ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

Qic- ' l/M amp;gt;!/

^ npS f|Dv

Nim

mSjtjs ram min ^nn nran

usjnN prSa onxDoi a-'ojnino .nnvvi mVsn nnusn dj^

DE PENTATEUCH

EN DE

VIJF ROLLEN,

opnieuw in het Nederlandsoh vertaald en verklaard,

EN DE

ïcÖII

Haphtaroth en ShabbathgebecKsn

met Nedenlandsche Vertaling

DOOR

J. VEEDEN BURG,

Directeur der Ned. Israël Godsdienst-Armenscholen te Amsterdam.

AMSTERDAM,

J. L. JOACHIMSTHAL.

otarT^TV^-crr

KtKXTTT». -V-.- r.Vilï«■ gt;• ^quot;v.»V - Vi • w,s-t

rijkvü-;; K.ur j UTRECHT

COLL. THOiv;gt;v-.S3S

iTrnvTitin HÜI' Hgt;igt;irt fgt;-*■ |

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT


2193 0361

ocr page 5
ocr page 6

□nam

DEUTERONOMIUM.

ocr page 7

JOACH1MSTH A L's STOOM ÜRU KKERIJ, Joden Houtluinen 92-102. Amsterdam.

ocr page 8

DEUTERONOMIÜM I.

1 Dit zijn de woorden, die Mozes tot geheel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van den Jordaan; in de woestijn, in de vlakte tegenover Soef, tusschen Paran en Thophel en Laban

2 en Chatséroth en Die-Zahab ; Elf dagreizen van Choreb, den

3 weg naar het gebergte Sé'ier, tot Kadesh-Barnéa'. Het was in het veertigste jaar, in de elfde maand, op den eerste der maand, — sprak Mozes tot de kinderen Israels, gelijk al wat

Hoofdstuk I. Het vijfde boek van den Pentateuch, gewoonlijk min rwn, Deuteronomiura, of: herhaling der leer genoemd, naar aanleiding van de 17,18 gebezigde uitdrukking, bevat in hoofdzaak de door Mozes op het einde zijns levens uitgesproken redevoeringen, die vooral ten doel hebben, het volk, onder voortdurende herinnering aan het verleden en de in de woestijn opgedane ervaringen, te wijzen op de plichten, die het straks bij en na de verovering van Kena'an wachten. Het is dan ook eigenlijk niet eene herhaling en nadere verklaring der wetten, die wij in ons boek voor ons hebben; van de ruim honderd in ons boek behandelde wetten zijn meer dan zeventig ons hier voor het eerst meegedeeld, hoewel ze natuurlijk allen reeds vroeger gegeven en bekend gemaakt waren. Zoowel de hier voor het eerst meegedeelde wetten, als de, ten deele met nadere aanvulling, herhaalde voorschriften dragen duidelijk het kenmerk van het doel, dat ook uit de vermanende redevoeringen spreekt: het krachtig voor oogen stellen, aan het volk en zijne leiders, van al datgene, wat met het oog op de nieuwe toestanden, waarin men zich zou verplaatst zien, noodzakelijk was. Het zijn vooral die wetten, wier eigenlijke toepassing eerst in het land zelve kon plaats vinden, de wetten, betrekking hebbende op de organisatie des volks, op het leven niet meer rondom het heiligdom als middelpunt, maar daarvan verwijderd, de telkens herhaalde krachtige waarschuwingen tegen afgoderij en wat daai\oe leiden kan, die een ruime plaats in ons boek innemen. Wij zullen bij de verklaring van den tekst telkens gelegenheid hebben om te wijzen op de momenten, die de opneming der wet eerst in ons boek of hare herhaling wettigen, en wijzen hier enkel op dit algemeene karakter dor hier opgenomen wetten. Dat van tegenstrijdigheid met de in de vorige boeken voorkomende wetten geen sprake is, hopen wij bij iedere wet in het bijzonder, waar ons dit noodig voorkomt, aan te toónen. — Het boek heeft twee hool'ddeelen ; het grootste, hoofdst. 1—30 bevat de eigenlijke uiteenzetting, terwijl 31—34 Mozes' laatste daden en woorden en zijn dood verhaalt. Het hoofddeel, hoewel telkens onderwerpen van wetgeving behandeld worden, houdt vast aan den vorm eener vaderlijke vermaning van den leider, die weet dat zijn taak bijna is afgesponnen; niet in den categori^chen vorm van wetgeving, zooals in de vroegere boeken, maar als goede raadgevingen geven zich de medegedeelde wetten, zondat nergens de gewone formule; de Eeuwige sprak tot Mozes, als inleiding voorkomt; Mozes treedt voortdurend sprekend op, terwijl telkens herinneringen of motieven aan de wetten worden toegevoegd, die het volk tot gehoorzaamheid aan de wet moeten

ocr page 9

.k onmn

n^n niro quot;121 onain rhx* ^

i a- : - - v V'; •• t : * t v v ^lt;v v -: • t ; - v jquot;

raSi bsir\-v^ nxö'ra «iid nanaa

ijt t : v .) i iquot; 1st t i i-^ 1 ^ t t ;it t : • -

iv Tim nnnö dv *1^ quot;inx : nnT ni nnïm =

^ •• - i vv,v •• iquot; JT T - itt y: lt;.•• -!|-

i^in D^3quot;IN3 ♦n^i : ^quot;la

mï -it^n 'izi htn i2quot;i ^tn1? tins .

st • v -: : •• t : * -'•, : v '•• lt;••• * va- ^t v ;

aansporen. — Na een uitvoerig opschrift 1,1—5 volgen drie groote redevoeringen van Mozcs; 1,6—4,40; — 4,41—43 bevat dan de mededeeling, dat Mozes in het Oost-Jordaansche drie toevhichtsteden aanwees; 4,44— hoofdstuk 26 bevat dan de wetten, wiei' mededeeling noodig geacht wordt'; terwijl de derde rede, 27—30, de vernieuwing van het verbond tupschen God en Israël aan de grens van het heilige land bespreekt. —

■ i- Dnain nSx. deze zijn de tcoorden, wat van vs. 6 af volgt; tegelijk verbindt deze formule, evenals Gen. 2,4 e. a. p. het volgende met de voorafgaande boeken, zonder dat het noodig is, onder deze woorden de wetten van Numeri te verstaan. — p-pn lara, 4,46 nader aangewezen als: in het dal, tegenover Beth-l'e'or, wordt hier door de volgende, grootendeels onbekende namen, nader aangeduid. In de woestijn en wel m-ffo, in de 'Araba, de vlakte, die zich aan beide zijden van den Jordaan van het Kinnéreth-meer tot de Doode Zee uitstrekt en ten Zuiden der Doode Zee tot Ailan, (= Elath) aan de Noordspits der Roode Zee doorloopt (vgl. 2,8 en 3,17).—

ViD = S-IO, vermoedelijk is de klank om opeenhooping van oe-klanken te vermijden, veranderd. — epo, v. s. e)id d', de Schelfzee; v. a. evenals Laban eii Thophel, een overigens onbekende plaats. — Ssn pai pxs fgt;3 enz. Tusschen Paran eenerzijds en Thophel enz. anderzijds. Onder Paran is waarschijnlijk Israëls legerplaats bij Kadesh te verstaan (Num. 10,12,12,16 e. a. p.); Israëls leger zou zich v. s. uitgestrekt hebben van dit Noordoostelijk deel der woestijn Paran langs de verder genoemde plaatsen tot Die-Zahab. Anderen verklaren : dit, de inhoud van de vorige boeken, zijn de woorden, die Mozes tot Israël sprak op zijne tochten, langs of in de hier genoemde plaatsen.

2. Die plaats, waar Mozes nu sprak, ligt op elf dagreizen afstands van Choreb, den weg nemende naar het gebergte Sé'ier; en toch had het veertig jaren geduurd, eer Israël daar aankwam, nu gereed het land binnen te trekken.

3. anSiN, voor hen, de Israëlieten, bestemd. Vs. 1 en 2 geven de plaatquot;, 3 en 4 den tijd aan, waarin Mozes' redevoeringen werden gehouden: vs.3, op den eerste der elfde maand van het veertigste jaar na den uittocht uit Egypte, dus op het einde van Mozes' leven, en vs. 4, na de overwinningen op Siechon en 'Og, zoodat het begin der vervulling van Gods belolten reeds was ingetreden.

ocr page 10

DEUTERONOMIUM I.

4 de Eeuwige hem voor hen geboden had. Nadat hij verslagen had Siechon, den koning van de Ernorieten, die te Cheshbon woonde, en 'Og, den koning van Bashan, die te 'Ashtharoth

5 in Edré'ie woonde. Aan deze zijde van den Jordaan, in het land van Moab, begon Mozes deze leer te verklaren, zeggende;

6 De Eeuwige, onze God, heeft bij Choreb aldus tot ons gespro-

7 ken : „Gij hebt lang genoeg in deze bergstreek vertoefd. Wendt u dan en trekt op, en gaat naar het bergland der Ernorieten en naar al zijne naburen, in de vlakte, in de bergstreek, in het laagland, in het zuiden en aan het strand der zee; naar het land van den Kena'aniet en den Libanon, tot aan de groote rivier,

8 de rivier Perath. Zie ! ik heb het land vóór u gelegd; gaat ei* heen en neemt het land in bezit, dat de Eeuwige uwen vaderen. Abraham, Izak en Jakob, toegezworen heeft, om het hun te geven,

9 en hun kroost na hen.quot; Ik zeide tot u in dien tijd, als volgt:

, 4. 'jnuo nnncjD atrr v. s. moet 'jniss hier met ininri ver

bonden worden, als de plaats, icaar, naar Nnm. 21,33 en Deut. 3,1, 'Og verslagen werd; dan zoa men echter ook bij Siechon vermelding van Jahats verwacht hebben; v. a. is 'Edré'ie hier de naam der provincie, waarin 'Ashtharoth lag; n. a. verklaren naar Jos. 12,4 e. a. p. dat Edré'ie, naast 'Ashtharoth, 'Ogs tweede residentie was en verklaren dus: die resideerde te 'Ashtharoth en te Edré'ie; de verbindings-'i is dan, zooals meer voorkomt, weggelaten.

5. quot;1X3 ' * * TJCIH: v- s. begon, in den zin van : sprak als inleiding tot de uiteenzetting der Leer; die inleiding loopt dan tot 4,40; v. a. ondernam, wat Win beteekent, soms in den zin van wagen (Gen. 18,27), soms in dien van : hesluiten. Het is hier, gelijk meermalen, in plaats met den onbep. wijs, met een tijd van het werkwoord verbonden (vel. Jos 7,7; Hoshéa' 5,11).

1,6—IV,40. Grondgedachte: Jlozes brengt het volk in herinnering, hoe God Zijne het volk gegeven beloften van Choreb af tot in de steppen van Moab vervuld heeft; dat zij door ongeloof en weerspannigheid zich tegen God hebben bezondigd en zoo tot de langdurige omzwerving in de woestijn veroordeeld zijn, om daaraan de dringende vermaning vast te knoopen, om niet door herhaalde of nieuwe overtreding van het verbond zich het aanstonds te veroveren land onwaardig te maken en er weer uit verdreven te worden.

6—46. Terugblik op Gods leiding van Israël van Choreb tot Kadesh.

e. a-m «ie streek om den Sienai heet, evenals het gebergte, waarvan de Sienai een top. is, Choreb. — rac? oaS 31, gij hebt lang genoeg verblijf gehouden, het doel is bereikt, gij zijt voldoende 'bekend met de wetten en voorschriften, om naar Kena'an te kunnen optrekken. — ntn ina. in beteekent niet alleen : berg of gebergte, maar ook: hoogland, bergstreek, vgl. vs. 7, waar het tegenstelling van nSio is. — Al 'is deze Godsspraak in Numeri bi.j het optrekken des volks niet uitdrukkelijk vermeld, toch zal aan het zich verheffen der wolk wel eenige aanwijzing zijn voorafgegaan. (Vgl. Num. 10,11). — Het verblijf aan den Sienai'had bijna een jaar geduurd, van den eerste der derde maand van het eerste tót den 2Östcn der tweede maand van het tweede jaar.

3

ocr page 11

K anmn j

♦ÏDxn -iba Vn'D nx inan nnx : on^K inN nin* ^

jv -: • v: it | v JV I • ••lt; - j--!!- iv •• -: v. .)t :

nnn^a |^|n rpti nxi, patrna DB'V

1K3 n^Q ^Kin 3nid pK3 -a^a : ^1-1x2 ^ n*in3 irbx -131 li^ribx nin' : -bK1? nxin niinn-nN1

j,. . ^.. .. jv • .,.. ..; st ; i quot; v ~ jt

wil obb ^di i us : nin nna quot;m1?'

v t ^ : •* : iv- jT t v jv t - a ••

33321 -ira noxn nn

•.\v - jt •• : - ot t jt t -:it t •• ; t v ; • v; it j~

: mö quot;in: Vian quot;inan-n^ Ttónv^sn pK D»n ninm

it : ^t - jtt - i t : - : : quot; i vlt;v at- i ^ :

-it^N p«n-nK itrn iN3 rnxn-nx DD^Ö1? 'nn: nxin

■quot;•■:quot;' ' V I J ' L' Nquot;quot;,ttl ' lt;■ 'quot;.•I quot; Sgt;.JPT '' .'

□n1? nn1? pn^!? ornnx? DD*ra«^ mrr -üh quot;iöN1? Ninn njrs DD^K IDKI : annnx D^ITVI c

i rt •• v* - jquot;t v •• -: -•- it iv ••-: i- vt :-:

7- vjDr.Sa Sni noxn m. een vierde naamval van richting; Irekl op, zoodat gij komt naar het land van de E m o r telen en al zij n e na-huren, d. i. het geheele land. Evenals de Kena'anieten, eigenlijk slechts een der het land bewonende stammen, hun naam aan het (/eheele land hebben gegeven, is dit met de Emorieten, een der machtigste stammen van Palaestina, het geval. (Vgl. 'Amos 2,9 en 10; Gen. 15,16). De Emorieten bewoonden het midden des lands en zouden de eerste stam zijn, dien Israël te bestrijden zou hebben. Om beide redenen kan het geheele land dus hier aangeduid wordendoor: het heryland der Emorieten en al zijne naburen.— nSstoi ma roira enz. bevat eene typografische beschrijving van het geheele land; raijj, de vlakte van het Jordaandal; ma, de bergstreek, het zich in het midden van Noord naar Zuid uitstrekkende hoogland, het later gebergte van Ephrajim en gebergte van Juda genoemde deel; rhsvz, het laaqland, v. s. de lager gelegen landstrooken aan beide zijden of enkel ten Westen dezer bergstreek; v. a. de streek van de bergen tot de zee, loopende van don Karmel tot Gaza, in welke opvatting dan onder dti rpn het Noordelijk deel der zeekust, van den Karmel tot den «ladder van Tyrusquot; te verstaan is; dan zou dus het Westelijk deel des lands van Zuid naar Noord gaande in twee stukken verdeeld zijn en komt bovendien 2JJ, de Zuidelijke, droge steppe, de woestijn Juda, wel wat vreemd daartusschen. — -orwn ps is dan weer algemeene naam of v. a. wijst het op het Zuid-Westelijk en Oostelijk deel des land, waar naar Num. 13,29 de Kena'anieten woonden.— JuaSnl, en de Libanon, waarvan het Palaeslinensische bergland een uitlooper vormt, zou naar Gen. 15,18 met den Euphraat de grens van het beloofde land vormen en was dit ook waarschijnlijk ten tijde van Salomo.

8. HiSn,- als tusschenwerpsel, blijft enkelvoud, ook al worden meerdere personen aangesproken; vgl. ons ; kom! ■— sd'JsS viru, eig. heb vóór u geplaatst, ter-uwer beschikking gesteld. God wilde u dus aanstonds naar het beloofde land brengen en ook ik deed wat noodig was om u, goed georganiseerd, tot een volk in uwen staat te doen worden en u behouden uwe bestemming te doen bereiken (9—18).

9- DD^JC, tul u; eigenlijk waren deze woorden tot het vorige geslacht

ocr page 12

DEÜTERONOMIÜM I.

10,;Ik kan alleen u niet dragen. Be Eeuwige, uw God, heeft u vermeerderd, zoodat gij thans zijt gelijk de sterren des

11 hemels in menigte. (Moge de Eeuwige, de God uwer vaderen, aan u toevoegen nog duizend maal zoo veel, als gij thans zijt, en u zegenen, gelijk Hij met betrekking tot u ge-

12sproken heeft!) Hoe toch zou ik alleen kunnen dragen uwe

13 moeite, uwen last en uwe twistgedingen ? Wijst u aan wijze, verstandige en welbekende mannen, naar uwe stammen ; en ik

14 zal hen tot hoofden over u aanstellen.quot; Gij antwoorddet mij, en zeidet: „Goed is de, zaak, waarvan gij gesproken hebt, om

15 te doen.quot; Ik nam dus de hoofden uwer stammen, wijze en welbekende mannen, en stelde hen tot hoofden over u aan ; vorsten van duizenden, vorsten van honderden, vorsten van vijftigen en vorsten van tienen, — en ambtlieden, naar uwe

16stammen. En ik gebood uw rechters in dien tijd, als volgt: «Hoort als middelaar tussehen uwe broeders, en wijst vonnis naar

gesproken, dat gedurende de veertigjarige omzwerving was uitgestorven. De tweede persoon meervoud ziet echter in mis gchcele stuli op: het volk.— sinn rira, in dien tijd, kort voor he^ vertrek van Clioreb; vgl. onze aant. Ex 18,1. üe maatregel werd op Jithro's raad getroffen; zooals wij daar zagen, kan dat eerst kort voor Israels vertrek van den Sienai geschied zijn, ook al neemt men aan, dat Jitljro's komst bij Mozes vó(5r de wetgeving moet worden geplaatst. Anderen, die het woord mns». Ex. 18,13, letterlijk opgevat willen zien als den dag rui Jithro's aankomst, verklaren hier mWi, als meer dan volmaakt verleden tijd : ik had reeds vroeger yezeyd enz. en zoo maatregelen tot uwe organisatie getroffen. — Dat Jithro hier niet genoemd wordt, behoeft niet te bevreemden, daar het er in dit verband alleen om te doen is mede te dcelen, hoe. alles was gedaan om het volk behouden naar zijn land te doen komen, en het niet ter zake doet, op wiens initiatie!' dit plaats vond.

10 De den aartsvaderen gegeven belofte is reeds vervuld; gij zijt vermeerderd en zoo talrijk geworden als de sterren (Gen. 15,15). Dit maakt organisatie noodzakelijk.

11 is een tusschenzin : verstaat mij niet verkeerd ! ik beklaag mij niet, als ik zeg, dat ik alleen u niet dragen kan; maar gij zijt voor de leiding van één man te talrijk; want God heeft Zijne toezegging vervuld, — moge Hij, de God wrer raderen, die c'e hun gegeven belofte gehouden heeft, u verder vermeerderen. — D33, gelijk f/ij thans zijt; d. w. z. moge Hij u nog duizendmaal talrijker doen worden, dan gij reeds zijt; en u dan nog zegenen, evenals Ex. 12,2 zegen na vermeerdering der getalsterkte genoemd. — dzj1? -ai ness, gelijk Hij met betrekking tot U bij herhaling gesproken heeft, niet: tot u, daar wij zulk een directe toezegging nergens ontmoeten en het dan ook zou moeten luiden.

12. D3mi3gt; uw moeite, de door u veroorzaakte va-moeiende hezigheid; D3sc»i, (te door u uwen leider opgelegde last (vgl. Num. 11,11 en 14), van de leiding des volks (zie ook Ex 1822, waar de deelneming aan de bekendmaking der wetten en berechting van zaken door irs iscji wordt uitgedrukt). — en de berechting uwer burgerrechtelijke geschillen.

4

ocr page 13

N onnn n

ODnx nzinn nin» : oans n«ty nnb Vdw 1

DDninx nin^ * : aib o^t^n *33133 Di'n 032™ ^

v •• 1 -: -»•• v; t : it «v,- t - r* : 1 : - Jv : * :

quot;131 DDilK Tjnri D^p^a ^N! D33 DD^ i3n : a33nquot;i dsnïJ'OI D3mü ns1? «ITK HD^K : D31?31

j t iv : r : v.*-* quot;J •quot; quot; jquot; -: : t a- - ; v.t v jt ,vptp^

aO^NI D3,'D3B'1? D^TI D^3:i Q,Q3n D^:« D3l7

v,quot; • -:i- rtv •• : • : v' *.. '* •gt;' : s* t -: * t -: v t

msmtys4 i3^rr3iu ino^ni quot;rix i^ni : D3^Nquot;i3T

t ;v- . ... -: jt t ~ i ; j - rt* v. quot;5'quot;^quot; »v •quot; it:

03^3^ 'B'NTnK njsw : ni^|?ic n'^i niNQ n'd ntr D3*17^ D^Nquot;) DDIN m«i

lt;•• t : •• jquot;t ; • t -: quot;t av ••#1i ».• t ir* vit

-J-IN niïNi : 03^3^ on^i n'tri a^an«

v- -;it ^ iv •• ; • ; ^ : t : t ^-t j,*t : . * '

pnï on Li DD'ns-ps yvv ivnh xinn n^s D3,üaE'

13. D3,D3U''7 behoort v. s. bij inn, steil u aan naar wee stammen, slaat starasgewijze, stam voor stam, mij mannen voor, die ik dan zal aanstellen; v. a. bij onnt, helend aan mee stammen, vgl. echter vs. 15, waar bu'ti alken staat. — oinon, icijs, met de wetten bekend. — d'jimi, verstandig, begaafd met inzicht om de wetten op de bijzondere gevallen te kunnen toepassen. — d'ïti vat dan de door Jithro Ex. 18,21 gestelde zedelijke eischen samen. Septuaginta vertaalt, alsof er dttpi stond, wat echter nooit absoluut, zonder voorwerp, in den zin van : geleerd voorkomt en bovendien in d'ssn reeds staat. — d3iwgt;a bis'üni. De uitdrukking is eenigszins moeilijk, daar aan uw hoofd zou moeten hiiden : odcs-o, en tot hoofden over u, ds'cw1? - dsiSï d^üsi1? ; vs. 15 spreekt echter toch voor de laatste opvatting.

14. Jlen verbinde: jrwr1? ■cm 21c, goed is de zaak om te doen; niet: ics nwr1? man, die gij zegt te doen.

15. D,Ti3tJ'. ambtlieden, politiebeambten. — DSica»1?, behoort bij het geheele vers ; vgl. Deut. 16,18.

16. D3vL33Ii' DSC- uv'e rechters, niet nnix, hen, alle in het vorige vers genoemden ; niet allen toch zouden als rechters behoeven op te treden. Wat ware het voor een volk, waar voor 600.000 volwassen mannen 78600 redders noodig waren. Zooals reeds Ex. 18,21 opgemerkt, waren de hier aangewezen personen tevens aangewezen om het volk met de wetten bekend te maken. Hen, die tot rechters waren aangewezen, wees Mozes bij hnnne ambtsaanvaarding nog eens bijzonder op hun plicht. — fo iw D3'ns, hoort tusschen mee broeders; v. s. = navis ns ï»c, hoort mee broeders, beide partijen, aan ; v. a. hoort aan wat tusschen uw broeders geschied is, liet gescliil quot;; n. a. hoort, slaande als onpartijdig tusschenpersoon, middelaar, tusschen wee broeders. — pis QnQEüi. pix is hier als bijwoordelijke vierde naamval op Ie vatten: rechtvaardig vonnis wijzen. — vu foi, en den hem vreemde, vgl. -pj, den u vreemde; zoowel bij gescliillen tusschen iemand en zijn stambroeder, dus tusschen Israëlieten, als bij die tusschen een Israëliet en een vreemdeling.

ocr page 14

DEUTERONOMIUM I.

rechtvaardigheid tussehen eenen man en zijnen broeder, of

17 zijnen vreemdeling. Gij zult geen aanzien in het gerecht erkennen ; zoowel het geringe als het groote zult gij hooren; gij zult voor niemand bevreesd zijn, want het gerecht is aan God ; de zaak echter, die u te moeilijk mocht zijn, zult gij tot

18 mij brengen, en ik zal haar hooren.quot; Zoo gebood ik u indien

19 tijd alle zaken, die gij doen moest. Wij trokken op van Choreb en gingen door die geheele groote en vreeswekkende woestijn, die gij gezien hebt, den weg naar het Kmorietische gebergte, gelijk de Eeuwige, onze God, ons geboden had; en wij kwamen

20 tot Kadesh-Barnéa'. Ik zeide toen tot u : „Gij zijt nu tot het Emorietische gebergte gekomen, hetwelk de Eeuwige, onze God,

21 ons geeft. Zie! de Eeuwige, uw God, heeft het land vóór u gegeven; klim op neem [hef] in bezit, gelijk de Eeuwige, de God uwer vaderen, tot u gesproken heeft; vrees niet en wees

22 niet versaagd.quot; Doch gij naderdet allen tot mij en zeidet: „Wij willen mannen vóór ons uitzenden, die het land voor ons zullen onderzoeken; en ons bericht zullen brengen, omtrent den weg, langs welken wij op te klimmen hebben,

23 en de steden tot welke wij komen zullen.quot; De zaak was goed in mijne oogen; ik nam van u twaalf mannen, éénen

24 man uit eiken stam. Zij wendden zich, beklommen liet gebergte en kwamen tot naar het dal Eshkol, en verspiedden

17. Daar in d'jb non sS reeds alle aanzien des persoons verboden is, schijnt Sus jcpo niet meer op liet meerdere ol' mindere gewicht der personen, maar op dat der zaken te slaan. Ook de nietiiiste zaak moet met alle nauwgezetheid worden behandeld. — nun nS, héht voorniemandorees, waar het geldt uwe meening als medebeslissend rechter uit te spreken.— sin dviSnS UEPSn, v. s. de oefening van het recht staat aan God, die ten slotte toch het recht laat zegevieren ; anderen : de rechtspraak geschiedt in naam en ter eere Gods; weest dus strikt rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is. — vnrücn, en ik zal haar aanhooren, er als competent rechter kennis van nemen; of v. a. en ik zal haar, de beslissing, zoo noodig, van God hooren, evenals Num 9,8 e. a. p.

19. Zoo al deze maatregelen treilende voor uw binnentrekken van het land, gebood ik u toen al wat gij te doen zoudt hebben, de wet in haar geheel, maar ook de bepalingen bij legeren en optrekken van het volk enz.

19—46. Hoewel dus alles was voorbereid, moest het toch nog 38 jaar duren, voor gij aan de grens des lands zoudt staan, op het punt het nu eindelijk binnen te trekken, üe schuld daarvan ligt niet bij üod, niet bij mij, maar alleen bij uzelve.

i9. -mon nx. den geheelen weg van Sienai tot Kadesh, door de woestijn Paran (vgl. Num. 12,16; 13,3); over den in elf dagreizen al' te leggen weg deed Israël, naar eene Thahnoedische traditie, ongeveer 40 dagen, van 20 Ijar tot 28 of 29 Siewan (vgl. onze aant. Num. 14,1). — Dn\squot;i Ti'.s, die f/ij heht gezien - leeren kennen. — nnxn m in, in de richting naar hel Emorietische gebergte, d. i. het zuidelijk deel van het latere gebergte van Jnda (Num. 13,17); niet: over het Emorietische gebergte,

5

ocr page 15

« annn n

Q^Ö ■: ina pai vnN-pai

□sVpn ^ nijn Kb Vna? jb^s

: vriypEh pnnpn D2Q nt5^ im Saini «in D'ribx1? : niyyn -it^K onmn-^s PK wnn n^3 DSHN

I i *: i- jv -1 VTq :- t Jquot; rt* - -.quot;T ^ v- : ■•• Jquot;quot; quot;'T

«inn «Tirn bn^n isnan-^ rx -]?3i nnno ijn« irnbN nin' mx i^«3 in -]^lt; DiVtn noxn nn-i^ bn«| DDb« -iöKi : j?n3 ^npT n^. N33v n^a1? nin» ?n: nin ; 12b rha irnb^ ninpt?N «

I Tv J •)V v: , ST : V T /* : 9 . ,T . . quot;i *quot; JT

^ 'th* nr' nlquot;! ^^«3 ifquot;). n1?^ pxn-nw nn^j ^DKni DD^bK p?^ni * innri-^K^n-bK^ tn quot;i3^\:nK pKn-PK i^iab cm:**

: |n^N ND3 an^n nxi nrnS^: quot;ifK ™ D^J« D^ dsq n^i quot;inin au^v3 ibm Vsm bnrnr mnn \w\ : 13

v ; rt : V -J- - V.T- TT T -II— : •- VIT

waarbij dit dan hetzelfde zou zijn als het gebergte SJier, daar naar vs. 20 het Emorietische gebergle tot Palaestina behoort. — Over Kadesh Barnéa', ook enkel Kadesh genoemd, zie Num. 13,3 en 26. — ns Y?5i. met den vierden naamval: een slreek doorgaan; vgl. Jes. 50,10 e. a. p.

21. quot;psS jni heeft het ter uwer beschikking gegeven. — un nSr, beklim de bergen en neem in bezit-, niet ten onrechte wijst een der nieuwere verklaarders hier op Caesars: ik kwam, zag en overwon. — nnn 7.si, van nnn, dat naar I Sam. 2,4 oorspronkelijk : gebroken zijn beteekent, — laat uw moed niet gebroken zijn, word niet moedeloos. De overgang van meervoud tot enkelvoud, daar 'de woorden tot een gemeenschap gericht zijn.

22. Zie onze aant. Num. 13,2. Zij vragen mannen te zenden, nerm, die zullen uitgraven, om het verborgene aan het licht te brengen. — ws w,i tan wordt door Joiilsos als tufschenzin opgevat, zoodat de volgende met ris ingeleide vierde naamvallen nog van nEmi afhangen. Men kan echter die woorden direct met in ... 'CD'-i verbinden in den zin van: aangaande.— na nSra ito. icaarop wij zullen, of; dienen op te klimmen-, beide be-teekenissen kunnen in den toekomenden (ijd liggen.

23. l'oor Meren stam, die het land te veroveren gouden hebben, met uitzondering dus van den stam Levie; vgl. onze aant. Num. 13,4.

24- nnX. het land, niet het dal, daar Sn: mannelijk is. — Nachal Eshkol werd in ieder geval op het einde van den tocht eerst aangedaan; vgl. onze aant. Num. 13,23.

ocr page 16

DEUTERONOMIUM I.

25 het [land]. Zij namen in hunne hand van de vruchten des lands, cu voerden ze tot ons af; zij brachten ons bericht en zeiden: «Het land, hetwelk de Eeuwige, onze God, ons geven wil, is goed.quot;

2() Gij wildet echter niet optrekken; en waart weerspannig tegen het

27 bevel van den Eeuwige, uwen God. Gij hitstet elkander op in uwe (enten enzeidet: «Uit haat des Eeuwigen tegen ons, heeft hij ous uit het land Egypte gevoerd, om ons in de hand van den

28 Emoriet te geven, om ons te verdelgen. Waarheen zullen wij optrekken ? Onze broeders hebben ons hart doen smelten door te zeggen : een volk, grooter en van hoogere gestalte dan wij; steden groot en versterkt tot in den hemel; en ook de zonen

29 der 'Anakiem hebben wij daar gezien.quot; Ik zeide tot u ; ,/Weest

30 niet verschrikt, noch bevreesd voor hen. üe Eeuwige, uw God, die vóór u gaat, Hij zal voor u strijden; gelijk al wat Hij voor

31 u gedaan heeft in Egypte vóór uwe oogen ; En in de woestijn, waar gij gezien hebt, dat de Eeuwige, uw God, u gedragen heeft, gelijk iemand zijnen zoon draagt; op den geheelen weg, dien gij gegaan zijt, totdat gij op deze plaats zijt gekomen.

32 En in deze zaak wilt gij in den Eeuwige, uwen God, geen

33 vertrouwen stellen ! Die vóór u trekt op den weg, om voor u een plaats op te sporen, waar gij u legeren kunt; des nachts in vuur, om u te doen zien den weg, welken gij gaan zult.

25. Mozes vermeldt in de eerste plaats uit het rapport der verspieders de woorden, waarmede zij begonnen. Num. 13,27, in het kort teruggegeven en betrekking hebbende op de vruchtbaarheid des lands. De woorden: goed is het land worden Num. 14,7 enkel Josua en Kaleb in den mond gelegd, doch geven den inhoud terug van de eerste zinnen van het rapport van alle verspieders. Dit had u genoeg moeten zijn en gij hadt u aan al wat volgde, niet mogen storen.

26. rox. zich naar den wil van een ander schikken, toegeven; nas n1?, vaak als één begrip: weigeren, zich verzetten. — mn, zich tegen den wil van een ander verzetten, vgl. Gen. 26,35; de Hiph'iel in intensieve be-teckenis. — 13 ns, den mond, deu uitgesproken wil.

27. Ujnni,- naar uit Spr. 16,20 en 28 blijkt, opstoken; in den Niph'al dus: elkander ophitsen. — wis 'n een onbepaalde wijs, met'n verlengd en dan als naamwoord verbogen met behoud van het voorwerp in den 4den naamval, door des Eeuwiyen ons haten — doordien de Eeuwige ons haat; vgl. rans1?, nps'i1? en dgl. Van het openlijke oproer (Num. 14,2 en 4) vermeldt Mozes hier niets, enkel het in hun tenten weenen en elkander warm maken (Num. 14,1). — UTDfnS, opdat dezen ons verdelgen.

28. UnJN rUN, waar moeten wij nu heen? Vgl Gen. 37,30. Naar l'alaestina kunnen wij niet, want enz — Viu, v. s. = 31, talrijk, v. a. van de lichaamslengte; dti, en hoog, dan van den slanken bouw. — 01% onr zonder bepalende 'n, algemeen uitgedrukt. — own mwaï, versterkt in den hemel, evenals Gen. 11,4, met muren, die tot den hemel schijnen te reiken; v. a. versterkt door den hemel, = van nature sterk bevestigd; m. i. zeer onwaarschijnlijk, daar ctsu voor God eerst in den na-bijbelschen tijd voorkomt.

6

ocr page 17

K Dnmn i

imx 12^1 irbx mi'i pxn naa bt^ inp4') ; nnx «

lt;T • t- aquot; •• v.' quot;1 v t t j* ; • tt : «j: •- ^ it

: u1? |n: irrlbx nin^-i^x ptfn nniü inn vmJ: ayribx nin» ^-nw riom n1?^ on^x ^

lt;;,tquot;- iv •• i v: : r quot; : - ' a -:r • -; j • O

psjD iJNS'Vin i:nx nin* nx:^3 naNrn aD%,7n«2 i nw : hoxn T3 unx nnS onva «

:-■- -TT iquot; ■ : - : v ^ v: IT J- : it^ ^ T AT .

13QD am ^na nót**? unnynx IDDD irnx D,u^

... . xt lt;t *-•- *• *• t : v - ••

: ivxn crp.:^ ^roii, nyxni riyiz onjj b^rf?» nin» : DHD pxTn-^i py^n-xV ddSK □Dnx Vds dd1? anb» xin DD^sb ^nn

nin» quot;IEW nw onypa ^

□npSn n^N4 ^-nrrbDS larnx 1^X3

Drpxo DDrx nn n3-i3i : nn Dipsn-iy. ddns'i^ =b Dipü DD1? mnb quot;rji-is dd^Ö1? ^nn : DD'ribx nin'sj4 nrisbn nrx ^^3 DDrXiV rt^1? i 1^3 aDnin^

t ; iquot; -•••• -: ) *•• *•• quot; v ; 1 ; - t : - ■»•• t av : i -: i

29. I'iyn, van fgt;H', machtig-, betcelient zoowel: zijn macht doen gevoelen,

iiuponceren, schrik inboezemen (Jes. 2,19), als: de macht van een ander gevoelen, zicli laten imponeeren, verschrikt tvorden; hier het laatste.

30. DHSDa- in Eg'ipte, parallel met imMi en Saa in het volgende vers; v. a. tegen Egypte. In Humeri wordt van deze redevoering van Moze'?, daar zii zonder uitwerking bleef, niets vermeld; wel van het optreden van Josna en Kaleb. met het oog op de gevolgen, die dat voor hen persoonlijk had, dat zij namelijk van het strafvonnis werden uitgesloten. .. ■ , ,

31- quot;lU'N • • • waar gij gezien hebt, dat-, v. a. die gij gezien hebt,

waar enz. — t\s, een mensch, iemand. Het eerste deel van ons vers, waar de persoonlijke bescherming, die ieder ondervond, wordt uiteengezet, is in het enkelvoud uitgedrukt.

32. nn nsnsv en quot;l deze zaak, de toezegging, dat God u naar een goed land zal brengen; v. a. en niettegenstaande deze o m s t a n-diqheden, de gebleken bescherming Gods, of; dit woord, de belojte, u 'Kena'an te geven, of de vermaning met verwijzing naar al wat, God reeds voor u gedaan had. In die laatste opvatting behoort ons vers niet meer tot de rede door Mozes toen uitgesproken, maar is dit voortzetting van zijne historische herinneringen: Mei dit al bleef t gij met-vertrouicen, het deelwoord ter aanduiding van het aanhoudend voortduren van den ingetreden toestand. — Wij Uiten Mozes' rede tot het na de terugkomst der verspieders oproerig geworden volk eerst va. 34 eindigen en kunnen dan al de deelwoorden als tegenwoordigen tijd vertalen.

ocr page 18

DEUTERONOMIUM I.

34 en bij dag in eene wolk.quot; De Eeuwige hoorde de stem uwer woor-

35 den; Hij werd vergramd en zwoer, zeggende : ... . „dat niemand van deze lieden, dit slechte geslacht, het goede land zien zal,

3Gdat Ik gezworen heb uwen vaderen te geven ; behalve Kaleb, de zoon van Jephoeuné, hij zal het zien, en hem zal Ik het land geven, dat hij betreden heeft, en zijnen nakomelingen, omdat hij ten volle den Eeuwige volgend heeft gehandeld. —

37 Ook tegen mij werd de Eeuwige wegens u vertoornd, zeggende:

38 Ook gij zult niet daar komen. Jehoshoea', de zoon van Noen, die u ten dienste staat, hij zal daarheen komen ; maak hem

39 sterk, want hij zal het Israël doen erven ; — En uwe kleine kinderen, waarvan gij gezegd hebt: zij zullen tot buit zijn, en uwe zonen, die heden noch goed noch kwaad kennen, die zullen daarheen komen; en hun zal Ik het geven, en zij zullen het

40 in bezit nemen. Gij echter, wendt u om en trekt weder de

41 woestijn in, den weg op naar de Schelfzee.quot; Gij antwoorddet en zeidet tot mij : „Wij hebben tegen den Eeuwige gezondigd; wij willen optrekken en strijden, naar al hetgeen de Eeuwige, onze God, ons geboden heeftquot;; gij gorddet ieder zijn wapentuig

42 aan, en waart bereid om den berg te beklimmen. Doch de Eeuwige zeide tot mij; „Zeg tot hen : Trekt niet op en strijdt niet, want Ik ben niet in uw midden; opdat gij niet verslagen wordt

43 vóór uwe vijanden.quot; Ik sprak tot u, doch gij luisterdet niet; gij waart weerspannig tegen het bevel des Eeuwigen, en in moed-

44 wil beklomt gij den berg. Maar de Emoriet, die in dat gebergte woonde, ging u tegemoet; zij vervolgden u, gelijk de bijen doen.

35. nrn jnn mi. de volwassenen onder dit geslacht-, het zijn de vaders en de oudere tijdgenooten der mannen, tot wie Mozes nu het woord richt, die door dezen eed getroffen werden.

36. na in irx ywn av, een deel van het land, dat hij betreden heeft, vgl. Num. 14,24.

37 en 38 zijn een tnsschenzin, terwijl in vs. 39 de vermelding van Gods vonnis wordt voortgezet. De gedachtengang is deze: behalve Kaleb zou ook Josua in het land komen; — deze werd later (Num. 21) door God, toen Hij na een in uw midden uitgebarsten oproer op mij vertoornd was en mij den toegang tot het land ontzegde, in Zijne genade tot mijn opvolger als uw leider aangesteld. Ook hier wordt bijzonder Kaleb's trouw volgen van Gods wil geroemd ; van Josua is het, als Mozes' directe leerling, als vanzelf sprekend en wordt daarom niet vermeld (vgl. Num. 13,33 en 14,23). Bijzocder landbezit werd Josua in geen geval wegens zijn bewezen trouw bij den verspiederstocht toegezegd, zooals met Kaleb het geval was. — fosS ittiT, die vóór u staat, bereid om naar uw bevelen en aanwijzingen te handelen. — ruVw. Het aanhangsel ro slaat terug op pxn in vs. 35.

39. Voortzetting der strafrede Gods, door Mozes hier uit Num 14,30 v.v. geciteerd. — ni 21c ut it's, die nog niet goed en kwaad weten, die nog niet de zedelijke rijpheid hebben, om de volle verantwoordelijkheid

7

ocr page 19

a onm T

^3^. eixpn Dpns-i bip-riN nin» • DÖV p^ai ^ nn ynn nnn n^n D^3«3 hnt-DK : ION1? ^ ^nSiT 703^2«quot;? nWrnyitn nt^x niiïsn pstn nN;^ nr-pn pxn-nK |nK-ibi hsnt Nin nafi^ja sbs nin* ï]3«nn Vos •' nin! |Ï! vaa^i ^

|i:quot;f3 ypw : DK' Knn-N^ nriN_Da ■mb D3^J3nS nsVni» «^-♦a ptn inü na^ «3^ Kin iDjrn

nb DniQN ddöüi * : b1?

nainx DnVi nm in3» nsn ^ 3it2 bi#n iamp;x

tv ; v jvt : tat quot;* t tvquot; tt c :it v -:

--D' m n-i3nDn D31? uö onKi : n^quot;i« oni»

- | vjv tv.t : • ~ j z avt -• : v.v - ; t i t r vquot; :

h^;3 i:n:N4 nin^^^n npNni i i^ni, : SB -n« B^K lianm irn^K nin» Szd ^on1?:!

•lt; : : - - aquot; v: jt : vt* v -i ^ : : - : • :

quot;ba nin» nos^i : nnnn nbp? irnm inonba ^3«

t : v quot; tit t ^ -iquot; ^ t ' i V 'l** * quot;quot;* :

kbquot;! D33quot;)p3 *3 lonbn-K^ ib^n «7 on? iON nam onvatr Kbi D3,l7S4 quot;i3nNi : D30^ ^S1? iwsn «

; - - av j vv quot; quot;j -»*• quot;~quot;t iv •• : 1 vquot;/- * :jt •

nn3 3^»n noxn xin : mnn mm 'mx ^

CT t quot; - • v: IT ..........titt j i' - T. t * t t

Dn3in ny'mn nanx Dsnxip1? Kinn

rt- : - t vquot; 11~ }'- quot;■ '~ '■' • '■ ::~ v : -I: •

hunner dader te kunnen dragen. Wordt onder dssci de vroegste kindsheid verstaan, dan moeten de woorden 031:51 enz. allen tot den leeftijd van twintig .jaar omvatten (vgl. Num. 14,31).

40 = Num. 13,286.

41. lynni, v- s' van Pn — Pn' waarvan n:n, zie, — i,gij zeidet: hier zijn wijquot;, verklaardet u bereid; v. a. van pn Spr. 30,15 en 16; genoeg, — gij hieldt dit voor u genoeg; n. a. naar het Arabisch: gij hieldt het voor 'gemakkelijk, of: handeldet lichtvaardig. Vgl. Num. 14.32-45.

43. nfJII, van iir, zieden, overkoken, v. d. onberaden, overmoedig, brutaal handelen, nini, gij heklomt in overmoed, één begrip in twee nevengeschikte woorden uitgedrukt = r.iSi1? nmi.

44. ^lOJCn» Emoriet, naam van een der voornaamste stammen van Palaestina, is evenals Keno'aniet soms algemeene volksnaam; naar Num. 14,45 waren het 'Amalekieten. — -irc, bergstreek. Vgl. Num. t. a. p. ook voor nnvn ir Diro^i. — Diiann ru'ï'ïn it'NS, evenals de bijen doen, die ieder, die hen aanvalt of stoort, met groote heftigheid vervolgen. — fgt;rra, in. het gebied van Sé'ier u terugwerpend; de slag zelf had niet in het land

ocr page 20

DEÜTEEONOMIUM I, II.

45 eu vernietigden u in Sé'ier, tot Chornia. Toen gij terug kwaamt, weendet gij vóór den Eeuwige ; doch de Eeuw ige boorde niet 40 naar uwe stem, en luisterde niet naar n. Gij bleeft dus in Kadesli langen tijd ; zoo langen tijd, als gij er hebt moeten vertoeven.

1 Daarna wendden wij ons en trokken op naar de woestijn, den weg op naar de Scbelfzee, gelijk de Eeuwige tot mij gesproken had, en trokken het gebergte Sé'ier om, gedurende 2langen tijd. — De Eeuwige zeide tot mij, als volgt; «Gij zijt lang genoeg dit gebergte omgetrokken; wendt u nu noord-4 waart s. Het volk echter gebied aldus: «Gij zult nu het gebied van uwe broederen, de zonen van 'Esau, die in Sé'ier wonen, doortrekken; zij zullen voor u bevreesd zijn, doch neemt u 5zeer in acht. Wikkelt u niet in strijd met hen; want Ik zal u van hun land geen voetbreed geven ; want tot erfgoed aan 0 'Esau heb ik het gebergte Sé'ier gegeven. Spijze zult gij voor geld van hen koopen en dan eten; en ook water zult gij 7 voor geld van hen erlangen en drinken. Want de Eeuwige, uw God, heeft u gezegend in al het werk uwer handen;

Sé'ier plaats, waar de Israëlieten niet waren; de vervolging dreei' lien ecliter terug tot in het land van Sé'ier toe, tot Chorma.

45. ü'j keerdet terug naar Kadesli, of naar uwe tenten; v. a. gij ireendet wederom, lairm in bijwoordelijke beteekenis.

46. latrnv gij hleeft verblijf honden. — ora'iquot;1 iüx □in'O, zoo langen tijd cds gij daar hleeft, gij weet wel hoe lang, of: blijven moest naar Gods bevel; naar eene rabbijnsche opvatting: zoolang als gij elders bleeft. in alle andere verblijfplaatsen samen, dit is dan de helft van 38, dus 19 jaar (Rasiiie naar Seder 'Olara). Een dergelijke uitdrukking zie Deut. 9,25.

Hoofdstuk II. 1. jjjjt enz. wijst duidelijk op het Num. 14,25 gegeven

bevel, zoodat hier sprake ia van het eerste opbreken van Kadesli na de veroordeeling tot veertigjarige omzwerving, niet van het vertrek van Kadesli (Num. 20,22) om naar den berg Hor te gaan. Het slot van ons vers, iTf in n.s 3D3i enz. omvat dan den gelieelen 38-jarigen zwerftocht, op welks einde zij wederom in Kadesli gelegerd waren, en gedurende welken zij meestal in de nabijheid van het gebergte Sé'ier waren gebleven. Num. 20,14 v.v. verhaalt, hoe Mozes een gezantschap tot den koning van Edom zond, om vrijen doortocht voor het volk te vragen, welk verlof echter geweigerd werd, waarop Israël aftrok. Hierop doelt het volgende stuk, vs. 2—8, waarbij hij breedvoerig uiteenzet, hoe op Gods bevel elke vijandelijke houding tegenover den broederstam was uitgesloten, doch slechts kort vertelt, dat Israël niet het land doortrok, terwijl liij de oorzaak daarvan, Edoms besliste weigering en bedreiging met wapengeweld, verzwijgt, vermoedelijk om bij het volk geene vijandige gevoelens op te wekken. Met het oog op Dent. 2,29 neemt Rasubam (en na hem Luzzatxo e. a.) aan, dat er verschil gemaakt moet worden tusschen Edom, dat Num. 20,14 is genoemd, en de zonen van 'Esau, waarvan hier sprake is. Deze laatsten zouden dan vrije stammen onder eigen hoofden, o'BiSs, niet onder een koning, zijn geweest, en zouden Israël wel doortocht hebben

8

2

ocr page 21

a K Qnnn n

nin* quot;ish isam : noin-nj; Dan» ™

at v. : • - at- it :t . j : )•-• : v j

wipz : dd^s4 rnxn k^i aibba nin* vm-x^ ™

(•••It,: gt; V v: iv j : v : 1 - : t : ' t .:

rm mman VDSI TSST : 0^3^* D^»3 D'si « J

I vjv tt : • - ^lt;- • - t vquot; - iv ; ~ : r.* -: v,'t - A' quot; . T

i^i^in-nK 3D31 ^n4 nin» 121 ^eiN^

j. t V •• - V t^t- at •• lt;.t ; r-* • .)•.• -; r )

3D D3y3i : nlnquot; idn'I d * : o*3quot;)3 p

v. v t i *' quot; ^t : •-* ) ~ j ^

an« idn1? iï DyrrnK'i : nabï D3,71:3 nrn nnnTN1

j... - .. j- t t v : tit v.v t } : ^ av - -«t t

D3p n^3 Y^;,i23 a3;n« ^3:3 Dn3^

oinso b3l7 rns-N^ '3 D3 nsnrrbx : IKD quot;

t ; - !•• v t llt;quot; v • * . t -*t i - i : v,v : - : * :

: irrnK virq ^rejS -]nio quot;ij;

DnKO 11371 D^D'Dil Dn^NI. f|p33 DHNQ /3N41

?|-r n^Q^'33 ^3n3 ^ri1?» njnf'3 : an^tfi ^033'

willen toestaan. Niet onwaarschijnlijk ecliter zijn in vs. 29 de woorden; zooals mij cjedaan hébhen de zonen van 'Esau tnz. in onmiddellijk verband met het voorafgaande le verklaren; verkoop mij spijs en drank voor yeld, zooals enz. en liebben de bewoners der grensstreek, buiten den koning om, die Israël den doortocht weigerde, hun toch voor geïd spijs en drank geleverd. Om die reden noemt Mozes hen misschien vs.8onze hrceders, de zonen van 'Esau en worden de individueele «nrfm/awcn, ipyw, tegenover het olïicieele gezag des konings, ons -)Sr: ol' enkel ons, gesteld.

2. quot;TONquot;'!, op hef einde van den zwerftocht, bij de tweede legering in Kadesh.

3- rU3S, naar het Noorden, naar Palaestina, waarheen de kortste weg dwars door het land Sé'ier zon hebben geleid.

4. onaj; om f/ij staat op het punt door te trekken-, de meest natuurlijke en dus waarschijnlijke weg, door u nu at'te leggen, leidt door het gebergte Sé'ier. Si:j vertalen wij ook hier met; gebied. Anderen; gij zult trekken langs de grenzen van enz., daar Israel het gebied zelf immers niet zou iiebben betreden. In onze opvatting spreekt ons vers vóór het zenden van het gezantschap, dat op zijn verzoek om vrijen doortocht een weigerend antwoord ontving. Toen kon Israël niet anders verwachten dan werkelijk Edoms gebied te zullen c/ooi'trekken. — oau \stquot;1, zij zullen bang vow uzijn, dat gij, uitgehongerd als gij zijt, niets zult sparen, maar alles van uw gading zult vinden; daarom juist n.so oroowi, neemt u hijzonder in acht.

5. njnn, ophitsen, soms niet nsnStt verbonden ; tot strijd. — -pT: Sjt c)D, u-at een voetzool betreedt, de plaats, door een voetzool in te nemen.

6. nan. van iro, v. s. naar het Arabisch; koopen, verwerven; v. a. ook hier graven, het eerste steken van de spade in den grond, waarbij in bronnenrijke streken soms dadelijk drinkwater te vinden is. Bij den doortocht zult gij wat gij noodig hebt, niet nemen, maar koopen en betalen.

ocr page 22

DEUTERONOMIUM II.

Hij kent uwen gang door deze groote woestijn; nu sinds veertig jaren, dat de Eeuwige, uw God, met u was, hebt gij aan niets y gebrek gehad.quot; Wij trokken dus weg van onze broederen, de zonen van 'Esau, die in Sé'ier wonen, van den weg door de vallei, van Elath en van 'Etsjon-Géber. —■ Wij wendden ons en trok-9 ken voorbij de richting naar de woestijn van Moab. De Eeuwige zeide tot mij ; «Gij zult tegen Moab geene vijandelijkheden oefenen, noch u in oorlog met hen wikkelen ; want Ik zal u van zijn land geen erfgoed geven, want den kinderen van Lol 10heb Ik 'Ar tot erfgoed gegeven.quot; De Emiem hebben er vroeger gewoond ; een volk, groot en talrijk en hoog van gestalte gelijk 11de 'Anakiem. Onder de reuzen worden ook zij gelijk de 12'Anakiem gerekend; en de Moabieten noemen hen Emiem. En in Sé'ier woonden te voren de Chorieten ; de zonen van 'Esau echter namen hen in bezit en verdelgden hen van voor zich, en woonden in hunne plaats; gelijk Israël met het land van zijn erfgoed heeft gedaan, hetwelk de Eeuwige hun gegeven

13 heeft; —• Nu dan, maakt u op, en trekt de beek Zéred over.quot;

14 Wij trokken dus de beek Zéred over. En de dagen, die wij gingen van Kadesh-Barnéa', totdat wij de beek Zéred over zijn getrokken, zijn acht en derlig jaren ; totdat het geheele geslacht, de strijdbare mannen, uit het midden van het leger hadden opgehouden te bestaan, gelijk de Eeuwige ten hunnen opzichte

15 gezworen had. Ook was de hand des Eeuwigen tegen hen.

7. kent, richlte Zijne voorzienigheid op uw gaan door deze woestijn

(vgl. Gen. 39,6; Spr. 27,23). Onder yp ncj'c is hier niet alleen de veeteelt begrepen, die ook in de woestijn kon beoefend worden (vgl. bijv. Ex. 19,13; Num. 20,19 en 33), maar alles, wat voor hun levensonderhoud noodig was, als vervaardiging van kleeding, en zelfs misschien, bij langer verwijl op dezelfde plaats, handel met verschillende stammen in den omtrek. God heeft n gezegend, gij hebt dus geld en behoeft niets te vragen, niets met geweld te nemen, maar kunt koopen en betalen.

s. -Djm zie onze aant. vs. 1. — naiyn -pm, wij trokken weg van den weq naar de 'Araba, weg van Elath en 'Etsjon Géber, twee ook later zeer bekende havenplaatsen aan de Elanietische golf (vgl. Hum. 33,35) en sloegen een andere richting in, Edom langs trekkende om naar de woestijn Moab te komen (vgl. Num. 21,11 en onze aant. aldaar.)

9. -)Sn, Hiph' iel van hï, in het nauw drijven-, vgl. Num. 26,2. Over 'Ar zie Num. 21,15 en 28. — Vs. 10, 11 en 12 vormen een tusschenzin en behooren niet tot Gods bevel aan Mozes voor Israël, dat eerst vs. 13 wordt voortgezet. Het zijn opmerkingen, die Mozes bij het neerschrijven aan de herinnering van Gods bevel toevoegt, om het volk erop te wijzen, dat zelfs voor de nakomelingen van Lot en 'Esau reuzenstammen door God zijn vernietigd. Die dus ook voor Israël de Kena'anieten-staramen zal overwinnen.

10. na- in het land, waarvan 'Ar de hoofdstad is. — Emiem is de naam,

9

ocr page 23

3 onmn □

nm» niiy i ht ntn Vnan quot;Diarrnx ■nnsV

CT ! TT •S- T : - -«•.• AV - V.T - jt : * ~ v | ; : ^ - J-T

i^v-^3 urn4 hkd 13^31 :131 mon ah -iib^ n

^ t^ •quot; : •quot;* quot; squot; quot; :i~~ . IT T T'1 :v-quot;^T J .'T ^ ' v v:

jasi * D 135 nvypi n3^n D'3Bgt;T!

■JIK Sïn-Vx ^s4 nin' IÜ^I : 3Nio n3quot;iD ■nm 13^31c

- t quot; quot; quot; ^ T : quot;p quot;T j- : • | vv.v , :i~~

nt^T iïino i1? rnx'Nb *3 HDH^D D3 n3nnquot;7S4i 3Nio

t *..: : - iquot; «| : I •• v i • at t ; • ^t jt '. • ~ ; t

n3 131^ D^Ö1? D^oxn : ijrrw ^ri: DI,?_,331? »3'

AT tJT V.' T : -gt;• *• IT IT ••.: VT V ' j~ t •• t * j-

D»p3y3 DH-tlX 13^» D^XÖI : Dquot;11 3^ blIS ^

Ia*T^:i- v.quot; ) - j : itquot; •)' T ; II-T-:i- ^tt -r: jt ^

bish onnn i3Bquot; l^^3i : d^dn Dnb i^np' d^kdhi ^

• t : «i- -, : it \quot; : ^ r •• \,v t j :): • • t ^ :

quot;1^3 onnn dh^sd on^iy^ mishquot; Svy »331

sv -: 1quot; fiT : — l. : lquot;- •.-••;• . ' ■ ^ . T i* jt Squot; :

nnj? : anb rnrr jnrn^^ pK? ^

D^Ó'ni mT^TlK quot;13^31 TlT 17n3-nN 03^ 113^1 lOp^

•T- : VIT -j-^ V V •••quot;T V V,VT j : In

lil ^nrnK I3n3^quot;n^« yro tyijjp i 3ipü nonbsn ^3« on-n^ n3iy n3b^i

V|JV T T : - - T quot; at T V.V : j- :

Dsnn^n hw-y DÏÏ : onb nin^ ^3^3 nïyK3 mnarv0

T TI-T T : - lt;- : IV T 1,T ■ IV -! Iquot; V quot;1 1quot; quot;

door de Moabieten aan de dooi- hen overwonnen oorspronkelijke bewoners van dit land gegeven, en beteeken t; verschrikkélijken.

11. is de algemeene naam voor een reuzengesiacht, waarvan zoowel Emiera als 'Anakiem onderdeden zijn, waarschijnlijk: afstammelingen van nB-i, Rapha (II Sam. 21,16 en 22), welke eigennaam later soortnaam voor; reus werd.

12. Iets dergelijks was ook in het land van Edora geschied. Over de Chorietcn zie Gen. 36,20 v.v.. v. s. van in, gat, hol, holbeiuoners. — dtotquot;, namen hen, d. w. z. hun land in bezit en verdreven hen uit hun bezit; men behoeft dan ü-p niet de beteekenis van verdrijven te geven. — rror quot;WM enz., gelijk Israël met het land van Siechon en 'Og heeft gedaan, dat God hun nu reeds gegeven heeft, waaruit het ook de bewoners heeft verdelgd.

13. Over mi Sro vgl. Num. 21,12. Zij moeten Nachal Zéred door, om aan de grens van Moab te komen.

14. DJ-), ophouden te bestaan; af-zijn, op-zijn. — nnnSnnivm,strijdvaardige mannen, die bij het verspiedersoproer den strijdvaardigen leeftijd, 20 jaar, bereikt hadden.

15. Dezen stierven door de hand Gods, die tegen hen gericht was, onn1?, om hen te verwarren, meer in het bijzonder van den schrik, door God gewekt, als Hij Zijne vijanden vernietigt.

ocr page 24

DEUTERONOMIÜM 11.

om hen uit he) leger weg' te vagen, zoodat zij ophielden te Iti bestaan. Toen nu al de strijdbare mannen uit het midden van

17 liet volk opgehouden hadden, doordien zij stierven, — sprak

18 de Eeuwige tot mij, als volgt; //Gij trekt thans het gebied van If) Moab, 'Ar voorbij. En nadert tot tegenover de zonen van

'Ammon ; oefen geene vijandelijkheden tegen hen, en wikkel u niet in strijd met hen ; want Ik zal u van hot land der zonen van 'Ammon geen erfgoed geven, want den zonen van Lot heb 20 Ik het lot erfgoed gegevenquot;; — Als land der reuzen werd ook dit gerekend; reuzen hebben er vroeger in gewoond, en de 21'Ammonieten noemden hen Zamzoevimiem; Een volk, groot en talrijk en hoog van gestalte, gelijk de 'Anakiem; maar de Eeuwige verdelgde hen van voor hun aangezicht, zij namen

22 hen in bezit en vestigden zich in hunne plaats. Gelijk Hij voor de zonen van 'Esau gedaan heeft, die in Sé'ier wonen ; van voor wier aangezicht Hij den Choriet verdelgde, zoodat zij hen in bezit namen en in hunne plaats zich vestigden tot

23 op dezen dag En ook de 'Awwiem, die in open plaatsen woonden, lot bij 'Azza, Kaphtoriem, die uit Kaphtor kwamen, hebben hen verdelgd, en vestigden zich in hunne plaats; —

24//Op, trekt op en gaat de beek Anion over; zie! ik heb Siechon, den koning van Cheshbon, den Emoriet, eu zijn land in uwe macht gegeven; maak een begin met veroveren en 25 wikkel u in oorlog met hem. Op dezen dag zal Ik beginnen

1(5. IDDi vgl- Num. 17,28: tot den laatsten man gestorven u-aren,

ol'; opgehouden hadden te sterven.

18. nnNgt; of tot ilozes gericht en dan vs. 21 in het meervoud overgaande tot liet volk, — öf reeds dadelijk tot mededeeling aan het volk bestemd, waarbij dan de inleidende formule; Spreek tot de kinderen Israels is weggelaten ; het enkelvoud spreekt dan het volk als gemeenschap aan, het meervoud ieder persoonlijk. — Sizjj nx laivnns', vgl. vs. 4. — Noordwaarts trekkend en den Arnon overstekend, bevond zich Israël tussclien de Emorieten links, westelijk, en de'Ammonieten rechts, ten Oosten. Deze laatsten mochten zij niet bestrijden (vgl. ook Num. 21,24). — 20—22 zijn weer als tusschengeschoven opmerkingen van Mozes te beschouwen, evenals 10—12.

19. V!ln iquot;1*; van iri zou het met 'i, Dnsn moeten geschreven zijn. — DV? ■os1quot;, aan één tak van de nakomelingen van Lot, van wien zoowel 'Ammon als Moab afstamden.

20. van Dquot;') v- s. de ondernemenden; v. a. de lisligen, Men meent, dat het dezelfde stam is, die Gen. 14,5 Zoeziem wordt genoemd.

23. Naar Rasiiie en Ibn 'Ezra meenen, wordt hier deze mededeeling omtrent de verdrijving der oorspronkelijke Philistijnsclie bewoners van de streek tot 'Azza door de Kaphtoriem meegedeeld, om Israël erop te wijzen, dat tegenover dezen geen verbod van bestrijding zou gelden, daalde nieuwe bewoners noch met Israël verwant waren, noch ook onder den door Abraham tegenover Abiemélech afgclegden eed van eeuwige vriend-

10

ocr page 25

2 annn ♦

vn : aan mnm mpa aan1?«

s». ; - t - v -; i- * :- it •.. *v av-; i- - v|jv j.t ••. ;

: iaxb nm» nam D : oyn nnpa niab non^anquot;

i •• j~ •• \.t : r* -:- it T vhv t ot t -

^ia nmpi : Dsia biar-n» Din nnNquot;'

« t : ^-Iit: p p^t v vt j : v •) - )quot; _ t - c1

■*33 psa |nN'Nb '3 D3 isnn-VNi DTa'H^N4 pa^ ^3 D^xsTps4 : n^T irnru ÜIV-^31? '3 nfy ^ jiaj^ vriï isnp* D^a^m D^Ö1? n3-i3i^ D^ai Nin-^N 32'nn

Vv t J :\: ' it : • t : t : it lt;• t : a' I - v.quot; t iquot;

ornöa hm* oi^a^ D,p:^3 oni 311 bini : D^aiar«

v •• : * t ; lt;•• • ; -- Irt t *:i- ^tt •)-: jr ■*' r ••. : quot;

a*3^n Vtby ^ quot;i^s43 : Dnnn m'i ==

!,•:,- T ; • .t t lt;v^ -: r it: - j : i-- c-. t r-

onnn on^sa nnrr-x 1^3

bnnö3 nr^-n^ Dnïn3 D*3^'n : nn Dim tj »

; quot; at quot; quot; quot;! i- j* : t - -j it ; iv- j-

n3ri wo tap : Dnnn Dquot;i*a^n -jnö3a D^ïm ■quot;

; ^ ; 1-« ^ it : - 1quot;quot;^ *.*•. * : * : - * j* : i -

naxn ps^n-qba p'pTiN ^T3 ^nn: nsn f:*i« bnrnx 7n« nin Dim : nanba 13 isnni wi Vnn iv^xmNi«

•• t v - j - it t : • ^ : * : at -••• t \ ' '' '

schap vielen. Luzzatto wijst erop, dat in ons vers niet, zooals bij de met Israël verwante stammen 'Esau, 'Amnion en Moab, gezegd wordt, dat Gnd de oude bewoners door de nieuwe liet verdringen; dat dus deze nieuwe bewoners weer door Israël zouden worden ten onder gebracht, behoefde Israël niet bevreesd te maken, dat het op zijn beurt weer voor anderen plaats zou moeten maken. — Over Kaphtoriem vgl. Gen. 10,14.— Jos. 13,3 blijkt overigens, dat nog overblijfselen der 'Awwiem naast de toenmalige Philistijnsche bevolking leefden. — In geen geval blijkt ergens iets van een verbod tot bestrijding der Philistijnen of Kaphthoriem.

24. Zoowel Num. 21,21 v.v. als hier vs. 26 v.v. zien wij, hoe Mozes eerst langs vredelievenden weg vrijen doortocht door Siechons land tracht te verkrijgen. Ons vers is dus niet een absoluut bevel om Siechon te bestrijden, maar een verlof- in tegenstelling met het verbod tot bestrijding der andere volkeren, die zij kort te voren waren voorbijgetrokken. Anderen verklaren Mozes' woorden hier als een bevel, weliswaar hier reeds medegedeeld, maar eerst gegeven na Siechons weigering, zoodat het eigenlijk historisch eerst na vs. 3ü valt. — en Snn, heyin, verover, ook

gebiedende wijs = gn; vgl. isa Win (1,5); v. a. is tn een onbepaalde

wijs = nun.

25. de schrik verbreidt zich over het gelaat, dat de uitdrukking van angst vertoont. — i^ni, onder den invloed van den tijdveranderenden '1, is de toon naar de laatste lettergreep verschoven, hoewel het stamwoord, 'jin, heven, is; anderen; van n^n, ziek zijn.

ocr page 26

DEUTERONOMIÜM II.

den schrik voor u en de vrees voor u te doen komen op de volkeren, die onder den geheelen hemel zijn; die de mare van u

26 hooren zullen en voor u zullen sidderen en beven.quot; Ik zond boden uit de woestijn Kedémoth tot Sieehon, den koning van Chesh-

27 bon, met woorden van vrede, als volgt: „Laat mij door uw land trekken ; op den weg, op den weg alleen zal ik gaan, ik

28 zal noch rechts noch links afwijken. Spijze zult gij mij voor geld verkoopen, en ik zal eten, — en water zult gij mij voor geld geven en ik zal drinken ; Iaat mij slechts te voet door-

29 trekken; (Gelijk mij de zonen van 'Esau gedaan hebben, die in Sé'ier wonen, en de Moabieten, die in 'Ar wonen ;) totdat ik over. den Jordaan zal getrokken zijn, naar het land, hetwelk

30 de Eeuwige, onze God, ons geeft.quot; üoth Sieehon, de koning van Cheshbon, wilde ons niet door het zijne laten trekken ; want de Eeuwige, uw God, had zijn geest verhard en zijn hart verstokt, om hem in uwe hand te geven, gelijk dezen dag. —

31 De Eeuwige zeide tot mij : „Zie! Ik begin over te geven vóór u Sieehon en zijn land ; begin met veroveren, door zijn land

32 in bezit te nemen.quot; Sieehon trok uit, ons te gemoet, hij met

33 al zijn volk, ten strijde naar Jahats. De Eeuwige, onze God, gaf hem in onze macht; wij versloegen hem, zijne zonen en

34 geheel zijn volk. Wij veroverden al zijne steden, in dien tijd en verklaarden tot ban geheel de stadsbevolking aan mannen

33 en vrouwen en kinderen ; wij lieten geen rest over. Slechts het vee plunderden wij voor ons; en den buit der steden, die 36 wij veroverd hadden. Van 'Aro'er af, dat aan den oever dei-beek Arnon ligt, en de stad, die in het, dal ligt, tot Gil'ad toe,

26. In verband met onze opmerking vs. 24, kan men hier vertalen; n u zond ik, of: ik h a tl namelijk f/ezonden. — nwip lais», van uit de woestijn hij de Eraorietische stad Kedémoth, vgl. Num. 21,21.

27. -pH op den weg en steeds weer op den weg, vgl. de uitdrukking -[Snn -[va, Num. 21,22.

28. De zin is: als gij mij spijze verkoopen wilt, zal ik die eten; doch niets wegnemen noch tot verkoop dwingen.

29.' Verkoop gij mij spijs en drank, evenals de zonen van 'Esau en Jloah, oen deel der grensbewoners, gedaan hebben. (Vgl. onze aaut. Num. 20,18). Wanneer Deut. 23,5 den Moabieten niettemin verweten wordt, dat zij iiiip N1?, it niet v r ie n d s c hap pel j k t e ;/ e m net y ek o m e n zijn mei spijs en drank, dan heeft dit 1°. betrekking op het volk in zijn geheel, dat immers den doortocht weigerde, en 2°. is er groot verschil tusschen het niet weigeren van verkoop van spijs en drank en het als vriend aanbieden ervan. Als broederstam ware dit laatste de plicht van'Amnion en Moab geweest, dien zij echter niet vervulden.

30. 13, evenals Num. 20,18; door hem =. zijn gebied. — rropn, had hard r/emaakt, zoodat hij het verlof weigerde; en sterk gemaakt, zoodat hij besloot Israël gewapender hand aan te vallen. — run aio, gelijk het heden inderdaad geschied is.

31. Siechou's weigering is door Mij veroorzaakt als begin van zijn val; daarmede heb Ik begonnen hem in Uw bezit te geven. Anderen: Ik begin u

11

ocr page 27

3 onm

quot;i^k wmn-bz nnn D^a^n ^n«Ti ^quot;ins nn quot;lanap DOIJVD n^Ni : ^iöö iVm, m: p^of *13 : *10«!? Di^ nan fia^n ^0 nion^ quot; Vdk : yw hdn n) -]Sk Tjina ^2 ^r^?quot;3 pi 'n'DB'i ^quot;|nn t]D33 D'ot e^psa

n^ab^iy^n Ttb# ♦ja ,l?'^T 1^3 : ^^3 nn^K quot; -Sk pTn-n« n^. IJ?t3 a^tf^n a^xiani

-jSa p^p niiK N)'! : i:1? jni nin^iE'K p.^n ^ ^snquot;! inirnx nin* Wprra 13 in.s^n jis^n quot;idk'i d * : ntn di»3 rvn inn linV-nK ^

... ,1 :,t: ^ j ■ 1 - oV t S v

bnn lïnK-nxi frrpTK nn ♦nv'nn nKquot;i 7« nin; la^-bDi. «in unxn^ |n»p : i^nx-nK n^nbBh3'' ink tisi ir^aV iynb« nin* in:n4i : nïn» nanba1? ^

0 ])— ftm' t^: v; jt : •)quot; ; •- t :it *v-t t :

xinn nys m^-^-nx -ü^i : lar^-n^i urnKi ^

• - ^-t t t t v lt; ; * quot; . 1 t *' : ^t'gt;t 1

: in'Bgt; laiKirn x1? «itani D^sni ona quot;vy^ntf □quot;in^i

i' t :vquot; : -» jat - ; v* t - ; • : -«• t v quot;-si--

-ivhva : una1? ib'K on^n bViri 12b una nanan pquot;i ^

^:iquot; ^ :it^t jv -: (.-^r iv : rtt ^ •.-•-t ^t •• I 17

i^^'i^i ^nb nirx i^ni [ints ^nrnstpquot;1?^ ie'NI

het u beloofde en door u te veroveren land te geven, doordien Ik u Siechon's land doe in bezit nemen. — Het is een aanmoediging om den strijd, door Siechon aangeboden, zonder vrees te aanvaarden. — Het tweede versdeel beteekent: heg in uwe veroveringen met het in bezit nemen van zijn land.

3-1. DDO Tgt;7j y-3. stedebeoolkiiig aan mannen; bij Dni:, zooals mij meerdere oude en slechts in poëzie gebruikelijke woorden, komt nooit de bepalende 'n voor. Onkklos e. a. verklaren: tcij verklaarden tot ban alle steden, (enkelvoud als collectief) mannen en vrouwen en kinderen, onn schijnt oorspronkelijk krachtig persoon te beteekenen, v. d. mannen; soms echter ook algemeen: menschen; v. a. zwakke stervelingen en dw: quot;vv, stad met ten do u de gedoemde bevolking. — Zooals Naciim. opmerkt, was de bevolking Emorietisch en dns aan het voorschrift van Deut. 20,16 en 17 onderworpen, dat de bevolking der Kena'anietische stammen moest uitgeroeid worden. Dit was echter alleen het geval, als zij weigerden den vrede te aanvaarden onder voorwaarde van opzicbnemen der zeven Noachidische plichten. Om deze reden moest Mozcs Siechon eerst den vrede aanbieden, maar moest ook, nadat deze geweigerd was, de geheele bevolking worden uitgeroeid.

36. Van 'Aro'er in het Zuiden af tot Gil'ad toe in het Noorden, was

ocr page 28

DEÜTERONOMIÜM II, III.

was er geene stad, die ons te machtig was; alles heeft de 37 Eeuwige, onze God, in onze macht gegeven. Slechts tot het land der zonen van 'Amnion zijt gij niet genaderd ; den ge-heelen oever van de beek Jabbok namelijk en de steden van de bergstreek, en al wat de Eeuwige, onze God, ons geboden heeft.

O 1 Wij wendden ons en trokken op in de richting naar Bashan; toen trok 'Og, de koning van Bashan, uit, ons te gemoet, hij

2 en al zijn volk ten strijde, naar Edré'ie. De Eeuwige zeide tot quot;lij : «Vrees hein niet, want in uwe macht geef Ik hem en al zijn volk en zijn land; en gij zult hem doen, gelijk gij gedaan hebt aan Siechon, den koning van de Emorieten, dieteChesh-

3 bon woonde.quot; Zoo gaf de Eeuwige, onze God, ook 'Og, den koning van Bashan, in onze macht, en al zijn volk ; en wij

4 versloegen hem, totdat men hem geen rest overliet. Wij veroverden al zijn steden in dien tijd ; er was gecne stad, die

^ wij niet van hen weggenomen hebben; zestig steden, de gcheelc

5 streek van Argob, het koninkrijk van 'Og in Bashan. Deze

_ allen waren versterkte steden, met hooge muren, poorten en

ü sluitboomen; behalve de open steden, zeer vele. Wij maakten

hen (ot ban, gelijk wij bij Siechon, den koning van Cheshbon, gedaan hadden ; tot ban verklarende geheel de stadsbevolking

7 aan mannen, vrouwen en kinderen. Doch al het vee en den

8 buit der steden plunderden wij voor ons. Zoo namen wij in dien tijd het land uit de macht der twee koningen van de Emorieten, die aan de/.e zijde van den Jordaan waren, van de beek

0 Anion af tot het gebergte Chermon. (De Tsiedoniem noemen Chermon: Sirjon; en de Emorieten noemen het: Senier.) 10 Al de steden der vlakte, geheel Gil'ad en geheel Bashan

er geen stad, die ons te hoocj — te machtig was. Er waren twee 'Aro'er, een, dat later den stam üad werd toegewezen, bij Rabba en oorspronkelijk 'Ammonietisch (Jos. 13,25), liet andere, het hierbedoelde, in het Arnondal, dat Ruben ten deel viel en Eniorielisch was. Daarom hier de bijvoeging: dut aan den never van den Ar non ligt. — 'rna de stad die inliet Arnondal ligt; Vu beteekent nl. heek of ook stroombed, dat in den regentijd vol water staat, of eindelijk het door een beek bevloeide gebied, dal, wadi. — 01' niet: de stad 'Ar bedoeld is, zoodat de zin is; van af'Aro'er en 'Ar., welke laatste stad niet mee veroverd is, — staat niet. vast.

37. quot;li ^3, nog afhankelijk van Sf in het eerste versdeel, namelijk tot de geheele streek van den Jabbok enz. — niï irs, waaromtrent God ons had yehoden het niet aan te tasten.

Hoofdstuk Hf. 1—11. Verovering van liet land van 'Og onder Gods bijzonderen bijstand.

1. óf; trokken noordwaarts, óf: trokken deheryen op. Vgl. Num. 21,33

4. Ti? DW enz. Zestiy steden, allen gelegen in en te zamen vormende den 3j-is eigenlijk; meetsnoer, v. d. het opgemeten land-, sjis,

waarschijnlijk van (Jub 21,33), aardkluit, is de vaste naam van deze

12

ocr page 29

y 3 onmn y

wrpH nin* jn: Vin-n« wap nnp nn'n n1?

pa^nJ V1?! nn^ xb fisr^l p.^quot;^ pi : r|-!-i |ö3i : irrib« nin» mviB'X ^bi inn n^ix ^

nonVsViDr^lN^''3^!?'? I^sn

♦nnj^Tp *3 im XTn^s4 nin* quot;in^i : -ppS n^ TBwa iv» ypy) iïquot;i«-nNi inx

13T3 ivri^N : fiatfrp 3^ ^aNn|^Dj

nhp nn^n Nquot;? wnn n^3 in^-^rnx 13^1 : nn^ i^n n3t7QD 33,ix ^rr^ DnND nnpyN1? II^N

vj'.' ; quot; ; - vJ•.• T * j• ist • ••• ; Kquot;T I J- .

D*n^ nii32 nDin nnvs onj; n^-Vs : 1^33 1^X3 onix nnnsi : t«ö nsin ^nsn n^a ^ nnsi1 : f]f2m D^an anp quot;i^;,?3 bquot;inn -])n fn^p1?

Njrin nV3 np;n : ^in onyn non3n-l73,i'

. - lt;..T )-•- IT J - V'^Mquot; ^J' 1 . •)T quot;•. T .n

^nsp fii»n 13^,3 i^n4 n^Kn 'W quot;i.5p pxn-nK

noxni ^quot;inV ixip^ D*n*v : p^n t:

jibn-^iVj-n-Vsi Ttr^n njr i ^3 : lV^ipgt;1

1 t t — t : T'.-- r : quot; J • t ■• i : l •' •

streek (ook I Kon. 4,13) en beteekent vermoeflelijk: steenachtig landschap wegens lt;le basaltrotsen van Hanran en het N. O. deel van Bashan ; eu verder namen wij het koninkrijk van 'Og en Bashan, den rest des lands.

5- ''nan 1quot;iygt; Steden van de wijd verspreid wonenden, plattelandsbevolking, d. w. z. open, onbevestigde steden (vgl. Esther 9,19). 6. mnn. tendjl wij tot ban verklaarden.

d i

ligt _____ - - -

sprong van den Antilibanon. De naam wordt door de meeste nieuweren uit het Arabisch verklaard met: uitstekende benjtop, wat ook in [Wü, van sr:, hoog zijn, ligt. — wc wordt door Onkjslos teruggegeven door; sneeuwbergen. — Vs. 8 beschrijft het land naar zijn omvang, vs. 10 naur zijne deelen, terwijl vs. 11 dient om aan te toonen, hoe God Israël in dezen strijd bijstond.

10. -^an, de Emorietische hoogvlakte, van den Arnon tot bij Rabbath-

74

ocr page 30

DEÜTERONOMIUM III.

tot Salecha en Edré'ie ; de steden van het koninkrijk van 'Og in

11 Bashan. Want slechts 'Og, de koning van Bashan, was overgebleven van de overblijfselen der reuzen; is niet zijne bedsponde eene sponde van ijzer, zij is immers te Rabba van de zonen van 'Amnion ; negen el is hare lengte en vier el hare breedte, volgens

12 een mans-arm berekend. Dit land nu hebben wij, in dien tijd, in bezit genomen; van 'Aro'er af, dat aan de beek Arnon ligt, en het halve gebergte Gil'ad met zijne steden, gaf ik aan de

13 Rubenieten en Gadieten. Het overige van Gil'ad, en geheel Bashan, het koninkrijk van 'Og, gaf ik aan den halven stam Menasshé; de geheele streek van Argob, die bij Bashan behoort;

14 dit werd het reuzenland genoemd. Ja'ier, de zoon van Menasshé, nam namelijk de geheele streek van Argob in, tot de grens van de Geshoerieten en Ma'achatieten en noemde ze, Bashan namelijk, naar zijnen naam; Ja'iers dorpen, tot op dezen dag.

16 15 En aan Maehier heb ik Gil'ad gegeven. En aan de Rubenieten en Gadieten heb ik gegeven van Gil'ad af töt de beek Arnon, het midden van het dal en het [daarbij behoorend] gebied tot

17 aan de beek Jabbok, de grens der zonen van'Ammon. Voorts de vallei, den Jordaan en het aangrenzend gebied; van Kinnéreth af,

'Ammon, waarin Cheshbon, Bétser, Médeba, Jahats e. a. steden liggen en die Num. 21,20 veld van AToab heet, omdat zij vroeger onder Moab's heerschappij had gestaan. -— Sai, het bergland ten noorden en zuiden van den Jabbok, die het in twee stukken verdeelt, waarvan het zuidelijke, dat tot Cheshbon loopt, tot het land van Sieehon, het noordelijke, dat tot Bashan zich uitstrekt, tot het gebied van 'Og behoorde. Naar vs. 12 en 13 werd liet eerste den stammen Ruben en Gad, het laatste den halven stam Menasshé toegewezen. De beschrijving gaat van Zuid naar Noord en na Gil'ad volgt dus het eigenlijke Bashan, oostwaarts reikend tot Salecha en noordwaarts tot Edré'ie, zie onze aant. Num. 21,33.

11. Van de overblijfselen der, reeds in Abraham's tijd in Bashan voorkomende reuzen, was 'Og de laatst overgeblevene. En toch is hij overwonnen! zoo groot, was Gods genade! — nSn =; nS.-i, synoniem met n:n. — icnr, v. s. de wier/, waarin hij als kind gelegen heeft en die misschien door de 'Ammonieten in een vroegeren strijd is veroverd (2,21) en nu als herinnering aan den grooten vijand, dien zij, hoewel ten deele overwonnen, toch niet konden vernietigen, in een hnnner hoofdsteden. Rahha, stad van de zonen van 'Ammon, is geplaatst. Anderen meenen, dac 'Og, oorspronkelijk resideerende in Rabba, van daar was weggegaan om een nieuw rijk in Bashan te stichten, terwijl zijn bed nog in Rabba werd aangewezen. Rashbam meent, dat 'Og tc Rabba was grootgebracht en men daar zijn wieg als bewijs van zijn bijzonderen lichaamsbouw bewaarde. — es rquot;5S2, volgen* een mansarm berekend, 54 cH. — Ook dat de sponde van ijzer is, wijst op reusachtige lichaamskracht, waartegen geen hout bestand is.

12—20 de toewijzing van het pas veroverd gebied aan de 2lL stam. Vgl. Num. 32,33 v v.

12. quot;IJ/Sjin quot;in 'ïm. ^ zuidelijke helft ran hel i/eberf/le = de bergstreek Gil'ad. — vnyi, het mannelijk aanhangsel slaat op nn.

13

ocr page 31

y onm r

ytyy] *2 : 1^32 31^ nabüü nj; nDbp-i^ ^

bhs K'ij;, Vcnj; ran b^ain 1^12'hm: j^an -jSo nia« ^3-iki ni-iK nia« jia^ ^3 nana Nin n'pn Ninn npa nNtn pNrrnNi : wx-nmi nam ^

rt- - y-T : V.-T •) quot; 1 vstt V : r - - : ^ v.t : t

i^^n-in 'vm p-ix quot;13)^12

^nna jiy nD^oa i^arr^i i^ban nn^ : ^

. - t * v-»v ; - I t t - t : #lt;t: • - vv; ftquot; ; ^* •• it

«inn aaiNn bnn is ntrjon □aK' ^n1?

^•quot;I t ' j - } t r ~ t : ^ : - it vlt;v ^ av - : i- v-••• v.' -:iquot;

-i# D'inK ban-^rnN n^ n^Q-|3 : D^sn ninjB'in-nKiD^quot;^ ons ni^n Vina

'biKi1?'! : 'nn: *: ntn Di'n np «

it: 'it: ■ - ■ j- t I- T ; ^ ivquot; j - k.' r • t tB

iy) bin Vnan -jin piN ^nrn^i np_]

nniao baai pTni nnn^ni ; paj; ^3 ^a'jnin py*

13. Jï^an SdSj met betrekking tot geheel Bashan, wat naar Mendelssouk betcckent: die tot Bashan behoort; anderen; m e t geheel het verdere Bashan.— sinrt, DU land wordt genoemd = is het land der Rephaiem, dat Gen. 15,20 aan Abraham was toegezegd.

14 en 15 zetten nu verder uiteen, hoe Mozes ertoe kwam, ook den halven stam Menasshé, den iamiliën Jaier en Machier, hun land toe te wijzen. Deze beide iamiliën hadden namelijk in denzelfden tijd een veroveringstocht gemaakt naar het noorden toe en behielden het door hen veroverd gebied (zie onze aant. Num. 32,33). De verovering van de streek Argob geschiedde dus meer in het bijzonder door Jaier; zie over hem Num. 32,41. — Geshoer en Ma'acha zijnquot; twee volkeren aan de noordgrens van Bashan. — nrs, ze, de dorpen in die streek. — ntn DVgt;n U', tot op dezen dag, waarop men dit leest. Deze naam beeft reeds nu bij de omwonenden burgerrecht verkregen, terwijl de naar Num. 32,38 gegeven nieuwe namen der steden waarschijnlijk weer verdwenen.

15. Ook Machier had zich, naar Num. 32,39, Gil'ad veroverd.

l(j en 17 omschrijven nog eens nader het gebied van Ruben en Gad, evenals 14 en 15 lict'in vs. 13 algemeen meegedeelde nader ontwikkelden.— '■ran -pr, niet alleen tot het Aruon-dal, maar ook het eigenlijke dal zelt, tot de beek, die door het midden van dit wadi stroomt. — Saai, en het omliggende gebied, vgl. Num. 34,(ï. De Noordgrens is Gil'ad, de Zuidgrens de Arnon, de Westgrens de Jordaan en de Oostgrens de Jdbbok, die de grens der 'Ammonieten vormt.

17 geeft de westelijke grens aan; de Jordaanvlakte, ten Oosten van den Jordaan natuurlijk, van af Kinnéreth, een stad, die haren naam aan het meer Kinnéreth meedeelde, in het Noorden, tot de Zoutzee in het

ocr page 32

DEUTERONOMIUM 111.

tot aan de zee van de vallei, de Zoutzee, beneden Ashdolh-

18 Hapisga, oostwaarts. Ik lieh u, in dien tijd, geboden, als volgt; «Do Eeuwige, uw God, heeft u dit land gegeven, om het in bezit Ie nemen ; gij moet echter als keurbende vóór uwe broeders, de kinderen Israels, uittrekken, al de strijdbare

19 mannen. Slechts uwe vrouwen, uwe kleine kinderen en uwe kudden, (ik weet, dat gij vele kudden hebt), zullen in uwe

20 steden blijven, die ik u gegeven heb. Totdat de Eeuwige uwen broeders, zooals u, tot rust doet komen en ook zij het land in bezit zullen genomen hebben, dat de Eeuwige, uw God, hun aan de overzijde van den Jordaan geeft ; dan kunt gij ieder

21 tot zijn erfgoed terugkeeren, dat ik u gegeven heb.quot; En Jehoshoea' gaf ik de opdracht in dien tijd, als volgt: „Uwe oogen waren het, die hebben gezien, al wat de Eeuwige, uw God, gedaan heeft aan deze twee'koningen; zoo zal de Eeuwige

22 aan alle koninkrijken doen, waarheen gij overtrekt. Vrees hen niet; want de Eeuwige, uw God, Hij is het, die voor u strijdt!quot;

23 Ik had namelijk gesmeekt tot den Eeuwige in dien tijd,

24zeggende: „Heer, Eeuwige God! Gij hebt begonnen. Uwen

dienaar Uwe grootheid en Uwe sterke hand te toonen ; dat er geen macht is in den hemel of op de aarde, die gelijk Uwe werken en gelijk Uwe machtige daden zou kunnen doen!

25 Moge ik (och overtrekken, en het goede land zien, dat aan

Zuiden. — mwN, Nam. 21,15 in den zin van: uitstorting, schijnt te he-teekenen : door beken besproeid land, anderen; den voet der Pisga. Over Pisga zie Num. 21,20.

18—20 herinnert Mozes nog eens aan de voorwaarden, waaronder hij Num. 32 hun het land gegeven heeft. — Over D^ïibn zie Num. 32,17.

21. Omstreeks dienzelfdcn tijd, misschien iets later, werd Josua tot mijn opvolger aangewezen en legde ik hem zijn taal uit, wis, vgl. Num. 27;i9.

23—29. Mozes' bede en Gods antwoord.

23. pnDNl. van pn, verleenen, genade bewijzen; de Pi'el dus; genade vragen ol' doen bewijzen, verdienen; de Ililhpa'el; voor zich genade vragen, of; zich genade waard hetoonen. — xinn nï2 beteekent, evenals ons destijds, niet: in dienzelfden tijd, waarvan ik .juist gesproken heb, maar; toen ter tijd, toen het gepast was; zoo vs. 21, waar het daar verhaalde aan het vooraf meegedeelde voorafging; ook hier is waarschijnlijk Mozes'smeeking óf bij het feit der Twistwateren (Num. 20,12) te plaatsen, waarbij Mozes en Aharon werd aangekondigd, dat zij het land niet zouden betreden, — of wat waarschijnlijker is, bij de aankondiging aan Mozes, dat zijn stervensuur weldra zou aangebroken zijn (Num. 27,12—14), bij welke gelegenheid ons d. t. p. wordt verhaald, dat hij om aanwijzing van zijn opvolger vroeg. In ieder geval moet jinpsi hier als meer dan volmaakt verleden tijd worden opgevat. Van deze smeekbede, als Mozes alleen persoonlijk lie-

14

ocr page 33

: pnnKi onann * : nnnrp napan nnn nban d; nnn^n d; ij?] DD1? rni DD^X nin» -iox1? wnn dddn IÏNI ^

V T 1 - T v •• I v: -t : a •• v*. quot; v ï v ■'quot; quot;:,t

-»J3 Dp'ns4 'Jö1? Tin^n D^n nn^-iS nNin p^n-nN ♦r\^T b32pp1 DDSül DD'E'i pquot;f : V^iT^r1?! ^

nf * : dd^ ♦nnj i^s4 DDnjra •1D^,. DD1? nn mpp-^3 riNn-ns4 dh-dj 032 M'nsb 1 nirr n^r'^si

1 vt t v .. - j :,t: v t v •■ :i 1 '''^ ' T ' 1 '

Dri3t?n jnn^n 13^3 Dn1? |n: □3,n\st nin; -i^n;

«inn nv3 thï vi^ln^n^i : ddV ♦nn: na'N «

^. - ^..t ...... j . v . ^ ,.. t *#^quot;t -'** '! t **•''

DD^ribx nin^ ik'N'Vs ns4 ninn iaN1? njnw nb^pan-^sS nin; nbs4n O^^DH

□nSr/^n 03^« nin» '3 Disn^n N1? : nsiy 13'^quot;

jX ; ' ~ V V •• I VI -quot;T ï 'c ATI* ^ TIT

D : Dp'1?

nnN nin^ quot;iis4 : quot;iaxb xinn ny3 nin^w pnnxi»

lt;t - • v: -«t -: i quot; v* quot; ''quot;T | fr S V : '' ~J

rjT-nNi i^irnx ^3j;quot;nK nisin? ni-?nn ^1^03 px3i D.^u'S S«quot;*Q IK'N n^inn -

raicn psinTK HXINI «rnns^N : ^nhisjpi

trefTentle, daar liij slechts vraagt den bodem des lands te betreden en dan te sterven, en niet leider des volks bij de verovering te blijven, wordt in Nnmeri niets vermeld. Hier maakt Mozes er melding van met het oog op vs. 20 (zie onze aanteckening aldaar).

Si- niSnn nn{lt;gt; v- s- door al wat ik, Mozes, en Israël reeds ervaren hebben, is mij eerst een begin ran inzicht geschonken in enz.; v. a. door de overwinning op de Emorieten, als begin van de inbezitneming des lands, zijt Gij ber/onnen mij Uwe genade te toonen. — Ss 'B nrs. 'S is hier vragend, waarop een zekere ontkenning volgen moet: is er u-el? neen! — er is geen. Dan kan t:s uls voegwoord worden opgevat, en is de zin al'hanlielijk van riisinS; Gij hebt mij bewezen, dat er geen macht is enz. Anderen verbinden: ncr' iï'K ■'» ■jiitïsd irs, Gij, als IK iens icerken er geen macht is, die doen lean; n. a. want welke macht is er enz. —Sx, macht, die door de met Uw Wezen onbekende menschhcid als goddelijk wezen vereerd wordt. — rm:;, uitingen der rvraj, machtdaden. — üij hebt dus een begin gemaakt mij Uwe genade te bewijzen, zet de kroon op het werk, vs. '25: laat mij het land betreden!

ocr page 34

DEUTERONOMIUM III, IV.

de andere /.ijde van den Jordaan is, dit goede bergland en den

26 Libanon. Doch de Eeuwige bleef om uwentwil tegen mij vertoornd, en verhoorde mij niet ; maar de Eeuwige y.eide tot mij: «Het is u genoeg! spreek niet meer tot Mij over deze

27 zaak. Beklim een top van den Pisga en hef uwe oogen op naar het westen, naar het noorden, naar het zuiden en naar het oosten, en zie niet uwe oogen! want gij zult dezen Jordaan

28 niet overtrekken. Draag Jehoshoea' zijn taak op, sterk hem en bemoedig hem ; want hij zal aan het hoofd van dit volk overtrekken, en hij zal hun ten erfdeel geven het land, dat gij

29 zien zult.quot; Wij bleven in het da), tegenover Béth-Pe'or.

1 Welnu dan, Israël ! luister naar de wetten en naar de rechtsvoorschriften, die ik u leer, om ze te volbrengen ; opdat gij leeft, en komt naar en in bezit neemt het land, dat de Eeuwige,

2 de God uwer vaderen, u geeft. Gij zult niets toevoegen aan hetgeen ik u gebied, en niets ervan verminderen; in acht nemende

25. 3it3n quot;prii 'Ut bergland, d i. geheel Palaestina, dat in zijne hoofd-declen wel als bergland met tussclienliggende dalen kan worden beschouwd. Vooral van uit het Zuiden gezien, waar van uit de woestijn Juda het land meer en meer stijgt en tenasgewiize oploopt, maakt het den indruk van met een aaneengesloten bergketen bedekt te zijn, die tot den Libanon doorloopt, d. w. z. den Antilibanon.

26. D33yoS. Gewoonlijk wordt in jmS niet de reden, maar het doel aangewezen; terwijl nu sommigen het hier verklaren als; op (/rond van wo gedrag, evenals 1,37 osSSja, — verklaren anderen: voor uw bestwil; het was' in Israel's belang, dat God Mozes' bede afsloeg en hij in de woestijn stierf; n. a. met het oog op mijne handelwijze tegenover'a, om uwentwil, vgl. Num. 20,10 v.v. Jloz.es wil in dit geheêle stuk, zooals bij herhaling opgemerkt, Israël op de vele blijken van Gods genade wijzen, waartoe ook behoort het aanwijzen van Mozes' opvolger vóór zijn dood. Vat men hier oiKth op: om mvenlwille, in uw belang, dan wórdt zell's het niet verhoeren van Mozes' gebed een bewijs van Gods liefde voor het volk, en is het alleszins begrijpelijk, dat Mozes hier zijn bede vermeldt, vooral met het oog op den grond der afwijzing. — . .-\2sm,eig. geraakte builen zichzelf tegen mij; het woord heeft echter algemeen de beteekenis van : heftig vertoornd worden gekregen. — f? ai, hel is nu genoeg geweest voor u, of' in den zin van: gij hebt uw taak volbracht; of in dien van: smeek nu maar niet langer, het baat u toch niet.

28. njpfln CJO- naar een tolgt; vcquot;i den Pisga, het noordelijk deel van het 'Abariemgebergte. Voor vs. 28 vgl. Num. 27,23 en Deut. 1,38. De werkelijke uitvoering dezer bevelen vinden wij eerst Deut. 32,49 vermeld; vgl. echter onze aant. Num. 27,12.

29- NVO- quot;l l'et quot;de valleien van Moabquot;, Num. 22,1, — tegenover Béth-Pe'or, waarschijnlijk eene stad, waar een beroemde Pe'or-tempel stond (vgl. Num. 23,28). Waarschijnlijk waren zij daar nóg gelegerd (vgl. Num. 33,49). Of 2PJ1 vertaald moet worden door: wij waren, toen ik deze opdracht kreeg, reeds gelegerd, of; wij bleven na dien tijd, staat niet vast.

15

ocr page 35

n y pnmi it:

^ nln' quot;)3vn»i : nabni ntn man inn mn 13^3«

jt : I I t ; - ; ^ •gt; quot; JT r I a- ; - - v j- :

►quot;jpin^x ^'31 nin» ^ N^I DD^Q1?

niosn b'ni i n1?^ : nn iina 131quot;

I ov JT : T ; • - -» -••• -: ivquot; jt T - v •)quot; •• J- quot;

i3vn N^_,3 n^^3 nNii nmTDi njo'ni nibïi na»

^ : i~ ^ • i rtv ; t ^t; • TJT •• : t ) t : tst

invsNi in^iTnquot;! quot;tti •' nTn i^'n-nx quot;=

nt^K riNn-nN Dni« kini nin a^n ♦iö'?

JV -: L'AT T V T •»• :- : v- quot;Stt •• ; • ^iquot;

£3 : quot;iiitö n'3 ^io N,i3 3^31 : nxnn c=

T : Jquot; v : t - •-• -»•• - iv

'3:« D'üstyan-bs4'! □'•pnn-bK ynv nn^i« ~

.)• it sv -: : * - v : !• •-. i- v ^ : •• t; • --t^- :

-nx Dnuhn Qnx3i vnn rjdï D3rix na^o

jv : * r •-• t : r I*1 -•- : a ^—.i- \,v : v ;

ifiDh n1? : D31? ?n: Q3,nb« nin' pxn =

-« iv t i Jquot; V-* quot; I quot;* Jquot; v: ^ 4T : sv 1 v t t

inwh mn wun nVi D3nN ntxo ie'k quot;i3^n-,?p

; • av • ^ :; • ^ : v : v jv- : it «v -; t t- ^

Hoofdstuk IV. 1—40. Opwekking tot trouwe opvolging der wet.

1. nnjn. trekt het resultaat uit al de voorafgaande herinneringen; uit het verleden kunt gij leeren, dat onwrikbare trouw aan Gods wil de noodzakelijke en eenige voorwaarde voor uw toekomst bevat. — 1—8 bevat de vermaning de wetten stipt en onveranderd op te volgen, waarvan leven en dood, maar ook Israëls aanzien bij de volkeren af hangt. Vervolgens waarschuwt Mozes ertegen, door de openbaring op Sienai te vergeten, (9—14) in afgoderij te vervallen (15—24), daar het gevolg daarvan zou zijn verstrooiing onder de volkeren, totdat gij, tot inkeer gekomen, opnieuw door God wordt aangenomen (25-31); bedreiging en toezegging worden dan bewezen door het eigen verleden (32—38) om het volk in de trouw aan God te bevestigen (39 en 40). — Dicsonni D'pnn, in Mozes' redevoeringen steeds in deze volgorde genoemd, omvatten den geheelen inhoud der wet. D-pn, de grenzen voor 's menschen beheersching der stoffelijke wereld, het den mensch ter beschikking toegewezen deel; D'OBü», de rechts-voorsckriften in den wijdsten zin des woords, zoowel tegenover God, als tegenover 's menschen medeschepselen. — nier1quot;' kan zoowel bij ree, als bij lisS» behooren; in het eerste geval is de zin; luister er naar, om ze te volbrengen; zet de theorie in praktijk om; — in het tweede geval; die ik u leer doen. — onciii onsai, en gij komt en in hezit neemt; het is mogelijk, dat de twee werkwoorden als één begrip moeten opgevat worden; opdat gij aanstonds zult gaan in hezit nemen; mogelijk is echter ook, dat bij □n.sin de woorden pxn Vn uit het volgende versdeel moeten bijgedaeht worden.

2. Die trouwe gehoorzaamheid eischt echter onveranderde inachtneming van Gods geboden. Elke verandering doet ze tot menschen-voorschrift worden; ook 13,1 komt hetzelfde verbod voor. Natuurlijk sluit dit verbod niet uit het nemen van voorzorgsmaatregelen tot handhaving der wet, zooals die door rabbijnsehe verordeningen in niet gering aantal getroffen zijn. Dezen blijven echter menschen verorden ing en staan in verschillende opzichten niet op een lijn met de Goddelijke geboden, in mondelinge en

ocr page 36

DEUTERONOMIUM IV.

de geboden van den Eeuwige, uwen God, die ik u gebied.

3 Uwe oogen waren het, die zagen, wat de Eeuwige wegens Ba'al Pe'or gedaan heeft; want lederen man, die Ba'al Pe'or volgde, heeft de Eeuwige, uw God, uit uw midden ver-

4 delgd. Gij echter, die aan den Eeuwige, uwen God, gehecht

5 bleeft, gij zijt allen heden in het leven T Zie! ik heb u wetten en rechtsvoorschriften geleerd, gelijk de Eeuwige, mijn God, mij geboden heeft; om ze aldus uit te oefenen in het midden

(5 des lands, waarheen gij komt om het in bezit te nemen. Neemt ze dan in acht en oefent ze uit; want dat zal uw wijsheid en uw inzicht in de oogen der volkeren uitmaken, die, wanneer zij al deze wetten hooren, zeggen zullen : „Slechts een wijs en

7 verstandig volk is deze groote natie.quot; Want welke natie is er, nog zoo groot, die een god heeft, die haar zoo nabij is, als

8 de Eeuwige, onze God, zoo dikwijls wij Hem aanroepen. En welke natie is er, nog zoo groot, die zoo rechtvaardige wetten en rechtsvoorschriften heeft, als deze geheele leer, die ik u

9 heden voorleg ? Slechts neem u in acht, en behoed uw ziel zeer, dat gij de zaken niet vergeet, die uwe oogen gezien hebben, en dat zij gedurende al de dagen uws levens niet uit uw hart wijken ; en gij zult ze uwen kinderen en kleinkinderen

10 bekend maken. Den dag namelijk, toen Gij vóór den Eeuwige, uwen God, bij Choreb stondt, toen de Eeuwige tot mij zeide : „Verzamel Mij het volk en Ik zal hun Mijne woorden doen hooren, opdat zij leeren Mij te vreezen, gedurende al de dagen, die zij op den aardbodem leven zullen, en zij het ook hunnen kinderen

schriftelijke wet neergelegd (vgl. Lev. 18,30). — Op onze plaats schijnt Mozes meer in het bijzonder te denken aan wetten in verband met afgoderij, terwijl 13,1 het algemeene voorschrift bevat; v. a. wendt zich onze plaats tot het volk in zijn geheel (daarom meervoud), terwijl 13,1, waar het enkelvoud gebruikt'wordt, zich persoonlijk tot ieder zoon des volks wendt.

3. Gijzelf hebt nog zeer onlangs gezien, waartoe afval van God leidt (Num. 25,1—9). De Pe'ordienst had plaats na de overwinning op Siechon en 'Og. — hïs of: wegens Ba'al Pe'or, hi: te Ba'al Pe'or, wot

dan evenals Ba'al Tsephon (Num. 33,7) oorspronkelijk naam van een tempel, tevens plaatsnaam is.

5. Niet uit mijzelve leer ik u die wetten, maar zooals God ze mij heeft geboden; en wel; opdat gij ze zoo onveranderd volbrengt in het land, dat gij straks in bezit zult némen.

6- ntn Smn 'in paji odh dj; pn kan vertaald worden: slechts wijs en verstandig is dit volk, in alle opzichten handelt het wijs, wat door het herhaalde Sa in vs. 7 en 8 bevestigd wordt; of: slechts dit volk is wijs en verstandig, geen ander heeft zulke goede wetten —waarvoor de geheele inhoud der volgende verzen spreekt. Anderen: niet anders dan een wijs volk; n. a. pi = voorwaar. — waarvoor echter geen bewijsplaats

16

3

ocr page 37

n pnnKi TL:

nyyv : DDPN niso IVH D^rib^ nin^ KiïD*nNj

v •• V' iv : v r.*- ; v.* it jv -; v •• i v: -r : : • .

t^Nrr^ '2 -ii^s ^23 nm» nx nixnn

• -y t ■j ^ : ./t t v -: it

: Tjsn^ nin» iTQirn ni^3quot;^3 nnx -|Sn i n«-! * : Di»n D3b2 D^n DD^nbK nin^ D'pnin hm) ^

'■• : i - v.'-* : •• -»• quot; . ','v quot; • ••;gt; «.Ti- 1 • •• : - v - : n

nin' ^.v D^i^pt D^n oins4 'ma1? :quot;Tnn^-)gt; naW D^a dhn I^K pxn 3^3 |3 ni^) D*s^n D3ni,3,i bpnppn «in '3 bm?3£i Bnnotfv mn-D^ pn, ^P^i. n-ps'n D^nn-^i n« ij^N: DTf7N ib-ityK ♦ir'o »3 : nin Vi^n Man '

.... j v ~! t -j • '* ''•' vt quot; J it.

Vina Ma 'ai •' vb« lasip-^rD irribx nin»3 VVN D^pn

' * quot; ■ it •• Vquot; :'t t : •• v; i- «st •• ■*• \:

nxin nninn 1l733 Dpnv d'üsk'oi D'pn ib-niyK

Sv -; - ^-'T - : jJ''s' *~ V t : tj'\ ■) v -:

rj^sa nbiyi ^ nof n p\ : Qi»n o^aab |n: -^sï c niD^jai 'ikXTiE'N an3nn-nN n3^in-|3 nxo Dl' : ^1^3 ^3^ an^nlni ?]^n vy b'2 ^33vgt;p 1 ^s4 nin^ n)2«3 3in3 n'nbs4 nin» ^a1? mó^ quot;iitn

1 .. T ; v: iv •• : I v v: jt : •• ; • t : t v -:

nsn'b pnpV n^s; nsrns4 a^n-ns4 ^quot;bnpn

an^a-ns4quot;! nbnNrr^ a^n an ivx hwn-bz ^ns4

is aan te halen. — Mozes let dns wel degelijk op den indruk, dien liet volk naar buiten zal maken; hij wil, dat men de Goddelijke wetlen zal bewonderen en dus op den duur uit vrijen wil navolgen.

7. iq, weer als inleiding tot een vraag, die beslist ontkennend moet beantwoord worden; neen 1 er is neen volk, nog zoo groot, dat enz. Anderen: welk volk is zoo groot, als wij, dat het een god zou hehhen, die het zoo nabij is enz., n's de Eeuvige onze God ons nabij is hij elke ge

legenheid, dat irij Hem aanroepen-, vgl. voor dit gebruik van Sas bij een onbepaalde wijs Gen. 30,41.

9. Het enkelvoud in de geheele volgende passage richt zich lot het volk als geheel, waarvan ten allen tijde, in alle geslachten gezegd kan worden, dat het aan den Sienai stond. — ih-ej -iisn eig. heicaar uw ziel, zorg voor uw leven, dat van inachtneming der wet afhangt.

10. QVgt; bijwoordelijke 4de naamval: wat gij gezien hebt.. op den dag! Als lijdend voorwerp 'van rocn js moest er staan ; divi ns. Vgl. Ex. 19,9 v.v. — nsii1:, een onbepaalde wijs.

ocr page 38

DEUTER0N0M1UM IV.

11 leeren.quot; Gij kwaamt nader en ])laatstet u aan den voet van den berg; en de berg brandde in vuur tot in het hart

12 des hemels, duisternis, wolk en diehle nevel. De Eeuwige sprak tot u van uit het midden van het vuur; een geluid van woorden hoordet gij, doch eene gestalte zaagt gij niet, niets

13 dan geluid. Hij deelde u Zijn verbond mede, wat Hij u gebood na te komen, de tien woorden namelijk; en Hij schreef ze op

14 twee steenen tafelen. Mij echter gebood de Eeuwige in dien tijd, u wetten en rechtsvoorschriften te leeren, opdat gij ze uiloefe-nen zult in liet land, waarheen gij overtrekt, om het in bezit

151c nemen. Neemt u dus zeer in acht ter wille van uw zielen; ■— daar gij immers geenerlei gestalte gezien hebt, op den dag, toen de Eeuwige tot u sprak, op Ohoreb, uit het midden van het vuur, —

16 Dat gij u niet in het verderf stort door u een beeld te maken, de gestalte van eenigen vorm, een afbeelding van een man of

17 van eene vrouw; Een afbeelding van eenig zoogdier, dat op de aarde is; een afbeelding van eenig gevleugeld gevogelte,

18 dat aan den hemel vliegt; Een afbeelding van wat ook, dat op den aardbodem kruipt; een afbeelding van eenigen

19 visch, die in het water onder de aarde is. En dat gij uwe oogen niet opheft naar den hemel, en ziet de zon, dé maan en de sterren, het geheele heir des hemels, en u laat verleiden, om u daarvoor neder le buigen en ze te dienen; —

11. Vgl. Ex. 19,17 v.v. — own a1? ir, tul het hart des hemels, tot in den hemel toe, d. w. z. zoover een inenschenoog kon zien, was een vuurgloed op den berg. — Ssiri Pï T^n. en er was op den berg ook duisternis, ontstaan door icolk en dichten nevel-, vgl. Ex. 19,16 en 18. is dan Semiechoeth: duisternis van wulk en dichten nevel. Mendelssohn meent, dat het vuur op den top van den berg, de duisternis en nevel op het lager liggende deel zichtbaar waren (vgl. Ex. t. a. p.).

12. Sip TlSHi niets dan geluid uaamt gij waar. Vgl. Ex. 20,15.

13 en '14. De tien voorden, den grondslag van Gods verbond met Israel, deelde -Hjzelve u mede; de andere geboden, zoo die van Ex. 21 v.v.. beval Hij mij u te leeren. — nwrS ... nis -itx uvn: ns. Daar rvna nifr in den zin van ; een verbond en zijne voorwaarden in stand houden, niet voorkomt, moet de geheele met iiïn ingeleide betrekkelijke zin als verklaring van inns opgevat worden; Zijn verbond, namelijk wat Hij u gebood te doen.

15 en 16. JVinCD {£).•. DmOCJI vormen één zin; de woorden 'a dn\st nS enz. tot einde van vs. 15 zijn een redegevende tusschenzin. — □iwEoS...omstoi, v. s. neemt u in acht ter wille van uw zielen, uw leven; v. a. = dsvibej ris dmnoi, neemt u in acht, waakt over uzelve. — dyo, v. s. een verleden tijd afhankelijk van een zelfstandig naamwoord, evenals Hoshéa' 1,1; v. a. een verleden tijd van de onbepaalde wijs: gesproken hebben.

16. jinntrn JS. v- s- a's voorwerp aan te vullen, oaa-n, dat gij uwen levenswandel niet bederft, slecht doet zijn; v. a. dat gij «zelve niet in het

17

ocr page 39

i pnrwi v

^«3 1^3 inni inn nnn Tnoyni nnipni : nia^ ^

• t lt;quot; t t : at t - i ^ : i— i gt; :p; • ■ i i •• • ;

•ninö D3,1?N ninnaTi : m D^ibirn nSnv ^

) •» • vquot; •* quot;■ or : squot; -:- iquot; t _ :i- i jt t ) •-■ v. • - t - jquot; -

'nSir D^KI D3rx njiani onx onm bip tyxn

j-T , r ; rS: ,•■ .,T : v • :_, -v quot; r'J : gt; 1 lt; [ ^ T

Dsns mï itrK mna-nx DD1? : ^ip ^

•.\v ^-i —.i~ v ; v lt;t • v -: • : v v t ••-- I i

nin» niy ♦nxquot;) : nin1? Dans»! onain ^

t ^ ; «r- • : rr-: j \ ^ a* t : -

onx Mntpy1? D^Ö^QI D^pn DDDN nsbb «inn nya

t •»•.• ; i a* t : k' 'i *•* i •* •*••-: • - ri-t

TKO Dnnojyji : ns# Dnajr ons4 «

^ : jv : - : it ; /; TvT ^ : •)quot; quot; -»*•• ** I v t t

dd^k mrr nsn di;3 niion-^s on^n k1? ^ os^n^a:1?

•jv •• -: st ; v • : r i t ^ v • i lt; j* av •• i ; - :

naion bps DDS Dn^^. pnn^n-|3 : tjino aina nonrbs rribn : nap: ik quot;idt mnn quot;

■quot;.• -: v.t •• ; t * : - iti^: ^ ^tt : - vat t

n^bn : D'Di^a ci^n quot;IB'K «ib quot;iiar^s n^an fisja ^

• : - -it t - f ^ t r-* -: )t t -» • t • ; - | v at t

niï nnno wtte-ivn n^nn hdinsiï nnno wtte-ivn n^nn hdins

ITT f - J- • -I.--, V -: JT Tp Tp 4- : - ATT,-!.- T

'rgt;N1 nTn-nN^D^n-nK no^oi^n ^

Dma^i anb n'innirni nmii N2ï bb D'isün

at : - -:i- vv t t y: i- ; • : -jt ; -• ; * - t - -«t : lt; «tiquot;

verderf stort. — onicïi is no^ afhankelijk van js. — Sbb, eig. gehouwen beeld, vandaar algemeen; beeld. — rtjisn, ^estate, voorstelling, dus ook bijvoorbeeld in schilderwerk. — Ssd Sa, v. s. verwant met rhnv, den uiterlijken vorm eener zaak; dus: de voorstelling van eenigen vorm. — /wan, eig. home, een nabootsing van den lichaamsbouw van eenig mannelijk of vrouwelijk wezen. Uit den samenhang en den tusschenzin van vs. 15 blijkt, dat, hier vooral verboden wordt zich eenige plastische voorstelling van de Godheid te maken, natuurlijk in de eerste plaats om daaraan goddelijke vereering te bewijzen.

17- nora. hier algemeene naam voor zoogdieren, omvat zoowel vee, als wild. — rpo tisï omvat ook gevleugelde insecten ; vgl. Gen. 7,14. — D'nra, aan den hemel, d. i. naar Gen. 1,8 in engeren zin: het uitspansel. — De volgorde, waarin de schepselen genoemd zijn, is: menschen, dieren op de aarde, meer in 's menschen nabijheid levend, wat boven en onder de aarde leeft (vogels, kruipende dieren, visschen) en hemellichamen.

19. Verbod van vergoding der hemellichamen, zonder dat men zich daarvan een afbeelding maakt. — nmji, gij zoudt u laten icegstooten, door den indruk, dien zij op u maken, u van de waarheid laten afleiden. — pSn TwN enz., die God aan alle volkeren ten deel heeft gegeven, niet alleen aan Israël; zij zijn ten nutte van gansch de menschheid door God in het leven geroepen, of: die God als deel ter aanbidding en vereering heeft toegewezen aan al de andere volkeren, wien God Zich niet heeft geopenbaard en wier dwaling dus begrijpelijk is; ons komt de eerste opvatting, ook in verband met het volgende vers, het meest aannemelijk voor.

ocr page 40

DEUTERONOMIUM IV.

die de Eeuwige, uw God, ten deel gegeven heeft aan al de volkeren,

20 die onder den geheelen hemel zijn. U echter heeft de Eeuwige genomen, en u uit den ijzer-smeltoven, uit Egypte, gevoerd, opdat

21 gij Hem tot erfdeel volk zult wezen, gelijk gij heden zijt. De Eeuwige is op mij om uwentwille vertoornd geworden, en heeft gezworen, dat ik den Jordaan niet zal overtrekken, en niet komen in het goede land, dat de Eeuwige, uw God, u toterf-

22 deel geeit. Want ik zal sterven in dit land, ik zal den Jordaan niet overtrekken; gij echter zult overtrekken en dat goede land

23 in bezit nemen. Neemt u dus in acht, dat gij het verbond van den Eeuwige, uwen God, niet vergeet, dat Hij met u gesloten heeft; dat gij u geen beeld, een' gestalte van wat ook zoudt

'24 maken, wat de Eeuwige, uw God, u verboden heeft. Want de Eeuwige, uw God, is een verterend vuur, een ijverend God.

25 Als gij kinderen en kleinkinderen voortgebracht zult hebben, en oud geworden zult zijn in het land, en gij dan uwen levenswandel bederft, door een beeld, de gestalte van wat ook, te maken, en te doen wat kwaad is in de oogen van den Eeuwige,

26 uwen God, om Zijn toorn te wekken; — Ik roep heden hemel en aarde tot getuigen tegen u aan, dat gij dan weldra van op het land zult verloren gaan, waarheen gij den Jordaan overtrekt, om het in bezit te nemen; gij zult daarin niet lange

27 dagen doorbrengen, maar verdelgd zult gij worden. De Eeuwige zal u onder de volkeren verstrooien, en gij zult overblijven als te tellen mannen onder de natiën, waarheen de Eeuwige

20. npS. voor zich nemen. — Sran H3 kan beteeken en: ijzeren smeltoven, maar ook; ijzersmeltoven, waarschijnlijk hier het laatste, a!s beeld voor zicare verdrukking-, waarbij echter ook het denkbeeld van de loutering en scheiding van onzuivere (ieelen door het smeltingsproces op den voorgrond treedt.

21 v.v. Die waarschuwing is dringend noodig, want herhaaldelijk zijt gij van God afgevallen, zoodat Hij op mij vertoornd werd os'-cn Sr, zeeg ens u, om wat gij gedaan hebt (vgl. Jer. 7,22 en 14,1). Ik ga dus niet met u den Jordaan over en gij zult mijne leiding voortaan missen.

22. ^3, want, of; maar.

23. DJTCjn nog afhankelijk van js. — -px irs, loaaromtrent God u een plicht heeft voorgeschreven, hier; een verbod.

24- hSdN CX in verband met de verschijning bij de openbaring. Ex. 24,17. — N:p hit, zie Ex. 20,5. Gelijk God mij gestraft heelt voor een vergrijp, dat eigenlijk het uwe was, zoo eischt'llij Zijn recht en duldt niet, dat gij andere goden naast Hem dient; Hij zal uwen afval niet ongestraft laten.

25—31. Dit gevaar dreigt vooral in den loop des tijds, als gij lang in het land zult gevestigd zijn en de herinneringen aan.het verleden zullen zijn verflauwd. Om nu die vermaning meer kracht bij le zetten, kondigt Mozes als straf voor den afval verspreiding onder do volkeren aan.

25. anJB'UI. en gij oud geworden zult zijn, d. w. z langen tijd zult

18

ocr page 41

n pnnKi

: nnn Sd1? Qr\H p'jn quot;lè'N

•it t - t - v,quot; * jt : t | v v: lt;t ; i -^t v -:

n^n1? onvsQ ^nan m2D osnx Nïi'i nirr npb DDn«i =

j ir *at: • * v,v : ~ quot; J ' •)*•* '- '•' j' t : i ■jquot;t v ; v ;

DDnnr^ ^-tisxnn nin^ : nrn di»3 nbn: d^1? ib «

AV ••; • 01 V.' ')'''• '. JT ,v~ v ' lt;.T-:i- o

niiisnpxn-^kr^ribn^ jiTrrnN ^nVn1? jr?^!

na no *32« ^ : nbn: mi nin» ivrna no *32« ^ : nbn: mi nin» ivrn33

tt •• j' ir ■'• ^ it-:i- v.1: ' Jquot; i quot; v: jt : v -:

-n« nmy} annjr onNi, ftTJrnK nay nxin nnrnx ina^n-iS oib no^n : nNtn nnitsn fquot;iNn»

lt;• : v :;•!•.• v t -• : it • i - - | ^••jt r

ruia- ^ds ddV dh^i dds^ ma nin»

- j ; v v jv t v • ^11- isv t t -: v •• j v: t :

HVdk ^rrftN nin» '3 : mn» ^IIÏ quot;IÏ^K Va ^

v.t : i jquot; i v v: jt ; •lt; i iv v: jt ; v.1 : * quot;»

ö : K3p Nin

. . . = gt; ,tIquot; r.

Dn^vi onn^ni pN3 Druann d^3 n^m-^ «

v lt;• ^;i- v - ; • : i vat t i ; • t -quot;• ; • t lt;• ^

: iD^pnV ^^3 pnn bi nmr} bpö

ln3Kn pKrrnNi D^o^n-nN Di'n D33q,nn^n13

i •• 1 j t 1* i v t t v : •-»- t^ ~ v t '

nna'iV nsir nquot;i4n-n« Dn3j? DHK 1^« rquot;i«n Vvo 'nno

at : •: tt.t i )•• ;- - v s* : n v ~ f .v ' vt t quot; quot; '

nin» r^arn : mmn ^3 Q'»' ?3n«n-N,? '=

•)t : i s- •• : ^ i i -it • yt * j- t vt -t 1«-.. •-: 1-

nirr nr quot;iitn4 d;^3 isdü mö Dnis4^:*! d,s^3 D3nK

ot ; squot; ~ : v -: • - y : * •quot;• ; a- ^it k.quot; : •*

hebben geleefd in het land, — toch zult gij spoedig eruit verdreven worden, als gij afvallig wordt. — jci is de tegenstelling van vin, oud tegenover nieuu', niet tegenover Jong. Do zin is dus : als de frissche in-drukken van de Goddelijke genadebewijzen zullen zijn verdwenen.

26 vormt het begin van den nazin. '3 Tïn, met den 4den naamval, getuigenis doen afleggen tegen iemand, als getuige oproepen. Hemel en aarde worden als getuigen tegen Israëi genomen, als onvergankelijk en onomkoopbaar ; (Ibn 'Ezra. e. a.) of: als schepselen, die Gods bevelen trouwer opvolgen dan gij (SiPimÉ); of in den zin, dat zij, als gij afvallig wordt, u hun schatten zullen weigeren (Rashbam). Nog anderen meenen, dat hemel en aarde, d. i. de geheele schepping, die gij zoudt vergoden, juist als getuigen tegen u genomen zullen worden, die u vermanen tot trouw, u waarschuwen tegen afval en na de daad de straf aan u zullen ten uitvoer leggen. — O'S' piisn nS, gij zult niet dagen lang doen zijn, d. w. z. langen tijd doorbrengen. Hier is dvji voorwerp en beteekent de Hiphi'el: lang doen zijn-, Ex. 20,12 onderwerp en beteekent de Hiph'iel: lang zijn.— DJcJn, als volk zidt 7/ij vernietigd worden; evenals liet verloren gaan, in ons vers door psn Sr» beperkt, slechts beteekent: niet langer in het land mogen blijven.

27. ISDO TlÜ zie Gen. 34,30.

ocr page 42

DEUTERONOMIUM IV.

28 ii zal voeren. Daar zult gij dienen goden, werk van uienschen-handen, hout en steen, die niet zien en niet hooren en niet

29 eten en niet ruiken. Dan zult gij van daar den Eeuwige, uwen God, zoeken en vinden, wanneer gij Hem namelijk met geheel

30 uw hart en met geheel uw ziel zoeken zult. Als het u eng zal zijn, en u al deze zaken treffen zullen, in latere dagen, zult gij tot den Eeuwige, uwen God, terugkeeren, en naar Zijne

31 stem luisteren. Want de Eeuwige, uw God, is een albarmhartig God ; Hij zal u niet loslaten noch u laten te gronde gaan, en zal het verbond met uwe vaderen niet vergeten, dat Hij hun

32 toegezworen heeft. Want vraag slechts naar de vroegere dagen, die vóór u geweest zijn, van den dag, dat God een mensch op aarde geschapen heeft, en van het eene einde des hemels tot het andere einde des hemels; of ooit iets als deze groote zaak

33gebeurd, of eene dergelijke gehoord is? Heeft ooit een volk de stem van God gehoord, sprekende uit het vuur, gelijk gij

34 gehoord hebt, en is in het leven gebleven ? Of heeft God beproefd te komen om Zich een volk uit het midden van een volk te nemen, door beproevingsdaden, teekens en wonderen, door oorlogsdaden, door eene sterke hand, door eenen uitge-strekten arm, en door groote vreesverwekkingen, gelijk al die, welke voor u de Eeuwige, uw God, in Egypte vóór uwe

SSoogen gedaan heeft? U is het getoond geworden, te weten, dat de Eeuwige de ware God is, geen is er buiten Hem!

28. 6nz' V. s. daar zinkt gij eerst nog lager en van een in zekeren zin idealistisch heidendom komt gij tot de grofst zinnelijke vereering van hout en steen. V. a : daar wórdt gij dan onderworpen aan die goden van hout en steen en zult inzien, welken invloed dit op den mensch heeft. Onkelos en Rashie: gij zult daar onderworpen zijn aan dienaren van goden enz. De zin is o. i.' deze: gij zult eerst medegaan met de heidensche opvattingen uwer omgeving; zoo wordt uw ellende hoe langer zoo dieper — tot gij u weer tot God keert en Hij u dan verhoort en opheft.

29. 'n m Vil kan beteekenen: Gods wil vragen of: Gods hulp inroepen,

30- quot;|S quot;123) ds het u eng is, als gij in benauwing, \i\ ongeluk verkeert.—

own jvinsa, in later dagen; vgl. onze aant. Gen, 49,1.

31. xS. eig- zal Zijne hand niet van u aftrekken, u niet loslaten en u geheel laten zinken.

32—40. Die wederopname in Gods genade is zeker, want welke heerlijke bewijzen van Gods genade hebt gij niet reeds ondervonden!

32. 13, trant, als bewijs, dat God barmhartig is. — 'S Sxr, vragen naar; ns Ssc, iemand vragen. Hier dus: vraag toch naar de vroegere tijden. — In tijd zijn die vroegere dagen hier beperkt tot den dag, dat God een mensch geschapen heeft, inplnats tot Ac gren-en des hemek, de schepping dus, — ons, een mensch ol: Adam. — Nooit had God Zich zóó geopenbaard, als

19

ocr page 43

-i pnnKi

YV anw n* n'^D : nm DDn«n3

: |nn* p^pN» K^. p^pB'! p«Tquot;^ 1^« |3^t -VM istb-inn ^ rixvQi ^rf?N nin^nx a^p nn^pmquot; nbiftn Dnn^n ^ ^INJÏD^ iï? : ^03-^21 ^2)17 : iSp3 ^quot;ri^ nquot;in,_quot;i^ nntin a»ó»n hnn«3

nsK'^ quot;[n^n^ xbi nin* birri »3 ^

□gt;0^7 tsjrVs^ *3 : an1? yyamp;} ^nbK nnsTiN317 dik 1 d^n xna quot;itrK blrrp1? ■n'isj1? vn-quot;i^«

t t lt;• ••: t t v -: - i * : i v t : j t v -: • 1

-im3 n;njn a^t^n nïpquot;i^i D^QE'n nvpi3?i

lt;r t~ t : ''^-: q ■•ST T quot; -•quot;I: quot; ' 'vquot; T jquot; i: * : ^ I ''\r r

D'ri^x : inas yo^:n in nin ^nan ^

nD3n 1 IN : 'n'i nn« nym-ims ^«n-Tjirip isna •,'7 D^nsiasi nnK3 nbps'^i 3i^ii I'p nnp1? NiSf d^n V33 D'Vna D^quot;iiD3,i n^üi ^11131 nprn n^i nbnSD3,i

: «• : 1' t 1 : t itt-: lt;7^: t : :

hnN : Dnxo3 D3sri^ nin* 03^ ^

t - I iv : • ^- ; • : •)•.• quot; i v: st : v t t t v -:

: 113^0 ny r« QTib^n wn ^-l1^, »3 nsjnn

I - : • ^ I jquot; A- v: it J • j' quot; t t -■•• :t

aan u op den Sienai; nooit is door God zoo wonderbaar ingegrepen in den gang der gebeurtenissen in natuur en gescliiedenis, als toen Hij u uit Egypte bevrijdde f33 en 34).

34. nWn, of Pi'el: beproeven in den zin van: ondernemen; of Niph'al in den zin van; zich op de proef laten stellen, zich bewijzen. — DViSs in dit en het voorgaande vers verklaren wij als heiligen Godsnaam. Anderen: eenig god van een ander volk; aanleiding daartoe geeft de tegenstelling ?an het slot van ons vers ddviSs 'n, die echter toch te verklaren is, ook al vat men dviSx als Godsnaam op. De zin is dan : heeft God ooit zoo wonderbaar voor eenig volk gehandeld, als Hij voor u, toen Hij u Zich tot volk nam en uw God werd, heeft gedaan? — nona, beproevingen, v. s. de gebeurtenissen, waardoor Phar'o's houding tegenover God beproefd wera ; v. a. = dtj, daden, die Gods macht ten eeuwigen dage bewijzen.—■ dtieimi nnto, de tien plagen. —■ rwnScs, den strijd, aan de Koode Zee. — npin T2i enz. vatten alle daden Gods na de bevrijding uit Egypte samen, naar hun oorzaak en luin uitwerking.

35. DJOn nnx. eig- Hij -'Jt ziende gemaakt om te weten, u is het zichtbaar in daden getoond, zoodat gij tot de erkenning zijt gekomen, dat enz. Anderen: door zien, door waargenomen feiten, zijt gij ertoe gebracht te erkennen enz. — ovtasn nip, dat de Eeuwige is de God, het Wezen, hetwelk alleen op den naam dtiSn aanspraak heeft.

ocr page 44

DEUTERONOMIUM IV.

36 Van den Hemel heeft Hij u Zijne stem doen hooren om u tot tucht te brengen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur getoond, en Zijne woorden hebt gij gehoord uit het midden van het

37 vuur. En omdat Hij uwe vaderen bemind heeft, heeft Hij hun kroost na hen uitverkoren, en heeft Hij u door Zijn liefdevol

38 aangezicht, door Zijne groote kracht uit Egypte gevoerd. Om volken, grooter en machtiger dan gij, van voor u te verdrijven; om u er te brengen, om u hun land tot erfdeel te geven,

39 gelijk heden. Zoo zult ge dan heden tot de erkenning komen en het u ter harte nemen, dat de Eeuwige de ware God is, in

40 den hemel boven, en op de aarde beneden, geen meer. Neem dus Zijne wetten en Zijne geboden in acht, die ik u heden gebied ; opdat hel u welga en uwen kinderen na u, en opdat gij lange dagen zult doorbrengen op den bodem, dien de Eeuwige, uw God, u geeft voor altijd.quot;

41 Toen zonderde JIozcs drie steden af, aan de zijde van den

42Jordaan, in de richting van zonsopkomst. Dat daarheen zou

vluchten een moordenaar, die zijnen naaste buiten welen doodgeslagen heeft, terwijl hij hem niet vijandig was van gisteren of eergisteren; dan zal liij kunnen vluchten naar een dezer steden,

43 en leven blijven. Bétser in de woestijn, in het land der vlakte, van de Rubenieten, Ramoth in Gii'ad, van de Gadieten, en

44 Golan in Bashan, van de Menasshieten. — En dit is de leer,

45 die Mozes den kinderen Israels voorgelegd heeft. Dit zijn namelijk de getuigenishandelingen, de wetten, en de rechts-

36. -pO'S. om u tot tucht te brengen, u idis, goede zeden, teleeren; of: u te vermanen Hem trouw te zijn; anderen, naar Spr. 29,19: u te over-tuiyen. Van tuchtigen kan hier moeilijk sprake zijn, daar niet aan de straffende Godsspraken gedacht wordt', die zich nooit tol Israël richtten, maar tot Mozes, — maar_iiitsluitend aan de openbaring op Sienai.

37. jinni: en plants ervan, dat enz. Gij zijt slechts in de plaats der vooronderen getreden, die God bemind heeft; anderen: omdat — -proN', meervoud ; u'ita, met enkelvoudig aanhangsel, het kroost van den eigenlijken stamraf/er Abraham, of; van ieder van de vaderen. Men kan den nazin of met -inn, of met laten beginnen. — vje;, met Zijn aangezicht, door Gods eigen bijzondere leiding, evenals v. s. Ex. 33,14 en 15; anderen, naar Num. 6.26 en Lev. 26,9: door Zijne liefderijke voorzienigheid, wat ons het meest waarschijnlijk voorkomt.

38. nrn DTOi gelijk op den dag van heden ten deele reeds geschied is door de verovering van het gebied van Siechon en 'Og.

39. rijn'l. Door deze ervaringen zidt gij tot het inzicht zijn gekomen en, als ooit een tijd mocht komen, waarop gij het dreigt te vergeten, rarni •p:1? Vn, zult gij het in uw hart terugroepen, dat enz.

40. m'fC) opdat. — ovjin Si jns, dat n (iad voor altijd geeft; de woorden behooren niet bij dv;i -psr, wat én wat de woordschikking én wat den zin betreft, niet goed gaat.

20

ocr page 45

i pnnto 3

-nx ^s-in pKn-^i iVp-nx D^^n-fü ^

hnx ^ nnhi : cwn Tjino n^Dty v-imi n^nsn iew ^

-t lt;• - - ; iquot; t ] j • t : v~ t jtt : t ;- ^ *

Vnsn inba vjm vnn« 1^73 quot;ina'i ^tók-j-ik

^jsp ?|ap D^na D;ia i^nin^ : onyaanl? 7n3^m ai»n nv-i'i : nin di»3 nbnj Dïquot;iN-n« ^^nnb ^

t !•• -:r - •'t i -it: iv- j - -:i- ^ ot :- v s| : . vit

pNn-^i ^èp Dwa D'ribxn «in nin» ^

vniïOTiNi vpn-nx niD5ri : niy rx nnna15

v -; t ; • v : ijt-.. v t : quot;^it : '. ' - at •

?|nnN4 rj^bi 2Uquot; ifK Di»n -Sl -[b |n: nin' IB'X b»p» TpKn

3 * : D'O'n .

r t -

: i^Diy nnira n^n ^3^3 an^ ir1?^ ni^o bny t« ^

v it (.t :: • Ia- :-^- ^ •.lt;••: ■*t ^ t v - ^t

-N^ «im nyT^33 injrmx nïquot;i» ik'N nin natr DU1? 38

1 •) : *- - • : • *•• •• v lt;- ;• v t t \r

: ♦ni bxn anvn-ja nn^-^K oii Dt^ Vana i1?

it t vquot; t j t iv I • •)- - v t : ; * -• : • v. jquot;

Tfitt haNTDNi ,:3iNquot;il? n't^'an p«3 quot;I3na3 nï3-n« «

t : • - lt; t •.•:«%*•• it ^ * quot; i quot;jquot; '• ot : • - vjv _

q^-ik'N minn nxn : ^aa1? ?^33 ïSrnNi na1? ^

jt v -; at - v. : r - : i- Kt t - 1 jt v ; /t -

D^siram o^nm nn^n nbx : '33 ^a1? njba ^

rtquot; t 1 • - : kquot;. i- : ■ it v ••lt; iquot; t: • j-: i.quot; : •

41—43. De mededeeling-, dat Mozes de wet, die aanstonds bij de inbezitneming des lands door het volk zou moeten worden ten uitvoer gelegd, wat het transjordaansche gebied betreft, ook zelve uitvoerde, is tusscheu de eerste en tweede redevoering van Mozes geplaatst, misschien wel omdat de afzondering dezer steden chronologisch tusschen die beide redevoeringen viel, dus na den eerste der elfde maand van het 40ste jaar. Dat Mozes het toen deed, diende eenerzijds om daardoor ook het transjordaansche land als geheel gelijkwaardig met het nog te veroveren gebied te doen beschouwen ; maar vooral om het volk een voorbeeld te geven vau nauwgezette vervulling der goddelijke geboden. — 'ma' tx, hij wees ze met name aan ; naar Jos. 20,8 had de eigenlijke werking dier steden als toevllichtsteden eerst na, de verovering des lands plaats (vgl. onze aanteekening Num. 35,13).

43. quot;Hi'iQn quot;IJO '■n 'te Emorietische hoogvlakte, 'oaisi'?, dat tot het land van de Rubenieten, tot het hun toegewezen gebied behoorde.

44—49 is opschrift van de tweede rede van Mozes, die van 5,1—26,19 loopt.

45. Jnyn. handelingen waardoor de mensch voor zekere denkbeelden getuigt. — Dan volgt de plaats en tijd, waarin deze rede werd uiige-

ocr page 46

DEUTER0N0M1UM IV, V.

voorschriften, die Mozes tot de kinderen Israels gesproken

46 heeft, toen zij uit Egypte getrokken waren ; Aan deze zijde van den Jordaan, in het dal, tegenover Beth-Pe'or, in het land van Siechon, den koning der Emorieten, die te Cheshbon had gewoond, dien Mozes en de kinderen Israels verslagen hadden,

47 toen zij uit Egypte getrokken waren ; En wiens land zij in bezit genomen hadden, met het land van 'Og, den koning van Bashan, twee koningen van de Emorieten, die aan de zijde

48 van den Jordaan, aan de oostzijde waren ; Van 'Aro'er af, dat aan den oever der beek Anion ligt, tot den berg Sieon, dat is

49Chermon; En de geheele vallei, de zijde van den Jordaan, naar zonsopkomst, tot aan het meer der vallei, beneden r Ashdoth-Hapisga.

0 I Mozes ontbood geheel Israël, en hij zeide tot hen ; «Hoor, Israël! de wetten en de rechtsvoorschriften, die ik heden ten uwen aanhooren uitspreek; ge zult ze leeren en in acht nemen,

2 om ze uit te oefenen. De Eeuwige, onze God, heeft met ons

3 een verbond gesloten, bij Choreb. Niet met onze vaderen heeft de Eeuwige dat verbond gesloten, maar met ons, zoo als wij,

4 dezen hier heden, wij allen in het leven zijn. Van aangezicht tot aangezicht heeft de Eeuwige met u gesproken, op den berg

5 van uit het midden van het vuur. Ik stond tusschen den Eeuwige en tusschen u in dien tijd, om u het woord des Eeuwigen mede te deelen, (want gij waart bevreesd voor het vuur, en gij waart den berg niet opgeklommen;) als volgt; —

(gt; «Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte, uit

7 het slavenhuis, heb uitgevoerd. Er zullen u geene andere

sproken. Het was in het op Siechon en 'Og veroverde land, op een bodem dns. die bewees, hoe God reeds een begin van uitvoering had gegeven aan Zijne belofte; daarom volgt nog eens een uitvoerige befchrijving van liet land (vgl. 3,16 en 17).

Hoofdstuk V —11,32 is een inleiding tot de eigenlijke behandeling dei-wetten, die met hoofdstuk 12 begint. Zij begint met een herhaling der tien geboden en herinnering aan den indruk, dien hunne openbaring op het volk maakte (hoofdstuk 5).

1. nCD JOpn Afozes riep geheel Jsraël in vergadering op; plechtige aanhef voor de volgende belangrijke redevoering.

3. Niet met onze overleden vaderen alleen, maar ook met ons, het nageslacht, is dit verbond gesloten. Er waren onder Mozes'hoorders velen, die, bij den uittocht uit Egypte nog onder twintig jaar, de Openbaring hadden meegeleefd. Doch was met dezen in den eigenlijken zin het verbond niet gesloten, daar zij nog niet als mannen een laak in het leger te vervullen hadden, daar zij onder twintig jaar oud waren, ns nSx uros ci'n uSd, wij, die allen hier heden in leren zijn, niet door het Goddelijk slraf-vonnis getrofTen.

