acr- Zoy
npS f)D v
xini
rthss wan min wyn new
wm jicSa D'-wcam o^Tino
.nnvin nibsn nn^sn DJT
â O. f
DE PENTATEUCH
EN DE
VIJF ROLLEN,
Opnieuw in het Nederlandsch vertaald en verklaard,
EN OE
Haphtaroth en Shabbathgebeden
met Nederlandsche Vertaling
DOOR
J. VREDENBUKG,
Leeraar aan het Beth-Hammidrask te Amsterdam.
Ofamp;zamp;rjcsniéejr. r ⢠r.-⢠r~gt;quot;-rv*
| BIBüOT; â .....â ; OER ]
f'liJrv . iLi'f
UTRECHT' 1
AMSTERDAM, | C0L!quot; T«OïvWgt;^3£ | J. L. JOACHIMSTHAL.
2193 0338
«quot;pi
LEVITICUS.
J O ACHIMSTH AL's STOOMDRUKKERIJ, Muiderstraat 6, Amsterdam.
LEVITICUS L
1 De Eeuwige riep Mozes en sprak tot hem uit de tent der samen-
2 komst, als volgt: ,/Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: iemand van u, wanneer hij een offer ter eere des Eeuwigen brengen zal van het vee, van het rund- of van het kleinvee zult gij
Hoofdstuk I. 1. Het is zeer twijfelachtig, wanneer de in hoofdstuk 1â7 medegedeelde openbaringen, regelende den offerdienst in al zijne bijzonderheden, aan Mozes werden gegeven. Reeds Ex. 29 toch is de geheele inwijdingshandeling aan Mozes bevolen, en daarbij gesproken van het brengen van zondoffer, brandoffer en vredeoffer, evenals van verschillende broodsoorten, waaruit een aan een offer toegevoegd meeloffer bestaan kan. Wel worden daar tal van bijzondere bepalingen aangaande den dienst bij verschillende offers gegeven, maar niet uitvoerig genoeg om als eenige bron van kennis op dat gebied te dienen, waarom sommigen aannemen, dat de geheele wetgeving omtrent den offerdienst noodzakelijk reeds aan Mozes bekend moest geweest zijn, vóórdat Ex. 29 hem kon worden geopenbaard. Zij nemen dan aan, dat bij Mozes' veertigdaagsch verblijf op den berg Sienai hem, behalve het in Ex. 20,22â31,17 medegedeelde, ook de geheele offerwetgeving is geopenbaard, terwijl Lev. 1â7 eerst de bekendmaking aan het volk wordt bericht. Mozes kende de bepalingen reeds vroeger; toen nu het heiligdom was opgericht en Mozes, doordien de wolk op het heiligdom rustte, dit niet kon betreden (Ex. 40,35), riep God hem uit het heiligdom toe en droeg hem op, thans de offerwetten aan het volk mede te deelen (vs. 2), opdat zij, nu er een heiligdom was opgericht, waarin immers ieder voor zich een offer zou kunnen, en soms zou moeten brengen, zouden weten, hoe bij de verschillende offersoorten te handelen.â Vooral brand- en vredeoffers worden ook vóór deze openbaring reeds vermeld (Ex. 18,12; 24,5); en in het algemeen wordt van af den oudsten tijd het brengen van offers bericht. Daarom meenen anderen, dat, ook zonder dat Mozes met de voor Israël vast te stellen offerritualia bekend was, de verschillende offersoorten van Ex. 29 konden worden genoemd, daar hij bij het vermelden dier soorten aan den tot nu toe daarbij gebruikelijken dienst zou denken. Alvorens nu tot de inwijdingsplechtigheid over te gaan, waarbij de voorschriften van Ex. 29 zouden moeten opgevolgd worden, werd dan aan Mozes uit het reeds opgerichte heiligdom het geheele ceremonieel van aüe offers bekend gemaakt, zooals God dit voortaan voor Israël vaststelde. Deze openbaring had dan plaats öf in den vroegen morgen van den eersten Niesan, den dag der oprichting des heiligdoms, of naar de rabbijnsche opvatting, dat die eerste Niesan de achtste dag der inwijding was en reeds zeven dagen te voren het heiligdom door Mozes dagelijks was opgericht en uit elkander genomen, op een dezer zeven dagen. â In beide opvattingen staat ons hoofdstuk in onmiddellijk verband met hel slot van Exodus, de oprichting des heiligdoms; en beteekent nïi» Snsm: uit het heiligdom. Volgens enkeier meening echter gaat ons hoofdstuk terug tot een tijdperk vóór de voleindiging van den bouw des heiligdoms en moet onder -in» Sn.s hier de tent van Mozes worden verstaan, waar immers in den tijd tusschen de vervaardiging van het gouden kalf en de oprichting van den tabernakel de Goddelijke openbaringen tot hem kwamen, en die Mozes naar Ex. 33,7 daarom n'in Sns, tent der samenkomst, noemde. â Hoofdstuk 1â3 vormen ééne Godsspraak, niet gescheiden door een nieuw
lil: 1^10 VnKo V^K nin»
D3D anp»-»3 Dn« on^N moNi ,l?N1agt;, â¦arbw
â )*â¢â¢ ⢠-»â¢Â»:â r ^ tt v â¢â¢ -: jt : - it : â¢â¢ t : * lt;â¢â¢ ;
TIK mnpri fK^rrfpi npan-fp nón3n-|p nin^ |^;pT
nc» Sn 'n isti, en bevatten de voorschriften omtrent vrijwillige, niet-ver-plichte offers (waarop alleen 2,14â16 eene uitzondering maakt, om alle meeloffers bij elkander te bespreken), en wel: brand-, meel- en vredeoffers. Zij beschrijven alleen de diensthandelingen in het heiligdom, terwijl de bestemming der niet op het altaar komende bestanddeelen, de voorschriften dus omtrent het eten der offerdeelen {persoon, door wie â tijd en plaats, waar het gegeten moest worden) eerst hoofdstuk G en 7 worden medegedeeld. â rwn Sn sip^i, onderwerp is het na izrpi staande woord 'H. Sommigen vertalen: de Eeuwige riep Mozes, om het heiligdom te betreden, en, toen hij er binnen gegaan was, sprak Hij met hem van uil een bepaald deel van de tent der samenkomst, nl. van uit het allerheiligste, van af het deksel boven de arke (vgl. Num. 7,89). Anderen: God riep Mazes to een sprak lot hem van uit de tent der samenkomst; Mozes stond dan buiten het eigenlijke heiligdom, in het voorhof, en hoorde de stem, die uit het heiligdom tot hem sprak. Dit was dan alleen bij deze openbaring het
feval, terwijl later Mozes het heiligdom zelve wel mocht betreden eneval, terwijl later Mozes het heiligdom zelve wel mocht betreden en
an, staande bijv. in het heilige, de stemme Gods uit het allerheiligste hoorde (vgl. ook Ex. 24,16). Wessely meent, dat Mozes, na het wegtrekken der wolk uit het heiligdom, uit zichzelve reeds het heiligdom had betreden, en God nu, alvorens Zijne openbaring tot hem te richten, hem met name riep.
2. quot;O DIK» Algemeene bepaling: wie een offer brengt, moet dit,
zoo het uit vee bestaat, hrengen van het klein- of rundvee. Andere diersoorten, wild en onreine huisdieren, zijn uitgesloten. â dis, een mensch, wijst er, naar de traditie, op, dat ook niet-Israëlieten tot het brengen van sommige offers worden toegelaten; terwijl os», dat het algemeeneb.s-wja, tot wie het voorschrift zich richt, meer beperkt, naar de traditie den afvalligen Israëliet (ï»vi) van het brengen van offers uitsluit. Abrabanel ziet in het gebruik van Dis, tegenover B's op andere plaatsen, de aanwijzing, dat zoowel voor mannen als voor vrouwen de hier gegeven voorschriften gelden. â pip, algemeene benaming voor alle offers, die nader gébracht worden tot God, niet juist op het altaar, maar die ter wijding en heiliging van den persoon of zijn bezit in den tempel komen en daar naar een bepaald voorgeschreven ceremonieel worden behandeld, ja zelfs van eenvoudige, aan God en Zijn tempel gewijde gaven (Num. 7,3 en 10; 31,50). Abbabanel e. a. zien in den term pip de dubbele beteekenis: wat nader komt, op het altaar gebracht wordt en wat tevens den mensch nader brengt tot zijn God. â n»ran j» behoort nog tot den voorzin; iemand, die van u een offer brengt van het vee, van de viervoetige huisdieren, en â moet dit offer doen bestaan uit rundvee of kleinvee. (Naciim.) Vs. 14 vv. toch wordt het geval besproken, dat iemand een vogel als brandoffer brengt. Wesselt laat met rnsron j» een nieuwen zin beginnen en vat het op, alsof er stond r
LEVITICUS I.
3 uw offer brengeu. Wanneer een brandoffer zijn offer is van het rundvee, moet hij het van het mannelijk geslacht, zonder lichaamsgebrek, tot offer bestemmen; naar den ingang van de tent der samenkomst moet hij het brengen, tot welgevallen in
4 hem voor den Eeuwige. Hij zal zijne hand op den kop van het brandoffer steunen; dan zal het voor hem tot welgevallen strek-
5 ken, om verzoening voor hem te doen. Hij zal het tot het
nsron j» dn, indien van het vee, dan zult gij van rund-of kleinvee uw offer brengen. â ipa, rundvee, waaronder verstaan worden mannelijke of vrouwelijke, jongere of oudere runderen, dus; koe en os, jonge stier of koe, mannelijk of vrouwelijk kalf. â jsï, kleinvee, onderscheiden in schapen, V23 of 3f3, en geiten, eveneens zoowel mannelijk als vrouwelijk, zoowel jong als ouder; nader onscheiden in: no, een jong dier van een van beide soorten, (nj, een hokje en rbo, een lammetje â mjo p nas of vw p ir;) en W, een ram of tïb, een bok, de namen voor oudere dieren. Zooals reeds is opgemerkt, is hier sprake van vrijwillige offers, door één of meer personen (daarom volgens de traditie de meervoudsvorm: OJjaip ns laiipn) ter eere des Eeuwigen gewijd. â De offersoorten worden niet opgesomd, maar volgen uit de verschillende, in hoofdstuk 1â3 besproken gevallen. Vrijwillige offers kunnen zijn: brand-, meel- of vredeoffers. In hoofdstuk 4 en 5 worden dan ook bij de schuld- en zondoffers uitdrukkelijk de omstandigheden genoemd, waaronder zij gebracht moeten worden. Zij zijn verplichte offers, doch aan bepaalde gevallen gebonden en kunnen dus niet als vrijwillig offer worden gebracht. â Abrabanel e. a. wijzen erop, dat bij den offerdienst nooit de naam Din1?», God als strenge rechter, maar steeds 'n. God in Zijne onuitputtelijke liefde, gebezigd wordt; in tegenstelling met de heidensche beschouwing, vat het Jodendom zijne offers niet op als een gave tot verzoening van Gods toom, maar als de uitdrukking van steeds zich vernieuwende toewijding bij den mensch, die daarvoor bij God verzoening en liefderijke opname en steun vindt. (Vgl. ook Maim. Moré 3,32).
3. rhy, eig. het opstijgende, d. i. öf wat geheel in rook moet opgaan, verbrand wordt, öf wat het altaar moet hestijgen, op het altaar moet worden gebracht. â Dian, zonder lichaams-je6re/j; de gebreken, die een dier definitief als offer ongeschikt maken, worden Lev. 22,21 vv. nader ontwikkeld. â wnpi, zal hij het tot offer bestemmen, een van het zelfst. naamw. pip afgeleid werkwoord. â ijnn W nns S.s, naar den ingang van de tent der samenkomst, d. i. naar het voorhof, waar het brandofferaltaar staat, ws aiip1, zal hij het doen naderen; de persoon, die het offer brengt, moet er vonr zorgen, dat het dier in het voorhof komt. â uxiS = iS jiïiS, tot. het opwekken van welgevallen in hem; Ibn 'Ezra: met zijn vrijen wü, evenzoo de traditie, die het imperatieve voorschrift iris ïnp» dan opvat in den zin van: op hem te oefenen dwang, totdat hij toestemt het te brengen, terwijl het brengen zelve, op het oogenblik der handeling, met 's mans geheele instemming geschiedt.
4- quot;[DDI, hij zal steunen, met volle kracht, niet eenvoudig jrui of om, wat eenvoudig leggen zou beteekenen (Wesselt). â it zijne hand, naar Lev. 16,21 en Num. 27,18 en 20, de beide handen; het enkelvoud wordt hier, evenals Num. 27,18, voor het meervoud gebruikt. De traditie ziet daarin het meer op den voorgrond plaatsen van het bezittelijk aanhangsel; IT, zijne eigen hand en Jiiet die van zijnen vertegenwoordiger. Wie het offer brengt,
3
K inp»i
-VK «nnp» D»ön nar npan-ïö imp nVy-D» ⢠DD^P j
av â¢!:- f t jt t Itt - I ⢠t :it *t ⢠iv : - :It
it todi : nirr ^ ttn1?im nnp» -1^10 nna
t i-»- t : it s jquot; ; * v. :*j.|;- ... K - ...
rrnx ünüh : vty isnbâ h nra ntyn BW-I by
I jv v â¢)- t ; it t jquot; - :v, jt ; ⢠: at ^ it j
moet zelve de nsifiD verrichten, met belde handen, met volle kracht steunende op den kop van het offerdier, tusschen de horens. â ieoS h rwui dan zal het voor hem een middel tot het opwekken van welgevallen geworden zijn, om door en na de verdere offerhandelingen verzoening voor hem te bewerken. â ied, eig. bedekken, met Sr van den persoon of de zaak, die bedekt wordt; vaak: verzoenen, de zonden, de geestelijke afdwaling of de zondige daad en hare gevolgen bedekken. Offers verzoenen echter alleen in dwaling of onwetendheid begane misstappen, terwijl voor opzettelijk en met bewustzijn verrichte misdadige handelingen straffen zijn bepaald, die óf door den menschelijken rechter worden opgelegd, óf aan de Goddelijke rechtvaardigheid zijn overgelaten. Wanneer na hier het vrijwillige brandoffer gezegd wordt te dienen ied1?, om verzoening te doen, dan kan dat alleen zijn in zulke gevallen, waarin geen zond- of schuldoffer is voorgeschreven. Het is een offer, waartoe de mensch zich gedrongen voelt in het bewustzijn, menigmaal in woord, daad of gedachte verkeerd te hebben gehandeld, zonder dat hij er zich bepaald rekenschap van kan
feven. Hij voelt, verzoening noodig te hebben, en brengt daarom een offer. gt;e traditie vindt in het brandoffer het verzoeningsmiddel voor nagelaten plichtsvervulling (nep nix») en voor overtredingen, die door een met het verbod in onmiddellijk verband staande plicht kunnen worden aangevuld, (niïjjS pnijn isS) (zooals het verbod, van het Paaschoffer tot den morgen over te laten, waarop, na de overtreding, verbranding van het overgeblevene moet volgen). Op zulke overtredingen staat nl. niet de bij gewone verboden meestal gestelde straf van geesseling. De in elk geval toch beganeeven. Hij voelt, verzoening noodig te hebben, en brengt daarom een offer. gt;e traditie vindt in het brandoffer het verzoeningsmiddel voor nagelaten plichtsvervulling (nep nix») en voor overtredingen, die door een met het verbod in onmiddellijk verband staande plicht kunnen worden aangevuld, (niïjjS pnijn isS) (zooals het verbod, van het Paaschoffer tot den morgen over te laten, waarop, na de overtreding, verbranding van het overgeblevene moet volgen). Op zulke overtredingen staat nl. niet de bij gewone verboden meestal gestelde straf van geesseling. De in elk geval toch begane overtreding heeft dns verzoening noodig.
5. ürUPI' hij zal slachten, de persoon, die het offer brengt, of een ander, niet juist een priester; daar vs. 8 de priesters uitdrukkelijk genoemd worden, blijkt, dat tot nu toe geen priester noodzakelijk vereischt werd.â Hoe dit slachten moet plaats hebben, wordt in den tekst niet nader aangeduid. De traditie geeft echter als methode om het dier te dooden: de halssnede, waarbij het bloed onbelemmerd uitstroomt; nooit wordt bij offers of bij voor menschelijke voeding bestemde dieren ni»n, eenvoudig 'dooden gebruikt, maar steeds cnc of nar. â 'n '3S1?, naar vs. 11: aan de noordzijde van het altaar, in het noordelijk deel van het voorhof, dat vóór de tent der samenkomst, het eigenlijke heiligdom ligt. â lïopm, de priesters zullen het bloed zoo behandelen, dat zij het kunnen naderhrengm tot het altaar, dus opvangen, nSap, in een bekken; Nachm. en anderen: zullen het bloed als offer b ehandelen, zonder nadere aanduiding, terwijl dan eerst uit het volgende ipiti blijkt, dat daarmede de voorbereiding tót het sprengen is bedoeld. â -ipan p nx, het dier uit het rundergeslacht; daar hier niet uitsluitend van een jong dier, een kalf of jongen os, sprake is, daar immers voor het brandoffer geen bepaalde leeftijd is voorgeschreven, moet het als algemeene aanduiding van rund worden opgevat. De bijvoeging komt zoowel bij als bij is voor, en ziet dan op den leeftijd van het dier. (Rosh Hashana 10a). â rco rcittn hp om nx ipm, en zullen het bloed tegen het altaar sprengen, zoodat het rondom zichtbaar is. â pit is; werpen-, staande op een afstand, met het bekken een zwaaiende beweging maken, waardoor
LEVITICUS I.
rundergeslacht behoorende dier vóór den Eeuwige slachten; en A harons zonen, de priesters, zullen het bloed nader brengen, en het bloed sprengen tegen het altaar rondom, dat vóór den ingang
6 van de tent der samenkomst is. Daarna zal men het brandoffer
7 de huid aftrekken en het in zijne stukken deelen. âDe zonen van den priester Aharon zullen vuur op het altaar leggen, en
8 hout op het vuur rangschikken. â Dan zullen de zonen van Aharon, de priesters, de stukken, den kop en het vet, in orde schikken op het hout, dat boven het vuur is, dat op het altaar
9 ligt. En zijn ingewanden en kniestukken zal men met water afwasschen; en de priester zal alles op het altaar in rook doen opgaan; een brandoffer, een vuuroffer, tot lieflijken geur,
10 ter eere des Eeuwigen. â En wanneer van het kleinvee zijn offer is, van de schapen of van de geiten, tot brandoffer, dan moet hij het van het mannelijk geslacht, zonder lichaamsgebrek,
11 brengen. Men zal het slachten aan de achterzijde des altaars
een golf van het daarin aanwezige bloed wordt uitgestort en tegen het altaar wordt geworpen. (Zie onze aanteekening Ex. 12,7) Op die wijze werpende, kan het oloed nooit in een lijn rondom het altaar loopen. Vandaar dat de traditie a'ao opvat in den zin van: aan alle vier zijden zichtbaar, en bepaalt, dat de priester eerst van het bloed tegen den noordoostelijken, dan tegen den zuidwestelijken hoek werpt, waardoor aan alle vier zijden het bloed zichtbaar is (ïais jpib nwi» vio). Sp beteekent hier niet: op, in den zin van: op het bovenvlak, maar: tegen, zoodat het aan de wanden komt. Men kan niettemin vertalen: op, daar ook dan niet juist aan het bovenvlak gedacht behoeft te worden. â in» bns nns los, op het altaar... dat aan den ingang van de tent der samenkomst is, en niet daarin; aanwijzing van het koperen altaar, in tegenstelling met het gouden, dat in het heiligdom staat.
e. m?am, men, niet juist de priester, zal het brandoffer de huid aftrekken; de huid wordt niet mede verbrand, maar wordt, naar Lev. 7,8, den priester gegeven. â nnn, en in stukken snijden, mnnaS, in zijne natuurlijke, door gewrichten en ledematen aangegeven, stukken, üit vs. 8 blijkt, dat hier alleen aan den romp van het dier wordt gedacht.
7- UJm de zonen van Aharon, de priesters, met uitsluiting van ieder ander, zullen vuur leggen op het altaar, niet juist voor ieder offer afzonderlijk, maar zij hebben ervoor te zorgen, dat er steeds vuur aanwezig is (Lev. 6,2â6). Ons vers vormt een tusschenzin, die slechts ter herinnering hier voorkomt; de dienst van het brandoffer wordt vs. 8 weer voortgezet. Immers ook het opleggen van hout was niet bij ieder offer opnieuw noodig. â 13W, zij zullen opstapelen, een naiï», een houtstapel maken. â De meervoudsvorm wordt bij door een priester te verrichten handelingen zeer vaak gebruikt, daar ieder der priesters de offerhandelingen mag verrichten.
8- ü-ijn, in orde, in een bepaalde rangschikking, leggen; naar Lev. 2,13 na ze vooraf gezouten te hebben. â cjon ns ainrun nx, de deelen, en ook den kop, die bij het slachten reeds gedeeltelijk afgesneden was en dus bij de verdeeling vs. 6 niet meer in aanmerking was gekomen. â nsn nsi, v. s. alle vetstukken, die de inwendige organen bedekken; Nachm.: het vet, dat
4
N tnp»i i
ipnTi onn-nx b^nan pn« â¦ia innpninin» â¦JÃ1? ipan
i ;it: t- v ⢠-; i - i lt;-:i- â¢â¢ ; # *V : at : : * htt-
: iyp SnK nna-quot;!^ apo naran-1?^ ovi-nN1 vu rrian pnK -h 1W: n^nm1? nnw nnji n^n-nK»
^ loquot; - I s -:i- ; ;it: t tv t ; ⢠v.t j- ⢠: at^ it v
rnnN »33 lin^i : Bgt;Nrr^ naTarrStfquot;
I -:i- : :nT: iquot; T ^ i'*1' J :*IT; - Aquot; ; ⢠-
quot;nsn-ntti ^quot;irrnN o^nnan m D'in'an
⢠it quot; vat- v : ^ t v * t: - # - -
fnT v^nai lanpi : narariquot;^
nin»rnn ntfk rh'v nnarsn 'Van-nx rn'sn â¢vtbpm o^sa
- v. * quot; T â¢â¢ : ⢠- - ^ v llt;quot; - ⢠I: ⢠: 'at '
D^n-fp IN D^sn-fö 1:3^ ^ïn-ip-DNquot;! D : npb' raran quot;ni» Sjr inN â¡ntri : laanp» o^on quot;lat ^
-jquot;: ⢠- |vjv J- - t : iv 'i:quot; v' t jtt »t^ :
de ingewanden in engeren zin, de spijsverteringsorganen, bedekt, van elkander scheidt (tib = tie). Deze vetstukken werden op de halssnede aan den kop gelegd, om de bloedige wond te bedekken; v. a. onder de offer-deelen gelegd, om te beletten, dat bet altaarvuur door het bloed der offerdeelen werd gebluscht.
9. 'Qipi, zijne ingewanden, hier niet, zooals vaak bij menschen, alle inwendige organen, ook long, lever en hart, â maar alleen de spijsverteringsorganen. Het woord beduidt: den inhoud van het lichaam. â rnsi, de onderpoot, van de knie tot den voet, wat het dier bij het liggen buigt. Hier is wederom het enkelvoud gebezigd; zooals uit het in het tweede versdeel herhaalde pan blijkt, behoeft die wassching wederom niet juist door een priester te geschieden. Deze wassching zou natuurlijk geschieden in den tijd, dat de priesters de overige offerstukken op het altaar regelden. â San ns» .. TDpm, alles, de reeds op het altaar aanwezige stukken en de pas gewasschen ingewanden en pooten, moet hij in rook doen opgaan, nnsron, eig. naar het altaar, dus: aan het altaar overgeven om daar in offerdamp op te gaan. â new, evenals van vw, met 'n als letter tot
naam woordvorming, eene vuurgave, wat aan het vuur wordt overgegeven; uitsluitend van offers, die ter eere Gods verbrand worden, ook bij wierook; nooit van wat op het vuur ten nutte van den mensch bereid wordt. â mmj mi, geur ter rustverschaffing (mm van rru, wat tot rust brengt). Zie onze aant. Gen. 8,21. Zoowel tot rustbrengen van toorn, als bevrediging van een wensch of verlangen kan door deze woorden worden uitgedrukt. Hier wordt het als het laatste opgevat: Gods verlangen, dat de mensch zich van zijne roeping en van zijne nalatigheid in het vervullen daarvan bewust zal zijn, wordt bevredigd, daar de mensch, een brandoffer brengende, het bewustzijn zijner tekortkomingen uitspreekt.
10 v.v. De rD'»D en het opvangen van het bloed zijn bij het bran4offer van kleinvee niet herhaald, terwijl de bepaling van de plaats voor het slachten: aan de achterzijde van het altaar, ten noorden, hoewel eerst bij kleinvee gegeven, evengoed voor rundvee geldt.
11. quot;p% v. s. evenals Ex. 26,22 de achterzijde-, de opgang naar het altaar,
de schuine helling, die als trap dienst deed, om de vuurplaats van het
LEVITICUS I.
ten noorden, vóór den Eeuwige; en de zonen van Aharon, de
12 priesters, zullen zijn bloed sprengen op het altaar rondom. En men zal het in zijne stukken deelen, en zijn kop en zijn vet; en de priester zal ze op het hout schikken, dat boven het vuur is,
13 dat op het altaar ligt. En de ingewanden en de kniestukken zal men met water afwasschen; en de priester zal alles nader-brengen en op het altaar in rook doen opgaan; een brandoffer is het, een vuuroffer, tot lieflijken geur ter eere des Eeuwigen.
14 En wanneer van het gevogelte een brandoffer zijn offer ter eere des Eeuwigen is, dan zal hij van de tortelduiven of van
15 de jonge duiven zijn offer brengen. De priester zal het naar het altaar brengen, het den kop afknijpen en dien op het altaar in rook doen opgaan, nadat zijn bloed aan den wand
16 van het altaar zal zijn uitgedrukt. Vervolgens zal hij den krop met zijne vederen verwijderen, en dien naast het altaar werpen,
17 ten oosten, op de aschplaats. Hij zal het bij de vleugels inscheuren, doch niet in tweeën deelen; en de priester zal het
altaar te bereiken, bevond zich aan de zuidzijde van het voorhof, zoodat de achterzijde van het altaar in het noordelijk deel van het voorhof is; v. a. aan de zijde van het altaar naar het noorden, ten noorden van het altaar, terwijl Ex. 40,22 e. a. p. deze uitdrukking beteekent; in het noordelijk ded van het heiligdom. In ieder geval wordt hier bedoeld: de noordelijke helft van het voorhof, en behoorde het slachten niet hovenop, maar naast het altaar te geschieden.
12. mi vnruS inx rum men zal het in stukken snijden en die
stukken nemen en zijn kop en zijn vet en die allen ordenen; anderen; hij snijde het in stukken en snijde af den kop en het vet. â De mannelijke vormen hebben allen betrekking op het woord pip, de vrouwelijke (vs. 6) op het woord nSu'.
14. nSj? fppn JO DX1gt; indien de bewoordingen, waarin hij het offer heeft toegezegd, luiden: van hei gevogelte een hrandoffer, parallel met nonan p vs. 2. â D'-m, volwassen tortelduiven; rw 'w, jonge, nog niet geheel volwassen duiven; ouden bij dezen, jongen bij genen zijn als offer niet geschikt. Dit zijn de eenige vogelsoorten, die als offer gebruikt kunnen worden. Noch geslacht, noch volmaaktheid van lichaamsbouw staan bij vogels vermeld, zoodat, met uitzondering van het ontbreken van lichaamsdeelen, bij gevogelte geen voorschriften daaromtrent gelden.
15. 13npnigt; ^e priester zal het offer doen naderen tot het altaar, d. w. z. den opgang des altaars ermede bestijgen, en daar wsn ns pwt, den kop afknijpen-, 5,8, waar de kop niet van het lichaam moet gescheiden worden, staat dit er uitdrukkelijk bij. De handeling geschiedde, doordien de priester met den nagel van achteren, van den nek af, vlak onder den nek, al heen en weer gaande, eerst het nekbeen doorsneed en vervolgens den luchtpijp en slokdarm en eindelijk ook de huid, zoodat de kop geheel van den romp werd gescheiden. â Daar een niet-priester niet tot het altaar mocht naderen, en het afknijpen op het altaar plaats had, moest hier het afknijpen door een priester geschieden, terwijl het slachten van een dieroffer ook door anderen mocht geschieden. â -pcpm, en zal den kop alleen reeds dadelijk in rook doen opgaan, im nxsji, nadat hel Moed van het
5
« *npn n
-hp IOTHK D^rün r'inx hs irnri nin» â¦JÃ1? njbï
~ â¢) t v s' -: i - i -: i- : i :it: lt;st : jquot; : ⢠t v t
nna-n«i vnn^ mx nrw ; yzo naran ^
-S^ quot;i^« D'V^nquot;^ dhk jrün
jrian nnpni eras Q^iani nn^ni : naron ^ rin'3 nn n^K xin nVj; nnarsn i^pni ^an-nw
- ^ .)quot; * -,t t â¢â¢ : ⢠- â *⢠i: * :
a * : nin^ -s
it iquot; r
â fp IK onnn-fö nnpni nin^ i:a^ nbjr DKI. t pboi nsTan-bK jnsn lanpni : innp/nN nii'n ^3» : naron yp by ion nïo:i nnarsn n^pm i^nthn
quot; â¢** i. * quot; ^ Ij' \.~ t jt â : TAquot;; ⢠- lt;/i; ⢠:
naip naian bïN nm nnxia inKia-riK Tom «
t ;»â¢. - â¢â¢ ; ⢠- V «â¢â¢ ^t ) ⢠: ⢠; at^t i ; v. t : â¢.. v y â¢â¢ :
TtpprnPnr NP ^va^pn inx : j^pn Dipja-^K11
geheele offer, bij en na liet afknijpen, is uitgedrukt-, het verbranden van den kop heeft plaats na het uitdrukken van het bloed van het geheele offerdier. â rp Sr, zoodat het bloed afdruipt langs den wand van het altaar. Het bloed behoefde â en kon wegens de geringe hoeveelheid â niet in een bekken opgevangen te worden, maar kon direct worden uitgedrukt en sijpelde dan langs het altaar naar beneden.
is. injnq nx Tom, zijn, des vogels, krop, de plaats, waar zich mest verzamelt (W'l (Nachoera 3,6) = het rabbijnsche 'n, mest). Anderen; van sin, waarvan gemest kleinvee, en het Thalmoediscbe nsnnn, mesten,
dus; de plaats, waar het voedsel wordt ingestopt; de eerste opvatting ziet in n.si» al de spijsverteringsorganen, ook maag en darm; de laatste alleen den krop, met welken de ingewanden bij het uittrekken vanzelve mede-komen. â nnïja, met de daarbij belworende vederen. Het vrouwelijk aanhangsel nnïJa, kan natuurlijk niet op den vogel slaan, maar ziet op het vrouwelijke pism; weggenomen worden niet alle vederen, maar alleen de vederen, die den krop bedekken en dus weggenomen moeten worden bij het uitnemen van den krop. Met het uitnemen van den krop, kwamen de ingewanden vanzelve mede en werden eveneens weggeworpen. Onkelos en anderen verklaren nma; met de daarin aanwezige verteerde spijze. (Zie daartegen Nagum.) â 7gt;Sirm en zal wegwerpen, rtns, vrouw., het ziet op het vrouwelijke nsi». â rnron Sxs, naar een plaats naast, in de nabijheid van het altaar en wel aan de oostzijde daarvan, ;cnn Dip» Sn, op de plaats, waar de dagelijks van het brandofferaltaar als heffing genomen asch (Lev. 6,3) en de asch, die van het reukwerkaltaar en den luchter kwam, als deze gereinigd werden, werd geworpen. De plaats is zoo nauwkeurig mogelijk aangeduid, omdat oostwaarts van het altaar nog een plaats was, waar onbruikbaar geworden offerdeelen verbrand werden.
17. hij neemt het lichaam bij de heide vleugels en scheurt ze in;
D'S» zijn de vleugels, niet: de vederen. â sS, hij zal de vleugels er niet
LEVITICUS I, II.
in rook doen opgaan op het altaar, op het hout, dat boven het vuur ligt; een brandoffer is het, een vuuroffer, tot een lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen.
1 En een persoon, die een meeloffer ter eere des Eeuwigen brengt, meelbloem zal zijn offer zijn; dan zal hij er olie op gieten en er
2 wierook op leggen. Hij zal het tot de zonen van Aharon, de priesters, brengen; en een van dezen zal van daar nemen zijne hand vol van het meel en de olie ervan, benevens al den erbij behoorenden wierook; de priester zal het gedenkoffer ervan in rook
6
3 K Kipquot;) 1
xin nVy nnirsn rrian mx
^ â¢â¢T A** T JV -: it quot; T *⢠; ⢠quot; I â¢â¢ lt; ^
nnjo raip anpn-'s d : nin^ nn»i nn naw« J
t : ⢠1 lt;- ;P t â¢): - r ^v'V it r - v. ⢠- r* )â¢â¢ â¢
: mi1? rnji job' pri i:3quot;ip r\w nVo nin»*?
it : t ^v't U- t ; I v^v t '.' t I lt;-t; a t :It -»â¢.â¢:⢠v ^ t i-
IÃOiP xbo aé'p b^rian quot;pnx yrVN nKnnv â nK rrtan i'èpni nnw1?-^ ruotfoi hnSoD
vlquot;- ⢠I: ⢠: at T i : T T ; ~ T : T â¢
offers, waar uitdrukkelijk eene uitzondering gemaakt is). Vs. 7 nu spreekt van meel in olie, zoodat het meel moet gestort worden in een gewijd voorwerp, waarin reeds olie aanwezig is ('Sm juü jn»); vs. 5 spreekt voorts van meel, aangemengd met olie, riihï, en ons vers van over meel uitgegoten olie, nfw. De behandeling is nu, naar de traditie, deze: men doet olie in een voorwerp ('Saa jȟ jna), stort het meel daarin, giet een weinig olie daarover en roert alles dooreen (nSSa), om, nadat de menging behoorlijk heeft plaats gehad, over het geheel de overgebleven olie uit te storten (np'ï*). â ruab rxhs jn:i, m zal er wierook opleggen; die wierook wordt op het met olie gemengde meel gelegd, niet erover heen gestrooid, noch erdoor geroerd, daar hij later moet weggenomen worden en met de vs. 2 te beschrijven handvol op het brandofferaltaar verbrand. De hoeveelheid der verschillende bestanddeelen wordt niet duidelijk aangegeven; de traditie bepaalt als minimum; een tiende Epha meel met een Log olie, terwijl aan het offer eene handvol wierook behoort te worden toegevoegd.
2. Het vs. 8 bepaalde naton Sn ncjm, geldt, naar de traditie, voor alle vrijwillige meelofïers, dus ook bij rhh nnj», een uit ongebakken meel bestaand meeloffer. Onderwerp van v»pi is óf het na -rcpm staande jnan, óf het uit D'ron pnx ':a aan te vullen enkelvoud dezer uitdrukking. â oon, vandaar, bijwoord van plaats voor het persoonl.voornaamwoord: wan; de traditie, het als bijwoord van plaats opvattend, leidt hieruit af, dat de hier beschreven handeling mag geschieden op de plaats zelve, waar degeen, die het offer brengt, staat; m. a. w. dat zij in het geheele voorhof mag plaats hebben. â ppi. Lev. 9,17 omschreven als isa sS», de handholte vullen, geschiedt naar de traditie, door met de geopende hand zooveel van het mengsel van olie en meel te nemen, dat de ruimte, omsloten door de hand met de drie erover gebogen middelste vingers geheel gevuld is. ynp is dan de gesloten hand, doch natuurlijk geen vuist, maar de hand zoodanig gesloten, als noodig is om iets in te houden, dus zonder duim en pink te gebruiken. ix»p thn, die ruimte geheel gevuld; runiïsi nnSo», hij vult zijne hand alleen met het mengsel van meèl en olie, terwijl hij ervoor zorgen moet, daarbij niets van den wierook erbij te krijgen. â nroaS Va Sï, vervolgens neemt hij, na de handvol meel in een gewijd voorwerp te hebben gelegd, a l den wierook, zonder iets ervan te laten liggen, erbij en verbrandt alles te zamen op het brandofferaltaar. â nrnais nx, het tot gedachtenis, om den gever in herinnering te brengen, bestemde deel. Luzzatto meent, dat â ot oorspronkelijk beteekent; ruiken, eene lichaamsfunctie, en vandaar eerst de beteekenis: gedenken, eene zielsfunctie, heeft gekregen; ook geur blijft, nadat de bron ervan reeds is verwijderd; zoo is herinnering ook het in zich terugroepen van wat reeds verleden is. Reeds Ibn 'Ezra haalt die opvatting aan, die dus nmaTS vertaalt: het tot geur bestemde, het geur verspreidende deel van het meeloffer.
LEVITICUS II.
doen opgaan op het altaar, een vuuroffer, tot een lieflijken
3 geur, ter eere des Eeuwigen. En wat van het spijsoffer overblijft is voor Aharon en zijne zonen, als allerheiligst, van de
4 vuuroffers des Eeuwigen. â En wanneer gij als meeloffer brengt iets, dat in den oven gebakken wordt, van meelbloem, ongezuurde koeken met olie aangemengd, of ongezuurde vladen,
5 met olie bestreken. â En indien een spijsoffer op de platte pan uw offer is, â van met olie aangemengden meelbloem,
G ongezuurd zal het zijn. Men breke het in stukken; daarna zult
7 gij er olie op gieten; een meeloffer is het. â En indien een meeloffer in een diepe pan uw offer is, van meelbloem in olie
8 zal het dan bereid worden. En gij zult het meeloffer, dat op eene dezer wijzen bereid is, tot den Eeuwige brengen; men zal het bij den priester brengen, en deze zal het tot het altaar
9 doen naderen. En de priester zal van het meeloffer het ge-denkoffer ervan afnemen, en op het altaar in rook doen opgaan ; een vuuroffer tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen.
10 En wat van het meeloffer overblijft, is voor Aharon en zijne zonen als allerheiligst, van de vuuroffers des Eeuwigen.
11 Eenig meeloffer, dat gij ter eere des Eeuwigen zult brengen, zal niet gezuurd bereid worden; want al wat zuurdeeg
3. DTip Tip heet het meeloffer in zooverre, dat het slechts door priesters op een gewijde plaats mag gegeten worden (Lev. 6,9).
, 4- nun naxo. in een oven gebakken. De ovens, van aardewerk vervaardigd, hadden meestal den vorm van naar boven nauwer wordende pijpen; zij werden verwarmd en daarna kleefde men het brood tegen de wanden van den oven, waardoor het spoedig bakte. Die in den oven gebakken broeden als meeloffer bestonden uit twee soorten; 1°. niVn, van SSn, doorboren, doorboorde broodkoeken (evenals nog heden ten dage de ongezuurde brooden, om opblazen in den oven te verhinderen, door ,/Stoppelenquot; doorboord worden); m», ongezuurd, evenals alle meeloffers, met uitzondering dei-twee op het \Vekenfeest te brengen eerstelingshrooden en van een deel van het brood bij het dankoffer, waarbij het gezuurd-zijn uitdrukkelijk wordt voorgeschreven (Lev. 7,13); pea nSiS:, met olie aangemengd, vóór het bakken; dus: vóór het bakken met olie aangemengde, ongezuurde, dikke, doorboorde broodkoeken; óf 2°. nw» â¢'pijn, van ppi, dun zijn, dunne broodkoeken, vladen, eveneens ongezuurd ; }»»2 dtib», na het bakken met olie bestreken, terwijl zij enkel met water, zonder toevoeging van olie, gemengd en gekneed waren. De bij andere meeloffers geldende bereiding met olie, â het driemaal herhaald toevoegen van olie (vs. 1) â wordt dus hier uitdrukkelijk uitgesloten, daar bij rvftn uitsluitend nS'Sa, aanmengen en doorroeren, bij oipipi alleen niron, bestrijken na het bakken, wat bij de andere meeloffers niet voorkomt, wordt verordend. Het meelojfer van oven-baksel moest uit één dezer beide soorten bestaan; de tiende Epha meel werd over tien brooden verdeeld. â Wat met het gebakken brood gedaan moet worden, om het als offer te behandelen, wordt vs. 8 v.v. uiteengezet.
amp;⢠nana. een platte pan, van metaal, zonder rand; het beslag was dik, zoodat het, op de pan (^y) uitgegoten, er niet afstroomde. Ibn'Ezra: een dichtgedekte pan, van ren, verbergen. â Nadat olie in een voorwerp was
7
3 T
-p niniani : nin»1? nn^ nn nt^s4 nnijran nmarttj
i ⢠v V - ; it i- - V. * quot; Jquot; â¢)quot; quot; t - t tit : -
'Dl d : nirr D^np i^-ip rnnxb nnjan ^
j' : ^ it : jquot; ' iquot; e tit v| J att ; i ^-:i- ; t ; ⢠-
hïü mbn nVo nian hsnd nnjö ranp aipn
. -* : quot; lt; quot; v j a - jquot; -: iquot; vt : ⢠}j- :It .)-|: -
-Sj? nmp-Dio d : fOE'a D^ntrp niïo jo^a n nins : n^nn nyo rhb ?ii3ip nnnan ^
lt; t iv : r JT ' ) VV.v - JT : v .gt; |avt :l t v* quot;= â¢--
-DN1 d * : Nin nn:D roir row D»nö nntt' -r
⢠: r v,t ; ⢠i v at t v.v't jtI : -it: ⢠⢠t ü
n^nni : n'^n jöif? nSo ^|quot;ipT n^nna nn;pquot; -ba nanpm nin^S rhxn riamp;y ivt* nn^an-nK
V ^ t 1; ⢠; at i- VIquot; â¢â¢ â )â¢.⢠*Ttquot; sv -: t; ⢠-
-m nnisn-fp jnan o^ni : naTan-^K n^^am jrian lt;= rnniam : nin^ nn^ nn n^K nnaran Ttapm nhi3TK'
vv - : it i- - - jquot; oquot; * taquot;; ⢠- v* i: * : t t-'t; -
-Sa : nirr ^«a o^uhp Bh'p ?hn«V nman-ra ^
^ t it ; jquot; iquot; v.* tIt vjj att ; I ^-;i- ; t : ⢠- I â¢
iNf-VD pan nê^n k1? nin^S innpn 1^« nman
gedaan, werd het meel erbij gestort, nogmaals olie opgegoten en met het meel vermengd en doorgeroerd; daarna werd het, in tien koeken per tiende Epha verdeeld, gebakken. Vervolgens: vs. 6 in stukken gebroken en ten derden male, nu door overgieten, er olie bijgevoegd. Het voorschrift omtrent het stukbreken gold voor alle gebakken offers. Er moest immers eene handvol van afgenomen worden, wat niet anders mogelijk was, dan na de brooden in niet te groote stukken te hebben gebroken.
7. ri^niD. een diepe pan, met een opstaanden rand, zoodat ook een dun, vloeibaar beslag erin gebakken kon worden. â jöm nSo, van meel in olie moet het bereid worden, in olie wordt het meel gestort; v. a. in olie gebakken, welke olie, doordien de pan diep was, niet eraf stroomde. Het baksel bleef daardoor slap, het waren niet hard gebakken koeken, gelijk die bij nanisn Sr nnj», maar een glibberige, bewegelijke massa, cnn, krui/)end; Ibn 'Ezra; opkooken, pruttelen, wat bij het bereiden geluid maakt; = in olie gebakken.
8- nxsm. 9Ã, die het offer gewijd hebt, zult het meeloffer brengen tot den Eeuwige, d. i. naar het voorhof; njnpm, en iemand, zoo mogelijk de offeraar zelve, brengt het tot den priester en geeft het dezen over, noram, en hij, de priester, doet het naderen tot het altaar, d. w. z. brengt het in de nabijheid van het altaar en doet het aanraken aan den zuicf-westelij ken hoek van het altaar. Lev. 6,7 wordt deze nojn beschreven in deze woorden: de zonen van Aharon moeten vóór den Eeuwige het doen naderen aan de vóór zij de van het altaar. Die voorzijde is het zuiden, waar de opgang zich bevindt; vóór den Eeuwige, d. i. naar het heiligdom toegekeen I, is: de westzyde; de combinatie der beide plaatsbepalingen geeft dus den zuidwestelijken hoek. â rtasB wr wn nrasn, het meeloffer, dat van een van deze gebak soorten is bereid.
II' 'nS 'D'npil quot;IBW nraan Ss. ««« meeloffer, waarvan iets ter eere des
LEVITICUS II, III.
of honig is, daarvan zult gij niets in rook doen opgaan als een
12 vuuroffer ter eere des Eeuwigen. Als eerstelingen-offer kunt gij daarvan ter eere des Eeuwigen doen naderen; maar op het altaar
13 mogen zij niet gebracht worden tot lieflijken geur. En al wat gebracht wordt van uw meeloffer moet gij met zout zouten; en gij zult het zout van het verbond van uwen God bij uwe meeloffers niet laten ontbreken; bij al uwe offers zult gij zout
14 brengen. â Eu wanneer gij een meeloffer van de eerstelingen ter eere des Eeuwigen brengt, dan zult gij van rijpe aren, bij het vuur geschroeid, gestooten versche korrels, het meeloffer
15 uwer eerstelingen brengen. Gij zult er olie op doen en gij zult
16 er wierook op leggen; een meeloffer is het. En de priester zal het gedenkoffer ervan, van de gestooten korrels en van de olie ervan, benevens al den erbij behoorenden wierook, in rook doen opgaan; een vuuroffer ter eere des Eeuwigen.
1 Doch wanneer een vredeoffer zijn offer is, indien hij van het rundvee brengt, zal hij het van het mannelijk
des Eeuwigen op het altaar gehracht wordt, mag niet gezuurd worden; het als offer laten behandelen van iets gezuurds (behalve de bovengenoemde gevallen; eerstelings- en dankoffer-brooden) is verboden, waaraan het tweede versdeel een nieuw verbod toevoegt: om van zuurdeeg of honig, beide middelen om rijzing te bevorderen, iets op het altaar als offer in rook te doen opgaan. â rn, honig, meestal; vruchtenhonig, vooral van dadels of druiven.
12. p^p' eerstelingenoffer: de twee op het Wekenfeest te brengen
tarwebrooden, die naar Lev. 23,16,17; gezuurd gebakken moesten worden; en de eerstelingen der vruchten, die naar Deut. 26,1 v.v. uit alle vruchtsoorten bestaan, die den roem van Palaestina vormen (Deut. 8,8), dus ook; druiven, dadels en vijgen, zoete boomvruchten, die hier onder m begrepen zijn. Van geen van beiden kwam iets op het altaar, maar beiden werden door de priesters gegeten. â Dr.s â n'npn, kunt gij ze, nl. zuurdeeg en honig, brengen naar het voorhof, om de voorgeschreven handelingen te verrichten, 'rh, ter eere des Eeuwigen.
13. inrUD pip, wat gébracht wordt op het altaar van uw meeloffer, de handvol namelijk en den wierook; â nWi rte, moet gij van alle kanten met zout bestrooien; zout is het contraire tegendeel van zuurdeeg; het laatste bevordert een rottingsproces, het eerste houdt dit tegen. Daarom heet zout: -pSs nna 'nSe, zout, dat het zinnebeeld is van het verbond van uwen God. Ook het verbond Gods met de Levieten wordt genoemd; nSn rrgt;-c, een verbond, zoo eeuwigdurend en niet aan verslapping en bederf onderhevig ah zout. â 1,3 ^r, bij alles, wat als offer op het brandofferaltaar verbrand wordt, moet zout gebracht worden; dus ook bij de ledematen en vetstukken van dier- en vogeloffers.
14. anpn DN!- Naar de rabbijnsche opvatting is hier niet van een vrijwillig offer sprake, â dezen toch zijn in hunne verschillende behandeling in de verzen 1â7 besproken en vs. 8 v.v. vatten ze allen in algemeene bepalingen samen; â hier wordt gedacht aan het eerstelingsoffer, dat onder den naam Outer bekend is en dat Lev. 23,10 het eerste
8
2
3 a fnpn n
n^«quot;i pip : nin^ hïtn laao rmpm*1? ^
â¢gt;⢠â¢â¢ \j- :\t it i- v.v ⢠â¢)*â¢* ⢠s- I: - i - : t :
-bi): nn'i nn1? ^jrj6 natsn-^i nin^ nm lanpn *
t: - i ⢠- jquot;: v ~Jquot; - *. - v; at i- ^t r\: -
n^Dn'ltrn^i nbon n^Da^nnjp pip nnpn-DNi d : n^D anpri ^|-ip-b3 ^ ?|nnjp ^ nnpnbapa vxi â¦iSp ynx rrin^ oniaa nn;p mn1? n^jr piotri ?D^ nnji : nmaa nm»
at^ ; t vv^r 7t : - : i v v t v't «t -it: I iv j- : ⢠v
nio^oi n^iaö nnnawnN ?rün n^èpni : Kin nmo «
t ; - ⢠t :⢠⢠t tit: - v I â¢â¢ - ⢠I: ⢠: r vt : â¢
a * : nirrj? nt^K nnib1?-1?!
SarDK anpo Kin Span-ro dk imp d»ö^ naroNi«
t t ⢠*1: - -⢠itt - i ⢠lt;⢠at :l t v t ; -jv ⢠:
van uwen oogst genoemd wordt. Immers, het brengen van het daar bedoelde offer maakt het gebruik van de hier genoemde geschroeide en versche korrels voor een ieder geoorloofd. Volgens de traditie bestond het uit gerst en werd op den tweeden dag van het Paaschfeest gebracht (vgl. Lev. t. a. p.) Het moest dan, naar het hier gegeven voorschrift, bestaan uit ïos, rijpe aren, nog in den halm; â¢oSp, die, om ze te droogen, door vuur geroosterd, geschroeid waren, wat in het voorhof geschiedde; SmD dij, dan in grove stukken gestooten-, Sn-o, pas rijpe, nog niet ingedroogde, den halm geheel vullende korrels. *mi3, eig. vruchtdragend veld, tuin, v. d. tuinvrucht, of wel; vroegrijpende, eerste korenvrucht, d. i. jonge gerst. Het zoo verkregen gerstemeel werd nu dertien maal gezift, totdat er slechts een tiende Epha van de gemaaide gerst overbleef.
16. nCTJO) van het, na het ziften overgebleven, tiende Epha.
Hoofdstuk III. 1. Vredeoffers. Ons hoofdstuk behelst de voorschriften aangaande de behandeling van het offerdier, onverschillig of het offer een gewoon, als gelofte of vrijwillige gave gebracht vredeoffer, dan wel een dankoffer is. Dij welk laatste het brengen van brood is voorgeschreven, waarvan echter niets op het altaar komt. Eerst Lev. 7,11 vv., waar de bepalingen omtrent het eten der vredeoffers gegeven worden, komt de onderscheiding in dank- en gewone vredeoffers voor, die juist op den tijd, voor het eten aangewezen, invloed heeft. Het offerdier wordt overigens bij aUe vredeoffers, al naar mate van de diersoort, waartoe het behoort, op gelijke wijze behandeld. â QiliSw nat. rpf van rDJ. slachten, een te slachten dier-,
v. a. een maallijd van vleesch van geslachte dieren. Het enkele woord Hat wordt vaak als naam voor vredeoffers gebruikt, in tegenstelling met
nVir, dat geheel verbrand werd, terwijl de vredeoffers, na afzondering van de voor altaar en priester bestemde deelen, geheel door den offerende en zijne genoodigden verteerd werd. â DiaSu, van een, behalve 'Amos 5,22 niet gebezigd enkelvoud v. s. dank- of vreugdeoffers, wat niet in het
woord ligt; anderen: vredeoSere, die gebracht worden, als men zich in vrede en welstand gevoelt, niet juist om een bepaalde feestelijke aanleiding, maar vooral als vrijwillige gave of ter eere Gods; of wel; waardoor vrede
LEVITICUS III.
of vrouwelijk geslacht, doch zonder gebrek, brengen vóór den
2 Eeuwige. Hij zal zijne hand op den kop van zijn offer steunen, en het slachten aan den ingang van de tent der samenkomst; en de zonen van Aharon, de priesters, zullen het bloed sprengen
3 tegen het altaar rondom. En hij zal brengen van het vredeoffer als vuuroffer ter eere des Eeuwigen: het vet, dat de ingewanden
4 bedekt, en al het vet, dat aan de ingewanden is. En de beide nieren, en het vet, dat er op is, dat aan de lendenen is, en het net over den lever; met de nieren zal hij het verwijderen.
5 En de zonen van Aharon zullen het in rook doen opgaan op het altaar, na, het brandoffer, dat op het hout is, dat op het vuur ligt; een vuuroffer, tot lieflijken geur ter eere des Eeuwigen.
6 En wanneer van het kleinvee zijn offer tot vredeoffer ter eere des Eeuwigen is, â van het mannelijk of vrouwelijk geslacht,
7 doch zonder gebrek, zal hij het brengen. Indien hij een schaap als zijn offer brengt, zal hij het vóór den Eeuwige brengen.
8 Hij zal zijne hand op den kop van zijn offer steunen, en zal het vóór de tent der samenkomst slachten; en de zonen van Aharon zullen zijn bloed sprengen tegen het altaar rondom.
9 En hij zal brengen van het vredeoffer als vuuroffer ter eere des Eeuwigen het beste ervan ; het staartstuk namelijk in zijn geheel,
ontstaat tusschen alle bij een offer in aanmerking komende partijen: altaar, priester en offerende. â Zij konden uit rund- of kleinvee bestaan, niet echter uit gevogelte, wat bij brandoffers wel het geval was â v. s. omdat duiven te klein zijn om als offermaal te dienen â en van het mannelijk of vrouwelijk geslacht zijn. â 'n quot;oaS, vóór den Eeuwige, in het voorhof.
2- quot;IjnQ Snx nna. aan den ingang van de tent der samenkomst, d. w. z. in het voorhof, zonder nadere plaatsaanwijzing; niet dus in het noordelijk deel, zooals bij brandoffers en andere allerheiligst, Dioip in-ip, genoemde offers. De vredeoffers zijn cpSp D'cnp, offers van minder heiligen graad. dan brand-, schuld- en zondoffers.
3- 3^ri DN noaon 3Snngt; ^et vetgt; dat als een net zich, van den maag uitgaande, over de darmen uitspreidt en ze omhult, dat dus de ingeicanden, d. vv. z. de spijsverteringsorganen, bedekt; aipn hp leu aSnn Sa nsi, en al het vet, dat aan de ingewanden, d. i. tusschen de darmen zit, dat gemakkelijk van de darmen kan worden afgeschild. â De naam ïSn omvat, naaide traditie, niet alle vet in het dierlijk organisme, maar alleen datgene, wat als afzonderlijke, met een dun vlies overtrokken massa op een orgaan ligt of eraan vast zit; niet dus vet, dat met het vleesch is samengegroeid, zich in het vleesch verspreid bevindt.
4. D^DSn hy quot;ICiCi ^et vet aan de nieren, dat zich uitspreidt tot aan de lendenen, de lendenpeezen, die in de nabijheid der nieren zitten. â nsi â nan Sr mrpn, v. s. het middenrif, I33n -ixn, het net over den lever; de grootste leverlap kan niet bedoeld zijn, daar i33n Sr dan niet te verklaren zou zijn. Op grond van Lev. 9,10 waar -ia3n JO mn' gebruikt wordt, neemt de Thalmoed aan, dat met het net ook 'een stukje van den lever werd weggenomen. â nrw nvSan Sr, met de nieren, tot waar het net zich uitstrekt, dus: geheel en al, zal hij het verwijderen, uit het lichaam van het offerdier.
9
5 *npi b
w : nin^ ^ lannp» D^on nnprox3
quot;* gt; T 9 T : â it : jquot; : â iv 1:- y r xlquot;.:
D^nannnx m ipnn ipio 7nk nna icaniri iiaip
s- -: 1 - l -: 1- â¢â¢ : I ^ :it: v -⢠- (.*â¢â¢ t : t 11 t
namp;tt Dribamp;n nnra nnpm : 2^0 naran-1?^ Din-nKj
v,v ⢠⢠t ; - ^ * : i t ^ -jt -
nbnrrbs nw niprrnti nDDan n^nrrnN nin^
V.v -: v â¢â¢ - t , quot; v,v quot; .*⢠: ^ v quot; quot; v at â¢quot;
jn^ npx n^nn-nsi ri^an nw : nitfn-by 1 : ni^arrVy iisn-by hnn^n-ns) a^Dsn-bv
t iv ⢠: \,t : quot; t - quot; ^ v v - v ; *- r : - *â¢
'V. ivt* n^n-b^ nniran pnsj-^n intf n^pni ^ 3 : nin^ nn^ nn nu'N D'ïrn
^ it i- quot; v ⢠- Jquot; â )quot; ' aquot; t â¢quot;.⢠-; it
D'on nnp: in idt nin^ narb» i:3ip rN^n-jo-DNi1
r t tI**; -⢠tt at r k* t : : â¢) t :l t i ï - i ⢠⢠:
ma yipm i^ip-nx nnpo-Nin 2^3-0« : mnpquot;
j'l: ⢠:m at : I t v ^1; - i v jv ⢠iv â¢!;-
inK â¡nB'i ii|ip iT-nx TjODi, : nin* ys1?n
: n^o narsn-^ lornx rhnx â¦ia pnti npio bnx ^a1?
r t -v.quot;: ⢠- â¢) t v 1 s-;r â¢â¢ I ;it: ^a- v -⢠5 *
nb^on n^Nn labn nin^ n^K d^o^bti na-ra nnpni q
t ⢠: -«t: -it : v t i~ -,v * t : quot; -jv ⢠*1: ⢠;
5- nSyn S^. 0^5 of na het hrandojjer. In elk geval toch ging het dagelijksch brandoffer aan een, immers niet verplicht en dus niet steeds voorkomend, vredeoffer vooraf; bovendien ging het verbranden van de deelen van vrijwillige brandoffers vóór dat van de vetstnkken der vredeoffers, reeds wegens den hoogeren wijdingsgraad der brandoffers; vgl. Lev. 6,5 en 9,14, waar .ti1?!' en iron bï op dezelfde wijze gebruikt worden. Aan het verbranden der vetstukken ging de 7,30 vv. voorgeschreven beweging met de vetstukken en borst- en scnenkelstuk vooraf.
9. Bij schapen moet, behalve de bij runderen en geiten voorgeschreven vetstukken, ook het staartstuk, rr^sn, op het altaar worden verbrand. De staart van schapen wordt in oostersche landen (Noord-Africa, zuidelijk Arabië) dikwijls tot 15 Kilogr. zwaar, zoodat men kleine rolwagentjes er onder bindt, om het beest het loopen gemakkelijker te maken, (vgl. bijv. Shabbath 54amp;). Het staartstuk bestaat uit een stof, die het midden houdt tusschen vet en merg. nVi beteekent dan ook, naar Wesselï, hier niet: zijn vet (daar, zooals wij gezien hebben, daartoe geenerlei vleeschvet behoort; het staartstuk daarentegen behoort tot het pi», vet aan en in vleesch, dat voor het gebruik geoorloofd is), maai-; het beste ervan, van het offerdier namelijk, dat is; het staartstuk (vgl. ook Nachm.) rwnn, in zijn geheel, nader ontwikkeld in de volgende woorden; rrern r^ïS, dicht bij het uiteinde van den ruggegraat, waar de wervels in het staartbeen overgaan (Sa'adja); dus: waar de staart ophoudt en in het achterdeel van den romp overgaat, moet hij het afnemen â nïï leiden sommigen af van p:, boom, en vertalen dan: ruggegraat, die met de ribben uiterlijk eenige overeenkomst heeft met een boom en diens takken; anderen brengen het in verband met den stam raden, en zien er eene aanduiding in van de nieren, naar
LEVITICUS III. IV.
â dicht bij den ruggegraat zal hij het wegnemen, â en het vet, dat de ingewanden bedekt, en al het vet, dat aan de
10 ingewanden is. En de beide nieren en het vet, dat er op is, dat aan de lendenen is; en het net over den lever, met de
11 nieren zal hij het verwijderen. De priester zal het op het altaar in rook doen opgaan, als eene spijze, tot vuuroffer ter eere des Eeuwigen.
12 En wanneer een geit zijn offer is, dan zal hij het vóór den
13 Eeuwige brengen. En hij zal zijne hand op zijn kop steunen, en zal het slachten vóór de tent der samenkomst; en de zonen van Aharon zullen zijn bloed sprengen tegen het altaar rondom.
14 En hij zal er van brengen als zijn offer, tot vuuroffer ter eere des Eeuwigen, het vet, dat de ingewanden bedekt, en al het
15 vet, dat aan de ingewanden is. En de beide nieren en het vet, dat er op is, dat aan de lendenen is, en het net over den
16lever; met de nieren zal hij het verwijderen. De priester zal ze op het altaar in rook doen opgaan, als eene spijze tot vuuroffer, tot lieflijken geur; al het vet behoort den Eeuwige.
17 Eene eeuwige wet voor uwe nakomelingen in al uwe woonplaatsen : eenig vet en eenig bloed zult gij niet eten.quot;
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot de kinderen Israels, als volgt: Wanneer een persoon in dwaling zondigen mocht met betrekking tot een van alle voorschriften des Eeuwigen, [waarvan gezegd is] dat zij niet gedaan mogen worden;
Thalmoedische beschouwing het orgaan van heraad. Dan vertaalt men: tegenover de nieren.
12. Ons vers sluit bij vs. 6 aan: als zijn offer van het kleinvee is.... en het een geit is enz. De in vs. 6 gegeven bepaling, dat het zoowel van het mannelijk als van het vrouwelijk geslacht mag zijn, geldt dus ook hier. Herhaald is de offerdienst bij geiten, omdat daarbij, in tegenstelling met schapen, het staartstuk niet op het altaar komt.
16. 'üS dSü ^3; al wat als aSn is genoemd en tot verbranding op het altaar is bestemd, behoort den Eeuwige en mag bij offerdieren door geen mensch worden gebruikt tot welk doeleinde ook. Daaraan sluit dan vs. 17 aan met zijne algemeens wet, geldende voor alle tijden, dSiï npn, ook als er geen offerdieren zijn en voor alle plaatsen, ook buiten het heiligdom: geen vet, van welk dier ook â nSn in de boven aangegeven beteekenis (vs. 3) genomen â moogt gij eten (vgl. overigens Lev. 7,23 vv. waar liet verbod van vet uitvoerig wordt behandeld en 17,10 vv. waar over het verbod van het nuttigen van bloed wordt gesproken).
Hoofdstuk IV. Door het inleidende non Snquot; 'n i3Ti wordt ons hoofdstuk van de 1â3 gegeven wettengroep gescheiden. Terwijl 1â3, zooals wij reeds zagen, uitsluitend van vrijwillige offers sprake is, worden in 4 en 5 verplichte offers, min nuaip, behandeld. Het inleidend formulier (vs. 1), dat een nieuwe Godsspraak aanduidt, wordt eerst 5,14 herhaald, wat bewijst, dat eerst daar een nieuwe groep van offers begint. De 5,1â13 behandelde offers behooren dus, evenals die van hoofdstuk 4, tot de mson, zondoffers, terwijl eerst met 5,13 de bespreking der n»PS, schuldoffers, begint. Vs. 2
10
n a «yi â¦
â bs rw mpn-nx hdddh hSnn-nxira-i'D* nï^nna^b
t ^ quot; 'â¢) v'vquot; v . â quot;â¢* quot; : â¢quot; j' quot; ' quot; tav ⢠: ^ 'â¢quot; t i v ;
-ii^x n'jnn-nKin^an DNI : anpn-1?^ IEW 3^nn -
quot;jv -: v â¢â¢ - v : t : j*\: quot; : v',v' v.v v quot; â
n'^an-1?)? nnn»n-nNi im jn^
£3 : nin^ n^K on1? nnarsn rrian ii^pni : ^
^it i- vv * vjv taquot;; ⢠- Kquot; quot; j ' : t iv ⢠;
i^NT^iT-nKTiöDi : nin' innpm uanp t^-dni ^
t v |lt;-v p,tp :.â¢â¢:⢠, 1: ⢠: â gt; t ::it f- ⢠: j,
Iöthk pnK ^3 ip-in nvto ^nN â¦aab inx unw
o t v s-:.- i :.ts lt;â¢â V. ,â¢â¢ : ⢠- t :
abnn-nKnin^na'K uaip mn nnpm : n^D naran^
^ v â¢â¢ - v at i- * T :.'T quot; * ^ lt;â¢!; ⢠; # r t ; ⢠-
DKquot;) : quot;IK'K n^nriquot;1?! nxi ^jpn-nK nEoan10
-m] quot;IK'K jn^ to n^nn-nxi ri^an |ri3n : n3Tp» n^an-1?^ Tbn-1?# hnn'^rira npn : nirrS nn^ nn1? n^K Dn1? rraran71
l«-\ it iquot; vvquot; T quot; * -J..; v ⢠vlt;v taquot; i * ~
ab dt^DI nbn-^ ayniviïn Vba D^nhnb aïty
j v,t t ; v jquot; r av â¢â¢ 1 : 1 ^ : v â¢â¢ j ; r ^
a * :
^aN^?Ni?N'^â ty, lil : quot;iaN-? n^a-SK nip»
n:n?yn aquot;? nin» n'iva 'V3a nij^3 «ünn_»3 irs:
t av 't iquot; j ^v -: t ; j ; ⢠⢠t t ; ⢠lt;t *.â¢: iv
vormt het algemeene opschrift, als inleiding tot algemeene uiteenzetting van de feiten, ten gevolge waarvan een zondoffer gebracht moet worden. Bij ieder bijzonder geval worden dan de nadere omstandigheden afzonderlijk vermeld (vs. 3,13,22,27 en 5,1â4).
2- njU^D Nünn 'O» Volgens Wbssely moet sen hier in zijne oorspronkelijke beteekenis; missen, het beoogde doel niet-bereiken, worden opgevat. De 'Q in 'n mx» bso hangt dan onmiddellijk van het werkwoord af; Mj mist en wijkt af van een van al de geboden enz. Lczzatio neemt daarentegen Nisn in zijn overdrachtelijke beteekenis: zondigen, en vat de '0, ook in het slot van het vers, op in den zin van: tegen-, wie zondigt tegeneen van al de geboden en handelt tegen, in strijd met één van dezen-, vgl. plaatsen als 'n 'enpa nwa nNCm, en zondigt in dwaling teg ende heiligdommen enz. (Lev. 5,15; zie ook 5,16; II Sam. 22,22 en Ps. 18,22; zie ook Num. 32,22). Men kan evenwel ook den 'O in partitieven zin opvatten en vertalen: en zondigt ten opzichte van een van al de geboden enz. Dan moeten de woorden run» ms» nt'ïi opgevat worden als eene nadere beperking: hij doet namelijk een gedeelte van een van dezen; terwijl in de beiae andere opvattingen de slotwoorden van ons vers eenvoudig 'n msn hsn beperken en zeggen, dat men, om tot een zondoffer verplicht te zijn, niet alle geboden behoeft overtreden te hebben, maar dat de verplichting ook reeds intreedt, zoo men gezondigd heeft tegen één van dezen. â '3 rujen sonn, die in dwaling mocht zondigen-, alleen bij onopzettelijke, in.
LEVITICUS IV.
3 doch hij heeft iets van een daarvan gedaan; â Indien de gezalfde priester zondigt, tot schuldbelading voor het volk, dan zal hij wegens de zonde, die hij begaan heeft, brengen een var, jong van een rund, zonder gebrek, ter eere des Eeuwigen,
4 tot zondoffer. En hij zal den var brengen naar den ingang van de tent der samenkomst, vóór den Eeuwige; en zal zijne hand op den kop van den var steunen en den var slachten
5 vóór den Eeuwige. De gezalfde priester zal van het bloed van den var nemen, en het naar de tent der samenkomst brengen.
dwaling begane overtreding wordt een' zondoffer gebracht. Daar nu zorgeloosheid en onbedachtzaamheid zzeMunctiën zijn, wordt bij zondoffers altijd de uitdrukking üïo gebruikt (Naohm., vgl. Wessblï). â n;jc3, in dwaling staat tegenover n»i to, met moedwillig opgeheven hand (Num, 15,30). })V â rw wordt gebruikt van dwaling uit onwetendheid (vs. 13,22 e. a. p.), uit overijling, onbedachtzaamheid of zorgeloosheid (vgl. 5,1,4 en 15), ofbij eene onopzettelijke, niet voorbedachte handeling (vgl. Num. 35,11 met Ibid 22 v.v.); nooit echter van eene opzettelijke, willens en wetens begane overtreding tengevolge van overmeestering door hartstocht. â rwpn nS iün 'n ma Sdb, letterlijk: van al de geboden des Eeuwigen, die niet gedaan mogen worden, kan niets anders beteekenen dan; voorschriften Gods, die omtrent zekere handelingen zeggen, dat zij niet gedaan mogen worden. Naar analogie van het Num. 15,21 vv. behandelde geval van afgodendienst, stelt de traditie vast, dat de plicht, om een zondoffer te brengen, alleen intreedt bij in dwaling verrichte verboden handelingen, waarop bij opzettelijke overtreding de straf van uitroeiing staat. Uitgesloten zijn dus overtreding van de met uitroeiing bestrafte nalatigheid in het verrichten der besnijdenis en het brengen van het Paaschoffer, die niet verboden, maar positief als plicht voorgeschreven zijn; verder: Godslastering, cpw, waarbij geen handeling geschiedt, maar slechts woorden gesproken worden. Num. 15,29 stelt namelijk tegenover elkander; alle in dwaling handelenden, d. w. z. doende, wat verboden is, en de met opgeheven hand optredende, die dan met uitroeiing wordt gestraft (zie aldaar). Consequent wordt bij het zondoffer de uitdrukking nwrn nS ifN 'n nis» Sa gebruikt (vs. 2,13,27; evenzoo 5,17, waar eveneens gedacht wordt aan eene handeling, waarop, bij opzettelijke overtreding, de straf van m3 staat; zie onze aant. aldaar). Bij schuldoffers daarentegen wordt de uitdrukking Srn Srn gebruikt (5,15; ibid 21). â run» mso nȕi, en handelt tegen een van dezen (Luzzatto). De traditie en de meeste nieuweren: en doet iets van een van dezen, een gedeelte eener handeling, dat evenwel opzichzelve eenige beteekenis heeft (vgl. Sifra).
3. De zondoffers worden nu in vier soorten onderscheiden en wel; die van een hoogepriester, (vs. 3â12), die wegens de zonde der gemeente (13â21) van den koning (22â26) en van een gewoon particulier (27â35); deze v:er zijn constant, soort en bereidingswijze van het offerdier zijn voor iedere groep steeds dezelfde. Hoofdstuk 5,1â13 behandelt het door een particulier wegens eenige, met name genoemde, vergrijpen te brengen zondoffer, dat naar het vermogen des zondaars afwisselt, bij meerderen rijkdom stijgt, bij minderen voorspoed daalt, niiirhiv pip, terwijl de andere zondoffers vast, niet afwisselend zijn. nnap nson. â num-i jnsn, de door zalving tot zijn ambt gewijde hoogepriester; (Lev. 8,12). De hoogepriester, die vaak Si-un jron genoemd wordt, (Lev. 21,10, Num. 35,25 e. a. p.) wordt in ons hoofdstuk bij herhaling en ook 6,15 mosn jnsn genoemd, naar de traditie; om die zalving als noodzakelijken eisch te stellen voor het hier voorgeschreven offer. De priester.
11
1 K-IjVI K*
natyx1? Ki:n» n^an ?nquot;3n dk : ranü rmö n'^ij
v:iv - .)⢠t - Is- - ^ t i- â¢â¢ - iquot; t t :
nin^D^mprpiaKm inxan by anpni oyn
iquot; â¢)' t ijtt i v -i- tt v -; t quot; 'j' '1; ' t ^att
nin» ^a1? nna-^ nan-nx wam : nxtan1?^
at ; jquot; : ⢠v ^ - )â¢.⢠v t - v j: it - :
I nirr ^a1? lan-nK nan n^nK -iüdi
it ; jquot; ; ⢠v,t - v j- t ; t - j *â t ... )lt;- t :
: i^id ^hk-Vk inK «â¦ani nan dio n^an pan np^iquot;
Tquot; v j v ^ r â¢â¢ : at - j- ⢠- T - Ijquot; - I r t :
die zonder vooraf gezalfd te zijn, als hoogepriester fungeert â (wat bij de hoogepriesters in den tweeden tempel steeds het geval was) â brengt het hier bedoelde offer niet (zulk een niet-gezalfde hoogepriester heet; D'nja nanis, die meerdere kleederen draagt, dan een gewoon priester, â de acht hoogepriesterkleederen in plaats van de vier van den gewonen, â en zich alleen daardoor, niet ook door zalving, van den gewonen onderscheidt). â ndit, zondigt, in dwaling namelijk, wat uit het vorige vers moet worden aangevuld. â Dïn nncs1?, tot schuld voor hel volk, zoodat schuldige handeling des volks het gevolg van des hoogepriesters zonde is; d. i. v. s. in zijne ambtelijke positie, zoodat zijn fout net volk tot zonde strekt; in tegenstelling met een door hem als particulier gepleegd vergrijp, waar het volk natuurlijk geheel buiten staat. V. a.; zoodat het volk, dat immers het voorbeeld van zijn geestelijk hoofd volgt, wiens taak o. m. is: Uwe wetten te leeren aan Jakob, zich eveneens bezondigt-, de traditie ziet in ons vers, naar analogie van vs. 13, waar het zondoffer der gemeente is behandeld, dat geheel met het hier voorgeschrevene overeenkomt, eveneens het geval: dat de hoogepriester, hoewel competent tot het nemen eener beslissing, zich vergist heeft en door zijne beslissing zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van een gebod, als in het vorige vers bedoeld, waarop bij opzettelijke overtreding de straf van uitroeiing staat.â ïnpm, wijden, bestemmen tot offer. â xcn -ion inxcn hï, wegens zijne zonde, die hijzelf alleen begaan heeft, ook al heeft het volk zijn voorbeeld niet gevolgd. ââ ipa p ns, naar de traditie: een nog jong ipa p, maar toch reeds volwassen rund, ns, d. i.; een mannelijk rund in het derdejaar. â nutrh, tot zondoffer, v. s. een Pi'el-vorm, in den zin van ontzondigen, dus een offer, dat de zonde wegneemt, verzoent (Wessely e. a.) Volgens Luzzatto: een offer, waarvan het bloed op de hoeken des altaars icordt gestreken, zooals aiwa iJSEnn, Gij besprenkelt mij met hijzop (Ps. 51,9) en vooral (een door Luzzatto niet geciteerde, maar zeer sprekende plaats): dbt ns ixnmi, zij streken hun bloed op het altaar (II Kron. 29,24); tegen deze opvatting zou alleen het gebruik van riNBn bij het meeloffer (5,11) spreken; daar kan echter riNDn1? zeer goed vertaald worden: in plaats van een bloedspattingsoffer. Anderen mecnen, dat evenals ora staat voor het wegens schuld te brengen offer = dok pip of dï'N Sï, zoo pok nscn beteekent: offer wegens zonde, nsm pip of nsen Sï, zoodat nxon een, als abstract, vrouwelijk zelfst. naamw. is, gevormd alsJJJ,
^30 enz.
4. Hoewel hier geene plaats voor het slachten is aangewezen, blijkt uit vs. 29, dat alle zondoffers geslacht moeten worden op dezelfde plaats, die 1,11 voor het brandoffer is aangewezen, d. i. de noordelijke helft van het voorhof.
5. Het hiergenoemde, evenals het vs. 13â21 besproken zondoffer, onderscheidt zich eerst van andere offers in de behandeling van het bloed.
LEVITICUS IV.
6 En de priester zal zijn vinger in het bloed doopen, en van het bloed spatten zeven maal, vóór den Eeuwige, in de richting naar
7 het heilige voorhangsel. Vervolgens zal de priester van het bloed doen aan de horens van het altaar voor het reukwerk van specerijen, vóór den Eeuwige, dat in de tent der samenkomst is; en al het bloed van den var zal hij uitstorten aan den voet van het brandofferaltaar, dat aan den ingang van de tent der samen-
8 komst is. En al liet vet van den var tot zondoffer zal hij ervan afnemen; het vet, dat de ingewanden bedekt, en al het
9 vet, dat aan de ingewanden is ; En de beide nieren en het vet, dat er op is, dat aan de lendenen is; en het net over den lever,
10 met de nieren zal hij het wegnemen. Gelijk het van den os tot vredeoffer afgenomen wordt; â dit alles zal de priester in
11 rook doen opgaan op het brandofferaltaar. â Maar de huid van den var en al zijn vleesch, met zijn kop en met zijne knie-
12 stukken, en zijne ingewanden en zijn mest, â Den geheelen var dus, zal hij uitvoeren naar buiten het leger, naar eene reine plaats, naar de stortplaats van de asch, en hem op hout verbranden in vuur; op de plaats, waar de asch gestort wordt, zal het verbrand worden.
waarvan in het heilige gebracht wordt, om daar tegen het voorhangsel, tegenover de plaats, waar de draagboomen der arke zichtbaar waren, te worden gespat en aan de horens van het gouden altaar te worden gestreken.
6. Satai- volgens de traditie: vóór iedere spatting ol' streek, opnieuw in het bloed doopen. Sao, indoopen, opdat iets van de vloeistof aan dat, wat erin gedoopt wordt, blijve hangen. â waxN, de wijsvinger zijner rechterhand. â mm, sprenkelen, sprengen; door eene beweging met den vinger maken, dat van het bloed iets afgaat en zich aan iets anders hecht. â ns rois â¢os, in de richting naar, niet juist op het voorhangsel, dat het allerheiligste van het heilige scheidt. Het bloed behoefde het voorhangsel niet te raken. i:s ns, in de richting naar-, â os Sr, aan de voorzijde van-, â¢osS voor (Keil e. a.) tnpn mns heet het voorhangsel, als zich bevindende in het eigenlijke heiligdom; of v. a. als voorhangsel vóór het heiligste, de arke.
TDJI, met den vinger, na uit het bekken door indoopen een weinig bloed te hebben genomen, strijken op, d. i. tegen den scherpen kant van de horens van het altaar. Volgens de traditie stond de hoogepriester hierbij vóór het altaar, d. vv. z. met het aangezicht naar het allerheiligste, zoodat hij het altaar vóór zich had, en streek het eerst aan den zuidoostelijken hóren, en vervolgens, zijne rechterhand volgend, aan den noordoostelijken, den noordwestelijken en zuidwestelijken horen. â isn m Ss nsi, en 'al het overgebleven Uoed. â ist'i, zal hij uitstorten aan den voet enz. Naar de traditie: aan den westelijken voet van het altaar, dien hij, bij het verlaten des heiligdoms, het eerst treft. â Wegens deze bloedspatting in het heiligdom heeten het hier en vs. 13 vv. bedoelde offer, evenals de var en de bok van den Grooten Verzoendag (Lev. 16,3 en 15) en de bokken bij afgodendienst (Num. 15,24), mvwii niscn, binnen, in het heiligdom, behan-
12
yit D-rqo nni dt.3 jn'sn ^üv
D^n-?D rn'sn q?mi : E'ipn np'ia V3£rnK nin»
T- I ⢠I â¢â¢ ' T:- 'ï ⢠J T (. . ^ â TP* pquot;' *
n^io 7nK3 *\m nin^ ysb D^aDn narp nnriK'K n^n nsrp Sid'^n4 ^sir' nén orbs i m] -piti «sp on; nNtann is nbn-bs-nx) : i%p bnxn '⢠3^n-^ quot;i^k 3l?nn^3 ns4i 3quot;i^n-L)^ nMon bVnn D^Mir1?# nw |n^ quot;ity« bbnnTiK'i n'^sn nxia anv quot;)2W3 ni^sn-^ nisn-^ nquot;insn-n«v
t -: - t â = : ^ squot; * â¢â¢t â ,-. â¢â¢â¢ â¢â¢â¢ quot; . quot;;
-nxi: n^jrn n3T0 ïp rrisn D^a^n ror iwü *
V ; it it J- : ⢠I â¢â¢ - T ⢠I: ⢠: a- r : ' [. '
: i^nai isipi IPNT1?# nsn
ninta di^Qquot;1?^ nina1? pnp^K quot;ifiPnP_(?3quot;nK sï^inv' jEhn -ja^-^ m2 ayy-bv inx
' 3 : '
delde zondoffers, terwijl de andere zondoffers, wier bloed alleen aan de horens van het in het voorhof dus buiten het eigenlijke heiligdom staande brandofferaltaar wordt gestreken, nvjwn nwan, buiten het heiligdom behandelde zondoffers genoemd worden.
8. vv. De vetstukken zijn. gelijk vs. 10 duidelijk zegt, dezelfde als die van den stier tot vredeoffer.
11. De huid en het geheele lichaam met den kop, de ingewanden, de kniestukken en de mest, zonder dat een van allen van het overige lichaam is gescheiden, â (er wordt dun ook niet van aftrekken der huid of wasschen der kniestukken en ingewanden gesproken) â worden gebracht naar eene plaats huiten de legerplaats des volks, nader aangeduid als: jcnn is'-, de plaats, waar de van het'brandofferiltaar komende asc/i, die daarvan natuurlijk van tijd tot tijd moet worden verwijderd, gestort wordt. (Vgl. Lev. 6,4). Die plaats moet rein zijn, geene verontreinigende zaak mocht zich daar bevinden. Tijdens het bestaan des tempels bevond zich die plaats buiten de stad Jerusalem.
12- S3 JIN NW). den geheelen var dus, of v. a. den var in zijn
f/eheel, zal men daar in vuur verbranden. Ditzelfde geldt ook bij het vs. 13 besproken offer, eveneens een var, â verder bij den var en den bok voor den Grooten Verzoendag (Lev. 16.3 en 15) en voor de bokken na gepleegden afgodendienst (Num. 15,24); dezen allen dragen daarom den naam: mxcn niDTWn, zondoffers, die verbrand moeten worden; ook wel D'SH'n Dnu'ci D'-is, varren en stieren, die verbrandmoetemcorden. De verontreinigingsbepalingen. Lev. 16,28, gelden bij al deze offers; zie aldaar.
LEVITICUS IV.
13 En indien de geheele gemeente van Israël dwaalt, â eene zaak was namelijk verborgen voor de oogen der vergadering, waardoor zij eene dier zaken doen, waaromtrent de Eeuwige geboden heeft, dat zij niet gedaan mogen worden, en zij beladen
14 zich met schuld; Als nu de zonde bekend wordt, waartegen zij gezondigd hebben, dan zal de vergadering een var, jong van een rund, als offer bestemmen tot zondoffer en hem vóór
15 de tent der samenkomst brengen. De oudsten der gemeente zullen hunne handen op den kop van den var steunen, vóór den Eeuwige, en men zal den var slachten, vóór den Eeuwige.
16 De gezalfde priester zal van het bloed van den var naar de
17 tent der samenkomst brengen. En de priester zal zijnen vinger in het bloed doopen, en spatten zeven maal vóór den Eeuwige,
18 in de richting naar het voorhangsel. Vervolgens zal hij van het bloed doen aan de horens van het altaar, dat vóór den Eeuwige in de tent der samenkomst staat; en al het bloed zal hij uitstorten aan den voet van het brandofferaltaar, dat aan
19 den ingang van de tent der samenkomst is. En al zijn vet zal hij ervan afnemen, en het op het altaar in rook doen op-
20 gaan. Met dezen var zal hij namelijk doen, â gelijk hij met den var tot zondoffer doet, zoo zal hij ook met dezen handelen ; en de priester zal verzoening over hen doen, en er zal hun
21 vergiffenis geschonken worden. Den var zal hij buiten het leger uitvoeren, en hem verbranden, gelijk hij den vorigen var verbrand heeft; een zondoffer voor de vergadering is het.
22 Indien een vorst zondigt en een der zaken, waaromtrent de Eeuwige, zijn God, geboden heeft dat zij niet gedaan mogen
13. Het zondoffer, voor de gemeente te brengen, nadat zij eene overtreding hebben begaan, waarop bij opzet de straf van uitroeiing is gesteld. Doordien zich iets aan hun oogen onttrekt, d. i. door onwetendheid, begaan zij zoodanige overtreding. Dat de geheeie gemeente zondigt, zal wel in den regel alleen het gevolg kunnen zijn van eene verkeerde beslissing dei-hoogste beslissende autoriteit. De traditie denkt dan ook aan eene foutieve beslissing van het hoogste gerechtshof, Synhedrion. Wesskly vindt dit in mr reeds aangeduid. â -an dSjjji, zij zijn onbekend met (Zen vollen omvang van het verbod, of weten niet, dat de zaak in quaestie onder het verbod valt en beslissen dus verkeerd; wyi, waarop de gemeente in overeenstemming met die beslissing handelt en zich zoo bezondigt. â int'Si, en maken zich schuldig aan eene overtreding; Wessely; en voelen zich schuldig, doordien hun namelijk hunne zonde bekend wordt (vs. 14).
14. njniJI. Het ligt in den aard der zaak, dat ook de hoogepriester eerst een offer moet brengen, als hem de door hem onbewust begane dwaling bekend wordt. â rvSy won â¢ton, met betrekking waartoe zij gezondigd hebben; Sr sen komt dikwijls voor; ook 'a son (vs. 23). â Snpn, de vergadering, de geheele gemeente, moet het offer wijden; d. w. z. het wordt op gezamenlijk te dragen kosten aangekocht, door de nationale vertegenwoordiging: het Synhedrion, de oudsten, die ook (vs. 15), als vertegenwoordigers der gemeente, de handoplegging verrichten.
13
1 V
wjn, Vn^n â¦yjfö inn ntyn nn^-bs ökv'
n^iaiquot; :TioWni' nr'^n-^b -itste nin* n'iyp-bsö nnx^ nxtanb npTr ja ia bnpTn iDn^ni ^n nxènn TIK nn^n â¦apT IDDDT : nyp bnK na1? in« » : mrv ysb leriTiK m^'i nin» na1? lan onn; SiraV: n^iö bnK-VN nan dio n^an rrian N4,anv^
T : tquot; â¢â¢ V. â¢-* AT quot; j~ ' ' {,' t - IJquot; â¢)⢠:p
na nx nin' na1? b'ojra ^ nfni.DWp i^3V« trian
jf ⢠y j J»« ; ⢠' T ï â *'â¢* T ⢠AT f ^ T ⢠⢠' â¢)
nin' na1? ntrx natsn ni-ip.'1?# i fn* D^n^pi : ro^an ^ n^nnaTQ niD^1?^ ^a^* onn-1?! nw nyp bni^a -i'^prn nap D^T labn-1?! nisti : n^ia ^pik nna'i^K ^ -n^;.|3 nnènn na'? n^j; na1? nfe^'i : nnatan5 -Sk nan-n« «quot;ïini : on1? nbo^i rnan on1?^ quot;laai iv»M
T - V -â¢â¢ :# IV T j-: ⢠: Kquot; quot; â¢)â¢â¢â¢â¢â¢-; s- ^ ⢠a
tiB'Nin nan n» nawa in« cpw] nina1? pna 1 a : «in bnpn nxtan
1 V.TI T - j~ ~
ntwnv¥?KnW rtoa-baa nn» n'^i xan» wm n^N ^
jv ~; TV: T ; ï * T * J- - T T ; AT V:IV T jv -Ã
19. Al zijn vet, zooals vs. 8 en 9 in den breede vermeld; hier in vs. 20 nader omschreven.
20. ntTJ? 1CX3 ⢠⢠⢠nCyi» Mi zal met dezen var doen, gelijk hij deed nscnn ib1?, met den vorigen zondoffer var, zooals het in vs. 21 duidelijk luidt; bedoeld is nl. de var van den li oogepriester; h ncï' p, zoo zal hij ook dezen doen, dezelfde vetstukken, als daar genoemd, moeten ook hier verbrand worden. De verleden tijd in nor -WM, evenals in vs. 21 epc; ibs3, moet óf als tegenwoordige tijd worden verklaard, óf wel de woorden doelen op het gegeven voorschrift.; zooals voorgeschreven is te doen, te verbranden. â nSc:i, de misdaad is verzoend en de straf er voor kwijtgescholden.
21. Snpn DNSOri) een offer wegens de zonde der gemeente.
22. njSW, volgens Ihn 'Ezra = nrs osi, â en indien het geval mocht zijn, dat enz. Rashbam : = ibs swi, en een vorst, die zondigen mocht. Waarschijnlijk echter beteekent ira hier zooveel als iün3, dus : wanneer.â nib:, een vorst, naar de traditie hier niet: een stamvorst, maar; de hoogste vorst des volks, die slechts zijn God boven zich heeft (vpSs 'n msa). â boni. En hij belaadt zich met schuld; dan moet vs. 23 run is opgevat worden gelijk min dn, als dan later zijne zonde hem hekend wordt enz. Vat men ocxi met Wessely op in den zin van: en hij voelt zich schuldig, dan is de zin:
LEVITICUS IV.
worden, in dwaling heeft gedaan, en zich met schuld beladen
23 heeft â Als dan de zonde, die hij begaan heeft, hem bekend wordt, dan zal hij als zijn offer brengen een geitebok, van het
24 mannelijk geslacht, zonder gebrek. Hij zal zijne hand op den kop van den bok steunen, en men zal hem slachten op de plaats, waar men het brandoffer slacht, vóór den Eeuwige;
25 een zondoffer is het. En de priester zal van het bloed van het zondoffer nemen met zijn vinger, en het aan de horens van het brandofferaltaar doen ; en zijn bloed zal hij aan den
26 voet van het brandofferaltaar uitstorten. En al zijn vet zal hij op het altaar in rook doen opgaan, gelijk het vet van het vredeoffer; en de priester zal voor hem verzoening doen voor zijne zonde, en hem zal vergiffenis worden geschonken.
27 Indien echter één persoon door dwaling zondigt, uit het volk des lands, doordien hij doet een dier zaken, waaromtrent de Eeuwige geboden heeft, dat zij niet gedaan mogen worden, en
28 hij belaadt zich met schuld; Indien zijne zonde, die hij begaan heeft, hem bekend wordt, dan zal hij als zijn offer brengen eene geit, zonder gebrek, van het vrouwelijk geslacht, voor
29 de zonde, die hij begaan heeft. Hij zal zijne hand op den kop van het zondoffer steunen en men zal het zondoffer slachten
30 op de plaats van het brandoffer. De priester zal met zijnen vinger van haar bloed nemen, en het doen aan de horens van het brandofferaltaar; â en al haar bloed zal hij uitstorten aan
31 den voet van het altaar. En al haar vet zal hij wegnemen, gelijk het vet van het vredeoffer moet verwijderd worden; en de priester zal het O]) het altaar in rook doen opgaan, tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen; en de priester zal voor hem verzoening doen, en er zal hem vergiffenis worden geschonken.
32 Wanneer hij echter een schaap als zijn offer tot zondoffer brengt, dan moet hij het van het vrouwelijk geslacht, zonder
33 gebrek, brengen. Hij zal zijne hand op den kop van het zondoffer steunen ; en men zal het tot zondoffer slachten, op de plaats.
en hij komt uit zichzelf tot bewustzijn van zijne schuld; -â vs. 23 moet dan vertaald worden; of wel zijne zonde wordt hem hekend gemaakt door anderen.
23. Q'IJ? TyC» een yeitebok, onder het jaar.
24. nSjfn m tsnuquot; XW Dipoa. in de noordelijke helft van het voorhof. .
25. IjnSNS ⢠⢠⢠np7lgt; natuurlijk na het bloed in een bekken te hebben opgevangen, neemt hij met zijn vinger, dien hij in het bloed doopt, een weinig bloed en strijkt het aan de horens van het brandofferaltaar. â quot;iidi hs, aan den zuidelijken voet van het altaar, waar hij, zoodra hij van het altaar afkomt, staat; de opgang was immers aan de zuidzijde.
26. VtT quot;1331, de priester zal ten zijnen behoeve verzoening doen wegens zijne zonde. Er komen ook andere constructies voor; bijv. beide keerenj
14
i tnp*) y
in^tan VSK ynin-iN4 : njit^a rwyrrió «
jv -: T - r â¢â¢ lt;- i iquot; T : ^.TT ; ⢠T â¢)â¢â¢â¢ iquot;
-iddi : D^on quot;iDT i^np'nN N^ni na Kt^n 1=
It : r t jtt v. * . ^* : â¢' T :'T . v s' quot; : AT T
-r« Dip03 inK ün^i ITNT^ IT
j- ; ⢠v -: i.) : ^ j- t ; t ~ â¢, t
nNcann d^id rn'an npSi : wn nNtan nin^ nbj^n «
x - 1- lt;- ⢠i â¢â¢ - i - t : 1 v.t - rtt ; ^ v.t it
-]2K'', lornKi n^n narp rippbv jnii ii?2ïX3 aSna nnaTan'n^w labrrbrnxi nV^n natü HD'13
V : t â¢â¢ ï ' ~ â¢Â»â¢ I ! ~ ï *⢠t V : it ^ it j ' v â¢
a *: ib nboji inNïsnö rnan isai D^ari hst g
1 j- : ⢠; ^ t - iquot; I â )â¢â¢ - st't v ⢠: «s- t : quot; ~j'' r
nnx nn^l p^n d^q n^a xuqn nnx ^arDNi» vHk tnin ik : DtrNi na^n-N1? -11^« nin» n'iïaan3
t â¢â¢ jquot; lt; iquot; t : t v.v 't iquot; ^ -»â¢-⢠quot;: ot : s : ⢠*
napjno^onbw mw liaipx^am nm im inxisn
tiquot;; jt ⢠: * ^ ; t :it ⢠â¢â¢ : ist t â¢Â»â¢.⢠-; v t '
nN^nn üüquot;] ITTX : Kun im inK^n-b^ quot; hüiü |nan n^i : nV^n Di^a nxènn-nK hnv^ -bK -]a^^ noTba'nKi n^n naio rinjr1?# jn^i^ayxa aSn -ipm ims quot;i^p* nabn^rnNi : narsn nio» ^ nin^nn»: nnb nnaran rn'an yup^bübpri nar,
a : ib n^oai jrian v1?^ naai
1 j- : ⢠; kquot; - qt t jquot; ' :
: n3K*a» nD^n nap: nxtan1? uanp wy '^aa-DNi3,7
tiv ⢠; v.t * ; jtiquot;: ist - ; t :it j' t v o:
Dipaa nNèn^ nnK ün^i mtann Ã'K-I ITTIK noov1'
i ; ⢠t - : t lt;- t ; 1st - i- j vquot; t v i quot; t ;
zoowel van den persoon als van de zaak Sr. â Omtrent het eten, dat hier, evenals bij een zondoffer van een gewoon particulier, door den priester geschiedt, wordt hier niets gesproken, daar de bepalingen daaromtrent 6,17â23 voorkomen. Evenzoo bij het zondoffer van een particulier.
27. nnN CSJ» een 0P zichzelf staand persoon, in tegenstelling met de qeheele qemeente. Al zijn het honderden tegelijk, die de overtreding onal-liankehjk van elkander, of althans van de gemeenschap des volks, begaan, dan moet het hier volgende offer worden gebracht. â -psn or», in tegenstelling met den hoogepriester en den vorst, een gewoon man, die tot de bevolking des lands behoort, niet juist: de bevolking van het platte land, maar ook die der steden. â mn is doto, zie vs. 22 en 23. â Het zondoffer van een particulier bestaat uit een vrouwelijke geit of een vrouwelijk schaap, â beiden onder het jaar.
33. JINIOnS nnj{ isrnri. m men za^ ^et slachten met bestemming voor zondoffer, met dit bepaalde doel.
LEVITICUS IV, V.
34 waar men het brandoffer slacht. En de priester zal met zijn vinger van het bloed van het zondoffer nemen, en het doen aan de horens van het brandofferaltaar; en al haar bloed
35 zal hij uitstorten aan den voet van het altaar. En al haar vet zal hij wegnemen, gelijk het vet van het schaap tot vredeoffer verwijderd wordt; en de priester zal ze op het altaar in rook doen opgaan bij de vuuroffers ter eere des Eeuwigen; en de priester zal verzoening voor hem doen, voor de zonde, die hij begaan heeft; en er zal hem vergiffenis worden geschonken.
1 En indien een persoon zondigt: hij hoort namelijk de stem eener eedsoplegging, terwijl hij als getuige kan optreden, hetzij hij gezien heeft of te weten is gekomen; als hij, indien hij het
2 niet mededeelt, zijne misdaad draagt; â Of een persoon, die aan eenige onreine zaak zal aangeraakt hebben, hetzij aan het aas van onrein wild, hetzij aan het aas van onrein vee, hetzij
15
n i Nip*quot;) m
nxmn onp p'sn : nVjrn-n« Bna* quot;it^Kquot;117 norbrnKi n^n narp |nji
nip a'^an a^n npv Tp^ nabn-brnKi ; naren ^ nin* ty. nnaTpn bn« frtan i'ppni â¡quot;p^n ö : iV nboii notibw inNtan-^ rrün v^v nasi
i j- : * vt t v -; j i )quot; - ST~T v ⢠;
vy in nm ik iv Kim n^x bip n^atri Nibnn-^ ^aii« n
att -*. t J j : tt 1-- t ⢠it *. tv.* iv ⢠v-y.
13T-S33 van IN : wy mn ma» nitdn=
-tt t: '-⢠-v^-: w - _ i -â , jt t^: j.
ik nNOü nana in nxat: n'n n^aaa in noü
t â¢â¢ : -«t â¢â¢ : - ; ⢠; lt; t â¢â¢ ; r' - : ⢠: â¢â¢ t
hint afleggen (en het niet doet)quot;, d. w. z.; //Zweer, dat gij er niets van weetquot;, wat hij door zijn instemmend //Amen!quot; dan ook doet. tji si1? dn, indien hij dan, bij het aanhooren der eedsoplegging, niet mededeelt wat hem van de zaak bekend is, â wr sew, en zijne zonde draagt, d. w. z. indien zijne ontkenning iets te weten eene zondige handeling is; â hij zou namelijk een geldig getuigenis kunnen afleggen, hij is niet door verwantschap of om andere redenen als getuige in de zaak ongeschikt. â De nazin volgt vs. 5. Hier wordt niet bijgevoegd i:»» dSïïi, omdat, zooals de traditie leert, zoowel bij opzettelijken, als bij in dwaling beganen misstap het hier volgende offer moet worden gebracht. Alleen indien hij bij het bevestigen van den eed te goeder trouw was en inderdaad meende niets omtrent de zaak te weten, is hij van het hier voorgeschreven olïer vrij (Nachm.) Ons geval heet in Mishna en Thalmoed nnyn njnan, eed omtrent al of niet bekendheid met een getuigenis. Het is niet onverschillig, of de onjuiste verklaring in straf- of in geldzaken wordt afgelegd; de nier gegeven wet geldt alleen voor geldzaken. Daar namelijk de woorden ï-p in nsi in, zooals wij zagen, het optreden der getuigen als mogelijk en van invloed beschouwen, als zij een feit slechts gezien hebben, zonder de omstandigheden te kennen; of ervan hebben gehoord, zonder het zelve te hebben gezien, â kan van strafzaken geen sprake zijn, daar de getuigen daarbij de feiten moeten hebben gezien en hunne strekking begrepen, immers zij moeten den dader hebben gewaarschuwd tegen de strafrechterlijke gevolgen zijner daad. Aanwijzingen voor de schuld zijn niet voldoende ter veroordeeling van den beklaagde in strafzaken.
2. Indien iemand heeft aangeraakt eenige onreine zaak, â nader gepreciseerd in; het aas van onrein wild, enz.; â dat n.soD hier niet in den zin van: voor het gébruik ongeoorloofd, maar alleen in dien van: verontreiniging brengend moet opgevat worden, blijkt uit n»d pc?, daar er immers geen voor het gebruik geoorloofd kruipend dier is (evenzoo 7,21). â unn dSïji, en later is het voor hem verborgen, vergeet hij, dat hij onrein is, â vroeger echter was zijne onreinheid hem bekend, dpni n»b nvti, en hij is onrein gebleven, heeft niet de vereischte reiniging door ritueel bad ondergaan, d-xi, en maakt zich schuldig, doordien hij het heiligdom betreedt of door den dienst in het heiligdom gewijde spijzen eet, terwijl hij onrein is (feiten, tegen wier opzettelijke overtreding Lev. 7,20 eu 21 de straf van uitroeiing is bedreigd). De verontreiniging zelve is geen misdaad en
LEVITICUS V.
aan het aas van onrein kruipend gedierte, en het is hem vergeten; hij is intusschen toch onrein en heeft zich met schuld beladen; â
3 Of zoo hij de onreinheid van een mensch zal aangeraakt hebben, â al diens onreinheid namelijk, waardoor hij onrein worden kan, â en het is hem vergeten; naderhand echter komt hij te
4 weten, dat hij zich met schuld heeft beladen; â Of een persoon, die gezworen zal hebben, door over de lippen te laten gaan, zich iets slechts of iets goeds te doen, (ten opzichte van alles, wat de mensch zich onder eede ontglippen laat,) en het is hem vergeten; doch hij komt het te weten, dat hij zich in een dier
5 gevallen met schuld heeft beladen. Nu zal het zijn: als hij zich schuldig gevoelt in een dier gevallen, zal hij belijden,
6 waarin hij gezondigd heeft; Hij zal namelijk ter verzoening van zijn schuld ter eere des Eeuwigen brengen, wegens zijne zonde, die hij begaan heeft, een wijfie uit het kleinvee, een schaap of eene geit, tot zondoffer; en de priester zal verzoening
7 voor hem doen wegens zijne zonde. Indien echter zijn vermogen niet toereikend is voor een lam, dan zal hij voor zijne schuld brengen, voor hetgeen hij gezondigd heeft, twee tortelduiven of twee
16
3
n Nip»quot;) Tt2
»3 IN ; DtfNI NÃL2 1300 0^31 NOü pK' ^333J
lt;⢠^ iquot; t; vquot; t j : v ⢠-â¢-^;v; a- t | â¢.â¢-«â¢.⢠v.quot; :^' :
mn o^ii na NQD» im inND^ VD1? DIK nxaüs w
V J-VS quot;T, q'-T : '. jv -= .TVS : TT Jquot; : â ⢠:
D'nfiE'n Ntan1? »3 i^s: IN : DB^NI JTT Kim1
⢠- t : ⢠â¢â¢ â : t ⢠-»⢠v^v J p p 'quot; t : ^ v.-t j :
Dbïtti n^nirs onxn KÃS» ^ ywrh IK I
â gt;-*: v ; ^t-.. 4 ⢠ott it squot; - : v -: ; ⢠â¢â¢ : -⢠-,~ t :
nnK1? DI^K»quot;^ n'm ;nbKt3 nnKb D^KI ^n^Kim laso^
j- - : : ... r jtt : v iquot; â¢â¢ jâ : v.quot; t ; mJ'T ^ i : «sv â¢
nirv1? iöpktik K'arn : n^Kumt^K n'iinni nVKO1
t i- j t -: v ; t iv^t t ^ r/ -: ^ t-q; ⢠: va- â¢â¢
m^tyiK n2^3 mvrrp nnpj KL:n inKian
j' : i jt ; ⢠i s quot; i * t iquot; : t t v -i t - 'j-
jran kS'Dki : inxano rnsn naDi nKtsn1? ony
j' - ⢠; | t quot; lquot; kquot; ~ ot t JV ' 1st quot; : l.' *
^-ik onh w KL2n im ió^k-dk K^ni nty n 1âi'
: i .)⢠r* : t t -*â¢.⢠-: t -: v ⢠â¢â¢ : v j»* t
1
of het onthoudingen zijn, dan wel belanglooze handelingen, bijv. een
LEVITICUS V.
jonge duiven, ter eere des Eeuwigen, één tot zondoffer en
8 één tot brandoffer. Hij zal ze tot den priester brengen, en deze zal de tot zondoffer bestemde het eerst ten offer brengen ; hij zal het namelijk, achter onder den nek, den kop
9 afknijpen, maar dien niet geheel ervan scheiden. Dan zal hij van het bloed van het zondoffer tegen den wand van het altaar spatten, en wat van het bloed overblijft, zal aan den voet van het altaar uitgedrukt worden; een zondoffer is het.
10 En het tweede zal hij als brandoffer bereiden naar het gewone voorschrift. En de priester zal verzoening voor hem doen wegens zijne zonde, die hij begaan heeft, en er zal hem ver-
11 giffenis geschonken worden. â Doch indien zijn vermogen ook voor twee tortelduiven of voor twee jonge duiven niet toereikend is, zal hij als zijn offer, voor hetgeen hij gezondigd heeft, brengen een tiende Epha meelbloem tot zondoffer ; hij zal er geene olie op doen, en er geen wierook op leggen, want een zond-
12 offer is het. Hij zal dat tot den priester brengen en de priester zal er zijne hand vol van nemen, als gedenkoffer ervan, en het op het altaar in rook doen opgaan, op de vuuroffers ter eere des
13 Eeuwigen; een zondoffer is het. En de priester zal verzoening voor hem doen wegens de zonde, die hij in een dier gevallen be-
faan heeft, en er zal hem vergiffenis geschonken worden. En et zal den priester toebehooren gelijk het meeloffer.quot; â En deaan heeft, en er zal hem vergiffenis geschonken worden. En et zal den priester toebehooren gelijk het meeloffer.quot; â En de
8. 131^ SlOO. tegenover den nek, d. w. z. van achteren, vlak onder den nek; zie 1,15. â Sny nSi, hij zal den kop niet geheel van het lichaam scheiden.
9. nini. hij zal spatten uit de verte, niet strijken aan de horens, noch werpen uit een bekken, waartoe niet genoeg bloed zou voorhanden zijn, â maar, den nog bloedenden vogel grijpend, eene zwaaiende beweging ermede maken, zoodat het bloed aan den zijwand van het altaar komt.â Dia iswn, en wat er aan bloed overblijft, zal uitgedrukt worden, zoodat het vloeit op het voetstuk van het altaar. Wat verder met den vogel geschiedt, wordt niet duidelijk aangegeven. Naar de traditie evenwel kwam niets ervan op het altaar, dan liet bloed, terwijl de vogel zelve door den priester wurd gegeten. Daarom, zegt Ibn 'Ezra, moest er altijd bij een vogelzond-offer een vogelbrandoffer worden gebracht, dat geheel op het altaar kwam, zoodat ook bij het vogeloffer, evenals bij het dier-schuldoffer, een gedeelte op het altaar kwam en een ander deel door den priester werd gegeten.
10. BStfOD, als het bekende voorschrift van 1,14 v v., bij het vrijwillige vogelbrandoffer. .
11. rn jnrn to cm en indien zijn vermogen niet reikt tot twee tortelduiven-, ook met den 4den naamv. (14,31) of zonder voorwerp (25,26 en 47). â nssn nwy = een 'Omer; â de Epha heeft drie Sed, deze zes Kab, a 4 Log a 6 middelmatige kippeneieren; de tiende van een Epha bevat dus 43l/6 ei. â nSo, tarwebloem. â Als zondoffer moest alles, wat ter verheerlijking en betuiging van offervaardigheid dient, olie dus zoowel als wierook, ervan verwijderd blijven. Ook Het dier-zondoffer mist immers meel- en plengoffer, die alleen bij brand- en vredeoffers gebracht werden (Num. 15,3).
17
n v
hr\H : rhyb nnm n^n1? quot;inK nm^ n
t lt;⢠â¢â¢ ; 't : jt v : v,t - ; jr v at r ^t iquot; ;
-HN pboi mitwn nxranS anpm rrtan-^N
I s-.t «st r v.t-i- jv -» v .)â¢!: ⢠: I â¢â¢
yp-by n«E2nn DIP nfni : b'iy N,?I laiy VIDO ^
l-j- t - i- lt;- ⢠t * : t : quot; j : *gt; fr j ⢠.)
: Kin nxjsn naran hd^'pn hïd» D'ia nNty^ni naran
i vt - - rtquot; : ⢠- ^ j : v v,quot; t ⢠t - quot;jr : ⢠~ ; -....-
inxtsno p'an quot;iödi OÃamp;QZ nVy ^^n-nxi1
j t - 1quot;^ I )quot; q51quot;^ 'â¢' ' : at ; * quot; ^t jv ^ir )⢠â¢â¢ - v ;
tie''? it yiyn nV'Dki d * : ib n)p:i Kün-iB'K ^ nramp;v xünimihip-nt* n6n) 'hv-vn vvWh onh
S' ' ^ t -v -: t ;| t v ^ t iquot; : â¢quot;⢠; â¢
nib1? rrS^ |o^ nty apyüb natsnb nhp nsxn naap 1 jrisn yttpj, jrtsnquot;1?» : «in riNjan ^ ^
nirv by_ nniran i^pni nnnarim* ivpp ^iHa Nün-quot;i^ inKisn-^ pan nöDi : Kin nxtsn ^
â¢)t t v -; s t - «⢠i .. - t t v ⢠: 1' vt -
-ö-n d : nnjaa p'a1? nrvnï t n^DJi n^xa nnxa ^
jquot; it : ⢠- kquot; quot; jt:it; a ; v â¢â¢ j- - !â¢â¢
12. Naar de traditie moet ook bij dit zondoffer uit meel (som nn») de 2,8 en 6,7 voorgeschreven nton, aanraking met den hoek van het altaar, plaats hebben.
13. jnaS nnvn. en !iet van het meeloffer, na de verbranding dei-handvol, overblijvende, zal den priester hehooren gelijk het meeloffer, waarvan 2,3 gezegd is, dat het allerheiligst is; en omtrent het eten waarvan 6,9 vv. nadere voorschriften worden gegeven.
14â26. Schuldoffers, mws, door een nieuw ia-pi van de tot nu toe behandelde zondoffers gescheiden, komen in zooverre met dezen overeen, dat er geen meel- en plengoffer bij wordt gebracht. Terwijl echter het zondoffer steeds een dier van het vrouwelijk geslacht is, moet als schuldoffer steeds een mannelijk dier worden gebracht. Onze plaats bespreekt eenige gevallen, waarin een schuldoffer moet gebracht worden, en de soort en aard van het dier, dat ervoor is aangewezen. De dienst der schuldoffers, die. wat de behandeling van het bloed aangaat, sterk van dien des zondoffers afwijkt, wordt 7,1 v.v. geregeld. De hier besproken gevallen zijn: 1°. het schuldoffer wegens ongeoorloofd gebruik van gewijde zaken (Dra niTgt;3)»), vs. 14â16; 2°. dat wegens mogelijke, doch niet vaststaande overtreding van een verbod, bij welks zeker plaats gehad hebbende overtreding een zondoffer zou gebracht moeten worden ('iSn dcn, het hangende schuldoffer, dat wegens twijfelachtige overtreding gebracht wordt, 17â19). Deze beiden dienen dus ter verzoening van overtredingen tegen God-, de derde groep: het schuldoffer wegens een valschen eed, afgelegd in zaken, die eens anders vermogen betreffen, (niSta dcn) bespreekt vergrijpen tegen het
vermogen des naasten en wordt daarom met een nieuw la-ro ingeleid. _
De overige schuldoffers, die van den melaatsche en den Nazier, worden bij behandeling der desbetreffende wetten voorgeschreven en geregeld
LEVITICUS V.
15 Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: ;,Een persoon, die trouweloos handelt en in dwaling zondigt ten opzichte van de heiligdommen des Eeuwigen, zal voor zijne schuld, ter eere des Eeuwigen, brengen een ram zonder gebrek, van het kleinvee, naar waarde-bepaling van twee Shékel zilver, naar den Shékel
16 des heiligdoms, tot schuldoffer. En wat hij ten opzichte van het heiligdom gezondigd heeft, zal hij betalen, en het vijfde deel ervan daarbij voegen, en hij zal het den priester geven; dan zal de priester verzoening voor hem doen door den ram tot schuldoffer, en hem zal vergiffenis geschonken worden.
17 En wanneer een persoon zondigt, en doet eene der zaken, waaromtrent de Eeuwige geboden heeft, dat zij niet gedaan mogen worden, â doch niet weet, of hij met schuld is beladen,
18 en zijne misdaad te dragen heeft; Dan zal hij een ram brengen zonder gebrek, van het kleinvee, naar de waarde-bepaling, tot schuldoffer, tot den priester. En de priester zal verzoening voor hem doen wegens zijne dwaling, die hij begaan heeft, wat hij echter niet zeker weet; en hem zal vergiffenis geschonken
19 worden. Een schuldoffer is het; hij heeft eene schuld tegen den Eeuwige op zich geladen.quot;
(Lev. 14,12 en Nam. 6,12), terwijl Lev. 19,20â22 nog-een schuldoffer voorkomt, dat echter, als in verband staande met de zedelijkheidswetten, daar volkomen op zijn plaats is (zie onze aant. aldaar).
15. Sj/Q SyOD 'D is, zooals wij reeds opmerkten (4,2), de constante uitdrukking bij schuldoffers. De stam schijnt te beteekenen; bedekken, waarvan W», bedekkende mantel-, vandaar; bedekt handelen, ontrouw plegen, speciaal tegen God, hier: tegenover het bezit des heiligdoms, waardoor men aan God iets onttrekt, wat Hem toekomt (Jos. 7,1 en 22,20 van onttrekken aan den ban); vs. 21 tegenover de God verschuldigde trouw in eeden; ook van afgodendienst, als ontrouw aan God (Lev. 26,40; Deut. 32,51 e. a. p.); ook echter van ontrouw der vrouw tegen haren man (Num. 5,12). Sm beteekent dan: krenking van bestaande rechtsverhoudingen. â 'n 'unpn nwa nsism, hij zondigt in dwaling ten opzichte van de heiligdommen des Eeuwigen, d. w. z. hij onttrekt iets, dat óf voor het altaar, óf voor de tempelkas bestemd is, aan zijne bestemming, door op een of andere wijze genot of voordeel ervan te hebben. â njjoa. Alleen indien hij in dwaling zondigt, is hij tot het hier voorgeschreven offer verplicht; niet bij opzettelijke overtreding. âlarx ns. Daar op het einde van ons vers in oün eerst het karakter van 't offer wordt aangegeven, moet tobs ns hier, evenals vs. 6, vertaald worden: voor zijne schuld, ter verzoening zijner misdaad. â W, een ram, d. i. een mannelijk schaap in het tweede jaar; naar den Thalmoed: ouder dan dertien maanden. â -[D-iri, v. s. naar uwe, Mozes' schatting (waarvoor later de priester als vertegenwoordiger des volks in de plaats trad), van -pi) met het bezittelijk aanhangsel; v. a. is het zelfst. naamw. â¢pir, en moet dus vertaald worden: naar schatting van c|DD, het geld van Shekaliem, meervoud, dus ten minste twee
Shékel waard; hij mag ook grootere waarde hebben.
ie, dSbquot; ttnpn ja xtan utk im en hij zal betalen dat, wat hij tegen-
18
n Knp»i n*
: iDNb niyD-^K nin»«
tt: ⢠t : it : quot; -f - : r v v. ^ i - j-, ... lT .
-|p D'on nin^ iDtfirm K^ni nin» im idb'N1? «=
|n^ inK |m^ v^^DvWon-nK^D^^iyipn-fa «èn a * : quot;h nbDJi Dü'Nn ïtern
1 j'^: ⢠â¢â¢ \t t it Jquot; : .)t^- r*^-; ^ I â¢â¢ - ;
IÃJ'N nin* nivp'?3ü nm nhtyvi «ènn »5 lyflroNi ^
l. . t . V p t . . t : it: tv: iv -â ⢠w ⢠:
D^an TN K^ni : nb'ji am) yy;ny, nr'^n ah ^ Sjr frtan jnsn-bx d^n1? ^jsn^a j^n-|p
d'^N Kin DI^K : iV Nini üB'-ityN in^ ^
gt; t a v.t t i J- ; ⢠; ^ v.'t i J ; .}t t v i s t ; â¢
ö : nin6
it iquot; v.quot; t
over het heiligdom heeft misdreven, de waarde van hetgeen hij aan zijne gewijde bestemming heeft onttrokken. â vwnn, en zijn vijfde, volgens den Thalmoed niet: een vijfde van het bedrag der toegebrachte schade, â maar het aan de door hem te betalen som ontbrekende vijfde; â het bedrag der schade wordt als Vs gerekend, wat door de bij te passen som tot 5/5 wordt aangevuld. Hij betaalt dus een kwart van het oorspronkelijk bedrag bij; bij eene waarde van 4 gulden betaalt hij vijf (laSn irun, een vijfde van de in het geheel te betalen som), niet bij eene van 5 zes (ccn Min, een vijfde der oorspronkelijke som). â jroS mx jrui, en zal het te betalen bedrag den priester als beheerder der heiligdommen overgeven (Wessely). Rashbam; en hij zal het offerdier den priester overgeven-, de herhaling van own Wa in het slot van ons vers spreekt echter daartegen.
17. De formule rwewi nV icrx 'n mx» hsn ws nntri bewijst reeds, dat hier gedacht moet worden aan overtredingen, waarvoor bij dwaling een zondoffer gebracht moet worden. Terwijl nu 4,28 het zondoffer wordt voorgeschreven, als hem zijne zonde lekend is geworden, inscn vVn ïtin, bespreekt onze plaats wat hij te doen heeft, als hij twijfelt, niet met zekerheid weet, dat hij zich bezondigd heeft, dbni ït nVi. Reeds de twijfel, of hij misschien in dwaling een misdrijf heeft begaan, dat bij opzettelijke overtreding met uitroeiing zou gestraft worden, is eene ernstige overtreding (vs. 19: dün new; Nachm. e. a. zien in den term dün, een daad, die den dader eigenlijk verwoesting waardig maakt).
18. quot;pquot;U73, naar de vs. 15 gegeven waardebepaling van twee Shékel. â rrgt; nS sim 3gt;V wts ijijw Sjj, wegens zijne in dwaling misschien begane misdaad, waaromtrent hij niet met zekerheid weet, of zij al of niet is begaan. Wordt hem later met zekerheid bekend, dat de misdaad door hem in dwaling is gepleegd, dan moet hij alsnog een zondoffer brengen. Reeds het feit, dat hier van geene vergoeding gesproken wordt, wijst erop, dat aan gods-dienstvergrijpen wordt gedacht.
LEVITICUS V, VI.
21 20 En de Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: âEen persoon, die zondigt en eene trouweloosheid tegen den Eeuwige begaat; â hij verloochent namelijk tegenover zijn naaste iets, dat hem ter bewaring gegeven of onder zijne berusting gesteld is, of iets, dat hij geroofd of zijnen naaste onrechtmatig onthouden
22 heeft; Of hij heeft iets, dat verloren was, gevonden, en het geloochend, en heeft den leugen bezworen; over iets van alles wat de menseh pleegt te doen, zich daardoor bezondigend; â
23 Nu zal het zijn : als hij gezondigd heeft en zich met schuld beladen voelt, dan zal hij teruggeven den roof, waarvan hij zich heeft meester gemaakt, of hetgeen hij onrechtmatig onthouden heeft, of het goed, dat bij hem ter bewaring was
24 gegeven, of het verlorene, dat hij gevonden heeft; Of met betrekking tot wat ook, waarover hij een valsehen eed gedaan zal hebben, â hij moet het betalen in hoofdsom en het vijfde deel er nog aan toevoegen; aan wien het toekomt, zal hij het
25 geven op den dag, dat hij zijne schuld erkent. En voor zijne schuld zal hij brengen, ter eere des Eeuwigen, een ram zonder gebrek, van het kleinvee, naar de waarde-bepaling tot schuld-
26 offer, tot den priester. En de priester zal verzoening voor hem doen vóór den Eeuwige, â en hem zal vergiffenis geschonken worden, â voor eene van alle zaken, die hij begaan mocht hebben, zich daardoor met schuld beladend.quot;
02 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: ,/Gebied Aharon en zijne zonen, als volgt: âDit is de leer aangaande het brandoffer : â dit is het, dat opgaat op de vuurplaats op het altaar
21. rroi mma Syo nSyoi, de ontrouw tegen God bestaat in het loochenen onder eede. â wnja croi met dubbelen '3: hij loochent iets tegenover iemand. â pipsa, ter bewaring gegeven goed; t rwwro, wat in zijne hand is gelegd, hem is toevertrouwd als onderpand of ten gebruike in zaken geleend of dgl.; Sus, wat geroofd is, iets dat hij van het eigendom zijns naasten met diens bewustzijn, maar tegen diens wil in zijn bezit heeft gebracht. Diefstal geschiedt buiten weten van den bestolene; bij roof weet de eigenaar wat geschiedt, maar kan zich tegen geweld en overmacht niet verzetten. â irraï ns pop ix, of hij heeft zijn naaste druk opgeiegd, d. w. z. hem opzettelijk onthouden, waarop hij rechtens aanspraak ton maken, bijv. loon ingehouden.
22. n-DK, hij heeft iets gevonden, en, op de vraag des eigenaars of hij het heeft, ontkent hij dit. â ipo hv iqüji, en heëedigt den leugen, slaat op al de hier genoemde gevallen. â nana NonS msn rwrquot; Sa» nns Sr, zweert omtrent een van al de handelingen, die de mensch uit hebzucht, baatzuchtigheid of gierigheid pleegt te doen, zich daarbij bezondigend, daar hij zelfs niet voor een valsehen eed terugschrikt. Deze eed heet; jnpsn nüiac; het hier bepaalde geldt zoowel bij opzet, als bij opzettelijke dwaling; alleen als hem bijv. de feitelijke omstandigheid zijner verklaring onbekend is of dgl., geldt deze wet niet.
19
i n ix jnpn es»
Nibnn »3 : ioNb n^ö-bx nin» wi^
*v,quot;. jt^sit ^ t v: iv -⢠vv« i â¢â¢ ^ jv v ^v.t : jquot; -:-x3
ik bna ik r noitrnrik rinpaa in^o^a ^nai nin»a
v. quot;t ; j t v lt; ; ⢠i i it* : â¢'hi- â¢â¢ ⢠: at i-
-by yai^i na ^nai maK kïo-ik : irvDjrnK p^v ^
-'- ; * : ^t v j' : -jt â¢â¢ -: st t i i ⢠v i j- *t
n^ni : nana DiKn ntr^ni^K VaD nntrby np^»
^ t^t : tlquot; t j tl' ctt it ^ jv ^ir v 4 i vat
p^rrnk ik bh iitk nbnn-nk a^ni d^ki ktan^a
i v t v lt; tt jv -i t quot;: - v ⢠â¢â¢ : â¢â¢ t : _ -t v:iv â¢
nnatn-nK ik ink npan is^k jinpsn-nK ik p^ i^k
^ ttquot;-jit v j i * k*: t jv t f it - - pv « i t 't jv -j
inK dïgt;amp;) ipè'S vby Va'ö ik *: kvö ntfk ^
«- ⢠: Iw - T T T * v ~l ⢠IT T jv -I
D^a laan» ib Kin ntyK1? vby tp* vn^öni iibKia
j i \,v : ' â¢) j v -ii- at t |jquot; v.t* â¢â¢ -»quot; ï
fKvn-p D^on Vk nin'1? K^a» iQt^K'nKi : inüE'Si«
i â¢) - i ⢠s* t *-â¢- at v.'t j t ~i v : it:-
nin» rnan vby naai : rriarrbK d^k1? ^ianya»
^t : jquot; : ⢠mquot; - st*t v ⢠: 11quot; - v it t : j |: :'v :
ö : na no^K1? nfe^n^K bao nnK-^ ib nboai
it jt : - : vv â¢* -j j - 4- - - a â *-:â¢:
iDKb vja-nKi pn^-nK quot;ix :noKb n^o-bK nin» laTV^ naran-ty nnpio n^yn Kin nSyn min nKr
-lt;â¢â¢;â¢- Tl: T IT AT IT V* â *
23. nSwn m SHSTIV Indien nog onveranderd aanwezig, kan hij de zaken zelve aan den rechtmatigen eigenaar terugbrengen.
24. IIPJOS IDN oSci» 200 niet, dan moet hij de hoofdsom, de volle waarde betalen. â rwnm, eene meervoudsvorm, met den uitgang â bij een vrouw, woord op â; de traditie leidt hieruit af, dat soms meerdere vijfden betaald moeten worden; indien hij bijv. de door den eersten valschen eed ontstane verhoogde vordering opnieuw afzweert. Ibn 'Ezra meent, in strijd echter met de wettelijk aangenomen halachische bepalingen, dat in ons geval, waar immers ook van opzet sprake is,, twee vijfden bijgepast moeten worden. Num. 5,7 echter, waar een geheel met het onze overeenkomend geval wordt behandeld, wordt intnsm, enkelvoud, gebezigd. Wessely : en de vijfden, op ieder der ontkende bedragen vallende. Zooals bij meerdere woorden, kan echter ook hier een meervoudsvorm in de beteekenis van het enkelvoud gebruikt zijn. â iS xin iünS, aan wien het toekomt, den benadeelde, â niet den priester, zóoals in vs. 16. â OTSün dra, Rashbam en Ibn 'Ezra: op den dag zijner acAufcferkenning; anderen; op den dag, waarop hij zijn schuldoffer wil brengen; vóórdat hij zijn offer brengt, moet de onrechtmatige daad en hare gevolgen zijn goedgemaakt.
Hoofdstuk VI. 2. Terwijl de hoofdstukken iâ5 de verschillende offergroepen vooral behandelen met het oog op de offerhandelingen, die als zoodanig voor den offeraar ter bewerking van welbehagen, pxi, of verzoening, mEO, van beteekenis zijn, en zich dus, naar 1,2, tot de hinderen
LEVITICUS VI.
den geheeleu nacht door tot aan den morgen; en het vuur van
3 het altaar zal daarop brandend gehouden worden. De priester zal dan zijn linnen kleed aantrekken en een linnen broek op zijn bloot lichaam aantrekken, en de asch, waartoe het vuur het brandoffer op het altaar zal hebben verteerd, wegnemen, en die
4 naast het altaar nederleggen. En hij zal zijne kleederen uittrekken, en met andere kleederen zich bekleeden; dan zal hij de asch
5 wegbrengen naar buiten het leger, naar eene reine plaats. En het vuur op het altaar moet erop brandend gehouden worden.
Israels richten, bevatten de hoofdstukken 6 en 7,1â22 aanvullende bepalingen, die voor het meerendeel vooral de door de priesters te verrichten handelingen betreffen, het verbranden, het eten der offerdeelen enz. Daarom richten zij zich tot Aharon en zijne zonen en is ook de volgorde en groepeering niet, als in de vorige hoofdstukken, naar de onderscheiding in vrijwillige en verplichte offers, maar naar het meer of minder heilige karakter geregeld; dus eerst D'vnp â¢'Dip, allerheiligste offers: brandoffer, meeloffer, zondoffer en schuldoffer; dan eerst de vredeoffers, die QiEnp, minder heilige offers zijn, daar zij niet, gelijk de andere offers, uitsluitend op een heuige plaats gegeten moeten worden, en ook niet door priesters alleen. Wanneer 7,11 v.v. vooral bet eten der vredeoffers wordt besproken, dat immers door den offeraar en de zijnen geschiedt, dan verlieze men niet uit het oog, dat immers de priesters de taak hadden de desbetreffende voorschriften den offeraar onder het oog te brengen (Luzzatto). 7,22â27 richt zich, als een algemeen verbod omtrent het eten van vetdeelen en bloed bevattende, weer tot het geheele volk en 28â38 eveneens, daar deze verzen het den offeraar tot plicht maken, het door hem te verteren vredeoffer weer ten deele aan den priester af te staan. Nachm. meent, datlâ5 de wijding bespreekt en slechts ter loops de offerhandelingen daaraan toevoegt, â terwijl in 6 en 7 deze meer speciaal zouden behandeld zijn en deze hoofdstukken zich daarom tot de priesters zouden richten. Alleen bij het schuldoffer (7,1â10) echter worden de offerhandelingen uitvoeriger behandeld, dan in hoofdstuk 5, waar inderdaad alleen de gevallen, waarin een schuldoffer moet worden gebracht, worden besproken en de eischen worden gesteld, waaraan het offerdier moet voldoen. Bij alle overige offers, in 6 en 7 behandeld, is daarentegen de dienst in de eerste hoofdstukken uitvoeriger besproken dan hier. â min nst vormt in onze beide hoofdstukken het bij iedere offersoort terugkeerende inleidend formulier. â nSrn, het brandoffer, nSjjn Kin, dit is het, dat in rook ojjstijgt; bij de vertaling: dit is het brandoffer, sluiten de volgende woorden, waarin immers geen werkwoord voorkomt, minder goed aan. â Het brandoffer is het dus, dak men in rook moet doen opgaan op de vuurplaats op het altaar, ook gedurende den geheelen nacht, (bijv. de offerdeelen van het dagelijksch namiddagoffer (Ex. 29,38â42), waarop onze plaats meer in het bijzonder het oog heeft, hoewel dezelfde wet ook voor alle te verbranden offerdeelen geldt, waarbij bloedsprenging heeft plaats gehad) â doch niet langer dan tot den morgen, wanneer de vs. 3 en 4 besproken handelingen moeten geschieden. â ia npm rotsn two, doch het vuur van het altaar moet in elk geval, ook indien er geen offerdeelen te verbranden zijn, brandend worden gehouden gedurende den nacht. Anderen; en dan, als de morgen is aangebroken, zal het altaarvuur daarop opnieuw worden ontstoken, wat echter in vs. 5 uitdrukkelijk wordt behandeld.
3. ng, zijn kleed, niet zijne kleeding, daar anders de broek niet uit-
20
1 W 3
jrün : ia np^ri nsjran n^rr^i
im r^TrnK onm 'iTu'rby vteb11 nr^DJSöi nn no
v -i I v v - v j* .. . r : ~ j- ; ⢠- â¢â¢ i ; r â¢â¢ â¢â¢ *
: naron ^ïx ló^i naTsn-1?^ riiyrrmt Eton Vs^n -^K iiy-in-nK KWionn» onaa vnarn» bt^öi ^
I v v- v lt;⢠; ^ a*quot; -I J'T : V'T ; TT :. v ' T
impm naran-1?^ u'Kni : lint: Dipo-'jN nina1? nnaquot;
I- i -lt;â¢â¢;â¢- â¢â¢ t : it Ut v v-i i- - | J â¢
drukkelijk genoemd behoefde te zijn. Nachm. merkt op, dat bij de hier besproken handeling de priester natuurlijk in volle kleedij moest wezen, en dus ook muts en gordel moest aanhebben. Dat niettemin n», zijn kleed, d. i. het onderkleed, roro, en de broek bijzonder genoemd zijn, vindt volgens hem zijn grond in eene nieuwe bepaling, hier omtrent die beide kleedingstukken gegeven. Volgens den Thalmoed beteekent namelijk vro, van Ti», meten: het nauwkeurig pasgende, naar des priesters maat gemaakte onderkleed (vgl. Ps. 133,2); de bepaling dus, dat het de juist vereischte lengte moest hebben; terwijl bij den hroek de woorden iico Su geven, dat deze direct op het vleesch, op het bloote lichaam (of naar Ibn 'Ezra: over de schaamdeelen; vgl. Ex. 28,42) moest worden gedragen. â jmnsunn, en zal de asch wegnemen, dat is niet: alle asch, die hij dan tijdelijk naast het altaar zou leggen, om ze later buiten het leger te brengen, â maar met een scheppan (nnn») een gedeelte ervan als heffing nemen. Dm, die naast het altaar wordt gelegd en daar blijft. â ns üxn Sssn iws junn ns nSrn. Sas met dubbelen vierden naamval: het vuur verteert het brandoffer tot asch; den betrekkelijken bijzin dus te vertalen: de asch, waarin het vuur het brandoffer op het altaar zal hebben doen overgaan. â naion Sxn, naast het altaar, aan de oostzijde naast den opgang naar het altaar.
.4. vto nx .tarpi, hij zal zijne in het vorige vers genoemde priesterlijke kleederen uittrekken. â ffnns 0^1«, andere kleederen, naar den Thalmoed eveneens priesterkleederen. doch van minder fijne stof; v. a. andere ongewijde kleederen aantrekken; terwijl dan voor het heffingnemen van de asch priester-kleeding noodig was, zou dit voor het naar buiten brengen niet vereischt zijn. Dit kan echter alleen worden aangenomen, als men D'vn in vs. 3 verklaart; alle asch wegnemen, zoodat bij de in ons vers genoemde handeling de priester niet op het altaar kwam. Deze opvatting van ogt;vn is echter tegen de beteekenis van het woord. â Over de plaats, waarheen de asch werd uitgevoerd, zie onze aant. 4,11. â Hoewel net wegbrengen der asch gewoonlijk elke» dag geschiedde, was het niet gebiedend voorgeschreven. Vooral op de hooge feesten, wanneer het volk naar het heiligdom kwam, liet men de asch op het altaar liggen, opgehoopt in het midden van het altaar. Alleen staat in ons vers imperatief bepaald, dat bij het uitbrengen door den priester andere kleederen dan de gewone priesterkleedij moeten worden aangetrokken.
5. 13 ipin naton Sj? uwm- VS. 2 gaf het voorschrift, het altaarvuur gedurende den nacht te onderhouden; ons vers regelt het onderhouden van het vuur in den morgen, na het wegnemen der asch. â 13, op het altaar, -udi, en hij zal erop, op het vuur, houten ontsteken, ten minste twee stukken, iederen morgen; dan zal hij ,-pSï, op het mur, het dagelijksch ochtend-imratto/fer rangschikken, â dit is het eerste, wat na het hout op het altaar komt, â m^r Tcpm, en daarop, op het altaarvuur, â v. a. daarna,
LEVITICUS VI.
het mag niet uitgaan; en de priester zal er eiken ochtend hout op ontsteken, en het brandoffer erop rangschikken, en de
6 vetstukken van het vredeoffer erop in rook doen opgaan. Zoo zal een altijddurend vuur op het altaar brandend gehouden
7 worden; het zal niet uitgaan. â En dit is de leer aangaande het meeloffer: dat de zonen van Aharon het brengen vóór den
8 Eeuwige, naar de voorzijde van het altaar. En hij zal er van afnemen met zijne volle hand van de bloem van het meeloffer en van zijne olie, en al den wierook, die op het meeloffer is; en op het altaar tot lieflijken geur in rook doen opgaan het
9 gedenkoffer ter eere des Eeuwigen. En wat er van overblijft, zullen Aharon en zijne zonen eten; als ongezuurd zal het gegeten worden op eene heilige plaats; in het voorhof van de
10 tent der samenkomst zullen zij het eten. Het zal niet gezuurd gebakken worden; hun deel is het, dat Ik hun van Mijne vuuroffers gegeven heb; allerheiligst is het, gelijk het zond-
11 en het schuldoffer. Ieder mannelijk persoon onder Aharons zonen mag het eten; een eeuwigdurend wettelijk deel voor uwe nakomelingen van de vuuroffers des Eeuwigen; al wat ze aanraakt, zal heilig worden.quot;
21
1 K3
hty ijfca 11533 |nquot;3n ipi ^ian kV nwn i^on pk : D^oV^n TDprn n^n1
Ij- â¢)⢠t quot; r t ; - jquot; ; v t v.v*t rl: ⢠: it
3iii5n nnaan min nan d : nssn nsTsrr^»
â¢â¢!:- at^: ⢠- v.* . iv : ⢠^ j -v.quot;:'-
lasp anni : nstsn ^ö'Vk nin» priN-^3 nnfcn -Vr 'ïamp;x nabbrrbs nNi nbiroi nnaan n^bo iiDp3
-i t : - t â¢â¢ : t : - ⢠t : ⢠- v lt; ⢠: I â¢â¢. ;
mnisni: nin^ nnquot;i3r« nn^ nn nsTön n^pm nrnsn»
vjv - : it 1- vt^tit; quot; ' 4 ' - s.. - .... - â¢Â«â¢ i: ⢠: at : ^ * -
ixn3 ^np Dipö3 VsKn ni^o V33i finx naÃD
j- -⢠1- It l-» t ; # quot; t^iquot; lt; - att I j-:!- ^ ; 1 tv*
nnfc â¦nn: Dp^n rbn nfi^n ah :
vt ⢠j-t mt; v I â¢â¢ t vt iquot; lt; . ^ t 1 ; 1 Iquot; v 1
â¦333 quot;ór^s : nKtsns Kin D^np t^Tp *
lt;quot; : ⢠tt t it tit: vt - i- ^ * * tit v|lt; ^ at ⢠iquot;
Vs nin» wp üyrrn) obi^-pn pnx ö * : ^np» Dn3
iti ; ⢠vv â¼
10. t*an nSJND xS. Lev. 2,11, is omtrent het meeloffer in zijn geheel bepaald, dat het niet gezuurd mag bereid worden-, hier staat betreffende het in het vorige vers genoemde mnu, overblijfsel van het meeloffer, dat de priester eten moet, dat het niet als iets gezuurds mag worden gebakken, de eenige handeling, die, om het eetbaar te maken, na de offerhandelingen nog noodzakelijk is. Dat hier alleen aan de overblijfselen, niet aan het meeloffer in zijn geheel wordt gedacht, blijkt ook uit riw wu, dat immers op het onderwerp van rfflNn terugziet en uitdrukkelijk alleen van de den priester toegewezen overblijfselen spreekt. Het mag niet gezuurd worden, omdat zij het als hun deel hebben verkregen lt;ün», van Gods vuuroffers, waarvoor immers het 2,11 gegeven verbod van iets gezuurds te brengen
feldt. â Dosai nscro, het staat met zond- en schuldoffer op één lijn, wateldt. â Dosai nscro, het staat met zond- en schuldoffer op één lijn, wat
etreft personen, plaats en tijd, voor het eten ervan aangewezen. Plaats en personen zijn vs. 9 en 11 genoemd; terwijl de gelijkstelling met zond- en schuldoffer ook den tijd, voor het eten van die allen aangegeven, gelijkstelt, nl. den dag, waarop het offer wordt gebracht, en den daarop volgenden nacht.
11. IDT Sd. « eder mannelijk persoon onder de priesters, ook hij, die door een lichaamsgebrek voor den dienst ongeschikt is. â pn is: een bepaald aangewezen deel, vel. Spr. 30,8 'pn onS wton. â oro w iirss Sa, al wat z e, meeloffer zoowel als zond- en schuldoffer, aanraakt, zal heilig worden. Het ziet niet op personen, die ten hoogste door hunne aanraking zouden kunnen verontreinigen, maar nooit zelve een heilig karakter kunnen krijgen, â maar op ongewijde spijzen, die door aanraking met deelen van allerheiligste offers gewijd karakter krijgen en aan dezelfde bepalingen onderworpen zijn, als die offerdeelen zelve (vgl. onze aant. Ex. 29,37). Rashbam: al wat ze zal aanraken, moet heilig, rein zijn; niets, wat onrein is, mag ermede in aanraking komen. â ahiv pn, een eeuwige wet, evenals Tinn, in den zin van: zoolang het mogelijk is; wanneer ooit meeloffers gebracht wordenj is het overblijfsel voor den priester.
LEVITICUS VI.
13 12 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Dit is het offer van Aharon en zijne zonen, dat zij op den dag, dat men een van hen zalft, ter eere des Eeuwigen zullen brengen: een tiende Epha meelbloem, tot meeloffer, steeds; de helft daarvan des
14 morgens, en de andere helft des avonds. Op eene platte pan in olie zal het toebereid worden, afgekookt zult gij het brengen ; tweemaal gebakken, een in stukken gebroken meeloffer zult gij het brengen, tot lieflijken geur ter eere des Eeuwigen.
15 En de gezalfde priester, die uit zijne zonen in zijne plaats treden zal, zal het bereiden; als eene eeuwigdurende wet ter
16 eere des Eeuwigen; het moet geheel in rook opgaan. En elk meeloffer van een priester is geheel te verbranden, mag niet gegeten worden.quot;
18 17 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot Aharon en zijne zonen als volgt: âDit is de leer aangaande het zondoffer : op de plaats, waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer geslacht worden, vóór den Eeuwige; allerhei-
191igst is het. De priester, die den dienst van het zondoffer verricht, zal het eten; op eene heilige plaats zal het gegeten
20 worden, in het voorhof van de tent der samenkomst. Al
12. Het bijzondere inleidend formulier -qti. omdat een nieuw tot nog toe niet besproken offer wordt behandeld.
is. im nron DV3. op den dag, waarop men (lijdende vorm als onbep. werkwoord) een van hen zalft. Sommigen verklaren rronn oro, evenals 7,37: van den dag af, dat men hem, Aharon, zalft; bij de dienst-aanvaarding van een priester of hoogepriester (vjai pns) moet altijd, T»n, dit offer worden gebracht. Het is twijfelachtig, of in T»n in ons vers gedoeld wordt op de priesterwijding in de toekomstige geslachten, â in welk geval vs. 15 zou spreken van het door de elkander opvolgende hoogepriesters (vjan i'nnn) ten eeuwigen dage dagelijks (abiy pn) te brengen meeloffer (jwan nru») â of wel, dat T»n in ons vers dit laatste met een enkel woord aanduidt en ons vers dus vertaald moet worden: dit is het meeloffer van Aharon en zijne zonen, dat zij den Eeuwige zullen brengen op den dag, waarop men hem, Aharon en zijne zonen met hem, zalft: een tiende Epha meelbloem, en dan voor het vervolg Aharon of zijn opvolgers steeds eiken dag weder een dergelijk offer. Dan spreekt vs. 15 van het wijdingsoffer der elkander opvolgende hoogepriesters op den dag hunner aanvaarding van het hoogepriesterambt. â In ieder geval is onze plaats tot Aharon en diens zonen gericht en moet dus ook een gewoon priester als ambtsaanvaarding het hier voorgeschreven meeloffer brengen; terwijl de hoogepriester het als ambtsaanvaarding en in het vervolg eiken dag moest brengen.
14. ntfyri JOlïO rDriD zie onze aant. 2,5. â roa*!», naar Rashie: in heet water afgekookt-, Rashbam e. a.: in olie week gemaakt, na het bakken; n. a. geroosterd. â 'j'bn, volgens den Thalmoed van nsx, bakken, dubbel gebakken, of vaak en op verschillende wijzen gebakken; anderen uit het Arabisch: gebroken, synoniem dus met dtib pm», daarom onwaarschijnlijk. Naar den Thalmoed werd het eerst in heet water gekookt, naai»,
22
1 lï 3D
-late vini nr : nirr quot;ist^
nnjo nVb naxn nS^ idk niran bi'a nin»1? lanp^
LT ; ⢠V.) JT quot; IT ⢠- J- T * : Tlquot; -i-l ;quot;
rotra nano-by : nn^noi ip'ia nn^no Ton^
I v .)â¢â¢â¢ - â: |- vhtt ^ v,t ⢠-: i- lv - -«t ⢠-: i- a* t
-nn znpn D^ns nnjo 'ran mi^an naaiö n'^n
- j-l; - * * â ; ⢠quot; ⢠1*1 t av^ ⢠; vJquot; ; \ v.*-* â¢Viquot;
nnK vaap vnnn n^sn jrisni : nin^ nn»a» nnn yïo rna nnw^Di : ntapn Vba run'1? D^ip-pn «
; r r t I â¢Â»â¢â¢ j- ; ⢠t : it I: t r r vr i- r ^ I. t
ö : brwn ah
Iquot; T 1quot; J
IOK1? v^rbNi nnK-^K ia*'! : quot;iü^b ntyo-Vx nin» quot;ISTI ^
â¢â¢ JTT,r. â â quot;: 1 râ â¢â lt;? 7' v' quot; JV â â¢â kT .: Jquot; quot;;quot;m
üntrn nwn tsn^n ivx Dipoa nKtsnn nnn dnt
lt;â¢â¢ T ⢠T IT â¢â¢ T V -: I : ⢠AT - I- V.quot;^ J
ssjtanpn jnan : Ntn n^; \teb n^^nn ^
b'2 : n^io br\a V5«n Wnp Dipoa nsSDN* nnK =
,) v J V- -i i- quot;TIquot; It llt; t : tav : I V.T
dan in den oven gebakken, ij'sn, en eindelijk in den platten pan in olie gebakken, nan» Sp. De zoo bereide broodkoeken, ten getale van twaalf, werden dan in stukken gebroken, dtib nran, waarvan dan des morgens de eene, en des namiddags bij het brandoffer de andere helft werd gebracht. â 2i-ipri ⢠⢠⢠naoan, zult gij het brengen, onderwerp is Aharon.
15- VJ30 rnnn n^on jrom; iedere hoogepriester, die na hem als zoodanig zal optreden. Wie van zijne, Aharons, zonen als hoogepriester optreedt, ook al is hij de zoon eens gewonen priesters, moet het nier besproken offer brengen. â icpn ah eene geheel te verbranden zaak zal het in rook opgaan, niet, gelijk bij andere meeloffers, slechts eene handvol ervan.
is. jro nnjo Sai. en elk meeloffer van een priester, vrijwillig of ver-plicht^ moet geheel verbrand worden.
17. Nu men, na het bijzondere priesteroffer, weder tot de bespreking der algemeene offers terugkeert, wordt de behandeling met een nieuw 13T1 ingeleid.
18. V33 Sjfl pnK Sn» tot Aharon en zijne zonen, zie onze aant. vs. 2. De plaatsbepaling voor het slachten is reeds 4,24 gegeven.
19- nnK NHHOn jnsn» de priester, die het zondoffer als zoodanig behandelt, d. w. z. die den hoofddienst, het bloedstrijken op de horens des altaars, verricht. Luzzatto : die het bloed op de horens van het altaar strijkt, zie onze aant. 4,3. Oorspronkelijk werden de offerdeelen gegeten door den priester, die den dienst had verricht en die er als zoodanig beschikkingsrecht over had. Naar de traditie werd in het begin van den koningstijd eene regeling getroffen, waarbij de priesters in 24, beurtelings eene week dienstdoende groepen, rrnaPD, werden verdeeld, die wederom in dagploegen waren gesplitst; de dien dag diensthebbende priesters, hadden dan gezamenlijk reent op de offerdeelen, die hoofdelijk onder hen
LEVITICUS VI, VIL
wat zijn vleesch aanraakt, zal heilig worden; en als van zijn bloed op een kleed spat, â dat namelijk, waarop gespat is, â moet gij
21 op eene heilige plaats wasschen. En een aarden voorwerp, waarin het gekookt is, moet gebroken worden; doch indien het in een koperen voorwerp gekookt is, dan moet dat met water uitge-
22 kookt en omgespoeld worden. Ieder mannelijk persoon onder
23 de priesters mag het eten ; allerheiligst is het. Doch elk zondoffer, van welks bloed in de tent der samenkomst gebracht wordt, om verzoening te bewerken in het heiligdom, mag niet gegeten, in vuur moet het verbrand worden.
1 En dit is de leer aangaande het schuldoffer: allerheiligst is
2 het. Op de plaats, waar men het brandoffer slacht, zal men het schuldoffer slachten ; en zijn bloed zal men tegen het altaar
3 sprengen rondom. En al zijn vet zal men er van offeren: het
4 staartstuk en het vet, dat de ingewanden bedekt; En de beide nieren, en het vet, dat er op is, dat aan de lendenen is, en het net over de lever; met de nieren zal hij het wegnemen.
5 En de priester zal ze op het altaar in rook doen opgaan, als een vuuroffer ter eere des Eeuwigen; een schuldoffer
6 is het. Ieder mannelijk persoon onder de priesters mag het eten; het moet op eene heilige plaats gegeten worden, aller-
verdeeld werden (Luzzatto). â Met het oog echter op de uitbreiding der bevoegdheid tot eten van de offerdeelen, tot alle mannelijke personen onder de priesters (vs. 22), dus ook wegens lichaamsgebreken voor den dienst ongeschikten, ziet de Thalmoed in ons vers reeds de aanwijzing van de, reeds onder Mozes, op het einde van diens leven bestaan hebbende, pries-terafdeelingen (ten getale van acht), waarin ook gebrekkigen waren ingedeeld; en verklaart dan NDnnn: die de diensthandelingen met het bloed had kunnen verrichten, die dus tijdens het strijken van het bloed op de altaar-horens niet onrein was.
20. -Ijon hy noio nr quot;UJW» wat van het Uoed van het zondoffer spatten mocht (onovergankelijk, het werkw. staat in Sp) op een kleed, moet gij uitwasschen, en wel: rfSp nrgt; ips, de plek, waarop het gespat is; niet het geheele kleed, maar alleen de met bloed Dezoedelde plek. â cnp oipua, binnen het voorhof des heiligdoms. â Deze bepaling, evenals die van het volgende vers, geldt uitsluitend bij zondoffers, niet bij brand-, vrede- of schuldoffers.
21. Ook het vleesch heeft bijzondere heiligheid: een aarden voorwerp, waarin door koken elementen van het zondoffer zijn ingedrongen, moet, als te poreus en voor indringen ontvankelijk, terwijl die vreemde elementen er door uitkoken niet uit verwijderd kunnen worden, worden gebroken. Is het in vaatwerk van koper of ander metaal gekookt, p-mi, dan moet dit voorwerp van vreemde bestanddeelen ontdaan worden, naar de traditie: door in heet water uit te koken, pi», eig. van vreemde bestanddeelen ontdoen, vandaar: polijsten van metalen (II Kron. 4,16) en verzorgen der huid om haar glad te maken (Esther 2,12); zoo ook: pi», vleeschnat, door koken uit het vleesch getrokken vocht (vgl. Jes. 65,4 en Recht. 6,19) (Kimchie). An-
23
T 1 1Ã 33
non» nr nniraa yanB'K
-: v v - TT* lt;v v -:r /stI : ⢠vtt : ⢠-»quot;*/ 'â¢* quot;â¢
13-Wan itrK : trip Dipös D3Dn nr «
v, ⢠\ : -»â¢-⢠-: v4v ⢠: ⢠gt; : ' : t v^t -â¢â¢.â¢â¢
iDrba : D'sa^npiDi nbib ntfm ^sroKi uw ^
q jt t t * it - i v* % : i /quot; t t \ v : lt;⢠: ⢠⢠: aquot; t â¢
ibw nNèn-^i : Kin D'^np i^ip nnk D^naa»
V -1 t - t ; r v* t»t v| J at â¢â¢- ^ K.' ~i ^ â
ITNS 'pDNn N1? Bhpa quot;IfiDb I^ID HOID tOV
vquot; t aquot; t 1quot; -⢠v( ^ - Jquot; m l 4quot; v s v tt* t
ö : tj^n
iirK Dipos : Kin D^np tflp D^xn min n^n« ^
-::â¢lt;â¢â¢â¢-: i : * 1 v * t i t v| j at t it v ^ â¢'5 3
narsn-sr p'it» idthni d^nn-nx itantr» n^n-fik
quot;Vï * - ^5, â¢.-»:* â¢Â» t v ; at t it v ^ -: : ⢠t -«t
^nrrnKi n^xn DN isap anjr I3bn-b| nwi : yaoj â¢^k bVnnriKi h^an 'm fiKi : nnprrnx nMpn*1 â nsir1^ nin'n-nNi; D^oan-^ im jn^jr Dt?N nin^ ni^N nni?an jnan onfc n^pm : totd»quot;
vt t . at r ^ v,quot; * t â¢â¢: * - i â¢â¢ - lt;r ⢠i: * : t iv * :
u'np irnp Dipaa labD^ D^nsa quot;iDT-ba : Nin^
v!j â¢â¢ Tlquot; It Ilt;t : av : -i i - jtt t i
deren vertalen ook hier: polijsten en schuren. â c]Oüi, en omgespoeld worden, met koud water, na het uitkoken; volgens de opvatting, die in pi»% schuren met koud water ziet, wijst dit op de reiniging der binnenzijde van het voorwerp, terwijl dan epci eene reiniging der buitenzijde met koud water voorschrijft. Het bovendien vereischte uitkoken wordt dan hier niet behandeld, als volgend uit Num. 31,23. (Zie Wesselt).
23. DNÃH Sil enz- De zondoffers, namelijk de 4,1â21 behandelde zondoffers van hoogepriester en gemeente in bepaalde gevallen, evenals de Lev. 16,27 genoemde var en bok van den Verzoendag en de Num. 15,24 behandelde bok bij afgodendienst der gemeente, wier bloed in het heilige komt, om daar gesprengd te worden en verzoening te bewerken, mogen niet worden gegeten, maar moeten in vuur worden verbrand. 4,12 en 21 is de plaats en de wijze van verbranden meer uitvoerig besproken. Zie ook Lev. 16,27. â Alleen Num. 15,24 staat het niet duidelijk. â TïinSnx, hier, gelijk zoo vaak: de naam voor het heiligdomsgebouw, heilige en allerheiligste te zamen.
Hoofdstuk VII. De dienst bij schuldoffers wordt hier in zijn geheel gegeven, daar in hoofdst. 5 slechts de gevallen, waarin een dün verschuldigd is, en de aard van het te brengen dier was besproken. De bloed-sprenging komt met die van brand- en vredeoffer overeen. De vetstukken, die van het schuldoffer het eenige zijn, wat op het altaar komt, zijn dezelfden als van het zondoffer-scAaajo, daar als schuldoffers nooit anders dan oudere en jongere schapen, M3 of Sx, mogen gebracht worden. (Zie hoofdstuk 4; en voorts Lev. 14,12; 19,21; Num. 6,12). Daarom hier: het staartstuk op het altaar gebracht.
LEVITICUS VIL
7 heiligst is het. Zoowel het zondoffer, als ook het schuldoffer, één leer hebben zij; voor den priester, die er verzoening mede doet,
8 voor hem zal het zijn. En de priester, die iemands brandoffer brengt, â de huid van het brandoffer, dat hij ten offer gebracht
9 heeft, voor den priester, voor hem zal zij zijn. En elk meel-offer, dat in den oven gebakken is, en al wat in een diepe of op een platte pan bereid wordt, voor den priester, die het ten
10 offer brengt, voor hem zal het zijn. En elk meeloffer, dat met olie aangemengd of droog is, voor alle zonen van Aharon zal het zijn, voor den een gelijk den ander.
11 En dit is de leer aangaande het vredeoffer, dat men ter eere
12 des Eeuwigen brengen zal: Indien men het wegens dankbetuiging brengt, dan moet men bij het tot dankoffer bestemde slachtdier brengen ongezuurde koeken, met olie aangemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken, en afgekookte meel-
13 bloem in koeken, met olie aangemengd. Met gezuurde broodkoeken zal men zijn offer brengen, bij het slachtdier van zijn
14 dank-vredeoffer. En hij zal daarvan één van iedere offersoort als heffing ter eere des Eeuwigen brengen; voor den priester.
7. Zondoffer en schuldoffer hébhen in zooverre ééne leer, dat bij beiden het altaar slechts de vetstukken krijgt, terwijl het vleesch door den priester, die de verzoeninga-handelingen verricht, gegeten moet worden. 12, door het offer.
8. Hoewel bij het brandoffer de dienstdoende priester van het vleesch niets krijgt, is hem aanspraak op de huid van het offerdier gegeven, terwijl overigens de huiden der offerdieren het vleesch volgen; wordt dit, zooals bij zond- en schuldoffer, door den priester gegeten, dan behoort dezen ook de huid; bij vredeoffers, wier vleesch den offeraar is toegewezen, blijl't ook de huid diens eigendom, anpan jron, beteekent, evenals jron SEnan, 6,19: de tot den dienst geschikte (en niet door onreinheid verhinderde) en daarvoor aangewezen priester. â Daarvoor is ook vs. 9 de reeds 6,11 gegeven bepaling, dat de priesters de meeloffers eten, herhaald, om de bepaling: anpnn jroS bij te voegen. Anderen meenen, dat hier, aan het einde der beschrijving der offers, waarvan de eigenaar niets, de priester het leeuwendeel krijgt, des priesters aandeel aan alle offers nog eens kor-telijk herhaald wordt.
10. nrim intra nrna met olie aangemengd, gelijk de hoofdstuk 1â3 genoemden, of droog, als het zondmeeloffer, 5,11, of dat van Num. 5,15, zal voor alle zonen van Aharon zijn, zonder onderscheid. Het vorige vers spreekt nl. van de gebakken meeloffers, 2,4â13. De Thalmoed ziet in ons vers het voorschrift, dat alle deelgerechtigden van elk offer hun aandeel moeten hebben en dit niet tegen elkander kunnen inruilen; ook waar zij, gelijk bij een droog meeloffer, slechts een weinigje meel op hun deel zouden krijgen, moeten zij dit nemen en als hun offeraandeel eten.
11. Onze plaats, die hoofdzakelijk de bij het nuttigen der offerdeelen in acht te nemen bepalingen mededeelt, onderscheidt drie soorten van vredeoffers, in verband met de aanleiding onderscheiden in: dankoffer, waarbij brood gebracht moet worden, waarvan de priester één van iedere soort krijgt, (12â15) en die als gelofte of als vrijwillige gave gebracht worden (16, zie aldaar). Daar een kenmerkend verschil tusschen die offer-
24
4
T iv na
rnan on1? nn« min Dtbtta nKöna : «in D^np'
jv -: mquot; - av t v* - jt t t it^ t ~ iquot; i v.- tl t
nip wx nbrnK anpsn ?röni : rn^n» iV irnsa»quot;
^ lt; a* - v v*l: - - I â¢â¢ - : , iv : â ⢠^ ^ v - :
nfinn ni^K nnjD-'jai : m i1? rrü1? 3^pn naw nVpn d
v t iquot; lt;v -: t : * t ; iv ; r j Kquot; ~ *1: ⢠â¢Â»â¢.⢠-: t ^ it
nnilt; nnpanrnab nanü-^i nt^nnaa n^r^ai nuna
vt rl: - - Hquot; - a- -: i- ~ ; v - jr t ; - -
nnx naini ra^rnb^a nnia^ai : n^nn i1?1
» â¢) quot;: iquot; squot; : t ; at I v v-* quot; «t : jt : ' t : iv: r j
ö * : vnio k^'k irnn
i* t : j' y.quot;: r
qk : nm»1? anp» nty« D'abtrn nar nnm nxn ^
f it i- jquot; quot;â aquot; t : quot; --«v vquot;
ribiVa niïü nibn nninn narby i anpni ^anp^rnin
: - « - T - -Jv â gt;â¢):â¢: v *1:- t^
h^ahVn naanonbbiro^aD^oniïö ro^a
^ ^ - v v : â¢.. v â ⢠; i v at ^ V ~ 1jquot;1' '⢠' quot; *⢠quot;
nnm narbp ijan^ anp» fbn on1? hbn-Vp : jü^a ^ tria1? nm^ nomn ranp-^aü nn« mn anpm : mbv ^
I â¢â¢ - at i- vt : It ;it t ⢠t v lt;v ⢠*1: ⢠; it t :
soorten zich bij de behandeling van het offerdier in het geheel niet vertoont, was deze onderscheiding in hoofdst. 3 niet op hare plaats, daar de met het offerdier te brengen offerbestanddeelen daar niet worden besproken. Ook de plengoffers en meeloffers bij brand- en vredeofferdier immers zijn daar niet behandeld. Wat het dier betreft, is tusschen dank- en andere vredeoffers alleen verschil in den tijd, gedurende welken het gegeten mag worden. (Zie vs. 15 en 16).
12. min hy. wegens dankbetuiging, omdat men zich tot dank verplicht acht wegens redding uit nood of verworven geluk. â rrnnn nar Sr, hij het als dankoffer te brengen slachtdier, dat, als vredeoffer, kan bestaan uit een mannelijk of vrouwelijk stuk rund- of kleinvee, moet hij, de offeraar, dan brengen: drie soorten ongezuurd brood en wel: mSn, crp'fn en rmn; zie over deze broodsoorten onze aant. Ex. 29,2.
13. Met gezuurde broodkoeken, laip a'ip', zal men deze ongezuurde brooden als zijn offer brengen bij het dier, dat tot dank-vredeoffer bestemd is. Hoofdbestanddeel van het offer blijft het offerdier, waaraan de vier broodsoorten worden toegevoegd. Naar den Thalmoed werden van iedere soort tien brooden gebracht; de bijeen-groepeering der drie ongezuurde soorten, die dan gebracht moeten worden: ^sn urh nSn Vr, geeft aanleiding tot de verklaring: met eene gelijke quantiteit gezuurde brooden, zoodat de hoeveelheid meel, voor de tien gezuurde brooden gebezigd, in den regel evengroot moest zijn als die der drie Matsa-soorten te zamen. In het geheel werden 6 Sea = 2 Epha = 20 tienden van een Epha ter bereiding van het brood genomen, waarvan de helft, 10 tienden dus, voor het gezuurde brood werd gebezigd, zoodat iedere broodkoek daarvan '/io Epha, d. i. een voor voedsel voor één dag toereikende hoeveelheid, hield. Ieder Matsa-brood (waarvan dertig uit tien tienden werden vervaardigd) hield dus lL tiende.
14. una anpm. van die geheele massa brooden zal hij één van iedere offersoort als heffing afnemen, te zamen dus vier brooden, waarvan echter niets op het altaar komt, maar die in haar geheel aan den dienstdoenden
LEVITICUS VII.
die het bloed van het vredeoffer sprengt, voor dezen zal het zijn.
. 15 En het vleesch van zijn dank-vredeoffer, moet op den dag, dat men het offer brengt, gegeten worden; men mag er niet van
16 laten liggen tot den morgen. Indien echter eene gelofte of een vrijwillig offer is het slachtdier, dat hij ten offer brengt, dan moet het op den dag, dat hij het ten offer brengt, gegeten worden, en den volgenden dag â wat er namelijk van over-
17 blijft, mag gegeten worden. Doch wat van het vleesch van het offerdier overblijft, zal op den derden dag in vuur verbrand
18 worden. Indien echter van het vleesch van het slachtdier zijns vredeoffers op den derden dag gegeten wordt, zal het niet tot welgevallen aangenomen worden; hem, die het ten offer heeft gebracht, zal het niet worden toegerekend, maar gruwel zal het zijn; en de persoon, die er van eet, zal zijne misdaad
19 dragen. Het vleesch, dat wat onreins ook zal aangeraakt hebben, mag niet gegeten worden, in vuur moet het verbrand worden ; doch het vleesch â ieder, die rein is, mag vleesch eten.
priester (de priesterafdeeling) werden toegewezen. Terwijl bij de wijding van Aharon en zijne zonen, alsook bij het offer van den Nazier, bij welke beide vredeoffers eveneens brood gebracht wordt, duidelijk uitgesproken is, dat het heffingsbrood ook bij borst- en schenkelstuk wordt gevoegd om de daarmede voorgeschreven bewegingen te maken, staat dit bij het dank-vredeoffer niet duidelijk, maar moest naar de traditie toch plaats hebben. Het offerdier wordt geheel als vredeoffer behandeld; de voorschriften van hoofdstuk 3, zoowel als die van vs. 28 vv. moeten erbij worden in acht genomen.
15. Wat hier van het vleesch wordt gezegd, geldt ook van het daarbij behoorende brood. Deze zelfde tijdsbepaling geldt evenzeer voor andere allerheiligste offers: zond-, schuld- en meeloffer, en voor den ram van den Nazier, waarbij niet uitdrukkelijk een tijd is bepaald. Dat de verder volgende bepalingen juist bij de vredeoffers worden besproken, hoewel zij bij alle offers evenzeer gelden, is te verklaren uit het eigenaardig karakter der vredeoffers, die voornamelijk als feestmaal dienen. â iaip bto, den dag, waarop het offer wordt gebracht, en den daarop volgenden nacht, zooals uit het slot van het vers blijkt, waar verboden is tot den morgen, niet tot den nacht ervan te laten liggen.
16. quot;nj, gelofte, waarbij men toegezegd heeft in een zeker geval, bijv. bij eventueele redding uit den nood, een offer te zullen brengen, zonder dat nog een bepaald object is aangewezen, (iSr â nn, ik neem op mij een offer van zekere klasse te brengen); nat:: erne vrijwillige gave, waarbij men in eene opwelling, uit drang des harten, een bepaald dier den Eeuwige tot offer van een bepaalde soort wijdt (ir 'in, dit dier zal tot offer bestemd zijn). Hier is natuurlijk uitsluitend van vrijwillige vredeoffers sprake; daarbij was dan geen brood te brengen en de tijd, waarbinnen het gegeten moest worden, was: twee dagen en de daartusschen liggende nacht. â mum ninisni enz. en ook den volgenden dag, â en het tot dien dag overgeblevene mag nog steeds, en moet zelfs, als het kan, worden gegeten. Eigenlijk behoort het geheele offer op den dag, waarop het gebracht is, te worden verteerd: doch mocht er wat over zijn gebleven, dan mag en
25
T quot;lï
vb^nim nnt ïeoi : i1? dthk pitnic
t t ; -â¢- - vlt; - ; iv tr j v.- t : - j- v I r' -
IK i TirDKi : iprnv ^ao rrr-^ bax' uaip ova «=
J v-iv * ; i v i vv * ' jquot; i *quot; tv ^ t ;IT j:
ninaai innrnK innpn ova ihip nat nin:
t*: it ⢠Aquot; tiquot; ^ * â¢â¢ ^ *1: quot; â¢) ; r ;It - vlt; t t:
bi»3 nn-in ityaa imam : bzw vm quot;inism ^
... â â -AT- J- : * IT â ï 1quot; Tlquot; 1 â¢â¢ ⢠IT â â¢
dv3 ratâifrao ïik* dni : enfr» mz
J - T T : - V - ; ⢠quot;Tlquot; -«Tlquot; , I «quot;T ⢠Vquot; T
rviT bus quot;h amp; inxanpsn quot;hïT ah Vjtfn
av ; r J ^ â¢Â»quot; tiquot; sj-i : - - v tiquot; -⢠⢠⢠; -
â bDayrntfKïÃarn : mn n:ty issd tfaam
t : ^⢠v ~s t t - : _ ,T^ *JT ⢠' . **â¢'â¢* ,T - :
: 1^3 nintrVs Ttbamsriw biw ah koü
it t J~ { r r t t - :|aquot;t ⢠vquot; t â¢â¢ tiquot; -lt; â¢â¢ t
moet dit alsnog den volgenden dag worden opgegeten. De '1 van ura-n is moeilijk bevredigend te verklaren, hoewel van zoodanig gebruik der '1 meerdere voorbeelden zijn aan te wijzen. Hirsch meent, dat men, hier reeds Sas* verklarende in den zin van: ten eten bestemmen, alle moeilijkheid nit den weg ruimt. Men moet dan vertalen: het vleesch van een dier, dat als gelofte enz. is gebracht, moet worden hestemd om te worden gegeten op den dag des ojfer.t en den volgenden dag, â en wat werkelijk op den volgenden dag is overgebleven, mag nog gegeten worden.
17. mum en wat na het einde van den tweeden dag, dus bij het vallen van den avond, overblijft van het vleesch, moet op den derden dag verbrand worden, csa, in gewoon vuur, niet op het altaar.
18. SsN1 SsJfn DNI enz- De eenvoudige zin der woorden geeft de wet: wanneer op den derden dag door wien ook van het offervleeseh wordt gegeten, waarmede alle offerhandelingen overigens naar behooren zijn geschied, zal het offer niet welgevallig meer zijn. Daartegen rijst echter het bezwaar: 1°. dat een derde, door na den tijd te eten, het offer van een ander ongeldig kan maken; immers ook het overblijven van het vleesch kan buiten de schuld des offeraars zijn geschied; 2°. dat, nadat alle offerhandelingen zijn verricht, het al of niet eten op zijn tijd op de geldigheid des offers geen invloed meer kan oefenen. Vandaar dat de Thalmoed, op grond der traditie, onze plaats aldus opvat; era indien, bij het slachten van het dier, of bij het opvangen, naar het altaar brengen of sprengen van het bloed, men iets van het vleesch des offer diers hestemd heeft om op den derden dag te worden gegeten, zoodat de fout bij de eigenlijke offerhandelingen werd gemaakt, dan is daardoor het offer niet tot welgevallen, en voor hem, die het als offer brengt, wordt het niet als plichtsvervulling gerekend, het is S«b, gruivel, (alleen van offervleeseh gebruikt. Lev. 19,7; Ez. 4,14; Jes. 65,4, beteekent waarschijnlijk oorspronkelijk: stank) en wie ervan eet, zelfs binnen den voorgeschreven tijd, draagt zijne zonde, d. w. z. wordt met uitroeiing gestraft, zooals Lev. 19,8 uitdrukkelijk na dezelfde uitdrukking wordt bijgevoegd; men moet dan vertalen: indien enz.gegeten zou worden. Grammaticaal is deze opvatting wel te verdedigen. (Vgl. o. a. Luzzatio).
19. Ons vers spreekt van offervleeseh. Zoodra dit aan iets, dat verontreiniging brengt, heeft aangeraakt en dus zelve onrein is geworden, mag het niet worden gegeten, maar moet worden verbrand, doch wat gewoon, niet verontreinigd offervleeseh aangaat, iedere reine alleen mag vleesch eten.
na
LEVITICUS VII.
20 Doch een persoon, die vleesch mocht eten van het slachtdier des vredeoffers, dat ter eere des Eeuwigen gebracht is, terwijl zijne onreinheid op hei» is, â die persoon zal uit zijn volk
21 uitgeroeid worden. En een persoon, die wat onreins ook zal aangeraakt hebben, de onreinheid van een mensch of eenig onrein vee of eenig onrein te verafschuwen gedierte, en die dan van het vleesch van het slachtdier des vredeoffers eet, dat ter eere des Eeuwigen gebracht is, â die persoon zal uit zijn
22 volk uitgeroeid worden.quot; â En de Eeuwige sprak tot Mozes,
23als volgt: «Spreek tot de kinderen Israëls, aldus: hoegenaamd
geen vet van een os, van een schaap, of van eene geit, zult
24 gij eten. Doch het vet van een gestorven, of het vet van een verscheurd dier, mag wel voor allerlei werk gebezigd worden,
25 maar eten zult gij het niet. Want al wie vet eet van eenig dier, waarvan men ter eere des Eeuwigen een vuuroffer mag brengen, die persoon, die het gegeten heeft, zal uit zijn volk
26 uitgeroeid worden. En geenerlei bloed zult gij eten, in al uwe
27 woonplaatsen, noch van gevogelte, noch van vee. Ieder persoon, die eenig bloed zal eten, die persoon zal uit zijn volk uitgeroeid worden.quot; â
29 28 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: âSpreek tot de kin-
doch dan ook ieder, zoo hii slechts rein is en van den offeraar iets van het offervleesch krijgt. â Het vleesch zelve moet dus rein zijn en mag slechts door reine personen worden gegeten.
20. vbj? inJCDDI) terwijl zijne onreinheid op hem is, d. w. z. dat de persoon eens bijv. door een lichamelijke kwaal onrein was en nog niet tot den staat van ritueele reinheid is teruggekeerd, isu» vSj nsnnvi nsnits.
21. Hier volgen de verontreinigingen door aanraking en wel: dix nNnoa,. olie van een mensch komende onreinheid, een lijk en wat daaraan heeft geraakt, en alle door gebruik van onreine personen (ai en jn*») onrein geworden en onreinheid overbrengende voorwerpen. â ns»B nnnaa, onreinheid brengend gedierte, d. w. z. een aas van een dier, onverschillig of dit voor het gebruik al of niet geoorloofd is. â sne ypo, een dier, waarvan de meeste menschen een afschuw hebben, verzamelnaam voor onreine visschen, vogels en kruipende dieren. (Vgl. 11,10â42). Ook dezen zijn natuurlijk alleen na hun dood eene bron van verontreiniging. Levende wezens verontreinigen niet en kunnen niet onrein worden, met uitzondering van den menaeh, die door aanraking aan een lijk of dgl. in staat van onreinheid komt, die zich verder voortplant.
23. Het verbod van vet en bloed, in onmiddellijk verband met het eten van offervleesch, evenals 3,16 en 17. Als algemeen en overal, ook buiten den kring des heiligdoms, geldig, richt het zich tot de kinderen Israëls en wordt daarom met een nieuw -qti ingeleid. Onder aSn worden verstaan de 3,3, 4 en 9 opgenoemde vetdeelen, die bij offers op het altaar komen, niet echter het in het vleesch dringende en daarmede saamgegroeide vet. Deze deelen nu mogen niet gegeten worden van eenig dier, dat tot de ossen, schapen of geiten, dus tot de als offer te gebruiken diersoorten behoort.
26
t ia
inKQLii nin^ h'Dhwn nn^o liba ^fiim3
^ t : \ ; t i- ⢠t ; - -lt;v t t j- v -i v v - :
â Vro yan-'a ^aii : n^s^o Ninn jyfisn nmaji rbv«
t : * r vv: t iv'1- i- v.* - ^jv - 4t ; : ⢠; at^t
KOL: IN nxo^ nonaa i IN D-IN HNDÃS KÃÃ
â¢â¢ t 1 |y-»v t : lt; t â¢â¢ : jt â¢â¢ ; ⢠^ tt \ : â¢â¢ t
Kinnennn⢠nin'b D'Q^n nar-i^aö VDNT
v* - vr.' - -jt : : ⢠: at i- -»â¢â¢â¢-: v,* t : - -jv - ; ⢠t :
^r-bN quot;i3T : iONv' nj^D-^N nirr -laTi ; == : ISDNH ab ryi 3201 iity nbn-ba
V lt;â¢â¢ : Iquot; J V't V â¢)â¢.* : J v quot; # t A â¢â¢ v.quot; T: â¢
: irtoxn N1? Vdni nDN^o-^V nina nbni nba:
i\ ; 1 J v t : at t t : ^ v.*.* ^riquot; t â¢â¢ ; ^ â¢.â¢-â¢â¢â¢ : t â¢â¢ :
nin^ rró mso anp» IK'N nónan-ro aVn ^DN-ba ^ ^
at 1- v,v * t-jv gt;â¢!:- v -: t â¢â¢ ; - i * v â¢â¢ jquot; t â¢lt;
Sbsi^NnN1? dt^i ; n^a^a n^Dkn trsan nrron«
v, ; : 1 â * t t ; t iv^- i- v *.v it vjv - -jt : ; ⢠:
DT^S ^Nn-ii^N trarba : nona^i eii^ DD^itrio»
at t -â¢- v -» v^v t it ; i 1 t av â¢â¢ i : i
ö : !Taj?a Ninn jyaari nn-ipji
ION1? VNTB» ^rbx 131 : ioNv' n^D-1?# nin» quot;lai'in:)
a â¢â¢ iquot; t : ⢠jquot; : v 4quot; - 1 â¢â¢ jv v : Jquot; -: - 03
ook al zijn ze ongewijd. Wél daarentegen bij wild en dgl. â Ons vers vormt de inleiding tot het volgende, daar het verbod eenig vet of bloed te nuttigen reeds 3,17 staat.
24. Hoewel ons vers alleen van vet van zijn natuurlijken dood gestorven of door een wild dier verscheurd vee spreekt, geldt de hier gegeven bepaling, waardoor vet, dat niet mag gegeten worden, toch voor andere doeleinden mag worden gebruikt, ook voor tot particulier gebruik bestemd geslacht vee. Dat daarvan hier niet uitdrukkelijk gesproten wordt, is te verklaren uit het verbod Lev. 17,3 vv. in de woestijn anders vee te slachten, dan met bestemming als offerdier, waarvan het vet natuurlijk op het altaar kwam. Als nu later (Deut. 12,15 vv. en 21 vv.), nadekomstinKena'an het slachten van vee tot eigen gebruik overal wordt toegestaan, geldt voor het vet van zulke ten gebruike geslachte dieren de in ons vers gegeven, en voor de Israëlieten in de woestijn alleen voor ns-iDi rto mogelijke bepaling: het niet te eten, maar voor andere doeleinden te gebruiken.
25. nonan p enz. niet alleen 'rh -idn S'isSiw nat», zooals vs. 18,20 en 21, maar van de diersoorten, waarvan men een offer brengen mag, ook al zijn de dieren zelve niet gewijd.
.26. DT en elk bloed, van alle, ook van niet tot offer geschikte diersoorten, in tegenstelling met het i;elt;-verbod. â syir1?, met betrekking tot
fevogelte, zoowel als tot vee, â uitgesloten zijn dus van dit verbod: hetevogelte, zoowel als tot vee, â uitgesloten zijn dus van dit verbod: het
loed van visschen en dat van sprinkhanen. â Reeds 3,17 is uitgesproken, dat bloed- zoowel als vet-verbod ten eeuwigen dage en op alle plaatsen gelden.
29. Voorschrift omtrent hetgeen de offerende van zijn vredeoffer (hetzij het een dankoffer, gelofte of vrijwillige gave is) aan het altaar en den priester moet geven, â daarom zich tot al de kinderen Israels richtend,â
LEVITICUS VII.
deren Israels, als volgt: Wie zijn slachtdier als vredeoffer ter eere des Eeuwigen brengt, zal van zijn slachtdier als vredeoffer
30 den Eeuwige zijn offer brengen. Zijn eigen handen zullen de vuuroffers des Eeuwigen brengen; hij zal namelijk het vet op het borststuk brengen; en wel het borststuk, om er eene wen-
31 ding mede te maken voor den Eeuwige. Dan zal de priester het vet op het altaar in rook doen opgaan; daarna zal het
32 borststuk voor Aharon en zijne zonen zijn. Ook den rechter schenkel zult gij als eene heffing aan den priester geven, van
33 uwe vredeoffers. Wie van Aharons zonen het bloed des vredeoffers en het vet ten offer brengt, voor hem zal de rechter
34 schenkel als deel zijn. Want het borststuk der wending en den schenkel der opheffing heb Ik van de kinderen Israëls genomen, van hunne slachtdieren tot vredeoffers; en gaf ze aan den priester Aharon en aan zijne zonen, als een eeuwig hun
35 toekomend deel, vanwege de kinderen Israëls. Dit is het zal-vings-recht van Aharon en het zalvings-recht zijner zonen van de vuuroffers des Eeuwigen, van den dag af dat men hen deed
36 naderen, om den Eeuwige als priester te dienen; Wat de Eeuwige, op den dag, dat hij hen zalfde, geboden heeft, hun vanwege de kinderen Israëls te geven; een eeuwige wet voor hunne nako-
37 melingen.quot; Dit is de leer aangaande het brandoffer, het meeloffer,
«np ns als zijn, niet door hemzelven, maar door altaar of priester te verteren offerdeel.
30. 'n 'CJC nx, de op het altaar ais vuuroffers te brengen deelen, namelijk het vet, ntnn Sjj, op, met het borststuk zal hij het brengen, en wel het vet, om te verbranden, â het borststuk daarentegen, om daarmede eene nsun, wending te maken voor den Eeuwige, tegelijk met de vetstukken. Daarna worden de vetstukken verbrand, het borststuk den priester toegewezen. â De wending zelve bestaat uit heen en weergaande beweging, nsi:n (naar de vier windrichtingen ?) en eene op- en neergaande heffing, rmnn. üit 10,15 blijkt, dat ook het schenkelstuk bij de wending moést genomen worden. De wending had op de volgende wijze plaats; de vetstukken lagen op de vlakke hand van den offerende, en de schenkel en het borststuk daarboven op; de priester legde nu zijne rechterhand onder die van den offerende en maakte de beweging. â n?n, het borststuk, het naar den grond gekeerde gedeelte van de borst, van hals tot pens â met twee ribben aan weerszijden.
32. piy, schenkel, het bovendeel van den rechterpoot, van het kniegewricht tot de heup; bij den voorpoot heet het overeenkomstige deel: rnT.â nffnn. Hoewel bij de heffing ook het schenkelstuk genomen werd, heet toch altijd het borststuk nsunn ntn, het schenkelstuk rmnnn pw, volgens Nachm. ómdat het laatste bij het inwijdingsoffer als heffing voor het altaar werd bestemd. Lev. 10,15 staat de wending bij beiden vermeld, terwijl wending en opheffing Ex. 29,27 bij beiden worden genoemd. â r\wr\, heffing; het borststuk valt den priester toe 'n 'ün», van de voor God bestemde vuuroffers (vs. 31), â het schenkelstuk daarentegen als heffing, als af te zonderen deel van het door den eigenaar te verteren vleesch.
33. anpon, naar de traditie, evenals 6,19, wie kan brengen; wie niet
27
T IX D
rQTöniirV lasipw nin^ VoVty narn« nnpan
^ 'JV \,r i- â¢) t ; i t v s-t tl- tt ; -lt;v v *1: â
nrnn-^ a^nrrm nin» n« ny^nn vt ; va^s
v t iv - vlt;quot; - v f,r : * vquot; tv ⢠: jtt it t :
^üpni : nin» â¦jöV nö^n ink wrh ninn nst
^ s* i: ⢠: it ; jquot; t ' ^.t ; ^ â¢gt; i r t : vtiv v ⢠;
nNi : v^nbi pnN1? nfnn n»ni nnarsn n^nn-nx rrün ^
â¢â¢ : it t : i v. -j i- ; v t iv t t ; taquot; ; ⢠- v vquot; quot; v i â »â¢â¢
anpan : Qynbv ^nn-ta rns1? nann unn pb»n piir^
â¢I: - - iv ⢠Ia- - ^t ; ^ ⢠I ⢠t- I â¢*
vwn pi^ n»nn ib nnx â¦jaa a^nn-nxi dtjin
I I j â¢)â¢.â¢: r s I a-ir ⢠f v^-- ^v : t^: - s-
â¦nnpb nbnnn pity i n«i naunn nrn-n^ »3 : njo1? ^
' ; i - t ^ t : 'p p ^ : t : v * it t :
rron pnxb onx ?nNi on^o^ hnd
llt;quot; - i -:i- : t ivit av â¢â¢ : - ^quot; ; ⢠⢠â¢â¢ t: * ,,, : ^ quot;
jhnN mvn HXT : nxa D^iypn1? ^
i -i - lt;- : ⢠/ iquot; t : jquot; : vquot; quot; t ^ i t ; t t ;
: nin^ rnsb Dnx anpn ova nin» 'trtto via nni^Qi
it i- Kquot; - : __ t â â¢â¢h ⢠: at ; * iquot; ^ TT ^ : p* p
â¦33 n^o ons int^a ova dhV nnS rrirv niï
jquot; vquot; t â¢* : t ; v t -quot;⢠t t ; t* v -:
nnw1? niinn n^r : Dnin1? obiy npn
t; ⢠- t it t - j it i: \,r ^ \jm\ aquot; t; *
door onreinheid weerhouden wordt, en tot de dienstdoende afdeeling behoort. Hij moet dienst kunnen doen bij Woerfsprenging zoowel als bij verbranding der vetstukken. â Van vredeoffers kwamen dus devetstukken op het altaar, de priesters kregen borst- en schenkelstuk, terwijl de offeraar iederen reinen Israëliet, man of vrouw, ais zijn gast mocht laten deelnemen aan zijn offermaal.
35. riKt. dit, borst- en schenkelstuk der vredeofferdieren, is pns nno», Rashbam: het door de zalving verkregen recht; Ibn 'Ezka; het vorstenrecht; Wessely: dit, al de in de vorige hoofdstukken genoemde priesterrechten op vleesch van zond- en schuldoffer, meeloffer enz. is een gevolg van het hooge ambt van Aharon enz. Mendelssohn neemt uit net vorige vers pn als regeerend woord ook bij het onze en verklaart: dit is het wegens Aharons zalving hem toekomende. Nieuweren verklaren nrron, uit het Arabisch als: toegemeten deel en vertalen: dit is het deel van enz. (hoewel de stam in het Arabisch eigenlijk beteekent: over iets heenstrijken).â 'rh jroS ons a'ipn dïo, op den dag, waarop men hen deed naderen om priester dienst te doen voor den Eeuwige, d. i. volgens Wessely : den achtsten dag der wijding; daar vóór dien dag het borststuk voor Mozes, het schen-kelstuk voor het altaar aangewezen was; bovendien deden zij ook eerst sinds den achtsten wijdingsdag dienst, terwijl vooraf alles door Mozes was verricht. Evenzoo verklaart hij ons irron dïo (vs. 36) als op den achtsten wijdingsdag te doelen en niet op de zalving, maar op de amhts-aanvaarding betrekking te hebben. Anderen; van af den dag, dat men hen deed naderen enz., van toen af als blijvend voorschrift.
36. DDJC inCO QV3. 0P dtn dat hij, Mozes, hen zalfde.
37 en 38 sluiten de gehcele algemeene offer-wetgeving af; alle tot nu toe behandelde offers, ook het Ex. 29 besproken wijdingsoffer, worden
LEVITICUS VII, VIII.
en aangaande het zondoffer en het schuldoffer; ook aangaande
38 het wijdingsoffer en het slachtdier tot vredeoffer. Die de Eeuwige Mozes op den berg Sienal geboden heeft op den dag, dat hij den kinderen Israëls gebood, om hunne offers ter eere des Eeuwigen te brengen, in de woestijn Sienai.
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Neem Aharon en zijne zonen met hem, en de kleederen en de zalfolie, en den var tot zondoffer, en de twee rammen en den korf met onge-
3 zuurd brood. En laat de geheele gemeente ter vergadering bijeenkomen aan den ingang van de tent der samenkomst.quot;
4 Mozes deed, gelijk de Eeuwige hem geboden had; en de gemeente kwam bijeen aan den ingang van de tent der samen-
5 komst. Nu zeide Mozes tot de gemeente: «Dit is de zaak, die
6 de Eeuwige geboden heeft te doen.quot; Hierop deed Mozes Aharon
7 en zijne zonen naderen en hen in water baden; En deed hem het onderkleed aan, en omgordde hem met den gordel, bekleedde hem met den mantel, deed er den Ephod overheen, en omgordde hem met den gordelband van den Ephod, en
8 bond hem den Ephod daarmede vast; En plaatste het borstschild er op, en legde in het borstschild de Oeriem en de
9 Thoemmiem; En zette hem het hoofdwindsel op het hoofd, en bracht aan bij het hoofdwindsel, naar de zijde van zijn aangezicht, de gouden voorhoofdsplaat, den heiligen diadeem, ge-
10 lijk de Eeuwige Mozes geboden had. Nu nam Mozes de zalfolie, zalfde den tabernakel en al wat er in was, en heiligde
hier genoemd, naar hoogere of mindere heiligheid gegroepeerd (eerst icnp D'tnp). â dinâ¢, speciaal de vredeoffer-ram, die dW?» Vin genoemd wordt (Exl 29,22).
38. ^3 irö) alhoewel naar 1,1 in de tent der .lamenkomst geopenbaard, waren zij reeds vroeger, tijdens Mozes' tweede verblijf op den Sienai, door hem medegedeeld; zij werden dan na de oprichting van den tabernakel, óf eenvoudig herhaald, of nader toegelicht. Abrabanel: bij den berg Sienai. â iniï dto, op den dag, waarop God Israël gebood zijne eerste offers te brengen in de woestijn Sienai, nl. bij de heiligdoms-wijding; dan behoort vd -onan bij omaip nx yipnS; â anderen: op den dag, waarop Hij in de woestijn Sienai, niet eerst in de steppen van Moab, den kinderen Israëls geboden heeft hunne offers te brengen. Misschien slaat het aanhangsel ww oro in deze opvatting op Mozes en moet ons vers vertaald worden: Dit is de leer... die de Eeuwige Mozes bij den berg Sienai geboden heeft op dm dag, waarop deze den kinderen Israëls voorschreef hunne offers te brengen, hetgeen plaats had onmiddellijk na de desbetreffende openbaring in de woestijn Sienai.
HooFnsTUK VUL De uitvoering van de Ex. 29 voorgeschreven wijding; zie onze aanteekeningen aldaar. De vraag, wanneer deze Godsspraak tot Mozes werd gericht, hangt samen met de quaestie, wanneer hoofdstuk 1â7 zijn uitgesproken. Volgens Rashie werd onze plaats tot Mozes gezegd
28
n T is ro
niï : D^o^n nnTVi owbaSi di^^I nxcsn^ ^
st ⢠v -: r t ; - -\.v: ^ ⢠* - ; at tit : v.t - i- ;
nnpn^ VNTir' iniï DV3 TD ma nt^o-nx mn»
s'l: quot; : â¢â¢ t : ⢠-â¢â¢â¢ : v - : at * j- ; v, â¢' v -it :
à * : tü nanoa nin^ on^aip-nn
^ it »/r i- .)â¢â¢â¢ â¢â¢ : :it
iriN vjrnNi finx-n^ np : Iq^ nin» *
-»t t v ; i -: i- v i lt;- i â¢â¢ jv v v,t : quot;:~3
lt;:v nNi nxénn quot;is i PKI nntpan ratr onaan nNi
j.. : ... t - j- j.. ; at : * quot; i v jv : ⢠t : - f â¢â¢ :
nns-btf ^npn nNi ; niïsn SD nxi D^NHJ
^ - vv quot; a- l: - vt^'t t jquot; : . 1 quot; quot; j' v.quot; : * quot; ,t
Snpm inK nirr niï ntbo : i^id bnx ^
â¢â¢It * - a ^t : jt ' â¢)â¢â¢â¢ -:i- â¢â¢* tquot; ^ v j
nT ntra iön^ : -tyio bns nnö_i?K
-»... at^quot; it V v.quot; . J - iquot; V J V _ T~' it
-nxi pn^-nK né'O mp^ : ni'^V nin» ninn1
^ v ; I ^-:i- v v ^i ^;i~ ^t ; jt ⢠v t t -
inN wi njnan-nK v^rn»! : DPN rni'i via*
v â¢-. - v t't iquot;*quot; * ,tquot;»~ ijquot; : * ~ at t
-iin'i ifiNirnK r^v rnn b^an-nK IHN ^2^1 übto
j a â¢â¢ it v {.T^r }jquot;'- * ; - â¢-⢠««y ^ â¢â¢ : - it
rtrnn-nN vby D't^n : 13 ib quot;fSKn inxn
I V a - V vt â¢gt; V jt- 1 v j : V- â¢â¢ it gt; v â¢â¢ ; ^
nfiavP^ND'^i: D^nn-nNi Dni«nTi« f^nn-^K \mü inin nx vis nsiïan-b^ tim imrty
t t - I lt;⢠-â¢â¢â¢ tt j V V â¢.â¢:*- quot; V t - a ^
â nx n^o np'i : hbotk nin* niï 1^x2 Bhpn nrr
iv v vt : jt ⢠â¢)â¢â * -j 1- _ vl - vâ
^p'i ptfarrnK nira'i nniran ?Dty
^â¢â¢|-;quot; a v -1 t v ; i^t ; ⢠- v t : ⢠- i vjv
1
vóór de oprichting van den tabernakel, volgens Nachm. op den eersten dag dier oprichting (vgl. onze aanteekening Lev. 1,1).
LEVITICUS VIII.
11 dit alles. En spatte daarvan op het altaar zevenmaal, en zalfde het altaar en al zijne gereedschappen, en het waseh-
12 vat en zijn onderstel, om ze te heiligen; Hierop goot hij van de zalfolie op Aharons hoofd, en zalfde hem, om hem
13 te heiligen. Nu deed Mozes Aharons zonen naderen, en bekleedde hen met onderkleederen, omgordde hen met eenen gordel en omwond hun het hoofd met hooge mutsen, gelijk
14 de Eeuwige Mozes geboden had. Vervolgens deed hij den var tot zondoffer naderen, en Aharon en zijne zonen steunden
15 hunne handen op den kop van den var tot zondoffer. Nu slachtte men hem, en nam Mozes het bloed, deed het aan de horens van het altaar rondom met zijnen vinger, en ontzondigde het altaar; en het [overige] bloed goot hij uit aan den voet van het altaar en heiligde dit, om er verzoening op te doen.
16 Vervolgens nam hij al het vet, dat op de ingewanden is, en het net over de lever, en de beide nieren en hun vet; en Mozes
17 deed het op het altaar in rook opgaan. En den var, en zijne huid, en zijn vleesch en zijn mest, verbrandde men in vuur buiten
18 de legerplaats, gelijk de Eeuwige Mozes geboden had. Hierop liet hij den ram tot brandoffer nader brengen, en Aharon en zijne zonen steunden hunne handen op den kop van den ram.
19 Nu slachtte men hem, en sprengde Mozes het bloed op het
20 altaar rondom; En den ram deelde men in zijne stukken; en Mozes deed den kop, de stukken en het vet in rook opgaan.
21 En de ingewanden en de kniestukken wieseh hij af met water ; zoo liet Mozes den geheelen ram op het altaar in rook opgaan, een brandoffer was het, tot lieflijken geur, een vuuroffer was het ter eere des Eeuwigen; â gelijk de Eeuwige Mozes
22 geboden had. â Nu deed hij den tweeden ram, den ram
11. Op het brandofferaöaor werd zeven maal gespat, run, dat is: Mozes doopte telkens zijn vinger in de olie en sprenkelde uit de verte zevenmaal op het altaar. Bovendien zalfde hij het altaar, zooals alle overige gereedschappen, waarschijnlijk door strijken met den vinger, ol'door met erop gegoten olie het geheele oppervlak te bevochtigen. Deze zevenvoudige bespattins, hoewel Ex. 29 niet duidelijk voorgeschreven, is, naar Nachm. Ex. 29,37 in de woorden: twip c-ip narnn mm inx ncnpi bij de zalving aangeduid, terwijl Lev. 16,18 diezelfde uitdrukking (wipi) bij het gouden altaar voorkomt, als resultaat eener zevenvoudige bloedsprenging (vgl. Wessely).
ia. pn. evenals Ex. 29,7, op het hoofd uitgieten, niet enkel nm®», met den vinger op het voorhoofd en tusschen de oogen strijken, â zooals dit bij Aharon's zonen geschiedde. De zalving, nm'ii, is Ex. 28,41 en 40,15 uitdrukkelijk voorgeschreven, terwijl er Lev. 7,35; 10,7 en Num. 3,3 duidelijk melding van gemaakt wordt als geschied. Het wordt hier niet afzonderlijk medegedeeld als geschied te zijn.
13. trarri. Naar Rashie beteekent uan binden-, naar Wessely is het de term voor direct op het lichaam vast aanleggen, zoo: een verband op een wond, het zadel op een ezel, enz.
29
n iï M
--n« nvm Vïw naran-V^ lasp n ; onx ^ pï»! : Dirip1? 133-nNi quot;i'an-nxi v^-ba-n^i naran ^
| â¢- it ;l- : v. - v : â¢) ⢠- v ; t â¢â¢ t v :
a^pïl : in» nvw pnx nii^an \mt2 * tfarn üJaK bn'K -iin^nina D^abn pnH rirnK n^D ia nK tfih *: ntra-nN nin» niï n^xa nijraio ürh ^ 1
^ â¢â¢-- IV # V VT JT- r; -tr ^ â¢a t : ⢠v,quot;t r
: nN^nn -12 Dnn^nK v:ai pn« -ibDquot;! nwcann
IT-I- ,V - â¢â¢â¢ quot;ipp â¢â¢â , TT )lt;-!.- I S-
a^ap naran ni3quot;!j5-7^ \n',\ onn-nK ntra n[5»i lan^i10 naran nio^1?» px» D^n-nNi naran-nK mm lyawa
J : V I - T t - V ; - Aquot;; ⢠- v v - ; - ^ t ; v ;
quot;IK'K afnn-brnN n^i : vhy naa1?
n^a quot;idpn nabn-nxi n'^an naan nnri» nxi
V.V jquot; I; -- Iav ; ; v v ; ! v ! quot;T quot; v-,v quot; :
e]^ i^'istik') i^aTW isn-nKi. : nnaranquot;
nx aT'i : n^Q-n« nirr mï it^na mnab nno ^a^
v.. quot;I;-- IV v i.T ; JT * .)â¢â¢â¢-: r av-i r - I v, * quot; t
: Vkh Dnn^nN vaai finK laao'i nVyn Vm
â¢ITT j *⢠V,v â¢â¢: â¢â¢â¢ â JT t I s-;r : ;â¢- at^ it â¢Â»â¢â¢
^xn-nKi : a^ao naran-b^ Din-n« n^a phn ^
. - T ...; r T -V.quot;: - gt;-»T- v sv I ;â¢- at; *-3
â n«i crnnrrrw irK-nn-n» nt^a ntap»! vnnaV nna
^ â¢* : q v.* t ; - v : t v v «â¢â¢):-- at t : ⢠vquot; *
ntra quot;iüp,,i o^aa rm D^nan-nxi anprrnNi : -nan «
^ ... -1;--^ ^ViT - I T -l-T: V : vljv - â¢â ⢠; VIT-
xin nn^-nnb «in rny nnaran TKn-^aTK
r- ⢠quot; % * ' ,,,: * T t â¢â¢; ⢠- ⢠- t t^
â¦i^n^Nn-nxanp^ *: nira-m nm» niv ^«a nin^» |
14. De priesters zijn hier de offeraars en verrichten de wnD; Mozes doet als priester dienst en verricht alle volgende diensthandelingen.
15. Qnira onderwerp behoeft niet juist Mozes te zijn, daar immers, naar Lev. 1,5 het slachten ook bij gewone offers door niet-priesters mag geschieden. De zin is dus; iemand slachtte, waarna Mozes het bloed opving. Mendelssohn meent echter, dat Ex. 29,12 het slachten bij uitsluiting aan Mozes wordt opgedragen en dus hier net: ook als onderwerp van nnw moet worden genomen, naren, het brandoffer-aZtoar, evenals vs. 11. â somi, en ontzondigde het altaar, van de door des volks vergrijpen ook daarop rustende zonde. â Y'S» isob, om voor het vervolg daarop verzoeningshandelingen te verrichten; anderen; terwijl hij zoodoende daarvoor, voor het altaar, verzoening deed.
16. np1!. mengt; iemand zonderde de vetdeelen af en gaf ze Mozes, die ze zelve op het altaar bracht en in rook deed opgaan.
leviticus viii.
der inwijding, nader brengen; en Aharon en zijne zonen steunden
23 hunne handen op den kop van den ram. En men slachtte hem ; en Mozes nam van zijn bloed, deed het op het kraakbeen van Aharons rechter oor, aan den duim zijner rechter hand en aan
24 den grooten teen van zijn rechter voet. Hierop liet hij Aharons zonen naderen en Mozes deed van het bloed op het kraakbeen van hun rechter oor, aan den duim hunner rechter hand en aan den grooten teen van hun rechter voet; en Mozes wierp
25 het bloed tegen het altaar rondom. Vervolgens nam hij het vet en den staart, en al het vet, dat op de ingewanden is, en het net over de lever, en de beide nieren en hun vet en den
26 rechter schenkel. En uit den korf met ongezuurde brooden, die vóór den Eeuwige stond, nam hij één ongezuurden koek, één met olie bereiden broodkoek en ééne dunne vlade, en legde
27 ze op de vetstukken en op den rechter schenkel; En legde dit alles op de handen van Aharon en op de handen zijner zonen,
28 en maakte daarmede eene wending vóór den Eeuwige. Vervolgens nam Mozes ze uit hunne handen, en deed ze op het altaar na het brandoffer in rook opgaan; een wijdingsoffer was het tot aangenamen geur, een vuuroffer was het ter eere
29 des Eeuwigen. Hierop nam Mozes het borststuk en maakte daarmede eene wending vóór den Eeuwige; van den ram der wijding viel het Mozes ten deel, gelijk de Eeuwige Mozes ge-
30 boden had. Nu nam Mozes van de zalfolie en van het bloed, dat op het altaar was, en spatte het op Aharon, op zijne kleederen, en op zijne zonen en op de kleederen zijner zonen met hem; zoo heiligde hij Aharon, zijne kleederen, en zijne zonen
31 en de kleederen zijner zonen met hem. Hierop zeide Mozes tot Aharon en tot zijne zonen : //Kookt het vleesch aan den ingang van de tent der samenkomst, en daar zult gij het eten, benevens
22. DV^On Svf. zie onze aant. Ex. 29,19.
24. p'ipi, na de bestrijking van ooren, duimen en teenen des priesters werd het bloed, als dat van ieder vredeoffer, tegen het altaar rondom geworpen.
25. nSnrt) het vet, dat de ingewanden bedekt (aipn Sr noonn), daarhisr alle andere vetdeelen genoemd zijn. Ex. 29,22 moet onder 37nn het vet, dat op de ingewanden is, worden verstaan, daar op die plaats nd3»n avin aipn Sr wél, atpn Sr ics aSnn niet genoemd is.
26. n 'jaS icjc mon Sdoi. uit den korf, die vóór den Eeuwige reeds stond in het voorhof en die hij dus niet behoefde nader te laten brengen, gelijk de offerdieren en de priesters, die, tot zij voor den dienst noodig waren, huiten het voorhof konden blijven (Wessely). â Sji D'aSnn Sr atquot;! pK', en hij legde ze op de vetstukken en op den rechter schenkel. Hieruit blijkt, dat het brood bovenop lag, daaronder de schenkel en eindelijk de vetstukken.
27. DiTN fp1!. en wendde ze, de vetstukken enz. Mozes legde zijne handen
30
n iï *?
: Vxn vtnyby DnnrnK vwi pnx IDOD*I n^o^n ^nN-|TK iibnp nitfö n^i i ünf»5»
-n« : n^o^n ibjn jnr^'i rvio;n it fn'r^r3 -V^! n»io»n b:T« b^n-fp ntra |p)»i pnx oa
â n« ni^D phri rwn n^o|n dt frta
n;l?Nn-n«i a^nn-n» n^i * : yzo naTan-1?^ am ⢠|
t; - it v : v jquot; - ^ i - *quot; r t -^â¢â¢: quot;^quot; ^ ^7quot;quot; â¢quot;
â¦n^-nKi naan mn^ m] nbnn-VrnKi
i -iew niïan ^boi : ron pitr nxi pabn-nNi h^an «
- - â â , o â ⢠v 1 j iquot;:gt;â¢â¢:: vPtP â¢â â¢:. lT :quot; p'|5T nn« joty on? n^ni nn» nïp n?n np^nri^afi?
Van-nKjnii : |ot pi^ ooVnn-1?^ b^nnK»
: nin» naun ddn «in v:a â¦aa by) r'nnN â¦aa ^
IT : jquot; : ⢠IT : it |vjt- att â quot;â¢quot; i -â i- â¢quot;' - ^
nVyn-1?# nnarsn iüp^ on^aa onfc n^o npn.n= -nx niro np»i : nin^ Kin n^K nrn nnVon «
llt;â- it i- ^ jquot; ' * quot; : â¢* mj' \ '
ntfo1? D'Nban Vno nm» *:sh naun ina^n nrnn
: ,â¢â¢â ⢠......T : ,T ! â¢'quot; V*. VT â quot;â â , K
rairD n^a npn *: n^a-nw nin» niï 'it^Ka nja? rrn ^ E
| ... -â¢â¢.⢠⢠v I - ⢠- iv v lt;.t : jt' r-' -t r t t : t t â¢â
vnja-1?^ pn»quot;^ VA naran-1?# nï?« DTrrjai nn^an TMvnn-nKtVKrnKtfnp^inKvaa naa-Vjn vaa-Vp
v ; tt : v i -; i- v a ⢠^t t jquot;; ⢠quot;: -jtt :
v:a_l?Ni pnK-bx n£a *iaN,i : inK vja naa-nw vaa ^
t t^ v : i -⢠-: r v v - i ⢠t jquot;: * v ; ot t
-n«i inN iVaxn o^i n^ia bnfc nna Tt^an-nx i^ira
v : â¢* : i t : v -* --«â¢â¢â¢ t t ⢠v ^ quot;
onder die der priesters en leidde de voor- en achterwaartsche en op- en neerwaartsche bewegingen.
28. Ook het heffings-ftrood en de schenkel, die bij gewone dank- en vredeoffers den priester ten deel vallen, moesten hij liet wijdingsoffer verbrand worden. Daarom hier de bijvoeging: Nin DinSis.
30. Dat hier beide keeren Tiua Sy en ïnaa ns zonder '1 staat, welke Ex. 29,21 wél is bijgevoegd, wijst er volgens Wesselï op, dat de spatting hier vooral op de kleederen was gericht. â Al staat Ex. 29 deze spatting vóór de wending en het verbranden der vetstukken, geschiedde ze toch later, dan deze; daar ter plaatse wordt nl. eerst de bloedbehandelino afgehandeld, om daarna den offerdienst te laten volgen; hier staan de handelingen naar volgorde. De spatting met bloed en olie geschiedde waarschijnlijk in eens, dus nadat beiden vermengd waren (vgl. ook Lev. 16,18).
LEVITICUS VIII, IX.
het brood, dat in den korf van het wijdingsofier is; gelijk ik geboden heb, zeggende: wâAharon en zijne zonen zullen
32 het eten.quot;quot; En wat van het vleesch en van het brood over-
33 blijft, zult gij in vuur verbranden. En van den ingang van de tent der samenkomst zult gij niet weggaan gedurende zeven dagen, tot den dag dat de dagen uwer wijding ten volle zullen
34 zijn verstreken; want zeven dagen zal men u wijden. Zooals men heden gedaan heeft, heeft de Eeuwige geboden te doen, om
35 verzoening voor u te bewerken. En aan den ingang van de tent der samenkomst zult gij blijven dag en nacht gedurende zeven dagen; en zult in acht nemen het door den Eeuwige aan uwe zorg toevertrouwde, opdat gij niet zult sterven; want
36 zoo is mij geboden.quot; Aharon en zijne zonen deden al de zaken, die de Eeuwige door Mozes geboden had.
1 Nu was het op den achtsten dag: toen riep Mozes Aharon
2en zijne zonen en de oudsten van Israël tot zich; En hij zeide tot Aharon: «Neem u een mannelijk kalf, jong van een rund, tot zondoffer, en een ram tot brandoffer, beide zonder gebrek, en
3 breng ze vóór den Eeuwige. En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, als volgt: //âNeemt een geitenhok tot zondoffer, en een mannelijk kalf en een schaap, beide onder het jaar, zonder gebrek,
4 tot brandoffer. En een os en een ram tot vrede-offers, om een slachtmaal aan te richten vóór den Eeuwige en een meeloffer, met
31. Aharon en zijne zonen moeten, als offeraars van den wijdingsram, het vleesch en het brood eten; doch mogen niet, gelijk bij andere vredeoffers, iederen reine aan hun offermaal laten deelnemen (Ex. 29,33). Evenzoo moest het, gelijk de allerheiligste offers, binnen het voorhof blijven, nns quot;un» Sns.
,32. muni. en loat overblijft tot den volgenden morgen. Ex. 29,34; â DnS^i ifaj, onder het vleesch of het brood, = â wan JOSS. Wi'n xS lyip SriN nnaoi. uit het voorhof, dat aan den ingang van het eigenlijke heiligdom is, moogt gij gedurende zeven dagen niet weggaan, bij dag noch bij nacht (vs. 35), want zeven dagen lang moeten de wijdingsplechtigheden worden herhaald (Ex. 29,35).
34. Zoodis men namelijk heden heeft gedaan, heeft God bevolen gedurende die zeven dagen eiken dag te doen om voor u verzoening te erlangen.
35- Tl mOlfD DN Dmtm letterlijk: en zult waarnemen de u door God opgedragen bewakingsplicht-, zoo kan mow» ns» eenvoudig beteekenen: een plicht vervullen, een voorschrift opvolgen, of: een wachtpost innemen, of een ambt naar behooren waarnemen, enz. Anderen nemen het van rnntm afhankelijke woord als voorwerp: de bewaking ten behoeve des Eeuwigen, zoodat iemands bewaking beteekenen zou: wat tot bewaking van dien persoon of zaak noodig is.
Hooïdstuk IX. 1. ^Otfn DV3. 0V den achtsten dag der heiligdomswijding, â welke v. s. op den eersten, volgens anderen op den achtsten
31
12 n iï i6
Viai i'-ihn â¢ibnh 1^3 D^bsn bps Dnfn nn|pi *: lön^n ^K3 Dnbni ntP|3 nnisni : m^K» J DD^O^ n^ü Din^D^ njraiy WÃHKV nyiö
Av â¢â¢ r*. ⢠vquot; ï '⢠â¢â¢ * * T ' '⢠' : !â¢â¢ lt; *â¢
ntn di»3 njrjf : djdttin nJ?»» d^t nynp *2* 6vr ivïd bnb nnai : oyby nsDb nvy1? nin» nix ^
: Iquot; *â¢' v - v iv â¢â¢ : -)â¢â¢ - : v. ^-:r^ ot ^ : st*
ib) nin» niö^o-nn omDtri DV^ nyzv DÃI'
-⢠: : vjv : ⢠v ov ; - ; ⢠t â¢s-; ⢠t : - t lt;t
Dnmn-bs dn v:ni nn^ ^»1 : wx p-^ imon14
⢠t ; - t â¢*lt; at t i v^â * '** ''⢠' vquot; at
d : nuto-ts nin» niri^x
: â¦iptbi via1?'! thnnb n^ü kip 'robti di»3 «
. iquot; t; ⢠vquot;l:*: at t : I v,-:i-: p.pv â¢|tIt ⢠⢠; - â¢*quot; ⢠:-
S^i nNEn1? quot;i|53quot;|3 Vajr. ^Tnp pnK-bK IÃ^I 3 isnn ^r^Ki : nin» ^ nnpm Dö»on nVyVj
â quot;⢠- : ^** t ; jquot; : v : ^ it : jquot; ; ⢠^ v.quot;!: - ; a- ⢠; ^t^ :
dd'ön mb^33 vm biyi nxènb inp Ion1?
v,- ⢠: jtt iquot; :# vsvt ^â¢'y's t - ; ^ t* ; ^ lt; i; a
n^banmoin^^na^D^iyquot;? VKI quot;11^1 :
jt ; ^t ; * t : jquot; : ⢠- : ⢠⢠t : ⢠⢠- t ; it^ ;
Niesan inviel (zie onze aant. Ex. 40,1), â pnxb nvm Nip enz., riep Mozes Aharon en zijne zonen uit het voorhof, waar zij, naar 8,33 en 35, nog steeds verblijf hielden, tot zich, en verzamelde uolc de oudsten van Israël uit de legerplaats naar zijne tent. â Terwijl in de voorafgaande dagen Mozes den dienst had verricht, tot wijding der priesters, zouden nu Aharon en zijne zonen hun dienst aanvaarden met een offer voor zich (vs. 2) en voor de gemeente (vs. 3 en 4).
2- quot;|S Hp» neem u, d. w. z. koop u of schaf u op andere wijze aan ipa p Sjr, een kalf, doch reeds tot rund naderend, d. i. boven het jaar, maar onder de twee jaar; W, eveneens een schaap boven de dertien maanden. â 'n ijs1? aipm, en breng ze naar het voorhof vóór dm Eeuwige.
3- quot;Dijquot;!, gygt; Aharon en ieder der oudsten in den hem aangewezen kring. Dat zij dit ook gedaan hebben, blijkt uit de opvolging van het bevel door het volk, vs. 5,
4. Voor het volk wordt, behalve zond- en brandoffer, nog een vredeoffer gebracht, bestaande uit een os en een ram. â iw, een os, niet aan een bepaalden leeftijd gebonden, â evenals Ss, indien maar boven de dertien maanden, in eiken leeftijd gebruikt mag worden. â na»1?, hier een werkwoord van het zelfstandig naamwoord (131. als term = B,»iw nat, dus:
om een offermaaltijd ervan te houden. â pca nSiSa nrusi. Terwijl wedeo^ers, door en namens de gemeente te brengen, alleen nog bij den bijzonderen
LEVITICUS IX.
5 olie aangemengd; want heden verschijnt de Eeuwige u.quot; Zij namen wat Mozes geboden had, naar de voorzijde van de tent der samenkomst; en de geheele gemeente naderde en
6 gingen staan vóór den Eeuwige. Nu zeide Mozes: âDeze zaak, die de Eeuwige geboden heeft, zult gij doen, dan zal de
7 heerlijkheid des Eeuwigen zich u vertoonen.quot; Vervolgens zeide Mozes tot Aharon: «Nader tot het altaar, en bereid uw zondoffer en uw brandoffer en doe verzoening voor u en voor het volk; bereid daarna het offer des volks en doe verzoening
8 voor hen, gelijk de Eeuwige geboden heeft.quot; Aharon naderde tot het altaar en slachtte het kalf tot zondoffer, dat voor hem
9 bestemd was. Aharons zonen brachten het bloed naderbij tot hem; hij doopte zijn vinger in het bloed en deed het aan de horens van het altaar; en het overige bloed goot hij uit aan
10 den voet van het altaar. En het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer, deed hij op het altaar in rook
11 opgaan; gelijk de Eeuwige Mozes geboden had. Doch het vleesch en de huid verbrandde hij in vuur buiten de legerplaats.
12 Vervolgens slachtte hij het brandoffer; en Aharons zonen reikten
eerstelingendieust op het Wekenfeest voorkomen, (de twee schapen, Lev. 23,19) is er van een door de gemeente te brengen gewoon meeloffer van tarwe geen tweede voorbeeld. (De bij de brandoffers der gemeente te brengen meel-offers, die met het plengoffer een geheel vormen, komen hier niet in aanmerking, daar zij geheel verbrand worden en met het brandoffer, waarbij zij behooren, één geheel uitmaken). Daarom most 10,12 bij dit offer uitdrukkelijk de bepaling gegeven worden, die voor alle door den priester te nuttigen meeloffers geldt; dat het ongezuurd gegeten moet worden naast het altaar, in het voorhof. â ds'Ss nsi: 'n mvi 'O, want heden verschijnt de Eeuwige u in een uit den hemel nederdalend vuur, dat de offers zal verteren (Rashbam en Ibn 'Ezra). Luzzatto merkt pp, dat nJO}) als deelwoord opgevat, den
vrouwelijken vorm heeft, waarbij dan bij 'n meer aan 'Jquot;J het vuur
des Eeuwigen (ra is vrouwelijk) gedacht zou zijn. Anderen vatten het echter als verleden tijd op: het is, alsof de Eeuwige u Tee.As is verschenen,â of verklaren den verleden tijd als voor den tegenwoordigen gebruikt. â Het spreekt vanzelve, dat Mozes hier op uitdrukkelijk bevel Gods handelde, al staat nergens duidelijk, dat hein dit bevel werd gegeven. Zeer vaak immers staat öf alleen het bevel, öf alleen de uitvoering vermeld.
5- inpn zij namen en brachten.
Nu zeide Mozes; deze zaak, de behandeling der offers, zooals die volgt, zult gij doen. Ibn 'Ezra: Mozes had namelijk gezegd, vóór het vs. 2 medegedeelde. Siporno: de handoplegging, als bij alle zond-, brand- en vredeoffers. Wessely meent, dat rwu 'n (vs. 4) doelt op het neerdalen van profetischen geest op de priesters, terwijl 'n tos in ons vers ziet op het verschijnen der Goddelijke Majesteit in de wolk. Daarom richt zich dan ons vers tot het volk in zijn geheel, terwijl vs. 4 uitsluitend tot Aharon, zijne zonen en de oudsten was gezegd.
32
5
mx 1^« na inp»i : nin» Di»n ^ \m2*
jt * -»â¢â¢â¢ -i â¢â¢lt; i:*quot; iv quot; quot;J : ⢠v.t : - -â¢â¢1 vat-
â¦jö1? n^rrVs impn n^iD Vnü â¦JÃ-SN HB'O
jquot; : ⢠v, ⢠quot;f t jt t :l: *quot; quot;V* /.* â * vquot; :
Nquot;)»'! i'^vn nin» nirii^N min ht ntbo : nin»1
rrquot;; a ^ r * v -: ot t - ^ jv v v -- it ;
-SN anp rnnn-bN ntyo 10^1 : nin» 1122 DS^K»
â¢â¢â¢ *-'â â 1 â quot;â â â¢â¢ â quot;,. â â ' gt;' ,T : .v â gt; D^n npi ïpjn nssi n^i naïsn
;np»i : nin» niï onya quot;isai b^n pip-nN n^in
j-ipi ⢠-p it : rr ⢠v*-* ~'~ f quot;'quot; -â¢â¢â¢-: t I lt;- :It v â¢â¢ ^Hiquot;
inp»1): DN^nn üntr'i narsn-VN rnnx0
.):-- , v -: vt - i- vrJquot; v r : *quot; -a**: ⢠- v I ^-j^i-
|n»i Dia I^3ÃK Vaan VSK onn-nx i'nnsj »33 -nxi abnn-nNi : naren wVk pir Din-nxi naran'
v : ... â¢â¢â ... : . , V : v ) -t ^t- -.- : f-^-: ⢠-
nnsTonn^pn nNtann-ro naan-jD nnn^n-nKi n,L?an
ta**:*- ^ i; ⢠t quot; i * â¢â¢ t - i ⢠vlt;v - v ; t ; -
enip ii^n-nNi Ttran-nNi : n^o-nw nin» nix quot;itrto ^
'-T ^ quot; T p-' !p ^ .T â â¢â¢â¢ = â¢â¢â¢ ^ â¢â JT - r.-.-ii-
t^inN ^a inxd»! nbjrn-nK ün^'i : runnb nno ^a31
i lt;-j i- â¢â¢ : ⢠:at it v vquot;ï *quot; iv-ji-- | v ⢠â¢â¢ t
7. naran bx anp. nader nu voor het eerst tot het altaar, waar gij tot heden als u, nog niet dienstdoend priester, niet komen mocht. â fira isai orn mi, en doe verzoening voor u en voor het volk voor eventueel in onwetendheid of dwaling begane misstappen tegenover het heiligdom, of v. s.: voor de gouden kalf-zonde. Die verzoening geschiedt door hloed-sprenging bij alle offersoorten.
8. üni5',1 behoeft niet noodzakelijk Aharon tot onderwerp te hebben. Het slachten behoefde ook hier niet door een priester te geschieden. Eerst het opvangen en naderbrengen van het bloed geschiedt door de zonen van Aharon, priesters dus; de dienst zelve moest, naar het schijnt, uitsluitend door Aharon worden verricht.
10- a^nn DN!, al het vet, dat, naar 4,7 v.v., van een zondoffer-var van den hoogepriester moest verbrand worden: het vet, dat de ingewanden bedekt; dat, wat op de ingewanden is; en het niervet. â naai jo rnrvn. Hieruit leidt de Thalmoed af, dat ook een stuk van den lever werd weggenomen en verbrand.
12. Hoewel het bloed uitsluitend op het brandoffer-altaar kwam en het offer dus wnfn nstsn was, werd toch het vleesch niet, gelijk bij andere zondoffers, gegeten, maar evenals bij het zondoffer bij de wijding (8,17), buiten de legerplaats verbrand. â issw, eig. doen vinden, zorgen, dat het tot hem kwam; zij reikten het hem over, daar hij het bekken in de hand moest nemen en daarmede tegen het altaar werpen. Bij het zondoffer, waar hij slechts zijn vinger in het bloed behoeft te doopen, kan het bekken in handen van een gewoon priester blijven; het moest alleen zoover in Aharons nabijheid gebracht worden, dat hij zijn vinger erin kon doopen; daarom luidt het daar: wijïo.
LEVITICUS IX.
hem het bloed toe, en hij wierp het tegen het altaar rondom.
13 En het brandoffer reikten zij hem toe, in zijne stukken, en ook den kop; en hij deed het op het altaar in rook opgaan.
14 Intusschen wiesch men de ingewanden en de kniestukken, en deed ze boven het brandoffer in rook opgaan, op het altaar.
15Daarna liet hij het offer des volks nader brengen; hij nam namelijk den bok tot zondoffer, die voor het volk bestemd was, slachtte hem en behandelde hem als zondoffer gelijk den eerste.
16 Vervolgens liet hij het brandoffer nader brengen en bereidde
17 het naar het gewone voorschrift. Nu bracht hij het meel offer nader, vulde zijne handholte daarvan, en deed het op het altaar
18 in rook opgaan, behalve het morgen-brandoffer. Hierop slachtte hij den os en den ram, de slachtdieren tot vredeoffers, die voor het volk bestemd waren; en Aharons zonen reikten hem het bloed toe, en hij wierp het tegen het altaar rondom.
19 Eveneens de vetstukken van den os; en van den ram : den staart, het bedekkende [vet], de nieren en het net van de lever.
20 Zij legden de vetstukken op de borststukken; en hij deed de vet-
21 stukken op het altaar in rook opgaan. Doch met de borststukken en den rechter schenkel had Aharon eene wending vóór den
22 Eeuwige gemaakt; gelijk Mozes geboden had. Nu hief Aharon zijne handen op naar het volk en zegende hen; daarna daalde hij af, nadat hij het zondoffer, het brandoffer en de vredeoffers
23 bereid had. Mozes en Aharon gingen hierop de tent der samenkomst binnen; toen zij weder naar buiten kwamen, zegenden zij
14. pm,1gt; â¢eri) Diet juist een priester, wiesch, terwijl de priesters bezig waren met het in orde brengen der lichaamsdeelen en het vervoer naar het altaar.
15- inNtam. en behandelde hem als zondoffer, door het bloed op de horens des altaars te strijken. Op de behandeling van het vleesch doelt het v. s. niet, daar dit bij het zondoffer van Aharon verbrand moest worden, terwijl het van het offer des volks had moeten worden gegeten (10,16 v.v.; zie echter onze aant. aldaar). â prs-o, als den eerste, het kalf, dat zijn eigen zondoffer vormde. Sjy is mannelijk, risen vrouwelijk, zoodat het op het dier, niet op de off er soort ziet; dus niet: gelijk het vroegere zondoffer.
16. ÃSITOS' naar het gewone, bij alle brandoffers geldende voorschrift. Bij zondoffers bestaan verschillende soorten, ook wat bloedsprenging betreft. Daarom is daarbij ostna niet gebruikt, maar als duidelijker aar-wijzing jicsi3 (Wessely).
17. 133 tfSon en vulde zijne holle hand ermede; ep, de geopende hand, zoo gehouden, dat men er iets in kan leggen (zie Lev. 2,2). Hij buigt de drie middelste vingers over de handholte en vult de daardoor ontstaande besloten ruimte geheel met het mengsel van meel en olie. â ipanrrti) laSa, behalve het gewone ochtendhrandoffer, dat ook reeds van een meeloffer vergezeld ging, bracht hij het hier genoemde meeloffer en brandoffer.
.is- D'aSnn rm als de gewone vetstukken en te offeren deelen, als de nieren, het net over den lever enz., niet nader gepreciseerd. â Vsn pi, doch van
33
a wm b
i«»ïön n^n-nxi: yso narsn-bv inpit'i üin-nx vbn »
S' : ' T it V : rx -Vquot;; * quot; Ir* ;:â¢- T- V T â¢â¢
â m rmn : narDn-1?^ ^Nin-nNi n^nn^b
|. â¢* Ij-:*quot; -!â¢â¢:â¢- iquot; I: - - at v i r v, *⢠t : ⢠4T â¢â¢
21$]) : nnatan nV^n-^ itapn D^nan-rw ^quot;i^n iq inün^»i -ii^« hxann i^tik n^i o^n riNt *: üöiysa nfe^i nVirn-nM 2quot;ip*i ; ïibgt;n-i3 inNtsn^im
IT ; ⢠- TVquot; ^1â AT^ IT ^ V I I -IT V.quot; : quot;
naron-1?^ IÃWI nsoD ISD N^I nnjsn-riK quot;
-Aquot;: ⢠- r*!:â^ TV* - T : ⢠- v â¢â¢!:--
nar -iiurrnK â¡n^'i : t^an nVy nabp ^
inpiT'i vSNDin-nKpnN^a IKÃQ^D^
Ir-::*- . Tquot; % T' v 1 «-in â¢â¢ ; ⢠; -- ^tt -»â¢â¢â¢ -j v* t : -
n^«n ^'Nn-roi quot;iit^n-ro D^nrrnKquot;) : a^ao naron-^v ^
lt;t : - it * - t I ⢠a - I ⢠t -i i- v : r t - vquot;: * quot;
-ty D^aVnn-nK : iaan mh'i ri^ani nDaoni =
~ ^ V.-T-JI- V J- T- iquot;T - VV*-* : t : - ; v - : i- ;
pity dni nirnn nxi : nnaran o^nn niTnn«
I â¢â¢ : t iv -»â¢â¢ : Tiquot;:-- v*t -: i- at iv
: n^D niï nt^Ka mn^ nsun pnN cpn ró^n «
t ⢠- iv jr - v,quot; -* 'quot; at :-â¢â¢â¢;⢠^t ; I â » -i i-# | j' â¢â¢ I ⢠t -
nSynquot;) mtsnn n^o Daia^ o^n-^N i^-nN rnnK
vt it c ^ -JT - I- s -t Iquot; v-^ aquot; -:it;- 'vtt ^v -jtt v Is-: iquot;
lana^ n^io pnxi ntro Na»i : D^irni«
V -:it :- ;â¢Â»â¢â â¢â¢ v â¢* v I -: i- : lt;v t- r t : - :
den ram ook het staartstuk en nDOnm = aipn nosisn, wat dan tevens het vet aan de ingewanden omvat, evenals onder jvSsn het niervet begrepen is. Nachm. ziet in nosnn een algemeenen naam voor al het iels anders bedekkende, tegen iets aanliggende vet, waaronder dan het vet, dat de ingewanden bedekt, het vet, dat op de ingewanden is, en het vet, dat op de nieren is, zou zijn begrepen.
20- num. de borststukken, meervoud, van os en ram.
21. De wending geschiedde vóór het verbranden der vetstukken met deze en de borststukken en den schenkel.
22. W JTX pHN NtT'l. Aharon hief zijne handen op tot God, orn Sn, in de richting naar het volk; de hand is opwaarts gekeerd, met de handholte naar het volk toe. â D3i3gt;i, waarschijnlijk met den Num. 7,24â26 gefor-muleerden zegen, â als slot van den eigenlijken dienst van den dag. â Tm, hij daalde af van den hellenden opgang naar het altaar, waarop hij bij het op het altaar leggen der offerdeelen had gestaan.
23. om te bidden, dat Gods zegen op hun werk zou rusten, en God te danken, dat Hij Zijn heiligdom, waar Hij verschijnen zou, onder Israël had gevestigd. â orn nx iD-cn, spraken een zegenbede over het volk uit, evenals Salomo dat bij de inwijding des tempels deed (I Kon. 8,55 vv.) â 'n nas nto, de majestueuse verschijning des Eeuwigen vertoonde zich in een vurige wolkzuil met bovenaardschen lichtglans aan het volk. (Vgl. Num. 16,19 e. a. p.)
LEVITICUS IX, X.
het volk, en de heerlijkheid des Eeuwigen vertoonde zich 24 aan geheel het volk. En een vuur ging uit van vóór den Eeuwige en verteerde op het altaar het brandoffer en de vet-stukken; toen het geheele volk het zag, juichten zij en vielen zij op hun aangezicht neder.
1 Toen namen Aharons zonen, Nadab en Abiehoe, ieder zijn vuurpan, deden er vuur in en legden daar reukwerk op, en brachten
24. gfft XSDV V. s. is dit het zichtbaar worden der Goddelijke heerlijkheid; II Kron. 7,3 worden echter ook bij de terapelwijding het vuur des Eeuvngen, dat de offers verteert, en Gods heerlijkheid, die den tempel vervult, naast elkander genoemd. â Daar vs. 17 het ochtendbrandoffer genoemd wordt, zonder dat ergens vermeld is, dat ook dit door Aharon werd bereid, is het hoogst waarschijnlijk, dat die dienst ook op den achtsten wijdingsdag nog door Mozes geschiedde, terwijl Aharon slechts den bijzonderen dienst vervulde. Dan was er dus wél vuur op het altaar, â immers, nadat het de zeven voorafgaande dagen reeds had gebrand, liet men het niet meer uitgaan. Telkens is dan ook in ons hoofdstuk gezegd, dat Aharon offer-deelen in rook deed opgaan, wat, zoo er geen vuur op het altaar was, zou moeten beteekenen: legde ze op het altaar, om ze later in rook te doen opgaan. Het vuur, dat van God, v. s. uit de zichtbaar geworden verschijning Gods, v. a. uit het allerheiligste, of uit den hemel, uitging, deed dus de werking, dat de op het altaar aanwezige offerdeelen plotseling verteerd waren. â uto, en juichten van vreugde; pi eig. de stem verheffen, in vreugde zoowel als in leed: juichen en jammeren. â orros Sjj iSepi, vol eerbied en dankbaarheid, vallen zij op hun aangezicht, werpen zich neder, met het gelaat den bodem rakend, en danken God voor Zijn zichtbaar welgevallen aan het door hen gebouwde heiligdom en den daarin gehouden dienst.
Hoofdstuk X. 1. Omtrent het vergrijp van Nadab en Abiehoe en den grond der zware bestraffing hunner daad loopen reeds bij de oude geleerden, in Sifra en Thalmoed, de meeningen zeer uiteen. Terwijl sommigen in de in ons vers genoemde handelingen de elementen van het misdrijf zien, meenen anderen uit de op hun dood gevolgde voorschriften aan Aharon en zijne zonen (10,8â11 en 16,2) te moeten opmaken, dat het misdrijf daarin bestond, óf dat zij in dronkenschap dienst deden, óf dat zij het waagden, het allerheiligste te betreden. Wederom anderen nemen aan, dat slechts over-ijver, om toch ook maar dienst te doen op den dag der wijding, hun verkeerde daad was. In ieder geval werd hun daad met den dood gestraft, omdat zij, eigenmachtig handelend in zake den offerdienst, de grenzen te buiten 'gingen. Wanneer toch voor elke offersoort bepaalde handelingen zijn voorgeschreven, die ter bepaalder plaatse, op nauwkeurig aangegeven wijze en tijd, door met naam genoemde personen moeten worden verricht, dan spreekt het vanzelve, dat iedere overtreding in deze een ernstig vergrijp wordt, waartegen, vooral bij het begin van het tempelleven, met klem moest worden gewaarschuwd, leder, ook de priester, is ten opzichte van diensthandelingen, waartoe het Goddelijk woord hem niet aanwijst, een it, een vreemde, wiens naderen tot den dienst met den dood gestraft wordt. Iedere niet voorgeschreven handeling, ieder niet geboden offer (voor zoover de offersoort niet als vrijwillig mag gebracht worden, maar tot de klasse der offers behoort, die alleen als verplicht in bepaalde gevallen mogen worden gewijd) is een ondermijning van de geheele offerwetgeving en van het denkbeeld van den priesterdienst. Daarom op al deze handelingen de doodstraf gesteld. â Terwijl Rashbam
34
» ⡠-h kïm *: xnquot;-! ovrrnk ^|
â¢quot;⢠:............it t t v \.t i : ^jtâ ^tt v ?
nquot;i»i D^nn-nKi nVyrrnK narsn-1?^ 'p^ni nin»
T r :quot;' S't quot;: '.quot;p pv! lt ,t â¢â¢â ...... , * :'â¢, t !
ru pnir'» in[5»\: on^r^ o^n ^ ^
lanp»*) niüp why Wm vü rns i:n'nnnna tr»ni
* I:quot; ~ v a I; t t j* t quot; â¢â¢ I â¢â¢ t lt; : ⢠- t : quot; -â¢â¢
ons vers chronologisch vóór 9,24 plaatst, en meent, dat Nadab en Abiehoe, om het dagelijksch reukwerk te brengen, het heiligdom betreden hadden en vreemd vuur van het brandofferaltaar hadden genomen, terwijl Mozes wilde, dat het hemelsche vuur alles zou verteren, â houden bijna alle andere schrijvers zich aan de orde der verzen, doch verklaren de woorden verschillend ; zoo ziet Abrabanei, in de woorden van ons vers een vijfvoudig vergrijp: de dienst moest dien dag uitsluitend door Aharon geschieden, doen zij als zonen van Aharon meenden daartoe evenzeer gerechtigd te zijn; â terwijl het gewone reukwerk slechts door één priester wordt gebracht, namen zij ieder hun vuurpan; â zij betraden het allerheiligste, 'n â namen in plaats vuur van net brandofferaltaar vreemd vuur;â en handelden op eigen gezag, deden wat hun niet geboden was. Terecht merkt Wessely op, dat 'n ijbS niet juist doelt op het allerheiligste, daar immers juist van het reukwerkaltaar herhaaldelijk wordt gesproken, als van het altaar 'n â osS quot;icn (4,6 en 17,18 e. a. p.) Wij zagen bovendien reeds, dat de dagelijksche offerdienst ook op den achtsten wijdingsdag door Mozes geschiedde en Aharon alleen den bijzonderen dienst van den dag verrichtte, die in hoofdst. 9 is beschreven. Bovendien wordt én hier én Num. 3,4 uitdrukkelijk op het ml bn als reden voor het plotseling sterven van Aharon's beide zonen gewezen. Daarin schijnt dus, naast het eigenmachtige hunner daad, (Lev. 16,1) de kern van hun vergrijp te moeten worden gezocht. Zij namen ieder zijn vuurpan, wat er reeds op wijst, dat aan het dagelijksch reukwerk niet gedacht wordt, en deden daar vuur in en legden reukwerk, mSr, daarop, op het vuur, geheel overeenkomstig de wijze, waarop dit Lev. 16 voor den Verzoendag is voorgeschreven. Het reukwerk schijnt van denEx.30,34 vv.beschreven voorraad,voor het dagelijksch reukwerk bestemd, te zijn genomen. En zij brachten vóór den Eeuwige, in het heilige, m» es, volgens Wessely: eene vreemde vuur gave, die Hij, God, of Mozes, hun niet geboden had; anderen: die hij hun geboden had niet te brengen. Wessely meent, dat zij in al te vurigen ijver tot den dienst, alleen daarin faalden, dat zij een niet-voorgeschreven offer brachten; het vuur was dan altaarvuur; Luzzatto : dat zij ook dienst wilden doen en het niet alleen aan Aharon wenschten over te laten, zij waren immers evengoed priesters I â Anderen: zij naderden eigenmachtig (Lev. 16,1) tot God, en brachten vreemd vuur, niet vuur van het altaar, in hun eigen vuurpannen, niet in voor den dienst gewijde voorwerpen, en legden daar reukwerk op, wat immers nooit als vrijwillig offer kan worden gebracht; wat God niet had geboden, en wat daarom alleen reeds een misdrijf ware geweest, ook al werd overigens aan alle voorschriften voldaan. â Van verbranden van het reukwerk op het gouden altaar wordt niet gesproken; hun bedoeling schijnt alleen te zijn geweest een reukwerk te brengen, zooals dat later voor den Verzoendag werd voorgeschreven: reukwerk, naar de traditie in het heiligdom eerst op het vuur gelegd, en zoo dampend en geurwolken verspreidend. â Het feit had plaats na de offerhandelingen, vóórdat nog het offervleesch door de priesters was gegeten (vs. 12 vv. en 16 vv.) â inrnii, zijn vuurpan; eig.
LEVITICUS X.
vóór den Eeuwige vreemd vuur, dat Hij hun niet geboden
2 had. Toen ging een vuur uit van vóór den Eeuwige, en ver-
3 teerde hen; zoodat zij stierven vóór den Eeuwige. Mozes zeide tot Aharon: «Dit is het, wat de Eeuwige gesproken heeft, zeggende; in hen, die Mij nabij zijn, zal Ik Mij geheiligd zien, en voor het aangezicht van het geheele volk zal Ik verheerlijkt worden.quot;
4 En Aharon zweeg. â Nu riep Mozes Mieshaël en Eltsaphan, de zonen van 'Oezziël, Aharons oom, en zeide tot hen: «Nadert! draagt uwe broederen van vóór het heiligdom weg, tot buiten de
5 legerplaats.quot; Zij naderden en droegen hen in hunne onderkleederen naar buiten de legerplaats, gelijk Mozes gesproken had.
6 Mozes zeide namelijk tot Aharon, en tot El'azar en lethamar, zijne zonen: «Uw hoofdhaar zult gij niet wild laten groeien,
scheppan, een bak, met langen steel en drie opstaande randen, terwiil de voorzijde open is, zonder rand; zij diende om vuur en asch van het altaar te scheppen. â 'n 'jbS, zooals reeds opgemerkt, v. s. in het allerheiligste, v. a. in net heilige, op het gouden altaar; n. a. evenals 1,5 in het voorhof, op het koperen altaar, wat dan door vs. 4 bevestigd zou worden, waar de lijken moeten worden weggedragen, ctpn gt;3s nsn, van vóór het heiligdom, uit het voorhof (zie onze aant. aldaar).
2- CJC ïC^DIj naar Rashbam trof het hemelsche vuur, dat 9,24 neerdaalde om de offerdeelen te verbranden, Aharons zonen, die daar stonden te offeren. Volgens de overige verklaarders is hier een ander, immers later neerdalend vuur bedoeld. â Sskjii, en verteerde hen, d. w. z. doodde hen; daar immers noch hun lichaam, noch hun kleederen verbrandden, zooals uit vs. 4 en 5 blijkt. Waarschijnlijk moet dan ook aan bliksem gedacht worden, die hen trof en plotseling doodde. â 'n vsh man, zij stierven vóór den Eeuwige, op de plaats waarheen zij gegaan waren om voor Hem dienst te doen.
3. 'n quot;TOTf Xin. Dit is het, wat de Eeuwige door dezen plotselingen dood gezegd loü hebben; dat is de conclusie, die gij en geheel Israël uit dit feit moet trekken; evenzoo Gen. 24.51 (Luzzatto, vgl. Nachm.) â cips 'aipa, in hen, die Mij het meest nabij zijn, wil Ik vooral als heilig erkend worden; zij vooral moeten toonen, dat geen offer hun te groot is, waar het het volbrengen vanMijn wil geldt; dan immers alleen zal Ik ten aanzien, in de oogen van geheel het volk, als de hoogst te eerbiedigen Macht gelden. â Anderen: âIs dit dan. wat uwe zonen daar hebben gedaan, wat de Eeuwige gezegd heeft, dat Hij door de tot Hem naderende priesters geheiligd wil worden, om dientengevolge ook bij het volk in aanzien te blijven?quot; (Ex. 29,44 en 46). â Nog anderen meenen, dat Mozes zijn broeder hier eener-zijds tot kalmte wil aansporen en morren zijnerzijds wil voorkomen, â terwijl hij hem anderdeels troosten wil in het door hem geleden verlies. Daarom stelt hij liet voorgevallene Aharon voor oogen, als gevolg der door God, zoo al niet in uitdrukkelijke bewoordingen, dan toch door den geheelen inhoud der gegeven voorschriften, duidelijk genoeg gegeven bedreigingen; morren mag Aharon dus niet, daar zijne zonen door een rechtvaardige straf zijn getroffen. Bovendien wijst hij Aharon erop, dat juist hij en zijne zonen de aangewezen werktuigen zijn tot verheffing der heerlijkheid Gods en dat dus de dood zijner beide zonen een offer is, hem ter verheerlijking van Gods naam opgelegd. Rashbam: door den hooge-
35
w
⦠ww nb
â¦jfibo B'K Nïni : ddk niï nb IB'N n^T nin» ^sh 3
-»â¢â¢:⢠⢠-)â¢â¢ â¢â¢ jquot; - it ⢠jj sv -: tt â quot;⢠t :lt;â¢â¢:â¢
n^o io^»i : nin; \:pb ino»! oniK ninv 'jr^l nax^ 1 nin* -i3ti^n «in pnx
n^Q Kipquot;quot;) : rnnx D1T,,i 133« D^n-^ -gt;
jv : â¢â¢ t r v jt!:*- i i-: i- ».â¢- a'^t v ^.tt t
-n« éip dh^k noxn rnnx 11 ^3 tsj^k
^ ... « . .|. .... -. ... j - i a -j1- -» ».â¢â¢ '^\ jquot; ; it t ; v
DN'^I .'nana1? pnp-^ ^lprr^a nKö cdtik* ntyono^*quot;) :ntyo 131 quot;iirx3 mns1? nno-Vx nn:nD31
â.⢠v j- iv JV â ( v.-* ~: av-si-- v. ⢠v t *; % :
1 i^ifin-VN DD^jn via 1 lon^i rSnx-bN
^ ^t : * - jv â¢â¢ it tt t t r : t^t : v ; i -j 1-
.nü^nn DTip D'oiJn n'ïB'gt; supn *
1
priester, die Mij het meest nabij is, wil Ik steeds geheiligd worden, ook
LEVITICUS X.
en uwe kleederen zult gij niet verscheuren, opdat gij niet sterft, en Hij niet over de geheele gemeente toorne! maar uwe broederen, het geheele huis van Israël, zij mogen den brand be-7 weenen, dien de Eeuwige ontstoken heeft. En van den ingang van de tent der samenkomst zult gij niet weggaan, opdat gij niet sterft; want de olie der zalving tot den dienst des Eeuwigen is op u.quot; En zij deden gelijk het woord van Mozes.
9 8 De Eeuwige zeide tot Aharon, als volgt: //Wijn of dronken makenden drank zult gij niet drinken, gij noch uwe zonen met u, wanneer gij in de tent der samenkomst wilt binnen gaan, opdat gij niet zult sterven; eene eeuwige wet voor uwe nako-
10 melingen. Zoowel opdat gij onderscheid moogt maken tusschen het heilige en het onheilige, tusschen het onreine en het reine;
11 Alsook om de kinderen Israels te onderrichten in al de wetten, die de Eeuwige door Mozes tot hen heeft gesproken.quot;
36
» iV
DDTIKI eiyp» myn-Vs ^ man NSI DDnjai
^ V -:i- ) rt i: ⢠vtquot;1* it t . â¢. t â gt; :^ ; ⢠i lt;v â¢â¢: â¢
nnaoi: nirv ^ nai^n-ns4 ^kïbquot; '
- v . |T . | J-T lt;v -; t â¢â¢; - ; ⢠â¢â¢ t : ⢠-quot;â¢
nirr nn^p inèri-fö iwyp n1? ^n'Ni £3 : niyD 1213 wp)
iv j- : ⢠i. *hr-
I nnK I ntrn-'jK nSiri ; noKb PHN-VN nin» lamquot;
jt - ; ; -«quot; - t â¢â¢ : i â¢â iquot; i â¢â¢ i ^-jiquot; v t : -,quot; ⢠13
D1?^ npn man ah) quot;i^ia mnus ^nx ^321
v.t Ij-'-. ft\ t J : v j v .)v -: i : | t ⢠I-vt
r^i NDtsn Vnn roi tripn bnnnbi : ddwT? 1
i j.,^ vquot; t ** ( i jquot; a - i -â¢â¢â¢ vK i Jquot; * ; quot;quot;xi iv â¢â¢ 1 :
âiew D^nn-Va nx amx nhinbi mncsn^
v quot;: i ⢠*.. j- t â¢â¢Â« Aquot; t ; ⢠â¢*quot; : v v. ⢠itquot;
ö * : n^D-^s on^K nirv -12-1
iv quot; ; \,\- â¢â¢ -: lt;)T : sv â¢
andere geboden tot Mozes en Aharon zijn gericht. (Vgl. I Ken. 8,18 met II Sam. 7,4 vv.)
9. Zooals reeds opgemerkt, willen sommigen nit de plaatsing van liet verbod van drinken van bedwelmende dranken, onmiddellijk na het verhaal van den dood van Nadab en Abiehoe, opmaken, dat hun misdrijf juist bestond in het in beschonken toestand betreden des heiligdoms. Dit is echter reeds daarom onwaarschijnlijk, omdat daarvan nergens bij het noemen van Nadab en Abiehoe en hun dood melding wordt gemaakt. Dat dan toch dit verbod hier zijn plaats vindt, is te verklaren als eene waarschuwing tegen overtreding der priesterwetten; door het afschrikkend lot van uwe broeders geleerd, zult gij zeker niet weer opzettelijk van de dienstvoorschriften afwijken. Zorgt evenwel, dat gij ook steeds in staat zijt uwe handelingen te beoordeelen: bedwelmt u niet met wijn of dgl. als gij het heiligdom zult moeten betreden, â opdat gij steeds den vrijen blik behoudt om te onderscheiden tusschen heilig en ongewijd enz. (Luzzatto). â -oüi fquot;, wijn en dronken makende drank, v.s. met wijn vermengde dranken, zoodat de bedoeling alleen zou zijn; wijn, voor zoover die bedwelmend is, d. w. z. in een hoeveelheid die dronken makend is, dat is; 1li Log onvermengde wijn; v, a. ivijn en andere hedwehnende dranken, bijv. uit dadel-boning, gerst of dgl. bereide bieren. â in» Sns Ss D3S22. Volgens Maimonidbs geldt het ve-rbod ook den priester, die zonder dienst te doen, eenvoudig in beschonken toestand het heiligdom betreedt, terwijl hij, dienstdoende, den dood, door den Hemelheer te voltrekken, schuldig is; volgens Nacum. geldt ook het verbod alleen bij het verrichten van dienst in beschonken toestand.
10. S,n3nSl en vs. 11 min1?!, zoowel om____als om; SianS, opdat gij u
steeds het onderscheid bewust zijt tusschen heili;) en ongetcijd, en dus ervoor kunt zorgen, niets, dan wat gewijd is, voor den dienst des Heeren te bezigen; union f2i snon pTi en niets, dat onrein is geworden, in het heiligdom toe te laten. De traditie ziet in ons vers voortgezette opsomming van de gevallen, waarbij men zich van bedwelmenden drank moet onthouden; (/ij moogt niet drinken, als gij komen wilt enz. (vs. 9), noch als het erom te doen 'is te onderscheiden enz. of te leeren (vs. 11), dat wil zeggen: om te beslissen of te onderwijzen.
LEVITICUS X.
12 Mozes sprak tot Aharon en tot El'azar en lethamar, zijne overgebleven zonen; «Neemt het meeloffer, dat nog na de vuurgaven ter eere des Eeuwigen overgebleven is, en eet het als ongezuurde
13 brooden bij het altaar; want allerheiligst is het. Gij zult het dus eten op eene heilige plaats, want uw aangewezen deel is het, en dat uwer zonen, van de vuuroffers des Eeuwigen;
14 want zoo is mij geboden. En het borststuk der wending en den schenkel der opheffing zult gij op eene reine plaats eten, gij, uwe zonen en uwe dochters met u; want als uw aangewezen deel en dat uwer zonen zijn zij gegeven van de slacht-
15 dieren der vredeoffers der kinderen Israels. Den schenkel der opheffing en het borststuk der wending, benevens de tot vuurgaven bestemde vetstukken, moeten zij namelijk brengen, om eene wending daarmede te maken vóór den Eeuwige; dan zal het voor u en uwe zonen met u zijn tot een eeuwig deel,
16 gelijk de Eeuwige geboden heeft.quot; Doch naar den bok tot zondoffer deed Mozes onderzoek, maar zie! men had hem verbrand; toen was hij vertoornd op El'azar en lethamar, de
17 overgebleven zonen van Aharon, en zeide: «Waarom hebt gij het zondoffer niet op de plaats des heiligdoms gegeten, daar het toch allerheiligst is? En dit heeft Hij u gegeven, om de schuld der gemeeute op u te nemen, om verzoening voor hen
18 te doen vóór den Eeuwige. Ziet! Het bloed ervan is immers niet naar binnen, in het heiligdom gebracht; daarom hadt gij het binnen het heiligdom moeten eten, gelijk ik geboden heb.quot;
12. iTffHÃ mmn. wat overgebleven is, nadat het voor de vuuroffers des Eeuwigen bestemde deel er is afgenomen (9,17). ârri^xi, en eet het; hoewel rouwbedrijvenden, moet gij aan het 6,9 gegeven voorschrift voldoen. â romn Sxn, in het voorhof, waarbuiten het niet mag gebracht worden, omdat het allerheiligst is.
ia. t?np nipos. in het voorhof; tegenover lino Dipn2, waaronder de geheéle legerplaats (tijdens den tempel: geheel Jerusalem) bedoeld is. â -pn â pa pm, uitsluitend voor mannelijke priesters bestemd, tegenover vs. 18: gij en uwe zonen en uwe dochters; de voor den priester bestemde deelen van het vredeoffer mogen ook door vrouwen gegeten worden, zij zijn Dicnp. â Snib' ijs 'rfro 'nat». Hoewel hier eigenlijk vooral met het oog op de in hoofdstuk 9 genoemde offers de voorschriften omtrent het eten worden herhaald, wordt hier de overgang naar algemeene bepalingen omtrent het vredeoffer gevonden. Men vergete daarbij niet, dat in ieder
feval op dezen achtsten inwijdingsdag ook een dereval op dezen achtsten inwijdingsdag ook een der vorsten zijn feestoffer racht, waartoe immers ook niet minder dan 17 stuks als vredeoffer behoorden. (Num. 7,17).
is. rwann nw rm en den zondofferhok, den 9,3 voorgeschrevene. Neemt men aan, dat op den eersten Niesan de achtste wijdingsdag viel en dat ook de Num. 7 meegedeelde vorsten-offers op dien dag begonnen, dan waren er drie zondofferbokken: één van het Nieuwemaansoffer, één van het vorstenoffer en die van 9,3. Hoewel men dan een nadere aanwijzing zou verwachten, naar welken bok Mozes onderzoek deed, kan men
37
⦠â¦rotr T1?
bnnisn vas i quot;lon^-bxi Vki rSnN-^K namp;D nam ^
â¢tlquot; tt â jt t v : t*t : v ^ i -clquot; v v â¢â¢ -iquot;
bvsi niïo niVDKi nh» ^ko nnnisn nfnarrnK inp
... jquot; v. - ^t ^ : ⢠; t : -quot;⢠⢠iquot; v v - t ; ⢠- v â¢â¢ i :
t^inp Dipoannx onVsNi : Nin D^tthp cn'p »3 narsn^
'Tq iJ T ; t lt;v: - -:i- r r /Ht ^ vh r -a-: ⢠-
nrn nxi: wx |DM3 nip» â¦is'kd Nin ^rpm ?|pn ^ ^ nnN ninü Dipoa \^an nónnn pi^ i nK-i nai:pn â¦D^ â¦niTp liru ^irpni ^pnv3 â¢
inVnn by naunn nrni nónnn pit^ : 'jNity» »3310
â t -i i- lt;â¢â¢ * j~ t : - ^ â jquot;-:i- T ; - i j iquot; t : *
-pn1? ïjnK n^ni piijt ^ö1? naun ej^n1?
tfquot;n n«ènri yyp 1 m\ * : nin» mx ^«3 'B ^nn
^3 Sön^-^i. «]XPpn rl?nl n^D vyi »
DippsnN^nn-nN onbsN-N^np : -ipK^ onnsn ^ | tik iwb D31? rn: 1 nn^i «m D^ip a'Tp »3 B'Tpn
quot; T V T I-»-T â¢'t l fgt;' \' TIT VP J .)^ V|
nornN rn : nin» *:sh Dirby 133^ nnyn
TT v JT 1 ' â¢*lt; «t : jquot; : ' jquot; - : r quot;ir l-1 -:
: n^N3 ^Ip3 nnfc bi3« na^ö lyipn-1?^
⢠iquot; ⢠JV -II- vil - IT j : I T tv: VK -
toch met Rashie en den Thalmoed hier zonder nadere aanwijzing aan den bok van het Nieuwemaansoffer denken, omdat deze het eenige blijvende onder de dien dag gebrachte offers was. âncn en cm. Aangezien hun omtrent het eten daarvan niets was medegedeeld, daar 12â15 alleen van meel-en vredeoffer sprake is, meenden Aharon en zijne zonen, dat het zondoffer moest verbrand worden. Mozes echter wist, dat, evenals bij alle zondoffers, ook hier het eten van het offervlecsch door de priesters een gewichtig deel der verzoeningshandelingen is. â rpü rum, zie, hij was door iemand, natuurlijk door de priesters, opzettelijk verbrand; niet vanzelve, wat door enüj zou moeten uitgedrukt zijn. Vanzelve kon het ook niet goed geschieden, daar het vleesch van het zondoffer immers in het geheel niet op het altaar kwam. Wij vertalen daarom; men had hem verbrand.
17. Daar hun vs. 6 en 7 reeds gezegd was, dat het sterven hunner bloedverwanten in hunne plichten in het heiligdom geene verandering bracht, hadden zij moeten weten, dat zij het zondoffervleesch mochten en dus moesten verteren. â npn mpsa, op een tot het heiligdom behoorende plaats, in het voorhof; sin D'tnp mp 'O, want allerheiligst is het en is daarom, evenals het meeloffer, tot het heiligdom beperkt, maar mag evenals dit ook door u in uw staat van ronwbedrijvenden gegeten worden. â |n3, heeft God u gegeven, als deel, dat gij zoudt eten, ook voor het vervolg, waaruit dan zou blijken, dat de bok van liet Nieuwemaansfeest bedoeld is. â jirmnwS, om de zonde op u te nemen en dientengevolge door uwe handelingen te verzoenen.
18. Zooals Lev. 4 blijkt, zou het vleesch van zondoffers, wier bloed in het eigenlijke heiligdom kwam om in het heilige of allerheiligste gespat
LEVITICUS X, XI.
19 Hierop sprak Aharon tot Mozes: ,/Zie! heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer vóór den Eeuwige gebracht, en overkwam mij iets dergelijks ; zoo ik nu heden van het zondoffer gegeten had, zoude dit in de oogen des Eeuwigen goed
20 gevonden zijn ?quot; Toen Mozes dit hoorde, was het goed in zijne oogen.
1 De Eeuwige sprak tot Mozes en Aharon, zeggende tot hen;
2 «Spreekt tot de kinderen Israels, als volgt: dit zijn de levende wezens, die gij eten moogt, van al het viervoetig gedierte, dat
te worden, buiten de legerplaats moeten verbrand worden. Dit is hierbij immers niet geschied; dus hadt gij het moeten eten. Daar echter 9,11 het vleesch van het zondofferkall' van Aharon wél verbrand werd, zou het niet onmogelijk zijn geweest, dat dit ook met den bok van vs. 15 moest geschieden, wat dan ook inderdaad door sommigen wordt aangenomen, die ook daarom hier aan den nieuwemaansfeest-bok denken. Men verlieze echter aan den anderen kant niet uit het oog, dat Aharon's zondoffer niet door hemzelve kon gegeten worden, wat bij dat der gemeente wel het geval was. Zekerheid bestaat dus op dit punt niet.
19. DnSj? iltfl DflNan ns Dnpn. zygt; mijne zonen, Aeh/jen door mijne hand hun, d. i. het ook voor hen geldende brand- en zondoffer van Aharon (9,2) gebracht, en toch trof mij zulk een onheil (vs. 1) (rusipni, «ip = rnp, geschieden, treffen, vgl. Gen. 42,4), waaruit dus blijkt, dat wij nog niet de mannen zijn, waardig genoeg om Israël verzoening te verschaffen. Als nu het eten van 't offervleesch, zooals gij zegt, ook dit doel heeft (vs. 17), zijn roij dan de daartoe waardige personen, waar eerst heden is gebleken, hoever wij nog van onze bestemming verwijderd zijn ? Anderen: zie, hun offerdienst hebben zij volkomen verricht, â doch nu mij zulk een onheil getroffen heeft, nog oServleesch te eten, zou God dit goedvinden?! Zoo noodzakelijk voor de verzoening als de diensthandeling is het eten immers niet! â Hier te denken aan gestoorde vreugde bij den offermaaltijd gaat reeds daarom niet, omdat Deut. 12,7 en 26,14, waar het eten van offervleesch gezegd wordt in vreugde te moeten geschieden, â alleen van vredeoffers sprake is, wier vleesch door den offeraar wordt gegeten, als feest- en dank-maal; niet van door den priester te eten deelen van zond- en schuldoffers.
Hoofdstuk XI. Nadat Ex. 21â24 de sociale wetgeving in hoofdtrekken is medegedeeld; Ex. 25â31 de geboden omtrent de inrichting des heilig-doms aan Mozes zijn bekend gemaakt, wat tijdens zijn 40-daagsch verblijf op den Sienai onmiddellijk na de openbaring der Tien Geboden geschiedde; werd eerst de uiteenzetting der wetgeving afgebroken door de mededeeling van hetgeen tijdens Mozes' verblijf op den berg in de legerplaats van Israël was voorgevallen. Als tegenstelling wordt dan Ex. 35 de offervaardigheid des volks voor den bouw des heiligdoms verhaald en daaraan de uiteenzetting van den bouw en de inwijding vastgeknoopt. Ex. 36â40. Lev. 1â7 bevat dan als noodzakelijke voorbereiding voor de ingebruikneming des heiligdoms de uiteenzetting van den offerdienst, om in hoofdstuk 8â10 de inwijding en het daarbij voorgevallene te verhalen. Nadat dus zoo ook het tempelleven in hoofdtrekken is behandeld, volgt daarna de uitvoerige behandeling der in Israel's particulier leven op te volgen
38
n1?
-nNi. DnKian-nK inn^n Di»nP |n n^D-bK jSn» ^ Di'n nKtan â¦rtaw n:«ipm ^ arh'y
^ - t - ⢠:«- t ; v ftquot; t t jvi: * - t ; â ; ⢠r r^i
fi *: vr^2 ntJ'D : nirr yyz 2üquot;n = vz-bn nin : Dnbx quot;iD^b thn^Ki niïD-bx nin» naTi»
j.. ; v .) : - ivquot; -: j quot;I^-ii-^ v ; jv v .)T : squot; -:quot;3
ntyN narttrrVao fotin nvtt n»nn nxr int*1? VnTit»
JV -I tT quot; : quot; T ⢠I I -V -I t - t- lt; A quot; Vquot; T:
reinheids-wetten, die voor een groot deel in onmiddellijk verband staan met het tempelleven, voor een ander deel, ook buiten het heiligdom om, het privaat leven beheerschen. In de eerste plaats; de spijswetten. Zij richten zich vs. 1, prw Sxi ntm Sn, tot Mozes en Ah ar on, A. i. v. s. tot Mozes, die ze Aharon zou mededeelen; ortas issS, terwijl Hij hun heiden opdroeg te spreken tot de kinderen Israëls. Anderen meenen, dat dit stuk, evenals de voorschriften omtrent nieuwemaansbepaling en Paaschoffer (Ex. 12,1 en 43) en die aangaande melaatschheid en vloeiing (Lev. 13,1; 14,33 en 15,1) zich tot Mozes en Aharon richten, om de heide deelen des volks, priesters en gewone Israëlieten, op het groote gewicht dier plichten te wijzen, waaronder immers beide groepen vallen. Toch zijn vooral de reinheidswetten meer speciaal voor de priesters van belang, die immers voortdurend met gewijde, voor onreinheid te bewaren zaken omgaan en bovendien als leeraren des volks dit zijne plichten hebben onder het oog te brengen. Daarom staan deze wetten, hoewel voor geheel het volk geldend, in het priestenvetboek.
2- noron Sao â¢.. irnn nx?. Hoewel Gen. 1,24 v.v. de viervoetige landdieren onderscheiden worden in psn rm, wild, op het veld levende, niet van den mensch afhankelijke dieren, en nsns, vee, de tamme huisdieren, â worden de beide soortnamen toch wel eens als verzamelnamen gebruikt. Zoo beteekent hier v. s. nsran Sa» niet: van het vee, maar in het algemeen: van de viervoetige dieren, en zou moeten worden verklaard: dit is het gedierte, dat gij eten moogt van al het viervoetige, dat op de aarde is. Zoo is dan pm algemeene verzamelnaam, terwijl nnna meer beperkt is tot viervoetige dieren. Moeilijk blijft dan de verklaring der woorden: nst iVssn nes rmn. Sommigen verklaren: dit zijn de levende wezens, die gij moogt eten, als algemeen opschrift; dan volgt de eerste rubriek: van al de viervoetige dieren, die op aarde zijn: de in vs. 3 vv. genoemden. Parallel daarmede staat dan vs. 9 bij de tweede groep: waterdieren: d'na iüx Sa»; vs. 13 bij vogels: tyiyn jn enz., hoewel daar het negatieve genoemd wordt. Zie ook vs. 21. â Anderen: dit zijn de groote landdieren, mn, die gij moogt eten onder al de tot menschelijk voedsel aangewezen dier en, nnra, die op aarde zijn. De Thalmoed ziet in de woorden ns? mm den eisch uitgedrukt, dat het te eten dier levend, d. 1. nog levenskrachtig moet zijn. â Op de parallelplaats Deut. 14,4 staat overigens in het inleidende vers: rosron nxr, terwijl Dij de specificatie ook dieren worden genoemd, die tot het wild, mn, behooren. Daar is dus psna algemeene verzamelnaam, terwijl op onze plaats daarvoor mn gebruikt wordt. â psn Sr iüs noran Sa», van al de viervoetige dieren, die op het land leven, in tegenstelling met groote en viervoetige waterdieren, waarvoor niet de kenteekenen van vs. 3, maar die van vs. 9 beslissend zijn.
LEVITICUS X.
12 Mozes sprak tot Aharon en tot El'azar en lethamar, zijne overgebleven zonen: «Neemt het meeloffer, dat nog na de vuurgaven ter eere des Eeuwigen overgebleven is, en eet het als ongezuurde
13 brooden bij het altaar; want allerheiligst is het. Gij zult het dus eten op eene heilige plaats, want uw aangewezen deel is het, en dat uwer zonen, van de vuuroffers des Eeuwigen;
14 want zoo is mij geboden. En het borststuk der wending en den schenkel der opheffing zult gij op eene reine plaats eten, gij, uwe zonen en uwe dochters met u; want als uw aangewezen deel en dat uwer zonen zijn zij gegeven van de slacht-
15 dieren der vredeoffers der kinderen Israels. Den schenkel der opheffing en het borststuk der wending, benevens de tot vuurgaven bestemde vetstukken, moeten zij namelijk brengen, om eene wending daarmede te maken vóór den Eeuwige; dan zal het voor u en uwe zonen met u zijn tot een eeuwig deel,
16 gelijk de Eeuwige geboden heeft.quot; Doch naar den bok tot zondoffer deed Mozes onderzoek, maar zie! men had hem verbrand; toen was hij vertoornd op El'azar en lethamar, de
17 overgebleven zonen van Aharon, en zeide : âWaarom hebt gij het zondoffer niet op de plaats des heiligdoms gegeten, daar het toch allerheiligst is? En dit heeft Hij u gegeven, om de schuld der gemeente op u te nemen, om verzoening voor hen
18 te doen vóór den Eeuwige. Ziet! Het bloed ervan is immers niet naar binnen, in het heiligdom gebracht; daarom hadt gij het binnen het heiligdom moeten eten, gelijk ik geboden heb.quot;
12. mrmn. wat overgebleven is, nadat het voor de vuuroffers des
Eeuwigen bestemde deel er is afgenomen (9,17). ânV-osi, en eet het; hoewel rouwbedrijvenden, moet gij aan het 6,9 gegeven voorschrift voldoen. â naton Sxn, in het voorhof, waarbuiten het niet mag gebracht worden, omdat het allerheiligst is.
ia. rnp Dipaa, in het voorhof; tegenover -nno Dipn;, waaronder de geheele legerplaats (tijdens den tempel; geheel Jerusalem) bedoeld is. â fpn fja pm, uitsluitend voor mannelijke priesters bestemd, tegenover vs. 18; gij en uwe zonen en uive dochters; de voor den priester bestemde deelen van het vredeoffer mogen ook door vrouwen gegeten worden, zij zijn QiSp oicnp. â Ss-ren ia io'tü â¢tot». Hoewel hier eigenlijk vooral met het oog op de in hoofdstuk 9 genoemde offers de voorschriften omtrent het eten worden herhaald, wordt hier de overgang naar algemeene bepalingen, omtrent het vredeoffer gevonden. Men vergete daarbij niet, dat in ieder geval op dezen achtsten inwijdingsdag ook een der vorsten zijn feestoffer bracht, waartoe immers ook niet minder dan 17 stuks als vredeoffer behoorden. (Num. 7,17).
16. DNOrtn DXI. en den zondofferhok, den 9,3 voorgeschrevene.
Neemt men aan, dat op den eersten Niesan de achtste wijdingsdag viel en dat ook de Num. 7 meegedeelde vorsten-offers op dien dag begonnen, dan waren er drie zondofferbokken; één van het Nieuwemaansoffer, één van het vorstenoffer en die van 9,3. Hoewel men dan een nadere aanwijzing zou verwachten, naar welken bok Mozes onderzoek deed, kan men
37
bnnisn vaa i bNi n^D ^Ty
Vvst niïo n^DKi nin» ^«o rnnian nnjsrrnK inp
... jquot; v. quot; ^ : ⢠: t ; â¢quot;* ⢠iquot; â¢â¢â¢ v ~ t : * - v j » :
i^inpDiposnnK DD^DKI : Kin Dnthp v-ip gt;3 nsrsn^
it^ ij t ; t lt;v ; - -SI- r v* .t^t ^ vh r ⢠'
nrn nKi.: wx nip» â¦B'KD mn ^j^rpni »3 ^ nm ninü Dij^oa ibp^n nónnn pi^ i n«i nsiinn 'ÃW 'nntp liria ^irpni ^naai â¢
D^nn by néunn rum nöiinn pit^ : »3310
⢠t -i i~ lt;â¢â¢ * â¢*'' t : - jquot;-;i- t ; - 1 -* iquot; t : * r'^:
TC1? ^ IF- ^ ^acquot;? inö»
nxènn iw 1 n«i * : nin» niï itrNS D1?^ «,amp;,sn
J Ti T quot;quot;quot;: 1 Lquot; : p p 'T .' ^ ^ quot;quot;I T. * F
â¦33 6]Vpȕ mni n^o ^ é
Dip03 n«C3nn-nN on^N-N1? ^0 : -ioxb onn^n r'nnK ^ |
)j ; ⢠T â |â â¢â¢* lt;â¢â¢â¢;--: I - - ⢠*⢠T I - ⢠-l 1
-n« nNty1? nbb rn: 1 nn^i «in o^np uh'p »3 ^quot;fpn
â¢â¢ t VT lj-t jt : A* K' tIt vb 4\ vl
nornN Min-N1? rn : nin» vsb -iss1? rnyn
T t v jt il â¢*« it : jquot; i ⢠v.^quot; ⢠jquot; - : t quot;it l-» -j
: ^n^iï ,nB'«3 i^ip3 nnx ibsNn Sisk no^ö tfiprn#
⢠Iquot; ⢠JV -li- vil - IT J : I T ta': vil -
toch met Rashie en den Thalmoed hier zonder nadere aanwijzing aan den bok van het Nieuwemaansoffer denken, omdat deze het eenige blijvende onder de dien dag gebrachte offers was. â rw» en cm. Aangezien hun omtrent het eten daarvan niets was medegedeeld, daar 12â15 alleen van meel-en vredeoffer sprake is, meenden Aharon en zijne zonen, dat het zondoffer moest verbrand worden. Mozes echter wist, dat, evenals bij alle zondoffers, ook hier het eten van het offervleesch door de priesters een gewichtig deel der verzoeningshandelingen is. â cpf nam, zie, hij was door iemand, natuurlijk door de priesters, opzettelijk verbrand; niet ranzelve, wat door
3iüj zou moeten uitgedrukt zijn. Vanzelve kon het ook niet goed geschie-en, daar hetiüj zou moeten uitgedrukt zijn. Vanzelve kon het ook niet goed geschie-en, daar het vleesch van het zondoffer immers in het geheel niet op het altaar kwam. Wij vertalen daarom: men had hem verbrand.
17. Daar hun vs. 6 en 7 reeds gezegd was, dat het sterven hunner bloedverwanten in hunne plichten in het heiligdom geene verandering bracht, hadden zij moeten weten, dat zij het zondoffervleesch mochten en dus moesten verteren. â c-rpn Dipoa, op een tot het heiligdom behoorende plaats, in het voorhof; sin D^tnp np o, want allerheiligst is het en is daarom, evenals het meeloffer, tot het heiligdom beperkt, maar mag evenals dit ook door u in uw staat van rouwbedrijvenden gegeten worden. â jro, heeft God u gegeven, als deel, dal gij zoudt eten, ook voor het vervolg, waaruit dan zou blijken, dat de bok van het Nieuwemaansfeest bedoeld is. â pp nx nsoS, om de zonde op u te nemen en dientengevolge door uwe handelingen te verzoenen.
18. Zooals Lev. 4 blijkt, zou het vleesch van zondoffers, wier bloed in het eigenlijke heiligdom kwam om in het heilige of allerheiligste gespat
LEVITICUS X, XI.
19Hierop sprak Aharon tot Mozes; âZie! heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer vóór den Eeuwige gebracht, en overkwam mij iets dergelijks; zoo ik nu heden van het zondoffer gegeten had, zoude dit in de oogen des Eeuwigen goed 20 gevonden zijn ?quot; Toen Mozes dit hoorde, was het goed in zijne oogen.
11 1 De Eeuwige sprak tot Mozes en Aharon, zeggende tot hen: 2 âSpreekt tot de kinderen Israels, als volgt: dit zijn de levende wezens, die gij eten moogt, van al het viervoetig gedierte, dat
te worden, buiten de legerplaats moeten verbrand worden. Dit is hierbij immers niet geschied; dus hadt gij het moeten eten. Daar echter 9,11 het vleesch van het zondofferkalf van Aharon wél verbrand werd, zou het niet onmogelijk zijn geweest, dat dit ook met den bok van vs. 15 moest geschieden, wat dan ook inderdaad door sommigen wordt aangenomen, die ook daarom hier aan den nieuwemaansfeest-bok denken. Men verlieze echter aan den anderen kant niet uit het oog, dat Aharon's zondoffer niet door hemzelve kon gegeten worden, wat bij dat der gemeente wel het geval was. Zekerheid bestaat dus op dit punt niet.
