodsche commentatoren met Josephus; ontdekker van het verborgene, vanwaar de latere Pajtaniem den stam rurs bezigen in de beteekenis van: openlaren. — ris ioir, v. s. dezelfde als Joseph's vroegere heer Potiefar; deze kan zeer goed priester van On en tegelijk hoofd der koninklijke lijfwacht zijn geweest. On is de beroemde Egyptische tempelstad Heliopolis.

ocr page 198

GENESIS XLI, XLII,

van voor het aangezicht van Phar'o, en Irok door geheel het land

47 Egypte. Het land bracht voort, in de zeven jaren van overvloed,

48 bij handen vol. Toen verzamelde hij al de spijs der zeven jaren, die in het land Egypte waren, en legde spijs in de steden; de spijs van het veld van elke stad, hetwelk er rondom was, legde

49 hij daarin. Zoo hoopte Joseph koren op, als het zand der zee, zeer veel; zoodat men ophield te tellen, want het was ontelbaar.

50 Er werden Joseph twee zonen geboren {vóórdat het jaar van den hongersnood kwam,) welke Asenath, de dochter van Potie-Phéra',

51 priester van On, hem baarde. Joseph noemde den naam des eerstgeborenen Menasshé; «Want, [zeide hij,] God heeft mij doen vergeten al mijn rampspoed en het geheele huis mijns

52 vaders.quot; En den naam des tweeden noemde hij Ephrajim: „Want, [zeide hij,] God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het

53 land mijner ellende.quot; Toen de zeven jaren van den overvloed

54 geëindigd waren, die in het land Egypte was, — Begonnen de zeven jaren van hongersnood te komen, gelijk Joseph gezegd had; toen was er honger in alle landen, maar in geheel

55 het land Egypte was brood. Doch [ook] het gansche land Egypte begon honger te gevoelen, en het volk schreide tot Phar'o om brood; toen zeide Phar'o tot geheel Egypte: «Gaat

56 tot Joseph; wat hij u zeggen zal, dat doet.quot; Toen nu de honger over het gansche land was, opende Joseph alle [plaatsen], waarin [voorraad] was, en verkocht aan Egypte; doch de

57 honger nam toe in het land Egypte. En de bevolking van alle landen kwam naar Egypte, om koren te koopen, tot Joseph; want de honger was groot in alle landen.

42 1 Toen Jakob zag, dat er koren was in Egypte, zeide Jakob tot 2 zijne zonen; „Waarom ziet gij elkander aan?quot; En hij zeide: „Zie, ik heb gehoord, dat in Egypte koren is; daalt daarheen af, en koopt voor ons koren van daar ; opdat wij leven blijven en niet

4v. a'sopS, hij handen vol-, waar anders slechts een enkele halm groeide, daar kreeg men thans beide handen vol van het product; v. a. uit iederen zaadkorrel kwamen handen vol op. 51. in klankovereenstemming met den naam rwM. God

heeft mij doen vergeten mijne geheele ellende in het huis mijns vaders, d. i. de oneenigheid met zijne broeders en de onaangename gevolgen daarvan, want de liefde tot zijne familie en het ouderlijk huis was niet van hem geweken, ■os no Sa nxi iSot Sa m drukt te zamen één denkbeeld uit. V. d. dat hij Egypte ook nu nog quot;jï Vis, het land mijner ellende noemt (vs. 52). Hirsch : God heeft mij tot sckmdeischer doen worden mijn ongeluk en het huis mijns vaders, d. w. z. ik moet mijn ongeluk en mijnen broeders, die het meenden te veroorzaken, dankbaar zijn, want zij hebben mij het hoogste geluk verschaft.

54. mSTiCn ^33. in aUe landen rondom Egypte, nl. Palaestina, Phoenicië enz. — arh rm, namelijk in de koninklijke magazijnen; — toen dan ook de particuliere voorraden waren uitgeput, vs. 55 ajnm, en ook het volk van Egypte den hongersnood begon te gevoelen enz.

95

ocr page 199

30 NO fpü nv

p.^n '^rn.: onvp n^na ^öbp»

yiv I Vox-^rnK r'ip^ : D^opb jnfrn ^ ™

■ t quot;J•* v - t v i i;-- r ti:* at^t ' **quot; :

onjra ^K-m^ onvo pwa Vn

t •••; v s (s *tiv^ v v, I v •- • - ; • I v-»v ; t lt;v -:

a4n Sina quot;q jidv -javn : noma rn: n^nn^D niyN0»

^ v.t- j : it ir* : •- it : i j-t t v.quot; «• ; jquot; -;

tpvb) : isdd pK-,2 iso1? bnn-'a ny TNO nann3

t *'. : it : * I jquot; r v. : * ^quot;t r Tr a : j.. : -

nioK iVm'r ivx xinn D»h

- : it t:it «••• -: 'at tit j- : ^ t vjv ; • t -»•• ;

nt^iD urDn DirnK ►IDIgt; rna vnö w

av - : v. : ~ v jr): -- I 1 lr* ^ ^ quot;vv j

uw nwi : irrVa nKi ^Dr^'nx ^

jquot; •»•• ; 1* t jquot; t vquot; : quot; t -: t v • v: • lt;- - r

ni^Dm *: quot;w r-iN3 D^n^K ♦jian-^ onfiK nip ^irnquot;

t v ; • - r i t I '.w : v.' v: • ; * r -at: v -«tIt v,quot; quot; quot;

j;a^ : onxa pK3 n»n -IBW viv ^

- -,vlt; tv- : - ^ • it : • i vjv ; v.t t jv ^ at t - -»•• ; ^

minKn-^s fiDv quot;IDN ims Nii1?

t ~:jt t : *t t - |aquot; j- t v,quot; quot;: •quot; t tit lt;••:

p^ï»i DnïüpN-^a^nni : on1? rrn onvo PN-VMI™

I J- - 'quot; ' '*■quot;* T • ' quot; fIT t^t v.- : ' } quot;Jquot; t ;

quot;VK ID5? Dnïö-^D1? n^-ia noN»i anbV riyiö-l?K D^n

-• ; • - ; • t : « ;quot; v - vat ~ ^ : ~ v ^t t

rnxn by n^n n^nni ; tiryn DD1? iqk^-I^K fibi^13

i vat t jquot; : t ,\- tt ^quot;ttit i : iquot; v,v t j- v -; pquot;

3^*in prn^i Dnïob DHS quot;iirN-^s-nK nov nns'i

^t tit i j'vuv * - ; • : ^ ^ : * - v^t ^lt;v -; t v | •• - : •-

tiDi^K 13^ nonxD 1X3 ptfrr^i : onyo pxa»

I aquot; v v. : * t ; - ; • -t I v t t t : • it : • | vjv ;

Dnvo3 13^-^ '3 3pr «Ti :pNn-l?33 3pn prn^3N

•at; • : v v,v v j- i ^-;r :■•— I vitt t : ^^ttit i j-t i*

♦3 vtyo# nsn -ION'I : ixmn niï ri3i? 3py mai =

J. * : ~ t -quot;• • v - 1 t^; * ^ t*.t t t ; | ^—.r v lt;-

rrnji atro na^-in Dnxo3 ^3^-^

J : v.v : r : t • jt : • ; t t : • at : * ; v ^v

56. am TtfK S3 m. alles, waarin koren was. Mandelstamm (Bibel-studien), meent uit het Arabisch te mogen verklaren: alles, wat hij verzameld had, QHS is dan gelijk Dn3-

• |*TNn Si!) de bevolking van alle omliggende landen. Het vers is inleiding tot het volgende verhaal; te midden van alle overigen kwamen ook Jakobs zonen. Zij kwamen, zoo zij koren wilden koopen, rpT» hs, tot Joseph-, hijzelve leidde den verkoop. Zoo worden ook zijne broeders vóór hem gebracht.

Hoofdstuk XLII. 1. TjCIDH IloS) waarom ziet gij elkander aan, besluiteloos, de een op den ander rekenend; Rashbam: waarom laat gij u aanzien, stelt gij u aan, alsof gij alleen niet onder het gebrek te lijden hadt?l

ocr page 200

GENESIS XLII.

3 sterven.quot; Zoo daalden tien broeders van Joseph af, om in

4 Egypte koren te koopen. Maar Benjamin, Joseph's broeder, zond Jakob niet met zijne broeders; want hij zeide: «Opdat

5 hem geen ramp overkome.quot; Israels zonen kwamen dus om te koopen, onder de aankomenden; want de hongersnood was

6 in het land Kena'an. Joseph, die 's lands beheerscher was, was het ook, die koren verkocht aan al het volk des lands; zoo kwamen de broeders van Joseph, en wierpen zich met het

7 aangezicht ter aarde voor hem neder. Toen Joseph zijne broeders zag, herkende hij hen; doch hij hield zich vreemd tegenover hen, sprak hen hard aan, en zeide tot hen: «Van waar komt gij ?quot; Zij zeiden: «Uit het land Kena'an om eten

8 te koopen.quot; Joseph herkende zijne broeders, doch zij her-

9 kenden hem niet. Joseph dacht aan de droomen, die hij met betrekking tot hen gedroomd had, en zeide tot hen: «Gij zij t verspieders; gij zijt gekomen om te zien, waar het land bloot

10 ligt.quot; Zij zeiden tot hem: «Neen, mijn heer! maar uwe dienaren

11 zijn slechts gekomen om eten te koopen. Wij allen zijn zonen van één man; wij zijn eerlijke lieden, uwe dienaren waren

12 nooit verspieders.quot; Doch hij zeide tot hen: «Neen, maar om

13 te zien, waar het land bloot ligt, zijt gij gekomen.quot; Hierop zeiden zij ; «Wij, uwe dienaren, zijn met ons twaalf broeders, de zonen van één man, in het land Kena'an ; en zie, de jongste

14 is thans bij onzen vader, en de ééne is er niet.quot; Joseph zeide tot hen: «Dit is, wat ik tot u gesproken heb, zeggende: gij

15zijt verspieders. Hierdoor zult gij beproefd worden: bij Phar'os leven! dat gij niet van hier weg komt, tenzij uw jongste

3. nnyy. Tien broeders, allen met uitzondering van Benjamin; waar-schiinlijk toch werd in Egypte, zooals gewoonlijk in tijden van schaarschte, slechts voor persoonlijk gebruik verkocht, niet in het groot, ten einde speculatie en te grooten uitvoer tegen te gaan (Siforso). Ieder moest dus komen om voor eigen huis koren te kunnen krijgen. (V. s. ligt ook in 13» het begrip van: in het klein (ver)koopen).

4. van s-ip = mp, treffen, overkomen.

5. QVOn -pra Waarschijnlijk was Joseph slechts de leider van den verkoop, die in het algemeen zijne orders gaf aan de onder hem geplaatste ambtenaren, met den verkoop belast De uit het buitenland komenden moesten evenwel vóór hem gebracht worden, alweder met het oog op mogelijken speculatieven uitvoer. Zoo kwamen dus Joseph's broeders voor zijn aangezicht, D'san quot;pra, te midden van andere uit het buitenland gekomenen.

6. Tartan, die kuren verkocht, indirect, die de bevelen gaf aangaande den verkoop (Nachm.)

8. Joseph, die ongeveer 21 jaar afwezig was, werd door zijne broeders niet herkend. Hij was van knaap man geworden, daarbij kwam nog zijne taal, kleeding, hooge positie, die allen eene herkenning in den weg stonden. De ouderen onder zijne broeders daarentegen waren, toen Joseph

96

13

ocr page 201

ao fpö iy

-nN') : önvaö na «iDi'^nN mi : mo: ^

v : • it : • • v,t j : ' at t quot;: Kquot; iquot; -: j :r— ^ • t ^

««quot;ip'-rs iba '2 vm-m apv' r\bv ™ ms

{'■' tl;- lv - t •*• atv v Iv. J'r. ' Iquot; ^ quot;j'gt;quot;! * t; •

n»n-»3 D^an TiirQ quot;ia^ bNni?» »1 :riD«quot;

^ttit jt t r fgt;' r - I -J : ^ '• ' quot; r : ' •*quot; : t~ I i t

rppsn Nin p^n-^ «in e]pin : |^2 p^31 : nxquot;i« D'ÖK ib-iinn^i «pt* 'nx IN^I riKn Drba1?

t : it \- - j -: i- ; • - ^ | •• ■quot;• -: t - | vat t ~ - t ;

niBtooriK-QTiDrrbK i3Jn»i Di3»i rnN-nx eiov KTV

It -«t • r* v •• -; •• - ; •- aquot; '— v.t v ^v f r :j—

: bsii-izamp;b jjïiï pKO ino^i dhns |^Ö DHVK IO^I nib^nnnK^DV lan : inn^n üb om vnKTix w n3»iquot;

-: i- ••« Iquot; i%.' * ^ ^ v: atv v Iv.quot; jquot;--o

mirnK niNib on# D^-na DH^K IOK'I onb nbn im

j~ rv v 4 :• v - j- : - : v •• -: v lt;- av t vquot; t jv

■13K6 1N3 nns^i ^-IN xb vbx iquot;iaK»i : DnK3 rnxn1

t: • i r.' t^:i- a* -: -• v.t •• j : i- iv t ] v^r r

nn3^ rn-amp; i:n:N D^3 un: ^3 1^3 : bïü *

p V.vt^: jt 1 ; - -•• •• :at v,t v r jquot;: t *-. v i

: niKib DnK3 pxn nn^_,3 N1? DHVK IDN^I : D^-nö21

I : • jv t 1 '.\t T j~ .•.■ 1* ^ A'.y -: v vquot; r : - :

^3 1Jn2N I D^nK Ïp3y lÏQN'l'

lt;.t v r jquot;: :.)- -; ^ ^ s' ' ' vt 1 t yquot; : : i-

: isrsï -irwni ni'n ir3K-n« jbpn nsm ms pN3

iv •• v.t v it : - * t v^ I lt; |t- •• • ; I^at: | v-v :

D^3quot;iP d3|?k wsn im Kin ^Di' dh^k quot;ion»^ NI33-DK '3 nb iKïn'DK 'n i:n3n nan : onx «

•» ; • y v • j : iquot; • ^ - lt;•• Aquot; t • v : iv -

verkocht werd, reeds geheel volwassen mannen; en door hen herkende hij ook de jongeren, die in leeftijd niet zooveel met hem verschilden. — Het eerste deel van dit vers, eene herhaling van vs. 7, dient alleen om daaraan de tegenstelling: «doch zij herkenden hem nietquot; vast te knoopen.

, 9- a^jna. rondloopers om te spionneeren; een minder eervolle uitdrukking, dan D'-in.

11. Zij legitimeeren zich en zeggen, wie en wat zij zijn; tegelijk brengen zij hem onder het oog, dat toch een vader niet zoovele zonen tegelijk voor een zoo gevaarlijk werk, als spionneeren, zal beschikbaar stellen I (Abarb.) Ook hun gezamenlijk reizen, wat eenigszins verdacht was, verklaren zij door het feit, dat zij broeders zijn (Rashbam).

13- quot;tnxm. de eene, wiens verblijf wij u niet hebben opgegeven,

is er niet .

14. Juist dat uw vader den jongste niet heeft meegezonden, bewijst, dat gij op een gevaarlijken tocht zijt. Koren koopen is niet gevaarlijk, dus — ons O'Sj-m!

15. DN njnfl 'Hi fry het leven van Phar'o, dat gij niet; zooals gewoonlijk bij bezwerende eeden; vs. 16 13 HjnÖ bij het leven van Phar'o, dat gij wél verspieders zijt.

ocr page 202

GENESIS XLtl.

16 broeder hierheen kome. Zendt een van u af, dat hij uwen broeder hale; gij echter blijft gevangen, totdat uwe woorden beproefd zijn, of waarheid bij u is; en zoo niet, bij Phar'os

17 leven! dan zijt gij verspieders.quot; Hij zette hen in hechtenis

18 drie dagen. Joseph zeide tot hen op den derden dag: ,/Doet

19het volgende, opdat gij zult leven: God vrees ik. Zoo gij

eerlijke lieden zijt, dat dan één broeder van u gevangen blijve in het huis, waar gij in hechtenis waart; en gij, gaat heen,

20 brengt het koren voor den honger uwer huizen. En brengt uwen jongsten broeder bij mij, en laat uwe woorden bevestigd

21 worden, dan zult gij niet sterven.quot; —En zij deden aldus. En zij zeiden de een tot den ander : „Voorwaar! wij zijn schuldig wegens onzen broeder, wiens zieleleed wij gezien hebben, toen hij tot ons smeekte, — doch wij hoorden niet; daarom over-

22 komt ons dit leed.quot; Ruben antwoordde hun, zeggende: «Heb ik het u niet gezegd, toen ik sprak: Bezondigt u niet aan den knaap ? maar gij hoordet niet; en ook zijn bloed, zie, het wordt

23 thans opgeëischt.quot; Zij echter wisten niet, dat Joseph het verstond,

24 omdat de tolk tusschen hen was. Hij wendde zich van hen af en weende; daarna keerde hij tot hen terug, sprak met hen, nam Shim'on van hen weg, en liet hem vóór hunne oogen binden.

25 Joseph beval, dat men hun vaatwerk met koren zoude vullen, doch ieders geld weder in zijn zak zoude doen, en hun teer-

26 kost op den weg zoude geven; en men deed hun aldus. Zij laadden het door hen gekochte op hunne ezels, en trokken van daar.

17. Drie dagen laat hii hun tijd om den ernst hunner positie te overdenken. Hunne familiën lijden honger. Zij zelve zijn In gevaar, en toch — niet één van hen kan besluiten den ouden Jakob ook den anderen zoon van Rachel te ontnemen! — Joseph's bedoeling met al het hier verhaalde schijnt geweest te zijn; eenerzijds na te gaan of zijne broeders Inzagen, welk een groot onrecht zij tegenover hem hadden gepleegd, en of zij wederom in staat waren met het oog op een wezenlijk of vermeend gevaar een broeder op te offeren; was dit niet het geval, dan zou van zijn kant vergiffenis van het hem aangedane leed kunnen volgen; — anderzijds echter wilde hij er voor zorgen, dat later eene hartelijke, broederlijke verhouding tusschen hen zou bestaan en zij In hem niet alleen den hooggeplaatsten en daarom te vreezen bloedverwant zouden zien. Hij liet hen daarom zijne macht gevoelen, om te toonen, dat hij met hen kon doen en laten wat hij wilde, om later, wanneer hij niettemin uitsluitend als hun weldoener optrad, te kunnen rekenen op hunne liefde en aanhankelijkheid. (Zie Delitzsch en Hirsch.)

18. vm Vffy IWI- Zoo hij hen in Egypte houdt en g:een hunner besluit aan Joseph's wensch te voldoen, sterven hunne familiën intusschen van honger, dus; ,/doet dit, opdat gij en uwe familiën zult kunnen levenquot;; niet uit overtuiging mij vergist te hebben, maar omdat ik God vrees en niet wil, dat onschuldigen aan den hongerdood prijsgegeven worden, ben ik zoo genadig.

21. Al is het in Gen. 37 niet medegedeeld, toch spreekt het vanzelf.

97

ocr page 203

30 fpÜ Tï

briNi MwnK nj3»i; nnN D|Ü in1?^ : njn fbj^n DD»n« quot;= ♦a rip-ia »n n^-dni dddk r\mr\ oinai unrn nD^n

j' ^ : ~ quot;quot;' * : av : ' v;'quot; v •*! * -: it •: : -t ••

IQN'I : D'O» iü^Ö-SK onx e|DN*i: Dn« n'brp j; Dflb^n-nK vni nxi Di«3 W dhSk

r-: v,* v; it v a: r v • -»••:- - - )•• lt;v •• -:

Dp-iü^p idn» nnx D^HN önt? D^3-DN * : | fbpn D3*nKquot;riKi : 03^3 ?13^ 13^ briKi =»

I Itquot; lt;v * -: v : iv •• it » v^v • t -• •: v - ;

i'Wi : 13-1^1 irnan KSI D3n3i IJDN»quot;) iN»3n «

: i- ^ liquot; — at -• ; ^ ; itquot;: quot; quot; •*• t

I^ki i D^^Kn,?3M VRK-^K wh

• t v quot;; ^ * t quot; ; - -: -•• •• -: t -: * t v

nK3 p-by vym «bi irbx üjnnns i^a: mv

.... T'T Iquot; - -r.TT ^ :r rV- ■ : - : quot; rr

I D3vK WDK Nl?n ION? DDK pINI : riKTH ^

r. ....... t .. .. t iquot; ; 1^--- i - v.tt quot;

: tihii nsn lOTDii nnynü n^3 wann-^K ^DN4?

it : • jquot; ■ ^ t - ; av^; - : - : ^y- ^ : v iv -

iD'i : Dh?3 r^an »3 «idv ytiv ^3 lirn» kS am »

J quot; 1 ,T » v quot; quot; -»* |aquot; ^ r :it - quot; : 13

-m oriNü np»i dh^k n3quot;in on1?» 3K'»i ^3*1 dit^d

t • iquot; llt;— v ••-: -••• -;- v •• -: tlt;t- :| caquot;- vv quot;^iquot;

Sn^rnN i^pp. c]óv iïn : on^^1? in« Iwn T)ib mï nrh nrbï ip'^-bx wx bn^D3 3,tyni?i n3

I vat - ^t •• r' t jquot; r : I - v j- •.•••;- «• t ; t

: Dtï'D i3b»i onnan-by D-i3ïrnK Wtr»! : r3 Dn1? vw«

it v *quot; quot; • quot;J vt ; * v j : •- i 1quot; t

dat Joseph toen zij hem op Ruben's raad in den put wierpen, om redding van zijn leven zal hebben gesmeekt. (Vgl. onze aanteekeningen Gen. 37).

22. Ruben, die Joseph bij zijne terugkomst niet meer vond, schijnt niet anders te meenen, dan dat Joseph gestorven is. — nro run wi. Ook dit maakt het niet waarschijnlijk, dat de broeders hem zouden verkocht hebben, daar zij het anders toch Ruben zouden hebben medegedeeld.

23. l'^Son» de tolk, die immers in zulke gevallen meestal aanwezig is. Deze bracht slechts, wat zij tot Joseph te zeggen hadden, in het Egyptisch over. De hier voorafgaande verzen spraken zij echter onderling, zonder te weten, dat Joseph hen verstond. quot;i

24. Zijne dankbaarheid voor Gods genade en de overtuiging, dat de broeders berouw hebben over het hem berokkende leed, uiten zich in tranen. Daar hij weet, dat Ruben het gebeurde heeft ontraden, is Shim'on, als na dezen de oudste, het eerst aansprakelijk. Daarom houdt hij dezen in Egypte gevangen (Ibn 'Ezra).

25. DItSDi hunne vooricerpen, die zij voor het vervoer van koren hadden medegebracht, waarschijnlijk zakken; terwijl de ninnnx (vs. 25 en 35 ook Bgt;p» genoemd) vermoedelijk voor den teerkost en het veevoeder dienden, bleven de cVs op de reis onaangeroerd.

ocr page 204

GENESIS XL1I, XLlll.

27 Een [hunner] opende zijnen zak, om zijnen ezel voeder te geven in het nachtverblijf, en hij zag zijn geld, en zie,

28 het lag boven aan in zijnen voederzak. Hij zeide tot zijne broeders: ;/Mijn geld is terug gegeven, ziet ook! hier is het in mijnen voederzak!quot; toen ontging hun het hart, en zij verschrikten, de een tot den ander zeggende: «Wat heeft ons

29 God daar gedaan?quot; Toen zij nu bij hunnen vader Jakob in het land Kena'an kwamen, deelden zij hem al wat hun over-

30 komen was mede, als volgt: ,/De man, de heer des lands, heeft ons hard aangesproken, en ons voor verspieders van het

31 land gehouden. Doch wij zeiden tot hem: wWij zijn eerlijke

32 lieden; wij waren nooit verspieders. Wij zijn met ons twaalf broeders, zonen van onzen vader; de één is er niet, en de

33 jongste is thans bij onzen vader in het land Kena'an.quot; Toen zeide ons de mau, de heer des lands: ,/Daaraan zal ik weten, dat gij eerlijke lieden zijt; uwen eenen broeder laat bij mij; en neemt [het noodige voor] den honger van uwe huisgezinnen

34 mede, en gaat heen. En brengt dan uwen jongsten broeder bij mij, dan zal ik weten, dat gij geene verspieders, maar eerlijke lieden zijt; uwen broeder zal ik u [dan] teruggeven,

35 en gij kunt in het land rondreizen.quot; En het was: terwijl zij hunne zakken ledigden, zie, toen was ieders buidel geld in zijnen zak ; toen zij nu hun buidel geld zagen, zij en hun vader,

36 werden zij bevreesd. Hun vader Jakob zeide tot hen: «Mij maakt gij kinderloos! Joseph is er niet en Shim'on is er niet, en ook Benjamin wilt gij weg nemen ? op mij komt dit alles

37 neder.quot; Toen zeide Ruben tot zijnen vader, als volgt: «Mijne twee zonen moogt gij dooden, zoo ik hem niet tot u terug breng; geef hem in mijne hand, en ik zal hem tot u terug

38 brengen.quot; Maar hij zeide: «Mijn zoon zal niet met u afdalen : want zijn broeder is dood, en hij alleen is overgebleven ; mocht hem op den weg, dien gij gaat, een ramp overkomen, zoo zoudt gij mijne grijsheid met kommer in het graf doen dalen.quot;

»21 De honger werd intusschen zwaar in het land. Nu was het: toen zij het koren, dat zij uit Egypte gebracht hadden, geheel hadden

27. Bij de anderen lag het waarschijnlijk onderaan, vandaar dat zij het eerst bij hunne tehuiskomst vonden. V. s. is nnnos van nno, rékken, spannen, een groot pak, waarin verschillende zakken kunnen geborgen worden. Zij gebruiken dan op de reis misschien allen uit hetzelfde pak en de overigen vinden daarom eerst te huis hun geld terug.

35. Zij vreesden, want nu bij ieder zijn eigen luidel gevonden was, werd elke gedachte aan toeval afgesneden en bleek het opzettelijk te zijn teruggelegd; waarschijnlijk dus een list van den heerscher! (Naar mate van grootere of geringere talrijkheid van zijn gezin had waarschijnlijk ieder der broeders gekocht en quot;betaald, issa ivw zegt dus, dat ieder zijn eigen geldbuidel terugvond) (vgl. ook wvdds, meervoud).

98

ocr page 205

aö fpö nï

-nx Wi ilonb kisdö nnb iptf-riN nnxn nnö^ «

. •* - i t - v -: r ^ : • j- r i - v t v it - : • -

*303 atfn vnir'jK : innripN ^2 Nin-nani ispa ™ iQN1? vnK-V# wx in-in^ ngt;*»i ♦rinriöKS mn dji nïquot;iN Dn»!jK ripjrbN : u1? D^K n'^v n^rno «

t^:-*quot; p^vp* ~j quot; •» t- it v.* v: jt t •)

quot;)31 : iON1? DHK nipn-^ nst $ 11^1 mi ^

* tv* | •• ^t^ j) t 4quot; -----i at :

nKrrnK d»V-iiö3 unx rn^i nitrp urw fixnKrrnK d»V-iiö3 unx rn^i nitrp urw fixn

itt v v* : ■ : 1* t i—•- a pt v.t • i v4t t jquot; 'z

T^-D^tr : Q^no K1? i:n:K 0^:3 vbx lötói ^

-»t t iquot; ; r : - ; t j :at -: -• •• ^t •• •-• quot; 27

la^NTiK Di»n rbpm nnxn i:»3« ^3 D'nK linjK

, v t v 4 - f i ^ it- : ••• •• jt v it tgt;' t •gt;quot; z quot; z i''z

flNTS pxn y-lN K'^n li^K quot;)ÖN»1 : 1^33 p«3 ^ D3^3 ?l3^TnK1 *F\H in^H SnXH D3*nK DDK D^3 »3

V,v quot;it i j i iquot; v : csj ' * ' t v ,t lt;v 'pquot; p av ' 1 *•* quot;

^ *3 D3»nK-nK iN^rn : 1371 inp^

pNn-nNi oib rnK b3,nN-nK dhk D^3 ^3 onx b^aiö

I *-\t t v ; v t Ijquot; v v • -: v av - \,' •• y v - • ; - ;

i3D3-iny Drrpty n^pno on ^rin ; i-inon ^

l : - 1 : y ••• : •.*)••- l-«' • : ••lt; • ;- it : •

IDN'I nNT^Dn^Kinsnon^ps ninnrnK wy\ 1^3 ^ IWX p^D^I \3yN e]Dl* on^s^ 'FiÜ Dn*3K 3f5^bn^ V3K-bK piNi -iok^ : n:^3 vn inpn ?o^3-n^ *

^ t v i •• : lt; - tit \ j t it • i-'t; • v :

inK n:n vwïh n^-dn n^bn 'J3 ^t^-nK Iok1?

*t : i av •• vv • -: j • t - t lt;•• ;

quot;*3 033^ »33 quot;IT'N1? quot;)0N'1 : 133^« ^

■üVn -itfK tidn inxipi im: n3l? Kim nó vnK

; iquot; I v v - I t «t tI : t : • ; s ; •• * t

:pK3quot;T33 3^im : n^iKty ri3»3 'nyv-nx ormini ni «

i vit t y r \r tit ; t ' .: 1 v t : . •»* t iquot; ^ v sv ; - 1 ; t

Dnxsö n3ibn-nNi S3^ ib3 1^3 =

• at ; • • v* quot; ■gt;'•' quot;• quot; •* ~ quot; ■• v: iv • lt;v -: r • : -

36. niSa. al deze nm, ongelukken; het vrouwelijk aanhangsel kan niet op de zonen slaan.

37. -.ja syff nx- Ruben heeft bij de verhuizing naar Egypte vier zonen; Nachmanides verklaart daarom: twee van mijne zonen, ik geef u voor den éénen, dien ik u ontneem, twee van de mijnen in onderpand.

38. V/IN. zy11 broeder ook van moederszijde; zoo ook: hij alleen is overgebleven van de kinderen zijner moeder.

ocr page 206

GENESIS XLI1I,

verteerd, zeide hun vader tot hen: «Gaat weder heen, koopt

3 ons een weinig eten.quot; Juda zeide tot hem, als volgt: «De man heeft ons ten sterkste gewaarschuwd en gezegd: gij zult mijn aangezicht niet weder zien, tenzij uw broeder met u is.

4 Wilt gij nu onzen broeder met ons zenden, dan zullen wij

5 afdalen, en eten voor u koopen. Doch zoo gij hem niet zendt, dalen wij niet af; want de man heeft tot ons gezegd: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij uw broeder met u is.quot;

6Israël zeide: «Waarom hebt gij mij het verdriet aangedaan,

7den man mede te deelen, of gij nog een broeder hebt?quot; En zij zeiden: «De man vroeg ons naar ons en onze verwantschap, zeggende: Leeft uw Vader nog ? hebt gij nog een broeder ? Wij nu deelden hem mede, in overeenstemming met deze woorden; konden wij dan weten, dat hij zeggen zou: voert

8uwen broeder af?quot; Juda zeide tot Israël, zijnen vader: «Zend den jongeling met mij, dan zullen wij ons opmaken en heen gaan, opdat wij leven blijven en niet sterven, zoowel wij, als

9 gij en onze kinderen. Ik wil borg voor hem zijn, uit mijne hand kunt gij hem vorderen; zoo ik hem niet tot u breng en voor u stel, zoo moge ik alle [mijne levens-] dagen tegen u ge-

lOzondigd hebben. Want hadden wij niet gedraald, voorwaar,

11 wij waren nu reeds twee maal terug gekeerd.quot; Toen zeide hun vader Israël tot hen: «Als het dan zoo is, doet dan dit: neemt van het uitgelezenste des lands in uw vaatwerk, en brengt den man een geschenk; een weinig balsem, een weinig

12 honig, specerijen, welriekende gom, pistaciën en amandelen. En dubbel geld neemt in uwe hand; want ook het geld, dat boven in uwe voederzakken terug gelegd is, zult gij weder brengen in

13 uwe hand; misschien is het eene vergissing. En neemt ook uwen broeder mede, en maakt u op, keert tot den man terug.

14 En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid vóór den man, dat hij u uwen anderen broeder vrij late, en ook Benjamin;

Hoofbstuk XLIII. 3. -|];n van to» no!lgt; v- s. herhalen, de

Hiph'iel dus: telkens weder zeggen-, v. a. iels duurzaam maken, dat anders uit het geheugen zoude verloren gaan, v. d. eenerzijds: waarschuwen, anderzijds na de daad; getuigenis afleggen. — 'rta, meestal: behalve, hier = os vta, tenzij.

hSnh onain '3 ty. overeenkomstig de door hem gestelde vragen (Rashie). Mendelssohn: overeenkomstig deze zaken, d. w. z. zooals de feiten in werkelijkheid zijn.

8. lyj, jongeling, in den zin van: jonge man-, zoo Gen. 41,12 van den ongeveer dertigjarigen Joseph; hier van Benjamin, die reeds een aantal kinderen had.

9. VWönV Levenslang wil hij door zijn vader als zondaar worden beschouwd, zoo hij Benjamin niet quot;terugbrengt.

99

ocr page 207

3D pÖ t2ï

löK'i : inp dhok bn^K -IÖK»V

iNin-^1? noK'1? ^KH 1:3 Vn quot;i^n iox1? nnm» v^a

j ; . , .. *' T T •* ^quot;T lt;S quot; VT : -JT quot;

UPiN irnK-nK nVtro : DDn« DD^HK *föz ^

at * {,• t v -jquot; - : .»1 : •.• * iv : • jv • -: v.* : * quot; t

^tsir^nnjNVn^ö^-DNi: ^ nn-i:^ *iDK'i : D3nK DD^nx ♦rto ♦is iNnn-^ -IOMgt;

iv ; • -tv • -: v* : * quot; t j : • 1 •• •• lt;- t

inDN'i: m ü^h myn ^ origin noV V^quot;)^»

^ ; i- ,t t r» - • t •»• - ; A' V,v plquot;quot;:p -»tt quot; t; •

♦n üyiH -iiyn iaN1? urnViö^ hïm

r.\ • -* ~ •• •• : - 1 : -r ^ t - it j t

♦3 i^n: yiTn nbxn onmn ^-by nx DD1?

j. ^ ... «. jt.: vaquot;^t j* t :- v* v-- t -»v t -•••-;

V2K nnin^ IDN»I : QD^KTIK nnin laK*n

T Jquot; T: •. -• tn = quot; quot; '• ' - •• Iquot;

uruK-Dü mbi N1?') n^nii nD,?:i naiwi ♦nx nn1?^

.y: quot; t j ; V ; r : taquot;quot;^: t I-^t: r • -■)' ~ ^t : •

NSquot;DN lampan n'o : uau-oa nnK-D3»

av i: - ; v.-t • v rv iv it i-^- v,t -

♦3 : ♦nKtsm ^ish vwïni n^N vnKw

^ rtquot;gt; t v.' : ' t : i vt : i v •• lt;• r -;

dhSk nr mv nny^ lanonönn ^

^ v ••^-; v - • it^ii- jv : jt i* : at : - ; * j••

pxnn^p inp ^ nü] Ni3NifrD« dtok nx33 vin 'quot;iï ü^a nn:a wiï? nnint 03^33

j ; - ; «s- ; • ▼; *lt;- ; at : v* t : v quot; '

eiDsn-nNi D3*i*3 inp n^a «iddi : anpvi 0^3

I v V - v : AV :v ; -»1: *.v : • hyv : rlquot;: v.- : t

: «in na^p 'bin D3T3 iyamp;n oswriox ♦ÖS 3^13^ D31? rn* bui : t?wrbK 131^ loipi inp D3,n«-nN,i ^

lt;v t i •• * - - -••• : r t v j i v.: I at v,v * v ; quot;p

ra^n-ns'i nnx D3,nK-nK DDb nbamp;i wwn *:sb ovni

1 a- t : • v : v.quot; quot; jv • -; v •)•.• t j' ' : • t • • -: 1-

ii- moiD, wan het lezongene, beroemde, voortreffelijkste; anderen: van is», afsnijden (meer in het bijzonder bij wijngaarden gebruikt): het af gesnedene, product. — c'21, meestal: dadelhonig; hier v. s. druivensiroop, tot op een derde ingekookte most, die ook thans nog uit Palaestina, vooral de streek bij Chebron, in groote hoeveelheid naar Egypte wordt uitgevoerd.— D':s2, pis'taciën, een soort amandel, en onpr, amandelen, zijn in Egypte zeldzaam.

12. HJCD fjDDI. dubbel geld, nl. geld voor den nieuwen inkoop en het geld, dat gij teruggevonden hebt; v. a. dubbel geld voor den Inkoop eener grootere hoeveelheid, of omdat intnsschen het koren duurder was geworden, benevens het teruggevonden geld. Vgl. echter vs. 15, waar slechts van dubbel geld wordt gesproken, en vs. 22, waar zij spreken van ms t)D3, zonder het dubbel geld te noemen (Mendelssohn).

ocr page 208

GENESIS XLIII.

ik echter, moet ik van kinderen beroofd zijn... zoo zij ik

15 er van beroofd!quot; Hierop namen de mannen dit geschenk, en dubbel geld namen zij in hunne hand, en ook Benjamin; zij maakten zich op, reisden af naar Egypte, en stelden zich voor

16 Joseph Toen Joseph nu Benjamin bij hen zag, zeide hij tot dengene, die over zijn huis was: „Breng de mannen in huis, en laat slachten en [eenen maaltijd] bereiden; want met mij

17 zullen de mannen dezen middag eten.quot; De man deed, gelijk Joseph gezegd had; en de man bracht de mannen in Joseph's

18 huis. De mannen werden bevreesd, omdat zij in Joseph's huis gebracht werden; en zij zeiden: „Wegens het geld, hetwelk de eerste maal in onze voederzakken teruggekomen is, worden wij binnen gebracht; om ons te overrompelen, ons te overvallen, ons te nemen tot slaven, met onze ezels.quot;

19 Zij traden toe op den man, die over Joseph's huis was, en

20 spraken tot hem aan den ingang van het huis. Zij zeiden namelijk: „Och, mijn heer! wij zijn reeds vroeger afgedaald

21 om eten te koopen. Nu was het: toen wij in het nachtverblijf kwamen, en onze voederzakken openden, — zie, toen was ieders geld boven in zijnen voederzak, ons geld naar zijn ge-

22 wicht; maar wij hebben het in onze hand teruggebracht. Ook ander geld hebben wij in onze hand medegebracht, om eten te koopen ; wij weten niet, wie ons geld in onze voederzakken

23 gelegd heeft.quot; Hij zeide: „Vrede zij u ! weest niet bevreesd! uw God en de God uws vaders heeft u een schat in uwe

24 voederzakken gegeven; uw geld is tot mij gekomen.quot; Ook bracht hij Shim'on tot hen naar buiten. De man bracht nude mannen in Joseph's huis; gaf water, en zij wieschen hunne

25 voeten, en gaf voeder aan hunne ezels. En zij bereidden het

feschenk, vóórdat Joseph komen zou, op den middag; want zij adden gehoord, dat zij daar maaltijd zouden houden. Toen Joseph in huis kwam, brachten zij hem het geschenk, dat in hunne hand was, naar binnen, en wierpen zich voor hem tereschenk, vóórdat Joseph komen zou, op den middag; want zij adden gehoord, dat zij daar maaltijd zouden houden. Toen Joseph in huis kwam, brachten zij hem het geschenk, dat in hunne hand was, naar binnen, en wierpen zich voor hem ter

27 aarde. Hij vroeg hun naar hunnen welstand, en zeide: „Is uw oude vader, van wien gij gesproken hebt, in welstand?

14- ViSdC TlSDC quot;WWO» eene uitdrukking van berusting in het onvermijdelijke, evenzoo Esther 4,16.

15- nojn. zy ste^en voor Joseph buiten zijn paleis, misschien op zijn ambtsbureau; eerst later worden zij naar zijne woning geleid.

18. 3t?ngt; dQt 0P voor 0118 onbegrijpelijke wijze, als ware het van zelve, teruggekomen is in onze zakken.

21- pSan Sn. Gen. 42,27 is gezegd, dat de 8 overigen eerst na hunne tehuiskomst het geld vonden. Waar dit plaats had, doet natuurlijk tegen-

too

ocr page 209

ao pö p

nnaon-nK b^3«n inp^i : 'rhsv quot;i^K3 ^»

•»t ; • quot; v ^ t -: it lt; I; • - • : it t * : v. t jv -j r r

Dhïp in-iM lo^rn^i DTD inpb ejDrn^pi nKTn nü^i pp^rnK D^K S]ÜV N^I * : tjpi» yzb iiö^l'0 I nni nnu naüi nn^n D^3«nT« ten I^K1?

i •• t : - v * * : . t :at - v.' t-: it v jquot; t •• - -••.• -:i-

quot;IDK quot;1^X3 E'^n ^'quot;i : DnnïS D^KH IVDK* ♦HK '3 *

•»' r vv -: i- • t *5.-i~ . it t; ,t - v* t quot;j it ^ : i 4* • r

D^jkh : ^01' nn^ D^P^KHTIN ^♦KH N5«i ^Di'' ^ ^^nnnoKS e]p3n laTbi? cjpvn^^K^n ^ bsjnnVi WannV q^sid m:n n^nna

,.rt j.. - . . . ^ •• quot;t lt;•• : • : a- t i t ' f '*

-iiyN : whon-nHi on^b lanx nnpSi ^

K.. -. * T V :•- Iquot; -: v; lt;.* r^—.t' ir -Is-t ;

»:ik ^ : n»3n nna vbx nsTi *]$? WTty3 r6an-^ ijKr»3 'n»i : n-?nn3 it «

I T - V ■'T ^ :- VI T ; ■ . IT • : - ^.I-T JT

wöps irinnax ^3 nani wnnnotrnK nnn^i quot;isvh iJinin in» ^ddi : i:t3 inx a^ai ibpB'pa33 ai1?# iW'i : lyhnnoKa 1:003 DB^Ü

t v - iquot; ; : - ; ; ~ jt^ y. 't •* '• f *

jiotpü ddquot;? |n3 ,ri,?Kii DTrpK opb

: p^ü^-nK DnbK K3 D32D3 o^nnnowa

Dn^ivnTiDwn»')^ nn^ D^jNrrnx ty*«n «3*1 ^

v •• ; - •lt; -: :*- •- i v •- |aquot; t ■quot;• v.* t-: it v •»• t r*t-

t]D^ Nirn^ nman-nK \yy), : nnnanb kisdo in4!quot;3 nn^sn tioi» Nn'i : Dn*? '2 DnnüfS13

T:-- Iquot; lt;T- ■••IT : J I.T * : IT •■• at^IT JJ

: npN iViinnB'^ nn^n DTrn^x nnjprrpK 17 INO^. 5 nrinpN -i^k jpjn dd^k Di^n naN'i bnb Vk^'V3 h

over den Egyptenaar niets ter zake. Zij vertellen dus kortweg: Wij hebben het, zooals met één werkelijk het geval was, in het nachtverblijf teruggevonden.

23. oab DiStr, als bemoediging = er is geen gevaar; soms ook als gehikwensch; eerst in het later Hebreeuwsch wordt het als begroeting gebruikt. — 'Ss m, is in mijne kas gestort. — wtw, Vg bracht hem uit de gevangénis naar huiten.

ocr page 210

GENESIS XL1II, XL1V.

28 leeft hij nog ?quot; Ea zij zeiden: ,/Uw dienaar, onze vader, bevindt zich wel; hij leeft nog.quot; Zij neigden hun hoofd en

29 wierpen zich neder. Toen hij zijne oogen ophief, en zijnen broeder Benjamin, den zoon zijner moeder zag, zeide hij: «Is dit uw jongste broeder, van wien gij mij gesproken hebt?quot;

30 en hij zeide: «God zij u genadig, mijn zoon!quot; Joseph spoedde zich weg, — want zijn gevoel ontgloeide jegens zijn broeder, en hij wenschte te weenen ; hij ging in het binnenvertrek en

31 weende aldaar. Daarna wiesch hij zijn aangezicht, en kwam naar buiten, hij bedwong zich en zeide : „Draagt de spijze op !quot;

32 En men droeg op, voor hem afzonderlijk, en voor hen afzonderlijk, en voor de Egyptenaren, die met hem aten, afzonderlijk; want de Egyptenaren kunnen met de Hebreërs niet te zamen

33 eten, omdat het een gruwel voor de Egyptenaren is. Zij zaten vóór hem, de eerstgeborene naar zijne eerstgeboorte, en de jongste naar zijne mindere jaren ; en de mannen verwonderden

34 zich onder elkander Men bracht gerechten van vóór zijn aangezicht tot hen ; en Benjamins gerecht was vijf maal grooter, dan hun aller gerecht; zij dronken en werden beschonken met hem.

1 Hij gebood dengene, die over zijn huis was, als volgt: „Vul de voederzakken der mannen met spijze, zooveel zij vervoeren kunnen; en doe ieders geld boven in zijnen voe-2derzak. En mijnen beker, den zilveren beker, zult gij boven in den zak des jongsten doen, alsook het geld van zijnen inkoop.quot; En hij deed naar het woord van Joseph, dat deze 3 gesproken had. Zoodra de morgen was begonnen te lichten, liet men de mannen heen trekken, hen en hunne ezels.

28. npn bogen het hoofd met het bovenlijf tot op den grond; nnncm, en wierpen zich languit ter aarde.

29. Joseph zag Benjamin, maar wist nog niet, of deze misschien ook met geweld of list aan zijn vader ontroofd was; hij moest dus door de volgende proef nagaan, hoe het daarmede stond, alvorens zich bekend te maken (vgl. onze aant. op Gen. 42,17).

30. vom, eig. zijne ingewanden, als gevoelsorganen, v. d. het gevoel zelve, soms: medelijden, harmhartigheid, hier: zijn gevoel van broederlielae. — srayi, hij zocht, voelde zich gedwongen te weenen.

32. JiSdV JcS, kunnen niet, d. w. z. mogen niet. Joseph, als tot een hoogere kaste behoorende, mag met de Egyptenaren van lageren rang niet aan één tafel zitten. Met zijn broeders eten wil hij niet, om tegenover hen zich niet als Hebreër te doen kennen. Het tezamen eten met vreemdelingen (swi) is den Egyptenaren een gruwel, d. i. iets waartegen godsdienstige bezwaren bestaan.

33. nonn ZV verwonderden zich, dat men zoo nauwkeurig ieders leeftijd wist.

34. riNCO, gerechten ter eere van een gast, dien men beleefdheid wil

101

ocr page 211

IÖ ao po «P

inp'i ♦n Dib^ noK»i : ♦n is^n™

—iQi^i 'iaMquot;!! vnKpö^rnw nt'i V:^ .*

ïjjn» D^n^K quot;iök'i. -bx dpiok ib^n jibpri nrn J nünbtypan VHK-VK VDHIniDDr^ CIDV nno,i * :,:3i' ^

k -. ■ k— :quot; ^ ' t v t -: l- lt; : : ■ r | •■ — - : - i .

noNp_ pöNn'iK^i VJÖ fnTi :na^ ^yy ninnn ay\^ D^pKn onvs'pi.D^D1? on1?! n?1? i1? IO^I :Dn|? 10^ ^ Dn^? bn^rrriK Vnxb onvan p^av xS b D^?1? in« iniM3 Tüan via*? : nnvnb jS

t-» : * : - tt: -• ; iquot;- -it: • : •

xm : invTbK ww D^JKH inonn i^ïm^

t •- n- •• v r v.' t-:it j : : quot; a rn* : * ly quot; :

D^3 nN'^aa ja^a nN'iyo nnni. bnbK vas n«D ntt'f D Tn^rW iirN-nx : lay natyn in^'i nn* t^an« quot;123

j... -: v - : - 1 v. : : • - ^ : • - at ■••• t

nNty nbov n^K3 ^D^JNH nnnax-nx «ba nax1?

Aquot; ; i ^ : 1 jv -: 1- v * t-;it lt; : : - v •• -

e]p3n yiï 'rarnNi : irinriüK ^3 d^i 3

«]DV nana vyh mn^ e]p5 n«i jèpn nnnax ^3 b^n : annani nan D^JKni uk npan * : quot;isi n^N1 |

iv •• 1 -: r t ^ ■ ■ : •.. ■*• t -: it : a I v v quot; 'quot; ' J' quot; *quot;

bewijzen; hoe meer men den gast voorzet, des te hooger prijs schijnt men naar Oostersch gebruik op zijiie vriendschap te stellen; daarom zijn de gerechten, voor Benjamin bestemd, vijf maal grooter dan die der anderen. —

vosm, hij liet hen misschien opzettelijk wat veel drinken om hun aandacht af te leiden, daar zij, nu immers door ervaring voorbereid, anders wel hadden opgelet, dat niet weder hun geld in hunne zakken zou worden gelegd.

Hoofdstuk XLIV. 1. riJJiy pSDV HCJO zooveel zij maar kunnen dragen, d. 1. veel meer dan zij vragen en betalen; de welwillendheid, waarmede zij behandeld worden, maakt den diefstal des te ergerlijker, v. d. het verwijt vs. 4 ünnSü rmS enz. — ens cpa. In elks zak bevond zich een

feldbuidel, die er niet thuis behoorde. Wanneer zich dus een zilveren eker in Benjamin's zak bevindt, dan is bij de broeders van den beginne af elke gedachte aan door hem gepleegden diefstal uitgesloten. Die beker kwam in Benjamin's zak op dezelfde wijze als hunne geldbuidels in de hunnen. Indien zij dus thans Benjamin niet beschermen, dan zou Joseph weten, dat hunne liefdeloosheid nog even groot was, als vroeger. Zoude alleen Joseph's beker in Benjamin's zak zijn gevonden, dan ware deze in het oog zijner broeders misschien onwaardig geweest zich voor hem op te offeren, en zou uit hun prijsgeven van Benjamin nog geene conclusie omtrent hunne gezindheid te trekken zijn geweest (eldbuidel, die er niet thuis behoorde. Wanneer zich dus een zilveren eker in Benjamin's zak bevindt, dan is bij de broeders van den beginne af elke gedachte aan door hem gepleegden diefstal uitgesloten. Die beker kwam in Benjamin's zak op dezelfde wijze als hunne geldbuidels in de hunnen. Indien zij dus thans Benjamin niet beschermen, dan zou Joseph weten, dat hunne liefdeloosheid nog even groot was, als vroeger. Zoude alleen Joseph's beker in Benjamin's zak zijn gevonden, dan ware deze in het oog zijner broeders misschien onwaardig geweest zich voor hem op te offeren, en zou uit hun prijsgeven van Benjamin nog geene conclusie omtrent hunne gezindheid te trekken zijn geweest (Abrabanel en nieuweren).

ocr page 212

GENESIS XLIV.

4 Zij waren juist de stad uitgegaan, nog niet ver verwijderd,— en Joseph zeide tot dengene, die over zijn huis was: «Maak u op, jaag de mannen na; en als gij ze achterhaalt, zeg dan

5 tot hen: waarom hebt gij kwaad voor goed vergolden ? Is het niet dat, waaruit mijn heer drinkt, en waardoor hij verborgen dingen ontdekken kan? gij hebt slecht gehandeld

6 met hetgeen gij gedaan hebt.quot; Hij achterhaalde hen, en sprak

7 tot hen deze woorden. Zij zeiden tot hem: «Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? verre zij het van uwe dienaren,

8 zoodanige zaak te doen. Zie, het geld, dat wij boven in onze voederzakken vonden, hebben wij u uit het land Kena'an terug gebracht; hoe zouden wij dan uit het huis van uwen

9 heer zilver of goud stelen ? Bij wien van uwe dienaren het gevonden wordt, die zal sterven; en ook wij zullen

10mijnen heer tot slaven zijn.quot; Hij zeide: «Welnu! zooals gij zegt, zal het dan zijn; hij, bij wien het gevonden wordt,

11 zal mij tot slaaf zijn, doch gij zult vrij zijn van straf.quot; Zij haastten zich, lieten ieder zijnen voederzak af op den grond,

12 en openden elk zijnen voederzak. Hij doorzocht; met den oudste begon hij, en met den jongste eindigde hij; en de

13 beker werd gevonden in den voederzak van Benjamin. Toen verscheurden zij hunne kleederen, belaadden weder ieder zijnen

14 ezel en keerden naar de stad terug. Zoo kwam Juda, benevens zijne broeders in het huis van Joseph, terwijl deze nog daar

15was; en zij vielen voor hem ter aarde. En Joseph zeide tot hen: «Wat is dit voor eene handeling, die gij gedaan hebt ? wist gij dan niet, dat een man, gelijk ik, het verborgene ont-16dekken kan?quot; Juda zeide: «Wat zullen wij tot mijn heer zeggen ? wat zullen wij spreken ? hoe zullen wij ons rechtvaardigen ? God heeft de misdaad uwer dienaren gevonden; zie ons als slaven voor mijnen heer, zoo wel ons, als hem,

5- nt JoSn. Hij noemt opzettelijk het voorwerp niet; zoodra zij zich achtervolgd zien, zullen zij wel weten, waarom dit geschiedt. — isro svn ia »rwlt;. Het woord ibk moet uit het vorige zindeel worden overgebracht: tw tni son ia iüni; sin slaat dan op Joseph. V. a. = tw pro 13 ic.s' film, en die is het, waardoor enz., waarbij Kin op den heker slaat. «Door in den beker te zien, kan mijn heer waarzeggenquot;. Joseph blijft nog altijd tegenover zijne broeders de rol van Egyptenaar spelen. Uit den vorm, dien vloeibare was, in den beker gedruppeld, aannam, de toekomst te voorspellen, was een der gewone wijzen van waarzeggerij.

10. 03^313« In hoofdzaak zal het zijn naar uwe woorden; wij zullen onderzoeken en bestraffen; doch de straf zal niet zoo zwaar zijn, als gij voorstelt. Anderen: Ook thans nog is het naar uwe woorden, uw argument, dat, wie vrijwillig geld terug bréngt, niet steelt, is juist. Doch één is er onder u. Benjamin, die dit bewijs van eerlijkheid nog niet heeft geleverd; hij wien enz. Hij wist immers, dat Benjamin den beker had; toch doorzocht hij de voederzakken van allen en begon, om hen de ware toedracht niet te laten merken, bij den oudste.

102

ocr page 213

-10 fpö 3p

Kb n^rrnN itw on Dnob^ns1? DH^K niüKi bnj'^ni o^Nnnnttei-n Dip

jv ; - * t-)t v •• -: jt : quot; it : ^ t : quot; * : a* t •: it •*••-: r I V ï ' s

tfm Kini 13^-iNnri^ ni KiVn :naiü nnn njn/ ■nx DHSN lain DJt^i : Dn^v Dh^in laiyna^

vquot; -: jquot; -;- a- • iv • jv vquot; •quot;*« A v.* ï

anni? 'iiN 1311 nsb V^K inp^p. : n^xn onnnn» quot;itJfH ejpi; |n : ntn nana nf^o n^Sn n^xnn

Tj^xi ^33 pKo Ï]^K lin^n uwnüK uxïd nöi ^inavD inx «ïq1 ipk : anr in «102 Thtf n^oB

Aquot;T | V.quot;T^:iquot; •) • -»quot; T(; •• ~ 'TT ^ 1 ''vV y quot;V

Danan? nn^'Da lON'i : ona^ n»n313n3«-Day : D»p3 vnn onNi najr ♦V-n'n» in» quot;i^k wn-p

,.|. ; J : ,• ^... - ; v t ••• v : r * lt;•• t • v -: a I v

: innnpN ir»N inna»! nnx innnpirnK ny*\ innop. ^ nnnoxs kïan nVa Snn binas

libn-S^ bb^i ^n;p»i : jona d^ isniv xirn e]pv rin^a VriNi, rnin; tón • : nn^n ^ s quot;iti'N ntn n'^sn-no tibv bn1? loxn : n^ix viöV

■•v -: (,V - JV r - it | •• v t v lt; - t : it ^t t ; j •. quot;

quot;lÜX'l : »303 I^K ^3» ^n3-»3 Nl'^n DD^

v j - -it jv -: v.' 4quot;-: Squot;quot; _ r v^: -; -• -: av • -:

pnuvrnoi lairnö noxa-na nnin; -IEW D3 i3n3N-D3 ♦iiK? bnn^ i32n |^;n« kxa

14. Juda treedt thans op den voorgrond; zijne borgstelling eischt thans, dat hij krachtig optreedt.

16. pj; j-jx }{S0) rechtvaardigen kunnen wij ons niet, want het vermiste is in het bezit van een der onzen gevonden; niettemin weten wij ons onschuldig; de schijn is echter tegen ons, zeker heeft dus God een misdaad bij ons gevonden, waarvoor Hij ons in dien vorm bestraft. Volgens Abrabanel doelen zij met pjJ op Joseph's verkoop. — Zoolang allen als slaven blijven, is er geen gevaar voor Jakob's leven; eerst wanneer zij zonder Benjamin moeten terugkeeren, dan zal het verdriet over de afwezigheid van Benjamin Jakob dooden. Daarom biedt Jnda aan, hen allen als slaven te doen blijven. Eerst als Joseph enkel Benjamin verlangt te houden en den anderen toestaat terug te keeren, zegt Juda: dat kan niet; of hij keert met ons terug, of éen onzer vervangt zijne plaats.

p

n

8

'te

ocr page 214

GENESIS XLIV.

17 in wiens hand de beker gevonden is.quot; Doch hij zeide: //Het zij verre van mij, dit te doen! de man, in wiens hand de beker gevonden is, deze zal mij tot slaaf zijn; doch gij, trekt op in vrede tot uwen vader.quot;

18 Toen trad Juda nader tot hem, en zeide ; //Och mijn heer ! laat toch uwen dienaar een woord spreken in de ooren van mijn heer, en dat uw toorn niet tegen uwen dienaar ontbrande ;

19 want gelijk Phar'o zijt gij. Mijn heer vroeg zijnen dienaren,

20 zeggende ; Hebt gij nog eenen vader of broeder ? Toen zeiden wij tot mijn heer; Wij hebben een ouden vader, en een in den ouderdom geboren kind, dat nog jong is, en wiens broeder dood is! hij bleef dus van zijne moeder alleen over; en zijn

21 vader bemint hem. Hierop zeidet gij, tot uwe dienaren : Voert

22 hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem vestige! Doch wij zeiden tot mijnen heer: De jongeling zal zijnen vader niet kunnen verlaten; als hij zijnen vader verliet, zoude hij sterven.

23 En gij zeidet tot uwe dienaren: Zoo uw jongste broeder niet

24 met u afdaalt, zult gij mijn aangezicht niet meer zien! Nu was het; toen wij tot uwen dienaar, mijnen vader, opgetrokken

25 waren, verhaalden wij hem de woorden van mijn heer. En toen onze vader zeide: Gaat weder heen, koopt ons een weinig

26 eten! — zeiden wij: Wij kunnen niet afdalen; als onze jongste broeder met ons is, willen wij afdalen; want wij kunnen het aangezicht van den man niet zien, als onze jongste broeder

27 niet met ons is. Uw dienaar, mijn vader, zeide toen tot ons: Gij weet, dat mijne vrouw mij twee [zonen] heeft gebaard.

28 De een ging van mij weg, en ik zeide: hij is zeker verscheurd !

29 en ik heb hem tot nu toe niet weder gezien. Als gij nu ook dezen van voor mijn aangezicht wegneemt en hem eene ramp zoude treffen, zoo zoudt gij mijne grijsheid met ongeluk in het graf

30 doen dalen. Nu zal het zijn: als ik tot uwen dienaar, mijn vader, kom, en de jongeling is niet met ons, (daar diens ziel met zijne

31 ziel verbonden is), — Dan zal het zijn: als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dan zoude hij sterven! en uwe dienaren zouden

18. jjvpi, Juda, die reeds vs. 14 namens allen het woord heeft gevoerd, treedt nu eenige stappen nader tot Joseph's troon, om in dringende bewoordingen het onmogelijke van den zooeven gestelden eisch in het licht te stellen. Juda's woorden zijn er op berekend, des heerschers medelijden op te wekken ; vandaar dat sommige vroeger medegedeelde leiten en uitingen hier weg blijven, — andere daarentegen uitvoeriger dan vroeger worden medegedeeld.

20. iSs evenals tw, liefdevolle uitdrukking, ook van een volwassene

febezigd; zoo Gen. 37,30 van den 17-Jarieen Joseph. — wisi, zijn eenige roeder van moederszijde, zooals uit de volgende woorden blijkt.ebezigd; zoo Gen. 37,30 van den 17-Jarieen Joseph. — wisi, zijn eenige roeder van moederszijde, zooals uit de volgende woorden blijkt.

103

ocr page 215

ID BWl fpO Jp

quot;IÖK'I : m sivm»1

• T A ) V .»quot; / T J* T V - IT T^- *. *

iVy oriKi nnir ♦b-n,n» Kin ITS jran NVO:

V t : j v - : vnr v; r «: t : ^- • t - t : • v -:

D :

♦jmanan^njr Niquot;quot;)3T 'JIK ^ io#i nim' V^N

-»••: t : t t lt; | : : quot; t v -; -; -•• v - t : t •• ---

Tik : ?|1ÖD *3 ^3^3 ^ön quot;in;-1?»! »:quot;IK ^ -^K quot;iQKii : HN-IK 3N Dsy^^n iQN1? vn3j;;nx =gt; «in nnvi no vnxi rap o^pi n^i rpr 3N ♦i'iK

s .. T.- ..^ ■gt;• t : yatIt ^ v/K: *vv: I|quot;t jt t v • -;

^Nin-ninT^^NiaNni : I3nx V3N1 idk1? ii3S«

ATquot; O. * ' I VT*^: V V - ^ I^quot; -: r t : v. * : •» - ;

3T^ ^n^v-Nb naxsi : vbv wy no^Ni»

•* .i~ •»quot; ' iquot; v v ' • 'T t v.* quot; T r T:

iib'üti quot;iD^m : noi v3K-nN 3mi vsktik «

J VT^: V V - |quot;T v* T V J-^T: A* T

: ^3 niN-i1? pflbn ^ D3DK rbpn ds^n n» ^

. j. . ;- it t ^ ; • I v. * • j av ; • I v,'t- gt;••••-: r*quot;

13^ 1:^3« ION»I : ^iK n3-i nx innaai *3« «

irnN^-DNmn'? bzv ió noNii :

T quot; . * VAVT^ V- j V - V I ^- : . : •

lynxi niNnV b3i: laiTi unx rüpn

j- r : • t — : ; • - -• • : -t: t • I lt; It -

nn^-i^ dhk *3K ni3^ idn»! : isrN ?bpn »

v ; -: -••.• - aquot; •• v-'^t j) : v .)- it • r.* •• I v.It-

ei^ü -]K noKt ♦riND nnKn : TV^K ^-nquot;iV »3 ™

| •* t )v,~ - it • • !•• t v it «....- r : • j- t:it \m : y

^3 nt-n«-Da onnp^i : nsn-i^ vn^n xbi eiiü »=

v,-t D* •• •)••• v quot; sv ; I-: tiquot; v' * : : |at

nn^i : nyquot;i3 WirnN omnini ?idn inipi''

t : t i : 'vtt: r r iquot; v sv : - i : I a t -«tIt :

n^trp i^3;i i3:;x lysny ^33

-jn^ nnini npi |»N-»3 iniKns njm * ;

21. V^J? nO^Nl' amp; wü myn 00g 0P hem vestigen-, hiermede stelt Jurta dezen eisch voor als in zekeren zin een blijk van welwillendheid te bevatten, terwijl hij de beschuldiging van spionnage en Shim'on's gevangenhouding wijselijk verzwijgt.

22. noi va» dn* atjn. V. s.: zoo hij dus zijn vader zou verlaten, zou hij, Benjamin, sterven; v. a. zou deze, zijn vader, sterven.

27. VUTK, mime meestgeliefde wouw, de eenige, die ik naar eigen inzicht en wensen heb gekozen.

ocr page 216

GENESIS XLIV, XLV.

de grijsheid van uwen dienaar, onzen vader, met kommer in

32 het graf doen dalen. — Want uw dienaar is voor den jongeling bij mijnen vader borg gebleven, zeggende: Zoo ik hem niet tot u breng, moge ik tegen mijnen vader alle dagen ge-

33 zondigd hebben. Nu dan, laat toch uwen dienaar in plaats van den jongeling als slaaf voor mijnen heer blijven; en laat

34 den jongeling met zijne broeders optrekken! Want hoe zoude ik tot mnnen vader optrekken, zoo de jongeling niet met mij is? Ik zou het ongeluk niet kunnen aanzien, dat mijnen vader trefifen zou!quot;

1 Nu kon Joseph zich niet langer bedwingen voor allen, die bij hem stonden; en hij riep : «Doet elkeen van mij naar buiten gaan 1quot; en er bleef niemand bij hem, toen Joseph zich aan

2 zijne broeders bekend maakte. Hij liet zijne stem vrijen loop in weenen; zoodat de Egyptenaren het hoorden, en Phar'os

3 huis het hoorde. En Joseph zeide tpt zijne broeders: «Ik ben Joseph; leeft mijn vader inderdaad nog ?quot; Doch zijne broeders konden hem niet antwoorden, omdat zij verschrikt

4 waren voor hem. Joseph zeide tot zijne broeders : «Nadert toch tot mij!quot; Zij naderden; en hij zeide: «Ik ben Joseph,

5 uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt. En nu, weest niet bedroefd, en laat het in uwe oogen niet verdrieten, dat gij mij hierheen verkocht hebt; want tot levensbehoud heeft

6 mij God vóór u uitgezonden. Immers nu reeds twee jaren is de hongersnood in het land; en nog vijf jaren zullen komen, dat

7 er geen ploegen, noch oogst zal wezen. Zoo heeft mij God dan vóór u uit gezonden, om u een rest in het land te verschaffen, en die voor u in het leven te behouden, tot eene groote

32. 13. Dat ik juist als woordvoerder optreed, heeft zijn grond; want enz.

34. J£j, krachtige, abrupte uitdrukking = ik zou niet willen en kunnen aanzien het leed van mijn vader! — Door Juda's aanbod, om zelve in plaats van Benjamin als slaaf te dienen en door de schildering van de middelen, die zij aanwendden om Jakob tot het medegeven van Benjamin te bewegen, is hunne veranderde gezindheid Joseph voldoende gebleken en het doel, waarmede hij hen op de proef stelde, bereikt. Thans maakt hij zich dus bekend.

Hoofdstuk XLV. 1. Toen hij Benjamin voor het eerst zag, kon hij zich niet bedwingen (Gen. 43,30); hij ging echter om zijn gevoel lucht te geven naar een nevenvertrek. Wegens de talrijke aanwezigen, iiSï mï» bsS, had hij zich thans met geweld bedwongen; hij gevoelt echter, dat hij dit niet langer kan volhouden, en beveelt allen te verwijderen, 'Sïo, dienem in den weg zijn. Hij wil niet, dat vreemde ooren zullen hooren, wat hij zijnen broeders te zeggen heeft; vooral niet, omdat daarbij misschien ook hun vergrijp ter sprake zal komen.

2. mil, hij gaf zijne stem vrijheid, vgl. Gen. 31,7 e. a. p. — om» uwi, de in het' vóórvertrek aanwezige Egyptenaren hoorden zijn weenen en door hen verspreidde zich het gerucht tot in het koninklijk paleis.

3. Zijn eerste vraag is: in 'is T®n, leeft mijn vader nog? Hij heeft wel

104

14

ocr page 217

nö id m -ip

■n« iyT ^ : nbi^f jira ny'vrm*

vvh T^ni. Ï]^K I3K^K KVON Idkquot;? ^K D^Ö quot;i^an 'jin1? niV nyin nnn «ratr» nn^i : D^o^rr^ ^

aquot; i- vpv.* - -J- I : : ^quot; *t v iquot; t : rr - t

larK i^ni 'ix-bN Tpins : VHK-D^ -ijwnr'1tiDi' Vi^Vi .* ^N-nK KÏÜ» n^N jna HKIN ?Ö Hö

| •• t I ; TT V V.T : • y»v -: ^ tt : v I vlt; a* •

♦Vyo ü^irVj nnpn o^ïsn ps^nn1?

ATnr iquot; v' T r Tl;*- t^t * T *.quot; : I •• ■ : * :

iVp-nK |n*i : vnirbtf tjDi» ^inns iriK najr^i. = -bx 6)D1' -id^H : rijns jva ^db^i Dngt;;p typwx »333 -»3 inx VnK ♦n n^n cibi» vn«

gt;• -«^-rr TV lt; :it : AT V* T ^» quot;^ )quot; •Jquot; -s T V

nöN'i iiamp;n xnm vnx-bx ^DI» quot;IDN'I : vjsd 1^3^

at*quot; vquot; •• rr ; -jt v v fs- v - it t • ^ -: ; •

-btf 1 nnjri : nönyp'nK Drrpö-ntfK D^HK ejov ♦jNtquot; n'nöquot;? »3 nsn ^ Dni30-»3 03^73 nrrbw üï^n

t : • ; -• TAquot; v* gt;*•* :* : •* v •• ^quot;; - • - : : •jt**

pKn 3quot;ip3 3Vquot;in D^n:^ nr»3 : DD^aS q^x

^ VAT t v|-»v; ^ttit * T : lt;jv • iv quot; : * , v: t :

D^n'^K : n^pi tfnrrpK 'ïwx iron nivi»

v: • lt;quot;T : • - i'It: v't I iquot; jv -: -t -••• t ^ :

D31? nvnnVi r*ix3 nn^ D31? DVirb Qy:sh

'■ : ■ v t •»-:!-: I vat t v* quot; : ■*■■■ T j r •.•••:•

reeds herhaaldelijk gehoord, dat dit het geval is, doch zijne eerste opwelling is toeh zich telkens weer daarnaar te informeeren. Aa het dan inderdaad waar, leeft hij nog en is hij niet van verdriet gestorven?quot; (Abkabanel en Siporno).

4- on-DO -IBW dien gy verkocht hebt, vgl. de aant. op Gen. 37,21. Volgens Abrabanel zegt Joseph deze woorden, om te bewijzen, dat hij werkelijk hun broeder is; en om hen aanstonds gerust te stellen, dat zij voor zijn wraak niets te vreezen hebben, noemt hij zich dadelijk: Diins, hun broeder.

5- ayrya dt quot;m laat het in uwe oogen geen grond van verdriet zijn, meent niet reden tot ontevredenheid te hebben.

1

rpuw dsS aitr1?. om u een overhlijvend deel te verschaffen, d. i. naar 11 Sam. 14,7, om den stam van Jakob niet te doen uitsterven; niet: om den overblijvenden korenvoorraad voor u te bewaren. — oa1? rvrrnSi. Wij zouden verwachten: osns; v. d. dat sommigen meenen, dat vóór dsV het woord -ws moet gedacht worden, zoodat zij vertalen: en om hetgeen u behoort in het leven te behouden-, anderen nemen ps uit het vorig zindeel als voorwerp, en vertalen en het land voor u in het leven te behouden; n. a. vatten jwnnS op in den zin van rrn» nnS, waarbij de derde nv. caS goed

Ëast, zoodat vertaald zou moeten worden: en u onderhoud te verschaffen. [et waarschijnlijkste komt mij voor, dat rrn.w uit het voorafgaande versdeel als voorwerp ook hier bijgedacht moet worden; de zin is dan:

en die rest voor u in het leven te behouden.

ocr page 218

GENESIS XLV.

8 redding. En nu, niet gij hebt mij hierheen gezonden, maar God; Hij heeft mij tot vader doen worden voor Phar'o, tot heer over geheel zijn huis, en tot heerscher in geheel het

9 land Egypte. Spoedt u, trekt op tot mijnen vader, en zegt tot hem: Zoo heeft uw zoon Joseph gesproken: «God heeft mij tot heer over geheel Egypte aangesteld; daal af tot mij,

10 en draal niet. Gij zult in het land Goshen wonen, en nabij mij zijn, gij en uwe kinderen en uwe kleinkinderen; en uw

11 kleinvee en uwe runderen, en al, wat u toebehoort. En ik zal u daar onderhouden, want nog vijf jaren zal er hongersnood zijn ; op dat gij niet tot armoede vervalt, gij en uw huis,

12 en al, wat u toebehoort.quot; — En zie, uwe eigene oogen zien, en de oogen van mijnen broeder Benjamin, dat het mijn mond is,

13 die tot u spreekt. Verhaalt dus mijnen vader al mijne eer in Egypte, en alles wat gij gezien hebt; en haast u, voert mijnen

14 vader hierheen af.quot; Hierop viel hij zijnen broeder Benjamin om den hals en weende; en Benjamin weende aan zijn hals.

15 Hij kuste al zijne broeders, en weende bij hen; en daarna

16 spraken zijne broeders met hem. Het gerucht werd in Phar'os huis gehoord, zeggende : //Joseph's broeders zijn aangekomen 1quot; En het was goed in de oogen van Phar'o en in de oogen zijner

17 dienaren. En Phar'o zeide tot Joseph: «Zeg tot uwe broeders : ,/Doet dit: belaadt uwe lastdieren en gaat heen, reist naar het

181and Kena'an. Neemt dan uwen vader en uwe huisgezinnen, en komt tot mij ; en ik zal u het beste van het land Egypte

19 geven, en gij zult van het vette des lands eten.quot; En gij [Joseph] zijt gelast [hun te zeggen]: Doet dit: neemt u uit het land Egypte wagens voor uwe kinderen en vrouwen;

20 en heft ook uwen vader daarop, en komt. En laat uw oog niet met leedwezen rusten op uw huisraad; want het

21 beste uit geheel het land Egypte is voor u.quot; De zonen Israels deden aldus en Joseph gaf hun wagens, op bevel van

8. 3}i{, vader, d. i. raadgever; vgl. Recht. 17,10.

10. Goslien ligt aau de oostzijde van den Nijl, die dus door de kinderen Israëls noch bij hunne komst naar, noch bij den uittocht uit Egypte is overgetrokken.

11. Bmjquot;), ■vai1 = tquot;P, arm worden. Driemaal (vs. 7, 8 en 9) wijst Joseph hen er op, dat, wat zij gedaan hebben, eene goddelijke beschikking was, zooals uit de gevolgen overtuigend is gebleken; ook zijne verhefling stelt hij als een blijk van Gods genade zonder eigen verdienste vooij Door dit alles stelt hij hen zoozeer gerust, dat zij geen woord van twijfel aan zijne broederliefde uiten.

15. DrP^Jk iy Aen, d. i. terwijl hij hen omarmde.

18. VOV Israël wordt uitgenoodigd naar Egypte te komen uit

dankbaarheid tegenover Joseph. Deze eervolle uitnoodiging geeft hun

105

ocr page 219

no bwi np

'3 nan Tiit onn^ onK'N1? nnpi • : nVniiquot;

A* v: IT a* T •• • lt;V : v - i f T : r ■gt; ,T :

irH^-VaV n^iaS 2*6 ww) ?i3a löN rta DmQNi b^-bx nno : onïoa

•* I : • - T lt; t •• i- * t v -• ^-:i- -: i- • it : •

: TQ^n-^N quot;bx n-n nnx1? Dflbx ^Dty eioi»

I : Iquot; - quot; jt : at ; ^ • T : I IT; r •••: * s- T | ••

n'i3 ♦jrrmavnnN % mip n^ni Ttrr-pKa rot^v

IAV t Jquot; ; I t - - •• I t t lt;• T : IV | v iv : JT : - IT:

ap ?|nfc ♦n'paVa'i :

: ^yiu'tr^i nn'ai nnt^ Ehims 3^i t^on

I it v- -: t ; O : «quot; ^t - vr ' I v ^TTgt; ^quot;r Jquot;r

: Qyba -Qton W2 rmi ™ wy) nith uyy? nani ^

iv •• -: jquot; - : r * I a- t : • -•• ^t : v •• Tquot; «•• • :

Drvjn quot;ib'k-1?! n«i; on.vp? niar^rnN Dnianv quot;?ö^3 nxiybir Vs'i .-nan ^«-nK Dmnim omnDi ■p

I 'it; * jquot; : - •)•- Tiquot; vquot; t v jv ; - ^ I : •)••• : - r

vnN-^^V pirn : nxir^ nsa ro^ni

vt v t ; ) jquot; it t - quot; ^t t I - t: • :| :a*— v.quot; t

n^3n'3 ynm Vpni : in« vhk nan fi nn«i; on^^ : v-oy njrns ^73 btri cidv 'hk in3 ió^

ITT^: Vquot; : ^ Jquot; ; - .- jrtquot; Jquot; -; ^ VT

TIN nNT^nN-^iQN c]pi,_l7N n^na quot;iö^V

TIKI DS^N-nK inpi : ^3 HÏIN iKr^bi dstjtsquot;' ibsxquot;! Dni'o pK 3113-nK D3V mriNi IKSI D^ns pKD Wnnp ^ nxT nn^ï nnxi *: rnsn 3^^« ^

I VV •• VT I I: A : J T {quot;\ jr ^ '• I quot;ITT V jquot;

:DnN3!)D3*3«-nNDnNi!'J'lD3^l?1 D33üb r\f?w onvD

iv t vquot; * quot;• v jquot; t ; •.•••:•; v ; - ; t*-: * - : •

D34? onvp pN-^3 3!lD-,3 DD^Squot;^ Dnn^K D33^.V ni^ eiov on1? rri^ n3 : Kin ^

-*quot; v. t : |jquot; ;v T I •gt;•- •• t: • -quot;■ : Iquot; ^ir- i

het recht later ongehinderd vertrek te eischen; daarom wordt deze uit-noodiging van Phar'o hier zoo uitvoerig medegedeeld. — shn r\tt, Aet vette = het beste, vgl. vs. 20.

19. HiTIJê nmi. Het schijnt, dat alleen op bijzonder bevel des konings wagens uit Egypte uitgevoerd mochten worden; slechts op bevel van Phar'o (vs. 21) geeft Joseph ze; en Jakob overtuigt zich, door het zien dier wagens, van Joseph's macht en aanzien (vs. 27) (Rashbam).

20. DPin hü MJ'JM. laat uw oog niet met verdriet rusten, oïta Vr, op uwe voorwerpen, die gij misschien moet achterlaten, want gij zult hier ruimschoots vergoeding ervoor vinden, aio 13 enz.

ocr page 220

GENESIS XLV, XLVI.

22 Phar'o; ook gaf hij hun teerkost op den weg. Aan allen gaf hij voor ieder één stel eerekleederen; doch aan Benjamin gaf

23 hij driehonderd zilverstukken en vijf stel eerekleederen. Aan zijnen vader zond hij eveneens: tien ezels, dragende van het beste uit Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren, brood en

24 voedsel, voor zijnen vader op den weg. Hij deed zijne broeders uitgeleide en zij gingen heen; en hij zeide tot hen: «Maakt

25 u niet angstig op den weg.quot; Zij trokken op uit Egypte, en

26 kwamen naar het land Kena'an, bij hunnen vader Jakob. Zij verhaalden hem, zeggende: «Nog leeft Joseph,quot; en dat hij heerscher was over geheel het land Egypte; toen stond zijn

27 hart stil, want hij geloofde hen niet. Maar toen zij hem zeiden al de woorden van Joseph, die hij tot hen gesproken had, en hij de wagens zag, die Joseph gezonden had, om hem op te nemen,

28 toen herleefde de geest van Jakob, hunnen vader. En Israël zeide; //Het is genoeg! mijn zoon Joseph leeft nog; ik wil gaan en hem zien, eer ik sterf.quot;

1 Nu trok Israël op met al het zijne, en kwam te Beër-Shéba'; daar slachtte hij dieroffers ter eere van den God zijns vaders

2 Izak. God sprak tot Israël, in een nachtelijk gezicht, en zeide :

3 «Jakob ! Jakob 1quot; Deze antwoordde : //Hier ben ik!quot; En Hij zeide: «Ik ben God, de God uws vaders; vrees niet naar Egypte

4 af te dalen, want tot een groot volk zal Ik u daar maken. Ik zal met u naar Egypte afdalen, doch Ik zal u ook weder doen optrekken; en Joseph zal zijne hand op uwe oogen leggen.quot;

5 Jakob maakte zich op van Beër-Shéba'; en de zonen Israëls vervoerden hunnen vader Jakob, hunne kinderenen hunne vrouwen

23. nm eveneens, evenals hij zijnen broeders eerekleederen ten geschenke gaf, zond hij zijnen vader geschenken en wel wat volgt. Anderen vertalen r.Ni3, het volgende, wat tegen de toonteekens-verbinding is.

2-1. SjCi vreest niet, voor eene onzekere toekomst; NAcmtANiDES:

voor roovers, die u bij den heerschenden nood zouden overvallen; Rashie ; vertoornt u niet, al strijdende, wie de meeste schuld aan het met mij gebeurde draagt.

26. 'qS JS'l. V. s. zijn hart hleef koud, onbewogen, omdat hij hen niet geloofde. Anderen; zijn hart werd koud, hij kon de waarheid niet vatten; nog anderen; zijn hart stond twijfelend stil, d. w. z. eerst wilde hij zich aan de vreugde over de tijding overgeven, maar werd plotseling door twijfel overvallen, want hij geloofde hen niet.

28. SjCltJquot;) de met de oude energie en vroegeren ijver toegeruste «Godsstrijderquot; Israël; daarom hier deze naam en niet: Jakob. Zoo laat zich op de meeste plaatsen het afwisselend gebruik der namen verklaren. — an, het is genoeg, d. w. z. ik verlang geen verder bewijs, ik ben overtuigd; Joseph leeft nog; Rashbam ; het is mij genoeg, dat Joseph nog leeft, naar berichten omtrent zijn aanzien verlang ik niet. — usini, Ik wil hem gaan zien, bezoeken, dus niet; om in Egypte te blijven.

lOG

ocr page 221

i» no wi ip

riVöir niöbn \n: dVd1? ; Tn1? mv onb rn4ti rtvia «

t : -• * -: v.*t l-rr •-. : ) vit- ^t •• ovt^Ij--- 'a ;-

: hbüB' ha^n tyoni, e]p3 nixa }n: jD^n^i« T^i Dnïö aitso aw: nnan J-INQ n1?^

*** •*: -at: • -^ • v.' : i • -: ■JTT : p p: H*quot;T

vnK-nN .quot;rjTjb onSi 13 r\m: ninK^

onïöD ; titis imin-bK Dnbx ION»1) IDS'I ™

t- -at: • • v .•quot;' f i it - v,: : * ~ v •• -: v j- a-quot;-

♦n 6]DV quot;il^ iDN^? i1? : DH^K |^b pN«

: Dnb nONH-N1? »3 131? Jfiquot;quot;! DnïO WD Kin-»31

IV t f *.•: IV j' • tjt- ^ 'at : | v-iv t : v.quot; j • :

quot;HK Nn»1 DhbN 13quot;! quot;IITH ClDl» nilquot;^ ilK »

:-- ..... -. JV . JV -. |.. «... . T j.. t ••

^nni inx nmb «]pv n^-i^K ni^n

ISNINI ♦n ^3 nDV_quot;l1^ 3quot;) *: Dn*3K n3 ™

lt;'•' : v : jt : r* at *.• : Ir* ^ -r •• t : • v - iv • -;

^3ty nnxs x3n i^-n^H-bsquot;! ^D»I : niox Dquot;IÜ3 « 1ZD I DTibK *1DN'1 ; prw V3N 0^3? n3T!'1 =

•• t : •; «• v: v - I it : * r r iquot; • t : j- ; • -

quot;IONM : 'jan IÖN»! 3^. i 3^_noNn ny|n nKquot;i03j ♦^■♦3 nohvo nna N^n-^K ^3N ^nbK ^«n

: i* t : - : • ■'t :iquot;^ t * - I a* t ■quot;• v: v t j- it

nanïp ^ niK pjK : dc' ^itr ^3ty inso 3^.D^ 1ï-J' p|Dii. n'^-aaquot; Dn^rnNi bsü-nNi onoK 3^:nK

Hoofdstuk XLVI. 1. J/SC mx3gt; naar Beer Shéha', de grensplaats van Palaestina, gewijd door historische herinneringen. Daar stond Abraham's planting (Gen. 21,33), daar bevond zich Izak's altaar (26,25); daar offert thans Jakob D'rat, dierojfers, waarschijnlijk, zooals meestal, D^Sc, vredeoffers, die door den offeraar zelve en zijne huisgenooten worden gebruikt. Daar verschijnt hem God en spreekt; vs. 3, nivi Sn, „vrees niet-, wél heb Ik Izak eens weerhouden naar Egypte te gaan, u echter sta Ik het toequot;. Jakob moest gerustgesteld worden, daar hij aan Kena'an gehecht was en vreezen moest op zijn leeftijd niet weer daarheen te zullen terugkeeren. Ook aan de vrees, dat Egypte het -/vreemde landquot; was, waar volgens de oude voorspelling Abraham's kroost vreemdeling zou zijn, moest voor Jakob het afschrikkende ontnomen worden. Wat dit laatste betreft, wordt hem gezegd: 'Ms, (vs. 4), Ik zal met u naar Eqypte afdalen, en Ik zal u, nadat

g'j tot volk zult zijn geworden, van daar weer'j tot volk zult zijn geworden, van daar weer doen optrekken naar ena'an; — wat het eerste aangaat, zegt God hem; rpw, Joseph zal bij uw dood zijne hand op uwe oogen leggen, gij zult hem niet weder verliezen. Dit nu is voor Jakob van meer beteekenis, dan het verblijf in Palaestina.

ocr page 222

GENESIS XLV1.

met de wagens, die Phar'o gezonden had, om hem te ver-

6 voeren. Zij namen ook hun vee en hunne have, die zij in het land Kena'an verworven hadden, en kwamen naar Egypte,

7 Jakob en al zijn kroost met hem. Zijne zonen en zijne kleinzonen met hem, zijne dochters en zijne kleindochters en al zijn

8 kroost bracht hij met zich naar Egypte. En deze zijn de namen der kinderen Israels, die naar Egypte kwamen: Jakob en zijne

9zonen; de eerstgeborene van Jakob: Ruben. De zonen van

10 Ruben : Chanoch en Palloe en Chetsron en Karmie. De zonen van Shim'on ; Jemoeël en Jamien en Ohad en Jachien en Tsochar

11 en Shaoel, de zoon der Kena'anietische. De zonen van Levie :

12 G-ershon, Kehath en Merarie. De zonen van Juda: 'Er en Onan en Shéla en Pérets en Zérach; 'Er en Onan echter stierven in het land Kena'an. En de zonen van Péiets waren;

13 Chetsron en Chamoel. En de zonen van Jissachar: Thola' en

14Poewa en Job en Shimron. De zonen van Zeboeloen: Séred

15 en Elon en Jachleël. Dit zijn de zonen van Lea, welke zij Jakob in Paddan-Aram gebaard had, benevens Diena zijne dochter. Al de personen van zijne zonen en dochters waren drie en dertig.

16 En de zonen van Gad ; Tsiphjon en Chaggie, Shoenie en Etsbon,

17 'Erie en Arodie en Arëlie. En de zonen van Asher: Jimna en Jishwa en Jishwie en Berie'a, benevens Sérach, hunne zuster;

18 en de zonen van Berie'a: Chéber en Malkiel. Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijne dochter Lea gegeven had; en zij bracht

19 voor Jakob deze voort: zestien personen. De zonen van Rachel,

20 de vrouw van Jakob : Joseph en Benjamin. Joseph werden in het land Egypte geboren (die hem Asenath, de dochter van Potie-Phéra', den priester van On, gebaard had) Menasshé en Ephrajim.

21 De zonen van Benjamin: Béla' en Bécher en Ashbél, Géra

7. rroa. zie onze aant. op Gen. 30,21; v. s. zijne schoondochters-, v. a. zijne dochters-, n. a. meenen, dat het meervoud hier alleen gebruikt wordt om het paralellisme.

15. In het hier gegeven geslachtsregister, dat als grondslag van de latere stamtnenindeeling ook voor de verdeeling van het land van groot

fewicht is, worden onder het algemeene opschriftewicht is, worden onder het algemeene opschrift Jakob en zijne zonen, e kinderen en kleinkinderen, naar de moeders ingedeeld, genoemd. Zoo krijgen wij bij Lea: Ruben met vier zonen = 5, Simon met zes = 7, Levie met drie = 4, Juda met vijf, waarvan 'Er en Onan kinderloos

festorven waren, in wier plaats twee zonen van Pérets treden, = 6; issachar met vier = 5, Zeboeloen met drie = 4, en Diena, die zonder kinderen en ongehuwd was gebleven en daarom afzonderlijk genoemd wordt, ook al neemt men aan, dat Jakob meerdere dochters had. Wij hebben dus als nakomelingen van Léa: 5 -f- 7 44-6 5 4 1 = 32, en Jakob erbij gerekend; 33. Bij Zilpa, waar Asher's dochter Sérach om onbekende redenen herhaaldelijk genoemd wordt (vgl. Num. 26,46),estorven waren, in wier plaats twee zonen van Pérets treden, = 6; issachar met vier = 5, Zeboeloen met drie = 4, en Diena, die zonder kinderen en ongehuwd was gebleven en daarom afzonderlijk genoemd wordt, ook al neemt men aan, dat Jakob meerdere dochters had. Wij hebben dus als nakomelingen van Léa: 5 -f- 7 44-6 5 4 1 = 32, en Jakob erbij gerekend; 33. Bij Zilpa, waar Asher's dochter Sérach om onbekende redenen herhaaldelijk genoemd wordt (vgl. Num. 26,46), 16; bij Rachel 14; en bij Bilha 7; d. i. tezamen 70. Wanneer vs. 26 het cijfer 68 genoemd wordt, dan is daar Jakob niet medegeteld, omdat alleen ot ss-ïv gerekend worden, en Joseph en zijne twee zonen niet.

107

ocr page 223

10 ran Tp

Dn^pö_nN inp'i : im ri^ia n^trii^K

v ••!; • v jj;'- i ^ jquot; r : ~ J~ t -: t^-rit

2pv nonxo my) rpia pna i^rn quot;it^x QiriDn-nNi

k -:i~ t:at: • lt;.t- 1^-- : i vjv ; : it lt;v -: t : v :

VJ3 mm vnaa IPK v:n via : I^K ■

t ; t j : ',t ' t t «•• : t t i * j :- t :

niotr nbNi D : nonvo inx IVIT quot;

.)•• t : * iquot; : s : •-•••: t : it : • ^ • r •• :-

piKquot;) ^ni : piNi 2b^ 133 nm ipr nanvo D^an»

i a- ; ^,quot; : 11quot; ; i ^-:r j : at t i j^ii- t : ^- : • r t ~

nnKi I'Dp. bxiQquot; 'jni : ♦Dnai pïm trfeai Tjiin' : mDi nnp riB'ia 'iS irivi ^

r t : ^ v.tI: I :iquot;^a' •• {•• : r^-u- : - I v ^ t ; - a : I -quot;-t:

pKariiNnjr r\m mn pai niKi nnmquot; ^

i vjv : It : «■■ tt- -att | v-'vt vt quot; : i ot : squot; t :-*••:

niai ^in iWw ^ni : bwi nvn 'pa-^a vnn r^is ^

v.t*.. jt at t ' {quot; : it: i j '. v i vv.v •• : j : r- l^- - :

*33 I n^K : r^Ki -i-iD n^r ^ni : po^i sin ^

-quot;• : v jquot; iquot; : ; - : i lt;. •• : va* ' ^ a : i i ;^ • : j: 1c

^ör4?3 ir)3 n:n nwi anx r^a3 3p^^ mV i^k hn^

vsv t rt • -«t • vquot; : . t -: I ; I ^rr; lt;t: it v -: t ••

tsïxi ♦ani ?i^v iy ^31: vm^i v:3 'b

1 a : v ; j* ; i ^ : * r -»•• : it: j* : v.t ot t

n^n3i nw quot;itiw ^31 : miKi ny

^t^ • : j* : • : ot : •: st : • •• t ■Jquot; :. r : v,quot; j* *•

na1?: ♦js rf?K : i3n n^n3 ^ DnnK nn'^i ^

t : • -»•• : v ••lt; iquot; • ; - v {•.' t • : -*•• ; at ~: ~jv :

vv ipyb H^ktk in3 ns^1? \±gt; rnrn^K

{••: v j** i ^-!i-: v •• v v lt;••- a • -«t •• : ktt i j- t v -:

fiDV1? ibv) : ciDV ip^» nt^K ^n*i *33 : c'

Iquot; : ■'•• t*~ I rr; * Kquot; I -:i~ v -quot;• •• t lt;•• : vit 3

fi* |r|3 pna ♦pirns nipx iV-nny bnvp p_K3

N13 '-1331 ^^3 rÓ*i3 *331 : D*1ÖN-n«1 n^o-nx«

jt •• •• : - : v v t ~ lt;••• i • t : * •»•• : • it : v v : - :

omdat men noemt: nï'ix» nsnn, die toen naar Egypte kwamen. Vs. 27 echter worden alle personen van Jakobs familie, die in Egypte waren gekomen, medegerekend en dus zoowol hij zelf, als Joseph en zijne beide zonen.

19. Rachel, die minder nakomelingen had dan Zilpa, wordt hier, waar het vooral om cijfers te doen is, na deze genoemd, maar daarvoor als app ncfs, de ei;/enlijhe vrome van Jakob meer op den voorgrond gesteld (Naciim.) Over verschillen tusschen deze tabel en die in Num. 26, zie aldaar.

21. Benjamin, die bij de komst naar Egypte ten hoogste 32 jaar oud was, kan zeer goed reeds tien kinderen hebben gehad, ook al heet hij kort vooraf nog ii'J en tV1; de dertigjarige Joseph heet immers ook nog iw (Gen. 41,12). Men vergete niet, aat Ruben zeker niet ouder was dan 46 jaar, zoodat, wanneer Juda en Asher (die zeker niet ouder was dan 42 jaar) reeds kleinzonen hadden, het niet te verwonderen is, dat Benjamin reeds 10 zonen had.

ocr page 224

GENESIS XL VI, XL VIL

en Na'aman, Echie en Rosh, Moeppiem en Choeppiem en

22Ard. Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren wer-

23 den; alle personen: veertien. De zonen van Dan: Choeshiem.

24 De zonen van Naphthalie: Jachtseël en Goenie en Jétser en

25 Shillém. Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijne dochter Rachel gegeven had; en zij baarde Jakob dezen,

26 alle personen: zeven. Al de personen, die met Jakob naar Egypte kwamen, die uit hem voortgekomen waren, behalve de vrouwen van Jakobs zonen — alle personen waren: zes en

27 zestig. En de zonen van Joseph, die hem in Egypte geboren waren, twee personen; al de personen van Jakobs huisgezin,

28 die naar Egypte kwamen, [waren dus] zeventig. — En Juda zond hij vóór zich uit naar Joseph, opdat deze vóór hem aanwijzing zoude doen naar Goshen; en zij kwamen in het land

29 Goshen. Toen spande Joseph zijnen staatsiewagen aan, en trok op, zijnen vader Israël tegemoet, naar Goshen ; toen hij hem verscheen, viel hij hem om den hals, en weende telkens weder

30 aan zijn hals. Israël zeide tot Joseph: «Thans wil ik wel sterven,

31 nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft !quot; Joseph zeide tot zijne broeders en tot zijns vaders huisgezin : «Ik zal optrekken en het aan Phar'o mededeelen; en ik zal tot hem zeggen: «Mijne broeders en mijns vaders huisgezin, die

32 in het land Kena'an waren, zijn tot mij gekomen. En de mannen zijn veehoeders, want zij waren altijd veefokkers; ook hebben zij hun kleinvee, hunne runderen en al wat zij

33 hebben, medegebracht.quot; Nu zal het zijn: Als Phar'o u laat

34roepen, en zegt: Wat is uw bedrijf? Dan zult gij zeggen:

veefokkers waren uwe dienaren van onze jeugd af tot nu, zoowel wij, als onze vaderen; — opdat gij u in het land Goshen zult mogen vestigen; want den Egyptenaren een gruwel zijn alle schaapherders.quot;

1 Joseph kwam nu en berichtte het aan Phar'o; hij zeide namelijk: «Mijn vader en mijne broeders, ook hun kleinvee, hunne runderen

28. nnnS. opdat Joseph, vóór Jakob's aankomst, de noodige maatregelen zou treffen en de aanwijzing zou geven, waar zij zich in Goshen konden vestigen.

29. anders, slechts van een Goddelijke verschijning gebezigd, wordt hier ter aanduiding van het indrukwekkende der ontmoeting

februikt.ebruikt. Toen hij, Jakob, hem zichtbaar werd, viel hij, Joseph, hem om den als en weende aan zijn hals, nr, telkens en telkens weer, lang.

30. Dyejn. Thans, na zooveel geluk. Vgl. Gen. 2,23.

33. nyvyo, uwe gewone handelingen, verrichtingen, d. 1. wat is uw bedrijf?

34. najnn. waarschijnlijk om redenen aan den godsdienst ontleend, waren veefokkers en herders bij de Egyptenaren leden van de laagste klasse der maatschappij. Joseph stelt juist die tegenover de Egyptenaren minder aangename zijde op den voorgrond, ten einde zijne familie in

108

ocr page 225

TO lÜ EWI np

Vni »33 nbx : niKi D^m d^Ö 'nu rowiM

jquot; -: quot; t -»•• ; v ••« ; :itt ^ % ; y \ at •quot; •• Kt^:i-:

♦aai : D^n rr^ai : nysm vto-bs apv»1?

v,quot;: •* *1 kt •• : it t ^tt :- v^v t l^r^r: vquot;*-. t3

inrn^K nnbaya nbK : rhp) *\v\ VKSH! \bnaa ™ : np^ nbN-nx nbni ma ^niS' p1?

. L VJ;: T K :rS V •••. ■■■gt;quot;■ S • -■:!pp,gt;TT

^3 nsbo ID*I» ^ nDnïö nwan »

j.. : vquot; : * •quot; ••quot;tl t ; - : * i lt;*^-:i-: t t quot; v v - t

tlDV ^331 : B'33-,?5 apy»33»

j - \ v -; jquot; : iquot; t r ' \\v t •• ;

nonxD nxan onïDn

t-; lquot;: * . tjt- ^ \* -:\' iquot;: vsv - t 'at : •.•-••.• •^-: • :

n^in1? nnin^nxi D * : D^3^ra

j : iquot; t t ; lt;- t t : v : n* ; •

^*1 iraaiö eiDi* iDN'i : nnx n3K'3 V3Ö1?quot;

lt;~quot; ; - ; v | •• lt; : v - i v i t : kt- t : a v.t t :

13»1 VINirb^ Vfi'l KI4') n3m V3K

:| :r— tt- - •- t •• jtquot;- t: a t jquot; t: ' i-l: •

a^an nnioK ÏIDI^K iok^ : quot;iijr

^ at - t •* t kquot;^ v •)quot; t : * vj- n kt t-

vnK-^K eiDV -IÜN»'! ; ^ n»3a-nN ♦niNi nnx^

t v v !lt;•• v - it vl : j- ] vt v j* : ••-: i-

♦ntt v'i'Si n^öKi vix

s— t quot; ■gt; -•▼ : i : a : - ; t-•• - : ^v'vriv • t •»quot; v;

?NÏf Ti D'^Nni : iN3 r^rpKS iiyK ^

| •%. j * t —ï it ! it •• jt i ■%- : | viv ; jv -: 4» t iquot;

: dh1? ntamp;r^i onpni D3X^ vn n3pü ^3«-^

r •• kquot; t jv -: t : rrlT : st ; at v,v'• * r* : - r

Ü^IÖNI : Dp^a-nD -mi ri^quot;)ö Da1? njni. J

■Da nn^-n^i, i3n^3ö vn nipp ^3«

n^r1?! Dnïö najrin-'a p«3 b^n nii^a bnpai D3^xi ♦nKi lOKH/H^aVn^ieiDi' xnn

Goshen te doen wonen en van de eigenlijke Egyptische samenleving verwijderd te houden. Zooals Siporno opmerkt, was daarin ook de grond gelegen voor het vertrek uit Kena'an naar Egypte. In Egypte met zijne geheel afwijkende zeden en gewoonten, dreigde niet het gevaar van vermenging met en eindelijk zich oplossen in de bevolking des lands, zooals in Kena'an. Daar konden zij zich dus ontwikkelen tot een zelfstandig volk met zijne eigen traditiën en gewoonten.

Hoofdstuk XLVII. 1. Joseph bericht nu aan Phar'o, dat, overeenkomstig zijn Gen. 45,17 uitgesproken wensch, zijne familie naar Egypte is gekomen en wil daarbij tevens van Phar'o het verlof hebben, hen in Goshen te doen wonen, welk verlof vs. 6 dan ook verleend wordt; hij zelf had hun dit reeds 45,10 voorgeslagen en, door hem onderricht (46,34), vragen zijne broeders dit dan ook als gunst van Phar'o, vs. 4.

ocr page 226

GENESIS XLVII.

en al het hunne, zijn uit het land Kena'an gekomen, en zie,

2 zij zijn thans in het land Goshen.quot; En uit het aantal zijner broeders nam hij vijf mannen, en plaatste ze vóór Phar'o.

3Phar'o zeide tot zijne broeders; ;/Wat is uw bedrijf?quot; en zij zeiden tot Phar'o: wVeeherders zijn uwe dienaren, zoowel

4 wij, als onze vaderen.quot; Voorts zeiden zij tot Phar'o: i/Ora ons in het land op te houden, zijn wij gekomen ; want er is geene weide voor het kleinvee van uwe dienaren, want de hongersnood is zwaar in het land Kena'an; en nu, laat

5 uwe dienaren wonen in het land Goshen.quot; Phar'o zeide tot

6 Joseph : //Uw vader en uwe broeders zijn tot u gekomen. Het land Egypte is voor u open ; laat uwen vader en uwe broeders wonen in het beste des lands; zij mogen wonen in het land Goshen; en indien gij weet, dat er flinke mannen onder hen zijn, dan maak hen tot oppersten over de kudden over hetgeen ik heb.quot;

7 Nu bracht Joseph zijnen vader Jakob, en stelde hem vóór

8Phar'o; en Jakob zegende Phar'o. Phar'o zeide tot Jakob:

9 //Hoeveel zijn de dagen van de jaren uws levens ?quot; Jakob

zeide tot Phar'o: «De dagen van de jaren mijner omzwervingen zijn honderd en dertig jaren ; weinig en droevig waren de dagen mijner levensjaren en zij hebben de dagen der levensjaren mijner vaderen niet bereikt, in de dagen hunner omzwervingen.quot;

10 Jakob zegende Phar'o, en ging weg uit Phar'os tegenwoordigheid.

11 Joseph liet zijnen vader en zijne broeders zich vestigen, en gaf hun grondeigendom in het land Egypte, in het beste des lands,

12 in het landschap Ra'mesés, zooals Phar'o bevolen had. Joseph verzorgde zijnen vader, zijne broeders en het gansche huisgezin zijns vaders, met brood, naar evenredigheid der kinderen. —

13 Intusschen was er geen brood meer in het geheele land, want de

2- nSpOI. liet geheele aantal, vgl. Gen. 19,4; Ez. 33,2 en I Kon. 12,31; anderen; een deel van — nïp». Dan. 1,2, Nech. 7,70 en in den Thalmoed; n. a.; van het einde, d. i. v. s. van de sterksten, v. a. van de zwaksten.

3- JNS» njngt; enkelvoud, van den herders s tan d.

6- 3Cin. Joseph's broeders hebben gezegd gekomen te zijn, iu1?, om zich als vreemdelingen op te houden-, Phar'o geeft verlof a^in, doe hen als rowin, vast gevestigden woonplaats kiezen. Hij geeft verlof hen te doen wonen ytsn a'j'aa, in het beste van het land, en dus, daar zij het zelve zoo wenschen, ucn enz., mogen zij in het land Goshen wonen.