21

ocr page 47

n 1 pnn«i «3

: anvsp Qn«ï3 i3T n^Ni

-jbo jhp pK3 mirs n\3 biq x;i3 pTn ^3^2 ^ DPNÏS ^KTBquot; ^ai ni^o nan -1^« risirna itytt

^ v,t •• : •• t: • •»•• ; v lt;t ' f v -: i a v : v.quot; iquot; -:

w i^an-rj^a jij; i p«quot;nNT IXINTK wy^ : DnvDp 'B •quot;linjjt) : wm m_rp j^Tn 13^3 -1^« np«n ^sVoquot;« : jiDin sin quot;in-nj;i |n« bm-ns'f ^ i^Nquot; nitrK nnn n3-iyn d» nyi nnnro nnn quot;13^ n3quot;)yn

J : - - v- at t^:it -»t v: t t; • I quot; ;- - ••' lt;'• r t^~: it

a * : nsoan ^yy

it : • -

voiy onVs Nip,,ix ^

v t : * «quot; ; v •• -; v -» ~ •• t : • t v v -»tiï • ~

ai»n d3,:t«3 131 '33« quot;1^« D^aEten-nw o'pnn

a- v.quot; quot;it: jquot; 4* it sv 1 • t ; • quot; 4 *•• : l-» \r

mv nns irnbx nin» : on^ omoiyi ons Dn-ra^ -

•jt J~T •• ••: jt ; ir -; iquot; v.quot; s quot; ï ▼

rmn nn3n-p« nin^ n-i3 irn3N-ns «b :3in3 nn3j

a- -•* ; - v v,t : j't •• -: •* j ^ •quot; :. ^* :

D,iö3 1 d^ö : D^'n i:b3 oi'n na nV« lirus vm '3 ^

■t: j\t p i-p- .t ••. 1- •) vjquot; :--: t- ,-

nin^r3 ioü *3:« : t^xn nino td D3aj; nin» 13-1quot;

«t : i iquot; •• ' - it 1quot; t i j • lt t . lt;■•■ t st ^: ■quot; '

bn«T »3 nin» 13-1-nK D3i? n^nb Ninn ny3 D3,3,3,i

,.; lt;. at : ■•- : v ^v t y ' z * quot; •,quot;t gt; v •• iquot;

njv bis d : nn3 ^«n ^ap1

•T-T**1?: viwn'?0 D^VP nè1? quot;5^^T

4- D^33 0^3 is niet hetzelfde als b'js S.s dlt;:s Ex. 33,11; hetbeteekent: direct.

5. Wel stond ik tusschen u en de Goddelijke verschijning, om u Gods woord raedc te deelen, maar dat was op uw verzoek. Volgens sommigen staat dit geheele vers als tusschen haakjes; v. a. alleen het tweede versdeel : ik moest Gods woord tot u overbrengen, — want gij waart te zeer bevreesd om den berg te willen bestijgen. —- -msS behoort óf bij D3S tjh1? 'n rs, of bij 'n quot;ut in het vorige vers, al naar mate men ons vers ten deele of geheel tusschen haakjes plaatst. — Sommigen meenen, dat ons vers spreekt na de openbaring der tien geboden; Mozes zegt dan : de tien geboden hoordet gij van God zelve (vs. 4); later was ik weliswaar tufschenpersoon tusschen u en God, maar dat geschiedde, omdat gij den berg niet durfdet bestijgen, hoewel het u nu geoorloofd was, — wat eerst na de bekendmaking der tien geboden het geval was. Mm nra doelt dan niet op den tijd der eigenlijke openbaring, maar op dien daarna. — Voor 6—18 vgl. onze aant. Ex. 20,1.

ocr page 48

DEUTERONOMIUM V.

Sgodeu zijn vóór Mijn aangezicht. Gij zult u niet in beeld cenige gestalte maken hetgeen in den hemel boven, ofhetgeen 0]j de aarde beneden, of hetgeen in het water onder de aarde 9is. Gij zult u niet voor hen nederwerpen, noch hen dienen; want Ik, de Eeuwige, uw God, ben een ijverend God, die de misdaad der ouders bedenkt op kinderen, op het derde en op

10 het vierde geslacht, op hen die Mij haten. Doch die genade bewijst tot in duizenden geslachten, hun die Mij beminnen en

11 Mijne geboden in acht nemen. — Gij zult den naam van den Eeuwige, uwen God, niet bij iets ijdels uitspreken; want de Eeuwige zal niet ongestraft laten dengene, die Zijnen naam

12 bij iets ijdels uitspreekt. — Neem den Shabbathdag in acht, om hein te heiligen, gelijk de Eeuwige, uw God, u geboden

13 heeft. Zes dagen kunt gij arbeiden en al uw werk verrichten.

14 Doch de zevende dag is een rustdag ter eere van den Eeuwige, uwen God ; gij zult geenerlei werk verrichten, noch gij zelf, noch uw zoon of uwe dochter, noch uw slaaf of uwe slavin, noch uw os of uw ezel, noch eenig vee van u, noch uw vreemdeling, die binnen uwe poorten is; opdat uw slaaf en

15 uwe slavin ruste, gelijk gij. En gij zult gedenken, dat gij slaaf waart in het land Egypte, en de Eeuwige, uw God, u van daar uitgevoerd heeft met sterke hand en uitgestrekten arm; daarom heeft de Eeuwige, uw God, u geboden, den

1G Shabbathdag te vieren. — Eer uwen vader en uwe moeder, gelijk de Eeuwige, uw God, u geboden heeft, opdat uwe dagen

8- rmon Sa Sdd. Ex. 20,4 staat: nnnn ^31 ^bs, dus twee gecoördineerde objecten van nt'rn; hier kan Vdb Semiechoeth zijn, het beeld van eenige gestalte, doch noodig is dit niet

9- D-Dj;ri = aia^n; het als Hoph'al te verklaren: gij zult u niet

laten divingen hen te dienen, vindt bezwaar in de bijvoeging van een voorwerp in den 4den naamval bij een lijdenden vorm. — diüSc Sïi D'ja Sr, Ex. 20,5 d'ü'w D'ja Sï; daar beteekent D'ja nakomelingen en is nader ontwikkeld in Die1?» en d'ï21 ; (zie over de beteekenis dezer woorden onze aanteekening aldaar); hier beteekent Dija kinderen en kleinkinderen en worden daaraan de twee volgende geslachten toegevoegd ; tenzij men de beide '1 van Sn troSü Sn verklaart door: zoowel... als.

10. iniSÖ. De Kerie is hier, evenals in Exodus, VYlïü, Mijne

geboden, de Kethieb hier ifllïQ, Zijn gebod; al werd bij de openbaring

in dit gebod de eerste persoon gebruikt, kan toch Mozes bij de mede-deeling, vooral bij een algemeene sententie, gelijk wij hier voor ons hebben, wel in den derden persoon zijn overgegaan, die van hier al' ook in Exodus bij het verdere deel der tien geboden gebruikt wordt.

12. 'niQIi', Ex. 20,8 na?; om hier vs. 15, bij de krachtige vermaning zich steeds den slaventoestand in Egypte te herinneren, tot te kunnen gebruiken. —• De Thalmoed maakt verschil tusschen nor, gedenken, in woord vooral, en -nso, door daden, hier: werkonthouding, in acht nemen.

22

ocr page 49

n pnntfi 33

nmr\-b2 i^dö onnx D^Nt n

T : T VJV rJ ,V^': ^ M: ~ ^ . J

i 0*33 quot;IKW nnna r—ixs ijtni I D'QI^S IB'K

•-'(.-- j'.' -.* iquot; quot; quot;at * i v^t t jv —-1quot; - - . ' -j~ t •jlt;v quot;j

♦3hN *3 £n3ïm nnb mnn^n-^ : p^1? nnnö =

• ,T - f\quot; : 1 it WT -^-il-'-p p ' : I ••••T,TVL ■JJquot;'

D^r1?^ ni3x pj;. 7K

Son ntr^i : D,i?3Tl?^,i ^ o

jquot; : i : v.quot; -: i : «v t -ü- vv.v v ait : i : lt;'quot;*' quot; : f3'

K1? *3 mrrDErm Ntrn aquot;? D : inixo^

lt; j :rtt - I v.quot; v: jt : iquot; v ot * j # ^it ; •

-n« mac' D : uw*? lot^ ns nx nin» npr =' ^

, •■• -it :it - ^ : v jt ■ :■ -:r ■.quot; t^ : _ q\:--.

nww : nin' i ^IÏ n^N3 iB'ip? n3^n DV ^

■j' t vjlt;quot; i iv v; ^-,-'T A». *•• jv -:i- a :l-: J

nin,(71 rat? avi : ?in3K7D~73 n^i T3^n ^

-■tl- at- ^ . ; - : hv ; - ; t^ t-v 't : ^-: r

-^3^1. i nnK nS^o*^ n^n-N1?

1 b'iO : ^103 finpNi ^3^ nw

nni:: v'nm nprn T3 db'q VriSx nin» nNi'i onvo pK3

at ; ^ -•:• ktt-:lt;it; t • i lt;v v: lt;t ; i-i r - v \

133 D : n3^n DV_nN n;Tn* p-^-

|3nN» i i^dV nirv 1^3 ^3Ktin

Lüzzatto verwijst naar Deut. 16,1 ten betooge, dat ook beteekenen kan; denk er aan, telkens als de Shabbath nadert, hem te heiligen. — -irjo -jin^N 'n *]iï, zooals uw God u geboden heeft, bij de openbaring der tien geboden, maar ook bij het manna (Ex. 16,23); naar den Thalmoed zells reeds te Mara.

14. Ex. 20,10: -pur. — Daar worden de huisdieren algemeen

onder quot;jnsna samengevat, hier worden speciaal de werk- en lastdieren, -psm quot;pK*, genoemd en de overigen in quot;incro Sdi begrepen. — mi*» p:»1? enz. is hier bijgevoegd als overgang tot het volgende vers; niet alleen gijzell hebt ter herinnering aan de Schepping n den zevenden dag van werk te onthouden, maar gij moet dien dag uzelve en uwen onderhoorigen rust gunnen, daar ^ij uit uwe ervaringen uit Egypte weet, hoe het den slaat, die onafgebroken lot werken wordt gedwongen en wien geen rust wordt gelaten, te moede is. Exodus 20 brengt den Shabbath in verband met de Schepping; onze plaats, evenals Ex. 23,12, waar in hooldzaak de rust, en niet zoozeer de tcerkpnthouding op den voorgrond treedt, brengt hem in verband met de slavernij in Egypte; ais symbool van de Schepping heelt God den zevenden dag gezegend en heilig verklaard, als herinnering aan de bevrijding uit Egypte gebood Hij rvrwX'S, door de daad, rust, den dag te vieren (vs. 15).

16. Ook hier weer de bijvoeging quot;pn^N 'n y* t^n'3, die Ex. 20 natuurlijk

ocr page 50

DEUTERONOMIUM V.

lang worden en opdat het u welga, op den bodem, dien de

17 Eeuwige, uw God, u geeft. — Gij zult niet moorden. — En gij zult geen overspel drijven. — En gij zult niet stelen. — En gij zult tegen uwen naasten niet verklaren als een getuige

18 van ijdelheid. — Eu gij zult niet begeeren de vrouw van uw naaste. — Ook zult gij geen lust hebben naar het huis van uwen naaste, noch naar zijn veld, zijn slaaf of zijne slavin, zijnen os of zijnen ezel, noch naar wat ook dat uwen naaste

19 toebehoort.quot; — Deze woorden heeft de Eeuwige gesproken tot uwe geheele vergadering op den berg, van uit liet midden van het vuur, de wolk en den dichten nevel met luide stem, doch deed het niet meer; en Hij schreef ze op tweesteenen tafelen,

20en gaf ze mij. Het was namelijk: Toen gij de stem van uit het midden der duisternis, en van af den in vuur brandenden berg hoordet, naderdet gij tot mij, al de hoofden uwer stammen

21 en uwe oudsten. En gij zeidef: „Zie, de Eeuwige, onze God, heeft ons Zijne heerlijkheid en Zijne grootheid getoond, en Zijne stem hebben wij gehoord van uit het midden van het vuur ; op dezen dag hebben wij gezien, dat God met den mensch

22 spreken kan en deze leven kan blijven ! Welnu, waarom zullen wij sterven, daar immers dit groote vuur ons zou verteren ? Indien wij voortgaan de stem van den Eeuwige, onzen God, fe

23hooren, zullen wij sterven! Want wie is er eenig vleeschelijk wezen, die de stem van den levenden God, sprekende uit het

24 vuur, gehoord heeft, gelijk wij, — en is in leven gebleven ? Nader

niet staat. — Ook -jS aisquot; jriiVi slaat daarniet; het is slechts een rlietorische bijvoeging.

17 eu 18 zijn de verboden door '1 verbonden. Ex. 20,13 en 14 staan zij zonder '1 naast elkander. — nw n- is meer omvattend dan ipt? ir; dit laatste leugenachtig getuigenis, nw iï ook eene onjuiste en ongegronde verklaring.

18. De volgorde der objecten van begeerte is hier: vrome, huis, veld. slaaf, slavin, os, ezel en al het andere; in Exodus: huis, vrouw, slaaf enz., terwijl het veld daar niet genoemd wordt. Dat hier (ie vrouiv eerst genoemd wordt, vindt zijn eenvoudige verklaring in het gebruik van mxnn nquot;? in de tweede zinsnede, terwijl in Exodus beide keeren i»nn nS staat, mxnn sL| verbiedt: hartstochtelijk hegeeren, dat uit aard en neiging van den persoor. voortkomt, en in de eerste plaats bij geslachtelijke drift gebruikt kan worden; mnn sb meer: het verlangen ten gevolge van den indruk, dien de zaak op ons gemaakt heeft. — Het bijvoegen van im» past geheel in de lijst van ons stuk, dat in het algemeen bij opsommingen meer specialiseert dan de parallel in Exodus. — nw. Ex 20,14 vwi.

19—30 bevat eene breede uiteenzetting van het Ex. 20,15—18 kort verhaalde, om aan den indruk te herinneren, dien de openbaring op het volk maakte, en daaraan 29 en 30 de vermaning vast te knoopen nu ook trouw te blijven aan al de geboden, die hij hun verder zal uiteenzetten.

is- Stu Sip is bijwoordelijke uitdrukking: met groot geluid. —

23

ocr page 51

n pnnKi 3D

|n: nin,-*i^K nonxn ^ 3^; i^o^i.

D : 323n tib) D : «]x;n üh] D : nïin *6 D : ^rquot; d ^quot;i, nm lonn x)] d : uw ii? ^jna n:^n ^ Vbquot;! i-ioni in-ity ina^}, in% n^a niNnn -bx nin* ns-t nbxn onrnrrnN D * : quot;ib'N ^ !

t : v • v •• t -j t^ : - v i iquot;rquot;: jquot; quot;«

«bi Vna Sip j ^n Tjinp ina D^njp-^ DDjwa D3nn. nnb Dnnp'i e]p/T 3

-bo pDipni. ^«3 nj;3 quot;inrn Tj^nn Tjinp Sipn-nN irfibx nin' UNin ?n naxm : D3,3pn 03^3^ «

v: lt;r ; t : v I-»quot; ; i - iv ••!; • : vv ** : ' Jquot; T

nn DVH ^NH Tjinp quot;i^p-nx'! i^nrnis^ ii33quot;n« niQ2 naV nnjn : 'm Dquot;i«n-n« ■i3T-,3 irxi33

t tjt T i itt vttit v .)* vc squot; quot; t

vdVS uniK i d'öd^dn nsn nVn-in 1^3^-1 »3

*- . ■ ; - -: -■ : i • a - vt : - t •• : •»•

^a *3 : linai nip» bip'ni*»

3np •' i:a3 ^^n-^na quot;13-ia o^n opbN^ip ygv ^

Evenals Num. 11,25 verklaren hier sommigen: en Hij voegde niet hij liet te doen, d. \v. z. deed het nooit weder zoo; anderen: en dat geluid hield, ook na het uitspreken der tien geboden, niet op; Luzzatto: zooals nooit iemand weer deed-, n. a. de tien geboden sprak God direct tot Israël, en deed het niet meer, al het verdere werd door Mozes aan het volk bekend gemaakt. Daarbij sluit dan het volgende direct aan: God gaf de verdere wetten mij te kennen tijdens mijn verblijf op den Sieuai, op het einde waarvan Hij mij de steenen tafelen gaf. 20 v.v. zet dan nader uiteen, hoe het volk zelf vroeg, dat Mozes voortaan de tusschenpersoon zou zijn, die hun de wetten zou bekend maken.

20. t7JO quot;)JO inm quot;jtrnn quot;pna- Den in vuurgloed staanden berg omgaf, zooals herhaaldelijk gezegd, dichte nevel. De geheele omgeving was in diep duister gehuld. De stem, die uit het vuur klonk, moest dus, om tot het volk te komen, de duisternis doordringen. Zij hoorden dus de stem uit het midden der duisternis komende van af den in vuur brandenden berg. De '» van -pnn behoort ook bij mm, als stond er: jm mn. — Anderen vatten mm enz. als tweede voorwerp van dsïmo op, met een dergelijken gedachtenovergang als in nVipn ns D\si Ex. 20,15.

23. *1^3 ^3 ''O ^ want wie is er, teelt i-leeschelijlc wezen, die enz.; een vraag, waarop het antwoord beslist ontkennend is: voorzeker, er is geen vleeschelijk wezen enz. Anderen: want wie is er onder alle vleesch = ■wa Sa;. — □quot;n dmSn. De meervoudsvorm van het bij voegelijk naamwoord, hoewel ovtas, wat den ziu betreft, enkelvoud is, om de klankgelijkheid.

ocr page 52

DEUTERONOMIUM V, Yl.

gij dus en hoor al wat de Eeuwige, onze God, zeggen zal; en gij zult tot ons spreken al wat de Eeuwige, onze God, tot u spreken zal; dan zullen wij het hqpren en doen.quot;

25 De Eeuwige hoorde het geluid uwer woorden, toen gij tot mij spraakt; en de Eeuwige zeide tot mij : „Ik heb het geluid der woorden van dit volk vernomen, die zij tot u gesproken hebben;

26 zij hebben goed gedaan al wat zij gesproken hebben. Gave toch iemand, dat dit hun hart hun steeds bijbleef, om Mij te vreezen en al Mijne geboden in acht te nemen, door alle tijden; opdat het hun welga en hunnen kinderen tot in eeuwigheid !

27 Ga heen, zeg tot hen: „Keert terug uws weegs, naar uwe

28 tenten.quot; Gij echter blijf hier bij Mij staan, en Ik zal tot u spreken al de geboden, de wetten en de rechtsvoorschriften, die gij hun leeren zult; opdat zij ze uitoefenen in het land,

29 dat Ik hun geef, om het in bezit te nemen.quot; Neemt dus in acht te doen, gelijk de Eeuwige, uw God, u geboden heeft; gij zult

30 noch rechts noch links afwijken. In den geheelen weg, dien de Eeuwige, uw God, u geboden heeft, zult gij uw leven leiden; opdat gij leeft, en het u welga, en gij lange dagen doorbrengt in het land, dat gij veroveren zult.

1 Dit nu is het bevolene, de wetten en de rechtsvoorschriften, die de Eeuwige, uw God, geboden heeft u te leeren, om ze te volbrengen in het land, waarheen gij straks overtrekt, om het

2 in bezit te nemen. Opdat gij den Eeuwige, uwen God, vreezen moogt, om al Zijne wetten en geboden, die ik u gebied, in acht te nemen, — gij en uw zoon en uw kleinzoon, al de dagen uws levens; en opdat uwe dagen lang mogen worden.

3 Zoo zult gij dus hooren, Israël! en in acht nemen te doen, opdat het u welga en gij zeer vermeerderen zult, — gelijk de Eeuwige, de God uwer vaderen, omtrent u gesproken heeft, — in een land, vloeiende van melk en honig.

24. fUJI = npnlt;1i v. s. met het oog op den direct volgenden 'n; v. a.

een oude vorm; vgl. Num. 11,15. — wristn, wij zullen het van u evengoed aanhooren en doen, één begrip; het opvolgen; v. a. dan zullen u-ij hel kunnen hooren, wij zullen het aanhooren en kunnen verdragen en het gebodene dan volbrengen. (Vgl. Ex. 24,7).

25. DD'IST Sip) de stem uwer woorden, v. s. den toon, waarop zij werden uitgesproken en 'waaruit des volks gezindheid bleek. — wtsin, zij hehhen goed doen zijn al enz., d. w. z. wat zij gesproken hebben, is in goede gezindheid gezegd.

26. IfV ,ö. wie zal geven = gave God! zie Num. 11,29. — nt oaa1? .t.-ii nrh, dat dit hun hart, deze gezindheid, hun bijbleef. — own Sa kan zoowel bij deze woorden, als bij de volgende genomen worden.

27. 131ïr. keert van den voet van den berg, waar gij de Openbaring hebt gehoord, terug naar uwe tenten.

24

4

ocr page 53

i n pnntfi id

13-in i ns4i irribK nin» noN' n^s4'^ ns4 nnx

jquot; - : ; -•- : a- v; -t : v,quot; -»•* t ^ •)quot; i t -

: ivnbN nin\ -qt n^N:_l?3 ns4

nin- nrjN'i oonana oinnn ^ipTX nin» «

T : V - AT •• V.V - : v • . r j ' ^ T ' ^ * p ^

m'p'n ^P'^N4

♦n'N ori1? nf n^m : nai 13

.)• :• : v t v t t : tt : • •• * r iquot; * jquot; ~» t

DH^DVI nrh nuquot; r^D1? ♦m'o-^rnK

v.v •• : ' : •)••* t j- ' \ - - : AT- T . *.quot; : • T v j ; • :

ris nrixi : Drr^ns^ ddV onS -bK : dVj;1? '=

t - : iv •• itit : v.*-* t j av t -» v; [vquot; «t : rO

D'^atram D^nni nx niaiNi nay lay

^ * t : - - : Ir*..»- : ot : • - t squot; I/• •* jt ; --;i- • t^ ■j quot;-

: nnir-i^ Dnquot;? rn: p«3 Dia^n i^n

it : •: v** t 1 jquot; •)• it sv -: i vt t ^ _ a** : - : Jv quot;:

non NV DDDK orrn^ nin^ mï ama^i03

v.-., t j av ; v V.v •• 1 v: jt ot * j'; -:i- -:r ■*•.• :quot; :

DDHK oa-nbN nin» nvi IEW r^a*17

v,v : v •)*•* •• 1 v; st : t * v -: | v v - t^: 1 ; gt; j' t

quot;ii^x px3 D*a* DnDnwm ddV niai rvnn rya1?

jv -j 1 *-\t t • t -»v ; --11-v t -» ; 1 : r i lt;-- ; a- quot;

nin» niv iirx o^a^am n^nn m'van nxTi : ntrvnx

jt : ot • jv -: • t : - - : I • ••. r t : • - j : I i t r

onsv DHN4 IÏ^N riN3 ni'^y1? üDDns4 naS1?

J '' ' . P0quot;* quot;p J''*? VT T J quot;:,r AV SV Jquot; : . lquot;quot; ' quot;.

-nN naB'^ mrrnx N4quot;i4n rya1? : nn^n? nair2

: • ^1 v v: -«t : v r • ' : it : •: tlt;.t

^rpi ^ni nnx '^va ♦pix vnv^a-i vnpn-^3 ma^i nyaü'*! : n^a» ryabi n,!,n ^ Vaj

-•t : - it qquot; t: * lt;r : - it : i iv t i j\ • -:i- • ^ i av- -»•• v

nin* lin-ityxa ixa nam rfr aa^

t : v • v -n- a ; I v : * jquot; » : ■jquot; ,* ^ •*

a * : ^ani a^n na? px -6 rpnas

it : ^t t j' t 1 v.)v i t i v -: lt;•• v:

28. navi. de '1 als tegenstelling; yij echter.

29 en 30. De conclusie, die Mozes uit het voorafgaande trekt; oriWi, trouwe vervulling der plichten, zonder er eenigszins van af te wijken, en

30. -|-nn ^33. den geheelen levenswandel te richten naar Gods wil en niet die wetten en de daarin uitgesproken beginselen in overeenstemming te brengen.

Hooi'dsiük VI. 2. {{quot;I'D jyoV. die ik u leer, opdat gij zult vreezen. — ■pquot;' pis1, hier onovergankelijk, lang zijn, als Ex. 20,12. — De verzen 1—3 richten zich tot het volk, het enkelvoud dus tot de natie als eenheid, het meervoud tot de individuen.

3. HJfJC, opdat, evenals 2,25; 4,10 e. a. p ; anderen: gij zult in acht nemen te doen deze voorschriften, waardoor enz. — mi sVn rar px, v. s. een

ocr page 54

DEUTERONOMIUM VI.

4 Hoor Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig.

5 Gij zult den Eeuwige, uwen God, beminnen met geheel uw

6 hart, met geheel uwe ziel, en met geheel uw vermogen. Deze

7 woorden, die ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn. Gij zult ze uwen kinderen inprenten en zult er van spreken, als gij zit in uw huis, als gij gaat op den weg en als gij u neder-

8 legt en als gij opstaat. Gij zult ze binden tot een teeken op uwe hand; en zij zullen zijn tot een voorhoofdband tusschen

9 uwe oogen. En gij zult ze schrijven op de deurposten van

10uw huis en aan uwe poorten. — En het zal zijn: Wanneer u

de Eeuwige, uw God, gebracht zal hebben in het land, dat Hij uwen vaderen Abraham, Izak en Jakob toegezworen heeft, u te geven, naar steden, groot en goed, die gij niet gebouwd

11 hebt; En naar huizen, vol met alles goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen waterbekkens, die gij niet uitgehouwen hebt, wijn- en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt;

12 en gij eet er van en wordt verzadigd; Neem u dan in acht, dat gij den Eeuwige niet vergeet, die u gevoerd heeft

4de naamval van plaats: in een land enz.; anderen: zooah God u toegezegd heeft een land enz., de 4de naamval dus als lijdend voorwerp van lal. — Over cm aSn nat pN zie Ex. 3,8.

4. Hier begint de eigenlijke ./uiteenzetting der Leer,quot; minn nx isa uit 1,5, met eene nadere omschrijving van het eerste der //tien woordenquot;. — 'jnib' rsc, hoor en neem in u op, Israël! — ms 'n wiSx 'n. Volgens ibn'Ezra ; de Eeuwige is onze God, de Eeuwige alleen! waarvoor men echter vin1? 'n zou verwachten. Anderen: 'n, de Eeuwige, die onze God is, deze 'n is eenig en er is geen tweede macht naast Hem ; n. a. de Eeuwige, onze God. is een in zichzelf e enige 'n, waarbij dan thn doelt niet op de eenheid Gods, maar op de wijsgeerige beschouwing van Gods innerlijk wezen, iets wat in het woord niet staat. Weer anderen : de Eeuwige is onze God; deze 'n is eenig, er is geen tweede en Hij is ondeelbaar; dan bevat ons vers twee zinsneden.

5. Dien God moet gij beminnen, Hem uwe liefde en toewijding geven, met geheel uw hart, uw willen en begeeren; met geheel uw ziel, uwe levenskrachten, en met geheel uw vermogen, uw bezit in geld en goed (Luzzatto). Anderen: met uw hart, als den zetel van het gevoel en de aandoeningen, met uw ziel, als het middelpunt van de menschelijke persoonlijkheid, en met uw vermogen, met alle krachten van lichaam en ziel.

e. nSxri onain, deze woorden, eigenlijk: de hier uitgesproken woorden, de inhoud dus van deze afdeeling, hetzelfde wat in het aanhangsel Q—

in Djiucn, Qm»pi en ororoi bedoeld is; vandaar dan: de inhoud der leer in haar geheel of van Deuteronomium ; diti, heden, gebood Mozes hun immers herhaaldelijk de geheele hem tot nu toe bekend gemaakte wet in acht te nemen. Of men Diquot;i3T door: woorden, of door: zaken moet teruggeven, staat niet vast, doch de zin blijft dezelfde. — ■paS Sr ... vm, zij zullen op uw hart zijn, d. w. z. niet alleen in de herinnering blijven hangen, maar voortdurend invloed oefenen op uw denken en handelen.

25

ocr page 55

i pnnKi na

nx nanst'i : i nin» nin; j/m ^ J vm : nnKD-Saai TrftK nin^ g

t ; i iv ; • t : v. i : : - t : ^ i : it : ^ t : i av v; -t : ••

anjst^i : ^pnyVy dvh nixD rnrx nbrin onmn»

jt : - • : liv t : v. •) i ; - : s- it v -i v •• t j-t ; -

^33^1 -]quot;i-i3 ?|n^3 ^ra^3 D| nnani

^3 hsübb vni niK1? Dnn^pi : ^oipsiquot; i5|K»Tquot;»3 nfni d : ^njm;:quot;) ?|n»3 nijrp-1?^ Dnsnpif Dnquot;i3Kl7 ^i^nbN1? ^35^: mrr

.)t t : - ; i •)••• -11- s- : • v -: | v t t v | v v: ■'t :

: n^3-Nb quot;iew h3bi riVia onjr r\rh ipp'bi pnï^

t i- t 1 Jquot; -: _ v. :# J : * r | at v-»t K^r: I jr :^;

□^lïn rnbi quot;r-iN^b-N1? D»n3i ^

-: lt; t •• • 1 jv -: t * t

nb3Ni nvurub la'X own D^O^IS n3ïn-Kl? quot;IK'^

vt : - it : t'iatt i -quot;.• -: ^* ••; j'. r'- t : - t i ■quot;.• -»

ivilt; nin»-n« ns^n-fö ^ quot;lo^n : ^3^1 ^

.)|-: r sv -j at : v v,quot; : ' • *•* i : v jt • t^: it t :

7. QnJJCV p1'' beteekent: scherpen; 'S pi' beteekent; in korte, scherp geformuleerde zinnen iemand iets bijbrengen, inprenten. — 33 mm, gij zult erover spreken, niet: gij zult ze, uitspreken. — Het vers bevat dus liet voorschrift: de kinderen nauwkeurig met de leer bekend te maken en er voortdurend, d. w. z. zooveel de gelegenheid toelaat, over te spreken. Sommigen zien in ons vers eene aanwijzing voor de plicht, om des morgens en des avonds deze afdeeling te lezen, yno rump. — ywa enz., zoowel wat plaats als wat tijd betreft, zonder eenige beperking; hetzij binnen of buiten uw woning, hetzij dag of nacht.

8. Vgl. Ex. 13,9.

.9- rmio.bj?- raar de traditie : op één der posten, en wel op den post, dien men binnengaande ter rechterzijde heeft. — ■pïfai, en aan uwe poorten van hofjes of steden. — Als middel tot voortdurende terharteneming van Gods woord, geeft de Thora hier dus twee voorschriften : die woorden (naar de traditie; die stukken, waarin de betrokken voorschriften worden vermeld) op bovenarm en bovengedeelte van het hoofd te binden, en ze geschreven aan de posten van huisdeuren en aan de poorten der steden te bevestigen. Voor nadere bijzonderheden omtrent uitvoering dezer voorschriften verwijzen wij naar de werken over de leer van den practischen dienst Gods.

10. Dnj? quot;|S finS •.. quot;jNTU1 ,D. De 4de naamvallen 0quot;ï enz. kunnen of een richting aanduiden en behooren dan bij ■pw, of zijn als lijdend voorwerp met .nnS te verbinden.

li- craisn mar in de rotsen uitgehouwen verzamelfteiX'ens voor regenwater; iN3 is een bron, waaruit water opwelt-, na een reservoir, waarin het wordt opgevangen en bewaard. — Gij krijgt dus alles zonder moeite; terwijl gij in Egypte wat gij verkreegt, in het zweet uws aanschijns moest verwerven. Wie die gelukkige verandering van uw lot heeft bewerkt? God is het — vergeet Hem dan ook niet voor andere goden!

ocr page 56

DEUTERONOMIUM VI.

13 uit het land Egypte, uit het slavenhuis. Den Eeuwige, uwen God, zult gij vree/.en. Hem zult gij dienen, en bij Zijnen naam zweren.

14 Gij zult geene andere goden volgen, van de goden der volken,

15 die rondom u zijn. Want een ijverend God is de Eeuwige, uw God, in uw midden; opdat de toorn van den Eeuwige, uwen God, niet tegen u ontbrande, en Hij u verdelge van op de

16 oppervlakte van den aardbodem. — Gij zult den Eeuwige, uwen God, niet beproeven, gelijk gij te Massa beproefd hebt.

17 In acht nemen zult gij de geboden van den Eeuwige, uwen God, en Zijne getuigenissen en Zijne wetten, die Hij u geboden

18 heeft. En gij zult doen, wat rechtvaardig en goed is in de oogen des Eeuwigen, opdat het u welga en gij komt en het goede land in bezit neemt, dat de Eeuwige uwen vaderen toe-

19 gezworen heeft. Doordien Hij al uwe vijanden van vóór uw aangezicht wegstoot, gelijk de Eeuwige gesproken heeft. —

20 Als uw zoon u in de toekomst eens zal vragen, zeggende, wat de getuigenissen, de wetten en de rechtsvoorschriften be-

21 teekenen, die de Eeuwige, onze God, u geboden heeft ? Dan zult gij tot uwen zoon zeggen: „Slaven zijn wij geweest voor Phar'o in Egypte; toen heeft de Eeuwige ons uit Egypte

22 gevoerd met sterke hand. Daarbij deed de Eeuwige teekens en wonderen komen, groot en onheilbrengend, op Egypte,

13. vreezen, zich in zijne gezindheid aan God onderwerpen; quot;layn, zich m daad onder Gods woord plaatsen; racn, zijn woord bevestigen door zijn gebeele bestaan onder Gods macht te stellen; de eed, zoowel de gerechtelijke als die in het dagelijksch leven, waarbij Gods macht over 's menschen lot ten kwade wordt ingeroepen, zoo men onwaarheid spreekt, toont aan, dat de zwerende zich met zijn geheele bestaan in Gods beschikking weet. — V. s. is het plicht bij ernstige aanleiding de waarheid onder aanroeping van Gods naam te bezweren; v. a. bevat onze plaats alleen het voorschrift om. Indien men de waarheid bezweert, dat alleen onder aanroeping van God, en niet van eenige andere macht te doen.

14. DSVIIS'SD quot;WN» natuurlijk mag men evenmin de goden van andere, meer verwijderde volkeren dienen. De goden der naaste omgeving zijn slechts genoemd, als overal aan verleiding blootstellend.

15. Want als een ijverend, Zijn recht eischend. God is de Eeuwige uw God in wo midden-. Hij duldt van u geen afval en komt tegenover u voor Zijn recht op. De uitdrukking xjp bs wordt van God alleen gebruikt tegenover het afgoden dienend Israël (Vgl. Ex. 20,5). Mendelssohn ; icant een ijverend God — de Eeuwige, utv God namelijk — is in uw midden.

16. IDJJI) vgl- Ex. 17,2; op de proef stellen, of Hij u helpt of niet; v. s. om daarvan de gehoorzaamheid aan Zijn woord afhankelijk te maken. — nDÖ3gt; hij eigennamen vaak voorkomende vorm = nDZ33* Het feit,

waarop Mozes hier doelt, is Ex. 17,2 medegedeeld.

17. jnOBVI quot;nOK'j inachtnemen zult gij integendeel; het werkwoord in twee vormen met nadruk en als tegenstelling vooraan den zin geplaatst. — wnp, getuigenissen, symbolische handelingen, die getuigenis moeten alleggen

26

ocr page 57

i pnmi ia

in«i nyn nin^nx : n^p Dnxp p«p ^ onntsj nn« r^Vn üb ': viiïn löiy^

ft'quot; -: -•• v: v,quot;quot;*«quot; ' : •*• -' quot; iquot; t • V, r

nin» K|j5 VN *3 : D^nis^p quot;iew D^a^n ♦n'bNO10 ^3 -]3 nin^ï]» nnn^ö ^snpa

ni^NS nin'-nx iD:n ab D : nonNnquot;=

jv -n- av •• i v: kt ; v quot; : •* it t-:it

DDM^N nin» nixo-nx nnoirn : nDöa on^DJ ^

av •• i v: jt : ^ ; • v i ; ; • ^ t it-- v.v quot; *

nin» sitam n^i : Tiiy ntyx vsni vn'-ivi ^

at : jquot; quot; : A quot; : t - t •)• ^t : |it* r: -t Kt-..: ^jt ^n**:

v3^rquot;ia'Nn3t3n rixn-nx nN3i i? 3^quot;

* j- : • v -; t - I v-'t t v t : -it: t t |t - j- 1^- -

-13-1 quot;)^tsi3 iiirb : n^nbN1? nin» ^

jv ' vquot; quot;5 •* r av t i v.v : i t v ) ^ 1* | |v -» |- v.t t

nirn no quot;idn1? quot;ina nj3 d : nin' =

it jt a •• ^t t 4|; • ^ j ; it : ' i* # it :

mö«i: D3nx nin» nix naw D^ö^ani b^nni«

jt : - it ; iv ; v v v: jt : ot * jv -: * t : • - : I • •-. i- :

onvao nirv mw) DnvD3 n'^^a4? i3«n Dn3y ^3l?

(.-: • IT : Squot; - 1- -AT^- : P l :quot; = „ rr vt*-. I: •:

Dnvo31 D'jrn D^na Q^nsbi nniK nirr \m : nprn 1*3 3=

•r: • : s' t: • : • : i -■ t : Ij--- Iitt-i jt :

van zekere denkbeelden. 10—15 verbieden afval van God, 16—19 twijfel, die Hem eerst op de proef wil stellen, alvorens Zijne geboden te vervullen.

19. ïpnS hangt niet af van jnw, zoodat de zin zou zijn; hel land, waaromtrent God uwen vaderen gezworen heeft vieg te stoeten enz., maar is nadere bepaling van nt'Ti, gij zult het land in hezit nemen, doordien (jij, of; doordien God wegstoot enz.; v. a. staat het parallel met jrn1? uit het vorige vers en moet men vertalen; opdat Hij wegstoote enz.

20. inO, 0P een komenden dag, vgl. onze aant. Gen. 30,33. — n» enz. geeft m. i. de vraag indirect terug; de zoon zou de vraag stellen; -icx wis 'n nix; dat in de indirecte vraag toch de eerste persoon bij een beiden partijen gemeenschappelijk bezit gebruikt wordt, wnSs 'n, waar wij MinS.s 'n zoudèn verwachten, komt meer voor. Plotselinge overgang van directe tot indirecte rede, wat hier ook mogelijk is, komt evenzeer dikwijls genoeg voor; vgl. Num. 17,2.

20—25 werken het in vs. 7 kort gegeven voorschrift orojd wat nader uit. — nn. Uit het antwoord blijkt, dat de vraag niet den inhoud der wetten, maar de gronden geldt, die ons verplichten ze op te volgen; zoo ook in ntn Sun e)Nn im ri», wat is de oorzaak van dezen toorn (Deut. 29,23).

21. God is het, die ons uit Egypte heeft bevrijd; wij hebben dus Hem alleen te dienen ; 22. de groote daden, door God verricht om Egypte te straffen, hebben het Godsbewustzijn bij ons gevestigd; 23. en dat wij een vrij volk geworden zijn en in ons land gevestigd, danken wij alleen God en het verbond met de vaderen; 24. Doch zal liet ons blijvend welgaan, dan hebben wij de door God geboden wetten in acht te nemen.

22- JJVI» GW gaf, deed neerkomen, omna, op Egypte, het land en

ocr page 58

DEÜTERONOMIUM VI, VII.

23 op Phar'o en op geheel zijn huis, vóór onze oogen. Doch ons heeft Hij van daar uitgevoerd, ten einde ons te brengen, om ons te geven het land, dat Hij onzen vaderen toegezworen

24 heeft. Daarom heeft ons de Eeuwige geboden, al deze wetten te volbrengen, om den Eeuwige, onzen God, te vreezen ; ten goede voor ons alle dagen om ons in het leven te doen blijven

25 gelijk dezen dag. Ook zal het ons tot deugd zijn, wanneer wij in acht nemen te volbrengen al dit gebodene, vóór den Eeuwige, onzen God, gelijk Hij ons geboden heeft.

1 Wanneer de Eeuwige, uw God, u naar het land brengen zal, waarheen gij komt, om het in bezit te nemen, en Hij vele natiën voor u uitwerpen zal, den Chittiet, den Girgashiet, den Emoriet, den Kena'aniet, den Perizziet, den Chiwwiet en den

2Jeboesiet, zeven volken, talrijker en machtiger dan gij; En de Eeuwige, uw God, hen in uwe macht zal geven, en gij hen verslaan zult; tot ban zult gij hen dan maken; gij zult geen

3 verbond met hen sluiten en hen niet begunstigen. Ook zult gij u niet met hen vermaagschappen ; uwe dochter zult gij niet aan zijnen zoon geven, en zijne dochter zult gij niet voor uwen

4 zoon nemen. Want hij zoude uwen zoon doen afwijken van Mij te volgen, en zij zouden andere goden dienen; dan zoude de toorn des Eeuwigen tegen u ontbranden, en Hij zoude u weldra verdel-

5 gen. Maar integendeel; aldus zult gij met hen handelen: hunne altaren zult gij omver halen, hunne gedenksteenen verbrijzelen, hunne gewijde bosschen omhakken, en hunne gehouwen beel-

6 den in vuur verbranden. Want een heilig volk zijt gij voor den Eeuwige, uwen God ; u heeft de Eeuwige, uw God, uitverkoren, om Hem te zijn een volk, dat een kostbaar bezit vormt, uit alle

het volk. — iwjjV, wij, onze voorouders, zagen het met eigen oor/en. De woorden worden immers ook den lateren geslachten in den mond gelegd, zoodat men hier niet aan de oudsten van het toen levende geslacht behoeft te denken, die den uittocht nog zelve als jonge menschen onder 20 jaar hadden meegeleefd.

23. naar huis brengen, naar de plaats van bestemming voeren: vgl. Tseph. 3,20.

24. rWvSi om daardoor te toonen, dat wij God vreezen.

25. nplïli v- s- als deugd, daad van toewijding en verdienste, die aanspraak geeft op belooning. n'nr, zal het ons zijn, gerekend worden. wiSn 'n ijsn, dat wel naar den zinbouw bij rwrS behoort, moet echter ook hier aangevuld worden, vgl. 14,13. V. a. en g er e c h t i g h e i d zal het ons zijn, daarin zal onze gerechtigheid en plichtsvervulling bestaan.

Hoofdstuk VUL 1—11. Evengoed als van afgodendienst, heeft het volk zich te onthouden van verschooning der afgodendiecende Kena'anieten, die hen zelve ten verderve zou voeren.

1. eig. uittrekken van schoeisel; ajwerpen van vruchten (Deut.

27

ocr page 59

T 1 prwi ■ D-

N»2n ]vhh Dtrü «'ïin wniNi: wvyh njriaa »

J* T I quot; : AT • •quot; kt : iquot; v V* n T 1 x :

: whatf? ^3^: rnxn-nN i:? nnb wnK ^

J..- ;- lquot; -Jl- ^V.- : • j'.\ -: I VT T V T ^ Vlt;T T

irribK nirrnK n«n^ nb«n D^nn-VrnN nirv

aquot; v: -t ; v ».t :•: v •• t l- -.. r t v ^ ^-:i- t ;

i^-n^nn npnïi: nn Di'na uhn'? D^n-^a ^ niü? ^

at v; r Ktt ; iv - j - : quot; : • t - ^ t ^t j :

irribx nin» min mvarr^TiK nitrp ioirr-»3

Vquot; v: jt : )•• ; • - -«t : • - t v : * i*

pKnquot;1?^ nin» '3 D * : WIÏ quot;itrxa«

| V T T V I V v: JT * | -i I* : «• IT • jv -J I-

TJÖÖ 1 D^TD^ia nn^ib nst^-Na nnx-iB'x

| VT- - -1 t : AT : •; ^ tv,t ^t jtv -t

nyzp ♦D'a^nquot;! nnni nnarn npKni »nnn

nn^m ^iö1? nin^ oirm ^aöD^DixyiD'an oHa1

at • • : Kvt ; I ■»••• v: st : t t : I iv * v*^ J' quot;

: D3nn üb) nna on1? nnsn-K1? ontf onnn dto

iquot; T : j : vquot; ï •)*•*.T j : ' i ^ r •-: iquot; lt;••-» i~

: npn-K1? mm ih1? rnn-N1? nna oa rnnnn j

IIV ; * ij' • I k ' :'}■gt;quot;• i I ; • ^ AT Uquot; - ; * j i

-tiK mni Dnn« dt6k na^i nn«o myr\n ^

| - ^lt;TT : a- •• -; ■»• v; v iIt: —; i- •• I ; • v t r

Dn1? wyn : -ino ods nin»quot;

v t y-: i- lt; * r iquot; - v.1 t r : : v t t :

n^jn ann^Ki natyn nnhïai ivnn Drrrran

| ^ ... j .. .. ,.. - . VT - • -«V quot;1 :: •

nirrb nnx Wnp '3 : ^«3 nai'^n an^'Döv

^ v.t i- t quot; ^ I t ■»• iquot; t I ^ ^ V,v •• r :

'Vsp n|3p iV nvnS nin» i nns ^3 ?]♦?ƒ?«

28,40); hier en vs. 22 van het uittrekken, d. w. z. verdrijven van volkeren van hun bodem. — Hier zijn weer alle zeven Kena'anietische stammen genoemd. Ex. 23,23 en 33,2 maar zes.

1

27,21 — of waarvan verder bestaan is uitgesloten, wat den dood of der vernietiging moet worden prijsgegeven, zooals hier en Jos. 6,17. — Vgl. overigens Ex. 23,32.

ocr page 60

DEUTERONOMIUM VII.

7 volkeren, die op de oppervlakte van den aardbodem zijn. Niet omdat gij talrijker zijt, dan eenig volk, heeft de Eeuwige behagen in ii gevonden en u uitverkoren; want gij zijt het minste Bonder al de volkeren. Maar omdat de Eeuwige u lief heeft, en omdat Hij den eed in acht neemt, dien Hij uwen vaderen gezworen heeft, heeft Hij u met eene sterke hand uitgevoerd, en u uit het slavenhuis verlost, uit de macht van Phar'o, den 9 koning van Egypte. Weet echter wel, dat de Eeuwige, uw God, „Godquot; is, de vertrouwbare God, die het verbond en de genade in acht neemt hun, die Hem beminnen, en hun, die Zijne geboden in acht nemen, tot in het duizendste geslacht.

10 Die echter Zijnen haters in zijn aangezicht vergeldt, om hem te vernielen; Hij stelt niet uit voor hem, die Hem haat; in

11 zijn aangezicht vergeldt Hij hein. Gij zult dus de geboden, de wetten en de rechtsvoorschriften in acht nemen, die ik u heden gebied, om ze te volbrengen.

12 Het zal zijn : als belooning ervoor, dat gij naar deze rechtsvoorschriften zult luisteren, en ze in acht nemen en volbrengen zult, zal de Eeuwige, uw God, u ook het verbond en de genade inachtnemen, die Hij uwen vaderen toegezworen heeft.

13Hij zal u beminnen, u zegenen en u vermeerderen; Hij zal namelijk zegenen de vrucht van uwen schoot en de vrucht van uw land, uw koren, uwen most en uwe olie, het gewor-pene van uwe runderen en de toeneming van uw kleinvee, op den bodem, dien Hij uwen vaderen gezworen heeft, u te geven.

7. Niet getalsterkte was aanleiding, dat God u juist tot Zijn werktuig koos. — oron hsz, hoven eenig volk', alle volkeren zijn talrijker dan gij. Rasiibasi laat het uitsluitend op de zeven volkeren slaan; gij verslaat hen niet, omdat gij grooter zijt dan zij, maar enz. — prn, zich aan iemand hechten uit liel'de.

8. Sommigen verklaren nnoai, omdat Hij namelijk in acht neemt, als nadere aanvulling van 'n rantsn; het kunnen echter zeer goed twee redenen zijn, ter verklaring dat God Zich aan Israël gehecht heeft en het heeft uitverkoren: omdat gij Zijne liefde waardig waart, en bovendien om het den vaderen gegeven woord gestand te doen.

9- DTlWl Kin. God is de eenige, die dien naam verdient en de macht heeft om wat verder volgt te doen ; pson Ssn, is de vertrouwbare God, die Zijn woord houdt en dus ook den wil heeft om te volbrengen wat hier volgt (Ibn 'Ezra).

10. VJ2 in ieders aangezicht, zoodat hijzelf de straf ondergaat. — in.si ih. Hij stelt niet uit te vergelden Zijnen hater enz. De samenhang is aldus: God heeft u alleen uitverkoren, omdat gij het waardig zijt en omdat Hij den den vaderen gezworen eed gestand wil doen. Weet echter wel, dat Hij, wel is waar, den nakomeling der braven beloont, maar

28

ocr page 61

T spy pnntn

D^ó^n-^ö DÓano i6 *: nonxn Q'a^n»

: taynn ontnaoaa nnan oaa nirr pi^n

r IT T^* : I' ■gt;quot; quot; '*AV T ^ v,quot; T ^ ^t : I S-^T

yairj *ity« nya^n-nx noistoi aanx nin» nanxü 'a

^ • lt;v -i \ •. v lt; : t• v : v t : - !quot;• ••

Dnayjvao^na'inprn Ta oanK nin» K'xin aa'riaxb

• t ■ I ; : Iatt-: •'t :v.quot;J: v -it : s* v •• - -»i-

«in Tribx nin^-'a *: DnxD n^-ia :

-» I v.*.* v: jt ; r r^:'■'r:'i,r: • I ••■yv quot;a ; quot; J' '

nnamp;b) vani^1? iDnni nnanitiv ?ÓN3n a^ri^n

jquot; : i : .)ti ; v v - : -squot; i t v:iv quot; quot; t «.•: it

N1? iTaxn1? v:2-bN: Ui CIVK1? in'iïö

«- A i v V •• JT • i •quot; ! I I JV t t ▼ ï •

-nNi niïDrrnK matyi : lyov»^1 viö'^k iNJiy? nnx» ^

v ; t : • - v t ; - it : i v quot; gt;: t v : ■* : •• - :

a : Dnii^ D^n niïo ♦djk n^K D^a^an-nHi D^nn

it ^:i- v. : S' it v -» • t : • - v ; l—\i-

an^i onio^i nbxn hvzpBnm apj^j n^ni^

iDnn-nKi nnarrnx ^nin; lüf] anx -na -jnai ^anni ^aiai ^an^ji : ^nax) yzm ivx

:^nnbgt; ^^nax1?nónxn

Zijnen hater zelve de straf doet ondergaan; en blijf daarom trouw aan wat ik u heden in Gods naam beveel te doen.

12—16. De opvolging dier geboden brengt zegen.

12- 3py = ^pr Gen. 22,18 e. a. p. eig.: hiel; v. d. wat op iefs anders volgt, eindresultaat, maar ook: belooning. Zooals Nachm. opmerkt, wordt in het Hebreeuwsch het begin: hoofd, het einde eener zaak: hiel genoemd. — lonn mi rvnn nx, evenals in vs. 9 één begrip: het genade-verbond; mc bii ni-a ook hier gebruikt met het oog op omnoi in het eerste deel van net vers.

13- quot;p31 enz. ontwikkelt het eerste versdeel naar zijne onderdeelen:

menschen en bodemproducten worden talrijk; deze laatsten ontwikkeld in koren, most en olie als voornaamste landbouwproducten, en in runden kleinvee, de objecten van den veeteelt. — ?pi33. pa kan slechts van de moeder gezegd worden; het mannelijk aanhangsel moet dus op de volksgemeenschap slaan en jca is collectief. — Over uü zie Ex. 13,12. — mnort, een woord van twijfelachtige beteekenis. V. s. naam eener phoeni-cische godin Astarte, overeenkomende met Aphrodite = Venus, en als godin der geslachtsverbinding vereerd; vandaar dan algemeene benaming voor geslachtsvermeerdering; v. a. zou het, samenhangend met-icr, rijkdom, niets andera dan toeneming beteekenen.

na

ocr page 62

DEUTERONOMIÜM VII.

14Gezegend zult gij zijn boven alle volkeren; er zal onder u noch een onvruchtbare man noch eene onvruchtbare vrouw 15 zijn, noch onder uw vee. De Eeuwige zal alle ziekte van u afwenden, en al de booze kwalen van Egypte, die gij kent. Hij zal ze u niet opleggen, maar ze doen komen op al uwe lü haters. Gij zult alle volkeren verteren, die de Eeuwige, uw God, u geven zal; uw oog mag hen niet sparen; — opdat gij hunne goden niet dient — want het zoude u tot valstrik zijn.— 17 Als gij soms in uw hart zeggen mocht; Talrijker zijn deze 18volkeren dan ik; hoe zou ik hen kunnen verdrijven?quot; Vrees niet voor hen; gedenken zult gij, wat de Eeuwige, uw God, 1!) aan l'har'o en aan geheel Egypte gedaan heeft. De groote beproevingsdaden, die uwe oogen gezien hebben ; de teekenen en de wonderen, en de sterke hand en den uitgestrekten arm, waardoor de Eeuwige, uw God, u uitgevoerd heeft; zoo zal de Eeuwige, uw God, doen aan alle volkeren, voor welke gij vreest.

20 Ook den horzel zal do Eeuwige, uw God, tegen hen loslaten, totdat omkomen de nog overgeblevenen en die zich verborgen

21 hebben vóór uw aangezicht. Gij zult niet verschrikt zijn voor hen, want de Eeuwige, uw God, is onder u, een groot en ont-

22zagwekkend God. De Eeuwige, uw God, zal deze natiën vóór uw aangezicht uitwerpen langzamerhand; gij zult hen niet spoedig kunnen vernietigen, opdat het wild des velds zich niet

23 bij u te zeer vermeerdere. De Eeuwige, uw God, zal ze in uwe macht geven, en groote verwarring over hen brengen,

24 totdat zij verdelgd zullen zijn. En zal hunne koningen in uwe macht geven, en gij zult hunnen naam van onder den hemel doen verloren gaan ; niemand zal tegen u kunnen stand houden,

25 totdat gij hen verdelgd zult hebben. De beelden hunner goden zult gij in vuur verbranden ; gij zult het zilver en het goud, dat er aan is, niet begeeren, om het voor u te nemen, opdat gij er niet door verstrikt wordet; want het is den Eeuwige,

13- 'Sn. algeraeene. epiflemische ziekte. — 'ns, ziektetoestand, lijden, gevoel van ziekzijn. — Egypte was ervoor bekend, dat er vaak zware ziekten heerschten, die spoedig een gevaarlijk karakter aannamen. Men behoeft hier dns nog niet aan speciale ziekten te denken. — jiïii it'ft, ilic gij, tijdens uw verblijf in Egypte, zelve hebt leeren kennen.

16. JnSsNI. {lü zquot;ll door liet oorlogszwaard verteren, vernietigen; vgl. Jeremia 10,25 e. a. p. In verband met het volgende schijnt liet nier niet meer een zegenwensch, maar een hevel te zijn (Ins 'Ezra) Anderzijds kan er echter ook de gedachte in liggen : gij zult sterk genoeg zijn om de volkeren te verteren; spaar hen dan echter niet; — hiermede komt Wozes op de gedachte van vs. 5 terug, om daaraan vast te knoopen de uitwerking der belofte, dat Israël zijn tegenstanders, al schijnen zij nog zoo machtig, zal kunnen overwinnen (17,26). — sin cpu; 13, het, het sparen dier volkeren. zou u tut valstrik worden. De woorden larn nSi enz. zijn een soort tnsschen-zin, den grond aangevend, waarom men ze niet mag sparen. Het dienen

29

ocr page 63

T 2pjr ÜD

: rnpTjn n^nn ^ina ^

ib'n D^m D'nvo quot;'no'bai 'Vn^a ^öo nin» Tom113

jv _. lt; t|t - ; • •• : - t : * a t * •'■r : s' quot; :

-bTm rpiw : DJn:i ^3 DWV\ üb n^Tra

Dinn-Kb ^ ini^riVxnin; D'ó^n SoKn '3 D : Nin ^plo_,3 Drrri^N-nN

lt;• ) it v 1-»quot; '* v quot; j v; v .quot;^,quot; f c '*

: DB'nin1? hd^4 ^QD nbs'n D^i^n D^I

it • 1 ; v.' quot; *AV ' quot; {quot; t j- - •)• quot; i :jt ; •

nin» dk quot;iiw quot;i?T ona Kn;n «7

nhNni wv isjT-ityK riS'isn hèsn : anwbibï ^

lt; it : i v j t v -: : - ^ - - * it^: t :

nin» nsifin it^K rrmsn vn-Tm nprnn thi D^nsbni

-,t : J-:i- r.* 1 t : : Itt-:i- lt;t - : • : 1 - ;

N■l, nnx-i^K Qsèvn-^ nin' n'^^-p ^ri^s4

v.-t JT quot; V -: • -quot;t t: I V /.*: lt;t ; v ^zr li- I *quot; v;

-nv D3 nin» n^B'^ nihvrrnK qji : an^aa3

at I vquot; v: JT : ■gt;— : 't ; • - v - ; iv ••

-»3 Dn^ap 'p^n : ïj^öp on.npani anxtp^n 13« ^

^ V?1 •' ^

nnp on^s ^3in nh uyp uyv quot;qnsp

nin» D3n^ : m'^n n'n n3in_f£3»

I rtV t : I v.-* v: JT -jt t : ivt - - I vquot; t -»••* ^ ' •

1~i*3 nn^a rnii : Dia^n iv n^na noino ddhi ^

I vt ; v •• ; quot; I lt;- t : it : it • k~ t ^ jt : t t :

^quot;233 3ï,n,'N41? D'o^n mno aaiy-nN m3xm

^i v t ; • Jquot;- : • i at t - - v.- • t : v jt : - -: i- :

Tonrrxb uxz psn'^n nrrnVx ^quot;ps : onx ^

nin» n3^ln '3 13 irpin |3 rfy nn^i bn'^; 3nn t|p3

der afgoden toch is geen t'pis, valstrilc, gevaar, — maar is de hoogste afval zelve.

19- nDDn, 2ie 4,34-

20. njnïn. zie Ex. 23,28. — -p:- J3 behoort bij nzs ol' bij o^inwni.

22. bxn — nbsn. — Vgl. onze aant. Ex. 29,29 en 30. — b ij u,oi: tefi e n u.

23. oom- van verwarren.

24. -|-jiq^|quot;| een onbepaalde wijs = quot;]n,DlJ'n. vgl- Lev. 14.43. V. a.:

totdat Ui), GmI, u hen zal hebben doen vernietigen, een verleden tijd van den Hiph'iel. — ro-a aynn, zich opstellen tegen iemand, stand houden om hem te bestrijden.

25. QirSy ann f|D3gt; Zilver en goud, d a t tot versiering op hen, de

ocr page 64

DEUTERONOMIÜM VIT, VIII.

26 uwen God, een gruwel. En gij zult geen gruwel in uw huis brengen, gij zoudt immers ban worden, gelijk het zelve is; verafschuwen zult gij het en er een gruwel voor hebben, want voorwerp van ban is het!

1 Het geheele gebod, dat ik u heden gebied, moet gij in acht nemen te vervullen, opdat gij in leven blijft en u vermeerdert en komt en het land in bezit neemt, dat de Eeuwige uwen

2 vaderen gezworen heeft. Gij zult gedenken den geheelen weg, dien de Eeuwige, uw God, u nu reeds veertig jaren in de woestijn heeft doen gaan ; om u onthouding op te leggen, ten einde u te beproeven, opdat men wete wat in uw hart is, of gij Zijne

3 geboden in acht zult nemen of niet. Hij legde u dus onthouding op en liet u honger lijden, en gaf u het Man te eten, dat gij niet kendet en uwe vaderen niet gekend hadden ; om u te doen ondervinden, dat niet van brood alleen de mensch leeft, maar dat van al wat uit het bevel des Eeuwigen daartoe

4 beschikt is, de mensch leeft. U w gewaad is niet gesleten van uw lichaam, en uw voet is niet opgezwollen, nu reeds sinds

5 veertig jaren. Gij zult dus in uw hart erkennen, dat, gelijk een man zijnen zoon door tucht opvoedt, de Eeuwige, uw God,

G u onder tucht heeft genomen. En gij zult de geboden van den

afgodsbeelden, is, dus iws vóór DrrSj aan te vullen; anderen : legeer geen goud en zilver voor hen als losprijs aan te nemen, om ze hunnen éigenaars te laten. — ia, door dit zilver of goud, of door zoodanig nemen.

26. inD3. mannelijk, gelijk het verafschuwde metaal, misschien onder den invloed van het woord om; als het op ramn slaat, moest het miM

luiden. — Door zich aan het tot ban gewijde te vergrijpen, wordt men zelve tot ban, der vernietiging of den dood vervallen. Vgl. de geschiedenis van 'Achan, Jos. 7.

Hoofdstuk VIII. Was in het slot van het voorafgaande hoofdstuk de plicht behandeld alle sporen van het heidendom te vernietigen, dat immers door den ondergang zijner aanhangers de nietigheid zijner goden zal bewijzen, — ons hoofdstuk behandelt de plicht, zich steeds de Godheid voor oogen te houden en zich aan Zijne vaderlijke leiding te onderwerpen, die Hij Israël in de woestijn immers zoo ruim liet toekomen. Daaruit vloeit dan vanzelve trouwe vervulling van Zijn wet en blijvend heil en

fel uk. Vs. 1 is opschrift, dat in korte woorden den inhoud van het oofdstuk aangeeft. — □nïmi omai. Door trouwe vervulling der geboden zullen zij het land in bezit nemen enel uk. Vs. 1 is opschrift, dat in korte woorden den inhoud van het oofdstuk aangeeft. — □nïmi omai. Door trouwe vervulling der geboden zullen zij het land in bezit nemen en houden; — daar zij immers op het punt stonden het land binnen te trekken, gaat het niet, hier de verovering eerst als gevolg van toekomstige trouw aan de wet voor te stellen. Anderen: nadat gij gekomen zult zijn en het land in bezit genomen zult hebben.

2. Denk er steeds aan, hoe God u door de woestijn leidde, om ^riM1, u door nood en ontbering uw hulpbehoevendheid te doen inzien. — inD:S, om u zoo op de proef te stellen, u in een toestand te verplaatsen, die ertoe leidt, njnS, zoodat men of: gij leert ervaren, hoe het in uw hart gesteld is; anderen: opdat H ij icete, een menschelijke uitdrukking dan in

30

ocr page 65

n T apjr V

Din nMm royin : Kin ^'ribK13

•Aquot; r rr : | v •• v t i lt;• t i : i I v.**

s : Kin D*in-'3 «ajmn i i y$p in'as

i^dv ni^l? pnp^n diti ^ivp '3:k -ibgt;n nivsrrvs * nirv vzm-ivn rnxrrnK Dn^^i bnxni on^m ?vnn

VT : ^ J-: • v -» 1 vt^t v -«v ; • r v t •.••;!; r

ïpn^K nin^ np^in nnsn : o^nb^ =

-ns1 n^iquot;? ■qnb:1? f^P1? d^3-in nr

^3^i»i : k^-dn inivp quot;i^^nn ^sss j ^nin p^t ns jsn-nk ^dn^i

*3 DINH n^n» 11317 Dn-Trby ah »3P ^nin

JT T TT,T JVl'f'» ': Vlt;V ' J * ' quot;! '*

T^onn^ xb 'hrntiv : Qixn n^n' nin'-'öquot;1

vl: : -: | iquot; t : it lt; I : t : • ittit jv :r : r

^«3 »3 nssV-Dir nynn : njB' D^31K nr npï3 Nlt;1? n

v -n- • Iavt : ' v.tI -it: itt v* t :- ^Ita-t -»

n'iïO'nN rnDsri : ïiid'o nirr i:3-nN nsquot;1

^ : • v t : - -»t : | iv: - ; 1 v,v v: jt ; ; v • y -;

oneigen lijken zin van God gebruikt. Num. 14,33 zegt, dat die zwerftocht door de woestijn een straf was voor het oproer en den terugkeer dei-verspieders. Deze straf voor een daad, die Israëls volslagen gemis aan Godsvertrouwen had bewezen, werd nu juist dienstbaar gemaakt aan de opvoeding daartoe.

3- DnSn Srgt; dat niet, alleen op brood steunend, de mensch de kracht tot levensonderhoud vindt (vgl. Gen. 27,40; Jes. 38,16; Ez. 33,19). — ssra Si hs enz. steunend op iv at ook, dat uit Gods mond gaat, d. w. z. wat ook door God als middel tot levensonderhoud bestemd wordt.

1

nSa. slijten, door ouderdom, van op u, van uw lichaam. — npxa, waarschijnlijk: ffezwollen. — Zoomin als het gebruik van Manna het genot van andere spijzen en dranken, waar en voorzoover die te krijgen waren, uitsloot, evenmin behoeft hier te worden aangenomen, dat Israël zijne kleeding en schoeisel gedurende de geheele omzwerving nooit vernieuwde. De zin is alleen, dat zij zoo zichtbaar door God beschermd werden, dat zij nooit gebrek hadden aan kleeding, ook al gingen misschien jaren voorbij zonder gelegenheid tot vernieuwing, en dat hun lichaam niet leed onder de vermoeienissen van de reis.

ocr page 66

DEUTERONOMIUM VIII.

Eeuwige, uwen God, in acht nemen, om in Zijne wegen uwen

7 levenswandel te richten en Hem te vreezen. Want de Eeuwige, uw God, brengt u naar een goed land, een land van waterbeken, wellen en watermassa's, die in de vlakte en op het gebergte ont-

8 springen ; Een land van tarwe en garst eu wijnstokken, vijgenen granaatappelboomen ; een land van olie voortbrengende oiijf-

9 boomen en van dadelhonig; Een land, waarin gij niet met bekrompenheid brood zult eten, waarin gij aan niets gebrek zult hebben; een land, welks steenen ijzer zijn, en uit welks

10 bergen gij koper houwen zult. Als gij nu gegeten en u verzadigd zult hebben, dan zult gij den Eeuwige, uwen God, loven,

11 voor het goede land, dat Hij u gegeven heeft. Neem u in acht, dat gij den Eeuwige, uwen God, niet vergeet, door Zijne geboden, rechtsvoorschriften en wetten niet in acht te nemen,

12 die ik u heden gebied. Dat namelijk niet — wanneer gij eet

13en u verzadigt, en goede huizen bouwt, en ze bewoont; En

uw rund- en kleinvee vermeerderen, zilver en goud bij u toe-

14 neemt, en al wat u behoort, vermeerdert; — Dan uw hart zich verheffe, en gij den Eeuwige, uwen God, vergeten zoudt, die

15 u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, gevoerd heeft. Die u geleid heeft door die groote en vreeselijke woestijn, [plaats] van slangen, vergiftige slangen en schorpioenen, en van dorheid, waar nergens water te vinden was; die water voor u

16 deed voortkomen uit de hardste keirots. Die u in de woestijn Man te eten gaf, dat uwe vaderen niet gekend hadden, om u onthouding op te leggen en om u te beproeven ten einde u

17 op het einde wel te doen. Gij zoudt namelijk in uw hart zeggen : „Mijne kracht en de sterkte mijner hand hebben mij

18 dit vermogen verworven.quot; Doch gij moet aan den Eeuwige, uwen God, denken; dat Hij het is, die u kracht geeft, om vermogen te verwerven, ten einde het verbond gestand te doen, dat Hij uwen vaderen gezworen heeft, •—gelijk heden geschiedt.

(11—20). Dit land is in tegenstelling met de woestijn, zeer waterrijk. — era iSro, stroomend, voortgeleid v:ater, hetzij heeken of rivieren; wr, vellen, op een bepaalde plaats uit den grond opborrelend; mw, eig. woelend water, grootere waterbekkens, meer en. — vai nrpaa dw, die uitgaan, te voorschijn komen, ontspringen, zoowel in de valleien, als in de bergstreken.

9- anS, spijs, voedsel. — na Sa icnn sh, gij zult geen gehrek erin hebben aan wat ook; ba wordt gewoonlijk door het mannelijk werkwoord gevolgd. tDn kan beteekenen ; gehrek hebben en ontbreken, evenals srtn, vol zijn en imllen. — Sna rwas, de bergstenen zijn ijzerhoudend. Sporen van oude ijzeren kopermijnen worden vooral in het Noorden des lands nog aangetroffen.

10. Telkens nu als gij door den overvloed, dien liet land u levert, u verzadigd zult hebben, zult gij den Gever van al dit goeds, den Eeuwige, uwen God, danken. De traditie vindt in ons vers liet voorschrift van de dankzegging na den maaltijd. Daardoor wordt de mensch dan telkens

31

ocr page 67

n

nin» »3 : inK vana n^b5? ^r6« nin*'

| V v: -,t : •lt; i t : ' Vjv t | av v: jt ;

DWhbrim nr^ D^O ^n: pK nniü PK-^N4

r : , ; T ; t J--:-•- vvlt; at I •.•-••.• v vlquot;5 •* :

-ps4 pom njKm jail n^i n^n : -inni n^33n on*? nrbsxn h:3D02 xb riK : irnn ïnv nn -

V V -gt;t - i •-. •• : • : « V -: 1 vv it : I v^v j-

2ïnn nn-inoi bhn n^as4 rquot;iK na ^3 lonn-ab

j : - t vquot; T-r iquot; v ;- t-»vt^-: jv -: | v v« at v. ■gt;' ' quot; 1

pNn-W -i^K nin^ns4 nD-im n^atri nb^Ni : nt^na'

1 vjt t ^ I v •.quot; JT. : v T : t*: at t : vt : - it ; v 1 :

nirrntf na^n-ra ^ * : ^yrn: n^K nnbn ^

JT : V v.quot; : . ' ' v ' : VJT \ I'T I -IT ^ -»••• -: V.T

♦3:k quot;ii^n vnbm v^atyDi vn'iïö -joB'

j' it ■)•••-: T I •-. : -«T T ; • T : • lt; : • ; • : | av V:

: nntr^i n:nn o^b dtüi VDNn-ra : oi^n ^jiïd

t : it t: v.v : • •)• r t t^:at t : v.- ^ I 1 - *.1 : - :

nynEW ^bi ^S-n2T 3nn eiosi rsT n:»sïTn-ipni

V.1 : v -: ^ : ) at v :* v-t^t: 1: \\: :* |: 1 : :Iit:

ïTX'ïiDn nirrnK nna^i : rDT

.)| -: r - I v v; -«t : ^ t : - it : Iavt : v,t: iv :•

sniani Vn^n i nansa : annv nn^o pNO

t ; ■JT ~ ^T ; • - I : * - I T^-I jquot; • : • 1 vjv ••

d*D ^ N^isn D^-px IB'N riNSi'i i trn:

I : lt;• - • rtr I iquot; -»v -: 1 v. t • ; t\ : I t t «t t

rwi^'1? ninaa ro : Bquot;obnn niïo'»

» ^ ;it -: t : • - 1 t j] ; ^ i- - r t - 1- v, *

: ?]nnnN3 ^nb: j^a^i •rjn}# ^ID1? ^nhx

: nin ynrrnx ^ nquot; dï^i Vg '133^3 niONi ^

iv- -j- - v v.' t r/t t ••• : * |avt ; • vt^ : - it :

n3 Than xin '3 ^i-ribx nirrntf ni3Tin'

J ^:i- - v. •) I ;».»*• quot; -*• I •* v: jt : t :-it:

ai»3 inn3-nN a^n f^oV

3 : n-Tn

eraan herinnerd, dat niet eigen kracht, maar Gods genade alleen hem zijn voorspoed heeft geschonken !

15. JVCOSI' dorstigheid. V. s. waar men door de brandende zon dorstig wordt.

16. Einddoel was; het n ten laatste te doen welgaan. — n'Vts, de tijd, die na een zekere periode volgt.

17. ipiD* mijn eigen scheppende kracht. — 'T dïgt;i, de, bezwaren overwinnende, macht van mijne hand. — Sti, verzameling van krachten en raid-dèlen. — Vn nur, kracht of vermogen ververven, bereiden.

18. 13, dat, leidt den van man afhankelijken voorwerpszin in. — Hij schenkt u de kracht, aanleg en geschiktheid om vermogen te verwerven, niet om uwe verdiensten, maar alleen om het verbond met do vaderen

festand te doen. —estand te doen. — nm dvo, gelijk Hij tot heden reeds getoond heeft te oen, door u op uwen woestijntocht te beschermen.

T

ID

ocr page 68

DEUTERONOMIUM VIII, IX.

19 Doch het zal zijn : Indien gij den Eeuwige, uwen God, vergeten zult en zult volgen andere goden, en hen dienen, en u voor hen nederwerpen zult, zoo waarschuw ik u heden, dat gij

20 zult verloren gaan. Gelijk de natiën, die de Eeuwige van voor uw aangezicht uitroeit, zoo zult gij verloren gaan; als gevolg ervan dat gij niet luisteren zult naar de stem van den Eeuwige, uwen God !

1 Hoor, Israël! Gij trekt thans den Jordaan over, ten einde binnen te trekken om natiën te veroveren, die grooter en machtiger zijn dan gij ; steden, groot en versterkt tot in den

2 hemel. Een groot volk en van hooge gestalte, zonen der 'Ana-kiem, van welke gij weet en gij hebt hooren zeggen: //Wie

3 kan tegen de zonen van 'Anak stand houden ?quot; Gij komt dus thans tot de erkenning, dat de Eeuwige, uw God, het is, Die vóór u trekt, als een verterend vuur; Hij zal ze verdelgen en Hij zal ze voor u onderdanig maken; gij zult hen spoedig verdrijven en uitroeien, gelijk de Eeuwige omtrent u gesproken

4 heeft. Zeg niet in uw hart, wanneer de Eeuwige, uw God, hen van voor uw aangezicht wegstoot, aldus ; //Om mijne deugd heeft de Eeuwige mij gebracht, om dit land in bezit te nemen,quot; terwijl om de slechtheid van deze volkeren de Eeuwige hen

5 van voor uw aangezicht verdrijft. Niet om uwe deugd en de oprechtheid uws harten komt gij om hun land in bezit te nemen; maar om de slechtheid dezer volkeren verdrijft de Eeuwige, uw God, hen van vóór uw aangezicht, en om het woord gestand te doen, dat Hij uwen vaderen. Abraham, Izak

19. 033 Vnj;n. voor een daad: waarschuwen-, vgl. onze aant. Gen. 43,3.

20. 03^30 quot;P3fCÖgt; van vóór uw aangezicht, of: om utoentwiüe, ten uwen behoeve.

Hoofdstuk IX. 1—6. De volkeren van Palaestina immers gaan, trots hun macht, te gronde wegens hun zedelijke ontaarding; doch ook Israël heeft nog lang niet de noogte bereikt, waartoe eerst de wet het moet opvoeden; laat het dus niet overmoedig worden en in zelfgenoegzaamheid meenen, door eigen verdiensten het land te hebben verworven. Denkt slechts aan het jongste verleden, hoe gij door afval en oproer tegen God, onmiddellijk na de openbaring reeds, u zoozeer Gods toorn op den hals hebt gehaald, dat slechts op mijne bede verschooning voor uw misdaad werd verworven (7—29; 10,1—11).

1. Dm. heden = binnen kort; evenals in», morgen = in lateren tijd. — onu • • • • D'U risnS. is ook voorwerp van ncnS, dat zoowel: h e 'ërven,

als: iets erven beteekent; v. d. eenerzijds: de bewoners verdrijven, anderzijds : hun land en steden in bezit nemen.

2- D^I Snj. hier waarschijnlijk: talrijk en van hooge gestalte. — D'wr'ja, zonen, nakomelingen der 'Anakiem, van wie alle Kena'anietische volkeren schijnen af te stammen, vgl. 'Amos 2,9. Anderen: gelijk de 'Anakiem-zonen. — nrT nnx ms, die gij uit de mededeelingen der verspieders en den strijd tegen 'Og kent, nnra» .ms (iï'n)i, en waarvan gij gehoord hebt, dat men zegt: aswi enz.

32

5

ocr page 69

□ n spv ^

DTibx nn^n^brii Tr6x nin^nx nat^n hd^-qk n;ni ^

■j- ••: ••-: r t : - it : | v v: jt : v - : * - lt; t • t t ;

♦3 Di'n boa ♦rnjn on1? nnnnt^m Dm3^i Dnn^

j. - v T • * i- rtv t t -»•-; iquot; ; * : ^t ; ~ -:i~ • •• -:

1113^ rs ds^öo T3KD nin» D;ia3 : ïn3Kn -i3k=

i a •• i i v.quot; •* quot; : * i- t ; lt;v --li- i v. t

a : nin^ hpï p^pt^n N) 3^

niynb k3i7 p.Tn-nK bvn i3V nnx iS'

Vnro^ : nnï3i hVia on^ ïrao D^ÓV^I D^I-i =

jt ^ -it t - v'''* 1 ^ ^ : ') t ^'av ' v* '■• t' j' :

ïüw 'ö nvóty nnKi nnx -i^K np ^3 Dm

•• - : • j- t . ~^t ■,T^~ : qT • ^2quot; lt;T ' v -i Ia t^: : ^tt

quot;i3gt;n-Nin nin» »3 ni'n : p:j; ^3 ^s1?j

it I v v; ti - -»t -it: I it^: j- : v ; •

ontynim Kim Kin n^K vu Via1?

lt;t : - i ; i av t ; vquot; ' : ^ : •)quot;•:quot; z T :. 1 ^ i quot; t :

,i33V3 nsNrr^K *: TI1? nin* quot;)3T ntyK3 nnü Dm3Nn,i ^

1 : it : • ^ jquot; - cs3',tco : j'' ' ■)v quot;qquot; t :--!'quot; :

^x*3n Tpia'3 quot;IDNV^^i^a^Q i nnx ^ribNnin» «iquot;in3

. j- . ... . |t . . . .. p v t . . jt | v v.. t : | ■' -ii-

nin* nV^n n^i-in n^jrquot;)3!) nNtn psjn-ns3 nin»

vt ; v •• t *v quot; quot; i ••• -'t t v v v.vt t :

«3 nnx ?i33V uyni nnpnv3 aï : n^ao Dt^nioquot;

v -jvt t.t ^ ''t^quot; » :jt ; v : | ; Iit : • : ^ I iv t • jt • i

DtrniD nm» nb^n o^ian i n^^i3 'i D^nx-ns4

jt ^ • i ^ I v v: lt;t : •• t ■*• - '5-: • : • at : -

^n3xj? nin; ystn ipt* nnin-nN o^n ^iap

1

Mozes plaatst naast npis, de plichtgetrouwe daad, nog an1? quot;if, de oprechte gezindheid. — De Kena'anietische stammen verdienden wegens hun slechtheid den ondergang ; dat juist gij werdt aangewezen om hun

2

om den den vaderen gezworen eed gestand te doen.

3

,npnjgt;2) hier tegenstelling van nrcn, beteekent; trouw in de plichtsvervulling, deugd. — nrcnai enz. wordt door sommigen nog als deel van de Israël in den mond gelegde redeneering opgevat: «zeg niet, dat om uw deugd en der volkeren slechtheid God hen verdrijftquot;. Anderen zien in deze woorden reeds de tegenstelling; terwijl niet om uw deugd, maar alleen om de slechtheid enz. Om het sterker te doen uitkomen, wordt dan deze gedachte in vs. 5 nog in den breede herhaald. Voor deze be-teekenis van den '1 vgl. bijv. 9,29; Gen. 26,27; Koeth 1,21 e. a. p.

ocr page 70

DEUTERONOMIUM IX.

6 en Jakob, gezworen heeft. Erken dus, dat niet om uwe deugd de Eeuwige, uw God, u dit goede land geeft, om het in bezit

7 te nemen ; want een hardnekkig volk zijt gij. Gedenk, — vergeet het niet, — hoe gij den Eeuwige, uwen God, in de woestijn hebt vertoornd ; van den dag af, dat gij uit het land Egypte zijt uitgegaan, totdat gij op deze plaats gekomen zijt, waart gij

8 telkens weerspannig tegen den Eeuwige. En reeds te Choreb hebt gij den Eeuwige vergramd ; zoodat de Eeuwige zoo vertoornd

9 tegen u was, dat Hij u verdelgen wilde. Toen ik op den berg geklommen was, om de steenen tafelen te ontvangen, de tafelen des verbonds, dat de Eeuwige met n gesloten had; en ik bleef op den berg veertig dagen en veertig nachten, — brood at ik

10 niet en water dronk ik niet; — En de Eeuwige mij de twee steenen tafelen gaf, beschreven met den vinger Gods ; — en op deze waren al de woorden, die de Eeuwige met u op den berg, uit het vuur, gesproken had op den dag der vergadering; —

11 En het was na verloop van veertig dagen en veertig nachten, had de Eeuwige mij gegeven de twee steenen tafelen, de tafelen

12 des verbonds. En zeide de Eeuwige tot mij : ,/Op ! daal spoedig van hier af, want uw volk, dat gij uit Egypte uitgevoerd hebt, heeft [zijn levenswandel] verdorven ; zij zijn spoedig afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden heb ; zij hebben

13 zich een gegoten beeld gemaakt.quot; Voorts zeide de Eeuwige tot mij, als volgt: „Ik hel) dit volk gadegeslagen, en zie, het

14 is een hardnekkig volk. Laat af vau Mij, dat Ik hen uitroeie, en hunnen naam van onder den hemel uitwissche; dan zal Ik u tot

15 eene natie maken, machtiger en talrijker dan deze,quot; Ik keerde mij om en daalde den berg af; — nog brandde de berg in vuur, — en de twee tafelen des verbonds waren in mijne beide handen.

16 Jk zag, en zie -— gij hadt tegen den Eeuwige, uwen God, gezondigd, hadt u een gegoten kalf gemaakt; waart spoedig afgeweken

6. Gij kunt het immers uit eigen ervaring weten, dat gij een hardnekkig volk zijt; erken dit dus en houd het steeds voor oogen.

7. -itrN na leidt den voorwerpszin bij ist in en moet vertaald worden ; hoe. — divi pS, te rekenen van den dag, of een bijgevoegde 'S, die bij tijden plaatsbepalingen meer voorkomt. — gewoonlijk wordtmsn met ns of '2 verbonden; hier met dp van den persoon : in uw wandel met God, in uwe verhouding tot Hem waart gij weerspannig. Reeds vóór den tocht door de Roode Zee begint het verzet (Ex. 14,11). Deze zin wordt dan door eenige feiten toegelicht: 8—21 den gouden-kalf-dienst te Choreb, 22 en 23 de overige oproeren in de woestijn.

8. a-irm en zelfs te Choreb.

9 en 10 zijn voorzin, waarbij vs. 11 met vpi aansluit. —Hnpn diid, o;) dag der vergadering (vgl. 4,10), waarop Mozes het volk uit de legerplaats God tegemoet voerde (Ex. 19,17). 12—14 is bijna letterlijk uit Ex. 32,7—10 overgenomen.

33

ocr page 71

mn» nnpnxa i6 ^ n^i : pnrb omaN1?1

jt ; | thr:* : « t^: -it; li^ir: i ^.t^:*: ^ jr r:p' :p

-ay *2 nnpfb mtn nairan fi^n'riN ^ |n: ^ri^K nin^-nN navpn-n^x n« HDT : nnw eiirn^p7

jt : v t ; ■)-1; • v -: s- - : • - : tit f v'v, •• i:

-1% Dnyp pND i nKïpf K D^n-jp1? lais? ^n^tt n-irai : nin^Dp Dn«n dhod nfn Dipan_njr m^3quot;

jquot; ; it : vquot; * v: - v - I -• t - ^ v -: i

: qddk n^OK'n'? D33 nirv nquot;)n»-n« onöïpn

iv : v vquot; t ^ ot : Is-- : • - AT r! v : quot;*

ms-iiyx nnan n'mb D^rwn hm1? nnp1? nnrin 0

j-t v -: • : - j • t -:it lt; ~ iquot; t tt t ■»• quot;:i~

Dn1? n1?^ bv nna ddïï^ mrr

v vlt; t : - •5* t : - : quot;j* t :quot; t t -*•• •• it av t k.t z

hm1? nin» ?n»i : ♦nw ab D^DI *Föbx üb1

j .. ; - •■ t : i •• • - * 1' t j nquot; * : quot; t. quot;*

onnnn-^Da D^K D^NH

rpo : 'jnpn di^ t^xn -iina ma dds^ nin» nai^

i i •• • • : - itit - ^ j : ^ t i ■gt; ' ot t jv r^- r : v •

hn1? nin» rm nVS o^anKi dv: D^anx

^ j \ ■)•• : v - •• t : i - t ^t :at t ; - : ^ t : -

quot;ino n Dip nin» wi : nnan nin1? o^axn ^

... «.. fj - .. t . v - r.; quot; ■' ''• t quot;:.,t

quot;ID nriD no onvaü nxïin nnir »3 nb

1 • •• - at : tv.quot; -»••• ~s ' : ^ •

nin» -laxn : naDD on1? wy on'iï it^N 'n-nn ^

j- .. vt . j - it quot; - v.*-* t -» quot;t * * * gt; ' v '* quot;

tpn : Nin nsni nin oyrrnx lax1? ^

h'^Ni vmr\ nnno DÓiy-nN nnoKi d^oitn'i hm

v *••; iv : • at t quot; v.- * t : v jv ; v ; •••;-: gt; • v •

mm inn-?a -nxi raxv : isao 311 •nni^iiu

v.t t : t t i * •• quot;it i v •* t _ iv * v.tt ^ j t i : | : j

nsni nquot;ini : n» 'nty nnan hm1? ^«3 quot;i^3 quot;=

lt;•• • ; v •• t itt jquot; : •• : aquot; t ^quot;'

ina oniD n^Dö bw dd^ on^y a^nbü nin^ onxun

,. _ jv .. atquot; - v^quot; vt •quot;.* * v •• i v: jt i- v t -:

14. van nst, gebiedende wijs van den Hiph'iel: laat los. Ex. 33,10

staat iS nm:n, vgl. onze aanteekening aldaar.

15—17. Vgl. Ex. 32,15—19. psa no inni, nog altijd brandde de berg in vuur, als op den Openbaringsdag-; anderen; weer'brandde de herg in het vuur van Gods toorn. — Van zijn bede voor het volk, nog vóórdat Mozes den berg afdaalde (Ex. 32,11—13), vermeldt hij hier niets, alleen hoe hij bij zijn komst in het leger het volk zijne zonde onder het oog bracht en (vs. 18 en 19) hoe hij wederom veertig dagen in gebed op den Sienai doorbracht.

ocr page 72

DEUTERONOMIUM IX.

17 van den weg, dien de Eeuwige u geboden had; — Toen greep ik de twee steenen tafelen, en wierp ze uit mijne beide

18 handen, zoodat ik ze verbrijzelde vóór uwe oogen. En ik wierp mij voor den Eeuwige neder, gelijk het eerste maal, veertig dagen en veertig nachten, — brood at ik niet en water dronk ik niet; — wegens uwe geheele zonde, die gij bedreven hadt, door te doen hetgeen kwaad is in de oogen

19 des Eeuwigen, om Hem te vertoornen. Want ik was bevreesd wegens den toorn en de heete gramschap, met welke de Eeuwige tegen u vergramd was, zoodat Hij u verdelgen

20wilde; doch de Eeuwige verhoorde mij ook ditmaal. Ook op Aharon was de Eeuwige zeer vertoornd, zoodat Hij hem verdelgen wilde; maar ik bad ook voor Aharon, in dien tijd.

21 Het voorwerp uwer zonde echter, dat gij gemaakt hadt, het kalf, nam ik, en loste het op met vuur, vergruisde het, het goed malende, totdat het fijn was geworden tot stof, en het stof ervan wierp ik in de beek, die van den berg afvloeit.

22 Ook te Thab'era, te Massa en te Kibroth-Hatthaawa hebt gij

23 telkens den Eeuwige vergramd. En toen de Eeuwige van Kadesh-Barnéa' u uit wilde zenden met de opdracht: «Trekt op en neemt het land in bezit, dat ik u gegeven heb!quot; waart gij weerspannig tegen het bevel van den Eeuwige, uwen God, en steldet gij geen vertrouwen in Hem, en luisterdet niet naar

24 Zijne stem. Weerspannig waart gij telkens tegen den Eeuwige,

25 van den dag af, dat ik u gekend heb! Toen ik mij nu gedurende de veertig dagen en de veertig nachten voor den Eeuwige nederwierp, die ik mij nederwerpend doorbracht, omdat de

18. enz. doelt op Mozes' verblijf voor God, dat Ex. 32,30 en 31 vermeld wordt. — ruBjna, evenals de eerste maal, dat ik op den berg was, ook nu veertig dagen enz. Of deze 40-daagsclie periode op den Sienai of in Mozes' tent werd doorgebracht, is niet zeker. Vel. onze aanteekening Ex. 33,1.

19. Kinn DJ7M DJ. ook dezen keer bij de bede om algeheele verzoening, evenals Hij mij reeds verhoord had ten opzichte van het uitroeien des volks (zie onze aanteekening Ex. 32,13).

20. Van die bede voor Aharon wordt in Ex. ter plaatse niets vermeld, daar zij in de bede voor het volk is inbegrepen. — Hier wordt het v. s. bijzonder vermeld om te zeggen, dat ook Aharon's bekleeding met het priesterschap slechts een Goddelijke genadedaad was, evenals Israëls voortbestaan en de verovering des lands.

, 2i. oanxan. het voorwerp, waarmede gij de zonde hadt bedreven.— Varn ns i»n, v. s. = omw ibs Vjrn ns; v. a. een nevengeschikt

voorwerp naast oanson nxi; zoo hebben wij het in onze vertaling opgevat. — eppsi enz. Zie onze aant. Ex. 32,20. Van het te drinken geven van dit water, vermeldt Mozes niets, daar het hem immers niet te doen is om de herinnering aan de bestraffing op te wekken, maar alleen om hun hun herhaalden afval voor den geest te brengen.

34

ocr page 73

nnbn wz Vsrwi : ddpk nin» TnrnD ^

^ '* ' q-quot;'* ' : V,T ,V ** V ! jr' V quot;* ' V V. quot; ' *

^öS ^sanKi : dd^^1? DiairKi n* wü bpo odWhi™

.. : . . . . ..it lv : -ut lt;stt ■•••: %-•• •• • ;^ - it

♦n^DN anb d^sini nv nin»

• : - t -• v vlt; t : - ^ •*' t ; ~ : *5* t : - t r t t :

nW? onKün DDnKtsn-^ ^ ♦n^ntr N1? D^ÖI

J *-.\- v t -i ■quot;! -: v - - t • a* t ■* • \r

nanni è]Nn yap ^ : iD^Dn1? nin» ^

nin» DDn« rmrh oa^y nin» nvp

- •• t :lt;-;•- av ; v vv quot; * 4t : |s-It v -i

nKD niiT nssjnn nnNm : Kinn oysa on3

a • ; - : ». ; or : |s- - : * I -j i- : i r - J'' K'

-^m DanKtsn-nKquot;! : «mn n^a r'inx n^a-D3 ^shki «

v -i v : - - v :i r - 1 ^-rr j': - r* ' •. vit

in« haKVE'Ka i inx ^#rrni* on^

Vnsn-V^ inay-nx -iaj;b pr^K iv aib'n rinü

quot;vquot;quot; V T t V )• : -it at^t : i v -i *5- .... i t

D'fiypo rnKnn niapai nDöai mjranai : quot;inrrp Ti*n »

• i; ^ at-i i-- \, :) • : t ' t^' : : it t i • jquot; -

iib^ vjna lynpö oanK nin» ri^^ai : nin»-nK Dn«n »

^ ,. ^e... ;- lt;..|t . v ; ... t . - . . ,t . ... ^... .„.

nirv ^-nK nam oa1? quot;itrw fquot;ixn-nK ii^ni rip

t : lt;• v ; — avt • t jv^-: | vt t v - : ^

onöö : i^pa Dnj^Qir ^i: i1? Dri3ö«n DaflbK ■gt;= nin» ♦JÖS bsanxi : danK ♦nyi DI*Ö nin^ov on^n ^

t : ; * — : vit iv : v r- v * at ; v** * v:

-♦a iirN n^bn D^aiMTiKi Di»n D^aiM na

r • :at - : • t :v quot; J'T : ' v : j* t :quot; •*quot;

22—24. Niet alleen te Choreb, maar telkens weer ook bij andere gelegenheden, hebt gij God vertoornd; die herhaling wordt door de deelwoordconstructie uitgedrukt. Voor de feiten zie Num. 11,3; Ex. 17,7 en Num. 11,34. Massa, waar Israël kort na den uittocht was, wordt hier tusschen Thab'era en Kibroth Hatthaawa genoemd, waar zij eerst na het vertrek van Sienal, dus in het tweede jaar kwamen. De opsomming is nl. niet chronologisch, maar zakelijk; v. s. van geringeren tot hoogeren graad van afval stijgend: te Thab'era ontevredenheid met de Goddelijke leiding; te Massa morren en twijfel aan Gods leiding wegens watergebrek; te Kibroth Hatthaawa uit wellustige begeerte naar vleesch.

23. nSeai. en toen God u wilde zenden, toen Hij het volk in zijn geheel het land wilde doen intrekken, vroegen zij eerst verspieders te zenden, en na hun terugkeer toonden zij volkomen gebrék aan vertrouwen in God (vgl. Num. 14). Hier Dans 'n nSeoi te vertalen: toen God mannen van u als verspieders zond, gaat reeds daarom niet, omdat den verspieders niet de opdracht kon worden gegeven het land te veroveren.

24 vat dan Mozea' oordeel over het volk te samen: voortdurend waart gij weerspannig tegen den Eeuwige, zoolang ik u kenl

25. Nu keert Mozes tot den afval te Sienai terug en herinnert aan den inhoud van zijn gebed, gedurende de boven vs. 18 genoemde veertig

ocr page 74

DEUTERONOMIUM IX, X.

26 Eeuwige gezegd had u te verdelgen ; Bad ik tot den Eeuwige èn zeide : «Heer, Eeuwige God! verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat gij door Uwe grootheid verlost hebt, dat Gij uit

27 Egypte met sterke hand uitgevoerd hebt. Denk aan Uwe dienaren, aan Abraham, Izak en Jakob; wend U niet tot de hardnekkigheid van dit volk, noch tot zijne slechtheid noch

28 tot zijne zonde. Opdat het land, waarvandaan Gij ons uitgevoerd hebt, niet zegge: «Buiten het vermogen des Eeuwigen ligt het, hen in het land te brengen, dat Hij hun toegezegd had; en omdat Hij hen haatte, heeft Hij hen uitgevoerd, om

29 hen in de woestijn te dooden.quot; Terwijl zij immers Uw volk en Uw erfdeel zijn, dat Gij door Uwe groote macht en met Uwen uitgestrekten arm uitgevoerd hebt! ■

1 In dien tijd zeide de Eeuwige tot mij: „Houw u twee steenen tafelen uit, gelijk de eersten, en klim tot Mij den berg op,

2 nadat gij u eene arke van hout gemaakt zult hebben. En Ik zal op de tafelen schrijven de woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, welke gij verbroken hebt; en gij zult ze in de

3 arke leggen.quot; Ik maakte een arke van Shittahout en hieuw twee steenen tafelen uit, gelijk de eersten ; en ik klom den

4 berg op, met de beide tafelen in mijne hand. En Hij schreef op de tafelen gelijk het eerste schrift, de tien woorden.

dagen, om aan te toonen, hoe en met welk doel Israël door Gods genade, niettegenstaande zijne afdwalingen, voor zijn taak gespaard bleef. — letterlijk: ik liet mij nedervallen, in den zin van: ik wierp mij in (jehed neder. — viSsjnn quot;«w, de veertig dagen, die ik, zooals straks vs. 18 gezegd, in gebed neergeworpen doorbracht.

26—29 geeft den gedachtengang terug van Ex. 32,11—13; doch wat den vorm betreft, vrij. Weliswaar had de Ex. t. a. p. meegedeelde bede vóór Mozes' eersten terugkeer tot het volk en dus vóór het breken der steenen tafelen plaats, terwijl het hier bedoelde bidden in de 40 dagen daarna geschiedde, maar het ligt in den aard der zaak, dat de inhoud van beide gebeden vrijwel overeen kwam. Het eerste had ten doel, het onmiddellijk bedreigde verderf af te wenden; het tweede de Goddelijke vergiffenis te erlangen. Vgl. onze aant. Ex. 34. — -pr rirrcn Sn, niet mijn volk, zooals God Ex. 34,7 en Deut. 9,12 gezegd had, maar Uio volk zijn zij ; richt hen niet, voordat zij het einddoel der reis bereikt hebben, ten gronde. .

27. THSjn 131. denk aan Uwe dienaren, de 'S = ns; v. a. gedenk ten vuordeele van Uve dienaren den eed, dien Gij hun gezworen hebt, wat Ex. 34,13 erbij staat. — jen hit, wend U niet tot = wend U af van, let niet op enz. — iivp = E)ij) irp.

28. nS:p en irisjo» zijn onbepaalde wijs-vormen. — pxn de bevolking van het land enz., daarom het werkwoord in het meervoud. Wij vatten de woorden als twee uitingen der volkeren op, die naast elkaar staan en uit elkander voortvloeien: Het ligt buiten Gods macht hen naar Palaestina te brengen (vgl. Num. 14,16); dat was van te voren zeker; als Hij ze dus niettemin uit Egypte heeft gevoerd, dan geschiedde dit wegens Zijn haat

35

ocr page 75

♦ L2 apjf n;

niK 'noKirrirrbN : DDn« n^oi^n1? nin» nöNquot;

-•t -; - it t : v -«•• - : vit iv : v j- : ^.t : j~ t

-quot;ibw nnö quot;1^« 'inl?n:,i nntrn-bx nin»

v -: Iav :t : . t v* t r-* ^ I : jt-:i-: I : - lt;•• : -

pnï»1? Dirnxb nnny1? ioT : nprn quot;i^ on^ao nK^in »

i v.t : • : jt t ; - : | vt^ji- : iitt-: jt : • v-: • • r jquot;

: inNEn-^tfi nin D^n Vp-bx jön-1?^

nin» ^ao hwn unNïin r—i«n nax^rön;3

t : v j ; • : • t • -r •• i -v -: | v t t : i i v

Ds^ïin oniN 1nK3■^o,! Dn1? DN^n1?

V.t • ^t -* t ; * rtV t •,••• * v i 'at tv t * T1quot;

^inba n«ïin ^nVn:1) oni : quot;lanisa onan1? t=3

■j|-:i : t •• «v -; |rtv t -:i-: ^] •.- jquot; ; it ; • - ^t ^i-

a * : n^sn 'pnan ?

b»33K nniV^ty ^-Vds nin» ion Kirin njra^ ^

^ • t -; lt; iquot; : | ; t : - •• -r : squot; t * quot; ^ quot; t

: rv jnx ^ n^i mnn 'bN nbyi D'ktens2

: v : i nquot; I v, I '• t ^t : tat t •• r*^:iquot; / •jquot; t

D^'t^Nin hnbn-1?^ vn iitk onrnrrnK nrhrrty

j.. -. r t ^ •.„ - 0 t jv -: • t ; - v ~

SbfiNquot;) D^èir 'w ?nx ^«1 : rma Dno^i j

•) : vit • * jquot; i -: ^c-it i it it v.t : - : t ;a- •

: n»3 nhbn mnn ^ni d^3N

.'•t ; v. •-. - jquot; ; tt t t «s* tt v.' t quot;1 ^ *•. ^ 1quot; z

onain nn'^ nx pB^nn 3riDö3 nn^n-^ anp'!quot;1

tegen hen, met het doel hen in de woestijn te dooden. Zoo zouden de volkeren spreken — ten onrechte, vs. 29 Dm, terwijl zij integendeel zijn enz.

Hoofdstuk X. 1—11 sluiten direct bij het vorige aan. Tengevolge van mijne bede, kreeg ik toen het bevel opnieuw steenen tafelen te maken, en werd het verbond met God hernieuwd (1—5); ook later bleef die genade u trouw, bij Aharons dood in de aanwijzing van zijn zoon tot nieuwen hoogepriester, en voorts in de aanwijzing van den stam Levie voor den dienst des heiligdoms, een gevolg van de houding van dien stam bij het dienen van het gouden kalf (6—11).

1. Vgl. Ex. 34,1 vv. Ninn rï2,. op het einde der genoemde veertig dagen.— pi jm, een voorloopige houten arke, later door de van binnen en van buiten met goud belegde vervangen ; of v. a. werd deze zelfde arke latei-van binnen en van buiten met goud belegd, diï wvn, vs. 5 kan echter zeer goed beteekenen ; zij hieven tot nader order daar, zoodat na het voltooien der definitieve arke de tafelen daarin werden overgebracht. Ex. 40,20 wordt immers melding gemaakt van het leggen van de tafelen van het getuigenis in de arke, die door Betsalel was vervaardigd. Deze schijnt dus een andere te zijn, dan de hier bedoelde. — n^cri vertalemen; nadat gij u gemaakt zult hebben; hij moest, naar vs. 5 blijkt, die arke maken, vóórdat hij den berg beklom.

4. afO1!) Hij, God, die eerst in den betrekkelijken bijzin genoemd wordt, schreef. — potnn ansM, in schrift, geheel overeenkomende met het sclvrift

ocr page 76

DEUTERON OMIUM X.

die de Eeuwige tot u gesproken had op den berg uit het midden van het vuur op den dag der vergadering; en de Eeuwige gaf

5 ze mij. Ik keerde mij om en daalde den berg af, en legde de tafelen in de arke, die ik gemaakt had, en zij bleven daar,

6 gelijk de Eeuwige mij geboden had. De kinderen Israels trokken op van de bronnen bij Bené-Ja'akan naar Moséra; daar stierf Aharon en werd daar begraven; en ziju zoon El'azar

7 aanvaardde het priesterschap in zijne plaats. Vandaar trokken zij op naar Goedgoda, en van Goedgoda naar Jothbatha, een

8 land van waterbeken. In dien tijd heeft de Eeuwige den stam der Levieten afgezonderd, om de arke van het verbond des Eeuwigen te dragen, om vóór den Eeuwige te staaij. ten einde Hem te dienen en in Zijnen naam den zegen uit te spreken,

9 tot op dezen dag. Daarom kreeg Levie geen deel noch erfgoed met zijne broederen ; de Eeuwige is zijn erfdeel, gelijk

10 de Eeuwige, uw God, aangaande hem gesproken heeft. Doch ik bleef op den berg, gelijk de vorige dagen, veertig dagen en veertig nachten; de Eeuwige verhoorde mij ook dit maal,

11 zoodat de Eeuwige u niet verderven wilde. De Eeuwige zeide tot mij : „O])! ga om voort te trekken vóór het volk; dat zij heengaan en het land in bezit nemen, dat Ik hunnen vaderen toegezworen heb, hun te geven.quot;

12 Nu dan, Israël! wat vraagt de Eeuwige, uw God, van uwen kant, dan te vreezen den Eeuwige, uwen God, door te gaan in alle Zijne wegen en Hem te beminnen; en den Eeuwige,

op de eerste tafelen, dat Ex. 32,15 en 16 beschreven is; de inhoud van het geschrevene wordt eerst in de volgende woorden medegedeeld.

6. In Num. 33,31 wordt de reeks verblijfplaatsen op Israels tocht aldus aangegeven: Moséroth (hier: Moséra), Bené Ja'akan (hier: bronnen bij Bené Ja'akan), holte van Gidgod (hier: Goedgoda), Jotbatha (of Jotba), 'Abrona, 'Etsjon-Géber, Kadesh, Hor, waar Aharon sterft. Hier is de volgorde: Bené Ja'akan, Moséra, — daar sterft Aharon — dan naarGoed-god en Jotbatha. Nachm. vermoedt, dat Hor een bergrug is, die zich van Moséra tot Kadesh uitstrekt en langs welks voet de genoemde plaatsen liggen. Aharon zou dan te Kadesh gestorven zijn; het volk trok toen terug naar Moséra, om den rouwtijd van 30 dagen daar door te brengen; v. d. dat op onze plaats zij van Bené Ja'akan teruggaan naar Moséra. Ibn 'Ezra, neemt aan, dat, hoewel de namen overeenkomen, de hier genoemde plaatsen toch niet met die van Num. t. a. p. identisch zijn. N. a. meenen, dat in Num. van een tocht in het tweede, hier van dien in het 40ste jaar sprake is.

8 keert de vorm van redevoering weer terug, die bij de geschiedkundige herinnering vs. 6 en 7 minder op den voorgrond trad. — somnrais niet de tijd van Aharons dood, maar die na de gouden-kalf-zonde. De hier genoemde functiën zijn ten deele aan aamp; Levieten, anderdeels slechts den priesters opgedragen. — ntn om li1, nu sinds bijna veertig jaren onafgebroken tot op heden.

9- •'iV?, de stam Levie, wrs oj', met zijne broeders, de overige stammen. —

36

ocr page 77

♦ lquot;? Dinn Vnpn Di^a ^iinD nna dd,1?n nwnai ntrN

jquot; ; •- at I t- -• : ^ v.quot; t I .^ * t ; v • -»••• -:

?n«3 n'nbn-nN d^xquot;) irmö nNi ?fiKi : nin»n

i v.tit \ quot; v * tit t t i * quot;quot; it i v quot; t it quot; ^t :

: nirr ntrto vn»i 1

•• t: • jquot; ; it : -v.quot; * -»•* 5j'~ • lt;r quot;t -v -:

Dib i3i5»i pnN no Diy nnoia ?p ir^a n'nNaD

t •'quot;It*- i -: 1- lt;quot; -jt atquot; 1 IIvt quot;- quot; '• j quot; ' *5 :it

nianan-fDi maian ^d: d^o : vnnn üa \ny)'

tquot;* - I • ta - T :'t jt • it ; - v. : Jt't ; v

i23irn« nin» Vinn Ninn : D'D-^n: rnx nn3t2,n

v-»quot; v t ; • * quot; jquot;t «it quot; -:i- i v^v t_t :t

nin» '\sb nb^1? nin^nna rnx-m nbn

;it : lt;t : quot; : * ^ii- at : r : i j-: v gt; kquot; t ••• -

p^n ^ n^n-N1? : nrn Di»n 10^3 -p^i ■=

i vjquot; rquot; ; stt i iquot; 01 m iv- j^' v : • )-«quot;t :

nin» nan quot;itrxa inbna «in nin» vnN-Djr rftmi

i v.v v: jt : •)••• • jv quot;j^ t -;i- ■• t ; at v ^ ^ ^.t -:i- :

ai» D^anK D^iiTKin 0^2 ina 'mw 'aixi : i1?1

rt-t ;- -it 'tquot; /• tt gt; * ''t' r * it ; •

naa-tf1? Ninn D^sa DJ ,1?K nin» n1?^ D^anxi

JT t i • - - -lt; -.quot; t ; ^ - ; •- t:at 1*t :- :

^ö1? ^DDb T]1?. dij^ nirr noN»i : ^n^n^n nin; ^ nnV onasb rixn-nx lah^i 'iNan D^n

Jquot; t v.t -:i~ * ; • v —: | v t t v j : r ; t: 't.tt

a * : on1?

o • gt; ,V T

nxS^-DK *a -is^ü mn» no nnjn ^

t ;•; * •»• jat'1 iquot; aquot; i v t: -«t : tlt; r quot; t: * gt; t :

navbi im nanxVi vanrVaa na1?1? n^nbx mn^hx

; -t-ti- ; t t : t : v«vt | v •.•; t ;

inbra sin 'n, de dienst van den Eeuwige is zijn erfdeel, v. a. des Eeuwigen deel is zijn erfdeel, het door God hun van de offers en gaven toegewezene is hun erfdeel.

10. Naar de meeste verklaarders aannemen, spreekt ons vers van de derde veertigdaagsche periode, die Mozes, met de tweede steenen tafelen, op den Sienai doorbracht en op het einde waarvan hij de algeheele verzoening verwierf. Vgl. onze aant. Ex. 33,10 en Ex. 34,28. Het hier bedoelde verhooren is dat, wat Ex. 34 uitvoerig beschreven wordt. Drie maal werd Mozes verhoord: Ex. 32,14; 32,34 en 34,10. Hier zijn de woorden nas n4 ■jnvron 'n niet de inhoud van het verhoorde gebed, maar algemeen afsluitend, geven zij het eindresultaat van Mozes' bemoeiingen in de geheele tachtig dagen: God bewilligde niet den rechtseisch u te verdelgen; gij hadt het verdiend, maar Gods genade spaarde u.

11. Integendeel, ik kreeg de opdracht om vorJi (een onbep. wijs van den Hiph'iel) ten einde hel te doen optrekken (vgl. Num. 10,2), mij aan het hoofd des volks te stellen, om hen in het land te brengen, dat zij zouden moeten veroveren.

12 en 13. Nu gij dus uit uw verleden begrijpen moet, dat van uw trouwe plichtsvervulling alleen uw toekomst afnangt, vervulling van

ocr page 78

DEUTERONOMIUM X.

uwen God, te dienen met geheel uw hart en geheel uwe ziel;

13 In acht te nemen de geboden des Eeuwigen en Zijne wetten,

14 die ik u heden gebied, voor uw eigen welzijn! Zie, den Eeuwige, uwen God, behooren de hemel en de heinel des hemels, de

15 aarde en al wat er op is. Slechts — in uwe vaderen heeft de Eeuwige welgevallen gehad, om hen te beminnen, en heeft hun kroost na hen, u, uit alle volkeren verkoren, gelijk heden ge-

16 sehiedt. Gij moet dus de voorhuid uws harten besnijden, en

17 uwen nek niet meer verharden. Want de Eeuwige, uw God, Hij is de God der goden en de Heer der heeren, de groote, machtige en ontzagwekkende God, Die geen aanzien laat gel-

18 den, noch omkooping aanneemt. Die het recht oefent van den wees en de weduwe; en Die den vreemdeling bemint, om hem

19 spijs en kleeding te geven. Ook gij moet den vreemdeling-beminnen; want vreemdelingen zijt 'gij geweest in het land

20 Egypte. Den Eeuwige, uwen God, zult gij vreezen. Hem zult gij dienen, aan Hem zult gij gehecht zijn en bij Zijnen naam

21 zult gij zweren. Hij is uw roem en Hij is uw God ; Hij, Die voor u deze groote en ontzagwekkende daden gedaan heeft,

22 welke uwe oogen gezien hebben. Met zeventig personen zijn uwe vaderen naar Egypte afgedaald, en thans heeft de Eeuwige, uw God, u doen worden gelijk de sterren des hemels in menigte.

de plichten, door God u voorgeschreven — wat is het dan, wat God van u vordert?

]2. -]0j;0 SiVC. vorderen van hij u; wat verlangt God dat van het uwe in Zijn'bezit overgaat ? Niets, dn '3, maar alleen enz. — os '3 onderstelt steeds een ontkennend antwoord op de voorafgaande directe ol' indirecte vraag. De zin is niet: slechts de kleinigheid rotn'? enz. — De woorden ■pnSs 'n zijn bij ieder hoofddeel der vordering herhaald ; de eisch in ons vers is dus tweeledig: 1° den Eeuwige te vreezen, door in al Zijne wegen te gaan en Hem te beminnen ; 2° Hem met geheel ons hart en geheel onze ziel te dienen. — Dc vreeze Gods leidt tot volgen der door Hem geleerde levenswegen en tot liefde tot Hem ; vreeze Gods en liefde tot God, zijn dus geene tegenstellingen, maar de laatste vloeit uit de eerste voort, omdat de vreeze niet is angst, maar het bewustzijn, dat slechts Gods genade ons leidt bij de geringheid onzer eigen verdiensten.

13. En dat alles uit zich in stipte inachtneming van Gods wetten; en dat zal dienen tot uw welzijn; -j1? ïid1? behoort niet bijiiïn, maar bij -mi?1?.

14—16. Uit al het bestaande, dat Hem behoort, heeft God immers u uitverkoren; aan u dns de plicht Zijn wil te vervullen. — D'Bprr wi,dat deel des heelals, dat ten opzichte van ons uitspansel, dat hemel genoemd wordt, dezelfde plaats inneemt, als het uitspansel ten opzichte der aarde.— psn enz. Hij had dus ieder ander volk kunnen nemen.

15. beheersclit het geheele vers.

ie. paaaS nSiy ruv onSoi. Daar nu uw uitverkiezing slechts een uitvloeisel van Gods liel'de is, zorgt er voor die steeds waardig te blijven.

37

ocr page 79

♦ 3pV 6

nVi'Q-nN4 -ióa'1? nin,_n«j'

lt;: • v ; • | iv i - t : U ; it ; t ; I v v: -^t

nin^ rn : ti1? niüb Di^n niïo ^b« vnpn-nxi nirv ^

jt i- I ••« |it ^ : is - v,l : quot; : r it •)••• -: t I •-. v : t ;

pn : nri^Nquot;bDi pKn D^Dt^n ^otri D'ot^n

I s- it v -: T : I v v.t t 'at t - ■quot;• : Hquot; t - \ v v:

□rinnx D^ira ina'i dhik nanx1? nin» ptrn n»nbN3

••-: i- ^t ;• : - ; at -*tiquot; : v,t : I j- t | r- quot;• i~

DDnn1? nbiy nx □nboi : ntn Di'3 o^ayn-bao DD3 ra

rtv : - : J- I^T V.quot; v : quot; •-•- j quot; v* 'T t • o-.^t

♦n1?^ Nin D^ri^K nin» »3 .* itrpn x1? DDaiyi ^

jquot; v: lt; v •• i v: -«t : •lt; i v. I: quot; J quot;.5 : t:

«nisni paan Vi;n D^nxn ♦J-IKI D'ribNn

v -: t quot; : * quot; lt;tquot; quot; t fgt;' -; IT V.quot; * v:it

rtótfi Din» uatyo n'^jr : quot;in# np» NS D'iö 01

ATT : -.; ^ t j- : • •)••• quot; • K~* J '• - r •'t • i

■♦3 -larrnK oranm : nba'^i Dn1? ib nnS na nriKici

|. - v . —:|- IT . . . VJV v. v^T •• ■quot;• :

im tii'n nirrnK : onva psis on^n ona =

^t • I •)*•* v; ST ; V • IT: • I v jv : vquot; #v: j'quot;

Kim nnbnn wn : lairni pann 131 Ta^n«

^ I ; it * : j ^iquot; t * ^ * It:* j a -: r

nb^n hNnian-nxi riVian-ns^ ^nx n^-n^K nonvp TnbN inT ik*! ib^k 33

: T'AT* ^^ .*,T * * * :.I* ^ ^

ranw *: ah1? D'p^n 'aaiaa nin» nn^ix fa

Het beeld vergelijkt de hartstochten en verkeerde neigingen, die het hart ontoegankelijk maken voor het goede, met een voorhuid, die, om den wasdom te bevorderen, moet worden weggesneden. De zin is dus; verwijdert alles wat uw hart onontvankelijk zou maken voor het goede; en' zorgt er dan verder voor, dat gij niet hardnekkig zijt, u opzettelijk tegen het goede verzet. Want trots Zijne liefde, zou God uw afval niet ongestraft laten (17 en 18).

17. Hij is rfe macht over natuurmachten, de Heer over alle men-schelijke machthebbers. — Hij ontziet niet den machtige, neemt geen omkooping, gelijk soms een menschelijke rechter, maar zorgt ook, dat den arme en verlatene recht geschiede. Ja, in Zijne liefde verzorgt Hij ook den anders geheel rechtloozen vreemdeling. Ook gij dus, die immers weet, hoe het den vreemdeling gaat, als hij als volkomen rechtloos beschouwd wordt, hebt, evenals God, den vreemde lief en toont hem die liefde. Vs. 20 vat dan nog eens de gedachte van vs. 11 samen : vreest God, d.w.z. toont uwe vreeze door Hem met de daad le dienen, door in uw hart aan Hem gehecht te zijn, door met uw mond in Zijn naam alleen te zweren.

21- inSnn. y-s- llet voorwerp van uw lof, tot Wien uw lof zich wendt; v. a. dat, waarop gij roem draagt; de vereering Gods is het, die uwen roem uitmaakt. — ins rrer quot;ito, die, u helpend (•ik), gedaan heeft enz. Israël zelf, in betrekkelijk korten lijd tot een zoo groot volk geworden, is een dier groote wonderdaden Gods! (vs. 22).

ocr page 80

DËÜTERONOMIUM XI.

1 Gij zult dus den Eeuwige, uwen God, beminnen, en in acht nemen wat Hij u ter inachtneming heeft voorgeschreven, namelijk Zijne wetten, Zijne rechtsvoorschriften en Zijne geboden,

2 alle dagen. Erkent heden, dat niet tot uwe kinderen, die niet kennen noch gezien hebben de leiding van den Eeuwige, uwen God ; Zijne grootheid. Zijne sterke hand en Zijnen uitgestrekten

3 arm ; Zijne wonderteekenen en daden, die Hij midden in Egypte gedaan heeft, aan Phar'o, den koning van Egypte, en geheel

4 zijn land; En wat Hij aan het leger van Egypte gedaan heeft, aan zijne paarden en zijne wagens, over wier aangezicht Hij het water der Schelfzee deed stroomen, toen zij u najoegen, en

5 die de Eeuwige te gronde deed gaan, tot op. dezen dag; En wat Hij u in de woestijn gedaan heeft, totdat gij op deze plaats

6 gekomen zijt; En wat Hij gedaan heeft aan Dathan en Abieram, de zonen van Elieab, den zoon van Ruben, die de aarde, haren mond openende, verslond, met hunne huisgezinnen en hunne tenten en al het bestaande, dat hen volgde, in het midden van

7 geheel Israël. Maar uwe eigen oogen zijn het, die gezien hebben al het werk des Eeuwigen, het groote, dat Hij ver-

8 richt heeft. Neemt dus het geheele gebod in acht, dat ik u heden gebied, opdat gij sterk wordt, en het land intrekt en in bezit neemt, waarheen gij overtrekt om het in bezit te nemen;

9 En opdat gij lange dagen doorbrengt op den bodem, dien de Eeuwige uwen vaderen toegezworen heeft, hun en hun kroost

10 te geven; een land, vloeiende van melk en honig. — Want het land, waarheen gij komt om het in bezit te nemen, is niet

Hoofdstuk XI. 1—12 ontwikkelt nu nader het voorschrift: God te beminnen.

1- .vnaro, wat Hij ter lewaking gegeven heeft, vgl. Lev. 8,25; anderen: wat gij ten opzichte van Hem in acht te nemen hebt. De woorden vnpni enz. zijn nadere omschrijving van het algemeene begrip wmoa. — behoort bij mnci.

2—9 vormen één zin; reeds heden. — oiin, tegenstelling van own Sa in vs. 1; de plicht tot inachtneming der wetten rust op alle geslachten; gij echter, het tegenwoordige geslacht, hebt bijzondere gronden om die wetten op te volgen. Want m nS, niet uwe kinderen beveel ik dit, — het is een elliptische zin, de tegenstelling waarvan vs. 7 de constructie laat vallen. De zin is deze; niet mee kinderen, die de feiten slechts van hooren zeggen kennen, beveel ik dit alles, maar nzelve, wier oogen het aanschouwd hebben; gij hebt dus al die geboden in acht te nemen. Anderen verklaren: gij zult dus heden erkennen — want niet met uwe kinderen spreek ik, die het niet weten en niet gezien hebben — de leiding van enz. — idio j-in, en de volgende verzen zijn dan als voorwerp bij dm'ti opgevat, terwijl vs. 7, is, niet tegenstellend : maar, doch redegevend : want, vertaald moet worden. — Het geslacht, tot wie Mozes spreekt, bestaat uit in Egypte

feborenen, die bij den uittocht nog geen twintig jaar oud waren, en in e woestijn geborenen. Allen hebben dus de hier opgesomde feiten geheel of ten deele zelve beleefd. —eborenen, die bij den uittocht nog geen twintig jaar oud waren, en in e woestijn geborenen. Allen hebben dus de hier opgesomde feiten geheel of ten deele zelve beleefd. — idw, opvoedingsdaden, ieidinq; vgl. onze aant. Deut. 8,4.

38

ocr page 81

w apy rh

vn'ivöi vgs^di vnpm innüB'p nin» hk

-iö ayiTnx ah i »3 Di*rt Bn^n^ lowVaa

«V -: V •• ; V J -•• quot; •• 5 quot; '• ,*Tquot;ï T

-jiK 6-irnN D^ribtf nin* idiqtix intn1? ntrKi ijrr

:t v av i •.•: -t : v.quot; quot; t i /•* -«•quot; ^ :«t

-it^K vbvn-m) vrinM-nNi : nnüsn i^nn npTnn it j

jv -: t ^:i- v ; t i v : it : - 'v : Itt-: r t

ivw : onïü-'nbD n^ö1? onva 'nina

■quot;.• -ii- i : - t ; ^ ' v.-: * I viv j at: • |^ j : ^ «.t t

'D* 'ötin n'ïn quot;itfK VDID1? D^nxo 7^ rivy

- lt;■■ ... I . .. V -: : •: -r : • quot; . quot; = / ^

Di^n iv nin* qiïw oann» oama oms-ty ^id

j - t : ■•••:•:- rtv —11- v.t : t: v ■• : - i

DlpömV D3N3_1^ 131S3 DD1? TÏVV ItfKI : n-THquot;

\j T - *- v.v-: i - *r : • - *.••• t ')rf j''\ 1 **quot;

■jaiKTia 3«^ilt; !?3 DT?^1 : 1

-nw dn^na-nNi oybani n^-nx p«n nnïö

v ; Vquot; quot; «t v : 7quot; t ; • - t • ^ v | v t t lt;t : it v -;

: mp3 on^na quot;it^N Din^n-^a n«i DH^HK

,., t; • t vlv.v: v •• : -: Jv -: i :- r lt;quot;^; av quot;tmt

: rwy niyK Vnan nirr n« n^hn Qyyy »3'

it *r v.v -; at- i.t : r* :iquot; t ^ ■)•• it •• iquot; lt;

r^o1? D'i'n niïo quot;it^N niïsrr^TK oniQ^in

|«j- : a- vl:quot; : r it ov -j t; • - t ^ v v ; - :

nsty onar onx im rn^nTix on^m onxai iprnn

^ tv.t j' ; _i •)••• - jv 1 vt t ••• Jv : '^i* v t t : v iv

nbiKn^y □,o, iDnxn wnb) : nn^quot;i^ ^

v -: t t-:jt ^ • t lt;• -: i- i - - : it :^ :

abn nar pK DrnrVi on1? nnb mrv ^3^:

nntynb ns^-«3 r\m quot;IB'X pxn '3 D *:ty3nv

j tc * t tt t lt;t - v -: i vt t •j* 't •

4. Dn'JS) Si/ •'quot; quot;ItJ'fCj over wier aangezicht, niet: hoe Hij over hun aangezicht. — rpxp, liet stroomen, van t)iï, boven iets drijven. Vgl. Ex. 14,26. — ntn divi 11% volgens Ibn 'Ezra : zij gingen te gronde, zoodat zij en hunne nakomelingen tot op den dag van heden u niet meer vervolgden; v. a. tot op heden, tot in de laatste dagen, waarop men dit zal lezen.

6. Koracli, wiens zonen immers in leven bleven, wordt hier niet genoemd. — Dirra nsi, hunne familiën, daar van huizen in de woestijn wel geen sprake kan zijn, en bovendien orpSnN er naast genoemd is; vgl. onze aant. Num. 16,24. — orpSjna -icn Dipn Ss nxi, de dienaren en verdere huis-genooten, die Num. 16,32 nip1? irs mxn Ss heeten; misschien ook de levende have, die daar üiam heet — Drn^jia -icn, vgl. Gen. 33,14 e. a. p. — Dip1 wordt uitsluitend van levende wezens gebruikt; (vgl. Gen. 7,4 en 25) de bezittingen in goederen kunnen dus hier niet bedoeld zijn, waarvan trouwens ook DmSj-a iüs niet goed zou kunnen gezegd worden.

10—12. Het land is, of liever: kan zijn /.vloeiend van melk en honigquot; als God het wil, — wat weer geheel en al van uw gedrag afhangt. Want hadt gij in Egypte het zelve in handen, liet land van water te voorzien,

ocr page 82

DEUTERONOMIUM XI.

gelijk het land Egypte, waaruit gij uitgetrokken zijt; waar gij uw zaad uitstrooidet, en het met uwen voet drenken moest,

11 gelijk een moestuin. Doch het land, waarheen gij overtrekt, om het in bezit te nemen, is een land van bergen en dalen;

12 door den regen van den hemel drinkt het water. Een land, dat de Eeuwige, uw God, verzorgt; steeds zijn de oogen van den Eeuwige, uwen God, er op gericht, van af het begin des

13 jaars tot het einde des jaars ! — Het zal namelijk zijn : Als gij dan steeds luisteren zult naar Mijne geboden, die Ik u heden gebied, om den Eeuwige, uwen God, te beminnen, en

14 Hem te dienen met geheel uw hart en geheel uwe ziel; Dan zal Ik den regen van uw land geven op zijnen tijd, den vroegen regen en den laten regen ; zoodat gij kunt inzamelen uw

15 koren, uw most en uwe olie. En zal ik gewas geven op uw

16 veld voor uw vee ; gij zult eten en u verzadigen. Neemt u in acht, dat uw hart niet verleid worde, en gij zoudt afwijken, en andere goden zoudt dienen, en u voor hen nederwerpen.

17 Want dan zou de toorn des Eeuwigen tegen u ontbranden, en Hij zou den hemel sluiten, zoodat er geen regen zoude zijn en de aardbodem zijn opbrengst niet zoude geven; en gij zoudt spoedig te gronde gaan, weg van het goede land, dat de Eeuwige

18 u geeft. En gij zult deze Mijne woorden in uw hart en in uwe ziel opnemen; en gij zult ze binden tot een teeken op uwe hand, en zij zullen zijn tot een voorhoofdsband tusschen uwe oogen.

niet aldus in Palaestlna. Dit hangt geheel van den door God al of niet te zenden regen af.

10- quot;[^quot;13 iTpCm. v- s. gij drenkt het stap voor stap, door de kanalen, die gij graaft; v. a. door met de voelen de schepraderen te treden. De 2e persoonlieeft hier den zin van hetonbep. voornaamwoord: men. — p-pnJJ3, gelijk men moestuinen kunstmatig drenkt.

11. Palaestina daarentegen is een land van hergen en dalen, waar kunstmatige watertoevoer niet wel mogelijk is, maar dat water drinkt (nnfn 3e pers. vrouwelijk), ib»1?, tengevolge van den regen des hemels, is tegenstelling tot het in het laatste deel van vs. 10 van Egypte gezegde.

12. tm, opzoeken, op iets acht slaan, in den zin van : ervoor zorgen. Het hangt geheel en al van God af; gij hebt slechts de Goddelijke genade n waardig te maken en uw land is en blijft: vloeiende van melk en honig.

13—21 werkt dit denkbeeld nader uit: zijt gij gehoorzaam aan Gods woord, dan komt de regen op tijd; zoo niet, dan 'zon hij door God teruggehouden worden ; neemt u dus Gods woord ter harte en vervult het trouw, opdat gij het land tot in lengte van dagen kunt blijven bewonen. Hier leidt Mozes God sprekende in; de eerste personen in de verzen 13—15 slaan niet op Mozes, maar op God.

14. UMpSoi mV. de vroege regen, die normaal in Marcheshwan valt, en de late regen, in Niesan. Naast mv komt ook mi» (Joel 2,23) in dezelfde

39

ocr page 83

apj; ub

om nnnv Kin bnïp p.^ ann^ DHK ni^x pxni. : p^n |J3 ^jquot;i3 n^ptyni ^ -nnrn D^ot^n imb n^pm onn pK nntrib na^

v : • • v.quot; t - j- : * •7. It: t | vjv t ; •: t t

nirr 'rv n»bn nnx nin^ntrK pN : d^q ^

lt;t : quot; quot; ' t ivr -quot;• I *.••• v: jt v -: | vv ^ *,T

n^ni d *: mi^ nnnx -1^1 ni^n rvEhö na n^nVx ^

t t : itt j* -: 1- :_ t t - ^ * ••!•• t I v v:

□Dn« niïo quot;I^K •nV^D-Vx i^otrn pb^-DK

vv : v jv- ; •gt;• it _ sv -: ^ - : • v ^ ^ ^ « t

DDnaVbDa iquot;D^ DD^nbN nin^-nK nSnx1? Di»n

t : v.quot; : ~ : t : : t : v •• 1 ••: lt;t : v t -»1- ; a -

nsoKi nni» in^a DSïnN-nüo ♦nn:i : DSI^Ö: t

-t ; - it : I a : - ■quot;.• v : •)•-* ; : - 1- : s* -it ; iv : : -

nnonnb ni'tya airjr ^nnai : ninï^ ^Tni ^iniB

I av :•••:• J :it : v rJquot; •)• - it : | iv t : • : U : 1 * : |vt :

onnoi Dsanb nnana OD1? i-io^n : n^tri rhiwm

v ;- : av ; - : v-* ; * i v v t -• ; it • t : it t : v,t : - it :

nin'-eix nnm : Dn1? onnnn^m DnnK bnna^i ^

t : |- tt : iv t v.v --m- : • : ^ ^ • .. -, j. ... ... ; -'quot;i-

?nn ah nèiKm -éD n^n^Vi D'D^n-n^ rw d53

i • j tt -:jt : tt -»v ; r : • - t - v lt;-quot;gt; : v t

nin^ naw nhbn r^n^n ^0 nSno on-DKi n^n'-nx

vt ; jquot; -: t - i v jt t •• t •• ; ^ :--:i- at ;

DD^arb^i DDDn1?-^ nbtf nnn-nK onaiyi : DDS ma ^

av : : - : v.v ; - : v •• t : v ^ iv ^t I jquot;

: oyyy pa nsuto1? vm nlKb onK Dm^pi

iv ^ t i : j t : v :v ; «t v : - i:

beteekenis voer; of het een Hiph'iel van mi in den zin van : werpen, of een afgeleide vorm van nin in den zin van : bevruchten is, zoodat het: bevruchtende regen zou beteekenen, — staat niet vast; nog anderen verklaren het als omzetting van niTgt; en nn», de drenkende, die op geheel dorstige, nog niet bevochtigde aarde neerdaalt (vgl. Spr. 14,25). — np1?): van cp1:, dat in het Syrisch : laat zijn beteekent. Ook Lev. 26,3 wordt van dsibüj, mee regens, in het meervoud, gesproken. — nsDNi, en gij zult kunnen inzamelen enz., want het land zal het opleveren; anderen: en gij zelve zult inzamelen, het zal niet de prooi der vijanden worden; de tegenstelling in vs. 16 spreekt voorde eerste opvatting. — Koren, most en olie worden herhaaldelijk als hoofdproducten van Palaestina, in den zin van alle landbouw-voortbrengselen genoemd.

is. ^n^, J3. enz. dal niet geopend zij uw hart voor verkeerde neigingen, v. d. verdwaasd zijn.

18. Na de vermaning: zich Gods woord ter harte te nemen, kan omopi enz. niet zinnebeeldig opgevat worden, maar ziet op het voorschrift der pSsn, die het middel zijn om aan die plicht van het: ter harte nemen te voldoen; bindt ze op uw hand — bovenarm, tegen het hart, en gij zult die woorden steeds in uw hart hebben ; leg ze als voorhooi'dsband tusschen uwe oogen, op uw hersenen, en zij zullen u steeds op de ziel ~ in uw geestesleven gelegd zijn. (Vgl. onze aant. Ex. 13,9).

ocr page 84

DEUTERONOMIUM XI.

19 Gij zult ze uwen zonen leeren, om er over te spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u

20nederlegt en als gij opstaat. En gij zult ze schrijven op de

21 deurposten van uw huis en aan uwe poorten. Opdat uwe dagen en de dagen uwer kinderen zich vermeerderen, op den bodem, dien de Eeuwige uwen voorouders toegezworen heeft, hem hun te geven, zoolang als de hemel boven de aarde

22 zal zijn! — Want, als gij dit geheele gebod zult in acht nemen, dat ik u gebied uit te oefenen ; den Eeuwige, uwen God, te beminnen, en te gaan in al Zijne wegen en aan Hem gehecht

23 te zijn ; Dan zal de Eeuwige al deze volkeren van vóór uw aangezicht verdrijven, en gij zult [het land van] volkeren in bezit

24 nemen, die grooter en machtiger zijn dan gij. Elke plaats, waarop uwe voetzool treden zal, zal u behooren, van de woestijn af en den Libanon; van de rivier, de rivier Perath, tot de wes-

25 telijke zee, zal uw gebied zijn. Niemand zal voor u kunnen stand houden; den schrik voor u en de vrees voor u zal de Eeuwige, uw God, doen rusten op de oppervlakte van het geheele land, dat gij betreden zult, gelijk Hij omtrent u gesproken heeft!

27 26 Zie! ik leg u heden voor zegen en vloek. Den zegen: wanneer gij luisteren zult naar de geboden van den Eeuwige,

28 uwen God, die ik u heden gebied. Den vloek echter, wanneer gij niet zult luisteren naar de geboden van den Eeuwige, uwen God, en zult afwijken van den weg, dien ik u heden gebied; om

29 andere goden te volgen, die gij niet gekend hebt. — Nu zal het zijn: Wanneer de Eeuwige, uw God, u naar het land zal gebracht hebben, waarheen gij komt om het in bezit te nemen, dan zult gij den zegen leggen op den berg Gerizziem, en den vloek op

19- D3 -OtS, om erran te spreken = zoodat zij, de kinderen, er voortdurend over spreken; of: door ervan te spreken. De wisseling van enkelvoud en meervoud in ons vers wordt door sommigen verklaard : gij, de gemeenschap des volks, moet ze leeren, onderwijzen, telkens erover sprekende, in welken toestand ieder uwer zich ook bevinde.

2i. j'TKn hv D'otrn gdijk de dagen des hemels hoven de aarde = tot in eeuwigheid.

22—25. Want, volgt gij die wetten op, dan verdrijft God de Kena'anie-tische volkeren voor u en geeft u het land in bezit; gij hebt dan niets te vreezen.

24. Het geheele land, van de woestijn in het zuiden en den Libanon in het Noorden, van den Euphraat in het Oosten tot d e Westelijke (iU i d d e 11 a i id sch e) Zee, in het Westen, zal uw gebied zijn. De Euphraat als Oostgrens, naaide belofte Gen. 15,18. — pmxn, de Westelijke, vgl. mpi ims, Ps. 139,5 en Zech. 14,8; vgl. Num. 34,6. — Staat men, zooals in den Bijbei de gewone voorstelling is, met het gelaat naar het Oosten, dan heeft men liet Westen in den rug, daarom nas, en het Zuiden rechts, daarom ji»') en pin genoemd.

40

6

ocr page 85

ntn o

D3 nanb dpx Qma^i ^

i v : at ■quot;• -; v.*-1 quot; : quot; ot jv : - • :

mnrp-^ onanDi : Tj^n ^npbai =

nonxn w) hyw -dt I^QV : ^n^ni «

D'p^n ♦o^ Dnb nn1? ddtqk^ nin» i^ts? nivpn-brnK pnoeto -ÏO^-DN 'a D * : ptlt;n-^ =3 nin^n« ninxb nntyy1? dsdk hiïd »D3K ib'x ntfin

st ; v t -1 1- ; at -:iquot; : v -iv - : it sv -;

-n« nin» tynini : irnpnbi vairpa nsb1? DD^VN »

•)t ; s- : ie It: t: v.t t : t : vjvr ■»••• •• 1 v:

: D30 ovbïjn D^-IJ oHa Dn^m DD^aba nb^n D^-in-ba

^ iv • v.' -»• : * -•*: •!• av » : • • ^ v t r - t

-i3tan-?o n^nquot; DD1? 13 DS^T^a •nhnn quot;it^N oipan-ba ^

t : • - I • av : r -••.• t *. r'^: : - | - I s : • v -: It- t

: DDbaa r\w rinnnn D»n -i^i nns-in: -nrrro iiiabni

iv ; i\ : v.v ; r I -: i-^t jt - ^- : t ; - : -«t t - I • I t :quot; - :

nin» im^ DDXIIDI DDina DD^M SWN1?quot;

... .. , v: -«t : i — • v -j 1- v : ; - av quot; v,* r» - ; • 1

D : DDV nai lE'iO nrionn IEW pwn-VD

iv t jv • {'■' -: 1- t ; ; • •*•.• -» | v t t t lt;•• : -

nDian-nK : nbbni nsia D^n dd^ö1? rha »DiN nKV

at t: - V it ti : v't t s a quot; *•'•' quot; : •»• it •• : ?3

quot;iï^n DTn1?^ nin» hivd-Vn lyot^n itrx

^ •)• it sv v •• 1 v; ■jt s ; • v ^ : : • -••.• -j

n'iïD_l?K i^otyn NTDK nbbpni : Din DDHN nixo «

: • v ^ ; ; • lt; • t t ! : - : i - y.-.- ; v j--- :

Di»n ddpn niïö i^k iiin-fo dhidi dd^Vk nin»

a - vv t v jv - : .)• it sv -: j v v - i • -»v : - : v •• i •••• :

n-'m D : DnyT-K1? 1^« onnw D^ribN nn» riD1?1?03

tt : iv ; -; 1 jv -j j' v: ■»••-» i- v v t

natrxn nnifiB'N p^jn-bK nin»

t ^t t jt ' V -J j V t t ^ V | V ••; -«t z ) quot;T |* t lt;•

-by nbbprrnKi D^ha nDian-n» nnmi

V,ttI: - v : • •; j- t t: - v «t -it: at : •:

26. DD'JS)1? jn3gt; quot; ter keuze «oor. — Deze verzen vormen het slot der inleiding van Mozes' tweede redevoering en den overgang tot de uiteenzetting der wetten voor het geslacht, dat het land in bezit zal nemen.

27. quot;UTK' dat, hier = wanneer; v. s. met affirmatieve beteekenis: wanneer gij, wat zeker het geval zal zijn, luisteren zult; vgl. echter Lev. 4,22. — VVij vatten nS^pl roiD op niet als het uitspreken van zegen en vloek, maar als feitelijke toezegging. Vs. 29 heeft het natuurlijk de andere beteekenis.

29. rum dan zult gij leggen, doen rusten in woorden, uitspreken. — wij in br. In Deut. 27,12 v.v. wordt gezegd, dat het volk in twee groepen verdeeld, op of lij de beide bergen moest staan, terwijl de Levieten, in

ocr page 86

DEUTERONOMIUM XI. XII.

30 den berg 'Ebal. Zie, zij zijn aan de overzijde van den Jor-daan, volgend de richting naar zonsondergang, in het land van den Kena'aniet, die in de vallei woont, tegenover Gilgal, nabij

31 het bosch Moré. Want gij trekt den Jordaan over, om te komen, om in bezit te nemen het land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft, en gij zult het in bezit nemen en er in wonen;

32 Dan zult gij in acht nemen uit te oefenen al de wetten en de rechtsvoorschriften, die ik u heden voorleg.

1 Dit zijn de wetten en rechtsvoorschriften, die gij in acht zult nemen uit te oefenen in het land, dat de Eeuwige, de God uwer vaderen, u gegeven heeft om het in bezit te nemen, al

2 de dagen, die gij op den aardbodem leven zult. Geheel vernietigen zult gij al de plaatsen, waar de volken, die gij verdrijven zult, hunne goden gediend hebben, op de hooge bergen

3 en op de heuvelen, en onder eiken groenen boom. Gij zult hunne altaren omverhalen, en hunne gedenksteenen verbrijzelen.

het dal staande, den zegen en den vloek uitspraken. De beide plaatsen gecombineerd, geven nu, dat de Levieten zich, bij het uitspreken van den zegen naar den Gerizziem, bij den vloek naar den 'Ebal wendden. — Ot' de Gerizziem en de 'Ebal juist om de vruchtbaarheid van den een, en de dorheid van den ander als plaatsen voor den zegen en den vloek zijn gekozen, staat niet vast. Hoewel de Gerizziem veel vruchtbaarder is, dan de 'Ebal, vertoont toch ook hij, indien men althans sommige reizigers gelooven mag. juist naar de zijde van bet tusschen beide bergen gelegen dal slechts kale rotsen. Keeds Naciim. meent den grond voor de aanwijzing van den Gerizziem voor den zegen in zijne Zuidelijke ligging, de richting van het licht te vinden. De bergen liggen, zoowel van Noord naar Zuid als van Oost naar West gerekend, ongeveer in het midden des lands, de Gerizziem ten Zuiden van den 'Ebal; zij zijn ongeveer even hoog. In het tusschengelegen dal ligt Shecbem.