19. DflSy mi oman fW lanpn. ZVgt; mijne zonen, hehhen door mijne hand hun, d. 1. het ook voor hen geldende brand- en zondoffer van Aharon (9,2) gebracht, en toch trof mij zulk een onheil (vs. 1) (rutopni. Nip = nip, geschieden, trefifen, vgl. Gen. 42,4), waaruit dus blijkt, dat wij nog niet de mannen zijn, waardig genoeg om Israël verzoening te verschaffen. Als nu het eten van 't offervleescn, zooals gij zegt, ook dit doel heeft (vs. 17), zijn vdj dan de daartoe waardige personen, waar eerst heden is gebleken, hoever wij nog van onze bestemming verwijderd zijn ? Anderen: zie, hun offerd ienst hebben zij volkomen verricht, â doch nu mij zulk een onheil getroffen heeft, nog oSexvleesch te eten, zou God dit goedvinden?! Zoo noodzakelijk voor de verzoening als de diensthandeling is het eten immers niet! â Hier te denken aan gestoorde vreugde bij den offermaaltijd gaat reeds daarom niet, omdat Deut. 12,7 en 26,14, waar het eten van offervleesch gezegd wordt in vreugde te moeten geschieden, â alleen van vredeoffers sprake is, wier vleesch door den offeraar wordt gegeten, als feest- en dank-maal; niet van door den priester te eten deelen van zond- en schuldoffers.
Hoofdstuk XI. Nadat Ex. 21â24 de sociale wetgeving in hoofdtrekken is medegedeeld; Ex. 25â31 de geboden omtrent de inrichting des heilig-doms aan Mozes zijn bekend gemaakt, wat tijdens zijn 40-daagsch verblijf op den Sienai onmiddellijk na de openbaring der Tien Geboden geschiedde; werd eerst de uiteenzetting der wetgeving afgebroken door de mededeeling van hetgeen tijdens Mozes' verblijf op den berg in de legerplaats van Israël was voorgevallen. Als tegenstelling wordt dan Ex. 35 de offervaardigheid des volks voor den bouw des heiligdoms verhaald en daaraan de uiteenzetting van den bouw en de inwijding vastgeknoopt. Ex. 36â40. Lev. 1â7 bevat dan als noodzakelijke voorbereiding voor de ingebruikneming des heiligdoms de uiteenzetting van den offerdienst, om in hoofdstuk 8â10 de inwijding en het daarbij voorgevallene te verhalen. Nadat dus zoo ook het tempelleven in hoofdtrekken is behandeld, volgt daarna de uitvoerige behandeling der in Israel's particulier leven op te volgen
38
-nxi. Dnatsn-ni* lanpn Di»n |n h^d-Vk ^hn lann. ^ Di»n nNtan rhxs â¦ntt nawnpni nh* *:*h bn1?^
t - * ; lt;⢠t ; v aquot; t v*. t jv i; * quot; t ; â¢quot;⢠: ⢠t t i
a *: vv^a nt^D : nin» rrya at2Mn1 I ^a_i7« nai: Dribx ïhnir^ nBto-'w nin» iaTi« ^
jquot; ; v â ) ; - iv quot; ~j , j quot; ' v ^ v : â gt;'⢠'⢠â¢gt;t : squot; * : â 3
quot;itfK nonan-bao ümn n»nn nxr -iaxV VnTit»
jv -i it â¢â¢ : - t ⢠: i jv -i t -1- « fi â¢â¢ t;
reinheids-wetten, die voor een groot deel in onmiddellijk verband staan met liet tempelleven, voor een ander deel, ook buiten het heiligdom om, het privaat leven beheerschen. In de eerste plaats: de spijswetten. Zij richten zich vs. 1, pns Sso non Sn, tot Mozes en Ahar o n, d. i. v. s. tot Mozes, die ze Aharon zou mededeelen; dhSn iönS, terwijl Hij hun leiden opdroeg te spreken tot de kinderen Israels. Anderen meenen, dat dit stuk, evenals de voorschriften omtrent nieuwemaansbepaling en Paaschoffer (Ex. 12,1 en 43) en die aangaande melaatschheld en vloeiing (Lev. 13,1; 14,33 en 15,1) zich tot Mozes en Aharon richten, om de heide deelen des volks, priesters en gewone Israëlieten, op het groote gewicht dier plichten te wijzen, waaronder immers beide groepen vallen. Toch zijn vooral de reinheidswetten meer speciaal voor de priesters van belang, die immers voortdurend met gewijde, voor onreinheid te bewaren zaken omgaan en bovendien als leeraren des volks dit zijne plichten hebben onder het oog te brengen. Daarom staan deze wetten, hoewel voor geheel het volk geldend, in het priesterwetboek.
1
kenteekenen van vs. 3, maar die van vs. 9 beslissend zijn,
LEVITICUS XI.
3 op de aarde is: Al wat een hoef heeft, en dien splijt tot twee hoeven, en herkauwend is onder het viervoetig gedierte, dat
4 naoogt gij eten. Doch dit moogt gij niet eten van die herkauwend zijn en van die hoeven hebben: den kameel, want herkauwend is hij wel, doch gespleten hoeven heeft hij niet;
5 onrein is hij u. En den klipdas, want herkauwend is hij wel,
6 doch hij heeft geene verdeelde hoeven; onrein is hij u. En den haas, want herkauwend is hij wel, doch verdeelde hoeven
7 heeft hij niet; onrein is hij u. En het varken, want hoeven heeft het, en splijt ook den hoef, doch het zaagt zijn voedsel niet;
8 onrein is het u. Van hun vleesch zult gij niet eten en hun aas
3. riDia fiDnap, wat een hoef heeft, en niet nagels aan iederen teen, maar één schoentje (Rashbam). hdis immers wordt ook van den paardenhoef gebruikt (Jes. 5,28), die immers niet gespleten is; dit woord alleen wijst dus nog niet op den gespleten hoef. Wanneer niettemin vs. 4, bij den kameel, wiens hoef wél ten deele gespleten is, het niet geheel doorloopen der splijting alleen door onsn ws rcnsi wordt uitgedrukt, dan wordt daar slechts een deel van den in ons vers compleet gebruikten term rois ïDo rrocn nons roiE» gebruikt, omdat de bedoeling uit den samenhang duidelijk genoeg blijkt. De vs. 5 en 6 genoemde jsb en najis zijn diersoorten, die inderdaad geen schoenvormigen hoef, maar teenen met gewone nagels hebben. â nms iw nïDtn, en dien inscheurt tot twee gespleten hoeven, d. w. z. en die hoef is geheel in tweeën verdeeld, zoowel in de hoogte als wat het ondervlak betreft, van boven naar onderen en van voor naar achteren verdeeld; (anderen: en splijting van beide hoeven hebbend, in denzelfden zin), niet één hoef, als bij paard en ezel, maar twee geheel doorgespleten hoeven, reis, twee hoeven; Deut. 14,6 staat inderdaad noiD Vltp roe niwi. â nu nSr», hoewel er geen '1 staat, toch op te vatten: en dat daarbij tevens herkauwend is; nl. weder uit den maag naar den bek opvoert het grof gekauwde, (rro, door de tanden gezaagd)-, anderen: dat weder het eten opvoert naar de sfofcplaats; nog anderen: dat weder opvoert het naar boven getrokkene, van nj. sleepen. Hiksch verklaart ,-pu : het gezaagde, en wijst erop, dat de werkelijk herkauwende en tegelijk volkomen tweehoevige dieren, dus de geoorloofde soorten, de vóór-snijtanden in den bovenkaak missen, waarvoor een harde ruwe plaat in den kaak zit, waartegen zij, door heen en weer bewegen der snijtanden van den onderkaak, het voedsel feitelijk niet kauwen, maar klein zagen. â Herkauwende dieren hebben vier magen: in de pens, D-o, komt het, zooals zooeven beschreven gezaagde, eten; gaat van daar, eenigszins weeker geworden, in de muts, mown rro, waaruit het, in klompen saamgepakt, weer in de mondholte terugkeert; daar fijngemalen en goed gekauwd, komt het in den boekmaaq, DDisn, en eindelijk in den lebmaag, rep, waar het door het maagsap verder verteerd wordt. Het terugvoeren van het voedsel uit de
muts naar de mondholte heet nu nu nSrn.--De kameel mist wel de
middelste boven-snijtanden, maar heeft de boven-hoek-tanden, die alleen bij het jonge dier nog niet ontwikkeld zijn. De vs. 5 en 6 genoemde jbü en ra:is hebben wél snijtanden in den bovenkaak. Van het varken wordt vs. 7 gezegd: ui nS nu sim, wat naar de gegeven verklaring zou beteekenen: niet alleen is het niet herkauwend, maar het zaagt niet fijn, maar daar het alle snijtanden in den bovenkaak heeft, kauwt het de spijze direct. Evenzoo Deut. 14,8 nu sSi. â Deut. 14,3 en 4 worden behalve runderen.
39
tab
nb^ö rioifi Vd^ nbnö i Va : p^rrb^j ib^xn xb nrn« ^ : ibjDKn nnit nnnas nis -' wn nnj nb^ö-»3 brnrrnx noisn ^Dnaaüi rrin
Tquot; quot; ~: l~ ⢠TT- V AT : - - # Vquot; * ; quot; * Tquot; -
nbyo-»3 ra^n-n^ : DDb «in am D^ÃD i2:^ no^öiquot;
lt;â¢â¢ ^: i- I t t - v : iv t v, jquot; t ⢠; - â¢quot;.⢠â¢â¢ Tquot;gt; : ~
raiquot;iNrrn«i : DDb Nin «012 onsr xb nonai «in nnv
v v ; - it v ; iv t ^ jquot; t a- : - j ^ : - tquot;
: DDb Kin nijoü nonsn Kb nonfii Kin nna nb^D-'S Kini noiö ^d'^i «in nóia onaoquot;quot;^ nnnn-nxi»
V. : t ; ⢠v j~ ^: t : - ⢠; - r ⢠-:i- v ;
Dnbaaai ibóKn «b d^sö : DDb «in «dü ^-«b n^quot;
vt t ; ⢠: â¢â¢ J t t : ⢠iv t ^ jquot; r at ⢠1 jtquot;
schapen en geiten nog zeven soorten wild genoemd, die beide kenteekenen in zich vereenigen.
4. riDian quot;oiaeoi en D'i£» ws hdibi, zie onze aant. vs. 3. De woorden beteekenen slechts: hoeven hébhen, doch doelen op beide eischen omtrent de hoeven, in het voorafgaande vers gesteld, dus: hoeven hebben, die geheel gespleten zijn. â De hoeven van den kameel omgeven de teenen niet als een schoen; bovendien zijn de van boven gespleten hoeven van onderen weder samengegroeid. â do1? sin nüd, onrein is hij u, gij moogt er niet van eten, en het nuttigen ervan zou u zielsverontreiniging brengen. Aanraking aan het aas van verboden diersoorten als bron van onreinheid wordt vs. 8 behandeld.
5. JSC, v. s. konijn, waarvan echter niet vast staat, dat het herkauwend is, en dat bovendien niet bij de rotsen leeft, zooals Ps. 104,18 van den jbü gezegd wordt. Anderen meenen daarom te moeten vertalen: springhaas; Sa'adja : de klipdas, een dier, dat bij troepen in holen leeft, ongeveer zoo groot als een konijn, grijsbruin of bruingeel van kleur, met schitterende oogen, ronde ooren, doch zonder staart.
6- fDJIN» gewoonlijk vertaald; haas, die dan herkauwend is, hoewel niet de vier magen hebbend, die de echte herkauwers vertoonen. De vrouwelijke vorm is hier soortnaam. â Of de verschillende tijden bij de beschrijving der hoeven van kameel, klipdas en haas gebruikt, im'n roisi D'-iin bij den kameel, die wel hoeven heeft, maar niet gespleten; p^Ei nS bij den klipdas; rcmsn bij den baas, die geen van beiden hoefdieren zijn, eenvoudig rethorische versiering zijn, ot' op eigenaardigheden der teenvorming wijzen, staat niet vast.
8. ijun ah onSam hun aas, eig. alleen als zij hun natuurlijken dood of door verscheuring gestorven zijn, tegenover Difa, hun vleesch, door ritueel slachten verkregen. Hier echter algemeen: hun aas, het lichaam, op welke wijze ook gestorven. Hun aas moogt gij niet aanraken. Daar zelfs de aanraking aan een menschen-lijk alleen den priester, niet den gewonen Israëliet verboden is, moet hier dit algemeene, voor geheel Israël geldende verbod van aanraking aan aas van onreine dieren beperkt worden tot diegenen, die zich rein willen houden om het heiligdom te betreden of gewijde spijzen te eten. Zoolang de ongeoorloofde dieren leven, verontreinigt de aanraking niet. De gevolgen van aanraken aan het aas van onreine dieren
LEVITICUS XI.
9 niet aanraken; onrein zijn zij u. â Het volgende moogt gij eten van al wat in het water is: al wat vinnen en schubben heeft in het water, in zeeën of in rivieren, die moogt
10 gij eten. Doch al wat geen vinnen en schubben heeft, in zeeën of rivieren, van al wat in het water wemelt, en van alle levende wezens, die in het water zijn, â een voorwerp van
11 afschuw zijn zij u. En een voorwerp van afschuw zullen zij u zijn; van hun vleesch zult gij niet eten, en hun aas zult gij
12 als een voorwerp van afschuw beschouwen. Al wat geene vinnen en schubben heeft in het water, zal u een afschuw
13 zijn. â En de volgenden zult gij als een voorwerp van afschuw beschouwen van het gevogelte; zij zullen niet gegeten worden, zij zijn een voorwerp van afschuw; Den arend,
14 den beenbreker, en den zwarten arend. Den witten havik
worden vs. 24 vv. besproken; aan dat van reine dieren vs. 39 vv. â qdS Dn dvsdd, zij zijn voor u een bron van verontreiniging, door aanraking aan hun aas wordt gij onrein. Bij visschen, waterdieren en vogels, wier aas niet door aanraking verontreinigt, staat daarom de uitdrukking Dn D'sob niet. (Wessely ; Deut. 14,10 en 19 wordt het echter bij waterdieren en vogels wél gebezigd, doch waarschijnlijk alleen in den zin van; ongeoorloofd om te eten).
9- Hl DN, wat aan de volgende eischen beantwoordt; de «oorten worden niet gespecificeerd. â di»3 ics, van al wat in het water den bodem van zijn bestaan vindt, zoo algemeen mogelijk; in welk water ook, zeeën, rivieren, vijvers, bronnen, watervaten enz. â tbjc, de zwemvinnen-, nupüp, de schubbenhuid, die uit aaneengesloten plaatjes bestaat, het geheele lichaam bedekt en met de hand of met een mes van de huid afgenomen kan worden. â DiSroai Dwa dim, in welk water ook en waar zich ook bevindend, in zeeën, groote bekkens, waarin watermassa's bijeen zijn, (Gen. 1,6) of D'Sroa, ontsprongen en steeds uit de bron nieuwgevoede stroomen; v. s. voorbeelden om aan te duiden: hetzij zout- of zoetwater.
10. a-'On SsO, van a^e kleine, in groote menigte zich in het water
bewegende en daar uitsluitend levende wezens (zie Gen. 1,20). â mnnosjSani D'na Ti'N, en van alle, ook viervoetige, levende wezens, die in het water zijn. ook amphibiën. Verboden zijn dus visschen, die de kenmerken van reinheid missen, waterinsecten en amphibiën, die zoowel in het water, als op het land kunnen leven. â ddS Dn ypi', een voorwerp van afschuw zijn zij u, niet in hun wezen afschuwelijk, maar uooru, voor uw persoonlijk gebruik; gij zult ze als iets. Waarvan gij een afkeer hebt, niet nuttigen; dit is dan uitgedrukt in ddS w i'pwi (vs. 11). Ibn 'Ezra vat die laatste woorden op als inleiding tot het volgende; afschuw zullen zij namelijk zijn in dat opzicht, dat gij van hun vleesch niet eten zult enz. De traditie verklaart vs. 11; en afschuw zullen zij u blijven, ook al zijn zij vermengd, zoolang hun aanwezigheid door den smaak merkbaar is. â «pun onSaj mi, en hun aas, dat zijn alle aan hun element onttrokken en daardoor ten doode gedoemde schubbenlooze waterdieren, zult gij als iets afschuwelijks beschouwen en niet eten. Door aanraking verontreinigen doen zij niet.
12. Naar de traditie wordt hier het verbod om de, vinnen en schubben missende, waterdieren te eten, herhaald om den nadruk te leggen op D'M,
Ã
40
K* quot;ym 72
Vap nrn« : dsV on ijran ah* D^nsni D»a»3 D:Ã3 i^sap Va oraa
b»s»3 nB^trp.'! n^öJD i^'px 'VDI : Dnt?' ova? n»nn ra: bbpi D'.an pBgt; 'Vap D^naai -nxi hian bntyao dd1? vn» yp^i : DDb on ^
v : â¢â¢ j tt : ⢠av t â 'tl* | lvv.v ; iv t v.quot; i i quot;Jquot;
D»a3 n^ptrpi Ta:D ly?^ -IBW Va : ixptrn onVaa ^
â¢at - v Kv: i- : J- - ; â¢) i iquot; ^ jv^ -» -⢠hquot;- ; vtt ; â¢
IVDN:. e]l^n-|p ivpB'n nbN-nNi : DDV Kin nNnn-nNi : mryn nsi Disn-nxi St^an-nx on
TT- v : IT - â T IT V,quot; : vv - V : V V - V f,quot; | Iv-V
wat geene schubben en vinnen heeft in het water, d. i. alles wat in zijn natuurlijken staat vinnen en schubben mist, moogt gij niet eten; wél echter visschen, die, hoewel in het water schubben nebbende, die bij het verlaten van hun element afwerpen.
13â19. Verboden vogels; vgl. Deut. 14,11â18. De vertaling der hier gebezigde vogelnamen staat voor de meesten volstrekt niet vast. Daar nu de onreine vogelsoorten worden opgenoemd en geene algemeene kenmerken worden gegeven, gelijk bij viervoeters en visschen, zouden de hier niet vermelden allen gegeten mogen worden. Met het oog evenwel op de heerschende onzekerheid aangaande de hier genoemde soorten, is reeds in den tijd der Amoraiem de regel aangenomen: dat vogels uitsluitend op grond van vertrouwbare overlevering als voor het gebruik geoorloofd mogen beschouwd worden. Toch worden, door vergelijking van de geoorloofde duif met den ongeoorloofden arend, eenige kenteekenen voor reine vogels opgegeven, en wel: 1°. het aanwezig zijn van een krop(psi); 2°.dat het inwendige maagvlies (de maagzak) gemakkelijk uityeschild kan worden; de vogelmaag bevat namelijk de opgenomen spijzen als in een zakje, dat, na insnijding van den maag, er gemakkelijk kan worden uitgetrokken; 3°. een extra teen en 4°. dat de vogel zijn spijs niet opvangt, zooals de roofvogels doen. De zin der laatstgenoemde beide kenteekenen staat echter wederom niet geheel vast. â nS.s nsi. Waar algemeene kenmerken worden aangegeven (vs. 2, 3, 9 en 21), wordt het enkelvoud gebruikt, m ns, mnn nsr, â al wat deze kenmerken vertoont; waar met name de soorten genoemd worden, vs. 13 en 22, wordt het meervoud nSs gebezigd (Wessely). â ir:n. Wij volgen de gewone vertaling, doch wijzen er nogmaals op, dat bijna alle hier gebruikte vogelnamen door anderen op andere wijze worden vertaald, dis, (van dis, breken) beenbreker, d. i. eene soort zeearend, rwr, v. s. van tï, macht: de sterke vogel-, v. a. uit het Arabisch: de baardrus.
rpKn nxi njnn im Deut. 14,13 worden rnn rr«.s, rwn genoemd. Volgens den Thalmoed is nxi dezelfde als de hiergenoemde nsi, de met breeden slag vliegende en scherpziende; â ook nw en rm zouden twee nuancen van ééne soort zijn, â die nog veel meer nuancen telt, waarom de bijvoeging: ru'»1?, in alle nuanceeringen der soort, terwijl dan in Deut. eene nuance meer genoemd is dan hier, die door rwn1? toch ook hier reeds voor ongeoorloofd was verklaard, â niet een nieuwe verboden vogelsoort.
LEVITICUS XI.
15 en den zwarten havik, in zijne verschillende soorten. Alle raven
16 in hunne soorten. Den struisvogel, de zwaluw en de meeuw; en
17 den sperwer naar zijne verschillende soorten. Den steenuil, den
18 vischreiger en den nachtuil. De kauw, den pelikaan, en den
19 groenspecht. Den ooievaar, den bergvalk naar zijne verschillende
20 soorten; de bergfazant en den vledertnuis. Alle wemelend gevleugeld gedierte, dat op vier pooten gaat, zal u een voor-
21 werp van afschuw zijn. Slechts het volgende moogt gij eten van al het wemelend gevleugeld gedierte, dat op vier pooten gaat; wat twee springpooten boven zijne eigenlijke pooten
22 heeft, om er mede te springen op de aarde. De volgenden moogt gij dus er van eten : den Arbé naar zijne verschillende soorten, en den Sol'om naar zijne verschillende soorten, en den Chargol naar zijne soorten, en den Chagab naar
23 zijne soorten. Doch al het wemelend gevleugeld gedierte, dat
15. 3^ ^3 al wat tot de familie der raven behoort in zijne ver
schillende soorten, als: raven, kraaien, eksters enz.
16- njJPn na. de struisvogel, niet alleen voor het wijfje, maar als algemeene soortnaam. Ibn 'Ezra meent, dat met rupn na uitsluitend het wijfje bedoeld wordt, dat kleiner is en meer eetbaar zou zijn, dan het mannetje. Sommigen verklaren: de dochter van het geschreeuw (van rur, schreeuwen, evenals Sr, steenbok, eig. klimmer, van nSj-, opstijgen; Kimchie); anderen: dochter der vraatzucht (Geseniüs); nog anderen verklaren rwn na: h et pr o duct van den struisvogel, d. i. haar ei, wat bij sommige stammen het eenige is,, dat van den struisvogel gegeten wordt. â oenn, zwaluw, naar Sa'adja; anderen: koekoek, de geweldenaar, van oan, die eieren en jongen van andere vogels uit hun nesten -werpt, om die zelve te betrekken â rpc, â samenhangend met nEnc, uitterende koorts, â een magere vogel, waarschijnlijk: meeuw. â fi, van fï:. vliegen, of naar Ibn'Ezra van nxu, die veel veeren heeft; naar Job 39,26 vliegt hij zeer hoog en breidt zijn vleugels uit naar het Zuiden; het is de sperwer, die in al de nuancen der soort verboden wordt.
17. waarschijnlijk een zeevogel, die zich van de rotsen op de
visschen werpt en ze zoo buit maakt. Deut. 14,17 en 18 is de groepeering eenigazins anders; -jSc staat daar na om (waarvoor daar n»m, de vrouw, vorm, gebruikt wordt). â rpc':i, v. s. van tic:, avondschemering, nachtuil; v. a. van ejw: hrieschen, een schreeuwende uil.
is. nann, van dot, adeiaen, snuiven, blazen, waarschijnlijk de kauw, een kleine uilensoort, kerkuil; Rashij-:: vledertnuis, v. a. de sisuil, die n£.ar verhaald wordt, in ruïnen huist en des avonds door open vensters de woningen binnenvliegt en wel eens kinderen doodt. â nsp, pelikaan, v. s. van Nip, spmoen, omdat hij den inhoud van zijn zeer rekbaren krop en de ingeslokte schaaldieren (als ze zijn weekgeworden en dus gemakkelijker te openen zijn) uitspuwt (vgl. Choellien 63a). â omn, v. s. de teer beminnende, de aasgier-, anderen; (Onkelos en andere vertalingen) bont, de groenspecht, een klimvogel.
19. nTDnn. evenals omn, de medelijdende, zorgzame vogel, de ooievaar. â nsasn, v. s. van rpx, toornig worden, â bergvalk; anderen: papegaai of reiger. â nsizni, v. s. de bergfazant, de edelste onder de hoendersoorten
41
ni^'n na nwi : irob : nrüS n»Kn-nKV°
t -ji-- â â¢- *⢠: i ⢠: v t j- it ⢠; lt;.t - it ... 17^
Disrrntfi : mrob fan-nxi «jntyn-nKi, Donnn-nNi/ -my n^n-nNi. noirjnn-nx'i : epEwrnw ^n-nxi^ -nxi na^nn-nNi n^öb najxn nTonn nxi : omn ^
v ; v,- ⢠1 - v : at ⢠: ^tt-jit t ⢠-: r â¢â¢ ; it tit
:D3^Nin^ ^3quot;IK-7^ TjVnri f]l^n ptr V3 : = ^hn «]i^n pf ^Hn nrnx -|N ^ nbx-nN : *pHn-^ jna nn;^ V^ap b^quot;p ^ -nNi D^Dn-nxi iro1? nmNn-nx -bbxn ono
v : *quot; ⢠: ^T:-)T ' v : ' : quot;quot;** : quot;,T v ** â¢* quot;
e]ij)n pE' bbi : inrp1? ajnn-nN*! inrp1? Vannn»
(Auerhahn in het Duitsch); v. a. de hop, een dier, dat een akelige lucht verspreidt en een grooten kuif heeft (vgl. Choellien 63b). â ciSqï.ti, v. s. van rpy, omhullen, de vledermuis; (anderen: de hop). De lijst begint dan met den koning der vogels, den arend, en eindigt met een dier, dal, wel door velen tot de vogels wordt gerekend, maar reeds meer den overgangsvorm tot de kleinere landdieren (pc) vormt.
20. tpyn flC S3- a^e wemelend gevleugeld (jedierte, gevleugelde insecten, die in groote menigte voorhanden zijn. Rashie verklaart po door: kleine dieren, wier lichaamshoogte zich niet veel boven den grond verheft, klein gedierte. â pais -[Snn, dal op vier poolen gaat, al heeft het insect zes pooten, doch loopt of kruipt slechts op vier daarvan; anderen: dat op vier of meer pooten gaat, d. w. z. dat meer dan tieee poolen heeft; vogels hebben slechts twee, eju'n po meerdere pooten, minstens zes. â oa1? sin pc, Deut. 14,19 nader verklaard: zij zullen niet gegeten worden, wat uit de tegenstelling in vs. 21 ook hier bedoeld blijkt te zijn.
21. tfS ItTJC vgl. Ex. 21,8), dat springpooten heeft, eig. kniestukken, korte voorpootjes, die bij het opvladderen op den grond gezet worden en waarmede het diertje kan springen. â vSj-iS Sini:, boven de eigenlijke vier pooten. Op grond van de genoemde soorten, die blijkens het telkens bijgevoegde ww slechts voorbeelden zijn, en behalve welke er nog meer geoorloofde soorten bestaan, worden Choellien 65 en 66 vier kenmerken opgegeven voor geoorloofde sprinkhanen, waarop men hier alleen doelt; tevens moeten zij ook tot de klasse der D'2;n behooren. Deze kenmerken zijn voor ons evenmin met eenige zekerheid vast te stellen als de hier genoemde spriukhaansoorten.
22. rDTK) val1 veel zyngt; de in scharen over het land trekkende sprinkhaan; djjSd van ïSd, wat in het Arameesch - het Hebr. rSa is, verslinder; de afleiding van Sjm is onzeker, evenals die van ajn, wat zooals uit Num. 13,33 blijkt, een kleine sprinkhaansoort is. V. s. is Sjin van j-in, hinken, een ongevleugelde sprinkhaan, die enkel springt en niet vliegt.
23. JDTX iS wat enkel vier pooten heeft en geene springpooten; Ibn 'Ezra: wat wel vier pooten heeft, maar enkel vliegt en die pooten niet gebruikt om op te loopen (vs. 21).
LEVITICUS XI.
24 vier pooten heeft, zal u een voorwerp van afschuw zijn. Doch aan de volgenden zult gij u verontreinigen, zoodat ieder, die hun
25 aas aanraakt, onrein zal zijn tot den avond; En wie van hun aas draagt, zijne kleederen zal wassehen, en onrein zal zijn tot
26 den avond : Aan al het viervoetig gedierte, dat wel een hoef heeft, doch dien niet geheel splijt, of dat niet herkauwend is, â onrein zullen zij u zijn; al wie hen aanraakt, zal onrein zijn.
27 Ook al, wat op zijne pooten gaat, onder al het gedierte, dat op vier pooten loopt, zal u onrein zijn; al wie hun aas aanraakt, zal
28 onrein zijn tot den avond. En wie hun aas draagt, zal zijne kleederen wassehen en onrein zijn tot den avond; onrein zullen zij
29 u zijn. â De volgenden zullen u onrein zijn onder het wemelend
24. IJfDün hSnSi. aan dezen, de hier volgenden alleen echter hunt gij u verontreinigen; hoewel de vs. 9â23 genoemde diersoorten u tot voedsel verboden zijn, brengt de aanraking aan hun aas geene onreinheid; de hier volgenden echter zijn, behalve dat zij u als voedsel zijn verboden, ook de oorzaak van verontreiniging ten opzichte van het heiligdom en gewijde spijzen, zoo iemand hun aas aanraakt. In vs. 8 werd dit alleen van de in de daaraan voorafgaande verzen genoemde diersoorten gezegd; hier wordt het herhaald om aan te geven, dat bij de vs. 9â23 genoemden die wet niet geldt, en tevens om vs. 27 de zoolgangers uitdrukkelijk als verontreinigend te noemen. â iKDDn, een Hithpa'el, zult gij u kunnen verontreinigen ; anderen: zult gij u als onrein heschouwen. Sommigen willen aan â-7 NO'J den zin hechten van: onreinheid ten opzichte van het heiligdom, geene feitelijke, maar slechts een symbolische verontreiniging door nabijheid van een lijk, aanraking van aas en dgl. (vgl. bijv. Lev. 21,3 en 11; Num. 5,2),â-terwijl â3 two meer de lichaamsbezoedeling door het genot van verboden spijzen of overtreding der kuischheidswetten aanduidt (vgl. vs. 43 en 44; en Lev. 18,20 en 24). Dit laatste beteekent dan: onrein icorden door iets. dat dan de concrete oorzaak der verontreiniging is; âH s»D geeft meer aan, dat de verhouding tot de betrokken zaak onreinheid brengt. â ïjjn 'is, al wie namelijk hun aas aanraakt, onverschillig waardoor het gestorven is, nijd', wordt onrein, zoodat hij liet heiligdom niet mag betreden en geene gewijde spijzen mag nuttigen. (Zie Lev. 22). â atrn ir, tot den avond; als de dag der verontreiniging is geëindigd, is hij weder rein, als hij tenminste nog bij dag vóór zonsondergang de reiniging door ritueel bad heeft verricht. â SlraJ is op de verontreiniging niet bepaald, waaruit wederom volgt, dat het vs. 8 gegeven verbod van verontreiniging slechts voor bepaalde omstandigheden geldt (zie onze aant. aldaar).
25. XCJn. wie draagt, ook op een wijze, dat er geene directe aanraking plaats heeft, bijv. in een e.nraer, die aan een juk hangt, dat op zijn schouders ligt; en in het algemeen: wie het verplaatst of beweegt. â mja Dai', hij zal, behalve zijne eigen reiniging door ritueel bad, zijne kleederen wassehen en baden, die hij tijdens het dragen aanhad, ook al hebben zij in hoegenaamd geene gemeenschap gestaan met het aas. In het algemeen wordt alles, waarmede hij, tijdens het dragen van het aas, in aanraking was, onrein. De kleederen zijn hier slechts als voorbeeld gekozen, omdat men die immers wel altijd zal aan hebben, terwijl men aas draagt. Deze verontreiniging van alle Jevenlooze zaken, waarmede hij gedurende het dragen van het aas in aanraking kwam, geldt alleen voor hem, die door dragen van aas onrein wordt, niet voor iemand, die aas aanraakt. Daar brengt alleen onmiddellijke aanraking onreinheid.
42
ixaisn : DDV Kin rp^ D^J-I ib ^
^-jquot; - t at quot; ⢠v {quot; ; iv t ^ | i'.vv -at: - ^
vnj2 023^ ortaso K'^n-^Di : KOû on^a^
vtts â¢'quot;'q: rtt t quot; t = '⢠,tr jt z * (.tt : ⢠:
rnonsa «in nonan-bD? : 3quot;iyn-n^ xotai13
v v; - ⢠jv -: ^ t â¢â¢ ; - t :i vtt t - jquot; t :
a^ota n^o n3:»K nui npó'^ rarx i noâia
j' quot; : r^tt' t-»v â¢â¢ tquot; : â t-»-.* â¢â¢ - â¢*'.⢠; t : -
-Vaa vsr^ Tpin i Vbi : nöü' ona pin-Vs ddV dh «
t : t ~ quot; | â¢'quot; -» ; it ; ⢠^v t ^-jquot; ~ t av t v.quot;
Dnbaaapan-^DD1? Dn d^nou nnVnn n»nn
vt t : ⢠: - t av t^ v.quot; j* : ~ ~ v^v i- t ~ iquot;
NÃÃI vi32 DSD* onbaiTiN Ntyani : aij^n-nv NOÃ^3
-â¢â¢â¢ t : vtt^ : r* - : t t ; * v â¢â¢ - ; v*itt - -»t : â¢
pira xótan dd1? n?i d : ddS nan d'xdu myn-n^ M
i '-w - â¢â¢ t - vt lt;v; iv t tv.quot; r â¢â¢ : â¢.â¢'att -
26. nonan SsS, hangt af van isscn in vs. 24: gij kunt u verontreinigen aan alle viervoetige dieren, die óf wel hoeven hebben, maar niet van boven tot onder gespleten, zooals ezel en paard; óf wel gespleten hoeven hebben, maar niet herkauwend zijn; â ons vers bespreekt dus de dieren, die in eenig opzicht aan de vereischten voor reine dieren voldoen; het volgende vers behandelt de niet met hoeven voorziene dieren, die beide kenteekenen van reinheid missen ; anderen zien in ons vers slechts eene klasse; de niet-herkauwende éénschoeners behandeld, om in vs. 27 de ongéhoefden, zuivere pootgangers te behandelen. âMendelssohn meent Sa1?
te moeten opvatten: In het algemeenalle viervoetige dieren,___enz.
onrein zijn zij u; omdat hij in deze laatste woorden het gezegde van den zin ziet. â Vergelijkt men evenwel de verschillende verzen van ons hoofdstuk, dan ziet men telkens dergelijke uitdrukkingen terugkeeren. Zoo ook hier: gij kunt u verontreinigen aan alle viervoetige dieren enz. onrein zijn zij u, zoodat ieder, die hen aanraakt, onrein wordt.
27. vaa hv iSn Sm. en al wat geene hoeven heeft, maar direct op de pooten loopt, zonder hoornig schoentje, â ïais Sï1 roSm ,fm San, onder al het levend gedierte, dat op vier pooten loopt, â dus niet onder vogels, waarvan vele reine soorten een voetzool, rp, eig. gekromde hand of voet, hebben, die zij hol kunnen zetten en waarop zij loopen. â Alle dieren verontreinigen alleen na hun dood; bij hun leven kunnen zij nooit onrein worden, noch onrein maken. Bit is alleen bij den mensch mogelijk.
29. Derde groep van onreinheid brengende gestorven dieren: ds1? nn soon. Daar geen klein gedierte, dat op aarde wemelt, geoorloofd is als spijze (vs. 41), kan hier Noen dsS nn niet anders beteekenen, dan dat de hier volgenden, als de eenige soorten onder de kruipende dieren, door aanraking onrein maken. â pen â pu»n Saa, onder al het wemelende, dat in
frooten getalerooten getale op de aarde wemelt, kleine in menigte voorkomende dieren, ie óf geene óf bij hun voortbeweging bijna niet zichtbare pooten hebben ; de kleinere, lagere kruipende dieren. â psn Sy pin, («Oerdieren verontreinigen niet. â iSnn, naar Rashie en Septuaginta: wezel-, anderen uit het Arabisch: mol. In den Thalmoed wordt mSin echter steeds voor wezel gebruikt, die vogeltjes vangt, water uit vaatwerk slurpt enz. wat alles bij een mol niet voorkomt. â laar, muis. â ax, eene soort hagedis, v. s. samenhangend met nax, zwellen, wegens zijn langzaam meer gezwollen wordend lichaam; v. a. boomkikker.
LEVITICUS XI.
gedierte, dat zich op de aarde beweegt: de wezel, de muis
30 en de hagedis naar zijne verschillende soorten. De egel, de
31 Koach en de salamander, de blindslang en de mol. Deze zijn het, die u onrein zijn onder al het kruipend gedierte; al wie ze namelijk aanraakt, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot
32 den avond. En alles, waarop iets van hen valt, als zij dood zijn, zal onrein zijn: van eenig voorwerp van hout, of van kleedingsstof of van leer of van zakkenstof elk voorwerp, waarmede men eenig werk verrichten kan ; in water moet het gebracht worden en blijft tot den avond onrein; en daarna zal
33 het rein zijn. En ieder voorwerp van aardewerk, waar binnenin ervan vallen mocht, â dan zal alles, wat er binnenin is, onrein
34 zijn, en het zelf moet gij breken. Voor zoover het namelijk
30. npM?â¢. Rashie en Septuaginta: egel-, anderen; een schreeuwende (van pJN, steunen) hagedis. â na, onbekend, waarschijnlijk eene soort hagedis of krab; Septuaginta: kameleon. ânxo^n. Rasdie: hagedis, anderen: een soort kleine salamander. â onn, Rashie: slak; daar echter de hier genoemde soorten, volgens Choellien 128i, allen tot de gewervelde dieren behooren, daar zij vleesch, heenderen en pezen moeten hebben, meenen anderen onder cnn ook een soort hagedis, óf den mol, óf den blindslang te moeten verstaan; de blindslang vormt, naar de dierkundigen meenen, den overgang tusschen slang en hagedis. â nnp:n, van dui, blazen, v. s. het zich opblazende dier, kameleon, Rashie: de mol. Onder de vogels komt dezelfde naam voor en beteekent daar volgens Rashie: vleermuis; mol en vleermuis behooren volgens vele dierkundigen inderdaad lot dezelfde dierenfamilie.
31. De genoemde acht soorten kruipende dieren verontreinigen alleen door aanraking, niet door dragen-, en alleen Dnoa, als zij, hoe dan ook, dood zijn-, volgens de traditie is ook een deel van het nog levende dier, dat ervan afgerukt en dus gestorven is, onrein; evenzoo het bloed, dat, evenals het vleesch, onrein maakt, terwijl bij andere dieren het bloed geen bron van onreinheid is. â De traditie maakt verder uit de afwisse-selende uitdrukkingen van vs. 31 en 32 nog op, dat, â als vs. 31 aanraking eerst voor verontreinigend verklaart Dra, aan hun geheel, terwijl vs. 32 de onreinheid reeds overgaat, als op iets valt ona, een deel van hen, â hier gedacht wordt aan een levensvatbaar minimum, dat is een stukje ter grootte van een Uns, â iSoa svro wïp», een gedeelte, dat in zekeren zin een geheel vertegenwoordigt, â daar bij cnn dit de minimumgrootte In het begin van zijn bestaan is.
32. De hier gegeven wetten gelden voor alle gestorven dieren, al staat hier on», wat schijnbaar de wet tot -pc? beperkt. Sommigen vatten die woorden aldus op: en al wat van hen, van de vs. 24 af genoemden, valt enz.; dan zou echter aas van reine dieren buiten de wet vallen. Waarschijnlijker is het dus, dat hier alleen van -po gesproken wordt, doch dat de wet zelve, met de uit den aard der zaak volgende qnantiteitswijziging, ook bij alle aas geldt, waarbij de hoeveelheid om onreinheid te brengen is bepaald op eene olijfgi-ootte. â yr houten voorwerpen, tjo, voorwerpen uit kleedingsstof vervaardigd; wat gesponnen of geweven is, uit plantaardige of van dieren afkomstige stof (linnen, katoen, wol of zijde en dgl.), doch dat kleed is, of althans als zoodanig, wat de grootte betreft, kan gebruikt worden; â nr iSa, uit gelooide of ongelooide haid; pp, een uit geitenhaar vervaardigd kleed of voorwerp. De traditie ziet in p» tévens uitgedrukt
43
K' quot;ym 3D
npiNni : twdquot;? nVnn pxnquot;^ ptjri ^
Ijtt-iit; iquot; ⢠; jt - : it : v j - | vist t ~ | â quot;â¢
dd1? D'KDtan : no^inm taonm nKübm nam ^
v,v t J-quot;;- v .)â¢â¢ v it : ⢠- : v v, quot; : . at t ; - : - v. - :
Vai : at^n-iy xnv onoa ona ^^n-Sa pi^n-^aa ^
j ^ vTtt rr ; ⢠v,t : f r ^ t I vat - t :
-ua in r^-^a-baa «aü' onba i nno vW
â¢â¢â¢lt;â¢.⢠j | ; t * t ; ⢠t : v â¢â¢ t't -⢠⢠v -:
crsa ona naxVo ^a-Va pïb in 'nriN
⢠sâ av t v.t t : ^ -»v *tiquot; v -: ⢠: t i t -⢠^
^â¦â quot;IE'N tynn-^a^ai * : wi aiyn-n^ NDUI Nar ^ |
-» ⢠v -i vv ⢠: t ; iquot; t : v^vt Jquot; r : jr ?
â ^ao : natrn inNi noü1 lama quot;im Va lain^N ona ^
t * i : ⢠j : A.t : ⢠â ) : sv -i j ft v â¢â¢
den eisch, dat het een zoodanigen vorm moet hebben, dat er iets in kan worden gedaan en dat het ledig zoowel als gevuld te verplaatsen moet zijn; â dus eenerzijds een holle ruimte, een inhoud moet hebben, â anderzijds niet te groot mag zijn, zoodat het te zwaar zou zijn om gevuld te verplaatsen. Uitgesloten zijn voorwerpen van steen en ongebakken aarde. â ona ros1?» nw icx 'Sa Sa, iets, waarin men eenig werk verricht, d. w. z. waar men iets in legt; â uitgesloten zij n: overtrekken van voorwerpen, die slechts dienen om ze te sparen; deksels, die niet gebruikt worden om iets in te leggen, enz. Metalen voorwerpen worden Num. 31,22 besproken (vgl. vs. 35). â NaT Di»a, naar de traditie: een tegelijkertijd geheel onderdompelen van alle deelen van het voorwerp, en wel in de waterquantiteit, die een mensch noodig heeft om geheel zijn lichaam onder water te brengen, â d. i. een minimum van 3 kubieke el a 57 cM., = 40 Sea water (± 556 liter). Na het baden is de zaak dan nog tot den avond daaraanvolgende onrein, om met zonsondergang geheel rein te worden, ook ten opzichte van offervleesch.
33. Bnn voorwerpen uit gebakken aarde. â lain Sx Dna Sb' iw.
Onder 'San -pn is de door de wanden van een voorwerp omsloten holle ruimte te verstaan. Terwijl dus in het vorige vers gezegd wordt, dat bij andere voorwerpen elke aanraking aan binnen- of buitenzijde onreinheid brengt, zegt ons vers, dat bij aardewerk onreinheid ontstaat, doordien een â¢pp of andere bron van verontreiniging valt in de binnenruimte, ook al raakt het de wanden niet aan; aanraking aan de buitenzijde daarentegen verontreinigt niet. â noc lama to.\s Sa, al wat zich erbinnen in bevindt, is onrein, ook al raakt het noch de wanden van het voorwerp, noch de bron van verontreiniging zelve aan. â Het voorwerp zelve is echter onrein, zoodat spijzen en dranken, die er, zij het ook aan de buitenzijde, mede in aanraking komen, onrein worden. â Daar nu het voorwerp zelve slechts verontreinigd is door een pc, heeft het een slechts geringen graad van onreinheid. Wij kennen namelijk bij onreinheid de volgende graden: le hoofdbron van verontreiniging, nXDlDn max 'as, een lijk of wat daarmede gelijk wordt gesteld; â 2e eerste bron van verontreiniging, nssicn as, dierlijk aas, pc, of wie of wat ook door aanraking enz. aan een lijk of aan een persoon in een der bij den levenden mensch voorkomende onreinheidstoestanden (mSvi rru ïnï» nan at) onrein is geworden. Wat dezen weder aanraakt, krijgt de mindere onreinheid van den eersten graad, nsoioS pcs-i; in dien toestand bevindt zich het in ons vers besproken aarden voorwerp. Wanneer hier nu staat, dat al wat zich er binnen in bevindt, onrein wordt, dan preciseert het volgende
LEVITICUS XI,
betreft eenige spijs, die gegeten wordt, waaraan water gekomen is, zal onrein zijn ; ook elke drank, die gedronken wordt, zal
35 in eenig vaatwerk onrein worden. En alles, waarop iets van hun aas valt, zal onrein zijn ; bakoven of haard moet omver
fehaald worden, onrein zijn zij ; en onrein mogen zij u blijven, leehts eene wel of een waterput, verzamelplaats van water, zal rein blijven; maar wie [daarin] hun aas aanraakt, zal on-ehaald worden, onrein zijn zij ; en onrein mogen zij u blijven, leehts eene wel of een waterput, verzamelplaats van water, zal rein blijven; maar wie [daarin] hun aas aanraakt, zal on-
37 rein zijn. En wanneer van hun aas valt op eenig zaadproduct,
38 dat tot uitzaaien bestemd is, is dit rein. Doch wanneer water op het zaad gedaan is, en dan valt er van hun aas op, dan
vers dit nader en beperkt liet tot eetwaren en dranken, daar op menschen en voorwerpen de verontreiniging slechts van een nswiDn 2X kan overgaan. Deze spijzen en dranken krijgen dan de mindere onreinheid van den tweeden graad, nsaioS â w, en verder gaat de verontreiniging volgens den Pentateuch niet. Rabbijnsche voorschriften breiden de verontreiniging voor dranken en gewijde spijzen nog eenigszins verder uit. â vtawi into, het voorwerp zélf echter kan niet door baden weder tot den staat van reinheid worden teruggebracht, maar moet gebroken worden, d. w. z. onbruikbaar worden gemaakt voor zijne vroegere bestemming, om ten opzichte van gewijde zaken als rein te gelden.
3i. S3}lt;n SsO hangt af van «ma icn So in het vorige vers: al wat erin is van eenige spijs, die enz. â -ics Sasn, die in eenmaal gegeten wordt, d. i. de qnantiteit, die men in eens kan doorslikken, de hoeveelheid van een ei; tevens: spijze voor menschen, die nog gegeten kan worden, eetbaar is. â din ïiSr -ito, waarop vroeger water opzettelijk, of althans niet tegen den zin van den eigenaar, gekomen is-, spijzen worden alleen onrein, als zij eens met water of andere vloeistoffen in aanraking zijn geweest, ook al is die thans geheel opgedroogd (vgl. vs. 38). â nnci -tos npc» Sdi, v. s. kunnen dranken, ook volgens den Pentateuch, onrein worden door aanraking met een verontreinigde zaak; dit staat dan in de aangehaalde woorden: elke drank, die nog drinkbaar is, kan, zoo het in eenig voorwerp is, dus niet bijv. water in de bron (vs. 36), onrein worden, als een pc in de holle ruimte van het voorwerp komt. Anderen daarentegen meenen, dat dranken naar den Pentateuch niet ontvankelijk zijn voor verontreiniging; danbeteekent ons vers: elke spijze enz., waarop water is gekomen, of eenige drank, die gedronken kan worden en in eenig voorwerp zich bevindt, wordt onrein-, onderwerp van het laatste snoi is dan niet npo», maar Sasn Sa uit het begin van ons vers. Er staat dus in het tweede gedeelte van ons vers, dat niet alleen bevochtiging met water, maar ook met eiken anderen rfrant spijzen ontvankelijk maakt voor onreinheid (n.sdio SapS wa»). â Sommige nieuwere verklaarders zien in D'» i'Sr sia* ion de wet: dat spijzen, waarop water uit het verontreinigde voorwerp valt, onrein zijn. Reeds uit grammaticaal oogpunt is deze opvatting niet te verdedigen, daar er dan niet eenvoudig D^a kan staan. De wetten omtrent verontreiniging van voorwerpen, spijzen en dranken gelden bij alle andere verontreinigende zaken (lijk, aas enz.) evengoed als bij pü.
35- NDDquot;1 vSy DriS:na ICX Ssi. Volgens Wessely spreekt men hier van alle nog niet genoemde zaken, dus: metalen voorwerpen worden onrein, doordien van hun aas erop valt. â njn en Diva, een aarden oven, een soort aarden pot zonder bodem, die men tijdelijk met leem of kalk aan den grond bevestigde. Hoewel overigens aan den grond vastgemaakte
44
K» 'ym n»
hpirD-VDi NDû D*O vby «ia* quot;IB'K *\m
|v: - T ; ^.T ; ⢠â¢lt;.- p )TpT J T v quot;! quot; T'quot; quot;- '⢠T
i : «au» nrnir» ^
jt t : ⢠⢠* v -: : it : ⢠v.' : t ; v t * -â¢â¢.⢠-i
vn» d^qüi Dn D^oca m on^i quot;nan nüü* v^y
^ ; i* v.* quot; : fgt;quot; j- â¢â¢ : | â¢â¢)-â¢: s - t : ⢠t^t
Dn'jaaa ^31 quot;IIHL: D^-mpö nni ? ^0 'HK : DD1? ^
t : ⢠: ^jquot; : at -«v ; r hquot; quot;l; ⢠fjr^i - l-*- iv t
jnr iwx ^T-^rb^ onVaao w : NiOü» ^
quot; a*#t* -â¢â¢.* -: v,quot; quot;jv t t^t :^* * ⢠lt;⢠; it ; â¢
KOta v1?^ DnVaao ^2:1 D^-?n» â¦DI : Kin ninü ^
Jquot; t «st*t t : ⢠⢠jquot; t : -v ⢠- i - \ lt;⢠: | ^ t
voorwerpen niet meer onrein worden, wordt voor deze voorwerpen, die, hoewel vast, toch nu en dan verplaatst worden en dan opnieuw bevestigd, eene uitzondering gemaakt, iwi, een bakoven voor brood; dito van to, braden of koken (I Sam. 2,14), een oven, waarop potten gezet worden, om spijzen te koken. â yn», moet losgerukt, omvergehaald, worden. â De uitdrukking komt alleen bij aan den grond verbonden zaken voor en niet bij metaal, maar bij voorkeur bij aarde en steen (vgl. bijv. Lev. 14.45). Het losrukken behoelt alleen te geschieden, als men ze voor gewijde zaken gebruiken wil; want Dn D'satD, zoolang zij niet losgerukt zijn, blijven zij onrein; doch D31? vrp D'sism, doch onrein mogen zij voor u blijven, voor ongewijde zaken moogt gij ze in hun staat van onreinheid gebruiken. Anderen: onrein zijn zij en onrein zullen zij u blijven, zoolang gij ze niet hebt losgerukt; eene andere wijze van reinworden is er niet.
36. ira mpn iiai pya, een wel, waarin het water uit den grond opborrelt; of een gegraven put tot verzamelplaats van water, waarin water in de vereischte hoeveelheid is samengevloeid. â una rrrp, blijft rein, ook al valt er een bron van verontreiniging, een aas of pp, in. â onSaja rJii nsc, doch wie of wat aan het daarin gevallen aas raakt, icordt niettemin onrein. Tegenover vs. 34, waar het overbrengen van onreinheid op of door dranken beperkt wordt door 'Sa Ssa, den eisch, dat het water zicli in een voorwerp moet bevinden, staat dan hier, dat in verbinding met den bodem water niet onrein wordt; maar de bron van verontreiniging niettemin zijn karakter behoudt.
37. yvif jni Sd S^j op eenig voortbrengsel van iets gezaaids; jmt is eei1 zelfst. nw.: het gezaaide, en wel bij voorkeur voor menschen eetbare zaadsoorten, vgl. Daniël 1,12; DT-wn |Q. â nr uw, dat gezaaid is, d. w. z. wat
aan den grond vast zit, â of dat tot zaaien, zonder eenige verdere behandeling, geschikt is, dan is de vrucht los van den grond. In de eerstgenoemde opvatting spreekt ons vers, parallel met het vorige, van nog aan den grond verbonden zaadplanten; het volgende vers van reeds afgesneden of geplukte planten. In de tweede opvatting wordt van aan den bodem nog verbonden vruchten niet gesproken, â daar wat aan den grond verbonden is, niet ontvankelijk is voor verontreiniging. Ons vers spreekt dan van na het plukken nooit vochtig geworden vruchten, zooals uit het volgende vers blijkt. â Nog anderen; dat feitelijk uitgezaaid is en wortel heeft geschoten.
38. JfV 'Dl- Daar steeds eene opzettelijke handeling veronderstelt, en de Hoph'al-vorm anderzijds alleen het geschieden der handeling con-
LEVITICUS XI.
39 zal het u onrein zijn. â En wanneer van het vee, hetwelk u [geoorloofd] is te eten, iets van zelf sterft, â wie dan het aas
40 ervan aanraakt, zal onrein zijn tot den avond. En wie van het aas ervan eet, zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot den avond; en wie het aas ervan draagt, zal zijne klee-
41 deren wasschen en onrein zijn tot den avond. En al het wemelend gedierte, dat op de aarde zich beweegt, is een voor-
42 werp van afschuw; het zal niet gegeten worden. Zoowel al wat op den buik gaat, als al hetgeen op vier pooten zich voortbeweegt, evenals al wat veelpootig is; in het algemeen al het wemelend gedierte, dat op de aarde zich beweegt, gij zult ze
43 niet eten ; want een voorwerp van afschuw zijn zij. Maakt uwe zielen niet tot een voorwerp van afschuw door eenig wemelend gedierte, en verontreinigt u niet door hen, want gij
44 zoudt er onrein door worden. Want Ik ben de Eeuwige, uw God; gij moet u dus heilig houden, dan zult gij heilig worden, want heilig ben Ik ; en gij zult uwe zielen niet verontreinigen
45 met eenig wemelend gedierte, dat op de aarde wriemelt. Want Ik
stateert, is hier de ziu; een niet door den betrokkene veroorzaakt l)ecoclitüjd worden, dat hem niettemin niet onaangenaam is. Voor spijs geschikte planten, die van den grond zijn losgemaakt, zijn dus eerst voor verontreiniging ontvankelijk, als er eens, nadat zij geplukt zijn, vocht op gekomen is, ook al is dat opgedroogd. In den grond staande planten kunnen hier niet bedoeld zijn, daar deze wel steeds door den regen zullen bevochtigd geweest zijn. â cm beteekent hier niet juist water, maar naar de traditie een der zeven volgende dranken : wijn, honig, olie, melk, dauw, bloed of water.
r v'er^e groep : aas van reine, voor het gébruik geoorloofde dieren.
Zij mogen, na geslacht te zijn, worden gegeten en zijn in geenen deele onrein, â zijn zij echter op andere wijze gestorven, dan zijn zij onrein; en wel zoo, dat hunne aanraking, het eten en het dragen verontreinigt. Het eerste maakt alleen den persoon onrein, de beide andere handelingen ook zijne kleederen (zie vs. 29).
40. Daar Saw, eten, óf aanraken óf verplaatsen van het gegetene onderstelt, ware hier deze bepaling overbodig. Zonder aanraking of verplaatsing (bijv. door het vleesch op een vork naar den mond te brengen) brengt aas van reine dieren geen verontreiniging. De traditie knoopt aan de plaatsing van dit geval tussdien aanraking en dragen de bepaling, dat deze beide handelingen alleen onreinheid ten gevolge hebben bij eene als eten te beschouwen hoeveelheid, d. i. bij eene olijfgrootte van een aas.
41. yplff, nader verklaard door nS, het algemeene verbod om
kruipende dieren te eten, terwijl vroeger alleen de verontreiniging eraan is behandeld.
42. Nadere verklaring van wat onder psn Vï p»n po is begrepen; alle wemelende landdieren, zoowel pnj Sr -jVn, wat op den buik gaat, zonder pooten, als slangen en wormen; als ï2is Sr -iSin, tml op vier pootjes loopt, als muizen, ratten enz., diSji nam Sa nr, tot alle veelvoeters, insecten
45
n» â¦roty _ no
DD1? KrniyK nonan-p niw â¦ai D : Dab Nin ^
j.v t r ^ quot; -: t â¢â¢ ; - i * t lt;⢠: iv t v
nnbaao «OLJ' nnbrm n^N?»
t t ; ⢠⢠â¢â¢ it ; v^it t quot; jt i ' v.t t : ⢠: ^'jquot; ~ at ; t ;
vniaDaa^nn^arnnK'^ni anyn-nj? KOÃI vua oaa'
Vtt : -»â¢â¢-: t t ; ⢠v â¢â¢ - ; vquot;att -â¢â¢â¢ t : ^.tt : r* - ;
Kin pxrr^ p^n pBTi^Di. : NOÃ1n'0
^.in i ^bquot;) n'nr-^ ^irTVa * ^pN;,^ 28^ Di^DKn NS riKn-^ pirn p^n-^1? nano-ba §
v. ; i j i vat t ^ ~ | jquot; - | f\v - t : ⢠- : - t t.
p^n p^n-^3 D^wsrnN lï^n^N : on p,^-^ « DD^ri^Ns nirv ^ : D3 Dnotp?1! Dn| Waan «bi ^ waan xbi â¦JSi irinp ^ D^tp on^ni bn^pnni
: - ; lt; : * at ^it r ⢠i: â¢*â¢.â¢*; i* ^ v : â¢Â»-;â¢; c
â¦:K I »3 * : rnxn-b^ fcwn rnrn-boa DD'n^arnK ⢠§
j. _. j. ] vit t jquot; it | â¢.%â¢â¢â¢ - t ; v â¢â¢ j ; - v r
met meer dan vier pootjes; anderen zien in cpSn nam den naam van den duizendpoot, zoodat er dan staat: van de kruipenden en viervoeters af tot den duizendpoot toe, en al wat daartnsschen ligt. â psn Sï pen pen SsS, de ^ geeft ook hier v. s. weer de algemeenheid van het begrip aan; v. a. alles, wat enz, behoorende tot a\ het weraelende; -pxn Sjj prn, vmt op de aarde wemelt, tegenover de water-insecten; of v. a. uitbreidend: al wat, op welke wijze ook, zich beweegt op den hodem of wat daarmede gelijk staat, bijv. wormen, in aan den grond zittende planten ontstaan. â De
froot geschreven '1 in pn;, wijst dien letter als den middelsten letter van en Pentateuch aan.root geschreven '1 in pn;, wijst dien letter als den middelsten letter van en Pentateuch aan.
43- ISpBTI S{lt;gt; maakt uwe zielen, uw persoon, niet tot een voorwerp van afschuw -, dezelfde woorden worden Lev. 20,25 met betrekking tot verboden zoogdieren en vogels gebezigd; hier wordt als gevolg van het nuttigen van kruipend gedierte aangegeven, dat de ziel daardoor pp, een voorwerp van afschuw wordt en de persoon s»d = met zonde beladen; niet: onrein, daar hier van alle kruipende dieren sprake is: pun pen *732, ook van water-insecten, die, zooals wij zagen, niet verontreinigen. â 03 onKCJi Dra ismon sSi, en bezoedelt u zelve er niet mede, want gij zoudt onrein blijven, van kwaad tot erger vervallen; anderen meenen oniSDJi van noo te moeten afleiden, evenals Job 18,3, wbbji, in den zin van: dom worden-, de woorden zeggen dan: verontreinigt n niet eraan, want gij zoudt uwe geestvermogens en ziele-kracht erdoor verzwakken. (Siporno, vgl. Ibn 'Ezra).
44. De grond voor al deze wetten: Ik ben de Eeuwige, uw God-, daarom moet gij heilig worden, en daartoe beginnen u zelve, door onthouding van alle die heiligheid tegenwerkende spijzen, heilig te houden en tot zelf-wijding op te wekken. Evenzoo 2,26, op het einde der sociale en zedelijk-heidswetten. â oom pen Sa:, van al het wentelend gedierte, dat wemelt op de aarde. V. s. ligt in pp, zooals bijv. Gen. 8,17 blijkt, de aanwijzing van dieren, die geslachtelijk voortplanten, terwijl een, als enkel liet hen-egen aanduidend, ook de door spontane generatie ontstaanden omvat. Zoo zouden dus hier de laagst georganiseerde dieren zijn verboden.
LEVITICUS XI, XII.
ben de Eeuwige, die u uit het land Egypte opgevoerd heb, om u tot God te zijn; gij moet dus heilig zijn, want heilig
46 ben Ik. â Dit is de leer aangaande het viervoetig gedierte, en het vliegende, en al het bezield gedierte, dat in het water wriemelt, en van al het bezielde, dat zich op de aarde beweegt.
47 Om onderscheid te maken tusschen het onreine en het reine, en tusschen het gedierte, dat gegeten, en het gedierte, dat niet gegeten mag worden.quot; â
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot de kinderen Israels, als volgt: wanneer eene vrouw zaad tot ontwikkeling brengt en een mannelijke vrucht baart, dan zal zij zeven dagen onrein zijn ; evenveel dagen, als de afzondering bij 3 hare [maandelijksche] ongesteldheid, zal zij onrein blijven. En op den achtsten dag zal men het vleesch zijner voorhuid besnijden.
46. nonan, de viervoetige la-nA-dieren; al wat vliegt, ook gevleugelde insecten; rrnn vs: Sai en alle levende wezens, visschen, zoogdieren en insecten, Dina nt'Km, die in verschillende soorten zich in het water bewegen; psn bp nx-iu/n vsi SaVi, en alle bezielde, levende wezens, die op de aarde wemelen, de insecten, kruipende dieren enz. Terwijl bij de opsomming der bepalingen de volgorde is: zoogdieren, waterdieren, vogels en kruipende dieren, â worden hier de vogels vóór de waterdieren genoemd. Daar geeft men de kenteekenen van onreinheid op, die bij visschen wél, bij vogels niet aan te geven zijn; hier staan zij in volgorde, naar de hoogere of lagere graden van ontwikkeling: de hoogere dieren het eerst, en in afdalende reeks, om met kruipende dieren te eindigen.
47. iniOn p31 JCOan pi' tusschen wat wél of niet door aanraking onreinheid teweegbrengt-, wat, zooals wij zagen bij vogels, visschen en de in vs. 29 en 30 niet genoemde diersoorten van de klasse der diïiiï niet het geval is. rtexn rmn pai doelt dan op het verbod sommige dieren te nuttigen. De beide zijden der in ons hoofdstuk behandelde nsoio: verontreiniging en verbod worden dus aan het slot gereleveerd (Nachm.) Wessely: nodh pa; wat bepaalde kenteekenen vertoont, die het tot gebruik al of niet geoorloofd maken; en tusschen diersoorten, waarvan sommigen mogen gegeten worden en anderen, die in hun geheel verboden zijn.
Hoofdstuk XII. In het bij de tempelwijding met Nadab en Abiehoe gebeurde, vond men 10,8 vv. aanleiding een voor de priesters belangrijke tempel wet mede te deelen; hoofdstuk 11 volgt daarop, uitgaande van de opsomming der als spijs geoo.-loofde dieren, eene uiteenzetting der door aanraking aan een aas bewerkte onreinheid ten opzichte van den tempel. Hoofdstuk 12â15 behandelen nu de uit physieke toestanden ontstaande onreinheid bij menschen, kleederen en huizen, en wel: 1°. de onreinheid der vrouw ten gevolge van het kraambed, met de daarvoor noodige reinigingsoffers; (hoofdst. 12); 2°. die ten gevolge van melaatschheid bij menschen en kleederen (hoofdst. 13), in ééne Godsspraak onafgebroken de verschillende daarbij voorkomende gevallen behandelend, â en de daarvoor noodige reiniginsoffers (hoofdst. 14,1â32). Daarop volgt als nieuwe groep: de melaatschheid aan huizen, die evenals die aan kleederen, ook op menschen onreinheid ten opzichte van het heiligdom kan overbrengen (14,33 - 57), waarmede de behandeling van melaatschheid is afgesloten. â Dan volgt 3°.
46
y N» ^nrn 10
DTibx1? on1? n'nb ddhk nbyan nin»
a* ^iquot; ^v t J : i* ⢠- ; ⢠1 v-»v â¢â¢ v : v «v^; iâ t :
eii^m nonan min mr : B'np '2 D^np on^ni«
IT: T â¢â¢ : - lt;- -⢠⢠IT V.IT ^ ⢠I: Jv^ ⢠: r
nïn'^n D^an n'^ohn n»nn ^a: ^bi
V jv - â¢.%â¢â¢â¢ T : -AT - V V,v IT T - I- v-»v :
rhbwn n»nn rm -intan ?^i Kötan pa ^quot;bn1?: pKn'»
v v v:iv - t - i- I atquot; I â Jquot; ^.. t - I jquot; * : - | ^vit t
a : Vdnh k1? quot;ib'x n»nn rm
,.. T ,.. j -: t - 1- I â¢â¢
'iósVl?K,3^. -ifn : -iü^vgt; n^o-Vx nin» quot;iSTv- ^ â¦o»3 D^b» njDt? n^Dü! IDT mbn ^nrn »3 ntsw
.)â¢â¢ ⢠* T *-â¢quot;â¢: ⢠T : it : ATT VT:IT: - -'⢠T â¢
: inbny 1^3 *ymn di^i : Nötan nn'n m:j
1 T :^r j' 1 v * A* â : - v. - it : ⢠: j''
de verontreiniging' door vloeiing bij mannen en de daarbij vereischte reini-gingsoffers (15,1â15), waarbij de verontreiniging door teelvocht bij man en vrouw aansluit (vs. 16â18), om met de onreinheidstoestanden der vrome door menstruatie of aanhoudende vloeiing en de in dit laatste geval noodige reinigingsoffers te eindigen (vs. 19â33). Het zijn alle verontreinigingen tengevolge van physieke toestanden, ismb nisvrri msniB.
1. De wetten, die meer in het bijzonder de verwijdering uit het heiligdom, de onreinheid zelve bespreken, richten zich tot Mazes en Aharon, zoo hoofdstuk 13, de melaatschheid, waarbij bovendien de priester bij de beoordeeling van den toestand actief optreedt; verder 14,33 melaatschheid aan huizen, en hoofdst. 15 de verontreiniging in het geslachtsleven. Waar het vooral of uitsluitend om de te brengen offers te doen is, wordt het gebod alleen tot Mozes gericht, om het geheel ïsraël mede te deelen. Ons hoofdstuk nu behandelt de onreinheid slechts kort en verwijst aanstonds in vs. 2 naar de eerst later besproken bepalingen omtrent de menstru-eerende; hoofdzaak is hier liet offer, dat der barende opnieuw den toegang tot het heiligdom opent. Daarom is het gebod alleen tot Mozes gericht. (Vgl. onze aant. 11,1).
2. ymn. eig. zaad tot ontwikkeling brengen, vooral van planten gebruikt. â -ot mVquot;!, en iets mannelijks, als zoodanig herkenbaar, ter wereld brengt. â nnn m: in'O, gelijk het aantal dagen van de afzondering haver ongesteldheid, die 15,19 bepaald zijn. (m:, van tij, vluchten, eig. xvat ontvlucht xvordt of moet worden, eu wel in den regel; ontvluchten van een plaats of persoon, waarmede men eigenlijk vereenigd moest blijven, v. d. term voor den toestand der vrouw bij de menstruatie, die verwijdering der echtelingen ten gevolde heeft. V. a. mi, eene vrouw, wier bloed hanr lichaam ontwijkt).â nn, zich ziek g ev o el en, terwijl nSn meer den/ejtóyX-abnormal en toestand: het ziek zijn aanduidt. Dat hier verwezen wordt naar de wet omtrent m:, die eerst later wordt vermeld, bewijst wederom, dat de Pentateuch eerst werd opgeschreven, nadat hij het volk in zijn geheel bekend was.
3- TDUTI DV21- en op den achtsten dag, nadat dus de moeder gedeeltelijk tot den staat van reinheid is teruggekeerd, moet de besnijdenis plaats hebben; naar de traditie : in ieder geval op den achtsten dag, ook al valt die op Shabbath in.
LEVITICUS XII, XIII.
4 Doch drie en dertig dagen zal zij blijven in reine bloedvloeiing ; niets heiligs zal zij aanraken en in het heiligdom
5 niet komen, tot hare reinigingsdagen vol geworden zijn. Wanneer zij echter een vrouwelijke vrucht baart, dan zal zij twee weken onrein zijn, gelijk bij hare [maandelijksehe] afzondering; en daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in reine bloed-
6 vloehng. En als hare reinigingsdagen vol geworden zijn bij een zoon of bij eene dochter, zal zij een schaap onder het jaar brengen tot brandoffer, en eene jonge duif of tortelduif tot zondoffer, naar den ingang van de tent der samenkomst, tot
7 den priester. Deze zal het vóór den Eeuwige ten offer brengen en verzoening voor haar doen; dan zal zij rein zijn van haar bloedopwellen; â dit is de leer voor eene barende, zoowel met betrekking tot een mannelijke, als tot eene vrouwelijke
8 vrucht. Vindt echter haar hand niet genoeg voor een lam, dan zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, één tot brandoffer en één tot zondoffer; en de priester zal verzoening voor haar doen, en zij zal rein zijn.quot;
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes en Aharon, als volgt: wEen mensch, op de huid van wiens vleesch eene hoogwitte of daaraan zich voegende of eene stralend witte vlek zijn zal, die op de huid van zijn vleesch tot eene plaag van melaatsch-
4. mno 'ma airn. zal zij blij v en in hloed van reiniging, d. w. z. zal zij doorbrengen in een toestand, waarin zelfs bloedvloeiing haar geen bijzondere verontreiniging brengt ten opzichte van haar huwelijksleven; doch niettemin gedurende al dien tijd; wn n1? enp Ssa, mag zij, ook als zij volkomen vrij is van bloeduitstorting, niets, wat heilig is, aanraken. Uit de vergelijking met vs. 2, waar zij gedurende de eerste zevendaagsche periode met de menstrueerende wordt gelijkgesteld, volgt, dat de eenige, in ons vers, gedurende de op die zeven volgende 33 dagen, haar opgelegde beperking bestaat in het verbod: in aanraking te komen met het heiligdom of met gewijde zaken. â acn wordt door sommigen verklaard; zal zij te huis blijven zitten, en niet het heiligdom bezoeken. Anderen verklaren: zal zij met haren man echtelijk mogen samenleven (vgl. Hoshéa'3,3); nog anderen: zal zij in afwachting zijn en zich in acht nemen, nl. «np Saa enz. â mno â 'K' n.-jSn ir, tot ten volle verhopen zijn de dagen harer reiniging; ook al heeft geen bloeduitstorting plaats, toch is zij ten opzichte van het heiligdom onrein, tot de voorgeschreven dagen om zijn. Ook dan moet zij echter, om het heiligdom te mogen betreden en offervleesch te mogen eten, eerst de vs. 6 voorgeschreven offers hebben gebracht. â De traditie neemt aan, dat de vrouw in haren reinigingstoestand nóch heffingsspijzen (nnnr), nóch offerdeelen mag aanraken. Vruchten echter, die tot het tweede tiende (ijb icrn) behooren, mag zij wél aanraken. Men stelt haar nl. gelijk met iemand, die, na zijn ritueel bad genomen te hebben, nog tot den avond onrein blijft, om bij het intreden van den nacht rein te worden (dïi Siac).
5. Qvpr, tweemaal zeven dagen. â nrn«, in denzelfden toestand, in dezelfde verhouding tot haren echtgenoot, als tijdens hare menaiinaXie-afzondering.â Of de verdubbelde termijnen bij eene vrouwelijke vrucht, evenals de zeven- en 33-daagsche bij de mannelijke, hun grond hebben in physiolo-
47
y 2' mrn TÃ
-^^Tp-VDsri⢠*0*13 nt^^i bv ^
i vlJ t : at*: it â gt;â¢â¢ : ' Kquot; quot; m * t v j : j- ;
quot;dni : mnu w ab ^ipsn-^Ki vinquot;
⢠; it â¼; it^ jquot; s ^ : ~ t j ti ;â¢quot; .v; t
nvw DVD^trinnuaD^aiynKot:') ihr\ nap:
⢠T â¢.â¢-â¢â¢â¢: j' ' : at T * : '\~ \ : JT : IT : â¢â¢ â¢â¢ JTIquot;:
hïb IK p1? mu w i : nmü 'orbv 2^n1
- ; j | â¢â¢ : Tit -â¢â¢â¢ ; : ^ ,T*: ,T : ^** quot;
-^k nxtsn1? in-^ n^inm iratrra tras N^n
at - ; v, JT I v t ; t : I v v «v ⢠t
quot;ifipl nin» ysb linpni : insrrb'X -i^io-VnK nna» IN ia?1? m^n hun HKT H^OT ipaD mnüi n^v
j V.TT- VV - - T AV T I^ V,T quot;J IT : T V t
onh^niy nnpbi hv n nn» Kïon ktdni : nap:1?n
iquot; : JTI-.IT; v â quot;⢠TT -«T : ⢠⢠; ITIquot;;-
n11^ isdi nHtsn1? nnxi nV^1? -ihk niv â¦ja â¦itr ik
t r-'t jv * : at - : -tv; jt v t â¢quot;⢠: â¢â¢ ; lt;
a : ntainü,i rnan
tiquot; T : Kquot;
-quot;iijra n^n»-^ d^k : laK1? rhnK-VKi nt^ö-^K nin* iyiquot;\«
*1 ; «v:r ⢠tt i â¢â¢ ! v.quot;*iquot; ^ ^ jv v t : 3
i-r^rnjtt n^ni nina ik nnso-iK nm intra
^ -jv ; v. t ; 1 : jtt: v v - -⢠--- i lt;â¢â¢ ; t :
gische verschijnselen, die dan bij vrouwelijke geboorten langer zouden aanhouden dan bij mannelijke, staat niet vast. Volgens den Thalmoed (Nidda 30a) hangen de termijnen samen met de perioden der eerste vrucht-ontwikkeling. (Vgl. Nachm.)
6. na1? W pS. met betrekking tot een zoon of een dochter-, de reinigingsdagen dienen niet ten behoeve van het kind. â vot p, onder het jaar; uit het aanhangsel; uit zijn jaar leidt de traditie af, dat het jaar gerekend wordt naar de geboorte van het dier, niet naar wereldjaren, die een vast uitgangspunt hebben. Men rekent het jaar tot den terugkeer van den datum van geboorte, evenals wij dat nog bij levensjaren van menschen doen.
7- â onpm. fc)' ^ ^ ah offer bereiden, ieder der beide genoemde dieren. Anderen; als hij het dan als offer zal hebben bereid en ver zoening voor haar heeft gedaan, waaruit dus blijkt, dat vooral van het zondoffer sprake is, dan zal zij geheel rein zijn, en weer het heiligdom mogen betreden. â Zij bracht haar offer slechts tot den ingang van het voorhof, waar het door den priester werd overgenomen en ten offer gebracht. â .Tm ipna, van het opwellen van haar bloed. Dat reiniging door ritueel bad moet plaats hebben, spreekt vanzelve, daar die 15,19 vv. zelfs voor alle direct of indirect door haar verontreinigden is voorgeschreven.
8. nT Nson nS dni, als haar hand niet genoeg vermogen vindt voor een nr, een jong dier, enz. Vgl. Lev. 5,7. Anderen; haar vermogen is niet toereikend, (sïu, onovergankelijk), nog anderen ; als z ij haar vermogen niet vindt als toereikend enz. Meestal is echter in dergelijke uitdrukkingen -p het onderwerp van den zin.
Hoofdstuk XIII. 1. pHN Sjci ntro S» zie onze aant. 12,1. 2. D1{Cgt; ten mensch, 'zelfs een kind, of een niet als Israëliet geborene.
LEVITICUS XIII.
heid zal zijn; dan zal hij gebracht worden tot Aharon, den
3 priester, of tot een zijner zonen, de priesters. Als dan de priester de plaag op de huid van het vleesch zal schouwen, en het haar in de aangetaste plek is in wit veranderd en de kleur der getroffen plek is dieper, dan de huid van zijn vleesch, â dan is het eene plaag van melaatschheid; als de priester dit ziet, zal
4 hij hem onrein verklaren. Is het echter wél een witte vlek op de huid van zijn vleesch, doch dieper dan de huid is de kleur ervan niet, en het haar is niet wit geworden, â dan zal
5 de priester de plaag zeven dagen opsluiten. De priester zal hem op den zevenden dag schouwen; en zie, de plaag is
die tot het Jodendom is overgegaan. â vws nja, op de huid van zijn vleesch, op een onbedekte, niet door haren of nagels of door een andere huid bedekte plaats aan het lichaam, dus niet: op het hoofd of onder den baard en dgl. â mna w nnso in rxc. Naar de traditie is hier uitsluitend sprake van witte vlekken, die zich aan het lichaam vertoonen en die onder zekere omstandigheden het kenteeken van melaatschheid zijn. Deze ziekte uit zich, soms jaren lang vóórdat zij werkelijk uitbreekt, in witte, in de diepte der huid liggende vlekken; â deze vlekken dringen later door tot net cellen weefsel en de beenderen; de haren worden wit, wollig en vallen uit; de huid wordt ruw en krijgt spleten, waaruit etter vloeit; er ontstaan builen en zweren. Later zwellen de nagels op en vallen eindelijk af. Zeer vaak eindigt de ziekte met den dood. â iw, eig. verhevenheid, niet: een huil, maar een hoog liggende witte vlek; het donkere wordt namelijk in vergelijking tot het lichtere als dit dekkend, erop liggend beschouwd; de door de zon sterk beschenen plek schijnt dieper te liggen dan de schaduw. Hoogliggend, nsc, beteekent dus: minder wit, niet dan de huid, maar:donkerder dan het ernaast genoemde mna, dat een stralend witte vlek aanduidt, sneeuwwit; nxo daarentegen is het wit van wol, dus meer grauwwit. Ibn 'Ezra; brand, naar Recht. 20,38 en 40, waar racam door sommigen wordt opgevat als: vlam, door anderen in den zin van: de zich verheffende rookwolk. â rnsD, naar de traditie: van nso, dat 1 Sam. 2,36 voorkomt in den zin van : toevoegen, â iets bijvoegend.quot;, een witte vlek, die niet geheel op xisw gelijkt, maar ermede overeenkomt. De traditie onderscheidt nu vier kleur-nuancen: sneeuwwit, mna, met zijn bijbehoorende kleur, nnsD, kalkwit; â en wolwit, jisü, met zijn nnso: wit als het vliesje binnen in een ei, dat onder den eierschaal zit. Ibn 'Ezra : eene op één plaats zich hechtende ziekte; anderen: eene opgeloopen plaats, waar zich vocht bijeenvoegt; nog anderen: eene ontsteking, een soort uitslag, waar de huid haar vocht uitgiet. â mna, Wessely : vlek, zonder nadere aanduiding. â njn* jmjS â¢â¢â¢irm, en deze wordt (volgens Wessely : kan worden, volgens anderen: lijkt te zijn), â tot een plaag van melaatschheid, die den patiënt pijn veroorzaakt en anderen lastig en onaangenaam is. â ïjj, eig. aanraking, meestal: een door directe Goddelijke inwerking veroorzaakt onheil of ziektegeval. Het wordt voor de getroffen plaats (vs. 3), voor den getroffen persoon (vs. 4) en voor de ziekte zelve gebruikt, â saim, dan zal hij gebracht worden, ook tegen zijn wil. De priester moet de rein- of onrein-verklaring uitspreken; het onderzoek zelve mag ook door andere deskundigen geschieden, â doch de beslissing, die de uitsluiting uit heiligdom en samenleving ten gevolge kan hebben, moet door den priester worden gegeven.
3. nxn. % zat zien, d. i. scherp en nauwkeurig bekijken, om de kleur vast te stellen in verhouding tot die der huid, lïon nïa. â ncn en het haar,
48
7
x ynm
: Dorian vaao inx-bN ix ?nquot;3n r'inK-b'K «aim
i* -1 i quot; itt ⢠j- - v â¢) i â¢â¢ - i j -i i- v t : ~ att
i â¢nan ym ï^arnira jnrrnK rn'an nxm
Ijian inisfii Nin ^ 1^3 pbj; nxnoi 7« pb^iitoaii^aKin nbS n-irirnxi : irx NStpr tin rrtan quot;i^om pb -nan-N1? fn^'d âiivrna nxnn
^ i .)â¢â¢ - s' ; ⢠: i at t ^ )-â¢- t 1 v.t^t ; ^ t i ⢠t -«v ; -
nanV^a^n DVa^rtsn inNni : DW nya#
no
1
verzamelwoord; ten minste twee haartjes; â een enkel haar heet niet w,
LEVITICUS XIII.
onveranderd gebleven in hare kleur, de plaag heeft zich niet op de huid uitgebreid, â dan zal de priester hem ten tweeden male
6 zeven dagen opsluiten. De priester zal hem nu op den zevenden dag ten tweeden male schouwen; en zie: de plaag is dof geworden en heeft zich niet uitgebreid op de huid, dan zal de priester hem rein verklaren; het is slechts iets, wat op melaatschheid
7 gelijkt; hij zal zijn kleederen wasschen en rein zijn. Maar indien het op melaatschheid gelijkende ziekteverschijnsel zich op de huid uitbreidt, nadat hij zich bij den priester heeft laten zien, om zich rein te doen verklaren, â dan zal het nogmaals
8 aan den priester getoond worden. Dan zal de priester schouwen, â en zie : de op melaatschheid gelijkende vlek heeft zich op de huid uitgebreid, â dan zal de priester hem onrein verklaren; melaatschheid is het.
9 Eene plaag van melaatschheid, die zich aan een mensch 10 mocht bevinden, zal tot den priester gebracht worden. En de
priester zal schouwen, en zie: eene hoog-witte plaats is op de huid en zij heeft het haar in wit veranderd; en gezond.
alleen wordt door den priester geoordeeld. â ma 1131' r:Jn rum, de plaag is blijven staan in zijne kleur, of v. a. in zijne kleuren, binnen de grenzen der vier kieurschakeeringen, ook al heeft overgang tot een andere dezer vier graden van witheid plaats gehad. Anderen: in zijne, des priesters oogen, naar zijn oordeel en naar wat hij ziet, is de plaag blijven staan, wat dan hetzelfde zou beteekenen als nes sS, waarbij dan echter wordt aan-
feduld, dat uitbreiding alleen naar deneduld, dat uitbreiding alleen naar den blik des priesters wordt beoordeeld; ij behoeft niet na te meten. Is dus het ziekteverschijnsel nog aanwezig en de witte vlek niet te zwak geworden om als melaatschheidsteeken beschouwd te worden, doch anderzijds heeft de vlek zich ook niet uitgebreid, â wat directe onreinverklaring ten gevolge zon hebben, â dan heeft een tweede opsluiting van zeven dagen plaats, waarbij de dag van het tweede onderzoek als eerste der nieuwe zevendaagsche periode geldt, te zamen dus dertien dagen.
6. Na afloop van dien termijn heeft opnieuw onderzoek plaats; als daarbij dan blijkt, dat er geen uitbreiding neeft plaats gehad, dan is de aangetaste rein. â nro rum, de plaag is dof geworden, ónder de zwakste der vier nuancen gezonken, dan is hij aanstonds rein; al is de vlek uitgebreider dan vroeger; â doch ook al heeft de vlek haar kleur behouden, maar er is geene uitbreiding te constateeren, â ook dan is de getroffene rein. â Wessely: de plaag blijkt nu zoo zwak, dat zij zich niet heeft uitgebreid. â nnsD», iets toegevoegds, wat op melaatschheid gelijkt; het is niet hetzelfde als nnsffl in vs. 2, wat een der kleuren aanduidt, die ken-teeken van werkelijke melaatschheid quot; ' quot; 1 quot; J
op onze plaats wijst er volgens
verschijnselen vooral bij nnsD voor! , , _
kleederen wasschen en wordt dan eerst rein; tot dusver was hij dus als UDiii, tot nadere observatie opgesloten, onrein.
7. imntsS â¢quot;inxm nrw. nadat hij zich door den â priester heeft laten onderzoeken, om zich rein te doen verklaren; dat kan eerst na de tweede opsluiting geschieden. De zin is dus: als op het oogenblik van het onder
49
njrau' rrtsn wsn v:^3 nor
^ * â ,,,eo quot; s *: * : c* ^'â¢quot; q t i t ; -«-^t
di*3 ini* |n'3n nxni. * : rvi# Nin nnsoD Tplan nntai iiya ^jsn nro
* ^ -j- ;^ ⢠I â¢â¢ - lt;-: r : t ^ quot;V-*quot; jf r i : ^ - v - jt â¢â¢
n^3 nnsDsn nirsn ntrrDKi : int2i vtQ D3DV
t - ... - lt;v : ⢠t ⢠; iquot; t : vtt : jv ⢠;
: p'sn-^K rvatf nxiii imnts1? rrian-1?» inKin nnx
liquot; ~ v ; ⢠: a tt: it : kquot; - v .) , it â¢â¢ ^ squot;-:iquot;
rnan ikölsi nnsoan nnirö mni trün nxnquot;
kquot; quot; j : ' : a t -v.- : ⢠- jt ; it .)â¢â¢*: i â¢â¢ - t t;
s : Nin nynï
r )~ t
rrün n«quot;ii : jnan-^K N3ini dins n^nn »3 nviï p: =
i â¢â¢ - -«t t; i iquot; - v v.t : at t ; v.*** r y -r â »
1^3 rvnai p1? n^an x^ni 11^3 ri23ynNty nam
jt t â )- : ⢠iatt vt : it ⢠: t tt : r* : lt;â¢â¢ ⢠:
zoek na de 13 dagen van opsluiting geen uitbreiding te constateeren viel en de patiënt dus rein is verklaard, doch later heeft uitbreiding plaats, â dan moet hij zich wederom tot den zelfden priester wenden; uitbreiding kan immers alleen geconstateerd worden door iemand, die de vlek in hare oorspronkelijke grootte heeft gezien, üit het vorige vers blijkt reeds, dat de lijder onrein moet verklaard worden, indien er uitbreiding
geconstateerd wordt, hetzij na de eerste of na de tweede afzonderingsweek. ns vers bespreekt nu het geval van uitbreiding, na algeheele reinver-klaring. â Anderen zien in imnoeconstateerd wordt, hetzij na de eerste of na de tweede afzonderingsweek. ns vers bespreekt nu het geval van uitbreiding, na algeheele reinver-klaring. â Anderen zien in imno1?: ten behoeve van de beslissing over zijn reinheid. Dan kan het ook op de beide eerste weken van afzondering slaan en staat er dus, dat, zoodra zich uitbreiding vertoont, onreinverklaring moet volgen. Of imnoS dit kan beteekenen, is echter twijfelachtig. â Wij hebben dus als teekenen van absolute onreinheid: 1°. witte haren, in dé vlek ontstaan; 2°. uitbreiding der vlek; vs. 9 vv. behandelen het derde onreinheidssymptoon: rw», dat bij nxc besproken wordt, omdat het daar waarschijnlijk het meest voorkomt. Alle drie verschijnselen brengen bij alle vier kleurnuancen onmiddellijke onreinverklaring mede.
9. rvnn ra runs jw. de vrouwel. vorm van het werkwoord heeft tot onderwerp; njm; soim, dan zal h ij, de ïjj, dat dan óf de plaag, óf de getroffene beteekent, gebracht worden.
10. Evenals vs. 4 bij mro, wordt hier bij nsw bijgevoegd: roaV, eene witte hoogliggende, d. i. minder lichte vlek, dan mna, om vlekken in andere kleur uit te sluiten. â pS tro rosn nvti, zie vs. 3; de vlek zelve moet het haar van kleur hebben doen veranderen, de vlek moet aan de kleur-verandering zijn voorafgegaan. Wit geworden haar is ook bij nsu.' een direct symptoom van onreinheid, evenals vs. 3 bij nvo gezegd is. Uit vs. 15 en 16 blijkt verder, dat ook rpna alleen reeds onmiddellijke onreinverklaring ten gevolge heeft. De '1 van rmtti kan dus niet beteekenen: en, als zou in ons vers het optreden van beide verschijnselen, wit haar en rauw vleesch, geëischt worden voor de directe onreinverklaring; â maar is een tmede geval, waarin zekerheid bestaat, dat men met werkelijke melaatschheid te doen heeft. â vi -102 rmm. rrn» beteekent: levensonderhoud (Gen. 45,5), levensmiddelen (Recht. 6,4), hier; levend, wat kenteekenen van leven vertoont, versterking van in, het is dus: gezond, levend vleesch;
LEVITICUS XIII.
11 levend vleeseh is in de hoog-witte vlek; â Eene verouderde melaatschheid is het op de huid van zijn vleeseh en de priester zal hem onrein verklaren; hij zal hem niet opsluiten, want
12 onrein ia hij. Doch wanneer de melaatschheid als in bloei uitbreekt over de huid, en de melaatschheid bedekt de geheele huid van den door de plaag getroffene, van af zijn hoofd tot aan zijne voeten, zoover des priesters oogen zien kunnen; â
13 En de priester schouwt, en zie: de melaatschheid bedekt zijn geheele vleeseh, dan zal hij den door de plaag aangetaste rein verklaren; geheel is hij in wit veranderd, rein is hij.
14 Maar op den dag, dat zich aan hem levend vleeseh vertoont,
15 zal hij onrein zijn. Zoodra de priester het levende vleeseh ziet, zal hij hem onrein verklaren; het levende vleeseh is
16 onrein, â melaatschheid is het. Doch als het levende vleeseh
anderen leiden het woord af van mn, toonen, en verklaren: litteeken, nog anderen van nnn, dat dan stooten, slaan beteekenen zou; in het Hebreeuwsch komt die stam echter alleen in geographische beschrijvingen voor in den zin van: reiken tot (Num. 34,11). â iwa, in de hoogwitte vlek, d. w. z. van alle zijden is het levende vleeseh, dat in de vlek is ontstaan, door de witte vlek omgeven, terwijl wit haar ook symptoom van melaatscheid is, al bevindt het zich op den uitersten rand der aangetaste vlek. De nvro behoeft niet eerst in de vlek ontstaan te zijn; maar ook al vormt zich een witte vlek rondom een reeds aanwezig stuk rauw vleeseh, ook dan is onmiddellijke onreinverklaring daarvan het gevolg. â De traditie leidt uit de naast elkander plaatsing van nrm en -iïd in ons vers af, dat zij gelijk gesteld worden in zooverre, dat, evenals bij vyit haar ten minste twee haartjes hunne kleur moeten hebben veranderd, ook nvro alleen dan onreinheidssymptoom is, als het in lengte en breedte de grootte heeft van de ruimte, door twee haren op het lichaam ingenomen. Verder blijkt uit ons vers, dat het mogelijk is, dat in één vlek zich gezond vleeseh in den bepaalden omvang bevindt, geheel omgeven door wit haar, d. i. door een krans ter breedte van twee haren, â waaruit wordt afgeleid, dat de vlek, om iemand onrein te verklaren, minstens de ruimte moet beslaan van zes haartjes in het vierkant = de ruimte, door 36 haren op het lichaam ingenomen.
ïi. mru njni'. een verouderde melaatschheid. Het gezonde vleeseh, midden in de aangetaste plek, wijst erop, dat óf het vleeseh zich tegen de ziekte heeft kunnen verzetten en na langen strijd gezond gebleven is midden in de vlek, óf dat in het midden de ziekte reeds overwonnen is en het vleeseh weder gezond is geworden (Wessely). â wnci en de priester zal hem, zonder meer, aanstonds onrein verklaren. â uud' nS. Daar de priester door aanraking van den lijder onrein zou worden, meent Ibn 'Ezra dat hier vertaald moet worden; hij zal hem niet zelve opsluiten, maar wél door een ander doen opsluiten. â De witte vlekken vormen op zichzelven geene melaatschheid, tenzij zich een der drie verschijnselen vertoont; wit worden van het haar op de aangetaste plek, wat vooral bij mro schijnt voor te komen, â optreden van gezond vleeseh midden in de vlek, wat voornamelijk bij nso gewoon schijnt te wezen, â óf uitbreiding der vlek, wat dan meer bij rnüd optreedt. Zoodra eene dezer verschijnselen zich vertoont, is de aangetaste definitief onrein, oSma nud, en aan de bepalingen van vs. 45 en 46 en aan de reinigingshandelingen van hoofdst. 14 onderworpen.
50
y jnTn 3
rnquot;3n iNa^i rivz 11^3 kin nriï : 'n ^
quot; ⢠quot; gt; ^ S * : T : S * vlt;v quot;T ,quot;.: quot; ^
quot;11^2 nyiïn man nna-ow : Kin noü »3 is^üd' k1? ^
t ~ ~ t â lt;- : ⢠- t ⢠; 1 vquot; t r v ; - j
â ba*? vbn-ipi I^NIO piin nx n^i^n nnDSi
t : ^ fgt;r^ : v. v - t â¢â¢lt; ~ t ~ -r : ⢠;
-nN n^iïn nnop narii jn'sn nxni : jn'an ^ nxno ^ Dibi : Kin nnL3 raquot;? nejn lbs ^i3n-nK mm ^
: 1 t Ktt |-r t 0 \ quot;ist - v v.quot; * : t ; t
iKöüvnni'^an-nKïnanntni iKOü^nntra 13 niKnnia
«% : ⢠: v,- - t - v !.)â¢â¢ - st t : it ; ⢠^- jt t o ^ tiquot;
nn T^3n aiB'^ ^ ik : Kin njm Kin kdü 'nn itran ra
v~ * jt t - â¢) t j' -⢠i }- t v jquot; t 4' ' jt t -
12. ma DN1gt; a's in bloei uitbreekt, d. w. z. eene uitbreiding, die, hetzij plotseling ol' geleidelijk, ten slotte het geheele lichaam wit doet worden en wel: pjun up ns, de geheele voor de melaatschheid ontvankelijke huid, â dus niet die deelen, waarbij melaatschheidsvlekken niet in aanmerking komen (zie vs. 1). â j.-on w nxio SaS, voor zoover de blik des priesters bij normalen stand van den te onderzoeken, natuurlijk ontkleeden persoon, reikt, ook al zijn de plekken, die zich dan aan den blik onttrekken, niet wit, maar gezond, vleeschkleurig. Nachm. verklaart i-jnnr ^m, de geheele reeds aangetaste plek en verder van het hoofd tot de voeten; waarin dan zou staan, dat de oorspronkelijk aangetaste plek tó moet zijn gebleven; heeft deze echter eene nuance gekregen, die buiten de vier melaatschheidskleuren valt, of heeft zij haar normale kleur teruggekregen, dan maakt uitbreiding over het geheele lichaam den patiënt niet rein. â De traditie brengt onze verzen in onmiddellijk verband met vs. 11 en leidt daaruit de bepaling af, dat uitbreiding over het gansche lichaam alleen dan den patiënt rein doet verklaren, als zij optreedt in een staat van onreinheid of afzondering tot nadere observatie. Verkeert de patient echter tot nu toe geregeld onder het volk, is dus nóch afgezonderd, nóch definitief onrein verklaard, maar hij komt bijv. voor het eerst tot den priester om zich te laten onderzoeken, â of de verbreiding over het geheele lichaam doet zich voor, nadat hij na 13 dagen opsluiting, als vermoedelijk rein weder in het leger is toegelaten, â dan moet de lijder onrein verklaard worden.
14. 13, aan het geheel wit geworden lichaam van den door de plaag getroffene. â Wit haar is hier geen symptoom van onreinheid, maar uitsluitend : gezond vleesch.
16. 13 VC. het zij dan, dat het levende vleesch weer in wit verandert,
al is het een zoo dof wit, dat het minder dan de vier kleurschakeeringen van melaatschheid is. â jnan Sn mi, dan moet de zaak voor den priester worden gebracht. Daar hier sprake is van een lijder, bij wien zich na verbreiding der witte kleur over het geheele lichaam, levend vleesch heeft vertoond, en dus bij iemand, die definitief onrein is verklaard, â moet men hier óf met Wessely : de zaak, de quaestie als onderwerp van n3i nemen, óf opvatten: de patiënt zal met den priester in aanraking gebracht worden ; de priester begeeft zich in ieder geval tot onderzoek naar de plaats buiten het leger, waar de patiënt geïsoleerd is; de lijder mag zich niet binnen de legerplaats bij den priester vervoegen (vgl. 14,2).
LEVITICUS XIII.
wederom verandert in wit, dan zal het voor den priester komen.
17 De priester zal het schouwen, en zie: de aangetaste plek is in wit veranderd, â dan zal de priester den door de plaag getroffene rein verklaren; rein is hij.
18 En vleesch, waaraan, â aan de huid waarvan namelijk eene
19 ontsteking is en deze is genezen; Maar op de plaats der ontsteking ontstaat eene hoog-witte vlek of eene stralende, rood-achtig-witte vlek, dan zal het den priester getoond worden.
20 En de priester zal het schouwen, en zie: haar kleur is lager dan de huid, en het haar ervan is in wit veranderd, â dan zal de priester hem onrein verklaren ; eene plaag van melaatsch-heid is het, die op de ontstoken plaats tot bloei is gekomen.
21 Maar schouwt de priester haar, en zie; er is geen wit haar in en lager dan de huid is zij niet, of zij is dof; dan zal de
22 priester hem zeven dagen opsluiten. Heeft zij zich intussehen op de huid uitgebreid, dan zal de priester hem onrein verklaren ;
23 eene plaag is het. Maar is de stralend-witte vlek op hare plaats blijven staan en heeft zij zich niet uitgebreid, dan is het slechts een litteeken der ontsteking en de priester zal hem rein
24 verklaren. â Of vleesch, op de huid waarvan eene brandwond zal zijn, en de genezende brandwond wordt tot eene stralend-
18. Melaatschheid op eene genezende ontsteking. â isoi, met nadruk voor aan den zin geplaatst, en waarop 13 weder betrekking heeft, wordt door nïa nader gepreciseerd. â pni', van het Chaideeuwsche jrw, heet zijn, â beteekent; ontsteking ten gevolge van ziekelijke verhitting, en wel zoowel de uit het gestel voortkomende ontsteking, als de door een slag of dgl. ontstaande, niet echter de ontsteking ten gevolge eener brandwond, die vs. 24 vv. afzonderlijk wordt behandeld. â nbui, naar de traditie; en deze ontsteking is begonnen te genezen; uit vs. 20, nmsprroa blijkt immers, dat zij nog niet geheel genezen is; de bedoeling is: dat zien over de ontstoken plaats reeds weder een dun huidvliesje neeft gevormd, doch nog geene vaste huid erover is ontstaan ; in dit laatste geval toch wordt ook die plek als ivi ny behandeld en is aan de bepalingen van vs. 1â17 gebonden. Tijdens de ontsteking zelve kan de plek niet door een onreinheid veroorzakende melaatschheid worden aangetast. â ru:1? mna \s raaS jw, de beide hoofdkleuren; natuurlijk gelden dezelfde bepalingen voor de beide nevenschaUeenngen. â ra-priN, met rood vermengd, alsof men in melk eene grootere of kleinere hoeveelheid bloed heeft gemengd. De Mishna noemt deze gemengde, roodachtig witte kleur -priD. De met rood gemengde witte kleur kan bij alle vier schakeeringen voorkomen en wordt als de onvermengd witte behandeld. Het woord nmms slaat namelijk zoowel op roa1? Jw, als op rua1? mna. Daar de gemengde kleur bij melaatschheid na eene ontsteking het meest voorkomt, wordt bij dit geval daarvan melding gemaakt (Wessely). Sommigen verklaren omin ook hier, evenals op andere plaatsen: hoogrood; en meenen dan, dat hier niet aan Wmvvermenging te denken is, maar aan een witte vlek, waardoor roede plekken heenloopen.
20. SsC â schijnbaar diepliggend, dus: licht van kleur, schelwit. Wessely meent, dat pinr krachtiger is dan W, vandaar dat bij de lichtste
51
y ^nrn KJ
vjan 'nöna nam trian'inKii : rrtsn-^K NDI tab1? tiönrp
^ -\v- )j- ; v 4quot; ⢠: I â¢â¢ - t t; liquot; quot; v Iatt : )-â¢- : v ;
£5 * : Kin iinD yaairriN fp2n intpi | Vnirn Dipü3 rrm : Kö*i3i rnir nyna n»n»-*3 ^
I ⢠: - llt; : ⢠tt ; it ; â¢: I a* ; v. : ⢠jv:r ⢠t t
: rrian-1?» n«quot;i3i noiöiK run1? mna ik n:±gt; n«ir
liquot; - v v.t : ⢠; vat: â ,ttgt;: gt; -hv - j tt; :
ra1? Tisjnm^tsquot;) quot;iiyn-ro n^io nam rrisn nKii
i att i-»quot; t ^t^t : tl* jt t t v : - lt;quot; ' ⢠i â¢â¢ - â 't t s
nsKi* i DMi : nms «in ïrian iKatsi«
r-»v :⢠-â¢â¢ : t itt i r : -^j-t ^ -iv 1.)quot; - s ; ⢠:
n^n-ra nsrN nbat^i pb nr-rx nam rrian
j. ; ^ T i ⢠tâ¢)v â¢â¢ jr t : i t t -,t â¢â¢ t i iquot; lt;â¢â¢ ⢠: |
quot;)1V3 ntran n'^DNi : n^nt^ pan ii^om
^ 'a^t : ⢠j t ^ ⢠: i* t dquot; : * kquot; quot; ^ : at â¢â¢
mnan tojm n^nn-DKi : Kin p: inx jn'sn kqüi « â
vv - - «^ii- t v ; - ⢠: r ^ ~jv v. 'â¢)quot; - v ' : a
IN D * : p'an iTOi xin rn^n nanv nnt^a KV13 gpn
-⢠llquot; - ^-tr ; A* I V,* ï quot; v jvt r t t â¢* *â¢
nnna nbon n^no nrvm i^K-niDa in^a n»n»-»3 Tiba
v.)v - t: ⢠- j-: ⢠t : it ; aquot; * k i jvit' ' t t
kleur, nvo, de term pisy, bij de minder schelle nOT, en bij de gemengde mna-nuance de term Sbp gebruikt wordt (Vgl. Ibn 'Ezra vs. 4).
21. Is er geen wit haar in de aangetaste plek, dan moet de patiënt tot nader onderzoek zeven dagen worden geïsoleerd. â urn jo rws nWi, vgl. vs. 4; de kleur is, in vergelijking met jwo, niet zoo diep liggend, d. w. z. niet zoo schelwit, â niet sneeuwwit, maar kalkwit. â nro torn, ja zelfs al is zij zwakker dan ruw, niet eens wolwit, maar slechts van de kleur van het «ervliegje. Dan zijn hier de beide neven-schakeeringen van nxc en mm aangeduid, waarbij ook het optreden van witte haren onmiddellijke onreinverklaring tengevolge heeft, terwijl bij het enkele zich voordoen van de vlek, zevendaagsche afzondering plaats heeft.
22. Twee symptomen van onreinheid dus: witte haren of grooter worden der vlek; het optreden van gezond vleesch, rwro, heeft bij ontsteking geen verontreinigenden invloed.
23. Heeft echter na verloop der eene afzonderingaweek geene uitbreiding der vlek plaats gehad, dan is dé lijder aanstonds rein te verklaren, en behoeft niet, zooals bij gewone melaatschheidvlekken op de gezonde huid, een tweede week geïsoleerd te worden. â Het zich voordoen van een der beide onreinheidssymptomen, nadat de lijder rein is verklaard, heeft natuurlijk onmiddellijke onreinverklaring ten gevolge. â ro-iï. Ez. 21,3, komt d'od Sana «iïji voor in den zin van : door hitte verschrompelen; dus: het is het inschrompélen der huid geweest bij het genezingsproces der ontsteking, dat de kleurverandering veroorzaakte, en deze is niet aan melaatschheid toe te schrijven. Het staat waarschijnlijk in stamverwantschap met tpcr, verbranden, en het Thalmoedische: epï, verhinden; roix dus: het begin der verharding der wond, het litteeken.
24. Dm «en direct of indirect door vuur veroorzaakte brandwond; bijv. door een gloeiende steen of stuk ijzer, of wel door vuur veroorzaakt. â ma», eene verbrande plaats. â mann nirro, de genezende, tot gezondheid
LEVITICUS XIII.
25 witte en roodachtige, of enkel witte vlek; Als dan de priester haar schouwt, en zie: het haar is in wit veranderd in de vlek, en haar kleur is dieper, dan de huid; â melaatschheid is het, die op de gebrande plaats tot bloei is gekomen, â en de priester zal hem onrein verklaren; eene plaag van
26 melaatschheid is het. Doch schouwt hij haar, en zie : er is geen wit haar in de vlek, en lager dan de huid is zij niet of zij is dof; â dan zal de priester hem zeven dagen opsluiten.
27 De priester zal hem wederom op den zevenden dag schouwen ; indien zij zich dan op de huid uitgebreid heeft, dan zal de priester hem onrein verklaren; eene plaag van melaatschheid
28 is het. Doch indien de stralend-witte vlek op hare plaats is blijven staan, zij heeft zich niet op de huid uitgebreid, â en evenzoo als zij dof is geworden; â dan is het eene hoog-witte vlek op de brandwond; de priester zal hem rein verklaren, want het is een litteeken van een brandwond.
29 En een man of eene vrouw, op wien eene plaag zal
30 ontstaan aan het hoofd of aan den baard; Als dan de priester de plaag schouwen zal, en zie: haar kleur is dieper dan de huid en er is kort goudgeel haar in, â dan zal
terugkeerende hrandworvl; eig. het herlevende der brandwond, de daarop zieh opnieuw vormende huid (zie vs. 18). De onreinheidssymptomen zijn, evenals bij ontsteking, wit haar of uitbreiding der vlek. De opsluiting ter afzondering geschiedt slechts één keer. â De afzonderlijke behandeling van ontsteking en brandwond, wier wetten geheel gelijk zijn, dient, naar de traditie, ter aanduiding, dat zij elk afzonderlijk moeten worden beoordeeld en zij niet gecombineerd kunnen worden, om samen één ziektegeval te vormen. Vertoont zich dus bij denzelfden persoon op een ontstokenen op een daarnaast liggende gebrande plaats een witte vlek, die op beide wonde plekken samen de vereischte grootte bezit, niet echter indien men ieder afzonderlijk beoordeelt, â dan is zelfs bij het optreden van bijv. witte haren, de patiënt niet onrein.
28. nro Kim. Wessely hier, evenals vs. 21: en zij is zoo zwak, dat er ook geene witte haren in zijn; â anderen ; en evenzoo als de kleur niet stralendwit, rnna is, maar zwakker, niet sneeuwwit, maar kalkwit, me, â dan is het niet eene rsc, die het teeken van melaatschheid is, maar nsf mssn, een hoogwitte vlek op een brandwond, die rroisn naiï is, het litteeken van een genezende brandwond. â Kleurverandering, zoolang zij zich beperkt tot overgang van de eene nuance in de andere, binnen den kring der vier bovengenoemde kleurschakeeringen blijvend, heeft geenerlei invloed op reinheid of onreinheid van den patiënt.
29. Vs. 29â37 en 40â43 behandelen de verschijnselen van melaatschheid op gewoonlijk behaarde plaatsen aan het lichaam: hoofdhaar en baard; 29â37 bespreken pnj, 40â43 nmp en nnaj. Het verschil tusschen beide groepen staat niet geheel vast. Terwijl Nachm. aanneemt, dat pro de naam is van een enkele, door haaruitval kaal geworden plek, rmp en nnaa daarentegen de van den nek opwaarts of van het voorhoofd opwaarts zich door haaruitval vormende kaalheid van het geheele voor- of achterhoofd ; â meent R. Shimshon uit Sens, dat het verschil daarin ligt.
52
y jnrn 23
Tjön: nsni jrün nn^ nxni : ma1? IN nonü'iK naa1?« nrppaNinn^ï quot;iijflTfo pb^ nx-ioi nnnaa naKquot;!» 1 DNi : Kin njnx rnan im nsüi nma13
t-*v ;⢠-â¢â¢ : i* s~ t *â 'â¢* lt;â¢â¢ ⢠: t att
iij;nquot;|p nmt nSafi ja1? nnnarpN mni jrün rrian ins^n : aw nyau' rrian 11 wi nno Ninv3
kquot; - \jt t: i*t .j' : kquot; quot; j â¢: ' : at â¢â¢ -â¢â¢ ;
yja inK jrian mn] 11^3 n^ön-n^fi-DN DI;3 niva nn'^ö-^1? mnan la^n n^nnrrDNi : Kin n^quot;iï n
t lt;t ; it vv- . i~ tv;- ⢠: ^ t
maan nrnrs rrian imtai «m maan nm nna Nim
vt ; * quot; v jvt r i â¢â¢ - 1 r : a* vt; ⢠quot; jquot; : t â¢â¢ j* ;
a * : Niin
?nan n«m ijpra 1« ^Kna pa ia mn^a nute in Wwquot;
i â¢â¢ - t t: mitt; j % y, : ^ -fgt;t ^ ^jv: r ⢠t ⢠j ' : 7
pn any nyfr iai quot;ii^n-jp pbjj insna njni ^aan-nn
dat pru een tijdelijke, voorbijgaande kaalheid, rmp en nnaj een ongeneeslijke kaalhoofdigheid aanduidt. ââ In ieder geval i3 het kenmerkend verschil tusschen beiden, wat de behandeling ten opzichte van rein en onrein betreft, dat bij nmp en rroj in hoofdzaak de wetten van onbehaarde «huid over het vleeschquot; gelden, terwijl pro, als op een overigens behaarde plek, zijne bijzondere bepalingen heeft. â rws is cni. Hier worden beide groepen afzonderlijk genoemd en niet iij ons samengevat, met het oog op het geval van ziekte aan den baard, wat normaal alleen bij mannen kan voorkomen, terwijl de ziekten aan het hoofd ook bij vrouwen mogelijk zijn.
30. iruno rUm enz- Daar, naar de traditie, kleurverandering der huid hoegenaamd niet in aanmerking komt, maar alleen gelet moet worden op aanwezigheid van goudgeel haar, moeten hier onze tekstwoorden zoo worden opgevat, dat: zeif s als de kleur dieper is dan de huid, m. a. w. helwit is, toch geen onreinheid intreedt, dan bij goudgeel haar, en niet bij het optreden van witte haren, zooals bij gewone melaatschheid. Dit goudgeel haar bewerkt echter ook onreinheid, al is de kleur der huid hoegenaamd niet veranderd. Uit vs. 31 en 32, evenals uit vs. 35 en 36 in verband met vs. 34 blijkt immers, dat nóch voor de afzondering tot nadere observatie (uon), nóch voor de onreinverklaring bij uitbreiding, de huidkleur iets ter zake doet, maar ook al is de kleur niet //dieperquot;, d. w. z. witter, dan de normale huid, niettemin afzondering of onreinverklaring plaats heeft. Inderdaad leert dan ook de traditie, dat bij melaatschheid op behaarde plekken, hoofd en baard, de huidkleur niets terzake doet en onreinverklaring kan volgen, zoo zich de verschijnselen (goudgeel haar of uitbreiding) voordoen, ook al is de kleur der huid minder wit dan de vier melaatschheidsnuancen of welke andere kleur ook. Bij //vleesehhuidquot; daarentegen kan, zooals reeds herhaaldelijk opgemerkt, van geen melaatschheid meer sprake zijn, zoodra de kleur der vlekken minder wit is, dan de witheid van een eiervlies, de laagste der vier nuancen. Dit geval is
LEVITICUS XIII.
de priester hem onrein verklaren; haaruitval is het, eene
31 melaatschheid aan het hoofd of aan den baard is het. Maar wanneer de priester de plaag van haaruitval schouwen zal, en zie: zijn kleur is niet dieper dan de huid, en zwart haar is er niet in, â dan zal de priester den door haaruitval ge-
32 troffene zeven dagen opsluiten. Als nu de priester de plaag op den zevenden dag schouwen zal, en zie; de haaruitval heeft zich niet uitgebreid en er is geen goudgeel haar in, en de kleur van de onthaarde plek is niet dieper dan de
33 huid; â Dan zal hij zich laten scheren, maar de plaats van den baarduitval zal hij niet scheren; en de priester zal den door haaruitval aangetaste ten tweeden male zeven dagen op-
34 sluiten. Als nu de priester den haaruitval zal schouwen op den zevenden dag, en zie: de haaruitval heeft zich op de huid niet uitgebreid, en zijne kleur is niet dieper dan de huid, â dan zal de priester hem rein verklaren ; hij zal zijne kleederen wasschen en
35 rein zijn. Breidt zich echter de haaruitval uit op de huid, nadat
36 hij rein verklaard is; En de priester schouwt hem, en zie: de haaruitval heeft zich op de huid uitgebreid, â dan zal de priester niet eerst naar goudgeel haar onderzoek doen, â onrein is hij.
i'uist daarom vs. 38 en 39 behandeld, om de tegenstelling tusschen ,/vleesch-midquot; en //behaarde huidquot; helder te doen uitkomen. â mi,'uist daarom vs. 38 en 39 behandeld, om de tegenstelling tusschen ,/vleesch-midquot; en //behaarde huidquot; helder te doen uitkomen. â mi, en daarin, in de aangetaste plek, bevindt zich thans, onverschillig of het vóór of na den haaruitval is ontstaan, pi aix isv, twee haartjes, goudgeel van kleur, kort; daar ook aan het minimum van een tweetal haartjes gedacht wordt, kan pi hier moeilijk beteekenen: dun. â Wessely meent, dat op een door pn: aangetaste plek de haargroei van nature zwak is en daarom pn hier niet een eisch, maar slechts een normale eigenschap aanduidt; het komt enkel op de kleur aan; terwijl de traditie toch hier, evenals bij het witte haar bij gewone melaatschheid, eene minimum-lengte vaststelt. â In tegenstelling met melaatschheid op de ,/vleeschhuidquot;, waar de kleurverandering aan het ontstaan van het witte haar moet zijn voorafgegaan, om dit laatste tot symptoom van onreinheid te maken, is het bij pn: onverschillig, wat eerst is ontstaan ; zoodra goudgeel haar op een onthaarde plek door den priester wordt gezien, heeft deze de onmiddellijke onreinverklaring uit te spreken. â pro, eig. losrukking, een van nature, niet door menschenhand ontstaande haaruitval, van pn:, afrukken; Wessely : een ziekte in het haar, die het zoo dun en zwak doet worden, dat het bij de minste aanraking doormidden breekt en ook uitvalt. In omn van vs. 40 daarentegen ziet hij: uitvallen van overigens geheel gezond haar.
31. Ziet de priester daarentegen van den beginne afaan geen goudgeel haar, dan moet, zelfs indien de kleur der huid absoluut niet is veranderd, zevendaagsche afzondering plaats hebben; indien althans zich op de onthaarde plek geen twee zwarte haren vertoonen. Het optreden van zwart haar immers bewijst, zooals vs. 37 duidelijk staat, dat de ziekte genezen is, en heeft aanstonds reinverklaring ten gevolge, zonder dat opsluiting noodzakelijk is. Het niet-aanwezig zijn van goudgeel haar blijkt reeds uit de tegenstelling met het vorige vers en behoeft niet uitdrukkelijk te worden vermeld. Wél noodig is echter de bepaling, dat ook het optreden van «wart haar bij het eerste priesteronderzoek, zonder meer reinverklaring
53
x yntn w
: Kin ipri ik ^Knn Kin pna \rün inK kdüi -|p pb^ inK^ö-pK mni pnin yarnK jnan nKTquot;Oi: nS nyiv pmn jnrnK jnsn n^pni ia |»k 1^1 quot;iijrn nto'ö'K1? nani T^n di;3 j^^n-nK jnan nKni : üw * â |ö pbjr pK pnan nKiai anï 12 n^n-Kbi pnan -nK jnsn Tapni nbr kV pnan-nKi n^Jnni : n^n ^
di»3 pnan-nK rnan nKquot;ii : mw w nyat? pnsn *
1 1.. - ; T T: ^ ,... ..T p j' :p* \ ..,.
pDj; m^K mKnoi 11^3 pnan n^rK? mni ^^^n n^ö'DKi : quot;inDi v-u3 D33i rri3n inK inüi quot;iiyn-|p *
j t ⢠; iquot; t : : jv ⢠; i â¢â¢ lt;- * . «s t 1
ntrfi nsm rrün inKii : imnta nnK nijD pnan n'^a»h
jt t .)â¢â¢ ⢠: i â¢â¢ - t t; 1 tt: it ^â¢â¢-11- at i v^v 4. .
: jNjin kdl3 3hïn iv'vb ?ri3n ipyah ni^3 pnan
I Jquot; t v. t - 7tquot; - »â¢)quot; - Ir- I ⢠AT I .\ -
tengevolge heeft. â prun ïjj, wederom: den door haaruitval aangetaste (zie vs. 4). De traditie ziet overigens in mo enkel tegenstelling tot ais, en neemt aan, dat haar van elke andere kleur dan goudgeel, den patiënt rein doet verklaren.
32. Indien na de zevendaagsclie afzondering geen uitbreiding, nóch het optreden van goudgeel haar valt te constateeren, dan moet, ook als de huidkleur normaal is, ten tweeden male eene zevendaagsche afzondering plaats hebben. â Wessely meent, dat gewoonlijk kleurverandering der huid gepaard zal gaan met optreden van goudgeel haar en daarom hier het normale geval wordt beschreven; geen uitbreiding, geen goudgeel haar, geene kleurverandering der huid.
33. Vóór die afzondering echter moet hij geheel zijn hoofd zich afscheren, nSjjim; dit behoeft niet door een priester en niet met een scheermes te geschieden, in tegenstelling met het in hoofdst. 14 voorgeschreven scheren.â nSji nS pn:n nsi. Daar de onthaarde plek in ons geval absoluut geen haren vertoont, daar er immers nóch goudgeel haar, nóch haar van eenige andere kleur in mag zijn, verklaart de traditie, dat hier bepaald wordt, dat ook de naaste omgeving der onthaarde plek niet wordt weggeschoren, maar een krans van twee haarbreedten om de plek heen moet blijven staan, om uitbreiding van den haaruitval te kunnen beoordeelen. Ook hieruit blijkt, dat bij pro kleurverandering der huid niet gevorderd wordt.
34. Vertoont zich na de tweede afzonderingsweek geene uitbreiding, en is de kleur ook niet dieper, (wat naar Wessely, steeds met het optreden van goudgeel haar zou gepaard gaan, waardoor hij dus onrein zou worden) dan is hij na kleederioassching geheel rein.
35â36. Uitbreiding van den haaruitval tijdens de afzondering heeft, zooals uit vs. 32 en 34 blijkt, dadelijke onreinverklaring ten gevolge. Doch ook indien, nadat de patiënt na twee weken afzondering rein verklaard is wegens het ontbreken van eenig onreinheidssymptoom, alsnog
LEVITICUS XIII.
37 Wanneer echter de haaruitval onveranderd gebleven is in zijne verschijnselen, maar er is zwart haar op gegroeid, dan is de haaruitval genezen; rein is hij, en de priester zal hem
38 rein verklaren. â En een man of eene vrouw, op de huid van wier vleesch stralende vlekken zullen zijn, â witte stra-
39 lende vlekken, â En de priester schouwt, en zie: op de huid van hun vleesch zijn stralende vlekken, maar dofwit, â dan is het een vurige uitslag, die op de huid uitgebroken is;
40 rein is hij. â En iemand, wiens hoofdhaar uitvalt, die is een
41 kaalhoofd; rein is hij. Valt hem aan den kant van zijn aangezicht het hoofdhaar uit, dan is hij een vóór-kaalhoofd ; rein
42 is hij. Maar vertoont zich op het kaalgeworden achterhoofd of op het kaalgeworden vóórhoofd een plaag, wit en roodachtig, â dan is het eene uitbrekende melaatschheid aan zijn kaalgewor-
43 den achterhoofd of aan zijn kaalgeworden vóórhoofd. Als de priester hem nu schouwen zal, en zie: de hoogwitte aangetaste plek
uitbreiding zich voordoet, dan wordt dit niet als een nieuw optreden eener plaag beschouwd en dus afzondering voorgeschreven, maar het wordt als vervolg der vorige melaatschheid behandeld en aanstonds onrein verklaard. â Goudgeel haar, dat zich bij het eerste priesteronderzoek vertoont, heeft dadelijke onreinheid ten gevolge; uitbreiding kan natuurliik eerst bij het tweede onderzoek worden beoordeeld. Dat dus goudgeel haar den patiënt ook dan onrein maakt, als het na zijne vrijlating uit de afzondering optreedt, spreekt vanzelve. Alleen omtrent de gevolgen van uitbreiding van den ouden haaruitval kan twijfel ontstaan, die door onze vérzen wordt opgelost. â Bovendien blijkt hier, dat //goudgeel haarquot; en //uitbreiding onaf liankelijk van elkander, zoo gezamenlijk, als afzonderlijk, onreinheid ten gevolge hebben.
37. quot;tOy WJD D80gt; indien de haaruitval in zijne verschijnselen onveranderd gebleven is, d. w. z. ook al blijven de uitbreiding of goudgeel haar zich voordoen, zijn dus de onreinheidssymptomen nog aanwezig, maar er groeit zwart haar, of algemeen niet-goudgeel haar, dan is de haaruitval genezen. Anderen: indien in zijne, des priesters, o og en de haaruitval is blijven staan, na absolute onreinverklaring, en er groeit zwart haar in. Zoowel de absoluut onreine, bij wien zich dus uitbreiding of goudgeel haar heeft voorgedaan, als de tot nadere observatie afgezonderde, wordt door het optreden van zwart, d. w. z. gezond, normaarkleurig haar dadelijk rein. â jron nntDi .sin -ivro. De traditie leidt uit deze woorden af, dat aan twee voorwaarden moet worden voldaan: de patiënt moet feitelijk rein, van melaatschheid vrij zijn, en de priester moet hem rein verklaren. Ontbreekt een van beiden, dan is de reinheid nog niet ingetreden (vgl. vs. 44 bij de onreinverklaring). â Anderen: pan nnoi, nadat de priester de reinigingshandelingen van hoofdst. 14 voor hem zal hebben volbracht, daar hier immers van een absoluut onrein verklaarde sprake is.
38. Boven zagen wij reeds dat v. s. onze plaats, als behandelende witte vlekken op de vleeschhuid, die niet door melaatschheid ontstaan zijn en doffer zijn dan de laagste der vier kleurnuancen van melaatschheid, hier is ingelascht als tegenstelling tegen het voorafgaande, waar ook dofwitte vlekken als melaatsch kunnen behandeld worden, en zoo tusschen de beide
54
pnan irnö» inty nwi pnsn VryrdKi ^
I v^v - jt : ⢠â¢gt; it j t â¢â¢ : I v v - - t : * :
n'n'-»3 he'n-ik d : rnsn nnDi «in nine: ^
jv : i* t ⢠i ⢠: i i- - v. quot;* â¢* : ^ -⢠â¼
-TijDnamtrisn n«quot;n : ninb nnna n^na
*i : squot; * : I quot; quot; jt t: it; ^ t iv at iv vtt : i :
ninta quot;11^3 ma «in pna nin1? nma nnna a-itys
j t {. r j-t 4 i ' j at: â¢Â« â¢â¢ v, t iv .)tt ;
: Kin unt: Kin mp i^Kquot;i â¡na» '3 ^â¦ki d *: Kin»
i j t ^ -jquot;!quot; a ^** t * j* * ;
-â¦3i : Kin lint: Kin n3a i^ki tana» via nkao dki ^
SS ' J T 1 -.â ⢠« VT' TT gt; â ,quot;1: quot; ' 1:10
KinnmaninxDianK iy? yn nn333 ik nnnp3nvr
⢠. t at ; I-»tt ^ quot;^v ---- j - -It* lt;v ; r
wan-nK^ nam ?n3n inK hkh : inn3J3 ik innnp3jn
^ ... - iquot; ; «â¢â¢â¢;!â¢â¢- t t: i : â ; j ^ : -iit;
roepen van ziekte op behaarde plekken is geschoven. Anderen meenen, at vs. 38â41 de reinheidsgevallen van beide groepen behandelen, nl. 38 en 39 dof-witte vlekken op de vleeschhuid, 40 en 41 kaalhoofdigheid, reinlieidsgeval bij iehaarde plekken. Vs. 42â44 bespreken dan de bijzondere bepaling, dat een oorspronkelijk behaarde plek, eens geheel onthaard, in zeker opzicht als vleeschhuid behandeld wordt. Vs. 45 en 46 behandelen in elke opvatting aan het einde der bespreking van melaatschheid aan menschen, de wijze, waarop de door melaatschheid getrofifene moet leven en zich gedragen. â rjaS mra, ook al zijn het verscheidene, witte vlekken, maar zij zijn 39, roaS nvo, dof-wit, doffer namelijk dan de kleur van een eiervlies. â iSin pro, eig. iets cjlaraends, schitterend; v. s. een huiduitslag, die op de donkere huid van den Oosterling donkerwit schijnt; in ieder geval: witte vlekken, maar niet zoo wit als de bekende kleurschakeeringen.
40. Wessely: hoewel het haar overigens gezond is, valt het uit; NiCHM.: het geheele hoofdhaar valt uit; Maimonides: de kaalheid, oorspronkelijk tot een kleine plek beperkt, breidt zich over geheel zijn hoofd uit. (Vgl. vs. 29 en 30). â nip unc, hij is rein, tenzij zich de verschijnselen van vs. 42 en 43 voordoen. ,/Goudgeel haarquot; heeft hier geen invloed.
41. VJS riNaO. van de voorzijde, van dm kant van zijn aangezicht wordt het gedeelte van den schedel tot de kruin kaal. Vóórhoofdkaalheid en achterhoofdkaalheid zijn twee verschillende ziekten, die ieder op zichzelve moeten behandeld worden, zoo zich onreinheidsverschijnselen voordoen.
42. DIO-IN pS. zie vs. 19. Waarschijnlijk zal ook hier weer het meest gewone geval zijn besproken, dat bij kaalhoofdigheid de uitbrekende melaatschheid zich in een met rood doormengde witte vlek vertoont. Natuurlijk gelden dezelfde bepalingen bij alle vs. 2 genoemde kleurnuancen, zooals uit vs. 43 blijkt: ica nj) njm nsma, zoodra zich een der kleuren vertoont van melaatschheid op de vleeschhuid. â njm, dan is het geen pn:, geen haarziekte, maar werkelijke melaatschheid, die door de gewone verschijnselen: uitbreiding of gezond vleesch, (jvcb en mnn) onrein wordt; wit haar maakt hier, op de onthaarde plaats, niet onrein.
43. yjjn DNC â JiNcn s», de ziekte, die in een hoogwitte vlek bestaat, is wit met rood gemengd; zie het vorige vers ; â of nnx nsiaa enz. â als een der kleuren, die het criterium van melaatschheid vormen Uj de huid van het vleesch.
LEVITICUS XIII.
is wit en roodachtig aan zijn kaalgeworden achterhoofd of aan zijn kaalgeworden vóórhoofd, als de kleur van melaatsch-
44heid in de huid van het vleesch, â Een melaatsch man is hij, onrein is hij; onrein moet hem de priester verklaren;
45 op zijn hoofd is zijne plaag. De melaatsche nu, op wien de plaag is, diens kleederen zullen gescheurd zijn, zijn hoofdhaar zal in het wild groeien en tot over den knevel zal hij
46 zich omhullen ; en : ,/Onrein ! onrein 1quot; zal hij roepen. Al de dagen, zoolang de plaag aan hem is, zal hij onrein blijven, onrein is hij immers ; eenzaam zal hij wonen, buiten de
47 legerplaats zal zijn verblijfplaats wezen. â En een kleed, waaraan eene plaag van melaatschheid zijn zal, hetzij aan
48 een wollen kleed of aan een linnen kleed; â Of aan den scheringdraad of aan den inslagdraad voor linnen of wollen
49 stof, of aan leder of aan alle lederwerk; Als de plaag sterk groen of hoogrood is aan het kleed of aan het leder of aan de schering of aan den inslag of aan eenig lederwerk.
44- xin yns een melaatsche man, = persoon, is hij, de geheele
Sersoon, niet alleen de aangetaste plek. â sinersoon, niet alleen de aangetaste plek. â sin n»b, feitelijk is hij onrein, doch
e vs. 45 en 46 omschreven gevolgen daarvan treden eerst in werking: ijnsdi nijd. als de priester hem, bij zijne feitelijke onreinheid, uitdrukkelijk onrein verklaard heeft. De onrein-verklaring van den priester werkt echter alleen, indien zich werkelijke onreinheidsverschijnselen voordoen. Deze wet geldt alleen voor melaatschheid. Alle andere toestanden van onreinheid hangen uitsluitend af van de feiten, niet van een verklaring van een priester of wien ook.
45. Als een rouwbedrijvende, verscheurt de melaatsche zijne kleeding, laat zijn hoofdhaar wild groeien en omhult zijn hoofd tot over den knevel, d. w. z. tot over de lippen. Ibn 'Ezra: tot iets loven den knevel. Anderen zien in rna nvr icnh, de bepaling: dat hij de gewone hoofdbedekking moet afzetten en zich een hoofddoek over het hoofd slaan, dien hij dan tot over de lippen naar beneden trekt. (Vgl. 10,6). Om anderen te vrijwaren voor zijne aanraking, roept hij : //ik ben onrein Iquot; â men kan immers aan zijn uiterlijk niet zien, of hij rouwbedrijvend of melaatsch is. Ook de rouwbedrijvende toch omhult zijn voorhoofd. (Ez. 24,17 en 22).
46. Zijne onreinheid houdt niet na een zeker aantal dagen op, zooals bij verontreiniging door een lijk bijv., â maar duurt voort, zoolang de ziekte niet is geweken. Al dien tijd blijft hij onrein, snc, daar hij immers physiek sno, onrein, door melaatschheid aangetast is. â De vs. 46 gegeven bepalingen gelden a l den tijd, dat de plaag aan hem is, ook gedurende den afzonderingstijd, tot nadere observatie en beslissing. De wetten van vs. 45 daarentegen, gelden alleen voor den absoluut onreine, oSni», niet voor den voorloopig geïsoleerde (UDin). â am to, alleen moet hij verblijf houden, geen andere onreinen bij hem zijn; en wel: niet alleen blijven in zijn eigen woning, maar: laüTO runnS pna, de hem aangewezen verblijfplaats bevindt zich buiten elke legerplaats. Terwijl de door een lijk verontreinigde slechts het heiligdom moest mijden, de door vloeiing onrein gewordene, ook het Levieten-kamp, dat zich rondom het heiligdom bevond, niet mocht betreden, was den melaatsche ook de toegang tot Israel's legerplaats ontzegd. â De traditie leert, dat, doordien een melaatsche een huis betreedt, alles wat zich daarin bevindt, onrein wordt.
55
y yntn n:
my nviï nk*io3 inn2j3 ik innnpa na^ioin nw1?
^ v.quot;t jquot; : - ; «s : - - : J v. : quot;mt; â¢â¢â¢ v: -r t ;
rrtsn kqis kin koü kin ^
1^quot; - r.* : - : s- quot; o Jquot; t v - j t r it t
b^onfi wt vnaa ^in iri^k ^inxni : 1^33 ik'kna ⢠: kv koü 1 koüi nü^* dfii^-byi yinfi n»n» wkti
iti : ⢠v,quot; t jquot; t : ftv. ~ vt t t ^v;r :
nno aib» mn Kin kom kom» ia pan n^K â¦Ã³Â»quot;1?3m
\ j ⢠â¢â¢ quot; jrT fgt; â *â¢* t VT v* â¢) quot;r.* quot; v -: â¢â¢ ; r
-ma nrnï w313 n^n»-^ n^ini d : ütyio mna1?â¢
v-»v : att ^ --â¢â¢-⢠V,. -»â¢-⢠: 1*^ * V V - : i t i -i i~ -
quot;lö^^i dw31? 3*1^3 ik ^3 ik : d^tts quot;1333 ik idv nn
ik i pan njni : nskbö-vss ik h^3 ik0»
nii?-^3-^33 ik 3^3-lk tlf tik 11^3 ik 1333 dndhk
47â59. Melaatschheid aan wollen, linnen of lederen stoffen, waarvan het wezen nog niet is verklaard. Maim, en Nachm. denken aan eene wonderbare gramschapsuiting Gods, die zich uitsluitend onder Israël zou vertoonen, aan kleeren en huizen, om hun als waarschuwend teeken te dienen en tot boete en berouw aan te sporen. Anderen denken aan een reinheidsmaatregel en meenen, dat de naam melaatschheid slechts overdrachtelijk is; daartegen spreken echter de bepalingen omtrent het opnieuw uit-hreken der verschijnselen. Nog anderen meenen, dat hier gedacht moet worden aan stoffen, vervaardigd uit wol of huiden van door melaatschheid aangetaste dieren, waarbij dan de verschijnselen zich zelfs na het looien der huiden zouden herhalen; bij linnen stoffen moet dan de ziekte reeds in het vlas zich hebben vertoond. â unm, niet alleen; kleederen, maar ook kleeden, gordijnen, zeilen, dekkleeden enz. Als stoffen, waaruit kleederen worden vervaardigd, noemt ons vers uitsluitend wol en linnen, die de gewone kleedingsstoffen zijn. Naar de traditie zijn andere stoffen, als zijde, katoen enz., niet aan de hier gegeven bepalingen onderworpen. Ibn 'Ezea meent, dat de melaatschheid bij andere stoffen inderdaad niet voorkomt; of dat hier slechts het meest voorkomende geval behandeld is. â Ons vers bespreekt geweven stof, terwijl de woorden atra is 'noa \s spreken over de draden, het garen, dat als schering of inslag zal worden gebruikt; evenzoo moet men onderscheiden tusschen 111% leder, de grondstof, en roxSa ui', kleeden, die uit leder zijn vervaardigd.
48. v- 3- samenhangend met nincn, de stutten, steunpilaren, grondzuilen (Ps. 11,3): de schering- of ketting-draden, die den grondslag van het weefsel vormen, en waarmede de inslagdraad zich vermengt, air. â dwss ijkVi, v. s. bestemd voor stof uit wol of linnen; v. a. van wol of linnen; n. a. hetzij wol of linnen. â ny, gelooid leder; de ongelooide of nog niet voldoende bewerkte huid, is niet aan de hier gegeven wetten onderworpen ; de huid moet, zooals zij daar is, voor menschelijk gebruik geschikt zijn gemaakt.
49. pip-P, het sterkste groen; Dims, het sterkste rood. â De herhaling der getroffen objecten in ons vers dient, naar Wessely, om de beide kleuren als melaatschheidskenteeken aan te geven bij alle vs. 47 en 48 genoemden. â sin rans yjo. De vlekken op zicnzelve vormen, indien zij niet na
LEVITICUS XIII.
dan is het eene plaag van melaatschheid en moet den priester
50 setoond worden. De priester zal de plaag schouwen, en het door
51 de plaag aangetaste zeven dagen opsluiten. Als hij nu de plaag op den zevenden dag schouwt, â dat de plaag zich uitgebreid heeft aan het kleed of aan de schering of aan den inslag of aan het leder, aan alles, waartoe leder verwerkt wordt tot gebruiksvoorwerp ; â dan is de plaag eene verterende melaatschheid,
52 onrein is zij. En men zal verbranden het kleed of den scheringdraad of den inslagdraad van wol of van linnen, of elk lederen voorwerp, waaraan de plaag zijn mocht; want eene verterende
53 melaatschheid is het, in vuur moet het verbrand worden. Indien echter de priester schouwen zal, en zie: de plaag heeft zich niet uitgebreid aan het kleed of aan de schering of aan den inslag
54 of aan welk lederwerk ook, â Dan zal de priester gebieden en zal men de plaats, waaraan de plaag is, wasschen; en zal hij het
55 ten tweeden male zeven dagen opsluiten. Als nu de priester schouwen zal, nadat men de plaag gewasschen heeft, en zie: de plaag heeft hare kleur niet veranderd, ofschoon de plaag zich niet uitgebreid heeft, â dan is zij onrein, in vuur moet gij het verbranden; eene invretingquot; is het aan den verkeerden of aan
56 den rechten kant. Wanneer echter de priester schouwt, en zie :
afzondering en uitwassching zijn verdwenen, een kenmerk van melaatschheid, terwijl bij menschen er steeds een verschijnsel moet bijkomen, bijv. wit haar, rauw vleesch of dgl. (Wessely). Anderen: het kan melaatschheid zijn, evenals vs. 2, het gelijkt op melaatschheid.
51. De herhaling der objecten dient, naar de traditie, hier om er op te wijzen, dat elke uitbreiding, ook al is de nieuwe vlek verwijderd van de oorspronkelijke, onmiddellijke onreinverklaring ten gevolge heeft. Bij menschen daarentegen moet de oorspronkelijke vlek zich naar buiten toe hebben uitgebreid, terwijl het optreden van een nieuwe vlek alleen veroorzaakt, dat de patiënt als aan twee afzonderlijke plagen lijdende wordt behandeld. â roxSnS urn nor1 ips SdS, alles, waarvoor leder gebruikt wordt om er een gebruiksvoorwerp van te maken. â niN»» nnx, naar Rashie, Ibn 'Ezka e. a. van is», in â¢wn» pSo, een stekende, verterende doom, (Ez. 28,24), verterend, invretend ; de ziekte zal steeds verder om zich grijpen en het geheele kleed ten slotte aantasten. Anderen, uit het Arabisch ; i-«aZmaifcerac?, minder waarschijnlijk. Wessely : verterend, omdat, als eenmaal de plaag zich uitbreidt, niet, als bij menschen, genezing mogelijk is, maar het kleed in zijn geheel verbrand moet worden. Keil ; r jjn msan ram, eene melaatschheid, die de plaag tot een verderfelijke maakt, rjjn, als voorwerp; vgl. echter vers 52.
52. De herhaling der stoffen dient hier, naar Wesselï en traditie, om het voorschrift van verbranding te beperken tot de voor onreinverklaring vatbare stoffen; zoodat versieringen uit andere stoffen, op het kleed aan-
febracht, er eerst mogen worden afgenomen en niet mede behoeven ver-rand te worden.ebracht, er eerst mogen worden afgenomen en niet mede behoeven ver-rand te worden. Verbrand moet het worden, omdat het een verterende, ook andere kleederen aantastende melaatschheid is; wegwerpen zou dus gevaar voor anderen opleveren (Wesselï).
53. Is er na de eerste zeven dagen van afzondering geene uitbreiding
56
8
y jnrn ia
parrnKtrön nKni *: ïrtór⢠n^ini «in njnv
quot;atquot; v Kquot; â quot;,T TS quot; quot; ** v.t : t : a ^quot;t ^ 'JV p\ n
Dt? n{?'1T1 : üVr ^3n-nx IWIW 'e
HV2 IN aiyriN â¦n^riK uaa psn ntrs-^
^ t j vT» t i lt;⢠; - i v v - ^ -... - lt;t t r ^ -
«öüpan mndd nynï hdn'?»'? n^n n'^nipk vbs
t ^ quot;vvquot; â¢â â )â¢â¢ : ~ s~t fgt;T Tl' f* JV quot; V quot;* â ' :
nok? nnj?n-nN IN i â¦n^n-nN IN quot;taan-riN e)^ iNin^ -gt;2 win 13 irrrntfn ni;n â¦br^rnn in d^nt^sn in
^ 1* quot;at quot; v. jquot; '' 1*^ â¢â¢ quot;* t J* t t V ^ - -
mnvirün nnquot;i» dni : enamp;n mz nin nnndo njmj:
â¢â¢ ⢠: i â¢â¢ - Jv :⢠⢠; |iquot;t * v,quot; t ⢠vv : - t
: in 3^3 in in i:iz pinn^fi-n1?
n ⢠; t ; ». vVt -⢠v,* : quot; ^ vquot; quot; ^ -v - i
n^oni ^sn is-ib'n nn 10231 ?n3n nivinj
yT p v * J ' ' * ^ K J â gt; * quot; T .* % quot;N^ nam yjarrnN D33n 1 nnN rn3n hn-ii * : f
i ^ - ... j.. - % j..-j ,- i .. ^- t t : 1* â¢â¢ r-
laan^n i^ns nin nolj rivërtö pani 127-nn pan Tian
rtV ; ; ⢠t t tt i ^ --â¢â¢.⢠- : quot; V -lt;v - i - r
nam Tn'an nnquot;i dni : inn333 in inmp3 xinnnnö«
â¢â¢ ⢠: I quot; - -«TT ⢠; 1 : - - : j v : -|IT: â â¢.'â gt;â¢.⢠:
te constateeren, noch ook een nieuwe vlek ontstaan (daarvoor de herhaling der objecten; zie vs. 51), dan moet de aangetaste plek worden gewasschen en ten tweeden male worden geïsoleerd. Hier wordt aan gewoon wasschen met zeep gedacht, niet aan ritued baden. Het geheels kleed behoeft niet te worden gewasschen, alleen de aangetaste plek met hare naaste omgeving.
55. Blijkt na de tweede afzondering, die op het wasschen is gevolgd, de kleur der vlek onveranderd, d. w. z. nog steeds hoogrood of groen,
maar niet tot een andere nuance of kleur overgegaan, dan is, ook zonder uitbreiding, het geheele kleed onrein en moet verbrand worden. â â nnx B33n, nadat, vóór de tweede afzondering, hel kleed gewasschen was; 023,1, een samengestelde vorm uit Hoph'al en Hithpa'el. Een lijdende vorm 3de pers. met den 4den naamval, in den zin van een onbepaald voornaamwoord: men heeft het gewasschen. â nnns, van nns, kuil, diep ingevreten, of invretende melaatschheid. â wraja in wmpa, op de achter- of op de voorzijde van het kleed; aan den verkeerden- of aan den rechterkant; v. s. nmp,
kale achterzijde; nnaj, de wollige voorzijde der stof, vandaar algemeen: nmp, wat kaal, afgesleten is; nraj, wat wollig, nieuw is.
56. rm ^0/gt; zwak geworden; d. i. v. s., niet meer ho o grood of groen,
maar nog altijd rood of groen van kleur; Maim. : het is van hoogrood tot hooggroen overgegaan of omgekeerd. â Heeft de vlek een geheel andere kleur aangenomen, dan is dit geen melaatschheid meer, en valt het onder de bepaling van vs. 50. â irx jnpi, men scheurt het, den ïjj, de aangetaste plek, van het kleed af, en zet er een lap in; vervolgens baadt men het kleed en is het rein, wat vs. 58 wordt voorgeschreven. Breekt echter opnieuw de ziekte uit, (vs. 57) dan is de melaatschheid een telkens opnieuw uitbrekende, en moet men het geheele kleed verbranden. â ftvi, vrouwel. slaat op njnx ïjj; het mannel. aanhangsel van mbiw op tq. â wjn u ipn nx, dat, waaraan de plaag zich toont te bevinden; vertoont zij zich nl. opnieuw
LEVITICUS XIII, XIV.
de door de plaag aangetaste plek is dof geworden, nadat men haar gewasschen heeft, â dan zal hij haar van het kleed of van het leder of van de schering of van het inslaggaren afscheuren.
57 En wanneer zij zich wederom vertoont aan het kleed of aan de schering of aan den inslag of aan eenig lederwerk, dan is het eene weder uitbrekende melaatschheid; in vuur moet gij
58 verbranden dat, waaraan de plaag is. En het kleed of de schering of de inslag of eenig lederwerk, dat men gewasschen zal hebben en waarvan de plaag geweken zal zijn, zal ten
59 tweeden male gewasschen worden en dan rein zijn. Dit is de leer voor de plaag der melaatschheid aan een wollen of linnen kleed, of aan schering- of inslaggaren, of eenig lederwerk, om het rein of onrein te verklaren.'
14 2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Dit zal de leer voor den melaatsche zijn, op den dag zijner reinwording: hij zal
3 voor den priester gebracht worden. De priester zal namelijk naar buiten de legerplaats gaan; en de priester zal schouwen, en zie: de plaag der melaatschheid is van den melaatsche ge-
4 nezen; Dan zal de priester gebieden, dat men voor hem, die zich reinigen wil, neme twee levende reine vogels, en een stuk
op het kleed, dan is de ingezette lap nog onaangetast en behoeft niet mede verbrand te worden. Breekt de ziekte echter op de ingezette lap ait, dan wordt het, immers reeds vroeger aangetaste, kleed daardoor mede getroffen en moet verbrand worden. â usrrn, niet alleen mi « â ros ns =p»n, de plaats, waaraan de ziekte is, maar het géheele kleed.
58. Gaat bij het wasschen na de eerste week van afzondering echter de vlek geheel weg, â dan is het kleed physiek rein, doch moei ten tweeden male gewasschen worden, ritueel gebaden, om alsdan ook ritueel rein te zijn.
59. De melaatschheid aan kleederen is hiermede geheel afgehandeld en wordt daarom met een samenvattend mm nsi afgesloten. Voor den mensch daarentegen volgen nog in hoofdstuk 14 de reinigingshandelingen, waarmede dit onderwerp eerst sluit, daarom staat in ons hoofdstuk bij melaatschheid aan menschen geen slotvers. â mïn quot;wa nriï mm, de leer aangaande de plaag van melaatschheid van een kleed mt wol enz., vier woorden na elkander, die in den nwgt;»B-vorm staan.
Hoofdstuk XIV. De reinigingshandelingen, waaraan de melaatsche zich, nadat de ziekte is geweken, moet onderwerpen, alvorens hem weder is toegestaan, het heiligdom te betreden, zijn in twee geheel gescheiden handelingen verdeeld: de eigenlijke reiniging, die natuurlijk buitenden tempel geschiedt (vs. 2â8), en waardoor den melaatsche de toegang tot de legerplaats van Israël weder wordt veroorloofd; en de verzoenende offerhandeling, die hem den toegang tot den tempel opent en het nuttigen van gewijde spijzen veroorlooft (9â32). Daar hier de offerhandeling het meest uitvoerig besproken wordt, richt zich het voorschrift tot Mozes alleen, die het aan gansch Israël zal moeten bekend maken (vgl. onze aanteeke-ning 11,1 en 12,1).
2- jnson min rrnn jm dit zal de leer voor den melaatsche zijn op
57
T T ^nrn r:
-fö in n3|nip in« inN Daan nnt? yyyn nna ^33 ny n^n-DKi *: an^ri-fp IN â¦n^rr}p IK nii;n» Kin nnijj nir^a-^a IN anyriN
â quot;⢠t a* ^ - v* ^ ⢠; t : -⢠v^* t i «⢠: - i
anyn-iN T^n-iK -uim : yasn la-ityx m WÃTKTIâ¢
quot; quot; t i ⢠: - i v v - : ^ -it - v. v -j jquot; v :: â¢
rvitf Dsai pan dhd IDI oiian quot;IITK Si^n ^a-^D-iN
Vquot; -r % : -at- vquot; quot; jt : â¢â¢ - : -â¢â¢.⢠-i ^ ^ t lt;-p: t i
in D^i^sn in i noïn 133 min nNT : mtsiâ¢
lt; ⢠: ⢠- j ... â¢quot;.⢠- vjv - T -iv - ^ ^ iquot; t :
a ; INQÃ1? IN nnt:1? IN anj^n IN
⢠;- : ^ v-:i-; â¢a*: t ^ t ^ ⢠: -
^ixan min rrnn nNr : laxb n^Q-VN nin» I3quot;i»i«
t t â -â¢- ^ v: i* lt; 1 â¢â¢ jv v vt : jquot; -:- 3
niD-7NrrianNï'i : rnarr^N Nairn imnü ova ^iD-7NrrianNï'i : rnarr^N Nairn imnü ova ^
v * viquot; - tt: Ir* - v vt : a t*:^it ^ ;
: ^iiïrrp njnïn-pa nö-ij nsm pan hnh r\:nzh
i t - I ⢠t - âiv JT : ⢠â¢)quot; * : i â¢â¢ quot; . t t : ^av -: 1- -
r^i niTnta ni»n onsr^ quot;in^s1? npSi rrian niïi ^
i â¢Â»â¢â¢: a : v quot; iquot; : â¢)â¢â¢ quot; * - Is- t ; I â¢â¢ - t* ;
den dag zijner r einw or ding, terwijl hoofdst. 13 de behandeling van melaatschen tijdens hun onreinheid bespreekt. Anderen: dit is de leer, waarvan vroeger (13,17; 23,28 en 37) gezegd is; de priester zal de reinigingshandelingen verrichten. â imnB DVD, aanstonds op den dag, waarop zich verandering vertoont, die reinheid ten gevolge kan hebben, moet hij zonder verwijl voor den priester worden gebracht-, wie ziet, dat de plaag genezen is, moet, ook tegen den wil van den patiënt, den priester halen. â Daar de melaatsche nog niet in het leger van Israël mag komen, kan jron Sn saim niet beteekenen, dat hij naar de woning des priesters wordt gebracht, maar alleen dat er gezorgd 'wordt, dat hij in contact komt met een priester; deze komt, zooals het volgende vers zegt, lot den melaatsche naar buiten de legerplaats. â Wessely verklaart; hij worde nader gebracht tot den priester, tot de uiterste grens der legerplaats, ook al bevond zich de plaats zijner afzondering nog zoo veraf; de priester behoeft zich niet naar de plaats te begeven, waar de patiënt tijdens zijne ziekte verblijf hield, maar deze gaat tot zoo dicht mogelijk bij de legerplaats en de priester, die zich in de legerplaats bevindt, gaat tot hem naar buiten.
3- iron ilNII. ^ priester zal den patiënt nauwkeurig onderzoeken. â ronxn 'WJ NBU, de plaag der melaatschheid is genezen, de onreinheidsverschijnselen zijn verdwenen, of er hebben zich symptomen van reinheid voorgedaan, ook al zijn bijv. de witte vlekken op de vleeschhuid nog aanwezig. â yvwn j» ... netu, de ziekte is genezen en geweken van den melaatsche. De meer gewone constructie is; de zieke, nSnn xtro, is van zijne ziekte genezen.
4. npSl. en men, een der aanwezigen, neemt, vmnS, t e n dienste van den te reinigen persoon; in Ibn 'Ezea's verklaring; âen hij, de priester, neemt van zijn eigendomquot;, komt mm niet tot zijn recht. â ffnsï, algemeene
LEVITICUS XIV.
5 cederhout, karmozijnroode wol en hijzop. Dan zal de priester gebieden, dat men den eenen vogel slachte in een voorwerp
6 van aardewerk, over levend water. Den levenden vogel zal hij vervolgens nemen, en het stuk cederhout, en de karmozijnroode wol en den hijzop; en dezen benevens den levenden vogel doopen in het bloed van den geslachten vogel met het
7 levende water. En hij zal op hem, die zich van de melaatsch-heid reinigen wil, zeven maal spatten, en hem daardoor reinigen ; en den levenden vogel laten wegvliegen over het vrije
8 veld. Hierop zal hij, die zich reinigen wil, zijne kleederen wasschen, en al zijn haar afscheren en zich in water baden, en rein zijn, zoodat hij daarna in het leger zal mogen komen; doch hij zal zich nog zeven dagen buiten zijne tent moeten
9 ophouden. En het zal zijn op den zevenden dag: zal hij wederom al zijn haar afscheren ; zijn hoofd, zijn baard en zijne wenkbrauwen, al zijn haar dus zal hij afscheren, en vervolgens zijne kleederen wasschen en zijn lichaam in water baden, dan zal
10 hij rein zijn. En op den achtsten dag zal hij nemen twee schapen, zonder gebrek, en één schaap van het vrouwelijk geslacht, onder het jaar, zonder gebrek; en drie tienden [van een Epha] meelbloem, met olie aangemengd, tot meeloffer.
naam voor vogels; hier in engeren zin, met het oog op vs. 33, vrije, moeilijk tembare vogels, v. s. zwaluwen. â nvn, levend, v. s. gezond, ongedeerd. â nnnD, rein, voor gebruik geoorloofd. â ns ypi, en een stuk cederhout. â nrSin â wi, en karmozijnroode wol, naar de traditie: een vlok ongesponnen wol.
s. BnrvSa hs ...tsnn, dat men den eenen vogel zóó slachte, dat het bloed vloeit in een aarden voorwerp hoven levend water-, in een, naar de traditie nieuw, ongebruikt, aarden voorwerp wordt drinkbaar water, naar de traditie '/lt; Log, uit een levende bron, geschept en daaroverheen de vogel geslacht, zoodat zijn bloed zich met het water vermengt. Het slachten behoeft niet door den priester te geschieden. De vogel wordt direct begraven en alle genot ervan is verboden.
6. Nu neemt hij den nog levenden vogel alleen, en het cederhout, de wol en den hijzop, samen tot één bundel vereenigd, doordien hij een deel der wol om het cederhout en den hijzop wikkelt en de rest laat afhangen, en doopt dien bundel, benevens de punten van vleugels en staart van den levenden vogel, in het bloed van den geslachten vogel, dat op, of hij, vermengd onder het levende water is. Het is zichtbaar een mengsel van bloed en levend water, men kan beide elementen erin onderscheiden; vandaar de bepaling der waterhoeveelheid op '/, Log, dat, zelfs met het bloed van een grooten vogel vermengd, kenbaar blijft en waarin ook het bloed van den kleinsten vogel reeds zichtbaar is.
7. nrm en daarmede eene reinigingshandeling verrichten; de patiënt is immers nog niet rein. Zelfs in de legerplaats mag hij niet komen. â mon ijs Sr, over de oppervlakte van het veld, het vrije veld.
8 Hij wascht zijne kleederen, scheert op zijn geheele lichaam het zichtbare haar met een scheermes af (naar de traditie moet dit laatste door een priester geschieden), baadt zijn lichaam in een ritueel bad, en
58
T yniïD nj
nnNniiSïn-nN ün^i rrjanniïi *:amp;) n««
at /â¢â¢ it â , \' v v.quot; t : I â¢â¢ - t ⢠; i â¢â¢ ; r : v v
nnit np» n»nn nsxn-nK : DMn 1
t t - 1- lt; ' quot; v r - ⢠j' \\y ' ;
DniN baüquot;) a'TKn-nKi n^Sinn ^ty-nxi n^n
t - t : a â¢â¢ it V i - J'^z V : v â¢)â¢â¢* t | V* v ;
; Dquot;nn D'an ^ nènirn issn ona n'nn iöïn 1 nNi
rquot; iquot; ⢠jâ T \ : - -J ⢠- - : T - 1- - -â¢â¢â¢ j
nWi iihdi D'o^s yiv n^-iïn-p tosh nfni»
rf' : -tâ ^ a' 'q' ^quot;t - I ⢠T â :
viarnK intaan D3Di : niirn ^3-^ n4nn iöïn-nKquot;
tt: v - v . . ^ ^ IVT - j,.. ^T-,- v ⢠-
â quot;?« xiy quot;inKi inüi D^Ã? li^-'rrnx nbji Dibn^ni : a»o» ryiv nno n:nan d
- ^ t t^: ,, t : * ^ it : I ^ ⢠-r t : av -: iâ
haa dni uprnNi iK^rnN in^f-SrnK rf?:; ^ra^n ntra-nK rmi vra-ntt oaai n^r n^-Va-nNi v:ȕr
*) t : v i squot; t;^ tt : v â quot;â¢â¢ ⢠; -aquot; -; \,*r'. r v : t
ntraai ob^n D^aa-^iy np» ⦠roirn Di»ai : toi D»aa1
^t : ⢠⢠: ⢠t ; iquot; : llt;- ⢠⢠: - - iquot; t : 'vquot; quot;
nbi^a nnao nVo nty^i nn^on nnjty-na nntt
^t : t : ⢠v lt; * ⢠. jt s at ⢠; \,tt : - -r -
wordt dan in zooverre rein, dat hij in de legerplaats mag komen; hij verontreinigt echter nog door zijne aanraking zoowel menschen als voorwerpen. â iSnxS ('irm acw, buiten zijne tent wonen beteekent naar de traditie: echtelijke omgang is hem verboden.
9. Op den zevenden dag, van af zijn terugkeer in het leger, laat hij zich opnieuw het geheele lichaam met een scheermes afscheren. Uit de als voorheelden genoemde behaarde plekken, die immers hier tusschen twee algemeene aanduidingen voor haar staan, blijkt, dat alle haar moet worden afgeschoren, dat bij normale houding op het bloote lichaam zichtbaar is. â Alvorens tot het heiligdom te worden toegelaten, moet hij nogmaals dezelfde lichamelijke reiniging ondergaan, die voor zijn terugkeer in de legerplaats werd vereischt; en dan, na zijn bad te hebben genomen, moi, is hij in zeker opzicht weder meer rein geworden; hij is dan nl. dp Viae, iemand, die dien dag zijn reinigingsbad heeft eenomen, die wel reeds van het tiende zou mogen eten, maar tot zonsondergarig, als hij priester is, niet van de voor dezen bestemde eerste heffing (nnnn) eten mag. Gewijde offerspijzen eten mag hij echter eerst, nadat hij den volgenden dag zijne offers zal hebben gebracht.
10. Van de twee mannelijke schapen dient een als schuldoffer (vs. 12) en een als brandoffer (vs. 20), welke beide soorten steeds van het mannelijk geslacht moeten zijn; het vrouwelijke schaap dient als zondoffer. De drie tienden meelbloem, ieder met l/4 Hien = 3 Log olie aangemengd, dienen ieder als meeloffer bij een der schapen, waarbij dan nog voor ieder een plengoffer van 3 Log wijn komt. Vs. 20 blijkt immers, dat het meeloffer geheel verbrand werd, terwijl het als afzonderlijk meeloffer, nadat de «handvolquot; verbrand was, door den priester zou moeten gegeten worden. Wij hebben hier het eenige geval, dat schuld- en zondoffer meteenmeel-en plengoffer gepaard gaan. Dit is anders uitsluitend bij brand- en vrede-
LEVITICUS XIV.
11 en één Log olie. De priester, die de reiniging verricht, zal hem, die zich reinigen wil, benevens de genoemden plaatsen vóór den Eeuwige, aan den ingang van de tent der samenkomst.
12 De priester zal het eene schaap nemen en tot schuldoffer brengen, benevens den Log olie; hij zal namelijk eene wending
13 daarmede maken vóór den Eeuwige. Vervolgens zal men het schaap slachten, op de plaats, waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, [namelijk] op de heilige plaats; want als het zondoffer is het schuldoffer voor den priester; allerheiligst is
14 het. De priester zal van het bloed van het schuldoffer nemen, en de priester zal het doen op het kraakbeen van het rechter oor van hem, die zich reinigen wil, en aan de.n duim zijner rechter hand en aan den grooten teen van zijn rechter voet.
15 Hierop zal de priester van den Log olie nemen en het in de
16 linker hand des priesters gieten. De priester zal zijn rechter wijsvinger doopen in de olie, die in zijne linker hand is, en van de olie met zijnen vinger zeven maal spatten vóór den
17 Eeuwige. En van de overige olie, die in zijne hand is, zal de priester doen op het kraakbeen van het rechter oor van hem, die zich reinigen wil, en aan den duim zijner rechter hand en aan den grooten teen van zijn rechter voet, op het bloed des
18 schuldoffers. En wat nog over is van de olie, die in des priesters hand is, zal hij doen op het hoofd van hem, die zich reinigen wil; zoo zal de priester verzoening voor hem doen vóór
19 den Eeuwige. Hierop zal de priester het zondoffer bereiden.
offers het geval (vgl. Num. 15,3). Bovendien moet hier nog een Log. d. 1. een twaalfde Hien = 6 eierschalen vol, olie gebracht worden voor de spattingen van vs. 15 v.v.
11- DiTiCI' en henlt; de in het vorige vers genoemde schapen. â 'n W? nu» Snx nns, aan den ingang van het voorhof-, staande buiten het gebied des heiligdoms, steekt hij nu een hand, dan een voet naar binnen, om de spattingen te doen verrichten in het gewijde voorhof.
12. anpm. doen naderen van den ingang van het voorhof tot de plaats ten noorden van het altaar, waar het geslacht moest worden (Rashie); anderen; hij zal het tot schuldoffer wijden en den Log olie, en wel door er een wending mede te maken. â De Log wordt met het levende schaap in de vier windrichtingen en op en neder bewogen en daardoor voor zijne bijzondere bestemming gewijd.
13. Daar dit schuldoffer door zijne «.wending bij het levenquot; een uitzondering maakt op andere schuldoffers, waarbij dit niet voorkomt, wordt het in ons vers voor het overige weer tot 'de klasse der schuldoffers terug gebracht. â De plaats voor het slachten was ten noorden van het altaar. â .sin orwi rwcro o, want evenals het zondoffer, is ook dit schuldoffer voor den priester, d. i. het moet, wat het slachten aangaat, op dezelfde wijze behandeld worden, omdat ook dit allerheiligst is en den priester als deel is toegekend, die het op geheiligden bodem zal moeten eten.
14. jron npSl» naar de traditie: de priester zal in zijne hand een deel
59
T yilXD C33
hk won rrtan : tau' nn« ibi roiba ^
j. T ^.. â¢â¢ - ⢠i- | - ⢠*v;iv: ^ I v it v v : I v v -
ïfiannp1?quot;) : Tjrio Vnfc nns rHrr ^s1? on^ intasn^
I .. - I ~ T : v ^ T : ; ⢠at : vquot; ~ * quot;
ewni ro^n jb-nxi DK'N1? inN snpm inNn irasn-nN
i : i â¢â¢â¢ ATp- p-» v : vt t ; 4 rl: ⢠: t vit v-«v -
Dipoa tórrnK untri *: nin* naun dhk ^ ?
v p-i ^ I ^ : ⢠v v - v -â¢- t ; it : jquot; : ⢠\,r ; -it
nNm *2 tJ'ipn oipoa n^n-nKi nxtann-nN mw
t - i- vl a - m ; ⢠v.t^ it v ; . â¢'T quot; â¢quot; â¢* Squot; : *
did frisn npSi : Nin D^Bhp K'lprns1? kin
j- ⢠i â¢â¢ - |j-t ; i v,' tit vu i quot; - ^ jt t t
jrir^i ri»io;n in^pn |m frian jnji hvxr\
roB^n ibo rrian np^ ; n^o»n rrir^i n^o^n it»
i v at - -⢠⢠i v*^ quot; l^quot;t : r t ; - ^ ; - i v ^ ^ ; ⢠t :quot; t
i^axNi-nK rnan bzw : n^KD'^n rrün pïn»
T . ... I â¢â¢ - lt;- t ; r t : - Iv,quot; - i j' . ' ^quot;t:
|Q^n-|Q njni n^Kafrn ib'K lOfTTIP n^io^n â¢)bgt;k ra^n in»ai : nin» â¦iö'? D^aya yzw
-i i V V - v '.y it : Jquot; : ⢠: â jv ** t : v ;
jnr^i n^a'n inaan jtn jrün |n» isr1?#
quot;ihiani : D^xn dt by man iVaquot;i rrirVri n^ion ITquot;'
t - : it t it . V at;- v, : - I v ^ *gt; * T Squot; % T
quot;1331 inaan ^rSjr |n* jrian |af3
nMi DNènrrnK rrtan n'^i : nin» â¦aa'? rrisn vby ^
v ⢠: t v Iquot; - *t t ï it : jquot; : ⢠Kquot; - it t
van Jei öfoerf opvangen, waarvan hij de bestrijkingen van oor en duimen verricht. Een tweede priester heeft intusschen het overige bloed in een bekken opgevangen en de voorgeschreven twee spattingen tegen den altaarwand verricht.
15. :So. een gedeelte van den Log olie werd op eens priesters linkerhand gegoten; van die olie werd dan met de rechterhand door een priester (bij voorkeur een ander dan die de olie in zijne hand hield) op de genoemde plaatsen gespat en gestreken.
16. QiQytj yyp ... ntm ⢠⢠-SstJI. zevenmaal indoopen en spatten ; vóór iedere spatting moest de vinger opnieuw in bloed worden gedoopt. â 'n â osS, in de richting naar het allerheiligste, niet; naar het altaar.
17. DBWn DT Sygt; op de plekken, waar het bloed van het schuldoffer was gestreken, ook al is dal er niet meer aanwezig, zooals uit de vergelijking met vs. 28 blijkt.
18. De olie, die de priester nog in zijne hand heeft, stort hij den te reinigen persoon over het hoofd. â De olie, die na deze handelingen van den Log nog over was, werd naar de traditie den priesters gegeven en door hen genuttigd.
19. 7\VVygt; bereiden = slachten en bloedsprengen, waardoor de verzoening bewerkstelligd wordt.
LEVITICUS XIV.
en voor hem, die zich van zijne onreinheid reinigen wil, verzoening doen ; en daarna zal hij het brandoffer slachten.
20 Vervolgens zal de priester het brandoffer en het meeloffer op het altaar brengen; en de priester zal verzoening voor hem
21 doen, dan zal hij rein zijn. â Wanneer hij echter arm is, en zijn vermogen niet toereikend is, zal hij één schaap nemen tot schuldoffer, om eene wending te maken, om verzoening voor hem te doen; en één tiende meelbloem, met olie aangemengd,
22 tot meeloffer, en een Log olie. En twee tortelduiven, of twee jonge duiven, waartoe zijn vermogen toereikend is; en de eene
23 zal zondoffer en de andere brandoffer zijn. En hij zal ze op den achtsten dag na zijne reiniging tot den priester brengen, naar den ingang van de tent der samenkomst, vóór den Eeuwige.
24 De priester zal het schaap tot schuldoffer nemen, en den Log olie, en de priester zal er eene wending mede maken vóór den
25 Eeuwige. Men zal het schaap tot schuldoffer slachten ; en de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen en het doen op het kraakbeen van het rechter oor van hem, die zich reinigen wil, en op den duim zijner rechter hand en op den
26 grooten teen van zijn rechter voet. En van de olie zal de
27 priester gieten in des priesters linkerhand. De priester zal met zijn rechter wijsvinger van de olie, die in zijne linkerhand
28 is, zeven maal spatten vóór den Eeuwige. Daarna zal de riester van de olie, die in zijne hand is, doen op het kraak-een van het rechter oor van hem, die zich reinigen wil,
en aan den duim zijner rechter hand en aan den grooten teen van zijn rechter voet, op de plaats waar het bloed
29 van het schuldoffer is. Wat dan nog over is van de olie, die in de hand des priesters is, zal hij doen op het hoofd van hem, die zich reinigen wil, om verzoening voor hem te
30 doen vóór den Eeuwige. Vervolgens zal hij bereiden de ééne
20. quot;intSI. dan zal hij, de vroeger melaatsche, rein zijn, ook ten opzichte van het heiligdom, dat hij dan weer mag betreden, en ten opzichte van gewijde offerspijzen, die hij nu weer map- eten. â Uit het voorgeschreven zond- en schuldoffer blijkt, dat de melaatschheid als straf voor begaan misdrijf wordt beschouwd, dat door offers moet verzoend worden.
21. Is de patiënt niet in staat, om als reinigingsoffer twee mannelijke en één vrouwelijk schaap en de daarbij behoorende drie meeloffers, ieder van één tiende Ãpha, te brengen, â dan kan hij volstaan met één schaap tot schuldoffer; dit offer blijft geheel gelijk, daar hiermede de wijdingshandeling der wending moet geschieden. Hierbij wordt dan ook slechts één meeloffer gebracht, van één tiende meelbloem, met olie aangemengd. Daar dit offer nu geheel overeenkomt met het schuldoffer van vs. 12, blijkt dus uit ons vers, dat de in vs. 10 genoemde drie tienden over de drie daar genoemde offers worden verdeeld en dus bij ieder één tiende als meeloffer gebracht wordt, de hoeveelheid, die ook Num. 15,4 voor schapen wordt voorgeschreven. De hoeveelheid olie, waarmede het meeloffer aangemengd
60
T jnwö D
rhvn) : nV^rrnN quot;inNii inKötao inasn-Vy^
ST^tiv : it it v j- ; ⢠v.- - : a t : â¢â¢. ⢠vquot; quot; * quot;
rrian vbv nsai nnatDn nnaan-nKi n^rrnx pan
kquot; quot; p,)t^'p â¢,v * s taquot;: * ' it ; ⢠- v ; jt^ it v m-
feosnp'n hièn it kin ^tdki d * : mtai^
v-iv gt;t *⢠â¢â¢â¢*â¢â¢- ^ t i -â¢â¢â¢ ; : iquot; t :
S^a nnN n% riT^i vbp isa1? naian? db^k im
j r tv ^ v i t ; at't â - : ; ⢠-jt t jt v
itrx nil* ^3 *3^ ik onh â¦ntfi : vav ib) nnjo^ ro#a «
jv ~s t ^ : #l vit^ : vt ; ⢠; i v â )â¢â¢â¢ -
di»3 onk «â¦am : nvv -inxni nxtsn nnx n»ni in* risgt;n »
s - t ⢠quot; ; it vt v it ; t - t v «tt ; at V quot;
: nin» â¦aab n^iD-VnK nns-^K rnan-^K in-intj1? â¦a^ot^n
it ; v i - jv v Iaquot; - v v. t*:it; r ⢠i -
DnK ei^m ?QBri frnx) Dt^Kn iraa-nn pan np^ ^
st f ⢠â¢â¢; Ivat - -⢠v ; v.t t it v jv v i .jquot; - is-t ;
npSi b^tn Baa-nN ; nin» ^sh nsian rnan«
t : t tit v - t : it : jquot; ; ⢠^t : l
â by) n'jo'n nn^an-jTK ^lan-1?^ jnai DÃton did pan pï» jofiripi : n^n iVan pa-^i n^io^n it |ria« i^avNajnannpi m^Ko'fn |rtan pan» : nin» ^sb D'D^a yzv wbxmn isa-^ ro^rrra
^ it ; jquot; : * v.*Jt : j'' a* t ; - v - quot; jv -: v v ' '
quot;ineian lèa-^ ' jo^rqp pan fnyiâ¢
pr^i n^ap it p'r^i n^ap |n» pan eja-^ \m\r2vn-\12 nniani : d^kh dt03 nnxn-nK n'wi : niT â¦as'? quot;isaV nnaan
t v it v «t 'v: it ; jquot; ; * vr t jquot; - ; aquot; - ⢠- â¢â¢
wordt, is hier zoomin als vs. 10 vermeld, maar bedraagt naar Num. t. a. p. drie Log: evengroot was de hoeveelheid wijn tot plengoffer. â po jti, en een Log olie, behalve de voor het meeloffer te gebruiken olie; evenals in vs. 10, zie vs. 24.
22. Evenals 5,7 wordt hier bij onvermogen het schaap tot zondoffer door twee vogels vervangen, waarvan één tot zond- en één tot brandoffer dient. Het brandoffer, dat bovendien door een vermogende werd gebracht, behoeft dus hier niet vervangen te worden.
23. imntaS. na zijne reinigingshandeling, op den achtsten dag, nadat de vs. 4â8 beschreven handelingen zijn verricht. Dezen moeten in ieder geval geschieden.
30 en 31 behooren bij elkander: de priester zal bereiden de ééne â van de tortelduiven of van de jonge duiven, tot het brengen waarvan de patiënt voldoende vermogen bezit, â dat dus, waartoe hij, de patiënt, in staat is, â de ééne tot enz. Het schijnt, dat tortelduiven hooger in prijs zijn, dan jonge duiven. Zoo mogelijk brenge hij dus tortelduiven.
LEVITICUS XIV.
van de tortelduiven of van de jonge duiven, waartoe zijn vermogen
31 toereikend is, Van hetgeen namelijk, waarvoor zijn vermogen toereikend is, de eene tot zondoffer en de andere tot brandoffer, benevens het meeloffer; zoo zal de priester verzoening doen
32 voor hem, die zich reinigen wil, vóór den Eeuwige. Dit is de leer betreffende hem, op wien eene plaag van melaatschheid was, wiens vermogen niet toereikend is, bij zijne reiniging.quot;
34 33 De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aharon, als volgt: «Als ij in het land Kena'an gekomen zult zijn, dat Ik u tot erfelijk ezit geef, en Ik eene plaag van melaatschheid zal doen ontstaan in een huis van door u in vast bezit genomen land ;
35 Dan zal hij, wien het huis toebehoort, komen, en den priester mededeelen, zeggende: «Als een plaag is door mij gezien in
36 het huis.quot; Nu zal de priester gebieden, dat men het huis uit-ruime, vóórdat de priester komt, om de plaag te schouwen, opdat niet alles onrein worde, wat in het huis is; en daarna zal
37 de priester komen om het huis te schouwen. Als hij nu de plaag schouwt en zie, de plaag is in de muren van het huis als donkergroene of hoogroode diepten, wier kleur namelijk
32. imnoa behoort waarsch. bij nun nst, dit is de leer voor iemand, die door melaatschheid was getroffen, doch wiens vermogen niet toereikend is, â hue hij te handelen heeft bij zijne reiniging. ,/Wiens vermogen niet toereikend is voor zijne reinigingquot; zou moeten worden uitgedrukt: vnnoS vp j'on nS -ton.
33. Wederom eene reinheidswet, waarbij de priester een overwegende rol speelt, en daarom tot Mozes en Aharon gericht.
34- jyjd fw vod 'oi ö/s gij in het land Kena'an zult gekomen zijn. De in hoofdstuk 13 besproken melaatschheid aan menschen en kleederen had ook reeds de daar aangegeven afzondering ten gevolge, als zij zich in de woestijn voordeed, vóórdat Israël nog het beloofde land had betreden. De melaatschheid aan huizen echter zal eerst wettelijke gevolgen hebben, nadat Israël Palaestina zal zijn binnengetrokken. Daarom zijn ook vermoedelijk de plagen aan huizen in eene afzonderlijke afdeeling behandeld, terwijl melaatschheid aan menschen en kleederen in één Godsspraak besproken zijn. â wiït, en Ik zal doen ontstaan eene melaatschheidsplaag. De melaatschheid aan huizen is eene direct van God uitgaande bezoeking, die niet aan physieke oorzaken kan worden toegeschreven (Wessblï). De hier geschilderde verschijnselen toch komen volstrekt niet overeen met den zoogen. salpeteruitslag, een gevolg van vocht. â Damns ps n'aa, in een huis in het door u in blijvend bezit genomen land. Alleen bij huizen in Palaestina heeft het optreden der hier geschilderde verschijnselen de genoemde gevolgen, en wel alleen in het reeds door u veroverde gebied. Naar de traditie gelden de hier gegeven bepalingen niet in Jerusalem, dat onverdeeld nationaal bezit is; ook niet voor huizen van niet-Israëlieten.
35. rran iS -icx. wie over het huis te beschikken heeft, moet zelve tot den priester gaan, niet een ander zenden om de mededeeling te doen. Wessely meent in iS ipn den eigenaar te moeten zien; zoodat de huurder van een huis niet tot de mededeeling verplicht zoude zijn. Uit de bepalingen omtrent dit punt laat zich dit echter niet opmaken. â iS nio: pjjd, wat
61
T jniïü «D
nx : it quot;iitko n3i*n â¦as-ro 1« onnn-ro ^
v -j â it - -gt;â¢â¢â¢ -; iquot; at - Jquot; : I ⢠⢠- I â¢
nnasrr'jr nby nnxn-nKi nx^n nnNrrnn IT wn
at ; ⢠- v.t^ jt vit v ; 4t - gt;t v it v t
irnt^K nnm n^r : nin* nntssn ^ irian isdi -s
^ v -1 - â¢Â» it : r* : * - *5- 14quot; quot; sv ⢠:
ö * : imntaa it ytSTrtf? nynx g
^ ^ i t*: it : ^t J' quot; 1 â¢Â»â¢â¢â¢ -j ^ at t -â *â¢.⢠p
pN-^Wan »3 : iON1? pnirbKquot;) n^n-^N nin» quot;laTi. J rraa njm 'nn:i nmN1? dd1? rni quot;iitk rjrb
^.. . -t ⢠- it: at*-.-:i- ^v^t iy â »⢠-1 jv -i i - - ;
quot;idx1? rna1? Tim rvin Kni : Mn-m pst ^
a ^ |^.. - y ⢠; . j gt;V quot;* T ,V 1 quot; ^ ' quot;y**
D1L33 n^n-nN ^ai rrian rwi : rgt;»33 ^ n«quot;i:
vv : â¢â v - ⢠Iquot; - t - ; # -it- v* ^: * quot;v :
â¢mi n»33 «Ãû xbi warrnK nixib ?n3n N3^
- j- : 'at - -v -» t ^t : ⢠j : ^ - v - v ^ ; ⢠i â¢â¢ - lt; t
nam parrnK ntni : n»3n-nK niKn1? rrisn ^
lt;quot; ⢠: * -v - v quot;*t t: -it^- v j : ⢠^ kquot; - if \ iquot;
jrrtnoi nbianK iKnpnp'i» n^sn rn^s vvn
door mij is gezien, ziet eruit als een melaatschheids-zn/eclt;ze; de beslissing moet eerst door den priester worden gegeven. â â h nsu, is door mij zelve gezien, zonder kunstlicht of dgl. â jvn:, in het huis, van binnen.
36. Wat dus in het reeds aangetaste huis was, vóórdat de afzondering of onreinverklarine plaats had, is zelve niet onrein. Aan vrees voor besmetting wordt dus klaarblijkelijk niet gedacht. Integendeel, de priester laat het nuis eerst ontruimen en alles, wat onrein kan worden, eruit verwijderen, opdat niet door de aanwezigheid in het melaatsch verklaarde huis de zaken onrein worden. Ware aan voorkoming van verspreiding der ziekte gedacht, dan zou het bevel juist moeten luiden, niets uit het verdachte huis te verwijderen, opdat alles, wat zich erin bevond, eerst worde onderzocht en ontsmet. â Wat zich echter tijdens het onderzoek door den priester in het huis bevindt, wordt, zoo isolement van het huis noodig wordt geoordeeld, aanstonds onrein. â ivan rus nisiS, om het huis te bezichtigen, niet alleen de aangetaste plek. Het huis zelve moet ook aan bepaalde voorwaarden voldoen om voor melaatschheidsverontreiniging vatbaar te zijn; het moet vierhoekig zijn, vast op den grond staan, uit steenen (niet uit tichels of marmer) zijn gebouwd, met gebruik van hout en aarde.
37. mnypU'. Volgens Wessely eene samenstelling uit rpt', verzinken,
en my, uitnemen, â steenen, die in den muur zijn ingelascht, en eruit kunnen worden verwijderd, â d. w. z. in de muren van het huis, die uit ingemetselde steenen bestaan, zijn eenigen dier steenen, ten minste twee, geheel of gedeeltelijk bedekt met donkergroene of hoogroode vlekken; onderwerp is dan D'oa.y, steenen, waarbij mnrpo als bijv. naamw. staat. V. a. van ppcr, inzinken, en trp, diep zijn, of van irp met voorgevoegden o (evenals nanSc, van anS met voorgevoegden r). Dan beteekenen de woorden; en de plaag is in de muren van het huts, zich uitend in diepten, donkergroen of hoogrood, niet echter werkelijke kuiltjes in de steenen, maar: hun kleur alleen is dieper dan de muur. Rashbam en Kimchie verklaren het als den naam eener kleur, waarvan echter in geen der bronnen melding
LEVITICUS XIV.
38 dieper is dan de muur; Dan zal de priester uit het huis uitgaan, naar den ingang van het huis, en het huis zeven dagen doen
39 afsluiten. De priester zal op den zevenden dag terugkeeren; als hij nu schouwt, en zie, de plaag heeft zich op de muren
40 van het huis uitgebreid; Dan zal de priester gebieden, dat men de steenen, waarin de plaag is, uitneme, en ze buiten de
41 stad op eene onreine plaats werpe. En het huis zal hij van binnen rondom doen afbikken ; en de aarde, die men afgebikt heeft, zal men buiten de stad, op eene onreine plaats, uit-
42 storten. Vervolgens zal men andere steenen nemen en ze in de plaats der steenen brengen; ook andere aarde zal men
43 nemen, en het huis ermede bestrijken. Indien nu de plaag wederom in het huis uitbreekt, nadat men de steenen heeft uitgenomen, en nadat men het huis heeft afgebikt en nadat
44 het bestreken is, â Als nu de priester komt en schouwt, en zie, de plaag heeft zich in het huis uitgebreid, â dan is het eene verterende melaatschheid aan het huis; onrein is het.
45 Dan zal men het huis omverhalen, zijne steenen, het hout, dat eraan is, en al de aarde aan het huis; en uitvoeren naar buiten
46 de stad, naar eene onreine plaats. En wie in het huis komt, gedurende al de dagen, dat men het heeft doen sluiten,
47 zal onrein zijn tot den avond. En wie in het huis zich
wordt gemaakt. Men kent als teeken van melaatschheid slechts de twee hier genoemde kleuren: hoogrood en donkergroen. â ^bc, vgl. onze aant. 13,3 por.
38. De priester verlate dan het huis, en plaatse zich buiten het huls aan den ingang en geve de beslissing, dat men het huis gedurende zeven dagen afsluite en isoleere.
39. Heeft zich de melaatschheid gedurende de week van afzondering uitgebreid, dan worden de aangetaste steenen verwijderd en bniten de stad op een onreine plaats geworpen. â Wat geschieden moet, als na de eerste week de plaag onveranderd is gebleven of verzwakt is van kleur, staat niet aangegeven, daar vs. 48 alleen spreekt van niet-terugkeerende melaatschheid na het uitbreken der steenen enz. De traditie leert echter, dat, zoo de vlekken niet van kleur zijn veranderd en zich niet hebben uitgebreid, ten tweeden male afzondering van een week plaats heeft. Is dan nog de kleur onveranderd gebleven, dan moeten, ook zonder dat de vlekken zich hebben uitgebreid, de aangetaste steenen worden verwijderd en door anderen vervangen.
41. eig. afsnijden, afschillen; hier: een laagje afnemen, afbikken; ixpn, vanVrap, gelijk ïïp. â a'ao ito», van binnen, aan de binnenzijde van den muur, rondom de uitgenomen steenen; niet den geheelen muur. â iBr, slof, aarde, leem, die tot bepleistering der muren gebruikt wordt; naar de traditie: geen kalk. â issc. De steenen worden, als zijndegroote stukken, geworpen, ; hier spreekt men van fijn stof, en gebruikt daarom ilc, uitstorten.
42. np ... inpbi. Uit dit afwisselend gebruik van meervoud en enkelvoud wordt de bepaling afgeleid, dat bij een gemeenschappelijken
62
T y-JWO 2D
quot;I^DHI n^n nnö-1?# nwjo p'sn Wà : TörrrD hzv *
r : ⢠: -at- -Jv v - I ⢠!.)â¢â¢ - jtt: Ir- I ⢠vt t
hmii Di»a rrian atfi : d»ö» n»an-nK ^
t ⢠; - - - Kquot; - jt : r t -
quot;nimbm |n'3n njvi â¢* n^n nh;p3 yjsn n'^ö nani» nnD-^K rnnK wbirni ^J3n pa ityx D'iaNn
* t | â ⢠⢠v i v ; v «⢠: ⢠; ^-at - Kquot; t r.' -» ⢠t-i -t
â nKiDö^i 3»3D n»30 n^n-nKi : KÃà DipQ'bK ^
^ v : it : a-t Hquot; * j' I:~ *â¢)- - v ; r* r i^t
inpSi :K0t2 Dip»-1?» ryb rinö-^N lipn -i^k
i; it : iquot; t kt v t | â » * v i: ⢠-â¢â¢.â¢-» t'tiv
np» quot;inx -iö^i nnn*1?» wani ninnx d»33k
kâ â )quot; - jt't : ^ a- t -i it ^ -^- v v â¢â¢ : â¢â¢ -i t
quot;n« rbn nnx n'aa mai pan aii5»-DKi : n^an-nx nt2i
. v i â jquot; * V- - * - - quot;*- t - v - lt; t * : ⢠it - v jt :
pan «ai : nitan nnxi rvarrrw nixpn nnm D^at^n â¢
1 .. - T - i ⢠jquot;-i i-^: ⢠v.- quot; v j I: ⢠r-ti- : a-t -j ir
n^aa nin mxoo n^aa pan ntra nani nt^n
\- quot; â »⢠. vvv : - ^ quot; - t 'at â -^v - vt t : t t;
-Va nNi vy^-nKi vaax-DK n^an-nx rnai : «in kdü â¢
^ t : t^quot; v : t t -j v ⢠- - v â¢Â«- t ; i jquot; t
«ani : kdi3 DipD-^K K^ini jvan -ifijr1»
t - : iquot; t k t v ⢠t | â¢* * v * ; 'at -
aat^ti : aivn-ny «öü» idn n^on â¦o^Va n,an-l?N«
wquot; - ; v |tt ~ ^t : * a -»⢠t * : t ⢠- -
muur de eigenaar van het huis, waarin de plaag zich vertoond heeft, geheel alleen voor de nieuwe bepleistering moet zorgen, terwijl uitnemen en vervangen der steenen, alsook het af bikken, voor gezamenlijke rekening geschiedt.
43. 31^1 DNT, ük dan, na wederom zevendaagsche afzondering, de plaag opnieuw blijkt opgetreden te zijn; â¢I'Sn en mpn zijn beiden onbepaalde-wijs-vormen; de laatste, onder den invloed van het volgende mon geassimileerd, daar de Sysj regelmatig ni2Cj?n zou doen verwachten. Sommigen houden
ySn voor een verleden tijd; doch na inx is dit minder waarschijnlijk.
44. nCS mm, 2y heeft zich uitgebreid, d. w. z. zij is in de nieuw ingezette steenen opnieuw uitgebroken. Onze beide verzen geven dus de bepaling: dat na het inzetten der nieuwe steenen opnieuw gedurende zeven dagen afsluiting plaats heeft. Zoodra dan na die zeven dagen, bij het dan in te stellen onderzoek, zich sporen der ziekte op de nieuwe steenen vertoonen, dan blijkt de ziekte invretend te zijn en moet het geheele huis worden afgebroken (vgl. Wessely). Elk nieuw optreden der ziekte kan in zekeren zin pies, uitbreiding, genoemd worden, daar het zich voorduet op steenen, die tot nu toe niet met het huis in verband hebben gestaan.
46. Jquot;p3n Sn JOPll w^gt; met het hoofd en het grootste gedeelte van zijn lichaam, zich binnen de ruimte van het huis begeeft, al is net nog zoo kort, is tot den avond onrein; evenzoo kleederen of voorwerpen, die in het huis gedurende nog zoo korten tijd geweest zijn. â in» TJDn w Sa, gedurende den afzonderingstijd zelfs; natuurlijk ook na absolute onreinver-klaring. â won i»i hs, een verl. tijd als betr. bijzin afhankelijk van 'iygt;, of een onbep. wijs. quot;Vilpn = TJDn. evenals vs. 43.
LEVITICUS XIV.
nederlegt, zal zijne kleederen wasschen; en wie in het huis
48 eet, zal zijne kleederen wasschen. â Doch wanneer de priester komt, en schouwt, en zie, de plaag heeft zich niet uitgebreid in het huis, nadat het huis bestreken is, â dan zal de
49 priester het huis reinigen, want de plaag is genezen. Men zal namelijk nemen om het huis te ontzondigen twee vogels en
50 een stuk cederhout, en karmozijnroode wol en hijzop. En men zal den eenen vogel slachten in een voorwerp van aarde-
51 werk over levend water. Hierop zal hij het cederhout nemen, en den hijzop en de karmozijnroode wol, en den levenden vogel, en ze indoopen in het bloed van den geslachten vogel en in het levende water; en spatten naar het huis zeven maal.
52 Zoo zal hij het huis ontzondigen met het bloed van den vogel en met het levende water, en met den levenden vogel, en met het cederhout, en met den hijzop en met de karmozijnroode
53 wol. Daarna zal hij den levenden vogel naar buiten de stad laten wegvliegen naar het vrije veld; zoo zal hij verzoening
54 doen voor het huis, en het zal rein zijn. Dit is de leer voor
55 elke plaag van melaatschheid en voor den haaruitval. En voor de melaatschheid aan een kleed en voor [dit aan] een huis.
56 En voor eene hoogwitte, daaraan zich voegende of stralend-
57 witte vlek. Om te beslissen, op den das, dat onrein, en den dag, dat rein verklaard moet worden; dit is de leer voor de melaatschheid.quot;
47- SsiCm ' * * 33trni. ^99en en vormen samen de uitdrukking voor het begrip: vencijlen, zich geruimen tijd ophouden. De minimum-tijd voor oponthoud wordt hier in Saxni gegeven; de tijd dus, dien men noodig heeft om een gewoon dagelijksch maal te gebruiken. Ook liggen, d. w. z. zich huiselijk ophouden, wordt door de nevenstelling Sasm op dienzelfden minimum-tijdduur bepaald. Wie dus enkel gedurende een oogenblik het huis betreedt, is voor zijn persoon onrein tot den avond en moet natuurlijk een ritueel bad gebruiken. Wie zich gedurende ten minste den aangegeven tijd in het huis heeft opgehouden, is niet alleen zelve onrein, maar moet ook zijne Ideederen, d. w. z. ai wat hij aan heeft en alle zaken, waarmede hij tijdens zijn verblijf in aanraking was, ritueele reiniging doen ondergaan.
48. Ons vers vormt de tegenstelling tot va. 43 en 44. Baar was besproken het geval, dat na het inzetten der nieuwe steenen de plaag opnieuw uitbreekt; â ons vers behandelt het geval, dat de priester zeven dagen na het inzetten der nieuwe steenen terug komt en blijkt, dat de plaag zich niet weer heeft vertoond. Ten hoogste duurt dus de zaak dne Blijkt
na de eerste week de plaag uitgebreid, dan heeft aanstonds uitbreken der aangetaste en inzetten van nieuwe steenen plaats; is na de eerste week de toestand onveranderd, dan heeft ten tweede male afzondering van zeven dagen (samen slechts dertien dagen) plaats. Is dan de plaag nog
63
T jniïà 5D
-DN1 : narnK oaa» n^a viarnK MD» n^aquot;»
⢠: itt ; v ^ v.quot;^- : * - - ^it ^ ^ att ; v ;
rimnnK n^a pannira-^nani nxii rrian ay ah
- â¢Â»â¢ s,quot;mt â¢* * quot; - ^ - v - «t t # i quot; * y t t : i quot; - t
npSi : ym nöi: ^a n^an-nx pan intji n^an-nx â¢
!â¢Â»- t ; -it - v.t ; * * - - v i â¢â¢ - lt;- ⢠; -at -
: ami n^^in n« onav â¦nu' n^an-n» «m1?
i .. : j- ; vv | ri.... A; .v-- ... ,â¢â¢ - :
npSi: o^n owty ^quot;in-^a^N nn^n ia^n-nK üntri ^
. t : co 'â quot; j:. ' â *â v ./V,T J â quot; p pv l-T:!0
iaVD r-iNi n^inn \w i amn-nKi. T-INH-^TIK ntni D»nn o^sai nibin^n iövn bia onx quot;jaüi hgt;nn D'samóïnbnan^an-nN «tam : ^a^ n^arr^N^
â¢vquot; quot; * - -: * : |.^* ; -r.* \â
: n^binn â¦a^ai a'TNai r-i^n r^ai n»nn quot;isvai DMnn
it - j' : ⢠^ it v .)v t | quot;jquot; : t - i- j ⢠- a- - i-
naai mirn ^a-1?» yfi nno^x n»nn iavn-n» n^Vi«
jv ⢠; isvt - â gt;quot; : v t | j ⢠v -rr -1- j ⢠- v - ⢠;
: pnabi n^i^n prba1? minn n^r *: inüi n^n-1?v ^ P
i vit - ; - vquot;t - ~j'- t : fgt;t - v r* t ; h~ quot; ö
nnin1? ; nnna^i nnaDbi HNB'^ : n^abi ijan J
a : nynïn min n^r intan ovai Kötan oi^a
it t â i,- j at- j : vquot; t - j :
aanwezig, uitgebreider of in gelijke grootte als vroeger, dan heeft uitbreken en inzetten van nieuwe steenen en afzondering gedurende wederom zeven dagen (samen dus 19 dagen) plaats. Na verloop van zeven dagen na het inzetten der nieuwe steenen valt dan de beslissing: bij opnieuw optreden der plaag wordt het huis afgebroken; bij verdwenen blijven rein verklaard en door de volgende reinigingshandeling weer aan het gebruik teruggegeven. â quot;inoi, v. s. reinoerklaren; v. a. eene reinigingshandeling verrichten, die in de volgende verzen nader wordt uiteengezet.
54â56. De groepeering der soorten is naar Wessely aldus: mdaatsch-heid bij ontsteking en brandwonden, en haaruitval (vs. 54), melaatschheid aan kleederen en huizen (vs. 55), en zich uitende in vlekken op de vleesch-huid (vs. 56). Anderen zien in vs. 54 de beide algemeene groepen: yjj njm, melaatschheid, die zich in kleurverandering positief uit, en pro, haaruitval, waarvan de verschijnselen negatief zijn. Dan wordt de eerste groep in hare onderdeelen ontwikkeld: bij Ideederen, waar de reiniging het eenvoudigst is, â bij huizen, waar zij uit ééne, en bij menschen (vs. 56), waar zij uit twee handelingen bestaat, vogels en offer.
57. rninS. Oquot;1 te beslissing te geven op den dag, dat de betrokken persoon, het kleed of het huis onrein of rein is, d. w. z. op den dag, waarop de priester beslist moet kunnen verklaren, of de betrokkene rein of onrein is.
LEVITICUS XV.
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes en Aharon, als volgt: «Spreekt tot de kinderen Israels en zegt tot hen: iedere man, die aan
3 vloeiing lijdt uit zijn vleesch, diens vloeiing is onrein. Dit nu zal zijne onreinheid zijn ten gevolge zijner vloeiing; âindien namelijk zijn vleesch de vloeiing druipen laat, of zijn vleesch door
4de vloeiing verstopt is, dan is dit zijne onreinheid; â Elke legerstede, waarop de aan vloeiing lijdende ligt, zal onrein zijn;
5 ook elk voorwerp, waarop hij zit, zal onrein zijn. En een persoon, die zijne legerstede aanraakt, zal zijne kleederen wassehen, zich in water baden, en tot den avond onrein zijn.
6 En wie zit op het voorwerp, waarop de aan vloeiing lijdende zit, zal zijne kleederea wassehen, zich in water baden, en tot
7 den avond onrein zijn. Ook wie het bloote lichaam van den. aan vloeiing lijdende aanraakt, zal zijne kleederen wassehen,
8 zich in water baden en tot den avond onrein zijn. En wanneer de aan vloeiing lijdende op een reine spuwt, dan zal deze zijne kleederen wassehen, zich in water baden en tot den
9 avond onrein zijn. En elk zadeltuig, waarop de aan vloeiing
Hoofdstük XV. De laatste groep van uit het lichaam voortkomende verontreiniging: die van het geslachtsleven; 1°. bij den man: a) vloeiing, vs. 2â15; h) pollutie, ook de onwillekeurige (vs. 16 en 17); â 2°. bij man en vrouw: eclitelijke samenleving (vs. 18); â 3°. bij vronwen alleen: a) menstruatie (vs. 19-24); b) aanhoudende vloeiing (vs. 25-3 i). â De geheule wettengroep richt zich tot Mozes en Aharon, omdat hier vooral de onmnheidstoestaml en de overbrenging der verontreiniging wordt be-handelil, die in alle hier genoemde gevallen intreedt; het offer bij de eerste en laiitste groep is hier ~Teclits ter loops besproken en ondergeschikt aan het ho ifd.loi l vim ons hoofdstuk (vgl. hoofdstuk 12).
2. VUTSQ. vleesch, eupheuiisti-che aandniding van liet geslachtsdeel (Ibn 'Ãziia). Anderen vatten, met het oog op vs. 13, wiiar nra het lichaam beteekent, ook liier Tirm algemeen op: uit zijn lichaam, waarbij dan nit 'Ie analogie bij de ann vloeiing lijdende «roufo (vs. It)) zou blijken, dat alleen vloeiing uit het u'eslachtsdeel verontreinigt. â Naar Maim. D'St 'S.t 2,2 is hier aan een ziekte of verzwakking der geslachtsorganen te denken, waardoor vloeiing ontstaat. â lan, zijne vloeiing, d. w. z. wat hem ontvloeit, sin stsc, is onrein, d. w. z. de aanraking daaraan verontreinigt. Anderen; wat zijne vloeiing betreft, is hij, de patiënt, onrein. â In 3t nvr- 'D, is het aanhouden der verschijnselen reeds aangeduid. De traditie leidt uit het in vs. 3 driemaal gebruikte ijit af, dat de hier gegeven wet, voor zoover het brengen van het offer aangaat, eerst geldt na driemaal herhaalde vloeiingsvi rschijnselen. De onreinheid en verontreiniging echter treden reeds na tweemaal in. Eenmalige vloeiing heeft slechts de vs. 16 genoemde gevolgen.
3. 131t3 inXOü min nxn» ^ za^ zÃne onreinheid zijn, ten gevolge van zijne vloeiing, de werking zijner lichamelijke onreinheid naar buiten zal in liet volgende bestaan, wat dan eerst in vs. 4 vv. wordt behandeld. Anderen; dit zullen de verschijnselen van zijne onreinheid zijn bij zijne vloeiing, wat dan in ons vers wordt uiteengezei. De slotwoorden Nin insso zijn dan echter overtollig Wij volgen daarom de eerste opvatting en beschouwen het tweede deel van ons vers-uls tusschenzin. â n, laten
64
9
112 jniïö ID
â¦jrbN : quot;idn1? nnx-^Ki nt^D-^K nirv wi«
quot; t ; * -*quot; x # v : - â¢â¢ I ^-:r v ; jv v t : 2
MÃC2 121T 1^30 3T iTiT »3 DH^K DniDNl
t ^ t ; ⢠v ; r lt;⢠⢠-«⢠av â¢â¢ -:
-in üirnK 1^3 quot;11 131T3 inNöta n^nn nKn :
1 ^ v t ; -«t a ; v t : % r.m: r ^ ^ ; 1
33t!MtfK 33K'Sn-i73 : Nin IHNOÃ 131TÃ 11^3 DWrf
: ⢠v -: t ; ⢠- t r v t : ⢠t ; lt;â¢;â¢.â¢
: «Dû 3ty,-quot;iB'X »l73n-,?3,i Nota» 3tn
⢠: it : ⢠^t't jquot; quot; v -j .)⢠; - t : at ; ⢠vt - ^t^t
: 3quot;)ymy noüi D»Ã3 rnm vm 033» 133^03 W IB'K
VHTT - Jquot; r : ⢠V.quot; - I J- T; ott ; squot; - : at : jv
0*03 rnni vw3 D33' 3Tn v1?^ 3K'»quot;quot;i^K 3tf*nv
* Vquot; quot; I t ; -jtt : squot; - : at - ^tquot;gt; jquot; â¢â¢ v -1 ⢠; - ;
rn-n viJ3 D33» 3Tn 1^33 pim : 3quot;)ym^ kdüi »
I t; ott : r* - : at - j- ; ⢠- : vhtt - y r :
V133 D331 1lnt33 3Tn : 3irn-|V K0E21 D,Q3n
OTT ; ^sv ⢠; AT- V.T- I jt i* ; vhtt ^ râ T : -
33T quot;ll^N 33*1Snquot;?31 : N0Ã1 0^3 rmi O
J' :⢠v quot;s T ; V - t; vTt t - jquot; t ; «v - | t:
uitvloeien, het vocht is vloeibaar; own w, of zijn lichaamsdeel houdt de vloeiing afgesloten, laat haar niet door, doordien het vocht slijmachtig, dik is. sin in.s»B, in beide gevallen is dit zijn toestand van onreinheid en de gevolgen daarvan worden in de volgende verzen besproken. Anderen verklaren vwa orinn is: of zijn lichaamsdeel sluit zijn lichaamsdeel ten gevolge van zijne vloeiing-, onderwerp is dan nco uit het begin van het vers, terwijl het hier gebruikte vito voorwerp is; de zin is: zijn lichaamsdeel wordt door de vloeiing, die aan de uitmonding blijft en verdroogt, afgesloten.
4. Niet alleen zijne aanraking verontreinigt, maar alles wat tot legerstede of zitplaats geschikt is en daarvoor gewoonlijk gebruikt wordt (33t« ip«, 2Cquot; ion, waarop men gewoon is te liggen, te zitten) wordt onrein, zoodat hij, die ze aanraakt, zelve onrein wordt en ook zijne kleederen met hem door verontreiniging worden getroffen (vs. 5 vv.). â Alles, wat bestemd is het lichaam op welke wijze en in welke houding ook als basis te dienen, wordt door deze onreinheid getroffen, arn dtw. De patiënt behoeft niet met de zaak in aanraking te komen; zelfs verschillende op elkander liggende zaken, waarop de patiënt zit of ligt, worden allen door denzelfden graad van onreinheid getroffen. Evenzoo wordt hij, die zich op een zetel of ligplaats van den 31 zet of legt of steunt, onrein, ook al raakt hij de zaak zelve niet aan en al ligt er nog zooveel tusschen zijn lichaam en den zetel van den at.
7. 3jn quot;lüpa, aan het hloote lichaam; zijne kleederen en sieraden, voor zoover zij niet onder de wetten van vs. 5 en 6 vallen, kunnen mensch noch voorwerp verontreinigen.
8- pT '31. Kj spuwt, d. w. z. als eene zich in het lichaam verzamelende ' vloeistof, die naar willekeur kan worden teruggehouden, door den
Satiënt wordt uitgeworpen en in aanraking komt met een rein persoon, an is ook deze onrein, en wel in den hoogeren graad, die niet alleen het lichaam, maar ook de kleederen verontreinigt.atiënt wordt uitgeworpen en in aanraking komt met een rein persoon, an is ook deze onrein, en wel in den hoogeren graad, die niet alleen het lichaam, maar ook de kleederen verontreinigt.
9- 33TDn Ssi. dk zadeltuig. De wagen of het zadel kan niet bedoeld zijn, daar die reeds onder het begrip zitplaats van vs. 4 vallen. Hier
LEVITICUS XV.
10 lijdende rijdt, zal onrein zijn. En ieder, die aanraakt aan iets van al wat onder hem is, zal tot den avond onrein zijn; en wie iets daarvan draagt, zal zijne kleederen wasschen, zich in water
11 baden en tot den avond onrein zijn. En ieder, dien de aan vloeiing lijdende aanraakt, alvorens hij zijne handen in water afgespoeld heeft, zal zijne kleederen wasschen, zich in water
12 baden en tot den avond onrein zijn. En een aarden voorwerp, dat de aan vloeiing lijdende aangeraakt zal hebben, zal gebroken en elk houten voorwerp in water afgespoeld worden.
13 Wanneer de aan vloeiing lijdende van zijne vloeiing rein wordt, zal hij zeven dagen tellen voor zijne reiniging; dan zal hij zijne kleederen wasschen en zijn lichaam in levend water ba-
14 den, dan zal hij rein zijn. Doch op den achtsten dag zal hij zich nemen twee tortelduiven of twee jonge duiven, en komen vóór den Eeuwige naar den ingang van de tent der
15 samenkomst, en ze den priester geven. En de priester zal ze bereiden, de eene als schuldoffer en de andere als brandoffer ; en voor hem verzoening doen vóór den Eeuwige, wegens
16 zijne vloeiing. â Eu een man, wien teelvocht ontvloeit, zal zijn geheel lichaam in water baden en tot den avond
denkt men aan die voorwerpen, die het lichaam in een bepaalde houding doen blijven bij het rijden; bijv.; de zadelknop, waaraan men zich vasthoudt, een rugleuning of dgl. Anderen zien in aai» iets, dat niet uitsluitend voor vervoer van personen bestemd is, maar ook om andere lasten te dragen,, zoodat het daarom niet onder de wet van vs. 4 zou vallen en afzonderlijk vermeld moest worden (vgl. Inleiding van Sifra, en Kéliem 23,2).
10. vnnn irrp ICX aan a' onder hem, den aan vloeiing lijdende, is; bedoeld wordt aai» uit het vorige vers. Zetel en ligplaats van vs. 4 brengen de zware verontreiniging, waardoor ook de kleederen van den aanrakende worden getroffen; rij-tuig verontreinigt bij aanraking alleen den persoon, niet ook zijne kleederen. Draagt men hen, dan worden ook de kfeederen onrein. Anderen: en wie aanraakt aan al wat er onder is, onder liet rij-tuig namelijk. â anw simn, en wie ze, alle hier genoemden; den patiënt, zijn speeksel, zijn zetel, ligplaats of zadeltuig draagt, ook al raakt hij ze niet aan, doordien er bijv. een doos, een doek oï iets dgl. tusschen de onreinheid en het lichaam van den drager is, wordt door de zware verontreiniging getroffen, die ook de kleederen onrein doet worden.
11. ij yy\ ^3% In vs. 7 zou aw ifaa verklaard kunnen worden; het lid, zoodat omtrent aanraking aan het overige lichaam nog niets is vermeld. Dit staat dan hier. Anderen zien in vs. 7 actieve aanraking van een persoon aan den patiënt, in ons vers passieve aanraking door den patiënt. â D''»3 epc nS tti, terwijl hij, de patiënt, zijne handen nog niet in water heeft laten bespoelen, naar de traditie, een deel voor het geheel genomen: alvorens hij het vs. 13 voorgeschreven ritueel bad genomen heeft; dan kan hier staan, dat, zelfs naliet ophouden der vloeiing, gedurende de vs. 13 voorgeschreven tellingsdagen, aanraking verontreinigt. Anderen: terwijl hij, die aanraakt, zijne handen niet van te voren heeft afgespoeld. Wij vi'nden echter nergens, dat handenwassching vóór verontreinigende aanraking eenigen invloed op de onreinheid oefent. â Aan enkele
65
Ià jniïö HD
vrinn rrn» Vm quot;nv «0^1 D»a3 rmi vm D33» dhin N'^iam snrn-ny
r* t ; ⢠vâ } j' r: trr : squot; -^; t j.. - . v^t t
DIDquot;) D»03 e]ü^-Nb VTquot;) 3n 13quot;^^ ,?D1 : 3quot;!^«'
irin-^31 : snymy noui d,S3 rmi vtd ^
â¢j v quot;: â¢â¢â ,v * : v itt - » t : ^ 'vâ \ J- T : ITT : ^
3Tn quot;inü'-oi *: d»ö3 e]üis» n3^» 3in is ^ |
rnn via3 D33i imnt:4? w nystf i1? ISD^ 131TD
1st: att jv * ; «. t â¦; it : â¢)⢠t *5- i ⢠- t :
onn irn^ DV3i : iriüi D«n d^ös ^ D:n:i i^io 'jnx nn3_l?N nin» ^sh i «31 n:v ^3 'JB' in
t.T T : â¢â¢ ... j .. .. v T . j.. . Jr AT -â¢â¢ ; vquot; : ^
nty TOm nsèn nnN rrisn dhk n'^vi : rnsn-1?^10
at ^t v it : t - jt v i â¢â¢ - t lt;r Z i iquot; - v ® d
â 'S tr'Ni d * : 13ITP nin' â¦ja'? |rt3n *1331.'u nöü') n^-bsTiN D,a3 rnn ynrn33B' 1200 ê£
â¢Â»quot; t : v t : t v ⢠-r - I jquot; t ; -at - : ⢠⢠gt;â¢â¢ â¢â¢
handenwassching van den patiënt kan daarom reeds niet gedacht worden, omdal bij elke, ook de minste verontreiniging, baden van geheel het lichaam is voorgeschreven; handenwassching tot reiniging van werkelijke onreinheid komt in den Pentateuch nergens voor.
12. Voor aarden vaatwerk is reiniging door baden niet mogelijk (vgl. Lev. 11,33); het kan dus nooit weer rein worden; houten voorwerpen daarentegen =pcquot;, moeten in water worden afgespoeld, een ritueel bad ondergaan.
13. -vrav als de patiënt physiek rein wordt, d. w. z. als de lichamelijke verschijnselen, die hem in den toestand van onreinheid brachten, ophouden, â zal hij zeven dagen tellen, inm^S, voor zijne reiniging, d. w. z. alvorens tot zijne ritueele reiniging over te gaan: anderen; zeven dagen na zijn physiek reinworden; weer anderen: met betrekking tut, met het oog op zijne ritueele reinheid; nog anderen: zeven dagen van zijn physieke reinheid, d. w. z. er moet eene onafgebroken zevendaagsclie reinheidsperiode verloopen, en daarna D331 enz , moet hij de reinigingshandelingen verrichten en is ritueel rein, doch moet nog een offer brengen, alvorens het recht te hebben den tempel te betreden en offervleesch te eten. â Bquot;n â¡â «iss, in levend water, bronwater; terwijl bij alle andere reiniginesbaden zoowel welwater, als in voorgeschreven hoeveelheid bijeenverzameld regenwater mag worden gebruikt, is voor de reiniging van den 3t uitsluitend het baden in levend icelwater toegestaan.
14. ijno Shjc nna quot;w. zie 14,11.
15. quot;1331, ook de vloeiing als gevolg of als slraf voor gepleegde overtreding beschouwd; vgl. echter 12,6, waar aan zonde niet gedaclit wordt en toch een zondojfer is voorgeschreven.
16. nSSlf» Naar Lüzzatto beleekent óf eene laag neerslag, r.ai'j ï-it dus: een neerslag of laagje van teelvocht (vgl. Ex. 16,13}, óf: het liggen, pit nasw dus: de bijwoning tot voortbrenging. Hier en vs. 17 heeft het dan de eerste beteekenis, in vs. 18 de tweede. Anderen vatten het in de gewone betee-
LEVITICUS XV.
17 onrein zijn. En elk kleed en elk leder, waarop teelvocht gekomen is, zal in water worden gewasschen, en tot den
18 avond onrein zijn. Ook eene vrouw, wanneer haar een man geslachtelijk bijwoont, â dan zullen zij zich in water baden en tot den avond onrein zijn.
19 En eene vrouw, die vloeiing heeft, â bloed is namelijk wat haar ontvloeit, aan haar lichaam, â zal zeven dagen in hare afzondering blijven; en al wie haar aanraakt, zal tot den avond
20 onrein zijn. En alles, waarop zij gedurende hare afzondering ligt, zal onrein zijn; en alles, waarop zij zit, zal onrein zijn.
21 En al wie hare legerstede aanraakt, zal zijne kleederen was-schen, zich in water baden en tot den avond onrein zijn.
22 En al wie eenig voorwerp aanraakt, waarop zij zit, zal zijne kleederen wasschen. zich in water baden en tot den avond
23 onrein zijn. En indien het is op de legerstede of op het voorwerp, waarop zij zit, terwijl hij het aanraakt, zal hij tot
24 den avond onrein zijn. Maar wanneer een man haar bijwoont, zal de onreinheid van hare afzondering ook aan hem komen en hij zal zeven dagen onrein zijn ; ook elke legerstede, waarop
25 hij ligt, zal onrein zijn. â En eene vrouw, wier bloedvloeiing gedurende vele dagen blijft vloeien, buiten den tijd barer afzondering, of die aan vloeiing lijdt na den afzonderingstijd;
kenis: liggen op en wel hier en vs. 17: product van echtelijke samenleving, vs. 18; de echtelijke samenleving zelve. â Nïn quot;O wijst op onwillekeurige ontvloeüng van teelvocht, pollutie; dezelfde verontreinisrins peldtnatuurlijk ook bij gewilde autopollutie. â TW3 Sa ns, zijn geheele lichaam moet hij baden in eens; hieruit wordt de quantiteit van het water voor een ritueel bad afgeleid. De bak moet namelijk, om het geheele lichaam te bergen, ten minste een el lang en breed en drie el diep zijn, dat is 40 Sea inhouden.
1®- DN 331? beteekent v. s. ; geslachtelijk hijwonen-, DS liggen hij iemand. â wmi. zij moeten beiden zich baden enz.
19â24. Menstruatie ; zij is zeven dagen onrein, heeft zich dan te baden en is rein zonder offer. Onverschillig of de vloeiing ophoudt, of de geheele zeven dagen voortduurt, blijft zij gedurende zeven dagen, niet langer en niet korter, als nu onrein. â nu, zie 12,2. Met betrekking tot aanraking, leger, zitplaats enz., is nu geheel gelijk aan ar.
23. 331!fOn hV ONI. V. s. en wanneer het bloed ziek hevindt op de
legerstede, â als men dan daaraan, aan dat bloed, aanraakt, zal men onrein zijn tot den avond. Wij weten echter uit vs. 8 reeds, dat dergelijk vocht ook de kleederen verontreinigt, niet enkel den persoon zelf. Evenmin kan het beteekenen: Wanneer iets ligt op de legerstede, waarop zij zich bevindt, terwijl hij het aanraakt, â is hij onrein. Immers voorwerpen, die den zetel of de ligplaats aanraken, maken den mensch niet meer onrein, ook niet al bevindt zich de nu op hetzelfde leger. â De traditie vat op: en indien hij, met volle lichaamszwaarte, rust op de legerstede enz., waarop zij gezeten heeft, â is hij geheel onrein met zijne kleederen; de eerste woorden van ons vers zijn dan voortzetting van het vorige, terwijl met
66
113 jmo id
virrosb' vby rrrr-iate *
^ -at - ; * v.t^t ^r.,;r v -j ^ r : â¢.â¢-â¢â¢.⢠t : v*it t
nnk 33^» quot;ib'n nt^ni : sn^n-i^ «oui d'öa 033*1 ^
^t â¢)⢠J' : ⢠v -j t ⢠; vnrt r* t ; -y,- - j- \ :
a : 3quot;iymy wqüi d^3 ttrrn ^nrn33bgt;
^ vquot;itt v : it ; * - - â¢' quot;j it : -at - : â¢
n^nnwn^m^nitn^ d-i nsr n^nn-^ nu'tti ^
-«v ; r *^t ^lt;-: * att : * v.t -»v: r .)t tt -â¢â¢.â¢: r ⢠t ⢠;
33^n ib'k v3i : 3i^n-^ kou» n3 yriphwi nrn23 =
j- ; ⢠v -j ; v^t t jr : ⢠^t quot;-j- - t : t t ⢠;
: «oü» vby 3tfmkte bbi koü» nmj3 «
- t : it : ⢠v.t^t r* â¢â¢ v -» â¢Â» : at ; ⢠».t t ⢠: ot't
quot;,?3i : 3quot;i^n-n^ noüi d,a3 rnn inj3 033' n33^d333
t ; vit t jquot; T : 'y.' ' i j- t: -jtt : s** quot; : at t : ⢠:
d»d3 rmi v-ij3 d33* 3^-1^« ^3-^33 vtin
'v.--i j- t; -jtt : s- - ; ^ at ^t j.. .. ^ ... -j ^. . t . «... -
^3n-^ in kin 33^dn-^ dni : 3quot;mnnjr noüi »
q : - s t ; ⢠- n- ⢠: vttt quot; j- t :
33^ dni : 3quot;mn-ny hdw 13-1^:3 vl?yn3b'» min ^
t ⢠: '-it r \,T z ⢠^ a ; t ; vT ⼠v iv ^ r
-v31 w r\ynw ndlii nm: ^nm nn« wx 33^»
^ t : a'tl) * t : t t t t * lt;⢠: t - : â¢
3it»-»3 ntsw d : nou' vby 33trâibw 33^21«
t r t ⢠: _ it ; ^t^t j- : ⢠v -1 it i ⢠^
nmrvy 3itn-o in nmyny n73 d^si d'o» hot 31t
at t ' v t i* J t t * v : * quot; j* t t t
'Van Sr is een nieuw geval wordt ingeleid; maar indien hij er slechts aanraakt, is hij alleen persoonlijk onrein, niet ook zijne kleederen (vgl. vs. 6). Zij laat het laatste slaan op 33-m, dat hier niet besproken, maar in'Ssn Sr enz. aangeduid wordt. Wessely; en ook al bevindt iemand zich op hare legerstede, of op hare zitplaats, zelfs ten tijde dat ook zij daarop zit, en zelfs al raakt hij ook de legerstede aan, zonder dat iets tnsschen zijn lichaam en de legerstede is, â niettemin is hij slechts onrein tot den avond en niet gedurende zeven dagen. Over het al of niet verplichte van kleederenwassching wordt dan niet gesproken. Het vers biedt groote moeilijkheden voor de verklaring.
24. De bijwoning eener vrouw, waarvan het hem bekend is, dat zij in de menstruatie-periode verkeert, is op straffe van uitroeiing verboden (Lev. 20,18). Hier denkt men ook en in het bijzonder aan het geval, dat de menstruatie tijdens de bijwoning onverwacht intreedt. Dan pSr nna Tinv, zal de onreinheid van haar afzonderingsstaat op hem rusten, d. w. z. hij zal, evenals zij was, zeven dagen onrein zijn met al de daaraan verbonden gevolgen, zooals die vs. 19â23 zijn uiteengezet, en waarvan als voorbeeld 33c ?5 op het einde van ons vers wordt genoemd. Andéren: en de oorzaak van hare afzondering, d. i. het bloed, dal haar ontvloeit, op hem komen zal-, dan behomen deze woorden nog tol den voorzin en de nazm begint eerst met Dvo . ï2 S»21.
25. D'ST D^) vele dagen, naar de traditie: ten minste drie opeenvolgende ilageu. â Hi u rr squot;2, buiten den tijd harer afzondering, of rv TJ
in aansluiting met hare afzondering, dus: onmiddellijk na de zevendaagsche nieiisiruatieafzondering, of eeuigen tijd later, maar zoo, dat het nog niet de tijd voor nieuwe menstruatie is; â dan is zij, zoolang de vloeiing
LEVITICUS XV.
zoolang haar de onreinheid ontvloeit, zal zij gelijk in hare
26 afzonderings-dagen zijn: onrein is zij. Elke legerstede, waarop zij ligt, gedurende al de dagen harer vloeiing, zal haar gelijk de legerstede harer afzondering zijn ; en elk voorwerp, waarop zij zit, zal onrein zijn, gelijk de onreinheid harer afzondering.
27 En al wie er aanraakt, zal onrein zijn; hij zal zijne kleederen wasschen, zich in water baden, en tot den avond onrein zijn
28 Doch wanneer zij van hare vloeiing rein zal zijn, zal zij zich
29 zeven dagen tellen, en daarna zal zij rein zijn. Doch op den achtsten dag zal zij zich nemen twee tortelduiven of twee jonge duiven, en ze tot den priester brengen, naar den ingang
30 van de tent der samenkomst. En de priester zal de eene tot /.ondofler en de andere tot brandoffer bereiden; en de priester zal verzoening voor haar doen vóór den Eeuwige, wegens de
31 vloeiing harer onreinheid. Zoo zult gij de kinderen Israels afhouden van hunne onreinheid, opdat zij niet sterven door hunne onreinheid, doordien zij namelijk Mijn Verblijf, dat te
32 midden van hen is, zouden verontreinigen. Dit is de leer voor de aan vloeiing lijdende, en voor hem, wien teelvocht ontvloeit,
33 zoodat hij daardoor onrein wordt. Ook voor de onwel zijnde vrouw gedurende hare afzondering; en voor hem, wien vloeiing ontgaat, hetzij man of vrouw; en voor den man, die bij eene onreine ligt.quot;
duurt, onrein, evenals de menstrueerende, wat dan in de volgende verzen nader wordt gepreciseerd. â nnsso air, de vloeiing harer onreinheid, d. w. z. van verontreiniging brengend bloed. Anderen: hare onreinheid-brengende vloeiing. â Bij rat wordt uitdrukkelijk ntti si, blo e dvloeiing genoemd; bij 3t, waar dit niet het geval is, is dus niet aan h l o e dvloeiing te denken.
27. 03. hen, de onreine vrouw of een der genoemde zaken.
28. Doch ook al houdt de vloeiing op, dan wordt zij nog niet rein, gelijk de nu na afloop harer zevendaagsche periode, â maar moeten eerst zeven achtereenvolgende dagen verloopen zonder eenig vloeiïngsverschijn-sel, â evenals bij den at (vs. 13). Over mno en Tien zie vs. 13. Hier wordt geen baden in levend water vereischt. Natuurlijk moet zij zich na den zevenden dag baden, maar dit mag ook in een mp», verzameld regenwater in voorgeschreven hoeveelheid, geschieden.
31. Dmtm van i», afzonderen; gij zult zoo, door de inachtneming al dezer voorschriften van hoofdstuk 11â15, de kinderen Israëls afhouden van hunne onreinheid; zorgt ervoor, dat zij zich ervan afzonderen. Want zij zouden anders sterven, door ms, uitroeiing, als zij in onreinen toestand het heiligdom zouden betreden (Lev. 17,16).
(i7
iri'ixD TD
-bs : Kin hnüd n»nn nni: nnxm air â¦d»~,?3 13
t r jt ** : , Vquot; ï â¢* -JT t squot; * t t : \ j : t
mm: 331^03 nnir wbz 33icgt;n-quot;iiy^ sitrsn
v.t t' t . : t t t ⢠v -1 t ; ⢠-
n«DC33 n^n» KOà 1% 3^n ib^N; ^n-^i nVrn
v,quot; : \ 1 v ; r -»â¢â¢ t t tquot; â â¢â¢â¢ â¢â¢ jv -t * : - t : at v ;r
«aai D»S3 Kniimas D33i Köt2' D3 jttirr^i : nma»
jquot; t : ⢠lt;.â 1 t; ott : sv ⢠: at : * v,t quot;jquot; - t : it t â¢
n^3^ nb maoi nniTD mntrDKi : 3quot;iyn-nyquot;3
v.-t o' : / )r ^ tut: at ⢠^.t-: it ⢠: vTtt ^ nas
w IK onh^nb-n^n^a^n 01*31 * : quot;)npn TOI ^ JI. : iyio nna-^K rn^rrVK bniK nav '33 li
quot;T* ^ v j ~ v iquot; - t lt;t ⢠iquot;^: at â »â¢â¢ : *â
rrVy quot;1331 nbv inKn-nKi riKtan nnxn-nK iri3n n^i ^
t lt;â¢.â¢â¢gt; V ⢠: at VT vit V : t - -»t V it V I quot; - lt;t ^t :
^K^-^s-nK on^ni * : nnKOü 3iTp nirr ris1? |ri3n ^ s
IK'K '^^DTIK DKQÃ3 DDKOUa IDD' K^l QnKOtSO
jv -: v.'t : ⢠v rr : - : ^ r r : \ : \t lt; : at t : â¢â . â¢
^iT-n33B' 13DO Kïn quot;i^Ki 3Tn min nKT : D3in3 ^
-V.V quot; : ⢠â¢)quot; / gt;quot; â¢â¢ ^ V -J|- at - ^ v.- j it :
n3p37i i3Tl7 i3it-nK 3Tni nnii3 mini : n3-nKDi2t7 ^
at I t - v t - : t t ⢠; t t - : it t : t :
S : nKÃÃ'DV 33^» quot;It^K ty^l
it â¢â¢ : â v- : â jv -1 ⢠:
32. 3in,- die éénmaal vloeiing heeft; â dit heeft dezelfde gevolgen als ontvloeiïng van teelvocht (vs. 16 en 17). Daar ook vs. 33 de 21, de aan herhaalde vloeiing lijdende, genoemd wordt, kan daarvan hier geen sprake zijn. De nevenstelling van at en â np Sï3 in ons vers spreekt ook voor de rabbijnsche opvatting.
33. 1311 JTK Dim, die zijne vloeiing vloeien laat, napaSi -otS, voor man zooicel als voor vrouw, wier wetten verschillen; bij een man treden nl. na twee vloeiingen reeds de onreinheidswetten en het voorschrift der zevendaagsche reinheidsperiode in, behalve de offerplicht, die aan driemaal voorkomende vloeiing is gebonden; bij eene vrouw daarentegen geeft vloeiing op een of twee achtereenvolgende dagen wél volle verontreiniging (2üi»i 33üjs), maar wordt nog geene zevendaagsche reinheidsperiode gevorderd, wat eerst na vloeiing gedurende drie achtereenvolgende dagen het geval is. â nsoa or asc ivx, bij eene rru of nat, vs. 24. or 220 is eenvoudig; liggen hij-, dit geval wordt niet uitdrukkelijk behandeld, hoewel het onder aanraking valt. Echtelijke bijslaap eener nu of nat heeft zevendaagsche onreinheid van den man ten gevolge.
LEVITICUS XVI.
1 De Eeuwige sprak tot Mozes, na den dood der twee zonen van Aharon, â toen zij namelijk vóór den Eeuwige genaderd
2 en gestorven waren, â En de Eeuwige zeide tot Mozes: wSpreek tot uwen broeder Aharon, dat hij niet ten allen tijde in het heilige kome, binnen het voorhangsel, tot de voorzijde van het deksel, dat op de arke ligt, opdat hij niet sterve; want
3 in de wolk zal Ik boven het deksel verschijnen. Met het volgende zal Aharon in het heilige komen; met eenen jongen
4 var tot zondoffer en eenen ram tot brandoffer. Een linnen onderkleed des heiligdoms zal hij aantrekken, en een linnen broek
Hoofdstuk XVI. Nadat de verontreinigingen, die vooral op het tempel-leven invloed hebben, in hoofdstuk 11â15 in den breede zijn behandeld, wordt in ons hoofdstuk de dienst op den algemeenen ontzondigingsdag des heiligdoms voorgeschreven, waarop reeds Ex. 30,10 met een enkel woord is gezinspeeld. Ons vers knoopt die bepiilingen vast aan den dood der beide zonen van Aharon, vooral omdat, als inleiding tot den dienst op den Verzoendag, het algemecne verbod zelfs voor Aharon gegeven wordt, het allerheiligste te betreden. De dood der beide priesterzonen nu had juist bewezen, hoe een niet-bevolen dienstverrichting den dood van den dienstdoende ten gevolge kon hebben. â Nachm. meent, dat op den dag na den dood van Nadab en Abiehoe het Godswoord zich tot Aharon richtte met het verbod van Lev. 10,8â11, om dienst te doen na het drinken van wijn, terwijl tot Mozes de hier behandelde wet werd gesproken.â Tot Mozes richt zich ons hoofdstuk, nis een offerwet behandelend.
1. quot;QTI- Zooals Siporno opmerkt, komt vaak na quot;m nog eens ms voor; m beteekent dan in het algemeen s^refcen, isx bepaalde onderwerpen bespreken-, men zou dan moeten verklaren: de Godsspraak richtte zich tot Mozes en hesprak met hem het volgende. Hier zoude dan, wegens den langen tu-schenzin, in vs 2 zoowel het onderwerp als de aanwijzing van den persoon, tot wien gesproken wordt, zijn herhiiald. Wessely meent, dat vs. 1 ze.it: God sprak na den dood van Nadab en Abiehoe in den hreede tot Mozes over de oorzaak en de beteekenis van hun dood, over het heilighouden van den tempel en de daarvoor noodige reinheid, over den zin van den Verzoendag, â en zeide in beknopten vorm tot Mozes, wat hij daaromtrent aan Aharon had mede te deelen (vs. 2i. â 'n Vih Grampa. Hier wordt als hoofdelement van het vergrijp van Nadab en Abiehoe het naderen vóór den Eeuwige op den voorgrond'gesteld (Vgl. onze aant. 10,1).
2- -pro?, hoewel hij uw broeder is, en gij telkenmale tot het aanhooren der Godsspraak het heiligdom moogt binnengaan, is dit hem, den hooge-priester, niet geoorloofd, veel minder den gewonen priester. â rr Sus, ten allen tijde, op eiken tijd, die hem goeddunkt; Nachm.: te eeniger tijd, d. w. z. nooit zal Aharon komen enz., dan rxn, ten tijde dat hij het volgende brengt. â psn -v- s rnwn 'jb Sn roisS r«» ripn Ss, eene zeer nauwkeurige aanwijzing der plaats, die men op het oog heeft: rtp is hztgeheeie heiligdom, heilige en allerheiligste te zamen, na-ih noo is het allerheiligste in zijn geheel; rnEon ijl is de vóórzijde der arke, tusschen de beide draagboomen, waar de hoogepriester tijdens de diensthandelingen moest staan. Eerst dan treedt de straf, in nw aangegeven, in, als hij tusschen de draagboomen slaat, hoewel het verbod voor het allerheiligste in zijn geheel geldt. Luzzatto wijst op de vreemde plaatsing der toon-teekens, die de plaatsaanwijzing in tweeën splitsen, en meent, dat men bij
68
⢠mo nnK no
onaipa r'inK '33 mó nnx n^a-'pK nin» quot;iaquot;!*quot;)x ft3
jt T ;IT i IA -m- â¢*quot; ; vquot; ï ^ J'quot;:'quot; v v T : *quot; quot;â¢quot;
â ^Nn3T n^o^N njn'quot;i^'i â¢'ninpifl1? :' nD'^ss1? n^D trtprr^K njr'jDa N3,_SK,I THK pnx
V INT - \.quot; â vl - quot;â¢â¢ T : lt; T - : | ⢠T ^ I
nx-ix t3V3 '3 mö' pxn-^ rri33n
^v Tiquot; It't-'v 'lt; t â¢â¢ : I t it lt;v -: V - - â¢â¢ :
*ip3quot;f3 133 ^lpn^K nnx K3* nKT3 : rrissn-'^j
mtt I v s' : vl a - quot; ^ I vquot;* â¢quot; gt; t â » : vi - -
lyoftw i^-i'p -Dquot;ruh3 : nV^1? b'Ni nNtan1? â lt;
â¢â¢ : ; â x: ⢠vl - v i : it ; -j- ; v.t - :
het vaststellen dier toonteekens het oog had op de genoemde bepaling; of dat men de meening wilde bestrijden, als zou het verbod van betreden van het allerheiligste alleen gegolden hebben, zoolang er eene arke was, en dus niet tijdens den tweeden tempel; dan zou ons vers de bepaling geven: komen mag hij niet âin het heilige binnen het voorhangselquot; ook al is er geen arke; hij kome echter niet »voor het deksel, dut op de arke ligtquot;, opdat hij niet sterve; hij zonde dan ook met den dood worden gestraft.â rww j:ï3 '3, want in de wolk Mijner heerlijkheid verschijn Ik boven het deksel en daarom mag niemand, ook niet de hoogepriester, daar ongeroepen verschijnen; traditie en Ibn 'Ezra: maar alleen in de wolk van den rook van het reukwerk (vs. 13) wil Ik gezien worden boven het'deksel; Aharon mag daar Mijne heerlijkheid slechts aanschouwen door de rookwolk heen, die van het daar te ontsteken reukwerk opgaat. â De Tsadduceërs meenden hieruit te kunnen afleiden, dat Aharon het reukwerk reeds ontstak, iwórdat hij het. allerheiligste binnentmd, hoewel vs. 13 uitdrukkelijk het leg'jen van het reukwerk op de kolen eerst vóór den Eeuwige, d. i. in het allerheiligsie, laat geschieden.
3. nwa. met dit, onder inachtneming der hier volgende bepalingen aangaande de le brengen offers, de aan te trekken kleeding en de te verrichten reinigingshandelingen; de zin is niet, dat hij meMiet offer het allerheiligste binnengaat, maar dat het offer in het voorhof des heiligdoms aanwezig moet zijn. Uit vs. 12 blijkt immers, dat, nadat de var geslacht was, de priester met het reukwerk het allerheiligste binnenging. Het slachten van den brandoffer-ram geschiedde eerst later (vs. 24). Behalve voor het reukwerk, kwam de priester alleen in het allerheiligste om de bloedspattingen van den var en den in vs. 15 bedoelden bok te verrichten. â cTpn Si, in het allerheiligste, zooals vs. 2 blijkt. Wessely; het heiligdom, in zijn geheel, waaronder dan ook het voorhof zou zijn begrepen. De dienst had nl. gedeeltelijk in het voorhof, anderdeels in het heilige en het allerheiligste plaats.
4. Om het allerheiligste binnen te gaan. moest hij zijn gewone hooge-priésterkleeding afleggen en de hier genoemde vier kleedingstukken van zuiver wit linnen aantrekken (zie Ex. 28,42). â rnp, eigendom van het heiligdom, uit de terapelkas aangeschaft; Wessely; voor den dienst in het allerheiligste bestemd; on cip n», bijzonder gewijde, uitsluitend voor den dienst op dien dag bestemde kleederen zijn het, â ymi, hij moet zich dus eerst het geheele lichaam hebben gebaden, alvorens ze aan te trekken. Telkens bij elke verwisseling van kleederen moest zoodanig bad genomen worden en tevens bij het uittrekken der gewone hoogepriesterkleeding en na het aantrekken der witte kleederen een wassching van handen en voeten. Naar de traditie nam de hoogepriester op den Verzoendag vijf
LEVITICUS XVI.
zal op zijn bloot lichaam zijn, en met een linnen gordel zal hij zich omgorden, en met een linnen hoofdwindsel zijn hoofd omwinden; heilige kleederen zijn het; en hij zal zijn
5 lichaam in water baden en ze daarna aantrekken. En vanwege de gemeente der kinderen Israëls zal hij nemen twee geiten-
6 bokken tot zondoffer, en éénen ram tot brandoffer. Aharon zal den var tot zondoffer, die van hem is, doen naderen, en
7 voor zich en zijn huis verzoening afsmeeken. Daarna zal hij de twee bokken nemen, en die plaatsen vóór den Eeuwige aan
8 den ingang van de tent der samenkomst. En Aharon zal op de twee bokken loten leggen, één lot: voor den Eeuwige,
9 en één lot: voor dex Azazel. Aharon zal den bok, waarop het lot: voor den Eeuwige gevallen is, doen naderen, en
10 hem tot zondoffer verklaren. Maar de bok, waarop het lot; voor den Azazel gevallen is, zal levend vóór den Eeuwige blijven staan, om op hem verzoening af te smeeken.
maal een bad en verrichtte tien wasschingen van handen en voeten. â De broek werd natuurlijk het eerst aangetrokken, zoodat nto Sr wtgt; vertaald moet worden: zal zich dan reeds op zijn lichaam bevinden. â Over nBJï» zie Ex. 28,37. â e|jr. Het is twijfelachtig, of het hoofdwindsel in gewonden vorm klaar stond en eenvoudig op het hoofd gezet kon worden, of wel, evenals de gordel, eerst bij het aanleggen om het hoofd moest worden gewonden. Onkelos neemt waarschijnlijk het eerste aan.
5. De vs. 3 genoemde offerdieren, var en ram, werden op kosten van den hoogepriester aangeschaft; de hier genoemde twee bokken waren Stw ^3 nquot;ugt; nsn, voor door de géhede gemeente bijeengebrachte gelden aan-
fekocht; zij werden nl. uit de halve-Shékel-hemng bekostigd. â Zoowel ier als in vs. 7 en 8 wordt er met nadruk op gewezen, dat het zijn: w, waaruit de traditie afleidt, dat zij een paar vormen en geheel bij elkaar behooren.ekocht; zij werden nl. uit de halve-Shékel-hemng bekostigd. â Zoowel ier als in vs. 7 en 8 wordt er met nadruk op gewezen, dat het zijn: w, waaruit de traditie afleidt, dat zij een paar vormen en geheel bij elkaar behooren.
6- Snpm» doen naderen, in het voorhof op de daarvoor aangewezen plaats doen brengen; iB3i, en verzoening afsmeeken, door zondenbelijdenis. Het slachten en de verzoeningshandelingen met het bloed worden eerst vs. 11 besproken. Anderen meenen, dat in ons vers en in de volgende kort de gang van den dienst wordt aangegeven: hij brengt ten offer, d. w. z. hij slacht, den zondoffer var en doet door de later te beschrijven bloedspat-tingen verzoening voor zich en zijn huis; evenzoo met de beide bokken. Vs. 11 vv. worden dan eerst de diensthandelingen in den breede beschreven. â dto irai vim, naar de traditie: voor zich en zijn huis, in engerenzin, den familiekring; vs. 11, bij de tweede zondenbelijdenis bij den stier, worden die woorden dan in meer algemeenen zin genomen; voor zich en zijn medepriesters.
.7. ij?» Srw nna'n .'jaS, aan den ingang des heiligdonis, aan de oostzijde dus, en wel 'n â osS â voor den Eeuwige, d. i. de noordelijke helft, ten noorden van het altaar. (Zie Lev. 1,3 en 11).
8. pn hij zal leggen, d, i. bepalen; â hij legde nl. twee loten in een bus en greep met iedere hand een. De beide dieren stonden ter rechter
69
?â¡ hid DD
-nja na nöiïösi ian» na üjaxai ''in^r^ vn»
.... s I, : . v.v : ⢠: :- - .-,: - : t : fquot; - quot;
â¦ja my rwoi : n^-nN d^ds rn-n on tynp ^
â¢Â»quot; : â¢â¢ â¢â¢ it â¢â¢ : v,t ; v â¢â¢Â»- - | j- t: â¢â¢ vm
: nVj^ inK n^n1? ony np'
it : ^t v ⢠j- : at - : r* quot; : iquot; : I â¢)â â¢â¢ t :
-ivdi nva ism lyiuw nxtsnn is-ns4 anpni1
o- ; (. -: iquot; ^ jv ⢠; a v -: ^t - i- j- v I .)-: i- sM; ⢠:
nirr ^sh ons -i^oyni on^n â¦atrriN npSi : in^a1
T ; J.. ; . T «'jTvnv : a- - â quot;⢠: v K* t : i â¢â¢
Vii-i 'W-ty nnx rnii : n^io nnan
ct^ ATI ^ v.* : ~ Jquot; ⢠I â¢)-: I- I s-t : n** v ^ ^ quot; {'â¢'
i^BTi-riK jiriK nnpm : bwy1? nnx biui nin^ -in« lt;=
q t - v I -: 1- lt;*l; ⢠; iquot; t^i- i.t v jt : t i- ^t v
â IEW quot;iwni: n«^n iniryi nin^ bii-n vby nè'N1
v -; t ~ : it - v.T quot;t ; at i~ V'T ot t jt v ^quot;s
vSy quot;iöd^ nin» ^ö1? â¦n-no^ Vmry1? ^quot;iian nSy
at't Jquot; - : ^T : jquot; : ' â )' quot; ^ur â¢â¢ T -:i- T - lt;T*T T
en ter linker zijde van den hoogepriester en het lot in zijne rechter hand gold voor het dier ter rechter zijde enz. Op beide bokken kon dus ieder der beide loten vallen. Dit is de zin van het meervoud; niVu. â SrNrrS, volgens den Talmoed = Ss nr, een zeer steile rots, en wel naar Ibn 'Ezra de naam van een rotspunt niet ver van Sienai; v. a, = Sis rr, de harde, hardnekkige, gaat heen, wat dan óf op lï, geitenhok zou zien, óf op de symbolieke beteekenis van de zaak zou wijzen; dan is echter de 'S van SnwjS in vs. 10 moeilijk te verklaren. Weer anderen denken hier aaneen daemon, een soort duivel, zonder dat natuurlijk gedacht moet worden aan een offer, voor dezen gebracht. Alleen zou de naam. gebleven zijn voor het begrip: onheil, slechtheid; de zin is dus: voor den ondergang bestemd (Luzzatto). Nieuweren meenen, dat 'nstj? van een stam Sip gevormd is, evenals S33 van SSa - SaS? en dus Snstr = StStamp; in de beteekenis
van; verwijderen, die de stam in het Arabisch heeft. De zin is dan: voor de verwijdering, der zonde nl. Anderen: naar eene verwijderde plaats.
9. anpm. Hier heerscht over de beteekenis van dit woord hetzelfde verschil van opvatting als in vs. 7. De traditie: doen naderen, nog niet: brengen. â nxcn vrop, en hem maken, bestemmen, tot zondoffer door de woorden: mtsn 'rh, ;/den Eeuwige tot zondoffer gewijdquot; uit te spreken. Anderen: en zal hem, doch eerst later, vs. 15, tot zondoffer bereiden, slachten. â rhv waarover het lot is uit de bus opgekomen, waarop het woord 'rh stond. Num. 35,54 e. a. p. staat daarvoor: Snjn Ny, net lot is uitgekomen.
10. VI IQJ?'1. Terwijl de voor den Eeuwige bestemde bok reeds nader bij het altaar is gebracht om den dood als offerdier tegemoet te gaan, blijft deze, voor den 'Azazel bestemde, levend staan vóór den Eeuwige, iB37 iiSy, om, onder handoplegging op zijn kop, verzoening af te smeeken en hem dan weg te zenden. Eerst vs. 20, na afloop van de verzoeningshandelingen met var en bok, wordt de behandeling van den tweeden bok beschreven. Tot zoolang blijft hij op zijn oude plaats staan. â Wanneer ook deze bok vs. 5 nstsn wordt genoemd, dan geschiedt dit met het oog op dé belijdenis van zonden, die voor zijne wegzending geschiedt.
LEVITICUS XVI.
eri hem naderhand weg te zenden naar den 'Azazel, naar de
11 woestijn. Hierop zal Aharon den var tot zondoffer, die van hem is, doen naderen, en voor zich en zijn huis verzoening afsmeeken. Vervolgens zal hij den var tot zondoffer, die van hem is, slachten.
12 Nu zal hij de vuurpan vol vuurkolen nemen van het altaar, dat vóór den Eeuwige staat, en zijne beide vuisten vol fijn ge-stooten reukwerk van specerijen; en zal het binnen het voorhang-
13 sel brengen. Nu zal hij het reukwerk op het vuur leggen vóór den Eeuwige, opdat de wolk van het reukwerk het deksel, dat
14 op het getuigenis ligt, bedekke, en hij niet sterve. Hierop zal hij van het bloed van den var nemen en met zijnen vinger sprenkelen tegen de oostwaarts gekeerde voorzijde van het deksel; en vóór het deksel zal hij zeven maal van het bloed
15 sprenkelen met zijnen vinger. Daarna zal hij den bok tot zondoffer, die van het volk is, slachten, en zijn bloed naar «binnen het voorhangselquot; brengen, en met zijn bloed doen, gelijk hij met het bloed van den var gedaan heeft, en het sprenkelen
16 tegen het deksel en vóór het deksel. Hierdoor zal hij verzoening doen voor het heiligdom, wegens de verontreinigingen der kinderen Israels en wegens hunne misdaden, met betrekking tot al
11. Ten tweeden male legt hij zondenbelijdenis af bij zijn zondoffer-var, en wel, zuuals uit vers 21 blijkt, onder steunen met beidehandenop den kop van het offerdier, en wel dezen keer naar de traditie: voor den
geheelen priesterstam. Daarna eerst slacht hij den var en vangt natuurlijk et bloed in een bekken op. Alvorens echter tot de bloedspatting over te gaan, die ia het allerheiligste zal geschieden, brengt hij daar eerst reukwerk binnen, naar Reheelen priesterstam. Daarna eerst slacht hij den var en vangt natuurlijk et bloed in een bekken op. Alvorens echter tot de bloedspatting over te gaan, die ia het allerheiligste zal geschieden, brengt hij daar eerst reukwerk binnen, naar Rasubam: om alvorens daar een dienst te verrichten, eerst de ruimte met den damp van zijn reukwerk te vullen. Zoo geschiedde ook bij den dagelijkschen dienst in het heilige, het ontsteken en reinigen van den luchter, eerst het in rook doen opgaan van het reukwerk op het gouden altaar.
12. Hij neme namelijk nnnon sha, een scheppan vol (zie Ex. 2,3), eig. de volheid van een scheppan; â f.s 'Snj, tot vuur verteerde kolen; ha a 'n â¢osSn naton, van het koperen brandofferatóaar; v. s. is dit in 'n W?» uitgedrukt, dus: van het altaar, dat vóór den Eeuwige is, in het voorhof;daar echter dit meestal wordt uitgedrukt met de woorden iro Vns nnfi ics, is het waarschijnlijker, dat hier de plaats, vanwaar de kolen van het altaar moeten genomen worden, nader wordt aangeduid; dus: van die zijde, die vóór den Eeuwige is, d. i. de westzijde â vjin en zijne beide vuisten vol; uit een volle pan met reukwerk, van hetzelfde mengsel als voor het dagelijksche reukwerk, maar den vorigen dag nog eens fijn gestooten, npn DVJn nsp, nam hij zijn beide vuisten vol en U-gde dit op een lepel-vonnig bakje; hij nam nu den vuurpan in de rechter, den lepel reukwerk in de linkerhand'en bracht het in het allerheiligste Daar (vs. 13 'nvsh) legde hij het reukwerk op de kolen en verwijderde zich onder nxinnrn, languit zich nederwerpen met uitgestrekte handen en voeten. â Naar de traditie liet hij vuurpan en bakje daar achter en moest ze eerst tegen het einde van den dienst terughalen.
13. mtSpn |JP. de wolk, damp van het ontstoken reukwerk. â nwgt; kV),
70
tt3 mo nnK v
nKtann ns-nw fin» anpni: ni3isn Vwry1? ipk nWb ^
t - i- lt;- v I -ii- ⢠I; ⢠; tit : ⢠- v.quot; t â¢) . /â 'â¢
nNtsnn *iöquot;nN üntyi irva nj?3 isdi
- Iquot; ^ J' V 'r T *quot;(gt; 'p . â gt;quot; * ï V
\:shp naTsn byv wt*'*1?⢠nnnDrrtibp npSi : quot;iri^N ^ : ddiö1? n'SO N^ni npi d'od nicp viian tibni
... it- jquot; ' v' ** s Iat- i' ~ v j I: t : t â¢* : t :
nicbpn nv i nom nin» ^sb nncpn-nN rniv
v i: - i j- jt ⢠: at * â »â¢â¢ ; ⢠t v â¢) i : - v i j-t :
nsn DID npbi : niD' Kbi nnyn-by niaarrnK^
t - j- ⢠I-t ; it j : v. quot;it r.' -1 vâ gt; â
nr nisan ysbi noip., niaan ^a-bj? i^3VN2 nni mEnn tün^i : 1^2^x3 Dirqp D'o^a-y?^«
iDTn« n'^yi ns^a^ n^o-^K lÃTnNK^ni quot;iirst
t V jt 'r : VAT- V.quot; ⢠V T V * â¢â¢ I 'r T s
; niasn â¦aaVi niasn-^ inK nrni ian Dquot;iV ntry iirto
vi- - jquot; : . : V v - - . ^ â¢Â» ; t - : t â¢gt; lt;v -:i-
-S31? on^^aoi '33 rfcatap lynpn-1?^ quot;ia3yB
qpcfalt; Ay niet sterve, wat wél zou eeschieden. indien de diensthandelingen niet naar behooren worden verricht, zooals bij Aharons zonen is gebleken.
14. De hoogepriester keert nu naar het voorhof terug, waar intusschen het opgevangen bloed van den var in voortdurende beweging is gehouden, om stollen te voorkomen, â hij neemt het bloedbekken en begeeft zich weer naar het allerheiligste tusschen de draagbooraen. doopt den vinger in het bloed en sprenkelt, mn, met den vinger, op eenigen afstand staande en het bloed in de ge.wenschte richting werpend, niet strijken, tjv, noch uit het bekken werpen, pir. â nmp jvgt;B3n 'js Squot;, tegen de oostwaarts gekeerde vóórzijde van het deksel, in de richting van het bovenste deel der ai ke dus, waar ter hoogte van een palm, n-,c, het deksel in den krans op den buitensten goudwand der arke is besloten (zie Ex. 25,11 en 17). Hij spatte niet op het deksel, maar ':s Sr, in de richtinj; naar de voorzijde ervan, die naar net oosten is gekeerd; die voorzijde nu was zelve niet zichtbaar, het was immers de dikte van het deksel. Het is ééne spatiing in meer op-waartsche richting, die gevolgd wordt door zeven spattingen, mwn
op den bodem vóór het deksel, in neerwaartsche richting (nct2Lgt; lan nnx).
15. Nu begeeft hij zich wederom naar het voorhof, slacht den bok die vs. 9 als zondoffer is aangewezen en tot ontzondiging des volks dlentlt; en door en voor rekening van de gemeente is aangekocht, begeeft zich, met het bloed weder naar het allerheiligste en verricht gelijke spattingen, als met het bloed van den var des hoogepriesters.
ie. SjnBquot; ^3 nxoao unpn hy quot;aai. hij zal door deze bloedspat-tingen verzoening doen voor het heiligdom, het allerheiligste, dat misschien door Israël verontreinigd is, Sw) ija nsao»; de zondige handeling van den persoon, die in onreinheid het heiligdom heeft betreden, is daardoor niet verzoend; deze moet, al1* de omstandigheden het ten minste medebrengen, een quot;pw nSu- pip brengen, een zondoffer, dat, naarmate van zijn vermogen, grooter of kleiner in waarde is (Lev. 5,2 vv.) Luzzatto. â
LEVITICUS XVI.
huune zonden; en evenzoo zal hij doen voor de tent dei-samenkomst, die bij hen zich bevindt te midden van hunne
17 onreinheden. En geen mensch zal in de tent der samenkomst zijn, als hij binnenkomt, om in het heiligdom de verzoeningshandelingen te verrichten, totdat hij er weder uitgaat; zoo zal hij verzoening doen voor zich en voor zijn huis en voor de
18 geheele vergadering van Israël. Dan zal hij in buitenwaartsche richting gaan naar het altaar, dat vóór den Eeuwige is, en er verzoening voor doen ; hij zal namelijk van het bloed van den var en van het bloed van den bok nemen en op de horens van
71
19 het altaar doen, rondom. Vervolgens zal hij van het bloed er bovenop sprenkelen met zijnen vinger zeven maal; zoo zal hij het reinigen van en het heiligen na de verontreinigingen der kinderen
ünxcn hzh otopb Sobi, en wegens al hunne opzettelijke overtredingen met betrekking tot hunne in dwaling begane zonden, d. i. v. s. wegens betreding van het heiligdom of gebruik van gewijde spijzen in staat van onreinheid, onverschillig of die handelingen met bewustzijn, fat, of onbewust, nson, hebben plaats gehad. Anderen: en voor hun opzet hij hun dwaling-, er wordt dan nl. gedacht aan het geval, dat de verontreiniging, die hem bekend was, hem is ontgaan en hij zoo in den tempel is gegaan. Wordt hem nu later die misstap bekend, dan moet hij een -winSijr pip brengen; blijft hij hem onbekend, dan verzoent deze offerhandeling (nWa nrT ia c)iD3 nvngt; ia po); â in het vergeten van het zich in staat van onreinheid bevinden ligt echter eene afkeurenswaardige nalatigheid, ros, â hoewel de overtreding zelve: het komen in het heiligdom of eten van gewijde spijzen, in dwaling, jiscn, is geschied. â Wessely meent, dat onder rusoo hier in net algemeen alle ernstige overtredingen zijn begrepen, zooals Lev. 20,3 bij afgodendienst ook wordt gezegd dat zij strekt: om te verontreinigen Mijn heiligdom-, evenzoo Lev. 18,30 bij overtreding der kuischheidswetten, en Num. 35,34 bij moord; hij verklaart dan verder: en voor hun hoos opzet in het volgen van hun zondigen levensweg. De samenhang spreekt, evenals de letterlijke zin der woorden, meer voor de traditioneele opvatting. â ijnn SnxS nt'ji pi, en evenzoo, nl. gelijke spattingen, eerst met het bloed van den var, dan met het bloed van den bok, zal hij, telkens na de bloed-spatting in het allerheiligste, doen ten dienste van, ter verzoening voorden mm Snx, d. i. het heilige â die spattingen geschiedden, terwijl dehooge-priester in het heilige, met het gelaat naar het voorhangsel gewend, op eenigen afstand stond, tegen of althans in de richting naar het voorhangsel, eveneens telkenmale ééne spatting in opwaartsche, en zeven in neerwaartsche richting, op den bodem vóór het voorhangsel. Eene analogie voor die spattingen op liet voorhangsel vinden wij Lev. 4,6 en 17 bij den zondofferstier. â dtinod fira ofin pen, dat bij hen zich bevindt, d. i. v. s. waar Gods majesteit troont, v. a. toch zijne plaats blijft behouden, zelve niet wordt aangetast of in waarde verminderd, te midden van, niettegenstaande hun staat van onreinheid, of hun handelingen, waardoor zij het verontreinigen. â Daardoor wordt, naar Nachm., verzoening verworven voor in onreinheid gepleegde vergrijpen met betrekking tot het heilige, het voorhangsel, tafel en luchter; terwijl voor de vergrijpen ten opzichte van het gouden altaar vs. 18 eene afzonderlijke verzoeningshandeling wordt voorgeschreven (zie onze aan-teekening aldaar).
rü niD nnK
; onKpü DP)« jDi^n n^io on^tsn
â nv B^ipa 1^23 ijriD bnna i nwi6 din-SDI ^
vK - jquot; - : â¢) ; v - : ^ â¢'v;r tt t :
*: njni in»3 i^ni 1-1^3 ispi in«gt;'
San Dia npbi vby quot;1031 nin^-^s'? IB'K n3Tsn-,?N «in ^
x - lt;- ⢠Iquot;t : at't -â¢â¢.⢠⢠: v,t : iquot; ; ⢠jv ~: -â¢)â¢â¢;⢠- v tt:
vSir nini : 3,3D n3Tan nuip-^ rnii n^n dioi »'
st ip t ⢠; r t -vquot;: * quot; v :l~ - i â¢)quot; t : ⢠t - j- â¢
»33 nKpEp i^-jpi. iâ¢i; jr3^ ijdvns oin-fo
17. iyid Shjo. in het heilige mocht zich niemand bevinden, terwijl de hoofrepriester het tip, het allerheiligste had betreden, om daar de verzoeningshandelingen te volbrengen. Natuurlijk evenmin tijdens de handelingen in het heilige. â wa irai nra iioi, voor zich en zijn stam, door het bloed van den var; Ssnc Snp Va uai,. door dat van den bok; en allen samengevat in den reukwerkdienst.
is. naian Sx ns,1; hij bewege zich in de richting naar buiten toe; van de plaats, waar hij bij de spattingen naar het voorhangsel stond, Joopt hij in de richting naar den uitgang van het heilige en gaat iva rotwi Sn 'n ijbS, naar het altaar, dat vóór den Eeuwige is, d. i. het gouden reukwerkaltaar, dat in het heilige staat. Ibn 'Ezba meent, dat vs. 16 de ontzondigingshandeling zich ook over het gouden altaar uitstrekt, en dat in ons vers sprake is van het brandofferaltaar-, Nn beteekent dan: naar buiten gaan, naar het voorhof. Ex. 30,10 wordt echter bij het gouden altaar slechts één bloedspatting vermeld, terwijl in Ibk 'Ezra's opvatting twee maal spatting zouden moeten plaats hebben, met het bloed van den var en met dat van den bok ieder afzonderlijk. Ook de uitdrukking 'n ijs1? Tw'N naton spreekt meer voor de traditioneele opvatting, daar het gouden altaar in het heilige, vlak tegenover de arke staat, daarvan alleen gescheiden door het voorhangsel. â â De handeling is hier; Dim itn bi» npSi â¢vïDn, hij neemt van het eerst met elkander vermengde bloed van var en bok en strijkt met zijn vinger (trol, na dien in het bloed te hebben gedoopt, op de vier horens van het altaar rondom, tegen den scherpen hoekkant der, immers kubusvormige, horens. Of de priester oostelijk of westelijk van het altaar stond, â daarover heerscht onder de oude autoriteiten verschil van meening. Aangenomen wordt, dat hij ten oosten van het altaar, met het gelaat westwaarts, naar het voorhangsel gekeerd, stond en dus bij het begin der handeling het altaar vóór zich had. Hij begon dan met den Noord-Oostelijken hoek en ging dan, zijne rechterhand volgend, naar den Noord-Westelijken, Zuid-Westelijken en Zuid-Oostelijken hoek.
19. vSjT ntm. Daarna spat hij op de bovenplaat van het altaar, op het goud zelve, zeven malen met den vinger, telkens indoopend en uit de verte sprenkelend. â psod» ⢠⢠* ïvtdi, hij reinige het van de onreinheid, die er door toedoen der kinderen Israels aan mocht zijn ontstaan; 1:2 nsnc» it-ipi S.-frc-'i, en heilige het, nadat het door de verontreiniging door de kinderen Israels misschien ontwijd was. â Evenals bij de andere zondofifers, wier bloed in het heiligdom gespat wordt, moet ook hier het na de spattingen overgebleven bloed aan den Westelijken voet van het brandofferaltaar worden uitgestort (zie Lev. 4,7).
LEVITICUS XVI.
20 Israels. Als hij nu geëindigd zal hebben, verzoening te doen voor het heiligdom en voor de tent der samenkomst en voor het altaar, dan zal men den levenden bok doen na-
21 deren. En Aharon zal zijne beide handen op den kop van den levenden bok steunen, en op hem belijden al de zonden der kinderen Israels en al hunne misdaden met betrekking tot al hunne dwalingen ; hij zal ze op den kop van den bok leggen en dien door een daartoe aangewezen man in de
22 woestijn wegzenden. De bok zal op zich al hunne misdaden naar een woest land dragen ; en hij zal den bok loslaten de
23 woestijn in. Nu zal Aharon in de tent der samenkomst gaan; dan zal hij de linnen kleederen uittrekken, die hij aangetrokken had, toen hij het heiligdom binnenging, en ze daar neer-
24 leggen. Hij zal zijn lichaam in water baden op eene heilige plaats, en zijne kleederen aantrekken ; dan zal hij naar buiten gaan en zijn brandoffer en het brandoffer des volks bereiden;
20. ïnprigt; liet allerheiligste; ipi» Sns, het heilige; rasn, het gouden reukwerkaltaar. â yipni, dan zal hij doen naderen; de plaats wordt niet aangeduid. Naar sommigen meenen, stond de bok, van af de aanwijïing door loting, bij de plaats, vanwaar hij zou worden weggezonden, en is de zin van ons vers: dan zal hij zorgen hij den levenden hok te komen; anderen meenen, dat eerst thans de bok van de plek ten noorden van het altaar, waar de loting plaats had gehad, naar de plaats gebracht werd, vanwaar hij zou worden weggezonden. â mn -Pït'n, den nog levenden bok, die volgens vs. 10 nog leven moest.
21. minm. bekennen, belijden. â ruir, bewuste overtreding, door hartstocht overmeesterd; van nir, krom zijn, van den rechten weg afgaan; â rfB, overtreding uit minachting van het Goddelijk voorschrift; rscn,overtreding door dwaling, doordien men de wettelijke voorschriften heeft vergeten. Het zijn dus opzettelijke overtredingen, rwnt, weerspannigheidsdaden, Di-n», en in dwaling verrichte handelingen, niuc, waarvan hier belijdenis wordt gedaan. â onsen SoS, v. s. met hetrekking tot al hunne dwalingen, voor zoover dwaling zelve reeds onvergeeflijke nalatigheid insluit, veroorzaaakt öl' door minachting der wet óf door hartstochtelijk verlangen naar het verbodene; anderen ; voor zoover dwaling langzamerhand tot opzet en minachting leidt. â ]nn, leggen, natuurlijk niet werkelijk; vgl. Deut. 11,29 dtu in nï-cn ns nnji, waar ook de zegen niet op den berg rust, maar in de richting naar den berg wordt uitgesproken. Zoo ook hier. â vij) es, een daartoe reeds den vorigen dag aangewezen man, van nr, tijd, dat van ij.quot;, bestemmen is afgeleid; vel. trin; anderen: ter rechter tijd voorhanden, waarvan de zin echter niet recht duidelijk is.
22. mU van afsnijden, een afgesneden land, d. i. v. s. voor menschenverlteer afgesneden, woest, ontoegankelijk; v. a. een als het ware afgebroken rotspunt, èen steilte. â rhv, en hij laat los, aan zijn lot over, laat hem ongebonden, vrij heengaan de woestijn in-, Luzzatto meent, dat, zoolang de tempel in Jerusalem niet stond, men den bok eenvoudig de woestijn in liet loopen, evenals men den levenden vogel bij den melaatsche het veld in liet vliegen (Lev. 14,7). Eerst toen de tempel stond, werd de bok naar een rotspunt in de nabijheid gebracht en vandaar naar beneden
72
10
rü mo nn« aj;
-nxv ^TprrnN quot;1330 nbai ; VNnt^3
^ ... . ^.. ^ ... j ... : ...| - ... -â¢â¢. - ⢠t : â¢â¢â¢ t : â¢
TT ^niy-nN pnK : ^nn quot;i^trrrn« anpni naTan ^
tt â »â¢â¢ : v^l -: i- | - t ; it v o' t - v ^1: ⢠; -Aquot;: ⢠-
'33 nji^'bsTiN minm 'nn^^n iy«n
â¢â¢ t ; â¢-â¢â¢â¢; r v t t -quot;t- ; ⢠; - - t ~ -» *-â¢quot;
Tv'^n bn« rnn Dn^tsn-'js1? nn^^s-VrnKi
t quot;â j t ^ I«- t : at ~ t : : t v :
â nK : mansn 'ny n^i«
â¢)t t y t ~ t t: tit ; ⢠- v -gt;⢠~ : â )'â¢â¢.
«31 :13-103 TyETrnK n-j^i nm Dnïw-Ss »
lt;t it : * - ^'.t quot; v j~ ' ^ 1 fgt;rquot;'' ⢠*'quot;*'* v ^7quot; ,gt;ï t
1N33 ^3I? -iï^k nin nwnN u^ai nyis pn^
: ^ jv -: t - ^ v - t quot;â¢â¢ v -⢠v i -: i-
DipD3 d\23 rnn : ow on^m B'tpn-^N -gt;=
. ij t ; ' lt;t ; v i - t; it vt quot; * J vl a -
nS'^-nNi in^-jiN nfryi KÃ^ v-133-nN ir3l?i iriip
j- â¢.⢠: t i v lt;t quot;t : tt: att ; v 1* t : It
geworpen; anderen: daar aangekomen, in de woestijn, i'ïcn ns n^-t, werpt hij den bok naar beneden; rhc, zenden, heeft nl. ook den zin van; den dood
inzenden, waarom (Job 36,12) in den zin van: het doodende zwaard
voorkomt. â Onderwerp van rhr is dc 'nu fis, niet de hoogepriester, van wien dan ten tweeden male zou worden gezegd, dat hij den bok naar de woestijn zond.
23. quot;ijnD SnN hü pnx JOV Neemt men de woorden van ons vers en het volgende in hun eenvoudigen zin, dun zou hier staan, dat Aharon zich in het heilige begeeft om zijne witte kleederen uit te trekken, zich te baden en de hoogepriesterkleeiling aan te trekken, om vervolgens weer in het voorhof den verderen dienst te verrichten. Het is nu eenvoudig onmogelijk aan te nemen, dat de kleederenverwis.-eling in het eigenlijke heiligdom zou plaats hebben. Nog minder kan men zich voorstellen, dut hij daar zou moeten baden, of â indien men rnp Dipï:3 (vs. 24) verklaart met: voorhof, waarbij svi van vs.24 moeilijk is â dal hij geheel uuakt uit hJt heilige naar het voorhof zou gaan om te bailen. De traditie neemi daarom aan, dat hier het laatste moment wordt behandeld, waarbij hij de witte kleederen aanheeft. Zooals wij nl. reeds zagen, bleven de lepel en vuurpan van het reukwerk in het allerheiligste stuan. Op het einde van den dagdienst nu moest de hoogepriester het allerheiligste nog eens binnengaan (irm Sns Sn pns joi) â natuurlijk in witte kleederen, â dit geschiedde echter eerst na het vs. 24 besproken offeren der brandoffers, doch slaat reeds hier om den dienst in de witte kleederen bij elkaar te behandelen. Nu trekt hij, na den lepel en vuurpan weer in het voorhof te hebben gebracht, zijne witte kleederen uit en laat ze daar liggen, d. w. z. deponeert ze daar in het voorhof om ze niet weer te gebruiken, v. s. moesten zij begraven worden. Men vertaalt dan aldus ; Aharon gaat dan t\iig aens het allerheiligste binnen; vervolgens trekt hij de linnen kleederen uit, die hij opzette.ijk daarvoor had aangetrokken, toen hij het allerheiligste wilde binnengaan.
24. De hier genoemde handelingen geschieden onmiddellijk mi het wegzenden van den bok; hij trekt dan zijne witte kleederen uil, baadt zich, trekt vu;:, de gewone hoogepriesterkleeding aan en verricht de handelingen van het brandoffer, de in vs. 3 en 5 genoemde rammen. â tw,
LEVITICUS XVI.
25 en hij zal voor zich en het volk verzoening doen. En het vet van het zondoffer zal hij op het altaar in rook doen opgaan.
26 En wie den bok naar 'Azazel weggebracht zal hebben, zal zijne kleederen wasschen en zijn lichaam in water baden ; en
27 daarna mag hij in het leger komen. En den var tot zondoffer en den bok tot zondoffer, wier bloed in het heiligdom gebracht is om verzoening te doen, zal men naar buiten het leger uitvoeren, en in vuur verbranden hunne huid, hun vleesch en hun mest.
28 En wie ze verbrandt, zal zijne kleederen wasschen en zijn lichaam in water baden ; en daarna mag hij in het leger komen.
29 En dit zal u zijn tot eene eeuwige wet; in de zevende maand, op den tiende der maand, zult gij uw personen onthouding opleggen en geenerlei werk zult gij verrichten, zoowel de inboorling als de vreemdeling, die zich in uw midden ophoudt.
30 Want op dezen dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen; van al uwe zonden zult gij voor den Eeuwige
31 rein worden. Hoogste rustdag is het voor u en gij moet u
32 onthouding opleggen; een eeuwige wet. En de priester zal verzoening doen, dien men zal gezalfd of dien men zal
hij komt te voorschijn uit de natuurliik afgeschutte plaats, waar hij zijn bad heeft genomen. Hij bevindt zich reeds in het voorhof; en Nm kan dus niet beteekenen: hij zal uit het heilige in het voorhof komen. â cnp DipM, op een gewijde plaats, niet buiten het heiligdom, maar in het voorhof. â Al wat nu nog volgen moet, de verbranding der vetstukken, het brengen der bijgevoegde offers van Num. , de Thoralezing, het mid-dagbrandoffer, reukwerk en ontsteken van den luchter geschiedt in hooge-priesterkleeding. Daarom wordt vs. 23, hoewel later geschiedende, vroeger vermeld, om de dienstverrichtingen in de linnen kleeding na elkander mede te deelen; al de in ons hoofdstuk tot hiertoe behandelde dienstverrichtingen immers geschieden in de linnen kleeding.
25. nxann nSn. de vetstukken van den var en den bok tot zondoffer, zooals die Lev. 4,8 en 9 zijn omschreven. (Vgl. ook 4,26). â nmron, op het koperen brandofferoamp;aar.
26. Hij, die den bok heeft weggebracht, is tot den avond onrein; hij baadt zich en zijne kleederen, evenals wie aas heeft gedragen. Wie overigens den bok aanraakt, wordt niet onrein.
27 en 28, zie Lev. 4,11 en 12.
29. Ons vers is Lev. 23,27â32 nader ontwikkeld. â nxi nnvn, dit, het hier volgende, zij u tot een eeuwige wet, nl. dat de 10de der zevende maand een dag is, waarop gij uwe personen onthouding moet opleggen en u van werk onthouden; dit zijn de wezenlijke eischen van den dag, ook al worden de offers gebracht. â obj rur, de ziel arm laten zijn, verootmoedigen, beteekent: vasten, onthouding van spijs, drank enz. (Vgl. 'Ezra 9,5). De onthoudingen, op den Verzoendag voorgeschreven, zijn: die van eten, drinken, wasschen, zalven, het gebruik van lederen schoeisel en echtelijke samenleving. (Vgl. Jes. 58,3 en 5; Ps. 35,13 e. a. p., waar csj 'ur tegenover ï3ü, verzadigd zijn, gebruikt wordt). Het is niet lichaamskastijding in het algemeen, die in deze woorden is voorgeschreven, niet: zich pijn aandoen.
73
niö nn«
nNtsnn nbn nxi * : D^n n^ni in^a lapi opn « rn-ii vnaa dsd» VyBrrm nb^oni : nnaran13
i j'^t'.q tt ; j» - : â¢â¢ t -;i- ⢠t - v -lt;â¢â¢ - : r ; t iquot;: ⢠-
âis nKi : mnan-^K my ]Tnnt*) D^sa in^a-nK» quot;isdV bornK K3in n^ènn yv'w i nxi nxénn
â¢quot;' ~ : tt v «t^ v -i t - i- *-â¢â¢ : jquot; : t - |-
quot;dni oni^TiN k'kd ,i£)quot;i'k',i runa1? pnp-^K n^v tripa TIK ym) vnja ozy onK ti^ni ; o^irnKi. Dquot;ItEgt;3 ^ dd1? njvrn : mnan-bK wy frnnxi cas 1-1^3 -n» i^n trin1? ni'^i Tlamp;n i^ina aty : DDDina -isn nani nnmn v^n ab nDN^a-^Di DDT^S:
.«â¢â¢â¢ : 1 ; ^t - v.quot;quot; : t; v-«t ^-:i- ^ t t : t ; v â¢â¢ t : -
D^nNm Ã212 DDDK TO1? quot;)ÃD» HIH
-n« on^i ddS K'n rinaty nitr ; nntan nin» ^
v.v ⢠⢠: v t ⢠i j t - ^ â it : * v.t : r* ; *
ihN nwwiamp;x rnan iödi : d^iv npn oawa: ^
lt;v -«- -â¢- : ⢠v -: i â¢â¢ - v ⢠: it ^ K*--. «%â¢â¢â¢ â¢â¢ i : -
maar: 2ic7i üan genot onthouden. â nssSn Sai, elk werk is verboden, gelijk op den Shabbath; niet alleen rmar mnS», gelijk op feestdagen. â Naar de rabbijnsche overlevering was op den lOden Thishrie in het jaar na den uittocht uit Egypte aan Israël verzoening verleend voor de góuden-kalf-zonde. De instelling van dien dag heelt als verzoendag dan ook een historische oorzaak. Daarom staat volgens sommigen hier uitdrukkelijk bij, dat de wet geldt zoowel voor den mw, den als Jood geborene, als voor den u, den p-iï u nl., die uit eigen beweging zich bij de Joodsche volksgemeenschap heeft aangesloten.