7. quot;pan Jakob zegende Phar'o, met een zegenenden groet, als; 'ïis tp iSan, lang leve mijn koninklijke Heer! of iets dergelijks.

9- ,njO quot;OtT 'O'» 'le dagen der jaren mijner omzwervingen, v. s. met het oog op zijn zwervend leven; v. a. het aardsche leven als tijdelijk verblijf opgevat, dat voert naar wSu1 no, de eeuwige woning. — cr», weinig in vergelijking met Abraham, die 175, en Izak, die 180 jaar is oud geworden. — iïgt;Bn Nii, hij voelt zich zwak en meent, dat het met hem thans spoedig ten einde zal zijn.

109

ocr page 227

Tb BWI lip

nïpöi : 1^3 pxa dani ^33 pNö 1K3 DHS

: rtina djv'I D^:N n^pn nf^ vnKj |kv n^n njna-^Nwï DS^Ö-HÖ vnw-1?» nxa iwV n'ins^K riatf»'!: irmaK-Di^n^-Dr

t I v t t -• t : - v ■* ; i - ^ r* -: quot; : v. :

p«3 3^Tri quot;I33quot;*3 ^-13^ IB'Nt |Nïb H^IÖ |^^3 -btfrijna IÖ^I : pN3 nn^i j^pa ^

^iöV bnya pK : 1N3 ^3K iOK1? ^Di*1 pK3 ÏI»3«TIK 3rin pKn 3^03 ttin

I v-»v; : iquot; | av - v : i v.' t v I vtt •*' quot; :

mpp n,^ nmv) Vn-^N DS-^^. njrrDKi: |^3 \i*b mnp^ v3« 3^;;nK 'spv K3«i : ' w nas 3j5^;l?K ri^quot;iö io«»i : n^na-nN 3^. ^quot;)3p.n n.i3ü w nprbK 3p^quot;iö^i : ^»n yiï0 hamp;w-nn wn nVi «n vn onni nKüi

•• : •• : v • • j : — j** ; •• : t r: ~-: at t vquot; :

KÏH n'^ia-nN 3^;. ^y) : onn^p ws ^3« «D' fn»i vnK'nKi V3K-nx e)Di» 3^i»i * : n'^ns ysbn * Dpp^n 'pK3 pijn 3irp3 Dnïp pK3 nTnK an1? nxi vnK-nKi vsntix «IDI» : rt^ns mï 1^X3 ^

V,quot;: t v v : -•• v f •• n : - jt • v. •* quot;! •*

■i33-»3pKn-,?33?^ DnVi : tpn ^ on1? V3« n^3-'73 ^

jquot; t r i vt t t : i •• v«v : |it - r : '■'[,'•• *' t •gt;quot; r

11* DD0J?1 ruo. het landschap Ra'mes es, waarschijnlijk een deel der provincie Goshen. Of de stad Ra'amses (Ex. 1,15) die door Israël gebouwd werd, als latere hoofdstad denzelfden naam kreeg als de provincie, of wel de provincie haren naam eerst later aan de stad ontleende en dan hier de naam Ra'meses ter betere aanduiding van het door Israël bewoonde gebied reeds gebruikt is, hoewel hij ten tijde der vestiging nog niet in

februik was, laat zich niet met zekerheid bepalen. Iebruik was, laat zich niet met zekerheid bepalen. Ibn 'Ezra neemt aan, at de namen Ra'meses en Ra'amses ten eenenmale verschillend zijn. Het is echter zeer wel mogelijk, dat de kleine verandering eenvoudig door het scheidend toonteeken te verklaren is.

12. !pn «sS nnS. naar verhouding der kleine kinderen, die het meest eten en 'het minst kunnen ontberen; dat wil dus zeggen; naar de grootte der familiën. Dit vers vormt tevens den overgang tot het volgende stuk, waarmede de uiteenzetting van Joseph's maatregelen wordt voortgezet en dat zich bij Gen. 41,57 aansluit.

ocr page 228

GENESIS XLVII.

hongersnood was zeer zwaar; en het land Egypte en het

14 land Kena'an versmachtte door den hongersnood. Joseph vergaarde al het geld, hetwelk in het land Egypte en in het land Kena'an gevonden werd, voor het koren, hetwelk

15 zij kochten; en Joseph bracht het geld in Phar'os huis. Toen het geld uit het land Egypte en het land Kena'an ten einde was, kwam geheel Egypte tot Joseph, zeggende: „Geef ons brood! waarom zouden wij in uwe tegenwoordigheid sterven ?

16 want het geld is op!quot; Joseph zeide: „Geeft uw vee hier, dan zal ik het u voor uw vee geven, indien het geld op is.quot;

17 Zij brachten hun vee tot Joseph; en Joseph gaf hun brood voor de paarden, voor het bezit aan kleinvee en rundvee en voor de ezels ; en hij onderhield hen met brood voor al hun vee

18 gedurende dat jaar. Toen dat jaar ten einde was, kwamen zij tot hem in het volgende jaar, en zeiden tot hem : „Wij kunneu het voor mijnen heer niet verbergen, maar al het geld en het bezit aan vee is tot het laatste toe aan mijnen heer overgegaan ; er is niets overgebleven vóór mijnen heer, dan alleen ons lijf

19 en onze bodem. Waarom zullen wij voor uwe oogen sterven, zoowel wij, als onze landerijen? koop ons en onze landerijen voor brood; wij zullen dan met onze landerijen Phar'o tot lijfeigenen zijn; geef ons slechts zaaikoren, opdat wij leven en

20 niet sterven, en de bodem niet woest worde.quot; Joseph kocht alle landerijen van Egypte voor Phar'o; want de Egyptenaren verkochten ieder zijn veld, omdat de hongersnood zwaar op

21 hen was; en het land werd Phar'os eigendom. Wat het volk betreft, dit verplaatste hij stadsgewijze, van het eene

22 einde der grenzen van Egypte tot het andere einde. Slechts de landerijen der priesters kocht hij niet; want de priesters hadden een bepaald deel vanwege Phar'o, zij aten dus het voor hen bepaalde deel, dat Phar'o hun gaf; daarom

13. nSnii van rrb = nxS, vermoeid, uitgeput worden.

18. JTJCn rUCa, waarschijnlijk niet: het tweede jaar van den hongersnood, maar ten minste het vierde. In het tweede jaar kwamen Joseph's broeders naar Egypte; het hier van af vs. 13 verhaalde had vermoedelijk eerst na hunne vestiging plaats en jv:on n:ü3 is dan het vierde jaar, het jaar volgende op dat, waarin zij hun vee hadden verkocht voor brood. — ds '3, maar wij kunnen niet anders zeggen, dan vtx Sn—epsn on, het geld enz. is op en overgegaan aan u.

19. Sterven eu lijfeigene worden wordt hier in de levendigheid der taal ook van het land gezegd. — DBTl van dw = Qipn; v. a. --- odn

als nevenvorm van Dn» opgevat.

21. inx T3yn. verplaatste hij naar steden-, vgl. ürprinsonS,

Gen. 8,19; hij verplaatste telkens de bevolking eener geheele stad naar een ander deel des lands, zoodat zij niet den bodem, die tot nu toe

110

ocr page 229

TO EWI 'p

: 3^-in »3öö mia bnxo nbni ikö

It tit ^ ^ • I quot; : I v-»v ; * ': ^' \ vlt;v - •• - a : 'Vttit

p^ni ani'ü-pxn stvpan ^Mn-^rnw epi» nn»3 6]D3nquot;nN c]DV xy\ nnn'^ DH-I^K quot;)3f3

pKOi anvp pKü c]pi:n bwi : 10 rviDa nsbi an1? ub-nan iok1? eiDi»-1?» DnïD-Va

|av:v ^ t t,-'t: v •* quot;'t ^ t ,t quot; i*quot; *• * quot; ; * t

DD1? njnNi DD^pö inn PIDV nQN!ii : «IDS DÖX ♦a»

V*.* t -gt;t ; v : v ••?; • t ) •• v lt; - | v it v.quot; t j*

|n»i 'cjpi^K DiTjpp-nK wyi : C]D3 dök-DK D^ppaquot; ipan nappai |Kïn nippni DtnD? anS ejpv Dnb Bnm : Kim misft ompü-^a bn^s oVnri Dnö^a1^,

^ r - ^t t - v ••!; * t : v v - -: r;- a* -: i-

nnarN1? lb ^o^'i rviirn «inn niBgt;n

^ j,. - . , : lt;- ... - JT T - T Tquot; * quot; .■,TT '

nNt^j nV nonsn n:poi ►noin on-DN '2 ^'ikd

- : • * /gt;' quot;• v *.t •• : - ^quot;1; • f v v - j- ••«•-: i-

ma: nab : unanxi i:n'irDN 'nba ♦hi* ^

i v : •* t txt iquot; t : - : \,quot;t •: ' r : • ^ -: ^ : '

rfmi onba wnonK-nxi i^nirmp unonK-D? ijn:«-D5 nib: ab) h^nji pnrjni n^nab ona^ i:nönxi i:mK n^nab bnvo ntsia-b^-na t\6v rp»i *: oi^n ah nan^ni =

^ ; - ; • -: • lt;- ; - t v ) •• llv- ,tgt; ** ^ j v.t t-;it ;

viKn ♦nm aynn anb^ prn-»a inn't^ wx bnvo nao^a

i 'att J' : - 'v.ttit ••^-: i J-T I- •• T j* * quot;j * lt; : it *

□nïD-bia: nxpö anyb inK Tajrn o^n-nki : n^nab«

Hquot;r*- • ' y q J**': ' ft Tf' V. J' ■•*'.' t t v ; :- :

D^nab pn 'a nap Kb Dorian non« pn : inïp-nyiM

^ •-: i - i at i t j ^ quot; j- :' i •)- i** i t - :

ll'bj? n^is anb |n] n^N apTn-nK ibaxi npa nxp

him eigendom was geweest, thans als staatsdomein moesten bebouwen, wat natuurlijk telkens de herinnering aan hun veranderden toestand zou opwekken. Door echter de bevolking van elke stad bijeen te laten, verzachtte hij den overigens krassen maatregel. In de nieuwe woonplaats vond toch ieder zijnen ouden kring van verwanten en vrienden terug (vgl. Rashbam). Anderen: bracht hij van het platte land naar de steden over, en dan ook omgekeerd uit de steden naar het platte land; minder waarschijnlijk, daar de stadsbewoners toch niet altijd goede landbouwers zouden zijn.

22. De priesters behoefden hun land niet te verkoopen, omdat zij geen koren behoefden te koopen, maar dit hun van staatswege verstrekt werd. Zij waren dus in Egypte de eenigen, die onbezwaard grondbezit hadden. Israël's priesters en Levieten hadden, zooals bekend is, juist jreen grondbezit.

ocr page 230

GENESIS XLVII, XLVIII.

23 verkochten zij hunne landerijen niet. Joseph zeide tot het volk: «Ziet! ik heb u heden gekocht, en uwen bodem, voor

24 Phar'o; hier hebt gij zaad, bezaait den bodem! Nu zal het zijn bij dc oogsten, dan zult gij het vijfde deel aan Phar'o geven; vier deelen echter zullen voor u zijn, tot zaad voor het veld, en tot spijze voor u en voor hen, die in uwe huizen

25 zijn, en om te eten voor uwe kinderen.quot; Zij zeiden: «Gij hebt ons in het leven behouden! laat ons verder gunst vinden in de oogen van mijn heer, en lijfeigenen zijn voor Phar'o.quot;

26 Zoo stelde Joseph het tot eene wet in, tot op dezen dag, voor de landerijen van Egypte, dat het vijfde voor Phar'o zoude zijn; slechts de landerijen der priesters alleen waren

27 niet voor Phar'o. — Zoo vestigde Israël zich in het land Egypte, in het land Goshen; zij verkregen er eigendommen in, waren vruchtbaar en vermeerderden zeer.

28 En Jakob leefde in het land Egypte zeventien jaar; toen waren de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, honderd zeven en

29 veertig jaren. Toen de dagen van Israël naderden om te sterven, ontbood hij zijnen zoon Joseph, en zeide tot hem: «Zoo ik toch gunst in uwe oogen gevonden heb, leg toch uwe hand beneden mijne heup en bewijs mij liefde en trouw; be-

30 graaf mij toch niet in Egypte. Als ik bij mijne vaderen zal liggen, dan zult gij mij wegdragen uit Egypte, en mij begraven in hunne grafplaats.quot; En hij zeide: «Ik zal doen naar

31 uw woord.quot; Hierop zeide hij: „Zweer mij !quot; en hij zwoer hem; toen boog zich Israël neder naar het hoofdeinde der legerstede.

48 i . En het was na deze gebeurtenissen, dat men zeide tot Joseph: „Zie! uw vader is ziek!quot; toen nam hij zijne beide zonen met 2 zich, Menasshé en Ephrajim. Dit berichtte men aan Jakob,

24. XTKISrOi tij hü inhalen van het geoogste koren.

26. nrn ovn nog ten tijde van Mozes was die wet van kracht. — vrsh njnsS, de bodem was voor een vijfde van de opbrengst Phar'os eigendom. Met vs. 27 wordt de geschiedenis van Israël weer opgenomen en nu geregeld voortgezet.

29. i11D7 'lD1 Jakob voelde zich zwakker worden en

wist daardoor, dat zijn dood nabij was, zonder dat hij nog bepaald ziek was. Eerst bij Joseph's tweede bezoek (48,1) is Jakob werkelijk ziek. Voor de uitdrukking vgl. Deut. 31,14 e. a. p. — msi lan vgl. Gen. 24,49. — Het verzoek, niet in Egypte begraven te worden, dat 49,29 tot alle zonen wordt gericht, doet Jakob hier eerst aan Joseph, die als machtig beambte gemakkelijker het daartoe noodige verlof van den koning zal verkrijgen. Daardoor laat zich verklaren, dat Jakob bekrachtiging der toezegging door een eed noodig acht. Het zal Joseph groote moeite kosten zijne belofte te houden.

30- \-OX Dy beteekent: sterven, niet: beyraven warden. De zin

Ill

ocr page 231

no tö Tn m Hp

^p/|ri D^n-^K «]pi» nöK»i : DnD-i*rnK naö ah « ony-in jnr D^-Hn ri^iab DananK-nNi. Di'n oam n'^on ann:i n^iana n^ni : noiKn-nK ■gt;=

a ; - : v/ * -: jv - : ^ 9 : t t : ^ it t -: it

ni^^i dd^dkVi mirn aaS n^n» n-r»n vaiNi

^ j'-' -: I- : •}•••;: t ; 1 svt - —.*: v t -»v; r t- ^;

rn-Ki'o: nn^nn noN'i * : ddöü1? 03^3«

i •• t x * at • v; iv v. ; 1- iv ; - ; j v:iv : -it ;

nnK Dquot;f;Ti : Dn3jr ♦ints ^313 nonK pn i^on1? njnab ony» nonx-1?^ nn Di^n-i^ pn1? pK3 3^1 : rijns1? nrm ah a-inb b»:n'3n«

i vjv : •)•* t ; * v squot;- i : v.t:it j t - : ■ -: i -

* : iKo isnn nö'i ni rt^-i p^3 anyo

^ i : v. :•- j : t -•-: it •— I v a | v -••.• ; •

npjr^ TOB' ^3^ onyp TC- 'D'1-quot;3 i3np^ : n«oi d^sini yzv v»n ^quot;

^ ^ ,tt V-quot; : '' t ; quot; ; t ^ --«v t- ■•••:

Kr DN ib IQK^ tlDl^ I ^npquot;!

^ r v lt;- Iquot; ; -• ; • -«tI:*- t ^ t : • iquot; :

na^ nn^i nnn xro^ ^:^3 |n ♦nKïD ^33^1 : onvos ^iapn nj-^k jidki ion ^

-: • : - it : • it : • : * v: I: * jt - v y:iv v ■quot;.•

n'^K »3:K quot;IÓN»I Dm3p3 ,:n-i3pi onvan ♦jriMirji

r.-l-.v IT - - AT Tl-..! : • - I: • -; . . . - T :

inw»! 17 V2W\ 7 n^3^n iqnH : ^ 2 : ntsan

tr ' .T '

npn n^n nan eibi'1? noN^ nb^n annm nnx *nn«

I--- av I v.' t r* * 1quot; : v -i - v •• t -•• t^ ; - ••-: r • ;-

3^^ njn : ansxTiKi n^ip-nK lèy vn ^-ntst =

•nnx mx mn dn 13 SSs NpDB jns ps •

is dus: maar als ik gestorven zal zijn, zult gij mij wegdragen enz. Rashie wijst ten bewijze van de juistheid dezer opvatting op de gewone volgorde: lapo ■pjim or MD'i, waar het begraven na het vrias dï aac genoemd wordt, zoodat dit laatste onmogelijk: begraven worden kan beteekenen.

31. nöon TNT Sj; SnW innK*1!. Evenals 48,2 schijnt Jakob ook bij dit onderhoud in zijn bed gezeten te hebben. Thans, nu hij de toezegging heeft verkregen, bij zijne vaderen te zullen rusten, acht hij zich tot dankzegging aan God door mvinwi verplicht; daartoe is hij echter te zwak; hij kan zijn bed niet verlaten om zich op de aarde neder te werpen. Hij keert zich dus in zijn bed om en terwijl hij op zijn aangezicht ligt, heft hij dit dankend tot God op (vgl. I Kon. 1,47); nonn cw S» beteekent dus, dat zijn aangezicht op het hoofdeinde van zijn bed lag.

ocr page 232

GENESIS XLVIII.

en zeide; «Zie! uw zoon Joseph komt tot u.quot; Toen maakte

3 Israël zich sterk en ging zitten op het bed. En Jakob zeide tot Joseph: ;;God, de Almachtige, verscheen mij te Loez, in

4 het land Kena'an, en zegende mij. En Hij zeide tot mij : „Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, u vermeerderen, en u doen worden tot eene verzameling van volkeren; ook zal Ik dit

5 land uw kroost na u geven tot eeuwig eigendom.quot; En nu, — uwe twee zonen, die u in het land Egypte geboren werden, eer ik tot u naar Egypte kwam, mij zullen zij zijn: Ephrajim

6 en Menasshé — als Ruben en Shim'on zullen zij mij zijn. Maar uwe nakomelingen, die gij na hen mocht voortbrengen, zullen de uwen zijn; op den naam hunner broeders zullen zij in hun

7 erfdeel genoemd worden. — En ik, — toen ik van Paddan kwam, stierf mij Rachel in het land Kena'an, op den weg, toen er nog eene streek lands was, om naar Ephrath te komen; ik begroef haar dus daar op den weg van Ephrath, dat is

8 Beth-Léchem.quot; — Toen Israël de zonen van Joseph zag, zeide

9 hij : ;;Wie zijn deze ?quot; Joseph zeide tot zijnen vader: „Mijne zonen zijn het, welke God mij hier gegeven heeft.quot; Hierop

10 zeide hij : /,Voer hen toch tot mij, dat ik hen zegene.quot; — Israels oogen waren namelijk zwaar door ouderdom, zoodat hij niet zien kon. — Hij bracht hen tot hem, toen kuste hij hen en

11 omarmde hen. En Israël zeide tot Joseph: „Uw aangezicht weder te zien, heb ik niet gedacht; en nu heeft mij God ook

12 uw kroost doen zien.quot; Joseph voerde hen van tusschen zijne knieën weg, en boog zich vóór zijn aangezicht ter aarde.

13 Daarna nam Joseph hen beiden, Ephrajim met zijne rechterhand, aan de linkerzijde van Israël, en Menasshé met zijne linkerhand, aan de rechterhand van Israël, en deed ze tot hem naderen.

14 Israël strekte zijne rechterhand uit en legde haar op Ephrajims hoofd, ofschoon deze de jongste was, en zijne linkerhand op Menasshé's hoofd; met opzet legde hij zijne handen zoo,

15 want Menasshé was de eerstgeborene. Hij zegende Joseph

Hoofdstuk XLVIII. 5. Naar de Goddelijke toezegging zullen mijne kinderen het land onderling verdeelen; n-elnu, ik bepaal, dat uwe beide zonen met mijne kinderen gelijke rechten zullen hebben, en dus als twee stammen zullen gelden.

6. Mocht gij echter meerdere kinderen krijgen, dan zullen die bij de verdeeling niet afzonderlijk gerekend, maar als deel van een der stammen Menasshé of Ephrajim beschouwd worden.

7. iJXI. Ik immers, — ik heb grond zoo te handelen; Rachel is mij te vroeg ontvallen, zij had mij nog zonen kunnen voortbrengen; ik wil daarom hare beide kleinzonen, de kinderen van haren oudsten zoon, als mijne kinderen beschouwen, zoodat uit haar drie stammen van mijn volk zullen voortkomen, en niet, zooals uit de beide slavinnen, slechts twee.

12. V313 DJ?a. Het schijnt, dat Jakob thans in zijn bed zat, als iemand, die wil opstaan; zijne knieën waren buiten het bed, zoodat hij ze tusschen zijne knieën kon doen staan om ze te omarmen en aan zijn

112

15

ocr page 233

nö m 3»p

-b% 3^1 K| c]pi» ^3 mn *\Kamp;\

r^l 'VK-nK-ia np 3p^. 10^*1. : n^sn ^

^n^ni ?|quot;ifiö \nri -WI : ♦m fj^s p«a-gt; ^nnK ?|jnr3 nmn p^n-riK wm ^np1?

onxp pN| ï]1? on^ian nn^i : D|?I^ Athn quot; ji^ü^ 151^3 n^üi bnfiNDn-^nonvö^J?K^r^ Dt^ ^ vn» n1? DnnnN rnbin-ityN ^rnbioi : ^-vn»1

I squot;r •quot;,gt; ^'qj| :q ^. —■ •' ^-.r v-: lt;1: :- . .- :,.

vnn ^ nnQ pöp'tóa i ♦jki JDn^ma^ij^.Dnm' ni|pNinnnaK nzb pK-nnas f^b pNta

^rnK Vsnfcquot; xy) : an|? Kin rn3K -j-ina b^quot; -quot;ibw Dn ^3 vsn-^k e]pi» quot;ipN'i : nbK^p quot;ipH»i «]D1»o yü] * : DDnaNi. NrDnpTquot;ipN»i HD D^riVK ^quot;jnr

V^K briK niKngt; bav N1? fpb nia ü) ^JÖ nK*i cjp^-bN iqn^ : anb pann. onb ^ Nïi'quot;) : D3 'hk HKnn mni. ^3 ='

TN cidv np»! : nxiN VSN1? innt^^i V5quot;i3 Dra DHK ^

Iquot; M— . T :it V.T - :^ J- : -- AT : • •• vT

nmn-m] ws onax-rK bn^

: v^x ^i ra^o IVkd^t

• : v •• t: • ' : 'quot; it •• ^..-- • | j« • ^ : •

ibKa^-nKi n^ïn Nini DHSK nm

c]Di^nN : quot;lüan nfjp »3 VT-HK Sai? ntrjp™

hart te drukken. Thans plaatst Joseph ze in zoodanige houding, als voor het ontvangen van den zegen passend is. — iW?, voor zijn (Jakobs) aangezicht, of op zijn (Joseph's) aangezicht. Joseph alleen treedt hier handelend op. De beide jongelingen, die thans ongeveer 19 jaar oud zijn, richten zich geheel naar huns vaders aanwijzingen. Men belioeft dus vinfi niet voor eene samentrekking uit nnwi te houden.

14. hïTff- Al was Jakob bijna blind, toch wist hij dat Menasshé aan zijne rechterhand stond; want deze was de oudste. Hij legde dus opzettelijk zijne handen gekruist, hav, v. s. gekruist leggen, vlechten (zoo Septuaginta) naar het Arabisch, verwant met het Hebr. Voün; waarschijnlijker: met opzet doen, verstandig leggen (Rashle, Kimchee).

ocr page 234

GENESIS XLVI1I.

en zeide: „De God, voor Wien mijne vaderen Abraham en Izak hunnen levenswandel geleid hebben, — de God, die mij weidde

16 van dat ik besta tot op dezen dag; — De engel, die mij van alle kwaad verlost heeft, zegene de jongelingen! door hen worde mijn naam en de naam mijner vaderen Abraham en Izak genoemd; en dat zij zich als de vissehen vermeerderen

17 in het midden des lands.quot; Toen Joseph zag, dat zijn vader zijne rechterhand op Ephrajims hoofd wilde leggen, was het verkeerd in zijne oogen ; hij vatte dus de hand zijns vaders, om haar van Ephrajims hoofd over te brengen op het hoofd van Menasshé.

18 En Joseph zeide tot zijnen vader: „Niet aldus, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uwe rechterhand op

19 zijn hoofd.quot; Doch zijn vader weigerde en zeide: „Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; ook hij zal tot een volk worden, en ook hij zal groot zijn; evenwel zijn jongste broeder zal grooter worden dan hij, en zijn kroost zal tot eene menigte van

20 volkeren worden.quot; Hij zegende hen op dien dag, zeggende: «Met u zal het volk Israël zich zegenen, zeggende; «God late u worden als Ephrajim en Menasshé.quot; Hij plaatste dus Ephrajim

21 vóór Menasshé. Israël zeide tot Joseph: //Zie, ik sterf; maar God zal met u zijn en u terug brengen naar het land uwer

22 vaderen. En ik, ik geef u één deel boven uwe broeders, dat ik aan de hand van den Emoriet ontnomen heb met mijn zwaard en mijnen boog.quot;

15. fjOV nx quot;pa1!. 'ly zegende Joseph in zijne kinderen. — nrnn, aan zijn eigen herdersleven ontleende uitdrukking, evenals bij David, Ps. 23.

16. -jjeSon. God, die dikwijls door Zijnen engel spreekt. Ook Gen. 32,31 noemt Jakob den engel, die tot hem spreekt: God. — Hij zegt dus: God, die door mijne voorouders vereerd werd, die ook mij als eenige Leider en Beschikker mijns levens geldt, die mij bij herhaling uit gevaar heeft gered, — Hij zegene enz.

17. Het hier verhaalde had plaats vóór den in de vorige verzen mede-gedeelden zegen; daarom vertelen wij w, wilde leggen. Dat het eerst hier verhaald wordt, geschiedt om het hoofdthema niet in het midden alquot; te breken (Mendelssohn). — Deze belofte werd in den eersten tijd nog niet vervuld, daar bij de telling Num. 26,34 Menasshé 20000 zielen sterker is dan Ephrajim. Later evenwel gaf Ephrajim leiding en naam aan het geheele rijk der tien stammen en was naast Juda de talrijkste stem van allen (ibn 'Ezra]. — d'in thn, volkeren vol, d. i. of talrijk, als machtige volkeren, öf beroemd, met zijn naam de volkeren vervullend (Kashiej.

113

ocr page 235

nö Tn rp

pnyquot;! nnnDK vjaquot;? 'riaK libnnn Sm D^VKH quot;)DN»I

^Kan : nrn Di'my myo »nK ny'in b»n^Nn «

... pT . - - ^ j - *- 1#. IT ... )T

♦nquot;3« D^I ♦Dtr Dna Nipn bnpn-nK rny yrVaü ^nx

v.- -; jquot; : • : v t «quot;It-: *^t : - v | - t: ^ t t •

-♦3 cpv kquot;i quot;i * : pNn a-ip3 lib wi pnn Dmns4 ^

r fquot; :-•— | vit t vhv: j :•: i lt;st : •: t -

?ion»i vi^a onfiN ï^nt^ i^o'quot;T V3N n^'

| - : •- at • ^-; v J -i • : - s- t • t

: tftfrVy onfiïr^n bya nnü ronb vsn-t

•v - : J. ' : •* i *5-quot; ot t : • t

iian nr»3 p;^1? e]DV iONp.m

Nin-oa »;3 WnviK i^nn^óD ^rbpn VHK bir Nirrmi D^-n^n»

:quot; ï *•* • -•-:* i i t - lt;• t t ^ at:' -• *; ^t: iv;r

rny •na nioxb wnn dv3 D313^ : dn^n» =

: | : quot; - -•- •• -:t:- '* . quot; \ '• *'•' '• •'

tin Di^i nirjDSi onfito nbN1?

v7t- av - : • ; ^ * vquot;: v ; • v: -»1 : r ; •• •• t: •

♦3:n nan cidi^n : hb'jd onax«

V.' »t )quot; ' iquot; v •• t: • v lt;- iv^ - ; y : • • v.*: v

: D3,ri3N riK-^x DSDN 3^ni D3ö^ D^VN n^m JID

IV •• I -; nv ^ V V : v -•• •• : v t^* • v: lt;tt ; aquot;

^ONHTD wp1? TriN-^jnnN DSty

v: it ■•- * * : |-t lt;v -: | av - v,quot; ~ gt;v : 4| ; * zr r ' -zr

ö * : ,n^p3i ♦3quot;in3

r : I - i v. ' : - :

20. -|3, zie Gen. 12,3.

22. 33^, evenals c|r3, eigenlijk schouder, v. d. landrug, en in het algemeen bergachtige landstreek, inx 030, étne landstreek, fins Sr, meer dan uwe broeders. Hiermede wordt het in vs. 5 neergelegde denkbeeld duidelijk uitgesproken en aan Joseph's stam, door Menasshé en Ephrajim afzonderlijk te rekenen, een dubbel deel aan het grondgebied toegekend. — vwpai ■oina—innpS ipn, dat i k, door mijne nakomelingen, uit de macht der Emorieten, algemeene naam der Kena'anietische volksstammen, met mijn zwaard en hoog zeker veroveren zal, als het ware reeds veroverd héb. Jakob ziet de hem gegeven voorspelling met profetischen blik reeds bewaarheid, en spreekt daarom in den verleden tijd (innpS ,'nnj). ddü met Septuaginta en Jonathan als eigennaam op te vatten, past niet goed; want, hoewel die stad in het latere gebied van Ephrajim lag en Joseph daar werd begraven, kan Jakob hier niet aan de geweldpleging van Shim'on en Levie denken, als hij zegt: wpS •ws enz., daar hij hunne daad immers ten strengste heeft afgekeurd. Bovendien is de verbinding van mx met een eigennaam niet goed te verklaren.

ocr page 236

GENESIS XLIX.

1 Jakob ontbood zijne zonen, en zeide: «Verzamelt u! en ik

2 wil u verkondigen, wat u in latere dagen zal overkomen. Komt bijeen en luistert, zonen van Jakob! en luistert naar Israël uwen vader.

3 Ruben ! mijn eerstgeborene zijt gij, mijne kracht en de eersteling mijner sterkte, voorrang aan hoogheid [kwam u toe] en

4 voorrang aan macht. [Doch] overijling als water! [daarom] behoudt gij den voorrang niet; want gij hebt uws vaders bed beklommen; toen hebt gij hem ontheiligd, die mijne legerstede beklom!

5 Shim'on en Levie zijn broeders ! werktuigen van geweld is

6 hunne verwantschap. In hunnen raad kome niet mijne ziel! in hunne vergadering worde niet vereenigd mijne eer ! want in hunnen toom doodden zij mannen en in hunnen moedwil

Hoofdstuk XLIX. 1. Jakob roept zijne zonen bijeen en spreekt met hen in de laatste ure zijns levens over hunne toekomst. Gen. 49,28 worden deze uitspraken ro-c, zegen, genoemd; vandaar dat dit stuk onder den naam: de zegen Jakohs bekend is. Ons vers noemt het profetische mede-deeling en Jakob's woorden vereenigen beider eigenschappen in zich: het zijn eenerzijds door God ingegeven openbaringen omtrent de toekomst, anderzijds zegenrijke wenschen, die, in de volle kracht van het geloof uitgesproken, de zekerheid hunner vervulling geven. In dichterlijke taal geeft Jakob uiting aan zijne denkbeelden en het is niet onwaarschijnlijk, dat Jakob's voorspellingen in iederen stam door een ieder werden gekend en eeuwenlang overgeleverd als eene kostbare nalatenschap van den patriarch. Wanneer onze wijzen meenen, dat Jakob de verre toekomst wilde voorspellen, doch de Goddelijke Majesteit zich aan hem onttrok, dan wijst dit volgens sommigen erop, dat zij de hier gegeven uitspraken doen slaan op Israël in Kena'an na de eerste verovering. Toen werd lang niet alles vervuld, wat Jakob hier voorspelde (vgl. vooral de schildering van Jissachar en Zeboeloen), waardoor het denkbeeld van nieuwere schrijvers, als zoude men hier aan een later, na de verovering vervaardigd stuk te denken hebben, vanzelve vervalt. Iemand toch, die gegeven toestanden een vroeger levend persoon in den mond legt, moet zich noodzakelijk aan de werkelijkheid houden (vgl. ook Luzatto t. p.) — Anderen nemen daarom aan, dat Jakob doelt op feiten en toestanden, die zich eerst in de verre toekomst, in den messiaanschen tijd, zullen voordoen; en verklaren de zoo even aangehaalde uitspraak onzer wijzen in dien zin, dat God Jakob belette onomwonden, in duidelijke bewoordingen over het „einde der dagenquot; te spreken. — Nipi = mp1. — own rmnsa, beteekent zoowel: het einde der dagen, dat is: de laatste periode der wereldontwikkeling, de messiaansche tijd, — als: latere dagen, de komende tijd, vgl. Deut. 4,30. Uit deze uitdrukking is dus voor geen van beide boven aangehaalde opvattingen een bewijs te putten (vgl. Delitzsch Genesis, pag. 510 v.v.)

3- 'JJC iTCWIl TO' product van mijne mannelijke kracht en eerste spruit van mijn huwelijksleven, w iwto = iToa, vgl. Deut. 21,17. — nsc irv, voorrang aan hooge waardigheid (vgl. Job. 13,11) kwam u toe; nl. de waardigheid als eerstgeborene; tï uw en voorrang aan macht; Ty is dan

eene pausaal vorm = ij?, geen bijv. nw. Lüzatto vertaalt daarentegen:

114

ocr page 237

ED W Tp

-iB'K nu übb m^xi ISDKH laxn vjrbN apy* xipn«

v -; ■»•• v t t j*quot; : : itquot; v - at t v h^:i* jtI : • ~

npjr» *33 ^OB'i ivapn : D'ÖTI nnnxa DDHK Nip* =

|A^:r -quot;• : V, : quot; :. ^ : Iitit- r-: r : v,quot; : v -»tI : -

n^Nii TO nnN nna pixn : D30K ^Kn'ty*-^ wa^i j

J. ^ lquot; : Y ^JV ' quot; : ,V ' Jquot; T: ' ••■ 1 : quot; :

o nnin_7N D^sa rna : in*quot;! nxt^ in* *:in ■gt;

t t J' ' - .---«- ^ir ..j... ^.. . ..JV A.

a : rhy yw nbbn ?x tdn *335^0

^ it'tt r;* : t :v.- • JT |a t •»••;: *

N3rrbN D1D3 : an*nn30 Dön ^3 d^hk rivotyquot;

j t - T '. ^iv •• i •• ; v.t t Jquot; : ft' quot; : i ^

D:xn3i urn D3K3 *3 *-133 nnrrbx D^np3

i.t : ■ ■-■•T t - : lt;• a- : -•- ■• - it t i: ■ • : -

wel past u voorrang aan verheffing, maar gij zijt te hard, woest-, hij vat Tjgt; als bijv. nw. op en w als Jes. 56,12.

D,OD inU. doch uwe onstuimigheid, als water, dat in zijn loop alles wegrukt; d. w. z. uwe hartstochtelijkheid, die u tot de verder aangeduide daad voerde, is oorzaak, dat gij voor dien voorrang niet geschikt zijt. — nSjj tw rhhn in, Nachmanides; toen ontwijddet gij mij, die tot nu toe die legerstede had beklommen. Rashie: toen ontuijddet gij Hem, God, die mijne legerstede les teeg, d. w. z. die mij op mijne legerstede verscheen. Luzatto: toen ontwijddet gij, en nu spreekt Jakob in zichzelve: ja, mijne legerstede heklom hij'. — I Kr. 5,1 en 2 wordt duidelijk gezegd, dat de eerstgeboorterechten op Joseph, de vorstelijke waardigheid op Juda overgingen; Ruben wordt echter bij de opsomming van Jakob's zonen , altijd net eerst genoemd. — Ook Deut. 33,6 wordt Ruben wel voortbestaan verzekerd, maar tevens erbij gevoegd, dat zijn aantal steeds gering zal zijn. Ruben heeft dan ook nooit een rechter of profeet opgeleverd en behalve in den strijd tegen Siechon en één veldtocht tegen de Hagrieten, tijdens de regeerin'g van Shaoel (I Kr. 5,10 en 19—22), is van optreden van Ruben in de geschiedenis niets bekend.

5. nm -nSi pyoir. Zij zijn broeders, zij hebben hun broederlijk gevoel aan den dag gelegd, bij de wraakoefening wegens Diena; dat zou hen eigenlijk bijzonder geschikt maken om als hoofden der stammen op te treden, maar: a-prro» onn 'Ss, hunne verwantschap uit zich alleen in daden van geweld. — Dnvnso. Rashbam en Mendelssohn: verwantschap, vgl. Ez. 16,3. Luzatto: naar het Syrisch -on = nieuw-hebreeuwsch dus, een huwelijk sluiten: hun huwelijksverdragen zijn middelen om geweld te plegen. Rashie en Midrasb, naar het Grieksche machaira, zwaard, hunne wapenen.

6. nas mn Sx. worde mijne eer niet vereenigd; nas, dat hier in de beteekenis van: ziel (vgl. Ps. 16,9) wordt gebruikt, is daarom vrouwelijk gebezigd. Rashie e, a. meenen, dat mn tweede pers. mann. is, doch men zou dan ook in het eerste zindeel den 2den persoon verwachten: V{i3£l.

hd, de beraadslaging, Snp, de vergadering tot het nemen eener beslissing. — b\s' mn d3s2 '3, want in hunnen toorn doodden dj krachtige mannen (u\s is collectief), iw lips 0«i2i, en in hunnen moedwil verlamden zij stieren = helden, vgl. Ps. 22, 13. — jvn, teugellooze eigenzinnnigheid, vgl. Dan. 8,4. Met tic.' npr wordt op de gedwongen besnijdenis der bewoners van Shechem gedoeld. Hiesch: in hunnen toom doodden zij mannen, nadat zij in hunne schijnbare webrillendheid stieren verlamd hadden.

ocr page 238

GENESIS XLIX.

7 verlamden zij stieren. Vervloekt zij hun toorn, want hij is te heftig, en hunne woede, want zij is te onverzettelijk. Ik zal hen verdeelen onder Jakob, en verstrooien onder Israël.

8 Gij, Juda! u zullen uwe broeders huldigen; uwe hand is op den nek uwer vijanden; uws vaders zonen zullen zich voor u

9nederwerpen. Een jonge leeuw is Juda; van roof, mijn zoon! stijgt gij op. Hij knielt, legt zich neder, als een leeuw en gelijk

10 eene leeuwin; wie durft hem doen opstaan ?! De schepter zal niet wijken van Juda, noch de wetgeversstaf van tusschen zijne voeten, totdat Shielo komt, en de gehoorzaamheid der

11 volkeren hem zal ten deel vallen. Hij bindt aan den wijnstok zijn ezels-veulen, aan de edelste rank het jong zijner ezelin; hij wascht in wijn zijn gewaad, in druivenbloed zijn bovenkleed.

12Rood van oogen door wijn en wit van tanden door melk!

7. gevloekt, d. i. zonder uitwerking zij hun toorn, en omay, hunne alle perken overschrijdende gramschap; en wel doordien DpSnx enz. Volgens Ibx 'Ezra en Abakbakel doelt DpW op Shim'on, wiens gebied geen samenhangend geheel vormde, maar uit een aantal in het gebied van Juda verspreide steden bestond; dï'sni ziet op den stam Levie, die inderdaad door het geheele land verstrooid werd. Wel hing dit samen met Levie's bestemming als priesterstam, doch niettegenstaande deze roeping ware eigen grondgebied voor dien stam mogelijk geweest. Shim'on wordt in den zegen van Mozes niet vermeld en verdwijnt in de latere geschiedenis geheel en al (vgl. I Kr. 4,38 v.v.)

8. In Juda ziet Jakob eindelijk den zoon, op wien zijn zegen en de leiding der toekomst ten volle kan rusten; daarom met nadruk; ruw mvp, vgl. Gen. 24,27 'jnj -pi: ■o:x. — -pti'—mini, eene woordspeling, evenals bij zijne naamgeving. Gen. 29,35. — -ro's epra -yr, uwe vijanden zullen u trachten te ontvluchten, doch gij grijpt ze in den nek. Gij zult steeds de overwinning behalen en daarom door uwe broeders als hun meerdere erkend worden. — -px alle zonen van uwen vader, ook die van de andere vrouwen, meer in 't bijzonder: ook Joseph.

9- milT mx nj. dapper als een jonge leeuw is Juda; jvSy 'ja epci:, en na buit gemaakt te hebben stijgt gij weer naar uw hol in de bergkloof op. Anderen; Gij, Juda, jonge leeme, gij stijgt op enz. N'aSsi als een

volwassen leeuw en als eene in de verdediging harer jongen nog meer te vreezen leeuwin. Sommigen zien in de drie hier gebruikte leeuwennamen eene aanwijzing voor drie tijdperken in Juda's geschiedenis: onder de Rechteren, nnx hj, toen hij nog in de ontwikkeling zijner macht was; — onder David en Salomo, rmx, in volle kracht; en onder de Makkabeën, soaS de getergde leeuw.

10. vSjn p3Q ppnai. en de wetgeversstaf van tusschen zijne voeten-,

Sarallel met het eerste zindeel, beteekent ppvrj hier niet:arallel met het eerste zindeel, beteekent ppvrj hier niet: wetgever, maar

e wetgeversstaf (vgl. Kum. 21,18; Ps. 60,9). Daar wij cats zeker als een van de insigniën van een regeerend persoon (al is het ook niet juist een koning) hebben op te vatten, beteekenen de woorden dus, dat de wetgeversstaf, die op of tusschen de knieën stond, nooit van tusschen Juda's voeten zal worden weggenomen. Mendelssohn meent, dat vSj-i ra» = rton pao smvi jo, beteekent: van zijne nakomelingschap, doch Deut. 28,17 wordt deze uitdrukking van de kinderen der moeder gebruikt, terwijl bij den vader steeds

115

ocr page 239

UD -nn tup

DpbnKnnt^p »3 Drroyi Tir ^ dön quot;iiik : nit^-np^»

i •»•*; - t at i t j* t;*v; •»* t - lt;t i p; •*

Ö : apira n

,.. t; • ■ -:i- I inn

^3 nb iinntï'» em3 ^♦nK nni» nn« rriirrn s

jquot; : v. i : -»11-:^ i av : i ) : j :it i v - -• t - t :

nnK3 r3i ^3 eintsü n-tin^ m*nia: T3Ko F

■»•• ; - ; tS~T quot; t t a-^t j- : | •.%••• • t ; - lt; f r t

ϻ3D ppnai rhirro L23^ -iid^1? nsaw ^ n^ov ^

* ' ' gt; : T r vquot; ^ T 1 . ,v '*: r rT: f-

nyy fêzb npi* : a\^ nnpM^ n1?^ ^^3 £

: iimo i^3i? rz D33 i:'nN ^3 npT^i P

i t ; - : \ : 1quot; quot; lt;•• • a -; -•• : ktquot; i quot; : l*

3 : 3^0 D^trpbl tM0 ^♦,?3n ^ Ï-

it t iquot; v ■ ' *•• '• ' 'af • •• y ' •. -

«v sïv of ti^Sn nït gebezigd wordt. — nW s2' o nï. Onkelos: totdat de Messias komt, aan wien de heerschappij is, iVo = h irx, met verzwegen onderwerp: nsiSan. Midrash: totdat de Messias komt, iciengeschenken-women

aangeboden, iW = iS 'E' met verzwegen gezegde. Rashbam: totdat hij,

Juda, naar Shielo komt en de hem gehoorzamende volken zich tot hem zullen vervoegen, zal Juda's regeering krachtig blijven, doch dan, in den tijd van Rechab'am (I Kon. 12), zullen de tien stammen en de onderworpen volkeren van hem afvallen. Ibn 'Ezra geeft de volgende verklaringen: a) zijn nakomeling, (van niSc), li) totdat Shielo zal ondergaan, [re als in: cacfn X3i; c) totdat het einde van Shielo zal komen. Siporno houdt het woord voor eene samensmelting uit Vic, waarvan D'Sw, zoom, en nStf, rustig zijn, en vertaalt: eeuwige, laatste vrede. Gesenius e. a. meenen, dat nSc rusibrenger beteekent, evenals nnSü, vredebrenger, het wordt dan afgeleid van nSo, rustig zijn, of een nevenvorm daarvan Vit', welke opvatting ons het meest waarschijnlijk voorkomt. — B'»r mpi iVl, en hem de g ehnor-zaamheid der volkeren zal ten deel vallen. Vgl. Spr. 30,17. Anderen vatten ook op die plaats ds nnpiS op als: afstomping, zwakheid, en vertalen dan ook hier: en de zwak geworden volkeren hem zullen ten deel vallen. Vgl. St-ist nnp (Pred. 10,10; Jer. 31,29; Ez. 18, 2). Rashbam: en tot hem volkeren zich zullen verzamelen, (zie boven.) 13 li', totdat, duidt niet aan, dat daarna Juda's heerschappij ophoudt, maar dat dan de groote omkeer zal komen, waarbij Juda's regeering zich over de gansche wereld zal uitstrekken.

11. De vruchtbaarheid van zijn land is zoo groot, dat men aan wijnranken zijn ezel zal kunnen binden, als aan den krachtigsten boom. — quot;dn ,lt;:3 /|l7'l73n, met den 1, eene oude, dichterlijke vorm. De zin is; naliet bereiken van den Messiaanschen tijd, komt een tijdperk van vrede en overvloed; Juda berijdt het dier van den vrede, den ezel; leeft in geluk en voorspoed, zoodat men desnoods zijne kleederen in wijn zou kunnen wasschenl Zooals Rashbam reeds opmerkt, moet deze beeldspraak hier niet in letterlijken zin genomen worden; uit tfaor dt toch blijkt, dat hier aan rooden wijn gedacht wordt; daarin gewasschen kleederen zouden zeker niet rein worden. — nnw = vvco, kleed; anderen: vanmr, waarvan mDï, sluier: horenmantel, waarmede men zich omhult.

12. Juda's oogen fonkelen nog, maar niet meer van strijdlust, maar door den gloed van wijn; zijne tanden zijn wit van melk, het landelijk

ocr page 240

GENESIS XL1X.

13 Zeboeloen zal aan het strand der zeeën wonen; hij zal zelfs worden tot een strand voor schepen; en zijne grens zal tot Tsiedon reiken.

14 Jissachar is een sterk gebeende ezel, liggende tusschen de

15 afschutsels. Hij zag de rust, dat zij aangenaam, en het land, dat het bekoorlijk was; hij neigde dus zijnen schouder om te torschen, en werd, dienend, schatplichtige.

16 Dan zal zijn volk richten, als één van Israels stammen.

17 Dan zal zijn eene slang op den weg, eene adder op het voetpad, die het paard in de verzenen bijt, zoodat, wie het berijdt,

18 achterover stort. — Op Uwe hulp hoop ik. Eeuwige!

19 Gad — stroopbenden dringen op hem in; doch hij valt ze in de verzenen aan.

20 Vap Assher komt het vette als zijne spijze; hij levert koningslekkernijen.

21 Naphthalie is een losgelaten hinde; hij brengt sierlijke redenen voort.

22 Eene vruchtbare twijg is Joseph, eene vruchtbare twijg bij eene

23 waterwel, [waarvan de] loten voortschrijden over den muur. Zij

en kinderlijk voedsel. De beide verzen beschrijven eerst de kracht der wijnstokken in hun groei, dan den overvloed van wijn en eindelijk de uitstekende hoedanigheid daarvan. Anderen: rooder, d. i. vuriger, van ooijen, dan wijn, en witter van landen, dan melk, als beeld van Juda's kracht.

13. Zeboeloen's grondgebied reikte in den beginne niet tot aan de kust der Middellandsche zee; in later tijd echter was dit wel het geval. Zoodoende werd hem gelegenheid gegeven door handel ter zee tot welvaart te geraken; de nabijheid van Tsiedon werkte daartoe mede, doch gaf tevens de grens van zijn handelsverkeer aan. Of bij het meerv. ovs' gedacht moet worden aan de Middellandsche zee westwaarts en het meer van Tiberias oostelijk, of wel dat dit meervoud eenvoudig den Oceaan aanduidt, is twijfelachtig.

14. du non-, een sterk gebeende ezel, die zware lasten op zich neemt en verdraagt. Jissachar's zonen zijn krachtige mannen, gevestigd in een vruchtbare, gezegende streek. Hij blijft liever in ondergeschikte positie, dan zich in zijne rust te laten storen. — oviewnri, de twee rijen paaltjes, die de veekooien afpalen.

is. nruo. rust = rustplaats, het land; vgl. Deut. 12,9, Sni nnron Sx nSnn; daarom hier mannelijk gebruikt = nm« Dip». — nar ozh, onderworpen schatplichtig, waarschijnlijk aan een der omwonende stammen.

16. Dan, hoewel klein in aantal, zal als ieder ander onder Israel's stammen zijn volk richten, d. w. z. voor zijne belangen opkomen. — wr, niet juist zijn stam, maar Israël. Terwijl tot hiertoe Lea's zonen zijn besproken, gaat Jakob met Dan tot de zonen der slavinnen over en zegt nu: ook dezen zijn mijne kinderen, die ieder op zijne wijze een taak zullen vervullen. Reeds Kashbam doet opmerken, dat het treurig einde van Shimshon de meening weerspreekt, als zou hier aan dezen heldhaftigen nakomeling van Dan gedacht zijn. In voortdurende twisten met Kena'anietea en Philistijnen bleef Dan steeds zijne onafhankelijkheid handhaven. Jakob's

116

ocr page 241

t2Ü VTI ?üp

a :fTV_^in3Ti;n'jKe]inb krn |3^D^f]in^ j^nT ^ ♦3 nnjö Kin : □'nairan ra rli diü ion

■•• . T *•. ^ ^ IT : : • - l jquot; | v.quot; VAT J -: VT T • IQ

■Düb 'nn Vso1? m nay: ^ p^n-nNi mtb

- : ^ V.' :- : * *• ' lt;*- r'T.-r -•• | \\t T v :

B^n: p-'n» : inxa is^ rT n d : inv 'o

-•TT I T * : iquot; T : jquot;^: • ^--: A I J-T KT f1'

IMI San. DiDquot;^^ ^ari

nini nna nil d * : nin» ♦nnp : quot;iinkm

l ; av : ^: it it : • rh lt;J ; ht r i t

-♦an^ö w xni idnb n:q5y ii^kd d •• 3pr na^

quot; i- Kquot; • j : A : - JT •• : v.quot; T iquot; I r^T J\T

ra d : istrnük rhan nnb^ hVk ^nai d : quot;nVo «

}lt;•' VIT •• : • Kquot; - AT-..; JTT- V.' T : - ^ I v iv 23

mw : nijary^nia ra eiDi» nia«

V'.quot;:it;- I ••'i; VT^:IT T I-quot;AT '• -; ^T Ir' | •• T

woorden zijn slechts een algemeene schildering van den toestand en doelen hier niet op bijzondere feiten.

17. Wat Dan aan kracht ontbreekt, vult hij aan door list. Daar ziet Jakob dus, hoe zijne kinderen te strijden zullen hebben tegen de volkeren, hoe zij door gebrek aan macht in het nauw gebracht worden en hun toevlucht moeten nemen tot list; daarom laat hij volgen; vs. 18: 'n wp quot;[TOTOiS, Op Uwe hulp hoop ik, o God! Red Gij mijne kinderen uit bunnen nood!

19. uniJP inj quot;U- Gad, in het Transjordaansche gevestigd, stond telkens bloot aan vijandige invallen van rooversstammen, die als een wig in zijn gebied indrongen en hier en daar veroveringen maakten; doen hij joeg ze op de vlucht en vervolgde ze. — tij, insnijden, indringen als een wig.

20. lön1? mor quot;nïWO. van Asher komt vettigheid, d. w. z. olijfolie, als zijne spijze-, met deze opvatting vervalt de moeilijkheid, dat oro hier vrouwelijk zou gebezigd zijn. — Ook Deut. 33,24 wordt van hem gezegd: dat hij in olie dompelt zijn voet. Anderen vertalen: Van Asher's zonen: vettigheid is zijne spijze. — Nim, niet alleen geniet hij zelve het vette der aarde, maar hij heeft zoodanigen overvloed, dat hij aan anderen nog koningslekkernijen kan leveren.

21. nnSr nSvC' eene hinde, die zich vrij bewegen kan; waarschijnlijk doelende op de bergstreek, waarvan deze stam ongehinderd heer en meester bleef. — ist' viss jrun, tevens bezit hij de eigenschap der welsprekendheid.

22. ma p, waarschijnlijk eene woordspeling op den naam: Ephrajim, een vruchtdragende twijg (Kimchle), waarbij ma = iTiS. en p evenals het

volgende meerv. nua, vrouwelijk gebruikt wordt. Anderen: de zoon van een vruchtdragenden boom. — ito -hv myï rrua, een boom, waarvan de groeikracht zoo groot is, dat de twijgen over den nabijstaanden muur hangen. ni:3 meerv. naast mrï enk. = ieder der takken stijgt enz. — mpx, eig. schrijden, teekenende uitdrukking voor het langzaam verder groeien der takken, die over den muur komen hangen.

ocr page 242

GENESIS XLIX, L.

maakten hem [het leven] bitter en schoten op hem, en zij haatten

24 hem, de pijlschutters! Doch zijn boog bleef gespannen, zijne armen en handen vaardig; door de hulp van den Machtige van Jakob;

25 van daar, van den Herder, den Grondsteen van Israël. Van den God uws vaders, — Hij moge u helpen. — en van den Almachtige, — Hij moge u zegenen met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen der watermassa, die diep beneden

26 ligt, met zegeningen van borsten en moederschoot. De zegeningen uws vaders gaan de zegeningen mijner voorvaderen te boven, tot aan de grenzen der eeuwige heuvelen. Dat zij komen op het hoofd van Joseph! op den schedel van den gekroonde onder zijne broederen!

27 Benjamin is een verscheurende wolf; des morgens zal hij roof verteren, des avonds buit verdeelen.

28 Deze allen zijn de stammen Israels, twaalf; en dit is hetgeen hun vader tot hen gesproken heeft, en waarmede hij hen zegende; ieder naar den zegen, die voor hem paste, zegende

29hij hen. En hij gebood hun, en zeide tot hen: „Ik word tot mijn volk verzameld ; begraaft mij bij mijne vaderen in de

30spelonk, welke in het veld van 'Ephron, den Chittiet, is. Inde spelonk welke in het veld van Machpéla is, dat tegenover Mamré ligt, in het land Kena'an; welk veld Abraham van 'Ephron, den Chitliet, tot eene erfelijke begraafplaats gekocht

31 heeft; — Daar heeft men Abraham en zijne vrouw Sara begraven, daar heeft men Izak en zijne vrouw Rebekka begraven,

32 en aldaar heb ik Lea begraven; — Het veld en de spelonk,

33 die er in is, als koop van de zonen van Cheth.quot; — Toen Jakob geëindigd had zijnen zonen zijne geboden op te dragen, trok hij zijne voeten in het bed ; hij verscheidde, en werd verzameld tot zijne volkeren.

1 Joseph viel op hel aangezicht zijns vaders, weende over hem en

2 kuste hem. Joseph gebood zijnen dienaren, den artsen, zijnen vader

3 te balsemen; en de artsen balsemden Israël. En er verliepen

24. incp [jTJO airni. boog Ueef vast, fn\s2 = jms Dipsa. — wi vt TH, de arnien zijner handen, die zijne handen besturen en hun de richting geven, bleven gemakkelijk te bewegen. — 'T5. Dat Joseph alle

fevaren te boven kwam, vond zijn oorzaak in God, den zpiquot;evaren te boven kwam, vond zijn oorzaak in God, den zpiquot;1 -nax, die akob macht heeft verleend; den run, den Herder (vgl. Pj». 80,2), den ps S.w, den grondsteen Israels (vgl. Jes. 30,29, waar God Ssif ivi, de Rots van Israël genoemd wordt). Mendelssohn laat die laatste woorden op Joseph slaan en vertaalt; van daar werdt gij, Joseph, de herder en grondsteen van Israël.

25. De kracht kwam van den God uws vaders, •pir,% zoo moge Hij u verder helpen. —■ nsi = nxsi, waarbij de » van Ss-s ook hier bijgedacht wordt. — ro-o, regen en dauw; oinn ro-c, in bronnen en rivieren; omi Dn.' rois, vruchtbaarheid bij mensch en dier.

117

ocr page 243

a t20 m rp

: a^n *^3 inoü^^i ^3K bm : D^p ipXl ;TP ^Xquot;3

Dinn riD-ia Votf nana n«i; ^jn

-bv 1122 ^3K nbia : omi antr nbns nnn nvrn «

*• :iT | • t ^ : • -ITT '{,-r j : ■ -at v-quot;.*

ejpi» qbiy rijrai nixn-^ nin nbna

a ^ : vnK -m T^ipbi |

-ba : bbv pbn: ai^i njr. ipsa aw Vp^a »

bnoK Dn1? naTi^N nïln V«quot;iaquot; ♦Laair nbx

V • -: lt;v T V • v —. : AT t ■gt;•• : {,•• r : • jquot; : ' v 4quot;

aniK w\ : anK -]-ia inaiaa dhik

-bx 'rpK-VK 'nü nap 'ar^ ^ÖNIJ bn^K quot;io«;i nntra quot;lè'N rn^sa : wn |iquot;iaj; nntra quot;IEW ni^sn17 DnnaNnipV^l^apNa NIÖD rtean

nap ns^ : lap-n-Tn^' wn ns^ HND ni'BTrnN ^

: Iit t-»t v Iit -•..-ii- ^* • r I .» : v ^ •)•••• v T

rw pnï^nM nap na^ intrx mtr nxi Dh-iax-nM

V,quot; ; I t : • v j ; Iit t t« : * -tt •• : t t ; -

mram m'^n n:pQ : hk^tik ♦map na^i in^K npan ^

jt tquot; : - : •)*•* t — squot;l: * ^ it •• v It t-»t ; a : • I-t;

e]bN»i v:rnK rirxb ap^* by] : np-^a njsta iri^x ^ 'bv. V31. : vajrbK ï]Dki yw\ n^arrbx vj?n/ j tik Vna^nK IÏI : bym vby ^a»i va» ria3 -iN^an .'bNT^nKD^ann^n'ivaKTK mn1? D^ÖT-P

: : .- ,..,... v j it j : T' a- t v ^-:i- • ; •» t

26. nam. De door uw vader u verleende zegeningen overtreffen

die, welke deze van zijne voorvaderen ontving, zoo ver al» de eeuwige heuvelen hun kruin verheffen boven de aarde. — vn, afgezonderd, onderscheiden; v. d. van quot;in, kroon, de gekroonde.

27- SJCI, een beeld van moed.

28. ir0133 quot;Vffit VU* ieder naar wat met zijn zegen overeen kwam, zegende hij hen.

33. niaon SjC vSjT tlD{lt;,V Tijdens den zegen «a* Jakob in bed overeind, terwijl zijne voeten er'buiten hingen (zie aant. Gen. 48,12). Thans gaat hij weer liggen en trekt zijne voeten in het bed bijeen.

ocr page 244

GENESIS L.

voor hem veertig dagen — want zoo vele dagen besteedde men aan het balsemen ; — en de Egyptenaren beweenden hem zeven-

4 tig dagen. Toen de dagen om hem te beweenen voorbij waren, sprak Joseph tot het huis van Phar'o, zeggende : «Indien ik toch gunst gevonden heb in uwe oogen, spreekt dan toch ten aan-

5 hoore van Phar'o, zeggende : Mijn vader heeft mij doen zweren, en gezegd: «Zie ! ik sterf. In mijn graf, hetwelk ik mij in het Hland Kena'an gedolven heb, daar zult gij mij begraven!quot; — En nu, laat ik dan optrekken, en mijnen vader begraven;

6 dan zal ik terugkeeren.quot; — Phar'o zeide : «Trek op en begraaf

7 uwen vader, gelijk hij u heeft doen zweren.quot; Joseph trok dus op, om zijnen vader te begraven; en met hem trokken op al de dienaren van Phar'o, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten

8 van het land Egypte. Ook het geheele huis van Joseph, zijne broeders, en zijns vaders huis; slechts hunne kleine kinderen, hun kleinvee en hunne runderen lieten zij achter in het land

9 Goshen. Met hem trokken op zoowel wagens als ruiters; en

10 het was een zeer aanzienlijk leger. Toen zij nu tot de schuur Atad kwamen, die aan de overzijde van den Jordaan is, hielden zij aldaar een grooten en zeer zwaren klaagdienst; en hij bedreef

11 rouw over zijnen vader zeven dagen. Toen de Kena'aniet, de inwoner des lands, dezen rouw bij de schuur Atad, zag, zeiden zij : «De Egyptenaren hebben hier een zwaren rouw!quot; daarom noemde men haren naam: Abél-Mitsrajim, dat aan de

12 overzijde der Jordaan is. — Zijne zonen deden hem, gelijk hij

13 hun geboden had. Zijne zonen namelijk vervoerden hem naar het land Kena'an, en begroeven hem in de spelonk van het veld Machpéla, welk veld Abraham gekocht had tot eene erfelijke begraafplaats van 'Ephron, den Chittiet, tegenover

14 Mamré. Joseph keerde terug naar Egypte, (hij en zijne broeders, en allen die met hem opgetrokken waren, om zijnen vader te begraven), nadat hij zijnen vader begraven had. —

15 Toen Joseph's broeders zagen, dat hun vader gestorven was, zeiden zij: «Wellicht zal Joseph ons vijandig zijn, en ons al

16 het kwaad vergelden, dat wij hem aangedaan hebben.quot; Dus gelastten zij, dat men Joseph zeggen zou aldus: «Uw vader

Hoofdstük L. 3. DV D'JDB'. nl- de veertig dagen der balseming en dertig rouwdagen, vgl. Num. 20,29; Deut. 34,8.

4. Joseph verschijnt niet zelve voor den koning, daar zijn rouwtljd nog niet om is. Hij tracht eerst Phar'os omgeving gunstig te stemmen, daar hij verlof vraagt, om met familie en groot gevolg het land te verlaten, wat minder gunstig opgenomen zou kunnen worden.

5. VVTJ quot;nCJf» mijn graf, dat ik mij gedolven heb. De spelonk is wel niet gegraven, maar de grafnissen zelve, waarin de lijken geplaatst worden, moeten natuurlijk gedolven worden. Het is Joseph dan ook niet te doen om de grafplaats nader te omschrijven; hij denkt dus niet aan de spelonk, maar wijst er alleen op, dat in Kena'an een graf voor Jakob gereed is. Anderen; dat ik mi} gekocht hél).

118

ocr page 245

: m rvp

onïö inK D^:nn w ixbo» p »3 di» d^31« iS

• v.-: • ■) J ; * - A- i- -•••; v. : : * yquot; r T : -

rt^na e]pv ISTI inpn'ö* : DI;

n'ina xrnai orn^a in ^PNÏÜ xrDK quot;iox1?

{ ;quot; j** ; t s t : - v •• *jquot; ; I •• - lt;r r t ^ f quot;

lè'N napaho^K nsn quot;06 : IonSquot;

v -: • : i * : •• it jquot; • •• • ^- • ; • * t ^ •

na^ p«3 'S 'nna -nK iapi nbp ri^na no^si : nai^Ni 'ajrm mapxv

j i; •)quot; . a : ~ •• vquot; t 1 t : v* t quot; jt : i: v :

^»1 vaK-nw iapgt; «]D^ : ^at^n n^a ^a«? : onyp-pK ^pT Vai in»a ^pr rijns na^-ba inK lar^ anpai DJNÏI bau pn vax n^ai vnNi ÏIDI» n^a 1l?ain

v. :*ir tIt : : t - I - a- r ■'•' v,t v ; | •• •jquot; :

mnsn »nn D^ia-D3 aaroa is^ Vri •' 'P^a d

vv -: 1-^- j* : - a- tit ^ - v {,'.• - ^ i v 1 | vjv :

iisoyirn na^a VN nÊKnpr-i# ^a»i :n^D naa1 .•D^n^atJ' bax vax1? ^.1 inü naai Vina naop de' nD^»i nibxn pia VaNn-nx ^:an ri«n a^i^ ktv*

: j - t t it 1 v ; v •• t v •'i:i- : * | vt t •*

itrx onso ^ax noir xnp ra-1?^ Dnïob nt naa_l?aN

-: • - : • -»•• t t ; «tIt 1 •• • at : • : vv -'**t v 'quot;

im iKim *: div n^xa ra ib v:a ïeti : ni»n naya^

« : •- it* jv -: r Kquot; a ».t t j ^-:iquot; I iquot; :— v^gt;quot; ;

-iitk nVeaan m'^ m^oa ink nap'i r^ia hïik v:a

-»v -: at - •»quot;: V' t : ' j : i: •- 1^- - : ^ T q T T

'nnn paj; nxp quot;lap-ninxj? nn^rrnx onnaK n:p Q^vn-bai vnNi «in nanïo epv : tnüö ^a^

j' it t : tv: j t : - : • !lt;•• t t- iquot; : - Jquot; :

eiDi*quot;*nK inti : vax-nx nap nn« vaK-ntt iap1? inK«

)•• iquot; lt; :•- r t v j : It ^••-: r a* t -»1: • v •

nN yw airm fiDV vnuw ib noN»i on^ax no^a

••lt; t • t lt;•• t : |aquot; vquot; : : * J : •» - v • -•••

^l^aK quot;iDNb «IDI^K iiïn : ins uboa quot;IB'N n^-irrba ro

| t a •• kquot; v - i : iquot; t jv -: t t jt t

10. na\*n ju, de schuur met den doornheg, v. a. een eigennaam. — i2ï» jTvn. Bij eene reis van Egypte naar Palaestina komt men langs den kortsten weg van de zuidzijde het heilige land binnen en bereikt dus het Transjordaansche gebied niet. Vandaar dat velen meenen, dat jtwi laya hier niet op den oostelijken, maar op den westelijken oever van den Jordaan doelt. De verhaler, die zich nog aan de oostzijde van den Jordaan bevindt, noemt dan de overzijde prn lar.

16. 11SH zij gelastten een door hen aangewezen bode, fpl1 Sn, tol Joseph te spreken, idn1?, aldus: enz.

ocr page 246

GENESIS L.

17 heeft vóór zijnen dood het volgende bevolen: ;/Zoo zult gij zeggen tot Joseph: och! vergeef toch de misdaad uwer broeders en hunne zonde, ofschoon zij u kwaad aangedaan hebben— en nu, vergeef toch de misdaad der dienaren van den God uws vaders!quot; — Joseph weende toen zij [aldus] tot hem

18 spraken. Daarna gingen ook zijne broeders, vielen voor hem neder, en zeiden: «Zie, hier zijn wij tot slaven voor u.quot;

19 Doch Joseph zeide tot hen : „Vreest niet, ben ik dan in Gods

20 plaats ? Zoo gij ook al kwaad tegen mij gedacht hebt, God heeft het ten goede gedacht, om te volbrengen al hetgeen heden ten dage [geschiedt], om een groot volk in het leven le

21 behouden. En nu, weest niet bevreesd! ik zal u en uwe kleine kinderen verzorgen.quot; Zoo troostte hij hen, en sprak hun

22 tot het hart. Joseph bleef in Egypte, hij en zijns vaders huis;

23 en Joseph leefde honderd en tien jaren. Joseph zag van Ephrajim kinderen tot in het derde geslacht; ook de kinderen van Machier, Menasshé's zoon, werden op Joseph's knieën

24 geboren. Joseph zeide tot zijne broeders: wIk sterf; maar God zal u bedenken, en u uit dit land opvoeren, naar het land, dat Hij aan Abraham, Izak en Jakob toegezworen heeft.quot;

25Joseph deed de kinderen Israels zweren, zeggende: „Als God u zal bedenken, dan zult gij mijne beenderen van hier op-

26 voeren.quot; Joseph stierf, honderd en tien jaren oud; men balsemde hem, en hij werd in eene kist gelegd in Egypte.

17. nnjH. met dit woord begint het verzoek der broeders. Onze vader heeft een beroep gedaan op uw gevoel voor ons als uw broeders, wij vragen vergeving als dienaren van denzeli'deu God. — 01212, toen zij bij monde van hun gezant tot hem spraken.

19. DVlSjC nnnn. Heb ik dan het recht, straffend op te treden? God heeft immers alles ten goede gekeerd 1

23. rpv '013 hy nS1. Op iemands knieën geboren worden, wil zeggen: door hem met oudervreugde worden begroet en op de knieën gekoesterd.

25. Joseph begrijpt, dat na zijn dood de Israëlieten niet zoo gemakkelijk verlof zullen krijgen, hem in Palaestina te begraven, als dat met hem na Jakob's dood het geval was. De eed is door Israël gestand gedaan; zie Ex. 13,19, Jos. 24,32. — S.sTi'1 1J2 zijn niet juist zijne broeders, maar de Israëlieten. — Het eerste boek der Thora sluit dus met de blijvende vestiging van Israël in Egypte, waar met Joseph's dood hun tegelijk de belofte van toekomstige bevrijding en terugkeer naar het heilige land wordt gegeven. Daarin ligt dan tevens de overgang tot het tweede boek.

119

ocr page 247

3 TPÏ t2'p

nj: xv N3N fibvb nDKn-ns : Idk1? inio niv

T -T T-'T ï ^ V ' *gt; quot; V 1 * Tquot;

ytfsV Ni nri^1) ^7193 n^-ps onN^ni.

vnN_D3 b^n : V^N onnna ^»1 ^

ï)Digt; onbK noNp. : ons^b Ü1? ^ VJÖV ^ön_ ^ npi quot;by DnsBTi anw : d^h'Sk nnnn ^ iN^n^K =

^TT v.quot;T JV : - -: V - ; -it v/ v: - j- -: at •

quot;O# ^nnb mn DI»? \ybb nnas nn^n b^ribK DDSK-nNi DDHK VSVDN ^:N iKTn-^K nnvi * : 31«

av : - v : ys : v ^ jquot; :--: -j* it t * - t ; it

Nin nnxoa eiDi' : oab-1?^ lann DHIK Dn:»'!«

v. -^- ; • ; )•• •-•lt;••- 't v.--:- T ....-;-

^DnflN? f]pv NVI * :D^ Tf ^ HNO t]pv Tn V2N«

10^1: «]pv ^quot;irV^nV! n^öquot;quot;ï? ^3 oi

n^ni apnx -i^a» n^3 crrbtfi no 'pM vntrbx ï]pv DniDNb ^sip: n^Oquot;^ pNn-|p DDHK fpa quot;iQNS ïpiw ^rnx ^pi» pny^ ™

f]pv non : nip ♦nbv^riK Dn'^ni, DpnND^x quot;T^13 : DnïD3 ?1*1N3 IhK D^ty T^vi nND-f3

• IT; • ; I ^TIT V J- - - ; -I— a-t v ^vt jt •• I v

.p?n

Sn v»^m :p^ TS • nisisi Diw-Sci m» com r|S.s nipNia ibd ipiDS dod ; js's mni irc DJ * Jquot;0 v-nDi ; ju'd dViï1? ••nv HI ' Squot;1 TifiwiBl : rrnn quot;ja-in rUOC riisinoni D^aiXI nvhv /wwnn pj» ; po wip quot;|^ i::n « • 'j vpisi

: pa x^- quot;iws o»n Ssi nnN * nVBHS DHKI DWD ^ ' Q^aUCI

ocr page 248

no

n n 23 s n n

•n'^Nna HBDquot;?

HAPHTAROTH

VOOR HEX

BOEK GENESIS.

16

ocr page 249
ocr page 250

LOFZEGGINGEN vóór en na de HAPHTARA.

Nadat de wetsrol is opgerold en gesloten, zegt hij, die de Haphtara zal voordragen, de volgende lofzegging ■.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die goede profeten hebt uitverkoren en behagen hebt geschept in hunne woorden, die met waarheid werden uitgesproken; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die hebt uitverkoren de Leer en Uwen dienaar Mozes en Uw volk Israël en de profeten van waarheid en recht!

(Bij de Portugeesche Israëlieten wordt na de voordracht der Haphtara,

vóór de slotlofzeggingen, het volgende gezegd-.

Onze Verlosser, de Eeuwige Tsebaoth is Zijn naam, de Heilige van Israël!)

En na de lezing der Haphtara zegt men:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld. Rots van alle eeuwigheid, rechtvaardig door alle geslachten, vertrouwbaar God, die zegt en ook doet, die spreekt en vervult, al Wiens woorden waarheid en rechtvaardigheid zijn. Vertrouwbaar zijt Gij, Eeuwige, onze God, en vertrouwbaar zijn Uwe woorden; en niet één van Uwe uitspraken keert ledig (onvervuld) terug, want een vertrouwbaar God en Koning zijt Gij; geloofd zijt-Gij, Eeuwige, God, die vertrouwbaar zijt in al Uwe woorden!

Ontferm U over Tsion, want het is het huis, waar wij (in waarheid) leven, en help spoedig in onze dagen [de stad], die bedroefd is van ziel; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Tsion zich doet verblijden in zijne kinderen.

Verblijd ons. Eeuwige, onze God! door den profeetElia, Uwen dienaar, en door het koningschap van het huis van David, Uwen gezalfde, moge hij spoedig komen en ons hart doen juichen! Op zijnen troon zal dan geen vreemde meer zitten en andersdenkenden zullen niet weder zijne heerlijkheid deelachtig worden, want bij Uwen heiligen naam hebt Gij hem gezworen, dat zijn licht immer en eeuwig niet meer zal worden uitgebluseht; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van David!

Voor de Leer en voor den dienst en voor de profeten en voor dezen Sabbathdag, dien Gij, Eeuwige, onze God, ons gegeven hebt tot heiliging en tot rust, tot eer en tot roem, — voor dat alles danken wij U, Eeuwige, onze God, en zegenen U; Uw naam worde geloofd door den mond van al, wat leeft, gedurig immer en eeuwig; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Sabbath heiligt!

ocr page 251

mcssnn nn-o

Ttaaon to^ -SSun nsjir mxi /.Tiöflnn mnp mip DwaiaTO iB'Ni D^iyn -jbo -irri^K « nnK ^na nriK nDK| onown annn-in nïni a^its ^njni isp i-iay rniro inian quot;

j ' : quot; quot; •quot;• t : * : : -*•.• ; t lt;•• - r:

c piïni nquot;J) pnxi no«n

i v|v - ; i viv t vquot;v:it

nwinxn niaiai D-iip meem nx'np mx mh airiBBn jtuis)

c VKity» rnp ïm niKas nirr li^a

iquot; t ; • v. t: a : v t ;

nnaaon -py maann nxnp pnv ' D'abiyrr1?! nï , D^i^n wrbK ♦; nnx ^na quot;laiön / idinh / |DK3n ^rt , nmin-Vaa 'Wipx \] «in nnx |ok: * pnïi nai* inarbaB' / d^di ♦a .opn Dw-nh nnK ^nanp nnK -iani /^nai d^okii : vnarVaa fötfri ^kh /« nnx -ji-ia * nriK |onj bx

jrtfin K'fii nai^bi / rva »a onn : n^aa rv^ na'^a ,« nnw -ina , ii»D'a mnoa

t iv t : I • - r* - ; t - ) t iquot;t : tquot; ; •

m n^a niaböai niay «^aan in^wa « mm

' r •• : - ; | iv; ^- • t - it • •• : r» v; ■»■: i- ; -

a^N1? iNpa b% quot;iïib bri tiy nnnpa /^jn^p nyzv: ^quot;|pT o^a »a /niaa-nN onnw ny ibny NVI ,11 : in |JO « nnK Tjiia • n^i Dbiyb na naa» /ib

, ntn na^n DwaarrV^i nniajjrrVgi nninrr1?^ * nnNön^i iiaab nnuabi nunpV irri^N ♦♦ 13b nns^

vit : * : t ; t : • : t \l: • iquot; •.•; ▼: it t i- t v

^oiy quot;tjian^ /TjniN D^anapi DHID unjx « ^an by_ : naBTi u'-ipD « nriN Tjna * quot;ijn n^pn 'n-Va »02

ocr page 252

H APHTAROTH.

HAPHTARA van BERÉSHIETH.

Jesaja 42,5—43,10.

5 Zoo zegt God, de Eeuwige, de Schepper der hemelen en die ze uitspant, die de aarde met hare voortbrengselen spreidt (over het water), die ziel geeft aan het volk daarop en adem aan

6 hen, die er op gaan; — Ik, de Eeuwige, heb u geroepen in gerechtigheid en zal u bij uwe hand vasthouden; Ik zal u beschermen en u doen worden tot verbond voor volkeren, tot

7 licht voor natiën; Om ziende te maken blinde oogen, om uit opsluiting te voeren den geboeide, uit het huis der hechtenis

8 hen, die zitten in duister. Ik — ;,de Eeuwigequot; — dat is Mijn naam ; en Mijne heerlijkheid zal Ik een ander niet geven, noch

9 Mijn roem aan gehouwen beelden! De vroegere [voorspellingen], zie, zij zijn uitgekomen ; welnu, nieuwe gebeurtenissen verkondig Ik thans; vóórdat zij ontspruiten, doe Ik ze u ver-

10 nemen. Zingt den Eeuwige een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde, gij, die de zee bevaart, zoowel als wat haar

11 vult; eilanden en haar bewoners ! Laat aanheffen de woestijn en haar steden, de open plaatsen, die Kédar bewoont; laat jubelen de bewoners der rotsen. Iaat men luide juichen van

12 den top der bergen. Dat zij den Eeuwige eere toekennen, en

13 Zijnen lof verkondigen op de eilanden. De Eeuwige, als een held zal Hij uittrekken, als een krijgsman zal Hij den ijver opwekken ; Hij zal den strijdkreet aanheffen, ja hem luide doen klinken. Hij zal Zich machtig toonen tegen Zijne vijanden!

14 Sinds alle eeuwigheid zweeg Ik, legde Ik Mij stilzwijgen op, bedwong Ik Mij, — als eene barende zal Ik nu steunen, snel

15 den adem uitstooten en insnuiven tegelijk ! Ik zal verwoesten bergen en heuvelen en al hun kruiden doen verdorren ; Ik zal stroomen doen worden tot eilanden en meeren doen opdroogen.

16 Ik zal blinden doen gaan op een weg, dien zij niet kenden, op paden, die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal duistere plaatsen voor hen doen worden tot licht, en hobbelige wegen tot vlakte; — dit zijn de zaken, die ik doe en niet

17 nalaat! Dan wijken zij achterwaarts, worden met schande bedekt, — zij, die vertrouwden op het gehouwen beeld, —

18 die zeiden tot een gietsel: «Gij zijt onze God !quot; —Gij, dooven,

19 hoort; eu gij, blinden, kijkt op om (e zien! «Wie is blind, dan Mijn dienaar, en doof als Mijn bode, dien Ik zend ; wie is blind, gelijk de vertrouwde en doof als de dienaar des

20Eeuwigen!quot; [zegt gij.] Veel zien —- doch gij houdt het niet

21 in gedachte; ooren openen — doch hij hoort niet! De Eeuwige schept er behagen in ter wille van Zijne rechtvaardigheid; Hij zal de Leer groot en verheerlijkt doen worden !

ocr page 253

n^K-ia mcDsn

3quot;o jo'D nw'a

pan ifph b^btrn Nils nirv i bwn lÓN-na ^

i 1»\t t \jm * ~ t. quot; ^ t : — t - t i

♦jk : n3 D^Vnb nni d^1? rrii n^ïKïi ^

s* ■: it j' : t quot; - v: t v ^tt t t ; i lt;•• r av t •.•: iv :

nnsV ^riNi pnKi pnva nin»

n»3D TDN^DDD K'ïin1? nptjb : D»1-I niNb»

, ;■■■ ■ - •■:, quot; • lt;• : -Iv : •

fm-K? quot;inN? niapi Kin nirr : -]^n n

Tao hiB'nm ixrrnn ni^Kin : d^'dö1? ♦n^rinio

• - - -: ^ t-:i- at •• • ». i t r • : - vquot; t • ;

^nn nin^ : aan» yiïvx rurmn onDS'

tt -•• tl- «• ^iv : v j' : - t : v,- : • quot;j'-' :

iNtr» ton^iD^K 1^01 □quot;n mi» pxn nïpo inVnn

lt; : • iv •• ; i : v.' * ^ : t - «-ril vat t -»•• I; • v. t • :

onn k'n-io j^d ^ vy -np 2vr\ onvn inri nsiD

v,-t ^ j •• v •• : -• t atiquot; -••• •• vquot; quot; -j t t: t : *

11353 nin»: rw d^ns inbnrn naa nin^ 10^»: imv» nnireiN nN:p IT nionVo ^»«3 NV» '

vt; i - ' *:quot; ' ■ *t at:I' ^-t •/ tv j quot;

nn7i»3 pö«nK ^nnx D^I^Ü 'n^nn : quot;mn' ^ ^♦31« DSE'^S'! ni^i bnn 3nn« : nn^ Diste « oniy ♦nsSini : tr»3iK D^NJ? hiinj ♦npB'i» ^nö D^N DsniK nis^n:? ijrr N1? Vj-ins

on^ onsin nbx n^p1? quot;iixb Drns1?

onaxn ^033 D,nü3n ni^i -m» ninx IJDJ : D^3TV ^

j' ; it vat - ; i - v j •• t lt; t i* ;

wan an.^m i^air D^inn : WH'SK DHK nsDp1? ^ ♦ö nbfK tin) '3 ity 'D : niKigt;»'

intfn n^i ni3i rviii : nirv n3^3 D^ps ni^ = g' bna». i^v ffin nin» : oh] d^tk nipa« % (* .amsDn pa^oo jns ; innn riTin

1

De Portugeesche Israëlieten zeggen, kier lot slot de op het einde dezer Haphtara geciteerde verzen.

ocr page 254

HAPHTAROTH.

22 Doch hij (Israël) is een beroofd en uitgeplunderd volk, aanblazing van jongelingen zijn zij allen l), en in de kerkers verbergen zij zich; zij worden tot plundering, zonder dat iemand hen kan redden, tot berooving, en niemand zegt: «geef terug.quot;

23 Wie is onder u, die dit in zijn oor opneemt? die er naar luistert, 24het begrijpt voor de toekomst? Wie heeft ter plundering

Jakob gegeven en Israël den beroovers?—immers de Eeuwige, Hij, tegen Wien wij gezondigd hebben, — zij wilden immers niet in Zijne wegen gaan, zij luisterden immers niet naar Zijne 25 Leer! Toen stortte Hij over hem in ontbranding Zijn toorn en den meest machtigen strijd ; die omgaf hem rondom met vuurvlammen, zonder dat hij tot erkenning kwam ; en brandde in hem, doch hij nam het niet ter harte.

1 En nu — zoo zegt de Eeuwige, uw Schepper, Jakob, en uw Vormer, Israël: Vrees niet, want Ik verlos u, Ik heb u bij

2 uwen naam genoemd; Mij behoort gij. Zoo gij door de wateren trekt, ben Ik met u, en door stroomen — zij zullen u niet wegspoelen; indien gij gaat door een vuur, zult gij u niet

3 schroeien; en eene vlam, — zij zal u niet branden. Want Ik ben de Eeuwige, uw God, de Heilige van Israël, die u helpt; Ik geef tot losgeld voor u Egypte, Koesh en Sheba in uwe plaats.

4 Doordien gij kostbaar waart in Mijne oogen, geëerd waart en Ik u beminde, — zal Ik menschen geven in uwe plaats en

5 natiën voor uwe ziel. Vrees niet, want Ik ben met u, van het Oosten zal ik uw kroost huiswaarts brengen en van het

6 Westen u verzamelen. Ik zal zeggen tot het Noorden : geef ze hier! en tot het Zuiden : houd ze niet terug, breng Mijne zonen naar huis uit de verte en Mijne dochteren van het einde

7 der aarde. Alles, wat genoemd is met Mijn naam, en wat tot Mijne verheerlijking Ik heb geschapen. Ik heb gevormd en

8 ook voleindigd! Voer uit een blind volk — en oogen zijn er;

9 en dooven — en ooren hebben zij. Mogen alle volkeren gezamenlijk bijeen komen; en laten natiën zich maar vereenigen; wie is onder hen, die dit kan mededeelen ? laten zij ons vroegere [door hen gegeven voorspellingen] ten gehoore brengen ; laat hen getuigen geven en gerechtvaardigd worden, laten deze het

10 hooren en zeggen: ;;het is waarheid.quot; — Gij zijt Mijne getuigen, is het gezegde des Eeuwigen, en Mijn dienaar, dien Ik heb uitverkoren; opdat gij zult erkennen en Mij zult gelooven en zult begrijpen, dat Ik het ben ; vóór Mij werd geen God gevormd en na Mij zal er ook geen zijn.

{De Portugeesche Israëlieten lezen tot slot der HaplUara de volgende verzen:

•Jes. 61,10. Jubelen wil ik in den Eeuwige, mijne ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij doen aantrekken kleederen van heil,

123

ocr page 255

rviwo muön aap

♦naai D-b bnina nan nrroy Kim «

at : t t : jquot; x t r \ • r - *•• t t : -» t ;

?w DD3 »0 : at^n noK-pNi nst^o b^n rw hb vn«

• -••-:r v,quot; t r t Ir»: v,t • : •-!-•••: - t lt;t

•' quot;i'inNi? nxp3

x1?quot;! VD-nn mK-xbi Ü i:«L3n it nin» Nibn onn1?

j '• i t t t : * lt; t 1 s f quot;jt t at : j -: v,*: • ï

nonVö nr^i iön non vSp :iniin3ivD^«

at t : • v .quot;•••* - jt •• t^t i lt; : i t i : ^ ; it

: iri^ani N^I 2^DO in^n'^ni

^ iquot; j' t i : v ~ : * - tt j : • t •

KTn-^K^Nit^n-ivn apr n«*i2 nin^ lOK-na nnvi»

t * *% aquot; t : • i. | : v i ; i ^:i- •» | -; i- t : lt;- t i t :

?|nN D^aa : nnir^ »3=

nanVi nbn n1? mrisa tiöu^ nnnaai ♦jx

v.ttiv ; vt • •• '•.j0'quot; 1' i ^a : : • •» v. t : - • t

^ri^K nin» 'JK quot;2 : rjT^nn tibj nnp» : Tnnn snoi PID D»iso n-iSD mnr

4- : t :l squot;t v -: iquot; | iv : - ^t : j * - ; • i : : t • lt;-t

nnn D'a^i ^nnn dik rnxi ^♦nnnx ♦jni m233

~ J' i' \: i v ; - tt i «•• v : | a- :--: j- -: i- t :{,-:■

wsoinynr n-iTQD vu nnx-^ quot;

^ V.t^;i- • |*v ;- •*• t t: • • at ■'1^: • r ^.t • - | iv : -

vn wnn vn ;

maDbi ♦db'3 Kipin ïs : 'pttn nvpo quot;niani pirno»

V : * : * ; * jtI: • - « | vit t r* i: • ; i tiquot;

Q^l lÜJTD^ K^'in : vn^-e)Nt vrnv' vnx-jan O'étt1? IÖDK^ nn» iï2pj D'-ian-^ : lob D^TNI o^ini °

. • \ : itquot;: t ; - -• : I: • - t it -j-: t : ^ v.quot; :•quot;:

ip-iïn onny iin» nii'^KTi hnt rv ara ^

i T; •; v ..•7.. lt; : • • : - v. i* : ■'*- v t lt;•

quot;ikw nin'-DK? onx : nost noNn i^p^v Kin 'Jtra irini ^ lyoxni iVquot;tn ima

- t ; -•-li' • t : lt;• •-;!-: ^- ; .. j- . • :at t

: nvr k1? nnxi nïirK1?

iv: • j v--; i- : •• - ^

wnnn tosS pSsn Dipwsn i» i? niesn iins ■nr tjioin1? D^nson ïi»)

.miro Sinmn D'Scan

hamp;vbn *3 ribaz Vs: bin nin^ iriir

*' quot;: quot; ' * • : • lt;■ - (quot; • : - t t i- -»■ t s

') D. w. z.: Zwakke jongelingen jagen Imn door hunne scherpe woorden reeds schrik aan ; anderen ; men knevelt in holen hen allen.

ocr page 256

HAPHTAROTH.

den mantel der welwillendheid mij omgehangen, gelijk de bruidegom zich als priester het hoofd omwikkelt met den krans en gelijk de bruid met hare sfaatsiekleederen zich siert. Jes. 62,5. Want gelijk een jongeling zich eene maagd ten huwelijk neemt, zullen uwe zonen met u een huwelijksbond sluiten; en gelijk de bruidegom zich verblijdt over de bruid, zal uw God zich over u verblijden!)

HAPHTARA van NO ACH.

Jesaja 54,1—55,5.

1 Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; barst uit in gejuich, en galm uw blijdschap uit, gij, die nooit barensweëen hebt geleden; — want talrijker worden de kinderen der eenzame, dan de kinderen der gehuwde, is het gezegde des

2 Eeuwigen. Maak breed de plaatsruimte uwer tent, en de gordijnen uwer woningen spanne men verder uit, houd niet terug; maak lang uwe touwen en uwe pinnen maak sterk!

3Want rechts en links zult gij u uitbreiden; en uw kroost zal volkeren in bezit nemen en verwoeste steden zullen zij bewoond

4 maken. Vrees niet, want gij zult in uwe verwachting niet beschaamd worden; en schaam u niet, want gij zult niet schaamrood worden; want de schande uwer jeugd zult gij vergeten en den smaad van uw weduwschap zult gij niet meer

5 gedenken. Want die u tot vrouw neemt, is uw Maker, de Eeuwige Tsebaoth is Zijn naam, en uw verlosser is de Heilige

6 Israels, God der geheele aarde wordt Hij genoemd. Want als eene verlaten vrouw, die bekommerd is van geest, heeft de Eeuwige u geroepen; en, ,/vrouw der jongelingsjaren, zou zij

7ooit versmaad worden?!quot; zegt uw God. Gedurende een klein oogenblik heb Ik u verlaten, doch met groote barmhartigheid

8 zal Ik u verzamelen. In stormvloed van toorn heb Ik Mijn aangezicht één oogenblik voor u verborgen, doch in eeuwige genade ontferm Ik Mij over u, zegt uw Verlosser, de Eeuwige.

9 Want als Noachswateien is dit Mij, waaromtrent Ik gezworen heb, dat geen Noachswateren meer over de aarde zullen komen, — zóó heb Ik gezworen, niet te toornen op u, noch tegen u te

10 dreigen. Want mogen bergen wijken en heuvelen wankelen — doch Mijne genade zal van ü niet wijken en het verbond van Mijn vrede niet wankelen, zegt die Zich over u ontfermt, de Eeuwige.

Be Portugeesche Israëlieten eindigen hier.

11 Arme, stormgezweepte, niet getrooste ! Zie, Ik doe uwe stee-nen liggen in Poech') en maak u grondvesten van saffier;

12 En maak robijnen tot uwe vensters, en uwe poorten tot kar-

13bonkels, en geheel uw gebied tot edelgesteente. En al uwe

kinderen tot leerlingen des Eeuwigen; en groot is de vrede

124

ocr page 257

nwD mtasn isp

: n^3 myn nb33i mna w np-iï byn

t iv •• j';~ - — : •• ; !-•••-; 1 t t iv a1 t^t : Ktt : r ;

|nn Woi ^33 n^ina -ma

(: Tj^K Tj'S^

nj muan T'3 p'D nw'a

d^T»3 nVn-^V ^nyi nan 'nïö mS ab nipy * quot;T]

r - r t t i • -: r : lt;t • t att - vtIt^: j- t

DipD i ^mn : nin» iün n^i^n »330 nooity-^s 3

i- : •-••:- it : j- t ^ : r* : * -jt •• i quot; 1

^nn^D bnNin ^'^nn-^K ita» ^niis^p ni^nn ^n« vry* D*i2 ^quot;in pö^»3 : ^n j

♦aVsn-^N'! ^inn tfrs ;KTn_i?K : 13^1» nia^: on^ ^ ^♦nwaVK nsini ♦ni^n ♦s n^ann «b »3

idb' ni«3V nin» '2 : quot;i^nsin

nniT^ n^«3-»3 : p^n-^s ^Nt quot;ioK DKan »3 nnty: n^Ki nin» ^Ntnpj nn nsiy^. : D^'na ffonnm |üpT : ^'nSss1

^npnn dVijt ipnsi ^bp ♦:amp; -rinriDn e]Vp). «]V2f3n i3^o ^2^3 quot;IJ^K ^ nNT n: : nin^ Tj^a idk b : ^ 6^0 |3 pxri-^ n^'nrp

-a) T|n«p npni ni^ion ni^sani iBhtr bnnn : nin» Tpmo IOK Diön ♦öiW nn3i I^ID*

it : li- -: i- ; j- t t •• • : «• : t

.nmsson pa^oa jxa

^133 p3quot;ip pJN nan non: ab nn^b n^ ^ „ mpK n3quot;|3 'ntiw : on^p?31 p.

di^ 3*11 nin» mob n^3-^3i : rsn^pK1? ^ P

j : v.-: /st ; •»quot; * )\- t t : | v iquot; •gt;:quot;■; kquot; : t .

1

Een kostbaar metaalpoeder, dat hier dan als kalk dient.

ocr page 258

HAPHTAROTH.

14 uwer kinderen. Door gerechtigheid zult gij bevestigd worden; houd u verwijderd van vrees voor verdrukking, want gij hebt niet te vreezen, en van verschrikking, want zij zal u niet naderen.

15 Zie, laat hij vreezen !) alleen, die van Mij afwijkt; wie ooit bij

16 u verblijf hield, voegt zich bij u 3). — Zie, Ik heb geschapen den werkman, die het kolenvuur aanblaast en een voorwerp voortbrengt, voor het daarmee te verrichten werk geschikt;

17 en Ik heb ook geschapen den verderver om te vernielen. Elk wapentuig, dat tegen u gevormd wordt, zal geen geluk hebben en elke tong, die met u voor het gerecht komt, zult gij van schuld overtuigen! Dit is het erfdeel van de dienaren Gods en het loon, dat hun rechtens toekomt van Mij, —is het gezegde des Eeuwigen.

1 1 Op, allen, die dorstig zijt, gaat naar het water! en gij, die geen zilver hebt, — gaat, koopt in en eet; en gaat, koopt

2 zonder zilver en zonder koopprijs wijn en melk! Waarom weegt gij zilver toe voor wat geen brood is, en uw moeite-loon voor «^-verzadiging ? Wilt toch hooien naar Mij en geniet

3 het goede en laat zich aan vet verlustigen uwe ziel. Neigt uw oor en gaat tot Mij, luistert, opdat uw ziel leve; dan wil Ik voor u sluiten een eeuwig verbond: de David toegezegde ge-

4 nadebewijzen, de vertrouwbaren. Zie, tot getuige voor volkeren heb Ik hem gegeven, tot vorst en gebieder der volkeren!

5 Zie, een volk, dat gij niet kent, zult gij roepen, en een volk, dat u niet kent, zal tot u snellen; ter wille van den Eeuwige, uwen God, en voor den Heilige van Israël, daar Hij u glans heeft verleend!

HAPHTARA van LECH LECHA.

Jesaja 40,27—41,16.

27 Waarom zegt gij, Jakob, en spreekt gij, Israël: «Verborgen is mijn weg voor den Eeuwige en aan mijn God ontgaat mijn

28 recht.quot; Weet gij dan niet, of hebt gij niet gehoord : God der eeuwigheid is de Eeuwige, Schepper van de uiteinden der aarde; Hij wordt niet vermoeid, niet afgemat; niet te doorgron-

29 den is Zijn inzicht. Hij is het, die den vermoeide kracht geeft

30 en den onmachtige sterkte vermeerdert. En al worden dan afgemat jongelingen en vermoeien zij zich, en al struikelen ook

31 jonge mannen, — Doch die hopen op den Eeuwige, winnen telkens nieuwe krachten, zij heffen de vleugelen op, gelijk arenden ; zij loopen snel en vermoeien zich niet, zij gaan en worden niet afgemat.

1 Hoort zwijgend mij aan, gij eilanden, en volkeren mogen nieuwe krachten verwerven; laat hen naderkomen, dan kunnen zij spreken,

2 laat te zamen ons tot het voeren van rechtsgeding naderen. Wie heeft uit het Oosten hem opgewekt, dien gerechtigheid ontmoet

125

ocr page 259

m mitón nap

nnnaai : ^33^

r\m quot;ir»ü »ni«o dsn w Tia rn : vbx mpn-^b »310

KT- JT A- Iquot; ^ ^.-^v -it j l-quot;quot; ^ '''tquot;» '■quot;': 1 i j

N^ini ona trwa nsi ^n rsaK -p : 'jis^ t?^»0

j' tv j.. : - .. tt • jtt it lt;quot;l * i * | 'jquot; t

quot;)ïv : Van1? rvntfo ♦nxna djki quot;

lt;- • : t iquot; - ; v.' : quot; ^tt- r it ; _ aquot; i- : ^ ^ :

n^r tasks'? ^nK-Dipn rhv

karbs ♦in : nin^d«3 ♦nxo Dnjri;vi: nirr na); nbm« naty laVi tóKi ia1? eioa i^-pK IEW ia1?

: • j ; v:iv : * lt; : | v at ^ i iquot; jquot; -:i- *---- :

-«iba tprnbptfn ns1?: abni rquot; thü eiDrmbas

; | v v I: : t«t^ it t : Iv v.' : J '• Iquot; ■)quot; •

mè-ibpNi ^ioip i^üb' Nib? aD^^'! on1? ♦nni lym ^ mjtk itan : DD^SJ |^j3 p : o^own nn non d1?^ nna ba1? nnnnxi dditö:^

llt;quot; r t*.*:iv- t jquot;: quot; t ^ •»* ; vt lt;t ; : v : av : : -

'ia p : q^n1? nisoi quot;1^3 vrin:

ïjpbK nin» I^ÖV K^n

i it-: iquot; r vquot; t i •

^ quot;jV mtsan

-O jo'D n^a

nin'öbm mno: isnni 2pr SoKn nö1?»

t :iquot; • : - lt;t :^: • ^aquot; t: • v,quot; - : i -iquot; . - t*t

nybv K^-DK nyr NiSn : »tDö^a TISKDI n3

t : - t ^ t i ~t -: i y-:i- J' T^: * v: !•• ^

V}quot; ühï ah pKn niïp «Tto nin^ i obiy p^tf nüïy d^im ria wb rrt : iniinnS ipn rtlt;quot;

^ jt '.*r v,- Ir*; - a j^'t- Ir* i t • : • I •.\quot; l jquot;

nin» ♦ipi n1?^ oninai i^ri on^i IÖ^'I inan»1',

t : lt;quot;} : iquot; t • t ^ v.- i- at *: ^*t; gt; ^rr: . iv :quot; «7

N1?1! ^ N5?quot;) 1Ï1T Dn^33 -I3K HD

^ v ; i,# t • ■• : t a* t : - ^ ^jr - •*' -:i-

r« wv nb lö^rv D'-axbi isrnnn : is^«

•jt : * - a -•• -:r ^ \gt;' \ '• ' ' ~ quot; *'quot;- •quot; tT •

quot;inKip* piï nnrao ypn 'ü : nnnp: ÜÖ^D1? quot;nn* iiiT^

■quot;• ti; • i '.\v t: • • • •• lt;• titi: • jt : ' - \.t : - •• -;

') Anderen: Zie, men rot te zamen, doch — buiten Mij om; n. a. laat samenrotten, — van Mij uit wordt het tot niet.

') Anderen: wie rot tegen u samen ? aan u gaat hij te gronde.

ocr page 260

HAPHTAROÏH.

op ieder van zijne schreden; Hij geeft vdór hem volkeren en koningen doet Hij hem beheerschen; Hij maakt ieders

3 zwaard als stof, als voortgedreven stoppelen ieders boog. Hij vervolgt ze, trekt voort in vrede een pad, waar hij met

4 zijne voeten nooit was gekomen. Wie heeft het bewerkt en volbracht ? Die de geslachten roept van het eerste begin; Ik, de Eeuwige, ben de eerste, en bij de laatsten ben Ik het

5 nog! Eilanden zagen het en zij vreesden, de uiteinden der

6 aarde beefden; daar treden zij nader en komen zij aan. De een helpt zijn naaste en tot zijn broeder zegt hij: wees

7 sterk! Zoo doet sterk zijn de werkman den goudsmelter; hij, die met den hamer polijst, hem, die op het aanbeeld klopt; hij zegt van de verbinding : „zij is goedquot;; zoo maakt hij net

8 sterk met nagels, dat het niet wankelt. En gij, Israël, Mijn dienaar, Jakob, dien Ik heb uitverkoren, kroost van Abraham,

9die Mij beminde; Gij, dien ik gegrepen heb van de uiteinden der aarde en dien Ik uit hare verwijderde hoeken geroepen heb, en tot wien Ik gesproken heb: ,/gij zijt Mijn dienaar. Ik

10 heb u uitverkoren en veracht u nietquot;, — Vrees niet, want Ik ben met u; kijk niet angstig rond, want Ik ben uw God; Ik maak u krachtig, ook help Ik u, ook steun Ik u met de rech-

11 terhand Mijner rechtvaardigheid. Zie, beschaamd en schaamrood zullen zij worden, allen, die tegen u in toorn ontbrand zijn; als niets zullen zij zijn en ondergaan, de mannen, die u

12 bestrijden. Gij zult ze zoeken, doch ze niet vinden, de mannen, die u bevechten; als niets en als nietbestaand zullen zijn de

13 mannen, die u beoorloogen. Want Ik ben de Eeuwige, uw God, die uwe rechterhand vastgrijp; die tot u zeg : vrees niet,

14 Ik help u! Vrees dan niet, wormpje Jakob, groepje mannen van Israël; Ik help u, is het gezegde des Eeuwigen, en uw

15 Verlosser is de Heilige van Israël 1 Zie, Ik maak u tot een dorschwagen, gescherpt, nieuw, met dubbelsnijdende scherpe kanten; gij zult bergen dorschen en fijn maken, en heuvelen

16 doen worden als kaf. Gij zult ze wannen en de wind zal ze opnemen en dezen zal storm verstrooien; doch gij zult jubelen in den Eeuwige, in den Heilige van Israël u beroemen!

HAPHTARA van WAJJÉRA.

II Koningen 4,1—37.