30. = ™,-i, zie. Deze woorden wijzen erop, dat die bergen bij

het volk niet onbekend waren; misschien wel als de plaats, waar zoowel Abraham als Jakob langeren tijd gewoond hadden. — dodpi .man -pn i-inx. Wij volgen Ibn 'Ezra en Luzzatto en vertalen: nns volgend sian in pnen, de richting naar het Westen. De toonteekens zijn zeer goed te verklaren ; corn Niaa behoort bij elkaar en is dus met twee bijeenbehoorende toonteekens verbonden (: .,); -pi, heeft een scheidend toonteeken, omdat de beide volgende woorden ermede verbonden zijn, en •nn.s eveneens omdat

de drie volgende woorden ervan afhangen. Evenzoo Lev. 25,8: quot;quot;Q1

awn nnatr; Rashie en Mendelssohn : verteeg, in de richting naar het

Westen, (vgl. voor dit gebruik van iins Jos. 2,7; Nech. 3,30 en 31; Spr. 28,23. Op laatstbedoelde pbiats hebben verscheidene handschriften: nns; op de plaatsen in Nechemja de Kethieb); n. a achter den Westers tr a atw eg, den Karavaanweg door het Wesljordaansche land; weer anderen: achter den weg naar het Westen, den weg, die van den Jordaan een eind ver het land in voert. — roiï3 tsvi '«Jan, er waren ook Kena'anieten, die op de hergen, in de bergstreken woonden (Num. 13,29 en 14,23) —'u's, tegennoer Gilgal; niet Gilgal, waar Israël na den overtocht over den Jordaan zijne

41

ocr page 87

y w nKi NO

E'Oibn Niao ^11 nn« rin^n -1^3 narrión : byp in17

v V - -» ; 1 v vlt; •• -:•- 1 •• ;-- •.•quot;gt;•: t quot; it j~

: nio VÏN 'JID pAa

iv jquot; i- v {•' t; • - lt; at t .i t i~: - | vv :

nin,quot;quot;i^N ri^n-nx nt^ib ka1? n-i'irnx onav bnN '3 ^

jt . ... -i | v t t v v jvt t I v -»quot; : i v ~ lt;•

omctyi : nrorat^n nnx DnB'-),,i dd1? ?nj ddti^n ^

■'v ; - ; it v : - r jv : • r av t I-••• •• i v:

rn'j 'ïm naw a'pnn-^a nx niirv1-?

I jquot; ■)• it S-* a- t : • - v : I v % 'quot;p t jquot; -j i-

pnp^ri quot;tew a'pa^prn o^nn n^x : Di»n dd^s1?^' nniy-i1? ri'pN nirr rn: pxa fiityy1?

quot;t = ' ; p^l quot;p I -Jquot; -■ Squot; ••: t : I - t v | vtt ^ «!.-

TIK ni3Nn nas : ncnxn-1? v D«n DHN-I^N =

v I : - : -»•• - it t-! it v.- - r.' quot; v • t - t

DPK D^-i» Dn« i^K D'ian IB'K niópsn-Va

V.t j- :i ■)•■' Jquot; ~: * quot; -r : It sv -: 1 : - t

nnm D'Din onnrrty onTi^NTiN

| jquot; t quot; v,quot; : t : - - ; tit lt; tiv - av •• i v:

anbïo-nN bmaBh ann3To-nN anïn^ : np ^

t j.. - ... ...... T ; ; • v •quot;.•;-*; i it -i iquot;

legerplaats vestigde (Jos 4.19), dat Oostelijk van Jerieclio bij den Jordaan lag, maar misschien liet Jos. 12,23 en meermalen ook in de latere geschiedenis bij Elie, Samuel, Eliesha' voorkomende, dat op korten afsiand van deti Gerizziem lag. — m» ViN, herinnert aan de geschiedenis van

Abraham (Gen. 12,6) en Jakob (Gen 35,4.)

31 en 32. Want God vervult Zijne u gegeven belofte, gij komt in het land en zult het veroveren en hebt dus tot taak Gods geboden in acht te nemen.

Hoofdstuk XII—26 bevatten nu de uiteenzetting der wetten en wel 12— 16,17 de wetten betreffende het godsdienstleven, de verhouding van het volk tot God.

1 is algemeen opschrift. — own S3 enz. behoort bij nifjiS jvmpn icn.— nmsn Sr, hier tegenover psa, beteekent: op aarde. De zin is; de dagen, die gij op aarde leeft. Onder de volgende groep wetten zijn er vele, die ook builen het Heilige Land gelden; voor de naaste toekomst, met het oog waarop Mozes ze immers herhaalt, zal Israël ze, zoolang het tegenwoordige geslacht leeft, hebben in acht te nemen in het land.

2—31. Eenheid van plaats voor den dienst van God en de wijze, waarop men God moet dienen.

2 v.v. Zuivering van het land van alle sporen van afgodendienst. Men verbinde : amnSs rs cwn dd nip icn mcpnn Sa. — jvmipDn, de gebouwen enz. al wat zich bevindt op de plaatsen, waar enz. De plaats kan men niet //uitroeienquot;. Zij dienden die goden in tempels of op altaren of in gewijde bosschen, vooral opgericht op hooge hergen en heuvelen, of onder den eersten den besten groenen boom, v. s. een altijd groenen boom, terebinth of populier.

3. Vgl. 7,5. Waar het te doen is om algeheele vernietiging voor te schrijven, komt het op de wijze van uitroeiing minder aan. Vandaar de kleine afwijkingen in de beide verzen, het gebruik van de werkwoorden

ocr page 88

DEUTERONOMIUM XII.

hunne gewijde bosschen met vuur verbranden, de beelden van hunne goden omhakken, en hunnen naam van die plaats

4 uitroeien. Niet alzoo zult gij doen den Eeuwige, uwen God.

5 Maar naar de plaats, welke de Eeuwige, uw God, uit al uwe stammen zal uitkiezen, om er Zijnen naam te vestigen, — deze

6 Zijne woning zult gij opzoeken, en daarheen gaan. En daar zult gij brengen uwe brand- en uwe vredeoffers en uwe tienden, en de heffing van uwe hand, en uwe geloften, en uwe vrijwillige gaven, en de eerstgeborenen van uw rund- en kleinvee.

7 En gij zult het daar verteren vóór den Eeuwige, uwen God, en ii verheugen over alles, waarnaar uwe hand zich uitstrekt, gij en uwe huisgezinnen, waarmede de Eeuwige, uw God, u

8 gezegend heeft. Gij zult niet doen gelijk alles wat wij heden

9 hier doen; ieder al wat maar recht is in zijne oogen. Want gij zijt tot nu toe nog niet gekomen tot de rust en tot het

10 erfdeel, dat de Eeuwige, uw God, u geeft. Maar als gij nu den Jordaan zult overgetrokken zijn, en in het land zult wonen

bij andere objecten, dan in 7,5. De Thalmoed tracht de beide plaatsen ook letterlijk in overeenstemming te brengen, door ze np verschillende gevallen le doen slaan. En zelfs hun naam, elke herinnering aan den ai'godemlienst zult gij doen verdwijnen van die plaats.

4. Niet zoo, op allerlei willekeurige plaatsen offers brengen, rfoen, maar enz. De traditie brengt het vers tevens in verband met. het onmiddellijk voorafgaande ; niet zoo als Ik n ten opziclite der afigorlen voorschrijf, zult. gij doen den Eeuwige, uwen God, Zijn naam moogt gij niet uilwisschen. Zijn altaar niet bederven.

5. Een plaats zal u als heiligdom gelden, niet door uwen willekeur aangewezen, maar door God uitverkoren om daar Zijn naam te vestigen. Hier behoeft nog niet aan een vasten tempel te zijn gedacht, maar kan ook van den tabernakel sprake zijn, die nu eens op de eene, dan weer op de andere plaats gevestigd was. Sommigen verklaren itnin W'S naar Zijn verblijfplaats zult gij vragen, om te welen, waar zij is, of om den weg er hei-n te leeren kennen; anAeren : naar Zijn verhlijf zult gij streven; n. a. naar Zijn woning, waar Hij zich openiiaart, zult gij raadplegen den profeet. — Nog anderen verklaren: de jilanls, die God uitverkiezen zal om Zijn naam daar te vestigen tot Z ij n v er hl ij f, zult gij opzoeken, \n strijd met de toonteekens; en uar1' na Drquot; inr prS geeft weinig nieuws.— In ieder geval wordt de gel'.eele zin, die met het van wnp afhankelijke Sn begint, door dit werkwoord beheerscht. — iwS, van w een onbep.

wijs-vorm, of van een zelfstandig naamwoord.

e. DD'rar naast dsvVjj beteekent: vredeoffers = mar; aan zond

en schuldoffers wordt hier niet gedacht, daar men zich Israël als getrouw aan Gods woord voorstelt. Anderen verklaren; uwe brandoffers en uw andere verplichte dieroffers, waaronder dan ook zond- cn schuldoffers begrepen zouden zijn. — wmc-iquot;», tienden van het vee, die door den eigenaar, na als offer in den tempel geslacht te zijn, gegeten werden, en het ticeede tiende van veldvruchten, dat in Jerusalem door den eigenaar moest verteerd worden. — mt nsnn. Daar nnnn, de den priester te geven

42

ocr page 89

y n*n

amaxi orrribK 'V'Dai trxa nai'^n bnn^x'i

jv ; - • : I ^. ••- : v,-* quot; • v: jquot; ' : •• t I •» : : • v ..... -:i-

: DD^N nin»/' fi p^n'N1? : «inn Dl^an-p DQE'-nxi DD^nB'-Vap DD^ribx nin» nnn^iB'N Dipsn-^x-D^ 'i quot; anNnni : nm nxm wnn loty-nN DVC1? 1

•JV •• -:i- t it t jt V. ; :^- j : • •. at ^ v Ï ••* ^ T

npnn nxi n^nh^p nsn D^nnn orrnty na^ : n'-ib2i D^nbn:*! bonnji. DDI*

D3quot;I* rhpühb'z annQ'^i n^ri^N4 nirr na1? D^DnbpKV Vaa n'^n k1? : nin' ^aia oa™ onxn

; I quot;: Iquot; •J I iv v: jt : J : -i- jv -: isv •• it ^ v.quot; quot;

'a : vr^a n^'n-^a Disn na d^ït iinjx

j* it s ^t t quot; t ^ V.* A - v .)• ^ :s- -: v -:

nin^-iB'K rtërün-^i nni:an-b« nny_ny anxa-»1?

jt : v -ï t -: iquot; * v ; t : - v t'at ^ v.quot; t i

■quot;iitk pxa ona^n. 'jii'n-nN on'ia^i : ^ |n: 1

heffing van landbouwproducten, niet in den tempel behoefde gegeten te worden, noch er zelfs te komen, verklaart de traditie deze woorden door: de eerstelingen, die eerst naar Deut. 26,1 vv. in den tempel werden gebracht en daarna den priester gegeven. — De eerstgeborenen van het vee worden den priesier gegeven en door dezen als offer geslacht en dan gegeten.

7- Dftexr gij, Israëliet of priester, ieder het hem toegewezene, zuil eten en u verheugen. — ü3T nSca Sm. rhuti is een onbepaalde wijs-vorm, evenals sip»; de uitdrukking beteekent: het uitstrekken der hand, d. w. z. dat, waarnaar uw hand zich uitstrekt, d. i. zoowel wat men onderneemt — -pi nt'ïB, als: wat men door zijn werken verkrijgt-, vgl. Jes. 11,14. — -irx hangt van ddt nSr» af: hel door u verworvene, ro aar mede God u gezegend heeft; v. a.: gij zult u verheugen, los, dat God u gezegend heeft.

8. Volgens de Lev. 17,2 gegeven opvattingen, was het ook in de woestijn in ieder geval verboden otïers buiten het heiligdom te slachten. Wanneer dus hier gezegd wordt, dat Israël in de woestijn doet //wat recht is in ieders oogenquot;, dan slaat dat volgens Nachm. op de volkomen vrijheid om al of niet offers te brengen, terwijl tienden enz. eerst in Palaestina zouden behoeven gebracht te worden. — wra icn nry beteekent: naar subjectief goedvinden handelen, tegenover het handelen naar den objectieven maatstaf der Goddelijke wet. Men kan hier onk met Ibn 'Ezra aan verschillende wetsovertredingen deuken, die onwillekeurig bij het dwaalleven door de woestijn ook bij den dienst in den tabernakel enz. zullen zijn voorgekomen. — Zoolang het volk niet geheel tot rustig wonen is gekomen, is die eenheid van plaats voor den eeredienst niet absoluut. Eerst als het rust heeft van zijne vijanden en veilig woont (vs. 10i, dan eerst is de door God uitverkoren plaats voor immer de eenige, waar offers mogen gebracht worden. Zoo onderscheidt de Thalmoed na de komst in het land perioden, waarin het brengen van offers op particuliere altaren, offerhoogten, geoorloofd was. Na den tempelbouw te Jerusalem was en bleef dit echter voor goed verboden.

ocr page 90

DEUTERONOMIUM XII.

dat de Eeuwige, uw God, u tot erfdeel geven zal; en Hij u rust zal verschaft hebben van al uwe vijanden rondom, en gij

11 veilig zult wonen ; — Dan zal het zijn; de plaats, die dé Eeuwige, uw God, uitkiezen zal, om daar Zijnen naam te vestigen, daarheen zult gij brengen al wat ik u gebied; uwe brand- en uwe vredeoffers, uwe tienden en de beffing van uwe hand, en al het uitgelezene uwer geloften, die gij ter eere des

12 Eeuwigen beloven zult. En zult gij u verheugen vóór den Eeuwige, uwen God, gij, uwe zonen, uwe dochters, en uwe slaven en uwe slavinnen, en de Leviet, die binnen uwe poorten

13 is, omdat hij geen deel noch erfgoed met u heeft. Neem u in acht, dat gij uwe brandoffers niet brengt op elke plaats, die

14 gij zult uitzoeken. Maar alleen op de plaats, die de Eeuwige in een uwer stammen uitkiezen zal, daar zult gij uwe brandoffers brengen en daar zult gij bereiden al wat ik u gebied.

15 Niettemin kunt gij, geheel naar het verlangen uwer ziel, siachten en vleesch eten binnen al uwe poorten, naar den zegen van den Eeuwige, uwen God, dien Hij u gegeven heeft; de onreine

16 met den reine mag het eten, als een hert of een ree. Alleen het bloed zult gij niet eten ; op de aarde zult gij het laten

17 uitloopen, als water. Gij zult niet in uwe poorten mogen

11- D3nx mso OJX ICN Sa m al wt ik ugeUed, verplichte offers; ODinrr wordt ook hier door sommigen verklaard; ererfeiyfers, door anderen : dier offers, wat dan naast DDTSr op zond- en schuldoffers en verplichte vredeoffers doelt. In '-quot;i is dan de andere groep van offers;

de vrgwilliqe, samengevat. De woorden beteeUenen ; hel uitgelezene van uw geloften, d w. z. het uitqelezenste, dat gij uit den aard der zaak ter voldoening van urne geloften zult, brengen; of; hel door moe gelofte uitgelezene, wat gij van uw bezit door een gelofte Gode hebt gewijd.'

12. -n rjaS. vóór het aangezicht des Eeuwir/en, d. w. z. in de onmiddelliike nabijheid van Zijnen tempel. — D3vgt;rr3 quot;■'x vfrn. Hoewel den Levieten, naar Num. 35,2 vv., bepaalde steden werden toeL'ewezen, zijn deze door het geheele land zoo verstrooid, dat de Levieten zich door het geheele land verspreidden en ten deele ook buiten de hnn (oeuewezen steden woonden. Gij moet den Levieten aan uw offermaal laten deelnemen, daar hi j overigens geen vast afgerond erfdeel in het land heeft. — Van het den Leviet Num 18,21 toegewezen eei-ste tiende is hier geen sprake, daar dit niet in Jerusalem verteerd behoelde te worden, maar den Leviet als vrij eigendom werd overgegeven.

13. nSyn |£). dat gij niet opbrengt op een altaar. — als algemeene naam voor alle offers. — nsvi ts. die gij zult uitzoeken; evenals nrnn Ex. 18,21 ; vgl. ook Gen. 22,8. —- Het is eene herhaling van de vs. 5 en (i gegeven wet, het verbod van het slachten en offeren buiten het heiligdom, dat Lev. 17,8 en 9 met uitroeiing bestraft wordt, dat hier als inleidende overgang tot vs. 15 v.v. dient.

14. nCyiT bereiden als offer; v. s. beteekentn'rn, het eigenlijke 6ren(/«i der offerdeelen op het altaar; nci*, de daartoe voorbereidende handeling; slachten en bloedspaUing. — De herhaaldelijk in de Profetenboeken vermelde offerhandelingen buiten het heiligdom, enkelen ook na den bouw

43

ocr page 91

y riNi JO

DDb rnm dsdk Vnao nin»

,lv quot;q: ' T ■ Squot; t - • quot; : AV : V -■■ : - IV quot; i v: jt :

nin* Dipan rrm * : n^rDna^quot;quot;! 2^do ^

t : - : • v -i ' T. quot; -'tt : ^ - iv v : r ^■ t *

♦D3H itrN-ba ns4 nm mb IDB' rat^1? 13 DDTibx

v.* ^ it jv -; .)•• • t t jt t : »lt;••-: jv •• i v:

Di)T_np-irn Drrnan DD^iy D3f?« rnyp

^33^ annQ^i : nin^ nnn quot;ie'N4 DDnn: in no Sbi^ DDTi'noNi DD^nini DD^DI an« ba^riVK nin»

ftv •• 1 : - ; v.v •• : : v •• -» ; •••••: __ v - v •• i v: •jt ;

loiyn : dddk n^nn pbn 11? '3 Don^a na'K

v-»t * iv ; • -ii- ; I v jquot; .) I jquot; -»* v •• -: r : •*'•' t ••• - •

-DK *3 : njsfin DI^O-^S nb^n-ja nS^n ^^2^ -inxa nin» quot;inmKW Dipoa

av 1 ^JV|- I v T j j- - ; t : lt;- : • v .~s It-

wai niN-^33 pn : ?jiïo n^n Diyim

1 : : quot; — t ; I |iv- ; it jv -i ■gt; v r jt ;

nVrn: n^N nin» ni)-i33 Ttra 1 naTn

v.1 : i -it jv -i i ov v; st : -^ : • ; t t -«t : - it : •

D^in pi : ^^3 nintsni nocsh ?inviy-,?33ro

^t - i j~ it-it : v,- : - v ; i t - : lt;•• t * 1 av*t : t ;

b^xb ^StjTN1? ; D*03 1232^n p^Hquot;^ ^3Nn

•* v: iv - 1 -it - v.v : ; * l vjt r ^ ftquot; •*

van den tempel van Jerusalem, waren als voor het oogenblik noodzakelijke maatregel gewettigd.

15. Vgl. onze aant. Lev. 17,3. Het daar volgens R.Jishma'els opvatting verboden slachten van tot offer geschikte dieren voor particulier gebruik, wordt vs. 20 v.v. voor later uitdrukkelijk toegestaan, waarbij speciaal gezegd wordt, dat zij zouden mogen slachten -psixni T'pa», van hun eigen rund- en kleinvee. De Thalmoed verklaart daarom onze plaats als te spreken van D'npiun ibicr, eens tot offer bestemde, maar door een lichaamsgebrek daarvoor ongeschikt geworden dieren, die na lossing (Lev. 27,11 en 12) overal in den lande als gewoon vlcesch gegeten mochten worden. Heine zoowel als onreine personen mochten het eten, evenals wild, dat immers nooit als offerdier geschikt was. — Slechts slachten mocht men het en door menschen laten eten; het als werkdier te gebruiken, te scheren of als voeder voor de honden en dgl. aan te wenden, bleef verboden, vgl. Deut. 15,19. — Anderen zien in ons vers algemeen de bepaling neergelegd, die vs. 20 v.v. nader wordt uitgewerkt. — natn be-teekent hier in ieder geval niet: offeren, maar: slachten. Het is de term voor het op ritueele wijze slachten; en beteekent v. s. op de voor offers voorgeschreven wijze slachten. Nadere aanduiding van de wijze van slachten komt in don Pentateuch niet voor, doch de traditie heeft die nauwkeurig omschreven. — -pi'D Ssa behoort bij rtasi ratp, niet bij quot;jS jra ion.

16. Van het bloed komt niets op het altaar; het mag ecliter toch niet gegeten worden; — vs. 23 v.v. is dit verbod ook voor geheel ongewijde dieren met nadruk herhaald. Vgl. Lev. 17,10, waar ook na het verlof tot eten van vleesch, zij het dan ook dat dit eerst in den tempel geslacht moest zijn, het verbod van bloed wordt gegeven.

ocr page 92

DEU TERONOMIU M XII.

eten de tienden van uw koren, van uwen most en van uwe olie, noch de eerstgeborenen van uw rund- en kleinvee, noch eenige uwer geloften, die gij beloven zult, noch uwe vrijwillige gaven

18 of heffingen van uwe hand. Maar alleen vóór den Eeuwige, uwen God, zult gij ze eten, op de plaats, die de Eeuwige, uw God, uitkiezen zal, gij, uw zoon, uwe dochter, uw slaaf en uwe slavin, en de Leviet, die binnen uwe poorten is; en u verheugen voor den Eeuwige, uwen God, met alles waarnaar

19 gij uwe hand uitgestrekt hebt. Neem u in acht, dat gij den

20 Leviet niet verlaat, al uwTe dagen op uwen bodem. — Wanneer de Eeuwige, uw God, uw gebied zal uitbreiden, gelijk Hij omtrent u gesproken heeft, en gij zult zeggen: ik wenschte vleesch te eten ! omdat uwe ziel verlangt vleesch te eten; dan kunt gij geheel naar het verlangen van uw ziel vleesch eten.

21 Als namelijk de plaats, die de Eeuwige, uw God, uitkiezen zal, om daar Zijnen naam te vestigen, ver van u af is; dan kunt gij van uw rund- en kleinvee, dat de Eeuwige u gegeven heeft, slachten, gelijk ik u geboden heb; en gij kunt het eten binnen

22 uwe poorten, geheel naar het verlangen uwer ziel. Doch, gelijk men het hert of de ree eet, zoo zult gij het eten ; de

23 onreine met den reine te zamen mag het eten. Maar wees sterk, dat gij het bloed niet eet; want het bloed is de ziel,

24 en gij zult de ziel niet eten met het vleesch. Gij zult het niet eten; op de aarde zult gij het laten uitloopen als water.

17. Niet alleen zijt gij verplicht de offerliandelingen in het heiligdom te verrichten, maar ook het eten der gewijde gaven moet vóór Gods aangezicht, d. w. z. te Jerusalem plaats hebben. — ifj-n is hier het ticeede tiende, dat slechts binnen de muren van Jerusalem mocht gegeten worden. Hier aan het eerste tiende te denken en aan te nemen, riat dit gedeelte van het vers tot den Leviet gericht is, evenals de woorden ■jjnïi -pparroni alleen den priester aangaan, is onmogelijk, daar de Leviet immers zijn tiende in het gelieele land mocht eten, ja zelfs niet eens verplicht was het zelve te verteren. — ''sin sS gij moogt niet, ttc: Sasquot;», in uioe poorten eten, d. w. 'z. (ot profaan genot nemen; het verbiedt het als ongewijd genieten van alles, wat zakelijk of ten opzichte van tijd, plaats of soort nog binnen den kring des heiligdoms ligt. — ■pirca is 'de tegenstelling van 'n ire -icn Dipn.

18 spreekt vooral van het ticeede tiende, dat in het vorige vers het eerst genoemd is. Van de eerstgeborenen kan hier in ieder geval geen sprake zijn, daar de eigenaar en zijn gezin daarvan evenmin mochten eten als de Leviet, zij waren uitsluitend den priester toegewezen.

20. Hier volgt nu het veroorloven van slachten tot profaan gebruik buiten het heiligdom; v. s. tevens het voorschrift slechts na ritueel slachten vleesch te eten. — aTi-n 'D. Als de Eeuwige wc gebied zoo uitgebreid zal maken, als Hij u toegezegd heeft, d w. z. als gij een zoo groot deel des lands veroverd zult hebben, dat r.iet meer het geheele volk rondom het heiligdom is gelegerd = als God u een eenigszins uitgebreid bezit zal

44

ocr page 93

y run id

9,:3yD« '2 :^T nom ^nb-iji Tin ^n-jr^rn ^ 13 nin» iny bipsa i^D^n ^ri^ nirr

I v v: -T : - : - •-■ -= I r- ^ : , . I v v: =

1?? ^vini ^jnoKl ^3^i. ^31 nriK ^ noi^n : rv rhvn ^33 nin* ^a1? niwi ^

: v jt * I ivt j- : • : I v v: -r : •• ; • t : - it :

3,m^3 D ; ^nTK 3T^riquot;|3 3

Iib3 n^3K rnoNi '^-13^^X3 n^rns4 n^ribx nin»

t t jt : i t : - it : ) t v • •«•.• -:i- | : ••-. : v j jv •:: t :

: quot;i'ty3 ntra: nw1733 1^3 bbx1? mKn-^

it t j- v.1 : : quot; j-- ^ t : ^at t -• v:iv vj : - jv^- : r

pp dY^1? nln' in3» iK'K aipan ■qap pnT^s3 quot;ity«3 ^ nin» ?n: im •naxïöi ^-ip3D nn3T,i av

v.v -; i- I: t : 1 lt;-t v -i |; i • j | : I it: • ^ t : - it : t

*73^ -ii^NS tin : nix bb3 nnr^3 n^Ni M

lt;•• tiquot; v -:i- ) - Piv^; - j- - v : I •' r : • t : - ^t : M* * *

: !i3,73N» nn» unEsm Kotsn ?3 ^Kn-n^i '3ïn-nN

iv : i vT ; ~ t - ; •• t - av ; i t '• ' * : quot;

^Nn-Nbi E'ssn Nin mn »3 Din ^bx prn pquot;i»

j~ . i : vat - j \,T- j- r- j -: • ; • ; l i -•-

: D,S3 ^32^n pKn-by ^^3Kn ah : ntrsn-D^ #S3rp=

•it - \,v : : • | vjt t av : i ^ it t - ^* \\v'

hebben gegeven. — nisn '3, alleen omdat gij zoo gaarne vleesch wilt eten, zonder dat gij offervleesch hebt of schuldig zijt.

21. Alleen echter als de plaats verwijderd is, d. w. z. buiten den tempel inoogt gij van uw rund- en kleinvee slachten tot profaan gebruik. In den tempel mochten deze diersoorten niet ongewijd geslacht worden. — ipso in'iï, slaat op nron, en doelt v. s. op vs. 15, dat dan het slachtvoorschrift bevat; v. a. beteekenen de woorden: dan zult gij slachten op de wijze, die Ik u mondeling geboden heh; n. a. gij zvlt uw eigen ongewijd vee slachten op de wijze, die Ik u bij offerdieren geboden heb, waarbij dan het tegenstellende -js van het volgende vers goed aansluit.

22. quot;]}{, doch, al moet het voor profaan gebruik bestemde dier geslacht worden, — wat rein en onrein betreft, staat het geheel gelijk met herten ree, die niet als offerdier gewijd kunnen worden; het heeft dus geheel ongewijd karakter. — •«3ïn ns Vos'1, de lijdende vorm in de beteekenis van het onbep. voornaamwoord, m e n eet, behoudt dikwijls de bedrijvende constructie (vgl. Ex. 21,28). — nn*, te zanten, of: gelijkelijk.

23. ptn- TFees sterk, overwin uwen lust, waardoor de heidensche volkeren zich laten meeslepen om bloed te eten, vgl. Lev. 17,11. — Het bloed is het orgaan van de ziel, de physiologische levensbron, gelijk de ziel de geestelijke levensbron is. — iran or c'BJn Sasr sS, en gij zult de ziel niet eten met het vleesch, d i. v. s. het bloed met het vleesch; v. a. het vleesch, zoolang in het lichaam, waarvan het afkomstig is, nog leven is d. i. wi p nas, een lid van een nog levend dier.

ocr page 94

DEUTERONOMIUM XII, XIII.

25 Gij zult het niet eten, opdat het u welga en uwen kinderen na u; daar gij doet wat recht is in de oogen des Eeuwigen.

26 Slechts uwe heilige zaken, die gij hebben zult, en uwe geloften zult gij opnemen en er mede komen naar de plaats, die de

27 Eeuwige uitkiezen zal. Gij zult uwe brandoffers bereiden, zoowel het vleesch als het bloed, op het altaar van den Eeuwige, uwen God ; en het bloed van uwe vredeoffers zal op het altaar van den Eeuwige, uwen God, uitgestort worden, doch het

28 vleesch zult gij eten. Neem in acht en hoor al deze woorden, die ik u gebied, opdat het u welga en uwen kinderen na u, tot eeuwig; daar gij doet wat goed is en recht in de oogen

29 van den Eeuwige, uwen God. — Wanneer de Eeuwige, uw God, de natiën uitroeien zal, waarheen gij komt, hen van vóór uw aangezicht verdrijvend, en gij hen veroverd zult hebben

30en in hun land zult wonen; Neem u dan in acht, dat gij u niet laat verstrikken hen te volgen, nadat zij van vóór uw aangezicht verdelgd zijn, en dat gij naar hunne goden niet vraagt, zeggende: „Hoe dienen deze volken hunne goden? zoo

31 wil ook ik doen !quot; Niet zoo zult gij doen ter eere van den Eeuwige, uwen God; want al wat den Eeuwige een gruwel is, wat Hij haat, hebben zij ter eere van hunne goden gedaan ; want zelfs hunne zonen en hunne dochters verbranden zij in vuur ter eere hunner goden.

1 De geheele zaak, die ik u gebied, zult gij in acht nemen om uit te oefenen ; gij zult er niets aan toevoegen en er niets van afnemen.

2 Wanneer in uw midden een profeet of iemand, die droomen

3 heeft, opstaat, en u een teeken of wonder geeft; En dat teeken of wonder komt uit, waarvan hij u gesproken heeft, zeggende:

26. Geirijde dieren echter, hetzij uit hun aard, zooals eerstgeborenen en tienden, olquot; door gelofte, nioojit gij nipt te huis slachten, maar moet gij, als gij in het hnis Gods komt. met u meedragen.

27. Van brandoffers komt bloed voor springing en vleesch voor verbranding op het altaar; van andere dieroffers echter wordt, nadat het bloed gesprengd en sommige vetstnkken geoffi-rd zijn, het vleesch door den priester ot' den eigenaar gegeten. Daar hier alieen van den laatste sprake schijnt te zijn, dient men -vit met: vredeoffers te vertalen. — -tSBi is algemeene term voor de verschillende wijzen, waarop het bloed op net altaar kwam ; werpen, spatten of strijken, rvmT, rnrn en ruviJ.

28. nycCI quot;IDtJ'. hoor nauwlettend.

29—31; 13,1—19, waarschuwing tegen den invloed van geestelijken of socialen aard: den invloed van de herinnering aan het heidendom dei-vroegere bewoners (29 31), dien van geestelijk booger staanden (13,2—6), dien van hel familieverkeer (7 - 12) en dien van burgerlijk aanzien (13—19).

30. waarschijnlijk verwant niet cpi en cip, verstrikt worden. —

orr-HS, hen volgend. — cnacn quot;n.s-, ook later, nadut zij reeds lang verdelgd zijn. — DnviSsS fvtii jEi, vragen naar, niet: raadplegen, wat door ns en

45

ocr page 95

y y nxn nö

^ 2Uquot; I^dkh xb ^ nsDi N^n -jnn:-! ^ vn^n^K ^^-jpT pn : nin; ♦r^a13 D^nn^anVn^y ywyy : np inap^K Dipsn-^xquot; nin' naTQ-bj? ^2^ ^naraTi nin» naTp-1?^ onnnn-^a nK n^o^i quot;ia^ : ^DNn ^ri^Nquot;3

--ij? ^ irè1? ^.VP ^iK *ibw n^s4n

■9 D *: Trt^K nin' ^3 i^ni nltan Kf^n ^ D1?^2-

nE'i1? nö^quot;N3 nns3 quot;ii^n D'ian-pK ^ribs4 nW nnp!

V r.'T T or T JT - v -: ' '•* ' v '•quot; T !

quot;f3 quot;nbioiyn : DÏquot;IX3 onK n^Ti n^SD Dnix17

i ... i : vjt * it : - : v.t ; - it : t jt : 'it:^ i av t * ^ ^t

Dn^ribx1? ^nnn-jsi onoi^n nn« ornnK irp:n

v quot;1 •• : • 1 v i a-.-r ■ ^ jt : it • vquot;-:^- -* ^ - 1 , 1 t

irn'^Ki Dn^ribs-nx nvusn D-ian quot;ióx4?

nin' '3 ^nbs4 nin^ p n^n'N1? : ^«■oa ^

t : - -i i t • I av v: y.t r iquot; •quot;.• ^quot;•'' ^ it

Dn%ni3TN%. bn^rnN DJJ '3 Dn'ripN^ wy

mva 'Dis4 I^N i3in_b3 PK : arrnSsb B'KD lai'B'* ^

j... - . it lt;v -; tt- t -»•• iquot; •* • quot; vquot; t j : : •

yijn xbi t^DiTN1? nifc^!? quot;na^n IPK DDHK

a : isaa

in nix I'Sn' fn:i Di^n oVn lx nmd: ^3quot;i;p2 □^quot;•33 nSS: -ias1? ns-ri^N nsism jiinh KDI ; raio gt;

t ; ,.. rt .. i Vv .. jv • v t «t iquot;

1

wordt uittrcdrnkt. — navs is vragend : hoe? — Doe geene der handelingen, die deze volkeren ter eere hunner goden verrichtten, zelfs niet ter vereering van God.

Hoofdstuk XIII. 1 Nam- de Massorelische indoeling der afdeelingen rivtns, behoort dit vers nog bij het vooralgaande en is de zin: Line h t niet nieuwe vormen van Godsvereering te vinden, maar vereer Hem geheel op de door Hem voorgeschreven wijze.

2

profeet is, — wat hij ook vroeger moge geweest zijn of hoeveel bewijzen

3

voor de waarheid zijner zending hij schijnbaar ook moge geven.

4

Iemand, die beweert proleet te zijn of een droomgezicht te hebben gehnd, stant op en geefi u, kondigt u aan een toeken ot'wonder, op grond waarvan hij u wil overhalen andere goden te dienen ; of v. a. iemand, tot nu toe reeds bekend als profeet, die reeds een teeken of wonder heeft aangekondigd, dat nitsjekomen is, en die nu tot n zegl algoden te dienen.— cV-n Dwn is no:, vgl. Nnm. 12,6; over rïiïi in rus, zie Ex. 7,i). Het teitulleen, dat hij u aanraadt andere -ioden te dienen, bewijst, dal hij een vaUche

ocr page 96

DEUTERONOMIUM XIII.

,/Laat ons andere goden volgen, die gij niet kent, en hen die-

4 nen !quot; Dan zult gij naar de woorden van dien profeet of naar dien droomoatvanger niet luisteren; want de Eeuwige, uw God, beproeft u, om te leeren kennen, of gij den Eeuwige, uwen God, werkelijk bemint met geheel uw hart en met geheel uwe

5 ziel. Den Eeuwige, uwen God, volgend, zult gij uwen levenswandel voeren, en Hem zult gij vreezen ; en Zijne geboden zult gij in acht nemen, en naar Zijne stem zult gij luisteren, en Hem zult gij dienen en aan Hem zult gij gehecht zijn.

6 Doch die profeet of die droomontvanger zal gedood worden ; want hij heeft onwaarheid uitgesproken tegen den Eeuwige, uwen God, die u uit het land Egypte gevoerd en u uit het slavenhuis verlost heeft; ten einde u af te voeren van den weg, dien de Eeuwige, uw God, u geboden heeft te bewandelen. En gij zult het kwade uit uw midden wegruimen. —

7 Wanneer uw broeder, de zoon uwer moeder, of uw zoon, of uwe dochter, of de vrouw, die aan uw boezem ligt, of uw zielsvriend u in het geheim verleiden wil, zeggende: ,/Laat ons heengaan en andere goden dienen,quot; die gij, noch uwe

8 vaderen gekend hebben; Van de goden der volkeren, die rondom u zijn, die nabij u zijn of die verre van u zijn, van

9 het eene einde der aarde tot het andere einde; Wees hem niet ter wille en luister niet naar hem ; uw oog zal niet met leedwezen op hem rusten, ook zult gij u niet erbarmen over

10 hem noch hem dekken. Maar dooden zult gij hem; uwe hand zij het eerst tegen hem om hem te dooden, en de hand van

11 het geheele volk daarna. Gij zult hem met steenen werpen, zoodat hij sterft; omdat hij gezocht heeft u af te voeren van

3. naxS hangt van Dip' 13 af; indien hij opslaat, zeggende. — DM'-p nS iox, waarvan gij niets weet; v. s. is ït nS één begrip: wier niet-hestaan gij kent.

4. God stelt 11 op de proef, opdat erkend worde, aan den dag trede, of enz. — bsovi, of gij w er kei ij k bemint.

6. nOrV- door steeniging. De voltrekking van dit doodvonnis is aan de volksgemeenschap opgedragen. — mo van -iis, afwijking, onwaarheid; v. a. van t», afval, oproer. — mn is onzijdig: het kicade; v. a. den slechte.

7. Verleiding door personen, die u dierbaar zijn. — p quot;pns, die met u uit denzelfden moederschoot is voorlgekomen en u dus dierbaar is; de bijvoeging dient niet speciaal, zooals op andere plaatsen, ter aanduiding van den halfbroeder, die niet van denzelfden vader is. 01' hier aan de v. s. uit Gen. 31.33 blijkende gewoonte gedacht moet worden, dat iedere van meerdere vrouwen van denzelfden man haar eigen tent had, waar zij met haar kinderen leefde, zoodat slechts de kinderen derzeH'de moeder als broeders en zusters samen opgroeiden, is niet zeker. — Ook bij vrouw en vriend wordt een uitdrukking toegevoegd tot krachtiger aanduiding der innige verhouding. — -jp^n nrs, de vrouw van uwen boezem, die in uw armen ligt (vgl. Miecha 7,5). — •p2» icn -pn, uw vriend, die als uw ziel is, dien gij als uw leven bemint; vgl. I Sam. 18,1 en 3. — -uiDa be-

46

ocr page 97

x 10

vmn ah : Diavii nn« ^

^ - ; -• iquot;'.tit : v.t : ~: i r- quot;: # *'quot; quot;'• S'^ *quot; ••-: i-

nója '3 Kinn Di^nn obin-V^ 1« Ninn nar^w

... - = - , »- I-'- •'•• ••• •gt; . - 1-quot;tquot;.l '^ • . ■•■

nin-nx D^ns n^i? ddpk dd'H^k rvp\ DDTi^x nin' nnx : DD^ör^DDi

•)••• •• i v: st : quot;sj- ^ iv : ; - t ; v.v : - : t : v i ..

tyvpn iVpni rbpn vn'ivp-nxi intd IDKI iDjn D^nnoVn IN «inn : pfprtn ini n'ajrn inKv i DDn« N^isn nin*quot;1?^ nno'ian *3 nóv Ninn

JV. .... j. - ^ ... .. , v: t : tt^ v • T

quot;jn-in'p ^nnnb Dns^ n^p ^iani on.vp pKD i d ':ynn rn nin^ ^V'

IK nB'K i i« 'qnTiN quot;^ri^ %tS'^

D^K nnD^:1! nbb] quot;iox1? quot;inD3 ^333 D^s^n ^rtbsiQ : ^pn'3Ki nriN n^T xb SB'N Dnnsin nvpp ?|ap D^nnn in DD'nb^p Sb'N

vbtf vpvn ah) 1^7 naNn-Nquot;? : p^n nï^-i^i pxno »3 : nD3n-N^i ^bnn-Nbi v^ Dinn^v Drn-V3 TI irvonb niiirNns is'n'nn lahnn

t t j': lt;n * ~: i~ •* t ^ v ; i ■)! .it •. . i t

VjnnnS vp2 *3 npi D^snd in^pDi : nrn^s ^

hoort bij iw; uit den aard der zaak kan hier in tegenstelling met het vorige en het volgende f;eval het leit, door de intieme verhouding van verleider en verleiden, gemakkelijker in het ycheim geschieden. — n ■ its nï-p zijn niet meer woorden van den verleider, maar van Mozes, die daarmede het verkeerde van de afgoderij schetst, evenals vs 3; vgl. onze aant. aldaar.

8. Nog grooter wordt de verleiding, als zij niet Kena'anietische goden geldt, maar' die van andere, meer verwijderde volkeren.

9. ^ ii^xn }{S. quot;'ees l'em me' 'êr w'Hegt; door de daad te verrichten. — •pKs rnvp sS, luister niet eens naar hem; vS.quot; Dinn nSi, laat uw oog niet met verdriet op hem rusten, dien gij verliezen zult, als gij hem aanklaagt; vgl. Gen. 45,21). — Snnn nS, en heb geen medelijden met hem, wiens leven verbeurd is. — v»^r nD3n breng de in het geheim bedreven misdaad aan hot licht en dek hem niet door uw stilzwijgen. — vSr slaat natuurlijk op den persoon.

10. Ujnnn. natuurlijk de vertegenwoordiging der volksgemeenschap; het gerecht; de doodstraf is die der steeniging. Uw hand, als die der getuigen, treffe hem het eerst; vgl. 17,7.

ocr page 98

DEÜTERONOMIUM Xtll.

den Eeuwige, uwen God, die u uit het land Egypte gevoerd

12 heeft, uit het slavenhuis. En geheel Israël zal het hooren en vreezen, en zij zullen nooit meer gelijk deze slechte daad doen

13 in uw midden. — Als gij hooren mocht in eene uwer steden, die de Eeuwige, uw God, u geeft, om er in te wonen, het

14 volgende : Er zijn nietswaardige mannen uit uw midden opgetreden en hebben de ingezetenen hunner stad tot afval gebracht door te zeggen : „Laat ons gaan en andere goden dienen, die

15 gij niet kent.quot; Dan zult gij nauwkeurig onderzoeken, doorgronden en vragen ; en zie, het is waarheid ; gegrond is de

16zaak, gepleegd is die gruwel in uw midden; Dan zult gij de inwoners dier stad door de scherpte van het zwaard verslaan, — tot ban verklarende haar benevens al wat er in is — en

17 haar vee door de scherpte van het zwaard. En haren geheelen buit zult gij op het midden van haar marktplein bij elkander brengen, en de stad benevens al haren buit, ter eere van den Eeuwige, uwen God, geheel eu ul met vuur verbranden ; zij zal een eeuwige puinhoop blijven, nooit zal zij weder herbouwd

18 worden. Laat aan uwe hand niet het minste van het tot ban verklaarde gehecht blijven; opdat de Eeuwige van het branden van Zijnen toorn terug keere, en u barmhartigheid verleene, en Zich over u erbarme en u vermeerdere, gelijk Hij uwen

19 vaderen toegezworen heeft. Wanneer gij naar de stem van

12. Het vonnis moet alom verkondigd worden en de voltrekking in zoo groot mogelijke openbaarheid plaats hebben, opdat het sreheele volk ervan hoore en vreeze; niet de tvijze van bestrafiing als verschrikkini/smiddd om van verdere misdaad at' te honden, maar de vrees voor slraf wordt een motief tot opvolging der wet. Deze openbare afkondiging van het vonnis komt behalve hier, alleen nog 17,13; 19,20 en 21,21 voor.

13. Misbruik van burgerlijk aanzien om een geheele stad tot afgodendienst te verleiden. — -p-iï rnso quot;O- Mendelssohn: als gij omtrent een uwer steden hoort; anderen: in eene mrer steden, daar'3 ïor geen andere beteekenis zou toelaten. De zin is dan : indien gij hoort, dat in een uwer steden het volgende is geschied. Wat verhaald wordt, volgt dan in indirecte rede.

14. Zijn opgetreden-, het zijn bewoners derzelfde stad, die als verleiders optreden, Dt'ï 'atquot;' nx im-pi; — isy beteekent dus niet: uitgaan uit hun woonplaats naar de te verleiden stad. De verleiding moet zijn uitgegaan van ten minste twee volwassen mannen. - Sriba ^2, zonen van niet-nut; l?r,L,a =; Sji 1S3, zonder nut; evenals in Ss nS, niet god, is de zin: het tegendeel van nuttig. — SpSa is zell'st. naamwoord. — ini-pi, heh-ben afgevoerd, tot afval gebracht; nion beteekent dan: de poging om tot afval te brengen, verleiden.

15. Dan zult gij de getuigen goed, — anvi is bijwoord — onderzoeken en ondervragen. — c-n, zoeken van een zaak, naar den inhoud der verklaring en den gang der feiten. — ipn, onderzoeken, navorsehen van wat verborgen is, naar den grond der zaak ; deze vormen samen het onderzoek

47

ocr page 99

r TD

-bii : onay nin» 3'

t : r t -: r* • • v,quot; : quot; I ••'jv •• ^1-: •• - i v v: # -»r :

nn vin -ims ni'^b laDV'N^i ïiNti,i

V.V ~( -jT T ^ •'TqT~ : 'quot; *** 1 ; I A TI-: : : • •• T : •

nin; IE'K nnwa D :

: Idn1? DB' r^vh ^

I v :| • • ^--. . ,.. . lt;■ T quot;j :it 1 •• vt vr.' t •)!: 1^quot;

onnx n-iD^:1! nib: iONb di^ ^ty^nN4 inn»!

^... -. j. ... .)T;^-_|-: t :iquot; «n •• ; 1 v •»---

hok nim 3i2»n nipm n^-ni : Dnyquot;i,_Nb ityN10

v v; lt;•• • : aquot; •• ; - it : .)t ;l-it : st : - it : iv: -; i jv -i

nin nan : n-nps nx-Tn n^ymn nn^: ninn pa:ra

v - Jquot; - liv :»• ; V. quot; I - .)T ; 'v iv TT- ' -• T

nn« onnn ann-s1? Ninn n^n

v -j t v ; st ••-:i- vat • : v' quot; j t .)••;!

ripn n^t^DTW : nnon3_n«i naquot;

I I: • tt : t v : vit • : : v : .)t

n^ty-^-PKi n^n-riN» ty^n nsni^i nlm nin

• t t t ; t v : t v •• t jt : quot;it : r : | j

pan^i : ity njan ab D1?^ nn^m nin^ ^

I s- :• 1 : 1 ^ ^ Tq 1 .■quot;' T:IT: 1 quot;'•■ quot; lT 'quot;

-f™ lés* jinna n^n^ 31^ onnn-fp naiNp ?]T3 yvpn quot;2 : j?3^: ^inrn ^jonn'! D'pnn ïf? ^

naar den kern der feiten, zooals de getuigen die beweren gezien te hebben. — riSsri, en verder allerlei nevenvragen stellen tot versterking uwer overtuiging van de waarheid hunner verklaring. Hierin ligt dan de geheele wet omtrent het ondervragen der getuigen in strafzaken. — rws, de feiten zijn waar. — -Q-in jirj, de zaak is gegrond, door verklaring van geloofwaardige getuigen.

16. 3-|n ,2'7, zie Gen 34,26. — na icn S3 nsi nns D-inn is een tusschen-zin, terwijl gij de stad zeloe, huizen en muren, en al wat er in «aanroerende goederen, tot han verklaart, zoodat het vernietigd moet worden; vgl. onze aaut. Lev. 27,28 en Üeut. 7,2. — nrnm nsi hangt dan weer van nsn af. Ons vers behandelt dan de voltrekking van den ban aan menschen en vee door ze te dooden; het volgende die aan de stad en de roerende goederen door ze te verbranden.

17. nSSr. wat als krijgsbuit erin te vinden zou zijn. — öf als bijwoord op te vatten : geheel en al, öf als zelfstandig naamwoord ; als brandoffer; of; als eene geheel te verbranden zaak, vgl. Lev. 6,15.

18. HOINO' den toon op de voorlaatste lettergreep heeft, is mannelijk, dis» door 'n verlengd, evenals rh^; vgl. Job 31,7. — ovirn -fi jn:i beteekent v. s.: en zal u de gelegenheid schenken barmhartigheid te oefenen, wat gij ten opzichte der afvallige stad niet doen mocht ! D^ni jnj beteekent nl. Gen. 43,14 en Jeremia 42,12: iemand barmhartigheid doen vinden bij een ander; terwijl Jes. 47 6 quot;7 Diïm o~ voorkomt in den zin van: barmhartige behandeling tegenover iemand als wet stellen. — I3tni, en Hij zal u, na het verlies van een deel uwer bevolking, weer vermeerderen.

ocr page 100

48 DEUTERONOMIUM XIII, XIV.

den Eeuwige, uwen God, luisteren zult, om al Zijne geboden in acht te nemen, die ik u heden gebied, ten einde te doen wat recht is in de oogen van den Eeuwige, uwen God.

1 Kinderen zijt gij van den Eeuwige, uwen God; gij zult u dus geene insnijding maken, noch eene kale plek tusschen uwe

2 oogen aanbrengen om eenen doode. Want een volk zijt gij, heilig den Eeuwige, uwen God, en u heeft de Eenwige uitverkoren om Hem een volk te wezen, dat een kostbaar bezit vormt uit al de volkeren, die op de oppervlakte van den aard-

4 3 bodem zijn. — Gij- zult niets eten wat een gruwel is. Het volgende is het viervoetig gedierte, dat gij eten moogt; de os, het

5 jong van schapen en het jong van geiten. Ree en hert, en

6 Jaehmoer, en Akko, en Dieshon, en Theo, en Zémer. En elk viervoetig dier, dat een hoef heeft en dien splijt tot twee hoeven, en herkauwend is onder het viervoetig gedierte, dat moogt gij

7 eten. Doch het volgende moogt gij niet eten van die herkauwend zijn en van die geheel gespleten hoeven hebben:

Hoofdstuk XIV. Israël moet ook in zijn geheele bestaan door levenswijding toonen, een heilig volk te zijn. Als voorbeelden daarvan worden hier genoemd; het verbod van zelfverminking wegens een doode, dat: ook Lev. 19,27 en 28 en 21,5 onder de wetten van levensheiliging van Israëliet en priester voorkomt, en de onthouding van het eten van onreine dieren enz., die ook Lev. 20,25 op het einde der groep van levenswijdingsvoorschriften even in herinnering wordt gebracht. Ieder der wetten sluit af met de woorden: quot;priSs nvrS nnx cnp dï o, vs. 2 en vs. 20.

7

ocr page 101

T y HKI nö

nivo quot;ïm vnixü-Va-nx^Dir1? ■n^ribx nin» 'Sipa

*.1 : - : gt;• it •)••• -: t : • t : • I v v: -r | :

D'33 d * : n'ribx nin» ^73 nii^v1? Di4n« i.

■J' t I iv v: jt : v,quot; • TT- ^:r a-

ra nn-ip ntann x1? DD^ribx nin'1? onK

I Jquot; ')r„:'r s- r 1 : ;i : • ^ j av •• i ••: i- v -

quot;-ina ^31 nln^ nnx ^npT d^. »3 : npV D3^3 ^r1?^ itrK a's^n ^30 n^o nvnV nin»

jquot; : v.-.- -: it • t %. : j ; r t :

IB'N non3n dnt : n3^in-l73 b3«n ^ D : no-wn ^

■quot;' quot;' V.T •• ; - J itquot;- I T r J IT T~;IT *7

TN : ony ntyi ntr V?3tfn ^

a :-: ».• : jt - r- r* : v,- t : jquot; aquot;

n^p^i; nóia nonarj nónr^i noniKryi ij5NV •nx : i^kd nnx ni3n33 ma nSra nicna ♦ntr vdb' t

Mquot; Iquot; ^t AT •• : - _ VTquot; J- -11- ^ t: -••• ; ^ - v

n^D^nnDnsn^pnssp'i nnan ^aa ^3xn n1? nrnx

gewoonlijk de dieren als menschenspijs genomen worden, terwijl de lagere kruipdieren hier onder het algemeene verbod van vs. 3 zijn samengevat. Dit hangt samen met het doel van ons boek, het oolk bij zijn aanstaande vestiging de wetten, die het in de eerste plaats noodig zóu hebben, scherp in het geheugen te prenten. De kleinere afwijkingen behandelen wij achtereenvolgens ter plaatse.

3. rpjnn, evenals jquot;pn. Lev. 11,10: een voorwerp van gruwel, niet van natuurlijken afschuw, maar iets, waarvan gij u als door God verboden te onthouden hebt en waardoor gij uwe ziel zoudt bevlekken.

i. noron. ^et Viervoetig gedierte, hier verzamelnaam, die zoowel ,-m wild, als noria in engeren zin; vee omvat; vgl. onze aant. Lev. 11,2. —

onjj noi dw;) nc, jong van schapen of jong van geiten, wat uit die reine soorten geboren is, ook al is het zelf uiterlijk niet schaap of geit. — ira is soortnaam voor: rundvee van eiken leeftijd en geslacht. — ni;', dg. jong dier. — D'aco. Een schaap, dat jongen kan voortbrengen, is meer dan een jaar oud en heet dan Sm; D'ava moet dus als soortnaain worden opgevat. Luzatïo meent dat r33 beteekent; schaap onder het jaar, terwijl aoa de algemeene soortnaam voor eiken leeftijd en geslacht zou zijn.

5. Al de in dit vers genoemden beiiooren tot de klasse rm, wild, waarvan de vetdeelen niet verboden zijn, maar wier bloed bedekt moet worden (vgl. Lev. 7,25 en 17,13). — Trnm, v. s. damhert; ips, steenbok; ji-ii, antilope;

i.sTi, de woudos, oer-os; -rar, eene gazellensoort. Het zijn alle herkauwende dieren met gespleten hoeven; daar echter de schrijvers over Bijbelsehe en Thalmudische dierkunde in de vertaling dezer namen afwijken, in zooverre de soort, die volgens den een met den eenen naam wordt aangeduid, volgens den ander onder een anderen naam voorkomt, hebben wij de woorden onvertaald gelaten.

6. Zie onze aant. Lev. 11,3

7- njMDisM nDisn 'Dnaooi. noia d^ibo beteekent eigenlijk slechts : hoeven hebben. nriDt? ncn-, beteekent: een geheel gespleten hoef. onsn nïlDO noiE, dus: wat een geheel gespleten hoef heeft. Evenals Lev. 11,4 ia

ocr page 102

DEÜTERONOMIUM XIV.

den kameel, den haas en den klipdas, want herkauwend zijn zij wel, doch zij hebben geen verdeelde hoeven; onrein zijn zij u.

8 En het varken, want verdeelde hoeven heeft het, doch zaagt niet; onrein zal het u zijn. Van hun vleeseh zult gij niet eten

9 en hun aas niet aanraken. — Het volgende moogt gij eten van al wat in het water is : al wat vinnen en schubben heeft, dat

10 moogt gij eten. Doch al wat geene vinnen en schubben heeft,

11 dat moogt gij niet eten; onrein zal het u zijn. —Eiken reinen

12 vogel moogt gij eten. De volgenden zijn het, van welke gij niet eten moogt; den arend, den beenbreker en den zwarten

13 arend. Den witten havik, den zwarten havik en den gier,

14 in zijne verschillende soorten. Alle raven in hunne soorten.

15 En den struisvogel, de zwaluw en de meeuw; en den sperwer,

16 naar zijne verschillende soorten. Den steenuil, den nachtuil en

17 de kauw. Den pelikaan, den groenspecht en den vischreiger.

18 Den ooievaar en den bergvalk naar zijne verschillende soorten;

19 den bergfazant en den vledermuis. Doch alle wemelend gevleugeld gedierte zal u onrein zijn; zij mogen niet gegeten

2120 worden. Al het reine vliegende moogt gij eten. Gij zult geenerlei aas eten ; den vreemdeling, die binnen uwe poorten is, zult gij het geven, dat hij het ete, of het eenen vreemde verkoopen; want een heilig volk zijt gij voor den Eeuwige, uwen God; — gij zult geen jong vee koken in de melk zijner moeder.

hier de zin; de soorten, waaraan een der heide kenteekenen zich niet voordoet, en die afzonderlijk zullen genoemd worden, moogt gij niet eten. De bijvoeging niwcn komt Lev. t. a. p. niet voor, daar reis ons», evenals hier op het einde van ons en in het volgende vers, op beide eischen omtrent de hoeven doelt; vgl. onze aant. aldaar. Hierin vindt echter de Thai moed aanleiding om nïiDcn niet als bijv. naamwoord bij noiB op te vatten, maar als eerste lijdend voorwerp bij iSssn nS. Men verklaart dan: het gespletene, een dier met dubbelen ruggegraat; en het is in den Thalmoed twijfelachtig, of zulk een dier slechts als misgeboorte, of als werkelijk bestaande soort voorkomt. — Over jsc zie Lev. 11,5.

8- HUI «Si. en *s 9een zager, het zaagt het voedsel niet fijn, daar het alle boventanden heeft; vgl. onze aant. Lev. 11,3; — voor het slot van ons vers vgl. Lev. 11,8.

9 en 10 geven alleen de algemeene omschrijving der eischen voor waterdieren ; vgl. Lev. 11,9—12-

11- mna IISS Sd. elke reine vogelsoort, niet begrepen onder de 24 hier volgende onreine soorten, moogt gij eten, vgl. onze aant. Lev. 11,13; v. s. is de zin; eiken volgens vertrouwbare overlevering zeker tot de reine soorten behoorenden vogel moogt gij eten.

12. nnO iSsiCD nS ntfx» v an velke soorten gij geen individu eten moogt; v. a. die gij van hen, de vogels, niet eten moogt. heï, dat gewoonlijk vrouwelijk is, is dan hier mannelijk gebruikt. Over de vogelnamen in het algemeen, zie Lev. 11 t. a. p.

49

ocr page 103

T HNI L3Ö

riDii nn: rairn-nNi nnnKn-nxi bóan-n^

Tïquot; pS p'' * 'T T quot; v '• Ïquot;«T . quot; ï T^T-

Dnao^smnrrnKi : üiï on d^noü iDnsn K1? nmaiquot;

•; - i- ^ -: r v ; iv t v.quot; gt;•••:, • ; - t ;-

Ditrao DD1? Kin NÖÜ nia N1?quot;! wn nois

-• tt : * ^ rtv t ^ jquot; r tquot; -• : jt ; -

bio i^dxn nrnx d : i^an kv onSaimo

-»v -i v • ^ : i v v ir • ^ v.t t : - ;

-?»n quot;ii^n bbi : tokn ntrpt^pi quot;i^öjd ivityk bb o^sa1

I r* sv -j : iquot; v Kv: I - ; y ' : 4 v -: s -at -

•bs D : DDV «in «DI: ^DKH N1? ntrp^pi I^:D 11? ^

r iv t ^ jquot; r *quot; . J v l^v; | - ; : •)

-i^an ono ibD^n-N1? nn : bzan nnnü

v r.' - av ^ : 1 # Jquot; t v^: iquot; : j •

nxi : nrab nnm n»Nn-nNi nsnni : n^m onsm ^

: it * ; v,t quot;quot; ; tquot;quot;,t, v : t ^tit ; it-i'tit : •.\v - :

cin^n-nNi Donnn-nxi niyn na nxi : 10

( - at - v : ^t : — v ; t^tr- -- •• ; 1 • : v.quot; t

: notfinni nwrn-nsi Di3n-nx : nn-nNiro

vit ; • - : I v. quot; : J ' '■' iquot; • : | v,quot; - v :

nrob nöJNni nTonni : •nb^n-n^i non^n-nxi nxpni ^

AT • : vtt -!IT : T • -!-•- : |lTT v t T^T TIT v ; ^T i T quot; : ft

K1? Dp1? sin nöu e]iigt;n vdi : ^üj^ni napinni ^ ih n^nrba ibsKn Kb : V?DKn llnii eiiyVa : i^dk' 3

^ - T •• ; T -• : ^i J Iquot; T 1 rgt; ^T Iquot; Tlquot; S3

tfnp D^. *3 na:1? n^Ki mann

It *lt;- j- • : t ; t lt; t t -si- t-»v ; • | vpt : • v -:

ö * : iqk 3bn3 na b^n-kb nn^K nin^ nriK

1 • jquot; -i r y,-: j- - : 1 | av v; ^t i- t -

13. njnnv Lev. 11,14 staat nxn; naast rrx staat hier nog m; naar den Thalmoed zijn het verschillende namen voor dezelfde vogelsoorten, ntii = nsn; m.s — rPT Vgl. onze aant. aldaar. Er wordt hier dan eene nuance der soort meer genoemd, die daar onder ni'nS toch begrepen was. — rwn, de scherp ziende.

li- nomn. Lev. 11,18 staat de mannel. vorm Dmn.

20. P|iy, het vliegende is meer omvattend, dan nsx, vogel. Vermoedelijk doelt ons vers op de Lev. 11,21 en 22 besproken geoorloofde sprinkhaansoorten.

21. Sluit deze groep af met het verbod van het eten van aas, eendier, dat gestorven is zonder ritueel geslacht te zijn, — vgl. onze aant. Ex. 22,30, waar ook de heiligheid des volks als argument wordt aangevoerd voor het verbod van eten van wat verscheurd is; —en met het verbod van koken van Jong vee in de melk zijner moeder, dat ook Ex. 23,19 en 34,26 een groep van levensheiligingswetten afsluit; zie onze aant. aldaar. —u, een zich als vreemdeling bij u ophoudende, een niet-lsraeliet, die zich in uw land heeft gevestigd, en slechts zich aan de zeven Noachidische plichten heeft onderworpen, zonder tot het Jodendom over te gaan, ann u. — ii3j, een doorreizend vreemdeling, die tijdelijk binnen uw land gevestigd is. Tegenover beide categoriën is zoowel schenken, als verkoopen geoorloofd. De eerste staat echter als volkomen burger meer onder uwe bescherming; gij moet

ocr page 104

DEUTERONOMIUM XTV,

22 Vertienden zult gij de geheels opbrengst van uw zaad, dat

23 uit het veld voortkomt, jaar voor jaar. Gij zult verteren vóór den Eeuwige, uwen God, in de plaats, die Hij uitkiezen zal, om er Zijnen naam te vestigen, het tiende van uw koren, uw most en uwe olie, en de eerstgeborenen van uw rund- en kleinvee; opdat gij leert, den Eeuwige, uwen God, te vreezen

24 ten allen tijde. Doch indien de weg u te lang mocht zijn, zoodat gij het niet zoudt kunnen vervoeren, omdat de plaats te ver van u af is, die de Eeuwige, uw God, uitkiezen zal om er Zijnen naam te vestigen ; daar de Eeuwige, uw God,

25 u gezegend zal hebben; Dan kunt gij het in geld beleggen, en zult het geld binden in uwe hand, en gaan naar de

26 plaats, die de Eeuwige, uw God, uitkiezen zal. En kunt gij het geld uitgeven voor alles, wat uw ziel zal verlangen.

hem het leven vergemakkelijken ; en daarom wordt als het vermoedelijk meest voorkomende geval bij hem van schenking gesproken. Wanneer Ex. 22,31 van verscheurd vleesch gezegd wordt, dat men het den honden zal voorwerpen, en niet uitdrukkelijk wordt toegestaan het een niet-Israëiiet te laten eten, 'dan vindt dit v. s. zijne verklaring in den natuurlijken afkeer, dien men van door wilde dieren verscheurd vleesch heeft; v. a. in hygiënische redenen.

22—29. Wetten omtrent het tweede tiende, dat in het eerste en tweede jaar van iedere driejaarlijksche periode (waarvan twee in elke Shemitta-periode begrepen zijn) door den eigenaar in Jerusalem verteerd moest worden, terwijl het in het derde jaar als armentiende den armen in de stad, waar de eigenaar woonde, ten goede moest komen. Door beide wetten wordt de tot menschenvoeding bestemde spijs gewijd. Vgl. Lev. 27,30 en 31.

22. ICJ/, Pi'el van -it'r, tien, hier waarschijnlijk in privatieven zin: tiende wegnemen, afzonderen; niet; geven, daar het tweede tiende eenvoudig ter zijde wordt gelegd, tot de eigenaar naar den tempel opgaat Men onderscheide het hier bedoelde tiende wel van het Num. 18,21 besprokene, dat den Leviet moet gegeven worden. De traditie vindt in de herhaling van den werkwoordstam Ti'rn icr de aanwijzing, dat hier van een tweede tienden-afzondering sprake is. — int nsian, de opbrengst van uw zaad, van hetgeen gij gehaaid hebt, — zooals uit liet volgende vers en tal van andere plaatsen blijkt, beperkt tot: koren, most en olie. Bij andere vruchtsoorten gelden dergelijke plichten slechts als rabbijnsch voorschrift. — men nïvi, v. s. een tweede lijdend voorwerp bij icrri icr, zonder ver-bindings-'i aan het eerste toegevoegd ; jni zou dan meer in het bijzonder het oog hebben op koren en onze uitdrukking doelen op most en olie; v. a. is het, daar Nxn mannelijk is, eene bijstelling bij -pnT, uw zaad, dal voorkomt uit het veld-, ti*gt; met 4den naamval evenals Gen. 44,4 e. a. p. in den zin van : uitgaan uit; — v. amp;. de opbrengst van wat gij zaait, dat uitgaat naar het veld-, gt;w, met 4den naamval in den zin van: uitgaan naar, evenals Gen. 27,3 e. a. p. dus : de opbrengst van uw op het veld gebracht zaaikoren. — ruï roe, elk jaar, jaar voor jaar behoort v. s. bij NïTgt;n, dat jaarlijks groeit; v. a. bij icïn -ic-t, jaar voor jaar zult gij tienden afzonderen en niet bijv. in het tweede jaar voor twee jaren tegelijk, van den nieuwen voorraad voor dien van het vorige jaar mede of dgl.

50

ocr page 105

T ntn 3

: mty njrnr nwan-Ss nx T^n ^

itt jt t v.vt quot; r* - i inv ;- -- : t v.quot; •• - ; -quot;• ^

lotr rssy1? inyivn Dipsa ^rrftN nin» i ':sh riVsKi»

- : i-- - : - : • v -; I-» t - | v v: -»t -••••• t ; - it :

I^D1? ^^iquot;! ^iipa n^bai quot;i^a btf

•qap nan^'pi : D^p^n-1?! nin^nK ló^ri ■,:i iny ipx Dipsn Vjpp pnT*? ü) *3 quot;jn-in

: quot;n'ribx nin» tty *2 dk' IDB' DI'B'1? nin'

| iv v:_ jt : v.1^: '-•it: j' at^ ^ : j t | v v: -«t :

nato Dipsrr1?» noan nnvi t\D32 nnnai^

jv^ -: i t - ^ v t : ~ it : i :jt : i v v - lt;t : - : j vat - vt -it :

nwniPK ^ba span nnn:i Ma nin» iw

v- : v -i ; |v v - jt -it: i ( ^v •.•: jt : lt;»- : •

23. maai. Eerstgeborenen van rund- en kleinvee moeten, naar Nurn 18,18, den priester gegeven worden, die ze, voor zoover ze als offerdier geschikt zijn, in den tempel moet slachten, het bloed sprengen, de vetstukken verbranden moet en met zijn gezin het vleesch eten mag. Zijn zij door een lichaamsgebrek niet als offer geschikt, dan zijn zij zonder meer eigendom van den priester. Als dus hier naast het tweede tiende de eerstgeborenen genoemd worden, dan richt zich dit laatste voorschrift tot den priester en wordt hem gezegd, dat hij de hem door een Israëliet in het land buiten de tempelstad gegeven eerstgeborenen binnen het jaar in de tempelstad moet verteren; anderen verklaren maa hier met: de voortreffelijksten en laten het doelen op het tiende van vee, dat echter niet hij keuze werd aangewezen, zoodat het niet de beste dieren behoeven geweest te zijn (vgl. Lev. 27,32). N. a.: gij, gewoon Israëliet, zult het tiende eten voor God, evenals de priester de eerstgeborenen moet verteren. Het volgende vers slaat in ieder geval uitsluitend op het tweede tiendé. — iiaSn jpaV, doordien gij een deel van uw veldvruchten als Godgewijd in de nabijheid van Zijn tempel verteert, leert gij, den Gever van alle goederen nooit uit het oog te verliezen.

24. Bij voorkeur moet gij de vruchten zelve naar de tempelstad mede-nemen ; gaat dat echter niet, omdat de weg te ver en de last te zivaar is, daar de tienden een groote hoeveelheid vormen, doordien de Eeuwige u zegent met rijken oogst, of door uitbreiding van uw land. — vusü, het aanhangsel slaat op : ivvb uit vs. 23.

25. nnnu dan geeft gij het, zet het om, belegt het in geld — jvw, gij zult hinden, in een buidel, jra en het zoo in uwe hand nemen; anderen: gij zult het geld hinden, in een buidel neerleggen in uw hand, d.' w. z. ongebruikt onder uwe berusting houden; n. a. het tiende, dat te omvangrijk en te veel is om te vervoeren, zult gij samenpersen, binden in uw hand, vanwaar de bepaling ; het slechts in gangbaar, gemunt geld om te zetten.

26. quot;jCM DWn *11WCgt; wal uw begeerende ziel verlangt; daarop volgt eene specificatie, quot;ocai pai ipaa, en dan weder een algemeene aanduiding, -pBj quot;pNcn -ifN Saai. Door deze wijze van uitdrukking worden nog tal van andere organische produkten aangewezen als geoorloofd om voor het tiendgeld te koopen. (Vgl. onze aant. Lev. 14,8). — Dat bij de

ocr page 106

DEÜTERONOMIUM XIV, XV.

voor rund- of kleinvee, voor wijn of bedwelmenden drank, kortom, voor al hetgeen uwe ziel u vragen zal; en zult het daar vóór den Eeuwige, uwen God, verteren, en u verheugen, gij en

27 uw huisgezin. Doch den Leviet, die binnen uwe poorten is, zult gij niet verlaten ; want hij heeft geen deel, noch erfgoed met u. —

28 Telkens na verloop van drie jaren zult gij het geheele tiende van uwe opbrengst uitvoeren in datzelfde jaar, en in uwe

29 poorten neerleggen. En zal de Leviet komen, — want deze heeft geen deel, noch erfgoed bij u, — en de vreemde, de wees en de weduwe, die binnen uwe poorten zijn, en zij zullen eten en zich verzadigen; opdat de Eeuwige, uw God, u zegene in al het werk uwer handen, dat gij verrichten zult.

1 Op het einde van zeven jaren zult gij een vrijlating oefenen.

2 En dit is de zaak van de vrijlating: loslaten zal ieder heer van een schuldvordering zijner hand, wat hij tegen zijnen naaste te vorderen heeft; hij zal zijnen naaste, zijn broeder, niet tot betaling noodzaken, want men heeft vrijlating uitgeroepen ter eere desEeu-

3 wigen. Den vreemde moogt gij tot betaling noodzaken; wat gij echter bij uwen broeder hebt uitstaan, moet uwe hand vrijlaten.

lossing van het tiende een vierde der waarde moet worden bijgevoegd, zoodat van het te deponeeren bedrag een vijfde toegevoegd is, is reeds Lev. 27,31 gezegd. Vgl. onze aant. aldaar.

27. Vergeet ook bij dit feestmaal en trots het eerste tiende, dat gij hem reeds hebt moeten geven, den Leviet in uwe poorten niet; v. a. vormt ons vers den overgang tot de beide volgenden en is de Leviet hier als type voor den onderstand behoevende genomen. Opdat de armen ook behoorlijk verzorgd worden, hebt gij elk derde jaar het tweede tiende onder hen te verdeelen.

28. nspa. 0}gt; het einde van, de zin is; in elk derde jaar van een driejarige periode. In elke zevenjaars-cyclus moet in het eerste en tweede, het vierde en vijfde jaar het tweede tiende in de tempelstad verteerd worden, in het derde en zesde wordt het in de verschillende steden en plaatsen des lands, fnico, gedeponeerd en den armen gegeven. — K'sir, v. s. -afzonderen-, v. a. uitvoeren uit uw schuur; hier is sprake van het tweede tiende. — prom, en zult het laten liggen in uwe steden, behoeft het niet naar de tempelstad te vervoeren. — xinn roca, v. s. het tiende van uw opbrengst in dat Jaar; v. a. op het einde van drie jaar, doch nog altijd in dat jaar zelf, zult gij enz. Naar 26,12 moest men tevens zorgen, in het derde jaar alle nog verschuldigde tienden van de beide voorgaande jaren aan hunne bestemming te hebben overgegeven. —Zoo komen wij vanzelve tot het Shabbathjaar, dat 15,1—11 behandeld wordt naar zijn directe gevolgen voor den arme: het vrijlaten van schulden. In de woestijn, waar het volk aan niets gehrek had (Deut. 2,7) kon deze wet geen toepassing vinden; vandaar dat zij eerst hier wordt vermeld. Wanneer Lev. 25,2 de landbouwwet in verband met het Shabbathjaar wordt gegeven, dan is dit in aansluiting met den feestencyclus; zie onze aant. aldaar.

Hoofdstuk XV. 1—11 vrijlating in het zevende jaar en in verband daarmede de plicht den arme te steunen.

51

ocr page 107

ID T HNI K3

IVH V331 -13^31 Vbl TN-bl np32 ^33

iav : - v,l : it ; • rs -j ■» ; .t quot; ' »•quot;quot; ^ quot; i-«tt- i : : -

: ïirvai nn^ nnotfi nin» ^sh m nbDNi

i iv •• jt - : - it ; i v v: -«t : quot; : * t t ;■•- t :

nVnai pbn iV va »3 issr^n N1? ïpyt^-nmt n^ni»

^ v,t-:i-: I v jquot; I jquot; -•• ft''i- -• ) v, • t : • v -x rquot; - :

n^o-brnx N^in D'itf vhv ' ngt;;pp D : ^n3 -p« »3 nsi : ïinyK'3 nnani Kinn ruite nnNisn1

I r- - — - .r, I i-*t : • vt : - p: p .tt - I :

n»-nj;ty3 ~\m naoVsm oin^m -ism ^ n'rni p^n i1?

i '.' t : • -v -i t t : - it : lt;t^ : •• - : ) t~' t -:i- ; i v ••

tit n^d-^33 nin; ivski

: ntsaiy nfryn rpD D * : n^n

IT • : jv^ir v* T ^ - iv^ I Ir** IV ' •quot; -:

nt^K it nts'd l?y3_173 ntao^n im nn =

IV - jv -: t ■quot;• - - t ^ ^ t t ■ : - quot;■- : v:

: rnrrb ntsob' nip-»3 vfintiki inrquot;)~ntlt; inyns

it i- v.t • ; jt i t * • t v : y quot; ' ** 1 aquot;quot;;

: nn» umn n*nK-nK quot;t1 IBW '^an nsarrn^j

I ivt jquot; : - I v.' t v ol : jv : •• v -:i- a • : t -

■ i. o^r yatr fpo. telkens na zeven Jaren, d. i. elk zevende jaar, vgl. 14,28. Sommigen zien hierin de wet, dat de schuldenkwijtschelding eerst met het einde van het zevende jaar intreedt. — ncnr, van one, loslaten, vrijlaten, zoodat men het recht verliest de schuld gerechtelijk in te vorderen. De schuldenaar blijft toch moreel tot betaling verplicht. Het woord komt ook Ex. 23,11 van den akker voor en beteekent daar eenvoudig ; rust laten.

2- HUquot; quot;ICX TT nCD Sjn Sa DIOC. loslaten zal ieder heer van eene vordering zijner hand-, — ïtgt; rron Sr:, als onderwerp van disc, en HCQ als

Semiechoeth-vorm opgevat, — ivat hij te vorderen heeft tegen zijn naaste; — inro nci icn, als lijdend voorwerp van didc ; — quot;P Htt'D beteekent dan:

wat de hand ter leen gegeven heeft, evenals Nech. 10,32 t sb». it rwa Sra dan; heer, eigenaar, rechthebbende op wat zijne hand te vorderen heeft. Anderen : ieder eigenaar late los ivat zijne hand te vorderen heeft; onderwerp van Drac is dan Sra Sa en voorwerp: inro no -ic.s- i-p non, de vordering zijner hand, die hij reeds gerechtigd is in te vorderen, die vervallen en op-

eischbaar is. Nog anderen: ieder schuldeischer, n^a bps = nfü Sj?3,

late zijne hand, zijne macht los, namelijk wat hij te vorderen heeft; weer anderen: iedere schuldeischershand late los; itgt; non Sra Sa = ncn Sa T, evenals Hos. 10,7 naSn jiikd nm: = jnno -iS» nn-u. — fh, drijven, dwingen mag hij niet; dóch de schuldenaar blijft moreel tot betaling verplicht.

1

den tijdelijk bij u verwijlenden, in geen opzicht tot uwe

volksgemeenschap toegetreden heidenschen vreemdeling. Tegenover hem moogt gij ,van uw schuldeischersrecht gebruik maken. — -pnsi\s- -[Srprrgt;iok, wal u toebehoort bij uwen broeder, wat van uw eigendom in bezit van uwen broeder is, wat gij als schuld bij hem hebt uitstaan. — fr onwr, zal uw hand loslaten of v. a. zult gij uwe hand doen loslaten.

ocr page 108

DEÜTERONOMIUM XV.

4 Doch er moge geen behoeftige onder u zijn, — want zegenen zal ii de Eeuwige in het land, dat de Eeuwige, uw God,

5 u als erfgoed in bezit geeft. Doch slechts dan, wanneer gij luisteren zult naar de stem van den Eeuwige, uwen God, om in acht te nemen, uit te oefenen al deze geboden, die

6 ik u heden gebied. Als dan de Eeuwige, uw God, u gezegend zal hebben, gelijk Hij aangaande u gesproken heeft; dan zult gij aan vele volkeren op pand leenen, maar gij zelve zult geen pand behoeven te geven; gij zult over vele volkeren

7 heerschen, ma€ar over u zullen zij niet heerschen. — Mocht nochtans een behoeftige onder u zijn, van een uwer broederen binnen eene uwer poorten, in uw land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft, dan zult gij uw hart niet verstokken, noch uwe

8 hand sluiten voor uwen behoeftigen broeder. Maar openen zult gij uwe hand voor hem, en hem leenen genoeg voor zijne

9 behoefte, wat hem ontbreken mocht. Neem u in acht, dat niet een woord in uw hart opkome van nietswaardigheid, dat gij zeggen zoudt: ,/Nabij is het zevende jaar, het jaar der vrijlating !quot; en nu zou uw oog met hebzucht rusten op uwen behoeftigen broeder en gij zoudt hem niet geven ; — zoodat hij dan over u tot den Eeuwige riep, en op u zonde zoude zijn; —

10 Geven zult gij hem, en uw hart zal niet ontstemd zijn, als gij hem geeft; want tengevolge van deze zaak zal de Eeuwige, uw God, u zegenen, in al uw werk en in alles waarnaar gij

11 uwe hand uitstrekt. Want behoeftigen zullen niet ophouden op de aarde; daarom gebied ik u, als volgt: openen zult gij

4- rrrr nS. J. s. doch gij hebt ervoor te zorgen, dal er geen arme onder u zij; (jvas, wie aan alles behoefte heeft, of v. a. wie zich naar den wil van een ander heeft te schikken, van den ander geheel afhankelijk is, wat vooral bij onafgedane verplichtingen het geval zal zijn) anderen als belofte: doch er zal geen arme onder u zijn, als gij slechts luistert enz., vs. 5. Nog anderen : er zullen niet vele armen onder u zijn; weer anderen : alleen met het doel, dat er geen arme onder u zij, is deze wet gegeven; of: niettemin, al laat ge uwe vorderingen varen, toch zal er geen arme onder u zijn.

er voor zorgend, dat gij uitoefent = met zorg, nauwgezet uitoefenend.

6. quot;13^3, u zal gezegend hehhen. — noarm, gij zult pand do en g ev en, d. w. z. op pand geld voorschieten, bgt;u, aan personen, tot allerlei volkeren behoorende; — en in dien zin zult gij door uwen grooten rijkdom over tal van volkeren heerschen.

7. Daar die zegen aan een voorwaarde is gebonden, waaraan wel nooit het geheele volk in al zijne individuen zal voldoen, zal zich waarschijnlijk toch het geval wel voordoen, dat er onder uwe volksgemeenschap, quot;[3, zich armen bevinden. — -pas msu, v. s. = -pnxn ms, een van moe broeders; y. amp;. van de zijde van een uwer broeders, doordien een uwer broeders arm wordt. Hij kan zijn uw broeder, bloedverwant, of uw stadgenoot, of uw landgenoot.— ■jvw», van uwen broeder weg.

52

ocr page 109

iü n«quot;i 23

ri«3 nirv nrn^n» ah ^ dön^

V -i i Vt t t : I : vit; |lt;quot;t r I a : v v.1 : v; r j r v v

y6pr) j7io^quot;DN : nn^i'p n^na ^y|n': nirvquot; n^n nixan^STiK nf^1? io#1? nin» bips

-t: • - t ^ .iquot; « : • I av v: -«t : U :

-*iai ityNa-qana nin,-'3 : Di»n nixa

v • iv -» ir i: -iquot; | v v: : r i- v.!;-^; j- it •)•••.-J

D^iaa uayn k1? nnxi o^in D'ii n^a^ni -qS

j' : t : - it^ q «•■ -* t - : • - -»• t : ~ : iquot; : i at

intin rib« na n'n'-'a d : !ll?K'o, ah nat

lt;- - iquot; I ; v I ; v ; r • # ^ . ' 1 * ^ v' : gt; ■gt; * quot;

rf2 |na ^ribK nin^nc'x •qï-ixa insa ^nts

: |va«n ^nKO ppn ah) ^aayn« ymn

na'K liono n istrayn bajrm iS Tv-nx nnön nhsran

JV -: ^: - ••lt; v ^ • ^-ii- quot;*hr : AH.v.l '■•t v •»- : * - s t r

bj^^a ■qaab'D^ nan rrrrja no^n : i1? quot;ion»» ^nxa n^ni ntsp^n nw y3fn_n:f nanp^ÓN1? : Ntpn ï|a n'rn nin^bNi *npi |nn a^y jib^n ninnann'^aa^a 1quot;? ^nna ^aa1? ynr^1?*! ^ I1J?r 'a : tv nVtro Vaai n'^o-Vaa nm» Vjp-13^'

.p' pr .: ''VTgt; J : ' v. • /r ' ,T * ' quot; ' • •,T-

nns ïjlïO '3^ pxn 3quot;lpD {V3N 7in^

8.' Geven of leenen moet gij hem,'non» v% voldoende voor zijn behoefte, wat hij, om in zijne behoeften te voorzien, noodig heeft. — En bij dat leenen moogt. gij niet denken aan de nabijheid van het vrijlatingsjaar en daarom u ervan terughouden (vs. 9). Dit is het voorschrift, waarom het hier, in verband met het voorafgaande gebod betreffende kwijtschelding van schulden, te doen is.

9. SySa is bijstelling bij ian, dat niet een woord in uw hart zij, eene nietswaardigheid-, zie 13,14. — naip. Het jaar der vrijlating van schulden is nabij, wat ik dus nu leen, is vermoedelijk verloren, — en zoo denkende, zoudt gij hem niet geven, leenen ; v. a. het jaar, dat de bodem aan zichzelf wordt overgelaten en al wat groeit, den arme ten goede komt, is nabij en dus behoef ik hem in het zesde jaar het armentiende niet te geven; vs. 8 spreekt echter uitdrukkelijk van leenen. — ijt njni, uw oog zou met heb zucht rusten op meen broeder, den arme; tegenstelling: raio pr, mildheid, een gunstig oog. Van afgunst kan hier tegenover den arme moeilijk sprake zijn. — Evenzoo ■pa'? l'f1 in het volgende vers: uw hart moet niet uit hebzucht verdrietig zijn, maar met vreugde en liefde in het hart moet gij hem geven.

11. fixn 2quot;lpD. uit het midden der bewoonde aarde, psn, niet; quot;piN; anderen: uit het land; de zegen, dat er onder het volk geen arme zou zijn, is immers aan een voorwaarde gebonden, die wel bijna nooit door allen

ocr page 110

DEÜTERONOMIÜM XV,

uwe hand voor uwen broeder, voor uwen arme en voor uwen

12 behoeftige in uw land! — Wanneer uw broeder, de Hebreër, of de Hebreeuwsehe vrouw aan u verkocht wordt, dan zal hij u zes jaren dienen, en met het zevende jaar zult gij hem vrij van u

13 laten heengaan. En wanneer gij hem vrij van u laat heengaan,

14 zult gij hem niet ledig laten heengaan. Geschenken zult gij hem geven van uw kleinvee, van uwe schuur en van uw perskuip; waarmede de Eeuwige, uw God, u gezegend heeft, zult gij hem

15 geven. En gij zult gedenken, dat gij slaaf geweest zijt in het land Egypte en de Eeuwige, uw God, u verlost heeft; daarom

16 gebied ik u heden deze zaak. — Doch het zal zijn: indien hij tot u zeggen zal: «Ik wil niet van u uitgaanquot; ; omdat hij u

17 en uw huisgezin bemint, daar hij het goed heeft bij u. Dan zult gij een priem nemen, en dien doen door zijn oor, en wel bij de deur, en hij zal u voor eeuwig tot slaaf zijn.—En ook

18 voor uwe slavin zult gij zoo doen. Laat het niet hard vallen in uw oog, als gij hem vrij van u laat heengaan, want dubbel voor het loon eens daglooners heeft hij u zes jaren gediend; en de Eeuwige, uw God, zal u zegenen, in alles wat gij doen zult.

zal vervuld worden. Bovendien is armoede niet altijd straf voor begane zonden.

12—18. Die zorg voor den arme moet zich ook uitstrekken tot den slaaf of slavin, die gij, naar de Ex. 21 gegeven wetten, na zekeren tijd hebt vrij te laten.

12. verkocht wordt, de verkochte is passief; hier is sprake van

een wegens diefstal gerechtelijk verkochten man en van een minderjarig meisje, dat uit armoede door haren vader verkocht is. Beider dienstbaarheid mag ten hoogste zes jaren duren. Zij kunnen echter door vrijkoop hunnen diensttijd bekorten, op den voet van het Lev. 25,47 bepaalde voor den aan een vreemde verkochte (vgl. onze aant. Ex. 21,2). — nyocn rwaï, het zevende jaar na den verkoop, wat uit de voorafgenoemde zes jaren duidelijk blijkt; niet: in het zevende, Shemitta-yaor. Bij het begin van zijn zevende dienstjaar wordt hij vrij; de slavin dient natuurlijk alleen dan zoolang,indien zich niet vóór het einde harer zes dienstjaren een der Ex. 21,7 v.v. besproken gevallen heeft voorgedaan. Vgl. onze aant. d. t. p.

14. JVjyn» v- s- van p:r. halssnoer, — op den hals leggen, opladen; pjjj beteekent echter in het Arameesch niet; hals, maar: keel; naar den zin moet het beteekenen: van geschenken of gaven voorzien, v. s. in verband met JJi', genot, — doen genieten. — •p-oi irx, van hetgeen, waarmede de Eeuwige u zegenen zal; v. a. = nes:, naarmate dat de Eeuwige u zegenen zal-, n. a tv at de Eeuwige u zegenen zal. Ook hier staan weder de bijzonderheden tusschen twee algemeene voorschriften genoemd en is dus de kring der geschenken uitgebreid tot alle tot vermeerdering geschikte producten van dieren- en plantenrijk; de Thalmoed stelt als minimumwaarde der geschenken een bedrag van 30 Shekel vast, den normaalprijs voor een door een dier gedooden slaaf (Ex. 21,32).

53

ocr page 111

iü run 33

-♦5 D : ^ïquot;i.K3 ?|TT-nK nnan ='

nairai ^ n-atn nhayn IK nn^n ïi^nN ^ nia'

tt- a t jquot; v i : it^i- t * : it « 'l IT i j' t | : •• t •

-lava ^an lanWn^Di : ■nayn ^sn tsnbtyn n^nt^n ^

iat^- iquot; v* : t jv: - ;^ r : ) fT ' •quot; v.' : t r.' : quot; : * * ; ~

^-lapi ^nïo 1$ p^gri p^n : Dpn isnWn a)gt; ^ 12^/3 rnDp : i^jnn njn' IB'N ^np'oi« tjlVp ♦piK |3-^ ^t6k nin» on.vP p.^3 n^n Tjaj^Q nïk Kb ?|^n ■iaK,quot;,3 n^ni : ovn nn nnin-nx « ^panTiK Pnpb'i : -ja^ ib nnoK1? qKi DSiy 13^ ï]1? rrni 13TN3 nnnii

^1 ; it-ti-^ Ij-: at ^ ^ v^v j : #-'TT: •• v- ;t ; lt;t-it:

Tjayn Tsn inK : |3quot;n^n ^

^nbKnin» vv i^-iD^n^a 'i

| v v: jt ; | ; -1quot; a* t -quot;• v. I ï quot;t^-: * t ■*' z v ; •

3 * : niryn quot;ii^K bba p

iv ^-: i- jv -: v ï p

Voor 16 en 17 vgl. Ex. 21,6. — p nopn inns'? qsi sluit direct bij vs. 15 aan; vs. 16 en 17 vormen een tusschenzin, waarin kort het geval van Ex. 21,5 wordt samengevat; onze tekstwoorden vormen dan tevens den overgang tot het volgende vers. Uit Ex. 21,7 vv. blijkt immers, mede in verband met vs. 5 aldaar, dat bij eene vrouw van vrijwillige verlenging van diensttijd geen sprake is. Onze tekstwoorden doelen dus op het voorschrift van begiftigen van den vrij te laten slaaf.

18. nCp1 taat het, dat gij hem nog geschenken geven moet, u niet hard vallen, als gij hem wegzendt-, dit wegzenden zelf is een zuivere rechtsplicht-, van moeilijk vallen kan alleen sprake zijn bij het voorschrijven eener liefdedaad. — 113» quot;Oü n:c» '3 enz. V. s. want het dubbele loon van een daglooner heeft hij bij u do 0^ arbeid v er dien d, vgl. Ez. 29,20; v..a. aan loon dubbel zooveel waard als een daglooner, heeft hij u zes jaren gediend, d. w. z. zoudt gij een huurling hebben moeten nemen, dan zoudt gij het dubbele te betalen gehad hebben. Rashbam : laat het u niet zwaar vallen ... dat hij u slechts zes jaren gediend heeft voor het dubbele loon eens daglooners, dat gij hem, behalve den voor hem betaalden koopprijs en het onderhoud gedurende zijn diensttijd, nog bovendien een bedrag aan geschenken moet geven, want; God zal u zegenen. Sommigen verklaren : want den dubbelen tijd van een daglooner heeft hij u gediend, zes jaren namelijk; uit Jes. lfi,14 meenen zij te kunnen atleiden, dat contracten van arbeidshuur gewoonlijk over drie jaar liepen; daar beteekent echter tod ijm volle jaren, zooals een huurling ze dient. Nog anderen ; gij hebt dubbelen dienst van hem gehad zes jaren lang, daar hij ten allen tijde voor uwen arbeid klaar moest staan, dag en nacht.

ocr page 112

DEÜTERONOMIUM XV. XVI.

19 Eiken eerstgeborene, die onder uw rund- en uw kleinvee geboren wordt van het mannelijk geslacht, zult gij heiligen den Eeuwige, uwen God ; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uwen os, en gij zult niet scheren den eerstge-

20borene van uw kleinvee. Vóór den Eeuwige, uwen God, zult gij het eten jaar voor jaar, in de plaats, die de Eeuwige uit-

21 kiezen zal, gij en uw huisgezin. Doch wanneer er een gebrek aan is, dat het lam is of blind, eenig kwaad gebrek, zult gij

22 het niet slachten voor den Eeuwige, uwen God. In uwe poorten moogt gij het eten, de onreine met den reine te samen,

23 als een hert of een ree. Slechts zijn bloed moogt gij niet eten; op de aarde zult gij het laten uitioopen, als water.

1 Neem de arenmaand in acht; dan zult gij namelijk een Pésach bereiden ter eere van den Eeuwige, uw God; want in de arenmaand heeft de Eeuwige, uw God, u uit Egypte ge-

2 voerd des nachts. Gij zult voor Pésach ter eere van den Eeuwige, uwen God, slachten kleinvee en rundvee, op de plaats, die de Eeuwige uitkiezen zal, om er* Zijnen naam

3 te vestigen. Gij zult daarbij geen gezuurd brood eten; zeven dagen zult gij in aansluiting daaraan ongezuurd brood,

19—23. De groep van tienden- en armen-wetten enz., die 14,22 begint, sluit met herhaling van de hoofdbepalingen der eerstgeborenen-wet af, die den grondslag vormt van alle wijding van personen en bezit aan God. Tevens vormt dit stukje den overgang en de inleiding tot de uiteenzetting over de drie feesten; vgl. Ex. 34,18 vv.

is- maan Sa. naar Ex. 13,2 alleen de eerstgeborene, die den moederschoot opent, dus het eerste jong der moeder; en alleen -oth, mannelijk, onpn, zult gij als heilig behandelen-, de wijding behoeft eigenlijk niet uitdrukkelijk mondeling te worden uitgesproken, daar de geboorte liet dier heilig doet worden. Ons vers verbiedt voorts uitdrukkelijk het werken met en scheren van zulk een dier. Naar den Thalraoed geldt dit verbod alle voor het altaar bestemde dieren. Deze geheele verzengroep richt zich tot de personen, wien het aangaat, — dus tot de priesters, wien eerstgeborenen naar Num. 18,18 zijn toegewezen.

20. Hier komt de nieuwe bepaling, dat do eerstgeboren dieren, voor zoover ze zonder lichaamsgebrek en dus tot offer geschikt zijn, in de tempelstad, na als offer te zijn behandeld, moeten gegeten worden hinneri hel jaar na de geboorte. — in'ai nns, evenals de deelen van de vredeoffers, die den priester zijn toegewezen, mag hij ze met zijn gezin, vrouwen en kinderen, eten.

21. Ook dit vers is tot den priester gericht; heeft het dier een lichaamsgebrek, dan blijft het eigendom des priesters, die het dan echter eten mag, waar hij wil en hoe hij wil, zonder acht te moeten geven op ritueele reinheid. — n Qw. een kwaad gebrek, een ernstig gebrek; naar de traditie uit de groepeering der bijzonderheden tusschen de algemeene aanwijzingen Din opmaakt, een gebrek, dat uiterlijk zichtbaar is en onherstelbaar. Over de herhaling van het bloedverbod vgl, onze aant. 12,15 en 16.

Hoofdstuk XVI. In verband met de herhaaldelijk besproken offermaaltijden worden hier nu die feesten behandeld, die door den verplichten

54

ocr page 113

TL3 1ü nxquot;l 13

nirvbirnpn iDtn nip32 nSv ^

^ jt i- i: - tt- |; i : lt;| ;iit: • quot; t\ '' ^ : - it

quot;iiD3 nn n)\ iDsa iajm ah 1nin' oipsa nit^a Trf?N nin»

at : • v -: 'v^T-lt;' T T 1 r ',T V ! * lt;V *quot; T :

rn did Va -nv ik nD£5 dió 12 n^-Di : nn*3i nns2«

at -• v. ■ j - .. • i |v .. vt -

Sintam NQisn isbsKn nin'1? lanaTn N1? m

t - : lt;•• t - av ; 1 I ^v*t ; • | iv v: \.t i- v t : • #

PNïrrty ^DKn lorns pi : b'NDi *3X3 ïin*»

i V ^t t aquot; -• v t v i Jquot; it - it : v* : quot; t; -

ö : D'sa lassen

E'lna '3 n^ribN nin^ noa 3'3t*n vin-nx nlDamp;«

v j ; • i av ••: ^t 1- quot; v t •»* x ; * t it vj ^ v t

noa nnnn : n1?^ onysD nin» nN'ïin =

- rs t :j-t: ^ t ;it 'i': '^ ' I r-' v: st : I-j • • t it

iob' rsir1? nin» nna» oipsa npai r^v n-tn'1?

v : ir*quot; : t ; -•- ; * ' t.quot; ^'att i ■• i v*-* v: jt iquot;

ni^Q D*Q* n^SB' ran bDKn'xV : DÏ^ j

». - jt T - 1 •)' t jT ; * i '• t t T lt;- 1 it

opgang naar Jerusalem tot zulk een offermaal gelegenheid geven. Daarmede sluit dan de groep van wetten, die het heiligdom behandelen, af. Vandaar dat Shabbath, nieuwemaansdag, dag van bazuingeschal en Verzoendag hier niet genoemd worden, evenmin als Ex. 24 en 34. Bovendien zouden deze feesten als opgangsfeesten eerst na de komst in Palaestina tot hun recht komen, — Van de voorschriften betreffende die feesten worden slechts die hier weer genoemd, die met de komst in het land en met de offermaaltijden in verband staan.

i. .nn, maand van arenrijpheid. — rx -nap, neem in acht de

maand, waarin de aren rijp worden, dat gij daarin bereidt een Pesach enz. De traditie leidt hieruit het voorschrift af er voor te zorgen, dat de maand van het maanjaar, waarin het Pésach gebracht zal worden, samen-valle met den tijd, waarin het koren rijp wordt, wat natuurlijk van den stand der zon afhangt; de zorg dus, om overeenstemming te brengen tusschen zonne- en maanjarir, wat door invoeging eener schrikkelmaand geschieden kan. — rhh. Al trokken zij eerst bij het aanbreken van den dag uit Esrypte weg, uit de macht van Eg3'pte bevrijd werden zij reeds in den nacht.

2- quot;Ip31 IKS. klein- en rundoee. Ex. 12,5 worden alleen schapen en geiten, dus kleinvee, als Pésach geschikt verklaard. Sommigen meenen, dat hier voor later, in het land, de keus wordt pelaten tusschen klein-en rundvee; dan zou men echter ipa is verwachten. Mendelssohn: ter gelegenheid van het Pésach-feest zult gij slachten enz. nl. de verplichte en vrijwillige offers, die gij te brengen hebt, zult gij dan slachten. Anderen: abPésach, wat dan beteekenen zou: als feestoffers ter gelegenheid van Pésach, omvattend zoowel het Pésach-lam, als de eigenlijke feestoffers, nwri vsSr, die natuurlijk ook uit rundvee mochten bestaan.

1

1%. daarbij, bij het Pésachoffer, vgl. Ex. 23,18. Ook bij het Pésach,

2

of, daar dit eerst des avonds gegeten wordt, wanneer door Ex. 12,15 reeds

ocr page 114

DEUTEROKOMIUM XVI.

brood der ellende eten ; want in haast zijt gij uit het land Egypte uitgetrokken, opdat gij herdenken zult den dag, dat gij uit het land

4 Egypte zijt getrokken, al de dagen uws levens. En er zal bij u geen zuurdeeg gezien worden, binnen geheel uw gebied, gedurende zeven dagen ; en van het vleesch, dat gij op den avond van den eersten dag geslacht zult hebben, zal niets overnachten tot

5 den morgen. Gij moogt het Pésach-offer niet slachten in eene

6 uwer poorten, die de Eeuwige, uw God, u geeft. Maar alleen naar de plaats, die de Eeuwige, uw God, uitkiezen zal, om er Zijnen naam te vestigen, daar zult gij het Pésach slachten tegen den avond, tegen zonsondergang, tegen den tijd dat gij

7 uit Egypte getrokken zijt. Gij zult het namelijk gaar doen worden en eten op de plaats, die de Eeuwige, uw God, uitkiezen zal; en den volgenden morgen kunt gij omkeeren en

8 gaan naar uwe tenten. Zes dagen zult gij ongezuurde brooden eten, en de zevende dag zal een slotfeest zijn ter eere van den Eeuwige, uwen God, gij moogt geen werk verrichten. —

9 Zeven weken zult gij u tellen; van dat de sikkel begint in het staande koren, zult gij beginnen te tellen zeven

10 weken. Dan zult gij bet wekenfeest vieren, ter eere van den Eeuwige, uwen God; naar mate van de vrijwillige gave,

het eten van gezuurd verboden is; daaraan aansluitend, tusschen het slachten en het vallen van den avond. — m» rSr Saxn D'O' nra». Hier slaat vSy op nos, en moet of vertaald worden : daarbij, als Pésach nl. in den boven aangegeven algemeenen zin van feestoffers wordt opgevat, — öf: daarna, na het slachten van het Paaschlara. —De plicht van liet eten van ongezuurd brood geldt alleen den eersten avond bij het Paaschlam; gedurende de zeven dagen mag geen gezuurd gegeten worden ; wilt gij dus brood eten, dan moet gij ongezuurd eten. — ijï on1?, hrood der ellende, v. s. brood, zooals gij het in uw ellende in Egypte hebt gegeten ; v. a. hrood der onthouding, onzelfstandigheid, — daar gij immers, door de omstandigheden gedwongen, bij den uittocht geen ander hebt kunnen bereiden. — -p-ri Ibn 'Ezra ; elk jaar; de traditie leidt hieruit de plicht af, dagelijks den uittocht uit Egypte te vermelden.

4. quot;jSi iy «, als uw eigendom. — Sd2, in uw geheele rtchtsgehied. — aira = ooiyn pa, den namiddag, aan den vooravond van den eersten dag, pram ava, met of tegen het intreden van den eersten dag. Anderen: van het vleesch, dat gij op den vooravond slacht, zult gij niet o p den eersten dag tot den morgen overlaten. Dan slaat het op het Paaschlam. Anderen laten het op de feestoffers slaan en verklaren : van het vleesch der feestoffers, die gij den avond van den eersten dag, den 15e, slacht, moogt gij den volgenden dag tot den morgen niets overlaten.

6. 31^3, tegen den avond, niet: in den avond, daar nacn soaa den tijd nog voor zonsondergang bepaalt. — inxx urm, den tijd, toen de uittocht werkelijkheid begon te worden; of v. a. in den tijd des jaars, toen gij uit-gelrokken zijt, 15 Niesan.

7. nSr3v Süa beteekent: gaar maken, hetzij door koken of braden. V. s. doelt ons vers ook op de feestoffers, die niet uitsluitend gebraden

S5

ocr page 115

TÜ ntn ni

-nx iarn Dnvp pNö n«r pföna ra onb nS nNi,-N'?,i : Tn ^ d^ïo pNO nnxï DI^

^1 : v^tiquot; : P iv- r* : ». • - ; • ) v-»v •• I ; i- «

nam quot;iew I'^an-p rr-Nbi w

gt;- ; •• v -j t t - I * 1 -•• t i : a- t *5- ; • ^ I : i\ : t ; ^ ;

nD3n-n« niar1? Vain K1? : ipbS rl^-in Di»a 31^3quot;

-rtt - V pquot; •* : ' V.quot; -gt; I V i quot; I v quot;it quot; V «jvt

quot;^quot;DK '3 : Tjb |n: nirriEW in«31 -nx nam nv id^ Tribx nin^ in3,-nB'« Dipan

^ V J- : • OT ; |jquot;- : | v v: lt;r : - : • v -: It-

n^Boi : anvaa nnNï i^id N133 3quot;)^3 noan ■

t ; - • . 1t; . . . ,.. ^.. .. v - j . v*att # - v** quot;

—ip23 rnai 13 nin» ■in3» Dipn3 n^Ni

I v t -»• t a I ^v v: jt : •)- : * jv -: It- t ; --«t :

»y»3irn DI^I niïö Vdkh ns^nin

^. . ; - j - a — Jquot; v,' t v jquot; . p iv t i ; ^t ; - it ;

nya^ D *: ro^o n^n ah nin^ rmy»

*jt: ' m ' it r •. - |- -» I v v: -quot;t i- vv^j

nyatr isob bnn nóp3 K'oin ^nno ^-iSDn n^3iy

^t : • ; • . •*quot; t tit- ••:••• «quot;tlquot; i at^ t : • ^ it

n3U nDo Trbx nin^ ni^3^ yn r\wy*i : n1ï;3^,

J- :- 4- • I V v: -'T I- ^ \IT lt;- T ■ *t : ''i -^it

behoefden te zijn, maar ook geknokt mochten worden. Het Pésach moest, naar Ex. 12,9, bepaald aan het nuur gebraden zijn, wat overigens ook in Sca kan liggen. — -ipa n'JM, in den morgen van den 15den Niesan moogt gij u van de tempelstad venvijderen, voor zoover de wet van Shabbath en feestdagen u dat veroorlooft (Ibn 'Ezra). Anderen: nadat gij dan den geheelen nacht bij uw olTerraaal hebt doorgebracht, de groote gebeurtenissen herdenkende, kunt gij tegen den morgen naar uw tenten, waar gij in de tempelstad een onderkomen hebt gevonden, terugkeeren.

8. dquot;1^ nrr. Na dien eersten, eet gij dan nog zes dagen ongezuurd hrood; en op den zevenden dag, den laatste dier zes dagen, is Slotfeest met arbeidsonthouding. V. a.: als gij zes dagen ongezuurd hrood gegeten heht, dan volgt de zevende, die een dag van werkonthouding is. — mxï. v. s. onthouding, nl. van werk; v. a.; Slotfeest, van isï, sluiten. Vgl. onze aant. Lev. 23,36.

9. Vgl. onze aant. Lev. 23,15. Hier worden alleen die plichten in verband met het Wekenfeest genoemd, die iederen particulier gelden; de vnlks-plichten worden niet vermeld. (Vgl. daarvoor Lev. t. a p. en Num. 28,27).— niïi2ü, eig. zevental, v. d. zevendaagsche periode, week. Het enkelvoud riaf komt in het later Hebreeuwsch ook in den zin van: jaarweék, zevental jaren, voor. — n»p: co-in hnnü, van dat de Sikkel begint in het te velde staande koren, wat in verband met Lev. 23,10 en 14 niet mocht geschieden vóór den vooravond van den tweeden dag van het Paaschfeest. Naar de traditie moet de weken- en dagentelling, om volle weken te kunnen tellen, met den avond na den eersten dag van het Paaschfeest beginnen; en ook het snijden van de gerst voor het 'Omeroffer had dien avond plaats; voor dien tijd mocht van den nieuwen oogst niet gesneden worden.

10. iHJDC jn iTCrV Dan viert gij een Wekenfeest, een feest, na verloop van een bepaald aantal weken te vieren; v. a. dan bereidt gij

ocr page 116

DEUTERONOMIUM XVI.

die gij dan geven zult, naar mate de Eeuwige, uw God, u geil zegend zal hebben. Gij zult u verheugen vóór den Eeuwige, uwen God, gij, uw zoon en uwe dochter, uw slaaf en uwe slavin, en de Leviet, die binnen uwe poorten is, en de vreemdeling, de wees en de weduwe, die in uw midden zijn ; op de plaats, die de Eeuwige, uw God, uitkiezen zal, om Zijnen naam aldaar te

12 vestigen. Gij zult gedenken, dat slaaf gij geweest zijt in Egypte ; en gij zult in acht nemen en uitoefenen deze wetten!

13 Het Loofhuttenfeest zult gij u vieren zeven dagen, wanneer

14 gij van uwe schuur en van uwe perskuip ingezameld hebt. Gij zult u verheugen met uw feest; gij, uw zoon, en uwe dochter, uw slaaf en uwe slavin en de Leviet, de vreemdeling, de wees

15 en de weduwe, die binnen uwe poorten zijn. Zeven dagen zult gij feest vieren ter eere van den Eeuwige, uwen God, op de plaats, welke de Eeuwige uitkiezen zal; want de Eeuwige, uw God, zal u zegenen in al uwe voortbrengselen, en in al het

1G werk uwer handen, zoodat gij geheel verheugd zijn zult. Drie malen in het jaar zal ieder manspersoon onder u vóór het aangezicht van den Eeuwige, uwen God, verschijnen, op de plaats, die Hij uitkiezen zal, namelijk op het feest der ongezuurde brooden, op het Wekenfeest, en op het Loofhuttenfeest; men zal echter niet ledig verschijnen vóór het aangezicht des

17 Eeuwigen. Ieder naar de gave zijner hand, naar den zegen van den Eeuwige, uwen God, dien Hij u gegeven zal hebben.

een Wekenfeest o ff er; ook in de eerste opvatting wordt bij liet feestvieren aan liet brengen der teestoffers, de nwn iisSp, reestvierings-vredeofTers, gedacht, waarvan de oll'emiaaltijdcn werden gehouden; zoo sluiten in heide opvattingen de volgende woorden goed aan. — ro», van dd», waarvan en, dat helasling, cijns beteekent, moet v. s. vertaald worden: de v er plicht i ng, waarbij dan quot;pi behoort; er staan hier dan twee oft'ersoorten genoemd: ■p' riDii. de f e r p lichte offers, cijns uwer hand, en it rai:, de vr ij willig e gave moer hand. Anderen meenen, dat het woord, dat in het Arameesch als vertaling van het Hebreeuwsche n, genoeg, voorkomt, waarschijnlijk: menigte, hoeveelheid, beteekent en verklaren dat uit de beteekenis van den werkwoordstam DDtt, vloeien; dan is de zin; in overeenstemming met (vgl. inDn» in) de vrijwillige gaven uwer hand, naar mate van den u door God te verleenen zegen: gij zult dit feest vieren door rijkelijke offers, al naar mate God u zegent. N. a. verklaren nDtt = ros» (Lev. 27,23) en oan (Num. 31,28), heffing. Luzzatto verklaart het van nD3 = soj, heffing, geschenk, evenals niso» (Gen. 43,34). — jrn, tweede pers. mann.: gij zult geven, ol' derde pers. vrouwelijk: zij, de hand, zal geven.

ii- nnoBM. naar Deut. 27,7, waar de feestvreugde in verband gebracht wordt met het genieten van vredeoffers, ziet de traditie ook hier de plicht tot het brengen van feestvreugde-vredeoffers, nnïü 'nSn, aangednid; doch tevens de algemeene plicht, door giften en geschenken enz. allen, die op onze hulp zijn aangewezen, huisgenooten en behoeftigen, in onze feestvreugde te doen deelen. De echtgenoote is hier niet genoemd; in degroe-

56

8

ocr page 117

TÜ ntn 13

i nnDiPi : nin» rnn iitk ^

-•••;• t : - it : i iv v: jt : ^| : vit; jv 'aquot; * •'•* quot;: :,t

Ü^quot;1 HIF:

iiyK Dipaa nsnpa 1^« nw^ni Din'ni urn nnytfa

«v -1 I t - Iav :l* : -v -1 t : - it : j t','• ■»••quot; ï i gt;vquot;gt;; •

nMn 1W2 rnan : Dtr ioe' rsiy1? nin» -ra» ^

t v* t v V.* • t ;--»t; it v : - ; I v v; -t ; - ; •

a : n^«n ttpnrrnK motri onxofl

vr*^it k'mquot; v ▼ ' tt : jt t - it ; • at ; • i

: n2p»oi ^3120 'qöDN'a D^Ö' nyatf ^ n'^n n^Dn jn * *

I iv 1; • • v,l: :t/ I; : t ; a^t ^ *5-; • vl : yjquot; • \ quot; Squot;

quot;isni 'V?rn nnoxi ^inni nnw nana nnojriT

4.. - . ..... I v t *s•*} j j : I v • lt;1: * t - Iav- : ^t : - it :

nin'Vann n^aty : fpj^a im naob^m Din^v

jt 1- t • t *5-: • i ivquot;t : • jv -1 vt t ; - it ; j.r'

nin' '3 nin» quot;ina,_quot;i^N Dipss

I v v: -«t : i : vit: •*' at : • v -: K ▼ ~ I *• v:

wbv : no'^ •nu n^m nn* ntyyo Vaai nnKian S33 «

/t -.-t i.- tvt: lr vt , : ^n.t :

ïitI'jn nirr 1 ^-Ti3rb3 hnquot;)» n3iy3 1 D^oys

i v v: -«t : — : v | : ; t v tiquot; t t - ^ -• 'r :

ni3Dn ansi ni^atrn 3nai niïsn ana ^^a, quot;itrx Dipsa

a \ ^ \ it - : •) - - s- : t : • -v -: it-

rgt;3quot;i33 it n3nD3 b^'n : Dpn mrv ^

at -»-:-: i it •• vt : jquot; : v ^v ti** s :

3 : ^-^3 itrN ïitiVk nin»

(it i -it jv -j ( vquot; •*: jt :

peering; #y en uwe mannelijke en vrouwelijke kinderen is zij van zelve begrepen. Hoewel vrouwen tot het opgaan naar de tempelstad evenmin verplicht zijn, als kinderen en slaven, worden zij allen hier genoemd, daar ondersteld wordt, dat zij toch echtgenoot en vader naar het heiligdom begeleiden.

13. quot;^30X3. 9V ingezameld heht de landbouw-produclen uit uwen dorsch-vloer en uwe perskuip, als het gedorschte koren en de geperste wijn en olie binnengehaald zijn. Vgl. Ex. 23,16. Anderen, naar den Thalmoed: terwijl gij opzamelt, als bouwstof voor uw hut, d. w. z. voor de dakbedekking, van uw dorschvloer en perskuip.

14. quot;pn3' met uw feest, of: met uw feest o ff er; niet: op uw feest, wat onnoodige herhaling zou zijn.

15. Vgl. onze aant. Lev. 23,39. — na» rwn, nu uw oogst is binnengehaald, kunt gij u zonder zorg voor de toekomst verheugen in het heden.

16. Vgl. Ex. 23,17. — nsn% zich laten zien, — kan met rx, met, vóór, verbonden worden ; onderwerp is -pist. — op'n, ledig, zonder offergave.

17- it mrm naar de gave van zijn hand, vermogen; naarmate zijne hand tot geven in staat is; v. s. = ïto norm c\s, niet ledig mag men verschijnen, maar ieder, aanbiedende een geschenk naar zijn vermogen-, of: =; rro cnx run», ieders geschenk zij in overeenstemming met zijn vermogen.

ocr page 118

DEUTER0N0M1UM XVI, XVII.

18 Rechters en ambtlieden zult gij u aanstellen in al uwe poorten, die de Eeuwige, uw God, u geven zal, voor uwe stammen; en zij zullen het volk naar uitspraak van rechtvaar-

19digheid richten. Gij zult het recht niet buigen; gij zult geen aanzien erkennen en zult geen omkooping aannemen; want de omkooping maakt de oogen der wijzen blind, en verdraait de

20 woorden der rechtvaardigen. Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zult gij nastreven ; opdat gij leven blijft en het land in

21 bezit houdt, dat de Eeuwige, uw God, u geeft. — Gij zult u geen gewijd bosch, zelfs geenerlei boom planten bij het altaar

22 van den Eeuwige, uwen God, dat gij u maken zult. Ook zult gij u geen gedenksteen oprichten, dien de Eeuwige, uw God, haat.

17 i Gij zult ter eere van den Eeuwige, uwen God, geen os of lam slachten, dat een gebrek, eenige kwade zaak heeft;

2 want een gruwel is het den Eeuwige, uwen God. Wanneer in uw midden, in een uwer poorten, die de Eeuwige, uw

18—20. Was in de vorige wettengroep de tempel als centraalpunt behandeld, waaromheen zich het godsdienstleven te groepeeren heelt, de nu volgende groep (16,18—17,20) regelt in hoofdzaak de organisatie des volks, in de eerste plaats wat de rechtspraak aangaat. De Ex. 18 gegeven rechterlijke organisatie was geheel berekend op de aanwezigheid van Mozes en het bijeen leven des volks. Bij de aanstaande verspreiding was in deze een andere inrichting noodig, die hier gegeven wordt.

18. Q,1t3ïïf1' ambtlieden, beambten der uitvoerende macht; zoo Ex. 5,6 de Israëlietische opzichters, belast met de uitvoering van de bevelen der Egyptische aandrijvers. Hier: pob'.tiehedmhten, belast met de tenuitvoerlegging der rechterlijke vonnissen en bevelen, bijv. betreffende dagvaarding van bepaalde personen. Anderen ; griffiers, naar het Arabisch en het nieuw Hebreeuwsche ie™, acte, geschrift. — quot;f? jnn, zult gij, volksgemeenschap, u aanstellen, -p-iru hoa, in al uwe poorten, in iedere stad ; naar den ïhalmoed : colleges van 23 rechters voor behandeling van halszaken. — -po:!»1?, behoort v. s. bij jm, voor mee stammen zult gij u rechters enz. aanstellen, zoodat hier ook een provinciaal gerechtshof zou zijn voorgeschreven, dat naar Kachm. meent, eene hoogere instantie zou vormen, anderen : zult gij u, naar uwe stammen kiezende, aanstellen; v. a. in de steden, die God u voor uwe stammen geeft; n. a. in al uwe poorten, maar naar wee stammen, zoodat niet iedere stad, maar slechts de hoofdstad van iederen stam een rechtbank behoefde te hebben. — Of de aanwijzing der rechters door volkskeuze, dan wel door het hoogste rechtscollegie of de stedelijke overheid geschiedde, laat zich niet met zekerheid beslissen. Het onderwerp van jnn, gij, kan zoowel de volksgemeenschap in haar geheel, als in haar algemeene of bijzondere vertegenwoordiging zijn. (V'gl. Ex. 18,21 en Deut. 1,13 vv.) — piï BS»», naar rechtsuitspraak van rechtvaardigheid.

19. Richt zich tot de rechters; v. a. tot hen, die de rechters hebben aan te stellen, de volksgemeenschap of hare vertegenwoordiging. Vgl. Ex. 23,8. — csï» ntsn nV, huig het recht, de uitspraak niet; als gij u een juist oordeel over de rechtsvraag gevormd hebt, richt dan uw uitspraak ook daarnaar in. —- D^is Tan xS, houd geen rekening bij het vormen van uw oordeel met de persoonlijkheid der partijen.

y

57

ocr page 119

quot;TT1- Q^Sfquot;'

: p-irL23iro D^rrns411:0^1 ïi^aty1? *h

1 viv - : • \Tr v j : it : i isv t : • ^| : ijquot;

nn'^n »3 nn# npn-N^ D^3 quot;i^n KV aijtya ntsrrNb ^

- -»• - I -■- • 1 : a- t v.' ~ j t ; •»•.•• 1

e]n-in p-tï pnv : Dpnï f]bp^. D'bDn =

rn: nirr-niyN1 'pKn-nx nuh'i n'nn wtö

I jquot; I v: jt : v -: 1 vt t v -«t ; -it: v ; r 1^«- :

nin» n2TD rmx nb D : rp «

jt : •)-: * v •• \ *'• t v.t••-: •)!: ^ • i |it

ikTK HDÏD D^pn-xVi : -i'^n^n quot;itw 23

,.-t .•■•-= «r--- js i.tq ,: t ■■• •'- '■■■-' 'lt;■■■■ ■■■■ ..

ntri quot;lii^ nin,L7 narrrx? D : ,n,n,?N1 nin*s •

v t i v v; tl- - : - i iv v: jt^ :

nirr na^in ^ ^quot;i im h'2 aib 13 n^rr ie'K

I v.*-* v: jt : m-r . 1 s' at^ jt t v jv:r v -:

nin'-nt^K nnxa ^mpa xïa^^ D : Kin =

jt : v -1 ) v t : -»- - : I : :t • ; «quot; t • r i

In vs. 21 en 22 en 17,1 worden v. s. voorbeelden gegeven van strafbare feiten, speciaal in verband met vergrijpen tegen God en Zijn dienst, terwijl 17,2—7 dan de wijze van behandeling van strafzaken illustreert door het geval van afgodendienst. Vóór alles zouden de rechters immers het veld winnen van heidensche gebruiken hebben tegen te gaan. — ïon .sS mes Y7- Het gebruik van ïcj, planten, wijst beslist op een planting, evenals Ex. 34,13 het gebruik van rro; de Ashéra schijnt dus een boom of bosch te zijn geweest, dat men zich onder de bijzondere bescherming dei-Godheid dacht, waaraan men het gewijd had (vgl. Ex. 34,13). Anderen verklaren; plant u niet als Ashéra eenigen hoorn, mes dan — nn/ws, een Astharte-paal; later schijnt mes die beteekenis te hebben gekregen, wat blijkt uit het gebruik van werkwoorden als nev (I Kon. 14,15 e. a.); 2iïn (II Kon. 17,10); Tsrn {II Kron. 33,19) en ru: (I Kon. 14,23). Het bewijs voor deze beteekenis, dat men ontleent aan plaatsen als I Kon. 14,23 e. a., waar gesproken wordt van: gedenksteenen en Ashriem op heuvelen en o n de r hoornen is niet afdoende, daar de laatste woorden zeer wel op de gedenksteenen alleen kunnen doelen.

22. Over raï» vgl. Ex. 23,24. — -prtas mrr we nes, een zoodanigen gedenksteen, dien de Eeuwir/e haat, dien gij in navolging van heidensche zeden opricht; ook Mozes richtte naar Ex. 24,4 immers gedenksteenen op.

Hoofdstuk XVH. 1. jn 131 ^3) zelfs van voorbijgaanden aard; of een fout, niet juist van lichamelijken aard, maar bijv. tengevolge van van het dier gemaakt misbruik, waardoor het voor offerdier ongeschikt wordt. — ne, soortnaam voor; rund; ne voor; kleinvee, jong dier van schapen of geiten.

2—7. Voorbeeld voor strafrechtspleging. —■ sï»i 13, wanneer gevonden vordt, door getuigen waargenomen; vgl. Ex. 22,3 en Num. 15,32 en 33.— ■]3ip2, aangesproken is de volksgemeenschap. — jnn rus neï'1 les enz. is v. s. algemeene omschrijving; die eenige daad heeft verricht, waardoor hij handelt in strijd met Gods wet; vs. 3 geeft dan een voorbeeld van zulk eene overtreding. Iedere overtreding van een verbod legt den rechter, zoo

ocr page 120

DEUTERONOMIUM XVII.

God, u geeft, een man of eene vrouw mocht gevonden worden, die doen zal hetgeen kwaad is in de oogen van den Eeuwige,

3 uwen God, door Zijn verbond (e overtreden ; Hij ging namelijk heen, en diende andere goden en wierp zich voor hen neder; of voor de zon, voor de maan, of voor eenig ander van het

4 hemelheir, hetwelk Ik verboden heb ; En dit wordt u medegedeeld en gij verneemt het, gij vorscht goed na en zie, waarheid,

5 gegrond is de zaak, gedaan is die gruwel onder Israël; Dan zult gij dien man of die vrouw, die deze slechte zaak gepleegd hebben, naar uwe poorten uitvoeren, hetzij man of vrouw; en

6 gij zult hen met steenen werpen, dat zij sterven. Op de verklaring van twee getuigen of van drie getuigen zal de doodschuldige gedood worden; hij zal niet gedood worden op de

7 verklaring van slechts één getuige. De hand der getuigen zal het eerst op hem zijn, om hem te dooden, en de hand van geheel het volk daarna. En gij zult het slechte wegruimen uit uw midden.

8 Wanneer u eene zaak te moeilijk zijn zal ter rechtsbeslissing tusschen bloed en bloed, tusschen rechtzaak en rechtzaak, tusschen

hij er mededeeling van krijgt, den plicht op om op te treden.— Sommigen zien in de bijvoeging vrna lauS de aanwijzing, dat de daad, om strafbaar te zijn, moet zijn gepleegd in het bewustzijn, dat men daarmede Gods verbond overtreedt; en leiden dan hieruit af, dat aan de daad waarschuwing moet voorafgaan, zal zij strafbaar zijn. — Dims oviSx, heidensche goden, die slechts in de verbeelding hunner dienaren bestaan, — of vnv'i enz. voor werkelijk bestaande hemellichamen, ww nS iun, die Ik verboden heb te doen.

4. iS urn. de getuigen deelen het u mede, wat hun plicht is; rojncn, en gij neemt er in gerechtelijk verhoor der getuigen kennis van ; 2DV1 ncnn, en hebt die getuigen behoorlijk ondervraagd. (Vgl. 13,15). Ibn'Ezra : hetzij het u in het geheim wordt medegedeeld, of gij het door het algemeen gerucht hoort.

5. nxsm gij zult naar buiten voeren, -pjX' Sx, naar uw poorten, van de plaats, waar de terechtzitting plaats heeft, naar buiten de stad, nabij uwe poort; vgl. Lev. 24,14 en Dent. 21,19; 22,21 en 24. — ■pre, naar de traditie, evenals vs. 2, de poort der stad, waar de misdaad is gepleegd-, denkt men zich de terechtstelling ineen andere stad, wat natuurlijk zeer licht mogelijk is, dan is de constructie van het eerste zindeel; •pru nsxim, zeer duidelijk; voer hem van de plaats der terechtstelling weg naar uw stad, waar de misdaad gepleegd is. — ns is owins rWN'n, den man of de vrouw; de herhaling dient v. s. om juist erop te wijzen, dat ook de vrome in zulk een geval gestraft moet worden, en men zich niet door medelijden voor het zwakke geslacht moet laten leiden ; v. a. om met nadruk erop te wijzen, dat deze wet alleen geldt, indien de misdaad door een enkel persoon is gepleegd, niet bij een //eAec/erfnrf (13,13).

6. Twee getuigen ten minste, of ook, als zij er zijn, drie of meer, waarbij de rechter dan bok de verklaring van den derde, hoewel voor de berechting der zaak niet noodig, toch niet buiten beschouwing mag laten, maar

58

ocr page 121

v D»C3ötr n3

^73 nts^ ik'n nÊ'N-ix wx ^ jnquot;:

ann« D^nbN : inns n^nbK-nin^

•quot; ~t •*' v: -;-- I v ••- 1 • : j 1- | v; it :

D^Dtrn «arbD1? IK r\yb 1« 1 an1? irw'i

r.* -: Hquot; t quot; jt^ ; t : •) ••t* j v-»*.• - : av t vquot; J 'quot;

nat? nam nty-ni n^otri ^Visni : ♦n^rN'?-'

v v; lt;•• • ; .... jt : - |t; t: at t : v.1 ; - : _ • r • 1

nNïim : nxtn nn^inn nn'^: lain ri32 •■gt;

-»t^ •• I : p,quot;pT: * : r ^ quot; ^-,T 1 quot; q 4T : .*i*-* t t- I -• t

niin-nK wy I^K Ninn nKwrnK IN xinn ir^n-ns4

tt- v r -; • - t • it v quot; ^ J' T

an^pDi n^Nn-nK 1« B^rrnK ^ninrbx nrn

jt : I - : at • it v ^ • t v p v t : v v - ^ lt;-t

nov any in d'^ i : inoi d^2N3 1

j- ; .) •-»- : j- ^ iquot; t t -jit

irn^nn on^n n» : nnx nj; nóv N1? nsn»

« v : r •'••it j- it v 1quot; . J Aquot; quot;

inn n:hnNa a^n-^a TI irran1? n^Nia

^tt ^t : - r at -: 1-t \rt t j-•. • -:r t i t

ö : ^a^p

pai inV prpa i orpa uktixh nan ^ap tós; »an

even ernstig moet onderzoeken, als die der anderen. — n»n, de den dood vervaüene, of v. a. evenals Deut. 22,8: zal iemand gedood worden.

8—13. De hoogere instantie in strijdvragen, zetelende in of bij het heiligdom. Evenals de te Sienai ingestelde rechters de hun te zwaar schijnende zaken voor Mozes brengen moesten, zoo wordt hier het in de nabijheid des heiligdoms zetelende hoogste rechtscollegie tot beslissing in hoogste instantie geroepen van alle vragen, die door de locale en provinciale rechtbanken niet met zekerheid beslist zullen kunnen worden. Naar de traditie is het een collegie van 71 leden, overeenkomende met het Num. 11,16 ingestelde collegie van oudsten. Bovendien hadden in Jerusalem nog twee rechtscoUegiëu van 23 leden als hoogere instantie vóór het hooggerechtshof (Synhedrion) zitting; een aan den ingang van het tempel-voorliof en een aan de ingangspoort van den tempelberg.

8. N'Sa-1. iKonderhaar zijn, buiten samenhang met het bekende; v. s.: onbegrijpelijk, maar ook: onuitvoerbaar (Gen. 18,14). — cbc»1?, voor rechtsuitspraak, beslissing; anderen: met betrekking tot het recht-, — in het recht zou moeten luiden OBtiua of esp» — Aangesproken zijn de

plaatselijke rechters als vertegenwoordigers der volksgemeenschap, eene autoriteit dus. — DlS m pa, v. s. een strijdvraag tusschen bloed schuld en bloedschuld-, een vraag dus, of in een bepaald geval al dan niet onschuldig bloed is vergoten en de dader dus een moordenaar is; anderen: over de vraag, of er bloedschuld, d. w. z. doodstraf, is, dan zou hier on de straf beteekenen, terwijl de beide andere aanwijzingen jn en wi de aanleiding tot de quaestie zouden aangeven. — 'S • • • fo drukt in ieder geval een twijfel uit. De Thalmoed verklaart: tusschen bloed en bloed, een twijfel, of bloed, dat iemand is ontvloeid, den persoon al dan niet onrein doet worden, voorbeeld voor vragen over geoorloofd en ongeoorloofd (tid\s

ocr page 122

DEUTERONOMIUM XVII.

kwetsuur en kwetsuur, eenige twistvraag in uwe poorten; dan kunt gij opstaan, en optrekken naar de plaats, die de f) Eeuwige, uw God, uitkiezen zal. Daar zult gij komen tot de priesters, de Levieten, tot den rechter, namelijk die in dien tijd zijn zal; en gij zult raadplegen, en zij zullen u mededeelen

10 het woord der rechtsbeslissing. En gij zult handelen naar de uitspraak van het woord, dat zij u zullen mededeelen van uit die plaats, die de Eeuwige uitkiezen zal; en gij zult in acht nemen te doen naar al wat zij u leeren zullen.

11 Naar de uitspraak van de leer, die zij u leeren zullen, en naar het recht, dat zij u zullen zeggen, zult gij doen; gij zult niet afwijken van hetgeen zij u zeggen zullen, rechts noch

12 links. De man echter, die met moedwil zal handelen, door niet te luisteren naar den priester, die daar staat, om den dienst van den Eeuwige, uwen God, te verrichten, of naar den rechter, — die man zal den dood schuldig zijn ; zoo zult gij het

13 kwade uit Israël wegruimen. En het geheele volk hoore en

14 vreeze, en zij zullen niet meer moedwillig handelen. — Wanneer gij komt in het land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft, en gij neemt het in bezit, en woont er in; en gij zegt: «Ik wil eenen koning over mij aanstellen, gelijk al

inni). — p-tS fn pa is in ieder geval: twijfel in proceszaken, v. s. uitsluitend van geldelijken aard, v. a. samenvattend zoowel burgerrechterlijke, als strat'rechtszaken. — ïjj1? ïj: v. s. kwetsuur, zoodat hier de processen wegens toegebracht lichamelijk letsel zonden zijn bedoeld; deThalmoed: plaag, vragen betrert'ende verschijnselen van melaatschheid en dgl., als voorbeeld voor de vragen aangaande rein en onrein. — nm ,n:i, twistzaken, open strijdvragen ; v. a. proceszaken. — -prfa behoort óf bij li» sSsv het is u in uw poort, bij uw stedelijk rechtscollegie te zwaar te heslissen-, — öl' bij ran i-ai, een twistvraag in uw poort, waarover men het in liet plaatselijk collegie niet tot eene beslissing kan brengen. — nispi, dan zidt (jij van uwen rechterlijken zetel opstaan. Wij hebben hier niet een hooger beroep of cassatie, door partijen gevraagd, maar een beroep van den, zich uit gebrek aan kennis onbevoegd achtenden, rechter op den meer bekwamen.

9- aarn Sja naar vs. 12 door sommigen opgevat : o ƒ tot den rechter; voor sommige zaken, zooals melaatschheidsquaesties, tot den priester, voor andere tot den rechter. Anderen : lot den rechter namelijk-, doch hoewel ten deele het Synhedrion wel uit priesters zal hebben bestaan, vormden zij het toch zeker niet alleen. Daarom n. a.: en tot den rechter-, priesters en hoogste gerechtshof vormen dan samen de bewaarders der Leer, de eersten als hebbende onder hun berusting het authentieke afschrift der Thora; de rechters als dragers der traditie. — BEron, de rechter, of collectief = rechters, óf: de president van het collegie, als vertegenwoordiger daarvan. — 01' ciSn uoron opgevat moet worden: de priesters, die zonen van Leoie zijn, of: depriesters en de Levieten, staat niet vast. — nun-n, gij zult vragen de rechtsuitspraak; DBiïnn 131 m is ook voorwerp van ntnii. — oscsn 121 is de rechtsbeslissing.

ocr page 123

aipan-^K n^i nppi ^^^3 nbn nan pijh j?:i D'iVn b'jn'an-^M nxni : 13 ^rnbs4 ninquot; -inn'1 a

• *: 1- • -: 1 - ^ v TT 1 I v.v v: jt : -r : • ^ Jquot; -:

ns4 ï]1? n^ni n^in nnn D'O'a n'n» -itrx □3^n-1?N,i

^.. ) : j- • ; t : -it: aquot; t -»• t ~ v,quot; ! •* -: •• ~ v :

-ro nb ITÜ' quot;it^K nain '3-by n^i : Eastyan nan'

i . 1 . -»• - tt- lt;• t * tt : it ; * - j- :

iïJ'n ^33 ni'^vb mo^i nin' quot;^3' quot;i^s4 Kinn Dipan

-»••• -: ^ ^ 1- -quot;t : - it ; at : j- ; * -: ^ - lj t quot;

inpK^n^N4 ustran-^i. ^inv nninn : ^ini» *• : po^ n^ in^-n^ n3nn-rD nón k1? n'^n n1?

^ 1 : ^ 1 ^'t v,!: j*- v —; ot t- i • t j av -:i- :

nó^n jnan-^x ♦n1??1? jinn rntrjrntfk tr^ni. Ninn ty'xn hoi □a'ü'n-bK ik n^ri1?^ nirrnN bty m^1?

t •• ,%•• - v v. i -* **: •jt ; v t vlt;t :

nnn* k^i wm wnw D^n-^31 : ^nn mj?3i ^

• ^ ^ : at*; *-»::• ^tt t : iquot; t ; • • ^ vt t jt r-r

jn: ^n^K nin' f lKn_l7N K3n_,3 D *: ni^ t -S33 n^è hv no^N rnoxi m nn3trn nni^nn n1?

t : |v v - tquot; t lt;• t t : - it : at t : -•- t; v.t : • r I t

10. .W) plaatselijke rechter, zult doen naar wat men u als de beslissing van uit de tempelstad zal mededeelen ; in de meeste gevallen zal de plaatselijke rechtbank ten hoogste eene deputatie naar het hooggerechtshof hebben gezonden. Anderen ; gij. partijen, zult doen, naar wat zij, de plaatselijke rechters, u van uit die plaats zullen mededeelen, als daar genomen beslissing.

11. Herhaling van de vs. 10 voor het bijzondere geval gegeven bepaling, als algemeen voorschrift. — csrnn Sn = osoan 13 Sïi, hoewel Sr ook soms den zin heeft van: op grond van, en : in overeenstemming met. De Thalmoed vindt hierin het voorschrift, de bepalingen der wethandhavende autoriteiten op te volgen, en het verbod, van hun verordeningen af te wijken.

12. Handelt echter iemand moedwillig tegen de beslissing van het hooggerechtshof in, dan enz. De Thalmoed denkt ook hier nog aan een lid van een rechtscollegie, dat, ook na de gevallen beslissing, voortgaat voor de practijk een beslissing te geven, in strijd met die van het hooggerechtshof. Hij verklaart dus nrrv doet handelen. — rusi, na rechterlijk vonnis; de straf is die der worging; de voltrekking heeft, met het oog op vs. 13. plaats ter gelegenheid van het eerstvolgende opgangsfeest (vgl. Deut. 13,21).

14—20. Aanstelling van en voorschriften voor den koning. Het koningschap, hoewel beginnend als kieskoningschap, zal toch erfelijk zijn in het geslacht van den eerstgekozene en dit is oorzaak, dat de vermoedelijke troonopvolger eene opvoeding krijgt, die vele gevaren in zich bergt (Luzzatto). Die koning zal aangesteld kunnen worden, als het volk, na de verovering des lands, rustig erin woont, niet dus voor veroveringen of beveiliging van het land, wat juist de aanleiding was, dat Israël I Sam. 8 een koning vroeg. — o'Wi gelijk zoovele volkeren.

ocr page 124

DEUTERONOMIUM XVII, XVIII.

15 de natiën, die rondom mij zijn!quot; Dan kunt gij een koning over u aanstellen, dien de Eeuwige, uw God, uitkiezen zal; uit het midden van uwe broederen moet gij eenen koning over u aanstellen ; gij zult niet over u mogen aanstellen een vreemden man, die

16 uw broeder niet is. Doch hij zal zich niet te veel paarden houden, opdat hij het volk niet naar Egypte doe terugkeeren, om vele paarden aan te schaffen ; want de Eeuwige heeft omtrent u

17 gezegd; «Gij zult op dezen weg niet weder terugkeeren.quot; Ook zal hij niet te veel vrouwen nemen, opdat zijn hart niet af-wijke ; en zilver en goud zal hij zich niet te zeer vermeerderen.

IS Nu zal het zijn : wanneer hij op zijn koningstroon zal zitten, dan zal hij zich een dubbel van deze leer in een boekrol

19 schrijven, uit die, welke bij de priesters, de Levieten, is. Dit zal bij hem zijn en hij zal er in lezen al zijne levensdagen, opdat hij leere, den Eeuwige, zijnen God, te vreezen, om in acht te nemen al de woorden dezer leer en deze wetten om ze uit te

20 oefenen. Opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijne broederen, en opdat hij niet afwijke van het gebod, rechts noch links; opdat hij lange dagen doorbrenge in zijn koningschap, hij en zijne zonen, te midden van Israël.

1 De priesters. Levieten, de geheele stam Levie zullen geen deel noch erfdeel hebben met Israël; de vuuroffers desEeuwi-

2 gen en Zijn erfdeel zullen zij eten. Doch erfgoederen zal hij

15 bevat v. s. een imperatief voorschrift, v. a. een verlof. De aan te stellen koning moet iemand zijn, door God uitverkoren, — hetzij Hij u direct of indirect vooraf daarmede in kennis gesteld heeft, of eerst later uw keuze bevestigt. In ieder geval, als gij kiest, moogt gij slechts uit moe broeders, een Israëliet, kiezen.

16. pi, slechts, in het bijzonder zij hij gewaarschuwd tegen het volgende, — Voor den aankoop van paarden als strijdrossen, zouden telkens karavanen naar Egypte moeten yaan. wat een gevaar oplevert voor het weder aanknoopen van de pas verbroken betrekkingen met dat land. —'m ins, en God heeft met betrekking tot u gezegd, besloten. Anderen meenen, dat iiet verbod van terugkeer naar Egypte (in zekere mate van afhankelijkheid althans) reeds vroeger aan Mozes ■bekend was gemaakt, mnar hier voor het eerst schriftelijk door hem wordt vermeld. Ex. 14,13 is belofte, geen verbod.

'8. irO^DQ ND3. zyn koningstroon. — minn n:pn, een dubbel van de leer, een afsclirift. geheel met het oorspronkelijk overeenstemmende; v. a. een tweetal, één om in zijn schatkamer te deponeeren, en een ander om bii zich te dragen. — im-i mirn wc, een dubbel van deze leer, van de geheele Thora; de zin is niet: deze herhaling der leer, zoodat de titel min nivo van het 5de boek van den Pentateuch hier zou zijn genoemd; niet alleen dit boek, maar olie vijf moesten voor hem afgeschreven worden. — isd Sr, o/) een boekrol. — 'JsSo, van voor de priesters, van het exemplaar, dat onder berusting der priesters is. Het moest een afschrtft van de geheele Thora zijn.

60

ocr page 125

IT r D

inn* •nbb Dii^ : quot;IB'K DMan™

•r : • j'' -: |v v ^ I ^*•* t lt;* t -• it r : -»v -: v.* quot;

Sinn K1? rp6 ^nx ni^p 13 ^ri^K nirr

-raTK1? pi : Kin ^hk-k1? it^K na: t^'K nn1? quot;=

v ;- i i - quot; i v t ^ quot;j * : t quot;** ', • t ■cquot;t

did main r^Q1? nonïQ b^rrnK w-K^i D^DID ^

is -■ : - i - : t : quot; : * t t v t. 1 : ' ^

*6*1 : nrn rt-na awb nsoh Kb aob quot;iok nin»i ^

« : i v.'-' ~ I Vjv - .) t I * i -» V t j- t t i-

: -IKD lV-n3T Kb 2nT1 1D31? ■l,)D, Kbl D^J VTDT

I : v. ^ v :- j tt: I^.'jv ; at: vt j : • t v ;-

minn n^D-nK lb nnm inDboü kd3 by inn^a n^ni ^

lt;t ..... .. - t ; a : - : - -••• • aquot; . : * jtt :

Kipi lay nn^m ; D'ibn D'inrin 'aabo i3D-bj? nK-rn ^

pT'JT:p . quot;,t :it t r *^: i- ^*-; i - v.quot; : • • v ••

quot;ia^S vrtbK nin^nK nKi'b ■^ab, \yt2^ vn ^o^bs in

: • t •.•: jt : v t ;•: - : • ; at- -•••: t v.