30. Omdat men, v. s. de hoogepriester door de offerhandelingen, volgens anderen; God over u op dien dag verzoening brengt, moet gij u de genoemde onthoudingen opleggen. Van al uwe zonden, wat het verleden ook moge geweest zijn, voor God kunt en moet gij rein worden en een nieuw leven beginnen. De Thalmoed maakt uit deze woorden op, dat de Verzoendag vergrijpen tegenover den medernensch niet verzoent; alleen van al uwe misdaden voor den Eeuwige zult gij rein worden.
31- prOC nSlT. hoogste rustdag, zie Ex. 31,15. â os1?. De rustdag heet steeds 'rh roe of 'rh üip; hier luidt het ids'? xin prai' rac, v. s. drukt het eerste uit: werkonthouding ter eere van, als hulde aan God; het tweede: werkonthouding voor ons, om ons onze onwaardigheid voor oogen te brengen; het is een dag, waarop gij u door werkonthouding van uwe onvolmaaktheid moet doordringen, daarom dswej ns Divojn -â het werkverbod ligt dan reeds in prot' rac.'. â dSu- rpn. eeuwige wet, ook al doet de priester geene verzoeningshandelingen.
32. injf quot;ICNj men zalven zal, en dien men wijden zal; over
t ahn zie Ex. 28,41. Ons vers bepaalt, dat op den Verzoendag de verzoeningshandelingen moeten worden verricht door den telkens fungeerendea
LEVITICUS XVI, XVII.
gewijd hebben, om in de plaats zijns vaders als priester te dienen; hij zal namelijk de linnen kleederen, de kleederen des heilig-
33 doms, aantrekken, â Dan zal hij verzoenen het meest heilige heiligdom, en de tent der samenkomst en het altaar zal hij verzoenen ; en voor de priesters en voor het geheele volk der
34 vergadering zal hij verzoening doen. Dit zal u zijn tot eene eeuwige wet, om voor de kinderen Israels wegens al hunne zonden verzoening te doen, éénmaal des jaars.quot; â Hij deed, gelijk de Eeuwige Mozes geboden had.
2 l De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot Aharon, en tot zijne zonen en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen; Dit is de zaak, die de Eeuwige geboden heeft, als volgt:
3 Ieder uit het huis Israels, die een os, of een schaap, of eene geit in de legerplaats zal slachten, of die ze slachten zal
4 buiten de legerplaats; En het niet naar den ingang van de
hooyeprtester. De Thalmoed vindt in de tweevoudige uitdrukking ncnyi ion ins en vr ns sSai -ira aangeduid, dat zoowel de hoogepriester, die gezalfd is, als hij, die bij ontstentenis van de zalfolie slechts zijn ambt heeft aanvaard door de gewone priesterkleeding met de hoogepriesterlijke te verwisselen (onja rantt), den dienst op den Verzoendag mag doen. â eoSi, als hij dan aantrekt de linnen kleederen, kan hij verzoeningshandelingen verrichten; Ibn 'Ezea: als hij gewijd is om dienst te doen in plaats van zijn vader, dan may hij de linnen, immers heilige kleederen aantrekken; een ander mag ze niet dragen.
33. quot;1331, hij zal verzoening doen, door reukwerk en bloedspattingen, nx cnpn cips, liet allerheiligste; -iïis SnN nsi, het heilige, door de bloedspattingen op het voorhangsel, die met die voor de arke overeenkomen; nsi
rcrnn, en het gouden altaar zal hij ontzondigen door de spattingen met het mengsel van het bloed van var en bok; D'oron Sïi enz., door den weggezonden bok en de brandoffers.
34. dit alles, zoowel onthoudingen als offerdienst, zal u zijn tot eeuwige wet, opdat eens per jaar verzoening kome voor u; volgens Ibn 'Ezba is het juist herhaald om dit; ééns per jaar bij te voegen. â
en hij, Aharon, deed, gelijk de Eeuwige had bevolen, volgens Naciim. met het oog op het verbod van vs. 2, dat hij nooit meer het allerheiligste binnenkwam dan op den Verzoendag. Anderen ; hij, Aharon, verrichtte, toen de tijd daartoe gekomen was, in de 7de maand, den verzoeningsdienst. â De hier meegedeelde wetten zijn gegeven waarschijnlijk kort na den dood der zonen van Aharon, d. i. dus ongeveer half Niesan ; ons versdeel is dan een afsluiting, waarin bij anticipatie een feit vermeld wordt, dat eerst geruimen tijd later geschiedde. Daarom komt mij Naciimanides' verklaring waarschijnlijker voor.
Hoofdstuk XVII. 1. Aan het slot van ofl'er- en heiligdoms-wetgeving komt hier het verbod, buiten het heiligdom offers te brengen. Als offerwet richt de openbaring zich tot Mozes, die haar in de eerste plaats aan de priesters moet bekend maken (vs. 2â7) en vervolgens ook geheel het volk in deze op zijn plicht moet wijzen.
2. nain nr. eene formule, die als inleiding tot eene mededeeling
74
v tü nio nn«
nja nan vax nnn rnaV ittn
jâ. . vt - -»â¢â¢;⢠v â¢)- t : .A* T ~ Jquot; Kquot; quot; ï t v â¢â¢ - :
-nw n^io ^rix-nNi ^npn i^nppTiss nöpi : ^npjn^ -nn^ni: nsa' ^npn D^nan Vjn isn1 naian ^
t :it : iquot; - - quot;5- t r -: i - 's-: *quot; - :^ -vquot;: ⢠-
DnNtan-VsD Vxniy» naab D1?^ npnV oib HN-T
t - t ⢠quot; t ; ⢠«â¢â¢ ; â¢â¢ - : t ^ i : v t
s * : nEtoTK nin» mv ir^n n:^? nnx vir^i rnnN-Vx nan : iaxb h^q-^k nin» lann«
v ; tt v : ⢠** quot; ~ i â¢â¢ jv vt : jquot; ~:quot; 2
min» nimiy« niinn nr on^K niONi ^rVa
^t : gt;t * v -: ^ t t-«v av â¢â¢ -i vt : ~^it : â¢â¢ t : ⢠jquot; : t
at^rIK â¡hb'* nB'K ViWequot; n'ap wx : IOK1? j nnr1?^ : mns1? rina n^x IK njnsa r^-iNT
- v v ; iv -i i- - | ^ ⢠t : * -â¢â¢.⢠-: lt; av -: i- - quot;V*
slechts hier en Ex. 16,16 hij het Manna voorkomt, en ook overigens slechts zelden, bij zeer gewichtige wetten wordt gebruikt. Zoo Ex. 35,4 bij de heffing voor den bouw des heiligdoms; Lev. 8,5 en 9,6 bij de priesterwijding; Num. 30,2 bij de wet omtrent geloften; en Num. 36,6 bij de erfwetten.
3. In den Thalmoed (Choellien 166 en 17a) heerscht een verschil van meening tusschen R. Jishma'el en R. 'Akieba over de beteekenis van onze plaats. Eerstgenoemde meent, dat ons vers algemeen spreekt van slachten (cnuf) ook van ongewijde dieren, â zoodat in de woestijn geene dieren uitsluitend voor het gebruik van vleesch mochten worden geslacht, maar elk daartoe geschikt dier, van welks vleesch men eten wilde, als vredeoffer in het voorhof des heiligdoms moest worden geslacht. Eerst met het betreden van het heilige land werd het slachten voor uitsluitend profaan gebruik toegestaan, waarop Deut. 12,20 en 21 doelt; daar wordt toegestaan: naar het verlangen der ziel te slachten en vleesch te eten, nixn â ca. Het verbod daarvan in de woestijn staat dan vs. 3â7 uitgedrukt. â R. 'Akieba daarentegen neemt aan, dat ook in de woestijn slachten voor ongewijd gebruik buiten het heiligdom wél geoorloofd was. Onze plaats vs. 3â7 spreekt dan evenzeer uitsluitend van gewijde dieren, als vs. 8vv.; terwijl Deut. 12,20 en 21 alleen dient om te zeggen, dat na het betreden van het heilige land men eerst vleesch eten mocht, na geslacht te hebben, itfa nbusi rotn, terwijl in de woestijn ook op andere wijze door menschen-hand gestorven dieren mochten worden gegeten. Reeds Nacum. wijst er op, dat R. Jishma'el's opvatting in de de tekstwoorden meer steun vindt. Immers terwijl vs. 3 spreekt van os, schaap en geit, worden vs. 8 branden dieroffer uitdrukkelijk genoemd, zoodat vs. 3â7 klaarblijkelijk van ongewijde dieren sprake is. â Het verbod gold dan alleen de voor offers geschikte soorten, os, schaap en geit, terwijl andere diersoorten, wild en gevogelte, wél mochten worden gegeten zonder als offer te zijn gebracht. Wel kan ook een vogel als offer gebracht worden, maar dan is het óf brandoffer, waarvan dus niets gegeten wordt, óf schuldoffer, dat slechts als verplicht, niet als vrijwillig offer kan worden gebracht. â runsa, in de legerplaats, buiten het gebied des heiligdoms; rurraS ook op verren afstand van het heiligdom mag geen dier geslacht worden, dan als offer.
LEVITICUS XVII.
tent der samenkomst zal gebracht hebben, om ter eere des Eeuwigen een offer te brengen vóór het Verblijf des Eeuwigen; als bloed zal het dien man gerekend worden, bloed heeft hij vergoten, en die man zal uit het midden van zijn volk worden uitgeroeid.
5 Opdat de kinderen Israels brengen hun slachtdieren, die zij op het veld gewoon waren te slachten, en ze brengen ter eere des Eeuwigen naar den ingang van de tent der samenkomst, tot den priester, en ze als vredeoffers ter eere des Eeuwigen
6 slachten; En de priester het bloed werpe op het altaar des Eeuwigen, aan den ingang van de tent der samenkomst, en het vet tot lieflijken geur, ter eere des Eeuwigen, in rook doe
7 opgaan; En zij hun slachtdieren niet meer den woudgoden offeren, die zij, afvallig wordende, volgen; eene eeuwige wet
8 zij hun dit voor hunne nakomelingen. En tot hen zult gij zeggen : Ieder uit het huis Israels, of van de vreemdelingen, die zich in hun midden zullen ophouden, die een brand- of
9 dieroffer zal brengen; En het niet naar den ingang van de tent der samenkomst zal brengen, om het ter eere des Eeuwigen te laten bereiden, die man zal uit zijn volk uitgeroeid wor-
10 den. En ieder uit het huis Israels of van de vreemdelingen.
4. wan xh, het niet zal gebracht hébben; de verleden tijd, daar men zich het l'eit, hoewel nog toekomend, als reeds geschied denkt. Het pers. aanhangsel ziet op ir is auo is nr. â 'n pen â¢obS, vóór het verblijf des Eeuwigen in het voorhof, waar het bloed gesprengd en het vet verbrand wordt op het koperen altaar â asun m, als Woerfschuld wordt het aangerekend, -js» Dt, het is, als had hij bloed vergoten; en daarom msji enz. â De traditie vindt in de herhaling van -jsc dt de aanduiding, dat niet alleen het slachten, maar ook het storten, sprengen van het bloed op het altaar, met uitroeiing wordt gestraft.
5. quot;ICX- opdat zij voortaan brengen, en niet meer op het veld laten hun slachtdieren, die zij tot nu toe op het vrije veld offerden, en ze voortaan brengen ter eere des Eeuwigen enz. Wegens den langen tusschen-zin is in ds'ani het werkw. uit het eerste zindeel in anderen vorm nog eens herhaald, om de nadere plaatsaanduiding te geven. Anderen zien in 1X12'' de tegenstelling van rwn ijs Sj? : in eene afgesloten ruimte binnenbrengen, en dit dan nader bepaald in osom enz., niet in elke ruimte, die zij willen, maar naar het heiligdom. â Daar moeten zij dan hun dieren slachten en als offers doen behandelen.
7. aiwS, v. s. van quot;Vyiff, bok, wezens, die de phantasie zich voorstelde op het eenzame veld te huizen en waaraan men daemonische kracht toeschreef. Het gebruik, voor zulke wezens te offeren, schijnt onder Israël na den uittocht uit Egypte nog inheemsch geweest te zijn en van de Egyptenaren te zijn overgenomen. Die woud- en veldgeesten dacht men zich in de gedaante van bokken, althans met het onderlichaam van een bok (vgl. Deut. 32,17 one); anderen van ut, vreezen (Ez. 27,35; e. a. p.), vreeswekkende icezens. â orrnns dijt dn iüs, achter welke aan, zij ontucht plegen. Israël wordt vaak voorgesteld onder het beeld van eene jonge vrouw, die de Godheid Zich tot vrouw heeft genomen. Andere goden volgend, wordt
75
r nio nn«
nin^b nnpnb 'ix-nn k1? n^io bnK «mn i^'xn mDJi *èw m kinn airiT di nin»
J. - j' T .)-;â¢: | T T JT^ ^ ^ *'pT â¢â¢ Tlquot; JT AT t
an»narnK wy I^K I^O1? : isjr n^aquot;
nnö_i?K nin^ DK^m nnt^n cb»naT on ntrx
- â¢)â¢.* v t iquot; -,% ⢠v:iv vt y quot; ⢠: i -â¢â¢â¢ -*â¢.* -j
: oniN nin^ D'D^tr ^nnr innTi rnan-bx Vnfc
it v.t r â¢)⢠t ; squot; : ⢠:t: Iaquot;^ - v j
TDpnn^io^nnsnW narp-1?^ D'in-nK jrian pnn' or^narnK nijr inaT'-xbi : niri^ nn»: nnS n^nn1
â¢.â¢â¢â¢:⢠v j : :⢠1 : it i- quot; v * - jquot; : v quot; ~
nxrn'nn obiy npn onnnw d^t dh
j v : r ot ^ h--.. av lt; â¢â¢-:!- v.- jquot; -)â¢â¢â¢ -: * ⢠J -
n»3D jy^N t^'N lÃNn dh^ni * ; onn'-ib on1?n |
,. t : ⢠-â¢â¢â¢ ⢠⢠j- - â gt;'.⢠- -:i- it 1; v. â¢* t ^
-^KI : nariN r\Vv rby^vH DDina wntfK larrrni 1=
v : -it ^t ^ jv *^11- v at : ^ ^ t v -: v,quot;quot; » *
r-nDJi nin^ mx wk*y -1^10 Vn'K nns
^ .)-;â¢: at 1- v. j v gt; * : j v *
i^n-rDi n»30 wx K'W : va^o «inn tr^n^
.. - 1. ,. T.. j,.. . . j IT^.^ _ j. T
het dus zijn echtgenoot ontrouw; n:t. het drijft overspel, nns, verlatend den wettigen echtgenoot en naloopend andere mannen. â nsr mnn oSir rpn, zij dit; het verbod van slachten voor de afgoden, zij een eeuwige wet. Het verbod van slachten van ongewijde dieren buiten het heiligdom gold uitsluitend in de woestijn.
8. quot;ioxn an'm tot hen echter zult gij zeggen; de vorige verzen schijnen meer in het bijzonder tot de priesters gericht te zijn, die het natuurlijk aan het volk moesten bekend maken; de hier volgende tot de geheele gemeente. Anderen; verder zult gij tot hen zeggen; dan blijft echter de woordstelling onverklaard. â Deze wet: geen offer te brengen buiten het heiligdom, geldt niet alleen voor Israëlieten, maar ook voor w -icx un D3i.ro, een term, die steeds wijst op den p-ra u, den tot het Jodendom over-geganen vreemdeling. â iw, dat men gewoonlijk vertaalt: die zich ophoudt, waaraan vanzelve de nevengedachte van tijdelijk verblijf is verbonden, is waarschijnlijk een denominativum van quot;y, een werkw. van het zelfst.
naamw. u afgeleid, en moet dan vertaald worden; die u is geworden, d. w. z. die zich van elders bij u heeft gevestigd. â Het verbod geldt: het op een altaar brengen, buiten hel heiligdom, nSr1, van voor het altaar geschikte, tot offer gewijde dieren: de traditie brengt ook het slachten en sprengen van het bloed van gewijde dieren buiten het heiligdom onder dit verbod.
10. Ook van die dieren echter, die gij slachten moogt, in of buiten het heiligdom, moogt gij geen bloed eten; di hs, welk bloed ook, hetzij van gewijde of ongewijde dieren. â üb» ijs woi, /£ zal Mijn aangezicht wenden tegen, â 01:5, gelijk meermalen in den zin van: toorn; â '2 jrj, stellen, richten tegen.
LEVITICUS XVII.
die zich in hun midden ophouden, die eenig bloed zal eten, â tegen dien bloed-etenden persoon zal Ik Mijn toorn wenden, en
11 hem uit het midden zijns volks uitroeien. Want de ziel van het vleeseh is in het bloed; en Ik, Ik heb het voor u op het altaar bestemd, om voor uwe zielen verzoening te bewerken ; want
12 het bloed is het, door de ziel doet het verzoening. Daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd: geen persoon van u zal bloed eten ; en de vreemdeling, die zich in uw midden ophoudt,
13 zal geen bloed eten. En ieder van de kinderen Israels, of van de vreemdelingen, die zich in hun midden ophouden, die een vangst maakt van eenig wild of gevogelte, dat gegeten kan worden, moet zijn bloed laten uitloopen en het in aardstof
14 bedekken. Want wat de ziel van alle vleeseh betreft, zijn bloed maakt zijne ziel uit; daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd; het bloed van eenig vleeseh zult gij niet eten; want de ziel van alle vleeseh is zijn bloed, â al wie het eet
15 zal uitgeroeid worden. En ieder persoon, die eenig gestorven of verscheurd vee zal eten, onder inboorling zoowel als onder vreemdeling, zal zijne kleederen wasschen, zich in water baden,
16 en tot den avond onrein zijn ; daarna is hij rein. Indien hij echter zijne kleederen niet wascht, en hij zijn lichaam niet baadt, zal hij zijne misdaad dragen.quot;
11. Het bloed is verboden niet als iets op zichzelve afschuwwekkends, maar: omdat de ziel, de levenskracht van het lichaam, met het stoffelijk lichaam, het vleeseh, in en door het bloed is verbonden, sin ma -icon ceo â en daarom heeft God het als middel aangewezen om, op het altaar gesprengd, verzoening te bewerken; â ware het bloed iets afschuwelijks, dan ware het zeker niet voor het altaar bestemd. â Het bloed vertegenwoordigt op liet altaar het leven, daar het iets is, waarvan het leven afhangt. De grond voor het verbod is niet, zooals bij vet, dat het bloed op het altaar komt, â daar in dit geval bloed van niet voor offer geschikte dieren voortaan van het verbod zou zijn uitgesloten, â maar omdat hot de zetel van de ziel is. â isai csa ton Bin, het bloed is het, d. i.: het bloed heeft die beteekenis, dat ibs'1 cbjs, niet: het verzoent, heicerkt verzoening voor de ziel, daar er dan ersjn Sr moest staan. â '3 133 kan alleen beteekenen : door middel van. instrumentaal, of op iets, locaal, verzoening doen. Hier is alleen het eerste mogelijk; dus: door de ziel, doordien het bloed de levenskracht is, verzoent het.
13. Bij niet als vredeoffers geschikte dieren, wild en gevogelte, is bovendien, behalve dat het eten van bloed verboden is, ook nóg eene plicht te vervullen, die maakt, dat het slachten niet als bloedvergieten geldt (vs. 4), en wel: bedekken van het bloed, isra, in aardstof, d. w. 1. in losse, mulle aarde; waarbij de traditie uit 1sï3 opmaakt, dat het bloed in aarde moet liggen en met aarde moet bedekt zijn ; dus losse aarde of dgl. (zand, zaagsel enz.) onder en boven het bloed moet worden gestrooid. â Hoewel rvn op sommige plaatsen verzamelnaam is en ook nnns, vee, (rund- en kleinvee) omvat, wordt door de combinatie rpn mn steeds rrarc uitgesloten (Wessjsly). V. s. moest juist bij de in het wild levende dieren, wild en gevogelte, het bloed wórden bedekt, omdat daarbij in de eerste plaats
76
r niü nnK n^DNn Vöb â¦ia 'nnai DTVS VSN» oima in
vjv it v v quot; - t â¢*' -it : at t vquot; â gt;'â¢' quot;5 t .: jt -
'kin ma ntran ^«3: ^ : nay 2ipo nn'N â¦mam D-in-nx ^
jt - tt- v jv j* IT^- â¢â â¢) J\quot; v.t ^ J- - i ' : t- ^ v
dtps DD,nE'33_,?jr quot;ia?1? nitarr^ dd1? vnn: â¦5«ii 'mas p-1?^ ⢠IÃS* ^023 wn ='
vjv t .. t. . J.. : . * ; â t i «â¢â¢ - iquot; - ; vjv - v.
: Dl ^DNTN^ DD3ln3 ISH quot;lam Dl D3D ^
⢠; it - y.' : 1 : jt- â¢gt;quot; * : at - J v.*-*
n^n tï nty« DDins i^n i-in-pi naa wx
.)t- jquot; t v -: t ; -«t - ^. - i ⢠.. t; . j.. . .
rö3-»3 : nara inDDi IÃTHK quot;naah quot;IB'N fliy-iN ^
vjv ⢠it^t iv (.t ⢠: ^ t v i - t ; aquot; tlquot; -,v i v.
T^r^D Di laNi quot;kin Vaw lat itrrVs
^t t t J~ quot;Ti' â¢*quot; : * quot; gt; ,t : - : â¢* r t t . t
: m^, VVDN-^D «in lan T^r^D mi ^ ^dkh NS
^ lquot;t * v.t ; i t â j t^ t t t vlt;v aquot; -â¢
D3Di 1321 nnma nanai n1?^ bpNn B'arbrn® D3D* K1? DNI : mai nnyn-ny «aai D'aa rnm vïn «
.. - . j . . iquot; t : v'v.vt r* t : * -r - I .r t ; tt :
a : 1:^ ne^ rnT x1? n^m
1 -: v.t t ; ï at ; ⢠-⢠k t :
wijding aan veld- en boschgeesten te vreezen was. â quot;nïi iün, die een vangst maakt, onverschillig of hij jacht erop maakt, of het toevallig hem in handen komt, ook dus bij tamme dieren. â Slivivx, die gegeten mogen worden-, zoowel de soort, als het individu moet geoorloofd zijn ; onrein wild of gevogelte valt evenmin onder de wet, als een rein stuk, dat echter óf door een organisch gebrek óf doordien het niet behoorlijk ritueel geslacht is. ongeoorloofd is geworden. â im m quot;jsbi, hij moet het zoodanig dooden, dat zijn bloed uitloopt; d. w. z. slachten (Wesselï). De uitdrukking komt Deut. 12,16 en 29 ook bij het slachten van cee voor en is dus niet speciaal bij wild en gevogelte, waarbij bedekken van het bloed is voorgeschreven, van toepassing.
14. -\V2 Sa raj ivant â tvat de ziel van alle vleesch hetreft â zijn bloed is wezenlijk zijne ziel; de '3 van WBJ3 drukt liet essentieele uit; â anderen: toant de ziel van alle vleesch is het Moed in het levende dier, vgl. Gen. 9,3. â Omdat het bloed de eigenschap heeft, de ziel, de levenskracht van het in de stof levende wezen te zijn, mag het bij geen dier worden gegeten en moet ook bij dieren, die niet als offer geschikt ziju, als het ware begraven worden.
15. In het niet dooi1 slachten gestorven of verscheurde dier is het bloed nog aanwezig. In zooverre vindt deze aanvulling der reinheidswet van 11,24â40 hier hare plaats. Naar de traditie wordt hier gedacht aan aas van een reinen vogel, dat hem, die het eet, bij het doorslikken, ook al heeft hij het niet aangeraakt, onrein doet worden, zoowel zijn persoon als de kleederen en andere zaken, waarmede hij op het oogenblik dei-verontreiniging in aanraking was. â Onder u is ook hier weder de pis u te verstaan.
16. yy; NCJl- als hij» onrein zijnde, het heiligdom betreedt of gewijde spijzen eet, wordt hij met uitroeiing gestraft.
LEVITICUS XVIII.
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen : Ik, de Eeuwige, ben uw God!
3 Gelijk de handelwijze in het land Egypte, waar gij gewoond hebt, zult gij niet doen, en gelijk de handelwijze in het land Kena'an, waarheen Ik u breng, zult gij niet doen, en in hunne
4 wetten zult gij uwen levenswandel niet leiden. Mijne rechtsinstellingen zult gij volbrengen en Mijne wetten zult gij in acht nemen, om daarnaar uwen levenswandel te richten;
5 Ik, de Eeuwige, ben uw God. Neemt dus Mijne wetten en Mijne rechtsinstellingen in acht, waardoor de mensch, wanneer hij ze uitoefent, het leven verwerft; Ik ben de
6 Eeuwige. â Ieder â tot zijne verwantschap in den vleesehe
Hoofdstuk XVIII. Nadat de reinheidswetten, zoo voor het tempel- als voor het privaatleven zijn behandeld en in hoofdstuk 17 tegen de goddelijke vereering van natuurkrachten is gewaarschuwd, volgen in ons hoofdstuk de wetten, die het geslachtsleven beheerschen, dat, hoewel een eisch van de menschennatuur, toch door beperkende bepalingen wordt begrensd, om ook daarbij den mensch voor oogen te houden, hoe hij, ook in de meest dierlijke zijde van zijn leven, door zijn hoogere menschennatuur aan andere wetten is onderworpen en andere plichten heeft te vervullen dan het dier. Die beperkingen gelden in de eerste plaats: Woeden aanverwanten (vs. 6â18). Daarbij wordt als ongeoorloofd verklaard de geslachtelijke samenleving tusschen een man en zijne vrouwelijke bloedverwanten a) in de opgaande linie: zijne moeder (vs. 7) â (waarbij rabbijnsche instelling de verdere opgaande lijn geheel verboden heeft, zoodat moeders moeder enz. ook is verboden); â b) in de neergaande linie: de Weinctoc^tór (vs. 10), waaruit natuurlijk het verbod van omgang met zijn dochter vanzelve volgt; (door rabbijnsch voorschrift tot de achterkleindochter uitgebreid); c) in de zijlinie: de zuster (vs. 9 en 11), de zuster van vader of moeder-, d) in de aanverwantschap: stiefmoeder (vs. 8), schoonmoeder (vs. 17, vgl. 20,14), halfzuster, hetzij uit denzelfden vader of uit dezelfde moeder geboren, in of buiten echt (vs. 9 en 11), stiefdochter en stief kleindochter (vs. 17), schoondochter (vs. 15), vrouw zijns broeders (met uitzondering van het geval, waarin leviraatshuwelijk is voorgeschreven, Deut. 25,5â10), en eindelijk de zuster zijner vrouw, zoolang deze laatste in leven is (vs. 18) en de vrouw van zijns vaders broeder (vs. 14). â
Rabbijnsche bepalingen hebben deze wetten eenigszins nader uitgebreid door zoowel in de op- en neergaande als in de zijlinie enkele graden bij te voegen. â Verder verbiedt ons hoofdstuk geslachtelijken omgang met eene vrouw in hare afzonderingsperiode (vs. 19), met eene met een ander
fehuwde vrouw (vs. 20) en in vs. 22 en 23 eiken anderen geslachtsomgang, an met eenehuwde vrouw (vs. 20) en in vs. 22 en 23 eiken anderen geslachtsomgang, an met een menschelijk wezen van het vrouwelijk geslacht. â Vs. 2â5 vormen de inleiding tot dit gewichtige hoofdstuk, waarin de Joodsche zedeleer in scherpe tegenstelling tegenover die van Egypte en Kena'an wordt geplaatst.
2. ddtiSn 'n 'jk dhSn orma en zeg tot hen in naam Gods: Ik, de Eeuwige, ben uw God; die u wetten geeft, waarnaar gij u leven hebt iu te richten, en u rein van zeden wil houden.
3., ntryoa, naar de handelwijze, de zeden; zoowel Egypte als Kena'an worden vaak als voorbeelden van verdorvenheid op het gebied van het
77
it mo nna mDNi bNïBquot; San : invh nin» naTi«
v.t : - it : â¢â¢ t; * â¢Â»â¢â¢ : v â¢â¢ - i â¢â¢ jv v v.t ; Jquot; -:quot; 3
quot;iB'Nt Dnvp'fi« n'^oa : nin' »3« Dribx^
N'2D ha r^b-pK n'^öDi ifryn nrona^»
... ⢠-j jv -. l^- - : 1 viv jquot; ^i- : a ^-r I- j ^ v,t^ v ; - ;
â¦Ã¼Ã¶^D-nK : is^n ah Dirn'pnai itrjrn *6 na^ DDHK ^
s-t ; ⢠v iquot; â¢â¢ j v.-* .quot;li \ : ti' â J tt jv : v
: DD'riSx nirr ona na Sb natyn â¦nbn-nNi wyn
iv â¢â¢ i v: jt : *.⢠-: av^t â¢quot;.'r t, : : ⢠j- I â¢.. v : â¢) ^-:i-
Dquot;i«n DPK rïBT IB'N 'èsB'o-nK'i ^npn-nx onio^iquot;
vttit ot jv v -: - t ; ⢠v : -1 \ v lt;v : - ;
intra b^n b^'k d * : nin» *:h ona â¦ni ^
t : : t v j' it : V -i av t â¢Â»- t
geslachtsleven aangehaald. â DHTprai, en naar hunne wetten zult qij uw leven niet inrichten-, de wetten kunnen goed, en de zeden van een land toch slecht zijn, doordien de wetten het volksleven niet beheerschen. Omgekeerd kunnen, niettegenstaande de wetten van onzedelijke beginselen uitgaan, de zeden, aan de wetten ontgroeid, goed zijn en het volk zelve naar moraliteitsprincipes zijn leven leiden. Israël wordt hier tegen beiden gewaarschuwd : tegen de slechte zeden zoowel als tegen de wetten, die op geheel andere beginselen berusten als die der Thora.
5- ona tii D-wn onx ntrr quot;iew die de tnensch doet, waardoor hij leeft, d. w. z. waardoor de mensch, als hij ze volbrengt, bet leven in den waren zin, d. i. het eeuwige zieleleven, deelachtig wordt; terwijl, wanneer hij ze niet in acht neemt, vaj)» rroji, hij uitgeroeid wordt (Rashbam, Albo). 0quot;wn, naar Thorath Kohaniem niet juist de Israëliet, maar de mensch in het algemeen. â De traditie leidt uit de woorden: die de mensch te volbrengen heeft, zoodat hij daardoor leeft, de bepaling af, dat bij levensgevaar, als de mensch met inachtneming der wet niet zou blijven leven, de .wet wijkt, rsa nip's 'jsa isir -an ps. Van dezen regel zijn alleen uitgezonderd de drie cardinale vergrijpen: afgoderij, moord en onzedelijkheid, waarbij men liever zijn leven moet opofferen, dan zich tot overtreding te laten dwingen.
6. Algemeene bepaling voor den wegens verwantschap verboden geslachtsomgang. â cï'n p\s-, hoewel ons hoofdstuk de verboden graden bespreekt, uitgaande van het standpunt van den man, van wien wel in den regel de drang zal uitgaan, gelden dezelfde wetten en bepalingen evenzeer voor de vrouwen en zijn ook zij bij overtreding evenzeer strafbaar. De straffen voor de hier genoemde vergrijpen worden hoofdstuk 20 behandeld. â i-iïo -inc Ss hs, v. s. tot het vleesch van zijn vleesch; daar ook in» in den zin van eetbaar vleesch voorkomt, is dan het verschil tusschen isc; en ira niet opgehelderd ; anderen; tot de aanvulling van zijn vleesch, waarbij dan de geneele familie als deelen van hetzelfde lichaam worden beschouwd, en dus alle bloed- en aanverwanten onder het verbod vallen. De volgende verzen geven dan nader aan, welke graden bedoeld zijn. â rmj) mSjS, letterlijk: om de schaamdeelen te onthlooten, de bedoeling is: geslachtelijke omgang, ook in echtverbintenis, die trouwens bij de hier verboden verwanten rechtens onmogelijk en nietig is. â «ipn nS rrnr mSjS, elke toenadering, die tot onzedelijkheid kan leiden, moet vermeden worden.
LEVITICUS XVII.
die zich in hun midden ophouden, die eenig bloed zal eten, â tegen dien bloed-etenden persoon zal Ik Mijn toorn wenden, en
11 hem uit het midden zijns volks uitroeien. Want de ziel van het vleesch is in het bloed ; en Ik, Ik heb het voor u op het altaar bestemd, om voor uwe zielen verzoening te bewerken; want
12 het bloed is het, door de ziel doet het verzoening. Daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd : geen persoon van u zal bloed eten ; en de vreemdeling, die zich in uw midden ophoudt,
13 zal geen bloed eten. En ieder van de kinderen Israels, of van de vreemdelingen, die zich in hun midden ophouden, die een vangst maakt van eenig wild of gevogelte, dat gegeten kan worden, moet zijn bloed laten uitloopen en het in aardstof
14 bedekken. Want wat de ziel van alle vleesch betreft, zijn bloed maakt zijne ziel uit; daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd ; het bloed van eenig vleesch zult gij niet eten; want de ziel van alle vleesch is zijn bloed, â al wie het eet
15 zal uitgeroeid worden. En ieder persoon, die eenig gestorven of verscheurd vee zal eten, onder inboorling zoowel als onder vreemdeling, zal zijne kleederen wasschen, zich in water baden,
16 en tot den avond onrein zijn ; daarna is hij rein. Indien hij echter zijne kleederen niet wascht, en hij zijn lichaam niet baadt, zal hij zijne misdaad dragen.quot;
11. Het bloed is verboden niet als iets op zichzelve afschuwwekkends, maar: omdat de ziel, de levenskracht van het lichaam, met het stoffelijk lichaam, het vleesch, in en door het bloed is verbonden, Nin Dia icsi ce: â en daarom heeft God het als middel aangewezen om, op het altaar gesprengd, verzoening te bewerken; â ware het bloed iets afschuwelijks, dan ware het zeker niet voor het altaar bestemd. â Het bloed vertegenwoordigt op het altaar het leven, daar het iets is, waarvan het leven afhangt. De grond voor het verbod is niet, zooals bij vet, dat het bloed op het altaar komt, â daar in dit geval bloed van niet voor offer geschikte dieren voortaan van het verbod zou zijn uitgesloten, â maar omdat het de zetel van de ziel is. â 1331 mm sin mn, het bloed is het, d. i.; het bloed heeft die beteekenis, dat iso1 M32, niet; het verzoent, bewerkt verzoening voor de ziel, daar er dan DB:n Sï moest staan. â '2 quot;iso kan alleen beteekenen : door middel van. instrumentaal, of op iets, locaal, verzoening doen. Hier is alleen het eerste mogelijk; dus: door de ziel, doordien het bloed de levenskracht is, verzoent het.
13. Bij niet als vredeoffers geschikte dieren, wild en gevogelte, is bovendien, behalve dat het eten van bloed verboden is, ook nóg eene plicht te vervullen, die maakt, dat het slachten niet als bloedvergieten geldt (vs. 4), en wel: bedekken van het bloed, isra, in aardstof, d. w. z. in losse, mulle aarde; waarbij de traditie uit quot;isra opmaakt, dat het bloed in aarde moet liggen en met aarde moet bedekt zijn; dus losse aarde of dgl. (zand, zaagsel enz.) onder en boven het bloed moet worden gestrooid. â Hoewel nin op sommige plaatsen verzamelnaam is en ook rrona, vee, (rund- en kleinvee) omvat, wordt door de combinatie rpit nin steeds rrans uitgesloten (Wesselï). V. s. moest juist bij de in het wild levende dieren, wild en gevogelte, het bloed worden bedekt, omdat daarbij in de eerste plaats
76
r niü nnK w
nbsxn Vab ^3 'nmi DTVS im Dbina i-in
vjv it v v - - t j* -it ; at t v,quot; -»â¢* quot;ï t â jt -
km Dia n'^an 1^2: *3 : 2quot;ipD nn« â¦nnani D'in-nK ^
jt - ttquot; vjv -»⢠it quot; v|jv vt ^ J' ' l ' I tquot; ^ v
DTIquot;^ Dp'n^sr1?^ 123^ n3TQ,-T^ DD1? vrinj â¦5NI tyaj-Vs Snib^ ^ â¦mott ^233 Kin *
â¢âvv t .. t; ⢠j.. : ⢠j â t ⢠lt;quot; iquot; - : Vjv - ^
: Di ^DN^N1? DiDirD lin nam DI DSD ^
⢠: ir - ^ : 1 ; jt^- â¢)quot; - : at - J v,quot;
n'n tï DDina nan lan-pi ^kïbquot; ir»K
*)t â jquot; t v -: t ; jt - ^. - 1 â .. t. . j.. . .
: 12^3 inD31 IDTDN 'Hfijyi quot;lïTK nl^lN ^
v-»v ⢠it'tiv ^t ⢠: ^ t v ) - t^: aquot; tiquot; jv -: I v,
-1^3-S3 Dn ^Nquot;)^ ,33l? quot;lONI NIH 1^233 101 quot;ltigt;3-1?3
V.T T T Jquot; quot; T : ⢠jquot; ⢠⢠' ^ ,T : quot; 1 ^ T T T f T
: m^, VVDN*^ Kin lan 1^3-^3 irfij ^3 i^Nn NS
^ lquot;t ⢠v.t : i t j t^ t t t v«v j* aquot; ^
0331 quot;1531 rntKa nènci nbs: bpNn IB'N irarVDy» 033* n1? dki : quot;inm 3quot;i^n-n^ kdüi D,a3 rnm in33 ra
,. - . j . . iquot; t : '⢠{.quot;t jquot; t : ⢠â¢)- - i jquot; t ; tt ;
2 : i:iy K^:I rnn» N1? ntr3i
i v.t t : | at ; ⢠-⢠v. t :
wijding aan veld- en boschgeesten te vreezen was. â quot;iw iüs, die een vangst maakt, onverschillig of hij jacht erop maakt, of het toevallig hem in handen komt, ook dus bij tamme dieren. â -\v$, die gegeten mogen worden-, zoowel de soort, als het individu moet geoorloofd zijn; onrein wild of gevogelte valt evenmin onder de wet, als een rein stuk, dat echter of door een organisch gebrek óf doordien het niet behoorlijk ritueel geslacht is. ongeoorloofd is geworden. â ist ns quot;[SBi, hij moet het zoodanig dooden, dat zijn bloed uitloopt; d. w. z. slachten (Wesselï). De uitdrukking komt Deut. 12,16 en 29 ook bij het slachten van vee voor en is dus niet speciaal bij wild en gevogelte, waarbij bedekken van het bloed is voorgeschreven, van toepassing.
14- 1^3 Sa raa quot;O. want â u-at de ziel van alle vleesch betreft â zijn bloed is wezenlijk zijne ziel; de '2 van WS33 drukt het essentiecle uit; â anderen: want de ziel van alle vleesch is het blued in het levende dier, vgl. Gen. 9,3. â Omdat het bloed de eigenschap heeft, de ziel, de levenskracht van het in de stof levende wezen te zijn, mag het bij geen dier worden gegeten en moet ook bij dieren, die niet als offer geschikt zijn, als het ware begraven worden.
15. In het niet door slachten gestorven of verscheurde dier is het bloed nog aanwezig. In zooverre vindt deze aanvulling der reinheidswet van 11,24â40 hier hare plaats. Naar de traditie wordt hier gedacht aan aas van een reinen vogel, dat hem, die het eet, bij het doorslikken, ook al heeft hij het niet aangeraakt, onrein doet worden, zoowel zijn persoon als de kleederen en andere zaken, waarmede hij op het oogenblik dei-verontreiniging in aanraking was. â Onder u is ook hier wener de piï u te verstaan.
16. als hij, onrein zijnde, het heiligdom betreedt of gewijde spijzen eet, wordt hij met uitroeiing gestraft.
LEVITICUS XVII.
die zich in hun midden ophouden, die eenig bloed zal eten, â tegen dien bloed-etenden persoon zal Ik Mijn toorn wenden, en
11 hem uit het midden zijns volks uitroeien. Want de ziel van het vleesch is in het bloed ; en Ik, Ik heb het voor u op het altaar bestemd, om voor uwe zielen verzoening te bewerken ; want
12 het bloed is het, door de ziel doet het verzoening. Daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd: geen persoon van u zal bloed eten ; en de vreemdeling, die zich in uw midden ophoudt,
13 zal geen bloed eten. En ieder van de kinderen Israels, of van de vreemdelingen, die zich in hun midden ophouden, die een vangst maakt van eenig wild of gevogelte, dat gegeten kan worden, moet zijn bloed laten uitloopen en het in aardstof
14 bedekken. Want wat de ziel van alle vleesch betreft, zijn bloed maakt zijne ziel uit; daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd: het bloed van eenig vleesch zult gij niet eten; want de ziel van alle vleesch is zijn bloed, â al wie het eet
15 zal uitgeroeid worden. En ieder persoon, die eenig gestorven of verscheurd vee zal eten, onder inboorling zoowel als onder vreemdeling, zal zijne kleederen wasschen, zich in water baden,
16 en tot den avond onrein zijn; daarna is hij rein. Indien hij echter zijne kleederen niet wascht, en hij zijn lichaam niet baadt, zal hij zijne misdaad dragen.quot;
11. Het bloed is verboden niet als iets op zichzelve afschuwwekkends, maar; omdat de ziel, de levenskracht van het lichaam, met het stoffelijk lichaam, het vleesch, in en door het bloed is verbonden, ton Dia iczct rso â en daarom heeft God het als middel aangewezen om, op het altaar gesprengd, verzoening te bewerken; â ware het bloed iets afschuwelijks, dan ware het zeker niet voor het altaar bestemd. â Het bloed vertegenwoordigt op het altaar het leven, daar het iets is, waarvan het leven afhangt. De grond voor het verbod is niet, zooals bij vet, dat het bloed op het altaar komt, â daar in dit geval bloed van niet voor offer geschikte dieren voortaan van het verbod zou zijn uitgesloten, â maar omdat het de zetel van de ziel is. â iS3i be» Nin dn, het bloed is het, d. i.: het bloed heeft die beteekenis, dat ieoi ps», niet: het verzoent, bewerkt verzoening voor de ziel, daar er dan c?sjn Sr moest staan. â '2 isa kan alleen beteekenen : door middel van. instrumentaal, of op iets, locaal, verzoening doen. Hier is alleen het eerste mogelijk; dus: door de ziel, doordien het bloed de levenskracht is, verzoent het.
13. Bij niet als vredeoffers geschikte dieren, wild en gevogelte, is bovendien, behalve dat het eten van bloed verboden is, ook nóg eene plicht te vervullen, die maakt, dat het slachten niet als bloedvergieten geldt (vs. 4), en wel: bedekken van het bloed, isra, in aardstof, d. w. z. in losse, mulle aarde; waarbij de traditie uit nsra opmaakt, dat het bloed in aarde moet liggen en met aarde moet bedekt zijn; dus losse aarde of dgl. (zand, zaagsel enz.) onder en boven het bloed moet worden gestrooid. â Hoewel mn op sommige plaatsen verzamelnaam is en ook rmra, vee, (rund- en kleinvee) omvat, wordt door de combinatie rpn rnn steeds nnra uitgesloten (Wessjslï). V. s. moest juist bij de in het wild levende dieren, wild en gevogelte, het bloed worden bedekt, omdat daarbij in de eerste plaats
76
r nio nnK w
n^Ditn Vfih DSina
VJV IT V V - quot; T -*⢠-IT : AT T Vquot; jquot; quot;ï T Z -JT -
'km Dia niran trsii »3 : nsjr anpD nn'K â¦mam onn-nN ^
JT- TT- VJV J* IT'1, v) J\- ⢠V.T ^ j* - ; ⢠: T~ â v
DTTpa DDwarbj; quot;is?1? naran-^ dd1? vrin: 'Ski E'arbs Skn'Bquot; ^ Tnü« p-1?^ : nöD» ^333 xm ='
vr.*^ t .. x. ⢠j.. ; ⢠* ; â t uquot; - iquot; - ; vjv - ^
; Dl DD3ln3 quot;12m DT D3D ^
⢠; it - j y.' ; i ; jt- â¢)quot; quot; : at - -i vquot; *
n»n *)m DDina nan nan-pi 'jN-iir» ^30 ïr»N
â¢)T â Jquot; T V -: T ^ -«T - ^. - I . .. T . . J.. . .
irör»3 : quot;is^3 inDDi larnx -natyi Vdw
VJV * IT*T IV «.T ⢠: ^ T V J - T^: Aquot; Tlquot; -â¢â¢-⢠-; I ^v.
-){y3-b3 Dl ':2b IDNl NIH %3:3 101 T^3-l'D
V.T T T J' .. T ; ⢠j.. ; ⢠~ ^ ,T '⢠' 1 T T T f T
: nyy VVDN-^S Kin lai Ttrrba irs: »3 ^DNH KS 0331 1231 niTX3 naiDi n^: bnNn I^K trar^v»
v ⢠; aquot; - ^t; v it t â¢â¢ : t â¢â¢ ; lt;quot; v -: v v t ;
Dinquot; dki : inüi 3i^n-i^ nqüi 3^3 rnii vii3ra
â¢â¢ - ; J ⢠; iquot; T ; V^VT - jquot; T : * â¢)- - I J- T ; TT :
a : liiy Nirji rnT ah 11^31
i VT T : | AT ; * -J T :
wijding aan veld- en boschgeesten te vreezen was. â quot;irn iii's, die een vangst maakt, onverschillig of hij jacht erop maakt, of het toevallig hem in handen komt, ook dus bij tamme dieren. â hiw ivst, die gegeten tnogen worden; zoowel de soort, als het individu moet geoorloofd zijn ; onrein wild of gevogelte valt evenmin onder de wet, als een rein stuk, dat echter óf door een organisch gebrek óf doordien het niet behoorlijk ritueel geslacht is. ongeoorloofd is geworden. â ist nx isüi, hij moet het zoodanig dooden, dat zijn bloed uitloopt; d. w. z. slachten (Wesselï). De uitdrukking komt Deut. 12,16 en 29 ook bij het slachten van vee voor en is dus niet speciaal bij wild en gevogelte, waarbij bedekken van het bloed is voorgeschreven, van toepassing.
i4- ura Sd raa â¢a want â wat de ziel van alle vleesch hetrejï â zijn hloed is wezenlijk zijne ziel; de '3 van WBJ3 drukt het essentieele uit; â anderen: v:ant de ziel van alle vleesch is het bloed in het levende dier, vgl. Gen. 9,3. â Omdat het bloed de eigenschap heeft, de ziel, de levenskracht van het in de stof levende wezen te zijn, mag het bij geen dier worden gegeten en moet ook bij dieren, die niet als offer geschikt zijn, als het ware begraven worden.
15. In het niet door slachten gestorven of verscheurde dier is het bloed nog aanwezig. In zooverre vindt deze aanvulling der reinheidswet van 11,24â40 hier hare plaats. Naar de traditie wordt hier gedacht aan aas van een reinen vogel, dat hem, die het eet, bij het doorslikken, ook al heeft hij het niet aangeraakt, onrein doet worden, zoowel zijn persoon als de kleederen en andere zaken, waarmede hij op het oogenblik dei-verontreiniging in aanraking was. â Onder u is ook hier weder de piï u te verstaan.
16. UIJ? NCJI- als quot;'ij» onrein zijnde, het heiligdom betreedt of gewijde spijzen eet, wordt hij met uitroeiing gestraft.
LEVITICUS XVIII.
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen ; Ik, de Eeuwige, ben uw God!
3 Gelijk de handelwijze in het land Egypte, waar gij gewoond hebt, zult gij niet doen, en gelijk de handelwijze in het land Kena'an, waarheen Ik u breng, zult gij niet doen, en in hunne
4 wetten zult gij uwen levenswandel niet leiden. Mijne rechtsinstellingen zult gij volbrengen en Mijne wetten zult gij in acht nemen, om daarnaar uwen levenswandel te richten;
5 Ik, de Eeuwige, ben uw God. Neemt dus Mijne wetten en Mijne rechtsinstellingen in acht, waardoor de mensch, wanneer hij ze uitoefent, het leven verwerft; Ik ben de
6 Eeuwige. â Ieder â tot zijne verwantschap in den vleesche
Hoofdstuk XVIII. Nadat de reinheidswetten, zoo voor het tempel- als voor het privaatleven zijn behandeld en in hoofdstuk 17 tegen de goddelijke vereering van natuurkrachten is gewaarschuwd, volgen in ons hoofdstuk de wetten, die het geslachtsleven beheerschen, dat, hoewel een eisch van de menschennatuur, toch door beperkende bepalingen wordt begrensd, om ook daarbij den mensch voor oogen te houden, hoe hij, ook in de meest dierlijke zijde van zijn leven, door zijn hoogere menschennatuur aan andere wetten is onderworpen en andere plichten heeft te vervullen dan het dier. Die beperkingen gelden in de eerste plaats: hloed-en aanverwanten (vs. 6â18). Daarbij wordt als ongeoorloofd verklaard de geslachtelijke samenleving tusschen een man en zijne vrouwelijke bloedverwanten a) in de opgaande linie: zijne moeder (vs. 7) â (waarbij rabbijnsche instelling de verdere opgaande lijn geheel verboden heeft, zoodat moeders moeder enz. ook is verboden); â b) in de neergaande linie: de kleindochter (vs. 10), waaruit natuurlijk het verbod van omgang met zijn dochter vanzelve volgt; (door rabbijnsch voorschrift tot de achterkleindochter uitgebreid); c) in de zijlinie: de zuster (vs. 9 en 11), de zuster van vader of moeder-, d) in de aanverwantschap; stiefmoeder (vs. 8), schoonmoeder (vs. 17, vgl. 20,14), halfzuster, hetzij uit denzelfden vader of uit dezelfde moeder geboren, in of buiten echt (vs. 9 en 11), stiefdochter en stief kleindochter (vs. 17), schoondochter (vs. 15), vrouw zijns broeders (met uitzondering van het geval, waarin leviraatshuwelijk is voorgeschreven, Deut. 25,5â10), en eindelijk de zuster zijner vrouw, zoolang deze laatste in leven is (vs. 18) en de vrouw van zijns vaders broeder (vs. 14). â
Rabbijnsche bepalingen hebben deze wetten eenigszins nader uitgebreid door zoowel in de op- en neergaande als in de zijlinie enkele graden bij te voegen. â Verder verbiedt ons hoofdstuk geslachtelijken omgang met eene vrouw in hare afzonderingsperiode (vs. 19), met eene met een ander
fehuwde vrouw (vs. 20) en in vs. 22 en 23 eiken anderen geslachtsomgang, an met eenehuwde vrouw (vs. 20) en in vs. 22 en 23 eiken anderen geslachtsomgang, an met een menschelijk wezen van het vrouwelijk geslacht. â Vs. 2â5 vormen de inleiding tot dit gewichtige hoofdstuk, waarin de Joodsche zedeleer in scherpe tegenstelling tegenover die van Egypte en Kena'an wordt geplaatst.
2. ddtiVk 'n 'jx dhSk omoKi. en zeg tot hen in naam Gods; Ik, de Eeuwige, ben uw God; die u wetten geeft, waarnaar gij u leven hebt in te richten, en u rein van zeden wil houden.
3., nrj/OD. naar de handelwijze, de zeden; zoowel Egypte als Kena'an worden vaak als voorbeelden van verdorvenheid op het gebied van het
77
it mo nnK moKi nrbx 'lal : ntro-^N nin» ISTI x
v.t : - it : â¢â¢ t ; ⢠â¢Â»quot; : v â¢â¢ - i â¢â¢ jv v «.t : 3
onyoTiK n'^oa : DD^K nin» onbK^
jv -x ^ *.)quot;;* I viv ^ s- ^i- : iv â¢â¢ 1 v: jt : av â¢â¢ -:
NOD quot;ibw i^jrpK n'ty^oDi i'^n rD-Drot^
... . -j jv -j â : I viv jquot; |- : 1- j ^ v ; - :
â¦MSIPOTIK : IDVD KV Dn^nbnai itr^n KS na^ dddk ^
s-t : ⢠v Iquot; â¢â¢ j v.v â¢â¢! 1 â¢.. : j t t jv : v
: nin» Dra nsS1? no^n 'nbn-nKi V^n
iv â¢â¢ i v: jt : v,* -: av^t v^ jv t ^ : : * -»quot;1 â¢-. â¢â¢ : â¢) â¢; i~
D-INH onK itTK ^s^Q-nNi 'â¦hpn-nN omo^iquot;
v.ttit it jv ^1-^ v -: - t : ⢠v : -1 \ v «v : - ;
intra d * : nin» â¦:« ona 'ni ^
t : -»quot; : t v 'j' it : -i av t t
geslachtsleven aangehaald. â orrripnai, en naar hunne wetten zult gij uw leven niet inrichten-, de wetten kunnen goed, en de zeden van een land toch slecht zijn. doordien de wetten het volksleven niet beheerschen. Omgekeerd kunnen, 'niettegenstaande de wetten van onzedelijke beginselen uitgaan, de zeden, aan de wetten ontgroeid, goed zijn en het volk zelve naar moraliteitsprincipes zijn leven leiden. Israël wordt hier tegen beiden gewaarschuwd : tegen de slechte zeden zoowel als tegen de wetten, die op geheel andere beginselen berusten als die der Thora.
5. ona m onxn ddn' nnr -ibw die de mensch doet, waardoor hij leeft, d. w. z. waardoor de mensch, als hij ze volbrengt, het leven in den waren zin, d. i. het eeuwige zieleleven, deelachtig wordt; terwijl, wanneer hij ze niet in acht neemt, vnr» n-oji, hij uitgeroeid wordt (Rashbam, Albo). onsn, naar Thorath Kohaniem niet juist de Israëliet, maar de mensch in het algemeen. â De traditie leidt uit de woorden: die de mensch te volbrengen heeft, zoodat hij daardoor leeft, de bepaling af, dat bij levensgevaar, als de mensch met inachtneming der wet niet zou blijven leven, de .wet wijkt, »S3 nip'B i:B3 quot;mu1 w px. Van dezen regel zijn alleen uitgezonderd dequot; drie cardinale vergrijpen: afgoderij, moord en onzedelijkheid, waarbij men liever zijn leven moet opofferen, dan zich tot overtreding te laten dwingen.
6. Algemeene bepaling voor den wegens verwantschap verboden geslachtsomgang. â dw tns, hoewel ons hoofdstuk de verboden graden bespreekt, uitgaande van het standpunt van den man, van wien wel in den regel de drang zal uitgaan, gelden dezelfde wetten en bepalingen evenzeer voor de vrouwen en zijn ook zij bij overtreding evenzeer strafbaar. De straffen voor de hier genoemde vergrijpen worden hoofdstuk 20 behandeld. â noa tsc; Sa Sn, v. s. tot het vleesch van zijn vleesch; daar ook in» in den zin van eetbaar vleesch voorkomt, is dan het verschil tusschen ixd en ira niet opgehelderd ; anderen : tot de aanvulling van zijn vleesch, waarbij dan de geneele familie als deelen van hetzelfde lichaam worden beschouwd, en dus alle bloed- en aanverwanten onder het verbod vallen. De volgende verzen geven dan nader aan, welke graden bedoeld zijn. â nnr niSjS, letterlijk : om de schaamdeelen te ontblooten, de bedoeling is: geslachtelijke omgang, ook in echtverbintenis, die trouwens bij de hier verboden verwanten rechtens onmogelijk en nietig is. â laipn nS nnr niSjS, elke toenadering, die tot onzedelijkheid kan leiden, moet vermeden worden.
LEVITICUS XVIII.
zult gij niet naderen om hare schaamte te ontblooten; Ik ben de
7 Eeuwige. â De schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder zult gij niet ontblooten; uwe moeder is zij, gij zult dus hare
8 schaamte niet ontblooten. De schaamte van uws vaders vrouw
9 zult gij niet ontblooten ; het is de schaamte uws vaders. De schaamte uwer zuster, hetzij de dochter uws vaders of de dochter uwer moeder, hetzij in huis of daar buiten geboren, â hare
10 schaamte zult gij niet ontblooten. â De schaamte van de dochter van uwen zoon of de dochter uwer dochter â hare schaamte zult
11 gij niet ontblooten, want uwe schaamte zijn zij. â De schaamte der dochter van uws vaders vrouw, die door uwen vader voortgebracht is, uwe zuster is zij; gij zult hare schaamte niet ont-
12 blooten. â De schaamte van uws vaders zuster zult gij niet
13ontblooten; zij is eene bloedverwante van uwen vader. â De
schaamte van de zuster uwer moeder zult gij niet ontblooten;
14 want zij is eene bloedverwante uwer moeder. â De schaamte van den broeder uws vaders zult gij niet ontblooten, gij zult
15 namelijk niet tot zijne vrouw naderen ; uwe tante is zij. â De schaamte uwer schoondochter zult gij niet ontblooten ; de vrouw van uw zoon is zij, â gij zult hare schaamte niet ontblooten. â
16 De schaamte van uws broeders vrouw zult gij niet ontblooten; het
17 is de schaamte uws broeders. â De schaamte van eene vrouw
7- nnyi nnj?) de schaamte van uwen vader, dat wil zeggen:
de schaamdeden meer moeder; man en vrouw zijn een ; wie dus de schaamte der vrouw ontbloot, doet dit eigenlijk den man. Anderen meenen, dat hier de twee gevallen besproken zijn; de gekimde of gehuwd geweest zijnde moeder, waarbij de schaamte des vaders mede wordt ontbloot, en de ongehuwde moeder, zoodat de zoon zijn vader niet kent. en dus alleen de schaamte zijner moeder ontbloot, want in ieder geval: sin -ps, uwe moeder is zij, en moet zij blijven.
8. ntt'K» uws vaders vrome, die niet uwe moeder is; svrps riiiï; v. s. zij is door uw vader tot u in bloedschande-verhonding; v. a het is de schaamte uws vaders, die gij zoudt ontblooten (zie onze aant. va. 7).
9. Verbod van omgang met zijn halfzuster, de dochter van vader of moeder en een andere vrouw of man. â -pn mSia is mSia, geboorte van het huis of van huiten, hetzij een in echt of buiten echt geboren kind. Hier is dus algemeen de zuster verboden, daar uit het verbod der halfzuster dat der dochter van denzelfden vader en moeder vanzelve volgt. Vs. 11 zou dan nog eens herhalen, dat de dochter van de vrouw des vaders alleen verboden is, als zij uit meen vader is geboren, zoodat huwelijk tus-schen een man met een dochter van zijns vaders tweede vrouw uit het eerste huwelijk van deze geoorloofd is. â Anderen meenen, dat ons vers spreekt van een zoon uit tweede huwelijk, en verklaren; dochter van uw vader of uwe moeder, hetzij in huis geboren, als dochter uit het eerste huwelijk uws vaders, of buitenshuis geboren als dochter uwer moeder uit haar vroegere echtverbintenis; vs. 11 spreekt dan uit, dat een zoon uit eerste huwelijk de dochter zijns vaders uit tweede huwelijk niet mag nemen.
10. 'Dochters- of zoons-dochter, waaruit vanzelve het verbod van omgang met de eigen dochter volgt. â nsn mee schaamte zijn zij, d. w. z.
78
rv mo nnw
d : nin» nn^ nib}1? in^n a)1 d : nnp.j7 nban i6 nin ^sk n^n ^ n ^rnnx nn^ d : «in ^2« n^ nbn aquot;? ^aij-n^k0 nban ab pn nnbio ik nnbio ^a^-na ik ?pKquot;ra |nn^ nbin xb -qnri-nn in ^rn? nnjr d : |n^1 nnbiD^nkn^K-nann^ d : mn ^itn# »3 ^ n^n-ninx nnj? d : nmiv nbin tih «in ?inin« ='
' t' t i -» j- .'.' itt ;⢠v.*-* quot; : -» a- v.! : ⢠quot;*
nquot;? ^sn-ninn nnr d : kin ïpt* ik^ nban «b ^
j ^ | : . , -j j- .*:. ,. i t jquot; : aquot; - ; -â¢
n^n Kb ?i^N-»nK nny d : «in nax nban ^
A-- : j I t r -i j- ; - r * -'quot; : ^ '* Aquot; ~ !
xb ^nba nny d : win nn*n nnpn nb inty^bk ib
^ ».1 ;it - j- :^.* r v, I : it ^tI: ⢠-⢠: â¢
nn^ d : nnn^ nbin Kb Kin ^ n^k nbin ra ni^K niquot;i^ d : Kin n»nK miy nbjn ^b TnK-niPKquot;
â it ⢠J~ :â r i v t j- : â *â¢â¢ - : ^ ) i' t â¢â¢â¢ iquot;
zij staan tot u in bloedschande-verliouding, â óf zij zijn, als uw directe nakomelingen in de neergaande lijn, een deel van uzelve; hunne schaamte is dus de uwe.
11. Zie vs. 9. Volgens een door Ibn 'Ezra geciteerde opvatting, die ook nieuweren volgen, zou in ons vers de volle zuster zijn verboden. De uitdrukking -pss nes rc spreekt daar echter tegen. Ook uit ons vers volgt echter logisch, dat de volle zuster zeker verboden is. Anderen vatten zoowel in vs. 9 als in ons vers mvi» op in den zin van; opgevoed door, zoodat vs. 9 zou zeggen: de dochter van uw vader of moeder, hetzij al of niet in huis met u opgevoed, is verboden, de hall-zuster dus; vs. 11 geeft dan; de in het huis uws vaders grootgebrachte voordochter der vrouw uws vaders, die niet uw moeder is, is u verboden. De traditie, zoowel als het woord is hier tegen; en bovendien past zoodanig verbod niet in de rij der door bloed- of aanverwantschap verbodenen.
12. -p3N INC, als het ware een deel van zijn lichaam, geheel of gedeeltelijk, daar zij uit dezelfde ouders zijn gesproten. Zoowel volle- als halfzuster (van denzelfden vader of moeder alleen) is verboden, evenzoo vs. 13â14. Vrouw van den broeder des vaders, die met dezen van denzelfden vader is; rabbijnsch voorschrift verbiedt ook: vrouw van vaders-broeder, die alleen van dezelfde moeder is als deze, en vrouw van den broeder der moeder, hetzij van één vader of van één moeder. â Gij zult de schaamte van den man niet ontblooten, doordien gij tot zijne vrouw zoudt naderen; zie onze aant. vs. 7.
16. -mV. van uwen hroeder, zoowel van vaders- als van moederszijde. â Alle in ons hoofdstuk genoemde verwanten, of door hun huwelijk met een verwant verbodenen, blijven ook na ontbinding van het huwelijk, dat den band deed ontstaan, verboden.
LEVITICUS XVIII.
en hare dochter zult gij niet ontblooten; de dochter van haren zoon of de dochter van hare dochter zult gij niet nemen, door hare schaamte te ontblooten; bloedverwantschap zijn zij,
18 opzet tot outucht is het. En eene vrouw bij hare zuster zult gij niet nemen ; haar met de andere vereenigend, hare schaamte
19 ontblootend bij de andere, terwijl deze in leven is. En tot eene vrouw, in den afzonderingstijd wegens hare onreinheid,
20 zult gij niet naderen, om hare schaamte te ontblooten. En bij de vrouw van uw naaste zult gij niet uw liggen doen plaats hebben tot zaadvoortbrenging, zoodat gij door haar onrein
21 zoudt worden. En van uw kroost zult gij niet overgeven, om ter eere van den Molech door te voeren, en gij zult den naam
22 van uwen God niet ontheiligen; Ik ben de Eeuwige. En een man
.17. nnai new van eene vrouw en hare dochter, in de eerste plaats dus: zijne stieldochter, de dochter zijner vrouw uit eene vroegere verbinding; hierin ligt echter tevens het verbod voor de moeder zijner vrouw; â eene vrouw en hare dochter, onverschillig welke van beiden zijne eigenlijke vrouw is. Ook na den dood der vrouw blijft hare moeder, evenals hare vrouwelijke nakomelingen, voor den man verboden. In de neergaande linie gaat het verbod eeuwig door, ros na m enz. â niSjS npn sS, zult gij niet nemen, a m hare schaamte te ontblooten; de woorden vormen dan één begrip. De traditie leidt uit het gebruik van den term npS, die gewoonlijk voor het sluiten van een wettig huwelijk wordt gebezigd, af, dat alleen echtverbintenis met eene vrouw hare vrouwelijke verwanten in op- en neergaande lijn voor den man ongeoorloofd maakt, terwijl dit bij buitenechtelijke samenleving niet het geval is. â run irww, zij zijn bloedverwantschap van zijne vrouw. Wat den vorm betreft, is het woord een vrouwel. vorm van is». Zoodanige verbintenis ware een vergrijp tegen de bloedverwantschap. â nin nor. Het zelfst. nw. nttj, vau dsi, overdenken, komt bijna steeds in ongunstigen zin voor, en beteekent; boos overleg, meer speciaal: plan tot ontucht, zinnelijkheid.
is. nnnx. ha n«m eene vrouw, bij hare zuster, die reeds uwe vrouw is, zult gij niet nemen. â -nïS, eig. samenbinden, bijeenpakken, â twee dochters uit één gezin te nemen; anderen, in verband met rn3£. de naam
van de ééne vrouw van een man tegenover diens andere echtgenooten: zoodat gij ze voor elkander tot vrouwen van denzelfden man maakt, die in een echtverbond samenzijn, of als elkander benauwende, in de huwelijksrechten benadeelend, gedacht worden, v. d. Mendelssohn's verklaring: om ijverzucht te verwekken. Wessely ziet in nnnr niSj1? nxS twee gevallen aangeduid: hetzij in echt, iiï1?, zoodat zij elkanders worden, of
bniten echt, in overspelige samenleving, nnnï r\hh. â rr^ï, hij haar, na haar, uwe vrouw, genomen te hebben. â n^na, zoolang zij, uwe vrouw, leeft. Na den dood der vrouw zijn de verwanten in de zijlinie voor den weduwnaar geoorloofd. De traditie ziet in npn nS de aanwijzing, dat ook bij de zuster der nog levende vrouw, hoewel daarbij geen straf wordt bepaald, geen huwelijk mogelijk is en zelfs een eens gesloten huwelijk rechtens nietig is. â In de algemeene wending, waarin ons vers is vervat, ligt de aanwijzing, dat op de hier gegeven wet qeene uitzondering bestaat.
79
it nio nnN üj?
ni^Vnpn *6 nnrna-nxi nSrna-riK nb^n ab nrai
j : i - . lt; t * - v : t : - v aquot; - : -⢠. vt â¢
npn ah nhn«_b« nt^Ni : Kin naT nan n*i«^ nnnr ^
I at* â¢* v,t v JT ' i r JT ' tvquot; ^t-tl- tt : v
nnnaü ni23 : n«n3 n^^ nnn^ -iiïS ^
at t ; \ â¢Â»-⢠; v^: TIV - ; r \.quot; t -jtt r'v s - ; ; â¢
nate-bw : nb =
yzpnb tpn-üb WITÃI : nrnxöLj1? ynrh tjp23vgt;» -
1^.. ⢠I :- ⢠it t : t : -at i v I ï : t ; n
ibr-nKi * : nin* fi^n'bN d^tin ^nn ibbb quot; 3 ?
t t â¢-⢠: it : -»⢠-I ) v'* v: jquot; v -)â¢â¢-: s : | v a - « n
c.
zoodat, wanneer een van twee broeders, die twee zusters tot vrouwen hebben, kinderloos sterft, waardoor de weduwe een leviraatshuwelijk zou moeten sluiten, of dit door rreiSn doen ontbinden, met den echtgenoot barer zuster, â zulk een echtverbintenis rechtens onmogelijk is en dus van nature de band tusschen den man en zijne schoonzuster, die anders door den dood zijns broeders wordt gelegd, niet onstaat.
19. Beperkingen in de echtelijke samenleving: gedurende den afzonderings-lijd wegens hare onreinheid, ten opzichte van het tempelleven (zie 12,2; 13,19 vv.) van welken aard ook, hetzij menstrueerende, of aan vloeiing lijdende of na het kraambed. â npn nV, geene toenadering mag plaats hebben, die tot samenleving kan leiden.
20. . Samenleving met eene gehuwde vrouw, zoolang zij de vrouw van uwen naaste is. â jnn ïo, van een in anderen vorm niet gebruikt
zelfstandig naamw. iipbB'j gevormd als beteekent v. s. het liggen,
v. a. evenals rose in jnr rasc, (zie 15,16) neerslag, uitstorting nl. van teelvocht, wat hier in ïitS dan is uitgedrukt; anderen verklaren: zelfs met het doel om kroost te verwekken, dus zeker niet tot bevrediging van hartstocht. â na nxnaS, u aan haar verontreinigend, een ergerlijk misdrijf tegen de zedewet begaande door u met haar te vereenigen; anderen laten na op â jnaac? slaan, daardoor.
21. En als gij nu, al deze huwelijkswetten in acht nemende, kinderen hebt gekregen, lever die dan niet aan heidensche misbruiken over. â jnn nS, gij zult het niet aan de Molechpriesters overgeven, varnS, opdat zij, of waarschijnlijk de vader zelf, het laten doorloopen door vuur. (Deut. 18,10). Oorspronkelijk schijnt de Molechdienst niet in kindero^èra te hebben bestaan, maar in het laten doorgaan der kinderen tusschen twee gloeiende vuurstapels, een soort reinigingsbad in vuur. Later komt wel voor, dat de kinderen geslacht en verbrand worden ter eere van den Molech (Ez. 16,21; Jeremia 7,31); toen bestond de dienst nl. hierin, dat men in de gloeiende armen van het van binnen verhitte holle koperen Molech-beeld de geslachte kinderen legde en zoo liet verbranden. â â jSn1', steeds met de bepalende ',quot;i, eig.; de heerscher, evenals de naam van den afgod Sra, die heer beteekent, is een afgod der Ammonieten; Tarn1?, namelijk tJTO- door het vuur. â nSSm, óf afhankelijk van het ontkennende nS ïn
het eerste versdeel, evenals in ⢠⢠⢠ns-in nS (Deut. 22,1), óf een gevolg
aanduidende zin: gij zoudt immers daardoor ontwijden.
LEVITICUS XVIII.
zult gij niet bijwonen, gelijk men eene vrouw bijwoont; een
23 gruwel is het. En bij eenig beest zult gij uw liggen niet doen plaats hebben, zoodat gij u erdoor zoudt verontreinigen ; en eene vrouw zal zich niet voor eenig beest plaatsen, opdat het zich dierlijk met haar pare; het is eene afschuwelijke
24 vermenging. Verontreinigt u door geen dezer dingen; want door dit alles hebben de volkeren zich verontreinigd, die Ik
25 voor uw aangezicht verdrijf. En het land is onrein geworden en Ik bestraf het dus voor de daarin gepleegde misdaad, zoodat
26 het land zijne inwoners uitspuwt. Neemt dus in acht â gij van uwen kant â Mijne wetten en Mijne rechtsvoorschriften en doet niets van deze gruwelen; zoowel de inboorling
27 als de vreemdeling, die zich in uw midden ophoudt; â Want al deze gruwelen hebben de inwoners des lands gepleegd, die er vóór u waren; en het land is daardoor onrein geworden; â
28 Opdat het land u niet uitspuwe, doordien gij het verontreinigt, gelijk het uitgespogen heeft het volk, dat er vóór u was.
29 Want ieder, die eene van al deze gruweldaden bedrijft, â die personen, die het doen, zullen uit het midden huns volks
30 uitgeroeid worden. Neemt dus in acht, wat Ik u ter inachtneming heb toevertrouwd, om geene van de gruwelinstellingen te volbrengen, die vóór u gedaan zijn, opdat gij u niet erdoor verontreinigt; Ik, de Eeuwige, ben uw God.quot;
22 en 23 tegennatuurlijke ontucht, waardoor geslachtssamenleving verboden wordt anders dan met een menschelijk wezen van het vrouwelijk geslacht. â hn 23ü, geslachtelijk hijwonen (15,18).
23. njDlSgt; Ã2i, speciaal van het geslachtsleven van dieren. â Hap, v. s. van SSzi. mengen, zondige verwarring en vermenging van de door God bij de Schepping gescheiden soorten. Ook 20,12 van de samenleving van een man met zijne schoondochter: vermenging van de opvolging der geslachten, van de door God gestelde orde. â Anderen van nSa, verslijten, langzaam te gronde gaan; Han dus: ondermijning der zedelijkheid, ontaarding.
24â30. Eene vermaning om zich van alle. Soa, hier genoemde zedelijke misdrijven te onthouden, die nsno brengen, waarbij gewezen wordt op de gevolgen, die deze misdrijven gehad hebben voor de volkeren van het land, dat Israël zal in bezit nemen, maar dat het door zulke zonden evenzeer zou verliezen. â rhvn. Ik ben als het ware reeds nu bezig ze te verdrijven.
25. npflKI. het is, als hadde Ik thans reeds gestraft, zoo zeker zal het gebeuren. â bj? ips, straffen, waarbij de persoon met Sï en de daad in den vierden naamval wordt uitgedrukt. â ruir, de misdaad der bewoners oefent invloed op het land, dat erdoor verontreinigd wordt; die daad is dus in zekeren zin de daad des lands. â Npm, uitspuwen als een onreine, walgelijke spijze, die men nooit weer tot zich neemt, â drukt de blijvende
80
11
rv niö nn« Ã
-nS : «in ns^in »33^0 33^n ah »
1 -jt â¢â¢ : t : â¢* j.t'1* 1 at ⢠â¢quot;⢠: : ⢠v,quot; ï * ^
nana Tórn-K'? nisM na-nwota1? nnaat^ rnn
^ -it â¢â¢ ; squot; : * * i~ t ⢠: at t ; t : j. 1 ; : t ; ⢠jquot; *
n^^D3 »3 nbN-^Da iKatsn-^N : Kin ^
v â¢â¢ t : lt;⢠vaquot; t : v : quot; * quot; ' /â¢' jquot; at: ''
riNn «Qüni : DS^ÃD n^tyo oHan iNOtaa^
I v t t jt : ⢠- iv â¢â¢ : ⢠quot;v.quot; quot; : jâ: v -: ⢠- -^ : : ⢠^
oniDtyi * : n^-nN rnxn «pni n*^ n:iy npöNi» f i
t iv ; i v i â¢at t l^-t- t av^t v.t tj : vit 3-f-
nnyinn Sao ïs?yn «bi ^S^DTIKI â¦hpn-n« DHK
v. quot; 1 - ^ r ^ : - t : * v ; -1 *1. v v -
r-aviJTrbmN »3 : DDDina lin iani n^T^n nbsn»
j â¢â¢ 1 quot; t v â¢lt; iv : I ; jt - vquot; ~ : t: v it v a- t
-«bi: psn Noiani DD^S1? nt^K prc-pt^K wy bxn â¢
1 : i vit t v.t : ⢠- av â¢â¢ : ⢠-â¢â¢.⢠-1 | v^t t# i- ; j^r â¢â¢ t
»i-in-n« n^p 1^x3 nn« dsksds ddhn riKn «â¦pn
^ - v otit jv -j iquot; at^ v.v -j iquot; - : v : v i vt t i lt;⢠t
n-^n ha^mn baa ntr^» IB'N-^ »3 : DD^S1? n^»3
v aquot; t ^ i - j * v ^â.\- jv -! t â¢lt; iv â¢â¢ ; ⢠jv -:
-n« omatyi : aay D*ipD n't^yn nwasn miDJi ^
JV ; - ; ^ it^ v) jv ^ it ^ t t quot; â¢) : i * t
nyizb Svy: quot;i^« hb^inn mpno ni^ 'nbrib wptpp ö : DD^nVx nin» ons ixatsn «bi
iv â¢â¢ I v: jt : v -: av t v s quot; * j *
verwijdering der Kena'anietische stammen uit, die het heilige land niet op zijn bodem duldt.
29. Algemeene strafbepaling; uitroeiing voor de hier genoemde misdaden, nader gepreciseerd in hoofdstuk 20. Individueel verdienen de misdadigers uitroeiing; vs. 26 heeft nu aan de gemeenschap opgedragen voor de handhaving dier wetten zorg te dragen; doet ze dat niet, en worden overtredingen der zedelijkheidswetten niet meer op zichzelf staande gevallen, maar gewoon verschijnsel, een onder het volk verspreide kwaal, â dan spuwt het land zijne bewoners uit (vs. 27). In den meervoudsvorm nicEon ziet de traditie de strafbedreiging voor heide geslachten. Ook bij die gevallen, waar hoofdstuk 20 doodstraf door den menschelijken rechter bepaalt, treedt de straf van rro in, als de daad om welke reden ook zich aan de bestraffing door den menschelijken rechter onttrekt.
so. \-iSdS vriora av amatri, naar eene Thalmoedische verklaring: neemt inacht wat Ik u ter bewaking heb toevertrouwd, zoodat gij niet doet enz., d. w. z. neemt alle mogelijke voorzorgen en legt u zelfbeperking op, om zoover mogelijk van deze gruwelen verwijderd te blijven.â narinn niprra, van de door de reet bij de Kena'anieten voorgeschreven handelingen, die eigenlijk gruwelen zijn. Zij hadden in hun oogen geheel het karakter van wandaden verloren en waren door wet en gewoonte gesanctionneerd.
LEVITICUS XIX.
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: âSpreek tot de geheele gemeente der kinderen Israëls en zeg tot hen ; Heilig
3 zult gij zijn, want heilig ben Ik, de Eeuwige, uw God. Ieder â zijne moeder en zijnen vader zult gij eerbiedigen, en Mijne
4 Shabbathen in acht nemen; Ik ben de Eeuwige uw God ! Wendt u niet tot de afgoden, en maakt u geene goden van gietwerk ;
5 Ik ben de Eeuwige uw God. En wanneer gij een vredeofter ter eere des Eeuwigen slacht, zult gij het tot welgevallen voor
6 u slachten. Op den dag, dat gij het slacht, zal het gegeten worden, en den volgenden dag; doch wat tot den derden dag
Hoofdstuk XIX. Hoofdstuk 11â18 omvatten de wetten van reinheid en reiniging, (hoofdstuk 11 spijs- en onreinheidswetten, 12â15 reiniging na verontreiniging door melaatschheid en geslachtsleven; 16 algemeene reiniging door den Verzoendag; 18 huwelijks- en zedelijkheidswetten). Hoofdstuk 19 bevat nu de grondlijnen der wetgeving, een overzicht der voornaamste momenten van Israëls levensheiliging, die door de geheele openbaring van af Ex. 21 moet worden bereikt. Mozes moet het daarom aan de geheele gemeente der kinderen Israëls mededeelen. Als beginsel stelt vs. 2 voorop: heilig moet gij door deze wetten worden, want heilig hen Ik, de Eeuwige uw God. Dit denkbeeld geeft, dat de bestemming heilig te worden niet alleen bereikt moet worden in geslachts- en stoffelijk, zinnelijk leven (spijs- en reinheidswetten), maar niet minder in het sociale leven ; alle toestanden en verhoudingen van het menschenbestaan beheerscht door de ééne gedachte: het wezen der Godheid is heilig zijn, de mensch heeft dus te streven naar dergelijke heiligheid. Vandaar aat in ons hoofdstuk zeer ongelijksoortige dingen zijn samengevoegd, voor het meerendeel groepsgewijze ingeleid of afgesloten met 'n 'js of oatip» 'n ijs.
2. heilig, d. i. naar Wessely en Thorath Kohaniem; onthoudend,
hetzij van verkeerdheid, of ook, tot zelfheiliging, van wat eigenlijk geoorloofd is; anderen: gewijd, bereid voor wat van u wordtgeëischt,zoodat gij bij uitsluiting daarvoor leeft en in uw gemoed geen plaats is voorde neiging tot het kwade.
3- WTD VaXI 1CN. â» trv, vreezen, ns nts eerbied hebben voor. (Wessely). Terwijl Ex. 20,12 in het vijfde gebod de vader vóór de moeder wordt genoemd, is de volgorde hier omgekeerd, om in beide opzichten, zoowel wat aangaat positieve eerhewijzing, im, als wat eerbiediging, â d. i.: onthouding van handelingen, die aan den verschuldigden eerbied zouden te kort doen, â vader en moeder op één lijn te stellen. Anderen zien hierin het zielkundig moment, dat men voor den vader meer eerbied voelt, de moeder meer eer bewijst. Daarom wordt op de beide plaatsen juist die van beiden het eerst genoemd, waarvoor de waarschuwing het meest noodig is. De traditie omschrijft Taa en rwv nader, als omvattende nu» al de bewijzen van eerbied, die men ook tegenover God betpont: ze als zijne ouders erkennen, hun naam niet noemen, zich niet op hun plaats zetten enz.; hm, alles wat voor hunne lichamelijke verzorging enveraan-
fenaming van hun leven geschiedt. â vrop mi,enaming van hun leven geschiedt. â vrop mi, en Mijne geregeld terug-eerende Shabbathdagen zult gij in acht nemen, wat juist door den periodieken terugkeer zoo licht nagelaten dreigt te worden, evenals de eerbied voor ouders door den vertrouwelijken omgang gemakkelijk schade leidt. De traditie verklaart de beide zindeelen als tegenstelling: hebt eerbied
81
V D'Clp
nan : -mb namp;n-bn nin» nam« ^
â »*⢠T; ⢠!â¢â¢; s- -: T quot; ~ i â¢â¢ jv v s _,.. -;- 3
: DavtjK nin» B'inp »3 vnn D^np dh^n maxi
iv â¢â¢ I v: jt : v.*-: It j- a : r -â¢â¢ ^ I: k.quot;^quot; -: jt : - it :
nin» ipQB'n â¦nhaK^nKi iNTn vaxi idk gt;
ifryn n1? róoo â¦n'wi; orrrfrK -
V -liquot; j t â¢â¢ - ..... ⢠⢠vr â¢'x v : ⢠- iv â¢â¢ i v:
nirv'? nar narn â¦ai : mrv oaV
mnaai oanar DV3 : innarn Dmïi^1
t - : at *; it ⢠i.quot; Tiquot; â }â -' I : ' s : i\ t : ⢠: i ; â¢
voor vader en moeder, doch neemt allereerst Mijne Shabbathwetten in acht; komt eerbied voor ouders met inachtneming van Gods wetten in conflict, dan moet de eerste wijken. â Evenals in de tien geboden, volgen ook hier de plichten tegenover ouders en de Shabbathwetten onmiddellijk op elkander; zij beiden toch vormen de in wetten omgezette gronddenkbeelden des Jodendoms; de mensch door God geschapen uit die bepaalde ouders â de wereld door God in het leven geroepen en dus Hem weder gewijd.
4. Aanstonds volgt de tegenstelling; dient geene afgoden. â DiVwivan 7{f, niet â niets, onbeduidende, krachtelooze nietigheden, natuurlijk een
woordspeling met het oog op macht, v. d. de Almacht. Wessely
vindt in ons vers ook het algemeene verbod van bijgeloof. â roon mSni, goden van gietwerk, een gegoten beeld van een Godheid, ook niet een stoffelijke voorstelling van den eenigen God. Het spreekt vanzelf, dat ook het maken van gehouwen beelden of op andere wijze vervaardigde voorstellingen der Godiieid verboden is. Hier wordt de meest gewone wijze van vervaardiging als voorbeeld genomen. â⢠Het eerste versdeel verbiedt het in denken en beschouwing waarde hechten aan afgoden, het tweede het maken van eene plastische voorstelling van de Godheid.
5â8. In tegenstelling met afgodendienst, moeten wij onze offers ter eere des Eeuwigen zoo brengen, dat zij tot welgevallen voor ons zijn, â naar Gods voorschrift, of: uit vrijen wil, niet tot afwending van u vanwege de Godheid bedreigend onheil, maar als uitdrukking van uw bereidvaardigheid, om u in Gods dienst te stellen. (Vgl. Lev. 1,3). â rui. De hier gegeven bepalingen omtrent Sws en -ijtu gelden alle offers. Evenals Lev. 7,16â18 worden de problemen ook hier bij vredeoffers gegeven, die Dicip, van minderen graad van heiligheid zijn (door den offeraar en de zijnen te eten, in geheel de legerplaats); vanzeive volgt dan daaruit dezelfde bepaling voor D'CJip 'cnp, allerheiligste offers, die door de priesters, in het voorhof gegeten moesten worden. Anderen meenen, dat deze wetten juist bij vredeoffers worden behandeld, omdat van dezen alleen sommige deelen door den offerende, een man uit het volk dus, worden gegeten, terwijl andere offers aan den priester worden gegeven, die er zeker niet van zal overlaten.
6. De tijd voor het eten van het vredeoffer is Lev. 7,16 reeds aangegeven, evenzoo dat het na dien tijd overgeblevene moet verbrand worden. De traditie verklaart daarom ons vers in verband met het vorige: gij zult het slachten, met de bedoeling, dat het op den dag, waarop gij het slacht, en den volgenden dag, zal worden gegeten en dat wal nd dien tijd zal over zijn.
NS
LEVITICUS XIX.
7 nog overgebleven is, zal in vuur verbrand worden. Indien er echter op den derden dag van zou gegeten worden, dan is het verworpen, en wordt niet tot welgevallen aangenomen. 8En wie er van eten â zijne misdaad zal hij dragen; want hij heeft het heilige des Eeuwigen ontwijd ; die persoon zal uit 9 zijn volk uitgeroeid worden. En als gij den oogst van uw land afmaait, zult gij niet geheel wegnemen den hoek van uw veld door hem af te maaien, en de oplezing van uwen oogst
10 zult gij niet oplezen. En in uwen wijngaard zult gij de onrijpe druiven niet wegnemen en de enkele druiven van uw wijngaard niet oplezen; voor den arme en den vreemdeling zult gij ze
11 achterlaten ; Ik ben de Eeuwige uw God. Gij zult niet stelen, en zult niet afloochenen noch liegen de een tegen zijn naaste.
12 En gij zult bij Mijn naam niet voor eene valschheid zweren; gij
niet zal worden gegeten, maar verbrand. Is dit niet het geval geweest, maar is het geslacht met de gedachte, dat er van het vleesch zou worden gegeten op den derden dag, dan is het offer Sws, en wie er, zelfs binnen den voorgeschreven tijd, van eet, wordt met uitroeiing gestraft. (Vgl. onze aanteekeningen 7,16â18). â De traditie verklaart ook de gedachte, om buiten de voorgeschreven plaats van een offer te eten, als van storenden invloed; het offer zelf wordt Vidb, ongeschikt, ongeldig; het mag niet worden gegeten, zonder dat nochthans wie er van eet, met uitroeiing gestraft wordt.
s. kbquot; â¢â¢â¢vSm â een enkelv. werkwoord van een onderwerp in het meervoud, â ieder van hen, die het eten, evenals Gen. 27,29 e. a. p. â SSn 'n enp riK, hij heeft het den Eeuwige gewijde als iets ongewijds behandeld, door te denken, dat men ook het heilige naar willekeur kan nuttigen.
9. Die heiliging betoone zich ook bij het genieten van het bezitrecht van het land, door den arme daarvan deel te geven; v. s. ook om daardoor te betuigen,, dat het land, hoewel voor privaat bezit aangewezen (p»), toch eigenlijk slechts als bezit der gemeenschap (oan») uw land is en dus de Godsregeering, ook over bezit, door de daad te erkennen. Daarom : geen uitsluitend vruchtgenot voor den eigenaar, maar een deel ervan aan de minder gelukkige leden der gemeenschap; de eigenaar heeft niet het recht bepaalde behoeftigen te bevoordeelen. â D31Xj731 = D3*lSp31. â
T*p, oogst, eig.: het afgesnedene; daaronder valt dan alles, wat tot de voedingsplanten behoort, voor zoover zij niet in het wild groeien, maar bewaakt worden, den bodem voor hun wasdom behoeven en tegelijkertijd rijpen en ingeoogst worden en men ze eindelijk ter bewaring inzamelt. Niet dus; verfstoffen, niet: in het wild. zonder bepaalden eigenaar groeiende planten, die ieder zich kan toeëigenen; niet: zwammen en dgl. die op elke vochtige zelfstandigheid zich ontwikkelen (op hout, steen enz.); niet bijv. vijgen, die bij kleine hoeveelheden nu en dan worden geplukt, en groenten, die slechts voor oogenblikkelijk gebruik worden ingezameld, daar zij tegen bewaren niet bestand zijn. â V. a. verplicht de wet der Thora'alleen koren, most en olie tot Péa, terwijl bij andere plantsoorten eerst Rabbijnsch voorschrift die plicht oplegt. â lïpS fw nxs nSan xS, gij zult niet uw werk
82
D» D»np 3Ã
DI»3 bzw VD«n dni : ei*itsgt;v ^«3 Dl»»
a* ⢠: - j - tiquot; j t iquot; ^»* : ï i** t * t ⢠⢠: - -
nifr Kgt;lpquot;m-*3 Niy» vVdki : mrv ah «in biasquot;
v.t ; vl^ v r t ⢠^ t ; i ; iv tiquot; j ^ j â¢
DDnxj^ni : Kinn t^ajn nnnaai Vbn ° : üj^n ah ï|Tï[5 uph] iyj?1? ^ n«3 n^an ièj ddïik
üiai kS ^pidv
^n^n-Kbi «aan n1? : dd^^n nin» diHk ^
i : ^ -:i- : i : a : ⢠^ iv â¢â¢ i r: /r ; v* quot;* t
nVbni -ipB'b »0^3 : in^oya fa np^n3'
or : - ⢠: ivat v : * quot; : it ⢠i : i ⢠*-:t- y vl: - :
aan den hoek van uw veld ten einde toe afmaken door Tiet af te maaien, d. w. z. niet het oogsten geheel ten einde brengen, door ook het op den hoek staande af te maaien; het voorwerp van nVan is â¢po hnb, niet: TspS. Dit toch zou beteekenen : gij zult het voorgenomen werk: oogsten, niet geheel ten einde brengen ; zoo Jos. 19,19: Jehoshoea' eindigde net land in erfdeel te geven, d. i. hij hield op, ook al was het voorgenomen werk niet af; hier is de zin: gij zult het te verrichten werk van Tiet maaien met betrekking tot den hoek van uw veld niet afmaken. â De bedoeling is: gij moet, als gij uw veld afmaait, aan één hoek een gedeelte laten staan; de Thora geeft geene hoeveelheid aan. Als minimum stelt echter Rabbijnsch voorschrift: een zestigste van de opbrengst. â BpVi, wat niet bij het snijden aanstonds wordt gebundeld en in schoven verzameld, maar een (of hoogstens twee bijeenstaande) halmen, die bij het snijden vallen en niet in den bundel worden gebonden en dus later afzonderlijk moeten worden opgezameld, â moogt gij niet opzamelen.
10. quot;[ÃTS, eig. edele planting, speciaal: wijngaard, maar ook olijvenplan-ting, vgl. Recht. 15,5; de hier gegeven wet geldt ook voor olijven, zooals Deut. 24,20 duidelijk wordt uitgesproken. â SSirn nS, v. s. van tij, jong zijn, jonge, nog onrijpe druiven, die oii den druivenoogst nog niet worden afgesneden, maar eerst later afzonderlijk worden geoogst. De Pi'el heeft dan hier de beteekenis; onrijpe druiven wegnemen; het zijn die druiven, die direct aan den hoofdstang van de tros groeien, zonder dat nochthans de groei der druiven zoo dicht is, als aan het ondereinde der trossen het geval pleegt te zijn. â Anderen meenen, dat ook hier verboden wordt nalezing te houden van aan den stam hangen gebleven druiven. â bibi, en den afval, wat afgevallen is vanzelve of bij het snijden, evenals opS in het vorige vers. â bib, het afzonderlijke.
ii- i3:jn nS, gij zult niet geld stelen, door sluwheid onrechtmatig voordeel trachten te behalen. â irnan, zie 5,21, en niet loochenen, ontstrijden, toevertrouwd of geleend goed te hebben ontvangen. â npcn nSi, niet liegen, zoo algemeen mogelijk: geene onwaarheid zeggen.
12. ipifS) tot beëediging eener leugen; indien een leugen, diefstal of bedrog door u is gepleegd, zult gij die niet onder aanroeping van Gods naam ontkennen.
LEVITICUS XIX.
zoudt immers den naam van uwen God ontwijden ; Ik ben de
13 Eeuwige. Gij zult uwen naaste niets wederrechtelijk onthouden, en niet rooven; gij zult het werkloon des daglooners
14 niet bij u laten overnachten tot den morgen. Gij zult eenen doove niet vloeken, noch eenen blinde een struikelblok voorleggen; maar gij zult voor uwen God vreezen; Ik
15 ben de Eeuwige. Gij zult geen onrecht plegen in de rechtspraak ; gij zult niet het aangezicht van den arme willen opheffen, noch het aangezicht van den voorname eeren;
16 naar recht zult gij uwen naaste berechten. Gij zult niet als aanbrenger onder uw volk rondgaan ; gij zult niet staan blijven bij het levensgevaar van uw naaste; Ik ben de Eeuwige.
17 Gij zult uwen broeder niet haten in uw hart; gij zult
13. wederrechtelijk onthouden, zie 5,21; bijv. het inhouden of te kort doen van arbeidsloon; eig. waarschijnlijk: drukken, daarom steeds met den 4den naamval van den persoon. â Sun, roof, met geweld wegnemen van anders eigendom, speciaal hier: misbruik van macht van den werkgever tegenover zijn huurling (Baba Metsi'a 61a) â daar immers roof op andere plaatsen verboden is. â pSn ah, gij zult niet den nacht laten doorbrengen, nSys, het xoerkloon (soms; het werken, of het product van het werk, het afgewerkte) van den huurling (Tor, een bijv. naamwoord-vorm met den zin van een lijdend deelwoord) hij u tot den morgen. De huurling is gewoonlijk aangenomen om bij dag te werken; dan moogt gij zijn loon niet tot het aanbreken van den nieuwen dag, den nieuwen werktijd, behouden, maar moet hem bij het eindigen zijner dagtaak, of uiterlijk in het daarop volgende halve etmaal, uitbetalen. â Deut. 24,15 is sprake van een arbeider, die gedurende den nacht zijn werk verricht, hier van een c/ac/loonei'. Bij andere verklaring zijn de beide plaatsen tegenstrijdig, daar hier alleen het behouden tot den morgen wordt verboden, en daar gezegd wordt, dat zelfs zonsondergang niet zou mogen worden afgewacht.
14. Doove en blinde zijn als voorbeelden genoemd voor alle gevallen, waarin de betrokkene zich tegen hem van uwe zijde dreigend nadeel niet in acht kan nemen of verdedigen. â SSpn ns, ook door uw woord, hoe onmachtig ook, moogt gij iemand niet onheil toewenschen, â ook al hoort hij het niet en heeft dus uw woord niet eens zooveel invloed, dat het den ander ergert of grieft. â hjj â¢osSi enz. en doe niets, waardoor gij iemand, buiten zijn weten, doet struikelen, in stoffelijken of zedeliiken zin. De traditie leidt hieruit de wet af, dat men niet een verkeerden raad mag geven, of de middelen tot overtreding iemand aan de hand doen, of op welke wijze ook aanleiding geven, dat iemand onbewust eene verboden handeling doet. Bij dergelijke zaken, waar de menschelijke rechter niet kan ingrijpen wegens de geheimhouding, waaronder ze geschieden, of omdat nooit te controleeren is, of de dader met kwade ol goede bedoeling heeft gehandeld â handelingen dus, die ieder voor zijn eigen geweten heeft te verantwoorden, wordt vaak de uitdrukking gebezigd: quot;iviSsttnsquot;vgt;i, vrees voor God, Wiens straffende hand uw verkeerde daad, die Zijn alziend oog immers aanschouwt, zeker niet ongewroken zal laten â 'n 'Js â maar ook afgezien van die straf â uw levenstaak is het, de deugd der eerlijkheid en oprechtheid te beoefenen â want: 'n ijs â zie vs. 2.
15. Eerlijkheid in de rechtspraak. Ook uit edele drijfveeren moogt gij
83
v onnp jfi
Swn wrnK pwyn-ib : nin» Tribw D^-n«quot;
a: ⢠-⢠: v *â¢* 1-» it : gt;â¢-: i v*-* v: . jquot;
^agt;i B^nn : quot;ij53quot;ix fj?^ y?f r^quot;^1?T
* : nin» tüVkd n«quot;i*i bamp;m rnn nb nwiB
it t j' ~t I y- v; iquot; t j't: a ^ ⢠Ivquot;^* ^ j
^na »33 *nnn kVi Vt^ö kbttk1? tjétysa ^ wyn
f»t â¢*quot; : vquot; : â¢â¢ ï t â¢â¢ ; -«t ⢠i t : * - v^r j -i i~
lo^n NS ^rn : ï|n»ö^ üs^n pnïa ^
niin^iMVa n^K-nN Wiyn-^1? : mn» nyn DT^quot;
-lt;â¢â¢ |av t ; ⢠i V t v jt : ' i ⢠it : v* '* l^vquot; J- ^
een onrecht plegen; Sn ijb son sS, gij moogt niet, uit medelijden met en Sn, den verminderde (zie Ex. 23,3), den armgewordene, voor wien immers toch gezorgd moet worden, dezen wederrechtelijk tegenover den rijke in het gelijk stellen. â cos nïo, v. s. naar de letterlijke beteekenis der woorden ; iemands terneer gebogen aangezicht opheffen, door hem gunstig gezind te zijn (vgl. Gen. 32,21); v. a. beteekent de uitdrukking; op iemands belang acht slaan, hem ontzien, wat dan aldus in het woord ligt; het aangezicht, de persoon in den kring zijner overwegingen opnemen, hetzij in gunstigen zin (zooals Gen. 32,21 e. a. p.) of in ongunstigen zin, partijdig zijn, zooals hier. â Evenmin moogt gij eeren (zie Ex. 23,3) den persoon van een voorname, d. w. z. den in welk opzicht ook eerwaardige voor het gerecht de hem toekomende eer bewijzen, nog veel minder hem ten onrecnte in het gelijk stellen.
16. S'DT quot;iSn {lt;S- Gij zult niet als nieuwtjea-rondhrenger rondgaan; â
van San, oorspronkelijk; de specerijen-kramer, die van huis tot huis gaat
om zijne waren te verkoopen (ba-i, verwant met Sji, voet, waarvan Singt;
te voet loopen, om te verspieden, Rashie); v. d. ook; de tuaschenpersoon in den groothandel (Ez. 27 en 28); Voi -pSn beteekent dus; rondgaan als nieuwtjes-aanbrenger, niet juist om te lasteren, â waarbij nooit â jSquot;1 wordt
februikt â maar ook om op de eene plaats geheimen, der wereld onbe-ende dingen uit te vorschen en die elders mede te deelen. (Vgl. plaatsen als Spr. 11,13 en 20,19, waar den Vo-i -jSin alleen verweten wordt, dat hij ebruikt â maar ook om op de eene plaats geheimen, der wereld onbe-ende dingen uit te vorschen en die elders mede te deelen. (Vgl. plaatsen als Spr. 11,13 en 20,19, waar den Vo-i -jSin alleen verweten wordt, dat hij geheimen openbaart). â T,n3;3' on(ler de leden van uwe volksgemeenschap; of volgens anderen; onder de verschillende, van elkander door familie- en andere belangen gescheiden kringen van uw volk. â quot;jri m Sï nowi xS, blijf niet werkeloos staan bij het bloed, levensgevaar, waar bloed dreigt te worden vergoten, van uwen naaste; de samenhang dezer beide voorschriften ligt dan hierin, dat het eerste verbiedt opzettelijke of door onbedachtzaamheid veroorzaakte benadeeling van den naaste, door bekend te maken, wat hij
feheim wil houden, of door laster; het tweede voorschrift stelt bovendien en eisch, hem dreigend gevaar te keeren. â Ieheim wil houden, of door laster; het tweede voorschrift stelt bovendien en eisch, hem dreigend gevaar te keeren. â Ibn 'Ezra ; treed niet op tegen het bloed, het leven van uwen naaste door eene valsche beschuldiging; nog anderen; vind niet uw bestaan in het bloed van uwen naaste (vgl. voor die beteekenis van my Ez. 3,26).
17. Doch niet alleen moogt gij geene handelingen verrichten, die gebrek aan liefde toonen; gij moogt ook in uw hart uwen naaste niet haten om het verkeerde, dat gij in zijne daden opmerkt, maar moet hem dat onder het oog brengen, opdat gij niet de verantwoordelijkheid draagt voor verdere vergrijpen van denzelfden aard, door uwen naaste bedreven, dien gij
LEVITICUS XIX.
uwen naaste berispen, zoodat gij niet wegens hem eene zonde
18 draagt. Gij zult u niet wreken, noch wrok koesteren tegen de kinderen van uw volk, maar zult uwen naaste beminnen alsu
19 zeiven; Ik ben de Eeuwige. Mijne wetten zult gij in acht nemen; uw vee zult gij namelijk niet in twee verschillende soorten doen paren; uw veld niet met tweëerlei zaadsoort bezaaien, en een kleed
20 van tweëerlei soort, Sha'atnez, zal niet op u komen. En iemand, die
immers door uwe vermaning daarvan hadt kunnen terughouden, swn Ncn vSp. Anderen: doch laad hem geene zonde op, doe hem niet voortgaan op zijn zondigen weg. J. Ts. Mecklenburg : vermaan uwen naaste, doch slechts als gij kunt onderstellen, dat hij naar u zal luisteren; tegenover den onwillige doet gij beter te zwijgen, daar hij toch zijne verkeerdheden niet nalaat; gij zoudt door uwe vermaning slechts zwaardere zonde op hem laden. Rashbam: doch reken het hem niet meer aU zonde aan; Rashie; spreek niet over hem van zijn zonde, beschaam hem niet wegens zijne zonde.
is. opn nS, wreek u niet over u aangedaan onrecht; itan nSi, van -itu, bewaren, koester geen wrok, verban zelfs de herinnering aan het geleden onrecht uit uw gemoed; ook al wilt gij u niet genoegdoening daarover verschaffen. Anderen: meek u niet aanstonds en stel ook niet de wraakneming uit, telkens zinnend op de middelen, om dat doel te bereiken. â -pp ija ns, uwe volksgenooten; ons geheele stuk bespreekt de verhouding der Israëlieten onderling, zonder dat daarmede gezegd is, dat het tegenover Israëlieten verbodene tegenover den niet-Israëliet geoorloofd zoude zijn. Integendeel, alle voorschriften van recht en moraal gelden tegenover Yiet geheele mensch-dom. â fiM -pn1? ra-HO, en bemin hetgeen uwen naaste betreft, als het uwe, zorg voor zijn welzijn gelijk voor net uwe. â //Den persoon van den naaste te beminnen als zichzelf' in de volle beteekenis der woorden, is een bovenmenschelijke eisch. Bovendien wordt het lijdend voorwerp bij ans steeds in den 4den naamval, met of zonder nx, gebruikt. Ibn 'Ezra verklaart daarom: streef naar het wélzijn voor uwen naaste, gelijk voor u zelf. â Vs. 34 herhaalt hetzelfde voorschrift ten opzichte van den vreemdeling. â Niet alleen moogt gij geen haat en wrok tegen hem koesteren, maar wat ook geschied zij â hij is en blijft uw naaste, naar bevordering van zijn welzijn moet gij streven; dit is de beteekenis van ;nN. â Anderen; bemin uwen naaste, die immers is evenals gij, schepsel Gods. â Vs. 11â18 bevatten de hoofdwetten aangaande onze gedragingen in het dagelijksch leven in de maatschappij, tegenover den evenmenscb. Het zijn vier groepen van telkens twee verzen, iedere groep afgesloten door 'n â¢gt;»}. Vs. 19â25 bevatten nu eenige hoofdwetten aangaande de instandhouding der physieke en zedelijke wereldorde, ingeleid door de woorden noen 'npnps, â waarmede ook vs. 37 het geheele hoofdstuk wordt afgesloten, â en sluitende 'rr vk, vs. 25.
19. quot;nprii v- s- eio- aangewezen, begrensd deel, in maat, tijd of getal beperkt. Speciaal gebruikt van die wetten, die instandhouding der goddelijke wereldorde ten doel hebben; v. a. voor wetten, die als machtbesluiten Gods ons ter behartiging zijn gegeven, terwijl hunne bedoeling ons verborgen is. â De handhaving dezer wetten is aan het staatsgezag opgedragen, d. i. aan de vertegenwoordigers des volks, de hoogste staatsmacht, â daarom het meervoud, i-inon. â r»3m. ïai is de Ghaldeeuwsche vorm van het Hebreeuwsche pi, neerliggen; de Hiph'iel dus: doen liggen; speciaal: dierlijke paring. â O'S^a, van s-Sa, afzonderen, opsluiten, waarvan xS?»
84
û dnni?
â¢ab) : Mian vby Ktrn-^i rvim ^
i : 1« ⢠i : iquot; {ttquot; jt ' i : 1 ~ ^ ^
tik â¢min» â¦:« nioa wi? nanNi nav quot;itdh quot;itan01 i
it : ^*-: J a t ^ l^i iquot;; jt : -^it : I v quot; ^ -quot;⢠: v r
^npna'Ha^n quot;ripn 33^,quot;,3 naai D^Va3
kerker. Het is een zelfstandig naamwoord in den tweevoudsvorm en beteekent; twee door de goddelijke Scheppermacht van elkander gescheiden, maar nu bijeengevoegde soorten-, het scheppingswoord, dat iedere soort zou vruchtbaar zijn i,-ult;»S, naar hare soort, moest ze gescheiden houden. De constructie van den zin is dus, dat bij het werkwoord twee woorden in den 4den naamval staan; innro, lijdend voorwerp, â¡\sSd, nadere bepaling. â Hoewel hier nnna, vee, uitsluitend genoemd is, heeft deze wet betrekking op de geheele levende schepping, op alle diersoorten dus; nnro is alleen genoemd als de diersoort, wier teelt vooral een onderwerp van menschelijke werkzaamheid vormt. â De producten van ongelijksoortige paring, bijv. muildieren, zijn niet ten gebruike verboden; men mag ze zelfs in zijn huis verder voeden. â In den Hiph'iel-vorm vindt de rabbijnsche verklaring nog aanleiding tot de opmerking, dat het direct of indirect veroorzaken van paring verboden is; men mag dus zijn dier niet aan niet-Israëlieten ter paring met eene andere soort overgeven. â QisSs jntn nS tic, uw veld moogt gij niet bezaaien met twee soorten, d. w. z. uw veld, in Palaestina gelegen, (als den bodem geldende wet, heeft zij alleen op Palaestina betrekking), moogt gij niet met twee zaadsoorten bezaaien, terw'quot; ' L ~ ~ quot; quot; ' ' le traditie voldoende,
afstand vrij te iken, die iedere soort
voor den beschouwer als op zichzelve staande doet schijnen. â Rabbijnsche traditie breidt deze wet tot alle plantsoorten uit; ook het enten van boomen is dus verboden; en wel ook buiten Palaestina. Entingsproducten zijn echter voor het gebruik geoorloofd. â In Palaestina was het verboden B'sSs op velden en boomen te laten voortbestaan en moesten de daartoe jaarlijks uitgezonden beambten de velden van D'sSs zuiveren door het uit te rukken. â hisjjü d'sSstdi. Deut. 22,10 wordt uitdrukkelijk uitgesproken, dat slechts menging van wol en linnen in de kleedingsstof verboden is, wat volgens sommigen reeds in de uitdrukking 1« ligt, daar onder dien term naar Lev. 13,fl uitsluitend kleederen uit wol of linnen zijn begrepen. Het woord mdï» komt volgens sommigen in het Koptisch voor in den zin van: een uit wol en linnen vervaardigde, gekleurde stof. Naar den Thal-moed is het samengevloeid uit drie termen: rw, gehekeld, ine, gesponnen, en i«, getweernd, of v. a. geweven, althans samenvoeging van draden. â Verboden is alleen een mengsel van schapenwol en linnen, niet bijv. kameelhaar en linnen, of wol en katoen enz. â nSp sS, zal niet op u komen. Deut. t. a. p. staat oaSn kV, gij zult u niet kleeden. De traditie vindt in de combinatie dezer twee uitdrukkingen, die elkander aanvullen, de bepaling: dat niet alleen als kleed aantrekken verboden is, maar ook bedekken van het lichaam met Sha'atnez, doch alleen voor zoover het met kleeding overeenkomt, nl. tot bedekking en verwarming dient; â niet bijv. op of om de schouders leggen om het te vervoeren of dgl. â Het vervaardigen van Sha'atnez is niet verboden, evenmin als het verkoopen, mits daaruit geen onbewust» overtreding voor een Israëliet kan voortvloeien.
LEVITICUS XIX.
eene vrouw bijwoont, en deze is eene slavin, aan een man afgestaan, doch geheel vrijgekocht is zij niet, of vrijheid is haar niet gegeven, dan zal zij het voorwerp van onderzoek en bestraffing zijn; maar sterven zullen zij niet, omdat zij niet
21 vrijgelaten was. Hij echter zal als zijn schuldoffer ter eere des Eeuwigen brengen naar den ingang van de tent der samen-
22 komst, een ram tot schuldoffer. En de priester zal verzoening voor hem doen met den ram tot schuldoffer, vóór den Eeuwige, wegens zijne zonde, die hij begaan heeft; dan zal hem vergiffenis worden geschonken wegens zijne zonde, die hij begaan heeft.
23 En als gij in het land zult komen, en eenigerlei boom tot spijze planten zult, dan zult gij zijne vrucht als een voorhuid beschouwen ; drie jaren zal zij u als eene voorhuid zijn, zij zal
24 niet gegeten worden. En in het vierde jaar zal al zijne vrucht
25 zijn iets heiligs tot dankbetuiging aan den Eeuwige. Doch in
20. Eene heidensche slavin, nnsc, die een Joodschen man, naar de traditie een Joodschen slaaf, was overgelaten, nsnru (vgl. Recht. 5,18, waar rpn beteekent: prijsgeven; anderen; verwant met rpn, herfst, Aepluktijd,plukken, dus: bestemd) en wel door pcrpp, wettige huwelijksbelofte. Men denkt hier aan het geval van Ex. 21,4; doch zoo, dat van huwelijk reeds sprake kan wezen, terwijl zij toch anderzijds nog slavin is. Dus: bijv. eene vrouw, als slavin verkocht en wier losgeld nog slechts ten deele is betaald, nrnsa nS msm, zij is nog niet geheel vrijgekocht; rTOEn w, of de vrijheid, eene acte van vrijlating, is haar nog niet gegeven, hoewel de zakelijke onderhoorigheid reeds heeft opgehouden, ââ of, naar eene andere opvatting, hoewel het losgeld is betaald, moet de vrijlatingsacte nog worden overgegeven; er ontbreekt dus nog iets aan hare vrijlating; zij is nu door pm-pp, een voorloopigen huwelijksband, aan een man gebonden en nu woont een ander haar bij. (Daar het een vrijen Israëliet verboden is eene heidensche slavin te huwen, en zij, als ten deele vrije, ook een heidenschen slaaf niet huwen raag, moet de echtgenoot dezer vrouw, waarvan hier sprake is, een Joodsche slaaf zijn, die haar ook in staat van volle slavernij zou mogen huwen. Ex. 21,11). â De wet is dan; mpa, v. s. eig. onderzoek, v. d. bestraffing, naar de traditie; geesseling der vrouw alleen ; v. a. ligt in het woord; straf tot verbetering der individueele persoonlijkheid. (Vgl. Ez. 34,11, waar ipa van de persoonlijke zorg gebruikt wordt, die de herder aan ieder stuk zijner kudde wijdt). Anderen verklaren; voorwerp van onderzoek zal zij zijn, of zij moedwillig, of wel in dwaling of onder dwang heeft gehandeld. In het eerste geval wordt zij gestraft. â inws'S, geen van beiden zal gedood worden, hij noch zij. â Op echtbreuk door vrije personen staat de doodstraf (Lev. 20,10). â Over geesseling en de daarbij geldende hoofdbepalingen zie Deut. 25,1â4. â Hoofddoel van de plaatsing dezer wet in ons hoofdstuk is; instandhouding der zedelijk-heidswetten in te prenten, zelfs tegenover niet geheel vrijen.
21. Naar de traditie brengt hij zijn schuldoffer alleen, wanneer zij, als opzettelijke echtbreekster, gestraft wordt; het is echter onverschillig, of zijnerzijds de daad met bewustzijn van het ongeoorloofde ervan geschied is, of niet. Zoowel jjw als ft» brengt het schuldoffer. Over den dienst bij dit offer zie Lev. 7,1 vv.
85
w D^np ns
xb wxh nsnn: nnöK' Nini, nmm*
-â¦3 mov Kb n^nn nipa nb-ma n1? nirssn in nrnsa
^. : i j â¢)â¢â¢â¢: r vis ⢠^ at 1 - ⢠j vt : \ j t t ; â¢
-1^10 bnN nnö-^K nin^ lOBW-ns «â¦am : ni^sn ah *»
**'⢠v J -v.v v Tl- T quot;J v ^ lt;⢠â¢â¢ : T IT \ J
-bir nin' *:sb btrwn Vks rrün vby quot;isdi : di^n Vn 33
t ; jquot; ; ⢠t t it lt;â¢â¢:!â¢â¢ - t't v ⢠: it t v.quot;
à *: Nün ntfK inxtanü ib nbo:! Nün I^K inNisn -I ?
it t jv -: ^ t - iquot; fgt;r t â¢*â¢.⢠-i v t - d ïa
inbijr onbi^i bDND ryba bn^üJi rn^n-bN w
^ v. t i't jv : -*t:i- t -: i- \ t v *: - : | v t t v -* t r ;
: VDN* Kb D^S-I^ oab n»n» irbt? inmK ^
TT- Iquot; Tlquot; j \.' â¢)â¢â¢â¢ T JV : I* * T -» T A. : *
: mn^b D^ibn ir-ip inrbs rrn» n^nm«
jtt - it r ⢠vi j a ;⢠t V,v; r ⢠⢠: it
23. De hier volgende wet, â onthouding van de vruchten van een vruchtboom gedurende de eerste drie jaren en wijding in het vierde jaar der planting â geldt zoowel in, als buiten Palaestina, onmiddellijk nadat Israël den bodem van Kena'un had betreden. â wan 'a bepaalt alleen den tijd, waarop de wet in werking treedt, terwijl het hier niet als beperking wat de plaats aangaat, moet opgevat worden. â Soxa pr, boom tot spijze, d. w. z. welks vruchten eetbaar zijn, voor zoover de planting voor dat doel, het eten der vruchten, is geschied; niet dus bij vruchtboomen zelfs, die gekweekt worden om liet hout of dgl. â inSnï d.nSni, gij zult zijn vrucht als voorhuid behandelen; Sij; is dan v. s. van bijna gelijke beteekenis als: sac, onrein, buiten gebruik gesteld, gelijk de voorhuid van een kind, naar de wet der besnijdenis, moet worden weggenomen. Anderen meenen, dat de stam Sir béteekent; verhinderd zijn in het gebruik van iets, dat ons eigenlijk ten dienste staat. (Parchon) is nu óf de persoon,
die iets niet kan gebruiken, â óf de zaak, wier gebruik belemmerd is. Men vertaalt dan: gij ztdt in het gébruik belemmerd zijn, gedurende de periode van zijn onttrokken zijn, doch slechts voor zoover zijne vrucht aangaat, de vrucht of de boom zal voor u zijn, doch als in het gebruik egt;-van belemmerden; zij mag nl. niet gegeten worden. De vreemde constructie DiSiï ddS rw wordt dan zoo verklaard, dat de meervoudsvorm QiS-iï bijstelling is van oaS, niet van het onderwerp van w, dat enkelvoud is. Wessely verklaart: de vrucht zal u zijn, als die van een slechts verachtelijke vruchten dragenden boom. Alleen de vrucht, (en wat daarbij behoort, schil en pit) met den stam en de bladeren vallen onder het verbod. â Niet alleen eten maar elk genot van de vrucht is verboden, ja, uit de telkens herhaalde uitdrukking Sir wordt afgeleid, dat zelfs het gebruik als brand-of verfstof verboden is.
24. D'blbn V\pgt; naar de traditie: den Eeuwige gewijd, in zooverre als de vruchten zelve, of de losprijs daarvoor, in Jerusalem, d. w. z. in de omgeving des heiligdoms, moeten worden verteerd; (vgl. Lev. 27,31 en Deut. 14,22â26). Daarmede erkent men in God den Gever der vrucht; het is dus iets heiligs, waardoor Gods groote daden erkend worden,o'Sibn.â Zij worden niet aan de priesters overgegeven, maar door den eigenaar zelve gegeten (vgl. Recht. 9,27; zie ook Jos. Oudheden 4,8â16).
LEVITICUS XIX.
het vijfde jaar kunt gij zijn vrucht eten, zoodat hij zijn opbrengst voortaan voor u veel doet zijn; Ik ben de Eeuwige uw God.
26 Gij zult bij het bloed geen maaltijd houden ; gij zult aan geene
27 voorteekens, noch aan gunstige of ongunstige dagen hechten. Gij zult de hoeken van uw hoofd niet rond wegnemen, noch de
28 hoeken van uw baard met den wortel afnemen. En eene insnijding wegens een afgestorvene zult gij in uw vleesch niet maken, en indringend schrift zult gij niet aan u aanbrengen; Ik ben de
29 Eeuwige. Gij zult uwe dochter niet ontwijden, door haar ontucht te doen plegen ; opdat het land niet ontuchtig worde, en het land
30 niet met opzet tot ontucht vervuld worde. Gij zult Mijne Shab-bathen in acht nemen, en eerbied voor Mijn heiligdom hebben;
25. IJIKDD DdS S^DinS» om zyne opbrengst voor u te vermeerderen, d. w. z. zoodat gij al' wat de boom oplevert, als vermeerdering van uw vermogen kunt beschouwen en gebruiken naar uw welgevallen; â anderen: opdat hij, door Gods zegen, zijne opbrengst voor u vermeerdere, ook al laat gij de vruchten der eerste jaren ongebruikt.
26. Thans volgt een nieuwe groep van wetten, ingeleid en gesloten door een verbod van verschillende vormen van heidensch wangeloof. Algemeen onderwerp dezer groep schijnt te zijn ; het heilighouden uit te strekken ook tot het huiselijk en persoonlijk leven, de heiliging Israels in zijne gewone particuliere handelingen, in zijn uiterlijk (vb. 27 en 28) en in het algemeen wering van alles, wat naar afgoderij en daarmede samenhangend bijgeloof zweemt (28 en 29). â dn Sr iSaxn nS, gij zult niet eten op het bloed, d. w. z. geen vleesch genieten, waaraan nog iets in verband met bloed te doen is. De traditie ziet in onze plaats verschillende verboden; 1°. geen vleesch te eten van een wel reeds geslacht, maar nog niet geheel gestorven dier; 2°. geen offervleesch te eten, zoolang het bloed nog niet is gesprengd; 3°. over gerechtelijk ter dood gebrachten geen lijkenmaal, d. w. z. openbare spijziging der naaste, rouwbedrijvende bloedverwanten, te doen houden; 4°. de rechters op den dag der voltrekking van een doodvonnis niets te doen nuttigen; (vgl. I Sam. 14,32, waar de uitdrukking voorkomt in den zin van; vleesch eten van nauwelijks geslacht vee). â Velen nemen echter aan, dat hier vooral gedacht wordt aan een heidensche gewoonte, om bij het bloed van het geslachte offerdier een offermaal te houden; of zij daartoe het bloed in een kuil stortten en daaromheen zich ter maaltijd zetten, of op welke andere wijze dit te verklaren is, staat echter in geenen deele vast. â irron ih, aan voorgevoelens en voorteekens hechten; v. s. verwant met slang, waarzeggen uit de
waarneming van slangen-, in welke opvatting iMirn n1?, verwant met J^,
wolk, zou beteekenen: waarzeggen uit de wolken; â anderen: cru, aan onbeteekenende dingen waarde hechten en daardoor zich bij zijn handelen laten leiden; jjiï van tijd, aan bepaalde dagen of uren gunstigen of
nadeeligen invloed toeschrijven. Nog anderen verklaren jny van pj, oog, een kwaad oog op iemand werpen, zoogenaamd betooveren.
27. ISpD nSgt; roncf maken, d. w. z. gij zult niet de hoeken van uw hoofd, d. i. het haar aan de slapen van het hoofd, zoo wegnemen, dat rondom
86
onnp ia
nin» â¦jk Indian Dab ^pin1? iHötik n^pnn : Wiivn i^njn üb Din-^ : DDTI^K «
i** t j : \, quot;siquot; : j at - ~ v j ⢠j .â¢â¢* quot; ' v:
: nip? nK3 n« n^nirn D3^quot;i nna ispn »
v-»v : IivIt; -»- : v,quot; * : - â gt;/. av : ^- ; . '* quot; quot;, fO
033 lann naroi DD^aa unn ^7
rquot;i«n nitn-Kbi nnun1? nna-n» bbnn-bx : nirr 03
I vt t â¢Â«â¢.â¢;⢠⢠: ^ at : - : v.1 : * v jquot; ' ⢠~ it : v-t
iNquot;i»n ^iödi ilbirn â¦nhat^-riK : nar rnxn n^Qi17
at ⢠I* Tl: ⢠: ⢠â â - : - v it- i -at t jt : it
het haar van het voorgedeelte van den schedel geheel weggenomen wordt en een ronde kaalte op het geheele hoofd ontstaat, waarop alleen het haar van het achterhoofd overblijft. â Omtrent de wijze dier verwijdering bepaalt ons vers niets. Maim, beperkt ook dit verbod tot afscheren meteen scheermes; Ashéhie en anderen achten elke wijze van wegnemen, ook knippen of wegbranden, van al het haar op den vóórschedel verboden. â â ppt nxs n« rwwi nVi. Naar den Thalmoed is onder hoek van den haard, niet alleen de baard aan de kin, maar ook die op twee plaatsen aan iederen wang, vermoedelijk waar de gewrichten der kaken zitten, te verstaan. (Daar die plaatsen niet met zekerheid aan te wijzen zijn, is voor de praktijk natuurlijk het scheren van den geheelen baard verboden). De traditie leert, dat de 21,5 bij hetzelfde verbod voor de priesters gebruikte woorden mSj» nS ook het mron nS op onze plaats nader verklaren, en stelt dus twee eisehen; met een gewoon scheerinstrument wegnemen van den baard (rvhpi) en wel zoo, dat het haar glad, aan den wortel wordt afgenomen (nrni'n). Deze beide eisehen zijn alleen gecombineerd bij scheren met een scheermes. â In verband met het volgende vers meenen sommigen, dat ook hier uitsluitend van rourobedrijf sprake is. Wij vinden echter als teeken van rouw in het algemeen in de Bijbelsche geschriften veeleer laten groeien, dan wegnemen van het haar.
28. Heidensche gebruiken moogt gij niet in uw uiterlijk navolgen; om een doode geen insnijding maken in het lichaam; â een verwonding van welken aard ook, een schram of dgl., onverschillig of zij met de nagels, of met een snij-instrument wordt toegebracht, is verboden. â veh, o m een afgestorvene, vgl. 21,1. â ïprp naroi, indringend schrift, geëtst of ingeprikt met bijtende stoffen, tatoeëeren. â Beide verboden leeren, het menschenlichaam als schepping Gods te achten en niet te misvormen.
29. Geef uwe dochter niet, afgoden ter eere, aan ontucht prijs, zooals bij den Pe'or- en 'Ashtharoth-dienst gewoonte was. â SSnn Sn, ontwijd niet, ontneem haar niet het heilig karakter, dat zij als dochter Israëls bezit, â doe haar niet in plaats van ertp, heilig, Sm, ongewijd, ja ontwijd worden.â Het verbod is natuurlijk algemeen; ook al is het niet ter eere der afgoden, is ontucht verboden, in den meest uitgebreiden zin des woords opgevat, â dus ook met ongehuwden. Evenals bloedschande, wordt hier buitenechtelijke geslachtsomgang met den naam n»t bestempeld. (Zie Lev. 18,17).
30. De tegenstelling tot het vorige: inachtneming van den Shabbath, die de geheele schepping uit God leert begrijpen; ontzag voor het heiligdom, dat alle wangeloot ver verwijderd wil houden.
m LEVI l' leus XIX, XX.
31 Ik ben de Eeuwige. Gij zult u niet tot de doodenbezweei*-ders of de waarzeggers wenden; zoekt niet u door hen te
32 verontreinigen; Ik ben de Eeuwige, uw God. Voor eenen grijsaard zult gij opstaan, het aangezicht eens ouden eeren, en gij zult voor uwen God vreezen; Ik ben de Eeuwige.
33 W anneer een vreemdeling zich bij u in uw land ophoudt, zult
34 gij hem niet beleedigen. Gelijk de inboorling onder u zal de vreemdeling u zijn, die bij u zich ophoudt; en gij zult hem beminnen als u zeiven, want vreemdelingen zijt gij geweest in
35 het land Egypte; Ik ben de Eeuwige, uw God. Gij zult geen onrecht doen in het gerecht, met de vlaktemaat, het gewicht
36 of de inhoudsmaat. Rechtvaardige weegschalen, rechtvaardige weegsteenen, rechtvaardige Epha en rechtvaardige Hien moet gij hebben ; Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land
37 Egypte uitgevoerd heb. Gij zult al Mijne wetten en al Mijne rechtsvoorschriften in acht nemen en ze volbrengen ; Ik ben de Eeuwige.quot;
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «En tot de kinderen
31. Wederom tot afsluiting dezer groep een nader verbod op bijzondere soorten van waarzeggen (vgl. ook 20,27). â nas, eig. opa[eroepen geesten van afgestorvenen, vgl. Jes. 29,4; v. d. man of vrouw, in wien zulk een geest
fezegd wordt te zijn (vgl. I Sam. 28,7); verder de doodenbezweerder zelf;ezegd wordt te zijn (vgl. I Sam. 28,7); verder de doodenbezweerder zelf;
0,27 staat Dra nrr 13, onder wie zal aanwezig zijn een 06, wat v. s. doelt op het geven van met doodenbezwering verbonden orakels, wat met steeniging wordt gestraft; terwijl het vragen van zoodanig orakel Deut. 18,11 verboden is. Onze plaats behelst het algemeene verbod zich er mede op te houden, rus, hetzij als orakelgever of vrager of belangstellend toeschouwer. â ijït, eveneens iemand, die voorspellingen geeft met doodenbezwering verbonden; v. s. van ït, weten, â de /,wijze manquot; die geheime dingen weet. â Dra piNrsD1? irpsn ha, zoekt hen niet op, om u door hen te verontreinigen, d. i. van uw heiligheid, waartoe gij verplicht zijt, neer te dalen tot onreinheid door afgoderij en bijgeloof. â De woorden wnS.' 'n toonen aan, dat hier wederom eene groep eindigt. â Nu volgen voorschriften en wetten tegenover personen, die, daar zij zich niet licht kunnen verdedigen, meer aan onzen willekeur zijn prijsgegeven; ouden en vreemden; dan een algemeene wet betreffende eerlijkheid en rechtvaardigheid in het handelsverkeer, om met een algemeene vermaning tot inachtneming der beide wettengroepen, rechtsplichten en Dipn, te sluiten.
32. In tegenstelling met de valsche wijsheid der wichelaars en bezweerders, hebt gij eerbied te hebben voor ouderdom en ervaring: ra'P â¢os», voor een grijshoofd, een hoogbejaarde moet gij eerbiedig opstaan en het aangezicht, de persoon van den jpi, den oude eeren; naar den Thalmoed niet: den oude in jaren, maar in kennis en levenservaring. Ook de oudsten des volks waren niet allen hoogbejaard.
34 en 35. Den vreemde moogt gij niet alleen niet verdrukken, hier: Jircnken door woorden (vgl. Ex. 22,20), maar moet hem geheel als Israëliet, mts, (vgl. Ex. 12,19) behandelen en hem beminnen als uzelven.
35, Het gerecht, de overheid, mag bij de bepaling van maat en gewicht
5 W D'inp T£3
D^yTrr^Ki liön-bx : nin» â¦:« ^
i i: - : - .^ .. - ... : ,ti v ' : ' quot; it : ;⢠-:
mini Dpriron? â¦iSö : nirr ona nNOD1? ^ s_
vt ; -it ; it t â¢â¢ «â¢â¢; ⢠iv â¢â¢ i v: jt : v/ quot;* t -«t : t :
wm d * : nin» TrfrKO nNTi rpr »33
st r ; ^ it : j- -: I v.quot; v: iquot; t jquot;t: 11 a«t -â¢â¢â¢ :
DD1? n^n» D3D mrto : inx lam ab ddïiks na
vt v : i* v ⢠-quot;t; v ; 1 ^ v. J av : ; - ; v.quot; â¢)( : â¢
rnsia DnMn onr^ 1103 iV nanNi D5n« lan 1 nan
i v jv : v** j'quot; r i t jt : - it : v ; * -r ~ -â¢â¢â¢ -
123^03 Viy nin» â¦:« D^ÃD ^
t ⢠- at : * - â¢*vt ^ 1- iv â¢â¢ 1 v; jt ; v* -» * at ; â¢
pni. p-tY p^quot;^3« P1V '3^0 â¢* nTi'^ani Vpj^aa ^ pKöDanw^nKïin-ntrNDs^nbNnin»»^ DD*? ptï
i vjv â¢â¢ v.v : v ⢠j- v -: ^ v â¢â¢ 1 v: jt : ⢠-: av t â quot;.â¢; r i â¢.\v
Qn'^yi â¦Ã¨at^Q^S'nNi ^nbn-^-nK Dmot^i : dhïd ^
^v ⢠quot;hl- 'ti' t v ; quot; i '-. t v lt;v ; - ; ⢠it : * c. ^
a * : nln' dhn i I
it : v* -* at ----
wnSnan naiv* : quot;ioxb nirr n3Ti« 3
j. - ** t : * â¢quot;⢠: v ; 1 â¢â¢ jv v vt : jquot; 2
een onrecht plegen (Wessely). â cbcss beteekent dan : bij rechtsbeslissing, ie ieder kan hebben; wegen en meten. Rashie; ieder particulier moet bij meten en wegen rechtvaardig zijn ; misschien staat dit in vs. 36, waar, na de vaststelling der maten door den Staat, iederen particulier op het hart wordt gedrukt er voor te zorgen, dat zijne maten en gewichten aan de voorschriften voldoen. â m», vlakte- en lengte-maat; Spc.», gewicht; mwa, inhoudsmaat, algemeen, zoowel voor drooge als natte waren.
36. nS'K. inhoudsmaat voor drooge, pn voor natte waren. De Enha heeft drie Sea, a 6 Kah a 4 Log a 6 middelmatige kippeneieren; de Hien heeft twaalf Log a 4 kwarten ii l'/j ei; de Hien heeft dus een inhoud van een zesde van den Epha. â Ons vers noemt voor lengte- en vlaktematen geen voorbeeld; vlaktemaat is het vierkant der lengtemaat en daarvoor werd oorspronkelijk de mansarmslengte, dus natuurlijke maat, genomen, waarbij onrecht aan hel meet-instrument zelf uitgesloten was.
Hoofdstuk XX. De straffen op de hoofdstuk 18 en ten deele 19 omschreven misdaden. Hoofdstuk 18 bevatte de kuischheidswetten, waarop het geheiligde leven, dat hoofdstuk 19 regelt, moet gebaseerd zijn; ons hoofdstuk behelst nu de straffen voor de overtreding der kuischheidswetten, daarbij voorop stellende de afgoderij in haren meest afzichtelijken en in haren schijnbaar meest onscluudigen vorm: Molech-dienst en waarzeggerij (vs. 1â6). Dit gedeelte sluit dan af met de algemeene vermaning tot levensheiliging (vs. 7) en vormt in zekeren zin de inleiding tot het geheele stuk. Vs. 8 is dan inleidende formule en overgang tot de zede-lijkheidswetten, evenals 18,5. Deze wetten en strafbepalingen worden ingeleid door de wet omtrent ouderen-vervloeking. De eerbied voor ouders, als bron van ons leven, â ook 19,3 aan de spits der wetten van levensheiliging gesteld, â vormt, als het ware, het uitgangspunt van de zedelijkheidswet, wier voorschriften immers berusten op de bloedbanden, die verbroken en geschonden zouden worden door ontucht en overspel (vs. 9). Dan volgt de wet, die de heiligheid van het huwelijk, het gezin
LEVITICUS XX.
2 Israels zult gij zeggen: //Elk een van de kinderen Israels of van de vreemdelingen, die zich onder Israël ophouden, die van zijn kroost den Molech zal geven, zal gedood worden; het volk
3 des lands zal hem met steenen dood werpen. Doch ook Ik zelf zal Mijnen toorn op zulk een man doen rusten en hem uit het midden zijns volks uitroeien; want van zijn kroost heeft hij den Molech gegeven, om Mijn heiligdom te verontreinigen, en
4 Mijnen heiligen naam te ontwijden. Doch wanneer het volk des lands hunne oogen van dien man zouden aftrekken, als hij van zijn kroost aan den Molech gegeven heeft, zoodat zij hem
5 niet doen sterven ; Dan zal Ik Mijnen toorn tegen dien man en zijn verwantschap richten, en hem en allen, die hem in afval navolgen, door in afval van Mij den Molech te volgen,
6 uit het midden huns volks uitroeien. En de persoon, die zich tot de doodenbezweerders of de waarzeggers wenden zal, om hen in afval van Mij te volgen, tegen dien persoon zal Ik Mijnen toorn wenden, en hem uit het midden zijns volks uit-
7 roeien. Houdt u dus heilig, dan zult gij heilig zijn; want Ik ben
8 de Eeuwige, uw God. Gij zult Mijne wetten in acht nemen
dus, gehandhaafd wil zien (10). Daarop volgen de door huwelijksband met verwanten verboden vrouwen â vrouw van iemands vader ol'zoon (vs. 11 en 12), tegennatuurlijke ontucht, waarmede huwelijk van moeder en dochter op cene lijn wordt gesteld (vs. 13â16), om daarna de verwant-schapsgvaden te laten volden â waarbij de samenleving in de menstruatie-periode aan het verbod der halfzuster aansluit, v. s. omdat dan man en vrouw als broeder en zuster naast elkander leven. â Vs. 22 neemt dan met bijna dezelfde woorden de vermaning van 18,5 en 20,8 weer op, om met het voorschrift van levensheiliging te sluiten; â vs. 27 stelt dan nogmaals de beteekenis van waarzeggerij en doodenbezwering in het licht, om daarop vooral de aandacht te vestigen. â Sommigen zien in de straf het uitgangspunt der groepeering van de knischheidswetten: vs. 10â15 bevatten dc gevallen, waarin doodstraf door den aardschen rechter kan worden toegepast; 16â21, de gevallen, waarop uitroeiing als straf staat. In ieder geval leert vergelijking van ons hoofdstuk met hoofdstuk 18, dat daar bloedvenoantscnap, hier huwelijk het eerst in aanmerking komend criterium is. .
2. nöNn SjOtl'1 'JS 'wv Deze en dergelijke formules worden gewoonlijk gebezigd in tegenstelling met het voorafgaande stuk. Was dat tot een beperkteren kring gericht, dan beteekent deze formule, dat het volgende tot het neheele volk moet worden gesproken. Hier, waar hoofd-stuk 19 zich tot de geheele vergadering der kinderen Israels wendde, schijnt dc term beperkende beteekenis te hebben en het stuk alleen tot de vertegenwoordigers des volks, de oudsten, gezegd te zijn. â psn or, het volk dés land-t. zie 4,27. Vgl. Deut. 16,7, waar bij terechtstelling ook gezegd wordt, dat de hand van geheel het volk den schuldige treft. â psa innrp, zullen hem doodwerpen met een steen, natuurlijk slechts nadat hij door het gerecht ter dood is veroordeeld. De straf van steeniging, die slechts bij de hoofdmisdaden (afgoderij en hoogste onzedelijkheid en enkele anderen) voorkomt, is de zwaarste doodstraf. Zij bestaat in het neerstorten van den veroordeelde van eene hoogtf, om dan, indien hij nog niet gestorven
88
12
3 Dnsnp nsj
|n' n|n i ijirrföi â¦bo
-nK jriN â¦:«! ; pxn inoaT pijn oy. nav mo ^b1? ^ |na Vl!P '3 lajr in« wani Ninn ir^a »J3 DNi : â¦Bhj5 D^-nK ^nbi *pi$ü-r\x NÃà f^D^» â¢â¢ inna «inn ^â¦Kn-jp bn^^rn» p«n h$y\ D^n tr'xa â¦aö-nK â¦:« 'noiri: in'K n^on Tto tiVs1? 1^0quot;
J' t r t vs*-: ⢠; - ; gt; â¢'* T V : * : |v a - *v ;- â¢
vnnx D^n-^l 1 1n^ 'rn.oni innötrpai Kinn -Vn njfin iirx B'fiani : dd^ 'nVsn nnw 1
«v ; ⢠v -: v v - ; ir^- v) jv | v v quot; jquot; quot;* â¢quot; ^ o : â¢
tfsaa â¦jötn quot;nriji Dnnn« nir1? D^yTrrVMi nüNn
VJV - - T V lt;⢠^quot;IT : AV quot;-JI- Vï* J* - V ; IT
on^ni Dri^nni : idj; in« 'jrpni Kinn» â¦nbn-nx bniö^i * : ds^n nin» â¦:« »3 D^npn
-1 â .. V V : - : IV â¢â¢ I v: it : j- -: .)⢠a- 1:
is, een zwaren steen op hem te werpen, of zoo noodig meerderen, die dan door het geheele volk worden geworpen. Naar aanleiding van de slotwoorden van vs. 27 leert de traditie, dat alle doodstraffen, waarbij « Tm of D3 Dmon gebezigd wordt, in steeniging bestaan.
3. tfiN Mocht de zaak niet bekend worden en dus de rechtbank geen doodstraf kunnen voltrekken, dan zal God den dader met uitroeiing straffen (zie Gen. 17,14) (Ibn 'Ezra). Wessely : behalve de doodstraf door den aardschen rechter, wordt de misdadiger in het eeuwige leven met uitroeiing gestraft. â 'cnpn ns nijd jrisS, om Mijn heiligdom als ongewijd, onrein te behandelen, als ware het niet heilig genoeg om daar zijne offers te brengen, maar moest men zich daartoe tot den Molech wenden. Ldzzatto : zoodat hij door anderen als onrein deed beschouwen Mijn heiligdom.
4. Indien de zaak bij het gerecht bekend is, maar zij den schuldige, om welke reden dan ook, niet willen straffen, dan zal God hem uitroeien en met hem zijne familie, die hem in zijn afval heeft gesteund, en geholpen heeft het onrecht ongewroken te laten (Siporno). Uitgeroeid worden slechts diegenen, die met hem den afgod hebben gediend; de verwanten, die hunnen invloed ten zijnen gunste hebben aangewend, worden door Gods toorn getroffen. â rur, ontucht plegen, vooral van eene gehuwde vrouw met een vreemden man; het is dus eenerzijds ontrouw tegenover den wettigen echtgenoot en het volgen van een ander; vandaar de gewone verbinding â nns rui, ontrouw plegen, hier tegenover God, en volgen van een vreemden God. (Vgl. Ex. 34.16). â Wessely meent, dat 'nisci sterker uitdrukking is dan Tn:!, en zou beteekenen; Ik zal Mijn toorn op hem doen rusten, zoodat hij lichamelijk door ziekte of dgl. getroffen wordt; terwijl woimeer op het zieleleven betrekking zou hebben. Hij verklaart ook innstisai als: allen, die met hem één van zin zijn, zeer onwaarschijnlijk.
7. DDBnprm houdt u heilig door u van afgodery en bijgeloof te onthouden, dan zult gij heilig kunnen worden door inachtneming der wetten van hoofdstuk 18 én 19.
LEVITICUS XX.
en ze volbrengen; Ik ben de Eeuwige, die u heiligen wil.
9 Maar ieder persoon, die zijn vader of zijne moeder zal vloeken, zal gedood worden; zijn vader of zijne moeder heeft
10 hij gevloekt, â zijne bloedschuld komt op hem. En iemand, die met eene gehuwde vrouw overspel drijft, â die met de vrouw zijns naasten overspel zal drijven, â dan zal zoowel de overspelige man, als de overspelige vrouw gedood worden.
11 En iemand, die bij zijns vaders vrouw zal gelegen hebben, â de schaamte van zijnen vader heeft hij ontbloot, â zij zullen beiden
12 gedood worden; hunne bloedschuld komt op hen neer. En iemand, die bij zijne schoondochter zal liggen, beiden zullen gedood worden; zij hebben eene afschuwelijke vermenging gepleegd,
13 hunne bloedschuld komt op hen neer. En iemand, die een man bijwoont, gelijk men eene vrouw bijwoont, een gruwel hebben zij beiden gepleegd; gedood zullen zij worden, hunne
14 bloedschuld komt op hen neer. En iemand, die eene vrouw en hare moeder zal nemen, opzet tot ontucht is het; door vuur zal men hem en haar beiden verbranden, opdat geen opzet tot
15 ontucht onder u plaats hebbe. En een man, die zijne bijwoning zal doen plaats hebben met een dier, zal gedood worden; en
16 het dier zult gij ook ombrengen. En eene vrouw, die tot eenig dier zal naderen, dat het zich met haar dierlijk pare, dan zult gij de vrouw en het beest ombrengen ; zij zullen ge-
17 dood worden, hunne bloedschuld komt op hen neer. En iemand, die zijne zuster neemt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder, hij ziet hare schaamte en zij ziet zijne
»⢠ascnpo. nte wil, dat gij heilig zijt, en u daartoe in Mijne wetten den weg heeft aangewezen.
9. 13. V. s. neemt Mijne wetten in acht, want op overtreding staat de doodstraf. Anderen: Maar wie enz. Ik wil u heiligen, maar zoo gij Mijn wetten verkracht, dan volgt straf. â SSfy, naar de traditie: onder het uitspreken van den naam Gods verwenschen. â ids nw tos ns, zijn vader of zijn moeder, zelfs na hun dood. â SSp «si vos, denkt eens, hoe afschuwelijk zijn daad is: zijn vader en zijne moeder heeft hij verwensckt! daarom: 13 vm, de bloedschuld voor het hem ontijdig ontnomen leven komt op hem, niet op de rechtbank, die hem veroordeelt! 12 vm = wsia im (Jos. 2,19).
10. injn nCJf DN lex. de herhaling, evenals in het vorige vers, om den ernst van het vergrijp in sterk licht te plaatsen. Wessely: zelfs al drijft hij overspel met de vrouw van iemand, die zijn vriend is en blijft; die in het overspel heeft toegestemd. De doodstraf is hier, gelijk overal waar zonder nadere bepaling doodstraf is bedreigd: worging.
11. amir. heiden, zoowel de zoon, als de vrouw des vaders, natuurlijk alleen indien zij ook vrijwillig ontucht heeft gepleegd.
12. Over zie 18,23. De uitdrukking is daar voor tegennatuurlijke ontucht, hier voor ontucht met door aanhuwelijking verboden vrouwen gebezigd. Deze misdaden worden dus op ééne lijn gesteld.
[89
D D'EHp Ut
-ibgt;n wx-'S : DD^ipa nin» â¦:« onx on^i»
v -: ⢠-â¢â¢ iv ; -1- : v.t : r -; at ⢠^i-
vzn bbp IQKI V3N nor mn iDN-nNi V^NTIK
jt t v.quot;»* â¢) * ; s' t at -J ^ * v : r t v squot;!quot;:
nB'KTlN nw IB'N ty'N n^NTK qx:» IB'N : 13 -
V â â¢â¢â¢ ^ V Kquot; : * jquot; -: ⢠â¢â¢â¢ V I - : ⢠«â¢â¢â¢ -: ⢠: i
-nx 2^ty, quot;itfK : nsxam nxsn narmo invt ^
- ; ⢠lt;v -; ⢠; v it - ; Kquot; - j- i V* â¢â¢
: D3 onw DH']^ inov-rviQ n^a vax nnv V3«
it -gt;v â¢â¢ : V.v â¢â¢ ; j : l i ^ at V,quot; J- ⢠t v -â¢â¢â¢
wy bnn on^B' innv nio in^a-nx naiy» ^'ni ^
v./gt; v jv av â¢â¢ ; v. ; i j t^- v - ; ⢠lt;v -: ⢠:
nB'K '22WD quot;IDTTN 33^' 11^« : D3 D!TOT ^
t ^ ⢠-â¢â¢â¢;:⢠tt v lt;- : ⢠v -; ⢠: it jv â¢â¢ ;
-ib'k b^'ki : D3 Dn'öi quot;inov mo Dmi? wv n3yin ^
v -: ^ * : it â¢â¢ : v,t j av â¢â¢ ; v t jt^quot; i
rnnNi inx ^«3 «in nar nax-nxi n^-nx np'
i v : v ; lt; ; ; ⢠quot;^t a- ^t ⢠\.r â v : -jt ⢠v isâ
nan33 in33^ ?n» t^'Ki : D33in3 nsr rvnrrN1?!»
v,t â¢â¢ : ⢠â¢) ; t^ ; Is-⢠v -: ⢠: iv ; i : vt * jv t r ;
quot;bx 3quot;ipn nt^Ni : uhnn ^a^3^-nN,) nor nlo«
lt;-1; ⢠v -; t ⢠: 1 -j i- v,t - v : at -*
nQn3n-nNi n^Nn-n» ruim nnx n^3n'7 nDn3-i73
at â¢â¢ ; - v : vt ⢠it v jr ; -it : t ^t; â¢: t â¢â¢ ; t
-n3 innjrm np-'i^K : D3 dh^oi inav niaquot;
-. v iâ ;â¢â -, -: ,'t gt;vpquot;p: it
-na nxin-K'm nnnyn^ nx-n ISNTI3-IN V3K
lt;v : ⢠r ; t t : â¢â¢ v t t : ⢠- i t
14. jnnjCI IDK. hem en ha a r, meervoud, v. s. omdat in ons vers tal van gevallen zijn begrepen, dus; alle bedoelden, voor zoover zij in elk bijzonder geval schuldig zijn; âin ons vers is nl. inbegrepen : samenleving met de moeder zijner vrouw, en met de dochter zijner vrouw, in op- en neergaande linie. â Anderen ; ingeval hij met beider voorkennis beiden tot vrouw neemt, en met beiden echtelijken omgang heeft, zijn heiden den dood schuldig. â lï-iri psa, niet op een brandstapel; de st ral'van verbranding geschiedde namelijk aldus: men goot heet gesmolten metaal in den mond, die, nadat de veroordeelde door ingraving in mest verhinderd was zich te bewegen, door een aan weerszijden stevig aangetrokken doek met geweld was geopend; er had dus inwendige verschroeiïng der ingewanden plaats. â De straf komt alleen bij onzedelijkheid voor; Lev. 21,9 en in de in ons vers bedoelde negen gevallen (nl. zijn dochter of kleindochter uit zijn zoon of dochter; de dochter zijner vrouw of haar kleindochter uit zoon of dochter; de moeder zijner vrouw of haar vaders- of moeders-moeder.)
15. Over -[rastr zie 18,20. Het dier wordt gedood, omdat het een mensch zedelijk heeft doen vallen en zijn voortbestaan een blijvende herinnering aan zoo groote zedelijke ontaarding zoude zijn.
17. nnny riN nxil) m hare schaamte, volgens de meeste commentatoren; hij kent de nvtï-verhouding, die tusschen hen beiden bestaat; en evenzoo zij ; beiden zijn zich dus ten volle bewust, een bloedschendige verbinding aan te gaan. Het in de letterlijke beteekenis des woords op te vatten, gaat niet aan, daar van samenleving sprake is en daarzonder de
L E V 1 T I C U S XX.
schaamte, â eene bloedschandige daad is het; zij zullen voor de oogen der kinderen huns volks uitgeroeid worden; de schaamte zijner zuster heeft hij ontbloot, â zijne misdaad zal hij dragen.
18 En iemand, die eene vrouw bijwoont in hare ongesteldheid, â⢠hij ontbloot namelijk hare schaamte, raakt ook maar aan haar bloedwel, en zij ontbloot de wel van haar bloed, â dan zullen
19 zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden. En de schaamte van de zuster uwer moeder of van de zuster uws vaders zult gij niet ontblooten, want zijn eigen vleesch raakt
20 hij aan ; hunne misdaad zullen zij dragen. En iemand, die de vrouw van zijns vaders broeder bijwoont, die heeft de schaamte van zijn oom ontbloot; hunne zonde zullen zij dragen; kinder-
21 loos zullen zij sterven. En iemand, die zijns broeders vrouw neemt, â geslachtelijke verontreiniging is het â die heeft de schaamte van zijn broeder ontbloot; kinderloos zullen zij zijn.
22 Gij zult al Mijne wetten en al Mijne rechtsvoorschriften in acht nemen en ze uitoefenen; opdat het land u niet uitspuwe,
23 waarheen Ik u breng, om er in te wonen. En gij zult uwen levenswandel niet leiden in de wetten des volks, dat Ik vóór u wegdrijf; want omdat zij deze allen gedaan hebben, heb
24 Ik eene walging van hen gekregen. Daarom heb Ik tot u gezegd; «Gij zult hun bodem in bezit nemen en Ik â Ik wil het u geven om het in bezit te nemen, een land, vloeiende
straf niet is bedreigd. â sin ton. V. s. naar het Arabisch en Spr. 14,34: schande; v. a. in den gewonen zin van non, liefde, toewijding, â zondige toewijding; zoo de Pi'el in Spi'. 25,10 : prijxgecen, hoogst verwerpelijk vinden; Wessely acht het geheele feit voorgesteld naar de redeneering des overtreders: en iemand, die meent ten huwelijk te nemen zijne dochter, hij vindt goed en verkieslijk hare schaamte, d. w. z. acht het natuurlijker zich met haar te vereenigen, dan met eene andere vrouw, hoewel in waarheid door de wet zij tot hem in rmr-verhouding staat, â zij meenen dus, dat dit hoogste liefde en toewijding is. â onr 'ja 'j'rS, ten aanzien der zonen huns volks; in het oog vallend zal hier de uitroeiïngsstraf voor aller oogen worden toegepast, wat misschien in andere gevallen niet of althans in mindere mate voorkomt. â tsn hij draagt zijne schuld, tot hij ten gevolge daarvan hier of hier namaals te gronde gaat.
is. nn, menstrueerend. â mrn nip» ns, al raakt hij slechts met het membrum .-npn = nm npü, de plaats, vanwaar haar hloedvloeiïng welt (vgl. Jebamoth 54«). mrn schijnt speciaal van geslachtelijke aanraking gebruikt te worden. â nn1?; tam, en ook zij ontbloot met opzet, evenals in vs. 17. Keiden moeten bekend zijn met het misdrijf, waaraan zij zich schuldig maken.
19- myn nNC iW Zijn hloedverwante, die een deel van zijn lichaam is (zie lb,6), raakt hi) in geslachtelijke samenleving aan. â wf D3ir, een vaak gebruikte term bij misdaden, die met uitroeiing worden gestraft.
20. vm de vrouw van den broeder zijns vaders, en wel van vaderszijde. Het verbod der zuster van een van beide ouders strekt zich namelijk ook uit tot de halfzusters van moederszijde (d. w. z. zusters van vader of
00
3 D'tnp Ã
ihnK jrny â¦aa irnDai «in -ion innr nnn^-ns n^i m-i n^x-nj^ 33Equot;-ityNKquot;Ni :
tt v «t ⢠; t t t ⢠v - : * v -j ⢠: it â¢
on^ir imaai -iipö-nN nnba Nirn ni^n nipo-nx
v*.* â¢â¢ ; j : : ⢠: t av t I-* ; v v,t : ⢠^quot; : x'vriv --tI :
n^n iih ^2K ninNi ?|sk ninx nn^i : dd^ ^ quot;HK 23W lï^K : WW D3^ Hl^n IIXt^TlK '23
- : . lt;.. -. ⢠. it * ^t*v;iv â¢gt; â¢â¢ : v s#
Bquot;XI : inD» onny i«s^ oxm r\^ in nnir inn^
⢠; i\t j' â¢^-: vt ⢠jr z v at ⢠v, J' ï ⢠t j
onny nba vn« nny Nin m: vnx n^N-nx np'
j. ⢠â¢)* t j~ .'.⢠quot;jt * v,* t v r* v i )â j'.' -:
nnv^i â¦â¡s^oquot;i?3-nNi ^hpn-^-nx Dmotfi : ==
vv ⢠- t ; ⢠v -| %. v lt;v ; - ; i :r ^
nsK' ddhk irao IITK pxn DDHK N'pn-xbi onx ,
.)â¢â¢â¢ : v r â¢â¢ ⢠-: v -: | ^ v t t v ; v I^t i : at ^ j«
n^o â¦lin n'pna iD^n n^i * : na rot?1?»
co-V- : r quot;! v -: - quot;*â ⢠1 . S'quot; , ^ ,= 'T ^ T n
DDN Da1? quot;10X1 : D3 rpKI lEty n^N^mK »3 DD'Jaö ^ c n
v - v T . â *quot; ,T ,T^ » k%t't v â¢â¢ t v lt;⢠av â¢â¢ : ⢠wc
nar riK nnx n^nV oa1? n3:nK 'ixi bno-ix-nx ityi'n *
j~ t i v.)v t v jvt v t t«v i v * -jlquot; t t : quot; v -» i 1quot; '
moeder, die met dezen wel dezelfde moeder, maar niet denzelfden vader liebben gehad); terwijl de vrouw van den broeder des vaders door den Pentateuch alleen verboden is, zoo het broeders uit één vader zijn; de vrouw van den halfbroeder des vaders, die slechts met dezen van dezelfde moeder is, is door rabbijnsche bepaling verboden. â ins' D'-vnï, kinderloos zullen zij sterven; ook al hebben zij reeds kinderen, zullen zij ze verliezen. Het is v. s. een andere term voor de straf van uitroeiing; anderen, naar het Arabisch: tot schande en afschrikkend voorbeeld voor hun volk, v. d. soms kinderloos, daar kinderloosheid als eene groote schande werd beschouwd. Hier dan in de oorspronkelijke beteekenis, daar immers de kinderen, die de schuldigen uit wettig huwelijk hebben, niet getroffen worden door de straf voor de latere overtreding van een hunner ouders.
21- V/IN niTJC rw» Naar Deut. 25,5 moest, bij kinderloos overlijden van den broeder, zwagerhuwelijk plaats vinden. Hier wordt dan ook gedacht aan het geval, dat de broeder wél kinderen heeft. Sommigen zien dit in de uitdrukking svi nu aangeduid, die zij verklaren: wanneer zij als eene in menslrnntie-ajzondering ver keer en de te beschouwen is, nl. in het geval, waarin zoodanig huwelijk verboden is; anderen; ivanneer zij eigenlijk gemeden moest worden, naar de oorspronkelijke beteekenis van het woord (zie 12,2). â w B'Tnp, v. s. zij zullen geen kinderen krijgen, kinderloos blijven; zie vs. 20.
22â24. Aan het slot van het hoofdstuk, dat de straffen op kuischbeids-overtredingen bevat, eene vermaning, overeenkomende met die 18,3â5 en 26â28 aan begin en slot der verbodsbepalingen.
24- vnnan ICX» geel' u het land, Ik, de Eeuwige uw God, die u van de volkeren heb onderscheiden door Mijne wetten en die u, zoo gij deze niet handhaaft, van dien bodem verdrijven zal evenals uwe voorgangers. Tevens de overgang tot het volgende: maakt dus een onderscheid enz.
LEVITICUS XX, XXI.
van melk en honig; Ik, de Eeuwige, uw God, die u van de
25 volken afgescheiden heb. Gij moet dus ook onderscheid maken tusschen het reine vee en het onreine, en tusschen het onreine gevogelte en het reine, en uwe personen niet tot een afschuw maken door vee en door gevogelte of door al hetgeen, waarvan de aarde wemelt, dat Ik voor u afgescheiden heb, het onrein
26 verklarend. â Gij moet Mij heilig zijn ; want heilig ben Ik, de Eeuwige, en Ik heb u van- de volkeren afgescheiden, opdat
27 gij Mij zult behooren. En een man of eene vrouw, onder wie een doodenbezweerder of waarzegger zal zijn, zullen gedood worden ; met steenen zal men hen dood werpen, hunne bloedschuld komt op hen neer.quot;
1 De Eeuwige zeide tot Mozes: HZeg tot de priesters, de zonen van Aharon, en zeg tot hen: dat hij zich niet verontreinige aan
2 een lijk onder zijn volk. Alleen aan zijn nabestaande, die met
25. Niet alleen de kuiscliheidswetten, ook de reinheids- en spijswetten van hoofdstuk 11 moet gij stipt in acht nemen; ook zij dragen in hooge mate tot uwe levensheiliging bij. â Bij de vogels staan de onreinen, bij vee de reinen het eerst genoemd, omdat bij de vogels de 24 onreine, bij de zoogdieren de tien reine soorten met name genoemd worden (Wessely). â nmsn ics, waarvan de aarde wemelt-, rraisn is dan onderwerp en cm
in den zin van: als zich bewegend schijnen gebruikt; anderen nemen Sa als onderwerp, dat dan als verzamelwoord vrouwelijk is gebruikt, daarom ïWfl, 3de pers. vrouw.; het woord beteekent dan ; zich kruipend voortbewegen en nsixn staat voor naixn Sr. Meestal wordt bij eni niet nns maar ps gebruikt, daar nmx meer de voortbrengende bodem beteekent, wat dus ook meer voor de eerste opvatting spreekt. â smdS, het onrein verklarend-, anderen: zoodat het u onrein maakt.
27. Over de herhaling zie onze aant. vs. 1. â ais ons rw â¢o, v. s. in wie zich een geest van een afgestorvene of dgl. bevindt, althans naar zij voorgeven; zie 19,31.
Hoofdstuk XXI. Van hoofdst. 11 af was de levensheiliging voor geheel het volk in al haar zijden besproken ; thans volgt de bijzondere levensheiliging der priesters. Deze bestaat in de onthouding van verontreiniging aan lijken, het sluiten van huwelijken naar bijzonder voor hen geldende wetten, en het niet tot het priesterambt naderen van met lichaamsgebreken behepte priesters. Vs. 1â9 handelt van den gewonen priester, en wel 1â5 over hun handelwijze ten opzichte van lijken, 6â8 over hun huwelijk, afgesloten met oacipn 'n lt;jn', en vs. 9 bespreekt de bijzondere heiligingswet voor dochters van priesters. Vs. 10â16 behandelen dan de wetten voor den hoogepriester in dezelfde orde: 10â12 ten opzichte van gestorvenen â afgesloten met 'n 'js â vs. 13â15 huwelijkswijding, waarbij vs. 15eenigs-zins parallel loopt met vs. 9, â afgesloten door luipa 'n ijs. Met vs. 16 begint eigenlijk een nienw onderwerp; de lichamelijke staat van den dienstdoenden priester; dat wordt dan ook met een nieuw -qti ingeleid. (Als speciaal voor mededeeling aan de priesters, niet voor het volk bestemd, zijn de beide stukken gericht: tot Mozes, om ze Aharon mede te deelen.)
01
*o D iük D^unp Kï
-?D DDnK nin» ':K ^3-11 nSn
I ⢠vv ,: 'â¢* f ' squot;*' : * v ~: v quot; 1 v: â¢jt : * at ; t
-pai nNOtsS n-intan nonan-pa ari^am * : d^dvn ^
i ,.. t .. .^ - t ; - ct^ â¢â¢ : - i iquot; t ^ it
nonaa oa^n^arnM â inta1? Nötan tiivn
â »t â¢â¢ : - â¢.â¢â¢â¢!:- v : 1 : at- ^vquot; t - i j t
: Kaïsb on1? ^ian-ityK naixn yam Sbai «iiyai
!â¢â¢ - : t 'ij-:* v -: t t-:it â¢* t ⢠â »â¢.⢠-t : i t
-:q ddpk nirr â¦jn trnp *2 D^np ^ nn^ni«
I ⢠â )â¢' : v r -it at : â *⢠-; v.It j- ⢠I: ⢠vlt;⢠;r
ik 21« Dra n'n»-^ HB'N-INà B'^KI : ^ nvrh D'Sttn«
j â¢gt; jv t â¢â¢â¢:!â¢â¢ t ⢠1 -â¢â¢ : r j : r v,-^ it
ö : D3 onw Dn'N idsquot;)» pita wov nio
it jv â¢â¢ : ^t j : :' l v ov t at -⢠v :*
moNi nnx a^n'an-1?» iöK n^a-^4 nin» na^i«
â 't : - it :# i a-: 1- â¢Â»â¢â¢ ; ^- -: 1 - v ^ v: v v t ; v lt;-
anpn in^-DK gt;2 : vsjra ^Ã:1? DH^K =
^it- â¢â¢ ; ⢠⢠â¢lt; it : v.t - * 1 vjv z v â¢â¢ -:
Vs. 23 sluit ook deze wettengroep weer met Di:-ip?5 'n ijn, waarop vs. 24 de raededeeling volgt, dat aan het voorschrift van vs. 17 is voldaan.
1- -IONquot;1quot;!. Tusschen iss en nai maken sommigen hetzelfde verschil, als tusschen zeqgen en spreken. Het laatste is: woordklanken uiten, het eerste: woorden, die zin nebben, tot een ander richten. Gewoonlijk luidt het inleidend formulier: nca Sx 'n i;ti. God sprak tot Mozes en deze zeide het gehoorde tot hen, wien het aanging. Hier daarentegen: iiss*!, dus: God zeide, wat dan bij de wetgeving verklaard wordt: uitvoerig behandelen en toelichten, â terwijl -in dan is; in korte zinsneden uitspreken. â isn Dwon Sn, volgens Ibn 'Ezra, Siporno en anderen: zeg de voorafgaande wetten â offerwetgeving, reinheids- en levenswijdings-wetten â n u tot de priesters, orha mwn beteekent dan: en zeg hun bovendien de volgende, speciaal hen betreffende wetten. Daar echter de formule: maxi ⢠⢠⢠to i2T DroSx meermalen voorkomt, neemt Nachm. ook hier eene dergelijke herhaling aan, maar niet van synoniemen, maar van hetzelfde stamwoord. â oman pns 1:2. Gewoonlijk luidt deze formule: pan pns 132; de formule, zooals zij hier staat, beteekent naar de traditie: zeg tot alle priesters, oud en jong, met of zonder lichaamsgebrek, voor zoover zij Aharons zonen zijn, en niet door hun geboorte uit een, den priester verboden, verbintenis hunne priesterwijding hebben verloren. â tej1?. Het is waarschijnlijk, dat rs:, oorspronkelijk ziel, soms gebruikt wordt als euphemistische uitdrukking voor: ontzield lichaam. Zoo Lev. 19,28, Nu in 5,2 e. a. p. â smo' sS es:1?. âb s»d wordt gebruikt van verontreiniging, die iemand voor het heiligdom tijdelijk ongeschikt maakt; â2 nsü! voor de lichamelijke en tegelijk moreele verontreiniging door verboden spijzen, verboden geslachtsomgang enz. â nsc sS, zal hij, ieder der genoemde priesters, zich niet verontreinigen. â WM, onder zijn volk; het meervoud in den zin van; de stammen van Israël. De zin is; aan een lijk, dat zich onder zijn volk bevindt, waarvoor dus gezorgd wordt door de familiebetrekkingen des overledenen, mag de priester zich niet verontreinigen. Vandaar de bepaling, dat aan een onverzorgd lijk verontreiniging, om voor het begraven te zorgen, ook voor den priester plicht is. Anderen: de priester mag zich onder zijn volk. zijne landgenooten,
LEVITICUS XXI.
hem nauw verbonden is; aan zijne moeder en aan zijnen vader en aan zijn zoon en aan zijne dochter en aan zijn
3 broeder; En aan zijne zuster, als zij nog eene maagd is en bij hem inwoont, die nog aan geenen man heeft toebehoord;
4 aan haar zal hij zich verontreinigen. Hij mag zich niet verontreinigen als gezins-hoofd onder zijn volk, zoodat hij zich
5 zou ontwijden. Zij zullen zich geene kale plek maken op
^ hun hoofd, en de hoeken van hun baard niet afscheren, en
6 in hun vleesch zullen zij geene insnijding maken. Heilig zullen zij zijn voor hunnen God, en den naam van hun God niet ontwijden; want de vuurgaven des Eeuwigen, de offerspijs van hun God â zij brengen ze nader, daarom moeten
7 zij heilig zijn. Eene ontuchtige of ontwijde vrouw zullen
die zich met het lijk bezighouden, niet aan eenig lijk verontreinigen. Siporjjo: aan een lijk onder zijn, des priesters, volk, dat niet het lijk van een bloedverwant is. Nog anderen: van een persoon, die reeds onder zijne volkeren is â een lijk; als in de uitdrukking Tgt;»r Sn cpxii, tot zijne volkeren verzameld worden = overlijden.
2- vSn anpn iW?. Daar isc? eigenlijk vleesch beteekent, wordt door sommigen, onder verwijzing naar Gen. 2,24, hier onder nxo de echtgenoote verstaan. Anderen zien dit in i'Sx :ipn, welke bijvoeging bij bloedverwanten niet noodig zou zijn. Lev. 18,6 waar onder inü bloedverwant verstaan wordt, is dit door de uitdrukking nca ixc nader gepreciseerd; hier beteekenen dan de woorden: aan vleesch van zijn vleesch, dat hem eerst nabij, verwant is geworden, door zijn huwelijk. Wanneer vs. 3 bij de zuster tgt;Sn nnnpn wordt bijgevoegd,quot; dan beteekent dat: die hem nabij is
eb lev en, waar de bloedverwantschap niet voor den inniger band des
uwelijks heeft moeten wijken. Num. 27,11 staat eveneens tSn aiipn iiso innsonn in den zin van; bloedverwant, die inderdaad zoo nauw verwant is, dat hij tot zijne familie behoort, d. w. z. in de vaderlijke linie verwant is, daar tot nnsun, familie, geslacht, alleen de uit één vader, of althans van vaderszijde uit denzelfden stam gesprotenen worden gerekend. Zoo wordt naar de traditie ook hier onder broeder en zuster alleen de uit denzelfden vader geborene verstaan. Nog anderen verklaren nSs anpn in den zin van: die tot zijn gezin behoort, van zijne spijzen eet; bij priesters dus: allen, die van de, den priester toegewezen, gewijde spijzen mogen eten. tSn aipn nxü zijn dan algemeen; verwanten, die van zijne spijzen eten mogen, ook de vrouw dus; vSn navipn inns, de zuster, die nog in zijn gezin leeft, van zijne gewijde spijze eten mag; terwijl ds plaats Num. 27,11 eveneens beteekenen zou: die tot zijn gezin behoort. Ibh 'Ezra ziet in iinü algemeene begripsaanwijzing van de volgende verwantschapsgraden. Dan zou van de vrouw, die toch zeker den priester zeer na staat, gezwegen worden, wat zeer onwaarschijnlijk is (vgl. vs. 4).
3. nSvm die nog niet hare maagdelijkheid verloren heeft; vSn nanpn, die hem nabij is, niet door huwelijk in eene andere familie is overgegaan; Ibn 'Ezra : die nauw verwant is als afstammelinge van den zelfden vader.â ovs'S nnvi nS ion, die, bij haar dood, niet aan een man behoorde, ook niet als door j'pvrp met een man verbonden vrouw, bij wie de eigenlijke echtverbintenis nog niet heeft plaats gevonden. âsat:' nS, naar de traditie; moet hij zich verontreinigen, het is plicht zich met de verzorging der lijken van verwanten bezig te houden.
92
JO quot;)ÃK 3S
nbman ihnnbi ; vn^i innbi usbi vaxbi idn1? vhx gt;
t ; - lt; -ji~ ; r t : ^ : j ; ⢠: ⢠t ; # ; at â¢â¢
Köta» ah : am' rb nn'n-x1? 1% nanpn ^
v.t - ⢠j it^- ⢠\.t * a* : v,t;it jv -j t â¢â¢ jt i; -
nNSji dk'nis nnnp : ibnn1? vspa ^2quot;
j- ; t ; t tlx *â¢-. ;l; ⢠1 ^ 1
vn» D'Khp : nüTtr N1? ontói inbr N1? DipT1
; r «* ^ v ,ttq ^ : : ⢠j tt : ⢠a--: ^ v.tIt:
on1? nin» â¦tamp;rnN *3 Dn'ribK DB' Dn^K1?
n^m nar nÃw : ^Tp vni oanpD on Drrn'bK'
â¢Â» tt -11- lt;t t ⢠v|i jt ; v,* *1; - jquot; â¢)â¢â¢â¢ â¢â¢ 1 v:
4. rajn Sya. Nachm. : hij, de priester, mag zich als heer. voorname, onder zijn volk, niet verontreinigen, daar hij zich daardoor zou ontwijden. Ibn 'Ezra : in het algemeen mag ook geen voorname onder zijn volk zich verontreinigen; Wesselï : de allervoornaamste onder zijn volk, de hongepriester, echter mag zich in het geheel niet verontreinigen; de dezen betreffende voorschriften volgen echter uitvoerig vs. lOvgg. Naar Nachm. verklaring bevat ons vers een onnoodige herhaling van het slot van vs. 1. Tegen Ibn 'Ezra's opvatting spreekt, dat van een verontreinigingsverbod voor de aanzienlijken in Israël nergens melding wordt gemaakt. Het woord Vra moet dan ook, met de traditie, worden opgevat in den zin van : huisheer, hoofd van een gezin; het vers beteekent dan: hij, de priester, zal zich als gezinshoofd onder zijn volk niet verontreinigen. Daarin ligt dan v. s. het algemeene verbod van verontreiniging aan het lijk zijner echtgenoote; v. a. aan de verwanten zijner echtgenoote, die vaak bij haar inwonen, hare moeder of dochter. Keil ziet hier in anult; meer een algemeen begrip; hij veront-reinige zich als gezinshoofd niet door huwelijk met eene hem 'verboden vrouw of verkeerde, tuchtlooze opvoeding zijner kinderen, â waar echter vs. 5 zeker nog van handelingen spreekt, die in verband met dooden den priester in het bijzonder verboden zijn, zeer onwaarschijnlijk. De traditie neemt hnrh als appositie bij Sra, en verklaart: als hoofd eener verbintenis, waardoor hij zich zou ontwijden, d. w. z. gehuwd met eene vrouw, die hem ongeoorloofd is, mag hij zich aan haar lijk niet verontreinigen onder zijn volk.
5. Hoewel de hier gegeven verbodsbepalingen ook voor den gewonen Israëliet gelden (vgl. 19,27 en 28 en Deut. 14,1), worden zij den priester bijzonder voorgehouden, daar zij, als dienaren des heiligdoms, nog meer dan het overige volk de voorschriften der levensheiliging moeten in acht nemen en heidensche dwaalbegrippen, doodenvereering enz. hun zeer zeker vreemd moet blijven. Evenzoo wordt 22,8 speciaal voor den priester het verbod van nnci aas van een dier, dat zijn natuurlijken dood gestorven of verscheurd is, herhaald, hoewel dit ook herhaaldelijk reeds voor geheel Israël is uitgesproken. (Zoo is ook de veel besproken plaats Ez. 44,31 te verklaren). â nmp, een kale plek, gelijk uit Deut. 14,1 blijkt, alleen verboden wegens een doude, evenals 19,28 bij insnijding blijkt. Zie overigens t. a. p.
6. Tegelijk slot van de eerste en inleiding tot de tweede wettengroep.â Meer dan geheel Israël, wien heiliging als levensroeping is gegeven (19,1), zijn de priesters tot heiliging verplicht als de mannen, die op het altaar brengen de vuurgaven van de offers.
7- nar, eene zich prijsgevende vrouw; naar de traditie speciaal: eene vrouw, die echtelijken omgang had met een man, met wien een huwelijk
LEVITICUS XXI.
zij niet huwen; ook zullen zij geene vrouw huwen, die door haren man verstoeten is; want heilig is hij voor zijn God.
8 Gij zult hem heilig houden, want hij is het, die de spijze van uwen God nader brengt; heilig zal hij u zijn, want heilig ben
9 Ik, de Eeuwige, die u heilig wil doen zijn. En de dochter eens priesters, die zich door ontucht te plegen ontwijdt, haren vader
10 ontwijdt zij â door vuur zal zij verbrand worden. â De priester echter, die de voornaamste is van zijne broeders, op wiens hoofd de zalfolie uitgegoten is, en dien men gewijd heeft om de kleederen te dragen, zal zijn hoofdhaar niet wild laten
11 groeien, en zijne kleederen niet scheuren. En tot eenig lijk van een gestorven persoon zal hij niet komen; zelfs aan zijnen vader en aan zijne moeder zal hij zich niet verontreinigen.
12 En uit het heiligdom zal hij niet gaan, opdat hij het heiligdom van zijn God niet ontwijde; want de kroon der zalfolie
haar verboden is. â nV?n, eene uit een voor priesters verboden echtelijken omgang geboren vrouw, en ook de vrouw zelve, met wie hij voor hem als priester verboden omgang had ; kinderen van D^n hebben wederom hetzelfde karakter; v. a. eene gevallen vrouw; het woord beteekent in ieder geval: onhmjd. â nB'S» nero. door haren man verdreven, van hem echtelijk gescheiden.
8- Vlïjnpl. gij zult hem heilig doen zijn, onderwerp is de Israëlietische volksgemeenschap; gij moet er voor zorgen en waken, dat hij zijn heilig karakter door verboden huwelijk of verontreiniging enz. niet schendt. Ibn 'Ezra ; behandel hem, in uw denken en spreken, ah een heilig persnon, eer hem en houd hem hoog. Anderen zien dit voorgeschreven in mm np â¢p, heilig zal hij voor u zijn, door u gehouden worden, als de persoon, die de offers brengt voor God, die u allen heilig wil zien.
9- p3 VS fDI, de dochter van een man, die priester is; vgl. Ex. 2,14; DBm quot;W cw; Recht. 6,8; tcaj ex. â Lev. 22,12 wordt een priestersdochter op het oogenblik van haar huwelijk: jro na genoemd ; hier is, naar de traditie, sprake van een gehuwde vrouw, die dus in eene andere familie is overgegaan en haar priesterlijk karakter alleen nog maar aan haren vader ontleent. Sommigen zien dit in de woorden ;ro c\s ra aangeduid: zij is de dochter van iemand, die priester is; zelve heeft zij die eigenschap reeds verloren, is gehuwd. â bnn 13, een Niph'al van SSn, ontwijden;
die zich ontwijdt, Snn = Snn; als Hiph'iel in den zin van; beginnen, moest
het Snn luiden. â Terwijl een Israëlietische gehuwde vrouw, die ontucht
pleegt, met den dood door tvorging gestraft wordt, wordt bij een priesters-dochter de zwaardere doodstraf door verbranding toegepast (vgl. 20,14).
10. rmco Sn;n, die de voornaamste is onder zijne broeders, de andere priesters; v. s. die in werkelijkheid, door persoonlijke eigenschappen het hoogste staat onder allen, zoodat hier indirect zou zijn voorgeschreven, steeds den waardigste tot hoogepriester te kiezen; v. a, die door keuze tot voornaamste, tot hoofd der priesterschap is aangevezen. â â ⢠⢠⢠pïv irx YT ns nSsi, op wiens hoofd de zalfolie is gegoten; slechts bij de eerste priesterwijding door Mozes werden ook de gewone priesters gezalfd ; overigens
93
K3 quot;)0K 3X
: vrhvh Kin Bhp-^ in|5» ib ntrNi m
it iquot; v. j\r r Iat* -* v.t ⢠iquot; jr ; 4t ⢠: it*
wipT nnpö «in Dnb-nK_»3 intJhjrp
niaïV^nn^ rrts tr^ rai : DD^ipo nin» i^inp
⢠qvquot; quot; Jquot; ⢠quot; j- iv : *1- ; v.t : J' ~ i gt; quot;quot;
bnanrrüm D : eiiirniyN3 n^no
t - i â¢â¢ - ; i i**t ⢠vquot; t v v - : â â â¢â¢ t ⢠t ^
ii'-nn «boi nnt^sn tqk' i pïv*ibgt;m vn«o
t v â¢quot;' ⢠t : ⢠- i v lt;â¢â¢â¢ ^ ' » j~ v -j t v â¢**
: ühamp; ab vnani jns* ab I^kthn onaan-nK
i ; ⢠j {tt : t : * ^ v a*t : - v v. : *
â roi : «sta» üb ïmb) vwh ab no n'^srba tyi ^
i ⢠p it^- ⢠j v. * : j- t ; at -⢠vquot;. j gt; t 4quot;-2*
jöiy -ira »3 vri^K tripo dk Vvgt;n^ kïquot; n1? Bnpan
I v-iv vquot; â at v: -*-1; - vquot; quot; - : ...... J Tl: ⢠-
was alleen voorgeschreven den hoogepriester te zalven, die dan ook daarom dikwijls mcnn jron heet. â itgt; ns xSai, en dien men, de vertegenwoordigers des volks, het hoogste gerechtshof, met het ambt heeft bekleed, de hooge-priesterlijke kleederen, die Ex. 28 beschreven zijn, te dragen; v. s. geven de beide uitdrukkingen één begrip; dien men door zalving tot het dragen der kleederen heeft gerechtigd; v. a. worden twee gevallen behandeld, wat reeds in de verschillende vormen der werkwoorden (pm Hoph'al, «Sn Pi'el) zou zijn aangeduid; de zin is dan: dien men gezalfd heeft, of, bij ontstentenis van zalfolie of om welke reden dan ook, tot zijn ambt heeft gewijd, doordien hij, zonder voorafgaande zalving, de hoogepriesterkleeding aantrok. â rif nS it\si rs enz. Zie onze aant. 10,6. Den gewonen priester is het niet verboden, bij overlijden van verwanten, het haar te laten groeien en zijne kleederen in te scheuren. Slechts in het Lev. 10 vermelde geval, waar de beide zonen van Aharon voor den dienst niet konden gemist worden, werd het hun uitdrukkelijk verboden.
ii- no nraj Sa Sjn. Het meervoud nes: met het enkelv. rin verbonden, naar Ibn 'Ezba te verklaren: aan eenige lijken van een dood lichaam.â !«â gt; nS, hij zal er niet bij komen-, ook zonder dat hij het lijk aanraakt, is het hem verboden onder een dak (bedekking) te komen, waaronder zich een lijk bevindt. De traditie breidt op grond van de uitdrukking rre w Sa, deze bepaling uit tot deelen van een lijk, die als kern van een levend wezen kunnen beschouwd worden: een olijfgrootte vleesch, een kwart Log bloed, een geheele schedel enz. De traditie leert verder, dat na deze algemeene wet niettemin speciaal vader en moeder nog eens genoemd worden, ter aanduiding, dat ook de hoogepriester zich niet mag onttrekken aan de zorg voor een onbekend lijk.
12. ns' nï cnpon joi, en, wegens het sterven van een bloedverwant, zal hij het heiligdom niet verlaten, d. w. z. ook terwijl zoo even een bloedverwant is gestorven en hij dus pi» is, mag hij den dienst blijven doen, mag den dienst, waarmede hij bezig is. niet onderbreken. Een gewoon priester mag in zoodanige omstandigheden den dienst niet voortzetten. â Tjm nSi, zijn dienst verlatende, zou hij den heiligen dienst ontwijden; niets, ook niet de smart over het verlies zijner verwanten, mag door hem hooger gesteld worden, dan zijn ambtsplicht in het heiligdom. â De bedoeling is niet, dat de hoogepriester steeds in het heiligdom moet zijn en dit nooit mag verlaten. De samenhang geeft reeds, dat hier uitsluitend gedacht
LEVITICUS XXI.
13 van zijn God is op hem ; Ik ben de Eeuwige. En hij â eeue
14 vrouw in haren maagdelijken staat zal hij huwen. Eene weduwe, eene verstootene, eene ontwijde of eene ontuchtige, dezen zal hij niet huwen; maar eene maagd uit zijn volk zal hij tot vrouw
13 nemen. En hij zal zijn zaad niet ontheiligen onder zijn volk;
16 want Ik ben de Eeuwige, die hem heilig.quot; â De Eeuwige
17 sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot Aharon, als volgt: iemand van uw kroost, in hunne toekomstige geslachten, die een lichaamsgebrek zal hebben, zal niet naderen om de spijze
18 van zijn God te offeren. Want ieder man, die een lichaamsgebrek heeft, mag niet naderen ; iemand, die blind of lam is,
19 die een ingedrukt neusbeen of een lid te lang heeft; Of iemand,
20 die een beenbreuk heeft of eene gebroken hand; Of een bultenaar, of dwerg, of die een ineengeloopen oog heeft; die drooge of
21 vochtige schurft heeft, of wiens teelballen platgedrukt zijn. Ieder,
wordt aan een sterfgeval; bovendien vinden wij van onafgebroken verblijf in het heiligdom nergens een spoor, dan alleen gedurende de zeven dagen der wijding. â u:, de onderscheiding, wijding, vgl. 10,7.
13. Hij mag niet, wegens de heiligheid van zijn ambt, ongehuwd blijven, maar zal, is verplicht eene vrouw te nemen. â mSnaa, eig.: in het bezit harer maagdelijkheid; naar den Thalmoed: eene mr:, een lichamelijk nog niet geheel ontwikkeld meisje, â (gedurende het eerste halljaar na het optreden der teekenen van huwbaarheid). Het slot van vs. 14 geeft dit voorschrift nog eens iets nader gepreciseerd.
14. ruoStf, eene weduwe, die met een ander door een huwelijksband was vereenigd, ook al had de eigenlijke huwelijksgemeenschap nog niet plaats gehad. â wsk, van zijne stammen, niet juist uit den priesterstam, maar in ieder geval uit Israël, maar geene proselietin dus. â .-ut nvrn = run nSSm, zonder verbindings-waw, zooals vaak voorkomt.
15. ynf VjIT Hij zal zijn zaad niet onturijden, door buitenechtelijken omgang met een der hem verboden vrouwen; anderen; opdat hij, door zoodanig huwelijk, zijn kroost niet ontwijde; de kinderen, uit zulk een
huwelijk voortgekomen, zouden SSngt; voor het priesterschap ontwijd, zij n;
evenals de kinderen uit een huwelijk van een gewonen priester met een hem als zoodanig verboden vrouw. De SSn staat geheel en al op één lijn met ieder ander Israëliet. â icnpts, die h e m, den priester, of het kroost of zaad, geheiligd wil weten.
17. pnx bü quot;OT tot Aharon, als hoogepriester, wien is opgedragen ervoor te waken, dat niemand tot priesterdienst nadert, die om welke reden dan ook ongeschikt er voor is. â di», een gebrek, zooals uit de hier bij de priesters, 22,22 v.v. bij offerdieren en Deut. 15,21 bij eerstgeborenen opgesomde gebreken blijkt, alle uiterlijk merkbare gebreken. De plaatsen vullen elkander, naar de traditie, aan en de genoemde gebreken moeten slechts als voorbeelden, niet als de eenige als gebreken aangemerkte lichaamsfouten gelden. â rp.ti -iük, aan wien op het oogenblik een gebrek
94
ND quot;IDK li*
: njp; irSinrn Nini : nin» vb^ vp^K nnK'p ^ nbinro» »3 np'N1? n^N-ntt m? nbSm ntyiUTn^N^
jt : ⢠.)⢠Iat* â ⢠v v.quot; â¢â¢ t jt t -ii- t ; lt;t t : -
nin» »3« »3 vay3 i?bn^l?,i : nu'K np* vsj^ö 10
; Jquot;i â¢)⢠at â i :- jquot; - ; i : it ⢠Ij- v.t^-im
quot;i3i : lONb nin» quot;isti D * : it^npo,a ?
jquot; - i â¢â¢ ^jv v ^t jquot; -:- i :l - : p
diqü n^nquot; quot;IEW onhi1? ^iio ioNb pntr'w
jv : i* v âj t i: l^r ;-⢠â¢Â»â¢ a â¢â¢ i ^ -: i-
oio 13-quot;i^n *3 : vn'jN on1? 3npnl? 3np» kV ^
v, j v -i â¢gt;⢠t r it v: vjv^ v'l: - i : * â¢'
ik : ynir ik Dquot;in ik nsa ik iw b^k 3npgt; k1? ^
j , t ^ v.'-.t j - ⢠j lt;⢠ati: ⢠j
ik priK rsriK : quot;at? ik ^ quot;13^ 13 rrrriBte3
^ | - | jquot; ⢠| it v jv \, vat ^ v jv ^ jv ; r v -:
: quot;hï^k nno ik nfiv»* ik 3iJ ik 1373 bbsn w
t I v it - j : v v v - tt lt; rt : -»â â¢, - :
zijn zal, onverschillig of het aangeboren is, of eerst later ontstaan. â ïnpnS aipn nS, hij mag niet eens naderen om te brengen (Wesselï).
18. tptji} S3 'D) al is hij een, wat den leeftijd en overige ontwikkeling aangaat, volwassen man. Vóór het bereiken der manbaarheid mag geen priesterzoon dienst doen. â di» 12 iün, aan wien een gebrek is; al is het van voorbij gaanden aard, mag hij toch, zoolang het gebrek zich vertoont, geen dienst doen. â mn, eig.: verscheurd, doorgebroken, naar de traditie speciaal; iemand, wiens neusbeen zoodanig misvormd is, dat het niet tusschen de oogen naar voren steekt, maar men een rechte lijn kan trekken van het eene oog naar het andere. â rvw, eig. gestrekt, iemand, die een lichaamsdeel heeft, dat te lang gerekt is; speciaal: wiens eene heup langer gestrekt is dan de andere; ook in het algemeen: wie bij paarsgewijze optredende ledematen het eene grooter heeft dan het andere ; bijv. de oogen.
20. 13^3 sssn W pT W pj W- IBN 'Ezra : een bultenaar (pj, heuvel), of een dwerg (pn, iemand, die verpletterd, die klein van gestalte is). Eéne opvatting in den Thai moed laat «'ra op alle drie uitdrukkingen slaan en verklaart po; iemand met een gebrek aan de icenkbrauicen, wiens wenkbrauwen samengegroeid zijn of over de oogen afhangen (van d^ï ni3J, Lev. 14,9) en het Chaldeeuwsche DW», wenkbrauwen); pi, vau pn, vlies, iemand, die een vlies op het oog heeft; wra SSan, iemand, die een vermenging heeft, dooreen-loopen van het wit in den pupil, den iris doorsnijdend. â Nachm. merkt op, dat eerst besproken wordt het ontbreken van een orgaan, blind of lam,â dan misvorming van een lichaamsdeel, ïrw is Dm, â vervolgens: verwonding van een lid, breuk van hand of voet, â en eindelijk een slechts misstaande misvorming-, het slot van ons vers geeft dan huidziekten en een gebrek aan de schaamdeelen. â .nsS' is au, beide ongeneeslijke melaatschheidachtige ziekten, au schijnt algemeene naam te zijn; hier, waar het tegenover nsS, Egyptische, natte schurft, staat, beteekent het: drooge schurft; Deut. 28,27 wordt het voor natte schurft gebezigd. â ipn nnn, Ibn 'Ezka en Nachm. : wiens teelballen opgeblazen, met wind gevuld zijn, van mi Het is volgens Nagum, geen eigenlijk gebrek, maar iets, wat vooral bij bejaarde mannen voorkomt; anderen: platgedrukt, of verweekt, van mn, dat alleen Jes. 38,21 voorkomt in den zin van: tot een pap fijnmaken.
LEVITICUS XXI, XXII.
die een gebrek heeft, onder het kroost van den priester Aharon, zal niet naderen om de vuurgaven des Eeuwigen te offeren; een gebrek is aan hem, hij mag dus niet naderen om
22 de spijze van zijn God te offeren. Van de spijze van zijn God, zoowel van de allerheiligste als van de heiligste, mag hij eten;
23 Slechts tot het voorhangsel zal hij niet komen, en tot het altaar niet naderen, want een lichaamsgebrek is aan hem; en hij zal Mijne heiligdommen niet ontwijden, want Ik, de Eeuwige, heilig
24 ze.quot; Mozes sprak tot Aharon en tot zijne zonen, en tot al de kinderen Israels.
22 2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt; «Spreek tot Aharon en tot zijne zonen, dat zij zich van de heiligdommen der kinderen Israels onthouden, (opdat zij Mijnen heiligen naam niet ontwijden,) welke dezen Mij heiligen; Ik ben de Eeuwige!
3 Zeg tot hen: voor uwe toekomstige geslachten, ieder, die naderen zal van al uw kroost tot de heiligdommen, welke de kinderen Israels den Eeuwige wijden zullen, terwijl zijne onreinheid op hem is, die persoon zal van vóór Mijn aangezicht uitge-
4 roeid worden ; Ik ben de Eeuwige ! Ieder van Aharons kroost, terwijl hij melaatsch of aan vloeiing lijdende is, van de heilig-
21. Algemeene herhaling van het verbod om dienst te doen, tevens als tegenstelling voor het volgende vers, dat het eten van offerspijze ook voor den met een lichaamsgebrek behepten priester toestaat.
22. vnSx anS. de hun door God toegekende spijze. â ffgt;cnpn 'enpn, toonbrood, zond- en schuldoffer, en meeloffer, â D'cipn jsi, en van de minder heilige, heffingsdeelen van dank- en vredeoffer, heffingen enz.
23. Hij mag niet alleen geene diensthandelingen verrichten, maar zell's niet komen bij het altaar, het brandofferaltaar en al wat daarbinnen ligt. Naar Maim, mag hij zelfs niet die ruimte betreden. Nachm. meent, dat slechts het dienstdoen hem is verboden. â lEnpn, v. s.: de Mij gewijde plaatsen, v. a. de Mij gewijde offers. â Dinpo, die ze, de offers of de tempelruimten, meervoud, heiligt. Van den priester was slechts in
het enkelvoud sprake.
24. Mozes sprak tot Aharon en zijne zonen en tot al de kinderen Israels, al wat voor ieder van deze groepen gezegd was; hoofdstuk 20 tot Israël, 21,1â5 tot Aharons zonen en 16â23 tot Aharon alleen.
Hoofdstuk XXII. 1â16. Bijzondere wetten voor de priesters, betreffende het eten der gewijde spijzen en wel 1â6 het verbod om in staat van onreinheid te eten, 7 en 8 wanneer dan en wat al, dan niet gegeten mag worden; 9-16 urne ze eten mag.
2. ntn. In ihh, zich afgezonderd houden, v. s. meestal in den zin van; als onbevoegde, ongerechtigde zich van iets onthouden; de zin is dan: laat hen niet meenen, dat zij gerechtigd zijn ten allen tijde en onder alle omstandigheden de gewijde spijzen te genieten, maar laat zij in bepaalde gevallen zich ervan onthouden. Die gevallen worden dan nader gepreciseerd, zoowel wat den lichaamstoestand van den persoon, als wat zijne verhouding tot het gezin van den priester aangaat. â 'wit'i 'ja 'tnpn, van de door
95
33 «D quot;)ÃK nï
wn» anpn1? vy amp; jn'an pn» jnjp DID IS-IK'K anb : nnprV? m' vriSn onS nx lij did nin»»
vv rh - ; v.-* j t â¢â¢â¢: v -â¢â¢.⢠â¢â¢lt; -⢠at ;
quot;bx TIK : D^nsn'TDi D^npn â¦Bhpa vriVx»
)J- iquot; v - I ⢠a* TI»: - cquot; :iT * T *.â¢:
xbi 13 mo_,3 wy ah nsran-^Ni KS» N1? roSan
.... lt; ; a -⢠* v,quot; * j quot;â¢)â¢â¢:*quot; v ; t â gt; v t -
pnK-^K nvD isi') : DKnpa nin' »3 ^ipDTiï» ^
| v-:i- v v -â¢â¢â¢ it :lquot; : v,t ; r -: â )⢠- ti: â¢
s : ,:3-1?3-1?ni VJ3-l?Ni
f ^ â¢*⢠T ; * v*' ⢠t V : AT T V :
vw-Ski pnN-1?» 131 : idnv' ni^D-bN nin» 121^ *
TT ^ ... : 1 1.- V â¢â¢â . quot; r.. ... .T : ^quot;-r-a
on ibw ^ip Di?-nN i^n» ^71 bxiw-'zi â¦ty-ipo nrai
squot; v -j a* ;It v ^ : j : â¢â¢ t : ⢠r* : :It ⢠zit*:
1 DD'nnl1? Dnbx im : nin* ^ D^ipöj
-â¢* T V â¢â¢ : V â¢â¢ -» -⢠v: IT ; r 1 r â¢!: -
quot;'23 IB'np: IPK D'^n-^N DD^irVsp Snp'-'IfN â¦JÃ^O Ninn trasn nrn3^ vby inNDüi nirrb \tiiw
^-t : ⢠rmm Vr*V t :; â¢; at*^ v. t : r 1- â¢â¢ t : â¢
b*E'ip3 3T IN piï Nini pnK yitü :nin'
⢠TI*:quot; T j T « : I -: i- ^ -JV ⢠⢠J- IT ;
de kinderen Israels gewijde zaken. Rashie vat â¢â cip du nN iSSm vsSi als tus-schenzin op, zooals wij het ook hebben vertaald, en brengt den volgenden betrekkelijken zin -h wipn Dn ips in verband met Ssicn'aa'een, â de heiligdommen, die zij, Israël, zullen wijden, of: van de heiligdommen der kinderen Israels en van wat zij, de priesters. Mij zullen wijden. Ibn 'Ezra verklaart; opdat zij Mijn heiligen naam niet ontvijden, noch wat zij, de kinderen Israëls, Mij ter eère heiligen. Ehrlich: opdat zij niet ontwijden het karakter Mijner heiligdommen die zij Al ij wijden,
3. Da'nnS. zelis voor moe komende geslachten; natuurlijk gold de wet evenzeer Aharon en zijne zonen zelve. â aip* irs. Daar het verbod om in staat van onreinheid te eten uitdrukkelijk volgt, kan hier a^pi niet eenvoudig beteekenen : naderen tot aanraking, daar dan het verbod van eten daaruit vanzelve zou volgen. â tiSj? irisnai, tencijl zijne onreinheid op hem is; hier wordt alleen gedacht aan de gevallen, waarin de persoon, die eet, onrein is, zooals uit de volgende specificatie blijkt.
4. pnx inio I?1» vx, van het kroost van Aharon, mannen zoowel als vrouwen; de Thalmoed neemt aan, dat hier aan nam, de voor den priester bestemde heffing van het graan enz. gedacht wordt, wat de eenige gave is, die uitsluitend door alle leden der priesterfamilie mag gegeten worden. â tto' â¢ton ir, totdat hij, door baden, rein zal zijn geworden en naar vs. 7 de zon zal zijn ondergegaan. Is in het algemeen van offergaven sprake, dan moet tto' ifN tr worden opgevat in den zin van: totdat hij zijn reinigingsoSer zal hebben gébracht (zie vs. 6). â cej sno Saa j-jom, en wie aanraakt ieder of welke zaak ook, die onrein geworden is door een lijk. Wie zelve een lijk heeft aangeraakt of er mede onder één dak is geweest, is zeven dagen onrein en op hem past dus de bepaling van vs. 7 niet; zie overigens vs. 6.
LEVITICUS XXll.
dommen zal hij niet eten, totdat hij rein geworden zal zijn; evenzoo wie wat ook aanraakt, dat door een lijk is ver-
Sontreinigd, of iemand, wien teelvocht ontvloeid is; Of iemand, die eenig kruipend gedierte aanraakt, dat voor hem onrein is, of een mensch, die voor hem onrein is, door welke zijner ver-
6 ontreinigingen ook; â De persoon, die zoo iets aanraakt, zal tot den avond onrein zijn, en niet van de heiligdommen eten,
7 tenzij hij zijn lichaam in water gebaden heeft. Als dan de zon zal zijn ondergegaan, zal hij rein zijn ; en daarna mag hij
8 van de heiligdommen eten ; want zijne spijze is het. Wat gestorven is of verscheurd zal hij niet eten, waardoor hij on-
9 rein zou worden; Ik ben de Eeuwige. Zij zullen het door Mij hun ter inachtneming toevertrouwde in acht nemen, opdat zij daardoor geene zonde op zich laden en daardoor sterven, als zij het ontheiligen; Ik, de Eeuwige, ben het,
10 die hen heilig. En geen vreemde zal iets heiligs eten ; geen huisgenoot eens priesters of huurling zal iets heiligs eten.
11 Een priester echter, die een persoon voor zijn geld zal
5- iS NOUquot;' quot;Vffü pif, een kruipend dier, in voldoende hoeveelheid, dat het ten zijnen opzichte onrein is, d. w. z. dat het hem onrein kan maken; naar de traditie: eene lins-grootte. â V1 onsa, een mensch, die zoo-
danigen giaud van onreinheid heeft, dat hij voor hem onrein is, d. w. z. hem door aanraking verontreinigen kan, dat is: nsision as, hoofdbron van verontreiniging (zie Lev. 11,33). â insa'o 'quot;oS, die voor hem onrein is, met betrekking tot, vanwege elke voor den mensch geldende verontreiniging, zooals de nog niet genoemde gevallen: eene menstrueerende of aan vloeiing lijdende of door het kraambed onreine vrouw
6. 13, aan een der genoemde personen of zaken. Laat men dit en het volgende vers slaan op al de genoemde gevallen, zoodat voor allen bepaald zon zijn; dat de onreinheid slechts int den avond dunrt en hij onmiddellijk na zonsondergang, zoo het riineel bad is voorafgegaan, wederom van de gewijde spijzen mag eten, dan moet hier uitsluitend van nmin sprake zijn, daar voor het eten van ojfferdeelen eerst hel reinigingsoffer, waar dat noodig is, (bij aan vloeiing lijdenden, melaatschen en kraamvrouwen) moet zijn gebracht. Dan staat hier dus, dat een melaatsche of aan vloeiing lijdende, ook na het reinigingsbad, onrein blijft tot den avond, â terwijl in al de andere genoemde gevallen, de verontreiniging in het algemeen geen andere werking heeft, dan gedurende den dag zelf onrein te doen worden. â Anderen zien echter in vs. 6 en 7 slechts een voortzetting van het laatst besproken geval: iemand, die een kruipend dier of een onrein persoon heeft aangeraakt, is slechts tot den avond onrein, hij moet een ritueel bad nemen en is geschikt om gewijde spijzen te eten. Van het brengen van een offer is immers in zoodanig geval geen sprake. In deze opvatting spreekt onze plaats niet alleen van nsiT, maar van alle den prie-ter toegewezen heilige spijzen. â De tradilie verklaart ons vers aldus: tot den avond is hij onrein ten opzichte van se Wij de spijzen; hij mag absoluut geen heilige spijzen eten, tenzij hij eerst zich gebaden heeft; is dat geschied, diin mag hij tenminste tienden genieten-, is daarna, na het bad, de zon ondergegaan, dan is hij rein, en kan ook Theroema eten.
90
13
3D 1ÃK quot;lï
1« BtehtöLrbDa Wam inta» ivx ip nS
-» vv â¢â¢ : t : *⢠~ : at : * -â¢.â¢-: - J
yb : ynrnapK' issp Nïri-i^Kn
: inKüta bbb I^-NDû bquot;i«2 IN ir«ot2»
i t : \ ^ v : T s * Jv t TT : * . A T : ⢠JV -:
D^^n-|p SDK' xbi, hnqüi irpn ^ tra:;
SDK' nnKi müi wDwn «21 : D'aa nira rm-DN »3'
j- - - : A** T * V - jt ⢠IT - ^ T ; I ^ T ⢠â¢)â¢
-nNüüb ^3N» N1? nöquot;iL2i r63: : Nin lonS »3 D^ipn-rDn
T : ^T : ^- j IT â¢â¢: st â¢â¢ : i \. : - j' ⢠TI *:- I â¢
«tan vbv 'mwvnn no^i : nin» n3c
; â¢â¢ t t lt; ; ⢠1 : ⢠: - ; * v j ; it : it ; v* quot;* at
^n'-n4? quot;ir,?3,i : Dir^po nin» irMrr »3 13 mm1
^ ^ J V.T t ; IT :l- ; v,t : j* -: a-.. : - : v, jquot;
n:p»-»3 früi: B'ip |n'3 3^in trij? ^
i- «in ianS 13. want m zs de hem toegewezen spijze, waarop hij als priester vooral is aangewezen: Theroema.
8. Wat gestorven of verscheurd is, al was liet Gode gewijd, mag door de priesters evenmin gegeten worden als door den gewonen Israëliet. (Vgl. onze aant. 21,5). Eene Thalmoedische verklaring ziet in ons vers; een gestorven reinen vogel behandeld, die bij het eten, bij het doorslikken, onrein maakt, ook zonder aanraking. Daar namelijk vogeloffers niet door slachten, maar door afknijpen van den kop gedood worden, wat anders steeds tot de rubriek nSn:, aas, behoort, en niettemin het vogelzondoffer door den priester wordt gegeten, was een afzonderlijk verbod voor de priesters, om buiten de verplichte gevallen een niet door slachten gestorven vogel te eten, noodzakelijk.
9- VnÃCD- Het aanhangsel is hier subjectief; wat Ik hun ter bewaring heb gegeven; dit is tegelijk Dmncc, het hun toevertrouwde, het doelt op het in het vorige vers genoemde icn1:, de Theroema, of de offerspijze. Zoo is ook het mannelijke aanhangsel in rSï en ia verklaard. Als zij het niet in acht nemen, maar in staat van onreinheid ervan eten, zouden zij er zonde door op zich laden en door Gods hand sterven, ah zij het door eten in onreinen staat ontwijden.
10. 1}, niet-priester, waaronder dus niet alleen niet-Israëlieten, maar ook
ewone Israëlieten en Levieten begrepen zijn. â tnp, wederom Theroema, aar het vleesch van vredeoffers en dergelijke (D'Sp DT-rp) door alle reine Israëlieten mocht gegeten worden. â ;rD atnn, een blijvend in het huis van den priester opgenomen niet-priester; daar naar vs. 11 slechts lijfeigenen van des priesters spijze mogen eten. kan hier niet aan een atiin u', aan een niet-Israëliet, die bij den priester inwoont, gedacht worden, daar deze volkomen vrij is en dus door vs. 11 reeds is uitgesloten. Naar de traditie wordt hier een niet-Israëlietisch, levenslang verbonden arbeider of een Israëlietische slaaf bedoeld, die, na het einde van de zes jaren, bij zijn heer blijft en door de ceremonie van Ex. 21,6, tot het Jobel'jaar aan het huis van zijn heer, den priester, is verbonden. â too, een voor bepaalden tijd door den priester als arbeider gehuurd Israëliet. â Van niet-Israëlieten is dan hier geen sprake, maar door logische consequentie volgt uit de hier gegeven wetten vanzelve, dat hij geene Theroema eten mag, tenzij in het geval van vers 11.
LEVITICUS XX1J.
gekocht hebben, â dan mag deze ervan eten ; ook de in zijn
12 huis geborenen, zij mogen van zijne spijze eten. En de dochter eens priesters, die eenen vreemden man zal gaan behooren, die
13 zal van de heffing des heiligdoms niet meer eten. De dochter eens priesters echter, die weduwe of verstooten is, terwijl zij
feen kroost heeft, en welke weder tot haars vaders huis terug-eert als in hare jeugd, die mag van de spijze haars vaderseen kroost heeft, en welke weder tot haars vaders huis terug-eert als in hare jeugd, die mag van de spijze haars vaders
14 eten ; doch geen vreemde mag ervan eten. Doch iemand, die in dwaling iets heiligs eten zal, dan zal hij er het vijfde deel aan
15 toevoegen, en den priester het heilige geven. En men zal de heiligdommen der kinderen Israels, die zij ter eere des Eeuwi-
16 gen als heffing geven, niet ontwijden ; Zoodat zij eene schuld van misdaad op hen laden, terwijl zij hunne heiligdommen eten ; want Ik, de Eeuwige, ben het, die hen heilig.quot;
1817 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: âSpreek tot Aharon,
11. Daar een Israëliet, naar Ex. 21,2, nooit blijvend eigendom kan worden, maar slechts tijdelijk in den dienst van zijn heer treedt, neemt de traditie aan, dat hier van een heidenschen slaaf sprake is, daar deze alleen 1BD3 pp, voor zijn geld verworven eigendom genoemd kan worden. De Joodsche slaaf van een priester mag geene Theroema eten. â wa quot;P^v, de in zijn huist geboren kinderen, hetzij van niet-Israëlietische slaven en slavinnen, of uit een niet-Israëlietische slavin, die hij naar Ex. 21,4 zijn Israëlletischen slaaf tot vrouw heeft gegeven.
12. ir trvcS rrnn die de vrouw wordt van een niet-priester. â CPt'Tpn nanra, van de heffing der heilige offers, d. i. naar de traditie: van den schenkel en het borststuk der vredeoffers, die door alle huisgenooten des priesters gegeten mogen worden, mag zij, eens met een niet-priester gehuwd, nooit meer eten, ook niet na ontbinding van haar huwelijk. De Theroema immers wordt ook in onze afdeeling steeds rip of Dv' quot;ip genoemd; de hier gebezigde uitdrukking doelt dus klaarblijkelijk op iets andei's.
13. Wordt haar huwelijk echter ontbonden, door den dood vim haren echtgenoot of echtscheiding, dan mag tX], zoo zij geene nakomelingschap heeft, en in het huis haars vaders terugkeert, niet tot een leviraatshuwelijk verplicht is, en in den staat als in hare meisjesjaren, niet zwanger is, (Wesselï) â dan is dit alles nog vóórzin en de nazin luidt; van de spijze haars vaders mag zij eten. Anderen laten met naoi den nazin beginnen: als zij, bij ontbinding des huwelijks, geen kinderen heeft, dan keert zij terug tot het huis haars vaders als in hare meisjesjaren en mag dus weer van het brood haars vaders eten. Dit doelt uitsluitend op Theroema; schenkel en borststuk worden haar, nadat zij eenmaal door haar huwelijk het vaderlijk huis had verlaten, nooit weer toegestaan. â ia SaLSquot;» sS n Vai, geen vreemde echter, ook niet de met een niet-priester gehuwde priestersdochter, mag ervan, van de Theroema, eten. Wjsssely: elke niet-priester, ook de priesters-zoon, geboren uit een verbintenis met eene den priester als zoodanig verboden vrouw. â Dit ons vers blijkt tegelijk, dat de weduwe, die kinderen heeft, deel blijft uitmaken van het huisgezin van haren echt-
Senoot. De priestersdochter, die met een priester gehuwd was, blijft hetenoot. De priestersdochter, die met een priester gehuwd was, blijft het
us verboden Theroema te eten, zoo zij kinderen neeft; de niet-priesters-dochter daarentegen, die met een priester gehuwd was en kinderen heeft, mag, ook als weda we of gescheiden vrouw, de priestergaven mede uenieten.
14. cnp. Theroema. Het eten van gewijde zaken, hetzij offerdeelen of
91
iD -iök ty
â nai nonVaiVa^Dnin^TViia «in 1202 pip2'
i : - : ^ : i v** â¢â¢â¢Â«â¢â¢ a j v : quot; l-»-:l*
: boxn o^ipn norma Nin it n^nn ^arria-
iquot; ^ j ; ⢠at â¢*'^. ^ â¢'q -»* ' quot;
-VN naa'i nb p« piTi nibrui n^D^N n'nn *3 TrtaTav
t t : T i -iquot; quot;*â¢*: t ; -r t : - v : r ^ ^ i â¢â¢
â¢jaN^^1? -irVai baxn n^ax onbo nniwa rvaa n^a
J m t ; ftquot; t v* t vvv ⢠t v ^ ; ⢠t ⢠t «â¢â¢
rnai irv^an tp*) na^a Bgt;ip VaN^^a B^KI : la^
i t : t t ⢠r -: |lt;-t; att ; / vlv, i' â¢* ⢠; i
m bxTti^ »:a ^np-nw NVI : Bgt;ipn-n« triabiB
gt;â¢â¢ fgt;quot; t : ⢠â v.quot; :It ; - : -⢠: v|i - v Uquot; -
-HK D^axa na^N w dhik IN^HI : nm^ lon^nt^K'»
vt : t : t ; - i -, -: t «⢠⢠; it i- v*t v -:
ö * : DB'ipQ nin» â¦JK »3 Dn»i5hj5 |
vaa-^i r'-inN-bN nai :1ONVgt; nin» quot;la-m
V : TT V ; I -; I- v â¢â¢ - i â¢â¢ jv v : r* -:-m
aan de tempelkas gewijde dingen, is 5,14 vv. bij nSu1», gebruik van gewijde zaken, behandeld. â tgt;Sï urron tpvi, zie 5,16. â tnpn ns jnji, hij zal den priester geven het heilige, dat hij hem in dwaling heeft ontnomen; Ibn 'Ezra: hij zal het vijfde den priester geven met het heilige, dat hij heeft verteerd. Nacum. : hij zal den priester dit alles, wat immers nu heilig is, = hoofdsom en vijfde, geven; daaruit volgt dan, wat de traditie leert; dat hij den priester zoowel de hoofdsom, als het vijfde van den bijslag in ongewijde veldvruchten moet betalen, die zelve het heilige Theroema-tarafóer krijgen.
is. iSSrp nSv Men, priester zoowel als niet-priester, ontwijde niet, door onbevoegd of in onreinheid eten, de heiligdommen der kinderen Israels, Theroema, die zij immers wel den piiester geven, maar toch ter eere des Eeuwigen ah heffing geven; anderen: wat zij nog als heffing moeten geven, veldvruchten, waarvan nog geene Theroema gegeven is, mogen ook niet door een niet-priester gegeten worden. â Anderen: zij, de priesters, zullen niet ontwijden, door niet-priesters ervan te doen eten. Het volgende vers be-teekent dan: en zij, de priesters zullen niet, (sS uit het vorige vers voor won aan te vullen) door in onreinheid te eten, een misdaad op zich laden, a/s zij hun gewijde spijzen eten. Naar onze opvatting echter, als vs. 15 algemeen, zoowel tot priester als niet-priester gericht is, beteekent vs. 16: en men zal hen, priester of niet-priester, die onrein of onbevoegd geheiligde spijzen eten, schuld doen dragen hij hun eten, als zij eten zouden hunne, Israels heiligdommen, als onrein priester of als onbevoegd niet-priester. â nnwt pp zou dus beteekenen: de straf voor een schuld doen dragen, d. w. z. een bïw mVïO, een schuldoffer wegens ongeoorloofd gébruik van gewijde zaken laten brengen. Daar echter bij Theroema geen schuldoffer voorkomt, verklaren anderen: zij zouden zich met misdadige schuld beladen, als zij, niet-priesters, hunne, der priesters heiligdommen zouden eten. Lüzzatio: zij, de priesters, zouden, door hun gewijde spijzen onachtzaam te behandelen, hen, de niet-priesters, schuld dom dragen, daar zij, niet-priesters, dan allicht hunne, der priesters, heiligdommen zouden eten.
17â33. blaat der offerdieren; 17â25 behandelen algemeene uiterlijke vereischten en gebreken, die het dier als offer onbruikbaar maken; 26â31 eenige uiterlijke omstandigheden, die het dier ongeschikt doen worden, terwijl de laatste verzen dit gedeelte der wetgeving afsluiten met een plechtige herinnering aan den uittocht uit Egypte.
LEVITICUS XXII.
en tot zijne zonen quot;en tot al de kinderen Israëls, en zeg tot hen: ieder uit het huis Israëls of van de vreemden onder Israël, die zijn offer brengen wil, voor eenige gelofte of voor eenig vrijwillig geschenk, dat men ter eere des Eeuwigen brengen
19 wil tot brandoffer; Tot welgevallen voor u, zonder gebrek, een mannetje, van het rundvee, van de schapen of van de geiten.
20 Alles, waaraan een gebrek is, moogt gij niet als offer bren-
21 gen; want niet tot welgevallen zou het voor u zijn. En iemand, die een vredeoffer ter eere des Eeuwigen brengt, wegens eene bijzondere gelofte of als een vrijwillig geschenk, van het rund- of van het kleinvee, zonder gebrek zal het zijn, tot wel-
22 gevallen; eenigerlei gebrek mag er niet aan zijn. Met blindheid behept, of gebroken, of opengereten, of met puisten, of met drooge of vochtige schurft, dezen moogt gij ter eere des Eeuwigen niet brengen; en een vuurgave zult gij er niet van op het
23 altaar leggen, ter eere des Eeuwigen. En een os of een lam, dat een lid te lang of te kort heeft, daarvan kunt gij wel tot vrijwillige gave bestemmen; maar als gelofte zal het niet tot
24 welgevallen aangenomen worden. Wat door platdrukken, verbrijzelen, afscheuren of uitsnijden ontmand is, zult gij ter eere
18. Tjn jDI ' * * CV? CW Ook niet-Israëlieten kunnen brandoffers brengen, mits aan dezen eisch voldoende; over naui ru, zie 7,16.
i9- oajnS. zoodat het in staat is, om welgevallen voor u op te wekken. d. w. z. naar de voorschriften, waartoe in de eerste plaats de volgende behooren.
20. ianpn kS. Wanneer deze uitdrukking hier bij herhaling gebruikt wordt (vs. 20,22 en 24), dan ziet de traditie daarin de verschillende stadiën der offering aangedaid: wijding, slachten, Uoedsprenging van een met een gebrek behept dier, worden afzonderlijk verboden, terwijl va. 23 uitdrukkelijk het op het altaar verbranden van een gedeelte zelfs verbiedt.
21. tu xSaS, eig. onderscheiden; het zich onderscheiden, iets vrijwilligs doen; naar uit Num. 6,2 blijkt: eene gelofte op zich nemen; dan beteekent â nj NsiS; wegens eene gelofte, die hij op zich heeft genomen. Anderen zien in de uitdrukking den zin van: iets bijzonders doen, hetzij door de gelofte of door de daad, dus ook: vervullen eener gelofte; dan wordt vertaald: ter vervulling eener gelofte. Rashie, Ibn 'Ezra en Onkelos verklaren met: uitspreken; dan beteekent de 'S ook: wegens, ten gevolge van. â De eisch: 131, dat het mannelijk moet zijn, wordt bij vredeoffers niet gesteld. Daarom wordt deze groep afzonderlijk genoemd. Schuld- en zondoffer blijven, als niet-vrijwillige offers, buiten bespreking. â « mm .sLgt; di» ^3 pï-iS nvr» con, zonder gebrek zal het tot welgevallen kunnen zijn, geenerlei gebrek mag er aan ontstaan. Dan staat in ons vers, dat het verboden is een gebrek aan een als offer bestemd dier te doer ontstaan.
22. miy. Naar Rashie zelfst. naamw., = rrro Sr:, met blindheid behept, evenals ; naar Ibn 'Ezra bijv. naamw. bij een verzwegen pr ; bij de overige gebreken wordt echter geen bepaald lichaamsdeel genoemd. â Ibgt;quot; 'Ezba citeert eene verklaring, die mat; voor een breuk aan den voor-
08
33 ion rtf
â¢foi bNiir» n'so V'N on^N niONi *?amp;â «?⦠â¦as-^
i ⢠^ â¢â¢ t ; gt;quot; * av â¢â¢ -: vt : quot; â¢â¼ : â¢â¢ t ; ⢠-â¢â¢ ; t
Dnünr^i onmr^1? usip^pmrN^Nn^a i;n
t ; â _ t : â¢.â¢â¢â¢;⢠t ; t ;It «*1:- v -j â¢â¢ t : ⢠: -
np33 quot;i3T D'on D3:Ãquot;I^ : n^V nin^ «np'-ii^K ^
itt - tt -â¢â¢ t AV : i : ⢠it : ^t i- Jfl~ V -i
N1?-^ ^npn N1? DIO 13quot;quot;1B*N *73 ; D'Tjni D,3ty333
j . a,l: ^ ^ v quot;* ^ i it v* t : -
'nhsb nin,l7 d,o^-n3r 3np»-»3 : 03'? n^n» m-n «
â¢â¢ - : T . â¢quot; ^ ' T : ',v * i* * : iv t ^v; r i ^ v â¼
did'^3 ïiyn1? n:n» d^pn ?nï3 in ip33 nin^ in m:
^ v. t t. . .1 lt; t i a 9ktt ^ tt. - V.
3ia in rpa'-isï nin-in in miy : la-n^n» N1?M
tt « V V quot; i | j t i t VV^- | V ; t j
'by ono ^nn-N1? n^Ni rtirr1? hVn ^npn-Nb nfi^ lx
# quot; â¢Â»â¢â¢â¢ ^ ⢠i v ⢠: at i- v vquot; ^â¢h quot; i v v- j
inN nfryn nsi: ui^pi ntri : nin^ nsran »
-,v |- t t: ait: -⢠t v.quot; t ^ ï «t iquot; -v.**: * quot;
i3npn N1? niquot;i3i pmai â¢niyoi : nx^ N1? ^
^*1: quot; ^ t : i j t : t : i lt; t IV tiquot; j ;
poot, iquot;quot;quot; aan 'ien achterpoot verklaart. Het is echter zeer onwaarschijnlijk. Breuk geldt bij alle lichaamsdeelen als gebrek; -pin is eig. ingesneden, bijv. een gespleten lip. â nSa', een puist, v. s. wrat, v. a. een etterende zweer, van ba», vloeien.
23. tSlbpl yWffgt; te groot, gestrekt; of te klein, naar den Thalmoed; welks hoeven niet gespleten zijn, hoewel hefc een os of lam is, eene abnormaliteit dus; het woord beteekent; samengetrokken. â in.lt; rrorr nau, op het altaar mag niets komen, wat een gebrek heeft; tot vrijwillige gave echter kunt gij het gebruiken; vs. 18 toch is voor offer van welken aard ook, ranj of tij, elk gebrekkig dier afgekeurd. De zin is dus: gij kunt het wijden, nrvn, tol geschenk, voor de tempelkas, r.'nn pna1». Beteekent ncr offerhandelingen verrichten, dan staat als voorwerp het dier zelve genoemd ; hel zou dan hier moeten luiden irx ncyn ra-u1?, indien de zin was, dat zulk een dier als vrijwillige gave op het altaar mocht komen (wat door vs. 18 trouwens reeds uitgesloten ia). Vgl. 16,8 nxcn vrop, hextemmen, niet; bereiden. Mendelssohn verklaart, dat het geheele vers van gaven voor de tempelkas spreekt en ook daarbij een onderscheid maakt tusschen rou en ru; heeft men namelijk een bepaald object voor de tempelkas gewijd, dan mag dit, al heeft het een gebrek, als heilig beschouwd worden; de waarde komt der tempelkas ten goede en men heeft een goed werk gedaan. Heeft men echter, zonder aanwijzing van een bepaald object, bijv. beloofd een os aan de tempelkas te geven, dan mag daarvoor geen dier worden aangewezen, dat een gebrek heeft, (vu, wanneer hij zegt; quot;n, ik neem op mij ; nan:, als hij gezegd heeft; it »-in, dit bepaalde object wijd ik).
24. een dier met platgedrukte teelballen ; r.ina, met stukgeslagen teelballen; piro, afgetrokken teelballen, met de hand losgerukt, al bevinden zij zich nog in den balzak; nna, afgesneden, met een instrument, al zijn zij nog in den balzak aanwezig. Ook gecastreerden door verminking van de penis worden als gebrekkig beschouwd. â wjrri oansai, en in uw land zult gij ze niet maken, een verbod van het castreeren van dieren, ook Onreine, oaïi.sa is hier niet op te vatten in den zin van; in uw land,
LEVITICUS XXII.
des Eeuwigen niet ten offer brengen; en in uw land zult gij
25 het niet maken. En uit de hand van een vreemde zult gij niet brengen de spijze van uwen God van al dezen, â want zij hebben hunne bedorvenheid aan zich, een lichaamsgebrek
26is eraan; zij zullen voor u niet tot welgevallen zijn.quot; â En
27 de Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Een os, een schaap of een geit, die geboren wordt, zal zeven dagen bij zijne moeder blijven; en van den achtsten dag af en verder zal het tot welgevallen kunnen strekken, als vuuroffer ter eere
28 des Eeuwigen. En een os of een lam, hetzelf en zijn jong
29 zult gij niet op éénen dag slachten. Als gij ter eere des Eeuwigen een dieroffer tot dankbetuiging slacht, zult gij het
30 als offerdier slachten tot welgevallen voor u. Op denzelfden dag zal het gegeten worden, gij zult er niets van overlaten
Falaestina, als zou het buiten Palaestina geoorloofd zijn; maar als tegenstelling van het heiligdom; daar raoogt gij het niet als offer brengen, en in geheel uw land, waar gij ook woont, moogt gij ze niet maken.
25. Van niet-Israëlieten, die offers kunnen iaten brengen op het altaar Goda, moogt gij daar, waar het als spijze voor uwen God dient, niets aannemen en brengen, wat een dezer gebreken heeft. Buiten het heiligdom zijn naar de traditie voor niet-Israëlieten alleen zoodanige dieren als offer ongeschikt, waaraan een lid ontbreekt. â Dra onn-ji o, verdorven is het lichaam, door castreering of eenig ander gebrek. â Naar de traditie wordt een dier, dat door een lichaamsgebrek als offer ongeschikt zon worden, evenzeer ongeschikt, doordien het gebruikt is voor ontucht of afgodendienst of voor die laatste bestemd.
26 v.v. Uiterlijke omstandigheden, die het dier tijdelijk ongeschikt doen worden, tevens aanduidende eenige positieve eischen, waaraan het offerdier voldoen moet, â om met de herhaaldelijk voorkomende waarschuwing tegen het te lang laten liggen van offervleesch te sluiten.
27. \y IK 3BO Mi nr. Lbn 'Ezra: een jong, dat eens een os, een schaap of een geit zal worden. Waarschijnlijk echter als soortnaam te beschouwen: een dier, dat tot de ossen of schapen of geiten behoort. Dan staat in deze woorden niet onduidelijk, dat de afstamming zuiver moet zijn, de teekenen en kenmerkende eigenschappen der soort zich duidelijk moeten vertoonen, zal een dier als offer bruikbaar zijn. a\sS3, een uit kruising van schaap en geit geboren jong, en nou, wat op eene andere soort gelijkt, bijv. een jong van een schaap, dat kenteekenen der geiten vertoont, is onbruikbaar. â nSr -ito, dat geboren wordt door natuurlijke geboorte. Ook hierin ziet de traditie een eisch voor het offerdier aangeduid, dat de geboorte normaal moet zijn geweest, niet door operatie, zooals bijv. keizersnede, bewerkt. â De wet bij elk jong geboren offerdier luidt nu: ids rnn ffis' nraw mns zeven dagen, eene afgesloten schep-pings-, dus levensperiode, moet het blijven bij zijne moeder-, die moeder moet dus, naar de traditie, bij de geboorte van het jong nog hebben geleefd. Vóór den afloop van eene week na de geboorte is het dier pi iDinis, ontbreekt er nog tijd aan, moet er tijd verloopen, alvorens het bruikbaar zij ; het verstrijken van dien termijn maakt net dan vanzeive geschikt. Zoo sluit dan het volgende voorschrift, wat de offerwetgeving aangaat, bij ons vers aan, daar ook door het verstrijken van den dag, waarop het eene,
99
3D lOK üï
lanpn ah quot;órp toi : liryn tb Mintoi nin^ ^
.)⢠i: j ^ t â¢â¢ i v j- ⢠i - j v.*.* : :quot; : «nt i-
D3 DIO bna Dnntfo »3 DD^riSx onb-nK
j t -j v t *t t ; t j* v aquot; t * y.v â¢â¢ i v: vjv
nity : io«b nt^o-1?» nin» quot;ISTI D : DS1?
- I quot; jv v LT s jquot; -: - # ^ iv T V, Tlquot; O
dvqi isn nnn w nyzw rrm -i7V »3 t^-ik sitd-in
« ⢠A * - \,*T *5- : ⢠.)tt : T* gt; v cv
ntr-iK Ti^i : nin^ nm ranp1? nin» nx^ni â¦j'otyn quot;3
av ^ : it i- vv * ⢠j' ;It : v tiquot; t ; tt ⢠⢠:
mirrnsT TOTj-nDi : quot;in« ova lunu'n *6 i:3-n«i ink M
v.t -iv j ; : ⢠i^ ; ^ it v j : ^ j * j : v ; j
i3ao rrnirrKb DI»3 : in3Tn D3:'ïquot;iS nin^17
(.v j* 1 quot; Tlquot; * lt; - IT ; ⢠v.v i ' ; * AT 1-
het jong bijv., geslacht is, het andere vanzelve bruikbaar wordt. â Naar Maimonides zou de grond van dit verbod liggen in de mindere bruikbaarheid van het dier binnen acht dagen na de geboorte; volgens anderen hebben wij in de directe en indirecte voorschriften van ons vers de bepaling; dat de soorten streng gescheiden moeten blijven ook bij den offerdienst, en verder dat de verhouding van het moeder geworden dier tot haar jong moet worden geëerbiedigd, daar in deze verhouding juist het egoïstisch dierkarakler in zekere mate plaats maakt voor zelfopofferende, voor anderen zorgende, menschelijke liefdeplichtsvervulling.
28. ntr w nn- De herhaling dezer objecten, die in het vorige vers ook reeds genoemd waren, wijst erop, dat, terwijl het vorige vers uitsluitend van offerdieren sprak, in ons vers ook van gewoon ongewijd vee sprake is. Ook de uitdrukking: vürron «S gij zult niet slachten, wijst daarop; bij offers zou het i3quot;pn nS of inaw moeten luiden, nr is algemeene naam voor: jong van kleinvee, zoowel schapen als geiten. In tegenstelling met het vorige vers zijn hier beide kleinveesoorten in den naam nr samengevat, daar hier uit kruising ontstane jongen wél onder de wet vallen, zoodra het moederdier slechts tot het reine vee, mvro nwo, behoort. De beide woorden zijn ook hier als soortnamen op te vatten, daar nw een volwassen, no een jong dier aanduidt. De traditie neemt aan, dat vooral gedacht wordt aan op één dag slachten van m o e d e r en jong; het moeder-dier kent men uit den aard der zaak beter dan den vader. Is echter de vader bekend, dan geldt ook daarbij het hier gegeven verbod van slachten. â 1« n.si ins. De mannelijke vormen zijn gebruikt, âhoewel men ook en in hoofdzaak het moederdier op het oog heeft en dus verwacht zou worden rua rsi nns, â omdat men de soort bedoelt en zoo algemeen mogelijk spreekt; â zoo beteekent ook ia algemeen: jong, niet juist: een mannelijk jong. â icrre'ri nl'. Alleen slachten is verboden; is het eene op andere wijze gedood, dan mag het andere wél denzelfden dag worden geslacht. â Op_ één dag mogen zij niet geslacht worden en het is dus onverschillig, welk van beiden het eerst geslacht is; de moeder te slachten na het jong is evenzeer verboden, als net jong te slachten na de moeder. â mx qvd, tot zunsondergang. Het vleesch van een dier, dat met overtreding van dit verbod is geslacht, mag niettemin gegeten worden.
29. Vgl. 19,5. mjtn zonder verkeerde gedachte, om buiten aangewezen tijd of plaats te eten.
30. Evenals 7,15 staat ook hier het verbod, tot den volgenden morgen over te laten, speciaal bij de dankoffers, die slechts één dag mogen woraen
LEVITICUS XXII, XXIII.
31 tot den morgen; Ik ben de Eeuwige. Gij zult Mijne geboden
32 in acht nemen en ze volbrengen ; Ik ben de Eeuwige. En gij zult Mijnen heiligen naam niet ontheiligen, zoodat Ik te midden van de kinderen Israëls geheiligd word; Ik ben de Eeuwige,
33 die u heilig; Die u uit het land Egypte gevoerd heb, om u tot God te zijn; Ik, de Eeuwige!quot;
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt; âSpreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen ; de bijeenkomsttijden des Eeuwigen, welke gij als oproepingen tot heiliging zult uitroepen, dezen zijn
gegeten, terwijl andere vredeoffers, tot welke klasse immers ook de dankoffers behooren, gedurende twee da^en mouen worden gübruikt. Misschien is juist daarom t)ij deze klasse het verbod bijzonder nailrukkelijk uitgesproken, evenals bij liet Paasclioffer. â svn ova, gedurende dien dag, waarop het als offer gebracht is, â zooals uit het onmiddellijk volgende blijkt: dag en daarop vollenden nacht-, terwijl gewoonlijk de da^ gerekend wordt met den voorafgjianden avond te beginnen, wordt, waar het offerdienst geldt, in den regel met zonsopgang de nieuwe dag geacht te zijn ingetreden.
31. Algpmeene slotvermaning, evenals 18,29 en 19,37.
32. Door overtreding der in dit stuk gegeven wetten, zoudt gij Mijn wetten ontwijden; door handhaving ervan wordt niet alleen bereikt, dal die naam niet wordt ontwijd, maar tevens dat Ik als heilig en heiligend erkend word te midden der kinderen Israëls.
33. Om u tot God te zijn, om maatstaf en richtsnoer van uw leven te worden, dat gij heilig tracht te worden, gelijk Ik heilig ben, â daarvoor heb Ik u uit Egypte gevoerd.
Hoofdstuk XXIII. Het kapittel over de feesten. â Nadat heiligdom, offerdienst, priesterschap zijn behandeld en de voorschriften van levensheiliging voor volk en priester zijn gegeven â wordt nu ook de tijd in verband gebracht met de onderlinge verhouding van God en Israël. â En wel naar perioden voortgaande: met Shabbath de week, in de feesten het jaar, in het vrijlalingsjaar de jaarweek, in het Jobeljaar den zevrn-jaar-weken-cyclus afsluitend. Hoofdstuk 24 is dan om bijzondere redenen tusschen de jaarverdeeling en de verdere tijdwijding ingeschoven. Wat de feestenlijst zelve aangaat, worden hier Shabbath, Pésach en Wekenfeest, Herinnerings-, Verzoendag, Loofhutten- en Sloifeestgenoemd. Pésachfeest en Verzoendag worden, ais reeds vroeger, evenals de Shabbath, uitvoerig besproken, hier slechts kort behandeld; daarentegen worden Weken- en Loofhuttenfeest in den bieede besproken. Waar Ex. 23 en 34 slechts over den bodem wordt gehandeld, wordt bij opsomming der feesten uitsluitend van de landbouw-feesten melding gemaakt. Deut. 16, waar het vooral te doen is om de verplichte samenkomst in den tempel op den voorgrond te stellen, worden evenzeer alleen die feesten genoemd, waarop zoodanig naar den tempel opgaan verplicht was. Hier en Num. 28 en 29 worden daarentegen alle feesten genoemd, zoowel die het karakter dragen van wijding, Shabbath, â als die meer de verzoening op den voorgrond brengen, Herinnerings- en Verzoendag, â als eindelijk de historisclie en landbouwfeesten. Terwijl hier echter het hoofddoel is om de orde der feesten in den loop de» jaars aan te geven, wordt in Numeri uitsluitend het buitengewone nationale feest-offer besproken. De hier behandelde
100
33 -IOK p
â¦:k dhn 'rtyp onio^i : nirr ^
â¦33 Tjins aa'TiN i^bnn : nin) ^
oniro r-iKs D3nx n'ïidh : DD^ipo nirr â¦:» bxTiy» ^
⢠- ; ⢠| v-v â¢â¢ v ; v «* quot; â¢â¢â¢â¢ : *1- : v*quot; 1 quot;j aquot; t : â¢
ö * : nirr D'nb^ D31? nrn1? Wgt;
it : v' -« a* iquot; v- t gt; : â¢â¢
moKi^mfequot; isn : iQK^? ntro-bx nin» -»3
â¢*t ; ⢠it i â¢â¢ t; ⢠lt;â¢â¢ : v quot; quot; i â¢â¢ jv ^ v : .r* â¢:* 3
onn^K u'ip '«npo ddn iNipn-iiyK nin' n^io on^x
lquot; â¢.â¢)â¢â¢ v 1 ft jquot; t): ⢠vt 1 :l: ⢠v -: t : â quot;â '-I i â¢â¢â¢â¢â¢ t
bijzondere offers zijn niet de speciale feestoffers, maar zijn offergaven in verband met de landbouwkundige beteekenis van het feest. Toch wordt bij alle leesten in een algemeenen term het ftestoffer vermeld: oro^pm 'nS rr gt;s. â Door velen wordt erop geweien, dat het geial zeven in den feestcyclus een zoo groote rol speelt: den zevenden dag is Shabbath, na tweemaal zeven dagen in de eerste maand is het eerste feest van zeven dagen ; na zeven weken is wederom een feest; voornaamste feestmaand is de zevende maand, die met den herinneringsdag begint, om na tweemaal zeven dagen een zeuendaa^sch Loofhuttenfeest te doen vieren, waaraan tot afsluiting van den jaar-feest-cyclus een dag als Slotfeest wordt toegevoegd. Te zaïum vormen de feesten zeven werkonthoudingsdagen (eerste en zevende dag van het Paaschfeest, een dag Wekenfeest, een Herinnerings-, een Verzoendag en eerste en achtste dag Loofhuttenfeest).
2. Met het oog op de breede uiteenzetting in ons vers, zien sommigen daarin niet een opschrift, maar een zelfstandige bepaling, en vertalen: de bijeenkomsttijden Gods, die gij zult uitroepen (â besiemmen, bepalen) tot heilige bijeenroepingen â dat zijn ook Mijne voor Uw samenkomst met Mij bepaalde tijden. Uan zou in ons vers liggen, dat niet astronomisch bepaalde dagen, maar naar de aangegeven tijden door Israël, in zijne vertegenwoordigers, vast te stellen «lagen moeien worden gevierd. Hrt recht dus tot in verband met kalendervaststelling noodige verlegging der feesten op een dag, die soms ei.kele dagen van den astrnnoiuiscli juisten kan gescheiden zijn. â 'n â¢uw. God gewijde tijden, npo, van bestemmen, en wel speciaal: plaats of tijd bestemmen tot samenzijn; dus: plaats of tijd van bijeenkomst; hier het laatste: tijden, waarop Israël met God samenkomt, waarop het zich onttrekt aan het gewone leven, om zich Gode te wijden. Over cnp sip» vgl. Ex. 12,16, waar Nachii. verklaart: bijeenroeping naar het heiligdom-, voor den Shabbath is echter zoodanige bijrenroeping niet voorgeschreven ; â anderen: bijeenroeping tot heiliging, of uitroeping lot heiliging; de Shabbath is echter juist de eenige in den rij der bijzondere dagen, die niet van datum, dus van bepaling door menschen, afhankelijk is; hij keert geregeld na verloop van zes dagen terug. Vs. 3 bij Shabbath moet dus '-ip jopo waarschijnlijk verklaard worden: oproeping tot heiliging, de dag zelf noodlot tot heiliging uit. ayo dan nis zelfstandig gebruikte onbepaalde wijs, evenals in rnrn sipaS Num. 10,2; rip, heiliging, eig. iets heiligs, heiligheid, â terwijl rips vooral het heiligdom, de gewijde plaats beteekent. Die oproeping tot heiliging ligt naar Rashie en Mendelssohn in de verplichting den dag te wijden door kleeding-, voeding enz. De dag roept ons dan op om hem te wijden, het is eene oproeping tot heiliging van den dag-, anderen verklaren: de dag roept ons op tot heiliging van onszelf, eene oproeping tot z e If heiliging.
LEVITICUS XXIII.
3 Mijne feestdagen. Zes dagen mag werk verricht worden, maar 0P den zevenden dag is hoogste rustdag, eene oproeping tot heiliging, geenerlei werk zult gij verrichten; rustdag is het ter eere des Eeuwigen, in al uwe woonplaatsen.
4 Deze zijn de bijeenkomsttijden des Eeuwigen, oproepingen
5 tot heiliging, die gij op hun bepaalden tijd zult uitroepen : In de eerste maand, op den veertienden dag der maand, tusschen
6 de beide avonden, het Pésachoffer ter eere des Eeuwigen. En op den vijftienden dag dier maand is het feest der ongezuurde brooden, ter eere des Eeuwigen ; zeven dagen zult gij onge-
7 zuurde^ brooden eten. Op den eersten dag zal voor u eene oproeping tot heiliging zijn ; geenerlei dienstwerk zult gij ver-
8 richten. En gij zult een vuurgave brengen ter eere des Eeuwigen, edurende zeven dagen; op den zevenden dag zal oproeping tot eiliging zijn ; geenerlei dienstwerk zult gij verrichten.quot;
10 9 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt; «Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: als gij in het land zult gekomen zijn, dat Ik u geef, en gij den oogst ervan
3. rVffVi. telkens zes dagen In iedere week. De Shahbath behoort wel niet eigenlijk tot de onna en staat hier alleen als grondlegger voor het leven van geheel het jaar aan het hoofd der feestenopsomming. Van het bijzonder offer wordt dan ook zelfs niet met den algemeenen term melding gemaakt, terwijl vs. 4 een algemeen opschrift voor de feestenrij bevat. â Over pro- nac vgl. Lev. 16,23. Andere leesten, behalve Shabbath en Verzoendag, heeten slechts prow (niet rac). Over ro*1'» en nro» rosL'» zie onze aant. Ex. 20,10. â 'nS sin rn^, rustdag ter eere des Eeuwigen, niet uitsluitend om tegemoet te komen aan de noodzakelijkheid voor den mensch, om te rusten van zijn lichamelijk werk, maar God huldigend niet-werken. â D3vaquot;'TO Saa. Naar Nachm. in al mee woningen, niet echter in Mijne woning, den tempel, waar alle voor den offerdienst dien dag onatVijsbaar noodzakelijke verrichtingen mogen geschieden. Wessely : de dag, die naar de ligging en den zonnestand in ieder uwer woonplaatsen de zevende is, zij rustdag, hoewel, volgens het tijdverschil, in Palaestina de Shabbath misschien reeds lang voorbij is of nog moet aanbreken. â Het Nieuwemaansfeest, dat Num. 28,11 op den Shabbath volgt, omdat het een bijzonder offer heeft, wordt hier niet genoemd, omdat het geen eigenlijk feest is; werkverbod geeft de Thora daaromtrent niet; bovendien is het een dag, die met Israëls geschiedenis of volksleven geen bijzonder verband houdt, maar zijn viering alleen ontleent aan zijne astronomische beteekenis. In de rij der feesten behoort hij dus niet thuis.
4. Shabbath keert periodiek terug, vast eiken zevenden dag. Feesten hangen niet van den dag der week, maar van de bepaling van den datum, dus van den mensch af; daarom hier de vermaning; ze zooveel mogelijk op hun bepaalden tijd vast te .-tellen. Die tijd wordt namelijk bepaald door het zichtbaar worden der nieuwe maan. Ãp getuigenverklaring daaromtrent bepaalde dan het Synhedrion, in den persoon van zijnen voorzitter, den dag van intrede der nieuwe maand, waarmede die van het feest van zelve was gegeven. Naar de bij vs. 2 gegeven opvatting van dit vers, is ons vers eerst het opschrift van de feestenopsomming.
101
-tÃK Kp
natr 01*31 roK^ö nfryn w n^ : n^ioj
c- - « . . - j - t t ; jv r* * t v ^ it -: i
nin^Kinitr^n nDN^o^a B^tp^pp ïinatf
Ti- ⢠jt - a ^jr â * ^t t ; T vl Tl; ⢠I T
£3 : DD^hatriO 733
v.' â¢â¢ 1 ; 1 *. ;
: Dn^iüa onx iKipn-n^K ^n'p wpö nin| n^io nV« ^ noa D»3quot;ivn r3 ^tn1? n^3quot;iK3 TiB'Nin irTn?quot;
-lt;.v *AT : IT I â¢quot;⢠, v\,m JT^T ^TT ; - ; '«T . â â¢
nin,ii? ni^an in nn v-inb dv *1^ ne'pnni : nin^1 ^â tp-Knpp pB'Nin bi»3 : iVsKn niïp D'p* njprntf' ni^N onaipm : ity^n tih ni3^ ro^o^s os1? nwquot;
â¢)*â¢* ⢠r.* : -I; * : i i- ^ j V.T 'â¢' ''â¢' ⢠t av t ⢠11
B'ip-Kipo T3#n DI*3 D'O* wïv nin^
V jv : T vl tI: ⢠- lt;- a t quot;%â¢-: it i-
ö : Viryn m3jr
1^1- gt; V,T
wionVVkTbquot; ,J3-bN quot;131 : iOKb ni^D-VK rrirv -i3T,if
-t : - it : â¢â¢ t ; * lt;â¢â¢ : v â¢â¢ - i â¢â¢ jv v vt ï â¢:â¢gt;
Dnnvpi os1? jnh DÃ^
5. nDfl. Pésach-ojffer (vgl. Ex. 12,2 vv.) = de tijd van het Paaschoffer, noEin nri».
6. jri) feest. De drie namen voor feest onderscheiden zich v. s. aldus: â jitc, dag, waarop wij met God samenkomen; Sji, waarop wij naar den tempel opgaan-, jn, waarop wij als nationaliteit ons in één lering voelen.â V73sn nw», zult gij, zoo gij brood eten wilt, niet anders dan ongezuurde brooden eten.
7- majT rOi\So. zie Ex. 12.16. V. s. een werkelijk in dienst der aarde volbracht werk; rosSo daarentegen elk werk, ook dat, wat men ter verkrijging van persoonlijke genieting verricht.
8. Dnmpru de in Num. 28 en 29 nauwkeurig opgenoemde bijzondere feestoffers.
9. Na de bespreking van het Paaschfeest, in verband met het Paaschoffer en den uittocht uit Egypte, wordt met een nieuw inleidingsformulier -qui de ceremonie behandeld, die de verbinding vormt tusschen Paasch-en Wekenfeest als landbouwfeesten. Deze handeling moet op den tweeden dag van het Paaschfeest geschieden en daarmede begint dan de 'Omer-telling die tot het Wekenfeest leidt. De daarover handelende passage wordt dan ook direct aan onze plaats aangesloten (zonder istquot;) vs. 15â22; terwijl vs. 23, 26 en 33 ieder nieuw feest opnieuw met imi wordt ingeleid. Vs. 9â22 vormen dus eigenlijk één geheel.
10. UOD 'D* Eerst na de komst in het land zou dit voorschrift gelden. â mr, een 'Omer, de dagprovisie voor een persoon (Ex. 16,36). â oa-vïp jvrxn, hel eerst gemaaide. Naar de traditie bestond dit offer uit gerst. Deze toch is in Palaestina eerder rijp dan de tarwe en het spreekt dus van zelve, dat daarvan het eerst een offer gebracht wordt. Daar vs. 17 bij het
LEVITICUS XXIII.
maaien zult, dan zult gij den 'Omer der eerstelingen van uwen
11 oogst tot den priester brengen. Deze zal met den 'Omer eene wending maken vóór den Eeuwige, tot welgevallen voor u; daags
12 na het feest zal de priester de wending ermede maken. En gij zult bereiden op den dag, dat gij met den 'Omer eene wending maakt, een schaap, zonder gebrek, onder het jaar, tot brandoffer
13 ter eere des Eeuwigen. , En het daarbij behoorende meeloffer: twee tienden [van een Epha] meelbloem, met olie aangemengd, tot vuurgave ter eere des Eeuwigen, tot lieflijken geur, en het daarbij behoorende plengoffer: wijn, een vierde van een Hien.
14 En brood, en geschroeide en versche korrels moogt gij niet eten tot op dien dag zelf, totdat gij het offer van uwen God zult gebracht hebben ; eene eeuwige wet voor uwe geslachten
15 in a) uwe woonplaatsen. â Gij zult u nu tellen van den dag na den feestdag, vanaf den dag, dat gij den 'Omer der wending
16 gebracht hebt, zeven weken ; volle weken zullen het zijn. Tot op den dag na de zevende week zult gij vijftig dagen tellen, en
Wekenfeest van een eerstelingsoffer van n^D, d. w. z. tarwemeel sprnke is, kan hier bij het Paaschfeest niet aan tarwe gedacht zijn. â De 'Omer om in den tempel te brengen moest liet eerst gesneden uhker-koren zijn.â Over de behandeling van dit meeloffer vgl. Lev. 2,14.
11. Jquot;Ql?n mnOOgt; daags nd den eersten feestdag van het Paaschfeest, evenals Jos. 5,11 rvz,.i p'nïi:, den dag nd dien, aan welks vooravond het Pésach-offer is gegeten. Met de Tsadducèers flan den Shahbath te denken, gaat hier niet aan, daar dan óf geen bepaalde Shabbath was aangewezen, óf hoogstens de Shabbath, die in de zeven Paaschdagen inviel. Evenmin kan men met Hitzig verklaren : den dag nd den laatsten Paasch'/eatóo^r ; pas' beteekent niet juist: de zevende dag der week, maar rustdag hoewel behalve de Verzoendag geen der feerstdagen raquot; genoemd wordt. Hier beteekent raquot; niets anders dan: werkonthoudingsdag en wel die, waarover zooeven is gesproken, de eerste dag van het Paaschfeest. Ware de dag na het einde van het geheele Paaschfeest bedoeld dan moest, zooals Wesselt opmerkt, het hier luiden; jm rnrran, den dag nd het feest. Hirsch meent, dat raquot; hier evenals 25,2 beteekent: rust van den akker-, dan zonden de woorden verklaard moeten worden; op den morgen nd den dag, tot welken de akker moest rusten, niet afgemaaid mocht worden; zonder dat dns echter in die woorden eene duidelijke dagaanwijzing ligt, die dan alleen traditioneel vaststaat â Over nLi:n zie Ex. 29,24, Lev. 7,30.
12. Het hier genoemde brandoffer behoort bij den 'Omer en wordt gebracht behalve hi t Uum 28,19 en 20 besproken feestoffer. â oaL'n ova. Aange-proken is: het volk in zijn geheel; gij zult bereiden, d. w. z. op gemeenschappelijke kosten door de priesters doen brengen, op den dag, waarop gij de wending maakt met den 'Omer, natuurlijk yij, vertegenwoordigd door den dienstdoenden priester. Wat de priester namens het volk verricht, wordt het volk zelve geacht te doen.
13. Terwijl naar Num. 15,4 bij een schaap in den regel slecht» één tiende Epha meel, is hier een me ioffer van twee tienden voorgeschreven. De wijn blijft volgens onzen tekst als altijd: i Hien = drie Log. Naar de traditie de olie eveneens.
102
JD 1ÃK 3p
: |nquot;3n-SN ormp nn;vF?'n^
!)3ö'3» na^n rnnöo DDJ'Ãquot;)1? nin» loyrrnK ^
^v * ; t - - quot;*;it ⢠AV : 1 ;* V.t ; r* ; ⢠v â¢Â» t v f s â¢â¢ .
-?3 D'on 1^33 quot;la^TiK DDS'in ova Dn^i : irisn ^
1 V S T vjquot; â¢â¢â *» T v qO' : I- -I J : v ' â¢lquot; â 'quot;
n^iba dSD D^'iirr inna^ : nin^ nVy1? in:iy ^
jt : v - ⢠: â¢â¢ ! t : ⢠it i- vt quot; : â gt; t :
: pnn n^2i nap:'! nn^ nn nin^ nBgt;« |o^3 J nfn Qi»n bièquot;nj? bónai anfi^ -r-
^33 DS'n^1? b^ir npn â¡3,n^ nnp-nK D3«»3n
k : v â¢â¢ ^ ; t ^ l«=\ av â¢â¢ I r: Kquot; :»t v v
bi»o niirn mnao b3b omaDi d : 03^3^0«
t quot; quot; -'-â¼:it ⢠v t lt;â â¢â¢ ; - : iv â¢â¢ i : â¢
: n3Mnn no'on nin3iy ^3^ nsunn -lojrnK dsn^H
t iv : f j ⢠: ^ t quot; jv ^ f»T ; v ^ v v -» - -»
Dnrnpni Oquot;!' D'trpn nspn ns^n nnnsp -ly.quot;3
14. Brood en '^p (= â 'iSp Lev. 2,14) geschroeide aren of korrels en het daaruit gewonnen meel, en Sj-o, yerscAe, den halm vullende fcorre/s, mochten tot dien dag zelf, totdat die dag geheel was aangebroken, niet gehelen worden; nader gepieciseerd; en ook na het aanbreken van den dag, niet vóórdat het offer der eerstellingen is gebracht en de wending ermede gemaakt enz. Verboden is dus, in welken vorm ook van nieuw koren van een der vijf graansoorten te eten, voordat de 'Omer is gebracht. â Dsv.ar» 'â¢'M. Volgens sommigen in de gewone beteekenis: in al uwe woonplaatsen, ook buiten het heilige land, geldt het verbod van nieuw koren te eten vóór den 'Omer; v. a. echter geldt het verbod, als in verband staande met den bodem des heiligen lands, alleen Palaestina, en beteekent D^ra'»
eerst als gij allen er in zult wonen, d. w. z. dat het verbod, nieuw koren te eten vóór den 'Omer, eerst zou gelden na de verovering des lands, als Israël zich er metterwoon gevestigd zou hebben.
15. 130, tellen van onstoffelijke, niet tastbare dingen, ook wel van groote hoeveelheden; zoo Gen. 15,5 van de sterren. Oorspronkelijk schijnt het gebruikt te worden van schriftelijke telling, terwijl njo meer voor mondeling tellen wordt gebezigd, en dus voor kleine hoeveelheden en zuiver concrete zaken. â na-n rone», van af den dag na den vs. 11 genoemden rustdag; dus van af den tweeden dug vim het Paaschfeest; dat niet de dag na den laatsten Paaschfeestdag bedoeld is, blijkt uit het bijgevoegde dtgt;» oas^an. â r.irac ra*quot;, zeven weken; rar is iiier gebruikt in den zin van : week, periode van den eenen Shabbalh tot den anderen. Deut. 16,9 wordt daarvoor ru'iar, eig. zevental, speciaal: zevendaagsche periode, week, gebruikt. Deze tellingsplicht rust op ieder individu; de Thalmoed vindt daarvoor eene aanwijzing in de hier gebruikte meervoudsvormen: oaS ornamp;Di, terwijl bij de telling der jaren eener Jobel periode (Lev. 25,8), waar alleen het staatsgezag, het Synhedrion, de telling verricht, de enkelvoudvormen iS jiitDi gebruikt worden. â ruquot;nn rwnr, zeven volle weken, afgerond, waaraan niets ontbreekt, maar ook geen dag meer (Nachm.).
16. rocn rnnoo tot den dag na het einde van de zevende week zult gij tellen vijftig dagen-, die dag zelf echter wordt niet geteld,
LEVITICUS XXIII.
dan een nieuw meeloffer ter eere des Eeuwigen brengen.
17 Uit uwe woonplaatsen zult gij brengen brood tot wending; twee, â twee tienden â meelbloem zullen zij zijn, gezuurd zullen zij gebakken worden; als eerstelingen ter eere des
18 Eeuwigen. En gij zult brengen bij het brood zeven schapen zonder gebrek, onder het jaar, en één var, jong van een rund, en twee rammen ; â zij zullen een brandoffer zijn ter eere des Eeuwigen â benevens hun meel- en plengoffers, eene vuur-
19 gave, tot lieflijken geur ter eere des Eeuwigen. Gij zult verder bereiden één geitenhok tot zondoffer en twee schapen onder
20 het jaar tot vredeoffer. De priester zal met hen bij het brood der eerstelingen eene wending maken vóór den Eeuwige met de twee schapen ; gewijd zullen zij zijn voor den Eeuwige, voor den
21 priester. En gij zult op dien dag zelf uitroepen, eene oproeping
zoodat de telling slechts 49 dagen omvat. Terwijl het vorige vers telling van weken voorschrijft, voegt ons vers daar telling van dagen aan toe, zoodat men zoowel de dagen, als de daardoor gevormde weken tellen muet. â ororm, en dan, op den vijftigsten dag, zult gij brengen ntnn nron, een nieuw meeloffer, d. i. v. s. een meeloffer van den nieuwen oogst; dan zou men tnn nm» of iets dgl. verwachten; de traditie: een nieuw meeloffer, bet eerste meeloffer, dat van nieuwe tarwe, van den oogst van dit jaar, in het heiligdom mag worden gebracht. De 'Ãmer bestond uit gerst, en na het brengen daarvan was het koren van den nieuwen oogst, ook de tarwe, slechts voor profaan gebruik geoorloofd; eerst na het hier bedoelde meeloffer, dat in het volgende vers beschreven wordt, is ook het brengen van offers van den nieuwen oogst geoorloofd. (Vgl. Ex. 34,22, waar de dag genoemd wordt; de dag van de eerstelingen van den tarweoogst). Anderen verklaren nütn nrws: een meeloffer met geheel bijzondere, nieuwe voorschriften, nl. dat geheel uit gezuurd brood bestaat, wat bij geen ander meeloffer het
feval is; zelfs het brood bij het dankoffer is slechts ten deele gezuurd; van e eene helft werden ongezuurde brooden gemaakt. (Lev. 7,12 en 13).eval is; zelfs het brood bij het dankoffer is slechts ten deele gezuurd; van e eene helft werden ongezuurde brooden gemaakt. (Lev. 7,12 en 13).
17. DSVDtriOO' de u aangewezen woonplaatsen, van in het heilige land gegroeid koren. â nBWi on1?, brood, waarmede eene wending gemaakt moet worden, eerst in de volgende woorden nader omschreven: gw, twee brooden; owr w, samen van twee tienden, ieder brood uit '/io Epha, â zoowel qualitatief als quantitatief gelijk. â ruwnn nSs, van meelbloem, d. i. tarwebloem (vgl. Ex. 29,2). â nï't.sn pn, na gezuurd te zijn, moeten zij gebakken worden, het moeten brooden zijn, zooals zij in het gewone dage-lijksche leven gebruikt worden, ieder in de hoeveelheid, die als voedsel voor één dag voor één persoon voldoende is.
18. Ook het hier genoemde dieren-offer heeft met het Num. 28,27 besproken feestoffer niets te maken. â orrowi onrani, de naar de voorschriften van Num. 15 bij iedere diersoort behoorende meel- en plengoffers, die eveneens geheel op het altaar komen. â Het dieroffer wordt gebracht onSn Sr, bij het brood. Het brood is hoofdzaak.
19. Alle elementen der feestoffers zijn hier vertegenwoordigd: een brandoffer, bestaande uit: var, rammen en schapen, (hier twee rammen en één var, terwijl bij het feestoffer van dien dag één ram en twee varren worden gebracht) en ook een zondoffer. Bovendien echter nog twee schapen
103
« yp
nijiin onb i Di'na^iöö : nin^ nahn nniDquot; ^
t : v^v â¢*' t v â¢â¢ ; i ⢠,t . v.t t1 ^ jt^z '
oniaa nraxn ^on nrnn nVo
â¦:3 bp^pn 0^33 nint? on^n-1?^ onsnpni : nin^ ^
bnnaoi nVv vn^ im ip3quot;r3 nai
t t ; * t i- t * si* 'at : j' quot; : v I jtt I v j- x t
inn DnjrTjrt? on^i : nin^ nn^rnn nuw DH^dji ^
VT v J'^ r : â¢)*â¢â¢ * «t i- quot; v * quot; â¢quot; gt;quot; * â¢â¢â¢â¢â¢:â¢:
i ?ri3n ci^m : D^o^tr n3tl7 rw »33 d^^33 ^ nxtsn1? =
1^.. - l^- â¢â¢ ; r t : -r.*: ^ v.t t jquot; : r t ; . at - ;
Dv^33 nin» *:sb naiin Dn33n on1? hv onk
a- t : v.quot; : t : -â¢â¢â¢ ; ⢠^ t : % - v ... x
-xiponin Di'n 1 dïjd Dnxipi : \r\iï nin^ vn» ^n'p«
tl: r v- J - v'Sv: v tI : liquot; - i- j:r vl*
tot vredeoffer, het eenige voorbeeld, dat in naam des volks een vredeoffer wordt gebracht, -naï '»^0 'nai.
20. De traditie verklaart dit vers aldus; de priester zal met hen, de schapen, eene wending maken bij het brood der eerstelingen, het brood is hoofdzaak. Bij wendingen van offenieelen met brood ligt anders het brood, als iets bijkomstigs, op de offcrdeelen ; hier is het brood hoofdzaak en bij de wending komen de schapen, als het ware, op het brood te liggen; â doch anderzijds: het levende dier staat boven het voedingsmiddel, en dus nii!-33 â ov Sr, het brood als bijkomstig bij de schapen te beschouwen; â vandaar de bepaling, dat zij naast elkander moeien ligyen bij de wending.â Wessely: hij zal met hen, de schapen, eene wending maken, terwijl zij liggen hij de broaden, â en ook met hen, de brooden, eene wending maken, terwijl zij liggen bij de schapen; de zin is dan; hij zal ze bij elkander nemen en zoo met hen samen eene wending maken; onx cpjni moet dan ook voor diü23 w 'quot;ï herhaald gedacht worden. Nieuweren; en de priester zal met de schapen eene wending maken tegelijk met de eerstelingsbrooden; â met de heide schapen zullen zij, de eerstelingsbrooden, den Eeuwige gewijd, voor den priester zijn. â TniV 'rh w cip, de brooden zullen den Ãeuwige gewijd voor den priester zijn; niets komt ervan op het altaar, maar eens, door het offeren der offerdeelen van de schapen op het altaar, den Eeuwige gewijd, gaan zij geheel aan den priester over. Ook het vleesch der vredeoffer-schapen wordt natuurlijk door den priester gegeten.
21. ntn ovn nsya nrwnpi. Het voorwerp van onNipi is volgens sommigen de volgende zinsnede : odS rrrp Pip sop», gij zult uitroepen, dat het een oproeping tot heiliging is. Deze formule komt echter afzonderlijk bij de feesten zoo dikwijls voor, dat het bezwaarlijk aangaat hier aan te nemen, dat het uitroepen van dit voorschrift bijzonder bij dit feest tot plicht zou zijn gesteld. Anderen meenen daarom, dat het voorwerp van owpi is verzwegen en de zin is: op dezen vijftigsten dag zelf zult gij het feest vaststellen. Verzwegen voorwerp is dan snp s-gt;pn, evenals vs. 2. De bedoeling zou dan de volgende zijn; uit Kx. 19 blijkt, dat de wetgeving omstreeks den hier behandelden tijd des jaars moet hebben plaats gehad. Omtrent den juislen datum loopen de meeningen uiteen. Zij had plaats op Shabbath ; daar echter over den dag van den uittocht uit Egypte verschil van meening bestaat, daar die v. s op Donderdag, v. a. op Vrijdag had plaats gehad, valt naar de eerste meening de Wetgeving op den Sisten,
LEVITICUS XXIII.
tot heiliging zal het voor u zijn; geenerlei dienstwerk zult gij verrichten; eene eeuwige wet in al uwe woonplaatsen, voor 22 uwe nakomelingen. En als gij den oogst van uw land maait, zult gij den hoek van uw veld bij uw maaien niet geheel wegnemen en de oplezing van uwen oogst zult gij niet oplezen ; voor den arme en den vreemde zult gij ze achterlaten; Ik ben de Eeuwige, uw God.quot;
24 23 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt; «Spreek tot de kinderen Israels, als volgt: in de zevende maand; op den eerste der maand, zult gij eenen rustdag hebben, een herinnering met 25 bazuingeschal, eene oproeping tot heiliging. Geenerlei dienstwerk zult gij verrichten en een vuuroffer brengen ter eere des 27 26 Eeuwigen.quot; â De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: âMaar op den tiende dier zevende maand, â de dag der verzoening is het â eene oproeping tot heiliging zal voor u zijn en gij zult uw personen onthouding opleggen; en gij zult een vuuroffer
28 brengen ter eere des Eeuwigen. En geenerlei werk zult gij verrichten op dien dag zelf; want een dag van verzoening is het, om
29 verzoening voor u te doen vóór den Eeuwige, uwen God. Want ieder persoon, die zich geene onthouding zal opleggen op dien
volgens de tweede op den 50sten dag na 15 Niesan. Nu vermeldt de Thora van deze historische zijde van het feest niets, maar zegt integendeel hier: op dezen vijftigsten dag zdf moet gij uw feest bepalen, onafhankelijk van datum en dag der wetgeving; ook al zou door de bepaling van den nieuwemaansdag, â die bij vaststelling op grond van getuigenverklaring niet, als bij ons, aan zoo vaste regelen is gebonden, â het feest niet op den zesden, maar op den vijfden of zevenden Siewan invallen, â gij moogt u daaraan niet storen,, maar hebt den 50sten dag na het Paaschfeest als feestdag te bepalen.
22. Niet alleen God den dank brengen als Bron en Gever van den oogst, maar dien dank en die erkenning ook in daden omzetten; â daarom worden hier met een enkelen trek de voorschriften van 19,9 en 10 in herinnering gebracht. Het eerste van den oogst voor God, â het laatste voor de armen.
24. Mrarn trina. Naar Wessely, evenals pc ton unro vs. 5 algemeen opschriu; in de zevende maand zijn de volgende feesten te vieren: op den eerste enz. Vs. 27 en 34 wordt dan ook gesproken van: de genoemde zevende maand, mn U'ocn tnnn. â nmn jvo», waarschijnlijk: een herinnering, een dag, waarop de mensch zich zijn verleden behoort voor den geest terug te roepen, met bazuingeschal. Her inner ingshazuingeschal zou moeten uitgedrukt zijn door p-ot nïnn, evenals Ex. 28,12 piot lt;33s. Anderen: herinnering aan bazuingeschal, waarop wij eraan moeten denken dien
Slicht te vervullen. Het is dan echter niet duidelijk, waarom juist deze ag en deze plicht bijzonder zoo wordt aangeduid. Num. 10,10, waar bij eiken Nieuwemaansdag van ru-nn wordt gesproken, wordt alleen aan het blazen oplicht te vervullen. Het is dan echter niet duidelijk, waarom juist deze ag en deze plicht bijzonder zoo wordt aangeduid. Num. 10,10, waar bij eiken Nieuwemaansdag van ru-nn wordt gesproken, wordt alleen aan het blazen op trompetten Dij het offer gedacht, terwijl hier op dit feest, dat Num. 29,1 nïim dt genoemd wordt, sprake is van nmn op een ibw, een van nature hollen dierhoren. â nmn is de naam van een bepaald geluid, zooals Num. 10,7 blijkt, waar als signalen nmn en nypn worden onder-
104
14
obiy rpn liryn may ds1? nvr Wnp
4t ^ b-\ e» ^ r â¢â¢ vt ' â¢â¢ '⢠⼠*â¢* t -v :i* vl
DDÃIK i'ïp-r.K DÃnvpai : DD'nhn1? DS^b^io-^a »
v ; : - -â¢I; v v : : l \: # iv â¢â¢ i ; vquot; quot; J ⢠⢠r :
® t2^n nh 1:^1 ^pvpa dns rfciirn)
* : DD'HSK nin* »3« orK arjm naSi |
iv â¢â¢ i v: gt;t : v* quot;J t â¢jp^tiquot; â¢â¢ - : 0
iox1? 121 : ioN-? h^d-Vk nin» i3Ti»
nynnrnDtTinsK' hzh nw nnxa e^lna
~r : i gt; ; ⢠i t - v t lt;v ; 1 ⢠v - jt v : : - v
HEW onaipni iiy^n may : jyip-Nipo quot;3
vv ⢠J'-' : -I; * ; a â¢â¢ -⢠vT quot;* *â¢* : t vli tI : â¢
�]« : noNvgt; n^Q-^K nin* isnn D : rtin^ « dd1? n-n' tyip-Kipo Nih onsan dv nh ,^,3ly^lt;WTn,?
vt jv : r vl tI: r .»⢠\ ⢠- 5 v - ^ ⢠; - v
nasVo-^Di : nin^ ntrtf onmpni oa^smN on^i n=
t t : t : it 1-^ v** * -»V : -1: ⢠; av â¢â¢ i : - v v*-* * :
Da^v 103b «in ansa dv 'a nn Di*n ovya libyn «�
v â¢â¢ â¢Â»Â» - : gt; * quot;*' avquot; ** * v^v; ^-11- j
Dïi?a ni^n-«b -ity« traan-^ »3 : oa^n^K nin* ^a1?quot;
v : â¢-â % : i -v 1 v v - t lt;⢠iv â¢â¢ i v: JT : vquot; : â¢
scheiden. Het eerste is een gebroken, het laatste een gerekt geluid. De naam nrnn dii duidt reeds aan, dat de Theroe'a, het gebroken geluid, hoofdzaak is. Naar de traditie moet elke Theroe'a voorafgegaan en gevolgd worden door een Tlieki'a, een gerekten toon; terwijl op den herinneringsdag drie zulke Theroe'as moeten worden geblazen, dus negen tonen. Twijfel omtrent het juiste Theroe'a-geluid: of het zuchtend, dus gerekte gebroken tonen, â of snikkend, kort afgebroken, snel opeenvolgende geluiden, â of de combinatie van die beiden, zuchten gevolgd door snikken â moet zijn, gaf aanleiding tot de bij ons gevolgde orde van dertig geluiden: dikmaal de gecombineerde Theroe'a, telkens voorafgt-gaan en gevolgd door Tlieki'11, â dan driemaal de zuchtende Theroe'a, eveneens telkens met twee Theki'as, en eindelijk driemaal de snikkende Theroe'a, wederom voorafgegaan en gevolgd door Theki'a.
27. maar. Ook de tot nu toe genoemden zijn feestdagen, waarop echter slechts mar ros^a, dienstarheid verboden is; doc A op den tiende dezer maand is een feestdag, waarop alle arbeid verboden is, als op den Shabbath (Rashbam). Wessely laat de tegenstelling tevens slaan op het voorgeschreven vasten, tegenover de vreugde, ook in genieten van spijs en drank zich uitend, die voor de andere leesten geldt Bij de voorafgaande feesten is echier van die viering met geen enkel woord melding geiuiiakt.â KW 0quot;i3n oi', als tusschenzin op te vatten, terwijl de hoofdzin met de woorden np jopc wordt voortg. zet. Over D-w u rx orion zie Lev. 16,29.â ora^pm, de Lev 16 en Num. 29 voorgeschreven bijzondere offers.
28. ntn Dvn ospa. dien dag zelf, onafhankelijk van den offerdienst en den lijd van nen dag, waarop die plaats heeft, â dien geheelen dag mag geen werk worden verricht, â want een dag van verzoening is het (zie ook vs. 32).
LEVITICUS XXIli.
30 dag zelf, zal uit zijn volk uitgeroeid worden. En ieder persoon, die eenig werk zal verrichten op dien dag zelf, dien
31 persoon zal Ik uit het midden van zijn volk verdelgen. Geenerlei werk zult gij verrichten; een eeuwige wet voor uwe nakome-
32 lingen in al uwe woonplaatsen. Hoogste rustdag zij hij voor u, en gij zult uw personen onthouding opleggen; op den negende der maand tegen den avond, van avond tot avond zult gij uwen rustdag houden.quot;
34 33 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: «Spreek tot de kinderen Israels, als volgt; op den vijftienden dag dezer zevende maand is het Loofhuttenfeest, zeven dagen, ter eere der Eeuwi-
35 gen. Op den eersten dag is oproeping tot heiliging; geenerlei
36 dienstwerk zult gij verrichten. Zeven dagen zult gij een vuur-offer brengen ter eere des Eeuwigen; op den achtsten dag is u dan oproeping tot heiliging, en zult gij een vuuroffer brengen ter eere des Eeuwigen; â Slotfeest is het; â geenerlei dienstwerk
37 zult gij verrichten. Deze zijn de bepaalde tijden des Eeuwigen, â die gij als oproepingen tot heiliging zult uitroepen, â om een vuuroffer te brengen ter eere des Eeuwigen, brand- en meeloffer,
30. VnSKill» de straf van uitroeiing. Naar Wessely's opmerking ligt in deze gewijzigde uitdrukking voor n-o, dat deze straf niet eeuwigdurend is, maar een tijdelijk verloren gaan; 13N, iets gaat verloren, wat later kan worden teruggevonden. Sipobno ziet in n-o een lichamelijke uitroeiing, in pnas het verloren gaan der ziel.
31. Het werkverbod nog eens herhaald, om eeuwige en plaatselijk onbeperkte geldigheid der wet te vermelden.
32. fQBf, eig. ophouden met hezigzijn, kan zoowel beteekenen; ophouden met werken, als; met genieten. DeShabbath eischt alleen het eerste, de Verzoendag ook het laatste; dus; orwn quot; *' prot' roo. â atra cmS njjcna, op den negende der maand tegen dm avond; d. w. z. met den avond van den negende; daar nu naar Gen. 1 de etmalen gerekend worden van avond tot morgen, ziet de Thalmoed hier het voorschrift aangeduid, niet dan kort vóór het invallen van den avond met vasten te beginnen. Den 9de zelf raag niet gevast worden, doch een kleine tijdruimte vóór den nieuwen dag behoort reeds in de onthouding van den Verzoendag te worden opgenomen. â osraf vaw, zult gij uwen onthoudingsdag vieren, zoowel wat werken, als wat genieten aangaat.