1 En eene vrouw van de vrouwen der profetenleerlingen richtte zich smeekend tot Eliesha', zeggende: «Uw dienaar, mijn man, is gestorven; en gij weet, dat uw dienaar den Eeuwige vreesde; nu echter komt de schuldeischer mijne twee kinderen zich tot

2 slaven nemen.quot; Toen zeide Eliesha' tot haan wWat zal ik voor u doen? Deel mij mede, wat gij in huis hebt.quot; En zij zeide: «Uwe dienares heeft niets in huis, dan een zalvingskruikje olie.quot;

126

ocr page 261

'p niDön tap

linn rn» iy b^ vjö1? rn» ibanV

ij-; :- t iv i lt;•• • ; :- j-t ; lt;t t : iquot;* a: -:

: «13^ ^ vbna m« oibty döit : imp

it j -: 'j at •* -;i- v,quot; ï : * . * :j

-nKi fiibtn nin» c'xnn ninin Nip ni^n tyèrn ^ nin* rixn niïp bquot;N ik*i : Nirr^w D^'inMquot;

atviiv i 'at t j): t • : * • lt; t i —: v.' ~: •quot;

: prn ion* vnxbi lirv! in^rnx wtt : jrn^i innp; 10K D^a nVin-jiK p^no e]irnN i^nn \xny nnNi: ÜID* N'1? onoooa mpTnn inn ait: pybn

j.. t : • t - : i • j i.* : : - ; i rquot;. ~ ' .v vquot;

: nnK nn-jnsï ^nr ^rnna ni^Nt 3^ hdj? D -^agYnato^ntnp n^^'Noi pwn nixpp ^npinn -bs4 «w1?» : ^prtwo k^i nnts1

?]»ri?on-^ jrmn

T'kd vn» -13 onnan b'2 ^y) W3* rn : ♦pnï vwz *

l • 4- : J ; r )at j••.•:!•.• - v, ^ : jt • r ••!«•• Ir : • i r •

T|^nïö ^2« DNïpn N^I Dtfpsn : 113^1:

rpr6K nin» quot;i : ^pnVp ^;n döksi 1^3 rn; • 'KTrrVtf : ^rnr^ NTn'bx ^ na^n ?|:;p* pnnp-iri-jp nin'-DN: ^n-iT^ ' 'no ip^n^Vin e

Bgt;nn ni^a ^3 t^nn pnn jnia1? nan : bxyp* 1= ~o nn^pi DN'^ri nni bi?n : Dv^n ^33 ni^sai p'nni ann » ^ : bbnnn Vkïb» trinp3 nin^ ^an nn^i ont* psn

it • ; * vquot; t : • j) : ' t i~ •*• t t quot; ; at | •» t

NTI muön 'i [cd '3 D'aSoa

-iöNb vamp;bvrbx np^s D^»33n-»33 nnx n^Ki8 ^ kt n;n »3 rn^V nnsi no V'N : dhdj/? ^ nnp1? N3 n^nrri nin^ns^

hb-w-nn ^ n^n Ti^-n^K no ^♦Sn n^x no^i3 r1

Ht v - • -»• - )t v ~:r.' -*t t • v: t lt;v •• v

: JOB' TjipK'DN quot;3 n»33^3 ^nna^ f'N quot;lONni n*33

l* ' X*

ocr page 262

HAPHÏA.ROTH.

3Toen zeide hij: «Ga, leen u vaatwerk van buiten, van al uwe buren, leege voorwerpen, laat het niet weinig zijn!

4 Als gij dan te huis komt, zult gij de deur sluiten achter u en uwe kinderen en gieten ia al deze voorwerpen; en wat

5 vol is, zult gij op zijde zetten.quot; Zij ging van hem weg en sloot de deur achter zich en hare kinderen; dezen brachten haar

6 [vaatwerk] aan en zij goot in. Nu was het: toen de voorwerpen vol waren, zeide zij tot haar zoon : «Breng mij nog een voorwerp,quot; doch hij zeide tot haar: «Er is geen voor-

7 werp meerquot; ; toen kwam de olie tot staan. Zij kwam en deelde het den man Gods mede, en hij zeide: «Ga, verkoop de olie en betaal uwe schuld; en gij en uwe kinderen zult leven van

8 het overblijvende.quot; Nu was het op zekeren dag, dat Eliesha' [het land] doortrok naar Shoeném ; en daar was eene voorname vrouw en deze hield bij hem aan om spijze te genieten; nu was het, telkens als hij [de stad] doorkwam, stapte hij daar af, om

9 spijs te nuttigen. Nu zeide zij tot haar man: «Zie toch, ik weet, dat het een heilige man Gods is, die steeds bij ons

10 doortrekt! Laat ons toch een klein gemetseld boven vertrekje inrichten en daar voor hem neerzetten een bed en een tafel en een stoel en een lamp; dan zal het zijn, wanneer hij tot

11 ons komt, zal hij daar zijn intrek nemen!quot; Nu was het op zekeren dag, dat hij daarheen kwam; toen nam hij zijn intrek

12 in het bovenvertrek en legde zich daar te slapen. Toen zeide hij tot Géchazie, zijn jongen dienaar: «Roep deze Shoenam-

13 mietische.quot; Hij riep haar en zij stond vóór hem. Nu zeide hij tot hem: «Zeg toch tot haar; zie, gij hebt voor ons zoo angstvallig al deze zorg gedragen; wat is er ten uwen behoeve te doen? Is er voor u te spreken tot den koning of tot den legerbevelhebber?quot; Zij echter zeide: «Te midden van mijn

14 volk leef ik !quot; Toen zeide hij : «Doch wat voor haar te doen ?quot; Nu zeide Géchazie: «Voorwaar, zij heeft geen zoon, en haar

15man is oud!quot; Hierop zeide hij: «Roep haar!quot; En hij riep

16 haar en zij bleef staan in de deur. Toen zeide hij : «Op dezen bepaalden tijd, als op dezen tijd, wanneer hij weer opleeft, omarmt gij een zoon.quot; Doch zij zeide: «Niet toch, mijn heer, man Gods! Wek bij uwe dienares geene bedriegelijke ver-

17 wachting op!quot; Doch de vrouw werd zwanger en baarde een zoon op dien bepaalden tijd, op dien tijd, toen hij weer op-

18 leefde, dien Eliesha' tot haar uitgesproken had. Het kind werd groot; nu was het op zekeren dag, dat hij uitging naar

19 zijn vader bij de maaiers. Toen zeide hij tot zijn vader: «Mijn hoofd! ach! mijn hoofd!quot; Deze zeide tot den jongen

20bediende: «Draag hem tot zijne moeder!quot; Hij droeg hem en bracht hem tot zijne moeder; en hij zat op hare knieën tot

21 den middag, — toen stierf hij. Toen bracht zij hem naar boven en legde hem op het bed van den man Gods;

127

ocr page 263

KTi muan TDp

nxö pnn-fp b^a pquot;? lo^v ^♦h quot;iy.ai n^n nnaoi : wypn-bx D^iquot;» f ipiNö ^ni ; Tpn N^ani nbxn D^arr1?^ b% ripvnquot; «'ni n^ts D'^ö on n^a rnj^a nb'in iapni a ybx nty^n n33_i?K lüKni o^sn nxboa i : np^b1 ^

j. ,. t • - t : v v lt; - • .. - -• : • j* :- Ivit

Nirti : TÜIÏTI TD^I ^3 11^ m n^a ION»! ^3 niv » r_

t - » v it - v, ~:i— • av^ ^v. » gt;•• t v v j - • v ^

|ü^rrnK nsp bV lOK'i d^^nh narn.

y^K^'ioi'nw :-ini33 ^nn *y:T nNi^rnK» ^

jt ^ v: s .r- quot; •:- it - *.•;•• : • - t ^ ;-- ; ;aquot;: • . ^

no ♦nn Dny^DNb 13-pTnm otyi oiiBr-SK ^

-••• • • ;- vat t v: iv^ v. i ^v-: i- - t ; -«t • t : •• ••• «:

tw-nsn ntbwbx iQKni : on^-^K1? nDamp; no* insy* fi

•«t •• * t ■ V v - v it t v; iv t VT ƒ.. t : ^t

TTE^: nwn «in ^npT D^nbK »3 ^T' -^

muoi «D3i rn^'i ntao oir iS D^at nkp Vp-n^v w

at ; -••••: ht ;\ ; jt • -jt j • t ; t -1: | • - • t. lt;t

nD4quot;) hdb' K3»i Di»n : nat^ iid» 1^33 n»ni ^

-rr- t at ■,tquot;. vquot; -»' : ~ ^ t^it jt iquot; •• ^ : -jtt :

N*ip li^nrrr^N Wi: nat^ 33^1 n^rr1?» ^

^ •'•quot;csji quot; vtl: ^:i' •*' •: ••• v v - tit gt;- ; •■ vt-^it

n^K Knox i1? quot;)ON»i : VJÖ1? lo^m nl?-Nquot;ip»i n^n ^

t v •• jt t v:^ v ■»- itt : ^^-:i-- t tI ; • - a-

•n1? no hN?n rmnn-V3-nN lySk min nan

i t -■ ^rr vlt; - ^t t -: 1- t v^ •• : : j- t •• •

-lin3 laah) N3^n IK 'nbsrrbN -ib-D-iV

Ij: v - att - -•- v v !'•• '• - ••• it v -: lt;••-:

m quot;ionquot;! rh noi idn'H ; n3t5'» »33« quot;'W'

. -. ,.. j - at ■• -iquot; vv v - v it j' it v*

nV^ipn n^-Nip quot;idnquot;i : fpr f3 bm™

# t Tl:/- at tl v v~ .M|quot;t ^t • ; ^t I iquot; Ir* -jt-:

'ns? n:»n n^3 nrn npioS nöK»i : nn33 wnv» 'f

. v- t . r-t v - 1quot; -•gt;•■quot;, quot; it quot; gt;■ * quot; -

: nnn3^3 3Dn-l?K dtdkh wh ♦jik-Vn lOKni ?3 np3n ^

i iv t : • ; : - % * v: it •*' -: - v -\ a- i v-»v

-i3Tquot;)^N n»n n^3 n-Tn ?3 nVni ntrKn -nm ^

J.. . ... -j t - *Zi-r v - - i aquot; v — - vt • it - -

-VK VSK-VN Nï'i.Di'n ™ -i^n n^N ^

SoK'i 1 vsn-VN noK'i : ony^n ^ n'3quot;)3-i?^ 3^*1 ISN-^n in«»3^ inN^i : ISN-VK IHK^ =

t •)*.* : • vsquot;- a • v vquot; * : . quot;^t •- i • v vquot;t

D'ri^n wx nao-1?^ iniwtfm : no»i onnvmr «

a* v: it j* v* * ----it- 'v-'flt -

ocr page 264

HAPHTAROTH.

22 en sloot de deur achter hem en ging naar buiten. Zij liet haren man roepen en zeide: „Zend mij toch een der bedienden en eene der ezelinnen, opdat ik spoedig tot den man Gods ga

23en terugkeere!quot; Hij echter zeide; «Waarom gaat gij heden tot hem? Het is immers geen Nieuwemaansdag noch Shab-bath !quot; Doch zij zeide : «Alles is wel!quot;

De Portugeesche Israëlieten eindigen hier.

24 Zij zadelde de ezelin en zeide tot haren bediende: «Drijf [het rijdier] steeds aan; houd mij niet terug in het rijden,

25 tenzij ik het u zeg.quot; Zij ging dus en kwam tot den man Gods naar den berg Karmel; en het was: toen de man Gods haar zag van verre, zeide hij tot Géchazie, zijn die-

26 naar: «Ziedaar, deze Shoenammietische! Welnu, loop haar toch spoedig tegemoet en zeg tot haar: «Is er welstand bij u, welstand bij uwen man, welstand bij het kind ?quot;

27 cn zij zeide: «Alles is wel!quot; Toen zij nu kwam tot den man Gods bij den berg, omvatte zij zijne voeten; nu naderde Géchazie om haar terug te stooten, doch de man Gods zeide: «Laat haar gaan, want hare ziel is haar bitter ; doch de Eeuwige heeft het voor mij verborgen en het mij niet mede-

28gedeeld!quot; Nu zeide zij: «Heb ik gevraagd een zoon van mijn heer? heb ik niet gezegd: «doe mij niet bedrogen uitkomen ! ?quot;

29 Hierop zeide hij tot Géchazie : «Omgord uwe lendenen en neem mijnen stok in uwe hand en ga heen; zoo gij iemand ontmoet, zult gij hem niet met «God zegene uquot; begroeten, en indien iemand u groet, zult gij hem niet antwoorden ; en leg mijn

30 stok op het gelaat van den knaapquot;. Nu zeide de moeder van den knaap : «Zoowaar God leeft en bij het leven uwer ziel, dat ik u niet verlaten zal!quot; Toen stond hij op en ging haar

31 achterna. Géchazie was vóór hen weggegaan, en had den stok gelegd op het gelaat van den knaap, doch geen geluid, noch eenig gehoor; hij keerde dus terug hem tegemoet en deelde hem mede, zeggende: «De knaap is niet ontwaakt.quot;

32Eliesha' kwam nu in het huis, en zie, de knaap was dood,

33 gelegd op zijn bed. Hij ging binnen en sloot de deur achter

34 hen beiden en bad tot den Eeuwige. Toen klom hij [op het bed] en legde zich op het kind, hij bracht zijn mond op diens mond en zijne oogen op diens oogen en zijne handen op diens handen en strekte zich over hem uit; toen werd warm het

35 lichaam van het kind. Nu ging hij wederom in het huis eenmaal hierheen en eenmaal daarheen, en klom weder naar boven en strekte zich over hem uit; toen nieste de knaap tot zeven

36 malen toe en opende de knaap zijne oogen. Nu riep hij Géchazie en zeide: «Roep deze Shoenammietischequot;; hij riep haar

128

17

ocr page 265

™an nap

to nn^ : «ïri\ in^ iapni^

Dvibttn ^K-T^ nvriKi nij'nKn nnMi Dnj;3rr|p to ^ ^ Dttiv^K W?n *nK $yi6 io^;i : nnityxi.« ^

: DiVtr quot;lötfm nzir E

• T v, - AT - - : -T^;

.Dmaon po^oo jja ^

-jSi yn: nyjb^t innn) p'hNn quot;

p^Nn^K-^Ntóm^rii : r[S WDN'DK »3 ain^ nD^injap nniN D^ri^n-^^ niNia vi^i bD^n nn-^N nn^^b Krpn nn^ : rbn n^sai^n nsn nn^r^K ^

nb$ Di^n ^♦K'? DI^H TjS oib^n' nfinw v^na pjTnrii quot;inn-bx bflVNtn «'♦K-^N tórn. ; DI^S » n^ar-'5 nynsin D^n'bNn tr^'SötA'i.nö'Tn^ nn^

Tin üj] ♦aóp nfnno^

'fn^1? iü^*5 : ^ nWnüh thük nVh »jiti hkd jaquot; *b vK-wnn »3 rjTa wvèn npi ^ino ian ♦JÖ-^ wpm r\m] isj^n üb isinari

^k-dn *\vpr™ nin»-»n i^in dk VöKrii' ; -i^Jnv D^I DH^-QJ; firn : nnnx a^i ^ p'yA idn^ ^ |wquot;

mn) nn^n ^ ah ïnxh*

orr^-tys n^n -iapo nib ^

vr^ va quot;dmnbjn-^nsw]byhT; nin^N Sbsnn^

5 ^ 1*1.vfi??vaTV/iw •£ nna»5 S^i nan nn*n han nnx nèa ^ afW? ; vr^;n« n^an n^a»! D^Ö ^ajfn^ ^ari inirfiquot; quot;

tvquot; TI:*quot; * ^

\ • ti. . •-: !•• v JTI; • -

ocr page 266

HAPHTAROTH.

en zij kwam bij hem; toen zeide hij; «Neem uw zoon 37 op!quot; Nu kwam zij en viel voor zijne voeten en wierp zich neder ter aarde; toen nam zij haren zoon op en ging naar buiten.

HAPHTARA van CHAJJÉ SARA.

I Koningen 1,1—31.

1 En de koning David was oud geworden, hoog bejaard; men bedekte hem met kleederen, doch hij werd niet warm.

2 Nu zeiden zijne dienaren tot hem : «Men zoeke voor mijn heer, den koning, eene jeugdige maagd, laat zij staan ten dienste van den koning en zij zij hem verpleegster; en zij zal liggen aan uwen

3 boezem, dan zal mijn heer, de koning, warm worden.quot; Zij zochten nu een schoon meisje in het geheele gebied van Israël en vonden Abieshag, de Shoenammietische, en brachten haar tot

4 den koning. En het meisje was bijzonder schoon; zij diende den koning tot verpleegster en bediende hem, doch de koning

5 woonde haar niet bij. En Adonija, de zoon van Chaggieth, gedroeg zich trotsch, zeggende: ,/Ik zal koning wordenquot;; en hij schafte zich wagens en ruiters aan en vijftig man, die vóór

6 hem uit liepen. Nooit in al zijne levensdagen had zijn vader hem een verwijt gemaakt, zeggende: „waarom hebt gij dit of dat gedaanquot;; ook was hij zeer schoon van gestalte; en hem had

7 zij [zijne moeder] gebaard na Abshalom. Zijne beraadslagingen hadden plaats met Joab, den zoon van Tseroeja, en met Eb-jathar, den priester; en zij stonden bij en volgden Adonija.

8 Doch de priester Tsadok en Benajahoe, de zoon van Jehojada', en de profeet Nathan en Shim'ie en Ré'ie en de helden, die

9 David had, steunden Adonijahoe niet. Nu slachtte Adonijahoe kleinvee en runderen en mestvee bij den steen Zochéleth, die bij de bron Rogél is, en hij noodigde al zijne broeders, de zonen des konings, en alle mannen van Juda, de dienaren des

10 konings. Doch den profeet Nathan en Benajahoe en de helden

11 en zijnen broeder Salomo noodigde hij niet. Nu zeide Nathan tot Bath-Shéba', de moeder van Salomo, zeggende: „Hebt gij niet gehoord, dat Adonijahoe, de zoon van Chaggieth, koning

12is geworden? doch onze heer David weet het niet. Welnu, ga, — zoo ik u toch een raad mocht geven, — en red uw 13 leven en het leven van uwen zoon Salomo. Ga en kom tot den koning David en zeg tot hem: «Hebt gij, mijn heer, o koning, niet uwe dienstmaagd toegezworen, zeggende: ti— dat uw zoon Salomo na mij koning zal zijn en hij zal zitten op mijn troonquot;; en waarom is dan Adonijahoe koning gewor-14den?quot; Zie, terwijl gij daar dan nog met den koning spreekt.

129

ocr page 267

«in muan i3Dp

S'sm kam : -\te V^NÏ ^nnv^

t : quot; quot; -* ' quot; t - |iquot;: r ; lt;. - at •• t -

: Kvrn n:mN nmx

iquot; •• - v.t : v jt ' ~ t :at v~ :

mtr «n müfin a jo'D a D^Sös

: ib Dn» KSI inèan K3 iri ^snv^ n^nn nn^j^bsn \iixh w$y vn^ib npK»! = on1) ^frrn njio iV^nm -jban ysh nnp^i bKii^ SD3 na» mp Wpnn : ^an ^-IN^

aquot; t : • -• : ^ ; tt -ir^—.i- I: ~ :^~ ) v iv - y i-

m^ani : -nVab nnK iN34i n^:^n it^ïD4i1

VT^rr - : )v iv - rr-^ ^ ' ' J ' ~ ^ ' quot; v : : •quot;

: njrr N7 Ti^Dm inhn^ni naao -ibab ♦nm nNa-iv na»

Tt t : j i v V.V - : •• -:^t : - v v ) v lt;v - • ; - a : *• -«t t

3Dquot;i 6 rj^OK ^s4 iDN1? K'^no n^n-p rrritfiquot;

^ v vlt; -j- I a : v -•• -: v. •* -»quot;-:• •)• - I v st* i -: r

VD40 V2N ; Vifi5? D^n WH D^Dni D^-lfiV

tt • . *' ■gt;t 1 : it t : J' t v.* r • -!!- t-'t

inxi 1^0 quot;iNrraiü KIH-DJI naa vno -iDK1?

j : ^ : - 1 * ~ : t a* t t-^t ' K '

d^i nnnrp zhv vim vn*i : di^dk nnx m^»

^'V r 'P VP JT tt : - ;r- it;- jquot;-: i- vt:it

rrün pi-iïi : rmK nnx rnan

tt : i •• - i ■4 t : it* i-: ^quot;quot;ïiquot;^ : ia- - -«tt : v

nnb quot;1^« Dnia-ni ynw K^an Tn:i yTin^-p

at: .*quot;•• quot;ï^ ' quot; : quot;: ^* : • : • t- i «tt ; ^ tt i : i v

«noi ipai ?nï in»:n« nan : in^'-iN-oy vn n1? °

*lt; ^ • ; i t t 1 lt; t * -; j-:. - it. , -. v t

ya vnïrba-ni^ï *npn bih Vïn-ie'n nVnin fast in^aiN'aanmrnNi :^Dnna^nnn» ♦trjN-baVi nban1

tt : • t - i t t v :i |v iv - jquot;: j.t : jquot; : - r : ) v v -

'ba ?h: naxn : Nip x1? vnK nb^-nsn aniarrnNi ^

v i t t v j- .,t't j t . j. ''y '•' '' •)• • quot; v :i

in^nN n^D »3 n^aty NiVn IQN1? nbVtrDN ra^na

jt ' i -J kquot; t j' : ' ~ t j -: •• : ,•• ^ - lt;v

nyy x: ob nn^i : yr in i:»inNi nma*

at •• v.t hquot;*t^ r r : t^5*; itt j *•'t . -'quot; quot;:iquot; ^a-- i v

1 »Kai 61? : no1?^ quot;jia t^arnNn ^arnN ^01 ^ nyatf: nbón anx nnx-xbn V^N niDNi in nVan

t : lt;~ : • )v v - .j• quot;» t - ^ 1 t •• : :lt;- t : ^t ) •••-••.•-

-ty a^» xmi nnx nba'1 n:a nobty-^a ibnh nnatsj1?

•quot;• •• ^ r i-» ; • : lt; ; r •• | : it -: r

■nbsn-D^ Dtr mana Tiiy nan : in^iN nba vnai ^oa ^

|v av - vt vjv -: i -jt •• • it • i -: |j- t ^ - a* ; •

ocr page 268

HAPHTAROTH.

15 zal ik u achterna komen en uwe woorden aanvullen.quot; Nakwam Bath-Shéba' tot den koning in het binnenvertrek, en de koning was zeer oud, en Abieshag, de Shoenammietische, bediende den

16 koning. Nu boog zich Bath-Shéba' en wierp zich neder voor den

17 koning; en de koning zeide: «Wat is u?quot; Hierop zeide zij tot hem: «Mijn heer! Gij hebt bij den Eeuwige, uwen God, uw dienstmaagd toegezworen: „— dat uw zoon Salomo koning zal zijn na

18 mij en hij zal zitten op mijn troonquot;; — Welnu, zie, Adonija is thans koning; welnu, mijn heer, o koning, gij weet het

19 niet. — Hij slachtte stieren en mest- en kleinvee in menigte en noodigde alle zonen des konings en Ebjathar, den priester, en Joab, den legeroverste; doch uwen dienaar Salomo noodigde

20hij niet. En gij, mijn heer, o koning! de oogen van geheel Israël zijn op u gericht, om hun mede te deelen, wie op den

21 troon van mijn heer, den koning, zal zitten na hem. Nu zal het zijn ; wanneer mijn heer, de koning, zal liggen bij zijne vaderen, dan zal ik en mijn zoon Salomo als misdadigers be-

22 schouwd wordenquot;. En zie, nog sprak zij met den koning, en

23 de profeet Nathan kwam. Nu deelde men den koning mede, zeggende : «Zie, daar is de profeet Nathanquot; ; hij kwam nu vóór den koning en wierp zich voor den koning op zijn aangezicht

24 ter aarde. Ea Nathan zeide: «Mijn heer en koning! Gij hebt zeker gezegd: ,/Adonijahoe zal na mij koning zijn en hij zal

25 op mijn troon zittenquot;; — Want hij is heden afgedaald en heeft geslacht stieren en mest- en kleinvee in menigte en noodigde alle zonen des konings en de bevelhebbers des legers en Ebjathar, den priester, en zie, zij eten en drinken vóór hem

26 en zeiden : Leve koning Adonijahoe I Doch mij, uwen dienaar, en Tsadok, den priester, en Benajahoe, den zoon van Jehojada',

27 en uwen dienaar Salomo heeft hij niet genoodigd. Zou van wege mijnen heer en koning deze zaak zijn geschied ? Zoudt gij uwen dienaar niet hebben bekend gemaakt, wie op den

28 troon van mijnen heer en koning zal zitten na hem ?quot; Toen antwoordde de koning David en zeide : ,/Roept mij Bath-Shéba'

29 deze kwam vóór den koning en stond vóór den koning. Toen deed de koning een eed en zeide: «Zoo waar God leeft, die

30 mijne ziel bevrijd heeft uit eiken nood, — Dat, zooals ik u toegezworen heb bij den Eeuwige, God van Israël, zeggende:

dat Salomo, uw zoon, koning zal zijn na mij en hij zal zitten op mijn troon in mijne plaats,quot; — dat ik zoo dezen dag

31 zal doen!quot; Toen boog Bath Shéba' het gelaat ter aarde en wierp zich voor den koning neder; en zeide: //Leve mijn heer, de koning David, in eeuwigheid!quot;

130

ocr page 269

mp «n nit^ön Vp

torn : ^n^rnK ♦mböi Tj^nK nün ^kvd nn^anéj^V^nijü l^^ani nn-inn ^srr^N ^an nDN'i ^s^nn^ni p^-na i|5ni : ^sn-nN« ^ribsi niira nm 'I-ins i1? naxni : Tj^-no ^ : yamp;\ Nini nnx Tjbp» ^naxS

nar»! : nyT üb quot;nbsn ^iti nnyi H^'-IN nsn nn^ini

. • ^ t ; itt ^ i.quot; -»• -: ot^-: )att ^t- i-: jquot; • t * : bi

jn'an ^an'jrbD1? snp'i a^fkvrNnanif 'hk nriNi : *nj-5 ah ^12% n^ïh aKi^i =

ND3_i?^ p on1? n^nb quot;]^ ^ Tj^an

vnnx-D^ ^an-^nN apira n'^ni vnnx Tj^sn-^-iK^ nisna nrriy nsm ; D»Nan nab^ ♦n^ni»

|n: nan ibnh ^ab : K3 x^sn in:1) ^ban-D^« : nïiN vök-1?^ ^aV inn^n ^an \:sh K^sn nns4 nba* in^nw maK nnx TiVan 'iisj rn: na^i ^

at-: r )-• : • *.t'p,quot;:p t : quot; t -quot;t - |v v - j- -: i t t

quot;Kna!i nan Di»n it 1 ^ : wprb# Kinv3 frian kiïn n^i ^ban 'gt;1 : inn-|K -jban ♦n» na^i vjö1? D^aK Mm « ^a^ na^^i ^Tim-ja in^aS. fn'an pn^i ^nar^K ab] mn nann n»n: ^an ^n« hxa dn : KnpT Kb« •' vnnsï ^an-^-iN NDa-^j; a^» rp -jna^-nx n^nin yab kani ^aj^-naS ^-iN^p la^i nn Tjban ^«1 n3 -quot;iB'N nin^-'n iaN»i ^ban ^a^n.: ^an la^ni ^ban »3 njn^a Tj1quot;? ♦n^a^^n^Ka ^a : nrrbaa ♦parnK nns ^ mbv, Kinquot;) nnK TjVa* ^a naV^^a ibvh d^sn ya^-na npni. : ntn Di^n n'^K |a »a ♦jnnri ^pa ^ : q^1? V\ ^a^ inntyni. pist

ocr page 270

HAPHTARA van TOLEDOTH.

Mal-achie 1,1—14 en 2,1—7.

1 Strafverkondiging, het woord des Eeuwigen aan Israël, door

2 de hand van Mal-achie. Ik heb u bemind, zegt de Eeuwige; doch gij spreekt: ^waarmede hebt Gij ons liefde betoond ?quot; Maar is dan niet 'Esau broeder van Jakob ? — en toch beminde

3 ik Jakob; Doch 'Esau haatte ik; en maakte zijne bergen tot woestenij en zijn erfdeel [tot prooi] voor woestijngedrochten.

4 Wanneer Edom spreekt: «wel zijn wij verarmd, maar wij zullen wederom opbouwen verwoestingen,quot; — zóó zegt de Eeuwige Tsebaoth: Als zij opbouwen, zal Ik omverhalen; en men zal hen noemen: gebied der misdadigheid, en; het volk,

5 dat de Eeuwige slaat met Zijn toorn — tot in eeuwigheid. En uwe oogen zullen het zien; dan zult gij zeggen: «Groot is de

6 Eeuwige,quot; ver over de grenzen van Israël. Een zoon eert zijnen vader, en een slaaf zijnen heer; welnu, indien Ik vader ben, — waar is de eerbied voor Mij ? indien Ik heer ben, — waar is het Mij vreezen ? — zegt de Eeuwige Tsebaoth, tot u, priesters, verachters van Mijn naam. Doch gij zegt: «Waarin hebben

7 wij Uwen naam veracht ?quot; Gij, die brengt op Mijn altaar bezoedelde spijze, — en zegt dan nog: waarmede hebben wij U smadelijk behandeld ? — Doordien gij zegt; «De tafel des

8 Eeuwigen — veracht is zij !quot; En wanneer gij het blinde brengt om te offeren, is dat niets kwaads; en zoo gij een lamme of zieke brengt, is dat geen kwaad! Brengt het toch tot uwen pacha, of hij u welgevallig zal zijn of uw persoon ontzien ? zegt de

9 Eeuwige Tsebaoth. En nu : «Bidt toch voor het aangezicht Gods, dat Hij ons genadig zijquot;, — doch als uit uwe hand dit geschiedt, zoude Hij dan het aangezicht van één uwer ontzien ? zegt de

10 Eeuwige Tsebaoth. Ware er toch een, ook zelfs onder u, die sluiten zou de deuren, opdat gij Mijn altaar niet doet lichten te vergeefs ! Ik heb geen behagen in u, zegt de Eeuwige Tsebaoth, en een huidegeschenk neem Ik niet welgevallig uit uwe hand.

11 Want van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat is Mijn naam groot onder de volkeren; en op elke plaats laat men in rook opgaan, worden offers gebracht voor Mijn naam ; — reine geschenken! Want groot is Mijn naam onder de volkeren,

12 zegt de Eeuwige Tsebaoth. Doch gij ontwijdt hem, doordien gij zegt: «De tafel des Heeren is bezoedeld, en zijne vrucht —

13 verachtelijk is zijn eten !quot; En gij zegt bij het brengen van uw offer: «Zie, welk een last!quot; en gij blaast het aan, zegt de Eeuwige Tsebaoth; en gij brengt wat geroofd is en het lamme en het zieke, en zoo brengt gij het geschenk! Zou Ik het

14 welgevallig aannemen uit uwe hand ? zegt de Eeuwige. Neen — vervloekt de bedrieger, die in zijne kudde een krachtig mannelijk dier heeft, en die eene gelofte doet — en offert een verdorven voor. den Heer! Want een groot Koning ben Ik,

131

ocr page 271

nriVin nnusn vhp

'N JO^ ,3NI7DD 'IVV 'ma

ODnx 'nnnx : 'Dxbü T3 ninnai Hamp;Ü»

v : v • ; lt;- t r t : - v,quot; ï Aquot; t : • : - ; JT ' 2

)amp;v nN-Ni^n i:ranx naa Dmoxi ni'n^

lt;t quot; t -; at : - -: jt - {.'•' : —:r t : T gt;

Dm'vnw'B' •ïpynK') :

«• TIT Aquot; t •• V : n :~ V v.' IT t ; -.I 'i,:i-:

om IOKDquot;^ : nana nianb inbnrnNi nÓDty vm-nx ^

r ^IT : * : v. t-;i- v ; T : TT

nan mxnï nin' quot;iqn na niinn n^Ji 2^21

t jquot; T : -«t : - T lt; ^ T *; ■'•.•;•: T : : -

DVT-quot;itrN ovni nyiih biai on1? ix-ipi onnx vy

j~r v -: -jtt : 't : J : v t lt; :Iit: av:iv •»• -:i- v. : *

nin* Vir 'na^n onxi nrxm DD^^I : oVi^-np nin* ^

t : j- : * : 1 lt;v - ; t av : • v.quot; ** *quot;,T '•

^«quot;DKi. vniK 12^ 2N izy |3 : bKntf* V^a1 nin* 1 nas4 ^KHa n»K d^'in'oni niaa n^

J-T ; -- T 'Tl •• - • T ■*' quot;S * *• ' ^ : ■••• - •JT

tik unn na? aniasi ^a^ nia D^iian ddV nixav na? onnaKi nnS ^naTaquot;^ D^^a : ^a^» nw n^n^Di : xin nraa nin^ rn1?^ Daiaxa

J • - r : 1 jv : ' : 1^- : v : t v: iv | ^a^-iquot;

xi inanpn ^ px nVni nos 91 pn na^ nmn : mxax nm» nax Tia xwn in nvi^n ^nna1?»

•)T ~ ; ^ it; jt ; f v.- t I t -jt • -: | v t iv :

cria oaa N'^n nsf nn*n osn'a uann

• t v • lt;t * t :jt v ;v • a** t r vquot; quot; :

a^nbi iJD^ baa-oa ^a : niKav nm^ iaK'

j' T I : • - T ; J V: v T ' r y • t ; JT : v.quot; T

nn^ niKaï nin» nax D5a pari *rm asn ♦nara

: • t : jt : - t v t 1 v •• • I iquot; at • ^* ; : •

Vna iKiaa-nvi ^a^-mraa *a : aan^a nï-ix^1?^

lt;t : v v -: • • •quot; iv ;v • jv ; v^ 1

niinu nn:ai w'1? ^a nupa aipa^aai D'iaa kv

at ; jt : • v.* : * nquot; *•. jt I: I t^ t : ^ • - * :

Q^bna onxi : niKaï nin» naw aHaa ^at^ ^nr^a ^

J- : - : vquot; quot; Ï '.T : v.- T * ' : lt;T •

: ibax nja: la^i Niri ^a n'-itf aiiasa inix niNaï nm» nax ihix annam n^Vna nsn bmaNi ^

t ; jt : - t jv : - • : ^ ^t t ; - quot; • ^ v ; - -ir

nman-nN anxam n^inn-nxi naan-nKi bib anxani Sai: quot;inNi : mn^ laK oaTa nniN nxi^n ^

lt;••: •• ^ Tlt;}: 'T : J~ T VV :V ' ''T • I'1quot;'' 1 'quot;

♦jk Vina nba 'a ♦:nNt? nn^a nam quot;ini:i nar 1—m^a

• T T I V V - AT r VT : T - Jquot; :•)••; TT J V ;

ocr page 272

HAPHTAROTH.

zegt de Eeuwige Tsebaoth, en Mijn naam ia gevreesd onder de volkeren !

I En nu, tot u is dit gebod, gij priesters! Zoo gij niet luistert en u niet ter harte neemt, eer te bewijzen aan Mijn naam, zegt de Eeuwige Tsebaoth, dan zal Ik tegen u loslaten de vervloeking en Ik zal in vloek veranderen uwe zegeningen ; ja, reeds heb Ik haar in vloek doen overgaan, want gij neemt

3 het niet ter harte. Zie, Ik zal u het zaad in toorn verderven en zal mest strooien op uw aangezicht, den mest uwer feest-

4 offers; en hij [de mest] zal u tot zich opheffen! Dan zult gij erkennen, dat Ik tot u gezonden heb dit gebod, opdat Mijn

5 verbond zij met Lévie, zegt de Eeuwige Tsebaoth. Mijn verbond was met hem, leven en welvaart; die gaf Ik hem voor de vreeze, • waarmee hij Mij vreesde, en daar hij voor Mijn

6 naam ontzag had. Leer der waarheid was in zijn mond en onrecht werd niet gevonden op zijne lippen; in vrede en rechtschapenheid voerde hij zijnen levenswandel met Mij en velen

7 hield hij terug van zonde. Want de lippen des priesters moeten de kennis bewaren, en de leer moet men zoeken van zijn mond, want een bode van den Eeuwige Tsebaoth is hij!

HAPHTARA van WAJJÉTSÉ.

Hoshéa' 11,7—11, 12,1—15, 13,1—5.

7 En Mijn volk hangt aan den afval van Mij ; roept men het

8 opwaarts, in zijn geheel verheft het zich niet. Hoe zou Ik u echter overgeven, Ephrajim, u prijsgeven, Israël; hoe zou Ik u maken als Adma, u doen worden als Tsebojim? Mijn hart draait zich Mij om; tegelijk zijn al Mijne gevoelens van mede-

9 lijden ontbrand! Ik zal niet volvoeren Mijn brandenden toorn, Ik zal niet wederom Ephrajim verderven; want God ben ik en niet een man ; in uw midden heilig, doch Ik kom niet op

10 tegen de stad. Den Eeuwige zullen zij volgen, als een leeuw zal Hij brullen; want zoo Hij brult, dan komen sidderend de

II zonen, van het uiterste westen af. Sidderend als vogels komen zij nader uit Egypte en als duiven uit het land Asshoer, en Ik zal hen doen wonen in hunne huizen, is het gezegde des Eeuwigen.

1 Omringd hebben Mij met leugen Ephrajim en met bedrog het huis Israëls; doch Juda is nog heerschend met God, en

2 den Heilige getrouw. Ephrajim weidt wind en jaagt den Oostenwind na; den geheelen dag vermeerdert hij leugen en verwoesting ; een verbond willen zij sluiten met Asshoer, terwijl

3 tegelijk olie naar Egypte wordt gebracht. En een twistgeding heeft de Eeuwige met Juda; en om Jakob te straffen naar zijne wegen, als zijne handelingen zal Hij hem vergelden.

4In den moederschoot hield hij zijn broeder bij de verzenen;

132

ocr page 273

nnVin mt3ön nVp

niïDn nnjn : D^io KIU kv) niKSï nin» 'ION « 3

jTf: • - •)••• ,•^-: ^ t : r : T : jt : - t

lo^n NV-DK : Dorian n^n3

niNsn-nKMa niK2ï nin» SON una nnb

t •• ; quot; v v t «•:quot;*: t : : ~ t • : • ■• t squot; t

: D'O^ D3^N '2 n^niiN üi] D^nij-jrnK ♦nnNi D^antr-iö Èha ^nn^iTn-m hsb ivj ^

niïon nK DD^N ♦nnbtr »3 Dnjm : vbn DDHN xm) ^

jt : • - v •• -; •;-•-• •lt; v : quot; •' ^ ^ quot; Vv '• •* jt t:

1 'nna : DIK^Ï nin» io« 'ib-nx ♦ma nvnb nN?nquot;

•»• • : it: jt : v.quot; t • •• v ' y ' : * : •* a -

♦3aoi KIIO ib-DanNi Di'^ni D«nn im nn^n

jquot; : • •/gt;•• r r- vt .» v : vit^ t - : . - . -»t:it

NïorN1? in^a nn^n noK min :Nin nn:

jt : * 1 {,r : • ; -«tzit v v; lt;- i j- * v* :

: fi^o ♦riN Tj^n Ti^rom vnfifeo

I 1 tt 1quot; r •• v.' -: • • iJ~ T ' ; ^ T : at T : •

TjKbo quot;3 m^p niini n^Tno^' |rü

: Kin niKnmin*

1 ^ t ; it :

n-iüan squot;1 ja-'D ynna nw nna

: DOi^ amp; int inxi^ 'naiiro1? D^iVn *o#v nb-iND ?|2nN Vanip: ^ao» onax n

tb : ♦oin: noDi nn» ^ nan: D»tóï3 no^N»

^ lt; it I* j '. : ' -v.- * * -quot;t |lt;-: v a- : • : r -:

^2« »3 onfiN nnr? 3wk «b ^s4 ?inn n^N

it lt;•• -•• * iST: v j.. - . ^ T j •-Ij-: _ v Tv: iv

nm» nnK : n^3 tlt;ü« Nbi B'inp nanps ^♦N-NSI 1

^ V. : iquot; rr ; s*—: 1- 1* : v t j : It -1: ;!• : • :

niava mnrv : d#o d^i mnnn Kin^a jxiy» nnwa ^

• : lt; :viv it * t j :viv: t : * •» * at : * -»••;-:

quot;DK3 orrnrV# D^nn^ini ni^s4 pKp D^ïoo nninn ^Knty» n^ nononi onsK Wnin ^nap : nin^ y tjnnimn n^n anax : jpw o^inp-D^i nn ny = inna' ni^'D^ hnni nan» nan ara Di»n-Sa Dnp

: • -1 - *quot;• • : AV :- v, T JT t - T 'IT

npabi nmn^D^ nin^ ani : bar anvob roan*

I lt; : • : at : * ^1quot; r'quot; J''' ,T • j- : * : v ;

vnx-nK apj; rtaaa : iS yw vbb^oa vannaapr*1

A* T V I ■*' t I V - I j' T T quot; 1quot; : T T : * I .1quot;

ocr page 274

HAPHTAKOTH.

en in zijne mannelijke kracht worstelde hij met een Goddelijk

5 wezen. Hij streed met den engel en overwon, toen weende deze en smeekte tot hem ; in Beth-El vond Hij hem, en daar sprak Hij

6 met ons ! En de Eeuwige, de God der heirscharen, «de Eeuwigequot;

7 is de naam, waaronder Hij genoemd wordt! En gij, keer terug tot uwen God; neem in acht liefde en recht, en hoop

8 steeds op uwen God ! [Doch gij zijt] Een Kena'aniet, in wiens hand een bedriegelijke weegschaal is ; wederrechtelijk bevoor-

9 deelen bemint hij ! Nu zeide Ephrajim : «Och, ik ben immers rijk geworden, ik heb mij vermogen verworven; onder al het met moeite verkregene zal men bij mij dus niet vinden een onrecht,

10 dat zondig is.quot; Doch Ik, de Eeuwige, uw God, van af het land Egypte — nogmaals zal Ik u doen wonen in tenten als op de

11 dagen van het feest! Ik heb gesproken tot de profeten en Ik heb visioenen vermeerderd en door de hand der profeten

12 spreek Ik in gelijkenissen. Zoo Gil'ad onwaardigheid pleegde,— zij zijn immers slechts nietigheid geworden; offerden zij in Gilgal stieren, — ook hunne altaren zijn als steenhoopen op de voren des velds!

De Portugeesche Israëlieten eindigen hier.

13 En Jakob vluchtte naar het veld van Aram ; en Israël diende

14voor eene vrouw en voor eene vrouw hoedde hij. En door

een profeet voerde de Eeuwige Israël op uit Egypte; en door

15 een profeet werd het beschermd. Ephrajim heeft door bitterheden gekrenkt, daarom zal zijn Heer zijn bloed op hem doen komen en zijne beschaming hem teruggeven.

1 Toen Ephrajim sidderend sprak, was hij verheven onder Israël; doch toen hij zich bezondigde aan Ba'al, toen stierf hij.

2 En nu zondigen zij al meer en maakten zich gegoten beelden van hun zilver naar hun kunstenaars-inzicht, afgoden, alles het werk van kunstenaars; van hen zou men kunnen zeggen;

3 «Terwijl, zij menschen offeren, kussen zij kalverenquot;. Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk en als dauw, die vroeg in den ochtend verdampt; als kaf, dat wegstormt van den dorsch-

4 vloer, en als rook uit het schoorsteenluik. En Ik ben de Eeuwige, uw God, van af het land Egypte; en een God buiten Mij kent

5 gij niet, en een redder is er niet, dan Ik. Ik kende [en verzorgde] u in de woestijn, in het land van brandende droogte.

HAPHTARA van WAJJISHLACH.

'Obadja 1,1—21.

1 Visioen van 'Obadja: Zoo zegt de Eeuwige, God, omtrent Edom: een bericht hebben wij vernomen vanwege den Eeuwige en een bode is onder de volkeren gezonden: //Op, laat ons opstaan tegen haar ten strijde!quot;

133

ocr page 275

apr musn -?3nn»i ron i D^KTIN mi? I:IK2V

ivi- : •- t t\- it ; - v -lt;t- r v: v ■'TT

niN^ïn 'ri^N nirri : my iyv Dtri mw bmz ib1

* r t ' ■gt;quot;^ •:: r it^- jquot; ': , lt;.T : v t : • •• iquot; fgt;

rripnibtf non ni^n nnsi : iidt nin^

r-l -; : t ; • vlt;v a t | -v i- «.t - ; i : * v.t .

: nrw pvyb nana ^TND ITS : n^n n

■invp* 10^1°

onvp nin» 9^1 : Ktpn-n^N ^'

^$1 : i^lo W2 D^nxn ^^ls4 ^

«^-TjK px n^brDN : nstK Trn ^n^in |iTn ='

: ni? ♦abn by D^as bninsra dj tot oni^ baVaa vn

it t Jquot; : quot; v ' quot; : t : : • lt;- f.quot; ■ ■• r: it : ■ - t

.Dmaon po^oo jjo

: n^Ka^NTjr» dik m'^ npv nnD^i ^

it t v.t * : t • : •• t : • lt; ^:! at-: -»••: i v, quot;:• / •

: iQ^a N^JD1) DnxsD nin» ^

it : • .'■■t :i 'quot;V ' ' (.quot;/:• v it : st'vriv 't:

ib yipi ina-ini vbyr voni Dninan d^ök d^dh 10 ^33 d^k^. Kin nni bnöK nana : vIik « F

p3p3p hddd bn1? NtbnS lapl' 1 nn^i : m= ♦niT DnoK on bnb nba D^m riwyn doï^ baians ^

jquot; : i • ; i •gt;quot; v t a •.. ^ v.* tit jquot; iquot; • - -: t : •

-|^n DO^!3 VtsDi npr|:^D vn; pb : d^: dik j quot; pxü nin» ♦DJN'I : nsnKü pb 'pD^ : 'nba r« ^nbir D^ribKi DnvPn

: niaNbn pss quot;isnps ^njrr

nbci niüsn nnar nna

nxo n^ioE' Dinxb nin^: ^VnN noK'n'D nnp^ prn« K : nonbsb n^by naipn iDip n^ a'iiia hm»

it t : • - t v,*- t T )j T : i •) T \ •»' quot; * ; t ;

ocr page 276

HAPHTAROTH.

2 Zie, klein had Ik u gemaakt onder de volkeren, zeer veracht

3 waart gij! Doch de overmoed van uw hart heeft u verleid; hij, die troont in rotsburchten, op de hoogste punten zijner woonplaats; die zegt in zijn hart: wie zal mij ter aarde

4 doen afdalen 1 Indien gij ook in de hoogte bouwt gelijk de arend, al zoudt gij zelfs tusschen de sterren uw nest plaatsen, ook vandaar zal Ik u doen afdalen, is het gezegde

5 des Eeuwigen. Wanneer dieven over u zouden zijn gekomen, indien nachtelijke roovers, — hoe zoudt gij verstomd zijn van schrik! En toch, zouden zij niet slechts stelen, tot zij genoeg hebben ?! Indien druivensnijders over u waren geko-

6 men, zouden zij dan niet nalezing overlaten ?! Hoe is alles doorzocht bij 'Esau, zijne verborgen schatten opgeëischt!

7 Tot hunne grens zenden u weg alle mannen van uw verbond ; zij hebben u verleid, zijn u te slim geweest, de mannen, waarmede gij vrede hadt. Het brood, door u hun gereikt, maken zij tot eene etterende wonde onder u ; geen

8inzicht is meer bij hem! Voorwaar op dien dag, is de uitspraak des Eeuwigen, zal Ik verdelgen wijzen uit Edom en

9 inzicht uit het gebergte van 'Esau. Dan sidderen uwe helden, Théman, opdat de laatste man worde uitgeroeid van het

10 gebergte 'Esau's door moord. Wegens het geweld tegen uwen broeder Jakob zal schande u bedekken en zult gij uit-

11 geroeid worden voor eeuwig. Op den dag, dat gij van verre tegenover stondt, op den dag, dat vreemden zijn leger gevangen •namen, dat niet-verwanten kwamen in zijne poorten en over Jerusalem het lot wierpen, — toen waart ook gij als een van

12 hen. Gij hadt immers niet mogen aanzien den dag van uwen broeder, op den dag van zijne uitlevering ; gij hadt u niet mogen verheugen over de zonen van Juda op den dag van hun ondergang; gij hadt uw mond niet zoo grootsprakig moeten openen

13 op den dag van druk ! Gij hadt niet moeten komen in de poort Mijns volks op den dag van hun ongeluk; gij hadt niet, ook gij moeten willen zijn noodlot aanschouwen op den dag van zijn ongeluk; en [uwe handen] hadden zich niet moeten uitstrekken naar zijn vermogen op den dag van zijn ongeluk !

14 En gij hadt niet mogen staan op den kruisweg om zijne vluchtelingen uit te roeien; en gij hadt niet mogen uitleveren zijne

15 ontkomelingen op den dag van druk. Want nabij is de dag des Eeuwigen over alle volkeren; zooals gij gedaan hebt, zal u gedaan worden; uwe vergelding zal op uw hoofd terug-

16komen! Want gelijk gij [Israël!] gedronken hebt [den beker van het noodlot] op Mijn heiligen berg, zullen alle volkeren steeds drinken; zij zullen drinken en zwelgen, totdat zij zijn,

17 alsof zij nooit geweest waren! Doch op den berg Tsion zal een gered deel zijn, en het zal tot heiligdom worden; en het

134

ocr page 277

nbt^i nnaan nbp

ïjab p-jT : iKp nriN nra D^aa ^nn: |bpT nan = : p« ♦nm» »0 isba -IÜK inn^ nna jrbD-'iana ♦aatr

| vit • v.quot; • i r • ; •quot;• a : • j : - v,*-* : j* : i

nnniN ora ^3p D^DIS rroNi quot;irb n^an-DK-»

tl : r jt • IavI • •»• T ' quot;'quot; * : v v '

nn^bn: nb^ m'^-DN D^arDK inin'-DWquot;

t •• : • | jquot; t:- •• :-• *1: it lt;• t- • it : ••. :

: iTKii'» Ni^n rh 1K2 DnïrDN Dn üaa* «bn

i quot; I r : - ^ )t jt • : i at - v : : * quot;

^aK bb fhïv binan-i^ : vaaïD ^aa T^fina j niTü Ww non1? nb^ ^ax nb niK^n nnna

t lt;• t I : : quot; | av ; -•••:- ^ | j : it I •) • * I v • ;

♦mD«ni nin^DN'a Ninn Di'3 xibn : ia naian m n»nnnn

lt;•:--: r: at : ••. ; v. quot; J quot; •) quot;J i ^t : I r* ^ I v ; -

I^d1? ïoti nmaa wm ; quot;ino naiani Dinxo D^Dan»

l^-s- : i at •• | v.v * J quot; : it j- •• v.t : •.•: iquot; • t-:

■pan ïpy n^nx oono : Viapo inö ir^-nna»1

: - . l^^-ri- ) r t -r-: iquot; ^ viit- \,T j' •• •)• vit*

an? niatr ova im nno^ ova : d1?^ maai n^ia ^

V,-t j : •) : w • ^p^it^-: : ^ it ^ ; v.t - y : at

nn^a nnK-aa ^iia w own^i i^ ixa anaai ib^n

j- - : v.t - - t j - • - t i y* ; t T : -^t • : t : a ••

-♦aa1? nü^n-^Ki inaa ava n^N-ava Nin-VKi : ono ^

,.. ; • ; • - : ; t •gt; : I * t i : vlt;quot; - ; iv ••

Nian-^K : niï ava n^a bnan-bxi anaK ava nmn» ^

lt; t - itt j : | v.* jquot;: - - : at ; t ^ : v-t :

1TK ava in^na nnx-aa snn-Vx dtk ova ♦ar^a

a .. j ; ^ ^ •-y it. .)t - - vsquot; - t •• •* : ■ quot; quot; iquot; :

p—ian-1?^ no^n-^i : ITK ava i^na nanb^n-^i ^

» vv - - -:r - : i •• j : t : t :j- : - :

anp-»a : nnï ava vnntr naan-bxi vta^a-nx nnan1?™

jIt r itt j : ^ : jquot;: - ' : at • : v v.' : quot; :

ait^' nboa n^ n^» n^ it^xa a^ian-ba-Vy mn^av

J t v, i : •quot;•. : it v ^tquot; t • t ^lt;v -: |- a* ~ t ~ ^t : i

DMan-Sa 1n^, ♦ibip nn-^ bn^n^ n^Na ^a : n^na 'a

f - t j : ' • :It j- v • : lt;v -: i- * | iv ;

nia^annn ri»v -inai : vn NiVa vm i^bi mt^i n^n»1

vt •• ; r.*; • i •) * j' : it j : [, r : ^ ^ r : -• t : a* t

-n»a n^m : an^no nx ap^» n^a iBhn wip n»ni ^

iquot; tt : lt; iv •• it vquot; I .i~ j- :it: vIa^ ^tquot;,t :

ana ipbni t^pb i'^ nm nan1? «iai» n^ai apr

^vt ij : it: i-; t •• lt;•* t tiv^ |jquot; squot; •• i ^-:i-

: nan nin» ♦a i^ n^aS n^n^bi aiSaxi ^

:it; iquot; ^t ; j' t quot; -•••:. *t lt;v; r i : a t-:i-

18 huis Jakob zal zijne eigendommen in bezit nemen. Dan zal het huis Jakob worden tot vuur en het huis Joseph tot vlam en het huis 'Esau tot stoppelen, en zij zullen ze in brand steken en ze verteren ; en er zal geen overblijfsel zijn van het

19 huis 'Esau, want de Eeuwige spreekt. Dan zal het zuiden in

ocr page 278

HAPHTAROTH.

bezit nemen het gebergte van 'Esau en de laagvlakte [het gebied van] de Philistijnen, en zij zullen in bezit nemen het veld van Ephrajim en het veld van Shomeron, en Benjamin 20Girad. En de ballingen van dit leger van de kinderen Israels [zullen in bezit nemen] al wat Eena'anieten zijn tot Tsarefath ; en de ballingen van Jerusalem, die in Sefarad zijn, zullen in 21 bezit nemen de steden van het zuiden. Dan zullen redders bestijgen den berg Tsion om het gebergte van 'Esau te richten, en zal den Eeuwige zijn het koningschap!

HAPHTARA van WAJJÉSHEB.

'Amos 2,6—3,8.

{Op den eersten Shabbath van het Inwijdingsfeest wordt de verder voorkomende Haphtara Ronnie Wesimchie gelezen).

2i 6 Zoo zegt de Eeuwige: Wegens drie misdaden van Israël en wegens vier zal Ik het niet van hem afwenden; omdat zij verkocht hebben voor geld den rechtvaardige en den behoeftige

7 voor een paar schoenen. Die begeerig snuiven naar stof dei-aarde op het hoofd der armen en den weg der beseheidenen buigen; en een man en zijn vader gaan tot hetzelfde meisje,

8 om te ontwijden Mijn heiligen naam. En op tot pand genomen kleederen strekken zij zich uit naast elk altaar en wijn van

9 bestraften drinken zij in het huis hunner goden. En Ik heb toch den Emoriet verdelgd voor hen, wiens hoogte was als de hoogte der cederen en die sterk was als eiken; en Ik verdelg-

10 de zijne vrucht van boven en zijne wortels van onderen. En Ik, Ik heb u opgevoerd uit het land Egypte en voerde u in de woestijn veertig jaren om in bezit te nemen het land van den

11 Emoriet. En Ik deed opstaan van uwe zonen tot profeten en van uwe jongelingen tot Nazierëers. Of is ook dit niet zoo,

12 zonen Israëls? is het gezegde des Eeuwigen. Doch gij dwongt de Nazierëers wijn te drinken ; en den profeten geboodt gij,

13 zeggende: Gij zult niet profeteeren ! Zie, Ik druk neder uwe plaats, gelijk de wagen drukt, die gevuld is met schoven.

14 Dan zal verloren gaan ontvluchting voor den lichtvoetige en de sterke zal zijue kracht niet bevestigen en de held zal zijn

15 leven niet redden. En wie den boog hanteert, zal niet staan blijven, en wie licht is met zijne voeten, redt zich niet, en wie

16 een paard berijdt, redt zijn leven niet. En wie nog zoo sterk is van hart onder de helden, — naakt zal hij vluchten op dien dag, is het gezegde des Eeuwigen.

3 1 Hoort dit woord, dat de Eeuwige omtrent u gesproken heeft, kinderen Israëls, over de geheele familie, die Ik uit Egypte heb opge-2 voerd, zeggende: Slechts u heb Ik erkend [en verzorgd] uit allege-

135

ocr page 279

nben nntaan nbp

Win D^baTiK nVöKTii in-nK 2J3n

■quot;quot;-pp '•' :,T: • : • : v t ; r ■gt;- v vv -

nfirVm nVii : |Ü^3I jnof nyp nxi onaN =

—IB'K n^i nanvn^ binfr» ♦hS

jV -. .^-T . r. T . - ;jT •'i;i- ; v -; lt;•• t: * •• ;

t3ö^ |i»y nna d^id : 23|n n;r nx rëh» inspa» : nsibsn nin^ nn^m Sm in-nt?

it ; - v,t i- jt : it : at quot;

mtafin

'3 jd'd Dioya -t^j; nna

(jupSis ^non ^quot;l p'CB» riaun Sd jwxi rat' 13 'rn os)

üh njranx-V^i 75^3 ntihw-by nin» nas: rfa1 2

j : quot; : •• t : • _-quot;•: ^ ^ t : t : j- t lt;

: 113^3 jvnNi pns ^D|5 a^üquot;'^ lan^K wx] ró\ om# Tjini myi p.^'nar^ craNtfn» onjr'^i, p^D^-nN^ni^ob nn^n-^x byviNi.quot; : an^nbx inir' narp-ba ^ÏK b^nn

inna bnns; n^3 Tf x on^ap noxn-nx 'rnot^n ^:sii» : nnno ins tdeM Kin rbni

^ - it • v.t tit : ^- - • : • «• : -it a- - it ». i ^ t ;

nansa ddjin Tpisn nnvo pxo DDHK ^n^vn ^NI '

^ t : * - lt;v ; v Iquot; it -at: • | vjv •• v,quot; : quot; *. -»••*••:iv it:

DD^SD D'pNi : noxn rnwriN n^n1? nit^ D^ansj^

v •• : • 1 *'tit r v: it 1 vjv v •-• v.vt tt #j* t : -

■dk: bxn^ ^3 nxrpK ^xn nnrab D3nin3Di D^3^

•.. : {,quot; t : ' ) I r* | j- - a-• : • v,quot; •• i - • • • : •

nas^ nnnv n^^an-^n p Dnrsn-nK ip^m : nin^ ^

^ jv . • .... - ; i quot;at v * ; - v i ^ : - - it :

n^yn pyn nuns DS^nnn p^o ♦siN nan : NS ^

t t : it i t lt;v -: |— av •• : - i *v •• it •)** * i : it * ^

ins rax^Nb prni bpn 01:12 noKi : yzp nb nx^ün ^

a i -»•• - ; 1 kt t : !jt ' t lt;quot; t ; r *t v,t ^t •• : i-

v^ans bpi nor n^pn i^ani : 1^32 quot;113:1«

^t ; - : IJ-: -iquot; J v I v - «•• ; i : - r* - : i v. • :

nnl333 131? psNi : 1^2: übo' üb Dién 33^1 ubw :t3

a' * quot; v * i jquot; quot; : 1 : - vquot; ~ : j ~ -quot;• ; aquot; - : j

nin nsnn-nx : nin*-DNi «inn-Di^ Dir Dinyx J

-•t t - v ^ : * it : •.. ; ^ - i- jt ^ rr

nt^K nna^an-^ by bKntr* ^3 D3^ nin» nsn

SV -; t t : • - t ^-lt; aquot; t ; • -••• : v.v ••*=•• .)t : S'.' • v -:

ninsB'p Vsp ♦n^TDsnx pnj noxS onsp pxö ^j^n -

ocr page 280

HAPHTAROTH.

slachten van den aardbodem; daarom zal Ik bij u bedenken al

3 uwe zonden. Gaan dan twee te zamen, tenzij wanneer zij zijn

4 overeengekomen ? Brult een leeuw in het woud, terwijl hij geen buit heeft? Verheft een jonge leeuw zijne stem van uit zijn

5 verblijf, tenzij hij gevangen heeft ? Valt een vogel in den strik op de aarde, terwijl er geen belager voor hem is? Stijgt een

6 strik van den bodem op, zonder dat hij vangst maakt ? Wordt de bazuin geblazen in eene stad, en het volk zou niet verschrikken? Geschiedt een ongeluk in eene stad, terwijl de

7 Eeuwige het niet gedaan heeft?! Want mijn Heer, de Eeuwige God doet niets, tenzij Hij geopenbaard heeft Zijne raadsbesluiten

8 aan Zijne dienaren, de profeten. De leeuw brult, wie zou niet vreezen; de Eeuwige God heeft gesproken, wie zou niet profeteeren ?

HAPHTARA van MIKKÉTS.

I Kon. 3,15-4,1.

{Is het de eerste Shabbatk van het Inwijdingsfeest, dan wordt in ieder geval de Haphtara Ronnie Wesimchie {bh. 140), is het de tweede, dan wordt Wajja'as Cbierom {bh. 142) gelezen.

15 Toen Salomo ontwaakte, zie: het was een droom; hij kwam nu naar Jerusalem en ging staan vóór de arke van het verbond des Eeuwigen en bracht brandoffers en bereidde vredeoffers en

16 richtte een gastmaal aan voor al zijne dienaren. Toen kwamen twee ontuchtige vrouwen tot den koning, en stonden vóór hem.

17 Nu zeide de eene vrouw; ,/Ach, mijn heer! ik en deze vrouw

18 wonen in één huis, en ik baarde bij haar in het huis. Nu was het op den derden dag na mijn baren, toen baarde ook deze vrouw ; en wij waren te zamen, geen vreemde was bij ons in het huis, maar alleen wij beiden waren in het huis.

19 Nu stierf de zoon dezer vrouw in den nacht, doordien zij op

20 hem had gelegen. Toen stond zij op in het midden van den nacht en nam mijn zoon van mijne zijde, terwijl uwe dienstmaagd sliep, en legde hem aan haren boezem, en haren dooden

21 zoon legde zij aan mijnen boezem. Toen ik nu des morgens opstond om mijn zoon te zoogen, zie, toen was hij dood 1 Toen ik hem echter des morgens nauwkeurig aanzag, zie, toen

22 was het niet mijn zoon, dien ik gebaard had.quot; Nu zeide de andere vrouw: «Neen, maar mijn zoon is de levende en uw zoon is de doodeterwijl de andere zeide: ;;Neen, maar uw zoon is de doode en mijn zoon is de levendequot;; zoo

23 spraken zij vóór den koning. Nu zeide de koning; «De eene zegt: «Deze is mijn zoon, de levende, en uw zoon is de doodequot;; en de andere zegt: «Neen, maar uw zoon is

136

18

ocr page 281

nquot;ii3un ibp

jin DD^ I^K f3-1?# nonxn ^ 6 r« nnx jNip'n : n^irox ^

niövVsnn inj^öüi^ipTM fn»nquot;

x) 113^ na-iKn-fö nfi-nV^n r6 pK v$p) pxn nö n»nn-DN a) D^tI. ^^ri^oss •' 11^i?, 1

nan nin* n'iyygt; N1? »3 : rivy Nquot;? nin^i quot;vjb ny-i»

t V, .. JT -: ■)-■• ^~.1- s •gt;• it't J ^t r ^ t

H) »ö JKt^ nns4 : vnnp-bK inio nVrox ^quot;

vt t j • : ' r • : - v,tt ^-r v ^ jt t •lt;

: Kas' J6 »0 lin nin* ^IN KT»

|quot;t- j v.* v * • v: lt;T -: at •

fpü mt2ön

'j jo^D i\ n-'a^oa

nquot;i sin OS iSssi ;ppVi3 inatTI P^s» nsw Sw pcsi mü nv, on) (ppS-ia Di^n VPquot;) P'dbo nswm '2 nso N-m dni ,01.1 mo w

n1 ^ 1 D.^it Klin Dibn mnquot;) nsb^ ^»Vb

nntpo hiVp ^ ♦iiN-nna

nn'a^rii ^dh-Vk ni:r d^j D^niKin m nn^» nNh nmn] hnxn nfNn noKrii : vjfiV

DI»3 ^nn. : n'33 nsy -I)KT. to n^as h3^ ^ WFIN nrpN nn: umN-) nWn nfKiTD5 ibni wbb mtn nmn-jz no»i ; n»33 »ri^r nès ^

^rnx n^ni nb^n rjiri? hpn) iv^ri^V^K nVb/ nan mrnxi n^ns in^s^ni. ^naKi ^ïnö na-mm ^s-nsi p^nbnpas opx/ : ^ra n3^^n«

t, quot; , ' v ' i ' 1 : '■••gt;- iatit li- •• : T Tl ■

iDm mn-N1? niini npis vbKfjianN^

n1? hna^ nxn nan -pni 'nn^a p ^ nTOn n^Kn ^an W]: -jban ypb njnsnnvnn ^ni nan'^aa »5 » »3 NbnTO nxn nan^jsi ♦nn ^a-n/nnax'nxr

ocr page 282

H A P H T A R O T H.

24 de doode en mijn zoon is de levendequot; ; — Nu zeide de koning: z,Neemt mij een zwaardquot;; men bracht het zwaard vóór den

25 koning. Toen zeide de koning: «Snijdt het levende kind in

26 tweëen en geeft de helft aan de eene en de helft aan de andere.quot; Nu zeide de vrouw, wier zuon de levende was, tot den koning: — want hare ontferming was ontbrand over haar zoon, — dus zeide zij : «Ach, mijn heer! geeft haar den levenden jonggeborene, doch doodt hem niet;quot; doch de andere zeide: ;/noch

27 mij, noch u zal hij behooren; snijdt hem door.quot; Toen antwoordde de koning en zeide: //Geeft haar den levenden joug-

28geborene en doodt hem niet; zij is zijne moeder.quot; En geheel Israël hoorde de rechtsuitspraak, die de koning geveld had, en zij vreesden voor den koning, want zij zagen, dat wijsheid

1 Gods in zijn binnenste was om recht te oefenen. Zoo was koning Salomo koning van gansch Israël.

HAPHTARA van WAJJIGGASCH.

Ezecliiel 37,15—28.

15 Nu was het woord des Eeuwigen tot mij zeggende:

16 En gij, menschenzoon, neem u één hout en schrijf daarop : voor Juda en de kinderen Israels, die zijne gezellen zijn, en neem een ander hout en schrijf daarop : voor Josef, het hout van Efrajim,

17 en het geheele huis Israëls, die zijne gezellen zijn ! En breng ze nader het een tot het ander voor u tot één hout, en zij

18 zullen tot één worden in uwe hand. En wanneer de zonen uws volks tot u zullen zeggen, als volgt; //Zult gij ons niet me-

19dedeelen, waartoe dezen u dienen?quot; — Spreek dan tot hen: «Zoo zegt mijn Heer, de Eeuwige God; zie, Ik neem het hout van Josef, dat in de hand van Efrajim is, en de stammen Israëls, die zijne gezellen zijn, en voeg hen met hem bij het hout van Juda en maak ze tot één hout, zoodat zij één worden in Mijne

20 hand.quot; Dan zullen de houten, waarop gij schrijven zult, in uwe

21 hand zijn vóór hunne oogen. En spreek tot hen : //Zoo zegt mijn Heer, de Eeuwige God: zie. Ik neem de kinderen Israëls van tusschen de volkeren, waarheen zij gegaan zijn; en Ik

22 verzamel hen van rondom en breng hen naar hunnen bodem. En maak hen tot één volk op aarde op Israëls bergen, en één koning zal hun allen tot koning zijn; en zij zullen niet meer worden tot twee volkeren en zich niet meer verdeelen tot twee

23 koninkrijken, nooit! En zij zullen zich niet meer verontreinigen

137

ocr page 283

fpü maan hp

yra ♦Vinp loxn : ♦nn ^ nan ^

lani d»30 rin n^irnN nn ^bsn ^sn \:sf? ™ n^Kn^n wni : nnx1? ^nn-nKi nn^ ♦inn-nN» »31 iDKni. mr^ n^nn inoDrs »nn' nia

nnóx n^n inn^n-^ npni quot;nn n^n-nK hVun ^iiK -nKnb-^rno^i ^ón \^\: Tin n^n* ^-03^-02»

: iqk K^n won üb norn quot;nn IKI »5 -j^an ysp wrw -jban □SB' -I^K □stran-nit na^ n^an w : ÜSVP la-ipa D^NnaDn-^^- 1

' * * • ,T • j -:quot; ^ :l * ; •)*•.•: squot; : t i*

tm niüön

V'h ]wo Sxpin's

quot;in^ f^^-np DnN-fn nnNi;: -jax1? »)n nin^nnn T1? lp** quot;fon Vnik^ nnn^ vby nnDi 'D c;-

^[31 : nan bKiis^ n^i-^Di D^SN e]Di^ ainrnquot; ^

quot;p» *Êé %! Vrtquot;^ quot;br^ ™ a$*

-na n^-x^n ia^ ^ na ï|^n nax; i^kdi ^ nK nan hin»: niK nax-na on^K nan : ^ nVx^ Dn^nnai nan bpw* DhfiN-Ta im e]Di» ^:nN p : 73 insf vni nnx hntyy). n^nn» ^nx ï quot;1311 •• nnn^1? ?|n;T3 on^ ansn nèx o^^n vnv nrnx npgt; nx nan hirv n'-ix nairnaDn^K^ ♦nxan^ apaa bnx ♦mapquot;! D^-^n quot;ii^K D'i-in pap nna nnx Dm^n^ : Dnon^N dpik^ ^4 nir'^n^bi rfinb Dba1? nw to ^ai fc ni^ ixaia» xbi : ni^ niabaa ♦riB'1?' mv lïn1' kSi dHj «

s • 1 v t ;•gt;••; • jxquot; :

ocr page 284

HAPHTAROTH.

door hunne gruwelijke en afschuwelijke afgoden en door al hunne misdrijven; en Ik zal hen redden van al hunne woonplaatsen, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen en zij zullen

24 Mij tot volk zijn en Ik zal hun zijn tot God. En Mijn dienaar David zal koning zijn over hen en één herder zal er voor hen allen zijn; en naar Mijne rechtsvoorschriften zullen zij zich richten en Mijne wetten in acht nemen en ze ten uitvoer brengen.

25 Dan zullen zij wonen op het land, dat Ik Mijnen dienaar Jakob gegeven heb, waarin uwe voorouders gewoond hebben; en zij zullen daarin wonen, zij en hunne zonen en de zonen hunner zonen tot in eeuwigheid en Mijn dienaar David zal vorst, zijn

26 over hen tot in eeuwigheid. En Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten, een eeuwig verbond zal het met hen zijn; en Ik plaats ze en vermeerder hen en vestig Mijn heiligdom

27 in hun midden tot in eeuwigheid. En Mijne woning zal bij hen zijn en Ik zal hun tot God zijn en zij zullen Mij zijn tot volk.

28 Dan zullen de volkeren weten, dat Ik, de Eeuwige, Israël heilig, wanneer Mijn heiligdom is in hun midden tot in eeuwigheid.quot;

HAPHTARA van WAJECHIE.

I Kon. 2,1—12,

1 Toen de dagen van David naderden om te sterven, gebood

2 hij zijn zoon Salomo, zeggende : /,Ik ga op den weg van de ge-

3 heele aarde; wees gij dan sterk en word tot man! En neem in acht de opdracht van den Eeuwige, uw God, om te gaan in Zijne wegen, in acht te nemen Zijne wetten, Zijne geboden en Zijne rechtsvoorschriften en Zijne getuigenissen, gelijk geschreven is in de leer van Mozes; opdat gij verstandig handelf, in

4 al wat gij verricht en in alles, waarop gij uw doel richt. Opdat de Eeuwige Zijn woord tot stand brenge, dat Hij omtrent mij gesproken heeft, zeggende: /rlndien uwe zonen hun weg zullen in acht nemen om vóór Mij hun leven in te richten in waarheid, met geheel hun hart en geheel hun zielquot;; — zeggende; ti— dan zal u niet uitgeroeid worden een man van [te zitten] op

5 den troon Israels.quot; Ook weet gij, wat Joab, de zoon van Tseroeja, mij gedaan heeft, wat hij gedaan heeft aan de twee hoofden der legerscharen Israels, aan Abner, den zoon van Nér, en aan 'Amasa, den zoon van Jéther, toen hij ze doodde en in vredestijd oorlogsbloed vergoot; en hij bracht oorlogs-bloed aan zijn gordel, die om zijue lendenen is, en aan

6 zijn schoen, die is aan zijne voeten. Nu zult gij doen naar uwe wijsheid, doch zijne grijsheid niet in vrede ten grave

7 doen dalen. — Doch den zonen van Barzillai, den Gil'adiet, zult gij genade bewijzen en zij zullen zijn onder die eten

138

ocr page 285

m nVp

Vap DriK on^^ai bn^i^a

^quot;^Dl DO1^ ^1^91 ona iNpn im bn^na^io n^i-ri Dn»^ nn ; D^V^b Dn1? :Dni«^pW^nii5m ^ D^ nvr to

niy) ^nnj n^n-^ '^i™ D^r^bn^a rni Dn»wi nsn n^j; 13^1. a^ninK ai^nnabnb 'niDi : abi^ Dn1? nnv3

-nN ♦rinj'i oniN ^n^ini D^nriji dhik n;n^ obi^ nna D^ wrj) Dn'^; 'jDBto n/ni : D^I^ DDini 'trjpp» nin» 'jk »3 é)sn \yy) : ^quot;Vn; n?p D^VKV™ : D^V1? DDins 'Bnpö nvna inpo

it . ^t ; ■»• tl : • j : r rtquot; t : • v ^••|- ;

müön a fO'D a a-'sSoa ♦3:k : ivxb 1:3 rtabip-nN rr\ mo1? -nr^o» lanp*^ 3 rna^i : t^^n^ninprni pxn-bi^s ^n ' quot; * rnpn va-na rq^b '^n r\p\ 1 niü^p-nx S'ifn f^o1? nj^D nima ainaa vn'm^ vaatstoV vriixp o'fc • op njpn ijpn~i?3 nw namp;ynnm-bs no ■nN no^-DN -i|i linrnx nin»

iDNV D^fir^ni anzb-bDz nhsa gt;:pb nibb ofni hs rijn.» nriN dji : km ^

nniv'i? snv 6 n^-n^sj D^I Dhrn w|3 K^O^I:'-li-ja IPNV1?^» vinoa iVK inljna nan^p ^ b^a non^o ina^ npin-^Vi n^i : v^ia i^iav ^DK3 vrn non'n'^n n^n ^na d^a»

ocr page 286

139 H A P H T A R O T H.

aan uw tafel; want zoo naderden zij mij, toen ik vluchtte voor 8 uwen broeder Abshalom. En zie, bij u is Shim'ie, de zoon van Géra, de Benjaminiet, uit Bachoeriem; hij echter heeft mij gevloekt met zware verwenschingen op den dag, dat ik naar Machanajim ging; maar hij daalde af mij te gemoet naar den Jordaan; toen zwoer ik hem bij den Eeuwige, zeggende : »... zoo 9ik u dooden zal door het zwaard!quot; Welnu, laat hem niet ongestraft, want een wijs man zijt gij ; dus zult gij weten, wat gij hem zult doen, en zijne grijsheid in bloed ten grave doen

10 dalen.quot; David ontsliep tot zijne vaderen en werd begraven in

11 'ler-David. En de dagen, dat David over Israël had geregeerd, waren 40 jaar, in Chebron regeerde hij 7 jaar en in Jerusalem

12 regeerde hij 33 jaar. En Salomo zat op den troon van zijn vader David; en zijn koningschap was zeer krachtig gevestigd.

nnru'i maynK vm oriNö np : -toxb

lt;t - it : quot;aquot; v -» ^ v r : t • iquot; l-lt; ^ i

négt;D np*i : ^2 wx D^brr1?» onix

^ v. t^-:it v v I-»— 1 t 1 : J- : r v r

nxi ni^^n 1 nu : D^rr^K onix rn^i iMn-nNi

quot; : t : it r •: 1- v ^t Ijquot;'' Iatt quot; v :

v™ 1 nxi : oniay ^3 riKh: ^ rnj inan nyanx

^ j- ; - s it t i : i ia ;iquot; : * i vquot; t 'tt quot; -j~ ; ~

■^3 oniny 'sa ma nnb ?n3 ipan niotr hw h^n

- : ^ t t • : a* t ; • i v.quot; t i t t - •»- : it

rn: xb nnp : rrfan pnN-ra non^

v| - lt;- r I ATT •* v.tI: ; liquot; - I v, quot;it t r

Di^narannain nx mnp»quot;) cinsa

V. - - I;-- it • Kquot; t - v

quot;iök'i : narsn D:3ip-nN OK^an ^np^i in« ntran

... ^. ^t t :It v r * : quot; ^ si:-- a t •

-nN^np* Di'1? inK wm ihk wm ntyo-bw nin»

•i:- - t v lt;• t - tv • t av v _ {t z

tik ?i^Knn 01*3 3npan d : nsran naanquot;? ohip

... 1 ^ .IT j - .,.1; _ _ ... v.- -j r tt :It

c]D3-m^p_ : nnin^ naa1? 3nra^-|3 ji^n: 133-1^ bpty D^jnty to pnra nb^a riNai awbv r\m : nnia1? ra^3 nbi^ n^o D^a 1 Ehpn bpB'3

it : • ; i VVV jt v 4 • •• ; jv •• ; v| a - lv-»v :

Vk ip3quot;?3 -inN 13 : niap n^a 3nT nnx ci3

• s' itt i v t v j- vi i: jt •• : vtt jt t ■)- - jjquot;

: nxan1? ma Qwypw : nVp1? -inN-^33 ma

it - ; _ vt v j- - ^ r : it ^ : v. t : i v jt v v iv ot v

D^33nèan nnwy ntran np3 B^aVirn rar^

j' t z t • - t • -: lt;• •• I-»tt • t : - --'v:

: 3ii,Drt3 riB'n: pnp HT n^an mir»33

itt i' - i v i v ; - i j- :i t lt;jv at • vt t iquot;;

ocr page 287

♦m niLiön ubp

nani: nriK ^20 »n-a3 imp ma mnS^n

, ' ■gt; V' T J T '.'. ^ CO .'T ' quot; - • 'T ^ 7VT p: 'p

^Vpp Kin-i onnap «nrp ym

fii'n Trwm D^no ♦nD^ ova nïioi

t vit i •• :—^ • tI: • lt;~t 1 : -at-: iquot; •*• : v : v v ; •

♦3 inpjn-1?» nn^i : mna nrvox-DK quot;iQxb hm iP»

•)• 1quot;- : - t _: vit v ^ i : 1* -; • •• t 1- lt;

tik muni i'^-n^n IBW HM nvi'i nnK DDH wx

st : - i : v 1- -»v -: j»* t*; -it: tat ^t t y

quot;i^3 nnp^i vri3N_D^ quot;in 33^1 : ^ixty ons iran?1

j* ; v**it— at -: v.^t J- : •- ^ i : ^t : •) t iquot;

mty D^3quot;)N l?KTagt;,-i?^ DI rhD nt^K a^'ni : ut ^

att ^'t ;- •* t: * quot; * t )lt;-t v -: ^ • t- : r t

D^1?^ rpn V3^ TlSo rii3n3

^ t : J- : i ' t •-•-tl- ' t •'v i - t i lt; : V ;

: 1ND ln3ba pni V3K quot;III ND3-1?^ 3^' : Dquot;^ ='

1 : v j quot; a* t quot;,* t ' - - t : i* t

(*) n3i2n bv m^Kquot;) ratio i^öo1? nnmn nxnp

(D'-nsDn ^Vnn» jm) ntn33

: I 1 1 . , , ™«n W 'N DTO

laN? v:3-7Ki pnK-7« 121 : n^o-bN nin» quot;i3n,,i

jt t v : i -; i- v lt;•• - 1 •• jv v v.t : jquot;

^313' D : Dn1? TiQK 1Dquot;l3n rl3

j i vit : iv t v t Aquot; t :•-••• : v v. -;it : j

d : ?i3nn v:ö i niiT d : nin»

t • |iv •-. r KV •• .)t t st ; •• t | iv^; ; •; ^t ;

-by ♦airnK idi^i d : Q*hv -]1? tim v:31 nin»

; v j r : 1 t O : jquot; r: | v •• tt lt;t :

D : D3quot;13N ^Nl bNTiy» »33

iquot; -;it -; v.' quot;ï •quot; Aquot; t : * -••• ;

nvja^jcn p^nno JJO quot;i^ |3^on-nN Q^rf? ntra niVs DVS W) Bnp'! Dn^a»1) v^r^-nxi n3Tan-nN,i ini*

jquot;l':' y.quot; t '• quot; at •• t v ; -v.quot;ï • - v : t^quot; ^t v;

w: on Dri3x n'3 ^ni ^npn : Dnx

jquot; • ; ^ ••« at -; gt;.•• t •• t: • jquot; • : -1:— |t

D33quot;ip-nx : onparrty onavn an hèan

-•••:• tt c It v • tquot; _ rr-, : - ' • t jquot; - -

Dwsn np3 ivy 'irn 3ï rhwamp;v nin*

v,* * : quot; jquot; : -jt t ; I tt jt ^t ■••• ; t j : •■• r* t ;

nirD-bKninna^ : ?35yan oniN i3npM nnx1? -iiB'i

jquot; •• vt ; v j - i it : •-gt;••;* ».t j* i; - ^ at v ; -• ;

(*) Zie de vertaling in het Boek Numeei.

ocr page 288

140 roun bv naitrm ra^n n^ao1? nnmn n«np

ifsip : Swiyrp ^ ova

t :lt iquot; ^ : I v Ktt: v at •quot;• : * ^,* t * * '

ntran n:^ ^3 iv 'MI : bmyria tiD'bN pip m

, ''• : I ■• Ktt: v 1 j- :l t ■)■•• . ^ T DT*a

iJ3quot;ipT: Tin^p^i Vö^7« 0^0« [ft? «^3 ^otfn di»3 neon mc v 'w : nin^s^-ra pnp n?

i i'^- I v ^ vt t '' v; I j' ;It -jv

Haphtara voor den eersten Shabbath-Chanoeka.

Zecharja 2,14—4,7.

14 Jubel en verheug u, gij dochter van Tsion, want zie, Ik kom en vestig Mijn verblijf in uw midden, is het gezegde des

15 Eeuwigen. Dan sluiten zich vele volkeren aan bij den Eeuwige op dien dag en zij zullen Mij tot volk zijn; doch Mijn verblijf vestig Ik in uw midden; en gij zult weten, dat de Eeuwige

16 Tsebaoth mij tot u gezonden heeft. Dan zal de Eeuwige Juda, Zijn deel, in bezit nemen op den heiligen bodem en voor het

17 vervolg Jerusalem uitkiezen! Zwijg, alle vleesch, voor den Eeuwige, want Hij wordt opgewekt [uit Zijne schijnbare rust] van uit Zijn heilig verblijf!

1 En hij toonde mij Josua, den hoogepriester, staande vóór den engel des Eeuwigen, terwijl Satan stond aan zijne rechter-

2 zijde om hem te hinderen. Toen zeide de Eeuwige tot Satan: «De Eeuwige toorne op u. Satan, en de Eeuwige blijve op u toornen, die Jerusalem heeft uitverkoren! Is deze dan niet een

3 brandhout, gered uit het vuur?quot; En Josua was bekleed met

4 verontreinigde kleederen en stond vóór den engel. Toen zeide Hij tot hen, die vóór Hem stonden, zeggende: «Neemt de verontreinigde kleederen van hem af'; en Hij zeide tot hem: «Zie, Ik heb uwe zonde van u afgenomen en kleed u met pronkgewaad!quot;

5 Nu zeide ik ; «Dat men een rein hoofdomwindsel op zijn hoofd plaatse!quot; En zij plaatsten het reine hoofdomwindsel op zijn hoofd en kleedden hem met gewaden, terwijl de engel des

6 Eeuwigen staan bleef. Nu gaf de engel des Eeuwigen Josua

7 eene vermaning, zeggende: «Zoo zegt de Eeuwige Tsebaoth:

ocr page 289

nrmn bv naicNi minn n«np ap

nnpn : 13^! K*t?3 quot;i^rfa bwn: nnpn DV? neon ™r t 'W t|p3quot;nquot;|^[p_ l:|*ipquot;nK : n^irp bum ranp nr

*!t i v Ijquot; :It -iv , 'j dl^

n-ra te ^3? ^7trn ava

•• I V V.T • v: IA-.. ; •quot;• ; • v.' t • • : -

nron nir 'U ^ 'w C]p3quot;nquot;l^p.

: rVrrp wbü pnp nr

li •• Iv v.t • v; Ij- :It )•-• . digt;3

iS|quot;!p : quot;iiKn^-js IIS^N frwn ^^quot;in ai'?

neon njc ^ e|p5quot;rnj£jp.

: niNn^-n -nï^K |3quot;!p HT

noun bv naiy maan -a p'D nnara .ncy nna : nin» DK: -jDinn WDEh xn-^in ^ p'rns 'no^i ^ ^ vni xinn di»3 nin^-^x d\3quot;i 10

bmi.: nuoï nin|-'3 n^Tquot;!

: D^n^a quot;iiy nnai i^ipn mm by ipbn n-nn^m nin»

•it t i • 1 j- t vl (1 - -■- : - quot;iquot; I : •-■ t : v lt;t .

-nK ♦jnti : lanp wnrz »3 nin'» 'jaa on ^

V • •• :— I :IT \ j : * Tv. quot; J' AT : ■•••: * ».T T ^ J N

no^ nin» ♦JÖS nó'v binjn jrian vvw ^a np» li^r nin» IDN'I : ijcp'^ 3

nT Nibn p^iTa quot;inan ■qa nirr fè^n .••nKVsn^nbvquot;) d^niï onaa iraV n^n ^inn :^Kaj

|it: - - jquot;: ■ lquot; : ; l.-. t jtt ••. r lquot;

D^xnonian i^on imb v:pb onb^n-1?» noNn |jnn ?]nN traVni wa^n HK-I V^K inamp;x vb^o

Viiïn wwï quot;iinü ww iavi!» ióki : niïbnoquot;

, K t' . ■ tquot; '■ . st v'Tv L', t-.; u .^t■:,-

quot;i^l nin» -|«70i onja in^aTii^r^nin^n1 nixav nin» lóx-na : iüxb ^in^a nh' 'hkSo'

T ; -«t ; - T i • quot; U •• T ; |J •

MS

ocr page 290

HAPHTAROTH.

Indien gij in Mijne wegen gaat en in acht neemt, wat Ik u ter inachtneming heb geboden, en gij ook het recht van Mijn huis zult oefenen en Mijne voorhoven ook zult beschermen, — dan

8 zal Ik u toegangen geven tusschen dezen, die hier staan! Hoor toch, hoogepriester Josua, gij en uw vrienden, die vóór u zitten, waarlijk mannen van wonderen1) zijn zij; want zie, Ik doe

9 komen Mijnen dienaar, „den spruitquot; [van David], Want zie, de steen, dien Ik voor Josua heb gelegd, op den éénen steen zijn zeven oogen gericht; zie. Ik graveer hare versieringen, is het gezegde van den Eeuwige Tsebaoth, en doe wijken de

10 misdaad van dit land op één dag! Op dien dag, is het gezegde van den Eeuwige Tsebaoth, zult gij ieder zijn naaste noodigen plaats te nemen onder een wijnstok en ondereen vijgenboom!

1 Nu keerde de engel, die telkens tot mij sprak, terug en wekte

2 mij op, gelijk een man, die opgewekt wordt uit zijn slaap. En hij zeide tot mij: „Wat ziet gij?quot; En ik zeide: ;/Ik kijk, en zie: een luchter, geheel van goud, en zijn oliebak er bovenop en zijne zeven lampen er op, telkens zeven aanvoerpijpen naar

3de lampen, die er bovenop zijn. En twee olijfboomen er op; een ter rechterzijde van den oliebak en een aan zijne linker-

4 zijde.quot; Nu antwoordde ik en zeide tot den engel, die tot mij

5sprak, zeggende: „Wat beteekenen deze, mijn heer?quot; Toen antwoordde de engel, die tot mij sprak en zeide: „Weet gij dan niet, wat deze beteekenen?quot; En ik zeide: „Neen, mijn heer!quot;

6Nu antwoordde hij en zeide tot mij, zeggende: „Dit is het woord des Eeuwigen tot Zeroebabel, zeggende: Niet door legermacht, en niet door lichaamskracht, maar door Mijn geest!

7zegt de Eeuwige Tsebaoth. Wie zijt gij dan, gij groote berg? Voor Zeroebabel tot effen vlakte! Hij zal te voorschijn brengen den sluitsteen voor den geveltop, onder juichgalinen: „Gunst [van God], gunst ruste daarop!quot;

') Mannen van de grootste beteekenis, die de aandacht trekken en door hun bestaan Gods macht verkondigen.

d^piDS w to eyDinS imnsV dj nquot;n Sn dn ditibd jrua)

-lütf'ï: ips* »3 rnpaii trtn ™ rn:irr VrnoKi

v s - Iivt i ^ K'T* y t : . va ■jt t Kt t \ •. j v i -

vyim -itfK DiVt?1? 'nS -inb mjirv

1 * v at: ) *■' T:^ ' •,TT 1 :

♦jnT pm ïirai i nw nfrr -io^ nm» i:niiK

I jquot; |v •• ; r t : •• t ; ; : —:

c tio

(nSxn D'jnnsn DipiDsn w pi D'iois ps na1? imnfiS nquot;i Sn as ps)

141

ocr page 291

na^n hv nair «öp

-nK |nri nriïrDii iö^n wo^p-nK DKI, OTS-DK onpjrn pa oobnD ^ ♦rini'i nTïn-nK ia^n D^

nnx binan |ri3n i Krjrp^ : nb^nquot; : nay nn^-nx k^o nsn naia

-iv i,- :v r - y •. • • gt;ta*S ■gt;quot; :#' '* I •▼ •

njDi? nnx ^^•jnquot;, 'ish ♦rin: *if n jaxn nan i ^0 pv-nK ^nt^oi nisaï nin» bxa nnns nnaü ^an

I v •»' : quot; ^ T : ■*T : '•• : T *• * quot;•*quot;quot;•• s- : ' at quot;••

niNDï nin» dn: Ninn di»3 : m^ï ova «♦nrrpNn1

t ; -«t : - •* - it v ^ quot; i vit t

ntr'H : nj«n nnn-bNi raa nnn-Vx in^i1? ixnpn« '

tt- it •• : - j- v ; l*.\v - j~ v a••••; -•' ^ :l: •

-IDK'1 : inau'D HV^niyK »3 min ^xban =

V J- ^ iqt : ^jquot; V -: v,quot; J quot; '•' *' *quot; ' Kt: - -

anr miwnani wtn ló^'i nxn nnK no E

T:- TT^ quot; : '•• ■:. Z: quot;NT1 ~ ,T '• .i.t; lJT quot;Lquot; r

mpïio n^ntri npn^ n^y n^ma n^an nt^NT?^ nbai -r-

it i ^t : • : ^t : • t V t V iquot; ; • ; t -«t •-.:

T»O»O Sn» n^jr D^nn im nna1?j

| j- • T ... T /,..• .. ^ |T JV -: Vquot;-

nnm •n^sn-1?» noKi : nbxQ^-^ inw nban^

jquot; - ^ mt : - - v - it lp -pt it : - v.t v : . t *• quot;

quot;)ON#i »3 n3in -uósn tri : 'anx nbx no ioxb »3quot;

v J - jquot; ) t : - 1^--- r -: v V.quot; JT a •• v.*

no^v^'i : nV now n^K non-no n^T Ki^n 1

lt; - t ^- - - i- -: j v- it vaquot; t •*•* t t : v-t j quot;:^ t quot; quot;

i6 iOK1? Vssnr1?» nin» 121 n^ ■ïok'? 'Sk Vinan-nn nn^^o : niK3ï nin» quot;iok ,n,n3-DN »3 ri33'

4t - - st - r I t : ^jt : 1.- t • : • -• - •

?n niNirn nisWn r3Nnquot;nN N^ini T^o1? i?33quot;iT

Ir* *•, ; t t I v-»v t v • ; a • ; vquot; t ••.; r* ; *

: nb rn

IT Uquot;

D^ïDBn nSx mesnn nnx -np d^di» hdw raua mo mt Sn dni

quot;I^3-V3 K13» in3^3 n3^ nol iKhn3 WTrrno n^ni

^ 4t t t S t ^ A--: ^t - jquot; *. t : V •• • t t t

nafl3 ixm : nin» quot;ion ^sb ninn^n1?

••: • ^; t ; • : «t : it^ ; j~ t t : ^ -:-:•: ^

Kb nm) nión ab on^bin *3 »3 outran D^awn

j T ■ ; T -• Tiquot; 1 ■J* . a' V : I - *. T -:-»T

'i3i nn no rrm : iiy3-i?DS riN-n vni n33n

it t t : i ^tlquot; J T i VI'

ocr page 292

142 roun W raamp;z -rtafiü1? minn

»«^3 nxD inN nB'sn bv3 niran naan i- nx? anT maa ^DD_^quot;IID nn'f ^ D^ntp e]Di n^[5

D^tyquot;! e]p3 hnxn rnypn hkoi

bp^3 nlKD-V3quot;l«1 D,L73n tp3 quot;73 in«n pquot;)TDn

Ivjv : V quot; ^1- :- : quot; !*••-•.• lt; at^v it I •jt; • -

nw n-ièp n^o ant niss : t^fpn

4tt stt : v I; j •• : ••: I* iquot; : lt;tt - vh -

-Sa : nxoi Dn'^jr nissn nnrSa i^Tpn Sp^a eian

■tquot;, j ! ••• / ■ ■ jv t ■■•|quot;quot;. k!v7 : '

-♦aaD^asi^v-D^ DTK ons iamp;v WW n?^ quot;ipan

!••; s* t : t t !••; «• •• -t -t't jquot;: it itt -

V5i inNianVn^DWDwn^iDnnaon^ DW

^ : it - : v,t nr : r^' jquot; ' : at t : • ^.t ^t r* : -rr t

agt;amp;p dVn 'bns n^aiKi on'^ Qnhfn nar. i quot;ipa narsn n^in dkt d^33 onn^

-••;•- j- •.. -i lt; fgt;- - vt t^ iquot; : ^ y t : ' • -** *•.

'iriK i^ia n^o N331 : ink n^an nn« Hlsan SJJD quot;laip bipn-nx ykm : vVk nam o^aian ♦:b' rao niyn

it •• v,quot; quot;•' a* *•.: - j.. • i v.. • •./%# ,T

inSyna

VSK nnoKi. nan : iaab na'D-1?^ nin^ nanp. njra^ nw nnüan SID-VN n'-ian-nx ^n^na n^n^i nb^n niiaan ^id-Vk jSnn |a : nnan arn ntypaniian nir^Q nn : nt^o-nx nin* nix i^Ka

tt -«t i: • t v quot; *quot; •'quot; •• : iv v vt : jt ■ -jv -: i-

hm» nKin quot;itrN nxiaa Kin n^pa nms-i^ nan»-^

t : «T : v v t v : - - a- «nr I; • ^.t : • ^t ••:

n-iian-nK n^ ra n^a-nK

it : - v t Ir*

Haphtara voor den tweeden Shabbath-Chanoeka.

I Kon. 7,40-50.

7 40 Eq Chierom maakte de waschvaten en de schoppen en de sprengbekkens; en Chieram voleindigde het maken van het geheele werk, dat hij gemaakt had voor den koning Salomo 41 in het huis des Eeuwigen. Twee zuilen en de twee ballen aan

ocr page 293

(1) nsiin ^ TÜÖD1? n^iinn mnp 3öp

NCJ

lianp : n^ma-p n^:o wm ♦j^Dirn bi*3

t :l t i t : 1 v ^quot; * ; ~ isv - : ■quot;• : • t • • ; quot;

e]Di nnK pnro HNDI vpbv nnx ^pa-n^p. |0ïf5 rbiVs nbp D^bp i on»:^ tyipn 'jpKfs bpt?

-ra im quot;ia : niüp n^ba anr nnx na : nmo1?

i v t v -- vil: jt •• : v.tt jtt quot;-: •»— |,r it : * i

tnx on^-i^jy : nty1? in:trf3 iniriraa nnx Vk ipa

v.t v t' ; it : ^ t ; i v jt v v iv v • squot; »tt

onnjr ntron DVN npa trabtfn nar^i : nNtan1?

j. t • -: «• •• • - : mtt • t : - it - ;

: Tiïnna-p ranp nr niran n^tr^a o^aa ntbon

i t ; i v - Ir* :It •)*.• at * -: ^t t iquot; : r r : • -i

iia-)pT : ^pnrja |Tasi jo^a ^a1? Nvp: ai'a

nron rac ^3 T3gt; 'UI ^pa-nn^p

:'jnni fTaK I^p nr iianp : ♦ity'ayra quot;itv^hn n ^a1? w'm Di'a

t :It it- r t v v^v • -; I at -••• ; • v t • • .it

nron nitr ^3 n- fipaTi^p. • ^^-fa quot;ir^nK |a*ip nr ■

: pajrja ib'k ^ab wm ai» ♦nfj? bva

nran njir ^3 nr 'ui ii3-ipr

■■ n??quot;!? II1B 7.

: pTia rTHK ^Sns: na1? «nr: DV nva

i it •• i v i.- ' a* t : - -»••: • t -«t t •»*•: i

neen njr ^3 -u- 'w e|pa~n^p_ liaip •' UTÏI jn.™ |anpT nr

naiin nair niüfin

'i jcd -N D'sSaa

ba^. nipnTpn-nKt. D^irnxi ni^arrnK DITH f nirx naK^an-ba-nx ni^S DTH

iv jv - 4t t jv -; . t t :. quot; t -■ -:i- t •

■bjntfK nnnan hbai anav : nin» n^a nab^ ^

v -: ^ t i - s %: •quot; : ■»* ••. - it : jquot; \. :

1

Zie de vertaling in het Boek Numeei.

ocr page 294

HAPHTAROTH.

de kapiteelen [v. a. de voluten], die boven op de zuilen zijn; en de twee vlechtwerkversieringen om de twee ballen aan de

42 kapiteelen te bedekken, die boven op de zuilen zijn. En de vierhonderd granaatappelen voor de twee vlechtwerkversieringen; twee rijen granaatappelen aan elk vlechtwerk, om te bedekken

43 de twee ballen aan de kapiteelen, die boven op de zuilen zijn. En

44 de tien stellingen en de tien waschvaten op de stellingen. En de

45eene zee, en de twaalf runderen onder de zee. En de potten

en de schoppen en de sprengbekkens en al deze voorwerpen, die Chieram maakte voor den koning Salomo in het huis des

46 Eeuwigen van blankgepolijst koper. In de Jordaanvlakte liet de koning ze gieten in vasten bodem, tusschen Soekkoth en

47Tsarethan. En Salomo deed alle voorwerpen maar neerleggen [in den tempel] wegens de buitengewoon groote hoeveelheid;

48 het gewicht van het koper werd niet onderzocht. En Salomo liet maken al de voorwerpen, die in het huis des Eeuwigen waren, het gouden altaar en de tafel, waarop de loonbrooden

49 waren, van goud. En de luchters, vijf ter rechter en vijf ter linkerzijde vóór het binnenste [allerheiligste], van gedegen goud; en de bloesems en de lampen en de tangetjes van goud.

50 En de bakken en de messen en de sprengbekkens en de lepels en de vuurpannen van gedegen goud; en de scharnieren voor de deuren van het binnenste deel van het huis, namelijk voor het allerheiligste, voor de deuren van het huis, voor het heilig verblijf, — van goud.

rfto dwv 'JEh nnxn na1? ptsft nmo h'jd

v lt; • ; •*quot; : at v it ^t - i v v - -«t : T : ** *

nruarbo nnta psso nmo

t : * v lt; i T i •* r : ^ it v it 'vquot; t i v v - -«t : t : •

: nirr1? ntamp;si rïrr: m nVy nn«n fcoa1? ïotsb

it r V,quot; * quot; • - Jquot; t ^ AT v ^it ^ V VV - I V V - jt :

pnn nw pnn 'ïn

yy'm :na2Ti iB'nna Win niy nxr r» 'vziï rnn

^ : it t - v.quot; : t : ; t ; v -»1 'at v vv

i 13d:i rivy ntyby nirr1? nmrh nnx onv

i ; • ; vv Tiquot; r r m Squot; at i- vt - ; -it v r

143

ocr page 295

roiin bv nzv misfin jop mbrn^-nK HIDDV D^niM^ni.D^ anis^ Vp* D^sin-nKi : onis^n vtirty -igx nSnan^» nnKn nM^b^Di Dnita-^ty niNo

• • ,T TT. • «• i»» j at; ~ jt. . . c ••

-nw : nnis^n ris-1?^ I^K ninan ni'^ W-nx niè?1?» D»n-nNi : nipan-^n^ n^arrnKi nijbsn^ niTprrnNi : D^n nnn quot;iparrnKi nnxn ™

1. i '* : 'TI ,'' 1lT T 'quot;.: '-quot;TTquot; -■ : AT V IT

^nxn D^arr1?! nxi mp-jTon-nNi D^utki HTn quot;1333 : uioö n^m nin» n»3 n'b1?^ o^n». fia1?^ nr_i: miv pni nüD ra nonxn na^öa rbèn Dp^» : npnx-i ipn: ^ =4^™

1 • ij z H.-: '•* j a : j ; ^ . .. « T ,,

annnatp nKnin; D^an-ba nx na^

rónnHisn-mi lanTD^önon) |n^n-nNi ^

nijn-i tijd anr n^n ysh i^om pó»p nisani ni^rani nnaroni mspni ! anr ofn^env vh$ ♦a^sn n^nnm^ ninsni Tijo anr ninnam

A T -«TT

: an? byrh n.^an 'n^1? a^nsn

•TT ^t • i • -r - jquot; : ': • tIt-

mn vx*i) nat^a i^öqS nxnp

onyej

nVp ap^an D^aa^:^ na^n avai

ina^a na^ 'rhp : iapif fo^a n^Va nn:p a^ : napji n^arin

ipa-^a Dna nirvb lanjjn aa^nn ^K-jni a^y : ao^an n^a^ nijy-^a a^aannx Sw

• * T • r * : quot;VT ; • .,T T ,.. . r T j T v •quot;- •

ocr page 296

144 Haphtara van Shatbath-Eosh Chodesh.

Jesaja 66,1—24.