: antryb nbKn D'pnn-nKi hk-th nninn nnrba-nK

it -:r v v.quot; t I,»---. i- v ; •) quot; - •• : • t

yw nivan-^p Tip 'nbibi vnxD nsb-on 'nbab3

a-1^3 v:ai Kin inpbpp-by d^d; quot;^ob biKQ'^i pbn 'iS untr-bs anbn a^nab nvrKb d 86: bKTa^«

i V jquot; .)• •• v squot; t • • ; r •-; I - v : r iquot; t : •

-Kb nbn:i : nbDs^ inbnji nin* ^k bw^-oy n^n:^ =

jt -ji-: i i •• i v. t quot;j'quot; : -it : squot; aquot; t ; * i.t -:i- :

19. nn'ni, vrouwelijk, zij, de Thora, zal bij hem zijn, 12 s-ipi en hij zal, 12, jnunnelijk, daarin, in het afschrift, lezen. Deze overgang van geslacht komt bij de combinatie van minn met andere woorden, als minn quot;ied enz., telkens voor.

Hoofdstuk XVIII. Na de rechters en den koning worden hier de priesters en Levieten en hunne rechten besproken. Dat zij geen deel aan den oorlogsbuit, noch aandeel aan het te veroveren land zouden hebben, is vroeger, ook in ons boek (12,12 e. a. p.) meermalen gezegd. Num. 18 en Lev. 22 geven dan ook de priestergaven en de wetten daaromtrent nauwkeurig aan, doch alleen voor zoover gewijde gaven betreft. Waar nu met de komst in het land ook ongewijd vleesch door het volk zal mogen gegeten worden, wordt hier ook daarvan den priester een gave toegewezen (3 — 5); en tevens de bepalingen gegeven omtrent den dienst in het heiligdom voor die priesters en Levieten, die door het land verspreid zullen wonen (6—9). De priesters treden hier, als onder het volk wonend, meer in hun karakter als Levieten op en worden daarom als DiiSn ü^ron aangeduid; vgl. vs. 8.

1. Over nWi p^n zie Num. 18,20. — 'i1? ntf Sd is tusschenzin; — evenmin ah in het algemeen de geheele stam lev ie. Onderwerp van behandeling zijn uitsluitend de priesters. — 'n 'PS, de van (ie op het aUaartvmr komende offers hun toegewezen deelen. — inbnji, Gods erfdeel, d. i. of: het God toe-k amende en door Hem hun toegewezene ; óf: het van God hun gegeven erfdeel. In ieder geval worden de niet op het altaar komende gaven, zooals Theroema enz. bedoeld.

ocr page 126

DEÜTERONOMIUM XVIII.

onder zijne broederen niet hebben ; de Eeuwige is zijn erfgoed,

3 gelijk Hij omtrent hem gesproken heeft. — En dit zal het recht zijn der priesters vanwege het volk, van hen, die eenig vee slachten, hetzij os of lam ; men zal den priester geven het

4 schouderstuk, de onderkaken en de maag. De eerstelingen van uw koren, uwen most en uwe olie en de eerstelingen van

5 het scheersel van uw kleinvee zult gij hem geven. Want hem heeft de Eeuwige, uw God, uit al uwe stammen uitverkoren, om te staan om dienst te doen in den naam des Eeuwigen, hij

6 en zijne zonen, ten allen tijde. — En wanneer de Leviet komt uit eene uwer poorten, uit geheel Israël, waar hij zich ophoudt, en hij komt geheel naar begeerte zijns gemoeds naar de plaats, die

7 de Eeuwige uitkiezen zal; Dan kan hij den dienst in naam van den Eeuwige, zijn God, verrichten, gelijk al zijne broeders, de

8 Levieten, die daar staan vóór den Eeuwige. Gelijke deelen zullen zij als o fiers pij ze krijgen; behalve het verworvene naar vaders-

J) huizen. — Wanneer gij in het land komt, dat de Eeuwige, uw God,

3- D^ron lOSU'Q. den priester toekomende. Evenals de andere prie-sterhetTingen, komt ook deze den priesterstom, niet een bepaalden priester als recht toe; de eigenaar heeft erover te beschikken, welken priester hij het toewijzen wil. — nam mat, niet; die een offerdier slachten, wat in den term nar als zoodanig volstrekt niet ligt; maar; die een slachtdier slachten, dat tot maal geschikt is, — nader beperkt tot rund- en kleinvee, no ds -w os, waardoor wild is uitgesloten. De priesters zouden, na de vestiging in Kena'an, zich evenals de Levieten door het geheele land verspreiden ; men Uon hun dus van ieder slachtdier het hun toekomende gemakkelijk geven. — i'itn, het bovendeel van den rechter vóórpoot, en wel lot het kniegewricht. — nv|n'-'m, de heide onderkaak-heenderen met de tong.— napm, van alp holte, de lehmaag, de vierde maag der herkauwende dieren, die van binnen geheel glad is en waar het voedsel het laatste verteringsstadium doorloopt. Deze is geheel door vet omgeven.

4- -pn mwn. de Theroema, de eerstelingen, de Challa, zijn allen in zekeren zin eerstelingen, jtwi ; vgl. Num. 15,20; 18.12 en Ex. 23,19. Herhaald is dit voorschrift hier, om het ook tot de eerstelingen van het scheersel uit te breiden. Een bepaalde hoeveelheid is hier, evenmin als bij Theroema, voorgeschreven ; rabbijnsch voorschrift bepaalt het op één zestigste. De wet geldt alleen bij de dieren, die gewoonlijk geschoren worden en tot het kleinvee behooron, dat zijn schapen. Zoo wordt den priester dus ook eene heffing van het tot kleedingsstof bestemde jaarlijksche product van de veeteelt toegewezen.

om te slaan, bereid om elk oogenblik dienst te doen. De traditie vindt hierin de aanwijzing, dat alle priesterdienst stoamZe moet verricht worden.

6—8 bespreekt den dienst der priester-Levieten, die niet bij den tempel, maar te midden des volks wonen. Ook van de Levieten is hier sprake, in zooverre zij dienstverrichtingen bij het heiligdom hebben ; van eten van olïerdeelen is bij hen natuurlijk geen sprake. In ieder geval is 'iSn verzamelnaam voor alle tot den stam Levie behoorenden, priesters en Levieten. — De gewone dienst wordt verricht door de bij het heiligdom gevestigde

r.i

ocr page 127

IT XD

nn d : inbns Kin nirv vm anna ib-n»n»3

v: i v • v.quot; quot;*•quot; t -:i- j t ; at v vl-»v:^ ^ q

niiy-DN m-tn r\m D^n n^D Dorian ESBtonvr

J . _vV - J.. . , .. t- t jquot; •• * I - : • v; r

jTtbn : n^ni D^n^ni fria1? jnii n^-DK-1 nin» ma la '3 : iy?nn ?i3«ï TJ ■nB'Tnquot;

jt : -r t i i v • v.1: i jquot; ^ •)• ••: i v t : •: j i ; i •

V321 Nin nin^-Dt^a rm?1?

t t j ^ .)t^ : iquot; : squot;t^ : ^i- I av t : x • I vv v: ^

bN-i^quot;b20 -inKO nVn Nn'-'Di D * : D^DTI 1 s

•• t: • t • I ■r ^ lt;- - 1.....- ^ r r : rx- »■

-n^N Dipsn-^N it^s: niN^aa «DI DI^ -12 KimtfN

v -: K t - v : quot; ■»*quot; t : t at jt v -1

D'iVn VnN-^DS vriVx nirr 0^3 nniri rnin» TO*'

• • : 1- tv t ; at v: jt : v,quot; : ..... it : /quot; ; •

v-i3öD id1? pbna pbn : nin» dit onoynn

v.tt ; • j-: a- i v: i %• jquot; ^ it : jquot; : • j- r

nin^ntrN pNn-^K xa nnx *3 D : nnxn-1?^ q

1 v.v ••: jt ; v -: ] v t t v ^t t - lt;* 1 t it

priesters, doch ook de elders wonende heeft het recht, wanneer hij wil, tob: nis San, naar den tempel te komen, daar dienst te doen en deel te nemen aan het eten der offerdeelen (LuzziTTo). In Davids tijd eerst komt eene indeeling der priesters en Levieten iu groepen, die bij beurten dienst doen. — dd -w sin ionquot;, waar hij, zonder er erfelijk bezit te hebben, toevallig op het oogenblik gevestigd is. — niasn Sy vi3»» na1», quot;onn, of eig. verkoop, v. d. het verkochte en de koopprijs, of; opbrengst, het verworvene; VISOQ - ÏHDOSD) van of = vipSQ. van quot;130.daarquot;quot;^steedsdoor

'» wordt gevolgd. — niasn Sr, = niasn nia Sr, naar vadershuizen; de zin is dan: de offerdeelen deelen zij, die op een gegeven oogenblik bij den tempeldienst aanwezig zijn, gelijkelijk ; hehalve v-af ieder zich naar zijne vadershuizen als privaateigendom mocht hebben verworven, ook al zou dit voor den een niets, voor den ander zeer veel zijn en zou deze laatste eigenlijk niets van de offers behoeven om in zijn onderhoud te voorzien. Rasiiie en Talmoed, in de veronderstelling, dat de Thora de mogelijkheid van verspreiding der priesters en instelling van een of andere toerbeurtregeling voorziet, verklaren : behalve wat door hen naar stamhoofden vervreemd is, de als het ware bij onderlingen ruil familiestamsgewijze wederzijds afgestane dienstbeurten, t- zoodat de priester van de eene groep geen rechten meer kan doen gelden op diensten en offerdeelen van de offers, die in den diensttijd der andere vallen. Ieder woord in ons vers biedt eenige moeilijkheid. — pSna pSn, is een bijwoordelijke uitdrukking, die niet meer voorkomt. — iSass zullen zij, ie veraf wonende en de dienstdoende priesters, eten. — laS, gewoonlijk door ja gevolgd of voorafgegaan. — rnann, kan hier of: het verkochte of de opbrengst beteekenen. — ^r, naar mate van, of; hij, of; door, of n. a. van, — wat hij verkocht heeft van zijn v ader lij k bezit. — niasn, vaderen, v. a. vadershuis = mas n'a, n. a. vadersbezit, erfenis.

9—12. Na rechter, koning en priester volgt nu de vaststelling van de positie van den profeet onder het volk, ingeleid door een verbod, dat de schrille tegenstelling tusschen de heidensche waarzeggerij en de Joodsche profetie duidelijk in het licht stelt. — nanna, waarvan gij een zedelijken

ocr page 128

DEÜTERONOMIUM XVIIL

u geeft, dan zult gij niet leeren te doen naar de gruwelen

10 dezer natiën. Er zal onder u niemand gevonden worden, die zijnen zoon of zijne dochter door het vuur voert, die waarzeggerij beoefent, die aan gunstige of ongunstige dagen

11 hecht, die aan voorteekenen gelooft of wichelarij pleegt; Of een dierenbezweerder, en die vraagt een doodenbezweerder of

12 waarzegger, of die dooden raadpleegt. Want een gruwel is den Eeuwige al wie deze doet; en tengevolge van deze gruwelen verdrijft de Eeuwige, uw God, hen van vóór uw

13 aangezicht. Volmaakt zult gij zijn met den Eeuwige, uwen

14 God. Want deze natiën, die gij verdrijft, luisteren naar dagenuitkiezers en naar waarzeggers; doch gij — niet iets zoo-

15 danigs heeft u de Eeuwige, uw God, gegeven ! Een profeet, uit uw midden, uit uwe broederen, gelijk ik ben, zal de Eeuwige, uw God, voor u doen opstaan ; naar hem zult gij

10 luisteren. Geheel gelijk gij van den Eeuwige, uwen God, gevraagd hebt bij Choreb, op den dag der vergadering, zeggende ; «Laat mij toch de stem van den Eeuwige, mijnen God, niet langer hooren, en dit groote vuur mede niet langer zien,

17 opdat ik niet sterve!quot; En de Eeuwige zeide tot mij:

18 „Zij hebben goed gedaan, wat zij gesproken hebben. Een proleet zal Ik voor hen doen opstaan uit het midden hunner broeders, gelijk gij; en Ik zal Mijne woorden in zijnen mond leggen, en hij zal tot hen spreken, alles wat Ik hem gebieden

19 zal. Dan zal het zijn: De man, die naar Mijne woorden niet zal luisteren, welke hij in Mijnen naam spreken zal, van

20 dien zal Ik het eisehen. Doch de profeet, die moedwillig in Mijnen naam iets zal spreken, wat Ik hem niet geboden heb

afschuw moet hebben. Vgl. onze aant. Lev. 11,10. — w.sa vei m var», vgl. Lev. 18,21; ter eere van den Molech. — D'iiDp Dop is toaarzeggerij, zooals Ex. 21,26 blijkt. Over pirn en Bras, vgl. Lev. 19,26. Over =)CO», Ex. 22,17.

ii- nan quot;lam. die dieren of andere machten beweert te kunnen binden, v. s. door magische knoopen te leggen, v. a. door bezweringsformulieren. Vgl. Ps. 58,5 en 5; Jes. 47.9 en 12. Over ■ou'Ti ais Ssw vgl. Lev. 19,31.

is. oy mn beteekent; iemand volgen, steunen in de bereiking van zijn doel. Of men Dl' met Dgt;?:n of met nvi moet verbinden, staat niet vast. Waarschijnlijker komt mij het eerste voor, daar D^an dan niet als bijwoord behoeft te worden opgevat en wij een analogie voor de constructie vinden in 'n dï pa1? nvn, 1 Kon. 8,61. -—In de eerste opvatting vertaalt men: Gij zult volmaakt zijn in uw verkeer met God; in de tweede: wees geheel en al met God. De zin blijft ongeveer dezelfde : volg God en Hem alleen.

14. lyDUquot;. luisteren zij, zij slaan er geloof aan en daarom gehoorzamen zij hem. — p, zoo, evenzoo, iets zoodanigs, vgl. Ex. 10,14. — fro, gegeven, u heeft God geen waarzeggers enz. gegeven, maar wat beters, vs. 15; — v. a. heeft niet toegestaan er naar te luisteren, zooals den Kena'anietischen volkeren.

62

ocr page 129

IT D'UStP 30

: onn o^ian ravins niïb^1? nabn-^ -]S rn:'

j.. t • I Iquot; r y - ^—. I : quot;:iquot; •*- : • i I at I-•••

: e]^3pi t^napi jil^ö Q'pDp Dpp kw| lri3rlJ3 -]2 rayirp.3 : D'nan^N tyn-ii ♦ij^TibiN bNt^i nan -i2ni ^

j~^ i , • ,. .. - ... vquot; : :*: -»•• : VAT *•quot; : 2'»

nin» nbxn nb^inn nbx n'^-^ nirv

i v v: ■'T : v •• t j ^ i — - : • v aquot; •• ^ t v.t :

na *: nin* Dir rrnn D^n : ons* irnio ^

j- i IV v; ^t : *V.* v: r -•• ^t i iv t * ^t r ni

D'obp'bNi oniN tynv nnN h-jnh D'i-n

v.- : 11 v : ^ j' -.i ; v t -••• t - lt;v -: ^ v •• t j- -

?|2quot;!pQ «'32 : nin' ^ jnj \b ^ nriNi tynw10 ^733 : pifDB'n nin' ^ D'p^ ':b3^n«o »

ioN1? bnpn 01*3 3^3 ^♦ri,7K nin' ayo

a •• v.tIt- ^ : -rlv v: «t^ : *■gt; ^ T : ' T. v ,quot;'

nKTn nVniin B^rrnNi ♦nbN nin1 SipTiK ^bir1? f]pK ah IE'N 'ba nin» : niDN N1?'! ny hnik'N1? quot;

j\' -; v* quot; at •• vt : Jquot; ' t J : JV : •-• i

n3-i 'nnn ^iios DTHK 3quot;ipQ onV D'px N^: : ,n3,i ^

-t : lt;• -it; I ft t v.** •• -: vl.iv .)•.• t ''quot;f . ' t *quot;. '

V'Nn rvm : i^-bs nK an^N n3-i,i

lt;v -; • t t t : iv —: jv -: t vquot; . *• quot; ^ jv •: • :

: la^Q B'-ns4 ^js4 ^^3 quot;i3i» -itsw n3Tb« yov'-ab

gt; •*'•• -'=••• quot;,*■ ■■ • f r- -:, £•lt;,-. -T : ■•• „ - : • ■

Vn'IVN? quot;ll^N nK '0^3 quot;131 quot;ISI1? I'T11 quot;It^K quot;HK 3

i «V -; .»•••;• t t •• -: 't jv -: * t quot; |

15. van gelijken aard, niet juist van gelijken rang; anderen: evenals ik een meer broeders, zoodat ij«3 betrekking heeft op quot;prwn, niet op s-o:.

16. Vgl. Deut. 5,22—24.

19. Wie naar dien profeet, nadat hij eenmaal als zoodanig is gelegitimeerd en zoolang hij niets van de gegeven wetten blijvend opheft (vgl. 13,4 v.v.), niet luistert, wordt door God gestraft met den dood, vto nrv1» bw. De Thalmoed onderscheidt hier drie gevallen van niet aehtgeven op Gods woord: als de profeet de hem verstrekte opdracht niet ten uitvoer legt ; of in strijd niet zijn eigen woorden handelt, — of als een ander de woorden van den profeet in den wind slaat. — vs. 19 en 20 behooren, daar zij van God in den eersten persoon spreken, nog tot de ts. 17 ingeleide Godsspraak; vs. 21 en 22, waar van God in den derden persoon gesproken wordt, zijn weer woorden van Mozes. Noch Ex. 20,16, noch Deut. 5,20 wordt van dit antwoord Gods melding gemaakt, maar eerst hier, daar immers, zoolang Mozes' dood niet zeer aanstaande was, het volk hiervan niets behoefde te weten en bovendien voor de toekomst hun hier de verzekering moest gegeven worden, dat zij zich buiten heidensche waarzeggerskunsten zouden kunnen houden, daar Gods wil hun steeds door een profeet zou worden kenbaar gemaakt.

20 behandelt den leugenprofeet, die beweert in Gods naam op te treden, zonder daartoe opdracht ontvangen te hebben; ook hier weer onderscheidt

ocr page 130

DEÜTER0N0M1UM XVIIT. XIX.

te spreken, of die in naam van andere goden spreken zal, 21 die profeet zal den dood schuldig zijn.quot; En zoo gij in uw hart zeggen mocht; «Hoe zullen wij het woord erkennen, 22dat de Eeuwige niet gesproken heeft?quot; Wanneer de profeet in naam des Eeuwigen spreekt, en die zaak geschiedt niet en komt niet uit, dat is het woord, hetwelk de Eeuwige niet gesproken heeft; uit moedwil heeft de profeet het gesproken; weest voor hem niet bevreesd.

1 Wanneer de Eeuwige, uw God, de natiën zal uitgeroeid hebben, wier land de Eeuwige, uw God, u geeft; wanneer gij hen veroverd zult hebben en in hunne steden en huizen 2wonen zult; Dan zult gij n drie steden afzonderen in het midden van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft, 3 om het in bezit te nemen. Gereed maken zult gij u den weg en het gebied van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u zal doen erven, op drie punten verdeden; en het zal dienen, opdat ieder moordenaar daarheen kunne vluchten.

de Thalmoed drie gevallen: 1°. hij zegt iets zonder opdracht, -oib tp ids •wa ia-I, — 2°. hij zegt iets, wat hem niet is opgedragen, maar wel een ander, ^yh ivm nS ips ns, — 3°. hij zegt iets, al is liet hem zell's door God opgedragen, uit naam van een anderen god. — Op dezen wordt de doodstraf door den menschel ij ken rechter toegepast en wel die door worging.

21. Hoe kan men echter, als niet naar 18,3 uit den inhoud van des profeten woord het reeds blijkt, weten, of hij een valsch profeet is en iets in naam van God zegt, dat Deze hem niet heeft opgedragen ? Het antwoord is : vs. 22 : als wat de profeet in naam Gods heeft voorspeld, enz. — sa' nSi mm nSi, v. s. wordt het geschieden van een vooral' verkondigd wonder binnen het gebied der natuur door nvi uitgedrukt, (vgl. begin van Ex. op tal van plaatsen) terwijl wanneer het gebeurtenissen in At geschiedenis des menschen geldt sa gebruikt wordt (vgl. .los. 21,43 e. a. p.);diis: het natuurwonder geschiedt niet of het geschiedkundig feit h e e f t n i e t plaats; anderen: wat hij als godsdienst- of zedelijkheidseisch verkondigt, is niet zoo, en wat hij als te gebeuren voorspelt, komt niet uit. — i:»» njn nS, vrees niet voor hem; al heeft hij u tot heden als meest vertrouwbaar profeet gegolden,-ontzie u niet hem openlijk als leugenprofeet aan te klagen en de verdiende straf tegemoet te voeren.

Hoofdstuk 19 en 20. Eerste plichten voor de, naar de zooeven behandelde voorschriften ingestelde staatsmachten ; beveiliging van het menschen-leven (19,1—13), den grondeigendom (14), en het onderzoek naar de vertrouwbaarheid van getuigen in burgerlijke en strafzaken (15—21); alle meer in het bijzonder plichten der rechterlijke autoriteiten. Hoofdstuk 20 behandelt vervolgens de' verschillende oorlogswetten, wier handhaving meer speciaal den koning is opgelegd ; terwijl 21,1—9 dan nog een geval bespreekt, bij welks behandeling rechters en priesters tot samenwerking worden aangewezen (Siporho).

1—13. Wet omtrent de toevluchtsteden, die Num. 35,9 v.v. uitvoerig gegeven en waarvan een begin van uitvoering Deut. 4,41, voor zoover het transjordaansche gebied aangaat, is medegedeeld. Nieuw is hoofdzakelijk

63

ocr page 131

w rr :d

: xnn noi Dnnn D^nbs1 Dt^a quot;i3quot;i* 'ntyKi nin1?

, - J-T - V f»'quot; -; J- v;^ V.quot; : •• -: ■quot;-• -: iquot; quot; quot;:

iquot;i3TN7 linn-nx nyx noxn ^ «

Lquot; 1 ' J' Tl T • ' J. ' T' • q /

^71 quot;i2^n n^n^Nbi ninquot; D^3 tvi-n nan» HK'K : nin» m

j ; . t T- lt;v : r : t : -»•• : • t quot; •• -: v -i ,T. :

aquot;? 1131 rnra nirv naTK1? -it^K ninn «in ay

^ J • T - J ; • ; AT : ^ : 1 J-* t T - -• t

-it^K D^ian-nK nin» nnD»-^ D : 1300 nunx

... -. • - v P v v: lt;t : • ; - r . ,v * V t

Dnnva orit^nn Dïquot;iK-nN rh: n^ri^N nirr

V,v ^quot;quot;it : -»t_ : - it: t : • r ^ ^t : - v v.1 : Iy I v v; jt :

nin' it^N ^ns4 Tjirn bnan on^ : onwaai2

■jt : v ) ; ; - ) j ; | at •»• : - v, t ^ t iv - it ;

^arnN psn : nri^ib ^ |n': j

: nstr du1? rrm ^,i^, -iirx 'hï-ik

quot;Iquot; t t^t j t tt ; P av v: -«t : ^ I: r : - jv -: I ; : -

de bepaling vs. 8 en 9, dat bij eventueele uitbreiding van gebied ook het aantal toevlnchtsteden raoet vermeerderd worden. Jos. 20 verhaalt de tenuitvoerlegging van dit gebod voor het rechtsjordaansche gebied. Ook het voorbeeld van V8. 5 is nieuw. Vele van de bepalingen van Num. 35 zijn hier niet vermeld, terwijl anderzijds tal van punten, in direct verband met de rechtspraak, hier voor het eerst worden besproken. Zoo wordt hier niet behandeld het geval, dat de moordenaar de toevhichtstad ontijdig verlaat, — iets wat hij, zoo hem zijn leven liet' is, wel niet doen zal; evenmin wordt hier de termijn aangegeven, tot welken de moordenaar in de toevluchtstad moet blijven; wél daarentegen wordt besproken wat te doen, indien een opzettelijke moordenaar naar eene toevluchtstad is ge-gevlucht, — een voorschrift voor den rechter; en wordt het geval van ballingschap naar de toevluchtstad zoodanig geïllustreerd, dat daaruit de nadere voorwaarden, die de rechter heeft te onderzoeken, duidelijk blijken. Voorts wordt hier veel meer dan in Num. t. a. p. als doel der wet de beveiliging van het leven van den schuldeloozen moordenaar op den voorgrond gesteld, waarvoor de zorg aan de rechterlijke en staats-macht is opgedragen.

1. Eerst na verovering en verdeeling des lands zal de wet in werking treden ; vgl. Jos. 20, waaruit blijkt, dat ook de door Mozes aangewezen steden in het transjordaansche gebied eerst tegelijk met de drie in het cis-jordaansche hun werking als toevluchtsteden begonnen, vgl. onze aant. N um. 35,13.

3. -pm jon. bereiden, in orde houden zult gij den reeg erheen, zoodat hij altijd goed begaanbaar is; naar den Thalmoed door wegwijzers ook duidelijk aangeven. — nc4ci, door drie punten in vieren verdeelen; alle drie steden moesten -pHN ■pro, het land in, niet aan de grens liggen, en wel zoo, dat de afstand van de noord-grens tot de eerste toevluchtstad, van de eerste tot de tweede, van de tweede tot de derde en van daar tot de zuid-grens gelijk was. Inderdaad zien wij Jos. 20 de steden zoo aangewezen en tevens alle drie. wat de breedte des lands betreft, ongeveer in net midden liggend. Hetzelfde geldt ook van de drie door Mozes in het transjordaansche aangewezen steden. — komt in de latere litteratuur (Mishna enz.) voor in den zin van ; in gelijke deelen verdeelen. Anderen; in drieën

ocr page 132

DEUTERON OMIUM XTX.

4 Doch dit is de zaak van den moordenaar, die, daarheen vluchtende, zijn leven behouden zal; wanneer hij zijnen naaste in onwetendheid verslagen heeft, terwijl hij hem niet vijandig was van

5 gisteren of eergisteren. Wie bijvoorbeeld met zijnen naaste in het woud komt, om hoornen te vellen, en zijne hand wordt gezwaaid met den bijl, om eenen boom af te houwen, en het ijzer wordt afgerukt van het hout, en treft zijnen naaste, zoodat deze sterft; zulk een zal, naar eene dezer steden vluchtende, in het

6 leven blijven. Opdat de bloedschuld-losser den moordenaar niet vervolge, terwijl zijn gemoed nog verhit is, en hem zou inhalen, doordien de weg te lang is, en hem zou doodslaan ; terwijl hij toch den dood niet verdiend heeft, daar hij

7 hem niet vijandig was van gisteren of eergisteren. Daarom

8 gebied ik u als volgt: drie steden zult gij u afzonderen. En wanneer de Eeuwige, uw God, uw gebied uitbreiden zal, gelijk Hij uwen vaderen toegezworen heeft, en u het geheele land geven zal, dat Hij uwen vaderen toegezegd heeft te geven;

9 Wanneer gij namelijk al deze geboden, die ik u heden gebied, in acht nemen zult, om ze uit te oefenen, door den Eeuwige, uwen God, te beminnen, en ten allen tijde in Zijne wegen te gaan ; dan zult gij u nog drie steden bij deze drie bijvoegen.

lü Opdat geen onschuldig bloed vergoten worde te midden van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u ten erfdeel geeft, en hierdoor bloedschuld op u komen zoude.

verdeden, wat dan nog niets over de ligging der toevluchtsteden in ieder dezer deelen zon aangeven; daarom m. i. onwaarschijnlijk. — Voj betee-kent hier in ieder geval weer: gebied. — ra-i Ss, iedere moordenaar, ook de opzettelijke, zoolang zijn vonnis niet is gewezen; ook deze mag eerst na rechterlijk vonnis gedood worden en voor zijne veiligheid dient gewaakt, totdat bewezen is, dat hij den dood schuldig is. Vgl. Num. 35,12.— Eerst het volgende vers behandelt de gevallen, waarin de vlucht naar de toevluchtstad den moordenaar het leven doet behouden.

4. njn ^gt;33. zonder weten, zonder wil om te dooden; vgl. nnï sSa, Num. 35,22; v. s. beteekent de hier gebruikte uitdrukking: ztmcfer een 2 opzet om wat ook, zelfs een dier, te dooden. —h urn ih, koestert geen ge vo el van haat tegen hem, den verslagene (Luzzaito). Vgl. Num. 35,21 en Ëx. 23,5.

s. njrs, in het woud, waar beiden met evenveel recht mogen komen. Geschiedt het feit bijv. op het erf van den moordenaar, waar de verslagene zonder diens toestemming niet mocht komen, dan treedt de wet niet in werking. — ;nJ3 it nm:i. Uit 20,19 blijkt, dat jiu ma beteekent: den bijl zwaaien; men kan hier twijfelen, of nr™ Niph'al of Pi'el is; m. i. spreekt het gebruik van den '3 bij pna meer voor het eerste, daar de Pi'el, evenals de Kal, wel den éden naamval zou regeeren. Men vertale dus; zijne hand wordt in onopzettelijke beweging gezwaaid m e t den bijl, de zwaai wordt onwillekeurig te krachtig. — -^ïn ;» Snan 'wji. Ook hier heerscht twijfel omtrent den vorm van 'joïi. V. s. is het Kal van bw, v. a. Niph'al van hhv. In het eerste geval moet vertaald worden; en het ijzer werpt af vanhet hout,

64

9

ocr page 133

tr no

invrnK ny ♦ni nQtr nihn 121 nn ■gt;

^ qquot; *quot; lt;vquot; v quot;: ATT T V,T J T v -: - •• it ; v:

NT ivto : D'trbu' ^bno ib Nim

t v -: I- ^ 1 ; • ^ j : • v. -»*• i .) : ^- - . . .

•^n nnp) inn IT nrnai b'VJ? ^bn1? 1^3 in^rnx -Vn div Nin noi in^rnN nïdi ^n-ro^nan

.)t aquot;t^ ^v.quot; quot; v JT t i t i v : - - lt;quot; t :

ni'^n nns4 onn^Na ernna : 'ni n^«n-Dnyn nnN'

- •• it^ -•quot;—. i- t- quot; i :* i v it t v v.quot; t 'IT v v- -

-iVi 1^33 mam -n-nn irt^m 133'? Bn» *3

i jquot; : vat jt • : i v^v- jv :• r : p T : - •• j-

rs-^ : ^ionD 11? Nin K:^ ab »3 niö-^stro '

I gt;•• 1 : • j : • gt;. •) ^quot; j • v t - : *

nirv 3,rn,_DN,i '.rh l?,i3n onjr vbv quot;ioN1? nivo

ct : quot;^ * : |it j-: - v. t jt a •• *. | : - : r it

-^rnx rp |n:i ^n3Kb ^3^: n^x3 ^arnK nivsn-^TK : Tn^nn1? 131 pNn°

t : * quot; t ^ v , .: * rco ' ,v quot;!^ j'\t v-v * jv '! ' vt t

nin'-nK n3nxl? brn -ir^o '3:x IE'K nn^vb nxfn

st : v t -: 1- : ~ P: - ; j it v -: t

ïp naD'l D'O'n-^ V3T13 n3l?i?T Til1?**

-* t _ j| : ^ t^ ; -it: a t- t ^.t t : • vjv t : | .)•„•

31^3 QI -]3^ xbquot;! : n-?«n v'ifn Lgt;v_ nn^1

n:?1 n1?^ ^ ic^ nr' ^viss

3 : a^oi

r t

waarbij dan p; zou slaan op den gevclden boom, waarvan door de kracht van den slag een stuk afspringt, xïoi en dit stuk hout treft en doodt (Rashbam), of v. a. en hij zcerpt het ijzer van het hout af, de houthakker veroorzaakt door de kracht van den slag. dat het ijzer van den stee/springt. In het tweede geval is ook nog plaats voor twee opvattingen : het ijzer wordt afyernkt van het hout, wat kan beteekenen : van den steel, waaraan het verbonden was, maar ook: van het te hakken hout, zoodat de bijl in zijn geheel, — wat zeer wel onder 'rrc kan worden verslaan, daar het'ijzer natuurlijk het hoofddeel is — door de kracht van den slag hem uit de hand schiet en, van het te hakken hout terugspringend, iemand treft. Beide opvattingen komen in den Tlialmoed voor. — im ••••dw sin, in tegenstelling met het vs. 11 en 12 besproken geval, waarin de vlucht hem niet helpt; vgl. onze aant. Num. 35,25, waaruit blijkt, dat ook dit definitieve verwezen worden naar eene toevluchtstad op rechterlijk vonnis moet berusten.

6. jg. Vs. 4 en 5 vormden een tusschenzin en ons vers sluit direct bij de voorschriften van vs. 3 aan.

8. Wanneer God u behalve het land der zeven volkeren, dat gij aanstonds in bezit zult nemen, ook het gebied der drie overige. Gen. 15,i9—21 genoemden gegeven zal hebben.

ocr page 134

DEUTERONOMIUM XIX.

11 Doch wanneer iemand zijnen naaste vijandig is, zoodat hij hem lagen legt, tegen hem opstaat, en hem aan het leven slaat, zoodat hij sterft, en hij vlucht naar eene dezer steden ;

12 Dan zullen de oudsten zijner stad heenzenden, en hem van daar laten halen, en hem in de hand van den hloedschuldlosser

13geven, dat hij sterve. üw oog zal hem niet sparen; en gij zult de bloedschuld voor den onschuldige uit Israël wegruimen,

14 en het zal u wel gaan. — Gij zult niet doen wijken de grens van uw naaste, die de vroegeren in uw erfdeel, dat gij erven zult, bepaald zullen hebben, in het land, dat de Eeuwige, uw

15 God, u geeft, om het in bezit te nemen. — Niet zal één getuige bestand hebben tegen een mensch met betrekking tot eenige misdaad of eenige zonde, bij welke zonde hij ook begaan moge hebben ; op verklaring van twee getuigen of op verklaring van drie getuigen zal een zaak bestand hebben.

16 Wanneer een gewelddadig getuige tegen iemand opstaat, om

17 tegen hem afwijking te verklaren ; Dan zullen de beide mannen.

11. Vs. 4 zegt, dat het vermoeden van onopzettelijken moord slechts bestaat, zoolang geen vijandige houding tusschen de beide betrokkenen bekend was. Is dit wel het geval, dan ligt het vermoeden van meer of minder opzet voor de hand; voor strafrechterlijke bestraffing is dit echter niet voldoende; daarvoor is noodig : lagen leggen, d. w. z. de bedoeling om dien persoon te dooden, en quot;ihs opi, moet de uitvoering bewezen zijn tegen het leven van den betrokkene te zijn gericht en ook, dat de slag doodelijk was en de dood het directe gevolg van den slag (vgl. Num. 35,16—18). Te bewijzen natuurlijk door getuigen. — dji, en hij i s gevlucht, wat, zooals Num. 35,12 is opgemerkt, regel was.

12. WJ? 'Jpt» doen later de oudsten zijner stad hem van daar terughalen, d. i. v. s. de rechtbank van de stad, waar de moordenaar icoonachtig is, of die van de plaats, binnen wier gebied de daad heeft plaats gehad. Onze tekst denkt dan aan het meest waarschijnlijke geval, dat de daad in de woonplaats des moordenaars is geschied. — ww enz. De rechter levert den moordenaar aan den hloedschuldlosser over, die als eerste aan het rechterlijk vonnis uitvoering geeft. Vgl. Num. 35,19.

13. ••pan Dl mjDI. niet: 'p:n mn. liet onschuldige bloed, waarbij men

dan om een zin te krijgen, moet denken; het vergieten van het onschuldige bloed, — maar: de bloedschuld wegens den onschuldige, die de moordenaar op zich heeft geladen. Sparen van den moordenaar ware niet sparen van menschenbloed, maar integendeel: onverschilligheid ten opzichte van onschuldig vergoten bloed.

14. Een wet over de onaantastbaarheid van eigendom, waarvoor de zorg mede aan het staatsgezag is opgedragen. — j'bn xS, van jdj, samenhangend met jc:, inhalen, bereiken, — beteekent; tot zich trekken van eens anders gebied, door in het geheim de grenspalen te verschuiven; v. a. van ;jd, zoodat JPBn = JDH. doen wijken. — ownt iSsj ipn, die de vroegeren bepaald

hebben, v. s. de eerste verdeelers des lands, die onder leiding van Josua ieder lid des volks zijn deel toewezen. Terwijl het verschuiven der grensschei-

65

ocr page 135

w no

inani Dp^ lb 31^1 n^n^-'Di ^

•-\v jt ' : r t^ |jt: - lt;t : •?.••• j- • y-: |- • ;

inp'?') ♦jpr : bxn onyn nnN-^K DJI nai *

j hit : ' -»••1: * : it : iquot; t j' t iv v' quot; v t; «s'-t

Dinn'N1? : n?3i otn TS in^ unji DU'a ^

I : \quot; j t 1 iquot;t ^t- jquot; •)quot;: ^ :it: at • v,

yQr\ NV D *: tp aiüi VKTB^D ♦psn-on mvai vby ■*

lt; ) it j t: • * l*)*t ~ ~ st : r at^t

r-iN43 bmn IB'K ^ quot;IEW Vias

i t^t - : • -••.• -: 1 :it-;r : a- r :it jv -: l'H iquot; ^ •• :

1% aip^N1? d : nnEh1? ^ nin; ra

«isn» -\wn n^én-^bi njr-^D1? -in»

at v:iv : v,quot; t : t - t : i quot;t t : • : tv

-'3 : i3-i üw onrn^ty IN any w 1 quot;=

r it t \jt v quot; 't : j- •) quot; jquot; : ■j'

D^Nn-'jtr no^i : mo 13 ni:^ ^^3 oan-n^ op»quot;

•j* t-; it •• : s : quot;tr: itt v a* ; ^t t iquot; ijt

dingen in liet algemeen en overal onder het begrip van too/ of diefstal valt, is het voor Palaestina nog eens in het bijzonder verboden en wordt over den dader Deut. 27,17 de vloek uitgesproken, gelijk over hem, die een der andere daar genoemde ernstige misdrijven begaat. Die eerste verdeeling toch moest ten eeuwigen dage in stand gehouden worden; zoodat het verschuiven dier grenzen, behalve berooving van den rechthebbende, ook eene loochening van Goddelijke leiding bij de inbezitneming des lands in zich sloot. Daarom het herhaaldelijk met nadruk wijzen op het land als door God toegewezen erfdeel.

15—20. De rechtscollegiën, die vergrijpen tegen leven of eigendom te berechten krijgen, mogen daarbij slechts vonnis wijzen op grond van verklaring van getuigen, omtrent wier karakter enz. hier enkele hoofdbepalingen volgen.

15. lt;3Y }{Sgt; zat n'el bestand hebben, voor het gerecht als toereikend aangenomen worden. — -in Dip', zal een zaak rechtskracht erlangen. — ui\S2, tegen een men sc h, om hem verantwoordelijk te stellen voor een JU1, opzettelijk begaan misdrijf, of nxert, een in dwaling begane zonde, (Lev. 16,21) is het getuigenis van één persoon niet rechtsgeldig — en wel Sm xen, in welke zonde ook, al zou het ook vermogensaangelegenheden betreffen ; — v. a. met welke straf voor zonde ook hij, die gezondigd heeft, gestraft zou moeten worden, al ware het slechts eene veroordeeling tot betaling. Dan is hier gezegd, dat zoowel in lijfstraffelijke, als in burgerrechterlijke zaken nooit de verklaring van één getuige als bewijs mag worden aangenomen. Anderen: één getuige zal niet van kracht zijn v o o r de bestraffing van eenige misdaad of zonde — ju1 en reran in den zin van: straf voor misdaad en zonde genomen — omtrent ivelke zonde, die hij begaan heeft, ook dit getuigenis zou loopen. — Onze plaats breidt de Num. 35,30 voorhals-zaken gegeven bepaling tot alle rechtszaken uit, vgl. Deut. 17,6. — nai, eene rechtszaak, vgl. Ex. 24,14.

16. pon -ij;.. een getuige van gewéld, v. s. getuige omtrent geweld = misdrijf, waarbij dan nog niets wordt gezegd over het al of niet ware zijner verklaring; v. a. getuige van geweld, iemand, die zijnrechtsgeschikt-hêid tot getuigenverklaring misbruikt tot het plegen van een gewelddaad

ocr page 136

DEUTERONOMIUM XIX. XX.

die het twistgeding hebben, vóór den Eeuwige staan, vóór de priesters en de rechters, die in die dagen zijn zullen.

18 Als dan de rechters nauwkeurig nagevorscht zullen hebben, en zie, de getuige is een valsch getuige, logen heeft hij ver-

I!)klaard tegen zijn broeder; Dan zult gij hem doen, gelijk hij gedacht heeft zijnen broeder te doen; en gij zult het kwade

20 uit uw midden wegruimen. De overigen zullen het hooren en vreezen, en niet meer doen gelijk deze slechte zaak in

21 uw midden. Uw oog zal niet sparen; persoon voor persoon, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.

1 Wanneer gij ten strijde zult uittrekken tegen uwen vijand, en gij ziet paarden en wagens, een volk, dat talrijker is dan gij, zult. gij niet voor hen vreezen; want de Eeuwige, uw God, is met u, Die u uit het land Egypte opgevoerd

tegen zijn naaste. — nr. Daar in het vorige vers aan de verklaring van één getuige alle rechtskracht is ontnomen, moet hier -ip beteekenen: getuigenis, evenals v. s. Ex. 20,16 e. a. p. Het geval is dus: twee getuigen staan tegenover iemand, dien zij beschuldigden van me, a/icijking van de wetten Gods; vgl. 13,6; hier niet: algeheele afval van God. De aangeklaagde bestrijdt dit. — De Thalmoed neemt aan, dat hier gedacht wordt aan getuigen, die verklaren als ooggetuigen bij het feit aanwezig te zijn geweest, terwijl blijkt, dat zij ten beweerden tijde zich elders bevonden. De feiten kunnen op zichzelve zich toegedragen hebben, zooals zij beweren, maar zij kunnen ze niet hebben waargenomen. Dit wordt o. a. opgemaakt uit de woorden van vs. 18: en zie, de getuige is een logengetuige, het getuigenis kan waar zijn — logen heeft hij verklaard, niet zijn verklaring, maar zijn als getuige optreden is onwaar. Sommigen zien dit reeds in mD aangeduid : de eerste voorwaarde voor waarheid ontbreekt, de aanwezigheid van den getuige te bedoelder plaatse en tijde, — het wijkt geheel en al af, is van den beginne af onwaar. — Deze onwaarheid kan naar den vs. 15 gegeven regel natuurlijk alleen door twee getuigen geconstateerd worden, zoodat dan tegenover de aanklagende getuigen twee anderen staan, uit wier verklaring de aanwezigheid der eerste getuigen op het aangegeven oogenblik op een andere plaats blijkt, dan waar het beweerde feit zou hebben plaats gehad. — Anderen denken hier aan één getuige. Hoewel deze geen rechtskrachtige verklaring kan afleggen, moet toch zijne verklaring onderzocht worden. Dan zonden alleen de gevolgen zijner valsche verklaring voor hemzelve zijn behandeld, die hem soms de doodstraf kan op den hals halen, — terwijl zijn ware verklaring zonder eenige rechtskracht is.

17. DTJiVn -w. In de laatst gegeven opvatting: de eene getuige en de door hem aangeklaagde; in de Thaltnoedische opvatting : de tvee getuigen, wier optreden vanzelve ondersteld wordt, mn arh ibx, die de twistzaak opgenomen hehhen door de tegenverklaring; gij waart te gezegden tijd niet daar ter plaatse, maar met ons elders. — 'n ijb1?, v. s. behoort ditbijyin, die de twistzaak voor God hébhen opgenomen; als zonen des volks komen zij ter eere Gods voor de waarheid op; v. a. behoort het bij nnjn en is de zin: zij zullen zich plaatsen vóór God, in Wiens naam de rechtspraak geschiedt, dus: voor de priesters en de rechters enz. In beide opvattingen komt

66

ocr page 137

3 w ID

wx tfttoni b^rian nin» ann

^ jv ^-: •:•gt;-: • -: i - lt;•• : • at : •quot;• : * v.quot; t jv t v -;

npiriy nani an'-n o^sirn i^-ni : onn d^O'S vn^

Ivv 1quot; lt;quot; • : ftquot; quot; ^' : i ' j : it: iquot; t y t - v,.:'*

nity^b DDT Dn,^i : rnK3 r\:y -iptr n^n

•» ^jiquot; v.-T jv -: i- v -»• ^zr I* T : jt't l'-v* *• t

1^0^ onN^arn ; ïianpQ vn^1?3

at': ^-» : : • v.-t : • - : |iv :)• • ^ v.tt jt . i* ^ a* t :

n1?! : ?]3ip3 ntn jnn nana «

. j : Iiv :l • : v.*-*- ^ ott^ ^ jt t - i :

San T3 t |^3 jir Eteia trs: Dinn

aani DID nwi nón1?»1? D : «

v vt lt; ^ t • ^ t :i^ I v : I - t t: • - .......vit:

Tjè^ nirr'i dhq NTH xb ^op a1! D^

de zaak voor de plaatselijke rechtbank van 23 leden, niet voor het groote Synhedrion van 71.

19. DOI. heramen. Naar den Thalmoed worden de getuigen, wier alibi ten tijde, dat zij beweren een feit gezien te hebben, wordt bewezen, zoo mogelijk door dezelfde straf getroffen, die hunne verklaring, indien aan-

fenomen, voor den aangeklaagdeenomen, voor den aangeklaagde zou ten gevolge gehad hebben, ont, zij

adden het nog slechts beraamd. Is het vonnis echter reeds voltrokken, dan vallen zij slechts onder de gewone wet voor valsche getuigen.

20. Ook dit vonnis moet openlijk worden afgekondigd. (Vgl. 17,8—13 ; 13,7—12 en 21,18—21).

21. Zoowel Ex. 21,23—25 als Lev. 24,20, waar de rechtsgevolgen van werkelijk toegebracht nadeel worden behandeld, staat vbi jinSl VB3 enz. vervanging, die, zooals t. a. p. uiteengezet, bij lichamelijk letsel in geldelijke vergoeding bestaat. Hier staat het algemeenere daar hier niet van werkelijk toegebrachte, maar slechts van toegedachte schade sprake is. Het is dan : üsaa bb:, lijfstraf voor lijfstraf; en verder beweerde schade aan oog enz. te vergoeden door betaling van oog enz.

Hoofdstuk XX. Oorlogswetten, vooral voor den koning en de vertegenwoordigers van het staatsgezag van beteekenis.

i.. nonSob N'^n De Thalmoed kent twee soorten vau oorlogen; verplichte oorlog, die op Gods bevel wordt ondernomen, zooals de verovering van het Heilige Land of die dient tot verdediging tegen een vijandelijken aanval, — en vrijwillige oorlog, waaronder zelfs een strijd wordt gerekend, ondernomen ter voorkoming van een aanval van buiten. Voor deze laatste soort was een besluit van het hooggerechtshof noodig. Uit de bewoordingen van ons vers: wanneer gij uittrekt uit uw land tegen uwen vijand, maken sommigen op, dat hier van zulk een vrijrcilligen oorlog sprake is; het zou dan een aanvallende, geen verdedigings-oorlog zijn; Num. 10,9 wordt immers voor den strijd tegen den in het land doorgedrongen vijand de uitdrukking nanS» isan '3 gebruikt. Dat niet aan den eersten veroveringsoorlog gedacht wordt, blijkt uit vs. 5—7, waar bezit van huizen en wijngaarden wordt verondersteld. — 33*11 DID is één groep: paarden en reagens,

cavallerie en strijdwagens, waarin de hoofdmacht van Egypte, Phüistij-nen en Syriers bestond en die steeds de zwakke zijde van de legers

ocr page 138

DEUTERONOM1UM XX.

2heeft. Nu zal het zijn: Wanneer gij nadert tot den strijd, zal de priester naar voren treden en het volk toespreken.

3Hij zal tot hen zeggen: „Hoor, Israël! gij nadert heden ten strijde tegen uwe vijanden ; Iaat uw hart niet week worden ; vreest niet, weest niet overijld, en weest niet verschrikt voor

4 hen. quot;Want de Eeuwige, uw God, is het, Die met u trekt om tegen uwe vijanden voor u te strijden, teneinde u te doen

5 overwinnen.quot; Doch de ambtlieden zullen tot het volk ge-.-sproken hebben, als volgt: «Is er soms een man, die een nieuw huis gebouwd en het nog niet ingewijd heeft, hij ga heen en keere naar zijn huis terug; opdat hi j niet sterve in

6 den oorlog, en een ander man het inwijde. En is er een man, die eenen wijngaard geplant en hem nog niet als ongewijd genoten heeft, hij ga heen en keere naar zijn huis terug ; opdat hij niet sterve in den oorlog, en een ander man hem

7 als ongewijd geniete. En is er een man, die zich eene vrouw verloofd heeft en haar nog niet gehuwd heeft, hij ga heen en keere naar zijn huis terug; opdat hij niet sterve in den oorlog.

der Israëlieten vormden; gij ziet dus tegenover u een leger, dat veel beter ten strijde toegerust is, dan het uwe. — ■pn ai cr, een in getalsterkte u overtreffenden vijand, — twee redenen dus om bevreesd te worden. — iSyon, die u uit E gijp te, het veel talrijker volk met zijn talrijke paarden en wagens, heeft uitgevoerd en heeft opgevoerd naar Paiaestina.

2. nonSon Sn oaanpa, als gij nadert ten strijde, v. s. als het leger bijeen komt om uit te trekken ; v. a. op het oogenblik, waarop gij in het gezicht van den vijand staat, gereed om den veldslag te beginnen. Vs. 1 heeft ons reeds gesproken van Israël in het gezicht van den vijand ; daarom is de laatste opvatting aannemelijker, vooral ook omdat de hier vermelde toespraak direct aansluit bij vs. 1. De maatregelen van vs. 5 v.v. laten zich echter niet goed denken als op het laatste oogenblik vóór den strijd genomen. Inderdaad neemt de Thalmoed dan ook aan, dat de toespraak vs. 2 v.v. in het gezicht van den strijd wordt gehouden; terwijl die van vs. 5 v.v. vroeger plaats vindt, hetzij aan de grens van het land of bij de eerste monstering des legers. Anderen meenen, dat ook de hier bedoelde toespraak tot het pas bijeengebrachte leger gehouden wordt; —waartegen o. a. spreekt, dat een dergelijke aanmoediging voor de personen, die straks op grond der te noemen redenen van vrijstelling naar huis zullen terngkeeren, weinig zin heeft. — jron, de priester, v. s. de hoogepriester; v. a. de nnn1?» nwi:, de speciaal tot begeleiding des legers gezalfde cr/esto-, die v. s. Num. 31,6 sox1? jron wordt genoemd : vgl. onze aant. aldaar. — DD?-)i73 = 0331^3' het is een Kal, geen Pi'el. Niettemin is de eerste

kamets lang, daar hij door de wijziging van den vorm in open lettergreep staat.

3. pnS» izm de volgende woorden onveranderd, in het Hebreenwsch.— VEnn *7X1, handelt niet overijld, verliest uw gezond verstand niet uit angst.

4- ypinS.. om u de overwinning te verschaffen; nncquot; en nïwn beteekenen soms eenvoudig: overwinning, vgl. I Sam. 14,4:5; II Kon. 5,1.

67

ocr page 139

D ttïSfiP TD

rrün nonban-SK D33quot;ip3 n'^ni : onxo pKö =

kquot; quot; s att; • - v : tiit: tt: • it : • | vjv ••

a^np DDK 'jKïtP» ynv arha quot;IQNI : D^n-bx lanij

j. ..): ... - •• t: • ^ j- ; v •• -: lt;- t : itt v jv • ;

ddm1? Ti-rbK nanSa1? Di'n

DDöy ^nn nin» »3 : dh^öd iïnjrnquot;7Ki iTann1

av t kquot; i- v •• i v: •'t : •lt; iv quot;: * v • «quot; quot; : •) : : -

□nü'^n i-Q-n : DDn« DD^N'D^ DD1? Dn-jn1?quot;

• : i - ^ ■» ; •: iv : v y ^ : v.**^ •• : i •)••• t jquot;t • •.

ifjjn xbi agt;nn--n^ nas -i^K tr'Nn-'ö DyrrVtf

t -: -• : tt -1- lt;t t v quot;!gt; •tl* quot; 'jtt . v

: laDjn» twi nanbas mans Tp»

iv ; ; - v,quot; quot; j' : t t t : ^ ^ t i v quot; : ^ T: kquot;quot;

-?3 in^b a'Kh rh' i^bn xbi ma ya: im ty^n-^ai1

I v fgt; t: Kquot;quot; : • : vv ^ j-t v -ï • t^ r

vm ~\wi* ï5gt;»Kn-»ai : isbbn» im nanbaa niD''

lt;-•• /•• -J '^t r iv ; -; v.quot; quot; j' : t t ; • - ^ t

nan^aa nia,_?ö in^b ■nS* nnp1? n^N

j* ; t t ; • - t I v a •• : j t: | tIt : •» ; r •

5. Zie vs. 2. — cnn n'a n:3, die een nieuw huis gebouwd heeft; na kan ook herbouwen of herstellen beteekenen ; tnn is dus niet overtollig. Bij de hier gegeven vrijstellingen is het niet aan den wil der betrokkenen overgelaten er al of niet gebruik van te maken; o. i. spreekt de jussiefvorm nol i1?' reeds voor een vievel — zij mochten niet mede ten strijde trekken, maar moesten naar den Thalmoed de zorg voor de proviandeering enz. op zich nemen. — -pn, in gebruik nemen, aan zijn bestemming overgeven.

6. iSbn kSi, en er niet als ongewijd van heeft gebruikt, d. w. z. na verloop der 'Orla-jaren ervan heeft mogen genieten, door de vruchten van het vierde jaar of, na lossing ervan, de waarde, in Jerusalem te verteren, (vgl. Lev. 19,23 v.v.) om die van volgende jaren geheel als vrijen eigendom te mogen gebruiken. — SSn beteekent: ontwijden, voor ongewijd houden, als ongewijd gebruiken. — 013, meer in het bijzonder: wijngaard, tegenover jsj, een enkele wijn stok, wordt ook voor aanplantingen van andere vruchtboomen gebezigd; vgl. Recht. 15,5.

7. tJn}{gt; verloven, is door een bindend formulier eene vrouw voor zich bestemmen, porpx door jTiTp. De huwelijksband is dan onverbreekbaar, behalve door echtscheiding. Huwelijksgemeenschap bestaat echter nog niet; de vrouw blijft deel uitmaken van het gezin haars vaders. Eerst eenigen tijd later, naar de Mishna; een jaar, heeft het eigenlijke huwelijk plaats, het nemen der vrouw in het huis van den man, j'NWi of prnpb, — wat hier npS. tot vrouw nemen, door echtelijke gemeenschap, heet. Deut. 24,5 wordt bepaald, dat, wie eene vrouw genomen heeft, d. i. dus het huwelijk heeft gesloten, een jaar lang van alle diensten, ook van proviandeering enz. vrij is; de Thalmoed breidt de daar gegeven bepaling ook uit tot hem, die een nieuw huis betrokken heeft en die begonnen is een nieuw-geplanten wijngaard als ongewijd te gebruiken. Huis, landbouwplanting, huwelijk, worden hier als grond voor vrijstelling van krijgdienst aangegeven. Deut. 28,30 worden juist de drie momenten, ter wier vermijding hier die vrijstelling wordt verleend, onder de straffen voor afval genoemd. — Zooals reeds opgemerkt, zijn deze vrijstellingen imperatieƒ, niet facultatief.

ocr page 140

DEUTERONOMIUM XX

8 en een ander man haar huwe.quot; De ambtlieden zullen dan opnieuw tot het volk spreken, en zeggen: «Is er soms een man, die bevreesd is en week van hart ? hij ga heen en keere naar zijn huis terug; opdat het hart zijner broederen

9 niet smelte, gelijk zijn hart.quot; Als de ambtlieden zullen ge-eindigd hebben tot het volk te spreken, dan zullen de oversten der scharen het bevel aanvaarden aan het hoofd des volks. —

10 Wanneer gij tot eene stad naderen zult om haar te beoorlogen, •

11 dan zult gij haar eerst aanbiedingen tot vrede toeroepen. Dan zal het zijn : Indien zij u tot vrede antwoordt en zich voor u opent, dan zal het zijn: Al het volk, dat er in gevonden

12 wordt, zal u heerendienstplichtig zijn en u dienen. Doch als zij niet vrede met u sluit, maar met u oorlog voert, en gij

13 haar belegert; En de Eeuwige, uw God, haar in uwe macht zal geven, dan zult gij al hare volwassen manspersonen door

14 de scherpte van het zwaard verslaan. Slechts de vrouwen, de kinderen, het vee, en al wat in de stad zal zijn, al haren buit, moogt gij voor u plunderen; en gij zult genieten den buit uwer vijanden, dien de Eeuwige, uw God, u

15 geven zal. Zoo zult gij doen met al de steden, die zeer ver

16 van u zijn, die niet zijn van de steden dezer natiën. Doch uit de steden dezer volkeren, die de Eeuwige, uw God, u ten erfdeel geeft, zult gij geene ziel in het leven laten.

8. Als nu de in de vorige verzen bedoelde personen de rijen des legers hebben verlaten, spreken de ambtlieden opnieuw, enz. — nth, wie hang is, wien het aan moed, quot;pi en standvastigheid ontbreekt. — QQ', is toekomende tijd van Niph'al: opdat het hart zijner broeders niet smelte, met. tin bij het onderwerp, als Gen. 17,5 e. a. p.

9. npfll- v. s. dan zullen de hoofden der legerscharen het volk monsteren, waarbij men echter üsi jw, niet twa zou verwachten; v. a. dan zal men, of zullen zij, de ambtlieden, legeroversten aanstellen aan het hoofd des volks, waarvoor men n*pani zou verwachten. Mendelssohn : dan zullen de hoofden der scharen monster en, zich plaatsend aan het hoofd des volks. N. a. dan zullen de hoofden der scharen, de divisiecommandanten, het bevel aanvaarden aan het hoofd des volks.

10—18. Beleg en verovering van steden, waarbij eerst vrede moet worden aangeboden. Deze wet geldt ook de steden in Palaestina, echter slechts onder voorwaarde van aanvaarding der zeven Noachidische plichten. (Vgl. onze aant. vs. 15). Zoo wordt dan ook Jos. 11,19 uitdrukkelijk geconstateerd, dat behalve Gib'on geene der Palaestinensische steden vrede wilde aannemen tegenover Israël. — ohvh wSs nsopi, dan zidt gij haar toeroepen tot vrede, haar tot vreedzame overgave en onderwerping uitnoodigen.

11- -pyn DiSr Dffgt; ah zij u vrede antwoordt, een antwoord geeft, dat tot vrede leidt; -jS nnnsi en u hare poorten opent. — yrari mh Y? ivr», zullen u tot heerendienstplichtigen zijn en u dienen, één begrip in twee woorden uitgedrukt; zullen u als heerendienstplichtigen dienen; v. a. zullen u

68

ocr page 141

n no

-'ö liüNi byrr^K lanb an^n : rmpquot; *inxn

i* : it : 't t v jquot; - ; • : i - ^ :it: ^ tivIt* v,quot; ~

anb-nx D,^ NVI in^nb atyn ■qS» •nm nth ipwn

j- : v •)-• j : a •• : j t : ) v.quot;quot; tquot; - | j-: quot;t- «• t

npfii D^n-^N -n-b Dniiirn n-JDa n^m : inn^ vnxc

.)l: it ^«tt v jquot; -; v,* : ' quot; j ~ : ot t : it:* it v

3ipn-^ D * : D^n vxn ni«3ï nt^'

^. .. ^j-l: . ,. 'it r j : v. t ; ^ j-t

Dib^'DK Vrm : ai1?^ n^K nNnpi rrby Dnbn1? ^

j t t t : it; t v.v •• t jt't: t av^t ^quot;t * :

do1? nV rn» nrxïDan d^h-Vd n^'m nnnai

v.- t o i: j : i* t t : * - r'tt. t t ; i at ^.t : it i 1-

rmi nonVa ^irsy nn'^i quot;nsp a^n N^-dni : ^nn^i

\.r : - : at t : • k.) '.• jt : tt: | r^- • : - « * : i 1 t^ji-

nninrbs-nN n^m n^ribx nin» n:n:!i : *

■: T ,v quot;9 ': ' 1 ^ V: JT :P. ■,TPT : T '■• T

-73 quot;1^3 quot;ityx 731 nonam n-isni D^3n pquot;i : mn ^

t •)• t r.*: i* v -; ; t ; I - - : * t - I vit

nin» rn: ^yn ^irnx rh rbn

jt : I -r t jquot; —. I v: i ; v ^ t ; - it : | at j t v.t t :

iNp ^]ap n^hnn Dn^n-1?^ n'B^n |3 *: ^ ^ri^Kic n-j^jn b^s^n n^o pn : nan nbxn-D^ian n^Q-N5? new ra

V quot; t it *•• tquot; iquot; i quot; t iquot; v v.quot; t * 1 t ,m ^ •gt;'* quot;:

: riD^rba nnn k1? nbn: nb in: nin* ntrN

it t : t v'-* ~ : J at-:i- vl; 1 jquot; I v v: •'t : v -j

schattingplichtig zijn en voor u zekere slavendiensten verrichten. — Dïn 'm, a l het volk, ook de mannen; v. a. zelfs als er Kena'anieten in een buitenlandsche stad mochten zijn.

12. rrSr rmi. vatten wij op als nog afhankelijk van nxi in het begin van ons vers. Anderen : dan zult, moet gij haar belegeren, als plicht.

13. Slechts de weerbare manschap moet gedood, de vrouwenj de kinderen, het vee en de roerende goederen gespaard worden.

14. nbaja gij kunt tot uw levensonderhoud verter-en, genieten. — iivn kan op Vw zoowel, als op -paw slaan. Het gebruik van Y? jn: ics, en niet 1T2, maakt het eerste waarschijnlijker; dus: dien gegeven heeft, — niet: die.

15. 7WVT\ p, zoo, dat gij na verovering alleen de manschappen doodt en de overige bevolking in het leven laat, zult gij doen enz. Van de bevolking der Kena'anietische steden echter, die, na tot vrede uitgenoodigd te zijn, u tot den strijd noodzaken, moogt gij geen ziel laten leven (vs. 16). Zoo de Thalmoed, Naoiim., Mendelssohn e. a. Vgl. ook Num. 21,21 en de bovenaangehaalde plaats. Anderen verklaren, dat ons vers op de ge-heele voorafgaande passage als tegenstelling betrekking heeft, zoodat zonder meer algeheele uitroeiing van alle Kena'anieten zou zijn voorgeschreven. — is» i»n nprnn, die zeer ver van u verwijderd zijn, zoo ver buiten uwe grenzen liggen, dat gij zeker weet, dat het geene nederzettingen van deze volkeren zijn.

16. Over Dinn zie Lev. 27,28.

ocr page 142

DEUTERONOMIUM XX, XXI.

17 Maar gij zult hen alle tot ban maken : de Chittieten, de Emo-rieten, de Kena'anieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jeboesieten, gelijk de Eeuwige, uw God, u geboden heeft.

18 Opdat zij u niet leeren te doen gelijk al hunne gruwelen, die zij ter eere hunner goden gedaan hebben, waardoor gij zondigen

19 zoudt tegen den Eeuwige, uwen God. — Wanneer gij eene stad langen tijd belegeren zult, haar beoorlogende om haar in te nemen, zult gij haar geboomte niet bederven, door den bijl daar tegen te zwaaien ; want daarvan zult gij eten, doch het niet vellen; — want is dan een menseh het geboomte des velds, dat het voor u in het beleg zou worden betrokken ?

20 Doch een boom, waarvan gij weet, dat het geen boom is, die eetbare vrucht draagt, dien moogt gij bederven en vellen, ten einde een bolwerk tegen de stad te bouwen, die tegen u strijd voert, totdat zij bezwijkt.

1 Wanneer een verslagene gevonden wordt op den bodem, dien de Eeuwige, uw God. u geeft, om hem in bezit te nemen, gevallen op het veld, zonder dat bekend geworden is wie hem verslagen

2 heeft; Dan zullen uwe oudsten en uwe rechters uitgaan, en meten

17. Ook hier worden de GirgasMeten niet genoemd; vgl. onze aant. Ex. 23,23.

18. Uit de omstandigheid, dat als argument wordt opgegeven de vrees, dat deze volkeren Israël hun heidensche zeden zouden leeren, maakt de Thalmoed op, dat, zoo zij deze opgeven en zich dus aan de Noachidische plichten onderwerpen, men ze wel mag sparen. (Vgl. vs. 10).

19. Hoe lang ook liet beleg moge duren, moogt gij, om het te bekorten, geen vruchtboom vellen. Dat onder nïr hier vruchthoomen verstaan moeten worden, blijkt uit Sssn iw» o en uit de tegenstelling in vs.20. —mans1?, gij moogt niet verwoestend den bijl ertegen zwaaien, maar moet ze tot voeding in stand houden. — Vandaar het algemeene voorschrift eenig vruchtge-boomte te vellen; wat zells tegenover den vijand verboden is, is, zooals vanzelve spreekt, in het gewone leven, waar niet zulk een gewichtige reden ervoor zou bestaan, zeker verboden. — mBTI quot;J/ DlJCn quot;D. De 'n

van oisn is een vragende, die meermalen met Kamets voorkomt; vgl. Gen. 17,17, waar hij een Pathach heeft door Dagesh gevolgd, die vóór een keelletter Kamets wordt ; zoo ook v. s. Gen. 19.9. De vragende 'n na ■O vinden wij ook o. a. Gen. 50,19. Dat het onderwerp van twee zoodanig verbonden uitdrukkingen in den eersten naamval niet vooraan behoeft te staan, bewijst o. a. Num. 23,19. — Onderwerp is men pj en de zin is; al streeft gij naar het verderf der menschen in de stad, spaar het geboomte, want is dan het geboomte een mensch, dat het mede in het beleg, door u geslagen, betrokken zou worden '!■ of: dat het uit vrees v o or u zich binnen den belegerden kring zou moeten terugtrekken. Ibn 'Ezra e. a.: icant het geboomte des velds is levensvoorwaarde voor den mensch, msn = Dtsn quot;n, vgl. bijv. üeut. 24,6, waar de molensteenen, die de mensch voor zijn onderhoud noodig heeft, t'SJ genoemd worden; — zoodat zi) door u in het beleg Korden betrokken en een deel vormen van wat gij wilt veroveren. Anderen : gij moogt er wel van eten, — want des menschen levensonderhoud is het

69

ocr page 143

to 3 t2d

♦d'fl'ni ♦inn vhani ♦avaarrnokni ^nnn oónnn dinrraquot;

rt- • •; - : ^ ^:r : - * v:it : «• • i- quot; •

bons4 mav-x1? j^ó1? : nin; ^

nin^ on^üni wy nrx onb^in vaa ni^1?

jt iquot; v.v t^l- av ^ quot; lq h t t '

onbn1? d*3i niïn-^ d : dd*n7k ^

squot; t ■ ; ^ - ' t ^ ** ■* t '' '** quot; 1 v:

♦3 rha vbv nx^-nn rvntyn-k1? n'ibanb

•lt; lv :- t t - lt;: • t •• v lt;• : quot; i t ; t ; t -jv't

n31? nityn w bikn '3 nnan n1? inxi ^kn laao

t vt ~ i ttit lt;• rt : • -• ^ : quot; -••.••

nin ^dno '^n1? ^ rtfptjw '(%■ p^- : n1v^ t^d 3 n't^v «irrib'k quot;iiifö mdi n^n^n inx

ST ^ v -: r. r T T j. T T ATT : V : quot; -gt;

3 : nnni. non^p g

nn^-iv^ |n: ^ribx nw ntrk hd-ini b^n nifdpsquot; jjs \moitoï •' insn 'q yni: k1? m^a

:it i av : i : Kvlquot;: ,» :it : it • y ^ kt j avt - v.quot;

geboomte des velds, — doch moogt hem niet afhouwen, zoodat het voor u in het belegeringswerktuig loordt opgenomen.

20. Niet alleen een boom, wiens soort geen vruchtboom is, maar ook een vruchtboom, waarvan gij weet, dat hij geen eetbare vrucht meer draagt,

door ouderdom of verzwakking, moogt gij vellen. —nxn beteekent: fteZef/, belegerde stad, en belegeringsmiddel-, hier het laatste. — nrm ir, tot zij neerdaalt van hare hoogte; vgl. 28,52, natuurlijk van nr, niet van mi, wat dan zou beteekenen ; totdat gij haar bedwongen hebt.

hoofdstuk xxi. 1—9. Volgens ibgt;- 'ezra vormt dit stuk in zekeren zin eene tegenstelling tot het vorige, waar van oorlog sprake is; en behandelt het geval, dat iemand vermoord wordt gevonden als slachtoffer van persoonlijken haat. V. a. hangt het met de geheele voorafgaande groep van wetten betreffende de staatsmachten in zooverre samen, dat een geval behandeld wordt, waarin de autoriteiten zich openlijk hebben te zuiveren van den blaam, hun plicht niet naar behooren te hebben vervuld, als gevolg waarvan een menschenleven zou zijn verloren.

1- ü'iiy 'D» wanneer toevallig gevonden icordt-, hieruit maakt de Thal-moedische traditie op, dat er sprake is van vredestijd, waarin zulk een geval uitzondering is. — VSn, een doorboorde, door verwonding gestorvene; Sbnbe-teekent niet algemeen : een gestorvene, wat hier ook uit de uitdrukking iron op het einde van ons vers blijkt. — n»TX3, op den bodem, vrij, onver-borgen liggend, op het veld, niet bijv. in het water, alles omstandigheden, die erop' wijzen, dat de dader geen oogenblik eraan dacht zijne daad te verbergen, — terwijl de verwonding de gedachte aan zelfmoord schijnt uit te sluiten. — nu s1?, het gebruik van X7 en de Pathach onder de 'n geven duidelijk aan, dat ïtij geen deelwoord, maar verleden tijd is: zonder dat men heeft kunnen te roeten komen.

2. quot;ptaitjm quot;pipi. Naar ibn 'ezra; de oudsten en rechters der omliggende steden; naar den Thalmoed: uwe, der natie oudsten en rechters, drie of

ocr page 144

DEUTERONOMIUM XXI.

3 naar de steden, die rondom den verslagene zijn. Nu zal het zijn: De stad, die het naaste bij den verslagene zijn zal, — dan zullen de oudsten van die stad een runderkalf nemen, waarmede nog niet gewerkt is, dat nog aan geen juk ge-

4 trokken heeft. De oudsten dier stad zullen het kalf naar een hard dal afvoeren, dat niet bewerkt noch bezaaid mag worden, en zij zullen daar het kalf door nekslag dooden, in

5 het dal. Dan zullen de priesters, zonen van Levie, naderen; ' (want hen heeft de Eeuwige, uw God, uitverkoren, om Zijn dienst te verrichten, en in den naam des Eeuwigen den zegen uit te spreken, en naar hunne uitspraak wordt elke twistzaak en

6 elke plaag beslist;) En al de oudsten dezer stad, die de naasten bij den verslagene zijn, zullen hunne handen wasschen boven het

7 kalf, dat in het dal door nekslag is gedood. En zij zullen aanheffen en zeggen : «Onze handen hebben dit bloed niet vergoten,

8 en onze oogen hebben het niet gezien! Vergeef Uw volk Israël, dat Gij verlost hebt. Eeuwige! en laat niet de schuld voor onschuldig vergoten bloed rusten te midden van Uw volk Israël!quot;

vijf leden van het hoogste rechtscollegie, dat het geheele volk vertegenwoordigt, het Synhedrion. — ffnrn Sn' mal, en zullen den afstand meten naar de steden. — fOOD quot;wse, die den omtrek van den verslagene vormen, de steden dus, die men van af de plaats, waar het lijk ligt, in alle richtingen het eerst bereikt. Stilzwijgend wordt in ieder dier steden de aanwezigheid van een rechtscollegie verondersteld (vs. 3 en 6.)

3. rPm enz. De met nvn begonnen zin wordt afgebroken en in andere constructie met mpSi enz. voortgezet. — ijpi, de leden van het plaatselijke rechtscollegie, dat uit 23 leden bestond. — ipa rhxs, een runderkalf, onder de twee jaar. Vgl. Lev. 9,2. — na nas «S waarmede geen werk is verricht, bijv. als lastdier. — Sra nap» sb ifx, dat aan geen juk getrokken heeft, als ploeg of trekdier (vgl. Num. 19,2).

4. Sm. kan, zooals wij meermalen zagen, zoowel: stroom, als: stroombed ding, dal, beteekenen. Hier staan twee meeningen tegenover elkander ; sommigen, o. a. Maimonides, verklaren; stroom en pis, sterk, krachtig stroomend, die zelfs in den zomer niet droog wordt, ia nar' nS ipn enz. laten zij dan op de oevers slaan, waar het dan ook in het vervolg verboden zou zijn te planten of te werken, — of wel men verklaart het als beschrijving ; een zoo krachtige stroom, dat zijne bedding niet bewerkt wordt. (Vgl. Ps. 74,15 en 'Amos 5,24). Anderen verklaren ook hier: struombedding, dal, jrw, hard, sterk, in zijn oorspronkelijken toestand (Ex. 14,27), steenachtig; ia nay to ion, dat dan in het vervolg nooit bewerkt of bezaaid mag worden, of v. a. dat niet bewerkt wordt, omdat het te steenachtig is (vgl. Num. 24,21; Miecha 6,2). Voor de eerste verklaring beroepen sommigen zich oj) de analogie van Dent. 9,21, en op de slotwoorden van vs. 6, waar echter niet staat, dat zij zich i n de beek wasschen moesten (vgl. Luzzatxo). De woorden ia nap N'S ito schijnen mij meer voor de laatste opvatting te spreken. — isin, door nekslag dooden, niet slachten, daar er geen zoenoffer gebracht wordt.

70

ocr page 145

«3 jr

-Vk nn'ipn n'nt : bbnn nb^D quot;it^N on^rrbNj

v ^ vr I: - t •jt t t it t iv^ j ^ v,quot; quot;! ^ '^r jv

ni quot;i^ ipa nbav Kinn Tyn 'Jpr inp^i ^nn

^ T - ^s. I lt;•••-: I^tt ^ -•- '.'! ^ * - ^ t ••!;• I :it : at t iv

n^n-n^NinnTvn ^pr nnini : bjra natro-K1? nu'Ni

t it v lt;• - • t •*1: * * : \ ; ^t ;# it -»v -:

quot;dk ynr rtbi ia quot;II^K rn»K bnr^K

)T :Tt: a^'T* ■» : ^ y rxquot; ■»••• -* I T •• --•-

nin» nna aS »3 »33 D^ri3n i^aii : Vrw quot;

lt;T : - T T -*• ... J.. ; . -J , - J . . . ■ IT - ^ V.T^.'V IT

3n_1?3 nin' Dt^s irntf1?

lïnT bbnn-^K D^npn «inn i^n npr : pr^si1

-I :* at t iv v v* t ••!:• ; ^ -it t :

m iidmi i3^i *: 17n33 nan^n Dnn'-nx gt; §

••T qA : IT ; v.^quot;: -it- jt IT ^T X'VIT ^ v *': v f-

133 : inquot;i xb wrp ntn onn-riN n3fiB' ^

... i t ^ ^ : v - ^ ^ v \ : it lt; CJ.

bKiir» 3quot;ip3 'pa Di rnrr'jK'i nin» nnrn^M tl

«•• t: • -quot;l : quot;■ vil»: !• t jt I ■• • - : t : t -t v -j «•• t: ■ ^

5. De geheele handeling van vs. 6 en 7 geschiedt in tegenwoordigheid der priesters, die naar de traditie de vs. 8 gegeven formule uitspreken. 02 '3 enz. want zij zijn in dm tempel aangewezen tot de verrichting van den dienst en het uitspreken van den zegen — en hebben daar huiten te beslissen W3 Ssi an (zie Deut 17,8) twistzaak en plaag, d. w. z. twijfelachtige vraag in het practische leven en de beslissing over rein en onrein bij melaatschheid, — of v. a. twistzaak en kneuzing, geldquaesties en geschillen over toegebrachte verwondingen.

6. ISITV» zu^en wasschen met water; rhivn Sï, over of bij het lichaam van het kalf. — Wi behoort bij nBiirn. Anderen verklaren : zullen hunne handen wasschen i n de beek, bij het kalf. Het dooden van het kalf zal toch wel niet in het water zijn geschied; vandaar dat ik deze verklaring minder waarschijnlijk acht. (Vgl. echter Maimonldes j'Vn -n rm-i 'Vi).

7. rofiy U'T» onze handen hebben het bloed niet vergoten, wij hebben direct noch indirect, bijv. door zorgeloosheid in de bewaking der wegen, schuld aan den moord. — ixi nS wpi, onze oogen hebben het niet gezien, wij hebben niet het minste vermoeden omtrent den schuldige. — Onderwerp van rmxi «ri zijn de beide vroeger genoemde groepen: oudsten en priesters; naar de traditie zeggen de eersten de woorden van ons vers, de laatsten die van vs. 8. Sommigen verklaren daarom lijn: zij zullen bij afwisseling spreken. — rostf, de Kethieb iipStf vat wt als collectief, dus enkelvoud

op; de Kerie 13BP als meervoud.

8. ipj m jnn Ski en laat niet rusten de schuld, straf voor onschuldig bloed enz., of v. a. en laat voortaan niet toe, dat onschuldig bloed vergoten worde enz., dat nogmaals zulk een misdaad voorkome. — iE3:i = nsarui, een lijdende vorm van Hithpa'el of een gemengde vorm van ÏJiph'al en Hithpa'el. De slotwoorden van ons vers vormen niet meer een deel van de door oudsten en priesters uit te spreken zinnen, maar zijn eene toezegging van den Wetgever.

ocr page 146

DEUTERON OMIUM XXI.

9 Dan zal het bloed hun vergeven zijn. En gij zult de schuld voor het onschuldige bloed uit uw midden weggeruimd hebben, wanneer gij zult gedaan hebben wat recht is in de oogen des Eeuwigen. —

10 Wanneer gij uittrekt ten strijde tegen uwe vijanden, en de Eeuwige, uw God, hem in uwe macht geeft, zoodat gij van

11 hem gevangenen wegvoert; En gij ziet onder de gevangenen eene vrouw van schoone gestalte, en gij hebt verlangen naar

12 haar en wilt haar voor u tot vrouw nemen; Dan zult gij haar in het binnenste van uw huis brengen; zij zal haar hoofdhaar

13 afscheren, en hare nagels behandelen. Zij zal het kleed harer gevangenschap van zich afleggen, en in uw huis blijven zitten, en haren vader en hare moeder gedurende eene volle maand beweenen; daarna kunt gij tot haar komen en haar bijwonen,

14 en zij zal u tot vrouw zijn. Nu zal het zijn: Wanneer gij geen behagen meer in haar hebt, dan zult gij haar wegzenden, naar haren vrijen wil; verkoopen echter voor geld moogt gij

9. Rashie en Rashbam : Gij echter, de volksgemeenschap, hebt den plicht het onschuldig vergoten hloed iveg te ruimen, d. w. z. den moordenaar, zoo gij hem alsnog ontdekt, te dooden. Anderen : zoo zult gij, door deze handeling, de onsdiuldig-hloed-s chuld leeggeruimd hehhen, nadere uitwerking van de slotwoorden van het vorige vers.

10—14. In tegenstelling met de voorafgaande wettengroepen, die in hoofdzaak de regeling der algemeene volksaangelegenheden behandelen, volgen nu eenige wettengroepen, die vooral particuliere verhoudingen regelen in het familie- en verkeersleven, — waar, met het oog op de aanstaande verspreide vestiging des volks, afwijkingen meer waarschijnlijk worden. Vooral treedt op den voorgrond het familieleven; de onderlinge verhouding der geslachten, het huwelijksleven, verhouding van ouders tot kinderen. Ingeleid wordt deze groep door een wet, die gereedelijk den overgang vormt van de eene groep tot de andere. Het laatste gedeelte van de voorgaande groep behandelde de oorlogswetten; deze groep wordt nu geopend met een wet, die een der mogelijke gevolgen van den oorlog voor het familieleven bespreekt. Evenals Ex. 21,2 eu 7 het personenrecht geïllustreerd wordt door behandeling van den misdadiger en het armste meisjej — die tot slaaf en slavin zijn verkocht, — zoo hier de geslachtelijke heiligheid en onaantastbaarheid der vrouw door het krijgsgevangen meisje, tegenover hetwelk de hartstocht en het zoogenaamde recht van den veroveraar allicht de grenzen zouden overschrijden.

10. jcsn quot;O. als gij uittrekt, dus weder een oorlog, die u buiten uw grenzen voert, een vrijwillige veroveringsoorlog. (Vgl. 20,1). Van de Kena'anietische stammen is hier geen sprake, daar met deze elke huwelijksgemeenschap in ieder geval verboden is. — -p^x Sr, meervoud, doch als collectief opgevat, gevolgd door wm en de aanhangsels in het enkelvoud.

11. itcn na'1 npc. Het is twijfelachtig, of n'i'.x hier Semiechoeth is, of wel de eenvoudige eerste naamval van het woord in zijn anderen vorm, evenals Ps. 58,9 en I Sam. 28.7. De schoonheid is hier alleen ge-

71

ocr page 147

to Kïn »3

■♦3 nanpo ♦pan Din nrw : Din an1? isaai13

i rt v : i * • K't- jt - ■)••quot;: t - : it- vvt -»!•-*:

d : nin* it^'n n^n

it : jquot; quot; : v.t t - jv 1-

n^i ITS nin» iin:i nonbs1? Nvn-^'

t t : Kvt: P ov v: st : t I av :^i ^ vt t : * - j- •• r

npirm iNn-na» nbirs nwi : V3^

jt 1: - it : - a - ; v vquot; t : • - t - t: i : •

-n« hn-jji nn'S nin-^K nnxani: ni^N1? nnpbi na ^

rquot; t: lisv •• p v vt ••-:!- it • : v. i: jt : i-it : t

n*3tf nSo'jynK ni^oni : n-j-ismx nn'^i n^quot;) ^

t : • - : • v t • •• ; t iv ; t • v ^t : *Tt: t

w nstfnNi n^s-nN nnmi nn^a nairi n^o

a* t ^t • v : r j- t v # or : it ^ l^v •• : t ; t: t vquot;t i-

n'^ni : n^ n1? nn^ni nnb^ai n^x Kinn ri -inNi ^

tt : it • ; u : jt -.it : t ; t v •• lt; t iquot; - - :

nsiaon-N1? -iddi n^s:4? nnnbtri ni nïan kVdk

t; v: :• 1 j t t:-: t : - • : t ti-'-t s

noemd als meest waarschijnlijke aanleiding tot hartstochtelijke opwelling.— n-xS -j1? jinpSi, en zoudt haar willen tot vrouw nemen (Ibn 'Ezra) ; n. a. dan zult gij haar tot vrome nemen; in beide opvattingen sluit de tekst blijvende geslachtsgemeenschap zonder huwelijk uit. In de laatste opvatting geven dan de volgende verzen de nadere voorschriften omtrent hetgeen aan het huwelijk moet voorafgaan. — 13» en map, eigenlijk: gevangenschap, voor: de gevangenen.

12. irnas DN' nnpjn ntrjn flK nnSjr -ij zal haar hoofdhaar afscheren, v. s. als wijdingshandeling vóór haren overgang tot het Joodscne huis, evenals bij de wijding der Levieten, Num. 8,7, bij den melaatsche, alvorens hij in den kring van het volk terugkeert. Lev. 14,8, enz. Dan beteekent rroisx ns nncn ook : ver iv ij deren van de nagels, — maken

;i orde houden door afsnijden, vgl. II Sam. 19,25; anderen zien in de hier voorgeschreven handelingen de bedoeling om de vrouw minder schoon te doen schijnen in de oogen van haren heer, — zij zal zich het hoofdhaar afscheren, éen der vrouwenschoonheden, waarop zij erooten prijs stellen, — (inderdaad wordt in de genoemde wijdingsgevallen het haar van het geheele lichaam verwijderd, hier alleen van het hoofd) — en hare nagels a f snij d en, daar de vrouwen in het Oosten hare nagels lang laten groeien en bijzonder verzorgen, of v. a. laten groeien zonder verdere verzorging.

13. nor dSdc. het kleed har er gevangenschap, waarin zij gevangen genomen is en dat misschien mede aanleiding was tot de hartstochtelijke opwelling. — nSnü, bovenkleed, v. d. kleeding. — roM, zal blijven zitten in uw huis, zonder nog uwe vrouw te zijn. — nroai, en heweenen het verlies der, immers bij overgang in uw huis voor haar verloren ouders. — awm', een maand in dagen, een volle maand (Gen. 29,41). In dit alles ligt, naaide traditie, tegelijk haar algeheele overgang tot den Israëlietischen Godsdienst.

14. Mocht nu na de voorbereidingsperiode blijken, dat gij haar niet tot vrouw begeert, — het huwelijk is dan natuurlijk nog niet gesloten, daar

ocr page 148

DEUTERONOMIUM XXI.

haar niet; gij moogt haar niet dienstbaar maken, omdat gij

15 haar geweld aangedaan hebt. — Wanneer een nian twee vrouwen zal hebben, de eene bemind en de andere niet-bemind; nu baren zij hem zonen, de beminde en de niet-beminde, en

16 de eerstgeboren zoon is van de niet-beminde; Nu zal het zijn: Op den dag, dat hij zijnen zonen ten erfdeel geven wil hetgeen hij bezitten zal, mag hij den zoon der beminde niet het eerstgeboorterecht geven, boven den zoon der niet-beminde,

17 den eerstgeborene; Maar den eerstgeborene, den zoon der niet-beminde, rnoet hij erkennen, om hem een dubbel aandeel te geven van al wat als zijn eigendom gevonden zal worden ; want deze is de eersteling zijner sterkte, hem behoort het

18 recht der eerstgeboorte. — Wanneer een man eenen onge-hoorzamen en weerspannigen zoon heeft, niet luisterende naaide stem zijns vaders en naar de stem zijner moeder, zij hebben hem ook getuchtigd, en hij wil toch niet naar hen luisteren ;

19 Dan zullen zijn vader en zijne moeder hem grijpen, en hem

zij in dit geval als Joodsche vrouw geldt en slechts door echtscheiding van haren man vrij kan worden, waarbij zij dan Jodin blijft; — nnrhvi nvsh, dan zult gij haar wegzenden om haren zin te volgen, zoodat zij gaan kan waarheen zij wil, zonder eenigen dwang uwerzijds. V. a. is hier gedacht aan het geval, dat de man na het huwelijk van zijne vrouw wil scheiden en beteekent nnnVwi, gij zult haar door een scheidingsbrief wegzenden, vgl. Dent. 24,1. — Tot het heidendom terug te keeren was haar dan, als eenmaal Jodin geworden, natuurlijk verboden. — enz. Vgl.

Ex. 21,7. — na nsïnn nS, v. s. samenhangend met quot;lüj/ en TDJJ. schoof-

binden; v. a. geweld aandoen; de zin is in ieder geval: gij zidt haar geenerlei hand aanleggen, geen dwang aandoen, om u te dienen; naar den Thalmoed is het verboden eenigen dienst van haar te vorderen. — nrwr, geweld aangedaan, door de gevangenneming, of v. a. door de buitenechtelijke samenleving bij hare gevangenneming, voordat gij haar in uw hnis hadt gebracht.

15—17. Het eerstgeboorterecht, ontwikkeld naar aanleiding van een geval, waarin daaraan licht zou kunnen worden tekort gedaan. Verbiedt de vorige wet, uit antipathie het recht der gevangene te verkorten, deze verbiedt uit sympathie voor een ander iemand zijn recht te ontnemen.

15. binder bemind, vgl. Gen. 29,31. — -i«an, de eerstgeboren zoon van den vader.

16. Vrmi DV3. op den dag, dat h ij wat hij heeft zijnen zonen als erfdeel aanwijst-, hij heeft dus het recht, onder zijne wettige erfgenamen,naar zijne keuze zijn vermogen te verdeelen; doch alleen voa ns, zijn wettige erfgenamen; hij kan geen ongerechtigde tot de erfenis roepen. — ifx nx iS nvr, wat hem toebehoort, waarop hij recht heeft, al is het nog niet in zijn bezit. — iS nxiji IPS Ss;, vs. 17, beteekent daarentegen: tvat bij hem als zijn vermogen aanwezig bevonden wordt, wat zich feitelijk in zijn bezit bevindt. —-Sni aS, hij mag niet, kan niet wettelijk. — -oaS, tot eerstgeborene maken, het eerstgeborenenrecht toekennen. — ':s Sï1, v. s. boven, v. a. ten overstaan van, n. a. zoolang deze in leven is, in tegenwoordigheid van, vgl. Gen. 11,28. Hij kan wel vrij zijn bezit verdeelen, maar de eerstgeborene behoudt zijn recht op de dubbele erf portie.

72

10

ocr page 149

ï^nn-'a d : nmy im nnn ré epniu

Tl ... J ,. • IT * ^JV -: -V.quot; T J..*= ; • I I V AT^~

nnxni nninK nn^n d^: ♦niy

-• :IT: T ; J- - IT ; r -:. «— IT • T ■»•• : / ;

n;m : iDan ran n^m nNiierii nninxn D^nro

^ TT : it * : - ^ - Ir* - OTT ; AT ^: V,T -:IT ^ • T

b5v ab ^ rvrr-iBW nK virnK i^njn DV3 ■i32nquot;nNq,3 : lD3n n^i^n-p »33-^ rdmNrnrnx ^

; - v • 1 : - ^t : ~ I v jquot; : t -:-«t I v

-♦3 h 1?33 D'ity »£5 h nn1? quot;1*3* nxijirn-r3

a vquot; t • ••• -: j '. quot; : j* vlt;t / ~ t ; quot; I v

n^n^3 d : rh:)3n ii« xn ^

• : jv ;r • it ^ -»* ••

nsn 1DN V1J531 V3K niioi TTiD |3

iN'ïin'i ISNquot;! V3K 13 ifrani : DH^K xbi inN01

s- : a ■ : — t ^ : jt : iv •■ -j * j

17. Tgt;3\ erkennen, behandelen als wat hij is: de eerstgeborene. — dijü 13, mond, portie, eig. van eetwaren, van twee, dubbel aandeel; bij twee zonen kreeg dus de eerstgeborene 3/3. bij drie de helft, bij vier '/5 enz.— 1*7 sï»i -ito, wat hij hem, den vader, gevonden wordt; ten opzichte van de nalatenschap der moeder geldt geen eerstgeboorterecht. — 1« rrown, vgl. Gen. 49,3, — eerste vrucht van zijne mannelijke kracht en voortplantingsvermogen. — Bij vooroverlijden van den eerstgeborene ging dus het eerstgeboorterecht niet op den oudsten overlevende over. Hier wordt alles beheerscht door de vraag: is deze zoon het eerste kind van zijn vader; Ex. 13 en Num. 3,40 daarentegen, bij de wijding der eerstgeborenen, komt het erop aan, dat de zoon «.den moederschoot geopend heeftquot;, dus: eerste kind zijner moeder is. — Onze plaats vormt eene aanvulling van de erfwet Num. 27,6 vv., die eerst hier is opgenomen, omdat de eigenlijke beteeke-nis van het erfrecht eerst na de vestiging in het land zou beginnen. Ook daar ter plaatse werd de erfwet immers alleen meegedeeld ten gevolge eener gerezen vraag, in verband met de aanstaande verdeeling des lands.

18—21. Gaf de vorige wet Ata plicht des vaders tot handhaving van de rechten van den eerstgeborene aan, deze behandelt een geval, waarin de ouders zelve den dood van hun geheel ontaarden zoon uit 's rechters hand vragen. De beschikking over het leven van het kind staat echter ook dan niet aan den vader, maar aan de wettelijk gestelde macht, de rechtbank.

18. p JTiT 'Oj wanneer een man een zoon heeft, naar de traditie: een bijna volwassen zoon, d. i. ruim dertien jaren oud. — mwi niD, voortdurend afwijkend van den hem gewezen weg (vgl. Hoshéa' 4,16) en weerspannig handelend tegen de voorschriften; volgens Ibn 'Ezra ligt in nid nalatigheidszonde. in mi» positief misdrijf. Vader en moeder vermanen hem vruchteloos, zij tuchtigen hem, doch alles baat niet; — hij blijkt onverbeterlijk. — Over iD' vgl. Deut. 8,5. Hier moet het in den zin van lichamelijke tuchtiging worden opgevat. Naar den Thalmoed moet hier aan gerechtelijke tuchtiging, geesseling op door getuigen gestaafde aanklacht der ouders voor een collegie van drie rechters, gedacht worden.

19- lopo w Sni Try ^pr Sx. naar de oudsten zijner stad, de rechtbank van 23 leden, zitting houdende in de poort zijner plaats.

ocr page 150

DEUTERONOMIUM XXI, XXII.

uitvoeren naar de oudsten zijner stad en naar de poort zijner

20plaats; En zij zullen tot de oudsten zijner stad zeggen: «Deze onze zoon is ongehoorzaam en weerspannig, hij luistert

21 niet naar onze stem ; hij is een slemper en brasser.quot; Dau zullen hem al de lieden zijner stad met steenen werpen, dat hij sterft. Zoo zult gij het kwade uit uw midden uitruimen ; en geheel

22 Israël zal het hooren en vreezen. — Wanneer op een man eene zonde rust, die de doodstraf verdient, en hij wordt ter dood

23 gebracht en gij hangt hem aan een hout; Dan zult gij zijn lijk niet aan het hout laten overnachten ; maar gij zult hem O]) dienzelfden dag nog begraven ; omdat eene minachting Gods een gehangene is; en gij zult uwen bodem niet verontreinigen, dien de Eeuwige, uw God, u ten erfdeel geeft.

22 i Gij zult den os van uwen broeder of zijn lam niet zien afgedwaald, en u daaraan onttrekken ; maar terugbrengen zult

20. N3D1 SSlI, slemper en brasser. Uit Spr. 23,20 blijkt, dat SSv speciaal van vraatzuchtig vleesch eten, xao van onmatig icijn drinken gebruikt wordt. Jer. 15,19 komt SSu in den zin van: nietswaardig voor, als tegenstelling van npi, kostbaar; V?!! is dus: de verdierlijkte mensch, die geen hooger genot kent, dan een stuk vleesch te verzwelgen. — Hierin ligt het motief, waarom de ouders de hulp des rechters tegen hun zoon inroepen; hij is zoo laag gezonken, dat hij door verdierlijkiug tot de schandelijkste misdaden in staat zal zijn. Hij moet tegen zichzelf beschermd worden, om niet tot schande van het menschdom te worden.

21. Terwijl anders de aanklagende getuigen met de voltrekking van de doodstraf in de eerste plaats belast zijn, is dit hier, waar dit deowrfers zijn, om begrijpelijke redenen niet het geval. —; Natuurlijk moeten ook hier de feiten door behoorlijk rechtsgeldig getuigenis van ten minste twee onpartijdige personen bewezen zijn. De ouders behouden tot de tenuitvoerlegging van het vonnis het recht, hun zoon vergiffenis te schenken.

22 en 23. Zien en vreezen was ook bij de voorafgaande wet, evenals 13,12, 7,83 en 19,20, — bij de opgave van de straf als waarschuwing voor het volk gezegd. Hier volgt nu het voorschrift, niet tot meerdere vreesverwekking de lijken van die misdadigers, wier lichamen volgens de wet na de strafvoltrekking aan een paal werden gehangen, daar te laten blijven. Vs. 22 is geheel voorzin, en Sï ins rvSni, geenszins voorschrift, als zoude ieder gerechtelijk ter dood gebrachte misdadiger gehangen moeten worden. De nazin begint eerst met vs. 23. Naar den Thalmoed is het hangen van het lijk des misdadigers alleen voorgeschreven bij hen, die door steeniging zijn ter dood gebracht; v. s. zelfs alleen bij hen, die zich aan Godslastering of afgodendienst hebben schuldig gemaakt.

22. BMJO, aan een man, het lijk van eene itouvj werd niet gehangen.— ni» DBon sen, een zonde van een vonnis ter dood, een zonde, die een doodvonnis ten gevolge heeft. — n'Sm nnim, en hij is gedood en daarna hebt gij hem gehangen; van sterven aan het hout is hier, evenmin als ergens in den Bijbel, sprake; dit was een Rotneinsche, geen Joodsche vorm van doodstraf. — Gebruikelijk was het, naar den Thalmoed, het hangen van het. lijk van den misdadiger, wiens vonnis zoo vroeg mogelijk op den dag dér veroordeeling werd voltrokken, uit te stellen tot kort voor zonsonder-

73

ocr page 151

^prVs4 iiaxi : ibpp 1quot;)^ inx3

inójTiP.•Kabi bbiT^Vp3 vüv wgt;n nioi niD n? 12:3s3

\ t : iquot; : vquot; *quot;' *• v.quot; •• v ■quot;•. ^ v lt;•• :

-V31 n3-ipo m^3i nói Q,33N3 ^^3

t ; iav :l* • t : 1 ■ •• t • t -:it lt; • •• : ~ t

quot;ÜÖE'D Nün iy'N43 rvrr'3i D * : lyanquot; bNi'ty» ==

- : • :^.)quot; * -'v;r • : it*; t: •

XVrv^V quot;irto: pSn-^ : XT^V quot;i^4 n^m noim ma »

i t t ; • 1 * t 1 t quot;1quot; - v. : ist : v^t

xbi 'ibn D'n^K nbVp-^ Ninn DV3 isispn ni3p-»3

« : at v* v: j- ; !• # r - ^ -• - v; |; • ^ lt; It r

-til) d :nbn: ^ nirr ^nanK-nNxoanN

dhq noWnm D^V'^-nN in quot;ii^-nx nxin

av •• ^t : ~ : * : ■ t* •• v « i * t v v ; •

gang, om het dan dadelijk af te nemen en te begraven. — ■,'i% een hout, het was noch een galg noch een kruis, maar een paal, die, naar den Thalmoed, met het lijk begraven werd.

23. pSn ah, laat niet den nacht doorbrengen, het verbod is eerst overtreden, als de geheele nacht is verloopen; plicht is echter dv: wapn ■ttip'O sinn, hem nog denzelfden dag, vóór het begin van den nacht, waarmede het nieuwe etmaal intreedt, te hegraven (vgl. Num. 25,4 en Jos. 8,29; 10,26 vv.) Zooals wij meermalen zagen, worden in den Pentateuch algemeen geldende wetten gegeven, geïllustreerd door gevallen, waarin hunne geldigheid twijfelachtig zou kunnen zijn. Zoo Ex. 21,2 vv., vgl. Deut. 21,10; — zoo hier de algemeene bepaling: lijken denzelfden dag te hegraven, die hier zelfs voor den gerechtelijk ter dood gebrachte van kracht verklaard wordt. Het verbod : een lijk 'te laten overnachten is dan ook algemeen voor alle lijken geldend, van beslist en zeker overledenen. (Dat een voorschrift der Rijkswet in anderen zin geëerbiedigd moet worden, spreekt natuurlijk vanzelve op grond van den regel srn njïoSot wn). — ii^n Dvtas i3, Uasiue : want minachting Gods veroorzaakt een ge

hangene, immers ook een naar Gods beeld geschapen mensch; Rashbam : want vloek van den rechter veroorzaakt de gehangene, indien zijn lijk den roofvogels tot prooi zou worden ; Luzzatto : want vloek van het Goddelijk recht enz.; n. a. want minachting van Gods gebod — of: vervloeking Gods — daarvoor is hij gehangen. — rmp kan beteekenen: minachting, licht tellen. Deze zou, naar Rashie's verklaring, die wij in onze vertaling volgen, ontstaan door de openlijke verminking van het lijk, door langdurig te pronk hangen; viSn, dus: de langeren tijd hangende. — Nücn nVi, door hem niet te begraven, zoudt gij uwen ns-is, voor uw werkzaamheid als mensch aangewezen bodem verontreinigen; v. a. doch, al heb Ik u geboden rekening te honden met de waarde van den mensch en zijn lijk niet der verachting prijs te geven, — ga niet zoover den misdadiger niet te straffen en verontreinig uw bodem niet enz. (Vgl. Lev. 18,25).

Hoofdstuk XXII. 1—5. Beginselen voor het sociale volksleven: solidariteit van allen ter bescherming van ieders persoonlijk eigendom (1—3) en ondernemingen (4) — en instandhouding der natuurlijke scheiding dei-geslachten (5). Deze beginselen worden uitgedrukt in concrete voorbeelden.

1 — 3. Plicht van terugbezorgen van verloren goed, vgl. Ex. 23,4, waar het voorschrift reeds kort is gegeven. — nnSjTini----n.x-in .sS, gij zult niet

ocr page 152

DEU TERON OMIU M XXII.

2 gij ze uwen broeder. Indien uw broeder echter u niet nabij is, of gij kent hem niet, dan zult gij het in uw huis opnemen, en het zal bij u zijn, totdat uw broeder er naar vraagt, en gij

3 het hem dan kunt wedergeven. Evenzoo zult gij ook doen met zijnen ezel, evenzoo zult gij ook doen met zijn bovenkleed, en zoo zult gij ook doen met elk verloren goed van uwen broeder, dat van hem verloren geraakt is, en dat gij gevonden

4 hebt; gij moogt er u niet aan onttrekken. — Gij zult den ezel van uw broeder of zijn os niet op den weg zien neder-vaiien, en u daaraan onttrekken; maar oprichten zult gij met

5 hem. — Niet zal mansdracht aan eene vrouw zijn, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken ; want gruwel is den Eeuwige, uwen God, al wie deze dingen doet.

6 Wanneer door u een vogelnest aangetroffen wordt op den weg, in eenigen boom of op den grond, kuikens of eieren, en de moeder rustende op de kuikens of op de eieren.

zien en u onttrekken; de ontkenning sS behoort bij beide werkwoorden.— naSrnm, gij zult uw oog onttrekken, als zaagt gij het niet, of; gij zult u onttrekken aan uw plicht ten zijnen opzichte. —- nu; en nc zijn ook hier weer soortnamen ; rund- en kleinvee. — -pnx, Ex. t. a. p., zelfs bij het dier van een vijand voorgeschreven, is door ■pas de plicht niet tot dieren van verwanten beperkt, maar heeft dit woord den zin van: hroedermensch.—Dim;, verstooten, afgedwaald, zoodat de uiterlijke omstandigheden geen twijfel toelaten, dat het goed verloren is. Wijst echter eenige omstandigheid erop, dat de zaak daar is neergelegd, dan mag zij niet worden verwijderd.

.2. rnjn* «Si. de 'i beteekent hier niet: en, maar: of. — insDSi, is de eigenaar u bekend, maar ver verwijderd, dan moocjt gij het in uw huis brengen en behoeft hem niet op te zoeken ; is u de eigenaar onbekend, dan moet gij het in uw huis opnemen. Naar den Thalmoed heeft dan de vinder voor bekendmaking van de vondst te zorgen; onderhoudskosten kan hij natuurlijk den eigenaar in rekening brengen en tegen de natuurlijke revenuen der vondst verrekenen. Deze laatste bepalingen echter beperkt door V? voüm, gij zult het hem teruggeven, waarin het voorschrift ligt, ervoor te waken, dat de waarde der zaak niet door de onkosten geabsorbeerd wordt. Daaruit volgt, dar, zoo de zaak enkel onkosten vordert zonder eenig product te leveren, men de zaak liever gerechtelijk verkoopt en de opbrengst deponeert. — ins -pn.s en iv, tot uw broeder het vordert, tot de vs. 1 bedoelde eigenaar, die zich dus als zoodanig legitimeeren moet. — ms, die bepaalde zaak vordert, waarvan hij door opgave van kenteekenen van verschillenden aard aantoont de eigenaar te zijn.

3 breidt den kring van voorbeelden verder uit ook tot niet-levend roerend goed. — nSöf, eig. bovenkleed, v. d. kleeding en in het algemeen : kleedingstuk, — terwijl de algemeene bepaling mas Sa1? nern pi enz. naaide traditie de zorg voor het eigendom van den naaste ook uitbreidt tot vast goed, dat door overstroovning of anderzins dreigt verloren te gaan. — DSïrrn Sdvi ah, gij moogt u niet aan uw plicht onttrekken. Dat die plicht ten opzichte van eens anders goed niet verder gaat, dan de zorg voor eigen bezit den vinder tot handelen zou nopen, ligt in den aard der zaak. Vandaar de bepaling in den Thalmoed, dat menschen, wier waardigheid

74

ocr page 153

«vn »3 iv

nnp n^-dki : aa^n atyn2

-» : i v,quot; quot; i •)* t ^It _ • : p r t : ; Jquot; t

^nN rrni ^72 ^in^N inspNi inyn»

quot;in^otyS n'^n pi inonb nir^n pi: iV ina^m imj

t : * : v : i,~ i-••• : -:i- -»v : i~ isquot; : i ^ iquot; -:i-

nnxïoi i3ao -qntt'w 'Tna mnN-bD1' nty^n pi

at t : Aquot; • j' q •• quot;ï i 4* t -: t : v i- i •• :

ix^nN quot;iian-nN nsnn-Kb D : D^nnS bDin N1? ^ -üb d : ia^ D^n Dpn nna na'^nni a^fib iniirquot; '3 ntrs4 r-hnv nn; nar^D rrrv

s- rtr • • •-•(.*-• J- : • 1 : t • ^5, v v • ; lt;v: r

a : nbK nin» na^in

pxn-^ in 1 ^3 1 quot;iteViP 91

D^M3rT^^ IK arnSKirbj; nïfn DKHI 07*3 IK

hen ook eigen zaken niet zou doen bergen, van den persoonlijken bergings-pliclit wettelijk zijn vrijgesteld. — Loon mag voor berging noch bewaring van verloren goed in rekening worden gebracht. Hoogstens vergoeding van werkelijk geleden schade door tijdverlies.

4. Vgl. Ex. 23,5. Hier is sprake van het geval, dat het dier gevallen en de last van zijn rug afgegleden is; dat van een lastdier sprake is, blijkt uit de voorbeelden -osn en tiü ; van kleinvee wordt hier niet gesproken. — i»ï Dipn Dpn, gij zult oprichten, dier en last, met hem; de eigenaar moet medehelpen. Uoet hij dit opzettelijk niet, dan behoeft ook de ander geen moeite te doen, behalve voor ophelpen van het dier. Het is hier lt;e doen om den plicht van hulp bij de redding van eens anders bezit. Voor de hulp bij het opladen mag naar den Thalmoed vergoeding worden gevraagd.

5. ^3, meer algemeen, dan het in het tweede versdeel gebruikte nbar, beteekent de geheele uitrusting, kleeding, wapenen enz. Wat de beteekenis van het verbod aangaat, loopen in den Thalmoed de meeningen uiteen. V. s. is de verwisseling van kleeding tusschen de geslachten alleen met ontuchtige bedoelingen verbodenv. a. is het der vrouw verboden, gewapend ten strijde te trekken, den man zijn toilet naar vrouwenwijze te verzorgen. Doel is in ieder geval; ieder geslacht tot zijn speciaal arbeidsveld en zijn bijzondere eigenaardigheden te bepalen.

6 en 7. Bescherming van de vogelraoeder bij de uitoefening harer moedertaak. sip' = mp', evenals Ex. 5,3, — met ijsS, zich door iemand laten treffen, II Sam. 18,9. — Er is, zooals ook uit deze uitdrukking blijkt, sprake van in het veld levende vogels, althans van vogels zonder bepaalden eigenaar. V. s. blijkt dit ook uit -posS, ter uwer vrije beschikking. — jp, eig. nest, de woning waarin de jongen worden uitgebroed; v. d. ook de jongen zelve (32,11), evenals ons nest. — nss, naar de traditie: reine, voor Israëlietisch gebruik geoorloofde vogels. — DimsN, juist uit het ei gekropen jongen, die nog niet vliegen kunnen. Bij één kuiken of één ei geldt de wet natuurlijk evengoed. — DNni, en de moeder, het vogelwijfje; voor het mannetje geldt de wet niet, zelfs al wordt het aangetroffen bij het broeden of verplegen der jongen. — nxai, rustend, liggend, op de

ocr page 154

DEUTERONOMIUM XXII.

7 dan zult gij de moeder niet met het broedsel nemen. Laten wegvliegen zult gij de moeder, doch het broedsel kunt gij voor u

8 nemen; opdat het u welga, en gij lange dagen leeft. — Wanneer gij een nieuw huis bouwt, dan zult gij eene borstwering aan uw dak maken; opdat gij geene bloedschuld op uw huis brengt,

9 wanneer er iemand zou afvallen. Gij zult uwen wijngaard niet met twee verschillende zaadsoorten bezaaien, opdat niet heilig worde het rijp geworden zaad, dat gij gezaaid hebt,

10 en de opbrengst van den wijngaard. — Gij zult niet ploegen

11 met een os en een ezel te gelijk. Gij zult u niet kleeden met

12 Sha'atnez, wol en linnen samen. — Snoeren zult gij u maken aan de vier hoeken van uw kleed, waarmede gij u bedekt. —

13 Wanneer een man eene vrouw neemt, tot haar gekomen is

14 en haar nu haat; En hij legt tegen haar aan daden van aanklacht, en brengt een slechten naam over haar; hij zegt namelijk ;

eieren om te broeden, op de jongen om ze tegen koude te beschermen.— Dioan Sp Dsn, de moeder met de jongen; Sr, met, evenals Gen. 32,11, zie aldaar. — dij3, hier ook voor de eieren.

7. Hebt gij niettemin u meester gemaakt van het nest, dan moet gij het moederdier laten vliegen, zijn moedertaal; beschermt het; het broedsel echter, jongen of eieren, kunt, moogt gij voor u, voor uw gebruik, als spijze wel in de eerste plaats, nemen; er is dus uitsluitend sprake van geoorloofde vogels. — Wij hebben hier een voorbeeld van een eigenlijk verboden handeling, die echter, indien toch verricht, nog niet als overtreding onherstelbaar is, maar dan door vervulling van een plicht, althans ten deele kan worden goedgemaakt, nrr1? piron isS; evenzoo Ex. 12,13.

8—12. Ook bij het bouwen van uw huis, bij het verzorgen van den akker, bij veldarbeid en kleeding, hebt gij de eischen der wet van levensheiliging in acht te cemen.

8. HpyO, van npj', verwant met pir, drukken, een omgrenzing, horstwering, hek. In de eerste plaats wordt hier aan de tot geregeld oponthoud bestemde jilatte daken gedacht, zooals die in het Oosten gebruikelijk zijn. Het argument in het slot van het vers geldt echter voor elk dak, waar soms immers, ten behoeve van reparatie bijv., zich menschen oplionden. Deze borstwering moet, naar den Thalmoed, ten minste tien handbreedten hoog zijn. — dis-i, bloedschuld. De Thalmoed vat dist DTn sVi weer als algemeen verbod op: gij moogt in het algemeen niets, wat tot bloedschuld aanleiding geeft, in uw huis aanwezig doen zijn, bijv. een wild dier of dgl. De burgerrechterlijke gevolgen van overtreding dezer wet zijn Ex. 21,28—34 behandeld. — i:»c, ervan, van het dak. — SïJn'w, vgl. nsnrffiv (Dent. 17,6).

9. Lev. 19,19 is bezaaien van het veld met twee zaadsoorten verboden, vgl. onze aant. aldaar. Hier wordt verboden: het zaaien van twee zaadsoorten in een wijngaard, bijv. tarwe en gerst met druivenpitten.—npnj?, opdat niet heilig worde, ctpn =: snp nw. Lev. 27.10 en 21, d. w. z. voor alle gebruik ongeoorloofd, niet alleen om te eten, maar voor elk genot, nx:n ws. Naar de traditie, moet liet verbrand worden. — nNl7»n, vgl. Ex. 22,29 en Num. 18,27, en onze aant. aldaar, — kan betcekenen: overvloed, rijpheid en het rijpe product, —■ nailer ontwikkeld in nsi2r.i run quot;ira jnin □■on, zoowel het zaadkoren, dat gij gezaaid hebt, als de opbrengst van den wijngaard; anderen vatten nsSnn als Semiechoeth op, parallel met nsisni.

75

ocr page 155

23 Nïn ^ np

DKrrnN nWri rhp : DKH n^n^K1?1

npn »3 d *: 0*0* ^ 3ü^ j^o'p ^yn[5nn nrrna b^oi D^rrK^i np jra n^i trnn n'a

| v •• ; • t «• t i : i a*.—; kv^:i- r j- quot;r : rr '■gt;'

Enprna yirn-K1? : inao ^sjiin 0

-i: • lv at : • ». i : :quot; j': ' i ^ iv • ^ - j • i'

tyinn'K1? d : anan nxiam ^nrn iwh jntn nx^on1

j —. i- vit - v,quot; ' t; * -»•.• -: quot;v.*- lt;t •• -: iquot;

noï WaVn Nb : nn» quot;ionnvu^a ^

V ; • v jv •• : ^-i- - : • lt; it: - -:i- i :

i^x ^mp3 ni3]3 ^n'^ri d : : nwfcquot;) n^s4 ni^N np^»3 D : n2_nD3n ^

it •• : t v.*-' quot; jt at * v ijquot; r ^it v - :

-nNiÓNi jn db' ^ïini onm rMy n1? d'^i ■quot;

~ t : at -»•• t ^•-• t j* : • t : j ■ ~: r jt :

het product van het zaad, m. i. onwaarschijnlijk. Rabbijnsch voorschrift breidt deze wet, die als landbouwwet door de Thora tot Palaestina beperkt is, ook tot het niet-Joodsche buitenland uit, doch alleen voor het tegelijk uitzaaien van druivenpitten met twee korensoorten.

10. narai njra. naar de traditie als voorbeelden, daar os en ezel de gewone trekdieren zijn; verboden is niet alleen ploegen, maar ook laten trekken van wagens enz. door twee dieren van verschillende soort. De wet schijnt verband te houden met het paringscerbod. Lev. 19,19, wat ook uit de plaatsing tusschen de verboden van soortmenging in planting (10) en kleeding (12) schijnt te volgen.

11. Over ncjx' zie onze aant. Lev. 19,19. Hier worden als stoffen wol en linnen uitdrukkelijk genoemd; het zijn de beide kleedingsstoffen bij uitnemendheid, wol de voornaamste kleedingsstof uit het dierenrijk, linnen die uit het plantenrijk; vgl. Lev. 13,41. Vermenging van alle andere kleedingsstoffen is dan ook niet verboden.

12. crS-u. gedraaide snoeren, koorden. Het zijn de Num. 15,27 vv. voorgeschreven nxrf, — die hier, na het voorschrift van levensheiliging in kleeding, nog eens worden voorgeschreven. De combinatie van de uitdrukkingen rwi, los naar buiten tredende draden, en D'Su, gevlochten snoeren, geeft, dat de schouwdraden uit, ten deele door knoopen en omwikkelingen ineengedraaide, overigens loshangende draden bestaan. — na nean •ws irro:, uw kleed, waarmee gij u in werkelijkheid bedekt; eerst wanneer gij het als kleed gaat gebruiken, treedt de plicht der schouwdraden in. — De vier hoeken zijn ook hier eerst duidelijk genoemd. Vgl. overigens onze aant. Num. 15.37 vv.

13—29. Kuischheids- en huwelijkswetten.

13. np1 O. als iemand, door poiv.s, tot vrome neemt. — rriSs sai, ook de echtverbintenis, pswj, heeft plaats gehad. — Zooals vs. 15 blijkt, wordt hier gedacht aan eene mi'J, een meisje, dat lichamelijk juist volwassen is en waarbij de eerste kenteekenen van huwbaarheid zich geopenbaard hebben. Vgl. Ex. 21,17.

.14.. onai nS%. Ex. 10,2 is reeds opgemerkt, dat 'a bSrnn beteekent; zich in daden tegen iemand richten, in den regel met de nevenbeteekenis:

ocr page 156

DEUTERONOMIÜM XXII.

«Deze vrouw heb ik genomen, en ben tot haar genaderd,

15doch heb bij haar geene maagdelijkheid gevondenquot;; Dan zal de vader van het jonge meisje en hare moeder de bewijzen van de maagdelijkheid van het jonge meisje nemen,

16 en die uitvoeren tot de oudsten der stad, naar de poort. De vader van het jonge meisje zal tot de oudsten zeggen: „Mijne dochter heb ik dezen man tot vrouw gegeven, doch nu haat

17 hij haar. En zie, nu legt hij daden van aanklacht aan, zeggende : //Ik heb bij uwequot; dochter geen bewijzen van maagdelijkheid gevondenquot;; hier echter zijn de bewijzen van de maagdelijkheid mijner dochter.quot; Tevens zullen zij het kleed voor

18 de oudsten der stad uitspreiden. Dan zullen de oudsten dier

l!)stad den man voor zich doen komen, en hem tuchtigen. Daarenboven zullen zij hem met eene boete van honderd zilverstukken straften en die aan den vader van het jonge meisje geven, omdat hij een slechten naam over eene Israëlietische maagd gebracht heeft; ook moet zij hem tot vrouw blijven, hij zal

20 haar niet mogen wegzenden, zoo lang hij leeft. — Wanneer echter waar was deze zaak ; er zijn inderdaad geene bewijzen

21 van maagdelijkheid bij het jonge meisje gevonden ; Dan zullen zij het jonge meisje uitvoeren naar den ingang van het huis haars vaders, en de lieden barer stad zullen haar steenigen, zoodat zij sterft; want zij heeft een schanddaad begaan onder Israël, door in haars vaders huis ontucht te plegen. Zoo zult gij het kwaad

slechte daden ; zoo hier nVSr, v. s. slechte daden van Di-ai, rechtszaken, een valsche beschuldiging; v. a. een voorwendsel van aanklacht (Ex. 24,14), n. a. daden van aanklacht; eindelijk sommigen; een daad van woorden, praatjes ; een daad, waardoor praatjes over haar gemaakt worden. Uit vs. 20 en 21 in verband met 23 en 24 blijkt, dat van de zijde van den man een for-meele aanklacht tegen de vrouw wordt ingediend, als zou zij tnsschen de huwelijksverbintenis, ftïiTp, en de huwelijksvoltrekking,pswj, overspel hebben gepleegd. Ware zijn aanklacht gegrond, dan zou de vrouw tot steeniging veroordeeld worden; de klacht moet dus door getuigen zijn gestaafd ; dit ligt dan v. s. in nS dï', legt tegen haar aan. — d'Sirc, maagdelijkheid, v. d. de kenteekenen daarvan. —- Sïvn, te voorschijn brengen, evenals Num. 13,32, of: verzinnen of: te berde brengen.

15. Hp1?!. a's voorwerp moet ook bij dit werkwoord reeds iSina jin iwri gedacht worden. — quot;lyj voor mrJ is waarschijnlijk oude schrijfwijze,

die ook Gen. 24,14 en 28 voorkomt en in ons geheele hoofdstuk gebruikt wordt, behalve in vs. 19.

16- WU heb ik, de vader, gegeven. De vader had dus het recht van beschikking over de hand van het meisje, — wat bewijst, dat er van eene myj of roep sprake is.

17. nSotrn iunsi. het kleed met de bewijzen der maagdelijkheid; v. a. moeten deze woorden als beeld opgevat worden : zij bewijzen de zaak en leggen haar voor, zoo duidelijk en glad, als een kleed; natuurlijk

76

ocr page 157

3D NXn 'D IV

: nV ♦nNïo-Nbi mpxi ♦nnpb hsnn n^ttn

i* : *vt * jt t i : t v j-l; vit **:''t quot; «t • it |-t.

♦jprbN njnn ^inrriK wvim naxi ijrsn »2^ np^i n

v ot^rr - squot; : v « * : lt;st • : vt^;i- - j* -: I-j-t :

♦nnrnrnN D^pn-bx i^sn quot;idki : n^n» p

•^ - t * ^ v ^ «s* I••; - v - r —. -r r» t^; it quot; t i-

Dnm civ Kin-nani : nm^ nn ir^4? ^ r-

• t : • t •• • : t ivt : •- i.t • : •)•••- jquot; t |_h

wiai 'ro ^ira nbt«i -innb ^nvq-X1? IÓ^ ^

:it ft' ' •*quot; : v vquot; : * : i : • : • lt;t t i ••

TIK 'jpT inp1?^ : n^n ^pr ^öb n^D'^n ^

^ v.' quot; it jquot;l: • •gt; i:it ; r t j-y :* • t. : * quot;

♦dk1? i:n3i eiDi riNo iri« : inK 'nD,,i ts^ttn ^

j* -:i- : it : | v v t-*quot; :~t: ^ i v! *! . A* T

rrnmbi bxTty» nbina by pi ot? N»ïin '3 nnpan

j.. : ,. : is- t : • -•- : t jquot; • lt;• t^i—

rvn nQN'DNi d : nn^iy1? n^N1?3

#rtt v: • :^ * itt t v.T : - ; J' • t • ;

-i^n-nN ^quot;ïlm : yiï D^ira ^vprKb nn innn« n -♦3 nnoi b^2«3 n^poi rv3KTV3 nna-^ %

r •• t ' r -iir lt;t * •• : - t it : t * t^ iquot; quot;-«v v

pin mp3quot;i n'3kv n»3 ni:^ nb32 nnirp -r-

vt t jt : r t a* t -quot;' ^• •• t ; * ; t t : lt;t ; ht

is in beide opvattingen bewijs der waarheid door getuigen toegelaten, volgens de laatste zelfs vereiscut.

18. inpSl» ~y -uilen hem nemen, laten halen, en hem tuchtigen, de straf van geesseling op hem toepassen (25,2 en 3); verwijten maken zou beter door irroim zijn uitgedrukt.

19. Gelijktijdige toepassing van lijfstraf «n geldboete is hoogst zeldzame uitzondering in het Joodsche strafrecht, waar bij congruentie van straffen steeds alleen de zwaarste wordt toegepast. Ons geval is de eenige uitzondering. Het geld wordt den vader gegeven, wiens huiselijke eer in de tegen zijne dochter gerichte aanklacht is aangetast. De som is een vast bedrag, afgescheiden van den stand, waartoe de beleedigde behoort, — het is dus geene schadevergoeding voor de beleedigde eer, ra aar boete, ifjri.— nnS~S Sïii s*-», den man, die met geweld den huwelijksband wilde verbreken, wordt het recht ontnomen zijnerzijds ooit zich aan dien band te onttrekken. Hier kan de man zonder toestemming der vrouw het huwelijk niet door echtscheiding ontbinden.

20. Het negatieve feit, dat de bewijzen van maagdelijkheid niet gevonden zijn, kan uatuurlijk alleen daaruit volgen, dat er bewijs door getuigen is, dat zij nog in het huis haars vaders zijnde, hoewel reeds door huwelijKS-belofte gebonden, novts, overspel heeft gepleegd. — DiSiro isxm nS beteekent dus: het is bewezen, dat zij bij haar huwelijk geen maagd meer was.

21. w^mi. zij, de rechtbank, zullen haar uitvoeren uit het huis van haren man, naar den ingang van haars vaders huis.

ocr page 158

DEUTERONOM1UM XXII.

22 uit uw midden wegruimen. — Wanneer iemand bevonden wordt, liggende bij eene vrouw, die met een man gehuwd is, dan zullen zij alle beide sterven, de man, die bij de vrouw gelegen heeft, zoowel als de vrouw. Zoo zult gij

23 het kwaad uit Israël wegruimen. — Wanneer er een jong meisje in maagdelijken staat zijn zal, met een man verloofd, en een andere man vindt haar in de stad, en ligt bij haar;

24 Dan zult gij lien beiden uitvoei-en naar de poort dier stad, en hen met steenen werpen, zoodat zij sterven ; het jonge meisje, omdat zij niet geschreeuwd heeft in de stad, en den man, omdat hij de vrouw van zijn naaste geweld heeft aangedaan. Zoo

25 zult gij het kwaad uit uw midden uitruimen. — Maar wanneer op het veld de man het verloofde jonge meisje heeft gevonden, en de man haar met geweld vastgehouden en bij haar gelegen heeft; dan zal de man, die bij haar gelegen heeft, alleen

26 sterven. Het jonge meisje echter zult gij niets doen ; er is geene zonde, die den dood verdient, bij het jonge meisje; want, gelijk wanneer iemand tegen zijnen naaste opstaat en

27 hein om het leven brengt, zoo is deze zaak. Want op het veld heeft hij haar gevonden ; geschreeuwd heeft het verloofde jonge meisje, doch niemand was er, die haar te hulp kwam.-—

28 Wanneer iemand vindt een jong meisje in maagdelijken staat, die niet verloofd is, hij grijpt haar aan en ligt bij haar, en

29zij worden gevonden; Dan zal de man, die bij haar gelegen heeft, aan den vader van het jonge meisje vijftig zilverstukken geven; en hem zal zij tot vrouw zijn, omdat hij haar geweld aangedaan heeft; hij zal haar niet mogen wegzenden, zoo lang hij leeft.

22. ^3, als bevonden wordt door getuigen, na voorafgaande waar

schuwing. Hier is sprake van hewuslen echtbreuk van beide partijen, en wel met eene Si'3 nSi-:, geheel in huwelijksgemcenfchap met haren man staande vrouw, nswj. — insi, gerechtelijke doodstraf door worging.

23 en 24. rpiT. niann. is onpersoonlijk. Overspel met een verloofd, nauwelijks tot den huwbaren leeftijd gekomen meisje, nons» mï3, •—van beide zijden bewust. — -ir:. een meisje, dat den huwbaren leeftijd juist bereikt heeft (Ex. 21,7). — nSiro, maagd-, ntns», door ponp aan een man verbonden.

24. De doodstraf is hier steeniging, daar juist in den jeugdigen leeftijd der betrokken vrouw van beide zijden aanleiding had moeten zijn tot grooler kuischheid. — In de stad zou, zoo zij om hulp had geroepen, wel redding mogelijk zijn geweest; dat dit niet is geschied, bewijst, dat ook zij willens en wetens overspel heeft bedreven.

25 — 27. Als van de zijde van den man geweld gebruikt is, waartegen de vrouw zich niet verzetten kon. Dit is liet meest waarschijnlijk, als ook de uiterlijke omstandigheden redding voor de vrouw onmogelijk maken, zoo bijv. in het open veld. Natuurlijk is ook bij in de stad aangedaan geweld de vrouw niet strafbaar. Ook bij deze processen moet door

77

ocr page 159

3D Nïn »3

n#K-D# i D : 33

mym nt^Nni n^n-D^ 3Dirn Dn»:iyquot;Da wqt

jt : - r at • it : , \.t • it^ ^ r. - .)* t v •• : - |-

niyi^Q rtëira quot;ij?3 »3 D : ^xni^o ^nn » ^

a- : v.t t 1 : t : -quot;t^ii- v : r lt;• i- r : * • ^tt

-VK Drr:Egt;-nK on^ïim : na^ DDtyi TJD wx hnvoi ^

v •• ; v •-• •• 1 : 'T * j- t : t r jt t : _

nvsn-nNVbi D^2«3 dhk onbpDi Ninn i^n 1 nytf n

t :i~ - v •• t -t-rit^ •'t # v ; i - : . . - •'quot; n.

-quot;IB'K n3T^ t^NrrnNi -173 I^N in-!quot;^

m^rDNi D : rnjni n^-nx njj?

3Diyi sy^Kn nn-pnnm n^i«on njm-na r

-«-t : v.* jt i 1 • v: iv : t t-« : 1- t'hi-- •-• • t -«t ; • |—

n'^yn-N1? -ijrabi : imb HDV antritrK nói nay13 -rI

^ • .' t :i~ — , I - = - T V -.• # ■)■ T ■• ^T- ,-

mvT^y Dip» 1^X3 ^ mo Kun rx quot;lit 1?

*:. ,. n. lt;• 1 t v -; 1- • vat : jquot; vt ~;iquot; ~ » t t -■

nvsn npyï HNÏO mtjo '3 : mn min p inini» ^

^ t ;i~ - ^lt^-rit att : v.vt - r iv - jt t - kquot; ••vlt; -» t : ^

nbii-a -ly: NVO,-',3 D : n1? PNI nii»quot;i«?Dn ^ r

r ^ : «tp-ii- p * quot;jt ; * i* ir ^ v.' ' t t -» : r |—

B^'sn ?nn ; rn'oii nay 33^1 n^am n^ix-sb quot;i^n ••:3 ^

• t i - t : it 1 ' : at -,- t^; v.t t ; t t i -«v -: |-

n^K1? n^nn-ibi »nD3 o^an ny-in nay 33^n ü

t • : -••.•: r : |vat -* • -; v.t-:i- - r-: r ^ ot^- jquot; ~ ^

d : va,_173 nn^ niiy n^s4 nnn« J.

]jquot; t itt t vt : - j' 1 t * -»v -: - -«

getuigen de denkbaarst groote waarschijnlijkheid van het gepleegde feit zijn geconstateerd en aan de daad waarschuwing zijn voorafgegaan.

26. '3 enz. Zoomin als iemand aansprakelijk gesteld kan worden voor den door een ander met geweld op hem gepleegden moord (met zijn toestemming ware het zelfmoord), evenmin voor echtbreuk, dien een ander gewelddadig met hem begaat.

27. npi^ï enz- a' zou ze zequot;3 geschreeuwd hehhen, zou nog niemand haar te hulp hehhen kunnen komen, of; waarschijnlijk heeft zij om hulp geroepen, de omstandigheden wijzen erop; ware de echtbreuk ook harerzijds nit vrijen wil geschied, zoo zouden zij wel een andere plaats ervoor hebben gezocht.

28 en 29. Ex. 22,15 wordt het geval besproken, dat iemand een meisje van nauwelijks huwbaren leeftijd verleidt-, hier, dat hij haar met geweld tot slachtofTer van zijn lusten maakt, nissm; — vgl. onze aant. aldaar. In ons geval moet hij haar tot vrouw nemen, — bovendien met de bezwarende voorwaarde, haar nimmer zijnerzijds te kunnen wegzenden ; en hier moet bovendien een bedrag van vijftig shekel den vader als boete ter hand gesteld worden, — wat niet hetzelfde is, als de £x. 22,15 genoemde vis, die daar alleen hij weigering van den vader wordt uitbetaald. Daar was immers het huwelijk niet verplicht. — Zooals vanzelf spreekt, kan ook hier het slachtoffer zelf of hare familie het huwelijk weigeren.

ocr page 160

DEUTERON OMIUM XXIII.

1 Niemand zal zijns vaders vrouw nemen, noch zijns vaders

2 kleedhoek ontblootend opheiïen. — Niet kome wie door plettende kneuzing 'of uitsnijding ontmand is, in de vergadering

3 des Eeuwigen. — Geen bastaard zal in de vergadering des Eeuwigen komen ; zelfs het tiende geslacht zal niet van hem

4 in de vergadering des Eeuwigen komen. — Geen 'Ammoniet noch Moabiet zal in de vergadering des Eeuwigen komen; zelfs het tiende geslacht zal van hen niet in de vergadering des

5 Eeuwigen komen, tot in eeuwigheid. Om der wille dat zij u niet tegemoet gekomen zijn met brood en water op den weg, toen gij uit Egypte getrokken zijt; en omdat hij Bil'am, den

Hoofdstuk XXIII. 1. Terwijl de op grond van hloeduencantschap verboden geslachtsgemeenschap Lev. 18 en 20 is behandeld, volgt hier vs. 2—9 een groep van huwelijksverboden op grond van licliaamsgesteldlieid, geboorte en afstamming. Ons vers, dat door de Septuaginta nog tot het vorige hoofdstuk wordt gerekend, behandelt, naar den samenhang te oordeelen, een gevolg van huiteneditelijLe geslachtsgemeenschap. Het verbod toch, met de vrouw zijns vaders, ook al is zij niet zijne moeder, omgang te hebben, is Lev. 18,7 en 8 uitdrukkelijk gegeven. Deze band duurt ook na den dood des vaders voort; de overtreder wordt naar Lev. 29,11 met den dood door steeniging gestraft. Hier in ons vers is dan ook v. s. sprake van een vrouw, die buitenechtelijken omgang met den vader heeft gehad; v. a. wordt juist hier aan de gehumde vrouw des vaders gedacht en wordt uitdrukkelijk uitgesproken, dat buitenechtelijke omgang geen, slechts door huwelijksgemeenschap voor den zoon ontstaand, huwelijksverbod ten gevolge heeft. Anderen : de vrouw zijns vaders, al is zij thans gescheiden of weduwe. N. a. meenen, dat ons vers slechts één en wel het Lev. t. a. p. het eerst besproken, geval van verboden verwantschapsgraden behandelt, als algemeene recapitulie van alle desbetreffende wetten. — ras tjjs rhf nVi, en zal niet ontblootend opheffen den vleugel van het dekkleed van het huwelijksbed, of bovenkleed zijns vaders. Vgl. Roeth 3,9. Het is niet zeker te beslissen, of aan den mantel van den man, of aan den deken van het bed moet worden gedacht. De huwelijksceremoniën wijzen eerder op het eerste. Naar den Thalmoed wordt hier aan een den vader in zwagerhuwelijk toegevallen, maar nog niet met hem gehuwde weduwe zijns kinderloos overleden broeders gedacht; ook Roeth t. a. p. wordt de uitdrukking cp3 juist bij een soortgelijk geval gebruikt. Vgl. echter Ez. 16, 8 en 9. — n'rj heeft als voorwerp zoowel de zaak, die ontbloot wordt, als dat, wat men opheft-, hier het laatste, evenzoo Job. 41,5; Nach. 3,5; Ps. 119,22; Jes. 22,8 en 47,2.

2- rDflty nnSI rm jn2£3gt; volgens Luzzatto; gekneusd, zoodat hij verpletterd is, en gesneden, zoodat hij uitstort. V. a. verwond door pletten, d. w. z. wiens testiculae door ze plat te drukken buiten functie zijn gesteld; en gesneden wat het uitstorten aangaat, d. w. z. wiens uitstortingsorganen, de

Eenis en de kanalen, zijn weg- of losgesneden. Beiden zijn door menschen-, andenis en de kanalen, zijn weg- of losgesneden. Beiden zijn door menschen-, and ontmand; dus tot voortplanting van het geslacht ongeschikt, daarom 'n Snpa S3' N7, mogen zij in de huwelijksgemeenschap der vergadering des Eeuwigen, niet worden opgenomen. Lev. 22,24 is overigens het verbod van dergelijke, geheele of gedeeltelijke castreering voor mensch en dier uitdrukkelijk uitgesproken. De Thalmoed onderscheidt castreeren door verminking van de penis, de testiculae en de toevoerkanalen; vgl. onze

18

ocr page 161

33 «vn »3 D : VDX S]i2 nbr K^I V3N nt^N-nN t^'n -

i : s t i r t |j- : j ; a- t v r* v,

Vnpa itoü ayah d : nin» nDSiy nnDi roTj

.,-1 : . - j t , it ; j-1 ; * _ v,t ; t j : ot -

Nrrttb d : nin» Vnpa ib Nn,_xV in D3 nirr ■gt;

s t i . ,t : j'ii' ^ j t i * • -: -» -lt; at ;

an1? ayah in D5 nin» Vnpa ♦axioi

^ •)••• t J t i . • J -c at : -»-1: * t i •)•

aariN lo^p-N1? nin» Vnpsquot;

V : ... ^ :|-q , ... 1T -» .r : .- : •

nDty -i^xi DnïDO dddn^S -1*113 D'sm on^a

i v t - t v -: 1- • at : • • jv : iquot; : ) v^v - • — v-*v -

1

aant. Lev. t. a. p. — Daar hier van Israëlieten sprake is, die door geboorte reeds tot net volk Gods behooren, kan de uitdrukking 'n 'wpa sa onmogelijk beteekenen : in de volksgemeenschap opgenomen worden, wat men

ocr page 162

DEUTERONOMIÜM XXITT.

zoon van Be'or, uit Pethor in Aram-Naharajim, tegen u ge-

6 huurd heeft, om u te vloeken. Doch de Eeuwige, uw God, wilde niet Bil'am gehoor geven, cn de Eeuwige, uw God, veranderde teu uwen behoeve den vloek in zegen; omdat de

7 Eeuwige, uw God, u beminde. Gij zult noch hunnen vrede

8 noch hun welzijn zoeken, al uwe dagen in eeuwigheid. — Gij zult den Edomiet niet verafschuwen, want uw broeder is hij ; gij zult den Egyptenaar niet verafschuwen, want vreemdeling

9 zijt gij geweest in zijn land. De kinderen, die hun geboren zullen worden, het derde geslacht, zal van hen in de vergade-

10 ring des Eeuwigen mogen komen. — Wanneer gij met een leger tegen uwe vijanden uittrekt, dan moet gij u voor elke

11 slechte zaak in acht nemen. Indien er nochtans iemand onder u mocht zijn, die niet-rein is, door een nachtelijk voorval, dan zal hij naar buiten de legerplaats uitgaan; hij zal

12 niet binnen de legerplaats komen. En het zal zijn; Tegen het vallen van den avond, zal hij zich in water baden; en als de zon ondergegaan is, zal hij naar binnen de leger-

13 plaats komen. Eene plaats zal er voor u zijn huiten de

6. n3}C JcSl. wilde niet — weigerde.

7. Is ii voor leden van andere volkeren voorgeschreven, hen bij u to laten wonen, waar hij hel gued kan hehhen (üeut. 23,1), niet aldus bij 'Ainmou en Moab ! zoek niet hun ivelzijn en voordeel. Doch het is niet voorgeschreven hun kicaad te doen. Integendeel wordt 2,9 en 19 zelfs uitdrukkelijk verboden, hen te bestrijden. — cftirS -pai hl, al mve dagen, zoolang gij als volk bestaat, waarbij dan dW?, in eeuwigheid, ter versterking gevoegd wordt; v. a. beteekent dit laatste hier: onder icelke omstandigheden ook.

8. Edomieten, nakomelingen van 'Esan, nader verwant dan 'Ammon ; hoewel zij, volgens Num. 20,18—21, niet minder vijandig optraden dan genoemd volk, nwogt gij hen niet verafschuwen-, vgl. onze aant. 2,1. — Wat de Egyptenaar u ook hebbe gedaan, vergeet nooit, dat hij u als vreemdeling quot;in zijn land heeft toegelaten cn woning heeft verstrekt.