36. ntTK. de Num. 29,13â34 voorgeschreven feestoffers. â 'jinen dïgt;a. Daar vs. 34 gezegd is, dat bet Loofhuttenfeest zeven dagen duurt, metéén dag tnp tnpn, â behoort de achtste dag niet meer daarbij, maar is een zelfstandig feest, zooals uit het offer. Num. 29,36, reeds voldoende blijkt.â mxj), Rashie; terughouding, dag, waarop gij nog door God in het heiligdom wordt teruggehouden; Ibn 'Ezra, Wessely e. a.: onthouding van werk; â tegen de eerste opvatting spreekt, dat ook de zevende dag van het Paaschfeest Deut. 16,8 eveneens msr genoemd wordt, hoewel dan oponthoud in het heiligdom niet noodzakelijk is. Tegen de tweede is aan te voeren, dat dan alle feesten rmr konden heeten. Wel wordt aangevoerd, dat op den achtsten dag van het Loofhuttenfeest en den zevenden dag van het Paaschfeest geen andere plichten bestaan dan werkonthouding, dus bijv. geen wonen in hutten, geen eten van ongezuurd brood is voorgeschreven, maar men verliest dan uit het oog, dat den zevenden dag van
l05
b nöN np
-Sa n'^rn ivh tón-Vai : n»s^o nnnsii ntn Di*n^
t v *=11- lt;quot; -i vv- t: t iv ^ iquot; v.t : ; ⢠: av - - -
Ninn B'öiri-nK 'nnnNni rrrn Di;n d^3 naxbp DD^nhi1? bViy nsn x1? nDxVo-^ : namp;v ^
â¢* â¢* â¢* T ^ ^ llt;-\ rt I- ^ iT T : T IT ~
-nu on^i DiV «in riraiy nat^ : DD^nb^D S'DS ^
3iy2 tvinb nytjra
» . . â¢- ⢠t v - ^r: ' : av quot;i : -
3 * : DDna^
iöK1? nan : iatib namp;D'btt nin» laTi^
nynv ni|Dn :n n|n i^nn1? di; n^pna
nn'3^; jiDtyD-bs vfift-tiyo DI*S : nin^b
n DV3 nin^nfH i^npn ^
Kin rmjr nin^ n^K onanpni DSV nw Vip-Knpp quot;Ib^k nh* nyio nbs : itryn kV mar nDitbo-bs *
vquot;! , .T : /quot;:! 1 r.v quot;* â , â , ⢠j ^ ⢠â¢â â j'-- = t
nnjDin?^ nin^ nu'K nnpnb trip wpo onK iKipn
tr; â st t i- v â â¢!: - : â â â¢l/i âtI: â v,t j :l: â¢
het Paaschfeest het verbod om iets gezuurds te eten nog steeds geldt. â De stam iwj beteekent: in- of afsluiten, en de meest waarschijnlijke verklaring is dan ook; slotfeest, dat eene reeks van feestdagen afsluit. Zoo de laatste dag van Paasch- en Loofhuttenfeest.
37. anpnS hangt niet van cnp ijnpn af, daar het brengen van feestoffers ook 'op de middendagen geschiedde, die geen t-ip i.s-ipn waren. Men verklare dus: dat zijn de bepaalde tijden... om te brengen. Men behoeft dan niet met Wessely te verklaren: dat zijn de bepaalde tijden, die gij ten deele als oproepingen naar het heiligdom zult uitroepen en allen zult bestemmen om te brengen. Onder nai wordt hier v. s. als gewoonlijk vredeoffers verstaan. Met de woorden codji nat nraoi nSy wordt nl. gedoeld op de, althans op de drie opgangsfeesten verplichte «.brandoffers bij het verschijnen in den tempelquot; en de »feestvierings-vredeoffersquot;. â Bij rrvw niVir en roon i»Sd, brand- en vredeoffers, behooren naar Num. 15,3 meel- en plengoffers. Daar dan echter de volgorde â¡â¢oen nat nrum n^r vreemd is, daar men: brand- en vredeoffers met de daarbij behoorende meel- en plengoffers zou verwachten, verklaart Wessely, dat in deze woorden ook al de in ons hoofdstuk genoemde en aangeduide offers begrepen zijn, dus onder ra ook de zondoffers bij de feestoffers zijn te verstaan, waarbij geen meeloffer gebracht wordt. Dan worden dus genoemd: brandoffers met de daarmede steeds gepaard gaande meeloffers, â dieroffers, waaronder ook die niet door een meeloffer worden begeleid,â- en eindelijkyen^offers, ten deele verbonden met sommige offersoorten, maar ook doelende op de traditioneel vaststaande water-plengoffers van het Loofhuttenfeest, en daarom niet bij nSip genoemd. â i»tgt;3 Dl' tal,, zie Ex. 6,13. â Natuurlijk kan ieder ook buiten die dagen offers brengen (vs. 38), â maar deze tijden zijn door God bepaald en bestemd, om Hem met bepaalde offers te naderen.
iroirn riyp
LEVITICUS XXIII.
dier- en plengoffers, het voor iederen dag bepaalde op zijnen
38 dag. Behalve de Shabbath-offers des Eeuwigen; en behalve uwe gaven, en behalve al uwe geloften, en behalve al uwe
39 vrijwillige offers, die gij den Eeuwige wijden zult. Doch vanaf den vijftienden dag der zevende maand, wanneer gij de opbrengst des lands inzamelt, zult gij het feest des Eeuwigen vieren zeven dagen; op den eersten dag is een rustdag, en op den achtsten
40 dag is een rustdag. En gij zult u nemen op den eersten dag eene vrucht van den boom Hadar, palmtwijgen, eenen tak van den boom 'Aboth, en beekwilgen, en gij zult u verheugen vóór
41 den Eeuwige, uwen God, zeven dagen. Gij zult het vieren als een feest ter eere des Eeuwigen, zeven dagen in het jaar; eene eeuwige wet voor uwe nakomelingen; in de zevende
42 maand zult gij het vieren. In hutten zult gij wonen zeven
43 dagen; elk inboorling in Israël zal in hutten wonen. Opdat uwe nakomelingen weten, dat Ik in hutten de kinderen Israëls heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte
38. 'n nror inSo. behalve de gewone Shahbathqffers, die toch gebracht moeten worden, ook al valt een der feestdagen met den Sabbath samen.â DS'nwia, v. s. gaven, die aan de tempelkas werden gewijd, of voorwerpen voor den dienst in het heiligdom en dgl. die niet op het altaar kwamen; v. a. verplichte gaven, offerdieren, als eerstgeborenen en tienden van het vee, die wel in den regel bij den tocht naar het heiligdom bij gelegenheid van een feest zullen gebracht zijn. Over vu en ra-u zie Lev. 7,16.
39. 1^, doch, volgens Ibn 'Ezra en Rashbam : in tegenstelling met den Verzoendag met zijne onthouding, zult gij op den 15de dier zelfde maand een vreugdefeest vieren. Vs. 34 had het feest reeds met den naam ntton jn aangeduid, zonder nadere verklaring, daar vs. 34â38 den feestenrij als dagen met bijzondere offers en oproeping tot heiliging afsluit, â wat uit vs. 37 en 38 blijkt, die als slot met vs. 4 correspondeeren. Vs. 39 vv. geven nu de bijzondere voorschriften voor de viering van het Loofhuttenfeest. Doch hoofdzaak van het feest is de vreugde. In deze zevende maand, als gij de opbrengst van hel land inzamelt, â waaruit de traditie afleidt, dat door invoeging van een schrikkelmaand vóór Niesan gezorgd moest worden, dat die zevende maand in den tijd der inzameling viel; â 'n Jnrisunr, zult gij het feest des Eeuwigen vieren, d. w. z. feestoffers brengen, rmn inSts. De uitdrukking jjn. van jin, kring, v. s. van de draaiende beweging bij het dansen, â (I. Sam. 30,16), eig. dus: vreugde uiten ïv.-a. een kring vormen, zich om het heiligdom vereenigen. Op den vijftiende... zult gij vieren zeven dagen, natuurlijk = van af, evenals vs. 39 mwa.
40. 03^ Diinpbl* zuft u nemen, niet, gelijk sommigen meenen, om daarvan de hutten te bouwen, â maar eenvoudig ter hand nemen en wel meervoud: ieder uwer, jwxm ova, enkel op den eersten, niet ook op den achtsten dag. â i-ib, de vrucht in den eigenlijken zin; niet als algemeen begrip op te vatten, wat dan in cnsn nss enz. nader zou worden gepreciseerd, â maar een der te nemen soorten: m yv i-ie, de vrucht van den sierlijken, schoonen, hoorn, naar de traditie: de Ethrog, eig. de aanlokkelijke cederappel, die vooral als slerboom dient. â D'-wmi nsa, twijgen van dadelpalmen, d. w. z. een jongen palmtak, waarvan de bladeren als de vingers
106
iD 10« Sp
nabüquot;! nin» inbp : lava Di'pa'i D^DJI nat ^ it^N D^nanr1?! MnirVa nabpi D^nijnp b33DN2 T^^iyinboi'quot;)^ n^pna ^ inin^ i^nn ^ DV? D^p» nyj3K' nini-jn-nK lahn pxn nKisn-nx
r i ^ t ^ ^t * . ^ t | v t t ; -â¢- ^ ;
di»3 DD? Drin^i : firaB' ^rp^n Dvni fin^ jlK'K'in» n^-^, onon nba nnn ns p^nn Dnani : d'ö' d^db' dd^n nin» \:sh Drinp'^i Vn:^ DDTihiS bVijr npn n^3 d»o» nyzv yn ijik
V quot; J : t |lt;-\ at t quot; v.- t quot;j- ; ⢠tl- â j-
quot;ba D^O» nyrHtf n3D3 : IDK lann ^aisri trina =» â¦3 CDThl w mD1? : n3D3 hlTKn«
j' v quot; ' j :â¢â¢* ' â : ⢠-. - v. : iquot; ^ â¢â¢ ^t : ⢠: t: v it
pMD on IK â¦N'ïina 7N-IEquot; ^rnx \na^in mioa
i quot; â quot;' quot; V.t r ⢠t â¢, â¢â¢ t : v ⢠; - â¢.. -
der hand tegen elkander liggen, of eigenlijk, daar de palmboom geen eigenlijke takken heeft, waaraan bladeren groeien, maar de bladeren onmiddellijk uit den boom voortkomen, palmbladen, en wel een samengesteld, gevederd blad; een uit verschillende deelen bestaand blad, welks deelen tegen elkander liggen, als de haartjes van een veêr. nsa beteekent dan: een saamgebogen blad. â nar ys tpn, naar de traditie: myrthen, en wel roï, waarvan de bladeren den stam als met een gevlochten ketting omgeven, drie bladeren, telkens op gelijke hoogte rondom den stam staande. â Wanneer Nech. 8,15 nar pj naast Dn genoemd wordt, dan is dit laatste algemeene naam voor myrthen, terwijl het eerste, evenals hier, de bijzondere soort aanduidt. â De plaatsing der woorden geeft het onderscheid in den aard der soorten aan; vrn yï 'is, de vrucht, op zichzelve, â de drie soorten, waarvan takken genomen moeten worden, door den verbindenden '1 verbonden, te samen te nemen. Over het aantal staat hier niets, daar de bij sommige soorten gebruikte meervoudsvormen verklaard kunnen worden door het meervoud oaS DnnpSi. â Gebruik is echter te nemen; 1 Ethrog, 1 palmtak. 3 myrthen- en 2 wilgetakken. â o'ni riyatr oivha 'n'jbS onnnoi, gy zult u ermede verheugen, uwe vreugde toonen, vóór den Eeuwige m den tempel, gedurende zeven dagen. rwN-in ova beteekent dan: van af den eersten dag. â Bulten den tempel gold de plicht van het nemen der vier plantsoorten alleen den eersten dag. Na de verwoesting des tempels echter werd, ter herinnering aan den tempel, het nemen der plantsoorten gedurende zeven dagen overal verplichtend gesteld.
42. i~|333, in d e hutten, die u bekend zijn; v. s. waaromtrent u de
bijzondere bepalingen reeds zijn medegedeeld. Men houde hierbij in het oog, dat de Thora, toen zij werd opgeschreven, het volk in haai- geheel bekend was. De hutten moeten, vooral wat de bedekking, maar ook wat de wanden betreft, aan bepaalde, nauwkeurig omschreven eischen voldoen. â mtsn Sa, ieder ingeborene, ook al heeft hij een huis (Rashbam).
43. ni3D3. in hutten, die Israël zich in de woestijn bouwde; â al
L E V I T I C U amp; XXIII, XXIV.
44gevoerd heb; Ik ben de Eeuwige, uw God.quot; Mozes sprak de feesten des Eeuwigen tot de kinderen Israels.
2 1 De Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt: «Gebied den kinderen Israels, dat zij nemen en u brengen zuivere gestooten olijfolie
3 ter verlichting, om altijddurend licht te ontsteken. Buiten het voorhangsel voor het «getuigenis,quot; in de tent der samenkomst, zal Aharon het in orde doen zijn van den avond tot den morgen, vóór den Eeuwige, voortdurend; eene eeuwige wet voor
4 uwe nakomelingen. Op den reinen luchter zal hij de lampen in orde houden, vóór den Eeuwige, altijddurend.
5 En gij zult meelbloem nemen, en daarvan twaalf brood-
6 koeken bakken; twee tienden zal iedere broodkoek zijn. Gij zult ze leggen in twee stapels, zes iedere stapel, op den
7 reinen tafel vóór den Eeuwige. En gij zult bij eiken stapel
worden die overigens niet vermeld, is het toah waarschijnlijk, dat zij, vooral bij langer verblijf op één plaats, gelegenheid vonden zich met planten gedekte hutten te bouwen. â Een tent is een uit linnen of andere stof gevormde bedekking; een hut, een woninkje met wanden, waarop eene dakbedekking van takken en dgl. Wanneer in Israel's kamp herhaaldelijk van cpShn, tenten., melding gemaakt wordt, bewijst dat nog niet, dat er nooit tijden waren, waarin zij in hutten woonden. Kort na de aankomst aan den Sienai (Deut. 5,27) óf op hun tochten (Num. 16,27 bij Korach's oproer) zullen ze in ieder geval wel geen woningen van eenigszins blij-venden aard hebben gehad. (Bij Korach zelf wordt trouwens niet van maar van p»D gesproken; misschien om zijne Levieten-waardigheid; misschien echter ook, omdat het een duurzamer gebouwtje was, dan dat van de, misschien tot den geringsten stand behoorende Dathan en Abieram).
44. Sit. ^e kinderen Israels, zoowel priesters als niet-
priesters (Sachm.). Ibn 'Ezra: tot de vertegenwoordigers der kinderen
Israels, de oudsten; daarom niet: Witn 'ja ^3 'w.
Hoofdstuk XXIV. 1â9. Het voorschrift omtrent den luchter, bijna letterlijk overeenkomende met Ex. 27.20 en 21, en dat omtrent de toon-brooden, staan hier, volgens Abrabanel, omdat beiden, olie ter verlichting en toonbrooden, evenals de zooeven vermelde feestoffers, door de gemeente Israëls werden bekostigd; anderen: omdat in licht en brood Israël zijn geestelijk en stoffelijk leven den Eeuwige wijdt, en als van Hem alleen uitgaande, beschouwd wil zien, â een denkbeeld, dat in bouw, inrichting en offerdienst in het heiligdom en evenzeer in de feesten duidelijk op den voorgrond treedt. Dan vormt dit stuk het slot van de bespreking van het heiligdom, die Ex. 25 begonnen is en tot hier doorloopt. Evenals in Exodus aan de heiligdomswetgeving een deel der rechtsvoorschriften vooraf gaat, zoo volgen ook na afsluiting der offerwetgeving een aantal sociale en rechtsvoorschriften, waartoe het geval van vs. 10 den gereeden overgang vormt. â Nog anderen meenen, dat licht en brood, evenals de feesten en de volgende Shemitta- en Jobelwetgeving, den dank des volks voor het land en zijne producten periodiek tot uitdrukking brengen en daarom hier zijn behandeld. Over vs. 1â3 zie Ex. 27,20 en 21.
3- pn». Aharon beteekent hier niet j uist: de hoogepriester, maar algemeen: de priester. Ex. 27,21 staat tgt;mi pnx, zoodat ook een gewone
107
ID 53 quot;1ÃK rp
nin» njfo-nK nu'O lam : nirv â¦:« onvo ^
at : v* ⢠⢠â¢* v â 'quot; quot;:' 'â¢* â¢â¢ i v: jt : t -at ; â¢
fi * : binfc» â¦ar'jK
in^i ^I'hk ii : iDxb n^o-bK nin» ^ pnp :Ton quot;ij nS^nb niNö1? n»n3 jots' â3^d pn« in«1T|^_ -i^iq ^nwan^n r-ians1?
rrüan ^ obi^ npn Tün nin» ipa*'
jt : - iv â¢â¢ i : v.t i j'\ a* t v.t : r* ; ⢠# i v â )
a * : Ton nin' ^a1? ninarrn» nnnan P hamp; mbn nn'amp;v nha n^Ki n^D nnpViquot;
: v â¢â¢ ; a ~ vquot;: ⢠-»quot; : t -t ⢠it : v -«t : I-it ;
niaiyo D^ntr ddik nofen : nnxn nbnn rrn* ^
j.. ^ ti i~ 'j- ; ot jt ; - : it vit jt - i- ^v: i*
na-i^an-^ nn:i: nin» â¦jö'? intan rn^Eri nsiyan»
v iâ jt quot; it : it : jquot; : ' {, r m tjr : \ ' vat^-s iâ
priester.den luchter in orde mag brengen en ontsteken. Waar de hooge-priester bedoeld wordt, is meestal mpan pon of iets dgl. gebezigd.
mntSn m30ngt; 0P den reinm luchter, den luchter van zuiver goud (Zie Ex. 25,39). De herhaling dient v. s. ter aanduiding, dat de lampen op den luchter moeten in orde gebracht worden, en niet bijv. de lampen schoongemaakt en gevuld of de pitten ontstoken mogen worden in net voorhof en dan in het heilige worden binnengebracht (vgl. Ex. 25.37); de traditie leert bovendien, dat de olie en pitten direct op het zuioeregoud van den luchter moesten gelegd worden, niets er tusschen gelegd mocht zijn, om het goud voor bederf te sparen. De uitvoering van dit gebod staat, wat Aharon betreft. Num. 8,1â4, terwijl bij de oprichting van het //Verblijf', Mozes den luchter in orde bracht (zie Ex. 40,25).
5- dSd nnpSlgt; gij zult meelbloem, van tarwe, nemen in de vereischte hoeveelheid, zooals later blijkt: 24 tienden van den Epha. â Over den vorm dezer brooden staat hier niets aangegeven. Zij waren v. s. van onderen vlak en hadden twee opslaande kanten, als een kist, waarvan de deksel en twee zijwanden zijn weggenomen. V. a. waren zij van onderen eenigszins bolvormig, zoodat zij, om stil te liggen, door statten ondersteund moesten worden. (Zie Ex. 25,29). Het waren ongezuurde broodkoeken, wat steeds door niSn zonder nadere aanduiding wordt uitgedrukt.
6. In twee stapels, â ieder uit zes brooden bestaande, die op elkander liggen â worden zij op de reine tafel, d. w. z. direct op het bovenvlak van de tafel, dat uit een gouden dekplaat bestond, neergelegd, niet op schotels.
1
waren. De twee stapels, naast elkander gelegd, vulden dus het geheele oppervlak der tafel, zoodat geen plaats voor den in lepels (rviSD, Ex. 25,24)
LEVITICUS XXIV.
zuiveren wierook leggen; en deze zal bij het brood totgedenk-
8 offer zijn, tot vuuroffer ter eere des Ãeuwigen. Telkens op eiken Shabbath zal hij het in orde schikken, vóór den Eeuwige, voortdurend ; vanwege de kinderen Israels, als een eeuwig ver-
9 bond. Het zal voor Aharon en zijne zonen zijn en zij zullen het eten op eene heilige plaats; want allerheiligst is het voor hem, van de vuuroffers des Eeuwigen als eeuwig deel.quot;
10 Er ging een zoon van eene Israëlietische vrouw, die echter de zoon was van een Egyptisehen man, te midden van de kinderen Israels uit; en nu geraakten in twist in de legerplaats de zoon der Israëlietische vrouw met een Israëlietischen man.
11 De zoon der Israëlietische vrouw sprak den Naam uit, dien vervloekende; nu bracht men hem tot Mozes; â en de naam zijner moeder was Shelomieth, dochter van Dibrie, uit den
12 stam Dan. â Men stelde hem in verzekerde bewaring, om voor hem bepalingen te geven op bevel des Eeuwigen.
liggenden wierook bleef, dan op iederen stapel. R. Meier meent daarentegen, dat de tafel 12 palm lang en 6 palm breed was, terwijl het grondvlak van het brood 5 bij 6 palm mat en de opstaande zijde slechts twee palm hoog was; dan lag de wierook niet op, maar naast het brood in de vrije ruimte tnsschen de stapels. â De wierook, een handvol voor iederen stapel, werd als n-ors (zie Lev. 2,2) op het altaar verbrand, nadat het brood van de tafel was weggenomen.
8. lederen Shabbath werd het sinds de vorige week op de tafel liggende brood weggenomen en nieuwe, op den werkdag te voren gebakken, brooden op de tatel gelegd. â Snib' ns», vanwege de kinderen Israels; het meel moet op kosten der gemeenschap worden aangeschaft. â dSiï ji'ia, tot eeuwig verbond, teeken van het eeuwig verbond tusschen Israël en God, dat Israël toont gestand te willen doen.
9. Het brood zal voor Aharon en zijne zonen zijn. De vrouwel. vorm nrvm moet verklaard worden door nSc, van vs. 5, als onderwerp erbij te denken; Wessely neemt nnjs als verzwegen onderwerp, welk woord echter in het geheele stuk niet voorkomt. Anderen als onbepaald ; het zal zijn, inSssi, zij zullen het (mannelijk nl. nnS, brood) eten. â Het brood heeft geheel het karakter van een meelojfer; het mag alleen door mannelijke priesters, op een heilige plaats, d. w. z. in het voorhof, gegeten worden. Vgl. Lev. 6,9. â 'n 'wsn, van een offer, waarvan iets op het altaarvuur is gebracht, hier: de wierook. â oSij) pn, een voor eeuwig hem toegewezen deel; eeuwige reet zou door dSiï flpn zijn uitgedrukt.
10. Het hier volgende feit wordt v. s. hier medegedeeld, omdat het plaats vond in den tijd, dat de wetten omtrent heiligdom en levensheiliging aan het volk bekend gemaakt werden; v. a. om de wetten omtrent levensheiliging, waarin met geen woord van Godslastering, alsdeafs-hu-welijkste misdaad, die in Israël ondenkbaar was, (Ex. 22,27 spreekt waarschijnlijk niet van Godslastering) wordt melding gemaakt, aan te vullen met de desbetreffende wet. Nog anderen meenen, dat door een concreet
108
quot;O quot;IQK n[5
nauri Di»a : nin,Lgt; bn^ nn^m nar nw1?n
t - - : it i- O* * TT : - i v v - lt;t :it : at- -t ;
ma nm ynn nirr â¦ja1? i33quot;)^» nat^n ova
y : T : ⢠iquot; : jquot; â¢â¢ A* T ^ : jquot; ; ⢠â¢)â¢â¢â¢ ;^r T - - -⢠:
'a t^-ip oipoa ihSdki vbbi pn^ nn^ni : d1?^0
^ a I t IJ t ; v.t i- t t : I i- : t ;it^: 9 ,T 9
â ra kxn D : D^i^-pn nirr â¦itnö «m D^np tynp'
I V IT I ^ T VT t Jquot; ' 1quot; â¢) J ⢠Tl IT vl
ba»! ^a quot;nina nïp ^«quot;ra kim n^Ni^ nty»
f quot; aquot; T : yy ^ * . J * 1: . : quot; : ⢠; -T
ntjwrna ap'i : ^Kquot;iir»n B'W rvTwwn ra nanoa^
t ⢠it I v I â¢quot; i' : â¢â¢â¢:;â¢- I vlt; v-; 1- -
iqn hitq-Vn in« ik^a^ dirn-nn
on1? BhsS iQB'Da inn»3»i : p-ntsoS narna n^bW3'
T j ; ' at ; ⢠⢠U : i* : * quot; r :
3 : mrv
IT )â¢
voorbeeld aangetoond wordt, hoe krachtig de wet onder Israël werd gehandhaafd en overtreding werd gestraft. Vgl. het bij vs. 1 opgemerkte.â Het is twijfelachtig, of ook reeds bij vóór de wetgeving geborenen de bepaling gold, dat het kind van eene Israëlietische vrouw en een niet-Israë-lietischen vader de moeder volgt en dus als Israëliet is te beschouwen. In ieder -geval is het telkens met nadruk herhaalde jvSxicnn p een aanwijzing, dat men van een Israëliet, uit zuiver Israëlietische afstamming, dergelijke euveldaad ondenkbaar acht. â sïh, /nj trad uit zijne woning naar buiten in de legerplaats en kreeg daar twist met een Israëliet. â Ssnquot;1 'W quot;pro, v. s. de zoon van een Egyptiscken man, die leefde te midden der kinderen Israels, en dus de geheele openbaring had medegeleefd en die niettemin tot zijn misdaad kwam. â Sommigen meenen, dat de Ex. 12,38 genoemde vreemde, niet-Israëlietische volksmenigte hare tenten had op eeuigen afstand van het naar vadershuizen geordende leger Israels en verklaren dan; hij verliet zijne tent in die afzonderlijke groep en ging uit naar het midden der legerplaats der kinderen Israëls, waar hem een Israëlietisch man zijn vreemde afstamming verweet en hem voorhield, dat hij in Israëls legerplaats niet thuis behoorde.
11. 3p3, eig. boren, v. d. steken, overdrachtelijk : scheiden, bestemmen, v. d. ten kwade = 22p, verwenschen. Zoo de traditie; SSjto 3[Tgt;1 vormen dan één begrip ; hij noemde vervloekende den naam Gods. Het enkele uitspreken van den naam Gods, den vierletterigen (vs. 16), is naaiden Thalmoed wel verboden, maar wordt niet met den dood gestraft, wat, bij de verklaring van ap: als noemen, uit vs. 16 wél zou voortvloeien.
12. anS enaS. pis ook eig. scheiden, v. d. bepalen; om voor hen te bepalen, s. voor Godslasteraars bepalingen vast te stellen op bevel des Eeuwigen; het meervoud is dan wel moeilijk te verklaren, daar zulk een
feval toch als bijna ondenkbaar werd gedacht. Anderen daarom;eval toch als bijna ondenkbaar werd gedacht. Anderen daarom; om voor en beiden, den lasteraar en den Israëliet, die er aanleiding toe had ge-
feven,even, bepalingen vast te stellen; nog anderen; om voor zich, Israëlieten, epalingen te vragen.
LEVITICUS XXIV.
13 Toen sprak de Eeuwige tot Mozes, als volgt: âLaat den Godslasteraar uitvoeren naar buiten de legerplaats; en allen, die het gehoord hebben, zullen hunne handen op zijn hoofd
15 steunen en de geheele gemeente zal hem steenigen. Ãn tot de kinderen Israels zult gij spreken, als volgt: iedereen, die zijnen
16 God vervloekt, zal zijne zonde dragen. En wie den naam des Eeuwigen verwensehend uitspreekt, zal gedood worden; steenigen zal hem de geheele gemeente; zoowel de vreemdeling als de inboorling, als hij den Naam verwensehend uitspreekt, zal
17 hij gedood worden. En iemand, die eenig menschenpersoon
18 doodslaat, zal gedood worden. En wie eenig stuk vee dood-
19 slaat, zal het betalen; lichaam voor lichaam. En iemand, die zijnen naaste een lichaamsgebrek toebrengt, â gelijk hij gedaan
20 heeft, zoo zal hem gedaan worden: Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; zooals hij een mensch een lichaamsgebrek toegebracht heeft, zoo zal ook hem toegebracht worden.
21 Wie een beest doodslaat, zal het betalen; maar wie een
22 mensch doodslaat, zal gedood worden. Ãén recht zal er voor u zijn, de vreemdeling zal zijn als de inboorling; want Ik de
23 Eeuwige, ben uw God.quot; Mozes sprak [dit] tot de kinderen Israels; nu voerden zij den Godslasteraar uit, naar buiten de legerplaats, en wierpen hem met steenen dood; en de kinderen Israels deden, gelijk de Eeuwige Mozes geboden had.
14. rUHOS pno Sn. «'W buiten de legerplaats van Israël; later, na de vestiging in het land, moest de plaats der gerechtelijke tenuitvoerlegging van strafvonnissen buiten de stad zijn. â D'rnonSa, ei 11 en, die de lastering hebben gehoord, de getuigen der feiten en de rechters, die uit het verhaal der getuigen de Godslastering hebben gehoord. â mrn Sa, in bijzijn der geheele gemeente, in het openbaar heeft de terechtstelling plaats.
15. vdSn SSp' quot;o; die zyn God, onder welken naam ook, vervloeit, iscn jwji, draagt zijne zonde, d. i. wordt met uitroeiing gestraft. Verwenscht hij echter den Naam 'n, den vierletterigen naam, dan is zijne straf steeni-ging. â V. s. is ns o;i, naar beneden storten van de rotshoogte, wat de eerste handeling bij de steeniging was, â 'a dji, het werpen van dm steen op hem. â Aan deze wet zijn nu eenige bepalingen vastgeknoopt, voor het meerendeel herhaling of uitbreiding van de Ex. 21 en 22 behandelde wetten. V. a. worden hier de wetten omtrent moord en verwonding nog eens herhaald, om ook deze uitdrukkelijk op den vreemdeling toepasselijk te verklaren. De bepalingen omtrent verminking van vee worden dan daarbij gevoegd en eveneens ook voor en tegenover den vreemde geldig verklaard.
17. Zie Ex. 21,12. p\s, een meerderjarig, toerekenbaar persoon; pbj Ss Dis, dke menschenpersoonlijkheid, ook een vrouw of kind. â rw ni», door het zwaard, jm.
19. Door den mensch direct veroorzaakte schade aan het bezit van een ander, een geval, dat Ex. 21,33 v.v. en 22,4 v.v. niet is besproken. â t'BJ
109
*13 -Ië tap
finö-btt V^pön-nK «vin : lOKb n^o-bw nin» naTi ^
| â V â¢â¢ I - : I- V J- 1 â¢â jv V I.T : _ jquot; -:- Tgt;
inK lojn Dnn^nK D^o'^n-Va isodi njns1?
v. j : it: a *- v.v â¢â¢: v %⢠; i - t s : ir : v -j i- -
-â¦3 wx ioN1? ia-in â¦WVKI : rnrn-^10
i* â¢)⢠j' ^ a â¢â¢ -â¢â¢â¢ - : vquot; t ; ⢠Jquot; : v : it^quot;it t
dut nav nio nin^Dir apii : iKtan kitji vriVn
^ t t j t : iquot; i lt;â¢â¢ : ^ i ; v jt t ; vt v: â »â¢â¢ i -;
: nov qw I3p33 ua myrrVs irlöin* ^
⢠: it vquot; J \'.T '. t: vit â¢â¢ - at^'it t v ï :*
rütiïw nanrt^fii naai :novniD d-ik i^srVa ny â¦3^
tav; - : {T â¢â¢ i viv r* - it att *.â¢â â¢â¢.⢠t v*-quot;
n'tb^ ims iWDpz dio rn»-^ ; Bte: nnn wsü amp;
T T jv -:i- * . l~ v â¢-»*â¢â¢ .'* * ! vit - -iquot; '-w
li? nnn |bgt; nnn 12^ nnn 13^ : ib n'^jr. |33 naob^nonanao*) *: 13 jnr ra onna did m» «
tav ; quot; : vt *⢠; ~ i I VJT ' Kquot; ttit Ijquot;* v -; |-
n»n»nquot;)t«3quot;)]i3 dd1? nvr nnk taa^D : nov dik naDi33
Av;r ^t: vit -»â¢â¢- v t jv :r t v lt;- : ⢠it ^tt jquot; -
4|?tnE» ^3-^ riirD n3Ti : 02^« nin» »3« »3»
â¢â¢ t ; ⢠jquot; : v v jquot; -: - iv â¢â¢ i v: {.r : j' -t â¢)â¢
-^31 ps ins iDan»quot;) ninab Vihd-^k ^pon-nK
iquot; : i v at ^ j : i - ~ v -: 1- - I ⢠v â¢â¢ i - ; r v j*
a : n^D-n« nin» nix quot;1^3 ïamp;V bNTtr»
IV V t T : jr ⢠ov -j - t -quot;â t : â
ïïB3 nnn, zie Ex. 21,23; hier kan de uitdrukking, nadat als straf betalen uitdrukkelijk is genoemd, natuurlijk niet beteekenen; leven voor leven. De zin is, dat de waarde van het aas en de te vergoeden som te zamen de oorspronkelijke waarde van het gedoode dier vertegenwoordigen.
19 en 20. Aanvulling van Ex. 21,16â25. Vgl. onze aanteekeningen aldaar. De zin is ook hier natuurlijk: vergoeding der toegebrachte schade aan lichaamswaarde.
21. Niet eenvoudig herhaling van vs. 17 en 18, maar v. s. om in het licht te stellen, dat bij dooden van dieren geen andere straf dan betalen, bij dooden van menschen nooit anders dan doodstraf intreedt. Kan die bijv. bij gebreke van opzet of getuigen niet worden toegepast, dan treedt daar niet betaling voor in de plaats. Rashie en Rashbam zien innnnansn tegenover nnna pbj nan van vs. 18 slechts verwonding, en in ons nam evenzeer, denkende aan het bijzondere geval van verwonding van een der beide ouders. Ibn 'Ezra meent, dat, terwijl bij verwonding van een mensch de straf beperkt is tot wie een gebrek toebrengt m^nra, aan zijn mede-Israëliet, hier de wet aangaande dooden van dier of mensch herhaald is, omdat daarbij voor inboorling en vreemdeling dezelfde wet geldt (vs. 22).
22. irWf öfilTO» v- s- rechtseenheid: dezelfde wijze van rechtspleging, in methode van onderzoek en bewijs, zal voor u bij alle zaken gelden; en dan een tweede beginsel; rechtsgelijkheid, vreemdeling en inboorling staan u gelijk. Anderen zien in het geneele vers slechts die laatste wet.
23. yamp;y SjOCquot; 'JSI. en de kinderen Israels deden, ook in al de overige hier besproken aangelegenheden, naar al wat de Eeuwige Mozes geboden had.
LEVITICUS XXV.
1 De Eeuwige sprak tot Mozes op den berg Sienai, als volgt:
2 //Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen : wanneer gij in het land gekomen zult zijn, dat Ik u geef, dan zal het land
3 ter eere des Eeuwigen een Shabbath houden. Zes jaren kunt gij uw veld bezaaien, en zes jaren uwen wijngaard snoeien,
4 en de voortbrengselen ervan inzamelen. Maar in het zevende
Hoofdstuk XXV. In de inleiding tot hoofdstuk 23 is reeda opgemerkt, dat v. s. de in ons hoofdstuk behandelde Shemitta- en Jobel-wetgeving onmiddellijk bij de feestwetten aansluiten. Evenals elke zevende dag heilig is en zeven feestdagen in het jaar Gode gewijd moeten worden, waaroij dan vooral de zevende maand op den voorgrond treedt, â zoo is op het einde van iedere jaarweek liet zevende jaar heilig; terwijl zeven jaarweken worden afgesloten door een heilig Jobeljaar, evenals de zeven 'Omertellingsweken door het Wekenfeest. In één algemeenen trek was de Shemitta-wet Ex. 23,10 en 34,21 reeds gegeven, evenals daar de drie land-bouwfeesten waren vermeld. Hier wordt de wet dan meer in bijzonderheden behandeld, evenals in hoofdstuk 23 de feesten. Moeilijk verklaarbaar blijft dan de plaatsing van 24,10â23. Anderen meenen daarom, dat onze plaats slechts ééne zijde, de voornaamste, van Shemitta- en Jobelwetten in het oog vat: de wetten betreffende land- en persoon-bezit, die beiden leerende opvatten van uit het standpunt: God eenig eigenlijk Bezitter, en menschenbezit daarom alleen uit God. Terwijl dan het slot van 24 datzelfde beginsel verkondigt betreffende de persoonlijkheid van het levende wezen, â God grondslag van het recht ten opzichte van den persoon en de dóór hem tot eigendom verworven wezens â sluit ons hoofdstuk daarbij direct aan. (Vgl. Luzzatto, Hiesch e. a.). Dezelfde Godsspraak loopt door tot het einde van hoofdstuk 26. De samenhang is aldus te verklaren : Shemitta-wetgeving 25,2â7; Jobeljaar vs. 8 en 9, a) invloed op persoonlijke vrijheid en terugkeer der landgoederen in het algemeen (vs. 10); 6) onthouding van landbouw, 11â13; c) daaraan sluit de nadere uitwerking van den terugkeer van landbezit tot den oorspronkelijken bezitter, waarbij eenige algemeene rechtsbepalingen aangestipt worden, die bij eiken verkoop moeien gelden, vs. 11â18; 19â24 geven dan de verzekering van Gods zegen, zoodat de onthouding van landbouw niet schaden zal. De bijzondere gevallen waarin, en de wijze, waarop daarbij de Jobelwet hare toepassing vindt, worden vervolgens besproken: 1°. verkoop van erfgoed (25â2ö); 2°. huizen in ommuurde of open steden, 29â34 ; 3°. zelfverkoop als slaaf wegens armoede, 39â43 â waaraan voorafgaat de plicht den verarmende bij te staan en te steunen, met de daarbij geldende wetten (35â38) â en waarbij de algemeene bepalingen betreffende niet-Israëlie-tische slaven zich aansluiten, 44â46; â 4°. verkoop als slaaf aan een niet-Israëliet, 47â55. Hoofdstuk 26,1 en 2 bevatten dan, als slot dezer wetten-groep en overgang tot het volgende, de voorschriften, die 19,3 en 4 aan Let begin der wetten van levensheiliging reeds met bijna dezelfde woorden waren gegeven. 25,19 vv. was reeds Gods bijzondere zegen bij inachtneming der Shemitta-wet toegezegd ; dit vindt nu zijne nadere uitwerking in 26,3 vv., waar in het algemeen de zegen Gods bij vervulling, en van vs. 14 af de straf bij niet-opvolging der wetten wordt aangekondigd, waarbij tegen het slot (vs. 43 vv.) uitdrukkelijk op het Shabbath-jaar wordt teruggekomen. De beide hoofdstukken vormen dus één geheel.
i. 'ro ina. v s. in tegenstelling met de offerwetgeving. Lev. 1â6, die van uit den tabernakel Mozes was bekend gemaakt. Dan zou deze
110
na nns 'p
^3-quot;?« nii : quot;ioxV â¦rp quot;ina n^o-^N rnrr ^3 ?na 1^« t^nKn-^K Wan »3 dhSn nwi
i j«^ -: jv ^-; | v t t v t lt;* v â¢â¢ -j jt ; - it ; â¢â¢ t : *
nnir ^nrn ww : nin^ nair pNn nnatyquot;) DD1? j
i vt j-; ⢠⢠t lt;â¢â¢ it i- quot; i quot; t t -«t : it ; av t
njtrai : nnwan-nK nsoNi -iorn vw â gt;
jt t quot; it t i : v ^t : - it : iav :quot; -⢠: * t jquot; :
bijvoeging echter reeds vroeger, bij spijs- en reinheidswetten, hebben moeten staan. Anderen zien hier in deze woorden eene verwijzing naar Ex. 34,32, waar gezegd wordt, dat Mozes, na zijn tweede verblijf op den berg, den kinderen Israels mededeelde al wat God hem op den berg Sienai had gezegd. Onze wettengroep vormt dan het slot der door God aan Mozes op den Sienai geopenbaarde en hier medegedeelde wetten, die, zooals wij zagen, de levensheiliging in verschillende vormen en omstandigheden behandelen. Daarom bij deze laatste groep van zoodanige wetten de woorden herhaald, dat die openbaring op den herg Sienai hem gegeven was. De woorden komen 7,38 aan het slot der offerwetgeving, 26,46 aan het slot der beloften en strafbedreigingen, die de Shemitta- en Jobel-wetgeving afsluiten, en 27,34 aan het einde der verordening over de geloften, tot slot van het priesterwetboek, nog eens voor. â Nog anderen raeenen in de woorden â¢o'D ma eene tegenstelling te vinden tegen het onmiddellijk voorafgaande; daar was een vraag gerezen, waaromtrent Mozes niet wist, hoe te handelen. Zoo al, (vgl. onze aant. Ex. 22,27) dan is het verbod van Godslastering toch slechts indirect gegeven, inbegrepen in de algemeene wet: geen met hooger gezag door God bekleed persoon te verwenschen. Daar was dus een wet, die niet aanstonds Mozes op den Sienai bekend gemaakt was, althans niet zoo nauwkeurig, dat hij haar in de praktijk had kunnen toepassen. De hier volgende, in bijzonderheden afdalende wet was echter, als alle overige wetten, met uitzondering van de bij bijzondere gelegenheden geopenbaarde, reeds op Sienai in vullen omvang aan Mozes bekend gemaakt. â (Godslastering was als bijna ondenkbaar evenmin uitdrukkelijk behandeld als bijv. oudermoord). â Een ander quaestieus punt is de vraag: wanneer deze wetten gegeven zijn? Het is onmogelijk, dat zij tegelijk met de bovenstaande bij Mozes' laatste verblijf op den berg hem werden medegedeeld; â dan zou men moeten vertalen : De Eeuwige had gesproken op den herg Sienai, â daar wij in hoofdstuk 9 en 10 reeds den Isten Niesan van het tweede jaar behandeld hebben, terwijl deze openbaring dan vroeger viel. Anderen meenen, dat eerst na den bouw des heiligdoms deze wetten hem bekend gemaakt werden; daarna is echter van een verblijf van Mozes op den berg niets bekend; zij vertalen daarom: de Eeuwige sprak nu tol Mozes h ij den berg Sienai.
2. ti1? ratr. een Shabbath ter eere des Eeuwigen, die dus gevierd moet worden; gij kunt uiet, als zoude deze wet uitsluitend het oog hebben op rust voor mensch en dier en op den blijvenden goeden staat van den bodem, die rust niet willen houden. â Naar de traditie gold de wet eerst na verovering en verdeeling des lands, niet onmiddellijk nadat Israël het had betreden. Telkens wordt gesproken van : uw veld, uw wijngaard, â dus duidelijk; aan een bepaalden eigenaar als bezit toegewezen land, â na de verdeeling dus. â Vs. 4 verklaart de wijze van Shabbathviering. , 3. nnxian. de opbrengst van het land, het vrouwelijk woord px in het vorige vers.
LEVITICUS XXV.
jaar zal een hoogste Shabbathrust voor het land zijn, een Shabbath ter eere des Eeuwigen ; uw veld zult gij niet bezaaien,
5 en uwen wijngaard niet snoeien. Het nagewas van uwen oogst zult gij niet oogsten, en de druiven van uwen ongesnoeiden wijnstok zult gij niet snijden; een Shabbathjaar zal het voor
6 het land zijn. En de Shabbath-opbrengst des lands zal tot spijze zijn, voor u, uwen slaaf en uwe slavin; ook voor uwen huurling en uwen bijwoner, die zich bij u ophouden.
7 En voor uw vee en voor het wild, dat in uw land is, zullen
8 al zijne voortbrengselen zijn om te eten. â Gij zult u zeven jaren-Shabbathen tellen, zeven maal zeven jaren; zoodat het aantal der zeven jaren-Shabbathen u zal zijn negen en veertig
9 jaren. Daarna zult gij den dreunenden bazuin doen hooren, in de zevende maand, op den tiende der maand; op den dag der verzoening zult gij den bazuin door geheel uw land doen
10 hooren. Gij zult het vijftigste jaar heilig houden, en vrijlating
4. Zaaien en snoeien, om den groei te bevorderen, zijn voor een ieder verboden.
5- ni'pn kS en lïan nS, gij moogt niet oogsten of druiven snijden, om ze voor u te behouden; de vruchten van dit jaar zijn, naar vs. 6 en 7,
Subliek domein, waarop de bezitter van den bodem niet meer recht mag oen gelden, dan een ander. â miD, van nso, v. g.ubliek domein, waarop de bezitter van den bodem niet meer recht mag oen gelden, dan een ander. â miD, van nso, v. g. uitschudden, het door uwen vorigen oogst uitgeschudde, wat door gevallen graankorrels of dgl., die ontkiemd zijn, vanzelve is gegroeid. V. a. samenhangend met â¢lt;:nsD (I Sam. 2,36), aan iets toevoegen, mso dus: het zich vanzelve bijvoegende bij den vorigen oogst. â quot;finj, van quot;PfX den Nazier, die zijn haar liet groeien
zonder het te snijden, dus: uwen ongesnoeiden, nl. wijngaard; iïp van koren, van druiven: snijden.
6- pxn nar. het product van den Shabbath des lands. Voor allen, voor den grondeigenaar en zijn gezin, maar ook voor zijn gekochten slaaf, en niet-Joodschen, huurling of vasten, bij hem wonenden arbeider (zie Lev. 22,10) zal de opbrengst gelijkelijk beschikbaar zijn;
7. En evenzeer voor vee en wild des velds. niet juist: wee,dat
uw eigendom is, maar algemeen; vee, dat als tam gedierte, bij de menschen levend, op onderhoud door menschen is aangewezen, â tegenover nrin â pnxa -wn, wild, dat in uw land keft, en daar zelve zijn voedsel vinden kan. â Hier is alleen de invloed van Shemitta op het land behandeld; niet de vrijlating van schulden, die Deut. 15 wordt besproken. Ook bij de feesten, hoofdstak 23, is slechts de landbouwkundige beteekenis hoofdzaak, terwijl de andere punten slechts ter loops worden behandeld. â Slechts eten mocht men de vruchten van het zevende jaar, waaruit Mishna en Thalmoed tal van bepalingen ontwikkelen betreffende de wijze van gebruik dier vruchten. Handeldrijven in producten van het zevende jaar wordt als een der meest verachtelijke daden van hebzucht gebrandmerkt. Dit toch zou hongersnood of althans schromelijke opdrijving der prijzen van landbouwproducten na zich sleepen. â Tevens wordt uit ons vers afgeleid, dat de in huis opgenomen vruchten slechts zoolang als privaat-figendom mogen worden behandeld, als van dezelfde soort nog vruchten
Ill
hb
kS nirvj? na^ pN1? \ina^ na^ njr^a^n âiixpn i6 ?|17|3 n'öp n« : -iorn tih ^p-pi ynrnquot; nn'n{: n^n; pni^ ivan nS ï|TTj 'a^-mv ?|7Dquot;Kgt;bi; ^nox1?^ ^na^i ^ ba^ pxn ïjinKa quot;)f« rmb] ^nüna^ : Tja# onan ^a^in1?!» rinair ya# *h maai d : nnxian-^a n'nnquot;
U ; - ^ - vlt; | ; ; - IT : i v:iv v.t t i : t jv : r
nnair ra^ w n1? vm D^DPS ^a^ D»J^ vatf
j : - ~ v« â¢â¢ : f ; quot;* t : a* t : ~-Jâ¢* vquot; t - jv ⢠t
nynn quot;laity rna^m : njtr D^aiNi D»3t^n»
quot;r : lt;- T. : quot; ':i'y ,T T V. T ; - : ^ - j- ⢠T -
naity n^jrn onsan DVS ^n? trina
Dnxipi niK' b'^ann niir PN orianpi : Daxi^-Vaa'
Æ.⢠t»: TT ⢠* -i r lt;- ; -â¢â¢â¢ v : ; ...... T .
te veld staan, die het wild en vee kan eten. Is dit niet meer het geval, dan moeten zij verwijderd worden, volgens Maim, door vernietiging, naar Nachm. door ze als publiek domein naar buiten te brengen en door wie ze hebben wil te laten wegnemen.
8. mSD.I' naar d® traditie: het hoogste gerechtshof, de nationale vertegenwoordiging, daarom enkelvoud. â dw nroü yap, waarschijnlijk: zeven jaarweken, v. a. Shabbathjaren, dan zou men echter ninap w verwachten. â raiy â gt;»' -p vm enz. Siporno; de dagen van de zeven jaarweken zullen u 49 Jaar zijn, d. w. z. niet naar maanjaren zult gij berekenen, maar zorgt ervoor, door ook het zonnejaar in aanmerking te nemen en dus schrikkelmaanden in te voegen, dat de dagen dezer öhemitta-jaarweken werkelijk 49 jaren worden, ook naar de zon berekend.
9- may.m. eig. doen doorgaan, v. d. bij geluiden: doen hooren. Over nrnn vgl. 23,24. Ook hier is het een drievoudige Theroe'a, telkens voorafgegaan en gevolgd door een Thekie'a. â nrnn iew, den vooral voor het blazen der Theroe'a, die immers de hoofdzaak is, dienenden bazuin. â Naaide traditie werden op den 10 Thishrie onder bazuingeschal de slaven vrijgelaten, hoewel de heilige wijding van het jaar met betrekking tot den bodem reeds den eersten Thishrie, met de intrede des jaars, begon.
10. Niet het 49ste, zooals sommigen willen, maar het vijftigste jaar is Jobeljaar, zoodat twee jaren van stilstand in den landbouw onmiddellijk op elkander volgen. â nn onsopi. Tin komt Jes. 61,1 van terugkeer van krijsgevangenen en Ez. 46,17 van terugkeer van vaste goederen tot den oorspronkeiijken bezitter voor; de beide zijden, die, naar het slot van ons vers, ook hier het im »np ten gevolge heeft. Het woord beteekent dus: vrijheid, vrijlating. â xin Sari = nw Sargt; jijd. Sav = ibw (Ex. 19,13 en 16 e. a. p.), misschien gelijk Savn pp, wat dan beteekent: ramshoorn. Savnnjiy beteekent niets anders dan: een door bazuingalm ingeleid/aar; van jubelen en blijdschap ligt in het woord als zoodanig niets. â imas Sn d\s, landbezit; de zin is dus: ieder keert terug naar zijn erfland; irinsp» Sn b\si en zelfs zij, die tot slaven verkocht zijn, keeren tot hunne familie terug; ook al hebben zij door vrijwillige verbintenis zich verbonden, na de zes dienst-
LEVITICUS XXV.
uitroepen in het land voor al zijne inwoners; Jobeljaar is het, zal het voor u zijn, en ieder zult gij tot zijn grondbezit, en
11 ieder tot zijn familie terugkeeren. Een Jobeljaar is het, het vijftigste jaar zal dit voor u zijn; gij zult niet zaaien, en niet oogsten het nagewas ervan en niet plukken de ongesnoeide
12 wijnstokken. Want een Jobeljaar is het, heilig moet het u
13 zijn; van het veld af moogt gij zijne opbrengst eten. Met dit
14 Jobeljaar zult gij ieder tot zijn grondbezit terugkeeren. Wanneer gij dus aan uwen naaste iets verkoopt, â of gij koopt iets uit de hand van uwen naaste, â zult gij de een deu ander
15 niet benadeelen. Naar het aantal der jaren na het Jobeljaar, zult gij van uwen naaste koopen ; en ook deze zal naar het
16 aantal der opbrengstjaren u verkoopen. Naarmate van de veelheid der jaren zult gij zijn koopprijs vermeerderen, en naarmate van het minder aantal jaren zult gij zijn koopprijs
17 verminderen; want een getal opbrengsten verkoopt hij u. En gij zult de een zijnen naaste niet benadeelen, maar gij zult voor uwen God vreezen ; want Ik, de Eeuwige, ben uw God.
jaren te blijven, eindigt hun dienst met het Jobeljaar. â dsS nwi eoriSav, Jobeljaar is het en zal ook door u als zoodanig doorgebracht worden, en wel doordien gij gevolg geeft aan deze voorschriften. De uitdrukking wordt vs. 11 en 12 nog eens herhaald.
11. De schuldenkwijtschelding van Deut. 15 geldt alleen voor het Sheraitta-, niet voor het Jobeljaar. â men j», van het veld weg, zonder dat gij het als uw eigendom in uwe schuren opslaat, moogt gij allen, ook de eigenaar, de opbrengst ervan eten, vgl. vs. 6.
13. fuca, Ibn 'Ezra : Met het begin van dit Jobeljaar, niet eerst op den tiende; dan zou alleen vrijlating van slaven den 10de intreden. SiPORKO: keert ieder terug en mag, hoewel landbouw verboden is, zijn terrein afbakenen, voor draineering en gebouwen zorgen.
14. Als gevolg van de Jobeljaar-instelling wordt elke verkoop van vast goed feitelijk pacht voor een beperkt aantal jaren, tot het naaste Jobeljaar, waarbij net dus niet op innerlijke waarde van het verkochte goed, maar op een feit, het invallen van het Jobeljaar, aankomt, van onbekendheid waarmede bij een der partijen misbruik kan worden gemaakt. Vooral zal de verkooper van de onkunde des koopers misbruik kunnen maken. Daarom hier de algemeene waarschuwing: als gij uwen naaste iets verkoopt, speciaal land, zult gij hem niet benadeelen. Aanstonds echter wordt die bepaling tot het geheele handelsverkeer uitgebreid in de woorden; nn'Uïi t» rap is, of als gij iets koopt uit de hand van urnen naaste, dat is dan: roerend goed. (rap, onbepaalde wijs voor het werkwoord in den tweeden persoon van den toekomenden tijd). Vs. 17 spreekt dan van krenken en om den tuin leiden met woorden. Anderen meenen, dat in ons vers uitsluitend aan vaste goederen gedacht wordt, en vertaald moet worden: als gij iets, vast goed, verkoopt aan uwen naaste of koopt uit het bezit van uwen naaste, terwijl vs. 17 dit verbod dan in algemeene bewoordingen, ook tot het handelsverkeer in het algemeen, bij roerend goed uitbreidt. â es wn Ss â¢pns ns, eig. smart veroorzaken, krenken, speciaal in vermogensrechten: benadeelen. â De Thalmoed geeft op dit stuk verschillende bepalingen aan, waarbij onderscheiden wordt tusschen benadeeling in het verkoopsome^, door onjuiste opgave aangaande qualiteit of quantiteit, en benadeeling indewaarde,
112
15
hi inn yp
Dnatyi übb n^nn «in Vai* pM3 nm
â¢c v ; - : v t â quot;.⢠: r ⢠jquot; t av : i t ; | «at t â¢) :
niK'Kin Vav : inna^p-^N ^NI inTn^-Vt?^ -nK inxpn dd1? nnn njir D^onn
: I; ⢠# ; t: ⢠-⢠av t â quot;â¢â¢ : r t r ⢠-: i-
n'nn ^np «in bnv »3 : nnrrnx nxan k^i n^n^o ^
jv . ,. vlv. ⢠-quot;⢠â¢lt; t iv : v v. : : ⢠j : r v ⢠:
nxtn bai'n : nnwan-nx ibsKn nntrn-fa DD1? ^
a - ^ j' ⢠it t i ; v v : ' vt - i ⢠av t
1« nrrav1? n3Dö maon-'Di * : inrnN^N latrn ^
^ ^ i v -^-.r t : * « ; : ⢠r : i t â¢-. -: v v â¢.. t
mv ~i2dq3 ; rm-nx wx liin-bx nn»o^ to n:p â¢
â¢t lt;-:â¢â¢. i* t v J' y. ~ |av ⢠^: j- ⢠vIt
-quot;i3p» nNian-^.B' -12002 rwp nipn ^vn inx D'ii^n ü'yo inipo na-in o^i^n an 1 ^ ^« ^in : n1? nob Kin n^ion -1200 ^ in:po â¡â¦yonquot;
« : i't ^** j : - lt; a rh * -
: ao^nVx nin1 â¦:« ^ n^No nNin in^oy-nx ty'Nï
iv â¢â¢ i v: : j-â. â¢Â»â¢ p av v: iquot; t v,quot;t; ⢠-.⢠j-
door te hoogen prijs te nemen of te lagen te geven. Verboden zijn beide groepen. Wat de gevolgen aangaat, is bij misleiding betreffende het object de koop steeds nietig, of althans heeft de benadeelde recht op vergoeding; bij misleiding in den prijs echter geldt uitsluitend voor den handel in roerend goed, dat benadeeling door misbruik van de onwetendheid der tegenpartij, al naar de omstandigheden, óf nietigverklaring van den koop, â bij overvraging van meer dun een zesde (d. i. een vijlde) boven den vastgestelden marktprijs, â óf restitutie van het te veel betaalde ten gevolge kan hebben, óf beschouwd wordt als te zijn kwijtgescholden. â Verboden blijft in het handelsverkeer elk misbruik van des anderen onkunde of onbeholpenheid, ook al kan geene actie van welken aard ook worden ingesteld. â Op onze plaats nu, waar het om bedriegelijke voorspiegeling van een niet meer voorhanden aantal oogstjaren gaat, is dus van bedrog in het object (aantal oogstjaren) sprake, waarbij dus de nsjix-wet ook voor vaste goederen geldt. â quot;p'rMS ⢠⢠⢠risnn, bij het werkw. het meerv., bij de bepaling
het enkelv. aanhangsel, als iemand van u verkoopt aan uwen naaste.
15. Gij, kooper, zult uwen koopprijs vaststellen in overeenstemming met het aantal jaren, dat na het laatste Jobeljaar reeds verloopen is, en de verkooper zal den kooper den prijs vaststellen in verband met het aantal opbrengstjaren; de kooper zoowel als de verkooper moeten weten, dat zij slechts de opbrengst van een bepaald aantal jaren aan elkander overdragen. â üit de woorden nvoan jaren van opbrengst, maakt de Thalmoed op, dat verkoop van land minstens twee oogstjaren moet van kracht geweest zijn, alvorens volgens vs. 27 de lossing kan plaats hebben; terwijl anderzijds ook minstens twee jaren vóór het Jobeljaar de verkoop moet plaats hebben. Bij die twee jaren rekenen dan alleen opbrengstjaren, dus niet jaren van algemeen misgewas in het land, of Shemitta-jaren. â iquot;UpÃ. koop, ook: koopprijs; evenals nSirs, werk en werkloon.
17. -imSko mTI. Is hier aan krenking en om den tuin leiden met woorden gedacht, dan wordt nNTi enz. bijgevoegd, om erop te wijzen, dat,
LEVITICUS XXV.
18 Als gij Mijne wetten zult volbrengen en Mijne rechtsvoor-schriiten in acht nemen en ze ten uitvoer brengen zult, dan
19 zult gij in het land wonen in veiligheid. En het land zal zijne vruchten opleveren, en gij zult tot verzadiging eten ; en in
20 veiligheid daarin wonen. En als gij zeggen zult: âWat zullen wij dan in het zevende jaar eten ? Zie, wij mogen immers niet
21 zaaien, noch onze voortbrengselen inzamelen ?quot; Maar Ik zal Mijnen zegen voor u gebieden in het zesde jaar, dat het de op-
22 brengst levere voor de drie jaren. Als gij in het achtste jaar weder uitzaait, zult gij nog van de opbrengst eten oud [koren]; tot in het negende jaar, totdat zijne opbrengst binnenkomt,
23 zult gij van het oude eten. Doch het land zal niet blijvend verkocht worden, want Mij behoort het land; want slechts
zoo al geen mensch ooit onze bedoeling kan peilen en dus niet te controleeren is, of wij al of niet met kwade bedoeling hebben gehandeld, â God dat toch weet en wij Hem dus voor oogen moeten houden. Is het algemeen verbod van benadeeling, dan is de zin der woorden â pn'wo riN-w: ook al kan geen rechter nietigverklaring van den koop of verplichting tot schadevergoeding uitspreken, verboden is de bedriegelijke handeling en vindt bij God hare straf.
18- Vipn. volgens Wessely ; de vastgestelde ü^Ashepalingen, zeven jaar voor Shemitta en vijftig voor Jobeljaar; 'dspb, de daaruit voortvloeiende rechtsbepalingen, waarvan zooeven eenigen genoemd zijn. â naaS, in veiligheid, zonder zorg, niet juist: buiten gevaar. Anderen maken verschil tusschen noaS pssn Sr orasm , dat politieke veiligheid naar buiten, en Droo'i rroa, dat den physieken toestand des lands, inwendigen bloei en onbezorgdheid zon aanduiden.
19. DnSm v- s- eenvoudig: gij zult u zat kunnen eten, er zal ruime overvloed zijn, v. a. gij zult eten en dit zal strekken tot verzadiging, gij zult er genoeg aan hebben en niet meer verlangen; n. a.: uw eten zal gezegend zijn, zoodat het u verzadigt; zonder dien zegen kan bij overvloed nog honger worden geleden.
20. Die angst, om wat in het zevende jaar gegeten zal moeten worden, wordt v. s. eerst hier uitgesproken, daar hier aan het 49ste jaar wordt gedacht, wanneer het Jobeljaar onmiddellijk op het vrijlatingsjaar volgt en dus twee jaren na elkander het land niet bewerkt mag worden. Anderen denken hier aan het gewone zevende jnar, wat o. i. het meest waarschijnlijke is. De voorraden van den oogst duren immers gewoonlijk slechts tot den volgenden; komt dan niets binnen, dan wordt honger geleden; dit staat nu ieder zevende jaar reeds te vreezen van het Paascnfeest af, den gewonen tijd, waarop van het nieuwe koren wordt gegeten, al wordt ook het meeste als winterprovisie eerst in het najaar binnen gehaald. â npaon ruca beteekent dus: in de tweede helft van het zevende jaar. Als nu vs. 20 gesproken wordt van: zaaien in het achtste jaar, dan komt dit goed uit bij een gewone Shemitta, niet echter bij het Jobeljaar, daar dan het jaar, waarin gezaaid mag worden, het negende sinds de vorige Shemitta is (tenzij men het 49ste jaar als Jobeljaar, dus tevens Shemitta, neemt, wat, zooals wij zagen, minder waarschijnlijk is en tevens den hoofdgrondslag der
113
hi -irü
Dn« Dn^i riöEto â¦npn-nK on^i^
nhö ptn rnnri* ; npab pxn-^ oroEh nDKn :rrby ma1? DfDEh vair1?
-â¢tt - v* quot; : ⢠:t iv t - vquot; t r.* : - r ^ - «s t
Tnvi : untfDjrnK ejpwah) jhu xb jn w'ivh n^ann-nx Wjn nwn rwa DaS V-imrnK
^ ⢠t : - v t t : a*⢠- t - v t * t : â¢
-fp nrpfn na^n nx onynn ;
nnttian Wiany niwnn nauri i -i^ nKiann
tt j ^ ! quot;quot;quot;tt - irttt -«t : -
-â¦3 p«n ^-»3 nnpvb iddh ah pNm :
eerste opvatting doet vervallen). Men eet dus van de opbrengst van het zesde jaar: a) in het zevende, b) in de eerste helft van het achtste uitsluitend, en c) in de tweede helft van het achtste tot in het begin van het negende, als de oogst van het achtste jaar van het veld wordt binnengehaald, in Thishrie, nog gedeeltelijk, hoewel in die laatste periode ook reeds van het nieuwe koren kan gegeten worden. Zoo zijn de woorden nytwi wn ir eenvoudig te verklaren en nnsian sia iï beteekent: totdat zijne opbrengst, die van het achtste jaar nl., binnenkomt van het veld in de schuren. â Deze toezegging staat dan bij het slot der algemeene bepalingen omtrent Shemitta en Jobel. â nop, en zij zal opleveren-, onderwerp is: rou, het zesde jaar-, Wessely-, de zegen, zal het horen maken.â own tiSisS, voor d e drie jaren, waarvoor het noodig is: het zesde gedeeltelijk, het zevende geheel en het achtste ten deele. Wessely ; des noodig, als nl. het Jobel- op het Shemittajaar volgt, voor de drie jaren, Shemitta, Jobel en eerste deel van het daarop volgende jaar. Wanneer gij dan in het achtste jaar zaaien moogt, en er dus geen Jobeljaar volgt, zult gij dat geheele jaar nog van het oude koren eten; volgt wél een Jobel, zoodat gij in het negende jaar eerst kunt zaaien, dan: tot het negende jaar, ja, totdat de opbrengst daarvan inkomt, dus tot tegen het einde van dat jaar, zult gij oud koren, van het zesde jaar, eten. Nachmanides verklaart vs. 20 aldus: En indien gij zeggen mocht: âwat zullen wij etenquot; in het zevende jaar, indien gij u in het zevende jaar bezorgd maakt, wat gij in het achtste zult eten; de drie jaren van vs. 21 zijn dan het zevende, het achtste en de eerste dagen van het negende. Anderen meenen, dat het geheele negende jaar feitelijk nog geprofiteerd wordt van den oogst van het zesde jaar, daar immers het zaaikoren, dat in het achtste jaar wordt uitgezaaid en waarvan de oogst dient tot voeding in het negende, afkomstig is van den oogst van het zesde jaar.
23. Hier wordt het voorschrift van vs. 13â16 met een enkel woord herhaald, als inleiding van de behandeling der bijzondere gevallen, die zich daarbij voordoen. â pgt;sm, het land, d. w. z. zoowel landerijen als huizen, mag niet voor eeuwig verkocht worden, maar in het geheele door Israël in bezit te nemen land moet gelegenheid gegeven worden het verkochte vaste goed te lossen. â nns*1?, van nnï, dat Job 6,17 voorkomt in den zin van: verstijven, beteekent: tot verstijving, tot een blijvenden onveranderlijken toestand.
LEVI T I C ü S XXV.
24 vreemdelingen en bijwoners zijt gij bij Mij. In het geheele land van uw grondbezit zult gij een lossingsrecht geven voor
25 het land. â Wanneer uw broeder verarmt, en van zijn grondbezit verkoopt, dan zal als zijn losser komen, wie zijn naaste bloedverwant is, en lossen het door zijn bloedverwant ver-
26 kochte. En iemand, die geen losser heeft, â doch zijn eigen vermogen wordt toereikend, zoodat hij vindt voldoende voor
27 zijne lossing; Dan zal hij de jaren sedert den verkoop rekenen, en het overblijvende teruggeven aan den persoon, wien hij het
28 verkocht heeft, en weder tot zijn eigendom terugkeeren. Wanneer echter zijne hand niet vindt genoeg, om het hem terug te geven, dan blijft het door hem verkochte in handen des koopers tot het Jobeljaar ; in het Jobeljaar echter wordt het weder vrij,
29 en hij keert weder tot zijn grondbezit terug. â En iemand, die een woonhuis in eene ommuurde stad verkoopt, diens lossingsrecht zal zijn tot het eindigen van het jaar sinds den verkoop;
30 een vol jaar zal zijn lossingsrecht zijn. Is het echter niet gelost, totdat hem een geheel jaar ten volle is verloopen, dan blijft het huis, dat in de stad is, die een muur heeft, blijvend aan hem.
24- nSfCJ) lossing. Sommigen zien tusschen dezen stam en ms dit verschil, dat, hoewel beiden beteekenen: een tegen betaling terugbrengen eener zaak in de macht van den vroegeren bezitter, bij nS.sj de volle waarde van het terugkeerende wordt betaald, bij jthb daarentegen slechts een meer willekeurig bedrag. Vandaar dat 7SJ ook in den zin van; koopen of verkoopen kan gebruikt worden. (Vgl. vs. 32).
25â34. Uitwerking van de algemeene bepaling van vs. 18: gij zult ieder tot zijn grondbezit terugkeeren. a) erfland, nrms. Niet, dan door armoede gedwongen, zal men tot verkoop van zijn erfgoed overgaan (â pn'gt; is). Is net land verkocht, dan heeft de naaste bloedverwant de plicht, zoo spoedig mogelijk het land te lossen; hij betaalt dan den vollen koopprijs aan den eigenaar terug en zoo is het land weer in het bezit der oorspronkelijke familie. Heeft iemand geen losser, d. w. z. is er in de familie niemand, die bij machte of geneigd is het land te lossen, dan behoudt de oorspronkelijke eigenaar ten allen tijde het recht, het land terug te nemen, tegen teruggave der voor de nog tot het Jobeljaar resteerende jaren ontvangen som. Was bijv. het land verkocht, terwijl tot het Jobeljaar nog tien jaar moesten verloopen, en het wordt bijv. na drie jaar teruggekocht, dan moet 7/10 van den koopprijs terug betaald worden (27). Wordt hij echter niet vermogend genoeg om het benoodigde geld aan den kooper uit te keeren, dan blijft deze bezitter tot het Jobeljaar; dan echter nïv, gaat het uit zijn bezit over in dat van den oorspronkelijken eigenaar, die dan tot zijn grondbezit terugkeert, (vs. 28).
25- quot;|^Q^ eig. wegteren (-jra = -pa = pp»; vgl. Ps. 106,43); v. d. inzake vermogen: verarmen. â vSs aipn iSnj, de naaste bloedverwant, die uit medegevoel met zijn broeder zich geroepen acht, als zijn redder uit den nood op te treden; naar de traditie : de naaste erfgerechtigde verwant. Naar de door den Thalmoed aangenomen zienswijze heeft hij het recht, niet de plicht tot terugkoop.
26. N3C01gt; hij vindt nu; op het oogenblik van den verkoop geld of goed
114
ro to i»p
ddmnx r-ik bbai : nsjr qnx d^tfim on; ^
\ ; av ; -â¢-. -: i v-gt;v ^ : r r ^ - â¢)⢠t i ; s'quot;
n31 m-thno quot;ddi whn ^t2^2 d * : rik1? i3nn quot;=
lt;t at\ -: iquot; v'.t i ⢠t (â¢'tl* f i vit t J Z '
-n^n» k1? »3 i^'ki : vnk quot;üöo nx v^n mpn hm «
v ; r * : r t gt;- ; ⢠vquot; * t : t â¢â¢ -«It - -j i
: in^nj na nïoi it rw^ni ib»
-â¢â¢; v - * : i t \ : Jquot;; v.t t t ^t -â¢â¢ * : aquot; v
: quot;intn^b atyi ib-iDQ quot;iiy« siiyn-nK I-HSÃO
i t *â¢. -I |- ^t ! lt;s - it -: _ ^ * t | â¢â¢ -*t v ⢠â¢â¢ : t : â¢
ink n:pn ts 1*1300 n^nvi1? 3^n n in» nxxo-n1? dni n=
jvi - - : t : ⢠jt t : -â¢â¢ t **gt; t t : it ⢠;
d * : inrnk1? 3tyi byz «vn ^i'n iv ^
⢠: i^t -. -;i- v.t : â¢â¢ - ^t t ; a- -
nii^ Dh-nir ih?na nn^ni nóin ^ ariD-n^a 13ö*-*3
: v. t \ : t ; it : t â¢s' - i» lt; : ⢠r
quot;i1? ni6o-njr dni : mbw rrnn 0^' 11300 ^
â¦. *. T .' ^ r 1 t \ : ^ r.' â¢. rp p rT AT 1 *.
nn^vb non NyiK'K n^n Dpi no'on n:^ ^
n ⢠: - t - â¢-⢠-1 t v -: - - - It: t ⢠: -r t
1
Thishrie. Dat wordt nader gepreciseerd in de woorden: trhi» nvin bgt;d% van dag tot dag, naar aantal dagen berekend, zal het lossingsrecht zijn. Dan blijft dus het lossingsrecht bestaan, totdat de datum van verkoop terugkeert, en komt dus de schrikkelmaand in een schrikkeljaar den verkooper ten goede, wat sommigen in de woorden rwwi nap (vs. 30) aangeduid zien. â (Naar Pahciion opmerkt, beteekent dSiT oorspronkelijk: quantitatief
volmaakt, D^nn daarentegen qualitatief volmaakt; zij worden echter lang niet altijd uit elkander gehouden.)
30. xS = vgl- 11)21; Ex. 21,8. De Thalmoed leidt uit deze, naar de Massora slechts op 15 plaatsen voorkomende, afwijkende schrijfwijze af, dat ook in eens, bij de verovering des lands, ommuurde steden, wier muren later geslecht zijn, de hier gegeven wet blijft gelden: die thans geen muur heeft, ih, â maar eens een muur had, â ih.
LEVITICUS XXV.
die het gekocht heeft, voor zijne nakomelingen; het zal in
31 het Jobeljaar niet vrij worden. Huizen in open plaatsen echter, die geen muur rondom hebben, zullen bij de velden des lands
ferekend worden; lossingsrecht zal er voor zijn, en in het obeljaar zal het vrij worden. Wat de steden der Levieten betreft, de huizen in de steden van hun bezit, een eeuwigerekend worden; lossingsrecht zal er voor zijn, en in het obeljaar zal het vrij worden. Wat de steden der Levieten betreft, de huizen in de steden van hun bezit, een eeuwig
33 lossingsrecht zullen de Levieten hebben. En wat hij uit handen der Levieten lost, zal het verkochte huis en de stad van zijn bezit met het Jobeljaar vrij worden; want de huizen in de steden der Levieten, â dat is hun bezit onder de kinderen
34 Israels. Een veld, dat tot de weideplaats hunner steden behoort, zal niet verkocht worden; want een eeuwig bezit is het
35 voor hen. â En wanneer uw broeder verarmt en zijne hand bij u aan het wankelen raakt, zult gij hem ondersteunen; â
31. Huizen in open steden, dorpen en gehuchten, of vrij in het open veld staande, o-nïn va, (zie Gen. 25,16) worden gerekend bij de velden des lands te behooren; lossingsrecht blijft daar ook na het eerste jaar gdden, als bij erfland; onder aftrek van de genoten waarde kunnen zij ten allen tijde worden ingelost; â niet ingelost, gaan zij met het Johdjaar aan den oorspronkeiijken bezitter terug; â anderzijds gelden zij als huizen, in zooverre de oorspronkelijke eigenaar ook reeds in het eerste jaar het recht van lossing heeft, h rnnn nSxj, zonder eenige beperking; terwijl landerijen niet dan na twee jaren gelost kunnen worden. â nï' /iS pcm, enkelvoud, ieder der huizen.
32. Wat echter de Leoietensteden aangaat, de 48 naar Num. 35 hun toe te wijzen steden, â de huizen in de hun als bezit toegekende steden namelijk, onverschillig of die al dan niet ommuurd zijn, â een eeuwig, noch door de wet van vs. 30, noch door die van 31 beperkt lossingsrecht zal voor de Levieten zijn Verkoopt een Leviet een huis in een zijner steden, dan behoudt hij steeds het recht dat in te lossen. Koopt echter een Leviet een huis buiten zijne steden, dan geldt daarbij de gewone, voor Israëlieten vastgestelde wet van vs. 29â31.
33. â¡,lSn JO quot;IBWi v. s. en wat hij, de Leviet, uit handen van Levieten heeft te lossen, d. w. z. ook al is het huis in de Levietenstad niet aan een gewonen Israëliet, maar aan een Leviet verkocht, uit wiens hand dus de vroegere eigenaar het moet lossen, â dan geldt dezelfde bepaling: onbeperkt lossingsrecht; â is het niet gelost, dan gaat het met het Johdjaar terug. Anderen: en wie onder de Levieten koopt, in dezelfde beteeke-nis. Nog anderen: wie uit handen van de Levieten namelijk koopt, als nadere toelichting van de voorafgaande bepaling. Het gebruik van Snj voor koopen, verklaren sommigen uit de omstandigheid, dat de volle prijs voor de nog te genieten waarde bij nSx: gerestitueerd wordt (zie vs. 24); anderen speciaal bij de Levieten, omdat de hnn toegewezen steden toch bij het gebied van den stam, waarin zij lagen, werden gerekend en dus eigenlijk uit het bezit van den stam in dat der Levieten waren overgegaan. Koop uit handen der Levieten is dus eigenlijk wederhezitneming van oorspronkelijk eigendom, nSx:. Nachm. vindt in'den term Snj uitgedrukt; het recht van voorkeur voor den naast-erfgerechtigden bloedverwant, om bij verkoop van erfgoed als kooper op te treden. Dan is de zin: en wie van de Levieten op het goed van zijn bloedverwant zijn recht van voorkeur uitoefent
115
ro -ira
onvnn â¦nsi : nx» k1? vrn-6 ink ni^S ^
i-rrrnn rbxa atfrv pxn mtrVy yzo non orb-pK
v : r t \ : aquot; tiquot; i at tjquot; : ^ ' r t lt;v t
ramp;Ka orunx nv â¦na D'ibn nyi : ^ai
vr ^ -r \ : lt;stt*.. u .t v.quot; t^ : i- â¢â¢*t : !â¢â¢â¢â¢ v.quot; quot;
â¢ryi n»a-quot;iaQö D'^rno Vw -ibw : ü%tgt;b n»nn^
â¢j* ; ⢠â¢)- ⢠: ⢠stt: ⢠â¢; i- I ⢠- lt;â¢â¢â¢ -:i- r*:i- jv : â¢â¢
â¦ia Tiina aninN «in D'ibn â¦na »3 Va'a inrnx
jquot; ; i v. : tt-..-: â¢lt; ⢠⢠; i-â't â¢â¢ t fgt;quot; - v â¼ \ quot;â¢
Kin obij; üb onny Ã⢠mtri : ^
v .)t j'\ i* aquot; t ⢠j y.' quot; tr j-: ⢠i iquot; t : â¢
li npTnm -lay it ntaoi-iio^^i d : ürh *
t r.': |at^* v,t t jt I ⢠t J -⢠t i* ; iv t
en het dus koopt, â de zin is dan dezelfde, als in de eerst gegeven verklaring. Hijzelve echter verklaart ons vers: Wie ooi: van de Levieten zal lossen, hetzij de verkooper zelve of zijn verwant, â hij rekene erop, dat ten slotte het huis aan den oorspronkelijken bezitter ware teruggegaan met het Jubeljaar, zoodat hij de waarde der sinds den verkoop verloopen jaren aftrekt van de voor het gebruiksrecht tot het Jobeljaar betaalde koopsom en het resteerende terugbetaalt. â jva â onn, de verkoop van een huis = verkochte huizen, inns Tn, en de verkoop in het algemeen van wat tot de stad van hun bezit behoort; d. i. v. s. andere gebouwen of vrije terreinen in de stad; v. a. de geheele stad, met velden en weiden. Anderen verklaren het als één begrip: De verkoop van een huis in de stad van zijn bezit.
34. IjnjO, van tnj, uitdrijven, beteekent de plaats, waarheen men het vee drijft, de weideplaats; naar Num. 35,5 moest den Levieten om de steden een stadsgebied van tweeduizend ellen in alle richtingen gegeven worden, waarvan de binnenste strook van 1000 el naar alle zijden c-an heet. Deze strook dient als weideplaats en voor alle noodige verrichtingen; de rest dient tot velden en wijngaarden. â â on* nS beteekent nu v. s. werkelijk: het mag zelfs niet tijdelijk verkocht worden; dan moet men omret Tri verklaren; vrij terrein binnen de eigenlijke stad. Anderen meenen, dat alle terreinen, tot de Levietensteden behoorende, verkocht mochten worden, en verklaren is»' nS: mag niet blijvend worden verkocht; ook niet na wijding aan de tempelkas; Gersonides, 'en ook de Thalmoed, â daar verkoop van grond door Levieten stilzwijgend ondersteld wordt: het mag niet aan eene andere bestemming worden overgegeven, niet tot bouwterrein of tot bouwland worden gemaakt.
35â55. Nadere uiteenzetting van de tweede zijde van het Jobeljaar: het terugkeeren tot de familie (vs. 10). Hier zullen de gevallen behandeld moeten worden van iemand, die uit armoede of om andere redenen zich als slaaf verkoopt en zich dus uit den kring zijner familie verwijderd heeft. Daaraan gaat echter het algemeene voorbcnrilt vooraf: den arme te steunen, 35â38, met bijzondere vermaning geene rente te nemen. â Dan volgen, bij de bespreking van het verkocht worden als slaaf, algemeene gedragsregels tegenover den als slaaf onder onze macht gekomen Israëliet.
35. TP nom. zijne hand raakt aan het wankelen; in den regel komt Dl» bij Srt, voet voor, en beteekent dan; de voet wankelt, zoodat de persoon geheel valt; sommigen verklaren daarom hier rrntini: zijn hand, zijn vermogen, wankelt, â de middelen, om zijne bezigheid voort te zetten, ontbreien, al heeft hij nog genoeg om in zijn eersten nooddruft te voorzien.
lüp
LEVITICUS XXV.
hetzij vreemdeling of bijwoner, zoodat hij onder u kunne
36 leven. Gij zult noch rente noch vermeerdering van hem nemen, maar voor uwen God vreezen; opdat uw broeder onder
37 u kunne leven. Uw geld zult gij hem niet op rente geven, en op vermeerdering zult gij hem uwe spijzen niet geven.
38 Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte gevoerd heb, om u het land Kena'an te geven, om u tot God te
39 zijn. â En wanneer uw broeder bij u verarmt en zich aan u
40 verkoopt, zult gij hem geene slavendienst doen verrichten. Als een huurling, als een bijwoner zal hij bij u zijn ; tot aan het
41 Jobeljaar zal hij bij u dienen. Dan echter zal hij, en zijne kinderen met hem, van u weggaan, en weder tot zijn familie
Het is dan de plicht, om met geld zijnen broeder te hulp te komen, om hem een blijvend bestaan te verzekeren, die hier is voorgeschreven, â niet die om hem voor oogenblikkelijken nood wat geld te leenen. â â pp, ten opzichte van u, d. w. z. hij schiet in zijne verplichtingen tegenover u te kort; anderen: bij u, in het handelsverkeer met u. â aowii -ü, vreemdeling, de aom u, die geene afgoden dient; de beide woorden vormen één begrip; hijivonend vreemdeling â , of afin duidt iemand aan, wiens verblijf in Israëls midden meer van tijdelijken aard is, doch die ook de zeven Noachiedische plichten in acht neemt. De tot het Jodendom overgegane niet-Israëliet is natuurlijk onder -pns begrepen. Anderen: a/s vreemdeling of bijwoner leve hij hij u, den verarmden broeder hebt gij evenzeer te steunen als den vreemde â een denkbeeld, dat waarlijk niet eerst uitgesproken behoeft te worden. Dan moet ook de nazin in deze opvatting met den '1 van tti beginnen, zoodat de woorden omgezet zijn, wat in onze verklaring niet noodig is.
36. eig. het bijtende, rente uit het oogpunt van het geldelijk nadeel
van den rentebetalende; n'sia, vermeerdering, rente uit het oogpunt van de vermogensvermeerdering van den geldgever. De Thalmoed maakt tusschen die beiden geen onderscheid als naam van rente, quot;p: bij geld en rvlt;3H5 bij eetwaren en goederen te verklaren, gaat niet met het oog op De ut. 23,20, waar quot;p3 ook bij eetwaren gebruikt wordt. Niet onmogelijk is het, dat bij quot;pj gedacht wordt aan het geval, dat de rente den schuldenaar drukt, daar hij met het geleende geld niet of niet genoeg verdiend heeft; bij rna-ui aan het geval, dat de schuldenaar zooveel heeft verdiend, dat hij de renteb etaling in het geheel niet als een last voelt en deze dus enkel eene vermogensver meerdering van den schuldeischer vormt. Anderen verklaren het gebruik van -jw meer in het bijzonder bij geld en van rrom bij eetwaren aldus: Rente is onder alle omstandigheden-jwj, eene vermogens-vermindering voor den schuldenaar, niet altijd echter jroi». Geld zou ook in handen des schuldeischers winstgevend gemaakt kunnen worden; eet-loaren echter zouden in zijn bezit niet meer geworden zijn, â wat hij dus voor het leenen meer ontvangt, dan hij gegeven heeft, is vermogensvermeerdering. â npn Sn, gij moogt, ook al is bij het aangaan der leening niets bedongen, bij de afdoening geene rente nemen; jnn sS, gij moogt ook bij het aangaan der leening uw geld hem niel onder voorwaarde van rentebetaling geven.
38 staat naar Ibn 'Ezea in direct verband met het slot van vs. 35: de vreemdeling leve bij u, want Ik ben uw God, die u uit Egypte gevoerd héb.
HG
ro m
nm rp: inxo npn-bx : TIQV 'ni atrim na^
t v'T: ⢠:-: |v-v# ⢠r* llt;-⢠- | it^ v.-t .)t : r*
Tj^ja 17 jnn-N1? quot;qspa'nx : â¦ni ïpn'VtfD ^
DO^K nin' : n^aK mn^1? n^a-iDainS
jquot; v -j v â¢â¢ â » v: t :^ ⢠-: |iv : t i jquot; ⢠i r : - :
oa1? mb pktik oa1? nnb onvo rixo oanx
Vv t j: r i - - : | vjv v v t «â¢â¢ t 'at: ⢠| vjv â¢â¢ : v
Ta^n-^1? ^-quot;laa:quot;! quot;nap -na^ai D *: D^n^N1? ^ ?
j iquot; |at - : * ; kt'4 i â¢Â»â¢ t j ^ t i* ; r iquot;
ba»n natr-iy ^iay n»n» atrina n^a'^a : nay nnay ia»
V,*\ - J-: quot; ^ Iat^- -'v ; r v.t : .»⢠t v nr - ^ v,
innat^a-^ at2h lay vjai Kin naya : nap nay««
: - : ⢠v t ; a jt t v tt : Iit^* j ^-ir
waar gijzelve vreemdelingen waart. Waarschijnlijker: Ik heb u gemaakt tot wat gij ziit; slaven waart gij allen en, als gij tot vermogen zijt geraakt, dan hebt gij dit Mij alleen te danken. Daarom, wat gij uwen broeder leent, leent niet gij, maar Ik. â mviS enz. Ik wil u tot God zijn, u de levensrichting voorschrijven; daarvoor geef Ik n het land en slechts zoolang gij Mijne wegen volgt, blijft gij in het bezit ervan.
39. Verdere verarming: het land is verkocht, maar nog kan de man niet in zijn onderhoud voorzien ; hij verkoopt zich tot slaaf. Algemeene wet: tot het Jobeljaar slechts dient hij, ook al valt dit in, vóór de zes jaren, waarvoor naar Ex. 21,2 de verkoop geldt, zijn geëindigd. Daarbij wordt dan tevens het voorschrift gegeven: hem niet den dienst van een slaaf te doen verrichten, geen onteerend en geen te hard werk. â quot;owi, wederkeerend : hij verkoopt zich; aan verkoop wegens diefstal wordt hier niet gedacht. Wel geldt hierbij dezelfde wet, maar deze gevallen komen hier minder in aanmerking, daar de invoed van het Jobeljaar op de sociale verhoudingen hier wordt uiteengezet.
40- aciro quot;raco. als een huurling, die zich slechts voor een bepaald werk verhuurt, dat hij verstaat, en wien men, als vrij man, geen te zwaren arbeid oplegt; en als een bijwoner, als een vreemdeling, die elk oogenblik, als het hem bij u niet meer bevalt, kan heengaan en dien gij, naar Deut. 23,17, niet moogt krenken, zoo zal hij bij u zijn. Siporno: als een voor korten tijd, ten hoogste zes jaren, gehuurde werkkracht, of, als hij vrijwillig, naar Ex. 21,6, tot het Jobeljaar zijn verblijf bij u heeft verlengd, als een blijvend, althans voor langen tijd bij u gevestigd bijwoner. De traditie maakt uit de woorden -pr mrp de verplichting op, den hebreeuwschen slaaf in onze voeding en kleeding geheel te laten deelen. â Ex. 21,2 v.v. sprak van het normale geval, dat de slaaf zijn tijd uitdient; aan het invallen van het Jobeljaar binnen zijn diensttijd werd daar niet gedacht. Onze plaats geeft nu de vaste wet, dat elke hebreeuwsche slaaf, hetzij zijne jaren nog niet om zijn, of wel hij na de zes Jaar bij zijn heer heeft willen blijven, met het Jobeljaar vrij wordt. Bij zelfverkoop kan v. s. van den aanvang af de slaaf zich per contract voor langer dan zes jaar verbinden, maar in geen geval langer dan tot het Jobeljaar. â nap nap, hij zal als slaaf zijn bij u, de heer heeft niet het recht zijn werkkracht aan een derde te verhuren.
rpy vjai jon. ^ en zijne kinderen met hem; de kinderen zijn natuurlijk niet met hem in dienst gekomen; â maar had de slaaf bij zijn verkoop kinderen, dan is de heer verplicht, die, evenals zijne vrouw.
LEVITICUS XXV.
42 en tot het bezit zijner ouders terugkeeren. Want Mijne dienaren zijn zij, die Ik uit het land Egypte gevoerd heb; zij moeten
43 niet als slaven verkocht worden. Gij zult niet met strengheid
44 over hem heerschen, maar uwen God vreezen. Uw slaaf en uwe slavin, die u zullen toebehooren, uit de volkeren, die rondom u zijn; uit hen kunt gij slaven en slavinnen koopen.
45 Ook van de kinderen der bijwoners, die zich bij u ophouden, van hen kunt gij koopen, en uit hun geslacht, dat bij u is, dat zij in uw land voortgebracht hebben; deze kunnen u tot
46 bezit worden. Gij zult ze als erfgoed behouden voor uwe' kinderen na u als erfelijk bezit, voor eeuwig zult gij hen als slaven doen dienen ; doch over uwe broeders, de kinderen Israels, de een over den ander, zult gij niet met strengheid heerschen. â
47 En wanneer het vermogen van een vreemdeling en bijwoner onder u toereikend wordt, en uw broeder verarmt bij hem, en verkoopt zich aan den bijwonenden vreemdeling onder u, of aan
48 eenen afstammeling van de familie van een vreemde; Nadat hij zich verkocht heeft, zal er lossing voor hem zijn; één zijner
49 bloedverwanten zal hem lossen. Of zijns vaders broeder, of de zoon van zijns vaders broeder zal hem lossen; of een van de
te onderhouden (vgl. Ex. 21,3). Sommigen maken een verschil tusschen den wegens diefstal gerechtelijk verkochte en den üich zelf wegens armoede verkoopende. Ex. 21,4 zou dan van het eerste geval spreken en bepalen, dat de kinderen, uit zijn verbintenis met een slavin geboren, het eigendom van zijn heer blijven, â terwijl in het laatste geval die kinderen hun vader in vrijheid zouden volgen. Dit gaat echter moeilijk, 1°. daar dan toch Ex. 21,3 van de irrouw dezelfde uitdrukking gebruikt wordt als hier van de kinderen, en de vrouw toch zeker niet eerst in zijn slaven-toestand zijne vrouw is geworden; 2°. daar de kinderen eener niet-Israë-lietische slavin wel in alle gevallen öf de moeder óf den vader, wat hun burgerlijken staat betreft, zullen volgen. â ttqs nrnx Ssi, tot het grondbezit zijner vaderen, dat hij immers reeds vroeger had verkocht, vóór hij zelve in slavernij ging, zal hij terugkeeren, daar ook dit met het Jobeljaar vrij komt en aan hem teruggaat.
42. 13^ rrOOp, verkoop tot blijvende slavernij; naar den Thalmoed ook niet op de wijze, waarop gewoonlijk slaven verkocht worden : op de slavenmarkt, na op den pronksteen vertoond en bekeken te zijn.
43. -ptjl uaar de traditie: laat hem niet onnoodig werk doen, alleen om zijn'werkkracht in beslag te nemen. Over -[is Ex. 1,14.
44- -]h vrr quot;itw -jnoxi quot;pajn, en vraagt gij naar den slaaf en de slavin, die u in werkelijkheid geheel toebehooren â dan luidt het antwoord : ff'un dn» enz. (Rashie) van de volkeren, die rondom uw gebied wonen, 'Amnion, Moab, enz., niet echter van de 7 Kena'anietische stammen, kunt gij slaaf en slavin koopen.
45. En ook van de van elders naar uw land gekomen bijwonenden, u acin, â d. w. z. henzelve. of hunne kinderen, die in uw land geboren zijn, zelfs uit eene Kena'anietische moeder, daar bij niet-Israëlieten het kind den vader volgt, â upn ona beteekent niet: uit hun hand, van hen als
117
na quot;ira rp
onH on : zw vhSK nTnx-^i =»
^T ⢠jquot; v -j â¢â¢ -,~ t ~j r it ^t -i j' \ -: v :
ia nmjT^V : quot;ay maoo nss» onxo pstö «
^ jv ; ⢠i v It vjv ; ⢠v. : it * ^ 'at ; ⢠| v -v â¢â¢
nND Tj^vn;. II5gt;K ^nos*i ?|i3yi : nxTi ^33 ^ â¦330 aaT: nDKi -i3V lapn ona oirraap oHan â¢
quot; â¢'' quot;! ^ ,T T : 'f J' ^ ': J. quot; ^ v quot; â¢* . S r
D3ay onna^api i:pn onp D3Dy onan oa^inn DnK Dn^nanm : ddS vm D3ïquot;i«3 n^in quot;ii^nâ¢
t v ; -1- : * : it \ -: 1- t# ^ t ; av : : - ; jv -:
03^x31113^ ons vhyb n:Tn« ntrn'? D3nnN D3^3,7
lt;v â¢â¢ - ; a^i- jv t vt : t \ -J f v -«vt v ^quot;-»1- lt;v â¢â¢ : â¢
â¦31 d * : ^quot;103 13 rrnrrK1? vn«3 u?«n^,quot;,:3'»
j* ; i vit : J'- : * 1 .* t ; -â¢â¢ quot;ti * iquot; :
b^in naV nipai isy quot;TjOi 3agt;ini: na T a^n iV_n»nn nb^a nioa nnx : na nnairQ npyV ik â naym
a v ; !⢠^t â¢-. ; i- ^ iquot; - : ⢠ivvquot; ' if
ikb'D'Ik la^a» l-iquot;Tp ik in'TlK : la^a* vnKö nnK ^
squot; : â 1 v t : ⢠1 v lt; 1 iv t : * v i- jt v
verkoopers kunt gij konpen, maar: sommigen van hen kunt gij, als koopobject, koopen. â mnxS, tot blijvend bezit, evenals grondbezit; Jobel maakt hen niet vrij.
46- DnSmnm, gij zult ze u tot erfdeel houden; anderen: gij zult ze vererven, de Hithpa'el = den Hiph'al.
47. Nog een geval; Door den nood gedwongen verkoopt zich een Israëliet aan een vreemde, een niet-afgoden-dienenden aoin u, of zelfs aan een afgoden-dienenden heiden. Daar moet lossing door den naasten erf-gerechtigden bloedverwant plaats hebben, die erloe in staat is, en wel treedt ook hierbij het Jobeljaar op den voorgrond. De niet-Israëliet, niet gebonden aan den termijn van zes jaren, voor den Israëliet bij het koopen van zijnen broeder als slaaf bepaald, wordt toch gebonden doordeJobel-wet. De koopsom wordt dus gerekend betaald te zijn voor het aantal jaren, dat van den verkoop tot het Jobeljaar nog moest verloopen; en de te restitueeren som wordt nu vastgesteld in verband met de nog restende dienstjaren, waarvan de slaaf wordt vrijgekocht.
47. In den regel zullen de vreemdelingen hun eigen land wel uit armoede hebben verlaten; komt nu een vreemdeling bij u tot vermogen, dan wordt zijne hand toereikend om een slaaf te koopen, wat vroeger niet kon; en uw broeder verarmt, i»r, bij hem, d. i. volgens sommigen: in het handelsverkeer met hem, zoodat de vreemde de schuldeischer van uw broeder is; v. a. hij hem, hij, de niet-Israëliet, raakt met de ongelukkige positie van uwen broeder bekend. â u nnst:» ippS, v. s. de afstammeling van de familie van een vreemdeling, iemand wiens vader of grootvader zich in uw land heeft gevestigd, maar die ook zelve nog slechts de 7 Noachie-dische plichten vervult; v. a. de stam van een familie eens vreemdélings, de stamfamilie in het buitenland, die niet quot;jar, bij u, in uw land, is. De traditie ziet in deze woorden den afgodendienenden heiden en den afgodendienst zelve aangeduid. Rashbam verklaart: hij, die zich heeft losgerukt van de familie van een vreemdeling, hij is geen vreemdeling, geen bijwoner, geen inboorling en behoort in zijn eigen land ook niet meer thuis.
118 LEVITICUS XXV, XXVI.
bloedverwanten uit zijne familie zal hem lossen; of als zijn
50 eigen hand toereikend wordt, zal hij zich lossen. Men zal dan met wie hem gekocht heeft rekenen, van het jaar, dat hij zich aan hem verkocht heeft, tot aan het Jobeljaar ; dan zal het geld, waarvoor hij zich verkocht heeft, beschouwd worden te zijn naar het aantal jaren; als de dagen van een huurling zal
51 hij bij hem geweest zijn. Indien er nog een groot getal aan jaren is, moet hij, naar verhouding daarvan, van zijn koopgeld
52 als zijn prijs teruggeven. Zijn er echter nog weinige van die jaren tot aan het Jobeljaar over, dan rekent hij het hem aan; naar verhouding zijner jaren zal hij hem zijn losprijs terug-
53 geven. Als een huurling, van jaar tot jaar, zal hij bij hem beschouwd worden; hij zal niet met strengheid over hem
54 heerschen voor uwe oogen. Wordt hij op geene dezer wijzen gelost, dan zal hij in het Jobeljaar vrij uitgaan, hij en zijne
55 kinderen met hem. Want Mij zijn de kinderen Israels slaven; Mijne slaven zijn zij, daar Ik hen uit het land Egypte gevoerd heb; Ik ben de Eeuwige, uw God!
1 Gij zult u geene afgoden maken, geen gehouwen beeld noch gedenksteen zult gij u oprichten, en geen gebeeldhouwden steen in uw land leggen om u daarop neder te werpen; wantik, de
2 Eeuwige, ben uw God. Mijne Shabbathdagen zult gij in acht nemen en Mijn heiligdom eerbiedigen ; Ik ben de Eeuwige !
3 Als gij naar Mijne wetten uwen levenswandel richten. Mijne
4 geboden in acht nemen en ze uitoefenen zult, â Dan zal Ik uwe regens op hunnen tijd geven; en zal het land zijn gewas opleveren, en het geboomte des velds zal zijne vrucht geven.
5 De dorschtijd zal bij u tot den wijnoogst reiken, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uwe spijze
50. Ook hier strenge eerlijkheid: men rekent met den kooper het aantal jaren â zoodat hij als de dagen van een huurling bij hem geweest blijkt te zijn, die per jaar een bepaald bedrag heeft verdiend. â num. Onderwerp is: degeen, die de lossing verricht, de verwant of de man zelve.
52. VJC quot;'SD. naar mate i'an zijne dienstjaren en niet naar de waarde van den verrichten of nog te verrichten dienst, die bij toenemende routine soms meer, bij stijgenden leeftijd vaak minder waard zou worden.
Hoofdstuk 26,1 en 2. In omgekeerde volgorde komen hier aan het einde der wetten tot heiliging van het practische leven bijna in gelijke bewoordingen de verzen voor, die 19,3 en 4 aan het begin dezer wetten-
froep stonden. Daarmede wordt dan tegelijk de overgang gevonden tot e zegen- en vloekverkondiging, die wel meer in het bijzonder op inachtneming of verwaarloozing van de Shemitta- en Jobelwetten doelt, maar blijkens de inleidende verzen toch ook in het algemeen van de gevolgen van wel of niet opvolging der verschillende wetten spreekt.roep stonden. Daarmede wordt dan tegelijk de overgang gevonden tot e zegen- en vloekverkondiging, die wel meer in het bijzonder op inachtneming of verwaarloozing van de Shemitta- en Jobelwetten doelt, maar blijkens de inleidende verzen toch ook in het algemeen van de gevolgen van wel of niet opvolging der verschillende wetten spreekt.
1. Over oS'S.s zie 19,4. â Sds, een gehouwen beeld; rm», een uit één steen bestaand gedenkteeken. â nou;» psi, naar Onkelos : een steen om
ID na Tipro TD -or : bwai IT m^rriN vbw innöBgt;so niraj
^ - ⢠: it : ⢠; i.t t j' ⢠i _av t : ⢠^ : ⢠⢠â¢Â»t. :
iisoD eiD3 rvm ba'n n:ty -i^ 6 iiDan r-i:^a miip
t ; ⢠iâ¢.â¢Â«â¢.* tt ; aquot; - â¢Â»â¢ : : jt ⢠.quot; : * **'
D^i^a man TWDK : la^ yïv m D':^ 12003 M
A- T - V quot; J ' 1 -'V:r V-' T * *T 'j1
D^B^a 1«^: : irupp 6]p3p ih^a 3^ jrrö?
* nn^NrnK ywquot; vity â¦M lyairni ^3'n «
j- : - it-.; v v.* t tt â ** ; a - ⢠: vquot; quot; J' 'â¢
NV-dni : Tjiaa UTrtf? lay n^n» n^a ^-â¦3 * : lay vim «in byn n^a NÃ^ â¢
«⢠. 1 jt t «. â¢â¢ - j-; ⢠tt: ^ v a- ; vquot; t â¢
psip oniK 'ntfïirnEte on nay ona^
boöi ddV : DDTibx nin» onxöx
v lt;v ⢠⢠v: v t iv quot;i v; jt : v* ~ ^ 'at; *
oaviKa^nn ah nó'^a laxi tziD1? iQ^n-^ naypi nó^ri â¦nhaty-nK : Da^rib^ nirv 'a n^y nmn^nb =
; ⢠j- ; - v iv â¢â¢ i v: ^t : j'-: â )⢠r av't ^-:i- ; * :
3 : nirv w-i^n â¦B'ipDi
it : v* ~: ti ; â¢
â¦nnii: ons4 Dnvcyi notrn â¦mïo-nNi lobn 'ripna-DNj
j' -it: it v.** * : gt;* : ' â¢* : Aquot; *' v.quot; i â¦. t ' 1
ïrv mtrn ryi n^ia» p^n n^nji onya oa'a^a
vvt - I t : I v t t «t :it:^ gt;at : quot; ! *
onVaNi ynrm Tïa-nx dd^ ri^m; ins ^
lt;v : - -11- -at v -lt;â - v* t * t v â jquot; t ⢠⢠: 1 : â¢
zich op neer te werpen; anderen van ns», kijken, een steen om de aandacht te trekken, een gedenksteen in den grond, terwijl rcï» een staande gedenksteen is. Nog anderen; een gebeeldhouwde steen, of een steenen beeld, waarbij dan Sds een houten beeld is. â mSjj mnrn'rA, daarop, of volgens de laatst gegeven opvatting van rvouii: daarbij.
Zegen en vloek, als gevolg van de al of niet opvolging der openbarings-wetten, in het bijzonder met het oog op Sheraitta en Jobel. Reeds 25,18 en 19 is in één trek de zegen als gevolg van de inachtneming der Shemitta-en Jobelwetten uitgesproken. Dit wordt 3â13 nader uitgewerkt, en wei wordt toegezegd: vruchtbaarheid van het land (vs. 4 en 5); vrede en veiligheid voor wild en vijanden (6â8); vruchtbaarheid van het volk en zegen op hun vermogen (9 en 10) en eindelijk: verwezenlijking van het doel der wetgeving: God troonend onder Israël, hen heiligend en hun leven door Hem geleid (11â13).
5. U^, de gewone dorschtijd, direct na het maaien, in April en Mei, Niesan en Ijar beginnende, zal duren, reiken tot den wijnoogst, den tijd van het snijden der druiven, in het begin van September, einde EUoel en Thishrie, â en de druivensnit zal duren tot den zaaitijd, einde October en begin November, Cheshwan en Kislew. â ncsS, hier: zonder zorg voor uw onderhoud (25,19).
LEVITICUS XXVI.
6 eten tot verzadiging, en gerust in uw land wonen. En zal Ik vrede in het land geven; gij zult nederliggen zonder dat er iemand is, die u opschrikt; en zal Ik het verscheurend gedierte uit het land verdrijven, en een zwaard zal uw land niet doortrekken.
7 En gij zult uwe vijanden vervolgen, en zij zullen vóór u ver-
8 vallen aan het zwaard. En vijf uwer zullen honderd vervolgen, en honderd van u zullen tien duizend vervolgen; zoo zullen
9 uwe vijanden vóór u vervallen aan het zwaard. En Ik zal Mij tot. u wenden, u vruchtbaar maken, en u doen vermeerderen,
10 en Mijn verbond met u doen stand houden. Gij zult van het oude overjarige eten, en het oude voor het nieuwe moeten
11 wegruimen. Ik zal Mijn verblijf in uw midden plaatsen, en
12 Mijn wezen zal geen afkeer van u hebben. Ik zal in uw midden gaan, en u tot God zijn, en gij zult Mij tot volk zijn.
13 Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte gevoerd heb, zoodat gij hun niet meer tot slaven zoudt zijn; Ik heb de boomen van uw juk verbroken, en deed u rechtop gaan.
6. QiStr, hier: vrede, ongestoorde kalmte, geen wild gedierte, geen vijand, die u het rustig genot van uw producten bedreigen. â rsi orasoi Tin?:, gij ligt rustig, zonder dat Iemand, mensch of dier, u verschrikt; anderen: Ik zal onderling tusschen u vrede doen heerschen, zoodat niemand van uw medeburgers u in het rustig bezit uwer goederen stoort; het tweede versdeel bevat dan eene nieuwe gedachte; ook van buiten zal u geen gevaar dreigen. Het beeld is ontleend aan eene kudde vee, die, na gegraasd te hebben, zich rustig neerleggen om te herkauwen; â niet aangevallen noch opgeschrikt door menschen noch dieren. â run rm, elg. boos gedierte, roofdieren, evenzoo Gen. 37,20. â D3ïiS3 lavn sS aim, en een zwaard = een oorlog of oorlogsmacht zal uw land niet doortrekken, d. i. v. s. zelfs uw land door te trekken om elders oorlog te voeren, zal geen oorlogsmacht wagen ; v. a. oorlog zal in uw land niet komen; de oorlogen, die gij tegen omliggende volkeren mocht hebben te voeren, zullen op hun gebied, niet op het uwe gevoerd worden. Den geessel van den oorlog, die uw land zou verwoesten, zult gij niet gevoelen.
7. D/ISTll, uwe bultenlandsche vijanden onder de n omringende volkeren, die iiet wagen mochten u aan te vallen, zult gij vervolgen, na ze verslagen te hebben, zoodat zij vóór u op de vlucht slaande, dzwsS, aan het zwaard vervallen; vallen door het zwaard moest door amazijn uitgedrukt.
8. Spreekwoordelijke uitdrukking voor buitengewoon krijgsgeluk. (Vgl. Deut. 32,20 en Jes. 30,17).
119
quot;is Tipra t2»p
bi1?^ â¦nnji * : DDsnNa nun1? jntb1? boünb ^
r lt;⢠quot;»t^: â¢â¢* :^ : - ; -vvt jv : - r ^ - t v ; ; -
pKn-jp n^iT rm inno onn?^! p«3
ibaji QyyüTïH Dnan-n : oariNa inyn-xb nini»
j : it : av â¢â¢: i v # vquot; ^ quot; : iv : ; - : \\v â¢
naai D3D HKQI n«ö n^nn D3D ifini : zirh DD^Ã1? quot;
-â¢T T ; V,** * jt â¢' T â¢â¢ T ⢠-j lt;v ⢠: it : VIT v ^V â¢â¢ ; â¢
â¦nnfini DD^X â¦n^ai: ninb oyyn ia-n» =
j. : v â¢â¢ -j ⢠j- t vit v V.V â¢â¢ : * â¢gt;â¢.⢠â¢â¢ : i s :it ; a ;â¢
onVDNi *: DDnx 'nnrriK wpm DDHK dshk 1
jv : - -ii- iv ; ⢠⢠: v y lr-:i- av ; v â¢â¢ ; ⢠: v : v
DDDina â¦nnai : wxin tr-in ^ao r^'i rt^ ^
av : I ; vt : / gt;* * it ; r ^tt jquot; : ⢠Itt: Iat Kt t
Da1? ^«ni DDaina Tobnnm : oanx ^a: ^
V,v^T ⢠r r : v : - : ; - - : ⢠; iv ; v v.* : quot; Oquot;: ' 1 :
oyrbn nin» ; 0^7 ^rvnn dpimi ^
^ ... ... .. , ... JT . . -, *it ; j' : 1quot; : A* I-
iatyKT ona^ bn1? n'^na onso ^ikq oariN â¦nNxin
: vit a* t x vv t j i I* ⢠- ; ⢠I vjv â¢â¢ v : v ⢠lt;â¢â¢
a : rvranip oanx dd^ pod
11. Mijn Verblijf, het heiligdom, zal Ik onder u gevestigd laten en Mijn wezen zal in u niets temgstootends, weerzinwekkends, vinden. Ik zal u nooit verwerpen.
12. VüSnnni, ^ '!a °nder ugt; Ik leid en regel geheel uw leven en toon Mij u steeds nabij.
13. DDO, de stangen van het juk, die het dier, dat vóór den ploeg of den lastwagen wordt gespannen om den nek worden gelegd en waaronder het dier gebukt gaat. Worden die houten stangen gebroken, dan kan het dier den hals weer oprichten en rechtop gaan.
14â45. De strafbedreiging: eerst in verschillende graden den afval van God en Zijne Leer schilderend, vs. 14 en 15, beschrijft ons stuk de bestraffing. niet als plotseling met volle kracht komend over het volk, maar in verschillende phasen, telkens met een bijzondere uitdrukking ingeleid: 1°. ziekte en nederlaag tegenover den vijand (16â17); 2°. onvruchtbaarheid van het land (18â20); 3°. roofgedierte (21 en 22); 4°. oorlog met pest en hongersnood (23â26) en eindelijk 5°. verwoesting des lands, verstrooiing der bewoners (27â33). Anderen zien in deze verzen den climax aldus: vs. 16 en 17 geven algemeene straffen: ziekte en onvruchtbaarheid des lands; â dan volgen vier maal telkens vermeerderde straffen voor toenemende ongehoorzaamheid aan God: 1°. algeheele onvruchtbaarheid des lands (vs. 18â20), dus ééne straf; 2°. uitroeiing van het vee door roofdieren en kinderloosheid, dus hvee straffen (21 en 22); 3°. oorlog, nest en hongersnood (23â26), drie straffen, en eindelijk: uitroeiing van alle afgodengru-welen, vernieling van steden en heiligdommen, verwoesting des lands en
verstrooiing des volks onder de volkeren (27â33), dus vier straffen. _
Vs. 34â39 bespreken dan den toestand des lands tijdens de verstrooiing en den druk in het land der vijanden, om 40 en 41 den terugkeer Israëls tot God en 42â45 de hernieuwing van Zijn verbond met Israël, het doel der straf, te beschrijven.
LEVITICUS XXVI.
14 Doch wanneer gij niet naar Mij luisteren, en al deze geboden
15 niet volbrengen zult; Wanneer gij Mijne wetten zult versmaden, en uw wezen van Mijne rechten een afkeer zal hebben, zoodat gij al Mijne geboden niet volbrengen en Mijn verbond verbreken
16 zult; Dan zal ook Ik hetzelfde u aandoen ; Ik zal over u als straf brengen ontzetting: de tering en de heete koorts, welke de oogen verteren en het gemoed bedroeven ; en gij zult uw zaad te vergeefs zaaien, want uwe vijanden zullen het opeten.
17 Ik zal namelijk Mijnen toorn tegen u wenden, zoodat gij vóór uwe vijanden verslagen zult worden; en uwe haters zullen over u heersehen, en gij zult vluchten, zonder dat er iemand is, die
18 u vervolgt. Indien gij tot deze nog niet naar Mij luistert, zal Ik voortgaan u zevenvoudig te tuchtigen wegens uwe zonden.
19 Ik zal den hoogmoed op uwe macht breken; en zal uwen
20 hemel doen worden als ijzer, en uwe aarde als koper. Uwe kracht zal te vergeefs verspild worden; want uw land zal zijn gewas niet opleveren, en het geboomte des lands zal zijne vrucht
21 niet geven. Indien gij als in toevallige ontmoeting met Mij uwen levenswandel blijft leiden, en niet naar Mij wilt luisteren.
14. Niet tegen overtreding van een enkel voorschrift worden de hier volgende straffen bedreigd, maar voor ongehoorzaamheid tegen Gods loetten, niet-inachtneming van alle geboden, die zoover gaat, dat men innerlijk die wetten versmaadt en het verhond in den geest verbreekt; God niet meer erkent als het Wezen, aan Wien men door het verbond der openbaring onderworpen is; het is dus aanmatigende en voortgezette opstand tegen God en Zijne Leer.
is. nxt, hetzelfde, iets dergelijks: gij vergeet Mij, â Ik zal ook voor u niet zorgen.â vnpBm, Ik zal als straf doen komen; anderen; Ik zal gebieden. â nSna, verschrikking, in den zin van: teleurstelling (Jes. 65,23), â vooral bij moeitevol werk, dat vergeefs blijkt te zijn; de zin is dan; Ik zal over u als straf brengen teleurstelling, en wel: nsnon n.s enz. (Luzzaito). Anderen; Ik zal over u brengen tot verschrikking = nSnsS; Wessely; iets verschrikkelijks; Mendelssohn; up schrikbarende wijze. â rsnc, tering, van r|nt', wegsleuren; â rmp, van mp, branden, heete koorts; â niSD-, die het geestelijk oog doen smachten, of v. a. het levenslicht doen ophouden. â nizmoi = mavo», en smart bezorgen aan de ziel. De zin is v. s.; De patiënt ziet met smachtend verlangen naar genezing uit en is vol droefenis in zijn gemoed over zijn lijden. â Het slot van ons vers vormt den overgang tot de tweede straffengroep; vijandelijke aanvallen. Gij zult de kracht niet hebben uwe producten te verdedigen, maar de vijanden zullen het te veld staande gewas opeten.
17. ijt) Wijl, in tegenstelling met vwsi (vs. 9).
18. nStf quot;tp, indien tot deze strafgerichten over u gekomen zijn, gij nog steeds niet luistert. â raw, zevenvoudig, d. w. z. ten volle, geheel naar gij het verdient, of v. a. veelvoudig, zeer zwaar.
19. tliW) den hoogmoed meer kracht, de weerstandskracht, waarop
120
16
ID Tlprö Dp
: nbKn n'iïön-ba nx Svyn xbi ^ i^üïyn NV-dki ^
v iquot; t ^ quot; t jquot; *^1- j : a* quot;v, : : * j * :
â¦nVn1? DDK'ÃJ â¦â¡S^DTIK dni iDKon â¦ripna-DNi10
lt;⢠; ⢠: av : : - 'j-; ⢠t : ⢠v j* : t : ⢠-»-| â¢-. : ⢠:
-n'^Nt : W3TIK DDIÃH1? â¦niïp-SSTlK Hl^ quot;
nnnpn-nKi nsni^n-nK nbns dd^V â¦mpani DD1? HK-T
- -|â v : -«v - - v t t iv lt;v â¢â¢^: ⢠:|- ; ⢠: vt -â¢
DD^quot;IT pn^ on^nn hanoi mbDQ
^ v.\ t-:i- v^-: :- i 't lt;v^; -; vat -⢠⢠: :
DDD i-ni D3»3^ quot;ish Dnaaii DDD â¦Jà ^
v t lt; t: av â¢â¢ : 1 -*â¢â¢ ; ⢠^v ; - * ; v t -t lt;⢠-it; iv â¢â¢ : i
i^p^n N1? nbN-n^-DNi. : DpnKepTfw onpii DD'X;-^ ^ â n« wDEh : DD'mtsn-^ DDn« mD»1? 'nfiD'i ^ ^
v.* : quot; it : iv â¢â¢ 1 - ^ quot; V.v v : v jt: -; ⢠; -it: a-
J riKTias DDÃquot;INquot;Jquot;IKquot;I bh23 Dy^'DH 'nnji DDW \m
it \ : - v.v : : - v; ^v ; - - v â¢â¢ : v lt;⢠- it: av :*\ i - :
n^rrnN ddï-ix DDna pn^ nni3
'b ynvb iDNn tih] np : ins \r\\ a) *=
uw hoogmoed berust, â alles, waarop een volk zijne macht vestigt, â v. d. ook de op aardsclie macht vertrouwende hoogmoed en trotschheid. Die aardsche hulpmiddelen worden hun ontnomen, hun rijkdom vergaat, want de hemel wordt als ijzer en de aarde als koper, zoo hard en droog als metaal. â Snag. soortnaam, daarom met het bepalend lidwoord.
20. Vs. 16 was gezegd, dat het product des lands niet hun, maar den vijand ten goede zou komen; hun zaaien was dus voor hen vergeelsch. Hier is al de gedane moeite vergeefsch, men put zich uit en besteedt al zijne krachten om den bodem geschikt te maken iets voort te brengen, maar die krachten zijn vergeefs verspild, want er groeit in het geheel niets.
21. np KV laSil DN1. letterlijk: indien gij met Mij gaat als in ontmoeting, van rop, d. i. v. s. indien gij uwen levenswandel met Mij inricht als eene toevallige ontmoeting, er ligt u niets aan de uitkomst, gij zijt wanhopig en handelt dus in vertwijfeling; van God gezegd beteekent de uitdrukking dan: Ik handel met u en breng over u rampen, zonder Mij om de gevolgen te bekreunen; â v. a. gij richt uwen levenswandel met Mij, maar doet dat als iets toevalligs, gij volgt Mijn wil op, maar omdat het toevallig met uwe wenschen overeen komt; van God (vs. 24); Ik zal met u gaan, uw levensloop en lot besturen als iets toevalligs, waarin men Mijne bescherming niet bemerkt. â Wessely: indien Gij, trots die rampspoedige gebeurtenissen (np = mp», gebeurtenis), met Mij op dezelfde wijze blijft handelen, door niet te willen luisteren. Mendelssohn; indien qij als tegenstanders met Mij handelt, tegen Mij in vijandige ontmoeting treedt; (quot;p stamverwant met mipS, dat echter niet in den zin van; tegenover, vijandig, voorkomt). Luzzatto naar Onkelos; met hardheid. Johlson van np, waarvan ip, koude, â hard, stijf zijn. â ro», verzamelwoord : plagen.
LEVITICUS XXVI.
zal Ik plagen bijvoegen bij u, zevenvoudig, wegens uwe
22 zonden. Ik zal het wild gedierte des velds op u loslaten, en het zal u kinderloos maken, en uw vee uitroeien en u ver-
23 minderen ; zoodat uwe wegen verlaten zullen zijn. Indien gij door deze allen u nog niet door Mij tot tucht laat brengen, en uwen levenswandel met Mij leidt als in toevallige ontmoe-
24 ting, â Dan zal ook Ik met u als in toevallige ontmoeting handelen, en zal ook Ik u zevenvoudig slaan wegens uwe
25 zonden. Ik zal over u brengen een zwaard, wrekende de wraak des verbonds en gij zult u in uwe steden verbergen; daar zal Ik de pest in uw midden zenden, en gij zult in de hand des
26 vijands gegeven worden. Doordien Ik u breek den broodstaf, zoodat tien vrouwen uw brood in éénen oven bakken, en uw brood naar gewicht brengen; en gij zult het eten, doch u niet
27 verzadigen. â Indien gij met dit al niet naar Mij luistert, en uwen levenswandel met Mij leidt, als in toevallige ontmoeting ;
28 Dan zal Ik met u met de woede als van toeval handelen; en
29 zal ook Ik u zevenvoudig tuchtigen wegens uwe zonden. Gij zult eten het vleesch uwer zonen, en het vleesch uwer dochters
30 zult gij eten. Ik zal uwe offerhoogten verdelgen, uwe zonnebeelden uitroeien en uwe azen bij de azen uwer afgoden wer-
31 pen ; en Mijn Wezen zal een afkeer van u hebben. Ik zal
22. 'JinScni. zie Ex. 8,17; loslaten, zoodat zij de schuwheid voor den mensch verliezen en ook hem aanvallen. â DD'S-n iwji, uwe wegen zullen verlaten zijn, daar niemand het waagt zich erop te vertoonen.
23. DDin kS. gij u niet laat tuchtigen en op den goeden weg terugbrengen ; waarschijnlijk heeft dat woord hier den zin van: de werking van netgeen de stam uitdrukt; dus: tot tucht gébracht voorden, â¢gt;S in de richting naar Mij, â of v. a. als ethische datief op te vatten; n. a. door Mij = '3.
25. fins DpJ DDpJ» wrekende de wraak over het door u verbroken verbond met God; vijanden, niet uit de u omringende landen, maar van verre, eene wereldmacht, die klaarblijkelijk optreedt om werktuig in Gods hand te zijn tot bevestiging van Zijn verbond en tot wegruiming van volkeren, die de verbreiding van dat verbond door hunne ontaarding in den weg staan. Dit brengt God over het land van Israël, dan verzamelen zij zich in hunne steden, trekken zich uit de bezittingen in het open veld terug om zich in de vestingen te hergen, tot lijfsbehoud. Daar echter breekt pest uit, zoodat geen langdurig beleg noodig is, maarzij door innerlijke uitputting den vijand in handen vallen. Sommigen verklaren onn:i reflexief: gij zult u overgeven.
26. Bovendien, behalve pest, breekt namelijk ook nog hongersnood uit, 03*7 non D3l7 'laos, doordien Ik u ook den meest noodigen steun, den staf, waarop gij nog kracht kunt vinden : het voedsel, breek, â zoodat, terwijl anders iedere vrouw voor haar gezin een oven heeft, dan tien vrouwen hun brood in één oven zullen bakken, â in een gevulden oven bakt het brood beter en daarom zullen zij liever hun kleinen voorraad gezamenlijk bakken, dan in haar eigen oven; anderen: bij gebrek aan brandstof. â
121
13 'nprta «ap
oSa : DrrnNErö vniy nio â¦nfiD'i m
V t ⢠; - : ⢠^ ^iquot; â¢â¢ ⢠- : ^ - vquot; t v lt;⢠; -it:
Dinanrnsj nnnpni ddj-iN rtoisn mt^n ri»n-n« mmn n^rDNi : ist^ai nam ro^arn» â¦nwi npa DDQir â¦atrnt? â¦nD^m : np ^ay Dnnbm ^ ^
lt;â¢â¢â¢â¢: ^ Uv: t .)⢠-j | - s* ; - it : â¢|iv v * . --«quot; a*
2in â¦nK3ni : DD^tan^y yzv â¦aw-oa DDn« «
..... v * *⢠iquot; : iv â¢â¢ i - ^ ^ -v.*.» ⢠t - v : v
DMina inn DDnr^ onaDNii nnrop: nopi
- . -⢠.p p. V .lt; . IT . v ⢠v:i. . : -: v|v
ony-ncsp oa? 'wa : ^itrTa onnav3 DnbDNi^ptysaDaon'? nnx nisna baan1? d^j
vv : - quot;Hquot; Iat: * - w: quot; r quot; : f t -⢠- ; v ; ; - «⢠t
onabni ^ lyatfn Kb n^b-DNi D : wsirn quot;
v.'. r-^i - -ji- a» â¢v ; ; ⢠^ ^ it : ⢠^ ;
â¦3Nquot;ei« DDnN â¦mD,i np-nana naar ^nsbni : npan3
* t I - v ; v lt;â¢;-â¢; 'Iav - -ii- v.*-* t r : ' tr: â¢liv;
03^33 1^21 DD^3 quot;1^3 DH^DKl : DD^nNtSH'^V V2t ^
^ vquot; quot; ⢠: . j~ ⢠av yquot; '⢠â¢*' ï ygt;quot; ï--ji~ iv quot; i quot; ~ v..
â¦nnjiDD^an-nN vrom DD^haa-nsï wa^m : ^3Kns
⢠-it; v â¢â¢-â¢t - v ⢠- : ⢠; â¢/â¢â¢it v *:-:â¢; iquot;
â¦nn:quot;) : DDDN ntyji oa^iba njs-^r DDnas-nN^
lt;* -it ; iv : v v.* ; - jt^it: av â¢â¢ i ⢠vquot;: * v â¢â¢; â¢
'TpüM oaun1? «'cm, en iy het gewicht, afgepast, zoodat ieder niet meer dan eene bepaalde portie krijgt, zullen zij het u voorzetten; anderen: zij zullen het, uit gebrek, niet gaar laten worden, daar zij hetzelfde gewicht toillen terugbrengen, dat zij als deeg naar den oven hebben gebracht, en het bij volledig bakken te veel zou verliezen. Nog anderen: zij zullen het uit den oven terugbrengen bij het gewicht, angstvallig wakende, dat zij geen lood te weinig medenemen. En als gij dan eet, zult gij den honger te meer voelen, daar gij slechts zoo weinig krijgt (of door de geringe voedingswaarde van het niet gaar gebakken brood), dat gij niet verzadigd wordt.
28. /IQri) naar de vs. 21 gegeven opvattingen wordt ook deze uitdrukking afwisselend verklaard: in woede der vertwijfeling, die zich om de gevolgen niet bekreunt; of: met de volle woedende kracht van een levens-en lotsbeschikking, waarin slechts toeval schijnt te heerschen, zonder dat van bescherming iets blijkt. Luzzatto; harde, grimmige woede; Mendelssottn'; vijandig tegen u optredende woede. De hier geschilderde hongersnood en vijandelijke aanval verwoest ten slotte geheel het land en voert de bewoners in ballingschap, is dus in ieder geval veel erger, dan de in de vorige verzen bedreigde; â¢np non duidt dus in ieder geval een hoogeren graad van bestraffing aan, dan np.
30. Uitroeiing der afgodsaltaren en beelden. â nwa, offerhoogten, hier: aan afgodendienst gewijd; ook gebruikt voor altaren, buiten het heiligdom, ter eere Gods opgericht, particuliere offerplaatsen. â oyjan; jan, van D8n,
zonnebeelden, beelden van Ba'al Chammon. â ub, verachtelijk woord: kreng, vandaar ook voor de neergestorte afgodsbeelden gebruikt; anderen : traag zijn, (1 Sam. 30,21) het lijk, uit het oogpunt van zijne onbewege-
LEVITICUS XXVI.
uwe steden tot eene puinhoop maken, uwe heilige plaatsen eenzaam doen worden, en niet meer ruiken uw tot lieflijken geur
.32 bestemde offers. Ik, ik zelve zal het land eenzaam doen worden, zoodat uwe vijanden, die er in zullen wonen, er over ontzet
33 zullen zijn. En u zal Ik onder de volkeren verstrooien en het zwaard achter u uittrekken; en uw land zal eene verlaten
34 wildernis en uwe steden zullen eene puinhoop blijven. Dan zal het land zijne Shabbathjaren genieten, gedurende al den tijd, dat het eenzaam is, en gij in het land uwer vijanden zijt; dan zal het land rusten en aan zijne Shabbathjaren welgeval-
35 len toonen. Gedurende al den tijd, dat het eenzaam is, zal het rusten, wat het niet in uwe Shabbathjaren gerust heeft,
36 toen gij er in woondet. En wat betreft die onder u over zullen blijven, Ik zal weeke moedeloosheid in hun hart geven in de landen hunner vijanden, zoodat het geluid van een wegwaaiend blad hen zal opjagen; en zij zullen vluchten, gelijk men voor het zwaard vlucht, en vallen, terwijl er niemand is, die hen
37 vervolgt. En zij zullen struikelen de een over den ander als voor het zwaard, terwijl er niemand is, die vervolgt; en er zal voor u
38 geen standhouden zijn voor uwe vijanden. Zoo zult gij onder de volken verloren gaan, en het land uwer vijanden zal u verteren.
39 En die nog over zijn onder u, zullen, door hunne misdaad, in het land uwer vijanden wegkwijnen, en ook door de misdaad
lijkheid en onmacht,; uw ziellooze lichamen bij die uwer afgoden; zoolang zij gediend werden, deden zij in zekeren zin iets, vervulden eene taak, â neergeworpen zijn zij godenlijken. â os'SiSj, afschuwelijkheden, van den stam SSj, waarvan mest, (I Kon. 14,10). Anderen van SS:, rollen, â een hlok.
31. Q^jnpD. m':e heilige plaatsen, de verschillende deelen van het
heiligdom, â of de heilige plaatsen, waar gij altaren zult hebben gebouwd, wat immers, vóór den tempelbouw in Jerusalem, in verschillende perioden der geschiedenis geoorloofd was. â mis sSi, Ik neem den geur, als het ware, niet in Mij op, sla er geen acht op.
32. VIOBTn. Behalve de door den vijand aangerichte verwoestingen, treedt God zelve op en teistert het land, zoodat het zóó door allen wordt verlaten, dat zelfs de vijanden, die er zich gevestigd hebben, ervan ontstellen en hoogere Macht zien in de aangerichte verwoestingen.
33. Israël wordt verstrooid, doch ook dan heeft het land nog geen rust, want ook achter hen, nadat zij het land hebben verlaten, doet God de schede ledig blijven van het zwaard, (zie Ex. 15,9) dat daar verwoesting blijft aanrichten. Anderen ; Ik zal u door het zwaard nog steeds blijven vervolgen. â mW = miX. v:in mt, het door den wind laten wegwaaien
van het kaf uit het koren, dat naar alle richtingen wordt verspreid. â Het volk verstrooid â het land ook voor vreemden een blijvende puinhoop !
34. njnn* De stam nxi met 'a of ns beteekent: in iets bevrediging vinden, dus: genieten de Shabbathjaren, of: opnieuw schenken van welvvil-
122
in 'npra nap
ma nn» «bi DD^pDTN 'nia^ni ninn bany-nK
c.. . - . t ^ . av .. :); ⢠... . -,r t : t v quot;*it
ayya n'S^ rnxn-nx 'natfm : onnn^ *
â¢-*â¢â¢; i t v~t « : it : j vat t v v.- -x ⢠-:i- iv -; i â¢
nnn DDnnK Tipnni oHan hitk anriNi : na D^'n ^ p«nn^nm: n3quot;in vn- Dnnyi naDi^ ddïin nnm ^
i vt t v : ⢠t it ; t j :r v.quot; â¢â¢'it: t t ; v : ; - «t:it :
nawTKDD^K pN3 ddni rvsamp;n w b's n»nn3trnN
⢠tlt; Av : i i vjv : - ; t - t jquot; ; lt; t v ; -
n« rizvn nmn wbs : rrhraErnK nnm riNn ^
â¢,quot; A : ⢠^t *⢠t jquot; i T r IV : - v vt ; ⢠; \ | v t t
Dmt^sni : 03^3^3 D3,nh3tr3 nn3ty_Nl? ^
j- t ; ⢠- : t iquot; t jv : : : v.-.- â¢â¢ i ; - ^ .)t : it jv -i
anN an'3^ n'ï^3 033^3 Tj-ip â¦riNsni 033 1^31 : pxi ^321 3111-710:0 ID:*! e]^
nnipn bp1? n^nn-Nbi px ep'-n 3in_^303 vnK3-^« ; D3»3,ilt; riK DDilK n^NI D'133 Dm3N1 : D3,3,K ^ nS
iv â¢â¢ : i I â¢.%,â¢.⢠v : v -r : it ; a^ - ^ v,quot; ^; ~ -:r iv â¢â¢; 1 v.quot; : *
ni^3 e]Ni D3»3|ilt; nï-i«3 Q:^3 ips^ 333 onKtfani ^
lendheid. V. s. jir nsi: de zonde bevredigen, goedmaken; Rashie: het land zal Gods toom bevredigen wegens de Shabbathjaren, die verzuimd zijn; Ibn 'Ezea: het land zal betalen. â nscn = nSt?rigt; een onbepaalde wijs van
den Hoph'al met aanhangsel, haar eenzaam zijn. â mvn, en welgevallen toonen, = nnnm, zie 25,21. Door sommigen wordt dit letterlijk toegepast; II Kron. 36,21 wordt gezegd, dat de Babylonische ballingschap 70 jaar duurde ter vergoeding van de 70 verzuimde Shemitta- en Jobeljaren. Gedurende ongeveer 500 jaar zou dus die wet in Israël niet zijn gehandhaafd, d. i. ongeveer sinds den tijd van Shaoel (vgl. Rashie). Er staat echter alleen, dat al de dagen, dat het land woest is, het rusten zal, omdat het niet gerust heeft, toen Israël er woonde, â niet, dat dit even lang zal duren en juist in jarental aan de verzuimde rustjaren beantwoorden.
36. DnXBOnij die niettegenstaande de vele rampen, die hen èn op eigen bodem èn in de verstrooiing getroffen hebben, onder u zullen overgebleven zijn, â wat die aangaat, â Ik zal brengen in hun hart â p». volgens Rashie, Gesenius e. a. van -pi, week zijn, verweeking, waartegen wordt opgemerkt, dat er voor zulk een woordvorming geene analogie bestaat en de blijkens den klemtoon, tot den stam behoort. Anderen daarom van -p», verwant met ma en pi», wrijven, fijn wrijven, ook vloeibaar maken, dus: de den moed verlammende angst, die het hart doet smelten. â epj nSï, het geluid van een door den wind voortgestooten blad, het ruischen van een wegwaaiend blad; Rashie: het geluid van een tegen een ander blad waaiend blad.
37. 3in Qdijk men struikelt, als men in doodsangst vlucht voor het zwaard. â ncipn, standhouden en weder opstaan; herstel en bestaan blijven; gij zult onmogelijk, waar dan ook, stand kunnen houden tegen uwe vijanden.
LEVITICUS XXVI.
40 hunner ouders met de hunne zullen zij wegkwijnen. Als zij dan hunne misdaad en de misdaad hunner ouders belijden, in hunne trouweloosheid, die zij tegen Mij gepleegd hebben, en ook dat zij hunnen levenswandel met Mij geleid hebben
41 als eene toevallige ontmoeting, â Zal ook Ik hun leven leiden als in toeval, en hen brengen in het land hunner vijanden ; of als dan hun onbesneden hart verootmoedigd wordt, en zij
42hunne misdaad zullen willen goedmaken; â Dan zal Ik denken aan Mijn verbond met Jakob, en ook Mijn verbond met Izak, en ook Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken;
43 en het land zal Ik gedenken. â â⢠Want wél zal het land door hen verlaten zijn, en zijne Shabbathjaren genoten hebben, zoolang het van hen vereenzaamd is, en zij zelve hunne misdaad willen goedmaken ; â en wel daarom en daarom alleen, omdat zij Mijne rechtsvoorschriften versmaad hebben en hun
44 ziel een afkeer had van Mijne wetten; â Doch met dit al, wanneer zij in het land hunner vijanden zijn, zal Ik hen niet zóózeer versmaden, noch zulk een afkeer van hen hebben, om hen geheel te doen ophouden, om Mijn verbond met hen te ver-
45 breken; want Ik, de Eeuwige, ben hun God. Ik zal hun het verbond met de vorige geslachten gedenken, die Ik uit het land Egypte gevoerd heb vóór de oogen der volkeren, om hun tot God
46 te zijn ; Ik, de Eeuwige.quot; â Dit zijn de wetten, de rechtsvoorschriften en leeringen, die de Eeuwige tusschen Zich en de kinderen Israels gegeven heeft, op den berg Sienai, door de hand van Mozes.
39- ipO1. eig. v-egrotten. â ons orax niwa, door de misdaad hunner voor-vaderen, hij de hunne gevoegd, eig. daarbij, bij hun misdaad;iir,hoewel wat den vorm aangaat enkelvoud, is als verzamelwoord een meervoudig begrip. Anderen; door de zonde der vaderen, die nog steeds hij hen is, waaraan ook zij zich schuldig maken; of; die nog ongeboet is.
40â42. Twee dingen zijn nu mogelijk: zij erkennen hunne zonde en zien in, dat zij tot nu toe hun leven met God hebben geleid zonder om de gevolgen te denken, â zij handelen dus verder slechts naar Gods wil, uit vrees voor de gevolgen, â dan handelt ook God met hen, ook nu bet hun weer beter zal gaan, niet als beschermend God, die steeds hen tot de hoogste hoogte wil opvoeren, â maar ook slechts voor het oogenblik hun gunst verleenend, en brengt hen in betere conditie, hoewel zij blijven in het land hunner vijanden; â of wel hun tot nu toe gevoelloos hart onderwerpt zich geheel, en zij willen hun zonde ten volle herstellen, door geheele bekeering, dan gedenkt God Zijn verbond en het land, en voert hen daarheen terug. â
Anderen; Als zij dan erkennen hunne zonde____en dat zij Mij wederstrevend
hébben gehandeld, en dat ook Ik vijandig tegen hen ben opgetreden en hen daarom gebracht heb in het land hunner vijanden, â voorwaar dan zal enz; â nog anderen verklaren tn is, ja, zelfs, als dan zich vernedert, vervolg van vs. 40, terwijl de nazin eerst vs. 42 begint. â dSïk:, hunne misdaad, bestaande in hunne trouweloosheid.
123
ID ^npna JDp
obyoa mnni npa» on» DnbK»
^ vt ^» '* : t -: iJ -j v : r quot;h v lt; - ; ⢠: i it ⢠jt ⢠^t -i
Dsjf ^ ^«-«1« : npa gt;bv «ini â¦a-^ro «»
^t .....-j i - *1 iv: v* J : it v -i i - : a- ^it -«v -j
^noaa1? v:y tn-in dh^k rixa DnK»nK2ni npa
quot; T r.-q t t t * -t av â¢â¢ ; i | nv : t ......... Mv ; c
â nsj cixi nipjr â¦nna-nK wdti : Q^-n« irv
i-: i aquot;1»- â¢lt;⢠â¢: v i.- : -it : it '^-. â¢â¢â¢ f j :-^ it: f
: iarx pNm iam oma» â¦nna-nx ei«i prw Tina
cv I ^tt! .: â¢â¢â¢ . or t: - r â¢: v J - : \ r : â ^ â¢, ⢠:
om dhq nst^na n»nnair-nK rim dhd aryn ri^m «
v.quot; ; v â¢â¢ t - : t t v : - | '.- â »â : v â¢â¢ -â¢gt; iquot; I v t t ;
7tgt;v* â¦npn-n«i idno â¦â¡st^oa rrai DaiyriK
^t «it v,quot;l \ v ; tt j- t : ⢠; 1^-- ; 'p quot; at v -⢠:*
DTDNQ-N1? DH^K pxa DDlTQ H^T'DS'tlKI : DB'ÃJ 10
: i v â¢â¢ ; i i v-»v ; t ; i* - ; it : -
: on^ri^K nin» *a dhn ^nna nanb orhzh D^vr^i
iquot;r quot; i v; v.t^ ; at ⢠^ ⢠: y r : r - ; ⢠: : i :
anïD pNQDhN-'nKïin owtn nna on1? â¦nnati â¢
' 'i ⢠i VpV â¢â¢ t ⢠â¢â¢â¢ -«v -: a* ⢠-â¢â¢ : v,v t j' :-it:
D^pnn nVtf : mn» D'ribN1? orh nvrb D;ian w
!-'â¢â¢* i- v â¢â¢ it ; jquot; -: v.* ov t j if ⢠- Jquot; :
VKTIT» ^a rai iranim rnj âhimm n^a^am
aquot; t :â¢-â¢â¢: i â¢â¢ t ; i â¢Â»- t v -j - : ⢠t ; ⢠- : ^
* : nt^D-ra to ma ? -
iv - ; ^ n
41. DDN mam, breng hen, waar zij behooren; vgl. voor dergelijk
februik van sria-i, zonder aanduiding van richting Jes. 43,5 en 6, Tsefanja ,20 e. a. p. â orriaw ytN3 duidt geene richting aan; dit zou door yi.sS moeten zijn uitgedrukt; de zin is: terwijl zij zijnebruik van sria-i, zonder aanduiding van richting Jes. 43,5 en 6, Tsefanja ,20 e. a. p. â orriaw ytN3 duidt geene richting aan; dit zou door yi.sS moeten zijn uitgedrukt; de zin is: terwijl zij zijn in het land der vijanden; de plaats, waar, â niet de plaats, waarheen. â Anderen: en dat Ik ze gebracht heb in het land hunner vijanden. â Sim, onbesneden, waaraan tot nu toe zich steeds een element bevond, dat de wijding en heiliging des levens a. h. w. tegenhield. Al wat als niet goed wordt beschouwd, ontoegankelijk voor verbetering, heet: Sir, met een voorhuid voorzien. â DJir nx w, v. s. welgevallen vinden aan de straf voor hun misdaad-, v. a. bevredigen hun schuld, bereid zijn de straf te dragen.
43. En het land zal Ik gedenken, â dat land, dat immers dan door hen verlaten zal zijn enz. â onn, van hen verlaten, d. w. z. door hen verlaten, zoodat zij er niet zijn; evenzoo on» nntra; anderen: wegens hunne zonden eenzaam geworden. Anderen: wel zal het land woest en eenzaam zijn â maar toch vernietig Ik hen niet geheel en al. Wessely: het land zal dan immers door hen verlaten zijn geweest en zijne Shabbathjaren hebben goedgemaakt en ook zij zullen immers hun zonde geboet hebben! p)'3i jp, Wessely: omdat en in overeenstemming ermede-, anderen: daarom en alleen daarom.
46. Slot van de met hoofdst. 25 ingeleide Godsspraak. Daar op het einde van hoofdstuk 27 een algemeen slotvers volgt, gaat het moeilijk ons vers als afsluiting der geheele openbaring op Sienai op te vatten. â n^a 'n jru tas, die God gegeven heeft als verbond tusschen Zich en. Israël.
LEVITICUS XXVII.
2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: âSpreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Iemand, die als bijzondere daad eene gelofte doet, bestaande in de vastgestelde waarde
3 van personen ter eere des Eeuwigen. Wanneer dan het voorwerp der waardegelofte omtrent een manspersoon iemand is van twintig jaren tot iemand van zestig jaren, dan zal de vastgestelde waarde zijn vijftig Shekel zilver, naar den Shekel des
4 heiligdoms. Indien het een vrouwelijk persoon is, dan zal de
5 vastgestelde waarde dertig Shekel zijn. Is het iemand, van vijf jaren tot twintig jaren oud, dan zal de vastgestelde waarde zijn voor een manspersoon twintig Shekel, en voor een vrouwe-
6 lijk persoon tien Shékel. Is het iemand van af ééne maand tot vijf jaren oud, dan zal de vastgestelde waarde voor een manspersoon zijn vijf Shékel zilver, en voor een vrouwelijk persoon zal de vastgestelde waarde zijn drie Shékel zilver.
7 En indien het iemand is van zestig jaren en daarboven, wanneer het een manspersoon is, dan zal de vastgestelde waarde vijftien Shékel zijn, en voor een vrouwelijk persoon
8 tien Shékel. Doch als hij te onvermogend is voor de vastgestelde waarde, dan zal hij hem voor den priester doen staan, â en zal de priester hem schatten ; naarmate het vermogen toereikend is van hem, die de gelofte deed, zal de
9 priester hem schatten. â Indien het een stuk vee is, waarvan men ter eere des Eeusvigen als offer mag brengen, dan zal al hetgeen hij daarvan ter eere des Eeuwigen gewijd heeft, zelf
Hoofdstuk XXVII. Als slot der heiligdomswetgeving volgen in ons hoofdstuk de bepalingen betreffende vrijwillige wijding aan de kas des heiligdoms van menschen, vee, vast goed enz., waartoe geene verplichting bestaat, maar waartoe men uit drang des harten kan komen. â Sommige daarbij besproken onderwerpen hebben aanrakingspunten met de Jobel-wetgeving.
2- TU xSö' O. zie Lev. 22,21. â -p-ir:;, vgl. Lev. 5,15. Nieuweren meenen in den '-j van â p-tr den aanwijzenden '3 te moeten zien, die èn in het Chaldeeuwsch èn in het Arabisch als aanwijzend voornaamw. voor meer verwijderde zaken voorkomt: gene; -pp beteekent dan; schatting naar waarde; -pT, vastgestelde waardebepaling, de hier volgende schaal voor verschillende leeftijden en geslachten. Het hier bedoelde geval is, dat iemand zegt: 'Vr â¢oir of â¢pr, ik neem op mij aan de tempelkas te betalende
voor mij of voor N. JST. bepaalde som. Wil iemand zijne effectieve marktwaarde geven, dan heet dat -n:, gelofte, in engeren zin, niet -py, en luidt het gelofte-formulier: iSj) ol' 'Sr ijiSs ik neem op mij, mijne
waarde (of die van N. N.) te betalen; de waarde van den persoon wordt dan geschat, naar wat voor een slaaf van dien leeftijd en gezondheidstoestand wordt betaald ; het is dan de effectieve waarde van den persoon.
3. nam -n-ij; rrm. als dan het voorwerp der een mampersoon betreffende waardegelofte is iemand van twintig tot zestig jaar, â dit is alles vóórzin, de nazin begint bij -p-iu mm. â -on quot;piï, de gelofte betreffende een manspersoon, de woorden staan in jwoc-verhouding. â Evenals yjj (hoofdstuk 13) kan
124
TD TipTD -13p
lii : iDNb nin» -im» *2
: quot; quot;t ; â¢â¢ t ; ⢠lt;â¢â¢ : v â¢â¢ - i â¢â¢ jv v ^.t ; jquot; -: - 3
n'ni : nln^ n'^s: n3quot;i^3 113 ^ Bgt;^
lt;tt ; it i- v. t: j| : :*v vav v.* :~ \ quot; quot;-
n^ni n:iy D^tr-p n^i njB' on^ raa liin naiy
jt t : at t â¢j* * i v ; tt -*⢠: â¢V i v ⢠t t - i ; :v
xin n^rDKquot;! : ^-tpn V^a D^pn
-|2 1$] D^B' rón-f3p dnquot;! : bpv Qwbw ^3-ij; rvy * rapsbi D'bp^ ontr^ quot;iDin nni nity anquot;^
vt l**; -#: a* 1 t ⢠â¢j-^; â¢â ⢠kt t - â¢)! : : â¢.' srr : r r -»⢠: quot;v
n^m D^Jiy B^on-p quot;iri t^in-po dni : D'bptr m'^v'
lt;t t ; â t^ -quot;⢠t I v - ; v I v ⢠j- : i* It ; vjv
^3quot;i^ napabi «IDS D^pir ntron i3in ?pquot;iy
v J I . .^V jt^ *⢠⢠' ^ T- -'Tp p's TT : quot;
rrm n3rD« n^oi rui? D^cpo DKT : ^D3 D'Vpt?'
-'tt : tt t . ~ t «t t i v quot; ⢠; | v it ^ i* it t
Wow : D^pjy mtyy n3p317,i bpt^ nt^on n
(jt * : r It: v.tIquot;;- ; Ivat^ v.t *t jt ⢠-: I ;*v
'h-by |ri3n lm |n3n ysh iTQ^ni^s^D Kin
im nan3-DK,i d : rrün wahy» nisn t Vtrn im*
... .. t .. . 1,..^ r. ..... . . ,... -:
-n*n» nin»? ijso rn» 73 nin'1? pip n-iöo isnp'
v ;r vt r â¢)â¢â¢â¢ ⢠i r* ⢠v -: at i- kt :l t t-)V * s*l: quot;
â jir en -[Dii! beteekenen; vastgestelde waarde, gelofte om die waarde te betalen, en het voorwerp dier gelofte. â De hier gegeven grenzen loopen; van na het twintigste, dat is het ingetreden eenentwintigste, tot en met het zestigste levensjaar; vs. 7 wordt immers uitdrukkelijk de aanvaiigsgrens voor oude menschen aangegeven: van af hoven de zestig jaren. Evenzoo vs. 5 van vijfjaren oud, d. w. z. nadat het zesde jaar is ingetreden, lot en met twintig jaar-, vs. 6, van af een maand tol en met vijf jaar; onder de maand is het twijfelachtig, of de jonggeborene werkelijk levensvatbaar is, en heeft hij dus geen hepaalde ivaarde, -pr. De leeftijd van hem, die de gelofte doet, komt natuurlijk niet in aanmerking; de waardebepaling geldt alleen den persoon, omtrent wien hij verklaard heeft, zijne waarde te willen geven.
8- Kin -jo mei. Is hij, die de gelofte deed, te arm om de genoemde bedragen te betalen, vrorm, dan zal ld], die de gelofte deed, hem, wiens vastgestelde waarde hij beloofd had te zullen geven, plaatsen voor den priester-, de traditie vat dit letterlijk op; doen staan, zoodat deze bepaling niet geldt voor wie niet meer staan kan, een reeds overledene of stervende. â De priester heeft dan de te betalen som vast te stellen naar den vermogenstoestand van hem, die de gelofte gedaan heeft. De traditie neemt aan, dat de uit de gelofte voortvloeiende verplichting als schuld geldt, waarvoor beslag gelegd mag worden op de bezittingen en goederen van wie de gelofte deed, echter met dien verstande, dat hem aan voedingsmiddelen, kleeding, meubilair en handwerksgereedschap het allernoodzakelijkste moet worden gelaten, in natura of in geld. (Zie Baba Metsi'a 114a, 'Arachien 24a.)
9. Vee ruisa la-ipi nw, van de soort, waarvan men een offer mag brengen, dus: een rund, schaap of geit, of in een lichaamsstaat, dat men daarvan
LEVITICUS XXVII.
10 heilig zijn. Hij mag het niet inwisselen noch verruilen, een goed voor een slecht, noch een slecht voor een goed; wanneer hij echter een stuk vee voor een ander verruild heeft, dan zal dat, zoowel als het daarvoor in ruil gegevene,
11 heilig zijn. Indien het echter eenig stuk onrein geworden vee is, waarvan men ter eere des Eeuwigen niet ten offer brengen mag, zal hij het stuk vee vóór den priester plaat-
12 sen. En de priester zal het schatten, of het goed of slecht is; gelijk de door den priester vast te stellen som, zoo zal het
13 zijn. Indien hij het echter zelf lossen wil, dan moet hij het
14 vijfde deel ervan toevoegen. En iemand, die zijn huis als iets heiligs ter eere des Eeuwigen wijdt, â dan zal de priester de waarde ervan vaststellen, of het goed oquot;f slecht is; zooals de
mag brengen enz., d. i. zonder gebrek. â ua» jrn -ion Sa, al wat men daarvan geven zal, d. i. van de soort; Rashie e. a.: al wat men van zoodanig stuk vee geeft, zelfs al heeft men slechts een gedeelte ervan heilig verklaard; â OTp mm, zal dit zelve heilig zijn en blijven en niet voor geld gelost kunnen worden. Het moet als offer worden gebracht, en wel een mannelijk dier als brand-, een vrouwelijk als vredeoffer. Heeft men slechts een gedeelte van het dier gewijd, dan wordt het geheele dier aan den tempel tot brandoffer verkocht en voor de waarde van het gewijde lichaamsdeel een brandoffer aangeschaft.
10. US'SrP Naar Luzzaito en anderen beteekent fpSnn; iets beters in ruil geven voor iets minder goeds; â¢non iets minder goeds in plaats van iets beters stellen. Gen. 31,7 waar Jakob zegt, dat Laban m cpSm VTWO, zijn loon tegen iets beters heeft verwisseld, is dit niet van Jakobs, maar van Labans standpunt gezien: hij heeft mijn loonsbepaling, die voor hem nadeelig bleek, in een voor hem voordeeligere veranderd (vg). voor epSnn Gen. 41,14; Jes. 9,10; Job 14,7; voor -vw Jer. 2,11; Hoshea' 4,7; Miecha 2,4; Ps. 106,20 e. a. p.). Daar echter elke verwisseling eigenlijk onwettig is, wordt de algemeene term mn. Anderen zien in den term eySnn verwisselen tegen geld of geldswaarde; in -ran dier in plaats van dier stellen, dus inruiling tegen eene gelijksoortige zaak. â jna aio, goed en slecht, hier op te vatten niet juist in verband met de qualiteit in het algemeen, maar met de geschiktheid als offer; slecht is dan een met een lichaamsgebrek behept dier; goed een als offerdier geschikt beest. â nnraa nana, dier tegen dier, alleen bij rund- en kleinvee, niet echter bij als offer geschikte vogels (jonge of tortelduiven) noch bij meeloffers geldt deze wet. â Heeft men, niettegenstaande het verbod, toch dier voor dier in de plaats gegeven, dan blijven beiden heilig en moeten, indien daarvoor geschikt, op het altaar komen met hetzelfde karakter als het oorspronkelijk offerdier. Bij zond- en schuldoffers, die nooit als vrijwillige offers kunnen gebracht worden, komt het in ruil gegeven dier niet op het altaar, maar wordt bij zondoffers geïsoleerd, tot net sterft; bij schuldoffers blijft het vrij rondloopen, tot net een gebrek krijgt, om dan voor de waarde ervan gemeente-brandoffers te koopen. Bij eerstgeborenen en tienden van dieren wordt het in ruil gegevene, als het een gebrek mocht krijgen, door den priester, respectievelijk door den eigenaar gegeten.
ii- rwaü nora.Sa- Daar wijding van onrein vee, als ezels, paarden enz. vs. 27 afzonderlijk behandeld wordt, en bovendien ook de reine dier-
125
T3 'npTD nap
21L33 vtik vna aiü inK laó^n» N1? ^ip'
a ; â¢*quot; s j * j' t ^ i ; v ⢠-:i- quot;, ^ â¢'1
â¢m imiDni Nin-n^m nónaa nona yw lörrDW
â¢â â¢:,⢠t t . ! j t't 'p p t quot;.: ⢠t quot; ! . 'v quot; t . . â¢
?anp nuao lanp^K? hkoü nona-ba dni : enp^
I^t :It t-jv ⢠j*l:- i v -t t â¢â¢ : -quot;t quot; : t * : â¢Â»â¢
jrian Tjn^ni, : |nan nonan-nx nin7=gt;
VjjrDN'! : rvn* ja |nan ^a^a jn pai aica pa nn« ^ in'aTi^t ^pj-'a vw : ^anjrbj; in^on nabijyT ^n^i^Na pai aiü pa jrian bnjrn nin^ W-jp
soorten, met uitzondering van runderen, schapen en geiten, tot offer ongeschikt zijn, kan hier niet aan onrein vee worden gedacht. Naar de traditie is hier dan ook sprake van een dier, behoorende tot een der als offer geschikte soorten, dat echter na de wijding door een blijvend gebrek als offer ongeschikt is geworden. Dit wordt dan juist door nwsD, onrein ge-ivorden uitgedrukt, v. s. om het blijvende karakter van het gebrek aan te duiden. Men vertale dus: indien het een stuk onrein = ongeschikt(/«ü'orcfen vee is, waarvan men daarom geen offer mag brengen. Ons vers vormt dan eene directe tegenstelling met het vorige, waar twee eischen worden gesteld : rein vee, en in een lichamelijken staat, dat men daarvan een offer mag brengen, d. w. z. zonder gebrek, â terwijl ons vers spreekt van het geval, dat aan dien laatsten eisch niet is voldaan. â Bij een dier dus, dat na de wijding een lichaamsgebrek krijgt, luidt de wet: hij doe het staan vóór den priester â het beest moet nog kunnen staan (zie vs. 8), en wordt voor een priestercollegie van drie leden gebracht.
12. jn p31 31D of het goed is of slecht van qualiteit; â anderen: tusschen goed en slecht, d. w. z. niet te hoog schatten, als ware het goed, â ook niet te laag als te slecht, â maar op een midden-prijs. â ;ron quot;puo, naar vast te stellen waarde, ook hier niet: de werkelijke waarde, zich regelend naar den marktprijs, maar een door den priester eigenmachtig vast te stellen bedrag, in verband met den vermogenstoestand van hem, die het heeft gewijd (vgl. vs. 2). â Ons vers spreekt van verkoop van het dier, ten bate van de tempelkas, aan een derde; het volgende, waar de term Snj gebezigd wordt, van lossing, d. w. z. terugkoop door den eigenaar. Het gewijde goed werd den schatmeester van de tempelkas ter hand gesteld, die het dan te gelde moest maken; in ons geval tegen den door het priester-collegie vast te stellen prijs. Wilde echter de eigenaar het zelve terugkoopen, dan moest hij weron, het vijfde, van de ten slotte door hem te betalen som, dat is een vierde van de door het collegie vastgestelde waarde, er aan toevoegen (vgl. Lev. 5,16).
14. Wanneer iemand een huis, d. i. zijn bezit wj/di aan de tempelkas,â dan wordt de waarde eveneens naar schatting bepaald en wie hetkoopen wil, moet die som betalen. Dit is dan gewone koop van een huis; is net gelegen in een ommuurde stad. dan blijft het, indien niet binnen het jaar na den koop door den oorspronkelijken eigenaar gelost, eigendom des koopers; is het een huis in een open plaats, dan gaat het met het Jobel-jaar aan den oorspronkelijken eigenaar terug. Zoolang het huis niet ten 'bate van de tempelkas is verkocht, heeft degeen, die het gewijd heeft, ten
LEVITICUS XXVII.
15 priester het schat, zoo zal het in eigendom overgaan. Indien hij, die het gewijd heeft, zelve zijn huis lossen wil, dan moet hij het vijfde deel der vastgestelde waarde daaraan toevoegen,
16 dan zal het hem behooren. En wanneer van het veld van zijn erfgoed iemand wijden zal ter eere des Eeuwigen, dan zal de vastgestelde som zijn in verhouding tot zijne uitzaaiing ; een plaats, waarop een Chomer gerst uitgezaaid wordt, voor vijftig
17 Shekel zilver. Indien hij namelijk zijn veld wijdt onmiddellijk na het Jobeljaar, dan gaat het naar vastgestelde waarde
18 in eigendom over. Indien hij echter na het Jobel zijn veld wijdt, dan zal de priester hem het geld berekenen naar verhouding der jaren, die nog resten tot aan het Jobeljaar, en dit
19 zal van de vastgestelde som afgetrokken worden. Wanneer hij, die het veld gewijd heeft, het zelve lossen wil, dan moet hij het vijfde deel van het geld der bepaalde som eraan toe-
20 voegen, dan gaat het in eigendom aan hem over. Indien hij het veld echter niet gelost heeft of indien men het veld aan een ander verkocht heeft, dan kan het niet meer gelost wor-
21 den. Dan zal het veld, als het in het Jobeljaar weder vrij
allen tijde het recht van lossing. â Dipi p, zoo zal het eigendom worden, (vgl. vs. 19; Gen. 23,17).
16â24. Wijding â van velden, en wel : a) van tot het erfgoed der familie behoorend land, (16â21), waarvan hij, die het wijdde, volkomen eigendomsrecht had en baarbij dus de wijding van blijvenden aard kan zijn,â en 6) van aangekocht landbezit, waarvan de kooper slechts een aantal opbrengstjaren gekocht heeft, terwijl het goed zelf met het Jobeljaar aan den verkooper teruggaat; de kooper, het wijdende, kan natuurlijk niet meer afstaan, dan waarover hij te beschikken heeft; het veld keert dus in ieder geval met het Jobeljaar tot den oorspronkelijken eigenaar, den verkooper, terug.
16. Een erf veld, hetzij als vaderlijk of moederlijk erfgoed hem toegevallen, wordt niet naar de effectieve waarde verkocht, maar tegen een vast bedrag geloot, onafhankelijk van de meer of minder goede qualiteit van den grond, en wel: unt '3% naarmate er op uitgezaaid wordt, d. w. z. naar de oppervlakte. De plaats, waarop een Chomer gerst gezaaid kan worden, d. i. eene hoeveelheid van tien Epha = dertig bed, in den Thal-moed Kor genoemd, â wordt berekend tegen vijftig Shekel, evenwel met dien verstande, dat deze als waardebepaling gelden voor de 49 jaren eener Jobelperiode. (Het Jobeljaar zelf rekent natuurlijk niet mede, daar in dat jaar alle goederen tot hun eigenaars terugkeeren en verkoop niet is toegestaan). De volgende verzen spreken dit duidelijk uit.
17. van het Jobeljaar af, d. i. onmiddellijk bij den afloop van het Jobeljaar. â oipi â p-irii, dan wordt het eigendom van een ander, die het van de tempelkas koopt, tegen de volle, zooeven vastgestelde som; daar immers de tempelkas voor de geheele Jobelperiode vruchtgebruiksrecht heeft verworven.
18. Is het veld eerst een zeker aantal jaren na het Jobeljaar gewijd.
to â¦nprQ quot;Op
t]p*f in^rnK W ^npsn-D«i : Dip; |3 jrtsn lnKiD ihrnN m'^o i DXI * : lb n'ni vhy n^^an «=
t â¢.. -; j-; ⢠; i tjt : t o i : xyt i v^iv s * -*
Dn^ nan n'rn nin^ K'wnp»
?|3-i^3 inn^ S^n n;^Q_D« :«]p3 bpw D^pn^ -nx jron fi-m) 'irHw ^npfb^n quot;inN-DXi : Dip;quot;1 : ^-1^0^3:1 bn'n Dp ny nSnianb^^n e]D|n -ï]p3 rvppn ^pVlnk K'npsn nn^rrnK^w'1 quot;D3-DW nV-dni : b Dpi vby n3-ijr3
j- r ⢠: v t - v - : ⢠« ⢠: 1 Ijt; ct't â¢)! : .'â¢'
in«ï3 nnU'n n-m : my bw^-K1? quot;in« m'^n-nN «
J .. ; VT quot; TT : I {quot; T * I ftquot; quot; â¢*⢠: ^VT -
of 00k reeds een zeker aantal jaren door de tempelkas het vruchtgebruik genoten, dan moet het aantal tot het Jobeljaar nog te verloopeu jaren worden berekend en dienovereenkomstig per verloopen jaar llin van de vijftig Shékel worden afgetrokken ; het restant wordt dan aan de tempel-kas als lossing afgedragen.
19. Als hij, die het gewijd heeft, zelf inlost, dan moet hij bij erfgoed een vijfde, d. i. een kwart bijvoegen ; in het ongunstigste geval dus 62'/g Shékei betalen. Bij koopvelden geldt deze bepaling niet.
20- S2O1 JcS DX1' a's M'h de eigenaar, het niet zal hehhen gelost bij de Intrede van het Jobeljaar, zoodat net Jobeljaar het veld nog in handen der beheerders van de tempelkas vindt, â dan gaat het niet van zelve aan den eigenaar terug, â maar wordt het eigendom van de priesters.â Evenzoo ins men ns ia» os, indien men, de beheerder der tempelkas, het veld verkocht heeft aan een ander. De eigenaar, die een vijfde moet bijvoegen, heeft preferentie en doet door lossing het veld definitief in zijn bezit terngkeeren. Verkoop aan een derde geldt, als elke verkoop, slechts tot het Jobeljaar; dan gaat het aan den verkooper, dat is in ons geval; aan de tempelkas terng en van dezen niet aan den oorspronkelijken eigenaar, maar aan de priesterschap. â Het gaat hier moeilijk aan verkoop van het gewijde goed door den eigenaar zelve te denken, daar deze in dat geval eenvoudig een onrechtmatige daad zou doen ; hij zou beschikken over iets, dat de tempelkas behoort. Wij zagen reeds, dat de geheele wijding van niet als offer geschikte zaken slechts ten doel heeft, der tempelkas eene zekere geldswaarde te doen toekomen. Het laat zich dus denken, dat, nadat de mededeeling der wijding bij den beheerder is ontvangen, deze tot publieken verkoop van het gewijde zal overgaan, wat in ons geval beteekent; dat hij den eigenaar zal vragen, of deze geneigd is het Tand tegen de vastgestelde som van 50/4, Shékel per jaar met bijvoeging van het vijlde in te lossen. Wil deze dat niet, dan loopt hij de kans, dat een ander het tegen 5%9 Shékel zonder het vijfde neemt en hij dus zijne aanspraken verliest. In de traditioneele verklaring, die het tempelheheer als verzwegen onderwerp van 130 aanneemt, ligt dus niets onwaarschijnlijks of eigenmachtigs. â ins csS, naar de traditie; aan een hem vreemden man, die hem niet in den bloede bestaat.
LEVITICUS XXVII.
komt, den Eeuwige gewijd zijn als een tot ban verklaard veld;
22 den priester zal het als zijn eigendom behooren. Maar wanneer hij zijn koopveld, dat niet veld van zijn erfgoed is,
23 wijdt ter eere des Eeuwigen; Dan zal de priester hem het bedrag der vast te stellen som tot aan het Jobeljaar berekenen; en hij zal de vast te stellen som op den bepaalden dag
24 geven als heilig ter eere des Eeuwigen. In het Jobeljaar zal het veld terugkeeren aan hem, van wien hij het gekocht had;
25 namelijk aan hem, wien het land als erfgoed behoort. Alle waarde-vaststelling zal naar den Shekel des heiligdoms ge-
26 schieden; twintig Géra zal de Shékel zijn. Doch een eerstgeborene, dat als eersteling den Eeuwige gewijd is, onder het vee, kan niemand wijden; hetzij os of lam, den Eeuwige
27 behoort het. Indien het van onrein vee is, dan zal men het voor de vast te stellen som vrijkoopen, en het vijfde gedeelte er aan toevoegen; indien het echter niet gelost wordt, dan
28 kan het voor de vast te stellen som verkocht worden. Doch
21. mnn mcD. waarvan vs. 28 uitdrukkelijk melding wordt gemaakt, als blijvend aan den Eeuwige gewijd, zonder dat lossing kan plaats hebben. â jroS, den priester, d. w. z. de priesterschap, en wel voor de
Eriesterafdeeling, die op den Verzoendag van het Jobeljaar den weekdienstriesterafdeeling, die op den Verzoendag van het Jobeljaar den weekdienst
eeft. (Vgl. Num. 18,14).
22. Koopveld. VUpD mC* â¢pö koop, v. d. het voorwerp eener koophandeling. rup» mo dus: veld, dat koopobject is geweest; dit is nu één begrip geworden en het aanhangsel wordt achter het tweede woord gezet: zijn koopveld, een door hem gekocht veld. â Hier moet de voüe waarde van het gewijde worden gegeven ; dat is echter niet tie effectieve waarde van den grond, -py, â daar deze hem immers niet behoort, maar hij slechts vruchtgebruik heeft tot het Jobeljaar, â maar de betrekkelijke waarde van de tot net Jobeljaar nog te verwachten oogsten, -p-iï (vs. 23). De berekening wordt hier niet gemaakt op den grondslag van 50 Shékel per 49 jaar, die bij erfgoed is aangegeven, maar naar de werkelijke vermoedelijke 'waarde van het vruchtgenot.
23. Xinn DVa quot;pTPn DN jrui. hij zal geven de vast te stellen som der waarde op dien dag, de stand van zaken wordt slechts naar het oogen-blik der lossing beoordeeld. Sommigen verklaren svn dto op denzelfden dag, dat wil zeggen; het geheele bedrag moet in eens betaald worden, lossing in termijnen is niet toegestaan.
24. In het Jobeljaar keert in ieder geval, ook al had wie het wijdde het niet gelost en was het dus in vruchtgebruik der tempelkas gebleven, het veld terug, â insn irup ifsS, tot hem, van wien hij, die het wijdde, het gekocht had, dat is aan hem, mien het als erfgoed toekomt. Wie het wijdde, kan het immers ook weer gekocht hebben van iemand, die het in koop had. De laatste verkooper is dus nog niet altijd de eigenaar. Door al die verkoopers heen keert echter het land aan hem terug, die het krachtens erfrecht kan opeischen.
25. Algemeene bepaling: alle waardevaststelling met het doel om gewijde zaken te lossen moet geschieden in geld of geldswaarde; â bij de
127
D â¦npna op
⢠: inTnt* n^nn \n^ Dinn mirs nirrb Kgt;ip bio |
it\ -: JV i l' iv,quot; quot; vaquot;- â¢Â»quot;; ⢠v.t i- vm quot; -
: nin^ mtnn hto üb injpo m^-nK dni m
it iquot; ^l:- at\ -J jquot;; ^ ⢠^ v -: tl; ⢠â¢*quot;; v ⢠:
-jik iw hddo nx rrian ib-atyni»
v i lt;-t ; i : '.v it â¢Â»- ; ⢠â¢â¢lt; i â¢â¢ - ^ ;
nn'^n : nin^ ^ip Ninn Di'a ^n^n-13
... t - â¢* t â¢â¢-lt;-;⢠it i- vlv - â * - | : it ^
*: pKn ninK ly-iuW? inNO map nyN1? ~ ?
| : '.â¢â¢â¢ r ; I vit t j- \ â. \gt; v -: r a ⢠r* . ^' t jv ~s - ^
quot;lüa-TiN : Vpisri ma on^ i^ipn bptfa n^n^3 w
; )- ivit - jv : v V.tquot; j': v ^ via - Pv-»v ; A** l l'
TitroN in'K ^np^N1? nibnaa nin,i? quot;laa*
j ⢠a ^ v.* Jl:- i t^quot; : ⢠Ti- lt;- % : v -:
mai nNOtsn nonaa : «in nirv1? nib-DN»
| v : v ; jtt t â¢â¢ : - «t â¢â¢ : - * : i ^t i-
â¢HM : nsiva quot;13031 ^quot;DNi int^Dn cpn«
| j- |iv t'v : ^- : ⢠: ^quot;t* ^ ⢠: at't v * â¢* -* ij't:
waardehepaling nu, -waarbij van vaste sommen wordt gesproken, denkt men niet aan den gewonen, maar aan den heiligdoms-Shékel van twintig Géra, die de dubbele waarde van den gewonen neel't.
26. tegenstelling tegen het tot nu toe besprokene. Wijding kan
niet overal plaats hebben, â een eerstgeborene, die als eerstgeborene den Eeuwige heilig is geworden, d. w. z. dat eerstgeboren is en dus feitelijke wijding heeft, kan men niet voor eene andere offerbestemming wijden, â althans indien het os of lam is, die als offerdieren geschikt zijn. Bij andere diersoorten, behalve bij rein vee en ezels, geldt de eerstgeboortewet niet. Eerstgeborenen zijn door huntie geboorte heilig en voor het altaar, eventueel voor den priester bestemd, waaraan zij niet onttrokken kunnen worden.
27. Wijdt echter iemand iets onder het onreine vee, dat niet herkauwend is en geene gespleten hoeven heeft, â en dat natuurlijk niet op het altaar kan komen, â dan wordt dit getaxeerd, in verband alweder met den vermogenstoestand van wie het wijdt, daarom pir en niet -pr, â en die som door den eigenaar onder bijvoeging van net vijfde, â of door een derde zonder het vijfde â in de tempelkas gestort. Het is immers slechts te doen om de tempelkas een zekere som te doen toevloeien. Vgl. vs. 11. Ibn 'Ezba en Wessely denken ook hier nog aan eerstgeborenen, en dus aan een eerstgeboren ezel. de eenige onreine diersoort,, waarbij eerstgeboorte eenige wijding geeft. Hier is nu sprake van lossing door geld, terwijl de lossing van een eerstgeboren ezelsveulen door een lam geschiedt. Zij meenen dan ook, dat hier sprake is van een na de lossing door een lam opnieuw aan de tempelkas gewijd eerstgeboren ezelsveulen. Na de lossing wordt echter de nnn ibb volkomen eigendom des bezitters, en verliest elk gewijd karakter. Dan komt dus toch practisch de wet voor zoodanig ezelsveulen volkomen met die van elk ander onrein dier overeen en is dus hier misschien direct van een eerstgeboren ezel sprake, dan wordt toch indirect de bepaling bij aUe onreine diersoorten gegeven. â Sw sS osi, wordt het door den eigenaar niet gelost, â iswi. dan wordt het verkocht aan een derde, niet tegen de volle waarde juist, â maar pira, desnoods tegen den voor den eigenaar vastgestelden prijs zonder bijvoeging van het vijfde.
LEVITICUS XXV1J.
al wat tot ban verklaard is, â wat iemand ter eere des Eeuwigen als ban wijdt, van al wat hij heeft, hetzij van menschen of van vee of van het land van zijn erfgoed, zal noch verkocht noch gelost kunnen worden; al wat tot ban verklaard is, allerheiligst
29 is het ter eere des Eeuwigen. Al wat ban is, wat namelijk tot ban verklaard zal worden onder menschen, mag niet worden
30 vrijgekocht; gedood zal hij worden. Alle tienden van het land, van het zaaiproduct des lands of van de vrucht van het geboomte, behoort den Eeuwige; heilig ter eere des Eeuwigen.
31 En indien iemand van zijn tiende lossen wil, moet hij er het
32 vijfde deel ervan aan toevoegen. Ook alle tienden van rundof kleinvee, al wat onder den staf doorgaat, het tiende zal den
33 Eeuwige gewijd zijn. Men zal niet uitzoeken tusschen goed
28. eene nieuwe categorie; gewijd goed, dat niet losbaar is; om, eig. net (Chabakkoek 1,15; Ez. 26,5); iets afgeslotens, v. d. óf iets wat voor eeuwig uit profaan bezit is uitgesloten, â zooals hier, â of waarvan verder bestaan is uitgesloten, dat den dood of der vernietiging moet worden prijsgegeven, zooals Deut. 7,2 e. a. p. Die uitsluiting van mof aan bezit kan nu het goed den Eeuwige wijden, maj '»nn, d. w. z. voor de tempelkas bestemmen, â öf voor de priesters, oma wn. Zonder bepaalde bestemming tot om verklaarde goederen zijn naar Num. 18,14 den priesters toegewezen. Deze goederen, zoowel menschen, slaven namelijk, als vee of landbezit, mogen niet verkocht worden aan derden, noch gelost door den eigenaar, maar zijn den Eeuwige gewijd, en vallen den priester toe. Eens den priester toegewezen, zijn zij diens eigendom geworden en kan hij er vrij over beschikken. â inrns me». Over een koopveld kan de kooper natuurlijk zoodanige beschikking niet maken.
29. DHTHPN Dm S3. Ook Ex. 22,19 komt D-m voor in den zin van: door den aardschen rechter ter dood veroordeeld worden. Zoo ook hier; de lijdende vorm van het werkwoord heeft hier de beteekenis van den onbepaalden persoonsvorm : dien men tot han zal verklaren, wat dan gebruikt wordt voor: de daartoe bevoegde autoriteit. â Hier staat dus het voorschrift, dat een rechtmatig door de rechtbank ter dood veroordeelde niet mag worden vrijgekocht. Voor den moordenaar is die bepaling in het bijzonder herhaald (Num. 35,31 en 32). Het vorige vers behandelt Din-wijding âvan al wat hem toebehoortquot; door een individueel persoon; ons vers die van een persoon door de bevoegde macht, de vertegenwoordiging der gemeenschap. â Dat hier niet sprake is van eene gewone ban-gelofte, waaruit zou volgen, dat men, een mensch als ban wijdende, dezen onherroepelijk den dood zou prijsgeven, blijkt reeds voldoende uit het feit, dat ook in het vorige vers een mensch als ban-object genoemd is onder de zaken, die den priester toevallen ; bovendien worden menschenoffers zoo herhaaldelijk verboden, dat daaraan al vanzelve niet gedacht kan worden. Alleen bij de Kena'anietische volkeren onder bepaalde omstandigheden (vgl. Deut. 20,10 vv.), bij eene afgoderij plegende stad en in enkele bijzondere gevallen, waar de gemeenschap verklaard heeft, het te veroveren goed als Dm te beschouwen, moeten ook de menschen worden gedood.
30. Naar de traditie is hier sprake van het tweede tiende, dat, naar Deut. 14,22 vv. den Eeuwige gewijd, maar door Dezen den eigenaar is toe-
128
17
ü â¦npni HDp
nürai onxts nin^ onn^ it^K Din-^ z
t â¢* : «TT Iquot; v -J T ⢠T |- ⢠⢠-J|- _ -quot;â¢â¢ -: Vquot; T
D^-ip-pip oin-^a k^i ids^ ah iathk miroi g §
J' tIt vil v T ft*' T * J : V.quot; T ⢠J T \ ~t ⢠P r-
nna1 xb Dnxn-fa onn^ -IPN DIDquot;1?! * : nin^
fi?.? P-?t V⢠Hb : nov nioquot;7 amp;pt
nt^yso tr'K 'PNV ^«rDNi : nin^ ^tp Nin nin^ ^ ^
rt; ^-1- ⢠V* â¢)quot;/⢠* ^ J T ⢠: IT I- vK A V.T I- c
-in^pE'K Va jNïi quot;ip3 -1^0-^1. * : Ã^D' in^on ^ § aiE3T3 quot;1153* ^ : nin^ ly-ip-n^n* n^n nnn^
j I Iquot; I)â; S IT I- vlv V : â¢â¢ ⢠IT VAT - --»-
gewezen, om het in Jerusalem te verteren, â evenals Chérem den priester is toebedeeld. â De eerste tiende is naar Num. 18,25 vv. eigendom van den Leviet, zoodra deze er de den priester toekomende heffing van heeft gegeven. â psn ïuk, van het product van het zaaien; het tiende moet natuurlijk gegeven worden van de opbrengst, niet van het zaaikoren. â yrn 'ibis, most en olie, Deut. 14,23. â 'rh np, is den Eeuwige heilig, behoudt gewijd karakter en mag slechts onder inachtneming der Deut. t. a. p. gegeven voorschriften worden gegeten.
31. Naar Deut. t. a. p. mag, indien de vruchten niet goed zouden blijven, totdat de eigenaar naar Jerusalem komt, deze zijn tweede tiende lossen en moet het geld dan in Jerusalem verteren en voor bepaalde doeleinden besteden. Hier staat nu, dat hij in dat geval, evenals bij lossing van alle andere gewijde zaken, een vijfde van het bedrag er moet bijleggen. (Dat vijfde is ook hier weer een vierde der waarde, makende het vijfde der in het geheel te betalen som).
32. Timden van vee. Van tien in hetzelfde jaar geboren jonge dieren van rein vee van denzelfden eigenaar, moet één als tiende gewijd worden. Dit wordt, als het geen lichaamsgebrek heeft, als offer gebracht, waarvan alleen de bloedsprenging en het verbranden der velstukken op het altaar plaats heeft, terwijl het geheel door den eigenaar wordt, gegeten. Heeft het een lichaamsgebrek, dan wordt het zonder meer door den eigenaar gegeten en heeft overigens geheel het karakter van //ongeschikt geworden offerdierquot; â het is verboden het te scheren of er werk mede te doen. â oacn nnji quot;CP ion Sa, wat om ze te tellen onder den staf van den herder voorbijgaat. Men liet namelijk de dieren zoodanig aan den tellende voorbijgaan, dat zij één voor één hem moesten passeeren; de opening dei-schaapskooi was zoo smal, dat er geen twee tegelijk doorheen konden gaan. (Vgl. Jer. 33,13; Ez. 20,37).
33. -ipa'1 ah- Men behoeft daarbij niet te letten op den toestand van ieder dier, â het tiende wordt gewijd, ook al heeft het een gebrek (zie vs. 10). â tip nim, blijft heilig, kan niet gelost worden. Het voor een tiende in ruil gegeven dier, wordt echter niet geofferd, maar blijft in het land loopen, tot het een gebrek krijgt, en mag dan, als ieder tiende met een lichaamsgebrek, door den eigenaar gegeten worden. â Sa' Zoowel het tiende, als het daarvoor in ruil gegevene kan niet worden gelost en naar de traditie ook niet verkocht aan derden. â Het tiende van veldvruchten en vee wordt hier als bekend verondersteld, hoewel er tot nog
no
nncssnn
.NTp'l TSD1?
HAPHTAROTH
VOOR HET
EOEE LEVITICUS.
ü Tiprtt üDp
â nw imioni «irrrrm non-DNi m»»» vb
v : r *) t i : s T,TV v * ! T * : ⢠; - ; ^ ^-t
ntJ'D'nN nirv niï nivan nbx : Vx-i» E'Tp ^
v*' v -jt : st ⢠v -j : ⢠- v jquot; iquot;t ⢠j vl v
: â¦yo ma
it ⢠v,quot; : aquot; t : ⢠â¢Â»â¢â¢ ;
en slecht, noch het verruilen ; indien men het evenwel verruilt, dan zal dat en het daarvoor in ruil gegevene heilig blijven en 34 niet gelost kunnen worden.quot; Dit zijn de geboden, die de Eeuwige Mozes geboden heeft voor de kinderen Israels, op den berg Sienai.
.prn
am io22 ïjm tot ; po fjljj ⢠niüm o'bism nis» njso ibd 'pws üiid : po ni7il?i ow njn' iriiinai * jquot;3 nnBi : p'D u jo ⢠wvpibi
DW nvnmi pis : p'D â js-ia.si â pi1 n,nN1 * Tquot;3 vpisi : 'n vmnpOBi ⢠JW13 D^rni njior ''W * D'JD-IXI VV nmnon ⢠Q^Dni : po dvisi ns
toe in den Pentateuch nog niet over gesproken is. Wederom een bewijs, dat de wetten van den Pentateuch in hun geheel bekend waren aan het volk, voordat zij op het einde van Mozes' leven werden opgeschreven.
Vs. 34 sluit de voorschriften van ons hoofdstuk en tevens die van het geheele boek af (zie 26,46).
IOFZEGGINGEN vóór en ua de HAPHTAKA.
Nadat de Wetsrol is opgerold en gesloten, zegt hij, die de Haphtara zal voordragen, de volgende lofzegging;
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die goede profeten hebt uitverkoren en behagen hebt geschept in hunne woorden, die met waarheid werden uitgesproken; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die hebt uitverkoren de Leer en Uwen dienaar Mozes en Uw volk Israël en de profeten van waarheid en recht!
{Bij de Portugeesche Israëlieten wordt na de voordracht der Haphtara,
vóór de slotlofzeggingen, het volgende gezegd;
Onze Verlosser, de Eeuwige Tsebaoth is Zijn naam, de Heilige van Israël!)
En na de lezing der Haphtara zegt men:
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld. Rots van alle eeuwigheid, rechtvaardig door alle geslachten, vertrouwbaar God, die zegt en ook doet, die spreekt en vervult, al Wiens woorden waarheid en rechtvaardigheid zijn. Vertrouwbaar zijt Gij, Eeuwige, onze God, en vertrouwbaar zijn Uwe woorden; en niet één van Uwe uitspraken keert ledig (onvervuld) terug, want een vertrouwbaar God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, God, die vertrouwbaar zijt in al Uwe woorden!
Ontferm U over Tsion, want het is het huis, waar wij (in waarheid) leven, en help spoedig in onze dagen [de stad], die bedroefd is van ziel; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Tsion zich doet verblijden in zijne kinderen.
Verblijd ons. Eeuwige, onze God! door den profeet Elia, Uwen dienaar, en door het koningschap van het huis van David, Uwen gezalfde, moge hij spoedig komen en ons hart doen juichen ! Op zijnen troon zal dan geen vreemde meer zitten en andersdenkenden zullen niet weder zijne heerlijkheid deelachtig worden, want bij Uwen heiligen naam hebt Gij hem gezworen, dat zijn licht immer en eeuwig niet meer zal worden uitgebluscht; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van David!
Voor de Leer en voor den dienst en voor de profeten en voor dezen Shabbathdag, dien Gij, Eeuwige, onze God, ons gegeven hebt tot heiliging en tot rust, tot eer en tot roem, â voor dat alles danken wij U, Eeuwige, onze God, en zegenen U; Uw naam worde geloofd door den mond van al, wat leeft, gedurig immer en eeuwig; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt!
rrosnn no-o
T'Dsan -\-\t /^Sun -idjc mxi ymtasnn nxnp mip Dwnaa Sna D^i^n TIVQ « nnx Tina
. : .^ - T lt;v -; t it )v-*v â¢â¢ v; *; lt;t - | t
nnx HDNS onoNsn onnana nxni D^IÃ
t - i ft\' v: iv ^ t v:iv_- â¢â¢ : ⢠; â /T T:
ID^ ^^»31 i-iay ni^om nmna inian »
⢠; ⢠~ jquot; t: * : ; ^- jv : t - lt;â¢â¢ - *:
: (pn^m w) pquot;isi noNn
i viv - ; i viv t v.v v: it
rwinsn maian omp mcsnn ns'ip -ins isi1? ontBDn Jn:»)
c Vnquot;)^ idb' ni«av nin»
iquot; t : * : a : v. t : jt : â¢â¢ -j
Ttason ina'1 mtaann mnp nnxi pnx nw /DSi^n irnbx « nnx -jina
nanon / nöi«n /{ö«3n , ni-inn-^a
nnx tok: - p-i^i rm viarVaiy /D4püi
iquot; v; *; t - i t â¢.â¢: v i viv t v v: t t ; t v â¢â¢ i - ;
â¦3 /Dpn ninK inx quot;imi .nnm D^ONJI
Itquot; t t I iv t : * t v t t : P iv t : ⢠t v; v :
: viarVaa rössn Vxn nnw Tina * nm JON:
t t ; t ; i t v: v - â¢â¢ t *: t - ) t t it i t v; v ) v iv
lyfi: nai^l /W n»a »3 Dnn
: n^33 ïi'ï nai^D /quot; nnx quot;niia /i:^3 nnnas
t ivt : i - i- - ; â *: t - | t iquot;t : tquot; : â¢
nn rva niaVaai in'ViO « unstr
⢠t â¢â¢ ; - : I iv ; ⢠t - it ⢠â¢â¢ ; iquot; v; â »: i- : -
iv* N1? IKD3 Vv * ua1? ^ ay ninoa
v iquot; : ⢠i.....t : t t â¢â¢ x â I iv ⢠:
riyatf: ^ /imaa-nK onnx NVI nr
; nn |jo « nnx 'rjina ⢠-ijn D^i^S n: naa^ / lb
, ntn na^n dv^i nnia^n-^i nninn-^
⦠mNsn1?') -iias1? n^-ip4? irri^K « ^ nnaiy
vit : ⢠; t : t : ⢠: t â¢-.I: ⢠iquot; v: *: it t i-t v
*]m ^anv^niK â¡â¦anapi onia umK â¦; Van hx : na^n vipn \] nriN Tjina ⢠n^pn â¦n-l?a ^a
HAPHTABOTH.
HAPHTARA van WAJJIKRA.
Jesaja 43,21â28; 44,1â23.
21 Dit volk, dat Ik Mij heb gevormd, â Mijnen lof zullen zij
22 verhalen! Doch niet Mij riept gij, o Jakob, zoodat gij u om
23 Mij moeite zoudt geven, o Israël! Gij hebt Mij niet gebracht het lam uwer brandoffers, en met uwe vredeoffers hebt gij Mij niet geëerd ; Ik heb u geen dienst opgelegd met meeloffers en
24 u niet lastig gevallen met wierook. Gij hebt Mij niet voor geld specerijriet gekocht en Mij niet gelaafd met het vet uwer vredeoffers; maar daarentegen hebt gij Mij moeite opgelegd door uwe zonden en het Mij lastig gemaakt door uwe misdaden.
25 Ik, Ik ben het, die uwe misdrijven uitwischt om Mijnentwille,
26 en uwe zonden zal Ik niet gedenken. Wek gij Mijne herinnering op, laat ons te zamen in het gericht treden; verhaal gij,
27 opdat gij u kunt rechtvaardigen! Uw eerste stamvader reeds zondigde; en die uw voorspraak moesten zijn, zij waren Mij
28 ontrouw. Toen gaf Ik der ontwijding prijs de heilige vorsten, en gaf Jakob den ban ten prooi en Israël aan lasteringen.
1 En nu, hoor. Mijn dienaar Jakob, â en gij, Israël, dien Ik
2 heb uitverkoren. Zoo zegt de Eeuwige, die u maakt en die uw Vormer is van den moederschoot af, die u ook verder zal helpen: âVrees niet, Mijn dienaar Jakob, en Jeshoeroen, dien
3 Ik heb uitverkoren! Want â giet Ik water uit over het dorstige en neerstroomende vloeden over het drooge, â Ik giet Mijn geest over uw kroost en Mijn zegen over uwe nakome-
4 lingschap. En zij spruiten omhoog op de tusschenruimten
5 tusschen het gras, als wilgen aan kalm loopende wateren. De eene zal zeggen: âden Eeuwige behoor ik!quot; en de ander noemt plechtig den naam Jakob; en een derde weer schrijft zijne handteekening, zich wijdend den Eeuwige, en met den naam
6 Israël duidt men als eerenaam hem aan!quot; Zoo zegt de Eeuwige, de koning van Israël en zijn Verlosser, de Eeuwige Tsebaoth: âIk ben de eerste en Ik ben de laatste, en buiten Mij is er geen
7 God! En wie is als Ik, die roept tot profetie â hij deelehet mede en legge Mij het in orde voor â sinds Ik het eeuwige volk in het aanzijn plaatste? En komende dingen en feiten,
8 die gebeuren zullen, mogen zij hun mededeelen! Weest niet beangst en siddert niet, voorwaar van oudsher heb Ik het u verkondigd en medegedeeld â en gij zijt Mijne getuigen! Is er een god buiten Mij ? Er is immers geen rots, dien Ik niet
9 ken ! De godenbeeldenvormers â zij allen zijn onbeteekenend, en de door hen als kostbaarst bezit beschouwde [godenbeelden] â zij zijn tot niets nut; en wat voor hen als getuigen moest dienen â die â zij zien niets hoegenaamd en zij weten vol-
10 strekt niets â en daarom moesten zij zich schamen. Wie heeft
131
jnpn mtssn
.Jquot;3â'S T'0 ^quot;3âyQ JQID nwa
-â¦3 npy^ n«quot;)p : inao» â¦nbnn ^ wx» VDÃT «
r Ia^i- t ^tIt j- ^ i : iquot;- : vt ⢠: ⢠i-*'r 22
â¢rpnan quot;b nx\nri-^^ : ^ n^r »
: miaba ^-npin K^I nn:o3 V^yn ab â¦annas ah
^ ^t : i v.' â¢quot; ' -» ï t: - : i :-fr:iv^ ^ ⢠at : - ^
TjN ^n^in Kquot;? ^nar ±gt;m njpT nnb Nin â¦iiK : ^npin n^niKtsna^
jv â¢) j' it ⢠t i iv i^-tr ⢠v.- *;- i | v - ;
UT ncja^ ^T3Tn : 121« N1? ïi^nKtsni ^o1? Tytfa»
-at vt : it ⢠â¢* ;- i : v j } - ; a quot;^i i- ; | ^vt ;
wtfs riu'Nnn : pivn r^o1? nn« nao »
: ^t i v.v ⢠: att iv ^ it^ i r t i it : ⢠\^- j- ; v.t - jquot; -
: D^anjquot;? 'jKTirn DT6 njnni ^Tp na» bbnxi : *3 ^
r ^ t : â¢; I ^i- â¢.â¢â¢â¢ - lt;t : v : vl a â¢â¢â â¢t f - -:i- r
niiT nb«-n3 : ü 'mna ,7KiB',i ipv' ^ots' nnpi«
jt : - t 1 1 ⢠m- t v t ; â¢; a : i -â¢'hi- ^ : jt^quot; : 3
ap^Vj!^ KTrr^K |ü3p ?|ny;i!
Vin pïK D^rui XDÃ-1?^ a^-p^N »3 : i3j
i lt; v at t- v : i ; â¢â¢ t - ⢠- i t v i
Tïn pas inpxi : â¦nDiai '
zjpjrDEb «ip» nn *iN nin^ nart» nr :
Ia'Hi- ^iquot; : jtI;* v.-*: * t -t i- - lt;v ^ it â¢â¢ : ⢠-
ninnoKTia : ruy dboi nin^ n» ans» rnv
st : - t 1^ iv - : v.quot; t : ⢠jquot; ; t 1- t lt; : ⢠v:
rinnx â¦JNI rit^Kquot;! nx nixav nin»
I -1 1- j- -;i- I «⢠-j at: jt ; v -1 1 : -»â¢â¢ t ; ⢠|v iv
nDiyn K-ip» : Q^N n^Vaov
t v i i â: t *v â â : tI ; ⢠â¢* r r r v: 1 jquot; { T : quot; * ,
: lob rw nj^an nirNi nvniNi o^iy-Dy kwd ^
1t j- - t ^ t jv -:i- ^ ⢠i : at ^ v*
onxi 'nnim ?]T$otfn TNO xbn innn-VKi. nnan-bxn Voa-nï» : ^nyn^ba nx pKi nybao niSgt;K wn ny0
v lt;v â¢â¢ : 1 * . itt - v ijquot;: t ; - ⢠- v: lt;â¢â¢ at â¢â¢
wn^a hsn onnri ib^v^a nrv-nom irin o^a
0 ; ⢠- t quot; -quot;â¢â¢ -'iquot;: *â - vv â¢* ⢠-:i- t â¢â¢.
: 'nbn1? rpa ^döi ba ivd : itfa* r^o1? lyn^ai'
^ l- ^- : ⢠: |att â¢.â¢-gt;â¢.⢠j-t r i quot; 1^quot; j': quot;v ï'quot;
bba ixapn» Dquot;i«o nan crahm i^a» man-ba ?n ^
t *â¢. lt; : i- : ⢠att iquot; tv.quot; j- tit : â¢â¢ tquot; -» t i lt;quot;
den god gevormd en het beeld gegoten â om toch niet tot
II nut te zijn? Zie, al zijne aanhangers zullen beschaamd worden; de bearbeiders ervan immers zijn zij! Van menschen is het! Verzamelen mogen zij zich allen en een standplaats
HAPHTAROTH.
innemen, â dan zullen zij beangst worden en zich schamen,
12 allen met elkander. Hij heeft ijzer bewerkt tot een bijl â heeft het bearbeid in den kolengloed en met voorhamers vormt hij het; hij bewerkte het met zijn krachtigen arm, â en wordt daarbij ook hongerig en heeft dan geene kracht, en als hij geen water
13 dronk, dan werd hij door vermoeienis overmand ! Daarna bewerkte hij hout, spande het meetsnoer, teekent zijne omtrekken met den teekenstift, maakt hem met schaven en met den passer meet hij de figuur na; zoo maakt hij ervan iets als de gestalte van een man, als een heerlijke schoonheid eens menschen, om
14 rustig in het huis te blijven wonen. [Toen het gold] cederen ervoor te vellen, nam hij steeneik en eikenboom en zocht er de hardsten voor uit onder de boomen van het woud ; hij had zelf een eschdoorn geplant en de regen moest hem doen groeien!
15 Die moest nu den mensch dienen tot brandhout, waarvan hij dan neemt en zich verwarmt, ook stookt hij ervan en bakt er zijn brood op; â maar ook maakt hij een God ervan en werpt zich neder; maakt een beeld ervan en buigt zich daarvoor!
16 De eene helft ervan heeft hij in vuur verbrand, door de eene helft ervan eet hij vleesch, hij bereidt namelijk gebraad, waarmede hij zich zat eet; hij warmt zich ook erbij en zegt: hé â
17 nu word ik goed warm, nu merk ik den vuurgloed! En wat er dan van overblijft, maakt hij tot een god, tot zijn evenbeeld; hij buigt zich ervoor en werpt zich neder en richt zich in het gebed tot dezen en zegt: Red gij mij, want mijn god zijt gij !
18 Zij erkennen niets en begrijpen niets; want dichtgestreken, zoodat zij niet zien kunnen, zijn hun oogen; zoodat zij niet
19 begrijpen kunnen, zijn hun harten. En men neemt zich niets ter harte, geen verstand, geen inzicht is er, dat iemand zou zeggen: ,;de eene helft ervan heb ik immers in vuur verbrand, heb ook op de kolen daarvan brood gebakken, zal mij ook nog vleesch braden en het opeten, â en zou het overschot ervan tot een gruwelijk afgodsbeeld maken? zou mij buigen vooreen
20 blok hout ?quot; Hij weidt af â asch ! Het verleide hart heeft hem op den verkeerden weg gebracht! Zoodat hij zijne ziel niet redt en niet zegt: «Voorwaar, leugen is in mijn rechter-
21 hand!quot; Gedenk dit alles, Jakob en Israël, want Mijn dienaar zijt gij! Ik heb u gevormd, een dienaar voor Mij zijt gij dus;
22 Israël â gij wordt door Mij niet vergeten ! Dan heb Ik uit-gewischt als een wolk uwe misdrijven en als een nevel uwe
23 zonden ; keer toch terug tot Mij, want Ik heb u verlost! Juicht dan, gij hemelen! want volbracht heeft het de Eeuwige; jubelt, gij onderste diepten der aarde ! barst los, gij bergen, in gejuich, gij woud en al het geboomte daarin! Want de Eeuwige heeft Jakob verlost en zal in Israël Zich verheerlijken!quot; â
132
Dnös : nn» iBfr nn^ 110^^
na |'Ni a^TDa ins^inTain^a^ mnr niapsai innxn* ipT nm 07^; i^in : e]^i D^à nm ^ n-i^ana rr-jnna irnNiv niinaai ni^x^aa quot;fs^n DniT« :n»3 na^ DTKt p
n^i n^a1? hyp n/ni: bir px ^-â¦Ã¯^a v?10 r
Dn1? nfiNi p^re)K onh bno * ^a^ n^a Vvn-1?^ r^-iDa c]-i^ Vxn riDywi VDS» : TIK â¦n^n â¦nian n^n bn»-e]N yatf^ nbï» v^n bbsn^i TinBh IVDÃ1? n'^v irhnKiyi ^ P
t â¢â¢ jquot; - ; â¢: - ; ⢠: lt; t : ⢠a ; ⢠; t jquot; ; ^ â¢â â¢â¢â¢ ;
nta *3 ira* Kbi wt n1? : nn« 'a â¦i^ïn lOK^m
«- j* a* t â 'i 1 :it j t it v,* quot; j' ' !
kSi ia1?-1?» : ona1? ^â¦airnD orwy niNno ^
⢠⢠v j* t i ; it * y : ~ 'quot; v ** 'quot; ï,**
^SK eiNtf iTK-ioa vxn 'HQN1? ruiarr^i nyn
⢠lt;⢠t i quot; : quot; ï ⢠: â *quot;t : v â¢â¢ t . i i ; jquot;
na^inb innn Va^i T^a nbïK on^ vVnpj? ^ï^-kVi intsn Vnin a1? quot;iök n^'i : nisoK f jr ^a1?3
lt;⢠- 1 : AT * v.* v *' â *â¢* . 1 : v ^I j ,
2p%_ nv»N-*iaT : â¦rp^a iB'srnsï«
nnN 'Vnay Trm* nn«-^ay ^a ^NTK^I
j vquot; t ; ⢠t ~ ⢠v iv i «⢠^:quot; : ^TAT ⢠**quot; v** t: *;
naw ïj^n^tan ^ai a^a â¦n'nD : ^an33 ni»nnn ^nn nw nt^jr^a ü\6v lan : 'a» apx;. nin» Vw-^a ia f^-bai quot;i^.nannnn inïa pij
: quot;i«an* 'jNTiy^ai
- v..
HAPHTARA van TSAW.
Jeremia 7,21â34; 8,1â3; 9,22 en 23.
21 Zoo zegt de Eeuwige Tsebaoth, de God van Israël: «Uwe brandoffers voegt maar bij uwe vredeoffers en eet ze als
22 vleesch! Want Ik heb niet gesproken met uwe voorouders en heb hun geene geboden gegeven, op den dag, waarop Ik hen uit het land Egypte voerde, ter wille van brand- en vrede-
23 offer ! Maar veeleer heb Ik hun deze zaak geboden, zeggende: «Luistert naar Mijne stem, dan zal Ik u tot God zijn en gij zult Mij tot volk wezen, en gij zult als uw levenspad inslaan den geheelen weg, dien Ik u zal gebieden, opdat het u welga !quot;
24 Doch zij luisterden niet en neigden niet hun oor, maar gingen en richtten hun leven naar zelf gemaakte plannen, naar den eigendunkelijken waan van hun slecht hart; zoo werden zij
25 tot laatste en niet tot vooraanschrijdenden eerste! Van af den dag, dat uwe voorouders uit het land Egypte trokken, tot op dezen dag; â en wél zond Ik tot u al Mijne dienaren, de profeten, dag aan dag, eiken vroegen morgen ze zendend, â
26 Doch zij luisterden niet naar Mij en neigden niet hun oor; maar verhardden hun nek, handelden nog slechter, dan hunne
27 vaderen ! Nu zult ook gij tot hen spreken al deze woorden, doch zij zullen niet naar u luisteren ; en gij zult hun toeroepen,
28 doch zij zullen u niet antwoorden. Dan zult gij tot hen zeggen : âDit is het volk, die niet luisterden naar de stem van den Eeuwige, zijn God, en geen bestraffend woord wilden aannemen, â waarbij de trouw is verdwenen en uitgeroeid uit hun
29 mond ! Scheer daarom weg uwe kroon en werp haar af, en hef voor de eenzame hoogten een klaaglied aan; want verworpen heeft de Eeuwige en in den steek gelaten het geslacht,
30waarop Hij in woede is ontvlamd! âWant de zonen van Juda hebben gedaan, wat slecht is in Mijne oogen,quot; is de uitspraak des Eeuwigen; âzij hebben hun gruwelijke afgoden geplaatst in het huis, waarover Mijn naam is genoemd, om
31 Dien te verontreinigen. En hebben de offerhoogten van Thofeth, die in het dal Ben-Hinnom zijn, gebouwd, om hunne zonen en hunne dochteren in het vuur te verbranden; wat Ik waarlijk niet geboden heb â ja, wat nimmer in Mijn hart was opge-
32 komen ! Daarom zie, dagen komen, â is de uitspraak des Eeuwigen â dat niet meer gesproken zal worden van Thofeth en dal Ben-Hinnom, maar alleen van; âhet dal van het moorden,quot; en waarop men in Thofeth zal begraven, omdat er elders geen
33 plaats meer is! Dan zal het aas van dit volk zijn tot spijze voor het gevogelte des hemels en het vee der aarde, terwijl
34 niemand het verschrikt opjaagt! Zoo doe Ik ophouden uit de steden van Juda en uit de straten van Jerusalem de stemme van blijdschap en de stemme van vreugde, de stem van een bruidegom en de stem eener bruid, â want tot een woeste puinhoop zal het land worden!quot; â
133
â¢iv mutn
,Jquot;3â3quot;3 'to /Jâ'N 'n ,T'(7âNquot;3 't JO'D D'OI'a
quot;Sr IÃD DD^niVv â¦HVK niN3ï nin» 10« ris«
j ; â¢)â¢* â¢â¢ 1 * aquot; t ; ⢠â¢*quot; p v: it: jt : -r t j
Ã6I DD^niaN-nn wstn1? »3 : 1^:1 DD'HST «
j : v . . , ir t j : * ; l** quot; : * .
n^iv nar1?^ onïo pao qhik *K»ïin DI^ D^nnx
it /;: l quot;â¢â¢ â v'jquot; â¢â ppit
wotr ION? oniN nin imn-nx-DS »3 : ron«
⢠⢠â¢â¢ lt;T ... v - JT T quot; V ⢠J- -ITT
orp1?⢠D^V ^quot;vnn onxi ba1? â¦n^ni ^ipn
xbi .'DDba^i^ö1? DDnx mvN-n^K ^n-bDa-13 vm ^in D3b mniira ni^oa b^i oirN-nN r^n-^i
j;r-^TT â¢jt'⢠v. ' : ^ ^ : :»quot;- t; t v -⢠⢠1 :
p«o DD»ni3K INû Di'n-ro1? : Q'teb xbi quot;ilnK^ â¢
I â¢â¢ v â¢â¢ 1 -: « : it -: - I ⢠: it; j i A t :
awrm n^^nrn Di'n iy_ onxp
dentin itan n^i Vatr niSi : oatyn Dl'quot;
at: t v v. * j i m â¢â¢ : it lt; : -it: r* : - *.
-^tin bn^K mam : Dniaxo oan^-nx »
t v v â¢â¢ âi lt;t : - ⢠: it -: iquot; r x't # v I;--
: nDiijr» Dn^K nxnpi n^N NVI nbKn onann
t 1^:1- j v.v â¢â¢ -: t jtit : I av â¢â¢ ^ * J : v â¢â¢ t j-t : -
rriVx nin» Vipa *ity« 'ian nr dh^k moNin3
t v; ^T ; I : : it â¢gt;â¢.' ^ - lt;â¢â¢â¢ v â¢â¢ -: jt ; - t ;
riir: na : Drrso nrnD:1! niioxn tok idiö inp1? a*?) â¢
I â¢â¢: ⢠lt;*t iv ⢠⢠^t : ; ⢠; t v: it t ; it at ^ I;it j i
quot;IITDK K'taquot;'! nh* DNO »3 nrp â¦N'tri
j V V, - T ; J- T â lt; AT I â I.-T ; ^ -»⢠; ⢠⢠: - :
Wv nin^DN: ^in : imsy1'
J T at : \ : .)-T JT : â¢â¢ : *gt;1* i T :
mas 1:21 : iNat:1? v1?^ 'oiy-Nipi-iirN n^a Dnȕip^ ^
â * t t I : - : t j' : iti; * v -i ^ -â )- - v â¢â¢ 11 â¢
Dnrnirrw on^rnK efwb D'an-fa K^a quot;I^NJ nsnn aw nan ?5b : nn^ ah) *6 bt^K B'Na ^
lt; t quot; * I â¢â¢ t r - ^ ^ V.T ; Ht â Jgt; v -: ^ a- t
quot;dk quot;2 Dsn-ja m) nsnn quot;lONr^l njn!'D^ D^| D^n nSaa nn^ni : Dip» rxa nana iiapi rannn m amp;
*«tt - ; * t : t ; 11 t I r* quot; v ^ : j : Iit: ^ at â¢â¢-: r ^ â¢*quot;
: tto rxi p«n nonabi ^axQ1? nrn
.-S.- I I-: I -«t r - â r.r.y ,â - r - ^ I ' = t : v-
^ipi fi^ty 7ip cbvw niïnoi min» nv» ' ^at^m ^
IJ: I t llt; * - T -â¢: squot; T : J-^Tr* quot;. : * ;
nya : riNn n^nn nam1? »3 nba bipi rnn Vip nnot^«
^â¢â¢t I vit r jv ; r *,t : t ; v ^t - IJ; ' ^t t I j t ; *
HAPHTAROTH.
1 In dien tijd â is de uitspraak van den Eeuwige â zal men te voorschijn halen de gebeenten der koningen van Juda en de gebeenten zijner vorsten en de gebeenten der priesters en de gebeenten der profeten en de gebeenten der bewoners
2 van Jerusalem â uit hunne graven. En men zal ze uitspreiden voor de zon en voor de maan en voor geheel het heir des hemels, die zij bemind hebben en die zij gediend hebben en die zij steeds volgden en die zij raadpleegden en waarvoor zij zich nederwierpen; â zij zullen niet weer opgezameld en niet begraven worden, tot mest op de oppervlakte van den aard-
3 bodem zullen zij zijn. En toeh zal men den dood verkiezen boven het leven, bij het geheele overschot, die zullen zijn overgebleven van deze slechte familie; op al de plaatsen, waar zij overgebleven zijn, waarheen Ik ze heb verstooten, â is de uitspraak van den Eeuwige Tsebaoth.
22 Zoo zegt de Eeuwige: «Niet beroeme zich de wijze op zijne wijsheid en niet beroeme zich de krachtige held op zijne held-
23 haftigheid en niet beroeme zich de rijke op zijn rijkdom! Maar alleen daarop drage roem, wie zich beroemen wil: Op wijs handelen en Mij erkennen, dat Ik, de Eeuwige, het ben, die liefde en recht en genade oefent op aarde â want in deze schep Ik behagen âquot; is de uitspraak des Eeuwigen.
HAPHTARA van SHEMIENIE.
II Sam. 6,1â23; 7,1-17,
1 David verzamelde nogmaals al de uitgelezensten onder Israël,
2 dertig duizend. Toen stond David en het geheele volk, dat bij hem was, op en ging uit Ba'alé Jehoeda, om van daar de arke Gods op te voeren, waarover de Naam, de naam van den Eeuwige Tsebaoth, die op de Keroebiem zetelt, genoemd
3 is. Zij lieten nu de arke Gods rijden op een nieuwen wagen en droegen hem uit het huis van Abienadab, dat op den heuvel was; en 'Oezza en Achja, de zonen van Abienadab, bestuurden
4 den nieuwen wagen, â Zij droegen haar namelijk uit het huis van Abienadab, dat op den heuvel was â met de arke Gods;
5 en Achja ging vóór de arke. En David en het geheele huis Israels gaven uiting aan hunne vreugde voor den Eeuwige, op allerlei instrumenten van cypressenhout, op harpen en luiten
6 en op tamboerijnen en op rinkelschellen en bekkens. Zoo kwamen zij tot Goren Naehon, â toen strekte 'Oezza zijne hand uit naar de arke Gods en greep haar aan, want de run-
7 deren waren schuw geworden. Toen ontbrandde de toorn des Eeuwigen tegen 'Oezza en God sloeg hem daar wegens het vergrijp;
134
iï misan nVp _
-n«i movv-nx nin^DKi wnn ^
... . JT -gt; I v J ^ T : q ** J' quot;
D^Npan niav^ ' Dorian niö^-nsi vn^-niDï^ ^ WDvh Qinu^i : onnapo niDïy nxi3
^ v v t : iv â¢â¢ ; i* \t t : â¢â¢ : 1 J j ' r r' ''
n^Ki Dinn^ quot;i^xi Diinx D^n «2ï 1 VDVI
v -«- t -: lt;â¢â¢â¢ -: 1- â¢â¢ -: v -: â - t - jt : -⢠: - quot;t - ;
iödk» kV onb nnnt^n Diib-n i^ki onnnx iD^n
: itquot; ^ rtv t v,-! 1- ; j'.m -:i- t ; â¢Â»â¢â¢â¢ -:i- v - â » ; t
hib Ton : vn» no-ixn pib quot;na^ Kbi1
. - ,.. ..T j- : â ; 1 ; r v.t t-:it jquot; : I v .); quot;It* :
â baa nK-tn nvquot;in nna^an-p nn«irn bb^
T : lt;s - quot;vttit JTT ; * - i ⢠⢠t :^ ⢠quot; .... - â¢
: niNnv nin» dn: oib â¡â¦mn-niï'K on^sn niöpan liaan ^nn^-^Vinöana ban Wnn^N nin» quot;ion 1 na=3 ^
v. ⢠- -»â¢â¢-:⢠- ; t : t : t t lt;â¢â¢-:⢠- t : â¢j~ t ^
b^nn^ nKia'DK »3 : natya Wnn^Vx imia:a»
jâ - : . . ' j*. 1 ; 't ; v,* jquot; - : ⢠~ lt;s t 1 : *
123^0 non ntjty nin» ^a 'niK V^nnDn
jt ; v .)â¢â¢â¢ v *j Ti-*â: â¢Â« -quot;t : â¢â¢ : quot;
: nin^DN: 'nvan n^a^a riNia npnïi
it ; ; ⢠: vquot;t v jquot; ; r i v at t Ktt ;
mtaan
.vâ's 't ,y'3-'N 'i jqid '3 Sxiora
1 opn : ïiVn biviwz -nna-VaTK nn eib»^ ^
Itjt- iâ¢â¢â¢ it j- : ⢠; J T T v â¢)⢠t j fv quot;3
niV^n1? min» ,l?yao inx byn-^ai in nbn
j *^1- : at ; ^** -:i- ⢠-»â¢â¢â¢-: \r t t : ' t lvjquot;quot;
niNaï nttv nw ow «quot;iprntrN D^ri^n riiK dn db^d
.) t : ^st : â quot;⢠â¢â¢ -«ti : ⢠vr quot;s v; ,t ' quot;k t '
nVar1?» D'n^Nn n-ix-nN lainn : a^anan aty,j
^ jt x quot;t v â¢.â¢: it i v ⢠it^t ' #
â¦ja itiki NTVi n^aaa 1^« anra^ n^ao int^t^i n^m
â¢â¢ : ; - ; \i quot;at; ⢠~ â¢gt;'.⢠-: vTT v -; jquot; ⢠\ r â¢' t T't
ani»aNn»aD in^n : nirnn n^yn-nN D^n: anra^-1
tt i* -: lt;quot; â \t â it t-: jt t^iit v 1 tt quot;*
: rriNn *:sh nS'n i⢠D'n^n rm dv n^aaa nt^K
I i t it jquot; : ⢠| v.quot;. : quot; :gt; a* v; it I â¢*-: *gt; ; - -v -j
D^na Vaa nin» â¦aa'? D^nfro n^a-^ai i nniquot;
ft' : ^ ; t i â¢-: i* ; â¢â¢ t: ⢠â »â¢â¢ t : t:
iNa»! : D^ir^ai D^^oat D^snai b^aaai misaav lüoty »a ia thN'i b^nb^n Tinx-VN mV nSir'i na: prnjr
v, ; it ,»⢠v j- v:it I «-j v ^ t\ - ; i at I v-» ~
Vi^n-Vr D'nbNn dbgt; man nma nin» «iK*quot;inn : npan'
a- - v' v;it it jquot;-- t % : t ; | ⢠rquot; iitt -
HAPHTAROTH.
8 zoo stierf hij daar naast de arke Gods. En David had verdriet ervan, dat de Eeuwige door een plotselingen slag 'Oezza had getroffen; en hij noemde die plaats Pérets-'Oezza,
9 tot op dezen dag. En David vreesde den Eeuwige op dien dag en zeide : âHoe zou de arke des Eeuwigen tot Mij komen ?quot;
10 En David wilde dus de arke des Eeuwigen niet haren intrek doen nemen bij zich, naar 'Ier David; maar David liet haar van haar weg afwijken en plaatsen in het huis van 'Obed
11 Edom uit Gath. Zoo bleef de arke des Eeuwigen drie maanden in het huis van 'Obed Edom uit Gath; en de Eeuwige zegende
12 'Obed Edom en geheel zijn huis. Nu werd den koning David bericht gebracht, als volgt: âDe Eeuwige heeft gezegend het huis van 'Obed Edom en al wat hem toebehoort, wegens de arke Gods,quot; nu ging David en voerde de arke Gods uit het
13 huis van 'Obed Edom op naar 'Ier David in vreugde. En het was : zoodra de dragers van de arke des Eeuwigen zes schreden waren voortgegaan, slachtte hij ossen en vetgemeste schapen.
14En David danste en zong met alle kracht voor den Eeuwige;
15 en David was omgord met een linnen Ephod. Zoo voerden David en geheel het huis Israels de arke des Eeuwigen op
16onder jubelgalmen en bazuingeluid. Nu was het: toen de arke des Eeuwigen te 'Ier David aankwam, keek Miechal, de dochter van Shaoel, naar buiten door het venster en zag den koning David springend en dansend voor den Eeuwige; â toen
17 vond zij het smadelijk voor hem in haar hart. Nu bracht men de arke des Eeuwigen naar binnen en zette haar op haar plaats in de tent, die David ervoor had opgeslagen ; en David
18 bracht brandoffers voor den Eeuwige en vredeoffers. Toen David nu geëindigd had de brandoffers en vredeoffers te brengen, zegende hij het volk met den naam van den Eeuwige
19 Tsebaoth. En hield hij eene uitdeeling voor het geheele volk, voor de geheele menigte van Israël, zoowel voor mannen als voor vrouwen; voor ieder persoon een broodkoek en een mooi stuk vleesch en een kruik wijn; hierop ging het geheele volk naar zijn huis.
De Portugeesche Israttielen eindigen hier.
20 Toen David nu terugkeerde om zijn familie te begroeten, ging Miechal, de dochter van Shaoel, naar buiten, David tegemoet en zeide: «Hoe heeft heden de koning van Israël zich doen vereeren, toen hij zich vertoonde ten aanzien der slavinnen zijner dienaren, zooals zich slechts een van de meest
21 licht vaardigen openlijk blootgeeft!quot; Hierop zeide David tot Miechal; âVoor den Eeuwige, die mij heeft uitverkoren boven uw vader en boven geheel zijn huis, door mij te bevelen als vorst op te treden over het volk des Eeuwigen, over Israël; â ik heb aan mijne vreugde uiting gegeven voor den Eeuwige !
135
müsn nbp
pa quot;ihV : D^n^n rnN oy de' no*in
| s-t v -: ' T: ^ quot;â J'quot; â¢* v: it Ij-: t t-'t'
Di^n n-Tj; pö Nnn Dipab n^a ^ia nirv
j - t â¢. | â¢.â¢-»â¢.⢠- 1« T - Tl:-- at â¢, : | â¢.\v .)t :
â¦bN «ia» quot;ion'i Ninn Di'a nin^nK -in «ti : ntn °
V,- quot; j r f â )quot; v - a - j - V.t ; v t jt ⢠- iv -
-by nin» tiquot;i«TiK v^k Ton1? in na^-Kbi : nin» rn«'
- v -it â¢â¢ j- r : ⢠t -«t t i : it : i j-:
nin» rm a^i : wn DiN-nair n»a nh intan tv ^
t : 1 -. v â¢â¢- r â - vv; iquot; r* ⢠t j..-- a. t
nay-nx nin» â¢nia»! o^nn â¦nan d-i« nav n^a
j..^ .. .)t ^ . ) vst:- a t»; -«t : v ⢠- â¢) v:
nin» Tj^a nn nri : in^a^a-nNi diin 21 vrhun rm niaya ly-i^K-^a-nNi DIK nay jrirnN
rt- v; it i v. -n- ^ v -:f r vj v: ^
in Tjr D'n« nay rrap jn^-nN in ^ onyx nirB' nin^-fm nyï â¦a â¦nn : nnotra ^
a'^t ; jt ⢠^t ; 1 i -: -»â¢â¢ : o^-: t s* ⢠; - it : ⢠:
nhi nin» ry-^aa nanaö quot;ini : «noi nity nan ^
⢠t: at ;â¢Â»â¢â¢; ⢠^ # t : jquot; : - ; â¢r^t: r : ^
?iquot;iN-nN4 D^yo bk-iw n^a-^ai nim : na nia« nun«
ij.; v v.'.:i* â¢â¢ t;^- â¢quot;⢠t; -t: it jquot; ». t
nm yy «a nin» rnx n^ni : quot;laitr bipai nymna nm» 'o
^ a* t ^t t i i ^ -⢠-ï t t : it ]j: ^ \t ; ⢠gt;'st :
nn^srrnK «inip-?nn nya i napBgt;j biN^-na ba^oi ?inN-nN iNan : naVa ï? rani nin» ':sh Sanaöi ttöo ^
i j v * t- ,T ' .: ^ v _ t : â quot;⢠;^ ⢠; lt;â¢â¢ - :
nm iVnts: iamp;k bn^n nma inipoa in« nin»
a- t v. t it ^ jv quot;ï *â¢* t ) â¢* ; i : ⢠lt;⢠-- t ^ :
nibynö nïn ban : nm» *:sb mby nm
r â¢â¢ ⢠t 'â t.: ^t : j- ; ⢠â¢) j- r *- --
pbnn : niwaï nm» Dtra Dyn-nx nnan nbivn ^
!â¢â¢-;- it: jt : v.quot; : r r v f â¢â¢â¢-â¢t:- at: - : v,t ^ it
nbn jy'N1? h^Nmyi rion-bab Dyn-bab
j- - ⢠: t ⢠^ : j- .. ⢠.. t . . | j t : fr t ^ t
oyn-ba nbn nn« niy^Ni nnx is^ni nn« on1?
j- \t t t f '.'jquot;quot; at v vt -li* t v -'t : v ; - -
.Dmaon a^^aa JN*3 ; in'ab
n«quot;)pS 'biKty-na ba^o «vm in^a-nx -nab nm airn3
^ j-i : . t^ - lt;- ⢠.. .. - a ^ v |jquot;t : t t jt-
Di'n rhn quot;it^N bNTty» nVa Di^n naarno no^ni nm
lt;t : ⢠v -: â¢â¢ t : ⢠|- - : ⢠- â¢-⢠' t
noNn : D^pm -in« mba: nibna vnay nmoK â¦3»y1?«
j- ^ 11- -it j- - ^ j r ⢠: rr^-: â ⢠: - â¢â¢Â»!.â¢
ijva-baDi n^aNö â¦amna ib'k nin» ^ab nm
â¢â¢ t * | * t iquot; lt;* - it v -j t ï â¢*'⢠: * - ⢠v * t
: nm» â¦jab â¦npn^ btnt^-by nm» ayby n^: niïb
IT i jquot; i â v »: '⢠T: ⢠^t ; â¢gt;- â¢Â»â¢ T J- - ;
HAPHTARO T H.
22 Eu al zoude ik mij nog lichtvaardiger hebben gedragen, dan het geval was, en al zoude ik in mijne eigen oogen nog veel onbeduidender zijn geworden, â bij de slavinnen, waarvan gij hebt ge-
23 sproken, bij haar zou ik des te meer geëerd worden!quot; En Mieehal, de dochter van Shaoel, had geen kind tot den dag van haar dood.
1 En het was: toen de koning woonde in zijn huis en de Eeuwige hem van rondom rust verschaft had van al zijne
2 vijanden, â Zeide de koning tot den profeet Nathan : âZie toch, ik woon in een huis vau cederen, terwijl de arke Gods
3 nog steeds verblijft te midden van de tapijten-tent.quot; Hierop zeide Nathan tot den koning: âAl wat in uw voornemen ligt,
4 ga heen en doe het, want de Eeuwige is met u!quot; Nu was het in dien nacht : toen was het woord des Eeuwigen tot Nathan,
5 als volgt: âGa en zeg tot Mijn dienaar David: zoo zegt de Eeuwige : zoudt gij Mij een huis bouwen, waar Ik zal wonen?
6 Immers, Ik heb niet in een huis gewoond sinds den dag, waarop Ik de kinderen Israels uit Egypte deed optrekken, tot op dezen dag; maar Ik was, steeds Mijn verblijf verplaatsende, in tent
7 en in verblijf. Op alle plaatsen, waarheen Ik, telkens Mijn zetel verplaatsend, kwam onder al de kinderen Israels â heb Ik ooit een woord gesproken tot den leider onder de stammen van Israël, dien Ik bevel had gegeven. Mijn volk Israël als herder te leiden, zeggende: «Waarom hebt gij Mij geen huis
8 van cederen gebouwd?quot; Welnu, zoo zult gij zeggen tot Mijn dienaar David : zoo zegt de Eeuwige Tsebaoth: Ik heb u genomen uit de weide, van achter het kleinvee, om vorst te zijn
9 over Mijn volk, over Israël. En Ik was met u in alle tochten, die gij gingt ondernemen; en Ik roeide al uwe vijanden uit van voor uw aangezicht; en Ik maakte u eeu grooten naam,
10 gelijk den naam der grootsten, die op aarde waren. En Ik heb een plaats bereid voor Mijn volk, voor Israël, en Ik plantte het, zoodat het op zijn plaats kan blijven wonen en niet meer opgeschrikt zal worden; zoodat niet meer de mannen van gewelddadig onrecht het zullen verdrukken, zooals in den beginne.
11 En sinds den dag, waarop Ik rechters op Mijn bevel deed optreden over Mijn volk Israël, heb Ik u eerst werkelijk rust verschaft van al uwe vijanden; â nu deelt de Eeuwige u
12 mede, dat Hij, de Eeuwige, u een huis zal verschaften. Wanneer namelijk uwe dagen vol zullen zijn en gij zult gelegd zijn bij uwe vaderen, dan zal Ik uw kroost na u doen opstaan, die uit uwe ingewanden zal zijn voortgekomen, en zal Ik zijn ko-
13 ningschap gevestigd doen zijn ; Hij zal dan een huis bouwen ter eere van Mijn naam en Ik zal den troon van zijn koning-
14 schap bevestigen tot in eeuwigheid. Ik zal hem lot vader en hij zal Mij tot zoon wezen ; dien Ik, als hij eene zonde begaat, tuchtig met de roede, gelijk mannen doen, of met plagen,
LEVITICUS 18
quot;IIÃ^K ninDNn-ö^i â¦n«ni nxb niv â¦nbpai33
-.⢠-: t -j it ⢠, ^ t â r t : ⢠* ⢠«i -;
rh n^n-N1? 'jiN^-ra bynbi : masw dsv mÃK»
vat vt tjt t - - ⢠: tlquot; t ⢠^t^* : : - t r
iVn^n ninn in»23 â¢nbsn »nn : nnio di* ny* â¢
j . quot; â¢â â¢â¢ â¢)t . »quot; a â¢â¢ : iv^v t r ⢠;- it ^
K: ntn K»33n jnr^N ^an quot;IDN*quot;) : vytf-^ü ynoü * â¢'n^Tn ^^3 2^' D^riV^n fi-iNi oniK n^2 3Kgt;1* ViK nin^3 ni?£ -jb jaaba Va -j^èn-^ )nj IOWV : iort inr'jN ninpa-i Vri Ninn n^ba ^rrV : TpM â naan nnxn nin» quot;idk ria quot;iitVn ^av-^N ma) rtb *
quot;â¢â : V, â¢,T quot; 'quot; pquot;TP! â quot;:T quot;gt; 1 |V J'! 'â¢â TI:-'T! I'quot;
-jik 'nb^n Di'D^ n^aa »na^ tib *3 : 'nnamp;b no ^1
1 .V ' l' 1 quot; quot; : : quot; T * J' ; ' !,â¢: V- j'
bn^a Ti-Tino n^nNi ntn Di»n -ipi onïDö ^a
v v : # 1quot; quot; : * 'â¢* : vit av - -⢠- ; . - . . . ,, t . . lt;.. .
nann ya-^aa ~nafhnn-^ Vaa : [a^oai' 'Ã^tik 'nnï quot;ifN^NTts^ â¦Ã¼atf inN-nK wa'-i nn^f : 071« n»a ') on^a-^ na) iaNgt; VK^-riNquot; ^rinp1? »3K niNay nin; Sdk na nn na^b nóxn-na : quot;BV'ty nvnS nn«o nian-fp
^jöa^a^-brnNnnna^na^n n^S'aa ^aynâ¢Â» â¦na^i : pKa quot;IITK D\gt;i3n ot^a 'jina D# ^ â¦n'^v nVi vrinn ja^i Vn^mi oipa
D^n-p1?! : njitfNia ii^xa ihis^b nbi^-^a latrtf1?! ^ ^a^-^ap ^b â¦rin^m quot;nyby D^pa^ 'nny
^lN,?a, 1 *3 : niiT nl!T
ut ?|nnilt; wpni ^ri3N-n« riaa^i
â¦ri^avp^'? no-n^ «in .'inaVpp-m 'nrani ïj^ap^ xini SN1? ib-n^nx inabapquot;quot; KDS'nx ^
^jai d^jn L3a^3 vnn3'm m-irns nb ^-n»n»
».â¢â¢:â¢; ⢠t-: â¢.â¢-â¢â¢â¢; ⢠: - 1 ; ; v -j Irt»; -«⢠v ; y
HAPHTAROTH.
15 zooals die menschenkinderen treffen. En Mijn liefde zal van hem niet wijken, gelijk Ik die heb onttrokken aan Shaoel,
16 dien Ik voor u heb verwijderd. Maar zeker is uw huis en uw koningschap voor eeuwig voor u; uw troon zal gevestigd
17 blijven tot in eeuwigheid!quot; Gelijk al deze woorden en overeenkomstig dit geheele visioen, zoo sprak Nathan tot David.
HAPHTARA van THAZRIEA'.
II Kon. 4,42â44 ; 5,1â19.
42 En een man kwam uit Ba'al Shaliesha en bracht den man Gods brood van eerstelingen: twintig gerstebrooden en versche graankorrels in zijn zak ; doch hij zeide; «Geef het aan het
43 volk, opdat zij eten!quot; Hierop zeide zijn dienaar; âWat zou ik dit honderd man voorzetten ?quot; Toen zeide hij: «Geef het het volk, opdat zij het eten; want zoo zegt de Eeuwige:
44 Men zal eten en overlaten!quot; Nu zette hij het hun voor, en zij aten en lieten nog over gelijk het woord des Eeuwigen.
1 En Na'aman, de legeroverste van den koning van Aram, was een voor zijn heer zeer voornaam man en dien men zeer ontzag, want door hem had God hulp verleend aan Aram; de man was echter een krijgsheld, die door melaatschheid was
2 getroffen. Toen eens de Arameërs in kleine benden waren uitgetrokken, voerden zij als krijgsgevangene mede uit het land Israels een klein meisje en deze deed dienst bij de vrouw
3 van Na'aman. Nu zeide zij tot hare gebiedster: âMochten de beden van mijn heer toch eens gericht worden tot den profeet, die in Samaria is, dan zou deze hem wel weer in den mensche-
4 lijken kring doen opnemen van zijne melaatschheid.quot; Toen ging hij binnen en deelde zijnen heer mede, zeggende: «Zoo en zoo heeft het meisje, dat uit het land Israels is, gesproken.quot;
5 Nu zeide de koning van Aram : âGa er heen, â en ik zal een brief zenden aan den koning van Israël.quot; Toen ging hij en nam met zich tien Kikkar zilver en zesduizend goudstukken en
6 tien stellen kleederen. En hij bracht den brief tot den koning van Israël, waarin het luidde ; «... en nu, als deze brief tot u komt -â zie, ik heb mijn dienaar Na'aman tot u gezonden,
7 opdat gij hem van zijne melaatschheid doet genezen.quot; En het was: toen de koning van Israël den brief had gelezen, scheurde hij zijne kleederen en zeide: âBen ik dan een god, die kan dooden en in het leven terugroepen, dat deze tot mij zendt om iemand van zijne melaatschheid te genezen! Maar erkent toch
8 slechts en ziet in, dat hij twist met mij zoekt!quot; Nu was het: toen Eliesha', de man Gods, hoorde, dat de koning van Israël
137
maan
b'iNK' D^o^nnon itfjo i3sp iid^n1? npni : dtn ^a» o^nj? ^fidSDDI 'n^pn'-i^K»
nbNn onrnn Sba : n^-i^ risj n»n» n«D3 quot; : nn-^K |n: 121 p ntn |innn bbai
I* T V IV.TT JV ' I )quot; AV - I JT- j- ^ ;
jrnrn müfln
(mis: nvcnsn dn) c'quot;â's 'n ,Y'nâ2quot;» '1 JQ^D '3 D'aSoa
bniaa on1? v^kb Nan rwhv hvvo xi b^'ni « ^
V«v ^ ⢠v: IT ⢠: â¢â¢ T - T ⢠T t J- ⢠T . .
D^J? |n ippva bp-iDi D'quot;!^ Dn^-Dn'^
nno nr rnx no initio «
~ a* t â¢*â¢â¢ : ⢠v I jquot; v tlt; z-r ; v - i- ;
frnn : inini nin» IOK na ^ fn ^
quot;rjbo x2Tiv : nin* nana TTrii'i iVpK'i DH^ÃV- H nin'-rnj in_,3 o^ia xwn Vjik â¦jab ^ina b^'n n^n
-»T ; I-it â » T T ~j lt;â¢â¢; T -TT T-:
inï» DiKi : yiïö ^n quot;1133 rrn q-ik1? r\vwr\ =
r'T T-:I- (gt; IT : ⢠^quot; -» quot; OT t ⢠T : AT-:I- ;
niyN ^a1? â¦nm nstap myj pao laty^ onnj
v jquot; vquot; ï ' ⢠; ~ quot; I: â 'T^-.i- {â¢â¢ t ; ⢠| vjv â¢â¢ â » ; â ⢠;
quot;ik'n K^aan ^a1? 'iiK nrnar-1?** Hoxni : rov: ^
-quot;.⢠-: ^ t j- -. â ⢠-: -â¢â¢â¢-: 1- t : ⢠: v v - I it*-:quot;
Ion^ vj-inV nri ks»! ; inx eip^. m jiiD^a â gt;
iöK»l : pxp nn^an niai nNDi nxra n
TjVoquot;^ nap nn^Ki ns -jS b-tN'-jVn nia^n anr â¡â¦a1?« n^iyi ^pi-naa in^a Kiisa nri^i ioK^ quot;tapn Nan. : onja1
iriapKi â¦rin^ nin nrrnapn
vija jjnjjn quot;laórrnN Vipa vn : quot;inynxp»
piDxV1?» rhp nr»a ni'nnbi n^rh hx no'^i ^ Nin mxnpquot;'a iKniNr^TTjs^a iri^iïp wt*quot;
1 ybps
HAPHTAROTH.
zijne kleederen had gescheurd, zond hij tot den koning, zeggende ; H Waarom hebt gij uwe kleederen gescheurd ? Laat hem toch tot mij komen, dan zal hij erkennen, dat er een profeet
9 onder Israël is!quot; Toen kwam Na'aman met zijne paarden en met zijn wagens en bleef aan den ingang van het huis op
lOEliesha' staan wachten. Nu zond Eliesha' een bode tot hem, zeggende: «Ga heen, en baad u zeven malen in den Jordaan, dan zal uw gezond vleesch u terugkomen en zult gij rein wor-
11 den.quot; Toen werd Na'aman vertoornd en ging hij heen, en zeide hij; «Zie, ik had gedacht, dat hij naar buiten, bij mij zou komen en zich zou plaatsen en aanroepen den naam van den Eeuwige, zijn God, en zijne hand bewegen over de
12 [getroffen] plaats en zoo den melaatsche genezen ! Zijn dan niet Amana en Parpar, de stroomen van Damascus, beter dan alle wateren van Israël ? Kan ik mij dan niet daarin baden en evenzeer rein worden ?quot; Hij wendde zich om en ging in
13 brandende woede heen. Nu naderden zijne dienaren en spraken tot hem en zeiden; «Vadertje! Indien de profeet u eene gewichtige zaak zou hebben opgedragen, zoudt gij het dan niet hebben gedaan ? En zeker dan nu hij tot u gezegd heeft;
14 baad u en word rein !quot; Hierop ging hij en dompelde zich in den Jordaan zeven malen, gelijk het woord van den man Gods ; toen keerde zijn gezond vleesch terug, gelijk het vleesch
15 van een jongen knaap, en werd hij rein. Nu keerde hij tot den man Gods terug, hij en geheel zijn leger; en hij kwam en plaatste zich voor hem en zeide: «Zie, ik heb nu toch erkend, dat er geen God op geheel de aarde is, dan in Israël, en nu, neem toch een geschenk aan van uwen dienaar!quot;
16Hierop zeide hij: «Zoowaar de Eeuwige leeft, voor quot;Wiens aangezicht ik gestaan heb, â dat ik het niet aanneem.quot; Nu drong hij bij hem aan om het te nemen, maar hij bleef weige-
17 ren. Nu zeide Na'aman; âDus niet! Laat dan mij, uwen dienaar, gegeven mogen worden wat een span muildieren dragen kan aan aarde; want uw dienaar zal nooit meer een brand-of vredeoffer brengen voor andere goden, maar alleen voor den
18 Eeuwige! Met betrekking tot de volgende zaak echter moge de Eeuwige uwen dienaar vergeven : als mijn heer naar den tempel van Rimmon komt om zich daar neder te werpen, terwijl hij op mijne hand steunt, â dan werp ook ik mij neder in den tempel van Rimmon. Als ik mij nu nederwerpquot; in den tempel van Rimmon, moge de Eeuwige uwen dienaar vergeven
19 in deze zaak !quot; Hij zeide hem ; âGa in vrede!quot; Toen ging hij van hem weg eene streek lands.
138
inrn riiL33n nSp
ion1? nbf i v^ n.
laaiai TOSfD^^. : wz: amp; ^ yr) ^D g TjX1?» V)K n)^^_ : n^n-nns To^v ^ Ã1? Ãl!^? 3^ |T,iquot;):!3 nynni -ji^n ioS
1 ^1ÃK nsn lo^'i toi^
pi^an-^ it c)^ni: vhVx nin'-Di^a «ir
^ppE'óininnj is-iai nm 31D ^DN^' |:
: nana ^ â¦n'inbi ona fn*iK-^n wn -f-quot;isnK^n^iipnn ^2« i^üKp/i^NnaTnni^ ww* iti. â¢â¢ ihüi |Tn ^ ION-»3 c]^ n^n «Sn lifa a^i D^^n wx inna D^3^3^pTa Vaip^ quot;bai «in D^NH 2KAI_ : irtü^ jbp it^aa «
r« '3 N3-n:n quot;iön'i vjagt; id^VWi inino : nw riND nsia wnD nn^i ^Nijy^-DK »3 nNn-bns
⢠â quot; ⢠J T ⢠JT I OT quot;quot; ⢠rtquot; TJ*J * ^*| VTT Tï
nnjp.1^ n^NTDN i^s1? wo^quot;1bgt;k nin,quot;,n ion^v» Dnnjpöï XBJO ^3^ Wfn» K^jo^j noN~i onnx D^riV^nan gt;2 nonx
»:IN Niaa nin» n)p: nh : nin^-DKquot; i ^ wnn^ni n;-^ \ym 1 Kini ns^ n^nri^nVjiarnn nana fj-ja^ nin» «2 nbp» fan n^a ;n^nn^na |s-i n^a ^ : rquot;iN-nna3 m^D ^»1 DIVB^ -IS IOK»^ : nrn^ ^
I ⢠IT . ; â¢quot; I quot;Jquot;' rt T : I â¢quot;⢠v. â¢â¢' Jm IV -
'JS,
n-
HAPHTAKA van METSORA'.
II Kon. 7,3â20.
3 En vier mannen waren als melaatschen aan den ingang der poort; nu zeiden zij de een tot den ander: âWaartoe zouden
4 wij hier blijven zitten, totdat wij sterven ? Indien wij zeggen zouden : laat ons de stad binnengaan, â de hongersnood is immers in de stad en wij zouden dus daar sterven ; en indien wij hier blijven zitten, dan sterven wij ook. Welnu, komt, laten wij overloopen naar het leger van Aram! Indien zij ons in het leven laten, dan zullen wij leven; en indien zij ons
5 dooden, nu dan zullen wij sterven !quot; Zij stonden nu in de schemering op om naar het leger van Aram te komen; doch toen zij gekomen waren tot de grens van de legerplaats van
6 Aram, zie, toen was daar niemand ! De Heer had namelijk het leger van Aram doen vernemen een geluid van wagens, een geluid van paarden, een geluid van een groote legermacht; toen zeiden zij de een tot den ander: «Zie, de koning van Israël heeft tegen ons als huurtroepen genomen de koningen der Chittieten en de koningen van Egypte om ons te overval-
7 len !quot; Zoo stonden zij op en vluchtten in de schemering en lieten hunne tenten achter en hunne paarden en hunne ezels, de legerplaats, zooals zij daar was; en vluchtten om hun leven
8 te redden. Nu kwamen deze melaatschen tot de grens van de legerplaats en gingen één tent binnen en aten en dronken en droegen vandaar weg zilver en goud en kleederen en gingen heen en verborgen het; toen keerden zij terug en gingen een andere tent binnen en droegen van daar weg en gingen heen
9 en verborgen liet. Toen zeiden zij echter de een tot den ander: «Niet juist handelen wij! deze dag is een dag van vreugdetijding â en wij zouden zwijgen ? Als wij zouden wachten tot het lichtworden van den morgen, dan zou de straf voor een misdaad ons treffen ! Welnu, komt, laat ons binnengaan en het
10 mededeelen in het huis des konings!quot; Zij gingen [de stad] binnen en riepen den poortwachter der stad toe en deelden hun mede, zeggende; âWij zijn gekomen in de legerplaats van Aram en zie, daar is niemand, noch het geluid van een mensch! maar alleen de paarden vastgebonden en de ezels vastgebonden en
11 tenten, zooals zij waren.quot; Toen riep hij de poortwachters en
12 deelden dezen het mede binnen in het huis des konings. En de koning stond op in den nacht en zeide tot zijne dienaren: âLaat mij u toch mededeelen, wat Aram ons daar gedaan heeft: Zij weten, dat wij hongerig zijn ; nu gingen zij de legerplaats uit om zich te verbergen op het veld, terwijl zij [bij zichzelve] zeiden : als zij nu de stad uitgaan, dan zullen wij
13 ze levend grijpen en de stad zullen wij binnendringen.quot; Hierop antwoordde een van zijn dienaren en zeide: âLaat men dan toch vijf van de overgebleven paarden nemen, die er in [de stad] zijn
139
jrnvo mcssn
(lïinsa pa TiEua pa) 'aâ'i 'J JOlt;D '3 D'oSoD
ir'K nns D^iïo vn d^:k n^aiKij ^
q ''q -*' ⢠â¢quot; at - --â¢â¢.⢠t i ; ^ t 4- t -: : - :
moK-DK : uno-^ na i:njK nó â gt;
; - t ⢠; it quot; v. ; i ^ t ^
wnoi na dk' unoi i^a -i^n «133
; AT T v, T * : T . : T T T T,T: â gt; T T
un^-DKin'n: D^K njnD-^N n^Sii ID1? nn^i
v.\ ⢠: ⢠: â¢.â¢;»⢠-j-. - : * , t's -*quot; quot;j'quot; â¢* # t ; ⢠: : t'1* ;
nïpny ixan DIN nanD-^K Nia1? wh iDp'i : unDiquot;
â¢â¢ i : - t - at -j jquot; -; i- v V. t i V V - i â 'â¢.t-gt; : it t
mnQ-m 1 ymn vinï : i^x dbgt;-?»k nsni dïn nano1
â gt;â¢â¢ -i i- v ^ j- : ⢠t 1- r vt _ 1 iquot; r*^ ⢠: ^ t-j
-^K ^â¦N noN»i 'rijp DID ^ DDT DIK
quot;DKI D^nnn â¦D'jdtik -nbóV^rquot;^ nan vn»
v : â¢)⢠⢠1- squot; : - v â¢â¢ t: * |v v -it â quot;⢠* ⢠t
-nN iDT^n '^'b iDia'i isipn «ia1? onïD 'DVD»
., ) v v - -⢠t- it- iquot;^t j t â¢{,â¢:' jquot; : -
iDJ^.s'n quot;iBwa n:nan onnan-nNi on^pipTiKi on'bnN My) njnan nïp-i^ nb^n D^iïan^D'i : Dtyar1?»quot;
t - -: |- - i; v â¢â¢ t ^ ti : i- ^r~ it : â¢
D'naai anri fiDD Dtro We») )nm ^DN^ nnx VnK-Sx
â¢t ; . tt; 1 v lt;v t * ^ : -⢠; i- tv v lt;
ID1?»! Dfa WE'n. -in« bn^-^N IND^. ID^I wppïi ID^I Dijn onstyumK 1 jD'N1? na«»i :
quot;ipian niK-nv iram D^na Kin ni'irrDv nrn
|v v - J â¢)⢠* : ⢠: - . :â *â ^ jt : i v -
iKD'i : nSan n'3 nxDii id1? nnyi WNxav
t- |v iv - Jquot; ^tv,*- ; t t : -⢠: t^- : i â¢'r r :
mna-^N i3«3 quot;iax1? on1? 'T^n ^ipn
.. rlt; .. v t lt;â t v : ⢠-
â¢to DiDn'DK *D DIK Vipt DirpK nam DÃN
t lt; - * â¢Â»â¢ att I-» : v.' ot 1 i** ^ jquot; ' : t-:
m*quot;! on^n N-ip^i : nan ntfio D'bnKi iidk quot;iianm ^
â¢-- ^ ^tl:*- t^iquot; jv -;^i- t 1 : t -⢠-ti- :
vnD^K Saxn nV1? n^an Dp»i : nana nVan
tt : v v - t:- |v v - itt- t i* ; |v^v - jquot;
D»3^T»3 DIN nK DD1? N3-nmN
j. ri, . ,. ;t ^ atquot;,# jt f quot;: gt;quot; v t â¢jt tl-
INS!.quot;? quot;iÃNb nn^na nann1? n^nan-ja laniNt T vns^a niWfjAi : NDJ n^nquot;1?^ Dquot;n D^sn:i V^n-ja^ ^ -nKB'a njs'N onKtfan D'DiDn-ja n^an Nnnp'i. iaK»i
HAPHTAROTH.
overgebleven, â zie, geheel gelijk de geheele menigte van Israël, die er in is overgebleven, is immers de geheele menigte van Israël, die reeds zijn omgekomen, â laten wij dus er heen
14 zenden en laat ons zien !quot; Nu namen zij twee met paarden bespannen wagens; en de koning zond heen om de legerplaats
15 van Aram op te zoeken, zeggende: «Gaat heen en ziet!quot; Zij trokken nu hen achterna tot den Jordaan, en zie, de geheele weg was vol kleederen en voorwerpen, die Aram in hun haast hadden weggeworpen ; toen keerden de boden terug en berieht-
16 ten het den koning. Nu trok het volk naar buiten en plunderden de legerplaats van Aram; en kwam een Sea tarwe-meelbloem op een Shekel en twee Sea gerst op een Shekel,
17 gelijk het woord des Eeuwigen. En de koning had den overste, op wiens hand hij gewoonlijk steunde, aangesteld over de poort; en het volk vertrapte hem in de poort, zoodat hij stierf; gelijk de man Gods gesproken had, wat hij namelijk had ge-
18 sproken, toen de koning tot hem was afgedaald. Het was namelijk: toen de man Gods tot den koning sprak, zeggende : «Twee Sea gerst voor een Shékel en een Sea tarwemeelbloem voor een Shékel zal om dezen tijd morgen in de poort van
19 Samaria te krijgen zijn ;quot; â Toen had de overste den man Gods geantwoord en gezegd: «Zie, als God zelfs luiken in den hemel zou maken [waardoor koren ter aarde geworpen zou worden], zou dan nog kunnen geschieden gelijk dit woord ?quot; Hierop had hij gezegd: «Zie, gij zult het zien met uw eigen
20 oogen, maar gij zult daarvan niet- eten !quot; En zoo geschiedde hem; het volk vertrapte hem in de poort, zoodat hij stierf.
HAPHTAKA van ACHAKÃ MOTH.
(Naar den Ilooyduitschen ritus, zooals die te Amsterdam wordt gevolgd.)
Is op Zondag Nieuwemaansfeest, dan wordt deze Haphtara bij Kedoshiem gelezen.
'Amos 9,7â15.
7 Zijt gij niet gelijk der Koeshieten zonen voor Mij, gij kinderen Israëls! â is de uitspraak des Eeuwigen, â heb Ik niet Israël opgevoerd uit het land Egypte en de Phi-
8 listijnen uit Kaphtor en Aram uit Kier ? Zie, de oogen van den Heer, den Eeuwige God, zijn gericht tegen het zondige koninkrijk en: âIk zal het vernietigen van de oppervlakte van den aardbodem; echter geheel verdelgen zal Ik het huis
9 van Jakob niet,quot; â is de uitspraak des Eeuwigen. Want zie. Ik heb slechts te gebieden, dan schud Ik onder alle volkeren rond het huis Israëls, gelijk iets in een zeeft geschud
10 wordt, zoodat niets korreligs ter aarde valt. Door het zwaard zullen zij sterven, alle zondaren Mijns volks, die zeggen;
140
jniïü m^ön üp
-b32 D3n rionn-^a ain na
T : t ⢠T -: : ⢠â¢â¢ T : ⢠I lt; -: T : T ⢠T
aDquot;i ^ inpn : nKquot;iii nn^ji ian-i^N riön ^
v jv lt;.*⢠: I: * - iv : * : v.t : : ⢠; at v -: t ; ⢠l j
: wni iDNb ons-nino nnK -]bsn nStpn DpiD
bn33 nN1?» nani 'n^n-i^nnnnx ID^Vd
: n^i orsnna qin1
|,v,.. â v - - ,T- .T: T : 1;1T-: r : ⢠v quot;=
Sp.B'anbo'n^p â¦nn onx mno n« V2i\ o^rn x^V0 nN i^psn ^sni : nin» nana on^ dtwdï r
'â : â |v â¢â¢ quot; : ,T: : , Squot; 'â â¢v/: . quot;â gt;:. :sgt; T:
D^n mpoTi np# v^amp;r\
l'pan jvn? quot;lin D'ri^n wx 121 riD»i Q'nHD imb -jbarr^s4 D^ri^n WK 1212 w) : ^ -1^3 nnü n$3 D^dtindi ^^3 onyif
nin^ nam no^'i â¡â¦ri^n v^amp;r\ \v\\ : fiw ^ hnt nan iDKh nrn mna n^n^n d^-^s hia^iN rivy
lt;| : â - AV - -T T- IV :r -: - - T - \ - . â quot;â¢â¢
DVn IDN iDDin ?3 quot;ft-m : K1? DI^DI 3
â¢)tt s i ;â¢- Irtquot; V. * :- iquot; ^ vt * p v â¢â¢ ;
: no'i
ITquot; -
niö nnx muan
n-i-i dn pi ,i2ins3 nsa i'3) Vcâ't 'ja p^o DTOJ/a J?quot;iquot;13 D^JDCNH Jâ¢Â»3 D'B'lp nn.s pncsjj ïx fin quot;inO i-jnN n»quot;® P nm: C1»A aiN p nnX mssn nm:i
.Nquot;ftp ^1*1 /taarnn 11 n x 'sa pvcB» omaoni -nx Kibn nin»-DW ^3 ^ Dn» hns mhn»
J -. at ; â¢â¢.: {.quot; T/. ' Jquot; : â )⢠* * â¢â¢. â¢â¢ : ⢠J -»
TinMp Q^n^Vai onxp pND T-i^^n
nN'iann nD^Disz nirr 'j-in i nim : TpD onKin
t t - 1- t t ; -q- * v: -quot;T -: -quot;⢠â¢â¢ ⢠^ Ir ⢠-»t-:i-
TDE'NnwnNV^DejK nonxn ^3 V^o nnx â¦matprn
.)⢠; - jquot; : ~ -» ⢠v v at t-:it -quot;⢠; 1' â¢â¢ t
Tiijnni niïo biK nan-'S : nin»-DK3 3pv n^-nx13
,. v-^ . . IT «.. ⢠,- it : \ : K -:â¢- jquot;
SlS^N^I n-1333 Viy natoD n^-nK D^3n-1?33
j ⢠1 : t t : â ⢠lt;v -:i- aquot; t : * -gt;â¢â¢ v - t :
onDKn *0^ â¦Â«tan V3 ^ln1b, 3in3 :pK nm-
5* - I * : I T rt' â¢*** T - V T VJV - } VIT v '
HAPHTAROTH.
âGij zult toch niet jegens ons het onheil doen naderen en
11 vroeger laten komen!quot; Op dien dag zal Ik oprichten de thans invallende hut van David, en zal Ik hunne bressen met heggen aanvullen en, wat omvergehaald is ervan, zal Ik oprichten en zal haar weer opbouwen gelijk in de dagen
12 van het grijs verleden. Opdat zij in bezit nemen het overblijfsel van Edom en alle volkeren, waarover dan Mijn naam genoemd zal worden, is de uitspraak des Eeuwigen, die dit
'13 zeker doet. Zie, dagen komen, â is de uitspraak des Eeuwigen â dat reikt de ploeger tot aan den maaier, en de treder van druiven tot hem, die het zaaikoren strooit; dan zullen de bergen overstroomen van most en al de heuvelen zullen als vloei-
14 baar worden. Dan keer Ik terug met de gevangenen van Mijn volk Israël, en zullen zij de zoo lang verwoeste steden herbouwen en ze bewonen, en zullen zij wijngaarden planten en den wijn ervan drinken, en tuinen aanleggen en de vrucht
15 ervan eten. En zal Ik hen planten op hun bodem en zullen zij niet meer uitgerukt worden van uit hun bodem, dien Ik hun gegeven heb, â zegt de Eeuwige, uw God.
HAPHTARA van KEDOSHIEM.
('Naar den te Amsterdam gevolgden Hoogduitschen ritus; naar Portug. ritus en ook in sommige Hoogd. gemeenten wordt deze Haphtara bij Acharé Moth gelezen.)
Ezechiël 22,1â19.
-2 1 Nu was het woord des Eeuwigen tot mij, als volgt: ,/En gij, menschenzoon, wilt gij, wilt gij werkelijk recht oefenen tegen
3 de bloedstad ? Maak haar dan bekend al hare gruwelen ! En gij zult zeggen: Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: O stad, die in uw midden steeds bloed blijft vergieten, zoodat uw tijd reeds bijna is gekomen, en die verachtelijke afgoden tot heeren
4 over u maakt, waardoor gij u verontreinigt. â Door uw bloed, dat gij hebt vergoten, hebt gij u met schuld beladen, en door uw gruwelijker! afgodendienst, dien gij hebt bedreven, zijt gij onrein geworden en hebt gij uwe bestrafflngsdagen naderbij gebracht en kwaamt gij tot den eindpaal uwer jaren; daarom deed Ik u worden tot schande voor de volkeren en
5 tot spot voor alle landen. De nabijzijnden en de van u verwijderden zullen u tot voorwerp van hun spot maken, gij, wier naam onrein is, â bij wie zoo groote verwarring heerscht.
6 Zie, de vorsten Israels, ieder tot arm voor zichzelve werden zij
7 onder u, om bloed te vergieten ! Vader en moeder minachtte men onder u ; tegenover den vreemdeling handelde men met rechtsonthouding in uw midden; wees en weduwe bedroog
8 men onder u. Mijne heiligdommen verachttet gij en Mijne
9 Shabbathdagen ontwijddet gij. Mannen, die slechts lasterpraat ronddragen, waren onder u, om bloed te vergieten;
141
mo nnx nntisn Nöp
naDTiK «inn di»3 : njnn lanjrs Dnpm ^
v,- t j- â¢.. v h-t ^ - â¢Â» - nttit â¢)â¢!: - :
rrr^rji vnbini rn^is-ntt wiai nbaan
jquot; ⢠t *.⢠' i t r ^1' ' v quot; ' ' r â¢* â¢** ^quot;«t: vav -
-quot;itrN DMan_,?3i DIIX nn^riK I^D^» : D^IJ? 31 b*K3 w nsn : mi n'^ nin'-DNi vv Kip: ^
⢠t lt;* t â¢â¢ ⢠i v o ; ^ \ : av â¢â¢rt: :# -»ti; â¢
inn TjBfoa d\3^: niipa Bhin m:] nin^DW -nK~n3^i :n^iiDnn niyaan-'jsi d^dp bnnn
⢠: - ; t : 1- ^; * ^ t : - t : ' r ⢠t iv lt;⢠⢠:
D*ÃID 12^1 hisiyj onp â¦Djr niaiy
â¢t; ~ :iti tt: -: «â¢'t t â¢â¢ t ; ⢠-,* j :
Q^ÃJI : onnrnN I^DKI nib 1^1 DVPN in^i«
v.* ^: - : iv ^ ⢠: v ^ : it ; - r j t *⢠^at quot; v «. t :
DnS â¦nnrit^N DJIDIN S^O ityn^ KSI Dnoi«_,?jr
v t * -»-t v -; t t : - *lt;-quot; :it* ; at t : -
: ttbtt nin» idk
i iv v: ^t ; v* t
D^np nquot;iü3n
Xquot;,_'S 2quot;3 J CD Sxprn^ ,01-«»»!« pquot;p ns DVJDlTNn JHJOD is i-irw 'sa v-\n quot;ino ON pi (onisDn jn:»3 ma nnj? mtssn sim)
.D'cnp 'k uaa jcbn p,BE»
üSB'nn üSB'nn on^p nnxi: iDKb quot;ba nin^nan Wi *
j tt i v -,T quot; 1 quot; â gt;' quot; ^t : - : yi'2
rnoNi : m nn^nini D'o^n yym gt;
t : - it : t iv J I t t t - J : a- t -
nn^i nnv NÃ1? nDina DT roö'ty yy nin» ION rü
st ; *it: at^* â¢* t ^t^ ; rr v^v ⢠vr-r -: - t «
noibN n^-^H -p-Q : nKOt:b D^ib: ^
i lt;- ⢠: : ; - t : ; - t v | t ; it ; t_: t^vâ¢)â¢
Nüm unpni DNÃà n^-iK'K nipnini nirnpn : ni^i^n-^nb no^pi dH^ nsnnwin:quot;
I j :^t ; â¢) I; - i t-:it t: vttI-; * - t : v | lt;⢠- ;
wm nan : noman nan D^n nNDtp â¢rjriDv'pn! ^sp1 ^pnbKi aw : DTTjS^ T^ob quot;na vn UhrV bNiiy»'
I-»-quot; â¢â¢ t lt;t it i t : I vquot; : I at -»t v, ; * j* â¢â¢ t ; *
â¦Bhp : â¢na lain Din' quot;naina ptr^a ïtry iaquot;? 'nan
V,- tit |it j v.t t ; - ; jt |aquot; ; i v ^ - j *t r* - |t
-naK' ryo1? na vn b^an : nbbn ^nnaty-nNi nna»
)t ; : Kt j t -r t ,gt;â¢â¢ ; - ; : it ⢠vquot; : quot; v ; a t
HAPHTAROTH.
en op de bergen at men [offermaaltijden] onder u; ontucht be-
10 dreef men in uw midden. De schaamte zijns vaders ontblootte men onder u; de in haren afzonderingstijd onreine verkrachtte men
11 onder u. En de een met zijns naasten vrouw bedreef gruwelijke ontucht; en een man verontreinigde in onzedelijkheid zijne schoondochter; en een man verkrachtte met geweld zijne zus-
12 ter, zijns vaders dochter. Omkooping nam men onder u, om bloed te vergieten ; rente en meerbetaling naamt gij eu ver-wierft onrechtmatig voordeel van uwe naasten door rechts-onthouding; en Mij hebt gij vergeten, is de uitspraak van den
13 Heer, den Eeuwige God. En zie. Ik sla Mijne handen ineen wegens het onrechtmatig geldelijk voordeel, dat gij u verwierft,
14 en wegens uw bloedschuld, die in uw midden heerschte. Zal uw hart in zijn moed standvastig zijn, zullen uw handen krachtig blijven tegen de dagen, waarop Ik tegen u straffend handel ? Ik, de Eeuwige, heb het uitgesproken en zal het ook
15 volbrengen ! Ik zal u verspreiden onder de volkeren en zal u rondstrooien in de landen ; en zal zoo uwe onreinheid van
16 u doen ophouden. Dan zult gij in u zelve uwe ontwijding gevoelen voor de oogen der volkeren, en zult tot de erkenning komen, dat Ik de Eeuwige ben.quot;
Sommigen lezen nog de volgende verzen-.
18 17 En het woord des Eeuwigen was tot mij, als volgt: «Men-schenzoon, het huis Israels is Mij tot slakken geworden, zij allen zijn als koper en tin en ijzer en lood in een smeltkroes; 19 als slakken van zilver zijn zij. â Daarom, zoo zegt de Heer, de Eeuwige God; omdat gij allen tot slakken zijt geworden, daarom, zie. Ik verzamel u naar het midden van Jerusalem!quot; â
HAPHTARA van KEDOSHIEM.
(Naar den Portugeeschen ritus.)
Ezechiël 20,2â20.
3 2 En het woord des Eeuwigen was tot mij, als volgt: ,/Men-schenzoon ! Spreek met de oudsten van Israël en zeg tot hen: zóó zegt de Heer, de Eeuwige God: «Komt gij, om Mij te raadplegen?.Zoo waar Ik leef, dat Ik Mij door u niet wil laten raadplegen,quot; â is de uitspraak van den Heer, den Eeuwige 4 God. Wilt gij werkelijk recht oefenen tegen hen, wilt gij rechtspraak houden, menschenzoon ? Deel hun dan mede de 5gruwelen hunner vaderen. Gij zult tot hen zeggen; zóó zegt de Heer, de Eeuwige God; op den dag, waarop Ik Israël heb uitverkoren en Mijne hand heb opgeheven ten behoeve van het kroost van het huis Jakobs en Ik Mij hun bekend maakte in het land Egypte, â en Ik Mijne hand ten hunnen behoeve
142
D'Enp
: Tpiro ïwp nar ^6 ibDN bnnn-Vni ui1
V,t - : â¢â ' |iquot; : j tquot; v.t ⢠) t : -«t ⢠t iv v : at
invi nt^NTiK i : Tp-iiry man nKDü nrnba^
.. v -»â¢â¢ v j- : | it ⢠^t' - j- quot; |at^ t â¢
ihnKquot;nK nsT2 «Ãà inba-nK ^quot;KI naym ntr^
j -: v .)⢠: at* : â â¢quot; * v. t - â¢â¢â¢ j- : t'7* i t
Tp3 DTTjöty f^o1? nn^ : Tjrn^ â¦:n« dk: rm#
TpTbjh 'n^n nani. : nin»/'
d^dquot;1? Tin* n:pTnn-aN na1? no^gt;n : pina vn
⢠t- r -t tl:-»-v;v ⢠)â¢â¢ ⢠lt;^iâ: |iquot; ; ^t -»v -i
Wfini : â¦man nm» »jk nniK rivy n^K10
lt;⢠i* -:i- â¢!â¢â¢gt;: ⢠:r ⢠^t ; gt;⢠-: ) at -»â¢.* . v,* -»â¢*
n^n:1) : Tiaa rinNata â¦nbnni niï-iNa n^nnn oHaa nniK ra
; ; j- ⢠; |iquot; â¢. kquot; t : y ⢠-:r a t-:it ) v,- iquot;: - i t
: mn» nvm dmj na
it : y -1 r i^-^n a- â¢*quot; *â¢' : Kt
.amson d^o^dd
sidS â¦b-vn ün^-ja : nos1? nin»-nan â¦nn ^ p
quot;â : t: â 'quot; j' ,quot;r ! tt1i â â¢â , ' quot; ^ :.pquot;p: 'y'⢠^
s]Da D^p -nia -jina mai^i Vnai Vnai n^na aba ^ rab Dr3Db oaba nvn w nin» vix no» na tab : vn ^
I â¢â¢ t a* â : v-* ï *â¢. j v; \^-r * v: ^t -: - t lt; I â¢â¢ t it
: Db^m* nirrba oanw rap ^an
â¢it t i: I ^ v v : v ]â *â¢â¢} â¢Â»â¢ : *
D^np müön -'=-'3 'a ja'D bxpin^a / nmaon jnjoa 'bNitr* â¦jprnN nan oix-fa : noxb »b« ninnan â¦nn2 3
.. t: lt;â¢â¢);⢠v â¢â¢ - tt i v ^ , « j- '' ; - : j'1-*
onN *r\H wnibn nirv *ïia idk na oh1?» maw
jv - j : ⢠-: ⢠v: -,t - t lt; v â¢â¢ -: -«t : - it ;
üsirnn : nm» »anN dk: oab trnnN-DK a^a^
â â¢;â¢-: r v; jt -: v.-. : *⢠t j- r ⢠⢠* t a* t
müNi: nynm Dniax na^m-nx Dn^na üia^nn Dn«quot;
â â¢t^ ; - it : iquot; ⢠1 ^t -: - * 'â¢' att I v v. : * quot;* t
n» NtyNi bóni^a nna ova hm» ^nK nöN-na on^bx
^ 't jt vit t: ⢠; â¢**â¼; it ; ⢠v: jt -: - t 1 ^ v -j
â¡nb n» onxp pxa onb ^nwt^ap^^n^a Vl?;1?
H A P H T A R O T H.
zwerend ophief, zeggende: «Ik, de Eeuwige, ben uw God,quot; â
6 Op dien dag hief Ik Mijne hand ten hunnen behoeve op, om hen uit het land Egypte te voeren, naar een land, dat Ik voor hen had opgezocht, vloeiendé van melk en honig, een sieraad
7 is het voor alle landen. â Toen zeide Ik tot hen ; âWerpt weg ieder, wat in uwe oogen tot gruwel moet zijn, en verontreinigt u niet aan de afsehuwelijkheaen van Egypte, â Ik, de Eeuwige,
8 ben voortaan uw God !quot; â Doch zij waren weerspannig tegen Mij â en wilden niet naar Mij luisteren; wat in ieders oogen een gruwel moest zijn, wierpen zij niet weg, en de afschuwelijkheden van Egypte verlieten zij niet; toen zeide Ik, Mijn woede over hen te zullen uitstorten. Mijn toorn ten volle aan
9 hen te uiten te midden van het land Egypte. Doch Ik handelde ter wille van Mijn naam, om dien niet te ontwijden voor de oogen der volkeren, in wier midden zij waren ; ten wier aanzien Ik Mij aan hen had bekend gemaakt, om hen uit het
10 land Egypte te voeren. â En Ik voerde hen uit het land
11 Egypte en bracht hen naar de woestijn. En gaf hun Mijne wetten, en Mijne rechtsvoorschriften maakte Ik hun bekend, die de mensch slechts heeft te oefenen, om daardoor te leven !
12 En ook Mijne Shabbathdagen gaf Ik hun, om tot teeken te zijn tusschen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de
13 Eeuwige, het ben, die hen heilig. Doch het huis Israels was weerspannig tegen Mij in de woestijn, naar Mijne wetten richtten zij hun levenswandel niet, en Mijne rechtsvoorschriften versmaadden zij, â die de mensch slechts behoeft te oefenen, om daardoor te leven, â en Mijne Shabbathdagen ontwijdden zij in de hoogste mate; toen zeide Ik, Mijne woede over hen uit te storten in de woestijn om hen te gronde te richten.
14 Doch Ik handelde ter wille van Mijn naam, om dien niet te ontwijden voor de oogen der volkeren, ten wier aanzien Ik
15 hen had uitgevoerd; â Maar wél hief ik Mijne hand met betrekking tot hen op in de woestijn [en zwoer], hen niet te zullen brengen naar het land, dat Ik had doen worden vloeiend van melk en honig â een sieraad is het voor alle landen; â
16 Omdat zij Mijne rechtsvoorschriften versmaad hadden en naar Mijne wetten hun leven niet hadden gericht en Mijn Shabbathdagen ontwijd, â want hunne gruwelen volgde steeds hun
17 hart. â Doch Mijn oog zag medelijdend op hen neer, om ze niet te verdelgen; Ik gaf hun dus niet den algeheelen onder-
18 gang prijs in de woestijn. Nu zeide Ik tot hunne zonen in de woestijn: âNaar de wetten uwer vaderen zult gij uw levenswandel niet richten en hun rechtshandelingen zult gij niet in-
19 achtnemen en aan hunne gruwelen u niet verontreinigen ! Ik, de Eeuwige, zij uw God ; richt naar Mijne wetten uw leven en neemt Mijne rechtsvoorschriften in acht en volbrengt
143
tftnp maan jop
DnS W â¦JW: Kinn DI»3 : nin» ^ IÃK1? 1
rat on1? â¦mnnirK pk-Vk onso pMD DK^in1?
t t lt;-t vt ⢠:-â¢- v -: i vv v * at : ⢠i v-v quot; KT ⢠I '.
wx dh^K quot;IQKI : niïquot;i«n-bD^ «â¦n â¦nï übnv
«â¢â¢ j ⢠j» v â¢â¢ -: t 1 t-jit t : c j' ; ^ :
: DD^riVw nin» â¦:« watsn-VK onxo vyy
iv â¢â¢ i v; jx * v* quot;* at - ⢠-# H-: * -»quot; ^ ⢠: ⢠: - t
a) onn^. ^iptrnx 13« 'h-wy
â¦non Tjè^1? ióki ispr «b Dnxp
⢠onvP T1?-? Dt,l niV?1? Dn^xc â¦nvnu lè'K DSina nsmi^K D'i^n bnn â¦n1?^1? kv
⢠«- v -: at : t-»quot; v -: quot; Jquot; quot;i â¢)quot;,quot; ⢠:
riKO DM^ÃINI : onxD pHQ DjrvirV? Dn^^1? Dn^N'
I v-»v â¢â¢ v.quot; * 't ^ ⢠it : * I vjv â¢â¢ v,t ⢠: v â¢â¢ v â¢â¢ -:
-nw â¦nipn-nw on1? rnxi : quot;lanan-VK DN^NI onxa ^
v : - I 'v v VT Ilt;quot; vit ^it : ⢠- v v.quot; * quot;Jit -at: â¢
: ons â¦m Dn«n onix n'^' iv* DniK *njnin ^31^0
iv t J' T {.T T IT -iT ti jv .1quot; v _-| at â¢*:-â¢- t x *
n^n1? on^^i â¦ra niN1? nvrh on1? â¦nn: â¦ninaty-nK an *
^ -T AV â¢â¢ Iquot; v.' ** ï â ,^: '* VT ⢠J-T - ; - v
â¦nipna -linaa SNTtr^n'a â¦a-na4'! : D^ipa nirv ^ ^
- 1^ : t : ⢠- quot;^t = quot;o ';⢠' . 't !|- : ^ '/â -â ,*â
â¦ni DiNn onx niry» ivh iDNa ^s^a-n^i iD7n-NL?
-i-T T T IT lt;T ^ v ^l- v -J TT -*quot; T : v : TT I
^nan TjÃtrV -IÃKI nsa â¦nhSB'-nKi ona â¦a^^nn 'n^b kv r^aS n^«i : oni^V quot;isnaa^
jquot; ; â¢â¢ â¢â¢ lt;⢠; ⢠; a* : i^* -â¢quot; : v*-* quot;vrivT it - : ^t : ⢠-
on1? n» â¦nNt^i : Drrr^ o^nNVin it^N oHan «
^ K'' t i-t ⢠ST t ⢠~i - : iv â¢â¢ v^: ^ â¢â¢ Jquot; -:
abn na? 'nha-n^K riNn-bx DniN N^n 'n1?^1? lanaa
t t lt;-t ⢠- t v -: i vjt t v t * t * : * : at :_ ⢠-
-nNi iDNa â¦aöiyaa ?r â¢' nivnNn-^1? trfni«
v : t t j- t : * : 1 quot;quot; i t-;it t_ : y : ^ - :
on^ib nnn »3 i^n 'ninaiy-nNi onn â¦nipn
^v â¢â¢ i ⢠j,,mt i~ â¢)⢠aquot; ⢠vquot; : ~ v : v t j : it quot; i \
DniN 'n^'Kbi ann^a Dn^y Dnni : â¢nVn ds1? quot;
^ -JT ⢠S-^T I ; # AT -: I- vquot; quot; ⢠â¢)⢠quot; T ST - |lquot; JT
DD'niaN 'pinn linaa on^r-^K laKi ; nanaa n^a ^
v â¢â¢ i -: llt;quot; ; t : ⢠- â¢.â¢â¢â¢; v «-it it : ⢠- # lt;.t t
: ixa^n-bK on^^aai Tia^n-^K Dn»L23f a-nKi irrèn^K V^i naiy â¦â¡Ã¶^a-nwi laS â¦nipna DD^VK nm» â¦JK »'
j ^.i' \, : ⢠â¢)- t : ⢠v : aquot; v.- j % ; v â¢â¢ i v: -*t ; ⢠-;
HAPHTAfeOTH.