1 Zoo zegt de Eeuwige: de hemel is Mijn troon en de aarde de bank Mijner voeten! wat is 't dus voor een huis, dat gij voor Mijn Naam zoudt bouwen, en welke is de plaats, waar

2Ik zou rusten? Terwijl deze allen Mijne hand heeft gemaakt, waardoor deze allen ontstonden, — is het gezegde des Eeuwigen. Doch op dezen richt Ik Mijn blik: op den arme en den geslagene

3 van geest en die siddert op Mijn woord. Doch — die den stier [Mij ter eere] slacht, is [tegelijk] een matmenmoorder; die [Mij] het lam offert, een hondenwurger; wie [Mij] een meeloffer brengt, zwijnenbloed [plengt hij voor de afgoden]; wie als herinnering wierook brandt, hij zegent tegelijk onrechtmatigheid [afgoden]; evenals zij verkoren hebben hunne wegen en

4 in hunne gruwelen hun ziel behagen had, — Zoo zal ook Ik verkiezen hen smadelijk te behandelen en hunne verschrikkingen zal Ik hun brengen; omdat Ik geroepen heb en niemand antwoordde. Ik gesproken heb en zij niet luisterden, maar zij bleven doen wat kwaad was in Mijne oogen, en waarin Ik

5 geen behagen schepte, kozen zij. Hoort het woord des Eeuwigen, gij, die siddert op Zijn woord! Uwe broeders, die u haten, die u verstooten, zeggen: «Ter wille van Mijn naam moge de Eeuwige Zijne heerlijkheid toonen, dat wij aanschouwen uwe

6 vreugde en dezen [wij] beschaamd worden !quot; Stem van gedreun uit de stad! Stem uit den tempel! Stem des Eeuwigen, die

7 vergelding betaalt Zijnen vijanden! Vóór zij weeën voelt, heeft zij gebaard; vóórdat smart over haar komt, heeft zij een

8 knaapje doen uittreden. Wie heeft dergelijks gehoord, wie zoodanigs gezien? Ontstaat onder weeën een land in één dag? Wordt een volk in één maal geboren? Want bij de weeën

9 heeft Tsion ook reeds gebaard hare kinderen! Zou Ik tot den barensstoel brengen en niet doen geboren worden, zegt de Eeuwige; zoude Ik, die doe baren, den schoot sluiten? zegt

10 uw God. Verheugt u met Jerusalem en jubelt over haar, allen die haar bemint! Verblijdt u met haar in volle blijdschap, gij

11 allen, die thans over haar rouw bedrijft! Opdat gij kunt zuigen en u verzadigen aan de borst barer vertroostingen, opdat gij kunt slurpen en u te goed doen aan den prangenden overvloed

12harer heerlijkheid. Want zoo zegt de Eeuwige: Zie, Ik leid tot haar als een stroom den vrede en als een overvloeiende beek de heerlijkheid der volkeren, en die zult gij zuigen; op de

13 zijde zult gij gedragen worden en op knieën geliefkoosd. Als een man, dien zijne moeder troost, zoo troost Ik u en met

14 Jerusalem zult gij vertroost worden. Dan zult gij zien en zal uw hart zich verblijden en uwe beenderen zullen als het gewas

19

ocr page 297

ann nitasn

T'D jJTD

(nsun ha nys meen 'jb» nwj it mocn)

h6 nr»M ^ Din riKm ^D3 nin» quot;iün r\2* ID

Jquot;^ quot; fgt;r: - ••-: I 'att ; • ; • ' •*quot; x quot; T : -•-T lt;

*T TOK-^-nNi : ♦nnwD Di[50 nr^i amp;)^n quot;IB'K = ■naai nrbxi nin^DW rrn nn^

n^n nniT t^^-nsD H^n ünity : nnrb^ -nm nn ^ *| |IK tpa» npb quot;)^TD inn-Dquot;i nmp nV^o ^K-oa : nxfin d^s; Dn^i^si on^nia \-1n2 nsn-oa ■gt; m^i^vn^ijrorö bnniapi Dn^na quot;inn«

'riïfinquot;^ Vin

D^nN^ON narVx omnn ninnDn wöt^ : nnsquot;

V •• -: : it lt;st : v •—:i-^ t : - ; ^ ; • it t

MnnDfeo nKn:i nin» nap» i^oV D5n:p DDwif d^o nin^ b^no quot;i^p Vif? : wy Dni.1 n^Van Nia^ DIÜS mS» ^nn Ditaa : vn^V

^ v.t^ •■• •»quot; j t ^v v : tatt v/ t --w : it: i : v ;

px ^nrn n^a nxn 'D nxra : IDT n^pnin

i'ï my Da nbn-^a nnK Dya ♦ia I^vdk' nn^DVa

i V. ' rr:it - tot at v ^ vjt' tv •»:

♦awDK nin» idn» tVik k^i yzm ♦axn : n'aa-nx0

y quot;• • at : -»quot; v* j '• ~ j' -: i~ t IV t

inaiy ; quot;IÜN n^isn' : D^aKnprrba Wwn nriK Jranirba na Dnja^nni iïan f^öVn^nari n'^p Deafen iprn Di^jy inaa n^K-n^raan ninnöNina^a :miaa no^

t t t I t V •• IV J* : I* t t •*quot; t -• • |t ij-'

D^-ir^i wtban nr^ an^} Djia maa tpp Vnapi DDDnatf ♦aaj? 15 'taanan IÖN lEte iy»Na ;

Niyna DD^niöï^i Dia1? 'v'm bn^i : lünan D^iTai^

V jv - vquot; quot; i : - ; v : -t ; v • ; it \ ; \* r 1 •

ocr page 298

HAPHTAROTH.

bloeien; dan wordt de hand Gods bekend aan Zijne dienaren,

15 terwijl Hij toornt met Zijne vijanden. Want zie, de Eeuwige — in vuur komt Hij, en als een dwarrelwind zijn Zijne wagens, om Zijn toorn te doen overgaan in ziedende gramschap en

16 Zijne bedreiging in vuurvlammen. Want met vuur houdt de Eeuwige gericht en met Zijn zwaard met alle vleesch; zoodat talrijk zijn de door het zwaard des Eeuwigen doorboorden.

17 Die zich zeggen te heiligen en te reinigen met het oog op de [heilige, den afgoden gewijde] tuinen, achter één in het midden; maar die eten het vleesch van zwijnen, onrein gewriemel en muizen; te zamen gaan zij te gronde, is het gezegde des

18Eeuwigen. Ik! — hunne handelingen en hunne gedachten zal Ik..! Zij komt, [de ure], om te verzamelen de volkeren en de

19 talen; dan zullen zij komen en zien Mijne heerlijkheid! Ik zal in hen een teeken geven en Ik zal van hen vluchtelingen uitzenden naar de volkeren, naar Tharshiesh, Poel en Loed, die den boog hanteeren, naar ïhoebal en Jawan; de verre eilanden, die de mare van Mij niet hebben gehoord en niet hebben gezien Mijne heerlijkheid, — en zij zullen Mijne heer-

201ijkheid verkondigen onder de volkeren. Dan zal men al uwe broeders uit alle volkeren als geschenk brengen ter eere des Eeuwigen, met paarden en wagens, in draagstoelen en met muilezels en met dromedarissen op Mijnen heiligen berg, Jerusalem, zegt de Eeuwige; gelijk de zonen Israels het meeloffer

21 brengen in rein vaatwerk naar het huis des Eeuwigen! En ook van hen zal Ik nemen tot priesters, tot Levieten, zegt de

22 Eeuwige. Want — evenals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik bezig ben te maken, vóór Mij bestaan, is het gezegde des Eeuwigen, zoo zal uw kroost bestaan blijven en

23 uw naam. Dan zal het zijn; na verloop van een maand op zijn nieuwemaansdag en na verloop van een week op zijn rustdag, zal alle vleesch komen om zich vóór Mijn aangezicht neder te

24 werpen, zegt de Eeuwige. Zoo zij dan uitgaan, zullen zij zien de ontzielde lichamen der mannen, die tegen Mij gezondigd hebben; want de hen verterende worm zal niet sterven, het aan hen brandende vuur niet gebluseht worden en zij zullen tot afschuw worden voor alle vleesch!

Doch het zal zijn telkens na een maand op zijn nieuwemaansdag en na eene week op zijn rustdag zal komen alle vleesch om zich neder te werpen vóór Mijn aangezicht; — zegt de Eeuwige.

(De Portugeesche Israëlieten voegen, indien ook den volgenden dag Rosh Chodesh is, aan deze Haphtara nog het eerste en laatste vers van de hier volgende Haphtara toe.J

145

ocr page 299

Knn mi) nzv n^tiön nop

■p : D^n vn^-nK npp» n^iiai nan^n»

lisK nana vrbsio naiDai nin» nan

quot;^■nK 'iainai nin» Wa ^ : ^-♦anVa inn^V3 niMn-^KDnnasni D^npnisn : nin» ^bn'^T/V3'11 m fpt^nnnnn ^3 hsü ^na im TIK f3^ nwa Dn'm^nöi bn^o : nin»-DK: ISD^ ara rnofcn ; narnx ixni ni^bni D^n-^rnN^

^3 wèin D^n-^N 1 dho wamp;Bn niK -nK i^Dty-K1? D^'nnn D^KH rvi ni^p

* : «t quot; ■: I* :it -•• • it I att: j- v lv,v •• : j

iNani: D;133 ninrnK n^ni ♦iürnK WTKS ym= ^■ni'D^piD? nin^ nnip 1 D;i3n-^|D 1 D^nK-VrnN quot;iük d^it ^-ji? quot;in ^ mnansai onnaai d^vsi muriü ^D3 nnjan-riK nin»

^K3 *3 : nin» quot;iok Q^bb Darts'? n^jst Dno-Dii': riW « dhd^ n^nnn p^rn D^nnn D»ü^n23

t^in-np n;ni : ddo^I DO^IT my p nin^DKJ »

• TT 'l 'quot; 'l ' ' quot;:r quot;T : 1 : _ iquot; T :

ninn^n? quot;)^3quot;73 nis» in?^3 npi ïvinz '2 »3 D^fön D^KH nJÖ3 IKII Wï»! : nl!T lOK^ .•i^s-^riK-n vm n33n ahnvw món ah Drijrbin

1 • » t.i ^tiquot; j t i y ; * j t * : t -» t : ~ i

ninncnS npa Sa xd1 inaca nac noi icina t^in no n^i : rnrp io\ vsh

jnnsi prsi piDB rjioinS ,'a dm inW?i pquot;» ova n'quot;! Sn cs' .omDD ahj»)

(nsan Tffm in O riiosn Sd

ocr page 300

Eaphtara voor den Shalbath vóór het Nieuwemaansfeest.

I Sam. 20,18—42.

18 Ka Jonathan zeidetothem: ,/Morgen is nieuwemaansdag; dan zult gij gemist worden, wanneer uw zitplaats zal worden opge-

19 nomen. Welnu, drie dagen zult gij verre afdalen en komen tot de plaats, waar gij u op den dag der [bekende] gebeurtenis1) hebt verborgen; en gij zult u nederzetten bij den wegwijzer-

20 steen. En ik, ik zal drie pijlen naar den kant afschieten, als

21 om voor mij op een doel te schieten. En zie, dan zal ik mijn jongen bediende de opdracht geven: «Ga heen, zoek de pijlen!quot; Indien ik dan tot den jongen zeggen zal: ;,Zie. de pijlen zijn van u af hierheenquot;, neem hem [een er van] dan en kom, want vrede is u en niets nadeeligs, zoo waar de Eeuwige leeft!

22Doch indien ik aldus zal zeggen: ,/Zie, de pijlen liggen van

23 u af verderopquot;, ga dan, want de Eeuwige zendt u weg! En de zaak, die ik en gij hebben afgesproken, — zie, daarvoor is de Eeuwige getuige tusschen mij en u tot in eeuwigheid!quot;

24 Nu verborg zich David op het veld; en het was nieuwemaansdag, toen zette zich de koning aan den maaltijd om te eten.

25 En de koning zat op zijn zetel, gelijk telken male op de zitplaats aan den muur, toen stond Jonathan op en Abner zette

26 zich aan Shaoel's zijde; en David's plaats bleef onbezet. En Shaoel sprak niets op dien dag; want hij zeide: //Het is zeker

27 een toeval, hij is misschien niet rein, zeker niet rein!quot; Nu was het den dag na den nieuwemaansdag, den tweeden [der maand], toen weder de plaats van David onbezet werd gevonden, zeide Shaoel tot zijn zoon Jonathan: //Waarom is Jishai'szoon

28 noch gisteren noch heden ter maaltijd gekomen?quot; En Jonathan antwoordde Shaoel: //David heeft van mij verlof gevraagd om

29 naar Beth-Léchem te gaan. Hij zeide namelijk; //Laat mij heengaan, want een familie-offerfeest hebben wij in de stad, — en hij, mijn broeder, heeft het mij bevolen ; en nu, indien ik gunst in uwe oogen gevonden heb, laat ik mij dan mogen terugtrekken en mijne broeders gaan zienquot;; — daarom is hij

30 niet aan de tafel des konings gekomenquot;. Nu ontbrandde de toorn van Shaoel tegen Jonathan en hij zeide tot hem: «Gij zoon van meest verdwaasde weerspannigheid! Ik weet immers lang, dat gij dien zoon van Jishai de voorkeur geeft, tot uwe eigen schande en tot schande voor de schaamte uwer moeder!

31 Want alle dagen, zoolang die zoon van Jishai leeft op den aardbodem, zult gij en uw koningschap niet op hechten grondslag gevestigd zijn; welnu, zend heen en laat hem tot mij

32 halen, want een kind des doods is hij !quot; En Jonathan antwoordde zijn vader Shaoel en zeide tot hem: //Waarom zal hij gedood

33worden? Wat heeft hij gedaan?quot; Toen wierp Shaoel den spies tegen hem om hem te treffen; en nu wist Jonathan,

ocr page 301

roKO bnv vin cxn nny1? ni^sn lop

'3 JCD 'K SNIDKO

; ^3^IQ ipö* »3 nnpöJi ^Tn ino rminquot; ly-iOKquot;') ^

| iv t i k't* r t ;|- : • : ^ va jt. t ' it t : j v i-

Dt^ mnoriB'K oipsn-^K nKni IKD nn ^

t :^- : • v -: It- v t t : j** •• t : - * :

D^nn ^KI : bïKn pxn nzm nt^an ova =

v.' * •quot; . quot; j ; • ■:!' vit t i v jv t v t • quot; •jt : |sv _! |— - j :

-]S n^iin-nK nsni ; niGQ1? nniK *=

^so i D^nn nsn ivh noK IQN-DN D^nn-nK KXQ

ji ; . j* • i- jquot; • ^------- t • a- • i- v jt ;

rü-DNi : nin»-*n mi ?w •nb Dibir'3 nKni lanp nani ^

lt; • : it ; - lt;.t t i jquot; ; .)| : j t r r ■gt; r sv i t ^ t •• t

: nin» nnW '3 i? nxbni nao D^nn nan iok

it : j- )•• t :att j) : • v.- • r r* * v • t _

-nv nrm 'ra nin» nsn nn«i man -it^K innni»

v,l : ; squot; • t at t -: :v.- • Jquot; -: t t - :

onbn-^J -jSan atrn irnnn ,nn_ nn'^a nin insn.: nhty ■» aE'iD'bK D^aa i d^S3 -]ban : ViaxV™

: nm DipD npsn biNï? nxo mx 3^1 rnain» bp»i n^n

1* t \j : l^'t*-^ at -»- • v.quot; : quot; vr*- l t t : I tt- I* -

Kin mpD iQK^NinnDi'anaiNö nar^bv3

r : • jvi: • - t lt;* fgt; - - t ^ : ■» t j'' ' 1 :

npsn ♦Jirn trnnn mnaa ♦rin : Una Nin una»

Kquot;t • ~ * •• - v - lt;-▼: it • • : - ^ it j ' \, •) t

ktn1' jn-ia lia rnain^N bis4^ la^n nm Dipa

•»- * I v st - - ; I -«t t i : v t v lt; - a* t Ij :

büm b)m-m ?n:in^ rri •' Dn-'n-bx Di'n-oa ^ian-oan3

q q '' ' t v kt t 1^: i -J-- vit- v v. ~ quot; j

nar ^a nj anbt^ naN'ii : onV n»a_n^ na^a nm 03

^ -v J* t • Jquot; ; - v - ^ vit Jquot; T iquot; r •** T ^ : *

jn 'DNïa'DX nnvi ^nx ^-niï Kini quot;vya ^ nna^a

i •• lt;t t t - : * t t * lt; : t t t t : •

|n^-b« Krxb nNisn. xj na'pax ^i^a

nimannip-ra6iaxn rnjin^aSw ^«nnn :n^an^

a ; - - v,- :•quot; » -* ^ v j - I t t ' t )lt;- -r- | v iv -

n^a^ ^n^a1? ^♦quot;fa1? r\m nna^a Ki^n rian kV naixn-^v V^-ra i^k o^a^n-ba 'a : na» ^

i v. • j t t-:it ^ j- - • i v ^«v -: * t - t •«• ] iv •

: Kin ma-ja »3 in« npi nr^ nn^i nnia^ai nnx

1 at » v J. ~ I lt;—. - : t : |av ; -

na nav nab rbx laKquot;) vax bwty-nx ïnain» r^i ^

JV v.-^ ^ tJT 4t •• vs- a- t v t v i t.t ■• : i---

rnjin» jm inan1? vby n^nn-nx San : nfry ^

I tt ■gt; i ^ — - a - : v.t't r -; i~ v s t vt- it

^ Bij Shaoel's aanslag op David; vgl. I Sam. 19,10.

ocr page 302

HAPHTAROTH.

dat het vanwege zijn vader vast besloten was, David te dooden.

34En Jonathan stond op van de tafel in brandenden toorn; en hij at niet op den tweeden dag der maand eenige spijs, want hij was verdrietig om David [en] daar zijn vader hem smadelijk

35 had behandeld. Nu was het in den morgen: toen ging Jonathan uit naar het veld, naar de met David bepaalde plaats, en een

36 kleine jongen was bij hem. Nu zeide hij tot zijn jongen: «Loop, zoek toch de pijlen, die ik schiet.quot; De knaap liep heen en hij

37 schoot den pijl, zoodat hij hem [den knaap] voorbij vloog. Toen nu de jongen kwam tot de plaats van den pijl, dien Jonathan had geschoten, riep Jonathan den knaap achterna en zeide:

38 ,/De pijl is immers van u af verderop.quot; En Jonathan riep den jongen achterna: wSpoedig, haast u, blijf niet staanquot;; en de jongen van Jonathan zamelde de pijlen op en kwam toen tot

39 zijn heer. En de knaap had niets gemerkt; slechts Jonathan

40 en David wisten de zaak. En Jonathan gaf zijn gereedschap aan den jongen, dien hij had, en zeide tot hem: «Ga heen,

41 breng het naar de stad.quot; De knaap was juist heengegaan, — en David stond op van bij de Zuidzijde [van den wegwijzers-steen] en viel op zijn aangezicht ter aarde en wierp zich driemaal neder; en zij kusten de een den ander en weenden de

147

42 een met den ander, totdat David het sterkst weende Toen zeide Jonathan tot David: ;/Ga tot vrede! Daar wij immers beiden hebben gezworen bij den naam des Eeuwigen, zeggende: De Eeuwige zal zijn tusschen mij en u en tusschen mijn kroost en uw kroost, tot in eeuwigheid!quot;

') V. a. zich vermande.

ocr page 303

mipa W cnn mi aiyV rmsn Töp rnjin» Dp'i : -nrnN n^on1? VDN D^Ü x'n rhr^ *

I -JT T • : I TST- i* T V r r : v* t v •• r tjt '

on1? ^TnrrDVa bSN-Nbi tiirnra rn^irn DVD

v v *quot; vlt; - i : - t i : |at •▼.•it Kt; - *i' ••

KÏ'I npia ♦nn : vdn ID^DH »3 ytyi ^ ^

Squot;quot;- |v - -•• ;- r t v. * : • y • t v - v lt;•

•hinb iD^'i : 103; |t]p n^i; ni-i nnari |njTin^s -Nini 'p quot;i^an miD ♦DiN D^nrrnx krsjvo *p

1 ; I T 7--- - AV v.quot;^ «T ^ JV -; • • J- v T T : I •-.

mnirK^nn DipD-n^ quot;ipn Nnn : inavnb ^nn rrv»1'

V.TT j't -: • •• - |J ; ^ * T- 1 •^:i- : • vquot; - JTT

^aa ♦vnn Nibn *ia^i -lysn nnx main* Nipn rnain»

-»1 : * •lt;_.•- ^ -; ... - ^--- lt;—: iquot; ^ 1 TT 1 : ^TI : • - I att I :

no^jn-1?» n^in mno i^innnK rnain* Nipn : ^

a -: 1- ~ Ti, rrquot; : —gt; 1 : t : itt

quot;K1? : viiN-^N ND'I 'ïnn-nK fn:1^, iv: ^

^ I - ; |T -. ... V. T- • • J- ^ ... J T T , . ^-c- Iquot;-;-

jnjin* rn»i : imn-nK nni m:in» -ik hdind ri*»

I t T i : i lt;•• • - ,T Tquot;. v K '\T • T : I T T i : | lt;- T A : ^ j-T

: T^n N^n rfc lt;h IÖ^I v^rnK

inri^inïnKVöN1? Vsn 2J3n ^ïnq op nin «2 ^vïn *»

*- t :4- ^T^- : •- vv - ...— .. Itc • t: t ^- - -

inyrriK I ip^i D^D^S quot;itrK rh -inb rn:in» nirny

v -: a t ]■— ^ v.* T: ^ I^t t i : v s~ r ^ • v*

♦ra i n^n' nin» iaKb nin* dbo liniK wip

••• tio Tl r?.1

ocr page 304

-no

-inipn mSsn

.ruBn mnar hd?

O TllDJEi

der

OCHTENDGEBEDEN

voor den

SHABBATH.

Opnieuw in het Nederlandsch vertaald en van verklarende aanteekeningen voorzien

door

jt. vredenburg,

Leeraar aan het Beth Hamidrash te Amsterdam.

Amsterdam, J. L. JOACHIMSTHAL.

ocr page 305
ocr page 306

OCHTEND-GEBED.

Aan den ingang der Synagoge zegt men:

Ik, — door Uwe overgrocte genade kom ik in Uw huis, ik werp mij neder voor Uwen heiligen tempel in vreeze voor U.

Bij het binnenkomen zegt men:

Het huis Gods betreden wij met eerbiedigen schroom.

Nadat men de Synagoge is binnengegaan, zegt men:

Hoe schoon zijn uwe tenten, Jakob! uwe woningen, Israël! Ik, — door Uwe overgroole genade kom ik in Uw huis, ik werp mij neder voor Uwen heiligen tempel in vreeze voor U. O Eeuwige ! ik bemin den zetel van Uw huis en de plaats van het verblijf Uwer heerlijkheid! Ik, — ik wil mij nederwerpen en knielen, ik wil de kiiie buigen voor den Eeuwige, mijnen Maker! Ik, — moge mijn gebed tot U, o Eeuwige, komen in een tijd van welgevallen; o God, in Uwe overgroote genade, verhoor mij met Uw waarachtig heil!

Vóór het ochtendgebed wordt nog het volgende gezegd:

Ik roep U aan, want Gij verhoort mij, o God! neig Uw oor tot mij, hoor mijn spreken. Ik — iii gerechtigheid aanschouw ik Uw aangezicht; ik wil mij bij het ontwaken verzadigen aan Uwe verschijning! Ik —op U vertrouw ik, o Eeuwige; ik zeg; mijn God zijt Gij ! Hoor het geluid mijner smeeking, wanneer ik tot U schrei, wanneer ik mijne handen ophef naar het binnenste van Uw heiligdom ! Eeuwige, mijn God, ik schrei tot U en Gij geneest mij. Tot U, o Eeuwige, roep ik, en den Heere smeek ik. Doe Uw aangezicht lichten over Uwen dienaar, help mij door Uwe genade 1 Want op U, o Eeuwige, hoop ik; Gij, Gij zult verhooren, Heere, mijn God! Hoor toch mijn gebed, o Eeuwige, luister naar mijn schreien, zwijg tocli niet bij mijne tranen. Hoor, o Eeuwige, en wees mij genadig. Eeuwige! wees Gij mij tot helper.

Lied Hamma'aloth van David. Ik verheug mij, wanneer men mij zegt: laat ons gaan naar het huis des Eeuwigen! Ik verblijd mij met Uw gezegde, gelijk iemand, die grooten buit vindt. Luister naar het geluid mijner smeeking, mijn Koning en mijn God, want tot U bid ik. Eeuwige! des morgens moogt Gij mijn stemme hoorei!; des morgens, als ik voor U offers orden, — en naar U uitzie. Ik roep U aan, want Gij verhoort mij, o God! neig Uw oor tot mij, hoor mijn spreken! Mijn voet staat op vlakken bodem, in volksverzamelingen looiquot; ik den Eeuwige.

Verheerlijkt worde God, d'Allevende, hoog worde Hij geprezen,

Die absoluut bestaat, en Wiens bestaan geen tijd tot maatstaf heeft;

Die eenig is, geen eenheid is gelijk de Zijne;

Voor menschengeest verborgen, is Zijn grenslooz' eenigheid.

Hij heeft geen lichaamsvorm, is oniichaamlijk Wezen,

Geen nog zoo krachtig woord beschrijft Zijn heiligheid !

Voorafgaand aan 't Heelal, uit niets door Hem geschapen.

Was Hij de eerste, aan Zijn bestaan ging niets vooraf.

1

ocr page 307

rmc nSsn no «

msz cr» nnBi nojsn mh wai» onip

: ?|nK^| ^iihp^n bti ninri^K^n^ KDK ^pn nha

■mKii riroa -jSi tni

: Tjbnj n^3

iCiS'' fiown tvih dmts

^Dn aha ♦jni : ^rüatfp np^. ^SriN isia-no ^rinnK \\: ^nxTS bx ninn^N NSN

n^i3Ki; ninn^N ♦jki : ^133 js^p Dippi p'^p ö'n^ |1Ï*I n# »♦ ^ 'rhzn : wy » n3i3K : *]%amp; nöK3 ^ ^pn 3-J3

n»q^ PIP ^ J VW 1S ?i?w an hs ^ ïj^nf? 'jjc

^ox « TJ^ : Tjnjia^ ppna :? : ^ip, quot;i1?^ hit n; tj^n* -gunn Sip rn^ : nrw nTxn ; iirjj^ quot;•jij? «nps « t)^» : ^Ns-jrn. ^ie' \iS?c

n?j;:n nnx ^nln \] ?i^ ^ : ?ji!pn? ^.Tln hx VW • ^quot;100 ^ nrwn ^ vtW) n^at? : \i^jc

: ^ nn'y n'n ^ quot;-jam ^

.. *■ ..... T; .,..,. . T;

by VM ty ; -]Sj •» n,3 ^ onpw? ^npv inS nl^an -i^ •o ,nSNi yp SipV na^pn : an SW NSID? Tjniax ^ ' n?2Pê?i npa quot;hp yi2fn nps » : S^Siix TJ^N:

quot;lit^a? n-ja^ ''^T : 'nnpx yat? quot;h on Sn ^ ^quot;«rixip : v: D^Snpag

: iniN'ïö n# pKi KÏÖJ • nsntrn Ti bnr

: inmnKb fjio pK DJI D^J * nm pKi nnx

: m^np vVk -jn^j ah * i:w tjian mon 6 pn

: WNnbn^Ki r«l P^quot;i. * «13J im ^rb^b panp

ocr page 308

OCHTEND-GEBED.

«Ziedaar den Heer van 't Alquot;; met luider stem verkondigt Al, wat geschapen werd, Zijn groote koningsmacht.

Hij gaf profetengeest, den straal van Zijn genade, Den mannen, die Hij Zich tot roem en eer verkoor.

Doch onder Israel's stam wordt geen profeet gevonden. Die Mozes evenaart, aanschouwend Zijnen troon!

De leer der waarheid heeft Hij ons, Zijn volk, geschonken. Door Mozes, Zijn profeet, vertrouwd in gansch Zijn huis! God ruilt Zijn wet niet in, verandert geen bepaling, In verste toekomst blijft onwrikbaar nog Zijn woord! Alziende, kent Hij ook ons diep verborgen denken,

Ziet van den eersten kiem het eind van elke zaak!

Haar ieders werken schenkt Hij 't loon van Zijn genade, Bestraft den booswicht ook voor 'tgeen hij heeft misdaan. Hij zal op zijnen tijd ons den gezalfde zenden.

Die elk bevrijden zal, die Zijne hulp verbeidt!

De dooden doet God eens door Zijne gunst herleven!

Zijn naam, zoo roemrijk, zij in eeuwigheid geloofd!

O Wereldbestuurder, die koningsmacht kendet,

Voordat een gewrocht uit het niets was ontstaan, —

Toen plots door Uw willen het al was geschapen,

Werdt Gij als Almachtig Beheerscher erkend !

En mocht eens de Schepping geheel weer verdwijnen,

Ook dan zal gevreesd nog Uw koningswoord zijn!

Toen niets was, bestond Hij, Hij is in het heden,

Zal eeuwig bestaan in Zijn stralenden glans.

Zijn wezen is eenig, geen tweed' is te vinden,

Met Hem te vergelijken of naast Hem geplaatst!

In tijd niet begonnen, geen einde bestaanbaar,

Bij Hem slechts is macht en berust heerschappij !

Slechts Hij is mijn God, mijn Verlosser, Allevend!

Is Rots in mijn lijden, in tijden van nood !

Banier is mij God, is mij veilige toevlucht,

Mijn deel aan den kelk !), op den dag, dat ik roep.

Ik leg in Zijn handen mijn geest met vertrouwen.

Wanneer ik te slapen mij leg en ontwaak ;

. Doch niet slechts mijn geest, ook mijn stoflijk omhulsel! Is God slechts mijn steun, zie, dan vrees ik niet meer!

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt, de handen te wasschen.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die den mensch met wijsheid hebt gevormd en aan hem verscheidene openingen en holle organen geschapen hebt. Het is openbaar

2

ocr page 309

nnntr

iniDVöi inbna mi»

: - t ;

in-iNöni inbp ♦E'JN iroiDrrnK K^J

t : v • - • t

in»3 |ÜNJ Tquot;1?^ im

mo^a -dt ^IDquot;? ts^ö piT yan1? |nij ïnyw] '3np msb inbnn üp nynz -]n2

nVan a

quot;lïir^i • Dbi^ fm lan quot;VN un: inKia: vzv ity n^a3 d^ tih

' ^ fn: na** m_in yDi'iib) bxn tj^nr^1? lannp yny) naix

• 1^003 ion w^b baiü

un^a pp» ppgt;

* npn 212 bijt n»n» D»rgt;o


TjSD IB'Nt • dSi^ p-!NÏ b'2 lïsnn n'^j nyb San nnssi nin Kim n»n Kini

: t t ;

pNi to Mini rvbsn ^3 n^K-i ♦Va ♦bx-i ♦ni 'SK Nini ^ DUai 'bi «im

t * * ;

Tin 1^3K ITS

♦n»ia ♦nn d^I

vnivpa i^-ip n^tf nbyn -jSü irn^K ♦♦ nnx Tjina : Dn» nVü: by liiïi

• itt - • ; it • :

DiNn nK nvt wp^Ntnnx -jna

xiai ba anua

t : • • ; t vi v :

xnp: lat?' nx Nni: TjiSü» naS nixana n»n» xini riTann1? ïb bVmb m^prii ryn iS nnx n^a ^an IIÏI xipK ova »pia nap i-nW! n^a nSquot;! »S quot;

'^1 Q^iVn D^ibn D^pj D»3p: ia N-ÜI nö^na

') Vgl. Ps. 16,5, waar de dichter God noemt: zijn aandeel in grondbezit en levensvreugde; vgl, daarmede Num. 18,20 en Deut. 18,2.

ocr page 310

3 OCHTEND-GEBED.

en bekend voor den troon Uwer heerlijkheid, dat indien een van hen geopend of verstopt zou worden, het niet mogelijk zou zijn te bestaan of in het leven te blijven vóór Uw aangezicht. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die alle vleesch geneest en wonderbaarlijk handelt.

(In véle gemeenten, o. a. te Amsterdam, leest men hier: Mijn God ! enz. (zie hieronder) terwijl de lofzegginqen over de heilige Leer gezegd worden vóór de af deelingen betreffende het dagelijksch offer, hlz. 6j.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt, ons met de woorden der heilige Leer bezig te houden; doe toch. Eeuwige, onze God, de woorden Uwer Leer aangenaam zijn in onzen mond en in den mond van Uw volk, het huis Israël's, zoodat wij en onze afstammelingen en de afstammelingen van Uw volk, het huis Israël's, wij allen worden kenners van Uwen naam en beoefenaars van Uwe Leer (ter wille van haarzelve); geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de heilige Leer aan Uw volk Israël hebt onderwezen. G. z. G., E. o. G. K. d. w. die ons uitverkoren hebt boven alle volkeren en ons Uwe Leer hebt gegeven; g. z. G. E. die de heilige Leer gegeven hebt.

(Zij, die de lofzeggingen over de Leer hier uitspreken,

laten daarop nog dit volgen :J

De Eeuwige zegene u en behoede n. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot n en verieene u vrede. Dit zijn verplichtingen, waarvoor geene bepaalde maat is voorgeschreven: de hoek (van het veld, waarvan een niet vast bepaald gedeelte bij het maaien voor de armen moest staanblijven'), en de eerstelingen der boomvruchten s), (die naar Jerusalem werden gebracht) en het brandoffer bij het verschijnen in den tempel bij gelegenheid der drie feesten3) en de verrichting van liefdewerken door persoonlijke daden en de beoefening der heilige Leer4). Dit zijn zaken, waarvan de mensch de vruchten geniet in deze wereld, terwijl de hoofdsom hem blijft voor de toekomstige wereld5). De volgenden zijn het: eerbied voor vader en moeder, en verrichten van liefdewerken en tijdig bezoek van liet leerhuis des morgens en des avonds, en gastvrijheid tegenover vreemdelingen, en bezoeken van zieken, en het verschaffen van uitrusting aan bruiden, en het begeleiden van lijken, en diepe aandacht bij het gebed, en het stichten van vrede tusschen den mensch en zijn naaste, doch beoefening der Leer weegt tegen hen allen op.

Mijn God ! de ziel, die Gij in mij geplaatst hebt, is rein; Gij hebt haar geschapen, Gij hebt haar gevormd. Gij hebt haar mij Ingeblazen, en Gij bewaart haar in mijn binnenste; en Gij zult haar mij eenmaal ontnemen, doch haar ook weêr in de verre toekomst in mij doen terugkeeren. Zoolang dus de ziel in mijn binnenste is, dank ik U, Eeuwige, mijn God en God mijner Voorouders, Meester over alle werken. Heer van alle zielen! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die zielen doet terugkeeren in gestorven lichamen!

!) Vgl. Lev. 22,22 e.a.p. s) Vgl. Deut. 26,2. 3) Vgl. Deut. 16,16 e.a.p. •') Vgl. Josua 1,8.

ocr page 311

mnc nban a

inK ünö» IK Dna ins4 nnö» DK^ NM ^ITI

t v •• t * v •• t v - iquot; t • * v P iv : .....: • ^- i t:

Kaïn ? nns4 ^na * ^a1? D^nnb n^ax gt;* dhd : ni'^ K^a^i ï^rbn

-: - • : - TT T

.nsw in^s jn3 pVinna cnscssa nai mSnp naina

vn'ixaa i^ip nbi^n -iVq irnbs1« nnx Ttiia

it * : t ; * : it :l • v -; t ^ t Jv iv r* v: *: t - ) t

narnK irribK « «rni^ni - nim nana pi^ irKi'Xïi unax n^nii. L'^4■^^, n^a -am iraa ^nnin i:^a n»a wvvsp 'XWP)

nnin ns^an « nnx ^na * ^nnin noib1! ^rnna lüx aVi^n nbo irrtbK M nnK nna : bKTi^

it - it v -; T T I v iv iquot; v: *: t - ) t •• t; *

: niinn rnu ^ nnx * imin-ns4 rnji n^rrbaü

T - I •• ▼; T - ) T T V IT I - IT : • - T T •

nnK nn«na nns4 mint: 'a nnatr na-^j ^nbx

T - T T : T - quot; T T I- T V T T : TV;

nnKi ^np^ nnatyo nnsn »a nnnaa nnx nmr

t - : • ; I • ; T:-; T - : * T : - : T - T:-;

|?pr^3 : KaV n^n^S *a nnnnnbi ^ap mba1? nm^ ♦niaK ♦ribNi ♦nVK « ^aS nnia ^anpa na^n-f nnnan « nnx ^na * ma^sn-ba finx a^an-Va fian : D'na an^a1? mam

... -T : * T :

6) Men beschouwt's menschen deugden als een Gode geleend kapitaal, waarvan de mensch op aarde de renten geniet, terwijl in het leven hiernamaals de hoofdsom als het ware wordt teruggegeven.

ocr page 312

OCHTEND-GEBED.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die den haan inzicht hebt gegeven, om te onderscheiden tusschen dag en nacht.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij niet tot niet-Israëliet hebt doen worden.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij niet tot slaaf hebt gemaakt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij niet tot vrouw hebt gemaakt.

(De vrouwen zeggen ■. G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij naar Uwen wil gemaakt hebt).

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die blinden de oogen opent.

G. z. G. B. o. G. K. d. w. die naakten kleedt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die geboeiden losmaakt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die gebukten opricht.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die de aarde hebt uitgespannen over de wateren.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die voor mij al mijne benoodigd-heden gemaakt hebt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die de schreden van den man vast doet zijn.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die Israël met mannenkracht omgordt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die Israël kroont met luister.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die den vermoeide kracht geeft.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die verwijdert den slaap van mijne oogen en de sluimering van mijne oogleden; en het zij U welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, ons geoefend te doen zijn in Uwe leer; en doe ons gehecht zijn aan Uwe geboden en doe ons niet komen tot zonde, noch tot overtreding en misdaad, noch in verzoeking, noch tot verachting; doe de kwade neiging niet heerschen over ons en verwijder ons van slechte menschen en slechte metgezellen, doch doe ons gehecht zijn aan de goede neiging en goede handelingen, en buig onzen hartstocht, zoodat hij zich aan U onderwerpt; en laat ons heden en eiken dag geraken tot gunst en genade en barmhartigheid in Uwe oogen en in de oogen van al, die ons zien, en bewijs ons goede weldaden. G. z. G. E. die goede weldaden bewijst aan Uw volk Israël.

4

ocr page 313

rvTO nSön n

nrn fna irfiVK » nnK Tjiia

: nb'h pai di» pa pnan^» : naa nbiï übtyn ^jbö wn4?^ » nnN : Kba' Dbi^n wnbK \\ nri« tjiis

•' nEto wyT obiyn wr6K \* nnN Tjina o -ijis-p oSiyn r|Sa irn'S^ v: nnjj 'fna ni-mw tïipsi)

: npjö Dbiyn Tjbö wp1?# « nriK ^quot;la : o'Dnj?; wamp;ü oViyn ij^ö irnbx « nriK Tjiia : oniDN i»fia D^i^n imbx « nnx -nna

i • - t t I v iv iquot; v; ▼: t - | t

: D»fiifi3 t)piT D^n Tj^ö irpbK ♦♦ nriN -pa : D^sn-^ pKn ypn D^iyn irn'VK » nnx Tjma : ♦anrba ^ namp;yv abiyn ribo wribt* quot; nnx Trna

• :t t t Ttv t ^ t Iv iv iquot; v: *; t - | t

: quot;ornyïD ran im obi^n -i^a WPIVK « nnK •niia

vit : • i • •• v -: t t |v iv iquot; v: ▼: t - | t

: niiaaa DVIÜH irri^K »» nnx Ttna

t ; • •• t : • •• t t | v iv iquot; •••: *: t - | t

: m«ana obivn rhü wrbn ♦♦ nn» quot;nna

t t : • : ** t : •• ^ t ^ t | v iv i- v; t - | t

: na |ni3n D^i^n irnVtt ♦♦ nr»K ^na

♦i^D n:^ Ta^an oVi^n irnbN « nnN Tpa ♦nbNi irn^K « pn ♦nn • 'ö^d naiani üb i:N»an ^KI n^niyaa upani nmma liViinty lyniaw

iquot; • : - : | iv ; • : Ir*:-: | iv t ; iquot; • ; - v iquot; -:

finan^ ab] |1»d: n;b ab] pjri. ma^ nf? nb\ «m V) nanai y\ anwa upmni ir ua-üVi^n Vxi

quot; •* t *• quot; ttquot; Ir** iquot;; t viquot; it v : - - :

i^ï^nK t]iai: D^aia Dv^aai aitsri nra w^ani. D^annbi nonSi jnV ovbaai Di*n iwni ^quot;na^n^n1? nriK Tjna * D»aiü onon uVaani wwrba ^^ai ^r^a : lay1? D'aita onon btts w

•• t : * ' : • • t •: •• ♦:

ocr page 314

OCHTEND-GEBED.

Het zij welgevallig voor U, Eeuwige, mijn God en God mijner voorouders, mij heden en eiken dag te behoeden voor onbe-sehaamden en onbeschaamdheid, voor slechte menschen, en slecht gezelschap, en voor een slechten buur en voor noodlottig toeval en verderfelijk hindernis, voor een strenge rechtspraak en eene harde tegenpartij, hetzij hij tot het verbond *) behoore of niet.

Steeds zij de mensch godvreezend in het geheim s) en bekenne de waarheid en spreke de waarheid in zijn hart (binnenste); hij sta vroeg op en zegge;

Meester over alle werelden! 3) Niet [in vertrouwen] op onze verdiensten storten wij onze smeekingen voor U uit, maar [steunende] op Uwe groote barmhartigheid! Wat toch zijn wij, wat is ons leven, wat onze gunst, wat onze rechtvaardigheid, wat onze hulp, wat onze kracht, wat onze sterkte? Wat zullen wij voor U zeggen, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders ? Zijn voor U niet alle helden als niets, en de mannen van naam, als hadden zij nooit bestaan, en wijzen als zonder kennis, en verstan-digen als zonder oordeel? Want hunne nog zoo talrijke handelingen — niets zijn zij ; de dagen huns levens, ijdel zijn zij voor U; ook dat, waardoor de mensch boven het vee verheven is, is niets — want alles is ijdelheid.

Voorwaar, wij zijn Uw volk, de zonen van Uw verbond, de kinderen van , Abraham, die U lief had, dien Gij op den berg Moria hebt toegezworen; het kroost van Izak, zijn éénigen zoon, die gebonden werd op het altaar; de gemeente van Jakob, uwen eerstgeboren zoon, wiens naam Gij wegens uwe liefde, die gij hem toedroegt, en wegens de vreugde, waarmede Gij U over hem verblijddet, Israël en Jeshoeroen genoemd hebt.

Daarom zijn wij verplicht U te danken en U te loven en U te roemen, en Uwen naam te zegenen en te heiligen en lof en dank te brengen aan Uwen naam. Heil ons! hoe voortreffelijk is ons deel, en hoe liefelijk ons lot en hoe schoon is onze erfenis ! Heil ons ! dat wij des morgens vroeg en des avonds laat ons opmaken en tweemalen eiken dag zeggen:

Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is éénig!

5

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig !

') Door God met Israël gesloten. 2) Ook al kan hij in het openbaar wegens vervolging niet al zijne plichten vervullen. ;i)Dc uitdrukking oSijj, in het meervoud gebezigd, doelt meestal op de beide werelden, deze en de toekomstige.

ocr page 315

rvw nVan n

-bsni öisn ♦ribKi « ^jfibü pï^

yn innoi Diijö D^Ö ni-^oi D^Ö n^ü DI» ^api |nü n^sn f^pi jrn ^iöüi p^pi : nnr|2 i:w pi nnrfn Kin^ pa |n

mioi quot;inpa D^or xi1 mx xn^ dSi^S

viquot;: *i-t ••; tt •• : t :

: ■ioNi,i D3^1133^3 ni?jlt; nsni n^n-^

iraunn D^'ÖÖ umx irnpTrb^ Kb crpbiyn-1^ ji2quot;i wn na umK nü * D^n ?i»onn ^ »3 'n^öS

,..- v : i—: t • -t i iv-: quot; | ivt ;

um-arnQ una-nü un^iiy^no i^pirnü wn no

,„ t ; - iquot; - iquot; : - Ir*; • - iquot;: -

Dni35rrb3 K^n irninx ♦ribN'i irnb^ ^ quot;iptlt;rno 0^1331 Vip ^33 D'OSni Vn N^S D^n ïj^öb |^3 - Vsn Dn«n irtn Dn^a 3'i »3 bsifn ^33

: ^n *3 vx non3n-?o q-inh nnioi

v it - i • it t •• : - i • t t t

^3^2^ ?j3nK Dni3K »33 * ^nn3 '33 ?]ö^ i:n:K bi* nsrsn 3r^ nvr pnv» • nnsn nn3 i*? ïjnnpU'ö1) inx n3nNi^ ^133 ^33 3p^

: nit^^ iDtr-nN nsnp 13 mai^

I ••. • •• t: • : v t it It t : r t v

-j-Dbi 'rf? nninb D^n wnpK Tj^sb

3i,i3quot;nD i3n^K : nnini ^3a'■n^1?,)

|..: - p |V. . tt t - iv vit : ••!- :

i3n3Nty i3n^K vnvy ns^nai 13^13 D^rnoi i3pbn

: 1--: v iquot;: - iquot; t ••.: tt iquot; t • t - liquot;; v

01^33 D^O^Ö onoiNi ippi 3quot;i^ D^n^ai nwm

: ins% 1 ^ UTi^K ^ htrlïr vztf

it v -t: v.quot; v; «T! A- t ; • ^ ;

.nuisn pxu Dgt;pTpn»n j nj;i inisbp 1133 DB' Tjiis vrha

ocr page 316

OCHTEND-GEBÉD.

Gij waart dezelfde, toen de wereld nog niet was geschapen; Gij zijt dezelfde, nadat de wereld geschapen is; Gij zijt dezelfde in deze wereld, en Gij zijt dezelfde in de toekomstige wereld! Heilig Uwen naam over hen, die Uwen naam als heilig erkennen, en heilig Uwen naam in Uwe wereld en door Uwe hulp worde onze horen 1) hoog en verheven. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwen naam heiligt in het openbaar.

Gij zijt de Eeuwige, onze God, in den hemel en op aarde en in de hoogste hoogten der hemelen! Het is waar! Gij zijt de eerste en Gij zijt de laatste 3) en buiten U is geen God. Verzamel hen, die op U hopen, van de vier hoeken der aarde, opdat erkennen en weten alle wereldbewoners, dat Gij alleen God zijt over alle koninkrijken der aarde! Gij hebt gemaakt hemel en aarde, de zee en al wat in die allen is; en wie is er onder het gansche werk Uwer handen, onder de hoogere en onder de lagere wezens, die tot U zou zeggen: «Wat doet Gij ?quot; Onze Vader, die in den hemel zijt! bewijs ons genade terwille van Uwen grooten naam, die over ons genoemd is; en bevestig voor ons, Eeuwige, onze God, hetgeen geschreven is -. In dien tijd zal Ik u brengen, en in dien tijd verzamel Ik u; want Ik maak u tot roem en lof bij alle volkeren der aarde, wanneer Ik uwe ballingen terugvoer voor uwe oogen, zegt de Eeuwige.

(In vele gemeenten worden hier de lofzeggingen over de heilige Leer uitgesproken, zie biz. 3J.

Ex, 30,17—21. De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Gij zult maken een waschbekken van koper en zijn onderstel van koper, om zich te wasschen; en gij zult het plaatsen tusschen de tent der samenkomst en het [koperen] altaar, en er water in doen. En Aharon en zijne zonen zullen zich daaruit hunne handen en voeten wasschen. quot;Wanneer zij namelijk in de tent der samenkomst gaan willen, zullen zij ze met water wasschen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij naderen willen tot het altaar om dienst te doen, om een vuuroffer in rook te doen opgaan voor den Eeuwige. Dan zullen zij hunne handen en hunne voeten wasschen, opdat zij niet sterven; dit zal hun zijn tot eene eeuwige wet, voor hem en voor zijn kroost, voor hunne geslachten.

6

Lev. 6,3—5. De priester zal [des morgens] zijne linnen kleeding aantrekken en een linnen broek aantrekken op zijn bloot lichaam en eene heffing nemen van de asch, tot welke het vuur het brandoffer op het altaar zal hebben verteerd, en die leggen naast het altaar. Hij zal zijne kleederen uittrekken en zich met andere kleederen kleeden, wanneer hij de asch wegbrengt buiten het leger naar eene reine plaats.

') Als zinnebeeld van macht. s) Vóór al het bestaande, waart Gij, en als eens niets van het geschapene meer zal zyn, zult Gij nog bestaan.

ocr page 317

mntp nVön i

obi^n wn nnx D1?^ «122 ny «in nn»

t t t i * v t - t t r;* v quot; t quot;

t^np «an dSi^1? Nin nnni ntn dVi^3 Kin nnK

quot;Iquot; t- t t t quot; i t t T-

^Diy-nK amp;-}$) bv ^o^'nK

: D^a ^jp^-nN mp'o quot; nnK Tjna • wa-ij? naani onn D»o^n ♦atrm D'ot^a M Kin nnx

• 1- t - •• : • I v it t • i- t - iquot; v: *: t -

pinK «in nnxi Kin nrgt;N nox • D^vV^n pKn niöja yaiNO ^ip fip * D^nbN ^n^Vspi a^ri^n Kirrnnx '3 chty m[

rnKn-nNi D'ü^n-nK n^ nnx * rixn nüboö V31?

i vit t v : • 1- t quot; v t i* t t - i vit t ; ; - :

D^I^3 nn» n^o-i733 • D3 D4n-nN

; • t ) ivt •• -: - t : • . t v -; t v ; t -

D^^3^ W3K * ntr^n-nö nS IÜH»^ mirnn3 IK

. 1- t - v r t v : ~ - p : - i v • ; - -

ub-D^i Snan 113^3 non uay n'^

'ï3p nv3i D3nK n»3k K^nn ny3 3!in3irno irnSx «

. : I - ^s. T v . .. ' t • - t tv - !•• v: ▼:

♦31^3 pKH ^ S'33 nbnnbl D3ri« |nN-»3 D3nK : \] ion ayvyb D3™^-nN •minn naia 1^3 tyiiow mvia

r quot;? misw

1331 nt^nj ii»3 n^iri : iöN? n^o-7K nm» i3i,i

j ' : v ^ S ^ * t • *t : 1 •• jv v v,t ; r* -;quot;

nkön r»3i i^iq bnK-r3 inx nn:i nïmV nirm

-••:•- 1 j.« v lt; i iquot; -«t - it : at : t ; v v ;

-nNi onnrnK laso v:3i r'inK isnn : d^o na^ nnji

v : v.v ••: v av • ^t t I ^i- ^ it: • it tvt ^t -it:

IN ino* N^I wft-wny iyiD bnN-^K □K33 : on^n

a-..t ^ : H- -: :* v s v ^ ^t : iv •• : -

Dnn* ivnn : nin*1? n^K i^pnb n3TQn-^ Dn^3

Jquot; ••: •) -: it: it i- \,v ' j' \: - : •• t : ... lt;t : • :

: Dnhn1? ijnrbi i1? D^i^-pn onquot;? nn^ni mo* tfbi Dn^quot;ii

it 1: quot;x :-: j ■,tco ' t svt t:it: a-..t ^ ^v

nnrn 'hvrbv trs^ n3-»pJ3üi 13 no |ri3n ^bi '1 N-lp1»! bïN lèiri n3Tan-^ nb^n-nx ^^n r^in-nx

vv.quot; t : -aquot;: ♦ - ■ ^t it v ■)•• t v- ^ v -; lv v-

■nx N'ïini onnN Dnj3 ^3^1 vi33-nKüirai : raian

lt;• : a* •• -: j't : . t : tt : ^ quot; gt;t quot; iquot;: * quot;

: Una Dipöquot;1?^ mnab pnp-^N jf-in

ocr page 318

7 OCHTEND-GEBED.

Num. 28,1—8. De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Gebied den kinderen Israels en zeg tot hen; het offer voor Mij, Mijne spijze, voor Mijn vuur, tot een liefelijken geur voor Mij, zult gij in acht nemen voor Mij te brengen op zijnen bepaalden tijd. En gij zult tot hen zeggen: dit is het vuuroffer, dat gij den Eeuwige zult brengen: schapen, in dit jaar geboren, zonder gebrek, eiken dag twee tot gedurig brandoffer. Het eene schaap zult gij bereiden des ochtends, en het tweede schaap zult gij bereiden tusschen de beide avonden. En een tiende van een Epha ^ meelbloem tot meeloffer, aangemengd met een vierde Hin 1) gestooten [olijf-]olie. Een gedurig brandoffer, gelijk het bereid werd bij den berg Sinai, tot een liefelijken geur, als vuuroffer voor den Eeuwige. En zijn plengoffer: een vierde van een Hin [wijn] voor elk schaap, in het heiligdom uit te gieten tot wijnplengoffer voor den Eeuwige. En het tweede schaap zult gij bereiden tusschen de beide avonden, gelijk het meeloffer des morgens en zijn plengoffer zult gij bereiden, een vuuroffer, tot liefelijken geur voor den Eeuwige.

Lev. 1,11. En hij zal het slachten ter zijde van het altaar, ten noorden, vóór den Eeuwige; en de zonen van Aharon, de priesters, zullen zijn bloed sprengen op het aldaar rondom.

Gij zijt de Eeuwige, onze God, voor Wien onze voorouders het reukwerk van specerijen in rook deden opgaan in het heiligdom, zooals Gij hun geboden hebt door Uwen profeet Mozes; zoo toch staat geschreven ia Uwe Leer:

Ex. 30,34. De Eeuwige zeide tot Mozes: neem u specerijen, als : welriekende hars, en zeenagel en galbanum; dergelijke specerijen en zuiveren wierook; in geheel gelijke deelen zal het zijn. Gij zult het maken tot reukwerk, een mengsel, naar de wijze des specerij mengers, goed dooreengemengd, zuiver, tot een heiligdom. Gij zult daarvan tot fijn poeder stooten en daarvan leggen vóór het getuigenis in de tent der samenkomst, waar Ik u op bepaalden tijd verschijnen zal; heiligdom der heiligdommen zal het u zijn. — (Ex. 30,7 en 8). En er is gezegd : Aharon zal daarop reukwerk van specerijen in rook doen opgaan; eiken morgen, wanneer hij de lampen reinigt, zal hij het ontsteken. En wanneer Aharon de lampen aansteekt, tusschen de beide avonden, zal hij het ontsteken; een gedurig reukwerk vóór den Eeuwige, bij uwe nageslachten.

Onze leeraren hebben geleerd : 3) De samenstelling van het reukwerk: balsem, zeenagel, galbanum en wierook ieder tot een gewicht van 70 Mané 4). Mirre en kassia, nalm-dunne nardus en saffraan, ieder tot een gewicht

1

) Gewone inleidingsformule voor eene bepaling uit oude Boraitha's.

ocr page 319

rrw nban T

, : . . nquot;3 isusa

nnüKi bifp* ^rnK IÏ ; IDN? H^Ö-VK nin» -m ino^n ♦rin^ nn ^xS ^ónS ^|1[5quot;nK qh^n mnpn ivt* néwn nr dh1? n^üKi : mina ^ ünpn1?

V.-I: - jquot; -: v • it vlt; v t •'t : - it : r—. i : rl; - ;

-nx : Tan nVy DI^ Do^on mtr^a 0^33 nin^

r t jt v. - •)• • : st t r* : * t : ivr i-

ra ntr^n ^urt feaan nxi ipsa ntfjrn inx

i r* «.v ^-: 1- • •• - vjv- •• ; i v ft - jv^n- v,t v v jv -

raira nn:^ nVo na^n nn^ri : D^iyn

V.'t I vjv : .)t •. at: • ; ^ v v, ot -it s- • ^rr -it . it

nf n rin^ nn1? ^rp nna n^n Tan nVy : pnn TjDa T]Dn nnxn pnn bp:quot;! : nin^ nnaas ra n^n^n^MnhNi : nin^ quot;D#

- : • : '^T : it I -quot;• r-* ■ iquot; * *• quot; v-«v^- •• ; IT ,- lt;T..

: nin^ nh^ nn n^x n'tbyn üdjpi ipan

v ir 1- - ~ jquot; .)•• • v «•: r : • : ^ ) v lt; -

ipquot;in nfr nabv naran inx un^i '«^

i :it: at : •»quot; : * t ^ t -•)••:•- ) vjv - t ;

: narsn-b^ lornx Q^nan rnnK ^3

|. t •) t v s--; 1 - I -; 1- •• ;

jt1?^ jar? traDn u^iaN* iTtppnr irnSx ^ Nin nnx

: ïinni'n? ainaa n^a n^-Sjs? onix jTiv n^a * trypan

T'1? '■? nis»

nhbni hbntfi 1 tjta: D^ap jjV-np n^a-bx nin»

niüp hntt n^i : n^n» 122 na nar njbVi d'sd

.-. quot; l: co Tco T '• t: '•■•:'• ^- •• ^ .quot;- -t : (,• -

pin naaa npn^i : isn'p nina n^aa npii nt^a nj^h na^ *p npia ni^n ♦ia1? maa nrin:i

t at [,}: j-t' •)••• -: •• v j : •.quot;'it lt;•• : • tv* t -it:

n-bp pnK vJ?jr n^apni naKii ; nnn D^npT trip n^iTDi : nsTüp^ nPan-nx npia np'a/ D\ap

nöS n^an n-iup nap^p^ D^p^n pa npan-nK pnx : Da^nP-ib mn»

iv •• 1 : v.t :

Sp.sfa np-rn nj?^n} jlssni nsn ^n-iapn o-itss * jjan iri -i^ nw Sp-fa * ai2p3i: ^3 nSiatf n^spi Ha • ma

4) Een Mané, eigenlijk een munt, heeft 100 denaren; de zilveren denar neeft een gewicht van 96 gerstekorrels.

ocr page 320

8 OCHTEND-GEBED.

van 16 mané. Costug 12 mané, speceriibast drie en kaneel 9 mané. Loog van Carshiena ') 9 kab, wijn van Cyprus drie sea en drie kab, en indien men geen wijn van Cyprus heelt, neemt men ouden zeer witten wijn. Zout van Sedom een vierde van een kab, een weinig van het kruid Ma'alé 'Ashan (dat den rook doet opstijgen). Rabbi Nathan zegt: ook een weinig hars van den Jordaan. — Indien men er honig heeft ingedaan, heeft men het ongeschikt gemaakt voor offergebruik ; en indien men een van al zijne specerijsoorten er aan laat ontbreken, is men den dood schuldig s). Rabban Shim'on, de zoon van Gamliël, zegt: de balsem is niet anders, dan de hars, die van den balsemstruik afdruipt. — De loog van Carshiena dient om daarmede den zeenagel af te spoelen, opdat deze schoon zij. De wijn van Cyprus dient om daarin den zeenagel te weeken, opdat hij sterk van geur zal zijn. Hiervoor zoude immers ook urine geschikt zijn ? doch men brengt uit eerbied geen urine in het voorhof.

Er is geleerd: Rabbi Nathan zegt: terwijl men [de specerijen] stoot, zegt men: stoot fijn! stoot fijn I omdat het geluid goed is voor de specerijen. Heeft men het op de helft samengesteld, zoo is het geschikt voor het gebruik ; op een derde of op een kwart, daaromtrent hebben wij geene overlevering gehoord. In verband hiermede zeide Rabbi Jehuda: dit is de regel: is het in de vereischte verhouding bereid, dan is het ook op de helft voor het gebruik geschikt; heeft men er echter een van de specerijsoorten aan laten ontbreken, dan is men den dood schuldig.

Bar Kappara deelde de volgende bepaling mede: Eenmaal na zestig of zeventig jaren werd van het overgeblevene gebracht eene hoeveelheid, gelijk aan de helft van het reukwerk 3). Nog deelde Bar Kappara mede: zoude men er een kortob 4) honig bij doen, zoo zoude niemand den reuk er van kunnen verdragen; en waarom mengde men er geen honig onder ? omdat de heilige Leer zegt; want alle zuurdeeg en alle honig, daarvan zult gij geen vuuroffer voor den Eeuwige in rook doen opgaan.

De Eeuwige Tsebaoth is met ons, de God Jakob's is ons tot toevlucht, Séla! Eeuwige, Tsebaoth, heil den man, die op ü vertrouwt. Eeuwige, help toch! Moge de Koning ons verhooren op den dag, dat wij Hem aanroepen. Gij zijt mij een schuilplaats, voor nood beschermt Gij mij. Gij omringt mij met reddin^sjuichen, Séla! Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offer van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden, als in de jaren der oudheid 1

Ach, Heer! verlos 't gebonden Israël door de krachtige grootheid van Uw rechterhand!

Verhoor het schreien van Uw volk, bescherm ons, doe ons rein zijn, Eerbiedwekkende!

Behoed als Uwen oogappel. Almachtige I hen, die Uw éénheid zoeken te verbreiden;

Zegen hen, doe rein hen blijven, ontferm U over hen; bewijs hun bij voortduring Uw welwillende liefde!

Albedwingende, Heilige, leid Uwe gemeente met de volle grootheid Uwer goedertierenheid 1

Eenige, Hoogverhevene! Wend U tot Uw volk, die Uwe heiligheid steeds gedenken.

Verhoor ons smeeken, luister naar ons geschrei. Gij, die het verborgene kent!

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig!

l) V. a. van wikken. a) dw 'T2 njvs, niet door den aardsehen rechter.

3) Keriethoth 6a en b, vgl. Thalm. Jerus. Joma 4,5.

4) = Log, eene zeer kleine hoeveelheid dus, vgl. noot 1 op blz, 7.

B

ocr page 321

nnntf nSan h

lioapi 'ntfh# ,n\p% tp^pn • n^o -i^jj nmr m -srhr) papi nrh} pxp f pn^ p: • pap. n^n' n;^ n^is '3pTn yaiquot;i rrpiip nSo -pTtë pnin non N'ao fpn?p pj/iS p^ jru dxi ^in^-Sa p-yn ns? iow jnj rsn \pr nSyo

11UT : np'p yn nysp-Sap nm tdh djc? : nSWcW na nj^T3 n^3 * ^pn ^aü-n ^ sh# ir* nxn .Vaw S^Saa -njs b pnw ppnsp. p?. • hnj nh^ n? ^.s-xn-iw ra p§^ PP'WP IW ^ 'tb pa; gt;p «cSqj • quot;rvj? n? .pis^n

: nüan ^?Q /nit^a D^JT ^

^?o fin ap'D 3p\n pnn now pnw jcinf? ipw jn;

üb j'pi1?! v'bfb •nnc'a pjqcqS noips • o^h na; Sip.nf ox? • pNsnS n-^a -nmpa nx ^SSan n| nninvai -iox • wyo^

: nri'p a;n .n^ap-Saa nm ipn hf riKa nri.;n njtf o^a^1? w QW^ rinx naw jcnsp. na ^ 3la*)1p na jnü n;n é»? -Nnsp. na ^ niy • pxsnS orptf

na pai^a px naSi: ^nnn. ^a Tia^ St; din-' pa V ; ^ nr» waa nnppn nS cgrSai n^-ba tnna* nntn,^ '^sp caix nwav v: : nSo apr. ^ mS aj^a uaj nwas^i nsa 'S tnp nnj{ : ^np, ova ^ ijSan n^in gt;;T: -ja n^ '' ^ q^Ti nni.T nra:a «S na^i : nSp ^aaian ^ ^ : nlsJlaquot;|p. aSiy

.«pn p Nquot;gt;jinj •gt;21 nSun

iwjax • nnnjc tto ^,b; riaa njx

iD»quot;np • Nnti wnnp ua# ?)pi njn Sap

vy™ • D-Jtptf naaa ïjiin'. ^nn naj xj

jmquot;-®3 • dSm Tan ïiopis aaqi nnnts apna

TO-'aprr • Sn^ aiT? t^iip. ppn

F»»quot;1» • ?imquot;Tp n.3ir ?ipj^ th;

• nla^s jjTun^re^ Sap : quot;1^1 oSiyS inoSp ma? D#

ocr page 322

9 OCHTEND-GEBED.

Num. 28,9 en 10. En op den Shabbathdag; twee scliapen, onder het jaar, zonder gebrek; en twee tienden meelbloem tot meel-offer, aangemengd met olie, en zijn plengoffer. Dit is het Shabbath-brandoffer op eiken Shabbath, behalve het gedurige brandoffer en zijn plengoffer.

Op het Nieuwemaansfeest zegt men:

Num. 28,11—15. En op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer brengen voor den Eeuwige: twee jonge stieren, jonge runderen, en één ram, zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En drie tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij iederen stier; en twee tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij den éénen ram. En telkens een tiende meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij elk schaap; een brandoffer tot liefelijken geur, een vuuroffer voor den Eeuwige. En hunne plengoffers; een halve Hien zal zijn bij eiken stier, en een derde van een Hien bij den ram en een vierde van een Hien bij elk schaap, wijn; dit is het Nieuwemaans-brandoffer voor eiken eersten dag der maand voor de maanden van het jaar. En één geitenhok tot zondoffer; behalve het gedurige brandoffer zal het bereid worden en zijn plengoffer.

i) 1. Welke is de plaats [voor de verschillende dienstverrichtingen] der dieroffers? De allerheiligsten 1) worden aan de noordzijde [van het voorhof] geslacht; de stier en de bok van denverzoendag worden geslacht aan de noordzijde, en het opvangen van hun bloed in een voor den tempeldienst gewijd voorwerp geschiedt aan de noordzijde; en hun bloed moet met den vinger gesprengd worden op de plaats tusschen de draagboomen [der verbonctsarke] en op het voorhangsel [dat tusschen het heilige en het allerheiligste hing] en op het gouden [reukwerk-] altaar. [Het nalaten van] ééne dezer spattingen houdt de verzoening tegen. Het overblijvende bloed goot men uit aan de westzijde van het voetstuk2) van het altaar, dat buiten [in het voorhof] stond; indien hij het evenwel niet uitgestort heeft, belet dit de verzoening niet. — 2. De [andere] stieren en bokken, die verbrand moeten worden, 3) moeten aan de noordzijde worden geslacht en hun bloed in een voor den dienst gewijd voorwerp aan de noordzijde opgevangen worden; hun bloed moet met den vinger gesprengd worden op het voor-

1

!) Tractaat Zebachiem, Hoofdst. V. J) Brand-, schuld- en zondoffers.

2

) Het altaar in den tempel bestond namelijk uit een voetstuk ter hoogte

3

van één el (nDi) en 32 el lang en breed; daarop stond een tweede prisma-vormig stuk, ter hoogte van 5 el en 30 el lang en breed, en daarop het eigenlijke altaar, drie el hoog en 28 el lang en breed; aan de Vier hoeken van dit bovenste stuk stonden kubussen ter lengte, breedte en hoogte van één el (nuip, horens). Het bovenvlak van het tweede stuk heet 23®, omgang, gaanderij.

ocr page 323

rvw nban

'D nquot;3 tamss

nVo ^ [p) Dü»pn rm^a ni^n hvyi

ma^a nSy : 120:1 pvy rMa nnjo

a - - ; ^----j- ^ i : • ; I v vv - jr : tr : '

: nsDJi n^onn

it : • ; v t -DTin ÜNquot;!*?

ipr^a ana nm^ innpn oi^in ^Kim

• - : I lt;tt iquot; ; • t rtt i- r I: - v •• : t •• t ;

: DD'pri D'to nnx bw

nbb n^in^ nnxn na1? |o^3 n^iba nmp nVo nmpnVp : nnxn VnV |oéo nbiVa nmp

: nin^ n^ nn»: nnnV^ nn^n iy^1? ra^n rhts

it r • - • - J.. t ^ rtt v ^it ^ Vv,V- i v v - -t z

n^rni ^ts1? pnn quot;ia1? n^n; pnn Dn^pJi. n^i: niK'n ^m1? Win nty nxr visb m

^* ; it x - vquot; : t ; : t : •-• j' ^ -• i -at v vv - i -

: quot;GDJI n^onn nin^ nKJan1? nnx DW

i ; • : quot;tlquot; .)• t - s-quot; at i- v.t - : it v j-^-

'n pis D^nar

ia jiaïa jn^n^ d^i^ ^i[5 crrnrb^ jaipa mrK x |Di bispi |iaï3 jnü^n^ oniaan Di,-i?^ i^fei nahan-^i onan prb^ nnn joii pava ni^ rrn om * naa^o pö nnx nino antn naro-^i

tt t- quot;t; vitquot;- : i v •• - - t t - tt- - ; • quot;- ;

: aa^ KV |na KV DN p^nn narp-b^ oi^p itrV# -jai^ |!3i biapi pa^a irontp D^anf^n Dn.^i D^ai^an ana 3 arnn nara-^i nahan-1?^ nnn p^ü |oii; païa ni^ 'baa

4) 1°. De stier, door iederen stam te brengen, indien door eene verkeerde beslissing van het hoogste gerechtshof eene overtreding door het volk heeft plaats gehad, die, indien opzettelijk geschied, met uitroeiing (nis) gestraft wordt (lias w 121 oSrn is); 2°. de door den hoogepriester te brengen stier, indien hij op grond eener verkeerde wetsbeslissing eene dergelijke zonde heeft begaan (mro pa is); 3°. de bokken, door iederen stam te brengen, indien op grond van eene verkeerde beslissing van het hoogste gerechtshof eene overtreding op het gebied van afgodendienst heeft plaats gehad (lquot;ï 'VÏB).

ocr page 324

OCHTEND-GEBED.

hangsel en het gouden altaar; [het nalaten van] één dezer spattingen houdt de verzoening tegen; het overblijvende bloed goot men uit aan de westzijde van het voetstuk van het altaar, dat buiten [in het voorhof] stond; heeft hij het niet uitgestort, dan belet dit de verzoening niet. — Zoowel dezen als genen (de stier en bok van den verzoendag) worden op de aschplaats!) verbrand. — 3. De zondoffers der gemeente, zoowel als die van enkele personen, — de zondoffers der gemeente zijn namelijk de bokken, op de nieuwemaansdagen en de feestdagen gebracht, — moesten aan de noordzijde geslacht en hun bloed in een voor den dienst gewijd voorwerp aan de noordzijde worden opgevangen; hun bloed moest vier maal met den vinger gestreken worden, aan de vier horens van het altaar namelijk (zie noot 3 op blz. 9). Hoe handelde men daarbij ? De priester beklom den trap 1) en wendde zich naar den omgang (zie noot 3 op blz. 9) en kwam het eerst aan den zuidoostelijken horen, [ging van daar rechtsom en kwam achtereenvolgens] aan den noordoostelijken, noordwestelijken en zuidwestelijken horen [terwijl hij telkens met zijn vinger een weinig van het bloed aan den horen streek ] Het overblijvende bloed goot hij uit aan de zuidzijde van het voetstuk. — Deze offers werden gegeten binnen de gordijnen [die het voorhof begrenzen] door alle mannen van den priesterstam; op welke wijze ook toebereid, gedurende éénen dag en den volgenden nacht, tot middernacht. — 4. Het brandoffer behoort tot de allerheiligste offers; het moet dus geslacht worden aan de noordzijde en zijn bloed in een gewijd voorwerp aan de noordzijde opgevangen worden en zijn bloed moet in twee spattingen aan de vier zijden van het altaar komen3) en de huid moet worden afgestroopt, het offer naar zijne deelen ontleed en geheel op het altaarvuur verbrand worden. — 5. De vredeoffers der gemeente 4) en de schuldoffers, — de schuldoffers zijn namelijk de volgenden; het schuldoffer wegens roof5), het schuldoffer wegens gebruik van gewijde zaken 6), het schuldoffer wegens onteering eener verloofde slavin 7), het schuldoffer van den Nazier8), het schuldoffer van den melaafsche 9) en het schuldoffer wegens eene twijfelachtige overtreding 10), — moeten geslacht worden aan de noordzijde, eu hun bloed moet in een gewijd voorwerp aan de noordzijde worden opgevangen en hun bloed moet in twee spattingen aan de vier zijden van het altaar komen (zie noot 3). Zij worden gegeten binnen de gor-

10

1

) De priester wierp namelijk uit het bekken een weinig bloed aan den

ocr page 325

n»w nban ♦

rrn mn n^o rnü rm r\:m

' t^: - : | •• tt t - quot;t ; v it^- ; i v •• - - t t -

ib^j |n: K^DK jix^nn narö-1?^ niavD ^120 fn iVk Tn^ni niavo j : j^n n»a3 |ön bispi paï3 |n^n^ nn^iD-^i D^nn

nunia V2itlt; p^ü ]t2i) pöïs fyz npS ib-KSi mid1? n:fii r-hv nï^a • mnp

i vhv ; t .. - t t V iv - t t - •• t|;

* n^o n^isv * rrjiöï n^nnrp * n^nnia n^inn

* 'pnn hd^ rjöiiy rrn o^n * n^pim

nanp narS D^bpn-fp cnab pbast:quot;! rnnta»n^ o^np ty-ip nbi^n t : niïn-ip avb

tt-: * tit vh t t -: ^- t;i-t ;

♦nK' nüTi pöï? n^v non Siapi. pav? : d^k1? nwji L3^3n n:^üi ^2quot;)« |n^ nunp de^x * niD^K ?n ' niDE'Ni nnx ♦dVk' ♦nar n

- -. t _. ) .. ,.. t -: - .... - ....

üpflt; inj naiin nns^ niV^p dkw mbn mir ^33 rnn Viapi pa^a ïnü^nB' - nVn DtyN yniïo

•• t * : * i t t l*:l t - i t t • ; t tt^t :

D^ab pba^i * ^31« |n^ nunp 'nv p^ü {DTI. pava

noordoostelijken en zuidwestelijken hoek van het altaar tegen de ribben, zoodat aan de vier zijden bloed zichtbaar was.

4) De 2 schapen, die op het Wekenfeest met de broeden der eerstelingen (B'iwsi DnS) gebracht werden.

s) Vgl. Lev. 5,25. 6) Vgl. Lev. 5,15.

') Lev. 19,21. Verloofd beteekent in rabbijnsche taal iets anders dan bij ons. Het wil nl. zeggen, dat een bindend huwelijk is gesloten, doch de bruid vooralsnog in het huis haars vaders blijft; de purrp hebben plaats gehad, de nsin, de eigenlijke echtverbintenis nog niet.

8) Vgl. Num. 6,12. 9) Vgl. Lev. 14,12.

10) Vgl. Lev. 5,18. Voor het geval namelijk, dat er twijfel bestaat, of iemand eene overtreding heeft begaan, die, opzettelijk geschied, met jto gestraft wordt.

ocr page 326

OCHTEND-GEBED.

dijnen van het voorhof, door de mannen van den priesterstam, op welke wijze ook toebereid, gedurende één dag en den daaropvol-genden nacht tot middernacht. — 6. Het dankoffer en de ram van den Nazier *) zijn offers van minder heiligen aard; zij mogen geslacht worden overal in hel voorhof en hun bloed moet tweemalen gesprengd worden, zoodat het aan de vier zijden van het altaar komt; zij mogen gegeten worden in de geheele stad Jerusalem, door een ieder, op welke wijze ook toebereid, gedurende een dag en den volgenden nacht tot middernacht. Hetgeen als heffing daarvan [voor den priester] wordt afgezonderd, staat er geheel gelijk mede; met dien verstande evenwel, dat dit afgezonderde slechts mag gegeten worden door de priesters, hunne vrouwen, kinderen en slaven. — 7. Vredeoffers zijn van minder heiligen aard [dan de in Mishna 1—5 genoemden]; zij mogen overal in het voorhof worden geslacht en hun bloed moet tweemalen gesprengd worden, zoodat het aan de vier zijden van het altaar komt. Zij mogen gegeten worden in de geheele stad, door een ieder, op elke wijze toebereid, gedurende twee dagen enden daar tusschen liggenden nacht. Hetgeen als heffing ervan wordt afgezonderd, staat er geheel gelijk mede, met dien verstande, dat het afgezonderde slechts mag gegeten worden door de priesters, hunne vrouwen, kinderen en slaven. — 8. Het eerstgeborene en het tiende van het vee en het Paasehoffer zijn van minder heiligen aard. Zij mogen overal in het voorhof geslacht worden en hun bloed behoeft slechts éénmaal gespat te worden, mits men dit doet op eene plaats, waaronder het voetstuk zich bevindt 2). Wat het eten betreft, bestaat er tusschen deze offers verschil: het eerstgeworpene nl. wordt door de priesters gegeten, het tiende daarentegen door een ieder, doch beiden in de geheele stad, op elke wijze toebereid, gedurende twee dagen en den daartusschen liggenden nacht; het Paasehoffer daarentegen mag niet anders gegeten worden, dan bij nacht, slechts tot middernacht, slechts door hen, die er bij gerekend ziin, 3) en niet anders dan faan het vuur] gebraden.

Rabbie Jishma'el zegt: Door middel van dertien afleidingsregelen kan de Heilige Leer verklaard worden: Door gevolgtrekking van het minder tot het meer gewichtige ; door toepassing van dezelfde wetten bij verschillende zaken op grond van traditie betreffende gelijkheid van uitdrukking; door eene bepaling bij eene zaak als stelregel te gebruiken, hetzij die bepaling op een of twee verzen berust; door een algemeen begrip, gevolgd door bijzonderheden (waar onder het algemeen begrip niets gebracht mag worden, dan wat uitdrukkelijk genoemd is) en door bijzonderheden gevolgd door een algemeen begrip (waardoor alles wordt inbegrepen).

Wanneer een aantal bijzonderheden worden voorafgegaan en gevolgd door een algemeen begrip, moogt gij de wet op niets

11

ocr page 327

rvTO nban

: nivn üi^ bDNO-Vaa nana nrifp |ö

mnra Dipo-VDa rnü^ni^ a^p D^tJhp in: b^i minn i

tt^:t it t : i t t * ; -1- -tit -t ••: t

Tyrvboa * V™ n^no |oni

dho Diian • mvn ny nVbi dv1? d-ik-SdS

v •• t - -: t :i- t : t -: - t : tt t ;

on^nbi DH^J1? D^rpb V^K: Dnisn^ ons n^3Dipö_,?53|n^n^ D^npT r mnna^i quot;i??i? r^«:i jn^ nüriD ^ pyü |o-n

kï1»3 ono DTian • -ihn n^Vi qw *:iïh Vdnd-^s dik

... v .. t - t v t ; i~ : ' t •• : t -; - t : t t

: Dnnav1?') orrwbi on^:1? D^ria1? VDNJ onianty NVK Dnn

v •• ; : •••••;•: •.•••:• • -; - t v: v t - v t quot; v r

Dipa_l?D3 D^p D^npT npöni Tt^ani lüan n : nio^n rn^ -a^i * nnK mna rani mma

; - viv ; i •• * v t : tv t t - i ^ t i t t : tt^: t

DIN-^DS Ttr^am D^rü1? HDan rn^DKa hsk'

tt t : - _ . • -; - t v: v : - i t t • -: - t •

* to nWi w wb baxa^Da r^axai

tv t ; i- ; * t •• : • t -: - t : • t t : i • t v: v:

niïn-n^ Vdk: i:w nVbn bsw i:»k npan : ^ VDK: üw vmh «bx ^N: UW

• t tv t v: v *• ; t ; * t v t v:v •• ;

.Dijna min oia Ssraci 'n ,snquot;ia

: n^n-i; nninn nna rri^ nai« ^*3

to amaa 2K rusa * nnraai * naini bpa

tv t • t It; • • tt tquot;: • vit i- •

♦ Vm □quot;isai • unai bbaa • o^ina •'m 2M rusai

t; t ; * t: t : • • :••:• t i t : • •

Sbsa * aisn r^a n nnx 'K bb^ ÜISI Vba

t ; * t : quot; i : t v i t t - * t : t : t ;

') Vgl. Num. 6,17.

s) Aan een deel van de oostzijde en een deel van de zuidzijde liep nl. het voetstuk niet door.

') Vgl. Exod. 12,4.

ocr page 328

12 OCHTEND-GEBED.

Darpan ö^mp 'p pi * ifiiDp lübn in-ii mjna : Dn^ya ninan nrnK nr

rnnpa w^ü» ,,riSNi irri1?^ V! T?!?^

nSiy W2 nxT.? T]i32J D^I; : Tjn-iin? wpSn ini; ira;? : nvJiaip.

■ibiï» pa' 3quot;n.si nstai rnip jpm1? wxa pawiyi 4na n'bo t)OOTi3

WV1 vn'iïpa nt^K DVI^H irrtVK \] nnK ^113 : niMV?

n»sgt; ins^tor ihni

I'll' : |VDn* Vva onx ♦pi D^n'btsj ^on i^t np Dnn iipp ïjay »5 : D^n jamp;ip

: ^npnïi ^pn : quot;iiNquot;nKquot;i:

tenzij de heilige Schrift haar uitdrukkelijk wederom onder den regel begrijpt. — Iets, dat uit den samenhang [met andere wetten] wordt afgeleid of iets dat uit het vervolg [der bepalingen betreffende de zaak zelve] wordt afgeleid. — En evenzoo; twee bijbelplaatsen, die elkander tegenspreken, [kunnen niet worden opgehelderd,] tenzij een derde bijbelplaats de tegenstrijdigheid oplost.

Het zij U welgevallig. Eeuwige onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij ü in eerbied dienen als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

Bij het aantrekken van let groote Tallieth zegt men staande:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt ons met de echouwdraden te omhullen.

Vervolgens doet mm het Tallieth om en zegt, termjl men erin gehuld is: Hoe kostbaar is Uwe genade, o God! ook menschenkinderen vinden bescherming onder de schaduw Uwer vleugelen! Zij drinken tot verzadiging uit den overvloed van Uw huis, en Gij drenkt hen uit den beek Uwer heerlijke genietingen. Want bij U is de bron des levens, in Uw licht zien wij licht! Verleng Uwe genade voor hen, die U kennen, en Uwe gerechtigheid voor hen, die oprecht zijn van hart!

ocr page 329

rvw rbsn a»

-Sa * Sbab Tiny ÜISQI * tsia^ Tiny t^ini^

t t : • | • t v t : • t : • i * t

quot;S^ nabb ah naSb Sbarrp bbaa n»n^

~ #. - ; •• - : t ; - 1 • t t : t ; * t t v t t

larVa * iba bban ^ nabV xbx mp

t t t tt •-. t : - quot; - ; tv tt : -

KX» ir^D nnsi ms SVaa

tt t •.• ; v tv 1^- i i ^ ; • tt; t : • tt v

mvh Mïn SVaa n^nty nnrba * ymrh n^i Vpn1?

1^;* tt: t:* t t v tt t •-:-; : i •• t :

■nrVa * n^nnbi bpn1? «r aW nnK

tt v tt t • ; lquot;t ; tt t . • : v •• - i

nnnnS biD' nnn ^ i^nnn nana iïib bban

• -: - : t t - ttv tt-i tt: t:*

nübn nai • ibbab aman ip

•• t - tt •• : t : • t - i v • -: - v t : •

anders toepassen, dan op hetgeen met die bijzonderheden overeenkomt. Door een algemeen begrip, dat nog nadere toelichting in bijzonderheden noodig heeft, *) en door bijzonderheden, die door het algemeene begrip opgehelderd worden. 2) Elke zaak, die in het algemeene begrepen was en uit dit algemeene is uitgetreden [afzonderlijk behandeld is] om ons iets nieuws te leeren, is niet alleen afzonderlijk behandeld, om ons [de nieuwe bepaling] voor die ééne zaak zelf te leeren, maar is afzonderlijk behandeld, om [ons die nieuwe bepaling] te leeren met betrekking tot het ge-heele algemeene begrip. Elke zaak, die in het algemeene begrepen was, en afzonderlijk behandeld is, om eene nieuwe, verlichtende bepaling vast te stellen, in een geval, waarin volgens de bepalingen bij het algemeene begrip eene zwaardere wet wordt toegepast, — is afzonderlijk behandeld, uitsluitend om die lichtere bepaling te geven, doch niet om de verzwaringen, die bij het algemeene begrip gelden, toe te passen. Elke zaak daarentegen, die in het algemeene begrepen was en afzonderlijk behandeld is, om nieuwe bepalingen te geven, voor gevallen, die bij het algemeene juist tegenovergestelden invloed hebben, is afzonderlijk behandeld, om de daarbij uitgesproken verlichtingen en verzwaringen aan te geven [zonder dat uit het algemeene iets op die afzonderlijk behandelde zaak mag worden overgebracht]. Eene zaak, die in het algemeene begrepen was en afzonderlijk behandeld is om volgens eene geheel nieuwe bepaling behandeld te worden [die bij het algemeene in het geheel niet voorkomt], heeft men niet het recht weder onder den algemeenen regel te brengen,

') In welk geval niet de regel msi SSd geldt.

5) In welk geval het niet wordt beschouwd als SSsi bib.

ocr page 330

13 OCHTEND-GEBED.

(Het zij ü welgevallig, Eeuwige, onze God, en God onzer voorouders, dat de vervulling van dit gebod der schouwdraden beschouwd worde, alsof ik het vervuld had in al zijne bijzonderheden en nevenbepalingen en met de daaraan ten grondslag liggende gedachten, met de 613 geboden, die ermede in verband staan; amen!)

Van ittsü ■jn; tot ninsuro SSnn wordt staande gezegd, terwijl men de heide voorste rw* m de rechterhand houdt. Zoodra men üquot;3 begonnen is, mag hel gebed tot na ïquot;p niet onderbroken worden; echter met deze uitzonderingen ■. op ü'ip le antwoorden met rai rmo vp jas; op 1313 met U'i -p:an 'n quot;pia, bij nwnp de verzen cnp en ni;3 1113 mede te zeggen, zoolang men niet zelve bezig is i)quot;ü te lezen-, is dit het geval, dan zwijge men, zoolang een dier formulieren wordt uitgesproken, en luistere.

Bij het verrichten van het gebed met de gemeente, komt het in hoofdzaak er op aan, tegelijk met de gemeente te lezen, zoo mogelijk ook wquot;p met zijne lofzeggingen. Wie dus te laat ter Synagoge komt, om alle Psalmen en bijbelplaatsen, die hier volgen, aan zijn gebed te doen voorafgaan, kan, indiener geheel geen tijd meer is, onmiddellijk ns w met de gemeente beginnen; heeft hij eenigszins tijd, zoo begint hij vquot;2, en zegt vervolgens 'irs tot n'iS^n, vervolgens rmco en ronci. Heeft hij nog meer tijd, dan worden nog andere stukken bijgevoegd, zóó echter, dat hij -rus nsn met de gemeente kunne zeggen. Hetgeen bij het gebed niet gelezen is, behoort later bijgevoegd te worden, evenwel zonder vquot;2 en rancquot;.

Geloofd zij Hij, die zeide — en de wereld ontstond, geloofd zij Hij ; geloofd zij de Maker van het begin der wereld; geloofd zij, die zegt en ook doet; geloofd zij, die besluit en volbrengt; geloofd zij Hij, die zich ontfermt over de aarde; geloofd zij Hij, die zich ontfermt over de schepselen; geloofd zij Hij, die degenen die Hem vreezen, met goeds beloont; geloofd zij Hij, die eeuwig leeft en door alle tijden bestaan blijft; geloofd zij Hij, die bevrijdt en redt; geloofd zij Zijn naam! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der Wereld, Almachtige, Albarmhartig Vader! Wiens daden geprezen worden door den mond van Uw volk, die geloofd en geroemd wordt door de tong Uwer vromen en Uwer dienaren. — Met de liederen van Uwen dienaar David willen ook wij Uwe daden prijzen, Eeuwige, onze God, met lofprijzingen en gezangen Uw grootheid verkondigen, U loven en roemen. Uwen naam in herinnering brengen en ü als Koning doen erkennen, onze Koning, onze God, Eenige, Eeuwiglevende, Koning, Wiens groote naam geloofd en geroemd worde tot in eeuwigheid. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Koning, Wiens daden in lofprijzingen worden geprezen!

Na de schouwdraden gekust te hebben, laat men ze los.

1) Dankt den Eeuwige, roept Zijnen naam aan, maakt Zijne daden bekend onder de volkeren! Zingt te zijner eere, verheft uwen zang tot Zijnen lof, bespreekt al Zijne wonderdaden! Zoekt uwen roem in Zijnen heiligen naam; dat zich verheuge het hart van hen, die den Eeuwige zoeken. Verlangt naar den Eeuwige en Zijne macht, zoekt steeds Zijn aangezicht! Gedenkt Zijne wonderdaden, die Hij gedaan heeft, Zijne teekenen eu de rechtsuitspraken van Zijnen mond! Gij kroost van Israël,

ocr page 331

rvTO nVsn y

■ibx? it nsquot;1? n^o nait^q wnias ,riSxi-irnquot;^ ^ fisn 'n; : tax * ns D^Snn niso mm n'fiüai nvnpm n^Dis-baa rrnorp

p •• t t • : - : • t iv t~ : t hv i; •; t ivt; t : t r :-i*

mrarro lï IONC quot;]T)3 miN mm 'piDB ^Da n2ïn nïsi riDMn n^S sa» iQ

D'orn |a -n m iSSn mSSn nSiy lyi -v nnS nSnn p ^

notrj 3quot;™ mSSri n itripa ha iSSn n^SSn lanp dj; ^ DimNinii»^ aim Nim ^ nS mn w mn» -h v dsi tnaw

/^dntï' quot;|n3 pi mn'' ss VSa nvw h ps dsi ;naxn er hhsnrh iia hcjc ^p® n-ijw uk ISV «ia Snn' us w iVnnn laa axi rDDBquot;! DDCJ 'inS nSrtD ifix1' mcr ruw» insi piaïn dï rr\VV njior nviiaia dï ym fttcnp .nanfi sbi insü -yna nasi nSi /nsnB'1 H1 '131 TtS mn

.rrroj-a wisot quot;iCiVC quot;]T)3 nrös nïï-a nijttin ma wb1?» n^sn ine tns-i

ntri^ * Kin ^13 * abiyn n^ni, IÖKK' Tjiia

• D^pi quot;im Tjina - ntjn'jn IOIK Tjna * n^xin

• ninan-^ nnnp -jns * pxn-b^. Dnno -j-na

* ny^S D^pi -i^S ♦n 'nna * mTb niü istr D-'K'O

-iv t t i - ; t - ) t t •• • tt •• - :

Tjbp 'i nnK Tjina * IÖB' ^12 * ^ïpi nnis ^13 iKfiDi nairo isjr *03 ^bnün ?amn 3Kn VNH * nbi^n

t : t *.. ; ~ • : t ••. : - i t -; -t t t •• t t ^ t

irriVx ^ ïjVbn: ^3^ Tin n,^3i - vn;pn ji^bs T3W ^KÖ:,I ^bii: ni^ppi nin3^3

quot;INSDI n3tyo Tibü * D^ü^irn 'n irribK üsbo ^3^0:1

t : t *.. : |v iv * t t quot; • t iquot; v: i** : - | : * ; - ;

: nira^ro Vbnü ^ nm ^ns • bnsn lof quot;ijrn^

.ito DWi nr»^n pü^

V» nquot;T

h m : vriVb^ D»Ö^3 lynin ia^3 iNnp? Win i^li^ QI^S ibbnnn : vn^ör^s in^ lynsT nsT : Tpn v:fi wpz « ^quot;in : « ^ ntiw Skibquot; pit : irTSPBöiPOi vnab iïamp;v ivx vnxbai

•• t : • ^ -iv r •• ; ; • t ; t 't v -: t ; : *

') I Kron. 16,8—37. Deze verzen werden gedeeltelijk 's morgens, anderdeels des middags bij het brengen van het dagelijksche offer uitgesproken.

ocr page 332

OCHTEND-GEBED.

14

Zijnen dienaar, zonen van Jakob, die Zijne uitverkorenen zijt, — Hij is de Eeuwige, onze God, over de gansche aarde reiken Zijne rechtsuitspraken! Gedenkt dus tot in eeuwigheid Zijn verbond, het woord, dat Hij geboden heeft, tot in duizenden geslachten; [het verbond] dat Hij gesloten heeft met Abraham, en [gedenkt] Zijnen eed aan Izak; Hij stelde het voor Jakob tot een vaste bepaling, voor Israël tot een eeuwig verbond, zeggende: u zal Ik geven het land Kena'an, het u toegewezen erfdeel. — Toen gij nog weinig in getal waart, gering — en er als vreemdelingen u ophieldt, en zij zwierven van volk tot volk, van het eene koninkrijk naar eene andere natie, liet Hij niemand toe hen te verdrukken, en bestrafte om hunnentwille koningen: ,/Raakt niet aan Mijne gezalfden en Mijnen profeten doet niets kwaads!quot; — Zingt ter eere des Eeuwigen, aardbewoners allen! verkondigt van dag tot dag Zijne hulp! Verhaalt onder de volkeren Zijne heerlijkheid, onder alle natiën Zijne wonderdaden. Want groot is de Eeuwige en Zijne daden hoog geprezen, Hij is eerbiedwekkend meer dan alle goden! Want alle goden der natiën zijn afgoden, de Eeuwige echter — Hij heeft den hemel gemaakt; majesteit en glans is vóór Hem, macht en blijdschap op Zijne plaats! Geeft den Eeuwige, gij geslachten der natiën, geeft den Eeuwige heerlijkheid en macht! Geeft den Eeuwige de heerlijkheid van Zijnen naam, draagt geschenken en komt vóór Zijn aangezicht, werpt u neder voor den Eeuwige in heilig pronkgewaad ! Beeft voor Hem, gij aardbewoners allen! dan staat vast de wereld, zij wankelt niet! De hemel verheugt zich en de aarde jubelt, als men zeggen zal onder de volkeren: „de Eeuwige regeertquot;. Dan bruischt de zee en wat haar vult, luide jubelt het veld en al wat erop is. Dan juichen al de boomen des wouds voor den Eeuwige, — want Hij komt om over de aarde recht te spreken! Dankt den Eeuwige, want Hij is goed; want tot in eeuwigheid duurt Zijne genade! En zegt: help ons. God van ons heil, en verzamel ons en red ons van de volkeren, opdat wij danken Uwen heiligen naam, opdat wij ons roemen in het prijzen van Uwe daden. Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! ^ — en het gansche volk zeide: «amenquot; en prees des Eeuwigen daden.

Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijn voetbank, heilig is Hij! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijnen heiligen berg, want heilig is de Eeuwige, onze God. Doch Hij, Albarmhartig, vergeeft misdaad en vernietigt niet; reeds veelmalen wendde Hij Zijnen toorn af, en wekt nimmer Zijne geheele gramschap. Gij, o Eeuwige! onthoud

') In deze woorden vinden de geleerden eene toespeling op de toekom-

ocr page 333

rvTO nban ^

; VÜÖ^Ü pKn-bsa irpbx » Kin : nm ip^ naj? -nN m.| it^K : in njv quot;151 quot;inns a1?^1? ™ pn1? np^V nTp^i : pnï^ m^^fi onnnN • nanpn: San j^nrps4 \m ir2tlt;b : chty nna -Vk 'W labnm : na onji uvm nsoo ♦no oan^na

: - ; • - t * t ; • • t : • quot; : v ; .

Qp^1? n^rrK^ : quot;inx nabaapi 'ia

btst ^n^oa ijrarn-Vts : a^bö on^ nain : in^iK'* oi^bx'Q'i'P 11^2 p«nquot;ba : lynn

♦♦ bna »3 : vn^Va: D^s^n'SDa iniaa_nK D»iaa nap ♦nbsi-ba ♦a : D^K-Sa-^ Kin snui tko ^Vnoi

t • v: t t ; ; t \ ;

nmni tv -nm nin : n'^ d'ük' «i D^o^n

t ; v : t t : t t : t t * iquot; t t~ ••*.•: * t

ian : ?in nma lan □♦sjr nina^a «V lan : ibpoa

t t t t- # t • : : • t- t i

quot;S linnen vja^ ixai rnnio ixtr idi^ maa quot;n

t - -: - : • t t : i t : • : : : t

: Eian-^a ^an pan-e^x pj^n'Va viabp i^n : trip-nnnna a^T •' »♦ anaa nax^ pxn ^ni D»o^n inOf ♦ i3_3T tk : ia -it^K-Sai rnamp;n ik^di a^n aiü *a ,,l7 min : riNn-nx □is^1? Naquot;»a « quot;irn

tquot; i vit t v ; * t *▼:••:• * quot;it-

iwapi vyp' 'n^K u^^in nassi : npn chtyb '2 : ^jnbnna nan^n1? ^lp mm1? Diarrjo uVïni -Sa npK»i aVyn-n^i Dbi^n-fp bsw « Tjina aiD1? nnn^ni irnbtf « idoii : yb SVni JÜK D^n itrnp in1? iinn^ni irnbx ^ loon : Kin ^inp vbm NSI pj? naa» Dim. Kim : irribK \] i^np. 'a

■xb M nnx : man-Sa yy ah) iök a^nV nanm

▼: t - t-: t t quot; * t ; t.;

stige wereld; dit formulier zou nl. juist zijn ingesteld met het oog op hen, die het leven hiernamaals ontkenden.

ocr page 334

OCHTEND-GEBED.

mij Uwe barmhartigheid niet; Uwe genade en Uwe trouw mogen mij steeds beschermen! Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige! en Uwe genadebewijzen; want sinds alle eeuwigheid zijn zij! Kent God macht toe, Wiens hoogheid over Israël is, gelijk Zijne macht in de wolken. Eerbiedwekkend is God, meer dan uwe heiligdommen! de God van Israël, Hij is het, die macht en sterkte geeft aan het volk; geloofd zij God! God der vergelding, Eeuwige, God der vergelding! treed stralend te voorschijn! Verhef U, Gij Rechter der aarde, geef vergelding hunner daden den hoogmoe-digen! Doch bij den Eeuwige is de hulp, over Uw volk is Uw zegen, Séla! De Eeuwige Tsebaoth is met ons, de God van Jakob is ons tot vesting, Séla. Eeuwige Tsebaoth, heil den mensch, die op U vertrouwt! Eeuwige! help toch, moge de Koning ons verhooren op den dag, dat wij Hem aanroepen! Help toch Uw volk en zegen Uw erfdeel, weid hen en verhef hen tot in eeuwigheid. Onze ziel verbeidt den Eeuwige, Hij is onze steun, ons schild; want in Hem verblijdt zich ons hart, want op Zijnen heiligen naam vertrouwen wij. Zoo moge dan Uwe genade over ons zijn, o Eeuwige! gelijk wij op U hopen! Toon ons, o Eeuwige, Uwe genade, en verleen ons Üw heil! Sta op tot onzen bijstand en bevrijd ons ter wille van Uwe genade! Ik ben de Eeuwige, uw God, die U heb opgevoerd uit het land Egypte; open wijd uwen mond, en Ik zal hetn vullen! Heil het volk, dat iets zoo-danigs bezit! Heil het volk, wiens God de Eeuwige is! En ik, ik vertrouw op Uwe genade, mijn hart juicht in Uwe hulpe; ik wil zingen den Eeuwige, want Hij heeft mij welgedaan!

Psalm 19. Voor den zangmeester : een psalm van David. De hemelen verhalen de heerlijkheid Gods, en://WerkZijner handenquot; deelt het uitspansel mede. De eene dag doet den andere toevloeien het woord, en de eene nacht verkondigt den andere kennis. Niet uitspraak is het, niet woorden, wier stemme niet wordt gehoord, — maar over gansch de aarde strekt zich hun meetsnoer, en tot het einde der wereld hunne uitspraken; voor de zon plaatste Hij een tent in hen. En deze, gelijk een bruidegom uit zijn bruidsvertrek te voorschijn treedt, verheugt zich als een held om de baan te doorloopen. Van het einde der hemelen is zijn uitgangspunt en zijn omloop over hunne grenzen, en niets kan zich verbergen voor zijnen gloed! — De leer des Eeuwigen is volmaakt, zij verkwikt de ziel; het getuigenis des Eeuwigen betrouwbaar, het maaktden onnoo-zelé verstandig; de bevelen des Eeuwigen zijn rechtvaardig, zij verheugen het hart; het gebod des Eeuwigen is zuiver, het verlicht de oogen. De vreeze des Eeuwigen is rein, zij bestaat eeuwig; de rechtsuitspraken des Eeuwigen zijn waar, rechtvaardig allen te samen. Zij zijn meer begeerenswaardig, dan goud en fijn goud in menigte; en zoeter dan honig en uitvloeiend zeem. Ook Uw dienaar wordt door hen gewaarschuwd ; bij hunne inachtneming [vindt men] groote belooning.

15

ocr page 335

nnntp rban 113

^ön^iiDT : quot;fpn ^nüKT. ^jipn »3ÖÖ ^ürn. «Vsn D'ribx1? T^ un : nan dVi^ü »3 ^nDm v: Kin 'JN^» VN ïj^^ap D^nbx nit1: : D^ntf? ïnm Sn « niopT: bx : D^n^Ns Tj^na moï^rn w |n: : D'tsr1?^ ^03 Dtrn p«n ÜSST x'^an : ^♦ain nia^ quot;2^p niKDV « : nbD ^nDnn ^a^rbj; n^i^^n ^ « : Tp nt23 DIN n^N nixnï quot; : nbo ïpy ♦nb» w1?

■»: ) t - iquot; tt ••: - t ; ▼; t iv I .quot; •• v: it

^21 ^a^-nN n^^in : mipT Di^ i::^; ^an njwin ^ nnan 1:^2;: oVi^n-n^ dn^;i d^ii ^nbnrnN -♦n» : i:nün itrnp »3 mV nai^ ir»3 : xm vmi

. : : it t :i t *• : iquot; • - ; • * iquot;* t

^pn « liSfnn : ^ ubn» « ?ppn

«'33« : nnon r^a1? mai lib nni^ nap : uS-rnn

*: • t p iv; - l^ r ; r*; it t \y.'.' t i it i v •

n^K : mfs^axi ^iraiin onïp p.^a ^b^an ^n^K 'nnt23 ïiions : vnbx D^n n^x ib nssiy o^n

• ; r t I : : - : • -: - t v: *: v t t ••: - tit v t

: ^ Va: »3 «b nn^K nn^^^s br

t t quot;t tquot; t 1* t | iv't * * * quot;t

n'^ai bN-mss Dnöpa D'arn : inb iiara nwaV amp; rh^) iaN Di*1? DI* : n^a in*

t :i- ; . v 1 r - : 11 • t t • - tt

Vüp: *73 onnn laK px : nyrnjn» nb^S vmb on^a b3n nYpa^i Dip xï» pxn-^s : nbp

v iv - ...... .... •• i ; • tl- tt i vit t t ; tl

11332 'w* msna rnn3 Kim : Dn3 Vnx dj?

• ; • t t \ *' •• i t t : : v t v 1 t

Dniïp-b^ inaipni isïïia D^a^n nvpa : mx yrh nm^ mi n3^a na*an « mm : inana nnDJ r^i

•• vit - r ; t • ; ▼: - t - •• t ; • i •• ;

niïa 3b *na^a Dn^ : 'na na^na n:aN: « lyb i-nap mina M nxr : ovy nrnxa n-13 quot;

♦: •• ; ; • t viv^ t ; ▼: - ;• mt - * : tt *;

ï^na D'pinai 31 Taai 3n?a Dnanan : inn» ipnx nax

quot; ; • i • : t - • tt- • t v; v - t : - i ; t v v:

: 3quot;i 3py Dia^ Dn3 mT: nn3^ Da : D^aix na:i

t i v*!quot; t ; t ; v t t ; • | quot; • v 1 ;

ocr page 336

OCHTEND-GEBED.

Dwalingen — wie bemerkt ze?! houd Gij mij rein van verborgen zonden! Ook van moed willigen houd Uwen dienaar terug, dat zij mij niet beheerschen; dan zal ik schuldeloos zijn en rein van zwaar vergrijp. Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser!

Psalm 34. Van David, toen hij zijn verstand verloochende vóór Abiméleeh, waarop deze hem verdreef en hij wegging !): Ik wil den Eeuwige loven ten allen tijde; steeds zij Zijn lof in mijnen mond. Mijne ziel beroeme zich op den Eeuwige; dat bedrukten het hooren en zich verheugen. Verkondigt des Eeuwigen grootheid met mij; laat ons te samen verheffen Zijn naam! Den Eeuwige zocht ik en Hij antwoordde mij, en uit al wat mij verschrikte, redde Hij mij! Die tot hem opzien, ontvangen licht en hun aangezicht wordt niet donker van schaamte. Deze ongelukkige riep, en de Eeuwige verhoorde, en hielp hem uit al zijnen nood. De engel des Eeuwigen legert zich rondom hen, die Hem vreezen, — en maakt hen vrij! Ondervindt en ziet, dat de Eeuwige goed is; heil den man, die bij Hem bescherming zoekt! Vreest dus den Eeuwige, gij Zijne heiligen; want geen gebrek lijden zij, die Hem vreezen! Jonge leeuwen lijden gebrek en honger, maar zij, die den Eeuwige zoeken, ontberen niets goeds! Komt, kinderen, luistert naar mij, de vreeze des Eeuwigen wil ik u leeren; Wie is de man, die leven wenscht, die vele dagen begeert om goeds te zien ? Bewaar uwe tong voor kwaad en uwe lippen voor het spreken van bedrog; houd u verwijderd van het kwade, en doe het goede; zoek vrede en jaag hem na! Des Eeuwigen oogen zijn gericht op rechtvaardigen. Zijne ooren wenden zich tot hun schreien; het aangezicht2) des Eeuwigen richt zich tegen de boosdoeners, om hun aandenken van de aarde uit te roeien. Doch als zij schreiden, dan hoorde de Eeuwige, en redde hen uit al hunnen nood. Want de Eeuwige is nabij de gebrokenen van hart, en helpt de terneergeslagenen van geest. Wel zijn veel de rampen des rechtvaardigen, maar uit allen redt hem de Eeuwige; beschermend al zijne beenderen, zoodat niet één van hen gebroken wordt. Den booswicht daarentegen doodt het ongeluk, en die den rechtvaardige haten, boeten hun schuld. Doch de Eeuwige bevrijdt de ziel Zijner dienaren, en die bij Hem bescherming zoeken, boeten hun schuld niet!