9. quot;111, het kleinkind van een tot het Jodendom overgeganen Egyptlschen man of vrouw mag, als volkomen Israëliet, tot wettige huwelijksgemeenschap in Israël worden toegelaten. De proseliet zelve zal echter slechts een proselietin kunnen huiven; het uit buitenechtelijken omgang van een Egyptischen proseliet met een Joodsch meisje geboren kind zal zijne kinderen (uit echt met een proselietin of buiten echt met een Joodsch meisje) evenzeer «in de vergadering des Eeuwigenquot; zien opgenomen. — De Assyrisch-liabyIonische veroveringsoorlogen met de daarop volgende overplaatsing der bevolking der veroverde landen naar andere streken, waren oorzaak, dat deze volkeren in de anderen opgingen, zoodat deze wetten op de tegenwoordige bewoners van Egypte bijv. niet toepasselijk zijn. _ Zich tot het Jodendom bekeerende, gelden zij, ook ten opzichte van 'huwelijk, geheel als Israëlieten. — •■vhv in, hel derde (/eslacht, hier den oorsprong meerekenend, is de kleinzoon. d^üSo. 5,9, (vgl. Ex. 20,5) is alleen daarom de achterkleinzoon, het derde nakomeling*■ geslacht dus, omdat ffoa ij: ervoor genoemd zijn. — Sommigen meen'en, dat slechts twee geslachten na Mozes dit verbod zou gelden, en dan alleen

79

ocr page 163

J3 Nvn *3 uy

nSN-Nbquot;! : onn: qik quot;iinap D^3-nx1 quot;nK^^rtVNnin^^am nin»

qamp;V lynn-N1? : nfl'i'K ninquot; nanx '3 ro-a1? n^pn'

V,t : j.'' ' 1 ' |v v: jt '• u : j' fgt;t t : ' t i: -

l'ns4 '3 'Dis4 Dynn-K1? D * : nn^iquot;

i v' t j- -: -»*•quot; : 1 it^ : i v,quot;t t «stt i :

-im 0^3 : 1ÏIX3 n^n ir^ nvo 3m,i-KV xm0

v -: 0 t 1 : - : r j- r \.quot; ' * ; * *-»•■ - : 1 a

Nxnquot;»3 D : nln' l7np3 on1? N3» in Dr6 nVv1

^ r* quot; i- it : j-l: • ^.v r . t is-^ • ; J vquot; t j-.it*

^13 rrrrrs : yi 131 ^30 n^no ^

i : lt;v; i* gt;,t -'t t v, * t ; - : • : | av ; i v,quot;quot;! •quot;

niina1? rino-Vx n^^-mpö Tint: n^n'-N1? -iï^n

v-: 1- - I j * v tt: t :at ••!; • v. t j'.' : r -jv -ï

D,a3 rm» 3^-ni:öl? n»m : njnsn quot;nin-Vx N3♦ x1?

•at - i -quot;- :• V^v ^ i ; • jt t i iv-: i- - | j v v. t j

rma rrnn nn : n^nsn k3» wniïn N33,i ^

i i. * i : -»•.•; r t : tv-: i- - I j v v v - -• :

voor Egj-ptenaren, — overeenkomende met de twee geslachten Israëlieten, die zij onderdrukten. Naar Gen. 15,15 zou het vierde geslacht na Josel' terugkèeren, Joseph's tijdgenooten werden niet verdrukt, het vierde geslacht werd bevrijd, zoodat er twee geslachten tusschen zouden liggen. onS, het meervoud, toont echter o. i. onvvederlegbaar aan, dat ons vers op den Edomiet zoowel, als op den Egyptenaar slaat.

10—15. Reinhouding uwer legerplaats, zelfs in den oorlog; zeker dus van uwe woonplaatsen in tijd van vrede.

10- nona moet als bijwoordelijke uitdrukking worden. — .s-sn is 2e pers. mannelijk, niet 3e vrouwelijk, daar n:nn mannelijk is. — Uit Sr ■pa'N blijkt overigens, dat niet aan het legerkamp in de woestijn gedacht wordt, — een daarvoor geldende wet ware in ons boek niet op hare plaats. — i'i 121 Vo?:, voor al wat slecht is, eenerzijds lichamelijke verontreiniging, anderzijds ook bevlekking der ziel door overtreding der wetten, speciaal, in verband met de tegenstelling van vs. 11, der kuisch-en zede-lijkheidswetten.

11. Ook in het oorlogskamp geldt de Num. 5,2—4 gegeven wet. — TinQ ,t,tgt; s1? iüx, euphemistisch voor; nijd iw icn. — n1?'1?mpnrfooreennadl-lelijk voorval-, bedoeld is het Lev. 15,16 v.v. besproken geval. —mpDgt; v. s. is de Dagésh hier alleen welluidendheidshalve geplaatst, het woord staat dan in den 4den naamval als nadere bepaling; v. a. is het zelfst. n.woord n-jp, Semiechoeth in den specialen zin van pollutie (vgl. het Thal-

moedische 'Hp) en is de '» voorzetsel: ten gevolge van een nachtelijke pollutie

(Ibn 'Ezka). — sïii, hij moet uit de legerplaats zich verwijderen eu mag niet tenigkeeren, vóór het in het volgende vers omschievene is geschied; v. a. hij moet, zich binnen de legerplaats bevindend, het kamp verlaten, en, is hij toevallig erbuiten, dan mag hij het in on rein en staat niet hmncnyaan.

'13. Voor uw dierlijke verrichtingen hebt gij u een plaats buiten het leger te bestemmen. ■— -pn sx'1 en pn aui' schijnen termen te zijn voor: voldoen aan de menschelijke behoefte (vgl. naar achteren gaan, zich absenteeren). — t, eig. kant, zijde, — 'een ter zijde liggende plaats.

ocr page 164

DEUTERONOMIUM XXIII.

14 legerplaats, waarheen gij naar buiten gaan zult. En een schopje zult gij hebben bij uw wapentuig; en het zal zijn: als gij u buiten nederzet, dan zult gij daarmede graven, en uwe uitwerpselen weder

15 bedekken. Want de Eeuwige, uw God, verkeert te midden van uw leger, om u te besehermen en uwe vijanden in uwe macht te geven; daarom moet uwe legerplaats heilig zijn, opdat Hij niet iets onbetamelijks onder u zie, en Zich afwende van u te volgen. —

16 Gij zult geenen slaaf aan zijnen heer uitleveren, die, tot u

17 komend, van bij zijnen heer weg, zich zoekt te redden. Bij u wone hij, in uw midden, op de plaats, die hij uitkiezen zal, binnen eene uwer poorten, waar het hem goeddunkt; gij zult

18 hem niet krenken. — Er zal geene aan ontucht gewijde vrouw zijn onder de dochteren van Israël, en er zal geen aan ontucht

19 gewijd man zijn onder de zonen van Israël. Gij zult geen ontuchtloon noch hondenprijs in het huis van den Eeuwige, uwen God, brengen ter voldoening van eenige gelofte; want gruwel voor den Eeuwige, uwen God, zijn zij alle beide! —

20 Gij zult uwen broeder geene rente laten nemen, rente in

-irn. een pin, eig. puntig toeloopend blok, (ot het vastzetten van touwen en gordijnen, vgl. Ex. 27,19; hier een werktuig voor steken en graven, een schopje misschien, welks steel puntig is, om in den harden bodem te kunnen steken. — yin nadat gij u geabsenteerd hebt, —

moi jwi. zuil gij xcederom bedekken, d. w. z. v. s. de, vóór gij u neder-zettet, uitgegraven aarde over uw excrementen werpen, zoodat deze aarde weder op haar plaats komt. Zoo spreken wij van: //een openstaande deur weer sluitenquot; enz. V. a. vervolgens, daarna zult gij bedekken. — -jnNX van nïi, wat van uw lichaam uitgaat, uitwerpselen.

15. God verkeert a. h. w. in uw kamp; gij hebt steeds rekening te houden met Zijne tegenwoordigheid; — het doelt niet op de verbonds-arke, die het volk lang niet altijd in den oorlog zou begeleiden. —fjno, de meervoudsvorm beteekent v. s.: uw legerplaats, in haar geheel zoowel als in al hare individuen en onderdeelen. Luzzatto doet echter opmerken, dat de van nquot;S-stammen afgeleide naamwoorden dikwijls den''aannemen en zoo schijnbare meervoudsvormen worden. — ■m nnr, ontblooting in eenige zaak, eenige zedelijke onachtzaamheid, of meer algemeen: iets ongepasts. — quot;prusn 3oi, zal zich terugtrekken van achter u, zal u niet meer begeleiden; v. a. zal zich terugtrekken en zich plaatsen achter u, evenals ormn.s», Ex. 14,19.

16. Een slaaf, die van buiten het land, zooals uit vs. 17 blijkt, tot u gevlucht is, zijn heer ontloopend, en bij u redding zoekend, — moogt gij niet doen opsluiten ten behoeve van zijn heer. Naar den Thalmoed:een Kena'anielsche slaaf van een Israëlietischen heer. Men moet dan den heer voor de keuze stellen, den slaaf een vrijlatingsbrief te geven, waartegen deze hem een schuldbekentenis voor het hem toekomend losgeld afgeeft, — of de vrijlating door het ger«cht te hooren uitspreken. De slaaf wordt dan volkomen Israëliet. Anderen ; een heidensche slaaf van een heiden-schen eigenaar. Uit Lm' blijkt in ieder geval, dat de slaaf wegens mishandeling, voor zijn eigen veiligheid, zijnen heer is ontloopen.

17. Hij mag zich vestigen waar het hem goeddunkt; naar den Thal-

80

11

ocr page 165

yy Nxn »3 ö

n^ni mrsrbv : nn nat^ nKï'i nans1?^

qtt : |avquot; -: v.1 : jv : r 4quot;t; I i tv.t t jt t: av-: r -

'3 : n,D3i nst^i n3 nnnsm rm nn3^3iu

| iv t iquot; v t r • : v.t : - ; t -t : - it : l ^ -«p : : '^ :

rpirK nn1?! ?jino 3^3 i ^nnp ^riVK nin; zvh nin nm ^3 i^np Tno n^m

: tt j- : '.• I : lt;•.•;• i : aIt I v. •* ~ï •quot; jrr '. | vt ;

quot;Djp Tapn'K1? D : nnK3 nn^'-iB'K Dij^as 3#» ^05; : V:-IK DJ;Oquot; n^ip n'nn-^ D : is^in *6 ib 3iü3

q vt quot;l: J'-' : 1' '•* v ^ J quot; ' T :

: bK-it?' *330 rip n,n,-Ni?i ni330 ^

• t i iquot; t : * jquot; : * vl t jquot; : i* : *gt;quot; t ; * y* '' '

n3yin »3 quot;nrbo1? nin» 3^3 n^noi nil? nnx

•)- -: 1 s vav t ; i v•* v: jt : •)quot; v v ■j* : t i- ; v

Tjir3 -j^rrKb d : on^^oa nin;3

moed: waar hij zich ook vestige, zorg gij ervoor, dat het hem wélga! — Over iMin n4, vgl. Ex. 22,20.

18. Cip, een aan ontucht gewijde; er waren afgoden, in wier dienst mannen of vrouwen, priesteressen en priesters, zich moesten prostitueeren. Het raag niet geduld worden, dat zoo iets door een Israëliet geschiedt, ook al is het niet in dienst van den afgod. Of bij ctp aan paederastie of aan eiken vorm van ontucht (= buitenechtelijken geslachtsomgang) gedacht moet worden, staat niet vast. Verboden is ook het laatste zonder eenigen twijfel.

19- ruit pnx. onluchfloon en aba tpt», koopprijs voor een hond, d. i. iets wat als offer geschikt is, wat der ontuchtige vrouw als loon of als koopprijs voor een hond is gegeven,, mag niet als offer worden gebracht. V. s. is juist de hond als type van het vooral zich geslachtelijk niet in-toomende dier gekozen. Anderen houden de woorden aSa Tnai voor een omschrijving van het loon voor den manneliiken prostitué.

20. quot;pt?D üh. De stam yii, eig. bijten, is constante term, die in den Kal: rente nemen betcekent. Omtrent de beteekenis van den Hiph'iel loopen de meeningen uiteen. Terwijl sommigen den vorm verklaren =-[M jmifn, dus: rente opleggen (vgl. onze aant. Ex. 22,24 en Lev. 25,36) en de uitdrukking dus op den geldschieter laten slaan, wien dan verboden wordt rente te nemen,— evenals uitdrukkingen als mSn ;Bi3j,-n Irxan op den geldschieter slaan ; — meenen anderen, o. m. de Thalmoedisclie traditie, dat hier de Hiph'iel de gewone factitieve beteekenis heeft: rente doen nemen, en dus de geldnemer onderwerp is, wien hier verboden zou zijn, rente te betalen. Dan geeft de combinatie van onze plaats met de boven aangehaalden verbod voor den geldschieter rente te nemen, voor den geldnemer ze te betalen, voor getuigen en borgen om tot de totstandkoming van het contract mede te werken. Ons komt deze laatste opvatting het waarschijnlijkst voor, daar ook de genoemde Hiph'ielvormen zuiver factitief zijn: ah mS /ww /tsaw doen optreden-, en de Kal van in leder geval beteekent: rente nemen, de Hiph'iel dus wél: rente doen nemen = geven, niet echter rente doen

ocr page 166

DEUTERONOMIUM XXIII.

geld, rente in spijze, rente in eenige zaak, die als renten gelden

21 kan. Den vreemde kunt gij rente laten nemen, doch uwen broeder zult gij geene rente laten nemen; opdat de Eeuwige, uw God, u zegene, in alles, waarover uwe hand zich uitstrekt, in het land, waarheen gij komt, om het in bezit te nemen. —

22 Wanneer gij eene gelofte doet ter eere van den Eeuwige, uwen God, zult gij niet uitstellen haar te voldoen; want opeisehen zou het de Eeuwige, uw God, van bij u, en er zoude op u

23 zonde zijn. Doch wanneer gij nalaat geloften te doen, zal geene

24 zonde op u rusten. Wat echter gegaan is uit uwe lippen, moet gij in acht nemen en vervullen; gelijk gij den Eeuwige, uwen God, eene vrijwillige wijding beloofd hebt, wat gij met uwen

25 mond hebt uitgesproken. — Wanneer gij in den wijngaard van uwen naaste komen zult, dan moogt gij druiven eten naar uwen lust, tot uwe verzadiging toe; maar in uw vaatwerk zult gij

geven kan beteekenen. — ejdd quot;po kan beteekenen: rente v a n geld, spijzen enz., maar ook: rente bestaande in geld enz. Lev. t. u. p. is reeds besproken, dat de naam -jr: voor rente het oog heeft op de in ieder geval uit rente voortvloeiende vermogensvermindering van den schuldenaar. Het is dus licht te begrijpen, dat het noodig geacht wordt, eiken vorm dier vermogensbenadeeling te verbieden; zoo vat dan ook de Thalmoed de woorden idi ics im hl -pj op als algemeen verbod voor eiken vorm van vergoeding voor het leenen van geld, in het bewijzen van diensten en betoonen van onderdanigheid of hulpvaardigheid zelfs. Men vertaalt dan: rente, bestaande in welke zaak ook, die rente is, eig. die bijt, die den schuldenaar zijne verplichting doet gevoelen. Anderen: rente van elke zaak, die rente draagt, die den schuldenaar grooter last doet dragen, dan hij van den schuldeischer ontvangen heeft. N. a. rente van wal men op rente geeft-, dan is ito voorwerp van -pi, waarbij de geldschieter ais onderwerp gedacht moet worden. — De herhaling der Ex. en Lev. t. a. p. reeds in het algemeen gegeven wet vóór de komst in het land, waarmede eigenlijk eerst net handelsverkeer zon beginnen, is op zich zelf begrijpelijk

tenoeg. Nog duidelijker wordt die herhaling in verband met den Lev.enoeg. Nog duidelijker wordt die herhaling in verband met den Lev.

5,38 gegeven grond voor het renteverbod.

21. den vreemde, v. s. den afgoden dienenden, niet in uw land

gevestigden vreemdeling, die slechts op handelsreizen uw land bezoekt. — ■pen, moogt gij rente doen betalen; v. a. is het imperatief voorschrift, dat in de argumenteering van het renteverbod Lev. t. a. p. zijn gereede verklaring vindt; evenmin als onder de Shemitta en Jobelwet, valt de niet-Israëliet onder de rentewet, welks leidend beginsel hij niet begrijpt, veel minder erkent. (Vgl. Deut. 15,3). Men verlieze verder niet uit het oog, dat hier in geen geval sprake is van het, overigens zeer relatieve en vage begrip : woeker, waarvoor de definitie zelfs in moderne wetgevingen lang niet eensluidend is, — maar van eenvoudige rente, die tegenover den Israëliet ook in den minsten graad zelfs verboden is en tegenover den niet-Israëliet dan óf toegestaan óf voorgeschreven is. Woeker is uit het oogpunt van recht tegenover ieder medemensch in ieder geval verboden ; het renteverbod daarentegen vloeit niet uit een rechtsbeginsel, maar uit de Lev. t. a. p. aangegeven wereldbeschouwing voort.

22—24. Wet omtrent geloften, die v. s. bij de rentewet aansluit, die

81

ocr page 167

3D NVn ^ K3

-j^n npab : Vdk tjos «

^nbföVsa^rftN nin; tyk) rj^n ^n^i Tm-^ D : npiEh1? noKgt;-K3 nrgt;K-quot;ityK

j • i- ^ it : •: tv,t t jt ~ m v -: | vt t ^

nin» IQW? quot;mn KV nin^ ini

lt;t : v ; :• t r a ; - ; v.quot; quot; : J I v v: -r ^i- ^

rrrr*6 quot;iib b'inn : «ün quot;ns n^m •qóvo VriVx»

Jquot; : r ^ gt; a : * V : quot;-* J' '• : i- v. | : t : ) t ^ iquot; | v

n-i^ n^i -io^jn nvid : «pn ?j3^ kan »30*: ?i»03 nnai ntrx raTi nin»1?«

t «• i i* : t j'.' -: t t; | v v: lt;t i-

ah ^Ö?3 nbpKi onaa

immers het denkbeeld van den Gods-eigendom van alle vermogen belichaamt; hier volgt dan de wet, om wat door vrijwillige verbintenis Gode is toegezegd, Hem ook te geven. Vgl. Num. 30. Hier wordt in de eerste plaats aan zulke geloften gedacht, die door vermogenspraestatie voldaan kunnen worden, wat uit iowS in den eigenlijken zin en uit ■jnr», van bij u weg, van uw bezit, blijkt. Dus niet aan onthoudingsgeloiten, die Hum. 30 behandeld zijn. Meer in het bijzonder is sprake van geloften, in het heiligdom te vervullen, — offers en dgl., wier uitstel juist bij de aanstaande vestiging in het land allicht zou voorkomen en tot geheele verzaking zou leiden. — insn xS. Deut. 12,5 en 6 behelst naar den Thalmoed het voorschrift, bij de eerst mogelijke gelegenheid, d. w. z. bij het eerste opgangsfeest na de gelofte, zijne verplichtingen ten opzichte des heilie-doms te vervullen. Hier wordt nu in den vorm van een verbod gezegd, dat men die vervulling niet mag uitstellen, welk verbod v. s. reeds overtreden is, zoodra één opgangsfeest is voorbijgegaan, zonder dat de gelofte is vervuld, v. a. eerst na drie feesten, v. n. a. eerst na de drie feesten in de in den Pentateuch gevolgde orde van opsomming: Pésach, Weken-en Loofhuttenfeest.

23. Geloften 'doen is niet verdienstelijk, geen geloften doen is niet zondig. Heeft men ze echter eenmaal gedaan, dan moeten zij ook vervuld worden. Slechts in gevaar of ter beteugeling van hartstochten wordt het afleggen van geloften in den Thalmoed goedgekeurd.

24. De termen nj en rau vullen elkander hier aan: gelijk gij, of v. a. xo an neer gij een wijding beloofd hebi, daar elke nj, waarbij men eene praestatie op zich neemt, nog gevolgd zal moeten worden door rau, aanwijzing van het object.

25 en 26. Voorschrift voor den Israëlietischen landbezitter, den arbeider vrij genot toe te staan van de op zijn veld gerijpte vrucht, met wier snijden of inzamelen hij bezig is, — waarbij den arbeider tevens de grenzen van zijn bevoegdheid worden aangegeven. — sun •o, als gij in den oogsttijd, terwijl de vrucht plukrijp is, als oogster komt in den wijngaard, of vs. 26 in het staande koren van uwen naaste, — die samen naaide traditie alle vruchtsoorten en voor menschen rauw eetbare landbouwproducten omvatten. De uitdrukking 'a tia beteekent niet een toevallig komen, in het voorbijgaan, zooals een reiziger, maar een opzettelijk komen. De man heeft vaaticerk en sikkel bij zich, komt dus om te oogsten en

ocr page 168

DEUTERONOMIUM XXIII, XXIV.

'2t) niets doen. — Wanneer gij bij het staande koren van uwen naaste komen zult, dan moogt gij met de hand rijpe aren afplukken, doch den sikkel zult gij niet zwaaien over het staande koren van uwen naaste.

1 Wanneer een man eene vrouw genomen en haar gehuwd heeft, — nu zal het zijn : als zij geene gunst in zijne oogen vindt, omdat hij iets onbetamelijks aan haar gevonden heeft, en hij schrijft haar een scheidingsbrief, en geeft dien in hare

2 hand, en laat haar weggaan uit zijn huis, — Wanneer zij nu uit zijn huis vertrokken is, en gegaan is en de vrouw van een

3 anderen man is geworden; En deze laatste man haat haar ook, en schrijft haar eenen scheidingsbrief, en geeft dien in hare hand en laat haar uit zijn huis weggaan; of als deze laatste man sterft, die haar zich tot vrouw genomen heeft;

te maaien. Aldus verklaart de Thai moed, dat hier sprake is van een arbeider; vgl. 25,4, waar ook het werkende dier de gelegenheid niet mag worden benomen van het voor hem geschikte voedsel, dat het bewerkt, te eten; spreekt men daar van te dorschen vruchten, die dns reeds gesneden zijn, hier is sprake van den met oogsten bezigen werkman, die nog aan den grond zittende vrucht bewerkt. De Thalmoed stelt echter beiden op één lijn. De wet zelve beperkt het recht van den arbeider tot den tijd, dat de werkman bezig is de door de natuur voltooide vrucht voor menschelijk gebruik gereed te maken. Anderen denken hier aan gewone voorbijgangers-, zulk een wet zou echtei; slechts in staat zijn den eigenaar te ruïneeren, zonder dat iemand er eenig blijvend voordeel van zou hebben. — -pEiS, naar uw verlangen, eetlust; vgl. li,26. — iraf, bijwoordelijke uitdrukking: tot uw verzadiging toe; naar den Thalmoed: niet echter onmatig gulzig.

26. JiV'SDj v- s- val1 ^1quot;5) afvallen, rijpe, straks af te snijden aren; v. a. van SS», verdubbeling van she. gevulde aren; n. a. naar den in den Thalmoed voorkomenden stnm SSü, die voor het onthnkteren rferlwreZsgebruikt wordt: ontbolsterde korrels. — epp be teelten t: plukken, losmaken, een van de vele met cp en verwante letters gevormde sny-tammen (yxp ,ixp ,3ïp n; (HU ,11; ;rcp ^cp ;-w /TM ,!•» ;nïp enz) — omm, en den xikkel tot snijden voor uw eigen gebruik zult gij niet zwaaien over of: tegen het koren van uwen naaste.

Hoofdstuk XXIV. 1—4. Het hier gegeven voorschrift slaat vs. 4: het verbod, de gescheiden vrouw terug te nemen, nadat zij intusschen met een ander gehuwd was. Als inleiding gaan daaraan vooraf, in den voorzin, de bijzonderheden omtrent sluiten en ontbinden van huwelijken. Het slot van vs. 4 bewijst, dat voor de in dat vs. bedoelde misdaad, een misbruik van de wet tot dekking van de schandelijkste ontucht, bij de verspreiding in het land wel gevaar bestond. Daarom de geheele wet eerst hier en niet in een der vroegere boeken. Wij hebben hier weereen voorbeeld, hoe de gewichtigste wetten en beginselen vaak niet uitdrukkelijk vermeld worden, maar slechts nis toelichting van een bijzonder geval.

i- np1 o. als nemen zal, door de handeling van pt'vrp, waardoor de persoonlijke band wordt gelegd. — nSyai, en haar alt heer neemt, v. s. =

82

ocr page 169

13 33 Nïn '3 30

?jTT3 r-i^p nnpi kan \3 d .* |r}ni3

n^;»3 D : ^,~i, noj5 ^in K1? Wonnv^ quot;13 nnv n3 nvd^S V:^3 rn-^ïon NVDK n^ni n^ni

-•- :•■' t t lt;t ' t ; i t;* s • ^

: in^ao nn^^i nT3 rnii nnns -isd n1? 3n3i izi

i •• • : * : tt: i-^-t : ••. * : ••«•• t - t : t t

ir'Kn nsMiri : nnx-ty^1? nn^m ns^ni in^ö hnx^ =

j* t t •• ; , iquot; - r^: jx ;it : : it a : it : j

in%3D nnv'^i nT3 rn^ nnn3 isd n1? aroVjnnxn

a •• • v.t : • : tt: Ij-t : •-. *vlt;quot; t ^ - t : I -j i- t

: n^K1? ib nnpyi^x linnen JW »3 IKquot;1

i it • : ^ jt i t ; v -i i -: i- t j- t t lt;* j

Sï S3, geslachtelijk bijwoont; bedoeld is in ieder geval de definitieve huwelijksvoltrekking, psiw, waarbij de man de vrouw in zijn huis brengt. De eerstbedoelde handeling heeft den vorm eener eigendornsaanvaarding en kan, naar de traditie, op de drie daarvoor rechtsgeldige wijzen plaats hebben : door een geldswaarde in ruil voor het aanvaarde goed te geven,

door een acte van overdracht of door een handeling aan het te aanvaarden

foed, waardoor men zijn eigendomsrecht toont. — tan nnp na Nït3 ^o,oed, waardoor men zijn eigendomsrecht toont. — tan nnp na Nït3 ^o, omdat ij aan haar gevonden heeft het onbetamelijke van eenige zaak; over de tot echtscheiding aanleiding gevende redenen, bestaat verschil van meening tusschen de scholen van Shammai en Hillel. Eerstgenoemde blijft bij het woord nnr staan en meent, dat slechts zedelijkheidstonim tot echtscheiding kunnen leiden ; nu zou een vergrijp tegen de zedelijkheid, volgens de wet, voortzetting van het huwelijk verbieden en scheiding lot plicht maken;

hier zou dus niet gedacht moeten worden aan bepaalden echtbreuk, maar aan gebrek aan zedige ingetogenheid. De school van Ilillel daarentegen, bewerende, dat //zedelijkslbutquot; zou zijn uitgedrukt óf door rmr nan óf door nvu? alleen, maar niet door nnr, verklaart: wegens een zaak, een tot een rechtsklacht aanleiding gevend argument; nnr wordt dan niet gebruikt in den zin van : geslachtelijke verkeerdheid, — maar van : ontblooting, verkeerdheid in het algemeen ; in dit stelsel zou elke opzettelijke handeling der vrouw tot krenking van haren man echtscheiding ten gevolge kunnen hebben. De scheidingsgrond moet echter als -oi, rechtszaak, door twee getuigen bewezen zijn. — De woorden; ntofroinivo-ibdnS aroi, omvatten het geheele ceremonieel der echtscheiding. Hij, de man, moet schrijven of laten schrijven ; de staatsmacht en hare vertegenwoordiging, de rechter, heeft slechts te leiden en toezicht op de goede uitvoering te oefenen, kan echter niet actief optreden om de scheiding te voltrekken; hij schrijve dus rh,

voor haar, naar de traditie: een uitsluitend met het oog op de scheiding van dezen man en deze vrouw geschreven document. — nrvna ied, een brief van scheiding, eene formule, die de scheiding tusschen hen beiden onvoorwaardelijk en onbeperkt uitspreekt. Eu de geschreven akte stelle hij of zijn vertegenwoordiger haar of haren vertegenwoordiger ter hand, d. w. z. doe haar in haar bezit komen. — iirno nnSci, en laat haar heengaan uit zijn huis, verbreekt den band, die haar aan zijn huis bond. De geheele handeling der scheiding moet, evenzeer als de huwelijksverbintenis, in tegenwoordigheid van twee rechtsgeldige getuigen plaats hebben.

2. nrpnr 's opnieuw gehuwd. Heeft de vrouw na de scheiding

buitenechtelijken geslachtsomgang met een man gehad, dan mag haar eerste man haar nog wél terugnemen.

ocr page 170

DEUTERONOMIÜM XXIV.

4 Dan zal haar eerste man, die haar weggezonden heeft, haar niet mogen nemen, om hem tot vronw te zijn, nadat zij verontreinigd is, want een gruwel is het vóór den Eeuwige; en gij zult het land niet bezondigen, dat de Eeuwige, uw God,

5u tot erfdeel geeft. — Wanneer een man eene nieuwe vrouw gehuwd heeft, zal hij niet mede in den krijgsdienst uittrekken, noch zal iets hem opgelegd worden met betrekking tot eenige zaak; vrij zal hij zijn voor zijn huis, één jaar, opdat hij zijne

6 vrouw verheuge, die hij genomen heeft. Men zal den handmolen of den bovensten molensteen niet tot onderpand nemen;

7 want, het leven zou hij tot onderpand nemen. — Wanneer iemand bevonden wordt, die een persoon gestolen heeft van zijne broederen, van de kinderen Israels, en hem dienstbaar gemaakt en verkocht heeft, dan zal die dief sterven. Zoo zult

8 gij liet kwade uit uw midden wegruimen. — Neem u in acht ten opzichte van de plaag der melaatschheid, om zeer acht te geven en te doen; gelijk alles wat u de priesters, de Levieten,

4- rwotsn quot;ttPN nnNgt; nadat zij verontreinigd is; nXSJSil. een lijdende

vorm van Hithpha'el = nNStSflil. zy heeft zich laten verontreinigen, ten

zijnen opzichte, door na hem een ander te huwen. V. a. een samenstelling van Hiph'iel en Hithpa'el; is ertoe gebracht zich te verontreinigen, zich voor hem ongeoorloofd te maken. Door deze bepaling wordt de in wettigen vorm gekleede tijdelijke ruil van eclitgenooten verhinderd.

5. Wederom een wet tot versterking van den huwelijksband. — nre win, eene voor hem nieuwe, voor het eerst met hem gehuwde vrouw, ook al was zij weduwe of gescheiden van een vroegeren echtgenoot. Mendelssohn vat rrcnn in bijwoordelijken zin op: indien iemand kort geleden een vrouw heeft genomen, in strijd met het woord. — ios; xï' sb, hij behoeft niet eens uit te trekken in den krijgdienst. Hier is sprake van iemand, die werkelijk gehuwd is, waarbij de psws hebben plaats gehad; in tegenstelling mei het 20,7 behandelde geval, waar slechts de persoonlijke band door pemp is gelegd. In dat geval trekt de man wél mede uit, maar krijgt verlof om terug te keeren onder gehoudenheid, voor proviandeering enz. te zorgen (zie onze aant. aldaar); hier echter is hij geheel vrij van krijgsdienst. — 121 SoS nsy lajji nSi. Sï lap heeft gewoonlijk tot onderwerp : iets lastigs of drukkends, dat iemand overkomt of wordt opgelegd. Onderwerp is hier v. s. lyi hJi, met voorgevoegden 'S, evenals Ex. 27,3; v. a. een verzwegen onbepaald woord: iets; n. a. meenen, dat i'Sp niet den persoon, maar den krijgsdienst, sax, op het oog heeft, en verklaren ; en hi), de man, zal er, tot den krijgsdienst, niet toe overgaan met betrekking tot eenige zaak, evenals in ffmpBn Sr lar (Ex. .30.12). 'Te vertalen -.men zal hem niet lastig vallen voor eenige zaak heeft, voorzoover mij bekend, geene analogie. De traditie ziet in de volgende woorden aanleiding, om deze wet ook tot de andere, 20.6 v.v. genoemde gevallen uit te breiden, zoodat zij ook geldt voor wie een nieuw huis betrokken, een nieuw ge-planten wijngaard als ongewijd in gebruik genomen heeft. — vroS 'pj, vrij van alle lasten ten dienste van zijn huis.

83

ocr page 171

quot;id «ïn »3 as

I1? nin1? nnnpb nn^-i^K ric'^n biv

j s : i* t : iquot;: t t : • v -: i -• : - ■»-

nVi nirv ♦jaquot;? Kin napin-^ nxDtsn quot;ikgt;« nn« n^N1?

lt; : at : • i* jr^quot;! t t ■gt;' *• ^ t * ;

■♦3 D * ^^m^miTribKninntrKpKn-nKK^nnquot;

r it -:i- ^,1 : * jquot; I ••: •'t : v -: | vt t v • -; i-

-^3^ vbjr i3y»-x,?i N3Ï3 kr ah n^nn r\m wn np^

t : j ^ji* : t t quot;. quot;quot; lt; ^ t t-: jt • • ij—

-quot;ityx in^K-n^ nstr') nnN rut? in^1? »6: 13^1

v -: j : * v v,- ' : t v jtt •• ; lt;v;r i • t at t

■♦3 d : ,?3n Kin 33quot;l,) o^m : np1?1

r Iquot;. ^ ^ • v att •*.- •• quot;»lquot; r quot;tt 7

^SD i^n^o ïraa 333 wilt;

^ v ^ : • : .. t : . j.. . . t ... i- •••lt;•.• •• ^ • •• t •

quot;IOBTI D : ?i3quot;)pQ nnr3i Ninn 332n nöi 11301n

v^st • ^ 'iquot; Q' ^TT jt : 1* - -«T - - •• AT :

DSDN l?33 TNO ■iüB''? n^yn-pi3

v : v v -: : a ^ ; ^ : • oquot; t ~ -iv :

6. De voorafgaande wet geeft het denkbeeld, hoe het staatsbelang voor het particulier belang in zekere gevallen op den achtergrond treedt. Deze wet geeft een geval, waarin ook het particulier belang moet wijken voor de aantasting van het bestaan van een persoon, tegen wien men overigens eene rechtmatige vordering heeft. — nS, hij, die een pand te nemen heeft, zal niet als pand nemen aan ovn, v. s. handmolen en bovensten, los-zittenden, op den ondersten rijdenden molensteen. Bij verplaatsbare molens zaten natuurlijk beide steenen los en men kan dus met anderen vertalen: ondersten en bovensten molensteen; zooals echter Ibn 'Ezra opmerkt, geeft de tweevoudsvorm dtp eerder aan, dat dit werktuig alleen reeds twee steenen heeft. Dan wordt hier dus zoowel de hand-, als de vaste molen besproken, waarvan de onderste steen vast zit en de bovenste alleen bij de draaiing beweegt. — San sin psj 13, hij, die zoo iets tot pand neemt, zou het leven tot pand nemen, of v. a. want leven zou hij vernietigen, welken zin de Pi'el van ban Jes. 32,7 heeft; het deelwoord van den Kal komt bij meerdere Pi'el-vormen in gelijke beteekenis voor; vgl. lan, aria enz. Dan zouden wij hier dus een woordspeling met homonymen hebben.— De Thalmoed vindt in deze woorden de aanwijzing, dat de wet in het algemeen verbiedt, eenig tot spijsbereiding of levensonderhoud dienend voorwerp tot pand te nemen. Het verband is in ons hoofdstuk zeer los, waarvoor ook in de wettengroepen van Ex. 21 v.v. en Lev. 19 v.v. verschillende voorbeelden zijn.

7. Vgl. Ex. 21,16. — Nïtt, door getuigen rcordt bevonden, dat hij een Israëlietisch persoon in zijne macht heeft gebracht, als ware het een zaak, en ia inrnni, zich als heer tegenover hem heeft laten gelden en hem daarna heeft verkocht. (Vgl. 21,14 en Ex. t. a. p.) — n»i, door worging. — nam, e n heeft hem verkocht; v. a. of; vgl. Ex. t. a. p.

8- yjja -lotrn.. neem u in acht met betrekking t o t, niet: v 0 0 r, wat door rJJ» moest zijn uitgedrukt. Het is een verbod om een der bepalingen van Lev. 13 v.v. te veronachtzamen of, bijv. door de verschijnselen operatief te verwijderen, de toepassing der wetten geheel te verijdelen. — Saa enz. Dirra is'v. s. voorwerp van nitr1?! nsa •mah, v. a. van nicrV nBivn. — De priester is, zooals wij Lev. t. a. p. zagen, niet juist met het onderzoek, maar wel met de uitspraak omtrent rein en onrein belast.

ocr page 172

DEU TE RON OM1U M XXIV.

onderrichten zullen, zooals ik hun geboden heb, zult gij in acht 9 nemen te doen. Gedenk steeds wat de Eeuwige, uw God, Mirjam gedaan heeft, op den weg toen gij uit Egypte getrok-

10 ken zijt! — Wanneer gij tegen uwen naaste eene schuldvordering van iets hebt te vorderen, dan zult gij niet in zijn huis

11 komen, om hem een pand af te nemen. Buiten zult gij blijven staan ; en de man, tegen wien gij eene vordering hebt, zal u

12 het pand naar buiten brengen. En indien hij een arm man

13 is, zult gij u met zijn pand niet nederleggen. Maar telkens teruggeven zult gij hem het pand tegen dat de zon ondergaat, opdat hij zich onder zijn dekkleed nederlegge en u zegene ; en u zal het tot deugd zijn vóór den Eeuwige, uwen God. —

14 Gij zult den armen en behoeftigen daglooner niets wederrechtelijk onthouden, hetzij van uwe broederen of van de vreemde-

lolingen bij u, die in uw land, binnen uwe poorten zijn. Op zijnen dag zult gij hem zijn loon geven, en de zon zal er niet over ondergaan, want arm is hij en daarnaar draagt hij zijn zielsverlangen ;

9. Vgi. Num. 12. De plaag trof daar zelfs eene profetes; en ook zij werd met de volle strengheid der wet behandeld (Rashbam); anderen : denk aan Mirjam en gij zult inzien, dat melaatschheid niet een gewone ziekte, maar een goddelijke straf is. (Luzzatto e. a.)

10—13. Schuld- en pandrecht; van de humane toepassing waarvan, vooral tegenover den arme, Gods zegen afhangt. — rron '3. ncj in Kal beteekent: een opvorderbare schuld hebben, schuldeischer zijn; nNTO, dus: een opvorderbare schuld. Men denkt dus hier aan het geval, dat de betalingstermijn voor den schuldenaar is verstreken en deze in gebreke is gebleven; het pond dient hier, zooals vs. 12 en 13 blijkt, niet tot voldoening der schuld, maar slechts tot dekking en zekerheid voor latere betaling. — no:, wordt zoowel in Kal, als in Hinh'iel in dezelfde beteekenis gebruikt: schuldeischer zijn, en wel van een vordering, die in geld te voldoen zal zijn. — nwi nS enz. Ifaar den Thalmoed mag het nemen van zulk een zekerheids-pand slechts vanwege het gerecht geschieden en de schuldeischer zelf mag, volgens Ex. 22,24, niet als pandnemer optreden. Hier staat dan het voorschrift, dat zelfs de gerechtsdienaar, met de beslaglegging belast, het huis van den schuldenaar niet mag betreden. Gij, door den dienaar des gerechts vertegenwoordigd, zult niet komen enz. De schuldenaar kan Jus hier geven, wat hem goeddunkt, en alle geweld is uitgesloten. Voor beslaglegging tot voldoening der vordering gelden de Lev. 27,8 aangestipte bepalingen.

13 en 14. Vgl. Ex. 22,25. Hier is sprake van een voor nachtelijk gebruik bestemd dek- of bovenkleed, rraS». — iDiara, met, in het bezit van zijn pand; het is zeer twijfelachtig, of de pandnemer van het pand eenig persoonlijk gfebrnik mag maken; dus niet: in of onder zijn pand. — De schuldenaar zal dns bij dag een voor nachtgebruik bestemd kleed of voorwerp, bij nacht een zaak, die hij bij dag gebruikt, tot zekerheid moeten geven. — Voor den zin van np-K vgl. Deut. 6,25.

14. Vgl. Lev. 19,13. Houd het loon niet in en doe niet te kort den huurling, die wel in den regel alleen daarom zijn werkkracht in dienst van anderen

84

ocr page 173

■D Kvn »3 na

—i6T : iiDK'n onnï niyNa iznbn D^nsnc

t i ^-:i- j : : ' y.' ' ' Jquot; ~: i~ •)'': iquot; s* -: i -

□Dnsïa quot;n^a onoV Tr6« mn» n'^-n^K nx

jv : iquot; ; ) yvv - at : • : I v.quot; v: jt ; ot 't v -: squot;

Nnn-N1? noiXD nxirQ nj;quot;)3 n^n-'3 D : D^IÏDQ

^ ^ T i T «s ; j- - v.1 -»•* quot;i* • it : • •

nnx quot;IITN K'^ni To^n nna : iL3bv übj;b in^rVx ^

t - lt;v -i • t ; a : i~ 1 - i -*. j .iquot; v, **

quot;1%. : nïinn m^rj-nx WW ü ntr:21

«132 üi3^n-nK a^n atrn : lüb^a aaa'n N1? «in ^

-• ; : it v « • t •• t i -:iquot; v,~. ! * -» . A

nin» ^öV npnï rvnn nbi ïtanai maVtra sd^i utotbn

JT : ^quot; ; • It t : ; r | : |av -iquot; v t ^ ~ : j' r : v v -

^nxü ♦aj; pE^rrió D * : T liDtr jnn lava : ^quot;iK2 quot;i^k ik i!:

la'flrnK «in V^NI Kin *3 ^oij'n vVj; Kian

a : - v v.- j t •• : • tquot; lt;• v v - ■'T t1 s t

zal stellen, omdat hij arm en behoeftig is. Natuurlijk geldt de wet ook voor den niet-arraen daglooner, zooals dan ook Lev. t. a. p. algemeen ■voü staat. — De wet geldt ook ten opzichte van vreemden in uw poorten, den sum u, bij u gevestigden niet-lsraëliet, en naar den Thalmoed ook bij vergoeding voor het gebruik van dieren en voorwerpen. Dut de wet hier herhaald is, vindt zijn oorzaak in het groote gewicht van het voorschrift voor de economische toestanden in het land, wat ook door de slotwoorden van vs. 15 sen -p nvn. d. w. z. Gods zegen zou u in het land onthouden worden, bevestigd wordt. Deze of dergelijke uitdrukkingen komen in deze laatste wettengroep, die voor het overige los aan elkander

feregen zijn zonder innerlijken samenhang, bijna als refrein terug (23,21;eregen zijn zonder innerlijken samenhang, bijna als refrein terug (23,21;

2; 24,4; 13; 15; 19; 25,15).

15- 1D1,3gt; op zijn dag, van den daglooner,—d. w. z. op den dag, waarop hij zijn loon te vorderen heeft; v. a. op zijn dag, van het loon, op den vervaldag; evenzoo Nian nVi, v. s orer hem, den vorderenden daglooner, v. a. over het gevorderde loon mag de zon niet ondergaan. Vergelijken wij onze plaats met Lev. t. a. p., dan zien wij, dat daar verboden wordt loon over nacht onder zich te houden, waarop de daglooner bij het vallen van den avond recht had ; terwijl hier gezegd wordt, dat men loon niet tot het vallen van den avond bij zich mag houden. Daar de dag van den huurling eerst met het vallen van den avond eindigt en hij geen aanspraak op zijn loon heeft, alvorens zijn arbeidstermijn is verstreken, is naar den Thalmoed hier sprake van een arbeider, wiens arbeidstijd met het aanbreken van den dag geëindigd was. De werkgever heeft dus gedurende een half etmaal, een dog of een nacht, speling tot uitbetaling van het loon. — inro behoeft niet juist: dag voor dag te beteekenen, daar immers niet alle huurlingen daglooners behoeven te zijn. Voor week-, maand- en jaarloon geldt immers de wet evenzeer. — idbj ns spj xmtoni, daarnaar draagt hij zijn zielsverlangen (vgl. Jerem. 44,14; Ez. 24,25); anderen, naar I Sam. 19,5: en daarvoor draagt hij zijn ziel, zijn leven, Ier markt, stelt hij soms door gevaarlijk werk zelfs zijn leven in de waagschaal.

ocr page 174

DEUTERONOMIÜM XXIV.

dat hij niet over u tot den Eeuwige roepe, en op u zoude

16 zonde zijn. — Vaders zullen niet voor kinderen gedood worden en kinderen zullen niet gedood worden voor vaders;

17 ieder om zijne eigen zonde zullen zij gedood worden. — Gij zult het recht van den vreemdeling, den wees niet buigen,

18 en het kleed der weduwe niet tot onderpand nemen. Gij zult gedenken, dat gij slaaf waart in Egypte, en de Eeuwige, uw God, ii van daar bevrijd heeft; daarom gebied ik u deze zaak

19 te doen. — Wanneer gij den oogst in uw veld afmaait, en eene garve in het veld vergeet, zult gij niet terugkeeren om die op te nemen; voor den vreemdeling, den wees en de weduwe zal zij blijven; opdat de Eeuwige, uw God, u zegene in al het

20 werk uwer handen. — Wanneer gij uwen olijfboom afgeslagen hebt, zult gij dien niet naplukken ; voor den vreemdeling, den

21 wees en de weduwe zal het blijven. Wanneer gij uwen wijngaard oogst, zult gij geene nalezing houden; voor den vreem-

22 deling, den wees en de weduwe zal het blijven. En gij zult gedenken, dat gij slaaf waart in het land Egypte; daarom gebied ik u deze zaak te doen.

16. V. s. is de zin van ons vers : bij halsmisdaden der ouders mag men de kinderen niet mede laten boeten en omgekeerd, — wat bij Oostersche despoten nog al vaak voorkwam (vgl. II Kon. IJ); v. a. bij ontstentenis van den misdadiger, die bijv. reeds gestorven is, mag men zijne misdaad niet op zijn ouders of kinderen wreken; n. a. meenen, dat hier plaatsvervanging bij onderling goedvinden verboden is, zoodat niet de vader bijv. voor zijn zoon, die kostwinner is, de straf mag ondergaan. De Thalmoed vat de woorden 0133 Sr op in den zin van: ten gevolge van daad of getuigenverklaring van kinderen, waaruit dan volgt, dat verwanten tot in zekeren graad niet als getuige, hetzij voor of tegen hun verwant, mogen optreden. Eene waarschuwing aan de rechters ware hier niet op hare plaats; ook vs. 17 richt zich, zooals uit het slot van het vers blijkt, tot den particulier. Velen nemen dan ook aan, dat den individueelen Israëliet hier tegelijk wordt verboden, kinderen van misdadigers de zonde hunner ouders te laten ontgelden. Noch politiek noch sociaal mag men de familie eens mifdadigers als minderwaardig beschouwen. (Vgl. ook de Thalmoe-disclie opvatting van 25,3; zie o. a. 2''r V'3 pnnJD Jquot;i). Vs. 10-22 bespreekt ons hoofdstuk dan uitsluitend de behandeling van in maatschappelijk opzicht ongelnkkigen : armen, weduwen en weezen, vreemden en menschen, die zich, om hetgeen in hun familie is voorgekomen, door de maatschappij vaak uitgesloten zien.

17. Vgl. Ex. 23,6. Evenals Ex. 23,1 en Lev. 19,15 e. a. p. behoeven wij hier niet uitslnitend aan rechtspraak te denken, waartegen het onmiddellijk verband in ons vers zich verzet, — maar kan u bsü» zeer goed beteekenen : dat, waarop de vreemde als zoodanig recht heeft (vgl. osn'o fforon, 18,3). De herinnering aan de slavernij in Egypte komt telkens voor, waar liefderijke zachtheid tegenover maatschappelijk laag staanden wordt voorgeschreven, niet echter bij voorschriften tegen onrechtvaardigheid. De zin is dan : doe niets te kort aan de bijzondere, den vreemde en wees uwerzijds toekomende praestatiën. — bijv i:, zonder verbindings-'i

85

ocr page 175

na «vn ^ na

mov-K1? D : «ün nn n^m rrirr^K xip^Nbi «

lt; : i : iquot; ^1 ; jt t : t : | v't «rh * i :

ixüna nüM-1?v inDv-N1? D^3i riiSN

^ : v : «% t ■quot; j : i . ^* t • t ~ t

133 bónn Nbi 01]^^ na üö^o nèn n1? d : mav ^

\\v -J I- J : firt ■»•• * v •* IT

n'nVN nin» nnan DnïD3 n^n -nv *3 niyt : nMït*n'

I vquot; v: jt :■)}::•- : t. 't ■quot; t :'|t:/)( it t : -

♦3 d : nin ■)3quot;in-nK db'd ^

,v- ITT- v l:-:r quot; -t ,1 quot; •

inn[57 nwn *6 nn^a ID^ nnDt^i ïp;^ lï^n l?b3 n^ribw nm» 1?l3quot;l3, ryoV n^n» niD^^i Din»1? ia1?

^ ; | v v: •'t : | : vit: i : av ; i* t ; - it : ^t- ■»••quot;

na1? nnnN nxan i6 nnn bsnn »3 d *: nn» n'^o3

4quot;- | av-; i- v,quot; - : j i !•• ; - lt;• i ivt jquot; ^5-: i-

rinnx tih non3 iMn »3 : rrrr naDbN1?-! Din»1?«

i av-: i- v.quot; : ^ ' !. : quot; : * ** ,v: '* vt t ; - it : jr'

pK3 n^n n3y,3 rn3n : rrrr naa^xbi aquot;)^1? ia1?23

1 vjv : t t vdv t ;--«t; _ iv :^r v.t t : -it : ^ ^t- •)•••

-»3 d : ntn quot;i3quot;in-nK niir^ niïD ^ax p-1?^ onxox

iv- vt t - •* •«quot; i :- : lt;* it i •• - -at: •

naast elkander geplaatst; vreemdeling of mees (vgl. Jer. 22,12). — Snnn nSi enz. Van een weduwe, rijk of arm, mag in het geheel geen pand genomen worden ; v. s. zelfa in het algemeen van geene alleenstaande vrouw.

19. Lev. 19,9 wordt de levensheiligingswet gegeven, opzettelijk van den oogst een deel te laten staan en de bij het tot schoven bundelen ter zijde vallende halmen niet op te zamelen. Hier wordt nu de bepaling gegeven, dat een vergeten hundel, nadat gij eenmaal het veld hebt verlaten, niet mag worden weggenomen, maar den arme moet worden overgelaten. Deze, nron genoemde, armengave is, evenals DpS en nss, die óf van toeval afhangen of reeds met een minimum te voldoen zijn, niet zoozeer een middel van armenverzorging, als wel eene vermaning op het oogenblik van den oogst, dat de zegen van Boven komt en daar de beschikking erover ligt. — mij', een enkele hundel. Vergeten kan men den bundel alleen dan noemen, als op het gedeelte van het veld, waar hij slaat, alle bundels, die in de richting, waarin de arbeid verricht wordt, achter dezen staan, zijn weggenomen Al is dus het geheele veld nog niet afgewerkt, kan toch reeds een enkele schoof vergeten zijn.

20. aann. met Wi stok de vruchten afkloppen; wat de gewone wijze van oogsten van olijven geweest is. Mendelssohn ; schudden, wat echter can niet beteekent. — ■pngt;s' issn nS zult gij, na uwen geëindigden pluk, of: achter u, op uwe schreden terugkeerend, niet de kroon afnemen, de in het hoogste gedeelte van den boom groeiende vruchten afnemen, of: de den boom nog sierende vruchten, daar juist de in den top groeiende olijven de besten schijnen te zijn en het eerst geplukt werden. (Vgl. Mena-clioth 86a). Ibn 'Ezra'; van mjifö. ta^gt; quot;l de takken zoeken.

Voor 21 vgl. Lev. 19,10. — Bij alle genoemde vruchtsoorten: koren, olijven en druiven, de hoofdproducten van Palaestina, die overal als typen van de landbouwproducten gelden (twi DTn pi), gelden naar den Thalmoed de wetten van nalezing, vergeten en het staan laten van een hoek, mnbi nroc? topS.

ocr page 176

DEUTERONOMIUM XXV.

1 Wanneer een twistzaak tusschen mannen ontstaat, en zij voor het gerecht treden, opdat men hun recht spreke, dan zal men den rechtvaardige vrijspreken en den schuldige veroor-

2 deelen. Nu zal het zijn : wanneer de schuldige straf in slagen verdient, dan zal de rechter hem doen nederleggen, en ia zijne tegenwoordigheid doen slaan naar gelang van zijn slechtheid,

3 een bepaald getal. Veertig slagen zal hij hem doen geven, maar er niet aan toevoegen; opdat niet, wanneer men bijvoegt hem boven dit getal een overmatigen slag toe te brengen, uw

4 broeder vóór uwe oogen onwaardig behandeld worde. Gij zult

5geen os muilbanden bij zijn dorschen. — Wanneer broeders

samen wonen, en één hunner sterft zonder een kind te hebben, dan zal de vrouw des overledenen niet naar buiten, een vreemden man gaan toebehooren ; haar zwager zal tot haar komen, en haar zich tot vrouw nemen, en haar in zwagerhuwelijk nemen.

Hoofdstuk XXV. 1—3. De wet omtrent de straf van geesseling. Vs. 1 is niet voorzin, maar inleiding. Bij processen tusschen personen, die bij quaestiën over mijn en dijn en bij lichamelijk letsel, komt slechts hoogst zelden geesselstraf te pas; vs. 1 spreekt dus van processen over mijn en dijn, waarbij beide partijen voor het gerecht treden, opdat zij, de rechters, ten hunnen opzichte recht doen. — Het voorschrift luidt dan : ipnxm enz. rfen schuldige te veroordeelen, den onschuldige vrij te spreken. Zonder aanzien des

Sersoons moeten zij ieder zijn recht geven; sparen van den een is tekort oen van den ander. Bijersoons moeten zij ieder zijn recht geven; sparen van den een is tekort oen van den ander. Bij strafprocessen komt de tegenstelling der partijen natuurlijk niet in aanmerking. Anderen nemen ons vers als voorzin : indien twist ontstaat en zij naderen enz. en men spreekt vrij enz., dan zal het zijn enz.; op de uiteengezette gronden, vooral omdat van een twistzaak personen bijna nooit mpSn het gevolg is, komt mij dit onwaarschijnlijk voor.

2- nm Ook hier blijkt weder, dat het instituut der geesselstraf reeds mondeling bekend was. — man p, evenals nw p (I. Sam. 20,31), iemand, die slagen, geesselstraf, verdient-, p = JJ, evenals in |i: p ricnir.— Sommigen meenen, dat rsnn in ons vers, geheel parallel met dat van het vorige, doelt op hem, die een onjuist gebleken vordering heeft ingediend ; de Thalmoed, die de geesselstraf alleen bij bepaalde wetsovertredingen kent, meent, dat hier onder rcnn te verstaan is: iemand, die een slechte daad gedaan, een verbod overtreden heeft. — irom OBcn iVsni, de rechter zal hem door zijnen vertegenwoordiger, den gerechtsdienaar, doen neder-vallen en slaan vobS in zijne, des rechters, tegenwoordigheid. Naar den Thalmoed wordt hij niet op den grond geworpen, maar over een zuil voorover gebogen. De geesseling geschiedde niet met een stok, maar met een soort karwats van lederen riemen ; de slagen werden in groepen van drie toegebracht, telkens een op de borst en twee op den rug. — wïtn ns, naar gelang van zijn slechtheid, in verband met de door hem bedreven daad; doch niet willekeurig, maar naar vooraf bepaald getal. Naar den Thalmoed moest een geneeskundig onderzoek plaats hebben om na te gaan, hoeveel slagen hij zou kunnen verdragen. In geen geval werden hem meer toe-

febracht; en met het ondergaan van het hem toegemeten getal, al waren et slechts drie slagen, was de misdaad geboet.ebracht; en met het ondergaan van het hem toegemeten getal, al waren et slechts drie slagen, was de misdaad geboet.

86

ocr page 177

na «vn »3 ia

ipnym DiDöiyi üfiïyon-VN 1^3:1 D^:S ra an n^n»

I • : • ; at: : • - v j : • : • t -: I •quot;• # * jquot; : r

w-in man ja'DX nni : ^in-nx pn^n-nx =

at tit v quot; ' * 4tt : it tit v ^ v.* ïgt;* : 1

0^3quot;)« : lappa injfEh na via1? inani ua^n iVanv n^ai nan nao n^-^ inarf? ^p^fa isa:

laty^a D : ipna nw Dbnn-NS :

nan-nt^K nnn-^1? jai ono nnx nai lin* D'nx : noan nuw1? ^ nnpbi n4y ny hoa» nr ty^1? nïinn

it : •: * ■) jtIt: t ■-• t ■gt; r t t : at -•• : t v. *

3. Evenals Lev. 23.16 vijftig dagen wil zeggen: tot vijftig, dus 49, zoo leert ook hier de traditie, dat het maximum der hem toe te brengen slagen negen en dertig bedraagt. Anderen : hy zal niet voortgaan hem veertig te slaan, dus als één zin, evenals Jes. 52,1; Hos. 1,6 ; waar echter het werkw. rpoin vooraan staat. — tyw JS enz. Men kan den zin positief aldus teruggeven: zonde hij bij deze nog één overmatigen slag, d. w. z. één boven het getal, bijvoegen, dan zou enz. Slaan van een mensch, buiten de hem gerechtelijk toe te brengen straf, is onteering van den broeder in den mensch. De Thalmoed leidt uit de plaatsing der woorden x™ nSpii af, dat de misdadiger, na zijn straf te hebben ondergaan, niet meer als ren mag gelden, maar geheel en al weder uw broeder is en in uw achting hersteld moet zijn. — Ook bij den misdadiger is de wet bevreesd voor nSpji, tot schande worden; onteerend was de straf niet. — Samenhang met de voorafgaande groep : ook tegenover den tegen de wet in opstand gekomen broeder, die dus tijdelijk als dier met slagen behandeld wordt, de wetten der menschelijkheid niet uit het oog te verliezen. Vs. 4 geeft dezelfde wet ten opzichte van het dier.

4. Dorschen geschiedde veelal, door dieren over het graan te laten treden. Dien dieren moest men gelegenheid laten, tijdens den arbeid van het door hen bewerkte product te eten. — DDrt, eig. sluiten, muilbanden, omvat elke verhindering voor het eten (Vgl. Deut 23,25 en 26). De wet geldt voor alle dieren; — de os is als gewoonlijk gebruikt diergenoemd, en dorschen voor allen arbeid aan voor het gebruik gereed te maken veldproducten.

5—10. Leviraatsliuwelijk en ontbinding daarvan, een liefdeplicht tegenover een overleden broeder. — nm • • • w 13, v. s. samen, in één huis of althans één slad, wonen, bij elkander, zoodat zij nog ééne familie vormen. Naar den Thalmoed; a/s broeders tegelijk op snxAft gercoond hebben, zoodat een na den dood des broeders geboren broedertje de weduwe niet tot zwagerhuwelijk verplicht. — N. a. als broeders naast elkander wonen, doordien, als erfgenamen huns vaders, hun landbezit aan elkander grenst, — dus; broeders uit denzelfden vader. — pi, en een kind heeft hij niet, bij zijn dood, al is er misschien vroeger een geweest, dat vóór hem overleden is. Is er echter een kind, nl is het uit huwelijk met een andere vrouw, zelfs buitenechtelijk, dan geldt de volgende wet niet. Duidelijkst bewijs, dat niet verzorging der weduwe het duel der wet is. — rwinn • ■ • nvin tiS, de vrouw, — dus als gewoon geval slechts ééne vrouw ondersteld — van den overledene zal niet naar buiten den familiekring van den overleden man, een vreemden man tot vrouwzijn. Sommigen met de Tsadducëers willen

ocr page 178

DEÜTERONOMIÜM XXV.

6 Nu zal het zijn: de eerstgeborene, dien zij baart, zal op den naam van zijn overleden broeder staan, opdat diens

7 naam niet uit Israël uitgewischt worde. Wanneer de man echter niet wenscht zijne schoonzuster te nemen, dan zal zijne schoonzuster naar de poort opgaan, tot de oudsten, en zeggen: „Mijn zwager weigert den naam van zijn broeder onder Israël te doen stand houden; hij wil mij niet in zwagerhuwelijk

8 nemen.quot; De oudsten zijner stad zullen hem ontbieden en met hem spreken. Als hij dan staat en zegt: «Ik verkies haar niet

9 te nemenquot;; Dan zal zijne schoonzuster, voor de oogen der oudsten, tot hem naderen, zal hem den schoen van zijnen voet af uittrekken, en vóór zijn aangezicht uitspuwen ; daarbij zal zij aanheffen en zeggen : «Zoo zal den man gedaan worden, die

10 zijns broeders huis niet zal opbouwen. En zijn naam zal onder

11 Israël genoemd worden: het huis des barrevoeters.quot; — Wanneer

het woord natinn verklaren : naar huiten het huis haars vaders, waar zij als nom, nog slechts door ptntp aan den overledene gebonden en nog niet met hem in het huwelijk getreden, nog verblijf zou houden. De wet zou dan voor de werkelijk gehuwde vrouw niet gelden. Uit de bijvoeging; n in tegenstelling met nw, blijkt echter, dat zij reeds geheel in den familiekring des overledenen is opgenomen, zoodat hier juist van een ten volle gehmcde vrouw sprake is. Anderen verklaren: rmnn nwi nS, zij zal niet uitgehuwelijkt worden aan een vreemden man. — rpSj) sa', gewoonlijk Sn N3.— Door tot haar te komen, echtelijke bijwoning, neemt hij haar zich tot vrouw en voltrekt zwa^erhuwelijk aan haar. — noï1, haar zwager-, waalmeerdere broeders zijn, de oudste.

6. De eerstgeborene, dien zij haren zal, zal optreden op naam, in de rechten van zijn, des zwagers, overleden broeder; niet: zal den naam des overledenen dragen, vgl. ■yinsS jni Dpm Gen. 38,8. — Roeth's zoon wordt immers niet Machlon, maar 'Obed genoemd. — iSn -tira naai, het eerste kind uit dit huwelijk, dat zij haart; de man kan reeds andere kinderen hebben, de vrouw reeds uit een vroeger huwelijk moeder zijn; nsa is hier dus in oneigenlijken zin gebruikt. Naciim. vat het geheele vers als wensch op: dan zal het, hopen wij, gebeuren, dat zij een kind ter wereld brengt, dat den naam des overledenen voortzet, zoodat die nimmer uit Israël zal verdwijnen. — De Thalmoed neemt aan, dat de zwager, die zijns broeders weduwe huwt, zonder meer in de vermogensrechten des overledenen treedt. Vgl. Roeth 4,5 en 10, waar het daar besproken huwelijk met het zwagerhuwelijk veel overeenkomst heeft. De instelling zelve komt reeds Gen. 38 als gebruikelijk voor.

7. rwn prv nS dxi. als de man niet icenscht het zwagerhuwelijk te voltrekken; — wenscht de vrouw het niet, dan is het directe gevolg, dat zij met geen ander kan huwen, daar de dood van haren man een zekeren band tusschen haar en haar zwager heeft gelegd, die haar ten deele als gehuwde vrouw doet beschouwen. Tal van gevallen zijn denkbaar, die zwagerhuwelijk onmogelijk of ongewenscht maken. Zoo bijv. bloedverwantschap tusschen de weduwe en een harer zwagers, zoodat huwelijk met dezen, wettelijk niet geoorloofd zou zijn; dan ontstaat van begin af-aan geen band van huwelijk tusschen hen beiden; verder kan een bijzonder huwelijksverbod in den weg staan, bijv. als de weduwe vroeger ge-

87

ocr page 179

na «yn »3 TÖ

nns^Kbi nsn vn« Dip» n^n -iBte Tüan n;nv

jv r • i : aquot; - v.' t jquot; It •• quot; -••.• -: : quot; t t ;

ïFfcyna nnph fsn» nV-dki : loir'

a ^ x • : v quot; Uquot; t * t 1 : - lt; • :^ ^ i- t : ^ :

D^n1? ♦pa» |NQ nnüKi D^ptn-^N rnyi^n inon» nnb^ n^-^pr ly^ipi : nnK vn^n

^ • iquot;h • j ;Iit: r : - vt t j ^ •• t ; • : •• r t :

inö2» : nnnpb ♦nvfin k1? quot;ióni noyi vbx nailQ

•* : • ; t : • : it : 1quot; : t j - t : -•- t : at •• -^ ; • :

VJÖ3 npnn Vyo nïVni b^prn v1?^

at t : kt ;it: : quot; *-•-•• ^:i- lt;t ; it ; . ^ t ••

n»mK quot;i^N nquot;^» nsa nnöNi

jquot; v v,••• : * • ■gt;'•' ~s ' t •*••• ^riquot; t tlt; t ; ^t : t -.it :

-♦3 D : ribn iDty tnp^ : vn«'

r it - I j -: vquot; aquot; t; • ; v : jtI: • ; •• t K''

scheiden vrouw en haar zwager priester is; of ook kunnen bijzondere omstandigheden, als leeftijdsverschil, lichaamsgebreken en dgl. het huwelijk ongewenscht maken. Voor zoodanige gevallen geeft de Thora de mogelijkheid door de vervulling der Chalietsa-plicht den huwelijksband, door des broeders dood ontstaan, te ontbinden. In vs. 8 wordt de beoordeeling en het onderïoek dier omstandigheden aan de wettelijke uitvoerende autoriteit opgedragen. Reeds sinds de oudste tijden nu waren tal van autoriteiten van meening, dat in het algemeen de vervulling der Chalietsa-plicht de voorkeur verdient boven zwagerhuwelijk, — wat dan ook bij ons, althans bij de zoogen. Hoogduitsche Israëlieten, als vaste regel is aangenomen. — mi»n nnSri, zij zal, als zij wil, naar de poort, de te voren aangewezen plaats der terechtzitting, gaan. Met de poort is, zooals vs. 8 blijkt, die zijner woonplaats bedoeld. De rechtbank der woonplaats van den zwager is competent. — Wil hij echter, dan kan de behandeling der zaak ook elders plaats vinden. — rSs ven, zij zullen lot hem spreken, niet juist hem zwagerhuwelijk aanraden, maar overleg plegen omtrent de oorzaken zijner weigering en hem raden wat in de gegeven omstandigheden het meest gewenscht is. — quot;riip, v. s. treedt hij op, v. a. plaatst hij zich dan staande, zooals voor de rechtbank betaamt, voor den rechter en verklaart: ik verkies niet, vind het niet raadzaam haar te nemen, dan enz.

9. nBOJI- De Niph'al beteekent gewoonlijk; bescheiden nader treden, terwijl de Kal dikwijls een ruw, brutaal, vijandig naderen beteekent, zooals Recht. 20,23; II Sam. 1,15; Jes. 50,8 e. a. p. — rreVn, zij trekt den vast verbonden schoen van zijn voet af; het is een bi'O, een den voet bedekkende schoen, geen enkele sandaal, die onmiddellijk op den voet zit, zonder dat er iets tusschen is, zoodat zij den schoen van den voet af trekt. — TOEfl npTi, en spuwt vóór zijn aangezicht, zoodat hij het ziet; vgl. Num. 12,14; ook dit geschiedt: copïn 'J'ïS, die het dus ook moeten zien. Zij spuwt op den grond, en drukt daarmede hare minachting uit voor wie uit pure liefdeloosheid dit zwagerhuwelijk zou weigeren. Ook de volgende woorden, vs. 10, worden door de vrouw uitgesproken; die dus zegt; zoo behoort den man te worden gedaan, die niet bouwen wil enz. en zijn naam worde genoemd enz. Anderen verklaren vs. 10 als eene wetsbepaling: vs», zijn naam, die van des zwagers huis, zal voor het vervolg genoemd worden enz. = wa ot'; dit ter verklaring van den overgang; zijn naam worde genoemd huis van enz.

ocr page 180

DEUTERONOMIUM XXV.

personen met elkander handgemeen worden, een man en zijn broeder, en de vrouw des eeuen komt er bij, om haren man te redden uit de hand van hem, die hem slaat; en zij strekt hare hand uit en grijpt hem bij zijne schaamdeelen ;

12 Dan zult gij haar de hand afkappen; uw oog zal niet sparen. —

13 Gij zult in uwen buidel geene tweederlei gewichten hebben : 14eeu groot en een klein. Gij zult in uw huis geen tweederlei 15Epha hebben, eene groote en eene kleine. Volkomen en rechtvaardig gewicht zult gij hebben ; volkomene en rechtvaardige Epha zult gij hebben; opdat uwe dagen lang zijn op den

16 bodem, dien de Eeuwige, uw God, u geeft. Want gruwel is den Eeuwige, uwen God, al wie zulke dingen doet; al wie ongerechtigheid oefent!

17 Gedenk steeds wat u 'Amalek gedaan heeft, op den weg,

18 toen gij uit Egypte getrokken waart. Hoe hij u op den weg overviel en onder u de achterhoede afsneed, al de zwakken, die u volgden, terwijl gij vermoeid en afgemat waart; en hij

19vreesde God niet. Nu zal het zijn: als de Eeuwige, uw God, u van al uwe vijanden van rondom rust zal gegeven hebben,

11 en 12. Straf voor opzettelijk toegebrachte schande, die tegelijk een ernstig vergrijp tegen de zeden inhoudt. — w '3. n« beteekent eig.: handgemeen worden, zie Ex. 21,22. — w personen te samen. — rnsiBnN,

en wel: een m a n met zijn hroeder. — Ditos, als eigenlijk meervoud van isus, duidt niet zeker de sexe aan; vandaar de bijvoeging. Aan een, als laatste middel tot redding van haren man uit werkelijk levensgevaar verrichte daad wordt hier niet gedacht.

13. nnspi. naar de traditie; vergoeding voor den toegebrachten smaad,

evenals; oog voor oog enz., Deut. 19,21, waar ook, bij een bepaald in schadevergoeding of boete bestaande straf, de woorden -py Dinn nS staan. De zin dezer woorden is dan : hoewel zij met goede bedoeling heeft gehandeld, spaar haar niet; haar daad is in te heftigen strijd met de zedigheid. Anderen vatten de woorden nnïpi enz. letterlijk op ; haar daad bedreigt het leven van den door haar zoo aangevallene; red hem, door haar de hand te verlammen ; dan zou onze plaats niet tot den rechter, maar tot ieder Israëliet gericht zijn.

13—16. Algeraeene vermaning tot strenge eerlijkheid in het gewone handelsverkeer, in maten en gewichten.

13. pJO |3}lt;gt; een weegsteen en een andere steen; de zin is natuurlijk

niet, dat men geen gewichten van verschillende soort en verdeeling mag hebben, maar geen in naam gelijkwaardige, in waarheid ongelijke gewichten, de zwaardere voor den inkoop, de lichtere voor den verkoop. Ten duidelijkste blijkt deze bedoeling in vs. 14, waar geen algemeene uitdrukking voor inhoudsmaat, maar de speciale naam Epha genoemd wordt, vgl. Lev. 19,35 en 36. Hier worden alleen gewicht en inhoudsmaat voor droogs waren genoemd, vgl. onze aant. t. a. p. Ook hier sluit deze wet een groep van wetten af. — -pn;:, in uw voor het bergen der weeg-steenen bestemd zakje, vanwaar de uitdrukking: do vix, steenen in het zakje voor: gewichten (Spr. 16,11 e. a. p.)

14. nS'X» e'g- naam van een inhoudsmaat voor drooge waren, kan hier als algemeene naam voor inhoudsmaten gebezigd zijn.

88

12

ocr page 181

na Kïn »3 nö

nn«n nmpi vnwi nrv iï3»

j* - ; t vit v -»•• t tl it: ^ • t : •»• t ;- «• t-i t*

nn'ïpi : vtraoa npnnni rrr nnbt^i inao to h^ktin =•

v,t i-: it \ z it v,* v: iv : tt -«t ; it : a- - • ^t •

|2ï^ ïjD^a nvT'tf? d : Dinn naa-nw ^ na^i ns^ ^irvaa *h n^n'-x1? : nsLipi nSna raNji ^

at •• : -T •• O : iquot;: I: ^ jv : r it - I; : I v at t

no1?^ nss^N Ti-p-n^n» pnvi nabtr rax : naupi nbn-i«

.)t •• : st •• i t v; r i vv t lt;t •• ; i v jv it-i:

nin»-quot;iBgt;N nón«n ^ lansr bob p-iïi

JT ; V -j t t -: it ^-lt; | vt i- 1^- - : j^t v; r I v^vt

n^K n'^-Sa nin' ria^in '3 : -]b |n: «= fl : rivv Va

■ ir •• quot;j v

: onvoo oanNsa ^a njpjpBto nNiiar*^ 1

^ nrisi ïjnnK o^nan-Va ^a aari ^-iia ^ F

^a^ap^ i ^t6k ni'n» n»:na n^ni: d^n ^ ^

15. pisi noSc na'N = PT* HE'S. — pTi ia zelfst. naamw. en het' woord nsw zou dus, evenals Lev. t. a. p. in Semiechoeth moeten staan. — n'n', mannelijk achter onderwerpen van liet vrouwelijk geslacht, waarschijnlijk als onbepaald: er zal zijn. Of pw nnSn geheel synoniem zijn, of, zooals sommigen meenen, nï^c op den toestand der meetwerktuigen, innerlijk volkomen, aan hun voorgewend gewicht beantwoordende, — plï, op de wijze, waarop zij door den betrokkene gebruikt worden,doelt, stant niet vast. — -pai w-isp enz. heeft ook hier staatkundige beteekenis: opdat gi) als volk lang den bodem blijft bewonen enz.

16. SljP TW]J Sa. in het algemeen ieder, die e enige daad van onrechtvaardigheid doet, ook behalve die in maat en gewicht.

17—19. Uitroeiing van 'Amalek, v. s. hier volgend als tegenstelling tegenover de herhaalde vermaning tot rechtvaardigheid en menschenliefde vooral tegenover maatschappelijk laag staanden; v. a. in direct verband met de slotwoorden van het vorige vers: hoezeer God Sir verafschuwt, blijke u uit het voorbeeld van 'Amalek, die zulk een daad heeft bedreven en omtrent wien God dus algeheele uitroeiing heeft bevolen. Vsl. Ex 17,9-16.

18. -pp, hij trof u aan, zonder dat gij erop verdacht kondet zijn. — 3:rgt;i, eig. den staart afsnijden, hier dus, of: de achterhoede wegnemen, uitmoorden, of v. a. de achterhoede aanvallen, vgl. Jos. 10,19. — D'Scnri, die zwak geworden waren, fins, u volgend, v. s. omzetting voor ü'oSn:, zwakken • naar Dan. 2,40: verslagenen-, de zwaksten viel hij aan of doodde hij, terwijl'

fij in uw geheel vermoeid waart en dus ook niets ter bescherming kondet Óen.ij in uw geheel vermoeid waart en dus ook niets ter bescherming kondet Óen.

19. rarn kS. vergeet het niet, nadrukkelijke herhaling van iot; denk eraan, naar den Thalmoed door eenmaal per jaar u de herinnering voor den geest te roepen, door voorlezing dezer passage. Over de uitvoering van het uitroeiïngsbevel, zie I Sam. 15; vgl. Ibid 30,17; en I Kr. 4,42 en 43.

ocr page 182

DEUTERONOMIUM XXV, XXVI.

in het land, dat de Eeuwige, uw God, u als erfdeel geeft om het in bezit te nemen, zult gij het aandenken van 'Amalek uitwissehen van onder den hemel; vergeet het niet!

1 Het zal zijn : wanneer gij in het land gekomen zult zijn, dat de Eeuwige, uw God, u als erfdeel geeft, en gij het in

2 bezit genomen zult hebben, en er in wonen zult; Dan zult gij nemen van de eerstelingen van al de vruchten van den bodem, die gij binnenbrengen zult van het laud, dat de Eeuwige, uw God, u geeft, en gij zult ze in een korf leggen; en gij zult gaan naar de plaats, die de Eeuwige, uw God, uitkiezen zal,

3 om daar Zijn naam te vestigen. Gij zult komen tol den priester, die in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen : wIk wil heden den Eeuwige, uwen God, te kennen geven, dat ik in het land gekomen ben, dat de Eeuwige onzen vaderen gezworen heeft,

4 ons te geven.quot; De priester zal den korf uit uwe hand nemen, en dien nederzetten vóór het altaar van den Eeuwige, uwen

5 God. Hierop begint gij vóór den Eeuwigen, uwen God, en zegt:

Hoofdstuk XXVI. De wetgeving sluit met twee hélijdenissen, aansluitend aan voorschriften, die voor de levenswijding van het hoogste belang zijn; de wet omtrent de eerstelingen en die op liet tweede, resp. avmen-tiende. Deze belijdenissen omvatten de grondbeginselen der in de Thora neergelegde wereldbeschouwing, voor zoover Israels beteekenis en roeping als volk aangaat.

1. na narn nnnn na de verovering zou de eerstelingenwet eerst gelden ; dat is echter vroeger, dan de 25,19 aangewezen termijn 'n rrorc ■yirhs enz.

2. De plicht, de eerstelingen naar het heiligdom te brengen, is reeds herhaaldelijk uitgesproken (zie bijv. Ex. 22,28; 23.19; 34,26). Hier volgt nu het ceremonieel, daarbij in acht te nemen. — Sa jvdx-i», van de eerstelingen, naar den Thahnoed alleen van de Deut. 8,8 genoemde soorten, die de eigenlijke hoofdproducten des lands vormen. — i-\3 h:, elke vrucht-soort, of v. a. eerstelingen van gansch het product. — soan lew, die g ij zult binnen brengen, in uw huis of schuur, van uw land; anderen; die z ij, de bodem, nm.sn, zal opbrengen-, dan zou echter in plaats van;-piiN!:, de uitdrukking; fiü» gebruikt moeten zijn.—roSni. Uit de genoemde plaatsen in Exodus blijkt, dat hier niet sprake is van een voor ééns, direct na de verovering te verrichten dankceremonie, maar van een jaarlijks te herhalen plechtigheid. De daarvoor aangewezen tijd begon met den oogsttijd der boom-en veldvruchten; het Wekenfeest, dat Num. 28,26 amsan w, dag der eerstelingen wordt genoemd en waarop ook het eerstelingenoffer van de nieuwe tarwe gebracht werd. — !lt;:□ is een gevlochten korf. — De hoeveelheid is evenmin als bij Theroema in de Thora voorgeschreven. V. s. is het ook hier '/eo-

3. ann nro'a rvrv ivx jron. de priester, die dan juist in die dagen, dat gij naar den tempel komt, dienst zal doen; niet de hoogepriester; vgl. o. a. Num. 18,13. — Tin, v. s. ik toil te kennen geven door de straks volgende woorden-, de verleden tijd bij iets wat men op het punt staat te doen.

89

ocr page 183

id nn wan v Mxn ^ üö

fiVna ^ rn: iwh Vn^a ^5do

t : •; t -: i- lt; I : I •• | v v: it ; -«v -j | v t t • t •

si : nsB'n ab D^D^n nnno quot;idttin nnon

it : • ^ -at t - quot; vquot; * i quot; t -: v-»quot; v v : •

n^na nb rn: nin» im pKn-^K Kiama n»ni«

at-: i- v i • » Jquot; » •* v: jt ; v -; | vr t v j t r r r z

naiKn ns-ba i n^Niö rinpbi .TD nntym =

t t.-sit •*' z t •gt;' quot;iquot; t ; 1-it : ^ it t : t; {.t z • i*

«3133 nD^i tiS rni mrv quot;ib'n ïiïikd K^n

vav- jt : - : kt I jquot; I )••• v: ^st : v -; .)} z ; - iquot; s* t v

: dit lö^raty1? nirr quot;inn' Dipsn-1?^ haVni

it \. z I jquot; ~ z I v v: ■'t : - : • lt;v -j It- v t : - it :

»mn vba nnö«i onn d^»3 -it^K rn'in-^K hoij

• • t •• jt - it : t -••t - : r jv -: I - v t t

nin* ^3^: quot;IITK Tribx nin^ ai»n

•)t : m s- ' v -i I v t t v • t • | v v: jt i-

^ in^m n-i'D Natsn rrön npbi : ^ nn1? wnbN1? ^

• • • • I avt • - !.)•• - ^ Is-t : it vjt -n-

^ri^N nin» i rnDKi nin* naroquot;

I v v: -quot;t : j- : • t : - it : t t : I iv v: jt : k.- : ■

als Gen. 23,13; 14,22 e. a. p. Anderen : ik heb u hennis gegeven door de daad der eerstelingenwijding. Dat Tn niet alleen: in woorden vertellen, maar ook: door een daad uitspreken beteekent, blijkt o. a. I Sam. 3,13; II Sam. 19,7. — fnSs 'nS, den Eeuwige, Wiens dienst gij vervult. — Door het brengen der eerstelingen erken ik, dat ik mijn land slechts als den vaderen toegezegd erfdeel uit Gods hand heb ontvangen.

4. irrjm. Vs. 10 wordt nog eens gezegd innam; hier dus: de priester zal den korf neerzetten - daar: gij, de eigenaar, zult neerzetten. Naar den Thalmoed wordt, evenals bij het borst- en schenkelstuk der vredeoffers (Lev. 7,30, zie onze aant. aldaar), hier door priester en eigenaar gezamenlijk een wending gemaakt, waarna de eerstelingen aan den Zuidwesthoek van het altaar worden neergezet; hier staat: aan de voorzijde van het altaar, d. i. de Zuidzijde, waar de opgang was ; vs. 10 : vóór den Eeuwige, aan de naar het heilige toegekeerde zijde, het Westen. Na de woorden van vs. 3 neemt de eigenaar den korf van zijn schouder en maakt, terwijl hij den korf vasthoudt en deze op de handen van den priester staat, eene wending; daarna worden de volgende verzen door den eigenaar uitgesproken en de korf wordt bij het altaar neergezet.

5. rpjjfl, aanheffen, beginnen te spreken; v. a. antwoorden in den zin van: opnieuw het woord nemen; van een vraag van den priester, wat hij daar brengt, blijkt nergens iets. — 13s nas id-in. Velen verklaren : een Arammeër, Laban, wilde mijn vader Jakob te gronde richten; dan is -nis geen deelwoord van Kal, maar verleden tijd van den Po'el-vorm. Mendelssohn : als Arammeër, in Aram wonende, moest mijn vader omzwerven, een niet te bewijzen beteekenis van nas. In den Kal beteekent het woord : ondergaan ; de geheele zinbouw spreekt ervoor, dat onderwerp van -as is Jakoh ; daarom anderen: een Arammeër, op het runt onder te gaan, was mijn vader Jakob, die als afstammeling van Abraham zeer goed Arammeër kan genoemd worden; ook kan hij dien naam dragen, omdat hij daar zich tot een gezin ontwikkelde.

ocr page 184

DEUTERONOM1UM XXVI.

«Een Arammëer, den ondergang nabij, was mijn vader; hij daalde af naar Egypte, hield zich daar als vreemdeling op, uit weinige mannen bestaande, en werd daar tot eene groote,

6 sterke en talrijke natie. Doch de Egyptenaren mishandelden ons en onderdrukten ons, en legden ons harden arbeid op.

7 Wij schreiden tot den Eeuwige, den God onzer vaderen; de Eeuwige hoorde onze stem, en Hij zag onze ellende, ons

8 kommervol bestaan, en onze verdrukking. De Eeuwige voerde ons uit Egypte met sterke hand, met uitgestrekten arm en met groote schrikverwekking; en met teekenen en met wonderen.

9 Hij bracht ons naar deze plaats, en gaf ons dit land, een land . 10 vloeiende van melk en honig. Welnu — zie, ik heb gebracht

de eerstelingen der veldvruchten, welke Gij, Eeuwige! mij gegeven hebt.quot; — Hierop zult gij hem vóór den Eeuwige, uwen God, nederzetten, en u nederbuigen voor den Eeuwige,

11 uwen God. En gij zult u verheugen met al het goede, dat de Eeuwige, uw God, u en uw huisgezin gegeven heeft; gij,

12 de Leviet en de vreemdeling, die in uw midden is.—Wanneer gij geëindigd zult hebben, al de tienden uwer voortbrengselen op te brengen, in het derde jaar, het jaar van het tiende; en gij den Leviet gegeven hebt en den vreemdeling, den wees en de weduwe, dat zij het binnen uwe poorten eten en zich ver-

13 zadigen; Dan zult gij vóór den Eeuwige, uwen God, zeggen ; wik heb het heilige uit het huis weggeruimd, ook heb ik het aan den Leviet, den vreemdeling, den wees en de

6. unx VTV Num. 20,15 staat nh u'to, de meer gewone verbinding; met ns komt het ook Num. 16,15; I Sam. 25,34 voor.

10. nn^l, na een inleiding ter zake komende : welnu. Vgl. onze aant. Num. 22,6. — wum, g ij zult hem, den korf, neerzetten-, vgl. onze aant. vs. 4. Anderen meenen, dat men slechts eenmaal den korf neerzette, en wel na het einde der lezing der woorden vs. 5—10. Vs. 4 zou dan bij anticipatie dat neerzetten reeds vermeld zijn en irrom moeten vertaald worden; en zal u zeggen hem te zetten, doen neerzetten, straks, na de lezing. N. a. verklaren; en gij zult hem laten staan, niet weder opnemen. Nog anderen meenen, dat vs. 3 en 4 slechts in het algemeen voorschrijven, wat, 5—10 meer in bijzonderheden behandelen.

11. Naar Num. 18,13 worden de eerstelingen den priester toegewezen, die ze binnen de tempelstad eten moest, met inachtneming der voor Theroema en ten deele der voor het tweede tiende geldende bepalingen. 2ian Sm doelt dus niet op de eerstelingen, maar op het geheele veldproduct, ot' v. a. gij zult u, in den vorm van een vredeoffermaal, een feestvreugde bereiden wegens al het goede, uw oogst. In ieder geval moet nnari hier beteekenen : in vreugde genieten, wat uit het slot van ons vers blijkt.

12—15. Belijdenis en bede bij het eindigen van de driejaarlijksche tiendenperiode, waarvan elk eerste en tweedejaar het tweede tiende dooiden eigenaar in Jerusalem verteerd, elk derde jaar den armen zijner plaats gegeven moet worden; zie 14,22—29.

90

ocr page 185

id tfün ^ y

DE'-WI ♦nüa Dïy nonïo m '♦DIK

T • :i- 'AT: -quot;• : * VT tjt- T : - ; • •.•-•••- • T -quot;• •

i:n»i uujn onxon WHK : 3-11 mïjr ^ina 1

- a^- : - v* : * quot; *)t s-t- itt ^ v,t ^ :

ynm wnix nin^K pyxn 1 n^p irSv gt;

^ lt;- ; •- a- -: •»•• v: ; v I ^- ; • - it l jt -: ^••*t

: liïn^-nKi w^p-nx nirr

,.. -. ,- ... . ^.. T ^-. v ; ^ .,quot;: •gt; ... ;s— I ... T .

Via Niaai nni23 nprn T3 Dnvao nin» ^nï^i n

AT \,t : T : ^- -•: • ITT-; lt;T : . - . . . T . lt;•• • , -

TIK ^S-rnn nin Dipsn-b'N myi : D'nabni ninKaic

^ V T I V - AV - l-» T - V vquot; • ;- I' : I : v. :

T-iKnn nsn nn^i : ^2-11 abn nar px. nN-rn rnxn1

^ ..... lt;quot; * T ~ S IT : V,T T j't t V^V ^ - I V-*T T

'jfi1? innsni mrr ^ nnnri^N noiNn n3 rviPNrnK

•• ; • : - • : AT : t j-t V -J T T-:IT J- :

nno'^i : Tri^N nin» nmnt^ni ^rrtbN nin» ^

t : jt. : - it ; | iv v: ^t* ; • t * i- : • : | v v: jt :

■wm ♦ibm nnx nin» iitn aiÊn

V quot; J ••• - : T - p IAV^ •• ; ^ I v,v •.•; jt : •)» : I -IT SV -:

-ip^a_brns4 n-bn ^ D * ; ^2quot;ip3 =' nnnii T^sn n^3 nnxinn

^ ... ...^_ jt _|t. ,- - j- ; ^. . . - jt t quot; •) i : it

':sh moNquot;) : lyatri ain'1?j'

^ quot; '• ' ^ t : quot; it : ^ iquot; t : i ^. t ; * ^:it; t t ; - it ; gt;jt~

'*hb vrin: dx n^n-fp iyij5n ^rn^2 nin»

12. T^j;S = quot;Ifrj?1?. Pi'elj of v. a. = quot;IB^nS. Hiph'iel; ook Nech.

10,39; vgi. narna. Lev. 26,43 = nSCH?- De beteekenis is in elk geval;

tiend geven. Elk derde jaar voleindigt den tienden-cyclus, waarin alle drie soorten tienden, eerste tiende voor den Leviet, tweede tiende voor den eigenaar, en armentiende, afgezonderd zijn en aan hunne bestemming be-hooren te zijn overgegeven. Vandaar, dat dit derde jaar bij voorkeur iwiai rw, het tiendjaar heet; niet; nvwjnsn jw, het jaar der tienden, als zou het tot alle drie tienden verplichten, maar het jaar van het aTmen-tiende. Dit treedt in de plaats van het tweede tiende en staat in zekeren zin daarmede gelijk; v. a. het jaar der afrekening der tienden, waarin alles den rechthebbende moet gegeven zijn. — 11SS enz. wat ieder dezer toekomt: den Leviet het eerste, dezen en den anderen armen, vreemden, weduwen en weezen het armentiende.

13. De tijd voor het brengen der eerstelingen reikte tot einde Kislew, daar lot zoolang nog vruchten te veld staan. De tijd voor den tiendplicht richt zich ook vaak naar het rijpen der vruchten en kan dus voor vruchten van het derde zeer wel in het vierde jaar vallen. Vat men 'n 'js1? ■pnSts nu op als de verplichting om de volgende belijdenis in het tempel-voorhof uit te spreken, dan is de eerstvolgende gelegenheid daartoe het Paaschfeest, op den eindtermijn van den oogst volgende. Zoo vat dan ook de Thalmoed het op. Van het tweede tiende, dat in Jerusalem verteerd moest worden, is hier geen sprake. ïen hoogste zon dit het geval kunnen zijn in zooverre de van de beide vorige jaren nog niet verteerde

ocr page 186

DEUTERONOMIUM XXVI.

weduwe gegeven, geheel naar Uw gebod, hetwelk Gij mij geboden hebt; ik heb van Uwe geboden niets overtreden, en niets

14 vergeten. Ik heb niets daarvan in mijnen treurtijd verteerd, heb niets daarvan in onreinheid weggeruimd, noch heb ik voor een doode daarvan gegeven ; ik heb geluisterd naar de stem van den Eeuwige, mijnen God, ik heb gedaan naar al wat

15 Gij mij geboden hebt. Zie dan ook Gij neder van het verblijf Uwer heiligheid, van den hemel, en zegen Uw volk, Israël, en den bodem, dien Gij ons gegeven hebt, gelijk Gij onzen vaderen gezworen hebt, een land, vloeiende van melk en

16 honig!quot; — Op dezen dag gebiedt u de Eeuwige, uw God, deze wetten en de rechtsvoorschriften te doen; gij zult ze in acht nemen en doen met geheel uw hart en met ge-

17 heel uw ziel. Gij hebt met den Eeuwige heden afgesproken, dat Hij u tot God zal zijn, dat gij daarentegen in Zijne wegen gaan. Zijne wetten, geboden en rechtsvoorschriften in acht nemen, en naar Zijne stem luisteren zult.

18 En de Eeuwige heeft met u heden afgesproken, dat gij Hem tot een volk, dat een kostbaar bezit vormt, zult zijn.

tiend-gelden of vruchten alsnog in het derde jaar naar Jerusalem gebracht worden; dan zou hij, naar Luzatto, bij die gelegenheid de volgende belijdenis afleggen. N. a. volgende op de belijdenis over de eerstelingen.

13. mpn, doelt naar de traditie op het tweede tiende, waarvan dan in het geheele vers sprake is, in zooverre bet armentiende eig. het tweede tiende van het derde jaar is. Anderen laten het geheele vers op het armentiende slaan, waarbij dan cnp in oneigenlijken zin gebruikt is voor wat op Gods bevel eene bepaalde bestemming heeft gekregen. Mogelijk is ook, dat de bedoeling is: al wat gewijde gaven zijn, Theroema, tienden, Challa, vierde jaars-boomvruchten enz. — imrs, heb ik, als daar niet be-hoorende, weggeruimd uit het huis. — •nSS kan ook op het armentiende slaan, daar de Leviet, als van erfgrondbezit uitgesloten, steeds onder de armen en behoeftigen genoemd wordt. — Ik heb het uit mijn huis verwijderd, — zegt hij — gegeven aan wien het toekwam, geheel naar Uw voorschrift wat hoeveelheid en volgorde betreft; ik heb niets opzettelijk overtreden en niets vergeten, hetzij in dwaling verkeerd gedaan of in onachtzaamheid nagelaten.

14. 1JN3. in mijn smart over het verlies van een afgestorvene, in mijn rouw heb ik niet gegeten wat ik in dien staat niet eten mocht. — pis is hij, wien een zijner naaste verwanten is gestorven, (vrouw, resp. man, vader, moeder, zoon, dochter, broeder en zuster) den dag van het sterven tot den avond. Rabbijnsch voorschrift breidt dit uit tót de begrafenis. Het is dan o. a. verboden het tweede tiende te eten, zoo min als de priester olfervleesch eten mocht. (Vgl. Lev. 10,13; 14; 19). — siSDa «»» vnva nSi, ik heb er niet van weggeruimd op de voorgeschreven wijze, bij het tweede tiende door eten, — in staat van onreinheid, hetzij van den persoon of van de zaak. Ook dit blijkt dus hier verboden te zijn. — n»1? i:nn wo sVi, en niets ervan, van de vruchten of de gelden van het tweede tiende, voor een doode gegeven, hetzij voor behandeling van het lijk zelf, bijv. olie om het te zalven, of voor verzorging zijner benoodigdheden, lijkkist of dooden-

91

ocr page 187

13 N-Dn O KX

niabxSi Din»S

:j~ t i • at • * ■»•-• -: ^ :it ; • t : t t ; ~ it : -* t-

♦mprquot;Nl7,i ISÓD ^«3 ThiH-tö : ♦nnDE' KVI fi^n'iïDD •,,

*. ' lt;'' v * * 1 * : quot; t i • : it t j \ * v '

WNnin'^ipa^ó^nD1? i3ap «ÓDS npp

-|p ïjEhE i^pp ns^^n : ^nnv bbs wiry « rènxn nNi 'ri-ai avbirn

jquot; -: t t-: it •• : quot; t : * ^ v : v l*quot;quot;*' * - t -

nbn nm rnsj irniN1? nnn:

i.t t j-t 1 v .y' quot; '!'quot; gt; t : — : • «v -: i- at t vquot; t

-n« nin» nin avn d * : tysnv13

quot;(?33 aniK rvtj^i mDtyi D^strDn-nNi nVwn D'pnn

^ t^: t t * 't : lt;t : - it ; a t: - v : v t lr\i-

^ nvn1? Di»n maKn nirrnN : nsrsr^si Ï1331? ^

i; ; i* a- t ;v,-v:iv ^ jt : v )iv ; - t : v.1 :»t :

vlds^oi vnivDi vpn 'iötyi?,i V3quot;n3 n3bb,i d^k1?

V,t t ; • -it ; • mt% ; * : t t : • •.•-»•-• t : • r*

nho nyV I1? nvnb Di»n nim : 1^3 ^

t •-.: quot;j-; ^ ; 1* - -«I : r v: iv t i- i I ; j ; * :

kleed. — Wij zagen reeds, dat hier in het algemeen slechts sprake is van het tiende, dat na het eerste tiende gegeven wordt, en dat het eerste en tweede jaar tweede tiende, het derde jaar armentiende heet. Zoo is het gemakkelijk te verklaren, dat ons vers allerlei bijzonderheden bevat, waarin de betrokkene verklaart het tweede tiende geheel naar behooren te hebben gebruikt. Voor het armentiende draagt hij, zoodra het den armen is gegeven, geene verdere verantwoordelijkheid.

15. quot;jjy,' jl{^ quot;[131, ga voort Uw volk Israël te zegenen; de bede niet alleen voor den betrokkene, maar voor geheel het volk; zooals ook de wijzen alle'gebeden in het meervoud geformuleerd hebben. Evenals Leviticus met de wet omtrent tweede en vee-tiende afsluit, zoo het laatste wetgevend gedeelte van den Pentateuch met belijdenis bij het tweede tiende. Er volgen nog slechts twee plichten, beide ten doel hebbende de hiermee afgesloten wet in het bewustzijn des volks levendig te houden: de plicht omtrent het neerschrijven der leer (31,19) en die omtrent het voorlezen ervan in volksvergadering (31,10 en 11). De overige nog volgende voorschriften waren van tijdelijken aard en golden alleen voor den intocht in het land.

16—19. Slotverzen, vermanend tot stipte inachtneming der geboden van de Leer.

16. Kict gt;1', God is het, die u deze wetten oplegt; neemt ze dus met hart eu ziel in acht.

17. mCNTl en 1® Tvssn beteekent v. s. toezeggen, een versterkt i»s; dus; gij hebt God toegezegd, dat Hij alleen door u als God zal erkend worden en gij Zijn wetten zult opvolgen ; God heeft u daarentegen toegezegd, dat gij Hem tot bijzonder volk zijn zult en Hij u hooger zal plaatsen en grooter zal doen worden in roem, dan andere volkeren, en u tot een heilig volk zal doen worden. Dit laatste is echter een taak, die op Israël rust, en ook de woorden wiï» Sd inoSi, in vs. 18 staan in deze

ocr page 188

92 DEUTERONOMIUM XXVI, XXVII.

gelijk Hij omtrent u gesproken heeft, maar dat gij dan ook 19 al Zijne geboden in acht zult nemen ; Dat Hij u boven al de natiën, die Hij gemaakt heeft, hoog zal plaatsen, tot lof, tot roem en tot sieraad ; maar dat gij dan een heilig volk zult zijn, ter eere van den Eeuwige, uwen God, gelijk Hij gesproken heeft.quot;

1 Mozes, en de oudsten van Israël, gebood het volk, zeggende;

2 «Neemt al de geboden in acht, die ik u heden gebied. Nu zal het zijn : Op den dag, dat gij den Jordaan zult overtrekken naar het land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft, zult gij u

3 groote steenen oprichten en die met kalk bestrijken. En gij zult daarop de woorden dezer leer schrijven, zoodra gij overgetrokken zijt; opdat gij in het land zult komen, dat de Eeuwige, uw God, u geeft, een land vloeiende van melk en honig, gelijk de Eeuwige, de God uwer vaderen, omtrent

4 u gesproken heeft. Het zal namelijk zijn ; Wanneer gij den Jordaan zult overgetrokken zijn, zult gij deze steenen, waaromtrent ik u heden gebied, op den berg 'Ebal oprichten, en

5 ze met kalk bestrijken. En gij zult daar een altaar bouwen

verklaring niet op hun plaats. Anderen daarom: Gij zijt oorzaak, dat men van God zegt, — de zaak, waarover gesproken wordt, bij i»n in den vierden naamval evenals Num. 10,29: Jes. 3,10 e. a. p. — dat Hij door u erkend wordt als God, dat de door Hem voorgeschreven wetten door Israël worden gevolgd enz. En God zorgt, dat men omtrent Israël spreekt, dat het Zijn volk is en Zijn geboden in acht neemt; daarbij sluit dan weer vs. 19 niet goed aan. Nog anderen vatten Tnsn op in den zin van: veder-zijdsch zeggen, een verbond sluiten op wederzijdsche voorwaarden ; vs. 17 zegt dan : gij hebt een verbond met God gesloten, dat Hij u tot beschermend God zon zijn, waartegenover gij u verbonden hebt Zijn wil te volbrengen ; vs. 18 en 19: God heeft met u een verbond gesloten, dat gij Hem tot volk zoudt zijn, dat Hij u boven andere volkeren zou verheffen, waar tegenover gij een heilig volk Hem ter eere zijn zoudt. Ihn 'Ezka ; gij hebt doen roemen. Weer anderen meenen, dat in acht nemen der geboden vs. 17 als een plicht, vs. 18 als een vereerende taak voor Israël wordt beschouwd en volgen dan de eerstgcgeven verklaring.

Hoofdstuk XXVII. 1—8 Voorschrift omtrent het oprichten van steenen enz. aanstonds bij de komst in het land te volbrengen, als getuigenis, dat het volk slechts in de wet het richtsnoer zijns levens zal vinden.

1. Mozes en de oudsten, die straks, na den dood van Mozes, met de leiding des volks zullen belast zijn als wetsuitvoerders en handhavers, treden gezamenlijk op om het geheele volk te vermanen tot. bewaking en bescherming der wet, ■vïii', ervoor te zorgen, dat de kennis en de vervulling der wet steeds voldoende gewaarborgd is. — '3». Mozes spreekt, — of v. a. spreekt ieder der oudsten, immers vijf of zes uit iederen stam, tot rlen kring, dien hij vertegenwoordigt, wat Mozes hem heeft opgedragen. Vandaar de uitdrukking: ik gebied. — nvsm doelt op Aegeheele wet.— 2 en 3 bevatten het voorschrift in algemeene trekken, dat 4 vv. nader uitwerken; v. a. zegt vs. 2, dat reeds bij het voorbereiden van den overtocht maatregelen genomen moeten worden om later steenen op te kunnen

ocr page 189

D ID tfon »3

-ba by ri;i?^ quot;nnnbi : vn'iXQquot;1?^ Tib-nai ^

t lt;' i \ '; j | : * ; i it : • t ^ ^ |at v • -;i-

quot;D^ in^nbi mxsnbi DÜ^I nbnn1? n'^jr quot;i^N D»i-in

s | ; i : i* ; vat : * : jquot; : v.t * ; ■ t 'r ■*•.• -j *

£3 * : na-t nt^Ka TH1^ nin^ vip

^ iquot; • -iv -: •- i v.v v: ^jt i- -jit

■^rnK im -iok1? a^n-n^ ♦jp?i 1^1«

tv ta •• att v •• t; • j,,l:# : v _ lt;- : -

quot;i^k di»2 irni : oi^n dddn hiïq wa quot;iK'K niïan2

jv -: - tt ; 1 - v,v ï v jquot;~ : •)* it sv -; t; • -

tjS jnj nin'-iiTN1 p^n-1?» n.1!nquot;nK rri^ nanai; Dhx mtyi d^2N V1? nbpni ^

lv •• ^: jt^: quot;'tq: r ~ ».t jx : ~ : : -•• t -i | ; lt;t ir—ii-

-uk N3n nxn nninn nnr^rnN

B'ini nbn rar px ^ ?n: 1 'n^ribN nin»-i^K pNn

- : tt c- t i vjv 1: 1 jquot; p •* v v: jt ; v -; 1 v t t

■nx 03*13^3 n'ni : TróirriVN nin» 121 nrN3 ■•

quot;*v : ; *t : r t t : ^ 'it ' v.** quot;: '*• v; jt '• •»vr * j'' quot;•

D3nx niïo 'óix quot;iB'N nbxn D^3Kn-nN iQ^pn nn»n

•}•' : v^ jv- : • it v -: v •• t ■•• t -: it v i * t i •• :- -

n3TD DB' n^3,i : 1^3 oniN in3 Di'Hquot;

- •• : • t t «* t r - ^t jt : - : at •• ^ ~

richten, die men dan met kalk zal bestrijken om daarop de wet te schrijven. Vgl. Jos. 3,12 en 4,2—8, waar bij den overtocht over den Jordaan door daartoe vooraf aangewezen mannen steenen worden meegenomen; hoewel sommigen betwijfelen, of dit ter uitvoering van de hier gegeven opdracht, dan wel op bijzonder Goddelijk bevel, 'n 'b Sï (Jos. 19,50) geschied is. Jos. 8,31, bij den bouw van het altaar op den'Ebal, wordt uitdrukkelijk gezegd dat het geschiedde, gelijk Ufozes geboden had. — di^ kan beteekenen: op den dag, maar ook: in den tijd. ■— -j1? rffipni, gij zult ten uwen behoeve oprichten, opdat gij steeds een herinnering aan uw plicht voor oogen zult hebben. — -pp is v. s. kalk, v. a. gips. — De woorden werden v. s. niet in den steen gegrift, maar in de versche kalklaag geschreven; daar het slechts voor den eersten tijd als herinnering moest dienen ; v. a. werden zij in de steenen ingegrift en de daardoor gevormde diepten der letters met kalk gevuld ; n. a. meenen, dat hier niet van een hestryken met een kalklaag, maar slechts van een vastmetselen met kalk sprake is.

1

dat slechts de icetstitels op de steenen geschreven werden; n. a. het vetgevend gedeelte van den Pentateuch. Men vergete niet, dat hier geen aantal van steenen genoemd wordt en dat men, klein genoeg schrijvende, zooals inderdaad uit gevonden inscripties blijkt gewoonte geweest te zijn, zelfs op twaalf groote steenen, aan twee of zelfs aan vier zijden beschreven, heel wat kon neerschrijven. — quot;p31'2, v- s- ~oodra gij overgetrokken zijt, zult gij de steenen beschrijven en oprichten, — opdat gij enz. V. a. de voorbereiding moet getrofl'en worden vóór den overtocht; opdat gij, ah gij overgetrokken zijt, zult schrijven. Zie vs. 2. — tan nï'tt, gij tot blijvende Vestiging komen zult.

ocr page 190

DEUTERONOMIUM XXVII.

ter eere van den Eeuwige, uw God ; een altaar van steenen, gij

6 zult er geen ijzer over zwaaien. Uit geheele steenen zult gij het altaar van den Eeuwige, uwen God, bouwen, en gij zult brandoffers daarop offeren, ter eere van den Eeuwige, uwen God.

7 Ook zult gij vredeoffers slachten, en daar eten ; en gij zult u

8 verheugen, vóór den Eeuwige, uwen God. En gij zult schrijven op

H de steenen al de woorden dezer leer, goed duidelijk.quot; — Voorts

sprak Mozes en de priesters. Levieten, tot geheel Israël, aldus: «Let op en hoor, Israël! op dezen dag zijt gij den Eeuwige, lOuwen God, tot een volk geworden. Gij moet dus naar de stem van den Eeuwige, uwen God, luisteren, en Zijne geboden

11 en wetten volbrengen, die ik u heden gebied.quot; — Mozes ge-

12 bood het volk op dien dag, aldus: «De volgenden zullen om het volk te zegenen, op den berg Gerizziem staan, wanneer gij den Jordaan zult overgetrokken zijn: Simon, Levie,

5. Behalve die steenen, zult gij daar een steenen altaar oprichten, in overeenstemming met Ex. 20,21 en 22 uit onbehouwen steenen, ninSc diws. Vs. 8 sluit dan direct bij vs. 4 aan en D^asn Si' doelt niet op de allaar-steenen, maar op de op te richten met kalk bestreken steenen. Anderen meenen, dat dezei'de steenen voor den altaarbouw gebruikt werden en raroi vs. 8 vertaald moet worden : gij zult geschreven hébhen. Uit Jos. 8,32 is niets met zekerheid te bewijzen, daar ook die plaats verschillende verklaring toelaat. D'MS'n Sr kan evengoed beteekenen: op de a\tamp;a.\--steenen, als: op steenen, of: ojgt; de uit den Jordaan meegenomen steenen. — Beide nieeningen komen reeds in den Thalmoed voor.

8. aOVI TiC3. goed duidelijk, in duidelijk leesbaar schrift; vgl. Cha-bakkoek 2,2; v. a. goed gr av en de, van den stam -in; in zijn grondbe-teekenis, waarvan hron.

9 en 10. Met de dragers der wetsiennzV, de priesters, treedt nu Mozes voor het volk, om hen erop te wijzen, dat zij thans, nu zij zich opnieuw tot inachtneming der wet zullen verbinden. God tot volk geworden zijn en zich dus aan de wet hebben te houden.

9- roDn komt niet meer voor en beteekent v. s. zwijg, v. a. luister.

11—26. Uitvoering van het 11,29 en 30 kort gegeven voorschril't omtrent het uitspreken van zegen en vloek.

12. Wij zagen t. a. p. dat de stammen, in twee groepen verdeeld, op de beide bergen zich opstelden en de Levieten, in het dal tusschen de bergen staande, zich beurtelings tot een der beide bergen wendend, zegen en vloek uitspraken. Niet de stammen, maar de Levieten spreken. —najquot; ■paS beteekent dus evenmin: zullen staan om den zegen uit te spreken, als nSSpn Sr, hij den vloek, den zin kan hebben, dat zij dien zeggen. Hoogstens kan dit laatste beteekenen: zullen hijstand verkenen hij, door het zeggen van : amen ! De staramen stonden natuurlijk niet juist op den top van den berg, maartegen de helling op aan den voet; zoo laat zich de uitdrukking Si» Ss, Jos. 8,33, als slaande op de terreinverhelTingen, die naar den Gerrizziem leiden, zeer goed verklaren, daar ook deze bergen niet plotseling uit een vlak terrein als één compacte massa oprijzen, maar in bergachtig terrein in verscheidene toppen en terrassen zicli verheffen. — Hier treedt Joseph als één stam op en wordt Levie wél onder de stammen genoemd, daar hier niet van verdeeling des lands sprake is. — 01' overigens het geheele

93

ocr page 191

TD Kian

D^sn PSTD nin^1

lt;• t -: iv : - quot;*~z 1 r r 1 * t -: • i av v:^ v.t i-

nSiy n^m nm» nsrü-nx nbn niaVty

^ t t t lt;' *^:i' : I av v; jt : vquot; : * v •* ! * quot; :

♦JÖV nno'^i oir nnnTi : nin'b»

^.. : . t . -jT . at t . j. t . v,* t : jt ; -it: i iv v; ^t i-

minn nar^rnN Q^inxn-^ nanDi : nirvn

jt - r': * t v • t -:it -«t ; - it ; f iv v: v.t :

-1?** Dhbn D^ri^ni n^o quot;ISTI D : aa-n *1x3 riKtnc n«n3 nn Di'n ^kTis^ yoBh lt; nson -ioN1? ^NTir^Va

t •»quot;: i* v - lt;' quot; r: ' : __ lt;•• ; - a •• vquot; t ; • _ t

quot;nx nflbK nin' bips npavi: quot;n'nVN nin^ d^1? 1 o.

v t ** t 1 Iav v: -«t ; k : t*: -jt : I iv v: v,t ^i-^ *t :

lï'i d * : Di#n 'DiN quot;ibw vpn-nxi m'iïD ^ P

lt;- : - ^ p 1 quot; ^: ~ : quot;T •)•••-: 'T--. v : ï *

Tm1? nbx : -ioNb «nn oi^a D^rrnx nt^a ^ ^

)«quot;t 1^1- vquot; i quot; v - j - tt

i^n-nx apquot;i2];3 cna quot;in-^ o^n-nx

volk, of wel slechts de vertegenwoordigers, oudsten of stamvorsten, zich op de bergen opstelden, vormt een strijdpunt tusschen de schrijvers. De woorden van vs. 14 en van Jos. 8,32 komen mij voor duidelijk voor het eerste te spreken. Het gros der Levieten stond dan mede op den Geriz-ziem en slechts hun vertegenwoordigers, de stamhoofden van priesters en Levieten, zijn hier vs. 14 vv. actief, of v. a. alle tot den heiligdomsdienst geschikten: tusschen dertig en vijftig jaren. N. a. meenen, dat alle stammen tusschen de bergen stonden, — Sr, in den zin van : bij genomen — en wel de eene groep meer naar den Gerlzziem, de andere meer naar den 'Ebal toe (zie Sota 37a). Wat den zegen en vloek aangaat, waarop vs. 12 en 13 doelen, bestaan tal van uiteenloopende meeningen. Sommigen meenen met den Thalmoed, dat elke der hier volgende vloekforraules eerst negatief als zegen werd uitgesproken: gezegend zij hij, die niet maken zal enz. Men beroept zich daarvoor op Jos. 8,33, waar gezegd wordt, dat Mozes geboden had het volk Israël eerst te zegenen, terwijl vs. 34 dan nog uitdrukkelijk melding maakt van een daarop volgende voorlezing van zegen en vloek. Luzzatto merkt daartegen op, dat er voor zegen over hem, die een misdaad niet doet, eigenlijk geen plaats is, en verklaart, dat met den zegen en den vloek bedoeld is hooldstuk 28, waarin de vloek de voornaamste plaats inneemt. Dit zou den angst des volks kunnen opwekken, dat allen om dc wandaad van enkelen zouden moeten lijden; daarom gaat een individueele vloek over allen, die gewoonlijk in het geheim gepleegde misdaden begaan hebben, vooraf. Sx-iri cis Sa Ss beteekent dan; met betrekking tot ieder individueel persoon onder Israël. De genoemde plaats in Josua laat zich dan moeilijk verklaren. Omtrent de verdeeling der stammen over de twee groepen zij opgemerkt, dat bij het vormen van twee zestallen van de acht. zonen van Lea en Rachel noodzakelijk twee bij dc vier van Zilpa en Bilha moesten gevoegd worden. De beide zonen van Rachel bij hen voegende, ware de indruk van vijandige groepeering gewekt. Daarom werden de stammen van Lea's oudsten en jongsten zoon, Ruben en Zeboeloen, bij de vier van de //dienstmaagdenquot; afkomstige stammen gevoegd. — Sn-io' d\squot; Va Sn, tot ieder individu sprekend, of; met betrekking tot ieder; anderen; tot alle mannen, ook de Levieten.

ocr page 192

DEUTERONOMIUM XXVlI.

13 Juda, Jissachar, Joseph en Benjamin. En de volgenden zullen, bij den vloek, op den berg 'Ebal, slaan : Ruben, Gad, Asher, 14Zeboeloen, Dan en Naphthalie. De Levieten zullen aanheffen en 15 tot ieder man uit Israël met luider stemme zeggen: «— Gevloekt zij de man, die een gehouwen of een gegoten afgodsbeeld maakt, dat den Eeuwige een gruwel, het werk van kunstenaarshanden is, en het in het verborgen opstelt! Het 16geheele volk zal antwoorden en zeggen; Amen! — Gevloekt zij, wie zijn vader of zijne moeder minachtend behandelt! En

17 het geheele volk zal zeggen : Amen ! — Gevloekt zij, wie doet wijken de grens van zijn naaste! En het geheele volk zal

18 zeggen : Amen! — Gevloekt zij, wie eenen blinde op den weg doet dwalen! En het geheele volk zal zeggen; Amen! —

19 Gevloekt zij, wie het recht van den vreemdeling, den wees en de weduwe buigt! En het geheele volk zal zeggenAmen!

20 Gevloekt zij, wie bij zijns vaders vrouw ligt, want hij heeft zijns vaders kleedhoek ontblootend opgeheven ! En het geheele

21 volk zal zeggen: Amen! — Gevloekt zij, wie bij eenigbeest ligt!

22 En het geheele volk zal zeggen : Amen ! — Gevloekt zij, wie bij zijne zuster ligt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner

23 moeder ! En het geheele volk zal zeggen : Amen ! — Gevloekt zij, wie bij zijne schoonmoeder ligt! En het geheele volk zal

24 zeggen : Amen ! — Gevloekt zij, wie zijnen naaste in het verborgene slaat! En het geheele volk zal zeggen: Amen! —

25 Gevloekt zij, wie omkooping aanneemt, om een persoon ter dood te doen brengen, onschuldig bloed ! En het geheele volk

2G zal zeggen: Amen! — Gevloekt zij, wie de woorden dezer leer niet zal stand doen houden, om ze te volbrengen ! En het geheele volk zal zeggen: Amen ! —-

15- quot;IVIN. gevloekt; zooals Ex. 22,27 gezegd, meent Luzzatto, dat SSp beteekent: vervloeken in woorden, tin, vloek toevoegen met de daad, daarom vooral van God of in Zijn naam sprekende profeten. Daarom vs. 13 nVrp, het uitspreken der ins-formule. Zulke formules zijn of beden of voorspellingen, al naar omstandigheden. Hier meer nog een verzekering: gevloekt van God zal zijn.

15—25 bevat vloek over zulke misdaden, die in den regel aan de kennis der hoeders der wet ontgaan, wat i5 en 24 door het woord -ij-im uitdrukkelijk wordt uitgesproken, doch voor alle genoemde misdaden geldt. Vs.

26 is algemeene verwensching van hem, die de verbindende kracht dei-wet ontkent, zoodat in de lijst der speciale misdaden bij de eerste en laatste, waarbij het niet vanzelve spreekt, inoa is vermeld. (Vgl. Rashbam en Ibn 'Ezra). De zin van nis is dus: moge de misdadiger zich ook aan den aardschen rechter onttrekken. God zal hem weten te treffen ! — mn it wm, werk van de handen eens amhachtsmans; gehouwen, of v. a. uit hout gesneden, en gegoten beeld zijn in room Scd genoemd; onze tekstwoorden omvatten elk op andere wijze bewerkt beeld. — jdn, het moge waar worden.

25. Slaat v. s. op den rechter of den getuige, die omkooping aanneemt.

94

ocr page 193

TO Kian »3 quot;iy

nor nbsi : nDVi Wi^i nninn ^

V,ttI: - - j :^i- •.-.)••: i rx; •• # i Jquot; v.t t •: t i*

o^n lavi : ^nöJi r^i ï^isn na rnixn nns ^

• •: i- j 'x ; i* t : ~ : i JT k\ : •• t : -«t i •• ; at •*- :

-iew wün quot;iiik d : on Vip iidni 10

JV -: • T J T IT U V.quot; T; • ^ j- T ^ .) : IT :

Dt^i K'in n» n'^o nirv napin niDDi vos

■jt s v.tt jquot;: •)•• . |- t : -: i t •• - v v v

v3k nbpa ninx d : rok ,nös4,i d^n-^d vy) ind3«

t jv 1; - t i f t ^ : it : ott t s r : vat -

tun a'do nnx d : tok naxi iski quot;

•• j : v.' quot; t i iquot; t ^.tt t J- T i a

noni tp-d iij; nab'a quot;nss4 d : rd« d^n-^a idni n'

J- T : i vat - v.quot; ■»'' '• ' t i iquot; t ^t t t t :

njo^ni din'-n-i □ssb'o niso nnx d : ?o« ^

AT T : - ; v. T Iquot; * •,V ' T » Iquot; T \T T T

♦3 V3« n^NTDj? 33'^ nnx : TDM a^n-^a IDNI =

j. • t v jquot; ^ quot; t I iquot; t ^t t t t t

quot;di^ 33^ quot;inx d : rön dyrr1^ nöni v3k ei33 n-'a «=

^ v t I r* t att t jquot; t ; a* t I-»-: v,t •

-av 33tr -ins* d : djnt^ quot;ioni non3-'?3 «

•• t i iquot; t ^tt t j- t : at quot; t

quot;inx d : |dn dvn-^ quot;idki iskto ik v3n_n3 inhnquot;

▼ i iquot; t ^tt t J- t : * • ■ -» v't ~ quot;

n30 quot;im D : TDK D^n-b3 quot;idni ln:nnquot;D^ 33iy-13

Jquot; - T i 1quot; t ^.tt t J' T i a : quot; i

nnib npv niiN d : tok d^n-^ ioni -inD3 in^in3

- 1 -quot;• t i iquot; t ^tt t J' T : vat quot; l.quot;quot;

-irin d : tok loni 'p: di b'fi: nidn1?quot;

t i iquot; t m.tt t J- T : ia*t j- v^v gt; ~ :

lONi DniK nNtn-niinn n3TnK D'p^Kb IÏ^K

j- t ; at -• *^si- v. quot; it - jquot; : * v |.)*t i sv -:

3 : tok djrr^

I Iquot; T ».TT T

teneinde iemand gerechtelijk te doen ter dood brengen ; v. a. op een ge-huurden sluipmoordenaar; het vorige vers spreekt van moord uit haat, het onze van moord uit winstbejag. — ips di is v. s. bijstelling, v. a. afhankelijk van UB3, dus of: om iemand, onschuldig bloed, aan het leven te slaan, of: om het leven van onschuldig bloed te verslaan. Anderen verklaren het als een uitroep: om een leven, of: een persoon te verslaan, — onschuldig vergoten bloed! — N. a. nemen a's: jronS als één uitdrukking, als in Deut. 19,6 en 11; 22,26 e. a. p. waarbij ip: m lijdend voorwerp zou zijn : om te do o den onschuldig bloed. — De volgorde der misdaden is dezelfde als van de tien geboden: eerst die ten opzichte van den dienst Gods (vs. 15), dan ten opzichte der ouders (16) en eindelijk die tegenover zijne medeschepselen (17—25). — üe hier genoemde misdaden zijn allen overtredingen van werboden. niet nalaten van geboden. De tegenstelling geeft dus, dat ieder, die ook in het geheim zich aan geen dezer daden schuldig maakt, reeds den zegen deelachtig wordt. — Vloek volgt eerst op de positieve daad ; zegen reeds, wanneer men zich van vloekwaardige handeling onthoudt I

26 is v. s. algemeene samenvatting: wie in het algemeen de woorden

ocr page 194

DEÜTERONOMIÜM XXVIII.

1 Het zal zijn : Wanneer gij naar de stem van den Eeuwige, uwen God, luisteren zult, om in acht te nemen, uit te oefenen al Zijne geboden, die ik u heden gebied; dan zal de Eeuwige,

2 uw God, u hoog plaatsen boven al de natiën der aarde. Al deze zegeningen zullen over u komen, en u bereiken, wanneer gij naar de stem van den Eeuwige, uwen God luisteren zult.

3 Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn op

4 het veld. Gezegend zal zijn de vrucht van uwen schoot, de vrucht van uwen bodem, en de vrucht van uw vee ; het ge-worpene door uwe runderen en de toeneming van uw kleinvee.

5 Gezegend zij uw korf en uw baktrog. Gezegend zult gij zijn

7 bij uw inkomen en gezegend zult gij zijn bij uw uitgaan. De Eeuwige zal uwe vijanden, die tegen u opstaan, verslagen aan u prijsgeven ; langs éénen weg zullen zij tegen u uittrekken,

8 en langs zeven wegen zullen zij voor u vluchten. De Eeuwige zal den zegen gebieden, bij u te zijn in uw voorraadschuren, en in alles, waarnaar gij uw hand uitstrekt, en Hij zal u zegenen

9 in het land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft. De Eeuwige zal u Zich tot een heilig volk doen staan, gelijk Hij omtrent u gezworen heeft, — wanneer gij de geboden van den Eeuwige,

10 uwen God, in acht nemen, en in Zijne wegen gaan zult. En alle volken der aarde zullen zien, dat de naam des Eeuwigen over

11 u genoemd is, en zij zullen voor u vreezen. De Eeuwige zal

dezer leer niet stand doet houden om ze uit te voeren, d. w. z. eenige andere verboden daad verricht; de voornaamste misdaden zijn dan genoemd en ons vers omvat alle anderen. V. a. een nieuwe misdaad : wie niet stand doet houden tot vervulling, d. w. z. wie de verbindende kracht van eenig voorschrift ontkent. (Nachm.) Twaalf vloeken, als men den laatste mede-rekent, naar het aantal der stammen.

Hoofustuk XXVIII. Zegen en vloek; vgl. Lev. 26; een beeld van de toekomst des volks, in trouwe aanhankelijkheid aan God of in afval van Zijn woord. Ons hoofdstuk schildert meer het aandeel, dat ieder persoonlijk aan het nationale geluk of onheil zal hebben; Leviticus meer in het algemeen het nationale geluk en ongeluk. Zoo geeft dus ons hoofdstuk opnieuw den Israëlieten, die straks, hun land in bezit nemend, zich meer en meer van het centrum der nationale eenheid verwijderen zullen, de gedachte mede, dat met het lot der volksgemeenschap dat van den individu nauw verbonden is, — geheel in overeenstemming dus met het denkbeeld, dat aan den geheelen inhoud van het vijfde boek ten grondslag ligt.

1—14, de zegen. 1 en 2 als opschrift de algemeene strekking aangevend, die 3—14 nader wordt uiteengezet.

2. deze hier volgende zegeningen. — iwm, zij hereilcen u, als ware

hun streven erop gericht u te bereiken, — niet het uwe, om den zegen deelachtig te worden.

3—6. Een zesvoudig fra, alle levensomstandigheden omvattend: in de stad en op het veld, de beide zijden der volksontwikkeling; lijfsvrucht van mensch en dier, — familie en bezit; vruchtfcor/quot;, als beeld voor den oogst, en baktrog, waarin het dagelijksch brood wordt bereid; algemeen: hij uvj

93

ocr page 195

na Hian ^ ny

iöt?1? nin^bipa Vftpn nrn*

TfiV« nin' 'n2n:i Di#n ^ixd quot;ii^k vniïö-'jrnw

| v v; lt;t : I : t : a - v.1 : quot; ï J' tr •)••• -: t : • t

nbsn niDian-^a iNai : ptfn ^irbs ^ =

v vquot; t J T : - T } r- T st | vit t Jquot;^ t {,- i :

Tya nnK Tina : nin» ^ipa »3 nrirni *

•a-t v.t - I j t I iv rr : K : : * -•• U-.. * • :

nsi nnDix nai •njurna -11-12 : mtra nnx •nnai-'

-»• : v.1 : it : - r : •)!::• r : 1st ivt - V.t - \ jt

: ^n-iN^pi Ï|«3Ü Tji-ia: ninri^i yamp; ynonn * -nuninnp* * : ^inxxa nn» quot;qra nrgt;K •nna1

v : I -y l,v •■ : gt;t- I gt;t Uv : lT - ^ | ^ T ,

?]7K inï» -IHK ^ra D»Oj5n

nDian-nx nin* ir : n^a1? idu» ^^t^'3,)n

t t : - v i : * *T . : ,quot; 1 i iv t : jr v' t : ^t : • ;

n^Knin^KpNaïp'-oi phvn bbai ^óot^a

i vv v: jt : v -1 i v t t | : -jquot; i avt^ : i v t -: 1-

♦3 ^quot;^3^3 ^ns3 quot;h nin* |n:°

-l?3 ik-ii : V3T13 ro^m nin» niSD-nx quot;iü^n'

t t : it t ; • v.t : - it : | v •.•: -»t : : • v ; *

nnnim ; ?po iK-in xnp: nin* oty »3 ^av ^

«Itr : |iv • ^ :it; |av*V -«t): • ^t ; r* •)• i vt t

ingaan in uwen huiselijken kring en bij uw uitgaan in het openbare leven ; v. a. zegen voor het volk in zijn doen en laten, n^ïi soa; n. a. bij uw komen in het land en uw ten strijde uittrekken, in direct verband met het volgende. (Vgl. Num. 27,17 en onze aant. aldaar). — Voor nnncn fEhs -ud ■p.sï, zie Deut, 7,13.

7- ijaS jdj. tot iemands beschikking, in zijne macht stellen, prija geven.— tts yn:: enz. Vol vertrouwen op hun overmacht, zullen zij niet, in kleine groepen verdeeld, u onverhoeds afbreuk trachten te doen, maar, aanstonds als groot leger op één plaats geconcentreerd, den open veldslag aanbieden, doch gedwongen door Gods macht, zullen zii in kleine troepjes trachten te ontkomen.

8- 'n ri\ nog meer: God zal den zegen a. h. w. gebieden met u te zijn als uw voortdurende begeleider. De verkorte vormen : w hier, paT vs. 21 en -pv vs. 36 zijn geen optatieven, zoodat hier slechts wenschen zouden zijn uitgesproken, maar in dichterlijk proza meer voorkomende vormen van den toekomenden tijd; Mozes voorspelt. — ^kdn:, v. s. samenhangend met DK', leggen, beteekent: dépots, —of' het gedeponeerde, voorraadschuur of voorraad, en komt alleen nog Spr. 3,10 voor.

9. -p'p'. zal u doen staan, v. s. in stand houden, doen worden en blijven ; v. a. opstellen, voor het oog der volkeren duidelijk u aanwijzen.

10. quot;pSy }OpJ 'n DU') dat gij in waarheid //volk Godsquot; genoemd wordt, dat Zijn naam over u genoemd is, gij in al uw doen en laten Hem en Hem alleen volgt en Hij u dientengevolge beschermt en zegent. — •p» in-pi, en zullen U eerbiedig en.

ocr page 196

DEUTERONOMIÜM XXVTII.

u den meerdere doen blijven ten goede in de vrucht van uwen schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw bodem ; op den bodem, dien de Eeuwige uwen vaderen gezworen

12 heeft, u te geven. De Eeuwige zal u Zijn schatkamer, den hemel, openen, om den regen van uw land op zijnen tijd te geven en al het werk uwer handen te zegenen; zoodat gij velen volken zult kunnen leenen, maar dat gij niet zult be-

13 hoeven ter leen te nemen. De Eeuwige zal u tot hoofd doen worden en niet tot staart; gij zult steeds boven en nooit onder zijn ; wanneer gij naar de geboden van den Eeuwige, uwen God, die ik u heden gebied, luisteren zult, ze in acht te nemen

14 en te doen; En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik u heden gebied, rechts noch links, door te volgen andere goden, hen dienende.

15 Doch het zal zijn: wanneer gij naar de stem van den Eeuwige, uwen God, niet luisteren zult, om in acht te nemen, te doen al Zijne geboden en wetten, die ik u heden gebied, dan zullen al

16 deze vloeken over u komen en u bereiken. Gevloekt zult gij zijn

17 in de stad, en gevloekt zult gij zijn op het veld. Gevloekt

18 zij uw korf en uw baktrog. Gevloekt zij de vrucht van uwen schoot, de vrucht van uwen bodem, het geworpene van uwe

19 runderen en de vermeerdering van uw kleinvee. Gevloekt zult gij zijn bij uw inkomen en gevloekt zult gij zijn bij uw uit-

20 gaan ! De Eeuwige zal tegen u loslaten de vervloeking, de

11. -pnm, zal u den meerdere doen blijven boven de volkeren; v. a.

zal u overvloed — min, meer dan genoeg — schenken, wat niet meer dan herhaling van vs. 4 zou zijn.

12. Hij geeft u namelijk zoodanigen overvloed, dat gij van het uwe genoeg over hebt om anderen te leenen; zoo wordt gij vs. 13 tot hoofd, leider, en niet tot staart, die slechts te volgen heeft; uw voorbeeld wordt door de andere volkeren gevolgd; in alle menschelijke dingen zult gij hoven en niet onder zijn, het hoogst aangeschreven staan ; anderen : gij zult steeds meer naar boven komen en nimmer dalen. — mt'i'Si ■wp'? behoort bij ïtotto, niet bij iixn.

15—68. Vloek bij niet-opvolging der wetten ; de hier voorspelde onheilen, hoewel de geheele natie treffende, worden toch meer in hun gevolgen voor de individuen besproken. Uitdrukkingen als -pas in •poon n', vs. 20, 21, 22, kunnen niet op het geheele volk slaan, dat, eenmaal dooide rampen van vs. 20 ondergegaan, niet nog eens door de onheilen van vs. 21 vv. te gronde gericht kan worden. De zin is dus: sommigen gaan onder door het eene, anderen door het andere onheil.

16—19 zijn het pendant van 3—6, in zesmaal herhaald ins- den vloek in alle levensverhoudingen uitsprekend, die verwezenlijkt wordt, doordien bedreigd worden : pest en ziekten, misgewas, droogte en hongersnood, oorlog en verwoesting des lands en gevangen wegvoeren van het volk. In vijf verzengroepen worden deze bedreigingen telkens in anderen vorm gegeven: 20—26; 27—31; 35—46, telkens met ziektebedreiging beginnend ;

96

13

ocr page 197

ro tfün iï

bv nam nnönn naai na^a naa nait:1? nin»

|av t : - ^- : • v.1 : ; v ; j' : - .)| : ; • s* ; * ^ t : ^ t :

i nirv nna' : rp nrh ^♦nax1? nin^ ysm rraiKn ='

-«t : : ' 'it ''JT ' ':,~ ',T : rs~ : * ^ v ~! T Tp':,Tp

in^a ^n.Knüp r\rh n\mr\-m aién i^ïintik ^jS *6 nnNi D'in. D;.ia n^m n^ö'Va nx ^a^ pn n^m i'ih Wki1? nirv n:n:i : ni^n ^

t : - : i -•quot; t • t : tt ; j : : lt;t ; i ; it ; iv; *

—ik'k nin' i niïo-^N yhvrr'i ntsD1? nnn kVi

^ v -; | v v; jt : -• : • : r t at : ; r ^ ;

□naTrVaa -IIDH xbi : m^^i yivh Di»n ^IÏQ

* t : - t • t -• : i ^-ir : -» ; • v. ~ om ~ : ,t

nns4 na1?1? ViNOtyi ro» Di»n oanx nisa nax 1^«

■)••-; r v v t a : i •*' t ^ quot; •)••* : •• j''quot; : * it v -:

a : D^'p Dnn« dt^k

TIN ni^jrb -io^b ^riVx nin^SipaVo^n K^-DK nni1--ba iNai om niïo 'a'iN nu'K vnpm vn'iïö_l?3

t i •)••• t st a - u : - : it •)••• -: t i •-. : -«t : • t

nnK hini 17a nn« quot;inx : ^ir'^ni nbxn ni^^pn »

vt - j t l 'a t v.t - -gt; t j 1 • • : v v** t ^ tl: -

nai ^ijua-na hik : ïiniKK'Di -ii-in : miraquot;

•*' : v,' : ï * •* : J T Piv ; - ; • v.1 quot; -» t ivt - fp

nxaa nnx hik : nhn^i ^r^a^K uty nnonxc'

iav ; j T p p l'quot; ^ : : - : i v.-.- t -: : |av t ; -

TIK rnxDrrm na 1 nin» ^b5y, : nnxva nnx quot;iiquot;i«i -

«t •• ; - v i : quot;*t i j- - : | iv •• : ^t - ^ t ;

47—57 en 58—68. Telkens wordt de voorstelling der straffen, wat omvang en inhoud betreft, verschrikkelijker, zonder dat nochthans, zooals Lev. 26,14 vv. een trapsgewijze toenemende mate van strafgericht in verband met Israels toenemenden afval wordt aangekondigd. Anderen verdeelen het stuk in drieën: 20—35 rampen in Palaestina, 36—57 in Babylonië, 58—68 in de laatste verstrooiing.

16—18. Bij den zegen wordt eerst lijfsvrucht enz., dan eerst korf en baktrog genoemd ; bij den vloek is de orde omgekeerd; deze vertoont zich het eerst in het ontbreken van den zegen op den oogst en de spijze, en tast eerst dan de levende personen en dieren aan.

20. nSt?1. zie Num. 21.6, is speciaalterm voor het loslaten van wilde dieren tegen den mensch, later ook van epidemische ziekten. Ook hier in overdrachtelijken zin, mymn nnvrsn /nmi, als wilde dieren voorgesteld, die u willen verscheuren. — msa, vloek, de verwezenlijkte n^Sp; v. a. in verband met msao Lev. 13,51, uittering, invreting. — noin», de verwarring, gewoonlijk die, waarmede God Zijn vijanden slaat en krachteloos maakt. — mu», het verwijt, v. s. zelfverwijt, dat den mensch verontrust, v. a. bedreiging en hare verwezenlijking. Anderen nemen mxn als alge-meenen term ; den vloek, namelijk: verwarring, innerlijke onrust en zelfverwijt; b. a. vatten mïJ» als omzetting voor nïu», vermindering, ondergang, op.

ocr page 198

DEUTERONOMIUM XXVIII.

verwarring en de bedreiging in elke uwer handelingen, die gij doen zult; zoodat gij weldra verdelgd zult zijn en verloren zult gaan ; wegens de slechtheid uwer handelingen, dat gij Mij

21 verlaten hebt. De Eeuwige zal de pest zich aan u doen hechten, totdat deze u zal vernield hebben van den bodem, waarheen

22 gij komt, om hem in bezit te nemen. De Eeuwige zal u slaan met tering, heete koorts en met brand en met geweldige hitte, met verdrooging, uitlediging en geelte, die u vervolgen zullen,

23 totdat gij verloren zult gaan. Uw hemel, die boven uw hoofd

24 is, zal koper, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn. De Eeuwige zal den regen van uw land tot stuifzand en stof doen worden ; van den hemel zal het op u nederdalen, totdat gij

23 verdelgd zult zijn. De Eeuwige zal u verslagen prijsgeven voor uwen vijand; langs éénen weg zult gij tegen hem uittrekken en langs zeven wegen zult gij voor hem vluchten en

2tj gij zult voor alle volken der aarde tot ontzetting zijn. Uw aas zal tot spijze zijn voor al het gevogelte des hemels en het ge-

27 dierte der aarde, en niemand zal ze afschrikken ! De Eeuwige zal u slaan met Egyptische ontsteking, met spenen, met vochtige en drooge schurft, waarvan gij niet zult kunnen genezen

28 worden. De Eeuwige zal u slaan met krankzinnigheid en met

29 blindheid en met verwarring des harten. En gij zult op den klaarlichten middag rondtasten, gelijk de blinde in de duisternis rondtast, en gij zult op uwe wegen geen voorspoed hebben ;

21. VlSSi totdal hij, de pest, of: totdat Hij, God, zal hebben te gi-onde gericht.

22. Vier ziekten, die den mensch, drie, die het koren treffen. Overnsn» en nmp zie Lev. 26,16; npVr van pVi, branden; imn van nn,gloeien; de drie laatstgenoemden zijn dus allen soorten van brandende, misschien ontstekingskoortsen. — ainai. Het zwaard komt in dit verband niet te pas. Zeer goed kan ons woord : droogte, uitdrooginy beteekenen; vgl. Ps. 32,4; het doelt dan op het graan, dat door de brandende zon verdroogt. — p-n;-, leegklopping, dat door den wind de korrels uit den halm worden geslagen. — pp-p, geelte, een ziekte in het koren te velde. Anderen meenen, dat alle zeven ziekten den mensch zullen treffen en verklaren de drie laatsten : uitdrooging, uitmergeling en geelte.

Voor 23 vgl. Lev. 26,19. Er komt dus vreeselijke droogte zonder een droppel regen. — ■pxi Sy ips fw, alleen uw hemel hoven u w hoofd, Palaestina, wordt getroffen; het is geen algemeene ramp.

24. Nog erger: er zal uit den hemel neerslag komen — maar deze zal slechts zand en stof ziin ! — pas ion ns jn:, den regen doen worden tot stof-, anderen: als regen geven stof. — n', hij, die neerslag van zand, zal op u neerdalen; anderen : Hij, God zal over u neerdalen; u bestraffend, zal God uit den hemel a. h. w. neerdalen om u Zijne straffende hand te doen gevoelen.

25. Tegenstelling tegen vs. 7. — van nïT = rir, waarvan ni'lT (Jes. 28,19), siddering, ontzetting.

97

ocr page 199

ro Nian o tï

1%. flTr n^ön-nNi. ViDinan

: V) ino ^n2K-n^i

-quot;itfK nónxnVo^ inVan^nmn-nKna nin» paTquot;

v-I t T-I^ir - quot;p ) ;pr - - «lt; v «t- v J: .,t : I squot; :-

nmpni nan^a nin» nDa» : rwT? na^-xn nnx23

- -I- - v v - - t : -r : - it • ■ ;^ t^t t jt -

: nj; p'^^i iisn^niainni inra n^ini n^nnrriB'K pxm njyn: n^NT^ ib'K vni»

^1 v.*.^: - v -: 1 vjt t : va: u: i jv -: | •)*.* t j t :

croErrfü -la^i pna nao-nx nin» ^

* - t - i • cx3rtt t : ' •jt t# v.1 : ^: - j- : v or ; i squot; • iv : -

^22 1 nin» ?|2n» :

n^ni i^a1? Di2n D^n Kïn inn Tina

t j- t : f att : ^ j t v' t : Dt : • : t •• -••• •• t v ) vlt;v ;

?inl7a2 nn'ni : rnxn niaVoo Vb1? nnn^13

t : t -: iquot; : | : it : * lt;t :it : | vit t ^ : t^:i- :

nin* rrb^ : nnnD rxi psjn rrarnbi n'ai^n «

t : t : - r-n- I v.quot; : I v at t IV ^ ^ v.quot; t - ]

Dinm 31231 onïö pntra

v,- 1 r- -: vat v v.tt - : - • - ; • i lt;• ; •

n^ni : 2^ rinonai ïij^a nln» nss» : Nöin1? n=-

t • t : it •• i v. ; • ; ^ i at^- : i (. t ■ : t : jt : - iquot; ti- ; 123

n^vn ah) n^ssisquot; 1^3 nnnya vwnn

- v : - j : t •• -: it it lt;•• - : v -j 1 - * * ▼: it ~ -»•• - ;

26. De lijken, als waren het dierlijke azen, onbegraven liggend, zullen door de vogels en het wild worden verteerd, Tin» pxi, zonder dat een mensch in de nabijheid is, die ze zou kunnen wegjagen.

27—34. Verdere uitwerking der rampen, zoowel door lichaams- en zielsziekten, als door vijandelijke plundering en benauwing.

27. pnïi'S' v. s. huidontsteking, zooals die naar Ex. 9,9 in Egypte woedde bij de plagen; v. a. een bepaalde, in Egj'pte in het algemeen veel optredende ontsteking. — diSbïsi, van Sei', hoogte, zwellingen, volgens sommigen in het achterdeel van het lichaam, spenen, aambeien. De Massora laat het

woord vhm steeds vervangen door het waarschijnlijk minder krasse

anhp. welks klanken onder de letters van QiSsp zijn geplaatst en dat I

Sam. 6,11 en 17 ook voorkomt. De zin is dezelfde. — Over au zie Lev/ 21,20. — Din, van Din, krabben, beteekent: droge schurft.