20 ze. En heiligt Mijne Shabbathdagen, opdat zij tot teeken zijn tusschen Mij en u, zoodat gij erkent, dat Ik, de Eeuwige, uw God ben!quot;
HAPHTARA VAN EMOR.
Ez. 44,15â31.
15 En de priesters, de Levieten, de zonen van Tsadok, die steeds in acht hebben genomen de bewaking van Mijn heiligdom, toen de kinderen Israels in dwaling van Mij afvielen, â zij zullen tot Mij naderen om Mijn dienst te verrichten; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om voor Mij te brengen vetstuk-ken en bloed, is de uitspraak van den Heer, den Eeuwige
16 God. Zij zullen in Mijn heiligdom komen en zij zullen naderen tot Mijn tafel om den dienst voor Mij te verrichten, en zullen,
17 wat Ik hun ter bewaking heb opgedragen, in acht nemen. En het zal zijn; als zij komen tot de poorten van het binnenste voorhof, zullen zij linnen kleederen aantrekken en er zal op hen geen wol komen, als zij dienst doen in de poorten van
18 het binnenste voorhof en meer naar binnen toe. Hoofdwindsels van linnen zullen op hun hoofd zijn en linnen broeken zullen om hun lendenen wezen; zij zullen zich niet met den gordel
19 omgorden, waar men gewoonlijk zweet. En als zij naar buiten gaan naar het buitenste voorhof, naar het buitenste voorhof namelijk naar het volk, zullen zij hunne kleedeven uittrekken, waarin zij dienst doen, en ze neerleggen in de nevenzalen des heiligdoms; en andere kleederen aantrekken, en zullen niet
20 door hunne kleederen het volk heiligen. En hun hoofdhaar zullen zij niet scheren, doch het ook niet in het wild laten groeien; maar telkens kort afsnijden zullen zij hun hoofdhaar.
21 En wijn zullen zij niet drinken, geen priester, als zij komen
22 willen in het binnenste voorhof. En eene weduwe of eene gescheiden vrouw zullen zij zich niet tot vrouw nemen; maar slechts maagdelijke jonkvrouwen uit het kroost van het huis Israels en eene weduwe, die weduwe van een priester is,
23 mogen zij nemen. En Mijn volk zullen zij onderwijzen, [te onderscheiden] tusschen heilig en ongewijd, en [het verschil] tusschen onrein en rein zullen zij hun bekend maken.
24 En bij een twistgeding zullen zij voor de rechtsbeslissing optreden, naar Mijne rechtsvoorschriften zullen zij het berechten ; en Mijne leeringen en Mijne wetten op al Mijne feesttijden zullen zij inachtnemen en Mijne Shabbathdagen zullen zij
25 heiligen. En bij het lijk van eenig mensch zal hij niet komen om zich te verontreinigen; dan alleen aan vader en moeder en aan zoon en dochter en aan een broeder en aan eene zuster, die nog niet aan een man heeft behoord, moeten
26 zij zich verontreinigen. En nadat hij rein is geworden,
LEVITICUS 19
144
onïnp n^itsön -top
nyy2\ â¦ra niN1? vni â¦mnaty-nNi : DniK3
... .. ,.. J. .. ; lt; T ; A-I- v.- : - V ; it
: D3t6« nin» â¦jk »3 nvn1?
IV â¢â¢ I v: v.T ; r r -r
IÃK miiön
.s'^-vd ra ja-'D
â¦BhpP â¢^pquot;nN np^ lè'K pinï ya onbn D^piani« quot;IJ2 mnp' nan mvna
⢠Aquot;-;it : v.- â¢â¢ j :l: ' r â )â¢â¢ -quot;gt;1quot; â¢â¢ T: * i-: ^ : â¢
nan :nin^j-iK dx; DT abn h nnpn1? 'ipb np^vo rtótfi imp» nam ^ipa-^K \si
V : t ; #-Aquot; -:t ; v r :^\ v -gt; I: * t : ⢠tI: ⢠v Tt
nj3 n^a^sn nïnn n^-^N dnids n;ni : wa^a-nx ^
^nnn^a Dn^anaïbn^ nb^^i wpï' D'n^a â¦p:pai D^NT^ vn» b»n^a nxs : nn^j n»a»jsnn'
â bN DnNïai : nsrr N1? on^nb^v vn» D^ntra ^
t â¢â¢ ; ^ -it- v.: : quot; J av â¢â¢ : t ^ v. : r * : â¢
-nK la^a^ b^n-^x njivnn ivnn-^K nii^nn ivnn
â * : : * TT v T 'â¢.quot; -â¢quot; Tiv ,v ^ t r - â¢â¢ t iv â¢*
t^npn nbirba Dni« oa on^a nan-ntrK ann^a
^ via - â¢â¢ : I' : -gt;* ⢠: t j* -:it : t â¢â¢ v -; v â¢â¢; â¢
dbWii : onnjaa D^n-nx i^ip^^i onnK onja Wa^i3
t : iv â¢â¢; ⢠; ^tt v j :|-; i : ^ â¢.. -j j-t : : it :
: Dn^NTnK laoa* Dioa ab rnai irtëy n1?
^ IV quot; IT V V. ; I ⢠J T Aquot; - : ^ -V.V â¢â¢ -; J
nja^N'i : n^a^an nvnn-bK Dxaa fna^a «
nra jn*a nbina-DK »3 0^2quot;? on1?
-nNi : inp* rnaa niabw n^nn-i^x naa'jKni »
^V ; Iit- Kquot; ' TT ; - JV; r v -j T t : - it ; â¢â¢ t: â¢
an'b^i: D^nv ninüb «atrpai bnb |»a nv ^a^ â nN1) â¦nhin-nwi inaatri ^a^aa na^ nan |:
na-bw : i^p;: 'nina^-nKi Tia^' n^ia-baa ^npn quot;= ;-, nKb nabi jabi DNbiaNb-DN »3 nNaab Kia^b DÃN |
mnnu nnxi : waïa» ^'K1? nn»nquot;Nbquot;ityN ninsbv3 ^
a t â¼: it vquot;-; - ; it - ⢠: ^t ; t v -: or; n.
HAPHTAROTH.
27 zal men hem zeven dagen tellen. En op den dag, waarop hij in het heiligdom wil komen, in het binnenste voorhof, om in het heiligdom dienst te doen, zal hij zijn zondoffer brengen,
28 is de uitspraak van den Heer, den Eeuwige God. En het zal hun tot erfdeel zijn â Ik ben hun erfdeel; en bezit zult
29 gij hun niet geven onder Israël â Ik ben hun bezit. Het meeloffer en het zondoffer en het schuldoffer â zij zullen ze eten ; en al het tot ban verklaarde onder Israël zal voor hen
30 zijn. En het eerste, alle eerstelingen van alles, en elke heffing van alles, van al uwe heffingen, â voor de priesters zal het zijn; en het eerste van uwe baktroggen zult gij den priester
31 geven om zegen te doen rusten op uw huis. Eenig aas of iets verseheurds van gevogelte of vee zullen de priesters niet eten.
HAPHTARA van BEHAR.
Jeremia 32,6â27.
6 Hierop zeide Jirmejahoe: «Het woord des Eeuwigen was tot
7 mij, als volgt: Zie, Chanam-el, de zoon van uwen oom Shalloem, komt tot u, zeggende: koop u mijn veld, dat te 'Anathoth is, want aan u staat het recht der inlossing om het te koopen.quot;
8 Nu kwam tot mij Chanam-el, de zoon van mijn oom, gelijk het woord des Eeuwigen, naar het voorhof der gevangenis, en zeide tot mij: «Koop toch mijn veld, dat te 'Anathoth is, dat in het land Benjamin ligt, want aan u staat het recht van erfenis en aan u staat de inlossing, koop het u dus.quot; Ik wist
9 echter, dat het een woord Gods was. Nu kocht ik van Chanam-el, den zoon van mijn oom, het veld, dat te 'Anathoth is; en ik woog hem het geld toe, zeven Shekalietn en tien
10 zilverstukken. Toen schreef ik het in een koopaefe en verzegelde die en liet getuigen als zoodanig optreden en woog het
11 geld in een weegschaal. Toen nam ik de koopacte, de verzegelde, naar het voorschrift en de gebruiken, â en de opene;
12 En gaf de koopacte aan Baroech, den zoon van Nérija, den zoon van Machséja, vóór de oogen van mijn bloedverwant Chanam-el en voor de oogen der getuigen, die de koopacte hadden geteekend; voor de oogen van alle Joden, die zich
13 ophielden in het voorhof der gevangenis. En ik gebood Ba-
14 roech voor hunne oogen, als volgt: Zóó zegt de Eeuwige Tsebaoth, de God van Israël: //Neem deze acten, deze koopacte, de verzegelde namelijk, en deze open acte en leg ze in een aarden voorwerp, opdat zij vele jaren bestaan blijven.
145
*iük müan nop
^nn-^K 1^2 ovai : iViispt «
: nin» ^'-IN DWJ inM^n anp» quot;n^p^sn
artgt; i:nn-NV ninNi onbn: ^ n^nj1? bnb nn^ni â¢
⢠t , : ' t\ -:i- ^ att -:i- t -:i- ; v t lt;t:it ;
nsn D^Nrri nNtanrn nn:an : anriK ,?ki^3m nisa-ba hmy ; nw Dn1? ann-^i
rrirnynibD^nionn^p Si no^
nVarb3 : naia mnb früb ijnn DD^nipn^ ^
: D^n'an hsü] a) nonan-fpi e^rrjp nanpi
*ina mcaan
.(nmsj r.rcnsncD) tquot;3â'i 3quot;^ jo^g rPD^S
Sndjh nsn : iipNV nirrirj n;n in^ö-i» quot;ipK'V ib'NW^-nK ïjb m|5 ioK^ ?[WN N| ^11 bbi2r|3 SNoan N3»i .* nijp1? n^Nan â¡SB'p ^1? »3 ninj^aquot; n: n:j5 id^i quot;hT^sn ivn-^N nin» lans htji ÃS^P ?|b-'3 pö'js p«3 i TE'K nin^rnB'N n^-nx : Kin nirr-m *3 TjS-mp nbwn ^ nWn ninajjs -IPK ni-js ^xojn DKD nn^n-nx njpNi» iMNi ^Mnn^iD^n^^oin-nK ib-nS^Nv nj^Ki: D^os C]p3n Vp^Ni on^ I^t onnNi/nfiDs^ : â¦i^n-nN'i D^nr-iquot;! rmpn Dinnrrnx mppn isdtik n'pnp-f3 nnrfs -jnrbK nipnn quot;ispn-nN |riN^ h'P njpsn quot;iaD3 D^nbn onyn ni bNDjn
. * â¢vr'« ^ â¢*â¢â¢quot; : *.â¢:â¢quot; ' it .. ^s. ; . j.. . -^
^liS'TiN niVK) : nT^pn nyns D^^'n Dnin^n-^ ^ ni^ bijn'f: ni«3x nin; npK-ns'; -oó nki Dinnn nw run nj^pn quot;isdtn n^Nn Dnaprrnx â¢â¢D^DpMip^! wnb ^nn-^33 Dnn:i rrrn nao
⢠^ t ^ ⢠i j ; vat * : * quot; : v - t ~ â¢.â¢lt;â¢â¢
HAPHTAROTH.
15 Want zóó zegt de Eeuwige Tsebaoth, Israels God: âWeder zullen eens huizen en velden en wijngaarden gekocht worden in dit
16 land!quot; En ik bad tot den Eeuwige, nadat ik de koopacte had
17 overgegeven aan Baroech, den zoon van Nérija, als volgt: âAch, Heer, Eeuwige God! Zie, Gij hebt gemaakt den hemel en de aarde door Uwe groote macht en met Uwen uitgestrekten arm; â
18 geenerlei zaak zal voor U dus te wonderbaarlijk zijn. Gij, die genade bewijst aan duizenden, en de zonde der vaderen vergeldt in den schoot hunner kinderen na hen; Gij, Almachtige, groote en geweldige God, Wiens naam is Eeuwige Tsebaoth, â
19 Gij, die groot zijt in raadsbesluit en machtig in het volvoeren. Wiens oogen geopend zijn op alle wegen der menschenkin-deren, om ieder te geven naar zijne wegen en naar de vrucht
20 zijner daden, â Gij, die teekenen en wonderen hebt doen komen in het land Egypte tot op dezen dag, en in Israël en onder de menschheid; en U een naam hebt gemaakt gelijk op
21 dezen dag, â En die Uw volk Israël uit het land Egypte hebt gevoerd onder teekenen en wonderen en met sterke hand en met uitgestrekten arm en onder groote schrikverwekking, â
22 En hun gaaft dit land, dat Gij hun voorouders toegezworen hadt, het hun te geven, â een land, vloeiende van melk en
23 honig, â En zij kwamen en namen het in bezit; doch zij luisterden niet naar Uwe stem en in Uwe leer voerden zij hun levenswandel niet; al wat Gij hun geboden hadt te doen, deden
24 zij niet; toen deedt Gij hen al dit onheil treffen. Zie, de belegeringswerken komen reeds bij de stad om haar te veroveren, ja de stad is bijna reeds overgegeven in de macht der Chal-deërs, die tegen haar strijden, wegens het zwaard, den hongersnood en de pest; en wat Gij gesproken hebt, is geschied,
25 en Gij, zie. Gij ziet het zoo toe! En nu hebt Gij tot mij gezegd. Heer, Eeuwige God: âKoop u het veld voor geld en neem u getuigen erbij,quot; â terwijl de stad zoo goed als over-
26 gegeven is in de macht der Chaldeërs!quot; â Nu was het
27 woord des Eeuwigen tot Jirmejahoe, als volgt; âZie, Ik ben de Eeuwige, de God van alle vleesch, â zou Mij iets te wonderbaar zijn?quot;
HAPHTARA van BECHOEKKOTHAI.
Jer. 16,19â21; 17,1â14.
16 19 Eeuwige, mijne Macht, mijne Vesting en mijn Toevlucht op den dag van nood! Tot U zullen volkeren komen van de einden der aarde en zullen zeggen: âSlechts leugen hebben onze vaderen ten erfdeel gekregen, ijdelheid, waarbij niets
146
irfc niüört
om vp niy bitiw â¦ribN nixnv nin» quot;ion na ^ ®
^ -TT j it ' ^ Aquot; t ;â¢-â¢â¢â¢ v; v. T : jt : t ^ -â¢â¢
^O-Qf?nin^N ^örw : nxn p«3 D^Q^I ni^i» nin» »:iK nnw : imb nnrp -inr^N nipan iflD-m ^
⢠v: -» T-J I â¢â¢ ^tu-)-.' ] jt V tI: ⢠- Vâ
Vinan ?|nb3 p^rrnNi D'OBrrnK ntyy nriN i nan non â¢' quot;OT^a ^so n^ü^n ?ijhm ^
gt;1 ' T ^1quot; V '* V ,T T T ^' : * Jquot; T ' ' AT : ^ v.!^ â¢: â¢
Snn 7^n onnn» on^a p^n-^K ni2« nir
t - lt;â¢â¢ t lt;sv quot;-ZI- # ' jquot; â¢' t Iâ¢â¢ - :
-quot;IB'N n^n Via : iqk' ni^nv nin^ niiari ^
nnb d^k ys b-rr^quot;1^ ninpa b,J-iïo pK3 D^nsbi ninx nüv : v^yo naai3
-; ⢠I vlt;v : ⢠: 1 t ; - -v -i itt^ii- v* ! * :
: nrn DV3 nb-n'^m onxm nin D^n-iy
iv quot; j ~ vquot; -»1 ï â¢* :â¢quot; quot; at t it t : ⢠; v - j -
D^naiDnmima onxp pNö ^S^-DK Nïni»»
tik hrh jnni : Vina N^DSI nnaa j;nmai n^rn npi =3 nar pK on1? nnS onizitó n^in rquot;iMn
-»-T#l â¢â¢â¢â *â¢â ⢠^ av^t J..T V.T -:r t ; jquot; : ⢠v -i - | v ^rr
nniinai^ipa^oty-N^inhN wti IN3»I abn»
-1 ! IT : |v I : ' :'T : T - ir-^ T-q ,t : t
Nipni wv k? ni^b on1? nnny nKiD^n-N1?
-â¢â¢â¢I; â at ^ ^ -:i~ .)v t t s* ⢠v -: t â¢â¢ : t i
T^n 1N3 m^bn nan : nxin n^nn-^a na onx ^
T -T ; I - ^quot;' 1- ^TTT T jquot; T
â¦aso D'onban oniran n»3 nana n^m rnna1?1?
â¢)quot; ; ⢠t v â¢** t : * quot; *: - - lt;- ; t : ⢠^-t ; t : t ;
nn«i : ntin nam n»n man quot;iew nanm a^mi annn «
t - : iv j| ; ⢠1 v,tt t :â¢)- ⢠jv -:r vat' : ~ttit: vjv -
Dn# n^ni cjoaa nn'^n ^nap nin» »a'nN nt? rnüN : naN1? in'ön^K nin^nan ^nn : Dntyan rn nana rvm «
i â¢â¢ vt s s * v t : - ; ; ^t ; ⢠vquot; t :
: nanna nVs» â¦aaan nfra-ba nbx nin» »aK nan»3
IT T T Vquot; T ⢠⢠v ⢠-; AT T T V.quot; v: T ! â¢*quot; quot;J â¢â¢ â¢
^npna nntasn
(lainisa pa nwa pa) Tquot;gt;â'« jquot;i ^quot;aâBquot;I fjj JQIQ iTOTS
-â¦DflKD Wa» D»ia n^N niï ova waai n^ai nv nin» ^
â¢â¢ : - Iquot; T ' v quot; quot;TT ^ v.' ï â¢) â¢. IT s T :
oa-pNi ban ia»niaN iVna nptfnN nax'i
^t I iquot;; v^v â¢â¢ -j j -;iT Iv v I - ; 1 : I vt
HAPHTAROTH.
20 nuttigs is! Want kan zich de mensch â een god maken ? Dezen
21 zijn dus voorwaar niet-goden!quot; Daarom, zie, Ik maak hun bekend, dezen keer doe Ik hen kennen Mijne hand en Mijne sterkte, opdat zii tot de erkenning komen, dat Miin naam is de Eeuwige!
1 De zonde van Juda is opgeschreven met een ijzeren griffel, met een nagelscherpen Shamier, is ingegrift op de tafel huns
2 harten en aan de hoeken uwer altaren. Gelijk zij hunne zonen gedenken, zoo zijn hun hunne altaren onvergetelijk en hunne gewijde plantingen bij bloeiend geboomte, op de hooge heuvelen.
3 o Bergstad te midden van het veld ! Uw vermogen, al uwe schatkameren zal Ik der plundering prijs geven wegens uwe
4 offerhoogten â wegens de zonde binnen al uwe grenzen I Zoo zult gij uw land verlaten, â maar in u is iets van uw erfdeel, dat Ik u gegeven heb; en Ik zal u doen dienen uwe vijanden in het land, dat gij nooit gekend hebt; want het vuur, dat Gij in Mijn toom hebt doen ontvlammen, het zal tot in
5 eeuwigheid blijven branden! Zoo zegt de Eeuwige; âVervloekt is de man, die op den mensch vertrouwt en vleesch maakt tot zijn arm, doch van den Eeuwige verwijdert zich zijn hart!
6 Hij zal zijn als een eenzame boom in de dorre steppe en zal 't niet aanschouwen, dat het goede komt; hij zal wonen als op verkoolden bodem in de woestijn, in een zoutbodem, die
7 met bewoonbaar is. Gezegend daarentegen de man, die op den Eeuwige vertrouwt, dan zal de Eeuwige zijn te vertrouwen
8 toevlucht zijn. Hij zal zijn gelijk een boom, aan water geplant, en die over waterbronnen zijne wortelen uitslaat; die niet bemerkt, dat verschroeiende hitte komt, maar zijn blad blijft groenend ; ook in een jaar van hongersnood kent hij geen zor-
9 gen en houdt nimmer op vruchten te dragen. âDoch bedrie-gelijk is het hart, meer dan iemand anders, en ziekelijk is
10 het, â wie ziet dit in ?quot; Ik, de Eeuwige, ben het, die harten doorgrondt, nieren onderzoekt, om ieder te geven naar zijne
11 wegen, naar de vruchten zijner daden. De koekoek kakelt, doch heeft niet gelegd, â zoo is hij, die rijkdom verwerft, maar niet met recht; in de helft zijner dagen verlaat hij hem en op het einde zijns levens zal hij als een nietswaardige zijn!
12 Troon der heerlijkheid, hooger verheven dan de vroegere, is
13nog de plaats van ons heiligdom! Hope Israels, o Eeuwige!
Allen, die U verlaten, zullen tot schande worden en die van mij afwijken, in de aarde [tot algeheelen ondergang] zullen zij worden opgeschreven, want zij hebben verlaten de bron van
14 levend water, â den Eeuwige. Genees mij, o Eeuwige! dan ben ik genezen; help Gij mij, dan ben ik geholpen; want mijn roem zijt Gij!
147
Tipra mt3fin top
ts1? : ah nam wrbx dik iVnfcwn : Vriö =gt;
I â¢â¢ t r v: j : a- r; v.tt j y n* {lt;3
â¦niiarnKi n^nsj D^HIK n^n Q^ös oyniö
«\* t i : v ; v't v *0quot; *1 - ⢠i â¢Â»â¢ ; â¢
Sn3 rams rriin» nstsn : nin» 'ötr'S win«
: - *3quot;: .)t : t j- - ^ it : : r :it:
: DD^ninsTQ nijipbi DS1? m^y nt^nn r-isva
iv â¢â¢ i ; ; ⢠v, :l* ! t ⢠- t t a- t i vj ⢠:
ni^ar^ p#;1?# Dnn^)_ onnaTp bn^a nara = ^noa rnx ra1? ^nnïK-Va nVn nn'^a nm : nin'aanj
p v it iaquot; V ^ â *' t i v. â¢â¢ ; i t j] t iquot; vt - * t1 i ; -
â¦nna it^K nn'jnsD nai nnunm : n^iar^aa n^tana â lt;
* jquot; t -v -: | : it -: r ⢠I : t : - it : | iv ^ ^ t ; v.t - :
trN-^a ri^a ?i»a^-nK ^^marni r6
y â¢)quot; ^ * tatt i -â¢â¢.⢠-: | v^t t i v: -⢠v | ⢠: -'h i- : |t
-laamnxninnDK i na : npin â¦sxa onmpquot;
vv- c t r : â¢j~ t - i it jt ^ : -»â¢â¢â¢ ; -i:
: ia1? w ninnoi lynT n^a Dtri onwa nt:a»
^ ⢠⢠j t v,t : p ⢠a : ^t t jt : t t it j- ; . ^ jv _.
omn ratyi aiL3 Kia^'a nny n*?-) na-iya i^i^a n^ni gt;
⢠quot;-J ilt;-t ; A -* t r V.V :⢠j i t t^it It:*' : rr :
naa» ie'k naiin -ina : atfn n^i nn^o quot;lanaa»
vquot; : * -»v -j v v - i â * t iquot; â¢â¢ j : v.t â¢â¢ ; i vr.* t ; ⢠-
D'p-^ 'jin^ i ^a nfni : in^ap nin» n^ni nirran nj7quot;i rrni on ^-â¦a ^T^ivè^n^^av
tfgt;r -: iquot; */,rt jtt ; -⢠t v : t tit ---:
abn aby :na m'^o xbi jxt n1? hiïa na^ai»
.)â¢â¢ - \j t 'tv j -liquot; v.'t j ; t ;⢠-⢠v - «- :
ni^a rna a1? quot;ipn nin» : isy-i» ^ Nin Vao'
at ; iv.quot; ijquot; ot : s*-: nvtiquot;# a^ ^ t ; v. â¢
Nbi *i2i Nnp : v^vo naa ifnna amp;t*h nn^i ^
tt -⢠: tt lt;,,pf ^it r^tr v* : * t t : ⢠⢠; lt;quot;t ;
innnxai laary» ia» â¦Ã¯na üöiyoa iwy ni^v
j\' : r c â¢-: r : v '.-i- rr «⢠-j i- at : ⢠; â¢â¢ : ^ v *0
mpQ : wtripD Dipö riEteio ona niaa «oa : baa ^
-i: ⢠..â¢â¢ ti: ⢠k s i ... ^. t ⢠,l ;tt^
lar^ 'a lana» *pNia nio' wa» n^ar^-ba mn» 7«^»
â¢) :*it r /⢠t ⢠i ^ v-»t t - ; a â¢â¢ i vquot;. ⢠t t : â¢â¢ t : â¢
«3quot;isii nin» : nin^nx DMn-D»o nipo ^
'V* ⢠⢠quot; t â¢*quot; ; t : ⢠lt;â¢â¢ t : it : v v.' quot; * â¢quot; h :
: nnK â¦nbnn 'a nypwi
t it vquot; t ⢠; j' taquot; t ⢠:
148 nar nmsD yumh nnnp
h1! I nin» n^n2 rrm : d^Vk Ni' nVi q â¦y
gt; ⢠⢠JT p- p-1 T . TT I gt; ' gt;V: ^ J : r'^S rquot;^
n^n: ^ ^iTn^-nin» quot;IBW pxa yson ^a^-Sap : nstrn ah D'oi^n nnno p1?»^ -orm nnon nnt^n1?
IT , ⢠^ T - quot; Vquot; * I '⢠T l V4quot; v vi* T : â¢:
Haphtara van Farashath Zachor.
I Sam. 15,1-34.
{Volgens den Portugeeschen ritus begint men hier;)
1 En Samuel zeide tot Shaoel: «Mij heeft de Eeuwige gezonden om u te zalven tot koning over Zijn volk, over Israël; en nu, luister naar de stemme der woorden des Eeuwigen!
(.Naar den Hoogduitschen ritus begint men hier:)
2 Zoo zegt de Eeuwige Tsebaoth: ,/Ik heb bedacht, wat 'Amalek Israël gedaan heeft, hoe hij het [hinderlagen] gelegd heeft op
3 den weg, toen het opgetrokken was uit Egypte. Welnu, ga en
fij zult 'Amalek verslaan ; en gij zult tot ban maken al wat em toebehoort en u niet over hem ontfermen ; en gij zult dooden zoowel mannen als vrouwen, zoowel pasgespeenden als zuigelingen, zoowel ossen als lammeren, zoowel kameelen alsij zult 'Amalek verslaan ; en gij zult tot ban maken al wat em toebehoort en u niet over hem ontfermen ; en gij zult dooden zoowel mannen als vrouwen, zoowel pasgespeenden als zuigelingen, zoowel ossen als lammeren, zoowel kameelen als
4 ezels!quot; Nu liet Shaoel het geheele volk oproepen en monsterde hen te Telaiem twee maal honderdduizend voetknechten ; en
5 tienduizend de mannen uit Juda. Nu kwam Shaoel tot de stad
6 van 'Amalek en streed in het dal. En Shaoel zeide tot den Kéniet: âGaat heen, verwijdert u, daalt af uit het midden van den 'Amalekiet, opdat ik u niet met hem te gronde richte, â terwijl gij immers gunst hebt bewezen aan al de kinderen Israëls, toen zij uit Egypte waren opgetrokken.quot; Toen verwij-
7 derde de Kéniet zich uit het midden van 'Amalek. En Shaoel versloeg 'Amalek van Chawiela tot in de richting naar Shoer,
8 dat ten Oosten van Egypte ligt. En hij greep Agag, den koning van 'Amalek, levend; doch het geheele volk maakte hij tot ban
9 met de scherpte van het zwaard. Doch Shaoel en het volk ontfermde zich over Agag en over het beste van het klein- en rundvee en de tweejarigen en over de gemeste rammen en over al het beste, en wilden niet ze tot ban maken ; doch al het geringgeschatte en vergankelijke goed â dat maakten ze
10 tot ban. Nu was het woord des Eeuwigen tot Samuel, als
11 volgt: «Ik heb berouw, dat Ik Shaoel tot koning heb gemaakt, want hij is afgeweken van Mij te volgen en heeft Mijne woorden niet ten uitvoer gebracht.quot; En Samuel had er verdriet van
12 en hij schreide tot den Eeuwige den geheelen nacht. En Samuel
nar ntnM nxnp nop : Dnva» DanKïa rniz pbny ^ n^rquot;i^« n« ni5r
â¢it: ⢠⢠jv : iquot; ; | v^v- ^ I a- t v.1 : JT r f v quot;* ^ *quot; r
nnNi ïinnK D^nan-'ja ^3 aan Tma nnp ivx
- ; I v-i f t v:iv - t I ; «â¢â¢-;- | vv- | :Iit v -i
nar nu'ia mtaan
.Y'V-'s r'D JQ^O s ^Niotra .Dmaon n^^nnn jxd
üq^p1? nin» nb^ tik VINB'-VK 'hwm ^ : nin; nan vhv SKTir^
.DvaarjCT D^nno JKS n^rquot;i^ nx 'mps ntioï nin» nox ri3 =
Kquot;Tq-s jt t -. : .)â¢â¢ T : quot;W T *. jt ! 1 T. LI
â¢n1? nrw : onxDö inb^a Tna r? j
| â¢â¢ t ^ ⢠it : ⢠⢠v. : iquot;^ I v v - jt v -: t : ⢠:
Vonn kVquot;! Dnpnnnip^ojrnx nn^rn
quot;ilB'p piv-^quot;! nf tr^p nnpni bipfi'i D^n-nx Sinb' ^Q^I, : iian-i^quot;! böap : min» ^'N-nN ^jn rhx D^nxo o^tsa
it : j' v ^ ⢠t -: vjv ^-ir a* : - ) v v â¢* * jquot; t ⢠t ; -
-VN biKtr lax'i : â¢jma n^-i^ N3»in
j:t , â¢â¢â¢ J- â ,T- ^Tquot; Lquot; x v ^ gt; q t lT . JTquot;1
nnKi iD^ ^apiqa 'p!?»^ ^inp nn no izn ^pn no»! Dnxso Dni^a ^rVa-ojr non nn^jr
-jt- ⢠at : ⢠⢠vt .1quot; *⢠t : ⢠; r v v t «⢠*t
?]«i3 nVino $DjrnK ^»1 : pbo^ Tjinp ^p_' pbor^o jjn'HN ^am : onso
Kquot;rT ': i ' VVV . 9' ^ V ' * t ,T* * quot; 1 ^ S
orni biNtr ^onn : ann-^1? onnn D^n-^rnNi 'n»
â¢T T T : â¢- vit : q ''*v: 'â¢* ^tt T V ; AT
â ^1. o^B'ani np^ni jwïn ais^p-^uiN*^
oaji nT203 nD^an-^i oonnn 12« aièn-Va
v,quot; t ; jt; * ; -jt t ; - t ; at ⢠-: i- ^ ^ t j \ quot; t
â¦nona: quot;iöN1? nin' -an 'nn : iDnnn nnx^
⢠: - ⢠1 quot; # v.quot; v t : â '- \ â¢;- i v:iv jt «1
16 nan-nKi nnxa 3ir'3 nVob bmtrnK 'nD^on-^
v.-t ; v : --n- â¢â¢ t ⢠|v v ; t v ^ ; ⢠r
02m : nrbn-^a nin^-^N pyrn inn dw^
squot; : *quot; t ;it - t vt : v | â¢3-;*- â¢â¢ ; ⢠- â¢â¢ Ia*quot;
HAPHTAKOTH.
stond op, Shaoel tegemoet, in den morgen; en er werd Samuel bericht, als volgt: âShaoel is naar den Karmel gekomen en zie, hij richt zich daar een gedenkteeken op; vervolgens wendde
13 hij zich om, trok verder en daalde af naar Gilgal.quot; Nu kwam Samuel tot Shaoel; en Shaoel zeide tot hem: «Gezegend moogt gij worden door den Eeuwige; ik heb tot stand gebracht het
14 woord des Eeuwigen!quot; En Samuel zeide : âEn wat is dan het geluid van dat kleinvee in mijne ooren, en het geluid van het
15 rundvee, dat ik hoor?quot; Hierop zeide Shaoel: âVan den 'Ama-lekiet hebben zij ze gebracht, daar het volk zich ontfermde over het beste van het klein- en rundvee om te offeren voor den Eeuwige, uwen God; doch het overige hebben wij tot ban
16gemaakt!quot; Hierop zeide Samuel tot Shaoel: âLaat af, dat ik u mededeele wat de Eeuwige tot mij gesproken heeft dezen
17 nachtquot;; toen zeide hij tot hem: âSpreek.quot; Nu zeide Samuel: âVoorwaar, indien gij ook klein zijt in uwe eigen oogen, toch zijt gij het hoofd der stammen Israels; en de Eeuwige heeft
18 u gezalfd tot koning over Israël. Nu zond u de Eeuwige op een weg en zeide: âGa en gij zult tot ban maken de zondaren, 'Amalek, en gij zult hem bestrijden, tot men hen geheel ten
19 onder heeft gebracht!quot; Waarom hebt gij nu niet geluisterd naar de stem des Eeuwigen en vielt gij aan op den buit en deedt zoo hetgeen kwaad was in de oogen des Eeuwigen?quot;
20 Hierop zeide Shaoel tot Samuel: â ... dat ik geluisterd heb naar de stem des Eeuwigen en gegaan ben op den weg, dien de Eeuwige mij had gezonden; en ik bracht Agag, den koning van
21 'Amalek, doch 'Amalek heb ik tot ban gemaakt. Doch het volk nam van den buit klein- en rundvee, het uitgelezenste van den ban, om te offeren voor den Eeuwige, uwen God, te Gilgal.quot;
22 Toen zeide Samuel: âHeeft dan de Eeuwige welbehagen in brandoffers en dieroffers, gelijk in het luisteren naar de stem des Eeuwigen ? Zie, luisteren is beter, dan dieroffers; het oor
23 te neigen beter, dan het vet der rammen! Want tooverij-zonde is weerspannigheid, en misdaad van afgodsbeelden is halsstarrigheid ! â Omdat gij veracht hebt het woord des Eeuwigen, heeft
24 Hij u veracht, om langer koning te zijn !quot; Nu zeide Shaoel tot Samuel : âIk heb gezondigd, dat ik overtreden heb het bevel des Eeuwigen en uwe woorden; maar omdat ik het volk
25 vreesde, luisterde ik naar hunne stem. Welnu, vergeef toch mijne zonde, en keer met mij terug, opdat ik mij nederwerpe
26 voor den Eeuwige!quot; Toen zeide Samuel tot Shaoel: âIk zal niet met u terugkeeren ; want daar gij veracht hebt het woord des Eeuwigen, heeft Hij u veracht om langer koning te zijn over
27 Israël.quot; Samuel wendde zich om om heen te gaan; toen greep hij hem vast bij den hoek van zijn mantel en deze scheurde.
149
quot;nar ntjna mtsan uop
-«3 nÃNb bNioiyS ih ip32 Vikb' njnp1? SWIÃ#
it quot; â¢â¢ : -â¢. - ^ iva- ^ â¢Â»quot; ï
^a^m^nnyi ab'iT ib nani nVonan^N^
it ï * * â¢-%â¢â ^nâ ⢠- t r ' â¢â¢ ⢠; tv:-'- lt; t
nin'S nnx Tiina Vikb'I1? quot;IOK'I V^ty-bx
tl- t * ) «t t j vs' at V Vquot; ! ^ Tquot;
rNvn-bip noi ^KIO^ na^'i : nin» i3Tn« TOpn^
i ^ - li y)v â¢â¢ ; v -â¢- it : j' : v ⢠v, '* 'J
-IQN'I : VDamp; 'D1H np3n blpl *3TK3 HTn10
t ^ v - iquot;. it jv -: ' T^T' : ^tzt ; -
-ipT3ni jxïn D^n Von IB'N DIK^H 'p^o^o
: i:oinn quot;ini^n-nNi n'rtVts nin,lp nhr
S'. V:,VQ vquot; :. V! LT : ' ⢠L SL ' â¢
nin» quot;131 quot;ikw nx ^ m^Ni nnn biKty-^N ïwdv
â¢)t ; sv ' v -: â¢â¢ i : t â â¢â¢ - : i v v«# t v â¢â¢ ;
â D^ Ni'jn nnamp;ï : 131 ^ MDamp;à n^'Vn quot;bn* '
-; â¢â¢ ; v J - Iquot; quot; ^ ^ T ;AT quot; V.quot; quot;
nin» nnx Vni'^ ^3^ kwi ^^^3 nm ?bp
â¢)t : si â1 it ; â¢- tat k,quot; t ; ⢠jquot; ; * â¢). i v . t - » lt;it
rjh 10^*1 ^ns nin» : Sni^Sj?
oni^-i^ 13 nonVii p^o^tk b^tann-nx nnonnm
t - *â ^ jt^: - : ⢠; i â¢â¢ t*1: v ⢠t - r v t : --: i- ;
S^n-bx nin» blp3 ns^i : DnK ^
tt- v at ⢠i t . ^- t i t jt i it
bNiDK'-VN biKï? nöN'i : nin» ^^3 jnn vyw3
«v -; â¢â¢ ; v t v - i ,T : â 'quot;. : T ^ '
^3Ni nin» â¦jn'jiriiyK TM2 TpKi nin» bip3 'n^ö^
⢠tit ^at ; *â¢*- t â v -: i vv.v- | â¢â¢ quot;it t ; : ^ : quot; t
D^n np'i : ^oinn p^jrnxi p^a^ ^bo jjntsï «=⢠nirr1? niatS Dinn ip3i ïnï Sbario
i *.â¢; jt i- - â¢) : ⢠^ vaquot; - -** â¢â¢ Ktt \ j )T r -1quot;
vbws â¡â¦n^i ni^3 nirr1? rsnn iq^'i : 33
^ . t s - ^ ; t i- i vlt;â¢â¢ - ^ ; v -* - it; ⢠-
: 3l?no ^prb 31l: n3TO ^biy nan nin» ^ips
'* ** v. : : â¢quot;â¢â¢ quot; : gt; AT *
*i3TnN PDNO nxön D'finrii \m no DDp-nxan '3 » ^nNtbn noK'i : quot;nbso nDNO»i nin» ^
tt â¢â¢ ! ^ V ^ lt; t V - | V IV ⢠v. i : «t : ⢠- t :
yotrKiD^n-nN 'nN-i* '3 T-DTHKI nin^-^-nx ,nn3V,3
k.' i 'â 'IT r T. 'â¢' ' quot;T *' » AVT : y ! vt : i* v ⢠zj'^r r
mnnt^xi 'èv 31^1 TiNtsn-nK a: Nir nn^i : D,?ip3«
vv-j 1- : v ; ⢠^' j ; a- t - v ^t jt t * : it i :
â¦3 quot;nay 31^^ : rrin^ 13
«⢠i at ⢠^ t j t v â¢â¢ ; v lt;- ^ ^ it iquot;
quot;nbö nvnD nin» nin» wnx nnosio
- iv^v j : r t : jI ; it : *- t ; â¢'- ; v t : - t
: ll7^Q-^:33 pTn»i n3t7'? 3b»i : »
i-| t' - ^ : iquot; : * i jquot; -:iâ v av t v,quot; : j * â iquot; t ; â¢
HAPHTAROTH.
28 Nu zeide Samuel tot hem : âDe Eeuwige heeft het koningschap over Israël heden van u afgescheurd en het gegeven aan uwen
29 naaste, die beter is dan gij ! En Hij, de Overwinnende kracht van Israël, Hij spreekt ook geen onwaarheid en verandert niet van besluit; want geen mensch is Hij, om van besluit
30 te veranderen !quot; Hierop zeide hij : âIk heb gezondigd; welnu, eer mij toch ten minste tegenover de oudsten van mijn volk en tegenover Israël; en keer met mij terug, opdat ik mij
31 nederwerpe voor den Eeuwige, uwen God!quot; Nu keerde Samuel terug, Shaoel volgend; en Shaoel wierp zich neder voor den
32 Eeuwige. Toen zeide Samuel; âDoet tot mij naderen Agag, den koning van 'Amalek!quot; En Agag ging tot hem in pronkgewaad; Agag zeide namelijk: âVoorwaar! thans is de bitter-
33 heid des doods geweken !quot; Doch Samuel zeide; âGelijk uw zwaard eens vrouwen kinderloos maakte, zoo zal kinderloozer, dan eenige vrouw, uwe moeder zijn!quot; En Samuel doorboorde
34 Agag vóór den Eeuwige te Gilgal. Samuel ging nu naar Rama; en Shaoel trok op naar zijn paleis te Gib'ath Shaoel.
quot;iSN-nx «pan DSDIquot; : mn ntfEn ma mDatoV
v lt;â¢â¢ v Jquot; it v ⢠: r jt - * jquot; : v.)v ; ⢠:
-i-bi birïw ^ nnrn riyrny kdei vnnrnK man
; â¢â¢ t ; t : it : VTitt - v t : tt : v tt -
Noc^D-iN irarbD1? nas pan :DSiy npnb DDina nan
Ti ATT T ; : 'jquot; - it IJ-*..; : JT -
Di'm oi'a irKann» Kin : D'Q»
- j - s - T quot; V J ^ i* t jquot; : â¢
ab yzwr] Di'Si ^^^n Di'3 stènn' ktdki nnü»
J. ' :Lquot; V : s. ^ T ' i * AT *
ab) nw-im onxn irflja noa ^3n-?3 nnü» â¦d h xinn B'ösn nnnaai ksü nin»
nninnnNT :13 ni^ n!,n» KDà V1?^ pirxb nn:
t - « i j r i \ v, v:i* t t t I *quot; i t â
bnib ^n^n-bx xan-^a Vnio dik
t â¢*â¢â¢â¢ â : t : v t lt;t - ^ t va; ^ t r ^t t
^na TDïquot;pst quot;it^x nina ^3 VDI. : D'D» KDû ann-^narnirn SDI : Nin KDÃ
V V - -J |- VT â r . ... ⢠I Tlt; AT T
inp1?quot;! onx Dï^nw nnn IN
I: it : i* T * V.T ; ⢠v|AT: â « V.tt V DV; I quot; ^
: 'hyba DMn D^D rnai nKtann nanty quot;IÃ^D KÃB1?
⢠IV ^ V ^ v*quot; ⢠j~ OT-T I.-T: ^at T
^nkrr^ ntni ninü^Nb:»? SaüpiTNï IN bvè? ^3n*^quot;i ü^-vn nupaiirbjn
150
iidt nsns mtoan :p
n^büü-nx nin* ynpT â¢jkide'VVK iö^»!quot;3 -ij?#! ^1? nX? oai â¢' ^QQ aitan nin^ ai»nM nny 'nxèn â¢^o^',,) : onan'? Kin DIK quot;2 onr ^
t t t v -â¢- lquot;t * : ^ ot t j -'* aquot; t * w :
^nnnntyni 'èy zm nwi ^pnaa K: ^ISS
⢠v.quot;-*!- : * ; ⢠^ -⢠: aquot; t : ⢠v^v: v.j-l;* viv .)t ⢠r* : -
inni^i nnK bxioiy 2{r«i : nin^ ^
v. t Jquot; : ^quot; a t ^ -â¢â¢â¢-: I- v,quot; : t^t- i iv v; i-
p'i'ov nba 'ha it^an 'jniob' na^'i : nin^S ^
I â¢â¢ |v-v --: v - â¢â¢ «⢠- â¢â¢ : â¢â¢quot;'â . ,T . 'quot;
: nian-io id px jjn rüiyo jjn quot;nSn
vit - - jt kquot;.t t^-i v j- a -'t iquot; {quot;*. t quot; ' â 'â quot;*quot;
D^30 ninn D^: nVair TO3 'litim ION'V^
v.- t ⢠jm i ' 11quot; i v : - ⢠t «t ; ⢠v -ii- : v j-
nin» ^sh m-nx Vxioty epm ^
|vjquot;- it ; ⢠- v.t : jquot; : quot; or -j v squot; : »â¢â¢-;quot; |av â¢
: ViNtr nyn ^KSPI nnann ^NiDty
it r ; * ^ â¢â¢ v jt*t i) t t tat t it vquot; *
ma nirnaa quot;i^aob n«np
.spDsn ei» ii- minn npn nxr's nninn npn n^r : Ion1? rhnK-bNi ntro-bK nin' nan*quot;!
t - i-â¢'â¢â¢. lt; i quot; i v.-tl- v : -/â¢â¢â¢ v t : j..
inpn 'jKitr» gt; lyi â ioxb nin* nirni^x
!:â : .. T: . ,. .... â ;â .t : ^T- ^
n^y-N? quot;ik'n did na-pK im no'Dn nanK ma vnn
^ jr r i â¢jv -j tIiquot; lt;â¢â¢â¢ -j t ⢠; t \ â: t t f v â¢â¢
nnx x^ini jnan nnx annji : bj7 rrty
t «⢠: i aquot; - vt t ; v v t Jv - ^i t vquot; t
rnan npbi : v:a^ nnx ün^i ninaS rma-^
l )quot; quot; st t : v i-t : it t : ^t -»-t : v-j i- - | j â¢
Viv no^D n^ia-bnk »ja nar^K nfni ijraïxa nana
^ * jv v^t t ⢠â¢)quot; v i squot; ; - v t * : a t ; v ; t â¢
mira-nNi nijrnN v:^1? man-n« «iTtyi : D^ojra
tt : v ; lt;r v at : ^.tt - v | j'r : ^ r *t :
â¦iïriaimim nr rnan np^i :mt^ ntrna-^ narnxi
Vquot;: â¢-â¢-â¢â¢â J 1 â¢â - |j-t; !'=⢠^ =â [,: TT V:
?nan vua oaai: man naïp nin-bN nybin
i â¢â¢ - tt : v ⢠; itt - j- â¢â¢; ) ^ v '. ' : AT
â n^ pan sjam n:nan-b« ay inKi D»aa nira rnm
i v.quot; quot; jquot; r : av -; Iâ v ^ t vâ.! * â t ; i lt;- t :
D^aa ntra rmi D^aa vnaa aaa» nrw «ii^ni : an^n
⢠at - v.t : i j- t ; * ~ - tt ; lt;â¢â¢ - : t | jquot; quot; : v*tt t
iranquot;) man lax nx iinü wx i p|DNi: a^n-n^ koei bKTB^-^a m^1? nn*niP unD aipaa nanaS nno
squot; t: ⢠i- ; m^-:r t;it; at I^t ; ^v-;r - | j â¢
131 ma nunfia oViy npnb onS nn^ni : «in kölj pirK1? ni: »ü
lt;st l-»-\ : v.quot;t jt:it^: ^ i Jquot; r ^1 j' i ot* jquot;
-njr noü» nnan 'Da vnaa ozy marr'ö ntoi
; ⢠t ⢠- j.. .«...- . tt; -â¢â¢â¢-; t ⢠- iquot; «quot; ~
nwan ^asni NOÃ* NOÃSH iryrit^K
^V,- - vjv - ; at : ⢠vquot; t - j ^ quot; v -t â¢gt; : vTt t
: rnyrny KDtan
vtt t - )X â¢
Haphtara van Parashath Para.
Ez. 36,16â38.
16 Nu was het woord des Eeuwigen tot mij, als volgt;
17 âMenscheuzoon! Het huis Israels, zoolang zij woonden op hun bodem, verontreinigden zij dien door hun levensweg en door hunne daden; gelijk de onreinheid eener in menstruatie afgezonderde
18 vrouw was hun levenswandel vóór Mijn aangezicht. Toen stortte Ik Mijn gramschap over hen uit wegens het bloed, dat zij vergoten hadden over het land, en omdat zij dit door hunne
19 afschuwelijke handelingen hadden verontreinigd; En verstrooide Ik hen onder de volkeren, zoodat zij rondgeslingerd werden door de landen; naar hun levenswandel en naar hunne daden
20 oefende Ik strafgericht tegen hen. Zoo kwam het tot de volkeren, waarheen zij kwamen, doch zij ontwijdden wederom Mijn heiligen naam; terwijl men van hen zeide: «Het volk des Eeuwigen zijn dezen, doch zij zijn uit Zijn land heengegaan!quot;
21 Toen ontfermde Ik Mij over Mijn heiligen naam, dien het huis Israels hadden ontwijd onder de volkeren, waarheen zij gekomen
22 waren. Daarom, zeg tot het huis Israels: zoo zegt de Heer, de Eeuwige God : Niet om uwentwille doe Ik het, huis Israëls! maar alleen ter eere van Mijn heiligen naam, dien gij ontwijd
23 hebt onder de volkeren, waarheen gij gekomen zijt! Ik zal dan Mijn grooten naam heiligen, die thans ontwijd is onder de volkeren, dien gij in hun midden ontwijd hebt; dan zullen de volkeren erkennen, dat Ik de Eeuwige ben, â is de uitspraak van den Heer, den Eeuwige God, â als Ik Mij doe heiligen aan
24 u vóór hunne oogen. Dan zal Ik u nemen uit de volkeren en zal u verzamelen uit alle landen en u brengen naar uwen
25 bodem. En Ik zal op u sprengen reinigingswater en gij zult rein worden; van al uwe onreinheden en van al uwe afschu-
26 welijke handelingen zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwen geest zal Ik in uw binnenste leggen; en Ik zal het steenen hart uit uw lichaam verwijderen en zal
27 u geven een hart van vleesch! En Mijn geest zal Ik in uw binnenste leggen; en Ik zal maken, dat gij in Mijne wetten uw levenswandel voert en Mijne rechtsinstellingen in acht neemt
28 en ten uitvoer brengt. Dan zult gij wonen in het land, dat Ik
ma ncnan nxnp Kip
di»3 xótan-V^ Sntan nrm : quot;lasn IK naa 1«
J ~ *⢠T ~ . T - lt;T^ : VI IT- gt; v.quot; quot; ) TT IV
vuö DSDI Di'a iKtsni oi'ai
â iTT#; sv ⢠: ^ ⢠: -⢠- ; ⢠; - -⢠- v.- ⢠; -
xènn^ xbi : rnys inMi. D^S? ^nni
Kstp njn| ty^Q-nN^ Vn^n -jinp «inn ^öan nniaai
nis n^iö müört
.nquot;S-ïquot;B r'S jD'D Sxprn'a
oiK-fi: imh quot;bx ninnan 1 riNDtaa Dni^yni oanna nniK i^a^i djiö^K
- : \ i /T r^ii- V,T : - : T j : - ;- tt;-
Din-^ 'non : 'ish oann nrm manquot;1
^ kt- v ⢠T -: Ilt; : VIT it t ; «.t ; - rr ;it t- -
DDK pöNi : nixarp Dn^^aai pNtnquot;1?^ iDa^-n^K ^ «13*1 : D»ni2fity onib^Di 03*113 m oHaa3
^ T- r i - ; vt i* 'Hi- : rr : -^: rt t -: it vt*- ⢠-
on'jiDKa ^ip Dt^-nx i^nn uiï INS-IB'N b^n-^x
vt lt; v: iv ft' ;It -»â¢â¢ v v, ; - :- t ^t v -: - v
iwh 'anp DBT^ bbnKi : i«y' iïixdi H^K nin^or^
lt;v -: a* :It -»â¢â¢ ^ ^ : vit itt v, : quot; iquot; v â¢â¢ jt :
iDNi \amp; : natr o^iaa n^a in^n ==
â¢* v; I *⢠t t it jt v t v* quot; â¢â¢ t ; ⢠-quot;⢠\ ⢠â¢
rivy *:n DDjyo1? ah nin» â¦i'-iK Sax ris
V,v ^ j- -; ov : ^ i- ; s ⢠^v: -«t - t lt; .. x. . ,.. f
-im 0*153 Dr^-Ti im wip-Damp;b-DN »3 SnTb^ rv3
V quot;: â¢*â * ~v â¢*!quot;â¢. â quot;⢠quot;* ⢠!»T quot;quot; : ^ ⢠«⢠Aquot; T: â¢
IBW D^3 7bnan Sinan vv-nt* â¦ri^pi : DE' DriK3 » nin;: n'-iN b«2 nin» »jk-'3 D^n i^ti D3in3 anbbn â¦wspi Djian-fa MHK ^nnpbi : Drn^V 033 ^ijpns13 â¦npnti: D3nanK-17K DDn« â¦nN3ni m^Nrria' orm «
s-I; -it; IV ; - :- v : v r â¢â¢ iquot; ; a t-jit t ⢠v,*-* : quot;â¢*
DD^^r1?3aiD3,niNat2V3aDmnt2iDnint2 o^a DD^V
V.v â¢* i * T ⢠â )â¢â¢â¢ â¢â¢ '. : % s^* . av :- ; v* : ⢠j- â )â¢â â¢
rnx nann nni ^quot;in 37 D3S wui : D3nx «
1 , â . v TT ... 1 ... T . -1T! ,,! v -----;
3'? 037 'nnji D3quot;i^3a pKn 3rnN â¦nhom Q33ip3
jquot; v.vt^ r -it; v ; â s Iv v t v ⢠⢠av T :|-T
«Sn 'pnriB'N nx â¦n^i oasnps fnK 'rnrnNi: 1^2 » »nrn pN3 Dn3^\i : on^i i-ia^n 'üö^ai â¢
HAPHTAROTÃ.
uwen voorouders heb gegeven, en gij zult Mij tot volk zijn
29 en Ik zal u tot God zijn. Eu Ik zal u helpen en redden van al uwe onreinheden ; en Ik zal het koren toeroepen en zal het vermeerderen en ik zal geen hongersnood over u doen
30 komen. En Ik zal vermeerderen de vrucht der boomen en de voortbrengselen van het veld; opdat gij niet meer ondervinden
31 zult de schande van den hongersnood onder de volkeren. Als gij dan u herinnert uwen slechten levenswandel en uwe handelingen, die niet-goed waren, â dan zult gij in uwe eigen oogen u tot afschuw zijn wegens uwe zonden en wegens uwe gruwelen!
32 Niet om uwentwille doe Ik het, â is de uitspraak van den Heer, den Eeuwige God, â moge het door u erkend worden! Schaamt u en wordt schaamrood wegens uwen levenswandel,
33 huis Israels!quot; Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: «Op den dag, waarop Ik u reinig van al uwe misdaden, zal Ik de steden weder bewoond doen worden en worden de puinhoopen weer
34 opgebouwd. En het tot eenzame woestenij geworden land zal weder bewerkt worden, in plaats dat het eene woestenij was,
35 voor de oogen van iederen voorbijtrekkende. Dan zal men zeggen: «Dit land, dat eens eene eenzame woestenij was, is nu geworden als de tuin van 'Eden; en de eens verwoeste en eenzame en omvergehaalde steden worden nu als ommuurde
36 vestingen bewoond!quot; Dan zullen de volkeren erkennen, die rondom u zullen overblijven, dat Ik, de Eeuwige, heb herbouwd de omvergehaalde steden, heb geplant de eens zoo eenzame woestenij; Ik, de Eeuwige, Ik heb het uitgesproken en doe het!quot;
(De Portugeesche Israëlieten eindigen hier).
37 Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: âOok in dit opzicht zal Ik Mij voor het huis Israels, als zij Mij zoeken, welwillend toonen, om het voor hen te doen : Ik zal hen vermeerderen in
38menschen, gelijk het kleinvee! Gelijk het kleinvee der gewijde offers, gelijk het kleinvee in Jerusalem op zijne feesttijden, zoo zullen de eens verwoeste steden vervuld zijn van menschen-kleinvee; dan zullen zij erkennen, dat Ik de Eeuwige ben!quot;
irvzrbK :hpn tfinnpVinamp;o nvno n^n uyo»
V .. ... jir- â¢) - : I-J~T : . *â¢* * : iquot; ⢠- - â¢J-; â¢
riv : nfrir'ty iDbn 'ÃS wtt nfctea nDD03
sv iv - ^ ^ t : t quot;J* s 'lt; at:
: inpn Dnyrnoi D^Eoarno D31? rrrr ruEna quot;dt D»ön
IIT * IT I ⢠r t : - t ⢠AV T â¢Â»â¢.* : I* V.T T I V ^ â¢'T T â )' T
iran^inntrin1? DV ïwy nyaiK ny n^m
-» -jit ; av^- v j ^ -)T t Ott ; - v v ; ⢠; v t lt;t t :
onn-ro inp1?quot;) : ra bH'ïwmv ^np ijia
T- I ⢠I;IT ; â it ; IT I jquot; v.*' T: ⢠t I: i
LEVITICUS. 20
152
mö nuna nit:an : DflVstb Dab n^nK â¦ÃJKI üiïh ^ on^ni
i ^ iquot; IVT r.'iiv â -'T : quot;t ; ⢠â /â¢=â¢: I- Av â¢â¢ i -i-
^annii^n-^K q^niKOB Vip DanK^^ini»3 nawni nö-nsj â¦reaini: 3^TDD^j7|nx-N^ in^ :D'iaa ay^najin inpn-^' I^NT |^Ãgt; nnt^n DS^ÃI D^m DD^-ithk bmii ^
a i -tv -i v'-* â¢â¢ : ^ i- # t it â¢â¢ : - v v : - :
Np : D^nn^in ^ ^ DD^M anb^i^
iDbam iiyia DD1? ^nv nin» 'rw DK: n'^v-^x ddjïto'?
â¢Â» ;it s /v t f t* ^ ⢠v; -«t -: \: v * r -: -«v: *- i- :
nnta ova nirr â¦hk iox na : ^kïem n»3 DD»3quot;na ^
â¢quot;â¢-ïi- : ⢠v: â â¢t -i - t^ lt; iquot; t: ⢠j- (.v : .
: nninn 1:2:1 Dhyn-nx 'na^ini MWi:ty baooanN
1 t-tiv v : ' t-*quot; v ⢠: - 1 : av â¢â¢ 1 ^ â v : v
â 73 nbö^ nrvn quot;i^x nnn nayn nai^in nxm ^
t vquot; : t t : jt : it -â¢â¢.⢠-: ^ *quot;*riquot; v.t - ; 1- \ vjt r:
on^ni HTO n^n na^:n ir^n pan npxi ; 121^^ D;ian i^quot;in ; 13^» nniïa nio-inani niötr:ni mainn^
j :,t: ^ gt; ,t t j : ^ tv:,v' : j - :i- : â¢gt; â¢â¢*:iv
nioinsn â¦n'ja nin» i »3 bD'nia^D
tv:iv - t t : â â¢â¢ -: â gt;⢠v â¢â¢ i ⢠: -:it ⢠-«v -:
: 'jvtryi wan nm» â¦:« no^jn 'nvt::
* â¢* t ; ⢠:jm ⢠\,t : j- -: at - ; 1- â ^: t
â¢D'TTSDn D'D^DD fiN'3
nf^b trnnK n^T ni^ nin* ^ik iok na^
DS^IT |Nïa ftfya : onx |Nïa önk na-iK onS^ i^ti onx [nï niN^a niainn on^n'nrSnfa nn^ipa
: nin» W2
trnnn nty-iaa yumb nxnp .sposn«!« msD iSaxn -w dsS nrn vim 's ^nm m nwi : no»1? onyp pxa fSnx-SKi n^ö^K nirr iün^i oaS kin |i^«i D»Bhn oaS mn srnnn n'^a â¢Ã¯dn'P V'W! nn^a-^ N'ian : na^n â¦gnnS quot;DNi: n^ab n'tr nan-n^a^ nty bquot;k on1? mpn nrnVtn1?
it jv y, t iquot;; jv .)⢠vt â * i: * t av- v-* â¢Â»
153 annn niyisa yusnb nxnp
hw nvnu' : mann obi^ npn ü^rh-h nin^ an in«
⢠t ^-: ⢠i\ t : vT i J'\ v â¢â¢ â¢Â» ; 'ST . â¢*quot; V,
i »3 DD'naö quot;iK'iy in^trn ritb«in di^ tix nivo
-⢠AV â¢â¢ IT ⢠V ï : - I ',T fl'quot;' ~ quot; I f quot;
di»d bthi^o Ninn ïrssn nnnaji rbn VairSa
| ^ .IT . .. T; . . ⢠- ^ Vlt;v - t : : ⢠; I â¢â¢ t -â¢â¢â¢ t
Dl'51 tyip-Nlpp jlt^Nin Dl»5i : yifr\ Dlp^ -iBte -ix onantfy^nsKbD-Va Dab m ^tp-Nnpo
JV -J I -lt; V t â¢quot;⢠tlquot; t t ; t AV t -vtr^ vl V tl: â¢
-nNlamo^ : Da1? rivy na1? Kin irarVD1? VDN»
v : - ; iv t J'-' tiquot; v,quot;.: J y -⢠v t^:^ â quot;⢠tiquot;
pKD DD^niKSvnx 'nxïin nh Di«n DÃ#3'ihiïsn : Dbi^ npn dd^iquot;? nin Di»n-nK DrnoE'i onxo
riïö i^DKn vipb dv Vi^siks ^ quot;iKiy n#3tf : 3^3 lyin1? ontrol, -mn DV kinn e^fian nnnpji. nvóna 1 *3 03^33 NÃ^
^3Nn N1? nxono-^ : pan mrtoi i-i3 rn^o
Aquot; ^ v^v : - t | vit t J-: v : v,quot;quot; t ; ⢠-â¢-^-:iquot;
: niïD üyniviïn S33
1 - i à 1 â¢.â¢â¢â¢â «: 1 :
Haphtara van Farashath Hachodesh,
{pok indien op dien Shabbath of den daarop volgenden dag Nieuwemaamfeest is). £z. 45,16â25 ; 46,1â18.
45 16 Het geheele volk des lands, â zij zullen met betrekking tot
17 deze heffing den vorst onder Israël onderworpen zijn. En op den vorst zal de zorg rusten voor de brandoffers en het meel-offer en het plengoffer op de feesten en de nieuwemaansdagen en de Shabbath-dagen, op alle feesttijden van het huis Israels; hij zal bereiden het zondoffer en het meeloffer en het brandoffer en het vredeoffer om verzoening te doen over het huis Israels.
{Naar den Portugeeschen ritus begint men hier:)
18 Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: âIn de eerste maand, op den eerste der maand zult gij nemen een var, jong van een
19 rund, zonder gebrek ; en zult gij het heiligdom ontzondigen. De priester zal namelijk nemen van het bloed van het zondoffer en het strijken op den post van het huis en aan de vier hoeken van het voorhof des altaars; en aan den post van de poort van het bin-
20 nenste voorhof. Evenzop zult gij doen op den zevende der maand.
ünnn nirisa n«np jip
D'ron ^«i^tysn-S^quot;! nnrpn ijn:i niyoi njn n^s n^arrm ^sni. ; ona inK bira» N: \3aö i^DNrr^N : mSaü' ohna-Vr
k.t â¢â¢. i jquot; t t v ⢠lt; ; i - i\ ; I v* ï
quot;N1?! : ,i2'quot;!pquot;l?J?1; VJTD'bi; 1^*1 ITNJ-^rDK quot;2 DV33 na^n ^N2 i^rn^ laao inann^rnj; vm i^nin Ds^oi 03^.3 M^jonjn D3^nö 'Iin i^nnsSi W3^i: : nin^ «in npa jifans ink onbasji op-i^
onyp p«3 â¦n^rii nin n^bs Dnxp'pjS??
â¦3NJ D^ötr n^N Dnïp â¦nbx-l?33i npnri^i D^Nà D^Drw b^nsn rii6 Da*? onn n^ni : nin» n^ntra1? wi D33 D3bv 'nnDöi D'in-nx WKTI
: - : .Ivv - t â¢.â¢:,⢠^ *-.-q- -. v- : - ,t t- â¢-⢠â â t:
Dnaniinsn 03? nn Di»n rrrn : onxp pxs â¦nsns
i^nnn mms nnosn â¢inn nno w trnn Nin dx ^
.nquot;w's V'0 /iquot;=-ïquot;o nquot;0 fD'D SjcptH^
: wmb nxtn nonnn-bi? vn» rquot;i^n ovn Va « HD
, iquot; T: ⢠: ^ T- . quot; â *T : _ i:i- I â¢â¢â¢TT ^tt lt; w
D^nna*1 D^na â â¢jDïni nn:aniniV^nn;n^,^n-^,i ^ nKtsnn-DN réy Kin Vxiiy» jv3 nyio-^s nina^ni
-â¢t -1- v v -:r j* aquot; t ; ⢠-â¢â¢â¢ v* J i t : t - -
-n'3 i^3 iöd1? D^ó^n-nNi nbiyn-riNi nnaarrnKi
1 J ⢠lquot; - : ⢠T : - v : t ^ it v : t : ⢠- â -⢠:
:
iquot; T : *
.Dmaon D^'nno jjo 'fris n[5n v-inb imz }IEgt;Nquot;I3 nin» »:nK npN-ns^ riNénn oio rri3n np^i: iripsn-nN nNtsni D»on ip3 ^
, T quot;- â¢â -â¢Iquot; - |-t: itI: - v iT â¢â¢ ⢠: «â t ,Utt
quot;7^1 nstp1? nnr^n mas ^sin-Ski n^sn mp_,?K |n:i irira n^3ttgt;3 n^ri |3i: : rvo^sn nynn njirp3
HAP H TAROT H.
wegens een persoon, die in dwaling mocht hebben gehandeld of in onnoozelheid; en gij zult verzoening doen voor
21 het huis. In de eerste maand, op den veertienden dag der maand, zal voor u het Paaschfeest zijn; een feest van een volle week in dagen, waarop men ongezuurde brooden zal
22 eten. Dan zal de vorst op dien dag voor zich en ten behoeve van het geheele volk des lands bereiden een var tot zondoffer.
23 En gedurende de zeven dagen van het feest zal hij als brandoffer ter eere des Eeuwigen bereiden: zeven varren en zeven rammen, zonder gebrek, eiken dag gedurende de zeven dagen;
24 en als zondoffer een geitenhok per dag. En als meeloffer zal hij een Epha voor eiken var en een Epha voor eiken ram
25 bereiden; en olie een Hien op eiken Epha. In de zevende maand, op den vijftienden dag der maand, op het feest, zal hij gelijk dezen bereiden gedurende de zeven dagen, zoowel het zondoffer als het brandoffer, zoowel het meeloffer als de olie.quot;
1 Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: «De poort van het binnenste voorhof, die naar het Oosten gekeerd is, zal gesloten zijn op de zes werkdagen ; doch op den Shabbathdag zal zij geopend worden en op den nieuwemaansdag zal zij geopend
2 worden. Dan zal de vorst komen door het voorportaal der poort van buiten en staan blijven aan den post der poort; dan zullen de priesters bereiden zijn brandoffer en zijn vredeoffer, en zal hij zich nederwerpen op den drempel der poort en naar buiten gaan; en de poort zal niet gesloten worden tot den
3 avond. En het volk des lands zal zich nederwerpen aan den ingang dezer poort op Shabbath- en nieuwemaansdagen voor
4 het aangezicht des Eeuwigen. Eu het brandoffer, dat de vorst zal doen brengen ter eere des Eeuwigen : op den Shabbathdag zes jonge schapen, zonder gebrek, en één ram zonder gebrek.
5 En als meeloffer een Epha voor den ram, en voor de jonge schapen een meeloffer naar de gave zijner hand ; en olie een
6 Hien voor eiken Epha. En op den nieuwemaansdag een var, jong van een rund, allen zonder gebrek; en zes jonge schapen
7 en één ram, zonder gebrek zullen zij zijn. En een Epha voor den var en een Epha voor den ram zal hij als meeloffer bereiden; en voor de jonge schapen, zooveel als waartoe zijne hand toe-
8 reikend is; en olie een Hien voor iederen Epha. En als de vorst binnenkomt â door het voorportaal der poort zal hij binnenko-
9 men en langs denzelfden weg zal hij er uit gaan. Doch wanneer het volk des lands komt vóór den Eeuwige op de feesttijden, â wie dan binnenkomt door de noorder poort om zich neder te werpen, zal uitgaan door de zuider poort, en wie binnenkomt door de zuider poort, zal uitgaan door de poort ten noorden; men zal niet terugkeeren door de poort, waardoor men is binnen ge-
10 komen, maar er tegenover zal men uitgaan. En ook de vorst â
134
innn wis n^ön nip
: n^rrnN onnsDi â¦nsoi ni^ ^Kà «
't t : - : i it . *,t quot; v lt;â¢â¢':' â : â rtv ⢠v.v -»* quot;
ni^o D'D* ni^Diy an npan rvrr bv n«nDr^ quot;1^3 Ninn DI»3 N^|nn^i ^K,!.33 nyatr nin^ nbi^ n^. inn-»o» : nwcsn -ia »
nxtani Dwn DI^ bo^on Dquot;1?^4 nvatyquot;) Dn£5P
t - : a t- v.quot; : * - ⢠⢠: lt; - : â -. t
rivy Vx7 na^i isb na^ nnjai : Diquot;1? ytfv â¢Â»
â â .. s .,v JT .. : â ,- C :
ana lyin1? DI» ntrona : na^b pn \m)«
: ra^ai nmaai n^a nKiana D^»n nva^ n^N4a nivw
i V it - : vt ;^ ⢠- ; t*it t - i- a* t - *-â -; ⢠v (.â¢â¢ t jv *-:\-
onp naan n^^an ivnn Hin» â¦jin no^-na« ID
It â 'V ^ ⢠⢠: - lt;â¢â¢ t iv ~ ⢠v: ^t -: - t i
DVai nna' na^n ovai n'^an w nwv mio n^n»
^ J. « T T rgt; p* * Q rt''q ~: 1 gt;gt; quot;quot;*: v *â¢quot; T **v: r
ip^i pnp n^^n D7ix Tjân x^an «ai : nna* irinn = VD^-nNi in^i^-nx D^inan nnrp-^
â¢IV iwah n^E'ni «ï'i ipamp;n rnao-1?^ ninn^m
^quot;t ⢠i quot; : att; - ] j~ . . r. .)t-: r : ⢠:
nina^a Ninn -i^n nna pxn'D^ iinn^m : a^nj nin^ N^sn n^ni : nin» ^aS D^nnai â â¢
^ at i- v t- j\:- v -: t^-^t: it : v.quot; : quot; a- t*:iv
nnjöi : D'an oo^on D^aa naari ovaquot;
t : ⢠i t ⢠j- : v.' ' ï â¢)⢠t : st ⢠r ~ ~ -» :
: navb rn ?o^i n» nna nn:a D^aabi na\s4
it -it i j' i v v,quot; : at jâ v.t : ⢠j- t : - : ⢠- r -«t â¢â¢
DD^an Vni n^aa nvw oa^an npa-ra -ia irinn ovai1
r / : ^ Aquot; : .â¢)⢠t : v y ^ a- ^ ⢠; i (.tt i v ^ j- v - - :
an^aaSi nn:a n'^* na^xi na1? na^i : vn*»
⢠t ; - : t : ^n- ⢠- t lt;t â¢â¢ : t - t â¢â¢ : i : r
Tn Niaai : na^b r»n ra^i IT a^n i^Nan
! *â¢*â quot;â¢â¢ rt ' ^ : ^ it lquot;t i J' i v ^v ; ^t v,' quot; â gt;'â¢' quot;ï iquot;
^a1? rixn-Q^ Kiaai : nx» lanai Nia* nv^n dVin0
quot;*** : ' i ^ v t t ^ iquot;quot; ^ v.^ : -q: t *- - - lt;r
UT ninntrnb jiaï lyv ^.«an bn^iaa nin* vb niiax kx? aai WTC aai K'trani ; W ma: ra ia Na-n^K -inn ait^ b
at-: ..... v : * J' jt v -: - | vlt;.#. T ««
HAPHTAROTH.
in hun midden, waar zij binnenkomen, zal hij binnengaan; en
11 waar zij uitgaan, zullen zij [vorst en volk] uitgaan. En op de feesten en tijden van samenkomst zal het meeloffer zijn een Epha voor iederen var en een Epha voor iederen ram, en voor de jonge schapen, wat zijne hand zal geven; en olie; een Hien voor
12 iederen Epha. En indien de vorst een vrijwillige gave wil bereiden, een brandoffer of een vredeoffer als vrijwillige gave voor den Eeuwige, dan zal men voor hem openen de poort, die naar het oosten gekeerd is, en zal men bereiden zijn brandoffer en zijn vredeoffer, gelijk men het bereidt op den Shabbathdag; dan zal hij naar buiten gaan en zal men de poort sluiten, nadat
13 hij er is uitgegaan. En een schaap onder het jaar, zonder gebrek, zult gij als brandoffer bereiden eiken dag voor den Eeuwige;
14 eiken ochtend zult gij het bereiden. En een meeloffer zult gij erbij bereiden eiken morgen ; een zesde van een Epha, en olie: een derde van een Hien, om door de meelbloem te roeren ; een meeloffer ter eere des Eeuwigen, bepalingen voor eeuwig,
15 voortdurend. En bereidt het jonge schaap en het meeloffer en de olie eiken ochtend, als voortdurend brandoffer.quot;
{De Portugeesche Israëlieten eindigen hier).
16 Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God : «Wanneer de vorst een geschenk geeft aan iemand zijner zonen, dan is het diens erfdeel, voor zijne zonen zal het zijn; hun bezit is het als erfdeel.
17 En indien hij een geschenk geeft van zijn erfdeel aan een zijner dienaren, dan zal het dezen behooren tot het jaar der vrijlating en dan terugkeeren tot den vorst; slechts wat zijn erfdeel
18 aangaat, â zijne zonen, voor hen zal het zijn. En de vorst zal niets nemen van het erfdeel des volks, om hen aan hun erfdeel wederrechtelijk te kort te doen; van zijn erfdeel zal hij zijne zonen doen erven; opdat Mijn volk niet worde ver-stooten ieder uit zijn bezit.quot;
(Naar den Portugeeschen ritus wordt, indien op dezen Shabhath of den daarop-volgenden dag het Nieuwemaansfeest invalt, het eerste en laatste vers der voor die gevallen bestemde Ilaphtara bijgevoegd. Zie pag. 157 en 159.)
Haphtara voor Shabbath Haggadol,
{naar Amsterdamsch gebruik alleen, indien het de dag vóór het Paaschfeest is). Malachie 3,4â24.
3 4 Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn de offergave van Juda en Jerusalem, gelijk in de dagen van het grijs verleden en als in lang 5 vervlogen jaren! En Ik zal tot u naderen ter rechts-oefening en zal een haastend getuige zijn tegen de toovenaars en de echtbrekers en tegen hen, die valsch zweren, en die inhouden het loon
155
Ennn ntna mrisn n:p
önyiaai D^nai : wr önNïai NÃ' bwiaa DDina ^
' quot;' 1 quot; J- - I- ..... lT ^.. . T ^ T ï *T
it nna V'n1? na^i ia1? n^« nnasn n;nn
D'obtfh'K nana N^sn n'^-pi: ]üw\ *
tin niy^i onp nasn ny^n-nx 6 nnsn nin^ nana
CT T : 'JT -â¢â¢.⢠- - - - V -JT T I* -«T T:
udi Nn nai^n oi^a nipy» vD^-nxi in^v
j t : .)tt: at - - ^ â gt; : v.quot; r.* -i «- t t ; v ; t^i
nbi^n^nD'ón in^-p iraai nnxv nn« nvirn-nN^
â |T, Jquot;q -' I- â T T : I V V V : 1 â¢â¢ jâir * v- - ...
n^n nnjoi : ink n^n npaa npaa nin^ dvS^
V 1 I- T: ' i 1 -'â ' '-.I- lv I quot; «Tl- l -
d-)7 pnn nmv fotyi na^n n^ir npaa ipsa â n^ : Ton mpn nih^ nn:o nVorrnK1» §
-»â¢â i t ^t ij \ t i- t; ⢠v a - v «â¢
: Tpn n'piv ips? âip'aa lo^n-nNi nman-n«i traan -r~
â¢Dmaon D^O^DQ JKD
vbo hjnD rn»-»a nin» ^ik lÃK-nam
T r â --ITT- «â T - I â¢â¢â¢ I â r: --T i - t i
in'-'ai : nVnaa trn onrnK Tnn Via1? K'n inbn: ^ Tiinn njt^-nv ^ nnm vna^D nn^ ihbnso nina
r ''' : - t;lt;t : rr^-si» --: t-;i- ⢠tt-
imannpnoi : n^nn on1? via inbn: tik N^aquot;? na^i^
* t - i * â I : iv ; r jv t [,t r ^ r ) -lt; a* t * v,- t :
vaa_nN ^na» imnNO Dntntto onainV ayn nSnao
att v -⢠; - v.t â¢â¦. -:iquot; tt%-:iquot; ^ t i : quot;t r -- â¢
: inTHKÃ % lyerN1? -IITK
it*.. 11quot; v/ j-..t i -v -j 1^ - ;
niDsn Se» pvifo jwgt;si pias mmx cmw nquot;n nac «wi os /Dmflon *«»)
(S'nn quot;ino ''f pinsi poM piDs o^r.ix nquot;i inn»1? oxi ,nquot;quot;ii nac
bnan natr mtasn .yo-'t 'j jo^d ^xSoa -yffv nna
(.nwis Sea prosa inSnai , nos aira Sn dn pi rDlJ/l pi'oso p.x dubuos pquot;p jrua1?)
D^^ai â¦Â«â¦a p^nn nnin» nn:p nin^ nan^i ^ J i% I â¦n^m baa'sb aybn â¦nanpi : ni»:bnp quot;
⢠t ; ⢠- v â¢â¢ -: j' : -|it: ^ i ⢠i :l-
â naip 'p^ai np^ D^a^ai D^axaoai â¡â¦Ã¶f apa nnpö
HAPHTAROTH.
van den huurknecht, weduwe en wees, en die het recht van den vreemde buigen, en Mij niet vreezen, zegt de Eeuwige
6 Tsebaoth. Want Ik, de Eeuwige, ben niet veranderd, en gij,
7 zonen van Jakob, zijt niet ondergegaan! Sinds de dagen uwer vaderen zijt gij afgeweken van Mijne wetten en hebt gij ze niet in acht genomen; «Keert terug tot Mij, dan keer Ik gaarne tot u terug!quot; zegt de Eeuwige Tsebaoth; doch gij zegt: «In welk opzicht zouden wij moeten terugkeereu ?quot;
8 «Mag de mensch dan God Zijn recht onthouden, dat gij Mij te kort doet?quot; Doch gij zegt: wWaarin hebben wij u te
9 kort gedaan ?quot; In de tiende en de heffing! Met de vervloeking zijt gij vervloekt, en toch â Mij blijft gij te kort
10doen, â het volk in zijn geheel! Brengt eens den geheelen tiende in de schatkamer, opdat er iets te verteren zij in Mijn huis, en stelt Mij toch hiermede op de proef, â zegt de Eeuwige Tsebaoth â of Ik u niet open de zolderluiken des hemels en u naar beneden stort den zegen tot in den rijksten overdaad!
11 En Ik zal voor u met een scheldwoord wegjagen het wegvretend gedierte, opdat het u niet bederve de vrucht van den bodem; en de wijnstok zal u geen misgewas opleveren op het
12 veld, zegt de Eeuwige Tsebaoth. Dan zullen alle volkeren u gelukkig prijzen; want gij zult zijn een land van ieders wel-
13 gevallen,quot; zegt de Eeuwige Tsebaoth. «Zeer hard treffen Mij uwe woorden,quot; zegt de Eeuwige. Doch gij zegt; âWaarin heb-
14 ben wij ons tegen U uitgesproken?quot; Gij hebt gezegd: «IJdel is het. God te dienen; en welk voordeel is erbij, dat wij wat Hij ons ter inachtneming gaf, ook in acht nemen, en dat wij als in zwart rouwgewaad gehuld gingen wegens den Eeuwige
15 Tsebaoth. Welnu, wij prijzen ze gelukkig, die moedwilligen ! Niet alleen zijn die boosheid-plegers opgebouwd, maar zij hebben ook God op de proef gesteld en werden noch thans gered!quot;
16 Toen spraken onderling zij, die den Eeuwige vreezen, de een tot den ander; en de Eeuwige luisterde ernaar en hoorde het en het werd opgeschreven tot een herinneringsboek vóór Hem, eene herinnering aan hen, die den Eeuwige vreezen en Zijn
17 naam hoog vereeren. En zij zullen Mij behooren, zegt de Eeuwige â op den dag, waarop Ik opnieuw een Mij uitsluitend behoorend eigendom maak; dan zal Ik Mij over hen ontfermen, gelijk een man zich ontfermt over zijn zoon, die hem dient.
18 Dan zult gij wederom zien het verschil tusschen den brave en den booswicht; tusschen hem, die God dient, en hem, die Hem
19 niet gediend heeft. Want zie, de dag komt, bi-andend gelijk een oven, dan zullen alle moedwilligen en allen, die boosheid plegen, als stoppelen zijn en de komende dag zal ze verbranden, zegt de Eeuwige Tsebaoth â zoodat hij hun niet overlaat wortel noch
20 tak. Maar schijnen zal dan voor u, die Mijn naam vreest, de zon der genade, en genezing brengt zij op hare vleugelen ;
156
biin ny# up
: nitcy nin» quot;iök nVi nrtaöi Dinn niobx yïé
^ i t ; jt ; v.- t ⢠â¢â¢; -â : .... - lt; t; t t ; - ⢠t
'O'pb : on^D xb onKi. nin» â¦:« »3 j
D2^k13^Dniot^ xbi 'pnpDn*ip D^nbst d^k dquot;ik jrap^n : aw: nsa omöNi nitox nirv idkquot;
v: tt - i : * -: it jv ' \.v :f - -:i- tgt; r : -r : v,quot; t
ni^an nsa DniDNi 'nx o^Dp bnN ^ â¦Ã¼n D^np Dn« â¦nxi onw Dm nnxsa : nannni ^ â¦n»33^ü â¦n»quot;! quot;IÃINH n^-^x i^sn-VsTiN iK^in : iba1
⢠â¢â¢ ; i vv j' ' t it -â¢â¢â¢ v ..«-,-- t vj ⢠t i \
DD1? nnöK *6-DK nixay nin^ quot;Ië nxb N: uunm
v t j- ; v s * at; jt : vquot;t t t * lt; t :
â¦mpi: nD-ia D31?'nhnni ovbirn nianx nx ^
lt;⢠^t^it; it ⢠; ~ v.t t : â¢)â¢â¢â¢ t r) ⢠-: i- ⢠- t - \ -r â¢â¢lt;
Sat^n-Kbi nonxn nrnx dd1? bbm DD1?
â¢â¢ quot; : i : at t-:it -â¢â¢ ; v v.'-'t j- : - 1 : ^ it v t
quot;Va oanN ntrNi : niN^ï nin» quot;IDN nnt^a rssn =»
t v,v : v j : ⢠: it: jt ; VT quot; ' v vquot; lt;v T
iprn : niN3ï nin» iön ran px ons4 vnma o^i-in ^
Ij ;it it: jt : t | v â¢â¢ | v-»v v - lt;: r ⢠a* -
Dri'ipN : ï|^ unanrnD Dnioxi nin' -IQN Dpnni UDSH '2) irnotfau-iDU' *3 ^yrnom^NTDV wv
: - t lt;⢠: ; - : ⢠:.~ T c' v quot; a* v: J ^ ;^t
dht oni^ND umK nn^i : niN2ï nin» ^so n'hnp ib
rt... j.. - . r^--; t^- : it: .jt : v.quot; ï * ^ ⢠- -»1:
nan: TK : D^K una D: n^*i â¦tyv uarD-i10
) : : p st p i-t--^ i- v: .,-; .r s- quot;r: â â â¢â¢â¢'' :â
quot;ISD anan ybm nin» a^p^ nin»
....... ^ ..t.- t . .. t : lt;â ⢠I;â â ?,quot;â¢â¢ v -*â ^ IT : Jquot; :â
nirv 10K ^ vni : lotr 'ntrnbi nin» wV vish Ti*i3T ^
^ jt : - t ⢠jt : i : v.quot; : 1 : t : â quot;â¢:â¢: t t : ' . *t '
Dh^v ^om nbiD n'Bty ':K di»1? nis42ï
v -: i- v - ^ -â¢* : - it : at â¢â¢.: Jv ^ v.--; jv -: - t :
pnï ra DmniDrotfi : ins4 niyn I^'K Von4quot;'
I 1 jquot; v ⢠: v : - : i jquot;^ it ^ : ⢠â ⢠: -
Di»n nan »3 : nny NV htn1? wrhx nav pa ^
^ lt;â¢â¢ ' 1 T ⢠-» V,v ~:r * v; -â¢â¢â¢^ I ^ at t :
ontf ünbi K'p n^trn n^-^i onr^D rni man?
tyity on1? -iitn niNns nin4 Sq« «in Di'n
vj v.v t j -;i~ ^ .)â¢â¢â¢ -: ^ t : ^t : quot; r ~ -⢠-
n»a:D3 Nö^ai nptï wnü w oib nmn : ci ^v
t avt : ⢠- It t : v-»v ⢠: lt;â¢â¢ ; ⢠v t t :it; Iit t;
HAPHTAROTH.
dan zult gij te voorschijn treden en huppelen als mestkalveren.
21 En gij zult de booswichten vertreden, want zij zullen tot asch geworden zijn onder de zolen uwer voeten ; op den dag, die
22 Ik doe ontstaan, zegt de Eeuwige Tsebaoth. Gedenkt de leer van Mijn dienaar Mozes, die Ik hem op den Choreb geboden
23 heb voor geheel Israël, wetten en rechtsvoorschriften! Zie, Ik zend u den profeet Elija, voordat de dag des Eeuwigen
24 intreedt, de groote en de eerbiedwekkende. Hij zal het hart der ouders terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hunne ouders, opdat Ik niet kome en het land sla met den ban!
23 Zie, Ik zend u den profeet Elija, voordat de dag des Eeuwigen komt, de groote en de eerbiedwekkende!
cnn Bwn rotra â vljso1? nmp nVo D'jntry -in^n quot;ia1? roki rhhz rruo nSo
^ v lt; ⢠: quot;v jquot; : at vit v.t- i v v - -quot;t : t : ⢠v lt;
nn;o nVo : nnxn rhtgt;2 hn:p
: nirvj? niigt;K nn»3 nn nnnn iraa1?
pnn -ié1? nVifprin arripii ^-inS trTn rb'v m v pnn
: it t - ;t : : t : v j-^ -⢠i at v^v - i -
: üdji ^ann nin^b n^ün1? nnK ony
⢠; ⢠: vquot; riquot; â¢)⢠t - s*^ at i- v.t - : -ir v
Haphtara van Shattath-Eosh Chodesh.
Jesaja 66,1â24.
1 Zoo zegt de Eeuwige: de hemel is Mijn troon en de aarde de bank Mijner voeten! wat is 't dus voor een huis, dat gij voor Mijn Naam zoudt bouwen, en welke is de plaats, waar
2 Ik zou rusten ? Terwijl deze allen Mijne hand heeft gemaakt, waardoor deze allen ontstonden, â is het gezegde des Eeuwigen. Doch op dezen richt Ik Mijn blik: op den arme en den geslagene
3 van geest en die siddert op Mijn woord. Doch â die den stier [Mij ter eere] slacht, is [tegelijk] een mannenmoorder; die [Mij] het lam offert, een honden wurger; wie [Mij] een meeloffer brengt, zwijnenbloed [plengt hij voor de afgoden]; wie als herinnering wierook brandt, hij zegent tegelijk onrechtmatigheid [afgoden]; evenals zij verkoren hebben hunne wegen en
4 in hunne gruwelen hun ziel behagen had, â Zoo zal ook Ik
157
Vmi ra^ nitisn tip
vnr'S oniD^i : paio Qn^ai onK^i« nin* quot;ion rify bi»3 DD^in niM nnn nats
yinz iniK ww ni^ö mm ns? : niN3ï33
.. ; lt; ... v -: is* : quot; â *â¢â¢â¢ k.quot; ,' ⢠it:
nx osb nVir biK nsn : D^atroi D»pn »
vquot; v t -â â¢â¢â¢ * it lt;â¢â¢ * # I* t : * 'v*'-w â¢â¢ t: ⢠t
a'trm : minm ^nan nin* DV nis 'iab N^an n^N13
lt;⢠â¢â¢ : it - : V.T - T : -⢠c ** :. * . quot; â ,T * â¢
â¦jram Ki3«-rö oni3N_1?y D^a aVi ni3tlt;quot;2^
j* â¢â¢ ' ; T I V AT v.* t Jquot;; T ^ T Iquot;
nd 'jaS jcajn ttSk dn* ddS nW ojx njn : Din riKrrnx »
VIquot; I V ^T T
: Nium Snjin mnquot;1 or
ann mD n«np
VB-'B nquot;3 13103
nVo D^nirjr ^ oo^on o^aa-^^ na^n bvai
v s ⢠: *â¢.⢠-â¢â¢â¢ : is* ⢠: vt t iquot; ; t : iquot; ; t quot; quot; ;
ma^a na^ nS^ : lap:*! rDB'a nbV?a nnjp a naDii Tonn
it ; ⢠: # v T - ^ J-
ipa^aa ons nirr1? lanpn oa^Bhn ^xnai
⢠- : i«tt Iquot; i t at I- ^t ril m V â¢â¢ ITquot; t;
D»3ltr!r : DQ^ori n^a^ n^-^a o^aa
: ^.* : r ⢠: ^t: ⢠ot t iquot; : s- t ; r v ⢠â »- s
Knn b'xti nac mtafin T2-'s vd ja^D
(â¢Cinn's mcsn gt;»» n'mj ps ; ^«03 D'OBTI ^be» Bin c^i naaa)
n»3 nr'K bin 'Koa o'ö^n nirr quot;iön na«
jv^ quot; AT : - J -i I *.\t T ; ⢠; â â -â¢- T - T ; T lt;
n» nbN-^a-nNi: mnwD oipo nr^i ^-uan 3
J'T â¢â¢ T V : # r T 1 : K T jv quot; : : ⢠â quot;â¢â¢ -:
-na:1) t^ax nr-bHi nin»-DN: nbN-ba vn»i nn'iyy
â¢â¢ : â¢#t v - - -â¢â¢.⢠v ; Ar^: %! v vquot; t ^ ;r- t t ~t
ntrn naiT i^^-nao niirn mitf : nar1?^ iim ninj pN: tj-iap nw1? n^arp ttitdt nnw r\h%p a^a 'itroa: nxan Dirai Dn^ptrai on'ama nna narrDr
⢠- TIquot; T JT : ' Vquot; â¢â¢ 11 â : â¢.â¢â¢â¢;â¢: -;IT T â¢â
HAPHTAROTH.
verkiezen hen smadelijk te behandelen en hunne verschrikkingen zal Ik hun brengen; omdat Ik geroepen heb en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet luisterden, maar zij bleven doen wat kwaad - was in Mijne oogen, en waarin Ik
5 geen behagen schepte, kozen zij. Hoort het woord des Eeuwigen, gij, die siddert op Zijn woord ! Uwe broeders, die u haten, die u verstooten, zeggen ; «Ter wille van Mijn naam moge de Eeuwige Zijne heerlijkheid toonen, dat wij aanschouwen uwe
6 vreugde en dezen [wij] beschaamd worden!quot; Stem van gedreun uit de stad! Stem uit den tempel! Stem des Eeuwigen, die ver-
7 gelding betaalt Zijnen vijanden! Vóór zij weeën voelt, heeft zij gebaard ; vóórdat smart over haar komt, heeft zij een knaapje
8 doen uittreden. Wie heeft dergelijks gehoord, wie zoodanigs gezien? Ontstaat onder weeën een land in één dag? Wordteen volk in één maal geboren? Want bij de weeën heeft Tsion ook
9 reeds gebaard hare kinderen ! Zou Ik tot den barensstoel brengen en niet doen geboren worden, zegt de Eeuwige; zoude Ik,
10die doe baren, den schoot sluiten? zegt uw God. Verheugt u met Jerusalem en jubelt over haar, allen die haar bemint! Verblijdt u met haar in volle blijdschap, gij allen, die thans
11 over haar rouw bedrijft! Opdat gij kunt zuigen en u verzadigen aan de borst harer vertroostingen ; opdat gij kunt slurpen en u te goed doen aan den prangenden overvloed harer
12heerlijkheid. Want zoo zegt de Eeuwige: Zie, Ik leid tot haar als een stroom den vrede en als een overvloeiende beek de heerlijkheid der volkeren, en die zult gij zuigen; op de
13 zijde zult gij gedragen worden en op knieën geliefkoosd. Als een man, dien zijne moeder troost, zoo troost Ik u en met
14 Jerusalem zult gij vertroost worden. Dan zult gij zien en zal uw hart zich verblijden en uwe beenderen zullen als het gewas bloeien ; dan wordt de hand Gods bekend aan Zijne dienaren,
15 terwijl Hij toornt met Zijne vijanden. Want zie, de Eeuwigeâ-in vuur komt Hij, en als een dwarrelwind zijn Zijne wagens, om Zijn toorn te doen overgaan in ziedende gramschap en
16 Zijne bedreiging in vuurvlammen. Want met vuur houdt de Eeuwige gericht en met Zijn zwaard met alle vleesch; zoodat talrijk zijn de door het zwaard des Eeuwigen doorboorden.
17 Die zich zeggen te heiligen en te reinigen met het oog op de [heilige, den afgoden gewijde] tuinen, achter één in het midden; maar die eten het vleesch van zwijnen, onrein gewriemel en muizen; te zamen gaan zij te gronde, is het gezegde des
18 Eeuwigen. Ik! â hunne handelingen en hunne gedachten zal Ik..! Zij komt, [de ure], om te verzamelen de volkeren en de
19 talen; dan zullen zij komen en zien Mijne heerlijkheid! Ik zal in hen een teeken geven en Ik zal van hen vluchtelingen uitzenden naar de volkeren, naar Tharshiesh, Poel en Loed,
158
vin mi) mv nquot;it23n n:p
nii^wVitn^ nn1? wïh bnhwöi on^^na ina» â¦nïan-N1? ^quot;in ïvy) lyoir 'man
⢠; v.quot; t ^ i jv -: i- ~ j t lt; _ :iquot;quot; a- -⢠; â¢
DD'nx iiqk iidtVk oninn nin,_i2T : nn3quot;
v â¢â¢ -i ; it at : ^ â¢â¢â¢ v.* â¢â»^i- t : - ; ^ ; * f it t
DpnnöB'a nNi:i nin; iiy D3n:ö nyxw
abtfö T^à pN^ : wa* ony
nb Kin» mèa mS» Snn dius : Vim'
v.t ^ v.)quot; j t v^v ; t at t (.* t vjv : it : i : ». ;
px ^nvn n«n 'D n^b : IST nta^omn
i v V - lt;-: v quot; t tt lt;* t Jquot; t i* itt ^ t r : ⢠:
ri'ï mb^D-i nbn^a rm D^a »13 IVvdk nnx DVS
l V ⢠jr:ir - r-iT ' at v -'quot; vjt* * tv â¢* :
»:K-DK nin» quot;ION» I^IK Kbi ':Kn : mrnK °
s' -: ⢠at : ».⢠^ : â¢)⢠: j* -: r t iv t
ohtshTTiK : i'nbx idk â¦mvp n^isn1
: â¢-r t i: v s : ⢠# I'it^ v: j' t ⢠h-^t : -r
: D^a^narr^ tyiiro nm ww n^n^-Va na
t iv T v.- : - ; ⢠- t t t ⢠«â t av^-; i t v.t
on^nni ^bn i^ob n»omn Ttrp onjDin
ofe nma n^narjin nimaKinr^ :mi33 ttd^
t tt ; tvquot; iv j- : i* t : j- t â * ⢠it ; J* *
D^nrVjn anpri djiü naa c]L]i^ ^njDi
â¡DoniK bJN n isanin IDN ^â¦Na :
v : ⢠it llt;quot; #av -:r : v. -»*-⢠-: ⢠; ^ it^:it :
Ntrna Da^niöïvi Dóa^ 'vim onwi non^n ^
v -»v - v â¢â¢ â¢* i . : V : ⢠-r ; ^ v ⢠; it â¢-. ; V t i *
-â¦a : va^-nx d^ti vnn^-nN nin'-n* n^ni:i n:man ^
it : i v ^-t : t t ; v t ; - *lt;t : i t ; a- : â¢
lijs4 nona an?r6 vnaaio naioai Kir u'Ka nirv nan
t â¢â¢ ; lt;⢠t ; gt; at : : - ^ v.t - : t -*â¢â¢ t t : lt;â¢â¢ â¢
-^a'nN lannai i2Stya nin» B'Ka 'a : ^N-^anba ini^i «=
t v ^ : - : t : ⢠^t ; â¢â¢ t lt;⢠........ ; *. t^-rr;
niarrbtf onn^am D^npnsn : nin* ^bn ia~Ti T^a ^
.-ji- . - ; . .j. . . . ^ it ; y : - -: at t
nn» naarni ra^ni nnnn Ttra 'bDN nirna âihn mN
rr ; - at it : 1 l*.\v - ; ^-: i- : â¢â¢ : i | v t - ~ quot; lt;â
rap^nxa on^na^nai onn^o *b'm : nin'-DW IÃD^
I j-I - ; vt t v â¢â¢ j ; ; - v â¢â¢ r * it : it : â¢â¢.: v,\t
Dna'noiri: maa-nx INTI iNai niafe^m D^an-^a-nN^
v t ⢠: - : ^ r : v j r: ^ a ; - : v,* - t
mbl bia D^n-bx D»Ã^à ' DHD â¦nnbiri
HAPHTAROTH.
die den boog hanteeren, naar Thoebal en Jawan; de verre eilanden, die de mare van Mij niet hebben gehoord en niet hebben gezien Mijne heerlijkheid, â en zij zullen Mijne heer-
201ijkheid verkondigen onder de volkeren. Dan zal men al uwe broeders uit alle volkeren als geschenk brengen ter eere des Eeuwigen, met paarden en wagens, in draagstoelen en met muilezels en met dromedarissen op Mijnen heiligen berg, Jerusalem, zegt de Eeuwige; gelijk de zonen Israels het meeloffer
21 brengen in rein vaatwerk naar het huis des Eeuwigen! En ook van hen zal Ik nemen tot priesters, tot Levieten, zegt de
22 Eeuwige. Want â evenals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik bezig ben te maken, vóór Mij bestaan, is het gezegde des Eeuwigen, zoo zal uw kroost bestaan blijven en
23 uw naam. Dan zal het zijn : na verloop van een maand op zijn nieuwemaansdag en na verloop van een week op zijn rustdag, zal alle vleesch komen om zieh vóór Mijn aangezicht neder te werpen,
24 zegt de Eeuwige. Zoo zij dan uitgaan, zullen zij zien de ontzielde lichamen der mannen, die tegen Mij gezondigd hebben; want de hen verterende worm zal niet sterven, het aan hen brandende vuur niet gebluscht worden en zij zullen tot afschuw worden voor alle vleesch!
Doch het zal zijn: telkens na een maand op zijn nieuwemaansdag en na eene week op zijn rustdag zal komen alle vleesch om zich neder te werpen vóór Mijn aangezicht; â zegt de Eeuwige.
(Z)e Portugeesche Israëlieten voegen, indien ook den volgenden dag Rosh Chodesh is, aan deze Haphtara nog het eerste en laatste vers van de hier volgende Haphtara toe.)
Haphtara voor den Shabbath op den dag vóór het Nieuwemaansfeest.
I Sam. 20,18â42.
18 En Jonathan zeidetotheirt: «Morgen is nieuwemaansdag; dan zult gij gemist worden, wanneer uw zitplaats zal worden opge-
19 nomen. Welnu, drie dagreizen zult gij verre afdalen en komen tot de plaats, waar gij u op den dag der [bekende] gebeurtenis !) hebt verborgen ; en gij zult u nederzetten bij den wegwijzer-
20 steen. En ik, ik zal drie pijlen naar den kant afschieten, als
21 om voor mij op een doel te schieten. En zie, dan zal ik mijn jongen bediende de opdracht geven: «Ga heen, zoek de pijlen!quot; 'indien ik dan tot den jongen zeggen zal: «Zie de pijlen zijn van u af hierheenquot;, neem hem [een er van] dan en kom, want
159
22 vrede is u en niets nadeeligs, zoo waar de Eeuwige leeft! Doch
i) Bij Shaoel's aanslag op David; vgl. I Sam. 19,10.
Pin BWVI riair nntiön bap 'nK wm-ih quot;lè'N D^prnn d^nh ? vi bnin n^p »Dtya
lt; . it v -j P- ; it -â¢â¢ ⢠it Iatt; -â¢- v l^v â¢â¢ : j
iK'an'i: D;Ã3 n^rnx n^ni niarn» =
23,i3!)P d^did? nin»1? nmp i O'lan-^D i OD'nit-'jrnK -lOK pb^iT wipT nn ^ ninansai Dnisai a^v?quot;' n^a iin^ nnasn-nK ^TiJ^ imo nin»
»3 : nin» hok Dquot;i^ D^rjab npN dho-dji : nin»« onoy n'^ »JK I^K n^nnn p^ni D^nnn â¡'QE'nquot; ^tn-^o n;ni : dddi^i dd^t w» ra nïn'-DNi vsb »
t t t iv : ⢠: v.v^-j :- j I )quot; at ; \ : v.-t :
\teb n'inn^n^ xia» iria^a na?' npi iB'ina 'a 'a D^sn D^jnh naaa INII Wïn ; mn» inx^
* . ^ 1 1 ' * T-J-T â¢â¢; ⢠; ^ T: ;IT: it : j' r
: quot;i^a-^a1? fiKn vni naan d^ki nión ah onvSin
â¢' T T : I ^ T l** J T i V : * j T * ï T â « T . ~ I
ninwnS rvi Sa nd1 ina^a nair nai icina nn na mm : mm mx quot;oaS
pmsi JWN1 piDD eiiDin1? /N om ininoVi pquot;w ona nquot;i Sn os ,dlt;T)bd Jru») .{n!on ^in nno .nasn Sc
naira hnv trnn an^S nman
.3quot;»ânquot;i '3 {0'D s Sawa (â¢tinnn mtssn '3B» nir⢠ps win ina ^ d^qeu nn naca)
: ïjaB'iD ipfi» »3 rhnpsiquot;) ty-jn ina |n:in» ib-nip^^ niï rnnoniyN Dipan^N nxai TKDnnnnï?bsih ' ^
VT T . Æquot; : V I T ~ V T T : Jquot; â¢â¢ T . - . ,
D'ïnn r\f)ü â¦JKJ. : faxn na^n n'^an ova = YP. quot;iJ!3ri-n« n^K nani : rnapV ^-nbVbnniN ?|aa i D'ïnn mn lyb nax naij-DK D^nn-nx xin na-DNi : ninpn it\ n1? DiW-^a n^ai 'mp
1 IT : VT T i ^»: .)| : ^ T I* T -J T SVIT T - T
H A P H T A R O T H.
indien ik aldus zal zeggen: «Zie de pijlen liggen van u
23 af verderopquot;, ga dan, want de Eeuwige zendt u weg! En de zaak, die ik en gij hebben afgesproken, â zie, daarvoor is de Eeuwige getuige tussehen mij en u tot in eeuwigheid!quot;
24 Nu verborg zich David op het veld; en het was nieuwemaans-dag, toen zette zich de koning aan den maaltijd om te eten.
25 En de koning zat op zijn zetel, gelijk telken male, op de zitplaats aan den muur, toen stond Jonathan op en Abner zette
26 zich aan Shaoel's zijde; en David's plaats bleef onbezet. En Shaoel sprak niets op dien dag; want hij zeide: «Het is zeker
27 een toeval, hij is misschien niet rein, zeker niet rein!quot; Nu was het den dag na den nieuwemaansdag, den tweede [der maand], toen weder de plaats van David onbezet werd gevonden, zeide Shaoel tot zijn zoon Jonathan: «Waarom is Jishai's zoon
28 noch gisteren noch heden ter maaltijd gekomen ?quot; En Jonathan antwoordde Shaoel: «David heeft van mij verlof gevraagd om
29 naar Beth-Léchem te gaan. Hij zeide namelijk: «Laat mij heengaan, want een familie-offerfeest hebben wij in de stad,â en hij, mijn broeder, heeft het mij bevolen; en nu, indien ik gunst in uwe oogen gevonden heb, laat ik mij dan mogen terugtrekken en mijne broeders gaan zienquot;; â daarom is hij
30 niet aan de tafel des konings gekomen.quot; Nu ontbrandde de toorn van Shaoel tegen Jonathan en hij zeide tot hem: «Gij zoon van meest verdwaasde weerspannigheid! Ik weet immers lang, dat gij dien zoon van Jishai de voorkeur geeft, tot uwe eigen schande en tot schande voor de schaamte uwer moeder!
31 Want alle dagen, zoolang die zoon van Jishai leeft op den aardbodem, zult gij en uw koningschap niet op hechten grondslag gevestigd zijn ; welnu, zend heen en laat hem tot mij
32 halen, want een kind des doods is hij !quot; En Jonathan antwoordde zijn vader Shaoel en zeide tot hem : «Waarom zal hij gedood
33 worden ? Wat heeft hij gedaan?quot; Toen wierp Shaoel den spies tegen hem om hem te treffen; en nu wist Jonathan, dat het vanwege zijn vader vast besloten was, David te dooden.
34 En Jonathan stond op van de tafel in brandenden toorn ; en hij at niet op den tweeden dag der maand eenige spijs, want hij was verdrietig om David [en] daar zijn vader hem smadelijk
35 had behandeld. Nu was het in den morgen ; toen ging Jonathan uit naar het veld, naar de met David bepaalde plaats, en een
3G kleine jongen was bij hem. Nu zeide hij tot zijn jongen : «Loop, zoek tóch de pijlen, die ik schiet.quot; De knaap liep heen en hij
37 schoot den pijl, zoodat hij hem [den knaap] voorbij vloog. Toen nu de jongen kwam tot de plaats van den pijl, dien Jonathan had geschoten, riep Jonathan den knaap achterna en zeide;
38 âDe pijl is immers van u af verderop.quot; En Jonathan riep den jongen achterna: âSpoedig, haast u, blijf niet staanquot;;
LEVITICUS. 21
j-OKO Vntr tynn vm maan Dp : rvirv ^ ^ n^m ^aoö^nnnan divh
it : v.f -:i- ⢠r )â¢â¢ t : att -»1 ; * ^ ⢠r jquot; ⢠v^v t
-lp n^ni wz nin» nun nnxi i:i3i nnnni»
u : * J' quot; ot : squot; ⢠tatt -⢠-: ⢠r.* -: t t- :
Dnbnquot;b^ Tiban iw) ^nnn ⢠m'^a m nnD^ : D^iy
^ â¢-â (/.⢠- v i *â¢* â )*â¢* â vs*- - -»⢠:- avt quot;p p*.* t -»â¢â¢ t ⢠- it
DJ?Ã3 I 0^33 Tj^an 3^1 : blDts!? n3
: th DipD nps»*) quot;iïö quot;iJ3N 2^i bp»i n^n
r t \j : k'^t** ^ t -â¢- ⢠v.quot; : ~ *â¢* jquot;quot;itt â * : i tt- i ⢠-
â¦n^a Nin mpD quot;IDK »3 wnn di»3 HOIKO I3TN^ »
⢠# â¢,vl; ⢠^ - t «⢠a - - - t ^ : â¢) t r-' * i :
quot;ipsn irinn nnnso quot;nn : una Kin Hnt3»
k'^t*quot; ⢠â¢â¢ - v f ~ ,cquot;t: 't ⢠⢠:- ^ i t j * ^ â¢) t
^n3 «s-n1? yriD ih rn:in^^K ion»i in oipo
⢠I v st - S ' jt t i ; v t v lt;- a* t I j :
bxirj bixir-nx rn:in* m : onbn-^N DI^H-D: â¢jiarrDan3
^ p : ⢠at v ktt i : i^-jquot; '⢠it - v v. ~ â j :
n3T »3 K: 'irhv nüK'i : Dr6 WTiy nayo nn ^
^ -v j- t -j.. : - ... - ^ .. 1t jquot; t i** â¢)' t ^ j- : *
n 'DKXD'DK nnyi â¦nx ,lrrm nihi 173 nnai^a
i â¢â¢ ^t t t ; ⢠t t ⢠lt; ; t t t t : *
Krxb â¦nK'HK njONi. «5 n^bsK nmsn ft no^'i rnjin»3 ew-im : Tj^an ^
a ; - - v .1' ^ â¢â¢â¢ J.quot; ' TT ' T 'cquot; I-* iv quot;
nn# nnx nnr'S NI^H
|quot;i3n ah na-iNn-^v â¦n ^n3 iwh D'D'n-^ '3 : ^
p v * J T T~t IT , ^ -â¢!â¢-⢠^«v -i ⢠t - t i iv â¢
: Kin nia-|3 »3 inx npi nSty nn^i ^n^bpi nnx no nov nab v1?^ -iaN'i V3K biNtr-nNï rruirr rw ^
.-»â¢â¢ v.quot;^ ^ TJT .)t quot; v s- a* t ^ t v i t^t -⢠: 1^---
rhjin» insn1? vVy n^nn-nx Sta't : nirv ^
itt j : ^ â- a - : v.t't â¢)⢠-: i- v s r vx- it
?n:in» Dp»1) : TirnK n^an1? V3K oya kti ^
i )tt i^: itst- r t v j- t : v/ t â¢â¢ .)â tjt
Qnb irTnn-Di^ Vüïnói «iK-nn3 rn^n ova
⢠â¢â¢ - v lt; quot; i : - t i : |fgt;t ⢠â¼:it kt : â¢â¢. - â¢â¢
n^quot;') quot;ip33 : V3N ia,l?3n »3 nnquot;bx 3^3 »3 â¢â¢ii'
s....- |v - j* : - i* t ^ ⢠: ⢠r ⢠r v v lt;â¢
10^1 : lay |bpT nyjquot;! -in nyia1? nn^n |n:irr ^ quot;Kini y\ nyan nnia â¦pis4 D^nn-nx krsjïa p m* quot;it^K 'ïnn aipa-iy Hpn K3'i : iquot;i3ynb ^nn m* ^
^tt r-- -: ⢠â¢â¢ - )-⢠; 7 ^ - lt;t- i*:r; m.quot; - jtt
jjaa 'vpn Nipn quot;ion'i lyan nnx jnairr Nnpn |n3in» nayn-^K ntrin nnna lyin nn«rn:in* : n^m ^
a -: 1- - t v, jv: - â r I t t 1 : lt;t I: ⢠- t ; it r
n_
.â¡'-rtrn -ptr
HET HOOGrLIE D.
naBO bnir trnn mi anyV niüfin «op -^1? njrani : n'ntpK uw ^nn-nx jnjin» t2^l?;,!.Bl' jnain; ]w\ nann-ntj fnain* ^ naiKö VTTn
: Tyn TIS I1? -ion'I ib-iB'M V^TIN
T- T Jquot; T Kquot; ^ v -â¢- A V -: ^V,- - V T â¢â¢ V
innty'inïiNVSN1? Van imn bïNo op ninika quot;â win ^
vquot;,: *quot; r ir jrlt;i''- quot; ''quot;â¢quot; vââ¢â¢ Itlt; ⢠t: t *- - -
in^TnK i32»i njn-jiK wx 1D^a vhv DiV^b quot;nS nnquot;? rniin» niT-m =»
V -: AT ; ^ Iâ⢠. v't: ^Iott i : v j- r; ⢠v- t
I nin' quot;IÃNV nin» Dtya wniw iriiy
â¢â¢ nr:T- TlT- iïw
en de jongen van Jonathan zamelde de pijlen op en kwam toen
39 tot zijn heer. En de knaap had niets gemerkt; slechts Jonathan
40 en David wisten de zaak. En Jonathan gaf zijn gereedschap aan den jongen, dien hij had, en zeide tot hem : âGa heen,
41 breng het naar de stad.quot; De knaap was juist heengegaan, â en David stond op van bij de Zuidzijde [van den wegwijzers-steen] en viel op zijn aangezicht ter aarde en wierp zich'driemaal neder; en zij kusten de een den ander en weenden de
42 een met den ander, totdat David het sterkst weende *). Toen zeide Jonathan tot David; âGa tot vrede ! Daar wij immers beiden hebben gezworen bij den naam des Eeuwigen, zeggende : De Eeuwige zal zijn tusschen mij en u en tusschen mijn kroost en uw kroost, tot in eeuwigheid !quot;
') V. a. zich vermande.
VOORBERICHT.
Tot goed begvip van het doel der bij de vertaling van dit Bijbelboek gevoegde aanteekeningen, acht ik het noodig, in enkele woorden mijne opvatting van het boek in zijn geheel en van zijne strekking uiteen te zetten. Wat den uiterlijken vorm betreft, bevat het boek de beschrijving van de liefde, door Salomo opgevat voor Shoelammieth, een eenvoudig landmeisje, het inbegrip van lichamelijke schoonheid, maar tevens van reine kuischheid en echt vrouwelijke zieledeugd. Het beschrijft, hoe de liefde ontstaat, hoe de minnenden elkander zoeken en vinden, de viering van het huwelijk, de dan volgende verkoeling en verzoening, dan wordt de bruid als heerlijk schoone, maar steeds ootmoedige vorstin beschreven, om met de bevestiging van het liefdeverbond in de geboorteplaats van Shoelammieth te eindigen. Zonder drama te zijn, heeft het boek in zooverre dramatischen vorm, dat zonder verdere aanduiding, dan uit den inhoud der woorden blijkt, verschillende personen sprekend worden ingevoerd. Ook de plaats en de tijd der handeling verandert herhaaldelijk. Hoewel nu in ons boek menschelijke liefde behandeld wordt, is toch toon en geest van het stuk zoo rein mogelijk. Niettemin ontstond ook in de Rabbijnsche scholen in de laatste eeuw vóór en de beide eerste eeuwen na de gewone jaartelling herhaaldelijk discussie, of ons boek te recht of ten onrechte in den kanon der gewijde geschriften was opgenomen. Bij de opname, evenals later bij de handhaving, in den kanon schijnt men het boek zooal niet zuiver allegorisch, dan toch als typisch beeld te hebben opgevat voor de verhouding van Israël = Shoelammieth tot Zijn Schepper = Salomo. Als zuivere allegorie opgevat, zouden alle, ook de kleinste, trekjes in de beschrijvingen van personen en toestanden hun tegenbeeld moeten vinden in het geallegoriseerde, wat tot de meest gewrongen opvattingen aanleiding moet geven. Als globaal beeld verklaard, behoeven slechts de hoofdtrekken in verband te worden gebracht met de in de personen der handeling gesymboliseerden. Ik geloof daarom, dat deze laatste opvatting verre de voorkeur verdient. Zeker is, dat wij niet te doen hebben met een D'ajp quot;vp (Ez. 33,32), een op zinnelijkheid berekenden liefdezang; wat in het boek getypeerd wordt, daarover loopen tie meeningen uiteen, hoewel de meeste verklaarders op het voetspoor van Midrash aan de liefde tusschen God en Israël denken.
Bij onze verklaring echter hebben wij ons streng bij den tekst gehouden en eenvoudig samenhang, gedachtengang en moeilijke uitdrukkingen enz. trachten op te helderen, terwijl wij ons van uiteenzetting van de toepassing der gebruikte beelden geheel hebben onthouden. Voor de daaromtrent bij oudere en nieuwere Joodsche schrijvers gangbare opvattingen verwijzen wij den deskundige naar de Commentatoren zelve.
HET HOOGLIED.
I.
2 1 Lied der liederen, dat van Salomo is. âHij kusse mij van de kussen zijns monds, â want heerlijk is uw kozen meer, 3dan wijn! Voor den reuk zoo genotrijk uw oliën! als uitgegoten olie geurt uw naam! daarom voelen liefde voor ujonge-4dochters!quot; âTrek mij â wij loopen hard u achternaquot;â,zoo bracht mij de koning in zijn binnenvertrekken â ââwij willen juub'len en in 't hart ons verblijden met uquot;quot; â âlaat ons roemend herdenken uw kozen, hooger dan den besten wijn â
Hoofdstuk I. 1. lied der liederen, d. w. z. het voortreffe
lijkste onder de liederen, niet: lied van liederen, uit verschillende zangen bestaande (Malbiem) ; evenmin; lied uit de talrijke liederen, wat door -w 'â wn zou moeten zijn uitgedrukt. De uitdrukking is als in Dnay isr. Gen. 9,25, slaaf in den hoogsten graad, eene omschrijving van den over-treffenden trap. De bepalende 'n was hier bij het tweede woord noodig, omdat men een bepaald lied op het oog heeft, dat als het voortreffelijkste geroemd wordt. â rmSi'S -ito, dat van Salomo is, d. w. z. v. s. door'hem vervaardigd; volgens anderen: hem betreffende, dat over Salomo handelt. Het betr. voornw. -icfs slaat op tü, niet op D'wn; men vatte dus niet op: voortreffelijkste van Salamo's liederen, maar: voortreffelijkste vanalleliederen, dat door Salomo vervaardigd is. â De vraag, of ons boek al of niet door koning Salomo is geschreven, hangt voor een groot deel van subjectieve indrukken af. De Joodsche overlevering neemt het zeker aan. De ontwikkeling der oud-Hebreeuwsche taal is ons te weinig bekend, om uit het gebruik van bepaalde wendingen en uitdrukkingen iets met zekerheid te kunnen afleiden. Terwijl bijv. velen uit het bezigen van âTff voor
quot;it'N als betrekkelijk voornw. concludeeren tot den lateren tijd van vervaardiging, meent o. a. Delitszch dat de oudste oorspronkelijkste vorm van het woord juist Iff was; dit komt dan ook in Rechteren als noord-Palaestinensisch provincialisme voor. De oude zangen en klaagliederen
februiken het als stijlversiering, terwijl het in het oude proza ongebrui-ebruiken het als stijlversiering, terwijl het in het oude proza ongebrui-
elijk is. Ons boek gebruikt nu overal, behalve in het zuiver prozaïsche opschrift. Evenzoo bezigt Jeren.ia in zijn profetisch boek steeds icw, in zijne Klaagliederen daarentegen 'Tff.
Eerste deel: 1,2â2,7. Het ontstaan der liefde in de harten der minnenden.
2. Naar Rashie en Ibn 'Ezra spreekt hier Shoelammieth; volgens anderen: de aan het maal in het vorstelijk paleis gezeten dochteren Jerusalems (vs. 5); voor die laatste opvatting wordt aangevoerd, dat Shoelammieth toch niet zelve zal melding maken van liefdeblijken van andere vrouwen! Naar mijne meening echter zegt het slot van vs. 3 niets anders dan: ./Zooals ik, zoo zullen wel alle vrouwen voor u in liefde moeten ontvlammen 1quot; Het is niet ijverzuchtige, maar in onbegrensde bewondering verzonken liefde, die meent, dat aller oogen moeten zien als de hare! â Shoelammieth is verzonken in de herinnering aan hare liefde, haar beminde is niet bij haar, â maar aan hem denkend, ('jpw in den
.D-Ttrn -rs?
N
nip^ao -IB'N an'trn yvf *
i* 1-» ⢠; ⢠'r't ⢠i : ⢠jv t »⢠⢠- - ^
pTin rn1? : |«o doim
nïn: ïpnK: TDHN niDty rrVr
⢠- ⢠v; t ⢠vquot; : t^ i i j t*1: kquot; |av ;
?in-i ^3 nnotrji nb'iï vrin -n^an
v,-t iquot; Iâ ⢠| v t |t t ; : ⢠: t «-t t t-: |v v -
derden persoon) ziet ze hem als het ware tegenover zich en gaat'aanstonds in den tweeden persoon voort. â fTn, uwe liefdehetuiciingen, liefkozingen.â aio, hier in zinnelijke beteekenis: yoed, genotbiedend.
3. d^iö -por nnS, Rashie ; voor den reuk zijn uwe oliën heerlijk; anderen, daar rrn meestal geur en het werkw. geur verspreiden, niet: reuk en geur in zich opnemen beteekent: wat den geur betreft, zijn uwe oliën goed. â pnn jnc. Het overigens altijd mannelijke pc.' is hier vrouwelijk gebruikt, misschien om den woordklank, om niet twee zachte letters'J en 'D 0P elkander te doen volgen: als olie, die gewoonlijk wordt uitgegoten, niet zalfolie, maar parl'iim-olie, die in de zaal wordt gesprenkeld, om aange-namen geur te verspreiden, als bijv. rozenolie. Fürst vat pun als eigennaam op : Toerak-olie, een naam, die nooit meer voorkomt. â riioSi-, huwbare meisjes, in den ontwikkelingsleeflijd. âde Pa'él-vorm, die gewoonlijk onovergankelijk is, hier zooals meermalen transitiel', met pathos: hehhen u innig lief. Vs. 2 en 3 vormen ééne strophe van vijf regels, waaraan vs. 4 eveneens met vijf regels geheel beantwoordt.
trek mij met touwen van liefde, (vgl. Hoshea 11,4) d. w. z. gaarne wil ik mij door u laten leiden; nsiu -pnN, wij, d. i. ik wil gaarne u volgen; anderen, tegen de toonteekens: fins ijscn, trek mij n achterna, laat ons samen hard wegloopen! â Zij herinnert zich een feit, een oogen-blik van hoogst geluk, toen zij hare liefde bekende. Na die bekentenis bracht mij de koning vvin, in zijne binnenste vertrekken, â de huiselijke vertrekken liggen achter in het huis â en sprak tot mij: «Wij willen ons jubelend verheugen met uquot;. â quot;p is, naar ik meen, hier als vrouwelijke vorm op te vatten. â rrroi:, wij, d. w. z. ik wil met roem en genoegen herdenken uw liefkozingen, eig. in herinnering brengen, maar zeerdikwijls: huldigen, roemen (vgl. Ps. 45,18 â jou; vat!*).âquot;pan» O'icn, bij de herinnering aan zijne liefde, komt zij terug op de slotwoorden der vorige strophe, waar zij gezegd heeft, dat alle meisjes haren geliefde beminnen, en zegt hier: zoo zij hooren van uw kozen, zullen zij u zeker allen oprecht liefhebben! Anderen: terecht beminnen zij u; dit kan echter moeilijk door D'-ics zijn uitgedrukt; nog anderen: oprechten beminnen u, onf»» = 'S'JN in den samenhang geheel onpassend. â Is hier niet Shoelammieth, maar de »dochteren van Jerusalemquot; aan het woord, dan vatte men het vers aldus op: zoo gij mij trekt, zouden wij, ieder onzer, gaarne u volgen; als de koning mij, zegt de spreekster, gevoerd heeft in zijne vertrekken, â «dan
HET HOOGLIED I.
5 oprecht beminnen z'u !quot; Wel ben ik zwart, maar sierlijk toch, gij docht'ren van Jerusalem! als Kedars tenten zwart, als Sa-
6 lomo's tapijten. Ziet mij er niet op aan, dat 'k donker ben van kleur, dat mij door warmtegloed de zon zoo heeft verbrand ; â mijner moeder zonen werden vergramd op mij; zij stelden tn' aan tot wijngaard-wachteresse â mijn eigen wijn-
7 gaard kon ik niet bewaken! â O, deel mij mede toch, gij, dien mijn ziel bemint, â waar weidt gij toch? waar doet g'uw kudde liggen, als straks het middag wordt ? Waarom toch zou ik zijn als een, die zich omhult, en rondgaan langs de kudden van
8 uw metgezellen ?quot; â âAls gij het nog niet weet, gij schoonste van de vrouwen, ga heen dan toch, de kleinvee-sporen volgend.
zuüen wij allen jubelen en ons verheiujen over u, geliefde Iquot; â zeggen de aanwezige vrouwen, â vrij zullen prijzen uw kozen meer dan wijn enz.--
is verwant met V«n, zich draaien, krimpen van pijn. vandaar speciaal bij een barende; â het beteekent; eene in beweging zich uitende vreugde: van vreugde springen en juichen; nsc duidt meer de vrolijke stemming aan, en beteekent v. s. letterlijk, naar uit het Arabisch blijkt: glad gemaakt zijn, zoodat de rimpels zijn weggestreken. â pn, meer dan den door u geboden xeijn, het beeld van 'skonings gaven, in tegenstelling met zijn persoon; of als in vs. 2, meer dan de geur en het genot, ons door den iijnsten wijn verschaft; v. a. bedwelmender dan wijn; sommigen vatten de woorden fn -pn als één begrip op: wij willen ons eeuwig herinneren uwe liefkozingen, die zooveel beter zijn dan wijn.
5. Nu wendt zich Shoelammieth tot de haar met verbazing aanhoorende //dochteren Jerusalemsquot;, die niet kunnen begrijpen, dat zij door den koning zou zijn uitverkoren. â rnirro, niet juist roetzwart als een Ethiopiër, maar donkerkleurig. â m.sji, volgens Ibn 'Ezka, van nix, begeeren, â hegeerlijk; v. a. van ixj = nw, waarvan dan een bijv. naamw. mannel. HWJ» vrouwel.
nVO, dat dan beteekent: doelmatig, passend, aardig, mooi. â Sns, eig. de
woonplaats; hoewel oorspronkelijk tent, dus de tijdelijke woning van een herder of dgl. die geen vaste verblijfplaats heeft, â terwijl rrQ de vaste woning, het nachtverblijf aanduidt, â worden zij voor elkander gebi-uikt is Sas dikwijls het huis van den trekkenden herder, en n'a de tent van den gevestigden boer. â np iSnss, als de tenten der Kedar-zonen, een Arabische volksstam, die in tenten met geitenharen dekkleeden wonen, die donkerkleurig zijn; (pc, een geitenharen kleed, is het gewone rouwgewaad). â rwvo, al ben ik zwart als Kedars tenten, toch durf ik mij vergelijken met de kostbare prachttapijten van Salomo's zomertent!
6. Sffi ziet mij er niet op aan; kijkt mij niet zoo aan, zou ^ ism Sn moeten luiden. â mmnc, zwartachtig, donker van huidskleur. â ^nsroc, óf: dat, parallel met â osü, óf: daar, afhankelijk: omdat de zon mij door haren gloed heeft verbrand. Dan zou zij de oorzaak van haar zwartzijn opgeven en zou cwn, als oorzaak, vóór het werkwoord genoemd moeten zijn. â 'jnBTUf. t)tü, ook Job 3,9 en 41,10 voorkomend, beteekent v. s. eig. door zijn blik in gloed brengen, in brand zetten; de stralen van het oog verzamelen zich, als het ware, op de zaak, die zij scherp bekijken, als in een brandpunt; v. a. eenvoudig: kijken; üiic, hoewel gewoonlijk maimel., wordt hier vrouwel. gebruikt, misschien om de fijnvoelende liefde niet te kwetsen; niet de mannelijke, maar de vrouwenblik der zon heeft haar
164
K Dn^n yv nop
nnp 'Vnto ni32 niwi '3M nninE' : ^iidhn4 quot;
tIquot; â¢*â¢â¢Â»; it ; _ -at t i: v, : ^ ^ t t : ⢠-: lt;r : I i â¢â¢ -:
â¦anat^ rhrnntf : ribViy nijn^1
⢠:,-T= v: v :- : - -: v ^ ^ â¢.. : â¢_ - . : . â¢_â â¢
â¦Dia Dwarrm me:: ':m o_!nn: 'sn ^3 vmr\
j' : ' ⢠t; - v jt â¢â¢ i * \ r -;i* â '⢠* squot; : vat -
njnn â¦tbs: nanxiy quot;$ rmn : 'mu: ab 1
~v : ⢠^T â¢â¢ ⢠; - TIT lt;â¢â¢â¢ * T-⢠- ⢠;itt J v.* V
tnnanmv^nb'ra n^nxnobtr onnïa r^nn ro'K
I iv-1 jquot; t ; â¢* \ v: iv lt;t t - 'ist -t.-it^- 1 -*⢠: - v.t â¢â¢
fNïn ^3 D^33 â¢n rpr ^nn NVdn n
zoo scherp getroffen! â iij.s â «w, mijne stiefbroeders, de zonen mijner moeder, van een man, die niet mijn vader is. Shoelammieth's vader wordt niet genoemd, wél hare moeder. Zij schijnt dus als halve weeze voorgesteld te worden, wier moeder ten tweeden male gehuwd is, â of reeds vroeger gehuwd was en kinderen heeft. Die stiefbroeders voeren het hoogste woord in huis. â nHJ = nrU. van riquot;in» vertoornd worden; v. a. van
nn = nru welke stam echter wel vuurgloed of koortsgloed, echter niet
gloed van toorn beteekent. â 'Sü in-o, mijn eigen wijngaard, mijn persoon, d. i. v. s. mijne schoonheid, mijn teint enz.; v. a. mijn persoon, die zich door liefde heeft laten omstrikken, â min waarschijnlijk; daar zij immers hare zwarte kleur verklaren wil, en bovendien hier voor eene weemoedige herinnering in den zin van: ach, hadde ik mij zelve maar beter bewaakt! geen plaats is.
7. Of Salomo zich haar als herder heeft voorgedaan, of dat zij, als eenvoudig landmeisje, zich den koning liefst als herder denkt, is niet zeker. De opvatting, die in den herder Shoelammieth's eigenlijken geliefde ziet, naar wien zij verlangt, terwijl zij door Salomo in zijn paleis wordt gevangen gehouden, komt mij min waarschijnlijk voor. De herder en Salomo zijn waarschijnlijk één persoon. â Shoelammieth wil gaarne haren beminde weer zien; en roept nu uit: laat mij toch weten, gij mijn niet aanwezige geliefde, waar gij thans weidt, waar gij uw kudde, als het middag is geworden, doet neerliggen, rustig herkauwende; dan heeft hij tijd en rust, dan kunnen zij samen zijn. â D'Viï, van nnï, glans; het tweevoud : dubbel, zeer sterk, intensief licht; de middag. â row = nE,\squot;,waar; de gewone beteekenis van het woord is wel: hoe, maar dat berust alleen op conventionneel spraakgebruik; de vormen ,13) 113 me' de vraagvorm 'N
verbonden, kunnen beteekenen : waar, wanneer en hoe. â rmhc, â nnS icn, want waarom; â waarom zou ik nu zoekend moeten rondgaan bij de
kudden uwer vakgenooten ? â mora, van nop = (evenals nj33'
iron, rris). omhullen, als iemand die het hoofd zich omhult of uit verdriet, als teeken van rouw, â of om door schijnbare ingetogenheid zich als ontuchtig te doen kennen. (Vgl. Gen. 38,14). Waarom, vraagt zij, zou ik moeten rondgaan bij de herders, vragend naar mijn beminde, als ware ik een zich in sluier hullende ontuchtige, die een boeleerder zoekt? â Anderen, naar Jer. 43,12: omhuld ter beschutting tegen ongunstig weder.
8. Spottend roepen de dochteren Jerusalems haar toe: als gij dan niet weet, waar uw geliefde weidt, dan behoeft gij nog niet de herders te
11E T HOOGLIED I.
9 en weid uw lammetjes nabij de herderstenten !quot; â ;/Met merrie
10 van Egyptisch span stel, mijn geliefde! ik u gelijk. Lief zijn uw wangen in bellenversiering, uw hals in tooi van aanrijg-
11 snoeren! Bellen van goud zullen wij voor u maken, met
12 zilverstippen rijkgesierd.quot; â «Wijl nog de koning wijlt in den kring van zijn tafel, â heeft mijn nardus zijn geuren gespreid
13 en gegeven ! Een myrrhetuil is mijn geliefde mij, die rust in
14 den nacht aan mijn boezem. Een cyprus-tros is mijn ge-
15 liefde mij, uit 'En-Gedie's rijke hoven !quot; â«Zie, gij zijt schoon.
vragen; wij, meer ervaren, weten raad om zonder vragen het spoor te vinden; volg het spoor van het kleinvee, ga zelve als herderin uw lammetjes weiden dicht bij de verblijfplaats der herders, â dan zult ge hem wel vinden. â bgt;c:2 pevi kan ironisch worden opgevat, of ernstig, doordien de geestdrift, waarmee Shoelammieth heeft gesproken, ook voor de dochteren van Jerusalem haar schoonheid doet erkennen. â Zij weten wel, dat Salomo nabij is, maar willen op Shoelammieth's naïviteit ingaan. Terwijl Shoelammieth vs. 7 wel spreekt van: weiden, en doen neerliggen, maar de kudden niet noemt, stellen de dochteren Jerusalems spottend juist dit op den voorgrond; zij geven haar echter niet bokken, het beeld der zinnelijkheid, maar lammetjes, teedere, jonge diertjes, waaraan de herderin hare toewijdende liefde moet geven, ais kudde.
9â11. Salomo komt thans te voorschijn en spreekt Shoelammieth toe, die 12â14 hem beantwoordt. â vfflios =; hdidS, een vrowvelijkpaard, de quot;gt; is bijgevoegd, een overblijfsel van een ouden tweeden naamval; ook Gen. 49,11 komt die vorm voor, gevolgd door een voorzetsel, zonder dus in nwao te staan. â runs '33-o, letterl. de wagens van Phar'o, hier voor de bespanning der wagens, de paarden. Egyptische paarden waren door Salomo in groot aantal ingevoerd; zij waren oudtijds even beroemd als later Arabische. Paarden van Phar'o = uit Egypte, daar vermoedelijk slechts door en met toestemming van den koning paarden mochten uitgevoerd worden. (Vgl. Gen. 45,19). Naar II Kron. 9,28 zorgde Salomo op uitgebreide schaal voor invoer van paarden. Hij was dus kenner van het edele dier, â en het eerste beeld, dat hem voor den geest komt, als hij zijne slanke, edel gebouwde geliefde ziet, is dat van een prachtros uit het schoonste Egyptisch span van zijn stal! â wjn, vrouw, van jn, vriend;
van run, hoeden, overdrachtelijk; zich te goed doen, in verkeer met een ander zich aangenaam gestreeld vinden; het beteekent hier: vriendin, geliefde; zijne bruid is zij nog niet.
10. De overgang van het vorige tot ons vers ligt hierin, dat bij het beeld van een paard dadelijk aan de versiering van het hoofdstel wordt gedacht. Zoo let hij dus allereerst op de sieraden, die de schoonheid van het gelaat te meer doen uitkomen : o'-iin, ronde tooisels, die van voren aan beide zijden van het hoofdwindsel afhangen, of door de aan weerszijden van het gelaat neerhangende vlechten zijn gewonden. â onnn, vau nn, rijgen, eig. doorboren en daarmede aaneenrijgen; zoo Thalmoedisch : van visschen, aan een snoer geregen; hier dus waarschijnlijk: snoeren glaskoralen, die om haar hals zijn gewonden.
11. Reeds nu zijt gij schoon in uw eenvoudigen tooi â maar wij zullen u kostbare sieraden maken â en nog heerlijker zal uw schoonheid stralen. â
K on^n quot;i^ nop
\3p*i3 ^nDD1? : niasirp hy_ ^nnrnK ^nic
^^yonin? y^n1? IIMJ â¢'C1^*1- TC1^-
⢠«lD3n ni^j d^. ^-n'TO bnr nin ; nnnna^ ^3 ^ nn i -ian nnï : inn |ri3 nn: lapM ^ ns^an : na rj? 'DIDS ,l? nn isan : rV
TT I*t- -r.- \ ; v « - : v 1 i- r iquot;t ID
Ejosn nnp:, gouden bellen met zilveren stippen, die als sterren aan den hemel schitteren.
12. 1300. lett. zijn omringen, zijn tafelkring, het maal van den koning met zijn hovelingen en vrienden; oudtijds zat men aan tafel (1 Kon. 13,20; vgl. Ps. 128,3 en 'Amos 6,4); het woord beteekent dan ook: rondom iets zijn, en kan zoowel zitten als liggen om een tafel aanduiden. â tu, nardus, een zeer kostbare zalfolie, hier als beeld der ontluikende liefde, of het sterker wordend liefdeverlangen; terwijl de koning afwezig was, heeft mijne liefde zich in sterke, verlangende woorden geuit; de liefdebalsem, in 'het kruikje mijns harten besloten, heeft zijn geur naar buiten verspreid.
is. non quot;IDS, een hindeltje, ruikertje ntyrWiebloesems; 5,1 wordt ook gesproken van : plukken van myrrhe. Hoewel deze plant in Palaestina niet oorspronkelijk inheemsch was, maar in Arabië thuis behoort, schijnt zij toch ook in Palaestina gekweekt te zijn. Het eigenlijk geurende aan de myrrheplant is niet de bloem, maar de uit de schors vloeiende hars; hier echter is het beeld niet ontleend aan den geur, maar aan het op het hart dragen van een bloemtuiltje. Men behoeft dus hier UTt niet te verklaren met: reukfleschje of zakje, maar kan met de oude commentatoren vertalen: een myrrhetuiltje. Zij draagt haar beminde voortdurend in het hart, gelijk een ruikertje myrrliebloemen nooit van haar boezem wijkt. â pV, ook den nacht doorbrengen, â niet: alleen den nacht doorbrengen, â is de uitdrukking voor: voortdurend aanwezig zijn.
14. quot;ISSn SsCX- ^183 de CV/prus-plant, met geelachtige bloemen en altijd groene bladeren Cv. s. uit het Arabisch, van een stam, die witachtig zijn, beteekent); de bloesems hangen in trossen af, daarom : Sa»», een vlechtwerk, van Sdo, vlechten, â een tros, speciaal van druiven. â iniaa. did, eig. wijngaard, wordt ook van andere plantages gebruikt; zoo rn Dis (Recht. 15,5). â vp, het oude: Chatsatson J'hamar (Gen. 14,7; vgl. II Kron. 20,2), bij den westelijken oever der Doode Zee, waar naar Pred. 2,4 Salomo groote plantages had aangelegd. â De verklaarders, die Salomo en den herder voor verschillende personen houden, meenen, dat in het noemen van dezen plaatsnaam Shoelammieth een aanwijzing geeft van de plaats, waar haar geliefde herder woont. â Anderen verklaren hier 013 als wijngaard, en meenen, dat de Cyprus-plant tusschen de ranken der wijnstokken groeit. â Het beeld beteekent in ieder geval; zoo heerlijk als de geur van den Cyprus-bloemenstengel, is mij de gedachte aan den beminde; óf: gelijk ik mij zou tooien met een bloemstengel van den Cyprus, â die de vrouwen vaak als sieraad in de hand hielden, â zoo sier ik mij met het bewustzijn der liefde van mijn beminde.
15. Bij deze toewijdende liefdeuiting kan Salomo zijne bewondering niet langer bedwingen. â ffov â prr, uwe oogen zijn duivenoogen; zoo Cha-
HÃT HOOGLIED 1, 11.
mijn geliefde vriendin, â zie, gij zijt schoon, â uwe oogen
16 zijn duiven!quot; â âZie, gij zijt schoon, mijn vriend! ja, lieflijk
17 zelfs, â ons bed is ook het weligst groen ! De balken onzer huizing cederen, â onze latten cypressen ! â
II.
1 Ik ben een veldbloem van Sharón, een lelie der dalen.quot;
2 «Gelijk eene lelie te midden van doornen, zoo is mijn vriendinne
3 te midden der dochters.quot; âAls 'n appelboom onder de boomen des wouds, zoo is mijn geliefde te midden der zonen ; â in zijn schaduw had ik wellust mij te zetten ter ruste, en zijn
4vrucht is zoet voor mijn verhemelte! Hij heeft mij gebracht in het huis van den wijn en zijn banier, mij beschermend, is
5 liefde. Schenkt steun mij met rozijnen-koeken, richt mij op
6 door appelen, â want ziek van liefde ben ik ! Zijn linkerhand
7 onder mijn hoofd â en zijn rechter omhelst mij! Ik leg een eed u op, gij dochteren van Jerusalem, bij de hinden of bij de reeën
bakkoek 3,19: en Hij maakte mijne voeten als hinden-voeten; anderen: uwe oogen zijn zoo levendig en bewegelijk als duiven ; nog anderen: zoo kleurig als duivenvederen. De duif is een gewoon liefdesymbool, het beeld van vrouwelijke zachtheid.
16. Shoelammieth beantwoordt de liefdeuiting van Salomo en gaat dan, in toekomstdroom verzonken, over tot beschrijving van haar huwelijkswoning, zooals zij zich die denkt, â niet in de pracht van 's konines paleis, maar in den landelijken eenvoud der natuur: de legerstede frisch, welig groen, de balken van het huis zijn de kronen der cederen, â de zoldering de cypressen met hun eeuwig groen! â snjj, niet juist: bed, waarin men slaapt, maar ook: rustbed, sopha of divan. â riMjn, niet van kleur, groen zijn; maar eig. rekbaar zijn en zich wijd uitstrekken; de zin is dus: in weligen bladertooi een wijd dak vormen.
17. nnp. balken, van nip, ontmoeten, â in elkander loopen. â uovn, soms: gooten, van een stam, die loopen beteekent; v. d. latten o{ paneelen eener zoldering.
Hoofdstuk II. 1. Mijn paleis is de natuur, want ik ben een natuurkind, geene hofdame. â rten, v. s. van Sïnn, afgeleid van knollen
vormend; waarschijnlijk de gewone vleeschkleurige veldbloem, die na het afmaaien van het gras in warme streken bij duizenden voorkomt, pp. De vlakte van Jaffa tot Caesarea. â roi'ir, volgens Ibn 'Ezra van
zes, is eene lelie, die in al hare soorten ces-bladerig is, terwijl de rosaceën alle vijfbladerig zijn. Anderen van een stam: wit zijn, waarvan Iffty,
lyssus en marmer. â opnrn, bloeiend in de diepte der dalen, tusschen
hooge bergen gelegen. Zij is nederig en bescheiden en verlangt niet naar
frootsche pracht; een eenvoudige veldbloem, een lelie slechts in de diepe alen. Maar Salomo denkt hooger van haar, vs. 2.â ovmn ps,rootsche pracht; een eenvoudige veldbloem, een lelie slechts in de diepe alen. Maar Salomo denkt hooger van haar, vs. 2.â ovmn ps, tusschen de doornstruiken; de doorns der plant zelve, gelijk die der roos, heeteno'ïip;
uu;
2 N D'TPn quot;l'tr IDp
â «]« e]« nn na^ ns» ^
: o^nna ut^rn D'Hk niip : rwjn Mvn? r amp;.
,. ; v.. ⢠.t ' t-l quot; t lt;1 itt i i' '' ^
ws-
n_
3
D-ninn pa naa'itra : Dpoyn nssyiB' rin^n nbïan â¦:««
i- i jquot; t- i ; h ^t^it - i » t - vjv--! ' quot;* 2
pa nnja quot;ijrin rtfya mana : ni:an pa |a j 'ax'an : ^an1? pino mai â¦naib'i wan i^ïa o^am
. - .... ,. . . 1 ^ T ^ . , . . - T . . .j- . . . ATquot;
'insi ni^'tTKa^aaD : nanx ibni r«n n^a-^Nquot;
v. : quot; ⢠-;it ; - it-« r v~ t j : â¢; I â¢quot; - â â¢quot;
nnn ibNaty : 'iK nanx n^in-'a ovriana1
V ⢠⢠⢠: - â *- ; ⢠it vt-j r J' ^ r a' ~ quot;
ni^xa in niNava nua dddn »nyatfn : ^pann»
- : - : ^ t : ⢠â¢- t i : lt; i v : v : ~ : â¢liquot;: ⢠ï
bovendien zit ook de bloem niet ra, tusschen de doornen, maar er boven. Vgl. II Kon. 14,9.
3. Zij beantwoordt het beeld direct: als een appelboom, v. a. een citroenboom, onder de boomen van het woeste woud, â als een enkele vruchtboom onder een massa in 't wild groeiende, niet-vruchtdragende boomen, â zoo is mijn beminde onder de jongelingen. â 'raci imcn, verlangde ik te zitten, eig. is hier vren als hulpwerkwoord te beschouwen: hevig verlangen, de kracht van het verlangen door den Pi'el uitgedrukt; tegelijk echter beteekenen de woorden: zat ik met behagen. â Schaduw en vrucht levert de appelboom, beiden even verkwikkend; zoo ook haar beminde in vergelijking met anderen: bescherming en liefde schenkt hij haar.
4. pn no. het huis van den wijn, waar wijn in stroomen vloeit, â m. a. w. naar het verblijf, waar vreugde en genoegen en weelde heerscht, â en daar beschermt mij zijne liefde als een banier, tegen de plagerijen der hofjuffers, die de eenvoudige herderin bespotten. â Sji is het aan den vaandelstok bevestigde doek.
5- .'JOOD â wun, de Pi'elvormen, in intensieve beteekenis, duiden aan, dat zij zeer groote behoefte heeft aan steun en oprichting. â jiw»», Ibn 'Ezra : flesschen, vgl. het latere jvcpjj, glazen lantaarn; Kashie waarsch. evenals nieuweren: druivenhoeken, klompen saamgeperste rozijnen, evenals
een klomp gedroogde vijgen beteekent. De zin is: in herinnering
aan mijne liefde heb ik behoefte aan eene verfrissehing en versterking, geeft mij mijn eenvoudige landelijke versnaperingen: een klomp rozijnen, een frisschen appel.
6. Nu stelt zij zich zoo levendig mogelijk het beeld harer liefde voor oogen.
7. Een bezweringsformulier, dat 3,5 en 8,4 weder voorkomt. V. s. spreekt hier nog Shoelammieth en zegt: nu ik met den geliefde vereenigd ben, bezweer ik u ons niet te storen, ons het geluk te laten genieten: of zij waarschuwt half schertsend tegen het wekten van liefde. V. a. is
HET HOOGLIED II.
van het veld, dat gij niet opwekt, dat gij niet wakker
8 stoort de liefde, tot zij zelve 't verlangt!quot; âStem des beminden ! zie daar komt hij aan, springend over de bergen heen,
9 huppelend over de heuvelen ! Lijken doet mijn beminde op een hert, of het jong van reeën ; zie, daar staat hij achter onzen muur, kijkend door de vensters heen, spieblikken werpend
10 door 't traliewerk ! Nu begon mijn beminde en zeide tot mij:
11 âMaak u op, mijn geliefde, mijn schoone, ga mede! Want zie, de winter is voorbij, de regen verloopen, is heen nu gegaan !
12 Bloesempjes zichtbaar in 't land, de tijd van gezang is gena-
13 derd, de stem van de tortel wordt hoorbaar in ons land. De vijgenboom kleurt zijn vruchtjes reeds, en de wijnstokken, bloeiend, spreiden er geuren ; â op dan, beminde, mijn schoone,
14 en mee thans gegaan! Mijn duive in de spleten der rots, in verborgensten kloutertop, laat mij zien uw gelaat, laat me hooren uw stem, want uw stem is zoo zoet en uw uitzicht zoo lief!quot;
15 âGrijpt ons de vossen, de vosjes, de kleinen, bedervend de
16 gaarden, â want onze wijngaard staat in bloei!quot; Mijn beminde is mij, en ik behoor hem, die weidt tusschen de leliën !
17 Totdat koel wordt de dag en de schaduwen gaan vluchten.
de dichter aan het woord en zegt, nu hij de verlangende liefde heeft beschreven, tot zijne hoorderessen: ,/past op, wekt niet de liefde in uw gemoed, totdat zij vanzelve er ontstaat.quot; Nog anderen meenen, dat hier Salomo spreekt; Shoelammieth is onder het uitspreken der woorden van vs. 6 ingeslapen en Salomo zegt nu tot de vrouwen : wekt de geliefde, (nans, liejde, = vooncerp van liefde) niet uit haar rust, voordat zij vanzelve ontwaakt en wakker wil blijven. â nisaï, vrouwel. meerv. van 'aï, hinde, hert en ree zijn liellijke tamme velddieren, maar tegelijk het meest onderhevig aan geslachtsdrift. â mn, iemand doen ontwaken, in den slaap storen; inirn, wakker maken, wakker schudden, zoodat hij niet weer inslaapt.
Tweede deel; 2,8â3,5. Het wederzijds zoeken en vinden der geliefden; 2,8â17 zoekt hij haar; 3,1â5 zij hem. Shoelammieth is, v. s. weer te huis en verlangt naar den beminde. Sommigen meenen, dat in dit gedeelte door Shoelammieth twee vroegere gebeurtenissen uit haar liefdeleven worden verhaald, die zij dan weer met de schertsende waarschuwing tegen liefde eindigt.
s. nn Sip, daar hoor ik het geluid van de komst van mijn beminde; niet juist: zijn stem. â N2 nt nïi, zie, daar komt hij aan; door het deelwoord en de opeenvolging van korte woordjes is de voorstelling zoo levendig mogelijk; zoo haastig komt hij aan in zijn liefdesverlangen, dat hij over bergen en heuvelen schijnt heen te springen. Deze snelvoetige haast ligt ook in de vergelijking van den beminde met een hert of een jongen ree (9a).
9. Hij staat reeds achter onzen muur, den wand van ons huis, waar binnen ik mij bevind; mjüij, scherp turend door al de verschillende vensters, of hij mij soms te zien kan krijgen. â yx», gewoonlijk bloeien; hier in den zin van; een plotselingen blik op iets werpen, â als hij haar achter het
167
3 D'TETI irr 7Dp
: ranntf nnnxn-nK i-ni^n-owi i iTjm-DK nn'^n
I it : v v j- v,t-: - it v â¢) ; n : ⢠i: 1' r lt;svt -
: n^35n-^ ^spo onnn-^ j-no «3 nrnan nn n
quot;inM noijr nrnan D^'Nn ix â¦axV nn noino
j- - lt;v ... a. t. it «â¢'j ^ . .^. ^ . ^ cv
nn njy ⢠D^mn-ro r^D miibnn-ro n^a
v* jt t r --:i- i ⢠i v* ** -j- i ⢠- ⢠: - : t |â,
iriDn nan-^s : nyobi ^ nS â¦oip ^ -idni ^ g:
*.t : - jquot; ' r _ |it ⢠v,* tit rr^: - | jt *1^ a* - jt ; ^
Ton pK3 ixn: o^yan : iVnVn eiVn D^n nay =' ^
v.-t- *jquot; i ^vt t -⢠; ⢠⢠t ⢠- i fj-r l^-t v v - at^t
n^a nL33n nasnn : lavnxa ynm ninn Vipi r»3n ^
tv- jt ; it t - : - ^ ; jquot; : ⢠v quot; i j : ^ a- â¢
: nS-^bi â¦nfi» ^n ^ 'öip nn una quot;noo D^asam ^
i it ⢠: v'^tit ^ j't : - # : )t * Jj - ^aquot; :-*r \gt;t r ; r t : - : ri_
Tj^no-nN 'a'tsin nhnan inpa ybèn nana â¦rial*T ' laVirnN : nwa TJ^DI nnj; ^ip-»2 ^lpTiN 'a^ptfn ⢠f : -noD wq-OI b'Dna D^anD D^p
it t : f : a* t : â J* : - : v.* quot; I: j' r i\ ^ â quot;r i\
iDai Di»n nis'^ njr : D'a^i^a n^nn i1? ^aw ^ nin 'q
v,t : ~ tv lt;- r- i - â¢v.* it -'⢠-: i- ⢠j' p
verbergende netwerk in 't oog meent te krijgen, richt hij plotseling zijn oog daarheen.
12. |ÃJ, waarschijnlijk verkleinwoord van J'J, bloesem. â pxa, het
land. De bodem wordt gewoonlijk rro-is genoemd. â ^nm, Rashie en Kimchie: gezang; de oude vertalingen (Thargoem, Septuaginta enz.): het mijden der wijnranken, dit is echter niet een feit, dat tot naar buitengaan lokt, en bovendien wordt van den wijnstok eerst later gesproken. â De zin is dan v. s. de tijd, dat in de vrijheid der natuur alom weer het men-schenlied wordt vernomen; v. a. de tijd, dat de vogels weer zingen.
13. Vijgenboom en wijnstok zijn de twee plantingen, wier aanwezigheid en gedijen de rustige kalmte des vredes aanduidt (I Kon. 5,5; II Kon. 18,31) â ,tjs nc;n. i;:n, in den Thalmoed; vruchtknop doen zwellen; Ibn 'Ezra; geur geven, of fijn stof verspreiden; anderen: rijpen of rood doen worden. Het geur spreiden van den vijgenboom geschiedt niet in het hegin, maar eerst tegen het einde van de 'lente. â rvjd. d'jb, (v. s. van jis = p», heerlijk zijn, v. a. van »b, naar het Arabisch: hard zijn) zijn de kleine vruchtjes van den vijgenboom, die in Niesan zich rood beginnen te kleuren. â m», eig. bloesem, v. d. in bloesem staande; evenals Ex.9,31, 'nrnj, in den stengel.
14. Zoo schuw is Shoelammieth, als een wilde duif, die in ontoegankelijke rotsspleten nestelt en er niet uit te voorschijn is te lokken.
15. Waarschijnlijk woorden van den jongeling, die al wandelend, met de geliefde aan den arm, zijne bevelen geeft aan de ondergeschikten; vs. 16 geeft dan eene korte ontboezeming van Shoelammieth. Anderen zien in vs. 15 een liedje, waarmede Shoelammieth haren beminde tegemoet komt, om dan in 16 even over hun hereeniging te jubelen.
HET HOOGLIED II, III.
keer om en doe, mijn vriend! gelijk een hert of jong van reeën op ingesneden bergen!quot; â
III.
1 âOp mijn legerstede in de nachten zocht ik dien mijne ziel
2 bemint; ik zocht hem, maar ik vond hem niet! Laat m' opstaan toch (dacht ik) en rondgaan in de stad, in de straten, op de pleinen, â 'k wil zoeken dien mijne ziel bemint; âik
3 zocht hem, maar ik vond hem niet! Nu troffen mij de wachters, die rondte doen door de stad, â en: «hebt gij dien mijne
4 ziel bemint, soms gezien ?quot; En nauwelijks was ik verder gegaan, van hen weg, â of ik vond dien mijne ziel bemint! Ik hield hem vast. en liet hem niet meer los, tot ik hem had gebracht in het huis mijner moeder, en in de binnenkamer van
5 die mij heeft gebaard ! Ik leg een eed u op, gij dochteren van Jerusalem, bij de hinden of bij de reeën van het veld, dat gij niet opwekt, dat gij niet wakker stoort de liefde, tot zij
6 zelve het verlangt!quot; â âWie is toch deze daar, opstijgend uit de woestijn, als zuilen van rook, doorgeurd van myrrhe en
7 wierook, met reuk van al des kramers poeder ?quot; âZie, het is Salomo's draagstoel, â zestigtal helden rond erom heen, van
8de helden van Israël; Allen met zwaarden omvangen, geoefend ten strijde, â ieder het zwaard aan zijn heup tegen 9 nachtlijken schrik ! Een hemelbed heeft koning Salomo doen
i7. crsssn idji. de schaduwen schijnen te vluchten, langer en langer wordend; = in den namiddag, voordat de nacht invalt. â 2S, waarvoor 8,14 ma, vlucht, staat, beteekent: wend u om, om weg te gaan; tot zoolang kunnen wij samen zijn, maar dan moet gij heen gaan den weg, dien gij gekomen zijt, en over de bergen heen naar uw huis terugkeeren. Anderen verklaren ; ga thans heen, totdat de avond gevallen is, en kom dan terug, huppelend weer over de bergen. â ma m, de hergen in stukken, met steile rotspunten; v. s. een aanduiding voor: bergen, die ons, die eigenlijk één zijn, uit elkander houden, vaneenscheuren.
Hoofdstuk III. 1â5. Naar de meeste opvattingen een droom, dien Shoe-lammieth hier vertelt. Het zoeken van vs. 1 beteekent: verlangen naar den heminde, niet in zinnelijke beteekenis, daar de uitdrukking dan in den mond der zedige Shoelammieth niet past. â Anderen denken hier aan een werkelijk gebeurd feit, â het tegenbeeld van het voorafgaande, waar zij lang zich laat bidden, alvorens tot den geliefde naar buiten te gaan.â zij krijgt zoo hevig verlangen naar hem, dat zij hem gaat zoeken en niet rust, voordat zij hem bij haar moeder heeft gebracht; waardoor al dadelijk blijkt, dat aan wellustig verlangen niet te denken is, maar alleen aan het zielsverlangen der liefde.
Derde deel; het inhalen der bruid (3,6â11) en het gesprek van het bruidspaar bij het huwelijksmaai (4,1â5,1). Het eerste stuk is een bruiloftszang.
6. In de verte zien de wachtenden den bruidsstoet aankomen, die de beminde tot haren bruidegom zal geleiden. â -otsn j» nSr, uil de dorre vlakte opstijgend naar de bergen rondom Jerusalem; jcy nvwro, ali omgeven
LEVITICUS. 22
16S
2 3 crr^n nop
-Vy IN 'ix1? nn ^-nüT 2b D^Vxn
quot; T quot; it â¢.â¢â¢gt; : â¢) ⢠: * ⢠| : iquot; : A* T : -
2
NVI vrijpa ^aj nanKty nx â¦rnrpa m^ba 'asB'D-brx
j â¢. V.* : I* * A* ; - VT-iitv r* ⢠: I-- ^ â¢â¢ - ⢠T : ⢠^
niDrnai o^pi^a nnniDKi X3 naipw : vnNïD =
^ ^ :jr !⢠t; - t -«t ; i -:i- t t I t r t :
^ikxd : vnNïo Nbi vrijpa ^a: rorw nx ntbpnxj
^quot; t : r t ; ; v* ï â¢quot; * a* ; - ^t-:itv y t I: - -:
L#03 : nn'Nn ^s: na n^3 D^Dbn onDi^n â gt;
^ - : ⢠iv * ; v,quot; : ' jt 't it v r\ *' r v* J ⢠quot; ⢠: ~
vnrnK ^a: nsrw nx â¦nNxaiy ana â¦maw
⢠:â: a- ; - vT ~:.it v jquot; t t v v â¢â¢ ⢠:-»-^v
: â¦min mn-bKi 'm vn^amr-jy ^aiN K,?I
I* t I â¢-v.* â¢â¢ : ⢠⢠j«* v ⢠iquot; -; lt;v v ; - j :
mtynni^NaiN nixnïn bSiyn» ni:3 DSHN
avt â -J : ~ : ^ t : ⢠â t i : lt; : v ; v *';-:â¢
nNT »0 : f anriB' iy_ n3n«n-nK i n^n-DN1
V3D mttbi no mtspD nno'^ -linsrno hVir
*. ⢠T ; vlt;vl\ ^ Iat t ^ v~: I* : t : ⢠- I â¢
yno ansa aw intso nin : Vsn np3K'
quot;** t t.' r ⢠:⢠v ^ r ⢠â¢â¢ ⢠iquot; h-; -
non'?» ns^o 3*in nnx nbs : h3-iö n1?n
. «* AT^T : * V.quot; : \ : vv -j*..-: t \ r* t; ⢠vquot; * at
TjSan i1? n'^pnaK : niVbs inap quot;gt;310°
door rookzuilen van verbrandende specerijen; waarschijnlijk van denzelfden stam als quot;lOjl, dadelpalm, en dus: de recht opwaarts stijgende rookkolom; zoo ook het werkwoord isn» in den Thalmoed. Hier is de vorm gerekt (jvnsvi = nnsn), misschien om in den klank van het woord het statig stijgen van den rook aan te duiden. â-iramep?:, berookt metmyrrhe; de O van Sua dient dan ook als tweede naamval (vgl. Gen. 6,20 en 9,2).â npa.s-, van p3X. 'ijquot; specerij-poeder. â San, de rondreizende specerijenkramer.
7. Het antwoord op de vraag van vs. 6: V is de door Salomo gezonden draagstoel, niet: de draagstoel, die Salomo gebruikt; dat zou uitgedrukt worden door: noSp rio»; rraSnSt' incn beteekent: de draagstoel, die hem toebehoort, en die hij gezonden heeft om de bruid te halen. Die draagstoel is, daar de bruid immers door de woestijn reist, omgeven door een daartoe aangewezen lijfwacht van zestig helden, van de uitstekendste helden Israels. Het getal zestig, vermoedelijk gekozen als tiende, uitge-lezenste deel van de uit zeshonderd man bestaande koninklijke lijfwacht (I Sam. 27,2; 30,9 e. a. p.).
8- am W. eig. vastgehouden door het zwaard, dat ze niet loslaat = vasthoudend.
9- jvnax- V. s. draagstoel, waarvan echter in de vorige verzen reeds
1G9 HET HOOGLIED III, IV.
lOmaken van boomen van den Libanon. Zijn zuilen maakte hij van zilver, den ruggesteun van goud, het kussen van purper; van binnen een bodem gelegd uit liefde vanwege de docht ren 11 van Jerusalem ! Komt naar buiten en ziet aan, gij docht'ren van Tsijon ! den koning Salomo in den krans, dien zijn moeder hem wond om 't hoofd op den dag van zijn bruidsstaat, en den dag van de vreugde zijns harten!quot; â
IV.
1 Zie, gij zijt schoon, mijn beminde! zie, gij zijt schoon, uwe oogen zijn duiven van achter uw sluier! Uw haar als een kudde van geiten, als hangende liggend op helling van Gil'ads
2 gebergte. Uw tanden een in rijen geschaarde kudde, zoo juist uit het wed gestegen; want allen zijn ze gepaard en
3 geen van zijn weerga beroofd onder hen. Als een draad karmozijn uwe lippen en liellijk schoon uw spraakorgaan; als een granaatappel-snede uw slapen van achter uwen sluier.
4 Als de Davids-toren is uw hals, in terrassenvorm gebouwd;
sprake was; het zou dan hetzelfde zijn als na»; daarom anderen: een hemelbed, hier: het bruidsbed, dat de wachtenden hier dan beschrijven als van nog grooter pracht, die de bruid wachtende is, dan de draagstoel, die haar tot den bruidegom voert.
10. IHTS*!. v- s- de hemel, waarschijnlijk het hoofdeinde, waarop men zich achterwaarts uitstrekt; vandaar dan : de leuningen aan hoofdeinde en zijden. â iM-e, als in Lev. 15,9: het zadelkussen, waarop men bij het rijden zit; hier: de kussens, die de zitplaatsen bedekken. ârans cps-i, met een vloer bedekt, waarschijnlijk een tapijt van kostbaar weefsel en met kunstig borduurwerk, uit liefde, nans, tiU bijwoord, {bekleed met liefde, zou luiden: DSHN ! anderen: liefelijk héleyd.
11. Zij, die in afwachting van den bruidsstoet de stad reeds hadden verlaten,quot; noodigen nu de achtergeblevenen allen uit, toch ook te komen kijken, want ook Salomo zal zoo straks zijn bruid tegemoet komen, gesierd met den krans, dien zijne moeder ter eere van zijn bruidsstaat hem vlocht!
Hooïdstuk IV. 1â5. Lied van den bruidegom, waarin hij de schoonheid der bruid bezingt; vs. 6 bevat dan haar kalmeerend antwoord, dat tegelijk voor het oogenblik eene afwijzing bevat.
1. zie 1)15. â quot;paï1? ira», van door = schitterend door quot;jnaï,
v. s. uw haar, dus: de oogen schitterend door de over het gelaat hangende haarlokken heen; dezen hangen echter niet over de oogen, zoodat iïss daarbij zou passen; dit woord onderstelt, dat de rrax over de oogen heen hangt; daarom waarschijnlijker: sluier, zooals Syinmachus hier en de Syrische vertaling Jes. 47,2 ons woord teruggeven. â tron mo -pre, uw ham donkerkleurig als een kudde geiten; de schapen waren gewoonlijk wit, geiten daarentegen, zooal niet zwart, dan toch donker van kleur (vgl. Gen. 30,32). â idVj ma idSjp, v. s. uit het Arabisch: zich neerleggen. Zij liggen tegen de steilte der bergen op, met eenigszins opgeheven bovenlijf en
n 3 Dn^n yv üop
anï im^quot;i ÃIDD nquot;^ : junbn »ÃVà rió^1
tt â¢* tl': |v v t ^t t - i i t ; - :
nrxi' : niJ3D nsns4 eiixn bin r^ns4 mana ^
^ t sv : -itt i: v : ⢠t -: i- I -j t Iatt : - v t ; v
IÃÃN4 iv'-niü^E' riT^a nb1?^ T|bö3 |i»v ni:3 nrKii : 131? nna'ty dvdi ininn â¡,i'3
i ⢠j' : ' v. : t *.. -: -⢠;
-I
^n^ïb -i^ap T]^ naj. ns; ^
: lybï inn whw a^bn -nyri = rs4 nia^nö bvO# nvmn-p nüixpn
-gt;â¢â¢ vt â¢â¢ - ; ⢠; - t â¢-. v _ at : -it v r iv I; -
jiann nbaa ms*: â¢nnanai -i^riina^ üiro : nnsj
i -it ^ -lt;v ; av t kquot; t : ⢠i* - : ⢠⢠t - « ; iv t
ni'S^nb nj3 -|gt;nv quot;i'n : -[na^ ijno -jn^ ^
schijnen, uit de verte gezien, van de rotspunten af te hangen, daarom inQ; â zoo vloeit liet haar van het hoofd langs de schouders, of pakken zich de krullen op elkander, als een kudde geiten, uit de verte gezien.â Zoo G an ach ; Rashie : die als geschoren zijn van den herg af, d. i. dan; die zoo juist van den berg afdalen; Ibnquot; 'Ezra: die gezien warden of; wegspringen. Gil'ad is een streek in het transjordaansche, waar vooral de veeteelt wordt beoefend.
2' nmsprx v- s. geschoren; daar dit echter na het wasschen plaats heeft, en het wasschen hier eerst volgt, is dit minder waarschijnlijk. De oudere commentatoren; hepaald; v. d. óf naar Rashie ; welgesteld, óf naar Kimcuie en Ibn 'Ezka ; gelijk in aantal, in rijen opgesteld, die elkander volkomen gelijken. Het beeld ziet dus op den gelijken stand der beide rijen tanden óf op de gelijke grootte van allen. â nsmn }» Vrrr, zoo Idank, als pas uit het wed stijgende witte schapen. â fWNnn nVïr, zij zijn allen in den toestand van ticeelingen; â nSan, en eene beroofde, van zijn wedergade geschei-dene, is er niet hij; deze wooi'den zien dan niet op lt;ie schapen, maar direct op de tanden. Anderen; rf/e (de schapen) «//cn fa-ecffni/fn werpen en waaronder geene van een zijner jongen is heroofd. In ieder geval doelt het op het recht tegenover elkander staan der enkele tanden in ieder der beide rijen.
3. -pana, uw spraakorgaan, uw mond; anderen ; uw spraak, minder waarschijnlijk, daar lichaamsdeelen beschreven worden.âquot;pp-, van pi, dun, het dnnne deel van den schedel nan weerszijden van de oogen. â nSss jwm, als een opengesneden granaatappel op het snit-vlak, waar hij een fijnen zachtrooden fint heeft; het beeld duidt dus de fijne kleur aan. Anderen; als een halve bol, gelijk een halre granaatappel is uw wang; Recht. 4,21; 5,26 beteekent het woord echter zonder twijfel; slaap.
4- nVïlSnS. Oude commentatoren naar Midrash; uit 'rn, van rhv, hangen, en ni's, scherpten, â zwaarden; icaar men zwaarden ophangt; Kimciue ;
van 7n = Sn- hoogte uit scherpe steenen. Deliizsch; van een stam he1?.
HET HOOGLIED IV.
duizenden schilden hangen er aan, alle dekkingen der helden.
5 Uw beide borsten als twee jonge reeën, tweelingsjongen eener
6 hinde, â die weiden onder de leliën !quot; â âVóórdat afkoelt de dag en de schaduwen vluchten, wil ik heengaan naar den
7 myrrheberg en naar den heuvel met den wierook!quot; â âGeheel zijt gij schoon, mijn beminde! en geen enkele fout is aan u!
8 Met mij van den Libanon, bruid! met mij zult van den Libanon gij komen; zult neerzien van Amana's top, van top van Senier en Chermon, van verblijven van leeuwen, van bergen voor
9 panthers! Gij hebt in het hart mij getroffen, mijn zustertje bruid! gij hebt in het hart mij getroffen met één van uw
10 oogen, met één enkel schakeltje van uw halssnoer! Hoe heerlijk uw kozen, mijn zustertje bruid! hoeveel beter uw kozen dan wijn â en de geur uwer olie dan reukstoffen al!
11 Van maagdehoning vloeien uw lippen, o bruid! honing en melk is onder uw tong, en de geur uwer kleêren als Libanon's
12 geur! Gesloten hof is mijn zustertje bruid! gesloten bron.
'170
T own yp
^^3 yv : dniaan 'vhp Va nbn jaan * Di'nmfi»^ D^nn n^ï 'DiNfi Dns^ ^
: ruiabn n^nrbNi man quot;in-bx 'b D^Sïn ID:1! â¦rix rtb'jtóp WK : ^ pK diqi Vis* Tj^a^ ïiönniV:^ EW-IO niDN ITKIO i nv^n â¦nün rua^D
i : v ; ⢠: «â¢â¢ t t -: â¢Â» â¢â¢ ⢠-⢠t ^ a t 1 ^ t ; â¢
nb ^nhK ^naa1? : ana: nnno nihTN majrap0 â jnn ifi^na P^; nnKa'^i^a nns^ ^naaV' 8
: D^a^r1?!» Tj^aip nni |quot;a ^nn mb-na nba whK 5 mi Tiiii^b nnn a^m^mn^a^nina'ty maan nw*
- jquot;i Iquot; : quot; j~ t t : lt;- ; at - )⢠v.quot; : * r : j ' v .)
i ^ nba wnK i fa : fin1? nna ^naV^ *
beteekent eigenlijk: schoondochter, de verhouding aangevend tusschen de jonge vrouw en de familie van haren echtgenoot; vandaar: bruid en Jonggehuwde vrouw, de zin is das: ik heb u iets beters te bieden, dan de eenzaamheid van den nyrrheberg; zijn wij eenmaal getrouwd, dan trekken wij ons terug in de eenzaamheid van den Libanon en genieten daar van de heerlijke trotsche vérgezichten, waarin gij dan geheel mijn land aan uwe voeten zult zien. De namen runs, tjü en pain duiden deelen van Libanon en Antilibanon aan. (Vgl. Schwarz, Palaestina). â m:. Panther, eig. de gevlekte. â â nifn, zult gij uitzien, als Num. 23,9.
9. ^roaS. De Pi'el van werkw. die van namen van lichaamsdeelen
femaakt zijn, beteekent niet alleen:emaakt zijn, beteekent niet alleen: wegnemen, maar ook: wonden. Het art wegnemen is in het Hebr. =; van verstand berooven (vgl. Hos. 4,U). Hier is de zin : gij hebt mijn hart gewond = gij hebt mij geheel gevangen genomen, -prn nnxa, door één van uw oogen reeds =: door een enkelen blik; pas inNa, door de sierlijkheid en den goeden smaak, waarmede gij uwe sieraden draagt; pjr, eig. kettinkje. â nSr vnnss. Hij kan haar niet tiSs, noemen, wat: mijne schoondochter zou beteekenen; hij noemt haar zijne zuster, daar zij, als nSa, dochter zijner moeder is geworden. Anderen zien in de uitdrukking een aanduiding van de reinheid der bruid: mijn zusterlijke bruid.
10. â¢)£)% uiterlijk: schoon; lao, innerlijk: goed.
11- DSJ. van zelf uit den honingraat druipende honing, maagdehoning druppelt van uw lippen, als ik ze kus; en onder uw tong, die liefdewoordjes fluistert, schijnt slechts melk en honing te zijn; alles is even zacht en zoet, wat uwe tong uitspreekt. De geur der kleederen is als de heerlijke verkwikkende zoete kruidengeur van den Libanon; vgl. Gen. 27,27.
12. Rein, ongerept is mijn bruid; als een gesloten hof waarin niemand, buiten den .eigenaar, toegang heeft. â Sj, een omheinde ruimte, Si, verwant met nbj) (Recht. 1,15) bron, van zich naar de oppervlakte wentelend
water; pr», een waterwel, die als een oog straalt in de vlakte.
HET HOOGLIED IV, V.
13 een verzegelde wel! Wat gij doet spruiten... granatenpark met kost'lijke vruchten, â slechts Cyprus- en nardus-bloemen.
14 Nardus en crocus, calmus, kaneel, met allerlei wierookge-boomte; myrrhe en aloë-soorten, met alle meest eed'le spece-
15 rijen! Een wel voor tuinen, een bron van levend water,
16 neerstortend van den Libanon.quot; «Waak op dan, Noorder wind, kom toch, gij wind van 't Zuiden ! waai koelte door mijn tuin, dat stroomen zijne geuren; moog' komen mijn vriend in zijn hof, en eten zijn kost'lijke vruchten!quot; â
V.
1 «Ben gekomen in mijn gaarde, mijn zustertje bruid! heb geplukt er mijn myrrhe en mijn balsembloesem, heb gegeten mijn honigraat met mijn honing, heb gedronken mijn wijn met mijn melk! Eet dus, vrienden! drinkt en bedrinkt u, gezellen!quot;
2 i/Ik ben in slaap, maar mijn harte â het waakt; de stem mijns beminden, hij klopt! w «Maak mij open, mijn zusje, mijn liefste, mijn duifje, mijn brave! want mijn hoofd is vol dauw, mijne
3 lokken van vallende nacht'lijke droppels!quot;quot; //«Heb mijn lijf-kleed uitgetrokken, hoe zou ik het dan aandoen weer ? ik heb
13. quot;jinSiy» cio' wat ff'j uitzendt uit den bodem, â wat in uwen hot' groeit is â al wat tot het einde van vs. 14 volgt. â cns, een omheind park, vooral van exotische sier- en gearplanteu.
14- crocus, Indische saffraan (wat eig. in het Arabisch {iele geur-
bloem of verfstof beteekent). â n:p, specerijriet, calmus, zie Ex. 30,23.
15. Een wel, die tuinen drenkt en dus haar plaats vervult ; een hron van levend water, die nimmer opdroogt, en wel van water, dat in wilde vaart van deu Libanon zich neerstort, altijd friseh en kristalhelder.
16. Shoelararaieth duidt aan, dat zij bereid is den geliefde te volgen, maar eerst moet zij zich voorbereiden hem waardig te ontvangen, /ij werkt de vergelijking met een tuin nader uit. Komt, winden uit Noord en Zuid, koude en warmte brengend, waait beurtelings zacht door den tuin en brengt daar koelte, en door het zacht heen en weer wiegelen der boomen spreiden zij al hun geuren door den hof; dan eerst kan mijn beminde in den hof komen en genieten wat daar groeit! â Beeld voor de voorbereiding der bruid tot den huwelijksdag, vgl. Esther 2,12.
Hoofdstuk 5,1. Het huwelijk is gesloten, â de vereeniging der geliefden heeft plaats gehad, â- stelt Salomo zich voor. Hij neemt de laatste woorden van Shoelammieth als uitgangspunt en zegt: thans is het doel bereikt -â ik ben als liet ware reeds met mijne bruid vereenigd â daarom, vrienden ! die in de bruiloftszaal aan den bruidsdisch zijn gezeten, eet, drinkt en viert feest! â wis, in de Mishna een gewoon woord voor: plukken. van DU'3 ; van QC'S zon bet 1piü'3 luiden. 01^3, algemeen:
hel welriekende, speciaal; de hcdsemslmik. Plukken, eten, drinken, =
171
n n own quot;i^
dhm dhjq na D^ian dtis : oinn | ^ niin1? 'ïr^ d^ rióspT nip binsi i i-ij : Dmroy ^
at : jquot;^; t i tl' ; vit : - ; : :â quot;⢠r t: '
D'Q quot;iK3 Q^a r'^D : Dwa ni^nHi -io«
â¢j- v.quot; : . ' quot; ' Jquot; : ~ ^ r t ; -»â¢â¢ t t *v t -; r -â¢
»33 'n^n Tib'n ^ini ?iaï : ri:nyp Q^ni D^n«
v.* - ' j' t it â¢* * j i t ⢠*lt; i i t : i ⢠^* ; i ; a* -
: vnao na ibquot;? nn kd» vo'^a
itt ; j' : vquot; ï ~ : ⢠lt; t at t : j ; â¢
n
'nbsN ^ot^rD^ hio »nnx nVs »nnK ^ â¦nxax
⢠:quot; ⢠; «- t * t : ⢠⢠lt;⢠t t ~ -â¢â -; ⢠- ; ⢠-^t
mtr D^I ^biTDy
j ; ^. .. j ; ⢠rt- t -: ⢠v.' quot; * j' t ⢠: â¢
â â¦nna pan nn i bip -ip 'aSi n:ir' ; onn notri =
⢠: ⢠I â¢â¢ ^ I â¢J ^Aquot; /⢠⢠; ^t â¢â¢ : r-;^ r i. : * :
â¦niïip bb-^Di 'nsn t-uv 'n^quot;i »S
v,- r-.l; t t : ⢠* v ⢠t - ^t * r: lt;â -:
â¦nïm nr^x hdd'K ^:n3TiN Tic^a : â¦D'DI j
' : j' t at V t : v t ^t quot; * ï t â¢, V * : - t t :it â¢â¢ j' :
genieten van wat de hof = Shoelammieth's schoonheid, te genieten geeft.â â njri van iï' = mp, I Sam. 14,27, is de honingraat, hier: de versche, nog in den honingraat zich bevindende honing. â Anderen meenen, dat tusschen 4,16 en 5,1 de bruidsnacht is verloopen en ons vers den morgen na het huwelijk is gezegd, â onn, vrienden, beminden, anderen ; bedrinkt u aan liefde, D'Tn, als afgetrokken zellst. naainw.; liefdeblijken, niet waarschijnlijk, daar immers wel Salomo, niet echter zijne vrienden liefdeblijken ontvangen.
Vierde deel: het huwelijksleven, eene storing der liefdevolle wederzijd-sche toewijding, en het hervinden der liefde, 5,2â6,9.
2. //Ik slaap, maar mijn hart waakt,quot; verleden tijd, in levendigen stijl door een tegenwoordig deelwoord uitgedrukt; v. s. = ik droomde; â zij droomt, dat haar beminde 's nachts van een verren weg terugkeert en vraagt binnen gelaten te worden. â was, mijn zuster - mijn vrouwtje; vgl. liet apocriefe gedeelte der vertaling der Septuaginta Esther 5,1: wat is het, Esther? Ik ben uw broeder! â 'non, die geheel en uitsluitend mij toebehoort.
3. Toen antwoordde ik, â vertelt zij â //ik kan u niet de deur openen, ontkleed lig ik reeds te bedquot; ; vwo, het kleed, dat men op het bloote lichaam draagt, onderkleed, van ]r\2,.vlas. Het pas afgelegde en gladgestreken kleed wil zij niet meer kreukelen, de nauw gewasschen voeten niet bevuilen. Als landmeisje voelt zij zich weer, die bij dag barrevoets loopt en dus 's avonds de voeten wascht. Zoo ziet zij in den droom, hoe zij de liefde van haren bruidegom op minder hoogen prijs stelt â zij ontziet een kleine opoffering â maar nauwelijks uitgesproken, heeft zij al berouw over hare woorden.
HET HOOGLIED V.
mijn voeten reeds gewasschen, hoe zon ik ze weer gaan be-4morsen?quot;quot; Mijn beminde steekt zijn hand door het luikje,â 5 en mijn binnenst' kwam in oproer wegens hem! Stond van zelve nu op, om mijn vriend de deur te oop'nen; en mijn handen, zij dropen van myrrhe, â en mijn vingers van myrrhe, (3die vloeide over de grepen van 't slot! Nu opende ik mijn geliefde de deur â maar mijn lief was zich omwendend henen gegaan ! â mijn ziel was ontvloden bij zijn spreken ! â nu zoeht ik hem, maar vond hem niet; nu riep ik hem, en hij 7 antwoordde niet! Mij vonden de wachters, die rondgaan de stad ; zij sloegen mij, wondden mij ; namen mijn bovenkleed 8weg van mij, de wachters van de muren! â Ik leg een eed u op, gij dochters van Jerusalem ! als gij vinden mocht mijn lief, wat zult gij mededeelen hem? «Dat ziek van 9liefde ik ben!quot; â âWat is uw liefste meer dan and'rer lief, gij schoonste van de vrouwen? Wat is uw liefste boven and'rer
10 lief, dat zoo gij ons bezweert ?quot; âMijn liefste schitterend wit
11 en rood, boven myriaden verheven! Zijn hoofd is het kostbaarste zuiverste goud, zijn lokken als heuvel aan heuvel,
12 zoo zwart als de veeren van raven! Zijn oogen als duiven bij waterbeeken, zich badend in melk, rechtzittend in hun kas.
4. De bruidegom wil zelf eene poging doen om de deur te openen, hij steekt zijn hand door het gat; nn, een luikje in de deur, om te zien, wie er bniten staat, boven den grendel. â nnn |IS, van de opening uit naar binnen toe; wij : door de opening. â i«n 'pm, mijn ingewanden dreunen, zijn in opgewonden beweging; iiSï, wegens hem, door de dringende liefde, die hij toont.
5. Myrrhe was waarschijnlijk de zalfolie, waarmede Salomo, toen hij aan de deur stond, gezalfd was. Bij zijne poging om te openen, was zooveel myrrhe afgevloeid op het slot, dat Shoeiammielb, nu zij openen gaat, haar handen en vingers als druipend ziet van de myrrhe, die nog kleeft aan de niB3, grepen, handvatsels van den Sirw, sluiting, slot. Anderen verklaren izr -ito als; vanzelve uitvloeiende myrrhe â nn i» Ex. 30,23; â nog anderen; vloeiende myrrhe, in tegenstelling met drooge stukjes myrrhe ; dit staat echter in ibcj genoegzaam aangegeven. Het waarschijnlijkste komt mij voor, dat -ar in verband met de volgende woorden gelezen moet worden; myrrhe, die van het luikje af naar beneden was gevloeid over de greep van het slot.
6. Als zij nu opent, is de beminde er niet meer; p?in. hij heeft zich omgewend en is heengegaan. En toch, zegt zij, toen hij sprak en toegang vroeg, bestierf ik het bijna van verlangen â het is een tusschenzin waarin zij haren zielstoestand beschrijft en reden geeft van haar verder gedrag; daarom gaat zij hem zoeken, zonder hem nochthans te vinden.
7. Zij zoekt den beminde in de stad, het is dus niet een herder, maar Salomo zelve â im, v. s. sluier, v. a. een omhullende bovenmantel. Zij houden haar voor eene ontuchtige en grijpen haar aan; om te ontkomen laat zij haar bovenkleed in hunne handen, evenals Josef Gen. 39,12.
8. Den geliefde niet vindend, bezweert zij de dochteren der stad hem.
172
n on^n yw ajrp
â¦Ã¼Ã¶ninn-töiT n1?^ nii : nssLix hdd^ â¦brrm^
â¢â¢ - I â t lt;- t ⢠iquot; : - -: t JT quot; K' '⢠'
WaïKi nió-iöüi nn nnb n'na1? 'ix â¦nop : ion *
- ; : v ; : it â¢'â¢t: a* ; ~ ⢠v.' quot; * : I j~ it t j t
nm nnb 'JN 'nnns : ^ipan msa by lip ma1 in^nNïa kSi in^ntrpa nana ^«31 na^ pon
T: -â¢: â¢:i~* ;â¢: jT:it â¢;- AT T I T
â¦aian i^a o^aabn onotyn 'jnïd : ^2^ Nbi vnxip'
⢠-⢠⢠*;⢠t y : i - â¢)â¢:! - ⢠s-.. T : â¢it'T J : v,* TI :
â¦nyatfn : niann not^ nnrnx in^: ^yan
⢠*: j- : ⢠1 -^t-4quot; * * ; v lt; : it ' a t :
iH» n^n-no nirnx iKXpn-DN P^it ni:a oanx â¢n-iiTno D^3a na»n mno â nnirno : â¦:« nanx nbinir ^
)-lt;â¢â¢ - A- T - V.TT - ^ * l-»quot; - -IT V,T -: I- J~ IV
: naano Viit Dinxi nï nii : unyatfn naaty
it T ;iquot; v. T T : ~ ,J' ^ tr : ' '⢠' T^T v
v'ïy : auya niin^ D^nVn vnvip ts ona ïmi *
t quot; iquot; it v. : ^ - t -..l: at v-»v v, Squot;*
: nvhvbv niair» a^na niïrh d^o 'p^N-1?^ D^va
1« ⢠V ï ' T T IV -: I 'AT Iquot; -â¢â¢ quot;J V,* ï
als zij hem mochten ontmoeten, haar toestand bekend te maken. Vraag en antwoord in directen vorm gegeven, zooals men een kind een boodschap opdraagt. â dn, hier niet inleiding van een negatieve eed naTiraon, maar in den gewonen zin van ; wanneer.
9. Wij willen hem gaarne zoeken, maar willen weten, waarin hij zich boven anderen onderscheidt, dat gij zoo verlangend naar hem zijt! Tna== Dimn, meer dan andere beminden; net meervoud zou echter in den zin van liefdeblijken kunnen worden opgevat, â wat heeft uw beminde voor minnekozen? â wat te zinnelijk zou zijn; daarom hier het enkelvoud als collectief. â â¢uruairn, 2de pers. mann. voor vrouwelijk: UVIJ/^UTI-
10. ns. blinkend wit, een eigenschap van schoonheid; de witte tint van de huid ; omi en donker rood is zijn bloed, dat ook zijn huid een tint meedeelt; een teeken van gezondheid. â Si;n, letterl. met een vaandel voorzien; de vaandelstok wordt hoog opgeheven; vandaar; verheven, hoog-uitstekend; anderen; uit een troep soldaten uitgekozen; eene zeer groote menschenmassa.
li- ia oro. twee woorden, die beiden fijn goud beteekenen; v. s. is het beeld ontleend aan deri edelen bouw en de fiere houding van het hoofd; volgens Rashie aan den schitterglans van het hoofdhaar, volgens andereu van het hoofd windsel, met kostbare steenen versierd. â S'Ww. Kimchie ; verdubbeling van hoop, â hoopje aan hoopje = in krulletjes op het
hoofd; Rashie; van nSr, hangend, als neerhangend loof; Ewald = qiSjSi, Jes. 18,5, en dus; wijnranken. â Het haar is in lokjes gekruld en van den nek naar den schedel gezien, staat lokje naast lokje; een tweede beeld beschrijft eerst de kleur van het haar.
12. De oogen lijken in zachten glans en schittering en bewegelijkheid op de duiven, die aan de waterbeek water likken, voortdurend zich verplaatsend en heen en weer huppelend. De pupillen zwemmen in het oog-
HET HOOGLIED V, VI.
13 Zijn wangen als een bed van geur'ge planten, als hoogten vol van balsemstruiken; zijn lippen zijn leliën, druipend van myrrhe,
14 erover gevloeid! Zijn handen gouden spangen, met Thar-
15 shiesh-steen bezet; zijn lijf een stuk ivoor, bedekt ganseh met saffieren. Zijn schenkels mann'ren zuilen, vaststaand op gouden voeten; zijn uitzicht als de Libanon,-âals ceed'ren uitverkoren.
16 Zijn verhemelte slechts lekkernijen, en hij â geheel bekoorlijkheid! â Dit is mijn liefste, en dit is mijn vriend, gij Jerusalems dochters!quot;
VI.
1 ;;Waarheen is uw liefste gegaan, gij schoonste van de vrouwen ? Waarheen heeft gewend zich uw liefste, â opdat wij
2 hem zoeken met u ?quot; «Mijn liefste daald' af naar zijn gaarde, naar de bedden van geurende planten ; om te weiden in de
3 tuinen en om leliën te plukken. Ik behoor slechts mijn liefste en mijn liefste slechts mij, â hij weidt er te midden der lelies!quot; â
4 «Schoon zijt gij, mijn liefste, als Thirtsa, lief zijt gij als Jerusalem ; vreeswekkend als troepen, geschaard om de vaandels!
wit, dat schitterend wit is als melk; dit is het tweede beeld; nisnn, onderwerp is: de ouyen, niet: de duinen; en die oogen in hun geheel staan in de kassen recht eu symmetrisch, gelijk steenen zitten in de kassen, waarin zij gevat zijn. De oogen zijn niet ingevallen en puilen niet uit, maar vullen de geheele oogkas. De steen zit op het goud van de binnenzijde der kas, daarom ^ï. â nshv, van nS», in dezelfde beteekenis als Exodus 28,17 e. a. p.
is. atran njiiya. als een zacht glooiend bloembed, waarop geurende planten staan, zoo bollend zijn zijn wangen en zoo geurend. â mSliS, niet geurige bloemen beplante hoogten, misschien kunstmatige aanleg van torenvormige aardhoogten, van onder tot boven met bloemen beplant. â Dinjrw, specorijplanten; liet beeld slaat waarschijnlijk op deu lieflijken indruk, dien de aanblik zijner wangen maakt. De opvatting: specerijen-kastjes, komt mij minder waarschijnlijk voor. â â¡â oï-to, zoo lieflijk als leliën; anderen: zoo rood als leliën; de Palaestinensische lelie is niet wit, maar rood. Over -cr m zie vs. 5. Wat de lippen spreken, is als myrrhe zoo geurend; wat over de lippen komt, is, als vloeide myrrhe er over.
14. eig. rollen. De geurende hand met hare gestrekte vingers, deze laatsten vooral, lijken op gouden staven, waarop de nagels, op het vleesch roze-kleurig schitterend, als Tharshieshsteenen blinken, waarsch.: Topaas. â vrs, de plaats van het lichaam, waarbinnen de ingewanden zitten = de romp. â ;'j ntT, een klomp, stuk ivoor, wat kracht betreft en glanzende gladheid. Doch als ivoor, dat geheel bedekt wordt door schittering van saffier. â nsSr», eig. omhuld. V. s. doelt liet beeld op de blauwe adertjes, die op het lichaam onder de huid zichtbaar zijn, het wit van ivoor met blauwen saflierglans overgoten.
15. VpIC- p10 's het been, van de heup tot den voet. Het beeld is dus duidelijk: zuilen, die het lichaam dragen, â schitterend wit als marmer, en gedragen door krachtige voeten, gelijk een marmeren zuil door
173
i n Dn^n yv wp
vnina'c D^npiD nibuo a'^in rwnys VnS ^
^ ⢠- i t : ⢠a-it ;v *⢠:: \ v - --- i :â¢quot; tt:
VVD ^^-1713 D^bOQ DHT VT : quot;I3gt; TiQ nlaui ^
*t â¢â¢ rt- ; - - v' t â¢, : t t j- ⢠: tt iquot; v ^ â¢
Dns'Q ni^j; : nn.'SD jé' n^.VJ ibDi mnoD I3n : Dn^3 una ?ih^ Wna Ta-'mquot;3
v, â¢-. ; i * - : - ⢠r t-:it t; - â¢â¢ ; - or *' l '
: ni:3 nn nn nr Dnano
â¢ITT i: v = quot; â¢'v; ⢠«v rt- - -; i-
1
Tinn n^a rm a^33 na^n -iSn ms1«
V.v j; - ; ) â¢â¢ -tt t t« a' t ~. t ^ ' quot; ) â *' t t t,:
D'bs D'^sn nijn^ 1b1? quot;i^ nn : rja^ -: nrim ^ nln nn1? ^s4 : Dbbbi»
r - 1 - v*â¢* 'Tt â '' : * : . c- quot;! ^ r - 1 K:^ :
: nibanas ns\s4 oStrn^ nïquot;in3 'n^n nx na* ^
it:-- i.T â -.-: ⢠AT T t ⢠V.T T T : * : * T : - : lt;- T T
een gouden voetstuk, vv, v i t marmer. â ins-c, zijn geheel uiterlijk is zoo grootscli en heerlijk als do Libanon zelve- â nn;, uitverkoren - zich on-derscheidend door slankheid en schoonheid onder zijn vrienden, als cederen onder de boomen; andereu met do Chaldeeuwschc vertaling: eenjongelinij, hoog ah cederen; men zou dan echter hot enkelvoud nto verwachten: lt;jelijk é é n ceder.
16. IJH; wat hij spreekt, zijn mond, als spraakorgaan ; evenzoo wordt â gt;n ook Job 6,30; Spr. 5,3 e. a. p. gebruikt. Hot woord beieckont: do mondholte, het verhemelte, do'binnenzijde van den hals.
Hoofdstuk VI. 1â3. Voortzetting van hot gesprek tusschon Shoelam-mieth en de dochtoren Jerusalems.
1. Nii bieden zich de dochteren Jerusalems aan, haar beminde met haar te zoeken, als zij maar weten, waar hij is; waarheen hij zich, Shoelammieth verlatende, gewond heeft. Hier behoeft dit aanbod niet ironisch bedoeld to zijn ; de toewijdende liefde, waarvan zooeven is gebleken, heeft indruk gemaakt.
2. Zij antwoordt, dat hij ook nu wel daar zal zijn te vinden, waar hij zich het liefst ophoudt, in de tuinen om zijn paleis. Zij spreekt dit uit in aan haar herdersloven ontleende uitdrukkingen. âMisschien ook drukt zij in de woorden: om leliën te plukken, uit, dat hij niet in oukuische liefde haar heeft vergeten ; leliën zijn het beeld van hoogo kuischhoid on reinheid. De zin is dan: hij denkt zeker voortdurend aan zijne geliefde bruid.
3. Slot-vers, evenals 2,16.
4â9. De tocht om den beminde te zoeken is niet vruchteloos geweest, en eens wedorgevonden, is Shoelammieth in Salomo's oogen nog schooner geworden; hij prijst dus weer hare schoonheid.
1
nsiro, gelijk Thirtsa, een der voornaamste en schoonst gelegen steden van den stam Ephrajim, de eerste hoofdstad van het tien-stammen-
HET HOOGLIED VI.
5 Wend af toch uw oogen van mij, want zij wekken een storm in mij op; â uw haar is als een kudde geiten, als
6 hangende op den Gil'ad liggend! Uw tanden als een kudde schapen, zoo juist uit het wed gestegen; want allen zijn ze
7 gepaard en geen van zijn weerga beroofd onder hen. Gelijk een granaatappelsnede is uw slaap van achter uwen sluier.
8 Zestig zijn er koninginnen en tachtig nevenvrouwen en meisjes
9 zonder tal; â Maar ééne slechts is mijn duive, mijn brave, â eenig is zij van haar moeder, de uitverkorene van die haar bracht ter wereld ! Als meisjes haar zien, zij haar prijzen, â vorstinnen, neveavrouwen â zij roemen haar schoon !quot; â â
10 «Wie is toch deze ginds, zich plots in glans vertoonend gelijk het morgenrood ? Gelijk de maan zoo schoon, zoo rein gelijk de
11 zon, vreeswekkend als rond vaandels opgestelden ?quot; «In den nooten-bongerd was ik afgedaald, om te kijken naar de groene spruiten van de diepe dalen; om eens om te kijken, of reeds bloesem draagt de [ranke] wijnstok, of in knop geschoten zijn
12 granatenboomen ? Ik wist het niet, doch mijne ziel had mij reeds plaats doen nemen op staatsiekoetsen van mijn volk, een edel vorst!quot; â
rijk; deze is nE', Jerusalem ms:, lieflijk, bekoorlijk. Beide woorden schijnen hier van gelijke kracht te zijn. Eene stad uit het Noorden wordt eerst als vergelijking gekozen, met het oog op de herkomst van Shoelammieth,â eene plaats, die zij kent. â nws, vreeswekkend, uwe persoonlijkheid boezemt ontzag in en houdt alle aanranders uwer kuischheid verre verwijderd. â rvtan», ais om vaandels geschaarden, met ontplooide vaandels als oprukkende troepen.
5. iJ3vnn. van 3m, onstuimig zijn-, de Hiph'iel dus: onstuimig maken, den hartstocht der liefde opwekken; Ibn 'Ezra; van 3Jquot;ngt; trotschheid,: zij zijn mij te groolsch, te prachtig, â de Hiph'iel in intentieven zin = wmn ijü»; anderen: zij maken mij trolsch, wat echter geen reden zou zijn om haar hare oogen te doen afwenden. 56â7 is eene herhaling van 4,1â3 met kleine variatiën. Ook nu, na het huwelijk, komt Shoelammieth hem nog even schoon voor, als te voren; dat drukt de bijna letterlijke herhaling dezer verzen hier uit.
8 en 9. Wél heeft Salomo tal van vrouwen van vorstelijken bloede als wettige gemalinnen, â nog meerderen als nevenvrouwen, â dienende meisjes, die 'skonings wenschen niet zullen weerstaan, zonder tal, â maar onder die allen is Shoelammieth de ééne en eenige, die zijn liefde bezit. nnsS swi nnx, eenig is zij onder hare zusteren, geene van dezen evenaart haar. â ma, uitgelezen, de beste onder allen; anderen: rein, kuisch.
Vijfde deel: 6,10â8,4, Shoelammieth, als vorstin even ootmoedig, als schoon.
10. De hier gestelde vraag wordt door de dochteren Jerusalem's gedaan, niet door Salomo; â het geheele stuk 6,10â7,6 vormt een geheel; en uit
174
i D'Ttrn yv nyp
D^bp 1^3 dhe' nm â¦apnquot;
nvrnn-ra iïyv o^mn ⢠n^arrra 1
at : quot;«t ^l ⢠v, tiv ⢠â¢â¢ ;it â¢â â *quot;; )â¢-⢠vr: ⢠- i â ^v. :itv
â¢nnp-i risTi nbös : ona t'N rtoBh nia'Nno Db2ir'
i â¢â¢ it - i * it -lt;â¢â¢â¢; 'v t 1 jquot;^ {T \ - : ⢠; - r \ v
D^biri niDbo nan dw : -nnsx1? n^aon
^ a- : - r . v* : t^; t â¢â¢ j* ⢠11quot; t - ; quot;V.quot; *
N'n nnx 'nan tuv N»n nn« : naoa r« nia^ia
jâ ⢠T - â â¢â¢Ti ⢠j- - IT : * IJquot; V.T^-II-
niaba nin^xn hun nmbvb N^n ma na»1?
-»t:t :-:i- ttlt;t at :- i : v.* jtt t*:
nbvO nfinnirlaa nap^n n^r^a : D^iVav
tt; - -*tt quot;at : v.tIt; ⢠- j ⢠t 1 ; quot; m*, v* r
niKn1? 'niT tuk narbK : niVaiaa na»» nana nia ^
v, ; * ⢠: -t v; «quot; * v 1 t : ⢠- ^ ^t t -1- tt
â¦nyn» i6 : o^'am lïin rain nman niNi1? Vnan 'axa ^
⢠: quot;t â¢Â» r 'it vquot;quot; 1 v v - jt ;it-i4 ;⢠quot;at- jquot; ⢠;
: an: ^ mama ^nat^ 'traa
i' t J' v. ï : ~ - t quot;
7,1 «nn n», meervoud, blijkt overtuigend, dat daar Shoelammieth niet tot één, maar tot meerdere personen spreekt. Wij hebben ons Shoelammieth voor te stellen, op den achtergrond te voorschijn komende uit het geboomte van de koninklijke tuinen. De dochteren Jerusalems zien haar en worden door hare schoonheid getroffen. â nEpi'jn, eig. uit een schuilhoek uitkijken, van een stam, die in het Arabisch: zich vooroverbuigen beteekent. Zij duikt, gelijk het morgenrood uit ochtendnevel, plotseling op den achtergrond op; dan werkt de dichter dat beeld nader uit; schoon als de witte ochtend-maan, rein van kleur als de heete zon, op het midden van den dag. daarom naS en nun, en niet m* en pw gebruikt. 11 en 12. Het antwoord van Shoelammieth: ik had mij in de eenzaamheid der natuur bij mijne lievellngsplanten uit mijn vadershuis: wijnstok en granaat en weideplanten, teruggetrokken. En zonder dal ik het wist, zonder dat ik mij er rekenschap van gaf, had toch mijn ziel, mijn liefdesverlangen naar Salomo, mij geplaatst op den prachtwagen van den beheerscher mijns volks, op den staatsiekoets van Salomo; â d. w. z. ik word door liefde toch teruggevoerd uit de stille natuur naar Salomo; v. a.: ik wist niet meer, dat mijne liefde mij tot heerscheresse op den wagen naast Salomo had geplaatst; d. w. z.: ik vergat bijna den hoogen stand, waartoe ik verheven ben. Of men 'öï hier moet verklaren = or, dus: de wagens van een edel volk, of: de prachtwagens van mijn volk, =; de wagen van den heerscher over een volk, dat zelf zoo edel is en wiens vorst dus den hoogsten adel in zich draagt, staat niet vast. Sommigen verklaren: de wagens van mijn volk, de wagens van een edel vorst, wat zeer veel waarschijnlijkheid heeft. Anderen : mijne ziel â die mijne ziel vervult, mijn beminde, plaatste mij enz. Hog anderen: mijne liefde deed mij worden als strijdwagens van mijn edel volk, d. w. z.: wekten een storm in mijn binnenste, gelijk dreunen van rollende strijdwagens.
HET HOOGLIED VII.
VII.
1 «Keer terug, keer terug, Shoelammieth! keer terug, keer terug, dat wij goed u bekijken !quot; â âWat vindt gij aan Shoelammieth tocli te zien ?quot; âGelijk rijendans van dubb'Ie eng'len-
2 scharen !quot; âHoe schoon zijn uw schreden in schoenen, gij dochter eens vorsten ! uwe lendenen-wieging als halssnoerschakels, het
3 werk van kunst'naarshanden ! Uw navel een maanvormig bekken, waarin niet misse wélgemengde wijn ! Uw lijf als gesta-
4 pelde tarwe, met leliën omkranst. â U we beide borsten als
5 twee jonge reeën, tweelingsjongen eener hinde! (Jw hals als toren van ivoor, uw oogen vijvers te Cheshbon aan de poorle der volkrijke stad ; uw neus als de Libanonstoren, gericht naar
GDamascus henen! Uw hoofd op uw romp als de Karmel, â
Hoofdstuk VII. 1. Xu roepen haar de dochteren Jerusaleras toe; keer hierheen terug, wij willen uwe schoonheid bewonderen ! Naief vraagt Shoelammieth : wat zoudt gij bijzonders aan mij zien ? En zij antwoorden ; als rijendans van ffjnrj, eig. twee legers, met herinnering aan Gen. 32,8, de twee engelenlegers, die Jakob bij zijn terugreis naar Kena'a.n zag. Het als plaatsnaam op te vatten, belet de bepalende 'rr. De zin is naar onze opvatting; wij willen u zien dansen, wat ons een even heerlijk schouwspel van schoonheid zal opleveren als de verschijning van engelenscharen, in rijen geschaard vóór den Schepper en om Zijn troon, die als het ware een rijendans uitvoeren. De beschrijving in de volgende- verzen geeft het beeld eener dansende vrouw, wier schoonheid van lichaamsbouw geheel op het voordeeiigst uitkomt. In dansen eener vrouw ten aanzien harer gezellinnen ligt niets stuitends of zedekwetsends.
2. TDira. eig. uw schreden, ook: uwe schrijdende voeten; de zin is: hoe schoon zijn uwe i-oeten, die gij steeds onbedekt hadt, daar gij als landmeisje barrevoets gingt, ook nu zij met laarzen zijn gesierd! Gij zet uw voeten dn de vreemd drukkende laarzen neer, als hadt gij ze steeds gedragen, als een geboren vorstenkind. â -paT ipisn, 'pisn van den stam psn, 5,6, zich afwenden, â de bewegingen en draaiingen uwer heupen bij den dans
zijn als DvsVn, meervoud van iSn = irSn» halssieraad, hier: uitschakels
bestaande, daar het als beeld voor: in heiceging zijn wordt gekozen. Men denkt aan een borstsieraad, uit kleine plaatjes en ringetjes bestaande, die bij iedere beweging zich verplaatsen, bij iedere ademhaling zich bewegen. Zoo zijn de wendingen harèr dot, de heupen, van dc zijde gezien, van de borst afwaarts en van den bovenschenkel opwaarts; eigenlijk: het bovenbeen (vgl. Ex. 28,42).
3. eig. de navelstreng, v. d. de navel zelve; bij een dun gekleede vrouw zal zich bij het dansen het ronde trechtervormige navelkuiltje eenigszins door haar overkleed heen afteekenen. Vandaar liet beeld: px, een bekken, mon, van ronden, naar Kijichie : jnaan-vorm. â Jron toni Sn, waarin nooit aangelengde wijn ontbreken moge. m, een zwakkere vorm van quot;jds, gieten, speciaal van samengieten van water en wijn. De goed gemengde wijn is beeld voor gezondheid en irischheid der jeugd. Anderen: als een schaal vol goedgemengden wijn, d. w. z. met alle sciioonheden voorzien. Een hoo]) opgestapelde tarwe is beeld voor de regelmatige ronding van den
175
T an^n Ttf n^p
?
wirr-np ^3quot;nrn2i ww n^è'pwn bii? x IS^HQ : Dunsn nbnöa n'èbwa -
V'^T:- ) ⢠â¢)- T ; st - -IT -: iâ ^quot; .: * quot; quot; â J quot;
â¢TjTi# : JOK n; n'^o D^'^n 103 -j^T nnrn3j â¢d Q'èn nDquot;)^ V]:l^ jtsh ipn^K inèn |3N! quot;rnaw : n^ï â¦OKn Dna^ ^^3 quot;nntr ^
1^.. t- . it ⢠; ^â¢â¢-r.mt v-t'V: r-: ⢠)⢠o-t r - 1 quot;n
Tjas4 o^Tna nirm -],r^ ijrn
Sanaa ^3; : p^an naiï jibVn 1
buik; njiD, van een stam, die omheinen, omgeven, betoekent, waarvan het later Hebr. ^p, omheining; ol' men de gewoonte had bij het vieren van
den oogst de hoopen gedorscht en gewand koren met bloemen te sieren, is niet zeker, maar wel waarschijnlijk. Het beeld is dan eenvoadig voor de regelmatigheid van lichaamsbouw, die gelijkt op de pas saamgepakte en dus regelmatig liggende korenhoopen.
5- lUTI blJOgt; parallel met de volgende beelden, schijnt hier ecu bepaalde toren bedoeld te zijn in ol' bij Jerusalem. De zin is: een toren, van buiten met ivoor bekleed, dat in den zonneglans schittert en dadelijk in het oog valt. â paisna rist:. De vroeger Ernorietische stad Cheshbon is waterrijk en schijnt twee groote waterbekkens, noi:, in hare onmiddellijke nabijheid te hebben gehad. Hun water, als uit een bergstroom erheen geleid, was kristalhelder. â a,;T ra izv Sr, aan de volkrijke poort, of: aan de poort van de volkrijke stad, het laatste waarschijnlijker, daar do eerste opvatting de plaats der bekkens te veel zou détailleeren. â roi;, van tc, oorspronkelijk: zich uitbreiden, is een kunstmatig gemetseld rond ot' vierkant waterbekken. â De neus lijkt op den slanken uitzichttoren op den top van den Libanon, die vrij uitzicht geeft tot Damascus â de neus is even rechtlijnig en schoon van vorm als zulk een toren! Waarschijnlijk heeft de dichter ook hier een bepaalden toren op het oog.
G. SoiDD. als de trotsche Karmelberg boven zijne omgeving, verheft zich uw hoofd op uw romp. â nVn, en het afhangende haar van uw hoofd is rijk als purper, v. s. ook wat kleur aangaat, daar het in Palaestina aan dé kust bij den Karmel voorkomende purper donkerrood bij zwart af is. Het is niet een schel rood, maar zeer donker. Anderen meenen, dat de glans, niet de kleur van het haar met purper wordt vergeleken. â -hü o'tarro tidx, slot van den lofzang: zoo schoon is het haar, dat een koning geboeid is door de B'cm â van cm, loopen, vloeien, â door den vloed der loshangende haren. A mieren: en de lokken van uw haar als purper eens konings, in zijn hoofdwindsel gewonden, mijns inziens zeer onwaarschijnlijk en door Rasiiie althans niet bedoeld, zooals de schrijvers van den Bioer meenen. Met vs. 7 wordt weer Salomo sprekend ingevoerd; â of hij intusschen getuige is geweest van den dans en zijn te voorschijn treden en verrukking over het schouwspel aanleiding gaf tot de slotwoorden van vs. 6, â dan wel of het stuk 7,7â8,4 in het paleis speelt, â daarover
HET HOOGLIED VII.
en het afhangend haar van uw hoofd gelijk purper, â een
7 koning geboeid door den vloeienden haarstroom ! âWat zijt gij schoon, wat zijt'gij heerlijk, liefde! onder alle geneugten
8 des levens! Uw slanke liehaamshoogte daar gelijkt een dad el-i) palm, â en uwe borsten vruchtentrossen ! Ik dacht: beklimmen zal 'k den palm, wil grijpen zijne twijgen ; o, mochten toch uw borsten zijn als trossen van den wijnstok en geuren
lOd'adem van uw neus als appelen! En uw verhemelte als beste wijnquot; â âDie mijn beminde zacht naar binnen vloeit,
11 beweeg'lijk maakt de lippen van die slapen ! Ik behoor slechts
12mijn liefste en op mij richt zich gansch zijn verlangen! Kom mede, mijn liefste, laat ons gaan naar het veld, laat in de
13 dorpen ons vernachten! Laat vroeg ons opstaan naar de wijn-gaardrijen, laat nazien ons, of reeds de wijnstok bloeit, zijn bloesem zich al opent, of knoppen reeds granaten ! daar wil 'k
14 u mijne liefdeblijken geven! Reeds spreiden de alruinen geuren en bóven onze deuren eed'le vruchten velerlei, van nieuwen oogst en overjarig, die ik voor u, mijn liefste, heim'lijk heb bewaard!
zijn de commentatoren het niet eens. Mij komt het eerste waarschijnlijker voor. Vs. 7â10 spreekt Salomo, 7,11â8,4 Shoelammieth. Ons vers bevat nu de grondgedachte van het geheele Hooglied. Reeds Ibn'Ezra verklaart hierna⢠als liefde, niet als een zelfstandig naamwoord, voor'tbijvoegelijk naamwoord gebruikt = geliefde. Het is dan de lof der liefdé, der zich gevende en wijdende liefde van twee wezens, die als de schoonste en gelukzaligste onder alle genietingen des levens wordt geprezen.
8. -[nDip, uu; lichaamsbouw; op den slanken dadelpalm; niSsps1? op de druiventrosvorraige vrnchttrossen van den dadelboom.
9. WIDK. Arquot; dacht ik, in den tijd van ons huwelijk; niet: ik denk nu. daar de beelden te zinnelijk zijn, om aan een op handen zijnde vereeniging der geliefden te denken. Toen ik uw schoonen lichaamsbouw zag, werd ik vervuld door de gedachte; hoe. zoo ik deze de mijne mocht noemen. â wdjd, v. s. gevederde bladen, spitse puntige bladen van den middennerf naar beide zijden uitgaande; v. a. verwant met SdSd en W??, de heen en weer Imrogen bladeren = jonge twijgen. De vergelijking der borsten met wijndruiven, die, hoe meer zij zwellen, des te ronder en elastischer worden, past beier dan die met dadelen, die ovaal zijn en een steen-harden pit hebben. â -jbs mm, de reuk van uw neus = het ruiken van uw neus, tot opsnuiven van geur, en tegelijk het uitademen. Bij gesloten mond ademt men in en uit door den neus. De adem, die uit haar neus komt, wordt nu gedacht geur te verspreiden; hoewel de lucht, die zij inademt, dien niet heeft, is de uitgeademde lacht door haar lichaam welriekend geworden. â Dvnsro, appelen, van ms, een naam, ontleend aan den geur, dien hij uitademt. De vorm evenals quot;lijn, van hj, vuur.
10. aitan po. in verbindingsvorm vóór het bijv. naamw., evenals ri rics Spr. 6,24, eig.: een vrouw van slechtheid, de incarnatie van het booze, zoo hier: wijn, die alle goede eigenschappen in zich vereenigt. Het beeld evenals 4,11; en 5,6 voor de tluisierende liefdewoordjes. âShoelammieth valt hem hier in de rede â nnS ^Sin, die gaal door de keel bij mijn vriend, eene uitdrukking, die alleen in Shoelammieth's mond voorkomt
leviticus. 23
176
i an^n yv n'ö»-no : IIDK 'nbo rDanxs nbni»
â¢t - I* t :it j t )v v,v IrtTT ; - it Kquot; _ J- -:
lïbn1? nnöT quot;nnnip nxr : D^i^na nanx no^rnoin
t t ; -«t : it ) â¢â¢ t I I lt; r I- - (,t -: i- : t
V3D:D3 nrnn lóna WOK : â nntrv^
at : - : ^t~s I t t : -â¢v'vriv *.*⢠' T ^ \ : ' ^quot;T *â¢
: a^nisns ^3« nm rssn Tptf str-vn'i
I- - - Kquot;quot; - jquot;: I vv- J : :.v: I' quot;t lt;t ;r;
: â¦nfiir 23n Dn^'Q1? nn1? quot;nSin mtsn ?«3 -iSm'
,... . r. . ⢠^.. ^ A*T ,quot; *. V* ⢠F jquot; â¢) quot; ' jquot;: I â¢â¢ ⢠;
nrVj nn'^n nn hd? : mpwn â¦Vyi nnV ^
T -gt; VT quot; ...... rr lt;r ' ⢠I It i^ : ^v.quot; T : * : -i y
nns Tösn nms-D« nxu nü^ift : Dnssa ^
j- ⢠I v v - lt;t ;it * v ;⢠⢠t: - t ⢠: - r t : -
n^-mn : -ib ni-rnK rnx uv o^isin iïjh niaDn^
j. T Iquot; I IT v.quot; V I Jquot; /â ⢠OT ^ A' ^ -IT V.quot;quot; -T : *
nn D^tr'-D3 o^in Dnjo-ba irnns-Wi rmm
V at: - v.- T-: *t : t â¢â¢ t : - â¢â¢ : it
: -jb â¦niöï
en das duidelijk genoeg aantoont, dat zij, en niet Salomo, hier spreekt.â Di-iipïjS = Diicna, lani/s den rechten, directen weg; wat goed smaakt, wordt geacht direct in den maag af te vloeien; wat slecht smaakt blijft in dc keel steken. â dw» tbc ;;n, die klanken doet uiten de lippen van hen, die in slaap zijn gevallen; nog in den slaap uiten de wijndrinkers klanken, als nagalm van het gesmaakte wijngenot; smakkende met tongen lippen. Kimchie en Parciion; Welsprekend maken. Ook de Thalmoed echter schijnt bij de behandeling onzer plaats meer aan eenvoudig bewegen der lippen te denken, dan aan werkelijk spreken.
11. Het tweede deel van ons vers is klaarblijkelijk eene herinnering aan Gen. 3,16. Doch die wederzijdsche liefde wil niet ten aanzien van allen zich uiten, maar trekt zich liever in de eenzaamheid terug; daarom vs. 12. Laat ons samen uit de prachtomgeving van het paleis gaan naaide rust van het land. â Q^S33, in de dorpen, niet: onder ci/pri(sl)loemen, wat cieoh mn zou moeten luiden en in 't algemeen wat te Zigeunerachtig zou zijn. Nadat wij den nacht hebben doorgebracht, zullen wij vroeg in den morgen in Gods vrije natuur gaan. â nsw: = cofj, 'laat ons vroeg opstaan en gaan.
14. DVCTIT Zie Gen. 30,14; daar worden zij gevonden in den tijd van den tarweoogst, dat is dus in Ijar. Op dezen tijd des jaars wijst de geheele beschrijving vs. 13 en 14. â De alruinen (waarsch. samenhangend met DiTn, liefdebewijzen) worden vooral in Noord-Palaestina aangetroHen, minder in de onmiddellijke omgeving van Jerusalem. â wnns^p, v. s'.
vlak bij onze deuren, doelende op de voor het huis staande vruchtboomen._
D'JB' dj bicti, nieuwe, pas dit jaar gegroeide, en overjarige, die aan den boom overwinteren. Dan komt echter vusx niet tot zijn recht, wat een verbergen van geplukte vruchten onderstelt. Anderen daarom; boven onze deuren, op planken of op den bovenrand van het deurkozijn, liggen
Dnj» hj, velerlei heerlijke vruchten, nieuwe, van den -oogst van 'dit jaar,_
maar ook oude, van het vorige jaar, die ik voor u heb verborgen, om zê u te geven en met u te genieten. â Dan zullen zij komen in liaar ouderlijk huis en daar zal zij hem, als in de dagen hunner jonge liefde, weer de geurigste vruchten en lekkernijen bewaren.
HET HOOGLIED VIII.
VIII.
1 Wie u kon maken als een broeder mij, die aan mijn moeders borsten heeft gezogen! Zou dan ik vinden u en treffen buiten aan, ik zou u kussen, â zij zouden mij niet smalen !
2 Ik zou u leiden, zou u brengen in het huisje van mijn moeder, gij zoudt mijn leeraar moeten zijn; zou u te drinken geven
3wijn, gekruid met geuren, most van mijn granaten! Zijn lin-
4 kerhand onder mijn hoofd en zijn rechter omhelst mij! Ik leg een eed u op, gij doch teren van Jerusalem : wat wekt gij op, wat wilt gij liefde wakker storen, totdat zij zelve 't zal
5 verlangen ! ? â â «Wie is het die daar stijgt uit de woestijn, zich leunend op den arm van haar geliefde ?quot; â âOnder den appelboom wekt' ik uw liefde op,quot; â âdaar heeft uw moeder in smart u gebaard, daar leed haar pijnen, die u heeft het
6 leven geschonken!quot; âo Leg mij als zegelring steeds aan uw hart, als een zegelring aan uwen arm! Want geweldig als de dood is de liefde, hard als het graf is d' ijverzucht, â haar
7 gloeiende flitsen, vurige flitsen, â vlamme Gods! Machtige wateren kunnen niet blusschen de liefde en geen rivieren haar ooit overstroomen; â als iemand geven zou ai rijkdom van
Hoofdstuk VIII. 1. Waart gij toch maar als een broeder mij! Trof ik ii dan buiten ons huis, waar ook, aan â ik zou u kussen, zonder terughouding, maar ook zonder vrees door toeschouwers gehoond te worden. â nss, zoudt gij toch voor mij zijn, wat een broeder voor zijn zuster is! Eene verhouding, waarbij de sexueele zijde ten eenenmale verdwijnt en slechts plaats is voor een zuiver ideale toewijdende vriendschap, gegrond op de bloedverwantschap.
2. Ik zou u bij de hand nemen en u brengen bij mijn moeder in het vrouwenvertrek. â en gij zoudt, ten haren aanzien, mij moeten onderrichten in al wat mij ontbreekt, om waarlijk uwe vrouw te zijn; anderen: gij zoudt mijn leeraar zijn, d. w. z. ik zou uwe gewoonten leeren kennen en ze overnemen. Sommigen verklaren â¢omSn, als derde pers. vr. enkelv. en laten het op de moeder slaan : tot mijn moeder, die mij geleerd hee ft, wat ik weet, â of: die mij leeren zal, wat ik weten moet. ânpmp'=|quot;
npn, evenals; nSnn jquot;, Ps. 60,5; j'n1? bi», I. Kon. 22,27. â dior van ddï,
treden, het uit de vrucht door trappen verkregen vocht; Wi, mijn granaat-appelboom ; v. s. = DiJtti, granaatappelboom e n.
3. Nu voelt zij zich door Salomo omhelsd en roept nog uit de verte, heengaande met Salomo, den vrouwen van Jerusalem toe, haar in haar liefdesgeluk niet te storen. (Vgl. 2,6 en 7).
Slot: 8,5â14. Vs. 5â7 beschrijft de dichter ons het gearmd wandelende paar in de tuinen om Shoelammieth's ouderlijk huis.
De eerste woorden van vs. 5 worden door den dichter gesproken of, als men wil, den in de vlakte van Shoenem = Shoelem, Shoelammieth's geboorteplaats, arbeidenden landslieden in den mond gelegd. â npsin», steunende op, niet juist wegens vermoeidheid, maar in liefdevolle houding met haar arm op den zijne leunend. â quot;prmuquot;, niet; heb ik u. toen gij
177
n cn'BTi w n
D2 ^ipiyN Vina namp; pji» ^ nN3 \:w ^«
v.quot; m:jt v | - lt; i -: it : v a* â¢â¢Â»â¢â¢: i â jt : | : v ⢠lt;â¢
'nsVn »3« n^-^N ïinon â¢ijn:» : -
â¢aquot; : - :4 v* * v â¢)! -: r -i I : it : v r j\t ^ i
Iran nnn ibtiaw : ybi ovyn npin p, »p ?j^n4 ^ i n^n-no D^'n' ni:3 DDHN 'D^atrn : 'jpann ^
^s* T - 'at T i: -⢠; *.â¢â¢â¢:â¢.⢠j~: ⢠11quot;; - ;
-jp nty hnt *d : förw-n# nnnNn-nx n-i^n-noi ^ nsir ^rnniv msnn nnn mir^ npsnno ninsn
t tlt; I ⢠; - *1 - - - lt;- at - r.\v quot; * t ; ⢠-
?py?jr oninD nVan ns^ nn^n1
I V ⢠T I- * quot; .* â¢Â» ' :VTT : JT : ' r^r I V ⢠: IT ; â¢
nN3p ViNBb ni^p nirnx niSD n-Ty-'S Dnins
at ; I* ^ v : * jt It t-: i- vt - lt;t^- r r v ; t 1-
nisD1? IVDV amp; D'in D'D : n\-an^ 1
j - : . , lt; - .j- it . v iv . . vquot; jquot; : t ' t v t :
rirrbrnN rnrDN nnnai nanNrrn^
I lt; T V ⢠I .. ⢠* T A J J * J ^ T : T *1 1quot; T
sliept, gewekt, maar: hei) ik u tot liefde opgewekt, deed ik de liefde in uw hart ontvlammen. Shoelammieth spreekt hier. De volgende woorden zijn waarschijnlijk op te vatten als door Salomo gesproken, waarbij dan de mannelijke vormen der aanhangsels in plaats van de vrouwelijke zijn gebruikt, wat in het Hooglied tamelijk dikwijls voorkomt. Salomo wijst dan uit de verte het geboortehuis van Shoelammieth aan. mv, daar ginds'.
6. -pS Sj7 ornro. ah een zegelring, die aan een koord op de borst wordt gedragen; het beeld beteekent; iaat ik van u even onafscheidelijk zijn als een zegelring, dien gij steeds op 't hart draagt. â -jriiT Sr oniro, v. s. = fp Sr, evenals Ex. e a. p. bij Theflllien, -p, hand, voor arm gebruikt wordt. De zegelring werd ook t Sr, op de hand, â aan den vinger gedragen (Jer. 22,24; vgl. Gen. 41,42; Ex. 3,12); dus: gelijk men den zegelring voortdurend op de borst of aan den vinger draagt, zoo onafscheidelijlc moge ik van u zijn. Beide beelden zeggen dan hetzelfde; anderen: leg mij aan uw hart, als een zegelring, zoo dicht bij uw hart, â neem zoo trouw als men een zegelring draagt, zoo voortdurend mij op uwen arm, of: aan uwen arm. â Dit is mijn hoogste wensch, want liefde gevoel ik en die is onweerstaanhaar, ir, als aangevallene niet te overweldigen (Num. 13,28) en als aanvaller niet te weerstaan (Recht. 14.18); daar den dood natuurlijk als aanvaller te denken, evenzoo dus ook hier de liefde.â nop, hard, niet te vermurwen, op wien door niets indruk te maken is. â Ssü, het graf, dat zijn prooi onverbiddelijk opeischt, v. s. verwant met S.st', vragen. â ns:p, ijver, die eischt wat liem toekomt; bij liefde: ijverzucht, die de geheele persoonlijkheid van de of den beminde voor zich opeischt.â rPBtn, hare vliegende vonken, gloed. â nvianSp, = pp ranSiy, vlam Gotls â
machtige vlam, of: door God ontstoken vlam; of ronSu? eig. vlam, of: ontvlamming beteekent, is niet zeker.
7- niaauquot; ah, zullen haar niet overstroomen en, omdat zij vuur is, doen blusschen; anderen: wegspoelen bij overstrooming; dan is het beeld: de liefde ontwortelen als een boom en meesleuren.
SET HOOGLIED VIII.
zijn huis om liefde te erlangen â men zou hem spottend
8 hoonen ! âEen zustertje hebben wij, klein en heeft nog geene borsten! Wat doen voor ons zustertje dan, op den dag dat
9 om haar wordt gesproken ?quot; âWanneer een muur zij is, dan willen wij daarop een burcht van zilver bouwen ; maar als een deur zij is, dan sluiten w' eng haar af met cederhout-
10 paneel!quot; âIk was een muur en mijn borsten als torens, â toen werd ik in zijn oogen als een, die vrede vindt!quot; â
11 âEen wijnberg was in Salomo's bezit in Ba'al Hamón; hij gaf den wijnberg over aan de wachters, dat ieder brengen zoude
12 voor zijn vrucht een duizend zilverlingen. Mijn eigen wijnberg staat in mijne macht; â de duizend zijn, o Salomo, voor u.
Vs. 8â14, de jonge echtgenooten in Shoelammieth's huis. De plaats die ons stuk inneemt, verbiedt reeds hier aan het begin van de liefdesgeschiedenis te denken, waarbij Shoelammieth's broeders haar aan den koning zouden hebben willen afstaan, maar zij uit liefde tot haren herder zou geweigerd hebben. Wij hebben, naar wij meenen, ook zonder aan een zich kruisende liefde van twee mannen, Salomo en een herder, te denken, het geheele stuk als één geheel verklaard.
8. De broeders van Shoelammieth overleggen met haar, wat er voor de familie te doen is. ;;Wij hebben een zusje, nu nog klein en niet volwassen ; maar die eens, als zij wat ouder zal zijn, tegen gevaar moet worden behoed. Wat doen wij in haar belang, wins1?, op den dag, ns-irpp, dat over haar gesproken wordt met hare familie, d. w. z. op den dag, dat zij huwbaar is geworden en te wachten is, dat deze en gene om haar hand zal vragen (vgl. I Sam. 25,26). V. s. richt Shoelammieth deze vraag tot hare broeders; v. a. is het eene vraag van den eenen broeder, die de andere vs. 9 beantwoordt. Vs. 10 spreekt in ieder geval Shoelammieth.
9. Van Shoelammieth's vader wordt nergens melding gemaakt; deze schijnt dus reeds gestorven te zijn, waarom de broeders als natuurlijke beschermers hunner zuster optreden, vooral in huwelijksaangelegenheden. Zij onderstellen twee tegenovergestelde gevallen, â dsi ⢠⢠-dn als tegenstelling, evenals Num. 16,29 en 30 e. a. p. Is zij eene rmin, muur ter bescherming, die iederen aanval weerstaan kan = voor verleiding ontoegankelijk, â dan bouwen wij op die muur rrvo, een ronde burcht, â of v. s. een krans van tinnen, â van zilver, d. w. z. leiden haar met eere ten huwelijk, zooals haar maagdelijke reinheid verdient. â nti nVi dni, is zij daarentegen eene deur, â nVi van SVi, loshangen (Spr. 26,14), â die bewegelijk is en ook al is zij op 't oogenblik gesloten, toch ieder oogenblik kan worden geopend = voor verleiding licht vatbaar, dan : mSr hïj, dan belegeren wij haar, sluiten nauw haar in door middel van een cederplank, die bijzonder hard en duurzaam is, â zoodat zij niet te genaken is voor een verleider. â Dit herinnert Shoelammieth aan de strengheid, waarmede haar breeders haar zelve hebben behandeld en zij zegt nu vs. 10: Ik was.
178
n D'TBTi yv nyp
ontyi nbp ninx : wy Ti3 ninNa in^quot;
1 â 'â¢â¢lt; ⢠v.quot;t ; t -1; t j t i j t ^ t -: i- it
N»n noin-DX : Di»3 uninx1? n'^rna rh0
jt ⢠it â¢.,:â¢â¢â¢ ^ - â¢â¢ -:i- v -:i- - at
: T-iK mb n,l7j; HÃ: K'n H^tdni cioa m»u nan:
vit ~ t t j t ⢠v -â¢â¢.⢠⢠; ) v ar - j* t v,v t jv : *
: Dl^ nKïlQ3 tn nlbuas ntyi nóin
it jquot; : : ^t â¢â¢ s ' â ''t .â¢,t . a t: *^- v.quot;t : t â *'t
onü^ Dian-nK rn: rian ^22 riaV^ rrn ma ^
^ a* : 1 - - i j~ r i t : ; ⢠lt;tt vjv
^iS e^Kn ^s1? 'Dia : «102 eibNï inaa
l : |v «v t at t : {⢠â¢-⢠j* : - |vit | v jv ^ : â : j'T
door uw trouwe voorzorg gesteund, ontoegankelijk, als een muur; en mijne horsten als torens, die, hoewel de aandacht des vijands trekkend, de vesting des te meer onneembaar maken. Toen, in mijne jeugd, was ik en ben nu nog, â of v. a. dientengevolge was ik â gunst vindend in zijne, Salomo's oogen, mijn naïeve onschuld was het juist, die Salomo aantrok. â diSbsï», ongeveer hetzelfde als jn nï», vooral van vrouwen gebruikt: gunst vinden, liefde wekken. Sommigen zien in het gebruik van ahv voor ;n hier een zinspeling op den naam van Salomo.
11 en 12. Shoelammieth's bede voor haar broeders, die haar onschuld trouw bewaakt hebben ; Salomo had eens een wijnberg in Ba'al Hamon, waarschijnlijk dicht bij Dothan, ten Zuidoosten van het dal Jisre'el, dus niet ver van Shoeném. Dien wijnberg had hij overgegeven aan de wachters, zoodat zij de opbrengst mochten genieten, en wel bij gedeelten, waarvoor ieder als pachtsom 1000 zilverstukken jaarlijks moest opbrengen. Dit blijkt uit vs. 12 de zin te zijn; Salomo ontving als vaste som van ieder 1000 zilverlingen; wat de opbrengst meer bedroeg, kwam den wachter ten goede. â cj'S, ieder zou brengen, opbrengen. De verklaring: ieder bracht naar huis als opbrengst zijner vruchten 1000 zilverlingen, stuit op vs. 12 af, daar dan de 200 voor de wachters niet te verklaren zijn.
12. Mijn eigen wijngaard staat uitsluitend tot mijn eigen beschikking, is in mijn macht. Met dien vrijngaard heeft zij haar schoonheid en deugd op het oog; welnu, zegt zij, ook van dien wijngaard zijn de volle 1000 zilverstukken voor u, â maar dan ook 200 voor trie zijn vrucht bewaken, d. w. z. laat ook mijn broeders, die mij trouw hebben bewaakt, het loon van hun arbeid niet onthouden worden. De zin is dan: ik behoor thans geheel aan u, o Salomo; maar gelijk de wachters van den wijnberg mede van de opbrengst voordeel hebben, zoo behooren ook mijne broeders te genieten voor de moeite en zorgen, die zij zich om mij hebben getroost. De bedoeling is natuurlijk niet, dat zij eene toelage van 200 zilverstukkeu voor hare broeders vraagt. Dit cijfer is genoemd als gemiddelde winst der wijngaardpachters. Denkt men zich den wijngaard in twee perceelen verdeeld, dan zijn die 200 juist het tiende van de opbrengst voor Salomo, die dan als loon voor het goede eerlijke afdragen der pacht den wachter worden gegeven.
n on^n yv onan D'iaa nai^i'n : ms-n» onü':1? dtinöi rithv *
^ r ⢠quot; v -v - i ; ⢠v gt;⢠: i : ⢠v.- t :
,3V1?!l^quot;nöl'; nn i nn2 : ^jSipV Q'yp^
: D^o'^n nn by Qamp;xn ik
i* t ; jquot; T 1' ⢠t - it v -* : lt;
maar dan tweehonderd ook voor wie zijn vrucht bewaakten.quot; â
13 «Gij die uw woonplaats hebt in deze tuinen! speelnooten wachten luist'rend op uw stem â o laat mij die dan hooren!quot;
14 «Vlucht heen, mijn liefste! en word gelijk een hert of als een jong van reeën op balsemgeuren-bergen !quot;
13. Nu neemt Salomo het woord. Hij geeft geen direct antwoord op Slioelammieth's vraag, maar men hoort, dat hij haar gunstig opneemt. Hij vraagt haar een lied te zingen, waarop de speelgenooten harer jeugd, die om hen henen staan, reeds lang schijnen te wachten; dat is in het deelwoord tM'üp» uitgedrukt. â D'oja rotnvr, die in de tuinen thuis zijt, die u hier aangenamer voelt dan in het koninklijk paleis.
14. Zij voldoet aan het verzoek en begint een lied, dat aan de woorden van 2,17 herinnert; hier echter eene uitnoodiging bevattend om met haar te samen een tochtje door de bergen te maken. â ma, vluchten uit de omgeving der hen aanstarende speelgenooten der jeugd, â owa 'in, voor het 2,17 gebruikte D'ttq m, waar voor de vereenigde geliefden alles geuren spreidt. â Zij gaan dan samen de bergen in â en de dichter eindigt.
-no
-in^n mSsn
.ruuri rnraBf hzh
O K ID E
der
OCHTENDGEBEDEN
vooe den
SHABBATH.
Opnieuw in het Nederlandscli vertaald en van verklarende aanteekeningen voorzien
door
j. vki:ui:\mk«;.
Zeeraar aan het Beth Hamtdrash te Amsterdam.
Amsterdam, J. L. JOACHIMSTHAL.
i OCHTEND-GEBED.
Aan den ingang der Synagoge zegt men:
Ik, â door Uwe overgroote genade kom ik in Uw huis, ik werp mij neder voor Uwen heiligen tempel in vreeze voor U.
Bij het hinnenkomen zegt men:
Het huis Gods betreden wij met eerbiedigen schroom.
Nadat men de Synagoge is binnengegaan, zegt men:
Hoe schoon zijn uwe tenten, Jakob! uwe woningen, Israël! Ik, â door Uwe overgroote genade kom ik in Uw huis, ik werp mij neder voor Uwen heiligen tempel in vreeze voor U. O Eeuwige ! ik bemin den zetel van Uw huis en de plaats van het verblijf Uwer heerlijkheid! Ik, â ik wil mij nederwerpen en knielen, ik wil de knie buigen voor den Eeuwige, mijnen Maker! Ik, â moge mijn gebed tot U, o Eeuwige, komen in een tijd van welgevallen; o God, in Uwe overgroote genade, verhoor mij met Uw waarachtig heil!
Vóór het ochtendgebed wordt nog het volgende gezegd:
Ik roep U aan, want Gij verhoort mij, o God! neig üw oor tot mij, hoor mijn spreken. Ik â in gerechtigheid aanschouw ik Uw aangezicht; ik wil mij bij het ontwaken verzadigen aan Uwe verschijning! Ik âop U vertroiiw ik, o Eeuwige; ik zeg: mijn God zijt Gij ! Hoor het geluid mijner smeeking, wanneer ik tot U schrei, wanneer ik mijne handen ophef naar het binnenste van Uw heiligdom! Eeuwige, mijn God, ik schrei tot U en Gij geneest mij. Tot U, o Eeuwige, roep ik, en den Heere smeek ik. lioe Uw aangezicht lichten over Uwen dienaar, help mij door Uwe genade 1 Want op U, o Eeuwige, hoop ik; Gij, Gij zult verhooren, Heere, mijn God! Hoor toch mijn gebed, o Eeuwige, luister naar mijn schreien, zwijg toch niet bij mijne tranen. Hoor, o Eeuwige, en wees mij genadig. Eeuwige! wees Gij mij tot helper.
Lied Hamma'aloth van David. Ik verheug mij, wanneer men mij zegt: Iaat ons gaan naar het huis des Eeuwigen I Ik verblijd mij met Uw gezegde, gelijk iemand, die grooten buit vindt. Luister naar het geluid mijner smeeking, mijn Koning en mijn God, want tot CJ bid ik. Eeuwige! des morgens moogt Gij mijn stemme hooren; des morgens, als ik voor U offers orden, â en naar U uitzie. Tk roep U aan, want Gij verhoort mij, o God 1 neig Uw oor tot mij, hoor mijn spreken 1 Mijn voet staat op vlakken bodem, in volksverzamelingen loof ik den Eeuwige.
Verheerlijkt worde God, d'Allevende, hoog worde Hij geprezen,
Die absoluut bestaat, en Wiens bestaan geen tijd tot maatstaf heeft;
Die eenig is, geen eenheid is gelijk de Zijne;
Voor menschengeest verborgen, is Zijn grenslooz' eenigheid.
Hij heeft geen lichaamsvorm, is onlichaamlijk Wezen,
Geen nog zoo krachtig woord beschrijft Zijn heiligheid!
Voorafgaand aan 't Heelal, uit niets door Hem geschapen,
Was Hij de eerste, aan Zijn bestaan ging niets vooraf.
rrm nSsn -itd n
/'Dra niïïa era mequot; nown mh BJS'» mip
: ^ ninn^K ï|n^ K2K ^pn nha ^
iuwi nnja â¢fit 7NI
: vni TjVm D^ribx n^a
IOS' nown riiaS o:yc3
Tion 212 â¦:«! : ap^. tötrrtö
\]: ^quot;|pT ninri^N jtaK
n^nsNT ninn^K â¦JNI : ?|Tb3 oippi p^p D^ri^K fiïn »» ^ â¦nbfin ^ « â¦JSV hdi^K : noN3 gt;::£ ^pn ana
ntq» Pi»? ^ yo?? ^ !)?|k tan %' vwn v ^
^ipx « vinpa Tj^j; : ^njia^ pprp TJ;^
quot; 5 ^IPr i^quot;1! ^ 'X J? quot;quot;JWOti ^'P yotf : nriflt;
nTxn : fartj^? ^ Nipjs* v. : ^IT11-W:1-?'
tfiJS nw:n nnx i^nm v; 'iV ^ : 'IIPquot;? ^Tin ïj^aj; Sj? ?)ya PQT? ⢠tfnofl Sn Sgt;? nrwn vyntfi « ^nban nj^o^ : \iSK : iS nngt; n.:n v ,J3ni ^
^ quot;quot;mn vv : ^ \] n,3 'h anpw? nn^? niS^an -ptf ^ ,3i?ö Wf hip1? nyvpn : an SW iexia? ^niDN ^ns : nfjfèfi ^ ^n^st nps ^Sip po^n ipa v: : ^j^is TiE*P3 nnp^ : innpx ypif ^ an SN* ^JJK) ^ ^rwcnp
: iniK^D SK xsö: ⢠nani^n 'n D^H'SN biv
: imntf'? ï]1d px Di1) D^i ⢠i-nirp Tn» |w in»
: vVK ⢠tjia uw C|wn man 6 pj*
: n^Kn |w -N-iaj quot;I^K V^?-
OCHTEND-GEBED.
«Ziedaar den Heer van 't Alquot;; met luider stem verkondigt Al, wat geschapen werd, Zijn groote koningsmacht.
Hij gaf profetengeest, den straal van Zijn genade, Den mannen, die Hij Zich tot roem en eer verkoor.
Doch onder Israel's stam wordt geen profeet gevonden. Die Mozes evenaart, aanschouwend Zijnen troon !
De leer der waarheid heeft Hij ons. Zijn volk, geschonken. Door Mozes, Zijn profeet, vertrouwd in gansch Zijn huis! God ruilt Zijn wet niet in, verandert geen bepaling, In verste toekomst blijft onwrikbaar nog Zijn woord! Alziende, kent Hij ook ons diep verborgen denken,
Ziet van den eersten kiem het eind van elke zaak!
Naar ieders werken schenkt Hij 't loon van Zijn genade, Bestraft den booswicht ook voor 'tgeen hij heeft misdaan. Hij zal op zijnen tijd ons den gezalfde zenden,
Die elk bevrijden zal, die Zijne hulp verbeidt!
De dooden doet God eens door Zijne gunst herleven!
Zijn naam, zoo roemrijk, zij in eeuwigheid geloofd!
O Wereldbestuurder, die koningsmacht kendet,
Voordat een gewrocht uit het niets was ontstaan, â
Toen plots door Uw willen het al was geschapen,
Werdt Gij als Almachtig Beheerscher erkend!
En mocht eens de Schepping geheel weer verdwijnen,
Ook dan zal gevreesd nog Uw koningswoord zijn!
Toen niets was, bestond Hij, Hij is in het heden.
Zal eeuwig bestaan in Zijn stralenden glans.
Zijn wezen is eenig, geen tweed' is te vinden,
Met Hem te vergelijken of naast Hem geplaatst!
In tijd niet begonnen, geen einde bestaanbaar.
Bij Hem slechts is macht en berust heerschappij !
Slechts Hij is mijn God, mijn Verlosser, Allevend!
Is Rots in mijn lijden, in tijden van nood !
Banier is mij God, is mij veilige toevlucht.
Mijn deel aan den kelk *), op d?n dag, dat ik roep.
Ik leg in Zijn handen mijn geest met vertrouwen,
Wanneer ik te slapen mij leg en ontwaak;
Doch niet slechts mijn geest, ook mijn stoflijk omhulsel! Is God slechts mijn steun, zie, dan vrees ik niet meer!
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt, de handen te wasschen.
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die den mensch met wijsheid hebt gevormd en aan hem verscheidene openingen an holle organen geschapen hebt. Het is openbaar
2
|
rvw iniDVöi mha nii» inVip imion-m wï: irva fDN: t-1?^ inbiT^ vthtyh lm inö^a iyi Ã^ID1? in^tpna ^ viï*h fni: ïnvw* â¦ana mis1? inbnn it^Z |
nban a lïir^i * DVI^ fiiK lan â VK uni inKin: jrs^ i-iEtoa D[5 N1? * VK la^1? |ni nüK rriin Tppói ^Kn tj^n^xb ^nno v^x nöiï ⢠ib^öoa quot;ipn Vöia un^a pa» ^it? rbp\ ' non ana Vk n»n^ D*na |
TjSa quot;iB'Nf ⢠obij; |nx b'2 Ivans rivpj nyb San mbpa nnxi mn Kim rrn Kim
: t t ;
'w pxi nnx Njini n^Dn ^3 fwtn ^3 v) ,l7^ Hini ^ Duai â¦DJ «ini
t ⢠⢠:
m TpfiK 1T3 T-na â¦nn ay]
vniva3 uty^p obi^n â qVa irribx « nnx -wis
't ;i ⢠v -: t t iVIV Iquot; v; â¼: t - ) t
: Dn» nVa: by vm
⢠itt - ⢠: it ⢠;
D^Kn nx w -\m D^i^n rjSa irpbNt quot; nm â¦iVa D^ibn D^iVn D»3p: D^p; 13 Ki3i nasro
') Ps- 16,5, waar de dichter God noemt; zijn aandeel in grond
bezit en levensvreugde; vgl. daarmede Num. 18,20 en Deut. 18,2.
^13: yv b2 dic:3
t : ⢠⢠: t viv ;
latp Tjba n_Nt
xnia TjiSa» naS rriKfins n;n» Kini rrvsnnb ib V^anb rri^ani f^n iS
nnv n^3 ^3n Mipx 01^3 »013 nja
tl: v : ⢠t :
rTvjWquot;) n^3
kSI h «
3 OCHTEND-GEBED.
en bekend voor den troon Uwer heerlijkheid, dat indien een van hen geopend of verstopt zou worden, het niet mogelijk zou zijn te bestaan of in het leven te blijven vóór Uw aangezicht. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die alle vleesch geneest en wonderbaarlijk handelt.
(In vde gemeenten, o. a. te Amsterdam, leest men hier: Mijn God ! enz. (zie hieronder) terwijl de lofzegginqen over de heilige Leer gezegd worden vóór de afdeelingen betrejfende het dagelijksch offer, blz. G).
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt, ons met de woorden der heilige Leer bezig te houden; doe toch. Eeuwige, onze God, de woorden Uwer Leer aangenaam zijn in onzen mond en in den mond van Uw volk, het huis Israël's, zoodat wij en onze afstammelingen en de afstammelingen van Uw volk, het huis Israël's, wij allen worden kenners van Uwen naam en beoefenaars van Uwe Leer (ter wille van haarzelve); geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de heilige Leer aan Uw volk Israël hebt onderwezen. G. z. G., E. o. G. K. d. w. die ons uitverkoren hebt boven alle volkeren en ons Uwe Leer hebt gegeven; g. z. G. E. die de heilige Leer gegeven hebt.
(quot;Zij, die de lofzeggingen over de Leer hier uitspreken,
laten daarop nog dit volgen :J
De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede. Dit zijn verplichtingen, waarvoor geene bepaalde maat is voorgeschreven: de hoek (van het veld, waarvan een niet vast bepaald gedeelte bij het maaien voor de armen moest staanblijven'), en de eerstelingen der boomvruchten 2), (die naar Jerusalem werden gebracht) en het brandoffer bij het verschijnen in den tempel bij gelegenheid der drie feesten 1) en de verrichting van liefdewerken door persoonlijke daden en de beoefening der heilige Leer2). Dit zijn zaken, waarvan de mensch de vruchten geniet in deze wereld, terwijl de hoofdsom hem blijft voor de toekomstige wereld5). De volgenden zijn het: eerbied voor vader en moeder, en verrichten van liefdewerken en tijdig bezoek van het leerhuis des morgens en des avonds, en gastvrijheid tegenover vreemdelingen, en bezoeken van zieken, en het verschaffen van uitrusting aan bruiden, en het begeleiden van lijken, en diepe aandacht bij het gebed, en het stichten van vrede tusschen den mensch en zijn naaste, doch beoefening der Leer weegt tegen hen allen op.
Mijn God! de ziel, die Gij in mij geplaatst hebt, is rein; Gij hebt haar geschapen, Gij hebt haar gevormd. Gij hebt haar mij ingeblazen, en Gij bewaart haar in mijn binnenste; en Gij zult haar mij eenmaal ontnemen, doch haar ook weêr in de verre toekomst in mij doen terugkeeren. Zoolang dus de ziel in mijn binnenste is, dank ik U, Eeuwige, mijn God en God mijner Voorouders, Meester over alle werken. Heer van alle zielen! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die zielen doet terugkeeren in gestorven lichamen!
1
') Vgl. Lev. 22,22 e.a.p. 5) Vgl. Deut. 26,2. 3) Vgl. Deut. 16,16 e.a.p.
2
) Vgl. Josua 1,8.
jrw n^an a
nnN önö» IK DHà nnK nns* qhv tam HÃD ^ITI
t v â¢â¢ T ⢠v â¢â¢ t v - iquot; t ⢠⢠v p iv ; ...... ⢠^- i t;
KSI-I \] nriK Tjna - ^aa^ Djpnn1? i^aK ono : N^aoi
«.; - ⢠; - tt t
.nspj ribs JS3 pVnnn OTiaonxa OJI mSnp rona
wixi vn'iïöa -II^K obtyn -ibo lyflbx « nnK Tins
it ⢠: t : ⢠: it ;r v -i t ^ t |v iv iquot; v: *: t - | t
narnK irrt^K « «ra^ni ⦠nnm nana pip#? irNïKïi unpx nnai rva ^aj; â¦aai i:*aa
^l'i' i^a n»3 ?]aj; â¦KÃKÃI ^SI) is^b rnin ns^pn « nriK -jna ⦠(no^S) ^nnin naibi wanna oVi^n nbo irnbx « nm nna :
it - it v -| t t | v iv iquot; v: â¼: t - It â¢â¢ t; â¢
: nnmn ?ni:« nm nna * imirrnK vb rnii D^öyn-bao
t - i â¢â¢ â¼: t - i t t v it i - it : ⢠quot; t t â¢
, , , '1 W1S3
dj?;i ï)^ v;s i;; : ^am ris â¢tjj; : ^a?
onisani nxsn * pss^ anai ^
SplN DTNf on?quot;! ^ : n'3'in nthn] Q^DQ p'^nn^
DNi 3gt;\ nis? }n * xan oSiyS mp. j-ipni njn oSiya on^l-ia cmix npani. nnir# tt'-j-ian rr? JiDs^ni anoq ni^pji Di^ j'3 ohv nxani n^aip p^i nan nb noani n^in np:n : ob njj3 min nraSm nanS
t v viv: t ; - ; â¢â¢ -j -
nnx nnxna nnx mint: 'a nnstó no^j /ribw
t - t t ; t - ⢠t : ⢠t r t v t t : tv;
nnKi â¦anpa mat^o nnxi â¦a nnnaa nm mms»
t - : ⢠;!⢠: t:-; t - : ⢠t;-; t- t:-:
rot-na : Kab n^S 'a nnnnnVi â¦usd ' ynp
I - ; t t ⢠quot;V v * t ⢠; ⢠iv ⢠t : ⢠' *t
^niat^ â¦nbxi nbK « n^an mio â¦aipa no^sn^
-: â¢â¢ â¢â¢ - v: â¼: | ivt ; ⢠-: v ⢠:l ⢠: t t : quot; v
mnan \\ nnx ^na * ma^^n-Sa jnx D^sn-Va |iai : D^no onjaV niDB':
5) Men beschouwt 'smenschen deugden als een Gode geleend kapitaal, waarvan de mensch op aarde de renten geniet, terwijl in het leven hiernamaals de hoofdsom ala het ware wordt teruggegeven.
OCHTEND-GEBED.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die den haan inzicht hebt gegeven, om te onderscheiden tussehen dag en nacht.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij niet tot niet-Israëliet hebt doen worden.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij niet tot slaaf hebt gemaakt.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij niet tot vrouw hebt gemaakt,
(De vrouwen zeggen: G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij naar Uwen wil gemaakt hebt).
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die blinden de oogen opent.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die naakten kleedt.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die geboeiden losmaakt.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die gebukten opricht.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die de aarde hebt uitgespannen over de wateren.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die voor mij al mijne benoodigd-heden gemaakt hebt.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die de schreden van den man vast doet zijn.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die Israël met mannenkracht omgordt.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die Israël kroont met luister.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die den vermoeide kracht geeft.
G. z. G. E. o. G. K. d. w. die verwijdert den slaap van mijne oogen en de sluimering van mijne oogleden; en het zij ü welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, ons geoefend te doen zijn in Uwe leer; en doe ons gehecht zijn aan Uwe geboden en doe ons niet komen tot zonde, noch tot overtreding en misdaad, noch in verzoeking, noch tot verachting; doe de kwade neiging niet heerschen over ons en verwijder ons van slechte mensehen en slechte metgezellen, doch doe ons gehecht zijn aan de goede neiging en goede handelingen, en buig onzen hartstocht, zoodat hij zich aan U onderwerpt; en laat ons heden en eiken dag geraken tot gunst en genade en barmhartigheid in Uwe oogen en in de oogen van al, die ons zien, en bewijs ons goede weldaden. G. z. G. E. die goede weldaden bewijst aan Uw volk Israël.
4
mm? nbsn n
nra |ni quot; nnK ^3
: nVb pni Dl» pa i^nnn'p : n^i nbi^n -jba irn^K « nnK ^na
: -dj? nW obiyn -j^a ivribK \* nriN Tjiia : nfx nW nbi^n TjVo irn'^x « nnx -jna c tiis-p vvvv aSiyn ^So irrtSx v. nrw ^na nncix D'ï-jn)
: d^.W npis D^ipn -]bo wrf7K â¦; nn« : D'a^ Dbi^n irribx â¦â¦ nriN -jna : oniDK Tnö D^iyn T]1?» irri'^K « nnx Tjiia : d^ö3 fjpi? n^i^n irribx « nnx -pa â¢' o^n-1?^ p«n D^iyn irrj^K »; nnx Tpa : â¦airba ^ dVi^h ^0 irn^K « nnx tvi-ö
⢠:t t t Htv t t iv iv iquot; v: â¼: t - | t
â¢' quot;larn^vp |pn IE'K D^ipn ^p ^â¦H'VK « nnK -]n| : bNTa'» iriK abiyn ^0 irn^K « nm -ina
t ; ⢠â¢â¢ t : ⢠â¢â¢ ^t t ) v iv iquot; v: â¼: t - ) t
: mxana now abiyn ribn irribx quot; nna -ina
tt : * : â¢â¢ t: ⢠â¢â¢ t ^ t ) v iv iquot; v; â¼; t - ) t
: na tj^'b fnisn obiyn ^p irnbx \\ nnx ^na
â¦2^0 n:^ quot;iD^sn obiyn -jbp irpbK quot; nnx Tjna
irpbN \\ pyi â¦nn ⢠npijni ab u^an Vni nmivoa wpan nmina irnnx
,.. . . - . i iv : ⢠: ||quot;; -: ) iv t : !â¢â¢â¢;- v i- -:
fina xb] |Vdj n;1? ah) nna^ n;V kVi xm ^quot;1 -lanai DHNO up^mm ynn ir ^a-ub^n
.. t â¢â¢ ^ ttquot; 11quot; ⢠; quot; ; ~ t viquot; it v ; - - :
i:ir-nK tjiai qdid a^oai aiisn nra i^aii â¡^anibi IDHS fnb avbDai Di'n iwrn ^-la^^n1? nriN ^na * DDID DHDH uVpati i^Kn-Va ^^ai ^j^a : iöv1? ddiü onon bnia «
.. t : ⢠^- : ⢠t -: â¢â¢ â¼;
OCHTEND-GEBED.
Het zij welgevallig voor ü, Eeuwige, mijn God en God mijner voorouders, mij heden en eiken dag te behoeden voor onbe-schaamden en onbeschaamdheid, voor slechte menschen, en slecht gezelschap, en voor een slechten buur en voor noodlottig toeval en verderfelijk hindernis, voor een strenge rechtspraak en eene harde tegenpartij, hetzij hij tot het verbond *) behoore of niet.
Steeds zij de mensch godvreezend in het geheim 5) en bekenne de waarheid en spreke de waarheid in zijn hart (binnenste); hij sta vroeg op en zegge:
Meester over alle werelden!3) Niet [in vertrouwen] op onze verdiensten storten wij onze smeekingen voor U uit, maar [steunende] op Uwe groote barmhartigheid! Wat toch zijn wij, wat is ons leven, wat onze gunst, wat onze rechtvaardigheid, wat onze hulp, wat onze kracht, wat onze sterkte ? Wat zullen wij voor U zeggen. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders? Zijn voor ü niet alle helden als niets, en de mannen van na'am, als hadden zij nooit bestaan, en wijzen als zonder kennis, en verstan-digen als zonder oordeel? Want hunne nog zoo talrijke handelingen â niets zijn zij ; de dagen huns levens, ijdel zijn zij voor U; ook dat, waardoor de mensch boven het vee verheven is, is niets â want alles is ijdelheid.
Voorwaar, wij zijn Uw volk, de zonen van Uw verbond, de kinderen van Abraham, die U lief had, dien Gij op den berg Moria hebt toegezworen; het kroost van Izak, zijn éénigen zoon, die gebonden werd op het altaar; de gemeente van Jakob, uwen eerstgeboren zoon, wiens naam Gij wegens uwe liefde, die gij hem toedroegt, en wegens de vreugde, waarmede Gij ü over hem verblijddet, Israël en Jeshoeroen genoemd hebt.
Daarom zijn wij verplicht ü te danken en U te loven en U te roemen, en Uwen naam te zegenen en te heiligen en lof en dank te brengen aan Uwen naam. Heil ons! hoe voortreffelijk is ons deel, en hoe liefelijk ons lot en hoe schoon is onze erfenis ! Heil ons! dat wij des morgens vroeg en des avonds laat ona opmaken en tweemalen eiken dag zeggen;
Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is éénig!
5
Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig!
') Door God met Israël gesloten. J) Ook al kan hij in het openbaar wegens vervolging niet al zijne plichten vervullen. 3)De uitdrukking dSw, in het meervoud gebezigd, doelt meestal op de beide werelden, deze en de toekomstige.
nnni^ nVan n
-VDni Di4n AVK \\ ^ifibö w
yn nanoi Q-TXD D^à niT^üi a^ö n^ö ai* ^spi n^pT pp n»nf an jü'^pi ^sai vi p^pi : nnrp uw pai nna-jn Nin^ pa p
mim -inD3 a'üv nt mx xn' aSiyS
viquot;: *iquot; t â¢â¢; tt â¢â¢ : t ;
: IÃXquot;1! DstfM laa5?? DOK nani noj?n-^
wjunn D^VÃÃ i:mN irnpir1?^ Kb |i3n
i3«n na nnix na * D^nn ^ann by ^ ^iaS ^mmrna unrna un^^'-na upnrna inon na
,.. t . - ,.. - ,** t ; - liquot;;* - !â¢â¢; -
DniarrVs «bn irni2K ^VNI irnbK « wsh na^rna
⢠- t -: iquot; -: â¢â¢ â¢â¢ iquot; v: *: | ivt :
0^1221 ^ia ^23 D'asni vn at^n wm pxa ⢠ïj^ö1? Van on^n w inn on^a 21 *2 Vairn *bn2 : Van Van »3 rK nansn-ra d-ikh nmai
v it - * i ⢠it t â¢â¢ : - i ⢠t t t
nysamp;w ^nnK oniaK ^3 * ^713 ^3 ^a^ uniN b3K nsran 3rb^ n»n; pnr ^-it - nnan ins ft ^nna'^ai lm nanxtr ^nsnxa^ ^133 ^23 3p^ nn^: : la^-nx nsnp 13 nna^tr
I â¢.. ⢠â¢â¢ t : * ; v t it I t t ; r t v
-jn^i ^ nmnb D^n unjK
3i3quot;na wim 1 ^a^b nnini n3^_nnb,i ^ipbi
!â¢â¢: - i iv; ⢠t t : - iv â¢â¢â¢it : quot;lquot; :
i:n:xty wim nö^nai ubma D^rnai lipVn
; 1â: v !â¢â¢; - iquot; t â¢â¢.: tt - iquot; t * t - liquot;; v
di^ss D^a^a Dnai«i; ipp] 313/ oon^ai D^a^stpa
: inx 1 ^ UTISK ^ hx-M' vziï
it v -t: v v: -t: Aquot; t ; ⢠^ v.- ;
.nuisn pitti; D^pTpnan ; 1%) Dbiyb ini3ba -1133 üv -jiis ^
OCHTEND-GEBED.
Gij waart dezelfde, toen de wereld nog niet was geschapen; Gij zijt dezelfde, nadat de wereld geschapen is; Gij zijt dezelfde in deze wereld, en Gij zijt dezelfde in de toekomstige wereld ! Heilig Uwen naam over hen, die Uwen naam als heilig erkennen, en heilig Uwen naam in Uwe wereld en door Uwe hulp worde on^e horen ^ hoog en verheven. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwen naam heiligt in het openbaar.
Gij zijt de Eeuwige, onze God, in den hemel en op aarde en in de hoogste hoogten der hemelen! Het is waar! Gij zijt de eerste en Gij zijt de laatste3) en buiten U is geen God. Verzamel hen, die op U hopen, van de vier hoeken der aarde, opdat erkennen en weten alle wereldbewoners, dat Gij alleen God zijt over alle koninkrijken der aarde! Gij hebt gemaakt hemel en aarde, de zee en al wat in die allen is; en wie is er onder het gansche werk Uwer handen, onder de hoogere en onder de lagere wezens, die tot U zou zeggen: «Wat doet Gij ?quot; Onze Vader, die in den hemel zijt! bewijs ons genade terwille van Uwen grooten naam, die over ons genoemd is; en bevestig voor ons, Eeuwige, onze God, hetgeen geschreven is: In dien tijd zal Ik u brengen, en in dien tijd verzamel Ik u; want Ik maak u tot roem en lof bij alle volkeren der aarde, wanneer Ik uwe ballingen terugvoer voor uwe oogen, zegt de Eeuwige.
(In vele gemeenten worden hier de lofzeygingen over de heilige Leer uitgesproken, zie biz. 3J.
Ex. 30,17 â 21. De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Gij zult maken een waschbekken van koper en zijn onderstel van koper, om zich te wasschen; en gij zult het plaatsen tusschen de tent der samenkomst en het [koperen] altaar, en er water in doen. En Aharon en zijne zonen zullen zich daaruit hunne handen en voeten wasschen. Wanneer zij namelijk in de tent der samenkomst gaan willen, zullen zij ze met water wasschen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij naderen willen tot het altaar om dienst te doen, om een vuuroffer in rook te doen opgaan voor den Eeuwige. Dan zullen zij hunne handen en hunne voeten wasschen, opdat zij niet sterven; dit zal hun zijn tot eene eeuwige wet, voor hem en voor zijn kroost, voor hunne geslachten.
d
Lev. 6,3 â 5. De priester zal [des morgens] zijne linnen kleeding aantrekken en een linnen broek aantrekken op zijn bloot lichaam en eene heffing nemen van de asch, tot welke het vuur het brandoffer op het altaar zal hebben verteerd, en die leggen naast het altaar. Hij zal zijne kleederen uittrekken en zich met andere kleederen kleeden, wanneer hij de asch wegbrengt buiten het leger naar eene reine plaats.
') Als zinnebeeld van macht. 3) Vóór al het bestaande, waart Gij, en als eens niets van het geschapene meer zal zijn, zult Gij nog bestaan.
rvw nVan i
oVi^n «in nnK «naa vhv «in nn« ^[5 K|n thtyb Kin nri«i nn Kin nnx ïjn^iiy^i quot;qöbipa ^p^nK
: d*3quot;o ^jQ^-ns4 ^^[50 v. nriK ^na * i::^ naani onn o^D^n rquot;iK3i 0*0^3 irnbx M Kin nnx
⢠1- t - â¢â¢ : ⢠I v it t ⢠i- t - iquot; v: â¼: T
|nnK «in nnxi fitfjn Kin nnx nüK * D^i^n pKn maw yaiKö ^ip pp ⢠DTIVK px ^n^baai Tj-inH QTi^Kn Kin-nriK »3 Dbi^ ^KS-SS I^TI IT2! pKn-nKi D^fn-nx nn?yT nriK - pKn nisboD Vd1? D^V^S ^Tt n^O_l?33 '01 ⢠D3 quot;l^K-bs-nKI DTJTK
a»o^3iy ir3K * n^n-no IÃK»^ a^innns IK
⢠1- t - v r t v ^: - - I ; - iv ⢠;
i^-d^i iybj£ Knpsty Snan ^0^ 113^3 npn i:s^ n'^ â¦V3|5 n^3i DpnK K^K NMnn n^3 3in3trnö irnbK « â¦31^3 pKn ^ Sbs nVnnVi D3nK friK^s D3nK :»; quot;IÃK syyy) o^ratrnK
â¢minn rona JiO a*â¢* ^ naina
. L ⢠L 'h â¢Ã¼
1331 nwrv n»3 n^ri : quot;iqk? n^Q'bK nm» 131^
j - : v .) j' t ' t ⢠i â¢â¢ j'-' v : jquot; -;-
nsTsn r3i n^iD VnK-p ihK nnai nïnnb nt^nj
-â¢â¢:â¢- I â â¢â¢â¢ *â¢' v lt; I iquot; -t - it ; at : t : v v, :
-hki onn^-nK issd v:3i finx ixmi : ö^o ns^ nn:i
v : \,v quot;; v av ⢠^t t I ^ -; i- â¢) -i it: ⢠it t v,t jt quot; it ;
IN inxr «bi D'ö-iïm» bnK-VK DK33 : on^ai
j a-..t -⢠: 'v.quot; V* v s v ^ ^t : iv â¢â¢ ; -
onn» ixnn : nin^ ni^K n^pnb n-ic'1? naran-^K Dn^3
jv â¢â¢: â¢gt; -: it: it i~ vquot; * r \: ' : quot;^r : - ; - ... lt;t : ⢠;
: Dn'Tn1? witVi lb n^iirpn on1? nn^m ino» K^i on^n
it i : ^ :-: ^ ot ^ it squot; t t : it : ^ a*..t -⢠vquot; :
onni wiY ns-'D^pi -a no fn3n mb\ '1 ^ bïK iDiri n^Tan-^ nb^n-nK VsKn I^K r^n-nK
vv,quot; t : -aquot;: ⢠- it v .)quot; t J~ ^ â¢â¢â¢ lv v-
quot;hk K'ïini annK Dn:3 tr3l?i vnj3-nK : n3ran
lt;⢠: a* â¢â¢ -: -quot;-t : v,quot; t : tt : v ^ - ^t - iquot;: ⢠quot;
: nnü Dipü-^K mna1? pnp_1?K j^nn
7 OCHTEND-GEBED.
Num. 28,1â8. De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Gebied den kinderen Israëls en zeg tot hen: het offer voor Mij, Mijne spijze, voor Mijn vuur, tot een liefelijken geur voor Mij, zult gij in acht nemen voor Mij te brengen op zijnen bepaalden tijd. En gij zult tot hen zeggen: dit is het vuuroffer, dat gij den Eeuwige zult brengen: schapen, in dit jaar geboren, zonder gebrek, eiken dag twee tot gedurig brandoffer. Het eene schaap zult gij bereiden des ochtends, en het tweede schaap zult gij bereiden tusschen de beide avonden. En een tiende van een Epha ^ meelbloem tot meeloffer, aangemengd met een vierde Hin 1j gestooten [olijf-]olie. Een gedurig brandoffer, gelijk het bereid werd bij den berg Sinai, tot een liefelijken geur, als vuuroffer voor den Eeuwige. En zijn plengoffer: een vierde van een Hin [wijn] voor elk schaap, in het heiligdom uit te gieten tot wijnplengoffer voor den Eeuwige. En het tweede schaap zult gij bereiden tusschen de beide avonden, gelijk het meeloffer des morgens en zijn plengoffer zult gij bereiden, een vuuroffer, tot liefelijken geur voor den Eeuwige.
Lev. 1,11. En hij zal het slachten ter zijde van het altaar, ten noorden, vóór den Eeuwige; en de zonen van Aharon, de priesters, zullen zijn bloed sprengen op het aldaar rondom.
Gij zijt de Eeuwige, onze God, voor Wien onze voorouders het reukwerk van specerijen in rook deden opgaan in het heiligdom, zooals Gij hun geboden hebt door Uwen profeet Mozes; zoo toch staat geschreven in Uwe Leer:
Ex. 30,34. De Eeuwige zeide tot Mozes: neem u specerijen, als : welriekende hars, en zeenagel en galbanum ; dergelijke specerijen en zuiveren wierook; in geheel gelijke deelen zal het zijn. Gij zult het maken tot reukwerk, een mengsel, naar de wijze des specerij mengers, goed dooreengemengd, zuiver, tot een heiligdom. Gij zult daarvan tot fijn poeder stooten en daarvan leggen vóór het getuigenis in de tent der samenkomst, waar Ik u op bepaalden tijd verschijnen zal; heiligdom der heiligdommen zal het u zijn. â (Ex. 30,7 en 8). En er is gezegd : Aharon zal daarop reukwerk van specerijen in rook doen opgaan; eiken morgen, wanneer hij de lampen reinigt, zal hij het ontsteken. En wanneer Aharon de lampen aansteekt, tusschen de beide avonden, zal hij het ontsteken; een gedurig reukwerk vóór den Eeuwige, bij uwe nageslachten.
Onze leeraren hebben geleerd: 2) De samenstelling van het reukwerk: balsem, zeenagel, galbanum en wierook ieder tot een gewicht van 70 Mané 4). Mirre en kassia, halm-dunne nardus en saffraan, ieder tot een gewicht
1
) Een Hin bevat 12 Log, zie noot l).