Psalm 90. Gebed van Mozes, den man Gods; o Heer, een toevlucht waart Gij voor ons in alle vroegere geslachten. Voordat bergen voortgebracht waren en Gij aarde en wereld deedt baren, en van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God! Gij voert den sterveling tot verbrijzeling, maar spreekt: Keert terug, gij menschenkinderen! Want duizend jaren zijn in Uwe oogen als de dag van gisteren, als

') Vgl. I Sam. 21,14. 5j De toorn.

c

16

ocr page 337

mrw nbön ?LD

^12$ quot;rj^n Dnip D3 : »jj53 nnntpaö pT^ö -nöN jiï^ vn» : n-i ypm on^ w ^quot;hviïy^i* : niï \] ïj^aS ^

- ^p) lö^-rw ini3^3 -inb ^

«3 : 'fia inbnn n^an nr^DS ^quot;nw nDquot;iaK

t - • : t • i * t t : *: v t -:t -:

nDDiiii ♦nx ^ ib-ii : ino'^i d^ tyüw Sbnnn 'nnwö-baoi «-m : nn» iDiy

i* * mt • • quot; ; t • 'it^t : *: v • : i- t t : - ;

-^oi ym «i Kip ^ ni : nan^bK an^ai nmi vbx

t • iquot; t t- tit ' t v it : v - •••••; it t ; t quot;

: Dï^nn. vnt1? yiD » -jK^Q n:n : ijr^in vnnx vp[5 «-j-ik : ia-non» na^n n^x « aitra -NS « lajni. on^aa : VHT1? nsno px »a ■♦ö : DanD^N »; nxi» D^anab : ait3_l?a non»

iyj : ait: nijnV aw anx a^n ^ann B'pa aiü-n^ : nana nana ^na'fi ^na

: Dn^it^Vx vimi DpnrbK « : inami DiW

t t •quot; v t : t ; i • • quot; v ▼: •• quot; iquot; ; t : t

j?a^ n : anaï pxa nnanV yn Wyz y ^a ■'Karnjsji aS_na^:b « anp : d^ïh nnnr^aai

.. ; - v . |t t * * t t t •

w : « laS^» abaai pnv ni^i man : nn

*; iv • - t •. • i * quot; t - i' - i

n^n nman : nnatr: Nb nana nnx vhaï^ba

•^jr t t t •• : tit : • t iquot; •• quot; quot; t . quot; t

-Sa )mw ab) nay tfa: « nna : lats^r p^x ww

t ; ; v ; t t ^-: viv t; v it ; v | •- ••; :

: ia D'prin

n«n nnK rira ♦iiN D'nbxn-^^ ntfab nban x

it t i* t t quot; i t t -: * v: t v ; t • ;

bani riN bbmm nb» onn oiaa : im ina

•• quot; : | v iv •• ; - it -. • t viv ; t :

natril xarny I^IJK a^ri : birnriN obiyny obiyai ♦a Siam ova ^rya t]bK »3 : on^-^a laia'

ocr page 338

OCHTEND.GEBED.

hij voorbij is; als ééne wake in den nacht! !) Gij doet henweg-stroomen, als een slaap zijn zij; doch des morgens vernieuwt het als gras zijn levenskracht; des morgens bloeiend en vernieuwd van kracht, snijdt men het tegen den avond af, zoodat het verdroogt. Want wij gingen te gronde door Uwen toorn, en door Uwe gramschap zijn wij verschrikt. Gij steldet onze misdaden tegenover U, ons geheimste denken in het licht van Uw aanschijn. Want al onze dagen zijn heengegaan in Uw toornig woeden; wij eindigden onze jaren als een enkelen galm! De dagen onzer jaren — hun aantal is zeventig jaren en, als zij machtig veel zijn, dan tachtig jaren; — en hun trots is zorg en nietigheid; want spoedig is het afgesneden, en wij vliegen henen! Wie kent de macht van Uwen toorn! Ja, gelijk de vreeze voor U is Uw toornig woeden! Leer ons dan zóó onze dagen tellen, dat wij een hart vol wijsheid verwerven. Keer terug, o Eeuwige, — tot hoelang nog! — en verander van besluit over Uwe dienaren! Verzadig ons in den morgen met Uwe genade, opdat wij jubelen en ons verheugen gedurende al onze dagen! Verblijd ons gelijk de dagen, toen Gij ons vernederd hebt; de jaren, dat wij onheil zagen. Moge Uw werk zichtbaar worden voor Uwe dienaren, en Uwe heerlijkheid voor hunne kinderen. Moge de liefelijkheid van den Heer, onzen God, rusten op ons; en het werk onzer handen bevorder voor ons, ja, bevorder het werk onzer handen!

Psalm 91. Wie zit onder de bescherming des Allerhoogsten, verblijft in de schaduw des Almachtigen. — Ik zeg met betrekking tot den Eeuwige: mijn toevlucht en burcht, mijn God, op Wien ik vertrouw, — Dat Hij U zal redden van des vogelaars strik, van vernietigings-pest. Met Zijn vlerken bedekt Hij u en onder Zijne vleugelen vindt gij bescherming; schild en pantser is Zijne waarheid. Gij hebt niet te vreezen den schrik van den nacht, den pijl, die bij dag vliegt; de pest, die rondwaart in het duister; de besmetting, die des middags woedt. Al vallen duizend aan Uwe linkerzijde en tienduizend aan Uwe rechterhand, U zal het niet naderen. Slechts met uwe oogen zult gij aanschouwen, zult zien de vergelding der booswichten. — Want gij hebt den Eeuwige, mijnen Beschermer, den Allerhoogste, tot uw toevlucht gemaakt! Daarom zal geen onheil u beschoren zijn, geene plaag naderen tot uw tent. Want Zijne engelen zal Hij omtrent u gebieden, u te behoeden op al uwe wegen. Zij zullen u dragen op de handen, opdat gij uw voet niet stoot aan een steen. Op luipaard en adder zult gij dan treden, zult vertrappen jonge leeuw en slang. «Want in Mij schept hij behagen, daarom red Ik hem; Ik verhef hem hoog, want hij kent Mijnen naam. Als hij Mij aanroept, dan antwoord Ik hem; met hem ben Ik in nood; Ik bevrijd hem en maak hem geëerd; Ik verzadig hem met lengte van dagen, en doe hem Mijne jaulp aanschouwen.quot;

17

ocr page 339

mnt? nban r

quot;11533 vrv onü-ir : nS^3 miöEtei

•tv i v 1 - ; • t •• - t ; -: t :it - t ; - : ^r*

^3N3 12^3^3 : ^ 3^i7 «]bm quot;l[533 : tjbn».

: IINDV mb$; : i^ro: ^nonsi |-

irnUE' 'D*: TOn-iD3 irjB' 1:^3 nm3^3 i:a iyD^3 »3 P:

,.. ; .. . viv ; iquot;t r • i iv r : t i-t t * ^

D3mi mty a^ioty nn!i333 DNI 0^3^ Dn3

t : t : tt • : ; • • ; t t ^ ; • v t

^nNTDi ?|3K iy»n ra »3 psii hny

nzw : noDn 33b ksji ^nin f3 irpj ni:pb :

nwiJi ^Dn quot;ij533 1:^3^ : Dnani wijf «

ni:iy i:n»3^ nM i:nsiy : ira»-S33 nnotrai

•* t : it ' * iquot; ; - iquot;t t ; t ; : • :

*rn : Dn^r^ ^nini ^^3 nxT : n^n

namp;yw wty n:ai3 irT n^ai 1:^ ^-IK D^:

: inwü WT

iquot;-: i'T

♦nnixoi 'pno »b lüü : jiibn» namp; bp -inD3 3^' xx : min nao Kin '3 : i3quot;nü3K

: inöj^ nnnbi n3ï nonn va:3 nnni nS -id* im3M3

-: tquot; ; t • v : v tt ; ~ iquot; : | t Jvit t ; v ;

TiVn» b3«3 1310 : DDI^ C]^» fno nVS nnso

f -:- v 1 t v iv * t I T 1 quot; •• t :it - i- • t *

üb T^N WWD n33^,) ei^N nnva ba»: Dnnï Tny» 3L2I50

i iv quot; i tv • • tt ; i v iv i :* * * * it*: t t vliv

t? nntr'S .* nxnn no^i □♦sn ^#3 pn ; m' 't*b ywi n^iT nsNn-N1? : nop ^na : ?I»3*1T_'?33 'rh-nw vdkVQ-^ : ^«3 3quot;ip»

i iv t ; t : 1 : t 1 | t v - : t t : - • | iv *; t ; -|; •

^quot;in fnai bn^-bj? : f3K3 t]iT|a

J;T-»3 in3^« intabfixi p^n »3 *3 : pani quot;1^3 bonn

: m33Ni inïbnN niï3 is^ TOki 'JNnp» : kv

........ ,., . —. tt ; t ^ iquot;~': v ; -iquot; t|:' • i.

'™ ™ T'squot; : vijnt^s inKi^i in^s^N D»Ö' -]quot;IK

') De nacht wordt, èn met het oog op den zang der engelen èn met betrekking tot den tempeldienst, gewoonlijk in drie nachtwakeny ieder van 4 uur, verdeeld (vgl. Berachoth 3a).

ocr page 340

OCHTEND-GEBED.

Psalm 135. Halleloe-Jah! Looft den naam des Eeuwigen, looft, gij dienaren des Eeuwigen, die staat in het huis des Eeuwigen, in de voorhoven van het huis van onzen God! Looft God, want goed is de Eeuwige, bezingt Zijnen naam, want dit is liefelijk! Want Jakob heeft God zich uitverkoren, Israël tot Zijn eigendom! Want ik weet nu, dat groot is de Eeuwige, onze Heer, meer dan andere goden! Al wat de Eeuwige begeert, doet Hij in den hemel en op aarde, in de zeeën en alle diepe wateren. Hij doet wolken opstijgen van het einde der aarde. Hij vormt bliksemflitsen bij den regen, laat de wind los uit Zijne schatkamers. — Hij, die sloeg de eerstgeborenen van Egypte, van mensch tot vee; Hij zond teekenen en wonderen in uw midden, o Egypte, op Phar'o en al zijne dienaren; — Hij, die vele volkeren sloeg, en machtige koningen ombracht, Siechon namelijk, den koning van den Emoriet, en 'Og, den koning van Bashan, en alle koninkrijken van Ke-na'an. En hun land gaf Hij tot erfdeel, tot erfdeel aan Zijn volk Israël! Eeuwige, Uw naam duurt immer, Eeuwige, Uw aandenken door alle geslachten! Want de Eeuwige zal eens Zijn volk recht verschaffen en van besluit veranderen over Zijne dienaren! De afgoden der natiën zijn zilver en goud, werk van menschenhanden. Een mond hebben zij, — doch spreken niet; oogen hebben zij, — doch zien niet; ooren hebben zij, — maar zij hooren niet; ook adem is niet in hun mond. Mogen hun gelijk worden zij, die hen maken, allen, die op hen vertrouwen! Gij echter, huis Israels, looft den Eeuwige ; gij, huis Aharons, looft den Eeuwige! Huis van Levie, looft den Eeuwige; gij, die den Eeuwige vreest,looft den Eeuwige: ,/Geloofd zij de Eeuwige van uit Tsion, Hij, die woont in Jerusalem !quot; Halleloe-Jah!

Psalm 136. Dankt den Eeuwige, want Hij is goed,

want eeuwig duurt Zijne genade. Dankt den God der goden, w. e. d. Z. g.

Dankt den Heer der heeren, w. e. d. Z. g.

[Dankt] Hem, die alleen groote wonderdaden verricht,

w. e. d. Z. g.

Hem, die met doorzicht den hemel gemaakt heeft, w. e. d. Z. g. Hem, die de aarde heeft uitgespannen over het water; w. e. d. Z. g. Hem, die groote lichten heeft gemaakt, w. e. d. Z. g.

De zon tot beheersching van den dag, w. e. d. Z. g.

De maan en de sterren om te zamen te heerschen

des nachts; w. e. d. Z. g.

Hem, die Egypte sloeg in hunne eerstgeborenen, w. e. d Z. g.

18

ocr page 341

]vw nbfin n»

• t! V. ötrnK ibbn i n^bbn nSp

« niü-^ rn^ibbn : n»| niiïna « : m^p1? Vinaquot; n» ib ina aip^-^ : d^: »3 lü^b nar fön-ifK bb : irinxi « biir^ 'JK ^

D^'^J n^o : monri-bsi pici n'^ v, : vnmiKo nn nïio n'^ iüö1? ö^is pxn nïpp D^nabi riniK nb^ : nünrn^ aytü Dnvp nüa nan^ D'ü n|n^ : vD^sni n'^iaa anTVP psina |^|n TjVp naxn ^o |inpV : omz D^bo j-ini nbn; dxik fnji : |^3 niDbüo Vabi 113J? \\ p^quot;»3 : iiriib ^13? quot; ïjOE' « Nbi anb-na : n; n'^o 3nn«]p3 D'ian *3^ : omn^ quot;pt* «]N irm! ab) anb D^TK : wy ah) onb nsn» n^s: Dri3 nLÊnate V3 ort^ vn: dhiös : on^as nirtr» ■nN i3n3 nbn : «-jik 1313 prw n^3 quot;-JIN 13^3

• . . quot;T ............■•• -!t 1 -! - •■ t; v -:t •• t: •

: rrobn pty p'VP V ^quot;13 : ^tik 1313 ^ ^

'. npn nbi^b »3 3iü *3 nin

: npn '3 mn

: npn *3 D^nxn ♦nKb nin

: npn Dbty1? »3 nnb niVta niNbs; ripyb

: npn »3 mi3n3 D^ö^n n'^S

: npn »3 n^arr^ pjlt;n ^pnb

: npn »3 D,l?'i3 oniK

: npn »3 Di43 nbi^aab ^a^rrnK

: non »3 nVb3 niV^Qob 0*33131 nquot;i»n-nK

ï t ; • t :it - ; 1 v ; • t ; - i-t- v

: npn Dbiyb »3 ann1333. Dn.vP nspb

ocr page 342

19

OCHTEND.GEBED.

En Israël uitvoerde uit hun midden,

w.

e.

d.

Z.

g-

Met sterke hand en uitgestrekten arm;

w.

e.

d.

Z.

g-

Hem, die de Schelfzee in stukken deelde.

w.

e.

d.

z.

g-

En Israël er midden doorvoerde,

w.

e.

d.

z.

g-

Doch Phar'o en zijn leger uitschudde in de Schelfzee;

w.

e.

d.

z.

g-

Hem, die Zijn volk door de woestijn voerde,

w.

e.

d.

z.

g-

Hem, die groote koningen sloeg,

w.

e.

d.

z.

g-

En machtige koningen ombracht,

w.

e.

d.

z.

g-

Siechon namelijk, den koning der Emorieten,

w.

e.

d.

z.

g-

En 'Og, den koning van Bashan,

w.

e.

d.

z.

g-

En hun land tot erfdeel gaf,

w.

e.

d.

z.

g-

Tot erfdeel aan Zijn dienaar Israël;

w.

e.

d.

z.

g-

Die in onze vernedering aan ons dacht,

w.

e.

d.

z.

g-

En ons verloste uit de macht onzer verdrukkers;

w.

e.

d.

z.

g-

Die spijze geeft aan alle vleesch,

w.

e.

d.

z.

g-

Dankt den God des hemels!

w.

e.

d.

z.

g-

Psalm 33. Jubelt, rechtvaardigen, in den Eeuwige; den oprechten betaamt lofzang! Dankt den Eeuwige met de harp, bespeelt den tiensnarigen luit Hem ter eere! Zingt voor Hem een nieuw lied, — speelt goed met jubelschallen. Want oprecht is des Eeuwigen woord, en al Zijn handelen met trouw! Hij bemint rechtvaardigheid en recht, — doch de aarde is vol van de genade des Eeuwigen. Door het woord des Eeuwigen werden de hemelen geschapen, en door den adem van Zijnen mond al hun scharen. Hij verzamelt als tot een stapel de wateren der zee, legt woelende wateren als in voorraadkamers. Daarom vreeze den Eeuwige de geheele aarde, voor Hem verschrikken alle bewoners der wereld; want Hij sprak, — en het was; Hij gebood, — en het bestond! De Eeuwige vernietigt den raadslag van natiën, verijdelt de plannen van volkeren, doch het raadsbesluit des Eeuwigen bestaat voor eeuwig, de plannen Zijns harten voor alle geslachten. Heil de natie, wier God de Eeuwige is; het volk, dat Hij zich tot erfdeel heeft uitverkoren ! Uit den hemel ziet de Eeuwige neder, aanschouwt alle kinderen des menschen. Van de plaats van Zijn wonen

ocr page 343

nnnty nVön w

DSinO K5f1»1

t •• t: • •• -

nnra: nprn

t : ^ i; • itt-: t :

Dnu1? e|iD-D! üina 'jinif. i^ni.

«]iD-Dp i^ni h^-iö

nana? ia^ D^'na D^VÜ naa^ onnK

n'ONn Tj^o jinp1?

j^an Tjbo 31^1 nbnab dïik jn^ np^ n^n;

13V-13T

it -t iquot; : • ; v

WltfO 13010*1

,.. t • 11quot; : : • -

DnV rh3

tt t : v iv i quot;

vmn bxb min

11333 quot;b mn : nVnn nix: quot;3 d^hï 1331 jS

• : t- t * l tt • t : - t - '' x * ':

f33 irnn t» ITI? : lynsT 11^ 7333 npiï 3riK : n3iOK3 in'^D-^i quot;-quot;ai : n^iin3

It t; •• t v; v iquot; ^ - t : ▼: - : t t t

nii3i 1^3 quot; 1313 : pxn n^o quot; ion üö^di

- 1 ; - • 1- t ▼: - : • i vit t t ; t ▼: v iv t :

: niDinn nmiN3 rni D'n »0 133 D33 : DX3rt73 V3

, t : i •• t t t : t

1DN Kin *3 : b3n 1113» mn riNn-^3 «Q I«I^

- t • ........t it iv • 1 vit t ttquot; : *

ni3^no K^n D13 nv^: i*fin v: : i'oj?i niï «in Tn : 111 li1? 131? ni3^nö lo^n abiv1? t! nV£ : : iST n^mS ins D^n vnVx in3^|i3öp : aixn ^rSrnx n«i \\ ü'sn D'pB'p

npn lion iipn npn npn lion

non übty) non D^1? non d1?^ npn

npn D^I^ non D^I^1? iipn D^iy1? npn npn

npn Dbi^1?

ocr page 344

ochtënd-gebëd.

■riekt Hij Zijnen blik op alle bewoners der aarde. Hij, die aller harten vormt, Hij let op al hunne handelingen. De koning wordt niet geholpen door groote legermacht, de held niet gered door groote kracht; bedriegelijk is het paard als hulpmiddel, en met al zijn sterkte doet het niet ontkomen ! Zie, het oog des Eeuwigen is gericht op hen, die Hem vreezen ; op hen, die Zijne genade verbeiden ; — om hun ziel te redden van den dood, en hen in het leven te behouden bij den hongersnood. Onze ziel wacht op den Eeuwige; Hij is onze hulp en ons schild. Want in Hem verheugt zich ons hart, want op Zijn heiligen naam vertrouwen wij. Zoo zij dan Uwe genade, o Eeuwige, over ons, — gelijk wij U verbeiden!

Psalm 92. Zang-psalm voor den Shabbathdag : Het is goed den Eeuwige te danken en ter eere van Uwen naam, o Allerhoogste, de snaren te doen klinken, — te verkondigen des morgens Uwe genade en Uwe trouw in de nachten — op tiensnaar en op luit, met zinrijke woorden, begeleid door de harp. Want Gij hebt mij verblijd, o Eeuwige, door Uw wrochten, wegens de werken Uwer handen jubel ik! Hoe groot zijn Uw werken, o Eeuwige! oneindig diep zijn Uwe gedachten. De verstandelooze beseft het niet en de dwaas ziet dit niet in: wanneer goddeloozen als kruid opbloeien, en onrecht-volvoerders bloesemen, — [dan geschiedt dit] opdat zij vernietigd worden voor eeuwig! Doch Gij blijft eeuwig verheven, o Eeuwige! Want zie, Uwe vijanden, o Eeuwige! — want zie. Uwe vijanden zij gaan te gronde, zij lossen zich op, alle onrecht-volbrengers! En Gij verheft mijnen hoorn als eenen Reern, ik word met verfrisschende olie overgoten ! Zoo ziet mijn oog neder op hen, die mij beloeren; van hen, die als kwaadwilligen tegen mij opstaan, hooren mijne ooren ! De rechtvaardige zal bloeien gelijk de dadelpalm, als de ceder op den Libanon hoog opschieten. Geplant in het huis des Eeuwigen, zullen zij bloeien in de voorhoven van onzen God. Nog in grijsheid zullen zij vrucht dragen, sappig en frisch blijven zij ; om te verkondigen dat rechtvaardig is de Eeuwige, mijn Rots, en geen onrecht is bij Hem!

Psalm 93. De Eeuwige is nu Koning, heeft zich met hoogheid bekleed, bekleed heeft zich de Eeuwige, met macht zich omgord; nu staat ook vast de wereld, wankelt niet meer! Gevestigd was Uw troon van oudsher, sinds alle eeuwigheid zijt Gij ! Wel verhieven stroomen, o Eeuwige ! wel verhieven stroomen hunne stem; stroomen verheffen hun dreunend geloei. Doch meer dan de geluiden van groote wateren, de machtigen, de brekende golven der zee, is geweldig de Eeuwige in de hoogte. Uwe getuigenissen zijn vast vertrouwbaar, aan Uw huis past heiligheid, o Eeuwige, tot in lengte van dagen!

Moge de erkenning der heerlijkheid des Eeuwigen eeuwig duren, zoodat de Eeuwige zich verblijde in Zijne werken. De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid. Van de opkomst der zon tot haren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen.

20

ocr page 345

nnni? d

pnan D3b nrr irn : pKn n^tpn

-kS nas ^n-3quot;j3 ^^13 ^an px : Dn^o-Vr-^ kS iVn 3'i3i didpi : nr-sna bw

h^rh : iipnb VN^quot;VNt \] nsn : übö»

vy.% ^ nnan 1:^3; : zynz Dn^nbi D^S? niap : i:n^n i^npT o^n quot;2 uab naip» ir^ : xin IJMDI • ^ ubir n^K3 1:^ V: ,n:

quot;istbi «V nnnb aiü : na^n DI^ yp HDTO as : ^naiaxi ^pn 1^2 n^n1? : p'S^ ^23 « ^nns^ ^ : nisps fvan quot;11^

: ^nn^no ippjjtxü ^ ^quot;jrno : |3-|« ^03 07^1 nnsa : n^rnK ^DDI vy„ N1?

nriNi : i^-n^ ana^nb |IK ^n3N, nsn-^ « mn ♦a : ^ d^? : jas'a ♦ri^s Dwa onni: pnï •' n^o^n D^np *b% orapa n^a w üarn nnxna v. n'aa : na'tfquot; |i:aVa rnxa nns» nona

: vn^ D^;^II a^^-i na^a pair; nv • innat wrf?K

: ia nn^ nVi niï « n^va quot;i^nb -Va Van |ian_ï]N iTNnn ^ tfaV ^aV niw nnn: in'^: : nnx oVijra tnd ^pa pa: : man D^ai D^a niVpa : n^an nnn: o^ip nnn: wj V; ■jn^ab ixa i:a«i ^nn^ :« anaa inx D^natfa annx

: D^a* TjiN1? ? ir'ip'n^

-|-iaa « D^ vr : v'^aa ^ na'^» obi^ « maa ♦n* :« DB' bbna iKiaa-^ ^a^-n-iTaa : D^ijnj?quot;!

ocr page 346

OCHTEND-CrBBBD.

Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Eeuwige, Uw naam is voor eeuwig. Eeuwige, Uw aandenken van geslacht tot geslacht. De Eeuwige heeft in den hemel Zijnen troon gevestigd en Zijn koningschap heerscht over alles. De hemel verheugt zich en de aarde jubelt, wanneer men zeggen zal onder de volkeren: ,/de Eeuwige is Koningquot;, De Eeuwige is Koning, de Eeuwige was Koning, de Eeuwige zal Koning zijn immer en eeuwig. De Eeuwige is Koning immer en eeuwig, de volkeren gaan verloren uit Zijn land. De Eeuwige vernietigt den raadslag van natiën, verijdelt de plannen der volkeren. Veel zijn de plannen in het hart eens menschen, doch des Eeuwigen raadsbesluit, dit krijgt bestand. De raadslag des Eeuwigen bestaat voor eeuwig, de plannen Zijns harten door alle geslachten. Want Hij sprak — en het was, Hij gebood — en het bestond. Want de Eeuwige heeft Tsion uitverkoren, heeft het begeerd tot verblijfplaats voor zich. Want Jakob heeft God zich uitverkoren, Israël tot Zijn eigendom. Want de Eeuwige zal Zijn volk niet prijs geven, en Zijn erfdeel niet in den steek laten! Doch Hij, albarmhartig, vergeeft misdaad en vernietigt niet; reeds veelmalen wendde Hij Zijnen toorn af, en wekt nimmer Zijne geheele gramschap. Eeuwige, help toch! de Koning verhoore ons op den dag, dat wij Hem aanroepen.

Heil hen, die wonen in Uw huis, voortdurend prijzen zij U, Séla. Heil het volk, dat iets zoodanigs bezit; heil het volk, wiens God de Eeuwige is.

Psalm 145, Loflied van David. Ik wil U verheffen, mijn God, o Koning! en Uwen naam zegenen immer en eeuwig. Eiken dag wil ik U zegenen en loven Uwen naam immer en eeuwig ! Groot is de Eeuwige, en zeer geprezen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk! Geslacht na geslacht roemt Uwe werken en Uwe machtige daden verkondigen zij. De schoonheid van de heerlijkheid Uwer majesteit, en de verhalen Uwer wonderdaden wil ik bespreken. Over de macht Uwer eerbiedwekkende daden spreekt men, en Uwe grootheid — ik wil haar verhalen. De herinnering aan Uwe groote goedheid doen zij als een bron opwellen en wegens Uwe gerechtigheid jubelen zij. Genadig en barmhartig is de Eeuwige, langmoedig en groot in genade! Goed is de Eeuwige voor allen, en Zijne barmhartigheid strekt zich uit over al Zijne werken. Al Uwe werken, o Eeuwige, danken U en Uwe vromen zegenen U. De heerlijkheid van Uw koningschap vermelden zij, en Uwe almacht spreken zij uit; ten einde den menschenkinderen Zijne machtige daden bekend te maken en de heerlijkheid van de schoonheid van Zijn koningschap. Uw koningschap is een koningschap van alle eeuwigheid, en Uwe heerschappij over alle

21

ocr page 347

mnt? nban to

« : ni23 o^ü^n quot; d^irbs-1?^ qi V33 inttboi 1KD3 pn « : rn itV « : Tbö « DM33 IIÜNM pNn V^ni D^ü^n inoi^ .* n^o

) t t *: • - : ; | vit t •• t ; • r t - ; : • t it t

1$) ♦; : Tt t! t! ?

nia^nD Ni^n DM3 nïjf n^n « : irixp DMa max

: Dipn » nv^l nin^no nian :

«in ^ : rn Th ia1? maf no io^rgt; « nv^

zvfob HIK mz « inr»3 : TDjn niï Nin ♦nM IÜK

t ; t * i * : *: - t • .— t* 'iv- - t

vw-üb »3 : in^pgt; iquot;? nna : ïb

wnw nVi |'^ *\by Dinn Kini : 3T^ ab inbn:i lajr « •nVan n^^in M : inorrba yy ab) isx ymb nami

| v iv - *t r ▼: t -: t ' t : - • t » t : • ;

: i^np-Di^ u:#: : n^D n.^ts

: vri^N quot;v D^n ntrw iV nasty D^n n^K

t v: ▼: v *t t ••: - t it v quot;t t ••: quot;

tbyb ïjöB' naniKi ^an ♦nibi* ^ppnx nnb nVnn nop : n^i nSbn^ ^rnn^j ai^-baa : n^i

na?'» nnb im : npn inbn;^ tko bbnpi ^ Sna

nnn TÜ3 inn : m n^T : nsiöDK nnbinji nryi : nn^K

viquot; t iv; —: I : t : iquot; ) iv ; 'vrv t r t

o^k tj-ik ♦: Dim.i pan : ^npnvi W?. an nmv : v'^a-Sa^v vonni ^ quot;-aiü : non Sn:i

I i t : ~ t quot; t -: -; ▼: v IT f T1

mptf niaa : na^ana^ ^Tpm. ^quot;^D-Sa v;

nnn maai vrhiaa onxn ♦aa1? ^ninb : man» nnniaai

--: ; t : t t t *• ; • ^- r ; iquot; -: I ; t :

nm-Vaa D^pV^-ba nia'pa ^nia^a : imaba

•inSnjn npi p^na -jmSui * ■y«gt; bnji *

ocr page 348

OCHTEND-GEBED.

geslachten. De Eeuwige steunt alle vallenden, en richt op alle gekromden. Aller oogen richten zich vol hoop op TJ, en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd! Gij opent Uwe hand en verzadigt al wat leeft tot welgevallen. Rechtvaardig is de Eeuwige in al Zijne wegen en liefderijk in al Zijne werken. De Eeuwige is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem in waarheid aanroepen. Hij volbrengt den wil van hen, die Hem vreezen; Hij hoort hun smeeken en helpt hen. De Eeuwige behoedt allen, die Hem beminnen; doch alle godde-loozen verdelgt Hij. Den lof des Eeuwigen moge daarom mijn mond uitspreken; en alle vleesch zegene Zijn heiligen naam immer en eeuwig 1 — Ook wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid, — Halleloe-jah!

Psalm 146. Halleloe-jah! Prijs, mijne ziel! de daden des Eeuwigen. Ik wil des Eeuwigen daden prijzen, zoolang ik leef; wil mijnen God bezingen met snarenspel, zoolang ik besta. Vertrouwt niet op vorsten, op een menschenkind, bij wien geen hulp is. Zoodra zijn adem hem verlaat, keert hij terug tot zijne aarde; op dienzelfden dag zijn zijne plannen verloren. Heil daarentegen hem, wiens bijstand de God van Jakob is, wiens vertrouwen zich richt tot den Eeuwige, zijn God, — die maakt hemel en aarde, de zee en al wat in hen is; die eeuwig trouw bewaart [Zijne beloften vervult] ; die recht verschaft aan bedrukten, die den hongerigen spijze geeft, — de Eeuwige maakt geboeiden los; de Eeuwige opent blinden de oogen, de Eeuwige richt gekromden op, de Eeuwige bemint rechtvaardigen; de Eeuwige behoedt de vreemdelingen, heft op wees en weduwe, doch kromt den weg der booswichten. De Eeuwige regeert in eeuwigheid, uw God, o Tsion, alle geslachten door! Halleloe-jah!

Psalm 147. Halleloe-jah! Want het is goed onzen God met snarenspel te bezingen; want het is lieflijk, passend is lofgezang. De opbouwer van Jerusalem is de Eeuwige, Hij brengt de verstootenen Israels te zamen; Hij, die de gebrokenen van hart geneest en verband legt op hunne pijnlijke wonden. Die voor de sterren getal vaststelt, hun allen namen geeft. Ja, groot is onze Heer en rijk aan kracht, voor Zijn inzicht is geen getal [tot maat]. De Eeuwige heft op de bescheidenen, vernedert de booswichten ter aarde. Heft ter eere des Eeuwigen een danklied aan, bezingt onzen God met de harp. Die den hemel met wolken bedekt, die regen bereidt voor de aarde, die op de bergen gras doet spruiten. Hij geeft het vee zijn spijs, den jongen raven, die [er om] roepen. Niet in de sterkte van het paard vindt Hij behagen, niet in de schenkels van den man zoekt Hij welgevallen. — De Eeuwige vindt welgevallen in hen, die Hem vreezen, die verbeiden Zijne genade. — Roem,

22

ocr page 349

n*w nban 23

vy : awten-bpb ♦; ^öid : ii)

nnia : in^a DboK-n» onb-fnu nnxi ^ b'D n^pni vditVDS ♦; pnv : V^) IXquot;n^ : noxn inxip* b'ih vN-ip-bo1? v anp : v^D-Vsa

v v: v r». tI: • v -: : t :l t ; *: It t ^: quot; t :

^ naiK' : ytiw vKTquot;|i2fquot;i

♦ö -13-1quot; « nbnn : TÜB* D^trin-Vs n^i van^-Vrnx

•••-:▼: - • ; • : - t : t t •• : t-: t

n» Tjia: lahp

: nn^n DVI^-I^I. nr$D niQTK «na « nSbns4 : «-nx ^Sn nnbbn iop

t : - -i t - : ▼: t -: —: *; v • : - • -; - t ~; '

D-iK-pa D^anaa intpan-bN : ni^a ^^K1?

wnn ai»a inDi^b a^ inn xvri : n^iirn iV

na'^ inT^a ap^;: npx : vrtn^ nax Da-n^K-ba-nNi D^n-nK psii n'^ : vribx

t v -; t v ; t - v | v it t * r t v ^ t v:

Dnb |n: D^pi^b ua^p n'^ : ahtyb nöNt lo'^n « D^aiaa c]pT « Dnij? npa « : oniDK n^np « a^n1? Tjini nii^ om» onrrw löir ♦♦ : D^pnv an» : iTibSn innn1? |i4v ^r6N obi^ « Tjbö» : ny?; : n^nn niw o^ra irnbN mar aiü-^a top

t . ; t t t iquot; v: t : - • t -: -

xaiin : os?* Vsni^ niia

Dba1? a^aaia1? napp miö : oniaï^b iranoi ab nia^b : quot;laoa rt^ inaian1? na-ani irinN Vna : Nïnp* matf

t ; . | .. t : • - i -: iquot; -j t tI:*

nnma ^ u# : p«quot;n^ D^i; %wn \\ tii^d paan o^aya D^a^ noaon : iiaaa irri^b mat

it t I * •• - • 't : * r t v - ; - • ; i- •• : -

aiy ^ab nanb nana1? |nia : i»vn onn n^avan n^a

|*an» didh nniaaa 16 : ♦na?' : non1? D^nwnK VKT;n« « nxn : nïT.

ocr page 350

OCHTEND-GEBED.

Jerusalem, den Eeuwige! Prijs de daden van uwen God, gij Tsion. Want heeft Hij sterk gemaakt de grendels uwer poorten, heeft uwe zonen in uw midden gezegend, zoo maakt Hij uw grens tot gebied van den vrede, zal Ü met tarwemerg!) verzadigen. Hij toch, die zendt Zijn bevel ter aarde, zeer snel loopt Zijn woord; die sneeuw geeft als wolvlokken, die rijp strooit als asch, die Zijn ijs neerwerpt als brokken, tegen Zijne koude, — wie is er tegen bestand?! Dan weder zendt Hij Zijn woord en doet ze smelten. Hij doet Zijn wind waaien — en zij vloeien weg tot water. Hij deelt ook Zijne woorden mede aan Jakob, Zijne wetten en Zijne rechten aan Israël. Zoo heeft Hij niet gedaan aan eenig volk, eu rechten — zij kennen ze niet! Halleloe-jah!

Psalm 148. Halleloe-jah! Prijst des Eeuwigen daden van uit den hemel, prijst Hem in de hoogten! Prijst Hem, gij. Zijne engelen, allen; prijst Hem gij, al Zijne heirscharen! Prijst Hem, zon en maan; prijst Hem gij allen, lichtende sterren! Prijst Hem gij hemelen der hemelen, en gij, wateren die boven den hemel zijt! Dat zij prijzen den naam des Eeuwigen, want Hij gebood, — en zij werden geschapen. Hij deed hen bestaan voor immer, voor eeuwig; Hij gaf eene wet, die nimmer wijkt! — Prijst ook des Eeuwigen daden van de aarde, gij zeegedrochten en alle woelende wateren, vuur en hagel, sneeuw en damp, stormwind, die Zijn woord volvoert! — Bergen en hemelen allen, vruchtboomen en alle cederen; veldgedierte en al het tamme vee, kruipend gedierte en gevleugelde vogel; koningen der aarde en alle volkeren, vorsten en alle rechters der aarde; jonge mannen en ook jonge maagden, ouden met jongelingen, — dat zij prijzen den naam des Eeuwigen, want hoog verheven is Zijn naam alleen. Zijne glorie is over aarde en hemel. Hij verheft den horen voor Zijn volk, tot lof voor al Zijne vromen, voor de kinderen Israels, het volk, dat Hem nabij is; Halleloe-jah 1

23

Psalm 149. Halleloe-jah! Zingt ter eere des Eeuwigen een nieuw lied, tot lof Zijner daden in de samenkomst der vromen 1 Israël verheugt zich in zijnen Schepper, de kinderen Tsions mogen jubelen over hunnen Koning! Mogen zij Zijnen naam prijzen met rijendans, met tamboerijn en harp te Zijner eere zingen. Want de Eeuwige heeft welgevallen aan Zijn volk, siert be-scheidenen met hulp. Vromen juichen in heerlijkheid, jubelen op hunne legersteden. Verheffing Gods [uiten zij] met hun keel, en een tweesnijdend zwaard voeren zij in hun hand. Om wraak te oefenen op de volkeren, strafgericht onder de natiën, om hunne koningen in ketenen te binden, hunne meest geëerdea

') De beste bestanddeelen der tarwe.

ocr page 351

nnntp nbsn JD

^13?^ 'nna ptn-^ : ^bn ^tik pb^n»

: ! D^n nbn Dib^ ^133 D^n : Tjanpa ^:| rpz bv frisn : ï^yi pT ninD-n^ p.Nt in-m nbtrn in^ D^33 innp Tj^^o : ITS» n2K3 -1133 -m? T50 : D'D-ibr lmquot;) 3^! DDon : lajr 'p

-bDb p n^ k1? : Vüfi^oi vpn ipyb vim

T;Tn^nD^3^0U TT:

t -: - ^ t: - • t ; •

imbbn : ttpnaa inibbn D*ö^nquot;|p «-nx ibbn nnbbn nop roir imbbn : terba inibn vaxbo-Sa

v iv i -: - t t : t i -: - t t ; - t

o^ani D»o^n imbbn : *m nprba inibbn m : niï «in »3 \] DS^TIK ibbn» : D»o^n V^p quot;I^K «■ntlt; ibbn : quot;113^ ah) fnr_pn dSi^V lyb DTpjn nn 1*131 ITK ; nionri-^i D^ran p,Nn-|p

: on'iK-bsi na ^ onnn : nsn n'^jr nn^p

px-*3bp : c|33 niövi few nans-VDi n'nn : Dn^ro^ D^pr mbins-DJi onins : pK ona'

: D'O^I pNquot;1?^ mn nnb lap 33^: »3 « D^TIK ibbn* 131 p bssnii» ^3b vTpn bob nbnn inyb pp

:

T quot;:quot;

tiü'w : on^on Vnps inbnn irnn «b mgt; nnbbn taop

; • • • - i; - t • ; tt t- i* t -: - '

10^ ibbn»: D3bp3 iVr fiT^2 v'^s

iKfi? 10^3 « nyiT»3 : ib-nsr -iiapi «]h3 binüs : Dn^pipp-S^ I::T 11333 onpn ITS^» : nöw m^1? : dt3 ni'fi^s 3quot;im 0:1133 ba niDon

t i t . -; tt; • - viv : t ; • •• -;

Dnn33;i d^d an^bp iDKb : d^snV? ninsin DI33

.ava iKax * •»«gt; nm *

ocr page 352

OCHTEND-GEBED.

in ijzeren boeien; om aan hen te voltrekken het voorgeschreven gerecht! — het is glorie voor al Zijne vromen! Halleloe-jah!

Psalm 150. Halleloe-jah! Prijst God in Zijn heiligdom, prijst Hem in het uitspansel Zijner almacht! Prijst Hem in Zijne machtige daden, prijst Hem naar Zijne grenzelooze grootheid! Prijst Hem met bazuinenschallen, prijst Hem met luit en harp! Prijst Hem met tamboerijn en rijendans, prijst Hem met snaren en fluit! Prijst Hem met helder klinkende bekkens, prijst Hem met dreunende bekkens! Al wat adem heeft prijze God, — Halleloe-jah!

Geloofd zij de Eeuwige immer, amen en nogmaals amen! Geloofd zij de Eeuwige van Tsion uit, Hij die troont in Jerusalem, Halleloe-jah! Geloofd zij de Eeuwige, God, God van Israël, die alléén wonderen doet; en geloofd zij eeuwig de naam Zijner heerlijkheid; en de geheele aarde worde vervuld van Zijne heerlijkheid, amen en nogmaals amen!

(Het volgende tot na «ia wordt staande gezegd;)

I Kron. 29,10—13. En David loofde den Eeuwige ten aanzien der gansche vergadering, en David zeide: Geloofd zijt Gij, Eeuwige, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid 1 Aan ü, o Eeuwige, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want [u behoort] alles in den hemel en op aarde ; aan U, o Eeuwige! is de heerschappij, en Gij zijt het, die boven alles als opperhoofd verheven zijt! Zoowel rijkdom als eer gaan van U uit en Gij heerscht over alles; en in Uwe hand is. kracht en macht, en in Uwe hand ligt het alles groot en sterk te maken. En daarom, onze God, danken wij U en prijzen Uwen roemrijken naam.

Nechemja 9,6—11. Gij, Eeuwige, zijt het alleen. Gij hebt gemaakt den hemel, de hemelen der hemelen en hun gansche schare, de aarde en al, wat erop is, de zee en al, wat erin is; en Gij houdt hen allen in het leven en de schare des hemels werpt zich voor U neder I Gij zijt het, Eeuwige God, die Abram hebt uitverkoren en hem hebt uitgevoerd uit Oer-Kasdiem en zijnen naam Abraham genoemd hebt; Gij vondt zijn hart getrouw voor U en sloot met hem het verbond, te geven het land van den Kena'aniet, den Chittiet, den Emoriet en den Perizziet en den Jeboesiet en den Girgashiet, —

D

24

ocr page 353

rvTO nbön na

'bih Nin nnn Dins uzm ona ni'^b : Sns ♦basa

t : tt t t : v t -:~ v :- ;

: n^Sbn viw

t -: - t * -:

imbbn : 11^ ^^*13 miSbn it^npa bK-ibbn nnbbn ip

imbbn ; ibns sna mibSn vnniaaa ini^n Sinoi ejns irr^n : n^i baja imVbn nait^ : n^nn ♦bï'pva iniVbn iniV^n : D^pa

: 'n '♦ 'n 'n ó : n» bbnn nöKón Va

-ti- t -; - t ••-; t t : -

' öStihT |1»ÏÜ \] ^13 : fpKi fox « Tjina

nix'paj nfety ♦ribx D^ribx ^ ^iia : nnbbn

quot;brnK maa xhw] chty) maa ^•nai : naS : |oni; |OK p^n

.1313 in.s- iv iiKïh -pis cquot;3 's nquot;T

quot; nm Tjna y)i iün^ bnpn-^a wyb ^-JIK m ^a^ \\ ^ : obip—DSI^D irax bjsnt^ ^SK D^otya Va-'a mnni nvsni nnNönm mwi nb^n quot;i^rri : TN-I1? Sab ^jnsni, nabasn » pxai ï]Tai nniaji na ^Tai Saa Wio nriKi. ^Jfibp Tiaani Tjb wmtsï anio wnVx nn^i : ^ab pmVi

^aV « ^iin nnx 'a n'sro ; ^niN^n D^Snpi

fquot;iKn DKarbai o^o^n KV a^^n-nx nwv nntlt;

i VIT t T t : t : *1- t - •• : • r t - v r r *r t -

■nK nriü nnxi ona i^M-^ai o^'n -itrx-Sai

•.*••-: t - : v t v -; t : * - - t iv *r v -: t :

QT^Kn « Kin nnK : onnn^a ^ n^^n xa^i aba lof no'^i onpa -iikü insïïini DnaNa n-ina nnan lay nnai v:sh ?üNi laaVnN nNïüi : aniax

t : | iv t : i t v; v t : v t it t t t : -

^l^ni 'Diaini nnani noxn ^nnn ^jan pifn» nnb»

.ava nx *

ocr page 354

OCHTEND-GEBED.

het te geven aan zijn kroost; en Gij bevestigdet Ihre woorden, want Gij zijt rechtvaardig. Toen Gij zaagt de ellende onzer voorouders in Egypte, en hoordet hun geschrei bij de Schelfzee, — toen gaaft Gij teekenen en wonderdaden tegen Phar'o en tegen al zijne dienaren en tegen gansch het volk van zijn land; want Gij wist, dat zij moedwillig tegen hen gehandeld hadden; en Gij verwierft ü een naam gelijk op den dag van heden. En de zee kliefdet Gij vóór hen, zoodat zij door het midden der zee doortrokken op het droge, hunne vervolgers echter wierpt Gij in diepten als een steen, in machtige wateren.

Exodus 14,30 en 31. De Eeuwige redde op dien dag Israël uit de macht van Egypte en Israël zag Egypte dood aan den oever der zee. Toen Israël zag de groote macht, die de Eeuwige tegen Egypte had geoefend, vreesde het volk den Eeuwige; en zij stelden vertrouwen in den Eeuwige en in Zijnen dienaar Mozes.

Exodus 15,1—19. Toen zong Mozes en de kinderen Israels dit lied ter eere des Eeuwigen; zij zeiden namelijk, als volgt: Zingen wil ik ter eere des Eeuwigen, want hoog is Hij verheven ; paard en zijnen berijder stortte Hij in de zee. Mijn zege en mijn zang is God, Hij was mij ter hulpe; deze is mijn God, Hem wil ik verheerlijken, — de God mijns vaders. Hem wiltik verheffen. De Eeuwige, Heer van den oorlog. Eeuwige is Zijn naam ! — De wagens van Phar'o en zijn leger slingerde Hij in de zee, en zijne uitgelezen legeroversten werden in de Schelfzee bedolven. Woelende wateren bedekken hen; zij daalden af in diepten gelijk een steen 1 Uwe rechterhand, o Eeuwige, prijkend in kracht. Uwe rechterhand, Eeuwige! verplettert den vijand ! — En in Uwe overweldigende hoogheid rukt Gij Uwe tegenstanders omver; zoudt Gij Uwen brandenden toorn vrijlaten, hij zou hen verteren als stoppelen. En door den adem van Uw neus hoopten wateren zich op, bleven vloeistoffen overeind staan als een muur; stolden woelende wateren in het midden der zee. Reeds zeide de vijand; «Ik wil vervolgen, ik zal inhalen, ik zal buit verdeelen; mijn verlangen zal aan hen bevredigd worden; ik zal trekken mijn zwaard, mijn hand zal hen terug-veroveren.quot; Doch Gij bliest met Uwen adem, — de zee bedekte hen; zij zonken in de diepte als lood in geweldige wateren! Wie is U gelijk onder de machten. Eeuwige! wie is U gelijk, prijkend in heiligheid, eerbiedwekkend in lof, wonderen verrichtend ! — Evenals Gij uitstrektet Uwe rechterhand, — de aarde verslond hen; Zoo leidt Gij door Uwe genade dit volk, dat Gij verlost hebt; zoo voert Gij het door Uwe macht naar Uw heilig verblijf. Volkeren hoeren het, — zij beven; siddering grijpt aau

25

ocr page 355

rvw nbsn ns

tin Nini : nnK pns ^ Wt? nnb»

jrini : e]iDquot;Dr^ n^OB' Dn^rn^'i DnTVp3 irniK ^ ri^T *3 IÏ-IK orbaai n^-isa D^ÖOI nhk

n^i D*rn : nrn Di'na dk' *]Y'w$F}\ dh^ nnn »5 DiTfiiTnw D^n-^ina on^a1?

: D^ D^oa f3x-tö3 n^iïöa

■gt;quot;» ma»

^kibquot; ki»i nnvo n»o bKTtynN Kinn Di's nin» i^i'i

t: :gt;~ «t:^- - ■ t : • v lt;- ., - T :*. .

*nK 7KiTip' xquot;!»i : DTi ntivbv no DnxpTiK TIN D^n IKI^I D'iïoa nin» n'^y n^'n-in i»n

VTT ^ ; r- • - : • : t : ^«rpr v -: t ; - -t-

: itay nu'oai nin^ iro^i mn»

• : K'-' : rr • -:i— at :

.ts'öïon }IJ«I wioa nies1? -jns Qin DTC

110^5 nin^b J-ikth rrrrn-nN hkïw ♦pi TN

naquot;) 13D11 did ntsia nKr-»3 nirvb m^K iONquot;?

•'T T 1 I ; ^ J TT J T r T T *' T A ••

iniiKi ♦quot;?« nr n» man w : do

r* v: ; • •• lt;v r v • :r t t : • : lt;'*r it-

rbDiü : w nin» nonbo nin» : inaDD^Ki ok

gt; : : ~ i ; v,t ; at t : • ■J* ^t ; ; iv -j i -: r t

hohn : tiiD-oo nn^Di DO m» iVm rivia

V : | i - : J : \ * IT ,;- : • AT- -«TT C •* Ï *5 ; -

naa nnsij nin» nro» : TDX-IOD nbiïOD VIT ID^DD»

^ V t : v t ; -^ | : r : I v it : v : * :it a\ ; - :

^0(5 Dhnn d^di : ^quot;in nin» nriDDiDïj d^q 101^3 Yök niini : vpz iDbpN*

Pv^hk y'm ti-nx d^in iük : D^nSa hD'nn iköp D^n

' quot;! V* quot; I j : v r' . J~ T ,T v :. ^ : J * It A' : i

nat^ : n» lötrnin óquot;in pnx laxbon bbjy

t .j r i't \.quot; • i • : - F ■•• t ^ quot; •quot;• t : • lt;stt

HDOD-'Ö : Dnn^ D^OD mijiys ibbx D^ IDDD ?inm

t « T • r • - : vv ^ I- -I IT AT ■jt * -: i:

: i^ö-rrèty nbnn NII: iripa iiw hddd ♦O nin» DSHS

• ' • • K ' : JT vl A - quot;iT • V T ^ T T : ^ IT

rpNU ir-D^ ^DnD n^nj : pa lo^ban *]?amp; n^3 thn \w vqv : ^-ip njr^K yyz nbn:

ocr page 356

OCHTEND-GEBED.

Philistaea's bewoners! Dan verschrikken de vorsten van Edom; de machtigen van Moab — beving grijpt hen aan ; weg smelten zij, allen bewoners van Kena'an. Verschrikking en angst overvalt hen; wanneer Uw arm zich groot toont, verstommen zij als steen; — tot voorbij is getrokken Uw volk, o Eeuwige! tot voorbij is getrokken dit volk, dat Gij U hebt verworven! Totdat Gij hen hebt gebracht en geplant op den berg van Uw erfdeel, den zetel voor Uw verblijf, dien Gij U bereidt, o Eeuwige; het heiligdom, o Heer, dat Üwe handen vestigen! De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!

(Want Phar'o's paarden waren gekomen met zijne wagens en met zijne ruiters in de zee; toen had de Eeuwige over hen de wateren der zee terueeevoerd, terwiil de kinderen Israëls gegaan waren op het droge in het midden der zee.)

Want aan den Eeuwige is het koningschap en Hij heerseht over de volkeren ! En redders zullen bestijgen den berg Tsion, om te richten den berg 'Esau, dan zal den Eeuwige het koningschap zijn. Dan zal de Eeuwige tot Koning zijn over de geheele aarde; op dien dag zal de Eeuwige eenig zijn en Zijn naam eenig! En in Uwe leer staat als volgt geschreven: «Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig!quot;

De ziel van al, wat leeft, zegene Uwen naam. Eeuwige, onze God! en de adem van alle vleesch roeme en verheffe steeds Uw aandenken, onze Koning! Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God, en buiten U hebben wij geen Koning, die verlost en helpt, bevrijdt en redt en onderhoudt en zich ontfermt in eiken tijd van nood en druk ; wij hebben geenen Koning, dan U ! God van de vroegere en na ons komende geslachten. God van alle schepselen. Heer van alle geboorten, die in tal van lofzangen geprezen wordt, die üwe wereld leidt met genade en Uwe schepselen met barmhartigheid ! En de Eeuwige sluimert niet en slaapt niet; Gij, die de slapenden opwekt en door diepen slaap bevangenen doet ontwaken, en die stommen tot spreken brengt en geboeiden losmaakt en vallenden steunt en gebukten opricht, — U alleen danken wij ! Indien onze mond ook vervuld ware van liederen, gelijk de zee [vol water is], en onze tong vol jubelklanken als het ruischen harer golven, en onze lippen vol lof als de uitgestrektheid van het uitspansel, en al waren onze oogen lichtgevend als zon en maan, en onze handen uitgespreid als [de vleugelen van] de arenden aan den hemel, en onze voeten zoo snel als [die van] de reeën, — zouden wij U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, niet genoeg kunnen danken en Uwen naam kunnen

26

ocr page 357

rvw -rbsn ia

lüjnN» axio yt* DinK Wna: TK : n^Sö ^p\ Vnaa nnéj nn^K on^Vsn : 1^:2 'ja m: ip-i ro^ nin; quot;i^p^ jnxa w ^I-it n^s |ÜÖ ^jnbn: ina lo^ni. loxan :\n^ « : nyi ihw 1 nin» : i::i3 ♦jin B'npö nin^

*: nvt jt ; k : * jt : ) ivt gt;-: 1 ^t -i ti; • at :

: 1^1 ^D'.

anS^ nln^ 3^«i djs vehaai ia?*!? riy-js DID N'D ^) C D«n ^in? n^353 oSn ^21 * a»n ,ö nx

bö^1? pv in2 D^^IO : D^ias nDibsn ^ »5 quot;nbab quot; n^ni : n^ibsn nrvm ïm in-n«

t |v iv : ▼; tt : t ; - t- t : t : t

nma nminm : nnx ID^I -IHN « n»n» xmn Di'a rn^n

t i ; t : tv: t v ▼: v; • - - | vit t

: to quot; wrbx quot; quot;ïdn1?

t v ▼; iquot; v: *: •• t x * ~ ; ••

■Sa nni : irrtbsi \\ ^Dty-nsj T]™ ♦n-Sa nü^a -|Ö • i^So ?|quot;)3T aanni ixsn bxia -jbs wV fK * bx nnx D^i^n-n^ D^i^n

n^ixi mï n^-Ssa Dnioi ojnsai nnis ^^iai HIVK * D^nnKm D^ii^nn *rhn : nnK Tibö vb

- 1 v: * -; - t : • • t •• v: tit t v )v iv it i ••

jnjDn nina^nn n'is bbnan nnVin-ba rmx mnrVa

- t : • - ; t •-. : - t t i -; • ; t

♦ a,ii,~Ni7 quot;ï * D^ms vninai ions iq1?^

i t • ; t t - • -: - : t • ; v iv : t ^

ynnn] D^K n^sni D^pp: ppsni nni^ön ^n;K ^ ^ptirn D^aia -jüiDni DniDK

vba riöna nsn viïvhi D'3 m^ * DHID

t - 1 -: - t • r* ; t - t • •• t r

• nTDi vtifi ni^Np

pK : mbp • D'Ü^ n^3 nf^ns i:nn

i •• t-t i- iquot; : -: 'itt ••: • : ; i'ti

- irninK ^ribxi irn1?^ « ^ ni-iinb D'^spp wm»

ocr page 358

OCHTEND-GEBED.

zegenen ook maar voor een duizendste van de duizenden mil-lioenen en milliarden malen aan onze voorouders en ons door ü bewezen weldaden! Uit Egypte hebt Gij ons verlost, Eeuwige, onze God! en uit het slavenhuis hebt Gij ons bevrijd, bij hongersnood hebt Gij ons gevoed en in [tijden van] overvloed ons verzorgd, van het zwaard hebt Gij ons gered en voor pest ons beveiligd en ons aan boosaardige en wissen dood brengende ziekten onttrokken. Tot dusverre heeft Uwe barmhartigheid ons bijgestaan en hebben Uwe liefdebewijzen ons niet verlaten; o geef ons, Eeuwige, onze God, dan ook niet prijs tot in eeuwigheid ! Daarom zullen de ledematen, die Gij gescheiden hebt aan ons, en de adem en de ziel, die Gij in onzen neus hebt ingeblazen, en de tong, die Gij in onzen mond hebt geplaatst, — zie! zij zullen danken en zegenen en loven en roemen en verheffen en de macht, de heiligheid en het koningschap toekennen aan Uwen naam! Want elke mond moet U danken en elke tong U toezweren en elke knie voor TT zich buigen en elke hoog opgerichte gestalte voor ü zich nederwerpen en alle harten moeten U vreezen en alle ingewanden en nieren Uwen naam bezingen, naar het woord, dat geschreven is; ;,Gansch mijn gebeente zegge: Eeuwige, wie is U gelijk, die den arme redt uit de macht van hem, die sterker is dan hij ; en den arme en behoeftige uit de hand van wie hem berooft!quot; Wie is ü gelijk? Wie kan bij U worden vergeleken ? Wie kan bij U als verhouding worden aangegeven ? Gij groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God, Eigenaar van hemel en aarde! Wij willen U loven en ü prijzen en U roemen en zegenen Uwen heiligen naam, gelijk er gezegd is: ,/Loof, mijne ziel! den Eeuwige; gij, mijne ingewanden allen, Zijn heiligen naam !quot; Gij God, door de krachtige uitingen Uwer macht, groot door de heerlijkheid van Uwen naam, machtig tot in eeuwigheid en eerbiedwekkend door Uwe eerbied afdwingende daden, Koning, die zetelt op den troon hoog en verheven, — eeuwig troont Hij ; Verhevene en Heilige is Zijn naam; en er is geschreven: „jubelt, rechtvaardigen! in den Eeuwige, den oprechten betaamt lofzang!quot; Door den mond der oprechten wordt Gij geprezen en door de woorden der rechtvaardigen gezegend, en door de tong der braven verheven en door de ingewanden der heiligen !) geheiligd !

En in de verzamelingen der tienduizenden van Uw volk, het huis Israëls, worde Uw naam, onze Koning, met gejuich geroemd door alle geslachten; want dit is de plicht van alle schepselen vóór Uw aangezicht, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, om U te danken, te prijzen, te loven, te roemen,

') Vgl. iets vroeger; nar nvSn aip waar een loflied als het ware opstijgt uit 'smenschen ingewanden. — Anderen vertalen: te midden der heiligen, in den samenhang minder juist.

27

ocr page 359

nnnp nVsn td

niaa^i *T\) ♦fibx tjbN t|V«ü nnx by * ^Ö^TIK un'jKüönxDO : wd^i irriaK Djr nwyü mnitan D^ors

it : - ; • i- ; • • it ^* ; iquot; t r v t v - • t ;

* urw ^13 * ^nna on^ n»30i irnbN «

tt : it :- t t ; it • : • •• • iquot; v: *:

D^n D^nDi * lanta^o -mioi * i:n^n ainö * wnbsba

t • t ▼; •• it ; - • v iv * it : - • viv •• it : • : •

•ïinDnwiaTr^i 'ïtwi unm namy nan^i D^otwi

I ivt-: i t ' : I iv -; - it^-: t iquot; it • • • t v: v:

* ua niVöty Dn^K p-1?^ : nv:1? lyrt'jN «

it t :r • v • t •• i •• -ivt 1quot; v: *: iquot; ; • - :

p • 1733 no'^-i^K riiybi WSK3 nnas^ nin

i •• r ; t : i- v -: I t : r* - : t : i- t v t t : - i:

lïn^n iüditi nsïö^ inim ni» Dn * nni» ^ nrbD ^ : wabo

* ninnt^n ^ ^.rbDi '^n ^ nnia * notr1? na?» ni^3i 3ip-b3i * ni33l?-l73,i

tt- | iv : • : -: t ; vliv t : I i t • t : t :

wno w Vïq * niDD 'o ♦» n:quot;iöïlt;n ♦riav^ V3 3in3sy

I tt •• ''t ' - I i t • ▼; t :r - : - t tv

-T]^ »01 'pt ^-non: 'p : ibrip isöd

: pxi nip |i^ •?« Nniani naan bnan bxn * niONiS * ^quot;!pT DB'-nN ^pKöJi ^ns^i ^bn: : it^ip DirnN «-nx ^33 ^quot;13 Dib

;It •• v - tI: t ; ▼: v ' : - • -it • t:

nv^ quot;ii3an * 11333 Vman • niöï^ns b^n • Ktni oiT ND3 ^ 3EM4n TjVon • ^niNiiJS xnisni

.mSnpcai w ^pm npnn ^ iv pitr p» rm «3 1331. 3in3i • 101? ^npTi; diio ny pii^

* -ii3nn n3i3i •bbnnn ontr »33 : nbnn niNi

i — t : i- • - quot; : t - : • • t : • ; t * : t t

: E'ipnn onrnp 3npni • oannri onpn |i^3i

ïjöB' quot;)K3n» nsis n^s ni33i nibnponi Dniy^n-^s n3in urn quot;)1t1?33 133S0

: - t ^ - i •• v t t : iquot; : -

1K3V bbnb nninb i:»ni3K fl^Ni wn^K ♦♦ ^:3b

ocr page 360

OCHTEND-GEBED.

te verheffen, te verheerlijken, te zegenen. Uwe hoogheid te erkennen en U te bezingen nog boven alle woorden van zangen en lofliederen van David, den zoon van Jishai, Uwen dienaar, Uwen gezalfde!

Geloofd worde Uw naam tot in eeuwigheid, Gij, onze Koning, God, groot en heilig Koning in den hemel en op aarde! Want U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, komt toe lied en lofprijzing, danklied en gezang, almacht en heerschappij, zege, grootheid en kracht, verheerlijking en roem, heiligheid en koningschap, zegeningen en dankzeggingen, van nu tot in eeuwigheid ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, God, Koning, groot in lofzangen. God, wien dankzeggingen toekomen. Heer der wonderdaden, die behagen schept in lofgezangen. Koning, God, Eeuwiglevende!

Voorlezer-. En nu, moge de kracht van mijn Heer zich groot toonen, gelijk Gij gesproken hebt, zeggende:

Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige, en Uwe genadebewijzen, want sinds alle eeuwigheid zijn zij.

Moge Zijn groote naam in zijne grootheid en heiligheid erkend worden in de wereld, die Hij naar Zijnen wil geschapen heeft; moge Hij Zijn koninkrijk weder vestigen tijdens uw leven en in uwe dagen en tijdens het leven van ganseh het huis Israel's, spoedig, in nabijzijnden tijd ; zegt: Amen !

Gemeente; Amen 1 Zijn groote naam worde gezegend immer en in alle eeuwigheid!

Voorlezer: Gezegend en geprezen en geroemd en verhoogd en verheven en verheerlijkt en vereerd en geloofd zij de naam van den Heilige, geloofd zij Hij, — verre boven alle zegeningen en liederen, lofzangen en vertroostingen, die in de wereld worden uitgesproken ; zegt Amen !

28

De voorlezer;

Looft den Eeuwige, den lofwaardige !

De gemeente:

Geloofd zij de Eeuwige, de lofwaardige, immer en eeuwig.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die het licht hebt gevormd en de duisternis geschapen, die vrede sticht en de Schepper zijl van alles!

Wanneer men Jotser bijvoegt, zegt men :

Het eeuwige licht bevond zich in de schatkamer des levens; „lichten [zullen ontstaan] uit de duisternis,quot; zeide Hij, — en het was I

(Terwijl de voorlezer isia voordraagt, zegt de gemeente zacht-.)

Geprezen en geloofd en geroemd en verheven en verhoogd worde de naam van den Koning aller koningen, den Heilige, geloofd zij Hij; want Hij is de eerste en Hij is de laatste en buiten He;n is geen god! Baant den weg voor Hem, die door de hemelvlakten snelt, rp is Zijn naam, en jubelt voor Zijn aangezicht I Zijn naam is verheven boven elke zegening en lofzang! (Terwijl de voorlezer 'n zegt:) Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig! De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid 1


ocr page 361

mntr nVön na

nn^ nnrVs -j'inb quot;Tin1? aoinb

: ïjn^p ^2^ *^-|3 nyi nina^ni ^npni Vnan T^sn Vxn usbü nan^.

yiï irn^K ♦ribNi irnbN M nx: nb »3 p«ni

iquot; -: •• •• iquot; v: *: v t | : • | vit t

mnji n^-i3 m: nb^üüi iy nnoti bbn nna^i

t : t •..: -iv t t : v ^ t : • : •• - t.t :

nn^Q niN-jini nüia niD^üi niNsni nbnn niNninn ^ nina^na Vna -jbo bx « nnK ^12 * q)^ : D^bi^n »n VN nnoT 'W3 inian nixböan |m

; iaxS jrm n^? 'jijc na jcj S^1. nnj;i: f ; nan □'ptya ^ ^npni ^ ^arii int nnijnp «nrn «ai naf tyn^nn; bw rn

ban «nai pywy hhidVd npNi yi$ |opi N'aSj; laSijSi oS^S -^la? xan naf jen1, * lax V i'n nnnn^ oanrn iNann. namn ttn Va |p Kin Tpa K^mpn nötp ^^nnn

rn^oNn xnonai xnna^n i^nn^i xnana

t : t : it-;- t t : v: t t : ; •., t t • : t t :'

: |OK nüK1:

•l-ian1' ^pn ibis 1313 jJio •r'quot;ï'w W3

: Tp'apn «-nx lana ^ : quot;ij?! nSiyS ^iaan ^ ^na nquot;ip ■j^Q irn'^K v: nnj* ^na

□ann,l iNsri1! nan^^ ^nan^ ••aSa ^i^a hv nf N^bn wnf Nin quot;^na ^npn craSan r»S VT^Saöi jnnx jcini iW nja m'anya aaiS iSp •a'inquot;SN Sa by nana w-i * r;aS niaa av ^na : n^nrn naia ^ '«t : ij?i aSiyS imaSa : oSiy ijl n^a ^iaa

niK nxi» chtyn aib^ n'^ ^n Mniai

: San-nK Nniai Dquot;n iswa DSi^ HN

L .T • • HT CSPDIÖ

^iNaninN

ocr page 362

OCHTEND-GEBED,

Gedurende den zomer, van den Shabbath vóór het Paaschfeest tot de Seliechoth-dagen, wordt het volgende tot CTpn nm in beurtzang door Voorlezer en Gemeente voorgedragen.

Allen danken U en allen prijzen U en allen zeggen: niemand :zoo heilig, als de Eeuwige! Allen verheffen U, Sela! Gij, die het iheelal hebt gevormd; God, die eiken dag de deuren van de poorten van het oosten opent! *) En die vensters in het uitspansel uithouwt2), die de zon laat te voorschijn komen uit hare plaata en de maan uit het verblijf, waar zij gevestigd is. En die der geheele wereld en haren bewoners licht verschaft, die Gij geschapen hebt, [geleid] door de eigenschap van barmhartigheid! Gij zijt het, die de aarde en hun, die haar bewonen, licht geeft met barmhartigheid, en door Uwe goedheid eiken dag gedurig het scheppingswerk vernieuwt! Gij Koning, die alleen verheven zijt van oudsher, die geloofd, geroemd en hooggeprezen zijt van af de dagen der oudheid ! Gij, God der eeuwigheid! ontferm U over ons in Uwe groote barmhartigheid. Gij Heer onzer macht, Rots van onze toevlucht, Schild van ons heil, Toevlucht voor ons! Niets is met U te vergelijken, niets is buiten U, niets is zonder U, en «de gelijkt U ? Niets is met U, Eeuwige, onze God, te vergelijken in deze wereld; en niets is buiten ü, onze Koning, in het leven der toekomstige wereld ! Niets is zonder U, onze Verlosser, ïn de dagen van den Messias; en niets gelijkt U, onze Helper, bij de herleving der dooden!

God, Heer over alle schepselen, geloofd en gezegend door den mond van alle zielen ! Van Zijne grootheid en Zijne goedheid is de wereld vervuld; kennis en inzicht omgeven Hem! Hij is hoog verheven boven de heilige Chajjoth, en prijkt glansrijk in heerlijkheid op de Merkaba. 3) Erkenning van verdiensten en rechtvaardigheid staan voor Zijnen troon, genade en barmhartigheid vóór Zijne heerlijke verschijning! Goed zijn de hemellichten, die onze God geschapen heeft; Hij vormde ze met kennis, met inzicht en oordeel; kracht en macht schonk Hij hun, om te kunnen heer-schen te midden der wereld ! 4) Vervuld van schittering, en glans uitstralend; heerlijk is hun schittering door de geheele wereld! Zich verheugend bij hun te voorschijn treden en verblijd bij hun huiswaarts keeren, vervullen zij ia vreeze den wil van hunnen Eigenaar! Roem en eer kennen zij Zijnen naam toe; gejuich en gejubel bij de herinnering aan Zijn koningschap. Hij riep de zon — en er straalde licht, Hij zag — en ordende de gestalte der maan! Lof kennen Hem toe alle scharen in de hoogte, roem en grootheid de Serafiem, de Ofanniem en de heilige Chajjoth.

') Waardoor als het ware de zon naar buiten treedt (w), om haren weg aan het uitspansel af te leegen.

J) Waardoor de stralen der zon, wier plaats boven het uitspansel wordt gedacht, tot de aarde kunnen doordringen.

29

ocr page 363

mm? nVfin

.-|nv San rquot;38 nin^on w i» Snjn rotfo ; «5 ^in[5 px npM» Vsni * Vani ^rjv Van

nnisn bxn * Van nvv nbo ^üoi^ Van nan ^ibn irjrüi : nnrp nin'n

* va^vbi lbs tküi : nn2^ pssp mnbi noipap

Dnn^ pxb n^tsan : CD^ani nnoa : rwN'p n'^^a i^an Di^bD3 irnna * D'anna

K'^nani ixiaam natran • rxa ns5? aanan quot;-jban

t : - : t % ; - t •• - : t • » • '•

* wby Dni. D^anri ^anna obi^ nia^a

pN : 3^a |ja las^a Tiï igt;Ugt; jiin quot; ^5n^3 pts : ^-nain ♦ai oass ' ^IT |W ; Kan obiyn «nb waVa * nn abipp wpVx

ij^ia ^jb-nain pKi * n^an ma^ la^xia ^rb.y DÖK : D'nan n^nnb

: na^rVa ■rjlaai * a^an-ba |m bx : mix D^aab n:i3ni nyi ' Nïba laiai ibna

• -: t : iquot; t •• t : :t

: rarnarr^ maoa quot;nn^ * tfipn nvn-b^ nwnarr

t t : v - ~ t : t : v : v| i - - - v t :

D^aia : iTinp nöb n^arni ion * iKpa ^s? ni^^ai ni3T ; S3^n3i nr33 ny*i3 diï» * irribx sii3^ nma

,. . - j t • ; i~; tt; iquot; v: tt v

n^Va : te 3-1.^3 o^^ia nvn1? • ons jna nquot;ii3ii na cnNvs n^na'^ : D^i^n-Vas bvt nw * ral: D^aai vt D^niini33nNö :D2ip fixn na^3 D^iy 4 DKI33 DWI

* nx-nnrn vnvb tnp : inisba 136 nsn nbnv * la^V

-: • - v iv - tIt ; - vr*: t •: t *: t

* ana xavVs ib n^nii natr : njabn m.iï ppnni ntn

: ^ipn mm D^ÖIKI o»fin^ nbiii mxan

vli - - ; ' - : • t; tv. viv : •

3) De troonwagen der goddelijke Majesteit. 4) Vgl. Gen. 1,18.

ocr page 364

OCHTEND-GEBED.

Den Almachtige namelijk, die met alle werken ophield op den zevenden dag, zich verhief en zette op den troon Zijner heerlijkheid. Met roemrijkheid omhulde Hij den rustdag, tot genot bestemde Hij den Shabbathdag; dit juist is de roem van den zevenden dag, dat daarop God ophield met al Zijn werk. De Shabbathdag zelve prijst dan ook en zegt; ;/een zang-psalm voor den Shab-bath: 1) het is goed den Eeuwige te danken!quot; Daarom roemen en zegenen God al Zijne schepselen; lof, eer en grootheid kennen zij toe aan God, den Koning, den Vormer van het heelal, die in Zijne heiligheid aan Zijn volk Israël rust tot erfdeel heeft gegeven op den heiligen Shabbathdag. Uw naam, Eeuwige, onze God, worde geheiligd en Uw aandenken, onze Koning, geroemd in den hemel boven en op aarde beneden. Wees geloofd, onze Helper! wegens het prijzenswaardige werk Uwer handen en wegens de stralende lichtverspreiders, die Gij geschapen hebt, mogen zij ü eeuwig roemen, Sela!

Wees geloofd, Gij onze Rots, onze Koning en onze Verlosser, Schepper van heilige wezens! Uw naam worde eeuwig geprezen, onze Koning, die dienaren hebt gevormd, en Wiens dienaren allen staan in de hoogte der wereld en vol eerbied te zamen met luider stemme doen hooren de woorden van den levenden God en eeuwigen Koning! Allen zijn bemind, allen uitverkoren, allen machtig; en allen volbrengen zij met vreeze en eerbied den wil van hunnen Meester! En allen openen hunnen mond in heiligheid en in reinheid, met lied en gezang; en zegenen en loven en roemen en kennen kracht, heiligheid en koningsmacht toe aan den naam van God, den grooten, machtigen en eerbied wekkenden Koning, heilig is Hij ! En zij allen nemen in beurtzang op zich het juk van het koningschap des hemels2) en geven elkander verlof hunnen Schepper te heiligen met opgewekten geest, in zuivere taal en met lieflijk geluid; heiliging heffen zij allen te zamen aan en zeggen met eerbied :

Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de geheele aarde!

Rn dp Ofannipm Wanneer men Ofan bijvoegt, zegt men:

e^hern^- ,E° Chajj.th zi.gen en de Cheroe-. biem roemen en de Serahem juichen en joth verheffen zich jg Er-elliem zegenen ten aanzien van met groot gedruisch elke Chajja en eiken Ofan en Cheroeb tegenover de Seraflem; tegenover hen staande prijzen zij en zeggen:

30

1

') Ps. 92,1; d. w. z. volgens de opvatting van Midrash: ook door den Shabbath zelve aan te heffen.

2

) D'Sspa is hier in twee beteekenissen gebruikt; vSr Sim:, op zich nemen, erkennen; en nw nt van elkander overnemen. Vgl.deChaldeeuwsche vertaling van m Sx nr iopi; die beide beteekenissen doet de vertaling uitkomen.

ocr page 365

rvw nbsn ^

nV^nn di»3 Dv^^an-b30 n?^ VKS nrmsn Dl»1? nuy rnxsn : 11123 KDrby iwi

ti- : t x viv : • M ' t •

laty Dvbp ra# nr : na^n 017 yp HOTp noiNi ns^p DI^I : inri^Vü'bsp b# 1313*1 quot;j^ab : quot;V min1? 3112 ns^n dv1? ^n:an ^3 1 xv -bn ^gt;6 urn nbiii ip» n3ii' • inir-bs

• : - - •• ) v iv •• t : • t *..: It: - iv t : t

♦♦ ^pp : Eh]? Dia m^ips 10^7 nniiD '^1 DW3 * iNön* lisbp ï]quot;i3Ti * irribK 'b#] ^t n'^ö i^Tio ^3nn : rnnp pxn : n^D iiiNS* jTmn? quot;)1N mxö

t iv i I -: t : t r t v •• :

ïpE' nsn#» a^np t«oi3 1:^1:1 lisVp liiiï Tjisnri 0^3 vm^D I^KI D^miro 1X1* i33ba

t *.. t -: t : v -: - • -: t : •• r* : - t

n3i bips in;_ n^ia a^^pfpi a^i^ ons anpi^ Db3 Dniquot;)3 DvO DaiHN 3^3 : übl^ Tj^ÜI Dquot;n D^K D^nnia DVSI D:ip |iïi nxnai no^3 obsi onisa D^nst^Qi 0*31301 nioT3i ni^3 mno3i n#ip3 on^-n^

• ; - ; • -: t ; t : • : t • ; t*:t : t \\ l ' v •

oa^ppi o^'ipoi d^'I^oi onxaoi oboi : Kin ï^iip Kiiani 11351 bun ibon bxi O^TN4

t ••. : It t - : * - t - ) v iv - •• t ••

o^niii * ito it d»o# mobo di^jt D,l?3po iin3 13^3 mrnnw diïi^ vnp?h * mV ir ni^i

t : t t : - i - i- : t ; : 'l; - ; vt v :

iNia onoiKi o^iy insa obs lEhp 10^:31

: 11133 pKI'bo K^O nlN43ï « trllp ï^llp E'llp

.nt ifiip jfjiN BiiBisca n1»ni D*331K11

IST oal^l IINÖ* 0*3131 111^ nlTIII ^*13 #ipn

it • t : i- t : * *•. : •• : - - ; i~: .vh quot;

31131 ISIM n»n-!?3 ^2 1313* O^NINI o*N^no S113

: i- ; t- t •• : iquot;t ; • v :v ; • ; - : • t

onpiNi 0*13^0 ono^b oai^ nnyb

ocr page 366

O C H T E N D - G E B E D.

Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats.

God, den geloofde, wijden zij lieflijke klanken; ter eere van den eeuwig levenden en bestendigen God spreken zij gezangen uit en doen zij lofliederen hooren, dat Hij alleen het is, die machtige daden verricht, nieuws wrocht. Hij de Heer is der oorlogen, die weldaden zaait, en hulp doet ontspruiten; die genezingen schept, eerbiedwekkend in lof. Heer der wonderdaden, die door Zijne goedheid eiken dag gedurig het scheppingswerk vernieuwt! Gelijk er gezegd is: [Dankt] Hem, die groote lichten gemaakt heeft, want eeuwig duurt Zijne genade! Een nieuw licht moogt Gij over Tsion doen schijnen, zoodat wij allen spoedig den glans ervan mogen deelachtig worden; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper der hemellichten!

Met groote liefde hebt Gij ons bemind. Eeuwige, onze God; Gij hebt ü in groote, in overgroote ontferming over ons erbarmd; onze Vader, onze Koning! ter wille van onze voorouders, die op U vertrouwden en wien Gij levenswetten leerdet, — o, wil ons evenzoo genadig zijn en ons onderwijzen! Onze Vader, barmhartig Vader, Albarmhartige, ontferm U over ons en schenk ons hart de ingeving, te willen begrijpen en verstaan, te willen aanhooren, leeren en onderwijzen, te willen in acht nemen, doen en vervullen met liefde al de woorden, die wij in Uwe heilige Leer vernemen, — En verlicht onze oogen in Uwe Leer en doe ons hart gehecht zijn aan Uwe geboden, en maak tot eenig streven onzes harten Uwen naam te beminnen en te vreezen, opdat wij niet beschaamd worden tot in eeuwigheid ! Want op Uw grooten en eerbiedwekkenden heiligen naam vertrouwen wij, dat wij eens zullen jubelen en ons verblijden in Uwe hulp. {Men neemt de vier scJiouwdraden bijeen en houdt ze gedurende het lezen van Shema' in de linkerhand, ter hoogte van het hart.) En breng ons in vrede te zamen van de vier hoeken der aarde en voer ons met opgerichte gestalte 1) naar ons land. Want Gij zijt God, die reddende daden verricht, en ons hebt Gij uitverkoren boven alle volkeren en talen, en hebt ons doen naderen tot Uwen grooten naam, Séla, in waarheid, opdat wij U danken en met liefde Uwe eenheid erkennen; geloofd zijt Gij, Eeuwige 1 die Uw volk Israël met liefde hebt uitverkoren!

(Wie alleen bidt, zegt: God, getrouwe Koning!)

Deut. 6,4—10.

Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is éénigl

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig!

31

Gij zult den Eeuwige, uwen God, beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met geheel uw vermogen. En deze woorden, die Ik u heden gebied, zullen [steeds] in

') Niet meer gebogen onder het juk der ballingschap.

ocr page 367

mnr nban «b

: lÖlpOÖ

nii'pt d^I Ti * i:n» niö^a -]^3 VN1?

n'^v rinua ^ia Kin »3 * Vpf! nins^ni K113 ni^ty» n»Dvo nipgt;' ^ir nionbü niBhn ■Soa 13^3 ^nön niKbfisn |1-in mbnn nii: ninisn

D^-ia DHIK nfety1? T1QK3 ! rf^O Tpn Dl»

«Va nani. n^ri |i»v ^ ^quot;jn iix : npn obi^ ^

: nniNsn IÏV « nm Tjinn * IIIN'? mno nbon nin^ nVna nbon irnbt^ « lanw nan nnn«

t : i- t t •• • t ; t : v iquot; v: ▼: it : - -: . x ~ t ~: ~

int:2^ irniaK mpz waVo : irSp

I : : t v iquot; -: ^-:~ iquot; : - r t r' T

rönnn 2Kn irax : msbm i^nn p D^n ♦pn Diabni

I t -: -T TT i* t iquot; : - ; r* t : I •• * - !•• '-w

ityb %mb ^5'f nbi pnV \r\) why on-i ornan ïjnnin TiQ'pn nsrbrnx p'p'pi nïwyb] imb IÖ^I inn ^n'iïaa uab psi] ^n-iina IKHI : D^3 »3 : ly) ^inrN^i nxn^i nanx1? liaa1? : nmvw rta lan^a t^nani Snan

P IVT T;:*: ti*T :itt T - : T - |; ;|T

niöis jdto Dibt^b Da'üti irS.snün its nvxn rais •I,3p'

t : iquot; ■ -: - .DiSllï ,lt;)S7n,''71 nï1 Bquot;p nj»3 37n

Sp 7K »3 : nvpDip pxn

nbo Viian unaipi n^i mnn mi nm

t iv t - | : • ; it : -| ••: l t : t * t : i- t it t it

quot;inian « nrix -jiin • nnnxa ^quot;in^i ^ nmnb - naxn

: Jö^j Sfc 1B1N Tm J nanxa iD^a

. . 'l '1 Qi-lïl

: ins% 1quot; i:rt7X ^ ^Nnty-

it v -t: v v: vt: a- t : • ^ : : oblyb inDVp 1133 Dty ^-13 onSa

■^331 ^a;~b33i ^33yb33 nirv m -by Di'n ïiiïd *33K quot;it^N nb^n an3nn vm : niND

V quot; •) I :quot; : s* it v -: v •• t •** t c ~ t ; | iv :

ocr page 368

OCHTEND-GEBED.

uw hart zijn ! Gij zult ze uwen zonen inprenten en er over spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u nederlegt en als gij opstaat. Gij zult ze binden tot teeken op uwe hand en zij zullen zijn tot voorhoofdsband tusschen uwe oogen. En gij zult ze schrijven aan de deurposten van uw huis en aan uwe poorten.

Deut. 11,13—22. En het zal zijn, wanneer gij zult luisteren naar Mijne geboden, die Ik u heden gebied, — om te beminnen den Eeuwige, uwen God, en Hem te dienen met gansch uw hart en gansch uw ziel; dan zal Ik den regen in uw land geven op zijnen tijd, vroegen regen zoowel als laten regen; en zult gij inzamelen uw koren en uw most en uw olie. En Ik zal gewas geven op uw veld voor uw vee; en gij zult eten en u verzadigen ! Neemt u in acht, dat uw hart niet verleid worde, en gij zoudt afwijken en andere goden zoudt dienen en u voor hen neder-werpen. Want dan zou de toorn des Eeuwigen tegen u ontbranden en Hij zou deu hemel sluiten, zoodat er geen regen zoude zijn en de aardbodem zijn opbrengst niet zoude geven; en gij zoudt spoedig verdwijnen van het goede land, dat de Eeuwige u geeft. En gij zult deze Mijne woorden in uw hart en in uw ziel opnemen ; en gij zult ze binden tot teeken op uwe hand en zij zullen zijn tot voorhoofdsband tusschen uwe oogen. En gij zult ze uwe zonen leeren, om er over te spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u nederlegt en als gij opstaat. En gij zult ze schrijven aan de deurposten van uw huis en aan uwe poorten. Opdat uwe dagen en de dagen uwer kinderen zich vermeerderen op den bodem, dien de Eeuwige uwen voorouders toegezworen heeft, hem hun te geven, zoolang als de hemel boven de aarde blijft.

{Men neemt de schuuwdraden in de rechterhand en kust ze telkens hij het uitspreken van het woord: Tsietsith.)

Num. 15,37—41. De Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt: Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen, dat zij zich schouw-draden zullen maken aan de hoeken hunner kleederen, gedurende al hunne geslachten; en dat zij bij de schouwdraden van den hoek een hemelsblauw snoer voegen. En dit zal u tot schouwdraden zijn; en wanneer gij ze zien zult, zult gij u herinneren alle geboden des Eeuwigen en ze vervullen; opdat gij niet [de wereld] beschouwt1), volgend uw hart en uwe oogen, die gij slechts in afval van Mij zoudt aanhangen. — Opdat gij u herinnert en uitoefent al Mijne geboden, en

Eigenlijk; verspiedt, onderzoekt.

E

32

ocr page 369

nnnt? rbsn nS

D3 mam DnasK'i :

j i ; : v ; | v •• ; lt; | : ; • : rtr v.t : - •: i v t ; jt ; - • : i iv t :

vni nix1? Qn^^i : -|TQ

: ïjn^a nino-^ onansi : pa nfibu1?

.jquot;i xquot;i oi-iai

DDHX niïp OiK IE'K ^ÏQ-VN ^b^-DN njni ~SD3 ina^Si nDTibK mn'-nK nfm^ ovn

t : '.r: v •• i ••: lt;t : v t -; r : i\ -

mi' in^3 aaviN-n^o ^nnji : Dannb

jv ^ ^ : •)••• : : - r ; s- - it : iv ; ; - t : : quot; :

niiya aiyp ^nnji : nbn naoKi

\.| :it : v *5quot; ■)* -it: ^ |ivt : •; J; i • : |vt : -t : - it : Ia: -

DDaab nna^rs DD1? n^xi

av^: - : v.*-* : * ' *•* ••quot; t -« : it ' t *: it t : vt^: - it : i av :•.•:*

mni : onb Dnnnn^m anriK D^nbx bmnyi Drnoi

tt : ivt v.v -; i- ; ^^ • •• -: -•• v: v v ;- :

nönxni quot;éo a*mn-r\n D53 mrrtw

t t -; ^t : t t ^ JV; !• : * - t - v lt;-*t : v t t ; ) -

robn pt^n ninn DmaKi n^irrnK rnn ab

r -. » ••• -«t t •• t*• : ^ -••.• ;--:i- at ; v I v,quot; • j

03337-^ nbx nsrnK ano^i : 337 |ru nin^ n^K vni nixS onM arn^pi a3^3r-L7^^

j t : v :v : lt;t v : - ): av ; ; - ;

D3 13quot;lb D3^3T1N DHX DniO^ : D3^7 V2 höLSlüS

at •«•• quot;: •• : v .)t jv ; - • : iv •• nquot; } jquot; v. t 1 :

Dn3n3i : ^joipsi ^33^31 ^112 ^3^31 '^733 ^n3^3 D3^3 'm hyw 137 : 71^^31 773 ninrp-1?^ ^♦3 Dnb nnb D3*n3Nti? nirr ^3^: i^nï nbnxn by

jquot; ' rtv t t V.V •• I -;i- ot : ^ s- : • v -: t t-:it ^-lt;

Ipw» nïn n1?» IBIS» Di-s Saai ^n's nxisn SIB' Tquot;1? V'B isnsa

^3quot;l7K 131 : laxb nt^a-b^i nin' IOKI

*' t : «•• ; v •• - 1 jv v v.t : j *

Dmn ^3-bv nw on1? DH^K niONi

••; • jquot; : - •)* * y: t ^t : v •• -: -t : - it ;

D3I7 n^ni : n^n ^ns tiJ3n nï^ï-1?^ 11-1:1 nnhn1?

v t -quot;t t : viquot; : y : '^tt^ quot; y •) :it: at i :

Dn^i nin» hixD-^-nt? □m3n ihK an^n nw1?

v,v • .iquot; t ; - : • t v v ^ ; - : jv • ; • • ;

DnN-quot;itr^j D3^y nnxi 0333^ nnx innn-Kbi DHK

jv - v -j v •• •?• •quot;•■: 1- : v : - : lt;quot;-:r t 1 : at

on^ni ♦n'iïOquot;i?3quot;nK on^i ii3rn fya1? : onnnx D^T

y: • : r at ; * t v ^v • j- ; iv ••-: r v,*

ocr page 370

OCHTEND-GEBED.

heilig zijt voor uwen God! Ik ben de Eeuwige, uw God, die u heb uitgevoerd uit het land Egypte om u tot God te zijn; Ik, de Eeuwige, uw God!

Waar en juist, gegrond en bestendig,

rechtvaardig en vertrouwbaar, bemind en geliefd, begeerenswaard en lieflijk,

eerbiedwekkend en machtig, welgeordend 1) en door overlevering aangenomen, goed en schoon is dit woord voor ons immer en eeuwig. Het is waar, de God der eeuwigheid is onze Koning; de Rots van Jakob is het schild onzer hulpe; voor alle geslachten is Hij bestendig en Zijn naam bestendig en Zijn troon vast gegrondvest en Zijn koningschap en Zijne trouw bestendig tot in eeuwigheid ! En Zijne woorden zijn eeuwig levend en bestendig, vertrouwbaar en begeerenswaardig voor immer en voor alle eeuwigheid,

[Hier kust men de Tsietsith en legt ze uit de hand) voor onze voorouders,

zoowel als voor ons, voor onze kinderen en onze nageslachten en voor alle geslachten van het kroost van Israël,

uwe dienaren, voor de vroegeren zoowel als voor de lateren is het woord goed en bestendig immer en eeuwig,

waar en vertrouwbaar, een wet, die nimmer wijkt! Het is waar, dat Gij,

33

Wanneer men Zoalath bijvoegt, zegt men:

Waar en juist, gegrond en bestendig, rechtvaardig en vertrouwbaar, goed en schoon is dit woord voor onze voorouders zoowel als voor ons, voor onze kinderenen onze nageslachten en voor alle geslachten van het kroost van Israël, Uwe dienaren, voor de vroegeren zoowel als voor de lateren, immer en eeuwig, een wet, dienimmer wijkt! Het is waar, dat Gij, Eeuwige! onze God zijt en de God onzer voorouders immer en eeuwig. Gij zijt onze Koning, Gij waart ook de Koning onzer voorouders ; wil spoedig ter wille van Uwen naam ons verlossen, gelijk Gij onze voorouders verlost hebt! Het is waar, dat van oudsher Uw groote naam met liefde over ons genoemd is; geen God is er buiten U!

Eeuwige! onze God zijt en de God onzer voorouders, onze Koning en de Koning onzer voorouders, onze Verlosser en de Verlosser onzer vaderen, onze Schepper, de Rots onzer hulpe; onze Bevrijder en onze Redder is van oudsher Üw naam; geen God is er buiten U!

Bijstand voor onze voorouders waart Gij van oudsher. Schild en Helper voor hunne zonen na hen in elk geslacht. In de hoogte der wereld is Uw zetel en Uwe rechtsoefeningen en Uwe liefderijke mildheid reiken tot de einden der aarde. Heil den man, die luistert naar Uwe geboden en üwe leer en Uw woord zich ter harte neemt! Het is waar, Gij zijt een Heer voor Uw volk

') Door' bepalingen (rruprO verzekerd.

ocr page 371

nnnt^ nbön ^

b^riK ♦nKïin nin» »jk ; D^rib^ D»t!h[5

jsto.=BS^ m w D-rt^ DDV «^B^9 ps»

.nos os'nSs 'n inn yquot;pn

|dkji D^I |1D:I yv) nDN

-lanji a^ni nintfi aiLJi ipnoi : nnxi N^UI : i$1 chtyb irbir nrn i^n nVi ipj;» IIÏ nöx

D'p Kin -11-11 -ll-lS |JD

min^ül pD3 iNïpp1) D'P iDEh vlr^ : nD'P ^

T TT ; VIT»- T T v;v

-i^S Dnonji D^ÖNÏJ

^ Kbiyb)

» 1 • ITO ürrjquot;»! * T •• : ^ ;

irnniT^i

^ : TOT ni-iiró

mi: nan D'ji-inNn D^I^kih pn njioNi nDK : -i^i d1?^ dt^i t' «in nriNB' nox : nia^ NS ua1??? * irninx ♦rii?Ni irribK i:pïi' irnüK bxia I^NI-I D'pipo UV^üi iris vn];)w nix : ïjn'pir DV6K |*N • (Kin)

on'PV ^^quot;ioi fJo obtyn «in nntt irniax n^ ^□fiB'pi^iD D^I^ ons : ii-ii iir^a Dn'nnK TO'iïpb VDamp;W vk namp;tlt; :TpN pas? -i^' ?jnpivi ^l!?)?1? pi« «in nriN nax : ia1? ^ amp;amp; ^nii ?|niini

•nr onnvs DnisiNüs

D^pi |1dji yT) nöK nö^l nlL21 ?DK31 IK^'I

v t : : i t v: v : t t :

irnüK by nrn inin S^i i:^3 ir^i ni-iirVa ^i irnnn

t - : iquot;

: ïpay VIT

I ' ** T , ;• t: • ^ -,v

S^i a^i^Kin n^i Dbi^b n^iinxn noN * in^t *6i pn lyrt^N « ^in nnxB'

iquot; v: ▼; t - t

ïïbtyb irninK ♦riVNi vsbü Kin nnx : -i^i

t - *.t

* nriK irnioK -jSo ina ipv I^D1? nx r»1?^ -)t?{S3 DVI^Ö DDN IIJ^ÜN Nip:i:^ Vi-m :?|nW D»rj^pKnanN3

ocr page 372

OCHTEND-GEBED.

en een machtig Koning om hunnen strijd te voeren! Het is waar, Gij zijt de Eerste en Gij zijt de Laatste en buiten U hebben wij geen Koning, die verlost en helpt! Uit Egypte hebt Gij ons verlost, Eeuwige, onze God ! en uit het slavenhuis hebt Gij ons bevrijd ; al hunne eerstgeborenen hebt Gij omgebracht, doch Uwen eerstgeborene hebt Gij verlost, en de Schelfzee hebt Gij gekliefd en overmoedigen daarin gedompeld en de U dierbaren er door gevoerd, doch de wateren bedekten hunne verdrukkers, zoodat niet één van dezen overbleef. Daarvoor loofden de beminden en verhieven zij God, en wijdden de dierbaren zangen, liederen en lofprijzingen den Koning, den eeuwiglevenden en bestendigen God; die hoog is en verheven, groot en eerbiedwekkend, die trotschen vernedert en vernederden verheft, die gevangenen uitvoert en verdrukten bevrijdt en behoeftigen bijstaat, en die Zijn volk antwoordt in den tijd, dat zij tot Hem schreien; lofzangen [wijdden zij] God, den Alierhoogste, geloofd zij Hij en alom gezegend; Mozes en de kinderen Israels hieven voor ü een lied aan met groote vreugde en zeiden allen;

«Wie is U gelijk onder de machten. Eeuwige! wie is U gelijk, prijkend in heiligheid, eerbiedwekkend in lof, wonderen verrichtend 1

In een nieuw lied prezen de verlosten Uwen naam aan den oever der zee, allen te zamen dankten zij en huldigden en zeiden; «De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!quot;

Rots van Israël, sta toch op om Israël bij te staan en bevrijd, gelijk Gij hebt toegezegd, Juda en Israël; (onze Verlosser, Eeuwige, Tsebaoth, Heilige van Israël is Zijn naam); geloofd zijt Gij, Eeuwige! die Israël verlost hebt!

o Heer! open mijne lippen, opdat mijn mond Uwen lof verkondige.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders. God van Abraham, God van Izak en God van Jakob, groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God ! die weldoende gunsten bevvijst en Eigenaar zijt van alles, en de goede daden der voorouders gedenkt en in liefde voor hunne kindskinderen den verlosser doet komen ter wille van Uwen naam; !)

(In de tien bekeeringsdagen zegt men:

Gedenk ons ten leven, Gij Koning, die leven wenscht, en schrijf ons in het boek des levens om Uwentwille, levende God !)

Gij Koning, die Helper en Redder en Schild zijt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham !

34

Gij, o Heer, zijt machtig in eeuwigheid. Gij zijt het, die de dooden doet herleven, krachtig om steeds te helpen;

') Niet ten gevolge hunner verdiensten.

ocr page 373

nnnty r6ön ib

nnMi Kin nnw nöN : ann nnb 112a ^01 Dnvsp : ^^loi Tj'pD uS pN ïjn^spi |nn« «in onniDa-^ * unnö Dnnjr n^api lyribN ♦♦ nnbNa onnn. ri^atp onn nppa ^d-d^; n^n

nurhv : nni: ah dpiid nnK onn* d^ö nin^n nn^ n-in'pr Dnn^ unji bx IDOITI D^ihk inatr am] an : D»^ 'n bsj Tjba1? nixnini nüia nina^ni mifii Dn»DN K^ÏIO D»W DW «quot;iii^na

• • -: • • t : ~ r : - • •• • ; - t ; t

mbnn : vbx n^3 D^JJT

ïjV ^ni n^D * ■jinoi «in Tjna bx1? nioa quot; 0^3 nDDDquot;*D • DVD IWI nsi nnos^a nW

t 1 t * ▼: ' jquot; t t 1 t • t \ : t ; t - t ; • ; t •

: tpfi-nfcty nVnn nquot;)1J tripa iix:

Viv •• n • : T vli - T ; V

DvO in;. DT*n nöf by ^npb D*bm ina^ n^nn •* i^ï oV^b Tjbp» « • tiüki la^pni liin

* b«i^i niin; ?|ökj3 nnai b^i^^ nnr^a na^ 112? : bi?iw bxa« nnx -jna - óntb^ tfnp io^ niKax « ubtó)

: ïjnbn? ^ nn$n vfclr ^

♦nVx DHISK ♦nbK irmaK ^nbNi wnbn quot; nnx T^na

•• VI T T ï quot; quot; VJ l** quot;J •• •• iquot; ••• t; x ~ 1 t

bx Kniani laan Vnan b^n ap^ *7ibw pnvt btfia N^api maK non nairi Van napi D^aiü onpn Vpia * nanxa w \vj2b on^a ^ab

•iTin ij\s nsian onm nat) dso D^H nbds /317)31 '1103 /^13? üh^di» jt'uo)

c Dquot;n DMSX ^D1? • Dquot;nn 190? • D^n? {-an ^Sa * o«nS wipr : annax |iD \\ nnx Tpa • poi iri^ -rpn

* ^T'inV an nriK erna n»no » abtyb naa nn«

ocr page 374

OCHTEND.GEBED.

(Fan het Slotfeest tot het Paaschfeest:

Die den wind doet waaien en den regen doet nederdalen;)

Die de levenden verzorgt met genade, de dooden doet herleven met groote barmhartigheid, die vallenden steunt en zieken geneest en geboeiden losmaakt en Uwe belofte vervult aan hen, die in het stof slapen. Wie is als Gij, Heer der machtige daden, en wie gelijkt U, Koning, die doodt, doch weer doet herleven en hulp doet ontspruiten;

{In de tien hékeeringsdagen: Wie is als Gij, Vader der barmhartigheid! die Uwe schepselen ten leven gedenkt met barmhartigheid 1)

Gij zijt vertrouwbaar, dat Gij de dooden zult doen herleven; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven!

Gij zijt heilig en Uw naam is heilig en heiligen prijzen U dagelijks, Séla; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! (m de tien beheeringsdagen: heilige Koning.)

Mozes verheuge zich met het hem toebedeelde geschenk !); want een trouwen dienaar hebt Gij hem genoemd; een krans van heerlijkheid 3) hebt Gij op zijn hoofd geplaatst, toen hij vöor Uw aangezicht stond op den berg Sienai en twee steenen tafelen in zijne hand naar beneden bracht, waarop de inachtneming van den Shabbath geschreven was ; en aldus is nog geschreven in Uwe Leer:

Ex. 31,16 en 17. De kinderen Israëls zullen den Shabbath in acht nemen, den Shabbath te maken voor hunne geslachten tot een eeuwig verbond. — Tussehen Mij en de kinderen Israëls zij hij voor eeuwig een teeken, dat in zes dagen de Eeuwige gemaakt heeft den hemel éii de aarde en met den zevenden dag ophield te werken en Zijn doel had bereikt.

En Gij gaaft hem niet, Eeuwige, onze God, aan de volkeren der landen, en schonkt hem niet als erfdeel, Gij onze Koning, aan hen, die afgodsbeelden dienen; ook zullen in zijne rust onbesnedenen niet zetelen; maar alleen aan Uw volk Israël hebt Gij hem met liefde gegeven, aan het kroost van Jakob, dat Gij hebt uitverkoren, het volk, dat den zevenden dag heiligt, die allen zich verzadigen en verlustigen in Uwe goedheid; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd, Gij bestemdet hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust; heilig ons door Uwe geboden en laat Uwe leer ons deel zijn; verzadig ons met Uwe goedheid en verblijd ons met Uwe hulp, en reinig ons hart om U in waarheid te dienen; en doe ons. Eeuwige, onze God! in liefde en welgevallen Uwen heiligen Shabbath deelachtig worden, opdat daarop mogen rusten Israël, die Uwen naam heiligen; geloofd zijt gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt!

') Den Shabbath, welks wetten Mozes aan Israël had mede te deelen, vgl. Ex. 16,29; Talm. Shabbath 10amp;. s) Een stralenkrans. Ex. 34,29.

35

ocr page 375

mntp nbsn nV

c D^an inioi nnn a^'o ncEi 'vs oil e|DiD is m*r via» tpvs p)

^did d^i owns D^np H'no ipna Dquot;n

* quot;ir-möK D'^pi aniDx D^in sjsm n^npi npp Tjbo npin 'pi nniaa S^a ^105 ♦p

• nrpvpi

c D'öqi? Dquot;nS inis^ iplt • tfonnn as ïjiM 'a owon nquot;-ra)

: D^npn n»np « nnK -jiia • D^np nvnnb nnx idnji, ' n^D ^ji'pVn» DI* bro D^npi tynpT ^p^i, ^i-i^ nritlt;

(•• trnpn ^an «wn n^ra) ; tyi-ij^n 'pxn ♦♦ nnK Tjina Vbs * ib nNnpT |ow na^. »3 ipbn njnpa n^D ntiw ' by nays - nn: i^na mxan

- • - i ivt ; '.t'. t i- t : viv ; •

• rrratf ona amai * n»a min D^ax nn1? ^iri

T - - • ; V T T : T : • • T -: •..••:

nf^b na^n-nx bNntr» ^a npB'i : ^nnina ama pi niK ^a pi »ra : abi^ nna anhn1? na^n-nx

n^n-nNi D^Dt^rrnN «^n-nNi D^Dt^rrnN « rwy n^-^a naVrb «in

it t v : • i- t - V ▼: t t • t VIquot; t ï

niïixn «ia1? «inn: }6i: na^ 'v^at^n avai

t-;t quot; ; iquot; •.•: t; - : ; f~Tquot; ' T ^- • : -

k1? innupa dji * D^'ypa nai^S uabp inbnjn nSi ap^;. ynr1? • nanxa innj ^p^ quot;2 • 1:3^»

^3!^ dVs ynp ^npp * rnna os nxip iniK d^d* nion in^ipi 13 n^n »ü»3btii * n3rt2a

t itIt * t -: v ; -r : t r t ^ • : - ; |iv

: n^N-13 npgnb ia?