28. jVTlJ?31) waarschijnlijk hier: geestelijke blindheid (Ten 'Ezra,). — 2^1 prrorai, verwarring des harten, van het gemoed. De drie woorden duiden v. s. aan verduistering van het waarnemings-, denk- en voorstellingsr vermogen.

29. Gij tast in het duister en brengt daardoor niets tot een goed einde,: niSxn; v. a. kunt den rechten, tot God leidenden iceg niet vinden. — swit Sim, in uw recht en in uw eigendom tekort gedaan.

ocr page 200

DEUTER0N0M1UM XXVIII.

gij zult ten alle tijde slechts verdrukt en beroofd worden, en

30 er zal niemand zijn die helpt. Met eene vrouw zult gij u verloven, en een ander man zal met haar omgang hebben ; een huis zult gij bouwen, en er niet in wonen ; een wijngaard

31 zult gij planten, en er de eerste vrucht niet van genieten. Uw os zal vóór uwe oogen geslacht worden, en gij zult er niet van eten ; uw ezel zal van vóór uw aangezicht weggeroofd worden, en u niet weder teruggebracht worden ; uw kleinvee /.al uwen vijanden worden prijs gegeven, en er zal voor u geen

32 helper zijn. Uwe zonen en uwe dochters zullen aan een ander volk prijs gegeven worden, uwe oogen zullen het zien en den geheelen dag naar hen smachten ; doch gij zult geene macht

33 in handen hebben. De vrucht van uw bodem en al uw met moeite verworven goed zal een volk verteren, dat gij niet kent;

34 gij zult slechts verdrukt en gebroken zijn alle dagen. Gij zult krankzinnig worden over het gezicht uwer oogen, dat gij zien zult.

35 De Eeuwige zal u met eene verdertlijke ontsteking slaan aan de knieën en aan de schenkels, waarvan gij niet zult kunnen

36 genezen, van uwen voetzool tot uwen schedel. De Eeuwige zal u en uwen koning, dien gij over u aanstellen zult, voeren naar eene natie, die gij niet kendet, gij noch uwe vaderen ; en gij zult daar moeten dienen andere goden, hout en steen.

37 Gij zult tot ontzetting, tot voorbeeld en tot waarschuwing zijn onder al de volken, waarheen de Eeuwige u drijven

38 zal. Veel zaad zult gij naar het veld uitvoeren, en weinig

39 inzamelen ; want de sprinkhaan zal het afeten. Wijngaarden zult gij planten en bewerken, doch den wijn zult gij niet drinken, noch opstapelen; want de worm zal hem verteren.

30—33 werken dit met betrekking tot het persoonlijk lot van ieder individu nader uit; dit laatste vers eindigt met bijna dezelfde woorden als vs. 29; 34 vat dan de geheele bedreiging nog eens in één algemeenen trek samen.

30. ruSjiyj door de Massora in lezing vervangen door liet minder plastische n333C'; ons vers heeft weer de combinatie: vrouw, huis, wijngaard ; zie onze aant. Deut. 20,7.

31 bespreekt de wegvoering van vee, 32 van de kinderen, 33 de inbeslagneming der veldvruchten door den vijand. — i1? nv, zal u niet teruy-gehracht u-orden, de Kal als lijdende vorm van den Hiph'iel. — Over px

■pp zie Gen. 21,29. — vr. meerv. van rns; vgl. voor de uit

drukking : nSo pr Lev. 26,1G.

33. quot;1^^ ^31, v. s. afhankelijk van quot;he : en de vrucht van uw moeite, wat ro' op zichzelf, evenals nViïE- zeer goed kan beteekcnen; vgl. Ps. 128,2.

35—46. Met ziekte bezocht, zult gij in de ballingschap gestooten worden, terwijl het gros van het volk, dat in het land blijft, daar door allerlei

98

ocr page 201

na wan ^ nï

: iwio |W biTai tim n^ni

~ quot;• 1 jquot; : v,'t- t ot; S^t Ij- t -t : I av t :

ia ntrn-N^i n:3n inx ^ni nt^x^

a jquot; •• i : v,v : * 'J- t v t : • •• quot; lt;• : •• t : jt •

maü ?jquot;!i^ : isbVnn xbi ytsn aps ^ nun: xbi T:a^ Vmn-ian quot;^ao

p v: i : ^ j \ : i : )at v, t j : )^vt : • --t i : i -; v •

TOT Q^.1? cnn: ^nini •' ^T10 ït? r^. ^ nnoix na : bxb rxi om-Va nn^x mbai nisn ^

i : it : - lt;• ; | ivt vquot; : ijquot;: a - t v.v quot; quot;- j .r '•

pï*ii pi^ p*i_ n^'ni n^T;xb nt^x Dy. Vdx* ; nxm im wy nxiao ym n^ni : □,a,n-l73 ^

iv ; • j\- -: I v*** •• ^ jquot; ^ ~ ' at •. : t «.• t : i t - ^ t

-X7 i^x D^pjyrr^'! jn pn^a nfn^ naa* ^

^nx nin» Tj^i* : 'ri,ip,ipr quot;i^i. ^ap xannb ba in1quot;7 nnx n^T'xb Mrbx D^.n nt^x ^abp-nxi na^b n^m : ?axi ry annx onbx dit man Thaxi ^

t - : t j* t : i v it t | jquot; (.* •■ -; j* v: ^ or t :j-*t : i av -:i-

inr : nat? nin» n^nmirx o^avn Vaa n'7

-jv t it vt : -»l: *•*'quot;: quot; ~ï * ^quot;-'t : at * : • ; ^t t :

D^aia : nanxn isbon» ^a tibxn D^ai m^n x^in ai ^

r t: iv :- it v,v ; ; - j- | v: iv ^-: av t - J v.-

rn^hmabaxn ^a quot;iixn xbi nn^n^xb pn mayi ytan

it - ^v : i r v; iv j : v ; • i 1*«-; t :at t : v~ *

vloek wordt geti'offen. Anderen vatten 37—46 op als de voorspelling, dat Israels lijden tot waarschuwend voorbeeld en sprekende leering zal worden voor alle volkeren en zoo dezen tot God zal voeren.

se. annx dvi^v dit majn. v. s. gij zult daar vreemde r/oden moeten dienen, gedwongen door uw overheerschers, niet, zooals vroeger, uit zacht tot afval; v. a. (jij zult dienstbaar worden aan volkeren, die vreemde goden dienen, wat er echter niet staat. Ibn 'Ezea : gij zult, om u meer bij het vreemde volk aan te sluiten, zijne goden dienen, vruchteloos echter, want met een hoonlach wijst men u af (vs. 37). N. a. gij zult, die vreemde volkeren dienende, inderdaad aan hun vermeende r/oden onderdanig zijn, vgl. Jer. 16,13.

31' nOCb onz- to1 ontzetting, tot waarschuwend voorbeeld en tot duidelijk omlijnde leering, nJ'J» van jj», scherpen; v. a. tot voorwerp van stekelig en spot.

38. nT^n. vierde naamval van richting: naar het veld. — wSom, een stam, waarvan de naam Son voor een sprinkhanensoort. Het aanhangsel u slaat qp mi', het veld en zijn product.

39. Gij drinkt geen wijn en kunt ze ook niet als voorraad opstapelen, daar wSssn, hem, den wijngaard, de worm, druifluis, zal afeten.

ocr page 202

DEUTERONOMIUM XX VUL

40 Olijfboomen zult gij hebben in geheel uw gebied, doch met olie zult gij u niet zalven; want uw olijfboom zal de vrucht afwerpen.

41 Zonen en dochters zult gij voortbrengen, doch zij zullen voor u

42niet zijn; want zij zullen in krijgsgevangenschap gaan. Al uw

geboomte en de vrucht van uwen bodem zal de klepperende

43 sprinkhaan geheel in bezit nemen. De vreemdeling, die in uw midden is, zal zich al hooger en hooger boven u verheffen, en

44 gij zult al lager en lager dalen. Hij zal u leenen, doch gij zult hem niet leenen ; hij zal tot hoofd en gij zult tot staart

45 zijn. Al deze vloeken zullen over u komen, zullen u vervolgen en u bereiken, totdat gij verdelgd zult zijn; daar gij naar de stem van den Eeuwige, uwen God, niet geluisterd hebt, om Zijne geboden en Zijne wetten in acht te nemen, die Hij u

4G geboden heeft. Zij zullen op u zijn tot een teeken en een

47 wonder en op uwe nakomelingen, tot eeuwig. Als straf ervoor, dat gij den Eeuwige, uwen God, niet hebt willen dienen in vreugdeen in vrolijkheid van hart, uit den overvloed van alles ;

48 Zult gij uwe vijanden, dien de Eeuwige tegen u vrije hand zal laten, moeten dienen in honger en in dorst, en in naaktheid en in gebrek aan alles, en hij zal een ijzeren juk op

49 uwen hals leggen, totdat hij u vernietigd zal hebben. Aandragen zal de Eeuwige tegen u een volk van ver af, van het einde der aarde, gelijk de arend vliegt; een volk, welks

50 taal gij niet verstaan zult. Een schaamteloos volk, dat geen

40. Kal van 'w:, in bedrijvende beteekenis; nfwerpen, of Niph'al

van SSr; de olijfboom zal leep worden, doordien de vruchten afvallen, of: leeggemaakt worden door de vijanden, die hera van zijn vruchten berooven.

42. 2'quot;)quot;, neemt geheel in bezit, de Pi'el met intensieve beteckenis; anderen van u-v = en, in Pi'el, arm malen, zal van zijn vrucht bei'oo-ven. — SïSïh, de sprinkhaan, die klinkend geluid maakt; (Ie aanzwenuende sprinkhanen worden reeds uit de verte door het klepperen der vleugels en het zwermgeluid gehoord; v. d. de vaak voorkomende vergelijking met een naderend leger; v. d. ook de hier gebezigde omschrijviiig: 'jïSï van SSï, klinken. V. a. van Sï, schaduw, die door zijn menigte de zon verduistert.

43 en 44 tegenstelling tot vs. 12 en 13, G ij wordt door het onheil getroffen, terwijl de naast u gevestigde vreemdeling verschoond blijft; zoo wordt uw lijden tot toeken en wonder aan n en uw nakomelingen tot in eeuwigheid, dat het het gevolg is van uw ongehoorzaamheid aan God.

46. nw. een Gods bestier toonend teeken; nsi», een tot plichtvervulling opwekkend, of v. a. verbazingwekkend wonder. Nog het verste nageslacht, ook al lijdt liet zelve niet meer, zal zich den vreesdij ken vloek, die een vroeger geslacht wegens zijn ontrouw aan God heeft getroffen, blijven herinneren en er een voorbeeld aan nemen.

47—68 werkt nader het lijden in de ballingschap uit, 47 en 48 zijn algemeene inleiding, 49—57 beschrijven dan de vreeselijke toestanden bij

99

ocr page 203

ro iTDn »3 üï

: nm *3 'niDn nS ?ob',i nb vn» o^nn»

f iv •• v.quot; * ^* I t j I v v '. |av ; t ; ^ I : j :r r quot;

: *31^3 13^ »3 ■nb vn,-K1?i n,l?in nij3i d^s ^

j : iquot; t . * iv - ^ : i** j'^ i t j : i* : a- v. t r t 30

T5V n^;^3ip3 quot;iBfN nan : bïVïn ^noix n.üi« nns4i «in : ncsa ntao mn nn«i nbtta rhvn ™

v,t^-: ' quot; ■, tit t j- vquot;quot; jt • : t^;at r:-»m

iksi : 3:6 n^nn nnxi trNn1? rvrv Nin wibn kV ™

I v t t itt : r.-: r ^ : -••.•: r lt; av: - j

nii^ni n^«n niWpn-^

j • |at : it • 1' i • • : l t : v •• t^ -• ti: - r

: tiiï vnpm vn'iïD ibii'1? nirv i?ip3 nvbiï

11t* jv -: i.tl %. ; jt : • •) : * i v v: -«t : i : t^; - r

-nV na'K nnri : nfiiD^i ni^1? ^3 vni

i lt;v -; - - it - j -j . aquot; : v. : |^; ^^t : t»

: Va 2hD nn? 2^21 nnöt^a nirrnK mav

1 V, •• quot;t •• -^ ; v.t : • ; i -«t : v r : - ^t

Ni0ï3i 3jn3 'ns nin» ne'N m3yino

•)t t : sT t : ^ I t t lt;v : - : v -i P v ; i v jt : -nr:

iTptrn ny_ ^n? fnji bb iDn3i

quot;11^x3 riNn nypo pniü »ia nin» nequot; : TinK q»

r.* -ji- 1 vt t -quot;'l; • I ti- lt; I v *t t : -»t • I it

D^fi Tp 'ia : ijty1? jfDBvrK1? quot;IB'N quot;itrsn n«-i» gt;

v -: a- t j- v. ' ; : i jv -: vat - vquot; - *

de verovering des lands door den vijand, 58—68 het lijden in den vreemde.

47 en 48. nnn enz. Zo olang gij overvloed hadt aan alles, hadt gij God kunnen en moeten dienen in vreugde en tevredenheid des harten, doch gij wildet niet. werdt afvallig, — m:quot; sS als één begrip: niet-dienen-,— welnu, in plaats van dat vrijwillig niet-dienen, treedt een gedwongen rrél dienen, rreri. — Ss am, uit den toestand van overvloed, d. w. z. óf: terwijl gij overvloed hadt, — dan wijst het den grond aan, waarom, en den toestand, waarin Israël zijn God trouw had moeten blijven •, o(: t en g e-vol ge van overvloed, dan duidt het de oorzaak van den afval aan.

48. UnSüquot; quot;IB'N*. dien God tegen u zal loslaten, als ware het een troep wilde dieren; óf: vrije hand zal laten. — ara, de '3 heeft hier óf den zin van: in den toestand van, óf dien van: met, in welk laatste geval de woorden bij gt;:rhv behooren. Het parallelisme met het vorige vers schijnt mij moer voor de eerste opvatting te spreken. — jr:i, en hij, de vijand,— niet: Hij, God — zal leggen. — ITDETT v- s- -- ITDCH; of v- a- een

verleden tijd van de onbepaalde wijs, vgl. 7,24.

49. X'Cquot;1, aandragen uit de verte, als opzettelijk tegen u. — pmn, uit de verte, ja zelfs psn nspt:, van het andere einde der aarde. — mn hst ifss, gelijk de arend vliegt, v. s. even snel ; v. a. die met krachtigen vleugelslag plotseling op zijn prooi neerschiet en het met zijn klauwen grijpt.

50. a^a IJT» hard van aangezicht, waarop niets indruk maakt, en dat niets ontziet. Het is, als drukt reeds het gelaat de onwrikbare hardheid van zijn karakter uit; het treedt onbeschaamd op, zonder iets of iemand te spareu.

ocr page 204

DEÜTERONOM1ÜM XXVIII.

aanzien laat gelden voor den oude, noch den jongeling genade

51 schenkt. Dit zal verteren de vrucht van uw vee en de vrucht van uw bodera, totdat gij verdelgd zult zijn ; daar het u geen koren noch most, noch olie zal overlaten, het geworpene van uwe runderen noch de vermeerdering van uw kleinvee, totdat het u geheel

52 ten gronde gericht zal hebben. Het zal u in het nauw brengen binnen al uwe poorten, totdat uwe muren, de hoogen en versterkten, waarop gij vertrouwt, ter neder zullen liggen, in geheel uw land ; het zal u in het nauw brengen binnen al uwe poorten in geheel uw land, dat dé Eeuwige, uw God, u ge-

53 geven heeft. Gij zult uwe eigen lijfsvrucht eten, het vleesch uwer zonen en uwer dochters, die de Eeuwige, uw God, u gegeven heeft, in de heenging en de benauwing, waarmede uw

54 vijand u benauwen zal. De teederste man onder u en de meest verweekte, diens oog zal misgunnend zijn tegen zijnen broeder, tegen de vrouw aan zijn boezem, en (egen den rest zijner

55 kinderen, die hij nog zal overlaten ; Zoodat hij aan geen hunner zal willen geven van het vleesch zijner kinderen, die hij eten zal, omdat hem niets anders overgebleven is; in de beënging en de benauwing, waarmede uw vijand u benauwen zal, binnen

5(5 al uwe poorten. De teederste vrouw onder u en de meest verweekte, die nimmer beproefde haar voetzool op de aarde te zetten, uit verweeking en teederheid, — haar óog zal misgunnend zijn tegen den man aan haren boezem, tegen haven

57 zoon en tegen hare dochter; En wel wegens hare nageboorte, die haar is ontgaan, en wegens hare kinderen, die zij baart, want zij zal ze, bij gebrek aan alles, opeten in het verborgen ; in de heenging en de benauwing, waarmede uw vijand u be-

58 nauwen zal binnen uwe poorten. Wanneer gij niet zult in acht nemen Ie doen al de woorden dezer leer, die in dit book

51. quot;IBVfi ól'; die. parallel met IPS in vs. 50; of: daar, zoodat het tweede versdeel liet eerste nader uitwerkt.

52. quot;lïni -----'ïnl wijst op twee punten ; 1°. trots de sterkte uwer

vestingen, waarop pi.j vertrouwt, brengt iiij u in het nauw; 2°. in hel u door God gegeven land, waar gij 0[, Hem dacht te kunnen rekenen ook in uwen afval. V. a werkt het tweede versdeel als inleiding tot het volgende de gedachte van het eerste nader uit; onzes inziens echter is die gedachte in het eerste versdeel veel krachtiger uitgedrukt. — r.n, zie 2.gt;,20. — -pns ho: Uelioort óf bij ism óf bij nn; de woorden rca nns irs jns zijn tusschenzin.

53. pijji quot;IBW quot;njJ03, een herhaling van bijna dezelfde woorden, ter versterking van den verschrikkelijken indruk, — die vj. 55 en 57 als refrein terugkeert.

54. jtjyni' de aan f/enot overyerjecene, verwijfd, verweekt. — wv ïquot;ir, zal afgunstig, of beter; misgunnend zijn, vgl. 15,9. — ipn nrsai,zie 13,7.—-ijtoi titp nc'N tij:, tegen de overgebleven kinderen, die hij, de vader, overlaat, en

100

ocr page 205

na «inn »3 p

^inonn na : fn» 1^21 rpib a^s «

j] : : v ^: • ; quot; rT : gt; ^ ^^quot; : »• quot;T: ^ ' T *T * '

trn^n^ na^x ™ïyn ip quot;nnonx-nai

j • l t t I ; • : - 1 v -: ) t : it • I : it ; - r ;

Tim : quot;nnN n^n^vi ^'öbK laK' inri23

- •• : I it ^ * -i 1- *1' J av ^ ; I v.v t -: j- : r ;

ninxani nriaan ^nbh nnn ^

lïni rns nt2'3 nnx

^ i ;^ : - t ; | vquot;t- ; t : i : «- •• i |av ; - t : iv.quot; t quot; jquot; it -

T23 -1^3 ^:ü3-na n^Ki : ^ nin* rn: quot;ii^n »

I vt lt;- : I: ; * : jt ; - t ; |it I v«* v: jt ; I •}- r r.*

p^ïgt;-n^xpiïQ3^Hï03 ^rhn nin» nyrnmy« ?i»ni3i

^ I j't v -: I t : t ; I av v:_ -«t : ^ I I - it jv -j I v i

vn«3 1:^ v\r\ iKa jjjjni ^jSTpn tr»«n : ^3^ dhd inN1? 1 nnp : Tnv vjs -in;3i ip'n ™ plV03,lSlX03,73 iVnwn ^3Q ^3^ quot;ItTK V33 ^30

I ^ t : t ; rt ^ r :*-»•: * •• jv -j t t lt;- ^; •

quot;IB'N ni^m ^3 nsnn : ^1^-^33 n1?

^ v -: t *•. ; it ; ) : t -it I iv^t ; t ; *.1^: * i •)! : I r r v -!

nr^ ynn ^oi 33^nnQ p^n-1?^ wn n^T^? nnDrnb n^Sji T'301 Wn :nn33,i n333!i np»n ^«3»

^t v ; - I jquot; • jquot; - t t ; * ; 1 it • ; v.t : • \ ^ :

niVD3 nnD3 t?3-quot;iDn3 Qb3Nn-,3 n^n ntrx rn33i

t : v at - v. v i : j- : 1 •• •• ■quot;••^ -: t v t ;

inpD KSquot;DS4 ; ^n^^3 ï|3^ ï]1? quot;IB'X plïosini run -I3D3 D,3n3n nxin minn ni'^S

av - vjquot; - v * *v ï quot; quot; jt - ••; * t v *-il'

voorloopig althans nog niet tot voedsel neemt. Ibn 'Ezra; die hij, de vijand, overlaat; in verband met het volgende vers, waar de tegenstelling Inidt: ^s.v ids VJI, m. i. onwaarschijnlijk.

55- nnO, van te geven, zoodat hij niet wil geven. — tsb.i, vgl. TSBn vs. 48.

56. nsjt fp nnd3 ns icx. (t'e n*et beproefde haren voetzool, — jïh, dien te plan/sen op de aarde, — d. w. z. die zich steeds in een draagstoel ot' rijtuig liet vervoeren, nooit een voet op den onbedekten grond zette.

57- nrP^B'SI) v- 8- zlj zal afgunstig zijn op haren man en op hare nageboorte, zij misgunt, als het ware, dat, wat zij, door den nood gedwongen, eet, diit het gegeten wordt. Anderen: en wel, de 'i, wegens, met het oog op de nageboorte enz. Zij misgunt haren naasten dierbaren een bete van het vleesch van de haar zelf zoo dierbare kinderen en eet dat dus in het geheim, zoodat eigen man en kinderen het niet bemerken. — -hn quot;iw, die zij, tijdens het beleg, baart.

58. En neemt gij nu nog altijd de woorden dezer leer niet in acht, hebt nog altijd niet 'geleerd eerbied en ontzag te hebben voor den Eeuwige, uwen God, dan zal vs. 59 enz. — run 1BD3, geschreven in dit, naar 31,9 neer-

ocr page 206

DEUTERONOMIUM XXVITI.

geschreven zijn om dezen te eeren en te vreezen naam, den

59 Eeuwige, uwen God, te vreezen; Dan zal de Eeuwige uw lijden en het lijden van uw kroost buitengewoon doen zijn, groot en aanhoudend lijden, kwaadaardige en aanhoudende

(iO ziekten. Hij zal op u terug brengen al de Egyptische kwalen, voor welke gij bevreesd waart, en zij zullen zich aan u hechten.

61 Ook alle ziekte en al het, lijden, dat niet in het boek dezer leer geschreven is, zal de Eeuwige over u doen komen, totdat

62 gij verdelgd zult zijn. Gij zult met te tellen mannen overblijven, in plaats dat gij als de sterren des hemels zijt geweest in menigte; omdat gij niet geluisterd hebt naar de stem van

63 den Eeuwige, uwen God. Dan zal het zijn: evenals de Eeuwige Zich over u verblijdde, u wel doende en u vermeerderende, zoo zal de Eeuwige-Zich over u verblijden, u vernielende en u te gronde richtende ; en gij zult weggerukt worden van op den bodem, waarheen gij komt, om hem in bezit te nemen.

64 De Eeuwige zal u onder al de volkeren verstrooien, van het eene einde der aarde tot het andere einde der aarde; en gij zult daar dienen andere goden, die gij niet gekend hebt, gij

65 noch uwe vaderen, hout en steen. En onder deze natiën zult gij geene verademing hebben, en zal er voor uwe voetzool geene rustplaats zijn ; maar de Eeuwige zal u daar geven een steeds sidderend hart, en smachting der oogen en droefheid

66 der ziel. Uw leven zal u steeds hangende zijn, in de verte, gij zult nacht en dag in vrees zijn en niet gelooven in uw leven.

geschreven hoek; cmk bij de komst in Palaestina zon waarschijnlijk ons hoofdstuk worden voorgelezen en misschien las ook Mozes dit liet volk nogmaals ol' voor het eerst voor, nadat hij het, zeer kort voor zijn dood, op Gods bevel had neergeschreven (vgl. 3i,9 en 24 vv.). Het öorf; is natuurlijk de Thora in haar geheel, niet enkel Deuteronomium. — own, vgl. Lev. 24,11.

59- onregelmatige vorm, samengesteld uitsSe, watK'Ssrv,ennSs,

wat nSini zon doen verwachten; ivomlerbaar doen zijn.

60, In teienslelling tot de toezegging van Ex. 15,2(5. — om» nns, de in Eyypte, bij de Egyplenaren, heerschende ziekten, vgl. vs. 27 ; waarvoor gij steeds zoo bevreesd waart — weder brengen, zooals zij u in Egypte

steeds bedreigden; het behoeft volstrekt niet te beteekenen, dat Israël reeds

eenmaal door die kwalen bezocht was.

61 •

63. 'C'J*■ Ood verblijdde Zich over u, v. s. om uwentwille, v. a.

voor zoover u betreft. — n'cnS terwijl IIij het u goed liet gaan; uw voorspoed werd u door God geschonken tot uw heil — zoo zal het ook om uwentwil God verblijden n te straffen; v. a. een zeer sterk mensche-lijke uitdrukking: God zal met ijver u thans te gronde richten, zooals Hij eens u gelukkig maakte. — cb', van cv? in den Kal: Hij zal Zich verblijden; v. a. van cw in den Hiph'iel: IIj zal uwen vijanden vreugde

101

ocr page 207

rd «quot;Dn »3 Np

: TriVN nin» PK nh «niani i333n aé'n-nx nNquot;i^

, ■••■ v: jt ; iquot; •-■- t - : .-T : • - •• ^ v T :•

nb'u nüö ^nr ni^D rw mn; ^ani ^

nno-^a n« na : D^O«31 D^I D^m ni:oN:,i °

j.. ; - t •*lt; | : j- •• ; i t v:iv : y.' t rr ▼:it t v:-quot;.*;

D3 : ^3 ip2-n n-ir 1^« onïo«

t : t lt;- I 'T Iv. : it: av •• ; • tut jv^-: * quot; *

ninquot; DL'V, nN-n minn 1303 3m3 n? quot;iii'X n3r3

| v *t t ; «•• : ' a - -jt - : t ^ v -: t -

□nvn nnn 'nps nrn«'f;i; : ^quot;i^n : nin' blp3 nyév 3^^ own »33133

I .V v: .t : ^ K : t* - t ^ ■ f.r_ T r- :p .p:

b3n« ni3in^ D3nN 3*ü,n7 DS^nin» w—IB'KS nr)]« D3nN D3nN4 D3^ nin» 'ww p

av ; v i,v : v y -: iquot; : ■ .quot; • t : ^ t !-•••

nv^am : nnt^ib na^-«3 nntf-itjw n?bn«n onnDii ^

c ) : Fv:iv it : •: t^t t rr - v -: t t-: it : -• :

rrp^. pNn nïp-i^i pxn nvpp D'ö^rr^s nin; : |3N4i yy, f rpKi nnx n^n^Kb onnx ]nn niw nvr-Nbi j^^nn a) bnn ™

?l«n vni: ^33113«^ p^3i Tan 3b ^ hp»« : n^n3 rns4n xbi Db,i,i nb^ rnnai n1? D-xbn

I iv - : I v.* -: r j : r : t :jm t :- it vav * ; J* % :

schenken. — TannSi TasnS kan alweer niet beleekenen : vernietiging \amp;n liet geheele volk, daar onmiddellijk onrcji volgt, wat voortbestaan van liet volk onderstelt. De zin is alleen ondergang als het land bewonende, zelfstandige natie. — Slechts in vs. 62 en 63 wordt het volk in den 2cn persoon meercoud toegesproken. — orrcji Niph'al van nD3,ti:eggeruktworden.

64. Vgl. vs. 36, waar slechts van gedeellelijk-e ballingschap sprake was, zooals uit 37 vv. blijkt, waar rampen besproken worden, die het land treffen. Hier wordt de algeheele verstrooiing behandeld.

65. jpjnD N1?. zult gij yeen verademing vinden; wt betcekent het doen ophouden eener hetveging, zoo in D'n l'Jii (Jes. 51,15) ; zoo rais, tot rust komen van het gemoed; de Uipli'iel dan voor: in den toestand van rust komen. Ook in de ballingschap vindt gij geen rust van gemoed, geen rust ook can lichaam, mj» nw enz. — God geeft u integendeel een w 2S een van angst voortdurend sidderend hart, dat steeds nieuw ongeluk vreest — D,J',ï' en smachting van oogen, die steeds vruchteloos naar vervulling van wenschen uiizien (Lev. 26,16); en iteo pisi, zielsdroefheid. daar gij telkens nieuwe verliezen le betreuren hebt.

66. hangende, steeds twijfelachtig (vgl. Hoshea' 11,7), v. a. aan een draad hangend; u:», uit de verte, wat gij nog steeds niet bereikt hebt en waarvan het twijfelachtig is, of gij het ooit bereiken zult. —pasnsVi, gij zult niet gelooven aan het behoud van uw leven.

ocr page 208

102 DEUTERONOMIUM XXVIII, XXIX.

67 Des ochtends zult gij zeggen : och ! wie geeft toch avond ! en des avonds zult gij zeggen: och ! wie geeft toch ochtend! door de vrees van uw hart, waarmede gij vervuld zult zijn, G8 en door den aanblik uwer oogen, dien gij zien zult. De Eeuwige zal u doen terugkeeren naar Egypte met schepen, langs den weg, waarvan ik tot u gezegd heb: „Gij zult dien niet weder zienquot; ; daar zult gij n aan uwe vijanden tot slaven en slavinnen te koop aanbieden ; doch er zal geen zijn, die 69 koopen wil!quot; — Dit zijn de woorden des verbonds, dat de Eeuwige Mozes geboden heeft, om met de kinderen Israels te sluiten in het land Moab ; behalve het verbond, dat hij met hen gesloten had bij Choreb.

1 Mozes riep geheel Israël samen, en zeide tot hen : «Gij hebt gezien al wat de Eeuwige vóór uwe oogen in het land Egypte gedaan heeft aan Phar'o, aan al zijne dienaren en aan geheel

2 zijn land. De groote beproevingsdaden, die uwe oogen gezien

3 hebben, die groote teekens en wonderen. Doch de Eeuwige had u niet gegeven een hart om op te merken, noch oogen

4 om te zien, noch ooren om te hooren, tot op dezen dag. Ik voerde u nu veertig jaren in de woestijn ; uwe kleederen zijn niet gesleten van uw lichaam en uwe schoen is niet gesleten

5 van uwen voet af. Brood hebt gij niet gegeten, en wijn of bedwelmenden drank hebt gij niet gedronken, opdat gij weten

6zoudt, dat Ik de Eeuwige uw God ben. Nu kwaamt gij op

67. Bij het aanbreken van den dag zult gij zoo beangst zijn voor wat hij brengen zal, dat gij uitroept: ware het toch maar reeds avond! (Voor fjTgt; vgl. Num. 11,29) en is het dan avond geworden, dan is het nog erger, dan gij vreesdet, zoodat gij zegt: ware het toch nog maar ochtend! V. a. door angst over wat komen zal, ins» enz. en door schrik over wat reeds geworden is, nsm» enz., zult gij telkens den tijd voorbij wenschen, 's ochtends naar den avond, 's avonds naar den volgenden ochtend verlangen, dat slechts het lieden voorbij zij ! N. a. vatten beide deelen op in dien zin, dat nien telkens bij het meer en meer toenemen van het lijden het verleden terugwenscht: 's ochtends den vorigen avond, 's avonds den afgeloopen ochtend !

«8. riVMO. in schepen, waar gij onmogelijk ontvluchten kunt; naar Egypte, van welks slavernij gij den harden druk kent. — quot;jna, op den weg, in een richting, zie 17,16; v. a. op de wijze. — Divonnm, gij zult u zelve verkoopen willen; de tocht schijnt dus als laatste redmiddel van Israël zelve uit te zullen gaan, dat Egyptische slavernij nog boven zijn verblijf onder de volkeren verkiest; — doch vruchteloos: niemand wil hen koopen!

69- nSNj v- s- lie' verbond op den grondslag van den in ons en het vorige hoofdstuk uitgesproken zegen en vloek ; dan is dus het verbond te Choreb dat van Lev. 26. V. a. ons geheele boek in tegenstelling met de drie voorafgaanden ; anderen vatten het met Septuaginta en Vulgata, die met, ons vers hoofdst. 29 beginnen, als opschrift voor hoofdst. 29 en 30 op, waar herhaaldelijk van verhond sprake is.

Hoofdstuk XXIX — 30,20 voortzetting van Israels toekomst-voorspelling.

ocr page 209

üd ns win 3p

inap ipb quot;ipNn rnj? jn^-'ö So^n n[533 « ^3^ni : nx-in ie'n nNiaDi nnan -ie'n :i33l7nB

); i* v:iv iv : • -iv -: Kv^*1» ^ Jquot; ~ ' r '• ' ^ •quot;' quot;• ' : ,T* : n

^DiTNb quot;i^n4 -ji.-ts ni'jN3 Bn.vp 1 rnp!

nins^bi Dn3^,7 qv ornaonm nnKnV nj?

VT: • : j-T^ir I o'.^: i : ^st qv :quot;qquot; ! •= *T :quot; ^

nk ninquot; nvrn^s4 nnsn *-131 nbs: d : n:p rsquot;i cb

-'t : s r ■ v -i • : - ••: • v •* iv 1 1 j- :

nn3n 13^0 3N4i!3 px3 btviw ^3-nN nns1? ntba

• : - j- ; • at | v jv : t : * Jquot; : v •): •

3 * : 3Sn3 Dnx msnirN g

iquot; vT • J~ t v -; «-

ns4 Dn'Ni onN onbs Nquot;ip!,iN 232

... . . - «■.•••-: v -.-^ i,quot; t: ■ t v ^ •)••• q Jt\ ; ■quot;

rtyifib nnvP p.^? D3,:,^gt; nin* ni^

nhkn isn nc'n4 n^-wn hisan : vi3j7 =

s _ it ^ Iav *■■ i t -:q : - quot; quot; i : quot; t : it t -:

nyi1? 3^ D31? nin» rnr^i : ann D,l?ian D'nsbnij

~ t •• jv t t : i - t i : iquot; t v' : * r : i quot; :

D3ns4 rbte) : n-tn ovn iv d^tki niNnS o^r^i ^

ov : v ]jquot; it ^iv - j - aquot; a : t : v. : ' quot; :

orrbya i3-ia3 nj^ 0^31«

j\ •.- \- : v ••^;iquot; v •• 1 : - lt; t 1 at : • - lt;.t t V t : - ^

quot;13^1 rv,i Dn^N Dn1? * : nbji nn^-K1?n ï

,J i.r quot; : v: - •.• •••lt; I r.y - ij-quot; ,t:.t , ^

-^s4 iN3m * : □s^ribs4 nirr ^s4 ^3 f^a? DJ^n^1 TD£B

V T quot; iv •• I v: v,t ' y quot;'• •)* ï1quot; 1 - ~ i av • ;

waaraan 29,1 — 8 een korte historische terugblik als inleiding voorafgaat; 9—14 bevat dan de uitnoodiging tot het verbond, met herinnering, dat dit noch aan tijd noch aan bepaalde standen gebonden is; 15—20 zetten uiteen, dat niet alleen bij afval van het volk als zoodanig, maar ook bij ontrouw van individueele personen de straf niet uitblijft; vs. 21—28 zet dan de toekomstvoorspelling voort, wat de straf betreft; 30,1 —14 bespreekt de eindelijke wederopneming in Gods genade, terwijl 15—20 de krachtige aansporing bevat nu het goede kiezen.

1. fop1!, vgl. 5,1. — on'si cns. Onder hen, die het land straks

zouden binnentrekken, was een niet gering aantal personen, die van den uittocht ooggetuigen waren geweest; alle tusschen 40 en 60 jaar oude mannen, verder de Levieten en vrouwen, die immers van het sterfiebesluit uitgesloten waren. Mozes kan dus zeer goed zeggen: gij hehl gezien.

3. Doch trots al die wonderen hadt gij nog geen hart, verstand, om te welen, noch ooren om te hooren, noch oogen om le zien Gods werk, tot op de~en dag, na al hetgeen op uwen veertigjarigen zwerftocht is geschied; eerst moest gij dien tocht maken, opdat gij zoudt veten enz.

1

onderwerp van dsvVw; dat 'n us uw God is; vgl. Num. 4,41 e. a. p.

ocr page 210

DEUTERONOM1UM XXIX.

deze plaats; toen trok Siechon, koning van Cheshbon, en 'Og, koning van Bashan, ons te geinoet, ten strijde, en wij versloe-

7 gen hen. Wij namen hun land en gaven het ten erfdeel aan de Kubenieten en de Gadieten, en den halven stam Menasshé.

8 Neemt dus de woorden van dit verbond in acht en volvoert ze, opdat gij voorspoedig moogt zijn in alles wat gij doen zult.

9 Gij staat heden allen vóór den Eeuwige, uwen God ; uwe hoofden, uwe stammen, uwe oudsten en uwe ambtlieden, alle

10 mannen van Israël; Uwe kleine kinderen, uwe vrouwen en uw vreemdeling, die te midden van uw leger is, van uwen

11 houthakker tot uwen waterschepper; Opdat gij zult overgaan in het verbond van den Eeuwige, uwen God, en in Zijn vervloekingseed, — dat de Eeuwige, uw God, heden met u gesloten

12 heeft. Om u heden te verheften. Hem tot volk, en Hij zal u tot God zijn, gelijk Hij omtrent u gesproken, en gelijk Hij nwen

13 vaderen. Abraham, Izak en Jakob toegezworen heeft. Doch niet met u alleen sluit ik dit verbond en dezen vervloekings-

14 eed; Maar met dengene, die heden hier met ons staat vóór den Eeuwige, onzen God, en ook met dengene, die hier heden niet

6 en 7. Reeds zijt gij de verovering des lands begonnen. Welnu, 8, mogen al deze ervaringen tot trouw aan dit verbond leiden. — iVottTi lï»1?, v. s. wijs handelen, doordien gij God volgt. Wiens woord naar 4,6 uw wijsheid is. yn Sscn beteekent dan: zijn levenswandel met verstand leiden; v. a. gelukkig doen zijn, doen gelukken = mSïn.

9—14. Uitnoodiging aan allen en voor altijd om het verbond met God aan te gaan.

9. Danaar orwin. v. s. - 02102» iiwe stamhoofden; of: wee hoofden van, over wee stammen; v. a. uwe hoofden van uwe stammen; of; uwe hoofden, vertegenwoordigende uwe stammen; n. a. meenen, dat de beide versdeelen parallel loopen ; uwe hoofden, d. z. uwe oudsten en uwe ambtlieden, — uwe stammen, dat wil zeggen : alle mannen van Israël. Luzzatto vat C2i? op in den zin van : heerscher, sceptervoerder; voor stam zou dan het gewone woord nc» zijn.

D3£)!3- Het enkelvoudig aanhangsel bij u, tegenover het meervoudige bij de andere woorden, is eenvoudig aldus te verklaren : vrouwen en kinderen heeft ieder individu in Israël, de vreemdeling daarentegen behoort hij het volk als geheel. — ■p»»» 2su ir -pxv 2isn)3, zoowel uw houthakker, als uw waterschepper; ijj • • •'» geeft niet juist de beide uitersten, maar twee naast elkander liggende, op den éénen grens staande dingen aan; zoo Gen. 14,23. Hier dus: ook de personen, die, naar Deut. 20,11, op uwe uitnoodiging vrede met u gesloten hebben, hetzij dan Kena'anietische of Transjordaansche stammen, en u dienstbaar zijn, zonder juist in slavernij te leven; zooals later de Gib'onieten (Jos. 9,21 en 27) ot

103

ocr page 211

ÜD Nian ^

linN'ip'? pl^n-rjbo jn^p NV^rrn Dl^an

n^n^ ni^i dïintik npai : DSSI nones'?'

v.- •• :it t -:i~ : -t ; ■ ~ t ; ~ v i- * - T . . .

nK-fn nnan nnrnx Drno^i: ^jon L:2^ n^in

j- : - ••: • v v : - : r - : i* v jquot; ^ -nquot; : a-t - ;

a : p'^ri itTNquot;1?! nx ib'i'trn i^a1? nnx on^i Qym^ DD^ribx nin» ':th DD^S bi'n DHK -

.. . . jv .. ,t av .. , ... jt . • v ; - lt;• t • v quot;

QD^ DD3Ü : ï^'N DDn.UE'l bD'JpT

: ^ryt2 ndno ?|^np 31^3

n-ian-ribs4 ninquot; n^in^KmTnSKnin» nnna nnn^1?^

^ jquot; | V v: jt : V -: it^: I v.'-* ••; jt : •)• : • P : : t :

^quot;!Trv Nirn_ oj;1? i1? Dl'n ^nK-D'pn *: avn -- u

jdp: quot;nSnai -1^x3 D^N1?

jt t : - : 1^ v -:i- ^ - ; • lt;••• -: r : | at v • vquot; quot;• 'quot; * gt;quot;

nn3n-nK nquot;i3 'iix □3i3t7 D3nx kVi : 3b^^i pnï'^ ^

-»• ; - v •• • it Av : - : : • j : 11 -:i~: i : • :

vhv nè i^_nK '3 : n^Tn nbxn-nNi n^fn ■quot;

t • : v v -: v * 1 - v,t t it v

usy na wa irribx nin» ^a1? ai'n nojr

jt i ■)••• •• jv -! •■ : ftquot; v: •'t : vquot; ; - jquot;

v. a. de uit Egypte meegetrokken volkshoop (Ex. 12,38), die dan voor allerlei handlangersdiensten zou zijn aangewezen.

11 is de nazin van den met vs. 9 begonnen zin. — toï1?, opdat gij zult doorgaan tusschen de stukken van het als bondsleeken doorgesneden offerdier; aan dit oude ceremonieel is de uitdrukking rrnaa lar ontleend. V. a. befeekent 'a nar: geheel en al ingaan zn, en is sterker dan nvoa Nia,— inbsai 'n niiaa, in Gods met een nSs bezworen verhond; nSx is het inroepen van den vloek op het niet-houden der te geven belofte. — nSsi jvna drukt in twee gecoördineerde woorden één begrip uit. Vgl. 26,28.

12. De twee zijden van het verbond : God richt u op, verheft u, of v. a. bevestigt u, (vgl. het rabbijnsche D'p) Zich tot volk, en gij neemt Hem als eenig richtsnoer van uw leven, — als God.

14. van v met tussehengeschoven o. evenals Num. 23,13 uapi. —

ns iuis les nsi, die hier niet zijn, de komende geslachten. Luzzatio's meening, dat 51 ozes hier aan wegens ziekte of dgl. afwezigen denkt, is al zeer onwaarschijnlijk, daar er geen reden is, waarom Mozes die uitzonderingen afzonderlijk zou bespreken, waar hij uitdrukkelijk van allen als aanwezig spreekt; bovendien is het met nadruk herhaalde om in deze opvatting onbegrijpelijk.

ocr page 212

DEUTERONOM1ÜM XXIX.

15 met ons is. Want gij weet immers, hoe wij in het land Egypte gewoond hebben, en hoe wij door het midden van die volken

16 doorgetrokken zijn, door welke gij doorgetrokken zijt. Gij hebt hunne afsehuwelijkheden gezien en hunne walgelijke afgoden,

17 hout en steen, zilver en goud, dat zich bij hen bevindt. Dat er niet onder u zij een man of een vrouw, of een geslacht, of een stam, wiens hart zich reeds heden van den Eeuwige, onzen God, afgewend heeft, om te gaan de goden dier natiën te dienen; opdat er onder u niet zij een wortel, die

18 bitterheid en alsem als vrucht draagt; Nu zal het zijn: Wanneer hij de woorden van dezen vloek hoort, en hij zich in zijn hart zegent, zeggende; Mij zal vrede zijn, ook al volg ik den eigendunkelijken vasten zin mijns harten, opdat het gedrenkte het

19 dorstige mede verzorge, — Niet-willen zal de Eeuwige hem vergeven ; integendeel, dan zal de toorn des Eeuwigen en Zijn ijver tegen dien man gaan rooken, en de geheele eed, die in dit boek is geschreven, zal zich op hem leggen; en de Eeuwige zal

20 zijn naam van onder den hemel uitwisschen. En de Eeuwige zal hem ten kwade onderscheiden van al de stammen Israels, gelijk al de vervloekingen des verbonds, dat in dit boek der

21 leer geschreven is. Dan zal het latere geslacht zeggen, uwe kinderen, die na u zullen opstaan, en de vreemde, die uit een

15—20. Gij kent immers reeds de afgoderij der volkeren, in Egypte hebt gij gewoond, 'Ammon, Moab, Midjan, Édom enz. hebt gij leeren kennen ; nu zou er een persoon, familie of stam kunnen zijn, die reeds thans zich meer naar het heidendom toewendt, of een wortel, die eerst in de toekomst zulk een wrange vrucht zal dragen, meenende, dat de vloek slechts afval der gemeente, niet dien van den individu treft; doch God straft dan hém geheel, zooals het boven is uitgesproken.

16. DirSSjii zie Lev- 26,33. — cnny -iws, dat bij hen, de goden, is; het doelt dan op de versierselen der afgodsbeelden; vgl. 7,25. Of in deze opvatting Dnojj Tw'x alleen op ami eps slaat, terwijl psi p} de stof aangeeft, waaruit de beelden vervaardigd zijn — dan wel of de woorden op alle vier stofnamen slaan, staat niet vast. Anderen; de afschuwelijke afgoden, die hij hen, de volkeren, zijn.

17. rg, dat er nu niet zij; aan te vullen : houdt dit steeds voor oogen, opdat er niet zij. — ovn rus laab ics, wiens hart reeds heden zich heeft afgewend; v. a. wiens hart zich een s, op een goeden dag, z a l afwenden. — cn», een wortel, ms, die als vrucht draagt in de toekomst bij hem zelve, of door zijn voorbeeld bij anderen; .uySi on hilterheid en alsem, vki of cm (32,32) is een zeer bittere plant; hoewel 1^132,33 ook van het gif van slani/en, dus van dierlijk gif gebruikt wordt. De vaak voorkomende verbinding met rur4? stelt meer de bitterheid, dan de schadelijke vergiftigende werking op den voorgrond.

18- nxtn nSfCn.- de in het vorige hoofdstuk uiteengezette vloek voor den afvallige, — dien hij hoort, hetzij door de om de zeven jaren herhaalde voorlezing van ons boek, of wel = verneemt, doordien een leeraar hem

104

14

ocr page 213

CD3 lp

nxi onïü pK3 nx Dl%^, onx-^ * : Di»nia

Squot; : •.'.t: • | vjv : : t V -; j- v^: -: jv - i -

Qn^i^-nx ijorn : D'iin 3*1^3 'L-

□33 ^-fö : onay ik'n 3nn ^p3 |3nt. ^ nxv1

bi'n nis 133^ L:3a'_iK nns^a IN nÊ'N-iN

«v t : v -: v ** . -r t : • s t • 1 j-

ty^-ra onn D^sn ^n^-nx 13^ irribx nin» bvo

.-■1 ■•■ Aquot;Tq j' '. ;•■•■ ■•■ quot;!i: vjvt -. •quot; •quot;■ = . ■•

n3TnN IVIDKgt;3 n^m ; n^i Ï^N-I ma wyamp; 033^

•• ; • v T : TT : ,T :,quot; : S JV v •» v T

mquot;n^3 '3 ^-n^n» -iDN1? 13373 ,nn3nni nN'in n^Kn

j ': • •)• * vtr ■* t •• lt; T : • | quot;t : • : - t t it

hm* n3N,-Nl7 : nNOirrnN min mao n^K ^ ^

T : JV : ' VTquot; : quot; V lTT'T gt; ' : 'p ., ..... ,'■■ ■

nyrni xmn ins^pi nin^x féy tx '3 17 riHp lèiy-ns4 ninquot; nnrji ntn -1053 n3iron n^rr^ 13

; v t : lt;t t quot;**quot;'gt; v'*quot; ' ^7quot; : quot; tt j t t

bïntjquot; ♦□352' V3Q ni?-)1? mm iSn3m : o^t^n nnno =

t : • jquot; : • v • t t : t : lt; • : • : ^ • it t - quot; vquot; •

-iów : mn nmnn 1333 nfnron nn3n ni^N V33 «

- T: . Vv - gt;t - s T . : : . J T

-wh n33m D3nns4o lap* 03^3 rnnxn nnn

j.. -. . . t . . v ..-.j- .. ) t lt;.. v ... j -; |- t j -

erop wijst om hem tot inkeer te vermanen. — -pznm, hij zegent zich in zijn hart. prijst zich gelukkig, aan den vloek ontrokken. — v. s. ofs cho o n ; v. a. Li-ede zal mij zijn en ik heb niets te vreezen, m aar enz. — runtc, vastheid, gewoonlijk in den ziu van verstoktheid-, v. a. in de door het hart, de zinnelijke begeerte, aangegeven vastheid, regel. — nsaxnris rrnnrrtBDpn1?, een spreekwoordelijke uitdrukking, die zeer ver.-chillend verklaard wordt. V. s. opdat het gedrenkte mede verzorge u-at dorstig hlijft, de overvloedig gedrenkte bodem voert zijn overschot aan vocht naar het omgevende dorstige land at'; of: de regen drenkt de planting, maar ook liet onkruid; zoo zal ook ik, ile dorstige, niet-gezegende, medegenieten, trots mijn afval, van den zegen der natie. r.iSD, dan samenhangend met SSDD,' voeder, (Gen. 27,27). V. a. opdat het gedrenkte toegevoegd worde aan het dorstige, evenals een stuk van een veld, dat op zichzelf reeds voldoende voclit heeft, met het andere deel, dat kunstmatig gedrenkt moet worden, mede water krijgt, nso dan = nso, toevoegen en daarom met rot = o» verbonden. — Nog anderen: om door zijn daad te verderven het door zijn %\{ gedrenkte met het dorstige, dat er niet van gedronken heeft; n-.D in den zin van : verderven, als Gen 18,24. N. a. de losgelaten hartstocht, de zich drenkende

nmc zou meesleuren de dorstige, de zich bedwingende kwade neiging,_

d. w. z. hij zou door zijn voorbeeld aanstekelijk op anderen werken.

21 vat den draad der toekomstvoorspelling van 28,69 weer op. — is vs. 23 in vvssi na den langen voorzin herhaald, — waarbij tevens de kring van sprekenden is uitgebreid tot: alle volkeren. — D3'm.s~, v. s. van die na u komen, het verre nageslacht. — psn non, de slagen, waardoor het land getroffen is. — nSn, ziek doen u-orden, re, daarin - de ziekten, waarmede God de bewoners des lands getroffen heeft.

ocr page 214

DEUTERONOMIUM XXIX, XXX.

ver land komen zal, — als zij de slagen van dit land en zijne ziekten ontwaren zullen, die de Eeuwige erin heeft doen woe-

22 den ; Hoe, door zwavel en zout, het geheele land verbrand is, het kan niet bezaaid worden, en doet niets ontspruiten, en geenerlei kruid kan opkomen ; gelijk de omkeering van Sedotn en 'Amora, Adma en Tsebojiem, die de Eeuwige omgekeerd

23 heeft in Zijnen toorn en in Zijn heete gramschap; — Dan zullen al de natiën zeggen: «Waarom heeft de Eeuwige aldus aan dit land gedaan ? van waar de branding van dezen

24 grooten toorn ?quot; En men zal zeggen: ,/Omdat zij het verbond van den Eeuwige, den God hunner vaderen, verlaten hebben, dat Hij met hen gesloten heeft, toen Hij hen uit het

25 land Egypte gevoerd heeft. Zij gingen heen, dienden andere goden, en wierpen zich voor hen neder ; goden, die zij niet gekend hadden, en die Hij hun niet ten deel gegeven had.

2(j Daarom is de toorn des Eeuwigen over dit land zoo ontbrand, dat Hij daarover geheel den vloek gebracht heeft, die in dit

27 boek geschreven staat. Daarom heeft de Eeuwige hen van hun bodem uitgerukt, met toorn, heete gramschap en groote verbolgenheid, en heeft Hij hen naar een ander land geworpen,

28gelijk thans geschied is.quot; De verborgene dingen behoorenden Eeuwige, onzen God; doch het geopenbaarde is: Voor ons en onze kinderen tot in eeuwigheid is het plicht al de woorden dezer leer te volbrengen !

1 Het zal zijn : Wanneer al deze dingen over u zullen zijn gekomen, de zegen en de vloek, die ik u voorgelegd heb; en gij neemt het wel ter harte onder al de natiën, waarheen de

2 Eeuwige, uw God, u verstooten zal hebben; En gij keert terug tot den Eeuwige, uwen God, en luistert naar Zijne stem, gelijk alles wat ik u heden gebied, gij en uwe kinderen, met geheel

3 uw hart en geheel uw ziel; Dan zal de Eeuwige, uw God, tot

22. nS-lN Sd nSIÏT nSoi msj- nsip is v. s. deelwoord Kal van den Pa'el-vorm en nSfJi jvisj vierde naamval, = nSai irnsj nsw,

door zv;avel verbrand; v. a. is het zelfst. naamw.; zwavel, zout, brand geheel het land, als bijstelling bij nw» ns.

23. no, V. s. moet hierbij uit het eerste versdeel Sr gevoegd worden; de zin is in ieder geval: tvat is de reden van dezen toorn.

25. anS phn xSi. rfe 4,19.

27. ntn ova. zooals heden, den dag, waarop het nageslacht aldus zal spreken, het geval is.

28. Deze toekomst-aangelegenheden, verborgen als zij zijn, behooren zij den Eeuwige, in Wiens macht het ligt, ze in meerdere of mindere mate ten uitvoer te leggen; — dat laten wij Hem over. Doch wat openhaar is, is: aan ons en onze kinderen in eeuwigheid staat het, uit te voeren enz.-, dan begint het zindeel, dat den inhoud van nSjn omvat, met ; v. a. doch

103

ocr page 215

V C35 np

«inn pan miü-nx iK^npjnn pNö ayT

ah nbBi nnö3 : nsn^n^n-V^-1

d'td nSisnaa 2^-^ nn nbïn Kbi vim

gt; ': quot; : :' '•■ 'quot; t; '•t jv ,~r '■■'* '■ ' j ^ a -t •

noKi: inonai 13^3 nrr Ttsn D^'bsi niovi »

: it : 1 t -: 1- ^ ~ : t : jj- t v -: • ; -r ; - t ^-:i-

«]xn nn no hnjh pij1? hm nin» nb-^

nin; nnrnK idr^ ^ inpKi : nn bi^n ^ : anïp ns4ü Qnx iK^ina aó^ ma ani?

'T 1. '•-'*' J ' ' i . t • j-t ^ v -: at -:

nwn a^nbs4 Dnriinn^i ohns4 avfrx nart ^

•*'•' ~s * v: ftv t ^ -. |- ; . - . .. -. j. ... ; ^ j-- ; |«»-

Niinn pN3 nin; : anb p^n *61

Dpn'-i : nn -iöd? naman n^pn-Vrnx «inb «

Vnj ^ïpai nonai e]Ka onoix ^0 hin» n^ani wrtgt;n nin^ nSnasn : nn Di'a mnx nssn3

: * quot; : *quot; v; v,t 1- t : • - iv - j - •• - ) ...

nninn nar^a-nN ni^1? rhty--iy irja^i n^Kn Dnann-Sa i^a^^a nni D * : nxn « -^aa naab-^K natym mn: -ibw n^bpni ha-ian

t : p ••• t : v t iquot; -:i- iav t ; * t jv -: t tI: - : t t; -

ninpjr na^i : nm ^n^K nin» ïjnnn aHn = nriK ain ^aa i^pa n^o^i VpnbK

-nx ^n^x nin: a^i ; ^arVaai ^aay^aa ^iav

gcopenhaard is het ons en onzen kinderen in eeuwigheid: dat vij slechts, onder welke omstandigheden ook, de woorden dezer leer hebben te vervullen; dan vormt alleen mt'ïS enz. den inhoud van n^w. Ons vers is dan slotbeschouwing van de vloek- en zegenvoorspellingen.

Hoofdstuk XXV. 1—10. Die verstrooiing onder de volkeren is echter niet het einde; ten slotte volgt hereeniging uwer verstrooiden op den vaderlijken bodem.

i- nSbpm reran- de zegen en de vloek. Mozes omvat in één blik a. h. w. de geheele toekomst: wanneer nu, afwisselend naar uw trouw aan of afval van God, zegen en vloek u getroffen zullen hebben, — en gij dan enz.

.2. -iy. ropr en gij keert terug, totdat gij genaderd zijt / (W den Eeuwige ; niet 7N, in de richting naar God, maar geheel en al tot Hem.

1

yrap dn* • • • an. V. s. is nw van naiï afgeleid en beteckent:

ocr page 216

DEÜTERONOMIUM XXX.

uwe gevangenen terug keeren en Zich over u erbarmen, en zal Hij u weder verzamelen uit al de volkeren, waarheen de

4 Eeuwige, uw God, u verstrooid heeft. Al waren uwe ver-stootenen aan het einde des hemels, van daar zal de Eeuwige,

5 uw God, u verzamelen en van daar zal Hij u nemen. De Eeuwige, uw God, zal u brengen in het land, dat uwe vaderen bezeten hebben, en gij zult het in bezit nemen; Hij zal het u wél doen gaan en u vermeerderen nog meer, dan uwe vaderen.

(i De Eeuwige, uw God, zal uw hart en het hart van uw kroost besnijden, om den Eeuwige, uwen God, te beminnen met geheel

7 uw hart en geheel uwe ziel, opdat gij leven raoogt. En de Eeuwige, uw God, zal al deze vervloekings-eedeu doen komen op uwe

8 vijanden en uwe haters, die u vervolgd hebben. Gij echter zult weder luisteren naar de stem des Eeuwigen en zult vol-

9 brengen al Zijne geboden, die ik u heden gebied. De Eeuwige, uw God, zal u den meerdere doen worden in al het werk uwer handen, in de vrucht van uwen schoot, in de vrucht van uw vee, en in de vrucht van uwen bodem, ten goede; want de Eeuwige zal Zich wederom over u verheugen ten

lOgoede, gelijk Hij Zich over uwe vaderen verheugde. Wanneer gij namelijk naar de stem van den Eeuwige, uwen God, luisteren zult, om Zijne geboden en Zijne wetten in acht te nemen, welke in dit boek der leer geschreven zijn; doordien gij tot den Eeuwige, uwen God, terugkeeren zult met geheel uw hart

11 en geheel uwe ziel. — Want dit gebod, dat ik u heden gebied,

12 is niet te wonderbaarlijk voor u, noch te ver af. Het is niet in den hemel, dat gij zeggen zoudt: «Wie zal voor ons ten hemel opklimmen en het voor ons nemen, om het ons te doen

13 hooren, dat wij het volbrengen ?quot; Ook is het niet aan de overzijde der zee, dat gij zeggen zoudt: «Wie zal voor ons naar de overzijde der zee overtrekken, en het voor ons nemen,

14 om het ons te doen hooren, dat wij het volbrengen ?quot; Maar zeer nabij is u dit woord ; in uwen mond en in uw hart is het.

gevangenschap en v. d. gevangenen; 3D = ïw, en maü ns at'; Hij zal uw gevangenen terugvoeren ; v. a. m e t mee gevangenen terugkeeren; n. a. zal Hij terugkeeren tot uwe gevangenen, rx dan een 4de naamval van

doel der beweging, die ook bij x;, xs' en quot;[Sn voorkomt (vgl. Gen. 44,4; Recht. 19,18); anderen verklaren rva» als zelfst. naamw. van en vertalen: zal Hij u in uwen voormaligen staat herstellen, nader uitgewerkt in het volgende. Klaarblijkelijk staan beide woorden acn als inleiding tot twee parallel loopende denkbeelden: Hij zal tot uw gevangenen terugkeeren en u in genade weder aannemen, — en 2°. Hij zal a weder bijeenbrengen. Wij volgen daarom de eerste opvatting van nw.

4. uit) verstoutene, v. s. collectief, v. a. letterlijk; één uwer ver-

stootenen.

7. De eeden, zegen en vloek, zullen dan ook op Israëls vijand van kracht zijn, gelijk God Abraham heeft toegezegd (Gen. 12,2).

106

ocr page 217

h lp

nirr

^ JT ; •)! ; r v: sv s t • i : v i • ; t ; i av-; r ; ^ | ; i ;

rivap» Dtra own nïpa nmj H^-DK *:natr ^

i ; v )-: t • 'at t - -«quot;l: * V.p-: •-• jquot; :r * t it i v,v v:

pxn-^ nin* af pi ^ri^N nin»

^bi :n»nbND ^3quot;im nnir-n iB'-mK'K1

t I iv -: r* v.1 : : * : Jl : iquot; quot; : at : • r I -: j :it v -:

nin^nK nnnx1? ^jru 2^-n^) yj^-nx nin»

n!n! i^quot;l * • ^'.n '

nirK n^xjtr-^i nbxn niVxn-^ nx ^ri1?^

jv -: I vv^: : | jv : i ^ v a** t v. t it t jquot; I v

■^■nx n^i nin» ^ipn nym) mi^n nnxi : ?nsmn

t^ : at ; 1-» : v.t*: - it : r -«t - : ) i t :

Tnbxnin» Tvnim : ai»n ^iïö rni^O0

i v v; t : i : i* : i - «. i : quot;^: r it •)••• -; t : •

f|noquot;iK nMi ^npnn naai ^2L32 nas ?|T nj^Q i ^ba

nin^ i »3 nnb1?

^ V,t v -:i- : i v quot;t « t t : -• t •*■ at ;

vjriïp nin* ^ipa 9 : ^nbx1

nirrbK bi^n »3 n-Tn minn naoa n3in3n vnpm

quot;,t _: v t «* av - ^t - v jquot; : t : - t^ i ••„ ;

nxfn niïan »3 D * : ^ar^i ^33l?-l733 ^

jt; • - lt; ^ )iv ; - t : v.1 :it : t ; i v

npnTN^i rioü xin rwbarN1? ai'n niïö

kt 1 i : • * jquot; : • 1 a- j:- : j' it .)••• -i

nnp^i no^QB'n loxb «in D^EO K1? : «in ^

t-vpt*: t ; - t quot; lt;t v^si- j- •• a* • v~ t - j 1^

quot;Idn1? «in a'S quot;i3yö-Nil?i : n3^:i nhsj i^o^i 1:^'

a* v.t- v v* •• 1 t iv ^n-: lt;.t tquot; • : quot;; t

nns4 i^otr^i 1^ nnp^i a^n -Qjr1^ 1:l?quot;^3V, 'O

^t tquot; * : ~; t t-,vi t* : t ~ •.•*lt;•• v t t ^:i~ -,quot;

n33i73i n^aa ikd -lain 3np--»3 : nair^i ^

visits * } j' : a : v.t t - i ov •• j)t r tiv ^11- :

9. Gij keert dan, in het land, weder geheel tot God terug en Hij schenkt u Zijn hoogsten zegen. — Voor -pwn zie 28,11.

10- roiron, enkelvoud, slaat op wpm i'n«» als verzamelbegrip opgevat, of v. a. op Sip, de stem, wier uitspraak in de Thora is neergelegd.

11—14. Gij kunt aan deze leer trouw blijven, want zij ligt binnen uw bereik.

11- JIJcSsJ nSj het is n'et te wonderbaarlijk voor u, ligt niet boven het menschelijk begrip. — N'n npm nVi, en is niet verwijderd, onderstelt niet omstandigheden, die niet overal aanwezig zijn.

12 en 13. Niet bovenzinnelijk zijn de gi-onddenkbeelden en handelingen, die zij voorschrijft, noch ook zoo, dat gij zeggen kunt, dat zij andere verre landen en toestanden op het oog hebben.

14. niet alleen in schrift, maar in mondelinge mededeeling is

ocr page 218

DEUTERONOMITTM XXX, XXXI.

15 om het te volbrengen. — Zie! Ik leg u heden voor: het

16 leven en het goede, den dood en het kwade. Daar ik n heden gebied, den Eeuwige, uwen God, te beminnen, door in Zijne wegen te gaan en Zijne geboden, wetten en rechtsvoorschriften in acht te nemen ; opdat gij moogt leven en u vermeerderen, en de Eeuwige, uw God, u zegene in het land, waarheen gij

17 komt om het in bezit te nemen. Doch wanneer uw hart zich afwenden zal en gij niet luisteren zult; wanneer gij u laat afstooten en u voor andere goden nederbuigt en hen dient;

18 Dan kondig ik u heden aan, dat gij zult verloren gaan ; gij zult niet lang maken de dagen op den bodem, waarheen gij den Jordaan overtrekt, om daarheen te komen, en hem in

19 bezit te nemen. Ik roep heden hemel en aarde tot getuigen tegen u aan; het leven en den dood heb ik u voorgelegd, den zegen en den vloek ! Kies dan het leven, opdat gij leven

20 moogt, gij en uwe nakomelingen. Door den Eeuwige, uwen God, te beminnen, naar Zijne stem te luisteren, en aan Hem gehecht te blijven ; want dit is uw leven en de verlenging uwer dagen, om op den bodem te blijven wonen, dien de Eeuwige uwen vaderen. Abraham, Izak en Jakob, toegezworen heeft, hun te zullen geven !quot; —

1 Mozes ging nu en sprak deze woorden tot geheel Israël.

2 Hij zeide tot hen: „Honderd en twintig jaren oud ben ik heden, ik kan niet meer uitgaan en ingaan; en de Eeuwige heeft tot mij gezegd: ,;Gij zult dezen Jordaan niet overtrekken.quot;

het u bekend gemaakt en paS:, in me hart hebt gij het kunnen opnemen.— infïS, om het te volbrengen.

15—20. Slotwoord tot Mozes' tijdgenooten. Gij weet nu, hoe uw wel en wee van de trouwe vervulling dezer leer afhangt; onthoudt dit dan en handelt er naar.

is. n^m. leven, als volk, en als individu in den zin van geestelijk en stoffelijk bestaan.

16. -|t?x, ter wij l ik enz. — n3L/S • • • rcnsS, God te beminnen en die liefde te toonen door den door Hem voorgeschreven weg te bexoandelen en in acht te nemen enz. _— nuni, uitwerking van onnn ; ■piai van aicn. De volgende verzen quot;schilderen de tegenstelling.

i7- nrrm. ™ 4,19.

19. Hemel en aarde zijn als getuigen tegen u opgeroepen, die u steeds uw plicht voor oogen kunnen houden. — D32, tegen u.

Hoofdstuk XXXI. Mozes' afscheid van het volk (1—6), voorstelling en aanbeveling van zijn opvolger (7 en 8) en overgave van het, tot zoover mogelijk voleindigde, afschrift der Thora aan oudsten en priesters, met voorschrift het eens in de zeven jaren te doen voorlezen (9—13). Vervol-

107

ocr page 219

xh b D^Ï3 Tp

■nNi D^nn-nN Di»n Viab ♦nn: n^n D * : in'^p1? ®

... ■•■: co1quot;1quot; v ■ J ••■T: quot;-t •■ : , lt;,-

Di'n ^3K : jnn™ nion-n^i 3iKin«= vn'iyp vinns npb1? ^ri^K nin^nx nnnx; pN3 nin» n^ini n^ni vtsöt^oi vnbni

i v t t i v v: -«t ; I : quot;iquot; t • t : t -•• t : at t ; • v.t I ••. ;

yaamp;n tib) tjnnb nwast: nnamp;^ n!3amp;-nn nnti-im*

at : • ^ :it : Jquot; : * * ; it : •; ti.t t jt ~ v -:

♦man * : Drrajn annK aTibab mnnvm nmai ^

• :lt;-• ^ ,t v,'quot; quot;s ■gt;' quot; t •)• -: i- : • : t: -•:

nónKn-1?^ pn^n-N^ jnnxn 13« '3 Digt;n DDquot;? ♦nn^n : nntyn1? nair Ninb pTrrm nay nnx ^

* . * •quot; ^it :^ •: tv,t ^ j T I •• v •• ^ lt;r - v -j

Tis^^nnjmam Dquot;nn pNn-nNi D'oiyn-n^ □i'-n onn

p vt : • j- t v t - : lt;• -1- i vt.t : •-•- t - v - -••.• t

: nynn nn« rrnn r^n1? D^na mnm nbbpm nman

l iquot; :-; jt - : r 1^^-: • -1- t : - it at t I: - : v.t t ; -

Nin \2 irn^nnSi i^ps ypv'? yrjïti nin^ns4 nnnx1? = nin; nónNn-1?^ -|-i^ y»n

3 : Dn1? nnb pnv^ omnxb

iv t jquot; t lv.^:iquot;: i jt ; • : ot t ; - : i r-' -it-

IQ^I : nb^n ansm-nN -i3nn ntro

... ,.. t: ■ t ^ •-• vi-T .rr :- q v .)•■ -:- av

nijr D'i'n '3:« on'^i nNö-?3 DH^K

k. j' i - * it ^t t •: v : t •• i v v •• -:

: mn pi»n-n« i3^n aï % -m nin^i nKï1?

iv -Ir*;-- v r j - •• t t i- is t ; t

gens wordt bericht, hoe God Josua ten aanzien van geheel het volk als Mozes' opvolger bevestigt en Mozes opdraagt in een /,liedquot; getuigenis te geven tegen afval des volks (14—23); eindelijk de overgave van het Thora-afschrift aan de Levieten (24—27) en de inleiding tot de voordracht van het lied (28—30).

1. -]S,1- Mozes roept niet een volksvergadering bijeen, zooals hij dat deed, als hij het volk in naam Gods moest toespreken, — maar gaat tot het volk, om op de eenvoudigste en bescheidenste wijze afscheid te nemen. Het kan niet beteekenen : hij ging in zijn tent. Anderen verklaren het, als Ex. 2,1, als inchoatief; hij trad op ; vgl. ons : heengaan in gelijken zin.

2. N'uSi avsS,, vgl. Num. 27,17, waar wij opmerkten, dat sai nx', eig. heen en weer gaan, in en uitloopen, term is voor: het behandelen der gewone zaken. Al was Mozes lichamelijk nog niet afgeleefd (34,7). toch zal zijn geest- en werkkracht door den ouderdom zijn verminderd; zoodat Mozes zeggen kon: ik kan niet meer uw aangelegenheden behandelen en bovendien heeft de Eeuwige gezegd; Kasuie: ik mag niet meer aan uw hoofd staan, daar immers de Eeuwige tot mij gezegd heeft enz.

ocr page 220

DEUTERONOMIUM XXXI.

3 De Eeuwige, uw God, Hij trekt vóór u uit; Hij zal deze natiën van vóór uw aangezicht verdelgen, zoodat gij hen veroveren zult. Jehoshoea', hij zal aan uw hoofd optrekken, gelijk de

4 Eeuwige gesproken heeft. En de Eeuwige zal hun doen, gelijk Hij gedaan heeft aan Sieehon en 'Og, de koningen der Eino-

5 rieten, en aan hun land, die Hij verdelgd heeft. De Eeuwige zal hen in uwe macht geven; en gij zult hun doen gelijk het

6 geheele gebod, dat ik u geboden heb. Weest sterk en moedig, weest voor hen niet bevreesd noch verschrikt; want de Eeuwige, uw God, Hij zelf gaat met u. Hij zal u niet loslaten, noch

7 u verlaten.quot; — Mozes riep Jehoshoea' en zeide tot hem voor de oogen van geheel Israël; «Wees sterk en moedig! want gij zult met dit volk komen in het land, dat de Eeuwige hunnen vaderen gezworen heeft, hun te zullen geven; en gij

8 zult het hun tot erfdeel doen verkrijgen. En de Eeuwige, Hij is het, die vóór u uitgaat. Hij zal met u zijn. Hij zal u niet loslaten, noch u verlaten; vrees niet en wees niet bang.quot;

9 Mozes schreef deze leer op, en gaf ze aan de priesters, zonen van Levie, die de arke van het verbond des Eeuwigen droegen,

10 en aan al de oudsten van Israël. Mozes gebood hun, zeggende: ,/Telkens na het einde van zeven jaren, op den verzamelingstijd

11 van het vrijlatingsjaar, op het loofhuttenfeest; Wanneer geheel Israël komt, om te verschijnen vóór den Eeuwige, uwen God,

3. Missen zult gij mij niet, want niet ik, maar God, 11 ij is uw eigenlijke Leider en blijft dat ook, wanneer gij onder Josua's bevelen zult staan, die mijn plaats zal innemen.

5- aanx vns nrx. wat ik u, (20,10 v.v.) voor den oorlog tegen hen, heb bevolen.

e. N'S, Hij zal u niet loslaten; v. a. zwak doen teerden.

7 v.v. Dat Mozes, nu Josua op het punt staat de hem Num. 27 opgedragen taak te aanvaarden, hem nog eens ten aanzien van geheel het volk in het kort vermaant, kan geen verwondering wekken. Onze plaats is dus geen korte repetitie van Num. 27,22 v.v., maar verhaalt een geheel nieuw feit.

9. aro-a Dat Mozes gedeelten der Leer neerschreef, zien wij reeds Ex. 24,7 ; en 34,27. Nu echter had Mozes al het hem tot nu toe bekend gemaakte neergeschreven en meende, dat de Thora daarmede gesloten was; hij gaf dus deze Leer aan do priesters over met het bevel der om de zeven jaar te herhalen voorlezing. Eerst vs. 14 komt het bevel tot Mozes, het waarschuwingslied bij de Thora te voegen. — DWJn ••■o'oron. Dragers der arke waren de Kehathiden, gewone Levieten dus, die dan ook vs. 25 als zoodanig worden aangeduid. In bijzondere gevallen zien wij echter de ■priesters als dragers der arke optreden; zoo Jos. 3,6; 11 Sara. 15,24; I Kon. 8,3. Of in Qw:n meer het oogenblikkelijke uitzonderinysyeval is aangeduid, terwijl pis enz. den voortdurenden normalen toestand aangeeft, is niet zeker. — Wat hier in hoofdzaak te berichten is, is niet

108

ocr page 221

k1? quot;jVi np

DM-inTK 12^ i Kin n^ribN nin*j

•-•.)•• t -lt;• - v • : - i | v t : ■Jquot; ■» I v v; t :

*: nin» nsT ntrxa nny «in DntfTi n^öbo

it : jv • v.quot;-quot; quot;ï i~ i v t : -,quot; ^ \ : at :^ • r i ^vt : •

hQNTi ^r2 rin^D1? natea Dn1? nin* ^

V v; it jquot; : - ^T) : I ^ • : t t -••.• -: i- v t t : «t :

Dn^i DD^SS1? nin» D:n:i : onx n^trn ibw DXquot;IN,7,I ^

jv - ^--.r av •• ; • v,t : -»t t : it : ~ '•t : quot;

-VK ^ONI ipn : dddx Tm I^N1 niïön-^3 an1?1 ■nVnn Kin nin» 1 ^ on^so i^n-VNi ikit

)-«•• 1- « I v v: jt : -•• av •• : • v. : i~ ~ : j ^ i*

nt^ö «quot;ipn D * : ^'

kian nnx ^ Vo^i ♦yy1? quot;IDN'I

t t - -quot;quot;It v;iv i j--; quot; : * r r •*' quot;'• . t ••

onV nn1? DhaK1? nin» ^35^: im rnxn-^K nin D^n-nx

avt jquot; t ^t -:|- ot '. S' : * v ~s i vt t v vquot; ^tt

rj^nn 1 «in nim : oniN n3^n:n nriKiquot;

« i v t : ) jquot; - j tl- it TJV ' i 'm - ;

Inm : nnn n^i XTn «b üb Tta^nw

j: *- . ,t quot; ■gt; '• ' j }*•-quot;. r -» ; v.1 : ;- j ] t ^ -»v: i*

b^nan^K nin^nNTn niinn-nN n^a n^D tri * : 'jpT-Va-bNT nirv nna

v,v J-: - iquot; t : • v.-l: * t v : at : -«•; ' v, quot;ï

jna nisa^n n:ïr n^b2 D'iiy vzw 1 rpD IDN1? dhin

j~ . . f)quot; : * t --••-• i i-»quot;* a •• -«t

nin» ^3quot;nN hitn1? Küa : ni3Dn *

i v v: -»t : •• : v tiquot; •• t ; * t j ; • \ quot;

het sclirijven en overgeven der Thora, maar het voorschrift omtrent de voorlezing. Zeer wel mogelijk is het, dat Mozes dit exemplaar weder terugnam en er de verdere stukken, den zang enz., aan toevoegde, alvorens hij het den Levieten gaf om het bij de arke te deponeeren (vs. 24).

10. fpa. na verloop van; na afloop nl. van eene Shemittaperiode, in

het begin van het achtste jaar, het eerste der nieuwe zevenjaarsperiode.— iïm, op een verzamelingstijd, een feest, en wel niet op den dag der herinnering, waarmede liet jaar begint, — maar jroon jro, op het Loofhuttenfeest, het, eerste opgangsfeest na het einde der Shemitta; en dan Stntn Ss sim, hij de aankomst des volks, in het eerste deel van den feesttijd, naar den ïhalmoed: na het einde van den eersten feestdag van het Loofhuttenfeest in ieder achtste jaar.

quot;• riNrn mim rus* jnpn. zult g ij, de hoogste vertegenwoordiger des volks, in het eerst dus Josua, later de koning, voorlezen deze leer, v. s. uit dit exemplaar, dat in het heiligdom gedeponeerd bleef. Of de geheele Pentateuch, of slechts Deuteronomium ol'eindelijk slechts enkele gedeelten daarvan werden voorgelezen, staat niet vast. De Thalmoed neemt het laatste aan, en wel: Deut. 1—6,9; 11,13—-21; 14,22—29; 26,12—15; 17,14—20; 27,1—26, en 28,1—69. — orroiio, in hunne ooren, zoodat zij het hooren en begrijpen.

ocr page 222

DEUTERONOMIUM XXXT.

op de plaats, die Hij uitkiezen zal, zult gij deze leer, in bijzijn

12 van geheel Israël, voorlez;en ten hunnen aanhooren. Roep het volk in vergadering bijeen, de mannen, de vrouwen en de kinderen, en uwen vreemdeling, die binnen uwe poorten is, opdat zij hooren en opdat zij leeren, den Eeuwige, uwen God, vreezen, en in aeht nemen al de woorden dezer leer te vol-

13 brengen. En dat hunne kinderen, die niet weten, hooren en leeren, om den Eeuwige, uwen God, te vreezen ; al de dagen, die gij leeft op den bodem, waarheen gij den Jordaan overtrekt, om hem in bezit te nemen.quot;

14 De Eeuwige zeide tot Mozes: „Zie, uw dagen zijn genaderd om te sterven; roep Jehoshoea' en plaatst u in de tent der samenkomst, opdat Ik hem zijn taak opdrage.quot; Mozes ging en Jehoehoea', en zij plaatsten zich in de tent der samenkomst.

15 De Eeuwige verscheen in de tent, in eene wolkzuil; en de

16 wolkzuil stond aan den ingang der tent. En de Eeuwige zeide tot Mozes: ,/Zie, gij zult weldra bij uwe vaderen liggen ; dan zal dit volk opstaan, en in afval volgen de goden uit den vreemde van het land, in welks midden het daar komt; het zal Mij verlaten, en Mijn verbond verbreken, dat Ik met hen

17 gesloten heb. Dan zal Mijn toorn tegen hen ontbranden op dien dag, Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen, zoodat het ter vertering zal zijn, en vele rampen en benauwingen het zullen treffen; dan zal het zeggen op dien dag: „Is het niet, omdat mijn God niet in mijn midden is, dat

18 mij deze rampen treffen ?quot; Ik echter zal op dien dag Mijn aangezicht verbergen wegens al het kwaad, dat het gedaan heeft, dat het zich namelijk tot andere goden heeft gewend.—

19 Nu dan, schrijft u den volgenden zang op, en leer dien den kinderen Israels, leg dien in hunnen mond, opdat Mij deze zang

20 tot getuige zij tegenover de kinderen Israels. Wanneer Ik het namelijk zal brengen naar den bodem, dien Ik zijnen vaderen

14. imm Ik zal hem zijn regeerdersam?^ opdragen-, vgl. Num. 27,19.

15. SnjCn nna Si?, v. s. hoven den ingang der tent; hoewel: aan den ingang gewoonlijk door den enkelen 4den naamval zonder voorzetsel wordt uitgedrukt, zijn er toch plaatsen, waar nns hu voorkomt; men kan dus ook hier verklaren: aan den ingang. De verschijning daarbuiten toonde het volk aan, dat in het heiligdom God tot Mozes en Josua sprak.

16. Dpi, dan zal opstaan, heengaan; v. a. in het openbaar in opstand komen. — ■psn 13: ViSs. ^33 'nbs, goden uit den vreemde als één begrip genomen wordt in Semieehoeth 133 'nSx; dus; goden uit den vreemde in het

land — vreemde goden des lands. — laipa, met mannelijk aanhangsel, heeft betrekking op 13:.

17. DVOIjn» ^ verlaat hen, laat hen aan zichzelve over. — ijs vnnom, onttrek hun Mijn bescherming. Het volk zegt dan; omdat God niet meer in

109

ocr page 223

N1? tap

quot;IJ: nNtn niinn-nK «npn nna» IÏ^K Dipss

vquot; t : • t quot;jquot; •) - jt - v ti: • at : * -••.• -J k t -

•rj-iii fjèni b^:ni D^3«n D^n-nK bnpn : ornma =' nin^nK WTI. npV.

orhm : nK-n minn narbsTiN ni^1? DD^HSN ^

•.•••: i - jt - v: • t v ^ ^ii- j : it : v •• i v;

-ba nin^nN ntn^ inaSi ntyx

t av •• i v: jt^ : v ».t :•: t-'t^: ^ : : • ^ ^:it -quot;.• -:

□niv dpk nb-iNn-Vy D^n onx D^ó^n

s. . ^| .. - v _. t t quot;j jt * - «v - v -j • t -

a * : nnahb nair n^n-nN

it : •: t ^t i )•• ;- -

Knp hiöb innpT |n nin^

mTVï niro rh^ -tyiü laï'nm

v. : - :r- ^ •-. r v |•••lt;•— av- -:i- \quot; v j ; 4 ; - ; i* ;

-nav -fotn quot;iia^s ^^3 nin^ N-n : n^iD

j .) ^i— i at t -• - : v ^ t 4t : st*— quot;1quot; v j :

33K' 'isn hb'D'^k nin* quot;ion^ : ^nNn nns-1?^ r ra

jr- • •• •• T : quot; *quot; r 'S' Tq quot;jv kt'tiv

pNn-nD3 ^ri7« i nn« i nrn D^n Dpi TnbirDy

| vtt -iquot; -•quot; v; -•••-:i- -*tt; v - t ^ ,t: ' a'* 'j ^

iwn ^nnrnK nfini ^2TVi linpa nsir«a N^in

JV^ -; • • ; V •• •• ; p ■pquot;T :|quot; '•'' : T T T * -• ~Ï

^nnnom D^row Ninn-Di^ 13 nim : wa ^

: - : • : • : -^n- - 1 - -j ■j* quot; . -,tt : ^ i * • v,~t

noKi nnïi nia-i ni^i inNxai ^DK1? n^m dhd

- t : at; v. - JiT •»••.▼; v;iv ^tt : ^ v •• lt;- t

ni^nn ^m'p ^ribK px-^ ^ tibn Kinn DI»3 -ba N^inn Qi'3 hs tpdn ^rnon : nbNn^

t - -' quot; quot; t lt;•;-••:- • it : viquot; t

•ana nnvi : onnK nis ^ ^

lt; : • t : r •• -: •••; v tt^ -»• at t •*'.• ~t quot;^ttit

no^ rnabi nx-fn m^rrnx qd1?

jt • v.quot; T; • !*• : V JT : - : jt * - ^ v v t

* : SNTIJquot; ^23 nxn nn^n ^Trnn r^ab Dn»ö3

^ ,.. t; • r* : • \quot;'- •)quot; jt ' - • v : r av • :

3l?n n3T vribx1? ,np3^rntrN i nDixn-^K =

t t «-T t *: Iquot; v -: -Jr t-:it v v - -: r

mijn midden is, mij niet meer beschermt, treft mij dit ongeluk! In waarheid echter is niet God, maar het volk veranderd.

18. Ik onttrek Mij alleen aan hen om hun slechtheid.

is. nnjn. welnu dan. — nstn nwn, den hoofdstuk 32 volgenden zang. — nijip •• ■ m»S, en leer hem zoo, dat hij in hun mond ligt, dat zij hem uit het hoofd kennen. — Stoei i;n;, tegenover de kinderen Israels, al naar omstandigheden, voor of tegen hen.

20 en 21 vormen één zin en werken de slotwoorden van vs. 19 nader uit.

ocr page 224

DEÜTERONOMIUM XXXI.

toegezworen heb, vloeiende van melk en honig; en het eten zal en zich verzadigen en vet worden ; en het zich tot andere goden zal wenden en hen dienen, en zij Mij znllen vertoornen en

21 Mijn verbond verbreken; — Dan zal het zijn : wanneer het dan groote rampen en benauwingen treffen zullen, dan zal deze zang als getuige tegenover hen spreken, want hij zal uit den mond van zijn nakomelingschap nooit vergeten worden ; want Ik ken zijn gedachte, wat deze doet, — heden, voordat Ik het

22 nog in het land breng, dat Ik gezworen heb.quot; Mozes schreef dien dag den volgenden zang op, en leerde dien den kinderen

23 Israels. — En Hij droeg Jehoshoea', den zoon van Noen, zijn taak op, en zeide: „Wees sterk en moedig; want gij zult de kinderen Israels brengen in het land, dat Ik hun

24 toegezworen heb; en Ik zal met u zijn.quot; Toen Mozes voleindigd had, de woorden dezer leer in een boek op te schrijven,

25 tot het einde toe ; Gebood Mozes den Levieten, die dragen moesten de arke van het verbond des Eeuwigen, als volgt:

26 «Neemt dit boek der leer, en legt het aan de zijde van de arke van het verbond van den Eeuwige, uwen God, opdat het

27 daar tot getuige tegenover u zal zijn. Want ik ken uwe weerspannigheid en uwe hardnekkigheid ; zie, terwijl ik nog levend bij u ben, heden, waart gij tegen den Eeuwige weerspannig;

28 hoeveel te meer dan na mijnen dood! — Roept tot mij in vergadering bijeen al de oudsten uwer stammen en uwe ambt-lieden; en ik zal ten hunnen aanhooren deze woorden uitspreken, en den hemel en de aarde tegen hen tot getuigen

29 nemen. Want ik weet, dat gij na mijnen dood uwen levenswandel bederven en van den weg afwijken zult, dien ik u geboden heb; dan zal u het kwade, in latere dagen, overkomen, wanneer gij doen zult wat kwaad is in de oogen des Eeuwigen, om Hem door het werk uwer handen te vertoornen.quot;

30 Mozes sprak nu, ten aanhooren der geheele vergadering van Israël, de woorden van den volgenden zang uit, tot aan het einde toe.

21. V3£)Sgt; v- s- = 13; v. a. tegenover hem, het lied treedt als getuige vóór het volk en wijst het op de oorzaak zijner rampen. — viït enz. Divi behoort bij vot, want reeds heden ken Ik, m' nx, het in zijn denken gevormde, zijne gedachte, rw» sin iün, wat deze, de Ti', doet, uitwerkt; v. a. die h ij, de mensch, zich vormt.

22. Afsluitend wordt hier reeds kort bericht, dat Mozes Gods bevel opvolgde, den zang opschreef en hem Israël leerde.

23. in. God, of Mozes in Gods naam sprekend.

24. aan IV, tot hun voüooiing toe, doordien hij den zang eraan had toegevoegd.

26. -im aan de zijde van de arke, d. i. v. s. er naast; v. s. cr in, op den kant, naast de steenen tafelen.

110

ocr page 225

/

Dinari onrw nSai rtrm ^ini

tlt;.r ^ ..... ^ .... ...p pt t ia- t: 'i-t : j- t : . - :

nnn inx t^ïan-^ rrm : Tinrnx nsni «

*-• t tI v ; ^ • i* tt : ^ 1* • : ^ v.quot;,quot; : * ^ quot;!Jquot; :

nDtrn ah '3 VJÖ1? nxtn m^n niquot;iïi nian

vquot; t • j r quot; : t t ; lt; - t * - t ; ht ; t :

q-iü3 Di'n nfcty Kin iiïnnK 'ri^T »5 'öd nn^n-nx ni^D aron : ♦nrau': it^K rnxn-bx 22

jt • - v •)••• ^ - * : it : * jv t I v^t t v v • -:

^K'in^nK vin : bNTir» ^rnx Kinn DI»3 mn »

--*■■. v - :- i-^t: • r*; •• \,t : ' :' quot; Vquot;

^rnK N^n nns4 9 p;nnoKnprp niboa 1 : Tpy n^nK 'DiKi nnS p«n ■gt;= ^

j - : -gt;•:- |it ^ jv : iv it: av t •';•»-:• v -: | v^t t n

* : Dsn ny nKTn-mim nnrn» nBto |

it •-. \' vaquot; ^ v - it - r* : • v ^ 4 1 * v ^ fe

ripb : ioN^ nin^nna rnx wj ohVrrnN ntro iï^i « £

-i t i •• v,t : r: i j; 1 ^ • :^r v v lt;- : -13

nir-rnna jiik iïü ink onp^i ntn nninn ifip nx ■nnü-nN ^2:« '3 : -ty1? na Dty-n^ni «

1 ! V 'Tr J- 1 q ^■■: l,; ^T. T,T:

on^n onpQ Di'n ddö]; 'sni^a |n n^pn ^sn^-nKi ^prbrnN ♦Vn i'rnpn * : ♦nio nnN-»3 ^ni nin»-D^n3 i| n^Nn annm ns4 an^Txn nnniKi DDn^i

v •• t j-t : - ••lt; v ••: t : -«t : ~ ~: 1quot; av •• : 1 : ^ ^v •• ; •

Tró nnK ♦n^n» ^ : rnxn-nNi D'Qirn-nK oi quot;

lt;..-;i- • *: -t ■»• i vit t v : 'v t - v t t •*' t :

DDnx ♦n^ï quot;ibw TiTin-p Dnioi rinnirn nn^n-'s

, av : v • l- ' lquot; -. i ••• •-■- ) ■ jquot; ' • : - ^ i-

yquot;in-n« ïpyn-^ D'b^n nnnxa n^nn Dsn» ntnpi

— t v lt; —. i~ • • t ~ ■»•-: i- ; r tit lt;v : v tit:

\3TK2 ntrö 131*1 : M'T n^ö3 iD^piib nin» ^^317 : Dan i;gt; nK-rn ni^n n3Tnst ^NI^» bnp-^

IT ••. \- A - it ■ - jquot; : • v •■ t : • jquot; I: t

28. Dadelijk laat Mozcs nu de leiders des volks bijeen komen om den zang uit te spieken, waarin hij hemel en aarde tot getuigen zal roepen. — iSvipn, onderwerp is waarschijnlijk; de Levieten, tot wie ook vs. 26 gericht is; vs. 29 geeft als reden op de kort samengevatte gedachte van 16—21.

29. DJOpi = nsipi, van sip = mp, overkomen.

30. Dit bevel wordt natuurlijk opgevolgd en voor de verzamelde oudsten en ambtlieden, als vertegenwoordigers van geheel het volk, — óf voor geheel het volk, dat mede ter vergadering opkwam, sprak Mozes nu den zang uit.

ocr page 226

DEUTERONOMIÜM XXXII.

1 «Luistert, hemelen ! dat ik spreke! de aarde hoore de ge-

2 zegden van mijn mond. Moge druppelen mijne leering als de regen, moge vloeien als de dauw mijne rede ; als regenvlagen

3 op het gewas, als* dichte druppels op het kruid. Want des Eeuwigen naam verkondig ik ; kent grootheid toe aan onzen

4 God ! De Rots ! volkomen is Zijn werken, want al Zijne wegen zijn recht; een God der trouwe, zonder onrecht, rechtvaardig

5 en billijk is Hij. Hun gebrek heeft Hem verdorven tot Zijne

6 niet-kinderen een verkeerd en verdraaid geslacht! Den Eeuwige zoudt gij zoo willen vergelden ? nietswaardig en onwijs volk ! Is Hij uw Vader niet, die u verworven heeft? is Hij het niet,

7 die u gemaakt, die u bevestigd heeft ? Gedenk de dagen van den vóórtijd, tracht inzicht te verkrijgen in de jaren van vorige

Hoofdstuk XXXII. 1—43. De in hoofdstuk 31 aangekondigde zang. Na een plechtstatige inleiding, waarin hemel en aarde tot getuigen aangeroepen worden voor de gewichtige ernstige leering, die Mozes heeft voor te dragen (1—3), volgt de grondgedachte van het lied : God is rechtvaardig (4, 5 en 6); dit denkbeeld wordt ontwikkeld, terwijl, onder herinnering aan Gods weldaden voor Israël (7—14), wordt uiteengezet, hoe dwaas de afval van Hem is (15—18), daar de straf daarop wel moet volgen (19—35); ten slotte echter erbarmt zich God weer over Zijn volk (36—43).

1. Hemel en aarde als getuigen, wegens hun eeuwigheid of betrekkelijke onveranderlijkheid. De hemel wordt in den 2den, de aarde in den derden

Sersoon aangesproken; volgensersoon aangesproken; volgens Luzzatto, omdat men zich het eerst tot

en hemel wendt, als de verhevenste van beiden, en dan de aarde niet weer rechtstreeks toespreekt; v. a. omdat de hemel, waarvan de zegen en vloek in de eerste plaats afhangen, in deze meer actief, de aarde meer passief blijft. — jusn, het oor neigen, kan dan ook alleen met bewustzijn geschieden, terwijl men jjob, hooren kan ook zonder en tegen zijn wil. — mnsi, want ik wil spreken, ik heb te spreken.

2- quot;ItOOD als regen zoo verkwikkend, bevruchtend en levenwek

kend. cpï', v.' s. = (Jes. 45,8). — vip1?. npS, het door den leerling in zich opgenotnene, leering. — Stn van Sn, vloeien. — DTJ/'CS ' * * HDOS-

Bij na», dat soortnaam is, komt de bepalende 'n in de algemeene uitdrukking, bij de meervoudsvormen dti'p en D'yai niet. — vrms, mijn gezegde; v. a. mijne toezegging in Gods naam. — dtgt;ïc, v. s. van quot;lyty en

storm, de lijdende vorm in den zin van: door den storm gezweepte regenvlagen. — v. s. van aai, waarvan 21, veel, een overvloedige, milde regen; v. a. van 23i, werpen, giethuien.

3. Want niet ik spreek ; wat ik te zeggen heb, is Gods woord, die Zijn wegen u bekend wil maken. — NipN 'n dw, niet: aanroepen, maar: uitroepen, verkondigen. — «n, van 2,t, geven. — Snj, grootheid, zooals God die in Zijne daden toont. Kent Hem alleen grootheid toe, door woord en gedrag.

4. de Rots, sterk en onwrikbaar, die den Zijnen krachtige bescherming en veilige toevlucht verleent; vgl. Gen. 49,24, waar v. s. God ps, steen van Israël genoemd wordt; tegelijk komt iiï ook voor als beeld voor den oorsprong van bestaan (vs. 18; Jes. 5,21); Siphré; Vormer, van 1« = quot;iïgt;, (vgl. Ex. 32,4) waarvan Tï, vormen en HTIS) vorm. —iSïSDinn,

zonder gebrek is Zijn werken; Sys, het wcvVproduct, maar ook het werken

Ill

ocr page 227

nb wwri

«l'ir •' pxn maiNi D^Ö^H wmn« 2

f lt; -ji~_ i* ••; * | v t ; * : ta** --ji- ^'vquot; t - -i i- 3

DTjteo ^niüN btss ^-Tn ♦np4? -IÜÖ3

v v •• ^-i -•• * ; • a' t : • v,- - j~ • • i : • tt-

: bu i2n Nquot;ipN nin» D# »3 : ivy-hy j

,.. I..^ .. v j T V : j- .)• ... _ iquot; :* :

niiDN 'JN üöt^a vs-n-^D »3 1^3 D'on quot;mn ^

vquot;gt; ijquot;: t v: lt;•• at : • v.t t : t j- **:it j* t

: VnVnöi Etey Ut ddiö V33 k1? i1? nnty : Nin quot;it^n pnïn p

1 : - ; ^ k** j at jt t v. •) jquot; • 1 ^t^t: ' j\' r

nip Kirr^ibn D3n-Nbi Vn: nNrton nirr'rp £

ivit i ■*• t -: rtt t j : at t ; : • t : r_» ^

TIVTJ irs nio» TÜT * : ?|^t «rr s

_r-

....................................................-............................................................................................................................ c

zelve; hier waarschijnlijk het laatste, parallel met ion. Zijne wegen, die Hij in het wereldbestuur inslaat, zijn rechtsoefening. — rums bs, God der trouw,-een Macht, waarop men zich verlaten kan. — po, en geen onrecht is bij Hem, in Zijne wegen; geen machtsoefening om Zijne macht te toonen, geen geweld.

5. Dit zeer moeilijke vers heeft talloos vele verklaringen uitgelokt. De gedachte is deze: God is rechtvaardig; gaat het dus Zijnen kinderen slecht, dan ligt de oorzaak in hun slechtheid, niet in Gods onrechtvaardigheid. Men kan echter dit denkbeeld op verschillende wijzen in ons vers uitgedrukt vinden. Nachm. : verdorven heeft Hem tot Zijne niet-kin-deren hun gebrek een verkeerd en verdraaid geslacht; voorwerp is dan Dpr m SnSriEi, wat in elk geval beteekent: een in zijn verkeerdheid verstokt en voor al, wat verdraaid is, toegankelijk geslacht; onderwerp is dow, hun. Zijner kinderen, zedelijke fout heeft het misdadige geslacht bedorven, zoodat het niet meer j.Zijne kinderenquot;, maar-Zynenzeï-tóirfemi genoemd wordt. Rashüam: Israël heeft zichzelf verderf berokkend-, Zijneniet kinderen,hun eigen fout is het; Luzzatto: Israël beweert: de bron van het zedelijk verderf ligt bij Hem, niet van Zijne zonen, hun gebrek is het; nnti als zelfst. naamwoord gevormd evenals dW. vs. 35. Rasiiie, naar Onkelos : is het verderf toe te schrijven

aan Hem? neen. Zijne zonen, hun gebrek is de oorzaak ervan! Anderen nemen opr in als onderwerp en verklaren; Een misdadig geslacht heeft zijn levenswandel verdorven (vgl. Ex. 32,7 en Deut. 9,13) tegenover Hem (vgl. Num. 32,15), een misdadig geslacht, niet Zijne zonen, maar hun, dier zonen schandvlek, om» v» sb is dan een bijstelling bij het onderwerp, dat vóór het onderwerp is ingeschoven; n. a. het verdorcene eraan, aan Zijn werk, is niet Zijne fout, maar Zijne onwaardige niet-zonen, hun gebrek is het; dan slaat iS op iSïb. — wpr is tegenstelling vamcquot;,fcj-om, verkeerd.— Virnns, eig. in elkander gedraaid, weerspannige ongehoorzaamheid.

6. Den Eeuwige zoudt gij zoo in afval willen loonen, wat Hij steeds voor u gedaan heeft ? üf: den Eeuwige zoudt gij dit willen bewijzen, aandoen, zoudt gij Hem zoo ondankbaar behandelen ? — doen rijpen, v. d. toevoegen, vergelden, gewoonlijk in gunstigen, soms ook wel in ongunstigen zin. — Sz:, verwelkt, nietswaardig. — osn sSi, onwijs, het tegendeel van nan, waarvoor gij u in uwen afval houdt. Hij is uw vader, -pp, die u Zich in eigendom heeft verworven, door u uit Egypte te verlossen en u zoo tot volk te maken; Hij maakte u en bevestigde u tot Zijn volk door de openbaring.

7. fHOS v- s' beteekent dw dagen, nw tijdperken, zooals vaak het vrouwelijk meervoud in overdrachtelijken en collectieven zin. — ijo,

ocr page 228

DEU TERONOMIUM XXXII.

geslachten! Vraag uwen vader, hij zal u mededeelen, uwe 8oudsten, zij zullen u zeggen; Toen de Allerhoogste den natiën hun erfdeel toewees, toen Hij de zonen des mensehen scheidde, stelde Hij volkeren-gebieden vast voor het te tellen 9 getal der kinderen Israels. Want des Eeuwigen deel is Zijn volk; Jakob het met het meetsnoer Hem toegevallen erfdeel.

10 Hij trof het aan in een woestijnland, in de woestenij, de huilende wildernis; Hij omringde het, sloeg het steeds gade, bell hoedde het als zijn oogappel. Gelijk de arend zijn nest opwekt, boven zijne jongen zweeft, zijne vlerken uitbreidt, het

12 opneemt, en het draagt op zijne vlerken, — Zoo leidt hem de

13 Eeuwige alléén, en bij hem is geen vreemde god. Hij deed het de hoogten der aarde bestijgen, en het genoot de vruchten der landouwen; Hij deed het honig zuigen uit de steenrots, en

14 olie uit den harden kei. Room van runderen en melk van kleinvee, met vet van lammeren, en rammen uit Bashan en bokken, benevens het nierenvet der tarwe; gij dronktdruivenbloed,als

tracht inzicht u te verwerven en goed te begrijpen wat in vorige geschiedenis^ •perioden, in n nw, is geschied, tot op uw eigen volksbestaan.

8. Toen God volkeren hun erfdeel aanwees, d. w. z. toen Hij de verschillende natiën bezit liet nemen van de deelen der aarde, stelde Hij grenzen onwrikbaar vast, Sxit» ya ibd»1?, voor de kinderen Israels, die toen nog ibd», een klein getal waren, en wel 0'»r ftoJ, gebieden van volker e n, een land, dat zoo groot was, dat tal van stammen het bewoonden. Anderen: naar het aantal der kinderen Israels, een land in overeenstemming met de getalsuitbreiding, die het volk veel later eerst krijgen zou.

9- 'n pSn. voordat Israël nog volk was, was het immers reeds bestemd tot Gods deel. — ban, eig. meetsnoer voor het opmeten van terreinen; v. d. het met het snoer opgemeten terrein.

10. iriN3£D,gt; Hij trof het aan, zocht het op in liefde; Israël wordt vergeleken bij een man, die in de woestijn ronddwaalt, waar allerlei gevaren nem bedreigen. Daar trok God Zich zijn lot aan, zocht hem op en vond hem. Het is eene algemeene schildering, zonder bepaalde betrekking op de Arabische woestijn, niet quot;OISS, in de woestijn, maar; als een in een

woestijnland verdwaalde. — innai, in een woestenij, gehuil der wildernis = huilende wildernis. — 1^330% Hij omgaf het met liefdevolle bescherming en toewijding. Jer. 31,21 komt aao in Pi'el voor in den zin van; liefdecol verzorgen-, vgl. Ps. 26,6. — irojia1, Hij schonk het Zijn bijzondere aandacht; v. a. Hij onderscheidde het; n. a. Hij verleende het inzicht. — ijir pp\s3 ruw, beschermde het, zoo als een mensch zijn oogappel beschermt. De oogappel is het voorwerp van de grootste zorgvolste bewaking tegen elke uiterlijke beleediging; vgl. Ps. 17,8 en Spr. 7,2. — pt'M, v. s. verkleinwoord van si\s, poppetje-, v. a. duisternis, zwartheid, is in ieder geval de naam van den pupil.

11. ■VJ?1, opwekt door krachtigen vleugelslag. — up, zijn nesi-bewoners, zijne jongen, om hen te leeren vliegen; anderen: bewaakt, let op zijn nest. — e|rTV, zweeft boven zijne Jongen, om de vermoeiden aanstonds op zijn

112

15

ocr page 229

oHa bnjna : Vpn^ bxfn

; ^3 -iödo1? Qsbv hVaa it dquot;ik nnana

,.. t; • r* : ^ v~^: • ; ••quot; % att -quot;• : ».•;-:

-lim '/quot;iN3 inxvo* : in^n: la^ nln» p^n quot;2D

t : * | •.•-••.• ; •• t : • i t-:i- v jv ^ Iv. •'quot; ^ v.t ; i v jquot; •gt;• i

: fiï^io injnï» |ötr| irinai

inNi^ mnp» V023 fchsr v^Tir1?^ lip ly nirb ^

^ • quot;It* tt: lt; : • | Aquot; -: ^tt 1 - 1* ^'t v v :

ir!33n» *: n3i la^ rxi my 112 nin» : inn3N-1?^21

.. . :- ^ IT.. J.. 1 J.. . isv : - -.TT \.T : ,*T: v

\r2V\ybbr2 wii n'^niun Vsk»! p« \nio3quot;^

d'Vki Dn3 3bn-DV ?xv 31?m -ip3 nNon : iiv wnbnv ■*

«• •• ; • t v •• i -'••-jr Itt - : v 1 ^ r : - iquot;

■nn^ 3^-dii. ntan nvgt;3 3bn-D^ onm^i 1^3-^3

machtigen vleugel op te nemen. — inw, vgl. Ex. 19,4. De nanhangsels in het tweede versdeel in het enkelvoud slaan óf op i:p óf op ieder der jongen, v^tu. Anderen laten bij cns* den nazin beginnen : gelijk de arend zijn nest bewaakt, boven zijne jongen zweeft, zoo breidt God Zijn vleugels uit, neemt het volk op en draagt het op Zijne vlerken.

12. unr TQ Tl) de Eeuwige leidt hel alleen, v. s. God alleen leidt het. Tra = na1?; v. a. de Eeuwige leidt hel zoo, dat het alleen, geïsoleerd is, afgezonderd en onderscheiden van alle andere volkeren, wat wel de gewone beteekenis van -na is (zie Lev. 13,16). — isj.' psi, en met hem, bij Israël, is geen andere God, Israël wordt op bijzondere wijze door God geleid. Dien het als den Eenige erkent; v. a. en met Hem deelt in de leiding des volks geen andere God.

13- inSDn1) Hij laat liet rij de n, in den zin van : boven op iets zitten, v. d. een hoogte, berg tot den top beklimmen en daar boven stand honden. — ps inilia, de hoogten der aarde, waar Israëls vijand, dien het te bestrijden heeft, zich veilig waant. — 'HOS = TllDS» van een twee-

•• t: t - t

voudsvorm DTn'QS. — n» = mc, doch in meer collectieve beteekenis. —

Rots en Kei, onvruchtbare bodem, gaven het, door God gezegend, de kostelijkste producten; honig en olie; de rotsbodem van Palaestina droeg olijf- en dadelboomen. — nx caSn = D's^nn hï, Deut. 8,15.

14- njcan en aSn zijn do beide vormen, waarin melk gebruikt wordt: als melk en als dikke melk, room of boter. — ona aSn, het vet, beste der lammeren. — jüa 'Ja DiWi, en in Bashan, dat naar Ez 39,18, ook om zijn rammen beroemd was, gefokte rammen, dus: van de beste soort — jt'a':a is parallel met dSh in het voorafgaande versdeel, dat dns hier niet bijge-

dacht behoeft te worden. — ncn ni'Sa aSn or, met nierenvet van tarwe. jrpba aSn is term voor: voortreffelijkst vet-, v. a. worden de korrels in den halm, wat hun vorm aangaat, vergeleken met de uiterlijk zichtbare deelen der nier; dus: vet van tarwenieren. — aw on en druivenbloed, den jongen, pas gepersten most, drinkt gij als mn, — van mn, opbruischen, warm worden, — gegisten, vurigen wijn.

ocr page 230

DEUTERONOMIUM XXXII.

15 vurigen wijn. Jeshoeroen werd vet, trapte achteruit (gij werdt vet en dik en wel doormest); het liet varen God,

16 die het gemaakt had, verachtte den Rots van zijn heil. Zij wekken Zijnen ijver op door vreemde wezens, door gruwel-

17 daden vertoornen zij Hem. Zij offeren voor duivels, niet-goden, godheden, die zij niet kenden ; nieuwe, uit den jongsten tijd

18 gekomen, voor welke uwe vaderen nooit griezelden. Den Kots, die u het bestaan gaf, hebt gij vernalatigd, en vergeten God,

19 die u voortbracht. Dat zag de Eeuwige en wendde Zich verachtend af, wegens den Hem door Zijne zonen en dochteren

20gewekten toorn. Hij zeide: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen; wil zien wat dan liun einde wezen zal; want een geslacht vol verkeerdheid zijn zij ; kinderen, in welke geen

21 trouw is. Zij wekten Mijn ijver op door niet-goden, vertoornden Mij door hunne ij delheden ; Ik zal hun ijver opwekken door een niet-volk, door eene welkenswaardige natie hen vertoornen.

22 Want het vuur is ontstoken door Mijn toorn; het blaakt tot in het diepste graf, het verteert de aarde en haar gewas, ontvlamt

23 de grondvesten der bergen. Rampen zal Ik over hen ophoopen ;

24 Mijne pijlen op hen tot den laatste verschieten. Door honger uitgemergeld, door koortsvuur verteerd en door bittere pest; en den tand der roofdieren laat Ik tegen hen los, met het venijn

15. p-iBquot;, van rechtschapen, het volk der rechtschapenheid — eerende bijnaam, die 's volks taak aanwijst, vgl. den naam pSar van Sat. — Als een stier, die, eens doorvoed, weerbarstig wordt en achteruit trapt, zoo was Israël. In een tusschenzin in den 2den persoon herhaalt Mozes die gedachte; ja, gij werdt vet, dik en nco, van vel gevuld, naar het Arabisch; v. a. telkens wanneer gij vet werdt, werdt gij wanstaltig dik en met vet bedekt, door het vet werdt gij vadsig en tot uwen arbeid ongeschikt. — SaJ'i, als

beschouwen, v. s. als onwaardig, dus: verachten, v. a. als gierig, — in

zijn, het door God geschonken, overvloed, beschuldigde het God nog van gierigheid, als gaf Hij hun nog niet genoeg.

16. irUWp'* De stam wp in den Hiph'iel, slechts hier en Ez. 8,3 en Ps. 78,58: het gevoel van verkorting van zijn recht bij iemand opicekken; het beeld is ontleend aan het huwelijk, waarin de man zijn recht tegenover zijne vrouw vordert, niet duldend, dat zij zich met vreemden afgeeft.

17. daemonen, onzichtbare invloeden, die bloeien en gedijen schaden, en die de menschen voor zelfstandige duivelsche wezens houden. — nSs' nS, die zelfs in de voorstelling van hen, die ze vereeren, niet-goden zijn. — dot nS, die zich hun niet door eenige weldaad als goden hadden bekend gemaakt; — nieuwigheden, atp», uit nabij zij nden tijd opgekomen. — Diw nS, waarvoor uwe vaderen niet door siddering bevangen werden, niet griezelden; v. a. een werkwoord van (Lev. 17,7), als daemonen erkennen.

18. WD, van rw, of v. a. = van rwj, vergeten. — die harens-ween voor u doorstond.

113

ocr page 231

2b wrnn rp

nny nrnv \t2m : quot;lan™

--»••: • - t a* t t -,' t t : vquot; t t : * ~ i ••. ; i - v it

: ni^ina onra iiv «

i-. * :quot; ^ • ! quot;t: (.-•. * i :quot; i •t r-. : ^ ^ v.--:- t

iN3 ahpo D^in DIJ^T ah N1? on^1? inaT*quot;

t •'it* * t -: rt*t: quot;* v: ' •quot; j • •• - ::•

«.•ïibbno VN nat^ni T-IV' HÏ : DDTibx onj;^

iiv: i ; Jquot; vquot; : * - * av *.1 :it ; j iv •• i -: v. t : ^

'3£j nTnDK noK'n : vnim VJ3 0^3^ rwi nin» KTI ^

- t t lt;* : - - it ; v.t t -j- • i at : • - v.t ; :j— 3

■tf1? 0^:3 nan nbann nn ^ onnnx hd hnin4 dhd

i v,' t t ** •. : ~ . * **' at •-: i- jr ; v v ••

^ÏSJI ongans ^ixip Dn : D3 iQN4 »

• -j r av quot; : : \,^-:r •• : * j ;l- ^ ••lt; it t j\ ••

♦3X2 nnnp : dd^dx ^22 dn^pk 2:3

* - ; -,t ; i it quot; .* ^ |..^ 1 - vtt j : t ; -■•• *1; -

HDIQ ün^m *pK bDNni n^nnn np^rn

jquot;; 1 i.quot; - : - t \ i* i vv quot; lt; - a- : - -• : ^ k' ' ~

nia : arn^K ♦ïn hsd^ : onnquot;

•)T t r» ; # it v - ^-: *.- • a t vquot; t jv ; - i-t na

npn'ny Drn^x nbnrf^'i nnp 3L3pi

19. en verachtte, achtte onwaardig het volk. ^xa ia een overgankelijk 'werkwoord; het lijdend voorwerp, Israël, is dus verzwegen. IjUzzatto : Hij verachtte uit toorn Zijne zonen en dochter en; dat de toon-teekens bij een pauze maken, verklaart hij uit den poëtischen vorm van ons stuk; vgl. Ps. 119,18; anderen; en werd vertoornd, yxj, als intransitief werkwoord, evenals Jer. 14,21. — ivuai voa Dion, v. s. uit verdriet en toorn over Zijne zonen en dochteren; v. a. wegens het verdriet, uitgaande van. Hem berokkend door Zijne zonen en dochteren-, in de eerste opvatting is het - Dio iï'N dï3», in de tweede = t03 inid'ion icn dm».

20. omriK no. wal er dan van hen zal worden. — rosnn m, v. s. geslacht vol verkeerdheden, in lijdenden zin dus; v. a. vol veranderlijkheid, onbestendig. — D2 pss xh, in wie geen trouw aan het eens gegeven woord is; v. a. die men niet vertrouwen kan.

21- Sx nSs. ^ is één begrip, evenals or ih, niet god, niet-volk. Zij grepen in in Gods rechten, God zal hen naar handhaving van hnn recht doen verlangen, door volkeren hen te laten tuchtigen, die volstrekt niet beter zijn, dan zij. — Saj ■gt;», een verwelkend, welkenswaardig volk; v. a. dwaas, vgl. vs. 6.

22. Want het verterend vuur, dat hen aantastte, was een gevolg van Gods toorn; daarom verteert het alles.—nmp, hier intransitief, ontbranden.

23. nSDN*. nBDgt; toevoegen, in den Hiph'iel: opstapelen.

24. VDi van ntn, verwant met nx» en yx», uitgezogen, van een grondvorm njQ. — imnS, v. s. van OhSj verteerd-, v. a. van den werkwoordstam onS, bestreden. — e)cn, inwendige Voorts-gloed. — sap, plotselinge dood, v. s. verwant met ejop, afplukken. — rsn, eig. den gloed, het gif van •hm isr, die in het stof, als waren zij vloeistof, sleepend voortkruipen. Ook Lev. 26,22 worden naast pest, zwaard en honger, wilde dieren als plaag genoemd. — nttra heeft hier v. s. den zin van het monsterachtige dier, dat

ocr page 232

DEUTERONOMIUM XXXII.

25 der in het stof kruipende [slangen]. Van buiten rooft het

• zwaard zijn slachtoffers, en in de binnenkameren de doodsangst ; zoowel den jongeling als de jonge dochter, den

20 zuigeling met den grijsaard. Ik zou zeggen; „Ik zal hen vernietigen; hun aandenken van onder de mensehen doen

27 ophouden — Ware het niet, dat Ik vrees de vertoorning des vijands, dat hunne verdrukkers mochten miskennen; dat zij zouden zeggen: „Onze hand was zoo hoog verheven, en

28 niet de Eeuwige heeft dit alles gedaan.quot; Want zij zijn een volk, verbijsterd in plannen ; en er is geen verstand in hen.

29 Waren zij wijs, zij zouden dit bedenken; hun einde trachten

30 te begrijpen. Hoe kon één duizend vervolgen, en twee tienduizend op de vlucht doen slaan? tenzij als hunne Rots

31 hen verkocht, de Eeuwige hen overgeleverd had! Want niet als onze Rots is hun rots; zelfs onze vijanden mogen

32rechters zijn! Want van Sedoms wijnstokken is hun wijnstok, en uit de landouwen van 'Amora; hunne druiven zijn

33 vergiftige druiven, trossen van bitterheid hebben zij! Draken-

34 gif is hun wijn, en adderen-venijn, afschuwelijk. Voorwaar ! het ligt bij Mij geborgen, verzegeld in Mijne schat-

35 kameren: Mij is de wraak en het vergelden, eens komt een tijd, dat hun voet zal wankelen ; want nabij is de dag van hun ondergang, en snelt in de toekomst hun tegen.

36 Want eens zal recht oefenen de Eeuwige voor Zijn volk, zal betreffende Zijne dienaren van besluit veranderen, als

Job 40,15 beschreven wordt. Vgl. echter 28,26, waar liet enkelvoud voorkomt. Herhaaldelijk is reeds opgemerkt, dat dikwijls verzamelnaam voor alle diersoorten, niet juist voor plantenctend vee is.

25. SDCfl) eig- kinderloos maken, v. d. in het algemeen: slachtoffers maken, of v. a. de natie van hare kinderen beroeren.

26. DiTNSX» D® uitgang Dn— is bij werkwoorden ongewoon, maaibij het naamwoord gebruikelijk. Het woord is = DniN nsss, DJC2Ni van

nss, hoek, v. s. in een hoek duwen, v. a. de hoeken wegnemen, tot het laatste toe. V. a. van nss = nïS, blazen.

27. vreezen, hoewel gewoonlijk met '» verbonden; anderen: inzamelen, opdoen. — ïos dï3, Mij door den vijand te berokkenen verdriet.— roi', van -dj, als vreemd aan Mij beschouwen, of v. a. de oorzaak van Israels lijden miskennen. — js tijn, ik vrees, dat.

28 vv. slaat op de vijanden. Die vrees voor miskenning bestaat, want de vijand is verbijsterd in plannen; v. s. gaat te gronde door zijn grootsclie ontwerpen, v. a. is verloren, het ontbreekt hem aan beraad. Anderen laten ons vers op Israël slaan: het heeft getn vare, lt;joede plannen, daarom verdient het geen medelijden. — Dat Israël vervolgd en gepijdigd wordt, is alleen, omdat God hen in de macht hunner vijanden geeft.

31. Want hun goden zijn onvertrouwbaar, ijdel, bij hen is geen hulp; niet alzoo onze Rots; staat Hij ons bij, dan zijn wij geholpen. — wni

114

ocr page 233

aquot;? unan n»p

iinrDi omnai Vina : ifiv ♦bnr«

t - at •• v.* t-:iquot; vv v - : i • it t* jquot; -: i

nn^B^K BTKÖK ♦niüN : nn1'^ pji' n^na-Da«

t j. : - av •• ; - f • ^v,quot; t it •• y ^ i t ; -

lonï inar-rö iiiik djd * : didt itijno »

a*'t v,: quot;t ••-• t quot; ,:quot; quot; __ it: • vv:i**

12« tys nin» Kbi hdt ut notf-rs «

j- •gt; • i t v t ^t : j : t t -quot;'t : i 1 v

nNt 'lösn ^ * : niian ona r^i nan niïirM

a •»• ; - v..:»t^ j it : v,quot; t i jquot; : taquot; ^

ID^ f]^ nnx cjnT n^x : DnnnN1?

liTiïD ^ '2 : DT5Dn niTi D^Ü DTir^ WTDK nnin ^

v,quot; : j •)• it : ^ '■ tt : ■,t r * at t :

n-ia^ nbnutoi oisa DID raaD_,3 : DTÏ 3,7

'•t . v. :quot; * T : quot; t Vlt;V * '* - : v.quot; : • ^ ^at

q:« oysn non : 10? nnna riVa^N 10a:v ^

at •• v' * quot; j—! 'quot;r v. : j : : - •• '.• •• t^:

Dinn nsy DQ3 xin-Nbn :td« ouns ^kti ^

it : ^ t ^ a* t -•••. t ^ -j it ; - ^ v,- t : j :

B'ni Qi'ti Dl* 3iquot;ip '3 üiDn n^1? Dvgt;5rquot;i bpa ^ ^

i.t : t •• »t ** . atgt;: ' j t aquot;: •• * : i tt «•

^ onit vnar^i nin' rn*-»3 * : id1? nnnv ^

lt;■ at v : • vt t ~: : t : t c,t r it j ■

S'S^Sü, en onze vijanden zelve mogen in deze de beslissing geven ! Zij zei ve zullen liet. moeten erkennen —■ want hun voorspoed is geen voorspoed; han geluk draagt het verderf in zichzelve; anderen : en onze vijanden worden geoordeeld. Anderen leggen het geheels vers Israëls vijanden in den mond; want hun, Israëls, God is niet als de onze en onze vijanden, Israël, zijn icon-derbaarlijk-, m. i. minder waarschijnlijk.

32. Hun, der vijanden, wijnstok is van Sedoms wijnstokken en wordt evenzeer door het Godsgericht getroffen, als eens Sedom. — jïidiü, velden.

33. U3N, wreed, afschuwelijk. — Anderen verklaren msi en djquot; in den zin van : den beker, dien God hun zal te drinken geven, het hen treffende strafgericht; vs. 34, sin,' slaat dan ook daarop.

35. riJ?Sgt; 0P zekeren tijd, er komt eens een tijd, dat hun thans zoo krachtige voet zal wankelen ; anderen : Mij is de wraakoefening, van Mij zal het zijn uitgegaan, als eens hun voet wankelt. — nTra vm, en toekomstfeiten, het meervoud als verzamelbegrip, ijlen hun te gemoet; of v. a. hij, de dag van hun onheil, snelt hun in de toekomst, of: in al wat staat te gebeuren, tegemoet.

36 pquot;p, recht oefenen, soms in den zin van: straffen, soms in dien van : iemands recht eischen, voor hem opkomen; hier m. i. het laatste. De samenhang is aldus: de dag van het onheil der vijanden komt zeker, want eens zal God weer voor Zijn volk opkomen. — Dn:n', zie Num. 23,19. — JlSwC=:

nSis, van Sts, uitgaan, ten einde zijn, vgl. I. Sam. 9,7; Job 14,11. — hxjj arai, v. s. wat weggesloten wordt en wat aan zijn lot wordt overgelaten, d. w. z. als zoowel het kostbare, als het waardelooze verdwenen is; — v. a. wal afgesloten en bevestigd is, alle vestingen en versterkte plaatsen; aty, versterken, als Nech. 3,8; — n. a. ingeslotenen, slaven, en aan

ocr page 234

DEUTERONOMIÜM XXXII.

Hij ziet, dat alle macht verdwenen is, en weg is wat weggesloten

37 was, zoowel als het verlatene ; Dan zal Hij zeggen : Waar zijn nu

38 hunne goden ? de rots, waarop zij vertrouwden ? Die het vet hunner dieroffers aten, den wijn hunner plengoffers dronken? laat zij opstaan en u helpen, — laat zij voor u een schuilplaats zijn !

39 Erkent dan nu, dat Ik, Ik alleen het ben, en geen god naast Mij ! Ik dood en maak levend, sla wonden en genees; en niemand

40is er, die redt uit Mijne hand! Want Ik hef Mijne hand ten

41 hemel op, en zeg: Eeuwig leef Ik! Zou Ik wetten den bliksem van Mijn zwaard, zou Mijne hand gerechtigheid grijpen, zou wraak Ik vergelden Mijnen beleedigers, en Mijnen haters be-

42 talen, — Dan zou Ik Mijne pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zou vleesch eten; van het bloed van verslagenen en krijgsgevangenen, van de hoofden der aanvoerders des

43 vijands! Doet juichen, gij natiën. Zijn volk ! want Hij zal het bloed Zijner dienaren wreken; en wraak zal Hij vergelden aan Zijne beleedigers, en verzoenen Zijn bodem. Zijn volk !quot;

44 Mozes kwam en sprak al de woorden van dezen zang ten aanhoore van het volk; hij en Hoshëa', de zoon van Noen.

45 Toen Mozes geëindigd had, al deze woorden tot geheel Israël

40 te spreken ; Zeide hij nog tot hen : HStelt uw hart op al de woorden, die ik heden omtrent u getuigd heb, opdat gij ze uwen kinderen gebieden zoudt, om in acht te nemen, te volbi-engen

47 al de woorden dezer leer. Want geene te onverschillige zaak is

zichzelve overgelatenen, vrijen of: géliuiL-den en ongehmcden. — De woorden •rnri hïï zijn een spreekwoordelijke uitdrukking en komen nog voor I Kon. 14,10; 21,21; II Kon. 9,8 en 14,26.

37. Dan msi, zal Hij, God, tot Zijn volk zeggen: erkent nu Mijne macht en de nietigheid van der volkeren Goden, die gij gediend hebt! Anderen: dan zal men, of: het, Israël, zeggen. — De aanhangsels van wnSs, wna? enz. slaan v. s. op de heidenen, v. a. op Israël, al naarmate men als hoofdgedachte neemt de nietigheid der goden der volkeren of der door Israël gediende afgoden.

38- iSdJO lO'nai nSn quot;UI-'N- Onderwerp is v. s. de goden, die de vetstukken der door hen, Israël of de volkeren, aangeboden offers aten; v. a. de volkeren of Israël, zoodat vertaald zon moeten worden: van wier offers zij het vet gegeten hebben-, vetstukken werden echter juist op de altaren verbrand, ook bij afgodenoffers. De zin is; laat die goden, die gij steeds zoo rijkelijk van spijs en drank hebt voorzien, u nu in uw nederigen hopeloozen staat helpen !

39. Ik, Ik alleen hen het, ben God = OTihn wis, en er is geen God naast Mi); v. a. er is geen God tegen Mij bestand.

40. aiffü O. v. s. want Ik hef zwerend Mijn hand ten hemel, zeggend: zoo u-aar Ik eeuwig leef-, vs. 41 v.v. geven dan den inhoud van den eed: dat Ik enz.; wat echter regelmatig zou moeten luiden: n1? dn. Anderen daarom : Ik hef Mijn hand op tot den hemel, hem aanwijzend tot uitvoerder van Mijn wil, vgl. Jes. 49,22; n. a. Ik wijs met Mijne hand op den hemel en zeg; evenals deze ben ook Ik eeuwig.

115

ocr page 235

2b WKn icap

10^« 'N quot;IDXI : air^i DÖXI T n^m-^ n«-i: ^ dd^d: r miy» iVdx» id^st aVn ivh : 13 von iiï ^

^ at • : 1 ■'•, v : * *• quot; t : v lt;•• v -: 1 -'T T ^ ^

'iK »3« '3 nrw 1 •• n^no DD^y w DDquot;i^n *

• -i ^ t ■» : it ; • v.v •• ^-: j* : v \ •.: -; I t

«èiN ♦JKI 'nxno nav D^n^K r^i Kin

t : v •»• -n- • ; - t v - -:i- -•• t s- -j a* t * v,* v; i jquot; ;

♦n 'mÓKi n» mtrv * : Vïö n*D ?ws ■

j- • : - t : aquot;t • vquot; t^ v jt 1* r - ^'t • Ir*:

n» üfiE'oa rn^ni ♦ann p-13 »ni:ir--DN : DSi?1? ♦six ^

a't vt : ^ ^ jquot; : • ; - i -•-; • - • it^ ; it

♦snm D'io ♦ïn n^trN : d^k nxV bpi 2w «

^* : - : t - • lt;■ : i- - -j : tt : itt lt;• it

irann : 3*1« ni^iö nb^i bbn D^D quot;itr3 «

lt;• : - iquot; ^ : ~ vquot; t : • t t t lt;- • at t

inonN quot;1331 viïb 3^» bpn Dip* v^rot '3 isjr

v, t ; - r.' ' : tt : -•• t Itt: Ia- v.tt m y •

a * : isj?

Din ♦:TN3 nKTn_ni^n n3Tl?3quot;nK I3n,i ni^o N35i 1»

'att -•••: t : v, ~ it • - y: ' t v •)•• v j t-

n^n onsTrVrntf isnV : jirjs ^mi Kin

D3331? lö'tr bn^K quot;IDK'I : VKÏBquot;-^-1?# «

, t : - t : v ; - : -•• v •• -1 v lt; - r* t ; * t

■bB'1? D3,:3-nN biïn iwn Disn D33 i^ö '3:« nu'N

^ ^ • v : v q : lt;v -: a- v.v t V •• ■)• it sv -:

«in pquot;! *i3quot;i-Kl7 *3 : mrn minn n3-i -l73-nK ni'^b

I jquot; tt i * 1 ~ jt - • t v -:iquot;

41. ,3^^ pl3gt; den bliksem van Mijn zwaard == Mijn bliksemend zwaard. — beo?53, wanneer rechtsoefening als instrument c/oor Mij gehandhaafd tcordt, loon naar werken den vijanden zal moeten gegeven worden, omdat zij niet tijdig tot inkeer komen, — dan vs. 42 zou liet een bloedig strafgericht worden.— 3'iN mris, hoofden, aanvoerders des vijands, naar het Arabisch en Recht. 5,2; v. a. de wildgroeiende, loshangende haren des vijands als beeld van kracht. — Verbind : Ik maak dronken Mijn pijlen van bloed, van bloed van doorboorden, — Mijn zwaard zal vleesch eten van de koppen enz.

43. Daarom, omdat alle volkeren het inzien, zullen zij Israël reden lot llijdschap geven; v. a. juicht, natiën, over Zijn volk; n. a. juicht, gij natiën, die allen Zijn volk zijt! — inr in»TS is3i, en Hij geeft verzoening aan Zijn hodem. Zijn volk; land en volk zullen dan genoeg hebben geleden; v. a. Zijn volk zal Zijn hodem verzoening brengen, door Tsraëls lijden zal de op de aarde rustende vloek gezoend zijn.

44. JO1! v- s- lt;7'quot;,'7 binnen naar den ingang van den tabernakel; v. a. ging van groep tot groep; 31,30 is dan gezegd, dat hij het lied in volksvergadering voordroeg. — Josua, hier met zijn bescheiden dienaarsnaam genoemd, onder den indruk van de gewichtige taak die hem wachtte, (Siphré) staat Mozes bij in de algemeene verspreiding en bekendmaking van den zang.

47. D30 pi. te onverschillig, ledig, ij del voor u.

ocr page 236

116 DEUTERONOMIUM XXXII, XXXIII.

het voor u, want het is uw leven ; en slechts door deze zaak zult gij lange dagen doorbrengen op den bodem, waarheen gij den Jordaan overtrekt, om hem in bezit te nemen.quot;

48 De Eeuwige sprak tot Mozes op dienzelfden dag, aldus:

49 „Bestijg dezen berg van den 'Abariem, den berg Nebo, die in het land van Moab, die tegenover Jerécho ligt, en zie het

50 land Kena'an, dat Ik den kinderen Israels tot bezit geef. Dan zult gij sterven op den berg, dien gij gaat bestijgen, en zult gij tot uwe volkeren verzameld worden, gelijk uw broeder Aharon op den berg Hor gestorven is en tot zijne volkeren

51 verzameld werd. Omdat gij u tegen Mij vergrepen hebt, in het midden der kinderen Israels, bij de Twistwateren van Kadesh, in de woestijn Tsin ; omdat gij Mij niet als heilig

52 hebt doen erkennen in het midden der kinderen Israels. Want van verre zult gij het land zien; doch daarheen zult gij niet komen, in het land, dat Ik den kinderen Israels geef.quot;

1 En dit is de zegen, waarmede Mozes, de man Gods, de

2 kinderen Israels gezegend heeft, vóór zijn dood. Hij zeide; De Eeuwige! van Sienai kwam Hij, scheen van Sé'ier hun tegen, van Parans gebergte straalde Hij, en kwam aan van uit heilige rm-riaden ; uit Zijne rechterhand werd eene vuurwet hun.

48—52. Vgl. Num. 27,12—14. — Nu breekt het oogenblik aan, waarop de daar, als eens te volvoeren bevel, gegeven opdracht tot uitvoering zal komen.

51- DnLgt;i?Qgt; gij hebt het vertrouwen niet gerechtvaardigd, dat Ik het recht had in u te stellen In dien zin beteekent quot;ot, trouweloos handelen ; dus ; gij zijt in uw plicht tegenover Mij te kort geschoten, en Dntnp sS Vr, gij hebt de bedoeling der u gegeven opdracht verijdeld, hebt niet bijgedragen om Mijn naam als heilig te doen erkennen.

Hoofdstuk XXXIII. Deze zegen van Mozes werd waarschijnlijk niet, gelijk de overige inhoud der Thora, als woord Gods, maar als uiting van Mozes' eigen gemoed uitgesproken. Toch zegt hij het als dvtWi b\s, man Gods, iemand, die in de nauwst denkbare betrekking tot God stond. Deze titel komt in den Pentateuch niet meer voor, wél echter in de andere Bijbelboeken. — De zegen begint met een herinnering aan de Openbaring op Sienai, waardoor God Israels koning werd (2—5); dan volgen 6—25 de zegeningen der verschillende staramen, om 26—29 met een lof van God als den machtigen Beschermer Zijns volks te sluiten. Wat de volgorde der stammen betreft, wordt Ruben als de oudste het eerst genoemd, Simon wordt in het geheel niet vermeld, misschien met het oog op de feiten van Shittiem (Num. 25,1); dan volgt de heerscherstam Jada, de priesterstam Levie, waaraan Benjamin als //geliefde des Eeuwigenquot; wordt toegevoegd. Dan volgt Josef, als vertegenwoordiger van aardsche macht in den strijd met de vreemde volkeren, Zeboeloen en Jissachar als vertegenwoordigers van rijkdom, om met de vier zonen der dienstmaagden te sluiten, waarbij Gad, als reeds met erfdeel bedacht, en Dan, als leider van een legerafdee-ling, het eerst, en Asher het laatst wordt genoemd, omdat bij hem de

ocr page 237

b zb roian nNTi tanttn rap nönKn-W lanxn ntn orrn «in-^ oao

T T-JJT - 't lt;quot;i r v- -TT- AV quot; quot; V r * .*• *

ö * : nn^-i1? nm pTrrriM ona^ om niy«

it : *: tvt I •)quot; - v s* : v - v -j

ntn nvn ovya ntyD-^K nin» namquot;»

v •■« .: •• ,.-.- v , **: •■■ , ••• ,T = «••„-!-BB

lm axio pN3 quot;ii^n ürin ntn D^-ia^n quot;in

vv -: t i vjv : . v quot;* . ! quot; *• quot; ^ 't^lt

Vxnir» ^a1? rni iwx rj^ia rquot;iN-n^i njni inn»

v.quot; t: • jquot; : • I •)quot; j\t v ^-: l*5 - ; I v •• ; a ••:

«pNni nnN ma nbi : nrnN'?3

AV V IVTIquot; : TT JV _ T - «V^l ^ TT \ ^ IT \ quot;XIquot;

by : rmr^K tiDN'i quot;inn ina n^nK rint? nó^^Ka«

^ IT V IV VTquot; - T T -» : ï' * T 1 lt;-:i- ^ •• V^-JI-

-quot;iaiö ^npT nanp-^os »33 -]ina »3 ori^o ♦3 : ♦:3 ,nin3 ♦niN bn^p-^V naw hy ?ï-j

j- iquot; t: • r*; I . : ^ v ; -I- i lt;v -; n- tA-

-ntrx nxn-^K Kian nb natri rnxn-nK n«m -132D

v -: I v t t v t J t t : I vat t v -jv : • v^v •

a : vnb ?n: uk

,.. T ; • jquot; ; • I vquot; -»• -1

u3-nN D'n^n vw namp;D ^3 ity» n3quot;)3n nKn«

aquot; t:^ • -quot;• : v v.^ v;it j- y)v }j-quot; v -: t t; - •* 1

10S yv'WD mn N3 'TQü nin» quot;nÓN'i : into uö1? a

t ï quot; ' i:lt;quot;t: t «- • • t : - - . gt; v : ,

: id1? mtfK li'D'a trip n33quot;iö nnKi pKa nno ^^sin

IT 1.T jquot; • r vl fi J -I I' ■• IT T : I T T J- .. quot;i .

overvloed in de hoogste mate geschilderd wordt. De volgorde der geboorte is waarschijnlijk Dan, Naphthalie, Gad, Asher, zoodat, met vooraanstelling van Gad om de genoemde reden, overigens de rangorde van leeftijd wordt gevolgd.

1. ronsn. z^e onze aant. Gen. 49,1.

2- ySin ,mn N3gt; ^''i6 termen, aan het te voorschijn treden der zon in den morgen ontleend. — so, treedt te voorschijn, de zon is geheel opgekomen, vgl. Jes. 60,1. — mr. v:erpt stralen, r'Bin, doorbreekt met glimp-ücht de duisternis. Dan is de zin: God openbaarde Zich geheel op Sienai, terwijl Hij van Sé'ier = Edom, 'Esau, uit reeds enkele stralen had geworpen en van Paran =; Jishma'el, zich de dag had aangekondigd. Anderen laten de hier genoemde namen slaan op plaatsen, waar God Zich gedurende Israels zwerftocht door de woestijn bij verschillende gelegenheden zou hebben geopenbaard, zonder dat dit nochthans vermeld is. Weer anderen verklaren het geheele vers als doelende op de openbaring op Sienai, waarbij zich Gods Majesteit openbaarde, van alle kanten de wereld in vlammen zettende. — «S = DnS, voor hen, Israël. — naai» nnxi tip, en Hij hcam tot hen van uit Zijne tienduizenden heilige engelenscharen, die Zijn troon omgeven. — in1? mes «w», van Zijne rechterhand kwam een vuurwet voor hen; dan is nicfN, hoewel als één woord geschreven, een samenstelling van twee woorden: een xoet, m, dat overigens slechts in de latere

ocr page 238

DEUTERONOMIUM XXXIII.

3 Ook volkeren tot hun plicht voerend, zijn toch al hunne heiligen in Uwe hand; en zij, nedergeworpen voor uwe voeten,

4 ontvangen zij Uw woord. De leer, die Mozes ons geboden 5heeft, is een erfgoed, gij vergadering van Jakob! En Hij

werd Koning in Jeshoeroen, toen zich verzamelden de hoofden

6 des volks te zamen, de stammen van Israël! — Dat Ruben leve, nimmer uitsterve, en zijne manschap zal te tellen zijn!quot; —

7 En dit voor Juda; hij zeide: «Verhoor, Eeuwige! de stem van Juda, en breng hem tot zijn volk; met zijne handen is hij de strijder ervoor, en hulp tegen zijne benauwers moogt Gij zijn!quot;

8 En voor Levie zeide hij : //Uwe Thoemmiem en Oeriem voor Uwen vromen man ; met hem, dien Gij herhaaldelijk beproefd

Bijbelboeken voorkomt, die vuur is ■, Luzzatio, die in het geheels vers geene toespeling op de openbaring ziet, maar slechts de uitspraak, dat Mozes' inspiratie hier van God uitgaat, verklaart: God kwam tot mij hierheen, naar den 'Abariemtop, van Sienai en scheen ten hunnen, Israëls, behoeve, om hen door mij te laten zegenen, van Sé'ier, straalde van het gebergte 1'aran; beiden, zoowel Sé'ier als Paran, liggen tusjschen Sienai en Nebó; onze tekstwoorden verklaart hij: van rechts van de Ashdoth der Pisga verscheen Hij voor hen, de 'i dus van den tweeden naamval, als in lU'a Num.24.3 e. a. p., van rechts, d. w. z. van het Zuiden van de Ashdoth, ten Noorden waarvan de Nebo ligt. Anderen verklaren mes als samenstelling uit ün, vuur, en mis, dat in het Arameesch en Syrisch werpen beteekent: stralen-iverping.