2
) Gewone inleidingsformule voor eene bepaling uit oude Boraitha's.
mntp nban T
. . . . nquot;3 12T83
rnpw iï : IDKV H^Ã-VN nin; wi
inp^n ^rin^ nn 'ónS dh^k
lanpn néten nr qHï müKi : nytoa ^ snpnb
v,*l: quot; -»*â¢â¢ -: v ⢠it vlt; v t â ,t : - it : i : i : rl: - ;
-nK : Ton nV^ Dl''? ddwi n^-^3 0^33 nin^
i* t ^t vquot; vy â »⢠⢠: st t iquot; : * t ; at i-
n »jesti Eosn nxi quot;1^23 n^n nnK feqsn n,n3 7ü^3 n1?')^ nn^o1? nVo na^n nn^vi : D»3ivn
t I v j'.' : 4T : at: ⢠;^ v ^ 4T â¢â¢ it s* * .r 'it :quot; it
n^nn^j nn1? nn3 n^rnTDn nVjr : rnn
vv ⢠- ⢠- j..; - ⢠j- ; t â¢â¢. . it a* t v.quot; ^ ir- *}⢠' :
â¢hdj non iriM inKn ty33b rnn n^3^ 13dji : nin^
|vr.^ i-)quot; - v| - at v it v^v- i ⢠- â¢) ' : : ' : it 1-
nn303 D^i^n r»3 ntr^n ^n ^33n nxi : nin^ n3^
- ; ⢠: -at . it i -â¢â¢â¢ vquot; ⢠â¢quot; ' â¢â¢ quot; v jv^ - â¢â¢ ; it i- vt quot;
: mn^ nrr: nn n^K n'^n 130:31 *ip3n
^ it iquot; - v. * ~ â¢}quot; * â¢â¢* - iquot; r: * : ^ iv lt; -
ipni nin' njfiï n3Tan inK ^'«^
i ;it; at ; â : ⢠r it * â¢)quot;: * - | vjv ri- ^ - T^;
: 3*3D n3?sn-^ lornx D»:n3n nnx »:3
r t quot; vquot;: * quot; â ) t v s* -: 1 - 1 -: 1- â¢â¢ :
ira?' jDj? Dgt;öp,n niü^-rws* irnüjf irnSx ^ xin nnx
: ^jnnin? aina? ^2:: n^o ni^ nriw -d^
T'1? 'h nKv
nhbnquot;! nbnfi 1 «]üj d^öd ^rnp n^o-VK nin» 9quot;iüK»i
niüp nnx n^i .* n»n» n33 n3 n3r n^i d^dd
v ^ T ** x : iv ; r ; j' at- -«t : v* -
pin naaa npn^i : B^lp quot;iini: nVoa npn ntrvo npn
I â¢â¢ t t v ⢠jtI; - it ; vli j r vT 'â¢â¢ '⢠-1 aquot; â¢Â»*⢠1- | - ^
naiy i1? npiK ii^k ,?n«3 rnyn ^sb naóa nnnji
t at v p : *?⢠t ⢠r' -: quot; v - : it lt;â¢â¢ ; * tv- t - it ;
niLpp pnK vj?i? IOKJI : D31? n^nn D^ipT ^ ri^nsi : na^tp^ nisn-nx i^p^ns npis 1^33 D^öd riöS n»öri naVppt D^n^n ps n^n-nx pnK : DD^nn-i1? nm»
iv â¢â¢ 1 ; ^t :
Sp^p njb^ni. ilssni i-sn ^n-iapn atss * jjan -iri
hkt Sp^p ⢠Di3-)3i; nSfa^ nio ⢠nw 073^
4) Een Mané, eigenlijk een munt, heeft 100 denaren; de zilveren denar lieeft een gewicht van 96 gerstekorrels.
8 OCHTEND-GEBED.
van 16 mané. Costus 12 mané, speceriibast drie en kaneel 9 mané. Loog van Carshiena l) 9 kab, wijn van Cyprus drie sea en drie kab, en indien men geen wijn van Cyprus heeft, neemt men ouden zeer witten wijn. Zout van Sedom een vierde van een kab, een weinig van het kruid Ma'alé 'Ashan (dat den rook doet opstijgen). Rabbi Nathan zegt: ook een weinig hars van den Jordaan. â Indien men er honig heeft ingedaan, heeft men het ongeschikt gemaakt voor offergebrnik; en indien men een van al zijne specerij soorten er aan laat ontbreken, is men den dood schuldig 3). Rabban Shim'on, de zoon van Gamliël, zegt; de balsem is niet anders, dan de hars, die van den balsemstruik afdruipt. â De loog van Carshiena dient om daarmede den zeenagel af te spoelen, opdat deze schoon zij. De wijn van Cyprus dient om daarin den zeenagel te weeken, opdat hjj sterk van geur zal zijn. Hiervoor zoude immers ook urine geschikt zijn ? doch men brengt uit eerbied geen urine in het voorhof.
Er is geleerd: Rabbi Nathan zegt: terwijl men [de specerijen] stoot, zegt men: stoot fijn! stoot fijn! omdat het geluid goed is voor de specerijen. Heeft men het op de helft samengesteld, zoo is het geschikt voor het gebruik; op een derde of op een kwart, daaromtrent hebben wij geene overlevering gehoord. In verband hiermede zeide Rabbi Jehuda: dit is de regel: is het in de vereischte verhouding bereid, dan is het ook op de helft voor het gebruik geschikt; heeft men er echter een van de specerijsoorten aan laten ontbreken, dan is men den dood schuldig.
Bar Kappara deelde de volgende bepaling mede: Eenmaal na zestig of zeventig jaren werd van het overgeblevene gebracht eene hoeveelheid, gelijk aan de helft van het reukwerk 3). Nog deelde Bar Kappara mede: zoude men er een kortob 4) honig bij doen, zoo zoude niemand den reuk er van kunnen verdragen; en waarom mengde men er geen honig onder ? omdat de heilige Leer zegt: want alle zuurdeeg en alle honig, daarvan zult gij geen vuuroffer voor den Eeuwige in rook doen opgaan.
De Eeuwige Tsebaoth is met ons, de God Jakob's is ons tot toevlucht. Sela I Eeuwige, Tsebaoth, heil den man, die op U vertrouwt. Eeuwige, help toch! Moge de Koning ons verhooren op den dag, dat wij Hem aanroepen. Gij zijt mij een schuilplaats, voor nood beschermt Gij mij. Gij omringt mij met reddingsjuichen, Séla I Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offer van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden, als in de jaren der oudheid !
Ach, Heer! verlos 't gebonden Israël door de krachtige grootheid van Uw rechterhand!
Verhoor het schreien van Uw volk, bescherm ons, doe ons rein zijn, Eerbiedwekkende!
Behoed als Uwen oogappel. Almachtige ! hen, die Uw éénheid zoeken te verbreiden;
Zegen hen, doe rein hen blijven, ontferm U over hen; bewijs hun bij voortduring Uw welwillende liefde!
Albedwingende, Heilige, leid Uwe gemeente met de volle grootheid Uwer goedertierenheid I
Eenige, Hoogverhevene I Wend U tot Uw volk, die Uwe heiligheid steeds gedenken.
Verhoor ons smeeken, luister naar ons geschrei. Gij, die het verborgene kent!
Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig!
') V. a. van wikken. ') dw â quot;ti hjvï, niet door den aardschen rechter.
3) Keriethoth 6a en b, vgl. Thalm. Jerus. Joma 4,5.
4) = gt;/ct Log, eene zeer kleine hoeveelheid dus, vgl. noot 1 op blz. 7,
B
rvw nbfin n
'r\y$T\ p'o|pi 'rrth? na^pi '-\v% p^pn ⢠m» -irj; nw DN'rN'nS^ p3|2i NnS^i pxe fDn?p p.i ⢠pap. njNfri nr^na nna opn yan n^inp nSa -p^: pT-jin icq -ppnap p;. iS pN jru dn) p-m nsa noix {rij ⢠xmf-S| nS^o
j3 jiyp^ jai : nn^o 3»n n^sa-Sip nav nsn dxi ⢠nSps ^a-n na njTia rria ⢠^ppn vzo spi? irx nsn naw S^Soa -nss la pniW po^i? p?. ' nw na /jissn-m na pa:ff pp^aa yxf NvW -nS pa; jóqi * na .psiri
: liaan \j?a .nit^a a^n ^a ^a -pin aa^n aan pin naw pnir N-in^a naw jnj 'a-i xyn üh jraiSl whfh ⢠nn-^a pNi'qS nat?? ⢠a^araS na; Sipnt? â¡Ni * pNsnS mra -nmaa av -SSan nt mm1 ^an nax ⢠-matr
T ⢠T . TT; V T: * quot; ~T .ITT
: nn^a an ^jeo-Saa nnx nan
T* Tquot; TIVTquot; T ' quot; quot; quot;
ht nxa nnn n;^ a^a-^S w a^rrS nav naw .snap na
⢠â ⢠. - â¢â¢ TTl ~ - â¢â¢ T
aianip na jnu n;n -nx -Nnsp na un mgt; ⢠pxsnS â¡n.^ ^an na pan^a px naSi -nnn â¢â¢jfa m'a^S Sla; anx px ^an Sf : nrx uaa iTppn tib rarSai nx^-Sa ^ nnpx nnlnnt? ^sa a-w n^x nwas v. : nSp apr. nSk\ -uS ajtra uay nwas quot;
TT. T . â¼. Ti. p . .; IT quot;: * IT * T : *:
nsa 'h nnp nr«s : :iJis,npT car? -ujj;; rjSan n^rin 7 = quot;^a na'a W dWiti nnin^. nrua quot;S nanri : nSa ^aaiPn aba ^n ^nsn
ITT T ⢠⢠T r.T. TIV 'I** quot;J ⢠â¢â¢Â» T . |«» . .
: niyianp â¡,ja;3i aSip
.rupn p tfoiro ,«2t nSsn
vwquot;J3s ⢠nnns n^n ?i^a? nSn^i naa n^v
ibbquot;ïip * Nnij -unrip nan Sap
pynu ⢠nanptf naa? ?]n^^, ^nn m'aj nj
jnsquot;iD3 ⢠aSpp^an^nRl^aannannp aana
wDquot;3pn ⢠Tjnn^ Snj Tjpia ain? rinpT ppq
ptBquot;^ ⢠Tjnf np npir n:a nss nn;
m'ipi» ⢠niquot;aSj;|i 27 -un^ y atf-i Sap : njn aSij;i? inia^p ma? a^ ^na
9 OCHTEND-GEBED.
Num. 28,9 en 10. En op den Shabbathdag; twee scliapen, onder het jaar, zonder gebrek; en twee tienden meelbloem tot meel-offer, aangemengd met olie, en zijn plengoffer. Dit is het Shabbath-brandoffer op eiken Shabbath, behalve het gedurige brandoffer en zijn plengoffer.
Op het Nieuicemaansfeest zegt men-.
Num. 28,11â15. En op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer brengen voor den Eeuwige: twee jonge stieren, jonge runderen, en één ram, zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En drie tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij iederen stier; en twee tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij den éénen ram. En telkens een tiende meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij elk schaap; een brandoffer tot liefelijken geur, een vuuroffer voor den Eeuwige. En hunne plengoffers: een halve Hien zal zijn bij eiken stier, en een derde van een Hien bij den ram en een vierde van een Hien bij elk schaap, wijn; dit is het Nieuwemaans-brandoffer voor eiken eersten dag der maand voor de maanden van het jaar. En één geitenhok tot zondoffer; behalve het gedurige brandoffer zal het bereid worden en zijn plengoffer.
i) 1. Welke is de plaats [voor de verschillende dienstverrichtingen] der dieroffers? De allerheiligsten 1) worden aan de noordzijde [van het voorhof] geslacht; de stier en de bok van denverzoendag worden geslacht aan de noordzijde, en het opvangen van hun bloed in een voor den tempeldienst gewijd voorwerp geschiedt aan de noordzijde; en hun bloed moet met den vinger gesprengd worden op de plaats tusschen de draagboomen [der verbondsarke] en op het voorhangsel [dat tusschen het heilige en het allerheiligste hing] en op het gouden [reukwerk-] altaar. [Het nalaten van] ééne dezer spattingen houdt de verzoening tegen. Het overblijvende bloed goot men uit aan de westzijde van het voetstuk2) van het altaar, dat buiten [in het voorhof] stond; indien hij het evenwel niet uitgestort heeft, belet dit de verzoening niet. â 2. De [andere] stieren en bokken, die verbrand moeten worden, 3) moeten aan de noordzijde worden geslacht en hun bloed in een voor den dienst gewijd voorwerp aan de noordzijde opgevangen worden; hun bloed moet met den vinger gesprengd worden op het voor-
1
') Tractaat Zebachiem, Hoofdst. V. 4) Brand-, schuld- en zondoffers.
2
) Het altaar in den tempel bestond namelijk uit een voetstuk ter hoogte
3
van één el (tid1) en 32 el lang en breed; daarop stond een tweedeprisma-
4
vormig stuk, ter hoogte van 5 el en 30 el lang en breed, en daarop het eigenlijke altaar, drie el hoog en 28 el lang en breed; aan de vier hoeken van dit bovenste stuk stonden kubussen ter lengte, breedte en hoogte van één el (nwp, horens). Het bovenvlak van het tweede stuk heet mid, omgang, gaanderij.
rvw nSön ti
'B nquot;3 imsa
n^D »3^1 DD^ün mE^a niirn bim
vs ⢠: â¢v quot;,quot; ï . a- ⢠; v,t t r* ; r t ; iquot; : t - - :
ina^a naty rny : 130:1 rDira nbiba nruD
a - - ; ^1 : ⢠; I v - jt : -jt ; â¢
: «130:1 Tom
it ; ⢠; v t -
BTin twS
b»:^ quot;ip2-»:s ons nin^ n1?^ mnpn D^trin Vk^si
⢠- : i lt;tt iquot; : ⢠t at 1- r h - v â¢â¢ ; t â¢â¢ t :
nt^i : DD*ön n:^-»:3 wvn ihk VNI
: â¢V -«t ; r ⢠; : ⢠-ir t iquot; ; r t v t v ' :
nVo ^iri inxn nsV roiba nn:o nVo
^ v lt; ⢠; quot;V jquot; : at v it ^t - i v v - -«t : t : ⢠v lt;
nmanVo rin^p^i .'quot;irwiWè 10^3 nbiVa nn:o
t : ⢠v lt; i t i ^ t : ^ it v it 'vquot; t i v v - jt ; t : â¢
: nirrquot;? ntK nn»: m nV^ inNn ^33^ ?a^3 nb^3
it iquot; v.v ⢠quot; ⢠- jquot; t ^ at v ^it ^ v vv quot; ⢠v v * quot;'t :
rnn niy^tri n^n» rnn ^ïn Dn,3D:i
ri' * : ⢠- t i -«⢠- s* _ * : t - v ; r i ⢠- j- -: â¢/â¢â¢:â¢:
17^1: n:^n i^-in3 irin nVy hnt p» ^33V rnn
^ ; it t - : t : : t ; v j- ^ i -at v - i â¢)⢠-
: 13D:I n-^» i»onn nbjr1^ nin^ nNisnquot;? nnx on^
1 : ⢠; v*-* tiquot; â¢)⢠t - s- at 1- ^t - : -it v r^*
'n pis D^nar
quot;iö |13Ã3 inü^n^ D'Bhj? D^nsr1?^ joipa inrx N |ün bi3pi; |13ï3 jn^nip anissn *1^1 nrnan-^i onzn pr^ nnn p^ü ja-ii |iaï3 nn# ^33 n»n nnn * n33^D rno nn^j n:nQ 3nTn nstD-bp)
tt t - quot;t; v it : i V quot; ~ tt- ttquot; - ; ⢠;
: 33^ iïb fn: sb'DN jivnn nstp-1?^ â¦sijro quot;iiD^b^ ^i^ jan bi3pi |13Ã3 D^i^sn on^i o^i^n ons a 3nTn nsTp-^i nshsn-1?^ nnn pjrü foni |13ï3 ^33
4) 1°. De stier, door iederen stam te brengen, indien door eene verkeerde beslissing van het hoogste gerechtshof eene overtreding door het volk heeft plaats gehad, die, indien opzettelijk geschied, met uitroeiing (ma) gestraft wordt (tox hu in dSïh ib) ; 2°. de door den hoogepriester te brengen stier, indien hij op grond eener verkeerde wetsbeslissing eene dergelijke zonde heeft begaan (mm jro tb); 3°. de bokken, door iederen stam te brengen, indien op grond van eene verkeerde beslissing van het hoogste gerechtshof eene overtreding op het gebied van afgodendienst heeft plaats gehad (iquot;ï 'Tro).
OCHTEND.GEBED.
hangsel en het gouden altaar; [het nalaten van] één dezer spattingen houdt de verzoening tegen; het overblijvende bloed goot men uit aan de westzijde van het voetstuk van het altaar, dat buiten [in het voorhof] stond; heeft hij het niet uitgestort, dan belet dit de verzoening niet. â Zoowel dezen als genen (de stier en bok van den verzoendag) worden op de asehplaats!) verbrand. â 3. De zondoffers der gemeente, zoowel als die van enkele personen, â de zondoffers der gemeente zijn namelijk de bokken, op de nieuwemaansdagen en de feestdagen gebracht, â moesten aan de noordzijde geslacht en hun bloed in een voor den dienst gewijd voorwerp aan de noordzijde worden opgevangen; hun bloed moest vier maal met den vinger gestreken worden, aan de vier horens van het altaar namelijk (zie noot 3 op blz. 9). Hoe handelde men daarbij ? De priester beklom den trap1) en wendde zich naar den omgang (zie noot 3 op blz. 9) en kwam het eerst aan den zuidoostelijken horen, [ging van daar rechtsom en kwam achtereenvolgens] aan den noordoostelijken, noordwestelijken en zuidwestelijken horen [terwijl hij telkens met zijn vinger een weinig van het bloed aan den horen streek.] Het overblijvende bloed goot hij uit aan de zuidzijde van het voetstuk. â Deze offers werden gegeten binnen de gordijnen [die het voorhof begrenzen] door alle mannen van den priesterstam; op welke wijze ook toebereid, gedurende éénen dag en den volgenden nacht, tot middernacht. â 4. Het brandoffer behoort tot de allerheiligste offers; het moet dus geslacht worden aan de noordzijde en zijn bloed in een gewijd voorwerp aan de noordzijde opgevangen worden en zijn bloed moet in twee spattingen aan de vier zijden van het altaar komen2) en de huid moet worden afgestroopt, het offer naar zijne deelen ontleed en geheel op het altaarvuur verbrand worden. â 5. De vredeoffers der gemeente 4) en de schuldoffers, â de schuldoffers zijn namelijk de volgenden: het schuldoffer wegens roof5), het schuldoffer wegens gebruik van gewijde zaken 6), het schuldoffer wegens onteering eener verloofde slavin 7), het schuldoffer van denNazier8), het schuldoffer van den melaatsche9) en het schuldoffer wegens eene twijfelachtige overtreding 10), â moeten geslacht worden aan de noordzijde, en hun bloed moet in een gewijd voorwerp aan de noordzijde worden opgevangen en hun bloed moet in twee spattingen aan de vier zijden van het altaar komen (zie noot 3). Zij worden gegeten binnen de gor-
10
1
s) Aan de zuidzijde van het altaar bevond zich eene helling, cas genaamd, waar langs men tot boven op het altaar kon komen; daar naast was een kleinere opgang naar den asiD.
2
) De priester wierp namelijk uit het bekken een weinig bloed aan den
rvw nban â¦
n^n Din |nü nn« r\:m
psifj ibKj ibsi fn: KVDK pï'nn narp-1?^ iiaxn ^tan |n iVk Tfrrn iiavn nx^n j : |anri n^a jon Viapi. jisï? fronts nin^ia-^i, D^nn ^3-itsquot;^ nunp yanssï pyü jani jiöïs n^ ^33 p^S ib-K^i 351D1? naöi ïyaa? nby nv2 - nirip * n»:iaï * n^iss n^mrü ⢠n^nnrü rvDin
⢠t -: - ⢠: ⢠; ⢠t: ⢠* t: * ' ^
' wi: niD^b^ Tjait? n^n Din ⢠rrpm bDtlt;D~b2Z nsriD n^S D^^rr-fp a^ab f^aNtai nnü^ntr D^ip ah'p nbi^n n : nivn-nv rh'bi DVquot;1?
tt*: ⢠tIt v|i t t -: ^- t :r t ;
Tnv pj^ noni jiaï3 »Vd3 non Siapi païa : nin:i yanK |ri^ nunp
D^K * niD^K ?n ibx ⢠niQ^M naï *nbv â¦nat n
- -: t -: I â¢â¢ iquot; t -; - .... - ....
Dtfx tï: di^k nann nna^ nm mWo db'n mbn
-: ⢠t - -: t -; t : ⢠- -: ^ ; - -: â¢â¢;
nn^ ^33 jan Viapi pava ïnta^n^ * «iVn DB'K ^nivp D^a1? pbaNj'i ⢠yriK jn^ ni:np ^ pyta |öti. pa^a
noordoostelijken en zuidwestelijken hoek van het altaar tegen de ribben, zoodat aan de vier zijden bloed zichtbaar was.
4) De 2 schapen, die op het Wekenfeest met de brooden der eerstelingen (ffnwan arh) gebracht werden.
6) Vgl. Lev. 5.25. 6) Vgl. Lev. 5,15.
7) Lev. 19,21. Verloofd beteekent in rabbijnsche taal iets anders dan bij ons. Het wil nl. zeggen, dat een bindend huwelijk is gesloten, doch de bruid vooralsnog in het huis haars vaders blijft; de ptrpp hebben plaats gehad, de nsin, de eigenlijke echtverbintenis nog niet.
8) Vgl. Num. 6,12. 9) Vgl. Lev. 14,12.
») Vgl. Lev. 5,18. Voor het geval namelijk, dat er twijfel bestaat, of iemand eene overtreding heeft begaan, die, opzettelijk geschied, met n-o gestraft wordt.
OCHTEND-GEBED.
dijnen van het voorhof, door de mannen van den priesterstam, op welke wijze ook toebereid, gedurende één dag en den daaropvol-genden nacht tot middernacht. â 6. Het dankoffer en de ram van den Nazier1) zijn offers van minder heiligen aard; zij mogen geslacht worden overal in het voorhof en hun bloed moet tweemalen gesprengd worden, zoodat het aan de vier zijden van het altaar komt; zij mogen gegeten worden in de geheele stad Jerusalem, door een ieder, op welke wijze ook toebereid, gedurende een dag en den volgenden nacht tot middernacht. Hetgeen als heffing daarvan [voor den priester] wordt afgezonderd, staat er geheel gelijk mede; met dien verstande evenwel, dat dit afgezonderde slechts mag gegeten worden door de priesters, hunne vrouwen, kinderen en slaven. â 7. Vredeoffers zijn van minder heiligen aard [dan de in Mishna 1â5 genoemden] ; zij mogen overal in het voorhof worden geslacht en hun bloed moet tweemalen gesprengd worden, zoodat het aan de vier zijden van het altaar komt. Zij mogen gegeten worden in de geheele stad, door een ieder, op elke wijze toebereid, gedurende twee dagen en den daar tusschen liggenden nacht. Hetgeen als heffing ervan wordt afgezonderd, staat er geheel gelijk mede, met dien verstande, dat het afgezonderde slechts mag gegeten worden door de priesters, hunne vrouwen, kinderen en slaven. â 8. Het eerstgeborene en het tiende van het vee en het Paaschoffer zijn van minder heiligen aard. Zij mogen overal in het voorhof geslacht worden en hun bloed behoeft slechts éénmaal gespat te worden, mits men dit doet op eene plaats, waaronder het voetstuk zich bevindt 2). Wat het eten betreft, bestaat er tusschen deze offers verschil: het eerstgeworpene nl. wordt door de priesters gegeten, het tiende daarentegen door een ieder, doch beiden in de geheele stad, op elke wijze toebereid, gedurende twee dagen en den daartusschen liggenden nacht; het Paaschoffer daarentegen mag niet anders gegeten worden, dan bij nacht, slechts tot middernacht, slechts door hen, die er bij gerekend zijn, 8) en niet anders dan [aan het vuur] gebraden.
Rabbie Jishraa'el zegt: Door middel van dertien afleidingsregelen kan de Heilige Leer verklaard worden: Door gevolgtrekking van het minder tot het meer gewichtige; door toepassing van dezelfde wetten bij verschillende zaken op grond van traditie betreffende gelijkheid van uitdrukking; door eene bepaling bij eene zaak als stelregel te gebruiken, hetzij die bepaling op een of twee verzen berust; door een algemeen begrip, gevolgd door bijzonderheden (waar onder het algemeen begrip niets gebracht mag worden, dan wat uitdrukkelijk genoemd is) en door bijzonderheden gevolgd door een algemeen begrip (waardoor alles wordt inbegrepen).
Wanneer een aantal bijzonderheden worden voorafgegaan en gevolgd door een algemeen begrip, moogt gij de wet op niets
11
rvw nVön
: niïn n# rhty ÃV1? baNö'VDa nsriD nptV a^bj5n |à n^3 DipD-bD3 fnmitf Vw nnmn i
n^n-bDS I^K:'! * |n^ man» â¦ri^ |ÃItI dhd oiian * mxn ip dvV Vdko'^s dik-Sd1?
v â¢â¢ t - -: T : i- T : T -; - T : T T T :
on^nbi on^jb wirizb Vdxj QTisn^ ona XÃI»3 n^sDipD-bosfn^n^- D^npT nzbv t lonna^i 'ba1? quot;i^n'Vaa |n^ nuriö »ri^ jbni
Kïi'S DHD oman * TIN nb^i a^a» ^vh baxa-baa anx
â¢â¢ - v â¢â¢ t quot; tv t : r : ' t â¢* ; t -: - t : t t
; anna^bi an^abi an^;1? a^nab baxi a^iantf n^n ana aipa'baa inn^n^ a^p a^npT nasni, i'^ani, liaan n : nia'n nj:a ?n^ nabai * nm nana wu ram mwa
: - viv ; i â¢â¢ ⢠v t : ⢠tv t t - i ^ t i t t : tt^-: t
anirbaS quot;i^ani Q^ria1? '^k: liaan fn^atfa
⢠nnK nWi a^a» baxo-baa n^rrbaa rbaNWi
tv t : i- : ⢠t â¢â¢ : * t -; - t ; ^ t t ; 1 * t v: v;
nixn-n^ nVx bax: i:w nV^a töx ban: irx nasn : baxj irxi vwab xbx baxj irxi
⢠t tv t v: v â¢â¢ : t ; ⢠t v t v: v â¢â¢ ;
.Dwi3 min «quot;ia Wowquot; 'n NJT«13
: nninn nna n^y. ^b^a quot;idik bwaü\ 'an nnx amaa ax paa * ni^ mwaï * nam bpa
tv t ⢠t it; ⢠⢠tt tquot;: ⢠vit |- â¢
* bbai anaai * ünai bbaa ⢠D^aina ax pjaai
t: t:* t: t : ⢠:â¢â¢:⢠tit:**
Sbaa * üian p^a tèM p nnx ^ Wai â¡lai bba
t ; ' t : quot; i : t v i t t - t : t ; t ;
1
Vgl. Num. 6,17.
') Aan een deel van de oostzijde en een deel van de zuidzijde liep nl. het voetstuk niet door.
') Vgl. Exod. 12,4.
12 OCHTEND-GEBED.
Dn?TDön D^inD pi. - IÃIDà iübn i2quot;p. : sinan nrn« nt
rnnoa r-ipan nja»^ -u^ün; 'liSjo irn'S^ ^ ^i^aSo p'ri ,n^ aurji aSiy 'a1? hxt? Dri; : ^nin? |ni; irp;?
: nvjloip.
TOU'S li:1 3quot;nsi naizn omp jpia1? wxa vsvw Sn: niVo e|Bjjma
wn vn'iïoa ir^ip DVI^H TIVO irnbK â¦â¦ nn« Tins
it ⢠: t : ⢠: it :l ⢠v -: t ^ t |v iv i- â¢â¢; â¼; t - | t
: nv^3 «l'^nnb»
ios1» inETO quot;inxi
l!quot;!quot;!! : p^n» ^333 Vva Dquot;JN ^ni ^pn np» HD
D^n mpp ?|a# ^ : a^n ^73 |^p
: ^npnvi ^pn Tj'^o : quot;IIK-HK^
tenzij de heilige Schnft haar uitdrukkelijk wederom onder den regel begrijpt. â Iets, dat uit den samenhang [met andere wetten] wordt afgeleid of iets dat uit het vervolg [der bepalingen betreffende de zaak zelve] wordt afgeleid. â En evenzoo; twee bijbelplaatsen, die elkander tegenspreken, [kunnen niet worden opgehelderd,] tenzij een derde bijbelplaats de tegenstrijdigheid oplost.
Het zij U welgevallig, Eeuwige onze God en God onzer voorouders, dat het quot;heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij ü in eerbied dienen als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.
Bij het aantrekken van het groote Tallieth zegt mm staande:
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt ons met de schouwdraden te omhullen.
Vervolgens doet men het Tallieth om en zegt, terwijl men erin gehuld is: Hoe kostbaar is Uwe genade, o God! ook mensehenkinderen vinden bescherming onder de schaduw Uwer vleugelen! Zij drinken tot verzadiging uit den overvloed van Uw huis, en Gij drenkt hen uit den beek Uwer heerlijke genietingen. Want bij U is de bron des levens, in Uw licht zien wij licht! Verleng Uwe genade voor hen, die U kennen, en Uwe gerechtigheid voor hen, die oprecht zijn van hart!
nnnip n^an y
-Sa * â¢nnx Nints^ ÃIÃDI * tjw quot;nnx ^ini^
t t : * | * t v t : ⢠t : ⢠) * t
-Sy nobb isSb Sbarno 131
- â¢â¢ - : â¢â¢ - : t : - 1 * t t : t : ⢠t t v t t
1V3 Vban by inbb tlt;bn w ioïjt
tt t tt â¢.. t ; - - â¢â¢ - ; tv tt ; ^-
inst r^b ïijnab Sbaa nvi^
tt t : v t v i ~ 1 i ^ : ⢠tt: t ; ⢠tt v
Kïn Sbaa n»n^ quot;larVa * n^nnb NSI bpnS
i ^ ; ⢠tt: t:* t t v tt t â¢-:-: ; iquot; t ;
rrntf wVa * i^nnbi bpnb tin
tt v t t t ⢠-: - : |quot;t : tt t:^* : v â¢â¢ - l^- i
â¢mmS nnx ^nnn 1313 ?nb jsj^n Vbaa
â¢-:-: t t- ⢠ttv tt-i * tt; t:*
lübn nni ⢠iVbab ainan np ibhsb
,. t - t t â¢â¢ ; t : ⢠t - 1 v ⢠-: - v t ; â¢
anders toepassen, dan op hetgeen met die bijzonderheden overeenkomt. Door een algemeen begrip, dat nog nadere toelichting in bijzonderheden noodig heeft, !) en door bijzonderheden, die door het algemeene begrip opgehelderd worden. 3) Elke zaak, die in het algemeene begrepen was en uit dit algemeene is uitgetreden [afzonderlijk behandeld is] om ons iets nieuws te leeren, is niet alleen afzonderlijk behandeld, om ons [de nieuwe bepaling] voor die ééne zaak zelf te leeren, maar is afzonderlijk behandeld, om [ons die nieuwe bepaling] te leeren met betrekking tot het ge-heele algemeene begrip. Elke zaak, die in het algemeene begrepen was, en afzonderlijk behandeld is, om eene nieuwe, verlichtende bepaling vast te stellen, in een geval, waarin volgens de bepalingen bij het algemeene begrip eene zwaardere wet wordt toegepast, â is afzonderlijk behandeld, uitsluitend om die lichtere bepaling te geven, doch niet om de verzwaringen, die bij het algemeene begrip gelden, toe te passen. Elke zaak daarentegen, die in het algemeene begrepen was en afzonderlijk behandeld is, om nieuwe bepalingen te geven, voor gevallen, die bij het algemeene juist tegenovergestelden invloed hebben, is afzonderlijk behandeld, om de daarbij uitgesproken verlichtingen en verzwaringen aan te geven [zonder dat uit het algemeene iets op die afzonderlijk behandelde zaak mag worden evergebracht]. Eene zaak, die in het algemeene begrepen was en afzonderlijk behandeld is om volgens eene geheel nieuwe bepaling behandeld te worden [die bij het algemeene in het geheel niet voorkomt], heeft men niet het recht weder onder den algetneenen regel te brengen,
') In welk geval niet de regel msi SSs geldt.
') In welk geval het niet wordt beschouwd als SSsi bib.
13 OCHTEND-GEBED.
(Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God, en God onzer voorouders, dat de vervulling van dit gebod der schouwdraden beschouwd worde, alsof ik het vervuld had in al zijne bijzonderheden en nevenbepalingen en met de daaraan ten grondslag liggende gedachten, met de 613 geboden, die ermede in verband staan; amen!)
Van itoü ip: tol rinauro bSnn wordt staande gezegd, terwijl mm de heide voorste mi* in de rechterhand houdt. Zoodra men vquot;3 begonnen is, mag het gebed tot nd ïquot;c niet onderbroken worden; echter met deze uitzonderingen: op cnp te antwoorden met ,131 nou vrgt; ps; op 1312 met iïi qSïS yi3an _'n -jns, hij nimp de verzen rnp en 1123 quot;pquot;C mede te zeggen, zoolang men niet zelve bezig is rquot;ü te lezen-, is dit het geval, dan zwijge men, zoolang een dier formulieren rcordt uitgesproken, en luistere.
Bij het verrichten van het gebed met de gemeente, komt het in hoofdzaak er op aan, ïquot;ü tegelijk met de gemeente te lezen, zoo mogelijk ook üquot;p met zijne lofzeggingen. IVie dus te laat ter Synagoge komt, om alle Psalmen en bijbelplaatsen, die hier volgen, aan zijn gebed te doen voorafgaan, kan, indien er geheel geen tijd meer is, onmiddellijk nx -mi met de gemeente beginnen; heeft hij eenigszins tijd, zoo begint hij vquot;2, en zegt vervolgens iivx tot vervolgens mvi
en rare*. Heeft hij nog meer tijd, dan worden nog andere stukken bijgevoegd, zóó echter, dat hij us ixn met de gemeente kunne zeggen. Hetgeen hij het gebed niet gelezen is, behoort later bijgevoegd te worden, evemcel zonder cquot;3 en ruw.
Geloofd zij Hij, die zeide â en de wereld ontstond, geloofd zij Hij ; geloofd zij de Maker van het begin der wereld ; geloofd zij, die zegt en ook doet; geloofd zij, die besluit en volbrengt; geloofd zij Hij, die zich ontfermt over de aarde; geloofd zij Hij, die zich ontfermt over de schepselen; geloofd zij Hij, die degenen die Hem vreezen, met goeds beloont; geloofd zij Hij, die eeuwig leeft en door alle tijden bestaan blijft; geloofd zij Hij, die bevrijdt en redt; geloofd zij Zijn naam ! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der Wereld, Almachtige, Albarmhartig Vader ! Wiens daden geprezen worden door den mond van Uw volk, die geloofd en geroemd wordt door de tong Uwer vromen en Uwer dienaren. â⢠Met de liederen van Uwen dienaar David willen ook wij Uwe daden prijzen, Eeuwige, onze God, met lofprijzingen en gezangen Uw grootheid verkondigen, U loven en roemen. Uwen naam in herinnering brengen en U als Koning doen erkennen, onze Koning, onze God, Eenige, Eeuwiglevende, Koning, Wiens groote naam geloofd en geroemd worde tot in eeuwigheid. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Koning, Wiens daden in lofprijzingen worden geprezen!
Na de schouwdraden gekust te hébben, laat men ze los.
!) Dankt den Eeuwige, roept Zijnen naam aan, maakt Zijne daden bekend onder de volkeren! Zingt te zijner eere, verheft uwen zang tot Zijnen lof, bespreekt al Zijne wonderdaden! Zoekt uwen roem in Zijnen heiligen naam; dat zich verheuge het hart van hen, die den Eeuwige zoeken. Verlangt naar den Eeuwige en Zijne macht, zoekt steeds Zijn aangezicht! Gedenkt Zijne wonderdaden, die Hij gedaan heeft, Zijne teekenen eu de rechtsuitspraken van Zijnen mond! Gij kroost van Israël,
mnp nbön y
ibxa it nrv fi3?o -irrila?? â¢fiSjq irnS^ «1^3Vo pn tp
j jon * na a^Si^n n^p mm n^nijoi ira^-Sa? p^eep
mrar.nn ^ nONC quot;Pquot;D nim 'piCB tjioa iiasn NSSI newn n^a1? Na» IQ
D'Dtrn p 'n m iSSn y⢠n^SSn aSiy n^i ^ nnS nSnn p â¢to nnira 3quot;^ n^SSn to inps Sn* iSSn n^SSn â anp ay to mmNIHITOJVTI aim xm to -nS mn ^ r*⢠^ : nan^'1 'ICNC quot;1113 Pquot;1 ^ ^ rN DS1 bi- ^hsnrh iltyjf Q-np»
N-ip'i iijc quot;isv «ia ''w ^ w ^â 'nnn ns oni nancM docj -inb nSnn
quot;issi flip» ruw insi ;naïn or niïï'J/ nJIOC mnisi: oï yoC WTp
jianü' xS idnc quot;jiia las'quot; -nanc1 to 'idi 'rh mn
.nrnva wc^i -jüxtt» -|T)3 nvtts nrra mii'n 1T3 TOSSD n^sn w ms1
rivty ^13 * Kin ^quot;13 * DViyn n;ni nasj-f Tjna
⢠D*]5pi quot;iTii Tjiis ⢠n^i^i. quot;iqik Tjina * n^Nin Tjina ⢠mnan-b^ aniü ⢠ptfrrbj; DHIÃ
* niS a4pi -i^S â¦n nna * v^n»1? nm natr abt^D
-IV T Tl-: - T - ) T T quot; ⢠TT quot; - :
TjVa la^K « nnK rp-D ⢠fop ^12 * Vïqi nnifi ^quot;is -iKa^i is^ ^3 bbnon pmn n^n Vxn ⢠nbi^n
T t â¢-. ; * : T â¢-. : - 1 T -; -T T T â¢â¢ T T ^ T
irnbK â¦; ^bbn: Tin * vnn^i VTpn tpv i^ni ni^ppi nma^a
quot;INÃQI na^o nbo * o^o^i^n ^n i^n* irnbx uabo nD,i?Q:,i
t : t â¢.. : (v iv 'TT â¢â¢ * t Iquot; v: iquot; ; - P : ⢠; - :
: nina^rö bbnp v. nns4 * bnan iob' nj?quot;^
,iTtt Drrti^ pu;^
V'i 'j* nquot;n
iS 11^ : vrhty D^ajrs i^nm ia^n wip? «S ^n
aiys ibbnnn : vnNbarbDi lynpT nar : Tpn v:a ^[53 « ^n-i : ^ ^|53p 31? nü^, Snii^ yn : vnsb nirv ntrsj vnK^öi
,. t ; ⢠^ -iv r â¢â¢ ; ; * t ; t *gt; v -: t ; : â¢
') I Kron. 16,8â37. Deze verzen werden gedeeltelijk 's morgens, anderdeels des middags bij het brengen van het dagelijksch'e offer uitgesproken.
OCHTEND-GEBED.
14
Zijnen dienaar, zonen van Jakob, die Zijne uitverkorenen zijt, â Hij is de Eeuwige, onze God, over de gansche aarde reiken Zijne rechtsuitspraken! Gedenkt dus tot in eeuwigheid Zijn verbond, het woord, dat Hij geboden heeft, tot in duizenden geslachten; [het verbond] dat Hij gesloten heeft met Abraham, en [gedenkt] Zijnen eed aan Izak; Hij stelde het voor Jakob tot een vaste bepaling, voor Israël tot een eeuwig verbond, zeggende: u zal Ik geven hef land Kena'an, het u toegewezen erfdeel. â Toen gij nog weinig in getal waart, gering â en er als vreemdelingen u ophieldt, en zij zwierven van volk tot volk, van het eene koninkrijk naar eene andere natie, liet Hij niemand toe hen te verdrukken, en bestrafte om hunnentwille koningen: âRaakt niet aan Mijne gezalfden en Mijnen profeten doet niets kwaads!quot; â Zingt ter eere des Eeuwigen, aardbewoners allen! verkondigt van dag tot dag Zijne hulp! Verhaalt onder de volkeren Zijne heerlijkheid, onder alle natiën Zijne wonderdaden. Want groot is de Eeuwige en Zijne daden hoog geprezen, Hij is eerbiedwekkend meer dan alle goden! Want alle goden der natiën zijn afgoden, de Eeuwige echter â Hij heeft den hemel gemaakt; majesteit en glans is vóór Hem, macht en blijdschap op Zijne plaats! Geeft den Eeuwige, gij geslachten der natiën, geeft den Eeuwige heerlijkheid en macht! Geeft den Eeuwige de heerlijkheid van Zijnen naam, draagt geschenken en komt vóór Zijn aangezicht, werpt u neder voor den Eeuwige in heilig pronkgewaad! Beeft voor Hem, gij aardbewoners allen! dan staat vast de wereld, zij wankelt niet! De hemel verheugt zich en de aarde jubelt, als men zeggen zal onder de volkeren: âde Eeuwige regeertquot;. Dan bruischt de zee en wat haar vult, luide jubelt het veld en al wat erop is. Dan juichen al de boomen des wouds voor den Eeuwige, â want Hij komt om over de aarde recht te spreken! Dankt den Eeuwige, want Hij is goed; waut tot in eeuwigheid duurt Zijne genade! En zegt: help ons. God van ons heil, en verzamel ons en red ons van de volkeren, opdat wij danken Uwen heiligen naam, opdat wij ons roemen in het prijzen van Uwe daden. Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid!1) â en het gansche volk zeide: //amenquot; en prees des Eeuwigen daden.
Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijn voetbank, heilig is Hij! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijnen heiligen berg, want heilig is de Eeuwige, onze God. Doch Hij, Albarmhartig, vergeeft misdaad en vernietigt niet; reeds veelmalen wendde Hij Zijnen toorn af, en wekt nimmer Zijne geheele gramschap. Gij, o Eeuwige! onthoud
') In deze woorden vinden de geleerden eene toespeling op de toekom-
rvTO n^an y
: VÃÃ^à wrbx « Kin : vvna ^3 mjr
â nK nis : in mï lyi inna abi^b hdt
- t v -: | v iv; t ⢠tt ⢠: t ^ : : *
Pn^ TO-'1? OT^-1- â¢' arn^K
: aanVnj Snn f^rpx fnx n'ONib : abiy nna -VK 'lap i^nni. : na anji napo ^na DDnivn wtlt;b n^i-T«V : quot;ihk nabpapi 'ia
bts ^raini »11^03 ijran-1?^ : d^Và an^; n?in : iniritj'' DVVNÃ-DI'D fiKrrba ^1? : i^in
'r : v ⢠: quot; , I vit t tt- r ^ iquot; t
quot; bna '3 : vn^baj a^s^n-^s iH33-nN nao
t; t * t X : * f quot; T T : : V * quot; : quot;
â¦n^K-bs *3 : QT^K-^-by Kin INà ^nai
â¢â¢ v: t * * vx t t : : t â¢â¢. ;
nmm tgt; v:^1? mni nm : n^ quot;) D^n
t ; v ; t t : t t : t 't ⢠r t t - â¢â¢â¢.â¢; ⢠^- t
i3n : t^i H33 quot;b i3n a\^ ninat^D i3n : iüpö3
t t t t - # t : : ⢠t - t ' ' f '
«S linnen VJÃ^ iK3i nnao ixtJ' loir H33 MS
t- -:-:⢠tt: i t : * : : ; t -
: üisn-^3 |i3n-«]« p.Kn-ba v:abp i^n : ^l'^mnns Din» : -iba « DMÃ3 pt^n bini o^orn ino't^
^- ; ⢠| t t *: * - : . ; | v it t â¢â¢ t : ⢠r t - : : â¢
v:y tk : 13 n^K-S3i nnf n pVjr inVüi D^n 3113 »3 quot;V min : rixn-nK «3^3 quot; ^a^o nr^n
tquot; 1 vit t v ; ⢠t â¢â¼:â¢â¢:⢠⢠it -
wïspi i^'E'in npKi : iipn aSiyb »3
: ^nbnns nan^n^ ninnb D^ian-jp uVvDl
-S3 iiaN»i oV^n-n^i nbi^rrfü VN-IK^ « ^ns Dinb nnn^ni irnbx « 1001-1 : ^ Sbni |pN D^n i^np mb nnntfni irnbK « ioün : Kin t^np
:It -.: i- v: â¼: -: It t : -
n^n^t ah] pj; ^ap^ Dim. Kim : irnbx « ^npT »3 -ah quot; nnN : inon-S3 yy ah) iaK s^nb n3ini
t; t- t -: t t ; - t: t;*:
stige wereld; dit formulier zou nl. juist zijn ingesteld met het oog op hen, die het leven hiernamaals ontkenden.
OCHTEND-GEBED.
mij Uwe barmhartigheid niet; Uwe genade en Uwe trouw mogen mij steeds besehermen! Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige! en Uwe genadebewijzen; want sinds alle eeuwigheid zijn zij! Kent God macht toe, Wiens hoogheid over Israël is, gelijk Zijne macht in de wolken. Eerbiedwekkend is God, meer dan uwe heiligdommen! de God van Israël, Hij is het, die macht en sterkte geeft aan het volk; geloofd zij God! God der vergelding. Eeuwige, God der vergelding! treed stralend te voorschijn! Verhef U, Gij Rechter der aarde, geef vergelding hunner daden den hoogmoe-digen! Doch bij den Eeuwige is de hulp, over Uw volk is Uw zegen, Séla! De Eeuwige Tsebaoth is met ons, de God van Jakob is ons tot vesting, Séla. Eeuwige Tsebaoth, heil den mensch, die op U vertrouwt! Eeuwige! help toch, moge de Koning ons verhooren op den dag, dat wij Hem aanroepen! Help toch Uw volk en zegen Uw erfdeel, weid hen en verhef hen tot in eeuwigheid. Onze ziel verbeidt den Eeuwige, Hij is onze steun, ons schild; want in Hem verblijdt zich ons hart, want op Zijnen heiligen naam vertrouwen wij. Zoo moge dan Uwe genade over ons zijn, o Eeuwige! gelijk wij op U hopen! Toon ons, o Eeuwige, Uwe genade, en verleen ons Ãw heil! Sta op tot onzen bijstand en bevrijd ons ter wille van Uwe genade! Ik ben de Eeuwige, uw God, die U heb opgevoerd uit het land Egypte; open wijd uwen mond, en Ik zal hem vullen! Heil het volk, dat iets zoo-danigs bezit! Heil het volk, wiens God de Eeuwige is! En ik, ik vertrouw op Uwe genade, mijn hart juicht in Uwe hulpe; ik wil zingen den Eeuwige, want Hij heeft mij welgedaan!
Psalm 19. Voor den zangmeester : een psalm van David. De hemelen verhalen de heerlijkheid Gods, en: «WerkZijner handenquot; deelt het uitspansel mede. De eene dag doet den andere toevloeien het woord, en de eene nacht verkondigt den andere kennis. Niet uitspraak is het, niet woorden, wier stemme niet wordt gehoord, â maar over gansch de aarde strekt zich hun meetsnoer, en tot het einde der wereld hunne uitspraken; voor de zon plaatste Hij een tent in hen. En deze, gelijk een bruidegom uit zijn bruidsvertrek te voorschijn treedt, verheugt zich als een held om de baan te doorloopen. Van het einde der hemelen is zijn uitgangspunt en zijn omloop over hunne grenzen, en niets kan zich verbergen voor zijnen gloed! â De leer des Eeuwigen is volmaakt, zij verkwikt de ziel; het getuigenis des Eeuwigen betrouwbaar, het maakt den onnoo-zele verstandig; de bevelen des Eeuwigen zijn rechtvaardig, zij verheugen het hart; het gebod des Eeuwigen is zuiver, het verlicht de oogen. De vreeze des Eeuwigenis rein, zij bestaat eeuwig; de rechtsuitspraken des Eeuwigen zijn waar, rechtvaardig allen te samen. Zij zijn meer begeerenswaardig, dan goud en fijn goud in menigte; en zoeter dan honig en uitvloeiend zeem. Ook Uw dienaar wordt door hen gewaarschuwd ; bij hunne inachtneming [vindt men] groote belooning.
15
rvw nbön ita
^npNi. ^Dn ^sp «ban n'rib^b iy i:n : nan nbi^ü »5 ^noni « «in VN ïj^^öp xni:: D^n^a IT^I ïnm SK « nio^ quot;?*lt; : D^n'^Nt Tjns D^b nioï^rn fn: : D^rVjr bioa ipn p«n uö'^ mo^i
-n^p i:sy ni«3v quot; ⢠n^D ^nD-in ^sjr^? quot;b quot; : TTS nL23 onx n^K niKni*« : nbo 'ri^N quot;n1?
| t - ,.. t t ... - t ; â¼; t iv I ^-:- â¢â¢ v: it
Tpïi ^a^-ns4 njr^in : mipT DI^ ^sn n^^in inT# ^ nnan : obi^n-i^ n^ni ^nbnrnN -â¦n» : unüa itrip Di^n »3 uab ir^ : «in uaioi
⢠: : it t :l t â¢â¢ ; ⢠iquot; * - : ⢠* iquot;* t
^pn 7 i2s;in : ^ n^xp 1:7^ v: ^ppn t! 'P^ ⢠^pn l^p1? inai 12b nnnrj? naip : ^S-|nn ntyx' : in«gt;öNi fS-nrnn onvp pNö ^J?pn
^pnp 'JKi : vri^K \w D^n nt^K ib D^n : Vp: â¦p quot;b nTK'K â¦p1? br
n'^ai bK-ninp anspa D'a^n : nr6 iiara n^aquot;? ^ nb^i nax ai^ DI» : Taa VT ^aïr; ,l7p nnnn ^ax |»k : n^rnin» nV^S B^a^b on^a ban nspai mp kï» pxn-baa : abip
v iv - ...... .... â¢â¢ i; ⢠tl- tt i vit t t ; t i
113J3 'w'w inöna kï» rnna sjim : ona bnK tiw
⢠: ⢠t t \ quot; â¢â¢ I t t : : v t v i t
Dniïp-b^ insipni wïia D^a^n nvpa : pnS nntr k'öj na^a na^an M mm : mana inDJ tki
^i. vit - r ; t ⢠: *: - t - â¢â¢ t : ⢠I â¢â¢ :
niïp ab ^na'^a on^ « nipp : ^ns na^na niaw ^ ^â â¦â¡SK'a n^b nna'v nTinp â¦; hkt : nn^a n*i3 « trma n^pmai ai Taai an-ta onansn : nrr iply nax
. ; . 1. . t - ⢠tt* ⢠t v; v - t: - I : t v v:
: ni ap^, aia^p ona nnr: ^11% oa : craw naai
OCHTEND-GEBED.
Dwalingen â wie bemerkt ze?! houd Gij mij rein van verborgen zonden! Ook van moed willigen houd Uwen dienaar terug, dat zij mij niet beheerschen; dan zal ik schuldeloos zijn en rein van zwaar vergrijp. Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser!
Psalm 34. Van David, toen hij zijn verstand verloochende vóór Abimélech, waarop deze hem verdreef en hij wegging *): Ik wil den Eeuwige loven ten allen tijde; steeds zij Zijn lof in mijnen mond. Mijne ziel beroeme zich op den Eeuwige; dat bedrukten het hooren en zich verheugen. Verkondigt des Eeuwigen grootheid met mij; laat ons te samen verheffen Zijn naam! Den Eeuwige zocht ik en Hij antwoordde mij, en uit al wat mij verschrikte, redde Hij mij! Die tot hem opzien, ontvangen licht en hun aangezicht wordt niet donker van schaamte. Deze ongelukkige riep, en de Eeuwige verhoorde, en hielp hem uit al zijnen nood. De engel des Eeuwigen legert zich rondom hen, die Hem vreezen, â en maakt hen vrij 1 Ondervindt en ziet, dat de Eeuwige goed is; heil den man, die bij Hem bescherming zoekt! Vreest dus den Eeuwige, gij Zijne heiligen; want geen gebrek lijden zij, die Hem vreezen! Jonge leeuwen lijden gebrek en honger, maar zij, die den Eeuwige zoeken, ontberen niets goeds! Komt, kinderen, luistert naar mij, de vreeze des Eeuwigen wil ik u leeren; Wie is de man, die leven wenscht, die vele dagen begeert om goeds te zien ? Bewaar uwe tong voor kwaad en uwe lippen voor het spreken van bedrog; houd u verwijderd van het kwade, en doe het goede; zoek vrede en jaag hem na! Des Eeuwigen oogen zijn gericht op rechtvaardigen, Zijne ooren wenden zich tot hun schreien; het aangezicht 2) des Eeuwigen richt zich tegen de boosdoeners, om hun aandenken van de aarde uit te roeien. Doch als zij schreiden, dan hoorde de Eeuwige, en redde hen uit al hunnen nood. Want de Eeuwige is nabij de gebrokenen van hart, en helpt de terneergeslagenen van geest. Wel zijn veel de rampen des rechtvaardigen, maar uit allen redt hem de Eeuwige; beschermend al zijne beenderen, zoodat niet één van hen gebroken wordt. Den booswicht daarentegen doodt het ongeluk, en die den rechtvaardige haten, boeten hun schuld. Doch de Eeuwige bevrijdt de ziel Zijner dienaren, en die bij Hem bescherming zoeken, boeten hun schuld niet!
Psalm 90. Gebed van Mozes, den man Gods: o Heer, een toevlucht waart Gij voor ons in alle vroegere geslachten. Voordat bergen voortgebracht waren en Gij aarde en wereld deedt baren, en van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God! Gij voert den sterveling tot verbrijzeling, maar spreekt: Keert terug, gij menschenkinderen! Want duizend jaren zijn in Uwe oogen als de dag van gisteren, als
') Vgl. I Sam. 21,14, 3J De toorn.
C
16
nmp nVan tra
Tjirn unp D5 : ^[53 nnripaü p^-^ü â noK fiïn1? vn^ : an 'n^ai on^K m : nis « ïj^aS 'ab fi^ni ^
⢠^.l quot;iö^ü-nK iniaK'a nnb nS
«3 : ^3 mbnn -i^on quot;TIN nrnsK
t - ⢠; t * : ⢠t t : *; v t -: t -:
nööinji «b ibna : inofcn ^a: Vbnnn
lü^n : â¦nnuö^öi quot;TIN T^nt; iin» iDty
r ⢠-it ⢠⢠- ; t ⢠â¢it't : *: v ⢠; i- t t : - :
quot;boDi ^OE' Kquot;)p ^ nr : iisn^^K DH^ÃI iinjt VVK
t ⢠â¢** t t- tIt ^t V it ; v - V â¢â¢ : it t : t â¢â¢
: DtfJiTi VNquot;)»1? yiQ »; nj'n : i^^in vnnï VBh[3 ^riK IKT: : irnDn^ i^sn ^ aiü-^ IKTI -ah \\ 1^-11 wi Dn^a : VNTb niona p^i ^ â â¦Ã : oansbN « ntn» V^OK' Deris'? : am-bs non»
V ; V - -; â¼: ⢠t ; t : : -
^1^7 lx: : alia niNib DW 2n« D«n ffinn ^â¦ttn ^[53 niü-n'TO ^na nio : nono quot;isna ^nat^i : Dn^^-^Nï vimi D^pnrbx quot; : inami DIVV
t t: ~ V t : t : r â¢- v *: â¢â¢ iquot; : t : t
J^öb' n ip^ï : an3T psip nnnnb »⦠':a
â â¦xarnKi 3L7-n32':1? « 3np : nb^n onnr^ai
.. ; - v . ........ t; it t ⢠* t t t â¢
ipir : ^ «S'V! obspi pnï ni^iT ni3i : nn n^n yvi nmon : n^m xb nsn» nnw vnoxr-ba
jt t ^t t â¢â¢ ; tit ; ⢠...........- - t : quot; t
â Sa wm* vquot;t3V VM quot; nia : lüi^r pnï wïw
t ; ; v ; t t ^-; v iv t; v it ; v i ⢠- â¢â¢; ;
: 13 Dpnn
i:b n^n nm ?i^ü ^ia D^rt^n-^^ nban s
it t 1* t t ~ i t t -I ⢠v; t v : t ⢠:
Vani pK Vbinni onn dquot;iü3 ; â¢in in3
..... | V|V .. . - IT.% ⢠t viv ; T ;
iDKni xari^ iri:N atyn : Vx-nnN obi^pi
'a Siöm dvs ?|^3 »3 ; )iw
OCHTEND-GEBED.
hij voorbij is; als ééne wake in den nacht! !) Gij doet henweg-stroomen, als een slaap zijn zij; doch des morgens vernieuwt het als gras zijn levenskracht; des morgens bloeiend en vernieuwd van kracht, snijdt men het tegen den avond af, zoodat het verdroogt. Want wij gingen te gronde door Uwen toorn, en door Uwe gramschap zijn wij verschrikt. Gij steldet onze misdaden tegenover U, ons geheimste denken in het licht van Uw aanschijn. Want al onze dagen zijn heengegaan in Uw toornig woeden; wij eindigden onze jaren als een enkelen galm! De dagen onzer jaren â hun aantal is zeventig jaren en, als zij machtig veel zijn, dan tachtig jaren; â en hun trots is zorg en nietigheid; want spoedig is het afgesneden, en wij vliegen henen! Wie kent de macht van Uwen toorn! Ja, gelijk de vreeze voor U is Uw toornig woeden! Leer ons dan zóó onze dagen tellen, dat wij een hart vol wijsheid verwerven. Keer terug, o Eeuwige, â tot hoelang nog! â en verander van besluit over Uwe dienaren! Verzadig ons in den morgen met Uwe genade, opdat wij jubelen en ons verheugen gedurende al onze dagen! Verblijd ons gelijk de dagen, toen Gij ons vernederd hebt; de jaren, dat wij onheil zagen. Moge Uw werk zichtbaar worden voor Uwe dienaren, en Uwe heerlijkheid voor hunne kinderen. Moge de liefelijkheid van den Heer, onzen God, rusten op ons; en het werk onzer handen bevorder voor ons, ja, bevorder het werk onzer handen!
Psalm 91. Wie zit onder de bescherming des Allerhoogsten, verblijft in de schaduw des Almachtigen. â Ik zeg met betrekking tot den Eeuwige : mijn toevlucht en burcht, mijn God, op Wien ik vertrouw, â Dat Hij U zal redden van des vogelaars strik, van vernietigings-pest. Met Zijn vlerken bedekt Hij u en onder Zijne vleugelen vindt gij bescherming; schild en pantser is Zijne waarheid. Gij hebt niet te vreezen den schrik van den nacht, den pijl, die bij dag vliegt; de pest, die rondwaart in het duister; de besmetting, die des middags woedt. Al vallen duizend aan Uwe linkerzij de en tienduizend aan Uwe rechterhand, U zal het niet naderen. Slechts met uwe oogen zult gij aanschouwen, zult zien de vergelding der booswichten. â Want gij hebt den Eeuwige, mijnen Beschermer, den Allerhoogste, tot uw toevlucht gemaakt! Daarom zal geen onheil u beschoren zijn, geene plaag naderen tot uw tent. Want Zijne engelen zal Hij omtrent u gebieden, u te behoeden op al uwe wegen. Zij zullen u dragen op de handen, opdat gij uw voet niet stoot aan een steen. Op luipaard en adder zult gij dan treden, zult vertrappen jonge leeuw en slang. «Want in Mij schept hij behagen, daarom red Ik hem; Ik verhef hem hoog, want hij kent Mijnen naam. Als hij Mij aanroept, dan antwoord Ik hem; met hem ben Ik in nood; Ik bevrijd hem en maak hem geëerd; Ik verzadig hem met lengte van dagen, en doe hem Mijne hulp aanschouwen.quot;
17
rvw rhzn t»
quot;i^na ipaa vrr QnöiT : niiD^Ki ïiy
â¢tv iv i - ; ⢠t â¢â¢ t ; -: t ;it - t ; - :
Ã]ÃN2 : vyï VVIJS; ejVni yw 1^33 : tpw : ïj^ö niKü'1? UDV# ïj'ia:'? wnty nv : u^rp: ^nünni' I3»ni3^ w : ran-iüD 1:^3 120 ^
,*. ; .. . viv : |quot;t r ⢠1 IV t ',v : t iquot;t t
Dami D^IOB' r-hirm DNI n:^ ona
t : t : tt : ; ⢠⢠; t t ^ ; ⢠v t
^jnNTDi ^ÃK iy ynyv : nö^i. Bgt;»n n »3 pKi SÃJJ nnity : nö3n 331? «2:1 ^nin |3 wv nupb : mj-m ^pn quot;1^33 nnsni 7
1:^1 ni:^ niD^3 unDiy : Wû-S33 nno'^ii
i* t : it * * iquot; ; - iquot;t t ; t ; : ⢠:
â¦n^. : an^r^ ^inni â¢' ^
nfryüi n::i3 wy n'^oi 1:»^ â¦hk op
,. ij - iquot; ^t t -: iquot;t â¢â¢ ^-: quot; iquot; *t iquot; v: t -: i
: 1^313
,..-j ,..T
wiïüi ^pnD «quot;? nax : jjiVn» namp; bxz jity nnos 3^» NS : min quot;)3np nöp «in »3 : i3-nü3N â¦nl?x : inüK mnbi nsï nonn V3i3 nnni tiS ,^1D, im3M3
⢠-: tquot; ; t ⢠v : v tt ; - r : | t |vit t : v ;
TjVn» Vö^s 1310 : DDI* rno nVS inöD *n*rri6
i -;- vit v iv ⢠t i t i *' quot; t :it - i- ⢠t â¢
N1? Tbx 13311 tlbK 11Ãà ^2' .* Dniï IW' 3L2pD
i iv â¢â¢ | iv ⢠⢠tt : |viv i :⢠⢠⢠⢠itt; t t v|iv
»⦠nriK-»3 : nxin D^Bh na^i ü»3n ^r^3 pi ; 'ttb yw n^i niKn-N1? : ïjii^D np'^ ji^jr ^pnp : ^311-^33 ^IQB'1? ^quot;ivr VSKVÃ-'S : ^jVriKS sip» Tjlin |nfiiT : ^ai J3K3 c]3n-ja D^S-1?^
mnwN inubSN) p^n »3 »3 : pani 1^3 bDin : 11133«') inxVnN niï3 '3:K lajr imyw â¦jwip» :
lquot;; - -i - iquot; ; quot; -: tt : * t r*^/; v : ⢠iquot; t|; ⢠⢠;
'«! TN ; »n^l^»3 IIKIKI in^3^K 0*0* ^IX
1
De naclit wordt, èn met het oog op den zang der engelen èn met betrekking tot den tempeldienst, gewoonlijk in drie nachtwaken, ieder van 4 uur, verdeeld (vgl. Berachoth 3a).
OCHTEND-GEBED.
Psalm 135. Halleloe-Jah! Looft den naam des Eeuwigen, looft, gij dienaren des Eeuwigen, die staat in het huis des Eeuwigen, in de voorhoven van het huis van onzen God! Looft God, want goed is de Eeuwige, bezingt Zijnen naam, want dit is liefelijk! Want Jakob heeft God zich uitverkoren, Israël tot Zijn eigendom! Want ik weet nu, dat groot is de Eeuwige, onze Heer, meer dan andere goden! Al wat de Eeuwige begeert, doet Hij in den hemel en op aarde, in de zeeën en alle diepe wateren. Hij doet wolken opstijgen van het einde der aarde. Hij vormt bliksemflitsen bij den regen, laat de wind los uit Zijne schatkamers. â Hij, die sloeg de eerstgeborenen van Egypte, van mensch tot vee; Hij zond teekenen en wonderen in uw midden, o Egypte, op Phar'o en al zijne dienaren; â Hij, die vele volkeren sloeg, en machtige koningen ombracht, Siechon namelijk, den koning van den Emoriet, en 'Og, den koning van Bashan, en alle koninkrijken van Ke-na'an. En hun land gaf Hij tot erfdeel, tot erfdeel aan Zijn volk Israël! Eeuwige, Uw naam duurt immer. Eeuwige, Uw aandenken door alle geslachten! Want de Eeuwige zal eens Zijn volk recht verschaffen en van besluit veranderen over Zijne dienaren! De afgoden der natiën zijn zilver en goud, werk van menschenhanden. Een mond hebben zij, â doch spreken niet; oogen hebben zij, â doch zien niet; ooren hebben zij, â maar zij hooren niet; ook adem is niet in hun mond. Mogen hun gelijk worden zij, die hen maken, allen, die op hen vertrouwen! Gij echter, huis Israëls, looft den Eeuwige; gij, huis Aharons, looft den Eeuwige! Huis van Levie, looft den Eeuwige; gij, die den Eeuwige vreest, looft den Eeuwige: «Geloofd zij de Eeuwige van uit Tsion, Hij, die woont in Jerusalem !quot; Halleloe-Jah !
Psalm 136. Dankt den Eeuwige, want Hij is goed,
want eeuwig duurt Zijne genade. Dankt den God der goden, w. e. d. Z. g.
Dankt den Heer der heeren, w. e. d. Z. g.
[Dankt] Hem, die alleen groote wonderdaden verricht,
w. e. d, Z. g.
Hem, die met doorzicht den hemel gemaakt heeft, w. e. d. Z. g. Hem, die de aarde heeft uitgespannen over het water ; w. e. d. Z. g. Hem, die groote lichten heeft gemaakt, w. e. d. Z. g.
De zon tot beheersching van den dag, w. e. d. Z. g.
De maan en de sterren om te zamen te heerschen
des nachts; vv. e. d. Z. g.
Hem, die Egypte sloeg in hunne eerstgeborenen, w. e. d Z. g.
18
mnip nSfin
n^a : \\ nzy ibVn â¦â¦ Qp-m )bbr\ i nSp
quot; niü-^ rv-^Vn : lyribsj n^ nnvna V.
: inbip1? bjnfcquot; n» quot;h ina »3 IÃK'1? nar
ram^N bb : D^nb^-^ü â¦nvn» ^
i â¢â¢ t v -: ⢠v: t ⢠iquot; -; - â¼: t ⢠⢠rr ⢠-:
D^trj nbj^D : monn-bsi D»Ã»3 pKm rwy «
. . . v ^-: - : t : * - - i vit t ⢠i- t - t t â¼:
: vnnxiND nn Kïio pxn nïpo
t : â¢â¢ - i quot;i t r rr- It: i vit t â¢â¢ I: â¢
D^nabi nniK rbv : nönmy dind on^D niaa nansy
⢠: - t t â¢â¢ ; quot; ttquot; ⢠it : ⢠â¢â¢ ; t ⢠v
D^n Q^ia nantr : n^nsa onvo ^Dina
. - ⢠t ⢠v t t ; t : ^ : - : ⢠it ; * ⢠iquot; :
f^an Tjbo noKn Tj^D p'n^D1? : D'oiy^ D^à inni : id^ ^ n^n; nbn; DÃ-IN fnri : niD^öp V^,?,)
1a^ quot; TT^ â¢' V. V.
Kbi DnVns : DIN »T n^a ann ÃIDS on'in ; Dnjn^
: v t v tt â¢â¢; .. «. - TT ; )... iv ⢠- T.. . .
â pK fiK unx» on1? D^rK : iki» nVi Dnb D^p nsT
i â¢â¢ | - r-:- : v t -r: t ;⢠: v t -r iquot; -:
n»3 : Dna ntarntfK ^D DH^ vn» DHIQD ; Dn^a nir^ â nx : «TIK IDID prw quot;TIN iDna bNTi^
-; t ⢠â¢â¢ - â¢â¢ t; v -: t i -: - â¢â¢ â¼: v -: t â¢â¢ t ; â¢
nnVVn D^t^n» pi^ ri»ïü « â¢nns : «TN ims M «
t - -it t ; i â¢â¢ i ⢠⢠â¼: 1 t â¼: v -:t *: â¢â¢ ;⢠t;
D1L2 *3 quot;b llin l^p
t- '
DflbNn ^ribN1? nin
v: t
d^inh ^in1? nin niVii niNba; njiDna D^DBTI n'^S
t : ⢠⢠i- t - â¢â¢ ^ :
D^an-^ pNn ^p.n1? D»V-ia DniN rivy) Di'2 nWaab B^D^TN nb^a dodidi m»n-nN
t :it - : : v : ⢠t : - i-t- . v
DnniDna onsD HDDS
|
npn |
'3 | |
|
npn |
D^ | |
|
npn | ||
|
npn | ||
|
iipn |
D^r1? |
'3 |
|
npn |
D^l^ |
*3 |
|
npn |
D^I^ |
'3 |
|
npn |
Dty) |
*3 |
|
npn |
*3 | |
|
npn |
'3 |
|
19 OCHTEND.GEBED. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Psalm 33. Jubelt, rechtvaardigen, in den Eeuwige; den oprechten betaamt lofzang! Dankt den Eeuwige met de harp, bespeelt den tiensnarigen luit Hem ter eere ! Zingt voor Hem een nieuw lied, â speelt goed met jubelschallen. Want oprecht is des Eeuwigen woord, en al Zijn handelen met trouw ! Hij bemint rechtvaardigheid en recht, â doch de aarde is vol van de genade des Eeuwigen. Door het woord des Eeuwigen werden de hémelen geschapen, en door den adem van Zijnen mond al hun scharen. Hij verzamelt als tot een stapel de wateren der zee, legt woelende wateren als in voorraadkamers. Daarom vreeze den Eeuwige de geheele aarde, voor Hem verschrikken alle bewoners der wereld; want Hij sprak, â en het was; Hij gebood, â en het bestond! De Eeuwige vernietigt den raadslag van natiën, verijdelt de plannen van volkeren, doch het raadsbesluit des Eeuwigen bestaat voor eeuwig, de plannen Zijns harten voor alle geslachten. Heil de natie, wier God de Eeuwige is; het volk, dat Hij zich tot erfdeel heeft uitverkoren ! Uit den hemel ziet de Eeuwige neder, aanschouwt alle kinderen des mensehen. Van de plaats van Zijn wonen
nnnt^ nbön w
oainü Vttnir» Kïi'i
t â¢â¢ t: * â¢â¢ -
rntM ^nni npm TS DnnV t])D-ü\ nnV inina Tpjrn t]iDquot;D!p iVni. n^iö lyi] nana? ID^ ^biob D^pbp n3üb onnK D^p^p iinn n'QKn Tj^p pn^p1?
I^an T|bo nbm1? dïin |n^ n^ n^na ^y-iDT
it -t iquot; : ⢠; v
,..t ⢠hquot;: ; â¢-
quot;ivyhiï Dn1? ïha
tt t : v iv i â¢â¢
cra^n Vn1? nin
quot;lisDa quot;b nin : nbnn nisa nnty^ M3 D^pnï amp;
⢠: tquot; t * : tt ⢠t : - t - tquot; quot;:
|5; irnn i1? n^ : iVnaT quot;ii^ 7333 npnx 3nK : r\mnz nsyya-^i quot;quot;üi - n^nns
it t; ** t v: v i- -: - t : *: - ; t t t
nnpi D*p^ nsns : pKn nxba \] npn I33f pi : niainn nnïiKS |ni D»n â¦a nas 0:3 : DK3rb3 vs quot;iaK Kin *3 : bsn nir isaa purrbs Ma
- t ......: t it iv * 1 vit t ttquot;
ms^na s^^n nv^ n^n ^ : na^i niï «in 'rri : -ini nib 131? ni3^np na^n \] nv^: â¢' d*P^
: iST n^ruS nns D^n vri^K \\ââ¦lan inp^-jisap : Dn«n ^rSrns4 nKn \\ t^sn D^a^p
npn npn iipn npn
npn D'piv'p non Dbi^p non
npn d^v1?
npn
iipn
npn
npn
npn d^1? npn dVi^ npn d^1? npn Dblj?1?
OCHTEND-GEBED.
richt Hij Zijnen blik op alle bewoners der aarde. Hij, die aller harten vormt. Hij let op al hunne handelingen. De koning wordt niet geholpen door groote legermacht, de held niet gered door groote kracht; bedriegelijk is het paard als hulpmiddel, en met al zijn sterkte doet het niet ontkomen ! Zie, het oog des Eeuwigen is gericht op hen, die Hem vreezen ; op hen, die Zijne genade verbeiden ; â om hun ziel te redden van den dood, en hen in het leven te behouden bij den hongersnood. Onze ziel wacht op den Eeuwige; Hij is onze hulp en ons schild. Want in Hem verheugt zich ons hart, want op Zijn heiligen naam vertrouwen wij. Zoo zij dan Uwe genade, o Eeuwige, over ons, â gelijk wij U verbeiden !
Psalm 92. Zang-psalm voor den Shabbathdag : Het is goed den Eeuwige te danken en ter eere van Uwen naam, o Allerhoogste, de snaren te doen klinken, â te verkondigen des morgens Uwe genade en Uwe trouw in de nachten â op tiensnaar en op luit, met zinrijke woorden, begeleid door de harp. Want Gij hebt mij verblijd, o Eeuwige, door Uw wrochten, wegens de werken Uwer handen jubel ik! Hoe groot zijn Uw werken, o Eeuwige 1 oneindig diep zijn Uwe gedachten. De verstandelooze beseft het niet en de dwaas ziet dit niet in: wanneer goddeloozen als kruid opbloeien, en onrecht-volvoerders bloesemen, â [dan geschiedt dit] opdat zij vernietigd worden voor eeuwig! Doch Gij blijft eeuwig verheven, o Eeuwige! Want zie, Uwe vijanden, o Eeuwige! â want zie, Uwe vijanden zij gaan te gronde, zij lossen zich op, alle onrecht-volbrengers! En Gij verheft mijnen hoorn als eenen Reëm, ik word met verfrisschende olie overgoten ! Zoo ziet mijn oog neder op hen, die mij beloeren; van hen, die als kwaadwilligen tegen mij opstaan, hooren mijne ooren ! De rechtvaardige zal bloeien gelijk de dadelpalm, als de ceder op den Libanon hoog opschieten. Geplant in het huis des Eeuwigen, zullen zij bloeien in de voorhoven van onzen God. Nog in grijsheid zullen zij vrucht dragen, sappig en frisch blijven zij; om te verkondigen dat rechtvaardig is de Eeuwige, mijn Rots, en geen onrecht is bij Hem!
Psalm 93. De Eeuwige is nu Koning, heeft zich met hoogheid bekleed, bekleed heeft zich de Eeuwige, met macht zich omgord; nu staat ook vast de wereld, wankelt niet meer! Gevestigd was Uw troon van oudsher, sinds alle eeuwigheid zijt Gij ! Wel verhieven stroomen, o Eeuwige ! wel verhieven stroomen hunne stem; stroomen verheffen hun dreunend geloei. Doch meer dan de geluiden van groote wateren, de machtigen, de brekende golven der zee, is geweldig de Eeuwige in de hoogte. Uwe getuigenissen zijn vast vertrouwbaar, aan Uw huis past heiligheid, o Eeuwige, tot in lengte van dagen!
Moge de erkenning der heerlijkheid des Eeuwigen eeuwig duren, zoodat de Eeuwige zich verblijde in Zijne werken. De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid. Van de opkomst der zon tot haren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen.
20
rvw nVön 3
|oan osb nir : p«n n^tpn
-ah maa Vn-ana ^sn psi : Dn^^ü-ba-^ ah iVn ahm n^i^nS didh : na-ma bï3* S^nb : npn1? D^n'O1? VK^-bst ^ nan : vhw liiry quot;b nnan 1:^0: : a^ia Dni»nl?!i 0^35 niap
J..;^. T- T ; * Iquot; ; - ^T TT T - : T . -IT
: ijnüa a^a *a uab no'f⦠la^a : Kin UWDI ⢠^ ^Vn» TfKa V: 'n'
nstbi ^ nnnb aits : na^n di^ iiotü as : mb^a ^jn^ü^i. ^non quot;i|?aa 'van1? :
tj^sa \s â¦innafr *a : quot;iiaaa |V|n ^
: ^na^nü ^nrnö ^oa
nnaa : nx?-nK pa^N1? ^DDI ^T. ^ ^ ^ nnKi : njr'të! Qnp^nV p.s: ^^rVa a'^^ioa naN» ^a^ nan-^a ^ ^a^ nan ^a : ^ ntyb Diquot;iD â¢' |5J?n lP5?a Tba ^ip. D^na onni: px ^r^a pnï : n^D^n D^IQ o^p^a n^a üani nnvna « n»aa o^in^ : np* |iaaba ma r\-\amp;_ nona : vn» D^^II Q^^n na^a pair ni^ : mnai i^n^K
: ia nnbijr ah) niï \] n^^a ^an1?
-Va Van |ian_e]« it^nn ry « ^ab ^ab nixa \\ x ninn: 1«^: : nnx oVi^p TND ^Kipa jiaj : üisn D^ai a'o mVpa : D^n ninn; obip nnn: 1^5 V; ïjn'aV nxp lipNi ^nn^ : v oiiaa ihk D^na^p onnx
: D\p* TjiK1? ^Ip'niK:
Tjiap ^ â¦n» : v'^pa ^ np^^ abiyb \* niaD â¦n» :« Dt^ Vbna iKiaa-iy wnw-nnm : Dbi^-quot;!^quot;! nn^p
T; â¢â¢ T â¢â¢. : : *⢠â¢â¢-* -: * * T â¢
OCHTEND.GEBED.
Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Eeuwige, Uw naam is voor eeuwig, Eeuwige, Uw aandenken van geslacht tot geslacht. De Eeuwige heeft in den hemel Zijnen Iroou gevestigd en Zijn koningschap heerscht over alles. De hemel verheugt zich en de aarde jubelt, wanneer men zeggen zal onder de volkeren: «deEeuwige is Koningquot;. De Eeuwige is Koning, de Eeuwige was Koning, de Eeuwige zal Koning zijn immer en eeuwig. De Eeuwige is Koning immer en eeuwig, de volkeren gaan verloren uit Zijn land. De Eeuwige vernietigt den raadslag van natiën, verijdelt de plannen der volkeren. Veel zijn de plannen in het hart eens menschen, doch des Eeuwigen raadsbesluit, dit krijgt bestand. De raadslag des Eeuwigen bestaat voor eeuwig, de plannen Zijns harten door alle geslachten. Want Hij sprak â en het was, Hij gebood â en het bestond. Want de Eeuwige heeft Tsion uitverkoren, heeft het begeerd tot verblijfplaats voor zich. Want Jakob heeft God zich uitverkoren, Israël tot Zijn eigendom. Want de Eeuwige zal Zijn volk niet prijs geven, en Zijn erfdeel niet in den steek laten! Doch Hij, albarmhartig, vergeeft misdaad en vernietigt niet; reeds veelmalen wendde Hij Zijnen toorn af, en wekt nimmer Zijne geheele gramschap. Eeuwige, help toch ! de Koning verhoore ons op den dag, dat wij Hem aanroepen.
Heil hen, die wonen in Uw huis, voortdurend prijzen zij U, Sela. Heil het volk, dat iets zoodanigs bezit; heil het volk, wiens God de Eeuwige is.
Psalm 145. Loflied van David. Ik wil ü verheffen, mijn God, o Koning! en Uwen naam zegenen immer en eeuwig. Eiken dag wil ik U zegenen en loven Uwen naam immer en eeuwig! Groot is de Eeuwige, en zeer geprezen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk! Geslacht na geslacht roemt Uwe werken en Uwe machtige daden verkondigen zij. De schoonheid van de heerlijkheid Uwer majesteit, en de verhalen Uwer wonderdaden wil ik bespreken. Over de macht Uwer eerbiedwekkende daden spreekt men, en Uwe grootheid â ik wil haar verhalen. De herinnering aan Uwe groote goedheid doen zij als een bron opwellen en wegens Uwe gerechtigheid jubelen zij. Genadig en barmhartig is de Eeuwige, langmoedig en groot in genade! Goed is de Eeuwige voor allen, en Zijne barmhartigheid strekt zich uit over al Zijne werken. Al Uwe werken, o Eeuwige, danken U en Uwe vromen zegenen U. De heerlijkheid van Uw koningschap vermelden zij, en Uwe almacht spreken zij uit; ten einde den menschenkinderen Zijne machtige daden bekend te maken en de heerlijkheid van de schoonheid van Zijn koningschap. Uw koningschap is een koningschap van alle eeuwigheid, en Uwe heerschappij over alle
21
rvw nbsn m
v. : by quot; Q^irbs-^ an
Va? inttVöi iNiM |pn avfï « : rn inb « : Tjbü « D*ia? iiöH'i pxn Sini D^ü^n ino'f ⦠: n^D *$1 d^ijt ^à v: : ly) atyb i\bw \\ ^
nin^nD cria nv^ quot;i'ön \\ : IÃquot;ikq D^ia mnx : Dipn « nv^l nm^na nisi : Q\^
Kin »3 : iii in1? is1? maf HD lojm chty) \] nïjr nix |1»V3 ^ ina-^ : quot;lojw njï «in ⢠10« '5 : in^DV bKitr'1 rr i1? ina â¢' ^
t ⢠â¢â¢ t : ⢠t - t i -:
n^nf: ah) mrn Kini : ab inVnii 10^ ^ TjVön n^^in y : inün-1?! NVI IÃK nanni : ^snp/DVn
' hVD ^hbn* *|n^ 'ÃVV : vn'^K quot;vgt; D^n n^K ib nD3^ D^n ni^N
t v: â¼: v t- t â¢â¢; - t it v quot;t t â¢â¢:
dVipb hd^ni -jban ^?pn« in1? nVnn nop : nbbrmi DVbDS :
naf» in1? in : ipn px inVn^i tno « Sna ^nK^aa nam ^nin -1133 nnn :
quot;DT : nsnöDN noN» nr^ : nn^K
Q'ÃK quot;pK ^ Dinn pan : ^npnvi in
^rtv : v^D'Sr1?^ vanni b'sb : ipn Snai ïjrvo'pa 1133 : n3i3^ ^Tpni ïj^o-Ss V: â nn 11331 vnni3a dikh ':3l? : 113-1^ imi3Ji
--: t : t t t â¢â¢ : * ~ r ; iquot; -: » . t .
11TV33 ^nbfpai D^p^-bs ni3^ö ^nirpp : mis?»
.quot;inSnji 'T1 '3,ro iniSui *
.3gt;K» Snji *
OCHTEND-GEBED.
geslachten. De Eeuwige steunt alle vallenden, en richt op alle gekromden. Aller oogen richten zich vol hoop op U, en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd! Gij opent Uwe hand en verzadigt al wat leeft tot welgevallen. Rechtvaardig is de Eeuwige in al Zijne wegen en liefderijk in al Zijne werken. De Eeuwige is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem in waarheid aanroepen. Hij volbrengt den wil van hen, die Hem vreezen; Hij hoort hun smeeken en helpt hen. De Eeuwige behoedt allen, die Hem beminnen ; doch alle godde-loozen verdelgt Hij. Den lof des Eeuwigen moge daarom mijn mond uitspreken; en alle vleesch zegene Zijn heiligen naam immer en eeuwig! â Ook wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid, â Halleloe-jah!
Psalm 146. Halleloe-jah! Prijs, mijne ziel! de daden des Eeuwigen. Ik wil des Eeuwigen daden prijzen, zoolang ik leef; wil mijnen God bezingen met snarenspel, zoolang ik besta. Vertrouwt niet op vorsten, op een menschenkind, bij wien geen hulp is. Zoodra zijn adem hem verlaat, keert hij terug tot zijne aarde; op dienzelfden dag zijn zijne plannen verloren. Heil daarentegen hem, wiens bijstand de God van Jakob is, wiens vertrouwen zich richt tot den Eeuwige, zijn God, â die maakt hemel en aarde, de zee en al wat in hen is; die eeuwig trouw bewaart [Zijne beloften vervult] ; die recht verschaft aan bedrukten, die den hongerigen spijze geeft, â de Eeuwige maakt geboeiden los; de Eeuwige opent blinden de oogen, de Eeuwige richt gekromden op, de Eeuwige bemint rechtvaardigen; de Eeuwige behoedt de vreemdelingen, heft op wees en weduwe, doch kromt den weg der booswichten. De Eeuwige regeert in eeuwigheid, uw God, o Tsion, alle geslachten door! Halleloe-jah!
Psalm 147. Halleloe-jah! Want het is goed onzen God met snarenspel te bezingen; want het is lieflijk, passend is lofgezang. De opbouwer van Jerusalem is de Eeuwige, Hij brengt de verstootenen Israels te zamen; Hij, die de gebrokenen van hart geneest en verband legt op hunne pijnlijke wonden. Die voor de sterren getal vaststelt, hun allen namen geeft. Ja, groot is onze Heer en rijk aan kracht, voor Zijn inzicht is geen getal [tot maat]. De Eeuwige heft op de bescheidenen, vernedert de booswichten ter aarde. Heft ter eere des Eeuwigen een danklied aan, bezingt onzen God met de harp. Die den hemel met wolken bedekt, die regen bereidt voor de aarde, die op de bergen gras doet spruiten. Hij geeft het vee zijn spijs, den jongen raven, die [er om] roepen. Niet in de sterkte van het paard vindt Hij behagen, niet in de schenkels van den man zoekt Hij welgevallen. â De Eeuwige vindt welgevallen in hen, die Hem vreezen, die verbeiden Zijné genade. â Roem,
22
jvw nban 33
: D^ifisrrbD1? ^in â¦; ^ÃID : quot;ini
nniö : inys DSDNTX Dnbquot;|ni: nnsi 113'^^ Va Tpm VDir^a « pnï .* |iïquot;i 'n-Vp1? yzvni : noK3 inN^p. I^K bbb VN-ip-brib « 3npT : v'amp;yp-bzz l* noity : ym* on^-nNi. nquot;^ VKTquot;|1ÃI;
â¦3 -131^ quot; nbnn : D^trnn-Va nxi vanK-Va-nK
- * : ⢠: - t : t t â¢â¢ : t -: t
rr ^2: limNi : quot;1^1 ityn^ op
: nnVVn DVI^-^I. nn^o mam «ns « nSbnx : ^0: ^Sn nnVbn lap
t : - -; t - : â¼: t *: v ⢠: - ⢠-: - t -: -
onx'pa D^np intpan-^ : ni^a quot;n1?^
Kinn ai»3 ina-is41? inn Kïn : n^r^n ib na'i^ I-ITJD n.^ : vnjn^
omirN-VmNi a^n-nx rnsji nquot;^ : vnbx
t v -: t v ; t - v I v it t ⢠i- t v t v:
DnV \r\: a^i^b ljö^P rivy : nast â¦; a^isa ejp; quot; Dni^ nj^a « : oniDN 1^0 ^ Q^n1? ^-ini TTijn om» anrnK nüquot;^ â¦; : D^nv : n^Vn inniquot;? |i»v abi^ « Tj^a» : D^T : nbnn nm irri^K ma? nnbbn rap
t ⢠; tt t iquot; v: t : - * t -; -
Kann : os?» 'nn; \] niia
DVDV nsoa n:ia : onin^V üzm) nb
t â¢. : * t - t : ⢠v t : ^- : â¢â¢ - : ...... *
: ispa pK in^anb nb-nni Vna : nia^ nnma ^ D^quot;) \\ D,I:^ TII^Ã
pNtb ppan npDart : 11233 nat
yiy ':±gt; nanV nana1? |ni: : i^ïn onn n^aïan quot;i^a wxn ^i^rK1? DIDH m.ia^ KV : I^X : npnV D^n^an-nx vktt-ik quot; nïin : hït.
OCHTEHD-GEBED.
Jerusalem, den Eeuwige! Prijs de daden van uwen God, gij Tsion. Want heeft Hij sterk gemaakt de grendels uwer poorten, heeft uwe zonen in uw midden gezegend, zoo maakt Hij uw grens tot gebied van den vrede, zal U met tarwemerg!) verzadigen. Hij toch, die zendt Zijn bevel ter aarde, zeer snel loopt Zijn woord; die sneeuw geeft als wolvlokken, die rijp strooit als asch, die Zijn ijs neerwerpt als brokken, tegen Zijne koude, â wie is er tegen bestand?! Dan weder zendt Hij Zijn woord en doet ze smelten, Hij doet Zijn wind waaien â en zij vloeien weg tot water. Hij deelt ook Zijne woorden mede aan Jakob, Zijne wetten en Zijne rechten aan Israël. Zoo heeft Hij niet gedaan aan eenig volk, eu rechten â zij kennen ze niet! Halleloe-jah!
Psalm 148. Halleloe-jah! Prijst des Eeuwigen daden van uit den hemel, prijst Hem in de hoogten! Prijst Hem, gij. Zijne engelen, allen; prijst Hem gij, al Zijne heirscharen ! Prijst Hem, zon en maan; prijst Hem gij allen, lichtende sterren! Prijst Hem gij hemelen der hemelen, en gij, wateren die boven den hemel zijt! Dat zij prijzen den naam des Eeuwigen, want Hij gebood, â en zij werden geschapen. Hij deed hen bestaan voor immer, voor eeuwig; Hij gaf eene wet, die nimmer wijkt! â Prijst ook des Eeuwigen daden van de aarde, gij zeegedrochten en alle woelende wateren, vuur en hagel, sneeuw en damp, stormwind, die Zijn woord volvoert! â Bergen en hemelen allen, vruchtboomen en alle cederen; veldgedierte en al het tamme vee, kruipend gedierte en gevleugelde vogel; koningen der aarde en alle volkeren, vorsten en alle rechters der aarde; jonge mannen en ook jonge maagden, ouden met jongelingen, â dat zij prijzen den naam des Eeuwigen, want hoog verheven is Zijn naam alleen. Zijne glorie is over aarde en hemel. Hij verheft den horen voor Zijn volk, tot lof vooral Zijne vromen, voor de kinderen Israels, het volk, dat Hem nabij is ; Halleloe-jah !
23
Psalm 149. Halleloe-jah! Zingt ter eere des Eeuwigen een nieuw lied, tot lof Zijner daden in de samenkomst der vromen ! Israël verheugt zich in zijnen Schepper, de kinderen Tsions mogen jubelen over hunnen Koning! Mogen zij Zijnen naam prijzen met rijendans, met tamboerijn en harp te Zijner eere zingen. Want de Eeuwige heeft welgevallen aan Zijn volk, siert be-scheidenen met hulp. Vromen juichen in heerlijkheid, jubelen op hunne legersteden. Verheffing Gods [uiten zij] met hun keel, en een tweesnijdend zwaard voeren zij in hun hand. Om wraak te oefenen op de volkeren, strafgericht onder de natiën, om hunne koningen in ketenen te binden, hunne meest geëerden
') De beste bestanddeelen der tarwe.
nnn^ nban jd
ptn-»3 : |i4ï ^bn : D^ian nbn DI^ D^n : Tjanpa Tjia jnan : nni rn» ninD-np px irrm nbt^n
... | - t ; | t t â¢â¢ : quot; | v it t ; -1-
innj? ^fi1? D^naD inn^ : TTfi» quot;IÃK3 1133 lova
T-ia : D^O'ibr inn 2^ DDD^I nrrrnb^ : loy^ â¦D
. - ⢠,t .. .. - ; t : - ; *
-bzb p namp;yT tib : vüa^oi vpn sp^1? vnan : nnbbn D^n,-i?3 D^st^ai ^
t -: - ^ t; - ⢠t : â¢
imbbn : D^onaa mibbn D^rrrü «TIK ibbn nop
1 -; - * ; -^ 1 -; - ⢠1- t - I ⢠*: v »quot;: quot; t -: - '
wm im^n : im^n VDxbD-Sa
v iv 1 -i - t t ; t 1 -: - t t : - t
D^sni Q^üï^n Tn^bn : nix im^n n-n
⢠1- - ; -itt- â¢â¢ ; 1 -: - â¢â¢ : 1 t 1 -; - - r-t;
: iNinjt niï Kin »2 « D^-DK iWn^ : Dvauri büD quot;IB'N
it ; * : t ⢠t; â¢â¢ v quot;: quot; : f quot; it t - â¢â¢ v -:
trn« bhn : «bi jnr-pn DSIJ;1? lyb dtü^I nn Tai : nionn-^i D^an pKn-r»
- 1 i* : v iv tt â¢â¢ : t : * * quot; i vit t i â¢
⢠DnnK-^Di na ^ nnnn : mn n^ nn^p
D^axy^i : ti23 H3ïi i^D*! nanrbDi rmn
⢠â¢â¢. : t : i viv â¢â¢ ; - |t t ⢠: v iv t â¢â¢ : t : t - -
: on^rn^ D^pT nibinroii nnm? : pK an^
: ^W) ^ 1Q? '3 r D^-nK ibVn» lahp vTpn bzb nbnn la^' ppv onn
: nnVVn
t ~: -
'ntiw : D^TDn Vnpa inbnn trm yiï in^ nnbbn taop
-;⢠â¢* -:-!:⢠t*: tt t- r t -: - '
latf' i^n»: D|^D3 v^3 bx'p\
iNfii « nifir^ : iViiar. mpi ejha VinDS : Dni23f p-S^ -n'333 D'Tpn irS^t : n^'3 nöpi ni^ : Dn»3 ni^3 3ini D:iquot;D3 bx niaain
tIt: quot; tt : ⢠⢠viv ; t ; ⢠â¢â¢ -:
arrn33ii; d^ts Dn^bo IdkV : D^DKbs ninsin n^n
.vra vos * -aora nai *
OCHTEND-GEBED.
in ijzeren boeien; om aan hen te voltrekken het voorgeschreven gerecht! â het is glorie voor al Zijne vromen! Halleloe-jah!
Psalm 150. Halleloe-jah! Prijst God in Zijn heiligdom, prijst Hem in het uitspansel Zijner almacht! Prijst Hera in Zijne machtige daden, prijst Hem naar Zijne grenzelooze grootheid! Prijst Hem met bazuinenschallen, prijst Hem met luit en harp! Prijst Hem met tamboerijn en rijendans, prijst Hem met snaren en fluit! Prijst Hem met helder klinkende bekkens, prijst Hem met dreunende bekkens! Al wat adem heeft prijze God, â Halleloe-jah I
Geloofd zij de Eeuwige immer, amen en nogmaals amen! Geloofd zij de Eeuwige van Tsion uit, Hij die troont in Jerusalem, Halleloe-jah! Geloofd zij de Eeuwige, God, God van Israël, die alléén wonderen doet; en geloofd zij eeuwig de naam Zijner heerlijkheid; en de geheele aarde worde vervuld van Zijne heerlijkheid, amen en nogmaals amen!
{Het volgende tot na wia wordt staande gezegd:)
I Kron. 29,10â13. En David loofde den Eeuwige ten aanzien der gansche vergadering, en David zeide: Geloofd zijt Gij, Eeuwige, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Aan U, o Eeuwige, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want [u behoort] alles in den hemel en op aarde; aan U, o Eeuwige! is de heerschappij, en Gij zijt het, die boven alles als opperhoofd verheven zijt! Zoowel rijkdom als eer gaan van U uit en Gij heerscht over alles ; en in Uwe hand is kracht en macht, en in Uwe hand ligt het alles groot en sterk te maken. En daarom, onze God, danken wij U en prijzen Uwen roemrijken naam.
Nechemja 9,6â11. Gij, Eeuwige, zijt het alleen. Gij hebt gemaakt den hemel, de hemelen der hemelen en hun gansche schare, de aarde en. al, wat erop is, de zee en al, wat erin is; en Gij houdt hen allen in het leven en de schare des hemels werpt zich voor U neder! Gij zijt het, Eeuv/ige God, die Abvam hebt uitverkoren en hem hebt uitgevoerd uit Oer-Kasdiem en zijnen naam Abraham genoemd hebt; Gij vondt zijn hart getrouw voor U en sloot met hem het verbond, te geven het land van den Kena'aniet, den Chittiet, den Emoriet en den Perizziet en den Jeboesiet en den Girgashiet, â
D
24
rvw nbön na
Kin Tn aina ons ni'^b : Srns ^333
t ; tt t -t ; ⢠v t v ;- :
: VTpn imbbn : iniSbn it^nps nnbbn jp
iniVbn : ibna 3^3 inibSn vnh^js m^Sn Sinöi ein3 iniWn : 11331 i?333 inibbn nöiiy
1 -1 - t I : 1 - ⢠; v iquot; ; i -; - t
: njrnn inibbn mib^n : 35^1 d^üs
: 'n '⦠'n 'n ;3 : n» bbnn nü^sn Vs
quot; t : t -; - t â¢â¢-: t t ; -
ptr ji^p *! â¢' lo^i obiy1? « -jns niK^ö: â¦ril?N Dflbx » Tjiis : n^Vn
â ^-nK 11133 «bal 11133 DB' ^1131 :1134
; |DN1: |ÃK pKH
.13quot;)3 in.s- ijr ninrS aquot;s 'h nquot;n
\\ nriK Tjiis 111 lOKi Vnpn-bs 'vyb ^-HK 111 ^131 » : obi^-i^i 071^0 I^3sj btt'p' VISN
d^^3 V3-»3 iinni nwni niKsnni nii35ni nbiin if^ni : tytfi1? K^:nöni nsboan « p.N3i 11*31 nii3Ji ns 1T31 S33 biria nnNi i^öbü 113311
i :t : t ; - 1 i ;t ; - â¢â¢ t - : i iv t : ⢠t - ;
T]1? lamx aniD wpbx nn^i : prnbi bi;.1?
^i3b « Kin nnx 'd n'»ra ; ïjniNön DB'b D^Snpi
riNn D{^3r1?3i Q^DUTI Kv D'ü^n-nK nnK
i vit t t t ; t ; â¢!- t - quot; : ⢠|- t ~ v t i* t t '
-m n4nD nnxi Dn3 i^K-b3i D»s»n n^ i^K-S3i
.. v - : t - : v t v -: t : ⢠- - t iv 't v -: t :
Q^nbKn « Kin nm : Dinntrö ib D^öt^n K3ïi Db3
v: t â¼: t - ⢠1- t - t : t \
idu' noün D'itr3 iikü inMïini D13K3 nin3 ib^n
: t : 1- : ⢠: - â¢â¢ â¢â¢ : t ; - : t ; r t v -:
nn3n 10^ nii3i i^sb ?ök: I33b-n« hkïdi : 0113«
⢠: - t ; I iv t : It v: v t : v t it t t t : -
^nm »013^1 mam naxn â¦nnn »jyji3n riK-nx nnb
⢠t ;* - : ⢠: - ; ⢠⢠: - ; ⢠v: t ⢠⢠- ; - ) viv v â¢â¢ r
.avo nx *
OCHTEND-GEBED.
het te geven aan zijn kroost; en Gij bevestigdet Uwe woorden, want Gij zijt rechtvaardig. Toen Gij zaagt de ellende onzer voorouders in Egypte, en hoordet hun geschrei bij de Schelfzee, â toen gaaft Gij teekenen en wonderdaden tegen Phar'o en tegen al zijne dienaren en tegen gansch het volk van zijn land; want Gij wist, dat zij moedwillig tegen hen gehandeld hadden; en Gij verwierft U een naam gelijk op den dag van heden. En de zee kliefdet Gij vóór hen, zoodat zij door het midden der zee doortrokken op het droge, hunne vervolgers echter wierpt Gij in diepten als een steen, in machtige wateren.
Exodus 14,30 en 31. De Eeuwige redde op dien dag Israël uit de macht van Egypte en Israël zag Egypte dood aan den oever der zee. Toen Israël zag de groote macht, die de Eeuwige tegen Egypte had geoefend, vreesde het volk den Eeuwige; en zij stelden vertrouwen in den Eeuwige en in Zijnen dienaar Mozes.
Exodus 15,1â19. Toen zong Mozes en de kinderen Israels dit lied ter eere des Eeuwigen; zij zeiden namelijk, als volgt: Zingen wil ik ter eere des Eeuwigen, want hoog is Hij verheven; paard en zijnen berijder stortte Hij in de zee. Mijn zege en mijn zang is God, Hij was mij ter hulpe; deze is mijn God, Hem wil ik verheerlijken, â de God mijns vaders, Hem wil ik verheffen. De Eeuwige, Heer van den oorlog, Eeuwige is Zijn naam! â De wagens van Phar'o en zijn leger slingerde Hij in de zee, en zijne uitgelezen legeroversten werden in de Schelfzee bedolven-Woelende wateren bedekken hen; zij daalden af in diepten gelijk een steen! Uwe rechterhand, o Eeuwige, prijkend in kracht, Uwe rechterhand. Eeuwige ! verplettert den vijand ! â En in Uwe overweldigende hoogheid rukt Gij Uwe tegenstanders omver; zoudt Gij Uwen brandenden toorn vrijlaten, hij zou hen verteren als stoppelen. En door den adem van Uw neus hoopten wateren zich op, bleven vloeistoffen overeind staan als een muur; stolden woelende wateren in het midden der zee. Reeds zeide de vijand: //Ik wil vervolgen, ik zal inhalen, ik zal buit verdeelen; mijn verlangen zal aan hen bevredigd worden ; ik zal trekken mijn zwaard, mijn hand zal hen terug-veroveren.quot; Doch Gij bliest met Uwen adem, â de zee bedekte hen; zij zonken in de diepte als lood in geweldige wateren I Wie is U gelijk onder de machten. Eeuwige! wie is U gelijk, prijkend in heiligheid, eerbiedwekkend in lof, wonderen verrichtend! â Evenals Gij uitstrektet Uwe rechterhand, â de aarde verslond hen; Zoo leidt Gij door Uwe genade dit volk, dat Gij verlost hebt; zoo voert Gij het door Uwe macht naar Uw heilig verblijf. Volkeren hooren het, â zij beven; siddering grijpt aan
25
mnt? nVan na
TIN Kini : nnN pnv '3 D^1 ^.t1? nnh
inm : ïjiD-dr1?]? ri^a^ on^rnxi an^aa irnbN nyr »3 in» or^i v^-^ni n^-iaa D^nsbi 'nhii' ^I?3 örn : nn Di»n3 DI^ ^V^ni nnn ^
riD^n Dn^irntri a^n-^na DH^Ã1?
: D^a |3K-lö5 hbiïpa
iquot;i ninp
nt\ onxp tü Ninn di»3 njn» yph
-riK kV»! : dti no Dnïpquot;^
tik D^n iKTn nin» ntr^ iè^m n'ji-in th
vtt ^ : r- : t : ^lt;t^t v -: t ;- -t-
: nay ntyaai nin»3 iroN,,i mn»
i : - : ti- ⢠-:iâ at :
â¢DiTOcn runsa nicxb -piï Qin
nöN'i nin^b hntn m^n-nx ^ai ntfo-TB* rx
V : iquot; ti- -_ lt;t ⢠- v ^ â¢â¢ t ; ⢠â¢â¢ ; v r r -«T
noi üahi did nsia nw^ nin^b io^V
^t t i# ; i; ^ ^ tt -' t r t i- ^ t «⢠t rt â¢â¢
'n'jK iniJNi â¢hu nT ^-â¦n»i n* mon nv : D»a
jquot; v; : ⢠â¢â¢ lt;â¢â¢â¢ â¢* V ' :'quot; t t ; ⢠: lt;*^p it-
riaano : lotr nin» nonbo wa nin» .* injoo^Ni 'au
j : :m i : v.t : at t : ⢠-⢠vt : : iv -i i -n- v* t
rionn ; eiiD-D^a i^atD inaoi D»a m» iVm riins
v ï li quot; : j '⢠\ vt * it -»- ; ⢠at- -«tt v quot; : ~
naa mtc nirv nyo» ; pM'ioa n'pivoa vrv iota*
^ rt v t ; v t : -1: r ; I v it : ^ ^ ;it a%: - :
n^n ïj»o{5 Dhnn anai : an'x ^*in nin» ^ro» nrioa laitf: d^o ioi^j Vpsi* nmai : v$2 ioba^| ^nn Pgt;rk ïm tiTiK a»iK quot;ion : D'-aba rionn ixap n^n
⢠â¢* ' v IJ: â â ⢠4quot; . â gt;' T it v : i ; ^ : it *⢠: i
nfia'j : 'T lOB'nin â¦ann pnx lotion naoa-'o : onnK D^oa mèiya 'ibbï d» looa nnna
t lt; t i r ⢠- 'vquot; : vv ^ i- -: it at -«t * vl quot;* ⢠ï
: KVö-niyy ribnn jnü tripa iiw naoa »o nin^bSxa
'⢠â¢â¢ quot; » ^ * : jt v| a - -*t : v t v t j* t : ⢠quot;it
n?^T r-D^ n-ipna n⢠: n« 'io^an iro» rvb TnN |w D'oy wnv : njr'jN ^a nbni
OCHTEND-GEBED.
Philistaea's bewoners! Dan verschrikken de vorsten van Edom; de machtigen van Moab â beving grijpt hen aan; weg smelten zij, allen bewoners van Kena'an. Verschrikking en angst overvalt hen; wanneer Uw arm zich groot toont, verstommen zij als steen; â tot voorbij is getrokken Uw volk, o Eeuwige! tot voorbij is getrokken dit volk, dat Gij U hebt verworven! Totdat Gij hen hebt gebracht en geplant op den berg van Uw erfdeel, den zetel voor Uw verblijf, dien Gij U bereidt, o Eeuwige; het heiligdom, o Heer, dat Uwe handen vestigen! De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!
(Want Phar'o's paarden waren gekomen met zijne wagens en met zijne ruiters in de zee; toen had de Eeuwige over hen de wateren der zee teruereevoerd, terwijl de kinderen Israëls gegaan waren op het droge in het midden der zee.)
Want aan den Eeuwige is het koningschap en Hij heerscht over de volkeren ! En redders zullen bestijgen den berg Tsion, om te richten den berg 'Esau, dan zal den Eeuwige het koningschap zijn. Dan zal de Eeuwige tot Koning zijn over de geheele aarde; op dien dag zal de Eeuwige eenig zijn en Zijn naam eenig! En in Uwe leer staat als volgt geschreven: ,/Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig!quot;
De ziel van al, wat leeft, zegene Uwen naam. Eeuwige, onze God! en de adem van alle vleesch roeme en verheffe steeds Uw aandenken, onze Koning! Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God, en buiten U hebben wij geen Koning, die verlost en helpt, bevrijdt en redt en onderhoudt en zich ontfermt in eiken tijd van nood en druk; wij hebben geenen Koning, dan U ! God van de vroegere en na ons komende geslachten. God van alle schepselen. Heer van alle geboorten, die in tal van lofzangen geprezen wordt, die Uwe wereld leidt met genade en Uwe schepselen met barmhartigheid! En de Eeuwige sluimert niet en slaapt niet; Gij, die de slapenden opwekt en door diepen slaap bevangenen doet ontwaken, en die stommen tot spreken brengt en geboeiden losmaakt en vallenden steunt en gebukten opricht, â U alleen danken wij I Indien onze mond ook vervuld ware van liederen, gelijk de zee [vol water is], en onze tong vol jubel klanken als het ruischen harer golven, en onze lippen vol lof als de uitgestrektheid van het uitspansel, en al waren onze oogen lichtgevend als zon en maan, en onze handen uitgespreid als [de vleugelen van] de arenden aan den hemel, en onze voeten zoo snel als [die van] de reeën, â zouden wij U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, niet genoeg kunnen danken en Uwen naam kunnen
26
jTW-nVan ia
lojn^ 01% TK : n^Sa ^p\
Vnj3 nnój nno^ Dn^Vsn : |^D 'ïv\ Va mi ro^ i^pjr nin» l^pjr |3N:3 m ^IIT n^a |1Dà ^nbn: ins hym) loxan ;'n^ « : quot;ijn D^b i nin» : nn» 13:13 â¦JIN B^SD nin»
*: ivt â¢'t : k : * jt : i ivt j-: i vt -: t); ⢠at :
: diy) TjVDt
nnSj;; nin? 3^»i nj? l35i? riy*!s did n3 ^) (: D»n Tjln? n^393 ^ ⢠ajn â¢'O nx
ds^1? |i»v quot;in| D^^ID by): 0:153 b^ioi noibsn »quot;? ^ -jbüb « n^ni : naiVan quot;b nn^ni nn-nx 3in3 ^nnirai : nnK lofi nnx » n»n» Kinn DI»3 pKn : -m « irribK »⦠vnv iDNb
t v *: iquot; v; *: â¢â¢ t : ⢠^ - ;
-Ss nini * irp^ts quot; -jion ^n-Ss nam
quot;IP * Ton i^sSd ï|-i3t Düiini -ixsn 1^3 bxii -jbo i:V px ^^aai ⢠VK nnx D^rpjn obiyn nj^iïi mTï n^quot;S33 dhidi D^ÃÃI ^VÃI nnis ^IDI HIVK ' D^nnxni D^l^nn â¦nVx : nnK K^X rhn ij^ m
- i v; ⢠-: - t ; ⢠t â¢â¢ v: t it t v ) v iv it i â¢â¢
jnion nin3tigt;nn 313 bbnön nnbm-^ rm nin3-l?3
- t ; ⢠- : t â¢-. : - t t i -: ⢠; t
* tE^-iói divk1? «i * D^ni3 vninsi iDn3 idViv
It* ; t t - ⢠-: - : t ⢠: v iv ; t ^
ym] D^pbK n^sni D^p^: ppöni viw nni^pn iam« ^3b t]h - D^iaa ^itni n^ai: -jpiDni oniox vbs riön3 ns-i yjitrbi DS3 mw NVà irs ibx ⢠DHIÃ
t - i -; - t ⢠iquot; ; t- t ⢠â¢â¢ t r
⢠nT3i nn^o irr^i * r^T^nio3 ratf irnina'^i px : ni^N3 mbp ir^n' ⢠o^oty n^j3 minis i:ni
i .. t - t i- !â¢â¢ :-; -it t â¢â¢; ⢠; : iquot;t;
^i3bi ⢠irni3K ^ri^i wrfrK nnin1? d^^do ijtok
OCHTEND-GEBED.
zegenen ook maar voor een duizendste van de duizenden mil-lioenen en milliarden malen aan onze voorouders en ons door ü bewezen weldaden! Uit Egypte hebt Gij ons verlost. Eeuwige, onze God! en uit het slavenhuis hebt Gij ons bevrijd, bij hongersnood hebt Gij ons gevoed en in [tijden van] overvloed ons verzorgd, van het zwaard hebt Gij ons gered en voor pest ons beveiligd en ons aan boosaardige en wissen dood brengende ziekten onttrokken. Tot dusverre heeft Uwe barrphartigheid ons bijgestaan en hebben Uwe liefdebewijzen ons niet verlaten; o geef ons, Eeuwige, onze God, dan ook niet prijs tot in eeuwigheid ! Daarom zullen de ledematen, die Gij gescheiden hebt aan ons, en de adem en de ziel, die Gij in onzen neus hebt ingeblazen, en de tong, die Gij in onzen mond hebt geplaatst, â zie! zij zullen danken en zegenen en loven en roemen en verheffen en de macht, de heiligheid en het koningschap toekennen aan Uwen naam! Want elke mond moet U danken en elke tong U toezweren en elke knie voor ïï zich buigen en elke hoog opgerichte gestalte voor ü zich nederwerpen en alle harten moeten U vreezen en alle ingewanden en nieren Uwen naam bezingen, naar het woord, dat geschreven is: âGansch mijn gebeente zegge: Eeuwige, wie is U gelijk, die den arme redt uit de macht van hem, die sterker is dan hij ; en den arme en behoeftige uit de hand van wie hem berooft!quot; Wie is U gelijk? Wie kan bij U worden vergeleken ? Wie kan bij U als verhouding worden aangegeven? Gij groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God, Eigenaar van hemel en aarde! Wij willen U loven en U prijzen en U roemen en zegenen Uwen heiligen naam, gelijk er gezegd is: âLoof, mijne ziel! den Eeuwige; gij, mijne ingewanden allen. Zijn heiligen naam!quot; Gij God, door de krachtige uitingen Uwer macht, groot door de heerlijkheid van Uwen naam, machtig tot in eeuwigheid en eerbiedwekkend door Uwe eerbied afdwingende daden. Koning, die zetelt op den troon hoog en verheven, â eeuwig troont Hij ; Verhevene en Heilige is Zijn naam; en er is geschreven: âjubelt, rechtvaardigen! in den Eeuwige, den oprechten betaamt lofzang!quot; Door den mond dei-oprechten wordt Gij geprezen en door de woorden der rechtvaardigen gezegend, en door de tong der braven verheven en door de ingewanden der heiligen !) geheiligd !
En in de verzamelingen der tienduizenden van Uw volk, het huis Israels, worde Uw naam, onze Koning, met gejuich geroemd door alle geslachten; want dit is de plicht van alle schepselen vóór Uw aangezicht, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, om U te danken, te prijzen, te loven, te roemen,
') .ygl. jets vroeger: vrap nvSsi aip bai, waar een loflied als het ware opstijf uit 'smenschen ingewanden. â Anderen vertalen: te midden der heiligen, in den samenhang minder juist.
27
mntp r6an ra
maai ^*11 tjbKö nnx â ?# * ^ö^tik
unVxa Dnxaö : 130^1 wnm dv niaitsn d^ojtö
it { - ; ' 1- t ⢠' it ' : iquot; -: t r v - ⢠t :
jDfeoi * unjT 3^-i3 * unna ona^ n»3öi irrtVK â¦Â»
tt : it :- r t ; it ⢠; * t : â¢â¢ ⢠iquot; v: â¼:
D»jn D^nai ⦠unts^D 1^01 * unbïn mnü * unbaba
t ' t *; â¢â¢ it : '⢠⢠v iv * it : - ⢠viv â¢â¢ it : - : â¢
â¦Ã¯inDnuiaTr^i -^am UTO nan-i^ : ^n*n D^OWI
\ ivt-: 1 t : : I iv -» - ir-t t iquot; it ⢠⢠⢠t v: v:
* m rubstr Dn2K p-1?^ : nï^ irri^ « i^can-^Ni
it t :i~ ⢠v ⢠t â¢â¢ I â¢â¢ ' -ivt iquot; v: *: r* ; ⢠- ;
rn * na^-i^N ri^bi wöks nnssty notw nni
I â¢â¢ r : t : 1- v -: I t : r* - : t ; 1- t v t t : - 1 :
lïn^i loonn nv on
⢠nniv ïjquot;? nrVD »3 : vshn ^o^'nN ' njnn^n noip-boi * jnpn ^
^1313 * 'HOB'1? nST' n1^31 3np-l?3,l * ïllKIquot; ni33V-l?3i
tt- 1 iv ; ⢠: -: t ; vhv t : | 1 t ⢠t ; t ;
p?no *:v Wa * ^103 ^ â¦â¦ nno^n 'hoï^ V3 3^3^
I t t â¢â¢ ⢠nr ' - I 1 t â¼: t ; r - : - t tv
quot;TO 'pi 'pi ^'HOT 'P ; iVrilD |1»3N1: 1330
: r-iNi nip ri^ xnsm ni33n bnan Vxn - -]V
| vit t ' i- t â¢â¢ i i : *v â¢â¢ t ⢠; * - t - â¢â¢ t |t
quot;noN| * ^npT DE^TIK ^3:1
: it^np D^nK ^np-^i Mquot;nK »313 nn1?
;It â¢â¢ v - tI; t : v ' : - ⢠-it ⢠t:
nï^ quot;)i33n * ni333 bnan * niDï^ns VKH * KBW DT. XD3 ^ 3^1»n ^SH * Nquot;T.i3n,l
â¢mSnpoai ⢠^pm ^npnn ^ ip pur pi» Yquot;vn Dn^b «3 D»pnv 133*1 317131 * 10^ ^ll^l DllD |3lBgt;
⢠-mnn o^pnï *quot;13131 'bbnnn ontr* *33 : nbnn niK3
j-t:* i* t - : ⢠'t: â¢: #t*: tt
: ^pnn D^np 3quot;ip3i * nonnn on^pn |i^b3i
ïjOB' if^ön» na-is VKIB'» n*3 ^ 11133quot;! niVnppsi Dnwn-^ n3in pt? im 1ITV33 133S0
: - t _ - I â¢â¢ v t t : iquot; : -
quot;IMÃ1? 13^ ^nb ninnb i3»ni3K ^ribxi « nnaquot;?
â¢â¢ t : - iquot; - ; â¢â¢ - : ; iquot; -: â¢â¢ â¢â¢ iquot; v: â¼; i ivt :
OCHTEND-GEBED.
te verhefien, te verheerlijken, te zegenen, Uwe hoogheid te erkennen en U te bezingen nog boven alle woorden van zangen en lofliederen van David, den zoon van Jishai, Uwen dienaar, Uwen gezalfde!
Geloofd worde Uw naam tot in eeuwigheid, Gij, onze Koning, God, groot en heilig Koning in den hemel en op aarde! Want ü. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, komt toe lied en lofprijzing, danklied en gezang, almacht en heerschappij, zege, grootheid en kracht, verheerlijking en roem, heiligheid en koningschap, zegeningen en dankzeggingen, van nu tot in eeuwigheid ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, God, Koning, groot in lofzangen. God, wien dankzeggingen toekomen. Heer der wonderdaden, die behagen schept in lofgezangen. Koning, God, Eeuwiglevende!
Voorlezer: En nu, moge de kracht van mijn Heer zich groot toonen, gelijk Gij gesproken hebt, zeggende:
Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige, en Uwe genadebewijzen, want sinds alle eeuwigheid zijn zij.
Moge Zijn groote naam in zijne grootheid en heiligheid erkend worden in de wereld, die Hij naar Zijnen wil geschapen heeft; moge Hij Zijn koninkrijk weder vestigen tijdens uw leven en in uwe dagen en tijdens het leven van gansch het huis Israel's, spoedig, in nabijzijnden tijd; zegt: Amen!
Gemeente; Amen I Zijn groote naam worde gezegend immer en in alle eeuwigheid 1
Voorlezer â . Gezegend en geprezen en geroemd en verhoogd en verheven en verheerlijkt en vereerd en geloofd zij de naam van den Heilige, geloofd zij Hij, â verre boven alle zegeningen en liederen, lofzangen en vertroostingen, die in de wereld worden uitgesproken; zegt Amen!
28
|
De voorlezer: Looft den Eeuwige, den lofwaardige ! De gemeente; Geloofd zij de Eeuwige, de lofwaardige, immer en eeuwig. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die het licht hebt gevormd en de duisternis geschapen, die vrede sticht en de Schepper zijt van alles! Wanneer men Jotser bijvoegt, zegt men: Het eeuwige licht bevond zich in de schatkamer des levens; //lichten [zullen ontstaan] uit de duisternis,quot; zeide Hij, â en het was 1 |
(Terwijl de voorlezer isia voordraagt, zegt de gemeente zacht:) Geprezen en geloofd en geroemd en verheven en verhoogd worde de naam van den Koning aller koningen, den Heilige, geloofd zij Hij; want Hij is de eerste en Hij is de laatste en buiten Hem is geen god! Baant den weg voor Hem, die door de hemelvlakten snelt, rn is Zijn naam, en jubelt voor Zijn aangezicht! Zijn naam is verheven boven elke zegening en lofzang I (Terwijl de voorlezer 'n zegt;) Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig I De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid! |
mntp nbfin na
niTK' nnrba â¢?# Tin1? DÃII1?
: ?jn^ö ^3)? 1)1 nina^ni D»Ã^3 ^npni Vnan Tf?an Vxn nan^.
irniDN â¦riVKi irnbw quot; nw »3 pwaï miaii n^a nb^ööi fjr rmi bbn nna^i
t : t â¢â¢.: quot;iv t t : v t ; ⢠: â¢â¢ - t t :
nri^o niKnini nüna rrobai nanpj n-iNön'i nVnn nixninn ^ nina^na bna Tjbo bx « nnK ijina * ; D^übipn *n Vk quot;jbo rm n^a quot;inian mxböan jiiK
: ioxS nia-n i^{?3 ra ai nn^i rn : nan nbij/o ^ Tjngni ^ ^orn iat
nni^np Kia-n «an. no^ Bnj^n^ pn n»a Van «nai pa^avai jia^na nniabö noxi anj5 jani «b^a N'oV^ thy) ^130 N31 nn^ * ION V t'n nb^n^ -nnrn xmny üüW] n«ön,i; nan^n Tjian* t'n
ba |p (xb^' nquot;'»rs) Kb^b Kin -jna K^nipn nüt? bbnnn;
Nob^a p;aNn Knon:? xnnafn ^nana
: JOK nöNi:
.^-13^^ S.ipn ims 1313 p:n yquot;ma nr»a
: ^jiapn lana fquot; : ni?i dSI^S ^an v; quot;^na nquot;ip -jbo irnbK « nm -jna
Qanii,i â wsn,l nan^M ^iafii â quot;aSi? hp laf NB'3j1,I nw N-in ^na t^npn D^San |\S5 ri^Saoi jiios Nini; imn iW n;a nüiya aaiS ób -dmSx Sa hy Danp ia^-i ⢠r^S -ir^i nlaa ntr ^na : nbnrn naia « ex? v\ - ij?! o?iy^ imaSa : DSIJ; 121 nyo rjizp
UK ip' Dbijrn Dib^ n'^v Kiiai : San-nK «niai
Dquot;n isixa ohiy nix i^d^vd n'D,S1D1D
OCHTEND-GEBED.
Gedurende den zomer, van den Shdbbath vóór het Paaschfeest tot de Seliechoth-dagen, wordt het volgende tot enpn iwni in beurtzang door Voorlezer en Gemeente voorgedragen.
Allen danken U en allen prijzen U en allen zeggen: niemand â zoo heilig, als de Eeuwige! Allen verheffen U, Séla! Gij, die het heelal hebt gevormd; God, die eiken dag de deuren van de poorten van het oosten opent! ^ En die vensters in het uitspansel uithouwt 2), die de zon laat te voorschijn komen uit hare plaats en de maan uit het verblijf, waar zij gevestigd is. En die der geheele wereld en haren bewoners licht verschaft, die Gij geschapen hebt, [geleid] door de eigenschap van barmhartigheid! Gij :zijt het, die de aarde en hun, die haar bewonen, licht geeft met barmhartigheid, en door Uwe goedheid eiken dag gedurig het scheppingswerk vernieuwt! Gij Koning, die alleen verheven zijt van oudsher, die geloofd, geroemd en hooggeprezen zijt van af de dagen der oudheid! Gij, God der eeuwigheid! ontferm U over ons in Uwe groote barmhartigheid, Gij Heer onzer macht. Rots van onze toevlucht, Schild van ons heil, Toevlucht voor ons! Niets is met U te vergelijken, niets is buiten ü, niets is zonder U, en wie gelijkt U? Niets is met U, Eeuwige, onze God, te vergelijken in deze wereld; en niets is buiten ü, onze Koning, in het leven der toekomstige wereld! Niets is zonder U, onze Verlosser, in de dagen van den Messias; en niets gelijkt U, onze Helper, bij de herleving der dooden!
God, Heer over alle schepselen, geloofd en gezegend door den mond van alle zielen! Van Zijne grootheid en Zijne goedheid is de wereld vervuld; kennis en inzicht omgeven Hem! Hij is hoog verheven boven de heilige Chajjoth, en prijkt glansrijk in heerlijkheid op de Merkaba. 3) Erkenning van verdiensten en rechtvaardigheid staan voor Zijnen troon, genade en barmhartigheid vóór Zijne heerlijke verschijning! Goed zijn de hemellichten, die onze God geschapen heeft; Hij vormde ze met kennis, met inzicht en oordeel; kracht en macht schonk Hij hun, om te kunnen heer-schen te midden der wereld ! 4) Vervuld van schittering, en glans uitstralend; heerlijk is hun schittering door de geheele wereld! Zich verheugend bij hun te voorschijn treden en verblijd bij hun huiswaarts keeren, vervullen zij in vreeze den wil van hunnen Eigenaar! Roem en eer kennen zij Zijnen naam toe; gejuich en gejubel bij de herinnering aan Zijn koningschap. Hij riep de zon â en er straalde licht. Hij zag â en ordende de gestalte der maan ! Lof kennen Hem toe alle scharen in de hoogte, roem en grootheid de Serafiem, de Ofanniem en de heilige Chajjoth.
') Waardoor als het ware de zon naar buiten treedt (srO, om haren weg aan het uitspansel af te leggen.
s) Waardoor de stralen der zon, wier plaats boven het uitspansel wordt gedacht, tot de aarde kunnen doordringen.
29
rvTO nban 120
â¢inv San rquot;Jft mn^on w -v Snjn naro ; «5 t^nj? pK iiö^» Vani * Vsni Van
nnisn Vkh * Van w nbD Van nan k^io * ^ibn ^|piai : nyp nmH
⦠va^i^i iba obiv^ tnoi .' nna^ paap mabi naipaa n^ Dnnbi pxb i^sn : D^ann niaa Kia^ ;T iv0na n'^ö n^an ovbaa ^no la^ai * D^ania x^anani iKiaoni na^an * ma nab aanan TiVan
t : - ; t % : - t â¢â¢ - : t : - | v iv
* 1:^ oni D^ann ^anna â¦nl?K : nia^a ïja^a px : un^a a^a |ja wa^a IIà jm T ^ai^a pK : -jVnaii 'ai ^nSa dök *
: «an obi^n quot;rh waba ^nbiT |W * nin oSi^a li^t^ia ^â nain pxi * n^an ma*1? i^Nia ^nba DÃK
: D^nan n^nnV
... - - ⢠j »
: na^rba ^a -paai ^ina * D^sn-Va. ^ |m bx : iniK D^aab miani xba laita1) ibna
: naanan-1?^ niaaa nTW * iripn ni^n-b^ nxanan D'aiü : inaa 'isb D^anni npn * iNpa ^a1? ni^ai mar : Satrnai nraa nrna niT * lafl1?» Knaiy nniKO
; t * : iquot;: t t : iquot; *.â¢: t t v ;
D^ba : ban an^a o^^ia n^nb * ana fn: niiaai na onxva a^naty : abi^n-baa dvt nx; * nrü o^aai v? D^ma iiaanxa :D3ip |iïquot;i nama D^iy * oxiaa vpv]
⢠iiN_nquot;iT,,i wnvh Kip : iniaba narb mquot;n nbnï * la^b
-: ⢠- v iv - tIt ; ~ vi-: t â¢: t â »â¢: t : *
⢠ona Harba iV D^nu naty : maVn n^ï rpnm n«i
x t: t *: quot; ⢠â¢* tt:quot; quot; li*:*; tt
: B'-fpn nirn d^öini nbnji nnxan
3) De txoonwagen der goddelijke Majesteit. 4) Vgl. Gen. 1,18.
OCHTEND-GEBED.
Den Almachtige namelijk, die met alle werken ophield op den zevenden dag, zich verhief en zette op den troon Zijner heerlijkheid. Met roemrijkheid omhulde Hij den rustdag, tot genot bestemde Hij den Shabbathdag; dit juist is de roem van den zevenden dag, dat daarop God ophield met al Zijn werk. De Shabbathdag zelve prijst dan ook en zegt: «een zang-psalm voor den Shab-bath: !) het is goed den Eeuwige te danken!quot; Daarom roemen en zegenen God al Zijne schepselen; lof, eer en grootheid kennen zij toe aan God, den Koning, den Vormer van het heelal, die in Zijne heiligheid aan Zijn volk Israël rust tot erfdeel heeft gegeven op den heiligen Shabbathdag. Uw naam, Eeuwige, onze God, worde geheiligd en Uw aandenken, onze Koning, geroemd in den hemel boven en op aarde beneden. Wees geloofd, onze Helper! wegens het prijzenswaardige werk Uwer handen en wegens de stralende lichtverspreiders, die Gij geschapen hebt, mogen zij U eeuwig roemen, Séla!
Wees geloofd. Gij onze Rots, onze Koning en onze Verlosser, Schepper van heilige wezens! Uw naam worde eeuwig geprezen, onze Koning, die dienaren hebt gevormd, en Wiens dienaren allen staan in de hoogte der wereld en vol eerbied te zaraen met luider stemme doen hooren de woorden van den levenden God en eeuwigen Koning! Allen zijn bemind, allen uitverkoren, allen machtig; en allen volbrengen zij met vreeze en eerbied den wil van hunnen Meester! En allen openen hunnen mond in heiligheid en in reinheid, met lied en gezang; en zegenen en loven en roemen en kennen kracht, heiligheid en koningsmacht toe aan den naam van God, den grooten, machtigen en eerbiedwekkenden Koning, heilig is Hij ! En zij allen nemen in beurtzang op zich het juk van het koningschap des hemels 2) en geven elkander verlof hunnen Schepper te heiligen met opgewekten geest, in zuivere taal en met lieflijk geluid; heiliging heffen zij allen te zamen aan en zeggen met eerbied :
Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de geheele aarde!
En de Ofanniem Wanneer men Ofan bijvoegt, zegt men-,
en de heilige Chaj- En de Chajjoth zingen en de Cheroe-, biem roemen en de Serafaem juichen en joth verheffen zich jg Er-elliem zegenen ten aanzien van met groot gedruisch elke Chajja en eiken Ofan en Cheroeb tegenover de Serafiem; tegenover hen staande prijzen zij en zeggen:
') Ps. 92,1; d. w. z. volgens de opvatting van Midrasli; ook door den Shabbath zelve aan te heffen.
s) DiSapa is hier in twee beteekenissen gebruikt; y%-Sap», op zich nemen, erkennen; en run m Sap», van elkander overnemen. Vgl.deChaldeenwsche vertaling van nt Ss nt sipi; die beide beteekenissen doet de vertaling uitkomen.
30
nnn^ nbsjn b
nbj^nn DI»? D^an_1?|p VNS
nniian avb hü^ nnxsn : mm KDrby
T : quot; : T T â¢-â¢IV : ⢠: â¢â¢ â T.
nntr 13^ di'W nn^ nt : na^n 017 tiy yp quot;iiotö IOIKquot;! na^p DI^ : inDNba-^p SN1? ^y\ ns4^ -j^s1? : quot;b niinb 2112 nn^n Dl'1? ^nian V'i vw nbnyi npT; nnty * v^T-bz
â¦â¦ fjQK' : E'lj? n?^ avs inehpa Vxijf! la^V nma» Sj?aQ Dia^? * quot;iNsn* i^bp ^*iDn * irribK n'^ü 1:^^10 Tpann : nnrjp pxn : n^D nwvw niK niKD
t iv I I -: t ; t r t v quot; :
Tpp nari^* a^np K-IIS usba i:niï ^jiann aba vni^p yamp;x) Q^n^a quot;ix^ i^bö nn-i bipann;. nxT2 a^^appi nbi^ nna Dnoijr aba anns DVS D^TIN : obi^ -jbai D^n Dfl1?» D^nnia obpi Diip |i5n nxn^ na^a q^\ onisa D^na^ai Doinai niani nn^a mnarn nanps on^-nK
D^^aai D^'ippi D^n^ai onxaai obDi : Nin i^np Nnisni quot;iiaan bnan ^an bxn D^-nK d^nui ' nia nr d'o^ niDba D^apa
mna ns't^a nirnn^ DIÃI^ ^npn1? ⢠nrb n?
T : TT : - I - 1-: T: ; 1:-: vt
n«T3 onaiNi nnxa abs nanp na^iai : 1-1133 pKirbD N^a niNnv \\
nisni D^aiNni
^quot;ipn D^'^ma Sna
.ni I»Nquot;I |31}C DimiN»3
ist D^axn inKa^ ^p] ni'nni 2iquot;i3i |21NI n'n-^3 13^ D^KIXI
DnaiNi D^na^a ana^b na^
OCHTEND-GEBED.
Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats.
God, den geloofde, wijden zij lieflijke klanken; ter eere van den eeuwig levenden en bestendigen God spreken zij gezangen uit en doen zij lofliederen hooren, dat Hij alleen het is, die machtige daden verricht, nieuws wrocht. Hij de Heer is der oorlogen, die weldaden zaait, en hulp doet ontspruiten; die genezingen schept, eerbiedwekkend in lof. Heer der wonderdaden, die door Zijne goedheid eiken dag gedurig het scheppingswerk vernieuwt! Gelijk er gezegd is: [Dankt] Hem, die groote lichten gemaakt heeft, want eeuwig duurt Zijne genade! Een nieuw licht moogt Gij over Tsion doen schijnen, zoodat wij allen spoedig den glans ervan mogen deelachtig worden; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper der hemellichten!
Met groote liefde hebt Gij ons bemind. Eeuwige, onze God; Gij hebt U in groote, in overgroote ontferming over ons erbarmd; onze Vader, onze Koning! ter wille van onze voorouders, die op U vertrouwden en wien Gij levenswetten leerdet, â o, wil ons evenzoo genadig zijn en ons onderwijzen! Onze Vader, barmhartig Vader, Albarmhartige, ontferm ü over ons en schenk ons hart de ingeving, te willen begrijpen en verstaan, te willen aanhooren, leeren en onderwijzen, te willen in acht nemen, doen en vervullen met liefde al de woorden, die wij in Uwe heilige Leer vernemen. â En verlicht onze oogen in Uwe Leer en doe ons hart gehecht zijn aan Uwe geboden, en maak tot eenig streven onzes harten Uwen naam te beminnen en te vreezen, opdat wij niet beschaamd worden tot in eeuwigheid 1 Want op Uw grooten en eerbiedwekkenden heiligen naam vertrouwen wij, dat wij eens zullen jubelen en ons verblijden in Uwe hulp. {Men neemt de vier schouwdraden bijeen en houdt ze gedurende het lezen van Shema' in de linkerhand, ter hoogte van het hart.) En breng ons in vrede te zamen van de vier hoeken der aarde en voer ons met opgerichte gestalte 1) naar ons land. Want Gij zijt God, die reddende daden verricht, en ons hebt Gij uitverkoren boven alle volkeren en talen, en hebt ons doen naderen tot Uwen grooten naam, Séla, in waarheid, opdat wij U danken en met liefde Uwe eenheid erkennen; geloofd zijt Gij, Eeuwige! die Uw volk Israël met liefde hebt uitverkoren!
{Wie alleen bidt, zegt: God, getrouwe Koning!)
Deut. 6,4â10.
Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is éénig!
Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig 1
31
Gij zult den Eeuwige, uwen God, beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met geheel uw vermogen. En deze woorden, die Ik u heden gebied, zullen [steeds] in
') Niet meer gebogen onder het juk der ballingschap.
nnn^ nVan «V
: iDlpSp «-1133
nii^pT D»p Ti Vn ^p1? * i:n» VnV
nni33 Syia nnb xin ^ * IVW! nina^n'i Mils nmn nipnï nionbp b^3 m^nn quot;Ssa lans? ^inpn niN^aan |1quot;ik mbnn «nu niKiöquot;) D^'na oniN nfcty1? quot;no«3 : nwis n'^a Tan DI» 1^3 nsTji TNn fi'ï by win : non »3
it â¢-. V t ⢠t * tl tt : - t :
: niiiKsn nxi» « nriK Tjins * niK1? mnia nbon nin^i nbina nbon irnVx « ii^hk n3i nnn«
t : i- t Y â¢â¢ * t ; t ; v r* â¢::â¢*: it : â: t - t -: -
^3 intpSK' liTiüK quot;113^3 wsVp : why
pnnn 3Mn win : insVm wann ?3 D,4n maVm
it-: ~ t t t r t iquot; : - : iquot; t : i quot; * quot; tquot; \ -
lö^ üüpb V^nbi i^n1? liaVs |ni why Dnn onion â ^rnin nio^n nsrVs-nx d^Vi nïvyh] IB^ nn^i ÃIWÃO3 1J31? psm imin3 iNni : n3nx3
â¢â¢ -: | r.* : ⢠: iquot; * I â¢â¢ -: | iv t : i4* â¢â¢ t : t -: - :
0^3 '3 nvi notr nxn^i n3nx'? i:33l?
â¢â¢ ; .*t t ; â¢â¢ ; |iv : t :â¢: t -: - ; iquot; t ;
:: ïinrity^s nno'^i rh^: lantas sjniani Snan whp
1 iv^t * t ; : * ; t i* t : it t t - ; t - | : ;it
niö:3 r3quot;lKO Dl^b â¢
t : ...... quot; .d'gt;nTI3J '«dwsl tt cquot;p nïf3 27n
S^a *3 : mnx) ni'poip pxn
nbo bnn ,ijn3-ipi rityVi or^so mn3 1331 nm
t iv t - | : ⢠; it ; -I â¢â¢; I t : quot; t * t : r t it t it
nni3n « nm ^ns * nsnws ^nn:bi ^ nninV * nows : |dw ^Sa ^ i»w -w : n3n«3 ls^3
. . 'i 'i D'iai
: ins 1quot; wrbx quot; vw
it v JTt v v: ^t: aquot; t : ⢠^ v- :
: WT D1?^1? in^bp T)33 Dir Tjins pnSa
â S33i ntyör-l?33i ïi33'7quot;l?33 i^nVx nin» nx n3nigt;ii
t ; : : quot; t : gt;| ; it t : I lt;sv v; --t : r ; - -«t :
Di»n niïo »33« nt^K nb^n Dn3nn vni :
v quot; â¢Â» i ïquot; s s* it v -: v â¢â¢ r â¢'⢠t : - t ; i iv :
OCH TE lïD-GEBEt).
uw hart zijn! Gij zult ze uwen zonen inprenten en er over spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u nederlegt en als gij opstaat. Gij zult ze binden tot teeken op uwe hand en zij zullen zijn tot voorhoofdsband tusschen uwe oogen. En gij zult ze schrijven aan de deurposten van uw huis en aan uwe poorten.
Deut. 11,13â22. En het zal zijn, wanneer gij zult luisteren naar Mijne geboden, die Ik u heden gebied, â om te beminnen den Eeuwige, uwen God, en Hem te dienen met gansch uw hart en gansch uw ziel; dan zal Ik den regen in uw land geven op zijnen tijd, vroegen regen zoowel als laten regen; en zult gij inzamelen uw koren en uw most en uw olie. En Ik zal gewas geven op uw veld voor uw vee; en gij zult eten en u verzadigen ! Neemt u in acht, dat uw hart niet verleid worde, en gij zoudt afwijken en andere goden zoudt dienen en u voor hen neder-werpen. Want dan zou de toorn des Eeuwigen tegen u ontbranden en Hij zou den hemel sluiten, zoodat er geen regen zoude zijn en de aardbodem zijn opbrengst niet zoude geven; en gij zoudt spoedig verdwijnen van net goede land, dat de Eeuwige u geeft. En gij zult deze Mijne woorden in uw hart en in uw ziel opnemen ; en gij zult ze binden tot teeken op uwe hand en zij zullen zijn tot voorhoofdsband tusschen uwe oogen. En gij zult ze uwe zonen leeren, om er over te spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u nederlegt en als gij opstaat. En gij zult ze schrijven aan de deurposten van uw huis en aan uwe poorten. Opdat uwe dagen en de dagen uwer kinderen zich vermeerderen op den bodem, dien de Eeuwige uwen voorouders toegezworen heeft, hem hun te geven, zoolang als de hemel boven de aarde blijft.
{Men neemt de schouwdraden in de rechterhand en kust ze telkens hij hel uitspreken van het woord: Tsietsith.)
Num. 15,37â41. De Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt: Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen, dat zij zich schouwdraden zullen maken aan de hoeken hunner kleederen, gedurende al hunne geslachten; en dat zij bij de schouwdraden van den hoek een hemelsblauw snoer voegen. En dit zal u tot schouwdraden zijn; en wanneer gij ze zien zult, zult gij u herinneren alle geboden des Eeuwigen en ze vervullen; opdat gij niet [de wereld] beschouwt1), volgend uw hart en uwe oogen, die gij slechts in afval van Mij zoudt aanhangen. â Opdat gij u herinnert en uitoefent al Mijne geboden, en
') Eigenlijk: verspiedt, onderzoekt.
E
32
mnty nban aquot;?
nnabsi D3 man dwat^i : ^pnb
â¢Â» | ; : v ; f v â¢â¢ : lt;!;;â¢: at v.t : - â¢: | v t : -t ; - * : | iv t :
vni niK1? ; ^öipai
: ditto-^ DmnDi riötó
.iquot;i Nquot;l ffilST
DDm too ^3« â¦niïp-bK ^o'fri ^b^quot;D« nrn quot;Sas inajrSi nin^-m hSHK1? Di»n
t ; : t : v â¢â¢ i v; lt;t : v t -: r ; a -
mi» in^a DDÃ-IN-IL:D »nn3i : DDMV
â *â¢â ' ^ * ; â¢)*â¢â¢ : ; - r ; s* - it ; iv : : - t ; vy : * :
?i-ity2 2^ ^nnji ; nöDW ^ipboi
vl ;it : v *jquot; â )⢠-it: lt; Pivt : â¢: u; » * : Ivt : -«t : - it : Ia; -
nmb nnö^-ra nü^n ; njr^i n^Ki nnons1?
av^ : - ; v.quot; : * ' â¢* v t -⢠: it ⢠_ t . it t : ^t^; - it ; i av :â¢.â¢;â¢
mm : on1? Dmiwm Dhnx nmnyi Drnoi
tt : ivt v.v ^ ... -j j. ... ... ; - t.r ... :- :
nai^m -éo D'otyn-nK ivri Dis nirrtiK
t t -: â 't: t t ^ â¢Â»â¢.â¢: r : ⢠- t - v lt;-rt ; v t t : | -
nbtsn pNn ninü Dn-i?^ rto-n# |nn DpaaS*^ nbK nni-nK briö^i : DpS |n3 rrjrr vni Df)quot;irS^ j-iikS anK orntypi DD^ar-S^i
j t i v :v : lt;t v : - I: av ; : - :
D3 lai1? or^rm Dm Drnabi : ra hfitsitaS
at jquot; -: quot; ; v .)t r.' ; - ⢠; iv â¢â¢ ^iquot; \ r* ^ t i :
Dnnnsi : ^Dip2i ^33^1 Tj^a
b^ö» 13T ^n;3 ninro-^
â¦Ã¶'s Dn1? nr6 os^nbN1? nin» yzm noixn bv
jquot; ' avt â¢j,*t \k'- â¢â¢ 1 -:iquot; -jt ; ^ s~ z ' v -: t t-iit *
: D^ü^n
jppj» nïiï rhü msw oïb 'raai yWö'S nrxn sib' tquot;1? iquot;b naina
^3quot;SK iii : iaxb ni^o-bK nin* quot;)ON»I onnaa nw DH1? arbn mo«i
V.v â¢â¢; ⢠r*: - 4' ⢠r.'t ^t : v â¢â¢ -t -«t : - it :
D31? n^ni : nbn ^na eiaan wn:i nnn-i1?
vt â¢itt ; . viquot; : y : ktt^ quot; â¢'* * â¢gt; :it: at 1 :
nin^ niïp-brnN Dnian irfc on^ni hv^v1? DnK-nirK nnKi bsaaV nn« imnn-Kbi dhk
jv - v '-» v â¢â¢ Tquot; 1- ; v ; - ; lt;quot;-t r t 1 : at
on^m 'n'iïö-ba-nN on^i liarn r^ö1? : onnnt^ D^T
jv â¢; i* at ; * t v vquot; * iv «-i r v*
OCHTEND-GEBED.
33
heilig zijt voor uwen God! Ik ben de Eeuwige, uw God, die u heb uitgevoerd uit het land Egypte om u tot God te zijn; Ik, de Eeuwige, uw God!
|
Waar en juist, gegrond en bestendig, rechtvaardig en vertrouwbaar, bemind en geliefd, begeerenswaard en lieflijk, eerbiedwekkend en machtig, welgeordend 1) en door overlevering aangenomen, goed en schoon is dit woord voor ons immer eu eeuwig. Het is waar, de God der eeuwigheid is onze Koning; de Rots van Jakob is het schild onzer hulpe; voor alle geslachten is Hij bestendig en Zijn naam bestendig en Zijn troon vast gegrondvest en Zijn koningschap en Zijne trouw bestendig tot in eeuwigheid ! En Zijne woorden zijn eeuwig levend en bestendig, vertrouwbaar en begeerenswaardig voor immer en voor alle eeuwigheid, (Hier leust men de Tsietsith en legt ze uit de hand) voor onze voorouders, zoowel als voor ons, voor onze kinderen en onze nageslachten en voor alle geslachten van het kroost van Israël, uwe dienaren, voor de vroegeren zoowel als voor de lateren is het woord goed en bestendig immer en eeuwig, waar en vertrouwbaar, een wet, die nimmer wijkt! Het is waar, dat Gij, Eeuwige! onze God zijt en de God onzer voorouders, onze Koning en de Koning onzer voorouders, onze Verlosser en de Verlosser onzer vaderen, onze Schepper, de Rots onzer hulpe; onze Bevrijder en onze Redder is van oudsher Ãw naam; geen God is er buiten U! |
Wanneer men Zoelath bijvoegt, zegt men: Waar en juist, gegrond en bestendig, rechtvaardig en vertrouwbaar, goed en schoon is dit woord voor onze voorouders zoowel als voor ons, voor onze kinderen en onze nageslachten en voor alle geslachten van het kroost van Israël, Uwe dienaren, voor de vroegeren zoowel als voor de lateren, immer en eeuwig, een wet, die nimmer wijkt! Het is waar, dat Gij, Eeuwige! onze God zijt en de God onzer voorouders immer en eeuwig. Gij zijt onze Koning, Gij waart ook de Koning onzer voorouders ; wil spoedig ter wille van Uwen naam ons verlossen, gelijk Gij onze voorouders verlost hebt! Het is waar, dat van oudsher Uw groote naam met liefde over ons genoemd is; geen God is er buiten U! |
Bijstand voor onze voorouders waart Gij van oudsher, Schild en Helper voor hunne zonen na hen in elk geslacht. In de hoogte der wereld is Uw zetel en Uwe rechtsoefeningen en Uwe liefderijke mildheid reiken tot de einden der aarde. Heil den man, die luistert naar Uwe geboden en Uwe leer en Uw woord zich ter harte neemt! Het is waar, Gij zijt een Heer voor Uw volk
') Door bepalingen (nupn) verzekerd.
rvw nVan ^
bsnx â¦nKïin D^ribK nin» : D^riy? D^Bhf?
: w. 'amp; 0,5^ 0=^ ó'^P rè?
.nns DoinSs 'n itin yquot;fn
|
.!T? ffilBIS n^lf D11B1SW3 D^i |ü3i yv] nDK nsn aitai raKii v t : : I t v: v ; t t : irniDK by nn in^n S^l irw Sjr nnir^ ^ irnnn t : iquot; : ï]n^ binfr* ynr S^i D^iirN-in D^nnxn nDK * H3^ pn irnbK « xin nnKt^ iquot; v: â¼; t - t D^W1? ü'niaK 'ribNi vsbn Kin nm : t - *r ⢠nnx -iSo T IT Iquot; -: I V IV quot;ino nK 1^X3 t : i- t v -: - DbipDnox nyninn r quot; v v; iquot; -: Knp):i2^ bi-iin :?|n^TD^}^nanN3 : ?|n^iT o^n^x |»ilt; * ïjOE' (Kin) â¡n^nb jt^idi |jd abiyo «in nnx irni3K nirjr 1^3^0113^10 Dbiv D113 :1111111-^33 onnnK I iv t : |iv t t ; T t : v â¢â¢-: - ^n'ixo^ yo5£quot;Egt; amp;*ti nütlt; : pw â¦DÃK I^ ^npnvi ïjo^1? |1ik «in nnx now : 131? ^ dv^ ?|i3ii ^jniini |
Iokji -i^n D^I |Ãi1 3^!quot;! HOK D^JI non:') 3^1 3^x1 T : T ; v; ⢠T ; T ; 3iL2i bzpw i^noi : nnw xy:) : np) abyb wby ntn Tnn nsn ⢠T T : Iquot; T V- TT- VT; 3p)£ niï ii3^D Dbi^ ^riVK no« D'p Kin -ini nn1? 1:^ |JO ini3b01 |133 1^031 DT4p IDE'I D^n in3ni : nD»p ihjioki â¢T TT : vitI- T T npS Dnan:i q^dkj a^»pi t -tv;*.*; ⢠t v: v ⢠tI-: 1:^13«-^ rn^xn pr:1» ,.. -; 1T.0 Dpr.^ ⢠quot; : * : hy) u^nniT^i irjr?^ ir^i by_ : ?]n3£ btin^ yy ninirbs 3112131 D^iinxn Vjn D^it^Nin TT -: - T - : ⢠T pn mioNi noK ; 1^1 obiy1? D^pi » Kin nriNB' nnx : 1133;: üb) ISD 1:3^0 * iyni3K n^Ki u'nbK IV IV 1** : - Iquot; -: â¢â¢ â¢â¢ Iquot; v: i:iïi» i2»ni3N VNIS I^Kà ii»ni3N iquot;; iquot; -; â¢â¢ iquot; -: i- -: DVI^i? IJVÃOI 13113 lin^ity' IIà |
OCHTEND-GEBED.
en een machtig Koning om hunnen strijd te voeren! Het is waar. Gij zijt de Eerste en Gij zijt de Laatste en buiten U hebben wij geen Koning, die verlost en helpt! Uit Egypte hebt Gij ons verlost, Eeuwige, onze God ! en uit het slavenhuis hebt Gij ons bevrijd ; al hunne eerstgeborenen hebt Gij omgebracht, doch Uwen eerstgeborene hebt Gij verlost, en de Schelfzee hebt Gij gekliefd en overmoedigen daarin gedompeld en de U dierbaren er door gevoerd, doch de wateren bedekten hunne verdrukkers, zoodat niet één van dezen overbleef. Daarvoor loofden de beminden en verhieven zij God, en wijdden de dierbaren zangen, liederen en lofprijzingen den Koning, den eeuwiglevenden en bestendigen God; die hoog is en verheven, groot en eerbiedwekkend, die trotschen vernedert en vernederden verheft, die gevangenen uitvoert en verdrukten bevrijdt en behoeftigen bijstaat, en die Zijn volk antwoordt in den tijd, dat zij tot Hem schreien; lofzangen [wijdden zij] God, den Allerhoogste, geloofd zij Hij en alom gezegend; Mozes en de kinderen Israels hieven voor U een lied aan met groote vreugde en zeiden allen:
;/Wie is U gelijk onder de machten. Eeuwige! wie isUgelijk, prijkend in heiligheid, eerbiedwekkend in lof, wonderen verrichtend !
In een nieuw lied prezen de verlosten Uwen naam aan den oever der zee, allen te zamen dankten zij en huldigden en zeiden: ;/De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!quot;
Rots van Israël, sta toch op om Israël bij te staan en bevrijd, gelijk Gij hebt toegezegd, Juda en Israël; (onze Verlosser, Eeuwige, Tsebaoth. Heilige van Israël is Zijn naam); geloofd zijt Gij, Eeuwige ! die Israël verlost hebt!
o Heer! open mijne lippen, opdat mijn mond üwen lof verkondige.
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders. God van Abraham, God van Izak en God van Jakob, groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God ! die weldoende gunsten bewijst en Eigenaar zijt van alles, en de goede daden der voorouders gedenkt en in liefde voor hunne kindskinderen den verlosser doet komen ter wille van Uwen naam; !)
(In de tien hekeeringsdagen zegt men:
Gedenk ons ten leven, Gij Koning, die leven wenscht, en schrijf ons in het boek des levens om Uwentwille, levende God!)
Gij Koning, die Helper en Redder en Schild zijt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham !
34
Gij, o Heer, zijt machtig in eeuwigheid, Gij zijt het, die de dooden doet herleven, krachtig om steeds te helpen;
') Niet ten gevolge hunner verdiensten.
jvw nban ib
nm] Kin nnx nm : Dnn nnb 1135 ^üi DnïDO : ^^101 bm TjVö vb px pnnx «in
onniar1?! ⢠wnna ann^ rrapi u^nb'K « uri1?^ onn ri^ips «p-on n^a' ^iini riann : inia Kquot;? DHO IHK onny D^à iDpn rnn^n nn^ nm^öT onn» unai VK 100111 D^rtsT insjy xm] DIt : DT»pi; 'n bsi ^aquot;? niKiim nis-o nina^ni nniöi an^pK ^via D'W n^aoi D^
nibnri : vVk is^b nji^i d^i
vy ^ bi?iw n^D '⢠rfaw «in -]n| pgt;^ bxb n3!3| â¦Â» â¦â¦ 0^3 nDori-,p ⦠D^D noNi, nai nnpfea HT^ : H^-n'^ hbnn niij t^Tpa -iikj
. iv â¢â¢ 1 . . T vh - t ; v
DvO int 0T»n naip b% d^inj maty n^nn nTt^ : iV.) ztyb i\bv « * iiüni iD^oni inn
⢠nnm; ^onjd nisi bKlty» nir^a' naip niy : Vwa \] nriK Tjna ⢠6nquot;i^* i^np ïnp nixav â¦â¦
! Ta: quot;quot;Si nn?n vaj? ^
*r}bx oniaN â¦n^ wnüi* â¦n^i irnVK « nriK Tpia Kiiani naiin Vnan ^«n ap^t â¦nVtti pnr k^di max npn -15IT1 Van mpi d^id onpn Vöia ⢠nanxa ia^ J^DV on^a ^aV
⢠.mn w« nsian onni nsc dni d^PJ 1003 OVDI '1103 10 /1313I d^dw n^ra)
c Dquot;n D'iiSs? ' Dquot;nn 150? -uansi * a^na fan ^Sa ⢠o^nS wnpi
: Dnnax po « nna ^na ⦠poi ^^101 -iriy ^0
* J?^inb a*i nriK D'np n»no « d1?^1? -iiaa nm
OCHTEND.GEBED.
(Van het Slotfeest tot het Paaschfeest:
Die den wind doet waaien en den regen doet nederdalen;)
Die de levenden yenorgt met genade, de dooden doet herleven met groote barmhartigheid, die vallenden steunt en zieken geneest en geboeiden losmaakt en Uwe belofte vervult aan hen, die in het stof slapen. Wie is als Gij, Heer der machtige daden, en wie gelijkt U, Koning, die doodt, doch weer doet herleven en hulp doet ontspruiten ;
{In de tien hekeeringsdagen: Wie is als Gij, Vader der barmhartigheid! die Uwe schepselen ten leven gedenkt met barmhartigheid!)
Gij zijt vertrouwbaar, dat Gij de dooden zult doen herleven; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven!
Gij zijt heilig en Uw naam is heilig en heiligen prijzen U dagelijks, Sela; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! {in de tien hekeeringsdagen: heilige Koning.)
Mozes verheuge zich met het hem toebedeelde geschenk ^; want een trouwen dienaar hebt Gij hem genoemd; een krans van heerlijkheid 2) hebt Gij op zijn hoofd geplaatst, toen hij vóór Uw aangezicht stond op den berg Sienai en twee steenen tafelen in zijne hand naar beneden bracht, waarop de inachtneming van den Shabbath geschreven was ; en aldus is nog geschreven in Uwe Leer:
Ex. 31,16 en 17. De kinderen Israëls zullen den Shabbath in acht nemen, den Shabbath te maken voor hunne geslachten tot een eeuwig verbond. â Tusschen Mij en de kinderen Israëls zij hij voor eeuwig een teeken, dat in zes dagen de Eeuwige gemaakt heeft den hemel en de aarde en met den zevenden dag ophield te werken en Zijn doel had bereikt.
En Gij gaaft hem niet. Eeuwige, onze God, aan de volkeren der landen, en schonkt hem niet als erfdeel, Gij onze Koning, aan hen, die afgodsbeelden dienen ; ook zullen in zijne rust onbesnedenen niet zetelen; maar alleen aan Uw volk Israël hebt Gij hem met liefde gegeven, aan het kroost van Jakob, dat Gij hebt uitverkoren, het volk, dat den zevenden dag heiligt, die allen zich verzadigen en verlustigen in Uwe goedheid ; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd. Gij bestemdet hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.
Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust; heilig ons door Uwe geboden en laat ü we leer ons deel zijn; verzadig ons met Uwe goedheid en verblijd ons met Uwe hulp, en reinig ons hart om U in waarheid te dienen; en doe ons. Eeuwige, onze God! in liefde en welgevallen Uwen heiligen Shabbath deelachtig worden, opdat daarop mogen rusten Israël, die Uwen naam heiligen; geloofd zijt gij. Eeuwige, die den Shabbath heiligt!
') Den Shabbath, welks wetten Mozes aan Israël had mede te deelen, vgl. Ex. 16,29; Talm. Shabbath 10amp;. ') Een stralenkrans. Ex. 34,29.
35
rvw n^an rh
C D^an TTiöl nnn D^D b,-ww nDsn 'n dv riDitt ir msr 'â¢:'»» t)Dia j»)
v it - * quot;it * quot;
D^öia TjDiD d^i Daarna D»no n»np npna D«n babap
* isj; injioK D^ÃI oniDK n^öi D^in KSITI rrnpi n^pp hdit 'pi rrhiaa ^105 â¦p
* n^vpi
c o^ania aquot;nS rnisc1 naif * D'pqin 2$ 'lip? 'P D1B,'Dn rquot;,1,:!) : D^npn n»np « nn« -pi ⢠D^np nvnn1? nrix |On:i.
* nbo DI* boa viïi^ ^pB'i irnj? nnfs
(: riipn «wn w mwa) ; quot; PiriK TjllS
* ib nKnpT jow quot;in^, o ipbn n:np3 n^o npjy»
* win bv Tish * nn: nnxan
- ⢠- i iv t : : ^t : t 1- t : viv : â¢
* na^ nym ona mnDi * its min rin1? ^5^1
t - - ⢠; v t t : t : * * t -: â¢..â¢â¢:
rü^rrnK ^2 np^i : ^nnina ama pi ni« »33 'ra : d1?^ nna annib na^n-nx r^iKn-nxi D^DUTITIK quot; n'iry na'B'-o oVy1? wn
i vit t v ; ⢠i- t - v t: t ^t ⢠t v i- t^ ;
ninxn quot;)yb irnb^ «inn: natr dioi
t -: t â¢â¢ : iquot; v; â¼: - : : f ~ T 'quot; ' T * '⢠' . quot;
i6 inni:o3 D^i * D^VDÃ nai^S inbn^n NSI
t : ⢠- : ⢠⢠: â¢â¢ ; ^ ; iquot; : - : - : ⢠:
ipjr ^-ijb * nnnxa inn: 1:3^»
oba W2V ^ii^p D^ * nnns D3 iniK D*p* mpn in^pi 13 n^n * ^3Vi3p
: n^xi3 n'^p1? quot;13? ?i*n^ö3 ^nm:D3 nï-i irni3x 'hbKi la^nbK
) iv ; ⢠; iquot; :j- iquot; t : ⢠quot; : iquot; -: quot; â¢â¢ iquot; v:
^n^o^nQ^^vcsp 1:^3^ ^nnins fryi n3nH3 wijïamp;t « i^Vnirn r-ipN3 ^3^ ws1? in^i Tjiis * ïjpE' ^i|5p n3 ini:^ ^yhpT niv iivi^ : raBTi I^ido w nnK
OCHTEND-GEBED.
Schep behagen, Eeuwige, onze God, in üw volk Israël en in hun gebed; en breng den tempeldienst terug in het binnenste van Uw huis, opdat Gij Israels vuurofifers en hun gebed in liefde welgevallig zult aannemen, en steeds zij welgevallig de eeredienst van üw volk Israël!
Op het Nieuwemaans/eest zegt men-.
Onze God en God onzer voorouders! Moge voor Uw aangezicht opstijgen en komen en naderen en gezien en welgevallig aangenomen en gehoord en bedacht en herinnerd worden de herinnering aan ons en onze bedenking en de herinnering aan onze voorouders, en de herinnering aan den Messias, den zoon van Uwen dienaar David, en de herinnering aan Jerusalem, Uwe heilige stad, en de herinnering aan geheel Uw volk, het huis Israël?, â tot redding, ten goede, tot gunst en tot genade en tot barmhartigheid, tot leven en tot welstand op dezen dag van het begin dek maand. Gedenk ons. Eeuwige, onze God, daarop ten goede, en bedenk ons daarop tot zegen, en help ons daarop tot leven! En ter wille van de toezegging van hulp en barmhartigheid, spaar ons en wees ons genadig en erbarm U over ons en help ons, want tot U zijn onze oogen gericht, want een genadig en barmhartig God en Koning zijt Gij!
En onze oogen mogen het aanschouwen, wanneer Gij met barmhartigheid naar Tsion terugkeert; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert!
Bij de herhaling van het gebed, zegt de Gemeente, terwijl de Voorlezer Dma zegt, het volgende-.
Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, de God van alle vleesch, on ze Vormer, de Vormer van het Scheppingswerk ; lof en dankzegging [brengen wij] Uwen grooten en heiligen naam, dat Gij ons hebt doen leven en doen voortbestaan! Zoo moogt Gij ons laten leven en ons laten voortbestaan en onze ballingen verzamelen naar de voorhoven van Uw heiligdom.
om Uwe geboden in acht te nemen en Uwen wil te volbrengen en U van ganscher harte te dienen; [wij danken U ervoor] dat wij ü kunnen danken; geloofd zij de God der dankzeggingen 1 te merken] zijn; Gij, Algoede, Wiens barmhartigheid niet eindigt; Gij, Al barmhartige, Wiens genadebewijzen niet ophouden, â van oudsher hopen wij op U !
Op Chanoekka zegt men-,
[Wij danken UJ voor de wonderen en de verlossing en de machtige daden en de reddingen en de krijgsverrichtingen, die Gij voor onze voorouders verricht hebt in vroegere dagen op dit tijdstip.
In de dagen namelijk van Matthithjahoe, den zoon van den hooge-prieater Jochanan, den Chashmoneêr, en zijne zonen; toen de boosaardige
36
Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, immer en eeuwig. De Rots van ons leven, het Schild onzer hulp zijt Gij voor alle geslachten ! Wij danken U en verhalen Uwen lof voor ons leven, dat in Uwe hand is overgegeven, en voor onze zielen, die aan U zijn toevertrouwd, en voor Uwe wonderen, die eiken dag met ons geschieden, en voor Uwe wonderbaarlijke weldaden, die ten allen tijde, des avonds, des morgens en des middags [op
rvTO n^sn iV
nnüïrn-nK ⢠Dnbönai wrbn quot; n^n
t : t v â¢â¢ t : tt':' â¢â¢ r: ⢠} : iquot; v: â¼: â¢â¢ ;
Sapn nanxa anbam ^NI yyib
â¢â¢ I - ; t -: - : t t ⢠; â¢â¢ t ; ⢠â¢â¢ ⢠: | iv â¢â¢ ⢠: â¢
* ^öJ? rn_i3^ Tpri \K*h â¦nni {ixna
.JC3,,I rhy onsix mn rxna quot;i^i ipsM n^Ti K3;i n^. -irnia^ 'nSxi irn'Sj?
p'-pn. ?j^ nn j5 nya p-pn wnü?? p'n?ti ujn?»
naitaVi na'SaS Sxn?'? ^jrba pquot;i?ll ^quot;!pT tj?
« UTpt * njn B'inn vsi dv? niWS D^nV n-'aqiS ippVi jn^
nj?^113131 ⢠Dquot;ni? i3 w^ini nsi^S 13 wipai nsiD1? is irnS^ tjSo Sn ^ Ti* quot;5 u^ini onii «ani ain ⢠n'orjii * iinx mnii jun
innan « nn« ^13 * D^pnia \wb ^nitya my nrrnni : {i'v*? quot;irirDip
«in nnKty mm DHID
t - T |T : iâ:
irninx ^riVxi irri^K ^ |3D ir'n iiv * i^T tbty - -ini inb Kin nn» 12^
t : T - *1quot;: â¢
* ^nbnn -13021 ^ nnu b^i ï|T3 oniDsn i:«n by_ V^i TjV nnipsn irnioi^a
^l 13DV ^D3
pm â¡â¢â¢tiö
^ Nin Hiix^ wnjx anin 'riSjj wni^ 'nSxi nisi? n^Kis lil1 uivv Sa bs Ciipni Sliari nwiini wa^rnwnii p iria^i wfivn^ Tjc'li? 'quot;pDNtfl?
Tjisj;1?! ^Jisi rj^n lo^S '^Dnlo-um^ Sj; DW' aaSa : niNiinn Sn ^na
â¦3 nitsn onnïi 1^31 31^. ^ni3iüi ^niK^:
⢠-]b wif? D^ipo ^lon lan-K1? »3 onnpni ^oni iV^-^
Dgt;-ms% nawa
nionSan Sj?i nly^in Sjn nlH3fi S^i; ipTquot;®n Sj? opart bp.
' ryn jd^3 onn d,,o;3 irriüifS u; nisSe mo^? vmi ^jio^n Sna jns ijnv-^ in^l? ,)S,3
OCHTEND-GEBED.
Grieksche regeering opstond tegen Uw volk Israël om hen üwe leer te doen vergeten en hen af te brengen van de wetten van Uwen wil; doch Gij in Uwe groote barmhartigheid, stondt hen bij in den tijd van hunnen nood; Gij voerdet hunnen strijd, Gij kwaarat op voor hun rechtzaak, Gij naarat voor hen wraak; Gij leverdet helden over in de macht van zwakken, en velen in de macht van weinigen, en onreinen in de macht van reinen, en booswichten in de macht van braven, en moedwilligen in de macht van hen, die zich bezighielden met Uwe leer! U zelve maaktet Gij een grooten en heiligen naam in Uwe wereld, en voor Uw volk Israël bereiddet Gij groote hulp en verlossing tot op den dag van heden! En daarna kwamen üwe zonen in het binnenste van Uw huis, en ruimden [het verontreinigde] weg uit Uw paleis en reinigden Uwen tempel en ontstaken lichten in de voorhoven van Uw heiligdom, en stelden deze acht dagen van het inwijdingsfeest vast om Uwen grooten naam te danken en te prijzen!
En voor dit alles worde Uw naam, onze Koning! steeds geloofd en verheven immer en eeuwig;
{In de tien hekeeringsdagen:
En schrijf in voor een goed leven al de leden van Uw verbond 1)
En alle levende wezens zullen U danken, Sela! en Uwen naam in waarheid loven, o God, onze hulp en onze bijstand. Sela! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam «de Algoedequot; is en Wien het past te danken!
Bij het herheden van het gebed zegt de Voorlezer:
Onze God en God onzer voorouders! Zegen ons met den in Uwe leer uitgesproken drievoudigen zegen, die voorgeschreven is door de hand van Uwen dienaar Mozes en uitgesproken door den mond van de priesters Aharon en zijne zonen, gelijk er gezegd is: De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede.
Geef vrede, heil en zegen, gunst en genade en barmhartigheid ons en gansch Uw volk Israël; zegen, onze Vader! ons allen te samen met het licht van Uw aangezicht! Want met het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven, Eeuwige, onze God, de leer des levens en de liefde tot genade en welwillendheid, en zegen en barmhartigheid, en leven en vrede; o, moge het goed zijn in Uwe oogen, om Uw volk Israël in eiken tijd en elk uur te zegenen met Uwen vrede!
{In de tien hekeeringsdagen-.
In het boek van leven, zegen en vrede en ruim levensonderhoud mogen wij herdacht en opgeschreven worden voor üw aangezicht, wij zoowel als geheel Uw volk, het huis Israels, tot een goed leven en tót vrede; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper van den vredeI)
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.
37
nnnp nVan h
^np D-rajp^ ?innln nn^fn1? ^ n^-in
pin-n» Mn-ns ri?p â¡nns oriS rnni? a^-in ^oni? dwööi d^o T3 D'sni D^bn t? Dnl33 nnpo Dnop»rn^ np^J qv nyvT t]Si ^nnin ^piy t? nnn n^ns t? anjnp n:? avn? jpnai nSn^ nj?i^ S^nïf,, ^)?j;l?i rnpTi Sna nritfli: ?]S3^n-n^ -uai tsiS ws is'inxi rrtn nnlnS éx naan w naiW v?pTl ^quot;rpT niivci? nnj -ip^S-jni : Sinan Tipc-'p SbnS
* quot;ijft ivn i^bö 'npv Döiquot;in»i. ^an». Dbs-^i c ^ipna r?? 63) n^ita aquot;n^ alnpi nawn ^ mwa)
nütta nx ibbnn. nbD ^rii» D»nn Vai ^jSi ?|pty ni'ian « nn^i Tjina * nbo urn^'i : nninV hkj
: v t
ym iws rftsnn mna
n1 Sj? naman nn'na nvhvm nanaa wana irniax ,nSNi irn'Sj?
,.. w^t:~ t ~ v iv., : - t t: ~ r* ~:t i** « â¢â¢ â¢
: niDNa ^np o^da rjai pqx â¢'sa nniajfn ?|^?x n^a o^l V. N?1 : ^^n1! ?I,SN V3B y in; :
(p'^n vr ja qw) : aiSr ?]V
bw D»önni noni rn nDiai raita diSb'
. ,.. * -! - ; V IV T I â¢â¢ T T : T T
iinï3 quot;tn^3 SNntr^
: t v : it % r t r* -:t 11 - - â¢â¢ t: * t
ranxi D«n niin ^ nnj ?i^ö HKn »3
- : ⢠- - i** v; *â¢: it t 1- ^ I iv t : M*⢠t
-jin1? D^ni D^onni hd^ npnxi non
⢠hiy njrbM ^sjrnK
nawn 'o* mtrja)
^aj-Saiwmx Tj^a1? anaji na^j naia npn;5i alS^i nana aquot;n isp? c aiSrn nry ^ nnx ^na ⢠aiW^ Q'aia Dquot;n^ n-'a
: DI^S bitiv iD^-nN « nnx 'nna
t - â¢â¢ t ; ⢠^ v I quot; t : - â¼; t - | t
38 OCHTEND-GEBED.
Mijn God! bewaar mijn tong voor kwaad en mijne lippen voor het spreken van bedrog; moge mijne ziel zwijgen tegenover hen, die mij vloeken, en moge mijne ziel tegenover ieder aoo nederig zijn als het stof! Open mijn hart in Uwe leer en moge mijne ziel Uwe geboden najagen! En allen, die kwaad tegen mij beramen, o, verijdel spoedig hun plan en vernietig hunne gedachten! Doe het ter wille van Uwen naam, doe het ter wille van Uwe rechterhand, doe het ter wille van Uwe heiligheid, doe het ter wille van Uwe leer! Opdat de door U beminden gered worden, help met Uwe rechterhand en verhoor mij! Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser. Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede voor ons en geheel Israël; zegt hierop: Amen!
Het aij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij U in eerbied dienen, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid. Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offergeschenk van Juda en Jerusalem, als in de dagen van net vroege verleden en als in de jaren der oudheid.
De Voorlezer herhaalt het gebed, waarhij na D'nun nria de volgende Kedoesha wordt ingevoegd-.
Voorlezer â . Laat ons Uwen naam heiligen in deze wereld, gelijk men hem heiligt in de hooge hemelen; zooals door Uwen profeet geschreven is: En de een riep den ander toe en zeide: (Be Gemeente-) Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de gansche aarde! (Het volgende wordt door den Voorlezer herhaald-) Vervolgens doen zij met een groot, machtig en sterk stormgeluid een geluid hooren; terwijl zij zich verheffen tegenover de Serafiem, zeggen zij, tegenover hen staande: «Geloofdquot;. (Gemeente-) Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats! (Gem. en daarna de Voorlezer) Moogt Gij van Uwe plaats stralen, onze Koning! en over ons regeeren, want wij verbeiden U, wanneer Gij als Koning weder te Tsion zult regeeren; o moogt Gij spoedig in onze dagen, en dan voor immer en eeuwig, daar zetelen! Dan zult Gij in Uwe grootheid en heiligheid erkend worden in Uwe stad Jerusalem voor alle geslachten en in alle eeuwigheid! Mogen dan onze oogen Uw koningschap aanschouwen, naar het woord, in de liederen, die Uw macht bezingen, uitgesproken door David, Uwen rechtvaardigen gezalfde. â (Gem. en daarna de Voorlezer) De Eeuwige zal dan in eeuwigheid regeeren, uw God, o Tsion, door alle geslachten; Halleloe-jah!
(De Voorlezer?) Alle geslachten door willen wij Uwe grootheid verkondigen en in alle eeuwigheid Uwe heiligheid uitspreken, en Uw lof, o onze God, zal nimmer uit onzen mond wijken tot in eeuwigheid, want een groote en heilige God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige Godl (in de tien hekeeringsdagen: heilige Koning).
nnnt^ nban nb
^£33 nm vy? ixi â¦riVK
^nnina *zb nna : rvnri Va1? onn
nan nnnp ^ D^inn Vdi ^35 ^n'^üni * ^2p f^Db nb# * Dna^no bp.^i onï^ l^üb ⦠^nnin i^oquot;? n^ *
â¦Ã¶-npK imb vn^ : ïjyp» n^^in ^nn» pï^n* Kin vompa DIV^ n^ï « T,^1? ï1^01
: |ük npNi. ty) DI1?^ n'^
nnnaa cnpan nw w'nüèf 'nVl wiSg V I1S1 ,^-D^T oSiy 'Ã'? HNT? ?ii3j;:J DBh; : innln? 1^1 wp'? ! nvjanp 0^31 nSiy ws dWiti min1 nraa quot;S na-ijn : nvionp
;i- ⢠T : T â¢â¢ ⢠«it T ⢠T : - ; ⢠T- T '.t: ' :lquot;
â¢nSann mrna prS nrnp nquot;
DIquot;Ià ^ö^a iniK D^npaf Dt^a obi^a ^ö^n«
* quot;ipKi nr bts nT ^af y Sjr amaa
: niaa pxn-ba ahn niKay \] ^npT ^nj5 nquot;v D^'^inp bip D^^pB'p prni inx bins tfjn Vipa tk 'n » naa rjna n,'v : -noN1 ^na ojnsi;'? np^S
D^anp ^a irb^ ^iVpni ^^ain waVp ^pippp 'n : loippp : fia^n quot;i^i d^1? mi ainpa |i»va fbpn ^ lamx : ora ny^ninnn1? ?j7y P^T ^ria ^npnni Vnann -in »t ^ n^a niöNn lana ^niaVp nawn : nnV?n innnV fi^v ^1^1?!! : ^pnv n^p
â¢wjiSx ?|n3^i ^npj Tjn^ip o^nw nsaSi ?]S-!3 T33 HIT. nquot;»V fquot;
⢠nrw riipi Slia bj? quot;â¢3 ij?.i nSiy^ tf-io; xS irso
c cnjwj n^a) : e^nprn S{lt;n y nn.^ ^na
OCHTEND-GEBED.
Op Rosh Chodesh en Chanoekka zegt men:
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt Hallel te lezen.!)
Psalm 113. Halleloe-jah! Prijst, gij dienaren des Eeuwigen! prijst den naam des Eeuwigen! De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid ! Van de plaats van opkomst der zon tot haren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen. Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Wie immers is als de Eeuwige, onze God, die hoog verheven troont, â en toch in de diepte nederziet, in den hemel en op aarde?! Die opricht uit het stof den arme, van den mesthoop opheft den behoeftige, om hem te doen nederzitten naast vorsten, naast de vorsten zijns volks; die de onvruchtbare vrouw in het huis doet neerzitten vol vreugde als moeder van zonen; Halleloe-jah!
Psalm 114. Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakob's uit het midden van een volk, dat eene vreemde taal sprak, werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn machtgebied! De zee zag het, â en vluchtte, de Jordaan wendde zich achterwaarts, de bergen huppelden als rammen, de heuvelen als jong kleinvee! Wat is u overkomen, gij zee, dat gij vlucht; gij Jordaan, dat gij u achterwaarts wendt?! Gij bergen, dat gij als rammen huppelt; gij heuvelen, als jong kleinvee?! Voor den aanblik des Heeren beef, gij aarde, voor den aanblik van Jakob's God; die den rots doet verkeeren in een watervijver, hard gesteente in een waterwel!
Op Rosh Chodesh wordt het volgende stuk niet gezegd.
39
Psalm 115. Niet ons, o Eeuwige, niet ons, maar Uwen naam slechts verschaf eerbied, ter wille van Uwe liefdevolle genade, ter wille van Uwe waarheid! Waarom zullen de volkeren zeggen: //Waar is toch hun God?quot;, terwijl toch onze God in den hemel is. Hij volvoert al, wat Hij will Hunne afgoden daarentegen zijn zilver en goud, het werk van de handen eens menschen. Een mond hebben zij, maar zij spreken niet; oogen hebben zij, doch zij kunnen niet zien; ooren hebben zij, maar kunnen niet hooren; een neus hebben zij, doch kunnen niet ruiken. Hunne handen, â zij tasten er niet mede; hunne voeten, zij gaan er niet mede ; zij uiten geen klank met hun keel! Gelijk zij zelve worden zij, die ze maken, allen die op hen vertrouwen! Gij daarentegen, o Israël, vertrouw slechts op den Eeuwige; Hij toch is hun Steun en hun Schild. Gij, huis van Aharon, vertrouwt op den Eeuwige; Hij is hun Steun en hun Schild! Gij, die den Eeuwige vreest, vertrouwt op den Eeuwige; Hij is hun Steun en hun Schild 1
!) Het lezen van Hallel behoort tot de zeven door de geleerden, Soferiem, voorgeschreven verplichtingen, waarover (met het oog op Deut. 17,10) evenals bij de vervulling van in de Thora voorkomende plichten, eene lofzegging wordt uitgesproken. Daartoe behooren nog: liet ontsteken van het Shabbathlicht, 'Eroeb, het wasschen der handen vóór den maaltijd.
rvTO nbön
o^bis nsum tnn rxna 1:^1 vn'tïoa uc'-ip iirN oVi^n rbn irnSx « nnx â¢nna
it ⢠: t ; ⢠; it ;l* . v -: t ^ t |v iv i- v: *: t - | t
â¢* Sbnn-nx
« üp 'n* : quot; Dty-nK ^bn â¦â¦ na)? ibbn * n^Vbn yp -1% wnw-n'vm : nn^D -]quot;po
: niM D»o^n-bv M D^irVa-1?^ Dn :quot; DIT V-TIO ixidö
: * i~ t quot; quot; *: ⢠t t â¼: â¢â¢ t \ ; ;
D^Dira niNi1? 'n^jan wr6K 'd
. i- t - ; ⢠.... - v it t ⢠⢠⢠- - ...... t .
â¦a^in1? : on» ns^Np : p^ni
D^an-DK rvan â¦a^io : id^ ^n: dv D^nroy
: ⢠nmv
t -; - t â¢â¢ :
nn^n : lyb D^p n»? onvap nxva TP hnquot;) a^n : vnibtyoö bxT^^ i^ipb rmrr
tt t- t :;- â¢* t ; * :It: t :
niV3| d»Vkd np-i onnn : -iinxb 3D» pTn b:»i Dnnn : quot;iinxb abri oun ^ DT»n ^b-np : |Mï n« ^in jm ^abp : jxr^aa ni^ D^Vnd njrin : D^-u^pb D^-qjx nïn pann : ap^ niVx
ojS nS Dnms rs rxia naS : ?]nöN;_Sj; ^^pn-S^ lias jn ^ uS tih ? «S xS wp -n^.Nt Sa a^cr? wnSxi : DiTrib$? Nrn\\ aMan nipNquot;1 «Si ddS n? : anx n.; ntv_p ann Drj,3S£! : nfrjf fgn NSI onS-iwe NSI DHS qijjn : w-i1 KSI DHS nsT
; v t I - it ; * : v t 'r; t : ⢠; v t *iquot; quot; r* ~:
: cufi?? «n.! NS obn; NSJ QiTj^n shj â¡n,l1 : pCPT D|jai nü? : ons ntsis -itf$ ha arfty vn^ a.-iios
^3 -inp ii ,NT. : N-in Q|JOI ayx «3 â mtp? pqN n1? : xin
: xin WJOI
het uitspreken der lofzeggingen vóór genietingen (piun riwia), het lezen van de rol Esther op Poeriem, en het ontsteken van het Chanoekkalicht.
40 OCHTEND-GEBED.
De Eeuwige toch heeft ons herdacht, Hij zegent, Hij zegent het huis Israëls, Hij zegent het huis van Aharon. Hij zegent hen, die den Eeuwige vreezen, de kleinen met de grooten ! De Eeuwige zal u bijvoegen, bij u en bij uwe kinderen! Gezegend zijt gij door den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde! De hemel is de hemel voor den Eeuwige, doch de aarde heeft Hij den menschenzonen gegeven. De gestorvenen prijzen God niet, noch zij, die afgedaald zijn in doodszwijgen, â maar wij, wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid! Halleloe-jah!
Op Jiosh Chodesh wordt het volgende stuk niet gezegd.
Psalm 116. Ik bemin den Eeuwige, dus zal Hij zeker hooren naar mijne stem, miin angstig smeeken. Want Hij neigde Zijn oor mij toe, daarom wil ik fiem al mijne dagen aanroepen! Als banden des doods mij omstrikten en de angsten des grafs mij troffen, als ik ondervond nood en kommer, â en dan aanriep den naam des Eeuwigen: «Ach, Eeuwige! red mijne ziel!quot; â dan was de Eeuwige genadig en rechtvaardig, en onze God vol erbarmen! De Behoeder der argeloozen is de Eeuwige; ik was diep gezonken, en ook mij redde Hij I Keer dus teru^, mijne ziel, tot uwe rust, want de Eeuwige bewijst u goeds! Want Crij hebt mijn ziel aan doodsgevaar onttrokken, mijn oog aan tranen, mijn voet aan neerstorten. Ik zal voortaan gaan voor den Eeuwige in de landen der levenden. Ik bleef vol vertrouwen, toen ik sprak; ,/Ik ben zeer arm gewordenquot;. Ik zeide daarom nog bij mijn overhaaste vlucht: //Alle menschenhulp is bedriegelijkquot;.
Hoe kan ik echter den Eeuwige teruggeven al Zijne mij bewezen weldaden ?! Den heilskelk wil ik opheffen en den naam des Eeuwigen aanroepen ! Mijne geloften wil ik den Eeuwige betalen, ik wil het gaarne doen ten aanzien van gansch Zijn volk! [Toen ik sprak;] âKostbaar is in de oogen des Eeuwigen het sterven Zijner vromen. O Eeuwige! âik ben immers Uw dienaar, ben Uw knecht, de zoon van Uwe dienstmaagd, Gij hebt zoo vaak reeds mijne banden verbroken ! U ter eere zal ik dan offeren een dankoffer en den naam des Eeuwigen wil ik aanroepen!quot; Deze mijne geloften voor den Eeuwige wil ik betalen, wil het gaarne doen ten aanzien van geheel Zijn volk, in de voorhoven van het huis des Eeuwigen, ia Uw midden, o Jerusalem ; Halleloe-jah!
Psalm 117. Prijst den Eeuwige, gij volkeren allen; roemt Hem gij natiën allen! Want machtig uitte zich over ons Zijne genade en de trouw des Eeuwigen duurt in eeuwigheid; Halleloe-jah!
Psalm 118. Dankt den Eeuwige, want Hij is goed;
want eeuwig duurt Zijne genade.
Spreke Israël het uit;
«want eeuwig duurt Zijne genadequot;.
Zoo spreke ook het huis van Aharon:
«want eeuwig duurt Zijne genadequot;.
Mogen zoo spreken allen, die den Eeuwige vreezen:
«want eeuwig duurt Zijne genadequot;. F
mnt? nban o
: rhnK n»mK rny n^-m to» Tprr «nar «
I -i - â¢â¢ v | quot;t : â¢â¢ t: ⢠â¢â¢ v | quot;t : | quot;t : itt ; â¼;
D3^ « ^ : D^rrD^ D»3Dj5n « â¦NT T]^ D^DU'n : pxi D'üïy ^ onx : DD^r^i
⢠i- t - | vit t * i- t quot; tquot; v - ⢠: v â¢â¢ : ;
a1?) n^-^bn» D^nsn-^ : onx-^a1? rru rnxm
: t : ⢠â¢â¢ - t t ** : * I - t 1 vit t : t ~ ⢠r t
: n^bn übty'iv] n; Tj-ia: i:m^ : non
â¢TianN tf-mw r* cnn â 'S ütN nBn-ia : 'junn ^Sip-nx * ^nanx «p
-t: ⢠: t t * t -! * *1 v *; : * ^ ⢠: i- t
tljM ms 'jwxo bitttf nsoi mo-'Snn ^aws : xnpx
i t: tt ⢠i t : ; ⢠t : vit â¢â¢;*.⢠⢠i t -: tI:v
irjjSxi pnsi; i] jwn : nüVa ^ nax top?? : xxüii
ii ia i^inuaS n^sa ^ : jrtfirp quot; owns iar : oma
*;â¢â¢ ;it :*â¢:quot;* ⢠r : * ; ⢠i - *; ⢠t ; â¢â¢ â¢â¢ -:
: Tno n^ai-jo njao ^93 risbn ^ Sm ! ixi? w 121$ ,3 WpjfO ⢠D,!inn nteTK? \\ â¢lt;:amp; ^0» : ap Dixn-Si V5n? ^
^ «b S^M-hö
â¢â¢ ; tv ^ ; - t ^t 'i ; - t t - * t t
ip' ' Krrrua ob^K «b m: : xipK «
Itt t ; t t;v t- - t: tI : v *:
ïïiïV *3K '3 « n3« : v^onb nmsn « ^^2
}â¢.',' ' 'i |iv ; ⢠-: ⢠*; tt t ⢠-: - t : it - â¼: « ^ï. ;
M DK'Di min nnr hstn *h : noiob nnns nnüN-ra
t: â¢â¢ ; t -iv - ; v i; tquot; : t ; 1- ⢠| iv t -j i v
nnxra : is^-bab sirnu: obtyx «b m: : j^-ipx
; - : t ; t t;v â¢â¢ - -t r - -r: tI; v
: nnbbn ob^n» â¦DDina â¦â¦ rva
t -: - -it t ; ⢠iquot; ; â¼: â¢â¢
quot;133 »3 : D*DKiTquot;b3 ininaty D*ir-b3 quot;~nK ibbn m
- t ⢠' \ r t 1 : - ⢠t â¼; v - 1
: n^ibbn * Dbi^b quot;tidni non irb^
t -: - t ; â¼: v v;v : - i-'V
nm Snp ; -jiDn Dbl^b »3 3lt2 »3 Mb IIIH Pquot;
; quot; T i ⢠t-
nm bnp ; -j-jon obl^b »3 bK^ïP» fquot;
: T i â¢â¢ t ; ⢠T - i
nm Snp : non obl^b »3 priK-,rv3 h: HOK» i'quot;
mn Vip ; -j^Dn obl^b »3 « W NJ llttN' Fquot;
: - t : ⢠t;.... t . ,
OCHTEND-GEBED.
Van uit de benauwdheid riep ik God aan, Hij antwoordde mij door onbegrensde verruiming. De Eeuwige is met mij, dus vrees ik niet; wat zoude een mensch mij doen ? ! De Eeuwige is mij onder mijne helpers, â ik zie dus rustig mijne haters aan. Beter is het bescherming te zoeken bij den Eeuwige, dan te vertrouwen op mensehen. Beter is het bescherming te zoeken bij den Eeuwige, dan te vertrouwen op vorsten. Al omringen mij ook alle volkeren, â in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren! Al omringen, ja, omsingelen zij mij, â in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren ! Al omringen zij mij als bijen, â plotseling als een doornenvuur gaat hun vlam uit, â in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren! Wel hebt gij mij gestooten om mij ten val te brengen, doch de Eeuwige hielp mij. Mijne zege en mijn zang is God ; Hij was mij ter hulpe. De roep van juichen en redding klinkt in de tenten der rechtvaardigen : «de rechterhand des Eeuwigen schenkt macht; de rechterhand des Eeuwigen is hoog verheven ; de rechterhand des Eeuwigen schenkt macht!quot; Ik zal niet sterven, neen, ik blijf leven en zal verhalen de werken Gods! quot;Wel heeft God mij getuchtigd, maar aan den dood gaf Hij mij niet prijs! â Opent dan voor mij de poorten der rechtvaardigheid, ik wil er binnengaan, wil God danken ! Dit is de poort des Eeuwigen, rechtvaardigen treden er binnen ! Ik dank ü, dat Gij mij verhoord hebt en mij ter hulpe waart 1 De steen, die de bouwlieden verachtten, zij werd tot sluit- en hoeksteen ! Van wege den Eeuwige geschiedde dit, het is wonderbaarlijk zelfs in onze eigene oogen ! Dit is de dag, dien de Eeuwige ons heeft bereid ; wij willen ons er mede verblijden en verheugen!
Ach, Eeuwige ! help toch !
Ach, Eeuwige ! help toch !
Ach, Eeuwige ! schenk toch geluk !
Ach, Eeuwige! schenk toch geluk !
Gezegend hij, die komt in den naam des Eeuwigen; wij zegenen u van uit het huis des Eeuwigen ! God is de Eeuwige. Hij heeft ons licht verschaft; bindt daarom het feestoffer met touwen tot aan de hoorns van het altaar! Mijn God zijt Gij ; ik wil ü danken; mijn God, ik wil ü verheffen! Dankt den Eeuwige, want Hij is goed; want eeuwig duurt Zijne genade!
AI Uwe werken mogen U loven, Eeuwige, onze God; en Uwe vromen, de rechtvaardigen, die Uwen wil volbrengen, mogen met gejuich Uwea naam danken en zegenen en prijzen en roemen en verheffen en zijn macht, heiligheid en heerschappij erkennen, onze Koning! â Want het is goed, U te danken en het is gepast üwen naam te bezingen; want van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Koning, Wiens daden in lofliederen worden geprezen!
Kaddiesh Thithkdbbal.
41
mnt? nbsn kö
-nö tïb ^ ^ : n^niD? ngt; ivan-jz 21L2 : w'BO HK^K â¦jki n^a n « : DIN ^ nfr#» : oonaa nbao nionb nita : diks nbao «a nion1?
*:â¢quot;â¢:⢠ti- -:- tt t - i : ⢠ti- -; -
« Dtra ^i33tpquot;DJ â¦Jiap : D^OK »3 ? ^innp D^irba â¦3 » 0^3 D^ïlp t^NS Dn313 ^13p .* D^ÃK »3
-â¦m n» möTi ny : «I V^J1? *:n»m nm : DVÃK
⢠;~ t t : *; - t -itt^-: tquot; ⢠i- ⢠; t - -;
n'^ â¦â¦ po» D^nv ^hns nan Vip : h n'nKquot;»3 niüN-N1? : Vn n'^ « pp» nooi-i « pp» : Vn -innö : »:3n: n1? nis^i rr »3nD» *iD» : n» wvü quot;iödni
: ⢠*it t : vit - : t * i-: ⢠- t â¢â¢ -: ~ â¢â¢ - -:-
1N3» D»pnv ^ i^BrrnT : n; nnix D3 N3K pnï'n^
idnq |3Nt Tnx : »y»nrn. »jn»3j£ »3 ?|quot;|1K : 13 n^fli N»n riKT nn»n »⦠jikd : nas irxnb nrvn D»:i3n
t : * ⢠t ;it â¼; â¢â¢ â¢â¢ t ⢠: t : t ⢠-
quot; : 13 nnotrji n1?^:»» n'^ Di*n nr nN» ; iya^3
nur bnpm t^si mn ;inn rwip bnpm p:n prn
N3 n^^l^ln quot; N3N N3 HÃ^iyln quot; N3K
t t r â¼: t t t t i* â¼; t t
: N: nn^^n quot; K3K K: nn^ïn â¦Â» N3N
tt*:-*: tt t t â : - â¼: tt
quot;iKn \] bx 1quot;= : quot; n»3p D313313 »; 0^3 M3n -jns ,1?n ^ : nsran mnp 1$ a»n3^3 airiipK vb »3 3iü-»3 «â¢? mm ,Sx : ^onst â¦ribNt ïpiNti. nriK
^ : npn abl^V ?|iin ^i^ D»pnv ^Tpni ⦠ïj^p-bs i3»nbK »; ^i^n» insts»'! ^-i^n ni» nsns S«^» rvs itebn ^OB'-nK i3^Dn wnp!*! li'n^n iDpiquot;i»i nK3»i Di7i^_i^,i obiyp »3 lof? hkj ^p^i niin1? 3112 ^ »3 : nin3^n3 Vbna « nnx ^113 ⢠VK nn«
t : ⢠- t â¢â¢. : f viv *: t - ^ r â¢â¢ r -
.Sapnn «'np
OCHTEND-GEBED.
Bij het openen der Heilige Arke om de Wetsrol er uit te nemen, zegt men;
Het was bij het optrekken der Arke, toen zeideMozes: Verhef U, Eeuwige! dat Uwe vijanden verstrooid worden en zij, die U haten, mogen vluchten voor Uw aangezicht! Want van Tsion gaat de leer uit en des Eeuwigen woord van Jerusalem!
Geloofd zii Hij, die de leer heeft gegeven aan Ziin volk Israël in Zijne heiligheid !
Sommigen zeggen nog het volgende-.
Geloofd zij de naam van den Heer der wereld; geloofd zij üw kroon en Uw verblijf! Moge üw welgevallen immer met Uw volk Israël zijn en doe üw volk de verlossing door Uwe rechterhand aanschouwen in Uw heiligdom. â Doe ons toekomen den zegen van Uw licht en neem in barmhartigheid ons gebed aan ! Moge het U welgevallig zijn ons leven te verlengen in welzijn, en moge ik bedacht worden te midden van de braven, zoodat Gij U over mij ontfermt en mij behoedt en al het mijne en al wat üw volk Israël toebehoort! Gij toch zijt het, die alles voedt en alles onderhoudt; Gij zijt het, die alles beheerscht; Gij zijt het, die ook koningen beheerscht, en alle heerschappij is' aan U. Ik daarentegen ben slechts een dienaar van den Heilige, geloofd zij Hij, voor Wien en voor Wiens verheven leer ik mij ten allen tijde nederbuig; niet op een mensch vertrouw ik, noch steun ik op eenig ander goddelijk wezen, dan alleen op den God des hemels, die is de God der waarheid en Wiens leer waarheid is en Wiens profeten waar zijn en die in rijken overvloed daden van liefde en waarheid verricht; op Hem vertrouw ik entereere van Zijn grooten en geëerden naam spreek ik lofzangen uit! Zoo moge het U dan welgevallig zijn mijn hart te openen voor Uwe heilige leer, en moogt Gij mijne quot; hartewenschen en die van gansch Uw volk Israël vervullen, ten goede, tot leven en tot vrede!
De Arke wordt gesloten en de Voorlezer zegt:
Kent met mij grootheid toe aan den Eeuwige; laat ons te zamen Zijnen naam verheffen.
De Gemeente antwoordt:
Aan U, o Eeuwige, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want [U behoort] alles in den hemel en op aarde; aan U, o Eeuwige, is de heerschappij, en Gij zijt het, die boven alles als opperhoofd verheven zijt! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijne voetbank ; heilig is Hij ! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijnen heiligen berg, want heilig is de Eeuwige, onze God!
42
nnnt? nban 20
min ibd ü-npn p^N tynrDD iDri » noip n^D -inxp. ps?n ^p:3
: pWin^p nnni nnin Kyn |i»vp ^ : ^:3p
: rnin fna^ Tjna
nioitquot;! 'ïin 'nnsn n^a 'ipeS siiaïa min ibd jips» quot;ia pra» lai ion* /an in'»1? co laS ni1? u'asi nSiS nansn r.N p-roai pjjn-n
Tjri^n KH* ⢠Tpnitt Tjna mby K-iai nm Tjna Tjö^1? nnK ipnsi ⢠chyh
* ppnna Vapbi ^iTin: aitsp NJ1? «â¦IÃPNSI ^anpp KTpa KJK KinVi -Knm^apn \b ^nim xn*
^ H rin â¦n» lüJpbi Dnnab ⢠N^nv 133 Kin rijN * N^D1? Dinaoi «VbV |T «in mK â¢
* K^n NnDbpi NO1?» ïy wbvi «in WK * tib'2 bz
«sppt nap. K:*]3p-i xin ^na N^-jipn n:k quot;1? ^ N^I ⢠K^n-i mx bv x) ⢠^33 nnn^
* ü'^p KH^K Kim ⢠K^Oïyquot;! Knl?K3 K-JK * KJ3DD ?^K
p *⢠t t v: ⢠t - : ⢠tt v: v tv t : ⢠t i ⢠t v:
* ü^pi |i3tp nsya? K^ppi * ü't^p 'niK»3:i ⢠ü'typ nnniKi
* fnsipn npK K:K KTp^ K^np npEfy ⢠K^K n?
* â¦sVn p^p abwn) KnniKS »3^ nriöm ^onp Ni^i kh»
: D^y?'! I^nbl 3ül7 * ^K^* -ja^ bp-i KI1?'!
: 101? nöpii;i â¦nK quot;b )biï
.uw Snpni
D'ö^aVs^ Tinni nvam mKönni nm^m nVnan « *h
' T ' # quot; : quot;r*quot;: viv ; ⢠- : t ; - ; t ~ | :
iDölquot;) : i^Ki1? ^3^ Kt^npni npbppn « ^ pKSi « loon : Min t^np vb;n onn^ nnntrni irn^M ^ : irnbK « tyinp »3 lanp in1? iinniyni u^n^K
â¢quot; v: â¼: It ⢠;|t - : -!-;â¢: i-
OCHTEND-GEBED.
Boven alles worde de grootheid en de heiligheid erkend, worde geloofd, geroemd, verheven en verheerlijkt de naam van den Koning aller koningen, den Heilige, geloofd zij Hij, in de beide werelden, deze wereld en de toekomstige wereld, die Hij geschapen heeft; [dit geschiede] naar Zijn welgevallen en naar den wensch van hen, die Hem vreezen, en naar den wensch van het geheele huis Israëls! Rots van alle eeuwigheid. Heer aller schepselen, God aller zielen; die troont in de uitgestrektheid daar bovpn, die zetelt in de overoude hemelen. Wiens heiligheid [een grootsehen indruk maakt] op de Chajjoth, en [de indruk van] Wiens heiligheid rust op den troon Zijner heerlijkheid; zoo worde dan Uw naam geheiligd door ons, Eeuwige, onze God! ten aanzien van al wat leeft! Laat ons voor Hem een nieuw lied uitspreken, gelijk er gezegd is: Heft een lied aan ter eere van God, bezingt Zijnen naam, baant den weg voor Hem, die door de hemelvlakten snelt, rP is Zijn naam, en jubelt vóór Zijn aangezicht! Mogen wij Hem oog in oog aanschouwen, wanneer Hij terugkeert naar Zijn verblijf, gelijk er geschreven is: Want oog in oog zullen zij aanschouwen, wanneer de Eeuwige naar Tsion terugkeert. En er is gezegd: Dan wordt de heerlijkheid des Eeuwigen openbaar, en alle vleesch te zamen zal zien, dat de mond des Eeuwigen gesproken heeft!
De Vader der barmhartigheid. Hij moge zich ontfermen over het volk, dat door Hem van zijne geboorte af beschermd werd, en moge gedenken het verbond met [de voorouders,] de krachtige instandhouders der wereld, en moge onze ziel redden voor ongelukkige oogenblikken, en moge in toorn verdrijven de kwade neiging van hen, die door Hem [zoolang zij bestaan] gedragen worden, en Hij zij ons genadig tot eeuwige redding en vervulle onze wenschen in rijke mate, in heil en barmhartigheid!
Nadat de Wetsrol op de Biema is neergelegd, zegt de Voorlezer:
Moge Hij bijstaan, beschermen en helpen allen, die op Hem vertrouwen, laat ons hierop zeggen: Amen! Schrijft thans allen grootheid toe aan onzen God en bewijst eer aan de heilige Leer! De Kohen kome nader, en wel N. N. de Kohen plaatse zich hier! Geloofd zij Hij, die de Leer heeft gegeven aan Zijn volk Israël in Zijne heiligheid. De Leer des Eeuwigen is volmaakt, zij verkwikt de ziel; het getuigenis des Eeuwigen is vertrouwbaar, het maakt den onnoozele verstandig; de bevelen des Eeuwigen zijn â¢rechtvaardig, zij verheugen het hart; het gebod des Eeuwigen is zuiver, het verlicht de oogen. De Eeuwige verleent Zijn volk macht, de Eeuwige zegent Zijn volk met vrede. God, Wiens weg volmaakt is; het woord des Eeuwigen is gelouterd; Hij is het Schild voor allen, die op Hem vertrouwen.
43
mn;p rhzn JO
⦠Döinnn iKsn»! namn t^i^nn Van V#
* Kin Tji^s ^in^n DpVsn â¦DSD ^Ã-SU' IÃ^ pï-pquot;) laiïna * N|n Dbipni nn oVi^n niobiya ninan'bs piK D^pVi^n IIà : n^-Va jmpi vKn» 'üb' pi^n Dino â¦nrnoa nt^^n ⢠ni^asn-1^ hiSn pal : nin^n kds bv_ in^n^i nvnn bv_ inunpj : anfc yv V3ögt; ION:'! : irriVx ^ ua Bhpn» nianra aonV IVD lot^ nar D^K1? TW ⢠amsa vin
t^:t â¢â¢ t ⢠;- . .. ,. t - tt
inu ba laws ?^3 t7 ir-iKnn : vish i^i iDiy rra
i»t v ; I \~ : ⢠iquot; â¢â¢â¢:*: t t ; : ⢠: : t ;
1123 rhw quot;iok:I : p4v t! ^1^3 WT |^3 '3 ' 3in33 : quot;i3i « ^ »3 nn» T^3-V3 iNm «
â¢â¢ ⢠r; ⢠⢠t : - tt t t : â¼:
d^hn nns quot;ii3ri Dpia# qv dht Kin D^pnin 3^ iP Vin nrs nijnn my^n |p irni^ai Vïn
lyniVKK'O D'übi^ nü^ö1? i:nisj ?quot;nquot;i D^wan
|t» -; : ⢠,. - . . t - â . . ,t it: * :
: DOTni n3iü mö3
⢠-: -; t : t t â¢â :
isisi jnSfn Vy nquot;cn rwo ns^an Sr \'quot;vn rjna
bna i3n ^n : |ün ionji 13 o^pinn V3V pn p vhs nia^ * 3quot;}p fn3 ⢠nnmV ni33 urn irn1?^ nnm : in^nps ia];1? nnin |n3^ Tjiis : |n3n ni[5£3 : â¦nö no*3no niüN: ^ ^33 n3^o na'on quot;
â¢â¢ I ⢠⢠iv - r : - tt v: v *: quot; v it - r ; t ⢠:
la^b T'^ « : Drrj? nym nns « nivp 3V â¦ns'^p nn^ v: quot; m.pK 1311 orpn Vxn : DI1?^ ia^ n» -]n3^ quot; |n» : 13 Dpinn V3b Kin po nöiiï
OCHTEND-GEBED.
De Gemeente en daarna de Voorlezer;
En gij, die gehecht zijt aan den Eeuwige, uwen God, gij allen leeft heden *).
Lofzegging vóór de lezing uit de Thora:
Looft den Eeuwige, den Lofwaardige.
De Gemeente:
Geloofd zij de Eeuwige, de Lofwaardige, immer en eeuwig!
Hij, die voor de Thora geroepen is, vervolgt-.
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons hebt uitverkoren boven alle volkeren en ons Uwe leer hebt gegeven; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de leer gegeven hebt.
â¢) Men leest eiken Shdbhath de afdeding der week voor, over ten minste zeven personen verdeeld; â men heeft echter het recht het aantal der voor de Thora geroepenen te vergrooten, mits men zich bij de verdeeling der afdeeling strikt aan de daarvoor geldende voorschriften houdt. Te Amsterdam is het vaste gébruik, de afdeeling altijd over acht personen en niet meer te verdeelen. Hij, die de Haphtara zal voordragen, wordt niet meegeteld, daar voor hem slechts enkele verzen, die reeds zijn voorgelezen, worden herhaald. â Nadat nu de laatst voor de Thora geroepene de sloüofzegging heeft uitgesproken, draagt de Voorlezer half Kaddiesh voor, en leest men ten minste de drie laatste verzen nog eens voor aan hem, die de Haphtara zal voordragen.
Indien twee weekafdeelingen op één Shdbhath gecombineerd worden, dan wordt voor den vierde het slot van de eerste en het begin van de tweede afdeeling gelezen en wordt als Haphtara het voor de tweede afdeeling aangewezen stuk uit de Profeten voorgedragen, behalve bij combinatie van Acharé en Kedoshiem, en van Nitsabiera en Wajjélech. in welke beide gevallen de Haphtara der eerste afdeeling voorgedragen wordt.
Indien op Zondag het Nieuwemaansfeest zal invallen, wordt de voor dat geval bestemde Haphtara gelezen; de Haphtara 'Ania So'ara wordt echter niet voor die van Machar Chodesh op zijde gezet.
Indien uit twee Wetsrollen moet worden gelezen, verdeelt men steeds de weekaf deeling over zeven (resp. acht) personen, en nadat de laatste de sloüofzegging heeft uitgesproken, legt men de tweede Wetsrol naast de eerste en zegt half Kaddiesh; vervolgens wordt de Wetsrol, waaruit is gelezen, opgeheven en der Gemeente getoond en opgerold; ment opent de tweede Wetsrol en leest daaruit dm Maphtier voor.
Indien op Shabbath het Niemeemaansfeest invalt, leest men uit de tweede Wetsrol Num. 28,9â15, de afdeeling over het hijzonder offer voor dm Shabbath en dat voor den Nieuwemaansdag, en als Haphtara leest men Hasshamajlm Kis-ie (Jes. 66,1â24); behalve wanneer de tste Ah op Shdbhath invalt, daar alsdan de Haphtara Shim'oe (Jer. 2,4â28 en 3,4) toch wordt voorgedragen. In de sloüofzegging na de lezing der Haphtara wordt van het Nieuwemaansfeest geene melding gemaakt.
Indien uit drie Wetsrollen moet worden voorgelezen, bijv. indien op den Shabbath van het Inwijdingsfeest tevens het Nimwemaansfeest invalt, leest men uit de eerste Wetsrol de afdeeling der week, over zeven personen verdeeld ; nadat de eerste Wetsrol is opgeheven m gesloten, leest men uit de tweede de afdeeling voor het Nieuwemaansfeest. legt vervolgens de derde Wetsrol naast de tweede m zegt half Kaddiesh. Nadat ook de ticeede Wetsrol getoond en gesloten is, leest mm uit de derde de afdeeling voor het Inwijdingsfeest (resp. Shekaliem of Hachodesh), en leest de voor ieder dier dagen bestemde Haphtara.
44
nnnt? nVön quot;io
(* : Di»n DpV? D^n DD^VK «3 D^n DnN-i Fm ^
: Tp'npn â¦â¦ nx iDia â quot;sw ^ ^ : Tjinpn » ^ina Di'n1
: D^I^V TjiDpn â¦â¦ ^13 T2Bn ^ni D^D^nbaü urins oSi^n TjVö irnbN â¦; nrw ^-is : nninn |ni3 quot; nnN ^quot;is * mnin nx
jraonp'p nai ^DIO ffomS nïi nxi naj nyac nar SD3 jmp (* TDfloni .invpsroiDfKvinrw Nipj xim nnx my nnpS inui fn p'^n mvc runnx naia ppnxn -piv nnxi fjon jo im Dxi 'nirian «iioatr d^ids '3 tüsdS N-np thni innxS -[nair ,o .â jnstr los mipo o^piDis quot;]3 S3 jnipi S^nna av TnnnS ncax â w
miD fjioo nnpnS pjnu nraino nmo 'nr 03^3 jo pin 'lo^oir nw Sr maam pTaaai -mia nSnnS pTosor iS'i pi -nnx Sr3 pTtasar a-rnpi nnx px rnp laxi wn ny nrnan d^di p-cn nyo dn .d'3SJ Sra ifn 'Wn Nipr naa Toaan ap Nip1 nSjc nnx nj; nnpS yix â¢npr pjaS nSij; Taaa
myiD n'jjr |a pin -rnmna pTaaa n3r3 nnN3 Smr nn rwiv pup oSiyS min nao quot;â¢nr px^-ia^ .n^na mw w nquot;D pn-'aa n:imx nDi3 jnnxn ^3^ nnxSi ynrn tid3 n33 jitni nquot;D pSSui pnrDjni hy rnp ^n lawi pcxTi Six â¢â 'jr nquot;D3 TaaaS jmpi jnnxS inair ^ pjnui w nquot;D pnniai
/'nd3 a1 arn pToaoi n3rn o 1131 nquot;D3 pnip nm n3r3 ToanS iSn nir-ia3 nunw n3r3 Snr 3!lt; nn p pin â¢maan n3n33 nn pnoia px aSiySi 'ij;ar
nj;3r inrjra pup nauni nn nar3 pa nquot;D nrSr p^xiaw 'jr na pnniai prxn nquot;D pSSwi pnnjai ^«rn â nD3 whv nquot;D pnrjai /nn Sir3 pnnNquot;? jmpi ^^rS -|n3r pjniii pn^jai arvSj; pquot;n piawi nn^r Sy S^an pömai /jnSrn by iSsx pupi pinxS -[-13^ â 'a D^nui nr'Sr nquot;D pnmai w nquot;D pSStn nnj?TND}?pnn pi 'nan p-raaai roun niaa TaaaS pTaaainrnan -1103 vtrhn pup aSiySi -nnn '33 w D'Spr 'a3
.nna Sr3
OCHTEND-GEBED,
Na de lezing;
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons de ware leer gegeven hebt, en [daardoor den weg tot] het eeuwige leven in ons midden geplant hebt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de leer gegeven hebt.
Wie van eene ernstige ziekte genezen, van eene zee- of woestijnreis teruggekeerd, uit de gevangenis ontslagen, of aan eenig ander gevaar ontkomen is, zegt het volgende na, de Thoralezing:
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ook aan schuldigen weldaden bewijst, â dat Gij mij allerlei goeds hebt bewezen.
De Gemeente antwoordt â .
Hij, die u [tot dusverre] allerlei goeds heeft bewezen, moge u ook voortaan allerlei weldaden bewijzen, Séla.
Op den dag, waarop iemands zoon, na het hereiken van den dertienjarigen
leeftijd, voor het eerst voor de Thora geroepen wordt, zegt de vader nd de ThoravooHezing en nadat hij den priesterzegen over zijnen zoon heeft uitgesproken, nog het volgende:
Geloofd zij Hij, die mij van de strafplichtigheid voor dezen bevrijd heeft.
Na afloop der Thora-voorlezing zegt de Voorlezer half Kaddiesh; vervolgens
leest men ten minste de drie laatste verzen nog eens voor aan hem, die de
Haphtara zal voordragen; daarna wordt de Wetsrol opgeheven en het schrift aan de Gemeente getoond; hierbij zegt men:
En dit is de leer, die Mozes den kinderen Israels voorlegde, op bevel des Eeuwigen door Mozes. Een boom des levens is zij voor hen, die aan haar vasthouden ; wie haar steunt, is gelukzalig. Haar wegen zijn wegen van liefelijkheid, en al hare paden zijn vrede. Lengte van dagen is in hare rechterhand, in hare linkerhand rijkdom en eer. De Eeuwige schept er behagen in ter wille van Zijne gerechtigheid, de leer steeds meer groot en verheerlijkt te doen worden!
Nadat de Haphtara en hare lofzeggingen zijn uitgesproken, vervolgt men het gebed aldus :
Moge van uit den hemel verlossing, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven en overvloedig levensonderhoud en hemel-sche bijstand en gezondheid van lichaam en uitstekende voorlichting, een kroost, dat leeft en blijft voortbestaan, een kroost, dat nooit ophoudt en nimmer zich onttrekt aan de woorden der heilige Leer, beschikt worden over onze leeraren en onderwijzers, de heilige genootschappen zoowel in het land Israels als in Babylonië, (alsook in alle andere landen onzer ballingschap), over de leiders der volksvoordrachten, de hoofden der ballingschap, !) de hoofden der leerscholen, en de rechters, die in de poorten [der verschillende steden] zitting hebben; over al hunne leerlingen en over alle leerlingen
45
nnnip nVsn n»
Sa nquot;d3 ntms maS wiy t ixtm rVcno niVwswn it vb^ mwa mipS siipn Vnrmoa â jiaw bSu rwnpn msi nVna nSn niipn av wn^a vsw dji ;rwiipn j»r
na» nnin vb |n: D^iyn irnbK « nri« : n-iinn |ni: « nriK Tjina * ijains quot;ni
'si pi^S ruk-a ia-ma -jSnc; ini /on» nSïi d'1? itu 's .nmnS pa'i* nra-is it nata ios^i piiirsn jraa cian ,-pn» 'si , xoirui nSin rfno .niina in^ip Sr romx naia ms ts'
malt: Q'-^nS Voian obi^n « nnw
: aiü-Vs
t ⢠i- t ; v
: nbo ait: ba «in aiD-Va 'D â¢
tiv t i : t ; ⢠t i : t : v
u naia mis jins dto ru» jquot;' ja svi» wvn ms» ia1? ïun uac â gt;»
.naïa i:a hhsma nroa i» nquot;DS ua ns pnpp nrca
: nrW i^:^D
.pquot;n Tquot;»n lai» fwipn icSisna onois DrS anan nismS mno mm iron majacfa
â n^a iquot;! ^3 â¦jèj'? nt^D D'^niTK nnmn nxTi
: IB'Nà n'Spni na Dennis1? N»n D«n~p£ : n^a nwz DW -inx : n^nia-nrbai rvan
t * ⢠t | v i t t iv ⢠: t : ^1 â¢â¢ ; - t iv t :
: nnxn niin Vnr ip-iv J)?»1? fsn l- ^13?! ^ofa
mws naquot;i2 ^csen D^DU ms
â¦jitdi »an« quot;ni â¦orrn Knpni Kin fp^a Dip»
⢠tlt;f?yD N'iin:i köih nvnai tlt;»öB^n Kn^pi â¦n^n S^a^K1? ni pDö^-xV n K»n «yy.
N^-iNa n Kntfnp Nnnian ^ani janob * KnniK ^ansp ^ngt;i xnibi ^a wnb * baaa ni Vxntern n^Vn-Sabi iinn^pbn-Sab * ^arn ^nbi «na^nD
') De door de regeering benoemde staatkundige hoofden der babylonische Joden, v. d. in het algemeen de leiders en bestuurders der Joodsche gemeenten in de ballingschap.
OCHTEND-GEBED.
hunner leerlingen en over allen, die zich met de heilige Leer bezig houden; â moge de Koning der wereld hen zegenen, hun leven vruchtbaar doen zijn en hunne dagen vermeerderen en hun lengte van jaren geven; mogen zij verlost en bevrijd worden van allen druk en alle verderfelijke ziekten ; onze Heer in den hemel zij hun tot hulp ten allen tijde en in elke stonde; laat ons hierop zeggen : Amen !
Wie niet met tien personen het gebed verricht, zegt de twee volgende stukken niet.
Moge van uit den hemel verlossing, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven en overvloedig levensonderhoud en hemelsche bijstand en gezondheid van lichaam en uitstekende voorlichting, een kroost, dat leeft en blijft voortbestaan, een kroost, dat nooit ophoudt en nimmer zich onttrekt aan de woorden der heilige Leer, beschikt worden over deze geheele heilige gemeente, groot en klein, kinderen en vrouwen 1 Moge de Koning der wereld u zegenen, uw leven vruchtbaar doen zijn en uwe dagen vermeerderen en u lengte van jaren geven; moogt gij verlost en bevrijd worden van allen druk en alle verderfelijke ziekten; onze Heer in den hemel zij u tot hulp ten allen tijde en in elke stonde; laat ons hierop zeggen: Amen!
Hij, die onze voorouders. Abraham, Izak en Jakob gezegend heeft. Hij zegene deze geheele heilige gemeente benevens alle andere heilige gemeenten, hen, hunne vrouwen, hunne zonen en hunne dochters en al de hunnen; ook hen, die bedehuizen bestemmen om het gebed te verrichten, en hen, die daarheen gaan om te bidden, en die brandstof schenken tot verlichting en wijn voor de wijding en het afscheid [van Shabbath en feestdagen] én brood voor doortrekkende vreemden en giften voor de armen [ais ook al, wie vasten wil den eerstvolgenden Maandag en Donderdag en den daar opvolg enden Maandag^ alsook allen, die zich trouw bezighouden met de aangelegenheden der gemeente; de Heilige, geloofd zij Hij, schenke hun loon daarvoor en houde van hen alle siekte verwijderd, en geneze hun geheele lichaam, en vergeve hun elke zonde, en zende zegen en geluk op al het werk hunner handen, evenals aan gansch Israël, hunne broeders; laat ons hierop zeggen: Amen!
Gebed voor de Koningin en het Koninklijk Huis.
Hij, die hulp verleent aan koningen en heerschappij verschaft aan vorsten; Wiens koningschap is een koningschap over alle eeuwigheid; Hij, die Zijnen dienaar David bevrijd heeft van het verderflijke zwaard;
46
mrw nVsn ID
NiD^-n ⢠KnniKa r^-n. |D Vabi jinn^pbn
* |in,:^i7 HD-IK jn^. |in»Di» p'n«n |W
n pD * p^»3 pinD-bs fpi |p ppnarn
: |p« -ipKJi jprba |imj?pn NH»
.-[la^ iq sSi m jpna Dlp^ quot;Wis p» Tn^ SSsnsn ^ITDI nni â¦pnii «npni ht\ K'ptf-fp Dip»
⢠tt^D x-iimi «015 nvoi K»Dty-n Nn^^Di m-i
t : ~ T : T :- T - ; ⢠T :
Sün^-jsi1? ni pDö^-K1? n ^jnr * KQ'pi N»n
Nonai pn xbnp-S^ * «nniK â¦pinsp iy»3! pon; ~\iy ND^-n Kp.^r
pam^ni ppnanni ⢠jüw1? HD-IK \W] jü^pv Him |i3«n xn» n po * p^a p^nö_l?| |pi stp^Sa fp
: |pK npKJi * p^i fpr-^a pa^pa Sa-n» -j-ia^ Kin apjn pnr, onnaK irniax ^a^ â¦p on^ii an ⢠B'ipri nibnp-ba d^ ⢠n?n tfnpn bn^n ni^pja *ria ann^a^ â¦pi * anVi^K-bai an^ni^ai on^ai n: D^niaB' â¦pi '^annb oama D^atf â¦pi * nbanV a^:^) npnyi a^nii^b nai ⢠nbnanbi tfnp1? p;.i ^inö1? oj^v^pqr^ riü^nnS nslquot;)?' 'p Sai -r⢠y⢠mïn ^3)
Kin Tjina ^npn mioxa nav â¦anya a^pfi^ â¦p-Sai nba^i Döirbab xann nbnü-^a DHD Ta*i onatr aW»
- : â¢; t t : t ; â¢; t -: - t v â¢â¢ ⢠t ; t t : â¢â¢ - :
â Va a^ am» n'^D-^aa nnbïm nana rhv^ ai^-Vab
t v â¢â¢; - T ; t t ; - : t t : - : â¢: t ^-; t ;
: jpN ipNn arrnN
â¢n-T mirni maSan m ij;3 nSan mabp iniabp a^a^psb nb^ppi a^abab njjiirn jnian jnian * n^n annp ma^ iithk nvian a^pbi^-Va
47 OCHTEND-GEBED.
die in de zee een weg, in machtige wateren een pad heeft gebaand, â Hij zegene en behoede, beware en steune, verheffe en make groot onze Gebiedster, Hare Majesteit Koningin
WILHELMINA en Hare Majesteit de Koningin-Moeder, die tijdens de minderjarigheid van H. M. de Koningin als Regentes over ons land heeft géheerscht, en het geheele doorluchtige Koninklijke Huis!
De Koning aller Koningen schenke Haar in Zijne barmhartigheid leven en behoede Haar en bescherme Haar voor allen nood en kommer en schade; en onderwerpe volkeren aan Hare voeten, doe Hare vijanden voor Haar vallen en moge Zij gelukkig zijn, waarheen Zij zich ook wende ! De Koning aller Koningen schenke in Zijne barmhartigheid Haar hart en het hart der Koningin-Moeder en dat van al Hare raadgevers en vorsten een gevoel van barmhartigheid, om ons en gansch Israël wel te doen; moge in Hare en onze dagen Jnda geholpen worden en Israël veilig wonen en de Verlosser komen voor Tsion; zoo zij het welgevallig; laat ons hierop zeggen : Amen !
Ashré, blz. 48.
Op den Shabbath vóór het Nieuwemaansfeest zegt men-.
Het zij U welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, deze maand voor ons te doen beginnen ten goede en tot zegen en ons te schenken een lang leven, een leven van vrede en welzijn, een leven van zegen en levensonderhoud en versterking van ons gebeente, een leven vol eerbied voor God en vrees voor zonde, een leven zonder schande en schaamte, een leven van rijkdom en aanzien, een leven, waarin ons bezielt liefde tot de heilige Leer en vreeze Gods, een leven, waarin al de wenschen onzes harten ten goede bevredigd worden; Amen, Séla I
Intusschen draagt de Voorlezer het volgende voor-.
Hij, die voor onze voorouders wonderen heeft verricht en hen uit slavernij bevrijd heeft en hen tot de vrijheid heeft gevoerd, Hij verlosse ons spoedig en verzamele onze verstootenen van de vier hoeken der aarde, gansch Israël vereenigd; laat ons hierop zeggen: Amen!
mntp nbfin ro
Kin * on)? ö^ni -jTi D»3 ns^sn unnna nn n^ob doiti nir^
nn^DD bxs ik^n ns'psri dk m*) KrpVnbi n^r^Di D'Jiyn nan nrvn nna njra im
t: ⢠t - t- t:t t ⢠; â¢â¢ t
⢠anin Din» m^sn
t t : â
firi rm baoi n»n» voma D^ban nbo
i t : tt t ⢠t iv : ; â¢; tiv- : t -: - ; ⢠t : - â¢â¢ : - | v iv
n^ab nwii? nnn nrm prii
t iv t ; t iv : - - : t iv: - - r ⢠^- t iv ⢠- i vivt
\n\ vonna D^ban * n^vn n:ön quot;IB'K'VMI
naSsn DK r^ni nabsn unina n»D»3 ⢠bKiiy» D^I 1:0^ nam ni'^b nwoni nn'ri
t ivt ; â¢â¢ t : ⢠t ' : it * t - t ~: ~ t ivt :
V«ia xai nisa1? rials'» Vinfc»i min» ^iyin i:»o»ai
i ⢠: t - iv t i : * â¢â¢ t : ⢠: t : ^ - t * iquot; t :
nquot;0 ^ new : |ox -)on:i: pin »n» pi
.it nSsn 1131S nij.-ro oiaiats» onpi cmn B's-ia» fin wsi ^bSü naamp;a
ivbi? Bnnnty irnia^ ^nbKi irnb^ »⦠riïi w
f^r â¢â¢- ; v iquot; -: â¢â¢ â¢â¢ i- â¢â¢: *: i ivt : ⢠1 t ⢠:
a»aiiK D«n i:S-mni naiabi nam1? nn ^TnrrnK
. -: ⢠- it i v ⢠; t t ; * ; t : v - v 1 -
-hp D^n nD'ia-^ Dquot;n naiD-1?^ D«n D»»n
O'tiv my ana wv D«n niDV^ pVn-V^ Dquot;n np:iö bf D«n nabai n^ia ona a^n sjpn hnti D«n n«Ti: rriin nanx i:a ilt;r\m a^n maai : n^a ?ok * nam1? ua1? ni^Kira ba-nx uquot;?
t iv i â¢â¢ t t ; iquot; ⢠-: : ⢠t v it â¢â¢ - ; v
.rwjrv 10 yquot;vn ittiNi
Kin ⢠mm1? nna^o dhin bKai irniax1? d»dj rivvv â¦Â»
.. : t - t : iquot; -1 - * ⢠t T v â¢
pKn nia:a ^anND irn^jj ^a^i an^a uhik ^Na» : rax quot;iökji ^KTiy^Va anan
i .. t - ; â¢â¢ t : ⢠t â¢quot; -j
OCHTEND-GEBED.
De Voorlezer neemt de Wetsrol in den arm en zegt:
Het begin der maand.....zal zijn op aanstaanden.....dag, die voor
ons en gansch Israël ten goede koine!
De Gemeente en daarna de Voorlezer:
De Heilige, geloofd zij Hij, doe haar [de maand] beginnen vool⢠ons en geheel Zijn volk, het huis Israëls, tot leven en vrede, tot blijdschap en vreugde, tot hulp en vertroosting; laat ons hierop zeggen: Amen !
Heil hen, die wonen in Uw huis, voortdurend prijzen zij U, Séla. Heil het volk, dat iets zoodanigs bezit; heil het volk, wiens God de Eeuwige is.
Psalm 145. Loflied van David. Ik wil U verhefièn, mijn God, o Koning! en Uwen naam zegenen immer en eeuwig. Eiken dag wil ik U zegenen en loven Uwen naam immer en eeuwig! Groot is de Eeuwige en zeer geprezen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk! Geslacht na geslacht roemt Uwe werken en Uwe machtige daden verkondigen zij. De schoonheid van de heerlijkheid Uwer majesteit, en de verhalen Uwer wonderdaden wil ik bespreken. Over de macht Uwer eerbiedwekkende daden spreekt men, en Uwe grootheid â ik wil haar verhalen. De herinnering aan Uwe groote goedheid doen zij als een bron opwellen en wegens Uwe gerechtigheid jubelen zij. Genadig en barmhartig is de Eeuwige, langmoedig en groot in genade! Goed is de Eeuwige voor allen, en Zijne barmhartigheid strekt zich uit over al Zijne werken. Al Uwe werken, o Eeuwige, danken U en Uwe vromen zegenen U. De heerlijkheid van Uw koningschap vermelden zij, en Uwe almacht spreken zij uit; ten einde den menschenkinderen Zijne machtige daden bekend te maken en de heerlijkheid van de schoonheid van Zijn koningschap. Uw koningschap is een koningschap van alle eeuwigheid, en Uwe heerschappij over alle geslachten. De Eeuwige steunt alle vallenden, en richt op alle gekromden. Aller oogen richten zich vol hoop op U, en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd ! Gij opent Uwe hand en verzadigt al wat leeft tot welgevallen. Rechtvaardig is de Eeuwige in al Zijne wegen en liefderijk in al Zijne werken. De Eeuwige is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem in waarheid aanroepen. Hij volbrengt den wil van hen, die Hem vreezen; Hij hoort hun smeeken en helpt hen. De Eeuwige behoedt allen, die Hem beminnen ; doch alle godde-loozen verdelgt Hij. Den lof des Eeuwigen moge daarom mijn mond uitspreken; en alle vleeseh zegene Zijn heiligen naam immer en eeuwig! â Ook wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid, â Halleloe-jah!
G
48
nnnip nbsn nö
inisn i-na nquot;o npiS
: naioS Sint^-Sa Sj;i irSj; tcan ^ ova mT rin trNi
t : ⢠⢠t: * t quot;: iquot; t t - :â¢â¢â¢:⢠v i
n»3 iD^'Sa wby siin in^nt nquot;v
⢠nonibquot;) * nnü'^i jit^b * D^nS â¢
t t v: *r t ; ' ; 1 t ; t : * - : â¢â¢ t : â¢
: |DX 1DN21 : n^D ^Vbn; Tiy
: vn^K quot;amp; D^n n^N 1-? nrDt? D^n n^K
t v; â¼; v 't t â¢â¢: - t it v 't t â¢â¢; quot;
^jüB' nonaw -jban ï|Opiquot;iN quot;iin1? nVnn nop : iy) aSi^gt; ?|0^ nV^nKi Di,quot;l?D| : nj^i
nai^» nn^ nn : ipn t»x inbi^i tnö bVnai « Si-ia
â : : i viquot; l â¢â¢ t â¢â¢.: ⢠: ; t â¢-. : â¼; t
n.Dn ^nin Tbs Tin :
nar : nsnsox iw TIT^I : nn^x
viquot; t iv;--: I : t ; iquot; I iv ; 'Vrv t r t
D'ön â¦â¦ Dim.i pan : ust ^n^vi V?! li ïini» : vfryü-Srty vomi b'zb «-aiü : non Snai
pi t : ~ t t -: -: - â¼: v ,t f t:
mpü» una : nDonn» ^n'pni ^^o-S| «
Tin Tüm vnnma onxn ynin1? : iist nniiaai
--: ; t : t t t quot; ; * quot; i* ; iquot; -; p : t :
iirbsa ^nb^poi niD^p : in^bp
wy. : a^aisan-^1? e^in a^aarrbDb « -|Q1D : ini nnis : d^n-hk DnV-|nij nriNi Va
nm vditSds « pnï : fiïi 'r\-bib yïm
â t: tt: t;*:I â¢- I t t : ^5, r : - | ivt
: nö«3 inNip» quot;it^x bi1? vKip-bnS â¦â¦ anp : vtr^D-Vaa
v v: v i\ tI: ⢠v -: : t :l t : â¼: It t ^: - t ;
« quot;ipijy : D^^in yp^! Dn^iK^nxi n'^ VNT-fiï-i â¦Ã¶ naT « nbnn ; tq^ D^nrrba nxi van^-^rriN
- ⢠; ⢠; - t ; t t â¢â¢ ; t -: t
rr Tinn: i:n:Ni : n^i aVi^ it^np Dty i'srr^ T)y\
t | quot;t : ; i--:- i-t t ^ ; ;it â¢â¢ t t t i quot;t â¢
: n^n oViy-n^i nn];p
â *ra Snji * -inSnji â vn^-ui â¢
OCHTEND-GEBED.
Op den Shahbath vóór het Wekenfeest en dien vóór den Qden Ah draagt
de Voorlezer na Ashru het vohjende voor:
De Vader der barmhartigheid, die in de hoogten troont, moge met Zijn machtige ontferming in barmhartigheid gedenken de braven en rechtvaardigen en volmaakten, de heilige gemeenten, die hun leven hebben opgeofferd voor de heiliging van Gods naam ! Zij waren bij hun leven [door God] bemind en Hem dierbaar en lieten zich ook door den dood niet van Hem scheiden! Sneller waren zij dan arenden, krachtiger dan leeuwen, om te volvoeren den wil van hunnen Eigenaar en het verlangen van hunnen Rots! Moge onze God hen ten goede gedenken met de andere vromen uit alle tijden en in onze dagen, ten onzen aanschouwen wreken het vergoten bloed Zijner dienaren ; gelijk geschreven is in de Leer van Mozes, den man Gods: Doet juichen, gij natiën! Zijn volk, want Hij zal wreken het bloed Zijner dienaren en wraak oefenen op Zijne vijanden, en Zijn volk verschaft verzoening aan Zijn aardbodem ! En door Uwe dienaren, de profeten, is aldus geschreven: En Ik laat vrij, doch hun bloed laat Ik niet ongewroken, de Eeuwige toch troont te Tsion! En in de heilige Geschriften is gezegd : Waarom zouden de volkeren zeggen : waar is hun God? Moge Hij onder de volkeren ten onzen aanschouwen bekend worden, als wraak voor het vergoten bloed Zijner dienaren! Ook zegt de heilige Schrift: Want, Hij, die vergoten bloed opeischt, heeft ook hen herdacht; Hij vergeet niet het geschrei der bedrukten. En nog zegt de heilige Schrift: Eens richt Hij onder de volkeren die natie, die vol is van lijken, nadat Hij zal geslagen hebben het hoofd van een machtig land, die. omdat hij dronk uit den beek aan den weg, daarom trotscn zijn hoofd verheft I
De Voorlezer neemt de Wetsrol op en zegt;
Men prijze den naam des Eeuwigen, want hoog verheven is Zijn naam alleen.
Be GemeenteZijne glorie is over aarde en hemel. Hij verheft den horen voor Zijn volk, tot lof voor al Zijne vromen, voor de kinderen Israel's, het volk, dat Hem nabij is; Halleloe-jah!
Psalm 29. Een psalm van David : Kent den Eeuwige toe, gij zonen der krachten, schrijft den Eeuwige toe heerlijkheid en macht! Kent den Eeuwige toe de eer van Zijnen naam, werpt U neder vóór den Eeuwige in heilig pronkgewaad ! De stem des Eeuwigen over de wateren, de God der heerlijkheid dondert, de Eeuwige over machtige wateren ! De stem des Eeuwigen verheft zich in kracht, de stem des Eeuwigen verheft zich in luister. De stem des Eeuwigen breekt cederen, de Eeuwige verbrijzelt des Libanon's cederen, en laat ze huppelen gelijk een kalf, Libanon en Sirjon gelijk het jong van den Reëtn! De stem des Eeuwigen splijt tot vuurvlammen ! De stem des Eeuwigen doet de woestijn beven, de Eeuwige doet beven de woestijn van Kadesh. De stem des Eeuwigen doet iiinden baren en ontbladert wouden, en in Zijnen tempel zegt alles: heerlijkheid! De Eeuwige troonde reeds bij den zondvloed, de Eeuwige troont nog als Koning voor eeuwig ! De Eeuwige zal Zijn volk macht geven, de Eeuwige zal Zijn volk zegenen met vrede!
49
rvTO nbön ÃQ
miS mjrru 3^3 riWn 'JsSi â 'isSp rOT2
a^oqn? lip?' Nin * D'orajpri ron-i? * Q^ona jai^ conTn 3n bx aüsi nps^ tfipn nibnp * a^^ö^ni an^^ni DTpnn d^io * nnsj nS oniopi a.^vn? D^o^ni a^n^n * atrn nrip â¢irp'Sss D-t?r. : cm- ^ni DJip psi rmfa naa nr-woi ibp. vna^ ai nopj iris;? n1p^i; ⢠aSi^ ipns narab
qi â¢|3 iöj; d?w u^in ⢠crri^n e'w nvo min? 3in|i3 : -jiarn 1T: Sxi â¢â¢ Ibj? ina-jNs nspi ins1? 3^; op;;, ⢠aip1 ina^ gt;3jp?i : pquot;ss? pir üh ao^j ⢠IcnS 3in| a\\'^n
â ir.ry.1? 0:133 ynr ⢠a^'nSjf n\s- o^wn npN1 naS * nax: cnpn nar üh -ist Dnix D^a^ rii ^ -iawi : lia^'n Tjnaj;. m napj : nan yylt; b^vi pna nn; N-Sa oMa? pi; naijci : a-'p. npgs : i:\\h an; p by_ njrif1 ^33 Sn^a
i»isi Saw u'iwnSi nsian p wiSinV its m i n n t b d npiS }gt;quot;pn
⢠nnb io^ 2amp;: *2 « D^-nK bbr\\
nbnn qti : d^i ps: bv_ nm dgt;jis Snpm
: in'ip bjnt^ ':2b
T -; - I ; â¢â¢ T : ⢠â¢â¢ : ⢠T ⢠-: T :
mn : wi 1133 quot;b mn D^K ^ mn nnb niarp D3 « ^lp : t^ijrnTTD quot;b nnnirn lotj' nas ^
n33 vr^p : Q,31 ^ niaan-^K a^rr^ : |iJ3bn n-iK-nx â¦Â» na^n omx -15^ « bip : quot;inns'v, bip DÃH «quot;^p â¢' D'ÃNTfD 103 fin^i fi:3b btytoi DTpTl
Sip : i^np isnp « Vn» nanp Vn; v; ^P â ' B'N man1?
\] : ni23 iDü 1V3 ib^nm mny tjamp;n*) namp;tt bbin* « ^1?! V: quot;io^V W V â¢' ^1^1?
: Dib^a ID^-HK
OCHTEND -GEBED.
Terwijl de Wetsrol in de Arke geplaatst wordt, zegt men:
En als [de arke] rustte, zeide hij: keer terug, o Eeuwige! met de myriaden der duizenden van Israël. Begeef U, o Eeuwige! naar Uwe rustplaats. Gij en de arke Uwer macht 1 Uwe priesters mogen met gerechtigheid zich bekleeden en Uwe vromen jubelen 1 Ter wille van Uwen dienaar David wijs toch het aangezicht van Uwen gezalfde niet af! Want goede leering verschaf Ik u, verlaat dus Mijne Leer niet! Een boom des levens is zij voor hen, die aan haar vasthouden; wie haar steunt, is gelukzalig. Haar wegen zijn wegen vol liefelijkheid en al hare paden zijn vrede. Voer Gij, o Eeuwige! ons tot U terug, dan zullen wij in waarheid terugkeeren! Doe opnieuw onze dagen worden als vroeger!
Bijgevoegd-gebed voor den gewonen Shabtath en voor dien, die met het Nieuwemaansfeest samenvalt.
De Voorlezer zegt half Kaddiesh.
Wanneer ik den naam des Eeuwigen aanroep, kent dan grootheid toe aan onzen God.
o Heer! open mijne lippen, opdat mijn mond Uwen lof verkondige.
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, God van Abraham, God van Izak en God van Jakob, groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God ! die weldoende gunsten bewijst en Eigenaar zijt van alles, en de goede daden der voorouders gedenkt en in liefde voor hunne kindskinderen den verlosser doet komen ter wille vau Uwen naam;
{In de tien hékeeringsdagen zegt men:
Gedenk ons ten leven, Gij Koning, die leven wenscht, en schrijf ons in liet boek des levens om Uwentwille, levende God !)
Gij Koning, die Helper en Redder en Schild zijt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham !
Gij, o Heer, zijt machtig in eeuwigheid. Gij zijt het, die de dooden doet herleven, krachtig om steeds te helpen;
(Fan het Slotfeest tot het Paaschfeest:
Die den wind doet waaien en den regen doet nederdalen;)
Die de levenden verzorgt met genade, de dooden doet herleven met groote barmhartigheid, die vallenden steunt en zieken geneest en geboeiden losmaakt en Uwe belofte vervult aan hen, die in het stof slapen. Wie is als Gij, Heer der machtige daden, en wie gelijkt U, Koning, die doodt, doch weer doet herleven en hulp doet ontspruiten;
50
mrw nbsn i
Diisis Saw quot;pn IBDH dioijanu njwa
« â¢p : ninni \\ niw nn^i
\r\)r^Y T^3 : ^rX i1n^- nnK ^nnup1? : in ; IJST ^Tpni
kti a^n-^ : inr^nquot;^ 'nnin DDV â¦nn: niü n^ \p n^nin^nrbDt D^r^mi n^-n : n^xa n^Dhi na Dunns'?
t iv ⢠; t : â i â¢â¢ : - t iv t : t â¢-. : t iv : : t I ⢠⢠-:--
: Dipa WD» B'in nnwaï n^N ^ : Dibiy
vliv: i-T â¢â¢- tit: | iv â¢â¢ â¼; r» ⢠-; t
.mi ns^i ras'1? «idio n^sn
.wp isn isis fquot;vn
: UTISKS Si: «n N-ipn quot; ^
,.. .. v, T rhv y;
: I1?: â¢'Si nnan quot;«na^ ^
Dnquot;i3K â¦nVK irni^N â¦nVxi irnbK « nnK -nna
v: t t : quot; â¢â¢ v: iquot; -: â¢â¢ â¢â¢ iquot; â¢.â¢: *; t - ) t
JV^ SK N-iisni -ia^n Vnan 2p^ â¦ri^Ki pnï' â¢jkü n^qi nüN npn Van n:pi d^Iü onpn Vaia ⢠nanxa losy Dn^n vnb
.mn ws ns-ian onni na» dsi .â¡quot;n quot;I3D3 /3in31 'quot;|1Ã3 iQ '1Jn3I O's'dw n'^ya)
c Dquot;n D^riSj? ?j?20^ ⢠aquot;nn 130? uanai * n^n? j'sn ^So ⢠nrnS «TDT : Dnn^K |3D « nnK ^13 * pDi JWIDI Tjba
* r^'in'? ai. nnK a^na n»np \] abtyb nüa nnx
(* D'^jn T'^iOI nnn a^'O D'-iBiiS nrsn 'n dii eiDi» ny msy v»» e|Diö j»)
d^si: TjDiD D^sn Daarna D^na n»na ipna a^n baSaa
⢠nsy vwh iniiaN D'pai omoN -i^ai D^in Kfiiii
t t ..........T v; quot;l- ; ⢠-; ⢠- ⢠â¢â¢ :
n»nai n»aa -j^a ^ nai-i \ai nniaa S^3 ^ias â¦a * nraïai
BTJ GEVOEGD-GEBED.
(In de tien bekeeringsdagen; Wie is als Gij, Vader der barmhartigheid! die Uwe schepselen ten leven gedenkt met barmhartigheid!)
Gij zijt vertrouwbaar, dat Gij de dooden zult doen herleven ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven!
Gij zijt heilig en Uw naam is heilig en heiligen prijzen U dagelijks, Séla; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! {in de tien bekeeringsdagen: heilige Koning.)
51
|
Voor den gewonen Shahhath: Gij hebt den Shabbath ingesteld, met welgevallen zijne offers voorgeschreven, hebt zijne nadere toelichtingen als geboden verordend, evenals de orde zijner plengoffers; zij, die hem als een genot beschouwen, zullen tot in eeuwigheid eer deelachtig worden; die hem genieten, erlangen het eeuwige leven en ook zij, die woorden omtrent hem gaarne hooren, hebben het hoogste goed verkoren ; reeds toen, van den Sienai af werden hun aangaande hem [dien dag] geboden gegeven en hebt Gij, Eeuwige, onze God, ons bevolen op dien dag het bijgevoegde offer voor den Shabbath naar behooren te brengen. â Moge het U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, welgevallig zijn ons in vreugde naar ons land op te voeren en ons te planten op ons gebied, opdat wij daar vóór Uw aangezicht onze verplichte offers kunnen bereiden, de gedurige [dagelijksche] offers naar hunne orde en de bijgevoegde offers naar hun voorschrift. Ook het bijgevoegde offer van dezen Shabbathdag |
Voor den Shabbath, waarop het Niemve-maansfeest invalt: Toen Gij Uw wereld in de oudheid hebt gevormd, hebt Gij Uw werk voleindigd op den zevenden dag; Gij hebt ons bemind en in ons welgevallen gevonden en ons verheven boven alle talen en ons geheiligd door Uwe geboden en ons doen naderen tot Uwen dienst, Gij, onze Koning! en Uwen grooten en heiligen naam over ons genoemd ; Gij gaaft ons. Eeuwige, onze God ! met liefde Shabbathdagen tot rust en Nieuwe-maansdagen tot verzoening; doch daar wij zoowel, als onze voorouders, gezondigd hebben vóór Uw aangezicht, is onze stad verwoest, ons heiligdom eenzaam geworden, ging onze glans in ballingschap en werd alle heerlijkheid aan het huis van ons leven [onzen tempel] ontnomen en kunnen wij ónze verplichtingen niet meer vervullen in het door U uitverkoren huis, in het groote en heilige huis, waarover Uw naam genoemd is, wegens de hand, die aan Uw heiligdom geslagen is. â Het zij U dan welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, ons in vreugde naar ons land op te voeren en ons te planten op ons gebied, opdat wij daarvóór U w aangezicht onze verplichte offers kunnen bereiden, de gedurige offers naar hunne orde en de bijgevoegde offers naar hun voorschrift. Ook de bijgevoegde offers van dezen Shabbathdag en dezen Nieuwemaansdas |
6]Dio rbar\
c o^ni? Dquot;nS ni^ ipit * a-'pnin dn* ?]iiM D^siDia nquot;'ï3)
: Q^nan n»np « nnK Tjiia * orno nvnnb nriK fax:'!
⦠rte dv Vds D^npi rnpT irn^ O ^npn ^Ssn -*â lt; ^2) ; ^npn bxn « nnK Tjiia
cnn wil naoS nacS
n^3 D^pQ noViv mï» nnx
t r * vhv ⢠I : t t :i-t t -
wniN nanK ai'3 niiit^bn-^Q lanaam 1:3
: - t ⢠it : ~ : it t r t:
^niïps
ir^^n^rn Vn^n nDn«3 irn^N ^ uV-mni * nxip
t -: - : iquot; v; *: it I v r - t itIt
a^nn nmiab ninsty
t*: â¢â¢ t ; t : ⢠t quot;
: 1- -: i iv t : it t v t t - :
qdb'I 1:1^ nam irmrw
.. t ; iquot; t : t iquot; -: -
n^o nina btsii wv n^i i:^pQ
â¢â¢ ⢠t : i'mt: tt: iquot; ti : *
ni^1? D^ID^ i:naN * i:^n Vnnn n^aa nm^na n^aa irniain
t - * i- - I iv t * : â¢â¢ : iquot;
â¦i3p ?|!2^ ^n^ni
|in tv : i^ipaa nnbn^tï' TH lymaK â¦nbxi quot; ^i^abo
,.. _. ,. .. ,.. ... t; 1,.. T. .
i^ni. UÃ-IK1? nnötya nK rif%} üD-fi i^iaja D-noa on^n irniain ni:anp
t : ⢠; ⢠⢠: r» ; :It
^Dio-nxi * onaVna d^dioi
â¢â¢ : v ; t t : ⢠; ⢠t
rTnn kwquot;! dvi nin na^n av
pquot;ni?n dquot;x
rvn nwn
rrniianp
t iv : :l t
nna n^na
... t iv
n'jsvo ' n'ao:
t : t iv â¢. - : t iv t ;
rrmn'ü * maa
t iv it ; * t
D^anixn D^I * ia? o^n
⢠-: t - : t
* nna n^nü nnai
it t t â¢.. : t iv t ;
* mv: ^dq
t iv t - ; ⢠- ⢠⢠t
anpn^rji^s4 â¦nm'ni nac' c]DiD |apj5 na riï-i â¦,-!⦠: nsna
1 t * ; tt
irnbsï « ^iabp
irniax liïifsS nna'E'a
* uSia^a
n^; a^i
* wniain ni:apj5-nK anipa on^pn
* onabna d^dioi
t t ; ⢠; * t
na^n dv
nnï
t r *
B IJ GEVOEGD-GEBED.
zullen wij met liefde bereiden en brengen vóór Uw aangezicht, naar het gebod van Uwen wil, zooals Gij het ons hebt voorgeschreven in Uwe leer door Uwen dienaar Mozes naar de uitspraak Uwer heerlijkheid; gelijk er gezegd is:
En op den Shabbathdag: twee schapen, onder het jaar, zonder gebrek ; en twee tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, en zijn plengoffer. Dit is het Shabbathbrandoffer op eiken Shabbath, behalve het gedurige brandoffer en zijn plengoffer.
{Op het Nieuwemaansfeest: Dit is het offer voor den Shabbath; en ook het offer van [het feest van] heden [zullen wij dan brengen], gelijk er gezegd is:)
52
|
Voor den gewonen Shabbath; Zij verheugen zich in Uw koningschap, zij, die den Shabbath in acht nemen en hem een genot noemen, het volk, dat den zevenden dag heiligt; allen verzadigen en verlustigen zij zich in Uwe goedheid ; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd; Gij be-stemdet hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk. Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust; heilig ons door Uwe geboden en laat Uwe leer ons deel zijn; verzadig ons met Uwe goedheid en verblijd ons met Uwe hulp, en reinig ons hart om U in waarheid te dienen; en doe ons. Eeuwige, onze God! in liefde en welgevallen Uwen heiligen Shabbath deel- |
Voor den Shabbath waarop het Nienwemaans-invalt: En op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer brengen voor den Eeuwige: twee jonge stieren, jonge runderen, en één ram, zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En het daarbij behoo-rende meeloffer en hunne plengoffers, gelijk er uitgesproken is: drie tienden [van een Epha] voor eiken jongen stier en twee tienden voor den ram en één tiende voor elk schaap; en wijn, naar het daarbij voorgeschreven plengoffer; ook een bok, om verzoening te doen; benevens de twee gedurige [dagelijksche] offers naar hun voorschrift. Zij verheugen zich in Uw koningschap, zij, die den Shabbath in acht nemen en hem een genot noemen, het volk, dat den zevenden dag heiligt; allen verzadigen en verlustigen zij zich in Uwe goedheid; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd ; Gij bestem-det hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk. Onze God en God oazer voorouders! schep behagen in onze rust en laat voor ons op dezen Shabbathdag deze maand beginnen ten goede en ten zegen, tot vreugde en blijdschap, tot hulp en vertroosting, tot verzorging en levensonderhoud, tot leven en vrede, tot vergiffenis van zonde en kwijtschelding van misdaad ; (in de schrikkelmaand: en tot verzoening van misdrijf;) want Uw volk Israël hebt Gij uitverkoren boven alle natiën |
f|Dio nVfin 2:
nanaiy IDS niïas nnnxs ^jaV nn^ai n'^i n?n
: iiüns ^12D 'Sp n^a n;-1?^ ^nnin^
o^'iirv DQ'an njty-^3 D^nrp^ na^n Dioi
. 0;. ,. . ⢠⢠: t t â¢â¢ : t ; â¢â¢ : t - - ; «
ina^s nS^ : i2p;,i. |0f2 nbiVa nnip n^'p : nspii -i^nn rbybv
c ncN'i Disn jgip nar pquot;)^. nt -in t-sn p^1,)
.mn pnii ra»1?
ona nby isnpn DD^nn v^Nnni
â¢t t- t rl: - v â¢â¢ : t â¢â¢ t:
»i3 quot;inx bw np2 »23
â¢â¢ : T : tv ⢠i~ : 11quot; ; ITT â¢â¢ :
Dn^DJi Dnnjai : nwnn
t T : * * ⢠: T ; * T T
ia1? nvhp 12-JP3
|^i 'vtth p'^ hïlt;)
an^pn quot;iödS yyu) i2p:3 : onD^na
t T : * :
^â iipi nr^ npiiy ^niabpa np^
Dv»? * yzp ^quot;ipp D^ 2:^
T^^ni. ^niap myrn ^3Kgt;*
* nxip iniN ww rnon in^ipi 13
t itIt * t - ; v ; -I * :
: n^Knn n^pgt; idt ^nnupn nxp u'nüK ^n'bxquot;!
tk nn nai^n DV31:^
t - - iquot; t â¢â¢- ;
ri'^b * nmn'^i nsiu'P nrn ïrinn
I t : T T : ⢠: t : v - v i -
nonab * nDn:Pi ⢠nnü^Pi
t T : - : TT'.': ^T ' T : ⢠:
.naiï1?
inpfe'* ^nipi nr^ npitr ^ipp aj;
oba * yip
?]3Vl3P 123^nn
13
ww mpn m^-ipi quot;DT * nN^p miK
viquot; t it i t
: n^Nin n'ir^p1? â¦rbïstt la^nbsï ngt;n irnin^ï iiB'lp ^nniipa i:pbn jni ^n'ivps 1:^3^ ^rnins
^np^l ^3Vi3p
lisV quot;inüi
irrt^Nt â¦; nVnjni n?^ jiïnni nnnxs
1
Di^bi D«nb *
-â¢:⢠t: â¢-; T T : - :
(yrs DISDSI ii=rn cnnzo nn^p'?'! ^Pü
⢠niDxn-^a mna ba^ quot;is^n ^
â¢.. t t ⢠t : r t â¢â¢ t : ⢠I : :
B IJ GEVOEGD-GEBED.
53
Voor den Shabhath waarop hel Nieuwemaans-feest invalt:
achtig worden, opdat daarop mogen rusten Israël, die Uwen naam heiligen; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabhath heiligt!
Schep behagen. Eeuwige, onze God, in üw volk Israël en in hun gebed; en breng den tempeldienst terug in het binnenste van Ãw huis, opdat Gij Israëls vuuroffers en hun gebed in liefde welgevallig zult aannemen, en steeds zij welgevallig de eeredienst van üw volk Israël!
En onze oogen mogen het aanschouwen, wanneer Gij met barmharligheid naar Tsion terugkeert; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert!
Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de
Bij de herhaling van het gebed, zegt de Gemeente, terwijl de Voorlezer D^in zegt, het volgende:
Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, de God van alle vleesch, onze Vormer, de Vormer van het Scheppingswerk ; lof en dankzegging [brengen wij] Uwen grooten en heiligen naam, dat Gij ons hebt doen leven en doen voortbestaan! Zoo moogt Gij ons laten leven en ons laten voortbestaan en onze ballingen verzamelen naar de voorhoven van Uw heiligdom, om Uwe geboden in acht te nemen en Uwen wil te volbrengen en U van ganscher harte te dienen; [wij danken ervoor] dat wij U kunnen danken;
God onzer voorouders, immer en eeuwig. De Rots van ons leven, het Schild onzer hulp zijt Gij voor alle geslachten ! Wij danken U en verhalen Uwen lof voor ons leven, dat in Uwe liand is overgegeven, en voor onze zielen, die aan U zijn toevertrouwd, en voor Uwe wonderen, die eiken dag met ons geschieden, en voor Uwe wonderbaarlijke weldaden, die ten allen tijde, des avonds, des morgens en des middags [op
geloofd zij de God der dankzeggingen! te merken] zijn; Gij, Algoede, Wiens barmhartigheid niet eindigt; Gij, Al barmhartige, Wiens genadebewijzen niet ophouden, â van oudsher hopen wij op U !
{Op Chanoekka zegt men: 'Al Hanissiem {hlz. 36).
En voor dit alles worde Uw naam, onze Koning! steeds geloofd en verheven immer en eeuwig;
{In de tien bekeeringsdagen:
En schrijf in voor een goed leven al de leden van Uw verbond I)
En alle levende wezens zullen U danken, Séla! en Uwen naam in waarheid loven, o God, onze hulp en onze bijstand. Sela I Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam âde Algoedequot; isenWien het past te danken!
Voor den gewonen Shabhath:
en hebt hun Uwen heiligen Shabhath bekend gemaakt en voor hen de wetten der Nieuwemaansdagen vastgesteld; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabhath en Israël en de Nieuwemaansdagen
heiligt!
|
C]D1D nVsn .om wsn nacS * ri^nin onb» na^i Tiina * n^3p on^ D^in I T T : it i t v t t t: â¢â¢ t ^Kni na^n â¦; nnx : D^nn |
33 .nat»1? nn mri ⢠* ?|Ã^ â¦Enpö ^J5D « nnK Tjiia : nats'n |
miayn-nK * onban^i bxi'Bquot; na^a irnbK « nïi
t : t v â¢â¢ t : tt* : * â¢â¢ t : ⢠i . ** : iquot; v: â¼: â¢â¢ :
Saf^n nnnxa an^sni ^NI n^n1?
⢠Vniüquot; rnü^ Tpn |i^ â¦nni jiina mnan â¦; nn« ^quot;13 * mnnrn
: p'V1?
nnN^ tiV i:n3K onio
t - t |t : i- -:
|30 OT niï '
â¢nnnn1? «in nnx vyp*
* IC1^ I1?
V;n ï]T3 DniDan ^ b^i ^ nmpan ivniair:
pan cma
^ Nin njiiVtf wraJs* anio
irfïti^ tiSni wnSx nüi3 n,vixquot;i3 IÃV wnsi' it'2 Sa ^ rn^ni Snan nwnlni wa^jii irn? p wnp^i wn^nnB' ïjB'li? fiiisn1? *quot;]iDN^i
ïj^n ic-fS * ama -utont SJ; aW aaSa : nixninn S.v ^na
1:^ ^D:
'3 niian onnvi n^bi nquot;i^ n^Da^ ^niaiüi ^nixbaa
⢠TjV unp ?]npn izn-^ ^ onnpni ^pnn ^3-N1?
â¢Oquot;1? tpa D'DJn by o^ims rowa)
* iy) obiyS i^pri vibfj ïjvv Dpnn^. oba-^i
c ?inn? (Sa) o^aTia a^nS ainai nawn w mei-s)
unjnK* btin nDN3 ^pK' n» nbo n^nn VDI : nninb nK3 aicsn â¦â¦ nriN -jns * r6p
BIJGEVOEGD-GEBED.
Bij het herhalen van het gebed zegt de Voorlezer;
Onze God en God onzer voorouders! Zegen ons met den in Uwe leer uitgesproken drievoudigen zegen, die voorgeschreven is door de hand van Uwen dienaar Mozes en uitgesproken door den mond van de priesters Aharon en zijne zonen, gelijk er gezegd is: De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede !
Geef vrede, heil en zegen, gunst en genade en barmhartigheid ons en gansch Uw volk Israël; zegen, onze Vader! ons allen te samen met het licht van Uw aangezicht! Want met het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven, Eeuwige, onze God, de leer des levens en de liefde tot genade en welwillendheid, en zegen en barmhartigheid, en leven en vrede; o, moge het goed zijn in Uwe oogen, om Uw volk Israël ia eiken tijd en elk uur te zegenen met Uwen vrede!
{In de tien hekeerinrjsdagen;
In het hoek van leven, zegen en vrede en ruim levensonderhoud mogen wij herdacht en opgeschreven worden voor Uw aangezicht, wij zoowel als geheel Uw volk, het huis Israels, tot een goed leven en tot vrede; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper van den vredel)
Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.
Mijn God! bewaar mijn tong voor kwaad en mijne lippen voor het spreken van bedrog; moge mijne ziel zwijgen tegenover hen, die mij vloeken, en moge mijne ziel tegenover ieder zoo nederig zijn als het stof! Open mijn hart in Uwe leer en moge mijne ziel Uwe geboden najagen! En allen, die kwaad tegen mij beramen, o, verijdel spoedig hun plan en vernietig hunne gedachten! Doe het ter wille van Uwen naam, doe het ter wille van Uwe rechterhand, doe het ter wille van Uwe heiligheid, doe het ter wille van Uwe leer! Opdat de door U beminden gered worden, help met Uwe rechterhand en verhoor mij! Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser. Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten, Hij behoude den vrede voor ons en geheel Israël; zegt hierop: Amen!
Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij U in eerbied dienen, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid. Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offergeschenk van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.
54
epio nbfin u
yen mis n'jBnn mTna
'T ^ naman nnina nrWipn nanaa -uana irniax â¢quot;nVxi irnS^ : niaxa dj? n^na nai jnnjc â â¢sp nniexn ?|pj? nro
TJ^SX VJB v; N'f : 7]3n''i ïi'SiV V33 ^ IK; : Tpotri v. ^ana: (jlsn w I? D,J1iquot;) '⢠QiW ^
bjn D^mi noni rn renm n3iL3 diS^
; iquot; t ⢠-: -: v iv t j â¢â¢ t t ; t t
niNia nnjNjs i:b3 W3M ^313
: tv: it â¢â¢. i* t iquot; -:t i rs - â¢â¢ t: * t
nsriKi D^n min ivriVK quot; W-J nn: rte quot;iik^ »3
--: - : * - - iquot; v; â¼: it t r t I iv t ; ⢠I ivt
Tj-iaV ami di^i Dquot;m n^nni nnim npn^i npn
naicn mrra)
^ajg-Sai.wmx anaai na« naia npnai DlWi nana Dquot;n napa c alSrn nrj; ^ nnx ^na * m'SrSi â¡''aiD D,snS Sn-u?quot; n1?
: ia^-nK Tj-inpn â¦; nns4 ^na
TÃ: nanp nanp â¦na'^i yyi iv:
^nnina â¦a1? nna : n^nn VaV na^a ^a:*) Qinn nan nnnp njn ^ D^a^inn Vai ^a: e^nnn ^niïpai l^p1? r\vz ' n^: * ona^nö bpbp onv^
I^Q1? * ^rjnin ^d1? ⢠^n^np j^aV nfr# * â¦a_nöN pïn1? vrr : n^^in ^yi\
Kin VDinpa di^ nfety : ^kui niï 7 ^ia1? â¦ab fi^ni : |ok mpNi VNnty^a ir^ diV^ n'^
nnnpa rn^an n11? na^ u'niaN; 'riSxi wjjW ^ ?]^aSa p'sn n^?i oSiy ip',a hnt? ?iiaj?3 ari : ^nnlna w^Sn jni irp;? : nvionn crjrai dSigt; ws aStrnn nmn1 nmo quot;S nan^i : nrionp
:l t : t â¢â¢ ⢠-it t ⢠t ; - : ⢠t - r -.t : ⢠; i-
B IJ GEVOEGD-GEBED.
Bij de herhaling van het gebed, begint de Voorlezer na Dinen nina aldus:
Wij willen Uwe macht en Uwe heiligheid uitspreken, naar de wijze, waarop die uitgesproken wordt door de vergaderde heilige Serafiem, die Uwe heiligheid in het [hemelsche] heiligdom verkondigen; zooals er geschreven is door Uwen profeet: En de een riep den ander toe en zeide: {De Gemeente:) Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de gansche aarde! (Be Gemeente en daarna de Voorlezer;) Van Zijne heerlijkheid is de wereld vervuld; Zijne dienaren vragen elkander: waar is de [eigenlijke] verblijfplaats Zijner heerlijkheid? Zij, die tegenover hen staan, zeggen : geloofd ! (De Gemeente.) Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats ! (De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Van Zijne verblijfplaats wende Hij Zich in barmhartigheid en begenadige het volk, dat des morgens en des avonds de eenheid van Zijn naam uitspreekt, en steeds eiken dag tweemaal met liefde zegt: Hoor! (De Gemeente:) Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig! (De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Eenig is Hij, onze God, Hij is onze Vader, Hij is onze Koning, Hij is onze Helper; moge Hij in Zijne barmhartigheid ons ten tweedenmale voor de oogen van al, wat leeft, laten hooren: om U tot God te zijn ! (De Gem..-) Ik ben de Eeuwige, uw God!
Op eenen Shahbath, v:aarop Ofan gezegd is, wordt een der onderstaande met Elohéchem beginnende stukken hier ingevoegd. *)
(De Voorlezer:) En in Uwe heilige woorden is aldus geschreven: (De Gem. en daarna de Voorl.:) De Eeuwige zal dan in eeuwigheid regeeren, Uw God, o Tsion, door alle geslachten ; Halleloe-jah!
(De Voorlezer:) Alle geslachten door willen wij Uwe grootheid verkondigen en in alle eeuwigheid Uwe heiligheid uitspreken, en Uw lof, o onze God, zal nimmer uit onzen mond wijken tot in eeuwigheid, want een groote en heilige God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! (in de tien hekeeringsdagen: heilige Koning).
*) Op den Shahbath, waarop het Nieuwemaansfeest invalt:
Uw God late Zijne zon stralen in het zevenvoud van hare kracht, moge de maan bij hare vernieuwing stralen gelijk de zon;l) dan moge de Kieuweraaansdag, als hij weder heilig verklaard wordt, opnieuw zijne verzoenende werking doen, zoodat die dag weder zijne functie verricht en men aanschouwt de heiligheid van Gods Majesteit, op eiken terugkeerenden Nieuwemaansdag en op eiken nieuwen Shabbathdag. â (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)
Op een Shabbath, waarop eene besnijdenis plaats heeft:
Uw God ben Ik, Ik gedenk het verbond [der besnijdenis] ; zie. Ik zend voor Israels rest hem, [den profeet Elia, den bondsengel] die eens zich schuil hield in het dal Kerieths), (die voor zich uit alles schoonvegen en moedwil uitroeien zal;) om heil en vrede te verkondigen op het einde der dagen; dan mogen allen, met wie het verbond is gesloten, weten, dat Hij het is, die verkondigt aan Tsion: Uw God regeert, gij glansrijk stralende ! â (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)
55
tpia nban n:
â¢isnrj fiBiip misi nSsnn nin ^quot;pn
?|üir o^n^an nw nioa
nr bx riT snp^ * y hy sms?
p^n-ba N^O niN^ï M ^np irnp ^np «y - idni
I v it t t t : â¢Â»â : It It It - t :
ITK n?1? nT D^Kity vmt^D abi^ «Vo 11133 'n : 11122
â¢â¢- vt v ⢠-: t -:t : t ^ quot; t f :
â¦â¦ nina Tjiis nquot;v : iiok' ^13 anav / oipp onn^pn jini D^pnis Kin iDipsp 'n : i^ipap : DHDIK vm n3nN43 D^à Tpn Dl» Vss 1p31 31^ iDty irnbK xm nns4 'n : inx « irri^K quot; VQ^
,.. ... T v t v *: iquot; v: â¼; â¢â¢ t : ⢠^ - :
vonns i:^p^ xmi * 1:^10 Kin usbp Kin ir3K Kin : DSfl^K ^ ^K nquot;iP : D^n^Kb D3b nvnb 'rrbs n^p
.(ncu1? DicBi:n) DDTlSx igt;« D'Si'DIS jaw D'I»ISO mrara
^nbK Dbi^b \] â jl7p, quot;'t : ioKb 3in3 ^npT n3n3i 'n : nnVbn ini nnb pv
â¢irnbis' ?in?^i OTISJ n^Si ^Sia T-IJ in; nnS pn
' nnjc tfiifti Sna Sn* ^ ijn DSi^S B'io; XS irsp (! rnjjn : rnpn Sxn ^ nnx ^na
.nn rs'i naâ¢-1?
raj?? * TK^in^n? nn»n * innD^ a,n^3B' * iraa' nnp_ aa^riSj? * ic'ac^ Bl»n ni ⢠inns? cnn1? * icnpnna cnnni ⢠innnr ^p^aiypn: inac'i nar nai 'i^-jnattnn^a * jnra^nrii? nltn
.nS'B ma roüS
Sn?? -iriprn?? ⢠nnxtfS nSir ojx nsn * nn?n 151? â¢'jn* aa^nSv â¢^T.' nnqx? niWi aia lis-aS ⢠(nn?: jnn vjbS naai) * nna w quot;2131 rquot;un : nnini -law * nn? 'nnrSs nxr
') Vgl. Jes. 30,26; waar voor de toekomst aan de hemellichamen groo-terc glans wordt toegezegd. Vgl. Jes. 66,23. 2) Vgl. I Kon. 17,3.
BIJ GEVOEGD-GEBED.
De Voorlezer vervolgt de herhaling van het gebed enzegtKaddiesh Thithkabbal; daarna wordt het gebed aldus voortgezet-.
Niemand is als onze God, niemand is als onze Heer, niemand is als onze Koning, niemand is als onze Helper! Wie is als onze God, wie is als onze Heer, wie is als onze Koning, wie is als onze Helper? Laat ons danken onzen God, laat ons danken onzen Heer, laat ons danken onzen Koning, laat ons danken onzen Helper! Geloofd zij onze God, geloofd zij onze Heer, geloofd zij onze Koning, geloofd zij onze Helper! Gij zijt onze God, Gij zijt onze Heer, Gij zijt onze Koning, Gij zijt onze Helper! â Gij zijt het, voor Wien onze voorouders het reukwerk van specerijen in rook deden opgaan!
De samenstelling van het reukwerk: balsem, zeenagel, gal-banum en wierook ieder tot een gewicht van 70 Mané. Mirre en kassia, halm-dunne nardus en saffraan, ieder tot een
Op den Shabbath, waarop de afdeêling Beréshieth gelezen wordt:
Uw God zal eens Zijnen dienaar [Israël] verstand schenken, dan zal Zijn zetel gevestigd zijn als van den beginne; Hij zal de stad op hare puinhoopen herhouwen en het paleis [den tempel] herstellen en [den breuk van] Zijn altaar heelen om de plaats der plengoffers te herstellen; zal de maagd van Israël vrijlating toeroepen, zoodat zij vrij zal zijn; zie, dan zal de kracht van Zijn toorn Zijne tegenstanders verstrooien als met een alles tot zwijgen brengenden, scherpen wind, en zal Hij regeeren over het volk, dat den Shabbath der wereldschepping in acht neemt. â (De Voorlezer â . En in Uwe heilige woorden enz.)
Op den Shabbath van het Inwijdingsfeest:
Uw God zendt eens Zijnen gezalfde, die zich siert met den gordel van rechtvaardigheid en trouw; die den booswicht doodt door den staf van zijnen mond, den vijand te gronde richt; ') zoodat men wegens de wonderen geheel Hallel zal uitspreken, daar men ['Esau] thans den jongeren broeder [Jakob-Israël] niet meer tot slaaf maakt; nieuwe kennis doet Hij dan ontstaan, zoodat men zijn oor neigt om te luisteren en het niet meer zwaar maakt [om niet te hóoren] s); den glans van het bekoorlijke heilige gebied zal Hij herstellen en ons ten deel doen vallen, dan zullen wij zingen den psalm van David tot inwijding van den tempel- â (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)
Op den Shabbath na den 9den Ab:
Uw God zal ten tweeden male Zijne hand uitstrekken om uwe verstrooiden te verzamelen; zal den tijd verhaasten, waarop men zal zeggen; //gaat heen uit uwe boeien 1quot; Hij zal Zijnen bondsengel [Elia] zenden om uw hart [tot Hem] terug te brengen 3); baant voor hem den weg, zoodat de kromming tot een rechten weg wordt, â en Hij zal u naar Zijne stad verzamelen; gij, die den Shabbath in acht neemt, hij is een verbond tus-schen Hem en u; looft Zijnen naam en gunt u geen zwijgen; zoo waar Zijn heilig aandenken leeft 1 «troost,quot; spreekt eens uw God; «want Ik ben uw Koning en zal over u regeeren Iquot; â {De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)
') Vgl. Jesaja 11,4â8. 2) Vgl. Jes. 6,10. 3) Vgl. Mal'achi 3,23 en 24.
H
56
f]Dia nVfin i:
.UTiSxa px BI-IBIK 7Ni Sapnn u^ip -lei.s nVem ins
: 13^^103 px ⢠uabos pK * 13^11X3 * 13^^33 pK ; 'P * 133^03 'O * 13^1-1X5 »P * 13^X3 â¦p
nni3 ⢠^sSpb nni3 * ^nxS nip - nii3
* 133^0 ^13 ' W3nK ^13 * TjllS : 13^^1Ãi?
nriK ⢠13*31^ Kin nn* * 13^^ «in nn« : 13^^10 -jins 13^13« rmpnt? Kin nnx : 13^^10 xm nnx * 133*70 Kin
!â¢â¢ -: r I: ⢠v t - *!â¢â¢ ⢠t - iquot; ; -
: D*pDn nnup nK ^33quot;? Sp.^p * ninbni rn^s^nni psvm ni*n nntppn Ditss D3n3i nn^ rh'zp n^^'pi quot;io * n3o 0^3^
.jwNia naoS
jiDquot;)ici pivgt;p ^ T^n * n^'x-iD? wp? {te? ra# S^r: Da-'riSx nn?yS sip nn^ ⢠n^n1? ^isj Dlppi asy, inaröT * dt;
ipiB' ha -rpy ⢠pa; vppT loyi pin nan * rpran nnrn I-T ^3*131 rquot;^quot;1 : nv^Nquot;i3 nar
.roi:n riaur1?
vs ioara iTp; yunn * n:iDsni pns nquot;w in^p nSr^ a^n'Sx n-f-jD nyTi ⢠Ta^pa -w'4 nP^S SSn a^pin S^i ⢠tpn! 3^ T^i ⢠TSin DpTpgt; rip Sd? mpn -Iiq * Tppnp jw nitan ^in? nanai yquot;m : in^ n?3,n njjq nPip
.isra nao1?