^rrwpa linm^pa ngt;n ?|n^i^»a vnnp] ^aviap uyst? ^nnins upbn ini n3ri«3 ^ npN3 ^ia^b uab nnüi

Tjna * quot;]f2^ 'anpp n3 im:n na^ pïnai : nau'n tripa « nn«

t - - ••) - : ▼: t -

ocr page 376

OCHTEND-GEBED.

Schep behagen, Eeuwige, onze God, in Uw volk Israël en in hun gebed; en breng den tempeldienst terug in het binnenste van Uw huis, opdat Gij Israëls vuuroffers en hun gebed in liefde welgevallig zult aannemen, en steeds zij welgevallig de eeredienst van Uw volk Israël!

Op het Nieuwemaansfeest zegt men-.

Onze God en God onzer voorouders! Moge voor Uw aangezicht opstijgen en komen en naderen en gezien en welgevallig aangenomen en gehoord en bedacht en herinnerd worden de herinnering aan ons en onze bedenking en de herinnering aan onze voorouders, eu de herinnering aan den Messias, den zoon van Uwen dienaar David, en de herinnering aan Jerusalem, Uwe heilige stad, en de herinnering aan geheel Uw volk, het huis Israël?, — tot redding, ten goede, tot gunst en tot genade en tot barmhartigheid, tot leven en tot welstand op dezen dag van het begin dek maand. Gedenk ons. Eeuwige, onze God, daarop ten goede, en bedenk ons daarop tot zegen, en help ons daarop tot leven! En ter wille van de toezegging van hulp en barmhartigheid, spaar ons en wees ons genadig en erbarm U over ons en help ons, want tot U zijn onze oogen gericht, want een genadig en barmhartig God en Koning zijt Gij!

En onze oogen mogen het aanschouwen, wanneer Gij met barmhartigheid naar Tsion terugkeert; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert!

36

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, immer en eeuwig. De Rots van ons leven, het Schild onzer hulp zijt Gij voor alle geslachten ! Wij danken U en verhalen Uwen lof voor ons leven, dat in Uwe hand is overgegeven, en voor onze zielen, die aan U zijn toevertrouwd, en voor Uwe wonderen, die eiken dag met ons geschieden, en voor Uwe wonderbaarlijke weldaden, die ten allen tijde, des avonds, des morgens en des middags [op

Bij de herhaling van het gebed, zegt de Gemeente, terwijl de Voorlezer om» zegt, het volgende:

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, de God van alle vleesch, onze Vormer, de Vormer van het Scheppingswerk; lof en dankzegging [brengen wij] Uwen groeten en heiligen naam, dat Gij ons hebt doen leven en doen voortbestaan! Zoo moogt Gij ons laten leven en ons latei» voortbestaan en onze ballingen verzamelen naar de voorhoven van Uw heiligdom, om Uwe geboden in acht te nemen en Uwen wil te volbrengen en U van ganscher harte te dienen; [wij danken U ervoor] dat wij U kunnen danken;

gelooid zij de God der dankzeggingen! te merken] zijn; Gij, Algoede, Wiens barmhartigheid niet eindigt; Gij, Al barmhartige, Wiens genadebewijzen niet ophouden, — van oudsher hopen wij op U !

Op Chanoekka zegt men-,

[Wij danken UJ voor de wonderen en de verlossing en de machtige daden en de reddingen en de krijgsverrichtingen, die Gij voor onze voorouders verricht hebt in vroegere dagen op dit tijdstip.

In de dagen namelijk van Mattnithjahoe, den zoon van den Iiooge-priester Jochanan, den Chashmoneër, en zijne zonen; toen de boosaardige


ocr page 377

nnnir r^an ib

minyrrnx * onVanni bxiw ?iö^3 irri^K « nxn

t : t V •• t ; TT* ; * •• t : • | ; ^- : iquot; v: *: •• :

nnriN2 anbam ysib

* ^]!?^ m_i^; n^ori pï^ »nni pyna

•Ka1! nhy o'-ims rmn rxia ipsM yDr'ii nsTi ntfri pp. N3;i nSj;;, wr^ia?? flSNl p'-pn. Tjpj; nn jg nyo jiipn wnia?? jnpp uan^ai «Jn??

naltaSi na^aS ^^a1? Wif1 n^a jn?n Tjr pWn; quot; u-iar * run cnnn rNn ara aiSrbi aquot;nS D^nrnSi -ipnSi rnS

▼: !••; t v - vi- : t : : • -: -; .• i. . I ••.

naiai * Dquot;nS ia w^.Tini nana1? ia un^ai naiD1? ia irnb^c rjSa Sn ,a -quot;a w^Tini wS^ ani.i uam om * a^Dii

• nrw mmi pan

nnnsn « nm Tjins * D^pnna pv1? *1^3 WW. nvTnn'i : ji'vquot;? inraf

«in nnm rh ^n:K onio

T - t |T ; I- -:

mni2N ^ribxiirn^K^ I^Dirn'm • lyi chty) •innn1? Kin nn** vyw\ ' ^nbnn -iSDii nni: ^T3 oniDsn w*n ^ bw TjS nnipan iynio2gt;: by) my av-bizv o aitsn Dnnvi ^ ny-bszw • -]) wip ^non isn-K1? ^ Drnoni ^on-i ibrx1?

nianSan Syi niy^pn Sj;i nima^n Sji jj^isn Sji a^pan Sj;

' ftfn ja^a ann o^a;? irnia^S jv niaSa nnp^a nai wjiafn ^ina jna j3nv-|3 iny-ina ^

pan D^TIÖ

)1 Nin nnjjr wn»? onio ••riSs w'niaj? MSni irn^x niana n^Kia nsi1 unsi' nira b? hy ^njjni Snari nifcnini ua^pni ^nn p unaiipi un^nri^ ^Tj? nin?nS irnpSii ^iDNiii Tjia^1?! ïjjisquot;] niir^i ïj'jwi ia?'1? • -jS ania «n»^ ^ aSr aaSa : nixninn Sn ^na

ocr page 378

OCHTEND-GEBED.

Grieksche regeering opstond tegen üw volk Israël om hen Uwe leer te doen vergeten en hen af te brengen van de wetten van Uwen wil; doch Gij in Uwe groote barmhartigheid, stondt hen bij in den tijd van hunnen nood; Gij voerdet hunnen stnjd, Gij kwaamt op voor hun rechtzaak. Gij naamt voor hen wraak; Gij leverdet helden over in de macht van zwak» ken, en velen in de macht van weinigen, en onreinen in de macht van reinen, en booswichten in de macht van braven, en raoedwilligen in de macht van hen, die zich bezighielden met Uwe leerl U zelve maaktet Gij een groeten en heiligen naam in Uwe wereld, en voor üw volk Israël bereiddet Gij groote hulp en verlossing tot op den dag van heden! En daarna kwamen Uwe zonen in het binnenste van Uw huis, en ruimden [het verontreinigde] weg uit Uw paleis en reinigden Uwen tempel en ontstaken lichten in de voorhoven van Uw heiligdom, en stelden deze acht dagen van het inwijdingsfeest vast om Uwen grooten naam te danken en te prijzen!

En voor dit alles worde Uw naam, onze Koning! steeds geloofd en verheven immer en eeuwig;

{In de tien hekeeringsdagen-.

En schrijf in voor een goed leven al de leden van Uw verbond!)

En alle levende wezens zullen U danken, Sela! en Uwen naam in waarheid loven, o God, onze hulp en onze bijstand, Séla! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam «de Algoedequot; isenWien het past te danken!

Bij het herhalen van het gebed zegt de Voorlezer:

Onze God en God onzer voorouders! Zegen ons met den in Uwe leer uitgesproken drievoudigen zegen, die voorgeschreven is door de hand van Uwen dienaar Mozes en uitgesproken door den mond van de priesters Aharon en zijne zonen, gelijk er gezegd is: De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede.

Geef vrede, heil en zegen, gunst en genade en barmhartigheid ons en gansch Uw volk Israël; zegen, onze Vader! ons allen te samen met het licht van Uw aangezicht! Want met het licht van üw aangezicht hebt Gij ons gegeven, Eeuwige, onze God, de leer des levens en de liefde tot genade en welwillendheid, en zegen en barmhartigheid, en leven en vrede; o, moge het goed zijn in Uwe oogen, om Uw volk Israël in eiken tijd en elk uur te zegenen met Uwen vrede!

{In de tien hekeeringsdagen-,

In het boek van leven, zegen en vrede en ruim levensonderhoud mogen wij herdacht en opgeschreven worden voor üw aangezicht, wij zoowel als geheel Uw vols, het huis Israëls, tot een goed leven en tót vrede ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper van den vrede!)

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.

37

ocr page 379

nnnt^ nVsn 6

^no QTajpS ^nnin an^n5? t?^{■^^,. ?]i?^ Sj; n^in cun-ns DTTnfs* n?T on-js nya DI^IS nna^ D'3nn D^ntpi D^isyo T3 d's-ii Ti Dnl33 moo onoprnx nop 3

. .. : . «. . - . ... • t - - : * t :i- t t ti: * v t : Irr

ntf ri^ ^Si TinnTn ^pij; t? onti n^pn? t? d^-ii aninp i:? nvn? jpnai nSn^ njmft? nyj; SNquot;iif. tfiijrj Sna

^ijp-n^ nritpi ^Ss^-n^ wai -lO-jS ?|^ wa jrnrw n?ri nnln1? btt nap v] naiof ^pp^ ^-!pT nn^n? mh3 ip^-jni : Snan ïjo?'1?

* n^n onnnn D^-^I

c Tjnna (ba) d^Id a^n^ 3in?i nawn ■lt;amp; n-iüïs)

unjntJ» bxn nöK3 nx ibVn^. nbD n^nn VDI ïjSi ?]0^ aitsn ^ nnss TjrQ * nbp : nnin1? n«3

; v t

i^Bn ■i?3is nSEnn mtna

quot;•T ^ nain^n nnina nr^on nana? wans irnlaj? ^Ski wriSjf ; noxa ^np o^na vjai pnK ^sp nnio^n T)^a2 n^o airi tjiSN* ris \] Nf1 : ?]^Sx VJS ^ IN; : \] ^a; (p'sn 'n; ja am) ; aiSr T]S

irb^ a^Qnii noni rn naiai nam tDlt;hv

; iquot; *gt; *-:-:• v iv t i •• t t ; t t

nixa injsja 1^3 I^K 133^3 SNÏB»-^

: tv; it *.. r t iquot; -it | iv^- quot; t: • t

n3nK,i DMn min wp6n « nn: n^s quot;11x3 »3 wa

- ; • - - r* v: ▼; it t r t P iv t ; • ] iv t

Tj-i^ 3iü') DI^I Dquot;ni. D^pnni nsnsi npnïi non • ^oiVB'S njrVss ^a^-nnt

nawn ■gt;!:' nipra)

Tjaj-Sa^jn»? Tj^a1? anaai lyp naito nwisi alWi nana □quot;n napa c DlSrn nvv ^ nnjs ^na * diVb'S dpid Qquot;nS n-'a

: ^3pn « nriK Tjins

ocr page 380

38 OCHTEND-GEBED.

Mijn God! bewaar mijn tong voor kwaad en mijne lippen voor het spreken van bedrog; moge mijne ziel zwijgen tegenover hen, die mij vloeken, en moge mijne ziel tegenover ieder zoo nederig zijn ala het stof! Open mijn hart in Uwe leer en moge mijne ziel Uwe geboden najagen! En allen, die kwaad tegen mij beramen, o, verijdel spoedig hun plan en vernietig hunne gedachten! Doe het ter wille van Uwen naam, doe het ter wille van Uwe rechterhand, doe het ter wille van Uwe heiligheid, doe het ter wille van Uwe leer! Opdat de door U beminden gered worden, help met Uwe rechterhand en verhoor mij! Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser. Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede voor ons en geheel Israël; zegt hierop: Amen!

Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij U in eerbied dienen, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid. Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offergeschenk van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

De Voorlezer herhaalt het gebed, waarhij na DTian nri» de volgende Kedoesha wordt ingevoegd-.

Voorlezer: Laat ons Uwen naam heiligen in deze wereld, gelijk men hem heiligt in de hooge hemelen; zooals door Uwen profeet geschreven is: En de een riep den ander toe en zeide: {De Gemeente-) Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de gansche aarde! (Het volgende wordt door den Voorlezer herhaald-) Vervolgens doen zij met een groot, machtig en sterk stormgeluid een geluid hooren; terwijl zij zich verheffen tegenover de Serafiem, zeggen zij, tegenover hen staande: wGeloofdquot;. {Gemeente:) Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats! {Gem. en daarna de Voorlezer) Moogt Gij van Uwe plaats stralen, onze Koning! en over ons regeeren, want wij verbeiden U, wanneer Gij als Koning weder te Tsion zult regeeren; o moogt Gij spoedig in onze dagen, en dan voor immer en eeuwig, daar zetelen! Dan zult Gij in Uwe grootheid en heiligheid erkend worden in Uwe stad Jerusalem voor alle geslachten en in alle eeuwigheid! Mogen dan onze oogen Uw koningschap aanschouwen, naar het woord, in de liederen, die Uw macht bezingen, uitgesproken door David, Uwen rechtvaardigen gezalfde. — {Gem. en daarna de Voorlezer) De Eeuwige zal dan ia eeuwigheid regeeren, uw God, o Tsion, door alle geslachten; Halleloe-jah!

{De Voorlezer i) Alle geslachten door willen wij Uwe grootheid verkondigen en in alle eeuwigheid Uwe heiligheid uitspreken, en Uw lof, o onze God, zal nimmer uit onzen mond wijken tot in eeuwigheid, want een groote en heilige God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige Godl {in de tien hekeeringsdagen: heilige Koning).

ocr page 381

nnntr nVsn nV

nonü vy? ^

^nninn ^b nns : rrnn V31? 1^2 aiin nan ninp n^i ^ D^^inn Vai cjiTin l^ob n'^ * riv^ - onn^nö Dn^

\Vpb - ?|nnin \^b riamp;z ' ^nBn^ \òb rivz *

♦ö_nüK pviV vn^ : ^jVP' n^^in pï'pn.t Kin vüi-ion DI1?^ n^jr .* nix ^ ^aöb »3b ji^ni : |ÜK nüNi, Diba' nW

nnnaa nA3sr wnü?? 'riSxi irnS?? \] p'*quot;} V]

arjcoi aSiy •'a1? nxT.3 ^iaSJ Dtp. ■: Tinnin? jni wa;? : nrimp a^rai aSiy 'a^ aS^nquot;1! min1 nroa nai^i ; nwaip -

;l- • t : t •• • «it t * t : - : • t' t :rz :I-

•nSann mrna yvh nrnp rquot;

ono ^^3 iniN D^npöB' DBb ^ü^-n«

• noKI nT nt k^i ^jNrrn ami?

: 11123 rnxn-Vs xbo niN3v quot; irnp iri-ip iri-ip

1 vitt T : t ; ▼; IT IT IT

D^jnp Vip D^üBto prn nnx bna Vipa tx 'n ^ niD3 Tjiis : iipK* Tjina nn,^ na^S

D^na *3 1:^ ^jiboni ^♦ain usba ^oipap 'n : iDipsa : l^n^iD^iro^ainps |14Ï3 quot;qiVDn mo T]1? ira : D™ nv^ninnin1? ^ thwy ^ins ^npnni bnsnn -in 'y ^ n^3 quot;iio«n -nns ^jrn^Q nr^nn 13^1 : rn^n innib |i»v obi^?« : ^pnv n^D

irribx in??'! rn|?j dtiw nwS ïjS-ja TM in; nnS i,n

• nr«lt; rn^i Sn| ^Sa Sk o ly.i aSly^ ria; nS irsa

c rii^n T|Sen nquot;^) : ^npri S{lt;n ^ nnx ^-13

ocr page 382

OCHTEND-GEBED.

Op Rosh Chodesh en Chanoehka zegt mm:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt Hallel te lezen. ^

Psalm 113. Halleloe-jah! Prijst, gij dienaren des Eeuwigen! prijst den naam des Eeuwigen! De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid ! Van de plaats van opkomst der zon tot haren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen. Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Wie immers is als de Eeuwige, onze God, die hoog verheven troont, — en toch in de diepte nederziet, in den hemel en op aarde?! Die oplicht uit het stof den arme, van den mesthoop opheft den behoeftige, om hem te doen nederzitten naast vorsten, naast de vorsten zijns volks; die de onvruchtbare vrouw in het huis doet neerzitten vol vreugde als moeder van zonen; Halleloe-jah!

Psalm 114. Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakob's uit het midden van een volk, dat eene vreemde taal sprak, werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn machtgebied! De zee zag het, — en vluchtte, de Jordaan wendde zich achterwaarts, de bergen huppelden als rammen, de heuvelen als jong kleinvee! Wat is u overkomen, gij zee, dat gij vlucht; gij Jordaan, dat gij u achterwaarts wendt?! Gij bergen, dat gij als rammen huppelt; gij heuvelen, als jong kleinvee?! Voor den aanblik des Heeren beef, gij aarde, voor den aanblik van Jakob's God; die den rots doet verkeeren in een watervijver, hard gesteente in een waterwel!

Op Rosh Chodesh wordt het volgende stuk niet gezegd.

39

Psalm 115. Niet ons, o Eeuwige, niet ons, maar Uwen naam slechts verschaf eerbied, ter wille van Uwe liefdevolle genade, ter wille van Uwe waarheid! Waarom zullen de volkeren zeggen; //Waar is toch hun Godfquot;, terwijl toch onze God in den hemel is. Hij volvoert al, wat Hij wil! Hunne afgoden daarentegen zijn zilver en goud, het werk van de handen eens menschen. Een mond hebben zij, maar zij spreken niet; oogen hebben zij, doch zij kunnen niet zien; ooren hebben zij, maar kunnen niet hooren; een neus hebben zij, doch kunnen niet ruiken. Hunne handen, — zij tasten er niet mede; hunne voeten, zij gaan er niet mede; zij uiten geen klank met hun keel! Gelijk zij zelve worden zij, die ze maken, allen die op hen vertrouwen! Gij daarentegen, o Israël, vertrouw slechts op den Eeuwige; Hij toch is hun Steun en hun Schild. Gij, huis van Aharon, vertrouwt op den Eeuwige; Hij is hun Steun en hun Schild! Gij, die den Eeuwige vreest, vertrouwt op den Eeuwige; Hij is hun Steun en hun Schild 1

') Het lezen van Hallel behoort tot de zeven door de geleerden, Soferiem, voorgeschreven verplichtingen, waarover (met het oog op Deut. 17,10) evenals bij de vervulling van in de Thora voorkomende plichten, eene lofzegging wordt uitgesproken. Daartoe behooren nog: het ontsteken van het Sliabbathlicht, 'Eroeb, het wasschen der handen vóór den maaltijd.

ocr page 383

mni? nban vh

o^»w nauni cm rxia

ijjVl vn'ivps quot;I^K obi^n irn'^K « nm ^na : Sbnn-nN Ninpb

quot; üp V] : \] Qirntf iVbn ♦; ibbn • yp quot;iy : Dbir^l nn^o -jinp

: 11123 CD^^n-Vy « D^irVa-by Dquot;i :« IKI^D

: * iquot; t ~ quot; *: • t t ▼: •• t \ ; :

D^tra niKiV ♦VöK'an : naty1? 'n^ian irnbK «3

* i- t - ; • * ; - - v it t ... - - ...... t.

win1? : p»3K on» rizmn na^a »p^ö : pN3i DaaiTDK n^n n^jr »3^10 : isjr *yi: oy D^nro^ : mbbn * nnöir

t -: - t •• :

nrvn : 3p^» n»3 onïöp nKï3 Tp

riNi D#n : vniVtröö ïviph min»

tt t- t;;- •• t ; • :it: t;

■^33 ni^3i D^ip npn onnn : quot;iinxb 3D» b:»i Dnnn ; -iinN1? 3bn own »3 DT»n ^-no : jkï aaVP n? ï1quot;1^ '^bp : fNrass nii?33 D^Vkd inpiri : D^-IJ^O1? tr^pbn D»D_D^ iiïn pö'nn : 3p^ ni1?»

•uS xS fx nn rxna naS : ?)r)ON;-^ ïj^pn-Sy. nias jn ïjptfV •'a wS nS ^ uS n1? «p ■quot;ifiS Sa Q^ora irnbxi : D^d^' QM-in npN1

nSi anS ns : □in* n;: n^o ann f|?a Qn,5sjj! : nvvT fan nSi onS-eiN ■i^ob'i xSi anS cmw : ixt xSi onS qtj; nan»

; vt |- it ; ; v t 'i-it :• ; v t .|-»ï. !•• -;

: cajrya -ut nS la-pn^ jcSj Dn^ nS) Q^n? : pnn? D|joi di^ ^a nna : ona niaa t^n; Va rn? nnioa

«3 inpa i] : N-m nwaï cnw ^a inpa pnN n,a : N-in : Nin Djjioi D-IIJ;

t t t;~-

het uitspreken der lofzeggingen vóór genietingen (i'jnïi nuta), het lezen van de rol Esther op Poeriem, en het ontsteken van het Chanoekkalicht.

ocr page 384

OCHTEND-GEBED.

De Eeuwige toch heeft ons herdacht, Hij zegent, Hij zegent het huis Israels, Hij zegent het huis van Aharon. Hij zegent hen, die den Eeuwige vreezen, de kleinen met de grootea! De Eeuwige zal u bijvoegen, bij u en bij uwe kinderen! Gezegend zijt gij door den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde ! De hemel is de hemel voor den Eeuwige, doch de aarde heeft Hij den menschenzonen gegeven. De gestorvenen prijzen God niet, noch zij, die afgedaald zijn in doodszwijgen, — maar wij, wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid! Halleloe-jah !

Op Rosh Chodesh wordt het volgende stuk niet gezegd.

Psalm 116. Ik bemin den Eeuwige, dus zal Hij zeker hooren naar mijne stem, mijn angstig smeeken. Want Hij neigde Zijn oor mij toe, daarom wil ik Hem al mijne dagen aanroepen! Als banden des doods mij omstrikten en de angsten des grafs mij troffen, als ik ondervond nood en kommer, — en dan aanriep den naam des Eeuwigen: //Ach, Eeuwige! red mijne ziel!quot; — dan was de Eeuwige genadig en rechtvaardig, en onze God vol erbarmen! De Behoeder der argeloozen is de Eeuwige; ik was diep gezonken, en ook mij redde Hij! Keer dus terug, mijne ziel, tot uwe rust, want de Eeuwige bewijst ü goeds! Want Gij hebt mijn ziel aan doodsgevaar onttrokken, mijn oog aan tranen, mijn voet aan neerstorten. Ik zal voortaan gaan voor den Eeuwige in de landen der levenden. Ik bleef vol vertrouwen, toen ik sprak; //Ik ben zeer arm gewordenquot;. Ik zeide daarom nog bij mijn overhaaste vlucht; //Alle menschenhulp is bedriegelijkquot;.

Hoe kan ik echter den Eeuwige teruggeven al Zijne mij bewezen weldaden?! Den heilskelk wil ik opheffen en den naam des Eeuwigen aanroepen! Mijne geloften wil ik den Eeuwige betalen, ik wil het gaarne doen ten aanzien van gansch Zijn volk! [Toen ik sprak:] „Kostbaar is in de oogen des Eeuwigen het sterven Zijner vromen. O Eeuwige! —ik ben immers Uw dienaar, ben üw knecht, de zoon van Uwe dienstmaagd, Gij hebt zoo vaak reeds mijne banden verbroken ! U ter eere zal ik dan offeren een dankoffer en den naam des Eeuwigen wil ik aanroepen!quot; Deze mijne geloften voor den Eeuwige wil ik betalen, wil het gaarne doen ten aanzien van geheel Zijn volk, in de voorhoven van het huis des Eeuwigen, in Uw midden, o Jerusalem; Halleloe-jah!

Psalm 117. Prijst den Eeuwige, gij volkeren allen; roemt Hem gij natiën allen ! Want machtig uitte zich over ons Zijne genade en de trouw des Eeuwigen duurt in eeuwigheid; Halleloe-jah!

Psalm 118. Dankt den Eeuwige, want Hij is goed;

want eeuwig duurt Zijne genade.

Spreke Israël het uit:

„want eeuwig duurt Zijne genadequot;.

Zoo spreke ook het huis van Aharon:

wwant eeuwig duurt Zijne genadequot;.

Mogen zoo spreken allen, die den Eeuwige vreezen:

„want eeuwig duurt Zijne genadequot;. F

40

ocr page 385

mniy nban a

: pn« n^-nK rpy rrrm -p^ wy «

\] tip1 : D^ian-oy » wy ^iy D^o^n : p«i ym riamp;v ^ onx D^na : DD^r^i t6\ D»nan-i6 : onN-^a1? |nj pxni ^

: n^bn oSi^-n^quot;) nr$ö n; ^2; wnjNi ; non HT^S

.quot;•nanx cyimx i'N rnn CN-Q 1o,3!i ütN ntsms : yunn quot;quot;Sip-nx quot; ^naruc top

Tï .T T' ' T~J~ *1 v *1; • * ï Iquot; T

n'ji,i ms 'jwsd Swtf nsai nio-'San ■'jissn : xtk

i t: tt • 1 t ; : quot;t : vit ••:••• • i t ~: ti:v

^H'SNI pnsquot;! ^ pan : T?3 HDVO :? n:x ^-nrai : NSON ;? v ^nupS ^53 'Jl o^ne -iptr : onna

: 'rrno ••Sj-i-rwc nyoTto mao n^aj rs^n ^ : ■o'Sp Saa

i .• • : v t : * i * •• v vit • • : - t : i- • • • :it*t - t

: iKa ^V-? ^ quot;öquot;»? 'a ^asn : □'quot;nn nls^a v. \ish : 3« oiNn-Sa nana wax

tt T T • : T : • ; i- T • -:

D^I KfK ni^w»-Di3 : ^ n^K'nD

lp» : xrirm qWn mj : N-ipK «

Itt T : T T;v T- - T; TI; V *;

♦:« »:k ^ « na» : VTpn1? nnian \\ \] Dt^ni nnin nar nam ^ : noio^ rinna ^naN-fs nnsna : Krrna: zhpx «b nn: : xnpK

: n^bn D^IT

T -; - *it T ; • iquot; ; ▼;

nai ^

: D^Nn-ba

ininaB' D^ir-ba »-nK ibbn IP

: nnbbn •

T -: -

«TIÜNI non wbv

t; v v;v : - iquot;^t

n'p

nm Snp

: non

niü *3 «V inn !'n

T ~

nm bnp

: non

btn'Bquot; KrnöK» nquot;

•• T : • T - i

nin Sip

: non Dbl^V

pHK-n^l KJ npN' l,n

mn bnp

: non DSij;1?

'3

« K: nöN» F

♦:••:• T : i

ocr page 386

O C H T E N D - G E B E D.

Van uit de benauwdheid riep ik God aan, Hij antwoordde mij door onbegrensde verruiming. De Eeuwige is met mij, dus vrees ik niet; wat zoude een mensch mij doen ? ! De Eeuwige is mij onder mijne helpers, — ik zie dus rustig mijne haters aan. Beter is het bescherming te zoeken bij den Eeuwige, dan te vertrouwen op menschen. Beter is het bescherming te zoeken bij den Eeuwige, dan te vertrouwen op vorsten. Al omringen mij ook alle volkeren, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren! Al omringen, ja, omsingelen zij mij, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren! Al omringen zij mij als bijen, — plotseling als een doornenvuur gaat hun vlam uit, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren! Wel hebt gij mij gestooten om mij ten val te brengen, doch de Eeuwige hielp mij. Mijne zege en mijn zang is God ; Hij was mij ter hulpe. De roep van juichen en redding klinkt in de tenten der rechtvaardigen : ffde rechterhand des Eeuwigen schenkt macht; de rechterhand des Eeuwigen is hoog verheven ; de rechterhand des Eeuwigen schenkt macht!quot; Ik zal niet sterven, neen, ik blijf leven en zal verhalen de werken Gods! quot;Wel heeft God mij getuchtigd, maar aan den dood gaf Hij mij niet prijs! — Opent dan voor mij de poorten der rechtvaardigheid, ik wil er binnengaan, wil God danken! Dit is de poort des Eeuwigen, rechtvaardigen treden er binnen I Ik dank U, dat Gij mij verhoord hebt en mij ter hulpe waart! De steen, die de bouwlieden verachtten, zij werd tot sluit- en hoeksteen ! Van wege den Eeuwige geschiedde dit, het is wonderbaarlijk zelfs in onze eigene oogen ! Dit is de dag, dien de Eeuwige ons heeft bereid; wij willen ons er mede verblijden en verheugen!

Ach, Eeuwige! help toch !

Ach, Eeuwige ! help toch !

Ach, Eeuwige ! schenk toch geluk !

Ach, Eeuwige! schenk toch geluk!

Gezegend hij, die komt in den naam des Eeuwigen; wij zegé-1 nen u van uit het huis des Eeuwigen! God is de Eeuwige. Hij heeft ons licht verschaft; bindt daarom het feestoffer met touwen tot aan de hoorns van het altaar! Mijn God zijt Gij ; ik wil U danken; mijn God, ik wil U verheffen! Dankt den Eeuwige, want Hij is goed; want eeuwig duurt Zijne genade!

Al Uwe werken mogen U loven, Eeuwige, onze God; en Uwe vromen, de rechtvaardigen, die Uwen wil volbrengen, mogen met gejuich Uwen naam danken en zegenen en prijzen en roemen en verheffen en zijn macht, heiligheid en heerschappij erkennen, onze Koning! — Want het is goed, U te danken en het is gepast üwen naam te bezingen; want van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Koning, Wiens daden in lofliederen worden geprezen!

Kaddiesh Thithkabhal.

41

ocr page 387

mm nban no

-nö Kb •gt;) n» nïanquot;|p

31Ü : Wfeo HKIN ^Nl nTf^3 n V : DIN ^ nfegt;2gt; : D^nja nb3ü M3 nionV aiü : dins nbao ♦♦a nion1?

•:*quot;•:• ti- -:- TT T - i : • TI- -: -

\\ Dt^a ♦J!l23Dquot;Da ^3p : D^ON quot;2 quot;* DB'*! ^1230 D'irbS »3 « D^ïip ^K3 onnip »;i3p ': D^OK i -wi n» möTi np : «i Vö:1? »:n»m n'ni : dVqk

:~ T T ; • : itt^-: T- ; * • i- • : T - * -:

n'^ » pp» D^nï 'bnN3 mn Vip : h

n^nK^s niöK-N1? : Vn n'^ ♦; pp» nopin « pp» : Vn -inns : ^:n: üh mabi rr ^-id* 1d» : n» iödxi

: * -IT T ; VIT - : T • i-; • - T •• -: - •• - -:-

Mty D'-pnv quot;ij^^n-nT : n; nnix D2 n^k ^

IDKQ f2Nt ♦y^nni »3 ïj-iiN : 12

n^fi: N'n nxt nn*n quot; nxo : naa i^Kib nrvn D^ian

T : • • T ;IT T; •• •• T • ; T : T -

quot; : ia nno'Bni n^a: ? n'^ avn nr nso i

ruw Snpni xjji} jjjci mn |tnn ruw Snpm jjm pm

N3 ny^in « «3N N3 nv^in « K3K

T T I* ▼: T T T T r ▼; T T

: h: nn^xn « N2K N: nn^ïn « NSK

t t • ; - t t t t * ; - ▼: tt

quot;iNi'i \]quot;?« tquot;13 : n^ap oauaia ♦; D^a Kan Tpa

^ : narpn ni:-ip. iv D^na^a an-npN lib ♦a aiE3-»a ^ mn ^ : ïjoonNt ♦riVx ?jnixi nm

^ ; non Dbl^b ^iïquot;i »t?iy D^pnv ^Tpni • ^^p-^a wpbx «

ina^'i lanan inv nana n*a ^p^ai ua^p ^jpB'TiK la^pn i^npn lïn^i IDDITI

o^i^P 'a 126 nw min1? aiü »a : ninaa'na Vbnp ^ nnn Tjiia - nnx •Sapnn cnp

ocr page 388

OCHTEND-GEBED.

Bij het openen der Heilige Arke om de Wetsrol er uit te nemen, zegt men:

Het was bij het optrekken der Arke, toen zeide Mozes: Verhef U, Eeuwige! dat Dwe vijanden verstrooid worden en zij, die U haten, mogen vluchten voor Uw aangezicht! Want van Tsion gaat de leer uit en des Eeuwigen woord van Jerusalem!

Geloofd zij Hij, die de leer heeft gegeven aan Zijo volk Israël in Zijne heiligheid!

Sommigen zeggen nog het volgende-.

Geloofd zij de naam van den Heer der wereld; geloofd zij Uw kroon en Uw verblijf! Moge Uw welgevallen immer met Uw volk Israël zijn eu doe Uw volk de verlossing door Uwe rechterhand aanschouwen in Uw heiligdom. — Doe ons toekomen den zegen van Uw licht en neem in barmhartigheid ons gebed aan ! Moge het U welgevallig zijn ons leven te verlengen in welzijn, en moge ik bedacht worden te midden van de braven, zoodat Gij U over mij ontfermt en mij behoedt en al het mijne en al wat üw volk Israël toebehoort! Gij toch zijt het, die alles voedt en alles onderhoudt; Gij zijt het, die alles beheerscht; Gij zijt het, die ook koningen beheerscht, en alle heerschappij is aan U. Ik daarentegen ben slechts een dienaar van den Heilige, geloofd zij Hij, voor Wien en voor Wiens verheven leer ik mij ten allen tijde nederbuig; niet op een mensch vertrouw ik, noch steun ik op eenig ander goddelijk wezen, dan alleen op den God des hemels, die is de God der waarheid en Wiens leer waarheid is en Wiens profeten waar zijn en die in rijken overvloed daden van liefde en waarheid verricht; op Hem vertrouw ik entereere van Zijn grooten en geëerden naam spreek ik lofzangen uit! Zoo moge het ü dan welgevallig zijn mijn hart te openen voor Uwe heilige leer, en moogt Gij mijne hartewenschen en die van gansch Uw volk Israël vervullen, ten goede, tot leven en tot vrede!

De Arke wordt gesloten en de Voorlezer zegt:

Kent met mij grootheid toe aan den Eeuwige; laat ons te zamen Zijnen naam verheffen.

De Gemeente antwoordt-.

Aan U, o Eeuwige, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want [U behoort] alles in den hemel en op aarde; aan U, o Eeuwige, is de heerschappij, en Gij zijt het, die boven alles als opperhoofd verheven zijt! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijne voetbank; heilig is Hij ! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijnen heiligen berg, want heilig is de Eeuwige, onze God!

42

ocr page 389

fvw nbfin 20

D'iwsi min lao »-npn pix BinniD

ID^I wsn « noip n^D no^i pxn ^p:? ♦nn. : p^n^p \] 121) nnin Kïn p»vp ^ :' ^jsd

: inEgt;-i^3 ^quot;i'ip» ID^1? nnin jnsiy Tjiia

tfiaen ijnn wib» n'3 iipnS snn» mm ibd ppsa 13 ppo» 131 ion • .i3n i»*»1? V3 131? ni1? Tn.si NSÏ1? nansn rs pniïoi pann

Tjn^i nn» • •pTnN,i Tj-ina ^-13 mby mi nop ^na n»3| -r]^1? nnK ip^ai * ^

• ppnia «Jnibv bapbi -]-iin: map NJ1? ^IÜPKS ^pp NTpfiMNNin1?'! •Nn^ipnfb -jnim KH» ^1? Hl ^ n b2 m »n; ipjpbi onip^-N^v ua

Kin ri:K * DJ'isdi «Vb1? |T NIH n:K • ♦K»n ^-«! Kniobpi K»5^p ^ j3»W»Wl nJN -Kbï •?)? TTn nap. KjnJDquot;! Min ^na N^-iipn NJK ia ^ • NJïnn lyjK ^ Kb ♦ '1^1 ^3 nnniK

• Knbx «mi • N»P^T KnbK| N^X - Nppo pn^K

• □typi pap quot;Q^a1? Kippi * üB'p - ^p nnnixi

• fn^in npK KJK x^p^ K^np np^i * p-in KJK na

• quot;lil I^Kfp D^ni NnniKa nnam -[onp Ki^-i «n»

•' o^V1?! r'n^ «iSl

: mn» IDE' naaiui ♦nx «b ibna

t ; - : t-j ; • * t- ;-

njir Snpnl

miyn nMni n-ixsnni nn^ni nb^n « ^ iDDn : ^KnV Sa'p K^npni n^^ppn » Tpioi quot; 1001*1 : Min ^npT v^n D'nnb iinn^ni irn^sj ♦; •' r B'np '3 iB'ip in1? iinn^m ufl^K

• *..▼; It • ;It - ; i- v:

ocr page 390

OCHTEND-GEBED.

Boven alles worde de grootheid en de heiligheid erkend, worde geloofd, geroemd, verheven en verheerlijkt de naam van den Koning aller koningen, den Heilige, geloofd zij Hij, in de beide werelden, deze wereld en de toekomstige wereld, die Hij geschapen heeft; [dit geschiede] naar Zijn welgevallen en naar den wenseh van hen, die Hem vreezen, en naar den wensch van het geheele huis Israëls! Rots van alle eeuwigheid. Heer aller schepselen, God aller zielen; die troont in de uitgestrektheid daar boven, die zetelt in de overoude hemelen, Wiens heiligheid [een grootschen indruk maakt] op de Chajjoth, en [de indruk van] Wiens heiligheid rust op den troon Zijner heerlijkheid; zoo worde dan Uw naam geheiligd door ons, Eeuwige, onze God! ten aanzien van al wat leeft! Laat ons voor Hem een nieuw lied uitspreken, gelijk er gezegd is: Heft een lied aan ter eere van God, bezingt Zijnen naam, baant den weg voor Hem, die door de hemel vlakten snelt, iT is Zijn naam, en jubelt vóór Zijn aangezicht! Mogen wij Hem oog in oog aanschouwen, wanneer Hij terugkeert naar Zijn verblijf, gelijk er geschreven is: Want oog in oog zullen zij aanschouwen, wanneer de Eeuwige naar Tsion terugkeert. En er is gezegd: Dan wordt de heerlijkheid des Eeuwigen openbaar, en alle vleesch te zamen zal zien, dat de mond des Eeuwigen gesproken heeft!

De Vader der barmhartigheid, Hij moge zich ontfermen over het volk, dat door Hem van zijne geboorte af beschermd werd, en moge gedenken het verbond met [de voorouders,] de krachtige instandhouders der wereld, en moge onze ziel redden voor ongelukkige oogenblikken, en moge in toorn verdrijven de kwade neiging van hen, die door Hem [zoolang zij bestaan] gedragen worden, en Hij zij ons genadig tot eeuwige redding en vervulle onze wenschen in rijke mate, in heil en barmhartigheid!

Nadat de Wetsrol op de Biema is neergelegd, zegt de Voorlezer:

Moge Hij bijstaan, beschermen en helpen allen, die op Hem vertrouwen, laat ons hierop zeggen : Amen! Schrijft thans allen grootheid toe aan onzen God en bewijst eer aan de heilige Leer! De Kohen kome nader, en wel N. N. de Kohen plaatse zich hier! Geloofd zij Hij, die de Leer heeft gegeven aan Zijn volk Israël in Zijne heiligheid. De Leer des Eeuwigen is volmaakt, zij verkwikt de ziel; het getuigenis des Eeuwigen is vertrouwbaar, het maakt den onnoozele verstandig; de bevelen des Eeuwigen zijn rechtvaardig, zij verheugen het hart; het gebod des Eeuwigen is zuiver, het verlicht de oogen. De Eeuwige verleent Zijn volk macht, de Eeuwige zegent Zijn volk met vrede. God, Wiens weg volmaakt is; het woord des Eeuwigen is gelouterd; Hij is het Schild voor allen, die op Hem vertrouwen.

43

ocr page 391

nnnir nSan ;ö

* Düiin^ iKann biw Van by

* Kin 'rjrQ D^ban ♦DSO ^bo-S^ im pra ijivna • N3n Dbi^m njn nbi^n

mnan-1?! |m n^bi^n nv : bti^ n^-bo jivnsi VNT

*DV 'qvz pi#n Diquot;io ^moa 3tyi»n * ni^rrVa niSx

•• ; •• ; • 1 •• - t •• - t : - t i v:

pni : HMn KM inanpi ni^nn ^ in^np : Dquot;!^, vifib nüNii : ♦n'ba wyb irribN « 1:2 quot;IDV ^pn»

t t ; - : t t •• quot; ; iquot; •/: *: it ) : • -| - : •

ttib IVD lat^ nar Dflbx1? iiw - amaa

t : t •• t • : ; ~ • .. r t - tt

in^ VN 131^31^3 IHK^I : ir^i ID^ n^3 1133 nbiJI quot;Ipwi ; |1#V t! 3W3 1NT f^3 *3 * 3in33 ; ^21 » ^ *3 )1W n^3-'?3 IKIl «

•• • t; • t ; - t t t t : *:

d^hk nns ni3?n D^pia^; orn; Kin D^anin 3x |a yyi iï;3 nipnn |a Vri

lynib^a xVai orabi^ ntp^sb uni^i fm owi^an : D^ami n3iü nia3

• -s -: t : t t • ;

law jnSon hs nquot;cn mjo ncan Sr yquot;vn r^na

131 V3n : fax na^ji 13 D^pinn bib viïV] pi iirjn p vhz iid^I * 3ip |n3 * niinV 1133 urn wribxb niin : in^nps la^b niin jn^ -jiis : |ri3n nips : na^na maxj « nny #0: ro^a na^an «

•• I • • iv - r : - t t v:v ▼: vit - r : t • • 1 *:

ia#1? ^ T : 0gt;?V. nT^P ms « niva lb ^na'^a nn^ ^ r ^iaK 13*11 oran bxn : di1?^? lay m Tjis» v: 1^ : 13 D'pinn V3l7 «in pa nöiiy

ocr page 392

OCHTEND-GEBED.

De Gemeente en daarna de Voorlezer:

En gij, die gehecht zijt aan den Eeuwige, uwen God, gij allen leeft heden *).

Lofzegging vóór de lezing uit de Thora:

Looft den Eeuwige, den Lofwaardige.

De Gemeente:

Geloofd zij de Eeuwige, de Lofwaardige, immer en eeuwig!

Hij, die voor de Thora geroepen is, vervolgt:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons hebt uitverkoren boven alle volkeren en ons Uwe leer hebt gegeven; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de leer gegeven hebt.

*) Men leest eiken Shahhath de afdeding der week voor, over ten minste zeven personen verdeeld; — men heeft echter het recht het aantal der voor de Thora geroepenen te vergrooten, mits men zich bij de verdeeling der af deeling strikt aan de daarvoor geldende voorschriften houdt. Te Amsterdam is het vaste gébruik, de afdeeling altijd over acht personen en niet meer te verdeden. Hij, die de Haphtara zal voordragen, wordt niet meegeteld, daar voor hem slechts enkde verzen, die reeds zijn voorgelezen, worden herhaald. — Nadat nu de laatst voor de Thora geroepene de slollofzegging heeft uitgesproken, draagt de Voorlezer half Kaddiesh voor, en leest men ten minste de drie laatste verzen nog eens voor aan hem, die de Haphtara zal voordragen.

Indien twee weekafdeeling en op één Shahhath gecombineerd worden, dan wordt voor den vierde het slot van de eerste en het begin van de ticeede afdeeling gelezen en wordt als Haphtara het voor de tweede afdeeling aangewezen stuk uit de Profeten voorgedragen, behalve hij combinatie van Acharé en Kedoshiem, en van Nitsabiem en Wajjélech, in wdke beide gevallen de Haphtara der eerste afdeeling voorgedragen wordt.

Indien op Zondag het Nieuwemaansfeest zal invallen, wordt de voor dat geval bestemde Haphtara gelezen; de Haphtara 'Ania So'ara wordt echter niet voor die van Machar Chodesh op zijde gezet.

Indien uit twee Wetsrollen moet worden gelezen, verdeel! men steeds de weekaf deeling over zeven (resp. acht) personen, en nadat de laatste de slollofzegging heeft uitgesproken, legt men de tweede Wetsrol naast de eerste en zegt half Kaddiesh; vervolgens wordt de Wetsrol, waaruit is gelezen, opgeheven en der Gemeente getoond en opgerold; ment opent de tweede Wetsrol en leest daaruit den Maphtier voor.

Indien op Shahhath het Nieuwemaansfeest invalt, leest men uit de tweede Wetsrol Num. 28,9—15, de afdeding over het hijzonder offer voor den Shahhath en dat voor den Nieuicemaansdag, en als Haphtara leest men Hasshamajim Kis-ie (Jes. 66,1—24); behalve wanneer de \ste Ah op Shahhath invalt, daar alsdan de Haphtara Shim'oe (Jer. 2,4—28 en 3,4) toch wordt voorgedragen. In de slotlofzegging na de lezing der Haphtara tcordt van het Nieuwemaansfeest geene melding gemaakt.

Indien uit drie Wetsrollen moet worden voorgelezen, bijv. indien op den Shahhath van het Inwijdingsfeest tevens het Nieuwemaansfeest invalt, leest men uit de eerste Wetsrol de afdeeling der week, over zeven personen verdeeld; nadat de eerste Wdsrol is opgeheven en gesloten, leest men uit de tweede de afdeeling voor het Nieuwemaansfeest. legt vervolgens de derde Wetsrol naast de tweede en zegt half Kaddiesh. Nadat ook de tweede Wetsrol getoond en gesloten is, leest men uit de derde de afdeding voor het Inwijdingsfeest (resp. Shekaliem of Hachodesh), en leest de voor ieder dier dagen bestemde Haphtara.

44

ocr page 393

jvto rbfin quot;ia

(* : Di»n D«n D^ribK «3 D^nin on^ ''t : quot;jinon ^ nx isna ^ ^ : Tjiapn « Tjiia ^ Di-ni

; DVI^1? ^quot;isnn ^ Tpa t-^ ^

D^D^n ^Ö iwm IE'K obi^ 'nbü irn^N « nnx Tima

• ^- T T • IT quot;IT V -; T T IV IV Iquot; •quot; ▼: T - I T

: minn rnü « nnK quot;nns • imin na !i:l7-?n:,i

T - I •• ▼: T - ) T T V IT I - IT :

jnionp'p nai «ytna ^DinS nsn dni naj nyat? nar Saa jmp (* Ttsaoni -nnv pa^io jwvinnN xipj xini inx -np nnpS im:i fn ptrn low njnnx nana pnavn inac -ireci fjon jo irx dni /nnan ^ioar 07102 'j T^aoS xnp aquot;nxi jnnxS iiar •|o •■psr 10a onpa D^piDfl ia Sa Niipi S^nno or ^nnnS nrax w

miD fjiDD ^yanS nnpnS pjnu nnaina nmo 'nir nara ja pin /iD^or iTJir Sr maana pn^aaai /mio nSnnS pTaaar -jSn aos: pi ^nnj? Sra pTaaar a^rnpi nnx pN irnp noxi wvrt ay nnan Dquot;Di yvn nra dx 1 a ï j Sra wn 'Wn Nipr naa -raaan a^ «np1 xSn quot;m* ny nnpS ins •nyar pja? nSij; n^aaa

myiD nuy ja pin .nmna p^aaa nara nnxa Snr nn nyac pup aSiyS min nao Tir px^iara .n^nu rnwr

nquot;D pn^a nonnx nana jnnxn ^lar mjcSi yiarn nioa na; prxT nquot;D pSSui pnojDi -anur hy rnp ^n nawci jiu-wnn Sïx sw nquot;Da TaaaS pupi pnnxS -par pjnui vv nquot;D pnmai

-woa D'ar n pTtaaai narn d va 1 •'jr nquot;Da pup nm nara ToanS iSiV nirnaa avnur nara Snr. ax nn ja pin •maan nanaa nn pTaia px dSijSi .ij?ar

nyar prxia pup naum nn nara pja nquot;D nrSr px^iara 'jr na j'nmai jirjcn na pSSui pn^jai .yiarn -naa 'r^r nquot;D pn^ai -nn Sra pnav1? jmpi ^yarS quot;[nar ^ pjnui pnojai Dn'Sj; pquot;n piawi Dn^r Sr S^an ponai ^nSrn Sy iSsn pnpi jnnjcS quot;]nar ^a D^nui ^r^r nquot;D pnniai w nquot;D pSSui nnnwDxpin pi 'nan 'jn pTaaainam nDa TaaaS pTaaamrnan moa 'r'Sra jmp aSiySi -rnnn 'aa w D'Spr 'aa

•nria Sra

ocr page 394

OCHTEND-GEBED.

Na de lezing:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons de ware leer gegeven hebt, en [daardoor den weg tot] het eeuwige leven in ons midden geplant hebt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de leer gegeven hebt.

Wie van eene ernstige ziekte genezen, van eene zee- of woestijnreis teruggekeerd, vit de gevangenis ontslagen, of aan eemg ander gevaar ontkomen is, zegt het volgende na, de Thoralezing

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ook aan schuldigen weldaden bewijst, — dat Gij mij allerlei goeds hebt bewezen.

De Gemeente antwoordt:

Hij, die u [tot dusverre] allerlei goeds heeft bewezen, moge u ook voortaan allerlei weldaden bewijzen, Séla.

Op den dag, waarop iemands zoon, na het hereiken van den dertienjarigen

leeftijd, voor het eerst voor de Thora geroepen wordt, zegt de vader na, de Thoravoorlezing en nadat hij den priesterzegen over zijnen zoon heeft uitgesproken, nog het volgende:

Geloofd zij Hij, die mij van de strafplichtigheid voor dezen bevrijd heeft.

Na afioop der Thora-voorlezing zegt de Voorlezer half Kaddiesh; vervolgens

leest men ten minste de drie laatste verzen nog eens voor aan hem, die de Haphtara zal voordragen; daarna wordt de Wetsrol opgeheven en het schrift aan de Gemeente getoond; hierbij zegt men:

En dit is de leer, die Mozes den kinderen Israels voorlegde, op bevel des Eeuwigen door Mozes. Een boom des levens is zij voor hen, die aan haar vasthouden; wie haar steunt, is gelukzalig. Haar wegen zijn wegen van liefelijkheid, en al hare paden zijn vrede. Lengte van dagen is in hare rechterhand, in hare linkerhand rijkdom en eer. De Eeuwige schept er behagen in ter wille van Zijne gerechtigheid, de leer steeds meer groot en verheerlijkt te doen worden!

Nadat de Haphtara en hare lofzeqqinqen zijn uitaesproken, vervolqt men het gebed aldus:

Moge van uit den hemel verlossing, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven en overvloedig levensonderhoud en hemel-sche bijstand en gezondheid van lichaam en uitstekende voorlichting, een kroost, dat leeft en blijft voortbestaan, een kroost, dat nooit ophoudt en nimmer zich onttrekt aan de woorden der heilige Leer, beschikt worden over onze leeraren en onderwijzers, de heilige genootschappen zoowel in het land Israels als in Babylonie, (alsook in alle andere landen onzer ballingschap), over de leiders der volksvoordrachten, de hoofden der ballingschap, l) de hoofden der leerscholen, en de rechters, die in de poorten [der verschillende steden] zitting hebben; over al hunne leerlingen en over alle leerlingen

45

ocr page 395

rvTO nVan no

sa nquot;Da ntms- rrah wo' t inwm jv'dn» fpsmwn it yd* niira nnps niipn vnnniïs •paw SSu n.siipn insi nSoa nSs supn dj? ünSa nip^ nin dji p^ipn jar

nüx n^in vb in: obiyn -ribü wrbn quot; nnK tiiis

v v: - it i -it v -: t t )v iv i- v: ▼: t - | t

: nninn jni: quot; nnx • uaina pr?: vni

'si picS v^rlt;m lama iShd im ,ijnn nSri nrc 's ^inviS pgt;-ix nyais V nsia iBS'i j ns'I D'iirxn niaa wan .-pno 'oi , «snrui nSin mno .mina inNi-ip S» ruims naia mx ts

niniü a^yrh baian obi^n -nbo irribK « nnx Tina

. t - ; •• - t t | v iv iquot; v: ▼: t - | t

: aiü-bs

t *1- t : v

: nVo aiLj V3 Nin aiü-Va nböaiy ♦» D'jij) Snpm

t iv t | : t : • t I : t : v

i? naia mw pnx d-pi ,-uf jquot;i p .sin» mx» iss ï'ia uaw ■gt;»

.iiaxa «a SSbtop nru: ix nquot;BS ua ns pnpw nrca

: nrW i^o ^^3^ Tpia

.pquot;n yen mis ntfipn icScna onois DïS anan msmS mno niin iBon ,T«a«»a

-yz quot; VNntr» ^sh nf o D^-n^K niTinn nxri : n^pni na D^nna^ D^ir-p? : n^o nro^a -m : oib^ nwa^nr^i D^r»3quot;n n^quot;n

t • • t | v i t t iv • : t ; - i •• : - t iv t ;

: yiw) nnin ipnv I^Q1? ^C1 quot; ^13?'! rhutivz

nams nana quot;vcDen Ü^dv VIN

♦JITOI onK «ni ♦pnTi Nioni K3n wm-p f^a Dip; * ilt;t?vn Kfiia nviai wnp-n xnyü]

Sarr-K1? ni poa^K1? n • MO'pi K'n tsj^nr

\ : • t •; i \ : • t • nr ;- tti-: t- *t ;quot;

K^iNa n sjnt^np xm^n ?:3quot;ii rno1? * «nnix ♦oinso

•t : - : tt • 1 - tt -iitt-;ittt: t : - •• t : • •

^3 • '7333 ni

..: t t ; - •• ••: •• - •• ••; v t : *: •• t ; •

♦TD,?n-S3l?i ?inn»öi?n--S3t? • x33quot;n ^nbi xnynn

- t : i .. . . - t : tt • quot;t -; t t • ;

') De door de regeering benoemde staatkundige hoofden der babylonische Joden, v. d. in het algemeen de leiders en bestuurders der Joodsche gemeenten in de ballingschap.

ocr page 396

OCHTEND-GEBED.

hunner leerlingen en over allen, die zich met de heilige Leer bezig houden; — moge de Koning der wereld hen zegenen, hun leven vruchtbaar doen zijn en hunne dagen vermeerderen en hun lengte van jaren geven; mogen zij verlost en bevrijd worden van allen druk en alle verderfelijke ziekten ; onze Heer in den hemel zij hun tot hulp ten allen tijde en in elke stonde; laat ons hierop zeggen : Amen !

Wie niet met tien personen het gebed verricht, zegt de twee volgende stukken niet.

Moge van uit den hemel verlossing, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven en overvloedig levensonderhoud en hemelsche bijstand en gezondheid van lichaam en uitstekende voorlichting, een kroost, dat leeft en blijft voortbestaan, een kroost, dat nooit ophoudt en nimmer zich onttrekt aan de woorden der heilige Leer, beschikt worden over deze geheele heilige gemeente, groot en klein, kinderen en vrouwen! Moge de Koning der wereld u zegenen, uw leven vruchtbaar doen zijn en uwe dagen vermeerderen en u lengte van jaren geven; moogt gij verlost en bevrijd worden van allen druk en alle verderfelijke ziekten; onze Heer in den hemel zij u tot hulp ten allen tijde en in elke stonde; laat ons hierop zeggen: Amen!

Hij, die onze voorouders. Abraham, Izak en Jakob gezegend heeft. Hij zegene deze geheele heilige gemeente benevens alle andere heilige gemeenten, hen, hunne vrouwen, hunne zonen en hunne dochters en al de hunnen ; ook hen, die bedehuizen bestemmen om het gebed te verrichten, en hen, die daarheen gaan om te bidden, en die brandstof schenken tot verlichting en wijn voor de wijding en het afscheid [van Shabbath en feestdagen] en brood voor doortrekkende vreemden en giften voor de armen [ais ook al, wie vasten wil den eerstvolgenden Maandag en Donderdag en den daaropvolgenden Maandag] alsook allen, die zich trouw bezighouden met de aangelegenheden der gemeente; de Heilige, geloofd zij Hij, schenke hun loon daarvoor en houde van hen alle ziekte verwijderd, en geneze hun geheele lichaam, en vergeve hun elke zonde, en zende zegen en geluk op al het werk hunner handen, evenals aan gansch Israël, hunne broeders; laat ons hierop zeggen: Amen!

Gebed voor de Zoningin en het Koninklijk Huis.

Hij, die hulp verleent aan koningen en heerschappij verschaft aan vorsten; Wiens koningschap is een koningschap over alle eeuwigheid; Hij, die Zijnen dienaar David bevrijd heeft van het verderflijke zwaard;

46

ocr page 397

nnnt? nVan 10

NSVO * «nnitta ï? i^Tpbn

• lin^^ nanK fnn x^n |in\»n jinw quot;p.^ n pD • i^io-ba pi K^a |a ppnsnn

: |ok quot;lOKji *1^ für1?! fin^pa «n; «»ö^n

.^quot;131^ iQ nVi ni jpia mpi •mis ps Tima Sbsncn

wi *yiN \*ni ♦onni rani wn «»0^70 ^nö Dip»

* Kiinji nöih nvini N4o^-n xn^^Di ♦nm

T : t : T :- T - : T ;

Stp^'X1? ni. ppÖ^Nt1? n M^quot;1T • KÖ'PI KTl Ni^nT Dir k»3quot;!3*i pn K^ip Nbnp-b'D1? * xnniN ^üinöo üw jiDn^ -jnn* NoV^-p Kabo - xhssv «n^T pnimni ppnanni • nanx |nn pa^oi» xïm p3«n Nin» p po * p^-ia-ba fpi |p

: JON quot;ipNii * p^i ipr-^s p3^D3 SrnK rpy Kin pnï' on-DK irniSN ^ on^ii dh * i^ipri nibnp-1?! d^ * nn trn^n bnpn ni»p3D ♦ra onn^s^ ♦pi • nnbn^-^i Dn^niaai nn^ni quot;15 D^niSB' »pi *^önnb DDina 0^2^ ♦pi • nbanb üquot;tyb np^ïi Dpnixquot;? nai * nVnanbi ^np1? pn quot;iind1?

cj^V^oqr^riijjnn'? nsiiE' ip Sa) ; |quot;'cn 1131N a*n2 mrn rota)

Kin i^npn n:iDN3 max '51^ ^P'SDI

nbon QSirbDb «am n^nD-Va ono D^ofr obiy»

- : •; t t ; t ; •: t -: - t v •• • t ; t t : •• - ;

■Va d^ onn» nt^oPrQ nn^ni nana nb^n

T • •.•••: •• -: - T : T T : - : t T : - ; •: T ^-: T ;

: |pN ipN:i onpK ^vhw

.nquot;T mimi rraSon n^a nya nSan maVp iniabp Dp'ps1? nb^poi mbzh n^i^n jnisn jnisn * n^n nnnp mj; nirnx nvisn DpbijrVl

ocr page 398

47 OCHTEND-GEBED.

die in de zee een weg, in machtige wateren een pad heeft gebaand, — Hij zegene en behoede, beware en steune, verheffe en make groot onze Gebiedster, Hare Majesteit Koningin

WILHELMINA en Hare Majesteit de Koningin-Moeder, die tijdens de minderjarigheid van H. M. de Koningin als Regentes over ons land heeft geheerscht, en het geheele doorluchtige Koninklijke Ruis!

De Koning aller Koningen sehenke Haar in Zijne barmhartigheid leven en behoede Haar en bescherme Haar voor allen nood en kommer en schade; en onderwerpe volkeren aan Hare voeten, doe Hare vijanden voor Haar vallen en moge Zij gelukkig zijn, waarheen Zij zich ook wende ! De Koning aller Koningen sehenke in Zijne barmhartigheid Haar hart en het hart der Koningin-Moeder en dat van al Hare raadgevers en vorsten een gevoel van barmhartigheid, om ons en gansch Israël wel te doen; moge in Hare en onze dagen Juda geholpen worden en Israël veilig wonen en de Verlosser komen voor Tsion; zoo zij het welgevallig; laat ons hierop zeggen : Amen !

Ashré, blz. 48.

Op den Shahbath vóór het Nieuwemaansfeest zegt men:

Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, deze maand voor ons te doen beginnen ten goede en tot zegen en ons te schenken een lang leven, een leven van vrede en welzijn, een leven van zegen en levensonderhoud en versterking van ons gebeente, een leven vol eerbied voor God en vrees voor zonde, een leven zonder schande en schaamte, een leven van rijkdom en aanzien, een leven, waarin ons bezielt liefde tot de heilige Leer en vreeze Gods, een leven, waarin al de wenschen onzes harten ten goede bevredigd worden; Amen, Séla!

Intusschen draagt de Voorlezer het volgende voor:

Hij, die voor onze voorouders wonderen heeft verricht en hen uit slavernij bevrijd heeft en hen tot de vrijheid heeft gevoerd. Hij verlosse ons spoedig en verzamele onze verstootenen van de vier hoeken der aarde, gansch Israël vereenigd; laat ons hierop zeggen: Amen!

ocr page 399

mm? nbön tü

nivvi Kin * D^ni D»3

nsbsn i:n^ hk rhynb ilt;amp;y) bnri Döiin quot;iirjn

nnb^oo Vïs naVan DN nxi K r Ü b n V i n^rbai D^t^a nai nn^n nna nira

t; • t - t- t ; t t • : r t

* onin DIT n^bsn

t t : —

ïin mï Vaai n»n» Vöma o^ban ^Va ■nVa

i t : tt t • t iv ; ; •; tiv- : t -: - : • t ; - •• ; - | viv

n^ab n^:-i nnn D^a^ rVrr pni

t ivt : t iv : • - : t iv; - quot; iquot; • quot; t iv * - i vivt

?n^ varna D^ban ^ba -iba • n^ïn niön

i •• • t -: - : • t : - - | v iv - r : - v : • v -: t :

^3 abai naSan dx aVai naVan umna 2^3

t iv ^-; t •• : t ; - - •• •• : t ; - quot; iquot; : • ; •• ;

rva»3 • bNn't^ ba Djn ua^ nniü niaani mtn

t ivt : quot;ti' r : it^* t t -: - t ivt ;

VKIS bKTtm min» ira^i

I . : T - iv t I ; • quot;tc * : t : t * iquot; t :

nquot;» «n ne'N : jük naKJi |1ïit pi.

.it nSsn ibiS dijnu ooiasf d-npi ftrn o^iao vin vtri ijsSp nsoa

wVy vinm irnüK ♦ri^Ki irn'^K quot; n^öba JIÏI W

•*• t ••- ; v iquot; -; •• •• iquot; ••: ▼: | ivt : • i t * :

d^iik D^n iiS-rnni na-iabi namb ntn ^Tnn-nx

. -: • quot; it i v • ; t t : * : t : v - v i -

quot;Str D«n D^n raiirbt? D«n aib^K' D»n

t t : v • - t v • - tv

D^atr nKi* Dna ww D«n mav^ r^n-bty D^n hdjiö

..T - :. VT ..., .. T'-: 1 .

7^ D^n na?3i ntro Dna pxiy D^n Nitpn nKTi D«n D»a^ nKTi nnm ronK ua Knn^ o^n iiaai : nbo raK • nniüb vzb ni^Ktra Va-nx wV xbanB'

t iv i •• t t : iquot; • -: ; • t v it •• - : v

'o yquot;vn na\si

Kin • min1? nna^a dhik Skji irniaK1? d»dj rimv *a

... . ^- .. T - T. ,.. -: - • • t ^t v •

pKn niöJ? ya-iKa irnn: p^i uniK to : raK naKji onan

i quot; t - : quot; t t * t • .. -i

ocr page 400

OCHTEND-GEBED.

De Voorlezer neemt de Wetsrol in den arm en zeyt:

Het begin der maand.....zal zijn op aanstaanden.....dag, die voor

ons en gansch Israël ten goede kome!

De Gemeente en daarna de Voorlezer

De Heilige, geloofd zij Hij, doe haar [de maand] beginnen voor ons en geheel Zijn volk, het huis Israëls, tot leven en vrede, tot blijdschap en vreugde, tot hulp en vertroosting; laat ons hierop zeggen : Amen !

Heil hen, die wonen in Uw huis, voortdurend prijzen zij U, Sela. Heil het volk, dat iets zoodanigs bezit; heil het volk, wiens God de Eeuwige is.

Psalm 145. Loflied van David. Ik wil U verhefien, mijn God, o Koning! en Uwen naam zegenen immer en eeuwig. Eiken dag wil ik U zegenen en loven Uwen naam immer en eeuwig! Groot is de Eeuwige en zeer geprezen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk! Geslacht na geslacht roemt Uwe werken en Uwe machtige daden verkondigen zij. De schoonheid van de heerlijkheid Uwer majesteit, en de verhalen Uwer wonderdaden wil ik bespreken. Over de macht Uwer eerbiedwekkende daden spreekt men, en Uwe grootheid — ik wil haar verhalen. De herinnering aan Uwe groote goedheid doen zij als een bron opwellen en wegens Uwe gerechtigheid jubelen zij. Genadig en barmhartig is de Eeuwige, langmoedig en groot in genade! Goed is de Eeuwige voor allen, en Zijne barmhartigheid strekt zich uit over al Zijne werken. Al Uwe werken, o Eeuwige, danken U en Uwe vromen zegenen U. De heerlijkheid van Uw koningschap vermelden zij, en Uwe almacht spreken zij uit; ten einde den menschenkinderen Zijne machtige daden bekend te maken en de heerlijkheid van de schoonlieid van Zijn koningschap. Uw koningschap is een koningschap van alle eeuwigheid, en Uwe heerschappij over alle geslachten. De Eeuwige steunt alle vallenden, en richt op alle gekromden. Aller oogen richten zich vol hoop op ü, en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd ! Gij opent Uwe hand en verzadigt al wat leeft tot welgevallen. Rechtvaardig is de Eeuwige in al Zijne wegen en liefderijk in al Zijne werken. De Eeuwige is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem in waarheid aanroepen. Hij volbrengt den wil van hen, die Hem vreezen; Hij hoort hun smeeken en helpt hen. De Eeuwige behoedt allen, die Hem beminnen ; doch alle godde-loozen verdelgt Hij Den lof des Eeuwigen moge daarom mijn mond uitspreken; en alle vleesch zegene Zijn heiligen naam immer en eeuwig! — Ook wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid, — Halleloe-jah!

G

48

ocr page 401

nnnp nbön nö

iisiNi ifa nquot;D npiS ^'quot;pn

: naitaS t7N-iir,-t?3 irSy xan ^ ova ^ Vin

t : •• t : * t : iquot; t t ~ :•.•:• v i

n»| iö^quot;S| irb^ Niin -pa in^n» * nonabi * nnö^bi rity'ty1? * D1V261 D^nV * bniw

t t v; *r Ti' : i t : t : * - : •• t: •

.* \m quot;ion:I;

•' nbo

: vrfrK quot;v D^n n^K ib nMty D^n n^K

t v: *: v t t ••; ~ t it v quot;gt; t ••; -

ro^nw Tjbsn 'nibx ^paiiN in'? nVnn nop : nyi ribbn^i TjD^K DvVaa :

in1? in : i^n pK inbn^i tnd bbnai « Sna

nnn ^nin TÜ3 inn :

: nsnsDK nnbnii noN' n»nKquot;ii: nr^ : nn^x

VIquot; t IV: - -: I ; t : iquot; | iv ; pV:v t r t

Q-3K Tj'iN ♦» Dinni pan : WST ^jn^v1! W?. an nnv ; v'^Q-Sr^ vörm Vib «-aiü : non Snji

li t :quot; t t -: -; ▼: v ,T f T:

^niD^p 1122 : ^Tpm ?|^o-S| ^

nn mnm vnh^ü DIKH yninb : I-QT nminai

--: ; t : t t t •• ; • ^quot; r ; iquot; -; | ; t :

^jn^aai D^pVr^a mabp : iniabü

: D^isarr^1? ^in « -joio : ini

nnia : m^a D^a^-nK Dnb-rni: nnsi natr» ^bx Va

- ,,. ^. . t : t v v t I •• t - ; iquot; - : I iv ••

Tam vaTrVaa « pnï : jün ♦n-baV yïvw

* t : t t ; t : *: i ^ • - i t t : ^ r : ' i ivt

: nDNa quot;ipk bab vxip-bab « anp : v^o-Vaa

v v; v i\ tI: • v -: ; t ;l t : ▼: It t ^-: - t :

l* loity : tajwin vdw anyw-nx) namp;g, VKT_|1ÏI ♦ö nan* M nbnn : n»DïJ'» a^^m-ba vantt-Va-nK

- • ; • : - t :t ,t •• ; t -: t

n» Tinaj umKi : nyi it^ip oiy -i'^a-Va -inan

t i quot;t : ; 1- -; - •■'T T : ;it •• t t t | quot;t •

: nnVVn nn^.p

.yns Srui * .quot;inSnji ^p1 'a,n= -jmSui *

ocr page 402

OCHTEND-GEBED.

Op den Shalhath vóór het Wekenfeest en dien vóór den Qden Ah draagt

de Voorlezer na Ashré het volgende voor:

De Vader der barmhartigheid, die in de hoogten troont, moge met Zijn machtige ontferming in barmhartigheid gedenken de braven en rechtvaardigen en volmaakten, de heilige gemeenten, die hun leven hebben opgeofferd voor de heiliging van Gods naam! Zij waren bij hun leven [door God] bemind en Hem dierbaar en lieten zich ook door den dood niet van Hem scheiden! Sneller waren zij dan arenden, krachtiger dan leeuwen, om te volvoeren den wil van hunnen Eigenaar en het verlangen van hunnen Kots ! Moge onze God hen ten goede gedenken met de andere vromen uit alle tijden en in onze dagen, ten onzen aanschouwen wreken het vergoten bloed Zijner dienaren; gelijk geschreven is in de Leer van Mozes, den man Gods; Doet juichen, gij natiën ! Zijn volk, want Hij zal wreken het bloed Zijner dienaren en wraak oefenen op Zijne vijanden, en Zijn volk verschaft verzoening aan Zijn aardbodem! Én door Uwe dienaren, de profeten, is aldus geschreven: En Ik laat vrij, doch hun bloed laat Ik niet ongewroken, de Eeuwige toch troont te Tsion! En in de heilige Geschriften is gezegd: Waarom zouden de volkeren zeggen; waar is hun God ? Moge Hij onder de volkeren ten onzen aanschouwen bekend worden, als wraak voor het vergoten bloed Zijner dienaren! Ook zegt de heilige Schrift; Want Hij, die vergoten bloed opeischt, heeft ook hen herdacht; Hij vergeet niet het geschrei der bedrukten. En nog zegt de heilige Schrift; Eens richt Hij onder de volkeren die natie, die vol is van lijken, nadat Hij zal geslagen hebben het hoofd van een machtig land, die, omdat hij dronk uit den beek aan den weg, daarom trotsch zijn hoofd verheft!

De Voorlezer neemt de Wetsrol op en zegt:

Men prijze den naam des Eeuwigen, want hoog verheven is Zijn naam alleen.

De Gemeente: Zijne glorie is over aarde en hemel. Hij verheft den horen voor Zijn volk, tot lof voor al Zijue vromen, voor de kinderen Israel's, het volk, dat Hem nabij is; Halleloe-jah!

Psalm 29. Een psalm van David; Kent den Eeuwige toe, gij zonen der krachten, schrijft den Eeuwige toe heerlijkheid en macht! Kent den Eeuwige toe de eer van Zijnen naam, werpt U neder vóór den Eeuwige in heilig pronkgewaad! De stem des Eeuwigen over de wateren, de God der heerlijkheid dondert, de Eeuwige over machtige wateren! De stem des Eeuwigen verheft zich in kracht, de stem des Eeuwigen verheft zich in luister. De stem des Eeuwigen breekt cederen, de Eeuwige verbrijzelt des Libanon's cederen, en laat ze huppelen gelijk een kalf, Libanon en Sirjon gelijk het jong van den Reëm! De stem des Eeuwigen splijt tot vuurvlammen! De stem des Eeuwigen doet de woestijn beven, de Eeuwige doet beven de woestijn van Kadesh. De stem des Eeuwigen doet hinden baren en ontbladert wouden, en in Zijnen tempel zegt alles; heerlijkheid! De Eeuwige troonde reeds bij den zondvloed, de Eeuwige troont nog als Koning voor eeuwig ! De Eeuwige zal Zijn volk macht geven, de Eeuwige zal Zijn volk zegenen met vredeI

49

ocr page 403

nnrw nban w

■yah W.HJ 3X3 nyvn '«Si niyur vamp;v raca

D'POi? iip^ Nin • D^ni^n vaqi? * Q^ana pir mjrnn ax bj; QB'?: npöB' ripn ni^np • o^^p^ni ane^ni DTpnn on^p • nna: kS nniopi d^'ü? Q'P^ni o^n^n • orn namp;ip D-er. : D-jis f?ni D3lp pquot;2c*] ni^S naa nrgt;vpi èp! ri3X:Di nap: irr^.S -irp;? Dip^i; * dSÏJ; INI^-D^ natoS di. ^ lüv DM'ü irj-jn * miS^n üw npn niina ainsa : -parn 1T. Sy.i : laj; ino-jx nspi ms1? a^; npji • nip'! vnaj. 'aj^aai : ]m pi? y. * wp: ah op^ wiMi: • IbnS ama •ir.ry.1? Q^'as jnv! * Dri'd^ n?» n^wn npN1 nsS • ipw ^-jpn nar kS lar canw op^t trii ^ ipwi : ^la^'n ?]naj;; cn_ napj : nan |*gt;n: hz va-] fna mquot;»y nSb aMaa pi; laiNinnjj; npj;gt;-: rxn on; |a bv nnr? Snip

imsi Sa^na irgt;»nSi nsian p «iSinS iT2 n -i i n n i s d npi1? igt;quot;un

* nab lof »3 DB'-nN ibbn»

nbnri laj^ ain ; Q^iï] psi bv_ nm D^ir Snpm .* n^n inhp vn^n-^1?

T . i. •• t : • •• • • T*~I T:

un : i?) -1133 quot;b ian ^3 quot;b i3n Dib iidto taa

t! •* B'ip-ninns ^b nnri^n 1133 ^ n33 «-^ip ; d^d-V]? « D^-in D^n-1?^

: |ii3bn niK-nK « onix 13# « b)p : Tins quot;» Vip 3ïn r^ip ; D^NTf3 103 finfen pjs1? ^IDS DTp-|»1

Sip : ^npT iiip « W nsnp Vn» v/^p ' * nün'?

^ : quot;1133 ipj* 1V3 63^31 nn^» fprn m^K ^in» TO V Tp ^ : DbiyV rtVp quot;'3^1 3^ VuaS

: ai^3 ia^-nK

ocr page 404

OCHTEND -GEBED.

Terwijl de Wetsrol in de Arke geplaatst wordt, zegt men:

En als [de arke] rustte, zeide hij: keer terug, o Eeuwige! met de myriaden der duizenden van Israël. Begeef U, o Eeuwige! naar Uwe rustplaats, Gij en de arke Uwer macht! Uwe priesters mogen met gerechtigheid zich bekleeden en Uwe vromen jubelen! Ter wille van Uwen dienaar David wijs toch het aangezicht van Uwen gezalfde niet af! Want goede leering verschaf Ik u, verlaat dus Mijne Leer niet! Een boom des levens is zij voor hen, die aan haar vasthouden; wie haar steunt, is gelukzalig. Haar wegen zijn wegen vol liefelijkheid en al hare paden zijn vrede. Voer Gij, o Eeuwige! ons tot U terug, dan zullen wij in waarheid terugkeeren! Doe opnieuw onze dagen worden als vroeger!

Bijgevoegd-gebed voor den gewonen Shabbath, en voor dien, die met het Nieuwemaansfeest samenvalt.

De Voorlezer zegt half Kaddiesh.

Wanneer ik den naam des Eeuwigen aanroep, kent dan grootheid toe aan onzen God.

o Heer! open mijne lippen, opdat mijn mond üwen lof verkondige.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, God van Abraham, God van Izak en God van Jakob, groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God ! die weldoende gunsten bewijst en Eigenaar zijt van alles, en de goede daden der voorouders gedenkt en in liefde voor hunne kindskinderen den verlosser doet komen ter wille van Uwen naam;

{In de tien hekeeringsdagen zegt men:

Gedenk ons ten leven, Gij Koning, die leven wenscht, en schrijf ons in het bosk des levens om Uwentwille, levende God 1)

Gij Koning, die Helper en Redder en Schild zijt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham !

Gij, o Heer, zijt machtig in eeuwigheid. Gij zijt het, die de dooden doet herleven, krachtig om steeds te helpen;

(Van het Slotfeest tot het Paaschfeest:

Die den wind doet waaien en den regen doet nederdalen;)

Die de levenden verzorgt met genade, de dooden doet herleven met groote barmhartigheid, die vallenden steunt en zieken geneest en geboeiden losmaakt en Uwe belofte vervult aan hen, die in het stof slapen. Wie is als Gij, Heer der machtige daden, en wie gelijkt U, Koning, die doodt, doch weer doet herleven en hulp doet ontspruiten;

50

ocr page 405

mm? n^an a

D'IBIN Sainn quot;pn iBDn nï»3

quot; nop : SNÏE» ♦fiVK mam « quot;IÜN' n'n:ai

quot; Ti •* T : * ••: quot; T - -, ;

pnr^2^ ^:!i3 ; ^ |mi nnx ^nniip1? : ?]n^D ^3 DI myz : my ^Tpni

D^n-^ : inr^n-bK ^nnin DD1? 'nnj aiü n^ ^ nTiin^na-^i Dpquot;^quot;n rrrm : quot;iKgt;Ka n^ohi na D'pnna1?

T iv • ; t : ~ i •• ; - t iv t : t •-. : t iv ; : t I • • -:--

: Dipa li»»» i^in nn^:1!

vliv; iquot; t ••- tit: | iv •• ▼; iquot; * -; t

.nm niwh) mvh ?]Di22 n^sn

.ü'Tp isn isis ('quot;en

: irriSxS Si: «n N^pn quot; av v

iquot; •• vi t tI:v t:

: Ttnbnn 'ai nnan ■'nar

IIVT : * - t : * - T : T -;

'nbx Drriax irnüx irnbK ♦; nnx ^i3 Vn KiTi3ni iasn Vnan ^kh ♦ribw pnv» n^üi niaK non naiTi Van n:pi d^Iü onon Vaia • n2nx3 laty on^n 'pV

■mn ws na-an onm nv dsi .0quot;n n3D3 /31^)31 'quot;|103 'D '1J13r o^am n'^io) * D^nrnM? uanai • n^n? ^an ^Sp • D,,nS inar

: onnaN |ao » nriK ^na * poi ir^iDi quot;iriy TjVo

• 21 nm a^no n^na ♦♦ im nn«

•• : quot; t - • •• ••-;*: r ^ : r quot;

(* oamp;sn nnim nnn ansto □nnis tcet 'n dtgt; e)DTO nï nixr iji»» c)Di» j»)

TjOiD D^I vmiz orna n»np npna Dquot;n Vabpp

* mjiöK D^QI aniDK Tnai a^in Njain1! ™ai rvpD TjVa rib nain 'pi nimaa S^3 ?|1m »p

* n'Dïpi

ocr page 406

B IJ GEVOEGD-GEBED,

(In de tien hekeeringsdagen: Wie is als Gij, Vader der barmhartigheid 1 die Uwe schepselen ten leven gedenkt mek barmhartigheid!)

Gij zijt vertrouwbaar, dat Gij de dooden zult doen herleven ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven!

Gij zijt heilig en Uw naam is heilig en heiligen prijzen U dagelijks, Séla; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! (in de tien hekeeringsdagen: heilige Koning.)

51

Voor den geivonen Shabbath:

Gij hebt den Shabbath ingesteld, met welgevallen zijne offers voorgeschreven, hebt zijne nadere toelichtingen als geboden verordend, evenals de orde zijner plengoffers; zij, die hem als een genot beschouwen, zullen tot in eeuwigheid eer deelachtig worden; die hem genieten, erlangen het eeuwige leven en ook zij, die woorden omtrent hem gaarne hooren, hebben het hoogste goed verkoren ; reeds toen, van den Sienai af werden hun aangaande hem [dien dag] geboden gegeven en hebt Gij, Eeuwige, onze God, ons bevolen op dien dag het bijgevoegde offer voor den Shabbath naar behooren ie brengen. — Moge het U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, welgevallig zijn ons in vreugde naar ons land op te voeren en ons te planten op ons gebied, opdat wij daar vóór Uw aangezicht onze verplichte offers kunnen bereiden, de gedurige [dagelijksche] offers naar hunne orde en de bijgevoegde offers naar hun voorschrift. Ook het bijgevoegde offer van dezen Shabbathdag

Voor den Shabbath, waarop het Nieuwe-maansfeest invalt ■.

Toen Gij Uw wereld in de oudheid hebt gevormd, hebt Gij Uw werk voleindigd op den zevenden dag; Gij hebt ons bemind en in ons welgevallen gevonden en ons verheven boven alle talen en ons geheiligd door Uwe geboden en ons doen naderen tot Uwen dienst, Gij, onze Koning 1 en Uwen grooten en heiligen naam over ons genoemd ; Gij gaaft ons. Eeuwige, onze God ! met liefde Shabbathdagen tot rust en Nieuwe-maansdagen tot verzoening; doch daar wij zoowel, als onze voorouders, gezondigd hebben vóór Uw aangezicht, is onze stad verwoest, ons heiligdom eenzaam geworden, ging onze glans in ballingschap en werd alle heerlijkheid aan het huis van ons leven [onzen tempel] ontnomen en kunnen wij onze verplichtingen niet meer vervullen in het door U uitverkoren huis, in het groote en heilige huis, waarover Uw naam genoemd is, wegens de hand, die aan Uw heiligdom geslagen is. — Het zij U dan welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, ons in vreugde naar ons land op te voeren en ons te planten op ons gebied, opdat wij daar vóór U w aangezicht onze verplichte offers kunnen bereiden, de gedurige offers naar hunne orde en de bijgevoegde offers naar hun voorschrift. Ook de bijgevoegde offers van dezen Shab-bathdas: en dezen Nieuwemaansdasr


ocr page 407

epio nban

c D'orji? D^nS inis^ ■oir • D^orjnn as ?i1od iq d^di» n'^a)

: D»nan n^no « nnK Tpa • D^rio n^nn1? nriK \mn

• n^D DI* VDS D^npi ^nj5 nriK

0 rnpn «wn m^a) ; quot; nriK -jns

wnn dnh na»1?

n^3 onpD nnx

t r vhv • | : t t :i-t t -

uniK rianx Di'3 ^nsKVp unooi-n 123

: quot; t • it : - : it t r t:

i:3ba ^n'ivüa •nntsnpn

irn^K « uVrnm * nxip

t-: - ; iquot; v: *: it I v r - t itIt

D^in ^NiTi nni:ab ninaiy

rr; •• t : t : • t -

umK laKunty * nnisD1?

; 1- -: I iv t : it t v • : t t - :

n»3 DO^I nnin wniSKi

.. t : iquot; t : t iquot; -: -

n»3a 1133 VtSJi ^quot;ip* nb:quot;)

•• • t - ••.: iquot;It ; t t : r* tI : •

i:m« ^KI •

Vnan ngt;33 ^nyn^ n,33 ,irni3in

t - • i— I iv t • : •• : iquot;

♦:ap ïjOK' ^n^rri

pin ♦n» : ^quot;ipps nnbn^3^ TH 1:^13« ♦PIVKI irnbj^ « wshn

iquot; -: •• quot; iquot; v: ▼: I iv t : •

ujpErn nno'cgt;3 vhynp nx nvy: Q^I vbvn Dquot;nD3 crTan irn^in nij3quot;ip

t : • : • • ; i- ; ;|t

♦SDiD'nxi * oro^rD D^DIQI

•• : v ; t t : • : • t

B'Tnn B'NT dvt mn m^n DI^

«3

raw1?

pquot;ipn oquot;s

n^m /n3B' n:3n

t r t t - t : 1- •

nnï * n^mmp

t r * t iv : :It

nno Dp n^iiö

... t iv

D^y? ' n*3D3

t : t iv •. - : t iv t ;

n'a^iü * V?ny 1133

t iv it : • t

D^nixn D2i * 13T Dquot;n

• -; t - ; t

• nn3 nn3i

it t t •.. ; t iv t :

' mv: ^dd

t iv t quot; : • - • • t

3nj!5n^i:»iibN»nmrii nSE' «]D1Q |3-1|5 n3

fiïn »n; :

quot; ^♦Jöbö

1** v: ▼: I iv t : •

vbynp irni3K

mntsS nnp^3

*

n'TO DB'i

* u*ni3in niJ3quot;ip-nK

iquot; : :l t

a-nD3 an^n

* onsbns D^DIOI

t t : * : • t

ns^n av ^p^-nN-i

ocr page 408

B IJ GEVOEGD-GEBED.

zullen wij met liefde bereiden en brengen vóór Uw aangezicht, naar het gebod van Uwen wil, zooals Gij het ons hebt voorgeschreven in Uwe leer door Uwen dienaar Mozes naar de uitspraak Uwer heerlijkheid; gelijk er gezegd is:

En op den Shabbathdag: twee schapen, onder het jaar, zonder gebrek ; en twee tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, en zijn plengoffer. Dit is het Shabbathbrandoffer op eiken Shabbath, behalve het gedurige brandoffer en zijn plengoffer.

{Op het Nieuwernaansfeest; Dit is het offer voor den Shabbath; en ook het offer van [het leest van] heden [zullen wij dan brengen], gelijk er gezegd is:)

52

Voor den gewonen Shabbath:

Zij verheugen zich in Uw koningschap, zij, die den Shabbath in acht nemen en hem een genot noemen, het volk, dat den zevenden dag heiligt; allen verzadigen en verlustigen zij zich in Uwe goedheid ; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd; Gij be-stemdet hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust; heilig ons door Uwe geboden en laat Uwe leer ons deel zijn; verzadig ons met Uwe goedheid en verblijd ons met Uwe hulp, en reinig ons hart om U in waarheid te dienen; en doe ons. Eeuwige, onze God! in liefde en welgevallen Uwen heiligen Shabbath deel-

Voor den Shabbath waarop het Nieuwemaans-feest invalt:

En op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer brengen voor den Eeuwige: twee jonge stieren, jonge runderen, en één ram, zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En het daarbij behoo-rende meeloffer en hunne plengoffers, gelijk er uitgesproken is: drie tienden [van een Epha] voor eiken jongen stier en twee tienden voor den ram en één tiende voor elk schaap; en wijn, naar het daarbij voorgeschreven plengoffer; ook een bok, om verzoening te doen; benevens de twee gedurige [dagelijksche] offers naar hun voorschrift.

Zij verheugen zich in Uw koningschap, zij, die den Shabbath in acht nemen en hem een genot noemen, het volk, dat den zevenden dag heiligt; allen verzadigen en verlustigen zij zich in Uwe goedheid; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd; Gij bestem-det hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

Onze God en God onzer voorouders 1 schep behagen in onze rust en laat voor ons op dezen Shabbathdag deze maand beginnen ten goede en ten zegen, tot vreugde en blijdschap, tot hulp en vertroosting, tot verzorging en levensonderhoud, tot leven en vrede, tot vergiffenis van zonde en kwijtschelding van misdaad ; (in de schrikkelmaand: en tot verzoening van misdrijf;) want Uw volk Israël hebt Gij uitverkoren boven alle natiën


ocr page 409

epiD nbön 2:

103 nnnxa ^jöb anp:i; nrn

: quot;110^5 ^nuD ^p n^o ^nnin|

DD»on njE'-^a na^n DI^I

: •v •• : * • : t t •• : * t : •• ; t - - ;

irdEO nSgt; : ISDJI. fpfa nbibn nnjp nVp : nspJi Tpnn nV^-b^

c nioxa orn p-ipTi jan;? nt «in pnh ra^S)

.Din i?sn rac;1?

ons nV^ mnpn D^tnn ^xnni

•t t~ t rl: - v •• : t •• t:

^30^33 TO VKID^IpD^S

•• : t : tv * i- : *1- : itt •• :

Dn^Dii DnniDi : DO-an

•.•••:•: t t : * • • : *t : ' t t

nöb ni^ *13103

•• : t - • ; t ; t •

2^33 / p^l

an^on -imS y$'v\ 130^3

: □n3^n3

t t : • :

wipi ns^ npts' ^jnDVos moi^ Db3 * ^-ipo vy ypr T~fn] ^itsp Ktym 1^3^»

* n«quot;ip iniK d^ nion in^pi 13

t itit * t - : v : -| • ;

: n^Ni3 riamp;vrt 13? unrnjos nin 1:^13« rtbw irnVx tik ntn n3^n dv3

t - - : iquot; t ••- :

?i^b • ro-Q^i n3iül7 nrn ^inn

i t : t t : • ; t : v - v 1 -

nons1? * * nnoE^

t t : - : t t v : t t : • :

* DiV^i o^nb *

-•;• t: *-; t t : - :

(^s nnsaSi 1«^ nn^pl?i «pn

• niSKn-^D mra bxiw 10^3 »3

*.. t t t : r t •• t : I . - :

.na»1?

^Tjpi ns^ noity ♦Enpo xy ^3f ♦ Dbs '

^itsp 13 rvjn

D*p* rn_pn in^-ipi quot;i3t - n«*ip iniK

viquot; t it i t

: n^Kquot;i3 n'^p1? i:^ip i:nni]03

,.. .)- iquot; t ; •

lipbn jni ^nivps '3^3'^ ^nnirns unpEn ^3i£3p vzb nnai npsjs

v.

n3^ |iï-i3i n3nK3


ocr page 410

B IJ GEVOEGD-GEBED.

53

Voor den Shabhnth waarop het Nieuwemaans-feest invalt ■.

en hebt hun Uwen heiligen Shabbath bekend gemaakt en voor hen de wetten der Nieuwemaansdagen vastgesteld; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath en Israël en de Nieuwemaansdagen heiligt!

Schep behagen. Eeuwige, onze God, in Uw volk Israël en in hun gebed; en breng den tempeldienst terug in het binnenste van Uw huis, opdat Gij Israëls vuuroffers en hun gebed in liefde welgevallig zult aannemen, en steeds zij welgevallig de eeredienst van Uw volk Israël!

En onze oogen mogen het aanschouwen, wanneer Gij met barmhartigheid naar Tsion terugkeert; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert!

Wij danken U, dat Gij zijt Bij de herhaling van het gebed, zegt de Eeuwige, onze God en de de Gemeente, terwijl de Voorlezer oni» ~ - - zegt, het volgende:

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God 'onzer voorouders, de God van alle vleesch, onze Vormer, de Vormer van het Scheppingswerk; lof en dankzegging [brengen wij] Uwen grooten en heiligen naam, dat Gij ons hebt doen leven en doen voortbestaan! Zoo moogt Gij ons laten leven en ons laten voortbestaan en onze ballingen verzamelen naar de voorhoven van Uw heiligdom, om Uwe geboden in acht te nemen en Uwen wil te volbrengen en U van ganseher harte te dienen; [wij danken Ü ervoor] dat wij U kunnen danken; geloofd zij de God der dankzeggingen!

morgens en des middags [op te merken] zijn; Gij, Algoede, Wiens barmhartigheid niet eindigt; Gij, Al barmhartige, Wiens genadebewijzen niet ophouden,-—-van oudsher hopen wij op U !

{Op Chanoekka zegt men: 'Al Hanistiem (hlz. 36).

En voor dit alles worde Uw naam, onze Koning! steeds geloofd en verheven immer en eeuwig;

{In de tien hekeeringsdagen:

Eu schrijf in voor een goed leven al de leden van Uw verbond!)

En alle levende wezens zullen U danken, Sëla! en Uwen naam in waarheid loven, o God, onze hulp en onze bijstand, Séla I Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam //de Algoedequot; isenWien het past te danken!

Voor den gewonen Shahhath:

achtig worden, opdat daarop mogen rusten Israël, die Uwen naam heiligen; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt!

God onzer voorouders, immer en eeuwig. De Rots van ons leven, het Schild onzer hulp zijt Gij voor alle geslachten ! Wij danken U en verhalen Uwen lof voor ons leven, dat in Uwe hand is overgegeven, en voor onze zielen, die aan U zijn toevertrouwd, en voor Uwe wonderen, die eiken dag met ons geschieden, en voor Uwe wonderbaarlijke weldaden, die ten allen tijde, des avonds, des

ocr page 411

epiD nVan

.unn wsn raw1?

DnV na^i ^iquot;)3 • n^2p an1? a^snn

I T T~ITlT V T * Tt; *• T

na^n ^ipo « nnx

pan □••Ti»

^ Nin nnNK' wm?? a1!!» quot;'.i'w -irniDN 'HSNI. wjf^j ntis jTtrN-Q nsi1 wnvv t^3 Sa hy Cnj^ni Snari ^otJ'S nlxnini uo^nm? p wni?!pi wri^n^v'

nnsnS -wnrSa Tjiaj/S-i ïjjISI m'^Si io^S * nnio Sj; DW' aaSa : nwTinn Sx ^na

: D^in

t ▼:

rnin^n-nx n^rn - onbsnai « np;

hzpn nariKS nn^sm 'm] ^3

* m_in^; n^ari iivn1? ♦nni pïquot;j3

innan « nnx -jna * D^pnns |i^b 13*3^ nyrnni : pvb

KinnnxB'Ti1? i3n3K onio

t - t (t ; i- -:

13^13« ♦ribxi 13^« « f30 13^0 nv * nyi nbty1?

* ni-n inb «in nnx 13^*

t : T - *!••:•

* ^nbnn ^0031 ^ n-ii3 by) ?|TT3 aniDsn i3«n ^ bw ^ ni-npsn wnfom by) 133^ DI^DStf ^D3

3 3it3n onnvi -ipbi 3^ n^-i?33^ n»ni3it3i n»niKbs3

• it*: t : lv 1 t vnv t ; v | iv : J iv : : *

• Tjb 13^ D^I^D ^non isrr^ '3 Dnipni ^onn i^rxb

.(V1? 5iia D'DJn by nauna)

* tbtyh us1?» ?|ö^ Donnn, ^isn» obr'^i

c Tjnn? '3? (Sa) d^Id Dquot;nS alnsi nawri 'o' mrra)

vnvrw\ bNn noN3 ^0^ HN ^brn HVD D^nn Vai : ni-iin1? nN3 3iüin ♦; nriN ^ns * r6p ^ni^i

33

.nacS

na imin • ^[5 - ?|D^ Vkïe» « nnK -]n| : na^n

ocr page 412

B IJ GEVOEGD-GEBED.

Bij het herhalen van het gebed zegt de Voorlezer:

Onze God en God onzer voorouders I Zegen ons met den in Uwe leer uitgesproken drievoudigen zegen, die voorgeschreven is door de hand van Uwen dienaar Mozes en uitgesproken door den mond van de priesters Aharon en zijne zonen, gelijk er gezegd Is: De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede!

Geef vrede, heil ea zegen, gunst en genade en barmhartigheid ons en gansch Uw volk Israël; zegen, onze Vader! ons allen te samen met het licht van Uw aangezicht! Want met het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven, Eeuwige, onze God, de leer des levens en de liefde tot genade en welwillendheid, en zegen en barmhartigheid, en leven en vrede; o, moge het goed zijn in Uwe oogen, om Uw volk Israël in eiken tijd en elk uur te zegenen met Uwen vrede!

(In de tien hekeeringsdagen:

In het boek van leven, zegen en vrede en ruim levensonderhoud mogen wij herdacht en opgeschreven worden voor Uw aangezicht, wij zoowel als geheel Uw volk, het huis Israels, tot een goed leven en tot vrede; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper van den vrede 1)

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.

Mijn God! bewaar mijn tong voor kwaad en mijne lippen voor het spreken van bedrog; moge mijne ziel zwijgen tegenover hen, die mij vloeken, en moge mijne ziel tegenover ieder zoo nederig zijn als het stof! Open mijn hart in Uwe leer en moge mijne ziel Uwe geboden najagen! En allen, die kwaad tegen mij beramen, o, verijdel spoedig hun plan en vernietig hunne gedachten! Doe het ter wille van Uwen naam, doe het ter wille van Uwe rechterhand, doe het ter wille van Uwe heiligheid, doe het ter wille van Uwe leer! Opdat de door U beminden gered worden, help met Uwe rechterhand en verhoor mij! Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser. Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede voor ons en geheel Israël; zegt hierop: Amen!

Het zij U welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij U in eerbied dienen, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid. Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offergeschenk van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden en ais in de jaren der oudheid.

54

ocr page 413

epiö nbsn

•('vn isis n'TBnn nitna

n' hv nainan mins rnrWan roiaa «sta irniax TiSNi irnSx

••: *- t : - t - v iv •.. : - t t: - ••* -:t i** •• •• iquot; v:

: hons ïfitfni? Dj D^ria na-i jinx ,|sp nnie^n n^o DC';I ÏJ^SJC VJS v. Nf1 : ?i3n,i T'SN VJS ^ in; : V;

(p'ST, Tl1 |3 OW) : DiVtf ?]S

bp) own noni rn na^oi naii: DiSty

: r* : v iv t i •• t t : t . t

-iisï3 insia 13^3 irnK iwia ^ S«Ttr^b3

: tv: it %. r r iquot; -:t I i. - •• t: • t

nanNi D«n nnin ^ nn: iiks »3 ^»33

--1 - : • - - iquot; v: *; it t i- t i iv t : • p iv t

Tina1? siüi di1?^,i D^m D^nii npnïi quot;ion

) •• t : | iv : : t : • - : • : t t ; I t t : v iv

nawn 'n' rnt'i'a)

TjajrSaiwmK ^i^s1? araji -imj naiü najigi DlSri nan? n^n isd? c DlW'n nrr ^ nrw rjna • Di^Vi Q'aito Dquot;n^ n,3

: DI1?^ isjrm ^apn « nnx Tjiia

TÖ: ,,?l?ppl?,) nonü ^Tp ♦nö'E'i vyi iï: ♦riVN ^nnina nna : n^nn Vaquot;? nays aim

nan nnnp njn Q^^inn VDI. ^iTin

* ïjDE' • onn^na bpVp onï^

• ?]nnin \^b n'^ * nt?# * ^:;p^

'ö-npN pïnb vr-i' : ny^in pïVn»

Kin VDinaa diV^ nfcty : mï « T,^1? ^ : |ü« mpKi VKnir^ ty) irby niV^ nfrjr nnnoa tropen n1? na^ wnü^ ^hSni «quot;'.nS?? \) p'ri a^rai DSIgt; nNT? Iia^a d^i. : ^nnin? W^Ö 1^1 w»;? : nrionp a^t^ai aSij; dS^iti min1 nmo quot;S naiyi : nvimp

:l- • t ; t •• • «it t t : - : • t~ t : t : * ;l~

ocr page 414

BIJGEVOEGD-GEBED.

Bij de herhaling van het gebed, begint de Voorlezer na DTiiin rrna aldus;

Wij willen Uwe macht en Uwe heiligheid uitspreken, naar de wijze, waarop die uitgesproken wordt door de vergaderde heilige Serafiem, die Uwe heiligheid in het [hemelsche] heiligdom verkondigen; zooals er geschreven is door Uwen profeet: En de een riep den ander toe en zeide: {De Gemeente;) Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de gansche aarde! {De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Van Zijne heerlijkheid is de wereld vervuld ; Zijne dienaren vragen elkander: waar is de [eigenlijke] verblijfplaats Zijner heerlijkheid? Zij, die tegenover hen staan, zeggen : geloofd ! {De Gemeente:) Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats ! {De Gemeente en daarna de Voorlezer;) Van Zijne verblijfplaats wende Hij Zich in barmhartigheid en begenadige het volk, dat des morgens en des avonds de eenheid van Zijn naam uitspreekt, en steeds eiken dag tweemaal met liefde zegt: Hoor! {De Gemeente;) Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig! {De Gemeente en daarna de Voorlezer;) Eenig is Hij, onze God, Hij is onze Vader, Hij is onze Koning, Hij is onze Helper; moge Hij in Zijne barmhartigheid ons ten tweedenmale voor de oogen van al, wat leeft, laten hooren-. om U tot God te zijn! {De Gem.;) Ik ben de Eeuwige, uw God!

Op eenen Shahbath, waarop Ofan gezegd is, wordt een der onderstaande met Elohéchem beginnende stukken hier ingevoegd. *)

{De Voorlezer;) En in Uwe heilige woorden is aldus geschreven: {De Gem. en daarna de Voorl..-) De Eeuwige zal dan in eeuwigheid regeeren, Uw God, o Tsion, door alle geslachten; Halleloe-jah!

{De Voorlezer:) Alle geslachten door willen wij Uwe grootheid verkondigen en in alle eeuwigheid Uwe heiligheid uitspreken, en Uw lof, o onze God, zal nimmer uit onzen mond wijken tot in eeuwigheid, want een groote en heilige God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige Godl {in de tien békeeringsdagen; heilige Koning).

*) Op den Shabbath, waarop het Niemcemaansfeest invalt:

Uw God late Zijne zon stralen in het zevenvoud van hare kracht, moge de maan bij hare vernieuwing stralen gelijk de zon ;') dan moge de Nieuwemaansdag, als hij weder heilig verklaard wordt, opnieuw zijne verzoenende werking doen, zoodat die dag weder zijne functie verricht en men aanschouwt de heiligheid van Gods Majesteit, op eiken terugkeerenden Nieuwemaansdag en op eiken nieuwen Shabbathdag. — {De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

Op een Shabbath, waarop eene besnijdenis plaats heeft:

Uw God ben Ik, Ik gedenk het verbond [der besnijdenis]; zie, Ik zend voor Israëls rest hem, [den profeet Elia, den bondsengel] die eens zich schuil hield in het dal Kerieth2), (die voor zich uit alles schoonvegen en moedwil uitroeien zal;) om heil en vrede te verkondigen op het einde der dagen; dan mogen allen, met wie het verbond is gesloten, weten, dat Hij het is, die verkondigt aan Tsion: Uw God regeert, gij glansrijk stralende ! — {De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

55

ocr page 415

tjOiö- nbsn n3

nunp i»isi /Hipa nSsnn inn yquot;m

ïjpï? a^npan ^ quot;sn^ n-'^ iioa ^ïn^3

nr Vn i-it • ^svn: -i» 2in23 pKn-^D K^Q ni*oï M i^np trnp t^np ^-'v • quot;iüni

i v it t t : t : ▼: it it it - t :

nquot;» n6 PIT vm^a Kba 1-1123 'n ; msa

••- vt v * -: t -:t ; t ^ •• t : :

« 1122 Tp-D quot;quot;P : ^naN, Tjni 1H22 Qlpo

onnpn dj; firn Q^pnia «in loipsp: iDipap : onpiK ym Tpn di^ bsz ipni 10^

Kin TIN 'n : in« « paty quot;quot;v

iquot; v: t v t v ▼: iquot; ••; ▼: •• t : • ^ - :

VDnna i:^pf! xini * IJ^^ID NIH i^bo Kin irnK Nin : DD^ri^N « nquot;iP : D^N'b DD^ nvnb ^-^3 ♦r^'p nvp

.(naah O'DBun) Da-'nSjc JX3 tï»Sgt;D1Ö jaw mrnvD

D^i^b i' Tj^ö» quot;quot;v : ivnh nina nanm : nnbbn ini inb pgt;v ■irnS^ o'ns? ns;^ TiSna nvj. nni inS t,n

• nnx rn|7i Siia ^Sa Sn ^ aSigt;S rio; nS wsq

c rinpn r)San : e^npn bxn ^ nntst ^ns

.cm CNquot;I nat;1?

rap * TB^rwpi nn«n * innia^i? • ira?' nnp. D:rn%

• itrarS avn m * imss c'-nnS * ir^pnna trinni * innnr

t tt ~ ••quot; ; :l~ ; * ; v i - : t *:

pip ^m2i v'un :in3tf?fi3tr nai •i^-jnau'in^a •Inratrnrtp nirn

.nVquot;» ri'ia nacS

Sna? quot;riprnN* * nnx-fS nSw nan * nnan isii yx aa^n'Sx VT. * nnqK? DiWi aits itra^ * (nn?: |nn rjaS naai) * nns tt ^2quot;131 : nnint ^Sa laijc * nn? inn3-S3 mi

') Vgl. Jes. 30,26; waar voor de toekomst aan de hemellichamen groo-tere glans wordt toegezegd. Vgl. Jes. 66,23. *) Vgl. I Kon. 17,3.

ocr page 416

BIJGEVOEGD-GEBED.