3- 33n. volgens Luzzatto van am (Job 31,33), boezem, — aan den boezem dragen, v. d. beminnen. C|s, ja, ook andere volkeren bemint Hij, God; v. a. de stammen Israëls; — anderen verklaren aain van ain, plicht, — ook andere volkeren tot hun plicht voerend, zijn toch al Zijne, Israëls, heiligen, braven, in Uwe hand, onder Uwe bijzondere bescherming, vgl.Jes.62 3; — n. a. ook volkeren bemint Gij, al hunne heiligen zijn onder Uwe bescherming; de tegenstelling begint dan vs. 4. — on Dm, en zij zijn nedergeworpen

aan Uwe voeten, nan, dat niet weer voorkomt, wordt door Kimchib en Sa'adja verklaard : vereenigen zich om te volgen; door anderen : verwant met N3T, worden verbrijzeld, waarbij dan -jSj-iS, enkelvoud, bij Uw optreden, bij Uw wereldbestuur; de zin is dan: zij, de volkeren, erkennen hun onmacht bij Uw optreden. Nog anderen: van het Arameesche san, tafel, zij nemen plaats aan Uw tafel, als gezeten aan Uw voet. — Ntquot;, draagt, neemt in ontvangst, of v. a. verheft zich. — -pmaiJJ Uw woord, of volgens de laatste opvatting -.door Uw woord. Of de 'a van -pmann die van het voorzetsel j» is, zoodat het zelfst. naamwoord n^ïPI isgt; dan wel een tot

naamwoordvorming dienende letter, zoodat het woord luidt:

staat niet vast en hangt met de opvatting van sin samen. — Het enkelvoud se is óf tegenstelling tot Dm,zij, de volkeren, tegenover: het, Israël,— óf distributief; ieder van hen.

4. Dit is liet woord, dat zij dragen: de leer, die Mozes ten onzen nutte heeft geboden, zij is erfgoed, gij gemeente Jakobs! of v. a.: van de gemeente van Jakob.

5. Vn, Hij, God. werd toen Koning in Jeshoeroen; v. a. er ontstond toen een koning in Jeshoeroen. God namelijk. — cpsnna enz. heeft klaarblijke-

117

ocr page 239

nman n«Ti bni vèy nnn c]K/

: apv» n^np ntriio n^o i^-mï min : Trvianü ^

h^r j- •!: v.t t i ^ av ^ t* jt P iv : - •

: in* D^ ^Nquot;i eiD^nna 'fin rmy^a ♦nnn

,.. t; • jquot; : • -v.- t •• -t !••-;•: |vav » v. •. »* r:-

rnm^ rxTi D : *I3DD WD ♦nquot;) nÊr^Ni rniNi 1

t -• : it : • v.t : r • - : kquot; : ■gt;' : t

11? Dquot;i vi» laybxi nnin» ^ip nin» yoir nax'i

-•t tt AV • : V : t : i-' t ; ^ :

ö * : rvnn viïd

iv : r vtt • v,7quot;:

nDQ3 in^DJ ^TDn nnixi Tan quot;16^

t - : • • «v -: i av • -: ■'* : i v,v ; | jv \ - r - :

lijk betrekking op de Openbaring, die Deut.'9,10; 10,4 en 18,16, bnpnDT» genoemd wordt.

6. Als deel van het aan de Leer vasthoudende volk, blijve Ruben eeuwig bestaan; zij het ook, dat zijne manschap te tellen zij, gering in aantal is ; tegen de verklaring; talrijk verzet zich de samenhang en het gewone gebruik der woorden iedd 'nn. Anderen laten het woordje Sn ook op het tweede versdeel slaan: en niet moge zijne manschap te tellen zijn.

7. JHXII. en dit is de zegen voor Juda. — «tfon inr Sni, breng hem huiswaarts uit den strijd tot zijn volk; vgl. n13quot;1 1»s1 nï1 iün (Num. 27,17); v. a. hreng hem, doe heni steeds ter hulpe snellen, waar zijn volk, de onder zijn leiding staande stammen, hem noodig hebben. — iS ai vt. Met Rashie verklaren wij 2T als deelwoord van 3quot;, hier zelfstandig gebruikt; strijder; —

niet met Ibn 'Ezra van 3quot;i, veel, in den zin van-, genoeg, zijne macht zij hem,

Juda, genoeg; — het aanhangsel in iS slaat dan niet op Juda, maar op ini' en de woorden beteekenen : zijne handen, macht, zijn strijder voor zijn volk, of: met zijne handen (-pt = ■pt;) is hij, Juda, strijder voor zijn volk, en hulp tegen zijne, Juda's, henamvers zult Gij, God, zijn.

8. TIINI TOfl- anders altijd in omgekeerde volgorde ovsm D'HN genoemd, zie Ex. 2ö,3ü; de woorden beteekenen: volmaaktheid en verlichting; vermoedelijk is D^nn hier vooraan geplaatst, als herinnering aan Levie's volmaaktheid met God, zijn zelfopoffering in Gods dienst, die aanstonds beschreven wordt. — ypon es1?, aan Utren vromen man gaaft Gij ze, — waaronder v. s. Aharon, v. a. de geheele stam Levie te verstaan is, welks stamvorst de Oeriem We-Thoemmiem d:-oeg; n. a. Levie, de stamvader.— TDn, die opofferende liefde bewijst, die niet voor zichzelf, maar voor anderen handelt; ingetogenheid en wat men gewoonlijk onder bijzondere vroomheid verstaat, is slechts een voorbereidingstrap tot werkelijk jiVTOn. — -jTDn, die voor U opofferend teas. — nosa in'Dl ipn', dien Gij heproefdet te Massa; — Ex. 17,7 komt een feit te Massa voor, waarbij Israël God op de proef stelde, zonder dat daar echter iets vermeld wordt van een bijzonder optreden van den stam Levie; wél onderscheidt zich Mozes' houding daar van die bij de //Twistwateren van Kadeshquot; (Num. 20,13), wat ook kortweg: wateren van Merieha genoemd kan worden, in zooverre Mozps te Massa in vol vertrouwen Gods bevel opvolgde. Volgens Nachm. is hier dit feit bedoeld en de zin van ons vers: met hem, dien Gij te 31 as sa op de proef hadt gesteld en die toen de proef doorstond, gingt Gij in het gericht, straftet hem, daar hij niet aan Uw bevel voldeed, bij de

ocr page 240

DEUTERONOMIÜM XXXIII.

hadt, gingt Gij in het gericht bij de wateren van Merieba!

9 Die van zijnen vader en zijne moeder zeide; «Ik heb hem nooit gezienquot;; die zijne broeders niet erkende, van zijne zonen niet wist! Want zij traden als wachters op voor Uw woord,

10 en Uw verbond bewaken zij. Zij leeren Uwe rechtsvooor-schriften aan Jakob, Uwe leer aan Israël; zij leggen reukwerk voor Uwen neus, en geheel te verbranden offers op Uw altaar !

11 Zegen, o Eeuwige ! zijn vermogen, en het werk zijner handen moogt Gij begunstigen! Verpletter de lendenen van die tegen hem opstaan, en van zijne haters, dat zij nooit weer opstaan!quot; —

12Voor Benjamin zeide hij: «Lieveling des Eeuwigen, zal hij veilig wonen bij Hem; Hij beschermt hem eiken dag en

13 tusschen Zijne schouders woont hij.quot; — Voor Joseph zeide hij; «Gezegend door den Eeuwige is zijn land aan het kostelijkste van den hemel, met dauw, en aan de watermassa,

14 die diep beneden ligt; Eu aan het kostelijkste van voortbrengselen der zon, en aan het kostelijkste van wat de

15 maan doet botten; En aan het edelste der overoude bergen.

wateren van Merieha. Ibn 'Ezra en Siphré: dien Gij door tal van beproevingen (nos enkelvoud als verzamelwoord) op de proef hadt gesteld enz. Anderen vatten inanri op in den zin van; zijne zaak: voeren, cl': hehl hem strijd doen voeren, dus in voor Levie gunstigen zin,als woordspeling bij rcnn, evenals wdj bij non; dan zou alleen op het Ex. t. a. p. vermelde feit gedoeld zijn ; daar werd echter niet de naam ren» i», maar enkel nïn» aan de plaats gegeven (vgl. Onkelos).

9. Vgl. Ex. 32,27 en 29. Slaat het hier op Levie's houding bij het gouden kalf, waarbij de geheele stam aan God trouw bleef, dan moet men hier aan verwanten van moederszijde denken, of aannemen, dat, hoewel het gros zijn plicht deed, toch ook enkelen uit den slam Levie het kalf hadden gediend. — quot;jmss nni?. v. s. zij namen Uw woord. Uw wet in acht, wat echter ook met het gros des volks het geval geweest is, dat evenmin den afgod had gediend; anderen daarom: zij traden als wachters op voor Uw woord, door hun onversaagd optreden tegen de afgodendienaars. — m:i quot;[niiai, v. s. toekomende tijd in den zin van den verleden tijd; v. a. in letterlijken zin: en zoo zullen zij ook steeds bewaken Uiv verbond.

10. Daarvoor is Levie als leeraars- en priesterstam in Israël aangewezen. — 1ES2, v. s. = -pssa, vóór Uw aangezicht, de '3 = 'S; — v. a. in Uw neus, micp dan in den zin van; reuk van reukwerk, daar het reukwerk zelve niet in den neus gelegd wordt, maar op liet altaar; het is natuurlijk een van God gebruikte menschelijke uitdrukking. — Vw, brandoffer als hoofdtype der vooral voor God bestemde otl'ers, zooals voor menschenge-bruik bestemde hun type in vredeoffers vinden.

11. i^n. zijn vermogen, vee enz.; vt srsi, zijn veldarbeid; — v. a. als in. Vin ipiN (Ex. 18,21), zijne zedelijke kracht, ivr Srsi en zijn daad of: zijne offer-handeling, nxin, zult Gij begunstigen, of v. a. In den zin, waarin het bij offers term geworden is: in welgevallen aannemen. Hoewel Levie geen erfdeel kreeg, had hij toch privaat vermogen, hetzij door de door de Isra-

118

ocr page 241

aV ronari nxTi n»p

vn^i ah vaxV iókh : nana innnno

. . : ^ j . . lt;• T : quot;*IT ,T *.: -'quot; ' :

innrjs4 \im »3 w ah quot;i»in N1? vn^-nKi

i V t: * : it lt; ^ rttt -» VT^t ^ v : • • ■lt; TV v :

: liïr ^nnav

l^n nirr *ip2 : ^n2?pquot;^ ^3N3 nniü^ ^ jp^nb D :VK^QI ^nonpn VT^

oi'n-Va vSv «iah vbj; nün1? r^B', nin» in» quot;lóx

- t tt |lt;quot; *r r - ;v t Ij : * t : . •••; quot; t

nin* HDIDQ IÖN qDi^i D * : vans pi ^

V.t : v jv : - t |Jquot; : . •» ^ vt quot; : * Jquot;

njDOi : nnn nïnh Dinnoi VéD D^ty uao wm-1'

v ^v • - it vjv v. : * t • • - t v«v • a : -

Dquot;ip_nin stkiqi : nJSDi troty n*raivB

vlrtv •• ; - v,quot; r t; vjv •.%••• • vat -* :

clieten geschonken tienden of door wat zij als vrucht van eigen arbeid bespaarden, zoodat Mozes zeer goed stolïelijken zegen voor hen kon af-smeeken. — □■on» pe, verpletter wat de lendenen betreft-, de lendenen zijn de zetel van kracht en sterkte; vgl. Ps. C9,24; Job 40,16. — v«p, zijne, Levie's tegenstanders, die zich tegen zijn priesterambt verzetten; i'SJtw, en die op zijn hoog ambt naijverig zijn en hem daarom haten-, Luzzatio; zijne, Israels, tegenstanders en haters. Het geheele vers slaat dan op Israël. — j» vóór het vervoegde werkwoord komt alleen hier voor; vóór de onbepaalde wijs in denzelfden zin: van niet meer, zoodat niet meer, is het gewoon; bijv. Gen. 27,1.

12. quot;Vp. Zooals hij de lieuelingszoon zijns vaders was, zoo zal hij ook door God bemind wórden en veilig wonen, vSr, op Hem vertrouwend;

v. a. \hv ncaS - tSï ntsi;. — e)5n, waarvan fjn, haven, en |quot;|2ri. bedekking,

beteekent: bedekken, beschermen. Onderwerp is: God. — pc; vbm pni. en tusschen zijn schouders 7-iist Hij, v. s. God rust a. h. w. tussclien Benjamin's schouders, d. w. z. op de heuvelen in zijn gebied heeft Hij Zijnen tempel; v. a. en tusschen Zijn, Gods, schouders rust hij, Benjamin, als een kind aan zijns vaders borst. Wat de wisseling van onderwerp betreft, vgl. II Sam. 11,13.

13. 'H ri3quot;O0gt; van den 'n ro-a, Gods zegen voorzien. — Utttt, vanwege, door, tengevolge van, of v. a. aan, de stof, waaraan zich de zegen uit.— -un, ook Hoogl. 4,13 en 16, 7,14, beteekent: kostelijke vrucht; v. s. samenhangend met nirun (Gen. 24,53). - Dinnni enz. vgl. Gen. 49,25; v. s. = Dinn Tinni.

14. CDC asm u'at 'tquot;or den invloed der zon wordt voortgebracht; — dtvp üij, wat door de kracht der maan den grond wordt uitgedreven-, ofv. a. v-at eerst door verloop van maanden xcordt uitgedreven, lijfsvrucht van dieren.

15. CJOOI. v-s- = en van het kostelijkste «an toppen van overoude hergen-, v. a. en van het beste — als in rsi awa (Ex. 30,23) — van de overoude bergen, de wouden en slechts op bergen eu heuvelen groeiende planten.

ocr page 242

DEUTERONOMIÜM XXXIII.

16 en aan het kostelijkste der eeuwige heuvelen. En aan het kostelijkste van de aarde en wat haar vult, en het welgevallen van Hem, die in het doornenbosch troont! Het kome op het hoofd van Joseph, op den schedel van den gekroonde onder zijne broe-

17ders! De eerstgeborene van zijn stier, heerlijkheid heeft hij, en de horens van een reëm zijn zijne horens; daarmede stoot hij de volkeren weg, allen samen, naar de uiteinden der aarde; dat zijn de myriaden van Ephrajim, dat zijn de duizenden van Menasshé.quot;

18 Voor Zeboeloen zeide hij; ,/Verheug u, Zeboeloen ! bij uw

19 uitgaan, en gij, Jissachar! in uwe teuten. Volkeren roepen zij naar den berg, daar zullen zij offers van gerechtigheid slachten ; want den overvloed der zeeën zuigen zij en de ver-

20borgen schatten van het zand.quot; — Voor Gad zeide hij; «Gelooid zij Hij, die Gad ruime grenzen gaf! Als eene leeuwin ligt hij neder, verscheurt den arm, ja zelfs den schedel!

21 Hij zag voor zich uit naar het eerstelings-gebied, want daar is het veld van den wetgever, den verborgene. Hij was gekomen aan het hoofd des volks, gerechtigheid des Eeuwigen oefende hij en Zijne rechtsvoorschriften te samen met

16. nJD 'JSIT pjni- en 1iet welgevallen van God bovendien nog kome enz.; anderen = ps-oi en wel door den zegen, het welgevallen Gods kome deze zegen enz. — rüD ■'53», Die troont in het doornbosch, v. s. = de plaats, waar zich mij het brandende doornbosch vertoonde, of die zijn naam aan het doornbosch ontleent; de Sienai. De 'i van ijaü is de oude tweede-naamvals-uitgang, zooals in wus i» (Gen. 49,11); v.a. Die voor mij Zijn zetel vestigde. — nnsian, vrouwelijk soan, met dubbele 'n er achter (vgl. Jes. 5,19), o moge het, onzijdig in collectieven zin, al het genoemde, komen; v. a. vrouwelijk meervoud. — vrw th, zie Gen. 49,20.

17. quot;1133, de eerstgeborene van zijn werkos, d. w. z. hoewel een vredesstam, die zich aan landbouw wijdt, tóch is de krachtigste onder hem met majesteit en roem bekleed en heeft aanvalswapenen tot zijn beschikking. V. s. doelt dit op Josua, den eerste, die uit Josephs stam met een hoog ambt werd bekleed; v. a. op Ephrajim; n. a. meenen, dat onder nw 1133 eenvoudig ; de krachtige manschap uit den stam te verstaan is. — Over aso zie Num. 23,22. — p.xiDss, v. s. vierde naamval van richting; naar de einden der aarde, v. a. parallel met D'»r, volkeren, de einden dei-aarde, d. w. z. de verst verwijderden. — nir, allen te zamen. — om, dat zijn, met zulke kracht treden op de tienduizenden van Ephrajim en de duizenden van Menasshé, die, naar Jakobs woorden Gen. 48,19, minder talrijk zou zijn, dan Ephrajim.

18. Ook Gen. 49,13 is Zeboeloen vooropgesteld, evenzoo hier bij den hem en Jissachar omvattenden zegen. Ook daar is Zeboeloen als handels-stam en Jissachar als rustig thuis blijvende landbouwstam geschetst. Zoo ook hier; yis«, als gij uitgaat op handelsreizen, -pVriiC, in uwe tenten blijvend.

19. D^QV, vreemde volkeren, die in handelsverkeer met Zeboeloen en Jissachar Israël leeren kennen, zullen zij roepen, noodigen naar den berg Gods, niet den Thabor. maar den lateren tempelberg, die reeds door Izaks

119

ocr page 243

ib nman n«n

n3d jiïn n^oi -ijódi : ni^a quot;liodi quot;=

»v: l'r! ' . ' '■gt; 1 T 1 1 quot;•■ quot; .VV l :,T . i Vl^'

quot;nn nitr niD3 : vhk in: ip-ip?i adv bwi1? nnKian ^

■«tt : it v j' i i ^ ;l t; | •• •* : r t

bm pk-»dök nn» m:» ona viip dkt

•• ; i vat •• : - v.t; - j--: •) ^* vt t :l- ••;lt;•• ;l-;

ion r1?^^ d * : ntwo om onfik ninmn'

-r 1^ ,:•: tv v : •-= •••

wip'-in d»ajr : nacir»'! nnxva noi^ ^

t!:* - * . v t i : vt t •: |av •• : K\ : j- :

*mu 'jöiri ip:« ^atr ^ p-i^-»n3t inat» dt^

•• j : vquot; *•. : it* • ~ -«v -»* i vav •• : * •» ; ; * ^t

enm ?5tr na ■ni-d quot;iqk -i^i d : bin =

i j~ t : i quot; t ■j' t ; at quot;j'. i v.t - t jt : •

pfprp npbn i1? nti : npnp^n ^inr« -Dy vüa^ai n'tby nin» npiï xnn nao

^* vt t ; • t t t : !lt;-:• r •• -«t ••••- i a t

offering gewijd was. — pTi inar, o//ers van gereclüiglieid, in de God pevallige gezindheid gebracht, of v. a. welverdiende, God toekomende offers, dus dankoffers; dtot beteekent immers bij voorkeur: vredeoffers, waartoe ook het dankoffer behoort. — rsc, den toevloed, overvloed, der zeeën zuigen zij, door hun ligging aan de zeekust vloeit hun de rijkdom van ver verwijderde streken toe. — Sn ijiod ijsci, en de verborgen schatten van het zand, v. s. het fijne witte zand, waarvan glas gemaakt werd en dat in Zeboeloens gebied gevonden werd, voorts een soort tonijn en de blauwpurperslak; v. a. meer algemeen: de in den grond verborgen schatten, metalen en edelgesteenten, die over land hun werden aangebracht, of in hun gebied werden gevonden.

20. IJ DTHO im geloofd zij God, die Gad een wijd grondgebied gaf, v. s. omdat daardoor Mozes' graf in door Israël bewoond gebied kwam te liggen. Voor het beeld pc vgl. Gen. 49,9. — Waarschijnlijk

hadden zij een belangrijk aandeel aan de verovering van het gebied van Siechon en 'Og en slaat daarop tpnp jiit spm, arm, de strijdvoerende legerscharen, en schedel, de aanvoerders, heeft hij reeds verscheurd en ligt reeds nu rustig, zeker van zijn grondgebied, als een leeuwin.

21- iS rPtTJO NT1. het eerste veroverd gebied zucht hij voor zich uit (vgl. Gen. 22,8 en 1 Sam. 16,17) — jied ppna npSn, v. s. behoort het mannelijk jied bij ppn» en is de zin : vant daar is het stuk land van den wetgever, Mozes, den verborgene, die aan de oogen zijns volks is onttrokken = want daar is ook Mozes' grafstede. V. a. want daar is het ivet g ev er s d al, het land, dat de wetgever Mozes hem. Gad, aanwees, verborgen, bewaard ; of: dat hij, de wetgever. Gad, die bij de verovering een leidende rol speelde, als hem passend, zich had uitgezocht, hem bewaard-, n. a. want daarin, in de omstandigheid, dat hij in het Transjordaansche zijn gebied kreeg, ligt voor hem de leidersrol, het vorstendeel, verborgen, want daardoor werd hij verplicht als voorhoede des volks op te trekken en kreeg zoo om zijn dapperheid een beroemden naam. — sm = nnsii, hij kwam, trok op. aan het hoofd, als voorhoede des volks. — ncr 'n npTf, wat God als rechtvaardigheid eischt, volbracht hij, houdt zeker de door hem gegeven belofte. Wat Gad Num. 32,17; 21; en 22 heeft toegezegd, geldt hem als daad, die hij met profetischen blik reeds vervuld ziet. — l?ïn»gt; oy, in vereeniging met Israel.

ocr page 244

DEUTERONOMIUM XXXIII.

22 Israël.quot; — Voor Dan zeide hij : „Dan is een jonge leeuw, die

23 uit Bashan te voorschijn springt.quot; —Voor Naphthalie zeide hij: „Naphthalie is van welgevallen verzadigd, en vol van den zegen

24des Eeuwigen; westen en zuiden valt hem ten deel.quot; — Voor Asher zeide hij : „Meer gezegend dan de zonen zij Asher; hij worde de welgevalligste van zijne broederen, doopend zijnen voet

25 in olie! Uzer en koper zij uw grendel, en zoolang uwe levens-

26 dagen, uw rust. Niets gelijkt dezen God, Jeshoeroen! Hij berijdt den hemel tot uwe hulp, in Zijne hoogheid de wolken!

27 Woning is de God der oudheid, en van beneden eeuwige armen ; Hij verdrijft den vijand van voor uw aangezicht, en

28 zegt-. Verdelging! Zoo woont Israël veilig, alleen de wel van Jakob, in een land van koren en most; ook zijne

29 hemelen druppelen van dauw. Heil u, Israël! wie is u gelijk? Volk, bijgestaan door den Eeuwige, het schild uwer hulp, en Die het zwaard is van uw hoogheid; uwe vijanden zullen

22. pjp, een niet meer voorkomend woord, beteekent: te voorschijn springen. — joan p, uit Bashan, in welks oostelijk deel, dat rijk aan holen is, vele leeuwen huizen.

23. psi vol verzadigd door Gods welgevallen, zijn erfdeel is rijk aan allerlei vrucht, vol van Gods zegen, zoodat Dim Di, hoewel zijn gebied in het Noord-Oosten ligt, hij de voordeelen van Zuiden en Westen, warmte en zeekoelte, schijnt te vereenigen; v. a. hij Westen en Zuiden tot zich trekt. — rren' een onbepaalde wijs, als nbs» (Jes. 7,11): te erven; v. a. een gebiedende wijs: moogt gij erven!

24. a1»» im gezegend boven de andere zonen, of: gezegend door de zonen, of: i n zonen, met zonen gezegend. — wx 'lïi, v. s. die welgevallen vindt h ij zijne broeders, v. a. die Gode het meest welgevallig is van al zijne broeders. — iSji jnoa Sam, vgl. Gen. 49,20; een vruchtbaar land zal hij bezitten.

25. Ook veiligheid en rust om den rijkdom te genieten zal hem niet ontbreken. V. s. slaat reeds ons vers op gansch Israël, v. a. nog op Asher. De zin is in ieder geval: uw grendel, wat u afsluit, is ijzer en koper, v. s. de Libanon, die met zijn uitloopers onmiddellijk aan den Noordgrens van Asher raakt. Anderen: ijzer en koper is uw slot, d. w. z. vaste burchten hebt gij in uw gebied; n. a. me schoen is ijzer en koper en toch doopt gij uw voet in olie, die op uw gebied zoo hoog staat, dat hij om uw beenen vloeit. — -tsm fWi, v. s. en zoolang moe dagen duren, zij uwe rust, naar het Arabisch; v. a. ïot in verband met nn, uw zwakker worden in den ouderdom zij even gelukkig als uw levensdagen, of: in overeenstemming met, beantwoordende aan imen leeftijd.

26. SjO JVC- Geen is er, als de God Israëls, Jeshoeroen! daar Hij het

is. Die om u bij te slaan dw 331, den hemel berijdt als wagen, d. w. z. Zijne almacht oefent tot over den hemel. — quot;ptM, in uwe hulp = als uw Helper. — iniSJai, en in Zijn hoogheid, verheven macht, berijdt Hij D'pnt', de wolken-, den dichter bij de aarde zich bevindenden wolkenhemel. — heeft, zooals Gen. 1,1 en 8 blijkt, twee beteekenissen : 1°. den hemel, in tegenstelling tot do aarde, wat zich buiten de aarde en haren damp-

120

16

ocr page 245

b nman nxn op

: ïtyarnö par nnx lis \i IDS rnbi D * : ^quot;it^«

I it T quot; I • I vquot;~: *quot; : ~ j KT - T IJT:^ _ iquot; T: •

Dimi D* nin* nana N^OI riin vair ♦Vna: ION

^ V t : -gt;t at : •»- ; • vquot; t I r ^ ■*' : • t : - - t -•• t : - ;

vr quot;IITN D^aa Tina nD« nK'Nl?,i D : nty-i» ^

; lt;• : Aquot; t v.* T • I j T - t •quot;• T : t it:

: nwaï n^D^at ^jna nirn^ brna : iba-i ro^a babi vn« «

liv : T I V.VT ; |avquot;t : • v v. ; ^ j'.'^ ; - i ; - I v v.v - r- : t v

* : D^pntp in^ai ïj^a vm aah V^a psj» a^iK ^i^ao tyiri Dbiv n^hT nnnoi onp flbs4 nivo«

gt;quot; . :'quot;quot;T quot; VSTV ^ J,:, , quot; ro'. vlv ••Jquot;:

apv;, |^. iquot;j3 n^a ja^'i : -lütrn 'D ïpi?K : vöiy-eiN tyn^m rn rnx quot;

quot; t: • I v; - it . r v.t t ) - a • : I-«tt | '.v-*

ann-i^xi pD nin^a D^^jióa

kring bevindt; 2°. het uitspansel, de grens van dea dampkring der aarde en dezen zelve. Hier schijnt het in de eerste beteekenis te zijn gebruikt en moet onder D'pnc dan aan den dampkring gedacht worden. Sommigen verklaren imsjai, en trots Zijne verhevenheid leidt Hij ook den icolkenhemel-, hoewel hoog boven het aardsche verheven, bestuurt Hij de aardsche dingen.

27. njyo, evenzoo in den Mozaïschen Psalm 90,1: pr», woning, plaats voor al het bestaande, die het veilige toevlucht verleent, is Dip i.-iSn, God, Die van af het oudste verleden God is; v. a. de hemel, die is de woning v a n den God der oudheid. Naar onze vertaling is de zin ; God in den hemel is Israels beschermende woning, en van heneden, op aarde, is Hij eeuicige armen, die alles dragen. V. a. en eeuwige armen beneden, op aarde, beheerscht God, evenals naar deze opvatting het eerste versdeel, afhankelijk van aai. RAPPoroRT meent, dat met die ffrir rnr op de reuzen gezinspeeld wordt. — pci /lOS'i ,cn;pi zijn geen verleden, maar in zekeren zin tegenwoordige tijden. — noen is onbepaalde wijs, of tot Israël gerichte gebiedende wijs.

28. rit33gt; veilig, ongestoord. — tu, alleen, van de andere volkeren afgezonderd, die het niet vijandig durven naderen, of wier nabijheid het niet wenscht. — 3prgt; jij.1- de uit Jahohs wel voortgekomenen; v. a. behooren deze woorden bij het volgende : het oog van Jakob is gericht naar een land enz.; n. a. is Jakobs zeel gericht op een land enz., d. w. z. gaat van Jakob de levenwekkende waterbron uit, die het land maakt tot een land van koren en most — Sn pi' kan echter waarschijnlijk gebruikt worden in den zin van '2 pc of Sr pp, met de bijbeteekenia, dat Israël er nog niet woont, maar zijn streven erop gericht is. — tw t)N, zelfs zijn, Israëls, hemel, die zich boven het land welft, druppelt dame; vgl. Gen. 27,28.

29. yiTIJ, verleden tijd met verzwegen ics, of deelwoord voor

steeds bijgestaan — wso, en die is, hangt af van 'na. — -jnisj am, het zwaard, dat u 'hoogheid, macht, verleent. — lona'i, verloochenen zich, doen zich niet als uw vijanden voor, verbergen zich, omdat zij u niet durven weerstreven; of v. a. verloochenen zich, hun vroegere vijandschap, zweren die af, om in erkenning uwer hoogheid uw vrienden te worden. — wnwa Sr, op hunne hoogten, de door hen ingenomen hooge plaats, of v. a. hun vestingen. —

Ïnn,nn, zult gij treden, vol majesteit henen schrijden; of v. a. trappen. Vgl. )eut. 32,13.

ocr page 246

121 DEUTERONOMIUM XXXIII, XXXIV.

zich voor u verloochenen, en gij, op hunne hoogten zult gij treden !quot;

1 Mozes klom op, van de valleien van Moab, naar den berg Nebo, den top der Pisga, die tegenover Jerécho ligt; en de

2 Eeuwige liet hem het geheele land zien, Gil'ad tot Dan. En geheel Naphthalie, en het land Ephrajim en Menasshé, en het

3 geheele land Juda, tot de westerzee. En het zuiden, en de

4 vlakte, het dal van Jerécho, de palmenstad, tot Tso'ar. En de Eeuwige zeide tot hem : «Dit het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob toegezworen heb, zeggende ; Aan uw kroost zal ik het geven, — Ik heb het u met uwe oogen doen zien, doch

5 daarheen overtrekken zult gij niet.quot; Toen stierf daar Mozes, de dienaar des Eeuwigen, in het land Moab, naar het woord

0 des Eeuwigen. Hij begroef hem in het dal, in het land Moab, tegenover Beth-Pe'or; en niemand heeft zijn grafplaats ervaren

7 tot op dezen dag. En Mozes was honderd en twintig jaren oud, toen hij stierf; zijn oog was niet zwak geworden, en zijne

8 levenssappen waren niet geweken. De kinderen Israël beweenden Mozes in de valleien van Moab, dertig dagen; toen nu geëindigd

9 waren de dagen van het weenen, in rouw over Mozes; En Jehoshoea', de zoon van Noen, met den geest der wijsheid vervuld was; — want Mozes had zijne handen op hem gesteund; —

Hoofdstuk XXXIV. 1. njDSiti z'e Num. 21,20. — psn Sd ns, het geheele beloofde land, welks deelen vervolgens genoemd worden. — ns,

Gil'ad, het hoofddeel van het Transjordaansche land, p ir, lot Dan, een in het Noordelijk deel van het Transjordaansche-gebied gelegen stad, die ook Gen. 14,14 genoemd wordt en niet identiek is met de later ook Dan genoemde stad Lajish (Recht. 18,27).

2. Over het noemen der deelen naar de stammen, die ze eerst later in bezit zouden krijgen, vgl. Num. 34,19. — iSnsj ps is het Noordelijk deel, nüjffi onss yix, 'het middengedeelte, nu,Ti ps, het Zuidelijk deel van het eigenlijke, Cis-jordaansche Palaestina. — jnnsn dvt, lt;ie Westelijke zee-, ■nns, achter. Westelijk, staat ook Ps. 139,5 tegenover tnp, voor, het Oosten. Vgl. Deut. 11,24. Hij overzag dus die deelen over hun volle breedte tot aan de ten Westen gelegen Middellandsche zee.

3. SJUD; (zie Num. 13,17) eig. droogte, droog land, waar de middagzon gloeit, het Zuiden, is het zuidelijk deel van Juda, dat het karakter dei-steppe draagt en den overgang van de bebouwde streken tot de woestijn vormt — 133.1, is de Jordaanvallei, de strook vruchtbare vlakte langs den Jordaanoever (vgl. Gen. 13,10). — onnnn Tï inv, Jericho, de palmenstad, vgl. Recht. 1,16; 3,43; II Kron. 28,15. — lj)ï ir, tot Tso'ar, aan het Zuidelijkste uiteinde der Doode Zee.

5- Tl '3 /V' quot;i®* door ziekte of ouderdom, maar omdat God het omtrent hem had uitgesproken.

6. Hij, God, of: men hegroej hem-, doch dan ware het niet

wel begrijpelijk, dat niemand de plaats van zijn graf zou hebben gekend.— In den Thalmoed reeds (Baba Bathra 15a) loopen de meeningen uiteen over de vraag, wie de laatste acht verzen van den Pentateuch (5—12) zou

ocr page 247

lb ib nDquot;i2n HKTI top

n^ö^h D : nrw Tjquot;? ^2^x

^r1?^ naw nbsn trNi 6: -in-^K 2x10 nb^o

j..; ^v -: t: • - lt; ; j- v t lt; : r*

nsi : ?Tnjr n^^n-nx fiNn-^nx mrv in^3

i it - ^t: - v i v.)t t t v st : •• :-- a ••:

nnin» pti-ba HNI n^ai onax rnsi-nNi

t : i v-»v t •• : av - : * ^-; v | v jv v : • t : - t

quot;17 inT quot;óarrnNi. aain-nxi : pnnxn a;n iy_gt; Vixn nxr v^k nirv nöK'i : ononn ^

JV -I I VT T « T quot; ^ T ; V - -^l V-'Tp: quot;

™riK pnv!1? orn^V

nt^D Dib no'i : na^i Tmnrp

^ SV t ^ tt- i :iquot; j tv.t : I v •• s I ■•• • : V

♦:3 inn : nin» yby 2x10 pN3 ninpn^1 i^ap-nNV'N ^T-Kbi njgt;3 bio axio p«3 quot;Nb inb3 natr on^i n«o-p ntroi ; nrn oi^n nv'

a : . ^ T •,' S • :q ST quot; ' v v ,v quot; ^ quot; T-

ntyo-nN bKity* ^3 133^1 : n'nb DrxVi lyv nnnsquot;

■gt;•• v squot; t: • •• ; . ' quot; • quot; jt : ^t-:it

: ntro 73« *33 w ibm DV 3^10 n3nv3

iv vr* v.- : -»•• : : *-1 a j ~- :

vi»-nK n^o ,noDquot;,3 nQ3n nn ?ii-?3

v.tt v ■)•; ]j't r tit'-* •• t I I • r

hebben neergeschreven. Terwijl sommigen meenen, dat ook deze door Mozes op Goddelijk dictiiat zouden zijn opgeschreven, nemen anderen aan, dat God Josua na Mozes' dood deze verzen dicteerde. Ibn 'Ezra meent zelfs, dat het geheele laatste hoofdstuk door Josua zou zijn geschreven.— imap m, zijne grafplaats, evenals Gen. 35,20 en 47.30. — nrn Digt;n ir, zie Gen. 32,33.

7- nnS. frischheid, vocht. - rinS - IFlS; of v. a.= nnS, 'Ie frischheid

van het. oog, pr, dat vrouwelijk is; m. i. minder waarschijnlijk. Sommigen verklaren wr niet; zijn oog, maar: zijn uitzicht (vgl. Job. 17,7). Nog anderen meenen, dat de woorden op den toestand van Mozes' lijk doelen: de kleur niet veranderd, de vochten niet ontvloeiend.

8- IDa*1!, zij beweenden hem dertig dagen, evenals Aharon, Num. 20.29.— nc.'» bas 133 i»', de dagen van het weenen, de dagen der romo om Mozes; v. a. de dagen van het bewecningsrouwhedrijf, of; der routvbeiveening; de romo eindigde met die dertig dagen nog niet, alleen de olïicieelè beweeningstijd. — »rm enz Aerabaxel verklaart: en de dagen van rouw liet men ten einde gaan, alvorens op te trekken. Anderen: de rouw ginoten einde, want Josua werd vervuld enz. N. a. vatten dit deel van ons vers als voorzin bij het volgende op: toen de rouw geëindigd was, eerst toen werd Josua vervuld enz. en luisterden enz., of: toen de romo geëindigd was en Josua vervuld was, luisterden enz.-, een der beide 'l van vs. 9 opent in beide opvattingen den nazin.

9- nDDPI nn geest van pvactische wijsheid; vgl. Num. 27.18. Mozes'

ocr page 248

DEUTERONOMIUM XXXIV.

luisterden de kinderen Israels naar hem en deden, gelijk de

10 Eeuwige Mozes geboden had. Er stond echter onder Israël geen profeet meer op gelijk Mozes, dien de Eeuwige van aan-

11 gezicht tot aangezicht kende, Ten opzichte van al de teekens en wonderen, waartoe de Eeuwige hem gezonden had, ze in het land Egypte te doen, aan Pha'ro, aan al zijne dienaren

12 en geheel zijn land; En ten opzichte van geheel de sterke hand en van al de groote vreesverwekking, die Mozes volbracht had ten aanzien van geheel Israël.

handoplegging was niet de oorzaak zijner wijsheid, die immers juist hém tot Mozes' opvolger deed aanwijzen. Mozes had daardoor zijn ambt op Josua overgedragen, — bewijs genoeg, dat deze van geest van wijsheid vervuld was. — Desniettemin echter vs. 10 stond geen profeet meer op enz.

10. de Eeuwige kende, bijzonder onderscheidde, Sn D'JE DiJE, vgl. Ex. 33,11; niet; die Hem kende, den Eeuwige.

11. Geen profeet stond op als Mozes, met betrekking tot de teamleren enz. — nwrS inSü uw, om zoelke in het land Egypte te doen. God hem gezonden had, = 'n inSo onwr1? ws.

12 SlUD xnon, enkelvoud voor meervoud als collectief; vgl. voor de uitdrukking Deut. 4;34. Drie punten van vergelijking tusschen Mozes en andere proleten: de onmiddellijke Godsopenbaring, de in Egypte aan Phar'o en de zijnen verrichte teekenen en eindelijk de sterke hand, die zicli haar eigendom niet laat ontnemen en de vreesvenoekking, die bij eiken afval Gods macht doet vreezen, die Mozes gedurende de veertigjarige omzwerving voor de oogen van geheel Israël te bewijzen had als eigenschappen van den God, Die Israël zijne Thora had gegeven!

122

ocr page 249

ib nrnsn nKti aap

-m nirv niï quot;itywa vbx vVtr

V ^T : JT • jv -J I- ^ti-- •• T; • Iquot; : lt;t^quot; ^ ; ; •- at^t

ty-r «03 Dp-N^i : n^O'

^ -• t: v -: av ; v t :^ • :^ *4 ^ t It 1 ; iv

in^ im D'hfiisni nn^n-bDb : d^ö^k d^s ninquot; ^

t : lt;•••-: • : 1 - : T T : 1 • T v V* t T :

: v-Qir^i n^iöb onya r-ix2 ni'^1? nirv

1 :- t; ^ t : t; : - : -at: • | v-»v : v w ^ r :

ntbo ntr^ ntrx bnan Ki-ian nptnn i»n 31

•t t v -: at- ^t - v : Itt-;iquot; -»tquot; :

: 'rjr1?

Iquot; t : • T ••;

.prn

ri'tin * vxm ; JWD nu'cni D^cm nwa j^UTI o^ai IBD *pics disd v-nDi : ja'D O'niara jn T'DN ' }{'', ^nvciBi : ■jS ITJ' IS\S nann is Vr p» : po aaS S33 mis * 1quot;^ vpisi : ;»id pis T»J' n:i»N niL1' * fquot;3 avo • nraiNi onryi avo nittinom • n^atN'i wvhv mmnsn ■. J^D D^n:11 nas ND3i • nma ruaen n^am

- n^ani D^anxi nwa njan rcan minn ^3 D'piDEn didd

ns pnn 4« pi pnn nx vSr dïï'i * vsm : po D'nïaü nw nanil iw 1SDS1 : piD Ql1 sSi mas ^isti jï»S • T3 rvpcnsn Sa ibd» : Dionn nsi onvsn ijjS inn N3i * D^trni O'DNB minn S3 Sir nimnB |i3» ! T'jp Dmon hv -ION mos IN * nyt^m mxa B'Sc nminDm : piD mjn n^sj ^73x11

Q^tTI nwa U'C-* mswoi nmriB wcnsn ha jija isïb: : piD nüE: Sy

: PD ns '73 iDnn N'7 • nyrm

ocr page 250

-no

rrnamp;snn

.D'TST TBD1?

HAPHTAROTH

VOOR HET

BOEK DEÜTERONOMIUM.

ocr page 251
ocr page 252

LOFZEGGINGEN vóór en na de HAPHTARA.

Nadat de Wetsrol is opgerold en gesloten, zegt hij, die de IIaphtara zal voordragen, de volgende lofzegging;

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die goede profeten hebt uitverkoren en behagen hebt geschept in hunne woorden, die met waarheid werden uitgesproken; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die hebt uitverkoren de Leer en Uwen dienaar Mozes en Uw volk Israël en de profeten van waarheid en recht!

fBij de Purtugeesche Israëlieten wordt na de voordracht der Ilaphtara,

vóór de slotlof zeggingen, het volgende gezegd:

Onze Verlosser, de Eeuwige Tsebaoth is Zijn naam, de Heilige van Israël!)

En na de lezing der Ilaphtara zegt men:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld. Rots van alle eeuwigheid, rechtvaardig door alle geslachten, vertrouwbaar God, die zegt en ook doet, die spreekt en vervult, al Wiens woorden waarheid en rechtvaardigheid zijn. Vertrouwbaar zijt Gij, Eeuwige, onze God, en vertrouwbaar zijn Uwe woorden; en niet één van Uwe uitspraken keert ledig (onvervuld) terug, want een vertrouwbaar God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, God, die vertrouwbaar zijt in al Uwe woorden !

Ontferm U over Tsion, want het is het huis, waar wij (in waarheid) leven, en help spoedig in onze dagen [de stad], die bedroefd is van ziel; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Tsion zich doet verblijden in zijne kinderen.

Verblijd ons. Eeuwige, onze God ! door den profeet Elia, Uwen dienaar, en door het koningschap van het huis van David, Uwen gezalfde, moge hij spoedig komen en ons hart doen juichen ! Op zijnen troon zal dan geen vreemde meer zitten en andersdenkenden zullen niet weder zijne heerlijkheid deelachtig worden, want bij Uwen heiligen naam hebt Gij hem gezworen, dat zijn licht immer en eeuwig niet meer zal worden uitgebluscht; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van David !

Voor de Leer en voor den dienst en voor de profeten en voor dezen Shabbathdag, dien Gij, Eeuwige, onze God, ons gegeven hebt tot heiliging en tot rust, tot eer en tot roem, — voor dat alles danken wij U, Eeuwige, onze God, en zegenen U; Uw naam worde geloofd door den mond van al, wat leeft, gedurig immer en eeuwig; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt!

ocr page 253

rresnn no-a

Töson -\-\y -SSun nojitr nnxi -riTüsnn mnp amp

nna quot;iB'ts irri^ \| nnx

nnx rina Dnoxan cnnnma nïii anita

t - i t av v: iv t v:iv - •• ; • ; ^ jt t :

isy i-idj? nt^oai mins nman quot;

j.. . ; . jquot; t : • : '.' -*v ; t - lt;.•• - t;

: (piïm Nquot;J) pivi na«n

i viv - ; | viv t v.v •.•; it

nwinsn jiHisn onip mcsnn rs^ip ms isi1? omsDn jnsis)

o ziïip iüe' niN^ï mrv

iquot; t: * O- ft : v. t ; jt i •• -:

n'DSon ina1 mtaann rwcnp nnjci pnï , D^pVi^n-1?^ niï , obi^n quot; nnx Tjina

-lanpn / IOINH r^n bxri , nnnn-1?^

♦; Kin nnx |on: * pn^i nox vnarVif , d^qi ^ /Dpn iihk nnmn inx quot;la-ii /Tim D^OKJI

| t •• t t | ivt : • tv t t: i ivt ; * t v: v ;

: vinr^DS |ON3n bxn nn« 1113 * nnx jdn:

tt ; t : i t v: v - •• t ▼: t - | t t it i t v: v | v iv

jwin trs: ^ onn

: n^n3 ri»x nsira ,« nnx ri-na /iro^ ninöa

t ivt ; i • - iquot; - : ▼: t - | t iquot;t ; tquot; ; *

DI n»3 iizy « vnm

• t •• ; - : I iv; • t - it • •• : iquot; v; ▼: iquot; : *

i6 iNoa bv - laa1? Vn N;r mnoa

viquot; • iquot; * quot;t; t t •• : • I iv • :

üpn '3 ^n^STiK onnx i^nr ah] nr : quot;iii po V. Tquot;1? ' quot;ii? nap: /iV

/ run nr^n dv^i

• mNanbi nrnjobi n^np1? irn'Vx M nrut?

vit : • : t : t : • : t *-.1: • iquot; v: *: it t i- t v

^quot;12n* /TjniN Dppnrji wip quot;i^npK irn^N4 ^ ^ : ti^ü nnx ^13 • n^ön 'ÊD

ocr page 254

HAPHTAROTH.

HAPHTARA van DEBARIEM.

Jesaja 1,1—27.

1 Ziening van Jesha'jahoe, den zoon van Amots, die hij gezien heeft aangaande Juda en Jerusalem, in de dagen van 'Oezzijahoe,

2Jbtham, Achaz, Jeehizkijahoe, koningen van Juda: Hoort, gij hemelen ! en neig uw oor, gij aarde! want de Eeuwige heeft gesproken : „Kinderen heb Ik grootgebracht en eene hoogte

3 doen bereiken, doch zij zijn Mij oHtrouw geworden! Kent de os zijnen eigenaar, de ezel de krib van zijn heer, — Israël

4 kent niet. Mijn volk heeft zich geen inzicht verworven. Wee, zondigende natie, volk zwaar belast met zonde, zaad van slechtaards, kinderen, die hun levensweg verderven ! Zij hebben verlaten den Eeuwige, met hoon behandeld den Heilige Israels, hebben zich vervreemd, achterwaarts zich van Hem afwendend.

5 Waarom wilt gij nog steeds geslagen worden, steeds meer vermeerderen afvalligheid ? Ieder hoofd is reeds der krankheid

6 ten prooi, en ieder hart reeds door en door ziek! Van voetzool tot hoofd is er al geen gezonde plek meer aan, wond en buil en etterend ziektegezwel; zij zijn niet uitgedrukt, en niet

7 verbonden en geene wordt week gemaakt met olie. Uw land is eenzame woestenij geworden, uwe steden vuur-verbrand; uw bodem — vóór uwe oogen verteren vreemden hem, en hij is eenzame woestenij geworden, als door vreemden bewerkte te

8 gronde-richting. En de dochter van Tsion is overgebleven, als een hut in een wijngaard, als een nachtverblijf in een

{) augurkenveld, als een nauw ingesloten stad. Ware het niet, dat de Eeuwige Tsebaoth ons had overgelaten een ontkomen rest, hoe klein dan ook, — als Sedom waren we geworden,

10 met 'Amora zouden wij gelijk zijn! Hoort het woord des Eeuwigen, gij Sedom-vorsten; neigt uw oor naar de leering

11 van onzen God, gij 'Amora-volk! Waartoe Mij de veelheid uwer dieroffers ? zegt de Eeuwige, — zat ben Ik van brandoffers van rammen en vet van mestschapen; en bloed van varren en schapen en bokken — Ik heb er een weerzin van!—-

12 Wanneer gij komt om vóór Mijn aangezicht te verschijnen, wie heeft dit verlangd uit uwe hand, te vertreden Mijne

13 voorhoven ? Gaat niet voort te brengen ijdele meeloffers, verafschuwd reukwerk is het Mij ; nieuwemaansdag en Shabbath, het oproepen van bijeenroepingen, — Ik kan niet verdragen

14 gewelddaad en feestsamenkomst! Uwe nieuwemaansfeesten en verzamelingstijden haat Mijne ziel, zij zijn Mij tot last geworden;

15 Ik ben moede geworden ze te dragen! En als gij uwe handen uitbreidt, zal Ik Mijn oogen voor u verbergen, ook als gij nog zoo veel beden spreekt, hoor Ik niet; uwe handen zijn immers vol bloed!

IGWascht u, zuivert u, verwijdert de slechtheid uwer handelingen

125

ocr page 255

Dnm mcssn nap

's jtro nyvs

m nnin^b^ nrn iitk kidn-?2 riTn *

•• • 'at tl* t tt ■»•.*-: | tl v jt^z quot; : i quot;1

b^bt^ woe' : min» in^prn» THN Dni» =

• - t « : ' ^ it ; - ^ti*: • ; jt t ot st

oni ♦noom T6TI nai mn' »3 pij^ 'jnxni

^ : jt : \ : ' '• •:-•-• • t a- • ^.t : | v v • -«•-: i- :

wy yiquot; ab v^3 013« quot;Ham in:b uk' : »3j

V* T ■J •* T: • AT TT : J •• V. -:i- ••) ^ j-t r

D»j| D^np y^.pVT quot;123 NLin »13 i 'in : f^ann : quot;iinK iiT3 ^tni^ tri-ip-nx nin^nx I3TÏ; D^HB'Ö

i t jt V.quot; t^ • ji: v •) -:r t : v j :*ir a' • : -

: 33l7quot;l?3i ITNT^ mo lö^Din nip i3n nD-'?v ^

it - v.t quot; t : • 'rit -• t _ att ^ .) ■-, JV

nnü n3üi n^3m ono 13-pN ^KTnvi ^repo ^

at * : ■jt_ - vt ~ : jv : j | iquot; ^- : ..•lt;•.• | - •

D3np nnm D3Ïquot;IN : \mz n33n aï) win tói '

V.quot; •• it t t ; ^ i v it^ - v,t : •-. ^ : t *.. - :

nDQuh nnx d,1?3n onr D3i3jb oSnonN vu nis-ity

V,t t : t j* ; 1 -t v ;; v ; v : - : - t,quot; ■gt; •..:

n3i'?D3 D133 n3D3 Ti»rn3 mniii : onr nDanD3n

jt : * vat : jt.'•• : ' i. * ^ quot; jt : 1 : i*t j- :

n^nin nubï nin» : niivi tïd nB'p03c

v,-t ot j* t : -«t i •• ,t .: : ^t i; • ;

nin^-i3n ipoB' : iron niD^ ir^n DnD3 L:yD3,

-*•• • I; vt : ~ : j : * r t ^t -:i- -t -• ; • 'at: •

D3,n3Tquot;3n ^ na1? : nnoy op irnbx mm i:nKn Dno ^

... lt;• t-'t it t- vquot; v: J- •)• -; i- a :

ons om ownö 3^1 mp3iy nin»

s* t -: a* • : v-»quot; : v.* quot; -gt; • ^: •)-t t :

-'d '33 niNn1? iN3n »3 : mvan xb oninvi D^33i*

l\ att v^tiquot; t j* • : it t j v* ; •)* t :

Ni^quot;nn:ö NM3n is^óin K1? : nvn obn D3iso n^r E'p3 ^

:t quot; : . ' t \ j it** -: j : *.v :v • .) )jquot;*

«npD Nip n3B'i irin ^ x^n n3üin nntap

J~ 1 tI : ■ -»l: ^ t - : v« a- v,* -iT*- i vsh

quot;by vn nbs: n^jtr a3^Jr1o,) D3^nn : mvjn

v^t ^jt • : - jt ; it v •• -: i «v •• :t i v v.t

D3p dd'SS dd'cimi : negt;: 'n^N41?: n-iD1?«

•ivm : D^OI D3n» ytiw nban D-i'e

-: ,- ,.. T j' t vv ' rtquot; •-*•• •* ^t • : j : - r j-

na^ : pin ibnn 'rp usd D3^t?po pi n^on li-inquot;

J . . tquot;T • quot;t •• •••quot;•• • Kquot; quot; . •- quot; j •)• t

: njoSx Din» rion iii^n □sb'D ^11 30^

it t : - t -• : * 1 at j : - v,t : • j : • .)quot; quot;

17 van tegenover Mijne oogen ; houdt op slecht te handelen. Leert goed te doen, zoekt recht, brengt op het rechte pad den gewelddadige; oefent recht voor den wees, voert het geding der weduwe.

ocr page 256

HAPHTAROTH.

18 «Komt toch, opdat wij samen in het gericht tredenquot;, spreekt dan de Eeuwige; — «indien ook uwe zonden als karmozijn mochten wezen, als sneeuw zullen zij wit worden; als zij

19 rood zijn ala purper, als wol zullen zij zijn. Als gij inwil-

20 ligt en luistert, zult gij het goede des lands eten. Doch weigert gij en blijft weerspannig, dan zult gij door het zwaard verteerd worden, — want de mond des Eeuwigen heeft

21 gesproken. Hoe is tot overspelige geworden de trouwe veste; die eens vol was van recht, waar binnen rechtvaardigheid

22 placht te overnachten, — en nu — moordenaars! Uw zilver is tot slakken geworden ; uw zwelgdrank versneden met water.

23 Uwe vorsten zijn afvalligen en gezellen van dieven; in zijn geheel bemint het omkooping en jaagt betalingen na; voor den wees spreken zij geen recht, en het twistgeding der weduwe

24 komt niet tot hen. Daarom is het gezegde van den Heer, den Eeuwige Tsebaoth, den Machtige van Israël: «Wee, Ik zal Mij troost weten te vinden wegens Mijne benauwers en

25 Mij wreken op Mijne vijanden! En zal Mijne hand terug brengen over u en zuiveren als met louteringsloog uwe slakken

26 en zal verwijderen al uwe looddeelen. En Ik doe terugkeeren uwe rechters als in vroegeren tijd en uwe raadsheeren als in den beginne; daarna zal men u dan noemen ; stad der recht-

27 vaardigheid, vertrouwbare veste. Tsion zal door recht gelost worden en de tot haar terugkeerenden door gerechtigheid!quot;

HAPHTARA van WAËTHCHANNAN.

Jesaja 40,1—26.

2 1 «Troost, troost Mijn volk,quot; zal uw God zeggen. Spreekt tot het hart van Jerusalem en roept haar toe, dat haar diensttijd is verstreken, dat haar zonde is gezoend, dat zij ontvangen heeft uit de hand des Eeuwigen een dubbel deel als prijs voor

3 al hare misdaden. Een stemme roept; „In de woestijn, baant den weg des Eeuwigen ; maakt effen in de wildernis een pad,

4 stijgend tot onzen God!quot; leder dal zal verheven, en iedere berg en heuvel laag gemaakt worden; en het hobbelige zal

5 worden tot vlakke weg en de rotshoogten tot valleidiepte. En openbaren zal zich de heerlijkheid des Eeuwigen en alle vleesch zal zien te samen, dat de mond des Eeuwigen heeft gesproken.

6Een stemme zegt: ,/Roep!quot; — doch zij zeide ook, wat ik zou roepen : alle vleesch is gras en al zijn liefderijkheid als bloem

7 des velds. Droog wordt het gras, verwelken doet de bloem, zoodra de wind des Eeuwigen erover waait; — waarlijk, gras

8 is het volk! Droog wordt wel het gras, wel verwelkt de bloem, — doch het woord van onzen God blijft bestaan in

9 eeuwigheid ! Op hoogen berg klim op, boodschapster Tsion, — verhef met kracht uw stem, gij boodschapster Jerusalem; verhef haar zonder vreeze, — zeg tot de steden van Juda

126

ocr page 257

onm nquot;iL2ön i3p

3^3 DD'Nün vn^DN mn» iqn» nnDiii NnD1?quot;1

v jv - * t - lt;* •• it -: ; r • at : j- ; it ' ; jt # :

Dn^otri iDxn'DN : vrr quot;)0ï3 yVinD !l2,3l?, ^

fgt;\' : - : ^ • i ; i* vjv - vr ~ r : - • * : *

'3 tgt;2xr\ mn onnoi ^KDn-DNi : iboxn rnsjn am3

.)• ; •.. : •.•■••.• rtv • ; v. -:it ; * : ^ iquot; I v ^t t j

tin^d n:QN3 nnp nil?1? nn^n hd^s4 :131 nirr »3«

-gt;• -;iquot; ; at tv: iv vt :l * t : -•t : it t •• iquot; * vquot;*quot; :.

n^n TiaDa : üwvi nn^i na rV pnï

a* • ; -«tt |v.quot;: quot; r : - : jt^- : v,t i j* t i vjv t ; *

anNibs D^a nam onno nnty : D^aa bino nxnoquot;

j.. •.. -t- ; . * : 1 i y-t * it - j t kquot;:.t

Myah rvtibx nm Din» ci-i'n in'tb

^ T i ^T T ; ~ j' : : • i T a* : - Kquot; :

♦in niN2ï nin' rnxn DNJ TD1? : DH^N ^

lt; aquot; t : • quot;ï t : jt : i t it lt;\ ; » quot;#t iv •• -:

eihVNT n» ; ^INÜ nopsw nïD nnsx «

|j; v : )--^t 't t lt;* t : it : i •• v,t I :it • : -t • -•••tv

n:^«-i23 V^a'ir nrraw : n^nrVa m^DNi iaa

t -»• t : )• - : i t lt;* t : ) it • : t t v.' t ; I at • v ~

: ni^Ki nnp p-igt;*n yy Vj1? sn^. p-nnxn^nnaa -j^l : npnva n^aB'i man usvdi ri'S«

Iitt: • t v. •• t ; avt • -«t ; • ; I a *

pnnsi nquot;iL23n

.va—'s 'o jö'-D

bSirin» ab-bv nan : oa^nbs4 nox' lan: iDn3 *

— t i: lt;■• : quot; iv quot; i v: iquot; . A quot; i, -siquot; ^ -:i- 3

hnp1? 'a nliv nït: ^a nxav ns^o »3 n^s4 wipi

T I: IT *' AT I ^ ^T : ' j' T T : T ; IT lt;• T v •• J :l ' '.

133 nataa snip bip : n'nxtsn-Vaa D^aa nin» n'Dj

v, - T : • - •• i !■• T iv - T : \- : • T : •

xtiT k^rVa : wri^nh n^DQ nan^a n^ nin^ nm-1

•• t • v t iquot; iquot; ^ vt • : t t^: it : - at : | v-«v

invpa1? D^oaim -mb^ap^nnm^a^'n^aji nn-Vai

TtI: • v.- t riT; • ; I t iv -tt: at : • : ' : J' r:

: nan nin» »3 'a inn» iira^a ixm nin» niaa

iquot; • ^.t : j* •)• t : - tt t « t ; at : ^ -• ; v.t : * :

inon-bai Tïn Vtran-^a snps4 no msn snp nbN 'pip1

V : - t ; * t tt- t ^ ati: v -• r i.quot; t : t i: -••• • «

ia na^: nin' nn 'a rȕ ^a: n^vn ^a^ : nnirn r^a'

a t :-«t ^t : ~ j •)' i r'-'t * t «quot;t ivt - i j* :

Dip» nam bas *vïn ^a' : D^n n^n pN4 n

Ijt [,•• v: j- : I a- r'-'t v,- t j-r 'itt v.' t Ijquot; t

naa 'pnn ji»v nn^ap n'arnn : dSi^^ c

nnm» nvS noK ^Tn-bM 'onn ob^n^ m^ao nbiD

T ; •'••0T : • ; • • r • - * * T -AT T I : v^v - ; | ••

ocr page 258

HAPHTAROTH.

10 zie, uw God! Zie, de Heer, de Eeuwige God, als Sterke komt Hij, en Zijn arm oefent heerschappij voor Hem ; zie, zijn loon is

11 bij Hem en zijn werkloon vóór Zijn aangezicht! Gelijk een herder zal Zijne kudde Hij weiden, die in zijn arm lammetjes neemt en in zijn schoot ze draagt; de zoogenden langzaam

12 drijft. -— Wie heeft met zijn handholte de wateren gemeten en de ruimte des hemels vastgesteld met het span1) of met een derde [épha] den inhoud van het stof der aarde gemeten of gewogen in den weegschaal de bergen en heuvelen met een

13 schalenpaar ? Wie heeft geregeld den geest des Eeuwigen en

14 is de man, wien Hij Zijn raadslag bekend maakt? Met wien overlegde Hij, die Hem inzicht gaf en Hem leerde omtrent de baan des rechts; en Hem leerde kennis en den weg van in-

15zicht Hem deed kennen? Zie, de volkeren, als een droppel uit een emmer en als een stofje aan de weegschaal worden zij gerekend ; zie, eilanden neemt hij als een fijngemaakt stof-

16 deeltje weg ! En de Libanon ware niet genoeg als offerbrand-

17 hout, en zijn gedierte niet genoeg als brandoffer ! Alle volkeren zijn als niets tegenover Hem ; als deel van de nietigheid en

18 ledigheid worden zij bij Hem gerekend. Met wien wilt gij den Almachtige gelijkstellen, en welke gestalte naast Hem ter

19vergelijking plaatsen? Het beeld soms, dat de werkmeester gegoten heeft en de goudwerker met goud-plaat belegt en met

20 kettinkjes van zilver de zilversmid ? Wie karig moet zijn in zijne wijdingsgave, — een boomsoort, die niet verrot, kiest hij; een wijs werkman zoekt hij zich om een gevestigd beeld te

21 houwen, dat niet wankelt. Weet gij het dan niet? Hoort gij niet ? Is het niet van oudsher u medegedeeld ? Hebt gij dan

22geen inzicht gekregen in de grondvesten der aarde? Hij, die troont boven de welving der aarde, wier bewoners als sprinkhanen zijn ; die als een fijn doek den hemel heeft gespannen

23 en ze strekte als een tent ter bewoning; — Die staten-beheer-ders aan het niet-zijn prijsgeeft, de rechters op aarde als woest-

24heid doet worden; — Zij zijn nauwelijks nog geplant, nauwelijks nog gezaaid, terwijl nauwelijks hun stam wortel heeft geschoten in de aarde, — Hij blaast maar even tegen hen en zij verdorren en een stormwind draagt als stoppelen ze weg.

25 En met wien wilt gij Mij nu gelijkstellen, met wien Ik gelijk-

127

26 waardig zou zijn ? zegt de Heilige. Heft omhoog uwe oogen en ziet: wie heeft dezen geschapen ? Die in bepaald getal hunne schare naar buiten voert; hen allen roept Hij met name toe, — trots den overvloed van krachten en geweldige macht, wordt geen enkele er gemist 1quot;

') De ruimte, die men met duim en middelvinger bespannen kan.

ocr page 259

pnnKi mBön TDp

nbtro kü» pTna.niir nan : nan'

t ; j v : ^ t ljtt : * v: lt;t quot;» quot; ' } '** quot; 1 'quot; '

namp;y niv nyns : naV in^öi in« i-iD'ty nan i1? ^

•V ;• -» ;quot;V v : itt : v t^-.. : • t : «•• • a

nnö-'o : ^ni» Nty» ip'nai D^VL: rap» ivhra^

- t i* iquot; - : ^ t at • u •• : ^ \t : i •quot;'' quot;j : *

rixn quot;13^ ÏD) ran mn DVPI D*Ó iïvamp;2

i vat t -'- -; lt;• t - jt : i •• • v-iv- • - t : ^ • - ^:t :

nin' niTnn : d^tkos ni^aai onn ^

at : - ^ v ir* • # r ^ -it; i : \. t : • t v v - )lt;-t :

nixa rnsVi. yyi: ♦D-nx : ujw inïj; ty^V1 nö3b^|n na^ni; ni:inn ■j'ini n^n innaai 133^0^ Tih^ : pi3 DnK ?n wrn: d^tko pn^ai ^no'-

I t ; 1 • 1 j-- v.' * at ; v ^ I ' J- z • ; •

na: pK3 D^ian-ba : rhty n r« in'ni 1^3 n rx'1

a : v i * ; v.* ~ t it vquot; • t - ; a-t vquot; ' -gt;*•

mornDi bx |VDnn : iVia^na m'ni DSNO

ni^nni anj? e]iïi ^quot;in ^p: ^oan : iViD^n ^ ban ïynn nnn» apn^N1? nonn rsoon : fpiv tioa3

tt «tt at : • kquot; :• 1 i jquot; t : l-»t'.. : 1- ' . iquot;vquot;

WDirn NiVn \yin Nibn : DID* N1? bos ranS «

ti ' j -: ^ :iquot; ^ ^ 1 * -» v^v i t : |v- ;

: psn nnoio onia^n «iVn ddV mm nan «i^n

i # vit t^ V •• i •• j* quot;* quot;- rtV t v.quot; j' \ ^ ■) -:

piD ntaian D^ana n^^n pan ain--1?^ a^i'n ==

• - t i - «v quot; a- t -: iquot; t ^v ; 1: i v t t j -

nx »[23^ D»aTi-i rnian : bn^s onna'!»x »[23^ D»aTi-i rnian : bn^s onna'!»

iv •• : j i-at : v*:. «ir* - vit t v v, t r* t ; • -

p«3 e]« ijhrba t|K : nfc^ mna ^

: DN'^n irps n-i^oi itri»') bna waquot;Dai o^ra«

r v : iquot; t • ^ iJ— vt t : t •- v t l«- t - : 'at:*

ixn DD^a^ Dina-iNty : tri-ip nax» nv^i 'avann13

: lt;v •• 1quot; ^ t : iIt av: v ; ■ ^ : - :

ana «^p» Di^a ab^b DNDV naoaa N^ian n^N N-ia-*a

lt; •• tI: * -••• ; t *.. : at t : ^t : * ; .»* - v •• ^■,TT r

: quot;in^a ab na paxi D»aiK

ocr page 260

HAPHTARA TAN 'EKEB.

Jes. 49,14—26; 50,1—11; 51,1-3.

14 Tsion zeide : «De Eeuwige heeft mij verlaten; en mijn Heer

15 heeft mij vergeten !quot; Vergeet dan een vrouw haren zuigeling, om zich niet te ontfermen over het kind van haar schoot ?

16 Zouden zelfs dezen vergeten, dan vergeet Ik toch u niet. Zie, op de handvlakten heb Ik u gegrift; uwe muren staan tegen-

17 over Mijn aangezicht voortdurend. Haastig komen uwe zonen aan ; die u nederhaalden en verwoestten, trekken heen uit uw

18 midden. Hef op in het rond uw oogen en zie: allen verzamelen zich, komen aan naar u toe; zoo waar Ik leef, is de uitspraak des Eeuwigen, dat gij allen als sieraad u zult aan-

19 trekken en u er mede smukken als een bruid. Want uw puin-hoopen en uw eenzame woestenijen en het land uwer instortingen, voorwaar, nu wordt gij te nauw voor de bewoners en

20 ver weg zijn die u willen verslinden. Eens zullen nog zeggen ten uwen aanhoore de kinderen, die eens u waren ontroofd :

• ■;f;,Te eng is mij de plaats, schik me op, dat ik zitten kan!quot;

21 En gij zult zeggen in uw hart: «Wie heeft mij deze ter wereld gebracht, daar ik immers van kinderen beroofd en eenzaam was; in ballingschap gevoerd en vér verwijderd, — en deze, wie heeft ze grootgebracht ? Zie, ik, alleen was ik overge-

22 bleven ; deze, waar waren zij ? Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God ; Zie, Ik hef Mijne hand op tot natiën, en naar volkeren hef ik hoog Mijn banier; dan zullen zij huiswaarts brengen uwe zonen tegen hun borst geleund, en uwe dochters zullen

23 op den schouder gedragen worden. En koningen zullen uw voedstervaders zijn en hunne vorstinnen uwe zoogsters; het gelaat ter aarde zullen zij zich neerwerpen voor u en het stof van uwe voeten zullen zij likken ; en gij zult erkennen, dat Ik de Eeuwige ben, dat wie op Mij hopen niet teleurgesteld

24 worden. Wordt den machtigen held ooit buit ontnomen, of

25 wordt een krijgsgevangen schare als rechtvaardig gered ? Want zoo zegt de Eeuwige : Ook de krijgsgevangene van den held wordt hem ontnomen en de buit van den overmachtige wordt gered ; want wie u bestrijdt, zal Ik bestrijden en uwe zonen

26 zal Ik helpen. En Ik zal uwe pijnigers hun eigen vleesch doen eten en, als ware het most, zullen zij van hun eigen bloed dronken worden en alle vleesch zal weten, dat Ik, de Eeuwige, uw Helper ben, en dat uw Verlosser is de Machtige van Jakob!

1 Zoo zegt de Eeuwige; ,/Waar is dan de scheidingsbrief van uwe moeder, die Ik zou hebben heengezonden ? Of wie van Mijne schuldeischers is het, wien Ik u zou hebben verkocht? Ziet, door uwe zonden zijt gij verkocht en door

128

2 uwe misdaden werd uw moeder heengezonden ! Waarom kwam Ik en was niemand aanwezig, riep Ik en antwoordde

17

DEUTERONOMIUM.

ocr page 261

spy niBfin nDp

.'j—'N ,!*quot;•gt;—'s '3 /iquot;3—T'1 t3quot;D [CD nw^

Hitn na^nn ; ♦in«i nin» ?I»Ï loxm ^ 2322

t • «- : • -: • it •• : v,t i- at : •-'-t'1; • v. * v -gt; quot;lü

ah ♦djki njni^n n^«-D2 n:n3-p on^ö

-gt; V* 't : t : - : • •.•-••• - at : • I v {•• -r* t

: T'on nii ^raln ^npn fn ;

3»3D 'Nty : quot;nao -n^nnoi quot;n^D^nü -rja linoquot;

^ lt;* t • : Iquot;quot; Mquot; • rv.- •-: I- I'J- :it: |-.stt ^ v. i m

D^D ^ nin»-DN4: ivap: oba vy»

T \ lt;• T : ^ : •-»T - |at IT J : I : • V.T •. • _ : ).-*:.

^hbtip) ^nbin »5 : nbsa Dn.^ni ^ibn nj^1

nïn nn^ ^ -jnoin pxi = : nnti'K4') ^-ni^a Dipsn ^quot;quot;iï quot;n'Sair ^3 Ti^Txa iw

t i** •• s j' r : Ktquot; j' - ^ ) • at •-. • .v,quot; : ) * -: t ; •gt; : i

n-no^Ji ^xi n^N-nx ,y-i1r 'D -linba moxi«

«st : - : vt : j -:i-^ v •• v • -it ^ ^) •• t : * ; :-•- t ;

rn nbs4,i rniDi i nVa

..^ ... . ;J- . . ^ i lt;.. ... J. ^ .. ... T . JT

'T D^ir-1?^ nan mrr »:rnN lÓNj-na : on na^ == «inr-b^ jvns ix^ni 'D3 onx □'•éx ^nip^rp bn^nn^i vni : n:N^3n »

nin» ri^Ti idhV n^-nnntr» px

t : ••• -: r : quot;T; a-- ; | v.quot; ; - j-01: r |t -: i- ; • | vv«

pnï ^quot;DKi nip^D quot;iiaao np'n : ♦lp ib^-n1? -ityx ^

I v quot; j : • ; -^ Ia^: - v. * * 'itI v quot; • Jquot; -:

rny nipbDi np* H3J nfn* nox i no-^ : na

I - Ij: - IT\ * «• ; - T : j- T -» • i- T •

: n^s-nxi nnx oix nnn^nxi iïw

I- IT )\-T V : -T J- IT^ ^1quot; •: V : A- T •

i^Tquot;! DÖquot;! D'Djrm ontya-nx n^io-nx ^n^xnv^

:it : • at ; • jt t v. ' i v : .tt : v )•quot; v «• : - -j i- :

i na : 3pJ;, TSK n^NJi n^t^ia hm* ^ J

h^n- r -: Kquot;-:i : ) •• • i T ; lt;•-i J- t T T

in n-nnbiy ddsk nmna isd nr ^ nin» iqn4

lt; t • : -^ • v : • lt; • : •.•-••• v j» t : j- t

ornao: DD^nïi^a rn i1? ddtik ^13D

... j - ; • ... .. | |- |«.. A Vv t •* * :j~ T V • J-

^nNtnp r'N 'nxi jrinp : Dsax nnbty -

VïnV na ♦a-px-DNi nnaa n» mïp nvpn njiy rxi

a- - : - v j' t r' • : ; • -t «t : Iit It-i v ^ I j» ;

niemand? Zou waarlijk tekort zijn Mijn hand voor bevrijding, of zou geen kracht in Mij zijn om te redden ?

ocr page 262

HAPHTAROTH.

Zie, bij Mijn dreigen maak Ik de zee droog, doe stroomen worden tot woestijn, zoodat hun visch gaat stinken door gebrek aan water

3 en sterft door den dorst! Ik bekleed den hemel met zwartheid en

4 maak een zak tot zijn kleed !quot; — De Heer, de Eeuwige God, heeft mij gegeven een leerlingen-tong om te weten op te richten den vermoeide door een woord ; Hij wekt eiken morgen, wekt Mij

5 het oor om te hooren gelijk leerlingen. De Heer, de Eeuwige God, opende Mij het oor en ik — ik was niet weerspannig;

6 terug ben ik niet geweken. Mijn rug gaf ik prijs aan die Mij wilden slaan, mijn kaken aan wie mij aan den baard wilden rukken ; mijn gelaat verborg ik niet voor smaadredenen en

7 speekselwerpen. Want mijn Heer, de Eeuwige God, zou mij helpen, daarom werd ik niet beschaamd ; daarom deed ik mijn aangezicht worden als de keisteen, want ik wist, dat ik niet

8 teleurgesteld zou worden. Nabij is Hij, die mij rechtvaardig verklaart — wie wil met mij twistgeding voeren ? laat ons samen gaan staan ! Wie is mijn tegenpartij in het recht ? hij

9 nadere tot mij ! Zie, mijn Heer, de Eeuwige God, staat mij bij, — wie is het, die mij als schuldig zou veroordeelen ? Zie,

10allen verslijten zij als een kleed, de mot verteert hen! Wie is onder u den Eeuwige vreezend, luisterend naar de stem van Zijn dienaar, die, ging hij ook in duisternissen, zonder dat er eenige lichtglans voor hem was, toch vertrouwde op den naam 11 des Eeuwigen en zich verliet op zijn God! Zie, gij allen stookt het vuuv op, omgordt u met brandpijlen ; gaat heen in den gloed van uw vuur en in de brandpijlen, die gijzelve hebt ontstoken! Van Mijne hand overkwam u dit; in bitter harte-leed zult gij nederliggen !

1 Hoort naar mij, gij, die gerechtigheid najaagt, die den Eeuwige zoekt; ziet heen naar de rots, waaruit gij zijt gehouwen,

2 en naar de uitgeholde groeve, waaruit gij zijt gestoken. Ziet terug naar uwen vader Abraham en naar Sara, die u zoude baren ; want als één enkele riep Ik hem en zegende hem en

Smaakte hem talrijk. Want getroost heeft de Eeuwige Tsion, heeft getroost al zijne puinhoopen, en deed zijn woestijn worden als 'Eden en zijne wildernis als een tuin des Eeuwigen ; blijdschap en vreugde wordt erin aangetroffen, dank en geluid van gezang!

129

ocr page 263

mtaön tDDp

bnj^i nrto nnn: d» annx ♦rnpa rn

t t : «- ; • t : * t : lt;• t t j* -: i- • t^:i- : |jquot;

Q'm pw) mmp : noï3 nbni d^o t^o ^

j' t i ^ *vquot; t j' ï ' it t - ^ t ; --ij....

njnV qh.iq1? ^ fn3 nin- »:nK : ddids ^

^bf1? |T^ ^ 1p333 -1^33 I yyT 13-1 Cj^-nK

Tinx 'nna xb r?^ ♦V-nna nin' »nK : oniaVsn

V t ^ • A t -• v.* 't : iv -quot; -it * v: ^lt;t -; r • -

ah «nbi crio1? ♦nn: : 'niiD: k1?1

j - t a- : i : v,*^ : • - : • j- t ••• • i ; j

ah p-1?^ nin^ ^nNi ; phi niabsD ♦mrion'

j kquot; * t si- • v: «t 1-^ i it v. • : • • : - ; •

: ri3N4 ^nxi ty'bv'ns 'nat? ri-^v ♦nD'js:

i •• -» ** it • t -1- - t • :«- i •• ^ • ^: at : •

'□a^a 7^3-»a -irr ma^j 'dk 3n'--,a 'pnïa 3iquot;)|5quot;

v' t : ^ jquot; -at t : jquot; • j't r I* •: - It

ID «in-^a ^nin* ^'-ik |ri : ^ d

ym nirr ay 033 'a : dVsk» ^ iïy -1533 bbs'

'••■ , t •• jquot;.: , ••• / lt;' iquot; : r :■ t ■■.

0^3 na3^ iS na: p^i own Tjbn 1 ipa 113^ Vips 1 isbnipnnTKa trx 'nip Dpbs |n : vnS«3 f^n nin^ n3vya17 03^ nKrnn^n n»a Drn^3 hipnsi dsW tins

(,t ••^-;i- ^ v t t : it * t • V r i • ; v : v - :

■quot;?« nin» ^psa piï ♦a-ih i^aiy : pss^n ^ prnsN^N ia»3n : orcip: nis nspa-VKi onsïn tiï = !!n3quot;i3Ni vnx-ip nnK_,3 DS^inn m^-^i d^ss^

^ vquot; ;it-:i- t) ■•r •-• r av ; v i : ^tt v ; v • -:

msna n^nhin-bs bn: ri'ï nin» onr^s :nsquot;i«v

tt : • _ vlt;t- tv :t t - • I • t ; - • r iquot; : - :

min ns ^tïa, nnat^i riw nin^-ns nnsivt ?-ir3

vr t •• jt • t : * ; 1 * t ivr : I - : ^t t ; I v^* :

ocr page 264

HAPHTARA van RE-ÉH.

Jes. 54,11—17; 55,1-5.

(Is dien Shahbath Nieuwemaansfeest, dan wordt, naar den Hoogduitschen ritus, '{iD3 D^ptrn gelezen, terwijl dan de onderstaande Haphtara op Shabhath Kie Thétsé na de voor dien dag bestemde Haphtara nog wordt voorgedragen.

Volgens den Portugeeschen ritus leest men in ieder geval de onderstaande Haphtara op Shabhath Re-éh, laat echter, indien het op Shabhath of Zondag Nieuwemaansfeest is, het eerste en laatste vers der voor ieder dier dagen bestemde Haphtara na het einde der onderstaande Haphtara volgen.)

11 Arme, stormgezweepte, niet getrooste ! Zie, Ik doe uwe stee-nen liggen in Poech ^ en maak u grondvesten van saffier;

12 En maak robijnen tot uwe vensters, en uwe poorten tot kar-13bonkels, en geheel uw gebied tot edelgesteente. En al uwe

kinderen tot leerlingen des Eeuwigen; en groot is de vrede 14 uwer kinderen. Door gerechtigheid zult gij bevestigd worden ; houd u verwijderd van vrees voor verdrukking, want gij hebt niet te vreezen, en van verschrikking, want zij zal u niet naderen. 15Zie, laat hij vreezen1) alleen, die van Mij afwijkt; wie ooit 16bij u verblijf hield, valt u bij3). — Zie, Ik heb geschapen den werkman, die het kolenvuur aanblaast en een voorwerp voortbrengt, voor het daarmee te verrichten werk geschikt; 17 en Ik heb ook geschapen den verderver om te vernielen. Elk wapentuig, dat tegen u gevormd wordt, zal geen geluk hebben en elke tong, die met u voor het gerecht komt, zult gij van schuld overtuigen ! Dit is het erfdeel van de dienaren Gods en het loon, dat hun rechtens toekomt van Mij, — is het gè-zegde des Eeuwigen.

1 Op, allen, die dorstig zijt, gaat naar het water ! en gij, die geen zilver hebt. — gaat, koopt in en eet; en gaat, koopt 2zonder zilver en zonder koopprijs wijn en melk! Waarom weegt gij zilver toe voor wat brood is, en uw moeite-loon voor wi'ei-verzadiging ? Wilt toch hooren naar Mij en geniet 3 het goede en laat zich aan vet verlustigen uwe ziel. Neigt uw oor en gaat tot Mij, luistert, opdat uw ziel leve; dan wil Ik voor u sluiten een eeuwig verbond ; de David toegezegde genadebewijzen, de vertrouwbaren. Zie, tot getuige voor volkeren heb Ik hem gegeven, tot vorst en gebieder der volkeren! 5 Zie, een volk, dat gij niet kent, zult gij roepen, en een volk, dat u niet kent, zal tot u snellen ; ter wille van den Eeuwige, uwen God, en voor den Heilige van Israël, daar Hij u glans heeft verleend !

130

1

) Anderen : wie rot tegen u samen ? aan u gaat hij te gronde.

ocr page 265

rwi maan

.'n-'s nquot;J /tquot;'-*'quot; T'3 nW3

mcEn ^omS D^tjscsn IN DO D^nBn Dvjacsn J'TBEO om vsi sin DSI) • n.si nüis» nmj nnvro nmn: n.s /s-sn ia 's mBBn nas it ,igt;sd3 D'»fn j« pin.si posi pws piiDisi m rD n 12 r p'oso omson px .'inn -in» j» imnnS nquot;t Sn os pi

r^iD 6:k nsn non: ah myb n»:v ^ ^

) V.' :quot; •* ) 'quot; T -: ) - I «• :- quot; TAT •-. -• I jt • ^ q

nnpK Tjn^Bn Tanp 'np'^i: on'öDS ^ «

DI1?^ nnquot;! nin* niab : f-jyarboi ^ p

nnnDDi ^Tn ptyjro ^pnn ^3i3n npnva :T:3^

T • : • • T • J • I V ^ •• -AT • KTT: • l'ITT

-\m nr^ ♦niNO dsn quot;iw na rn : a-ipn-NV »3»

KT • jt / A- Iquot; ^ . •) T ^ »-quot;• ^ '',Tquot;# ^,: ' ' 1 r f-

N'ïidi anö nsi ^quot;in 'nxna rDJN -p ; ^ wiy « p

j. T ... j,. . - .. T T * JTT • IT «quot;l • I * I T T

iïv n^ntyD ^«13 ^iNi in'^o1? ^ ^

lt;- • ; t Iquot; - : v,* : - * ^tt •)• it : Aquot; ^ :

nNT Lsaiys1? 'nnN-oipn rityi?-l?3,i n1?^» N1?

^ A* : ~ V,t : • - )^T I T I •) T T : T :^* quot;'9 '' quot;

NDr^ 'in : nin'-DK: 'nNö Dnp-iïi nirr nny n^n:« PU

•• T T lt; IT^ : •.. : v* * 'quot; -jtIT :• : ST ; ••: ^ - -:i-

liatr IDVI IVDKI ^ ^D3 quot;IB'NI D^S1? ^

: . j . ...,.,. . . lt; . f VAT v, • •quot; jquot; 'if • - - J :

-NiVa nDD-ibp^n ns1? : aVni n^nö eiDD-Nibs3

; |v v I: : * T,:T-j it T : I v* ï : | v r- i :

Ki'ja Dn1?

... - .. lt; T ^ ^ : • quot;AT: t ; ■• : vv^ '* ' vv

♦nm DDJTN Vtsn : javnmj

j. : ^ : • - • v : : t « - iv ; ; - I ••• v*— j-0*- ; • :

?n ; D^0N3n -in non nna dd1? nmDNi DDtyfia ■•

I-)quot; r t v;iv - t jquot;i - t j- : v t lt;t : : v : av : : -

jnn-K1? »13 |n : rmoi tu vrina d^din1? ^npbquot;! ^^Nnin» I^Q1?

: quot;nnNfi »3 'jint?»

|it-:iquot; r t : *

ocr page 266

131 HAPHTARA van SHOFETIEM.

Jesaja 51,12-23; 52,1—12.

\

12 Ik, Ik ben het. Die u troost; wie zijt gij, dat gij zoudt moeten vreezen voor een zwakken mensch, die sterven moet; voor een menschenkind, die als het gras prijsgegeven wordt?

13 En gij vergeten hebt den Eeuwige, uw Maker, Die spant den hemel en grondvest de aarde; en gij u angstig maakt gedurig, den geheelen dag voor de woede des verdrukkers; — en

14 waar is nu de woede des verdrukkers ? Spoedig wordt de gekromde van boeien ontdaan, en sterft niet weg voor het

15 graf en zijn brood ontbreekt hem niet. Want Ik ben de Eeuwige, uw God, Die de zee tot rust brengt, ook al bruischen

16 hare golven, — Eeuwige Tsebaoth is Zijn naam. En Ik legde Mijn woorden u in den mond en had u bedekt met de schaduw Mijner hand, om den hemel te planten en de aarde te grond-

17 vesten en tot Tsion te zeggen : Mijn volk zijt gij ! Word wakker, word wakker, sta op, Jerusalem! dat gedronken hebt uit de hand des Eeuwigen den beker van Zijn woede; de schaal van den beker der bezwijming hebt gij gedronken,

18 tot den laatsten druppel opgeslorpt! Geen is er, die haar leidt, van al de zonen, die zij gebaard heeft; en geen, die hare hand steunend vasthoudt, van al de kinderen, die zij heeft grootge-

19 bracht. Tweevoudig was het wat u overkwam; —wie zou een meevoelend woord tot u richten ? — verwoesting en verbrijzeling en honger en zwaard — wie ben ik, dat ik u troosten kon ?

20 Uwe zonen vielen in onmacht neder, liggen daar neer aan de hoeken van alle straten, als een woudos in het net; zij, die vol waren van de woede des Eeuwigen, van bedreiging van

21 uwen God. Daarom — hoor dit, gij arme en beschonkene,

22 maar niet door wijn ! Zoo zegt uw Heer, de Eeuwige, en uw God, Die het geding Zijns volks zal voeren : Zie, Ik neem uit uwe hand den beker der bezwijming, de schaal van den beker

23 van Mijne woede zult gij niet langer meer drinken. En Ik zal haar plaatsen in de hand uwer pijnigers, die tot uwe ziel zeiden: Buk u, dat wij over u heengaan ! zoodat gij uw rug deedt worden als de aarde en als straat voor wie er overheen schreden!

1 Waak op, waak op, bekleed u met uw macht, Tsion; kleed u in de kleederen van uwe heerlijkheid, Jerusalem, heilige

2 stad! Ontschud u van stof, sta op, zet u neder Jerusalem ; maak u los de boeien om uw hals, gevangene, dochter van

3 Tsion! Want zoo heeft de Eeuwige gezegd: //Om niet zijt gij

4 verkocht, en niet met geld zult gij gelost worden!quot; Want zoo heeft mijn Heer, de Eeuwige God, gezegd : „Naar Egypte is Mijn volk in den beginne afgedaald om daar als vreemdeling te verblijven; en Asshoer heeft zonder eenigen grond

5 het onderdrukt; En nu — wat heb Ik hier? — is de uitspraak des Eeuwigen — want Mijn volk is weggenomen

ocr page 267

ri ^quot;3-3'quot; jn jo'D

-raoi niQ^ ^12«Q 'Ni^ni r\n-gt;D oaonio Nin *

| v • t -» v: iquot; • ; r - : lt;quot; ' av : vi- ; ^ r it s* it

ip^D'B^nt3i3 ïfEty nin» ni^ni : jna; i^n DTN ^ pü -i^K3 p^QÏ1 npn ^öp Di»nquot;V| Ton inani pK niD^i nnsnb nno : p'ïsn non n^i n^nB'n'?^

j t i : - rtquot; T • ; Jquot; I r •• - j- -: : A' : - :

:1W tonr^1?^ m

n^ïai *pó3 n.nn : latr niKDï nin; ra nni^nn : nnK-»a^ ji'V1? quot;iü'1?! b'OB'

inon DirnK nin^ td nw quot;itrx d^ii» ^ip niiynn

a t -: J v : -»quot; * 4* t jv -: quot; t ■gt;: • I lt; '^ : t ; •

Vnaö ?♦« :rvvo nw nbj^nn Dia n^ap-nNquot;1

t • t jquot; - ; I ••lt; r t V' t •gt;t^quot; : ~ s ~ ~ I % •*

nan DW : n^na D^r^aD nTa pnnorKi m1?» n^a ^

T •• •«quot; ; Tl-- TT t • TT: I • -: r I lt;quot; : tatt^ \,'t

: TpnaK 'D annni a^nni lai^m -i#n n1? iw »o n»nilt;np

)iquot;-jr-t v^v - : vt t it t •.•■}•■• quot; : s - |at -«tv* 1* quot; r:'«

D^K^Dn noao Nina niïrr^a ^Nna laaK' ifibr quot;TJa3

^* •• ; i~ at : * -» : v T ^ : •) ; IT j i ••. I quot; T

nna^i n^^ nxT faquot;? : ^quot;n^K nn^a nin^npn

nan lèy an^ ^n^i nin» nÓN-na : |«tö k^i quot;n1? ♦non Dia nj^ap-nx nb^nn Dirnx quot;qTp 'nnpb noN-ntrx Ti'iio Ta Vrnotri : my nninty1? ♦a^Din»

^ ; it v -: I - t ^ • ; - : \ ^ : * * ^* t

: ona^ pn?! pKD ^p^ni niajni ^0:7 DSB'IT ^npNön naa ' ^ab p4ï ^a1? ni^ nijrs n^ann : NOÜI ni^ -ja-^a; ^DV NP »3 B'Ppn -n^ai^ n'iNiï nam 'innann Di?^^n, 'air ^oip

• ; ) •• T- Jquot;: i • : - : * .'^TT I: v,^: 'Ij ot TIquot;

n^Nan^paaNbiDnpaDaDjnnin; nosj na^a :|i^'naj Dty TaS na'^xna onxD nin* 'ion na 'a ■gt;

at j t v.t r t - -it ••gt;-:• • v: -t -: . - t lt; ■J'

npy^a nin*--DNa naquot;^-na nnjri : ip^ oaxa

)j~\ r t : \'. lt;t : li t •=: vjv ; v quot; :

NS 23

ocr page 268

HAPHTAROTH.

om niet; die het beheerschen, schreeuwen het uit: «Uitspraak des Eeuwigen is het!quot; — en voortdurend, den geheelen dag wordt 6 Mijn naam gehoond ! Daarom zal Mijn volk Mijn naam leeren kennen; daarom, op dien dag, dat Ik het ben, die spreekt: ? //Hier ben Ik!quot; Hoe schoon zijn op de bergen de voeten van den heilsboodschap-brenger, den vrede verkondigend, het goede als blijde boodschap brengend, heil aankondigend, zeggend tot STsion; //Uw God heerscht weer als Koning!quot; Hoor de stem uwer zieners ! zij verheffen de stem, samen jubelen zij ; want oog in oog zullen zij het zien, hoe de Eeuwige naar Tsion 9 terugkeert! Barst uit in jubelen samen, puinhoopen van Jeru-lOsalem; want de Eeuwige troost Tsion, lost Jerusalem ! Ontbloot heeft de Eeuwige Zijn heiligen arm vóór de oogen der volkeren; en alle uiteinden der aarde aanschouwen het van onzen God 11 uitgaande heil. Wijkt, wijkt, gaat heen van daar; onrein!

raakt het niet aan ! gaat heen uit zijn midden, zuivert u, gij 12dragers der voorwerpen des Eeuwigen! Want niet in overhaasting zult gij uittrekken en niet als op de vlucht zult gij gaan; want vóór u gaat de Eeuwige en wie uw achterhoede vormt, is de God van Israël!

HAPHTARA van KIE THÉTSÉ.

Jesaja 54,1—10.

1 Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; barst uit in gejuich en galm uw blijdschap uit, gij, die nooit barensweeën hebt geleden ; — want talrijker worden de kinderen der eenzame, dan de kinderen der gehuwde, is het gezegde des

2 Eeuwigen. Maak breed de plaatsruimte uwer tent, en de gordijnen uwer woningen spanne men verder uit, houd niet terug; maak lang uwe touwen en uwe pinnen maak sterk !

3Want rechts en links zult gij u uitbreiden; en uw kroost zal volkeren in bezit nemen en verwoeste steden zullen zij bewoond

4 maken. Vrees niet, want gij zult in uwe verwachting niet beschaamd worden; en schaam u niet, want gij zult niet schaamrood worden; want de schande uwer jeugd zult gij vergeten en den smaad van uw weduwschap zult gij niet meer

5 gedenken. Want die u tot vrouw neemt, is uw Maker, de Eeuwige Tsebaoth is Zijn naam, en uw verlosser is de Heilige

6 Israels, God der geheele aarde wordt Hij genoemd. Want als eene verlaten vrouw, die bekommerd is van geest, heeft de Eeuwige, u geroepen; en, //vrouw der jongelingsjaren, zou zij

7 ooit versmaad worden?!quot; zegt uw God. Gedurende een klein oogenblik heb Ik u verlaten, doch met groote barmhartigheid

8 zal Ik u verzamelen. In stormvloed van toorn heb Ik Mijn aangezicht één oogenblik voor u verborgen, doch in eeuwige genade ontferm Ik Mij over u, zegt uw Verlosser, de Eeuwige.

9 Want als Noachswateren is dit Mij, waaromtrent Ik gezworen

132

ocr page 269

'kv DVn-ba Töni nin»-DK3 ibt^ö D3n 'oy J;

^* : v, - t r t -. t '. ••. i • •• : lt;t ; i at • V.* quot; -J.

Kinn DI»3 pb sm 'ÖJ? JDV : ^3p1 I jrotfö T^do ^31 onnn-bir iWa-no : »33n 13-ion'

- s- : - •• - : * t iv t - • 1quot; • iquot; -: 1-

: p'V1? 10K 2iü iss'aö

aifiiNT |^3 »3 133T nn» quot;71^ i«^3 ^ÖÏ nin» Dn3-»3 ni3quot;in nrv 1331 ^nxö : ri»ï nin»0

t : lt;- • i* att 1: ^ st t : quot; : - lt; : * » • * ^t. :

quot;73 iibipT ^i-irnx nin» t]^n : d^it 7K3 niD iiid : wrfw nyw* n« p«^Dö«_J?3 Wni y :nin^)3 W3n3nn3irip m «0^ ofp ii?V bs^a1? TjbiT^ pD^n ah ^013031 iNxn jiTans tih »3 ^

: ♦ri^K D3SDWwi nin»

,.. t . . j.. ... ^. . . - . t j

Nïn »3 n^itssn

•quot;-'s T'3 j^D n^Bquot;3

Q*3T*3 nbn-N1? ♦bnsi mi ma n-iV N1? nnpjr '31«

s* - r tt 1 •-:!-: lt;t • • : • tatt j itIt -: j t

DipD 1 ^♦nnn : nin» -id« nb^3 »330 nooit!'-»33 2

|j ; it : jquot; t ^t : : • lt;»t •* i •• :

^-hn^p pnijn ^nn-^K lts* ^ni33^p ni^n^i ^HK irnquot; DM3 Vpnn biKO^i ^nnn»')j

♦D^n-'jNi ^I3n : is^i» niaiy3 onyi ^

v.- : it • - ; • •• •* • s ' quot; ' v quot; : 1 ^ t !

Tj'nwpVN nanni 'ns^n nf 3 »3 n^ann ^7 »3

yp ni«3V nin; ^'^^^3 »3 : m^-nsTn n3vv nEtoP3 : nip' p«n-,73 tynp1

•)t st • ; r i-It* I v^t t t jquot; v: •• t; • -«1:

iün DKsn *3 Dn^3 n^Ni nirv ^njp nn : -]ï3^ D^-13 □,pn*i3i ^ri3T^ fb|5 ^3^13 : ^nbsï' Tj^pni obiy -ipnsquot;! Tjóp Vn ^

13^0 ^3^3 ib'N ^ n«r rii : nirv ^«3 quot;iok d

ocr page 270

HAPHTAROTH.

heb, dat geen Noachswateren meer over de aarde zullen komen,— zóó heb Ik gezworen, niet te toornen op u, noch tegen u te

10 dreigen. Want mogen bergen wijken en heuvelen wankelen — doch Mijne genade zal van U niet wijken en het verbond van Mijn vrede niet wankelen, zegt die Zich over u ontfermt, de Eeuwige.

(Indien wegens hel invallen van den Nieuicemaansdag de Haphtnra van Re-éh niet gelezen is, wordt deze, naar den Hoogduitschen ritus,

hier bijgevoegd; zie pag. 130).

HAPHTARA VAN KIE THABO.

Jesaja 60,1—22.

1 Sta op, word lichtend, want aangebroken is uw licht; en de heerlijkheid des Eeuwigen is over u begonnen te stralen.

2 Want zie, de duisternis moge bedekken de aarde, en dikke nevel de natiën; maar over u straalt de Eeuwige en Zijne

3 heerlijkheid zal over u zichtbaar worden. En volkeren zullen gaan in de richting naar uw licht en koningen naar den glans

4 van uw schijnsel. Hef op in 't rond uwe oogen en zie, allen hebben zij zich verzameld, komen tot u; uwe zonen komen huiswaarts uit de verte, en uwe dochters, op de zijde worden zij

5 als door voedsters gedragen ! Dan zult gij het zien en glanzen en rillen zal en tegelijk wijd worden uw hart; want omgekeerd wordt over u de goederenmassa der zee, de vermogensrijkdom

6 der volkeren, zij komen tot u. Gewemel van kameelen bedekt u, ezelsveulens van Midjan en 'Epha, allen uit Sheba komen zij ; goud en wierook dragen zij en lofprijzingen des Eeuwigen

7 boodschappen zij. Al het kleinvee van Kédar verzamelt zich tot u, rammen van Nebajoth dienen u ; bestijgen tot welgevallen Mijn altaar en het huis van Mijn heerlijkheid zal Ik doen

8 verheerlijken. Wie zijn dezen, die als een wolk vliegen ; en

9 als eene duif naar hunne nesthuisjes? — Want op Mij richten de eilanden hun verwachting en de Tharshiesh-schepen in de eerste rij ; om uwe zonen naar huis te brengen uit de verte, hun zilver en hun goud met hen : ter eere van den naam van den Eeuwige, uw God, van den Heilige van Israël, want Hij

10 verleent u heerlijken roem ! En zonen van het vreemde land zullen bouwen uw muren en hun koningen zullen u dienen ; want heb Ik in Mijn gramschap u geslagen, in Mijn welgevallen

11 erbarm Ik Mij over u ! En men zal open laten uwe poorten voortdurend, bij dag en bij nacht zullen zij niet gesloten worden; om tot u te brengen het vermogen der natiën en hunne koningen

12 als in triomf gevoerden ! Want de natie en het rijk, die u niet zullen dienen, zullen verloren gaan ; en de natiën zullen

13 geheel der verwoesting prijsgegeven worden. De heerlijkheid van den Libanon zal tot u gebracht worden, cypres, plataan

133

ocr page 271

«ïn '3 niüfln ibp

: -jr-njnpi -]^ e]ïj5p |3 ^ nr^a

quot;N1? rjnNO npm nrüian ni^asn'! bnnn '3' : nin» -noniQ u^n 'aiVtr nnm ww

it : kquot; -: r: j' t t -• • : lt;* : t

pni: ts /Pnn cxi mcsn rusn 's hv mïD n^r ma-n nmj os) (.ni»D rT,:r |N3 ciiDinS onwrsn

Nian '3 müfin

.3quot;3-'s 'D jo^D

rurr:) : mr ri^y nin» hddi tiiik «n_,3 ni« ♦Dips ^

lt;•• • r ^ itt^ j-j-^r V.T : j i \ isquot; jt v. * 3

^iln, nnr D'DN1? pN-no?; tj^nn na:1? -rniK1? D»IJ laVni. : ntlt;nv -n^ niapv

gt; V: i V* T 1 * i *quot; : ^ *VT ^ quot;» / T V

^:3 ^7;iN3 Iï3p3 Dv3 'N-ii -yyy 20D : quot;qn-jp nquot;in:i 'xm tn i moxn Tnim ,lKiJ, pinna ^

; : - T ; • ; • lt;t r,'\'r quot;Ï j' I *.quot; *• T I J Tiquot;

int D'i2 q[ pan -yty ^snr^ nnni insi

xyamp;üdiï ns'yi jnp nsa -]DDri Q'v'Qa

lip r^i'_t?3 : !nï^'2, nin* niVnm miaVi nnr ^l«^,'

tIquot; 1 lt; t ^ iquot; - : v,t : j ' z t • t ; i«lt;tt at

n^i viSTp pïr^ -hy^ ni^2 quot;VN ^7 iï3p;,

■VN nrsiyn 3^3 n^N-'Q : INSX ♦mttsnquot;

~ : t av ^ : -«tt v v,quot; ' iquot; t -: 1 - ; *

ni^Nquot;i3 V'E'm ni^Ni lip' Q,!,K I : Dn^nsiN0

T -•• T • :- lt;* quot;r;iT I -: J* * •Jquot;gt; * . ^ 'v quot; 1 *%quot;*

TribK nin' dhn D3nn D3D3 plrno Tp3 N^n1?

)• - v: jt : •• : at • v.t t; : - i tiquot; i quot; t lt;* t .

Dn^^Qi -rnbn n3r^3 uai : ^«3 '3 irnp'pv

vv •• ; - )• - 1 t •• iquot; ; lt; t i it-:iquot;^ r vquot; * gt;•;

innai : -pnpnn ^1^31 -j-n-sri 'aïps \3 ^

D'i: S'n ah nVbi dov Tan rpyiy

j.. j.- .. lt;• T : aquot; T * -J T T jt •)• T (quot;s't:

n,n3^,-Ni7 I^N nD^aani ♦ian-'3 : D^ini an,34?D,)3,

I v: ^1- r.* -: ot t : - - : s - r i* : V* quot; :

^1-13 Ni3' p:3bn quot;1133 : i3quot;in' 3;in ü^lani n3N' ^

.) : t ) j-•• i t ; - lt; : ^ itv:iv jt v.' ' s aquot;

:quot;i33s4,b3iDipai 'tinpa Dipa nsa1? inn* iwKni mm

,.. —. - \j . ti : • )-• : •• t : at : - v. ' : jt : •

en terebynth tezamen ; om te verheerlijken de plaats van Mijn heiligdom ; en de plaats van Mijn voeten doe Ik geëerd zijn.

ocr page 272

HAPHTAROTH.

14 En gebogen gaan tot u de zonen uwer harde verdrukkers en neerwerpen zullen zich voor de zolen uwer voeten allen, die u hoonden; en zij zullen u noemen : „Stad des Eeuwigen,

15 Tsion van den Heilige van Israël!quot; In plaats dat gij waart verlaten en gehaat, zoodat niemand er doortrok, zal ik u doen worden tot trots der wereld, tot verblijding van geslacht na

IC geslacht. En zult gij zuigen de melk der volkeren, en de borst van koningen zuigt gij ; en gij zult weten, dat Ik, de Eeuwige, het ben. Die u helpt en Die u verlost, is de Machtige van Jakob.

17 In plaats van het koper zal Ik goud doen komen en in plaats van het ijzer zal Ik zilver doen komen en in plaats van het hout koper en in plaats van steenen ijzer; en maak tot uw

18 ambt vrede en uwe aandrijvers gerechtigheid. Niet meer zal gehoord worden geweld in uw land, verwoesting en breuk binnen uw grenzen ; en gij zult noemen : „Heilquot; uwe muren en uwe

19 poorten; „Roem.quot; Niet meer zal voor u zijn de zon tot licht bij dag en tot glans zal de maan u niet haar licht doen schijnen; maar de Eeuwige zal u zijn tot eeuwig licht en uw

20 God tot uwe heerlijkheid. Niet meer ondergaan zal uw zon en uw maan zal zich niet terugtrekken ; want de Eeuwige zal u zijn tot eeuwig licht en voleindigd zijn de dagen van

21 uw rouw. En uw volk. zij allen zijn rechtvaardigen, voor eeuwig zullen zij het land erven; een sprietje, van Mijne plantingen, het werk Mijner handen, om Mij te verheerlijken.

22 De kleinste zal worden tot duizenden en de geringste tot een machtige natie; Ik, de Eeuwige, te zijner tijd zal Ik het verhaasten !

HAPHTARA van NITSABIEM.

Jesaja 61,10 cn 11; 62,1—12; 63,1—9.

(Ook indien het met Wajjélech te samen wordt gelezen.J

61 10 Verheugen wil ik mij in den Eeuwige, jubelen moge mijn

ziel in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met kleederen van hulpe, met den priestermantel der gerechtigheid mij omhuld ; gelijk een bruidegom, die als priester draagt het sierend hoofdhulsel, en gelijk een bruid, die, zich smukkend, haar bruids-

11 tooi aanlegt. Want gelijk de aarde haar gewas doet te voorschijn treden en gelijk de moestuin zijne zaden doet ontspruiten, zoo zal mijn Heer, de Eeuwige God, gerechtigheid en lof doen ontspruiten tegenover alle volkeren.

62 i Ter wille van Tsion zal ik niet zwijgen en ter wille van

Jerusalem mij niet rustig houden, voordat als de morgenglans zijn rechtvaardigheid te voorschijn treedt en zijn heil als een

2 fakkel brandt. En zien zullen volkeren uwe rechtvaardigheid en koningen uwe heerlijkheid ; en u een nieuwe naam genoemd zal

3 worden,dien de mond Gods zal bestemmen.En gij wordt een krans

134

ocr page 273

Nian »3 n^iüön ibp

niarby nnn^ni ^iyD »33 ninf labni ^ nnn : bint^ ïyinp ri'ï nin» quot;17 'rh innpi ^♦ïniö bï «

- s- iquot; t; • j»; i ^ • t : ■'' |t :Ilt;t: ) at-:i- : t

pjsn nair^ -jnvn gt;3 'pyn d'D^Q T^I oHa ripin : ini quot;inra

.)• •.' -n ) fgt;T • v.quot; t : j : • -•••-: :i;-t: ^ it J

«♦2N n^nan nnn : Tj^t^iQ nin^ rw ^

nnni nirn: vn nnm «102 ^nan nnni nnr

- J- : V ; • it -«- ; ) v v J' t V ; - - - lt;- ; tt

'iib : npny quot;n^ii di^ ^impa 'nafen Vna ^

1 iitt: i \- : 1 : t | •• ti ^ av ;- t^-:it

nNnp ^^333 -gah iv Don vm\ -ilxb : n^nn ^nbln ^

D^iy -IIK1? nin1 -n1? nwrfb m*n DDV

t ■• : t : )lt;t ^t,t : l'nt •*'t 1 quot;v^'t- quot; : t

Nquot;? TjnTi ny «13^-^ : ^rn^sn1? \imn : ^3« 'ö* lob^i quot;ilxS nin» '3«

)•■lt; : l1quot; V' ^1quot; 1 ^ : IT : T J : I 1 V!' - T : I J

nquot; wab IÏ: pK itrnquot; 371^7 Dpnï 093

1.-t jquot; *: i~ ^-t - vsquot; i vat . :j* ^ti quot; ''t ^

nin» diïv n^n* ?bpn : iNSann1? ==

: j' ~i a tquot; J : vT quot; i I v v t -»v; r I It- r* t ; * :

: n-it^nK nn^s

r iv • -» gt;t

maan

•'quot;---'« xa ,y-'* 3quot;D Kquot;D ja-'D nwa

.(lainua jgt;3 -nsus pa)

-n33 *3 ^rib«3 W03 nin»3 ^vtr« irit^

.... ._...«• - Iquot; • : - lt;•• t t Iquot; -»* t s

n^nn^nNSjnp^jnni b^o ypi

1 ?3 n-Oïn n^nr n333,i nnoï N*ïin '3 : n^3 ^

ij.. - rt- : - t iquot; v,t- : t. '• quot; ^ ■*■ i vtt ^ t ivquot;

fi'ï : D'trr1^ -133 n^nm npnv nirv '31««

i • lt;- ; i- - t •.\v t • ; Itt: - lt;• ; - • v: -:

npns ^333 Nvr*1^ ^ 1^? rquot;1 ^!?

-]Ti33 D'pbp-^DI TjpIV 3^ 1«^ : ^3' I^S nn^fquot;!3 mar nMm : ^)33p, nin* »3 niyt« t?nn DB' ^ «ipi3

vjv^-i o* t : iv I ▼;• ^t : ■»••• -: tt •*•' It tI«:

ocr page 274

HAPHTAROTH.

der heerlijkheid in des Eeuwigen hand; en een diadeem

4 van koningsmacht in de handpalm van uw God. Niet meer zal men van u zeggen : verlatene ! en van uw land zal men niet meer zeggen ; eenzame woestenij ! maar u zal men noemen : In wie Mijn welgevallen is ! en uw land : het in den echt genomene! Want de Eeuwige heeft weer behagen in u

5 en uw land wordt in huwelijk verbonden. Gelijk de jongeling eene maagd zich huwt, zullen uw kinderen zich als in huwelijk aan u verbinden; en gelijk de geluksvreugde van den bruidegom over de bruid zal uw God Zich over u ver-

G heugen. Over uwe muren, Jerusalem ! heb ik wachters aangesteld, den gansehen dag en geheel den nacht, altijd door, zullen zij niet zwijgen; o gij, die den Eeuwige in herinnering

7 brengt, geen rustig zwijgen zij u! En laat ook Hem geen rust door zwijgen, tot Hij vestigt en doet worden Jerusalem

8 tot voorwerp van lof op aarde ! Gezworen heeft de Eeuwige bij Zijne rechterhand en bij Zijn almachtigen arm, «dat Ik uw koren niet meer zal geven als spijze van uw vijanden en dat niet meer de zonen van het vreemde land uw most zullen

9 drinken, waarvoor gij u alle moeite hebt getroost! Maar wie het inzamelen, zullen het eten en loven den Eeuwige; en die het bijeenbrengen, zullen het drinken in de voorhoven van Mijn

10 heiligdom.quot; Gaat door, gaat door de poorten; baant den weg des volks; effent, effent het bergpad, ontdoet het vansteenen;

11 heft op den banier over de volkeren. Zie, de Eeuwige doet het vernemen tot het einde der aarde : Zegt tot de dochter van Tsion ; „Zie, uw heil is gekomen !quot; zie, zijn belooning is

12 met hem en zijn werkloon vóór hem. En men zal hen noemen: Het heilige vólk, de door den Eeuwige verlosten ; en u zal men noemen : Het gezochte, stad, die nooit meer verlaten wordt!

1 Wie is Deze daar. Die komt van Edom, schelkleurig van kleederen uit Botsra; Diezelfde prijkend in Zijn gewaad, wiegelend voortschrijdend in overvolheid van Zijn kracht! „Ik ben het. Die inquot; gerechtigheid spreekt, oneindig groot om te

2 helpen.quot; Waarom het rood aan uw gewaad en zijn uwe klee-

3 deren als wie treedt in de perskaip ? Den druiventak heb Ik uitgetreden, Ik alleen, want van de volkeren was geen man met Mij, daarom trad Ik hen in Mijn toorn en trapte hen in Mijn heete woede; mocht vrij spatten hun levenskracht op

4 Mijn kleederen! en mijne gewaden heb Ik bezoedeld. Want een dag van wraak was in Mijn hart; en het jaar voor Mijne

5 verlosten was gekomen. Nu zag Ik neder — en er was niemand, die helpen wilde; en Ik was verbaasd, dat niemand steunde ! toen hielp Mij Mijn arm — en Mijn gloeiende woede —

6 zij steunde Mij ! En ik trad neder volkeren in Mijn toorn en maakte hen dronken door Mijn gloeiende woede; en deed

135

ocr page 275

niüön nbp

: 'quot;^irepa f]mi nin^-ta n^an s ni^rj^anoü^ niy non^k1? tji'-ikbi niir^ ity rf? T : ^|n Tj^nNi ^3 nin» farra nbi^a t]™)] ni-^an nv»?-1?^ jnn t^i^pi -j^ tptyy n^ina nina * onp'f ^nnj^an D^IT ^nbn-^ : TJ^VK vy^ -vn nin'-nn bn^ran urn» n^n d^n-bs

t : v • • : - - a v:iv J v,* t t :r - t : s - t

-na d^-ijn ni2,quot;quot;i^ ft 'ö-i wnn-^ni : Q?h w

S* t : i •• : quot; a v.* *: -» : • - : iv t ▼;

quot;DN IT); yi'ini irp^a nin; y3Bgt;: : ptja nbnn D^IT quot; tj^n^nndr^a inf^dni ^dnd my ^rrin ]n« vïapoinin'-nn^m in^n» vsdno »3 ;13 nw

jt ; i - : at : v v. ;^r : •.. : i t : i- : «• i : ^vquot;t jv -:

•nti ua dny^3 113^ 113^ : ^np nmn3 gt;

'■•■■quot;•■ lquot;, ' T : : , l', ■■'T : : ^! '

: d^d^n-^jr d: lonn pno ibpo h^ddh ivd ivd oyn

•• it. - v.quot; ^ rt i v v quot; -• j : - t - 1-^ « ^ ^tt

nan 110« ^^p^n nin» nan ^

on4? ixipi : viöb inbpai irw 113^ nan «3 tivti'» =-

■)•• t ^ :Iit; ,t t : . v. ^ t : lt;•• • at )^quot;: •

: n3r^: n1? quot;17 n^in «ip» -nbi nln» ^tpn-oy

tit'vriv j 'V t^ ; ^quot;J*,lt • |t : at : ■»•• ; v| ^

1^13^3 quot;inn nr nnï3D Dna3 rion Dinxo K3 i nr-'ox

; • •* t v« t : t • 't ; i « -; v; iquot; -«t jv

Viio : 3quot;i np-ix3 quot;)3*id ♦jn ins 31*13 nvy =

- f : j* ktt : • jquot; - : •)• -: a j :

ns1? 1 nnia : nas ^-o ^13» dik * n 'nans DppiNi ^sks D3quot;inNi ♦nN t^'K-px b'p^oi ♦3v3 dpa dl' '3 : ♦rftiun ^13^-^31 nj3-^y bnïi ■gt;

a- • : ktt j r • -. it : v 1quot; : quot; t ; -t ; t : •

t|oid pki döin^ki nb m : nxs na^i ■■lt; ♦öns b»p^ disxi. : 'ansap *rn 'nani, 'iflivb p^inv Tpm 1 nin» non : onxa pt*1? quot;iniMi ♦nans ons^v n'±gt; 3ttr3m nin» la^aa-i^K Vs ^3 nin' nibnn

jquot; ; -: at : vt t ; v -1 j *- : t : ^ • ;

7 neerstroomen ter aarde hun levenskracht. — De genadebewijzen des Eeuwigen wil ik in herinnering brengen, den lof des Eeuwigen, gelijk past voor al wat de Eeuwige ons heeft bewezen; en de overvloedige goedheid voor het huis

ocr page 276

HAPHTAROTH.

Israels, die Hij hun bewezen heeft overeenkomstig Zijne barm-

8 hartigheid en Zijne overrijke genadebewijzen! Hij zeide namelijk : //Zij zijn immers toch Mijn volk, zonen, die niet meer

9de trouw zullen breken!quot; en Hij werd hun tot Helper! In al hun benauwing was het ook Hem eng en de Engel van Zijn aangezicht hielp hen, in Zijne liefde en in Zijne ontferming heeft Hij zelf hen verlost; en hief hen omhoog en droeg hen alle dagen der eeuwigheid !

HAPHTARA VAN WAJJÉLECH.

Hoshéa' 14,2—10; Joël 2,15—27.

(Wordt deze afdeelinq alleen (jelezen, dan is het altijd rDIC jyyffis zij met

Nitsabiem veretnigd, dan wordt de voorafgaande Haphtara voorgedragen.)

2 Keer terug, Israel! tot den Eeuwige, uwen God; want ge-

3 struikeld zijt gij door uwe zonde! Neemt met u woorden en keert terug tot den Eeuwige ; zegt tot Hem ; //Geheel en al wil vergeven de zonde en neem het goede aan ; en wij willen

4 betalen, als varren, ons lippengebed. Asshoer zal ons niet helpen, op paarden zullen wij niet rijden en niet meer zeggen: Onze God ! van het werk onzer handen; daar slechts bij U

5 erbarmen vindt de wees ! Dan zal Ik heelen hun afval, zal hen beminnen als vrijwillig geschenk; want Mijn toorn heeft

6 zich afgewend van hen. Ik zal zijn als dauw voor Israël, zoodat het opbloeit als een lelie en zijne wortels slaat als de

7 Libanon. Zijne zuigsprieten zullen ver uitgaan en als de olijfboom zal zijne heerlijkheid zijn en geur zal het hebben als

8 de Libanon. Terugkeeren, die in zijn schaduw wonen; zij zullen koren doen voortkomen en bloeien als de wijnstok;

9 welks roem zal zijn als wijn van den Libanon. Ephrajim, wat heb ik nog te maken met de afgoden ? Ik heb verhoord — en Ik zie het aan. Ik, als een groenende cypres, — van Mij

10uitgaande wordt uw vrucht steeds aangetroffen! Wie is wijs, zoodat hij deze dingen begrijpe — met inzicht begaafd, zoodat hij ze kent — dat rechtvaardig zijn de wegen des Eeuwigen en de gerechtigen gaan er op hun weg, misdadigen echter struikelen er op ! —

De Hoogduitsche Israëlieten vervolgen hier Joël 2,15; de Portugeezen voegen de verzen Miecha 7,18—20 lij.

15 Blaast den bazuin in Tsion, heiligt een vasten, roept samen-

16 komst op ! Verzamelt het volk, heiligt de vergadering, brengt bijeen ouden, verzamelt jonge kinderen en zuigelingen aan de moederborst; laat uittreden de bruidegom uit zijn binnenkamer

17 en de bruid uit haar bruidsvertrek! Tusschen de voorhalle

DEÜTERONOMIÜM, 18

136

ocr page 277

mtssn iVp

\t2ah : vnon vonna Dbornt^N Vni'b'» n

J f V quot; ITT -t j : V.T -: I-: jt r : v -i •• t : •

1 Dnnï-733 : on1? ♦nn npsy» ^ D^a nan b

stt.T T: ^ ,• : ^.-T J-: - : - v T T ••

D7N-1 «in in^Dnai inan^a Djr^in VJÖ TIKSDI quot;IÏ -

quot;T t : -■ I T : V ; j r -: i- : T ■ i t t | lt;- : - x -■ ^

: obiy DN'^n nStan

IT ^ jquot;: T v.quot; : --»•• : - ;i-

niLsan

.Tquot;S—VB '3 Sxr /-2 Tquot;» jO'D P^in3

ts nniEO WD-iEnrai .D^SSJ nuns So VVti VVff p'os» nnain» wnsnio)

i^pn v ™ 'D3 iS^d1 D^rai ^ Skib'1 naic qyi w Sxir1 naitr p omED.n .nSiyS 'oy nSi t nair

•(Dip Wti ir -[IDS Sjc 'O 3quot;nxi 03 iSra1 is

inpj : ^^3 rhvz »3 ^ribsï nin» n^ n^Kj = ^ V^K rm nin^-^x 131^1 Dh3i DDQV

lt;t • t t •• j : • at : v ^ : • t : v t *

»6 1 nwN : irna'^ ons noWii 3iè-nj5i un» n'^^ob lyn^N ni^ iDHya^ 3ii3 KV DID-1?];

^••t ■quot;' ~J : vquot; . *•*; * } ' J * T : * -» ~

'3 n3-i: D3n« oroitfo xanx ; Din* Dm» ^n-iK^

r AT T : V -j I TT-»: T : V it J : v -:

™ natril ma» bk'ïv^ ^3 n^nx : mn w 31^

h-: at- 1 - v- : * •• t; •: - - lt;v^: iv ,v - ^ - ~jr

nm min nn3 ^nn vhip:i» is1?» : ri33V3 vt^nty1

v. quot; -»••: A quot; J' ' T I : i .,.. ^ I T . - tit

p;3 i*i3T laas innsn |rj vrv iïvn quot;np] : pjs^sn laiitrNi 'my D^SÏ^V ^-.np onsK : iiis1? lt;= nbN jsn bsn 'ö : nïoj ^DÜ tyiquot;i33

D^fil D3 13^ D^nvi nïn. D^Tl 1132

: 03 )bvy

it : jt •

•'3 JO'D SNVD o'piDBn ISN oniaBNn ps'DW -[i insi

d^quot;1ÖD« : nnï^ iK-ip Diri^np. |1»V3 ifiii? i^pn« S ontr 'pain D'^ir iödk D*ipT iv3p \gt;np i^np

^ ' att jv.*quot; i : ^ 'ti : • • Iquot;; -« ; I • t It lt; :l-

,)33,n3TD,?i ü^ixn ra : nnsnü nb3i i'innö rnn

......... T T I *quot; IT T \lquot; VT - : : VIquot; I T T

ocr page 278

HAPHTAEOTH.

en het altaar mogen weenen de priesters, de dienaren des Eeuwigen; en Iaat zij zeggen : Spaar toch, Eeuwige! Uw volk en doe niet Uw erfdeel worden tot schande, dat natiën over hen heerschen ! Waarom zal men onder de volkeren zeggen:

18 „Waar is hun God ?quot; Dan ijvert de Eeuwige voor Zijn land

19 en ontfermt Zich over Zijn volk. En de Eeuwige antwoordt en zegt tot Zijn volk: «Zie, Ik zend u het koren en den most en de olie en gij zult u ermede verzadigen; en Ik zal u niet

20 meer tot schande doen worden orider de natiën. En den noordelijke zal Ik van u verwijderen en hem verstooten naar een land van dorheid en eenzame woestheid; — hem, wiens aangezicht is naar de oostelijke zee en wiens einde naar de westelijke zee — en zijn stank zal opstijgen en zijn rottings-lucht opkomen — want — hij heeft „groote dingenquot; volbracht!

21 Vrees niet, gij aardbodem! jubel en verblijd u, want de

22 Eeuwige heeft groote dingen volbracht! Vreest niet, dieren der velden, want gewas dragen de weideplaatsen in de steppe; want de boom draagt weer zijn vrucht, vijg en wijnstok

23 geven hun kracht. En gij, zonen van Tsion! jubelt en verheugt u in den Eeuwige, uw God, want Hij geeft u den leermeester tot gerechtigheid en liet voor u nederdalen regen, vroegen en

24 laten regen, in de eerste maand. En de schuren zullen vol worden van koren en de perskuipen overstroomen van most

25 en olie. En Ik zal u betalen de jaren, die de sprinkhaan, de Jélek, de Chasiel en de Gazam afgevreten hebben. Mijn groot

26 leger, dat Ik tegen u heb losgelaten. En gij zult eten, etende tot zat wordens, en zult loven den naam van den Eeuwige, uwen God, Die wonderbaar met u gehandeld heeft — en Mijn

27 volk zal niet tot schande worden in eeuwigheid. En gij zult tot de erkenning komen, dat Ik in het midden van Israël blijf en Ik, de Eeuwige, uw God beu en geen meer; en Mijn volk zal niet tot schande worden in eeuwigheid!

De Portugeesche Israëlieten laten op de plaats uit Hoshéa' 14 nog deze verzen (Mieclia 7,18—20) volgen:

18 Wie, Almachtige, is als Gij, zonde vergevend en over misdaad heenschrijdend voor de rest van Zijn erfdeel; Hij houdt niet voor eeuwig vast Zijn toorn, want behagen vindend aan

19 genade is Hij! Wederom zal Hij Zich over ons erbarmen, zal bedwingen onze zonden ; dan zult Gij in diepten der zee werpen

20 al hunne verkeerdheden. Gij zult Jakob waarheid. Abraham genade geven, die Gij onzen vaderen hebt toegezworen uit de dagen der oudheid!

137

ocr page 279

mLtön T-jp

rnn-VHi nirr noin nin» ♦n-ityD D^irün

i •• • - ; i v - - jt : r s : i ; at : :it : • -j j -

n»« aépn nöN' nab on'-i or^iya1? nöin1? ïinbn:

quot; r t 1 ' '' ' j t tlt; ' jt t : * t ; v : «| ; it -;i-

quot;IO^I nin^; \y[\: lajp# lïn»1? nin^ K3p;i: Dn^ri^K ^ Dnv^'fi inï'ni tfiTrirn fiin-nK bo1? nbp lay'? p^n-iK nisyn-nsi: q^iaa nsnn dddn irx =

b^n-^K vis-nt? nooB'i n#v vnmm DD^VÜ

t- v t.t v t t : quot;jt * i v-v v • : : v quot;^:iquot;

in:nï b^ni, pnKn labi. 'ibn^n

bnjn-^ ^ HQ-IN4 : nim^ »3 ^

j*: • i* • t : • -•• at t-: v.- : quot; i ^i- v.*; •

isna ni«2 iNiy-i »3 ntr niona : niün^ nin»quot;

at ; • quot;, : ^ : it j' quot; r j -:i- : r - i ^:i- •

^♦3 ri;s ^31 : oyn un: raji n:Nn ins kk^ quot;

lt;• I - ■••• : it •• j ;it I ..\vt jt •• : ;• -«t t | r

npnïb misn-nK DD1? rnr^ aS^ribK nin»3 inD^i

iatt: • v-* quot; v •)*•• t i jquot; t * vquot; i v; jt |- : • ;

ni2-ian IN^OI : ritrN-ia tyip^ai mia D^a oib nil»quot;!-»

v. ^t-r;- ^ : it i i -it k : - jv v •)quot;.* ... t •.•-•-

quot;DN DD1? : -inn EMTD o^p^n ip^m 13 «

. gt;v t * * * it : • : j • It: - ^ I gt;. •• : ^t

biian onm Vonni pb'n nsixn ^3« im D»iirn

t- • quot; att- ■*'^t iv : i vv,v- v : - it j- t v -: • t -

quot;nx nn^ni ptiw Dn^pNi : D33 »nn^ « ••By IB'3,-N1?,I «^sn1? D3a^ n^-ntrK nin» DB'

v quot; j quot; • : a* : - ; ^ t • jt x v -; v •• j ••: t : lt;••

D3»ribK nin» 3ip3 »3 Dn^Ti : Dbiy1?»

: qbl^b 'py Hj; pKi

•'5-nquot;' 't na'o

■*6 inVm nn«f V vpz-hy 13^1 mi ^103 ™ vzy i:onquot;i» : Nin non r3rp3 13N nt?1? pnnn ^

v : * ^ •* -: iquot;: ^ t i vv,v | r* t r - ^ t I «• v:iv

spinas;|nn :DDNtan'bsD* mbvas Tj^ni = : Dip 'a^a Dm3Nl? -ion

vhv •• r vquot; quot;quot;quot; t :j' : • v -j at t; - : v^v

ocr page 280

HAPHTARA van HA-AZIENOE.

II Sam. 22,1—51.

(Indien deze afdeelinq nd den Verzoendag qdezen wordt; anders is het nair nar en wordt de voorgaande Ilaphtara voorgedragen.)

1 David sprak ter eerc des Eeuwigen de woorden van dezen zang; op den dag, dat de Eeuwige hein gered had uit de hand

2 van al zijne vijanden en uit de hand van Shaoel. Hij zeide: Eeuwige, mijn rots en mijn bergvesting, en mijn bevrijder mij!

3 God, Die mijn rots zijt, bij Wien ik toevlucht zoek, mijn schild en horen van mijn heil, mijn hoogste toren en mijn toevlucht,

4 mijn Helper — uit geweld zult Gij mij steeds helpen ! Als onvolprezen roep ik den Eeuwige -— en uit de macht mijner

5vijanden word ik geholpen! Want — toen mij omvingen golfbrandingen des doods, stroomen van nietswaardig-worden

6 mij -verschrikten, — Banden des grafs mij omgaven, mij

7 wachtten valstrikken ten doode, — Als het mij dan eng was, riep ik den Eeuwige en tot mijn God riep ik ; en Hij hoorde van uit Zijn tempel mijn stem en mijn smeeken kwam in

8 Zijne ooren. Als sidderde en daverde de aarde, als grondvesten des hemels van schrik gaan schudden, — dan sidderen

9 zij, omdat bij Hem de toorn ontbrandt. Dam]) steeg op in Zijn neus en vuur uit Zijn mond verteert — kolen vlamden van

10 Hem uit. En Hij neigde den hemel en daalde neder en dikke

11 nevel onder Zijne voeten. En reed op den Keroeb en vloog

12 en werd zichtbaar op vleugelen des winds. En plaatste duisternis rondom Zich als bedekkingen, watervloeden, dichte

13 wolken-massa's. Tlit den glans tegenover Hem ontbranden

14 vuurkolen. Dan dondert de Eeuwige van uit den hemel en de

15 Allerhoogste laat Zijne stem vernemen. En Hij zond pijlen en

16 verstrooide ze; bliksem en bracht ze in verwarring. Toen werden zichtbaar de oorsprongen der zee, blootgelegd de grondvesten der menschenwereld; door het dreigen des Eeuwigen,

17 door den adem van den wind uit Zijn neus ! Hij zendt uit

18 den hooge en neemt mij, trekt mij uit machtige wateren. Hij redt mij van mijn vijand, hoe machtig dan ook, -— van mijn

19 haters, daar zij mij te krachtig waren. Waren zij mij afwachtend bereid op den dag van mijn ondergang — de Eeuwige was

20 mij tot steun. En voerde mij uit in wijde ruimte, maakte

21 mij vrij, omdat Hij behagen in mij schept. De Eeuwige bewijst mij goeds naar mijne gerechtigheid, gelijk de zuiver-

22 heid mijner handen vergeldt Hij mij. Want steeds heb ik in acht genomen de wegen des Eeuwigen en ben niet in boosheid

23 afgeweken van mijn God. Want al Zijne rechtsvoorschriften stonden vóór mij, en Zijne wetten — van geen enkele waarvan ik

24 ooit afweek. En ik was volmaakt voor Hem en nam mij in acht

138

ocr page 281

wmn müfin

.squot;;- 's 3quot;3 ja^D '3 ^10^3 nsic pi'bb» tx paifn naa Nin dn ps • nwio1? D'iissn oi' pan na» xin dn)

IK'31 NSI li- vpn i» rs,DTO .os iSrsquot;1 a^rai ^ Snic''

,Dip ln,0 ^ 1103 Sn ■'O p Dnuom ,obl^S '0^

(•l^i 's h-js W? D';n:3

nin» b^n ova min m^n nnrnx nin^ Sn im« 2D

jt : • • ; is - jt • - iquot;: • v t i- * t «••-;-

nin* wi: biNty ïiaoi ^ inx =

J' ; ~ ot : rt- - it |j- • : i t ]j- • •)

rnpi 13-nDnN4 niï rrmov

: ' i quot;l• • t rt v v:iv v jquot; v: | r * : quot; : ti^ ;

nin» mpK bvTiD : dohd 7^0 'dijüi ^d-'

at : jtI: v v.t •-. ; ' iquot; • i t iquot; quot;^ • 1 * : • - : •

^n: niö-natfö ♦JSSN ^

^ kt • ; r' -: iquot; vat ••: ; • * v.*-. t-: -1quot; t • vquot; s • quot;

: niD-^pb ':3D bixty : ♦anya^

,. v't .. i: 1 • v.-.. :l • -a-..- : jquot; : v # • r..«-ii-

♦nyiEh nip ibD^na snpK ♦ri,?N-t?Ki nin» «npx

^: * i t i»» •• : • ~ ati: v; v : t ; -rl; •-• «•

D'D^n niiDia pxn : vitks n 2:

v. :it : * - at : * hquot; t - j : i 1 ^ v t t : quot; quot; •lt;- t : • - it : t : .2^

nra d^hj vöö m) isns wy rby : ^ nnn-»3B n_

j ;it v,* tiv aquot; v.* • jquot; : - : i t quot;t «t't i t^t

: vbn nnn bfl-ijn D'DB' i:»,i : laaD'

- j- : • - it : - - j- vv t^n- a—— *vquot; t jquot;~ iv •

ni3D vnb^D wn m*) : m-nairbj? xin eiv,,i ana2'

a *•. ^t • : iv .) vjt- - i •• : - ^ ^tquot;- |*a t-

: B'N-'Vm 11^3 iu: njiD : D'pnir ^ D'OTnirn ^

,.. ••-:!- v, :it rt;v - v, * pi* t : Jquot; T %- -: -

D'^sn D'ïn nb^i : ibip rv^ nin» D^oiy-to DVquot;»,T

aquot; • ;- r j- : • - i i i jquot; * ' ^^ at : ''' 10

ri-ij;33 ban nnob vx d' 'p^x iNn'i : oann pna quot;= fc'

aquot; *• -* : i \.t* t iquot; j- -5 tlquot;quot; it- i ^tt u

WDft ^np» onaa : isk nn no^ao nin» ^

• j- • ■[,••:- ' aquot;! t • i.t * j~ z ' i - - j vquot; ; * * t :

^Dip* : ♦SÏÏÜ '2'NO : D'an ^

• v,s ï»quot;ï • iv • v : it * * : ^ * ^t v* ..........i• - c»

♦nk amab : ♦b r^t^D nin' »tk DI»3 3

* v,quot; : - ï ^t ; v - jquot; - r iat: 4t : s' ; - a* •• -» :

♦3 : ,l7 yw ngt; -i33 'nöitó nin» ♦jbor : '3 rsn-^ « 0.

i* J- T \gt;-T J : a- it ; • : v.t : jquot; : : • r | gt;•• t r ,33

IÜÖK'Ö-^ *3 : ♦rftND Nbi nin» wot^» g:

^t t : t r it •.•:iquot; ' . t j : at : — : - • :v- t sjquot;

nnanaw 6 D^on n^nxi : naao quot;iidk'n^ vnpm ^ ^

vt: - ; v it a v* t jv : iv t tiv • v t i vtI \ : a*:v ; ^

ocr page 282

HAPHTAROTH.

25 voor mijne zonde. Dus vergold de Eeuwige mij volgens mijn gerechtigheid, gelijk mijne zuiverheid, die tegenover Zijne

26 oogen is. Met den in liefde zich wijdende, geeft Gij u in genade; met den held, den volmaakte, toont Gij U volmaakt.

27 Tegen den zich reinigende, toont Gij U in reinheid en tegen den in kromming van levensweg blijvende toont Gij U vol

28 bochten. En een arm volk helpt gij en Uwe oogen richt Gij

29 neer op hoog verhevenen. Want Gij zijt mijn Licht, o Eeuwige;

30 en de Eeuwige doet helder worden mijn duisternis. Want door U verpletter ik troepen; door mijn God spring ik over

31 een muur. De Almachtige, Wiens weg volmaakt is; Het gezegde des Eeuwigen is gelouterd; Schild is Hij voor allen,

32 die bij Hem bescherming zoeken. Want wie is almachtig behalve de Eeuwige, en wie is een rots behalve onze God ?

33 De Almachtige, de vesting van mijn kracht, — en maakte in

34 volmaaktheid los van banden mijn levensweg. Hij doet mijne voeten worden als die van hinden en doet mij op mijne hoogten

35 staan. Hij leert mijne handen voor den oorlog en spannend

36 drukken koop'ren boog mijne armen neer. En gij schonkt mij het schild van Uw heil en dat Gij mij verhoort, maakt mij

37 groot. Gij maakt breed mijn schrede onder mij en mijne

38 enkels wankelen niet. Als ik mijn vijanden vervolg, dan verdelg ik hen en keer niet terug, tot ik ze vernietigd heb.

39 En ik vernietig hen en sloeg ze lam, zoodat ze niet weer

40 opstaan, en zij vielen onder mijne voeten. En Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; doet op de knieën zinken mijne tegen-

41 standers onder mij. En mijne vijanden deedt Gij mij den nek toekeeren, mijne onverzoenlijke haters, zoodat. ik ze deed ver-

42 stijven. Ze wenden zich her- en derwaarts — en er is geen

43 helper; tot den Eeuwige, maar Hij antwoordt hen niet. Ik wrijf ze fijn als het stof der aarde, als slijk der straten trap

44 ik ze dun en treed ze plat. Gij reddet mij uit de twisten van mijn volk, liet mij blijven tot hoofd van natiën; een volk, dat

45 ik niet gekend heb, wordt mij dienstbaar. Zonen van vreemde landen verloochenen hun vroegere vijandschap tegen mij ; op

46 wat hun oor verneemt, gehoorzamen zij vrijwillig mij. Zonen van vreemde landen verwelken, als zij zich omgorden uit

47 hun gesloten vestingen. Levend is de Eeuwige en gezegend

48mijn Rots, verheven de God, de Rots van mijn heil! De

Almachtige, Die mij voldoening verschaft; en volken onder mij

49 onderwerpt! En mij uit mijner vijanden macht uitvoert, — en boven mijn tegenstanders zult Gij mij verheffen, uit de macht van den man van gewelddaden zult Gij mij redden.

50 Daarom erken ik U, o Eeuwige! onder de volkeren en zing ik

51 ter eere van Uw naam. U, Die de Burg zijt van de hulpe van Uw koning, en Die genade bewijst aan (Jwen gezalfde, aan David en zijn kroost, tot in eeuwigheid ! —

139

ocr page 283

wmn nn^an übp

-DÏ; : vry mb nas 'npnva ^ nin» im : ^

^ it '•• vr.*: : a-I t : • ; v.' ot : vst- r ^iquot; ^

-□in mnn naro^ : oann D*on niaro^ nonnn n^on »

t 1ST T VT T ^ IT - • v.quot; T ^ AT - ; • V,* T

: D'DT^ jmin ^ D^-nxi: ^ann ™ nna rnK hdd ^ : ^tyn n^quot; ninn nirr n»: nnx-^ p

^ A: I jt v.T : !• : T - j-- V.T i- at : ^- •• jt - i* ^

nanv nin» max ü-n o^n : mjy-jv'-ix ♦ri,?N3 ^

t : t : «- ; • a : - J- t v,quot; t i v --:

Hï-'ainin» n^3Q '2 :13 D'bnn N^n no^

. AT : - • ^.. • j- 1 J- 1- v. ; 'j,'T

: i3quot;n D^n quot;in»i Vn ^«n : n^Vao ^

|. . - ^' T jquot;~- -.ST v.' 'T jquot; t iquot; ^v: jquot;^-:: - •

non^ab n» naba: ^rrajr ^arb^i ni^iO vban rnira t

AT T ; • - (.quot;T Jquot; - : • Iquot; • ^-:i- v~ T quot; : A T - IT V.quot; : quot; -»••-; ,17

Ü^?- li1.? : n^nrn^ nnaih __

naiquot;iK : ^oip nya ^nnn n^ï amn :

jt ; : v it •-. :lquot; it j : • a- ; - v -'quot; r :' *•••:- n7

Di'naKi D^aNi : Dnibm^ nv^N Di^aB'Ni ^

v,quot; t ; v:it jquot; —:it it - v t j ; Aquot; • ; -it : 1

vnon nan^a1? Vn ^iTm : ♦bji nnn ibsi naip* k^i »

j- : - at T : ■ - -v.quot; * -»••: — IT : - quot; J- v, ; • - I A | ; -« :

: nn^aïNi Wtra to ^ nnn : ♦jnnn ♦ap«»

1 : ' Iquot; • ; - : v.- : - : | v'a v.* t j- - : -• : • i- : - i.quot; It 2D

-□'aa pK-tajD DpnirNi : D:i? K1?I nin»-1?^ ^tra r'NV3

^ I* : I ••quot;T quot; :i~ Kquot;T : v ; ^,T^r ^ : vt : v ^ a* I -••• ;

'na^n ^na ^a^ani : d^ik niïin ^

quot;isa ^3 : ♦njrrN1? ay D'ia ^N-ib ™

a- -:i- : * v.t •• jquot; ; • r-. : -r -'i v.quot;t 1 j- • j;

: animaa ran by na: ^3 : ^ ivm* nx yiatf1?10

it ; : • * v.: ï ~^ * ^.t •• r* : r ^ : jt ' Iv ^ j i •

rnan ^ nv ^ri^N dti mv nin^n'

I gt;•• •• t T* : • j v.quot; v: --.t: a- I •,t V.t : - l

''apai n^a 'N'ïiai : ^nnn a^a^ nnai ^ nap:'

- It • at ; 1 •• v ' 1 - Iquot; : - ^ r a- ^ v. It:

D^3 nin» nniK p-1?^ : ^S^n D^oan ^Na ^aaim1

A- - V.t : : I Mquot; ^ * Iquot; * ~ ^ v.- T -: j......: -» :

in^a1? nDn~nmn la^a ntyw* nnja : natN na^i^ .

■) • ; • vsv v *1 : a : - ^ ; v.: • iquot;--: vl : * : ^

IT» n»

I 130

ocr page 284

140 HAPHTARA van WEZOTH HABBERACHA.

(Simchath Thora.)

Jos. 1,1—18.