⢠DsniMfP W5C IonS tj'^n; njn ⢠os^fsia? j-spS n; ^pv oginquot;^ n^p^ip^nn'mmü^ 'D^?1? 3^s;nS nS^? inns ^Spi
W «ia ⢠03^31 ira n\-i nnp nar anpirn ⢠055:3^ i-pj/Si 033^0 Nin 13 ⢠D^nS^ ipN' loqj irip nat. in ⢠oaS ipi -unn T^P quot;anai rquot;w : cpiS^ -jSp^i
B IJ GEVOEGD-GEBED.
gewicht van 16 Mané. Costus 12 Mané, specerijbast drie, en kaneel 9 Mané. Loog van Carshiena 9 Kab, wijn van Cyprus drie Sea en drie Kab; en indien men geen wijn van Cyprus heeft, neemt men zeer ouden witten wijn. Zout van Sedom een vierde (van een Kab), een weinig van het kruid Ma'alé 'Ashan (dat den rook doet opstijgen). Rabbie Nathan zegt: ook een weinig hars van den Jordaan. â Indien men er honig heeft ingedaan, heeft men het ongeschikt gemaakt voor offergebruik; en indien men een van al zijne specerijsoorten er aan laat ontbreken, is men den dood schuldig. Rabban Shim'on, de zoon van Gamlieël, zegt: de balsem is niet anders, dan de hars, die van den balsemstruik afdruipt. â De loog van Carshiena dient om daarmede den zeenagel af te spoelen, opdat deze schoon zij. De wijn van Cyprus dient om daarin den zeenagel te weeken, opdat hij sterk van geur zal zijn. Hiervoor zoude immers ook urine geschikt zijn ? doch men brengt uit eerbied geen urine in het voorhof.
De liederen, die de Levieten zeiden in den tempel: op den eersten dag [der week] zeiden zij [Psalm 24, die begint met de woorden :] «Den Eeuwige behoort de aarde en wat haar vult, de wereld en die haar bewonen!quot; Den tweeden dag zeiden zij [Psalm 48] : âGroot is de Eeuwige en zeer geprezen in de stad van onzen God, Zijnen heiligen berg!quot; Den derden dag zeiden zij [Psalm 82]: âGod plaatst zich in de gemeente Gods, te midden van rechters houdt Hij gericht!quot; Den vierden dag zeiden zij [Psalm 94]: âGod der wraakneming. Eeuwige, God der wraakneming, doe Uwen glans stralen !quot; Den vijfden dag zeiden zij [Psalm 81]: âLaat jubeltoon klinken voor God, onze Sterkte; juicht voor den God van Jakob !quot; Den zesden dag zeiden zij [Psalm 93]: âDe Eeuwige is nu Koning, heeft Zich met hoogheid bekleed, bekleed heeft Zich de Eeuwige, met macht Zich omgord; nu staat ook vast de wereld, wankelt niet meer!quot; Op Shabbath zeiden zij [Psalm 92] : âZangpsalm voor den Shabbathdagquot; ; een zangpsalm namelijk ook voor de toekomst, die komen zal, voor den dag, die geheel Shabbath en rust zal zijn, voor het eeuwige leven!
Rabbie Eli'ezer zeide uit naam van Rabbie Chaniena: de leerlingen der wijzen [de wetgeleerden] vermeerderen den vrede in de wereld, want er is gezegd : Indien al uwe zonen leerlingen des Eeuwigen zijn, dan zal groot zijn de vrede uwer zonen; lees [verklaar] niet: BOnajich (uwe zonen), maar BOUnajich (uwe opbouwers). Groole vrede [valt ten deel] aan hen, die Uwe leer beminnen, hun ligt geen struikelblok in den weg. Vrede heersche binnen uwe muur, welvaart in uwe paleizen!
57
spa nbsn T3
⢠' tod Vpa'ü n^B'n nrch? nna ⢠nj;^n poapi ⢠r\vhv nsibpi p» ib pw DNi ⢠NnVn Nnbn pxp ppna^ |« * pap Qpn) npnp n^o : jnin non K^O ppnap â ba |nn*n nap t]K ioin jni * Kin^ VP n^a n^öo VPà nnK ion DN * nbos vu na rnj DNI -Ninty
T IV T - T ⢠quot; ~ ~ ⢠⢠T T : - : T I - T ⢠:
Kv'K irK nvn * IOIN VN^pa ja ji^p^ |3i_ : nnp p»n nK ns pa^ nrt^np nna : ^pn tjCjian fpfr p'avn nK 13 jni^ ppnsp p» : nx: xnn^ np ⢠païn pp^pD pNB' n4k n) pa; d^j*i 'O xbrn : ht^ «nn^ np : maan nsa mr^a D^-I
t - â¢â¢ : ⢠TT : t ⢠r : -
.n'^s D'isiD 'D»I Tnn 'DO ^ID
p^Nin Di'p : Bhpan n^pa anpix vn D^bn^ i^n : na Van nxto rquot;iN4n - anaiK vn
T â¢â¢ ; I ; â¢â¢ quot; T : | vit T T- ⢠; T
li^nbx T^p TNO Vbnpi »j| bna * onaiM vn *:m 3^3 ni^p nï; * onaiN vn â¢'
niDpi bK « n10^ ^ ' d'Iöin vn ^'pia :
ijnn D^nbN^ irann * onpiK vn ^â¦pnp : ^^in m) nm Tjbo \\ ' onpiK vn wtz : apjr â¦ni?Ni7
⢠onpiN vn na^p : üion bp Vpn pan t]K njxnn ^ «
DVV ⢠ND1? I^1? quot;1^ quot;llQTQ : nai^n DVb 110TD
: t * ^r v ⢠: ⢠t - - : ⢠; â¢
: D^abi^n ^n1? nni:öi na^ ibaiy
'TT â¢â¢ ~ ; t : t - â¢-. v
D*3quot;ID D^Dan 'Tabn ⢠N^jn â¦an IQK nn^K â¦ai IÃN
* ; - ⢠T -; .... - T * -: * - - T T*T : v ⢠- - T
Dibtf' aiquot;) quot; 'liöS Tj^rSai ipK^ ⢠nbi^i DI1?^ on»1? an : ^jia ^ja xnpn ^ ⢠-j^a : ^nttanKanV?# ^Vnp DlbK'^n»: blirpp lob pKi -jnnin
B IJ GEVOEGD-GEBED.
Ter wille van mijne broeders en mijne vrienden wil ik u den vrede wenschen! Ter wille van het huis van den Eeuwige, onzen God, wil ik goeds voor u afbidden ! De Eeuwige geve Zijn volk macht, de Eeuwige zegene Zijn volk met vrede!
Op ons rust de plicht den Heer van het heelal te prijzen, te verheerlijken den Vormer van het Scheppingswerk, dat Hij ons niet heeft doen worden gelijk de volkeren der landen en ons niet heeft gelijkgesteld met de geslachten der aarde, dat Hij namelijk ons deel niet heeft doen gelijken op het hunne, en ons lot op dat van hunne menigte ï). â Wij immers knielen en werpen ons neder en spreken onzen dank uit voor den Koning aller Koningen, den Heilige, geloofd *ij Hij, â die den hemel uitspant en de aarde grondvest. Wiens heerlijke verblijfplaats is in den hemel van boven, en Wiens machtige verschijning in de hoogste hoogten is. Hij is onze God, niemand anders; onze Koning in waarheid, er is geen buiten Hem ; gelijk in Zijne leer geschreven is: en gij zult heden weten en u ter harte nemen, dat de Eeuwige God is in den hemel boven, en op aarde beneden, niemand anders!
Daarom hopen wij op U, Eeuwige, onze God, om spoedig de heerlijkheid Uwer macht te mogen aanschouwen, dat Gij de gruwelijke sehijiigoden zult doen verdwijnen van de aarde en de nietswaardige afgoden zullen worden uitgeroeid, zoodat Gij de wereld volmaakt doet zijn door de heerschappij des Almachtigen en alle vleeschelijke wezens Uwen naam aanroepen; dat Gij tot U richt alle booswichten der aarde, zoodat erkennen en weten alle bewoners der wereld, dat voor à zich behoort te buigen elke knie, bij U behoort te zweren elke tong! Mogen zij voor U, Eeuwige, onze God, knielen en nedervallen en de majesteit van Uwen heerlijken naam erkennen, en mogen allen op zich nemen het juk Uwer regeering, zoodat Gij Koning over hen zijt, spoedig voor eeuwig en immer! Want U behooi-t de regeering en tot in eeuwige tijden zult Gij in heerlijkheid Koning zijn; gelijk in Uwe leer geschreven is : «De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig.quot; En er is gezegd: wüan zal de Eeuwige Koning zijn over de ge-heele aarde, op dien dag zal de Eeuwige eenig zijn en Zijn naam eenig!quot;
Hier wordt door iemand, die een zijner heide ouders verlurmi heeft, Kaddiesh gezegd.
En nu, moge de kracht van mijn Heer zich groot toonen, gelijk Gij gesproken hebt, zeggende: â
Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige, en Uwe genadebewijzen, want sinds alle eeuwigheid zijn zij.
Moge Zijn groote naam in zijne grootheid en heiligheid erkend worden in de wereld, die Hij naar Zijnen wil geschapen heeft;
58
epia nbfin m
WjibN : -]3 Krn-i3*iK â¦jni. ijro1?
: ai^n ia^-nK i]-in» « |n» is^b ry »; : -]b niü
nW n^Kna ivv1? nbna nr6 San pixb nina^Q^ vm K^I niïixn «ua
t t-: t : ; ⢠; it t » : t-: t â¢â¢ : it ^t
D^nia wn:^*! * D:ion Saa ubnui ona upbn
: ; i- -: - t -: t : iquot; t ; v t liquot;: v t
Tjna pinjsn D^bm ^SD -jba Dnioi o^nn^pi V^ap D»p^3 np;: nt^ioi pK iDin nai: nihe' nih ⢠mjr px irribK Kin : n^pi-ip vi:u3 IT^ nypE'i Vk natril Qi'n n^Ti imina mnaa mbiT dök uaba
v t - . - t . ~t : t : t - t v iv i- : -
nnnp pxn hv_] bypn D?pf2 Dfl^Nn Kin « gt;2 rjziï
: lip fK
niNana nnnp nisnb ⢠u^nbK « nip: |3 btf |p?.ngt; * pnn|» nin| o^^Kni pxn |p o^b] rnynb mipnb * wn^ nfco gt;22 np mabpa ^ »3 * ban ^ ba i^nn * p« ypi ^a i^na» wr6K ^ *\\:£h : ba ^a^n Tjia Va ^npn Siy hk aba ibapn * urv ?|p^ niaa1?'! * ibian niabpn »a ⢠zhtyb mnp on^ -jiboni ⢠^niabp ^niina ainaa * maaa ^ibpn n^ rpbiybi * N^n
Hf??'17! ^ quot; nT?l : ^ 1^- V. : nnK la^i nnx « n»n» «mn Di4a
.ainquot;' trnp : -iaxS niai 'Jix ns xj njnjn : nan D^lyo ^ ïpjjni ^ ^aril is?
mni^na N*ia-n Nso'^a tgt;jan npB' i^npnn. Sni-v
') Vgl. Jeremia 10,19: /,Niet als dezen is het deel van Jakob, want [zijn God] is de Schepper des heelals.quot;
59 B IJ GEVOEGD-GEBED.
moge Hij Zijn koninkrijk weder vestigen tijdens uw leven en in uwe dagen en tijdens het leven van gansch het huis Israel's, spoedig, in nabijzijnden tijd ; zegt: Amen !
Gemeente: Amen 1 Zijn groote naam worde gezegend immer en in alle eeuwigheid 1
Gezegend en geprezen en geroemd en verhoogd en verheven en verheerlijkt en vereerd en geloofd zij de naam van den Heilige, geloofd zij Hij, â verre boven alle zegeningen en liederen, lofzangen en vertroostingen, die in de wereld worden uitgesproken ; zegt: Amen ! 1)
Gemeente-. De naam des Eeuwigen zij geloofd, van nu tot in eeuwigheid!
Moge van uit den hemel groote vrede en leven komen over ons en over gansch Israël; en zegt: Amen !
Gemeente: Mijne hulp gaat uit van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde!
Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede over ons en over gansch Israël; en zegt: Amen !
{Te Amsterdam wordt het lied van Gods eenheid en dat van Zijne heerlijkheid, henevens Psalm 92 onmiddellijk na het morgengebed vóór de Thoralezing voorgedragen).
Zang op Gods Eenheid.
Toen [bij de Schepping] rusttet Gij op den zevenden dag, daarom hebt Gij den Shabbathdag gezegend.
Voor al, wat Gij geschapen hebt, wordt U lof gebracht; Uwe vromen zegenen U ten allen tijde:
«Geloofd zij de Eeuwige, die deze allen gevormd heeft, de levende God en Koning der eeuwigheid!quot;
Want van oudsher rust op Uwe dienaren de volheid van Uwe barmhartigheid en genadebewijzen.
1
Bij Kaddiesh-Derahbanan wordt het volgende ingevoegd:
Voor Israël en voor de geleerden en voor hunne leerlingen en de leerlingen hunner leerlingen, alsook voor allen, die zich met de heilige Leer bezighouden, hetzij in deze plaats of op andere plaatsen, â voor hen (en voor U) moge beschikt worden veel vrede, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven, en overvloedig levensonderhoud en verlossing, vanwege hunnen Vader, die in den hemel is; en zegt: Amen I
epiö nbön 123
nniobo
â¢ndki snj5 iodi nv^?
jcdsj; ,osj;si as^s -jinq xai ne^ xn1 ⢠jon v
iinnn k^n^v oomi, ixan^ nan^
nquot;irr3) xm tjna no# vvnrn
kq^3 p^dni xnan:*! ssnnn^n km^i xndna
t : ^t ; 1 t * -: - t t : v: t t ; : â¢-. t t * : t t : â¢
(* : |ok noki : aslj; nnjro ^iao v. oamp; v. ^p httn'p* bs byi wby d«m ra nsi «obty
.. t : ⢠t ; iquot; quot;t ⢠~ : t - : 1 ⢠t ~ t t ; â¢â¢ ;
: |ok nüni : pni vav nty y apo nry
btinv* bs b^i wty aibv namp;y kin vonoa dibtr
.. t : ⢠t : iquot;'t t v ^-:- t : * t v
: |osi npt^i.
min 1sb nsïin omp 'japnn cnp ms diims nquot;^ dtieüos pquot;p2)
.(ar sr narot ivan rvi mn'n ramp;
.nrrn i'v
: npna \2 by n|^n di» * rin: ^rr^n di»3 r« : hdid-i^ n^-^53 ^tpn * nbnn byz-bz
: sbty -jbai d^n d^k * 0^3 quot;ivv ^ ^12 : ^nDni ^on-i 311 * ^n3^ by_ d^i^q *3
.nr d^bvis mcisn ms jjs'nt onnisps (*
â¦tpbrrbi bpi finn^bn bv\ fi3-i b^ sk-ii^ pn k-ink3 n xnniks jo-bs jinn^psn k3n k3quot;i xtyw (11371) jinb xn» nn^i quot;ink'bss ni d^'fp «nnn njitoi p3nk j^nquot;) ^pnni «npni '131 nosr nit : |ok l-lpki «^^3 n |1m3k
ZANG OP GODS EENHEID.
Reeds in Egypte zijt Gij begonnen bekend te maken, dat Gij verre verheven zijt
boven alle goden; toen Gij groote strafoefeningen richttet tegen hen en hunne goden!
Toen Gij vervolgens de Schelfzee kliefdet, zag Dw volk de groote macht, en vreesden zij !
Gij leiddet Uw volk, waardoor Gij U een roemrijken naam vestigdet, en Uw grootheid toondet!
En Gij spraakt met hen van uit den hemel, toen dropen ook de wolken van water.')
Gij kendet hun gaan in de woestijn, in een woest land, waar geen mensch was doorgetrokken.
Gij verdreeft vele volkeren en natiën, wier land zij veroverden met de moeitevol verworven rijkdommen der volken.
Opdat zij in acht zouden nemen de wetten en leeringen, de uitspraken des Eeuwigen, reine gezegden 1
Zij verlustigden zich in vette weide, en uit den harden rotssteen vloeiden oliestroomen. â
Toen zij nu rust kregen [van hunne vijanden], bouwden zij Uwe heilige stad en sierden haar met Uw heiligdom;
En Gij spraakt: //Hier wil Ik gevestigd blijven tot in lengte van dagen; haar voedsel zal Ik zegenen!
Want daar offert men rechtvaardige offers, ook Uwe priesters kleeden zich in rechtvaardigheid!
En het huis van Levie zingt lieflijke liederen U ter eere, zij jubelen en zij zingen!
Het huis Israels, en allen, die den Eeuwige vreezen, vereeren en danken Uwen naam, o Eeuwige!
Gij hebt dus den vroegeren geslachten in hooge mate welgedaan; o, bewijs ook den lateren zulke weldaden!
O Eeuwige! verblijd U toch over ons, gelijk Gij U verblijd hebt over onze voorouders.
Zoodat Gij ons vermeerdert en weldoet; dan zullen wij U eeuwig danken, dat Gij weldaden bewijst!
O Eeuwige! herbouw spoedig Uwe stad; over haar toch is Uw naam genoemd!
Doe daarin Davids hoorn weder ontspruiten; en zetel Gij, o Eeuwige ! voor altijd in haar midden !
Dan zullen wij daar wederom rechtvaardige offers slachten en zal, als in de dagen der oudheid, een U aangenaam meeloffer worden gebracht!
En zegen Uw volk door hun Uw aangezicht te doen lichten, want zij verlangen Uwen wil te volbrengen!
Volvoer dan met welgevallen ons verlangen; zie toch op ons allen, uw volk, [met liefde] neder!
60
Ons hebt Gij uitverkoren om een volk te zijn, dat Uw eigendom is; moge dan Uw zegen rusten op Uw volk, Séla!
!) Vgl. Ps. 68,9.
TinTt yv d
1ND »3 mVnn dnïDai
t r* : ~ ; ,* ; t i ⢠~ ⢠- ; ⢠;
D^'na D^stp ona ba Vj?
: nbnan TH ixn ^aj; e]iD D» : ^13 niNinV * nnjstan D^ ?|a^ rum
: D*Ã ISÃ: D^n DJI * D^OBTI ?Ã DÃ^ mani
â¢it ; it 'tv -: 'itt - I ⢠t * t : i~ * t
: ah wx n^ï p«3 * -i3quot;|S2 Dro) : d*d quot;iiïpi iNty * Q'm |3-t nnr» : Q'm) bnv} DXI« wy* ' D^ÃJ? D^I dmh niiinp nnoK « nnpK * niquot;iin,i o^n nin^? : \t2v IIà K'^P^noi * IOB' n^-ipa
: *|t?np!3 n»3 iiKfip. * i:| onwa
: Tj-ax -]-i3 nnï * -piN1? na quot;lö^ni
: pquot;iï 1^3^ ^jri3 e]N * pnï â¦nST insr Df ^ : ^ nar nio^i nbn noi
: « ^pE' nvi na?* * v w-n n*3 : D^nnNb D3 3^,n ?3 * D^it^nb TNQ ni3^n
-; - t ~ . .. | «. ⢠* t ; t i
: wni3N bv mv 1^x3 * x: Wvn quot;
,.. _. t : ,- v -; - iquot; t . t * t â¼;
: 3^n *3 ^ nniJi * 3,ünl7,i ni3quot;)n7 i:ni« : Knp3 *]m n^j; '3 * rnna n:3n « : nanps ^ ab^1? |i3fni * n3 n^ïn in p.^ : nrna 3i^n Dij5. m] * nnan naty pnv nsr : ^riï-i ni^V n^ïan »3 * ^33 quot;il«3 ^aj? ^131 : 1^3 ^aj; K: t23n * man nfc^n ^iïisi nbo ^nDquot;i3 Tja)? * rhyp nin lannns
ZANG OP GODS EENHEID.
Dan zullen wii steeds Uwen lof verhalen en Uwen roemrijken naam loven!
Moge dan Uw volk met Uwen zegen gezegend worden, want wie Gij zegent, is in waarheid gezegend!
En ik, zoolang ik besta, zal ik mijnen Schepper loven. Hem zegenen, zoolang de dagen van mijn levenstaak duren 1
Gezegend zij de naam des Eeuwigen in eeuwigheid, van eeuwigheid tot eeuwigheid!
Gelijk er geschreven is; Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! â en het gansche volk zeide: «amenquot; en prees des Eeuwigen daden. Toen hief Daniël aan en zeide: De naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij, Wien alle wijsheid en kracht is ! En er is gezegd: Toen zeiden de Levieten Jeshoea', Kadmiël, Banie, Chashawneja, Sherebja, Hodija, Shebanja, Pethachja : Welaan, looft den Eeuwige, uwen God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en men love Uwen heerlijken naam, die verheven is boven alle zegening en lof!quot; En er is gezegd: Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid; en het geheele volk zeide : «amen! Halleloe-jah!quot; En er is gezegd : En David loofde den Eeuwige ten aanzien der gansche vergadering, en David zeide : Geloofd zijt Gij, Eeuwige, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid!
Zang op Gods Heerlijkheid.
{Dit stuk xcordt hij geopende Arke voorgedragen).
Sommigen zeggen vooraf de volgende verzen; Ps. 24,7â10.
Heft op, gij poorten! uw hoofden, verheft u, gij overoude toegangen, opdat binnenkome de Koning der heerlijkheid! Wie is de koning der heerlijkheid? De Eeuwige, onoverwinnelijk en machtig, de Eeuwige, een held in den strijd! Heft op, gij poorten ! uw hoofden, en verheft u, gij overoude toegangen, opdat binnenkome de Koning der heerlijkheid ! Wie is Hij, de Koning der heerlijkheid ? De Eeuwige, Tsebaoth, Hij is de Koning der heerlijkheid ! Séla!
Lieflijke zangen wil ik uiten, liederen wil ik samenstellen; want naar U smacht mijne ziel 1
Mijne ziel verlangt naar de beschermende schaduw van Uw hand; te kennen al Uw verborgen plannen.
Telkens wanneer ik over Uwe heerlijkheid spreek, klopt mijn hart van verlangen naar L'we liefdeblijken.
Daarom spreek ik van Uwe voortreffelijkheid, en verheerlijk Uwen naam met liefdezangen.
61
Tinn ^ kd
: ^nnxan bbmi * ^nbnn nöpi quot;i^ni : ^jina Tj-ian ^ m *2 * ^â jn^ ^2*1301
: ^2V *0! ^ inDinNi ⢠^iin n^VnK ni^a â¢' W 1° * ^1^1? Vr2? quot; D^ ,n: nöK'i ⢠o^i^n 1$) Dbi^n |p bvi'p' 'rhii \] ^12 mnaa nof tfinb ioni VVni |QK n^n-^
s}ri*iiDJquot;i Knppn n NO^jpjn ^quot;lao «n^N-n
n^DB'n »J3 bN'Q-ip a^bn npN4i : K'n n^n p DDvrbx «-nN una lüip n^nns nnin n^niiy
I ⢠v â¢â¢ v; *: v -:t Ii t; - : t: - : t ⢠t : â¢â¢â¢â¢
nons *7% Donpi lima Qp obi^n D^i^n Dbi^n iy_) nbiyn |p quot;n^K 7. Tjins npwi: n^nni «-nx TIT 'ni3^ mx:) : nn^n roK Dyn b3 quot;IQXI
.. ^;. ; t; .. ⢠t ) vit : - - v: v: t -:-»â¢â¢ t *t t t - t :
uum i7^lt;1i^', â¦â¦ nnN -i,n3 nm quot;IÃN^I Vnpn ^3
r t â¢â¢ t : ⢠â¢â¢ v: *: t - ) t ⢠t v i- tIt ~ t
: 1%) dityn
.nnDn -i^
â¢iSs DipiDS Ã21N IttlS V nn'Bt D'ÃJN1? CTpn jns D^nnisfa
: niaan ^0 nüm oSiy ^nns w^ani oa^vn on^r wtf* : non^o m'aa ^ niaji rwy ^ ilaan ^So nt v ⢠liaan ^So gt;ca;i: aSi^ â |nris wri oa^jo wir : nSp nlaan ^1^0 Nin nwa? \] maan ^jSo n] Nin â¢'p
: ün^n ^a; *3 * JIINK Dn^i nn^pr 07:« : ïfriD rrbs nyi? - ?|T Va's nnpn ^05
: ^nin bx ^ nam ⢠^1333 nsn np : nnn; 'T^3 -133K ^p^i ⢠nins?: ^3 nsnx |3 ^
ZANG OP GODS HEERLIJKHEID.
Ik zou Uw heerlijkheid verhalen? â ik heb U nooit aanschouwdI
Zou U door gelijkenis of bijnaam omschrijven? â ik ken Uw wezen niet I
Door Uwe profeten, in de vergadering Uwer dienaren liet Gij in gelijkenissen den schitterenden glans Uwer majesteit beschrijven.
Uw grootheid en Uwe almacht stelden zij voor naar de kracht Uwer werkzaamheid!
Zij gaven een beeld van U, doch niet in overeenstemming met Uw wezen; zij schetsten U naar Uwe werken!
In talrijke visioenen gaven zij niteenloopende voorstellingen van U; toch zijt Gij één, met al die gelijkenissen!
Zij zagen aan U nu eens ouderdom, dan weder jeugd; en het haar van Uw hoofd somtijds grijs, dan weer zwart;
Ouderdom op den dag des oordeels, en jeugd ten dage van strijd; als een oorlogsheld, die strijd voert met zijn handen;
Hij plaatst dan op Zijn hoofd den helm der hulpe; dan steunt Hem Zijn rechterhand en Zijn heilige arm!
Met schitterenden dauw is Zijn hoofd bedekt; Zijne haarlokken met nachtelijke droppels.
Hij beroemt Zich op mij, want in mij schept Hij behagen; daarom is Hij mij tot een sierende kroon.
Zijn hoofd is als het zuiverste schitterende goud; op Zijn voorhoofd is Zijn heerlijke, heilige naam gegrift!
Tot hulde en eerbewijs, tot roemrijke verheerlijking vlecht Zijn volk [in zijn gebeden] Hem een krans !
Dan is Zijn hoofdhaar weer gelijk in jongere jaren. Zijn lokken golven ravenzwart!
De woning der gerechtigheid, het sieraad, waarop Hij roem droeg. â o moge Hij het tot Zijn hoogste vreugde maken!
Zijn uitverkoren volk zij een sieraad in Zijne hand, een koningsdiadeem, een luisterrijke tooi!
De beladenen. Hij droeg ze; met een kroon sierde Hij hen; omdat zij dierbaar waren in Zijne oogen, vereerde Hij hen.
Hij beroemt zich op mij en ik beroem mij op Hem; Hij is mij nabij, wanneer ik Hem aanroep !
Schitterend rood, in bloedrood gewaad, wanneer Hij den perskuip heeft getreden, als Hij van Edom terugkeert!')
Den knoop der Thefillien toonde Hij den bescheidene [Mozes] ; voor wiens oog de verschijning Gods zichtbaar was.
Hij, die in Zijn volk behagen schept, zal bescheidenen sieren; opdat Hij, die in lofzangen troont, door hen verheerlijkt worde!
Gij, Wiens voornaamste woord //waarheidquot; is, die van den beginne af alle geslachten oproept, â richt Uwen blik op het volk,dat Uzoekt!
Neem toch aan mijn talrijke gezangen; moge mijn jubelzang tot U naderen !
62
Mijn lofzang zij een kroon voor Uw hoofd, en mijn gebed worde aangenomen als reukwerk!
') Vgl. Jes. 63,1, 2 en 3.
-IIMn W 3D
2''S Dquot;r
: ah\ Kbi ^-ii2D nnapK
: *|T)n quot;nn n^a^i * moa Ta
â¢' 133 * ^nninii
: nwm im ?j3n * ni:inn nhs ^iV^on : nnn^i n3v^3 * nnnni n^r m
:3n ib vt monbp 'inp di^s rvnnni |n di^ n^r â¢' quot;i^ö^ iV nj^^in ⢠i^Kia ysü ubn
: rhh »d^dquot;i vniïipi ⢠ii^Ni niiiN
t :it â¢â¢ i* : t \i; t : ⢠â¢â¢ ; '
: ^ Tn» Kim, * *3 ^an »3 »3 iNön*
: i^-ip Dtr 1133 nvo ^ pni ⢠law-i moi tö ithü Dn3
:It â¢â¢ : - iv I - : ; t t v iv
: iV max * rnxsn 1133^1 fr6
t t : x : t â¢â¢. t t : ⢠⢠: t : 1 â¢â¢ :
: riling D^nbri vniïip ⢠mins *o*33 i^ni niöSno : innpi? K3 * irnxsn pl^n ni:
: rntffin ^ nsibp ^;ïi * mü^ 1T3 â¦nn in^D : Diss v:^3 np» ⢠disj? nn^ DN^: cpio^
: i^k â¦Nips quot;hx 3iipi ⢠vVjj nwöi IIN^ ; D11NO 1K133 13113 nilö ⢠DIK 11513V? D11K1 nï
*.â¢;â¢â¢ i : t ; t t : * t : quot;
: vy% ij:1? « r\mn * 12^ nKin pbsn i^p, : iKfinn1? ds ni-?nn 3^1» * ikö» di^ 10^3 nïii
trill ^tpin D^ ' 1111 111 K'KIà Klip HOK ^131 t^Kl : i^k 3ipn \i3ii * k: *yp pon rm : niiüp p3ri â¦nbani ⢠nit?^ ^Kib 'in â¦nbnn
ZANG OP GODS HEERLIJKHEID.
Moge de zang eens armen in Uwe oogen even waardig zijn, als het lied, dat bij Uw offers gezongen wordt!
Mijn lofzang stijge op tot den Alverzorger, tot den Schepper, den Voortbrenger, den Rechtvaardige, den Machtige I
Voor mijn lofzang moogt Gij mij welwillend toeknikken; neem dien [lof] voor U aan, als kostbare specerijen !
Moge dan, wat ik zeg, U aangenaam zijn; want mijne ziel smacht naar U!
(Sommigen zeggen hier: Wie kan uitspreken des Eeuwigen macht; kan geheel verkondigen Zijn lof!?) Men sluit de Arke, Kaddiesh Jathovi. Vervolgens zegt men Psalm 92, Kaddiesh Jathom.
Als slotgebed zegt men het volgende:
De Eeuwige, onze God, zij met ons, zooals Hij met onze voorouders was; moge Hij ons niet verlaten en ons niet prijsgeven! Zoodat Hij ons hart tot Zich neige, dat wij gaan in al Zijne wegen en inachtnemen Zijne geboden en wetten en rechten, die Hij onze voorouders geboden heeft! Zoo mogen dan deze mijne woorden, die ik vóór het aangezicht des Eeuwigen als smeeking heb uitgestort, dag en nacht den Eeuwige, onzen God, nabij zijn, om te oefenen het recht van Zijnen dienaar en het recht van Zijn volk Israël, eiken dag het op dien dag benoodigde. Opdat alle volkeren der aarde weten, dat de Eeuwige God is, niemand anders ! O, Eeuwige! leid mij door Uwe welwillendheid juist wegens hen, die mij beloeren; effen Uwen weg voor mij! Ik âin mijn eenvoud ga ik; bevrijd mij en wees mij genadig; want ik ben alleen en ongelukkig. Mijn voet staat thans in de wijde vlakte, in volksverzamelingen wil ik den Eeuwige prijzen ! De Eeuwige behoedt mij, de Eeuwige is mijn schaduw, aan mijne rechterhand ! Mijne hulp komt van den Eeuwige, den Maker van hemel en aavde. De Eeuwige behoede mijn uitgaan en mijn binnenkomen tot leven en tot vrede, van nu tot in eeuwigheid! Zie neder van Uwe heilige verblijfplaats, uit den hemel, en zegen Uw volk Israël en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk Gij onzen voorouders hebt toegezworen, een land, vloeiende van melk en honing! God der heerlijkheid ! U wil ik wijden zang en loflied, ik wil U dienen dag en nacht. Geloofd zij de Eenige, die als éénig wordt erkend, die was, is en zijn zal I De Eeuwige, God, God van Israël, Koning aller koningen, de Heilige, geloofd zij Hij. â Hij is de levende God, de Koning, die leeft en bestaat immer en tot in alle eeuwigheid ! Geloofd zij de aaam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig! Op Uwe hulp hoop ik. Eeuwige!
Vóórdat men het bedehuis verlaat, zegt men zittende het volgende:
Doch rechtvaardigen danken Uwen naam, braven zullen zitten vóór Uw aangezicht!
63
*tü3n yv 3D
: bv n^v vi nyiï i^n
: quot;i»33 pnv quot;i^iQi bVinp * Ewn1? nb^n ^13 : DW33 ^ np nni«i * vüi ^ â¦ns-iasi â¢jnsn p-wio | T,W ^a; '2 - x: rnjr
c in^rii? Sa pnpi v nn-oa hhw 'O : ni-iniN c')
â¢Dinquot;1 vy .nam dvS -it -ncia Dn?21N1 .D^n, cnp
: m is.s-i mSsnn Ha inx
^KI vziy â¢?« urróK D^ n^n i:a^ wr^K « â¦n»
- ; !â¢â¢ -.- - - iquot; -; ⢠tt v -: - it * iquot; v: â¼: * :
iD^bi vsitVds ns1?1? vVn nitsn1? : vvw
; ⢠: t t ; t : v iv t t â¢â¢ r* t ; - : !â¢â¢ : â¢
nbx nni vrn : irn^s; nK niï v^a^ai rpni vniyp nb^i ooi» irribx « bN o^np quot; ^a1? ^snnn
t :it t t iquot; v: â¼: v ⢠I; *: â¢â¢ : ⢠v -:
: lovü Dl» 131 hx-iw lay. ni^1?
nnj« : Tiy px D^KH Kin ^ '3 pKn ^ bs nyi jyfi â j^K 'ans : ^3quot;n ^a1? nip ^a1? ^npnï? D^npa3 nty^aa may : â¦aK T-n' *3 nm *na
⢠â¢â¢ i: - ; * : t : t ⢠; - -it â¢^t : * t * â¢!â¢â¢ t : ⢠r*;
n'^ « D^a nr^ : â¦ra» T ^ ^ na'^ quot; ;« ^3« nnya Dib^i D^nb ^131 'nNï naa* ^ : pxj D^a^ ?|a# nx -jisi D^ai^n ja ^anp fiyaa na^p^n : Dbiy nyasr: 1^x3 nnn: i^k nanxn nxi bNntr» nx
t : i~ ; ⢠v -: - it t i~ t v -: t t -: t â¢â¢ : â¢â¢ t ; â¢
Ttf n1? rnx quot;!i33n bx : ^3-n 3Vn n3T riN4 irrox^
i : i â¢â¢ v t - â¢â¢ t : tt -tl viv iquot; -; -
nin n»n ⢠nn^ai â nn3 : di» ^-quot;ajwi ⢠Vbni
tt t *â¢. : ⢠t I t â¢â¢ t I : t â¢%*: v ; â¢â¢ - :
^npn Dpban vba TjSa bx'it'» flbN D^'^K « : n»nn; vhipb) 1$ D'pi 'n ^a D«n D^K Kin : Kin ^ns ïjn^i^S : njn D1?^1? iniD'pa 1133 D^ ^ns : Drably
: quot; 'nnp
; inxM cï» 2*1 j'an:» vSSVBS
: ^ia nK Dn.^» 13^ ^aiy1? D*pnv ^
SLÃT-GEBED.
Vervolgens, staande, met eene buiging vóór de heilige arke:
Al gaan ook alle volkeren leder in den naam van aijnen God, â wij gaan in den naam van den Eeuwige, onzen God, immer en eeuwig! Mijne hulp komt van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde! De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!
Daarna begeeft men zich naar de deur en zegt, onder eene herhaalde buiging vóór de heilige arke:
O Eeuwige! leid mij door Uwe welwillendheid juist wegens hen, die op mij loeren; effen Uwen weg voor mij!
Eindelijk bij het verlaten van de synagoge, de volgende drie verzen: Gad, benden grijpen hem aan, doch hij valt hen aan in de verzenen! David was in al zijne wegen voorspoedig, en de Eeuwige was met hem. En Noach vond gunst in de oogen des Eeuwigen!
64
Psalm 67. Voor den zangmeester: op Negienoth 1); een zangpsalm. God verleene ons gunst en zegene ons; Hij doe Zijn aangezicht lichten met ons ; Séla! Opdat men op aarde Uwen weg leere kennen, onder alle natiën Uwe hulp. Dat U danken volkeren, o God ; dat U danken de volkeren allen. Mogen natiën zich verheugen en jubelen, want Gij zult richten volkeren met billijkheid; en de natiën op aarde, â Gij leidt hen; Séla ! Dat U dus danken volkeren, o God ; dat U danken de volkeren allen! De aarde gaf reeds haar opbrengst; zoo moge ons zegenen God, onze God! Moge God ons zegenen, en mogen Hem vreezen alle uiteinden der aarde!
') Eene bekende melodie; v. a. onder muziekbegeleiding.
I
â 10
: u3Squot;ii fnpn jns Si» mnnw -nw 3quot;nsi
â¦â¦quot;Dtto unjtsji vrt^K a^3 «V. Q's^n-Ss ^
â¢* m rivv t! oi?ö *quot;!$ â¢*
â¢' ^3 Q^1? I^-!:
: m.s-ii o-npn jm Sin rnnmo iinnsS nnsn Sn ^Si y'nsi
: ^ quot;i^n â¦TTitf I^Q1? ^nj «
: D'piDB 'i iSs ins'' -[Svrco 3''nsi
vïiTbib nn m : np^ nr Kin^ i3iw» Tna ia
: t t ; t ; * t ⢠:- |««*t -..t ; iv : ; t
: » ^^3 |n nïo mi : iny
in» i^n! TiOTp n:^33 nyjpb ro
D'ir^a riK3 n^i^ ; nbo unx v:a
T : Jiv : - I VIT T *=â l-T T IV IT ⢠TT
: Db3 wdv ïjiil» DflVisi ?}iil» : in^i^ Dn:n px| D'DN'pi i^p tiSETPa d^sn1? i::ii n:nj px : obs d»D^ ^iiv d^x d^S# ^IIV : nVp miN ini^I iJDis» : irnVx D^nbx uDin» nVia» ; pK-^DSKquot;1?!
JOTSEROTH
â¢n'ra nnaS
Die door de vreeze voor Hem worden gesterkt 1)) zal Hij met levensdauw drenken ; die de door Hem uitgesproken wet in acht nemen, in de eeuwigheid hun gebied aanwijzen, â naar het bijbelwoord : n Ware niet Mijn verbond bij dag en bij nacht!quot; s) Met het heilig bondsteeken bezegeld bij hunne vorming 3j, werden de grondslagen der wereld onwankelbaar gevestigd: âde wetten van hemel en aarde [zou Ik anders niet hebben vastgesteld].quot; Ook door het bloed des verbonds worden de mijnen vrijgelaten, om niet te worden overgegeven, zoodat hunne gevangenen niet langer in de put, waarin geen water is, worden geworpen 4), want: ndit is het teeken des verbonds, dat Ik stel.quot; 6) Moge God, wanneer Hij de volkeren ieder naar zijn lot opschrijft, dit volk, dat door het verbond is geteekend, tellen om het te verheffen, zoodat van ieder, die ten leven is opgeschreven, ral worden gezegd: heilig 6).
Toen Hij Zich herinnerde Zijn heilig woord aan hem [Abraham], die zijne geoefenden aanspoorde, zond Hij vooraf tot hem, om hem de blijde boodschap te brengen, Zijne dienaren, de door Hem gezegenden, Hij, God, die het woord van Zijn dienaar en het plan Zijner engelen tot stand brengt. 1) Voorwaar, eerst gebood Hij hem de voorhuid te verwijderen, en toen braclit hij in reinheid voort den lieveling, den eenige, den reine, â âGord het zwaard aan tegen uw heup, gij held.quot; 8) En toen werd hij bedacht met den op het altaar gebondene [Izak] als de vrucht van zijn lijf; en op den achtsten dag legde hij hem het zegel aan en maakte hem tot bloed bruidegom door het bloed des verbonds, en besneed Abraham zijnen zoon Izak.9) Zijne rank [Jakob], wiens beeld gegrift is op den troon van den Almachtigen God 10), werd besneden geboren en beminde [de geboden der Thora, talrijk als] de opeengepakte lokken 11) â en Jakob was een vroom man, zittend in de tenten 13) [der Thora]. â Toen nu de hinderaar [Bil'am] naar den top van den berg kwam om zijne spruiten te verwenschen, zag hij de in zand verborge-nen ls) en sprak : //hoe zou ik vloeken,quot; â uwie toch telt het stof
*) Het hier volgende stuk bestaat uit drieregelige verzen, wier aanvangletters alphabetisch zijn, terwijl in het vierde vers en het laatste gedeelte de naamletters van den schrijver als acrostichon zijn ingevlocliten. De twee eerste regels van elk vers bestaan uit rijf woorden, terwijl de derde regel door een bijbelvers wordt gevormd.
De schrijver is R. Eli'jszee ben Nathan uit Mainz, 4900 a. ra.
(1140 g. j ), schrijver van rars rüsï, een tijdgenoot van Rasiiie's kleinzonen R. Samuel b.Meier (dquot;2';-i) en R. Jakob Tham.(Landshut,rrraiTmiw.' pag.20vv.)
') Volgens den Thalraoed (Sanliedrien 110/;) wordt een kind door de besnijdenis het eeuwige leven deelachtig, zooals blijkt uit Ps. 88,16: een volk. arm en bijna stervend van der jeugd af â van dat ik de vrees voor ü. Uwe geboden, draag, ruiss ben ik gesterkt. Aan dit laatste woord is hier de uitdrukking 'iiss ontleend.
2) Jer. 33,25: JVare niet Mijn verhond hij dag en bij nacht, dan zoude Ik
65
n1?quot;» ma1? tsv
(* .jn: 1313 â itïi'jN mnn e)iD3i 3quot;n dquot;jj
d1?^ innpK nn np'tf * nbVp1? o^n vü^k â¦jiasj nin3 : düv »nn3 ah dn iüind - rh^rh
: t :it t t ⢠* : ⢠v 1 ; t r ; - ;
' pa ^nn npia * pjpa D^pinn tr-ipj nna
quot;1123 * rnsnbo â¦nVtyo nns Dia d-i ; kini mpn
i â¢â¢ t ⢠: ⢠- t â¢â¢. : ⢠; - ; - | vit t ⢠r t i â â¢.
quot;ik'k nnan din nsn * fribp 1 onn^pn q^o irpx awiiï aj ' ibnnp i d^sj; smsp map* % : |ni: : B^np ly-iON^ D^nV aman-Va ⢠.nna
it v it â¢* -----t - t ^- : ⢠:
vmtfo ibi'K onpn * vrnn T-irb lara i^np iai
t :t : : tquot; : : v ' t * â: -t: :it - :
K^n : vaxSp nv^l naj? na^ a^p * vaniapi * quot;iiaji yi* n^nüa n^in ⢠niaj^ imï vaaV
t ; * t : â¢: t â¼: t : ⢠- t -.t it ⢠t t :
- Uüa na ip^a n^a: tni : ma^ TjT ?|a*in nun pw nx oniaN * iinn nna D-tai lann miö^i
it;* v t t ; - titquot; : ⢠⢠: - : ; ⢠t : ⢠;
nv.ip aani, Vihd * d^k Vn oaa n^ipn irn-tor : i:a ^ |L3^ Naa vü^n : D^riK a^» Dn ap^i. * D^nbn nay n:r2 »0 * aip^-na rai bin-^ia'^ hkt ?k * aipb
~ ⢠tt- i v t i t quot; i : t t t i t
de wetten van hemel en aarde niet hehhen ingesteld, wat de Thalmoed (Nedariem 32a) op het besnijdenisverbond laat slaan.
3) 'pp2' vorming, elg.; uitsnijding, vgl. Job 33,6; i;x dj 'mip icn», uit leem werd ook ik gesneden. Voor den zin zie de vorige aan teekening.
4) Eene omwerking van het vers Zecharja 9,11. 5) Gen. 9,12. 6) Eene omzetting van Jes. 4,3. 7) Jes. 44,26.
8) Ps. 45,4. Het vers is hier natuurlijk in geheel oneigenlijken zin gebezigd, als doelende op de besnijdenis: richt xiw zwaard op uwe heup, om u te besnijden (Jalkoet 1,81). Dat op de besnijdenis kan doelen, blijkt uit Rashie Gen. 24,2 e. a. p.
9) Gen. 21,4. 10) Ber. Rab. 68, Choellien 91,6.
quot;) Het eerste versdeel van Hoogl. 5,11 wordt in Jalkoet t. p. toegepast op de Thora; onze dichter ontleent daarom ook zijn beeld voor de Thora aan dit vers. Misschien ligt in D'SnSn ook eene toespeling op de bekende uitdrukking; rvoSn Sc diSd iSn, geheele groepen van bepalingen.
1!!) Gen. 25,27. Midrash ziet nl. in de D'Sns, hier genoemd, de leerscholen van Shem en 'Eber, waar Jakob zich langen tijd zou hebben opgehouden om met de oude overgeleverde leerstellingen aangaande God enz. bekend te worden.
13) De afgesneden voorhuiden der Israëlieten, die in zand waren gelegd en zijn gezichtsveld geheel vulden.
nD
JOTSEROTH.
van Jakob.quot;!) Ze te verbergen in zand is daarom een wel onderzochte en volkomen wet van Hem, die het zand tot grens stelde voor de zee, als een eeuwige wet; Hij stelde het Jakob tot wet, Israël tot eeuwig verbond. De bewoners van .Noph3) deden het verbond van mijn (eeken ophouden, tot de tijd hunner bedenking kwam, om uit te trekken en hen te bevrijden, 3) âalleen de stam Leviequot; 4) [stoorde zich aan dit bevel niet]; â Daarom zegende hem de man Gods met het verpletteren [zijner haters] 5), en prees hem de profeet6) [en zegde hem toe], dat hij nimmer zou worden vergeten, [met de woorden] : âMijn verbond was met hem, het leven en de vrede.quot; Hij [Mozes] had zijnen eerstgeborene niet besneden en werd daarom [door den doodsengel] opgeëischt in het nachtverblijf, hadde niet de ijverige, [door schoonheid en deugd] zich onderscheidende [Tsippora] een scherpen steen genomen en afgesneden de voorhuid van haar zoon. 7) âUit harden dienst heb Ik u bevrijd door de braafheid uwer volmaakte vaderen, toen uwe alruinen geur gaven en uwe wijngaarden bloeiden 8) en Ik bij u langs ging en u zag, wentelend in uwe beide bloedsoorten. 9) Uw leven heb Ik gespaard, toen Ik alle eerstgeborenen sloeg 10); doordien Ik aan uwe deuren het teeken liet aanbrengen, zoudt gij in het leven blijven; en Ik zeide tot u; âdoor uw bloed zult gij leven.quot; lY) Als loon, voor de dienstbaarheid dienden de [gouden] spangen met de zilveren stippen 13); ten einde hare [Israels] vlerken in goudglans te meer schitterend te maken, werden de vleugelen der duif met zilver bedekt. 13) De Allerhoogste heeft wegens het besnijdenis-verbond den zeetong drooggemaakt14), en deze zaken zijn in een duidelijk sprekend bijbelvers neergelegd : ,/[Dankt] Hem, die de zee kliefde voor de besnedenen.quot; 15) Zij werden weerhouden en lieten, wegens de moeilijkheden der reis, na, zieh te besnijden, terwijl zij in de woestenij op weg gingen, geheel het volk, dat in de woestijn tijdens de reis ivas geboren.16) Toen echter [Mozes'] dienaar Jehoshoea' en het volk
') Num. 23,10, waarbij isï ook opgevat wordt als zinspeling op liet zand, waarin de voorhuiden waren gelegd. Zie Jalkoet, Numeri N0. 766; Pirké R. Eli'ezer, 29.
2) Noph, een der voornaamste steden van Egypte, waarseh. Memphis.
3) Naar aanleiding van Ez. 16,6 verhaalt Midrash, dat vóór den uittocht tüt Egypte de Israëlieten zieh quot;besneden; vgl. Jos. 5,5.
4) Num. 1,49. Vgl. Shemoth Rabba, 19.
5) Op de aangehaalde plaats brengt Midrash de woorden door Mozes, den «man Godsquot; (Ps. 90,1) tot Levie gesproken, Deut. 33,8â11, in verband met Levie's handhaving der besnijdenis. uOmdat zij Uwe woorden inacht-
namen en Uw verbond beschermden,.....verpletter de lendenen van hen, die
tegen hem opstaan enz.
6) Malachie, op de straks aan te halen plaats, Malachie 2,5.
7) Ex. 4,24 en 25, naar ééne opvatting in Midrash. n:wn, wordt Tsippora genoemd, naar de opvatting, die in de woorden riTs hün (Num. 12,1) eene toespeling op hare bijzondere schoonheid en deugdzaamheid ziet.
66
nVo nnaV iïv ID
i V135 bin * Bh-n pin Sina |1du : np^.
: Dbiy nna bxnf ^ pnb npj;;.1? nn;p^!i * oVi^-pn tiv - â¦nnb nKvb Dnnp3 |dt ny - nn nna iVnn e]i: ^1»
⢠Dibnb iDna D^ribNn wx : ^i1? ntsa hk : Dib^ni D^nn inK nn^n Tina * DiV^b bnb lobp
⢠ns^Qi nrnr -iï nnpb -miboa irpanai nisa bo ab
T â¢-. : t *: T I : T â¢â¢ T : ⢠!â¢â¢-:â¢: : T
â jnin quot;i^iD3 ^rnnnn t]*isp : n:3 nbi^ nx mpni. T]^ ii^ni * nnopi quot;^Nin nn, unia * -j^^n
* quot;nD3 nüa ba ^«nn : ^nna nppianp
id'c : quot;n TT^ona ^ -iq^i * quot;nn vn ^nns bjr ^ina
- : ⢠-; ) ⢠i- t ; |t -it ⢠: * r r i- t ; * i* t ;
plHT rj3 * ninpii onin nia^tr
D» fiirb nnaa p'^ : s^paa nanj nji* * ^Dinb : onnb ^id d: nmb * onrn fn \n «ba Nippi * onnn hz |io^ â¦sbin Siobp * ^nn nniü ^sp ibnni idö nifp \-\y nbï : ^13 na-ia? onb'n D^n ba * -jin
8) Vgl. Hoogl. 2,13, hetgeen door Midrash in verband gebracht wordt met Israëls deugdzaamheid bij den uittocht uit Egypte.
s) Ez. 16,6; het meervoud -pn: wordt verklaard te doelen op het bloed van het paaschoffer en dat der besnijdenis, met welke beide heilige handelingen Israël bij de bevrijding zich bezig hield.
10) quot;n-^, van het Chaldeeuwsche sns, slaan, vgl. in het bekende smeekgebed voor de boetedagen: ipQ^ inQ-
quot;) Ez. 16,6. Vgl. aant. 9.
quot;) Vgl. Hoogl. 1,11, waar Midrash deze beide uitdrukkingen in verband brengt met den rijkdom uit Egypte meegenomen, en den buit, aan de zee behaald; ook Ez. 16,7 doelt volgens Midrash t. a. p. met de woorden Dquot;-ir vii-a op die beide bronnen van rijkdom.
13) Jalkoet, Psalmen, n0. 795, wordt het vers Ps 68,14 eveneens in verband gebracht met de bovengenoemde schatten en vertaald: âIn Egypte werden de vleugelen der duif [Israël] met zilver bedekt, doch aan de zee hare vlerken met schitterglans van gedegen goud.quot;
De uitdrukking is ontleend aan Jes. 11,15; het denkbeeld aan Mechiltha Ex. 14,15, waar o. a. gezegd wordt, dat het klieven van de Schelfzee ter belooning van de besnijdenis zou hebben plaats gehad. Zie ook Jalkoet, t. p. I n0. 233.
16) Ps. 136,13; vgl. de aangeh. plaatsen. D'-wb is dan = Qi-nnS = dwoS. 16) Jos. 5,5.
JOTSEROTH.
Gods den Jordaan waren doorgetrokksn, gebood Hij te maken steenen messen, en toen hij daaraan voldeed [luidde het bevel:] tien besnijd wederom de hinderen Israels.quot; 1) Toen de vorst des volks [David] ontkleed in het bad ging, sprak hij; //thans zijn de [Tsietsieth-] snoeren er niet en is mijn hoofd niet met [Thephil-lien-] kroon versierd, â âwees mij daarom genadig, o Eeuwige, want ik versmacht.quot;*) Hij verzadigde U met talrijke liederen en lofzangen, om U te verheffen, en zeide vóór U, met betrekking tot het zegel van Uw verbond : âIk verheug mij over Uwe uitspraak.quot; 3) Toen hij zag, dat door het achtste [gebod] de spin [Edom] zou worden weggesnoeid, verkondigde hij het geheele menschdom de grootheid van uw lof, zeggende : âvoor den zangmeester .... op het achtste [gebod'], zeggendequot;.*) De Thishbiet, [Eiijahoe], was een ij veraar, zooals hij voor God sprak: //Ik heb geijverd voor U, Helper en Verlosser ! want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlatenquot; 5). Voorwaar, daarom maakt men twee zetels gereed, één voor hem, en één voor den sluiter des verbonds 6), dat deze kan zitten en zal verschijnen in bijzijnvanhet getuigenis, ter inachtneming, tot teeken.quot;1) Om hem [den besnedene] te genezen, daartoe blijft de zetel staan; 8) de Schrift duidt het aan: «om op den derden dag u te doen opstaan en tot nieuw leven op te wekkenquot; 9) â want: âzie, Ik zend u [den profeet Eiijahoe] !quot; 10) Laat hij spoedig komen om zijn pand in te lossen, om het niet langer in te houden; de Waw van zijn naam is tot pand gegeven als getuigenis bij Jakob, â âen Ik zal gedenken Mijn verbond met Jakob.quot; H) //Mijn uitverkoren volk, dat van Mijne tafel is verwijderd, zal Ik in barmhartigheid gedenken wegens de verdiensten van het verbond, dat door hen als wet wordt gehandhaafd, â en ook Mijn verbond met Izak. n) Den verstrooiden in de vier [windstreken], hun, die eens door Mij zijn verworven voor een Léthech en een Kor12), zal Ik een sein toefluiten en Ik zal ze verzamelen om hen nimmer weêr te verkoopen, â en ook Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, i1) Besnijdenis-bond, Shabbath en Thora zijn [heden] als tweelingen
') Jos. 5,2.
') Ps. 6,3. Vgl. voor den inhoud der drie over David sprekende strophen; Menachoth 43?/.
3) Ps. 119,162.
4) Vgl. Menachoth t. p. In Jalkoet, Ps. 6,1, N0. 633 komt eene opvatting van jvrwn Sr voor, zooals ik die in de vertaling gegeven heb: de besnijdenis als het achtste gebod, door God aan menschen gegeven, nl. de zeven Noachidische plichten, en het gebod der besnijding aan Abraham. Zoo doelt dus ook onze strophe op de besnijdenis. Spr. 30,28, is eene spin. Het vers wordt door Midrash op Edom betrokken. B. R. 66, einde; Jalkoet 1,115; 11,964.
5) I Kon. 19,10. Zie Pirké R. Eli'ezer, 29 einde; vgl. Jalkoet 11,15 en 11,217 einde, waar dezelfde Midrash abrupt voorkomt.
6) m-o Sï2. Hieronder worden verstaan ds âvader van het te besnijden kindquot; (jan i^n), hij, die de besnijdenis verricht, (Vil») en hij, die tijdens
67
nVa nna1? nvv td
VIO aiïh * bxna Dmv main ni'^b njv * ^ DJ?1 rx fö ⢠bbüa frna1? DJD23 pïp : â¦ja n» nm^ a1! : bboN ^ M * Wrio ^KI NVI ^ns
i : ⢠t ;â¢..â¢â¼;⢠iquot; t t : ⢠: ⢠t
vv * inna na^nn ^ nasji * nin3^m
jra^m * HDtb n-nm nwnp ^ 'if : ^nnpK P'JK »3^n : iidtd n^rpB'n nvjp1? * quot;iQKb ^nbnn ba1? 121% quot;5 * jr^lD ^ â¦nWp K3[5 * SttH ^Sh ^23 N3p V^nbi quot;h â niKpa â¦rif D^ pa px : ^nna
: nixb n'iaf p1? nn^n \:aS ⢠niNnVi af â¦S nnari
'Sfn Di»a * pS pna ssjDa nfVf inxsnS Na' ^'n; ; oaV rhw piN ren »3 ⢠Danrnn^i aap^n1? wan * ap^a mi^b naia^ l:13^ r\ ⢠313^^011:13^ bxiï â¡n-iNt * pn-i: â¦jn'pf byo n^ns ^sj : 3ip^ Tins dn : pnv* 'r-ina pk e]Ni * pnin nna n^n Tiami * nüp1? 1 Va^ nv ^3pNi pnfN * 1131 -jnba â¦n-is .yan^ ^quot;Qn niini n3ir nnl : quot;i3TN Dm3x â¦nn3 na eixi
it â¢â¢. t : t - * : : v t t : - * * : v | - ;
de handeling het kind op zijn schoot houdt (p-nr, gevader, peet). Hier is laatstgenoemde bedoeld.
quot;) Num. 17,25.
8) Ik heb dit gebruik, om den mbs Sr .ss3 drie dagen te laten staan, nergens kunnen terugvinden, noch in Midrash, noch in de decisoren, die allen wél melding maken van den imS.s Sc ndj met vermelding van den oorsprong der zaak.
») Vgl. Hoshéa' 6,2.
10) Mal-achie 3,23.
quot;) Lev. 26,42. Daar staat nl. 2ipï% met een Wavv geschreven, wat Rasiiie aanleiding geeft tot de opmerking, dat deze volledige schrijfwijze van Jakob's naam vijfmaal voorkomt, evenals de onvolledige schrijfwijze van den naam EliaAoe, waarvoor op vijf plaatsen Elia staat. De Waw zou dan als het ware aan Elia ontnomen en aan Jakob toegevoegd zijn, als waarborg dat Elia, de bondsengel, tevens de voorlooper van den toekomstigen verlosser (Malachie 3,23), Israël zal bevrijden om die letter weer bij zijn naam gevoegd te zien. Reeds Berliner zegt de bron van deze aanteekening van Rashie niet te hebben kunnen vinden.
12) Hoshéa' 3,2. Israël is door God als Zijn eigendom verworven door een Léthech,d. z. 15 Sea, en een Kor, dat is dertig Sea. Vgl. Jalkoett. p. 11,519.
JOTSEROTH.
vereenigd; om hunnentwille werden gegrondvest de «voetbankquot; [Gods] !) en de hemellichten en de hooge hemelen, â in den beginne schiep God2). Bij de vervulling van deze drie zult gij, Mijne beladenen, verlost worden, zoo gij in achtneemt, wat Ik u heb toevertrouwd, Mijne geboden. Mijne wetten en Mijne leeringen, doch vooral â die Mijne Shabbathen zullen in acht nemen. s) Plaats en naam zal Ik u dan geven in Mijn huis ; met het goede, dat [voor de braven] is weggelegd, zal Ik u verzadigen, gij Mijn volk en Mijn erfdeel ! die verkiezen, waarin Ik behagen schep, en vasthouden aan Mijn verbond.quot;3) Gij, die in genot den rustdag viert, den Shabbath in achtneemt, gij, Zijne besnedenen, erkent de macht Gods naar Zijne groote daden, verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor den bank Zijner voeten, 4) van Hem, den Heilige!
â¢JS IX
[De engelen] Die omgord zijn met schrik, en geschapen tot vrees, â machtig in kracht, te verheffen Zijn troon, â de schrikwekkenden ... sidderen en dienen met vrees, â bezingen hun Koning in heerlijken lof!
Ook Zijn volk, eens genomen in heilig verbond.
Looft Hem, die herdenkt den Besnijdenisbond!
Den geprezen Beheerscher, wie zou Hem niet roemen ? Wie niet den lofwaardigen Koning verheffen ? Den heiligen Koning te prijzen, te huldigen, â hoog heerlijk te roemen Zijn lof te vermelden____!
En Zijn volk in den avond- en morgenstond,
Roemt d'eenheid van Hem, die gedenkt het Verbond!
De dienaren Gods staan daar krachtig en hoog; die glanzende wezens, zij stijgen en rijzen ; zij roemen en loven zoo luide, zoo gaarne; zij nemen de harp, begeleidend het lied !
En Zijn volk, â als de dauw, is gering ook de rest5), â Zij roemen den Heer, die gedenkt het Verbond 1
De machtige wachters door Shechiena gewekt6), zij vlechten er kronen voor God in Zijn woning; den Hoogste bezingend met juichenden roep, volbrengen z'in hoogste getrouwheid hun taak! En de natie, de dochter van 'Ibrieschen grond.
Verheerlijkt den Heer, die gedenkt het Verbond!
In gezang en begroeting, in loflied en dank, barsten los vonkenschietende Chashmalliem luid! De Vlammen omhoog staan rondom als een krans, â zich beijv'rend en naarstig Zijn grootheid te roemen!
En het volk, eens zoo schoon, doch zoo zwart nu van kleur7).
Het looft toch zijn God, die gedenkt het Verbond!
') De aarde, vgl. Jas. 66,1.
') Gen. 1,1. Bij de Schepping had God nl. hoofdzakelijk o. a. Thora en Shabbath op het oog (Pirké R. Eli'ezer 3); wat de besnijdenis belieft, zie onze aant. op de 1ste strophe. 3) Jes. 56,4,5. 4) Ps. 99,5.
68
n^ö nns1? -iïv no
k-12 rvtstena * D»n^: onn npi: oria ⢠D^nnV 'rnDpD npir ⢠wnz ^«an ovpi :
DB'i T : â¦nnaB'TiN IÃ^K -]K ⢠^nnlni â¦npn â¦n'iïp rm * â¦nbnji ^ pövn 3112 * â¦n^a dd1? |riK
ril?' np'^i. ^ai! : 'nnaa D^nnot â¦nvan 1^x2 wribtf v loon * v^flp bquot;iiJ3 D^bN1? ti^ iif * vSino
inr San : ^n|5 * v^n Dlin1? linnenquot;)
â¢ownn IûNI3 rans mriSx lannn D» I3W
D^Ã^K * nxmb iND3 na WDX * rvtv wns no^K m?A
⢠t : - : : ⢠- 1 - t .. .. . t â¢â¢ â¢â¢ -:
: nx: nbnn D^nb onpK * nNT2 onni^i on^n : nnan npir1? D^bnp ⢠nna tii-ü id^i
* injst* Kb *p n|^pn * 'T^^', ab »p bbnpn
: lid? inn^ iNsbi bpbpb * Tr6i nb^S irn^n -jbüb : nnsn 1216 onn^p * nnn^i. 10^1
* I^riT ^3 iVjnv â¦n^p maan* : jl^n H-p * |l'3V? iSbnb nNö^
: nnan hdit1? onxap ⢠nn^ Süp la^i * nii^P 'nbKb onnp ntpiy * nrstr 'p^sp nniaa n;J : nnioK fpiK3 onp^bp onry * rh*n DUIID : nnan iditV nn^np * nnay n? diki
* b^D1? DTivis D^öt^n w * bbni n*nin nDini nno*
.. - ; . . ... - |... â¢â¢ - : tt t t : t : â¢
: Sbob ibis onnr on^nr * on'nao rhyü nnt
â¢â¢ - : ;t ⢠â¢: ⢠⢠: â¢â¢ - : ⢠⢠; - t^:i- quot;*rr
: man isit1? D^na^p * nnin-in^ r\m nte)
JOTSEROTH.
De wagen van God, het zijn duizend myriaden, â zij dond'ren het «heiligquot; drievoud in twee legers ; zij peinzen ; âgeloofd zijquot; steeds zonder verpoozen: zii schudden, doen wankelen drempel en post!
En de natie, bezegeld met heiligen bond.
Zij looft steeds den Heer, die gedenkt het Verbond !
⢠fiSn
Drie malen heb Ik een boudsteeken gegeven tot genezing der wereld : door het plaatsen van den boog in de wolken âom te gedenken het eeuwig verbond,quot; â de besnijding, â en den rustdag heb Ik in hun gebied gegeven ; tusschen Mij en de kinderen Jsraëls is hij een te eken voor eeuwig. !) Mijne lievelingen zijn daarmede gesierd, Mijne uitverkorenen. Mijne beproefden, die geteekend en gewaarmerkt zijn, om gered te worden van de kolen Mijner verbranding 2); en al wie hen ziet, zal erkennen, dat zij volmaakt zijn vóór Mij ; dat zij vormen een kroost, dat de Eeuwige gezegend heeft. 3) Vijf maal werden snijwerktuigen aangewezen voor het verbond aan het lichaam, bij het besnijden der twee voorouders [Abraham en Izak], dat zijn de stamvaders 4); de reine [Tsippora] deed het ten derden male en [Jehoshoea',] de zoon van Noen hief er twee op, en Jehoshoea' maakte zich zivaarden van gescherpten steenquot;. 5) Toen werden steenen tot zwaarden veranderd om daarmede te besnijden, gelijk zij met een scherpen steen hadden besneden gisteren en eergisteren 7); daarom heeft [Mozes'j dienaar hen gesteund met een voorschrift om te besnijden: nMaak u zwaarden van scherpen steen en besnijdivederomquot;.^) Toen de heerlijke zanger [David] den kampvechter [Goliath] neervelde [met een steen], kwamen zij alle vijf voor den dag en werden, tot één om hem te helpen 9) en het ijzer trok zich uit zich zelve terug, toen het aan zijne [Goliath's] wijze van doen dacht en zoo drong de steen in zijn hoofd.10) De bezigheid voor de besnijdenis doet [de wetten omtrent] de Shabbathrust wijken, het' verrichten der handeling zelve, het losscheuren en ombuigen der onderhuid, het uitzuigen en afwassclien der wond, de komijn en pleisters voor het verband; en voor eiken noodzakelijken arbeid, dien men den vorigen dag [vóór den ingang van den Shabbath] niet had kunnen doen [is het geoorloofd] te naderen tot den arbeid om hem te verrichten 11) In de oudheid hebt Gij U Uwe gemeente tot eigendom gemaakt van tusschen de âezelsquot;, 12j
*) De Schrijver van dit stuk is R. Eljakiem of Eljakoeji, waarsch. b. Meschoellara. (Zie Landsiiüt s. n.)
â ) Ex. 31,17.
s) De vlammen van het Géhinnom; zie 'Eroebien 19a; Abraham zit aan den ingang van Géhinnora en staat niet toe, dat een besnedene het betrede. De besnijdenis is dus een teeken, waarop hem, die het draagt, de toegang tot Géhinnom ontzegd wordt. 3) Jes. 61,9.
69
n^D nnab LJD
⢠D^nunDS t^np vbiï - DTii*n D^nquot;1?» 3Dn nquot;iP
⢠it -: ~ : It ⢠* ; -it .... - ⢠v: 'â¢'
: DTilSK * D^V^; ^3 ^quot;13 D^nll
nvnm ; nnan idirb np'iap * rvm nainn diki.
(* .Dipl^N Dinn e)1D31 2quot;S Cquot;y nSlt
quot;GT1? nr:^3 * DSIJ; «lio1? Jquot;1'quot;)? ni^
wz ' i^öii mn - d1?^ nna
... t j * * i- t vi ; tquot; : t * ;
n^ina on^p i d| nn : nih jtik â¦js pni Sm * wo â¦SB'io bïanV D^nn^oi D^sddh * nina
t : t : ⢠â¢â¢ : .....t ⢠: * t â¢.. : * t â¢-. : - t :
ijst :quot; tjia ^-it. on o * d^onio i an^ arvkli
⢠onïi'n nan nüK nvn * an'^a nnab n^on oniï
⢠: - t iquot; m- ; t v iv * t : ⢠: ⢠^ t ⢠-;
â b frjn * ann pr-pi niïW nninü * SianV 103 ni3quot;irV? onï ispv : oniï ninnn
⢠m^o »m'3 D3QD - biom 1Ã2
t -t : ⢠; t t ; 1 â¢â¢ t : : * : «t
D^yan 3*up : Vd 3itri onv ni3quot;in ^ nt?#
bnsn pv'D * inby1? n⢠uain * inbas
nsB' nVü pD^.: invp3 |3Nn p3t:m. ⢠inpx 13T3 IOÃ^
⢠nn^böDNi riös nnrm nnï^ïöi nn^na - nn^ -nnn
t â t : : â : i - t t ⢠: t t * ; t't ⢠: tt ⢠^:
bx nspp1? * nnf^V 3p^3ü nDN^o Tjniï
⢠anion psp ^n^n; D-ip, : nnK ni'^J? nDN^an
4) I Kron. 4,23.
6) Jos. 5,3. Uit den meervoudvorm wordt afgeleid, dat Jehoshoea' tweemaal dit zwaard gebruikte, nl. vóór den uittocht uit Egypte en na de komst in Kena'an (Bamidbar Rabba, 11).
6) Zij gebruikten toen geen mes, maar een scherpen steen.
quot;) D. w. z. vroeger.
s) Jos. 5,2. Uit het woord: ztmarden schijnt de dichter de bepaling af te leiden, dat voor de besnijdenis bij voorkeur ijzer gebruikt moet worden. (Vgl. Maim, 'n 'Sn 2quot;s nSi» 'Sn ;'3 /iquot;di t'' ïquot;üic).
') Zie Jalkoet, I Samuel 17,40, K0. 127. De vijf steenen, die David noodig had, vereenigden zich vanzelve tot één.
'») I Sam. 17,49.
quot;) Ex. 36,2. quot;) De Egyptenaren, vgl. Ez. 23,20.
JOTSEROTH.
toen Gij zaagt, hoe zij [Israël] in gemengd bloed ^ wentelden, toen Gij de eerstgeborenen sloegt; Almachtige bevrijd ons en onze vijanden zult Gij in stukken snijden, dan zullen als op de tijding omtrent Egypte, de verdrukkers beven. -) God moge in Zijne genade opstaan om Zijn woord te vervullen; moge ons spoedig in erbarming aannemen en ons ten tweeden male redden van de lasten [der ballingschap] ; als in de dagen der oudheid moge Hij ons weder wonderen doen aanschouwen, Hij, onze Verlosser, Heilige is Zijn naam, de Eeuwige Tsebaoth.
â¢unn rjni mvh isv
Onze God is in waarheid God, en Zijne leer in waarheid betrouwbaar, ,/Voorwaar, ook Zijne eerste woorden zijn waarheid! 3) en het einde ervan wijst op de waarheid [der eerste woorden;]quot; Hij vestigt de grondslagen der wereld op recht, vrede en waarheid 4). â Vóór de vroegste oudheid overdacht Hij den raad dei-ware wijsheid 5), die op Zijn uitgestrekten arm was geschreven, â want een gouden plaat was nog niet geschapen, noch ook een huid van vee of wild. â Hij rolde duisternis en donker weg voor het doorbreken van het licht; toen Hij echter zag, dat het verheven was boven eiken glans en licht, borg Hij het als een schat weg voor hen, die zich bezighouden met de Heilige Leer, die lichtend is. 6) «Hemel en aardequot;7) gebood Hij, als een koning zijn dienaren â en zij werden tegelijk geschapen, volgens de beslissing, gegeven door den voornamen geleerde en zijne leerlingen, als bewijs daarvoor aanhalend het bijbelvers : nik roep hun toe â en tegelijk bestaan zijquot;. 8) â Toen nu tot in het oneindige
') Van paasclioffer eh besnijdenis. De uitdrukking noian m beteekent een mengsel van bloed, voor en na den dood aan een verslagene ontvloeid, en wordt door Maimonides Mishna-commentaar Alioloth 2,1 afgeleid van fiDDian», Ez. 16,6.
s) Vgl. Jes. 23,5. iï, eig. Tyrus, wordt op talrijke plaatsen door Midrash als het beeld van de verdrukkers in de tegenwoordige ballingschap opgevat.
*) Het stuk draagt de naamteekening R. Benjamin, volgens Heidenheim R. Benjamin ben Zérach, vooral wegens het mystiek karakter van het stuk. Deze R. B. b. Z., met den bijnaam av Sja, leefde volgens Zdnz in Rashie's tijd ± 4820 (1060). Landshut, pag. 52. noemt 10 stukken met zijn vollen naam geteekend en s. n. R. Benjamin drie anderen, die aan hem worden toegeschreven.
3) Ps. 119,160, waar Rashie die woorden den volkeren in den mond legt, die bij de 1ste groep der tien geboden de opmerking maakten, dat zij allen op God betrekking hadden, maar door de latere geboden: ,/gij zult niet moordenquot; enz. ook tot erkenning van de waarheid der vroegeren werden gebracht. 4) Aboth 1,18.
5) De Thora, die, naar Midrash Konén, ook gedeeltelijk in Jalkoet,
70
n^ö nnnb rhv
wyH) inan ⢠onüa di npirsn ^niKquot;) : onï iS^ DnypV vnp iptlt;3 * onu i iosn lanboV uannb ⢠nnbnb nvp ly: iiDna cnjr lap i ^nj5 lijwia * niKVa; on^. ws ' nmbna mtjr : niK2V ^
T ; â¼:
17X11 rar1? TST
(* .p'ja iinan D» fjiDai 3quot;N Dquot;»
itk-i d:ün ⢠na» naiDK in-iim * nox D^rtbN * naxn iraiD isjidi * nasi na-i â¦Ã¼n[5p ja : naxn Dib^n b^] pn bx obi^n HD» »3 - i^iquot;iT3 nntns nn-nn ⢠n^in nvi?: ^ Dn^. Vöin Sba : rrm nons ity nSi anr du nxia: n1?
VI - T T quot; : T â¢â¢ : ; tt ~ â¢â¢ : *
rra Ss bj? »3 quot;i^a ⢠niNn ^ap ^ini
pn : ~ii« m.ina D^piyV itia * quot;quot;quot;ïkoi
* VTp^ni n^i i^npna nnx np3 bv_
inrnnn : nn* iiq;»;, Dn^« «nip -in^ nwi
Spr. 8,22 vv. aangehaald, vóór de schepping bestond, geschreven niet op metaal, noch op leder, daar dat nog niet bestond, maar in vuurletters a. h. w. op Gods arm. Zij werd vóór de Schepping door God geraadpleegd en haar raad opgevolgd.
6) Vgl. Chagiega 12a, Ber. Rabb. 12.
7) -Sm pn, hemel en aarde, pn voor hemel met het oog op Jes. 40,22, nSn voor aarde, vgl. Ps. 49,2.
8) Chagiega t. a. p. en B. R. 1, komt een verschil van meening voor tusschen de scholen van Shammai en Hillel, of de hemel dan wel de aarde het eerst geschapen is. Eindelijk verklaart R. Shim'on b. Jochaide beide meeningen niet te begrijpen, daar beiden tegelijk geschapen zijn, als een schaal met zijn deksel, die te samen vereenigd gebakken, eerst later van elkander afgesneden worden (vgl. voor dgl. potten Thosaphoth Bétsa 32a, en 'Aroech s. v. csSx). Hij beriep zich daarbij op het boven aangehaalde vers Jes. 48,13. De geleerden van zijn tijd nu waren het algemeen met hem eens. â Ik prefereer daarom de lezing â PTa'rl, die ook in Machzor Romie voorkomt, daar de constructie â2 pian moeilijk te verdedigen is.
JOTSEROTH.
zich uitbreidden de uitspansels van Zijn glansvolle woning, moesten zij plotseling een: «het is u thans genoegquot; hoeren en verstijfden op Zijn woord,1) nde zuilen des hemels schudden en worden angstig hij Zijn dreigen.quot; ~) Daarna verdeelde en splitste Hij de «met Zijne hand gemetenquot; [wateren] s); de eene helft hief Hij op en plaatste Hij in de hoogte tot latere eerhewijzing, dat zijn de reine wateren, die eens zullen gesprengd worden. â Toen schreeuwde de rest in opstand : âwaarom zou mijne eer tot schande worden ! ? Laat ook ik boven de wolken-hoogten stijgen en met mijn wederhelft gelijkgesteld wordenquot; ; toen verbrandde het een verterend vuur en werd de grommende bedwongen. â Hij vernieuwde de oppervlakte der aarde door vruchtboomen en gewassen, en gaf voorschrift aan de hoornen: //ieder naar zijne soortquot;, doch niet aan de gewassen; toch maakten zij voor zichzelve eene gevolgtrekking en de gewassen kwamen in afzonderlijke soorten te voorschijn. 1) Den physieken aard der beide hemellichten maakte Hij [oorspronkelijk] gelijk in gestalte6) en vorm; en naar het aangezicht van den door Gods hand gevormde [den mensch] gaf Hij hun gelijk uiterlijk en droeg hun op en gebood hun door hetzelfde venster te voorschijn te treden. De maan echter berispte Hem; dadelijk werd zij kleiner gemaakt, omdat zij aanmatigende woorden tegenover Hem had gesproken en niet begreep haar, in trouw haar toegewezen, tijd [van werkzaamheid]; en Hij troostte haar wel met vertroostings-gronden over hare kleinheid, doch haar geest werd niet tot kalmte er door gebracht; â daarom brengen mijne scharen een zoenoffer voor den Heilige op alle Nieuwe-maansfeesten naar mijn wettelijk voorschrift; één geitebolc tot zondoffer voor den Eeuwige.1) Van hen beiden [zon en maan te zamen] leeren de rozenbloesems [Israël] tijden en eindpunten, nieuw en oud, en zij zullen zijn tot teekenen en tot tijdsbepalingen en tot dagen en jaren 2j. Den maancyclus geven de letters aan, hare tellingen worden telkens door de zes eersten [samen te voegen] bekend; voegt gij de zevende [letter] er aan toe, dan stijgt het getal tot dat van den zonnecyclus. Dan zijn van den eersten regel nog twee over en van den tweeden en derden nog vier, niet waar? terwijl de Zajin (f), de 'Ajin (gt;*) en de sluit-Noen (j) voor hen
71
1
) Choellien 60a, vgl. Rashie, Gen. 1,12.
2
Romie geeft de lezing; jtiisna, in gestalte, wat mij het meest eenvoudig
vin tymi ivv up
niDj? * inTöK in^ D^n ⢠mnn i nin n nvnni jbs tki : im^üo mann iööit
â *â . T â¢â¢: v : â¢â¢ ⢠t ; t^-;- ⢠: : * ; it : ⢠quot; t
Dninran D'sn on ⢠Dniaob nb^i on^nü * onnan
. - ⢠|- - â¢â¢ ⢠⢠; t ; t ⢠-: - ⢠: -
* no by nsbp1? n'33 mvi Din* -it : pnó n'^DK vx inanbrn. * na^ wp^'i \na3 ^
⦠d^k^-ii na ^^3 na-jx ^n : nainn Nin ^3p:i bp_ fav^3 * D^K^n ^ ah] inrp1? V# nn-i Ipini mans nnxa ^ ^3ü : d^x^i â¦ra wi laini nnx |iVn3 nNïi * ni^i j^n la^ D^M -IT rv^nm * n^n vs^a n^tsn ^ ü^anji -inDn -ID11 : njvi quot;i^a laV
ab) lüip) ^ainina lanri ⢠iny niiax |3 abï quot;733 * â¦Jian pn.pa p1? hy_: 1313 : in^n 1 Dnab : quot;b nNisn1? mx d,t^ -i^ * m3 D^-in
⢠â¢â¢ : t ~ t - : tv ⢠⢠: quot;t: ⢠- ; ⢠t*:
vrn ⢠oriB* D5 D^nn d»v^ D^ar ⢠â¦nna ona m'^K nnbn -iirna : D^a'bi anjn'abi ninx^
t t ; - -: - ⢠t : * t : * -: ; :
^s^pins * n1J?n, n^nniap nu'^K-in wvz * niynia
⢠n:t^N-i nta^a 1 ni-ini: : ni^^a nan1?
t â * t â *⢠# â¢- â â t .t - - ⢠=
nai^a pr |ni * miaxs ^3nK rn^^^i n^^ai
voorkomt, temeer daar de uitdrukking i:pm iiv;t in Midrash en bij de Paitaniem zeer gewoon is.
7) Vgl. Choellien 60b, waar dit gelieele verhaal voorkomt. De maan maakte de opmerking, dat in de geheele Schepping de grootere aan de kleinere zaak gepaard was; twee even groote liemellicliamen zouden slechts aanleiding geven tot strijd. Als straf voor haar eerzucht, daar zij natuurlijk de grootste wilde blijven, werdquot; juist zij verminderd. Toen begon zij eene discussie over haren toekomstigen werkkring, totdat zij eindelijk door God werd aangewezen als uitgangspunt van feestbestemmingen; ook toen was zij nog niet tevreden en zeide God: brengt daarom eiken Nieuwe-maansdag een zoenoffer voor Mij, omdat Zk de maan kleiner heb gemaakt. Dit wordt vastgeknoopt aan het woord 'nS (Num. 28,15), dat alleen bij den zondoffer-bok van het Nieuwemaansfeest wordt gezegd, terwijl het bij de zondoffers op andere feesten ontbreekt.
8) Gen. 1,14. Zie onze aant. aldaar op het woord crnrin.
JOTSERÃTH.
allen de rekening doen sluiten.!) â De visschen, die zwemmen in de zee, deed Hij wemelen in 700 reine soorten, en voor gebruik geoorloofd gevogelte zonder einde of getal, en [onreine] te verafschuwen vogels vierentwintig. â Daarna raadde Hij : âdat de aardbodem voortbrenge wild en vee, onrein en kruipend gedierte te doen wemelen in machtig aantalquot;; toen bewoog zij [de aarde] zich als het ware zelve van insecten, die toch allen voor eene ot andere noodzakelijkheid dienen. [David] die na talrijke bepaalde jaren [bij het brengen der bondsarke in Jerusalem] zou dansen en springen 2), vroeg ; «waartoe zijn gekken, spinnen en horzels geschapen ?quot; Hij antwoordde hem : ,/gij zult ze eens noodig hebben, op den dag, dat gij, om u te redden, zult moeten vluchten.quot; 3) â Toen Hij nu voleindigd en voltooid had het bevelen van al het geschapene, sprak Hij : âlaat Ons een mensch maken naar Ons beeld.quot; Hij mengde hem dus [uit stof der aarde en water] en gaf hem de ziel en zette hem in zijne âhulpquot; [de vrouw] de kroon op. Toen hem een gemakkelijk gebod gegeven was, deed zijn misleid hart hem afwijken; en richtte Hij hem door Sanhedrien's besluit als een zinverdraaide en verdwaasde om op hem te vervullen : met den hromgeestige gedraagt gij u dwaasquot;'). In die afdee-ling teekende Hij 71 Godsnamen op; van Beréshieth, totdat hij geschapen zou worden5) en van dat hij geschapen was tot de verdrijving, â beantwoordende aan [de 71 leden van] het San-hedrien, de mannen van onderzoek en navorschen. 6) Zij beiden hebben gezondigd en worden in de Heilige Leer veroordeeld en de slang met hen, omdat Hij [God] niet de juiste argumenten voor hem aanvoerde, immers : [wanneer tegenover elkander staan] de woorden van den leeraar en die van den leerling, â past het
') De gewone maancyclus omvat een tijdperk van 19 jaar, waaronder 7 schrikkeljaren, waarin één maand wordt ingevoegd, ten einde er altijd voor te zorgen, dat het Paaschfeest in de 3lt;3sn Dtin, d. i. in de lente valt. Daardoor wordt dan het zonnejaar met het maanjaar in overeenstemming
gebracht (19 X 354 210 =: i9 X 365 4- 1). Dit is de zoogen. jcp -mn». laarnaast staat nog een cyclus van 21 jaar, d. i. van zeven driejarige perioden, omdat de maan telkens na 21 jaar op haar plaats in verhouding tot de sterren is teruggekeerd, die zij bij hare schepping innam, Vru quot;ivrra njaSebracht (19 X 354 210 =: i9 X 365 4- 1). Dit is de zoogen. jcp -mn». laarnaast staat nog een cyclus van 21 jaar, d. i. van zeven driejarige perioden, omdat de maan telkens na 21 jaar op haar plaats in verhouding tot de sterren is teruggekeerd, die zij bij hare schepping innam, Vru quot;ivrra njaS hv. De zonnecyclus omvat 28 jaar, en wordt nnnn -mrm, ook wel, in de latere litteratuur gewoonlijk, Sn; -mno genoemd. Plaatst men nu de letters van het Hebr. alphabeth, met de sluitletters, in drie rijen:
a n n m j 3 k
2( 3^030^3 1
p s] ja inn p
dan zijn alle berekeningen te maken. De zes eerste letters van de eerste rij (1â{lt;) geven tezamen 21, d. i. het aantal jaren van den grooten maan-
LEvrrrcus. J
72
ann mwh ixv 23;
* onint? â¦ra hinü Dpnp : nnbaS ni^naö runiN nW| * onspai ij^n ^K1?
⢠nonni n»n nonx K»vin '{% : ö'^l : nan Tjiix1? d^di pa'ina! n^nni * na^n'pi fn^n1? inidj ns1?' 1 * ni^iap d^b' hsdV nansai ttis
it ; ⢠tit quot; t i: * t t - ; â¢â¢
nnna ai^ ia1? niüïn m^n - ni'iü'i
t ⢠; : «t I vit : ⢠⢠v: ^ r: ⢠t :
wobV? tnK n'f^a ⢠-IÃ33 Vtfiö V| nrv :
nb mtsm nit3x:3 nbp : bbs ^ iD^im IVSJ * bbo
â it ⢠: t - : ⢠: t »- â¢â¢ * vquot;Tquot;; ⢠: ⢠: : ⢠â¢â¢ *
⢠bnar v^yi pnnip jna ini * Snin
⢠n^naa in«i, iW nnam o^n : bnsnn |nnn;p * n^na quot;iv^ n^i. n^Nnao K'nii * nnina i^nrui iNisn : n^mi m^pn ^3
t t : t quot; . : - ; * ; : t *r ; t ⢠: t !⢠-: â¢â¢ ^; -
â¦ini nnn TpSrn Dippa ' nnii^a |5;a kW dq^
.rxawrh : xnis fnirnb oipna inn iitrma *
cyclus; de zevende er aan toegevoegd, geeft 21 7 = 28, het aantal jaren van den zonnecyclus. In de tweede rij krijgt men op dezelfde wijze 210 (280) en 2100 (2800). Dan schieten dus de beide laatste letters van iederen regel over, terwijl de letters f (in den Isten), J} (in den tweeden), en sluit-J in den derden regel alleen dienen om den maancyclus tot zonnecyclus te vergrooten.
а) n Sam. 6,15.
3) De zoogenaamde Ben Siera (ed. Amsterdam 5457, pag. 106) verhaalt, dat David God eens de vraag zou gesteld hebben, waartoe Hij gekken, spinnen en horzels had geschapen ? Het antwoord luidde: zij zullen u eens diensten bewijzen, dan zult gij niet meer vragen. Toen hij dan ook op de vlucht voor Shaoel zich in de spelonk verborg (I Sam. 23,14), werd hij door het web van een spin, die daar op Gods bevel zich nestelde, aan het oog zijner vervolgers onttrokken. Bij Achiesh, den koning der Philis-tijnen, werd hij alleen gered door zich krankzinnig aan te stellen (I Sam. 21,11âlö); en bij gelegenheid van Davids overrompeling van Shaoel, waarbij hij diens lans en drinkschaal wegnam (I Sam. 26,8 vv.), redde eene horzel David het leven.
^) Ps. 18,27.
б) De Godsnamen in Dgt;pS.s qSï3 en van BipSx -p:pi (Gen. 1,27) worden nl. niet medegeteld.
6) Vgl. Ber. Rab. 20.
J O T S E R O T H.
voor des leeraars woorden ontzag te hebben.!) De zevende dag zag om naar den [door God] gevormde, daar hij der vertwijfeling ten prooi was, en stond op als een held om hem als eene muur te beschermen en smeekte vóór het aangezicht van den Vergevensgezinde en bracht tot bedaren toorn en gramschap.2) Zoo rustte daarop Hij, die woont in het verblijf in de uitgespreide [hemelen] ; Hij gaf hem tot erfdeel aan Zijn volk, dat in Zijne schaduw toevlucht zoekt, die loven Zijn naam, [zeggende:] âwant op dien dag rustte Hij van al Zijne werken,quot; de Heilige!
⢠JSIX
Millioenen macht'gen U ter eere zeggen : //heiligquot; s).
De schitterstralen, iedren morgen nieuw geschapen 4),
hun zeggen is: «geloofd.quot;
Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: «heiligquot; en ,/geloofd.quot;
Heirscharèn hoog ter Uwer eere luide â zeggen: «heiligquot; ;
Zacht suizend, zoet gemurmel U ter eere,
hun zeggen is: //geloofd,quot;
Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: //heiligquot; en //geloofd.quot;
Dreunend dreigende donders U ter eere, â zeggen: //heilig.quot;
Voor U verzaam'len zangerscharen zich â en zeggen: //geloofd.quot;
Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath, zeggen: //heiligquot; en //geloofdquot;.quot;
' Schreiend de schitt'rende hemelsche boden â¢â zeggen: «heilig.quot;
Siddrend staan vóór U de groepen Chashmalliem
zeggen: «geloofd.quot;
Ter Hwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: «heiligquot; en «geloofd.quot;
Tot U vliegen vorsten van 't vast firmament, zij zeggen: «heilig.quot;
Tot LI roepen eng'len en fladd'ren en vliegen 5)
en zeggen : «geloofd.quot;
Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: «heiligquot; en «geloofd.quot;
') Dit zoude de juiste verdediging van de slang zijn geweest. âEva had Gods woord boven dat van de slang moeten stellenquot;. Daar de slang zelve dit argument niet aanvoerde, werd het in dit geval, waar men met een verleider te doen had, ook door den Rechter niet in aanmerking genomen (Sanhedrien 29a).
2) Pirké R. Eli'ezer, 19.
7a
linn nvv ty
113J5 npjj'i ⢠noinpquot;? |n: »3 ^ quot;in : I pa rn .'nomD^a^i ^nia *30 Via fam - noma pnS â¢D»pin ibxa n^K is)?1? ibn: ⢠o^ns jido 3^1*13 ^a: quot;inv San ; tflij} ⢠D^SH Vsp n3^ 13 '3 iQ^b D^nSC'O
laSicn 2quot;x dquot;p JSJVC
⢠onpiN *shi* rp ' Tps DnplN Dnj^3 â¦Nils 0^*13 ^
: quot;qra iyn[5 onpiK D^nnsi nins^s ni^nj5 ^
⢠onpiN D\H33 nna D^ia ^
⢠-]n3 onpiK npn mi; onsn ^
: ^131 onoiN D^ahnsi ninsK's nibnj? ^
⢠onoiK nbion »pin D^pin ^
⢠^13 onaiK D'^ni niyi oni^i. ^
: ^n3i ^Iquot;ij5 onpiK d^td1) ninsB's ni^n^ ^
⢠DnOlN D^13T *3T D'pJ^lT ^
⢠^quot;13 onpiN d^P^ö ^tj D^n ^
.* ^quot;131 DHDIK D^nnsi mnsB's nibnpj ^
⢠^i-ij^ onöiK D^nisp nosü ^
⢠â¢rjns onöiK pin» pin» p«quot;)^ ^ nmm : Tjinsi tylquot;ipT onplK D'trra nins^s nlbnp ^
3) Gedoeld wordt op de Kedoessha, heiliging van den naam Gods, door de engelen-koren, die, bij Jesaja 6,3 het //driewerf heilig enz.quot;, bij Ezechiël 3,12 het: ^geloofd zij de naam des Eeuwigen enz.quot; aanheffen. Deze beide verzen vormen ook in onze liturgie de Kedoessha.
*) De engelen, die als bliksemstralen glanzen en iederen morgen nieuw geschapen worden, vgl. Chagiega 14a. B. R. 78.
5) Ps. 68,13.
JOTSEROTH.
74
â¢nSit
Uwe trouw is waarachtig en groot, Gij, die in de vergadering der heiligen als heilig wordt geprezen; telkens als Gij het teeken des heils [aan den hemel] plaatst bij het vernieuwen van het morgenrood, zullen de [uit Egypte] verlosten U huldigen!) telkens op iederen Shabbath en nieuwemaansdag en zeggen; «Uwe getuigenissen zijn ten zeerste vertrouwbaar, Uw huis betaamt heiligheidquot;.1) Het is gewoonte «de schoone vruchtquot;3) [van den olijfboom, d. i. de olie] te gebruiken als brandstof ter verlichting, bij het naderen der ochtendschemering echter gaan de lampen uit, daar hun gebied ten einde is; en kort vóór den morgen orden ik mijne bede en zie hopend op naar U, Eerbiedwekkende, â want bij U is de bron des levens, in Uw licht zullen wij het licht aanschouwen. 4) Moge de glans van het verblijf Uwer heerlijkheid [Tsion] Uwen uitverkorenen getoond worden naar hunne verdienste; vensters, [naar binnen] kleiner, en [naar buiten] grooter wordend,8) mogen in pracht zich verheffen als bij den eersten en tweeden [tempel]; de voorspelling van Uwen ziener moge bewaarheid worden: «dat maan en zon zich verbergen,6) want de Eeuwige zal u zijn tot eeuwig licht.quot; â De kroon der schoonheid. Uwen tempel, vestig hem, leg vast zijne grondslagen; maak weer volkomen den troon en Uwen heiligen Naam, bedien U niet meer van slechts twee letters;7) verschaf Uwen dienaren een nieuwen naam,8) gelijk er eea nieuwe hemel en nieuwe aarde zal komen;9) âJubelt hemelen, want de Eeuwige verricht het; juicht, gij diepten der aarde !quot;10) Wanneer Gij [naar het gebied] van den top van Amana af binnenwaarts11) de ballingen uit hun gevangenschap bijeen trekt, doe hen dan hun zangstuk erven, terwijl vrouwen de mannen omringen;12) als het geheim van hun leiding in hunne jeugd, toen maagden den tamboerijn sloegen [bij den uittocht uit Egypte, aan de Schelfzee] nd [den val van] het leger; de stad is dan om tot kracht, tot hulp doet Hij strekken muren en tusschenmuur.13) Het woord der bedenking in Chanés [Egypte] heeft opgewekt het verbond met onze dooden [de aartsvaders]; Gij, rechtvaardige spruit! vernieuw in nabijzijnden tijd onze jaren; dan gaat Gij gevreesd als koning daar heen, en ik [Israël] als Uw pachter 14) en te zamen verlustigen wij ons; dan wordt vol van gejuich en lachen
1
De schrijver is R. Meier ben Izak, met den bijnaam Sheliach Tsibboer (yquot;v. Voorlezer), die herhaaldelijk door Rashie geciteerd wordt, soms als reeds overleden (Squot;ïi). Hij leefde te Mainz en te Worms omstreeks 4820 (1060) en R. Jitschak Hallévie uit Worms, Rashie's leeraar, roemt zijne dichtstukken en voordracht. Zijn zoon R. Jitschak was te Worms een der slachtoffers van den eersten kruistocht (4856, 1096). Van hem is o. m. het beroemde nioipN, dat op het Wekenfeest bij het begin der Thoralezing wordt voorgedragen. Landshüt pag. 162â167 noemt als beslist van dezen dichter uit de verschillende ritus 21 stukken.
Knn vhd natyV nVir ip
{* .Q131D B^ruai mira pin pw 13 tns own p|iaai 3quot;x dquot;s JlSlt
{VV ^'Vna ⢠trnpno i D^njj moa nan ^npx ?jn:ioN na ïjitok» D'ViKa * Khnnan nn^n TO â¢' ^Tp? nï^ i3pw ⢠Ehim nar
123 nnuan nitrofn ⢠iikd1? 133 nn iNin ns â¦3 ⢠HKi ^ ns^l TjiDDi * HKn1? 1 bna
HNT, ïjTÃ3 DlpD quot;IHlT : TiK HKi: ?|HK3 D^n quot;lipp ïjQ^
riDi HTS ni3,rnöi nirüpa ni:iVn ⢠^Tns1?
^ n'n» « *3 * Db^nnb nixi quot;is fo?!. ⢠Dv»^1?
Dtyj D3 ⢠ni»nf iü] ?|T3^ bbsp »quot;)V : nix1?
D»Khn3 ^in Dt? ⢠ni»niK ^ont^np 1 o'^n : ni»nnn ijnn M n'^ »3 d'öb' isn ⢠ni»niN nEhni
⢠: - ^ i-t *: t 'v * ⢠1-t it tt-:-
33iDn mp: - quot;jniyns d^d ni^a D^abi n:oN ^no
.. . tiquot;; â¢â¢ ; - ; t ; ⢠⢠⢠t ⢠: ⢠: t t -:
in« maain nia^s niD^ Jim iid * bn: quot;1^ pia 13a Dans nTpö na : bn\ nioin Ty *
⢠1 Bhnn 3np, pnx npx * nns rrvyn pinipimn TK * ir:^ â¢?»â¡: DHNI ^03 NIID ^nn
1
') De uitdrukking is ontleend aan Jes. 6,30, het denkbeeld aan Jes. 60,19,
JOTSEROTH.
onze mond en onze tong!quot; !) Door het te plaveien met Poech en Saffiera) maak hecht en sterk mijn voorhof; den, cypres en ceder, populieren zijn de latten bij mijn terugkeer; en men stelt schoon een heerlijken zang in, als destijds toen ik de zee gekliefd zag! Neem ter hand schild en schutpantser, en sta op om mij te helpen !3)
.iiirawi npoanS isv
Het [op den eersten scheppingsdag] gezaaide licht, dat Zijne heerlijkheid afstraalt, verborg Hij in Zijne schatkameren voor wie Hem dient4); wie Hem bemint, dien schenkt Hij een heerlijk lot! Bij de schepping lette Hij op de (toekomstige) bewoners der 'Eden-planting en de grenzenbepalers5), vóórdat Hij den hoeksteen plaatste en de diepe aardgangen schiep 1), â zij, [de vromen] de pijlers der aarde, op hen vestigde Hij de menschenwereld 7). Hij openbaarde Zijn geheim 8) aan Zijne rechtvaardigen en aan hen, die Hem vreezen, om namelijk Zijne verzamelingsfeesten te vieren, en Zijne heilige bijeenkomsten samen te roepen; â geloofd zij Hij, die van Zijne wijsheid een deel heeft doen rusten op hen, die Hem vreezen! Hij verschaft den door Hem gezegenden rust op Zijn heiligen dag, die geëerd wordt als het erfdeel van Zijn heilig volk; neem dus Zijn Shabbath in acht naast den eerbied voor Zijn heiligdom, â van Hem, den Heilige!
Chéber (Mozes) 9) leerde het volk kennis, en overwoog en stelde vast wat telkenmale voor te lezen, en vragen te bespreken en wetsbepalingen voor te dragen over de beteekenis van het aan de orde zijnde onderwerp l0); in de zittingen der wijzen u) voegde men leering toe en stelde vast, getelde dertig dagen te voren te beginnen, met het stellen van vragen betrefifende de voorschriften voor de feesttijden. â Ook op Shabbath konden de [van elders tot het afleggen van getuigenis] naar Jerusalem gezondenen onder de getuigen, uitgaan voor Niesan en Thishré, opdat zij op tijd
') Ps. 126,2. ') Jes. 54,11. ') Ps. 35,2.
*) Over den Schrijver zie den rown 'a rauS -iw, deel I pag. 88.
4) Ber. Rab. 11, Thanchoeraa Shemienie, Chagiega 12a.
6) Naar aanleiding van den meervoudsvorm nm, Wtj willen ma/ken, Gen. 1,26 bij de schepping van den mensch gebezigd, wordt in Ber. Rabba 8 de vraag behandeld: met wie God vóór de schepping van den mensch beraadslaagde? Onder meer komt daar voor: met de zielen der braven beraadslaagde Hij, met het oog op I Kron. 4,23, welk vers door Midrash daar verklaard wordt; zij, die tot de schepping aanleiding gaven, (ffnxïin) die de aanplanting (den hof 'Eden) deden bewonen (d^ïim ^-quot;p) en de grenzen deden bepalen (mui) â zaten met den Koninq hij Zijn werk (inequot; vonSm -fron or).
75
1
) Vgl. Soekka 49a, waar iwsoa verklaard wordt: rpï' sna, Hij schiep
Bgt;quot;in twm r\2vb n^ir njr
* wrjr p;in njpn töpi -jis nxbnii .* ira amp;ybb yp j^óii * â¦nirn â¦nna â¦â¡â¦ni nwKni nn-in mty : 'nir^a no^i myi jiD prnn * d»3 tns
.njctn nposn1? nsr
(* .TOD â¢'313 Dn:?J own ejlDSI 3quot;N Dquot;r IDVD
i3nK ⢠113^ lü'Nb quot;iïji quot;iïk * 1-1133 mir pnr hn
.... t ; v -: - - t ; - t : - r* - it
⢠n^Kio nnii ^t^i^ ?3 : i-i3T 31à 137
..... t â¢â¢: t ; â¢â¢ : ; I t t ; viv
: n^n b3n on^ â¦piïD * Kn3i nas rrv d-id3
* â¢â¢ quot; â¢â¢ V quot;^-z i VIV iquot; I ; ⢠tt t * tt viv :
^113 ⢠vtnpp Kip vi^id Jinb * vki^i viwb ihd nba
' *t* .t.t ** t* * ** *t** t â¢â¢ . tt t -
1330 ⢠wip DV3 V3m3Q mü : VNI»7 inD3no pVnB'
t *v i :lt ; tt : - r â¢â¢ t â¢â¢ ⢠t : t â¢â¢ i - t^v#
: ^iipT * itripp niidi ins^ iiüb' * iiriip nu'-i»
⢠d^ö ^33 Klip1? fpni |;mi ⢠o^n nK i3n ia1? n^i
⢠D^iasnn np1? is^pin : D^à pys ^iiibi ^iN^bi. nü'pns nvn1? ⢠â¡â¦jp: wpbp onpn1? irpnni n^ri b%] JD'J b# * on^s D'nib^ d^xi* n3^3i : D^OT
de onderaardsche gangen, die tot afvoerkanalen voor het altaar dienden. Hier is jw waarscnijnlijk in meer algemeenen zin gebruikt.
^ I Sam. 2,9; vgl. Joma 386.
8) ittïn niD, de kalenderberekening.
8) Een van de namen van Mozes, zie Megilla 13a. Het beteekent: die een band vormde tusschen Israël en zijn hemelschen Vader.
10) Op elk feest wordt uit de Thora eene al'deeling voorgedragen, die of met de geschiedkundige beteekenis van óf met den tempeldienst op het feest verband houdt. De Thoravoorlezingen op Shabbath- en feestdagen zijn, volgens eene Thalmoedische traditie, door Mozes ingesteld. (Megilla 32a; tract Soferiem 10,1) Nog luidt eene bepaling, dat men dertig dagen vóór elk feest in de openbare voordrachten en in de leerhuizen de wetten met betrekking tot het feest behandelt (Pesachiem 6a). Oorspronkelijk echter was door Mozes alleen ingesteld op elk feest de onderwerpen te bespreken, die met het feest van den dag in verband stonden (Megilla 32a; vgl. Tosephtha Ibid. 3).
quot;) Het Synhedrion.
JOTSEROTH.
zouden aankomen, want in die maanden moet men zorg dragen voor de juiste vaststelling der feesten i). Wat zij bespreken, wordt ter herinnering in een boek opgeschreven en bezegeld 2), de waarheid was aan hunne zijde om ieder, die het wilde bestrijden, tot zwijgen te brengen en den mond te sluiten, [want zoo luidt het:] «de feesten des Eeuwigen, die gij zult uitroepen.quot; 3) In hunne wijsheid bepaalden zij en stelden zij vast het nieuwe-maansfeest van de eerste maand (Niesan) op den eersten, derden, vijfden of zevenden dag der week, ten einde het Paaschfeest op zijn tijd te vieren; eene aanwijzing daarvoor is te vinden in de
woorden: n 3 S NIH (dat alleen), niet: 113, de tweede, vierde of zesde dag der week.4) De Satan wordt verdreven en [door God] in toorn toegesproken in «de maand der sterkenquot;,5) die hoog staat aangeschreven6); doordien men den eersten, vierden en zesden dag der week voorbijgaat, en er voor zorgt dat op den tweeden, derden, vijfden of zevenden dag der week de groote
dag invalt7); het vindt steun in het vers: ,/is niet een ïïtf onttrokken !quot;8) Verder stelden zij kenteekenen vast, om herinneringen aan de bitterheid te bepalen 9): de nacht, waarin Hallel wordt gezongen, en die van weeklacht vallen op denzelfden dag der week in, [aanwijzing daarvoor is:] ;/zij zullen het vieren met ongezuurde broaden en bitterheid.quot; I0) Zij rekenden nauwkeurig uit, dat de (1ste) dag van het inwijdingsfeest en die van het feest
') Zie Rosh Hashana 216. De Mishna spreekt van de getuigen, die op den avond vóór den dertigsten dag der maand de nieuwe maan gezien hadden. Dezen begaven zich dan naar Jerusalem, of waar elders de zetel van het Synhedrion was, om hunne verklaring afteleggen; was die juist en vertrouwbaar gebleken, dan sprak het Synhedrion het; cnnn n-npn uit en was de dertigste dag als Rosh Chodesh en eerste der nieuwe maand bepaald. In Niesan en Thishré nu kwam het er vooral op aan, tijdig bericht te hebben, welken dag men als Rosh Chodesh te beschouwen had, omdat elke dag oponthoud vertraging opleverde voor de zendboden, die door het Synhedrion naar Babylonië werden gezonden om daar den juisten datum van Paasch- en Loofhuttenfeest te berichten. Om die reden mochten, ook na den val des tempels, de getuigen, die op den avond van den 30 Adar of 30 Elloel de nieuwe maan gezien hadden, ook op Shabbath op reis gaan, ten einde het zoo spoedig mogelijk aan het Synhedrion te kunnen berichten. De zendboden echter mochten nóch op Shabbath nóch op feestdagen hunne reis voortzetten. (Aenheim vergist zich, wanneer hij Diira DTnSp vertaalt: ude, op verklaring van getuigen afgezonden zendbodenquot;, en in zijne noot opmerkt, dat de boden den Shabbath mochten ontwijden; onra arrhu beteekent: de van hun huis iveggezondenen onder de getuigen).
3) Vgl. Mal-achie 3,16 en Jalkoet op verschillende plaatsen. God bevestigt de bepalingen, door Israel's autoriteiten vastgesteld, sinds de profeten hun zijn ontvallen.
3) Lev. 23,2. Thorath Kohaniem t. p. DDK; dat zonder 1 geschreven
is, wordt verklaard als; DJTXj zoodat de zin is; Zoo noodig met afwijking
76
npoanb *iyv
onana nsp fi-or: on^isn HK D^pnp ona^ * on^u in» n^io * Dripbi pVin pn^b dfik noxn * onnnbi 3n|nb
* fiïrNn ^iap1? loan : orix onx wnpri quot;I^K « *6i: n?1? Kin nn^ idt * ii^ids npsn Tn:tlt;3 ir^! quot;113^3 ⢠bïKnn fn^a \nïv ipin -n.iü : quot;ina ifio» : iik n? N^n «-ipab ^OD * VÃK riM
⢠onnj; bh;) Sbn * onnpn di^ D^^V
1133 Dl*! ^3n di* 1213 : onnpi niïö by inx i^;.
van de astronomische nauwkeurigheid, hebt gij en gij alleen, de wetgevende autoriteit in Israël, d. i. het Synhedrion, de feesten te bepalen.
4) mS, Ex. 12,16, wordt verklaard: ïïjj }{S. Er werd namelijk bij de vaststelling der kalenderregelen voor gezorgd, dat de Groote Verzoendag noch op Vrijdag noch op Zondag, en de zevende dag van het Loofhuttenfeest niet op Shabbath zou invallen. Daar nu van Niesan tot Thishré de maanden afwisselend 29 en 30 dagen tellen, zonder eenige speling, wordt het invallen der feesten in Thishré bepaald door den dag, waarop het Paaschfeest begint. Van 1 Niesan tot 1 Thishré zijn namelijk 3 X 59 =; 177 dagen, d. z. 25 weken en twee dagen, zoodat het Nieuwjaarsfeest op denzelfden dag zal komen als de derde dag van het Paaschfeest, de Groote Verzoendag dus als de vijfde. Hosha'na Rabba als de tweede. Het invallen van den eersten Niesan op Maandag ('2) zou dus tengevolge hebben, dat de Verzoendag op Vrijdag inviel; Woensdag ('i) zou voor den Verzoendag Zondag geven, en bij bepaling op Vrijdag ('ij zou Hosha'na Rabba op Shabbath komen.
6) in\s'2 = Dwsn nva = Thishré, de maand, waarin de steunpilaren der wereld, de aartsvaderen, geboren zijn. (Rosh Hashana 11a.) Volgens de voorstelling in den Thalmoed wordt op dien dag door God recht gesproken en staat de Satan als aanklager der menschheid voor Zijn troon. De Shofartoonen echter verdrijven hem en brengen tevens de verdiensten van Israëls voorvaderen in herinnering, zoodat God den Satan in toorn uit Zijne nabijheid verjaagt.
6) SxNnn; de bepalende n bij een w.w., gelijk Jos. 10,24, NisSnn. Het is een w.w. van Sïx, edel, voornaam.
7) Zie aant. 4. Zondag ('n) als eerste dag van het Nieuwjaarsfeest zou Hosha'na Rabba op Shabbath doen invallen; Woensdag ('i) 1 Thishrie, geeft den lOden op Vrijdag, Vrijdag ('1) 1, den lOden op Zondag. De uitdrukking Sïn Ssâri;p is ontleend aan Zecli. 14,5.
8) Zech. 3,2. tin heeft dezelfde letters als ns; deze dagen zijn onttrokken aan de mogelijkheid daarop den eersten Thishré te bepalen.
9) Ontleend aan Jer. 31,21; op denzelfden dag der week als de eerste dag Pésach, of de eerste Niesan, valt ook de 9de Ab in. Het zijn namelijk 2 X 59 = 118 8 = 126 dagen, dus 18 weken.
10) Matsoth, d. i. de eerste Pésachavond, waarop het plicht is ongezuurd brood te eten, en Meroriem, eig. bittere kruiden, hier; hittere klachten, van den avond van den 9 Ab, vallen samen.
J0T8ER0TH.
der eerstelingen (nij;i3B') samenvielen, bepalende dat dit alleen het geval was in gewone of gebrekkige, maar niet in overcom-pleete jaren!), â [als aanwijzing er voor kan dienen :] ffwant gelijk de voorgeschreven [Chanoekka-]lamp zoo spreidt de Thora haar licht.quot; 2) Om vier tijdstippen is een nauwe band gevlochten, onveranderlijk. D'K, de eerste dag Pésach, 'N, valt met den 9 Ab,
3X3 IWn, samen; â t?quot;3, de tweede dag, '3, met DIJ/Dl?, den Isten dag van het Wekenfeest; â T'J. de derde dag, 'J, met den
laten dag van het Nieuwjaarsfeest, rUETI amp;{lt;ï; â (pquot;l, de vierde
dag, '1, metSimchath Thora, DJCnp)3);â fTI, de vijfde dag van
het Paaschfeest, 'n, komt overeen met den Verzoendag, D13C. Zoo zijn dezen aan elkander gebonden; met het oog op den Verzoendag en den Wilgendag4) is deze bepaling overgeleverd. De verstandigen zorgden er voor, dat in de eerste plaats de aren-maand in acht genomen werd 5) en ;/het inzamelingsfeest in den omloop des jaars,quot; volgens de oude wet; â [eene aanwijzing daarvoor ligt in :] «Zoowel op het begin van het jaar [Nissan] als op het laatste gedeelte des jaarsquot; [hebt gij te letten bij het invoegen van schrikkelmaanden.] â In hunne hand werd het overgelaten nu eens de maanden vol, dan weder gebrekkig te maken, vast te stellen [het Nieuwemaansfeest op den dag, waarop volgens verklaring van getuigen de nieuwe maan is gezien] of uit te stellen; het jaar tot een gewoon jaar of tot een schrikkeljaar te maken op allerlei gronden 6): âWant dit is uwe wijsheid en uw verstand voor de oogen der volkeren.quot;7) Om in de regeling van de berekening der grondslagen der wereld orde te brengen en die gemakkelijk te maken, rekenen de geloofwaar-digen, die kennis van het kalenderwezen hebben, de jaargetijden van Niesan naar de zon, en de jaren van Thishré volgens den omloop der maan8). De inrichting der 4 extra afdeelingen9) hebben de oudsten der stammen geleerd: twee leest men vóór de lezing der Esther-rol en twee daarna, opdat de herinnering aan 'Amalek's daad het volk der God dierbaren zou worden aangerekend als de viering van de redding uit zijne macht10). Men begint
') De eerste dag Chanoekka zal op denzelfden dag der week komen als het laatstverloopen Wekenfeest, indien Marcheshwan niet meer dan
29 dagen heeft. Dan toch is van 6 Siewan tot 25 Kislew 24 29
30 29 30 29 -I- 25 = 196 dagen = 28 weken. â De maanden Cheshwan en Kislew namelijk hebben niet, gelijk de overige maanden des jaars, een vasten duur, maar kunnen bepaald worden: 1°. de eerste op 29, de tweede op 30, dan heeft dus het jaar zes maanden van 29 en zes van 30 dagen, dus 354 dagen; het jaar is normaal pnD3, de afwisseling van kortere en langere maanden gaat geregeld door; â2°. beiden kunnen 29 dagen hebben, dan zijn er vijf maanden van 30 en 7 van 29; het jaar heeft dus 353 dagen, is ion, gebrekkig-, â eindelijk 3°. kunnen beiden 30
77
miPin npoönb quot;IÃV ^
ny^ü 13 »3 ⢠ppVf üb] ppni pnps ' niNn1? hi M m - niobp 6]ÃI e]nis D'aot n^s'iK1? : quot;ii« nninf : moa nr pin iisa ^ap * iidn n6 n? fn (pi) naipn ^pxn yn) ⢠mi^i. n^Nn tJ'in nis^a idd: : njir nnnK nvi mari n^quot;iö * npna n^n
- : ⢠TT â¢-: - ^-; tT - ..........T T ; 'Trr
mm1?! ^iap1?' d^Ã^à quot;iprto rtxbn) nn;T2 inp : D»s^n DDnrni DDnopn K^n »3 *
vmx D^IO ⢠njabVi mnnb D^iy HD» rj-i^ : njnb1? n^no i nan^ fD^p niaipn * nra nnnxb rtap ⢠onpy mn n^shs
Dennis : onjv nyb jn^a jn^pr ni^ * D^Tip
dagen tellen, zoodat er 7 maanden van 30 en 5 van 29 dagen zijn, het jaar heeft 355 dagen, is sS», overvol. In de beide eerstgenoemde gevallen zal de weekdag, waarop de eerste dag Chanoekka invalt, overeenkomen met dien van den eersten dag van het voorafgaande Wekenfeest.
') Spr. 6,23. u = ruwi igt;, min = min jnn = «ï«t|
3) Deze overeenkomst is zeer gezocht en behoeft bovendien niet medegedeeld te worden, omdat rurn r.si, ni3iD en niïr op denzelfden dag der week komen. Bovendien spreekt de schrijver van vier tijden en noemt vijf. Ik geloof daarom, dat het beter is pquot;i hier te schrappen.
*) Hosha'na Rabba, zie pag. *, noot 4.
s) In verband met de woorden: Neem in acht de arenmaand (Deut. 16,1), bepaalt de Thalmoed, dat het Synhedrion, als het inziet, dat het Paasch-feest vóór de intrede van de lente zou vallen, het recht heeft eene schrikkelmaand in te schuiven, ten einde Pésach in den tijd, dat de aren rijpen, te doen invallen. Evenzoo mag men vóór Niesan een maand invoegen, indien men berekent, dat het zomertrimester, nan nsipn, niet vóór het Loofhuttenfeest zou zijn geëindigd. Sanhedrien 136.
6) Sanhedrien 11a, v.v.
7) Deut. 4,6.
8) Zie Rosh Hashana 2a.
9) Op vier Shabbathen van Adar tot Niesan worden vier afdeelingen uit een tweede Wetsrol gelezen, en wei: de afdeeling der Shekaliem^ Ex. 30,11â16, de afdeeling: gedenk wat 'Amalek u gedaan heeft,Zachor, Dent. 25,17â19, de afdeeling van de roode koe. Para, Num. 19,1â22 en de afdeeling over het Paaschoffer in Egypte, Hachodesh, Ex. 12,1â20. Daar nu van den Shabbath vóór of op 1 Adar tot dien vóór of op 1 Niesan 5 of 6 Shabbathdagen kunnen invallen, en bovendien nog eenige voorschriften waren in acnt te nemen, moest eene regeling voor de ver-deeling dier vier afdeelingen over de gegeven Shabbathdagen worden getroffen, die in het volgende wordt uiteengezet.
10) Zie Megilla 30a.
78 JOTSEROTH.
namelijk den eersten Shabbath met de afdeeling over de Shekaliem, en op den tweeden leest men: âgedenk de verdelging der zedelijk bedorvenen,quot;!) opdat Israël zoude vóór zijn en één Béka' van hen zou opwegen tegen honderd kleine Zoz(vanHaman).8) Het gebod omtrent de roode koe moest op den derdeu Shabbath gelezen worden om daarmede al gewennende goed bekend te zijn; en op den vierden Shabbath, onmiddellijk daarna, âHacho-deshquot;, opdat het uitverkoren volk ijverig zich in reinheid en zelfheiliging voorbereide op het opgangsfeest1). Voor den vastge-stelden regel voor den Nieuwemaansdag van de Adar-maand, die onmiddellijk aan Niesan voorafgaat2), is Zabdoe (de zevende, tweede, vierde of zesde dag der week) het vaste en onwankelbare teeken3); deze maand is krachtig door verschillende plichten, zoodat men de herinnering aan de eene verlossing in verbinding brengt met die aan de andere4). â Het begin der telling [dei-dagen van de maand] kan komen op Shabbath; dan leest men op dien dag en op den achtsten der maand de afdeeling van het aangewezen onderwerp [Shekaliem en Zachor], en maakt eene pauze [in de lezing der extra-afdeelingen] na de lezing der Esther-rol; VII/XV is het teeken5). Indien hij [de 1ste Adar] op den tweeden dag der week invalt, vervroegt men de lezing van Shekaliem [lot den Shabbath vóór Rosh Chodesh] en maakt pauze den eerstvolgenden Shabbath [na Rosh Chodesh] en 1I/VI is het teeken, dat daarbij gezegd wordt; en het lezen der overige drie afdeelingen geschiedt op drie achtereenvolgende Shabbathdagen. Komt zijne beurt om op den vierden dag der week te zijn, dan wordt Shekaliem eveneens vervroegd, en maakt men pauze den eerstvolgenden Shabbath; met de overlevering IV/IV duidt men dit aan; en de drie andere afdeelingen vult men aan, vast
1
) Op 14 Niesan zoude het Paaschoffer geslacht moeten worden, wat
2
door hen, die door directe of indirecte aanraking aan een lijk verontreinigd waren, niet mocht geschieden. Bij alle verontreiniging, door een lijk ontstaan, werd de ritueele reinheid, om het heiligdom te mogen be
3
treden en offervleesch of dergel. te mogen eten, eerst herkregen, na zich
4
op den 3den en 7den der reiniginesdagen, na een bad genomen te hebben,
5
met asch van de roode koe te hebben doen besprengen. Zoolang dit niet
ruuwn npDfinb» IÃV nv
onpnV ⢠n.»no -iidt n^^ai â¢
* nis niv : d^[5 dw nijp1? yps ^nanbi
nuhp Tm * Vip dj; nannnb /Eninn jaTD lo^p nar * |D^b ^oon ⢠^iap : ^ rnn^i KaS «lïn : |Dnn» n'ivpa nbw1? nb^a ^IDD1? * |DnDi â¢li^n^aaiamiQ^i loi^ai fnipi ⢠unp ^quot;i na^a l^pnpp /13 Vn â¦iir : l3D»p /nbip quot;inx j^'papi i^b^rn - quot;i3T 'ia |ot3i na^b p^pöpi ⢠iivv) - ppnpp / Taia ito1? in : nan» nisiri vbvz nm^o B'btyni * ro»DO nn nquot;iiDO ,n«an na^b rp^oaai
t â¢â¢. : t quot; ; i * ; - : t v i - t t - t - ; i j ⢠⢠:
had plaats gehad, mocht de onreine dus ook het Paaschoffer niet brengen, noch er van nuttigen. Daarom moet aan de lezing der afdeeling over het Paaschoffer (Hachodesh) die van het gebod aangaande de roode koe voorafgaan.
*) Omdat in een schrikkeljaar twee Adarmaanden zijn, spreekt men, als de tweede bedoeld is, altijd van p'oS -pMn ns.
6) Slechts op een der genoemde dagen der week kan de eerste Adar zijn, zoodat 1 en 15 Niesan slechts op Zondag, Dinsdag, Donderdag en Zaterdag kunnen invallen (tquot;ras).
e) Megilla 66; Juist daarom worden de 4 afdeelingen altijd in de laatste Adarmaand gelezen, om de redding van Hainan's aanslag en de bevrijding uit Egypte in verbinding met elkander te brengen.
7) Zachor moet altijd vóór Poeriem gelezen worden. Is dus 1 Adar op Shabbath, dan is dien dag Parashath Shekaliem, den volgenden Shab-bath, dus 8 Adar, Zachor, Vrijdag daaraanvolgend, 14 Adar, Poeriem. Er blijven dan nog drie Shabbathdagen in Adar over, waarvan op den laatste, den dag vóór den eersten Niesan, 29 Adar, Hachodesh, en op den vóórlaatste, 22 Adar. Para gelezen wordt. 15 Adar is dus Haphsaka. Het teeken is; Rosh Chodesh op den 7den dag der week('i) â geeft Haphsaka op den 15den der maand (V'c). Zoo zijn ook de andere teekens te verklaren : iquot;2; Rosh Chodesh op Maandag ('a) geeft Haphsaka op den 6deu Adar ('i); Y'i: Rosh Chodesh op Woensdag ('i), geeft Haphsaka op den vierden Adar ('i); V'^ai; Rosh Chodesh op Vrijdag, â dan was Shekaliem op 24 Shebat; tusschen Shekaliem en Poeriem zijn dus twee Shabbathdagen : 2 en 9 Adar; op 9 Adar moet, als den Shabbath vóór Poeriem, Zachor worden gelezen, dus is op 2 Adar Haphsaka (';). Na Poeriem volgen dan nog Shabbathdagen op 16 en 23 Adar, terwijl Zaterdag 1 Niesan Hachodesh wordt gelezen. 23 Adar leest men dus, als den Shabbath vóór Hachodesh, Para, zoodat 16 Adar weder vrij is voor eene tweede Haphsaka. Indien dus 1 Adar op Vrijdag is ('i), dan wordt de lezing der Parashioth door twee pauzen, Haphsakoth, onderbroken en wel: de eerste op den 2den ('3), de tweede op den 16den Adar (V'i).
J0T8ER0TH.
aaneengesloten i). Zoodra hij (de eerste Adar) echter op den zesden dag der week invalt, zijn er twee pauzen, nl. den volgenden dag (2 Adar) en op den Shabbath na Poeriem (16 Adar), met het teeken : VI/1I,X VI; en slechts de beide overige afdeelingen (Para en Hachodesh) eischen naar hun voorschrift2) vereenigd te blijven. De vrijgevigen laten uitroepen aangaande de Shekaliem van af het Nieuwemaansfeest (van Adar)3), om nieuwe Shekaliem te brengen, maar ook de ouden4), om op den eersten Niesan van de nieuw opgebrachte Shekaliem een deel te kunnen nemen6), daar het immers een voorschrift is [van af 1 Niesan] het offer te brengen in het heiligdom van de nieuwe Shekaliem-heffing. Het eeuwig verbond beware en versterke Hij voor Zijn volk; te zijner tijd verhaaste Hij de verlossing en verbreke en verbrij-zele eiken jukstang; Hij doe Tsion wel en herstelle Shalem in juichen! Wanneer zullen zij weder bijeenkomen om te verschijnen vóór Zijn aangezicht in het heiligdom ? zullen zij als in lang vervlogen dagen hunne offergaven brengen en daarheen voeren? [Wanneer zal men weer zeggen:] «Jubelt Jakob toe in vreugde en barst in juichen los!quot; 6) Zie, mijne oogen zien verlangend uit naar mijne vastgestelde feesttijden, dagen op dagen wacht ik reeds [op de komst der verlossing], naar den raad mijner in den raad des Eeuwigen vertrouwden7); [dat men zal zeggen:] //jubelt, gij hemelen! want eindelijk heeft de Eeuwige het volbracht!quot;8) Gij, die ons tot erfdeel gaaft den bekoorlijksten dag onder alle dagen [den Shabbath], â Die vestigdet een verbond tusschen U en het van alle natiën onderscheiden volk; wie is U gelijk, o Gevreesde, eeuwig Levende, Heilige!
.quot;rol nitnaS nsv
Gedenk, hetgeen hij ['Amalek] gedaan heeft, opdat hij worde tot buit en plundering en zijn stam worde ontworteld in gramschap! Aanschouw, o God! en vergeef zijne zonde niet, want Uwe gemeente
') D. w. z. op drie achtereenvolgende Shabbathdagen, nl. 11 Adar Zachor, 18 Adar Para, 25 Adar Hachodesh.
s) Er bestaat een zeker verband tusschen de vier Parashioth en de vier bekers wijn, op den Séderavond voorgeschreven. Evenmin als tusschen den derden en vierden beker, een dronk mag worden ingevoegd, evenmin mag Para van Hachodesh door eene Haphsaka gescheiden worden. (Alfassie en Ashéble ad Megilla 296, vermoedelijk eene traditie uit de Geoniem-scholen. Arnbeim citeert het uit naam van R. 'Amram, in wiens Siddoer ik het echter niet gevonden heb.)
3) Shekaliem 1,1.
4) Die men nog van het vorige jaar verschuldigd was. Daarvoor was eene afzonderlijke bus aangewezen, om de gewone offers der gemeente
79
nwtn npoanS -ixv up
' vn» nippfin ^^3 xi2 np : it inx it
|ü5^q3 idS ni'^rn ⢠vii p»v3 onia in«bi quot;ino1? *uhin irKip 1 ^ Wftpn1 D^nn! : ryy nan1? T3quot;ip nivn ⢠t^innna TI^«i -DinnV D^I D^unn
i t :it ⢠t : t : * â¢â¢-;â¢:! : ⢠⢠t : - : ⢠t-t
⢠nmw naiDir isy1? nna : tjnipa nt^nn nonna
t iv ⢠: -: t iv : : ⢠⢠T * : v 11 - t t -: t
übv n'tnn ji'ïn^ * n3i3eh pn:* nüiö ba nnya DSIV â¦o'3 * ibnp» Bnipa D^a niNnnnb â¦na : naia
â¢â¢ * iquot;it- v h - t t : ⢠: - t t ⢠:
nan : ibnïi nno'^ «n ⢠i^av onnio
it : i â¢!* ; t : ⢠^ t it : â¢: i* # t t :**
M;niD nioa nanx D'p» * w ^ maiï
t** â quot; t *# i t*# t . â â . * nna * d,ö*p i qv mon yrvd : « n^ »3 D^p^ 13-1
: 1 T â¦* : 'â quot; * quot;* T' T V I ' ^** â T
⢠dwi^n 'n sin; ?|1d3 â¦p * d'pyp 71137 ira db'
inv San : b'inp
.TiDt mnsh -isr
.HST n3lt;n onp* mn Ss wsiai squot;a dquot;s
W * hdb'D1?'! Tab 'm ⢠rwyT quot;IIST
?]bnp '3 ⢠mn bx iKtpni bsï nü's ⢠no^ss
uitsluitend van de Shekaliem van het nieuwe jaar te brengen. Op 1 Miesan werden de eerste offers van de nieuwe Shekaliem gebracht; om dien dag geld te hebben, werd op 1 Adar reeds bekend gemaakt, dat het tijd werd de Shekaliem in te zamelen en aan den schatmeester des tempels op te zenden. Zie Jeroeshalmie t. a. p. Vgl. Shekaliem 6,5.
6) Zie pag. 79, noot 1.
6) Jer. 31,6.
7) Naar het woord: «indien hij, de Messias, ook lang uitblijft, wacht slechts op hem.quot; vhd, volgens 'Aroech s. v. pD, 5°., en Rashie, Menachoth 71a, Nidda 126 beteekent dit woord: geleerde of gochvuchtige en staat het in verband met TC, raad, in de uitdrukking: vtrv1? 'n hd, de Eeuwige deelt Zijn geheim plan den Godvreezenden mede (Ps. 25,14). (Vgl. echter de tweede verklaring van Rashie in Menachoth t. p. en Rashie Berachoth 456).
*) Jes. 44,23.
JOTSEROTH.
heeft hij vertreden met allerlei verdrukking en vertrapping. Ook ü spaarde hij niet maar in aanmatiging maakte hij veracht het [door God] gedragen volk binnen den krachtbeproevingssteen [den tempel]. 2) Gij, die lang vergeten dingen gedenkt, deuk aan de natie, die U looft en luide heiliging uitspreekt U ter eere. Heilige!
Gedenk, hoe hij uitdagend sprak, onder alle geordende volkeren 3), tegen hen die [met het bondsteeken] onder de heup zijn versierd4) ; â de pas uit den dwangarbeid bevrijden, ging hij voor en trok uit op hun weg om alle zwakke knieën in de achterhoede af te snijden, hen in trotschheid te vertrappen en te vertreden ; doch Uwe heerlijkheid zag van uit de hemelvensters neer in elke breedte en lengte om door Uwe goedheid Uw volk te genezen.
Gedenk den stank, dien hij opwaarts verspreidde 5), â hoe hij zich haastte Uwe beminden te ontwijden6), hen te maken tot een afzichtelijken puinhoop; hij maakte zich sterk hen geheel te gronde te richten, hen ten val te brengen door vernedering en verguizing; â doch Gij, Algoede! die het gebed verhoort, hebt hem ten val gebracht, schrikwekkend, zoodat zijn einde verderf was!
Gedenk den overmoedigen booswicht, hoezeer misdadig hij handelde en den geliefkoosden zoon in verdrukking bracht; zwaar was de zonde en de boosaardigheid, hoe hij zijne ooren zwaar maakte en zijne oogen dichtstopte, terwijl hij zich om de vreeze voor U niet bekommerde; â om Uwentwille, Rechtvaardige en Helper! 7) verhaast den door U zoo vaak geredden hulp. Gij, die aan misdrijf voorbijgaat!
Gedenk hoe hij tegen U heeft gesproken; hoe hij verachtte, wat Gij hadt volbracht voor Uwe uitverkorenen, Uwe gemeente; gedenk toch den verwoestingsdag van Uwen tempel8), laat hem van Uwentwege vergolden worden een strafvergelding naar Uwe macht; storm hem weg met het jagen van Uwen orkaan 9); â dan zal elke mond U loven wegens Uw wonderbaarlijke daad.
^ non nS -p dj. Hoogstwaarschijnlijk gebruikt de dichter hier â2 non voor Sr Din. â Dan beteekenen de wooraeu; ook U, d. i. Uw heiligdom spaarde hij niet. Zooals zij er staan, zoude men de woorden moeten vertalen: ooïc hij U zocht hij geen toevlucht, wat van 'Amalek waarlijk niet behoeft gezegd te worden. â De dichter gaat bij deze strophe over tot de verwoesting van den tweeden tempel door Rome = Edom = 'Amalek.
quot;) Zech. 12,3. Vgl. Shemoth Rabba 25,9: oars snip ijs â gt;:wt D'biï Druxco nD»ï» ps sip» pquot;iina non mrw dis dsS ijx d'ojjoi }ta â ua D'Dmrn.
3) -pï Sm, waarschijnlijk doelende op hetgeen in Mechiltha Ex. 17,8 wordt verhaald, dat 'Amalek bij de verschillende volkeren rondging om hen tegen Israël in het harnas te jagen. Arnheim : tegen elke werkelijke waarde-, Ottensoser: hij eiken strijd. â De schrijver heeft in elk geval net oog op den aanval bij Kephiedim, zooals aanstonds blijkt.
LEVITICUS. K
80
TOT nijnab nvv Ã
b^nn ⦠non n1? na oa * non-ii mv Voa * hdv
â¢:⢠: tt i : - t-: ttt: t ^
nior ⢠quot;iDiT nni* : npojro |3Nf -jina * nDiög iidt : ^nj5 * d^n^öd ?|b nanpi * dtdbto ^ din
* rjisp nnnquot;? * ^ Sds pn^ isn
* ^Tin^ niNja irnV * ^3 ba 336 ⢠^3 ht) onpn : ?j31ü3 ïjS^I * â q'llNI 301-] ^3 * ^no |*ï oni^ * n^nb ^ * rhynb nnioT nor n^i3n3 * nVör6 onitt * n^ orvtf1? prn ⢠nbso ^03
tt ;-: tt-; t tt t-:iquot;- t t quot; ^ : â¢
innnNi * nl?n33 inVsn * n^ön ^oii^ 31L: * rbSErDi
⢠-: - ; t t v - ; - ⢠t ⢠: ^-1quot; t t : - ;
|3 ⢠yvz nixo1? »3 ⢠yv*\T 1 i^n» ni3r : n^pbpb
* ytfn v:^i n33n vjtki * ytni «ün 133 ⢠vwvvd
t t^5': â¢â¢:- t:t: - ivt : â¢â¢ â¢â¢ t ^ t *â¼; t :
pnï l^ö'? N1? ^nN^bi ninsb * Tj^as DKÃI * ^io1? ibibp iisr : 1313;
⢠Tj^à l1? Dv^l * -jb^T DV *113T NJ * Tjbnp ^ * Tj^n^ ns e]ïj^3 inn^p * TjrnD
1
) Ez. 8,17, vel. de commentatoren t. p. De uitdrukking mior mStra is vandaar in Midrash overgegaan in de beteekenis van: God lasteren. Bammidbar Rabba 13,3 wordt deze uitdrukking gebruikt en in verband met het woord xn (Deut. 25,18), dat verklaard wordt: den ojt afnemen, medegedeeld dat 'Amalek cpjni epnm nSra ieSh piw Ssm Sa jnn3T Sou mn. Vgl. Aroech, s. v. i»t, 4. Pesiktha Zachor 25ft en 27o en h.
JOTSEROTH.
Gedenk Uw volk en Uw erfdeel, die het voorwerp zijn van Uwe liefde en hopen op Uwe hulp; wend U tot den U [door hen] gebraehten lof1) en ontferm U over Uwe gemeente, die zich bezighouden, zich verlustigend, met Uwe wet; â doe hen blijdschap vinden in de vreeze voor ü en plant hen in Uwe veste en vestig daar binnen enge [tempelmuur]-grenzen Uwe goddelijke Majesteit.3)
Gedenk de veste, waar [David] verblijf hield s) en de gemeente van welke gezegd is: âwie heeft haar geteldquot; 4), die verspreid is naar alle hoeken; verhef haar door Uwe gunst, want haar oogen-blik is genaderd en de tijd om haar in genade aan te nemen; doe in vergetelheid zinken den naam van het wellustige 5) aan elke zijde en eiken hoek, en doe het koningschap toch terug-keeren tot hen, wien het rechtens toekomt! Gedenk dan nu in barmhartigheid en zie neder uit de hoogten om te helpen het geringste onder de volkeren, Gij Heilige!
â¢nbu
Gij, zoo vol barmhartigheid, verheug door Uwe ontferming de door smart gedrukten; verlos hen, want zij zijn als weezen; daar zij Uw wet overdenken en bespreken, zijn zij van alle volkeren onderscheiden en verheffen U bij voortduring! Gedenk de drie overouden [de aartsvaderen]; besehut weder6) [den tempel], herbouwd gelijk de hoogste hoogten 7). Algoede ! Gedenk Uwe lievelingen, verblijd hen te samen, naar Uwe groote liefde tot hen, want zij zijn Uwe dienaren, gewoon U te dienen; doe spoedig den door U aangewezen vorst opstaan, voer hen door de kracht van Uwe hand, steun hen met Uwen éénigen naam, kroon hen met Uw kunnen! Bevrijd hen, die U vermelden, diemetgansch hun hart schreien om U te zoeken; bevestig voor hen Uwe woorden, doe hen neerliggen in Uw uitverkoren huis, voer hen terug-naar Uwe vertrekken, doe hen wonen in Uwe stad; dan wordt Gij geprezen in al Uwen glans, als Gij Uwe kudde bevrijdt als bij het klieven der stroomen!
â¢manp
De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Skemoné 'Esré tot Oemagén en uercolgt dan:
Volgens de instelling van wijzen en verstandigen en de leering van de kennis der deskundigen wil ik mijn mond openen in lied en lofzangen, om te danken en te loven voor het aangezicht van Hem, die in de hemelwoningen troont!
') Baeé : wend U tot Israël, waarin Gij Uwen roem vindt.
2) Vgl. I Kon. 8,27; uZie, de hoogste hemelen kunnen U niet omvatten, hoeveel minder dan dit huis, dat ik gehouwd heb.quot; dsijï is een Thalmoedische
81
ünpüi * ?|nanK on * ^nbn:*! ïjpjr iüt :
D^inn * by Dnni - ^nna nis -Difi ⢠^nnps D^^ni * ^nxTn obnv * quot;qm ywyamp;2 m-Tfian * mo â¦d mpi * mn nnp iidt ; nnrDiy aïoïn
viv.. ; - t t - -Jquot; t t - ;r t I ivt ⢠: :
* nianb n^i * n:i); np rs * m^ns n^Din ⢠nas
t~: v ; *⢠: r ^ quot;tit t â -: - t : t * t :
n^D1? * nsa bsw nx * n:ny
t r.' T : ⢠: - - : t ⢠t ⢠~ t ⢠t â¢'-: â¢â¢ - -
^in1? * DW!2D ppin) ⢠D^pnia nn^ nipan : xrn^n inv SDH : â¦â¡lyp
2quot;s Dquot;r riVn
on '3 D7Ka * D^pi^ np^ ^önia * D'prn K70 nriK
⢠D^p^p D^^p on ⢠D^pKi: 1 fi^na ?jm * D'pin: *1:23 ï]ian * D^pnp nvbp hd? ⢠D^ppnp npnna ?jni^
* ^npn ana ons^ iw - ^TT -iür iïu : a^pT 103 obn: * Dpip nnnp * onpV ⢠on »3 ma : ?|ni«p3 on^ * ^]^,)n, dbo D3pD * prins 10^ D»p * 3^ 1 bss d'^iï * ^Tsrp nnan
⢠^ji^s n:3^ ^nnnb 3331^ ⢠^Tns n»33 Dïsn ^nsn
mty : ?]nn);; n^npss Dnsn ⢠^nns nsn^ri
pai -v nnx nna rhsm mn rquot;rn
manp
»a nnnaK * o^rsp n^n 1 nabai - 0^1321 D^psn niDp : d^i^ü plu' â¦ja bbnb) nininb - d,::quot;ii *1^3
term: nauwkeurig hepalen, v. d. oixsï2, afgepast, eng begrensd.
3) Jes. 29,1.
4) Nam. 23,10.
5) Jes. 47,8 van Babel, hier van Edom gebezigd.
6) Van c]Bin Deut. 33,12.
quot;) Ps. 78,69: en Hij herbouwde als hoogten Zijn heiligdom.
JÃTSEROTH.
Ik wil, Séla! herdenken de gedenkwaardige gebeurtenissen, die op deze Poeriemdagen herdacht en gevierd worden!): de schande van den buikkruiper 1), die uit gifwormen3) voortkroop, te vermelden, opdat zijn naam ten prooi worde aan vreeselijke verrotting. De doorn bloeide op uit brandnetel 2) en distel en van geslacht tot geslacht verwilderde hij meer en meer; de herinnering aan de zonde tegen zijne voorouders kwam als zwarte schaduw voor hem op, terwijl de misdaad tegen zijne moeder nimmer verdween3). In woede verscheurde en vernielde hij den moederschoot 4), opdat zij, die hem had voortgebracht5) niet meer zou ontvangen bezwangering in liefdegloed; â toen aan zijn derde geslacht6) in herinnering werd gebracht de zonde van [Israels] afval 7), werd hij door waanzin bevangen om hen te bestrijden, die den strijd [voor de Thora] te voeren hebben 8). â Een weg van vierhonderd Parsa doorzwierf en doordoolde hij, om een vangnet te spreiden, hij trok op van Sé'ier en verborg zijn valstrik, ten einde den vermoeide en afgematte aan de schaamdeelen te ontmannen H). Deze daad, uit nijd over de eerstgeboorte bedreven, om Israël te vernietigen, en de kleinveekudde der heiligen ten eeuwigen dage in slavernij over te leveren, â deze zijne schande werd met den griffel gehouwen tot eeuwige herinnering, om hem als het «eerste der volkerenquot; l:!) te brandmerken met: gedenk!â¢) De Almachtige dacht aan Abraham, die in den nacht zijne manschap verdeelde9); en liet wortel en tak (van den booswicht) op een glibberig pad uitglijden ; omdat hij Israels zwakke achterblijvers den nek afkneep, eischte God, dat 'Amaleks handeling eeuwig herdacht zou worden.
Achteraan trokken zij op10), over wie hij zijne macht deed gelden, want de wolk had hun stam uitgeworpen 11). Ten tijde
82
1
3) didsï, zie Rashie Spr. 7,22, gifwonnen.
2
4) Zie Thanchoema, Nïn â o, Deut. 25,17. Jakob en 'Esau zijn te vergelijken bij een rozenstok en een doornstruik, die men in het eerst niet van elkander onderscheiden kan enz.
3
5) Zie Thanchoema t. a. p. Pesiktha Zachor 226, naar aanleiding van
4
Ps. 109,14. De zonde tegen zijne ['Esan's] voorouders worde bij den Eeuwige
5
herdacht, en de misdaad tegen zijne moeder niet uitgewischt. Zoo vat althans
6
Midrash het vers op. vnias pr = tijtos Sr i:iï. â Om Abraham de vree
7
selijke ontaarding van 'Esau niet meer te doen aanschouwen, liet God
8
hem op den leeftijd van 175 jaren sterven, terwijl Izak 180 jaar oud werd.
9
Diorj 3quot;i tswi nSd rh du ; sto ism /ram r\nm ms aina isn Sr. â Ik houd
10
mm SjSu eenvoudig voor w.w. van het voorafgaande: vnn SjSj in den
11
zin van; hoe langer hoe doorniger worden.
tot nvish nmp aa
2quot;S Dquot;r
* D^'TOi. Dnatj n^Nn nm ⢠Dv^à |iquot;i3T nbo Tam : n^S ' Q'pax pap ns |im
quot;iDT * iâ¢i bh* in1? nnpi * -nnni Vabap pan ninn nn^'i e]K 6]quot;Ià n^nquot;? ^3 ISK nKm --inpn vjtük NLpn lt;\w^vh quot;i^sns ⢠Dn» finna üiVjjd inoin» * onn
⦠npis niKp ^3quot;i« Tjbnp : onV 'pniba onW? uab -onia ^ ^ ' nona ^poni -1^0 ^p * npna1? n-iiopa i:) |Kà ninpx * müs V^is : npnp^ v^ma DM3 rvBwn ⢠TiDT1? u^3 üinri uibp * niDo1? D^hj? pbpbns * pbin nVb IDT n_^ : nüD
; '^o iDTn1? jnn 'pVan v^n ^ man f 'p^nn1? i'n ⢠üba D'^a f^n p ⢠D3^ ipp* n:nn^
6) 'Am03 1,11, het boven aangehaalde vttm rnoi.
7) Vgl. Ps. 51,7; iss ijnsm.
8) 'Amalek is de zoon van Eliephaz, den zoon van 'Esau; de derde dus van 'Esau af gerekend.
9) Dra nepi, de zonde van Israël's berouwkrijgen, zie Mechiltha Ex. 17,8. Pesiktha Zachor 21a o-ps-a = mifin jn orPT iBTi' dc Sy. â Ik heb voor de opvatting van Aknheim en Baer geen bron kunnen vinden. Dezen vatten den zin aldus op: toen aan zijn kleinzoon bestraft zou worden de zonde van Jakob, waarover 'Esau zich zocht, te troosten, werd hij krankzinnig
femaakt enz.emaakt enz. dto sen is dan zooveel als; icï vSr orannf app sen. Gen. 27,42. n Midrash heb ik zoodanig denkbeeld niet aangetroffen. Wel staat Pirké R. Eli'ezer 44. dat 'Amalek de haat van 'Esau overnam en daarom Israël aanviel.
10) Zie Thanchoema t. a. p. vs. 14. Arnheim vertaalt, met het oog op Spr. 9,5: die het brood der Thora zouden eten.
n) Zie Mechiltha, Pesiktha en Thanchoema t. a. p.
1J) Num. 24,21, pSar a'i; rwsi wordt in Pesiktha Zachor 25a en Jalkoet, rhvi, einde, verklaard: rmms'? fsi.
quot;) Deut. 25,17. ») Gen. 14,15. gt;6) De stam Dan, Num. 2,31.
I6) Zie Thanchoema t. a. p., Pesiktha Zachor 276, Jalkoet twi o einde; de wolk had den stam Dan uitgeworpen en deze werd door 'Amalek aangevallen. Dit staat in verband met eene mededeeling door Midrash vastgeknoopt aan de woorden: rm -ojji (Zech. 10,11): dat bij den tocht door de Roode Zee het zilver van Miecha's afgodsbeeld (Recht. 18) hen begeleidde. (Shem. Rabba 24 en 41, Bamm. R. 16,26). Vermoedelijk was deze zonde in den stam Dan de oorzaak hunner bestraffing (zie ook San-hedrien 1036; Jeroeshalmie Soekka 4,3; Thanchoema Thétsé, einde).
JOTSEROTH.
echter dat hij zal worden uitgeroeid zonder eenige redding, zal Hij beschermen het volk, dat steeds beschermd en gered wordt! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham.
De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehachajoth Méthiem.
Toen de volmaakten nog in Sien in breede scharen gelegerd waren, omgord met sierlijke praalgewaden, haastten zij zich, weg te werpen de in vlammengloed hun geschonken wet, â en hij ['Amalek] besprong hen, wier handen slap waren geworden [en de Thora hadden losgelaten] in Rephiedim De verdrukker verzamelde al het gepeupel; en de zondaar, met zijne verzamelden rondom hun leger geschaard, hoopte, zoodra hunne sciireden uit de diepten der Schelfzee zouden zijn opgerezen, hen te doen verwelken gelijk riet en oevergras1). Hij werd verdreven en vloog weer aan tot drie malen toe, terwijl hij rondging bij de nakomelingen van vijf volkeren 3); de spotter werd verslagen en de onnoozele [Jithro] kwam tot nadenken2), zoodat hij gekroond werd en in de familieregisters van het edelste der volkeren [Israël] werd opgenomen 3). Overmoedig werd de spotter en plaatste een legerschare op het pad, en trachtte de groepen mijner jongelingen door ontucht te verlagenquot;) en mijne onder de heup [met het bondsteeken] versierden daardoor te ontwijden4), om [Gods geliefd] kroost door schandelijk bespringen te schenden en het uitverkoren volk [door God] te doen verafschuwen. Hij haatte [Israël] nog met den verkropten haat van zijn groolvader5); hij begon daarom den eersten keer zich in hinderlaag tegen hen te leggen, de tweede maal rukte hij in scharen op met vlammend zwaard, en den derden keer naderde hij met openlijke schuld 6). Toen de Babyloniër quot;j het heerschersvolk beheerschte, stelde hij zich op den kruisweg, om de zich door de vlucht onttrekkenden over te leveren [te verraden]; zij zeiden : «komt, laat ons de struikelenden vernielenquot;; toen, gelijk weleer, sneed hij al de zwakke achterblijvers af.
83
1
) T. a. p. R. Jehoeda zegt, met het oog op Num. 13,29, dat 'Amalek de vijf daar genoemde volkeren voorbijtrok, en, na hunne weigering aan den tocht deel te nemen, alleen kwam.
2
) Spr. 19,25, den snotter slaat Gij, en de onnoozele wordt listig, wordt in
3
Thanchoema, Jithro, begin, en Pesiktha Zachor 22a verklaard; toen God
4
toe dwaasselijk aan zijn heidendom vasthield, tot nadenken gebracht. Diai'n wordt hier door den dichter ter wille van liet rijm inplaats van het in het vers voorkomende Bnrn gebruikt. 'Aroech s. v. haalt eene plaats
5
uit Jeroeshalmie Shabbath 1 aan, waar het beteekent: nadenken. Müsaphia
6
t. p. beroept zich op Jonathan ad Jes. 6,10, waar het verduisteren beteekent.
113? nimip ia
quot; nn« ^13 ⢠übfiai D# p,ir; * ubï2\ nb) nns»
: DHTSK p.D ; dviö nrnnS x- -idj nnx
pquot;iün Dquot;3?
* QniSK DH^ n# ps^ * anian ppa D-riys D^o^pri msn D'T 1ÃÃJ5 ⢠â¡n'a1? jna r*i
D^HD nirrnp ^^13 * ^DSDN V3 tjDïs il'iï : n:p3 übt2\p quot;isp * ïjiD ni^ivap id^o^s ni^: * ^dk
* D'po^ n^pn ^^3 quot;iTnp * Q^P^a tj^i. TI: : «jiDi in* : D^p^ oninn1? i bbs * D*P#n 'risi nsn ^ â¦Dn* 'piDn * n^p nats n.ins disü * nVpo ^p^ni no^tr : nbiD 3^nnl? * n^oa^ 03
quot;in * K3np3 miü i Vnn * N3npn 'ïpp hpriï : n3in3 wbtz m * rorb 3^3 13^ nas4nop np^ pnss * wbpfo i diks : D^mn Vs 33T i ?NO3 TK * D^B'D: tonsil
⢠t v: v - t â¢â¢ * t â¢â¢ : t 'tc' ⢠; - :
Dan zou men moeten vertalen : en Jithro hrachl zijne afgoden, zijne dwaasheid in het duister. Baer, die vermoedelijk de Thanchoema-plaats niet gezien heeft, laat ook het tweede gedeelte op 'Amalek slaan en vat het op : en den dwaze, 'Amalek, bluschte God uit, van nimsii' D^n;, walmende, bijna uitgedoofde kolen.
5) D. w. z. zoodat hij tot het Jodendom overging en later een der aanzienlijkste geslachten vormde, die zelfs leden van het hoogste gerechtshof waren. Zie Thanch. en Pesiktha t. a. p. â B \ er : hij, 'Amalek, die met de kroon versierd was, genoemd te worden cu wto. Doch diȕ lan: wordt herhaaldelijk van Israël gebruikt (Ps. 47,10) en cnvinb komt in deze opvatting niet tot zijn recht.
6) Thanchoema, Thétsé: -iip = -tssu. Zie pag. '3 noot 6.
7) Shier Hashieriem Rabb. 7,2. 8) Gen. 27,41.
9) Mechiltha t. a. p. komt eene verklaring voor: di:s iiSja sao sw, tot nu toe was hij steeds in het geheim tegen Israël opgetreden, nu kwam hij openlijk om hen te bestrijden. â Niet onmogelijk is het ook, dat met de drie tochten hier gedoeld wordt; op dien bij Rephiedim, waar zij Israël plotseling overvielen; op den strijd. Num. 4,45, onder llozes, en eindelijk op Hamans aanval, die openlijk met eene beschuldiging kwam.
10) Neboechadnétsar; -po is Babel. Vgl. Jalkoet 'Obadja 1,14, voor de feiten, waarop de dichter doelt.
J O T S E R O T H.
Uwe vijanden, mogen zij met schande worden bekleed, gelijk zij zich verheugden, toen ik, op het droge gekomen, struikelde!); eens, als Gij met de kostbare heerlijke praalkleedingU omhangt3), om den herlevingsregen te doen vallen, als geneesmiddel voor het hinkende Israël! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven.
De vorsten van mijn kwelgeest, den kleinzoon van Sé'ier, die nakomelingen, deze zonen van Sé'ier, haastten zich met hunne stoppelen mijn vuur te ontsteken en met hun legertros beploegden zij als een akkerveld de stad ! Terwijl Gij het groote volk [Israël] niet herdacht, â waarom hebt Gij toen wél bedacht zijne schulden ? Waarom hebt Gij de banierenlegers verkocht zondergeldelijken prijs en hebt Gij de heiligen overgeleverd tot ontucht en wijn ? Gedenk den Edomiet de Woning, die zij verwoest hebben ; den verdrukkers, hoe zij de muren hebben omvergehaald en «tot grondvesten ontbloot ze, legt ze blootquot;, hebben gesproken met hun mond vol trotschheid en den muil opsperrend. Gij, voor Wien immers geene vergetelheid bestaat, houd in gedachte hun alle perken overschrijdende woede, zoodat Gij die nimmer doet vergeten; als loon er voor, dat zij niet wisten billijk te handelen, bezegel hun boek voor den dag der bestraffing!3) Het op goede gronden steunende voorschrift, in de wet duidelijk neergelegd, zullen wij gedenken ; opdat het niet vergeten worde op den dag, dat met hen het twistgeding zal worden gevoerd4), daarom hebt Gij Uw volk geboden: âgij zult het niet vergeten!quot;
De spotter legde strikken om de heirscharen te lasteren, die met het bondsteeken zijn bezegeld en het legerteeken dragen; het werd echter maat voor maat aan de nakomelingen gestraft,5) opdat men zou weten, dat bij het laatste oordeel6) ook hij zal worden bestraft door den naam van den Eeuwige, Tsebaoth.
De Eeuwige zal koning zijn in eeuwigheid; Uw God, o Tsion! door alle geslachten, â Halleloe-jah! En Gij, Heilige! troont op den lof van Israël! o Almachtige!
Met dezelfde uitdrukking, waarmede Gij hun, die U gedenken, in herinnering hebt gebracht: âgedenkquot;, hebben zij U herinnerd : âwil Gij toch gedenken !quot; 7) En al hebben zij, even als Adam, het verbond overtreden8) zonder het te gedenken, â
') Toen Israël, na de Schelfzee te hebben verlaten, in de woestijn (nwa) afvallig werd van God (tSm), verheugde zich 'Amalek (dit iisi dtbi).
s) Vgl. Jes. 59,17. Eene andere lezing luidt: waSn quot;T nita', de tien prachtgewaden; vgl. rum wNi Sü 'n dvS
3) Thanchoema Thétsé einde, Pesiktha Zachor 286; Zoodra 'Amalek raakt aan den troon Gods, door Jerusalem te verwoesten, zal God zelve als wreker optreden en zijn aandenken uitwisschen. nn-s nn-, Ex. 17,14.
4) Mechiltna, Beshallach einde, vgl. Pesiktha t. a. p.; Als Gods heerschappij algemeen erkend zal worden, dan voert God den strijd tegen 'Amalek.
84
niDT nEnsb manp na
* 103 * min 1^3^ an â¦nn Qwrh ' n^in^n nnta^ ^ni^n i,n : D»nsn n»np â¦; nnx -]n3 ⢠n^innn nj^ixb
.rmm awn e)iD2i »quot;2 nquot;N Dquot;r
â¦p n-?K ninbin * nn: ^no ^'ïk â¦ia : TJ? i^nn djikk' * IÃN
n^s d,l?n ⢠mDT 1 tk na1? vnWKh * r\iy töv bina
; â t : t ;|-t t tit t '. ' t : 1quot; t v t
d'di-ik1? iDtn : maan r'm nam onrnp * mno Tin
v:v quot;t * t ;i- ; ⢠l*r- t - ⢠i: t ;i- t i
* nj; n^T mo'n n^i - njny mom n^x onï * ma nia
* nnD^ ^aab px nr : n^ai nittD nan id*ö Dnsp ⢠nnina ni^; Wt k1? * nna^bp nva nno^
* roirn ^ nDTa * nnia nnn pin : nnain dv1? Dinn
- t ⢠* â¢â¢ t ⢠- t : i i~ t â¢â¢ ; -:
: nnirn ah nnï i«3p * nainnb oay kia dv rn npani * niNi Kaxa nns 'ainnn * niN3ï e]quot;inb fb trp;
* niNMïan nrb rs nvn ?'n * mxïinb ma3 ma
⢠; - : ^-i- t *⢠^. t quot; : t '
: niN3ï M 05^3 npS' Kin
t : â¼: â¢â : i quot;t â¢
: nnbbn rn ii) |vï ^nVx obi^ V; ^a*
: xa ba bNniy» nibnn 3^v irnp nnNi
t â¢â¢ â¢â¢ t : ⢠: â¢â¢ it t - :
N3 ^T3Tn |1^3 13 * H3T ^nplT1? nquot;)3Tn -IfN fltrbs
* ni3iba nn3 ii3V dik3 nan dni * H3T nnx
: ⢠⢠⢠; -.r t t ; t â¢quot; ⢠: : t -
5) Agag werd, zooals Thanchoema Thétsé naar aanleiding van I Sam. 15,33 gezegd wordt, wegens hetgeen 'Amalek met de nVi» gedaan had, door Samuel na zware pijniging gedood.
6) Vgl. Thanchoema, ypn; Ber. Rabba 92,2, waar xiï» nr1?, Ps. 32,6, wordt verklaard te doelen 0(i den dag des laatsten oordeels.
7) Thanchoema Thétsé einde en Pesiktha Zachor 26a: nor les ns not pSw ^S, Israël sprak tot God: Gij beveelt ons: «gedenkquot;, â gedenk Gij. Want bij ons kan van vergelen sprake zijn, bij ü echter niet, daarom; gedenk Gij, wat 'Amalek U gedaan heeft.
8) Hoshéa1 6,7.
JOTSEROTH.
Gij zijt immers God, en geen mensch! Waarom zoudt Gij niet gedenken ?! Met dat al weet ik, dat Gij de macht hebt om te gedenken, maar mijne ziel blijft neergebogen, totdat Gij eindelijk gedenkt 1 Wat toch is mijne kracht, dat ik zou kunnen hopen op den gestelden tijd voor het gedenken; en wat mijne tijdruimte, dat ik mijne ziel in lijdzaamheid beware, totdat Gij gedenkt? Zoo Gij dan ook al niet om mijnentwil gedenkt, gedenk dan ter wille van U en ter wille van Jerusalem! Gedenk de bepaling; âWant het getuigenis [de beloften in de Thora gegeven] zal niet vergeten wordenquot; ;!) en het woord : âindien Ik u ooit vergeetquot; 2), wil haar thans gedenken ; en bedenk en roep in Uwe herinnering de smart, waarmede de verdrukker mij verwarde, om zijn mond te stoppen, zoodat hij zwaait als een be-schonkene. Dan zult Gij niet weder prijsgeven hen, die genoemd zijn met den eerenaam âeerstgeboren zoonquot;3), die gekocht zijn voor een Léthech en een Kor '4). Dan zal ik Uwen roem herdenken en zal Uw welbehagen opwekken door U te herdenken op den Shabbatii der voorlezing van de afdeeling âGedenkquot; â als
Levende en Eeuwig bestaande. Eerbiedwekkende, Alver hevene en Heilige!
De doorn, zoon van een doorn,s) haastte zich om mijne achterhoede 6) af te snijden, om door zijne verpletterende woorden mijne zwakken te verpletteren7). Toen de spotter nu kwam om te hoonen, werd hij door schrik bevangen en tot spot; toen hij het plan beraamde 8), de oorlogvoerenden 9) met zijne pijlen te treffen 10), om als een sperwer op een vogeltje neer te schieten. Toen Hij [de Almachtige] de wolk boven hun hoofd kliefde, om eenigen daaruit te verdrijven, begon hij zijn aanval, ging weer heen en kwam weer aanrijden 11) en keerde terug om op mijn rug te ploegen. Hij werd daarom bestemd en met name genoemd tot eerste in den rij, âhet eerste der volkenquot; om ten kwade te bezoeken, om de eerste te zijn van alle trouweloozen en zijn adderengebroed [Haman] te hangen aan den uitgelezensten cypres. 13) Hij liep snel en zorgde, dat hij op den weg ontmoette de door den last der reis vermoeiden ; hij zeide: âdit is niet de juiste wegquot;; zoo dwaalden zij [Israël] af in de woestijn, op den weg door de wildernis.13) Aan [Dan, genoemd] âde slang
') Deut. 31,21. f) Ps. 137,5. 3) Ex. 4,22.
4) Hoshéa' 3,2. itoj, een stam 123 voor den vorm nquot;OJO. die van ma zou moeten luiden en van u: eigenlijk: nnSJCI- Zie onze aant. deel I, pag. 81, noot 4.
5) fxip p quot;'-op, die als een doorn steekt, moedwillig en opzettelijk zich tegen Gods bevel verzet. Mechiltha Jithro, Ex. 20,5.
85
TOT ntna1? manp na
nb amp; »3 ⢠iüth ah nsb wn i6) VN nn»
| : â¢â¢ ⢠quot; i-t : : ⢠tit ⢠: quot; t -
i bn'a '3 V3 no ⢠lürn quot;IIDT -ijr ni^n * Tiar1? ab DN * quot;iiarn^ njr ^quot;INK ^ â¦vp HDI * mar üb '3 pin * niDT ^^d1? * quot;iiam
nipani * iüt nb nn^ dn quot;ioiki ⢠iidt nn# nDB'n myi * IID^D jmb ⢠niao1? in^a ⢠niD^b is DKD * quot;lüTni ^quot;iNai * IIDI Tjn^a ni3J ijn * 1133 ja ^aip; â * ii3ün bi : ni3T nEhaa * quot;1136 ' Tiarx
: ^npi ora KIU Dpi
) T: T T T| -: -
.nimnn ipx-!2 Dir.n T^p â â¢ava trrS»
â¦Vlïl * fïiap 11313 * fïp1? ^ïlïp ⢠fïlp f3 fïlp D^ïïnp i^s * fïii?ri:i ^ba * pfi^ NI33 'ft ' yvi?
m 1 Dn;n» ⢠trNia pp3 3^ : yv:) iiav b# pa * fïnV 3p;ini |af ⢠t^iin *33 by 3^1 * ^iiai. -jbi bn * #113 * tfNi Dnaia b3b nvn * jyiii'? yib D'i-i n^Ki * itni1?
t : v: # â T ' ' quot; :
mniü â¦a^. * Tjiia nipni pT: ^113 in3p3 niSi i^aïi irn^a * -jii flop's I3ia3 lyn * Tjiin it ab ^ai * tjii
6) liet het oog op Jer. 9,26; mijne afgesnedenen, door de wolk uitge-worpenen.
quot;) Zie Jlecliiltha Beshallaeh einde; Toen 'Araalek kwam en Israël afvallig wilde maken van zijn hemelschen Vader, vroeg Mozes: //Wie zal dan in Uwe Thora lezen ?quot; 'Amalek trachtte dus, Tolgens deze opvatting, de zwakken onder Israël, de in het geloof wankelmoedigen, van God en Zijne Leer afvallig te doen worden. Vgl. Thanchoema Thétsé, wWun Sa en Pesiktha Zachor 28a. Arniium verklaart isiït op grond van Rashie, Bechoroth 8/): mijne kuikens. 'Aroech s. v. ysi heeft in den Thalmoed-tekst: .stiïiaa ni»n nïiït en verklaart nïiït eveneens: kuiken.
8) yy = l'r\
9) D'siTra, vgl. Recht. 5,11.
10) â¢|'ïnL', een w.w. van het zelfst. nw. yn, pijl, afgeleid.
quot;) üisil, waarschijnlijk een w.w. van cns, ruiter.
12) Toespeling op Mordechai; Megilla lOi in verband met Jes. 55,13. quot;) Ps. 107,4.
JOtSEROTH.
op den wegquot; 1) sloeg hij de hand, de [door het bondsteeken] aan de heup versierden ; en op eiken kruisweg sneed hij lichaamsdeelen af aller voorbijgangers. 2) Hij snelde toe en haastte zich te vliegen, en kroop uit zijn adderenhol te voorschijn ; toen werd bekend, dat hij in smart geboren was 3) uit een slangengebroed. Wij murmelde en deed bezweringen en hechtte bijgeloovige be-teekenis aan den tijd van zijne [Mozes'] geboorte4); doch hij werd in zijne toovenarij bedrogen en werd door het lot5) verzwakt, zoodat hem hooren en zien verging. 6) Mozes maakte hem dwaas in zijne toovenarijen en in zijne wichelkunsten maakte hij hem tot schande: hij deed namelijk den dag stand houden en maakte hem bespottelijk; de zon liet hij staan blijven en liet hem tot smaad worden.7) Hij ['Amalek] vermoeide zich dus, doch vond geen rust en kreeg schande tot erfdeel; totdat de zon onderging, had hij hem ia het stof doen kruipen, zoodat hij en zijn geheele leger werden uitgeroeid. Vreesselijk schold hij en knarstte op de tanden en siste smaadredenen, den stank goot hij in Zijn [Gods] aangezicht8) en zijn zwaard deed hij blinken. Het besneden deel rukte hij af en wierp het hemelwaarts en den Naam, die als fijne olie geurt, bespuwde hij in zijne aanmatiging. 9) De Almachtige, als een tros met volmaaktheid beladen, gebood den met een jong hert vergelekene I0), tot herinnering voor hen, die met asch zijn vergeleken11), âschrijf dit ter herinnering in het boek 1quot; Het is dan ook aangeteekend in dit boek, in de Thora, de Profeten en Geschriften wordt 'Amaleks schande vermeld 12) om uit het levensboek te worden uitgewischt, zoodat hij niet met al de ten leven ingeschrevenen in het Boek zal worden opgenomen !
o God! tot in eeuwigheid zult Gij verheerlijkt en tot in eeuwigheid als heilig geprezen worden en tot in alle eeuwigheid zult Gij regeeren en boven alles verheven zijn, Gij, God, Koning, eerbiedwekkend, alverheven en heilig, want Gij zijt immers de Koning aller koningen. Wiens koningschap eeuwig duurt! Verkondigt dan Zijne wonderen, verhaalt van Zijne macht, roemt Hem, gij. Zijne scharen, heiligt Hem, verheft Hem, in luiden jubel, in zang en lof prijst de macht Zijner roemrijke heerlijkheid!
') Gen. 49,17.
a) 2:ri wordt door Thanchoema en Pesiktha 27a verklaard : piniVi» inin mn.
3) cmn, van mn in de beteekenls: pijn hebben, v. d. evenals Sn en San, barensweën doorstaan.
4) In Büber's Thanchoema Jithro 4, noot 22 wordt uit -pnTni cmn geciteerd : Waarom gaf Mozes de opdracht, om de krijgslieden te kiezen, aan Josua? Opdat hij mannen zou kiezen, die, evenals Mozes op den 7 Adar geboren waren. Er schijnt een Midrash geweest te zijn, dien ik echter niet heb kunnen vinden, dat 'Amalek meende, dat Mozes' geboorte op 7 Adar oorzaak van zijn geluk was en daarom zijn leger vormde uit op 7 Adar geborenen.
86
nDr ncnab nmnp
23T ⢠^ ba * TjT ^.löna T nbir * '3 ^nui â¢tfn^jnpra 'iïn) c]^ : -pi nsi^ Sa vöK'Mi * E'n: imb nri * ^nbi t£n * K'n: t^n^Q * iwin
t t ; * - * t â¢â¢ £*â¢: - t : . - t t t v i ⢠t
VöDpni * iVbn vfisroa : trn NSI irbna ï^bnai * tfnan
t t i; ⢠^ : * t t : ⢠t : t v: v t - : - : t
ah\ yy ⢠ibTbn D^pnn irDts' * iVVn DV * i^n ninan1? * i^nrn K3 * ibn: nifiinbquot;! * 6 niin
t ' : â¢â¢â¢|quot; quot; ~' * T'!quot;: i
13K3 nniQT ⢠p-itf niïNii ⢠pin \py upT : iVn 731 Kin d^i * pit n^o â¦Ã¶'prn -pis nVa? ' pinn mri - pin
bx iv 'quot;ifiian n;: p^piTm^i * p-iw nn de'2! * 13D3 |iquot;i|T nxr 3in3 ⢠-iön â¢hvü piy ' quot;ifiijr
⢠löDp ninisn1? * ifinnb D^mssi 0^^221 nnm? - quot;iap
: -iaD3 D^n1? mnsn ^3 3n3* xbi
- . â t ~ t â¢â¢ t ⢠;
⢠D'pbiv * ^npn * p^m K: 7« '3 * tfinp'! ana KII: * Tjbp bxn * K'^jnm -jibpn
⢠nn? vniN-iu ⢠nv: inuba * D^ban -nba Kin nnN
r t : -iv : - ⢠t |v iv t -
â¦rntfnnrf'n * iniaan ini^ip ⢠VN3à innns nso : irmsn mbnn «ipin
5) Pesiktha Zachor 22a, naar aanleiding van Ex. 17,13, Jalkoet t. p. n». 265.
6) rn van fin, zintuig.
7) Thanchoema, Beshallach, Ex. 17,12: üisrn sa iï.
8) De plaats Ez. 8,17 den Sn wordt als onsiD jipTi opgevat voor isn Sn ; die wierpen hun stank voor Gods aangezicht. Hier is waarschijnlijk de zin: hij uitte vreeselijke Godslasteringen vóór Zijn aangezicht. â Sommigen willen in dit mttt zooveel zien als; nvotn -as. Zie pag. 80 noot 5. Vgl. Pesiktha Zachor 27i.
9) Zie Bammidbar Rabb. 13,3. Thanchoema Thétsé. Pesiktha t. a. p.
10) Mozes, Hoogl. 4,5; Rabba t. p. Vgl. Thanchoema, otp o.
11) De zonen van Abraham, zie Thanchoema Thétsé en Pesiktha Zachor 24a naar aanleiding van Job 13,12.
12) In de Thora Ex. 17, en Deut. 25,17; in de profeten I Sam. 15, in de Geschriften in de Rol van Esther. Zie Mechiltha Beshallach Ex. 17,14.
JOTSEROTFt.
Zoo gedenk dan, wat 'Amalek U gedaan heeft!
En wiseh uit zijn naam en zijn aandenken, zoodat de herinne-ïing aan hem worde verdelgd en men hem nimmer meer vermeldt bij de herinnering des Heiligen !
Omdat hij niet dacht [liefdeplicht te oefenen] wordt hij als geheel vreemd beschouwd en niet meer herdacht bij de herinne-ïing des Heiligen!
Gedenk den man, die den aartsvader Abraham deed verscheiden vóór zijn tijd 3); die door te moorden, te stelen en overspel te plegen hem zou hebben verschrikt en zoo vijf jaren van zijn levensduur heeft afgenomen. â Gedenk hem, die weldadigheid verachtte3), smadelijk bejegende zijn broeder, die zijn grootvader den laatsten liefdedienst bewees4); hij geleek op iemand, die zijnen naaste liefde onthoudt5). â Gedenk, hoe hij de schaamte ontblootte van eene op het veld aangetroffen [gehuwde jonge-dochter] 6), hoe hij bloed vergoot, toen hij van het veld terugkwam 7), terwijl hij [van verdriet] zich deed omkeeren het hart van zijn vader8), die eens op het veld had gebedenlt;J). Gedenk hem, die verstooten werd wegens zijn onbesneden oor 10), die de eerstgeboorte verachtte voor een bedwelmenden beker i1), die het juk van zich afwierp en het bondsteeken onzichtbaar maakte13). Gedenk, hoe hij telkens zijne handelwijze met andere slinksche middelen tegen Israël richt, hij, de man, die zich als vreemdeling gedraagt13); hoe hij het licht van zijns vaders oogen verzwakte door den rook van zijn afgodendienst u), en in zichzelve plannen beraamde, om zich tegenover zijn broeder als wreedaard te gedragen 15). Gedenk, hoe hij zijn dierlijken lust botvierde en zich als
') Ps. 109,16 (vgl. 'Amos 1,11). Zie Thanchoema ïhétsé, Pesiktha Zachor 22amp;, waar dit geheele gedeelte van den Psalm, van af vs. 13, in verband gebracht wordt met 'Esau. 'Amalek's grootvader.
s) Zie Thanchoema en Pesiktha t. a. p. Abraham, â die slechts 175 oud werd, terwijl Izak een leeftijd van 180 jaar bereikte, â werd door God vóór zijn tijd weggenomen om niet getuige te zijn van 'Esan's ontaarding. Vgl. Ber. Rabba 63,12. Uit de woorden Gen. 25,29, niUTI l15 W JO1!
Nim, wordt door Midrash nl. afgeleid, dat 'Esau zich aan de drie
hier genoemde misdaden had schuldig gemaakt.
3) Vgl. noot 1. Wajjikra Rabba 3.
4) Het linzenkooksel, door Jakob bereid, vond naar Gen. Rabba 63 zijn aanleiding in Abrahams overlijden. Toen nu 'Esau bij zijne tehuiskomst vernam, dat Abraham gestorven was, zag hij daarin eene gelegenheid Jakob om zijn geloof aan een leven hiernamaals te bespotten en hem wegens de zorgen voor het lijk zijns grootvaders en voor het rouwmaal zijns vaders uit te lachen. Zoo verklaart Midrash 'Esau's woorden Gen. 25,32 : ma1? â ojs n:n, «Zie, ik ga toch een eeuwigen doodslaap te gemoet.quot;
5) Job 6,14. In Ber. Rabba 76 en 80 wordt dit vers toegepast op Jakob, die Diena niet aan 'Esau ten huwelijk wilde geven, en haar daarom aan Shechém moest afstaan. Vgl. ook Kethoeboth 63a en Jer. Kiddoeshien
87
tot mna1? nianp ra
: p1?^ ^ nK IÃT p3i
: ^i-iptppn * itstrbp ⢠111dt naji * nsri ia^ npi v t'n : |i^pT3 * -iDtnbp ⢠quot;D;D ïpniï n?T im i'n
.nquot;nj iquot;J3 jquot;3X Dquot;r
tiiwi 31:JI nüna * in^ DK run IÃT
|t: t: - i t: ^ t r: ⢠v -: t
^ nria nar : in^nap I ^on yia ⢠injtt in^quot;io üüh non * ipn lap]1? ^ nx ^13 * quot;ion niVpa jd iNins -ja^ dt * n-]'^ hkiïd nr$ nbii iidt : non ⢠nVnyn nixa quot;IÃT : mt^a n'^ as4 nb nan * nit^n
t â¢â ; t Iv 1 : t t vt - t t ( _ t v t quot;
6 -poi bty i3ö pnai * n^nnn düs nnoa ntian |^3 3K nixü nnpni * quot;in wx ^nn ^aDan iüt : rtpj? 1 niar : quot;ion1? hn1? nvn aba nar - n mia^
- ^ : ⢠: t t : - : t : v: â¢â¢ : quot; t t - 1
1,3. â Uit al deze verklaringen blijkt de opvatting: uwie een ander weer* houdt een liefdeplicht te vervullenquot;. In dien zin wordt het ook hier door den dichter gebezigd.
6) Zie noot 2. rnw jö, 'Esau kwam van het veld wordt door Midrash t. a. p. verklaard; nxx» m~2 'njü nDiisan mï: nSn nTi- ps; men ziet in liet gebruik van dit woord eene aanwijzing, dat 'Esau toen eene door |wm gehuwde jongedochter zou hebben onteerd; in welk geval door de Thora het meisje wordt vrijgesteld van straf: âicant op het veld heeft hij haar getrojfenquot; (Deut. 22,27).
?) Midrash Thanchoe'ma t. a. p. D-ounS 'üej i-iet â¢o '.sjü run nSx ejiy jwi; in de uitdrukking tin', vermoeid, ligt eene aanwijzing van door 'Esau ge-pleegden moord, gelijk gezegd is: Wee mij, want mijne ziel v ermoeit zich met de moordenaars (Jer. 4,31).
8) T. a. p. wordt gezegd, dat Izaks zwakte van oogen (Gen. 27,1) het gevolg was van 'Esau's slechtheid. Ik neem daarom 2S ^-n in de actieve beteekenis, waarvan het passieve Klaagl. 1,20 voorkomt.
9) Gen. 24,63.
10) Jer. 6,10, dat weigerde naar vermaningen te luisteren.
quot;) Zie Ber. Rabb. 63 in verband met het woord wo, Gen. 25,34.
12) Naar aanleiding van Ez. 35,6, rs':-' di nS dn : Voorwaar gij hebt het hloed gehaat, wordt Ber. Rabb. 63 gezegd, dat 'Esau de besnijdenis haatte. Vgl. Pirké R. Eli'ezer 29; duidelijker Jalkoet 1,268: onmiddellijk na Izak's dood werd onder 'Esau's nakomelingen de besnijdenis afgeschaft. Zie ook Inleiding van Midrash Roeth 3.
13) Zoo wordt het vers Spr. 21,8 in de inleiding van Midrash Roeth 3 verklaard.
14) Thanchoema Gen. 27,1.
15) Gen. 27,41.
JOTSEROTH.
vrouw liet misbruiken ^; hoe de moedwil zijns harten hem tot afschuwelijke misdaden verleidde; daarom worden zijne helden door schrik verlamd en verliezen den moed als het hart eener vrouw.2) Gedenk, hoe het kroost der booswichten, verafschuwd en verworpen, den ,/gladdequot; (Jakob) wilde vernielen en âtriomf roepen, hoe de trotschen een strik verborgen om den broeder te gronde te richten. s) Gedenk, hoe uit hem voortsproot de 'Ama-lekiet, die als de likkende sprinkhaan kwam aanvliegen4) om mijn deel te vernietigen, en mijne helden verpletterde voor aller oogen om [mijn bloed] te slurpen. Gedenk, hoe hij, verdwaasd, zonder overleg, afdaalde en mijn volk verpletterde tot vernietiging toeB); zoo is hij zelf ook uitroeiing schuldig geworden. Gedenk, hoe ('Amalek) de bewoner van het zuiden 6), teugelloos als een wilde ezel7), zijne kleeding en taal veranderde om zich als koning van 'Arad voor te doen; om gevangenen weg te voeren, van [het volk] dat weerspannig was8) en daarom verschrikt werd. Gedenk, hoe de dwaas zijne waanzinnigheid herhaalde, toen hij optrok met Midjan vermengd 9), waarbij Jeroe-bésheth 10) spoedig zijne schande ontblootte. â «Gedenk hem den wortel uit te rukken uit den vochtigen bodem, hem geen twijgje te laten noch eenigen wortelquot; nj; de zoon van Kiesh werd bestraft, omdat hij hem een wortel had overgelaten 12). Gedenk de handeling van Agag in zijn praalgewaad ; gelijk zijn ['Amalek's] zwaard vrouwen kinderloos maakte om haar te onteeren 13), werd zijn nakomeling in stukken gescheurd ten prooi voor struisvogels.14) Gedenk, dat de vorst [Shaoel], die goedvond hem te sparen, van het koningschap werd verwijderd uit den rij der gezalfden, terwijl de overgebleven telg zich ontwikkelde tot doornen 15). Gedenk, hoe hij, 'Amalek, die woonde in het Zuiderland 16), Tsiklag en het zuiden belegerde; de âschoone van uitzichtquot; [David] 17) maakte hem tot een lijk, terwijl hij hem in den schemeravond aanviel bij zijn wellustig drinkgelag 18). Gedenk, hoe de geweldenaar zich onder de 'Ammonieten verborg, toen hij om in mijn wijngaard
') Ber. Rab. 63,10.
3) Dit wordt t. a. p. uit Jer. 48,41 als 'Esau's straf voorspeld. (Vermoedelijk moet voor het daar aangehaalde vers, dat van Moab spreekt, gelezen worden 49,22, dat Edom behandelt. Zie Stbashoen t. p.)
3) Ber. Rab. 67,8 wordt, naar aanleiding van Gen. 27,41, verhaald: 'Esau dacht bij zichzelve; Zoo ik Jakob dood, dan zullen Shem en 'Eber als rechters mij ter dood veroordeelen. Ik zal mij nu verzwageren met Jishma'el, dan zal deze na Izak's dood zijn oude eerstgeboorterechten doen gelden. Wordt hij door Jakob overwonnen en gedood, dan heb ik als naaste verwant de plicht hem te wreken. Zoo zijn Jishma'el en Jakob beiden uit den weg geruimd en word ik beider erfgenaam.
4) pSsr wordt in Thanchoema en Pesiktha t. a. p. verklaard; pS os, het volk dat als een pV, een sprinkhaan, die met zijne tong eene beweging maakt als die van likken, afvreet. (Zie Ibn 'Ezea Joël 1,4).
5) Num. 14,45.
LEVITICUS. L
88
â¢rot nEna1? niaiip na
nvnV vniaa inn * 13V fint * ysn1?
rrntfn1? pbn ⢠^n: D^jno vy nüT : nm ±gt;2 - 'pW i3ö üin nü?: na ban1? ns dw i:dï3 * n«n idi1?!
r â¢â¢ t iv - t t t â¢â¢ - ; - ⢠quot; : t tv - :
-iüt : i Va Dn;aa JMT * naxS p^a DE: a^n |a loa * noin nj; nnai it ⢠nan^no ira^ 11^1 rvioa * nn^a ^a aja a^v mat: nonnnb ^aa mar : nni i-iq ^a^ nia^ - tiVd nvn
⢠: t tt : -t ⢠iv : ⢠r^-: |v iv v:
: miba; n^in^annnp Mni^ajno narijmb * inVixa * Bhitf dji c]^ iV aiT^bp * p m^a nar on?: * ni:n^:p ::n nty^ö nar : t^Hip iV â¦a T:: mar : ni:^ cjiD^b IIKE' aio * m:^1? lain nba^a np^ quot;ini:n ⢠a^'p:' pap naibpp na * a^apn i^pn1? n:3 ⢠a::ri pxa zvv *a::nVpv aap nar: a^b â¦pna pa * «an: a^ia^a nar: a:^a ^:ü ^in am
6) Thanchoema, Num. 21,1. «De Kenaaniet, de koning van 'Arad, de bewoner van het zuiden, hoorde.... en voerde gevangenen van Israël wegquot;; 'Amalek was het, die zich als Kena'aniet voordeed. Vgl. Jalk. 1,763.
7) iiiy, toespeling op de woorden; koning van 'Arad, t. a. p. (Vgl. Rosh Hashana 3a).
8) n», Thanch. t. a. p. zegt: 'Amalek was steeds de tuchtigingsriem voor Israel's weerspannigheid tegen God.
9) Recht. 6,3 en 33 en hoofdst. 7,12.
10) Gid'on, II Sam. 11,21. 11) Zoo luidde het bevel.
laj I Sam. 15,8. Shaoel werd met ondergang van zijn huis gestraft, omdat hij, in den oorlog tegen 'Amalek, Agag gespaard ïiad.
13) Zoo verklaart Pirké R. Eli'ezer 49 de woorden ddj nSat; -icio enz. I Sam. 15,33.
14) Zie Thanch. Thétsé, Pesiktha Zachor 256, Ãcha Rabb. 3, einde, Esther Rabba 7, naar aanleiding van cpcni I Sam. 15,33.
15) Zie Thargoem Esther 3,1. uDe Agagietquot; beteekent nl. volgens Mid-rash: de nakomeling van Agag. Pirké R. Eli'ezer 49. De uitdrukking cpzcS met het oog op Num. 33,55.
16) I Sam. 30. I Sara. 16,12 van David gebruikt.
18) I Sam. 16,16 en 17. David versloeg 'Amalek, dien hij bij een feestmaal aantrof, van de schemering tot den avond, tiwa is dus een van tp: afgeleid w.w. Voor 2jp vgl. Ez. 23,5; 33,32. â Aknheim : hij, David, die blaast op den herders/luit-, hij leest dus: 3^/; doch het instrument, dat
David bespeelde, was de harp.
JOTSEROTH.
door te breken zich naar 'En-Gédie liet brengen, doch zij werden de een door den ander verbrand, als door een vlammend zwaard Gedenk, hoe hij de vluchtelingen in toorn als in een storm wegvaagde 1); toen mijne scharen naar het gebergte Sé'ier gegaan waren, ijverde hij om te wreken de steden van Sé'ier2). Gedenk, hoe hij zich op den kruisweg opstelde om mijne ontko-menen uit te leveren3), hoe hij ging staan aan het begin der wegen om mijne overweldigers te helpen, hoe hij vervolgde en in hun macht leverde mijne uiteengejaagden, mijne vertrapten ! Gedenk, hoe hij besprong de «hemelpoortquot; 4), hoe hij met donderstem schreeuwde: «wie is tegen mij in den hemelquot;6), hij werd machtig en groot tot den hemel.5) Gedenk, hoe hij tot den huichelachtigen [koning Achashwerosh] ging8) om het [priester-] koninkrijk te belasteren ; hoe Shimshai â wiens zon ten ondergang neigde en meer en meer daalde, â belasterde het volmaakte volk om het te verzwakken en het werk [van den herbouw des tempels] te doen staken 9). Gedenk, hoe hij tienduizend [Kikkar zilver] toewoog10); honderd stekken deed hij uitbotten, om zijne hoop op hen te vestigen 11), en bestemde tien van hen tot aanzien. Gedenk, hoe hij eischte [van den koning] de vijf boeken [der Thora] te vernietigen; hoe hij een vol jaar als termijn stelde, om de âgewapendenquot; [Israël] 13) Ie gronde te richten, doch na verloop van zeventig13) werd hij opgehangen aan den vijftig el hoogen galg u).
Dan zal heiliging U ter eere opstijgen, want Gij zijt de Heilige van Israël en de Helper!
89
1
s) 'Amos 1,6, 9 en 11. Vgl. Jalkoet t. p., waar gezegd wordt, dat alle naburige volkeren Israël in zijne vlucht belemmerden.
2
en pleegde, blijkt o. a. uit Ps. 137,7.
3
*) 'Obadja 1,14.
4
Ps. 73,25.
5
2 Daniël 8,10. Dat Edom tegen Jerusalem en den tempel vijandelijk
-tot nnnp na
tüt : nam1? anna vnxa wx * kaïns na dip:1? nap ⢠yyv in vk onp^ * quot;vypn e]k3 ib'k doni d^ * nn^ -i^pn^ pquot;i|3 ax mar; nit^r f 3j3 hdt : ntia-i nns dts idoi * nn nk ni^p1? ^ri â¡vir * d^2 ^ 'o jxc'i tvi - d^dirn quot;iviy1?
-;. - - t .,- t - ⢠- t : t ⢠i- t - *-1- :
n^k â¦^pa' * tidsqq ^jnn1? e]3n vn nn i hdt : wnwb : n^nböd nniöquot;)1? r^n nsn * nd^ini niyöko
v it ; ⢠t -:!â¢:⢠t - v iv ; v iv - ; : â¢
quot;ijrty ⢠mnn pikd i a^m * d^n bpv mar
quot; ' t : ⢠: ⢠v; v t â¢â¢ ⢠* : t t ^â. ⢠t -: I - t t
nvp na^on * d^an quot;lanb» yan iüt : mi'ir1? mtry ono
- | t t * : t *â¢. *⢠t : t t t t : ⢠tt quot;i v â¢â¢
: d^pn by nbn: n^ori ⢠d^an hbpb : ^^lai i7nâ ^^, tfi-ip nnn *3 nbyn pni
8) Pethiecha v. Esther Rabba 9, naar aanleiding van Job 34,30, waar de woorden mn dis rihnn op Achashwerosh worden toegepast. Vgl. Jal-koet 11,1054 en 910.
8) 'Ezra 4,8 wordt de schrijver Shimshai genoemd als een van hen, die tot Achashwerosh een schrijven richtten in zake de gevaren, aan den tempelherbouw verbonden. In de inleiding tot Esther Rabba 5 wordt gezegd, dat deze een zoon van Haman was. Jalkoet 11,1068, wordt opgemerkt, dat van Shimshai af in het genoemde vers tien namen genoemd worden, doelende op de tien zonen van Haman.
10) Esther 3,9.
quot;) In verband met Pred. 6,3 zegt Jalkoet 11,972 o. a; Indien iemand honderd kinderen voortbrengt, dit doelt op Haman. (In Rabba t. p schijnt dit uitgevallen te zijn). Wanneer in Esther niettemin slechts van tien zonen melding wordt gemaakt, dan heeft dit zijn grond in de omstandigheid, dat slechts dezen tot politieke macht warén gekomen.
ls) Met het oog op Ex. 13,18; anderen; De in één vers, Num. 8,19, vijf maal genoemde kinderen Israel's.
13) Dagen ; van 13 Niesan, toen Hamans zendbrieven geschreven werden (Esther 3,12), tot 23 Siewan, toen op Mordechai's bevel het herroepingsdecreet verzonden werd (Ibid. 8,9), verliepen juist 70 dagen (Ber. Rabb. 1(X)). Anderen: op het einde der 70 jaren van de Babylonische ballingschap. â⢠Bammidbar Rabba 14,12, â welk werk Kalher echter waarschijnlijk niet gekend heeft, â wordt gezegd, dat van Esther 3,1 tot 7,10 juist 70 verzen zijn, en in verband daarmede komt daar, â misschien als glosse, die in den tekst is gekomen, â onze plaats voor. Dan zou het betee-kenen: na 70 verzen werd hij opgehangen.
14) Esther 5,14 en 7,9.
JOTSEKOTH.
.piS'D
o God! zwijg toch niet! Als het geluid van machtige wateren werd Uwe stem gehoord, toen Gij Uw volk liet hooien en het gebod gaaft in het weik, dat Uw eigendom is!): (;Gedenk, wat hij, 'Amalek, u gedaan heeft, die u ontmoette en u verzwakte; daarom zal het zijn: als de Eeuwige, uw God, u rust zal geven, zult gij zijn aandenken uitwisschen uit geheel uw gebied.quot; Doch zij antwoorden en zeggen tot U en beantwoorden U met Uwe eigen woorden: wO, doe gestand het door U gesproken woord ; doch in plaals dat Gij ons beveelt, herinner Gij U zelf; gedenk Gij, wat zij U gedaan hebben !quot; a) Gedenk, o Eeuwige ! den dag [van den ondergang] van Uw verblijf, hoe zij zich verhoovaar-digen en spreken: «wat hebt Gij hier nog te doen?quot;, hoe zij afschuwelijken stank opzenden in Ãw neus om U te ontwijden 3); gedenk den grooten troon Uwer heerlijkheid4), dien zij verpletterd en gelasterd hebben vóór Uw aangezicht; hoe zij Uw tempel in vuur deden opgaan en geheel Uw gebied verwoestten en plunderden en afrukten de gordijnen Uwer tent; zij, omtrent wie Gij hebt geboden: uzij zullen niet in de gemeente komen bij uquot; 5), zeiden: âkomt wij willen hen doen ophouden een volk te zijnquot; 6) om Uwentwille, opdat Uw hooglofwaardige naam niet meer zou worden herdacht. Aan U laat de wraak daarvoor Uw getrouw leger over 7), want meer dan zij ons deden, hebben zij ü gedaan!
Ons hebben zij in de woestijn bevochten, doch met U streden zij in een bewoonde streek ; tegen ons brieschten zij buiten het leger, doch tegen U brulden zij in het midden der legerplaats; bij ons brachten zij door ontucht ten val de door de wolk uitgeworpenen, doch bij U rukten zij het met reukwerkwolken bedekte verzoendeksel af; ons stelden zij zich voor als door de wolk krachteloos uitgestootenen, doch bij U dachten zij te stijgen boven de wolkenlioogten8); tegen ons stonden zij op buiten den scheidsmuur, doch U kwamen zij tegemoet binnen in het allerheiligste! Ons verwoestten zij, terwijl zij van het heiligdom verwijderd waren, doch van U vernielden zij de woning op de heilige plaats zelve9). Ons verdelgden 10) zij buiten onze woonplaats, doch U trachtten zij te vernietigen in den zetel van Uw verblijf; ons ontnamen zij het bondsteeken van het lichaam, doch van U maakten zij tot ban de tien machtige handhavers van het verbond n). Bij ons werden zij vernietigd door het opgeheven blijven der handen van den bescheidene [Mozes],
') Boraitha Kinjan Thora, Aboth 6,10: een van de vijf bijzondere eigendommen Gods is de Thora.
J) Thanchoema Thétsé, Pesiktha Zachor 26a, waar ook het volgende voorkomt en waarvan onze plaats eene berijmde bewerking is.
3) Zie pag 80 noot 5.
4) Do tempel, met het oog op Jer. 17,12: wtnp» Dips-----nas SD3.
90
tot ntsna1? ï
j?»öf D * TjVip vnm D'3quot;! D»à bipa * -[b w ^ D^K n^T I^K nts nar * niïpi
nnon - t]1? « n^na n^ni â ⢠itamp;t â¢
vw iiy quot;Tj^Di ⢠Tj5? orn - Vso m
⢠^ nDjn vviü nnKK' ly - ybbo 121 HK Dpn «3« ⢠rfe Dwnsn ⢠^i3T di» nx ^ iidt ⢠^ ^ dn hst nri» hot ⢠^Vn1? «]N3 nniDT D^nbitrn * Tjb np ris d^niji K'Nn mWquot;) * -jbioV wnji nip ⢠^na 1133 KM
⢠TjbnN myn.» ipnai n^i * ^3 wyfr - '^a^ri ^ap 1 DTH?^ IION * Tj1? 1 ^nj53 ïüy ab nn.v quot;1^ invquot;! ⢠ijbn nir^;. ⢠TjbV^n nar N1?I - ^^3 31^2 ^dh] - idh1?: -irm vm : ^ itrj^ I^t nt^xo
⢠idh: njnpn 3quot;ip3 ^nKi * tan nans'? pn um * iDn'pna
i:nK ⢠loaa nniM ⢠iddt â¦tamp;ö i:nx nrnsp pn wnK â¢loann^^nos'?^ ni^ ^nKi -isn 3^
⢠IQB'K Dipo pinna i:nK ⢠lonp 'ish ^nNi. ⢠iDpT ïjnfcl -iDnuns^p pn ianx quot;lop^ ^pipp nnpa ïjnKi ïjntti * lonn n^f p nna niK unK ⢠lonnn ^naK' jüpa
⢠lonnn 1:3; n* oms unw - lonnn nn? *T3^ nn^
5) Ãcha 1,10. «) Ps. 83,5. 7) Naar Ps. 10,14.
8) Jes. 14,14 van Neboechadnétsar.
7 D1Pa .i?ln'1 en D1pn 3i-ip, zijn bij gewijde zaken gebruikelijke termen. Vele gewijde zaken toch mogen slecnta binnen de muren van Jerusalem gegeten worden, oipan Sn nsai, oipan â¢]«» pmi ia; de termen beteekenen dus eigenlijk: buiten en binnen de heilige stad.
10) IST? de Sp van ddi, waarvan de SrEJ herhaaldelijk voorkomt, o. a.
Jer. 25,37, in de beteekenis van: ondergaan. Het zoo even gebruikte .quot;|OT
is Sp van nm, als in Hoshéa' 4,5, verdelgen.
quot;) De tien nisS» ijm, martelaren van het geloof onder de oudere geleerden Israels. Arkheim : de tien geboden: de tien machtige bond.suitspraken.
JOTSEROTH.
doch tegen U hieven zij de hand op, om die naar Uwe macht uit te strekken. Tegen ons beraadslaagden zij en maakten zij listige plannen, doch tegen U rukten zij de Keroebiem, waar Gij [met Mozes en de hoogepriesters] spraakt, van hun plaats der schending ten prooi. â Doch Gij, o Eeuwige! zult eeuwig ten troon zitten, en hij zal, bij U vergeleken, steeds in de laagte zijn gezeten; al houdt hij in bezit de woestijn en geheel de bewoonde wereld, en denkt bij zichzelve; «ik ben er, en geen buiten mij meerquot;; zoo Gij thans niet opstaat en luistert [naar ons gebed] en naar de dertien maal herhaalde uitdrukking: «opstaanquot;2) de wraak berekent, om met schrik en vangkuil en valstrik den bewoner te straffen3); doet Gij dit niet, dan zult Gij [door hen] als geheel vervreemd worden beschouwd; en ieder, die telt en nagaat en berekent, het voor de wonderen bepaalde tijdperk wil kennen en uitrekenen, â zijne kracht raakt uitgeput, hij kan niet meer denken en vindt geen antwoord, dat hij kan geven ; hij zwijgt daarom en wordt, daar hij niets hoort, stom; slechts door vertrouwen op God houdt hij zijne lendenen overeind 4) en dit neemt hij zich telkens weer ter harte en zegt; «totdat neerziet en aanschouwt en hoort [de Eeuwige uit den hemel]!quot; 5) Zoo word ik dan beschouwd als een van logen beschuldigd getuige6), telken dage nieuwe verdichtselen verzinnend ; terwijl mijne ziel ten zeerste verschrikt7) en terneergedrukt is. Gij echter, o Eeuwige! tot hoelang nog zult Gij het aanzien en zwijgen ? Gedenk Uw heiligdom, dat verwoest is, waarover ieder, die er voorbij gaat, versteld staat! quot;Wanneer zult Gij ü verheffen en Uw hoogheid toonen ? Breng tot stand het door het woord van Uw mond in de herinnering levende: dat Gij door het driewerf herhaalde ilDJ? 8) 'Amalek in verwarring zult brengen, hun aandenken te doen verdwijnen door drie wijzen van sterfte9); hun glans te verdonkeren door drie dagen van duisternis10), hen met zeven dagen van woedende gramschap te brandmerken11), hen door tien wijzen van verdelging12) te vernietigen. Zooals zij het volk beletten de âtien woordenquot; luide uit te spreken en hen weerhielden van de zeven overoude [Noachidische] geboden13), zoo zullen zij door den zeventienvoudigen gifdrank bedwelmd worden 14) en eene hemelsche stemme zal uitgaan
!) wun, van het Thalmoedische na-un, met het slachtmes afwijken van de plaats, waar de slachtsneiJe moet worden toegebracht. â Wat het feit aangaat, vgl. inleiding van Echa Rabbathie, n0. 9.
quot;) Dertienmaal wordt van God de uitdrukking Dip gebruikt in verband met de bestraffing van Zijne bestriiders.
â â gt;) Jes. 24,17.
4) Zijn binnenste stelt hij gerust en zegt tot zichzelve; God zal eens zeker helpen.
5) Klaagl. 3,50.
6) De volkeren houden mij, als ik spreek van de komst van den Messias, voor een valscli getuige, want â beweren zij â hij is reeds lang
91
tot nana1? kv
⢠hdi lanK * ionn ^10^ t mbn
⢠Dt^n â¦; nnKi : lonjn main'? ^jiiD
quot;dski ⢠ni^n Vrn quot;1210 risn ⢠zpv n^pa «im vhvz ' atppni mpn nn^ dk * a^nnp 3^3 ny hv_ Tpab nfii nnaiT nnaa * n^n1? niopTi nio^
⢠n^im -isiDi n:ian Vdi * naa pK dki ⢠DE^n KVquot;! ⢠atynap imTi33 rw; * pan1? nixbsn vboa nnaKai * ivprvi rran nt^n^ * ivrh mjro nïd'
t t : t v: v â¢â¢ i: - â¢â¢ t * v v; v; â¢â¢ t : v^; - t ; â¢
: ^typ!*! KT1 quot;10KV1 ' ïpl 131? I nNTI - 2^
TNp ^öji * Dpno ' avn va * ddit 1^2 'naBTiJi n»3 quot;IIDT * DQITI n«n â¦no « n^1 * Dpintrpi
⢠donnm kir:nn â¦no * ooin^a vhy nai^ vai * dobti
... ,. _ . . ** t â¢â¢ : ⢠t't quot; t : quot; t ~
5^3 ⢠Dpnb nin^ ^'^3 ⢠opip idik â qri
⢠ddvn1? dnji nbsk w nirbtya * aonnb didt nin^o
â¢â¢ ^; - : t : t t â¢â¢ -: â¢â¢ : v i : ⢠: t : â¢
: Dp^«nb npir â¦rp * DpTI?1? nnD^ 'p* njratra
n'iïp ys^pi * ni^:p 1 122^ onnn m^p iodt
Kvn ^ip-rai * na^v ^2^It 1^3 |3 ⢠nu^an
ekomen. Dan ir is eigenlijk een getuige, van wien bewezen wordt, dat ij, tijdens het door hem als gezien getuigde feit moet hebben plaats gehad, zich elders heeft bevonden ; v. d. hier; een valsch getuige in 't algemeen. 7) Ps. 6,4.
8) Jes. 33,10: iVu zal Ik opstaan, zegt de Eeuwige, nu zal Ik Mij verheffen, nu Mijne hoogheid toonen.
9) Honger, zwaard en pest.
10) Als in Egypte, Ex. 10,23.
quot;) Als in Tsephanja 1,15, rrcr typ, waar van af die woorden tot het einde der beschrijving, vs. 18, zeven maal het woord dt1 voorkomt. quot;) Die volgens Mid rash in Jes. 3,4 zijn aangeduid.
13) Het verbod van afgoderij, moord, onzedelijkheid. Godslastering, roof, eten van een lid van een levend dier en het gebod betreffende rechtspraak.
14) Ps. 75,9, waar van den beker gesproken wordt, dien God eens den
booswichten te drinken zal geven, heeft 17 woorden. van royS gif
Baer leest: ni3j?S. naar het. mij voorkomt, minder juist.
JOTSEROTH.
uit het goddelijk verblijf en zal alle legers verpletteren, verkondigend en verhalend de herinnering aan eens uitgesproken woorden : ndenkt niet meer over vroegere gebeurtenissen !), let toch slechts op de later verleende hulp en herdenkt onder jubeltonen'Amalek, die eens kwam en de legers in verwarring bracht en u den gloed [der onschendbaarheid] ontnam in de oogen der dochteren [der vreemde natiën] 1) en wiens roem zich verspreidde door alle gewesten, â //aanschouwt thans ditquot;, zoo zult gij spreken, â «hoe hij plotseling uitgeroeid is aan alle hoekenquot;; en het heir in de hemelhoogten, dat in Gods woningen verblijf houdt, waarop hij als steun vertrouwde,s) hun zal Hij de zonden bedenken, ze te tellen, die zij sinds tallooze jaren bedreven hebben 2), om met hen afrekening te houden, hen te doen vallen in de hel der verachting ; dan zal de menigte der volkeren en de natiën aller talen klaagliederen aanheffen over helper en ondersteunde, klagend: nstruikelt de helper, dan valt de gesteundequot; 3). Dan zal al het door U gewrochte weten, dat Gij niet vergeet; dan zal al het door U gevormde begrijpen, dat Gij hun naam der vergetelheid prijsgeeft; dan zult Gij Sé'ier en zijne vorsten aanklagen en 'Amalek en zijne veldheeren terechtwijzen en met hen in het gerecht den strijd beginnen. Dan wordt herdacht het volk, dat Gij U steeds herinnert, want ten goede hebt Gij hen dan bedacht en in die herinnering ten goede wordt Gij met hen bedacht. 4) En zij die den Eeuwige
Sedenken edenken 5), zullen steeds zeggen: «groot is de Eeuwigequot; 6); en e door den Eeuwige verlosten zullen spreken 7): «zoo mogen al Uwe vijanden ondergaan, o Eeuwigequot; I0); en zij, die staan in het huis des Eeuwigen u), en die vertrouwen op den Eeuwige 12) en die geplant zijn in het huis des Eeuwigen 13), zullen aanschouwen de liefelijkheid des Eeuwigenu) en zullen verkondigen, dat er niemand is, zoo heilig als de Eeuwige 15). Want een barmhartig God is de Eeuwige 16); heil dus ieder, die vreest den Eeuwige 17); het is goed, te danken den Eeuwige 18); het is goed, een schuilplaats te zoeken bij den Eeuwige 19); jubelt dan, gij rechtvaardigen, in den Eeuwige ^), met de stemmen van die spreken: dankt den Eeuwige!21) want zij [Israël] zijn een kroost, dat zegent de Eeuwige 33); dit is de dag, dien bereid heeft de Eeuwige S8), want een groote God is de Eeuwige24). Gezegend, wie komt
92
1
») Het woord -pp wordt in Thanchoema Thétsé, Pesiktha Zachor 27a ver
2
water springt, ook al brandt hij zich deerlijk, bij de toeschouwers de vrees
3
voor de hitte van het water vermindert, â zoo heeft 'Amalek, door zijn
4
aanval op Israël, hun roep van onoverwinnelijkheid, die onder de vol
5
keren was uitgegaan na hun uittocht uit Egypte, ondermijnd, hoewel hij
6
zelve bij dien aanval den nederlaag leed. Sa het door hem gegeven voor
7
beeld was de schrik bij de volkeren (Ex. 15,14 en 15) geweken en waag-
TOT ntïns1? pl^D
-nunanVM pifini -m^öp i iDT iTsm * ni:iquot;inN nj wï - nii^Ki i-)3?n *?«
viquot; i* : - : ^ : t i* ⢠: ; ⢠-
⢠nittmdk npni *ni3npn^ N3 IK'K p1?^ * nu:-)
⢠nianb hnt nny iki * ni:nan boa dit ib «vn
) .. - . t ~ : ⢠: - t : â¢â¢ tit:
* nui^öa -IBW onan «3ÃI ⢠mas Vsa e^nna nnaa an1? ⢠rvfrign nx on^ ipö» * ni^^oa on»1?^ -jaDn
⢠nUiKTi nain1? dVsn1? ⢠niia^n onb a^n1? * nuan1? D»a*
⢠niyp iri^ hv ⢠nia^n Sdi D^N1? pani
⢠nrotfN1? »3 Va jrn : ni^ipa nir^ ^sai bps] pbavi â¢nnaimvTtyiTytri * nnaagt; oa^ »3 to Va r^i
i â¢â¢ t :~ t : i- ⢠t tt ; â¢â¢ : t : i- ⢠t : ⢠t t i -t:
iitk oy ti3tvi * nroira aai^aa dfiki * nnain vioaai
v -: it ; : t ; iquot; quot; ; * t ; * - t ⢠: t ; i- t ; : - :
: m3n onK Dia rn^m ⢠rron dhk naia^ »3 * m3T
t :i-: ⢠t ⢠i : ⢠: t :i-: ⢠t t : ⢠t :rT
â¦ViNa na^i. bir Tpn naN» â¢Â« nK i on^rani ^
⢠«3 D^naiani â¢Â« n^aa onai^ni. *« ba nax* |3
⢠«3 pK '3 mi. * v D^iaa ith» *« n^aa D^nirrn 3ia * â¢quot;h nninb aiü * ^ nt ba n.^K * ^ aim. bx »3 â¦3 *« nx mn anaK bip ⢠«a D^pnv u:*! * ^a monb Nan Tjns ' v bna bi* o ⢠^ nquot;^ Di»n nr *« Tjia on
den ook andereu het, Israël te bestrijden, nua, evenals Juda dikwijls mw ra nSma genoemd wordt, zoo is hier jïus het beeld voor volkeren.
3) Jes. 24,21 wordt door Midrash verklaard, dat God, zoo Hij een volk treffen wil, eerst diens hemelschen genius, ir, onschadelijk maakt en straft. Thanchoema Bo.
4) Aangehaald en verklaard in Rashib, Jes. 24,22.
5) Jes. 36,3.
6) Naar het in Midrash breed uitgewerkte denkbeeld dat, zooals Jes. 63,9 het uitdrukt, bij al het leed, dat Israël treft. God als het ware met hen lijdt, en evenals Hij a. h. w. met hen in bullingschap ging. Hij ook met hen naar den geheiligden bodem zal terugkeeren, Deut. 30,3. Vgl. o. a. Jalkoet 1,210.
7) Jes. 62,6. 8) Ps. 40,17. 9) Ps. 107,2. 10) Recht. 5,31. quot;) Ps. 134.1. quot;) Ps. 125,1. ps. 92,14. 14) Vgl. Ps. 27,4. quot;)I Sam. 2,2. i») Deut. 4,31. quot;) Ps. 128,1. 18) Ps. 92,2. 1S) Ps. 118,8. M) Ps. 33,1. quot;) Jer. 33,11. »') Jes. 61,9. 23) Ps. 118,24. quot;) Ps. 95,3.
JOTSEROTH.
in naam des Eeuwigen! !) Daarom wil ik mij verblijden in den Eeuwige!2) En indien ook eens alle feesten zouden ophouden gevierd te worden, gaan de Poeriem-dagen niet onder 3) en verdwijnt hun aandenken niet bij de door U gedragenen4); eeuwig worden zij herdacht door de verlosten tot vreugde en jubelende blijdschap, terwijl zij openbaren de werken Gods en roemen de grootheid Zijner machtige wonderen ; en zangers zoowel als rijdansers laten hun lied weerklinken op tien soorten tiensnaren 5), op harpen en luiten; met tien soorten lofzang prijzend 6), met tien uitdrukkingen voor vreugde juichend7) â en de verheven heilige Seraphiem zullen, als leerlingen den leeraar, hun vragen: «Wat heeft de God der goden gewrocht ?quot; Want zij [de braven onder Israël] zullen meer binnenwaarts [in het Goddelijk hemelpaleis] zijn, en genen [de engelen] zullen voor hen ruimte maken 8), en terwijl genen zich meer buitenwaarts begeven, gaan dezen naar het allerbinnenste, verblijf zoekend in de schaduw des Almachtigen ; en met de vijf stemmen, die [voor de toekomst] zijn bewaard 9), brengen zij voort het geheimzinnige geluid van gejuich en hulp, bewaard in de tenten der rechtvaardigen, die zich bezighouden met de Thora, kostbaarder dan schatten; voorop gaan de zangers, daarna de snaren bespelenden 10) om te weten, hoe genen hun lied aanheffen, om onder het trotsche, machtige Liwjathanschild 11) in hunne schaduw beschermd te zijn, en onder hunne vleugelen beschutting te vinden. Dan worden zij [de engelen] voor hunne [Israel's] muren aangesteld ^), tot poortbewakers en opperste wachters, den ganschen dag en gansch den nacht bereid, te verheffen de heiligheid van Hem, die Zijne trouw handhaaft, en te huldigen het aandenken van het volk, dat trouw aan zijn geloof vasthoudt. En met den naam Israël noemen zij zich, en de drievoudige heiliging spreken zij vol aandacht uit ter eere des Heiligen, waardoor zij twee daarvan op het hoofd van Gods kinderen doen rusten en één bereiden voor het hoofd van hun Koning; ls)
!) Ps. 118,26.
') Jes. 61,10.
3) Zie Jalkoet Spr. 9,2; 11,944. Vgl. R. Salomo b. Adéreth, Responsen, ed. Hanau, n0. 93. Onze vertaling volgt de daar gegeven verklaring.
4) Van dScjii, Jes. 63.9.
5) 'Arachien 136 wordt, naar aanleiding van Ps. 33,2 gezegd, dat, terwijl de harp in het heiligdom 7 snaren (jijs'j) had, die in den tiid van den Messias er acht en die van den san oSir er tien zal hebben, ik vermoed, dat hier gelezen moet worden; wj? mȕ3, op de tien snaren
van den tiensnarigen luit.
6) Pesaehiem 117a: tien uitdrukkingen voor lofzang worden in de opschriften van het Psalmboek gebruikt.
^ üwts /ni7rre /7à pnisp ,,11-01 ,«1 /ü-n pVu
93
ÃOT nmab
â¢D'tovn» on^ian ba dki yv ; quot;i 'Wm Wv Dt^a naTvi * D^aap ê]iD* *6 d^dti * ^1? onian quot;W ' D^ip i DTibx nib^ap * rinp'^i {W1? * 11^ â¦rp n^a * D^Vina Dntfï. * D^nip vninnia nr^i
⢠D^np Vbn ^rp * D^ruai nimapa * D^pbpü
⢠D'b^pn Gilpin ⢠D^niy nnp'B' niii^ n*i^3 w hVk ^ : d4« ^ np ⢠io^ vrr an*? n^p^na
⢠D^Ià lo1? n^in * D^ÃD i on^a-jo * D^sap
it ti viquot;: ⢠- : â¢.â¢â¢â¢:â¢â¢ v iquot; :
nibip nB'pnai * D^jiVnp Vva * D^aVl ^a? nv'^ii
⢠D^iav D'pnv ^nxa * D^ravp n2*i Sip * D^iaïn n^nV ⢠D^I: quot;inK on^ iGipi * D^:ap D^irn ' o^iis ni^n obya ' d^jd ^;a« niwa * D^aio gt; on
⢠D^pnp i Dnioin bp) * o^aianp i arnatfai quot;i'aTn1? * D^QTà nb'bn Vai Di'n * D^Oà gt; DnoitySi
⢠: - : * t â¢-. : t :r - t ; - t * \ : * :
⢠D^IDK ipitj' »13 nn'aT pn^n1? * D^IÃN IYI: nuhp
⢠D^anp trnpV nanp * o^anp * a^ai
⢠D^rpnp DaVp trxia nnxi ⢠D'ra^p i o^a i^Nia DW
8) Zie Thanch. Balak, Num. 23,23: eens zal aan Jakoh en Israel gezegd worden, toat God verricht. Bil'ara zag, hoe eens Israël, als een leerling voor zijn leeraar, vóór het aangezicht des Allerhoogsten zoude staan en vernemen de gronden der in de Thora gegeven voorschriften; terwijl de engelen eerst van Israël die wijsheid moeten vernemen, daar zij niet van zoo nabij de Goddelijke Majesteit kunnen naderen.
9) Jer. 33,11 komt het woord Vip vijfmaal voor; de geluiden van gejuich en blijdschap, van bruidegom en bruid, de stemmen van hen die zeggen : //dankt den Eeuwigequot; â zullen in de toekomst hersteld worden.
10) Ps. 68,26, wat door Thanchoema Beshallach verklaard wordt: Aan de Schelfzee zong eerst Israël, daarna de engelen. Vgl. Jalkoet 11,799.
quot;) Job 41,7.
12) Jes. 62,6, vgl. Rashib Menachoth 87a.
13) Ontleend aan Wajjikra Rabba 24 einde; vergl. Jalkoet Jes. 6,3 gt; II, n°. 272.
J0T8ER0TH.
en door deze worden zij [Israël's zonen] versterkt, daarmede bereiden zij voor [den tijd, waarop] de troon Gods weer volmaakt en de naam Gods weer volkomen zal zijn 1) en als van ouds zijn zij dan bereid om met de drievoudige heiliging in te stemmen, nauwkeurig en oplettend elkander afwisselend toe te roepen, terwijl zij slechts een bijnaam 2) van den naam des Heiligen aanroepen en noemen.
â¢mtr npoanS nxr
Lichtstralen uit duisternis deed Hij afschijnen van Zijn glans; Hij, die in schittering verschijnt uit Tsion, openbaarde Zijn geheim Zijnen dienaren, en de aarde lichtte door Zijne heerlijkheid3). De heerlijkheid van Zijn glans en de schitterstralen van Zijn gewaad doen Zijne bliksemflitsen lichten, â zwijgen is tegenover Hem grootste lof â Zijn kleed is dit alleen, dit Zijn gewaad1). Doch [die stralen] bij U zijn zij verzegeld, in Uwe schatkameren verborgen, daar de wereld niet waardig werd bevonden, zich in hen te verlustigen, â Gij hebt ze opgeborgen voor die ü vreezen, ze gewrocht voor die \op C/] vertrouwen5). Geene liefde gelijk de liefde tot ü, gelijk het verlangen naar Uwen Naam; de liefdegloed voor U is heftige vuurgloed, vlammend is onze toegenegenheid, â juicht dan, gij rechtvaardigen, in den Eeuwige, dat is passend voor braven 6) ; Hij is Heilig !
In de eeuwige hoogte is Uw woonplaats, in de verheven hemelhoogten â en Gij verlangt een klein heiligdom van het kleinste der volkeren 7) tot vestiging van Uw verblijf voor eeuwig! 8) Gij hebt uitverkoren U op te houden in het gebied van den v verscheurendequot;, mijn kostbaarsten schat, den steun van den grijsaard, den zoon van mijn ouderdom, tot Benjamin zegt Hij: gij zijt de dierbaarste vriend des Eeuwigen!9) Met wat eigenlijk het Uwe is, eeren U
') Ex. 17,16 staat rf d3 hï, inplaats van 'lm ndd Sr, waarbij Than-choema Thétsé en Fesiktha Zachor 29a opmerkt, dat zoolang 'Amaleks aandenken niet is uitgewischt, Gods troon en Zijn heilige naam niet volmaakt worden. Eerst als Gods vijanden vernietigd zijn, worden beiden weer in hun geheel hersteld, Ps. 9,7 en 8.
') Alle namen, behalve de eigenlijke namen Gods, die niet uitgewischt mogen worden (o^nSx, nSx, hs, nisax, â ns, 'ris, 'n), worden bijnamen genoemd.
â¢) De Schrijver is, volgens het op het einde der eerste strophe en van het geheele stuk ingevlochten acrostichon, R. Meier. heroenheim zegt in een handschrift uit 5098 (1338) het opschrift gevonden te hebben: âuit de geschriften van R. Meier van Roihenburgquot;. Deze, R. Meier b. Baroech, een der beroemdste Duitsche autoriteiten, schrijver van zeer talrijke, hoogst belangrijke Responsen en van de Tosaphoth-aanteekeningen op eenige Thalmoed-tractaten, de vader van vele gebruiken van den Hoogduitschen ritus, stierf in 5053 (1293) in de gevangenis, waarin hij sinds 5046 (1286) was opgesloten. Zijn lijk werd eerst in 5066 (1306) door Süsskind Alexan-
94
TOT pl^D IV
* ID3 Dbu' dri thtf KD3 * D»3133 nVH Dnt^Efrl
⢠⢠; t â¢â¢ t â¢â¢ : â¢â¢ t â¢â¢ ⢠⢠; v: t : t :
⢠d^dö nr ïh nr «np ⢠tk3 niaj?. nBh[5
: D^SÃI DWlp l^np DB' nsMi rnp 10X1 nr ba nr »cnpi t Sy amss
.rrjr npDsnS -1D,
(* 'ri nis insi 'x nis ins omn tn» lansn dï'1 »Swa 3quot;s dquot;!'
nbi vnn^, �« ypv p»vp * nino nnrn VfiiKO niHN inva» quot;n« : maao rnxm ⢠mo
â¢â¢ ;)-: t : ⢠vi- ; ⢠t r â¢â¢ I vit t :
trn maV imos * inVnn rran vpm n^n * tin
t - : t ⢠: t ⢠Itt: r â¢â¢ r â¢
chtyn jw3 * Dpioa D'pinn : into
: D'Dinb ruaï * o^D^no i D3 nvn wa
t : n-t i iv â¢â¢ ⢠: i- t ⢠; : * t *.â¢: #
ranbi? i * niwn ^pr1? p^n ^KÃ
i Dbiy ona : tfnp ⢠nwa â¦â¦a D^pnï mi * ninK
t it tt â t : - tquot; i * ⢠~ ~ï t -: -
⢠D»a^ B'^pP nnxi ⢠D^p-i onpa ^2^10
* ^^3 np^ns ^öinpn nnna : wtibty JIDD
^^3 : \\ in\ -ion pp^nb * ^pT ja ipr na^p
der Wimpffen uit Frankfort a/M. voor een belangrijke som vrijgekocht en te Worms begraven. Hij was de leeraar van Ashéeie en vele andere bekende geleerden. Ook het beroemde klaagdicht nsnc i^sü is, naar beweerd wordt, door hem vervaardigd.
s) Ez. 43,2.
lt;) Ex. 22,26. Ber. Rabb. 3,4 wordt gezegd, dat God zich als met een kleed met licht omhulde en het zoo van het eene einde der wereld tot het andere deed stralen.
5) Ps. 31,20. vgl. Ber. Rabba 3,6; 11,2; Rashie Gen. 1,4.
6) Ps. 33,1.
') Israël, met het oog op Deut. 7,7.
») 1 Kon. 8,13.
9) Deut. 33,12. Zebachiem 118a en op andere plaatsen toont de Thal-moed aan, dat het voornaamste deel des tempels op Benjamins grondgebied stond. Deze wordt; //de verscheurendequot; genoemd met het oog op Gen. 49,27 in Jakobs zegen. Na Joseph's verdwijnen was hij Jakob het dierbaarst, ws, en de steun zijns ouderdoms. Zeer geestig is het gebruik van het Bijbelvers in dit verband.
JOTSEROTH.
uwe zonen, de lust mijner oogen, â U toch behoort de men-schenwereld en wat haar vult, van alles hebt Gij overvloed 1), â al het gevogelte op de hergen en wat zich op het veld beweegt2). â Als de tijd naderde voor het nemen der nieuwe Lishka-heffing 3), liet men uitroepen aangaande de nieuwe Shekaliem-storting, op den eersten Adar namelijk, dertig dagen vóór den dag dat het moest zijn afgezonderd, volgens de Leer, die Mozes ons geboden heeft als erfdeel*). Op den vijftiende dier maand zetten zich de vorsten 5) neder in al mijne steden, ieder met zijnen buidel geld om voor al mijne voorbijgangers te wisselen; ngij zult voor mij een tafel bereiden tegenover mijne verdrukkers.quot;6) Waren vijfentwintig dagen dier maand verstreken, dan was het tijd te gaan zoeken, te koopen en te onderzoeken gedurende vier dagen de dieren voor het dagelijksche morgenoffer, om na te zien dat, ivat tot liefdeopwekking voor dm Eeuwige moest dienen, en het te onderzoeken ?). God, die de toekomst kent, haastte Zich Zijne stem te doen hooren, ten einde onze Shekaliem te doen voorafgaan aan al die Shekaliem, die Haman beloofde te zullen toewegen8). Op het woord des Konings gaat overhaast de heraut; men begint dan beslag te leggen op de bezittingen van ieder, die in de provincie zich bevindt 9) en wel, omdat hij niet aan 's Konings tafel is gekomen 10). Volgens ééne wet legt men beslag bij ieder, die nalatig bleef en zijn Shékel niet had gezonden11), volgens het voorschrift der leeraren, die den sleutel tot de Thora bezitten, maar die haar ook gesloten kunnen doen zijn12): ééne wet zal er zijn voor inboorling en vreemde13). Van allen neemt men een pand, doch niet van mijne als muilezels bepakte slaven, noch de meisjes, mijne dochters, en de knapen, mijne zonenu), noch ook de priesters, die naderen tot den Eeuwige ^). Blijf gehecht aan de wegen des
') Eene van de verklaringen van den naam 'i». ') Ps. 50,11.
3) Zie deel II, pag. 78 noot 3. Shekaliem 1,1: Op den Isten Adar maakt men bij openbare afkondiging opmerkzaam op liet geven van de Shekaliem, â omaat nl. op 1 Niesan de eerste Theroemath Hallishka van de nieuwe gaven werd genomen, waarvan de door en namens de gemeente te brengen dagelijksche en bijgevoegde offers werden betaald. Zie ook deel U, pag. 79, noot 1.
4) Deut. 33,4. Vgl. Jeroeshalmie t. p., Maïmoenie's Mishna-commentaar t. a. p. Séder 'Olam Rabba 7.
5) De schatmeesters des heiligdoms. Shekaliem 1,3. 6) Ps. 23,5.
7) Ps. 27,4. 'Arachien 136 wordt nl. uit het voorschrift Ex. 12,3 en 6; ,/het Paaschlara, dat op den 14den geofferd werd, reeds den lOden te koopenquot;, afgeleid, dat men de dagelijksche offers (waarbij evenals bij het pésach-oner het woord nïiüa gebezigd wordt) vier dagen, vóór men ze inoodig had, moest observeeren om na te gaan, of er soms een gebrek aan was. Daar Adar 29 dagen heeft en men op 1 Niesan het offer van de nieuwe Shekaliem moest hebben betaald, werden dus op 26 Adar de .eprste dieren aangekocht, die dan 26â29 Adar in observatie bleven. Vgl. Slenachoth 49amp;.
95
rrjtr npofinV quot;ixv nv
Tni Dnn tjiv ^ ^ Vap nxibpi 'jan »3 * niDn ^33 TIKS nmz - n^nnn bfr \ynpr2 nonn |pT pz : namp; D5 : nEhia niro 1:1? niv min ⢠ni^ian DI»
T T V IT T * T T T : - â¢* ; * * t
15303 nnï ' ny ^33 13 ni^on oni^ 13^
:- ~ t t : T T T ⢠-: -T i T
1-103: niv quot;133 1 fn1?^ vpb * n3iv ïpb Tpri n^snN pi^?) ni3|5gt; * quot;i^n1? ny. 13 n^pni ontp^ ynvrb irn niTn^. i^-iii: quot;i^bi t! DJ?^3 nirn1? ⢠quot;ij^sn : bip^1? |on npx quot;itfK bb tyv VK i3^pT^ onpn1? * ^ip «ïpsn Vs p33Bgt;pö iVnn * ^in Tiisn pn3 ^sn -i3quot;| ibpB' nnK im : ^sn IÃ^VK Kr^V jrVy. * nnx rnm ⢠nipani vim onisn ito pwfpo 'l^P ni33n * ^nop üb ^ ^p^p bsn : 13^ nnm1? n;n»
'3quot;}13 p3TI : V. ^ D^33n D^rpil D31 ⢠'33 D^sni ^33
8) Esther 4,7. Megilla 135, zie deel II, pag. 77 noot 9.
9) Shekaliem 1,3. Van af 25 Adar int men door executie de Sheka-liem van hen die, buiten Jerusalem woonachtig, nog niet aan hunne verplichting hadden voldaan.
10) I Sam. 20,29, in eenigszins gewijzigde constructie.
quot;) Shekaliem t. a. p. Alle volwassen zonen Israels worden tot betaling gedwongen.
ls) II Kon. 24,14 komt de uitdrukking UDsni t'^nn voor, gewoonlijk vertaald ; timmerlieden en smeden, door den Thalmoed echter opgevat als: de beoefenaars der Thora, die in staat zijn den sleutel op vele raadselen der Thora te leveren, maar tevens ud», buiten welke niemand eenige moeilijkheid kan oplossen; staan zij verlegen en blijft hun mond gesloten, dan kan ook geen ander een argument opgeven (Gittien 88a).
13) Ex. 12,49. Ook vrijgelaten slaven vallen onder de bepaling van beslaglegging.
Gen. 31,43. Slaven, vrouwen en kinderen vallen buiten de pandwet (Shekaliem 1,3).
15) Ex. 19,22. Shekaliem 1,4 zegt R. Jochanan ben Zakkai, dat ook de priesters tot het geven der Shekaliem verplicht zijn, maar op grond van vermeende bezwaren, die daaruit, naar zij voorgaven, zouden voortvloeien, zich geregeld aan dien plicht onttrokken. Bek Boechrie verklaart daarentegen, dat zij, hoewel niet tot Shekaliem-opbrengen verplicht, toch er toe gerechtigd zijn. In elk geval blijkt, dat men geen pand van de priesters nam om hen tot betaling te dwingen. (Vgl. Jeroeshalmie t. p. en Mam. Hilch. Shekaliem 1,10).
JOT8EROTH.
Scheppers, dan wordt gij in eeuwigheid in zegeningen gehuld, want vol liefelijkheid zijn Zijne wegen, een eerbiedwekkende kroon past
Hem i), Hij zoekt het goede voor Zijn volk en spreekt vrede2). De vreemde en Koetheër8), die niet tot de kinderen Israels behooren, indien zij Shekaliem willen geven, neemt men niets uit hunne hand aan, wat zij den Eeuwige als heffing zouden willen afstaan 4). Noch van hen zelve, noch van hun vermogen 6) zal iets zijn tot doorn of distel, noch opgehoopt noch te veld staand koren, noch wijngaard of olijfboom6), â niet aan ü en ons te zamen is het het Huis te bouwen'1). Wij alleen willen gezamenlijk het bouwen, en geen vreemde zal er tusschen vermengd zijn, daar zij reeds vroeger de handen van Juda en de bewoners van Jerusalem hebben verzwakt 3), zoodat ouders zich niet meer tot kinderen wendden wegens zwakheid van handen 8). Wél echter mogen priesters en minderjarigen als vrijwillige gave hunne Shekaliem afdragen, als vrijgevigen van hart brandoffers9) te doen komen in de kamer der offers; zoo ook alle vrouwen, wier hart hen er toe voert10). Van af eene halve maand vóór het Pésaeh-feest waren zij ijverig bezig om het oude te verwijderen, om de Lishka-hefïing te nemen in drie kisten, waarvan de eerste met een 'ü gemerkt, om te zeggen; deze is er het eerst uitgekomen l:l). De verstandigen stralen [van wijsheid], als kroonjuweelen schitterend 12), strekten de hand uit naar eene tweede kist, en [zeiden:] dit zult gij als de tweede doen 13). Deze en nogmaals eene andere, met de letter 'i geteekend ; ieder ter inhoud van drie Sea zonder tekort, voortvaar. Ik heb u drievouden voorgeschreven, doordacht en met verstand 14). Ten tweeden male maakten zij zulk een openbaar vertoon, naar mijne wijzen hebben voorgeschreven, een halve maand vóór het Wekenfeest, geheel naar het voorschrift van het eerste maal zoo zult gij ook thans de heffing des Eeuwigen nemen 16). â Nog eene heffing voerden zij in op het einde van het jaar16) behalve deze twee ieder op haar tijd, en wel: op het feest van het binnenhalen, bij den omloop van den jaarkring 17). â Wat in de twee eerste groote bussen overbleef, bedekte men met een lederen overtrek 18j, opdat men niet nogmaals in komende tijden heffing
') Vgl. Sanhedrien 216 : inis^n nSi isbnS cpa, hij, Adonia, trachtte de kroon van David op te zetten, doch zij paste hem niet. 2) Esther 10,3.
3) De uit Koetha en andere plaatsen door Shalmanéser en zijne opvolgers naar Noord-Palaestina overgebrachte stammen, die slechts uit vrees tot het Jodendom overgingen, later den herbouw des tempels langen tijd tegenhielden, en ten slotte geheel met de heidenen op éene lijn werden gesteld, Samaritanen.
4) Num. 18,24. 5) Ez, 7^ 6) Recht. 15,5.
7) 'Ezra 4,3, ook in de Mishna Shekaliem 1,5 als bewijs voor deze bepaling aangehaald.
8) Jer. 47,3. 9) II Kron. 29,31. 10) Ex. 35,26. Shekaliem 1,5.
u) Gen. 38,28. Shekaliem 3,1 en 2: Driemalen per jaar werd de Lishka-
96
hefling genomen: eene halve maand vóór Pésach, eene halve maand vóór het Weken- en eene halve maand vóór het Loofhuttenfeest. Het ge-
M
LEVITICÃS.
rw npDfin1? ivv tv
Km: nna D^ia w vo-n ⢠DiVy1? niDia ntsp quot;ixi'n
t viv i â¢â¢ : - t t : ; t;
J6 â¦niam naan : DiViy ini lavV mta ^-ii * DiVrv
- : * ; t - t â¢â¢ ; : â¢â¢ -t-
⢠noiKD i DTö l^apü dm ⦠nan bx'iw »jaö
⦠jvipi vn» oaianDi dhd kVi : nonn «V ion* itft*
⢠it t ⢠t : : ' t -: â¢â¢ v â¢â¢ : t ; t- i-t v -:
: n'3 nuab ddV ah - nn d-i3 nop tfnaD
â¢it ; ⢠it : v t -it viv ; t i t ; -t *
'T iöquot;i i quot;DStf? * D^nra *it ah) nw: nn;. lamKi : on» ïvsno i D^aquot;?« niaN wan ⢠D^n» â¦atrn nnin»
⢠itt i : ⢠â¢â¢ tv t : ⢠: -r t : : t ;
ni1?^ aV ana ^a ⢠jananna Vipa^ D^üpni D^anani onap irnir : fa1? K'^a iamp;x D^an-^ai * janpn nat^b1?
* naap «]â ?« nn«n nifip t^^a Dim - natfn p^D1? noan
⢠iDDia quot;ira â¦aatt D'^a^ön nnr : na'^K-i «ï» nT imb
it viv â¢â¢ ; - ⢠⢠;-----:t t ⢠tt v
nnnx nijn hnt : v^n n^a^ hnti ⢠i'^na y n^aty nsp1?
* n^nap ^a d^nd nnx ba ⢠n^npio bm niKa â¦aoiam^iiTn : n^ni nivjrtoa D^'btt' t]1? ^ana xbn Da iDnn ja ⢠â¦aiu'Kn â¡s^pa nn^n onaa * »aiaa min nab ⢠nannxa nnN nonn ni^ isrnn : « nann ddn
-: t -: - t -- t ; ^ : ⢠â¼: - : v -
: na^n naipn ei^DNn am * naora nnx ba nbx wnvn
tt- - i : ) ⢠t t - : t - ; ⢠- - t v i- ⢠r : â¢
Dnp i Dinn1? n-?^ * niKbaöpa niaiB'Nn d^ n,^ isn
schiedde met drie kisten, ieder inhoudende drie Sea, en gemerkt: x, j; het geld, dat die kisten inhielden, werd dan in die volgorde gebruikt: eerst de met 'n gemerkte kist, dan die met den '3 en eindelijk de derde. ls) Vgl. Zech. 9,16. 13) Malachie 2,13.
14) Spr. 22,20; geestig toegepast. ls) Num. 18,28.
16) De tweede en derde heffing hadden plaats om ook de op grooteren afstand van Jerusalem wonenden, die eerst tegen Weken- of Loofhuttenfeest in den tempel konden aanwezig zijn, van die handeling getuige te doen wezen. Zie Maim. Mishna-commentaar, Shekaliem 3,1.
quot;) Ex. 34,22.
18) De Shekaliem werden in de daarvoor bestemde kamer in drie groote bussen, van ten minste 9 Sea inhoud, bewaard. Telkenmale werd uit die groote bussen met de kisten van drie Sea inhoud, zoodanige hoeveelheid geschept. Om nu niet in de war te raken, uit welke bus al dan niet reeds genomen was, werden de beide eersten onmiddellijk na het uitscheppen dicht gedekt, de derde echter niet; aldus Maimoente. Bertinoro
J O T S E R O T H.
daarvan zou nemen, vóór het getuigenis ter inachtneming, tot teeken 1). Rein van handen, ging hij de kamer binnen, na zijne schoenen uitgetrokken te hebben en niet met een overkleed met omgeslagen rand, om zijn aangezicht niet rood te doen worden, opdat hij gunst vinde en goed inzicht in de ongen van God en menschen 2). Hij wilde het bezegeld hebben in de Thora, in de Profeten en in de Geschriften, dat men zijn plicht moet doen tegenover God, uiterlijken schijn mijden tegenover menschen: gij zult rein zijn tegenover God en Israël3). Want zou armoeds-zorg hem treffen, dan zou men zeggen; /,Wis is hij wegens de zonde [diefstal] in de Shekaliemkamer bestraftquot;; en zou de eer zijns huizes vermeerderen, zou hij der verdenking zeker niet ontkomen, want â wie spoedig rijk wordt, wordt niet vrijgesproken l). Een voorrang voegden zij bij : dat men op naam van het heerlijke land Palaestina het eerst de heffing zou nemen, en den tweeden keer ten name van alle het omringende vestingen, die God moge bevestigen tot in eeuwigheid. Sela! 5) Den derden keer, het laatstovergeblevene, ten name van Babel en Medië en alle van Jerusalem ver verwijderde streken, wat nog overblijft uit Asshoer en uit Egypte c). Men waarschuwt dengene, die de heffing zal nemen, het niet te doen dan met toestemming der geleerden, geen eereambt te vervullen dan na driemalen daartoe verlof gekregen te hebben, want reeds vele slachtoffers deed zij vallen en maclitige 1). Alle wegen der geleerden en hunne paden zijn liefde, hunne taal is genezing, rijkdom en zegen ligt in hun woord, wanlt; rechtvaardig zijn des Eeuwigen wegen en braven richten daarlangs hun levenswandel*). Zoodra hij, die de heffing zal nemen, binnengaat, spreken de schatmeesters met hem, tot hij naar biiiten komt; zij onderzoeken alle verborgen plaatsen aan hem; als de schande van een dief, die betrapt wordt9), [bij hem wordt gevonden], is hij verachtelijk, wordt niet met welgevallen aangenomen ,0J. Zoo weerhield ik ook hem, die dikke haarvlechten heeft, de The-roema te nemen; ik waarschuwde, opdat hij niet in de vlechten zijner lokken zou verbergen: hij mikt op het haar, dan mist hij niet11). Den Shekel iets grooter te maken beslisten de reinen van hart,
verklaart daarentegen, dat alle Shekaliem in de kamer (rorS) op één hoop werden gelegd. Na de eerste Theroema nu werd het aanwezige geld bedekt, terwijl het later inkomende Shekaliemgeld op dat dekkleed werd gedeponeerd. De tweede Theroema, eene halve maand vóór het Weken-leest, werd dan van het nagekomen geld genomen, waarvan wederom het resteerende werd gedekt; de derde helling, einde Elloel, geschiedde dan van het op dit tweede dekkleed aanwezige geld. Naar deze opvatting moet men vertalen: de beide eerste keeren bedekte men enz.
') Num. 17.25.
2) Spr. 3,4. Shekaliem 3,3 wordt ook deze plaats als bewijs aangehaald, dat hij, die de heffing neemt, alles moet vermijden, wat aanleiding zou kunnen geven tot de verdenking zich daar oneerlijk verrijkt te hebben.
:l) Num. 32,22. In Jeroeshalmie t. a. p. zegt R. Nathan, dat in de drie
97
rw nposn1? ivv tï
imp : niK1? nn^n * m'xan vnyh my
I d^s msnn n-nsja kVi * Dip rotr1?1? i ^van riVn on'
⢠t tv ; - : : tIt t : ⢠: ^-i- | -j ⢠rr
xiïü : D-JNquot;) ^^3 3lü |n NVOI ⢠D^NnnO oy nn D'oiy n* r\^b ⢠^Nin D^maai mina
quot; â¢â¢ ⢠* iquot; t â¢â¢: - t â¢â¢ : - ⢠⢠: - x
npK* iNip' DN ttiü : â¦â¦o D'j5j Dn^ni - bx
⢠na^T* ^ n^no in^ 1133 pi * npi1? n3irgt; I'lyp
1 pï? Q?'1? nnn nV^o : npr NV Tt^r6 ^ni ny nwiD» DTi^.s* ⢠n1? pspan air1? n^^ni ⢠nVnn noi otf1? * on^ i^ns' : n^o obir
- t v t â¢â¢ : ⢠1- ⢠â¢â¢ * ⢠⢠: - r ; - t iv t ^
n^nt» : onxaoi ii^ko -in^' htn * aVtfiTö nipimm
,.;- . |T . . . - ,. â¢â¢ t ⢠v -: *it t I : t ;
IV. ^ia1? ' a-aan pï-ia nW alinea apin ^a : a^a^i n^an a^Vn a^p ^ * arays vbv n^T naiai quot;itriy «a^a 1 aaia'1? * aa^i nan a^aan nimiK
r t ; 1 â¢â¢ : - t ; t ⢠; v iv ⢠t -: :
apin a:aaa : aa ia1?;, a^nvi ^ ^anp an^ »a - aa^a ntriaa v:iaï a^ssraa * ny lay anana 1 anara
v i ; t : ⢠: ; - ; â¢â¢â¢â¢â¢.⢠â¢: -: t;*
ann'Pa ^(5 aa |a : hït kP Kin Pus ⢠Kïa» â¦a aaa bx ^ip * wnn VÂ¥ip my^pa patat ^aP - ^nPinn
* na; aP ninu ypanP : nPi rn^n
deelen van den Bijbel de vermaning is gegeven, niet alleen bij zich zelve de zekerheid te hebben niets te hebben misdreven tegen God, maar ook er voor te zorgen, dat bij zijne medemenschen alJe verdenking tegen hem wordt weggenomen: in (Ie Thora op onze plaats, in de Profeten Josua 22.22: God weet het, zoo moge ook Israël het weten, in de Geschriften in het in de vorige strophe aangehaalde vers Spr. 3,4.
4) Spr. 28,20. 5) Ps. 48,9.
6) Jes. 11,11. Zie Shekaliem 3, einde en Jeroeshalmie t. p.
') Spr. 7,26. Zie Shekaliem 3,3.
8) Hoshéa' 14,10.
*) Jer. 2,26.
lü) Lev. 19,7. Zie voor deze en de volgende strophe Jeroeshalmie Shekaliem 3,4.
u) Recht. 20.16. Jeroesh. t. a. p.: de schatmeesters onderzochten de haarvlechten.
JOTSEROTH.
één Poendion als doorslag te geven!) leerden zij het volk in wijsheid, zooals de wijzen verhalen en niet verbergen3). Wie verschillende muntsoorten voor Shekaliem wisselt of Shekaliem tot grootere muntsoorten vereenigt, moet eene halve Ma'a als doorslag geven, om in ieder geval aan zijne plicht te hebben voldaan : te hebben gegeven een gangharen Shekel zilver3). Richt u naar de meerderheid, dan komen geene toevoegingen te pas voor hen, die volle halve Shekaliem geven4), neig dus uw oor en luister naar de woorden der wijzen3). â Wie echter zijn eigen halven Shekel met dien van zijn naaste tot één vereenigt, hem deelen de geleerden6) onverholen mede: van de helften van zonen Israels wordt één bijslag gegeven ?). Wie van het zijne weldadigheid oefent [en den halven Shékel geeft] ten behoeve van een armen stadgenoot of een buurman, is vrij van den bijslag; heeft hij het hun echter slechts geleend, dan moet hij het wel geven 8), naar den ingang van de tent der samenlcomst zal hij het brengen tot welgevallen voor hem9). Eén wet voor allen, die het woord Gods vreezen, de weegschaal te doen doorslaan door zware halve Shekaliem 10), om ze 's Jconings schatkamer te doen toewegen door de Joden H). ;/Slaaf en minderjarige zijn vrij,quot; leerden de wijzen, die de sleutels der Thora dragen13) //hetzij een ander voor hen of zij zelve den Shékel geven ; evenzoo een menschelijk persoon van de vrouwen.quot; 13) Gaan broeders, nadat zij huns vaders erfenis verdeeld hebben, eene compagnieschap met elkander aan, dan zijn zij verplicht tot een bijslag ; blijven de bezittingen in het verband des huizes, onverdeeld, dan zijn zij vrij ; want ieder hecht zich aan zijn erfdeel11'). Wie een Séla'15) geeft voor Shékel, diens hand mag niet te kort schieten om een geheels Ma'a16) zonder het terug te houden als bijslag te storten in de-zalen, naar de schatkamer17). De meelbloem voor mijn brood, mijne vuuroffers, mijn wijn en mijne olie en alle Gode welgevallige offers der gemeente bestreden daaruit mijne priesters, die het werk moesten doen, die aangesteld zijn over het huis des Eeuwigen 18).
!) Daar fle halve Shekaliem in den tijd der storting zeer gezocht waren, kon men die niet van den wisselaar koopen, dan met een zeker agio. Daarom werd bepaald, dat, wanneer twee personen te zanien een geheeien Shékel gaven, daaraan eene kleinigheid als doorslag (pi^p) moest worden toegevoegd, die zij anders als opgeld bij den inkoop van hunne halve Shekaliem hadden moeten betalen. Het bedrag van die toevoeging was één Poendion, d. i. eene halve Ma'a, dus '/.o Shékel.
2) Job 15,18.
3) Gen. 23,16. Zie de laatste woorden van Shekaliem 1,6.
4) Zie Jeroesh. Shekaliem 1,9. 6) Spr. 22,17.
6) Over dit punt bestaat verschil van meening tusschen R. JMeier, die beweert, dat in zoodanig geval beiden een bijslag moeten betalen, en de overige geleerden (â¡â¢'san), die één bijslag voldoende achten. Het aangehaalde vers bevat dus eene aardige woordspeling.
98
mt? npDsnb nxv nï
kVi * ma1? oyn nx yn^nb |in:s
rwïb ^n j;np» ⢠nnini bpp niyapa 'rp1? ; nrp Q'31 ^HN nitanb ; nni^ c]M ⢠12^. baa tan ⢠'Nïn D^pityri ⢠D^piia
^3 n'r D^prin * in» nan Viri ibp# e]quot;ivp : D^psn nan pnvp : nnx rnxn nx ^xnt^ na nynpp * nna 1 p^n axn pabpn jp iuz: * i:a^ in n^ ja *:yT t ^ nntf â¡SB'p : liiinb inx anp! n^io bn'K nna Vx * i:nij anpT^ â¦xxna nVp^p rp ^nanb * onnn D^n nan pp) na^. npa: : onin^a ^an ^ * onaa 1 Düï^a an lx an^V.. nnx bpvv pa - o^nn 'aan mn nnx a^nxn lanntyj : a^sn ra 1 anx amp;$:) - a^naa
-- ⢠- t ; - : ⢠⢠t - 1 ⢠tt viv : ⢠⢠: -
inbn^a t^^x ^a * ip: n^an n^ianai pabpa pan * ip^n^ n^a ^nanba * nvpn ah t bp;^a ^p jnu : ipaT 'anb nba : nvixn nnb nia^n ^x ⢠nvra ^a naW
- : - vi t t â¢â¢ : t : - v t^-:- ⢠: t â¢â¢ ;
wy * nna nsaa ip^D' max nnn bai * naan w
'⢠â: t iv ⢠Ir;- ⢠â¢â¢ t ; - t : - .
1
Num. 31,46. 2) Shekaliem 1,7. ») Lev. 1,3.
10) Shekaliem met bijslag, Shekaliem 1,6. Allen zijn verplicht tot het geven van den bijslag, met de in de volgende strophe genoemde uitzonderingen.
2
18) II Kon. 12.12. Zie Shekaliem 4,1. Dagelijksclie, bijgevoegde, feest-offers en in het algemeen alle door en namens de geheele gemeente te brengen offers met hunne meel- en plengoffers werden uit de roivSn noim bekostigd.
JOTSEROTH.
De bewakers van wat in het zevende jaar van zelve uit den bodem opschiet, en bestemd is voor de eerstelingen-gaven !), â hun loon vloeit uit die kas; evenzoo dat van de vrouwen, die de kinderen ten behoeve van de behandeling der roode koe grootbrengen2); het loon van hun dienst, dien zij verrichten 3). Voorts zij, die de wetsrollen verbeterden, die de gebreken der offerdieren moesten onderzoeken, en die maakten de heilige gereedschappen om den dienst te verrichten in het eeuwige huis, de olie ter verlichting en het reukwerk van specerijen 4). Nog werd daarvan bestreden de bezoldiging voor hen, die de wetten van het slachten en het nemen der handvol [meel van een meeloffer] onderwezen, en het loon voor de vrouwen, die de voorhangsels weefden5); voor geen ander koninkrijk werd zoo gehandeld6). Op de dikke muren des tempels, versierd met kostbare omkransingen, werden gouden platen aangebracht van het overschot der âheffing ten behoeve der vuuroffers,quot; en wel in het binnenste des huizes, in het allerheiligste 7). Men bekostigde uit «het overschot in de kamerquot; 8) alle benoodigdheden der stad en hare vesting-lorens, hare sierlijke vestingwerken en schoone burchten 9), de muren harer paleizen1quot;). â Nu echter hebben opgehouden, zijn verdwenen en geschorst, zijn weggenomen en gestaakt mijne offers, van af het oogenblik, dat het brengen van hetdagelijksehe offer werd opgeheven, daar mijne verdrukkers een afschuwelijk zwijn er voor gaven 11); nu komt van mij slechts mijn gebed tot U, o Eeuwige12). Aan den ingang van ons âklein heiligdomquot; [de syn-agoge] zocht ik den Eeuwige; en zie, de heerlijkheid des Eeuwigen stond met het heir zijner engelen-scharen tegenover mij ; U behoort dit geheele leger, dat ik daar ontmoette 13). Gij drongt door in mijn hart. Gij gingt tusscheu mijne stukken i*). Gij sloegt [in Egypte] mijne deuren over, hebt mijne gevangenen bevrijd ter wille van het bondsbloed15), Gij die mij behoort, mijn Vader,
â ) Op den 16 Niesan moest een meelofl'er vun de nieuwe gerst, op den Isten dag van het Wekenfeest twee brooden van de niernve tarwe gebracht worden. In het zevende jaar nu, het Shemitta-jaar, mocht de grond niet worden bewerkt en mochten de vanzelve opschietende halmen door den eerste den beste worden weggenomen. Om nu ervoor te zorgen, dat men nieuw koren had, waarvan deze beide eerstelingen-ojfers gebracht konden worden, werden vanwege de tempelkas-administratie bewakers aangesteld, die uit de rouSn nann betaald werden, omdat doorde Shemitta-voorschrif-ten nieuw koren moeilijker te krijgen was en dus de koopprijs vermeerderd werd met tie kosten van bewaking (Shekaliem 4,11). â Beide offers worden eerstelingen genoemd, het 'Omeroffer Lev. 3,14. de beide brooden Lev. 23,17.
!) Para 3,2. Bij het bereiden van de asch der roode koe werden alle maatregelen genomen, om de mogelijkheid van verontreiniging uit te sluiten. De priester, die met de verbranding zou belast zijn, werd zeven dagen van te voren geïsoleerd en dagelijks, uitgezonderd op Shabbath, met de asch der tot nog toe bereide koeien bespat. Dit bespatten moest geschieden door iemand, die nog nimmer onrein was geweest. Te dien einde werden
99
nw nposnV ivv uï
nnwb Dntpi: nyvv « iva onpfien n^ban qVn * DHV niab mbuDm nDino pDir * on^njr oniaa
|v iquot; -t ; tt : :- : r ; t ⢠i tt ; ⢠*
* D^pia n^api D'rran i onap : onnp on nm on-ta^ : D^apn rnispi iiKsn |o^ * n^2 iri^n ^di nijiK -iDEquot;) ^nï^api n^nir niD^n naVo -ot? nsaa nijr
: - ; t ⢠I: t ⢠: : ⢠: - : t iv ⢠^
nn^ ^ : niDboa SDS p n'^ N1? * niDiss
⢠d^k nann iniaa nnr â¦ns * D^ia? quot;pt^n n^an
n^a awp : o^npn ty-fp n^n -i^n
t ; ⢠quot;t : ⢠⢠-Tlx- vh v *1----⢠:
man ⢠rrnma nïbi n^niKiaaa '13 * n^m^aai rp 'div
t iv ⢠t ⢠* : t iv t: : - t iv ;: ⢠:t
â iDin n^a * ^aip i^nn IDSN tan ISD IDS : n^maa-iN
- t ;It : t : t i~ it i~ t iv ; : -
cnpa nnö : ^ ^ â¦nban lt;;w ' via ppir nnb Tann
* -na^S vnn: kdvi -laiy â¦; -1133 nan'! * WTT 7 nx üjra p3 nnnv 'nnb n^s : mn ninan '73 nb
I â¢â¢ t : i- t ⢠t : t ;r * ⢠: it t v -: v - v - t I :
'3« ^ ⢠n^DK nnbtJ' nn3 013 ^nns nnoa * nn3
⢠t t ⢠-; t : 1- * ⢠: ~; - t ; t : i~ r t t :
zwangere vrouwen naar eene plaats in Jerusalem gebracht, waaromtrent ook niet de minste twijfel zou rijzen, ol' er soms een graf was of geweest was. Daar brachten zij hare kinderen ter wereld en voedden ze op, totdat het oogenblik gekomen zoude zijn, waarop men hunne diensten noodig had. (Zie Maimobnie, Hilch. Para Adoetna 2,7). Dat de kosten der opvoeding uit de roiAi nonn bestreden werden, blijkt uit eene Boraitha, Kethoeboth 106«.
3) Num. 18,21.
4) Num. 4,16. Kethoeboth lOlïn, zie ook Jeroeshalmie Shekaliem 4.4.
5) t. a. p. 6) I Kon, 10,20. 7) I Kon. 8,6; Shekaliem 4,4.
s) Het geld, dat na de drie nionn nog in de kamer der Shekaliem overbleef.
9) Niet goed te verklaren uitdrukkingen, aan Baba Bathra 75b ontleend ; zie Rashie aldaar en 'Aroech s. vv. De zin moet, hier althans, ongeveer zijn naar onze vertaling. ln) Klaagl. 2,7.
11) Vgl. Menachoth 646. Bij eene der belegeringen van Jerusalem werden door de belegeraars dagelijks de noodige offerdieren geleverd en in een kist naar boven, op den muur geheschen. Op zekeren dag echter werd op raad van een overlooper in plaats van een offerdier, een zwijn in de kist geplaatst. Daarmede hield natuurlijk het geregeld brengen van het dagelijksche offer op. quot;) Ps. 69,14.
13) Gen. 33,8 in eenigszins gewijzigden samenhang.
14) Bij het ffnron p rma.
15) Zech. 9,11. Zie Mechiltha Bo, Ex. J2,6.
JOTSEROTH.
de Vriend mijner jeugd!)! Hebt Tsion Gij dan gansch'lijk heengezonden, met echtband verbrekenden scheidingsbrief? Of hebt Gij ten eeuwigen dage [mijn volk] aan één van Uw schuldeischers blijvend verkocht ? 3) O mocht ik toch nogmaals [in glorie] aanschouwen den [heerlijken] tempel, Uw heilig verblijf3)!! .Mijn ziel dorst naar hulp, maar mijn hoop wordt bedrogen ; door vertrouwen gebonden, opnieuw geluk steeds wachtend, want daar gebiedt de Eeuw'ge God den zegen-1). Sieraad der volk'ren-scharen, lust voor mijn hart en oogen, mijn tong kleev' m' aan 't gehetnelt', zoo 'k U niet zal gedenken als eerst' en hoogste goed in mijn herinnering 5), ja laat ons zingen alle dagen van ons leven over 't huis van onzen God!6) Gij, die mijn stem verhoort, vergeld den wreeden nabuur in eigen boezem toch de schande, waarmede zij U, o Eeuwige! smaden 7), geef hun het hun toekomend deel : een jaar van welgevallen voor den Eemvige, maar tevens dag van wraah8). Roep vrijheid den gevang'nen toe, geboeiden bandontsluiting9), leid naar het doel van hun streven hen, die thans gebukt gaan, en daar zullen rusten vermoeiden van kracht1quot;). Uw oudste bezit. Uw eenig eigendom, laat hen, Uw kleinveekudde, niet langer smart verduren, zij zijn toch Uw volk en Uw ervensdeel! n) Van mijn arbeid liep ik henen, haastig snellend naar Uw dienst, maakte ruimte in Uw huizing door't verlangen, 't wachtend, smachtend, brandend liefdehopen en ik, op Uw groote genade vertrouwend, kom ik in üiv huis12). Met d' oogen te zien was Uw schepselen niet vergund, het (e begrijpen in t' hart hebt Gij hun ten deele toegestaan, doch niet al Uw heerlijkheid,â want deze : Geen oog aanschouwde 't ooit, o God, buiten Ã! 13). In zangen looft U mijn mond, daar 'k geen geschenk U kan brengen ; herdenkt Gij eens weer Uw liefde tot Jerusalem, herstelt Gij weer opnieuw mijn wreedverwoeste steden, dan kom ik naar uw huis met offers zonder tal, en betaal ü mijne geloften u) Steeds houd ik U voor oogen, zie mij hier voor U staan om U te prijzen! hebt Gij ter aarde Uw hemel geneigd, of hebt in Uw hoogten Gij mij opgeheven ? 15) Ik werp mij neder naar uw heilig verblijf en breng dank Uwen naam Daarheen wendt zich gedurig mijn blik, naar U alleen is mijn verlangen ; naar Uw naam, naar Uw aandenken de begeerte van mijn diepste hartewenschen, verborgen in mijn binnenste verzegeld in mijne schatkamer en 17). Slaap gun ik mijn oogen niet, geen sluimering mijn oogleden; wakend wil ik mij verzadigen aan de gestalte, voor ieder verborgen, aan nachtelijke gezichten, wanneer slaap de menschen overvalt18). Al schaart zich een leger tegen mij, U zoek ik; ik laat U niet los, totdat ik Ugebracht heb, tot mijne hulp, naar het huis mijner moeder, naar de kamer van haar, die mij gebaard heeft19). Reken als vergoeding voor stieren het woord mijner lippen;
') Jer. 3.4 in anderen samenhang. 2) Vgl. Jes. 50.1. 3) Jonn 2.5. 4) Ps. 133,3. 5) Ps. 137,6. 6) Jes. 38,20. i) Ps. 7i),12.
8) Jes. 61,2. 9) Vgl. Jes.:61,l. 10) Job 13,16. quot;) Deut. 9,29.
100
rw npoanb quot;ivv p
iaD3 nnb^n p'V :^ipTb^ri â¡â¦an1? ^dik *^13» 'p *?« mpv1? nipnn m^DN * hdi^dd â¦nbnim â¦tfa: nnjr^n1? hkdï
t) ; ⢠- - * -: tt-.,: ⢠: - : ⢠: - t'it : * t : t
^ : riDizn nK ^ niï db' ^ * roin ^ip nnx nipa
⢠: t t : - v t; t ⢠t t i * - - i * :
N1? DN 'snV pain * *zb im i Dia HINDV ^ip : v ^3 by_ w bs ]iï: * ^quot;o? 'D^dtn n:o /quot; iiain ivx Dnain op^n bx irjDiy1? D^n ,r\vm
- : â¼: | i ; â¢â¢ v -: tt : v It â¢â¢ v !â¢â¢â¢â¢ ; ⢠â¢â¢ t t^; i- t
Dn^pNbi ini Diniy1? Kip : DpTJT dii quot;b pn natr * Dpbn nw DE'i * ninty D^an Tinp VN nnan ⢠nip nps |nï nDNib la'pv ab - ^n^Di ^r;p aip, : nb bx n^ia ^rnn^a ^nïn : Dni -
3n3 * ^npityn p^n p^: p^n1? rvan â¦n^s ⢠^niD^ n'fiï ⢠^ninnV nnxn; ab niKi : ndn ^ipn nn«quot;i iib \y_ ⢠bs ab -]K ,rhvr2rt ni'ppp zh
?|ipD * n^n pK3 »3 mill: ^nbir D^ribs
DWn ni^a ^jn-n kdk - n;^ niop'ir np^ni D^eït nan n'csnn * ^Qpn1? ipi^ ^sn ny:b : ni: ^ ^np^p^n Vk nvwK * ^n^^n IN
* ^nip^n nn^ö na^ : nx nniNi : 'nhviND Dinn na^ DpD * \nlp^n ptra niKn ^quot;iDTbi nnian ppnp nya^x * noi:n ^vsyb jnx ab 'yyb n:f n:nn : nann Viöia nW niainna * na^jn Vso
- t v -: - t â¢â¢ : - : ⢠t :i- : v â¢â¢ t t v:v
* -|s^3K^ -i^ ?|3-IK aib - ^npip ^n^np^ nana
* ^ns^ ny ni^n nna Dib^n : â¦niin quot;inn â¦pN n^a bx
quot;) Ps. 5,8. quot;) -les. 64.3. quot;) Ps. 66,13. 15) De dichter voelt zich als het ware in de nabijheid der Goddelijke Majesteit.
gt;6) Ps. 138,2. it) Deut. 32,34. I8) Job 33,16. i9) Hoogl. 3,4.
JOTSEROTH.
wat de deuren der lippen 1) geordend ontgaat, naar mijne wetten en leeringen, U geef ik het als mijne bewaakte heffing2). Als een geschenk van Uw eigendom looft U mijn mond in jubelheiliging ; als Gij het Tsion wel doet gaan, breng ik U brandoffers ten geschenke op Uw altaar, vetgemeste brandoffers breng ik U met den damp van rammen^]. Oprecht beminnen U Uwe lievelingen, die smachten naar Uwe hulp; zij zullen Uwe groote goedheid met uit het hart wellende woorden verkondigen. Gij die boven al, wat hoog is, verheven zijt! Volkeren zullen ü danken, o God! 4) Heilige !
â¢ma nsnaS iïv
De natie, die aan U gehecht is, vondt Gij goed en wenschtet Gij rechtvaardig te doen blijven, door haar de Thora te doen erven, die zoeter is dan honig 5), opdat zij in de verklaring der Leer, die zoo groot is en diep6), met liefde behagen zoude scheppen, en als een gouden halssieraad zich daarmede zoude omhangen. Ook is zij sterk bevestigd, uitgehouwen onder de onwrikbare voorwaarde7), dat zij van Zijn volk nimmer zou wijken. Heil daarom het volk, waarvan gezegd is: âwie is deze ?quot;8) zoo zij zich versterken door deze Leer aan de ingangen der deurposten des Heiligen!
Hij zocht het goede voor de bewaakster [van Zijn wijnberg] 9) en sprak, dat men eene koe zoude brengen, ten einde over hen verzoening te doen10). Voorwaar, toen zij zich aan het wjong der koequot; [het gouden kalf] bezondigd hadden, hebt Gij een strafbesluit over hen vastgesteld en vielen zij onder de uitspraak: âde weerspannigequot;11). âDezequot;13) echter, die smeeking aanneemt, heeft Zijn gramschap aan hen onttrokken en daarmede allen druk en nood. De herinnering aan de roode koe zou in den mond der âvolmaakte duivequot; 13) leven en nimmer in het duister verborgen worden. Met de liefderijke, volmaakte wet zullen zij zich omhullen en daardoor verheven zijn vóór den Vormer der zielen. Wie van haar [de Thora] genieten in haar heerlijke lieflijkheid, zullen nimmer tot ondergang zijn gedoemd, als Gij de verwoeste aarde weer bewoond maakt14).
') Ps. 141,3. *) Num. 18,8.
3) Ps. 66,15. quot;) Ps. 67,4.
5) Ps. 19,11; de geboden des Eeuwigen... en zoeter, dan honig.
6) Job 11,9 en 10. de hoogere wijsheid is dieper, dan de afgrond; langer is haar maat dan die der aarde.
J) God schiep de wereld onder voorwaarde, dat zij slechts 7,011 bestaan blijven, indien Israël de Thora zou aannemen. De wereld blijft slrrhts in stand door de verdienste van trouwe beoefening der Heilige Leer (Thanchoema, Beréshieth begin; Shabbath 88a).
101
rw npDfin1? ixv «p
moa'o rw 'nn: * â¦nnim 'nipn natr Sn
viv ; ⢠v | : ⢠r t t : quot; i % t t - ** *⢠~
?]3^n3 * D^ibn ^i[5 ïj^ir ^ ?|V^P :
^ D'no rvbiy * ?|n3Tp bj; quot;i^nw |i»v
^2itD an * D^nas ^nnA on^o : D^'K nntpp
: ^npT ⢠DVt?K D'sv. ' ü'ni33 niaa iv'3! .quot;inv San
.ms nensS nsr
3quot;N Bquot;ï
rhwrh * npnïb n^ni nvan ⢠npini na DIK
t ⢠: - : It ; - : t r t: t : i- t It ; I ; v -:
3nN3 orn * npD^ji nsnx nwa : np^np irinp
⢠npTno HN03 «'n oa : npanV quot;inixS * npiynS
I tt *.. : : ⢠- It:-: t - : ⢠: ⢠I t : t :
* riNT *0 nir«'n: np^ob is^p ⢠nppn; wnsi «]pin3 1^3 vii : amp;iipT niTiTp ^nnss * ntir nTins Dprnnna wünaxVn innsaV -113^ 01^3 * ma dji *nquot;iDi3
; t : -: tiquot; - : ~: t -:- tt ⢠t : t: t â¢â¢
nri : nniD n-i,0N3 dbhi * mn orrty mn * ma r33
v: t â¢â¢ t ⢠-: - t * : tquot;: v â¢â¢^-; t i-t tt I v :
pDT: niw npTiï V31 * niny onp * rrrn^ Ssppn ni 1 non : nobyb ^3 nyS ⢠non mv â¦aa * nsn» nna
v iv t : ~: * : t t - t * : t â¢â¢. -: tt
n^it:: nat^: nvi^ ^aS ⢠noainnn1? n3 itay» * no^an
t iv : t t : â¢â¢ â¢â¢ : ⢠t -; : ⢠: t t ⢠:
: ns^jn pKn ^a^ins * nppï nvn ^3 * nny: 31133
s) Hnogl. 3,6 en 8,5; Wie is deze, die opstijgt uit de woestijn? Vgl. Rabba t. p.
9) Vgl. Hoogl. 1,6.
10) Thanchoema, Chockkath; Pesiktha, Para, pag. 38a.
quot;) Pesiktha (pag. 41a), naar Hoshéa' 4,16: uwant gelijk eene weerspannige koe was Israël weerspannigquot;.
») Ex. 15,2: .-iT.
13) Israël, Hoogl. 6,9.
quot;) Bij het laatste oordeel, als beslist wordt, welke afgestorvenen in het leven zullen worden teruggeroepen, zullen de trouwe beoefenaars der heilige Leer zeker niet tot eeuwigen ondergang worden gedoemd.
JOTSEROTH.
«Dit is de wet der Thoraquot; !), in alle opzichten wel geordend en goed geregeld2), om daarmede te heiligen den Eerbiedwekkende, den Heilige!
Zij moest kostbaar zijn en bijzonder in volmaakte roodheid3) en volkomen vrij van eenig gebrek en onderscheiden door zuiverheid en reinheid4). Aangewezen in uitgehouwen schrift om de bedroefde ziel te verblijden, haar hoog op te richten en te verheffen 5). Om te reinigen van zonde en schuld, om te vergeven de misdaad van den met toorn en straf bedreigde, om hem daarvoor niet meer schuld aan te rekenen. Zij reinigt het «éénige volkquot; en wekt welgevallen er voor bij den eenigen God, Wiens eenheid door eiken mond wordt uitgesproken. Hun ziel zal aan alle vrees onttrokken worden en hunne bede zal niet verborgen blijven, als zij, één van hart, bidden! Hunne vijanden zullen allen tegelijk verpletterd worden in valkuil en strik en angst, zoo zij slechts den Rots dienen schouder aan schouder! â In de hand van den priester wordt zij gegeven; dat overgeven geschiedt om hem te eeren; hij zorgt met nauwgezetheid voor alle deelen harer behandeling, voor wat er mee geschieden moest en het brengen er van; hij brengt haar en hij moet haar naar buiten het leger voeren. Allen zien met belangstelling, of zij naar behooren wordt behandeld, en verkondigen haren zegen, de geheele geliefde gemeente. Heilig moet zij zijn en niet door verkeerde behandeling ongeschikt geworden, zonder eenige fout of overtreding, evenals een geheel te verbranden offer. De Alverhevene heeft haar bij-zonderen voorrang gegeven G), neemt haar met welgevallen aan, haar niet verachtend, om daarmede Zijne gemeente ten nutte te zijn. Wie hare wetten in acht nemen, worden bewaard voor verschrikking en voor alle plaag en ziekte, zij, die lied en lofzang doen klinken. Wend U dan tot hen allen, de uitverkorenen, die Uwen naam vermelden; en spreng op hen reinigingswateren, o Heilige!
â¢nSit
Heil allen, die op U zich verlaten ; die niet liefde U beminnen ; het volk, dat U lief heeft, hebt Gij aan U verbonden ; Gij zult gewis eens Uwe twistzaak voeren en herstellen Uwe woning. Gedenk Uwen zoon, den door U beminde, die als zegel op Uw hart rusten!7) Reinig hen van al hunne onreinheid; o God! schenk verzoening voor hunne schuld ; laat geluk hun toekomst zijn, moge eeuwig hun naam stand houden; verhaast nu hunne hulp, o Lichtstralende! want Gij zijt hunne hoop I Verblijd hen
') Num. 19,2.
2) II Sam. 23,5.
3) Sitré: nsisn nam beteekent; volmaakt rood; dat zij geen gebrek mag hebben, is uitgedrukt in de woorden: oin na px â Twee haren
102
ma nenfib iïv 3p
⢠«ni:1? na * * nninn npn hnt nvpJDi ⢠no1?^ aio Vaoi * no^n naini mp' : ^np
i ⢠: ⢠t â¢â¢ : t ⢠t * : t : ⢠: ti t: it
* nouy 1^3: nsTb * pipn nna : hö'dd
t ^-: viv -!â¢â¢-: t : I I t t ; t t â¢.. : t â¼: t :
p# ^inab'! * na^Ki xpn -inuV : nooinVi tjipT1?
nisn1? * inx »13 mnüö : no^Kn1? ^3 * nEijn
t v viv - : ti--:-: * : t ^ :
⢠nnsa -i^nn Di^a: : mTia ns brm t^k * inron dk'1?
- 1- ⢠) t t: t t : - - - : ⢠v t : v -: t : r â¢â¢ :
wir Dnwitr : nn« aba aWarm ⢠^3 a^i^m
it â¢ââ¢â¢â¢: tv â¢â¢ : t -: - : * : - - : ⢠- t : v :
by : ins4 dd^ quot;ir^ Din^a ⢠nnai nai nnss * nnto
*- tv v : : t : t : - r t - t - i- : t v :
: nnss ^33 pipi * nn:na ,)ii33l7 * nnrn: 1 p3 -v
t t ⢠t : i quot;1: * t t t â :⢠tt ⢠: i quot;
: nniK Nim ⢠nniN 3np» snn * nra-ipm nn^3
t t 1:- t t t i : - : tt â¢-,:
: nrvjn ^np ^3 * nn3n3 nx a^nai * nn3it33 Vin d^iï
tt : â â i : t tt : * v ⢠- : t t :
: nbi^i ^3 f3np3 ⢠rhw dio ^3 * n^Dö ah] n^np : ny^inb ns 6np * nV^3 ^ans * rhy nniN nn -1^ 0111^3 ' nbnai irjj * nVn^nü nïiv nnaitr
t -: : t -: - -iv t ⢠t t ; - â¢â¢ it ; t iv :
pnn * Dn;3T0 * anns 3^33 jan : n^nni
quot;inv Ssn : ⢠onintp D'o io^T
2quot;N Dquot;J7 TDT'» nSlT
* -]3nN »12 * unw 3nK3 * ^13 ^Din S3 n-^sj
i t â¢â¢ -: v -: ) t t v:v - i- : )t â¢â¢ i t â¢â¢: -
nK quot;iDTii * Tjsn 3nn nns4 «bn * -]3 Dnpsn bsp 1 Dinü : 1 by ^oinn * -jis 1131 * ^ri D',pn, * DmnK xnn quot;itri3 * nrwm 133 n» * DniKOD
-1 - : * t t ⢠-; - â¢â¢ : v i t t : - â¢â¢ - t t : â¢-.
onafr * onipn r\m *3 hnj * Dn^i^n nn^ mo * Dniatr
.. . - tti : t quot; t t T t - â¢â¢ - t :
van andere kleur maken een dier ongeschikt om als nsm ms te dienen (Para 2,5).