De Voorlezer vervolgt de herhaling van het gehed en zegt Kaddiesh Thithkdbbal ; daarna wordt het gebed aldus voortgezet:

Niemand is als onze God, niemand is als onze Heer, niemand is als onze Koning, niemand is als onze Helper! Wie is als onze God, wie is als onze Heer, wie is als onze Koning, wie is als onze Helper? Laat ons danken onzen God, laat ons danken onzen Heer, laat ons danken onzen Koning, laat ons danken onzen Helper! Geloofd zij onze God, geloofd zij onze Heer, geloofd zij onze Koning, geloofd zij onze Helper! Gij zijt onze God, Gij zijt onze Heer, Gij zijt onze Koning, Gij zijt onze Helper! — Gij zijt het, voor Wien onze voorouders het reukwerk van specerijen in rook deden opgaan!

De samenstelling van het reukwerk: balsem, zeenagel, gal-banum en wierook ieder tot een gewicht van 70 Mané. Mirre en kassia, halm-dunne nardus en saffraan, ieder tot een

Op den Shalbath, waarop de afdeeling Berésliieth gelezen wordt:

Uw God zal eens Zijnen dienaar [Israël] verstand schenken, dan zal Zijn zetel gevestigd zijn als van den beginne; Hij zal de stad op hare puinhoopen herbouwen en het paleis [den tempel] herstellen en [den Drenk van] Zijn altaar heelen om de plaats der plengoffers te herstellen; zal de maagd van Israël vrijlating toeroepen, zoodat zij vrij zal zijn;zie, dan zal de kracht van Zijn toorn Zijne tegenstanders verstrooien als met een alles tot zwijgen brengenden, scherpen wind, en zal Hij regeeren over het volk, dat den Shabbath der wereldschepping in acht neemt. — [De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

Op den Shabbath van het Inwijdingsfeest:

Uw God zendt eens Zijnen gezalfde, die zich siert met den gordel van rechtvaardigheid en trouw; die den booswicht doodt door den staf van zijnen mond, den vijand te gronde richt; ') zoodat men wegens de wonderen geheel Hallel zal uitspreken, daar men ['Esau] thans den jongeren broeder [Jakob-Israël] niet meer tot slaaf maakt; nieuwe kennis doet Hij dan ontstaan, zoodat men zijn oor neigt om te luisteren en het niet meer zwaar maakt [om niet te hóoren] a); den glans van het bekoorlijke heilige gebied zal Hij herstellen en ons ten deel doen vallen, dan zullen wij zingen den psalm van David tot inwijding van den tempel. — (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

Op den Shabbath na den Qden Ab:

Uw God zal ten tweeden male Zijne hani uitstrekken om uwe verstrooiden te verzamelen; zal den tijd verhaasten, waarop men zal zeggen: «gaat heen uit uwe boeien!quot; Hij zal Zijnen bondsengel [Elia] zenden om uw hart [tot Hem] terug te brengen 3); baant voor hem den weg, zoodat de kromming tot een rechten weg wordt, — en Hij zal u naar Zijne stad verzamelen; gij, die den Shabbath in acht neemt, hij is een verbond tus-schen Hem en u; looft Zijnen naam en gunt u geen zwijgen; zoo waar Zijn heilig aandenken leeft 1 //troost,quot; spreekt eens uw God; //want Ik ben uw Koning en zal over u regeeren 1quot; — (De Voorlezer: En in üwe heilige woorden enz.)

') Vgl. Jesaja 11,4—8. 3) Vgl. Jes. 6,10. 3) Vgl. Mal'achi 3,23 en 24.

H

56

ocr page 417

tjDio nban u

.t31nSgt;s3 jin D'iuiN TNi Sap/in oiTp i»in nSsm ms : 13^^103 pN • 133b03 px '

: vyvfoi V * lisVpD * ir^n^p »p • irribx^ »0 nni: • i^Sab nnu * irinxS rni: • li'rtSNl? nnu • tóp Tp-D * ^13 • irnbN Tjiii': ujrtfia*? nriK • xin nm * i:^n nih nnK :

li^nüN wn nnK : I^^ID nnx • nabp Kin

: D^pdh niipp nx Sp.K'p • npbni ni^nnquot;) païni nvn nitpjpn Ditsa b3iD) ly nb'zv n^vpi quot;io * ma

.n^oNia nat»1?

pquot;Dgt;s'i hj^ n-?ri Sj; i^n • n^np? wp? jü? naj S^è*:

nn?j?S Nnp nn^ * n^nV ^sj Dippi jcst inaiai • rrtf; •)W on W ' mr-nq f1?; ropT iayr pin n:n • n^an nnrn T-ip 'wai r'^'n : nv^i? mtf

.n3i;n rap1?

rsMt?3 iT'p; yenn • naiosni p^ n'w Tn^p nS?^ 05^% n^-jn njn * n^np yys np^ hbn avxi byj • ras;: tik

IT'JI • -vm Dpip; rip bw iiipn inn ' TSpnp JW man Vw

rv yvn : nn'p n?jn yv nloia

.i8nj ra'ü1?

• DsniDxp ingt;- ioxS nyn • aynws? papS tt .ypv D^riSx iv'vh 3pj?0 ^ni -us ü-)t • op??1? a^nS nSf: inna -jxSpi

1W «l? •D5V,21 Ir? nm nn? nar anpitvn • D5??p;. n^Si D3|^p Kin IJJ? '3 • D5\i^ iüv iaai i^ii? na?, gt;n • opS 'ai -unn r^v '-o™ rquot;^ ; np-'Sï. TjSpxi

ocr page 418

BIJ GEVOEGD-GEBED.

gewicht van 16 Mané. Costus 12 Mané, specerij bast drie, en kaneel 9 Mané. Loog van Carshiena 9 Kab, wijn van Cyprus drie Sea en drie Kab; en indien men geen wijn van Cyprus heeft, neemt men zeer ouden witten wijn. Zout van Sedom een vierde (van een Kab), een weinig van het kruid Ma'alé 'Ashan (dat den rook doet opstijgen). Rabbie Nathan zegt: ook een weinig hars van den Jordaan. — Indien men er honig heeft ingedaan, heeft men het ongeschikt gemaakt voor olfergebruik; en indien men een van al zijne specerij soorten er aan laat ontbreken, is men den dood schuldig. Rabban Shim'on, de zoon van Gamlieël, zegt: de balsem is niet anders, dan de hars, die van den balsemstruik afdruipt. — De loog van Carshiena dient om daarmede den zeenagel af te spoelen, opdat deze schoon zij. De wijn van Cyprus dient om daarin den zeenagel te weeken, opdat hij sterk van geur zal zijn. Hiervoor zoude immers ook urine geschikt zijn ? doch men brengt uit eerbied geen urine in het voorhof.

De liederen, die de Levieten zeiden in den tempel: op den eersten dag [der week] zeiden zij [Psalm 24, die begint met de woorden:] ,/Den Eeuwige behoort de aarde en wat haar vult, de wereld en die haar bewonen!quot; Den tweeden dag zeiden zij [Psalm 48]; «Groot is de Eeuwige en zeer geprezen in de stad van onzen God, Zijnen heiligen berg!quot; Den derden dag zeiden zij [Psalm 82]: «God plaatst zich in de gemeente Gods, te midden van rechters houdt Hij gericht!quot; Den vierden dag zeiden zij [Psalm 94]; «God der wraakneming. Eeuwige, God der wraakneming, doe Uwen glans stralen !quot; Den vijfden dag zeiden zij [Psalm 81] : «Laat jubeltoon klinken voor God, onze Sterkte; juicht voor den God van Jakob!quot; Den zesden dag zeiden zij [Psalm 93]: /fDe Eeuwige is nu Koning, heeft Zich met hoogheid bekleed, bekleed heeft Zich de Eeuwige, met macht Zich omgord; nu staat ook vast de wereld, wankelt niet meer!quot; Op Shabbath zeiden zij [Psalm 92]: «Zangpsalm voor den Shabbathdagquot; ; een zangpsalm namelijk ook voor de toekomst, die komen zal, voor den dag, die geheel Shabbath en rust zal zijn, voor het eeuwige leven!

Rabbie Eli'ezer zeide uit naam van Rabbie Chaniena: de leerlingen der wijzen [de wetgeleerden] vermeerderen den vrede in de wereld, want er is gezegd : Indien al uwe zonen leerlingen des Eeuwigen zijn, dan zal groot zijn de vrede uwer zonen; lees [verklaar] niet: BOnajich (uwe zonen), maar BOünajich ,{uwe opbouwers). Groote vrede [valt ten deel] aan hen, die Uwe leer beminnen, hun ligt geen struikelblok in den weg. Vrede heersche binnen uwe muur, welvaart in uwe paleizen!

57

ocr page 419

s]Diü rhtn tj

♦ üB'pn * n:o b^p nj^fn nr^quot;i3 nn'3 - n^i^n ji^pi • nvbv naibp Iquot;, ib pn DKi • arbr} pa^ xnbri pxp ppnaj? p» * pap 0(511) pan n^piiD nba : |nin non N^D ppnsp quot;ba p.Tn nsp e]K ipix |n: * Ninty b| |^t nb^a n;:ap bsp nn^ ipn dn •n'pDö B'p'i na jn: dni

n^k irk nifn • ipix fa jai/ : nn^p rrn nx na pa^f nrtrna nn'a : tj^n ^y_t2 f)t2i:n «pfr p'sïn nK ia p-ii^^ ppnap p»: hn: nhd^ na • pain pp^ap pKf xbK n) pa; d^i. »p fórn : n?^ xnm 'na : maan ♦jsd mrpa d^quot;i 'ü

T - •• ; • TT ; T • I- : -

.n'^S DnSID 'Dttl Tön 'DO C}1D

ptrN-in Di»a : Enpan rraa DnaiK vn D»ibnir ypn ' na ♦afin ban nNi^pi pixn «•? - anpiK vn quot;in irn^x -17a ino bbnoi « bna ♦ onpix vn u^'a ai^a Vk nn^a aïj on^K * onpiK vn ^btfa : i^ niD^j Vn « nio^ bx • onpix vn ^♦aia : uhp\ onVx i^nn uri^ vrbn)gt; • onpiK vn ♦^♦pna : ^♦am vz) vn) r\m « • anpiN vn ^^a : apjr

* anoiN vn na^a : Dian Va Van pan «]K imnn 7 t! dvV • KaV n^V narp : na^n dvV yp -iiorp

: D^aVi^n «nV nmioi na^ iba^

'*T T •*quot;; T ; T - •.. V

D^p D^pan n;pVn • Kr:n »ai -ipK it^Vk ♦an npx DiVf ani \] niaV ^irVai ipx^ - oVi^a diV^

'anxV an oiVtf : -j^ia kVN -]^a x^nquot; VNÏ quot;• ^:a : ^nua-iKa mV^ -jbna diVb'-w : ViKbp laV pxi ^nnin

ocr page 420

B IJ GEVOEGD-GEBED.

Ter wille van mijne broeders en mijne vrienden wil ik u den vrede wenschen ! Ter wille van het huis van den Eeuwige, onzen God, wil ik goeds voor u afbidden ! De Eeuwige geve Zijn volk macht, de Eeuwige zegene Zijn volk met vrede !

Op ons rust de plicht den Heer van het heelal te prijzen, te verheerlijken den Vormer van het Scheppingswerk, dat Hij ons niet heeft doen worden gelijk de volkeren der landen en ons niet heeft gelijkgesteld met de geslachten der aarde, dat Hij namelijk ons deel niet heeft doen gelijken op het hunne, en ons lot op dat van hunne menigte — Wij immers knielen en werpen ons neder en spreken onzen dank uit voor den Koning aller Koningen, den Heilige, geloofd zij Hij, — die den hemel uitspant en de aarde grondvest, Wiens heerlijke verblijfplaats is ia den hemel van boven, en Wiens machtige verschijning in de hoogste hoogten is. Hij is onze God, niemand anders; onze Koning in waarheid, er is geen buiten Hem ; gelijk in Zijne leer geschreven is : en gij zult heden weten en u ter harte nemen, dat de Eeuwige God is in den hemel boven, en op aarde beneden, niemand anders!

Daarom hopen wij op U, Eeuwige, onze God, om spoedig de heerlijkheid Uwer macht te mogen aanschouwen, dat Gij de gruwelijke schijngoden zult doen verdwijnen van de aarde en de nietswaardige afgoden zullen worden uitgeroeid, zoodat Gij de wereld volmaakt doet zijn door de heerschappij des Almachtigen en alle vleeschelijke wezens Uwen naam aanroepen; dat Gij tot U richt alle booswichten der aarde, zoodat erkennen en weten alle bewoners der wereld, dat voor U zich behoort te buigen elke knie, bij U behoort te zweren elke tong! Mogen zij voor U, Eeuwige, onze God, knielen en nedervallen en de majesteit van Uwen heerlijken naam erkennen, en mogen allen op zich nemen het juk Uwer regeering, zoodat Gij Koning over hen zijt, spoedig voor eeuwig en immer! Want U behoort de regeering en tot in eeuwige tijden zult Gij in heerlijkheid Koning zijn; gelijk in Uwe leer geschreven is: «De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig.quot; En er is gezegd: «Dan zal de Eeuwige Koning zijn over de ge-heele aarde, op dien dag zal de Eeuwige eenig zijn en Zijn naam eenig!quot;

Hier wordt door iemand, die een zijner heide ouders verloren heeft, Kaddiesh gezegd.

En nu, moge de kracht van mijn Heer zich groot toonen, gelijk Gij gesproken hebt, zeggende ; —

Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige, en Uwe genadebewijzen, want sinds alle eeuwigheid zijn zij.

Moge Zijn groote naam in zijne grootheid en heiligheid erkend worden in de wereld, die Hij naar Zijnen wil geschapen heeft;

58

ocr page 421

epïö nban m

wrhx |^ob : -]3 xrnquot;i3i« ^Ti 'HK ijro1? : Dl^n la^-nx -py \\ |n' la^b »; : TJ? 21L3 nt^SN

ahv n^Nquot;)3 lïi»1? nbnit nnb S'^n [IikV N^nDnxnnin^pa vm niï^n «133 iV^ D^nia umsii * ajion Soa ubiui ana u^n a'^ Tpa tyn[5n Dpbm ^SÜ ^ amoi annn^oi b^sa D^o^a np» px lom nt:i: Ninty «in

-1- • • 1- t - It: - I vit •• ; • r t

noN * |*K irriVtjf Nin : api-ip ir^ bx nb^ni Di'n nyyj innina mVir DÖN nnnp pxn b^sp xm 7 ^

; pN

ïjty nnxana ninü niKib • wjiVx « n^j \2 b%

jpn'? * prny niquot;i| D^srn pxri |p

ni:anb * 1^3 ^3 by nv moVpa DVI^

^ »3 * ^3n VS I^TI l-l^ ' pK ^Bh ^3 ïj^K

i^nbK ^ ^:sb : Vs JDETI ^3 bs riin Siy nx Dvgt;3 ibs^i * un» 1133^ •

irobpn »3 * -1^1 dVi^ mnp on^ -jiSan'i - ^n^Vp ^nnins 3in33 * 11333 ^ibon -$

^ ^!?1? I! ™1 : iy) zhyb ^p: 7 : nnx in^i nnx ♦♦ n^n» Ninn DI»3

•mn1 rnp : IDJCS n-ia-n ijin* na NJ nn^i : nan D'piya ^ ^noni quot; ?i,aoi iat nnipnp Nirn KÖV^S M3n r\m S^n»

') Vgl. Jeremia 10,19: «Niet als dezen is het deel van Jakob, want [zijn God] is de Schepper des heelals.quot;

ocr page 422

59 B IJ GEVOEGD-GEBED.

moge Hij Zijn koninkrijk weder vestigen tijdens uw leven en in uwe dagen en tijdens het leven van gansch het huis Israël's, spoedig, in nabijzijnden tijd ; zegt: Amen !

Gemeente: Amen I Zijn groote naam worde gezegend immer en in alle eeuwigheid!

Gezegend en geprezen en geroemd en verhoogd en verheven en verheerlijkt en vereerd en geloofd zij de naam van den Heilige, geloofd zij Hij, — verre boven alle zegeningen en liederen, lofzangen en vertroostingen, die in de wereld worden uitgesproken; zegt: Amen ! 1)

Gemeente-. De naam des Eeuwigen zij geloofd, van nu tot in eeuwigheid!

Moge van uit den hemel groote vrede en leven komen over ons en over gansch Israël; en zegt: Amen!

Gemeente: Mijne hulp gaat uit van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde!

Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede over ons en over gansch Israël; en zegt : Amen!

{Te Amsterdam wordt het lied van Gods eenheid en dat van Zijne heerlijkheid, Itenevens Psalm 92 onmiddellijk na het morgengebed vóór de Thoralezing voorgedragen).

Zang op Gods Eenheid.

Toen [bij de Schepping] rusttet Gij op den zevenden dag, daarom hebt Gij den Shabbatndag gezegend.

Voor al, wat Gij geschapen hebt, wordt ü lof gebracht; Uwe vromen zegenen U ten allen tijde:

//Geloofd zij de Eeuwige, die deze allen gevormd heeft, de levende God en Koning der eeuwigheid!quot;

Want van oudsher rust op Uwe dienaren de volheid van Uwe barmhartigheid en genadebewijzen.

1

Bij Kaddiesh-Derahbanan wordt het volgende ingevoegd:

Voor Israël en voor de geleerden en voor hunne leerlingen en de leerlingen hunner leerlingen, alsook voor allen, die zich met de heilige Leer bezighouden, hetzij in deze plaats of op andere plaatsen, — voor hen (en voor U) moge beschikt worden veel vrede, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven, en overvloedig levensonderhoud en verlossing, vanwege hunnen Vader, die in den hemel is; en zegt; Amen!

ocr page 423

tpio aa

|iD«n3 nniD^ö npKi 3n[5 jüpi xhiyz N'oS^ •'O^Si Dt?j;tp ^idq «ai nof xn1 * JON ^p n-^rn iinnn oannn. iKsnn

bs |p (x^Si nquot;ifra) Nin Tjna N^npi rw Vbrin^ Kübp n^Ki ^nonii Knna^n xniw j^nDns

t : t : IT--:- T T : v; T T : : T T * : T T ; *

(* : |I3N Tmi : oSly nn^n ^iao v; o? ,n; L'riP

V3 13^ D^ni wm ra X3i Nobty

,. T ; • T ~ : iquot; *T * - : T - : 1 • T - T T : •• :

: fox naNi : f-iNi a^a-f nc7 ^ nyo

ba by) T\vy_ Nin vonpa DI1?^ n^jr

: |ök npt^i

min isD nxnn onip Sapnn ctp ms D'-iTiis squot;p dticü'jjn pquot;p3)

.(dv Str iioioi maan iti nin,n w

.nn'n -i,t7 : nana ra ^ nai^n dv * nm ^♦atyn ova m

t : r •• I •• t - - ,t : :' f t

: naiaia» n^-^aa ^tdh • nan^ nbnn ^'fi-Va

: DVI^ Tjbai Dnn * aba iïv V; •' ^jnpni an * ^na^ by ^a

.nt D'B'Bia TisSn ins JjaiT C'lp ünis-sra (*

♦Tpbrrba by] finn^pbn by] |:an by] hy

pn Ninxa n NnniKa ppa^i \12-b2 by] jinn^oSn K3n xaquot;i xn^V (paSi) pnb xn; -inxi nn^aa ni Dn^-fp xnnn «31TDI ^anx pni ppnni xipni 'lal jcoSr xn' : |pK nptfi, N^p^a n jlmaK

ocr page 424

ZANG OP GODS EENHEID.

Eeeds in Egypte zijt Gij begonnen bekend te maken, dat Gij verre verheven zijt

boven alle goden; toen Gij groote strafoefeningen richttet tegen hen en hunne goden 1

Toen Gij vervolgens de Schelfzee kliefdet, zag üw volk de groote macht, en vreesden zij I

Gij leiddet Uw volk, waardoor Gij U een roemrijken naam vestigdet, en Uw grootheid toondet 1

En Gij spraakt met hen van uit den hemel, toen dropen ook de wolken van water.')

Gij kendet hun gaan in de woestijn, in een woest land, waar geen mensch was doorgetrokken.

Gij verdreeft vele volkeren en natiën, wier land zij veroverden met de moeitevol verworven rijkdommen der volken,

Opdat zij in acht zouden nemen de wetten en leeringen, de uitspraken des Eeuwigen, reine gezegden !

Zij verlustigden zich in vette weide, en uit den harden rotssteen vloeiden oliestroomen. —

Toen zij nu rust kregen [van hunne vijanden], bouwden zij Uwe heilige stad en sierden haar met üw heiligdom;

En Gij spraakt; ;,Hier wil Ik gevestigd blijven tot in lengte van dagen; haar voedsel zal Ik zegenen!

Want daar offert men rechtvaardige offers, ook Uwe priesters kleeden zich in rechtvaardigheid!

En het huis van Levie zingt lieflijke liederen U ter eere, zij jubelen en zij zingen!

Het huis Israels, en allen, die den Eeuwige vreezen, vereeren en danken üwen naam, o Eeuwige!

Gii hebt dus den vroegeren geslachten in hooge mate welgedaan; o, bewijs ook den lateren zulke weldaden!

O Eeuwige! verblijd U toch over ons, gelijk Gij U verblijd hebt over onze voorouders.

Zoodat Gij ons vermeerdert en weldoet; dan zullen wij U eeuwig danken, dat Gij weldaden bewijst!

O Eeuwige! herbouw spoedig Uwe stad; over haar toch is Uw naam genoemd!

Doe daarin Davids hoorn weder ontspruiten; en zetel Gij, o Eeuwige ! voor altijd in haar midden!

Dan zullen wij daar wederom rechtvaardige offers slachten en zal, als in de dagen der oudheid, een U aangenaam meeloffer worden gebracht!

En zegen Uw volk door hun Uw aangezicht te doen lichten, want zij verlangen Uwen wil te volbrengen!

Volvoer dan met welgevallen ons verlangen; zie toch op ons allen, uw volk, [met liefde] neder!

60

Ons hebt Gij uitverkoren om een volk te zijn, dat Uw eigendom is; moge dan Uw zegen rusten op Uw volk, Séla!

i) Vgl. Ps. 68,9.

ocr page 425

Tinn yw d

1K0 »3 pninb mbnn nnïüm D^na D^ÖK' ona nife^a • vrhx ba Vj?

: nbi-ian TH IKI ï]iD q\ ^;pn2 : tjbna niKinb • nixan DI^ -]b ni'ir^1? nan?

: D^Ü ist:: D^n dji * D'DïPn rö DÖ^ nnani

• it : it •'tv -: • it t - i • t t : i~ *:

: ah wh nȕ riK3 - -ansa on^1? nyy

t t * t • | viv : t : • - t : v t i-t

: d^ü iv^oi ixe' tfijai, • \n nnn : D^ömV ^o^;i DÏquot;IK 11?quot;!« * D»D)? nan D'ia ir-ian : nmnü niioN « mnpK • nnini o^n noB^ : IOE' IIÏ ^'p'pnDi * IDB^ n^npa unynn

: ^npp na iik^i ' yy ua Dni:a : TpaK Tjia nnï * üw Tj-iiNb at^N na quot;loxni.

: pnv ^aV ïj^na ^ * pnï ^nat inar a : c|N ^ imr nia^a nbn nai

: « mn. naa^ • « L5K-l^, na : D^iinKb os a^'n ra * tnü na^n

~i ~ t - ...).. • ' t : t i • v:

: irnax F\V'V ntrsa * N: 'Wvn quot;

,.. -. t . ,- v -j - i** t . t • t ▼:

: a^rn a ^ nniii * a^nbi nannS uniN : ï|p^ n^ a * n-jnp ^yy naan « : nanpa ^ abi^1? fia^m • na n^ïn nn : nnaa ai^n onp ♦aai * nran nst^ piï ^nar

t : • -*v:v vliv •• r ; t ; : • t it i viv •• : •

: ^iïp nijr^1? Lrvan a * ^:a nixa -]-iai

: wba ^bv k: üan * msn n^n ^linai : rhü ^jnana * nbao ü$b ^ ni^n unina

ocr page 426

ZANG OP GODS EENHEID.

Dan zullen wii steeds Uwen lof verhalen en üwen roemrijken naam loven !

Moge dan Uw volk met üwen zegen gezegend worden, want wie Gij

zegent, is in waarheid gezegend I En ik, zoolang ik besta, zal ik mijnen Schepper loven, Hem zegenen,

zoolang de dagen van mijn levenstaak duren 1 Gezegend zij de naam des Eeuwigen in eeuwigheid, van eeuwigheid tot eeuwigheid!

Gelijk ev geschreven is; Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! — en het gansehe volk «eide: «amenquot; en prees des Eeuwigen daden. Toen hief Daniël aan en zeide: De naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij, Wien alle wijsheid en kracht is! En er is gezegd: Toen zeiden de Levieten Jeshoea', Kadmiël, Banie, Chashawneja, Sherebja, Hodija, Shebanja, Pethachja : Welaan, looft den Eeuwige, uwen God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en men love Uwen heerlijken naam, die verheven is boven alle zegening en lof!quot; En er is gezegd; Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid ; en het geheele volk zeide: „amen! Halleloe-jah !quot; En er is gezegd : En David loofde den Eeuwige ten aanzien der gansehe vergadering, en David zeide : Geloofd zijt Gij, Eeuwige, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid!

Zang op Gods Heerlijkheid.

(Dit stuk wordt hij geopende Arke voorgedragen).

Sommigen zeggen vooraf de volgende verzen: Ps. 24,7—10,

Heft op, gij poorten! uw hoofden, verheft u, gij overoude toegangen, opdat binnenkome de Koning der heerlijkheid! Wie is de koning der heerlijkheid? De Eeuwige, onoverwinnelijk en machtig, de Eeuwige, een held in den strijd! Heft op, gij poorten I uw hoofden, en verheft u, gij overoude toegangen, opdat binnenkome de Koning der heerlijkheid ! Wie is Hij, de Koning der heerlijkheid? De Eeuwige, Tsebaoth, Hij is de Koning der heerlijkheid I Séla!

Lieflijke zangen wil ik uiten, liederen wil ik samenstellen; want naar U smacht mijne ziel 1

Mijne ziel verlangt naar de beschermende schaduw van Uw hand; te kennen al Uw verborgen plannen.

Telkens wanneer ik over Uwe heerlijkheid spreek, klopt mijn hart van verlangen naar Uwe liefdeblijken.

Daarom spreek ik van Uwe voortreffelijkheid, en verheerlijk Uwen naam met liefdezangen.

61

ocr page 427

Tirrn w ND

: bbmi * ^nbnn nspj Tün

: Tjiaö -jinn ^ DN ^ * -py, ■qnD-iapi : ♦KDÏ w Va inDnaNi * ^nia nb^nx niya ♦axi

: ^ 1° ' tyv) t! 'n'

nö^i * DVi^H n^i obi^n |p ♦ribtf « ^quot;13 ainM noty Ninb noxi nijr: bbm TON o^n-^a

•• : •••.•;•.• - t : •• • t quot; t t- •• - : i •• t t t

jsjnnia^ Knoan n, Nob^i^i NO^-jü ^30 xnVtf-n n;33^n ^2 D^bn ■npN'i noNJi: NMn n^n

rü dd^Vn «tin iDia raip n^nna n^aty nnin

1 • ... .. v; t; v -;t i , t . - . t: - : t • t : ••••

nrna Va V# Düinoi ^iaa üp lana^ obiyn iv aVi^n oVi^n 1%) oVirn |p V. ^a /quot;ion:-) : nVnni

1^1 Tjia^. quot;lONji : nnVVn |ON D^H Va naNi iratsj Vn^ *n'VN M nnx Trna ion^ Vnpn Va

r t •• t: •quot;quot;•••: *: t - ) t • t v i- tIt - t

: oViy dVI^D

.tiDDn n^ty

.V?N DipiDS J'21N l?2lS Dl Jll-P»? Cn^N^ BTpn JIIN DinnlBDa

: ilasn ^So Kl3;i; oSiy vvis wiwni ds^kquot;) an^r wtr : non^a -ilaii ^ mquot;3Ji: mp y nlasn ^^a nj. 'a : lüsn r|Sa JC3M oSly ^nns wri anj/r wir

: nSp liaan ^Sa Nin nwas ^ niasn ^Sa nr xin v

: ^a: ^VN ^a * junk an^i mn^r D^JN : ?|niD rrVa n^nV • Vïa rnan ^a:

: ?jnin Vk »aV nam * ^niaaa nan no : nmn; n;^a naaK - nnaa: ^a nanx |a V^

ocr page 428

ZANG OP GODS HEERLIJKHEID.

Ik zou Uw heerlijklieid verhalen? — ik heb ü nooit aanschouwdI

Zou U door gelijkenis of bijnaam omschrijven? — ik ken Uw wezen niet!

Door Uwe profeten, in de vergadering Uwer dienaren liet Gij in gelijkenissen den schitterenden glans Uwer majesteit beschrijven.

Uw grootheid en Uwe almacht stelden zij voor naar de kracht Uwer werkzaamheid!

Zij gaven een beeld van U, doch niet in overeenstemming met Uw wezen; zij schetsten U naar Uwe werken 1

In talrijke visioenen gaven zij uiteenloopende voorstellingen van U; toch zijt Gij één, met al die gelijkenissen!

Zij zagen aan U nu eens ouderdom, dan weder jeugd; en het haar van Uw hoofd somtijds grijs, dan weer zwart;

Ouderdom op den dag des oordeels, en jeugd ten dage van strijd; als een oorlogsheld, die strijd voert met zijn handen;

Hij plaatst dan op Zijn hoofd den helm der hulpe; dan steunt Hem Zijn rechterhand en Zijn heilige arm!

Met schitterenden dauw is Zijn hoofd bedekt; Zijne haarlokken met nachtelijke droppels.

Hij beroemt Zich op mij, want in mij schept Hij behagen; daarom is Hij mij tot een sierende kroon.

Zijn hoofd is als het zuiverste schitterende goud; op Zijn voorhoofd is Zijn heerlijke, heilige naam gegrift!

Tot hulde en eerbewijs, tot roemrijke verheerlijking vlecht Zijn volk [in zijn gebeden] Hem een krans!

Dan is Zijn hoofdhaar weer gelijk in jongere jaren. Zijn lokken golven ravenzwart!

De woning der gerechtigheid, het sieraad, waarop Hij roem droeg, — o moge Hij het tot Zijn hoogste vreugde maken!

Zijn uitverkoren volk zij een sieraad in Zijne hand, een koningsdiadeem, een luisterrijke tooi!

De beladenen, Hij droeg ze; met een kroon sierde Hij hen; omdat zij dierbaar waren in Zijne oogen, vereerde Hij hen.

Hij beroemt zich op mij en ik beroem mij op Hem; Hij is mij nabij, wanneer ik Hem aanroep !

Schitterend rood, in bloedrood gewaad, wanneer Hij den perskuip heeft getreden, als Hij van Edom terugkeert!')

Den knoop der Thefillien toonde Hij den bescheidene [Mozes] ; voor wiens oog de verschijning Gods zichtbaar was.

Hij, die in Zijn volk behagen schept, zal bescheidenen sieren; opdat Hij, die in lofzangen troont, door hen verheerlijkt worde!

Gij, Wiens voornaamste woord //waarheidquot; is, die van den beginne af alle geslachten oproept, — richt Uwen blik op het volk, dat 0 zoekt!

Neem toch aan mijn talrijke gezangen; moge mijn jubelzang tot U naderen!

62

Mijn lofzang zij een kroon voor Uw hoofd, en mijn gebed worde aangenomen als reukwerk!

') Vgl. Jes. 63,1, 2 en 3.

ocr page 429

niasn w 3D

a's Dquot;r

: ah] ^3?« ab] ^IDD niapx

: ïjnin niaa mn n»an * iiD3 ^«^3 n:3

•' ^J?1? ^3 • ^nTQ^ ^nbna : ^'^0 ^ * ^r^D Kbi. ^ni« ID1!

: nijvan baa nnK ^n * nmnn aha : nmn^i navtya * nnnai n^r ^a ith»!

: an iV vt nionba ^xa • aquot;ip ova mnnai p DVa nipr

t tt t : • • ; ti: ; -; - l • : tl; •

: jpn I:»Ö: ^ n^^in • it^Kna ^aia ^an : vniïipi * «bö: nnix ^btü

t :it •• r : t •-.l: t : * •• : ~

: ♦av nniaj;1? quot;b nw Kim. * »3 fan ^a ♦a ixsn*

: ny*1!^ up iiaa nva ^ pni • i^ni mai ra iincj ana : niü^ may iV max * mNfin ^ ii33Vi rn1?

t t : t ; t •-. t t : • • : t ; l quot; :

: minB' D^nbn vniïip - nnn3 ♦o^aa i^ni maSno : innüquot;^ ^ K3 * imxan pquot;$n ni3

: nnxan 'av nai^p ^3vi * 1T3 ♦nn in^o : anas V3^3 njr • 0*13^ DN^3 D'DIQ^

: 1^« ^npT3 quot;bx 311151 • vby nxai ^ IIKÖ

: DIINQ 1N133 13113 mi3 ' DIN I5yi3bb DllNI nï

*.•:•• ; : t : t t ; • t : -

: V3^ 1331? ♦» n3iDn • 13^ nx-in pVan : iKönn1? ds ni-?nn 3^v * in^ di^ is^3 nxn irni ïpiii ay ' mi 111 tr^iö xiip noN ^131 ^ni : 3ipn »n3ii * «3 'yp pon : niitpp |i3n ^n^ani * nia# ^Nib quot;nn ^n^nn

ocr page 430

ZANG OP GODS HEERLIJKHEID.

Moge de zang eens armen in Uwe oogen even waardig zijn, als het lied, dat bij Uw offers gezongen wordt I

Mijn lofzang stijge op tot den Alverzorger, tot den Schepper, den Voortbrenger, den Rechtvaardige, den Machtige !

Voor mijn lofzang moogt Gij mij welwillend toeknikken; neem dien [lof] voor ü aan, als kostbare specerijen !

Moge dan, wat ik zeg, U aangenaam zijn; want mijne ziel smacht naar U!

(Sommigen zeggen hier: Wie kan uitspreken des Eeuwigen macht; kan geheel verkondigen Zijn lof!?) Men sluit de Arke, Kaddiesh Jathora. Vervolgens zegt men Psalm 92, Kaddiesh Jathom.

Als slotgebed zegt men het volgende:

De Eeuwige, ouze God, zij met ons, zooals Hij met onze voorouders was; moge Hij ons niet verlaten en ons niet prijsgeven! Zoodat Hij ons hart tot Zich neige, dat wij gaan in al Zijne wegen en inachtnemen Zijne geboden en wetten en rechten, die Hij onze voorouders geboden heeft! Zoo mogen dan deze mijne woorden, die ik vóór het aangezicht des Eeuwigen als smeeking heb uitgestort, dag en nacht den Eeuwige, onzen God, nabij zijn, om te oefenen het recht van Zijnen dienaar en het recht van Zijn volk Israël, eiken dag het op dien dag benoodigde. Opdat alle volkeren der aarde weten, dat de Eeuwige God is, niemand anders ! O, Eeuwige! leid mij door Uwe welwillendheid juist wegens hen, die mij beloeren; effen Uwen weg voor mij ! Ik — in mijn eenvoud ga ik; bevrijd mij en wees mij genadig; want ik ben alleen en ongelukkig. Mijn voet staat thans in de wijde vlakte, in volksverzamelingen wil ik den Eeuwige prijzen! De Eeuwige behoedt mij, de Eeuwige is mijn schaduw, aan mijne rechterhand ! Mijne hulp komt van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde. De Eeuwige behoede mijn uitgaan en mijn binnenkomen tot leven en tot vrede, van nu tot in eeuwigheid! Zie neder van Uwe heilige verblijfplaats, uit den hemel, en zegen Uw volk Israël en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk Gij onzen voorouders hebt toegezworen, een land, vloeiende van melk en honing! God der heerlijkheid ! U wil ik wijden zang en loflied, ik wil U dienen dag en nacht. Geloofd zij de Eenige, die als éénig wordt erkend, die was, is en zijn zal! De Eeuwige, God, God van Israël, Koning aller koningen, de Heilige, geloofd zij Hij, - Hij is de levende God, de Koning, die leeft en bestaat immer en tot in alle eeuwigheid ! Geloofd zij de aaam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig! Op (Jwe hulp hoop ik. Eeuwige!

Vóórdat men het bedehuis verlaat, zegt men zittende het volgende-.

Doch rechtvaardigen danken Uwen naam, braven zullen zitten vóór Uw aangezicht!

63

ocr page 431

Toan 3D

: bjf Eh nn;^ i^n

: 1^3 pnv quot;i^ioi bbina * yzpn nV^n ♦nDia : t^Ni D^pfeoa ^1? np nniNi. * ^ ^;n ♦naiani .pisn p:w ; ?|^ jn^n ^ k: rn^

c inbn^ Sa ^p?'! iquot;! nnia-? V^o1 ^ :Oiiais V)

.am1 rnp -na^n orS Ttr ^a?o □njsisi .did'1 cnp

: nT IBS' mSsnn Ss ins

bxi vw ^ dj? n»n i:a^ irn'^K quot; w

- : ,...«.- - !•• -: r. t t v -: - it iquot; v: ▼; • ;

rmr^ra vbx ^nnb nitsn1? :

: • : t t : t : v iv t t •• r* t : - : iquot; : •

nbtf nni m : irrinx nx niï iïtk vüötyai vpm vn'iïo

viquot; -t : ; • : iquot; -; v t • v -; t t : • it *.. ; t : •

DDI» irn'^N quot; bs4 ^ ^s1? 'n^nnn : iovü DI* quot;an la^ □s^ai ni'^1?

« : my f'N D^VKH Nin ♦♦ a pxn ^ ^ nyn j^p1? : ^-n n^'n nrnty D^npos Tity'öa may : ':a w Tn1 ^ ^na

. .. I: - : . . t : t • : - 'it : • t * mquot; t : • r*:

nfety t* •' quot;i! 'v'V T hat? ? •' V ^3K

nnya DiV^i D^nb ^ini 'rwv na^' « : pxi D^a# ^ay nx -]i3i D^a^n |a ^ipT jiyaa n^p^n : ably i^K3 1^ nnnj t^k naixn dni bNTtr» nx

t : i~ ; • v -; - it t r t v -: t t -: t •• : •• t : •

yv ib \m in^n bx : trn-ii abn nnr px lynax1?

i ; i .. ... t - .. t . t t -t j Viv iquot; -: -

nin n^n • nn^ai Tn1 Tins : b^bi dv nb-nayxi • bbm

t t t s : * t ) t •• t i : t .: v : •• - :

rnpn Dpban aba -jba bxnf ^ hbx D^ri^x ♦; : n^nn quot;iyb D^pi ^n Tjba D,sn Dhbx Kin : Kin Tpa : njn obiyb inaba 1133 m : Drably : ? rvip

; cï» 2wi j^arc» nïit3

: nx Dh^» ^asyb mi1 D'pnï

ocr page 432

SLOT-GEBED.

Vervolgens, staande, met eene buiging vóór de heilige arke:

Al gaan ook alle volkeren ieder in den naam van zijnen God, — wij gaan in den naam van den Eeuwige, onzen God, immer en eeuwig! Mijne hulp komt van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde! De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!

Daarna begeeft men zich naar de deur en zegt, onder eene herhaalde buiging vóór de heilige arke-.

O Eeuwige ! leid mij door Uwe welwillendheid juist wegens hen, die op mij loeren; elfen Uwen weg voor mij !

Eindelijk bij het verlaten van de synagoge, de volgende drie verzen ■.

Gad, benden grijpen hem aan, doch hij valt hen aan in de verzenen! David was in al zijne wegen voorspoedig, en de Eeuwige was met hem. En Noach vond gunst in de oogen des Eeuwigen !

64

Psalm 67. Voor den zangmeester: op Negienoth 1); een zangpsalm. God verleene ons gunst en zegene ons; Hij doe Zijn aangezicht lichten met ons; Séla! Opdat men op aarde Uwen weg leere kennen, onder alle natiën Uwe hulp. Dat U danken volkeren, o God ; dat U danken de volkeren allen. Mogen natiën zich verheugen en jubelen, want Gij zult richten volkeren met billijkheid; en de natiën op aarde, — Gij leidt hen; Séla ! Dat U dus danken volkeren, o God; dat U danken de volkeren allen! De aarde gaf reeds haar opbrengst; zoo moge ons zegenen God, onze God! Moge God ons zegenen, en mogen Hem vreezen alle uiteinden der aarde!

') Eene bekende melodie; v. a. onder muziekbegeleiding.

I

ocr page 433

— quot;ID

: -lös-o ctipn ps Sm mnnci Ti'Jiquot; 3quot;nsquot;i

quot;-Dtte rh: ^n^Ki vribtt a^3 WK IDV Q^^H-SD ^

*; •• ; ) •• •• : r -: - t •.•; •• : * ; quot; • - t t •

: pKi vm ripv \] D^O nr^ : 1^1 wrjbx . : dV^ «

: ionii ciTipn jnx Sia mnnnii I'lins1? nnsn Ss quot;|Si 3quot;nsi

: ^ -i^n nnitr ^jnpnïD ^nj «

: QipiDD 'J l1?! mx' ynsi

^3irD quot;in ^nn : 3pp it kihi imr ina ia

• : - tt: t; • t •;- \quot;*t \r : iv ; ; t

; quot; |n KÏO mi : is^ *\ quot;IK^ lisn» DflbN : quot;i^ 110T0 n:^:3 nv:ab ID

quot; t iquot; -: t * iquot; t : * v: * : • * : * - iquot; - : -

DMrVas nzii p«3 : n^D i:nK VJS

t : |iv ; - i vit t iquot;t t iv it * tt

inof ♦ : Dba ïji-il» D\^ ^riv :

Dn:n pK2 □3^n-»3 d'ön1? •m-n

mnj pN : oba D^Ö)? : nVp

iniN iktii D^ri^N urm» : lynbK Dflbx uoin» nbm; : pN-pöK-Va

ocr page 434

JOTSEROTH

•nV1» nnaS

Die door de vreeze voor Hem worden gesterkt!), zal Hij met levensdauw drenken; die de door Hem uitgesproken wet in acht nemen, in de eeuwigheid hun gebied aanwijzen, — naar het bijbelwoord: a Ware niet Mijn verbond bij dag en bij nacht!quot; 2) Met het heilig bondsteeken bezegeld bij hunne vorming 3j, werden de grondslagen der wereld onwankelbaar gevestigd: „de wetten van hemel en aarde [zou Ik anders niet hebben vastgesteld].quot; Ook door het bloed des verbonds worden de mijnen vrijgelaten, om niet te worden overgegeven, zoodat hunne gevangenen niet langer in de put, waarin geen water is, worden geworpen 4), want: „dit is het teeken des verbonds, dat Ik stel.quot; 6) Moge God, wanneer Hij de volkeren ieder naar zijn lot opschrijft, dit volk, dat door het verbond is geteekend, tellen om het te verheffen, zoodat van ieder, die ten leven is opgeschreven, zal worden gezegd: heilig 6).

Toen Hij Zich herinnerde Zijn heilig woord aan hem [Abraham], die zijne geoefenden aanspoorde, zond Hij vooraf tot hem, om hem de blijde boodschap te brengen, Zijne dienaren, de door Hem gezegenden, Hij, God, die het woord van Zijn dienaar en het plan Zijner engelen tot stand brengt.'') Voorwaar, eerst gebood Hij hem de voorhuid te verwijderen, en toen bracht hij in reinheid voort den lieveling, den eenige, den reine, — «Gord het zwaard aan tegen uw heup, gij held.quot; 8) En toen werd hij bedacht met den op het altaar gebondene [Izak] als de vrucht van zijn lijf; en op den achtsten dag legde hij hem het zegel aan en maakte hem tot bloedbruidegom door het bloed des verbonds, en besneed Abraham zijnen zoon Izak. 9) Zijne rank [Jakob], wiens beeld gegrift is op den troon van den Almachtigen God 10), werd besneden geboren en beminde [de geboden der Thora, talrijk als] de opeengepakte lokken i1) — en Jakob tvas een vroom man, zittend in de tenten 13) [der Thora]. — Toen nu de hinderaar [Bil'am] naar den top van den berg kwam om zijne spruiten te verwenschen, zag hij de in zand verborge-nen 13) en sprak: //hoe zou ik vloeken,quot; — „wie toch telt het stof

*) Het hier volgende stuk bestaat uit drieregelige verzen, wier aanvangletters alphabetiscu zijn, terwijl in het vierde vers en het laatste gedeelte de naamletters van den schrijver als acrostichon zijn ingevlochten. De twee eerste regels van elk vers bestaan uit vijf woorden, terwijl de derde rejrel door een bijbelvers wordt gevormd.

De schrijver is R. Eli'ezer ben Nathan uit Mainz, ± 4900 a. m.

(1140 g. j ), schrijver van njï-i rusï, een tijdgenoot van Rashie's kleinzonen R. Samuel b. Meier en R. Jakob Tham. (Landshüt, minrn Tisr pag. 20 vv.)

') Volgens den Thalmoed (Sanhedrien 110?/) wordt een kind door de besnijdenis het eeuwige leven deelachtig, zooals blijkt uit Ps. 88,16: een volk, arm en bijna stervend van der jeugd af — van dat ik de vrees voor U, Uwe geboden, draag, ruisN hen ik gesterkt. Aan dit laatste woord is hier de uitdrukking ■oiss ontleend.

2) Jer. 33,25: Ware niet Mijn verbond hij dag en bij nacht, dan zoude Ik

65

ocr page 435

rhv nnsS isv no

(* .jn: '3i2 dim tjisai 2quot;s dquot;ï

imoK m na# * nb1?^ D^n VD'K

t t : * - •• : t -: - : • - - : t .. .. ..

niN3 : nV^i ooi» 'nna ah DN *IOIK3 * nVsjnb

: t :it t t • • : * v i ; t r : - ;

* pa ^3 noia D^nn^p * p^3 Dpinn Eh;p nna liss * jninba nns dis oa : pw mpn

ie'n nnsn nix m • |nba i onn^pN 13-px dJ * ibsnp i D*p^ 3irp3 nap* % : jnu : tfnp iVnoN» D^nb 3W3n-i73 * byb ,nn3

it v itquot; • — t - t - : • :

vniwD nty3b 6ïn onpn • V3nn n6 1313 i^tp 121

t : t : fquot; : : *'* t • -: —: -t; :It - :

N^n : vsnSD nv^l 121 D^p • v3iTi3pi

* 113:1 Tn^i ti* mrm n^m * nbiv irm* v:ab

t ; t : •: tt; t ; r :~r it • t t :

* 1:93 na 1^:3 ipa; mi : 1135 by ?|3in nun prw hk Dni3N4 ban ' unn nn3 0131 lonn miotrVi

It;* v t t : - tit- : • • : - ; ; • t : * ;

nvip 33ni bina n^ii * d,1?k Vn D33 npipn miiDT : 1:3 ♦atf N33 vtj^n : D^riN zw Dn 3p^i * D^nPn ia^; nao »p * 3ipn-na ^ai bin-^ia'^ nxi ?k * 3ipv

de wetten van hemel en aarde niet hebben ingesteld, wat de Thalmoed (Nedariem 32a) op het besnijdenisvei-bond laat slaan.

3) pp2, bij de vorming, eig.: uitsnijding, vgl. Job 33,6; ijs DJ vix-ip ii:n?3, uit leem werd ook ik gesneden. Voor den zin zie de vorige aan teekening. A) Eene omwerking van het vers Zecharja 9,11. 5) Gen. 9,12. 6) Eene omzetting van Jes. 4,3. f) Jes. 44,26.

9) Ps. 45,4. Het vers is hier natuurlijk in geheel oneigenlijken zin gebezigd, als doelende op de besnijdenis: richt uw zwaard op uwe heup, om u te besnijden (Jalkoet 1,81).' Dat -pi op de besnijdenis kan doelen, blijkt uit Rashie Gen. 24,2 e. a. p.

9) Gen. 21,4. 10) Ber. Rab. 68, Choellien 91,6.

quot;) Het eerste versdeel van Hoogl. 5,11 wordt in Jalkoet t. p. toegepast op de Thora; onze dichter ontleent daarom ook zijn beeld voor de Thora aan dit vers. Misschien ligt in u^rhrt ook eene toespeling op de bekende uitdrukking; jroSn Su o^n 'Sn, geheele groepen van bepalingen.

12) Gen. 25,27. 31 id rash ziet nl. in de ü^n.v, hier genoemd, de leerscholen van Shem en 'Eber, waar Jakob zich langen tijd zou hebben opgehouden om met de oude overgeleverde leerstellingen aangaande God enz. bekend te worden.

quot;) De afgesneden voorhuiden der Israëlieten, die in zand waren gelegd en zijn gezichtsveld geheel vulden.

ocr page 436

JOTSEROTH.

van Jakob.quot;!) Ze te verbergen in zand is daarom een wel onderzochte en volkomen wet van Hem, die het zand tot grens stelde voor de zee, als een eeuwige wet; Hij stelde het Jakob tot wet, Israël tot eeuwig verbond. De bewoners van Noph 3) deden het verbond van mijn teeken ophouden, tot de tijd hunner bedenking kwam, om uit te trekken en hen te bevrijden, 3) nalleen de stam Leviequot; 4) [stoorde zich aan dit bevel niet]; — Daarom zegende hem de man Gods met het verpletteren [zijner haters]5), en prees hem de profeet6) [en zegde hem toe], dat hij nimmer zou worden vergeten, [met de woorden] : «Mijn verbond ivas met hem, het leven en de vrede.quot; Hij [Mozes] had zijnen eerstgeborene niet besneden en werd daarom [door den doodsengel] opgeëischt in het nachtverblijf, hadde niet de ijverige, [door schoonheid en deugd] zich onderscheidende [Tsippora] een scherpen steen genomen en afgesneden de voorhuid van haar zoon. 1) «Uit harden dienst heb Ik u bevrijd door de braafheid uwer volmaakte vaderen, toen uwe alruinen geur gaven en uwe wijngaarden bloeiden 8) en Ik bij u langs ging en u zag, wentelend in uwe beide bloeclsoorten. 9) Uw leven heb Ik gespaard, toen Ik alle eerstgeborenen sloeg 10); doordien Ik aan uwe deuren het teeken liet aanbrengen, zoudt gij in het leven blijven; en Ik zeide tot u: „door uw bloed zidt gij leven.quot; ll) Als loon, voor de dienstbaarheid dienden de [gouden] spangen met de zilveren stippen 13); ten einde hare [Israels] vlerken in goudglans te meer schitterend te maken, werden de vleugelen der duif met zilver bedekt.13) De Allerhoogste heeft wegens het besnijdenis-verbond den zeetong drooggemaakt uj, en deze zaken zijn in een duidelijk sprekend bijbelvers neergelegd : «[Dankt] Hem, die de zee kliefde voor de besnedenen.quot; 15) Zij werden weerhouden en lieten, wegens de moeilijkheden der reis, na, zich te besnijden, terwijl zij in de woestenij op weg gingen, geheel het volk, dat in de ivoestijn tijdens de reis was geboren.16) Toen echter [Mozes'] dienaar Jehoshoea' en het volk

') Num. 23,10, waarbij isr ook opgevat wordt als zinspeling op het zand, waarin de voorhuiden waren gelegd. Zie Jalkoet, Humeri N0, 766; Pirké R. Eli'ezer, 29.

2) Noph, een der voornaamste steden van Egypte, waarsch. Memphis.

3) Naar aanleiding van Ez. 16,6 verhaalt Midrash, dat vóór den uittocht uit Egypte de Israëlieten zich besneden; vgl. Jos. 5,5.

4) Num. 1,49. Vel. Shemoth Rabba, 19.

5) Op de aangehaalde plaats brengt Midrash de woorden door Mozes, den ;,man Godsquot; (Ps. 90,1) tot Levie gesproken, Deut. 33,8—11, in verband met Levie's handhaving der besnijdenis. „Omdat zij Uwe woorden macht-

namen en Uw verhond beschermden,.....verpletter de lendenen van hen, die

tegen hein opstaan enz.

6) Malachie, op de straks aan te halen plaats, Malachie 2,5.

7) Ex. 4,24 en 25, naar ééne opvatting in Midrash. nïioo, wordt Tsippora genoemd, naar de opvatting, die in de woorden rrc's nes (Num. 12,1) eene toespeling op hare bijzondere schoonheid en deugdzaamheid ziet.

66

ocr page 437

nVo nnnb iïv ID

i Viaa Vin • chiïüi t^Tn pin Sina pöü : : D^i^ nna bN'if^ [t6 ap^1? nya^'i * oVi^-pn d'^

• ♦nn'? n«vb ompa jot *■$ • nn nns iVnn ai: ^i»

* Dibn1? 13*1.3 a^ri^Kn : nb naia nx ^

: Di^ni DMnn inx nn»n \nnn • diV^S lobp

• naB'Qi nrnr iï nnpb * niiVüa iy|53n:i 11133 ba ab

t *.. : t *: t i : t •• t : • !••-:•: : t

T|n,in 1^133 ^ninnn Tpap : HJS HK ni3ni ii3^Ki • ^üi3 nnopi -j^nin nn. i:n:3 • ^o^pn

• Mno3 1133 bs wnn 'nvzi : 'q»on3 nDDi3nü nxiKi

•: • : : t • iquot;v: v )•• : - |-it t : v iv : • ) •• ; vt

quot;i3'ty : Mn -pquot;i3 rp 10x1 * Mnn vn n^nna by win3

• -: ï • 1- t : )t -it ♦ : • t )• i- t ; • r r :

pipl^ 'ïnn n*nn3K ps * sjosn ninpii onin 113^^ D» fi^b nn33 |i^ : e]p33 nan: njigt; ^3 - eioin1? : nnn1? f]iD d* im5? * nnnin jn p nVd Nippi * onnn hy jio^ ^bin SiaVo * Tjinn nniü »230 -ibnni IDS niryo ni» mbï : 1113 131S3 on^n D^n Vd * nn

quot;t : I •■ :- : t | v it - t : ■ - ... t t | viv

8) Vgl. Hoogl. 2,13, hetgeen door Midrash in verband gebracht wordt met Israëls deugdzaamheid bij den uittocht uit Egypte.

8) Ez. 16,6; het meervoud f »13 wordt verklaard te doelen op het bloed van het paaschoffer en dat der besnijdenis, met welke beide heilige handelingen Israël bij de bevrijding zicli bezig hield.

10) quot;nsa, van het Chaldeeuwsche nhï, slaan, vgl. in het bekende smeekgebed voor de boetedagen: igQi) i|-|Q.

quot;) Ez. 16,6. Vgl. aant. 9.

12) Vgl. Hoogl. 1,11, waar Midrash deze beide uitdrukkingen in verband brengt met den rijkdom uit Egypte meegenomen, en den buit, aan de zee behaald; ook Ez. 16,7 doelt volgens Midrash t. a. p. met de woorden Dvnj; iira op die beide bronnen van rijkdom.

13) Jalkoet, Psalmen, n0.795, wordt het vers Ps. 68,14 eveneens in verband gebracht met de bovengenoemde schatten en vertaald: «In Egypte teerden de vleugelen der duif [Israël] met zilver bedekt, doch aan de zee hare vlerken met schitterglans van gedegen goud.quot;

H) De uitdrukking is ontleend aan Jes. 11,15; het denkbeeld aan Mechiltha Ex. 14,15, waar o. a. gezegd wordt, dat het klieven van de Schelfzee ter belooning van de besnijdenis zou hebben plaats gehad. Zie ook Jalkoet, t. p. I n0. 233.

16) Ps. 136,13; vgl. de aangeh. plaatsen, q^h1? is dan = ci-nu1? = oim-oS. 16) . Jos. 5,5.

ocr page 438

JOTSEROTH.

Gods den Jordaan waren doorgetrokken, gebood Hij te maken steenen messen, en toen hij daaraan voldeed [luidde het bevel:] „en besnijd wederom de hinderen, Israels.quot; 1) Toen de vorst des volks [David] ontkleed in het bad ging, sprak hij; //thans zijn de [Tsietsieth-] snoeren er niet en is mijn hoofd niet met [Thephil-lien-] kroon versierd, — nivees mij daarom genadig, o Eeuwige, want ik versmacht.quot;3) Hij verzadigde U met talrijke liederen en lofzangen, om ü te verheffen, en zeide vóór U, met betrekking tot het zegel van Uw verbond : „Ik verheug mij over Uwe uitspraak.quot; 8) Toen hij zag, dat door het achtste [gebod] de spin [Edom] zou worden weggesnoeid, verkondigde hij het geheele menschdom de grootheid van uw lof, zesgende ; uvoor den zangmeester .... op het achtste [gebod'], zeggendequot;.4) De Thishbiet, [Elijahoe], was een ij veraar, zooals hij voor God sprak: «Ik heb geijverd voor U, Helper en Verlosser! want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlatenquot;5). Voorwaar, daarom maakt men twee zetels gereed, één voor hem, en één voor den sluiter des verbonds 6), dat deze kan zitten en zal verschijnen in bijzijn van het getuigenis, ter inachtneming, tot teeken.'1) Om hem [den besnedene] te genezen, daartoe blijft de zetel staan;8) de Schrift duidt het aan; «om op den derden dag u te doen opstaan en tot nieuw leven op te wekkenquot;9) — want; nzie. Ik zendu[(\e,n profeet Elijahoe]!quot; 10) Laat hij spoedig komen om zijn pand in te lossen, om het niet langer in te houden; de Waw van zijn naam is tot pand gegeven als getuigenis bij Jakob, — „en Ik zal gedenken Mijn verbond met Jakob.quot; 11) «Mijn uitverkoren volk, dat van Mijne tafel is verwijderd, zal Ik in barmhartigheid gedenken wegens de verdiensten van het verbond, dat door hen als wet wordt gehandhaafd, — en ook Mijn verbond met Izak. 11) Den verstrooiden in de vier [windstreken], hun, die eens door Mij zijn verworven voor een Léthech en een Kor13), zal Ik een sein toeflniten en Ik zal ze verzamelen om hen nimmer weêr te verkoopen, — en ook Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken.11) Besnijdenis-bond, Shabbath en Thora zijn [heden] als tweelingen

gt;) Jos. 5,2.

2) Ps. 6,3. Vgl. voor den inhoud der drie over David sprekende strophen; Menachoth 43i.

3) Ps. 119,162.

4) Vgl. Menachoth t. p. In Jalkoet, Ps. 6,1, N0. 633 komt eene opvatting van warn Sr voor, zooals ik die in de vertaling gegeven heb: de besnijdenis als het achtste gebod, door God aan menschen gegeven, nl. de zeven Noachidische plichten, en het gebod der besnijding aan Abraham. Zoo doelt dus ook onze strophe op de besnijdenis, rmsoc, Spr. 30,28, is eene spin. Het vers wordt door Midrash op Edom betrokken. B. R. 66, einde: Jalkoet 1,115; 11,964.

5) ï Kon. 19,10. Zie Pirké R. Eli'ezer, 29 einde; vgl. Jalkoet 11,15 en 11,217 einde, waar dezelfde Midrash abrupt voorkomt.

6) Sï2. Hieronder worden verstaan de «vader van het te besnijden kindquot; (pn iss)» hij, die de besnijdenis verricht, (Sms) en hij, die tijdens

67

ocr page 439

nVo maV ivv td

3^1 * Vxns oniï main nit^b njv * ^ D^I r« fl * fniaV D;pJ2 pvp •' ^3 nK nn^ nn : VVÖN »3 « ♦aan * ^riD ^Nquot;I «bi

i: • t : ••. * *: • iquot; t t : •-. * : • t

^ rp'nn ^ ^1? naxi * nin2^n

• HOT1? jvdop wvm ^ quot;i^ : ^rnpK hy_ ♦sa'n : HOTp n^vp^n nïjpb * ioió ^nbnri ^ 13^ '3 • biiiï Wpfo ^ ^N3p N2p • Sxn j'23 N3p ib * niNps 'np |33 pA : ^KÏE» ^3 ^nn3 : nis1? nimn) nn^n 'teh * nisn'^ zph nnsn ai'3 Tpi • pS pnp t^D3 npbp inxan^ N3* ï^'nj : D3) nbt? p:N nsn *3 * Dpn^nnbi Dpa^n1? ♦ni3n * 3p^;3 mn^b nun^ 1213^ v\ * 3i3^^p iüi3^ bnp DCI^ * pn^ ^p n'ns 'pj : 3lp^ ♦nns ns D^inf : pnv' nx «]Ni * pmn nns ni3T3 H3tsi • i^pb 1 b^? ppNi pii^K * quot;1131 ^nbs 1^3 /P31KS ,n3n mini nzw nnl : ^tn Dnn3K ♦nn3 n« eiNi

it *•, t : t - • : ; v t t : - • • : v ( - :

de handeling het kind op zijn schoot hondt (pus, gevader, peet). Hier is laatstgenoemde bedoeld.

quot;) Num. 17,25.

8) Ik heb dit gebruik, om den imVs hv SD3 drie dagen te laten staan, nergens kunnen terugvinden, noch in Midrash, noch in de decisoren, die allen wél melding maken van den in^s Squot; XD3 met vermelding van den oorsprong der zaak.

9) Vgl. Hoshéa' 6,2.

10) Mal-achie 3,23.

quot;) Lev. 26,42. Daar staat nl. 2ipr, met een Waw geschreven, wat Rasiiie aanleiding geeft tot de opmerking, dat deze volledige schrijfwijze van Jakob's naam vijfmaal voorkomt, evenals de onvolledige schrijfwijze van den naam Elia/we, waarvoor op vijf plaatsen Elia staat. De Waw zou dan als het ware aan Elia ontnomen en aan Jakob toegevoegd zijn, als waarborg dat Elia, de bondsengel, tevens de voorlooper van den toekomstigon verlosser (Malachie 3,23), Israël zal bevrijden om die letter weer bij zijn naam gevoegd te zien. Reeds Berliner zegt de bron van deze aanteekening van Rasuie niet te hebben kunnen vinden.

quot;) Hoshéa' 3,2. Israël is door God als Zijn eigendom verworven door een Léthech,d. z. 15 Sea, en een Kor, dat is dertig Sea. Vgl. Jalkoett. p. 11,519.

ocr page 440

JOTSEROTH.

vereenigd; om hunnentwille werden gegrondvest de //voetbankquot; [Gods] 1) en de heniellichten en de hooge hemelen, — in den beginne schiep God2). Bij de vervulling van deze drie zult gij, Mijne beladenen, verlost worden, zoo gij in achtneemt, wat Ik u heb toevertrouwd. Mijne geboden, Mijne wetten en Mijne leeringen, doch vooral — die Mijne Shabbathen zullen in acht nemen. 3) Plaats en naam zal Ik u dan geven in Mijn huis ; met het goede, dat [voor de braven] is weggelegd, zal Ik u verzadigen, gij Mijn volk en Mijn erfdeel ! die verkiezen, waarin Ik behagen schep, en vasthouden aan Mijn verbond.quot;3) Gij, die in genot den rustdag viert, den Shabbath in achtneemt, gij, Zijne besnedenen, erkent de macht Gods naar Zijne groote daden, verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor den bank Zijner voeten, 4) van Hem, den Heilige!

.jim

[De engelen] Die omgord zijn met schrik, en geschapen tot vrees, — machtig in kracht, te verheffen Zijn troon, — de schrikwekkenden ... sidderen en dienen met vrees, — bezingen hun Koning in heerlijken lof!

Ook Zijn volk, eens genomen in heilig verbond.

Looft Hem, die herdenkt den Besnijdenisbond!

Den geprezen Beheerscher, wie zou Hem niet roemen ? Wie niet den lofwaardigen Koning verheffen ? Den heiligen Koning te prijzen, te huldigen, — hoog heerlijk te roemen Zijn lof te vermelden____!

En Zijn volk in den avond- en morgenstond,

Roemt d'eenheid van Hem, die gedenkt het Verbond!

De dienaren Gods staan daar krachtig en hoog; die glanzende wezens, zij stijgen en rijzen; zij roemen en loven zoo luide, zoo gaarne; zij nemen de harp, begeleidend het lied !

En Zijn volk, — als de dauw, is gering ook de rest5), — Zij roemen den Heer, die gedenkt het Verbond !

De machtige wachters door Shechiena gewekt6), zij vlechten er kronen voor God in Zijn woning; den Hoogste bezingend met juichenden roep, volbrengen z'in hoogste getrouwheid hun taak! En de natie, de dochter van 'Ibrieschen grond.

Verheerlijkt den Heer, die gedenkt het Verbond!

In gezang en begroeting, in loflied en dank, barsten los vonkenschietende Chashmalliem luid! De Vlammen omhoog staan rondom als een krans, — zich beijv'rend en naarstig Zijn grootheid te roemen!

En het volk, eens zoo schoon, doch zoo zwart nu van kleur''),

Het looft toch zijn God, die gedenkt het Verbond!

') De aarde, vgl. Jes. 66,1.

2) Gen. 1,1. Bij de Schepping had God nl. hoofdzakelijk o. a. Thora en Shabbath op het oog (Pirké R. Eli'czer 3); wat de besnijdenis betreft, zie onze aant. op de 1ste strophe. ^ Jes. 56,4,5. 4) Ps. 99,5.

68

ocr page 441

n^D rv-D1? -ixv no

Kquot;)3 amp;m} Dinn npi: oyja • D^nnb

WDt^p npEgt; * ibwn n^N vhv avpl : D^n'bK QW T : inpK'' ipvt * ♦niini. ♦npn ^n'ivp

nna * ♦nbnii »s)? DD^^N pfiïn du * ^^3 DDS |nN nsB' na'^i ^ai! : ♦nnas D^pnnai ♦nïan

t - quot; : : v ~ •• : 1 • • : • »••-:- i- t v -: -

irriVK quot; loon * vb^fiD bquot;iiJ3 DTibN1? TI^ un • vSino

iquot; v: *: -: t^t ; • v 1 ; • : t :

inv San : * v^n Dinnb iinntrn*}

.Dvnnn ■«csia ïans itïiSs larran d» jaw

D*Q*K * ntfiwV iKp3 nb ^»0« * n^quot;!^ HD^K niiA : n«: nVnn Ds^pb nnpx * hnts onni^'i on^ii : man D^bnp • nna ♦nma is^i

* TIN» NV quot;n naK'pn * Tin» i6 ♦p bbnpn

: Tip1? ina^ ns^bi bpbpb * n^1? -jbab : nnan 1516 Dnn»p * nnn^i la^i

* i^nr iNB'an» • 'ni^P ^#7. ^JV : ji^n ^ *ii3p INE» • |V3p iSbnb IINS» nxs»

: nnan -1516 on^ap * nn^ Süp W.) * n:i^p rfnh onnp ntsi^ • n^pty ^pj/öp nniaj : njiDN |piK3 onpK^p D^ • nsn nb^3 D^ano : man ipirb nnnnp • nnnjr na nixi

* D^nvis D^otyn 'pr * bbm njnin nanai mol

•• - : • : • - ; - !••• •• - : t t t t : t ; *

: S-jd1? iVna onnr ann? • ^3^ on^nao nbya nnr

.. - : ;T • •; • • ; •• - : • • ; - T^:i- •••r:T

: nnan iditS D^na-^p * nninin^ nm dini

ocr page 442

JOTSEROTH.

De -wagen van God, het zijn duizend myriaden, — zij dond'ren het „heiligquot; drievoud in twee legers ; zij peinzen ; «geloofd zijquot; steeds zonder verpoozen; zij schudden, doen wankelen drempel en post!

En de natie, bezegeld met heiligen bond,

Zij looft steeds den Heer, die gedenkt het Verbond!

• nSi?

Drie malen heb Ik een bondsteeken gegeven tot genezing der wereld : door het plaatsen van den boog in de wolken «om te gedenken het eeuwig verbond,quot; — de besnijding, — en den rustdag heb Ik in hun gebied gegeven ; tusschen Mij en de kinderen Israels is hij een teeken voor eeuwig. !) Mijne lievelingen zijn daarmede gesierd, Mijne uitverkorenen, Mijne beproefden, die geteekend en gewaarmerkt zijn, om gered te worden van de kolen Mijner verbranding 3}; en al wie hen ziet, zal erkennen, dat zij volmaakt fcijn vóór Mij ; dat zij vormen een kroost, dat de Eeuwitje gezegend heeft.3) Vijf maal werden snij werk tuigen aangewezen voor het verbond aan het lichaam, bij het besnijden der twee voorouders [Abraham en Izak], dat zijn de stamvaders ^); de reine [Tsippora] deed het ten derden male en [Jehoshoea',] de zoon van Noen hief er twee op, en Jehoshoea' maakte zich zwaarden van gescherpten steenquot;.5) Toen werden steenen tot zwaarden veranderd G), om daarmede te besnijden, gelijk zij met een scherpen steen hadden besneden gisteren en eergisteren 7); daarom heeft [Mozes'j dienaar hen gesteund met een voorschrift om te besnijden: „Maak u zwaarden van scherpen steen en besnijd wederomquot;. 8) Toen de heerlijke zanger [David] den kampvechter [Goliath] neervelde [met een steen], kwamen zij alle vijf voor den dag en werden tot één om hem te helpen 9) eu het ijzer trok zich uit zich zelve terug, toen het aan zijne [Goliath's] wijze van doen dacht en zoo drong de steen in zijn hoofd. lfl) De bezigheid voor de besnijdenis doet [de wetten omtrent] de Shabbathrust wijken, het verrichten der handeling zelve, het losscheuren en ombuigen der onderhuid, het uitzuigen en afwasschen der wond, de komijn en pleisters voor het verband; en voor eiken noodzakeiijken arbeid, dien men den vorigen dag [vóór den ingang van den Shabbath] niet had kunnen doen [is het geoorloofd] te naderen tot den arbeid om hem te verrichten :l1) In de oudheid hebt Gij U Uwe gemeente tot eigendom gemaakt van tusschen de «ezelsquot;,

*) De Schrijver van dit stuk is R. Eljakiem of Eljakoem, waarscli. b. Meschoellam. (Zie Landshut s. n.)

') Ex. 31,17.

2) De vlammen van het Géhinnom; zie 'Eroebien 19a; Abraham zit aan den ingang van Géhinnom en staat niet toe, dat een besnedene het betrede. De besnijdenis is dus een teeken, waarop hem, die het draagt, de toegang tot Géhinnom ontzegd wordt. 3) Jes. 61,9.

69

ocr page 443

n^o nnnv |öitt üd

• D^ni:no3 trnp d^jii * DTiiai d^k Mn quot;quot;v

• it -: - ; it • * : -it .... - .. .1.

: D'nisK D^^pi D^nli

nrnm : nnan idi?b ndinü * nnna n^nn dini;

(* .d^Sn Dinn tiiDai 2quot;tf cquot;y n^lt

136 * dSi^ «öiob 'nvhp nns ni'N

^nn: traia am mn * obi^ nns

... t j ' • i- t vi : tquot;: t * :

n.ina Dn^yp 1 D3 nn : D^b Kin nix btfn^ ^3 j^n Sdi • ♦iino ♦fiK'io ^ïsnV izrnnKOi D^soon *

t : t : • •• ; .....t • : • t •-. : r \ ; quot; t

13QT : ♦; Tjna nn ^ a^onio 1 an^: DiTKin

• nni'^n nan max 2ïn * onra nnnb niron nniï

• : - tiquot; *1quot; : t v iv • t : • : * . t * ~:

^in» lb '^n * onn D'n^ pr-pi nvW nnmtp nitfisia • Sisnb 103 nimn^ any i3pv : Dniï ninnn

• bfob nnjro niva d3!:d pb * bioni di^bir nïs i^d

t quot;t : • : t t : i *• t : : * • ,t

D^ran : Vo niun nnv ninnn ntr^

bnsn pbp * inbvb nnx w%i) jntron ijann * inbss r\2amp; n^p pp^.: invoa jnxn ^ar^ni * mix npra lo.v^

• nn^baDsn ris3 nnï'nn nnirïai nn^na • nn^^ ,nnn

t * t : : ■ : i - t t • : t t • ; t • : t t • -:

VK r-Dip^ * nnitr^ n^|o np^o rjniï

• onian pap ^nbn; Dip, n^p : nnx ni'^^ nDKban

4) I Kron. 4,23.

5) Jos. 5,3. Uit den meervoudvorm wordt afgeleid, dat Jehoshoea' tweemaal dit zwaard gebruikte, nl. vóór den uittocht uit Egypte en na de komst in Kena'an (Bamidbar Rabba, 11).

6) Zii gebruikten toen geen mes, maar een scherpen steen.

quot;) D. w. z. vroeger.

8) Jos. 5,2. Uit het woord: ztcaarden schijnt de dichter de bepaling af te leiden, dat voor de besnijdenis bij voorkeur ijzer gebruikt moet worden. (Vgl. Maim, 'n 'Sn 2quot;s n1quot;» 'Sn ;'n ,iquot;di Tquot;1 squot;ük).

9) Zie Jalkoet, I Samuel 17,40, N0. 127. De vijf steenen, die David noodig had, vereenigden zich vanzelve tot één.

1(l) I Sam. 17,49.

n) Ex. 36,2. quot;) De Egyptenaren, vgl. Ez. 23,20.

ocr page 444

JOTSBROTH.

toen Gij zaagt, hoe zij [Israël] in gemengd bloed!) wentelden, toen Gij de eerstgeborenen sloegt; Almachtige bevrijd ons en onze vijanden zult Gij in stukken snijden, dan zullen als op de tijding omtrent Egypte, de verdrukkers beven.3) God moge in Zijne genade opstaan om Zijn woord te vervullen; moge ons spoedig in erbarming aannemen en ons ten tweeden male redden van de lasten [der ballingschap] ; als in de dagen der oudheid moge Hij ons weder wonderen doen aanschouwen, Hij, onze Verlosser, Heilige is Zijn naam, de Eeuwige Tsehaoth.

■vin twni nsr

Onze God is in waarheid God, en Zijne leer in waarheid betrouwbaar, „Voorwaar, ook Zijne eerste woorden zijn waarheid !3) en het einde ervan wijst op de waarheid [der eerste woorden;]quot; Hij vestigt de grondslagen der wereld op recht, vrede en waarheid '). — Vóór de vroegste oudheid overdacht Hij den raad der ware wijsheid 5), die op Zijn uitgestrekten arm was geschreven, — want een gouden plaat was nog niet geschapen, noch ook een huid van vee of wild. — Hij rolde duisternis en donker weg voor het doorbreken van het licht; toen Hij echter zag, dat het verheven was boven eiken glans en licht, borg Hij het als een schat weg voor hen, die zich bezighouden met de Heilige Leer, die lichtend is.6) „Hemel en aardequot;7) gebood Hij, als een koning zijn dienaren — en zij werden tegelijk geschapen, volgens de beslissing, gegeven door den voornamen geleerde en zijne leerlingen, als bewijs daarvoor aanhalend het bijbelvers: nik roep hun toe — en tegelijk bestaan zijquot;. 8) — Toen nu tot in het oneindige

') Van paaschoffer en besnijdenis. De uitdrukking nsian cn beteekent een mengsel van bloed, voor en na den dood aan een verslagene ontvloeid, en wordt door Maimonides Mishna-commentaar Aholoth 2,1 afgeleid van ncDiara, Ez. 16,6.

2) Vgl. Jes. 23,5. Ti, eig. Tyrus, wordt op talrijke plaatsen door Midrash als het beeld van de verdrukkers in de tegenwoordige ballingschap opgevat.

*) Het stuk draagt de naamteekening R. Benjamin, volgens Heidenheim; R. Benjamin ben Zérach, vooral wegens het mystiek karakter van het stuk. Deze R. B. b. Z., met den bijnaam du Sï2, leefde volgens Zunz in Rashie's tijd ± 4820 (1060). Landshut, pag. 52, noemt 10 stukken met zijn vollen naam geteekend en s. n. R. Benjamin drie anderen, die aan hem worden toegeschreven.

3) Ps. 119,160, waar Rashie die woorden den volkeren in den mond legt, die bij de 1ste groep der tien geboden de opmerking maakten, dat zij allen op God betrekking hadden, maar door de latere geboden: //gij zult niet moordenquot; enz. ook tot erkenning van de waarheid der vroegeren werden gebracht. 4) Aboth 1,18.

5) De Thora, die, naar Midrash Konén, ook gedeeltelijk in Jalkoet,

70

ocr page 445

n^ö nnnb nbit

wyit] in.ön nt? • onü? D^ rann ^jniKn : anv iS^n; Dn.vp1? ym ipilt;2 ' onra ' JDan ucaVö'? uonquot;)1? - nNbob ww ïy* inpna mjr IOB' i iri-ip USKI-I * niN^a: nip ws ' niK^no

; It • iquot;-; t : • iquot; :- vliv •• • t ; *

mtj; : quot;

t ; T:

tnn mi) D2vh irr

(* .pi» lannn Bü e)iD2l 2quot;X Dquot;ï

B'NT D3QK * TOK njlÜK IJTllni * TON D^K Wribïlt;

yaypi * nönn bj? n^io isidi * nasi iian wpD ja : noNn by) aibfn fnn by obi^n nio^ ♦3 * nntaan i^nn nn^nn * n^in nïjr. by on^ VsiK : rr-ni nana nip kSi dht dl: nn*\ï: üb

vi - t T - ; T •• ; ^ ; TT - •• : *

rn Sa by rhyn: ^ 1^3 - iiKn nyp* ^ap njv quot;hn] pii : uk rnira D^pi^1? lo^Nni ina • iikoi •VTp^niK^^nanannKnaa * vna^ by -jbaa yxb lannnn : nn^ mpj;;. DH^K ^ Knip nanb n^i_i

Spr. 8,22 vv. aangehaald, vóór de schepping bestond, geschreven niet op metaal, noch op leder, daar dat nog niet bestond, maar in vuurletters a. h. w. op Gods arm. Zij werd vóór de Schepping door God geraadpleegd en haar raad opgevolgd.

6) Vgl. Chagiega 12a, Ber. Rabb. 12.

'') iSni pn, hemel en aarde, pn voor hemel met het oog op Jes. 40,22, •hn voor aarde, vgl. Ps. 49,2.

8) Chagiega t. a. p. en B. R. 1, komt een verschil van meening voor tusschen de scholen van Shammai en Hillel, of de hemel dan wel de aarde het eerst geschapen is. Eindelijk verklaart R. Shim'on b. Jochai de beide meeningen niet te begrijpen, daar beiden tegelijk geschapen zijn, als een schaal met zijn deksel, die te samen vereenigd gebakken, eerst later van elkander afgesneden worden (vgl. voor dgl. potten Thosaphoth Bétsa 32a, en 'Arocch s. v. csSx). Hij beriep zich daarbij op het boven aangehaalde vers Jes. 48,13. De geleerden van zijn tijd nu waren het algemeen met hem eens. — Ik prefereer daarom de lezing ivTs^rl, die ook in Machzor Romie voorkomt, daar de constructie —2 nsn moeilijk te verdedigen is.

ocr page 446

JOTSEROTH.

zich uitbreidden de uitspansels van Zijn glansvolle woning, moesten zij plotseling een ; ,;het is u thans genoegquot; hooren en verstijfden op Zijn woord, !) nde zuilen des hemels schudden en worden angstig hij Zijn dreigenquot;2) Daarna verdeelde en splitste Hij de „met Zijne hand gemetenquot; [wateren] 3); de eene helft hief Hij op en plaatste Hij in de hoogte tot latere eerbewijzing, dat zijn de reine wateren, die eens zullen gesprengd worden. — Toen schreeuwde de rest in opstand : „waarom zou mijne eer tot schande worden ! ? Laat ook ik boven de wolken-hoogten stijgen en met mijn wederhelft gelijkgesteld wordenquot;; toen verbrandde het een verterend vuur en werd de grommende bedwongen.4) — Hij vernieuwde de oppervlakte der aarde door vmchtboomen en gewassen, en gaf voorschrift aan de boomen: „ieder naar zijne soortquot;, doch niet aan de gewassen; toch maakten zij voor zichzelve eene gevolgtrekking en de gewassen kwamen in afzonderlijke soorten te voorschijn. 6) Den physieken aard der beide hemellichten maakte Hij [oorspronkelijk] gelijk in gestalte6) en vorm; en naar het aangezicht van den door Gods hand gevormde [den mensch] gaf Bij hun gelijk uiterlijk en droeg hun op en gebood hun door hetzelfde venster te voorschijn te treden. De maan echter berispte Hem; dadelijk werd zij kleiner gemaakt, omdat zij aanmatigende woorden tegenover Hem had gesproken en niet begreep haar, in trouw haar toegewezen, tijd [van werkzaamheid]; en Hij troostte haar wel met vertroostings-gronden over hare kleinheid, doch haar geest werd niet tot kalmte er door gebracht; — daarom brengen mijne scharen een zoenoffer voor den Heilige op alle Nieuwe-maansfeesten naar mijn wettelijk voorschrift: één geitebolc tot zondoffer voor den Eeuwige.1) Van hen beiden [zon en maan te zamen] leeren de rozenbloesems [Israël] tijden en eindpunten, nieuw en oud, en zij zullen zijn tot teekenen en tot tijdsbepalingen en tot dagen en jaren8). Den maancyclus geven de letters aan, hare tellingen worden telkens door de zes eersten [samen te voegen] bekend; voegt gij de zevende [letter] er aan toe, dan stijgt het getal tot dat van den zonnecyclus. Dan zijn van den eersten regel nog twee over en van den tweeden en derden nog vier, niet waar? terwijl de Zajin (j), de 'Ajin (J?) en de sluit-Noen (j) voor hen

') Zie Chagiega t. a. p.

2) Job 26,11.

3) Vgl. Jes. 40,12.

4) De voorstelling is ontleend aan Midrash Konén; vgl. ook Ber. Rab. 2, Jalkoet 11,789.

5) Choellien 60a, vgl. Rashie, Gen. 1,12.

6) De gewone lezing is: JfD. kroon, d. w. z. uiterlijken glans(?); Otteksoser leest: JfQ, van -psn Jin (Jes. 40, ) en vertaalt omtrek. Machzor Roinie geeft de lezing; ma-c, in gestalte, wat mij het meest eenvoudig

71

ocr page 447

enn ewii natrb nsv

nis^ * im;p« hy m DD^-I in^pT • mnn i mn n D,l7i^u' nvnni. mi : inn^p inpn^ iööit tD'm oninpn D'an an * oniapb d^i wvr\ on^no * onnan

* nö by na^1? »133 niïi mn» -IT : Dn;n^ pn6 -IB'K nVpK t?N in^nbni * naix 2% ^

* dwïï na 'ïp noiK ^2 Bnn : nainn Kin b'Sdji

• t : • ; •• •« - t t ; •• • v - t : • :

bp_ javJ?2 Wi?:ï, * by ab\ inrp1? ^ ini Ipini nions nnxp : DW-| ♦rp ixri noim

inK |ibrD nxïi • |j5n lo'? yv n^anni * mtfn V3^3 n^tsn »3 * in^^1? ta^anji. nnsn -ID* : rm'i quot;1^2 10V nnn^n; k^i |üip ^ainjna lonii * n:iDK |3 kVquot;! ^KT, * ^IDH pnnpp p1? ^ 'S# 1313 : in^n 1 dho1? : nN^nV inx ony * ^2^ nns D^nn vni. • D2 D^nn D^vpquot;! D^pr • n-13 onp ni»nK n:3bn nirno : QH^ID1?') ninx1?

T T ; - -:- • t ; • T ; : :

^js^pms * ni^n' rrnniap nu'^nn vpz • ni^nia

* n^^p 1 amp;r\p rrhni: : ni^^p nmb nuwa pli. pji pn * njioxa ^2*}K n»^pi

voorkomt, temeer daar de uitdrukking i:pm nvn in Midrasli en bij de Pailaniem zeer gewoon is.

7) Vgl. Choellien 60b, waar dit geheele verhaal voorkomt. De maan maakte de opmerking, dat in de geheele Schepping de grootere aan de kleinere zaak gepaard was; twee even groote hemellichamen zouden slechts aanleiding geven tot strijd. Als straf voor haar eerzucht, daar zij natuurlijk de grootste wilde blijven, werd juist zij verminderd. Toen begon zij eene discussie over haren toekomstigen werkkring, totdat zij eindelijk door God werd aangewezen als uitgangspunt van feestbestemmingen; ook toen was zij nog niet tevreden en zeide God: brengt daarom eiken Nieuwe-maansdag een zoenoffer voor Mij, omdat Ik de maan kleiner heb gemaakt. Dit wordt vastgeknoopt aan liet woord 'nS (Num. 28,15), dat alleen bij den zondoffer-bok van het Nieuwemaansfeest wordt gezegd, terwijl het bij de zondoffers op andere feesten ontbreekt.

8) Gen. 1,14. Zie onze aant. aldaar op het woord onrw.

ocr page 448

JOTSEROTH.

allen de rekening doen sluiten.!) — De visschen, die zwemmen in de zee, deed Hij wemelen in 700 reine soorten, en voor gebruik geoorloofd gevogelte zonder einde of getal, en [onreine] te verafschuwen vogels vierentwintig. — Daarna raadde Hij : „dat de aardbodem voortbrenge wild en vee, onrein en kruipend gedierte te doen wemelen in machtig aantalquot;, toen bewoog zij [de aarde] zich als het ware zelve van insecten, die toch allen voor eene of andere noodzakelijkheid dienen. [David] die na talrijke bepaalde jaren [bij het brengen der bondsarke in Jerusalem] zou dansen en springen 3), vroeg : «waartoe zijn gekken, spinnen en horzels geschapen ?quot; Hij antwoordde hem : //gij zult ze eens noodig hebben, op den dag, dat gij, om u te redden, zult moeten vluchten.quot; s) — Toen Hij nu voleindigd en voltooid had het bevelen van al het geschapene, sprak Hij ; «laat Ons een mensch maken naar Ons beeld.quot; Hij mengde hem dus [uit stof der aarde en water] en gaf hem de ziel en zette hem in zijne //hulpquot; [de vrouw] de kroon op. Toen hem een gemakkelijk gebod gegeven was, deed zijn misleid hart hem afwijken; en richtte Hij hem door Sanhedrien's besluit als een zinverdraaide en verdwaasde om op hem te vervullen : met den kromgeestige gedraagt gij u dwaas4). In die afdee-ling teekende Hij 71 Godsnamen op; van Beréshieth, totdat hij geschapen zou worden 5) en van dat hij geschapen was tot de verdrijving, — beantwoordende aan [de 71 leden van] het San-hedrien, de mannen van onderzoek en navorschen.6) Zij beiden hebben gezondigd en worden in de Heilige Leer veroordeeld en de slang met hen, omdat Hij [God] niet de juiste argumenten voor hem aanvoerde, immers : [wanneer tegenover elkander staan] de woorden van den leeraar en die van den leerling, — past het

') De gewone maancyclus omvat een tijdperk van 19 jaar, waaronder 7 schrikkeljaren, waarin één maand wordt Ingevoegd, ten einde er altijd voor te zorgen, dat het Paaschfeest in de a^asn onn, d. i. in de lente valt. Daardoor wordt dan hel zonnejaar met het maanjaar in overeenstemming

gebracht (19 X 354 210 19 X 365 1). Dit is de zoogen. jcp ntrra. laarnaast staat nog een cyclus van 21 jaar, d. i. van zeven driejarige perioden, omdat de maan telkens na 21 jaar op haar plaats in verhouding tot de sterren is teruggekeerd, die zij bij hare schepping innam. Vru -mn» n:;S So. De zonnecyclus omvat 28 jaar, en wordt nnnn -iiina, ook wel, in de latere litteratuur gewoonlijk, Siu -mno genoemd. Plaatst men nu de letters van het Hebr. alphabeth, met de sluitletters, in drie rijen:ebracht (19 X 354 210 19 X 365 1). Dit is de zoogen. jcp ntrra. laarnaast staat nog een cyclus van 21 jaar, d. i. van zeven driejarige perioden, omdat de maan telkens na 21 jaar op haar plaats in verhouding tot de sterren is teruggekeerd, die zij bij hare schepping innam. Vru -mn» n:;S So. De zonnecyclus omvat 28 jaar, en wordt nnnn -iiina, ook wel, in de latere litteratuur gewoonlijk, Siu -mno genoemd. Plaatst men nu de letters van het Hebr. alphabeth, met de sluitletters, in drie rijen:

ü n M n l J 3 X

s a yo a oS a ^

f ^ jd incn p

dan zijn alle berekeningen te maken. De zes eerste letters van de eerste rij (1—X) geven tezamen 21, d. i. het aantal jaren van den grooten maan-

genesis. J

72

ocr page 449

inn tjwi rat?b quot;IÏV

♦ onint? w hinü ptfn D'^np : ni^nsü njnnK mai^ • onsppi quot;ipn pxquot;? n^üi irani - nonai n»n nanx Ni'Vin ^ : Dn'^i : nan Tpi*1? DVai n^nm * na^v^nbi fn^n1? inquot;)3: na1? i ^Kir * m^np a^ty naa1? nanDai nis

it ; • tit quot; t i: t t - ;

nnna avb lab 'nntiïn m^n • nviui a'tatr

t * : ; it I vit : • • v: ^ t : • t ;

wa^xa din n'^: * naia Va : nijn^nb

iquot; ; - ; t t v ^-:i- •• ; • : - t : i t * : •

a1? mssm niüïja nbp : 11? la^jm iba: • bba

it • : t quot; : * : t p - •• • '.' f; • : • : ; • •• •

D'p1? • bnsJi naaa pnnjp fna I:T • bnm

* n^iaa nnKi IW nnam DB'T : bnann vpy pnn:p -ma * n^ni 1%] nv^^ai irü n^^-iaa iyn:i * mina ixm o^ty : ntfmi n^pn ^3

t t : t - . ; - ; • : : r -i- ; t • : t i • -: ••«-:-

'in*] ann TaSrn an oipaa • nni^a did#

.rvysinh : nit's Dipsa inn iimna *

cyclus; de zevende er aan toegevoegd, geeft 21 7 = 28, het aantal jaren van den zonnecyclus. In de tweede rij krijgt men op dezelfde wijze 210 (280) en 2100 (2800). Dan schieten dus dé beide laatste letters van iederen regel over, terwijl de letters f (in den Isten), y (in den tweeden), en sluit-J in den derden regel alleen dienen om den maancyclus tot zonnecyclus te vergrooten.

s) II Sam. 6,15.

3) De zoogenaamde Ben Siera (ed. Amsterdam 5457, pag. 106) verhaalt, dat David God eens de vraag zou gesteld hebben, waartoe Hij gekken, spinnen en horzels had geschapen ? Het antwoord luidde: zij zullen u eens diensten bewijzen, dan zult gij niet meer vragen. Toen hij dan ook op de vlucht voor Shaoel zich in de spelonk verborg (I Sam. 23,14), werd hij door het web van een spin, die daar op Gods bevel zich nestelde, aan het oog zijner vervolgers onttrokken. Bij Achiesh, den koning der Philis-tijnen, werd hij alleen gered door zich krankzinnig aan te stellen (I Sam. 21,11—lb); en bij gelegenheid van Davids overrompeling van Shaoel, waarbij hij diens lans en drinkschaal wegnam (I Sam. 26,8 vv.), redde eene horzel David het leven.

4) Ps. 18,27.

6) De Godsnamen in Dip^s dSï; en van ffpSs yiïo (Gen. 1,27) worden nl. niet medegeteld.

c) Vgl. Ber. Rab. 20.

ocr page 450

JOTSEROTH.

voor des leeraars woorden ontzag te hebben.!) De zevende dag zag om naar den [door God] gevormde, daar hij der vertwijfeling ten prooi was, en stond op als een held om hem als eene muur te beschermen en smeekte vóór het aangezicht van den Vergevensgezinde en bracht tot bedaren toorn en gramschap. 2) Zoo rustte daarop Hij, die woont in het verblijf in de uitgespreide [hemelen]; Hij gaf hem tot erfdeel aan Zijn volk, dat in Zijne schaduw toevlucht zoekt, die loven Zijn naam, [zeggende:] „ivant qp dien dag rustte Hij van al Zijne werken,quot; de Heilige 1

.{SIX

Millioenen machtigen U ter eere zeggen : ,;heiligquot; 8).

De schitterstralen, iedren morgen nieuw geschapen 4),

hun zeggen is: //geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen : //heiligquot; en «geloofd.quot;

Heirscharen hoog ter Uwer eere luide — zeggen: //heiligquot; ;

Zacht suizend, zoet gemurmel U ter eere,

hun zeggen is; //geloofd,quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: //heiligquot; en //geloofd.quot;

Dreunend dreigende donders U ter eere, — zeggen: //heilig.quot;

Voor U verzaam'len zangerscharen zich — en zeggen: //geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath, zeggen: //heiligquot; en //geloofdquot;.quot;

Schreiend de schitt'rende hemelsche boden — zeggen: //heilig.quot;

Siddrend staan vóór U de groepen Chashmallietn

zeggen: //geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: //heiligquot; en //geloofd.quot;

Tot U vliegen vorsten van 't vast firmament, zij zeggen: //heilig.quot;

Tot ü roepen eng'len en fladd'ren en vliegen 5)

en zeggen: «geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen : ,/heiligquot; en //geloofd.quot;

!) Dit zoude de juiste verdediging van de slang zijn geweest. //Eva had Gods woord boven dat van de slang moeten stellenquot;. Daar de slang zelve dit argument niet aanvoerde, werd liet in dit geval, waar men met een verleider te doen had, ook door den Rechter niet in aanmerking genomen (Sanhedrien 29a).

2) Pirké K. Eli'ezer, 19.

73

ocr page 451

Bnn racb quot;ixv w

11353 * nDinp1? |n: »3 yv ^ yzw in : kiio1? i pl : noni 0^3 -|3^i Vnia bio jani. * noma pnS *D*pin ibïs la'N isj;i? ibn! * owa |i3p 3^1*13 ate! inr San ; ^npT * D^sn ^30 n3^ 13 '3 la^b D'nSE'p

vhrvn 2quot;n Dquot;y JJW

* tynpT onoiK D^VK 'shx D^N ^

* Tjns DHDIN Dnj53 gt;113 D^13

: ^quot;131 t^iij^ onoiK 0^1131 nins^s ^

* trii£ onpiN D»ni33 nii5 o^ia ^

* TjllS DnOlN npl nO!31 D,3311

: 11-131 Bli£ DnpiK D^inni nins^s nibip ^

* ï^iij? onpiK nbiön 'pin D'pin tp - Tjins onpiN D^^ni ni^i oniyi ^

: Tjiisi iyiij5 onaiK D^in3i ninsBO m^np ^

' ^11pT DnalN D,l?13T *3T D^^lT

' Tjiis nnpiK D'bpB'n 'Vn o^n ^

: T]ii3i viïipr onaiK D^insi nins^s ni^np ^

* ïriipT onpiN D^niijü npöü Dpü ^

' 1]113 DnölK pUT pUT |1N1^ ï]1?

nvnm : Tpisi ïriipT DnplK D^in3i ninsi^s nibnp) ^

3) Gedoeld wordt op de Kedoesslia, heiliging van den naam Gods, dooide engelen-koren, die, bij Jesaja 6,3 het //driewerf heilig enz.quot;, bij Ezechiël 3,12 het: /,geloofd zij de naam des Eeuwigen enz.quot; aanheffen. Deze beide verzen vormen ook in ouze liturgie de Kedoesslia.

4) De engelen, die als bliksemstralen glanzen en iederen morgen nieuw geschapen worden, vgl. Chagiega 14a. B. R. 78.

'quot;) Ps. 68,13.

ocr page 452

JOTSEROTH.

74

•nSn

Uwe trouw is waarachtig en groot, Gij, die in de vergadering der heiligen als heilig wordt geprezen; tejkens als Gij het teeken des heils [aan den hemel] plaatst bij het vernieuwen van het morgenrood, zullen de [uit Egypte] verlosten U huldigen ^ telkens op iederen Shabbath en nieuwemaansdag en zeggen: HUwe getuigenissen zijn ten zeerste vertrouwbaar. Uw huis betaamt heiligheidquot;.2) Het is gewoonte nde schoone vruchtquot;3) [van den olijfboom, d. i. de olie] te gebruiken als brandstof ter verlichting, bij het naderen der ochtendschemering echter gaan de lampen uit, daar hun gebied ten einde is; en kort vóór den morgen orden ik mijne bede en zie hopend op naar U, Eerbiedwekkende, — Want hij U is de bron des levens, in Uw licht zullen wij het licht aanschouwen. 4) Moge de glans van het verblijf Uwer heerlijkheid [Tsion] Uwen uitverkorenen getoond worden naar hunne verdienste; vensters, [naar binnen] kleiner, en [naar buiten] grooter wordend,6) mogen in pracht zich verheffen als bij den eersten en tweeden [tempel]; de voorspelling van Uwen ziener moge bewaarheid worden: „dat maan en zon zich verbergen,6) want de Eeuwige zal u zijn tot eeuwig licht.quot; — De kroon der schoonheid. Uwen tempel, vestig hem, leg vast zijne grondslagen; maak weer volkomen den troon en Uwen heiligen Naam, bedien TJ niet meer van slechts twee letters;7) verschaf Uwen dienaren een nieuwen naam, 8) gelijk er een nieuwe hemel en nieuwe aarde zal komen ;9) „Jubelt hemelen, want de Eeuwige verricht het; juicht, gij diepten der aarde !quot;10) Wanneer Gij [naar het gebied] van den top van Amana af binnenwaarts11) de ballingen uit hun gevangenschap bijeen trekt, doe hen dan hun zangstuk erven, terwijl vrouwen de mannen omringen;13) als het geheim van hun leiding in hunne jeugd, toen maagden den tamboerijn sloegen [bij den uittocht uit Egypte, aan de Schelfzee] na [den val van] het leger; de stad is dan ons tot kracht, tot hulp doet Hij strekken muren en tusschenmuur.13) Het woord der bedenking in Chanes [Egypte] heeft opgewekt het verbond met onze dooden [de aartsvaders]; Gij, rechtvaardige spruit! vernieuw in nabijzijnden tijd onze jaren; dan gaat Gij gevreesd als koning daar heen, en ik [Israël] als Uw pachter u) en te zamen verlustigen wij ons; dan wordt vol van gejuich en lachen

*) De schrijver is R. Meier ben Izak, met den bijnaam Sheliach Tsihhoer ((•quot;», Voorlezer), die lierhaaldtlijk door Rasiiib geciteerd wordt, soms als reeds overleden (V'«). Hij leel'de te Mainz en te Worms omstreeks 4820 (1060) en R. Jitsctiak Hallévie uit Worms, Rashie's leeraar, roemt zijne dichtstukken en voordracht. Zijn zoon R. Jitschak was te Worms een der slachtoffers van den eersten kruistocht (4856, 1096). Van hem is o. m. het beroemde nrnps, dat op het Wekenfeest bij het begin der Thoralezing wordt voorgedragen. Landshut pag. 162—167 noemt als beslist van dezen dichter uit de verschillende ritus 21 stukken.

ocr page 453

ann nbiT -ijr

(* .boib Di»ï02i mina ptn pmi ia iis» own ^1021 aquot;s oquot;s riSlI

IW ?]n^n| • i D^I-I[5 IID3 nan TIOK ^n:ioK

np ^jiTDKt * ^nnnan in^n niDjra yw

: niw IKD WDN: ^nnjr * uhim na^ 133 niquot;ii:an ni^airn Tnbn - TiKa1? nas nn -iKin na

T ; - T : - ) • T - quot; - •• - 1 • ;

♦3 * niNj ^ nöVNl ^öpi * quot;liNn1? i biaa

nxT. ïjnias DipD iniT : UK HKIJ o^n iipp nTDi nra m^niDi nirapp nui^n - ^Trp1?

^ n^n» ♦♦ '3 * oV^nnV UNI IÏ jon» ^rin D^Ü • D^1? DB'I D3 * ni»n^ iamp; nv\ ?|T3-i VVpp : D1?^ nixV D^nna ty^n üp * ni^niK vmpnn i D^bti : n^nnn i^nn « n'iyy ^ 12-1 * ni'niK ni^nni

• : quot; r t *: t t • i-t it * t t-:~

33iDn nap: * D^abi HJOK B'K-ID

; tiquot;; ; t ; • • * t • : • ; t t -:

inx niaain nio^3 m»1?# Jim iid * bn: pna 133 D2na nTpa na : Vni main uV-Ty yv • Vn

.. t : rr: v •• t t t : it ^t

* w:# 1 ir^nri Dquot;^ 3quot;t,p. pnv npy -nna nn^n pin'iyi mi N^a» m * onxi nba3 Niia

i : t • •• t • t !•• ; •• - : • t ; |v iv ; t ) -: -

ocr page 454

JOTSBROTH.

ome mond en onze tong!quot; !) Door het te plaveien met Poech en Saffier3) maak hecht en sterk mijn voorhof; den cypres en ceder, populieren zijn de latten bij mijn terugkeer; en men stelt schoon een heerlijken zang in, als destijds toen ik de zee gekliefd zag!

Neem ter hand schild en schutpantser, en sta op om mij te helpen !3)

.rrnna ravh -iïv

Den hoogverheven God wil ik jubelend bezingen; de machtige daden, door Hem verricht, wil ik verhalen vóór de gemeente ! Met de bijeenkomst van het vlekkelooze [Israël]4) wil ik mij verbinden in een waardige daad, het ,/In den beginne schiepquot; te verklaren en te bespreken! Neemt het u dan ter harte te dienen den Koning der heerlijkheid, den Heilige ! — Van Hem, die groot is in denkbeelden, willen wij de machtige daden verkondigen, bij dagschittering 5) en nacht Zijne grootheid prijzen. 6) Bij het uiteen zetten van hetgeen Hij geschapen heeft,— zoo groot mogelijke terughouding aanbevolen!7) men bewake de deur zijner lippen, 8) daar de kennis te kort schiet! Toen God het plan opvatte de wereld te vestigen, pleegde Hij met Zijn raadgever overleg, die zich toen reeds verlustigde in Zijn verblijf,9) en hare meening kwam Hem raadzaam voor; toen stemde zij met het denkbeeld in en antwoordde, dat [de wereld] nu geschapen kon worden; en Zijn geest blies [over de wateren]. Wat Hij Zich voorgenomen en overdacht had, zette Hij spoedig in daden om en bereidde uit lichtglans het verblijf der reinheid [den hemel].10) Den aardbol maakte Hij 11) van de witte sneeuw, die Hij neerwierp; 13) pijlen scherpte Hij als loon voor den afvallige.13) Het hemelgewelf deed Hij stollen en vestigde Zijne tent; verdreef de verborgen wateren en zonderde ze naar ééne plaats af. u) Tevens schiep Hij [de engelen], die met luider stemme Zijne eenheid verkondigen, doch bereidde ook vuurgloed, om verstootenen te tuchtigen. 15) Hij bracht in Zijn

') Ps. 126,2.

2) Jes. 54,11.

3) Ps. 35,2.

4) Vgl. Rasiiie Hoogl. 6,5 e. a. p.

5) nv, een zelfstandig naaraw. gemaakt uit den Sïsn-vorm: larn rw (Ps. 18,29), schittering, dag.

6) S^d:, loven, vgl. Rasiiie Ps. 68,5, Job 28,16.

7) Chagiega, 11 Maim, mirn vro1» 'Vn 4,10.

8) Li = nVi, deur; vgl. Ps. 141,3, Rasiiie en Ibn 'Ezra.

9) De Thora, die lang vóór de wereldschepping bestond ; vgl. Spr. 8,22-31. Vgl. Jalkoet t. p. en Her. Rab. 1, vooral Perakiem v. R. Eli'ezer 3. Op Gods vraag namelijk, of Hij tot schepping der wereld zoude overgaan.

75

ocr page 455

Enn mi) rhv

tPi-D * pin npn i^ödquot;) Tjia ni^nni : ira D;ii^ó quot;i^ f^óni * ♦nnTn ♦nna iwxni quot;innn mty : ♦rnjr^a nö^i nsyi |?d prnn * »nnn d»3 tjo

.n^xquot;a muh -isv

.ppn nos» 12 dirni ssn» 3quot;}{ oquot;s

: npp3 * nu^ ^OIN * nob^nna * üm nxn * «na n^Nquot;i3 * nisnns4 • nn| iiD2 Vna : tyi-ipT • H3|n * mn^1? n? : n-jnnbi viïii : bboi 1^5 * VVj vnniaa • bSa

• iDB'na : ivpnnD njjl * ^ '1 * iV^ : 13^103 npn'B'pn * I3^n?p3 ^nn * obi^n

inni * nn^n nNnabi ' na^om * mtri n:isquot;ii

: ti'quot; : • : T T -: - ; T i* ; * : T : • T ;

: nniü • miTO rar * nno TIIT * imn IOÖT : nnv:

- i •• i : - i • i •• * - • •• - : • t ; t : t

Vibtp: pn^a t]bn * pnpn * pnn njn * pnxn i^n : ^nsn1?') nincp • D^iap * * irnpn

D33 : vni: • DTinp |a» * min* * D^nvia iV'

antwoordde de Thora, dat dit noodzakelijk was, daar om te heerschen er iets moet zijn, dat beheerscht wordt; en om gehuldigd te worden er een volk moet zijn, dat hulde brengt. Dit woord vor.d behagen in de oogen Gods.

10) De hemel is uit licht geschapen; zie t. a. p.

11) p-isn, w. w. van spis, Arameesche vorm van het Hebr. ps.

12) Pirké R. Eli'ezer t. a. p. De aarde is geschapen uit de sneeuw onder den goddelijken troon, vgl. Job 37,6.

13) pnïo, die ontvlucht de vervulling zijner plichten.

14) Door het bijeen drijven van het water kreeg het uitspansel eerst zijne vastheid.

15) Pirké K. Eli'ezer 4. Op den 2den dag werden geschapen; het uitspansel, de engelen en de hellegloed.

ocr page 456

JOTSEROTH.

verzamelplaats bijeen de machtige waterstroom en, door Hem gemeten ; doch toen zij moedwillig tegen Hem handelden, bedwong Hij ze door Zijne vrees.1) — De overoude aarde 3j deed Hij in groen gewas ontspruiten om zich te vermeerderen en te vermenigvuldigen, om zaad te geven en gewas voort te brengen. De Scheppingen, die Hij voortbracht, — door een woord slechts riep Hij ze te voorschijn; de lichten en hunne trawanten3) door Zijnen adem stelde Hij ze aan. [De zon], die vol vreugde daarhenen schrijdt,4) [de maan] die vertrouwbare getuige, 5) nemen den bepaalden tijd in acht, sterk genoeg om niet te wankelen. Daarna bracht Hij te voorschijn uit de opgeborgen wateren 6) de zwem-menden [visschen] en de vliegenden [vogels]. Hij gaf hun teekenen voor de later geschapenen, om zich van de onreinen te onthouden. Om als maaltijd aan te richten koos Hij deu Liwjathan uit, wiens oogen schitteren als de morgen; 7j daaraan zullen eens aanzitten zij, die van den moederschoot8) af beladen zijn [Israël]. Hij, die wrocht met wijsheid, beval de aarde door hare verhitting te doen geboren worden wild en vee. Den Behé-moth, dien Lotus-halmen beschutten,9) koos Hij uit om te bereiden; Hij maakte jacht op hem om hem te slachten, om er de ingetogenen [braven] deel aan te geven. De Heilige sneed den door Hem gevormden mensch uit Zijn land;I0) Hij richtte hem op, zoodat hij rechtop loopt, en versierde hem met wat Hem gevreesd maakt.11) Doch toen hij slecht handelde, werd zijn geest verminderd; — het net van het graf [werd zijn deel], af te dalen in de diepte. — Toen Hij Zijn werk had voleindigd, rustte Hij in Zijn verblijf; den zevenden dag verhief Hij, om hem in acht te nemen en niet te ontwijden. — Schoone woorden spreekt hij [de Shabbath] voor den heerlijk schoone [den mensch]; losgeld voor hem te geven verlangde de slanke Gazelle.12) Hij bewaarde hem om hem ten deel te geven aan het volk, dat Zijn leiding volgt; toen Hij het manna te voorschijn bracht, verkondigde Hij het voor het eerst. Om u daarop te verlustigen, en u te versieren, u te onthouden van «vervoeren,quot; 13) dat hij, die lasten draagt, ruste en niet vermoeid zij. Neemt u dus ter harte te dienen den Koning dei-heerlijkheid, den Heilige!

') T. a. p. 5. Op den derden dag beval God de wateren op aarde zich naar ééne plaats te verzamelen; dit geschiedde, doch het water werd oproerig en dreigde de aarde te overstrooraen, totdat Gods toorn tegen de wateren ontbrandde en Hij ze bedwong en bepaalde grenzen en hoeveelheid voorschreef.

2) 'co is een naam voor de aarde; vgl. Ps. 88,13; Wajjikra Rabba. 29.

3) De twee lichten, zon en maan, en de hen omringende menigte, de sterren.

Vgl. Ps. 19,6: hij [de zon] verheugt zich. .. om zijn haan te doorluopen.

5) Vgl. Ps. 89,38: als de maan... een vertrouwbaar getuige aan den hemel.

76

ocr page 457

nwin nvv ^

♦K'KnV : nnöa • iia: Dnnna * nitö : ^nto1? * main1? * n1? * ^an

: D30 inno * Dibm nniKD ' djö» -idikd * djqt d^d

t • •• t -;- : t : • v i •• t : • • ^,-: -

: n^sno i tföpni * i^io i Dnüi: -jOKi * n^iï : D^a^p niD * D^na:1? |ap * d^k^i D^n^ * ownna pbp b^iö : nnK'p ♦did^ * quot;inp1? Tn^ • -in^3 vr^ * ina -p^ D^KÏ : nonai DWS * nain^ ÜIVÖ • HDIN tps * nüDns

• v; v t •• ; • t : t • ; : t t -: 1 •• • t : t ;

E'i-ip : inDiDb * inoa:1? nv * iroiy1? HSÏ • iniao^

I T iquot; : quot; !••:-: T r* ;#T : T T I *.. :

: lïn^ap p * irnan nvpüip * • iï-ixp

obiy : nnn^ mi * nntr nt^i * nnsj inn * nn^ pn

... - it ; v iv - i- v iv - : • - • : I -

nan : iVbnp maty * yip - * itys

• na^ : *iöi^ 3Kn * 1013 nn * ns^ man * W

• : - ; T : * v 1 ~ T v* 1 quot; quot; ' * : V,V*

•nitonn1? js^nn :igt;nnn * i^nirna jd • i^n; d^S aS in^ : niNVVp ni! * niN^p - m^ï'

inv ban : a'ilp * linsn TjVo * 113^

6) De diepten der zee, zie aant. 1.

7) Job 41,10.

9) me», Pa. 110,3. Wat de zaak betreft, vgl. Rashie Gen. 1,21.

9) Job 40,22.

10) Naar Midrasli is Adam uit aarde van Palaestina gevormd (P. R. E. 12).

quot;) ixiïon, met de ziel, het goddelijk element, waaraan de mensch zijne meerderheid boven alle schepselen dankt.

12) Een liefkozende benaming voor God. Pirké R. Eli'ezer 18, einde, wordt gezegd, dat hem, die den Shabbath in acht neemt, al zijne zonden vergeven worden, terwijl in 't begin van kap. 19 voorkomt, dat de Shabbath bij God als voorspraak voor Adam optrad.

13) nwy, het eerste woord van het Mishna-tractaat Shabbath, waarin de op Shabbath verboden werkzaamheden worden besproken, is hier als voorbeeld van alle zoodanige verrichtingen genomen. De term beteekent; het vervoeren van zaken uit particulier gebied (of wat daarmee geheel of ten deele wordt gelijk gesteld) naar den openbaren weg, of omgekeerd.

ocr page 458

JOTSEROTH.

.jaiN

Den Heer der heerlijkheid, die de hooge hemelen met één spanne omvat, kennen de dienstdoende engelen machtigen roem toe, met liefde Hem zoekend 1) naar voorschrift en overlevering; — en ik — Israël, — door lijden zwart geworden 2), orden slechts met mijn mond nog lof. — Voor Hem, die genoemd wordt Eerste en Laatste, den Koning Alvermogend, doen zij uitstroomen jubeltoon en juichen met rechtvaardigheid en braafheid ; met hen is Metathron, 3/) Phiskon, Itmon en Sigron 4); doch ik, de lelie van Sharon 5), ik werp voor de arke mij neder. — Voor God, die vlammen splijt, die gevreesd wordt in de machtige vergadering van heiligen, toonen de om Zijn troonwagen geschaarden en heilige, vlammende vuurwezens hun kracht om te uiten een heiliging, een ééuigen lof6j; — doch ik, die ziek ben van liefde — mijn smeeken is aangenaam als een geschenk! Voor Hem, die wonderen verricht, den Heer der wonderdaden, donderen scharen en legers in de kameren der hemelpaleizen met krachtige geluiden, in groepen vereenigd; — doch ik — de muur, wier borsten als torens zijn, 8) put mij uit in prijslied en lof. Voor de verhevenheid van Hem, die getrouw is aan Zijn verbond en bestendig vasthoudt aan Zijn eed, verschrikken de Chashmallictn, die Hem dienen ; zij verheffen zich uit vrees voor Hem en verkondigen Zijn Goddelijkheid; — doch ik, die Mijnen Vriend behoor, Wiens verlangen op mij gericht is 9), zeg : «Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid !quot;

. D S1 r

Voortdurend peins ik, om te begrijpen de ellende en de moeitevolle levensomstandigheden; waarom toch mijne smart eeuwig duurt, pijnlijk zonder verademing? Wel komen die tuchtigingen en kwellen mij die plagen naar het Goddelijk verbond, doch den geneesheeren is immers verlof gegeven tegen de rampen op te komen! Heengegaan, ja spoorloos verdwenen zijn zij, die genezende specerijen konden bereiden; geweken zijn zij, zij schieten te kort en zijn in hun kennis beschaamd, de geneeskundigen; — toen nu mijn weg duister werd, wilde ik gaan bij de daarvoor aangewezenen, rondgaande om te vragen en te vinden een antwoord voor de verdrukkers, — Die daar veilig zijn en rustig en niet deelen de ellende van den sterveling ; wier krachten niet ge-

') Ontleend aan Abotli 3,12, — beteekent de uitdrukking hier: gemakkelijk fte bewegen] Hem te zoeken.

a) Hoogl. 1,6.

:i) Sanhedrien 38«.

4) Ibid. Ha.

5) Hoogl. 2,1.

c) Vgl. Chagicga 3a.

77

ocr page 459

rwfcro rotr1? 101« w

.DViim nSn^nii .tju» nisa oinn jii'ja lansn d» J2W

• nn^N D^V#Ü * nnia DI-i \pnü ' rmfinn S^S1?

• nniDai HD^na • min^nb iV dtiu * rntfn ♦dnVü

• jnnNi xiplb : niniD nbnn * nnininE' 1 DriKquot;) * pn^pi i^i;3 * pnj quot;tVp D^»3Ö • |innn« ninri^p * jn^n n^ïan ^5 * piipi |ioipx pppö * |iquot;itDüö

• nan D^np 1103 p^? * nan1? axin rrb : |1IK ♦JÖ n^np Ta^pn1? ansanp ^npi • ra^-ra n^i : naiy ^3 ntrpa ' nanx n^in • ro^n nnxa

T quot;^: - : TIT- T -: - - • -; - T • -: ~ 1

nins * niVni DW • niN^ssn ^3 ri-iK • ni^a N'Vfio^

; T -: - T : • - T I -; T : • ; - :

riDin ♦ini * nibnpaa nn^i: * ni^ips * ni^s^n

D^pi • mnns fONb : ni^nm ninsfri * niV^as n^i i D^tsjnp • inK^p i D'Vnanp • mn^ ♦bpirn • in^^a Tjiis • inplan ty) nn1? • inin^K DH^Q * mo^a nvnm : iniD^p 1133 DB'

•l-eNi pm mina SiJ' jcpn nnS» Dim tjicai d'ï nSlt

vm nï: ^«3 na1? * onw Dn3m n3^nK

t -iv • •• ; t it •'.... -t ; t't i-t t : - -:

• D^ii: oniD' 0^3 nns * D^ianap

Ira: 1T3 : 0^12 D^iö1? n:n3 D^KÖIquot;) nitrn

; IT-.. -; it ' : T : * T : • * : :

nnnoja *3Ti • D^axn iniio non tix no * D^aon

T T : • ; • : - * T *-, T it IT ••. | - IT . • T - -

: a^jia n3wn tfïp n^Kiir nntna * D^aa SÏK nquot;iK N1? DIN Dyi • ia\rN ba^si nus D^j«^n

') Hoogl. 2,5.

8) Hoogl. 8,10. Vgl. Midr. Rabba t. p. Israël zegt tot God: ik hen een muur en doe, gelijk een muur de stad, de goede daden stand houden, en mijne horsten als torens, groepen van braven zullen wij in de wereld doen ontstaan.

0) Hoogl. 7,11.

ocr page 460

J0T8ER0TH.

trofien worden bij het lijden des menschen; die als mestvee dik zijn, zoodat hun blik verduisterd is van vet, — doch zij doen opwellen en spreken kwade woorden, wier inhoud bitter is. «Deze daar [Israël] is aanmatigend, haar voorhoofd kent geene schaamte; zij heeft immers geest genoeg om te weten, dat zij slechts hare wet [voor de onze] moet verwisselen.quot; 1) „Kan een pleister van zalven worden opgelegd, waardoor de wonde geheeld kan worden, die reeds jaren lang, overoud is geworden ?quot; Mij te verleiden hen te volgen, houdt hunne begeerte niet op, als houtskool voor den ko-lengloed, als brandhout voor een vlammend vuur : „Sla toch uwe tenten op in gevaarlooze nabuurschap en wat vermoeit gij u toch, u bezighoudend met de boeken uwer genezing!2) Tooi u met uwe schoonheid, door [u te vereenigen met] haar, over wie geen plaag eenige macht heeft3); zoekt gij een bewijs [voor de waarheid van onze leer] ? de absolute veiligheid, [waarin wij leven, terwijl gij vertrapt en vertreden wordt!quot;] 4) Ofschoon als een vlam [dit woord] mijn hart verteert, — toch blijft het beslist spreken; „Uwe nabijheid, o God! is mij goed!quot; — en stoot de woorden uit: »Wat heb ik met u mijn leger op te slaan; verwerp gij uwe verachtelijkheid en houd ons die niet voor! Liefelijk en schoon is het, ja zoet, zich te laten vertrappen, te laten verdrukken, zoo uit liefde de Vader Zijnen zoon slechts tuchtigt 1quot; — Heeft mijn mond ook al opgehouden de berekeningen [voor de verlossing] te tellen en is nog altijd de genezing voor de dochter mijns volks niet gekomen, —het woord ; «wacht op hemquot; 5) blijft een duidelijk in de openbaring aangewezen gedenkteeken; mijn zielsverlangen, de liefde tot mijn Vriend is dan ook niet verzwakt. Dit woord overdacht ik in mijn hart om een oplossing te vinden voor de vele slagen, die ik moest dulden van den machtigen geesel: de Almachtige heeft, vóórdat Hij de verschillende lotgevallen toedeelde,6) den met hoeken gesneden zwachtel verzorgd en den pleister bestreken T). Als het ombinden van een beproefd amulet en als voortreffelijke bezweringsformulieren is Zijn woord, onderzocht en vertrouwbaar gebleken, met tal van voortreffelijke eigenschappen; de kundige Geneesheer, Zijne handelingen zijn nauwkeurig berekend, in Zijne hand is toch een foedraal, rijk voorzien van geneesmiddelen 1 Wel heb ik mijn leven verafschuwd, waanzinnig door de groote beschaming, zwaarder beladen dan een kameel-rug met smaad en bespotting, doch mijn eisch wil ik uitstellen, (ot het verband is opgedroogd, want na het toebrengen der wonde dient immers genade U tot kleed ! Wel is op rechtspreken en straffen Zijn oogmerk

^ Met Arnhem lees ik: mn pi = ; Ottensosee : van

jsn, oud, dat hare wel verouderd is, een wel wat te modern uitgedrukt denkbeeld; Beer: ppS mn pi, zij heeft een voor kennis ontvankelijk hart,

78

ocr page 461

nwna nn^1? rhv ny

nbnü «r D^nö3 D^nni * quot;iOiiK n^nb nb • üb nnxpi n^n n^? :

nsa nr * |Bh» D'^vn op binn * rnn pn D'bni1? Dnfi3 * nppiö Nb Dri»n onnnK ♦rii^ü : |^ij gt;

* npin xb • n^s: iïvb amp;SW Kb naoa -hbs : npDi^ na -]nKi2quot;i napquot;) t]K ♦ab nab * ntpbniD nib^n DK jnia •

i Dpb'! ^ no : nabis nübin aiü ♦b ^nani'? * nübp ^ na ami * bibann 161 bas nöiatsn e]« * brjn jna nuia^nnn^öp iba^fab 3K ^ïnb nvp *bannp pmo ib nan yiy * nnb^ Kb wx na nanKi * nnba »ab e]K ♦mn n? aana : nnbn nin nan kgt;32 nisn * nnba naïü

• : 1- v t ; • t ; t quot; * viv --: - t ; 'i v iv -

nnp tiï • ^ïnan anran nB'N niasn • ^ïDn »aba : jrïn n^bapxi n^bpo pa * ^pn d-i^ niait^ |o»npi pna nan * nib^p ni^nbi nnpiD n^(5. pnnaiTa n^N • nib^ laan: ib |ök Nam • mb^o noa nii^L? • n^ia aiio nt^a^p «n ♦nvp.ty : nib^n an

* ni^iann n^ia* n^K ^ian • niran pni niaba v:^ tjnt] e^npb □ia?' : n^iabn f]b nj^nv naan nn^

doch scherpt niettemin hare tong. Daar hij echter voor zijne lezing geene handschriften noch andere bronnen opgeeft, acht ik mij niet gerechtigd zijne conjectuur te volgen.

^ Komt tot ons en verlaat uwe Thora, waarin gij toch geen verademing van uwe rampen vindt!

3) neSic nS rasa = na oScn n*? nan ifx n»Nn nmsa.

4) Vgl. Kozari 1,4.

5) Chabakkoek 2,3.

6) ni:ic nTTO, eig. maten, v. d. het iemand toegemeten lol; pspn, eig. afsnijden, v. d. toewijzen.

') Het denkbeeld is in beelden gekleed, die allen aan de geneeskunde zijn ontleend. Het is de echt aggadische gedachte: nan1? nsisi onpo nquot;apn, dat God het geneesmiddel reeds verzorgt, vóórdat Hij de wonde toebrengt.

ocr page 462

JOTSEROTH.

gericht, doch om Zijne schepselen niet te verdelgen, worden Zijne wegen eenigszins minder streng; van de lijn vau het strenge recht gaan Zijne eigenschappen over in barmhartigheid. Hij doet pijn, doch legt het verband aan ; Hij slaat wonden, doch Zijne handen heelen ! !) Hij handelt wonderbaarlijk met gezonden en zwakken ; nabij is Zijne barmhartigheid, niet als de mensch, die aan verwelkend gras gelijk is! 1) De etterende wond verandert Hij in gezond vleesch met hetzelfde lancet en doet een wonder in een wonder ontstaan in Zijne groote ontferming! 2) Zijne schepselen zijn dus verplicht Hem, den genade bewijzenden, te danken; zij, die de golven der zee hebben bevaren en in de haven zijn geland; zij, die dwaalden op de reis en die Hij op den rechten weg voerde door woud en bergstreek; de door ziekte neergevvorpenen, die Hij geneest; en als Hij de boeien losmaakt van geboeiden en zorgbeladenen. 3) Weet en onthoud dezen, gij verstandig en wijs volk 4); Hij zag in Noph (Egypte) hun pijn en deed hen op een geschikten tijd uittrekken 5), en voerde hen veilig en de zee bedekte hun slavenhouder 6); Hij richtte hun voet naar de woestijn en voorzag gedurende veertig jaren in al hunne behoeften. Weest dan sterk en laat uw hart krachtig zijn, blijft op Hem steeds vertrouwen ; verheft Hem, die in de hooge hemelgewelven troont en hen, die hunne last op Hem leggen, verzorgt; dankt Zijn heilig aandenken, van Hem, die de trotschen [Bgyptenaren] verpletterd heeft, gelijk daarover jubelden en prezen Zijne beminden!

. roun hv nwNi rat^S -ixv

Ik dank U, dat Gij op mij vertoornd waart en weder tot bedaren zijt gekomen, dat Gij Uw oor hebt geneigd om mijn smeeken te verhoeren en mijne vijandin, als stoppelen in een dwarrelwind, weg te blazen. Ik wil mij verdiepen in en mij herinneren de dagen der oudheid, hetgeen mij over-

79

1

3) Zooals Chabakkoek 3,2 het uitdrukt: «gedenkt God te midden van

2

Zijn toorn Zijne oneindige barmhartigheid,quot; iets, wat den zwakken mensch onmogelijk is, daar deze beide gemoedsaandoeningen elkander bij den

3

mensen uitsluiten.

4

3) Vgl. Shemoth Rabba 26; terwijl de mensch met een lancet eene

5

wonde toebrengt, doch slechts met een pleister kan genezen, geneest God met hetzelfde instrument, waarmede Hij de wonde heeft geslagen. De staf van Mozes, die bij herhaling had gediend tot het toebrengen van

6

slagen, diende daar ter plaatse tot redding. Een dubbel wonder dus: de redding uit het dreigende gevaar, en het middel, dat die redding te weeg brengt.

ocr page 463

jrtwna mvh nViT uy

omV p Tiinê • nröin vo-n vnma nni^b n1^ * nrsvn

.. - ; j . | t |v - . t t ; t . . ^ . t .

: nvain vti nih * nraon vnno

n'Vnp tb) von*i D^np * xna 03; ni'^ N^öan Dpir d: Tjina d! * Vötkd 13 n^n1? nn.ü * D*p:p:i Dn^i' d* ^1 * Voia npn niTinb o^n vnir : Vain tnai k3t d^üid1? * ba-ipn^n^ d^iri ^5. t]ii3 in * oani fü: dj; n^sï -iia^i pa : bo^i ^ian • DDiis nD3 D*I nünb Dn:»2) * DDtra it^iDni onitoo

T = . ^V* ♦t:***quot;'vt quot; :quot;quot; TT : '•' 1 = * T . :*quot;

1 Dpsp? ^0^1 ipTn : D^-jï pap d^|*ini nnanan nbri, min • D^n» ^aVaa nian^a aahb * o^in 11? o^n^a

• t ; : -r-: t •• t 1 • • -:- :

nur : dotk ina^i iït mi byz * D'-prn ^nia iBh[5 -i3Tgt;

.nDijn hv ruwi r\2vh nsr

(* .rriSo -12 tier 12 Dinm nron Siss 3quot;j{ bquot;3j

* aiB'p1? ^IB' n^an • a^rii »3 psjn »3 ^quot;IIK im • Dnp w nnsmi nr3K : 3i^b nbij^s ^^3

4) Berachotli 54a. Vier groepen van personen zijn verplicht een dankoffer te brengen, resp. een dankzegging in het openbaar uit te spreken: Wie behouden terugkeert van een zeereis of een woestijnreis, wie van een ziekte genezen of uit de gevangenis vrijgelaten is. Vgl. Psalmen 107.

5) Met het oog op Deut. 4,6: want dit is uw wijsheid en uw verstand tegenover de volkeren, wordt Israël, als het de Heilige Leer trouw in acht neemt, wijs en verstandig genoemd.

6) Ontleend aan Ps. 68,7, „die geboeiden uitvoert nnuiisa, wat door Midrash t. p. verklaard wordt: op daartoe geschikten tijd.

7) Dsns, die hen -p-a met hardheid deed werken.

*) Het hier volgende stuk wordt reeds door Rashie, Ezechiel 21,18, eciteerd. De vervaardiger is R. Jozef b. Salomo uit Carcassonne. Het ehandelt de bekende feiten uit de vervolgingen onder Antiochus Epiphanes, zooals die in de beide eerste Makkabeënboeken, Judith, Megillath Antiochus en Josippon worden verhaald.

ocr page 464

JOTSEROTH.

kwam, toen bloedroode schuld mij bezoedelde!); hunne teekenen 2) wil ik verhalen en daarbij niet inslapen ! Ik wil verhalen het leed mij toegebracht door en de wraakoefening op Antiochus, die mijne vromen vermoordde en mijne gezalfden slachtte, toen de dwazen van mijn volk mij belasterden, om mij te gronde te richten 3), — omdat God vurige paarden deed verschijnen, waarop vlammenomgorde ruiters reden, om het als teeken te doen verschijnen binnen de stad der beroemdheden 4), — de Heilige! Zoo kwamen dan afvalligen om te lasteren en in brandenden toorn den koning te doen ontvlammen, ten einde te verdelgen Israël, dat zich in Goshen zoo talrijk had vermeerderd. Zijn gramschap ontbrandde dan ook en plotseling kwam hij aan, hij trok mijn vleesch aan stukken en vermorzelde 5) mijne ziel; in wouden verborg ik mij, rondzwervend als het vee. Toen hij nu ophield het volk uit te roeien en te vertrappen, zette hij den veldheer Philippus het bevel uiteen, mij het verbond te doen overtreden en zijn afgodsbeeld te doen aannemen. Hij kondigde nu het besluit af: wie zich aan varkens-vleesch zou bevlekken en ook het bondsteeken aan de voorhuid onkenbaar zou maken 6) — diens lichaam te doen voortbestaan; doch voor wien weigerachtig bleef, geen gratie te kennen! Wie zich bezoedelden aan zijn koningsmaal en zijn afgod, liet hij in het leven ; doch wie krachtig bleven in hun vroomheid, gaf hij den ondergang prijs, hakte weg en richtte ten gronde de bewaarders der wijsheid. 7) Twee brave vrouwen besneden hare zonen, daarom werden zij aan hare borsten opgehangen en wierp men zuigelingen met hunne moeders van een toren af ter aarde. Zij dachten met hun offers El'azar te bevlekken, doch deze nam zijne wet in acht en omgordde zich met sterkte, verwierp en verachtte des wreedaards woorden. Toen sprak deze : ^het doet mij leed, dat gij uw leven zoudt verliezen; ik zal vleesch van uwe heilige offers laten halen8); zwijg, alsof [gij zeggen wilt;] «ik geloof', 9) en ik laat u vrij !quot; Toen [sprak hij, terwijl] tranen hem ontvloeiden : ,/Negentig jaren ben ik oud, en gij raadt mij, op listige

!) ons Dfoa. De zonde heet: het roode, met het oog op Jes. 1,18; Dros van onu, vlek, vgl. Jer. 2,22. Anderen lezen: dis oroia en vertalen: door de in het boek der Leer neergeschreven schuld. Machzor Romie leest: dik wat beide verklaringen toelaat.

s) Met Beer's handschrift lees ik, mede op grond van Machzor Romie, Dnims, niet: onnis, diit geen goeden zin geeft.

3) cmiS, van het Thalmoedische; omvs (Kethoeb. 57a), is verloren, dus: te gronde richten-, v. a. van: tnx 'DSliï (Ps. 31,21) lagen leggen, dus: om mij te helagen.

*) li Makkab. 5,2 en 3 beschrijft deze verschijningen, die zich gedurende veertig dagen herhaalden. «Men vatte algemeen deze verschijningen als voorteekenen ten goede opquot; (vs. 4), dat n.1. de bevrijding van het juk van

GENESIS. K

80

ocr page 465

roun nat^Kn nzvb nvv a

nn^K : tih) rmK DniniN * DUN Dnaas 'm^p

t r t .. t.. : t r - t vi t ; • ; • i xl;

* Dp: ♦n^pi n^pn i npx • dpvü:K no^i nm D^DIT id|-nn^l'DID n^i ^ : Dpnn^ ^iyn^np »a^ : ^iquot;!|5 * ni-Qp: Tjinp niNnri nsio * ni'ra'rpm

* l^b -jban e]N nna • D^'na fpK in| nba • ynaa Kn»i mon m^3 : riru nnDn1?

• t ; t * - iv : viquot; - t -: t^-: t i v i •• i : * : - ;

inibpa : nionpp 'nKan an^^p • ynv ^ni nna - DiaVa i«ay Tb6 ijsi * Dian^ ivP^i ^ia I os * Vaa» nnnp ♦» in : oian1? ibpai n^n1? i5p nap ibtf-i; ^apbp fKQoni in^.a •

nïi: nbai nv nana naa * n»n

quot; : t * : ~t t * : * t t ••. : : t t * ••.•;•••

• ibna fnnipa fa • *60 1 on^a D»ri^ nn^ : n^in

* nr^'pK Dn^npra t^D1? lai : b^ao oniaxi oma ^ 'nPNi aai: quot;itdkh naquot;i ran m ♦ im nri im im

. : - t •• • t : - t •• ; • vi* - t tv: v ^ ; - t t

♦ruptfn lap on * i^aa ^11*7 * ^a:

na-iaa ^in^j • n:^ D^B'n |a

Antiochus nabij was. Dit werd door verraders en afvalligen, dwSj/fniQi7n, den koning bericlit, waarop deze een aanval op Jerusalem deed. Vgl. Josippon 3,3. II Makkab. 3 en 4 wordt uit vroeger tijd eene dergelijke verschijning medegedeeld.

5) yntf lees ik met Maclizor Romie; andere uitgaven hebben het meer

gebruikelijke woord: JflJB', dat echter in het rijm niet past. snv is een

paitanische werkwoord-vorm van: iwn Sx (Jes. 41,10), wat door sommigen wordt opgevat: gij zult niet verbrijzeld worden.

6) nVw quot;jco was een der middelen, waardoor de Hellenistisch gezinden de besnijdenis onzichtbaar maakten. SjïS, zooals Beer's handschrift en Maclizor Romie lezen, beteekent: om af te ronden, n-cpn Sr nSu'n nx ■jiüoS 'wu Nnn nSi; — SjïSi:, zooals anderen lezen, beteekent: morn Nnn shv tjh 313D nSuï n\s-u.

7) Der Heilige Leer.

8) Eet heilig offervleesch, maar laat de omstaande menigte gelooven, dat het van de ter eere van den afgod gebrachte offers afkomstig is.

9) Ik behoud de oude lezing: vunsn, niet, zooals Arnheim, •uruwa, alsof gij in mijn God gelooft.

ocr page 466

JOTSEROTH.

wijze slechts mijn God te vreezen ?! Houd op met uwe woorden, ik veracht ze te zeer, dan dat ze mij van besluit zouden doen veranderen!quot; Zoo houdt deze rechtvaardige vast aan zijne levensrichting, doch de jongeling neemt nog toe in kracht van knieën !), wanneer hij ziet, hoe de grijsaard, met zijne groote heteekenis, gedood wordt! Zoudt gij dezen niet straffend herdenken, om den wilden bok 2) in Uwen toorn te verbranden den kop en den achterpoot, den baard en den schedel ?! Aanschouw toch en herdenk al de onheilen, die troffen de hinkende en gebrekkige gemeente Israels ! Zoudt Gij dan tot in eeuwigheid haar verachten, al is zij vol van zondenroest ? — Ik wil nog mededeelen het lot der zeven vrome broeders, volmaakt van gezindheid, die de in ijdelheid verdwaalde in vuur verbrandde. Omdat zij namelijk niet wilden eten van zijn offer, maar gehecht bleven aan Hem, die door Zijne kracht de wereld heeft gemaakt, heeft de nietswaardige hen in de wreedheid van zijn geest laten doorboren ; en een koperen pan verhitte hij door vuur en hakte den eerste in stuk aan stuk en trok hem de huid van het hoofd met een dolk. Hij maakte het plan zijne zes broeders te dooden; de overmoedige tyran, in de alle perken te buiten gaande woede van zijn binnenste, slachtte ze, als zachte lammeren, met zijn doornscherpe wapenen. Nu dacht hij : «ik wil den zevende, den jongste onder hen, verleiden.quot; //Met goud zal ik u rijk maken,quot; zeide hij tot hem, — «ik maak u tot den op mij in rang volgende, dit zweer ik!quot; Doch [door de woorden zijner moeder] werd de knaap aangespoord het goede te kiezen, en schreeuwde: „dood mij toch; waarom draalt gij ? Ik veracht, mij neder te werpen voor een anderen God !quot; Toen werd hij warm en vertoornd, de boosaardige heerscher; hij maakte zijne [den jongeling treffende] slagen nog zwaarder, zonder dat deze eenige misdaad begaan had; doch de knaap bleef sterk en was met vreugde bereid ze te verdragen. Toen hunne moeder zag de lotgevallen harer zonen, kromde zich hare ziel [van pijn] wegens hare spruiten, — zij ging henen 3) en hare ziel keerde terug tot haren Schepper! — Indien ook al mijne euveldaden groot genoeg zijn om mij te verderven, denk dan aan deze braven en den op hen gepleegden moord en wees genadig hen, die door U zijn verworven voor een Léthech en een Kor.4) Jn zijne dwaasheid voortgaande, sprak de twistwekker3): „wie tegen mijn uitspraak niet weerspannig is, en in het leven wil blijven, geve zich een naam uit de stamrollen der Grieken.quot;6) Hij verordende: Wie zijn Hebreeuwschen naam vermelden zou, te slachten en om hals te brengen als een bokje; etterende striemen en geeselslagen7)

') Die weigeren zich voor den afeod te buigen.

2) Het Jawansche, Grieksche wereldrijk, Dan. 8,5 en 21.

'■') Maehzor Romie: nrhn, zij werd ziek.

81

ocr page 467

roun bi? rwin w kö

pnï thn* n6n : i D^rinjT nb : 13^3 m nwa * la-is ^aiK iinsn * 13-11 PKin * up»1? ^nns -i^ni • npsn N1? n^1nrirnn * nxSnn ^3 n« -11311 asn : -iipnpni rprn bm

t i* • - tt : - t v : •• - I :It - : I Itt - v ivt :

n^sxi: nxbn nsib mm D'abi^n * nKbn:i rn^ PN3 D^I * n^-i. wpn dmn D'pTii * n-ipp nj; bsn nPi^3 ip3-i»i * ira-rp ibsx kV i bjn : n^n: «1^3 1 -iin3 n^in: nsnoi : inn rvnpic ^3: dsd^i • iri33 : nnins tj^n ipni i -iijn • nn: nn: 1 p'^-in n^i • nrn ^333 Dn3T • vniü m3p3 yn* -n * vhk ntyp ji-tnV nor

v iv - t t : t - : 'v : • t •• t v v !•• -; - - t

vbx 3nTT • wrap ^*3Pn nnSN oor : vnns pj?l * quot;insb 3iE3n D^n n.iT : D:ip nr^pb ^ ?jm:pr * d: im on : inx bxb ninmrnb ♦nnjT * -inxn nab

- • * t •• quot; •* : • : i-t ~ : t it t • iquot; : t

obspSi nb'n |Dn * ^^3 ,l?3 vni3p pTn • b^iD •n^^n^sjnuan -n^ an-iin nnrn : vvvw

t iv • tl- t ; t t iv t quot; ; t * t t t : t t quot;l

DH'on * -ii3pb -133 dn4 'DDn : n:ipb nnn 3Pni ns^n

• • -: :quot; -t • • t -: tiv i : t t it - t : t

|1-id niy pad : ii3i Tjnbs quot;na |:n * iüt onanni ibx 0312: n-i[5» 1 Tin »;v mv • m\ ah -i^k ■•smau • n-130 T33nbnnip3innü • nj 103 p-ipi ni3ü • ninquot;1 )m -13IT

1

) Hoshéa' 3,2. Israël is door God verworven voor één Léthech en één Kor. De dertig Seah van den Léthech en de 15, waaruit de Kor bestaat, worden door Midrash verklaard te doelen op de 45 godvruchtige braven, die elk geslacht van Israël ten minste zal opleveren en waardoor het geheele volk het voortbestaan waardig gekeurd wordt. Zie Jalkoet t. p. en Choellien 92a.

ocr page 468

JOTSEROTH.

zwaar op mijn lijf1) te doen neerkomen. De reiniging door onderduiken in een ritueel ingericht bad 2J onthield hij hun; toen haastten zich de heiligen 8) zich van hunne vrouwen af te zonderen; hun verdrukking zaagt Gij en verriehttet een groot wonder. De Eenige en Hoogverhevene, die troont in den hemel, verzorgde hun allen waterbassins, ter wille van Zijne vromen, die dagelijks twee malen Zijne eenheid erkennen! — Toch ging hij voort afschuwelijke bepalingen te maken voor het volk: wanneer men de dierbaarste des huizes aan haren bruidegom toevoerde, dan zoude eerst de landvoogd haar bijwonen. Deze pin, zoo krachtig vastgeslagen gedurende 44 maanden, rukte Juda, de priester des heiligdoms, uit!4) Toen de maat vol was en de Almachtige [Israël] weêr genadig was, voerde de Chashmoneër de dochter van Jochanan in zijn huis; men begeleidde hen naar het bruidsvertrek, en verheugde zich bij den maaltijd. Van al hare sieraden ontdeed5) zich de bruid, een beker wijn mengde zij voor alle op de bruiloft genoodigden; toen bogen zij hun aangezicht om hare heerlijke gestalle niet te zien. Groot was toen de toorn van haren broeder tegen haar: «de voornamen, hier6) ge-noodigd om zich te verlustigen, — hoe kunt gij vóór hen staan, gelijk eene overspelige, naakt ? !quot; Hun antwoordde de schoone vrouw ï): «Hoe kunt gij mij zoo onrechtvaardig berispen ; terwijl gij mij immers dezen nacht aan eenen onbesnedene, een onreine, schandelijk ter bijwoning zult prijsgeven!quot; — Toen beving de geest [van ijver voor God] Juda, zijn hart dreef hem tot standvastigen heldenmoed; stil bad hij en ontbrandde in vurigen ijver! Hij ontstak myrthen en allerlei specerijen, om alles aan te richten als bij feestmaal en bruidsgelag, om zoo den boosdoener te misleiden, als wilde men zijn wet ten uitvoer brengen! Toen zij hen nu van verre zagen bij snarenspel en dans, zeide hij [de landvoogd]: „deze vorsten en leiders treden thans ook toe tot de wetten der naar liefde smachtenden.quot; Zijne bedienden en zijn leger deed hij dus naar buiten zich verwijderen en liet Mattithjahoe en zijne broeders binnen treden, — toen omgordde de Makkabbeër Juda zich met dapperheid. Met [zijn zwaard] het ieder hout trotseerende8) doorboorde hij den wellusteling, van 'Akko tot Nimriem vervolgde hij het leger, hij versloeg ze en vernietigde ze; toen het werd medegedeeld aan Holophernes, — trok deze op

') ■nSü, eig. gebeente, geraamte, v. d. lichaamsbouw.

mpn, eig. verzameling, speciaal van water, v. d. de hoeveelheid van 40 Seah regenwater, die, volgens de traditie, op ééne plaats bijeen moet zijn, om voor de ritueele reinigingsbaden te kunnen dienen.

3) Dgt;onp; vooral bij de wetten omtrent het huwelijksleven wordt Israël dikwijls D'cnp genoemd. Zoowel mannen als vrouwen toonen in de bijzondere nauwgezetheid, waarmede deze wetten in acht worden genomen, hunne zelfbeheersching en zelfheiliging.

82

ocr page 469

roun bv mvh -ixv 20

1 idü * bnnn dhü nipp m^np quot;tnicp : nbpz

pi^ mi) iw : bninV d: mpD omta * Snnnb on^nö

i .. t ■ : • t • : - : •• t ilrr t ; t • : - ; •.•••:•

: vnn^p VTpn nixipo 1 oVp1? • wnv

naMf: * |1DT3 nnn; - |ion n%rh ity cpi

D'jDnK • synij1? n^pn; mti -in» : pojnn nbnn m pöD Mbpnas : |rü nnin» * rin n^siNi nn^pa nan2? d®33 • |jni' n? wnvrh 023 * pn • nbibn ^npb rwo Dia * nban nnna nny bz : nnnnb

t • •• i: • t: t t - - t -: t t t it ; • ;

Dn»33 * na^ nxn 133 : oma ^33

• * - t \ s t t i v iv •• t t ■ • - .. ... ... ; t

: nai^ n^nps rnojr dtjjs • na^jn1? ria nwnp h^yb - n,aquot;)3 ^ * n»an2' nu n3^n IDS

quot;t : t- ;• • 1;-; J •• • t- •• : -: t r •• it

13*? * min» tk nn njy3i? : my nV^n wb^vn «oüi

t : t - i t : t t : .* t : i— • i • ; - •• t ;

onn upb : n-j33 nwp K3pn vnb * rrmyi nn^ 1^0 ij5n b)$ niynn^ * D^piani Van ids pnS • wtiwi »rpi nbx bbp ' D^snpi onprp 1 oap^s pinnp : D^p'b^p vrnt^p : 'pio^s 10:3» nnyp • D»rn:pn onari ♦330 * D^3n naua vhni in^nno * D»:n nïin injnDi

. - - • ; • t r ; t.v : it; * - • •• t i !••-:-

I3yp • n^Tpn -rp-in ^ bz noxiDD : optfn nni3J nnm» ypi : ^la^Nb n^i. Dv'pi oxnp • rmpn onpib

1

*) Pinnen dienen tot bevestiging der tentgordijnen. Het was dus een

2

) nnns, van het Thalmoedische: nms, iemand wiens kleederen gescheurd zijn, die in lompen gehuld is.

ocr page 470

JOTSEROTH.

en verzamelde zijn legermacht, om Israël te verderven; hij rustte op een mijl1) afstand van Tsijon; toen bewoog bevend mijn hart, als bosch en bergwoud [bij storm]. Toen beloofde het volk tot Zijn Schepper terug te keeren, zuchtend allen onder vasten en weenen; de [woorden der leer] meer begeerlijk dan goud beoefenden zij met ijver. Den koning profeteerde zijn legeraanvoerder Achjor, de edele raadsman, veldheer en opperpriester: „Handhaven zij hun wet, dan zullen zij u verbranden als een vuurhaard!quot; Toen de vijand dit hoorde, voer hij tegen hem uit, en gaf bevel hem op te hangen, en zijn eer tot schande te maken, dicht bij den ingang van de poort der stad. Hij barstte los: 3) „Als ik morgen de vesting doe verkolen, zal ik mijn zwaard bij dit hoofd doen beginnen, tot straf dat hij woorden sprak 3) ten gunste mijner vijanden.quot; Jehoedieth beschermde mij in dien nacht; gezegend zij haar plan, haar oordeel is uitstekend, 4) schild voor haar volk, voor Syrië een vuurvlam. Toen zij de stad en hare bewoners zag in goede werken, besteeg zij den muur en liet hare dienstmaagd mede gaan, werpend haar last op den Eeuwige! Zij ging staan bij de eerste posten van het vijandelijk leger, om zijn juichen te doen verstommen, zijne legers in rouw te dompelen, om het loon van zijn schuld op zijn hoofd te doen neerkomen. Haar heerlijke schoonheid deelde men den koning mede: „een meisje, zooals er in de geheele provincie geene is.quot; Toen kwam zij hem zoo liefelijk voor, dat hij zond om haar tot hem te voeren. Nu sprak hij: „Wat is uw weg? Deel het mij mede!quot; En zij zeide: „Uit eene profetenfamilie ben ik, die u, mijn koning en vorst, voorspellen: Plotseling, onverwacht, wanneer het morgen zal zijn, zullen uwe muurbrekers5) de stad verbrijzelen als een aarden pot; ik ben daarom met haastige schreden hierheen gekomen om het u te verkondigen, opdat gij niet zult dralen! Wanneer gij dan in uwen toorn de perskuip treedt,6) bedenk dan en herinner u uwe dienstmaagd, en laten de jongelingen van mijne familie uwe dienaren zijn in uw huis.quot; Toen kirde hij: „al uwe verzoeken zal ik inwilligen, zoo gij mijn verlangen zonder terughouding vervult; dan zal ik de nakomelingen van het huis uws vaders hoog verheffen!quot; Zij echter riep hem toe: „Ik ben niet reinquot;; toen gebood hij, dat een besluit zou worden bekend gemaakt: „Past op, raakt niet aan het meisje, dat zich reinigt!quot; Hij hinnikte als een weldoorvoed paard en sprong op; zijne legerscharen liet hij aan een overvloedig drinkgelag zich bedrinken; om zijn hals tot jachtbuit te maken dronk hij en werd beschonken. Toen beving hem een

') Een S-j is: tweeduizend nos, ± 18 minuten gaans.

2) rps, een beeld van het woedend losbarsten in woorden, ontleend aan epic t-ï:, alles wegspoelende plasregen, Spr. 28,3; evenals het zachte gemoede-

83

ocr page 471

roun bv ivv ja

quot;i^3 nnpT n: • Vofrib man ^idk*i

♦MI Diva • D^ino1' aiiy1? D^n im : VonDi

• : ; * t •.•: v t : : • t t t : t • : - :

i:iD:n -ibo1? ^3J : abiabaa un tsq i onan: •

; v i v iv : t * t : * ; t t • • t v: v t ••.

: H'33 Dpn m * mra^Ki oa-i yyv yi: - n^x TjiDp * 1TÖ3 np * quot;i^n vby prnna |ü1d i^Nia * V™? nnjpn ina1? t]np : i^n N3p n^b? ^rpap : Vn^n lion 'xpü fi-mp * b^nnx nr na^S nnniD * nn^ na^ai -jna nnio * nninquot; N^n nïty • nnirna itriaa Ty : nn^ab rvbi

)v i - t ; *t t -: - v i : t iv : ; • • - Itt:

ni:na ts'Nia ma^ : nnarr na^^n « by * nnnaty najr

-; - : t : x r t r : t r : * *: t t : • t ^

: a'nV ibiai it^Ki ^ * anb v^'ni ian1? vnivty * anxn

••- : : quot; •• -: tt-:- •• t : t • ^; •• t

nan^ * -jbaa niaa no^ * ^ab ny

nnva * na ^a : rwanbi vh%

^na : ♦rvp * *2K Dwa; nnairaa

Ti-i^ab woa * nnaa yyn ww nni;a * nna Kiaa DiKna

) t : - : * : iquot; t t v : t ; * P iv t t t ;

nx quot;ian upa * ^nan laa ^anna rrria : nnxn bab ijnbs4^ Sa e]ïav •' waipa ^nia * ?]naN

: -j^ax n^a * nbaba n'^n dk ^vav * K^ax ^♦ana inv • nini ^ip quot;i^n1? is ' niintp ♦srx lb nnii* nn^aa vxax • naiaai rra oioa Vnv : mnaan nabya

•• : ♦ : t t : t : *•. : it-.. : : - t tiquot; - • - t : j

tn innap : nat^'i nntr Tiïb iiniï * quot;lat^n o^asy

-: t - : i * t : • - tt : t - t : • t:

lijke woord met zacht droppelenden dauw of regen wordt vergeleken.

3) S'rcn. te voorschijn brengen; vpj-to» vertaalt Onkelos: rfithnv.

4) nnr, in den Thalmoed: van de beste qualiteit.

5) tut, Jonathan geeft Ez. 26,9 iSap lt;ns met tue terug, het beteekent dus: een belegeringswerktuig, stormram of dgl.

6) Ontleend aan Jes. 63,3. Het beteekent: een bloedbad aanrichten, bloed doen stroomen als wijn in de perskuip bij het treden.

ocr page 472

JOTSEROTH.

diepe slaap en zijne genoodigden zeiden bij zich zelf: pom het meisje te schenden heeft hij zijn hoofd neergelegd en zich slapend gehouden.quot; Zij stonden dus spoedig op en gingen huns weegs, met haastigen tred verwijderden zij zich van hun koning, en liepen aanstonds snel naar hunne beschermende tenten. Zij echter, die genoemd wordt: de godvreezende en verstandige, hakte zijn hoofd af als de top van een halm; zij nam het en bracht het [tot het volk], om hun goede hoop in te boezemen. Zij zagen het wel, maar geloofden haar niet en liepen tot den man, dien hij in zijn toorn had gezegd op te hangen; en deze murmelde: «dit is zijn hoofd, onder eede !quot; In dien nacht heerschte nu groote vreugde; verdwenen, op de vlucht geslagen waren nu kommer en zuchten, daar de vervolger en wraakzuchtige als in een oogwenk was verdelgd. Zij dansten en waren blijde den ganschen nacht, jubelzangen deden zij klinken voor den Eerbiedwekkende in daden, die beschermend over hen zweefde en hen bedacht, hen sparend en Zich over hen ontfermend. Toen de dageraad straalde en de morgen lichtte, riepen zij met sterke, ontzagwekkende stem: ,/Hoor, Israël! de Eeuwige enz.,quot; dat het duidelijk in de verte hoorbaar was. Toen de plunderaars hoorden het gedruisch der menigte, haastten zij zich den koning te wekken, om een hinderlaag te beramen, — doch aanschouwden hem als lijk, liggend in het paleis. Nu was hun pralende trots vernederd en ontvlood hun moed, zij gingen gebukt en omgordden zich angstig met hun zwaard, doch die hen zouden gevangen nemen, vervolgden hen en versloegen ze tot verbrijzelens toe! Zij vernietigden hen en doodden hen in tallooze hoopen, met dankliederen en lofzangen hielden zich!) de uitverkorenen bezig; de kracht van het wonder vereeuwigden de wijzen door hunne bepalingen: Zij stelden namelijk vast gedurende acht dagen Hallel in zijn geheel2) voor te dragen, een bepaald aantal lichten te ontsteken onder jubelzang steeds van jaar tot jaar. — Heden vallen samen Shabbath [en het Nieuwemaansfeest] en het Inwijdingsfeest; in verband met hunne beteekenis wordt Gij, o God, geroemd door het verweekte en teedere 3) [Israël], dat eeuwig voor U getuigenis aflegt, dat van ü alleen het koningschap is! Uwe eenigen, Uwe dierbaren. Sela, zochten U steeds, //Gij wordt niet geëvenaard,quot; zoo verhieven zij U als onvergelijkelijk. 4) Bevrijd hen dan uit hun gevangenschap, dan zullen allen U danken, o Heilige !

Indien het Nieuwemaansfeest met den Shabbath van het Inwijdingsfeest samenvalt, wordt de Ofan quot;jS, blz. 73, gezegd.

') van iS J'» ■'31 (1 Kon. 18,27), lees ik met Machzor Romie en

Beee's handschrift. Anderen: bepaalden; doch dit wordt dan in de volgende strophe onnoodig herhaald.

84

ocr page 473

roun hv n^Nquot;) ivv na

I yzvn n^pT • nojaS n^an ib i«*i|pT • no'inn * d^o tyo ibp_ * Dann1? uai ^n 10^ : nan: inbsbi nïïp * n^oi M nKT nxnp : D3D IVTI

: r: \ t : i t v iv : - ▼: - : • t i ; t •.. •• ▼: t : r.,t-

ah) imtn : nbnin yurt innp - nbiatr 1 ^n-i3

: it v iv • •• : !-•••: r i t v i • ;

wn tfm • nVn isïpa quot;ibw ii*quot;i * nb iroxn

- t t t : i * : V -: • : it t r v: v

* ninjNi rir lori quot;ipm * ninai^ i^na Kinn E'oi : nbK3

t- I t r-.tquot; I -; t t : ;t - quot; ; t t ;

pn * nVbn ^ nni npn : ninanb o^npi s^nii nnK' : n^oni niofis Dnpai Dsm * n'yty iD^n

- 1- t : v ; - 1 t ; tIt : t t : t t ; quot;V : *

ynp • iiwi prn ^ipa * tik np'2ni ppna ppn1? nptf * fiann nVion onni^ : quot;iind1? « D:IKBgt; : jio^Ka natro na imöTtf • jiös1?') ^an ö'iöiquot;) on^ity • Dn^K -inaa nam inntr * nnn mnm

t : v •• t : - r ; : t : : t t - : • -

bbrn nnin * D^n ♦bn Qi:nni Dian : onba1? Di2ni HQib bbn laan : oan fjpin * a^up iro

njty Vds * n::quot;i3 1 ni-i: pin * njiatr

t t t ; • t t t : • -: ~ : •• i v i t :

quot;iKian * rop. (^n ^ti) n|^ Di»n lo^n : ^Tn* : nDibsn ^ »3 nv: ^Tyn • nani naj^o 1 • ïji-taS ^32'^ rronS nbp

inv San : ^i-ip^ • ï|ini» V3ni Dinnn

.nquot;-rt rïD'2 insïon quot;]S JS1^' B'ws nsi:ni nquot;n nana

2) Op het Nieuwemaansfeest en de zes laatste dagen van het Paaschfeest worden twee stukken in Hallel niet voorgedragen, die op de andere leesten en ook op het Inwijdingsfeest wél gezegd worden.

3) Naar aanleiding van Dent. 28,56.

4) -p-aS, een w. w. van -bV, alleen, zij spraken uit, dat Gij de eenige zóó machtige zijt.

ocr page 474

J O T S E R O T H,

(• .miNO

Het tweetal olieboomen, afgesneden thans,

Moog' lichten weer in [Isrëls] afgesloten hof! 1) Der Kehathiet en Ephrathieten hoofd3)

Laat men met beide kronen 3) weder sieren!

En op den reinen luchter4) schitt'ren z'als lampen dan; Zie, hoe z'in Israels kamp aan luchters vóórzij lichten!4)

De zoon van Ephrath's grond, wiens kroon hem is ontnomen. Die als een teere bloem, [nauw uitgerukt] verwelkt, — Ook des gezalfden zoon,5) die, onder 't leed gebogen. Gelijk een stuurloos schip [rondzwalkt op lijdenszee], — Gedenk dien beiden toch het [heilrijk] visioen,6)

Dat eens Zecharja zag in Babel's sterke veste!

Gelijk Gij hen bedacht hebt [in genade]

En door Zeroebabel hen toenmaals hebt gered, —

Gedenk hun kroost zoo weer, om hen ook te bevrijden, En roep thans wederom: «bevrijdings-jubel-jaar.quot;

Herstel hen op der vaad'ren plaats en rang Te heerschen over gansch de menschenwereld,

Dat zij hun koningsring onttrekken aan 'sjagers7) hand. — Zie, hoe e'in Israels kamp aan luchters vóórzij lichten!

Het koningschap, zoo lang door lijden onderbroken.

Voer weder als weleer naar Tsion's heil'ge stad! De dochter van mijn volk, met zwaren last beladen.

Breng in haar moeders huis die ballinge terug! En koningsdiadeem 8) en heerschersmajesteit Om Davids [edel] hoofd herstel ze [als voorheen]! Den hooge-priestermuts, met sierlijk hooge winding,9) Plaats op den kruin van één van Aaron's brave zonen!

85

1

De verzen Zecharja 4,1—3, die den kern der Haftara voor den Shabbath van het Inwijdingsfeest vormen, worden door vs. 14 nader verklaard. Op des profeten vraag, wat de beide door hem aanschouwde olijfboomen beteekenen, komt daar het antwoord: //dezen zijn de twee zonen der zalfoliequot;; Midrash (Sifra Lev. 7,35; Bammidbar Rabba 14,13; Pesiktha; Jalkoet t. a. p.) ziet daarin eene zinspeling op Aharon, den eersten hoogepriester, en David, den eersten koning uit den stam Juda.

') Hoogl. 4,12, een beeld voor Israël, dat, gelijk een afgesloten tuin, steeds ontoegankelijk bleef voor alle verleiding. Zié Midrash t. n.

2) D'mrsi D'nnp, de hoogepriester, nakomeling van Kehath, en de koning, zoon van David uit Beth-Léchem, d. i. Ephrath.

3) De heide kronen, de koningskroon en de priesterdiadeem.

4) Ex. 25,31. In Bamidbar Kabba 15,5 (Num. 8,1 en 2) wordt de gouden luchter als beeld voor Israël voorgesteld: Israël zal als lichtend voorbeeld het bestaan der Godheid prediken.

6) De hoogepriester.

ocr page 475

nrmn bw nitron mvb nnitto na

.Sn'aa ja rmSü 'i nw»n sim .nimnn '»«13 Dim rmSu tsnsn dw

: n^nv: Viy:' pa * dwd: * D^nr ' wny nnc^. - □♦nnaxi * n^nn^ waib

- nn: 103 * mintsn * nnUD quot;^i

r:- •• : t ; - t ; ^-:

; II^N» miasn ,^0 bio ba ,n3nö3 p

* brm pv3 n^n - m: pv ' ^isk ^

* bain ^3 n»:n loa * n^in * n^pn jaS

: ^2 172 imriT • nNquot;i 1 nc'K • rwna IÜT

v t : it : - ; t t v -: t : - :

• SariT i[ bv_ nx * on^im * DP-idt 103

: bnv «npn DJI * njwinb • D^quot;IT *IIDT : bin ^3 D^iyio nvn * oninK Dipö * dhik amp;p] ' onysu • nsï ww * t1 vyoi

tt t : - - t - quot; *•

: miisn ;:ö bio .n3nö3 rn

,. t T . - .. . ... v -: - - I ••

: n33^n riȕ yvb * hd^do * nsSoa

t iv • : I : tt-..: t t : -

: nsK^n nsx noV * n-113^ 2113 • mi33 n3i

t iv • : t • •• : t ~z : t :

: nao^n mi ^N-13 • • nquot;i»3ani

t iv • ; • t : t • : - : tv:-;

: nao^pn pnk ew-o * nsvjyp * naavpi

6) De woorden in Zecharja t. a. p. niwi Sr hSji worden door Midrash verklaard: ncsn Sï tiVnui, en 'hun Verlosser trekt aan het hoofd hunner schare-in overeenstemming met: DCN13 'm D.njiS dsS» quot;i3ïii (Miecha 2,13). Zie: Jalkoet t. p.

7) 'Esau, met het oog- op Gen. 25,27 tï fis genoemd, is tijdens de ballingschap in het bezit van de Israël toekomende heerschersinsigniën. Bij Israëls verlossing worden die 'Esau ontnomen en Jakob teruggegeven.

s) m^sm, de kroon, vgl. Jes. 28,5.

9) n-jSru nsjï», de muts van den hoogepriester bestond uit een lange strook, die herhaaldelijk om het hoofd werd gewonden en eenigszins naar achteren op het hoofd stond, om tusschen de voorhoofdsplaat en het hoofdwindsel plaats voor de Thefillien te laten. jisSm hier op te vatten in verband met: 'n'-iD nsSïn (Hoogl. 5,14) en te vertalen rijk met edelgesteente versierd, heeft het groote bezwaar, dat nergens bij het hoofdhulsel van edelgesteente melding gemaakt wordt.

ocr page 476

JOTSEROTH.

Het daag'lijksch offer zal men dan in eer herstellen. En meel van dankgeschenk opheffen1) vóór Uw oog; Ook reukwerk, goed bereid, mij reeds zoo lang ontnomen. En dat tot heden niet door mij meer werd gezien!

En Aaron's zonen steken lampen op luchters aan!

Zie, hoe z'in Israels kamp aan luchters vóórzij lichten!

Het lamgeslagen en versmachtend [Israël],

Dat jamtn'rend zich tot U voortdurend wendt, —

Steun door den zoon zijns vriends zijn [zwak geworden] hand,

Wiens naam genoemd wordt: /,rood van oogen.quot;2)

Laat hen betreden weer den geurenrijken hof. 3)

Sier weer hun bruidsvertrek4) met grooten luister,

Voer hen terug en doe hen weder heerschen

Op Tsion's berg en gansch de streek rondom.

Naar juisten maat wordt dan een lied gezongen.

Door snarenspel en blaasmuziek beg'leid.

De natie, die Uw naam mint boven al.

Verlaat dan valsch profeet en ijd'len afgod.

Het hard gedrukte volk zal dan gezegend zijn.

En allen, die hen zien, erkennen [met gansch hun hart]!

«Zie, hoe zij in hun kamp aan luchters vóórzij lichten!quot;

•nSit

Er is geen Vormer in de plaats te stellen van Hem, die de gestalte van alles heeft uitgehouwen; den struikelende geeft Hij nieuwe krachten; doch den verleider onttrekt Hij het leven. De dwaze [Antiochus] dacht van den rechten weg af te brengen het volk, dat Hij de wet had geleerd; weinige jongelingen [van de

Èi'iesterschare] des heiligdomsi'iesterschare] des heiligdoms6) liet Hij vele duizenden overwinnen, •iepe kuilen groef hij ; dertien bressen sloeg hij ; 6) de oogen, helder als vijvers, verduisterde hij ') en stak ze uit door zielskwelling. Hij sprak: //al wie den heerlijken Naam uitspreekt, zal door het zwaard gedood wordenquot;; toen werd men in grooten getale afvallig, weerspannig en loochende de Godheid! Een snoodaard gaf listige plannen aan om den zwijmelbeker te mengen voor hen, die zich bezig hielden met de lieftallige [Thora], hun leven

') run'in, doelt waarschijnlijk op de bij het meeloffer voorgeschreven ntun, d. i. de handeling, waarbij de priester het geheeie meeloffer opheft en in aanraking brengt met den hoek van het brandofferaltaar.

a) ViSan, met het oog op: dw 'V^n, Gen. 49,12. Deze woorden, door Jakob tot Juda gericht, doelen volgens Midrash (Jalkoet 11,574), met het oog op I Sam. 16,12, waar David cw ,-iei genoemd wordt, op David. De zin is dus: Maak Israël weer sterk door den Messias, den zoon van David. Voor een Arabisch sprekenden Jood ligt bovendien in rrm jaa duidelijk de naam van Davids nakomeling, den Itm Daud.

86

ocr page 477

roian bt? natrb nniKö iö

: naonn nnjani * toyn nx * TDnni

t iv • ; t : • - ; • . quot; quot;quot;quot; • t - :

: ren vn^i aby ' npV * npnsrn

* finK *33 • nniasa * nnani : nnuan /33 ^ID VK rmaa |n

• ^ Tpn nirx • n^oyni • risoan : IDB' N^an • nnn pa • HT ^iod : una Dnani * Dfria p1? * Dp^ni : |i»v *in3 * Da^ani • DD^Sini : Vbn Dai ba: • n^v w • itr* pim

•t -: viquot; ••^-: t --; tt 1 ;

* XW) quot;lp# |lTn /^TI^ • /^nlK

* wy on^n brn • o^-nn in; • opns ai*] nn iw : rw nil2sn ,»jö bio Vk /Hinaa tn

,. t t : - ; v v -: - - I ••

.pin rmrri i;t2 jcpn noba Dirn e^ieai a''^ Bquot;r flSlI

bu'Dp1? * e]bin bm ^üb • Va n^an * e]bn iix p» t25?o * m. ny - ï^pb i\yamp; quot;ij;a : n^n nn'^jr wbw * ia nin^i ^sa : ano naa * ♦nna üv nil : -ip; -jtrin «i-jya * npo niaia niK'n * nana .•npya iaa nna * npsin aiib mi -ipT/Taro ba * np» la^n • bjn e]p Tjioo * b^. fn ^inb * bj;»ba nio on^n

3) Palaestina.

4) De band tusschen God en Israël wordt dikwijls voorgesteld als een huwelijk. Bij de ballingschap heeft Israël den scheidsbrief ontvangen; en bij de toekomstige bevrijding zal opnieuw het huwelijk worden voltrokken.

5) I1quot;! ms = ruina ims, jonge priesterzonen, Juda de Makkabbeër en zijne broeders. t)Sn, duidt den tempel aan, met het oog op Hoogl. 4,4, waar nvs^nV 'ia verklaard wordt op het heiligdom te slaan.

6) Middoth 2,3; dertien bressen maakten de Grieken in den tempel.

7) Gen. 15,12 wordt rorn verklaard: «dit is Griekenland, dat Israëls oogen verduisterde door zijne dwangbesluiten.quot; — niNquot;i, de zienden, d. z. de oogen, vgl. Pred. 12,3. — maïs met het oog op Hoogl. 7,5.

ocr page 478

JOTSEROTH.

te verbitteren en te vergallen. En ging nog verder in zijne misdadigheid : hij stoorde het brengen van het verheven dagelijksche offer ter eere van God, die met Zijne handpalm [de zee] meet! lu het verdelgen van het heilige kroost [van Israël] waren de snelvoetigen ^ spitsvondig : af te snijden en af te houwen den vinger van wie een Pérets-huwelijksakte3) schrijven zou, opdat de «gesloten hofquot; [Israël] zou wemelen van geboorten, in onreinheid verwekt; om bastaarden en vondelingen3) talrijk te doen worden en ontucht plaats te doen grijpen in het land. De alles afknagende sprinkhanen vlogen toe om mijne ranken kaal en ledig te vreten ; als een sperwer, die een vogeltje vervolgt, wilde hij mijne duifjes in stukken rijten en den kop afdrukken. Als de hellevlammen brandden zij om twist en tweedracht aan te stoken [tusschen Israël en zijn God], door op te heffen het [Israël] toegewezen deel:4) het [loofhutten-]feest met de brandende luchters.5) — De Syriërs, ,/de in rotsen huizende bergmuizenquot; 6) bijgenaamd, veranderden in verslindende zeegedrochten, in leeuwen met gebit en slagtanden, die de «heilige vruchtquot; verslonden. Tot zijn ondergang bereidden zij ontwrichting om openlijken strijd [tegen God] te doen losbarsten, T) het [door de besnijdenis] geheiligde lichaamsdeel trof hij onder het volk, dat met een worm8) wordt vergeleken. Naar mate van het geweld, dat zij pleegden, zoo werd het hun vergolden; als oevergras aan de rivier verdorden zij, als een halmpunt werden zij afgesneden. Het spannen van kwaad verzonnen zij, doch vermochten het niet ten uitvoer te brengen, daar hun verstand hun werd ontnomen; als drooge stoppelen werden zij verteerd, zij verdwenen in rook, gingen geheel ten gronde! Wegens het plan Gods naam te ontwijden, daarom werd de booswicht plotseling door schrik bevangen; de nacht veranderde in dag, daarom zeggen wij geheel Hallel! Gods macht worde dan uitgesproken door den mond van zuigeling en kind ; Hem, die den verdrukker en belager ten verderve voert, love elke ziel! De weluitgerusten [de Makkabbeën] waren verdeeld in zeven9) legerbenden, en de „woordvoerdersquot; stelden acht dagen vast, [het eerste] beantwoordend aan de [zeven stangen van den tempelluchter, de] met amandelvormige bloemkelken versierden en [het andere]

') y-ra 'Sp. Gen. 2,14 wordt SpTn door Midrash ontleed in Spi m, sterk en vlug, en verklaard; ivmua Spi -in xirro ïv nr, dit is Griekenland (Syrië), wiens besluiten scherp zijn en dat snel is in het bestraffen van overtredingen.

2) Roeth 4,12. „Worden als het huis van Péretsquot; is een zegenwensch bij het huwelijk. V. a. is Pérets, als stamvader van den koningsstam, een beeld voor geheel Israël en beteekent de uitdrukking ps nana, een huwelijksacte voor eene dochter Israëls.

3) pint', een kind, dat, op de vraag naar zijnen vader, door zijne moeder het zwijgen wordt opgelegd, een onecht kind; t)iDN, die van de straat is opgenomen, een vondeling. De termen zijn ontleend aan de Mishna Kiddoeshien 4,1-

87

ocr page 479

roin bv n^Ki nVv ts

biaa * byv lip Vk1? • byn ^pin : ^quot;ini Tipn lODn • pnn : ^10 i»pn |2-i^ • b^no -11^

San : pa nana ana * pj5 ^avx nn * pa ^p, nar • pan c]iD« pin^ - p^n b^: 1 • p.^ nxnu pa * p^ani ppan nioT • pbgt; ♦biain idü : pN pap

* p1?^. 'annna np* : pboni ina * p^n nav

: p^n nnijai in * pVn |rio quot;iip^. * pbni an 1 nn-in

* pbnai 'xib - ^3 ♦ran1? nam * j^p D'iaa T^a * ^3 ^no * ybv iran yxb : yb'- ^11? nxtan bm |a * tea aan nno : bwa 1 d^o * jrVp trip rvüj : iVöi n^ia^ 1 ^Kia * ibap niN» niDS * bmn

I : • it • v 1 • ; iquot;It ; I ; it : •-.

ratya iba * ibax vy t^pa * ^at^ ibav ba • iVa: niyi

P t ^t v it it ••. quot;t I - ; it '.. ; - : • , t

rjan dd^ • bbinnp ym 1 -non * bbnb op mo : iba

* P?^ 'ap * bbpr\\ faa ?i^ : bbr\ ipav pa • b'b1-? njnt?1? uba : bbnr\ no^an Va * ^bi^npi iï n^a^p1? naipni * 07: nnipf na: • d^v^d naio^ ^api * raVn

*) Het Loofhutten- en Slot-fees!, wat door Midrash in verband gebracht wordt met Pred. 11,2; n:acS dji njnoS pSn jri. geef een [offer-lrfeei aan zeven, ja aan acht [dagen]. (Vgl. de feestdichten in het avondgebed van min nnco).

6) Bij het feest van het waterscheppen (rcswn rro nn»B) brandden o. a. groote lampen, zie Soekka 51a.

6) Spr. 30,26. Jalkoet t. p. II N0. 964 ziet in de vier daar genoemde diersoorten de vier wereldrijken, die Israël verdrukten: Babel, Medo-Perzië, Syrië en het vierde rijk, dat niet nader wordt aangeduid dan als: Edom. Daar wordt echter onder den jso niet Syrië, maar Perzië verstaan. Waarschijnlijk doelt dus de dichter op Midrash Thanchoema Lev. 11,5: „De jbw' dat is Syriëquot;. Zie overigens Bdbek d. t. p.

7) Eene omzetting in geheel afwijkende beteekenis van Spr. 17,14. De zin is, dat de vijanden, door het uitoefenen der geboden te verbieden, Israël met zijn öod in vijandschap wilden brengen en zoodoende te gronde richten.

8) In de uitdrukking app ruiVin, Jes. 41,14.

s) Matthithjahoe had zeven zonen.

ocr page 480

88 JOTSEROTH.

aan [het loofhuttenfeest op] het einde van den jaarsomloop. Zij kwelden hen als schorpioenen met scherpen angel, en werden zelve gekweld als verachtelijke mieren; werden verbrand als afgehakt hout, als een doornenvuur ging plotseling hun vlam uit. In vergaderingen kwamen mijne bestrijders nogmaals bijeen in de twaalfde mijner maanden,1) doch de Eeuwige voerde Israëls twistzaak tegen hen, die op mijn ondergang zonnen ! Richt evenzoo steeds mijne twistgedingen, o Eeuwige! buiten Wien er geen meer is! Richt zoo te gronde allen, die moedwillig tegen mij handelen, al Uwe vijanden, o Eeuwige ! Geef acht op de woorden van mijn mond, neig Uw oor, luister naar hen, die klagen; de plotselinge uittocht uit Noph [Egypte] brenge door zijne verschrikkingen siddering over de Ba'al-heerschers, zoodat wij den uittocht, een dag van vreugde, en het rechtsbesluit over de in afgoderij verdwaasden aanschouwen, om uit te roepen, gelijk de toen lofzingenden: //Wie is als Gij onder de machten!quot;

•roun bv mv rotrS -isv

Ik dank U, dat Gij mij verhoord hebt, mij in het leven hebt gelaten en mij niet hebt doen omkomen; mijne vijanden niet over mij hebt doen triumfeeren, maar mij uit het diepe graf hebt doen stijgen, — Ik wil U verheffen, o Eeuwige, dat Gij mij hebt opgeheven!2) Reeds in de vroege oudheid dacht Gij het goed, vast te stellen een wél overdacht woord; voordat zij geschiedden, hebt Gij nauwkeurig nieuwe gebeurtenissen voorspeld: Ik zal uwe zonen, o Tsion, opwekken tegen uwe zonen, Jawan!3) In de oudheid verlostet Gij mij uit [den arbeid in] leem en tichelsteenen van Piebéseth en Awen,1) ook uit de slijkige diepten [van Babel] het land van de misdadigers, — uit de woelende waterput, den kokenden modderpoel! 5) Den luchter en de feesten, Israël's wetten en namen6) beletten zij ons te handhaven, doch Gij gaaft mij ten deel de zeven [zonen van Mattithjahoe] en de acht [dagen van het Inwijdingsfeest],7) om geheel Hallel voor te dragen: Voor den Zangmeester, op den achtsten, een psalm; o Heilige ! Een goddelijk woord omtrent het derde wereldrijk [Syrië-Griekenland] droomde [Daniël] de

') Zie 11 Makkab. 14 en 15; Megillath Tha'anieth, 12, bij den Nikanor-dag, 13 Adar.

*) De schrijver, R. Menachem b. Machier, leefde ten tijde van den eersten kraistocht 4856 (1096) en stond o. a. in correspondentie met zijn neef R. Izak Halléwie uit Worms, Rashie's leeraar (zie Luzatto, Beth Haotsar 1,566, vgl. Rikanati N0. 589). Hij was een beroemd Paitan, van

genesis. l

ocr page 481

roun Vr natrV nbiT na

• D^Pt^ ^033 * D^V^ ♦an^s : D^p npi: D^np : D^ip rK3 iD^n * D^xp 7^3 itani1? : ^atrin bjr *M onn m - ïm D^tra * ^no

T t : T •• : *: T • T ~ r^- T *T •• : * - T ;

ba * |3 nann • »riK ^n^iT ity |3 □lap

-ii-iü * D^aip 2^pn tan * o^p ♦fiL7 iio^ : « n^pl • D^ibn DI* nwT :D^n ^pn ^rr 'D^ina c]i: mry : D^NS HDOD 'D • D^bnoa Nllp .nirn • D^bln

• •• x tit • •-:-:* I : -: * :

.nsun W rrjB' naB^? nsr

(* .pin'm van iaquot;)2 onjn Dinn ibidsi Vibs 3quot;Jlt; dquot;d

nnai^ xb wb* ' igt;6i ^n^ni »3 ^niK

T : i- • - : • IT • • : * IT • • : -it •^: • I :

ma : ^ « naonx * VIK^O ^

t ; |- . |T . . • ▼; | ; • -: • it • 'v: v : • •

n^Tin nij^nn nJKian an^a * nso 121 pin pinV plnquot;iö

t 1- T-: t it viv ; I t •-. ; t t I I t I t ••

i^N-ia 'irbm : |v ^:3 |i»v * pT? hok

* n^ïa jvp |3 oa * pxi npn^ö quot;iDinp

• itöph ip:D Dt^i pirn an nniap : p»n trtap p'N^ map n^'o^n nvaoV • nimV 1 n:Wi n^aa' pbn ♦ann:

• : ~ - r* - : - : • •• - t *t : • I v r* • it - :

nmon obn n^'Viy hidVq man : trnp • niDto

-: - t • • : : - - : • Ir ! •

wien verscheidene stukken In de verschillende liturgiën (vooral in de Poolsehe) zijn opgenomen.

а) Ps. 30,2.

3) Zecharja 9,13.

4) Steden in Egypte, Ez. 30,17.

б) Ps. 40,3. In jvn ligt tegelijk eene zinspeling op Jawan, Griekenland, Syrië.

6) dïi pn. Onder pn zijn begrepen: besnijdenis, Shabbath en dgl. Met dü kan worden gedoeld op het verbod Gods naam uit te spreken (zieden nSu van roi:m 's rotf, blz. 86), of op het bevel de Hebr. namen door Grieksche te vervangen (zie den rown 'n müS iïyi, blz. 81).

7) Zie den nVir van n^um 'n nac blz. 87; de Makkabbeënboeken en Josippon noemen wel slechts vijf zonen van Matthithjahoe, doch er schijnt eene traditie bestaan te hebben, dat hij er zeven had.

ocr page 482

JOTSEROTH.

God dierbare man in duidelijk visioen: een panther-gestalte met vier vleugelen,!) om aan te duiden; Van daar splitst hij zich en wordt tot vier hoofden. 1) Ten tweedenmale werd het hem getoond als een tot verschrikkens toe steeds grooter en krachtiger wordende bok; — doch de groote hoorn brak en in de vier windstreken ontstonden [vier rijken] in zijne plaats: 2) noordwaarts en zuidwaarts en oostivaarts en westwaarts.3) Het eerste, wat zij nu deden, toen mijne bestrijders aan de regeering kwamen, was, dat zij geboden; grift op den hoorn van iederen os en op de grendels mijner verblijven: dat gij geen deel hebt aan den Eeuwige ! ^) Die aanmatigende koning4) handelde nog misdadiger dan Shéshak5) [Egypte] en Shéshach [Babel];6) met klem vermaande hij zijnen stadhouder omtrent zijne besluiten, die hij over geheel mijn volk uitbreidde, zoodat hij den aanblik des lands bedekte, en dit verduisterd werd.7) Nieuwemaansfeest en Shabbathviering dacht die zondaar en schuldige te verijdelen; hij maakte een wet en liet die luide afkondigen en teekende haar ook in schrift op, en zeide ■. zwijgt, want men mag niet vermelden den Naam [des Eeuwigen]. w) ,/Wie bijeen kwam tot viering eener bruiloft of besnijdenis, zal de scherprechter doodenquot;; de reinen kwamen in geheime volksvergadering bijeen om met kracht zich aan te gorden : door het geluid van den molen en het licht eener lamp. n) — Zij beraamden het plan te verbieden de voorgeschreven baden van het vernederde en vertrapte volk, zij namen zich voor te verkrachten de verloofde, voordat zij ten huwelijk zou worden genomen 8) om zich te leggen bij eene dochter van Jakob; en zoo behoort niet te geschieden. 9) Nu huwde El'azar Channa, eene dochter van vorsten en aanzienlijken, hij verzamelde de mannen zijner stad aan een maaltijd van uitgelezen heerlijke spijzen, — want zoo doen gewoonlijk de jongelingen. lt) De heerlijk schoone bruid ontblootte haar hoofd ten aanzien der genoo-digden, met tranen mengde zij haren wijn wegens het leed, —•

89

1

) Gen. 2,10; de zin is: de vier vleugelen, die Daniël zag aan den panther, die het Grieksch-Macedonische wereldrijk voorstelde, duidden

2

aan, dat dit rijk in vier kleinere heerschappijen zou worden gesplitst, waarvan Syrië één was; daarom wordt cit altijd met den naam: Jawan aangeduid.

3

3) Dan. 8,8. ■|) Gen. 13,14.

4

zij juist bevolen zouden hebben op den hoorn der stieren, of, zooals in

5

Meg. Tha. t. a. p. staat, op den hoorn van stieren en op het voorhoofd

6

der ezels, deze woorden aan te brengen, is niet duidelijk. Ik vermoed

7

(wat ik gaarne voor beter geef, maar wat door de bijvoeging van insx vp-q

8

Meg. Th. heeft dan de woorden verkeerd opgevat en de woorden irrc» Sn

9

n;;n Vi- bijgevoegd.

ocr page 483

roun bty nrn^1? nvv as

DBtoi • D^:3 n^K ibi idj mai • D^naa

t • • : - : • i- t : t t : - : •• t : • •• :

dxvi ^ töï mv njnn : D^KT n^m -na»

quot; t; -t • t ••• t:t t *t t ;quot; : tt: quot;t*

n^nnn ^3quot;in mrm nnsE'i nbnan ppn * no^nn1?

t iv ; - ^ - t : tit ; * t : - I vliv - t : - : • ;

rvii?yb nbnn nn : nan nonpi njifiy • nD'pnn1?

~z~ t * - v; titt t :liquot;; t :ivt tit t:|- : • :

* ^1ö« nnnni iitrn pipn nvp. * biamp;nz nriT * pu'iyp I D^3 IT : «3 p^n DDV J^K pxn 73 nx D3p_ * TjK'D by vnnn n^i pn • d^ni. Kt2in isnS nvn nzamp;i ^nin : ^nni : Ds^a i^rnb ah »3 on nöKi * 3n3D3 Da Sip

••; •:-; • t -t; •• t t:-: - i

npi: anntp • iJtptpip imnn! nnni nan ^d^ddü I^t : i: IINI D^nn Vip * n^onb 012^3 f]D«nn3 nonx rhz: rtwfi w • no^Di ?ID mbnu ^css1?

t -. t t : ;t v •-. ; t • ; •• - :

Dip : n'^» ah pi Dpjr na r\a • N'ra d^s

nmzh DipDn *mx dsd • Dnmi d^jd ns nan -it^k

: It** •• ; ~ •• • • : • t : quot; t quot; t*t : v

D^npn : Dninan p ^ • onnsiö ' d^q^

* njnn mux by n^pna nspD n:^b * n^-ia n^Ni \n rh$*

6) Antiochus. naar aanleiding van Dan. 8.23. quot;) I Kon. 11,40.

8) Jer. 25,26.'

9) Ex. 10,15.

10) 'Amos 6,10.

quot;) Jer. 25,10. Dit waren de teekens, die den ingewijden mededeelden, dat ergens een bruiloft of eene besnijdenis werd gevierd. Zie Megillath Tha'ameth, 6.

1J) st'jn me 3 hdiin. Men denke hier niet aan verloving, in den zin, waarin wij dat woord bezigen. Onder jieitn is de handeling te verstaan, waardoor de bruidegom zich, onder overgave van ten minste eene Peroeta of iets dat die waarde heeft, zijne bruid tot vrouw bestemt. Daardoor ontstaat tusschen beide partijen eene verbintenis, die alleen door echtscheiding kan worden ontbonden. De bruid blijft evenwel in het huis harer ouders en echtelijke samenleving tusschen de jonggehuwden mag nog niet plaats hebben. Eerst later, in de oudheid gewoonlijk na een jaar, nad de pxic:

{(laats, het brengen van de bruid in het huis van den echtgenoot, symbo-isch aangeduid door de nsin, den trouwhemel. In onzen tijd volgen beide handelingen, wrpp en nsin. onmiddelliik op elkander.(laats, het brengen van de bruid in het huis van den echtgenoot, symbo-isch aangeduid door de nsin, den trouwhemel. In onzen tijd volgen beide handelingen, wrpp en nsin. onmiddelliik op elkander.

13) Gen. 34,7.

14) Recht. 14,10. Zie voor het geheele verhaal Meg. Tha'an. t. a. p.

ocr page 484

JOTSEROTH.

en de veelkleurige rok, die haar bedekte, verscheurde zij. 1) Toen sprak haar broeder Juda; „Channa, waarom weent gij.quot; Wat scheelt u toch, dat gij, gelijk eene beschonkene u kromt en heete tranen stort?quot; Zij antwoordde: uNeen, mijn heer, een vromo met zwaar bedrukt gemoed hen ik!2) Laat toch die snoodaard mij niet mishandelen op den dag van mijn huwelijk; zie, dan zou ik immers mijn vader ontwijden en ter verbranding naar de strafplaats worden uitgevoerd, 3) — en ik, waarheen zal ik mijne schande voeren?quot; 4) Deze woorden, die de zielsverdrietige onder weenen en smeeken uitschreide, nam haai-broeder zich ter harte en werd door vreeselijken schrik bevangen, — Juda erkende het en zeide: „Zij heeft gelijk!') Schaft u raad om te ijveren voor Hem, die eerbiedwekkende daden verricht! Staat op, gij vorsten! Zalft het schild, gij, die vreest voor zonde!quot;6) Toen stonden alle genoodigden sidderend [van aandoening] op. 7) En spraken : „Wees krachtig, laat ons moed vatten ten behoeve van onze gemeente,8) opdat onze dochters niet langer ontwijd worden en onze verdervers zich niet onder ons vermengen.quot; En. zij zeiden ■. „zal men dan als een ontuchtige behandelen onze zuster ?quot; 9) Zij kwamen in scharen bijeen aan den ingang van het paleis van den wellustigen landvoogd, den nietswaardige en kwaadbroedende, — hij brieschte vol wellust hen tegen en zeide: „Welkom, uw komst tot mij zij ten zegen !quot; En hij riep: „voert ieder persoon weg uit mijne tegenwoordigheid 10) Nu sprongen Juda en zijne broeders naar voren met list, als kwamen zij, om hem de bruid over te leveren; hij trad nader en nam een Astartepaal, die vóór hem stond, om hem aan te vallen i1) en stak die met kracht vast in zijn buik.l:!) El'azar sneed hem het hoofd af en wierp het naar buiten met snellen vlucht; toen zijne dienaren zagen, dat hun heer dood was, vluchtten zij als voortgestuwd, en hij [Juda] nam zijne broeders met zich en zette hen na.13) Zij plunderden hen en versloegen en verpletterden hen en brachten hunne legers in schrik en verwarring, de Joden kregen macht over hunne haters, die hen tot nu toe geplunderd hadden, zij kwamen over de verslagenen en plunderden. u) Nu trad de koning krachtig op en bereed zijn besten en uitgelezensten

i) II Sam. 13,19.

s) De geheele strophe is eene omwerking van I Sam. 1,8,14 en 15. 3) Met het oog op de wet, dat eene priesterdochter, die als nom zich aan ontucht schuldig maakt, verbrand moet worden. Lev. 21,9.

■lt;) II Sam. 12,13.

5) Gen. 38,26, waar de woorden door Midrash (zie Rashie t. p.) worden opgevat, zooals wij hier vertaald hebben.

6) Omwerking van Jes. 21,5.

i) I Kon. 1,49.

8) Naar analogie van II Sam. 10,12.

f) Gen. 34,31.

i») Gen. 45,22.

genesis. L*

90

ocr page 485

roun bv ixv ï

nan n»n« nnin» : n^ip n»quot;?^ D*Dön nainsi

t - t r t t ; •• • 'titIt t iv*t v -; * — v i :

• ♦nninirn kiön rh no * ♦aan no1?

......... . . T . . .. iT - • ; • v it

♦3 bbi^n* |ö : pjN ni-i n^p nB'N ^n« kV noNni ^ni • ♦nsn'^b nN^iQi nx nbbna ♦nxvo: • ♦nsn DV3

• -: - . T ... . .. • t v v iv - : • iquot; ; • • t \ :

D^unwi ^23 tffl: mo n^ : »n3quot;in nx n3N

-. . : • ; • v iv -it - r • t ; v v | • t t

min» -ü'i * np^io nmn -nn'i 12^ n^nx m - np^T

t : ••-- It tt t t-: -v:v- • : t r t t ItTtt

na^ • DW13 n^nwps dd1? mn nv^ : njrra : Dwipsn inin^ • «m po m^o oni^n

u^nuambbnnis • 1^2 p-rnnii prn iva

: irninN nN n'^» njion nüN'i - un^n^o 1:2 i2ivnn

,.. .. ... v «.j- t . - . _ ,,.... 1t .^, . ..

oriNnp1? 1 bnï * ^21 ^23 1 |^p |iQ:n jio-ik nns 1x2^ rsp : V2 wïin «quot;ip'i • •hu n2n2L51KI2 quot;IONI

I - It t quot;V •• t r tI ; • - - •• t t : • i - t ;

nnoiynmirK npbi 2np • 2^22 noquot;ia2 vnKi min^

viv t t •• -; I - t ; -It • : • t : t : • : tv; t :

m2 : 13Ü22 n^pn»! *

- finnb ion on^i-iM na »2 V-12V INT * eiiTi'? nvm

I -: - ivr -•.•••-: ... tt^-; t I : * t i

Dn^noi mn2»i niy\ DTTI^ : ^iy,\ isy vn« nx np»i oniK quot;itfK Dn^:w2 onm^n * irrirn lonnn 2i,i2n iVs 22Ti -i^nn cipn : m D^bnn 1K2 * ^2

- t: |v iv - 11- t 1 t- • t - it t

n) De lezing mus. die in de oude uitgaven voorkomt, biedt misschien wel eenige moeilijkheid, doch, daar zij door de bij Beer geciteerde lezing van het handschrift: hr.o mnn np1? krachtig gesteund wordt, geef ik de voorkeur aan de lezing mes boven Arniieim's conjectuur; mot, dat als Chald. vertaling van tgt;, I Kon. 10,19, blok of pin zou moeten beteekenen. De Astarte-palen waren in den regel kegel- of pyramidevormig en liepen in elk geval van boven spits toe. Men kan zich dus zeer goed voorstellen, dat Juda daarmede den landvoogd doorstak. In den w van den eersten nsin rac wordt overigens verhaald, dat Juda hem met zijn zwaard doorstak; (zie de strophe pgt; Sa rrasio). Beide voorstellingen zijn natuurlijk vrije phantasie van den dichter.

quot;) Recht. 3,21.

quot;) Gen. 31,23.

quot;) Gen. 34,27.

ocr page 486

JOTSEROTH.

olifant, doch een redding brengende pijl kwam in diens ingewanden en boorde daar een gat, zoodat zijn berijder achterover viel. !) Zwaar gekneusd en met gebroken gebeente vluchtte hij en trok spoedig heen; toen werden zijne dienaren oproerig en brachten hem in haastigen vlucht naar zeeprovinciën, en zoo keerde hij met beschaamd aangezicht naar zijn land terug. ^ — Later streden zij tegen Antiochië, de groote stad, tegen het volk der trotschaards, 3) — ,/de zonen, die ten strijde zijn getrokken, hebben overwonnen,quot; werd den in angstige spanning wachtenden als blijde boodschap [uit den hemel] verkondigd, 4) terwijl zij hoorden de stem van den Eeuwige, Gnd. 5) Het in zandsteppen wonende ['Ekron], vroeger een vastgeslagen pin om pijn en storm [tegen Israël] te veroorzaken,6) werd verwoest; het 'Ekron, dat zou ontworteld worden, dat was Caesarea, de dochter van Edom, — met het oog daarop'1) noemde men den naam der stad8) aldus. Van het oogenblik af, dat mijne vorsten het veroverd hadden in naam van den Eeuwige, mijn Banier, werd het, met verandering van naam, genoemd: «de veroverde vorstentoren,quot; en werd hut als een vorst onder Juda en'Ekron gelijk den Jeboesiet. 9) — Toen Tyrus en Tsiedon veroverd werden en de door hen bewoonbaar gemaakte steden, beoefenden zij [in de scholen] hunne Leer met talrijke mannen, die zaten vóór den Eeuwige in hunne open steden en hunne burchten. 10) De vorsten handelden met hunne vijanden naar hun welgevallen, als het recht van heeren; zij beheerschten hunne vroegere aandrijvers en maakten tot slaven en verdrukten Midjan en Medan en de zonen van Jawan: Kliesha en Tharshiesh, Ritthiem en JDodaniem. n) In plaats dat zij, de duiven, aan de Grieken waren overgeleverd gedurende honderd en tachtig jaren,13) kwamen nu machtige vorsten tot de Chashmoneërs om door baren zilver hun onderwerping te toonen 13) en gaven voor de schatkamer van het werk [van den tempelbouw] gouden dareiken. u) — Het geliefde, //het koninkrijk van priesters en heilige volk,quot;

') Gen. 49,16. Het feit wordt in Josippon 4,24 medegedeeld: El'azar, den schitterend uitgedosten berijder van een kolossalen olifant voor Antiochus1 zoon Eupator hondend, drong tnsschen de pooten van het beest door en doorboorde het van onder ai', waardoor de berijder afgeworpen en gedood werd. Josippon 4,20 en Josephns, Oudheden 3,12 wordt verhaald, dat Antiochus, doordien de voor zijn wagen gespannen paarden door den aanblik van olifanten schuw werden en op hol sloegen, uit den wagen werd geslingerd en stierf. Beide verhalen staan den dichter voor den geest en worden door hem vereenigd.

II Kron. 32,21.

3) Dvnrn van het Thalraoedische; aSn mm (Sota 47i).

4) Volgens Josippon 4,5 werd onder Johannes Hyrkanus Antiochië belegerd. De Thalmoed (Sota 33a) verhaalt, dat Jochanan (Hyrkanus?) eene stem hoorde uit het allerheiligste, die hem toeriep: //de jongelingen (zijne zonen Aristobulus en Antigonus) hebben overwonnen, die tegen Antiochië ten strijde getrokken zijnquot; (zie ook Thoseftha Sota 13).

5) Gen. 3,8.

91

ocr page 487

noun IÏV NÏ

lap'i bisquot;! * Tin ni^i. inn.^a ht ^n n^v^n • iiraani viny niD * NÏ» KÏ'I ma niovy roo : UnK

t t : : t t ••••quot; ~t t -: t ; • : t ••. t

D^n1?:: IÏIN1? D^Ö n^ina * NIÏI ino^n 'DiaNbi

• t : • ; quot; : • t v i ; tit- t i-. • •• t ••:quot;*:

K2i' w D^a inïi * D^ninr D^3 nVn^ N^vljjxs

t t •• : • t : t • : - : t : • t : : - :

nibin : ♦; Vip ns4 wnw] ' crnsD n'^a nop flip# ronn • i^pnbi n^ipn in;

0^3 '-rïp nwna TNO : quot;i^n snp f3 bj; * na «^io n^ni • biin rn;nx nsnp: d^ naDD • ^d: v; * Q^Tquot;! pTiquot;! iiï |3 quot;labna : wy? pip^i nnin^ : DniTpm onnxna * annin npy ^ ♦jsb D^r a-ana on^jian nn • D^Igt;; Djiïpa wy D^TI-I

^trmi nty^K rv ^31 * d^ioi □♦na 1 dis^i D-na^i

; - : t • v: i tt •• ; • t : • t : * ^* : t ^—.-

' D^lü^l n^Q D'av 1-1333 quot;113^3 : D^Tlquot;! 0^3

: t •• • t * t • • : : * -: - • t : * *

quot;iV^1? upJ ' o^io^n1? D^Qt^n rnNM. oainnb t]D3 ^ns srnp 'Ui D^n'3 i^DQ mm* : a,:i03quot;n 3nT nsxSan

It : ' -: viv ; - •: • : ; - tt t t : -

6) De voorstelling is ontleend aan Megilla 6a en Megil. Tha'au. 2; iprn p-tpïl (Tsephanja 2,4), dit doelt op Caesarea in Idnmca, dat tusschen het zand woont (zie R. Salomo Edels t. p.), dat een pin was, gestoken [in het vleesch van] Israël (Ra-hik voegt li ij; ten Icirade; nni npn komt immers Jes. 22,23 voor in gunstigen zin: krachtig maken en het zou dus kunnen beteekenen: dat een krachtige steun was voor Israël), doch dat, toen de Chashmoneën aan de regeering waren gekomen, veroverd werd en genoemd werd: het veroverde -quot;r Vi;» (waarvoor Meg. Tha'an. heeft: ■m Vu*:, wat door 'En Ja'kob bevestigd wordt. 'Aroech leest Ti', handschriften bij Rabbiuowitz; -ik, docli enkelen: quot;|2f; zooals Beer terecht

opmerkt,, schijnt ook onze dichter zoo gelezen te hebben) io 'w;, de vorstenstad.

7) Op de woordspeling -ipi'n p-ipr. 3) Gen. 19,22.

9) Zech. 9,7. Zie Megilla t. a. p. Alle aan afgodendienst en zedeloosheid gewijde gebouwen kregen eeno godsdienstige bestemming, quot;wo, Jerusalem werd ten lijde der verovering van het heilige land, nog tot Davids tijd, door den Jeboesietenstam bewoond.

10) Gen 25.16. quot;) Gen 10,3

12j Van du verovering van Palaesiina door Alexander den Groote (± 3440) tot de overwinningen van Jnda den Makkabbeër (± 3621) zijn circa 180 jaar.

13) Zie Hashie Ps. 68,32. quot;) 'Ezra 2,69.

ocr page 488

J0T8ER0TH.

de eerstelinge [Gods]!) woonde rustig honderd en drie jaren2) en hun zonden huldigingsbokken en brachten geschenken de koningen van Sheba en Seba als hulde.8) Met hun vijven bleven zij [Mat-tithjahoe's zonen] gewapend tot het feest der ruste, van den krijgstocht kwamen zij terug op den 25 Kislew en gingen naar hunne tenten verblijd en opgewekt van hart. 4) Al de steenen van het altaar, die de Grieken hadden verontreinigd, bracht men bijeen en begroef ze in de Noordoostelijke zaal,6) en zij namen andere steenen en brachten ze in plaats der vroegere steenen. 6) Levieten ver-eenigden zich tot zang en dank- en loflied, de brave in het heiligdom dienstverrichtende priesters kwamen om offers te brengen en te slachten hun offer ter inwijding van het altaar. 1) De meest geliefde, de oudste onder zijne broeders, die hen, die tegen hem opstonden, geheel en al verpletterde, deed God welgevallige handelingen [de dienst in den tempel], nadat men hem [tot hoogepriester] had gewijd naar het geopenbaarde wetsvoorschrift: [hij bracht] brood en wijn, daar hij priester was voor den allerhoogsten God.8) Toen het leger der geweldenaars kwam om het «huis van het woudquot; 9) te ontwijden,10) braken zij door den binnenmuur en het gevlochten Jatwerk11) ter hoogte van afgemeten tien ellen, zij braken en gingen zoo de poorten door.13) Nadat nu de geliefden de dertien door hen geslagen bressen krachtig aanvulden, hebben zij met het oog daarop hetzelfde aantal buigingen vastgesteld, om opnieuw te bevestigen: en zij zullen zich neerwerpen voor den Eeuwige op den heiligen berg. 13) Ten tijde dat de vijand en geheel zijn leger werd verdelgd, gingen de renboden om in de provincie te boodschappen, dat redding was ontsproten, om hem naar Jerusalem te brengen en met vreugde de inwijding te vieren.14) Zij wijdden en reinigden den tempel om de eeuwige lampen te ontsteken, zij zochten en vonden in de onderaardsche kanalen een marmeren verzegeld kruikje verborgen, [niet meer] dan één zalving olie.15) Door een wonder vond het lichtkracht voor acht dagen voor mijne ijverigen; daarom stelden zij deze dagen vast voor de geslachten van al mijne tijden om te herinneren

') Israël, met het oog op Jer. 2,3.

5) Megillath Antiochus berekent den regeeringstijd der Chashmoneën op 206 jaren, waarvan gedurende de laatste 103 jaren Herodes en zijne nakomelingen heerschten. Van 3621 tot 3728 duurt de regeering der eigenlijke Chashmoneïsche vorsten; de jaartallen zijn natuurlijk genomen uit de oudere Joodsche geschiedschrijvers, die dezelfde bronnen tot hun beschikking hadden als onze dichter.

3) Ps. 72,10.

*) I Kon. 8,66.

') Van de vier zalen in de ipvsn no, die zich aan de noordzijde van den tempel bevond, waren in de noordoostelijke de steenen van het altaar begraven. Zie Middoth 1,6; Joma 16a (vgl. 1 Makkab. 4,46).

92

ocr page 489

roin rvw iïv nv

nn30 * quot;ID irhv löbi iïhv) HND MW * quot;oasn

r t t ; • t ;t it : t ; t •• : t t •-. : -

n iv D^on ixbn D^sno : izvx nddt ♦sVd

~ -: it •.. • t *•. : t : v t ; t ; •• ; -

lab'i * nistoni on'^a nanban ndvd * ibty

: ..- •• ; • : t • -:- • ; ~* : it t t ; • - t ; • •• t

wpp naron : ^2 Dn^nN1?

inpbquot;! * D^n nivb n^iöï nrnraa Dir^i DIDSD • D^V 1ÖDN3 on1? in» : D^3«n nnn bx i^^ni nlinK

,t ..: ... • • : quot;Iquot; • t -: t - I- v I* •• : •• -: • t -:

DnnnV wiy snpn i on^' • nitinbi quot;ni^b

•): - : it v| i - •• ; t : t : - i- - : :

rnia vnNö Vnan ♦iït : rarsn nainb DJ3ip nx * narVi

I .. tvquot; t - t - i**: * - t t :lt v - iquot;-:

r.ll nis VT IN^P ^133 nn * |1^33 VOf?

* Vbnb N33 D^xns Vn : |i^ hub |rl3 Nini

: -i];^ rojn lïia * ^^03 in3J n»n y*\p Vn onsDaS upn |3 ]V_*' anijs fira vbf iprns nnn' ibro 3.,iNn : tynipn ins quot;b iinn^m * ^-rnb nvinn^n ntnti* 3^1353 quot;1^3'? iNr D'ïin • nnoj nquot;no im nnx

*r : : • •• - : : t ' tt, t : • t v -; -

■i33n : nna^3 n3:n ni^1? DK^nb * nnav

: . t : * : t •quot; *1- t t • -: - t i- t

-]Ö pn^3 INVOI • joins i: nib^nb i 1133quot;! nyfop d*p^ d;3 nïo nniT: |o^ Tjios4 dk *3 * |oü3 vw ■onb * nnn*? nb^n o^p^n j?1? ^3p *

6) Lev. 14,42.

7) Num. 7,11.

8) Gen. 14.18.

9) I Kon. 7,2, wordt deze uitdrukking gebruikt en door den Thalmoed (Josua 39amp;) verklaard op den tempel te doelen.

10) Vgl. 'Aboda Zara 526.

ï1) Zie Middoth 2,3, Joma 16a.

ls) Miecha 2,13.

13) Jes. 27,13; zie Middoth t. a. p.

14) Necheraja 12,27.

is) II Kon. 4,2.

ocr page 490
ocr page 491

roun bv nstr1? ixv as

pnv mb ^Jnsp : quot;b i Vbnbi nUnbi nniaa niorp • nn Dp^nna wani ^tdh nnx! * n^i ypf inv San ; tfnp ♦ n^n n33n yamp;

de machtige daden en te danken en te loven den Eeuwige. !) Mogen Uwe priesters zich met reehtvaardigheidskleed omhangen, wanneer gij de doornen en disfelen2) in brand steekt; evenals Gij de overwinning hebt verschaft aan Uwe vromen, zoodat zij, toen zij de olijfolie aanstaken, jubelden het psalmlied ter inwijding van het Godshuis, s) o Heilige !

l) I Kron. 16.4. J) Uwe vijanden. 3) Ps. 30,1.

n'vn « ™ mn rxn nar « roun nar /nwa nar ^ naun nar -xw uw nnai nSv cisw

□si .Nttvn xyartt inüi min rxn jsw D^OIS rnn rjna /r^1^ rxn |£iw quot;^n misnm ISP ffimw nS'D nna •n^D nnan nSin

ocr page 492
ocr page 493

amp;

ocr page 494
ocr page 495
ocr page 496