4) Vermoedelijk doelt dit op het voorschrift: mip nSp NT icx. Arniteim: ten einde toe in zuiverheid behandeld.
6) De ziel van hem, die in zijne onreinheid door velen gemeden werd, en in de nabijheid des heiligdoms niet komen mocht.
6) nSr, van msa wp nSm, bijzondere voorschriften daaromtrent gegeven. ') Vgl. Hoogl. 8,6.
JOTS E ROTH,
met overvloed van vreugde, laat Uw macht tot roem hun strekken ; wend ü tot hen om hen te rechtvaardigen, om hen te omwinden met de spruiten der spruit!!) o Heilige! Zuiver hen van al hunne misdaden; o Allerhoogste, maak hen sterk door Uwe goedheid; bewaar hen en doe hen vast zijn in Uwe schaduw; vestig hen en hecht hen aan U als een gordel; beveel dat men de zoetheid Uwer wet hen doe genieten, en doe hunne vijanden als bij het klieven der Schelfzee en het dooden der eerstgeborenen van de aarde verdwijnen !
â¢nianp
De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Shemoné 'Esré tot Oemagén
en vervolgt dan:
Volgens de instelling van wijzen en verstandigen en de leering van de kennis der deskundigen wil ik mijn mond openen in lied en lofzangen, om te danken en te loven voor het aangezicht van Hem, die in de hemelwoningen troont!
Zij, de Thora, die bij den Opvoeder verblijf hield 2), gelouterd door smelting 3), â in hare diepten is deze [wet] 4) in stilte verscholen, ingerold, verborgen en als in rotsspleten verstopt; behoorlijk uitgesproken en opgeteekend, van steenen ontdaan en omheind 3); en hare asch moet worden bewaard volgens het voorschrift6); als een krans zevenvoudig gelouterd, is de wet: rein uit het onreine krachtig uitgesproken 7); neergelegd in de Thora, waarvan het luidt: zij is niet verre van u verwijderd8), is zij zelve ver buiten ons begrip 9); geadeld 10), afgesloten en onttrokken [aan elke verontreiniging]. Ãoor haar wordt de vlek van het aan de heup met het bondsteeken versierde volk uitgewischt; ter reiniging voor de door God meest beminde natie is deze wet voorgeschreven.
Hare plaats zal Hij eens openbaren, hare diepe verborgenheden opputten, ten tijde dat Hij zich openbaart en de door Hem beschermden verheft11). Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham.
') Volgens Zech. 6,12 zal de Messias den naam nax dragen en «op zijne plaats zal hij opbloeienquot;. Hierop doelen de hier gebezigde woorden.
') Spr. 8.30, welke plaats door Midrash der Thora in den mond wordt geleed, luidt: en ik was als voedsterling hij Hem, jton iSïn hvini. Van Sïn maakt Kallier een deelwoord: rfms.
3) Ps. 12,7: De woorden Gods zijn rein als gesmolten zilver... zevenmaal gezuiverd.
4) pst, als eerste woord van de zinsnede; mim npn nst, waarmede de wet van de roode koe Num. 19,2 wordt ingeleid.
5) De zin van al deze woorden is, dat de wet omtrent de roode koe tot de D'pn behoort, waarvan de Thora geen grond aangeeft en die voor den mensch niet te begrijpen zijn; een denkbeeld, dat in Thanchoema en Fesiktha in den breede wordt uitgewerkt.
6) Num. 19,9. Van de asch moest een gedeelte ten eeuwigen dage bewaard worden.
i03
ms nmsft nbiT 2p
⦠Dp-iïquot;? on1» n:ö : onix iKan * onno^ yai'^a
* D|5Tn 21L33 0*1 * Dj5i 1* DpanV npï â¦nov ?|nn3 -iprtn * D^anri IITKDI 033^ * Dp|i Dquot;IQ^ : Dn^jitr onioa nsopi ^ID q[ n^nps * D^npn1?
miy
TJOI IS nrwlt; quot;ina inn -^quot;pn
1 manp
â¦s nnnöK ⢠nyi i -icbpi ⢠d,:13:i D^psn nisp
: D»:i^p piir ^3 i?b^i?,) ni-iin1? * quot;i^a
2quot;N Dquot;r
⢠nj^ipö aba m n^323 ⢠npipr rjiip |piflt; nbiïK
⢠npipn |aiK nnian * npipai nai1?^ not^a
1 öT^Kn? * npn noc'p1? pan naitsnquot;) * npi^pni nbpDpn npTim «Va njriap ⢠npTTTnp Np^p nnu pin * nppjo
* npino na npian nana r'n ⢠npimi mtux nour ⢠npim
it; tit - - ; ⢠it : t -: t; it :
: npn nKT nppna npTityn nnnt?1? vim - n^r vn - n^n» ri^pp^p * rhy naipp : Dnn3K po « nnx
7) Job 14,4 wordt in Thanchoema en Pesiktha op de roode koe toegepast: Wie kan het reine doen ontstaan uit het onreine-, is het niet slechts de Eenigef Het meest treft toch bij de voorschriften omtrent de asch der koe, dat zij, terwijl zij zelve reiniging brengt aan wie er mede bespat wordt, ieder verontreinigt, die, hetzij bij de bereiding of de sprenging, er mede in aanraking komt. Zij zelve is onrein â en brengt reiniging! Slechts God begrijpt dit en kent er het geheim van i
8) Deut. 30,11.'
9) Des Predikers woorden: ik dacht, dal ik wijs was, â doch zij bleef van mijn hegrip venuijderd (Fred. 7,23), doelen volgens Thanchoema en Pesiktha Para 36a op de roode koe, wier wetten zelfs voor een Salomo onbegrijpelijk bleven.
10) Door bijzondere bepalingen van alle andere geboden, zelfs boven de offers, onderscheiden.
n) Volgens R. José b. Chaniena in Thanchoema zal God het geheim der roode koe, tot nog toe onder de stervelingen alleen aan Mozes geopenbaard, eens in de toekomst aan geheel het menschdom bekend maken. Vgl. Pesiktha Para 39n.
JOTSEROTH.
De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehacliajoih Méthiem.
Reeds in Mara gaf Hij Zijn besluit omtrent deze wwetquot;!), doch van den Sinai-heuvel werd haar woord als besluit kenbaar gemaakt; de vertrouwde3) [Mozes] spande zich in om er naar te luisteren, en werd ter wille daarvan voor eeuwig met hare kroon versierd3); om in hare verborgen geheimen het pad te vinden, omgordde hij zijne lendenen; hij overzag al wat er uit voortkomt4) en het dunkte hem bevreemdend. Hij ordende het daarin als eene ,/wetquot; voor het verstrooide volk, opdat daardoor men hen niet op kromme dwaalwegen leide als een afvallige en een vreemde5); de schoone bepalingen omtrent haar onderzoek zijn saamgevloehten tot een bundel; hare behandeling geschiedde door den plaatsvervanger des hoogepriesters 6), in zijn prachtgewaad van getweernd byssus7); zij zou worden weggelegd ter reiniging van het volk, dat God had geholpen, â daarom gebood de Rots den Godsgezant: draag de geheimzinnige handeling op Uan El'azar (God heeft geholpen).
Gij, Wien de wereld en wat haar vult behoort, wildet Uwe gemeente rechtvaardigen; daarom blijf ik op U hopen, dat Gij herlevingsregen eens zult neerzenden op Uw gewrocht, thans in het graf besloten ! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven.
De duistere wet8) van de heerlijke vaarze 9), vlammend in het kostbaarste licht, leg haar bloot voor het verheerlijkte volk, zoodat zij den grond der zaak begrijpen. Hun, die hongerig zijn om hare wetten duidelijk te doen worden, o openbaar hun hare eigenschappen ; hun, die dorsten naar het slurpen harer raadselen, ontdek hun hare getuigenissen. Reinig de bezoedeling der banieren, Gij die loutert en reinigt; wasch hen spoedig bij herhaling rein van zonden, en reinig hen van hunne verkeerdheden! Dan zult Gij priester genoemd worden, wanneer Gij het als priester optredende volk met hysop ontzondigt; spreng reinigingswater als een dienstdoende priester, inplaats van het bloed, genomen door den priester El'azar!10)
De Eeuwige zal koning zijn in eeuwigheid; Uw God, o Tsion! door alle geslachten, â Halleloe-jah! En Gij, Heilige! troont op den lof van Israël! o Almachtige!
') Met het oog op liet Ex. 15,25 gebruikte pn. Zie Rashie aldaar en Exodus 24,3.
2) Met het oog op Num. 12,7, Nin ps: vro 432.
3) Dat hij tot in de laatste toekomst de eenige zou zijn, die het geheim doorgrondde.
4) Eig.: hare spruiten; Hoogl. 6,11 Wi '3N3 wordt verklaard te zien op: de resultaten en uitvloeisels der Thora.
6) Vgl. Pesiktha, 406; Thanchoema.
6) El'azar moest zich met den dienst der roode koe belasten, Aharon's LEVITICUS. N
104
ma nunöS niai^ip quot;ip
: dtio nvnnS ^ na; nnx
* imnj pa: * nn: moK n:33Q ⢠nw npn maa
t quot; : * t : - ; i t v: v t : * t : ⢠i : â ⢠tt it*.. t t *
* -iw r^n * it: .tos p ny nvi
tt | viquot; t iv : ; t-.. t: ⢠: i â¢â¢ -iv
to^. * quot;TTöp pin na * quot;inob n^n:1) ipo nnb^s * -IJK2 nnipa ins * in poa ^naVp niï niï - IT^t VK mnub n^aï i'n * quot;iwd n^a jjpa : nmv niï
TT : v ; t :
|a bv.' ^np pnvnb nvan ⢠ixVpi a1?^
nriN Tjna * ^a â¦diük ^nn ^ i Vnix : D'nan n^na «
f]i'tyn * ipT»T niKa nt:^ * ip;n na'px pin fisjap
* nw n^ab o^a^-i : -ipT^ bv_ ia^J? * âip^a
: n^ninv onb nba * n^ninn niai D^aï * n^nina nj^a
t iv *»⢠v t â¢â¢ - t iv ⢠: ⢠â¢â¢ : t iv * ~ quot;!quot;
Dni^a ⢠quot;inan Doaa1? ann * nnaai ^ïa * inu ^a^ oninp i'n * jnana airxa ^jxana * jna snpn : quot;ina1? onix : jrian quot;it^k npa i an man * |naaa pnr
: nnbbn nni nnb |i#v ^nbtf d^i^ ^a» : x: Vn bNitr^ mbnn a^i* irinp nnxi
t â¢â¢ â¢â¢ t : ⢠⢠: â¢â¢ it t - :
vermoedelijke opvolger en plaatsvervanger. Volgens Thanchoema en Pesiktha 41a: niet Aharon, omdat deze bij het maken van het gouden kalf betrokken was. Vgl. Sifré, waar omtrent later te verbranden roode koeien verschil van meening heerscht. Ik heb daarom vertaald: (jtsddcdde. Bij de eerste staat het vast, dat El'azar den dienst verrichtte.
7) Para 4,1: in de wille, niet in de met goud bewerkte hoogepriester-kleederen, had de dienst plaats.
8) Zech. 14,1, pxipi nnpi tin .ttt1 n1? Ninn dra n'ni wordt in Pesiktha in verband gebracht met het geheimzinnige in de roode koe.
9) rfiSx, vrouwelijk van ej^s, rund-, anderen: van het werkwoord e^S', leeren, de leer.
ln) Zie Pesiktha Para, einde: wat thans door den priester moet geschieden, zal eens door God zelve worden verricht, gelijk de proleet Ezechiël (36,23) zegt: dan zed Ik over u sprengen reinigingswater en zult gij rein worden!
JOTSEROTH.
âIk dacht: âik wil wijs wordenquot; â maar zij [deze wet] is van mijn begrip verwijderdquot; â sprak lethiël1) met betrekking tot deze wet. âIn de Thora, waarvan gezegd wordt: âzij is niet wonderbaarlijk noch ver verwijderdquot; 2) â is deze een wonderlijk verschijnsel en van begrijpen verwijderd.quot; Vooraan staat: recht en wet3) en achteraan: leer en wet4); in de Schriftopgeteekend, en op de tafel des harten gegrift; hooger opgestapeld dan de hemel, dieper dan de afgrond, terwijl voor de bewoners der aarde haar pad is verborgen. Dus is haar geheim niet te doorgronden en tot haren grondslag niet door te dringen en haar wet niet te doorvorschen en ook haar deel niet door het lot te bepalen, haar waarde niet te kennen, haar weg niet te begrijpen, slechts God begrijpt haar weg. Hij de
Levende en Eeuwig bestaande. Eerbiedwekkende, Alverhevene en Heilige!
In de schatkamer neergelegd, aan het oog onttrokken, diep verborgen en niet verklaard, is deze wet der afdeeling, die telken jare duidelijk wordt voorgelezen. Ook voor de mannen, die in samenkomsten de Thora beoefenen6), zijn hare raadselen, als paarlen onder een scherf, verborgen6); alle in den bundel veree-nigde zielen7) verlangen hare bijzonderheden opeen te hoopen8). Welgeordend en inachtgenomen, vastgesteld en voleindigd, door afleiding verkregen en duidelijk uitgesproken9), zoowel in het geringe als in het gewichtige10). Hij gaf haar als wapenrusting den bescheidene [Mozes], met «de edelgesteenten uit Zijn hemelsch verblijfquot; n), en verlichtte zijne oogen door den stroom Zijner bronnen [van kennis]12). Hij verschrikte, toen hij hoorde den zin van het begin barer Mishna: âtoe is een dier in het tweede levensjaar, kalf een onder het jaarquot;; en de Godsgezant smeekte biddend, toen hij die tijding vernam: âoch, mocht van mij ontspruiten hij, die de wetsbepaling te zijnen tijde zal verkondigen !quot;13) Hij maakte hem nu met de behandeling er van bekend en met de scherpzinnige wetsbepalingen, dezen behoorlijk
') Salomo, zie pag. 103, noot 9. 2) Deut. 30,11.
3) Bij Mara, Ex. 15,25, wordt: cbmi pn gebruikt.
4) In' Num. 19 komen de woorden npn en min voor.
6) Pred. 12,11. Zie Rabba aldaar.
6) Met Arnheim meen ik, dat hier micn gelezen moet worden, niet filBirn, wat beteekenen zou: zijn hare raadselen ontdekt-, uit Pesiktha en Thanchoema blijkt juist, dat, zooals Kallier vroeger herhaaldelijk heeft gezegd, behalve Mozes, tot in de verre toekomst geen sterveling de wetten der nnns ms zal begrijpen. niLion is van het Chaldeeuwsche sson, scherf, in het spreekwoord; nwin ntwji» nrocs i» sson viVn isS 'N(Jebainoth 926), indien ik de scherf niet voor u zou hebben opgelicht, zoudt gij dan de parel er onder wel hebben gevonden ?
') Met het oog op I Sam. 25,29: D^nn -vma mm vwï vsi.
8) Akniieim, van nbd», voeder: in zich op te nemen.
105
ma nmab nm*ip np
⦠npn njr bawx n'^ ⦠npinquot;i nü3n« wö«
i t â¢â¢. â¢â¢ . .... t |t : ⢠; t : : v ⢠; i- t
nK^a nxT * np^rn ah) wr\ nK^ai N^a
⦠npni nnm nnnxai - npm üa^ü n^abo * npniiöi
Its: t t iv-: - â¢â¢ I r â¢â¢.: t : ⢠t iv t ; * I tt :
biK^Di pno ⢠npno aquot;? nibai * npipn mina
: ⢠t : i it*-.: â¢â¢ - i : i t i -: tv
iDyh px pa : npTiün nnbpö * Kp-ix nnpi - npo^ i^^nnb pKi ⢠npn nipnb pNi ⢠nniDquot; prh jw ⢠nnioa - nam. pan D^nbx * nam. pan'? p^i ⢠nai^ yrb ⢠npbn
: ora kquot;ïü D;p.i:
.â¢thp 'a-na its1?» nquot;n pi^Q
⦠nahan npn nxr -n^iiaö nVi * n^naoi mi^A
t tt - i- % t t^ : : t : t t : t -;
rrniin * maox ^a^ : ntnana naiy Vaa
t iv - : t : t ; ⢠t t t :
nain^ : map rppnpi * niaioa nnnx ^ai * maion : nnioni nbpa ⢠nnioNi n^n-i ⢠nnioJi naivp ⢠niio^i i^n ' vi^p paa ⢠vyz n^ni * vji^ö ^^aa * i^1? n:n na na ma * nn^o nbnn ayü n^aona
t : â¢* ⢠1- : - tt t t : ⢠- ⢠; i-# ⢠: ⢠;
mio ma^ h: ' nn^ioty atrpa rnn quot;i'ï lüfa ; nn:^
v: * ⢠iv t t t : - i t : i - i- ⢠â¢â¢ ⢠t t :
nVx -nia^n \m) * nia^n na i^t : nn^V nabn
9) nBin wil hier waarschijnlijk wijzen op de talrijke door mn, afleiding uit het Bijbelwoord, opgemaakte bepalingen, tegenover mm, wat duidelijk in de Schrift is uitgesproken. Misschien beteekent ook rninj door traditie vastgesteld (van smj). Men heeft dan de drie deelen der Halacha: Schrift, traditie en afleiding.
10) Pesiktha pag. 38a.
u) De Thora; Klaagl. 4,7 biwbö bï» i»gt;' wordt in Pesiktha Para verklaard : zij, Israël, zijn rood van uitzicht door den kostbaren schat der Thora.
12) Spr. 5,16: rmn frwy» tos' wordt door Midrash verklaard te zien op de bronnen van Thorakennis; zie Jalkoet t. p.
13) Pesiktha en Thanchoema wordt verhaald: toen Mozes hemelwaarts steeg om de Thora in ontvangst te nemen, hoorde hij, hoe de Heilige, geloofd zij Hij, de bepalingen omtrent de roode koe opnoemde met den naam van den zegsman er bij, beginnende: ;;R. Eli'ezer zegt: de roode koe is een dier in het tweede levensjaar, het kalf (waarvan Deut. 21,1â9 sprake is) onder het jaar'' (Para 1,1). Op Mozes' verwonderde vraag, dat de Eeuwige wetten mededeelt uit naam. eens atervelings, werd hem
JOTSEROTH.
geordend, genen vluchtig doorloopend. Hoe men haar tot onderzoek moest beschouwen; hoe men haar bloed moest spatten; dat geene van omtrent haar gegeven verklaringen mocht veronachtzaamd worden; opdat hij het zou mededeelen aan het volk, waarvan gezegd wordt: «wie is dezequot;1). Bij het bevel: zeg tot de priesters, [dat zij zich niet verontreinigen], verschoot zijn stralend aangezicht van kleur, later echter legde Hij hem âdezequot; wet voor en deed zijne oogen lichten van vreugde2). Omdat, toen hem gezegd werd: men zal voor den onreine nemen, angst hem verschrikte en hij sprak: â Wie kan dan rein doen ontstaan uit onrein?3) daar immers naar de ware uitspraken omtrent de koe zij lederen reine onrein doet worden, hoe zoude nu zij zelve den geest van onreinheid kunnen doen wijken?quot; â deelde God hem mede: «eene wet heb Ik vastgesteld! Wat vermoeit gij u om het te weten? Hoe leunt gij hennen wat dieper is dan de afgrond?' *) Moge dan de asch der koe komen om wit te doen worden de bloedroode bevlekking door het jong der koe 5), ten einde als verzoening te dienen voor Israël, dat weerspannig is gelijk eene koe6). In [de woorden] : nzij zullen voor U nemenquot; gaf Hij hem eene aanduiding, dat [de asch van] zijne koe eeuwig zoude duren: ,/dat alle koeien zullen opraken, maar de uwe eeuwig bestaan zal blijven.quot; 7)
o God! tot in eeuwigheid zult Gij verheerlijkt en tot in eeuwigheid als heilig geprezen worden en tot in alle eeuwigheid zult Gij regeeren en boven alles verheven zijn. Gij, God, Koning, eerbiedwekkend, alverheven en heilig, want Gij zijt immers de Koning aller koningen. Wiens koningschap eeuwig duurt! Verkondigt dan Zijne wonderen, verhaalt van Zijne macht, roemt Hem, gij. Zijne scharen, heiligt Hem, verheft Hem, in luiden jubel, in zang en lof prijst de macht Zijner roemrijke heerlijkheid!
Zoodat zij onreinen rein doet worden en reinen verontreinigt op het woord des Heiligen!
Een gebod, wél gezuiverd8) en gelouterd, in hare wet onderscheiden van het kalf, waarvan de nek moest gebroken worden 9); als een lommerrijke boom groeide zij tot genezing [van Israël's zonden] 10). Zij wordt verklaard te bestaan uit zeven maal zeven louteringen.
geantwoord: «eens zal een braaf man onder Israël opstaan, wiens naam 'é. Eli'ezee zal zijn, die aldus de wetten van Para zal inleiden!quot; Nu. sprak Mozes: //Moge ik dan het voorrecht hebben, dat deze tot mijne nakomelingen behoort!quot; welke bede hem werd ingewilligd. Dit wordt afgeleid uit Ex. 18,4: -w'w in.sn dci.
') Zie pag. 101, noot 8.
2) Toen Mozes het voorschrift vernam: Zeg tot de priesters... dat zij zich niet verontreinigen aan een lijk (Lev. 21,2), vroeg Hij: «en indien hij onrein is geworden, hoe zal hij dan zijne reiniging verkrijgen?quot; Toen hem daarop geen antwoord gegeven werd, ontstelde Mozes en verschoot van kleur, zooals Pred. 8,1 gezegd wordt: ssjs» ros nn. Later evenwel, toen
106
ma mnab piVo ip
rm * niTnV nnw : nüVnnan HVki ⢠nü^an HÃK TI3quot;I| : nxr ^ nnnV ⢠mran^p nniK? * niTn1? yxn] - vizh HNT Tji-ijn 3^ * VJà tijt D^rtsn *?« n'^i inn^a mïba * Ko^b inpbi t nowa \yl : vry.
* i-iKöüo quot;iinta Va * ma nox [2iyip : koisd hhü rn» »0
t ; - ; t t t t# â¢â¢;â¢;; i â¢â¢ t ⢠t i quot; *
* â¦ripn npn ⢠^ : riKOBn nn 1 yzyn
⢠nia nax ay : ^in no biNtfp npo^ ⢠npi töt : maa nmiD1? * maa nvn * ma ra s\m t^n1?
- t t t : t â¢â¢ : tt- v: t t I v ) ⢠| ⢠; - ;
* mba nnan baty ⢠monü ima nvn tVk inpna
t t - TV viv : â¢.. tt v: I IV â¢â¢ I; ⢠; â¢
⢠â¦Ã¼1?^ '^pn übty)) * ^in D^W^K'quot; â¦a ⢠iyi-ipTi; Dino NIU - Tjbo ⢠N^nni. ^ibpn
⢠in^ vniKiia ⢠nï: iniabp * D^Vsn ^abp rpn nnx -na^n^pn ⢠iniaan ini^np * vxav mma MW na?
: im^an nibnn e]pin : irnpT quot;)D1N3 ⢠anintp mub ' d^üü intaV
3quot;S 0quot;S
?^na nbia - nai^a nma nSna ⢠nanïi muo max
' t : â ⢠t â¢â¢: t .â¢â¢ t t : t ; t ; t r : t ; *
mnn * n^a^a n^a^ pipra : nanrn
1
hij de wet dei- roode koe vernam en daar hoorde: en zij zuüen voor den
JOTSEROTH.
zeventallen van spattingen, indoopingen en kleederwasschingen, zeventallen ook van koeien, priesters, reinen en onreinen1). De oudsten van [het Synhedrion, dat zitting hield in de zaal van] gehouwen steen, volmaakt zonder gebrek, moeten onderzoeken hare verborgen plaatsen, opdat er geen gebrek aan zij; rein zal zij zijn met betrekking tot het rood zijn, zoowel als van eenig gebrek. Van het vermogen van den priester werd eene brug gemaakt2), telkens open boog boven gesloten dam, in heerlijke schoonheid, om daarlangs naar buiten [den tempel, naar den Olijfberg] te voeren de volmaakte, die de zonde der schuldelooze zou delgen. Zijne helpers gingen met hem uit naar den Olijf berg; hij haastte zich, zich ten tweeden male te baden, wegens den verleider, die een afval-kuil graaft3); dan ordende hij onverwijld den houtstapel. Hij stond aan de oostzijde, met het aangezicht westwaarts; daar slachtte hij de koe, doch vermengde het bloed niet4); dan stak hij haar aan met dadeltwijgen5) en maakte haren vuurgloed groot. Hij ging nu staan tegenover de lethon-poort [de oostelijke poort van het voorhof] en spatte zevenmaal van het bloed; hij zocht versch cederhout uit en hysop en karmozijnkleurige wol, en riep ten aanhoore van allen: «deze cederhoutsoort?quot; «deze hysopsoort?quot; Nu liep hij heen en verdeelde de asch in drie deelen; alle priesterafdeelingen deelden het eene onderling; terwijl een gedeelte vastgesteld werd om bewaard te blijven, totdat Hij de in rotsgraven rustenden zal doen opstaan!6)
') Pesiktha en Thanchoema, naar aanleiding van de woorden: ppw dvu'21', d. w. z. volgens Midrash: zevenmaal zevenvoudig gelouterd. R. Elia Wilna verklaart deze Midrashplaats aldus: Zeven spattingen komen erbij
voor: Num. 19,4: Mj zal spatten____van Tiaar hloed zeven malen; â-
zeven indoopingen: evenals bij het bloedsprengen bij een nson, zondoffer, moest ook hier nVoa nvn ^ Sr, voor elke sprenging een indoopen met den vinger in het bloed plaats hebben, zooals er staat: jaw mm â¢1 ⢠npSi cto's [Para 3,4]; (dit is niet aan R. Elia Wilna ontleend, in Midrash toch wordt niet gelezen nSia 't, maar ms'-ic 'i, wat door den genoemden
feleerde verklaard wordt: verbranding van: de huid, het vleesch, het loed en den mest der koe, benevens die van het cederhout, den hysop en de karmozijnkleurige wol, die alle zeven in Num. 19,5 en 6 genoemd worden); âeleerde verklaard wordt: verbranding van: de huid, het vleesch, het loed en den mest der koe, benevens die van het cederhout, den hysop en de karmozijnkleurige wol, die alle zeven in Num. 19,5 en 6 genoemd worden); â zeven kleederwasschingen : vs. 7 : en de pr i es Ier zal zijne kleederen wasschen doelt op den priester in vs. 3,4 en 6 genoemd, dit kunnen dus drie personen zijn; voorts wordt wasschen der kleederen nog op vier
Ãlaatsen in de afdeeling voorgeschreven, nl. vs. 8, 10, 19 en 21. (In laatsen in de afdeeling voorgeschreven, nl. vs. 8, 10, 19 en 21. (In user's aanteekeningen op deze plaats in Pesiktha zijn de twee plaatsen vs. 10 en 19 niet genoemd; waarschijnlijk uitgevallen); â zeven koeien, zooals in Para 3,5 gezegd wordt: zeven roode koeien zijn door Israël bereid; eene ten tijde van Mozes, ééne ten tijde van 'Ezra en vijf na dezen. In de afdeeling komt vijf maal het woord koe voor, terwijl zij nog tweemaal onder den naam nscn genoemd wordt; â zeven priesters: in de verzen 3, 4, 6 en 7 komt vijf maal het woord: priester voor; Mozes en Aharon, tot wie het bevel gezamenlijk gericht was, er bij gerekend, zooals duidelijk in Midrash wordt aangegeven, maakt: zevenpriesters;â zeven reinen; d. w. z. reinigingen, nl. door spatten op de tent, de voorwerpen.
107
ma mnaV pi^D rp
: njDï? wmu) öninca D^H'di nmai â¢nyat? Ã^D^DI nib^ü ⦠Dia na nvn ba'p np?; n^mn * diöü D^p^n nna ^pr nss -mj ^23 fri3 pnp n'f ^: Dispa hid^-ik1? n^nn nninp : m^ö nan NL2n nawi nn N^in^ * mxan nms DÃIN bia
t ⢠; t ~ : â¢â¢ t ⢠; t ⢠: tt : * : v i
nnia 113^ n^p ^129 p: ⢠nnamp;m in1? w irix in^Dp ma * nnynb vaai onpo na^: nn^ nDquot;i^a iid * nnity
TT T ~; ~ : TT vliv - T TT : V IV~J - â¢â¢ ⢠T
bia Dp : mn mpiai mnn na nï * n1? dti üniy
IT - â¢â¢ tI: T-: T T ~ quot; T : - T
b'zb yöamp; - nrn* gt;:amp;) airxi ns |jjn ⢠nr dti jimt iptf Sa * D^pVn namp;bvb npbni bni : nr aimi, nr thk ^ : D*p* D^pip: ly niairab mian * D'pVna nsa nnat^a
de personen, en op wie heeft aangeraakt een been, of een verslagene, of een lijk, of een graf, welke zeven groepen in vs. 18 afzonderlijk genoemd en aan de reiniging onderworpen verklaard worden ; â zeven onreinen, d. w. z. al wie in de tent komt, waar het lijk zich bevindt; al wie daar aanwezig is; alle open aarden vaatwerk; en al wie of wat in het open veld aanraakt aan een door het zwaard verslagene; of aan een lijk; of aan een been van een mensch; of aan een graf. Dat zijn dus zeven oorzaken van verontreiniging (Zie Büber's Pesiktha, pag. 33, noot 55).
2) Para 3,6; Shekaliem 4,2; de brug bestond uit twee rijen booggewelven boven elkander, zoo gebouwd, dat telkers waar in de onderste rij eene opening was, daarboven zich de pijler bevond; terwijl boven de pijlers van ne onderste rij in de bovenste de open bogen gemaakt werden.
3) De Tsadducëers beweerden, dat de behandeling van de roode koe niet mocht geschieden, dan door volkomen reine personen, die dus, nadat zij verontreinigd waren, niet alleen zich hadden gebaden, maar ook na dit bad den zonsondergang hadden afgewacht, cd» â¢'anri:- â De Pharisëers daarentegen zeiden, dat de traditie leert, dat ook door hen, die wel hun bad reeds hadden genomen, maar voor wie daarna de zon nog niet was ondergegaan, dv de verrichtingen bij de verbranding der roode koe mochten geschieden. Als protest tegen de raeening der Tsadducëers nu, verontreinigde men opzettelijk den priester, die de koe zou verbranden, zóó dat hij zich dien dag moest baden en als dt Saw de handeling verrichtte. (Para 3,7.)
4) Hij zorgde, dat het bloed niet dik werd.
5) Zoo R. 'Akieba t. a. p.; volgens een ander gevoelen met gewone spaanders.
6J Para 3,11. De asch werd in drie deelen verdeeld, waarvan één derde in de open ruimte binnen den voorhofmuur (Sn) werd gedeponeerd, om daar ten eeuwigen dage bewaard te blijven; het tweede derde berustte op den Olijfberg tot reiniging voor de priesters, die later met de behandeling der koe belast zouden worden; en het laatste derde werd onder de 24 priesterafdeelingen verdeeld, om tot reiniging van alle Israëlieten te dienen, die zich zouden verontreinigd hebben.
JOTSEROTH.
Dit bleef zeer moeilijk in hunne oogen, hoe zij de huizen hunner verblijven konden reinigen; de Reine en Heilige verlichtte echter hunne oogen; de Heilige!
De edelen des volks, die uit de Babylonische ballingschap optrokken, â toen de voor de verlossing bepaalde tijd spoedig was aangebroken, trokken zij op om onder gejuich den tempel te bouwen. Toen verscheen God aan Chaggai, Zecharja en Mal-achie en openbaarde hun in een visioen tijd en bepaling voor koe en kalf. Hem eene kamer te bereiden tegenover de vergaderzaal van het Synhedrion, welks leden in een halven cirkel zaten1), om «dezequot; (koe) te bereiden naar de in de rol voorgeschreven wet, dat zij reinige de onreinheid der afvallige en daarom in ballingschap gezondene. Zij ontwierpen toen den bouw van huizen in hoven, vast gebouwd op dorre rotsen, en zeker beveiligd tegen onreinheid in de diepte2). Daarheen voerde men zwangere vrouwen, wier kinderen daar werden geboren en grootgebracht3), totdat zij krachtig waren opgegroeid als helden. Waren zij nu bloeiend groot geworden, tot den leeftijd, dat zij de woorden machtig zijn, dan bracht men hun krachtige ossen, met breede schonken4), om de heldenkinderen te kunnen dragen. Op hunne ruggen legde men deuren, [waarop de knapen zaten] gelijk ieder bij zijn banier naar de teekens5), om te komen op den weg naar den Shilloach. Geen voet mochten zij uitsteken buiten de deuren, opdat zij niet een dak6) zouden vormen boven eene onreinheid van een lijk,â nauwlettende reinheidsbepalingen naar de wet in acht te nemen. In hunne hand hielden zij steenen bekers om ze te vullen en gewijd water daarmede te scheppen, ontzondigingswater voor zijne bestemming op te halen. Van daar stegen zij op naar het tempel-voorhof; de knapen, rein van elke dwaling van zondige gedachte7), moesten dan de bewaarde asch [van vroegere koeien] naar het voorhof brengen. De kruik, die daar in een kuil was verborgen, had hij, Mozes, van oudsher met asch der koe gevuld, gedurende 9G0 jaar tot roem 8). Nu bracht men
108
1
) De nvjn rw1? bevond zich in den noordoosthoek van de miï1. Volgens Para 3,1 was eveneens op het noordoosten de psn rro, de kamer
2
van het steengoed, gelegen, waar de priester gedurende zeven dagen vóór de verbranding der koe werd afgezonderd. Twijfelachtig is het, of de nT2, waarvan in Para gesproken wordt, in of huiten den Tempelberg lag. (Zie Joma 2b.)
3
s) Din.in nsnra Dica nsd is elke plek, waarvan vermoeden bestaat, dat er misschien eens een lijk of gedeelte van een lijk begraven is, zonder dat daaromtrent ooit zekerheid te krijgen is. Door op rotsgrond te bouwen,
4
waaronder gewelven zijn aangebracht, ontstaat boven de eventueel onder
5
den grond aanwezige n.saw een bnx, tent, die de verdere verspreiding der
6
onreinheid krachtens bns nxnic, het zich met het lijk onder één dak be
7
vinden, afsnijdt. Daarom bouwde men huizen op rotsgrond, waaronder gewelven waren gemaakt. Vgl. pag. 107 noot 2.
8
a) oii3, waarschijnlijk van xquot;:, gezond.
ma nena1? pi^o np
* öiTJiyü Tj^K ⢠Dn^^a INà n^pn nKT P1quot;quot;
: tfiquot;jpT ' quot;i^n ^npTi quot;iinü
â pSp 13T3 lïrSs win TNT
ni:3 by - nVxa fp. K13 irna * nVia tyy VK Dnbi. * nVj; nn?T ^n1? : n'Vn n»3
* nvtf# n.^ Tjin^ : nis jot fp. * rto nrnas idqt : nbui mt) nKDü nniüquot;? * p-iro nf^ nxt
-: t T ; T quot; : -. quot; - ; T ⢠: I : -:
moü ^3Q * onvaa I^D n»ny ^ * onxn ^3 niaa
- ; â¢.. â¢â¢ : ⢠* t â¢, : iv - r : , * ' quot; ': quot; T :
Dnbu DDina * ona^ niK^ö 1 D3 mi : anïNo 1 Dinn â¦^33 inns: nyl : Dni333 nss ib-ir n# * ons d^i onV pnnnV D'röio * Dnit^ ID1? IK^ * nnm
*T: I *-:-: ⢠⢠:- 'T: â¢â¢ T â¢â¢ IT Iâ# 'T ;
* niniNS I1?:quot;! ^ ⢠ninbi D35 ; Dni3-i
; : ' - : T T quot; r :- ⢠â¢
^3 * nin^p pn x^'inba : ninxV ni'^ DT3 :nim3 nia^ nnnü p^ipi ⢠nirvo
TT; T ; : â¼: T I I : * - ⢠-: - :
Dïp1? rn: ^ ⢠nibn1? D3 o^np d^o * niNbaV \2x moü mmn nix^ïS'D 1 D^T ⢠mr^ n^1? Q^a ^ : ni^nb
; ⢠⢠. ^ TT -. ⢠. T --
* rrrsrn nann jpjp ; nafn ^ïin? * h^it 1^3*: rmönb D^tri niND ywrb * ma ISN1 TND KVQ
|. T t t ; ⢠: ⢠â : .. ^ . . . t t v iquot; t â¢â¢ â¢â¢ T
1
) Dij'ïis, van jEi, de zijde, schonk van het dier, met krachtige houten, evenals D'nES pipn (Ps. 69,32), met sterke horens en klanwen.
JOTSEROTH.
een sterk gehoornden ram, daartoe bewaard, op welks kop een touw en een stok tot reiniging!), tot reiniging van ,/dit volkquot;, dat den wijngaard der Thora bewaakt. Zij namen dan van de asch, die in het voorwerp was, en reinigden en heiligden den glans van mijn tempel, naar het voorschrift der Leer, die met rood-fonkelenden wijn is vergeleken. Zij maakten bekend de kracht der overwinning van mijn leger, zij wieschen en reinigden mijne geheele gemeente en legden een verband op mijn schrijnende wonde2). De ijverige 'Ezra3) liep nu spoedig om mij kracht te geven, hij bereidde de tweede koe en versterkte mij en zoo werd de Eeuwige God, mijn Heer, geheiligd!
Dan zal heiliging U ter eere opstijgen, want Gii ziit de Heilige van Israël en de Helper!
Niet uit te spreken is de macht Uwer wonderen, niet mede te deelen de grond Uwer wetten, niet te begrijpen de kracht Uwer daden, niet te openbaren de diepte Uwer wonderdaden, niet te genaken tot het verborgene 4) Uwer eigenschappen, niet te onderzoeken Uwe diepzinnige raadselen, niet te verkondigen al Uw lof, niet openbaar te maken het geheim Uwer getuigenissen, â wat duidelijk schijnt, is voor ons verstand niet te begrijpen; wat schijnbaar ons geopenbaard is, is verborgen; wat verklaard schijnt, is verzegeld; wat met scherpzinnigheid reeds gevonden schijnt, is juist nog moeilijk te vatten ; wat uitgehouwen schijnt, is slechts in omtrek aangegeven; wat schijnbaar gebrekkig is, is in overvloedige duidelijkheid meegedeeld; wat ongeoorloofd schijnt, is soms geoorloofd; wat zwart schijnt, is soms schitterend wit; wat ontbloot schijnt, is bedekt; wat in kleine munt schijnt omgezet5), ligt in groote stukken in de schatkamer; wat tot algemeene begrippen schijnt gebracht, is ons onttrokken; wat ons licht schijnt, soms het meest gewichtig. Gij zijt het, die uit verachte dingen kostbaarheden te voors.chijn brengt; die uit wat verboden is, veel geoorloofd verklaart; die uit het onreine het reine doet ontstaan. [Gij hebt ons toegestaan] van het voor het gebruik ongeoorloofd vet, het hartvet6); van het bloed, de milt [en de lever], die geheel uit bloed bestaan7); van de vermenging van vleesch met melk, den meikuier; van uit twee soorten, wol en linnen, bestaande kleedingstukken, de hemelsblauwe wolsnoeren, Tsietsieth, aan een linnen doek8); terwijl de vrouw van een broeder ons verboden is, is er een voorschrift omtrent zwagerhuwelijk met de vrouw van den kinderloos overleden broeder; de gehuwde vrouw is verboden, de schoone krijgsgevangene daarentegen is den man geoorloofd 9). Tegenover de onreinheid van de vrouw
') Para 3,3. Om niet door een onreine de ascli te doen aanraken, liet men de spatting op eene zijdelingsche manier geschieden.
2) Een gewoon beeld voor vergeving der zonde; vgl. Jes. 1,6.
») Met liet oog op 'Ezra 7,6, waar hij -prra ieid genoemd wordt.
^) jsd van ;ibd ppna npSn na â o, Deut. 33,21.
109
ma nana1? pi^D n^T mvh ' ninu ban latë-ö ' nitsöa ppb bsa
-â¼: t : t*:t ; v iv : t t - : i ti : â¢-. *i
nin wipi rm * ^33 quot;IE'K nöi«3 inp1^ : mtiii
:l * : -: ⢠: ⢠iv - -: t^t- I : t tquot; t ' t:
iïniT * â¦Vn: nm nip lirr : ^^pn njn 'öp ' 73^ 11^ T'no ban : â¦bnö ipy ^3in ibnni * ^bnp bs rarn : â¦b'n « D^nbN ripai * 'b^ni ^ n»:^ msn * ^quot;«b
⢠â¢â¢ t; ⢠v: -I : ⢠: ⢠; ⢠: t ⢠: tt ⢠; - :
: bsi^ t^np nm »3 n^np nb^n ^jbi psi r« ⢠^nimT npn n^anb px * ^nixba; DÃI^ nnitrb px ⢠^nixba pDijr n^ab px * ^nib^ap tjpin psnb pK * ïpni-m quot;iid quot;iipnb pK ' ^ninp jöp b^ HQ^b p»
ni^niaan : mo nibab px * ^nibnn b3 jraipnb
nua^sn ' niomn niquot;ixi3an * niDib^ ninban ⢠moinD ni-iiDKn * nnn^ niipnn * niaiiri nipipnn ⢠niDv^:
niünan * nimcN mawnn * nninv nmn^n * mnno nibrp * niTiQn mbpn * nniï^ nibibsn - nniïK : nmntp niNopp' fnii * ni-ina nniDKo Tno ⢠niip;. ntyaoi: om nD3i) binu * onn ?qi : abn ?Qquot;)tr * abnn ro
TT* T - quot; T : : T ~ I ' â¢â¢ - I V I v 1quot; - I â¢
n^xo : rnD3 n^3n * ünn ^^30 : abnn bn3 ⢠3bna
V Iquot; â¢â¢ I ⢠T - VIquot;; ⢠T ; ⢠T T V - I- TT V
nxöBü : ^â¦Nb nxin na* * mnri : nxn Dia* * nx
⢠: - 1 - : ⢠v ..........tv ⢠t
5) Vgl. onze uitdrukking; op kleingeld gegeven.
6) Choellien 1096 noemt Jaltha., de echtgenoote van R. Nachman b. Jakob, de dochter van den Resh-Galoetha Mae 'Oekba, eene geheele reeks van verboden zaken op, waarbij de Thora iets, wat daarmede overeenkomt, heeft toegestaan. Daar wordt tegenover het verboden vet van i'ee het geoorloofde vet van wild gesteld. In nog andere punten wijkt Kalmer van die Thalmoedplaats af, volgens Thosaphoth t. a. p. op grond van Je-roeshalmie.
7) T. a. p. wordt alleen de lever genoemd, die volgens de meeste uitgaven hier niet vermeld wordt. Vgl. Wajjikra Rabba 22. Shocher Tob 146. Misschien wordt met Jeroeshalmie wel Midrash Rabba bedoeld. (V'Ti)
8) Wordt t. a. p. niet genoemd.
9) T. a. p. wordt tegenover de verboden gehuwde vrouw gesteld de gescheiden vrouw, hoewel haar man nog in leven is; terwijl de heidensche krijgsgevangene tegenstelling is van het verboden huwelijk met eene gewone heidensche vrouw.
JOTSEROTH.
in haren staat van afzondering, staat de reinheid van hare maagdelijkheid i). â Uit het geoorloofde verklaart Gij iets verboden en uit het verbodene geoorloofd; uit het onreine rein en uit het reine onrein : een vlek van melaatschheid, zoolang zij klein is, brengt onreinheid; heeft zij zich over het geheele lichaam van den persoon uitgebreid, dan maakt zij hem niet langer onrein ! 2) Zoolang de doode, ongeboren vrucht zich nog binnen hare woning bevindt [d. i. in het moederlijf], is zij niet onrein; verlaat zij [de vrucht] hare woning, dan maakt zij deze, de moeder, onrein3). De bok van den grooten verzoendag [die ter eere des Eeuwigen geslacht en buiten den tempel verbrand werd] brengt verzoening over alle verontreiniging4), terwijl hij de kleederen onrein doet worden van allen, die zich met hem bezig houden. De roode koe verontreinigt allen, die haar helpen behandelen, terwijl zij zelve bereid wordt om alle onreinheid te reinigen ! Hare asch wordt eene bron van verontreiniging 5), terwijl zij reinheid brengt voor de hoofdbron van onreinheid ! Zoo is dus niet te begrijpen het geheim Uwer leer, noch het zuivere van Uw voorschrift, noch de louterheid van Uw besluit. Dus vermag men het niet te verwisselen noch te ruilen, mag men niet te veel over de gronden nadenken noch er tegen protesteeren. Men kan het niet kennen noch bekend maken; wat zoudt gij weten van wat dieper is dan de afgrond ?6). Hare paden wisselen af, gij kent ze niet! 7) Het eene werd met zachte woorden gezegd, het andere als een ko-ningsbesluit; het eene voor eene kleine vergadering, het andere in groote openbaarheid; het eene als onder een kus te kennen, het andere slechts door gloeiend verlangen te bereiken8); het eene moet onderdrukt, het andere duidelijk uiteengezet worden; het eene mag in openbare voordrachten worden besproken, over het andere moet het stilzwijgen bewaard worden. En elk van haar uitspraken, waarbij de uitdrukking: wet gebruikt wordt, daarvoor mag men geen grond vragen noch zeggen : waarom is zij ingesteld? want zoo is zij gegeven met een het zwijgen opleggenden kus 9). Allen staan den verstandige duidelijk voor den geest, en al wie inzicht heeft, begrijpt ze, behalve de redenen van het gebod der roode koe, die niet te begrijpen zijn, en waaromtrent ieder wijze van hart te kort schiet om ze te begrijpen; hare onderwerpen zijn niet te begrijpen. En met evenveel namen als het goddelijk Thora-getuigenis is zij genoemd10), met geen enkel offergeschenk is zij gelijk te
') T. a. p. staat tegenover m:: mo m, bij een jongen 33, bij een meisje 66 dagen na de eerste 7. resp. 14-daagsche periode na de bevalling. 3) Lev. 13,12 en 13. Zie Thanchoema en Pesiktha.
3) De ongeboren vrucht maakt, als rui1» nssm, de moeder niet onrein; is het kind ter wereld gekomen, dan is de moeder onrein, hetzij tenge-
110
ma nisna1? pi^D ^
: nnn iidxdi * iidk mnü : â¦bina mu ⢠m:
⢠â¢â¢ ............t ⢠â¢â¢ ; quot; t t â¢
nma ⢠Ksun MVIÃà mna : mu * iinta KO'^Ã
t : t â¢â¢ - ; t ; viv - â¢â¢ t t * t â¢â¢ t â¢
laaö kï* * köu irK n^3 nsn : «öün ^3 quot;11^ 1^33
,.. . t t â¢â¢ t â¢â¢ ⢠iâ â¢â¢ quot; â¢â¢ - ; - *-. :
vp;p£o ' xot: bz bv_ IMà lias DI» : nsüö iniN m'py N^ni * nKQr2ü n^iv nsnx nnö : XSÃD i onn
t ⢠; t : ~ : t iv t t t â¢â¢ - : 't :
nint:o «â¦ni * nKü'ian 3K niyjra maxi : nNJsu ba int]1?
viv - : ⢠: t : - - v t : v ; t : *â¢. t â¢â¢ - :
pip? * ïjrnin mo pn1? px pa : nxtpm max â¦ax ⢠n^ünnb KSI -i^pn1? pK pa :
biNjyp npü^. * yvb ah) pi;!? P« â¢' innnb ah] nnpn^ px : nina in ⢠nTp«a it : ^nn K1? n^niba^ü ^3 * jnn hd ni^'aaa IT : npi^na iti * np^:a IT : na^ana ITI * na^a IT
t * ; ⢠it :* : it*;' t ⢠-; - : t--:-
pipnn niüK bai: ntrnna iti * n^nna it : ni^nana iti
i i t v t : ⢠t : t ⢠-: - : t ⢠: ⢠t t : - : :
n:ri3 ⢠nppn: na ^ quot;lüibi quot;innnb px ⢠npn na pin ⢠pa* ^atran bai * paab D^nia; obai : np;^a n^van * pap br ab aan bai * panb pK^ nia â¦ojkso üb 'p |anpT bib ' naip: x^n nni^n nio^ai : parf? px
volge der bevalling, of, zoo het kind dood geboren wordt, ook door aanraking aan een lijk. Zie Buber Pesiktha pag. 30, noot 9.
4) Zie Sheboe'oth 126.
5) Een lijk en metaal, dat daarmede onmiddellijk in aanraking is geweest, is nsmin n«s â os; wat daaraan raakt, is evenals een aas van vee, wild of kruipend gedierte: nxsiDn 2N, bron van verontreiniging, die zich weêr in pcxt, -oi', bij Theroema ook tot -quot;S-hv, bij andere heilige spijzen zelfs tot 'pal vertakt.
6) Job 11,8.
quot;) Spr. 5,6.
8) Sommige wetten zijn gemakkelijk te begrijpen, alsof zij door een kus van den een op den ander kunnen overgaan; anderen slechts door aanhondende studie en krachtsinspanning te vatten, die in groote dorst naar kennis hare oorzaak vindt.
9) Zie Thosaphoth, 'Aboda Zara 35a nsn fis pr^j)
10) Vijf: thk, ms, ipa, nSx en iw; de Thora heeft vijf boeken.
JOTSEROTH.
Ill
stellen; want dezen zijn mannelijk, zij een vrouwelijk dier, om te reinigen de vlek van het gruwel-kalf Zij verruilden hun Eer voor den zoon der koe, en waren afvallig als eene «weerspannige koequot;; 2) laat dus de moeder daarvan, dat is eene hoe, komen en voor het volk tot verzoening zijn ! 3) Zij deden daarvoor hun aangezicht in gloed staan en waren //i-ooder van gebeente dan koralenquot;4); laat dan de moeder daarvan komen, die rood is van uitzicht, en daardoor zal Israëls Vriend, die //blank en tegelijk roodquot; B) is, hun aangezicht weer ophefifen! Zij hebben het uitgehouwen, om voor hen te staan als volmaakt, en juist daardoor maakten zij zich schuldig, zoodat zij niet meer volmaakt waren ; laat daarom de moeder ervan komen, de volmaaktste der volmaakten, en daardoor zal Hij, de volkomen Rots, reiniging brengen der volmaakte natie! Zij bogen zich neder voor een gehouwen beeld met allerlei gebreken en werden daarvoor gestraft, doordien zij met gebreken behept werden 6); laat dan de moeder ervan komen, waaraan geen gebrek is, om af te spoelen de bloedschuld der «schoone, waaraan geen gebrek kleeftquot; 7). Zij dachten met het kalf ontrouw te plegen en offerden daarvoor en wierpen daarmede het juk [der hemelsche Regeering] af; kome dan de moeder daarvan, waarop nimmer eén juk is gekomen en worde hun als een juk op de schouderen gelegd ! Zij rotten ter wille daarvan samen tegen den priester en in toorn werd de man, die het hoogepriesterschap zou waarnemen, tot uitroeiing veroordeeld8); kome dan de moeder daarvan en worde overgegeven aan den priester en daardoor worde verzoening verkregen voor de zonde van den priester! En evenals [het gouden kalf] in vuur verbrand werd 9), zoo zal ook zij, de roode koe, in vuur worden verbrand. En gelijk dit gemalen en fijn gestooten werd tot gruis, zoo zal ook deze fijngestooten worden tot stof. En gelijk het stof daarvan in water werd geworpen, zoo zal de asch van deze in water geworpen worden. En evenals door dit drieduizend man van het rechtvaardige volk vielen, zoo zullen door deze vallen drie soorten 10) ter wijding. En gelijk dit het reiue volk bezoedelde, zoo maakt zij door aanraking lederen reine onrein. En gelijk dit het daardoor verontreinigde volk weer rein maakte, zoo reinigt zij den man, die onrein is geworden. En evenals de met het kalf bedreven misdaad verstrooid werd en voor ieder geslacht als zonde bewaard u), zoo zal deze zijn ter bewaring tot onzondigingswater; om bloedschuld weg te spoelen en vlekken uit te wasschen, smetten te reinigen
') Pesiktha, zie Thanchoema; daar staat; alle offers zijn mannelijk of vrouwelijk. Laat men het alleen op de huiten den tempel te verbranden offers slaan, of op die der gemeente, zooals in Pesiktha de lezing is, dan is de hier gegeven bepaling juist; dezen zijn inderdaad allen mannelijke dieren, ons of Diiiy», bij de gemeente-offers ook diW.
ma nmab pi^D
: royin ^ nvrn nnüb ⢠nnp: wri) dhdt öh^ * nw lax K^n * man 13 moi * ma raa 112D n^n Dn
v -: * t tt : -:t : tt I v ; t i* â¢â¢
* d^3 id iDnxn on : niöD D^b n^nni ⢠mö x^n
: t : * t r v: v â¢â¢ tt quot; : â¢â¢â¢:â¢; tt
nv nai * D^a nanx wn ISN ndfi * D^rjso 1 DÃ^. in^n 121 * d^ürö jï nvn imunn dn ; d^ö xw dnxi
it â¢â¢. t : t v: 1 T-: â¢â¢ ⢠t t ⢠t ;
nsn quot;inu^ nni * D^p^pn np^ön isk ndp * D^p^pn nvnp nvn in ww) - dio ba boab innty on : d^n quot;iivn
v: :*vv ; t v iv : ~: t â¢â¢ ⢠t
n^ â¦pn nnnb ⢠diö na px idk Kan ⢠dio ^^a
⢠^i^ ipna'i ib man. * bi^pb b^a iopT Dn : Dia na |W : bi^a aaatJ' jnsni * bty n^ nVj? ah IOK Kan Kan * pap t^^K npipna e]2Ki ⢠jna ^k ina^ ibnp; an
⢠tpm mi laai : |na p^: na naan * jnab jnsni isk n'^ni pnn |a * na^T n^ pnni |nit3 laai: tpvr\ i^Ka |3 Sk nnaK ^birn |a * a^sn Sk na^ ^rn laai : naj? nvbiï na i^ ra * nri» ^a^K nvhv ia iba: laai: D^an
v 1 ; t : ⢠I â¢â¢ viquot;;- v i ; : t : * it -
: una ba j^apa Kppn |a * iinu a^ t]2ü laai: i^ia 'ra laai: Kaai wx inan ja * Kat:: ia a^ intp laai »ab npa^ab Knn |a * nKanb ma^ nin ba1? i^^a nra
⢠a'aist: nipib * a^ana oaab ⢠a^an nnnb : nxan
|-; -t: â¢â - : ⢠t - r - : r quot;
s) Hosliéa' 4,16. 3) Zie Tlianchoema en Pesiktha pag. 406.
4) Klaagl. 4,7; dooi- den wijn, dien zij ter eere van het gouden kalf dronken.
5) Hoogl. 5,10. «) Ex. 32,35.
7) Vgl. Hoogl. 4,7.
9) Zie o. a. Rashie Lev. 10,12.
s) Ex. 32,20. Deut. 9,21.
10) Cederhout, hysop en karmozijnkleurige wol.
11) 'mpBl nps oval (Ex. 32,34) wordt in Midrash aldus verklaard: telkens als God meent de zonden van eenig geslacht te moeten bestraffen, bedenkt Hij de bezondiging aan het gouden kalf en voegt een gedeelte van de daarmee verdiende straf aan de door ieder geslacht verdiende toe. (San-hedrien 102a.)
J0T8ER0TH.
en bezoedeling af te wisschen, zonden te doen bleeken, onreinen rein te maken, heiligen hunne heiligheid te doen behouden, te rechtvaardigen beladenen ; met cederhout, ten behoeve van hen, die hoog hun takken spreiden gelijk de ceder; met hysop voor de als hysop nederigen; met karmozijnrood voor Israël, welks lippen karmozijnkleurig zijn!); met het sap van den worm, voor [het volk, tot hetwelk gesproken is;] âVrees niet, Jakobs worm 1quot; 1) Opdat de trotsche zich niet verheffe als de ceder; want zoo hij zich niet nederig denkt als de hysop en zich niet beschouwt als een worm, wordt hij niet rein door hysop en karmozijnworm; en zoo hij zijn hart niet uitstort als water, wordt hij niet rein door besprenkeling met water. Hoe zou zich verhoovaardigen dat f/drooge grasquot; tegenover het âVuur, dat vuur verteertquot;; hoe kan aanmatigend zijn een nog zoo fraai prijkende bloem, tegenover God, die âhoogverhevenquot; genoemd wordt; die immers in trotsche hoogheid op Zijn troon wagen zit in den hemel; hoog boven al het hooge, verheven boven al het verhevene. Zich verheffend als een ceder boven al, wat zich verheven waant; toch nederig als hysop, afdalend- tot alle gebogenen; Hij vormde in Zijne wereld vijf door macht verheven wezens: den stier onder het vee, den leeuw onder het wild, den arend onder de gevleu-gelden, den ceder onder de boomen, en den mensch over die allen 8). En de Koning is boven die allen verheven, is met meer hoogheid bekleed, dan zij allen; Hij hieuw ze uit aan Zijn vuur-vonken-vlammenden troon, vier aan den hemelschen troon2) en een aan den troon Gods op aarde3). Want de hemelsche troon bevindt zich juist tegenover den troon op aarde, en wat er aan den hemelschen is, bevindt zich ook in den aardschen; troon tegenover troon, tempel tegenover tempel, heiligdom tegenover heiligdom, woning tegenover woning, altaar tegenover altaar, zonen tegenover zonen, engelen tegenover engelen, dienaren tegenover dienaren, slaven tegenover slaven, scharen tegenover scharen, Cheroebiem tegenover Cheroebiem, duizenden tegenover duizenden, myriaden tegenover myriaden, heiligen tegenover heiligen, legers tegenover legers, huldigenden tegenover huldigenden, heiligenden tegenover heiligenden, en die heiliging ter eere des Heiligen uitspreken !6)
112
1
») Jes. 41.14.
2
) Ez. 1,10; de Chajjoth aan den troonwagen hebben de gestalten van ;
3
s) Het heiligdom, dat van cederhout gebouwd was.
ma mab pi^o yp
* DWÃB inuV ⢠* D^IX i pn-inb
⢠2iTK3 : ntts * r-iK ^3 : D^DIÃ^ pnvr6 * D^np VNV ⢠nybina * quot;wz rrriina^ ⢠: mms D^an:1?
- : ^-r ; ⢠t - t iv ; ⢠; ⢠t - quot; r * t ; ⢠;
21TX3 Tia» *6 D^ ⢠r-iK3 nwno rwarv ^ : n^in
.. ; i - . . v V|V . v t : * V t : ⢠- : it ⢠; â¢
ah dnquot;! : n^bm *:p2) DITN3 quot;inp» KV ' n^Vina i^vn ntfarv noi: d*d npnra tiü» kV ⢠D^aa nV 'qiSB*
⢠t v t : * - -it I - r; ⢠- : \ * r - quot;1 : *
VK nsu * nxa TIJT nai : Ã^K HVSIK B^K HDI: ⢠K'a»
.. - , t ** | t ~ â¢â¢ t : â¢â¢ - i quot;t
K'^jna ⢠D^5 njw ⢠niwa D^pnt^ 3Di-i Kim : nx; n'Ka
. ... ..... T-.- . |.T . .. . TT T
btt 3irK3 vy] - D^Kana ma nKanai * D^K'^J
⢠nanaa * d^k: rra n^an labi^a nxi * D'Kan:
t â¢â¢ : - ...... t ⢠-: t : t ; * t ;â¢
- D^D3 onKi ⢠D^2 TIK ⢠D»fisijra3 im - n^na nnK
t â¢â¢. : tt : t viv ⢠-: ^ : - v iv tâ â¢â¢ : -
wip d?3 oppn ⢠D^3a nm wz) * oVa ^ nKana ^ai nV^a dd '3 ⢠ncsa DD2 nnxi * nb^a DD3 n^anK ⢠t^K
t :i~ â¢â¢ ⢠ti- â¢â¢ : tv: t *: r â¢â¢ ; quot;tt : -
KD2 * ntaaa nb^aa w i^k Vdi * ntaa D3 quot;iaj3 riaa
... tiquot;: â¢â¢ t : iquot; : â¢â¢ v -: t : t r â¢â¢ viv : It*..:
Via * irnpa Via i^npa * V;rn Via VD^n * kds Via
: t) : ⢠ti : ⢠t â¢â¢ t quot;
Via i D^KVa * DM3 Via i DM3 ' n3Ta Via n3Ta * Vi3T
⢠t : - ⢠t ⢠t -!â¢â¢:⢠-1quot; : ⢠;
⢠Dn3^ Via i onny * D^mt^a Via i Dwra * o^KVa
. t* t : ⢠-:t : ⢠-:t : ⢠t : -
Via i d^Vk ⢠0*3113 Via i 0*3113 ⢠niK3ï Via niK3ï
⢠t -: ⢠: ⢠: t : t :
ni:na * o^np V10 1 o^np * ni33i Via ni33n * o*|jVk
⢠o^npa Via 1 o^npa * o^vn^a Via 1 o^n^a ⢠niana Via naNinr^niNnpiiN^j T bv SWDD * o^V^a ^npV n^ipi
6) Vgl. Shemotli Rabba 33, en 35 einde; zie Pesiktha Bejom Kalloth Moshé en Jalkoet 1,370.
JOTSEROTH.
â¢mnn nvsh nsr
Deze tot teeken gestelde maand haasttet Gij U boven allen te heiligen en daarin nieuwe hulp te brengen. Zij, die U als hun deel verkiezen, vragen U te heiligen en Gij heiligt hen, o God, vereerd in het heiligdom! Vernieuw dan nu hunne verlossing en verpletter plotseling Uwe vijanden, opdat iedere mond U ver-heffe en heilige. «Deze maand zij u in al uwe woonplaatsen tot erfdeel in uwe geheele vergadering,quot; [zegt] de Heilige!
Gij zocht deze uit alle maanden en gaaft haar den heiligen [Israël] tot erfdeel om daarin zich te heiligen. Gij bestemdet haar voor de edele vorsten, voor de hoogvereerde Ephrathieten om daarin steeds te tellen tot dertig2). In deze maand brengt Gij ten val de aan slechtheid zich wijdenden en ontfermt U over Uwe heilige kudde in het allerheiligste huis. De herinnering aan Uwen eed tegenover de gezegenden [de aartsvaderen] hebt Gij den gezegenden tot erfdeel gegeven om hen te bevrijden uit de macht der verdrukkers. Gij, Begunstiger van armen en gedruk-ten, hebt U ontfermd over de vernederden, die U aanhingen. Met verstandige woorden verrichten zij lange gebeden 3) en storten voor U hun hart uit, U huldigend op den eerste der maand. Mogen dan nu de gemeenten verzameld worden in het door uiterlijk schoon gekroonde [Tsijon] en daar zult Gij hunne smeekingen verhooren! Als zij de heerlijkheid van Uwen naam verheffen, in lied en bede4) hun gemoed uitstorten, op het feest, dat het eerste is in de opsomming der opgangsfeesten 6). Mogen dan vóór U hoog aangeschreven zijn al de spruiten der in legerorde geschaarde stammen, als zij zang en loflied aanheffen. Hoe groot zijn de daden van Hem, die wonderdaden en teekenen verricht, voor de beminde en door Hem beschermde zonen ! Zij werden gered uit de macht der Pathroesiem 6), die hen verdrukten, en werden vereenigd om verheugd te zijn. Hunne haters vertraden zij in de zee en als in de perskuip vertrapten zij hunne hoofden, want op hun Beschermer 7) vertrouwden zij ! Jubelend in vreugde mogen zij zich verblijden in overrijk geluk en onttrokken worden aan alle smarten. De Bevrijder, God der geesten, die verheven is door allen lof8), moge het oor neigen tot de smeekingen! Hij doe hunne verdrukkers in de diepste afgrondkuilen vallen, en diep
') DvnsN. eig.: uit Ephrajim afstammend, v. d. voornaam; zie Pirké R. Eli'ezer 45: elke voorname en vorst, die onder Israël opstond, wordt Ephrath genoemd; .1 Sam. 7,12 van David; I Kon. 11,26 van Jerob'am. Vgl. Roeth Rabba 2 en Wajjikra Rabba 2. â D^wSjia, van; Hoogl, 4,1, vgl, Rabba t. p., dat het opvat als; vormden een heuvel-, dus: zich verheffen. Anderen: een kale plek vormen, dus: in het oog vallen.
^ Niesan heeft altijd 30 dagen.
3) Machz. Romie; â¡â¢O'H'fj, verrichten zij gebeden.
113
Bnnn ntnsS quot;isr j?
: vhrh yw lai ⢠i Vap nyx * trinn nr niK
⢠trnj^p i DHN nnKi ⢠vnpb ^HK o^in ^nnia
⢠virb Dixns * trnnn nn^ onVxa: bx
⢠D^nin^iQ ^3 * ddV nn sy-fnn 'n : ddit na inbn^m ⢠D^nn Vao intern : s^np * o^np bsa nbn:
; - : ⢠: ⢠t â¦: t ⢠: - : It v ; - I: t : t -: -
1 d'^ön1? * iraain : wtfipp 13 nvn ⢠D^np1?
bianni * D^np Van iai: njr ia nijpgt; ⢠D^jp
⢠D^na n^i3^ jnpr: D^npn t^nip n^a * D^np |NV by
⢠D^pi D^p pin : D'anap td i o^^inb * Dppiapgt; nVnjn
⢠DpnKp 1 ojna nm: D^II^à pnnx ⢠D^DIDJ ^n^on nn# ivap^ : D'D^ap np» #Ki2 ⢠a^aitr aV p^abi maa : D^^a ymn d^i * D^^pp nxin ^ava ⢠o^npp : D^Jp t^Ki pa^na * D^^anp jnnai i^a * o^p pp^ np : D^Vnoi onpitrp * D^ip yn ba ⢠D^aop in' p^ab ; D^ainx o^aV * D*D:I niNba: n^j;S ⢠D^p ibps nvn mo^n'! ⢠o^p om im * Dpnna i^p iSï: â¦a * Dpan lo^Np nspi * oppn D»3 nn^iit^ : DW
⢠ninbvn ana ww - ninoiya : D*Din vn onua
ti- ; 1* t t : ⢠â¢â¢ : ⢠tt:
Vaa nb^on * ninnn vibN mia : ninj^ bao itabann
t : v ^*.. : - t *⢠v: v t -; t ⢠: - : ⢠:
Dni^a^ * nin^a Va? onnniy : nin^b JTK n*^^ ⢠ninaK'
JOTSEROTH.
gebogen worde hun gemoed, als zij door allerlei rampen zijn getuchtigd ! De Heilige, die liefde koestert tot!) de kudden en gedenkt het verbond met de machtigen [de stamvaderen], die vóór Zijn aangezicht in reinheid hun leven volbrachten, â Hij schepte behagen in de uitverkoren zonen, zoodat zij aan alle zijden en eiken kant door Hem beschermd werden. Hij waakte over hen in den //bescherraingsnachtquot;3) en doodde ter wille van hen de eerstgeborenen en voerde hen uit, na hen tot vrijheid verlost te hebben. Wend U dan tot [Israël, dat spreekt;] ;/Ik slaapquot; s), en red het uit de macht van het wellustige Babel, in de eerste der maanden van het jaar, o Heilige!
Indien het Nieuwemaansfeest met Shabbath Hachodesh samenvalt, wordt de Ofan van het Nieuwemaansfeest gezegd; zie blz. 73.
⢠nSn
Gij, o God, die wonderen doet, hebt om hunnentwille eerbiedwekkende daden verricht; Gij hebt U met tienduizend scharen geopenbaard om hunne onder banieren geschaarden uit wederwaardigheden uit te voeren. Zij zijn door ü als jonge arenden gedragen, terwijl zij het in hun troggen bereide deeg droegen; zij waren vol van rijke gaven en aanschouwden Uwe genade met eigen oogen. De Algoede kroonde hen met den eerenaam: //kinderenquot;, daar Hij de vrucht hunner handelingen kende; Hij leidde hen hun geheelen weg, boven allen verhief Hij hen. Hij vervulde al hunne wenschen; terwijl Hij die hun ongeluk beraamden, ten val bracht, spijzigde Hij hen met overvloedig Manna, en maakte hen verheven boven elke natie. Zij sperden hun mond open, liederen zingend, zij prezen de rechtvaardigheid van den Gevreesde en Eerbiedwekkende, met stemmen van dank en zangen zongen zij jubelliederen ter eere van den geëerden en eerbiedwekkenden Naam ; om Zijn lof te doen klinken in vreeze, omgordden allen zich met kracht, om te verhalen het klieven der Schelfzee en te verheffen het dooden der eerstgeborenen.
â¢manp
De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Shemone' 'Esré tot Oemagén en vervolgt dan:
114
Volgens de instelling van wijzen en verstandigen en de leering van de kennis der deskundigen wil ik mijn mond openen in lied en lofzangen, om te danken en te loven voor het aangezicht van Hem, die in de hemelwoningen troont!
') Naar Machz. Romie lees ik: HST____enz. IJf B'-nr piJ^n ^np.
tr-inn nmab iïv yp
⢠Dmv pm t^np : ninnio jn ^3 ⢠nintr nr^nn
⢠t ~: I â¢â¢ IT T ^ - T : T T iv : â¢
d^3 nvn : onna vn vja^ ⢠dh^k nna idt
⢠t TT ⢠: t t t ; v -: ... . . - T
ipv : onatrD nvn vjfi1? ⢠onavi -Ià boa * onnnio
I ~ t * t ; v: t t : ⢠t ~t~ ~ t : ⢠t :
nnaa DN^ïini ⢠onüa nipah i ⢠ons^
|1Bgt;«quot;)3 * mn^a â¦JKS fön : oninio
-|nv San : trnp ⢠n^n â¦Khn'?
IT T T - â¢â¢ : T :
.nquot;t hü
jsw rquot;quot;318* Hquot;quot;121
3quot;s Dquot;r nsi'a nSlt
â¦3313 n^a * niNni: DTO#? * niK^a: ripy SN
⢠niKTt^j Dn^33 on ⢠niK^no lo^i ⢠niN3ï
: ⢠t ; - â¢â¢ t : ⢠⢠: r* t : t :
: niKii Dnn73 non * niKbo 3iü -i3T ⢠niNtri: Dniix^Di
... â¢â¢ .⢠; ... !â¢.. ^ .. . V|V . T quot;J J *
'jsb ⢠nbn; Tjinn ^ ns * o^a d»J3 3112 ^31^ ⢠oVsn nn^n 'dnu ⢠D^N^Q ba Nbo ⢠ob^nn ba
^ - 1 t T T T â¢â¢ -: T -: ; ⢠T â¢â¢ ⢠T ⢠; â¢
ip-iy * nn^3 na ixa : ob^ din bs b^ * Dbpxn |d n3a3n DB' * nniB'b uan * niDTi min bip * «1121 Di^b
t : ⢠- â¢â¢ t -: : -: ⢠t : â¢: r I t ; t :
man * nimnnb Dba ispn * N-1103 n^nb in3iy * Niiam
t : - ; * ; T â¢-. I; T T ; ^ T : T ; T - :
miy : nTsanb aniaa nsoi c]id d» n^np
poi t nm nna mn fm
manp
'3 nnnsx * D^rap n^n 1 quot;loboi * D^iDai D'pan hdo : D^ijro piir â¦ia bbnbi nnmb * quot;1^3
') Den nacht van den 15 Niesan, Ex. 12,42.
3) Hoogl. 5,2, zie Pesiktha Hachodesh, pag. 466, waar deze woorden o. a. verklaard worden: Ik slaap in twijfel omtrent de verlossing, maar mijn Hart, God, waakt, om mij te verlossen. Vgl. Zohar, Emor, pag. 95a, waar het uitdrukkelijk met de Egyptische slavernij en de verlossing daaruit in verband gebracht wordt.
JOTSEROTH.
Toen het aanbreken van den tijd der liefde !) genaderd was, werd Poet3) door één en tien plagen 3) geteisterd; toen het voor Gods troon naderen van de bede der in Machpéla rustenden bereikt was, sloeg Hij 190 jaar over4) en vond «dezequot; [Israël] verademing. Hij, de gazelle5), zag uit van uit de venstertralies en legde een heelend verband door bloedvermenging6); den tijd sloeg Hij over om groote daden te volbrengen, nieuwe en oude plichten 7) te vermeerderen. Hij vloog aan en zweefde neder en veranderde de tijdsbepaling; Hij ontwaakte, als had Hij geslapen, en werd wakker als uit den slaap; vol verlangen klopte Hij op de deur der slapende8) om haar op te zoeken in de eerste der maanden van 't jaar !
Ook mij zult Gij eens besehutten met overschrijding en bescherming, als Gij den Lebanon-tempelberg 9) weer beschermt met het schild van Jinnon 10) ! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham.
De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehachajoth Méthlem.
Hun, die op zich droegen het vermoeiende juk van het Egyptische kalf11), zeidet Gij uit hun leed een teeken van redding te toonen; hun schreien verhaastte den voor wonderen bestemden tijd en de vierhonderd werden bespoedigd 13) tot tweehonderd en tien ! Het lam, in de struiken verward bij de offerande van den ;,rotsquot; 13), diens aandenken werd vastgehouden en in herinnering bewaard; zoodat hij, als de door God gedragenen zouden komen in tijd van verdrukking, hun tot offer-geschenk bewaard zou blijven 14). Om een wonder te doen in tegenwoordigheid der vaderen, sprak Hij, het van af den tiende met touwen te binden15); om daardoor het doorwaden van den Jordaan in teekens te verkondigen16), diende het uitzien naar een lam voor ieder vadershuis.
') Ez. 16,8: beeld, waarin Israël en zijne verlossing uit Egypte wordt vergeleken met de verzorging en opvoeding van een klein meisje. //Toen gij huwbaar werdt en de tijd der liefde naderdequot;, d. i. toen God u der verlossing waardig keurde.
2) Een der Cbamitische stammen (Gen. 10,6).
3) Eén aan de zee en tien in Egypte; v. a. tien, waarvan één, nniM ros, tegen de negen anderen opweegt.
4) Terwijl God bij het //verbond tusschen de stukkenquot; Abrahams nakomelingen een verblijf in Egypte van 400 jaren had voorspeld (Gen. 15,13), verloste Hij hen na een werkelijk verblijf van 210 jaar (naar de getalwaarde van m, Gen. 32,2). Hij verhaastte den bepaalden tijd (zie Pesiktha Hachodesh 47a naar aanleiding van Hoogl. 2,8: d'-im by jV-b) met 190 jaar = de getalwaarde van dïs (80 -1- 70 4- 40) en yp.
5) God, Hoogl. 2,9. Zie Pesiktha Hachodesh 49a.
6) nüim dt is een mengsel van allerlei van een lijk afkomstige stoffen met bloed, nianrn is dus het mengsel van bloed van de besnijdenis, waaraan Israël zich juist had onderworpen, en van het Paaschoffer, dat zij op den dag vóór den uittocht hadden geslacht. Zoo verklaart Midrash de woorden: «n -pma -j1? ibni fru noDian» ^s-uni, «ere /£ zag u, wentelend in
115
Ennn ncnab nianp icap
ntr»a * taia lir^i nnK3 ⢠npa ann ny n*nN
'tits â¢* *â¢*; - - : ^tit: * quot; - ⢠-i
rratfn : n^ri ntfn d^3 Vmo fipï
f|)pT jdt ⢠mmiyn oans bnm; * manN -|-ino
1^1 «Ti du : main1? dii D^nn ⢠niai. nitf^
⢠mtï* â¦nnaa pani «]p3 i'n * rn^pa njji
: nityn ^nnquot;? ÃIEW-Q n'^ön1?
t t - â¢â¢ it ; i t t:-: .
n3jö3 ⢠f * fiwi niDfia - |i^n my n
: Dnia» po V:* \w
: dtio nrnnS n- toj nnx
⢠niK niKinb nnn 2x20 * niKbnb rhw â¦ono
: - : t : i- â¢â¢ : ⢠: - : t : â¢-' â¢â¢ r ;
T^i dtikd1? ivn: ⢠niN^an rp nt^^nn npx:
v i'.t *1- t ; -: ⢠t : - i i â¢â¢ t r â¢â¢ Itt ;
⢠tiï3 quot;ipas npr d^d ⢠tiï ^|Dan : niNO ^sik K^3 : Nn» ionjgt; ⢠-IIÃS vma D^DIO^ nn^x i'n * niajra no^ iit^no ⢠ninK IJJ ni^
: ninx n^1? n»av ' rinnn1? 13 pT
uwe beide ftZoecteoorten, toen zeide Ik tot u: leef door deze uwe twee bloed-stortineen (Ez. 16j6). (Pesiktha rhhn â 'sn; vw pag. 63a).
7) Hoogl. 7,14. In 'Eroebien 216 en Ber. Rabb. 72 worden deze woorden verklaard te doelen op de Israël voorgeschreven Godsdienstplichten. Zie ook Jalkoet t. p.
8) Hoogl. 5,2; vgl. Pesiktha, Hachodesh pag. 46. Thanchoema Bo.
9) Siphré Deut. 3,25; vgl. I Kon. 7,2.
10) Ps. 72,17, door Midrash als naam van den Messias verklaard. Zie Jalkoet t. p.
u) Jer. 46,20. â Anderen: zij, die het juk oplegden om het kalf, Israël, (met het oog op Hoshéa' 10,il, waar Efrajim nS:r genoemd wordt) te vermoeien.
quot;) -li'TO. van de uitdrukking: pro ... was dringend; (I Sam. 21,9) van
nsn, verdeelen, zooals Aenheim vertaalt: tot op de helft verkort, moest het â ISnj luiden.
13) Abraham, met het oog op het vers Jes. 51,1: Qrasn tiï Sn wan.
quot;) Het Paasch-tóm was eene herinnering aan het door Abraham in plaats van zijn zoon geslachte stuk kleinvee.
15) Den lOden Niesan moest het Paaschlam gekocht en tot den 14den bewaard blijven, om dan te worden geslacht
16) De overtocht over den Jordaan onder Jehoshoea' had ook op den lOden Niesan plaats.
JOTSEROTH.
Mogen wij nog eenmaal naar U luisteren en scheppen uit de bronnen der hulpe; breng terug de blijdschap over Uwe hulp en laat ons waardig gekeurd worden den herlevingsregen ! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven.
Het nemen en op het altaar brengen van den gebondene [Izak], bleef in herinnering; het middendoorsnijden in de stukken!) dooiden ijverigen Abraham, diende om de kolen van Loed 1) in gloed te zetten. Toen het fluisterend gebed der in het stof slapenden Hem aangenaam was, en het vermengde bloed dooreenstroomde 2)) verhaastte en bespoedigde Hij den bepaalden tijd om den oorlog op te wekken tegen het Egyptische zeegedrocht3). Het bericht omtrent het naar berekening koopen der paaschlammeren, die de gespaarden bijeenbrachten, â dat vernietigde de Kasloechiem 2), om hen in brand te steken als afgehouwen doornen. De afgoden zouden in hun nietigheid toonen zij, die in weinige mannen geteld zijn; opdat de verheerlijking van den machtigen Koning niet zou verminderd worden, werd hun aangewezen zich te laten meetellen in de woorden: «indien het huis te klein mocht zijnquot;4).
Deze maand moet door u worden in acht genomen naar het besluit der op den Moria-berg vergaderden; en met hen besluit dan God6), om de drie teekens in deze maand in acht te nemen5).
Deze maand werd bij hare maansvernieuwing uitgezocht en God heiligde haar door teeken en wonder; de geliefden. Zijn heilig volk, redde Zijne rechterhand en Zijn heilige arm!
De voetbank Gods [de tempel], die verbrijzelde de man van het linzenkooksel ['Esau, Edom], moge op dezen dag opnieuw in rijkdom worden opgericht; dan zullen wij geschenken brengen in het heiligdom in de eerste maand op den eerste der maand !
De Eeuwige zal koning zijn in eeuwigheid; Uw God, o Tsion! door alle geslachten, â Halleloe-jah! En Gij, Heilige 1 troont op den lof van Israël! o Almachtige !
Veel hebt Gij gedaan en berekend en geteld, hebt goedgevonden 6) Uwe werken te volbrengen naar den maanomloop; hebt haar het schoone lot beschoren tot teekenen en feestbe-palingen te dienen ; hebt haar als heerlijke bestemming aangewezen 7), het uitgangspunt te zijn voor kringloop en cyclus10).
116
1
) Een der stammen van Egypte, Gen. 10,13.
2
) Zie pag. 115, noot 6. 4) Ez. 29,3.
3
6) Ex. 12,4. Bij het genieten van het Paaschlam werden Hallel-liederen
4
) Pesiktha Hachodesh 536, Jeroesh. Rosh Hash. 1,3 wordt uit de
5
woorden: doS ntn mm afgeleid, dat naar de bestemming door het Synhe-
6
drion, dat op den tempelberg zetelde, de feesten ook in den Ãemel
7
bepaald worden.
annn nma1? nianp Tüp
flvp rquot; ⢠wym â¢
â nina * rDtrm am n^nnai ⢠ra^n u1?
) t t iquot; t â¢â¢ v iv - ⢠: ⢠t i* t it i -:: â¢
: D'nan n*no « nnK
⢠npnri * i[5|3 nnïj jrn * npj;. nn^ npian on * 3^3 tfrn : ij?»1?
np3p vm : zy pans -niy1? * y$] ^p_ ⢠31^3 on^n^ * D^nibps nnav *V ' D'niDfi IDS * o^nos
⢠vyü vno quot;m * ^o1? n3 D^nn : amnios D^ips : ^0' DN13 ni:anb D^in ⢠ü^pnVp mnn ^pin rquot; Drw rquot; ; Ho in 'öidn D3p3 * noc'b D31? nn ^inn
: ifovh 13 ninK r\vbp * iior Sk 'TT i'quot; * i^p naiabi niN1? ⢠i^ins irin HT Knn
: lunp ^iin iro» ib n^iyin ⢠it^np D]; V31J1 rn * ^123 nn oi^ns * vh)}v TT: ijp 1 Dinri : ^lnquot;? inN3 |l^Nquot;i3 * ^Tips ^
: Ti^n 1Tt in1? p'V f V: 1^'
: n: nibnn 3^1» tfnp nnxi
t .. .. T. . . . .. |T T - :
⢠m3D nnD3 * msDi rntfm ni3quot;i
t :i- t - 1- ; : i iv ^-:: ⢠t :r t : t ; i- t : t r â¢gt;
niHTnpi nifiipn1? * rns^ ibsn Dnj^iD^ ninj6
7) Volgens Arnheim : met het oog op Joël 2,23 ; om in de eerste maand dcj /nia en üipS» te geven; anderen; Zoo Israël de drie teekenen inacht neemt, met het oog op Synhedrien 116: wegens drie redenen voegt men aan het jaar eene schrikkelmaand toe: wegens het nog niet rijp zijn der aren, het nog niet invallen der lente en wegens de boomvruchten, die anders tegen het Wekenfeest niet rijp zouden zijn.
8) Met Abnheim lees ik ; jTDp TID? ⢠⢠⢠riquot;13pl roorn. Beer leest het
eerste keer: nquot;!SDT het tweede rnap, naar ik meen zonder goeden zin.
9) mw, een werkw. van nvsx, kroon, sieraad (Jes. 28,5).
10) niïipn, hier natuurlijk niet: de vier jaargetijden, die zich naar de zon regelen, maar: den omloop der maan, in 29 dagen, 12 uren en 793/io8o uur; een cyclus, ntnii, telt 19 jaar (zie Jotseroth pag. 72, noot 1).
J0T8ER0TH.
Gij hebt haar tijd bepaald na 2448 jaar ^ en negenhonderd schrikkelmaanden voegdet Gij tot dien tijd in3). En dezen dag leerdet Gij het volk, dat Gij hadt uitverkoren; daarom hebt Gij deze maand boven elke maand verheven, onderzocht Gij haar telling, vorschtet hare bepaling na, deedt Gij haren watervloed opwellen, aanschouwdet hare wonderen, hebt haar feest hooge waarde toegekend en wordt Gij daarin geëerd en verheerlijkt, Levende en Eeuwig bestaande, Eerbiedwekkende, Alverhevene en Heilige!
De vader aller zieners [Mozes] bad bij die verschijning, toen hem gezegd werd; «Aanschouw de gestalte dezer maansver-nieuwingquot; 3). [Hij bad namelijk] te mogen begrijpen de vastgestelde periode voor haren nieuwen omloop4) van zijn begin af, en den duur harer volheid tot zijn einde. God voegde Zich bij hem om haar hem te toonen ; doch hij herkende haar uitzicht niet, totdat God hem haar met den vinger aanwees, â toen eerst begreep hij en zag haar. Haar schijnen, zes uur na hare wedergeboorte, doet hare gestalte duidelijk zichtbaar worden5); minder dan zes uren oud, is zij voor elk oog verborgen. Die haar verklaarden gezien te hebben, moest men aan een kruisverhoor onderwerpen; de getuigen moesten nauwkeurig ondervraagd worden ; die naar waarheid mededeeling daaromtrent doen, eerde men; wie trachtten te bedriegen, moest men straffen 6). Bij de maat gaf Hij hem aan, hoe hij hare dikte moest schatten; al ware het slechts een enkel haartje 7), moesten [de leden der rechtbank], die in de poort zitten, [de getuigen] aannemen 8). Hij schonk hem kennis en inzicht om het brave volk te onderrichten, te leeren de met verstand begaafden de verordeningen betreffende de maan. Om de feesten vast te stellen, de tijden te berekenen; hoe het te regelen met schrikkeljaren.
') Dit is het jaar van den uittocht uit Egypte, waarin de afdeeling nrn mnn en het voorsclirift aangaande de kalender-regeling gegeven werden.
') In een cyclus van 19 jaar zijn 7 schrikkeljaren, dus in 2448 jaar: !448/i9 X 7 =; 901 schrikkeljaren, terwijl het jaar 2451 weer schrikkeljaar zou zijn. De dichter noemt echter het ronde getal: 900. â Vgl. Pesik'tha, Hachodesh pag. 436.
3) Mechiltha, 130,1; Pesiktha Hachodesh 546; Thanchoema, Shemienie; Menachoth 29a. Deze maansverniemmng zij u de eerste, het voorbeeld voor elke nieuwe maan (Ex. 12,2), dit leert ons, dat God hem de gestalte der nieuwe maan als het ware met den vinger aanwees. Het is ééne der drie zaken, die volgens Midrash, Mozes niet eer duidelijk werden, voordat God ze hem zelve had getoond.
4) nSin is het oogenblik, waarop de maan haren omloop opnieuw begint, telkens na 29 dagen, 12 uur en 793/io8o deelen.
5) Zie Pesiktha t. a. p.: de nieuwe maan, die niet vóór 12 uur des middags invalt, kan den daaropvolgenden avond niet worden waargenomen. Zie Buber's aanteekening d. t. p. In het begin der maand gaat de maan reeds in den vooravond op; zijn nu sinds den Molad nog geene zes uren verloopen. dan is de maansikkel nog te klein om voor het bloote oog
117
Ennn nanab niaiip
13OT moBh niKO VTiplt;] * rnav ^
nnin Di'ni * rinay vn^ onia]? nixo â¢nipa insD *m23n iiy-in trin ^3 by pb * mna ik'n
t ;f r ⢠: ⢠t : i- : ⢠: t v t I '⢠t t . i t ⢠.
* TOquot;! n^lo ' nipD iNbs * nnjpn I3ïp
* nip» 131
t :l 1â : ⢠; t wit
: B^ipi ora gt;rrü Dpi n
It: T T T| -: -
12113 hï^s nintnn iüsi
n^3n * nrn iV noK^s * nrnss 13 hn * nrin ^3 *3« -jnxi ⢠inVnno * in-f?ia 3ïp. pn? : njn ^quot;tnn
* inxio K1?quot;) * inKin1? inpj : in^sn ' IPN^D i-ixn * B'B' niriyb -inif: inxni ?3 m * inxin ^3ïn3 njr
â »: t â¢â¢ ^ t : - 1 it t ; i t t it : v : v :
* quot;!p.3b vni : wtv bs * vamp;d nins * tr^NnnV
' lyv I1? TID3 .* Ipyb VTQO * ipb VTOKD * Ipp) Vl%
i'^T â¢' na^
â j-i^ ⢠nrs nninb * n:i3; Disb nnnb * nmn
niDquot;!' 3^:^ -J^K 113^3 ⢠3irnl7 D^pr * 3^ d^: - n:3b
zichtbaar te zijn. â Zulke op ervaring en nauwkeurige waarneming gegronde astronomische regels dienden onzen Wijzen ter controleering van de verklaringen der getuigen, die beweerden de nieuwe maan te hebben gezien. Men wist dus door berekening, wanneer de Molad inviel, doch moest met de vaststelling van den nieuwemaansdag wachten, tot getuigen verklaard hadden de maan te hebben gezien. Die getuigen nu werden aan een gestreng verhoor onderworpen om de juistheid hunner verklaring boven eiken twijfel vast te stellen (Rosh Hasnana 20,23 en 24).
6) Rosh Hasllana 236: Op een binnenplein te Jerusalem richtte men groote maaltijden aan voor de getuigen, om hen ook voor volgende keeren aan te sporen getuigenis te komen aüeggen. â rniUN»: die haar, de maand-heiliging, uitspreken naar waarheid; het woord is gebezigd als woordspeling met: mi»», die haar veranderen, onware mededeelingen doen.
7) irf nsiBü. Thanchoema, Thazria' en Wajjikra Rabba 15,3 komt naar aanleiding van Job 38,25 voor, dat in het Arabisch of in eene andere taal tjOw- synoniem is met
8) Indien de verklaringen der getuigen in zooverre juist blijken, dat de mogelijkheid bestaat, dat de maan ook maar ter breedte van eenhaar-dikte gezien kan zijn, moet men ze aannemen.
JOTSEROTH.
naar welke redenen men te luisteren had Vóór Zijn aangezicht stonden de heilige machtige engelen om getuigenis af te leggen aangaande de nieuwe maan; en God zelf omhulde Zich [als Rechter met een van schouwdraden voorzien kleed] in Zijn hemelsch heiligdom, gelijk [de aardsche rechters] als zij de nieuwe maand ingewijd verklaren 2). God ondervroeg hen voor Mozes' oogen en controleerde hun getuigenis scherp door Zijne vragen; en allen riepen in Zijn hemelsch verblijf: âgewijd is de maand op haar tijd!quot; De tijd harer vernieuwing viel juist in op den vierden dag der week tegen den middag3); doch niet vóór dertig omloopsdagen was zij zichtbaar op de straten. Nu was de Godsgezant moedeloos en bevreesd, en was voornemens van urn-tot uur een dag te tellen4); doch de Rots zeide hem â en hij verheugde zich ermede â: van avond tot avond één dag te tellen 5). De vernieuwing van den omloop volgens zon en maan vielen op dien dag juist samen6) en als bij het begin hunner schepping bevonden zij zich voor hetzelfde hemelvenster. De vrienden bevestigden het, zooals hun de overlevering was gegeven, te berekenen, de maanden door toevoeging van een dag vol te maken, of de nieuwe maand dadelijk [op den dertigsten dag] te heiligen naar de berekeningen, die zij gevonden hadden.
o God! tot in eeuwigheid zult Gij verheerlijkt en tot in eeuwigheid als heilig geprezen worden en tot in alle eeuwigheid zult Gij regeeren en boven alles verheven zijn, Gij, God, Koning, eerbiedwekkend, alverheven en heilig, want Gij zijt immers de Koning aller koningen. Wiens koningschap eeuwig duurt! Verkondigt dan Zijne wonderen.
!) Zie pag. 116, noot 7.
a) Pesiktha Hachodesh 55o: God hulde zich in het Tallieth en plaatste Mozes aan deze en Aharon aan gene zijde. Nu riep Hij Gabriël en Miechaël en liet hen als getuigen hunne verklaringen aangaande de maan afleggen en ondervraagde hen, gelijk dat in de Mishna (Rosh Hashana 236) wordt beschreven. Eindelijk sprak Hij tot Mozes en Aharon: zoo zullen ook Mijne zonen de maanwijding uitspreken; nl. door een geleerde, (zoo mogelijk den patriarch), op getuigenverklaring en in het Tallieth gehuld.
3) Woensdagmiddag even vóór 12 uur, zoodat de maan eerst zichtbaar werd Woensdagavond na zonsondergang. Donderdag was dus de Iste Niesan. â Adar van het jaar van den uittocht uit Egypte had dus 30 dagen. Dit is de zin van het volgende, mmn beteekent: omloop, periode; hier: dag. â De opvatting: eerst dertig uren later werd zij zichtbaar, gaat uit van de meening, dat Woensdag ten 12 ure 's middags de Molad zou
geweest zijn; dertig uren later werd de maan zichtbaar, dat is dus â¢onderdag bij het vallen van den avond; dan zou echter niet Donderdag, maar Vrijdag 1 Niesan geweest zijn, wat in strijd is met de traditie, dat de uittocht op Donderdag zou hebben plaats gehad.eweest zijn; dertig uren later werd de maan zichtbaar, dat is dus â¢onderdag bij het vallen van den avond; dan zou echter niet Donderdag, maar Vrijdag 1 Niesan geweest zijn, wat in strijd is met de traditie, dat de uittocht op Donderdag zou hebben plaats gehad.
4) Hij dacht, met den middag te moeten beginnen Niesan te rekenen en, van uur tot uur rekenende, de dagen te moeten tellen. Dan zou dus
118
Ennn nmaV nianp n'p
Vki * iïi'n Jinv rynb - trip m visa ; at^pnb nö
.. . ..., T : ^ v| i â¢â¢ |.. it t t : â¢â¢!:-; t
onnjTj ⢠13^V DpTi2 iT : trin : lapD irinri t^npp ⢠i:i^p3 iniï bani ⢠i:^p3 pnpn i nyi ⢠nivna dvs * niïpnquot;? i bn iibio ^p nyb npD im * nnai Tà HK1? ; nivina 122 nb ⢠nimo
; *. t ; - t -tt - - . .
: nnK mm ny nnyp ⢠in»quot;) 11? ]gt;s iivi * ihk mao Iibnaonnan^nnai * iva pairn di»? 13 inpi onn rvnb* lapS atrn1? * IÃOK nniDO lob-rn^ ⢠IKÃQ: nnx
quot; - : â¢â¢ - ; : t vi- it 1 - ⢠: â¢â¢ it ; ⢠tv
: 1NV03 nlllfiD Vlpb)
it t : : â¢â¢! -:
⢠* Ehpn obi^i * p^in D1?^1? K: SN â¦3 ⢠^npl D1quot;Ià KiTij ⢠Tjbo SNH ⢠N'^jnni -j^on
⢠in^ vniKii: * nï: iniD^D * o^isn rhn Kin nnx
,. T . ~ IV ; - ⢠T I V IV T -
de eerste Niesan van Woensdagmiddag tot Donderdagmiddag moeten gerekend zijn, enz.
6) Met het begin van den avond, d. i. naar Rabbijnsche opvatting den nieuwen dag, begint de maand, â niet in het midden van een etmaal; dus is Woensdagavond eerst de nieuwe maand ingetreden. Donderdag is Rosh Chodesh.
6) Zooals wij reeds vroeger zagen, wordt het zonnejaar in vier jaargetijden, ieder van drie maanden, verdeeld. Naast de maanden volgens den runSn iSio, omloop der maan, staan dus maanden nsipnS, naar dien der zon. In het jaar van den uittocht uit Egypte nu viel de intrede van de maand nLipnS Woensdagavond kort na zonsondergang. Op dienzelfden avond was, zooals wij gezien hebben, de nieuwe maan zichtbaar en dus viel de intrede der maand volgens den maanomloop met dien volgens den zonnecyclus samen. â Hier met Beer en Arnheim te denken aan de n»nn nsipn, den om de 28 jaren opnieuw beginnenden zonnecyclus, gaat reeds daarom niet, omdat hét jaar 2448 het 12de van den 88sten zoodanigen cyclus is. In dit jaar was dus geene rmnn risipn; bovendien valt deze nooit op Woensdag-, maar steeds op Dinsdagavond, zoodat de lofzegging Woensdagochtend wordt uitgesproken (Berachoth 596). Zie Pesiktha t. a. p. In Pesiktha Rabbathie Hachodesh N0. 21 staat overigens duidelijk, dat de Thekoepha, dat is de intrede van het nieuwe jaargetijde, viel in het begin van den nacht van Woensdag op Donderdag; de Molad der maan Woensdagmiddag 12 uur precies; zoo begonnen dus de maand naar den maanomloop en de maand naar de Thekoepha beiden in den avond, nl. van Woensdag op Donderdag. â nnS» = iSi». Volgens Joechasien, s. v. Moses, was de Molad Dinsdagnacht 2 uur 411/9 minuut. Dan zou mro moeten beteekenen: middernacht-, overigens blijft de zaak dezelfde.
JOTSEROTH.
verhaalt van Zijne macht, roemt Hem, gij, Zijne scharen, heiligt Hem, verheft Hem; in luiden jubel, in zang en lof prijst de macht Zijner roemrijke heerlijkheid!
De eerste is zij u, dat ten uwen behoeve overschrijde en in uw midden geheiligd worde â de Heilige!
Voor u is zij de eerste, gij, die als de oogappel wordt beschermd, opdat gij huldigt God, den Eerste en den Laatste, den Heilige !
De Heer heeft van af de oudheid deze tot eerste in den rij aangewezen ; doch heeft de 'kennis ervan niet geopenbaard in het boek van de geboorte der oudheid1); Hij heeft het «Uquot; het eerst bekend gemaakt om u er in te verdiepen 2). Er wordt geëischt, dat in deze maand dag en nacht gelijk zijn3); dit bleef verborgen voor elk volk en elke natie en werd niet overgeleverd aan den eersten mensch. In die maand werd haar [Sara] de tijd der âwellustquot; geboodschapt4), en op den bestemden tijd bloeide [uit Sara's schoot] Izak, die met touwen [op het altaar] gebonden werd; daarom werden ook hare kinderen daarin door een heilsboodschap verblijd. De maand, die Hij den vroegeren geslachten niet had geopenbaard, bewaard om te verbergen nieuwe wonderen evenals oude5), zij werd geplaatst aan het hoofd der nieuwjaarsdagen 6). Zij bepaalt de feesten voor de onder banieren geschaarden ; de âoogen der gemeentequot; [het Synhedrion] '') kwamen bijeen, en zonden boden uit 8); zij dient tot uitgangspunt der telling van de regeeringsjaren der koningen en van den rij der opgangsfeesten 9). â Men voegt eene schrikkelmaand in om haar op haar tijd te houden; boomen-bloei, arenrijpheid en lentebegin â daardoor bepaalt men hetI0); die drie teekenen moeten samenwerken om haar te steunen. Zij werd geheiligd bij haar begin, en het derde ervan [den tiende], de helft [den vijftiende] en na de helft [de Pésachdagen] ervan moet men in acht nemen; om de nieuwe maand gewijd te verklaren [op den eerste], vervolgens het Paaschlam te nemen [op den tiende], het feestoffer te brengen [op den vijftiende], den 'Omer
â ) In Genesis, het Scheppingsboek.
2) Pesiktha 53a wordt uit de woorden dsS n»n cnnn (Ex. 12,2) afgeleid, dat aan Israël alleen die kostbare schat werd toevertrouwd.
3) Niesan moet in den tijd der voorj aars-nachtevening invallen. â Zie pag. 116, noot 7.
4) In Niesan (en wel op den 15den) werd Izak geboren (Rosh Hashana 11a), dus werd een jaar te voren, eveneens in Niesan, de voorspelling door de engelen aan Abraham gegeven, die Sara aanleiding gaf tot de woorden: nadat ik afgeleefd ben, zoude ik nog wellust hebben (Gen. 18,12).
6) «In Niesan werden zij uit Egypte verlost, in Niesan zullen zij ook in de toekomst verlost wordenquot;. Rosh Hash. t. a. p.
6) Rosh Hash. 2a: er zijn vier nieuwjaarsdagen ; d. w. z. ten opzichte van verschillende zaken begint men het nieuwe jaar met vier uiteenloopende data; de 1ste Niesan is in de opsomming het eerst genoemd.
quot;) Lev. 4.13 worden de woorden mïn â ou'» door de traditie verklaard te doelen op het Synhedriou. Zie Siphra.
119
unnn mnnp ü'p
â¦nat^n^jn 'imoDinrnanp ⢠vxnv ininws *it^ -nap : irmsn nivgt;nn t]piri
â¢mpi jin
⢠DDpma K'^pnn1? * nbaV * DDS Kin ptamp;n
: rnpT'
'jripi i?n
jnnn nixa * Kin DD1?
: trnp * pBw-n
2quot;S Dquot;3?
* i^nquot;) nnbin isps Va ah ira * laan onpp |n« rra 12 niitynV irn'i : tfin1? azb nbnn mba
- r : - : - : ⢠v t t ⢠: it *
: fisftnn d-jkV iDpin ah]' fitrbi dj? bap * fi^xi pa n^si? * nnpiD®? nipjr i^p1? * rnjra 13 n:n^ |pT païb DIOS * n;^3 ab im nn^: nni'^s 13 1 onrio: D'atf n^3iNl? a'^m B'KI1? * oai o^m
â¢^-: ⢠r quot; t t t : - : t ; -t:-: t-:
Kin niao * d^jii n;v ^PV. ^ - shmb pprp
ms ⢠1^103 iip^V 113^ : o^n^i D*3Vpb
K'-ip : n^p1? isnv' onf^ p»v * D3 naipn yiw niïpb mb nnpb ^p1? ⢠no^1? 13*11 i^ni i^^i 1^3
8) Niesan is eene der maanden, waarin boden uitgezonden werden om den iuisten dag van de intrede van Niesan bekend te maken ; daarvan toch ning de bepaling van het Paaschfeest af (Rosh Hash. 18a).
9) A Niesan is Rosh Hashana, met betrekking tot de koningen en de feestenquot; (Rosh Hash. 2a). d. w. z. met den eersten Niesan begint een nieuw regeeringsjaar; zoodat, indien een Israëlietisch koning zelfs in Adar aan de regeering is gekomen, men na den eersten Niesan daaraanvolgende in akten en officieele stukken spreekt van: het tweede regeeringsjaar van koning N. N. â Het in Niesan invallende Paaschfeest is net eerste in den rij der feesten, zoodat bij het brengen der beloofde offers â wat, volgens ééne meening, moet zijn geschied, voordat «de drie feestenquot; in hunne orde zijn verloopen, â men uitgaat van het Paaschfeest; als dus na de gelofte Pésach, Shaboe'oth en Soekkoth in deze orde zijn verloopen, zonder dat het beloofde gebracht is, dan heeft men het verbod van //nalatigheid in het brengen der verschuldigde offersquot; (Deut. 23,22) overtreden.
10) Sanhedrien 116. (Zie pag. li6, noot 7.)
JOT8EROTH.
te snijden [op den zestiende] en het feest ten einde toe te vieren; door alle geslachten is zij geteekend, en bewaard voor den Messias, die zal rijden op een ezel De inachtneming van het voorschrift met betrekking tot het derde ervan [den tiende] stond hun aan den Jordaan bij2); de vlam van de helft ervan verdelgde de dreunende macht van Poel8); de hulp van zijn 'Omersnijders hield den Jemieniet Mordechai staande 4).
Dan zal heiliging U ter eere opstijgen, want Gij zijt de Heilige van Israël en de Helper!
â¢pi'rD
5)Hij, God, wordt genoemd Hoofd en Eerste6); en Zijn woord wordt genoemd: hoofd en eerste7); en Zijn feest wordt genoemd: hoofd en eerste8); en Zijne uitverkoren plek wordt genoemd : hoofd en eerste 9); en Zijn erfdeel [Israël] wordt genoemd: hoofd en eerste10); en hun vijand wordt hoofd en eerste genoemd i1); en hun vriend wordt genoemd : hoofd en eerste 13); en hun verlosser wordt genoemd: hoofd en eerste 18). Zie, eens komt de tijd in de maand, die hoofd en eerste wordt genoemd u), op het bepaalde tijdstip, dat hoofd en eerste is, dat God zal vooruittrekken aan het hoofd van Israël en als de Eerste 15) en den tempel blijvend zal vestigen op den voornaamste en eerste der bergen 16), en met Hem [de Messias], die geschapen is door den adem van den Voornaamste en Eerste17); om uit te roeien de overblijfselen van den «roodequot; [Edom], den voornaamste en eerste :l1); om te doen ontwaken de rotsen 18), uitgehouwen uit den voornaamste en eerste [Abraham] 12); om nieuwe dingen te wrochten onder het volk, dat het voornaamste en eerste is; om in welgevallen aan te nemen de hernieuwde offergaven van het voornaamste en eerste [der volkeren, Israël] ; om daarin een geschenk te brengen ter eere van den Voornaamste en Eerste 19). Dan worden de vroegere feiten niet meer herdacht, want nieuwe en oude wonderen worden dan nieuw in het leven geroepen, allerlei afwisselende wonderdaden; dan ontwaken alle slapenden en loven en zingen en doen allerlei liederen klinken. Dan zal men niet meer zeggen : âZoo waar God leeft,
1) Zech. 9,9. Zie pag. 119, noot 5.
s) De doortocht door den Jordaan had op den 10 Niesan plaats; Jos. 4,19.
3) Volgens Pesiktha ji'ï ittNni 1296. Shemoth Rabba, Jalkoet II N0. 5 e. a. p. werd Sanchérieb, hier Poel genoemd, in den nacht van den 15den Niesan op de vlucht geslagen. II Koningen 19,35: Ninn nVSa, in dien bekenden nacht.
*) Jalkoet 11,1058 wordt verhaald, dat Mordechai, toen Haman hem kwam halen, om op 's konings bevel hem in triomf door de stad te leiden, juist met zijne leerlingen de wetten van'Omer behandelde. Dit geschiedde op 15 Niesan. Pesiktha, Ha'omer, pag. 716.
6) Vgl. Pesiktha, 28, pag. 1856; Ber. Rabb. 63. Shemoth Rabba 15.
«) I Kron. 29,11 en Jes. 41,4.
LEVITICUS. P
120
Bnnn nana1? rvianp Dp
: ilön bv DDIquot;)1? Kin düü ' in ^3 d^i * ilü^i
-: quot; : t t ; . - % ; ⢠:
bis pKtf vyn * nnoj; j-m nynp
: nTD^n n^vp ri^ityn * nTö^n ; ï^iöi irnp nriN »3 n^np nV^n pm
plS'D
nyiDi * iit^K'i'i i^Ni *np; iokiji * i^k-i x-ip: «in vbnui * l^Nquot;!'! #Nquot;i «quot;jp; iniNi * mi «np? Nnp; DsniKquot;) t^Ni «np: D^INI *|1^TI. B'KI ixnp: K3^ nyn nan * ji^ii Nip: dVniji, * iitftni. itki C'Nns * p^Nquot;)quot;! ^KI s^n I^N ^p3 ⢠jiiftni ITN-IS tTKi nins nv^ ^ ⢠fi^Kni firn ' püV * ji^Kni nniï i-iiyb * t^Ni nsiK nntr ^p^pb - |i5yNquot;!i ⢠ji^NTi ^KIS ni^in ⢠p'^K-n. I^NIO ooiynn
I^N-I1? 'p 13 b^inV * fitrNii m.i^n B^nn niïnV DJI D^nn i^n» »3 * D^I^KT nsrv bs iw\ :
o^bno * D^ty» V3 iï,p,,i * D^I^à 1 D^xbao 1 Dwba ⢠D,:t5'»
⢠-: - : ⢠â¢â¢ : t irr: * â¢-. : ⢠t ; ⢠⢠t : * t :
« 'n -11^ IIOK; ^ : D»:3^p 1 on^a 1 on^ onnii^pi
7) Ps. 119,160 en Deut. 10,4.
8) Ex. 12.2.
9) De tempel: Jer. 22,6 en 17,12.
'») Jer. 2.3.
quot;) 'Esau: Num. 24,21 en Gen. 25,25.
13) Abraham wordt ms genoemd. Jes. 51,2.
13) De Messias, Jes 41,27.
u) Rosh Hashana 11a: in Niesan zal Israël eens door den Mashiach verlost worden.
Miecha 2,13, orsia 'ni DrpJsS oaSn laï'i.
16) Jes. 2,2, wordt de tempelberg genoemd; gevestigd hovende voornaamste bergen.
quot;) Ber. Rabba 1: de Messias behoort tot de zaken wier bestaan, althans potentieel, aan de schepping der wereld voorafging; Ibid. 2: de Geest van den Messias bestond reeds bij de Schepping.
I8) De aartsvaderen, Jes. 51,2.
18) Ez. 45,18 v. v.
J0T8ER0TH.
die [Israël naar zijn land] heeft, gevoerd door een profeetquot;, maar: «Zoo waar God leeft, die Zelve hen opgevoerd en gebracht heeftquot; !); en dan zal God gelijk een leeuw brulieu om mijn oorlog te voeren en nieuwe feiten te doen geschieden door de hand van den Profeet Elijahoe uit den stam Levie3), om mij mijn moed te hergeven en mijn binnenste nieuwe kracht te schenken. Dan zal Hij doen ontspruiten den spruit met zeven namen 3) en met hem zullen zijn de zeven herders 4); dan zullen der natie zeven zaken opnieuw geschonken worden 6) en zeven zeventallen zal hij voor hen verborgen blijven®); daarna zal hij zich weder openbaren aan de heiligen des volks, die zich met hem geheiligd zullen hebben, doch niet aan de kudden van het kleinvee der heiligen, tot na verloop van zes maanden, totdat de «eerste van de nieuwe-maansdagenquot;, [de eerste N iesan] komt; en dan verschijnt Hij aan de gemeente der heiligen, die overgebleven zijn van het dwangjuk der aan slechtheid zich wijdenden ; hen doet Hij nieuwe teekenen aanschouwen, om een nieuwen hemel te doen ontstaan, om te zalven het allerheiligste, een deur te openen voor de heiligen op Shabbath- en Nieuwemaansdagen7). Dan zal God gebieden de hernieuwing van den dienst op het Nieuwemaansfeest, wat men op den eerste van elke maand ten offer moet brengen; en de dienst van de eerste aller maanden [Niesan], zal den rij openen van alle maanden ; want gelijk zij was de eerste in den rij der maanden, zoo zal zij ook de eerste zijn van alle maanden. Daarin zal iels nieuws gedaan worden, daar eene nieuwe aarde zal worden geschapen 8), eene nieuwe wet zal worden gegeven 9), een nieuw verbond worden gesloten10), eene nieuwe schepping zal worden geschapen, en een nieuwe geest hen bezielt, om een geschenk te brengen, eene nieuwe gave. Zon en maan worden vernieuwd en hun licht wordt zevenvoudig gemaakt H), tweemaal 'sjaars vernieuwt het zich. God houdt Zijne Majesteitsverschijning binnen de grenzen der nieuwe poort13), en Hem wordt een nieuwe naam toegevoegd, gelijk den naam der stad, van af den geheiligden dag 13).
') Vgt. Jer. 23,7 eu 8. Daar is de gedachte, dat de verlossing uit Egypte op den achtergrond zal treden voor deu grootsclien indruk der toekomstige bevrijding. De dichter legt hier meer den nadruk op Gods eigen ingrijpen ten behoeve van Israël, terwijl bij den uittocht uit Kg3'pte alles door de hand van llozes geschiedde.
s) Volgens eene traditie is Pienechas en Elijahoe dezelfde persoon. Jalkoet, begin Pienechas.
3) Mashiach heeft zeven namen: iron lt;p:'gt; ,111 /inx ,Drun.
4) Miecha 5,5; volgens Soekka 52i; Adam, Sheth, Methoe-hélach. Abraham, Jakob, Mozes en David.
6) Bamidbar Rabba 15, Joma 526 worden vijf zaken genoemd, die in de toekomst aan Israël hergeven zullen worden : de arke, de luchter, het hemelsche vuur, de heilige profetische geest en de Cheroebiem; Jeroesh. Tha'anieth 2,1 worden genoemd: de arke, het hemelsche vuur en de heilige geest, benevens: de Oeriem en Thoemmiem, en de zalfolie. Com-
121
ünm nanaS «ap
* n^n « â¦n dn ^ ⢠x^2 n^n ntyx T3 ⢠N^n1? niann ⢠'nnp â qinjr'? ⢠jkb'» â¢?« wi
' 'tt t-i ⢠ti : i quot;^: - ⢠t : - ; ⢠â¢â¢ t :
n^DX'i: â¦mp jr-in1? ⢠*nnb yamp;nï - quot;ib ünamp;n - wn:
-r:-: ⢠tI ; â¢â¢- : ⢠t : ⢠r ; ⢠â¢â¢ v r* ⢠⢠t
DIN^ ibhitquot;! ⢠D^Iquot;! in» inNquot;! ⢠nyzv 21pJ npï n^i DHO noann * onni
nn^S ah) ⢠D^npp in» isy * o^np D^;1?
* D^nn wivf? ptyN*i N3 iy ' D'amp;nn pp -i); * o^np hnti * D'Bhp Siyo i onN^an * D^np nn^ HNT T«I anp nit^D1? ⢠D^mn avw i pinb - owin ninix id1?
vil - i ; ⢠⢠t-: - ⢠I- t â¢â¢- : ⢠t-: it
TNI ; D^nnni ninatfa * D^np1? nbi ninab ⢠D^np
t : ⢠t V t - ; ⢠i: ⢠v iv - i : ⢠⢠t k:
* ann Va ^-13 ni^nb no * B'in nnia^ ^nn niv' â¦3 ⢠ty-fn bsb nbnn onpn xn ⢠irin ba p^xn nnia^i ntrpm : ann bib mi nw p * t^Tn ba1? b'x-i n»n ma
... â¢gt; quot; : vi t : v : ⢠i quot; v i t : t t t
nnab ⢠nB'in m rnanb * nEnn px nxiab * ni^nn ia
: ⢠t t -: t i â¢â¢ t ' : t t -; | viv : ⢠t t -:
* nirnn 1 nn ^nnnnb ⢠n^nn nna nixianb ⢠nt^nn nna
t t - 1 â¢â¢-:â¢; t t -; t ⢠: : t ⢠; t t -: ⢠:
o-iixi * annnn njabi nam : na'in nmo â¦ir ia b^ain1?
t ; t - : * tt: t - ; tt-; t;* - ⢠;
â¢nina inraK' dïdï^i * njira D'nt^ ⢠o^nraa'
i : t * : .. . - . t- : ⢠t t - ⢠r : t â¢.. ; ⢠i-*r : â¢
' ^nppn Di'o yyn D^a * i^nn DV ib xipn * K'nnn
bineert men deze twee recensies, dan krijgt men zeven. Anderen maken uit Joma 216 en Horajoth 12a op, dat bedoeld zijn: de arke, de sleenen tafelen, het verzoendeksel, de Cheroebiem, Aharon's staf, de kruik Manna en de heilige geest.
') Vgl. Daniël 9,25, zie Kashie üan. 12,12, waar de lezing luidt: nw» Qijrow. Volgens Pesiktha Hachodesh 496 zal de Messias gedurende 45 dagen na zijne eerste verschijning onzichtbaar blijven.
7) Ez. 46,1.
8) Jes. 66,22.
9) Jalk. 11,296.
10) Jer. 31,30.
quot;) Jes. 30,26.
») Ez. 44,2.
13) Pesiktha, Sos Asies, pag. 148a; Baba Bathra 756: Jerusalem wordt, zooals uit Ez. 48,35 blijkt, 'n genoemd; evenzoo de Messias: «pis 'n (Jer. 23,6). 1
J O T S E R O T H.
122
Dan krijgt het volk een nieuw hart, om met hun mond te zingen een nieuw lied, een lied, geroemd en geprezen, boven eiken zang geloofd en geheiligd Want der engelen zangen, die lied en lof doen klinken, â zijn tegen dit lied niet bestand ! En der machtigen prijzing, die met geweldige stemmen juichen, â uit tegenover dit lied geen klank ! En het dreunen der spheerenzielen, die, zoo hun het verlof wordt verleend, het heelal in hun kringloop konden meesleepen, â vormt geen kroon8) tegenover dit lied ! En de vreesselijke Cheroebiem, die daar staan om Gods troon als de knapen, â tegenover dit lied vermeerderen zij hun lofzang niet 1 En de stralende Ofanniem, die viervoudig van aangezicht zijn, behalen geen eer tegenover dit lied! En de menigte der engelenscharen, die de Majesteit Gods verkondigen, â tegenover dit lied vereenigen zij zich niet tot een engelenkoor. En de vergadering der ontzagwekkenden, die als gepolijst koper vlammen schieten, bezingt niet Zijn roem tegenover dit lied ! En de met de vleugelen ruischende heiligen, die eiken morgen zich vernieuwen, â tegenover dit lied spreken zij geene heiliging uit! En de Shin-anniem, die met donderend geluid hun lied zingen, die nooit hun wijze veranderen, â tegenover dit lied laten zij geen melodie weerklinken ! En de schrikwekkende Serafiem, die in één oogenblik alles verbranden, â tegenover dit lied bewegen zij zich niet! Want alle legers Zijner dienaren en heiligen zullen Zijn heilig volk Israël heiligen; en ook de menigte der engelenscharen zullen Israël huldigen, dat Hem in lieflijke zangen hulde brengt; en de snel loopende troepen van vlammende vuurwezens zullen hunne kracht versterken; en die gloeien als losgelaten bliksemschichten, zullen hun aangezicht doen stralen; en terwijl zij zich buiten Israels rijen ophouden, verlustigen zij zich in hunne liefdebetuigingen; doch tot de ruimte, waarbinnen Israël mag naderen, mogen zij niet komen; door hun vuur zouden zij verbranden, aan hun kolengloed zich verschroeien, en bij hun roem-gezang verstommen zij. En op het oogenblik, waarop Israël zijn zang begint, zwijgen de engelen; en ten tijde waarop het zijn lied eindigt, beginnen zij ; en wanneer Israël zijn lofzang heeft volbracht, huldigen zij ; en als dan Israël zwijgt, spreken zij de heiliging uit; en als Israël stilzwijgen bewaart, heffen zij een drievoudig //heiligquot; aan!
Gelijk door Uwen profeet is geschreven: En de een riep den ander toe en zeide: Heilig enz.
') Zie Jalkoet Jes. 26 II, N0. 296. Israël heeft den voorrang vóór de engelen; een denkbeeld, dat wij ook reeds in den piVgt;d van tot ncna hebben ontmoet.
mnn nana1? pi^o D3p
quot;INIÃQ Tt? * irnn on'aa -ni^ - trnn aS DJ;1? |n3n
* d^kin »3 : cnpoi Vbno yw 'ja Sv * irinoi
. v ... ... . tk : t \ ; ⢠t t-.. :
niïi'i : D^n N7 nr ^a1? ⦠D^no nina^ni. quot;i^ iitk : d^öo n1? ni quot;i^ ^ - D^nix n^n bip ie^k * d^k nr na1? * ba i^nn QK -IE^Sà ⢠a^a TjaTi
* D'an loa any an * a^ana no^i : D'^ia Nb ^aiD i an quot;ib^k ⢠anaiN mnni: a^anp i6 nr na1? nin on quot;ie'n * anna pani: anaio xb rn yw na1? * D*:a
⢠|n^ -iiai : an^u uh nr yp na1? * anno Vk â¢j^np my : anxao ab nt na1? * an^a bbp p^a an:i : a^npa Nb nr yw nab ⢠a^-innp anpab -itfK : an^a Kb nT \iab ⢠an^p Nb aa^p I^N * D^NJ^ : D'aan xb nr yp nab * a^anitr ba j;ana ib'k ⢠a*a*j^ nnai Bii * a^npp vnn^p ⢠a^np bth^p manp ba '3
* a^pT b'n niïnpi: Dp'bPP m» vp^:p * DpNbp «av pan nifini * a'pnap in; onna * a^pna nb^a ini ⢠a^pinp in» Dn3 aK'Na 'D'Na Nb anï'nn -t^i * a^anxa a^Db^na * a^iin lob
t . ; ⢠t tt*: : â t â. - ⢠: ^- ; ⢠it
ib^nn! »3 n^i: a^x: on aixaai * a^ia: anbnjai ⢠a^anbi â¦3 ny] - iïn^ mor *3 n^i ⢠ib^n* IVSJT *3 n^i ⢠iiy»n» : n^bB'p nahp * i^bK'* ipln^' »3 n^i * i^np^ itrrv 'Ui cnp nnp tt'np najci nr bx nr xnpi -[^aj y hv amaa
') De lofliederen, door Israël en de engelen aangeheven, vormen als het ware een kroon om Gods slapen.
JOTSEROTH.
.e]D1D
De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Shemoné 'Esré tot Oemagen.
De eerste maand hebt Gij uitgekozen ^ voor den bloesem der leliën 2) [Israël], aangewezen om uit den doodsluimer de slapenden op te wekken, wanneer Gij gedenkt het verbond met de vroegere geslachten en Gij verbergt nieuwe zoowel als oude zonden. Gij hebt haar geopenbaard in de duidelijk sprekende wet en haar vastgesteld als eerste van de vier begindagen van een jaarkring 3).
Vier nieuwjaarsdagen hebt Gij, die «Deze, mijn Godquot; genoemd wordt, in een visioen uit het wetboek, dat ook aan de achterzijde was beschreven, den ziener verklaard4); gelijk wij gehoord hebben, hopen wij eens te aanschouwen; bescherm ons onder Uw schild in deze maand. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham.
De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehachajoth Méthiem.
Voor Tsion zult Gij eens vrijheid spoedig brengen in deze maand, om het veelbelovende woord aangaande het heerlijk schijnende licht, dat dan verduisterd wordt5), te verwezenlijken; de maand is het, waarin de reddingen samenvielen6), die hen, die op Hem vertrouwen, kracht geven; en met deze maand beginnen zij en worden al grootscher, daar zij bestemd is tot hoofd der vier jaargetijden. Vier jaargetijden in het jaar, â hun licht zult Gij vernieuwen gelijk in den beginne; zooals wij gehoord hebben, zoo verleen ze ons spoedig weder; doe ons herleven door Uwen regen in de eerste der maanden des jaars ! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven !
Hierna wordt de Kedoessha gezegd en draagt de Voorlezer voor tot nn.s mpi.
Zie, deze, de Messias, komt bij lusschenpoozen 7), bestemd om te verlossen hen, die in de verschiliende landen verdrukt worden; in deze maand is het, waarin de regenstroomen zich zullen ontlasten om in overvloed van water de ledige regenbakken te vullen, de planten te drenken en de gewassen, en de lammeren van Israels kudde daardoor op te richten bij de vier beslissingstijden8). â
') Vgl. Jes. 44,14: h ya.s-n, wat door sommigen verklaard wordt: hij doet zijne keuze.
») Hoogl. 2,1.
3) Rosh Hashana 2a; zie pag. 119, noot 6 en 9.
4) mn nr, Gij, o God, die Ex. 15,2: iSx rn genoemd wordt, hebt het uit de Thora en de steenen tafelen, die aan heide zijden nroi nrn. Ex. 32,15, beschreven zijn, verklaard. Vgl. Menachoth 536.
6) Zech. 14,6. Zie Jalk. t. p. Het eerste Mïp is van het Thalraoedische Nip, dat, opkomen, bovendrijven beteekent en moet met de volgende woorden verbonden worden; is omschrijving van het bij Zech. t. a. p. gebezigde issp (naar den avo): zij zullen verduisterd zijn.
123
trnnn nmfi1?
: pOI IV Hm 1113quot; nSsnn mn ^quot;pn /131 jtix1? potn piDB jts nrr nin hsh onprir nSs Sis3 3quot;n Dquot;r idto
⢠DTO po# * nnab nvsK
⢠dj D^nn jisv? ' D^trttn nna
: mw â¦trN-i trKi i quot;in ⢠n-13 imba
*tquot;t 't r : - : ~ t â¢â¢ t:
⢠nnn1? n-TQ nr mN3 * nrnaa ona' 'twn n^anx t'n
V T : Iquot; â¢â¢ V -i - - ⢠T â¢â¢ T T T : -
Tjna ⢠ntn ï^ina pos * rrrn |2 vym : Dn^D« tJD « nn«
T T ; - I â¢â¢ T â¼; T -
: dviö nvnnS i» niaj nnx
⢠niapb ninp^ hn nrn * niöp /13 nn^n n-n p'vV
⢠niö'pnp 13 D'pinn * nia^ö 12 ib'n B'lnn
: nisipn iranNb mn * niapini niVnnp i3Di quot;iiyN2 ⢠n:trNi22 oniN i^inn * n^tra niaipn vsin t'n
v -: - t ⢠t ; t â¢â¢ - : t t ~ I : : ~
⢠rni^n ri^Nia irnn ⢠ir^n nip p 1:^01^
t t - â¢â¢ ; T ; 1 ' t v iv : r*-: - t * I quot; : i- t
: D'nsn n»np â¦; nnx -jna : nnK rnpi -w isnyj t^nnn * crpiK â¦Ã¯iï'i bis;1? par * Q'plö1? «2 nr nsn
⢠D^I niK^p1? wjp nntrn * D^no 13 1
: 0*^3 n^2ns43 D^pn1? 13 * D^*I;I mn.1? nijru
6) Zie Rosh Hash. llo. risipï, hier in onzijdige beteekenis, samenrallen, in den ïhalinoed dikwijls: samenbrengen, naast elkander leggen. Zie Bétsa 32i, Choellien 46A en 50a e. a. p.
7) Zie pag. 121, noot 6. Na zijne eerste verschijning zal de Messias een tijdlang (45 dagen) verborgen blijven om zich dan opnieuw te openbaren. Zie Pesiktha Hachodesh pag. 496.
8) Rosh Hash. 16n: op vier tijdstippen in het jaar worden over het bestaande beslissingen genomen: op het Paaschfeest over de landbouwproducten enz. â Tot het einde van Niesan wordt liet vallen van regen nog als gunstig beschouwd; Tha'anieth 5a, 126; vooral met het oog op het verkrijgen van drinkwater voor den zomer.
JOTSEROTH.
De vier beslissingstijden, zooals Gij, die «deze mijn Godquot; genoemd wordt, ze in een visioen uit het wetboek, dat ook aan de achterzijde was beschreven, den ziener hebt verklaard, â gelijk wij gehoord hebben, hopen wij eens te aanschouwen; dan zullen wij U als den Heilige prijzen in deze maand! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God!
De Voorlezer vervolgt Tikkantha tot Mekaddeshé Shemécha.
{Op het Nieuwemaansfeest: Attha Jatsartha).
Zie, zij zijn het ; de gezegende dagen ; vroege en late regen komen op hun bepaalden tijd 1) om kracht te geven aan de teedere aren, zoodat men de volle halmen kan roosteren, aren en ontbolsterde korrels 2). Om luide te verkondigen de werken Gods, die uit de hemelvensters neerziets), leest men vóór Zijn aangezicht de stukken der vier afdeelingen3). De vier afdeelingen zal ik luide lezen en verhalen van de gaven van den bloesem der lelie [Israël]; zooals wij ze gehoord hebben, zoo verleen ze ons spoedig weder; schenk ons verlustiging in Shabbathrust in de eerste der maanden van het jaar. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt (en Israël en de Nieuwemaansfeesten).
De Voorlezer leest Retsé tot Berachamiem.
En voor Jerusalem zijn de wonderen, die in deze maand volgens de Schrift zullen geschieden, nog verborgen en aan het oog van al wat leeft onttrokken; de wraaknemingen, die in het hart Gods zijn begraven6), zijn bestemd in dezen tijd naar volgorde te worden geoefend; dan wordt een lam voor elk vaderhuis genomen en daarbij de personen naar berekening geteld6), dan gaat de wijn rond 7) in viervoudigen beker. Vier kelken wijn8), gelijk Gij, die «deze mijn Godquot; genoemd wordt, ze in een visioen uit het wetboek, dat ook aan de achterzijde was beschreven, den ziener hebt verklaard, â gelijk wij gehoord hebben, hopen wij eens te aanschouwen; neem ons welgevallig aan als [brachten wij] eene offergave, in deze maand! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert.
De Voorlezer zegt-, Modiem tot We'ezrathénoe Séla.
124
Blijde boodschap brengt hij [de profeet Elijahoe] aan het volk vol verdiensten ; dat God de ingeslotenen zal opvoeren uit de diepe wateren der ellende; en in de kostbare profetiën-schatten heeft Hij verkondigd, dat de verlosten zullen uitbarsten in liederen in plaats van jammerkreten; als de scharen
1
) D3N3, eig. hij hunne rijpheid, d w. z. als de tijd ervoor gekomen is.â
2
rans, waarsch. van de uitdrukking: pais fois. Rosh Hash. 136, bij kleine
3
bij tusschenpoozen neervallend.
unnn n^naS e]Dia ~t3p
* nTinb nip nr nn«3 * nrnsM D^na n^|quot;iK i'n Tjina ⢠nin ir-ina ^npT * ntn: |3
: trinpn Vxn « nnK
it- â¢â¢ t â¼: t -
: nyap ir ms'1 nrac * ^or ^ipo t nar n»n na * D'ania oaxa mi» * D'aniaon D,o, oan
-i â¢; t*: i : quot; v * t : ~ * t t
⢠D^ana a^aK ^pn1? i Vapa * o^ap D^a'aKa nn n^apN py D^Kpip vaab * D^apnD pv1? I??'1?
⢠ns^ity â¦ma maa naa * D'aij^ n^aiK ?,n: D'an^
t - â¢â¢ : ⢠: t-: - -: ' x^-: t t : quot; ⢠t -:
^pnV fitrxpa t^aija 1:33^ ⢠k: ni^ \2 vynv 'róa c D^m : nat^n ^pD ^ nnx pna * mtrn
⢠tt: â¢â¢ t; â¢â¢ t ; â¢; t - - â¢â¢!-:â¼: t - | t tt
: D^nma jvsb i» nsn
⢠nioann1? *n ^a p^o * niaa la pnm naio 1 Q^,n,l?l nr -i^iaa ^an: * niDaa aba ik'k niDpi
vpy niao ⢠niDaoa ni:a max rvaP nir * niaian nvn
t - : ⢠; : t â¢â¢ : v *⢠*â¢:
ripxa * ntnaaa nioia n^apK i;n : mala n^aps d^dj; ^a mp * nrn: ja i^s;a * njinp nip rn : p'ïb inra^ quot;innan p nnx pna * nrn irpna
; nSa umtyi ^ nma â¡nia * nvap Vivp m'P^np amv^ * ni'aT Ttrao mxav * ni»aa non an^ niva * ni^a'^pa nin
s) Bétsa 126 : onsS in», mag men peulvruchten ontbolsteren ?
3) Hoogl. 2,9.
4) Shekaliem, Zachor, Para en Hachodesh.
5) Jes. 63,4; want een dag van wraak is in Mijn hart.
6) Ex. 12,3 en 4, naar het aantal personen.... zult gij u laten meetellen als deelnemers aan het lam.
7) Chabakkock 2,16 komt dit beeld voor. Hier aan naiDn te denken en te vertalen : dan zit men feestelijk aan hij den wijn, komt mij eenigszins gewrongen voor.
8) Ber. Rabba 88: vier heilskelken zal God eens Israël doen ledigen.
J0T8ER0TH.
van de bekoorlijkste kostbaarheden [Israël] in ruime vrijheid wegtrekken na de verdrukking door de vier wereldrijken l). Laat ons toch de vier wereldrijken verpletteren, als Gij hun het loon hunner werken toemeet, gelijk in den beginne; zooals wij het gehoord hebben, zoo verleen het ons toch spoedig en doe ons wel in Uwe goedheid in de eerste der maanden van het jaar. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam ,/de Algoedequot; is en Wien het past te danken.
De Voorlezer vervolgt met den Priesterzegen en Siem Shalom tot Bishlomécha.
Dan zal ik geven en verheffen het geluid mijner stem, gelijk eens de hoofden [van mijn volk aan de Schelfzee]2) zongen, en uit de volle borst3) uitroepen in het dal der Charashiem 4), â als ik de ontzagwekkende monsters, die op mijn rug ploegen, in deze maand verdreven mag zien. Een nieuw lied en overdenkingen vol leering zullen mijne lippen jubelen, als ik aanschouwen zal de vier werkmeesters 6). De vier werkmeesters, zooals Gij, die âdeze, mijn Godquot; genoemd wordt, in een visioen uit het wetboek, dat ook aan de achterzijde was beschreven, den ziener hebt verklaard, â gelijk wij gehoord hebben, hopen wij ze eens te aanschouwen; â zegen ons met vrede in deze maand. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.
.Srun rarS -isv
Met Mij, o bruid, van den Libanon af, van den top van Amana zult gij weêr nederzien6). Sier u gelijk een priester en tooi u weder met sierlijke, in reinheid prijkende kleederen; wend welriekende, goed bereide zalven aan, berook u met myrrhe en wierook, â want weder is de tijd gekomen en het uur aangebroken, dat gij opnieuw een zang zult aanheffen ter eere des Konings ! 7) âTusschen
') Babel, Jawan, Jishraa'el, Edom.
') Mozes, Aharon en Mirjam.
3) Eig.: uit de keel.
4) D'ttnnn dat Nech. 11,35 en I Kron. 4,14, als plaatsnaam voorkomt, wordt hier door den dichter gebruikt, in den zir van: Jerusalem, het dal, waar de D^unn, de leden van het Synhedrion, zetelen. Midrash toch meent, dat met -uonni cwi, II Kon. 24,14, de leden van het Synhedrion en de geleerden bedoeld zijn (Gittien 88a).
6) Zech. 2,3. Zie Sockka 526. Bedoeld worden do. messias uit Davids huis, de messias uit den stam Joseph, Eliahoe en Kohen Tsédek = IHalkie-Tsédek = Shem, de zoon van Noach.
â¢) Het stuk is in de tweede en in de slot-strophe geteekend Benjamin Ben Zerach, zie pag. 70 bij den nquot;n rw1? -ist'.
6) Hoogl. 4,8. In Rabbotb t p. en Thanchoema ed. Bubrr, Beshallach n0. 11 worden de woorden juaSs tin enz. aldus verklaard: Israel, de bruid, wordt dooi God aldus toegesproken; terwijl men eene bruid, na haar ten huwelijk gevraagd te hebben, een jaar tijd laat ter verzorging
125
unnn nmab e^Dio nap
: ni'Dbo yanK pbp nn-iab nsjï * nvpf nion Va
⢠nj^Knas on^ö * k: tfn: m^So jranK p jii^Kna *|3iü3 uV * «n t^n ity |3 13^0^ IB'K?
: niTin1? nx: ^bi nitan ^ nnx ^quot;13 * n:^n ^quot;inb
: loiSra iï ronaa uaia irmax TISKI irnSx
* D'Ehnn K^3 fi-)i3 Klip * D^KT â¢nniira bip |n« trin hts oniNquot;). * D^nin
m^3 'natr naain * o^no Nam trin quot;i^ * Dunlap
: - t : tiv - ; t : * viv : tt t
mo nr rnN3 ⢠nTns33 D^m rw3quot;iK !'n : D^in nr3quot;}«
v t ; r â¢â¢ v -i - - : ⢠t t ~t t :- - rr t t .
Bnins diVb'? 1:3*13 ⢠nrm nij? |3 vynv quot;i^N3 * nrirV? : di^2 is^ nx ^taan \] nriK Tjns * njn
.Dir)'' rnp * irSy ⢠irnSfo i'N * Sapnn rnp
.^njn rncS -isr
(* .pin mi J3 JO'ja ianwi or Dim t|TO2 dji '3 ms in.si yn oquot;r
'ny iniD3 * niirn n:aK B^NID nbs ri:3,?o *m
; â¢â¢ t~t -1: -it tt-: â¢* t - i t ; *
n:i3^ -iiD 'p^ann n^n 0^13 * ntfsnrn ^nsnn palm ; n^ri ^a1? ^ani ny, N3 *3 ⢠n.tapnn
harcr intrusting, heb Ik u verlost te midden van kalk en tichels. Vóór de bevrijding zag Israël de verschijning der Goddelijke majesteit, terwijl âonder Zijne voeten was als hel werk van een tichel van saffier (Ex. 24,10), na de verlossing echter; als de hemd zelve in reinheidquot;. Toen gij nu naar Babel in ballingschap gingt, begeleidde Ik u, gelijk de profeet zegt: om uwentwille héb ook Ik naar Babel gezonden (Jes. 43,14); wanneer de tijd gekomen zal zijn voor uwen terugkeer naar den tempel, dan keer Ik met u terug, ziedaar den zin der woorden: met Mij, o bruid! zult gij komen van den Libanon af!
T) itt-t, een woord, aan de aangehaalde plaats uit Hoogl. ontleend, wordt in Thanchoema t. a. p. verklaard: bij de laatste verlossing en terugkeer naar Jerusalem zullen Israëls scharen, aan den top van den berg Amana aangekomen, een zang aanheffen-, iwn dus van rw, aed. Abnheim verklaart: in plechtigen optocht zich scharen, van mi», rij; klaarblijkelijk was de aangehaalde Midrashplaats hem onbekend. Baer acht hier verklaring ounoodig.
JOTSEROTH.
mijne borsten moge de âDruiventrosquot; [God] weder rustenquot;1) zegt lispelend de bruid in lieflijke woorden. De zonen Zijner hemelsche woning spreken zonder blozen: «naar den vasten regel willen wij de herinnering Zijner heiligheid huldigend verkondigen!quot; Zoo worde Hij daarboven geheiligd en op aarde verheven voortdurend 's avonds en 's ochtends ; de Heilige !
âEen afgesloten hof' noemde mij eens mijn Vriend 2); doch in toorn verborg Hij Zich en sloop weg, waarop de bewakers mij mijn bovenmantel afrukten3). Mijn oog vloeit over van tranen en breekt van smart bij de hérinnering aan mijne ellende en verdrukking, aan het wijken 4) der verlangende liefde, der opofferende toegenegenheid mijns Vriends ! âZiet, met onverdeeld hart, met toewijding van ziel geeft zich de bruidegom over, en stemt de bruid toe; waarom wordt dan de vreugde der feestviering uitgesteld ?quot; [Met deze woorden] wilden toen de gezanten [Mozes en Aharon] spoedig den een zoowel als de andere doen komen. âHaar gedenkend het verbond onder den bezwerenden eed, dat Ik bij hare verloving met de veelgeprezen bruid heb gesloten 5), is het Mijn wil en verlangen die aanstonds te vervullen 1quot; â zoo antwoordde de Bruidegom de gezanten der bruid. Het als Gods eigendom genomen volk, de bruid, ook zij beweerde juiste gezegden : âBereid ben ik en vast verbonden door diezelfde woorden [van het bondsverdrag] ; moge Hij mij slechts genade bewijzen en mij gedenken de liefde, in mijne jeugd Hem bewezen, en mij spoedig verlossen uit het midden der âezelsquot; [de Egyptenaren] 6).quot; Als genezingbrengende boden en vertrouwde gezanten traden de tweelingen7) als tusschenpersonen op bij het sluiten van het huwelijk, door gepaste woorden te spreken, doordringend tot het harte der bruid, en door het hart van den Bruidegom in vlam te zetten door den ijver der [aartsvaderen, die hun kinderen beschermen als] schilden 8). Toen der bruid de blijde tijding van haar aanstaand koningschap8) werd gebracht, zorgde zij ervoor in hare sieraden er zeer schoon uit te zien, hare granaatappelen
126
1
) Zie den Moesaf van Shekaliem; deel II, pag. 86, noot 5.
2
') Hoogl. 4,12; omdat Israël steeds tegen alle verleiding bestand bleef;
3
van de Thalmoedische uitdrukking: na nx nrm, leert haar kind loopen,
4
s) Hoogl. 5,6 en 7. //Toen ik de deur opende voor mijn vriend, was hij weggeslopen en heengegaan.... en de bewakers der muren ontrukten
5
mij mijn bovenmantel.quot; Rabboth t. p. verklaart -qï pan (volgens de lezing van rwo rmra): Hij, God, verborg Zich voor mij, omdat Hij vertoornd was,
6
van mar, gramschap.
7
*) ,iti, volgens Baeb van tu, wegvliegen, â het wijken; Arnheim: leiden,
8
laat het trippelen.
^â¢nn natrV ivv lap
nöN3 nbs noNiJi naxfivo * quot;löian n.^
inBh^ quot;iDT pin * nan D^nin iViar |üö â¦Sa * nfiK' VS ^pn SpSno: neioni irnpn» nS^oa * nspji fn^i 1«^ onpiEn *15^ pon ⢠nn ^inp 112: ^nj5 ⢠quot;isïj pK'n nanx «in * nnöi quot;idts nonai wy nabn - nm
i v iv - -: - ⢠⢠: â¢: t vi- : t :t : * t ; t ⢠⢠:
;mno jnn * nvan bgt;öji abi nS nS3 |ri : nn nwn ixnn D'n^B' * nï^^n pn -in^np nr np bjn * nvn n^?1! niTN ⢠rhx mimri nna nS idt : nvnoa itVi n?1?
^ : ⢠v -: t t ~ ⢠: t - t t : ⢠t : vt
a^n * nbnaa D^pS ^an ⢠nSSnab 'nna n^onN
⢠â¢â¢ t t v - â¢â¢! -; * : ⢠: v t t *.. : ⢠⢠rr t iv
* onoN ntri» sin ew nS:D n:yü : HvO mSiy1? rnn
⢠t -: vi ) - t â¢..: t _: t t - â¢â¢ : ⢠i t t
iisn non pi bior ⢠onnnn |n jna n^pai n:iD3 Nönp â¦tv? : D'iion pap 'nina1? nnpn * onijr? n?nist i lan^ * D^nn JIID D^pixn i^^pn; * D^ION : wm nKJpa jnn nS n^anVi * D^un onan nb? nS n^isquot;! ⢠nn^K'n nixa n^pmona nba nliranaa naiba
t iv ⢠t r ; ⢠; t hv ; - : t ~ t ; quot; : * : t :
5) De verloving heeft Israël met God gevierd bij het //verbond tusschen de stukkenquot;; toen werd aan Abraham toegezworen, dat na verloop van 400 jaren zijne nakomelingen nit het land hunner ballingschap zouden terugkeeren.
6) In verband met de woorden: //blijft gij hier met den ezelquot; (Gen. 22,5) worden door Midrash de heidenen genoemd: nnn1? nnm Cï. Vgl. ook 23,20.
7) Hoogi. 4,5 past Midrash de woorden: uwe beide horsten zijn als twee herten-kalveren, tweelingen eener hinde toe op Mozes en Aharon, waarvan in verband met Ex. 6,26 en 27 rrom pns sinâ pnxi non sin gezegd wordt, dat Mozes niet meer beteekenis had dan Aharon, en Aharon niet meer dan Mozes.
8) De ijver, in den dienst van God door de aartsvaderen betoond, is de grootste voorspraak van Israël en verhaast hunne verlossing.
9) Bruidegom en bruid worden op hun huwelijksdag dikwijls onder het beeld van een vorst en vostin voorgesteld. Met het «/koningschapquot; wordt dus hier de bruidsstaat bedoeld.
JOTSEROTH.
deed zij in knop schieten, liet hare jonge druivenbloesems zich openen hare borsten waren ontwikkeld en hare haren in vollen groei2); zoo toonde zij zich waardig de kroon en geschikt voor de koninklijke waardigheid. â Toen So [Egypte]8), dat haar door harden arbeid had uitgemergeld, haar zag, scheen het wonderbaar in zijne oogen; «is deze de versmade en gering geachtequot;, vroeg het zijne vorsten ; daarover liet het zijne sterrenwichelaars ontbieden, terwijl het tegen haar plannen beraamde en tandenknarste. Het wildste onder de dieren 4) brulde van woede en verstokte zijn hart, om de bruid te verdrukken 5), en haar met hardheid tot slavin te maken ; hij pijnigde haar door strengen arbeid en een zwaardrukkend juk, in de hoop, dat zij misschien hare schoonheid zou verliezen en worden als een weggeworpen, nietswaardig voorwerp. â God echter bepaalde hem een tijd om zijne krachtige jongelingen te verpletteren6), zoodat kikvorschen, sprinkhanen en ongedierte zich in hoopen opstapelden; vuurstralen, pest en hagel trokken vóór Hem uit en de eerstelingen van ieders kracht, de eerstgeborenen in de tenten van Cham, moest men begraven. Toen werd zij, [de bruid, Israël] die tot nu toe met zwaren arbeid was beladen, heengezonden tegen den wil van den telkens teleurstellenden onderdrukker; en alle vrouwen trokken haar achterna, onder tamboerijnslag en rijendans, ter eere des Almachtigen luide aanheffend lied en dank, lof- en prijsgezang, voor Hem, die zoo de teekenen der leugens verijdelt en wichelaars als dwazen doet erkennen7). â «Tusschen mijne borsten moge spoedig de «Druiventrosquot; weder rustenquot;, zegt ook thans weer lispelend de bruid in lieflijke woorden. De zonen Zijner hemelsche woning spreken zonder blozen: «naar den vasten regel willen wij de herinnering Zijner heiligheid huldigend verkondigen!quot; Zoo wordt Hij daarboven geheiligd en op aarde verheven voortdurend 's avonds en 's ochtends ; de Heilige !
â¢nSn
//Mijne lotgevallen wil ik verhalen voor den Oppersten Koning, ik Israël, de dochter van den edelen vorst, die eens gehuldigd werd in het Koningsdal8), thans op marktpleinen voort-gezweept en verjaagd uit elk land; en toch straalt de reinheid mijner gestalte steeds toenemend, tot het volle middaglicht schittert9). â Mijn vader heeft mij opgevoed, mijne moeder mij grootgebracht met heerlijke koningsspijze, meer dan alle dochteren mijner moeder; met hunne liefde omgaven mij al de
') Deze woorden uit Hoogl. 7,13 worden door Midrash verklaard te doelen op Israël, welks jeugdige telgen synagogen en leerscholen bezoeken en zich onderscheiden door deugd en vroomheid.
quot;) Naar Ez. 16,7.
127
Vnn nntrb -ixv T3p
nunm * nnav nnt^ 1:133 ⢠nnns mnoDi lïin
tlquot;* tt : t ivt it tlquot;* t tt : iquot;quot;
* nnon nniNia nsnao kid : nrv^n niD^Q^i quot;ins1?
t iv quot; ; t : t t : * t * ; - t r : * ; - - : viv -
nn^ nxr ^ nn^n n-jp^m n?no:n nxr K^n
t : t t ivt ; * t 1* â¢â¢ t i-; i- : t : ⢠: iquot; i
ni»n rns npnini nai^in rrty -n^jiüïN1? n«quot;ipi
- I * ; t iv * I viv : viv t v t t iv ⢠: - ; * ; t ;It:
T]na3 ^ip2 nia^1? * -i3pD onia
x-ip : -151« ,l733 n^nm nwnn ^IN * 123 onan onon 0^31 * lisiy1? runs quot;ijtiq
. t â¼; ⢠t *: * * : - t quot; iquot; ; ~ : : ⢠t ~ quot;
D^IN ^3 ⢠quot;113^^ r:sfr 13quot;I1 eitri ⢠HSÃ1?
t * â¢â¢: ~ tt : tt v iv: p v iv ; â¢
⢠^^inoo ni3 ^3 rona nnbti' : quot;I13P1? on ,l7n«3
; * -1 : t : t : *.. i : ⢠t quot; *; t ;
nor nisn * ^in3 nnn« a^an ^3 n^ïni
viv â¢â¢ t - â¢â¢ : I : t â¢â¢.*-: - * t - t t iv â¢â¢ -
: VpiiT D'ppipi nso ons niniN n33^ ⢠Sbni n3^i ninini noN3 nb3 nQKiii nsïöVP ' ^öi3n rV* r»3 ?tn
quot; : T * v,v : i '* L '* T** T
inenp *i3T pin * nan ^3 o^nn 1713T p3p ^3 * laa' quot;ipn ^p^np'' nciQpi tr^pn» nbjras * napJi quot;inv San : ugt;np ⢠laïi
mr p IO,J3 own 1SW31 3quot;X dquot;ï nSlT
po^3 ^psn 3n:i yw ns ⢠rnoix
mnt3 - ri^a ^33 mirai nobn: 3inn3 ⢠quot;nbsn
- t i v iv t ; t : v iv v: v ; t | v iv -
â¦anöoni *3« : ^Vin Di»n |13J ni; nanpp nxn
quot;73 Dn3nN3 ^i^t * 'ö^ niis bso 33 nas * 'ön
t tt-:-: ⢠1 : ⢠* - : t * - - : *â¢
а) II. Kon. 17,4. Het geslacht wisselt; rO'isn, mannelijk, verder in de geheele strophe vrouwelijk.
4) Phar'o; de uitdrukking is ontleend aan Jes. 35,9.
5} nm'S nSs, eene woordspeling, de uitdrukking beteekent: verdrukken, hard behandelen, en tevens; onteeren.
б) Naar Hoogl. 1,15. 7) Naar Jes. 44,25.
8) Gen. 14,17. De naam van het dal Shawé, het Koningsdal, wordt door Midrash t. p verklaard, door het feit dat alle Kena'anietische vorsten Abraham, na zijn terugkeer uit den strijd tegen Kedorla'omer en de zijnen, daar huldigden en als nun meerdere erkenden.
9} Nuar Spr. 4,18.
J0T8ER0TH.
zonen mijne volks en met liefdevolle aanhankelijkheid waren zij aan mij gehecht. In mijne kindsheid reeds werd ik door menschen verdrukt, omdat ik in byssus en zijde, in kostbare kleedij gehuld was1); toen echter het rijk door een alles buit makenden hongersnood werd geteisterd 2), verlangde de Koning naar mij en maakte mij in mijne heiligheid 3) tot vorstin. Zoo werd ik met den koningsmantel omhangen tusschen mijne kindsheid en mijne meisjesjaren 4), totdat ik in het land van Cham in vreemdelingschap kwam; de droomen van den droomer6) waren voor mij aanleiding, vreemde heerschappij te moeten dragen, toen ik naar Chanés6) kwam in de dagen, dat ik juist meerderjarig was geworden. Tso'an 7) klapte in de handen en danste van vreugde, toen ik afdaalde; zij sprak: /,Ha! Ha! eene slavin heb ik mij gekocht om mij dienstbaar te zijnquot; ; zij beraamde met wijsheid haar plannen, om mij met harden arbeid te beheerschen, en zeide: «Voorwaar, thans ben ik rijk geworden en heb mij een vermogen gevonden !quot;8) Juist op den tijd, dien Hij mijnen voorvader [Abraham] had bepaald, kwam mijn Koning voorbij ; Hij hoorde mijn smeekend zuchten over den zwaren dienst en werd vergramd ; de doehteren der plaats vroeg Hij: ,;Hebt gij ook gezien eene jonge dochter, koren opkoopend ?quot;9) en zij antwoordden: «zij is in huis bij onsquot;, met leugenlippen en nietigheidswoorden. Van woonstede tot woonstede zocht Hij en van buurt tot buurt; en vond mij, terwijl ik mij bevond en gelegerd was in het paleis van den verdrukker; mijne bloemen vertoonden zich en mijne borsten waren ontwikkeld, mijne jonge druivenbloesems hadden zich geopend en de vijgenboom had hare twijgen knop doen aanzetten 10). Over mij spreidde Hij toen Zijne vleugelen uit, toen Hij mij zag, wentelend in mijne twee bloedsoorten11); en in een onder eede bezegeld verbond
') De dichter doelt op Josef, die door zijne broeders gehaat werd, omdat hij van zijn vader een bovenkleed met geborduurden zijden rand had gekregen. (Vgl. Shabbath lOi) De uitdrukking fïn i-m is ontleend aan Ez. 27,20 en wordt daar door Jokathan en Rashie opgevat in den zin van: kostbare kleeden.
s) ncSz: noSiaa. nüVa beteekent in den Thalmocd: eene bende soldaten, die eene stad binnentrekt en haar brandschat. Vandaar hier: de hongersnood, die alles in beslag neemt en niets overlaat.
3) Daar ik rein was van zeden; het doelt op Josef, die, zooals Midrash bij herhaling met nadruk mededeelt, aan alle verzoeking en verleiding weerstand bood en zich daardoor de hooge plaats waardig maakte, waartoe hij bii het dreigen van den hongersnood in Egypte geroepen werd.
4) Van dat een meisje geboren wordt, totdat zich de eerste teekenen van volwassenheid vertoonen (in het Oosten gewoonlijk omstreeks den 12-jarigen leeftijd) heet zij rucp, kleine, minderjarige; gedurende het eerste haitjaar na het optreden dier teekenen is zij mu, jong meisje, en zweeft haar rechtstoestand, ten opzichte van bezit, beschikking over hare hand voor het sluiten van een huwelijk enz., tusschen dien van minderjarige en meerderjarige. Eerst na dit halfjaar wordt zij als burgerlijk meerderjarig behandeld en wordt dan rTUiS genoemd. â De zin onzer woorden
LEVITICUS. Q
128
â¢man nairb rhv nDp
â¦nuiapa WTI : D*pöquot;inö nwnai ⢠'SN »33 n:nsn nam ⢠ni^ian t^ain njaa â¦troi * ntrias diks
t ⢠: - â¢â¢ ⢠: t -: v i â¢â¢: ⢠; ⢠iv t â¢â¢ : t ; t t :
â¦TOT : nijnp3 lb ^iNn'i * nirbba
⢠: i- â¢â¢. t â¢-.!: ⢠⢠⢠; - : ⢠: - t |t . . â¢â¢ ,*.⢠:
nioibn -nnan wnn^DnpKa * matap. pa TifiN nnöD : mnaa jpn '^ana oan ⢠nmo ^ap1? ma-ia oVin ⢠â¦n^ap hdn nxn hnh mow * Tma T);iï mpn
⢠r i t : ~ : t t t v t v t : t ⢠; ⢠: i i ti : t ;
â¢gt;)gt; jini â ?]« no^ni ⢠Tj-isa D^nnb ny^ â oiap â¦np^v niniN ⢠^VD V3pT n.inb n^a : â¦nKïo nnaiy na onwn DipDn niaaquot;? * jtöb' rrp^n TinD1? nnsD : 131 N^a npir natr n^a ^ rwayni * quot;ia
t : t ⢠t ; : i viv - ; ⢠i- - â¢â¢ t r.' ~i â t
^inDD Va^na 'n^n â¦axvoi ⢠nauu'1? naia^ai irsn
.. . . .... t . ⢠r t ⢠i- t : t ; ⢠t : ⢠â¢â¢ â¢
ntaan n»afli inna moo ⢠naüa on^ iNia â¦aïa * nam
t ; t t iv - iquot; ⢠- t t : tit * i-t i : * - T ' T
nnaai ⢠'axna noDiana '^12 vaaa : naKnn
. : . . t; - t; viv ; ⢠-â¢â¢ tt : ~ t t â¢â¢ ; *
is dus: eenige jaren later, dan de zooeven vermelde haat tusschen Josef en zijne broeders, terwijl Israël nog niet geheel ontwikkeld was, âJosef was eerst dertig jaren oud en dus noquot; betrekkelijk jong, en Jakobs huis bestond uit ruim 60 zielen, â kwam Josef tot aanzien.
6) Dit kan doelen op Josef, wiens droomen immers de afgunst zijner broeders opwekten en tot den verkoop en de komst naar Egypte aanleiding gaven ; óf op Phar'o, wiens droomen Josef tot aanzien brachten en indirect oorzaak waren van Israël's komst naar Egypte.
6) Egypte, naar Jes. 30,4.
7) Tha'nis, eene der hoofdsteden van Egypte; v. d. Egypte zelf.
8) Hoshéa' 12,9.
9) Dit doelt misschien ook op Josef.
10) Altemaal aan het Hoogl. en Ez. 16 ontleende beelden. Hoogl. 2,10 en 18 wordt n.1. in Pesiktha Hachodesh 50a en Thanchoema ed. Bubeb, Bo, N0. 7, geheel op de bevrijding toegepast. Al de hier gebezigde uitdrukkingen doelen dan op den voortreffelijken zedelijken en godsdienstigen staat, waarin zich Israël bevond. Volgens de aangehaalde Midrashplaats moet men rpjs na:n misschien vertalen: had hare dorre takken afgeworpen. Vgl. Rashie Hoogl. 2,13 einde.
n) Naar aanleiding van Ez. 16,7 rmji Dir nxi, gij waart nog naakt en onbedekt, wordt in Midrash gezegd, dat Israël nog geene plichten te vervullen had, om ter belooning daarvoor bevrijd te kunnen worden. Daarom gaf God reeds den lOden Niesan het bevel aangaande het Pésach-ofifer en tegelijk dat aangaande de besnijdenis. Dit is dan de zin der in Ez. t. a. p. voorafgaande woorden: en Ik zag u, wentelend in uwe beide Woecfeoorten , toen sprak Ik tot u: door uw twee Woerfvergietingen krijgt gij het leven (Jalkoet t. p. Vgl. Pesiktha 636).
J O T 8 E R O T H.
met Zichzelve nam Hij mij op; sterk aandringende gezanten vaardigde Hij af en maakte mij tot Zijne verloofde en, aankloppende aan mijne deur, liet Hij mij Zijne stem hooren: //Kom, sta opquot;, verkondigde Hij mij â De veerboot doorsneed den stroom om hare schoonheid1) over te zetten 2). Toen het schoone kalf 3) dit zag, werd het naijverig; toen het zijne vorsten riep, velden zij het verkeerde oordeel : //Treed leem, neem ter hand den tichelvorm, gij arme, door den storm gezweepte!4) Zie â zoo gingen zij voort â uwen weg in het dal; erken, wat gij gedaan hebt6) aan de veel geprezene [Egypte]; hoe om der wille daarvan geheel Egypte in beroering is gebracht en [door een plagenstroom] bedolven; richt voortaan uw hart erop den gebaanden weg te bewandelen ; want wat zoudt gij kunnen doen op den dag, dat de volle bestraffing komt, wanneer ik u reeds zoo kan afweiden in een kort oogenblik!quot; â Doch plotseling overvielen haar barensweën en angstige pijnen, en stond zij vol haastigen schrik op, om mij nog dienzelfden nacht te doen uittrekken ; zoo heeft haar eigen mond haar schuldig verklaard en heeft zij de hemelsche gerechtigheid tegen aich ingeroepen; â ik echter trok uit, in praalgewaad getooid, als met de sierlijke omwindselen eener bruid! â Te Nob, te Gilgal en te Gib'on â daar ben ik vroeg in 'sHeeren wijngaarden werkzaam geweest5), mijne liefdeblijken heb ik Hem gegeven in den eeuwigen tempel; zoo kon ik uitgaan met den bruidssluier 6) en een passende kroon 7), van dag tot dag gerekend ten volle vierhonderd en tien jaar. Van af het oogenbik echter, dat ik zoo diep ben gezonken, als eene overspelige, God ontrouw te worden 10) en ik vreemden [afgoden] beminde, heeft men mij tot bewaakster van [vreemde] wijngaarden aangesteld, â mij, die mijn eigen wijngaard niet heb kunnen behoeden ; de zonen mijner moeder werden vertoornd op mij quot;j en verdreven mij uit mijn bruidsvertrek ; ach, hoe hebben zij mij thans uitgemergeld en tot eene woestenij gemaakt mijne geheele gemeente ! 12) Ik heb mijn Vriend versmaad, daarom heeft Hij Zijn verbond als ontwijd beschouwd en gelijk een bontgekleurde roofvogel werd in Zijn oog Zijn erfdeells); zie, de kleine en verachte [Edom]14) heerscht over Zijne eens zoo gevreesde natie; Zijn zoo groot medelijden kropt zich in Zijn binnenste op â ach, waar blijft Zijn ijveren en Zijn machtige daad? 1
129
1
s) rPii, hare schoonheid, d. i. = haar, Israël.
2
:') Ontleend aan II Sam. 19,18 en 19.
3
) Zoo wordt Jer. 46,20 Egypte genoemd.
4
) Naar Jer. 2,23. Volgens mijne hier gegeven opvatting zijn het nog
5
woorden, door Egypte tot Israël gericht. De volgende strophe is dan de
6
tegenstelling. Het antwoord op Egypte's bedreiging was de dood zijner
7
eerstgeborenen en het verzoek aan Israël het land zoo spoedig mogelijk
hn-m naif1? r^iT i pifitai * n^ on^ï nnïis * â¦jwan isr n^N
i : . .,-... - t . . . . . ,- . v: t t
⦠rra» nn^V â¢* ^1? 'i^'p
⢠ips n«quot;ip3 n^^'p * n^sna^ n1?^ xspm «-ini
t ⢠i it t :it; t iv ⢠i; t ⢠â¢â¢ : t â¢.'.' quot;1- ; - viquot; -
â¦jn mz TjS-ii 'Nquot;): n*^ nn^io fa1?!? ^pnnn nann 'ppn
* nb3 onvo n^p^i mn^ai ⢠n^np1? np [3 dk n'ipa di^ npi * n^ppn Tja1? quot;ny ' nSnbin n^i rn^ ^nn nisrin ; nbp njnra ^-IK np-iïi np^in n^s pi ⢠nV-'S ^'yinb nbnna nopi
I t^: ⢠; t * : ' t r I â¢â¢ ; t ;i- - ⢠⢠: t t v : t Iit:
3i:: n^an nityp rrriaN 'nxr * rhwb pin mp n»23 ib ^nnj â¦fi * wisb 'nosiyn ons riv3a,i babai
.. ; ⢠I- t - ⢠t : - ⢠: I- : ⢠v t i ^ ; ⢠: t ; ⢠:
niNo ^3-IK D^tr * D^oiVn insi ndijhs * D'D'pir
⢠t ⢠v,v*: t ** : 'itt * t
⢠'nsnK nnn niü^b â¦npp^n tno : D'p^ Di,i? Di'p T^i *3 nn: 'dk â¦!$ * wta: n1? »p-i3i ^iqbgt; o^pns n-iüi: â¦nnir : *nquot;ir,?3 ta^m nnjr quot;nw ⢠'nana
⢠:i-t ⢠t i t i- â¢â¢ ; ⢠i : v t quot; ) â¢â¢ ; ⢠r \quot; ' # 1
â¦inijiü^nani * inbnj iV njvn jra* ⢠mns : im^ii inKjp n»Ni ipaxnn vyo rioni * ina,x3 'j^ia
t : t;I* â¢â¢ - : i it - : ⢠â¢â¢ i -: - t â¢â¢. -t quot; â¢â¢
te verlaten. â //Denk er om, hoeveel ongeluk gij reeds Egypte hebt berokkend â en ga nu rustig uws weegs, anders âquot;. In de opvatting van Baeb en Ottensosek, dat het eene klacht van Israël aan de volkeren zou zijn, is de samenhang plotseling verbroken en komen vooral de slotwoorden n% nï~3 11'in p os niet tot hun recht.
') Naar Hoogl. 7,13. In de drie genoemde plaatsen was langen tijd de tabernakel gevestigd.
8) «nuvi wordt Kethoeboth 176 door R. Jochanan verklaard met: sluier, dien eene maagdelijke bruid draagt.
9) D^aiSn, van oSn, in den Thalmoed: passend zijn, of maken.
10) Geestige toepassing van de woorden Hoshéa' 5,2.
quot;) Naar Hoogl. 1,6.
ls) Naar Job 16,7.
13) Naar Jeremia 12,9. Israël was voor God van niet meer waarde, dan een bonte vogel, juist goed genoeg om alle ander gevogelte tot mikpunt van hun aanvallen te dienen, waartoe hij door zijne veelkleurigheid als het ware uitdaagt. Zoo bleef Israël slechts gespaard om telkens meer gefolterd en geteisterd te worden, waartoe vooral zijn vreemd kleed van zeden en wetten, aanleiding geeft.
14) 'Obadja 1,2 naemt Edom zoo.
JOTSEROTH.
Een verterend vuur ontsteken in mijn hart de doohteren van Sé'ier en van zijn schoonvader [Jishma'el] !), naburen en bondgenooten tevens, [doordien zij spottend tot mij zeggen:] «Uw teerbeminde Vriend verlustigt Zich in de liefde van andere vrouwen, terwijl gij nog altijd zit in afwachting van de troostrijke heilsboodschap !quot; Ik geef hun antwoord en spreek de weerlegging uit: âVoorlangen tijd reeds heeft Hij mij toegeroepen : keer terug, gij afgedwaalde!2) Ik heb Hem mij verkoren en Hij heeft Zich mij als deel gekozen en wij zijn een onverbreekbaar geheel geworden; â hoeveel water ook â het vermag niet de liefdevlam te blusschen !quot; 3)
.manp
De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Shemoné 'Esré tot Oemagén en vervolgt dan:
Volgens de instelling van wijzen en verstandigen en de leering van de kennis der deskundigen wil ik mijn mond openen in lied en lofzangen, om te danken en te loven voor het aangezicht van Hem, die in de hemelwoningen troont!
*) De krachtige eerstelingen4), die den moederschoot hadden geopend, onder de bij ezels vergeleken 5) Egyptenaren, veldet Gij ter neder; Uwe almacht zelve schreed in hun midden, om de pest onder hen te doen heerschen 6). âZie, in één oogenblik zullen zij stervenquot;, zoo spraakt Gij en vernederdet hunne trotschheid door de pest; den machtigen arm des verdrukkers verbrijzeldet Gij in zijne eerstgeborenen; juist te middernacht trokt Gij daar door. De onreinen hitstet Gij tot ouderlingen strijd aan 7), terwijl Gij de door ü geliefden [Israël] tot welwillendheid jegens elkander stemdet; eiken eerstgeborene, op welke wijze ook8), hebt Gij verpletterd door uitroeiing, ten tijde dat Gij den nacht in twee tot op een haar gelijke helften verdeeldet9).
â ) 'Esau was immers gehuwd met eene dochter van Jishma'el; Gen. 28,9.
') Zie Jeremia 3,12.
3) Hoogl. 8,7.
*) Uit het acrostichon in het stukje na oij-mn rwin schijnt te blijken, dat de vervaardiger van deze stukken niet, zooals bij de nvinE ïqin, Kaluer is, maar diens leeraar R. Jankai ; zie Rapoport, in Kérem Chemed 6, pag. 25; Landsuüt, 'Amoedé Ha'aboda pag. 102 v. v.
4) ijis = iiiM, eerstgeborenen; vgl. Ps. 105,36, waar in het tweede versdeel d:ik hzh rwsi gebruikt wordt als parallel van 1133 S3.
5) Zie pag. 126, noot 6.
6) Mechilthji, Ex. 12,29 wordt uit de woorden ron 'm afgeleid, dat God zelve het doodvonnis aan Egypte's eerstgeborenen voltrok.
quot;) Pesiktha nSSn 'ïro vpi, 65n, en Thanchoema ed. Büber, Bo N0. 18 wordt naar aanleiding van Ps. 137,10: Drm333 Di-rea n3»S, die Egypte liet verslaan door zijne eerstgeborenen, verhaald, dat de Egyptische eerstgeborenen, toen hun verzoek Israël te laten heengaan, teneinde hen van den anders wissen dood te redden, was afgewezen, gewapender hand teg«n hunne ouders opstonden en zeer velen van dezen ombrachten.
130
Vnn nair1? rhv bp
- ni-om niaDf unini nii3 ⢠nn^ap i^k nn^v navol nxi * nnnx ob^np nnNan ïj-tn» d»3quot;i D'p» * nni^n â¦npani â¦rnin fquot; ; nint^a Dn:1?
⢠ro^n nnx ^t^Nm i vmoxn * nni^o naiir jop
t ⢠-* - - r -:- : ⢠i- ⢠v: v ; ⢠: - v: v t : t tIt
mrjr : nnnxn m niaD1? i^v üh D'ai D^Q
t -: - t v - ; ; ⢠- ⢠i-
TJDI quot;ir nntc quot;irn nSsnn inn Y»vn
manp
â¦3 nnnöN * D^rna i IDVDI * D^inai D^nsn -iidd
t ; : v ⢠⢠: i- v iv ⢠⢠t
: D^I^D pity 'iö bbnbi nmnV ⢠0^:1.1 Tt^a
aquot;s Dquot;r
^13 ⢠Denman ^iirpa ripria ⢠D^nonn nps â¦JIN |n : D'-ni:^ b'^on) 121 * DTiir? j?p3
* maa' imana -Ià ^nr ⢠main -ima D:IKJI * mai
t :i- * t ; ⢠t ~ 1; t :»- : ⢠v iv - t ; t :i- â¢
nt onn» * n^: nra ht d^kdü ; ma^ dit n1?^ niïn
⢠:*: t i* * v t v ⢠â¢â¢ : t ;it^t t t : i- -:
â¡ma * n'ïo rvbaa naa-ba ï'n ⢠n^i nra
: t ;i- t r ⢠i t ⢠; v ; t t r ⢠vt
: n'ïn nj?a nn^n
8) Pesiktha t. a. p. 646 wordt uit td: (Ex. 12,22) in verband met de woorden van vs. 30: want er was geen huis, waar geen doode was, afgeleid, dat zoowel mannelijke als vrouwelijke eerstgeborenen stierven, onvsrschillig of zij de eerstelineen der moeders of der vaders waren. Bovendien was volgens het woord van den Pentateuch geen stand van de sterfte uitgesloten, nvto 1132 Sa beteekent dus: elke eerstgeborene, wat hij overigens ook mocht zijn, man of vrouw enz.; overeenkomende met de Thalmoedische uitdrukking: nvto Sa, wat ook.
9) Thanchoema ed. Bubee, Bo N0. 17, en Pesiktha t. a. p. 626, wordt in verband met Mozes' woorden Ex, 11,4: tegen middernacht ga Ik uit enz. zonder dat uitdrukkelijk vermeld is, dat hem vooraf door God het tijdstip van hftt sterven der eerstgeborenen was medegedeeld, â het volgende opgemerkt. Ex. 12,12 wordt Mozes gezegd, dat God in dien nacht straffend zon optreden; toen hij nu gezegd had : tegen middernacht, besloot God, die immers, naar Jes 44,56, het woord Zijner dienaren vervult en het plan Zijner gezanten volvoert, aan die uitspraak gevolg te geven en daarom: nS'Sn 'ïna vto (zooals het in Thanchoema luidt), hieruit blijkt, dat de nacht zich uit zichzelve in twee deelen splitste, die tot op een haar gelijk waren (vgl. Pesiktha t. a. p. 636 en Pesiktha Rabbathie, nS^Sn n-na 'mi, 4, waar de lezing eenigszins anders is; naar de laatst aangehaalde plaats moet Thanchoema vermoedelijk verbeterd worden. (Vgl. ook Ber. Rabba 43 en onwi nt t. a. p. in Pesiktha Rabbathie). Op de laatst aangehaalde gecursiveerde woorden komt het hier aan).
JOTSEROTH.
Met Uw linker- en rechterhand moogt Gij ons steeds steunen en ons tegen alle plagen beveiligen ; wil ons onder Uwe vleugelen dekken en ons in de schaduw van Uw schild beschermen ; Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham.
De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehachajoth Méthiem.
Toen stervenden in elk huis in Noph!) om hals gebracht werden, reutelden zij als verslagenen, die den dood nabij zijn2). Zij werden [den dood] prijsgegeven en hunne harten teerden weg; zij vielen in onmacht en hunne zielen waren krachteloos. Ziellooze lijken hebt Gij bij hen doen aanwezig zijn, zelfs den nog ongeboren vorm van eenigen eerstgeborene in den moederschoot hebt Gij niet gespaard3); âkom, sta opquot; spraakt Gij tot Uwen eerstgeborene [Israël] 4). Zoo bracht Gij daar tegelijk den een genezing, den ander een doodslag toe. Verwoesting, verderf en verschrikking, ontsteltenis, gejammer en ontzetting! Onder hen [de Egyptenaren] ontstond hevig jammeren; vol ontzetting stonden zij op en liepen hunne huizen uit in den nacht!
In verwoesting en verderf moogt Gij Uwe vijanden doen vallen, in den diepsten afgrond; mogen wij daarentegen weer opleven door den regen des heils 1 Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven.
Moge spoedig over den âverdrukkerquot; eene mare gehoord worden, gelijk eens aangaande Egypte werd vernomen6); de profetie omtrent den verborgen tijd [der laatste verlossing] 6) moge vervuld worden gelijk de profetie over Egypte. Gij hebt Pathros [Egypte] zijne straf betaald bij de laatste, de tiende plaag, â zoo zult Gij den verdrukker zijne schuld betalen bij het einde van den tienden hoorn7). Mogen met hen de Reémiem van hunne hoogte afdalen8), de voornaamsten in de regeering van hun volk9); ontdoe hen van hun kroon, spreek in toorn den ban over hen uit. [De tijd] voor het [toekomstige] heil bewaard, is de//beschermingsnachtquot;'10) ; dan zegt de wachter ; gekomen is 11) de tijd van 't ochtendgloren12).
') Memphis, eene der residentiën van Esrypte.
») Naar Ez. 30,24.
3) Vgl. Pesiktha 646 en Shemoth Rabba 18,3.
4) Zie Pesiktha 50i.
6) Naar Jes. 23,5. In Thanchoema ed. Bubee Bo, N0. 6 en Pesiktha Rabbathie nSSn 'ïna w einde (vel. Shemoth Rabba 9) wordt gezegd, dat met quot;te zonder 1, wat ook gelezen zou kunnen worden, in het algemeen
de vijanden en verdrukkers van Israël worden bedoeld; heeft men Tyrus op het oog, dan wordt 1^, met 1, geschreven. Jes. t. a. p. nu staat het zonder \
6) Jes. 21,11 nTTn srp, wordt in Siphré, Num. 6,24 in verband gebracht met het vp, de eindperiode, de eindelijke verlossing uit de laatste ballingschap. nun is dan afgeleid van om, zwijgen, en beteekent: de tijd. die verzwegen, niet geopenbaard is (vgl. Jalkoet Chadash. mSj 3).
131
bi-in natr1? manp «Vp
⢠iwsion ïïquot; ⢠naenn ^aaoi * wsoori pni
: Dnnax po « nm Tina * nsao Vvm
t t : - !â¢â¢ t *: t - | t !â¢â¢-: : i : * t â¢â¢ :
: D'no nvmS t naa nnx 1130 * ipK: D^Vn nipx: * e]i33 n»3 V33 D'no D^no onas : ^2: Dninm ⢠ipo: Dni3^i
⢠â¢â¢ ⢠t : i it t t : : â¢â¢. i it t t * ;
T]1? 'pip * npn n1? Dn^3 oa 1133 Vs nniï ⢠jrtr^ lob nNiiyo,i nNiiy : nai^ nair nuai NIS-I * nn^ nH33'?
t : t t : 1- t it i t : t t : i- | : ; â¢
⢠n^Ti â¡n3 nspn Fn ⢠n^nh'ni niöB' * r^roi
t t; - vt t i; t t t: - ; i t: - ttv
: ikï'i ion rinsn
t :it - : t : 1 it i t â¢
D^3 n^nii ⢠nmB^ non'N ^sn Fn * rwijroi nxiB'
v iv ; â¢â¢â¢:â¢: t ; i iv : ⢠- t : t
: D'nan n'no » nrix -jinn â¢
â¡nnn -«uNn
: onifü mm non Ki^o * anïa ^0^3 iïb potr*
â¢it : ⢠t - ; t t - ⢠i- ; * ^ - iquot; : :*
^ian iv3 * nn^ n3p n^sns Diinsp nynsa rro^p ni33 ' DDy D'pKn i-it : pp n,l?3n3
Kin * quot;iia^ ',n : aonnn ï]N3 * oonjm iip ⢠Qüy_ : nia^N ^p NJIN * lalt? IDK * ^
7) Vgl. Daniël 7,24. Vgl. Rashie aldaar, volgens wiens verklaring de tiende hoorn op Titns doelt. In Ber. Rabba 76,6 wordt dit vers in verband gebracht met de tegenwoordige ballingschap. Hierop wordt hier gedoeld.
8) Naar Jes. 34,7.
9) Ik twijfel zeer aan de juistheid der gewone lezing. Misschien zou men kunnen lezen: dojj ntaS» 1133, in den smeltkroes der wereldrijken verduister hen, van Dnr. Met eenige zekerheid durf ik in deze niets te beweren.
10) Volgens R. Jeiiosuoea' in Mechiltha, Bo, Ex. 12,42 en Thanchoema t. p., beteekenen de woorden sin Dinse ViS, een bescherminysnacht is het. dat ook in de toekomst die nacht voor de verlossing is aangewezen; vgl. Rosh Hashana 11a, waar R. Jehoshoea' dezelfde woorden verklaart ; de nacht, die reeds van af de Schepping bewaard en bestemd is voor groote dingen.
quot;) Jes. 21,12.
1!) linos â nmtrs, eig. nachtwake, een derde gedeelte van den nacht. De laatste wake, die aan het aanbreken van den dag voorafgaat, wordt Ex. 14,24 ipan mines genoemd; vandaar dat de dichter hier eenvoudig nncs in dien zin gebruikt. Bedoeld is natuurlijk de dageraad van Israels vrijheid.
JOTSEROTH.
De Eeuwige zal koning zijn in eeuwigheid; Uw God, o Tsion! door alle geslachten, â Halleloe-jah! En Gij, Heilige ! troont op den lof van Israël! o Almachtige!
o Almachtige! Tot hulp voor Uw volk zijt Gij te middernacht uitgetrokken [over Egypte], en toen het goed dag was !), hebt Gij hen uitgevoerd. Gij zijt het, die Uw volk richt bij dag, de andere natiën daarentegen bij nacht2), want U behoort de dag, ook behoort U de nacht8). De nacht, waarin een vorig geslacht werd bevrijd, â zeidet Gij, â zal beschermingsnacht zijn ook voor latere tijden. En wat den eersten keer is geschied, dat zal ook bij de laatste verlossing plaats vinden4), â gelijk de mare over Egypte zult Gij doen vernemen de verdrukkers 5). â Toon U vast, hef den oorlogskreet aan, en strijd met goeden uitslag, bestijg het strijdros, blaas op den krijgsklaroen en grijp krachtig den vijand aan ter wille van Uw volk, Gij, Eerbiedwekkende, Verhevene en Heilige!
Toen waren het strenge heeren, de tien plagen, waarmede Gij verpletterdet het volk, dat zijn hart had verstokt. Door de aanmatiging van den overmoedigen koning onstond de tiende plaag, die Gij deedt heerschen over de zware verdrukkers van de kinderen van Abraham, die tot tien malen toe op de proef werd gesteld. Het neerhouwen der eerstgeborenen was het laatste, wat hen trof, toen Gij Uwen toorn vrij spel liet wegens hunne verdorvenheid. Vóór hunne oogen richttet Gij hunne goden en ook hunne afbeeldsels deedt Gij vervallen in hunne tenten. Gij versloegt eiken eerstgeborene van ieder hoofd van een gezin, eerstgeborene van man of vrouw, van slaaf of slavin. En de eersteling van vee en het eerstgeborene van elk schepsel; in huis en daarbuiten maakte de pest een einde aan alles. Onder toornig woeden en tegelijk in kalmte openbaardet Gij ü, hier slagen toebrengend, ginds tegelijk genezend6); de eerstgeborenen van den verdrukker treffend. Uwen eerstgeboren zoon daarentegen genezend. Te middernacht zullen U daarom danken zij, die U steeds erkenden, voor Uwe rechtvaardige strafoefeningen en Uwe welwillende liefde7). Uw welgeordende vinger riep in het aanzijn de tien plagen. Uw hand
') Ex. 12,17 worden de woorden: nrn dtti Dïra o in Mechiltha verklaard; DT» Sc inixj!2, toen het vol dag was, waaruit blijkt dat zij eerst na het aanbreken van den dag uit Egypte trokken.
') Jeroeshalmie, Rosh Hashana 1,3 en Ber. Rabba 50,3 komt de uitspraak voor, dat God de andere volkeren des nachts richt, terwijl zij slapen; Israël daarentegen bij dag, terwijl zij zich met goede werken bezig honden, waardoor hun vonnis zachter wordt. Afgeleid wordt het uit Ps. 9,9; en Hij spreekt recht over de menschenwereld [Israël] met welwillendheid, richt daarentegen de natiën met strenge rechtvaardigheid.
s) Ps. 74,16.
132
bi-m nzvb manp nSp
: rnVVn iTi iib |i»v D^iy1? â¦â¦
: «3 *?« nibnn ^np nntfi
t â¢â¢ â¢â¢ t ; ⢠⢠; â¢â¢ It t - :
oniK Di*n Dï^ni ⢠nxv ^ vyh m â ?«]
Di»n '2 ' nVv»? di*3 la^ pn : nxïin nD3 Dnatr * ins: 12 nb trn
t : 1- ' \ ' ' : * v -: t ;r t :it p : | -
* ninn^ rrrw Kin n:^K-i3 n^nty noi ⢠D^nnN'? â¦n»
t -: - t v : ⢠v t * t t t v quot; -: - t ⢠;
aam n'pïni npïni rmn f» : onv1? Vftpn onxo jratigt;2 : DnDi NItI: ^pnni ypnn
1 D31? »13 mao D3 ntrK * ntrp o^m vn nüD m
t ⢠t :i- ⢠t v -: v It ⢠-: t ~ r* t
⢠nn^ n|D nn^n -jVo : nirpa nn^n nniD3 n^na : nn^ HDJ ^3 nbtron
t : t ; ': * * -J t â¢-. â¢â¢ : â¢â¢ : : t : r : *
nx an^ab nn : Dn,l?2n ^3« nn^ n^K * Drv^n
â¢.â¢â¢â¢:⢠t : 1- t * : - - I : quot; t r v -: t ⢠; ~
H33 n^3n : orrbntts nbsn omix dji * Drrrf?K
t : t t i* * v â¢â¢ â¼; t : t ; i- ⢠t t - : v â¢â¢ v:
11D31 : ni^N1? -1133 ^DI 1133 b3 * nna^o
; t * : :t: â¢; ; t t t ; â¢
: 131 -1311*11131 n'33 * 131 11331 nan3l?
t t t : t v iv i - ⢠iâ t t t : : t â¢â¢ : â¢
?]ii33 ^33^1 «]13: iï ni33b ⢠Nifiii e]iJ3 nmi
⢠^jpiv * ^110 ïjiii* p3 rh'h niïn : nisi ?|i» * ni3D Vpr\ nnif^ ^3ïn D3u : ^3nK pis V^i
4) Pesiktha, nSSn â 'ïna einde, en Thanchoema ed. Bubee, Bo, 6, bewijst men uit Bijbelverzen, dat de plagen, die Egypte hebben getroffen, ook bij de toekomstige verlossing over Israels vijanden zullen komen.
6) Zie pag. 131 noot 5.
6) Naar Jes. 19,22. Vgl. Shier Hash. Rabba 4.
quot;) Haar Ps. 119,62. Vgl. Pesiktha rhhn 'sna w, pag. 63a, waar dit vers verklaard wordt; ik dank U voor de straffen, die Gij over Egypte hebt
febracht, en voor de liefde, onzen voorouders in Egypte bewezen, door un de plichten van besnijdenis en Pésach-offer voor te schrijven, waardoor aij zicli de verlossing konden waardig maken. â Zie ook Shemoth Rabba 18,2, waar het eenvoudiger verklaard wordt: Omdat Gij de Egypte-naren hebt gedood en de Israëlieten gespaard.ebracht, en voor de liefde, onzen voorouders in Egypte bewezen, door un de plichten van besnijdenis en Pésach-offer voor te schrijven, waardoor aij zicli de verlossing konden waardig maken. â Zie ook Shemoth Rabba 18,2, waar het eenvoudiger verklaard wordt: Omdat Gij de Egypte-naren hebt gedood en de Israëlieten gespaard.
133 J O T 8 E R O T H.
veroorzaakte de sterfte der eerstgeborenen !); Uw machtige rechterhand deed den verdrukker zinken, toen verhieven U allen; wanneer eens üw heilige arm ons zal verlossen, zult Gij boven al verheven zijn.
o God! tot in eeuwigheid zult Gij verheerlijkt en tot in eeuwigheid als heilig geprezen worden en tot in alle eeuwigheid zult Gij regeeren en boven alles verheven zijn, Gij, God, Koning, eerbiedwekkend, alverheven en heilig, want Gij zijt immers de Koning aller koningen. Wiens koningschap eeuwig duurt! Verkondigt dan Zijne wonderen, verhaalt van Zijne macht, roemt Hem, gij. Zijne scharen, heiligt Hem, verheft Hem, in luiden jubel, in zang en lof prijst de macht Zijner roemrijke heerlijkheid !
z/En het was te middernachtquot;.3)
Toen deedt Gij met wonderkracht tallooze wond'ren in den nacht. In de eerste der waken van 3) dezen nacht.
Den braven proseliet deedt Gij winnen, doordien voor
hem zich verdeelde de nacht4).
Dit geschiedde te middernacht.
Gij richttet den vorst van Gerar door bangen droom in den nacht5), Verschriktet des Arammieten geest aan den vooravond in den nacht6). En Israël, bekampend een goddelijk gewrocht, verwon hem 7) in den nacht. Dit geschiedde te middernacht.
Het eerstgeboren kroost van Pathros versloegtGij
in 't midden van den nacht.
Hun kostbaarst pand vonden zij niet meer, toen zij
opstonden in den nacht
Den vleugelslag van Charosheth's vorst bedwongt
Gij door de sterren van den nacht8).
') De zin is: de andere plagen werden door een engel over Egypte ebracht; â de vinger als beeld voor een orgaan van Gods straffende hand; â-ij de laatste plaag trad God zelve als wreker op. Vgl. Ex. 12,12 en 23 en Mechiltha aldaar.
') Al de hier opgesomde feiten hadden volgens Midrash plaats in den nacht van 14 op 15 Niesan. Dit wordt bij sommigen duidelijk in den Bijbel uitgesproken, bij anderen door het gebruik van uitdrukkingen als Ninn nSiSa (Esther 6,1) of rro (Dan. 5,30) aangeduid, bij nog anderen
schijnt eene oude traditie omtrent den datum bestaan te'hebben. Vgl. Bamidbar Rabba 20,12, waar eenvoudig gezegd wordt, dat alle bestraffingen van Israels vijanden in den nacht plaats hadden, zonder dat een bepaalde datum wordt aangewezen. Zie ook Pesiktha, ji'ï in.sni, pag. 1296.
3) Machzor Romie; rnnncJN Sd:, in alle de waken, eene lezing, die waarschijnlijk de juiste is.
4) De tocht tegen Kedorla'omer, door Abraham, den piï u, den uit oprechte overtuiging tot God bekeerden heiden, ondernomen, had volgons Midrash in den nacht van 14 op 15 Niesan en de overwinning juisi, te middernacht (rhh d.-pSjj pSrpi, de nacht verdeelde zich tegen hen) plaats.
Vnn naif1? nianp a'jp
⢠Van ix n^ap ?|TV ^ : nniaa naa nn^
: ^ om unan ^KnpT ^nn
⢠D1?^^ * DV^xjVN'quot; â¦a ⢠^npi ono xnu ⢠TjVD SKH * Ktrinni -p^n
⢠in^ vniKTi: * nv: ini^So * D^Van -60 «in nn«
|. t : -iv : - ⢠t iv iv t
â¢na^n^pi ⢠miQon mi^np 'vwaï imiNa -ity nap : mnxan niVnn e]pin
â¢' n^Vn ^na â¦np. pai
3quot;N Dquot;J)
: nWa n^ban d^D: am m
t :i- - t iquot; i * t
: nVvgt;n nt nnrai^N a
: nV) iS pSnia innv; pnï n a
; nVbn ^na â¦np. : n^bn oibna -na -|So na 1
: n1?^ iroKa â¦an» nnna n
t ;i- v iv ; ⢠--: t :i- :
: lb 1 Vavi bxb quot;iw i
t ;i- - 1 - â¢â¢ t - t â¢â¢ t : ⢠:
: nVbn 'ïna rn
t ;|- - ⢠-: - ⢠; -
: nVbn ^na nvna Dinna maa jn t
t ;i- - * â: â t : iquot; t ; quot; â¢â¢ ; â¢â¢
: nb^a aaipa ikïd ah d?* n
t ;i- - t i : ; t t quot;
: rfrb â¦aaiaa n^D n^im riv u
J0T8ER0TH.
Dit geschiedde te middernacht De Godslasteraar [Sanchérieb] !) had het plan beraamd, over de uitverkoren stad als heerscher zijne hand uit te strekken 3) in den nacht.
Gij deedt hem en zijn leger als lijken uitdroogen 8) in den nacht. De afgod Bel kromde zich4) en stortte neder met
zijn voetstuk in het duister van den nacht.
Den man, vol heerlijke gaven,5) werd het geheim
geopenbaard van het gezicht in den nacht6).
Dit geschiedde te middernacht.
Hij, die uit heü'ge vaten zich bedronk7), werd
gedood in dienzelfden nacht8).
De droomuitlegger werd gered uit den leeuwenkuil
in de ure van den nacht9).
Den ouden haat had de Agagiet opgekropt10) en
schreef daarom brieven in den nacht.
Dit geschiedde te middernacht.
Gij wektet Uwe overwinnende kracht tegen hem
op bij het wijken van den slaap in den nacht H).
Moogt gij eens ook de wijnpers treden13) voor
[Israël, dat vraagt:] «Wachter, wat is er van den nacht?quot;13). Opdat dan luid roepe de Wachter en spreke:
«Gekomen is de morgen en geweken ook de nachtquot; u).
Dit geschiede te middernacht.
Doe spoedig aanbreken den dag, die noch dag is, noch ook nacht16). o Alverhevene! doe erkennen, dat U behoort de
dag, en U ook de nacht ^).
Stel wachters aan bij Uwe stad den geheelen dag
en gansch den nacht.
Doe als het licht van den dag stralen het duister van den nacht!17) Dit geschiede te middernacht!
') II Kon. 18,17 v. v. en 29 v. v. s) Vgl. Jes. 10,32.
B) Zie II Kon. 19,35, waar sinn rtaSa staat. Volgens Sanhedrien 955 werden zij door inwendige vlammen verteerd en droogden dus letterlijk uit, tot zij stierven.
4) De uitdrukking is ontleend aan Jes. 46,1. Bel is de voornaamste afgod van Babel. Het feit wordt o. a. in Beréshieth Rabba 68,13 verhaald; vgl. het apocryfe boek; Bel en de draak.
5) Daniël voert dien bijnaam, Daniël 10,11.
6) Het geheim van Neboechadnétsar's droom (Daniël 2,19). â Ik meen, dat gelezen moet worden rhrh min rn, het geheim van het nachtelijk
visioen, of met Machzor Romie: rhh pin, wat op hetzelfde neerkomt; de oude lezing rhh mxn is wel te verklaren, maar dan wordt het geheim niet nader aangeduid. Baee's lezing rhh Jquot;|itn weet ik niet anders te
verklaren dan: werd geopenbaard het geheim te zien in den nacht, wat ook nog tamelijk onduidelijk is.
134
brun nianp nVp
: nVbn 'xna
| ||||||||||||||||||||||||||||||||
|
: 'ïna w) t :tT - ⢠-: - ⢠; - |
T) Belshatsar ; Daniël 5,2.
8) Ontleend aan Dan. 5,30, waar N'V'Sa wa staat.
9) Daniël 6. viinra = mnra, in de tijden, momenten.
10) Zie Pirké R. Eli'ezer 44 en 50: die Joden, sprak Haman, hebben van oudsher mijne voorouders gehaat.
n) Volgens Thargoem Esther 6,1 en Jalkoet t. p. N0. 1058 was de nacht, waarin 's konin^s slaap hem ontweek, dus die aan de redding voorafging, de nacht na den 14 Niesan Als in dien nacht geschied, worden daar o. a. nog genoemd : de val van Sanchérieb en de nederlaag van Siesera-
la) Naar Jes. 63,3. het beeld voor de strafgerichten tegen de vervolgers van Israël. 13) Naar Jes. 21,11 en 12.
14) ntin kan hier zeer wel in dubbelen zin gebruikt zijn, -«pa .stn ' beteekent: de morgen is aangebroken, terwijl drh srs (vgl. fncn sa) dichterlijk en als woordspeling kan aanduiden; de nacht is geweken.
15) Den dag der verlossing, die Zech. 14,7 zoo genoemd wordt.
quot;) Ps. 74,16. '7) Naar Jes. 62,6.
JOTSEROTH.
â¢) De Almachtige, die verblijft iu de uitgespannen hemelen, die door Zijne genade het al van spijs voorziet, hoorde het zuchten der onder kommer gebogenen en voerde hen uit van tusschen de doornen Destijds daalde Hij in Zijne groote ontferming neder uit Zijn woonverblijf en bevrijdde van den dwangarbeid Zijn eerbiedwekkend volk en gaf hun den bijnaam van: het Hem toegevallen erfdeel. Hij overzag de zeventig volkeren, doch zij allen werden in Zijn oog bevonden [door misdaden] verduisterd2); toen toonde Hij groot te-zijn onder de engelen des hemels s), â zoo vielen mij ten deel de lieflijkheden 4). Toen Hij, die besluit en ook vervult, het zag, verheugde Hij Zich met het geliefde volk als op den dag, waarop het hetnelgordijn werd gespannen en de aarde werd gevestigd, en gaf Hij hun wetten en bepalingen. Ik5) nu ben heden naar voren getreden te midden van de teedere en zwakke [gemeente Israels] om het verbodene en geoorloofde geregeld uiteen te zetten, opdat ik niet struikele en onvast8) worde heden in zake de wetsbepalingen. Ik nader, terwijl ik goede, juiste woorden wil spreken7) om ze duidelijk mede te deelen onder het verzamelde volk, herinnerend slechts, niet vermanend in mijne woorden 8), om de gemeente haren plicht te doen vervullen 9). De klemmende bepalingen van de als hoogste kroon geprezen wet verklaarden en leerden de wijzen, die als in een halfronde schuur zaten 10); zoo spraken zij ten opzichte van de
135
brun nasrS quot;no rhp
SlBD 3quot;N' quot;nD
* D'ni:K np_:N |w * wrhn ba npna * D^ninp tt ihk |i^spnn * in^pn ana TK : Dviinn pap i o^ïim nyzvz E33 : inbn: bnn dsdi * ina^ -inao mai * imn
* : * : t t - v iv t ⢠: t | viv ⢠tt t â¢
* D^pnp ^NVpa V^nrn * D^oid^ v:^? IKÃÃJI * D^ÃÃ#
* D^iirn d^3 npfr ⢠D^pi quot;iTia 111^2 : D^p^aa ^nn Tjina 'nm : D^ni nini IQ)? nn ⢠d^ini pn Dva
* nD-ian1? i * nan^n1? inni tidk * nan najr
t : t ⢠; â¢â¢tv - : t r^-i- : â¢â¢ - : * t -: r â¢â¢rquot;»
' quot;nav ojn taityfi1? * iidk : nabn naia oi^n
t : ; * t ⢠-: v : ⢠: i- t t -: - ; â¢
mn^T : tqv ^ain K^ïin1? * nana quot;i^nrpa ah) n^arpa â noa um * nSuy ni: ^an mm wii * nWao m
viquot; : t : t ^-: I v i â¢â¢ : - : : t t t \ :
4) Naar Ps. 16,6, waar echter in Jalkoet ook de opvatting voorkomt, dat 'n: niet :door loting toevallen, maar eenvoudig: toegewezen u-orden beteekent Het meervoud owrw wordt daar toegepast op de schriftelijke en mondelinge leer. Eene andere aan Pirké R. Eli'ezer 24 ontleende verklaring laat het slaan op het tijdstip van den torenbouw van Babel. Toen beraadde God met Zijne engelen (afgeleid uit het meervoud: wij willen afdalen. Gen. 11,7,); toen werd het lot geworden, om ieder hooger wezen een volk toe te deelen, en werd Abraham en zijne nakomelingschap als Gods volk aangewezen, naar Dent. 32,9. God nu nam ten volle genoegen met dezen uitslag, gelijk het luidt: het lot viel voor Mij op een Mij aang enaarn deel (Ps. 16,6). Volgens de lezing i^n moet de laatste Midrash door den dichter bedoeld zijn. Dan rijst echter de moeilijkheid, dat daar geen sprake is van de wetgeving. â Den in de vorige aanteekening geciteerden midrash hier toe te passen, eischt de lezing en de vertaling: en mij, Israël, vielen de liefelijkheden der Thora ten deel.
6) De voorlezer is sprekend ingeleid, gelijk bij zeer vele Pioetiem, o. a. bij de dpj nSsn, het geval is. Zie de inleidende opmerking tot ons stuk.
6) roiun1?, eig. week worden, v. d. zwak zijn, hier overdrachtelijk voor: zwakheid van geest, door onwetendheid verkeerd handelen.
7) nas, van to, vermoedelijk een toekomende tijd: ik zal zuivere, reine taal spreken; misschien ook van de Thalmoedische beteekenis: uitlezen, dus: terwijl ik slechts eene keuze zal doen uit de rijke stof, die ik te behandelen heb.
8) Terwijl anders de leerrede eene zedelijke strekking heeft en vermaningen bevat, zal ik heden slechts wetten opsommen.
') De plicht nl. om tegen het naderen van het Paaschfeest zich met de daarvoor geldende wetten bezig te houden.
10) Het Synhedrion, dat in een groote zaal zitting hield, in halfcirkelvormige rijen gsschaard (Sanhedrien 36J).
JOTSEROTH.
wijze van uitkoken!): te brengen een kleinen ketel in een grooten 1). â De wijze van uitkoken van een zeer grooten ketel, die niet bedekt zou worden [door het water], is: dat men er een soort rand opmaakt [van leem of dergelijke], bij het overkoken van het water blijkt het dan gezuiverd te zijn door het kokende water zelve8). â De wijze van bruikbaar maken van schotels en dergelijke, die slechts als «tweede voorwerpquot;2) gebruikt worden, â evenals men uit den pot daarin stort, zoo is het voldoende, kokend water daarover te gieten 3). De regel omtrent het reinigen van kruiken uit hout en steen is: dat zij door ze uit te spoelen geoorloofd zijn 4) ; zijn zij van ongeglazuurd aardewerk, dan is het juist, ze als ongeoorloofd te beschouwen, doch men kan ze tot na het Paaschfeest laten staan 5). Het gebruik van een mes en de wijze zijner behandeling is : het eerst af te spoelen om het schoon te maken ; evenals het gewoonlijk in een âeersl voorwerpquot; aangewend wordt8), zoo is zijne wijze van uitkoken en ontsmetten. Duidelijk staat uitgesproken het uitgloeien van ijzer in vuur om het van eiken smet te reinigen, doch het heft van het mes brengt in heet water, gij [Israëlieten, door God] als Zijn oogappel beschermd ; â doch ten slotte wordt beslist; het geheele mes [worde uitgekookt] in kokend water, en wel in een «eerste voorwerpquot; 9). De zuivering en uittrekking van een potlepel, â daar in een «eerst voorwerpquot; zich de verboden bestanddeelen erin ophoopen10), moet het uitkoken, om het schoon te doen zijn, geschieden in kokend water, want; gelijk een voorwerp de verboden bestanddeelen in zich heeft opgenomen, langs denzelfden weg en door gelijke bewerking geeft het ze weer van zich af. De geleerden hebben in hunne scherpzinnigheid de leering verkondigd n): voor potten
136
1
) T. a. p. En hoe doet men met een grooten ketel ?... hij maakte er een rand op van een kalkachtig mengsel, â zoodat er meer water in kon, â en bracht het water aan de kook. â Met de woorden: âdoor het kokende water zelvequot; schijnt de schrijver te willen aanduiden, dat het nietnoodig is een gloeienden steen er in te doen om het water tot overkoken te brengen (vgl. Shëelthoth n0.137; Ashérie, Pesachiem 2,7 en Mahiul, nSiun 'Sn).
2
) â oir 1^3, tweede voorwerp is vaatwerk, waarin de zaken niet te vuur
3
gezet worden, doch waarin ze uit de potten worden overgeschept. â Een
4
nog te vuur staand voorwerp, of een dat reeds van het vuur is genomen,
5
LEVITICUS. R
quot;jnn na^1? ino iSp
nVn| rpi: nnv Tjina rnup m D^pn1? * nb^n
* naian dnïo: mmai * nstr ro3 nV * nsmn
t-: â¢â¢:â¢-!â¢: t t l ⢠: r } ⢠* t -i
* ^23 * |n^pi nn^p nasn ; na^ pnnn ^sp ^3 nmn : frr^j; pnnn ppfiity T]3 ⢠ps ^pp jpöitya
* tn^rnb imp onnpi * irnna |n^ pKt ^p ⢠im^nvi D^nnp * iri^i pap irisiri : in^n1? npsn quot;inxb ijr : ijirai in^an -]3 ⢠laipn pc'K-i â¦bpa * i^nb iniN i pans Knp_i * bap inni:1? ⢠p^J3 -nxn Vna pnSi pipT : pjtftn ^Dpi pnnnp ivgt;3 Kns^m ⢠fi^^Kp niïa n^jn pnnnp * iL3i3n p^x-i ^33 * iiüitan'i nna ^ nnnp * wwa o^psn isVT : lü'pia -]p 1^133 * im^p
maar nog heet genoeg is om zich de vingers eraan te kunnen branden, heet jicjn-i 'Sa, //eerst voorwerpquot;.
6) Zij behoeven niet uitgekookt te worden, maar naar de gewone wijze van gebruik worden zij bij de verwijdering der ongeoorloofde bestand-deelen behandeld.
6) Zoo zegt ook Jakob Ashérie in Toer Orach Chajiem 451 einde; bedoeld worden drinkvaten, glazen, kruiken en dgl. Vgl. Rema t. p. § 25.
') Voorwerpen uit aardewerk kunnen door geene bewerking, dan overbakken, tot hun oorspronkelijken reinen staat worden teruggebracht; zij zijn zoo poreus, dat de ingezwolgen elementen er niet meer uit te krijgen zijn. Daarom mag men ze niet gebruiken; evenwel kan men ze tot na het Paasch feest opbergen. Zie Pesachiem 30o.
8) Hier wordt kort de eindbeslissing gegeven; dan volgt de tegengestelde meening, om met een citaat uit den Tnalmoed te sluiten.
9) Pesachiem 306 wordt die beslissing gegeven, nadat vooraf eene meening is verkondigd, die veel overeenkomt met de hier zoo even uit-gesprokene. //Het ijzer gegloeid, en het heft in heet waterquot;, â dan volgen de woorden: //doch de eindbeslissing is: beiden â het heft zoowel als het staal van het mes â in kokend water en in een //eerst voorwerpquot; (zie daarover noot 4).
10) De gewone lezing iduï bevredigt mij niet. Men brengt het in verband met 'Sp rh eavo. Roeth 2,14; doch dit beteekent waarschijnlijk: toereiken, geven, en ik zie niet, wat dit hier voor zin geeft. De commentatoren teekenen eenvoudig aan; ino'Ss. Telkens zién wij echter, hoe de schrijver naast elkander stelt de wijze van gébruik en die van ontsmetting. Dit moet hier zeker des te eer geschieden, omdat de strophe met het beginsel van de gelijkheid dier beiden sluit. Ik zou daarom willen lezen: mian, van can, dat eig. het afslaan der vruchten, vandaar ook het inzamelen, oogsten beteekent; evenals lïp eig. afsnijden, v. d. oogsten. De vertaling geeft dan den zin duidelijk genoeg aan.
u) isSi, rabbijnsch woord, eig.: met een straal spuiten, van vloeistoffen, v. d. verbreiden in 't algemeen.
JOTSEROTH.
van aardewerk bestaat geen andere weg, dan ze te breken; zij hebben echter toegestaan ze door een scheidsmuur voor het oog te verbergen en ze dan na het feest te gebruiken, hetzij voor soortgelijke bestemming als ze oorspronkelijk hadden, of' voor eene niet-gelijksoortige Het onderzoek naar het besmet zijn van zeeften, braadspitten en schalen, kan bij die allen voortreffelijk geschieden door uitkoken 2); voorwerpen van geglazuurd aardewerk zijn gelijk aan voorwerpen uit leem, zij zijn geoorloofd, na uitgespoeld te zijn, gelijk voorwerpen, uit dierenmest of marmersteen vervaardigd 3). Zoo zijn de verplichtingen aangaandè het vaatwerk in den breede uiteengezet, hoe zij van verboden bestanddeelen moeten gezuiverd worden en volgens de wet zijn zij daar neergelegd. Hiermede zijn de wetten betreffende het uittrekken van verboden deelen afgehandeld. â Aan de gronden der zedelijke wet mag niets ontbreken: het onderzoek naar [de aanwezigheid van] iets gezuurds is ons door de overlevering voorgeschreven op den vooravond van den veertienden [Niesan]. De te ledigen woning van den /,wijnstokquot; [Israël] 4) mag men niet onderzoeken bij het licht der zon of bij dat van een flambouw, maar uitsluitend bij het schijnsel van een brandend licht, want lamplicht is deugdelijk voor het onderzoek6). De bekenden6) verklaarden om hunne instelling te versterken7): voordat men het gezuurde begint weg te ruimen, zegge men vol aandacht de volgende lofzegging; Geloofd zij Hij, die ons door Zijne geboden geheiligd en ons bevolen heeft aangaande het wegruimen van het ongezuurde8). Wanneer is Israël het gebod voorgeschreven, hunne woningen goed te onderzoeken en eene monstering te houden van hunne kostbare weefsels9) ? Wanneer de menschen reeds in hunne huizen worden aange-
') Pesachiem 30a zegt Rab, dat potten van aardewerk, die gedurende het Paaschfeest zijn blijven staan, al waren ze schoon, gebroken moeten worden; hij neemt namelijk aan, dat ook de geringste hoeveelheid quot;quot;n, ook na liet Paaschfeest, indien het zich met eene stol' van gelijke soort vermengt, bijv. tarwe met tarwe, het geheele mengsel ongeorlooid maakt. Uit vrees nu', dat men ze zou gebruiken voor de bereiding van eene spijs van dezell'de stof als de Chaméts-bestanddeelen, die zich in de wanden bevinden, verbiedt hij elk gebruik en laat dus geen anderen weg, dan ze te breken. Samuel daarentegen zegt, dat zij niet alleen voor bereiding van spijzen van andere soort, maar zelfs voor gelijksoortige spijzen mogen gebruikt worden. Men kan ze dus veilig laten staan; om echter gebruik gedurende de Paaschdagen te voorkomen, behoort men ze door een scheidsmuur, bijv. een gordijn of kist, aan het oog te onttrekken.
quot;) Wait braadspitten betreft, is de schrijver hier in strijd met den Thalmoed ('Aboda Zara 756), die voor braadspitten uitgloeien voorschrijft. Misschien moet voor heü een ander woord gelezen worden. â nnp schijnt hier in de oorspronkelijke beteekenis: zwartsel genomen te zijn. Vgl. Musafia in Mosaf Hé'aroech s. v. -np, die meent, dat de namen rmp en inss voor pot zijn afgeleid van het zwart worden door het vuur. â Maiuul
137
^nn ra^1? no hp
ni^ * djdü1? |p niï'nos mrri ⢠0:1*13^3 Din nnp npn : aran tbv pi oraa p? nnx ons ïnipl ^nü * n^na Dv»3 jn nbyp * nb^ai ns: 3vn : 'onisa nn^na jn pno * nbi^p jnnM
* ynm jn mi) * pnvnïp p^Dxai * pnna |n nn
,l?3 Dria ⢠quot;idid r\i 'vyu : pnnita n^jn niDbn isn m;ü : i^n^inxbnixo * IDQ; ub pn npni ⢠-ipn^?
⢠np;^ ib DK '2 ' nj53Ni nanb 0^112 px ⢠nppia |ö3 lyzh i ^nnan ⢠TIN3 D^n» : npna1? na^ nanir vn'iïp3 im -]i-i3 ⢠^DIN3 nNT| rj-iap * pn piin1? ⢠DITVJ? niïp hxiw : ^an nipa bv_ UIÃI l^ixp DIN â¦iatfa * Dn'apn -npa niir^ * nn^p -i^va
geeft bij de behandeling van zeeften, raspen enz. een variant op onze plaats : ns3 voor nsj.
3) Hier is sprake van zaken, die uitsluitend voor koude spijzen gebruikt worden en daarom niets in zich hebben opgenomen. Zie echter R. Josef Kauo in Orach Chajiem 451,22 einde, die als vaststaande gewoonte aangeeft, geen gebruikte voorwerpen van aardewerk te gebruiken. â De woorden sSSjn â¢â mu komen ook bij Alpassi, Pesachiem 2, voor en worden daar verklaard met; voorwerpen'van marmer; dan moet het zijn van het Bijbelsche
px ('Ezra 6,4); mogelijk is ook, het te verklaren als iSi, voorwerpen uit gedroogde dierenmest vervaardigd; in dien zin komt V?: eveneens voor (I Kon. 14,10). Zie ook Or Zaroea', in de verklaring van den Pioet ninnn ipSs, pag. 58, col. d.
4) Hoshéa' 10,1 komt pp; jsj voor als beeld van Israël, in den zin van: zijne vruchten afwerpend. Daar het deelwoord hier in den vrouwelijken vorm staat, meen ik, dat het met nTC verbonden moet worden en wel in lijdende beteekenis: de geledigde, of te ledigen woning, eig. vesting.
5) Pes. 11 en 8a: het zonlicht is alleen in eene onbedekte ruimte sterk genoeg voor een grondig onderzoek in alle hoeken; met een flambouw is het te gevaarlijk in hoeken en gaten door te dringen; het staat dus te vreezen, dal men het onderzoek niet grondig genoeg zal instellen. Vgl. Shoelchan 'Aroech, Orach Chajiem 433,1 en 2.
6) Uitdrukking voor de leiders en leeraren des volks, Israels geleerden, ontleend aan Deut. 1,13 dtitm ....oic:s.
') Ook bij door de geleerden voorgeschreven plichten wordt eene lofzegging uitgesproken, om de autoriteit der bepaling te verhoogen.
8) Zie Pesachiem 76.
9) Hunne kleedereu te reinigen en te onderzoeken, of zich in zakken enz. ook iets gezuurds bevindt.
J0T8BR0TH.
tniffeii 1). Muurgaten in hnizen, die zeer hoog of zeer laag bij den grond zijn, zijn niet bestemd tot onderzoek 2); alleen tot die in het midden zich bevinden, wendt men zich, waar men wel eens iets ge-zuurds neerlegt. Voorts is het een regel : het dak van een galerij of een torenvormige kast 3), en een runderstal en kippenloopen 1) en een hooischelf behoeft men niet door te zien; ook voorraadkamers voor wijn en olie worden als doorzocht beschouwd; die allen behoeft men in het geheel niet te onderzoeken. Van een gat in den muur, dat zich in het midden bevindt tusschen zijn gebied en dat van zijnen buurman, onderzoekt de een tot de plaats, waar zijne hand reikt in het deel van die muuropening naar zijn kant, en ook de ander onderzoekt tot de helft van zijne muur-opening; en wat dan over mocht zijn en niet doorzocht, [het daar misschien aanwezige gezuurde] vernietigt hij door de gedachte 6). Wat betreft de wet voor een Jood en een niet-Israëliet, die gemeenschappelijk gebruiksrecht van een dergelijke muuropening hebben, daaromtrent spraken de wijzen in voorzienden geest: hij behoeft niet te onderzoeken, wegens gevaar voor zijn leven, dat eruit zou kunnen volgen, daar men hem van toovenarij zou kunnen verdenken. Ligt een puinhoop over het gezuurde, dan doet men er geene moeite meer voor en het wordt als weggeruimd beschouwd op eene plaats, waar het ten eenenmale aan alle gebruik is onttrokken, indien slechts de blaffende [honden] het niet meer bij het zoeken kunnen opkrabbelen; hun zoeken gaat namelijk drie handbreedten diep6). In een kelder moeten twee rijen [vaten] worden doorzocht naar eventueel ingebracht gezuurd, en aangaande wijnkelders luidt de overlevering: maakt men er geregeld gebruik van, dan zijn zij veriioden [voor gebruik zonder onderzoek]; doch nadat men ze onderzocht heeft, zijn zij geoorloofd 7). Kleine visclivijvers zijn wel aangewezen tot onderzoek en bewaarplaatsen voor dadels en erwtenstengels moeten doorzocht worden 8), dan zijn zij beproefd [en zeker bruikbaar]. â Voorwaar, van bewaarplaatsen van zout en balsem9) is duidelijk uitgesproken.
') In den vooravond, wanneer de werklieden juist van hunne bezigheden huiswaarts keeren (Pesachiem 4a).
') Pesachiem 8a, waar rro vin staat. Wegens de alphabetische orde der aanvangletters der verzen, gebruikt de schrijver hiervoor pis, eig. vensters, muurgaten, waardoor het licht invalt (Dan. 6,11),
3) Pes. t. p. Die bedekkingen loopen namelijk schuin af, zoodat er niets op blijft liggen; zie Rasiiie aldaar. â Ik lees JJ, zoodat Viwi ïijp
daarvan afhangen; in overeenstemming met de Boraitha d. t. p., waar het woord j; vóór i;» herhaald is.
138
1
) Waar het eventueel erin gebrachte pan door het vee of de kippen
bnn nair1? quot;no n^p
* D^STQ orN npnnS - D'jinnm nn na : on^raa
⢠T *.. ; T â¢â¢ IT ⢠; ⢠⢠; - : ⢠: ⢠i- â¢â¢- v â¢â¢ T ;
bijm VT iï bbs : D»:nij D3 ⢠D'jiij D^ïoki jm ni-iïixi ⢠quot;ipp1? ^3 D^anpi * -ipj na-n pav irs iin n^xoN1? : ï2 ppnia - -i^nnp n^vno1? pnia nn * I3p3 it n^an oipa 1% pni3 nr * i3inp
* quot;''ins nai nm; pin1? : i^ap ix^rn * i3pK : d^d1? nipn! ja * D^öia n:|p ^öö * craiy ioj pns» n1?
Dipoa quot;1^303 Nini * D^niü: bp 1113^ pn n^isa : Dvistp nvbp * D'rpi: innx D^ain bib - D^rni?
nnv^l * nnpnna ^ün nppns * niiiiy ^^3 t]rnp n: : nnnü ipns dki niniDK psnpps * nniop jpBh
* D^ISK onon ^31 * D^öTp 1 on npnpV ⢠D^up D^n
* Dnba nïi nba n^s nyj : a^ms Drn. npnp ppnv
6) Pesachiem t. a. p. Is het gat niet dieper dan twee mansarmslengten, dan onderzoekt ieder de helft; is het dieper, dan gaat ieder zoover, als hij met zijne hand kan komen en wat er nog mocht aanwezig zijn in de niet doorzochte ruimte, verklaren beiden voor nietig en doen afstand van hunne eventueele rechten daarop. Het onderzoek en wegruimen van i'srt is door de Rabbijnen voorgeschreven, terwijl naar het voorschrift der Thora nietigverklaring en afstand van alle aanspraken voldoende zou zijn. Waar nu, zonder zeer grooten omslag, geen andere weg openstaat, hebben de Rabbijnen vastgehouden aan liet Thora-woord, zonder hun voorschrift tot in het bijkans onmogelijke te handhaven. Evenzoo waar opvolging van het Rabbijnsche voorschift gevaar zou kunnen opleveren, zooals in het geval, dat in de volgende strophe wordt behandeld.
6) Pesachiem 80.
7) Mishna Pes. 2a; zie t. p. 8a, waar voor wijnkelders dit verschil wordt gemaakt. Indien men daaruit zijn voorraden voor de maaltijden haalt, dan is het niet onwaarschijnlijk, dat er iemand met een stuk brood komt om wijn te halen.
8) Pesachiem 86; al deze dingen worden soms gedurende den maaltijd gehaald. Zie de vorige aant. âpiïS'ïï. De Thalmoed heeft daarvoor 1:, een bewaarplaats voor houtspaanders, om als tandenstokers of ter verlichting te dienen.
9) De Thalmoed t. a. p. heeft 'Tp 'a, d. i. een bewaarplaats van was, volgens Rashle voor kaarsen. Onze schrijver schijnt het op te vatten als welriekende was.
JOTSEROTH.
dat zij voor een onderzoek zijn aangewezen; bij een open binnenplein1') zijn de [door God] als eigendom verworven Israëlieten daarvan vrij, omdat raven daar veel aangetroffen worden. Tot het einde der eerste vier daguren mag men dralen; daarna is het slechts bestemd om weg te ruimen, maar niet te betasten, â men mag het eten gedurende de geheele vier eerste daguren; men behandele het als iets hangends gedurende het vijfde, en verbrande in het begin van het zesde uur2). Heeft een Israëliet iets gezuurds gedeponeerd bij zijn geloofsgenoot, dan moet deze het tot het einde der eerste vier daguren bij zich houden, bij het intreden van het zesde moet hij het verbranden en gedurende het vijfde slechts mag hij het verkoopen, â want [met het zesde uur] is allen daaromtrent bevolen het weg te ruimen3). Wanneer een onbesnedene zijn Chaméts ter bewaring heeft gegeven aan een Israëliet in diens huis en deze de bewaking ervan en de aansprakelijkheid ervoor voor zijne rekening heeft genomen, zoodat hij, in geval het gestolen wordt of verloren gaat, verplicht is het te betalen, â dan is de Israëliet bij het naderen van het zesde uur verplicht het weg te ruimen4). Is echter de Israëliet opgetreden en heeft hij hem een bepaalde plaats ervoor aangewezen, zoodat hij het buiten zijn eigen bezit gesteld heeft, dan zegt de Heilige Leer voor dit geval uitdrukkelijk de wet en heeft hij daarover geene schuld5). Wie eene zeereis onderneemt, of met eene karavaan uittrekt binnen dertig dagen vóór het Paaschfeest, is gehouden [het Chaméts] weg te ruimen; vóór de dertig dagen echter, spraken de wijzen in de kostbare Leer, is hij niet verplicht zijn woning uit te ruimen6). Voorts zeiden zij: bij het ontbreken van een brood [aan hetgeen na het onderzoek bijeen ligt] moet hij wakker worden en opnieuw de reeds leeggeruimde plaats onderzoeken7); â [na het onderzoek] spreekt men het formulier: Kol Chamiera uit, zooals het is vastgesteld; â hiermede zijn de wetten omtrent het wegruimen van het gezuurde behandeld. â Het gebod aangaande het kneden van het deeg is geopenbaard, dat het geschieden moet met water, dat gedurende den nacht gestaan heeft8); door vuur of de zon verwarmd water
') Onder i*n verstaat men het voor gemeenschappelijk gebruik der omwonenden bestemde binnenplein van een huizencomplex, die allen hun uitgang naar die plaats hebben en van daar door de hoofdpoort eerst de straat bereiken. Daar de raven hier vrij kunnen vliegen, onderstelt men, dat Chaméts, dat zich daar mocht hebben bevonden, wel door dezen zal zijn opgegeten (Pesachieiu 8a. Shoelchan 'Aroech Orach Chajiem 433,6).
2) Volgens R. Juda in de Mishna Pesachiem 116 mag op den veertienden Niesan^ Chaméts genuttigd worden tot het einde van '/3 gedeelte van den dag. Elk twaalfde gedeelte van het tijdsverloop tusschen het aanbreken van den dageraad en het zichtbaar worden der sterren heet: een dag-uur, rwm ru'P, een uur, dat, naar den tijd van het jaar, langer of korter is dan 60 minuten.
139
bnn nivb tid tavp
DOquot;ii^niy * Dquot;up n3Q i oni^s -lïrn * D^KI DH n^nnb nVI. |3 -inNI ⢠WWamp; ^2*1{lt; e]lD ; Dquot;WD D^ nbnnn pan'^i - ï^Dn ^3 pbim ^ pbm'x * - nnxb -]n.i* ^2iK * nnn bvx ^pn nin» namp; : vt b*)# : n^a'? vVjr jnvp ⢠npio t^onnT isni'ty wm ⢠inmnKi V^t bapi ⢠in^a lïpn Tpan^
: inn^ana yn tv n^ana * in^na by nri nax in n^;i: nnin -iin23 * iqv^ nurno * laipp ^â quot;in'i id% -jinn * nT^n xw) D^ : IQ^N r1?^ pxi * lapna I^K * nip; ^opn ID: onip * nyz) pipT itini * n^a kit xriai. i tidhS iïs : nnn nisab pipr niriVn lan * «Tpn laixi * nipa pTüi pani * nVVn * n^a ns^ mv : 1^2
De vier eerste daguren nu mag men het nog eten, bij het begin van het zesde moet het verbrand worden; het daartusschen liggende vijfde uur verkeert het in een twijleltoestand: eten mag men het niet meer, verbrand wordt het ook nog niet, en genot mag men er nog van hebben; zoodat men het bijv. nog zou mogen verkoopen.
3) Pesach. 13a; Orach Chajiem 443,2.
4) De woorden zijn eene bijna woordelijke omwerking uit het Thal-moedisch Chaldeenwsch van de plaats Pesachiem 56 xzt inS isx.
5) Pes. 6a verklaart Rab Asshie eene daar aangehaalde Boraitha aldus: indien de Israëliet den niet-Israëliet eene plaats voor zijn Chaméts heeft aangewezen, dan is hij niet verplicht het weg te ruimen; wanneer toch de Thora zegt: het [gezuurde] zal in uwe huizen niet gevonden worden, dan is ons geval daardoor uitgesloten, daar die aangewezen plaats niet meer het eigendom van den Israëliet is, die er immers geene beschikking meer over heeft, â en de niet-Jood zijn Chaméts dus slechts in zijn eigen woning brengt. Natuurlijk heeft dan de Israëliet ook geene aansprakelijkheid voor beschadiging of algeheel verlies.
6) Pes. 6a; Shoelchan 'Aroech Orach Chajiem 436,1.
7) Pes. 9 v.v. vgl. Orach Chajiem 439.
8) Pesachiem 42a. einde van het 2de hoofdstuk. Het water, waarmede de ongezuurde brooden gekneed worden, moet den vorigen avond tegen donker geput worden, ten einde gedurende den nacht eenigszins ai' te koelen, 's Morgens vroeg scheppende, zoude het te koud zijn. Vgl. Toer en Béth Joséph Orach Chajiem 455.
JOTSEROTH.
mag niet gebruikt worden en evenmin water, dat uit een grooten waterketel wordt geschept1). Drie vrouwen moeten zich vereenigen, bezig met het deeg en op elkander niet naijverig: de eene kneedt, de tweede bevochtigt en de derde bakt2). Ben minderjarige, een doofstomme, een krankzinnige, alsook een niet-Israëliet, â de geleerden hebben het door die vier gekneede verboden en als zuurdeeg verklaard3); en een slaaf en slavin, wier ritueel bad niet ten doel had hen geheel tot proselieten te maken, hun deeg is de beide eerste avonden ongeoorloofd l). â Dat ieder twee vaten zou nemen in zijne woonplaats voor het kneden van het inacht te nemen deeg, dit is vast bepaald: één, waaruit zij het deeg bevochtigt, en een, waarin zij hare handen afkoelt5). Het spoelwater der gereedschappen van een bakker moet spoedig wegloopen 6), â men kan het in orde brengen door houtspaanders 7) of door het op een hellende plaats uit te storten, zoodat het zich spoedig verspreidt, â omdat het rijzing veroorzaakt. Voor zijn leelijke etterende wonde zal men geen tarwekorrels kouwen om daar een pleister mee te besmeren, ten einde die op zijn wonde te leggen, omdat het [speeksel] de tarwe doet rijzen8). â De tafelbediende, die een olijfgrootte ongezuurd brood heeft gegeten, terwijl hij mede aanzat, heeft aan zijne verplichting voldaan 9); en wat aangaat [de vraag, of] het deeg, indien er wijn, olie of honig in is, gaat rijzen â op de beide eerste avonden zijn zulke ongezuurde brooden verboden, doch op de andere dagen mogen zij gerust worden gebruikt10). â Als men een ongezuurd brood ziet, dat gelijkt op een op kolen gebakken koek en niet behoorlijk gaar is geworden, zoodat het draden geeft [bij het doorbreken] 11), of dat de vuurstapel het heeft doen verbleeken 13), â daarvoor zou men, indien men het gebruikte, [de straf van uitroeiing] schuldig zijn 13), en het is dus verboden. â Nu nog uiteen zetten, dat de vrouwen
') In hun groote koperen waterketels, W?!», bleef het water nog lang warm, nadat het vuur eronder was uitgegaan. Daarom mag dit water nooit gebruikt worden. Warm water zou rijzing van het deeg bevorderen s) Pes. 46amp;. Zij moeten niet angstvallig nagaan, oi' de eene voor de andere misschien iets meer moet doen, dan de andere voor de eene; zij moeten elkander afwisselend helpen. Er bestaan hieromtrent andere meeningen, zie de Mishna en Gemara t. a. p.
3) Vgl Shoelchan 'Aroech Orach Chajiem 460,1, waar die bepaling alleen voor de niïn Sp hï?: gehandhaafd wordt. De bron is Sheëlthoth. Tsaw, N0. 76.
4) Een heidensche slaaf of slavin moest, bij aankoop door een Israëliet, een ritueel bad ondergaan mar dc.'1:, waardoor hij het godsdienstig karakter van quot;121% slaaf, kreeg; hij viel dan onder dezelfde verplichtingen als eene vrouw. Als quot;ij gold hij echter niet, tenzij hij ten tweeden male een bad had genomen niu Dt'S met de bedoeling om proseliet te worden; dit kon natuurlijk alleen geschieden met goedvinden van zijn heer, daar hij met zijn overgang tot het Jodendom de vrijheid kreeg. De bron voor de hier
140
quot;no op
niDny â¢' kV w * nbios nan m
nns4quot;) nnx * na» f^n pgt;'23 nipv^ * D^:
-IIK'^-J ⢠nülE'i ^nni \u\i: naiN nnxi natapo
nl:i^Kquot;i3 * |n^3L3 nil ühp nnw) 12%) * i^-is n^*1?1? * 'iSE'ioa wt* oyp Q^s nn'p : |nD^ nnioN : 13 nmzpv nnNi * 13 nataps^ nn« * ^tsnb nips noy
* D72 ^3 pvabn1? â¢D^niQinm bamp; iwmn ^3 nvvri
: D'V'pna 1 onir ^30 * pnos ^SB'1?
'33 ^ fn1? * in'^spK'? D'isn DiyV nV * innu nsp
* nïo nns b3^ 1 wm : invsno Ninty ^00 * inso
T - -I- - -TV T - T ; - ; â¢.â¢â¢â¢:⢠T -
* nvannp riD^s ^3quot;n jot^i pn * xr in3in n\ 3pD Nin^3 nnan HÃQ : nvu quot;1^3 bnsj nl-iiDSJ ni:l^Ki3
T : T - T T : T ; ⢠T -: -: ⢠T
nsp3nr3 puin nvtr^;i * nni^3 nbamp;2 sbw * n-nn1? nivps d^: ms'pn : n-jiDN sMm n^ p3»n * rnmo
gegeven bepaling aangaande het deeg, door een slaaf bereid, heb ik niet kunnen vinden.
5) Pes. 42a.
6) Pes. 406 en 42a. disito, van -pm (I Sam 21,9) gehaast, dringend.
7) Het middel om water, dat niet op den bodem mag worden gestort, op houtspaanders te werpen, komt in Choellien 105a (Vgl. Orach Chajiem 181,2) bij owns D''!:, het wasschen der handen nii het eten, vóór het uitspreken der dankzegging, voor en is door onzen schrijver op onze zaak toegepast De Thalmoed heeft op onze plaats in Pesachiem 406 slechts het tweede middel.
8) Pesachiem 396, Orach Chajiem 466,1.
9) Pes. 108a, Orach Chajiem 472,6. Ook de tafeldienaar moet op de eerste beide Pésachavonden bij het vervullen zijner verplichtingen na'Dna, leunende gelijk een vrij man past, aanzitten.
10) Pes. 35a; Orach Chajiem 462.1. â Zie echter Rema's aanteekening op §4, waaruit blijkt, dat geen vruchtennat bij het bereiden van meelspijzen op het Paa.-chfeest gebruikt wordt en geene andere Matsoth worden gemaakt, dan die aan de ritueele eischen voor nis» .-ren in hoofdzaak voldoen.
11) Zie Pes. 37a wn rem.
12) Verbleeken van het deeg is een der eerste verschijnselen van rijzing. Pes. 486.
13) Vgl. de aangehaalde plaats, waarmede onze schrijver in strijd is.
JOTSEROTH.
vast moeten houden aan de geboden betreffende het Paaschfeest evenals de mannen, dat zij het hun opgedragene moeten inacht nemen door het gezuurde weg te ruimen en ongezuurd brood te eten en vier bekers wijn te drinken Men behoort ongezuurd brood en bittere kruiden en Charoseth3) bij den maaltijd ieder der aanzittenden voor te zetten, terwijl zij als een kroon in een kring bijeen zijn; men neemt dan de tafei niet weg en doet hen niet opstaan, voordat allen de Haggada hebben gelezen voor Hem, die zegt [en ook volbrengt].
â¢pi'rD
Dan zal heiliging U ter eere opstijgen, want Gij zijt de Heilige van Israël en de Helper!
Zie, er is immers v«or U geen nacht en alles is voor U dag en de eene dag verkondigt den andere het gezegde en de eene nacht maakt den andere weten bekend. Geen duisternis is U te duister en licht troont bij U, ochtendstonden verkondigen Uwe genade en nachturen spreken luide van Uwe trouw, en dageraad en ochtend- en middagschittering en het glanzende licht en namiddag en schemering en nacht en elke tijd en elk uur en elke stonde en elk oogenblik vermelden Uwe allesovertreffende wonderen en verkondigen teekenen en bewijzen Uwer wondermacht. Gij zijt het, die opnieuw hulp verleent en wonderen verricht en eerbiedwekkende daden volbrengt, die dagen telt en uren bijeen rekent; een dag van U is duizend jaren en Uwe jaren hebben geen einde, want alles eindigt, doch Gij zijt niet eindig. En evenals Gij eeuwig levend *ijt, zoo leven ook Uwe dienaren; gelijk Gij rein zijt, zoo zijn ook zij vlekkeloos; Gij zijt heilig â ook zij zijn heiligen en heffen heiliging aan ter eere des Heiligen in een driewerf herhaald : heilig !
Voor den eersten Shabbath in Ij ar.
*) Ik gedenk Uwe daden, mijn Vriend, in Jordaanstreek en
Chermons gebergte 3),
In de groote bewijzen van macht, eens den vroeg'ren geslachten gegeven.
Gij bevrijddet met krachtigen arm hen en reddet hen tallooze keeren, â
') Pes. 108a. ;/Zi.i eenoten immers mede van die wonderenquot;, daarom rusten ook alle verplichtingen mede op haar.
') Een mengsel van verschillende vruchten, als: appelen, rozijnen, noten, met wijn en kaneel en andere kruiden, dat als herinnering aan het leem, dat onze voorvaderen in Egypte bezigden, wordt gebruikt. Het indoopen van de bittere kruiden in dit zoete mengsel heeft tevens ten doel de mogelijke, voor de gezondheid nadeelige gevolgen van het gebruik van die scherpe, bittere zaken tegen te gaan.
141
b'nn narb no KQp
NYön ⢠motr1? ontoö dwo -mia1? nos
- quot; ; t ⢠-: â¢â¢ t ; t : t : t I 1 ⢠t -i - t -:t ; quot; iv
nonni -inoi h-ïq nn : n-iom »53 van» ^nb'dl?!i * ntes
vi-;- t t - â¢â¢ t;-: â¢â¢â â :â â¢â¢ : ⢠; t * quot;
pipiy pNi ⢠nnKi -IHK ba ^a1? * rniyoa : mann iQiKtr »0 mba 10:1 * rrrayn1? rn^n
tt â â¢â¢ v ⢠â¢â¢ : ⢠: â¢.. it : t r : It; % -
â¢plS'D
: ^^ioi trnp nriK *2 nanp rhyn prn ovb dvi ⢠d1» ^33^ 1 van^ * nvb »3 pni
Nb -pni : ^nv rh'b) * quot;ion
* ^pn m onpa * ?|sy np * ^sa ^trrr â¡'2quot;iyi ⢠mui Dnnxi ipbi nn^i : nnaiox 133^
I v iv: * |- i quot; s -it ⢠1- *: t ; I v i - i- ; I iv t v: -: quot; :
- ym jpn ny ^ * r6^i
⢠N^sDi * nijnt^ t^nnpn : ^nix'pa; â¦nsioi nini« *(?.2 ^quot;i'l ' rniDi * aw ISIDH ⢠niKnii n'^ : n^D ah nnNi * nba Van »3 * isn'
v t t - : v t - ⢠i- ⢠I iv : * t
* oninp arn -iinu * o^n fs 'n nriN n^xai : D^npö t^np1? nE'ip'i * onri-ip un]
'ui rnp imp trnp noxi nr Sn m Nipi t by ainsa
.mristr1? nos psB' nmar1? ninVir
nquot;N nn nnx pirxn narS nSir
â¢dScD own =iiD2i 3quot;X oquot;v
ib'n niBD snij3 * cnio-ini pi; pKD nn ^stk na3 Dnbïni VIITS arbm ' nxban
t - t : â * : ~ 1: * t : - : ⢠:l-- t iquot; : â¢
1
Het acrostichon in de laatste strophe geeft als schrijver op; Meshoel-lam, vermoedelijk R. Meshoellam ben Kalonymüs, de beroemde Paitan, die reeds door Rabbenoe Gershom geciteerd wordt en door wien o. a. vele van de in onze liturgie voorkomende gebeden voor het ochtendgebed van den Verzoendag vervaardigd zijn. (Zie over hem Rapoport in Bikkoeré Ha'ittiem X, pag. 40, N0. 36, en XI, pag. 98; Gkaetz Geschichte 5, pag. 549; Lakdshüth pag. 265 v. v.)
2
3) Naar Ps. 42,7, waar Midrash de woorden opvat, zooals wij vertaald hebben. Jalkoet 11,743.
142 J O T S E R O T H.
Doch thans in de ballingschap zijn wij als dooden in donkere graven!
Toen Babylon's leeuw1) mij verstootte, verbrijzeld' en brak mijn gebeente,
Hebt Gij mij gered uit zijn muil, toen de tijd van mijn straf was verloopen.
Toen de Perzische beer m' overviel en de knoken mij krakend ontwrichtte.
Hebt Gij mij bevrijd van zijn klauw en gevorderd de wraak voor mijn bloed !
Ook de panter van Jawan verscheurde, sloeg bressen in heilig-doms wanden.
Hij beraamde het heillooze plan, mij van binnen en buiten te
treffen 3) ; â
Gij hieuwt hem de voorpooten af, toen mijn smeekende stem Gij verhoordet.
Verslaande zijn kracht'ge legioenen, bracht Gij hulp voor mijn dierb're gemeente.
Meer dan allen deed 't machtige zwijn uit de wouden zijn kracht mij gevoelen;
Hij lastert en vloekt Uwen naam, en toch stijgt zijn macht tot de sterreu ;
Hij vertrapt mij, knaagt m' af en hij hoopt mij geheel nog te gronde te richten;
Hij verwoestte Uw heilige woning en drong tot de grondvesten door!
Hij deed wank'len het goddelijk recht3) en verandert mijn heilrijke wetten 1
Hij gebood mij te loochenen snood 's Heeren eenheid, die steeds ik betuigde !4)
«Houdt Uw Schepper Zijn krachten terug, onmachtig met mij
vergeleken ?
Met mijn schreden bevlekt' ik Zijn tempel, toch sta ik rechtop ongedeerd!!quot;.
Gij hoordet hun smalen, o Heer; zwijg dan niet bij mijn lijden en strijden!
Vergeld zevenvoudig dien smaad in den boezem van mijne belagers 1
0, vorder gebiedend mijn vrijheid, mijn Vriend en Verwant6) [die moet lossen] ;
Verleen mij toch spoedig een toevlucht en neem mij in Uwe bescherming! 6)
Uit Uw hand, die den trotsche eens trof, wek de kracht weer 7), met wraakkleed omhangen;
Maak een eind aan het pronken der wellust8), verbind mijne gapende wonden.
Omhang U met kleed'ren der wrake, den perskuip der volk'ren te treden9);
Dat wij prijzend als Koning IJ huld'gen, als eens toen de Schelfzee verdroogde!
Tw m quot;in» pirMi naB'b rhv nop nxn â¦annn : D^O^K ^03 nnv irsi ⢠D^IO
⢠-: t ⢠1- ⢠⢠⢠- ; - : x - r^' â¢
^33T ⢠w nNbp 'sh vso Dïjri
ia: wiu : â¦Ã¶'ïï ptrmi itd â¦jnïbn * 'ona Dnai nitn
quot; t I - t t t t ; 1- t ; t ⢠⢠r : - ⢠- t : â:
vsjsï n^3 * pnpi n»3p pst
Db3p : â¦bnp nytfirn nm * â¦bip ^odquot;)3 ^bp ⢠i3| D'Mia -i^i. c^nni ^3 * nan inn n^^s pa : -12^ HD^n 1%) ïjbiaT ito * i?P na iï^n ^ip * â¦nn^ THT trnab ' 'nn Tiy na^i ba Dnsnn n^aty : â¦noipa â¦jam in»m â¦nosn * â¦nsy1?
tt : v t : i~ t -tl; ⢠: ⢠: ⢠: ⢠; i- t ' t~\ :
â¦nbKii pnn * â¦rnp p»n bt* ntrn ⢠unb tynnn
navnsp : ^fpv â¡böp 'h ir^nn * â¦ainpi nin â¦nap jT2Egt;n nrn^ ynè - tyiabb op: njr nn^n nnn ^jnnxb nptó * iriabn op: nn nnia -]i-n^ * trinn1? mry : Viïyi e]lD D* â¦pa
') De vier wereldrijken; Babel, Perzië, Griekenland en Rome worden, volgens Midrash, in Dan. 7,4 v.v. voorgesteld onder de beelden van een leeuw, een beer, een panter en een ever (dit laatste in verband met de woorden: nï's -mn nj»Di3% Ps. 80,14).
2) finsi riian, van binnen en van huiten. vermoedelijk een beeld voor: geestelijk en lichamelijk. Vgl. den row nncS ixi\
3) Naar Jes. 28,7. De Thalmoed (Megilla 156, SanhedrienHU) verklaart de woorden wel eenigszins anders, maar de opvatting van mSi^E voor wet en recht is door den dichter aan deze plaatsen ontleend.
4) Ik kan de lezing VITJ/ niet anders verklaren dan van mX' getuigenis, in den zin van; het voorwerp van getuigenis; dat, waarover men getuigt.
5) De naaste bloedverwant is verplicht voor den vrijkoop te zorgen van een Israëliet, die zich uit armoede als slaaf heeft verkocht (Lev. 25,48 en 49). i-m is hier een woordspeling. Ter aangehaalde plaatse komt het voor in den zin van: oom en wordt nu hier gebruikt in dien van: Vriend.
6) De uitdrukking 'air1? is ontleend aan Jes. 38,14.
7) Naar Jes. 51,9. Gij arm Gods, bekleed u met macht, ontwaak weder... . gij waart het immers, die den trotsche verpletterdet. Met am wordt Egypte aangeduid, naar Jes. 30,7.
8) runr is de bijnaam voor Babel, wegens de zedeloosheid, die daar heerschte (Jes. 47,8).
9) Naar Jes. 63,3. Zie onze aant. 12, op pag. 134
JOTSEROTH.
Voor den tweeden Shabbath in Ij ar.
(Indien op dien dag de afdeding Behar gelezen wordt, zegt men Acliaré Nimkar). O God ! blijf niet stil, blijf niet rustig en zwijgend,
Om Uw tempelverblijf, dat verwoest is, beploegd.
Dat thans volk'ren bezitten, als erfrechtig zoon1);
Zij vergoten het bloed Uwer knechten, â nog steeds is 't niet
geëischt.
Van ouds en sinds jaren leedt Gij mede al hun nooden2),
En nog vóór zij U riepen, ontvlamd' Uw erbarmen ;
Doch nu versmaadt Gij hen en verbergt Uw gelaat.
Zie, hoe nieuwe [verdrukking] verteert3) het deel, door U verkoren!
Die minwaardig gebouw nog bestrijken4), zij spreken mij last'rend
aan:
//Uw Schepper vergat U, Hij wendde den nek u toe!
Wij verwoestten Zijn huis, eens vol prachtB), en als mest is
't door ons verontreinigd. En toch ijlde Hij niet ü te hulp, daar Hij U versmaadt en
verwerpt!quot;
O Heer in den hemel, hoe lang nog vervult zich hun wenschen ? Als leeuwen-gebrul is hun stem, als het dond'ren der golven! O Almacht'ge in kracht, Uwe hand, zoo verheven, laat niet
zien hen, vol vreeze 6), Tot eerst zij, die Uw hulp angstig wachten, Uw wond'ren aanschouwen !
Hoe verwoestte de zonde! het heil'ge ontwijd, 't visioen en
het offer verloren 7)! Tracht het spoedig, als vroeger, vernieuwd te herstellen!
Laat het offer van morgen en middag gedurig Uw altaar versieren! Hef op weer de natie, ü dierbaar, vernietig wangunst'gen en haters!
De tempelpoorten, in den grond verzonken 8),
Riclit spoedig hen weer op uit hun verval!
Herstel in vroeg're pracht den tempel en zijn hallen! Als wond'ren Gij verricht, vertrouwt ü 't eeuwig volk. En huldigt steeds Uw vreeze, als destijds bij hun redding!
') Als een tot erven gerechtigd zoon hebben de volkeren zich meester gemaakt van het land, als deel toegewezen aan Israël, Gods //eerstgeboren zoonquot;.
s) Het is een in Midrash telkens terugkeerend denkbeeld, dat de Godheid als het ware medelijdt den nood van Ziju volk; «met hem ben ook Ik in leedquot; (Ps. 91.15) en Israël op zijne verschillende ballingstochten vergezelt.
3) De woorden: DrmSn ns cnn d'wn-' nnï (Hoshéa' 5,7) worden door Jalkoet t. p. (II N0. 520) verklaard: omdat zij vreemde kinderen hebben voortgebracht, d. w. z. vreemde goden hebben gehuldigd, zal thans nieuwe onderwerping hun deel verteren-, vgl. Thanchoema ed. Bubeb, Shemoth N0. 7.
143
TK m tpbc 'jp ras''? rht MP
.quot;laoj nnN o^»w -ina 's sm DN
â¢ja^a owquot; Tquot;1 3quot;JC Dquot;r
nu ivz - tynnni üip^n bx ^ â¦pn
⢠Bh»1? nxn ras d^iü * ^10:1 Dquot;in: »3
T ⢠T I â¢â¢ : it; ⢠TV: V : tv: â¢â¢â¢
nn^ni TKD nrix xbn : trnn: N1? DI
DnmT ⦠maan Qsmi niNip D^ÃI * mï Dniï VDS
T : - : t :i~ : â . â -; - | i TI: viv ; T :i- T TT T :
nt: : mna pVn Sdn E'Hn * mnon q^öi nny
.. t t : r â¢â¢ I : I v iquot; - t v i t : r : ⢠⢠t t^-
* njai T]nD^ Tjnv^ ' ^quot;inn ^ D'nniir ^sn â¦3 iWin1? E'n KV * e]quot;)33 imiKspi 1:^3 D'pni: * pNboiv quot;by n:Nt 1% : e]Ti mrv Va nn» nan nb nionsi 0^x3^3
I tv:V - I :T T IT - 1 * - I T ⢠T -: - : * T : -
QOiiy ^^3 : pxbsn^ ^nsio ^03 * pKquot;n ni:3-!pT * onjvo^ nsï * n^prini jitni
nri^i n:p^ ,Doip ⢠Tpnri ^narp ^ 3quot;i^it nntf
i:i3p Vj; iD'n * obn ïy opn D^i3ün on^ : yntin
^xniè * DViv niNni! ⢠DVW
mty : DVKSHS TN3 wny nï5
t -: t * : t : r -;quot; -iv
4) De uitdrukking bsn 'na is ontleend aan Ez. 13,10 en 11. Daar worden de valsche profeten geschetst als mannen, die een slechten, wrakken muur met pleisterkalk bestrijken, om hem sterk te doen schijnen. â Hier doelt het op de vertegenwoordigers der volkeren, die door schijnargumenten, ontleend aan Israels vernedering en hun eigen grootheid, de waarheid hunner dwaalleer trachten te betoogen.
5) iTsm rro. naar Hoogl. 3,10 e. a. p., die door Midrash in verband gebracht worden met den tempel. inTSi beteekent eig. dat deel van een rustbed, waarop men zich nederlegt.
6) Naar Jes. 26,11, welk vers naar ééne opvatting beteekent; laat de volkeren niet eer Cwe ter wraakoefening opgeheven hand aanschouwen, alvorens zij de wraakneming voor Israël hebben gezien. Vgl. Rashie t. p.
7) Naar Daniël 8,13. b»w jjcb wordt door Midrash in verband gebracht met den afgodendienst, die het heiligdom der vertreding prijs gaf, het dagelijksch offer deed ophouden en de profetie deed verdwijnen.
8) Sota 9a, Echa Rabbathie 2,9 wordt medegedeeld, dat de poorten des tempels niet aan den vijand werden prijsgegeven, maar in den grond wegzonken.
JOTSBROTH.
Voor den derden Shabbath in Ij ar.
[Indien op dien dag de afd. Behar wordt gelezen, zegt men Acharé Nimkar).
*) Gij zijt mijn God alleen, en buiten U is niemand ! 't Wellustig [Rome] spreekt: //Ik, ik ben 't, verder geen!quot; //'k Ben doorgedrongen in des tempels binnenkamer,
Verwarring bracht ik op de plaats van Gods verschijning1) 1 En ben toch ongedeerd te voorschijn weer getreden,
Terwijl geen ramp mij trof, noch struikelde mijn voet!
Gods helden trapt' ik neer, Zijn dapp'ren kon 'k vertreden.
Zijn burchten slechten, ja, betreden zelfs Zijn woning, Het allerheiligste verblijf Zijns heil'gen woords Verbrijzeld' ik en mocht Zijn erfdeel zwaar verdrukken;
Zijn legerscharen sloeg ik tot verniet'gens toe.
En zelve werd ik door geen onheil ooit getroffen 1
Voorwaar! ik leef in rust, vol vetheid, krachtig bloeiend, Ik woon in mijn paleis in kalmt' en veiligheid!
Waar zijn Gods wond'ren thans, zoo vaak verricht voor 't
«boompjequot;2)?
Waarom toch redt Hij 't niet uit mijne [zware] hand ?
Ik deed verstommen en ontwijdde tempelzangen,
Verbrandd' in vuur Zijn huis, verwarde Zijne hoven.
Ontwijdde Zijn geheim 3), sloeg bressen in Zijn wanden,
En op Zijn eigen outer slachtt' ik priesterscharen!quot;
Het woord der zienerschaar der weggestormde natie, Het grootsch profetenwoord van 't angstig wachtend volk Voorspelde haar: «nog eens zal zij met vreugd zich sieren4)!quot; Doch lang wordt ons de tijd, âbedriegt't visioen der zieners5)? Daar geen verkwikking naakt van 't vlammend pijnenvuur!
Almachtige, Gij zijt de Eeuwige, onze Heer!
Bedwingt G' U bij dit al, laat zwijgend G' ons verdrukken ? Waarom toch ziet Gij 't aan, dat trouwloos z'ons weerstreven ; Wat zwijgt G', als snoodaard's muil de rest des volks verzwelgt?
Zij kwellen en pijn'gen steeds, vertreden Uw gemeente.
Slechts last'rend, schennend woord wordt tegen U geuit. Gevreesde Almacht, Gij, Wiens toorn geen volk kan dragen. Sla hen met angst'gen schrik, .die durven ü bestrijden.
Verwar hun geest, hun blik door 't dond'ren van Uw storm!
Zij sloten met geweld den mond van wie U huldigt,
Verboden ons Uw naam als een'gen God te prijzen; Zij vorderden een valsch getuig'nis hun te geven,
LEVITICUS. S
144
-ra m tin trW nar1? nVir quot;op
â¢quot;DO: nn» gt;13 '3 NW DN
.DSITO oirn .-|icai yjf Dquot;y
' â¦pflNquot;! no: nr-j^ 1 ny px ?|n^n D^ribx nrix di^di * npi Dipp 'rnjnjn n-ina â¦ma * Vamp;V vn^sï â¦n^DiB' vniaa : ni^pi yiz 'ntiT inbni 'min mi * wdoi vm^trö rrtnn vditü
t -: - ⢠: \~ t * : * : r t t : : ⢠⢠: i- â¢â¢ t
n^-r ^:n : wzt* tih 'nnn vndv â¢
T.. ; T.. . ... â¢!quot;â¢.. -: ⢠: I- * T T ; ⢠iquot;^*
vnixSa: rvxi * n^N^i nü^ fiDquot;iNa
i^D'n nli'DT : ns^ür K1? n'o pno * n^D1? K,l?sn quot;I^N
t .. . . tiv . - 't * i ~ t - : * : ⢠v -:
'mtnin i^ipo 'nïm * vr.iT# â¦nVVni 'n^nn
⢠: i- v' : ti ; ⢠â¢â¢ t * r ⢠; t ⢠⢠; r ⢠: ⢠iquot; v; v
inarp ^ ⢠vnii'p quot;i^sï 'n^n * rniiïn
D'Kaan * rraiï ^2:1 m^io nin : vdiüü 'nnna
⢠; ⢠- t ⢠â¢â¢ ⢠: t x quot; I ' t -:t : ⢠: r t
I'k * n'öVP pTn idnquot;! unx D'p» * rran n^n -11^ nh 'jvn * uii-iN quot; nnK na ^33 : n'airi b'ko mi n*?
*l - ,.. -: â¼; t - - i * - t iv t ; â¢â¢ â¢â¢ tt : t
D^pjTt anjia ü^n na1? ⢠i:3^rn n^nn pSNnn n-w D^^pi D^id : li^np nnNE' ywi ^33 ^nnn ⢠quot;iix: * ?|a);V D^iin'i D^ÃIKJ D^stoi * D'Ksnpi Dpni ^3np inn.quot;'. * quot;qa^T D'15 «-? intsi TF * quot;'ö.^0 TP^PP n1,2 ^np : ^a^n
1
De schrijver is dezelfde als die van vm tojn.
') nri Dip», de plaats, door God bestemd, om met Mozes saam te komen (Ex. 25,22).
2) n», naar Ps. 80,16; Bedenk.... en dit spruitje, dat Uwe rechterhand plantte, een veelgebezigd beeld voor Israël.
3) uieï, de plaats in den tempel, die voor ieder verborgen, ontoegankelijk was, het allerheiligste.
4) Naar Jer. 31,3; eens zult gij iceder u sieren met tamhourijnen enz.
5) 12« hier gebruikt in den zin van: niet uitkomen, niet vervuld worden.
JOTSEROTH.
Te looch'nen [o verraad!] Uw eeuwig waarheidswoord!
Waak op dan, waarom zoudt Gij langer blijven slapen?
Waak op dan en verdelg, die opstaan tegen ü!
Om in het openbaar Uw koningschap te toonen,
Voor gansch der wereld oog Uw eenheid te betuigen!
Doe lichten Uw gelaat, bewijs Uw wonder-gunsten!
Help wie op U vertrouwt, doe jub'len Uwe vromen;
Leid weer Uw kleinvee naar de stad, waar Gij verschijnt! Dan weet weer gansch 't heelal, dat geen is buiten U!
Richt op Uw hut, als eens, op Shalem's schoone bergen.
Breng daar bijeen d' in West en Oost [zoo wreed] verteerden;
Dan spreken overluid wij Uwe grootheid uit.
Dan treden wij met dank en lofzang voor Uw oog.
Als G' onze ballingschap terugvoert [naar haar plaats].
Vernieuw dan als weleer de dagen onzer glorie!
Dan wordt een nieuwe zang, een prijslied aangeheven.
Als Gij het arme volk uit trotsche macht bevrijdt.
Om hun banier geschaard, welt uit hun hart Uw lof,
Gelijk eens aan de zee, toen zij door golven trokken.
Bevestig dan Uw woord, o eeuwig levend Koning!
«Men zal niet meer het juk der 'Anamiem!) gedenken.
Maar spreken zal men ; leef [d' Almacht'ge Opperheer], Die voert van verstverwijderd oord, van 's werelds grenzen [Zijn volk], dat hopen bleef [op Zijn beloofden steun]
In nood der ballingschap, bij brandend barenbruischen !quot;
Voor den Shabtath, waarop de afdeeling Behar wordt gelezen.
*) Nadat hij is verkocht, zal lossing voor hem komen 2). De «eerstgeboren zoonquot; â zijn Losser komt gewis!
Schenk Uwen zegen. Heer ! op zijn [geringe] krachten. Herbouw [gelijk weleer] zijn [U gewijd] gebouw!
Neig toch Uw oor, [o God ! welwillend] tot zijn bede,
Als hij met luider stem zich smeekend tot U wendt!
145
Verdreven, weggevoerd, niet meer aan 'sVaders tafel3), Beheerscht de vijand hem gestreng â Gij ziet het aan ! â
') De 'Ananiem zijn volgens Gen. 10,13 een Egyptische volksstam. â De gedachte is ontleend aan Jeremia 23,7 en 8: Zie, dagen komen, zegt de Eeuwige, dat men niet meer zal spreken: zoo waar de Eeuwige leeft, die de kinderen Israels uit Egypte heeft gevoerd; â maar: Zoo waar de Eeuwige leeft, die het kroost van het huis Israels heeft opgevoerd en
m quot;inK whv mvb rbv nop
* inpnb |^1n naS * -IHD1? ^jnpNi n^nS ^önquot;! nxn ^33 : -inp^ â¦apaa ybürh ^mr^p nnpquot;? 1 bn: ^JNà ⢠^Tpn pirn ^pin ^in * ^non
ï|5D DDip : pts »3 Sin n^n ⢠^-P
pan^ ^niDon * onppi HHKD ^IDK D^ ijn ⢠onppa : Dnp3 ww ^n ⢠onpi ^:ö nnirai
* D^Sin fpp ^ DJ; ?|nna * D^ibn f^ai
?|nbp : D^a r? 0^21^3 tjo * d^ji: ïjo^a ww nVnn
* a^p:^ Vnp mis 'rp'n1? * D^p1?^ ^0 1 D»pn nvpna nbi-i? vbn^p - D'pinn »013x0 n^pn 'n quot;ïdkS
mty ; D^plnn
'quot;jn ins reré? rhs
f dn1 ptn Snioc 12 1113 Dinn c^iDai 3quot;j{ dquot;r
⢠iiy N3 lüsn pn * h nrtn nVw ispj nnx |3n» »3 ib ntsn * i^st n»3 n^i i^n â¦; Tpa -|na2 3MN ⢠lartt DK fn^ni n^ D3 ^ia : i^ip
1
De schrijver, R. Baboech ben Samuel, leefde te Mainz en stond in correspondentie met R. El'azar uit Worms, den schrijver van npn. Hij behoort tot de onderteekenaars van de besluiten der synode te Mainz (1220). Hij is de schrijver van een n»Dnn 'd en van verschillende liturgische stukken. Zie Landshüth s. n.
s) Lev. 25,48 bevat de bepaling, dat een Israëliet, die wegens armoede aan een 2cm u, een inwonend vreemdeling, dus een niet-Israeliet, verkocht is, zoo spoedig mogelijk door een zijner bloedverwanten gelost moet worden. De dichter past dit voorschrift toe op Israël, dat in zijne ballingschap aan vreemden is prijsgegeven en waarvoor God, die het Zijn eerstgeboren zoon genoemd heeft, dus als Losser moet optreden.
3) ./Verwilderd, heengezonden van de tafel zijns Vadersquot;, is eene Thalmoedische beeldspraak voor de ballingschap, waarin Israël leeft, niet meer in voortdurend verkeer met zijn God (Berachoth 3a e. a. p.)
JOTSEROTH.
Eisch spoedig toch zijn recht, breng troost hem [in zijn lijden] ; Geen traan heeft meer zijn oog, â tot eens zijn Vriend!) hem lost.
«De vader heeft den plicht zijn [dierb'ren] zoon te lossenquot;2); Waarom dan toch [o Heer!] vergeet Gij hem geheel ?
Zult Gij hem dan niet weer [genadig tot U] nemen ?
U is het lossingsrecht hem vrij te koopen weer3) !
Gij hebt den duren plicht, steeds goed hem te besehermen ^), Te zorgen, dat hij weer zijn ouden stand herneemt4).
Ja, Uwer wond'ren maar' â ons oor heeft haar vernomen; Ons oog laat zien, wat uit Egypt' ons oor vernam !
Hernieuw ons als weleer, om niet5) ons weder koopend,
Laat dan voor eeuw'gen tijd die lossing duurzaam zijn !
Algoed, rechtvaardig Heer, die ons Uw paden leerdet. Den balling voer terug, neem in Uw huis hem op 6).
Maak recht den krommen weg, â om Uw genad' en trouwe 7) Geworde lossing hem, â want zoo is Uw bestaan!8)
De snoodaard groef een kuil, waarin ik zoude vallen,
Bedenkt vloekwaardig plan, verzwarend nog mijn juk, â
Doch opwaarts blijft mijn liart, mijn oog keert tot mijn Schepper. Ik smeek tot Hem alleen; âVerricht de lossingstaak Voor mij, want voor mij zelf vermag ik niet te lossen!quot;9)
Gij hebt gewaarschuwd ons in lang' en korte woorden 10). Wat Uw gezant11) besloot, hebt Gij getrouw volbracht. Profetenwoord voorspeld' al wat Gij hadt geboden. â
Spreid thans Uw vleugels uit â want Gij hebt lossersplicht!13)
Treed op, â den vijand tref, die 't volk belaagt, het arme, Zijn snoodheid zonder grens verdelg door grooter straf13). Wees borg tot waar geluk voor Uw vervolgde natie,
Daar Gij [voor ons] toch immers naaste Losser zijt14).
Sla groote bressen dan in Edom's wijnstok-rijen.
Het worde plots verwoest, omkeering van Sedom !
Maar in Shoelammieth's 15) hof moog' knop en bloesem spruiten.
Verlos een tweede keer haar weer, maar nu voor goed !
') nn komt Lev. 25,49 voor in de beteekenis van: Oom, verwant, en is hier gebezigd in den zin van : Vriend, een gewoon woord voor Gods verhouding tot Israël.
') Thalmoedische sententie Kiddoeshien 29a.
3j Naar Jer. 32,7. Ten tweedenmale zal de lossing door God plaats hebben, nadat Hij reeds eenmaal zelve Israël uit Egypte heeft bevrijd.
4) Wederom Thalmoedische termen, die nier zeer geestig gebezigd zijn.
6) Ook al maken wij ons niet door goede daden de verlossing waardig.
8) Ontleend aan Deut. 22,2. waar het voorschrift gegeven wordt, een
146
to nro rbv top
nn i nv iba ⢠mn:r\ on:) irm * istv
t quot; t iv -: - : â¢â¢ - ; !â¢.â¢;;⢠t iv :â¢
3^n xbn inrDt^ nr - inns1? 1:22 :jti ^kh
t â : : ~ : v t it : : ⢠: ⢠t ~ t t iv t ; â¢
inTpB' ' ini:^ n^t? nVxiin â¡a^p * innp^
^nixba: IDT : mpTn by n^^n1? n-'N-i * ia:» oani E'nn ⢠12»:^ d'quot;iïo
- â¢â.. f|; t ⢠: t quot; t : â¢â¢ quot; iquot; ; quot; iquot; â¢â¢ ; ⢠iquot;; â¢
n^n m: ⢠n^nimiK â¦am mio aiü : 13b rrnn
â¢â¢ t t * i iv : â¢â¢ ; - v t t : it v ; i* t ^
* 'qnüK by ïppn by 2ip^T -jin inöDNi
* ^arf? nniir ^ onr na : nmo p »3 ib n^nn nbxa
⢠- ; t ⢠â¢â¢â¢ t I iv t ⢠I â¢â¢ ⢠v : r t â¢â¢. ;
â¦3^1 Diiab ^b - â¢'by n« quot;i^aan1? yvi nia^na 1 D^a^in : ^ 1 VN:1? 1 VaiN K1? 'a â¦nbKa na nns 1 bw * quot;bbïnnb
tl' - â t \ : v t - i; - ; ⢠-: : â¢
üwï: * no'p nriNi ira tin^d * m^n 13a -iQini bpD
⢠: t : i-l ⢠t - : -t | t : - t : â¢â¢ it vit i - *
yiai aio : nn« brty *3 t^nan n»a33 * nnx ^^«3 1x33
^ - : t it â¢â¢ ⢠: ⢠i iv t : t r ⢠v - ; â¢
e]nT-)3n ïja# ⢠ana ^aan nan on^n * ans^ ^yT quot;iïa an pa : anp amp; D3p« *3 nn^ * 3n^n in3iügt;
* n^pnp 1 npanpa yn Tjann ⢠n^piNn nnias ^nan : nvbiy nbN3 n^3^ rvbm * wnbw man Dmai D^Ã^V
â t t â¢Â«, : ⢠â¢â¢ tiv t : ⢠- - : â ⢠t : ⢠â¢
door zijn naaste verloren voorwerp, dat men gevonden heeft, in zijn hnis op te nemen.
') Alleen uit welwillende liefde en om Uw woord gestand te doen, niet om onze verdiensten. â ypr iv, naar Jes. 40,4; waar voor den Mes-siaanschen tijd de belofte gegeven wordt; de kromme, hobbelige wegen zullen een effen vlakte worden; natuurlijk een beeld voor het uit den weg ruimen van alle moeilijkheden en bezwaren.
8) Uwe mts, eigenschap, die Uw wezen vormt, is: liefde en trouw, niet; streng, erbarmingsloos recht.
9) Naar Roeth 4,6. â¢
10) Tweemaal komen de strafvoorspellingen voor Israëls afval in den Pentateuch voor. Lev. 26 in korteren, Deut. 28 in meer uitvoerigen vorm.
n) Mozes, naar Num. 20,16.
12) Naar Roeth 3,9.
13) De uitdrukking ana Scan is weer Thalmoedisch, ontleend aan het gebied der Halacha, en beteekent eigenlijk: in eene meerderheid doen verdwijnen. Hier is waarschijnlijk de zin; moge de straf zoo groot zijn, dat hunne slechtheden daartegenover slechts eene minderheid vormen.
14) Naar Roeth 3,11.
15) Israël, naar Hoogl. 7,1, vgl. Midrash aldaar.
J0T8ER0TH,
Roep op Uw [wrekend] zwaard, te delgen Uw weerstrevers, Omdat z' Uw kleinvee durfden slachten vóór Uw oog ! Ontferm U, [Heer en God !] verlos Uw arme zonen, Der trouwen!) telgenschaar, ook zelve U getrouw!
Met onze lippentaal vervangen w' os en schapen 2).
Sluit toch Uw oor niet voor mijn smeeken, mijn geschrei3); Mijn bede zij ü lief, dat ik niet schaamrood worde! Uw zonen, â voer hen op! bevrijd hen van den dood !
Wij knielen vóór Uw troon: den balling te vermeerd'ren, Verstooten Israël t' herstellen rustig, stil!
Die langs den hemel rijdt in flitsend vurenvlammen.
Help mij, die tot U bidt, Die steeds van 't graf bevrijdt!4)
Kies een goed deel U uit, de lieflijke bezitting5).
Thans door het zwaard vervolgd, waarvan ons bloed getuigt! Aanschouw der rammen huid, vol bloedig roode vlekken. Gij, Wreker van ons bloed, Gij, Heer der eeuwigheid !
Wie onder machten draagt, als Gij, den last in zwijgen?6) Waartoe nog slapen ? Op, met gramschap U omgord!
Wreek bitter thans het bloed der van verdriet verkwijnden. Verlosser, machtig God, die zendt het uur der wraak!7)
Roep Tsions dochter toe: ,/keer tot uw rust thans weder! Want Ik ben 't, die uw leven redt van 't duister graf! Sta op. Mijn schoone [bruid], trek uit [op vrijheidswegen]!8) Ik wensch te lossen u, Ik zelf ben 't, die u los!quot; 9)
Waarom, o Heer! zoudt Gij voor eeuwig ons vergeten ? Ach, zie toch neer op ons, wij allen zijn Uw volk!
Wij zijn het [brooze] leem, en Gij zijt onze Vormer! Gij, Eeuw'ge, Vader, [Heer], zijt onze Losser ook !
Gij, sterk en machtig, zijt sinds eeuwigheid de Heerscher, Rechtvaardig Rechter ook. Bevrijder, Redder, Hulp!
Erbarm U, troost ons, bouw Arieëls 10) trotsche woning. Gij zijt toch van oudsher Verlosser Israels!
!) '33, eig.: de zonen van hen, die in U deden gelooven, die üwen
naam verkondigden en verbreidden.
s) Naar Hosnéa' 14,3.
8) Naar Klaagl. 3,56.
4) Naar Ps. 103,4.
6) Zie in den Vrm ntnaS pVro, pag. 135, noot 4.
6) MecMltha Ex. 15,11 (vgl. Gittien 566) worden de woorden -psri â gt;» bSn3 verklaard: wie is als Gij, die zwijgend (D'uV- stommen) draagt,. ï»w pnwi pabra, lastering aanhoort en zwijgt. â Ik lees daarom;
147
TD nna rhv rop
* inaa ^ \y_ * isxb ninn VK Kip irnaf : ^jion on 05 ^3 * oni.
* D^n jtik 'nnnb * ühv: ona Tjia : D^wn nisoi oV^n * D^K ah) â¦nVan pan
* nn^ nni^a nm: atrn ⢠nnbtron niann1? yiDi
-,-t t : tt' t -i- \ s - ##l#:
: nn^D ^Niün nniï ^^quot;in * nnpbno Kwa D^DIT aam
' .......Iquot; quot; i -hâ ; ⢠â¢â¢ t -r t quot; **
D^nioi DWquot;i3 ama ⢠D^o^n D^an n:o i? quot;ina
⢠⢠t :* viv ; - #! . - . t -. tt tt^ |; .
i D^n ^Kia ⢠D'OINO I D^N mn^a N: * own
|v IV T- .. tt ! ⢠â¢â¢ I t ⢠t-
mij? rtj^n na1? * nia-JNa nbmj DVssïa iidd : d^d1?^
t i it tit t - : â¢â¢ ⢠-^t i i t ' t ~
bxn ^13 * niD^ on nap: Dip:1) * man niann ^a â¦aix *3 * p^mjab |i»v na1? maA : map: i fnian rianK »3 * ^ns^ 'aip ⢠^«n nnugt;a Vxi^n Kin
i** *⢠t : | ; v ⢠⢠: ⢠tt - li * :,t'f * quot; *' *
nay Krasn ?n * ijn3^n nv:1? « na1? : ^jk Tpn^Kii
quot; t v - i â¢â¢ iquot; t ; ⢠-ivt â¼; t it -it | ⢠; - ;
prn : ij'dk quot; nnK ⢠uiïi' nnKi nainn un^K ⢠1^3
1 tt iquot; -: r t t; t - iquot;; t - : v 1 - :,quot;:# # *,T*''-
Dnn * ?Kiii nnis ini üöitr * ^k nnK D^iya pat^i n-irj?; bKifc» ^Kiii obiya Kin nnK ⢠^khk n^s njai Dn;i
voor het rijm is dan een vr. meerv. gemaakt, voor den abstracten vorm: DIO^X. stomheid, zwijgen. â Tevens herinneren de woorden daardoor aan de slotwoorden van Ps. 126, ttiis^n sn:. â De lezing fliaSjO kan ik niet verklaren; vooral niet, in verband met de geciteerde Talmoedplaats. ') Ps. 18,48.
8) Naar Hoogl. 2,13, waar die woorden doer Midrash God in den mond worden gelegd, als aan den Messias op te dragen zending aan Israël (zie Shier Hashieriem Rabba t. p. en Pesiktha, Hachodesh pae. 51a).
9) Naar Roeth 3,13.
10) Wis jto, de tempel, waar de Wi», de offerplaats boven op het altaar, zich bevindt; Ez. 43,16.