1 Het was na den dood van Mozes, den dienaar des Eeuwigen, toen zeide de Eeuwige tot Jehoshoea', den zoon van Noen, den

2 bediende van Mozes, als volgt: ;;Mijn dienaar Mozes is nu gestorven ; welnu, op, trek dezen Jordaan over, gij en dit ge-heele volk, naar het land, dat Ik hun, den kinderen Israels,

3 geef. Iedere plaats, waarop de zool van uw voet treden zal,

4 geef Ik u, zooals Ik tot Mozes heb gesproken. Van de woestijn en dezen Libanon tot de groote rivier, de rivier de Euphraat, het geheele land der Chittieten, tot aan de groote zee, in de

5 richting naar zonsondergang, zal uw gebied zijn. Niemand zal vóór u zich staande houden alle dagen van uw leven; gelijk Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn ; Ik zal u niet

6zwak doen worden en u niet verlaten. Weest sterk en vast; want gij zult dit volk als erfdeel in bezit doen nemen het land, dat Ik hunnen vaderen toegezworen heb, hun te zullen

7 geven. Slechts wees sterk en vast in hoogste mate, om in acht te nemen te handelen gelijk de geheele leer, die Mijn dienaar Mozes u geboden heeft; wijk er niet van af rechts noch links, opdat gij wijs handelt in alles, waarop gij uw levens-

8 wandel richt. Niet zal wijken dit boek der leer van uw mond en denk er over bij dag en nacht, opdat gij inacht neemt te handelen naar al wat er in geschreven is ; want dan zult gij uwe wegen doen gelukken en dan zult gij verstandig handelen.

9 Ik heb u immers geboden; wees sterk en vast! — wees niet angstig en laat u niet verschrikken, want met u is de Eeuwige, uw God, in alles, waarop gij uw wandel richt!quot; —

(Hier eindigen de Portugeesche IsraëlietenJ.

10 Jehoshoea' gebood de beambten des volks, als volgt:

11 „Gaat door door het midden der legerplaats en gebiedt het volk als volgt; bereidt u teerkost; want binnen drie dagen trekt gij dezen Jordaan over om te komen in bezit nemen het land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft om het in bezit te

12 nemen.quot; Doch tot de Rubenieten en Gadieten en den halven stam der mannen van Menasshé zeide Jehoshoea', als volgt:

13 „Gedenk het woord, dat Mozes, de dienaar des Eeuwigen, u geboden heeft, als volgt: de Eeuwige, uw God, geeft u rust en

14 verleent u dit land. Uw vrouwen, uw kinderen en uw kudden zullen blijven wonen in het land, dat Mozes u gegeven heeft

ocr page 285

nman nwi nman Dp

|0iD

nin» iqns,I nin» izy ni^a mo nn« ♦nn« ^

^--»*.. ; v t : v lt;- at ; vquot;3v ^ gt;4quot;-:i- • ;-

nnjn no niro : innh n^Q mtro ïiha 3

t : r *• .jquot; • Vquot; -»••■*• : • * ', ^

i^n?Tquot;^n^D^'^^n^ni^nn--^'n^ ^ diP

■ei3 -innn ityN Dipo*^ : bK-iiJ^ ^ Dn1? fn:

Q i - is:* v -: It t i- t : • r* : * v.v t Uquot; it

-lananö : nira-bN imz vnn: dd1? 13

t : • -iquot; iv v • ;v.- • jv -:i- ft' - : quot;quot;• T r V : '• quot;

□♦nnn px ^'2 nnsnn: Vnan 1 nrn

^ • • 1- i •;■*'.• lt; t : - ; jt- -«tt - :i v- i t : ■quot; ;

ir'N nï'n'-K1?: n^n» Nino ^nan D»n-iri ^

jquot;' : • 1 iv : 1 ; ^v;r vat^- ^ : v.t- ^t - . •

N1? tid^ n^nK ntra'Dï? quot;1^x3 TTI W is ^^Ö1?

J Ir ^ jv : iv v • lt;• T v -; 1- i rtv - : v | ... t ;

D^n-ns4 ^njn nriK »3 föNi pjn : ?|3T^x-Kbi ^aiN ^ prn pi: on1? nnb aninN1? riNn-nx n?n»

I --5 I ^ - iv t jquot; t ^ v.t -:r . v- : * v -: ) vt t v v -

n^o niinri-^33 ni^b IKD ^ónji

quot;it^N Vds ^i'srn r^Q1? bixat^i ro» isao nion-bx nnv

^: .: . \*J.: r „ s 1 ..Tq ,,.. ^ T - *:

aov 13 n^m n^o nn minn nsotyio^ : ^riquot;

JT T lt;* T : I • * V - T - V • Tquot;i ......

n^ïn TN-'3 13 3in3n-,733 -ia^n n^1? nS^i

-,»•:- .)t • rt v. t^- ^ t ; :iquot; j : • i quot; - : t ; - t

p^ri-^ f ONi prn xibn : VSETI TNI ?|3iTTnNQ

: Ti^n ib'k V33 nin» ns^ »3 nnn-^Ni

I..... r.* -: v. : ] v •.•: -^t : I : ' lt;• at •• - ;

.Dmson D'O^DO INS ninan 3quot;ip31113^ : naN1? o^n n^-jiK v^in» irv

v-. 1— v|-»v: f/' 1 quot; ^TT 1 nv *• :

nviv 1 11^3 '3 mï DS1? las1? D^rrnK iiïi

v j : ^ : • .^tquot; vquot;t j* t ^ quot; *t t v lt;- ;

riNn-nK Ni3b nfn niTrns4 Dn3r onx o^a*

i vtt^ V V JV t t V- j .,.• ;----... . . ^, lt;v - • T

n-bi '^iNnbi : nn^nb D3^ rni oS^ribx nirr ibtlt; *

. T- ; • .. ,T . (T . .. V,v T i Jquot; V •• I v; JT : v -;

TIN 113T ; irnth vviïw nax n^an 02amp; vnbi *

T I •• - ;•-. ; jquot; T AV - : 1- ^*.•-quot;• v -n- :

niiT iaK1? nin,-i3j; n^a a3nx mï linn

lt;t ; a •• ^ t : v v jv •)'-' : v _ jt * v -: t t -

: r-iNtn psjn-nx as1? rn:i abb ma

I quot; I v JT T v T I J- T : V T - J- .. v .. 1 «;

ni^a osV |rn pK3 13^ GD^paimsu D3^: ^

ocr page 286

HAPHTAROTH.

aan de overzijde van den Jordaan; doch gij, gij zult gewapend overtrekken vóór uwe broeders uit, alle helden des

15 legers, en hun helpen. Tot de Eeuwige uwen broeders rust zal verschaffen, gelijk u, en ook zij in bezit zullen hebben genomen het land, dat de Eeuwige, uw God, hun geeft; — dan moogt gij terugkeeren naar het land van uw erfgoed en het in bezit nemen, dat Mozes, de dienaar des Eeuwigen, u gegeven

16 heeft, aan de zijde van den Jordaan naar zonsopgang.quot; Zij antwoordden Jehoshoea', zeggende : «Al wat gij ons geboden hebt, zullen wij doen en overal, waarheen gij ons zenden zult,

17 zullen wij gaan. Geheel gelijk wij naar Mozes geluisterd hebben, zullen wij naar u luisteren ; slechts moge de Eeuwige,

18 uw God, met u zijn, gelijk Hij met Mozes was ! Ieder, die tegen uw bevel weerspannig zal zijn en niet zal luisteren naar uwe woorden in al wat gij hem gebieden zult, zal gedood worden. Slechts — wees sterk en vast!quot;

Enn BWI naca tüöd1? nanp nVo nnxn quot;isb pk} nmo nSo

^ v lt; • ; •; : at v it ^t quot; i v v - ^t : t : • ^ v lt;

nn:o n^b : -inKn nn:Q

t : * v lt; i t ^ i •* t it v it • v.- t i v v - ■jt ; t : •

: nin'1? nrr: nn nby -inxn roiba

it i- - -j.. t r ^t v ^'t ^ vv.v - i v v - jr :

rvjrrii |»nrt is'? nVr |»nn

: r\wn wirh iB'ina ^Tn rb'v hnt rnn

^ ; it t - vquot; : t ; : t : v j- ^ ■* i at v^v - i •)• -

: i3D^ Tonn nVjrby nin^ -IHK

i ; • ; v- tiquot; •)• t - s~ at i- v.t - : ot v

Haphtara van Shabbath-Eosh Chodesh.

Jesaja 66,1—24.

1 Zoo zegt de Eeuwige: de hemel is Mijn troon en de aarde de bank Mijner voeten ! wat is 't dus voor een huis, dat gij voor Mijn Naam zoudt bouwen, en welke is de plaats, waar

2 Ik zou rusten ? Terwijl deze allen Mijne hand heeft gemaakt, waardoor deze allen ontstonden, — is het gezegde des Eeuwigen. Doch op dezen richt Ik Mijn blik; op den arme en den geslagene

3 van geest en die siddert op Mijn woord. Doch — die den stier [Mij ter eere] slacht, is [tegelijk] een mannenmoorder; die [Mij]

141

ocr page 287

nman n«n nntssn «op

niaaVa D^an na^nonNi |^»n n^a

dm ddmn1? i nin» ny : ddik om^i Vnn «

V t v •• -ii- jt ; - * t v -: it v.quot;# Jquot; quot;SIquot; * ~ quot;

Dn1? |n': nin^i^x p^n-nx nan-D?

□5^ |n: i im nniN □dhb'T p«S oroBn

■j-in rnra |ni4n 13^3 nin» i3jr. n^a «

\:rnvquot;quot;i^ quot;ia^

n^p^^N^a^ |3 ^3 :

-*\mwk-*72 : n^a-Q^ n'n n^3 w ^

v -: t iv • ;t t j\' -; i- | t | v v: lt;t :

nov ipn-iK'K bbb ^n3n-nx ya^V?'! ^rnK nna)

^nn nsirs quot;i^üöaV n*np

v'B-'D nquot;3 nmaa

nVo oa^an d^33quot;^^ ns^n bvsi

v s ' : • -1quot; :.lt;■gt;•• : t r* : j* t : iquot; ; t - - :

nsB' nSi? : 130:1. |a^3 nbi^s nnja

a : n3Dii n^arn nVr1?^

it : • : ^* t - nj~

b^ quot;ip3_,j3 ons ninquot;1? i3npn D3^n »^131

•- : Ilt;tt iquot;: t at 1- ^t j ): ' v •• ;r ^ quot; t:

n^rri: Da^an n^3^ 3^33 nnK 7^1

i^in n3ïy m^an

va- 's V'D JCD

piBS» pi .P2*2 Sno hha nn rsna 'amp;~\T1 CNT ricsn onms ps omsDn) (•HNT mcBn ^«2 Dou-r tod

n»3 nr^N4 D'm p^m 'KD3 dwh nin» im ri3N

■ - jv •• at : - -• -: 1 *«\t t : • : • quot;^quot; t..quot; t : -•quot; t c

VibK_1?3quot;nNi: ♦nniaa oipa nr^i ^-iwn quot;iitn =

-. T quot; t v : ^ r t I : k t jv •• : - : ■

-n3:i Ü'SK HT-VNI nin»-DN: nbN-73 m nn^

•• : • t v • - jv v : at : *.. : v v.quot; t j :r ~ T T Vr

nt^n roiT is',N_n3a ni^n Dniiy : n3Tl?y quot;nm mij

.. ... - .. 1 ■ t : - ^**T •

ocr page 288

HAPHTAROTH.

het lam offert, een hondenwurger; wie [Mij] een meeloffer brengt, zwijnenbloed [plengt hij voor de afgoden]; wie als herinnering wierook brandt, hij zegent tegelijk onrechtmatigheid [afgoden]; evenals zij verkoren hebben hunne wegen en

4 in hunne gruwelen hun ziel behagen had, — Zoo zal ook Ik verkiezen hen smadelijk te behandelen en hunne verschrikkingen zal Ik hun brengen; omdat Ik geroepen heb en niemand antwoordde. Ik gesproken heb en zij niet luisterden, maar zij bleven doen wat kwaad was in Mijne oogen, en waarin Ik

5 geen behagen schepte, kozen zij. Hoort het woord des Eeuwigen, gij, die siddert op Zijn woord! Uwe broeders, die u haten, die u verstooten, zeggen : «Ter wille van Mijn naam moge de Eeuwige Zijne heerlijkheid toonen, dat wij aanschouwen uwe

6 vreugde en dezen [wij] beschaamd worden!quot; Stem van gedreun uit de stad ! Stem uit den tempel! Stem des Eeuwigen, die ver-

7 gelding betaalt Zijnen vijanden! Vóór zij weeën voelt, heeft zij gebaard ; vóórdat smart over haar komt, heeft zij een knaapje

8 doen uittreden. Wie heeft dergelijks gehoord, wie zoodanigs gezien? Ontstaat onder weeën een land in één dag? Wordteen volk in één maal geboren ? Want bij de weeën heeft Tsion ook

9 reeds gebaard hare kinderen ! Zou Ik tot den barensstoel brengen en niet doen geboren worden, zegt de Eeuwige; zoude Ik,

10 die doe baren, den schoot sluiten ? zegt uw God. Verheugt u met Jerusalem en jubelt over haar, allen die haar bemint! Verblijdt u met haar in volle blijdschap, gij allen, die thans

11 over haar rouw bedrijft! Opdat gij kunt zuigen en u verzadigen aan de borst barer vertroostingen; opdat gij kunt slurpen en u te goed doen aan den prangenden overvloed barer

12heerlijkheid. Want zoo zegt de Eeuwige: Zie, Ik leid tot baar als een stroom den vrede en als een overvloeiende beek de heerlijkheid der volkeren, en die zult gij zuigen; op de

13 zijde zult gij gedragen worden en op knieën geliefkoosd. Als een man, dien zijne moeder troost, zoo troost Ik u en met

14 Jerusalem zult gij vertroost worden. Dan zult gij zien en zal uw hart zich verblijden en uwe beenderen zullen als het gewas bloeien ; dan wordt de hand Gods bekend aan Zijne dienaren,

15 terwijl Hij toornt met Zijne vijanden. Want zie, de Eeuwige— in vuur komt Hij, en als een dwarrelwind zijn Zijne wagens, om Zijn toorn te doen overgaan in ziedende gramschap en

16 Zijne bedreiging in vuurvlammen. Want met vuur houdt de Eeuwige gericht en met Zijn zwaard met alle vleeseh; zoodat talrijk zijn de door het zwaard des Eeuwigen doorboorden.

17 Die zich zeggen te heiligen en te reinigen met het oog op de [heilige, den afgoden gewijde] tuinen, achter één in het midden; maar die eten het vleeseh van zwijnen, onrein gewriemel en muizen; te zamen gaan zij te gronde, is het

142

ocr page 289

linn natr nn^an nop

pK mi2 ni-jb ^3TO nnn-m nmo nV^ü aVi eiiiy

• v at ) ••-»t ; vt : r : - • -: ~ .T : ' v v | r* •*

♦iN-Da: nvan D^ai Drrmna nna nsn-Dü ■gt;

. .. - ^ t i'^t JT : - v.v •• h • :^ •.•••:-; -:it t ••

n:i^p«vnNnp|^;_Dn^ K^K onniJOi on^na nnax 'nvan-xb -IBW^ wvz v~\n

•^: v.- t jv -: i- - •%. ; T « _ ^ rt-^ •

DD^nx iiok oninn nimzn wotr : nnaquot;

v •• -; : it (st : ^ --j i- t : - : : * it t

Dsnnoim nxquot;ni nin^ nas» DDHJO

v.v : quot; : * _ : jv : ■ : t : • • ; ^ i^-lt;- : v ••- ; v •• : i

D^p nirr Sip ba^no bip n^a Sip ; itra» onv mb San Nia' aniia nnS' S^nn Dquot;it:a : va^S Sioa'

^ v.t ^ •/.)•• J T # v^v ; t (stt v.* t VJV '. it : i ; v. :

psi Snvn nSxa nx-i nxfa vvv-^ : naT n^Sonin

i v v - lt;-: v •• t t t lt;• t jquot; t r itt x j' • * :

ri^* nnS,_Dii nSn-'-a nnN ora Ma nSvDK nrw Di^a

i -»t:it - t)t • (st v ^ ''JT' ' tv -» :

♦3trDK nin* noN» n^SiK KSI n^a^K ♦ixn : n^a-nw0

s* ■; at : -»■ v* J '• •)' i ~ j' ■: iquot; t iv t

IS^I DSirin^nK matr : TrnSx noN ^m^i n'Sian^

j- : • •gt;- t i: v s : • '' ITgt; v; J' .T * :^~ T :

: D'Saxnan-Sa triira nnw ww n^an^-Sa na

t iv t v,' ! quot; ï * quot; t t t * lt;* t av quot;j i t vt

□na^nni lïbn i^dS rronin n'^p onjratyi iprn |^oS ^ DiS^nnaa n^N-nDraan ninna^ma-'a :nniaa

t t t : t v ^ iv j* : i* t : t -» it t J' '

D^ana-S^i ix'^an nrS^ anpri ojia niaa ï]L31bgt; Snaai DaonaN bas* ra laonan isk ir^a : ^

v ; •.•j—: it I lt;•• (sv -;i- : ^ • jv -; • : it^iit ;

«B'na Da^nioïvi aaa^ ir^i ; lonan aS^n^ai ^

v -»v - v,v •• i : : v ; • jt : v • ; it ••. : t i •

-'a : va^Tix d^ti viaynK nin'-n» n^niai nannan10

it : 1 v \.~t : t t^-: v r : - : i : t : a~: •

las4 nana a^nS vnaaiD naiaai Nia» uwa nin» nan

t •• : «• t ; ^ at : ; - ^ v.t - : t •quot;• t r : lt;•• *

-Sa-nN lannai t:a^a nm» Kwa ^a : trN-nnSa imjrai

t v ^ :quot;r: t : * ^t ; •• t lt;• ......... : v. t^-n-:

niaan-Sx annaani a^npnan : nin» ^Sn ia—tl nfra ^

•-: 1- • - : • :l- : - ^ it : jquot; : - ^ at t

nn' naa^m rp^m nnnn nt^a 'Sax nirha -inN nnx

jt : - at : it : i i v^v - : • i- : •• : i | v t - quot; ~ -

rapSnNaarrna^noi bn^o ^aasn : nin^axa lao^

i j** iquot; ; t t v - v •• i- • it : it : *•. ; {.\r

IS gezegde des Eeuwigen. Ik ! — hunne handelingen en hunne gedachten zal Ik..! Zij komt, [de ure], om te verzamelen

ocr page 290

HAPHTAROTH.

al de volkeren en de talen ; dan zullen zij komen en zien Mijne

19 heerlijkheid ! Ik zal in hen een teeken geven en Ik zal van hen vluchtelingen uitzenden naar de volkeren, naar Tharshiesh, Poel en Loed, die den boog hanteeren, naar Thoebal en Jawan; de verre eilanden, die de mare van Mij niet hebben gehoord en niet hebben gezien Mijne heerlijkheid, — en zij zullen Mijne heer-

20 lijkheid verkondigen onder de volkeren. Dan zal men al uwe broeders uit alle volkeren als geschenk brengen ter eere des Eeuwigen, met paarden en wagens, in draagstoelen en met muilezels en met dromedarissen op Mijnen heiligen berg, Jerusalem, zegt de Eeuwige; gelijk de zonen Israels het meeloffer

21 brengen in rein vaatwerk naar het huis des Eeuwigen ! En ook van hen zal Ik nemen tot priesters, tot Levieten, zegt de

22 Eeuwige. Want — evenals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik bezig ben te maken, vóór Mij bestaan, is het gezegde des Eeuwigen, zoo zal uw kroost bestaan blijven en

23 uw naam. Dan zal het zijn: na verloop van oen maand op zijn nieuwemaansdag en na verloop van een week op zijn rustdag, zal alle vleesch komen om zich vóór Mijn aangezicht neder te werpen,

24 zegt de Eeuwige. Zoo zij dan uitgaan, zullen zij zien de ontzielde lichamen der mannen, die tegen Mij gezondigd hebben; want de hen verterende worm zal niet sterven, het aan hen brandende vuur niet gebluscht worden en zij zullen tot afschuw worden voor alle vleesch !

Doch het zal zijn : telkens na een maand op zijn nieuwemaansdag en na eene week op zijn rustdag zal komen alle vleesch om zich neder te werpen vóór Mijn aangezicht; — zegt de Eeuwige.

De Haphtara voor den Shabbalh op den dag vóór het Nieuwemaansfeest wordt niet gezegd, ook indien Rosh Chodesh Elloel op Zondag invalt; alleen lezen de Portugeesche Israëlieten dan na de Haphtara van Re-éh, of indien ook op Shahbath Niemcemaansfeest is, nd de eerste en laatste verzen van de vorenstaande Haphtara, nog de beide volgende verzen:

En Jonathan zeide tot hem : Morgen is nieuwemaansdag; dan zult gij gemist worden, wanneer uw zitplaats zal worden opgenomen.quot; Toen zeide Jonathan tot David : «Ga tot vrede! Daar wij immers beiden hebben gezworen bij den naam des Eeuwigen, zeggende: De Eeuwige zal zijn tusschen mij en u en tusschen mijn kroost en uw kroost, tot in eeuwigheid!quot;

143

ocr page 291

unn ror aöp

□ro^nDfcn : ixni ^31 ni^bm D^in-^-nx ^

V T • : - : ^ r v j t: p{.t p a : - : ^ - t

quot;iibl ^3 t^Ehn Dfian-^N gt; DHD TnbEh nisj -ns4 quot;ib'n D^ph^n d^kh \ vi nwp

: it v -: r :it -»• - it Iatt: -*- v K'.* •• : j

iN^ni: niarnK niarnx ym =

■quot; pquot; :p p : v J' ' 1 1 '* ■J T • : * : *

22-121 d^dids nirrb nn:o i D^an-^ao i nanx-^-nK

V VT ~ T I- -«T : * j- - T • -••-• •• -: T

iQK dV^it quot;in nin|n22i Dnna^i a»2V2i n42 nin:: ^22 nnian-nx ^2 quot;I^N2 nin^

j- ^ t j' t ' .)T: • - v squot; t ; * •* ; ■ t -••.• -: 1- at ;

^«2 *2 : nirr -10« d^^1? npK ohü-dji : nin*quot;

Jquot;-gt;- J- 'T ! J-,T ^ ■ Vquot; J' quot; 1 quot;, I-)quot;quot; e'quot; quot; p-: IT : 33

□nov n'^jr ♦JN IB'N n^inn o^mn D^ETI

j-: T jv j* -: v -: T T-:i- I ■-■ T T : • t-ï t- -j- T -

irin-na rvm : 222^1 D2^quot;it i'ny p nirrD«2 ^a1?»

tt : iv : • ; vquot; quot;» •quot; ^ :i~ mquot; at : \ t :

^ö1? ninnK'n1? iti'2-,72 «12» in2^2 n2^ noi I^in2

{.' t : j : it t r ^ s r a - - ^ v.t - * ; t :

♦2 *2 2^^an D^:«n njs2 inti i^ï'i : nirr lon^

J- A- : I ~ ' T-:jT ••: • : ^ T: :IT; it : j- T

: i^2-l?2^ rism vm nion ^ am^ món n4S onyVin

it t t; I v t iquot; j t z v ; • -» t * : t -• t*z - 1

mnnrnS ura Sa iXD1 iroca nar nai inna trnn no n,m : mrv idn* ^ïjS

Dgt;T*SDn px mvz Sn'j SiSs fin usi 3^2 dH IPID ^tDBn nn^s ps nip .tnn rsn raw nitDsn» □quot;•piDEn nnsi nxn mean nnx Dnms

D*plDS W iSx

idn'i : ?i2^id npa* *2 rnpain tyi'n quot;ino main» ib-naxn

squot; I iv t I I v*,t ' j'q t :l-: * ; va jt t I v.tt 1 : j v i-

itrN TIS in1? rruirr

, : - •• ; • v -: at; | ■quot;• T; mtt i ;

^nr ^21 ^quot;IT |'2i ^;2i 721 n»n;. nfn^ quot;ioxb nin; 0^2

: Dgt;ir^

ocr page 292

,n 3' s n ^ j a

AA

DE KLAAGLIEDEREN.

DEUTERONOMIUM.

ocr page 293
ocr page 294

DE KLAAGLIEDEREN.

i.

1 Ach, hoe is eenzaam blijven zitten de stad, zoo rijk aan volk, is geworden als een weduw; zoo groot eens onder natiën,

2 vorstin onder gewesten, is geworden tot cijns! Bitter weent zij, in den nacht zelfs, en haar tranenstroom is op haar kaken, — geen, die haar troost, bleelquot; haar van al, die haar beminden ; al hare vrienden bleken ontrouw tegen haar, zijn baar tot

3 vijanden geworden! In ballingschap ging Jnda, na veel ellende, na al te zwaren arbeid ; zij ging nu zitten onder de natiën, maar vond er nergens een rustplaats; al wie haar wil ver-

4 volgen, haalt haar in tusschen de engten! De wegen naar Tsion verkeeren in rouw, bij gebreke van die komen naar de feestverzameling; al bare poorten zijn eenzaam, haar priesters — zij zuchten; hare maagden vol smarte — en zij — 't is haar

Hoofdstuk I. 1—11. Klacht van den zanger over den treurigen staat,, waarin het eens zoo machtig Jerusalem verkeert; in vs. 9 en li worden dan, als is de zanger door smart overweldigd, reeds enkele woorden dei-stad zelve in den mond gelegd; voorbereidend op het tweede deel van dit hoofdstuk, 11 — 22, waar de stad klagend wordt ingeleid.

1. lij j-QUquot;, is eenzaam hl ij ven zitten, als een door man en kinderen verlaten vrouw, als een troostelooze treurende weduwe; v. a. ligt in ac het zitten te treuren, dus: hoe zit daar eenzaam te treuren. Let men echter op het gebruik van den -or in dit geheele vers, dan wijst dit op een schildering van een nieuwen, nu ontstanen toestand; denkt men verder aan de uitdrukking 2V quot;na. Lev. 13,17, dan komt o. i. de uitdrukking beter tot haar recht door onze vertaling; het is, alsof al hare kinderen zelfs zich in afschuw van haar hebben afgewend. — to, gemeenslachtig,

verlaten, eenzaam. — voi----Dï vei. Overeenkomstig de twee be-

teekenissen van at, veel en (/root, is dit woord hier in tweeledigen zin gebruikt; or to-i, talrijk aan bevolking, cua to-i, groot onder de volkeren.— jwroa, van p, rechtspraak, — kring van rechtspraak, district, ia algemeenc naam voor de provinciën der groote wereldrijken (vgl. Esther 1,1); hier niet: de districten van het Joodsche land, maar, parallel met Diua, deeens tot Juda behoord hebbende wingewesten, of, wat mij waarschijnlijker voorkomt, de provinciën van het iiabyIonische rijk, nu onderworpen, maar eenmaal bloeiende zelfstandige rijken, in wier midden Jerusalem als vorstin gelden kon. — onh, tot een cynsplichtige, aan heerendienst onderworpen; d. w. z. zij, die eens vorstinne was, leeft thans in slavernij.

2- roan 133gt; de onbepaalde wijs voor het werkwoord wijst niet op het aanhoudende, maar op het sterke der handeling: hitter weent zij.— nS1?:, tot in den nacht toe, niet alleen den geheelen dag (Ibn 'Ezra), maar zelfs 's nachts, als gewoonlijk de smart tijdelijk wijkt, om der natuur haar recht te gunnen. — maro en rrgt;n, hare minnaars en hare vrienden zijn de volkeren, waarmede Jnda verbonden had aangegaan, Egypte, Edom,

ocr page 295

•n 3' N n j a

♦n3quot;i möVtfa nn»n Di? 'nan V^n 112 naiy» 1

•-•t - •stt^: - : vt:it *t •■'t quot;. tgt; gt;tt ■jt : ,t ■,t **

ninn ids : do1? nn^n niinaa 'nn'^ d;133 =

v : • t 1-t v,t:it • : - • tt • -

n^n^-bsö Dn:D n^-px n'ny^ nn^oii

t t^rtv ^-: 1 t • v.'y •• jt » iquot; tv: iv ^ t*t : • ; t; - -

nnoi 'jjro nrta : d^^1? n1? vn ns nja n»vn ^

-• quot; ' quot; ct : t : it 1* ; 1 : v.t jt t ;-gt;t t ••

nüB nNïo N1? oHan n2B', x^n niair

t v, * • .t jv ; i t ^ - a t v.t : it j ^ jt : t •lt; t .

-^1 -1^10 '«3 ^30 ni^SN [i'V '■

-quot;ID niii: n'ri^ins D'nax: n'jna pooity nnvB'

j' : s, r jv 1 : rt- t v:v t ^v -; i i • •• i t v^r :

■

1

Moab, 'Ammon, Phoenicië. Vgl. voor de vijandige houding der kleinere

ocr page 296

DE KLAAGLIEDEREN I.

5 droef! Hfiar verdrukkers immers zijn aan 't hoofd gekomen, hare vijanden zijn veilig — want de Eeuwige brengt haar leed om de veelheid harer wanbedrijven; hare kleinen gingen henen,

6 krijgsgevangen, vóór den verdrukker uit! En henen ging van Tsion's dochter al haar pracht; hare vorsten werden als reeën, die geen weiplaats kunnen vinden — en gingen zonder krachten

7 vóór den vervolger uit. Nu denkt Jerusalem, in de dagen van haar armoed' en haar zwerven, aan al haar kostbaarheden, die er waren sinds de oudste tijden; nu haar volk in des verdrukkers handen viel en geen er is, die hulp haar biedt; verdrukkers zagen

8 haar, spotten om alles, wat hij haar heeft opgehouden! Zware zonden heeft Jerusalem begaan, daarom is tot gemeed'ne zij geworden ; die eens haar eer bewezen, behand'len haar minachtend, nu zij haar schand' eens zagen; — en ook zij zelf—

9 zij zucht, en treedt beschaamd terug! Haar onreinheid is aan haar kleedzoom zichtbaar — zij had haar toekomst niet bedacht; zoo zonk zij wonder diep, en geen bleef haar tot trooster!;/Aanschouw, o God ! — [zoo spreekt zij] — mijn ellende, want overmoedig

10 werd de vijand !quot; — Zijne hand strekt de verdrukker uit over al haar kostbaarheden ; ja — zij moest aanschouwen volk'ren.

hun inkomsten, zijn vol verdriet, nu:, een Niph'al-vorm van w, = DUiJ; hébhen verdriet. — wn, en zij, J uda of liever: Tsion; n1? quot;iï, het is haar bitter te moede, zij voelt bitter leed.

5. rjnS ■ • • • vn. Juda is staart, hare vijanden kop geworden, vgl. Deut. quot;20,44, waarop onze plaats zonder twijfel doelt. — quot;O enz. Hier treedt even het denkbeeld aan den dag, dat in het tweede deel van ons hoofdstuk breedvoerig behandeld wordt, — dat nl. Juda zijn ondergang alleen aan zijn afval te wijten heeft — mVniquot;, hare zeer jonge kindertjes, ■osS 130 «Sn, werden als een kudde kleinvee voor den horder uit, aid krijgsgevangenen voortgedreven vóór den vijand uit.

6. als reeën, die bij het minste gevaar snel vluchten, maar die, als zij geen weideplaats vinden, uitgeput door honger, wel trachten te ontkomen, maar zonder kracht eenvoudig Inopen, ■oV'i, voor den vervohjer uit, die niet de minste moeite heeft ze te vangen. Het doelt vermoedelijk op de II Kon. 25,3 v.v. verhaalde vlucht van den koning en zijne vorsten.

7. De zinbouw is : mttna Ss dViviv mor, Jerusalem, de stad, gedenkt nu hare bekoorlijkheden, — nu, rroj) 1»', in de dagen van hare ellende; rmniji, enkel hier en 3,19 en Jes. 58,7, naar Ibn 'Eziia van ntt, weerspannigheid-, v. a. van m, zwerven, hier dan: de gedwongen omzwervingen in de ballingschap. Het bijv. naamw. nns in Jes. t. a. p. heeft dan dezelfde beteekenis: verstootene, zwerveling; n. a. van iv, smart lijden. — mpHO' misschien

iets meer algemeen dan D^önOgt; 0'' v- a- in afgetrokken beteekenis:

schatten van macht en aanzien, tegenover schatten van rijkdom en kostbaarheden. — nnaca, van rac, ophouden, — haar ophouden, v. s. doelend op de gedwongen rust van den landbouw, zie Lev. 26,34 en 35; v. a. op alle verkeer, in handel zoowel als ia het godsdienstleven.

2

ocr page 297

N row rtaa a

STby min nirr^ nnï vn : nS ^

^ ^T JT : * T T -••.•; | : T lt;VT T IT

ri'rna ro KÏ»I : nï ^a*? 'ïw labn ^

' k * . - ' • jquot;quot; - IT ,,.. ; • ^. . ^ : IT T •)'•* T \ T ^VT I

ris-N^ n])-iü inïd-n1? nntr vn rrrrr^

- ^ # : J tf- p? : • ^ : IT • T - : T VT -• T at T-: T

nnonö ^2 nniiüi n^i? 'ö* d^ii^ n-or : qnin *:siï1

t v •.. -: |- ^ * tv ; t : t lt;•• : — t i: -«tiit ) r* j» : •

msn n1? vw irn^a ns^ 'jbja nip 'd^o vn

T J T T f .* ' lt;quot;V T ~: quot;,r S : * ■• I rtV quot; J* V. T J'.' -:

rrty cnww Tinun nun : nnatyo-^v ipntr Dhyn

Kquot; * quot;.T ■*: T : ,T •» S*quot; T IV - ; • Iv.-I.T * T

N^n-oa nnn^ nirn nnaao-^ nn^n

J\ - ^ t t : v -Tl- t • • t lt;v; - ; t t«stt -t • ;

mhnns4 n*OT xb n^i^a nnxoD : -iinx nn:«ja

t • 1- .t:it « ^t v : ^t t : •-. it t -»t - v.ttv; v

rmn '2 quot;3jrrgt;K nin» nxn n1? DnjD nmi

V.* : J* *: t v t ; lt;•• : at v.quot; quot; :. • • t ; v -»•• -

INS D'ia nns4T»3 n^iDnD-ba IÏ tria i-v :

Jr lt;t -: it • t av - 1- t t -jt t i-

8. HT'jS. v. s. van nu, dwalend, ol' als in vsn lu», (Ps. 44,15) hoofdschudden, spot; v. a. = m:, een afgezonderde, wier omgang men moet mijden. — mSvn, wat den vorm aangaat, van S», doch dan als nevenvorm van SSt =

n^tn, — of arameesche vorm, SmH = SlH; de beteekenis is in ieder

feval:eval: minachting toonen, smadelijk behandelen; evenals SSll vs. 11 en er. 15,19; tegenstelling van rvnaa, hoogachting betoonen. Ibn 'Ezra geeft nog een opvatting; doen haar tranen stroomen, van Stj. — nnnp int '3, nu zij hare schaamte gezien hebben; als eene ontuchtige behandelen zij haar smadelijk, nu zij haar ten val hebben gebracht door haar tot de zonde der afgoderij te verleiden. En ook zijzelve schaamt zich diep, nu zij de gevolgen van haren misstap te dragen heeft, en nas- aew, trekt zich achterwaarts terug, wil door niemand gezien worden.

9- nr)J{!3Dgt; de sporen har er verontreiniging als rru, nadere uitwerking van het beeld in het vorige vers. — mWa, aan den benedenzoom van haar kleed. Zij kan haar verontreiniging niet meer verbergen, maar ieder moet het nu wel opmerken. — rvvnns n-oi nS, zij bedacht niet bij haar losbandig gedrag, wat de gevolgen harer handelingen moesten zijn. Daardoor nni, is zij nu gezonken, Qis^s, in verwonderingwekkende mate, bijwoord. — nsi. Hier voert de dichter Jerusalem sprekend op. — mx Voin O, aan te vullen rwr'? ol' lai1?, hij handelt vol overmoed tegen het volk en zijn heiligdom en daarmede tegen God zelf. Anderen; want de vijand wordt grooter en greater in macht.

10. ^13, als bezitter de hand gestrekt leggen op iets. —nnso o, v. s. = i.sa Diu t nnsi, zij zag, dat kwamen, beter: want zij zag, waarbij dan de betrekkelijke bijzin nenpa wa zonder betrekkelijk voornaamwoord gevoegd is, krachtig uitgedrukt. Zoo diep is Jerusalem vernederd, dat het zelfs lijdelijk moest toezien, hoe volkeren driest het heiligdom binnendrongen, waarvan God had gezegd, dat zij niet eens in de vergadering des Eeuwigen door huwelijk mochten worden opgenomen. Het doelt volgens de meeste verklaarders op 'Ammon en Moab (Deut. 23,4), die den Babyloniërs naar II Kon. 24,2 (vgl. Ez. 25,3 en 6) bij de verovering van Jerusalem en zijn

ocr page 298

DE KLAAGLIEDEREN I.

komend in haar heiligdom, waarvan Gij, [o God!] geboden

11 hadt: „dat zij niet komen in de gemeenschap bij U.quot; Gansch haar volk, zij zuchten jamm'rend, vragend zoeken zij brood; zij gaven hun kostbaarst goed zoo gaarne weg voor eten, om 't leven maar te houden — „zie toch, o Eeuwige! en

12schouw toch neder, hoe zeer ik ben veracht!quot; [Dringt] niet lot u [mijn klacht], gij allen, die voorbijgaat aan den weg? Ziet toch aan en beschouwt, ot' er een smarte is gelijk mijn pijn, die mij werd aangedaan ! die d' Eeuwige mij zoo smart-lijk deed gevoelen ten dage der ontbranding van Zijn toorn ?

13 Van uit den hooge zond Hij vuur in mijn gebeente en het woedde daar machtig — Hij spreidde een net voor mijn voeten, dwong tot terugkeer mij; deed worden mij verwoest,

14 gansch den dag de ziektepijnen lijdend. Opgelegd is het juk mijner zonden door Zijne hand, als ranken slingeren zij zich, stijgend rond mijn hals — liet brengt mijn kracht ten val — zoo gaf mijn Heer mij dan in handen van voor wien 'k geen stand

15 kon houden ! Hij trapte neer al mijne helden in mijn midden, heeft uitgeroepen tegen mij een feestbijeenkomst — om mijne jong'lingschap te verpletteren; — den perskuip heeft mijn Heer

tempel hulptroepen leverden. — nrm, de 'n is volgens sommigen hier liet vrouwelijk aanhangsel = niTlS; v- a- verlenging van den uitgang

van den tweeden persoon mannelijk enkelvoud. — -j1? slaat niet op God, maar op Israël; zij zullen h ij u niet in de r/emeenschap worden opgenomen.

11. De dichter ziet de hongertaiereelen nog zoo duidelijk voor zich, dat hij uit den verleden tijd overgaat tot het gebruik van deelwoorden; misschien ook aanduidend, dat deze ellende ook na de verovering dei-stad nog steeds voortduurt. — vbi z^vrh, om den van honger bijna versmachtenden het leven terug te geven. — nSSir, v. s. veracht; v. a. ipanl ik was vroeger zwelgend in overvloed. De zuchtende bede van vs. 9 wordt hier krachtiger herhaald, als overgang tot het tweede deel van ons hoofdstuk, waar Jerusalem sprekend optreedt.

12—22, te verdeelen in twee gedeelten: 12—16 de klacht over den treurigen ondergang, — vs. 17 samenvattend overzicht als inleiding tot 18—22, de zelfbeschuldiging en erkenning der Goddelijke gerechtigheid, om te sluiten met een bede om redding en de hoop op vergelding ook aan den vijand.

12. NlS- Wij verklaren deze woorden als vragende zin, inleiding tot het volgende; //bemerkt gij dan niets? dringt het dan niet tut ft door 'Jquot; Anderen; niet u overkome zoo iets! Nog anderen : neen, niet u is zoo

iets overkomen; weer anderen ~ of samenhangend met nSfC: leztvering

richt ik tot U ! — een Poe'al, lijdend. —njin ura, de pijn, die God in

smart mij lijden deed, 'n als onderwerp; anderen; mij, die God door mijn gedrag smart deed. lijden, 'n als voorwerp; isn jnn dv; moet in die laatste opvatting met -h SSr -irx verbonden worden. Wij volgen liever de eerste opvatting.

13- rUlTI- H®' woord ps komt mannelijk en vrouwelijk voor, bijv. nEJ nS tn vVrwi (Job 20,20); en is hier onderwerp van het mannelijk werk-

3

ocr page 299

K nrw :

najrVa : rh bnpn ins^n1? nrm -it^K n^ipo ^

• t v:iv lt;T - T |it \.tIt- r r • t tI: •

nxn a^nS onmona i:n: on^ o^pao -

lt;•• : VAT -• T : V V. : ^■)v •• i- -: i- s ;IT V V -quot;^l: - :

Tinn DS^S4 «iS : nVpiT »3 nü^im nin» ^ j.

^ | v v ... T v •• -: it •• i • v,* t j- t • - ; t : -•

niTiNi ,l? quot;2X2125 3KDD ty'-QK INquot;)! lU^n ?

v -: a- v.quot; Jquot; -: • : - ; : quot; lt;quot; * . : quot; z

'nbïva K'N'n1?^ Diiao : 12K rnn avs nin» mm ^

v.- :quot;-: ^-IT T • i - I j-: ^T : --T

-^3 nóoiB' TinN nBgt;n tyquot;is n-ni»'!

T T •• i * - T ; T .j- ^. V: _ . •.•lt;•.• -T tav ;•-

nwr1^ unnB» vra ^^3 ip'^: : nn Di^n ^

V.* T - ^ T •) : IT : * T : T I - ; * IT T ^ -

i n^D : Dip ^din-xV n'2 'inx ^n: ^nis «

T T * 11 gt; v.quot; • T T ; A' J* ; •

'ii-iK tni ns mna ■i2^L' Kip ♦inpa ♦ji»

T -; |J- T -lt; AT i- -• : • ■)- T ^tit * :l • : T -:

woord. De enkelvouds-uitgang ru— ziet op ieder der beenderen, nn be-teekent; heheerschen en komt niet alleen met '2, maar ook met den 4den naamval verbonden voor (bijv. Ps. (gt;8,28; Lev. 25,53). Van boven at' verzwakt door vuur, werd mij op aarde een vangnet in den weg gesteld, zoodat ik terug moest keeren en aan het vuur niet kon ontkomen. — nnaic, verwoest, als iemand, wiens levensgeluk vernietigd is. Anderen; verbaasd, hier dan: vertwijfeld, m. i. vrij onwaarschijnlijk. De stad is als • een vrouw gedacht, wier geluk is verwoest en die aan een slepende, pijnlijke ziekte lijdt.

14- Volgens Kimchie heeft dit alleen hier voorkomend woord

den zin van ; binden, opleggen; het is misschien technische term voorliet opleggen van een juk. De zin is dan : het juk mijner zonden, de last, dien ik tengevolge daarvan te dragen heb, is mij thans door God opyeleyd. Mendelssohn : het doode hout van het juk mijner zonden bloeit op en drijft ranken. — innci, de zonden slingeren zich als ranken stijgend rond mijn hals; die wild groeiende takken vormen juist het juk. — nSr wordt ook Num. 19,2 en elders voor het liggen van het juk op den nek gebruikt. — S'ïon, het juk heeft mijn vroegere kracht doen struikelen, aan het wankelen gebracht. Daar in het eerste versdeel de lijdende vorm is gebruikt en daar God niet onderwerp is en aanstonds de naam Gods uitdrukkelijk genoemd wordt, gaat het m. i. niet goed, hier God als onderwerp te nemen. — Dip Sdin nS '-pa = Dip Ssis nS ics tin it:, in de hand van een vijand, tegen wien ik niet kan bestand blijven, aan te vullen: ros» ol' iets dergelijks.

15. r^D. een Pi'el van nSo als nevenvorm van SSd, een weg banen; doch dan als van nSos, jiad, afgeleid werkwoord, evenals in van rnTj,

treden. Anderen: licht maken, naar het Arameesch, vandaar: ujihejfen, wegnemen. — -iria iSr sip. Hij riep een feestvergadering bijeen, 'Sï, over mij. Hij beval mij als in feestvergadering op te komen om .... mijn jongelingschap met één slag te verpletteren. Anderen: tegen mij, Hij riep de volkeren tot feestbijeenkomst op, om mij te vernietigen. — -pn ru, God treedt de perskuip, waarin Juda de wijnstok is, welks druiven worden uitgeperst. Een groot bloedbad wordt meermalen vergeleken bij het treden van den wijn. Als tot een wijnoogstfeest worden de volkeren door God genoodigd, waarbij in rijke stroomen niet druiven-, maar menschenbloed vloeit.

ocr page 300

DE KLAAGLIEDEREN 1.

16 getreden voor de jonkvrouw, de dochter van Juda! Over dit alles ween ik bitt're tranen; mijn oog, mijn oog, het huilt zich uit in water, want verre is van mij een trooster, die mij den moed hergeeft! mijn zonen zijn van hun geluk he-

17 roofd, want d' overmacht verkreeg de vijand!quot; Al breidt ook Tsion smeekend de handen uit, toch is er nergens een trooster voor haar; opontboden heeft de Eeuwige voor Jakob zijne omwonenden als zijne verdrukkers; geworden is Jerusalem

18 tot eene, die men mijdt, te midden van hen! «Toch — rechtvaardig is Hij, de Eeuwige, want Zijn bevel weerstreefde ik ! Hoort toch, gij volkeren allen, en ziet mijne smart: mijne maagden en mijne jongelingen gingen in krijgsgevangenscha])!

19 Ik riep, die zeiden mij te minnen — doch zij—zij hebben mij bedrogen ; mijn priesters en mijn oudsten, in de stad zijn zij omgekomen, toen zij zochten spijze voor zich om zich de ziel

20 te kunnen laven. Zie, o Eeuwige! dat het mij eng is, mijne ingewanden gloeien, mijn hart draait zich om in mijn binnenst, — want waarlijk [ik zie 't in] weerspannig ben ik geweest — daar buiten berooft het zwaard mij van mijne kind'ren, in

21 huis als de doodsengel zelf! Zij hoorden wel, dat ik in zuchten was verzonken; maar toch — geen trad als trooster voor mij op; al mijne vijanden hoorden mijn onheil en waren verblijd, dat Gij het hebt gedaan ! — Maar wis brengt G' ook den dag, dien Gij verkonddet, dat zij worden

22 gelijk ik! Moge komen al hun slechtheid dan voor U

16. piQ mT mi.in 00g vloeit als het ware weg uit de kas, alsot' het water is. Vgl. onze uitdrukking: zicli de oogen uit-weenen. — D'ttsir, zie vs. 13.

17. De dichter, die hier weer even zelve het woord neemt en Jerusalems klachte afbreekt, werkt het denkbeeld, dat elke troost ontbreekt, wat nader uit. Het is, als verstikt de stem der klagende stad in tranen ; zij kan niet verder spreken, de dichter neemt het woord en leidt daarmede tevens de tweede gedachtenreeks in, die in de volgende verzen weder der stad in den mond wordt gelegd. — '3 nens, eig. zij maakt een uitspreiding met hare handen-, anderen: breekt, verbrijzelt in wanhoop de handen, ze samendrukkend. Niemand echter troost haar, daar God allen, die zijn gebied omgeven, vo'oc, als vijanden heeft opgeroepen, in wier midden Jerusalem eenzaam en verlaten zit als eene onreine, door ieder gemeden vrouw.

18—22. Slechts verdiende straf treft mij — zegt de stad — en noodigt, evenals in vs. 12, bij het begin der eerste klachte, do volkeren uit, hare smart te aanschonwen, die haar hoogtepunt bereikt bij de gedachte aan de wegvoering der jeugd; doch zij vindt geen medelijden, hare vrienden zijn haar ontrouw geworden (vs. 19). slechts God kan haar helpen, tot Hem wendt zij zich, vs. 20, — want de andere volkerengroep, hare vijanden, verheugt zich in haar onheil, vs. 21, — moge God hen dan straffen, vs. 22.

4

ocr page 301

x row nVao i

I ♦rynbia i : min^na nbinnS

t ;j • »i. «• x * i •** quot;j •-•■'•• it ; - vquot; 1 *

♦3 d^ddii? ':d vn 't^s: a^a omo pnr^ D'b

-»* • •• I - « t A- : - -•• •• v.quot;r- : •^•* * i J- t r

nin» niï rr? on:» nn»3 ti»ï n'ms : quot;133 ^

.jt : st • t •• - : i lt;•• t vt: i * r ;iquot; iquot; vquot; t

pnv : orrya n^j1? nn^n vquot;iï vyno npv^ quot;* ._

I r - iv •• iquot; ^t* : ••)- t i; st:it att jt • : K -:i-: 1.1.

»3H3D ixn ♦nno in^a^a nin* «in amp;

: - : * it t jt : * • a-t -,quot; * ^t : 4 ^

mèi nan ♦nnKD1? ♦nx-ip : ^^3 iD^n mnm ,n^n3 ^ *-

t-••• quot; i- : i- * «tIt * iv - ^ : it v~ 'quot; J~ • ï

: DiysrnN ID1? iK'p3v3 1^3 'ipn ^3

it : - ^ v v.* t; t v j ): • r ^f,TT •*'t ^quot;1quot;: i

ma *3 ♦3np3 nsn: nanan ^a nin^ n«quot;i3

V t y * :l * : • * |lt;- ; v t : - ▼: quot;2- •• * - r lt;t : •• :

nn:^: »3 : nia2 n,33 3quot;in-nl?3^ rina ♦nna«

jtt v:iv s* ; it ^ ^ vit - -j' ' ^.\v t : | j • • a* t

n^y nn« »3 wv 'n^-i i^a^ ,3,Kquot;l?3 ^ onaa r«

t a' tt v.t quot; jquot; t * ^t it lt; ! it ~ i t * •• - ; | lt;•• • t

TJS1? onyrbD «an : ^a3 vnn mnp-DV nx3n«

i vt; «t't it t t -it j in t ^tit i t r* ••

is. vnn in',a. heb Zijne geboden en bevelen weerstreefd.

19- ,3nND- De Pi'el schijnt den zin te hebben: zich als minnaar voordoen. Ik riep in den tijd van nood en roep nog, ook na mijn val, hen, die zich steeds mijn vrienden noemden — maar het bleek, dat zij als trouwelooze minnaars mij hadden bedrogen. Van de bevriende volkeren dus geen hulp. — En wie in eigen kring mij konden helpen, geestelijke en wereldlijke leiders des volks, de priesters en oudsten, zijn in de stad omgekomen van honger, zonder te kunnen uittrekken ten strijde, — 'O, terwijl zij, alvorens ten strijde te gaan, eerst zich spijze zochten om zich te versterken; uit het feit, dat zij stierven, blijkt, dat zij die spijze tevergeefs zochten, maar niet vonden, welke woorden Septuaginta bijvoegt.

20. nonon, van isn, dat Ps. 75,9 hruischen beteekent, heeft hier den zin van; aan het koken raken. — tï:, de edelere organen der ingewanden, als zetel der aandoeningen. — i2quot;ipa '2S ■jan:, mijn hart wendt zich om in mijn binnenste; de uitdrukking komt Hoshéa' 11,8 voor als aandoening van medelijden, in onze taal als uiting van afschuw, hier als uiting van innerlijke heftige smart. Mendelssoun, naar Ibn 'Ezra: mijn hart komt tot inkeer; dan zijn de woorden van -|£nj tot wra als tusschenzin op te vatten. In de eerstgegeven verklaring dienen de woorden Tiquot;» 11» ia als reden, waarom die smart zoo heftig is, het bewustzijn van eigen schuld verzwaart haar nog. — pne, huilen, op straat, of v. a. huilende stad-, mi, in de huizen, of v. a. binnen de stad. — niM, wat op den dood zelf gelijkt, honger en pest. Anderen: van buiten woedt het zwaard, gelijk van binnen de dood, als stond er: rvaa rosa.

21. -ij, de vs. 19 genoemde vrienden, of v. a. men, de noch als vriend, noch als vijand met mij bekenden. — mcy nnx ia, zoo vreeselijk is mijn ongeluk, dat het in die mate slechts door God zelf mij kan zijn opgelegd en dus onafwendbaar is. — nsan, o, mocht gij brengen en öij doet het zeker; daarom de verleden tijd, als ziet de zanger het reeds gebeuren.

ocr page 302

DE KLAAGLIEDEREN I, 11.

en handel dan met hen, gelijk Gij mij beschoren hebt voor al mijn zonden! — want waarlijk, veel zijn mijne zuchten en mijn hart het is ziek !quot;

11.

1 Ach, hoe omwolkt in Zijn toorn mijn Heer de dochter van Tsion, wierp Hij van den hemel (er aarde Israels roem — en dacht zelfs niet aan Zijner voeten bank op Zijner gramschap dag!

2 Verzwolgen heeft de lieer, en heeft zich niet ontfermd, alle landouwen van Jakob ; heeft omgehouwen in Zijn mateloozc gramschap de sterke vesten van .luda's dochter, heeft ze met d' aarde gelijk gemaakt — heeft ontwijd het koningschap en

3 zijne vorsten. Hij heeft afgehouwen in branding van toorn eiken inachthoorn van Israël, Hij heeft Zijn rechterhand teruggetrokken voor den vijand ; en brandde zelfs in Jakob als een

4 vlammenvuur, dat verteerde in het rond ! Hij spande tredend Zijn boog als vijand. Zijne rechterhand plaatste zich tegen hen als benauwer en Hij doodde allen lust der oogen; — in de tent van de dochter van ïsion goot Hij als vuur Zijn

5 gramschap. Zoo is geworden de Heer als een vijand, heeft Israël verslonden, verslonden al hare paleizen, vernield haar

22. nnjn. 'quot;quot;I slechtheid, het leed, dat zij mij berokkend hebben, oi', waarschijnlijker, hun misdadigheid; straf hen voor hunne zonden dan, gelijk Gij ze thans mij doet boeten. — tton nm '3 geelt de reden aan, waarom de stad zicli vs. 20 tot God wendt. Want waarlijk, jammerlijk is mijn lijden — en Gij alleen kunt helpen. Anderen : eens zal de tijd komen, dat hun slechtheid door U bestraft wordt, — maar nu — zijn veel, te veel mijn zuchten.

Hoofdstuk II. Ook dit hoofdstuk laat zich gemakkelijk in twee bijna gelijke helften verdeelen. Vs. 1—10 bevat de beschrijving van Juda's en Jerusalem's val als gevolg van Gods gramschap, en wel ontwikkeld naar twee zijden; a. het land van Juda is verwoest, en b. de tempel is in dien ondergang niet gespaard gebleven. Vs. 1 stelt die beide zijden als opschrift vooraan; 2 — 5 ontwikkelen dan het beeld van den ondergang van staat, aanzienlijken, hoofdstad en vestingen: vs. O—fl schilderen den ondergang des tempels, die vs. 8 waarschijnlijk ook door ;vï re wordt aangeduid; aan het slot van vs. 9, beschrijvend, hoe vorsten en profeten in ballingschap gaan, sluit dan vs. 10 met de schildering van algemeen rouwbedrijf over 's lands val en vernedering, waarbij vs. 11 en 12 zich met een beschrijving van de ellende aansluiten. Het tweede deel begint vs. 13 met een zucht, dat Jerusalem's leed onvergelijkelijk is, hoe zelfs zij, die den val hadden kunnen tegenhouden, profeten en raadgevers, den ondergang nog verhaastten (vs. 14), hoe vriend en vijand zich verbaast en tegelijk met leedvermaak is vervuld over het leed, dat Juda treft (15 cn 16), — slechts God kan dat hebben gedaan (17), — van Hem dan ook alleen is troost te wachten — richt u tot Hem in gebed, (18 en 19) dat als beschrijving van het vreeselijke onheil het slot van het hoofdstuk vormt.

1. a1]?', v. s. van 21quot;, dikke wolk, met dikke wolken, duisternis bedekken;

5

ocr page 303

n K nD'N nbao n

Tirw ni3T»3 yvs-bz bv 'b nbbty imz lab bbïyi

v,- ; - j - • 'att : t r.- v.* r:r jquot; ~s i~ t -••• :

: m ^

it ~ J' ' t

3

pK h\r2ft2 rj^^n |i»Vquot;n3'nN ':iN i 12x2 yyi HD'K x V^3 :12« DV3 V^TDlnn -IDT-N1?quot;! niNan -

■• ' - ^t: - . .-t , : t: ■ -av: •

ngt;'3p in*T3^3 onn 3p^i,_ niNr73 nK Tpn üj* 'lis; £ nst-nn3 : nn'tri nsboo Sbn riN1? rmrrra3

| - • t: it ^ j-t t ivt : v.tt : - jquot; • 1 vat t -•• * :

3p^3 3;lx ^2p irp' -iinx 3^n ^3

iro' 3,'1K3 IriKto : 3^30 nv?3N HSH1? ^K3'1

• ; lt;t • •• : : i * i quot; t i t ^t : it t t iv ■j,,gt; :

: man ugt;K3 ?i'quot;m3 S3 jSnn iï3

1 t -: t h~ t 1 - v ; 1 • «st -: i~ v -;i— ^t :

nntr n'niiDis4-^ j^3 VNTBquot; ;^3 3^x3 1 ♦HK n'n ^

y. ■ TV : ;- T * - ■ .. T ; quot; quot; : =T -: tt

v. a. hoe heeft Hij het eerst tot de wolken verheven, slechts in Zijn toorn, ora het te dieper te (toen vallen. — jvï ra, den tempel; Ssw mssn kan ook wel op den tempel doelen, maar heel't waarschijnlijker met het oog op het direct volgende, betrekking op land en vestingen. — ï^n dit. Zijn voetbank; Jcs. 66,1 wordt de geheele aarde Gods voetbank genoemd, hier de tempel.

2. mjCJ' hier waarschijnlijk weiden, bloeiende landerijen; v. a. = woningen oiquot;: schoonheden; 'MesdelssoHN : prachtige woningen. — ^sn, de koning en het koningschap zijn eigenlijk heilig en onschendbaar; nu echter, nu de dragers van het k'oningsgezag smadelijk behandeld worden, is koningschap en vorst geschandvlekt.

3. God zeilquot; treedt als vijand op; houwt af alles wat Israël kracht kan geven; pp, de hoorn, het aanvalswapen van het rund, waarmede alleen het zich beveiligen kan. — S'i'n enz. IIij heeft Zijne rechterhand teruggetrokken, staat hen in den strijd niet langer ter zijde; anderen: Hij heeft zijne, Israels hand terug doen wijken. — spro v. s. = richtte een

brand aan in Jakob, niet; verbrandde Jakob; v. a. in gewone Kal-be-teekenis: IIij brandde als een verteerend vuur. God zelf was als een vuur, dat onder Jakob verwoesting aanrichtte.

4. Zelf trad God nog als vijand op; WS', Zijn rechterhand, die anders naar het woord van het Schelfzee-lied „den vijand vermorzeltquot;, brengt thans Israël in het nauw. Het werkwoord bij het vrouwelijk WJ' toch in het mannelijk, omdat het vóór het naamwoord staat; óf om de kracht der Israël bestrijdende rechterhand uit te drukken, is deze als mannelijk gedacht.

5. nV1130TNgt; hare paleizen, van de stad of steden; v-iï3K, zijne vestingen, van het volk of land. — rwNi rrosr, twee woordvormen van den-zelfden stam, ter versterking.

ocr page 304

DE KLAAGLIEDEREN 11.

sterke vestingen, en veel doen worden bij de dochter van Juda

0 het klagen en geklag. Met geweld viel Hij aan de door Hem omheinde ruimte, als ware zij een tuin, heeft Zijn bijeenkomst-plaats vernield; vergeten deed de Eeuwige in Tsion feest-samenkomst en rustdag en versmaadde in het woeden van Zijn

7 toorn koning en priester. Verlaten heeft de Heer Zijn altaar, versmaad Zijn heiligdom, heeft overgeleverd in 's vijands macht de muren van hare kasteden ; stemmen verhieven z' in des Eeuwigen huis als ware het op feestverzamelingsdag!

8 Reeds lang dacht de Eeuwige te.vernielen den muur van Tsion's dochter, — Hij spande steeds het richtsnoer nog — doch thans houdt Hij Zijn hand niet meer terug van te verslinden, en deed in rouw verkeeren binnen- en buitenmuur, dat saam zij

9 jamm'rend smachten. Verzonken zijn in d'aarde hare poorten, verdelgd heeft Hij, verbrijzeld hare grendels; haar koning en haar vorsten onder volk'ren — weg de Leer — ook haar pro-

lOfeten vonden geen visioen meer van den Eeuw'ge ! Zij zitten ter aarde in stom stilzwijgen neder, de oudsten van de dochter van Tsion, leggen stof zich op de hoofden, omgorden met zakken zich; zij doen zinken haar hoofden ter aarde, de

11 maagden van Jerusalem! Vergaan in tranen zijn ook mijne oogen, gloeiend zijn mijn ingewanden, uitgestort ter aarde is mijn lever om de breuk van de dochter mijn volks, — toen smachtend in onmacht vielen klein kind en zuigeling op pleinen

12 van vesten ! Tot hun moeders zij spraken ; „waar koren en wijn ? — toen zij versmachtten, als doodlijk door het zwaard getroffen, op pleinen der stad; toen hun ziel hun ontvlood,

13 zich stortend in den schoot der moeders ! Wat zal 'k getuigen u brengen, wat zou 'k u ter verg'lijking kunnen bieden.

6. DOppi, behandelde gewelddadig; oc, van omheinen, beteekent niet: de omheining, maar; het omheinde, de afgeschutte ruimte, hier beeld voor den tempel. — gelijk men een tuin, als hij niet aan zijn doel beantwoordt, zonder veel nadenken weer aan zijn bestemming onttrekt en woest laat liggen; anderen = 1quot;. gelijk een tuinman met kracht het

onkruid wiedt. Deze opvatting verklaart ook ■ot* van Q3iv (Num. 33,55) doornen, de doornstruik, het afvallig Jerusalem en den voor afgoden misbruikten tempel dan met onkruid vergelijkend. — nrn, de plaats, door Hemzelve als plaats van samenkomst des volks met zijn God aangewezen. — Met den val des tempels is ook het koningschap door God versmaad, dat immers' ook geheel op handhaving van den godsdienst berust.

7. K'ipQ, nu het naast nam staat, het eigenlijke heiligdom, heilige en allerheiligste. — wvums, hare paleizen, v. s. die van Jerusalem, waarmede dan de tempel zou bedoeld zijn; anderen, waarschijnlijker: hare, des tempels paleizen, groote gebouwen. — i:ri: Sip, hun triumphgeschrei heffen de vijanden aan en het is in den tempel een feestgedruisch als bij de opgangsfeesten.

8. 3^^. Reeds lang dacht God erover, den tempel te verwoesten, —

G

ocr page 305

3 nrw nbiü i

13^ m Dbn^i : rnirrroa ntn viïdd 1

i— lt; : -- it- -:i~ v.t-^-: iquot; t : - vv- att : •

lax-D^D^ini^n^iD |i#V3 1 nin» ra# n^b nn^ 3HK-T3 S^dh iibnpp is4; inarp ♦nx nar : jriDi ^D» : n^io Dia nin^naa una ^ip rrniaa-iK hoinn

- t tquot; j : v.t ; iquot;/. j :ir i •) t ^ av : :- v.

n' ip hl:: noin n'n^n^ 1 nirv n

aquot;quot; • v,t gt; 1 't -3ftjt quot; '*quot; • : - : lt;t : «j

-GS4 nnw pN3 ws13 : ibböN nn» nolni c ?

j- • t v t z i v t t : ,t it : *-. jt ; V.t ; -»*• v -: i £

-N1? n^aro-i nnw rs4 biïz nntri n'nna ■ntn

i t •••_ • ; - t i •quot;• • - t^vt : t ; - t av • ; v,quot; * :

i^ri |l'rrgt;3 ps^ 12#;. : nin^ firn invq'

ri^ns man

, s, : It :' vtt quot; . L' ^'T tp 'i •t 11 pN? -jS^: i-iDnon nv^o-a 173 : ^

: nnp minis pim tj^s quot;13#-^ n33

Ti; nannsVpns Döis^nns |VT1 i?T1 ^

-naquot;iK na nniv^-na : anax p^n-^K D^S: nant^ns ^ r

v - -: jt i •• »! -i it 1t • i iquot; •-• t : - i-— - : • : pquot;

'„..............................................................................................................-................................................................ r^-

pix na meenen wij hier als: de tempel te moeten verklaren, met het oog op den samenhang — doch ip nci, hij hield het meetsnoer steed? gespannen, dreigend, maar nog niet straffend; maar nu houdt Hij niet langer de strat' terug. Anderen: God was het, die het plan van Jerusalem's va.' heei't uitgedacht. Hij heeft het snoer gespannen, opmetend Juda's zonden, enz.— rmim Sn, linnen- en buitenmuur-, n!5in is de eigenlijke vestingmuur, aan welks binnenzijde, soms ook aan de buitenzijde, een soort voormuur met wal werd opgelicht; in het eerste geval, om'na den val van den eersten muur nog eenigen tijd tegenstand te kunnen bieden; in het laatste om den belegeringscirkel wat te verwijden.

9. mm px, niemand meer is er, die de woorden der leer verkondigt; en ook geen jitn profetie, de doorloopende openbaring in Israël, wordt meer vernomen.

11. n33, v. s. staat hier lever in den zin van: de gal. //Mijn gal stort zich uitquot; is ook Job 16,13 uitdrukking voor: ,/ik heb zwaar verdrietquot;; v. a. mijn lever = mijn bloed; dus = ik sterf van verdriet; n. a. lever als grootste en zwaarste der ingewanden, hier — T».

12. Dsaynna, toen ZÜ ln onmacht vielen, de Hithpa'el = den Niph'al in het vorige vers; anderen: toen zij zich kromden, wentelden. — ^nw;:, toen zich uitstortte hun ziel, = toen zij stierven, in den schoot hunner moeders-, de ziel verlaat het lichaam en vloeit als het ware den moeders in den schoot, die hun telgen koesterend tegen hun borst laten leunen.

13. quot;ITJW' dh getuigen voor u brengen, op welk voorbeeld kan ik u wijzen van een volk, welks lot als getuigenis voor u kan dienen of ala vergelijking bij uw onheil?

ocr page 306

DE KLAAGLIEDEREN II.

gij dochter van Jerusalem? Wat zal 'k u voorbeeld geven, en zoo u kunnen troosten, gij maagd'lijke dochter van Tsion? want groot als de zee is uw breuk — wie zou genezing u 14kunnen brengen? Uw proleten, zij hadden voor u visioenen van ijdelheid en zonder zout — zij gaven u geen uitleg van uw zonde, om zoo uw afval te doen keeren, maar deelden als visioen u mede opdrachten van ijdelheid, die met ver-15 stooting moesten einden ! De handen slaan ineen over u alle op den weg voorbijtrekkenden, fluitend schudden zij het hoofd over Jerusalems dochter; //Is dit de stad, waarvan men zeide; «//inbegrip van schoonheid, bron van verblijding voor geheel 10de aarde?quot;quot; Sperren wijd open over u hun mond al uwe vijanden, fluiten en knarsen de tanden, zeggen ; «Wij hebben verslonden! Waarlijk dezen dag, waarop wij lang reeds hoopten, 17 wij hebben hein gevonden, aanschouwd !quot; Volbracht heeft de Eeuwige, wat Hij lang reeds beraamde — ten uitvoer gelegd Zijn gezegde, dat Hij in Zijn gebod had verkondigd sinds de dagen der oudheid — heeft omgehouwen zonder ontferming; en schonk blijdschap den vijanden over uw val, verhief den 18machthoorn uwer verdrukkers! Nu schreit hun hart tot den Heer! «Gij muur der dochter van Tsion ! doe stroomen als beeken uw tranen bij dag en bij nacht; gun u geen stilstand, laat 1!) niet stil zijn de appel van uw oog! — Op, jammer in den nacht, bij het begin der waken, stort als water uit uw hart tegenover het aangezicht des Heeren ; hef op tot Hem uw handen

14. zonder zout, smakeloos, hier = zinneloos. — irvac? 2'ï;nS, om

uw verkeerdheid af te wenden; anderen : uw gevangenschap of te u-enden. — •p wni, zij heiceerden ten mnen behoeve gezien Ie hehhen prol'clisclic visioenen.— niseis, opdrachten van ijdelheid en van verstooting, die naar Jor. 27,10 en 15 geen ander doel hadden, dan u door God uit het land te doen verdrijven; dat moest het noodzakelijk gevolg zijn van de beweringen der valsche profeten; anderen verklaren Dvmii als afval, verleiding.

is. -pi nay. die op den weg voorbijtrekken, reizigers, vreeraden, die langs do ruïnen van Jerusalem trekken; zij slaan de handen itieen, hier niet, gelijk Num. 24,10, als niting van toorn en verontwaardiging, maar evenals Job 27,23, van leedvermaak. — ipip, zij fluiten, Jer. 19,8 uitdrukking van hoogste verwondering, staat ook Job t. a. p. naast het ineenslaan dei-handen. Het schijnt hier, evenals liet hoofdschudden, tegelijk uitdrukking van leedvermaak en verwondering te zijn; liet nooit verwachte is dan toch, eindelijk, werkelijkheid geworden! — »£•gt; rW», v. s. kroon, v. a. van hl, samenvatting, inbegrip ■, Ps. 50,2 wordt Tsion isi 973» genoemd.

16. DiTS • • • 1S3' ZV *perrelt;- den mond open, een gebaar van bespotting, evenals Ps. 35,21. — p ip-irm, hier uitdrukking van bevredigde wraak; op andere plaatsen dikwijls: uiting van woede. — Voorwerp van W?3 is het in liggende: Jerusalem. — iasi, = hebben wij beleefd. De werkwoorden zijn zonder verbindings-'i naast elkander geplaatst, ter aanduiding van de levendige aandoeningen, die de sprekers bevangen.

7

ocr page 307

3 ro*K rhtö T

|i»rn3 nbins na nan ^

xity 'rh lïn quot;n^^: : Tiy«31quot; 'D Ttnaty D'a binr^a ^

-.-•T | T lt;T ',T T :' -'' Kquot; : * '■*quot; ^T. •quot; «^..

niN'^a -]1? irm. yprf? bèn*! g

ipl? ^—'.ï q'é? ^yt ipöd : d'nnai 10 t

♦si' nvba n^n nwn nr^ d^xi

- J. ; . , .. T J -: 'ATT i: Vquot; T -*■ T quot;

-ipnnn \piv bn'a iïö : r-ixn-^b ra

I :-I-- I :it )•-:-• t v • )-lt;-*r t I vit t t : *. t

: irsn I^ÏO innpt^ Di'n m TIN4 nox ^

T T I T JT T V% 'I ' ••* ~ -»V l-1- . AT V : 'T ' fquot;

k^i dquot;in onp-'q^d mv imox j;^3 dót ie'n4 nin^

J ; T v|v .. ,. JT. J... -. T ; v ^ TT JV -: T

quot;Vk p^v : -inv pp ann- dHn4 na'Bn ban ^

V.T • I ^J- T ^ )* ITT I •■') Jquot; ^ quot; p ' quot; T rtT T

■ba dov Vi^qt nnin rvrns nam n,

^ - ^.T:quot; T quot;,T ir : - I • - ^J- ftT -;

VvO ^ i ^ :^.Tn? D'nn-^x rf? n:i3 ^nn ^ ■gt;--1^3 V^K ^'IK ^3 nD: -jiV D^SD ♦DSB' JThü^K rj-

I-- - JT .* s- : ; Iquot; ■ ... * ; • ; -

17. Als overgang tot liet denkbeeld, dat slechts God hier hulp cn troost kan hieden, wi.jst de dichter erop, dat wat thans geschiedt, lang te voren reeds door God is voorspeld. — ïï^, eigenlijk: «ysnijWcn, vandaar: ten einde brengen. — mx quot;icn, dat Hij in Zijn gebod, in de Thora, bij de openbaring, heeft gesproken; waar Hij de sti-ai' voor den afval als onafwendbaar heeft toegezegd. — pp onn, verheft den hoorn — verleent overmacht.

^8. py2£, nu schreit eindelijk hun, Israels, hart tol God om hulp; de

verleden tijd, als ziet de zanger het reeds gebeuren ; IüN' 'Ezra : hun, der vijanden, hart schreit honend tegen God, waarbij br verwacht zon worden. Sn pjjï is gewone uitdrukking voor bidden in nood. — In onze opvatting spreekt vervolgens de zanger Tsion aan; in Iün 'Ezra's verklaring volgen do woorden der vijanden. — Evenals Jes. 14,31; quot;®d 'Vtvi, jammer, gij poort!, wordt hier de muur, als beeld voor de geheele stad, aangespoord tranen te storten. -— tjis, van jis, wat Gen. 45,26 voorkomt in den zin van ; verstijven van den levensgeest; de zin is; gun u geen ophouden van weenen, laat den tranenstroom onafgebroken vloeien. — DTn Sn, laat uw oog niet zonder beweging zijn, maar steeds nieuwe tranen doen opwellen.

19. ijquot;). |3i beteekent; een luiden schreeuw slaken, gewoonlijk van jubel, hier van ge jammer, nnsc/s ütnS, hij het begin van ieder der drie nachtwaken, d. w. z. den geheelen nacht door. — disj .. . ■•NB, hef op uw gebogen handen ; css zijn de hol staande handen, gereed om iets te ontvangen; de gewone houding bij smeekend bidden schijnt, naar uit tal van plaatsen blijkt, geweest te zijn: opheffen der armen en de handen met den palm naar boven geopend, eenigszins gekromd. — Sr, tvegens het verloren gaan van het leven.

ocr page 308

DE KLAAGLIEDEREN II, III.

om de ziel uwer teere kleinen, die versmachten door honger

20 aan den hoek aller straten !quot; «Zie, o Eeuwige! aanschouw toch, wien Gij zoo hebt berokkend! Moeten dan verteren vrouwen hun vrucht, de teere kleinen hunner handstreeling ? mag dan gedood in 's Heeren heiligdom priester en profeet ?

21 Ter aarde liggen in de straten knaap en grijsaard, mijn maagden en jongelingen zijn gevallen door 't zwaard; Gij hebt gedood op den dag van Uw toorn, geslacht zonder ont-

22 fermen! — Gij riept als naar dag van verzaam'ling wat mij zou verschrikken, van rondom; en er bleef niet op den dag van des Eeuwigen toorn een geredde, een ontvluchte; — die ik koesterd' en kweekte — mijn vijand deed hen ondergaan !quot;

III.

1 Ik ben de man, die ellende aanschouwde door de tuchtroede

2 Zijner gramschap. Ik was 't, dien Hij leidde en voerde in

3 lichtlooze duisternis. Alleen tegen mij keert Hij telkens weer

4 Zijn hand den ganschen dag. Deed vleesch en huid mij slijten,

5 verbrijzelde mijn gebeente. Bouwde tegen mij, met ring-

6 muur mij omgevend van gif en bitt're moeite. In duisternis

20. Hier volgen dan de woorden, die de dichter het smeekend Jerusalem in den mond legt. — 'a1?, welk volk het is, dat Gij zoo groot onheil hebt beschoren! Het is immers Uw volk. Uw stad. Uw heiligdom ! —dn ... dn, hier niet tegenstellend, maar een indirecte vraag in twee parallel loopende dcelen. De hier geschetste vreeselijkheden schijnen, naar de woorden, te zijn voorgekomen, wat niet moeilijk te begrijpen is. — d'ns, hun lijl's-vrucht. Het mannelijk aanhangsel voor het vrouwelijk, gelijk zoo dikwijls. — dtisb, zelfstandig naamwoord van nsc, iuist, (zie vs. 22, waar het werkwoord voorkomt) met de handen koesteren. — In de klacht ligt tegelijk de bede, om aan deze ellende een einde te maken.

22. fClpD) de toekomende tijd, vermoedelijk gekozen om den 'n te gebruiken, die in de alphabetische orde der strophen noodig was, moet hier opgevat worden óf als verleden, óf als tegenwoordige tijd; Gij roept noy steeds. — aod» itoij. De uitdrukking iuo komt bij Jeremia

herhaaldelijk voor: alle verschrikkingen van aüe zijden tegelijk, oorlog, ziekte, honger enz. Het is meervoud van quot;vjJO en niet van quot;VUO. woning, verhlijf, wat in den samenhang niet past. Rasuie verklaart; mijne omwonenden. — TicJ, een bij Jeremia herhaaldelijk voorkomende verbinding, De groote overeenstemming in woordschikking en gebruik van typische uitdrukkingen tusschen ons boek en Jeremia's profetiën geven een sterken steun aan de traditie, die Jeremia voor den vervaardiger van ons boek houdt. — Het hoofdstuk sluit in diepe ellende, waarin nog altijd geen troost is te vinden.

Hoofdstuk III. Waren de beide andere hoofdstukken samengesteld uit voor het meerendeel drieregelige strophen, bij wier begin de alphabetische orde wordt in acht genomen, ons hoofdstuk bestaat uit korte verzen, eveneens drieregelige strophen vormend, waarvan elke regel telkens met de opvolgende letter van het alphabet begint. Het is niet een indii idu, die zijn

deuteronomium. BB

8

ocr page 309

j s ro^K rtaö n

nun : nivin-ba a

lt;•• : ^ • t ^ j; t : r it i • - t *i vv

ons D*m n^sKn-Ds4 na nVbi^ ^DV rm^m ^1n,

-»•• : *1 : ■ lt;• t t ; - • at :-»- ^- : t • - : t :

ntó 1335^ : Ntó 1335^ : Nm3J1 ?n'3 n'-iN E'ipD3 jnn^Ds4 D'nau x=

ct^: it i* t : ljquot; -: j-l: • : r'riquot; ' ^ • \ '

DV3 nj-in 3nn3 mn3,i 'n^ins ?pn nivin

-• : t;^-t vat v ■'gt;:,T q^quot; 'quot; • : M-t:

3*3DQ nuo DV3 Nipn : n^on a1? nn3t2 nés4 ^

• t • - : lt;quot; : tI : • t : it t j t : v.quot; t I v -

♦n'3ni quot;nan u^a nin^-^s4 01*3 n»n N4t?i

• : ' : j- • v -; a* t ; -•• t ^.t : | - j : .)tt j :

: Db3 ^'N4

it * j* : i

rpn jna 'nis4 : ini3^ L23^3 HKI nsiin nxx

^ iv j k~ - •)-t j' i t : v vvquot; : • -r: ■'t t vv- «• -: 2

nBgt;3 rb3 : Dl'n-bs 1-1» quot;nan* 31^ '3 quot;ns4 ; ■)1n4-n4,?,i j

•t ; lt;t * i - t v.t i -» -:i- •)•.. r j- ]■»- 1 ; ■-

D*3Kgt;nD3 : nKbm mó ftp»! n23 : Tiiovv 13^ nivi ^

j* - 1- : itt : j in.— o't jt t it : ».- • • ^ : •)

persoonlijk lijden beklaagt, maar één uit velen spreekt het ongeluk dei-vromen des volks in bittere jammerklacht uit. Dit blijkt uit den overgang uit het enkelvoud in het meervoud, vs. 22 en 40—47. — De zanger begint met de beschrijving der vreeselijke ellende der vromen in het hopelooze lijden (vs. 1—18), — verheft zich vervolgeus door de gedachte aan Gods albarmhartigheid en voorzienigheid tot hopen op verbetering en redding (19—39) en komt zoo tot de erkenning van Gods gerechtigheid in de straf, die echter door de kwaadwilligheid der vijanden zoo hevig wordt, dat üod de rechtvaardige klacht wel hooren moet (40—54). Dit vertrouwen leidt dan tot het gebed, waarin zicli reeds de hoop baanbreekt, dat God helpen zal en wraak zal nemen op den vijand (55—66).

1

nXT die beleefd heeft. — vror D2ü3, de tuchtroede van Gods toorn; Ibn 'Ezra: 'svijands toorn. Mendelssohn: de toorn der ellende,; deze wordt dan verder voorgesteld als een hardvochtig man, die zijne onder-hoorigen met de meest mogelijke wreedheid tuchtigt.

2. Ook in dit en het volgende vers is God onderwerp. — -ns nVi ■jen, duisternis en niet-licht, lichtloosheid.

3- 131T atJquot;. keert hij telkens weder. — 12, tegen mij. — it, Zijne straffend slaande hand.

4. nSa, Hij deed slijten, eig. van kleederen, hier van het lichaam, als Job 13,28 en Ps. 49,15. — •niri neo, de uiterlijke, weeke deelen van het lichaam; vviBïr, de meer inwendige, harde deelen.

5. Het beeld is ontleend aan eene belegering. — tpii ... nsa, houwt een omgevend houwxoerk, een ringmuur; één begrip in twee werkwoorden ontleed. 'Sy, tegen mij. — ntom r«i vormen het bouwwerk: hij bouwt op rondom mij, cni — on, bitterheid, gif, — beeld voor lyden, nsSn. Beeld en toepassing staan hier naast elkander; gif als zinnebeeld van bitteren nood is zoo gewoon, dat de uitdrukking haar karakter als beeld heeft verloren.

ocr page 310

DE KLAAGLIEDEREN III.

7 deed Hij mij zitten, als d'ceuwig dooden. Richt afsluitheining voor mij op, dat ik niet kan ontkomen — maakt zwaar mijn koop'ren

8 boeien. Ook als ik schrei en smeek, stopt 't oor Hij voor mijn

9 bede. Zet afgehouwen rots als heining op mijn wegen, laat

10 in het wild verloopen mijne paden. Een loerende beer is Hij

11 mij, een leeuw in verborgen schuilhoek. Mijn wegen doet Hij afdwalen en scheurt mij 't vleesch van 't lijf, maakt tot ver-

12 woeste mij. Hij treedt Zijn boog en stelt mij op als doelwit voor

13 den pijl. Deed komen in mijn nieren Zijns pijlkokers kind'ren.

14 Zoo werd ik tot spot voor gansch mijn volk, hun hoonlied

15 gansch den dag. Hij maakte mij zat met bitterheid, en leschtc 10 mij den dorst met alsem. Hij brak mijn tanden stuk door kiezel,

17 drukt neer mij in de asch. En zoo is versmaad mijne ziel van

18 vrede, vergeten heb ik 't goede. En ik spreek: verloren is

19 mijn levenskracht en mijn hoop vanwege den Eeuwige. Gedenk

20 mijn armoed' en mijn zwerven, alsem en gif. Gedenkt zij het.

6 komt letterlijk met Ps. 143,3t' overeen. — In duisternis gal' Hij raij woning, dSiü inns, als eemviy dooden, d. w. z. als de gestorvenen, die in den eeuwig langen nacht des tloods in diepe duisternis verkeeren ; — D'OBn», hot duister des grafs. Anderen: dooden der oudheid-, de pas gestorvenen verkeeren echter in even diepe duisternis als de reeds eeuwen lang in het graf liggenden.

7. TU, sluit mij in een enge ruimte op ; richt rondom de plek, waar ik mij bevind, een heg op, die mij belet te ontkomen. — wn:, mijn koper = mijn boeien; vgl. onze uitdrukking: //in de ijzers sluiten.quot;

8. En des te erger is dit, daar God ook zijne beden niet hoort. — Dno = ono, verstoppen, wil zeggen; stopt het oor dicht, om niet te hooien; niet: verstopt den uitgang uit s menschen borst, zoodat hij niet bidden kan.

9. Hij heeft rotsstukken, uit rotsen f/ehowven steenen, zooals zij voor de sterkste bouwwerken worden gebruikt, als afsluithaag op mijn wegen geplaatst. — vnavo, de door mijzelf gebaande voetpaden, waarop ik zeker was den weg te vinden, nu', heeft Hij verkeerd doen zijn, heelt veroorzaakt, dat zij dood liepen en ik ze niet verder kon volgen. De zin is niet, dat hij gedwongen is op kronkelpaden te gaan, maar dat hij in het geheel niet verder kan.

10. Als dan alle kans op ontsnappen is benomen, valt Hij als een verscheurend dier op zijn prooi aan.

11- quot;inD niet de leeuw, maar God doet afwijken mijn wegen,

maakt eerst, dat ik van den goeden weg afdwaal, — of v. a. onttrekt mij den teeg, zoodat ik niet ontkomen kan. — ■otoeii, in het Arameesch: in stukken houwen, verscheuren of afscheuren; hier het laatste, daar hij nog niet sterft.

13. inarN zijn de pijlen.

14. ijjy, v. s. verkorte meervoudsvorm = D'isr, ik werd tot spot voor alle volkeren. Men vergete echter niet, dat hier nog een éénling aan het woord is, die wel als type voor geheel Israël dient, maar toch moeilijk zeggen kan, dat alle volkeren hem bespotten. De zin is; allen, die raij vroeger gekend hebben, bespotten mij thans.

9

ocr page 311

a row rte u

: T3Dn «YK ab) nya n-u : DSIJT ^noa »

r : r •. •'* : gt;* vquot; quot; -* : •) • r squot;t it r*^* : *1quot; * i

: 'n^an Dni^ P^TN O DÜquot;

V.quot; r ; 't ; - t : lt;-t r t v.quot; t ^-••- -:i- | «•; v «• ^

-niD om : onnDöa nnK ^ Nin n : niv1

^*v.quot; : - :r )•• j- r : rri • z ^ \,'-i • jquot; -• it^* ngt;

k'2n : rn1? nntass intyp -i-n : doib^

• quot; ) iquot;- v.t t - - *^quot; ------; i- )lt;- t iquot; * t

.'Di'n-^Dni^^-^bpn^ 'n^n :ins^K »33 ^

• quot; t ^ v,t t^i* ; • - t : i ; • «• t i t i - : t : • ;

♦3B' rvna : n:^ ♦iinn oniisa

• v~ * : * I t tiv lt;••:-- it^ii- •-gt;-:• : - 'O- • : • TD

♦nïj-iax -ion1 : miü diSb'O natm : ifixa'1

. ; . j. t - it it ' j' t quot; •) t ' s-: • - v iquot; t m

ni3Tn niDT: my1? nnoi yiar: nin^o ♦rnmni lt;='

: • •* t it jt^I- v' : jquot;. r t : it : ••• v* ï quot; 1:3

15. enkel nog Pa. 119,20 voorkomend, hangt samen met cnj,

gestampte korrels (Lev. 2.14) en beteekent in Kal: verbrijzeld zijn,\tl Hiph'iel: verbrijzelen. — i'xna, kiezelsteenen, dus: hij brak mijn tanden stuk door mij kiezel te doen kauwen ; evenals asch eten, is hier steenen kauwen liet beeld voor leed en ellende. — wsan, verwant met ü33, neerdrukken.

17. rumi 's derde persoon vrouwelijk en be: onderwerp; niet tweede persoon mannelijk, waarbij God aangesproken onderwerp zou zijn. rui beteekent eig. stinken, v. d. afschuw inboezemen, versmaad zijn (onovergankelijk Hos. 8,5) en ook: versmaden, overgankelijk (Hos. 8,3).

.18. inSJ. eig. wat vast en bestand is; v. d. levenskracht, levenssap (Jes. (53,3 en 6). — De klagende vertwijfelt aan God en zijn toekomst en is der vertwijfeling nabij; — msi, ik dacht, sprak in mijn hart; — maar daar komt hem Gods naam op de lippen — en geeft hem kracht het vertrouwen op God niet te laten varen, — hij klaagt God zijn nood en bidt Hem om bijstand.

19. is een gebiedende wijs en God aangesproken onderwerp. Met ons vers begint dan het tweede deel: de verhefling tot God. Anderen houden -ot voor een onbepaalde wijs en verklaren; Gedenkend mijn ellende enz.,... gedenkt het mijne ziel, dan buigt zij zich. De afwisselende vorm van den onbepaalden wijs. in vs. 19 de samenstellings-vorm quot;pj, in vs. 20 de

zelfstandige quot;1131, spreekt daar wel tegen; verder zou in deze opvatting

eerst vs. 21 de nieuwe gedachte worden ingeleid, waardoor 1°. de drieregelige strophenbouw van het stuk wordt verbroken en 2,). de vs. 18 met veel sterker woorden uitgedrukte wanhoop vs. 20 in tbs 'Si1 nwni vrij mat herhaald zou worden. De gedachte van 19—21 is deze: o God ! denk aan mijn ellende, zooals die in 1—18 is omschreven (de 'jr, rurS en dni komen uit 1,5 en 15 terug) — want als mijn ziel daaraan denkt, dan wordt zij slechts neergedrukt, niet vertwijfeld, en moet tot God zich wenden, — dit wil ik mij dan ook telkens voorhouden en vertwijfel dus niet; God alleen kan helpen, op Hem blijf ik daarom vertrouwen.

20. quot;1131 is waarschijnlijk derde persoon vrouwelijk en 'OW ook onderwerp van het eerste versdeel. Anderen: G ij, God, zult gedenken; rrom verklaart men dan : dat gebogen is; of: gedenken zult Gij zeker, maar intusschen vertwijfelt mijn ziel. — pnt'rii van me, neerzinken, v. A. gebogen zijn.

ocr page 312

DE KLAAGLIEDEREN Hl.

21 dan wordt mijn ziel in mij terneer gedrukt. Dat wil ik mij in 't hart terug steeds roepen, daarom blijf ik op Hem

22 hopen. Genade des Eeuwigen, dat wij niet zijn vernietigd —

23 want Zijn barmhartigheid is oneindig. Nieuw weer eiken mor-

24gen — groot is Uw trouw! — Mijn deel is de Eeuwige,

25 zeide mijn ziel; daarom wil op Hem ik hopen! Goed is de Eeuwige voor wie op Hem hopen, voor de ziele, die Hem

26 zoekt! Goed is 't, in zwijgen te wachten op de hulpe des

27 Eeuwigen ! Goed is 't voor wie man zal worden, te dragen

28 een juk in zijn jongelingsjaren ! Laat eenzaam hij zitten en

29 zwijgen, als Hij het hem oplegt. Laat zijn mond hij leggen

30 in het stof — misschien is toch nog hoop! Laat hij de kaak aan wie hem slaan wil, bieden, hij worde zat van schand'

31 en. smaad! Want niet voor eeuwig zal de Heer verstoo-

32 ten. Want heeft Hij smart gebracht. Hij zal toch Zich ont-

33 fermen, naar Zijn groote liefdeblijken. Want Hij brengt niet het lijden om de lust Zijns harten, droefnis bren-

34gend ovei- menschenzonen ! Te pletter te trappen onder zijn

35 voeten al de gevangenen der aarde, — Te buigen het recht van een man voor het aanschijn des Allerhoogsten, —

21. nai dit, dat mijne ziel slechts gebogen wordt en de gedachte van vs. 18 onjuist is. Anderen : dit, het volgende, waardoor echter de samenhang naar strophenbouw verbroken wordt.

22. //Bewijzen van Gods genade zijn het, dat wij niet ondergingenquot; — • met deze gedachte versterkt hij nu zijne hoop. — i:nn is eerste persoon

meervoud = yajT) (vgl. Num. 17,28); v. a. 3de persoon = — parallel

dan met het slot van het vers: genade Gods — voorwaar zij heeft geen einde enz.

23. nnjnn. nieuw zijn Uwe onsn, genadebewijzen onpaS eiken morgen; dagelijks ondervinden wij ze weder; dit dringt den zanger tot de erkenning, dat God zijn woord gestand doet; roi, groot is uw trouw aan het gegeven woord; anderen : veel zijn de bewijzen Uwer trouw.

24. gt;pSn, rnijn deel, waarop ik als vast bezit kan bouwen (vergelijk Num. 18,20).

25—33 drukt de gedachte uit: dat God het onder alle omstandigheden

foed met den mensch meent ; zelfs al slaat Hij hen, dan nog is het omoed met den mensch meent ; zelfs al slaat Hij hen, dan nog is het om

un bestwil; laat hen zich slechts in 't ongeluk zoo gedragen, dat de bereiking van Gods voornemen mogelijk wordt.

26. Als God goed is voor wie op Hem hoopt, dan behoeft de mensch slechts in berusting het ongeluk te dragen, om zeker te zijn van eindclijke bevrijding. — Dsm Sw, v. s. twee bijvoegelijke naamwoorden : en wdchteml en zwijgend, d. i. dan als één begrip genomen : zwijgend wachtend; anderen verklaren 7gt;rrgt; als werkwoord van Sin = Sm, dat men wachte. en wel dïïi, (een bijwoord) zwijgend. Daarom is het goed voor wie iu donkere tijden zich man zal moeten tooncn, reeds in zijn jeugd, in den tijd van frissche

10

ocr page 313

i row nbao »

^on : ^niK |rpkt : ^ nyni ^ |' naT onpsS b^m : vöm i^d-kS ^ mh-tö o nin»» f

v,t - *it : - • t-: it -: i- ^ t i j' : r •»• t ;

3112 : i1? rr1?^ ^33 mox nin» ♦pVn : ^iniiöx ^

« i J' ly • :- -«t : it t : 1«; v # i I'.^t i v; HD

.•nin'n^^n1? ddit Vn^i aiü nairmn tysV? lip1? nin*»

» it : a~ , : *^ t : • t : « iv : : • : tI : t :

hu: '3 Din 1-13 3t^ : im^3 ^ K^-»3 13^ 3lüquot;

Vquot; t j' • : tt lt;•• •• it : quot; v. -'t • r vv- - n3

'n1? ^d1? rn» : npn wö ?n» : v'nr?3

•vv r\ - : ir** itI ; • jquot; v' * t'tiv i «•• • it^- *7

Dnii niin-DN '3 : ♦itN nar» n1? »3 : ns-im y3^ ^

lt;•-•:, T • J- rr -! : Jquot;:^ . - ■t :#v : quot; j- : • 37 c..

nnn K3-I7 : ^W33 nan 13^0 n:p »3 : non 313 ^ P:

-j- •• -: r •• : v.v-- ^ • • t lt; -• it t t ^ : i4? ï-

: rv^ 'js na: -i3rü2Kgt;o ni'isnV : n^DK ^3 vVan ^ quot;

1 . r. ; ■,■;v ... t - : . - ; i vit ••gt;■quot;! i t : -

levenskracht, een juk van lijden te diagen; hij zal dan niet versagen, als in don ouderdom het lijden komen mocht.

28. Als God hem lijden geeft te dragen, zitte dus de mensch in rouw, eenzaam en zvvijge berustend. — Sd:, onderwerp is God, voorwerp Sj? uit vs. 27.

29. Legye in het slof den mond, d. w. z. verootmocdige zich voor God, gelijk men zich voor een vorst smeekend ter aarde werpt. Spreke geen woord, den mond in het stof gebogen, in de stille verwachting: mpn tn'Vis.

30. Ja, zelfs biede hij zijn wang aan en drage menschensmaad zonder morren. Want 31—33; God blijft niet eeuwig toornen; na lijden gebracht te hebben, erbarmt Hij zich weer, men ma, gelijk uit zijn vele, tallooze liefdebcwijzen blijkt (31). En zelfs het lijden, dat God brengt, komt Hem niet uit 't hart, zoodat het Hem genoegen doet te kunnen straffen en leed te brengen (vs. 32), maar om den zondigen mensch terug te brengen. —

rw = rifja

34 — 36. Hoofdzin is hnt nS 'n, dat verwonderd vragend of betoogend kan opgevat worden ; God zou het niet zien?! of: God ziet het niet aan, zonder te straffen ; met het oog op het volgende komt mij de eerste opvatting aannemelijker voor. — 'S nsn wordt ook I Sam. 16,7 gebruikt. De zin is dan; dat de machtigen, hier misschien doelend op de wereldveroverende Chaldeers, onder hun voeten vertrappen alle zwakken, die zij als gevangenen wegvoeren; dat in Israël en daarbuiten het strafrecht, cbdd, verdraaid, in het burgerlijk recht, 311, onrecht gepleegd wordt, — Zou God dat niet gezien hebben en dus daarom nu Israël, later ook den vijand straffen ? Niets immers geschiedt buiten Gods weten en willen I — Anderen: «Zou Hij alleen straffen om te vermorzelen onder Zijn voet allen op aarde, die toch slechts gevangenen zijn in Zijne hand ? En willekeur is het niet, zoo Hij straft, want; te huigen het recht enz. is zeker tegen den wil des Allerhoogsten; Te krommen het recht, zou God het niet zien? — fpSj?'jb TU,

voor het aangezicht des Allerhoogsten, voor den rechter, die Ex. 22,7 e. a. p. oviSsn en Ps. 82,6 jt^ï 'm genoemd worden, omdat zij in den naam Gods rechtspreken.

ocr page 314

DE KLAAGLIEDEREN III.

36 Te verdrukken een mensch in zijn geding — de Heer zou het niet

37 zien! ? Wie is 't, die sprak en dat geschiedde, wat de Heer niet

38 had geboden? Uit 's Allerhoogsten mond zou niet dus komen de

39 rampen en het goede ? Wat heeft de mensch, die leeft, te klagen ? 40de man slechts over zijne zonden! Laat ons dus onderzoeken

onze wegen en doorvorschen en laat ons tot den Eeuwige weder-

41 keeren ! Laat ons ons hart verheffen met de handen tot den

42 Almachtige in den hemel! Wij, wij pleegden afval en weer-43spannigheid, — Gij, Gij hebt ze niet vergeven! Bedektet U

met toorn en vervolgdet ons; Gij dooddet zonder mededoogen.

44 Gij hebt bedekt Uw aanschijn met een wolk, dat geen gebed

45 er door kon dringen ! Tot vies veracht'lijk vuil deedt Gij ons

46 telkens worden te midden der natiën! Wijd sperren open

47 tegen ons hun mond al onze vijanden. Angst en valkuil over-

48 kwam ons, verwoesting en verbrijzeling! Van stroomen waters vloeit weg mijn oog om de breuk van de dochter mijns

49 volks! Mijn oog stroomt uit, het houdt niet op, zonder stil-

50 stand, Totdat neerziet en schouwt de Eeuw'ge uit den hemel!

51 Mijn oog doet pijn mijn ziel om al de dochtren mijner stad !

52 Maakten jacht op mij als op een vogel, die om niets mijn

53 vijanden waren! Trachtten mijn leven te vertrappen in den

54 kuil en wierpen steenen op mij. Zoo golfde water over mijn 55hoofd; ik dacht: ik ben afgesneden! Nu riep ik Uwen naam 56 aan. Eeuwige! uit de diepste groeve-diepte. Mijn stemme

hoort Gij, verberg dan niet Uw oor voor mijn in smeeken

36- krommen het recht van een armen mensch bij zijn twistgeding.

37. Antwoord op de pas gestelde vraag, maar in vragenden vorm, waarop het antwoord enkel een beslist; neen! kan zijn.—wil, vrouwelijk: li e t was.

38 is evenzoo te verklaren.' Daarom, omdat alles van God uitgaat, die niet uit lust tot kwellen pijn doet lijden — wat heeft de mensch te morren, terwijl hij leeft; Txcn Sj) iaj, v. s. als hij slechts heerscher is over zijn zonden; v. a. een man, over de straf voor zijn zonde? in beide opvattingen nog afhankelijk van pisjv na en dus deel van de vraag. Met Rashie eu nieuweren verklaren wij het als tegenstellend antwoord: niet over zijn lijden, neen, over zijne zonden heeft de man zich te beklagen!

40— 54. Bekentenis der zonden en klacht over de wreedheid der vijanden.

40- 'H tot den Eewwige toe, tot wij Hem weer bereikt hebben.

41. D'SD SXi toegevoegd aan de handen-, laat ons niet enkel de handen, maar ook ons hart tot God opheffen. Ibn 'Ezra : laat ons o p de handen ons hart als geschenk aanbieden. — Met vs. 42 begint dan het gebed, in het tweede versdeel wordt God aangesproken.

43. f|X3 nrroa parallel met pra nniao van vs. 44, beteekent; Gij bedekt U met toorn, hult u in gramschap. — -pc beteekent: bedekken tot bescherming of verberging.

45. 'HO. van nnD, Ez. 26.4, vuilnis-, disc, zelfstandig naamwoord, verachting-, één begrip in twee woorden.

11

ocr page 315

i row rhtö 'ïih nnnüK nt »ö : nxi ah ♦a'-iK inna bnx nwh ^

^r -: • v - - t lt;v •quot; it t j vt ^-r • ; t t : 77

T:iNn'-no : aicsni ni^in xi'n k1? ♦aü : niv k4? ^

i.. . . - • ^quot; j ^ \ tit .. .. ^ 1 . . it • j vi j^j.

naiu'ii nipnji lyai-i n'can: : ma DIX » g:

t ^ t : t| : -; •• t : «t ; :- ^ it^t-» ^ \\v - -m-t

ijna : D^o^a VN-VW : nin^njrso ^

;'tt ■ ••• ■t-l v . •■t: lt;t * : vt s 3,3 i^a-nni nxa nnüo : nnbo n? nnx unüi M

•• : ; • 1- ) - t t « ~ t : it t j ' ' t : ~ t

♦no : nbön 'n1? nya nróo ; rbnn xb njquot;in ^

s* : it • : v pt ' T T l*-* t « - t ; it t J t ; ^quot;t ho

on^s IÏS :D^n mpa Wvf\ dindv»

iquot; ; 1 t ^ •)quot; r j t iquot; it v|jv: • : .) t

♦37 Tin Q'Q-^^ö : quot;atrni nNB'n u1? rrn nnfii inö«

. »ï. j- .. . - •• ; - v it quot; : Jquot; quot; vt tjt ~ •)quot; t quot; Squot; htt

: niasn ?♦«» nom K1?! nnaa »3^ : «

' 1 \ -t 1 jquot; •• : ' J : ot: • s* r ^ - v^v

Sap ^s:1? nVbry : Q^D^p nin» nti JSJ

niaa inöï : osn iisva ♦jnv Tiï : niaa ^

lt; : it it • : 1 v. * quot; * 4 t j i* • ^ : JI3

rntnp : ww: ♦niON d^-iöï : »3 px-n^i «n ^

lt;tIt * ;it:* • :j' t v* ' ■gt;' it r I v- - t - n3

'Vip : niwn niaD nin» •qotyquot;

•)i: : t s-*: - - t'iutt v 1 i • : - ^ • t : i : •

47. flnSI inSgt; ook Jer. 48,43, aan Jes. 24,1 ontleend. — nsfrr, van rw, druischen, bulderen, dreunen, v. d. onder groot gedrulsch instorten, zoo ook nw, Jes. 24,12.

48. Over dit ongeluk moet men wecnen, tot God erbarmen toont. De zanger keert hier tot den eersten persoon enkelvoud terug, in zichzell' het volk verpersoonlijkend.

49- nuan pxo- vgl. 2,18; zonder ophouden, niet te stillen. Anderen: omdat er geen stilstand in de ellende is.

51. nSVlJ?) doet leed, pijn aan mijn ziel; mijn tranen, die mijn oogen pijn doen, vermeerderen nog mijn zielesmart. Mendelssohn: mijn uit-z i cht doet mijn ziel verdriet. — Ssn, wegens al enz. Mendelssohn e. a. meer dan al, — het vers zegt dan: eigenlijk heb ik meer reden nog om over mijzelve te treuren, dan over mijn lotgenooten.

53. in02£, de Kal, gebruikt in dezelfde betcekenis als de Hiph'iel Ps. 119,139 e. a. p. vernietigen-, de verleden tijd staat hier voor de poging; zij trachtten mij in een groeve te vernietigen en wierpen steenen op mij, tegen mij. — m =

54. las, water steeg en zwom mij over het hoofd, beeld voor levensgevaarlijken nood. — vtosn, ik dacht, — viitjj, ik hen afgesneden van hulp of van Gods hand. Vgl. Ps. 88,6, waar -pp» erbij staat.

55. mvinn TOO, groeve der onderste diepten der aarde, vgl. Ps. 88,7. De verleden tijden, 561) in den wensch-vorm D^rn Sn overgaande, drukken uit wat nog geschiedt.

ocr page 316

DE KLAAGLIEDEREN III, IV.

57 lucht zich gevend angstgevoel! Gij zijt nabij op den dag, dat

58 ik U roep; Gij zegt: vrees niet! Gij voert, o Heer! de twistzaak 5!) mijner ziel. Gij lost mijn leven in ! Gij ziet, o Eeuwige! hoe (iO men mijn recht verkromt; — o oefen toch het recht voor mij! Gij (51 ziet al hunne wraak, ai hunne plannen tegen mij ! Gij hoort 02 hun smalen, Eeuwige! al hunne plannen tegen mij. De taal

der lippen van die mij bestrijden, en hun peinzen tegen mij (j3 den ganschen dag. Hun zitten en hun opstaan, o aanschouw 64 het; ik steeds hun spotlied ! Betalen zult Gij hun vergelding (55 naar 't werk hunner handen. Geven zult Gij hun verblinding GG des harten — Uw vloek over hen! Vervolgen zult Gij met toorn en hen verdelgen van onder den hemel des Eeuwigen! —

IV.

1 Ach! hoe wordt goud zoo dof, verliest zijn kleur het fijnst metaal! worden rondgeworpen heil'ge steenen aan hoek van

2 alle straten ! Zonen van Tsion, de kostbaren, opgewogen met het fijnste goud — ach — hoe worden zij gerekend als aarden

3 kruiken, werk van pottenbakkershanden! Zelfs de wilde dieren reiken den uier, zoogen hun welpen; —de dochter mijns volks is tot wreedaard geworden, als struisvogels in de woestijn.

4 Vast kleeft des zuig'lings tong aan zijn verhemelte van dorst; teere kleinen vragen brood, — die 't hun breekt, er is er

56. VinnS- Ex. 8,11 beteekent nnn verlichting, verademing; hier vormt het met vuquot;®1? één begrip: mijn smeeken, waardoor ik mijn bezwaard gemoed verlicht. Vgl. Job 32,20: ik wil spreken, dat geeft mij verlichting, ■h rrm maïs.

nSiCJ) treedt ah Ssu op. als iemand, die voor mijn leven opkomt.

59. TlDIj?, van nir, huigen, — de mij toegebrachte onrechtmatige verdrukking. — 'BB»» ncsr, richt mijn recht, verschaf mij recht.

60. Dnarno Sd Dnopj S3. 0.1 hunne wraakplannen. — quot;h, tot mijne schade ^r, dat sommige handschriften hier evenals vs. 61 hebben.

63. On^JJO = onroj; verlengde vorm, misschien tot uitdrukking van het als refrein herhaalde spotliedje; zoo spotten de vijanden met mij, — maar Gij zult het niet langer verdragen (64—66).

65. n3JOgt; van bedekken, verblinding des harten, dat zij het naderend strafgericht niet zien en hnn verderf tegemoet snellen; anderen van pc, waarbij de cjt in den niet goed verklaarbaar is, — overgave, vernietiging. — van rhs, vervloeking; de woorden beteekenen: uv: vloek liome over hen.

66. 'n 'Ot? = TOCj V!,n het geheele gebied, waarover Uw hemel zich uitstrekt.

Hoofdstuk IV. In dit hoofdstuk wordt het lijden der verschillende klassen der bevolking geschilderd en als welverdiende straf voor zware

12

ocr page 317

i a row nVao y

: nwVn nnDK dio nrip : ♦nyny1? ♦nnii1?».

it. • ^ - t :v- t i v ti: v -■ : t : -it r t : -:

♦nniv nin* nnwn : quot;n nV^a ^33 on ♦anx naim

* . t-'t t : t lt;• t it- t : J'^T *• - Jquot; ' IT T Z squot; ü3

: »S Dnb^no-^a onopr^a nnwn : »t33tro nLastr»

^ r ^t : ; - t t tI; • t t • t ^ r t ; • vt : t

^p ♦nfi'B' : '^v anhirnQ-bs nin» anain nyftv **

- It lt;•• : • ,t vt ; : - t t ; t t : v t •; lt;- t 3d

.'Dnraao^Kntson bnooi onatr : D^n-Ss ^ Dii^nv

itt i* k*t • - t t lr; lt;t : • i - t ^-^t t v ;

■naao on1? rnn : onn* nin» on1? a^n ^

-• : v t llt;quot; • iv ••: : v.t : •gt; : jv r ' nd

: nin* *m nnnö on^o^ni ciks finn .•Dn'? nn^Nn a1?10

it : jquot; s - v.- * •••:-: I - : I lt; : * iv t \.| ;it -; i-

1

irip-^ax niDöntyn niisn onsn NiB»* anr D^V row

v I •• ; - t : •• - : • a - v-v - v,quot; : * tt *5- t ••

T33 d^Vdoh Dnp;n }i»v tP : niïin-'js 3 ^

n^'02 •' ^ 'J. n'^o ir-in-^aa1? b^na nawj ^

pin : quot;Qnaa O IDN1? 'ö^'na jnnu ip^n pi rsj fens onS Akit wova ian-V« pav

i Jquot; {•' v v -:-»t 'tl «st t - ^ • vi )quot; 1 J : d

zonden voorgesteld. De bevolking heeft zwaar te lijden (1—6), want hare zonden waren groot (7—11). Deze strafoefening is het gevolg van de zonden van priesters en profeten eenerzijds (12—16) en van het ijdele vertrouwen op menschen aan den anderen kant (17 — 20). Doch al triumpheeren de vijanden thans, eens komt ook over hen de straf (21 en 22).

1. Onder de beelden van au, dm en ctp ^as* denkt de dichter aan al wat voornaam was en door zijne positie een heerlijk voorbeeld kon geven, zooals vs. 2 het beeld zelve uitwerkt. — dïv, van dar, donker zijn (Ez. 28,3). — wen, van njb - rw, veranderen, hier van kleur (Malachie 3,6). — cip tot heilige doeleinden bestemde steenen, beeld voor Israël, dat immers een ./koningrijk van priestersquot; had moeten zijn en blijven.

2. Dnp\-|gt; die, als zonen van het uitverkoren volk, hooge waarde hebben. — DisVosn. nSd = nSo (Job 28,16), opwegen. Vs. 3—5 beschrijven die geringschatting nader, beginnend met zuigelingen om met de vorsten te eindigen.

3. pn. of de Kerie dw, woestijndier, óf als verzamelwoord in het enkelvoud met het werkwoord in het meervond, óf als meervoud te verklaren.— n» ixVi, trekken de horst uit, maken den nier voor hun jongen beter bereikbaar door hem naar buiten te rekken en van onder de haren van de vacht te voorschijn te doen treden. — als struisvogels, die naar Job 39,16 hare jongen hard behandelen, als waren het niet de haren.

4. cna = Dis, evenals Miecha 3,3, brood breken en te eten geven.

ocr page 318

DE KLAAGLIEDEREN IV.

5 geen! Die plachten van lekkernijen te eten, versmachten in de straten ; die op purper zijn grootgebracht, omhelzen thans den

G mesthoop. Grooter was de misdaad van de dochter mijns volks, dan de zonde van Sedom, dat als in een oogenblik te gronde

7 werd gericht, waaraan geen hand geslagen werd! Blanker waren haar gekroonden dan sneeuw, witter waren zij dan melk ; rooder van beendren dan koralen, saphierenstralend hun

8 gestalte ! Donkerder dan zwartsel is hun gestalte thans, onherkenbaar zijn zij, dwalend door de straten; vast kleeft hun

9 huid hun op hun lichaam, droog geworden gelijk hout. Gelukkiger waren gesneuvelden door 't zwaard, dan die door honger sneven — want dezen vloeien henen, doorboord door

10 gebrek aan voortbrengselen der velden! De handen van anders zoo meelijdende moeders kookten hare kinderen ; zij dienden tot een laaf'nis hun bij den breuk van de dochter mijns volks!

11 Ten volle heeft d'Eeuw'ge Zijn gramschap doen woeden, heeft uitgegoten gansch de branding van Zijn toorn ; en ontstak een

12 vuur in Tsion, dat verteerde hare grondvesten ! — Nooit konden gelooven de koningen der aarde, noch eenig bewoner der menschenwereld, dat ooit zou komen verdrukker of vijand in

13 poorten van Jerusalem. [En toch is het geschied;] Door zonden harer profeten, wandaden van haar priesters, die ver-

14 gieten in haar midden bloed van rechtvaardigen. Dwalen rond g'iijk de blinden in de straten, zijn bezoedeld met bloed;

15 tot men niet kan raken aan hun kleederen. «Weg daar! onrein!quot; roepen zij hun toe, — «weg daar! weg daar! raakt niet aan!quot; en als zij vluchten, ook dan nog zwerven zij —

5- D'JiyoS = Dii-ij;): iSss; evenals nw met 'a verbonden

voorkomt, kon in navolging van het Arameesch has met 'S gebruikt worden. Anderen: die aten naar hartelust, als bijwoord; minder waarschijnlijk. — B'jnsn, die opgevoed zijn. — ïSw = w nrSw, een hoogroode purperkleur, hier voor: kleeden van die kleur. — ipan, omarmen, liggen uitgestrekt op mesthoopen.

6. De zonde van Jerusalem was grooter, en ook de straf, dan die van Sedom, waaraan geen vijand zijn woede kon koelen, maar dat plotseling als in een oogwenk verwoest werd. De twee beteekenissen van pu, zonde en straf, zijn hier beiden bedoeld; de zonde en hare gevolgen. — iSn, van Sn, dat Hos. 11,6 van het zwaard gebruikt wordt; zwaar rusten, woeden.

7. rvm haar gekroonden, vorsten. — Dïï isix, rood van heen deren ivaren zij, het gebeente dan voor het lichaam gebruikt; anderen: rood van kleur waren zij, evenals v. s. Ex. 24,10. — d^ezijn roode koralen.— Dm» TïD, Ibn 'Ezra; uit Saphier is hun gesneden-zijn, zij zijn als uit Saphier gesneden, zoo stralend; anderen: zoo schitterend en in het oog vallend als Saphier is hun gestalte-, m?J, snit, lichaamsbouw.

8. mïirQj de straten, tegenstelling van ; te huis. — ieï. vastgeplakt zijn, zoo mager zijn zij ; verdroogd, er zit geen vocht meer in.

13

ocr page 319

i rem nbiD y

vSm D^ü^n nivina im: D^dnh : on1? ^

^ t . •.. v;it A . '' v.' t - .j~ : ' ; i t iv t

naisjnn d'-ID nxtsno t'^ : ninair« ipan1

-j t -: 1- a : v.-^- ^ ^ - i -:*- i - ; - k : •

n^nü inx JSB'Ü nnn: ÜT : on» nn iVn-Nbi ptiöd»

at tlquot; ^ - v v • t v • ; lt;- 'itt v.t JT ^ ^ quot; t

D'iKn nn^o Tit^n ; omn D'i^SD dï^ idin n

tt; it ; • |«* t it t:* v.' quot; * * ; • vrv :lt;t

: rvs n^n ^2^ Düïp-1?^ Q*\ty isjv niïina vo3 N1?

\ n-t jt t^ ^quot;t t : ^ t *quot; t. a v' ^ : * ^

anpm br onir d^i ^no ain-^bn vn d^1üc

•it ••. : *..t lt;•• v 'rtt t \,quot; ; - i- v ••• •• ; - t lt;•

vn ?nn^ 1^3 ni»:i3n*i d^: n* : nir n13,)Jno,

lt; t iav ••;- ^ : • ■ -*t -: i~ • t ••: itt ^ v s *

■nap inarrnK nin» n^a : 's^-na ID1? ^

1 k-^t t -: t : lt;t • 1- , - ••■l'- : t t :

iroNn Kb : ^♦r-^b, ^Nni rvya quot;iSN ?i*in ='

• ••; iv « T .,v 1 : ' v. - I • : a - I -j

iDb^vrnttBbaHtri IÏ üy '2 San Vai ^

•itt 1; v,* ••quot; : quot; : j- t «• aquot; •• — ; 1 v, . 1 *•• •* •• : quot; ri_

.'D*pnïDin3quot;ip3 D^a'^n n^na nij'ij? n^a: nNtsno^

Ir •- j~ v.t ;l * : r : 1 - t av-; i ^ r v • ; j - iquot;

: on^aVa m* ibav «ba o^a ibxaa nixina oni^

iv •• i\ : • a : * . : 1 -• ; at quot; v quot;* • j. 'quot; ff '' ' lt;t

wroa w: 'a lyim-Vx IIID IIID ia4? iNquot;ip NÓÜ niD1

at quot;quot; ^ t t * quot; lt; t :ijt quot; t

1

13. Priesters en valsche profeten zijn oorzaak, dat het ongelooflijke toch is geschied. Jer. 26.7 beschrijft, hoe Jeremia aangeklaagd werd om ter dood te worden veroordeeld wegens zijne verkondiging van den ondergang des tempels. Vgl. ook voor de slechte handelingen van priesters en profeten Jer. 6,13—15;. 22,11; 27,10 e. a. p.

14 en 15 beschrijven den tegenwoordigen toestand der mannen, waarbij de dichter speciaal de priesters op het oog heeft. — dvviï, vgl. Deut. 28,28.— ■hst», een uit Niph'al en Poe'al samengestelde vorm. — wrVw«Sa,ronrfer dat men kan aanraken; hoi kan of met 'S of door eenvoudige nevenschikking met het hoofdwerkwoord verbonden worden; anderen; aan u-at zij naar de wet niet konden (= mochten) aanraken, raken zij met hunne kleederen, nl. aan de tallooze op de straten liggende lijken; zij zijn immers als blinden, zien ze dus niet, zoodat zij aanraking konden vermijden.

15. Men gebruikt tegen hen de waarschuwing, die Lev. 13,45 den melaatsche is voorgeschreven te roepen, teneinde zijne medeburgers voor verontreiniging te behoeden. Of w1? wip vertaald moet worden; riep rn e n

ocr page 320

DE KLAAGLIEDEBEN IV.

men zegt onder de volkeren : zij mogen niet langer verwijlen !

l(j Des Eeuwigen toornende blik heeft hen verdeeld, — Hij zal niet meer hen aanzien — der priesters aangezicht ontzagen zij zelfs

17 niet, en ouden wilden zelfs zij niet begenadigen. Nog altijd echter smachten onze oogen naar hulp voor ons — toch ijdel! met al ons wachten, zien wij wachtend uit naar een volk, dat

18 toch niet helpen kan ! Men beloert onze schreden, dat niet meer gaan men kan op onze pleinen; nabij is onze tijdgrens, vol

19 zijn onze dagen, ja, ons eind is gekomen I Lichter van vlucht waren onze vervolgers dan arenden aan den hemel; op de bergen zetten zij vol vuur ons na, in de woestijn zelfs leggen

20 hinderlagen z'ons! De levensgeest in onzen neus, de gezalfde des Eeuwigen, werd verstrikt in hun vangkuilen, — van wien wij bij ons zelve zeiden ; „Onder zijn schaduw zullen wij leven

21 onder de natiën!quot; Verblijd u, verheug u, gij dochter van Edom, die daar woont in het land van 'Oets ! doch ook aan u komt wis de beker eens voorbij — gij zult beschonken wor-

22 den en u van zelf ontblooten ! Ten eind' is dan uw schuld, gij Tsionsdochter ! dan zal niet langer Hij in ballingschap u laten ; dan ook bedenkt Hij uwe misdaad, Edomsdochter! legt bloot uw vele zonden !

elkander toe, zoodat de voorbijgangers elkander waarschuwen, ol' wel; riepen z ij, de onreine priesters, h u n, den voorbijgangers, toe, staat niet vast. Mij komt het laatste waarschijnlijker voor, daar ook Lev. t a. p. de melaatsche zelf verplicht wordt voor verontreiniging te waarschuwen. — iwqj is: A Is zij duchten, worden zij ook nog tot voortdurend zwerven gedwongen, daar de volkeren hen in hun midden niet willen dulden ; iï:, van hïj = nïj, Jer. 48,9, vluchten, eigenlijk diegen, samenhangend met rm:, vederen, zooals reeds Ibn 'Eziia opmerkt. Mendelssohn vertaalt de laatste woorden: men zal hen nooit meer ireezen, zeggen de heidenen; in den samenhang m. i. weinig passend.

16. _ 'H ija, Gods toorn. — DpSn, heeft hen verstrooid, evenals Gen. 49,7.— ispj nS ... ■os. cos nüj beteekent: op iemands stand, waardigheid of ouderdom letten bij de rechtspraak ; hier synoniem met j:n en dus ten zijnen gunste deze in aanmerking nemen. Het eerste versdeel is waarschijnlijk nog den volkeren in den mond gelegd; zij mogen zich in ons midden niet ophouden, want Gods toorn treft hen en zal nooit zich van hen afwenden ; Hij zal nooit weer in genade naar hen kijken (DC-cnS); het tweede deel geeft dé houding dier volkeren aan, die zij dientengevolge tegen Israel aannemen.

II- een vreemde vorm, daar -nr met aanhangsels nooit den

meervoudsvorm aanneemt; de Kerie umjquot; geeft de vertaling: zoolang wij leven-, de Kethieb HnljT zoolang zij, de oogen, er zijn; het schijnt echter,

dat nr hier in den zin van iï gebruikt is en rU'lJ/ Jan hetzelfde is als

Jij;, Pred. 4,2 en 3; nog steeds, een verlengde vorm dus, onderden invloed

van het volgende njiSsn zoo gevormd. Het schijnt te doelen op de ook na den val van Jerusalem nog van Egypte verwachte hulp. Sn ver

smachten onder tranen uitziend naar onze hulp. — Ssn un-ill', onze hulp, hulp

14

ocr page 321

i row nbiö v

^Diquot; ah Dpbn nin» : quot;njS lapv nS oH-ia npKquot; gr nvnip : )::n ah D^pr* laim b^n'D ♦as QÜ^H1? quot; amp;

•• iTT j v,*»quot;: T t ■J •-:!«••: at * - : n_

ah 'irVK wt* lin's^s linnry-^ nrSsn

j ^ v . . j..^.. . . vat [,quot; t:quot;v ••• •• t-»v : • p.,

IN^D ^ïp 3*ip irnbn-i3 n^o ir^y IIÏ : b

j : it •)*• I • -tit A- ^ I : • v^v • I' t ; J t quot; i* ^

D^Diy n^3ö irsn'-i vn ühp : uvp N2-o ^ ^

^ quot;at t ^ ^quot; :^ * ' quot; : I t lt;• i - lquot;r JT ' v** t

nin* rrtfD iröN mi : i:1? miN 12123 up^i onnn3

t ; - j* : ., - - c it ^t ^t ; • - I •, t : •»• t iv

Wv : 0^33 rvn: ivgt;ïa hiók itrx onin^n^a ,

,. ^ JV:1. k.. :. T# JV ^ AT; ,.! . ^ r :.

Di3_i3j;n ^7j;quot;D5 px2 TDirv DiiN-na 'nptyi H e]»pv k1? p'Vns ^'^quot;Dri : n^nrn n35yn23 -r-: ^ntitsn ^ nba Dii^-na ips

van ijdelheid, die toch niets geeft. — wbxs, hij ons trachten, niet: op onzen wacliUoren, daar er dan Si', niet 'a, moest staan.

18—20. Wij hopen nog steeds — en toch zijn wij zoozeer in de macht der vijanden, dat al onze schreden bespied worden, het is gedaan met het volk, alle pogingen tot ontkomen zijn mislukt, zelfs de koning is den vijand in handen gevallen.

'is. ns. van mx, beloeren. Onderwerp zijn de Chaldeërs.

19. De vergelijking van den vijand met arenden, ontleend aan Deut. 28,48. — pSi, eig. branden, vandaar; woedend vervolgen, vgl. Gen. 31,36. Zelfs op de bergen in de woestijn, in de onherbergzaamste oorden, vinden wij geene rust.

20. De gezalfde Gods, onze koning, die voor ons volk is, wat de levensadem is voor het leven en voortbestaan van het lichaam, is gevangen. — Dnwrroa, een verlengde vorm van nnc, vangkuil, misschien tegelijk het begrip rnr, verderven uitdrukkend. — iSïa, onder zijn beschermende schaduw zullen wij als volk misschien voortbeslaan onder de heidensche natiën. Zoolang de koning nog in hun midden leeft, verbindt men aan zijn persoon al de hoop op de verwezenlijking der hem en zijn huis gegeven Goddelijke beloften.

21 en 22. Toch is het met Israël niet gedaan! Al kan Edom nu zich in Israels val verhengen — ook hij wordt door het onheil eens getroffen.— Dia, de lijdensbeker zal, rondgaande onder de volkeren, ook eens aan hem voorbijkomen en hij zal gedwongen worden tot beschonken wordens toe te drinken. Vgl. Jer. 25,15 voor het beeld. — Het land 'Oets lag naar Jer. 25,20 aan de grens van Idumaea. — ■nrmi, en zult u onthlooten, ontbloot worden zal uwe schande, ingevolge uw dronkenschap (als Gen. 9,22) — beeld der schande, die Edom treffen zal ; vgl. Nachoem 3,5.

22. Dan is uw s t r a f geëindigd, Jnda! uwe schuld geboet; Israël keert uit de ballingschap terug en Gods strafgericht treft Edom, welks zonden God openbaar mankt, d. w. z. bestraft; in de straf doet God de menschheid de misdadigheid des bestraften erkennen. Ons hoofdstuk sluit zoo met de in vaste, heilige overtuiging uitgesproken Messiaansche toekomstverwachting.

ocr page 322

DE KLAAGLIEDEREN V.

V.

1 Gedenk, o Eeuwige ! wat ons is overkomen; zie neer toch

2 en aanschouw den smaad, ons aangedaan ! Ons erlland is aan

3 vreemden toegevallen, onze huizen aan buitenlanders. Weezen zijn wij geworden, zonder vader, — onze moeders zijn als

4 weduwen. Ons eigen water drinken wij voor geld, ons eigen

5 brandhout komt voor koopprijs slechts weer ons ter hand. Op onze halzen worden wij vervolgd; wel zijn wij gansch ver-

Ü moeid, ons wordt geen rust gelaten. Naar Egypte reiken wij

7 do hand, naar Asshoer ook om zat aan brood te worden. Onze vaderen zondigden — zij zijn er niet meer — en wij, wij

8 hebben hunne zondenschuld Ie dragen. — Slaven heerschen over ons, en niemand is er, die uit hunne hand ons vrijmaakt.

9 Met gevaar van ons eigen leven brengen wij ons brood, wegens

10 het zwaard [dat loert] in de woestijn. Onze huid is door-

11 gloeid als een oven door ziedende hitte van honger. Vrouwen deden in Tsion zeli' geweld zij aan, maagden in steden

12 van Juda! Vorsten zijn door hunne hand gehangen; het aan-

13 gezicht van oudsten zelfs wordt niet geëerd. Jonge mannen droegen 't molenjuk; en bijna knapen nog, zij struik'len

14 onder 't hout. Oudsten hielden op te zitten in de poort;

Hoofdstuk V. Dit Hoofdstuk beslaat uit tweeregelige verzen, waarbij echter, hoewel het verzenaantal ook 22 is, de alphabetische orde der beginletters niet is gevolgd. Het begint met de bede tot God, Juda's schande te gedenken, 1; 2—7 en 8—16 schilderen dan de ellende, vs. 7 en 16 vormen het slot der beide deelen, met de erkentenis, dat zij de zonden hunner vaderen en hunne eigene te dragen hebben. Vs. 17 en 18 leiden dan met een recapituleerenoe beschouwing de bede om redding, 19—22. in. De dichter spreekt in den eersten persoon meervoud, in naam der volksgemeenschap.

2. Het vaste bezit, erlland en huizen, is aan vreemden overgegaan. — ■)3n:, voor overgang van eigendom, als Jes. 60,5.

3. Hulpeloos zijn wij als vaderlooze weezen; onze vrouwen verlaten, als waren zii weduwen. Men heelt hier bij 2N i'si niet aan. den koning te denken.

4. Wij leven in gebrek en ontbering, verergerd nog door het bewustzijn, dat wat wij met moeite nu eerst verwerven, eigenlijk ons eigen goed is. Water en brandhout om te koken, als eerste levensbehoeften, die het land zelve zonder menschenarbeid levert, en waarvoor zij toch zware belastingen te betalen hebben, alvorens ze te mogen nemen. — isia'', komt naar huis = wordt, naar huis gebracht; anderen: komt te koop, wordt verkocht.

IJ'nNTX 7V1 wij worden zoo vervolgd, dat men ons voortdurend op den nek zit, de vijanden zitten ons steeds op de hielen ; wij zijn doodmoede, en nog kunnen wij niet even op verhaal komen, maar worden rusteloos voortgejaagd. Ibn 'Ezua ; ons hout op onzen nek, u-orden wij vervolgd, en men neemt het ons af, zoodat wij moeite ons gaven, zonder dat ons iets gelaten wordt van hetgeen wij met zooveel opoffering dachten verkregen te hebben.

6- T UDJ, reikten wij de hand, ons onderwerpend, om maar eenvoudig brood te hebben om ons zat te eten.

15

ocr page 323

n row nbao iü

bnSn: : untnrrnN nNii *ü^n ^ rvrrno nin» iy« R

quot; t quot;ti* ^ ^ iquot; t : v v j- : t v - t tjt y t : •lt; : 3

3N D^in' : irna onr1^ hdshj ^ 5:

tl-»quot; • t *' . : r ; t : t * t : -«t : v iv pm'

ymz 1:^ s]DD3 wo^Ö : 1:^3« ^ ^

bnvo : n1?* ujw usnu ^niï ^ ^

• - ; • # it ^ - 1 j : tvquot; t : t : • •• t - *«- it) ^

wnatt* DVN* iNun irnix : Dn1? iwh y isnj' -

:v —siquot; t •• : ; it lt;•• -: vit ^ j •, • s, - r -»* t 35i-

: DTO r« pia 132 ibtro bnav •' arrni^n quot;

itt-^ i -»•• i v.quot; t : ■jt ' t . : it t jv •• 1 n.

quot;nana liiiy : nnan 2in ^30 laón1? K^D: \:^Ö23d S-

- - : quot; . it : • -^ vr.- v.quot; : * quot; : quot;i T quot; .: quot; ; ,

njra hbna 13^ ri^a D^: : ajn mapr ♦JÖO I-IÓDJ ^ B

^ •'■* » : v. \ : 'ï i j • : • t tt t ^: - ^quot; ; • t : * ^

onma : mm ah D»:p? ♦JÖ i^n: DI^ onty : min^ ^ quot;

* , iquot; it ; v ^ j v iquot;; r* ; : • ^tt : • t it ;

D^pT : ^^3 r^3 onyji rinu^

tt t j- . .)..; it t i o'-t v t: tt i -• :

7. Wij lijden schijnbaar meer, dan wij verdienen — geen wonder, wij dragen, behalve onze eigen schuld, mede de gevolgen der misdaden onzer vaderen, die lang reeds zijn heengegaan. Vgl. Jer. 16,11, waar ook de misdaden der vaderen en de schuld van het tegenwoordige geslacht als oorzaak van den ondergang wordt aangewezen.

8. anay. de Chaldeërs, zelve slaven, gebukt onder tyrannieke over-heersching, en zoo laag staande, dat zij ons eigenlijk als slaven moesten dienen, heerschen over ons.

9. 13^333, voo r den p r ij s van onze ziel, met gevaar van ons leven, s^u, brengen irij naar huis ons brood wegens de rooverbenden van üeduïnen-stammen uit de woestijn, die ons aanvallen, uitplunderen en dooden. Het doelt op het binnenhalen, Ni2J, van den tocli reeds zoo slechten oogst, wat slechts onder voortdurenden strijd met de Bediiïneu mogelijk was.

10. En wat wij dan binnenhalen, stilt nog onzen honger niet, maar verhit is onze huid, d. w. z. ons lichaam gloeit als een oven van koorts, tengevolge van nisvSi, van ejrt, de hitte van den honger, den door honger veroorzaakten koortsgloed.

•11—13. Verder worden wij persoonlijk mishandeld, vrouwen en meisjes onteerd in de straten, vorsten opgehangen, dtq, door hun, der vijanden, hand-, de ouden, win: xS onwaardig behandeld, met smaad bejegend.

13. Jonge mannen worden tot zwaren arbeid gedwongen. — isco jinc, v. s. nemen zij, de vijanden, reeg naar het malen, dwingen hen tot arbeid in den molen ; waarschijnlijk echter is pno een zelfst. naamwoord: het maalwerktuig, en de zin is: zij dragen het juk, waarin anders een dier, os of ezel, gespannen wordt om den molen te draaien; of; dragen den molen, den verplaatsbaren handmolen van de eene plaats naar de andere; het malen geschiedde in den regel door slaven (Recht. 16,21). — wvn, jongelingen, bijna nog knapen. — yr:, onder den last van het hun opgelegde hout, dat zij moeten dragen, iSto, struikelen zij, vallen zij bijna neder.

14. quot;lyCO. (le poort, waar de terechtzittingen gehouden werden en waai dientengevolge ook de ouden van dagen, die niet meer werken,, tot

ocr page 324

.n^np n^ja

DE PREDIKER.

DEUTERONOMIUM.

CC

ocr page 325

n nyn rhm rta

nibinö Tjönj vpü : ony^ö onina n;n nr^ : UN4m quot;2 ub

DOf^ jvï^n by_ : irr^ lairn nbK_l?j; lai1? nn^ quot;in1? ^ND3 2^n ^i^, nnx : iriDbn

Ï lt;gt; I ~5 : • quot; *• quot;'T : T : «T - I ; • ^ t

: ova* •qiN1? uaryn lanatrn nvib nöb : im =

quot;* •' t i v j : vquot; : * iquot; •• t : • - v t t«r it

D«0quot;DK '3 : Qn^a irjr *21^:1 ?|,u?n i rrjrv == S : quot;iND-n^ nfivp ijtomo

. v.quot; t t : j- \t t : - ;

: mpa ira1 cm nairji -j^x mn1 ua^n

1 Sjonge inamien met hun snarenspel. Gansch opgehouden blijd-

16 schap onzes harten — veranderd is in rouw ons rijgedans ! Gevallen is de krone van ons hoofd — wee ons, wee, dat wij gezon-

17 digd hebben! Daarover is ons ziek het harte, om al dit onheil zijn

18 verduisterd onze oogen. Om Tsions berg, tot woestenij geworden,

19 waar vossen heen en weer voortdurend loopen! Doch Gij, 0 Eeuwige ! ti-oont in eeuwigheid. Uw troon bestaat voor alle

20 geslachten ! Waarom zoudt Gij voor eeuwig ons vergeten,

21 verlaten ons tot in lengte van dagen ? Voer ons terug, o Eeuwige ! tot U, dat wij dan wederkeeren ; vernieuw, als in

22 't verleden, onze dagen ! Het zij dan, dat geheel G' ons zoudt verachten, vertoornd op ons zijn ten hoogste zeer. —

Voer ons terug, o Eeuwige! tot U, dat wij dan wederkeeren; vernieuw, als in 't verleden, onze dagen !

gezellig praten bijeenkwamen. De poort is verlaten, men heelt geen lust meer om een praatje te houden, om te zingen en te dansen.

16. rnüjfj troon is om van 'l hoofd i/erallen, de roem, de eer

des volks is verloren — wee ons, dat zijn de gevolgen onzer zonden !

!?• IJS1? nn irn = hebben u-ij zielsverdriet; ni Sr, samenvattend, nSs Sr, meer ontledend ; over alles samen treurt onze ziel, over ieder op zichzelf weent ons oog.

18. Het ergst van al is echter de verwoesting van Tsion, waar o^rw, vossen, of v. a. Sjakah, Pi'el, heen en weer loopen, als ware liet hun

vast verblijf.

19. Doch al is Tsion verwoest, Gods troon staat toch tot in eeuwigheid en Hij, als Redder, als God der liefde en des heils, zal toch weer eenmaal helpen.

20. QiQ^ quot;px^- quot;l lengte van dagen, levenslang.

21. Neem ons weder als Uw vollf aan, en wij zullen Uwe dienaren weder worden ; dit is, naar het slot, de zin van dit vers.

22. QX 'O, dan alleen, na een negatieven zin, die hier gedacht moet worden : Gij zult ons niet in dezen toestand laten, tenzij, enz. Vgl. Jer. 14,19. — Bij de Synagogale voorlezing wordt vs. 21 aan het slot herhaald, om met een duidelijk sprekende bede ten goede te sluiten; zoo ook aan het slot van Jesaja, JVIal'achie en Kohéleth.

1 Tü

r»

•TJO

ocr page 326

DE FREDIKEK.

i.

1 Woorden van Kohéleth, zoon van David, Koning te Jeru-

2 salem: o, IJdelheid dei- ijdelheden, zegt Kohéleth, ijdelheid

3 der ijdelheden! alles is ij del! Welk gewin komt den mensch

Hoofdstuk I. 1 vormt het opschrift van het boek. Hoewel in het algemeen in de oud-rabbijnsche geschriften de in ons boek verkondigde «wijsheidquot;, nnan, aan koning Salomo wordt toegeschreven, komt reeds in de bekende mededeeling omtrent liet autenrschap der verschillende bijbelboeken (Baba Bathra 14) het denkbeeld voor, dat Chizkija en zijne tijd-genooten ons boek zouden hebben (jeschreven. Evenab met het, evenzeer aan Salomo toegeschreven, Sprenkenboek het geval is, zoude dan in den tijd van Chizkija de ond-Salomonische wijsheid zijn verzameld, die ten deele als Spreuken in den volksmond leefde, anderdeels in korte aantee-keningen bewaard gebleven was en dan door Chizkija's tijdgenooten zou zijn uitgewerkt. Terwijl het Sprenkenboek ook uiterlijk de kenmerken draagt van eene verzameling van stukken uit verschillende tijden en van meerdere schrijvers, maakt ons boek meer den indruk van een aaneengesloten geheel, al moet men toegeven dat sommige gedeelten geheel het karakter van eene spreukenverzameling dragen. Tal van bezwaren rijzen echter tegen het auteurschap niet alleen van Salomo, maar ook van Chizkija of een zijner tijdgenooten. Tot het denkbeeld, dat Salomo of Chizkija de schrijver van ons boek zoude zijn, leidde vooral het opschrift, waar Kohéleth zich noemt: zoon van David en Koning in Jerusalem, titels, waar-meê hij zich in het boek zelve nog herhaaldelijk noemt; bovendien beschrijft hij zich als rijk, wat vooral op Salomo past. Toch laten zich sommige plaatsen moeilijk met de onderstelling vereenigen, dat Salomo de schrijver van ons boek was; zoo bijv. 1,16 quot;Tar hij zich grooter in wijsheid noemt, dan allen, die vóór hern in Jerusalem 'naren,— wat Salomo niet goed zeggen kan, daar slechts David vóór hem in Jerusalem zijne residentie had. Bovendien ziet men geen grond, waarom een koning als schrijver zich achter een pseudoniem Kohéleth zou verbergen, en anderzijds zijne anonymiteit weer zou opheffen door bijvoeging van titels, die den sluier van onbekendheid al te doorzichtig zouden maken. — De taal van het boek, vaak herinnerend aan die van de oudst geredigeerde bestand-deelen van Mishna en Boraitha, doorweven met Arameesche stamwoorden en woordverbindingen, spreekt verder tegen een zoo hoogen ouderdom van ons boek. Hoewel nu bij de beoordeeling van het taaleigen der Bijbelboeken in den regel zeer subjectief te werk wordt gegaan (vgl. onze aant. Hoogl. 1,1), valt, wat ons boek aangaat, niet te ontkennen, dat het niet den stempel draagt, wat taal en stijl betreft, te behooren tot een dei-klassieke perioden der ond-Hebreeuwsche letterkunde; het vertoont in taal en stijl noch den soberen eenvoud van Salomo's tijd, nóch den gloed en den rijkdom van Jesaja's stijl. Taal en stijl verwijzen ons dus naar een periode, die na den terugkeer uit de Babylonische gevangenschap valt.— Zeer subjectief komen mij daarentegen de beschouwingen voor, gewijd aan den inhoud van het boek, om daaraan argumenten te ontleenen voor het bepalen van den tijd van den schrijver. Er worden in het algemeen

ocr page 327

.n^np nSjfD

1QK b^nn : rjbwwz rhn -iiTp nVn'p nmN

-»- T • T -: lt;•• -: -IT T I • | •••(.quot; • T I V v-»vl •• ; *2

anxb ?ims-no : ban ban a^an ban nbn'p ^

ATTIT I (. :• - VIT J - (.• T-: Jquot; -: v v I

denkbeelden in nitgesproken, die in lederen tijd bij hen, die over de groote vragen van wereld- en levensbeschouwing 'beginnen te denken, zullen opkomen en het gaat m. i. moeilijk anders, dan door een vooropgezette meening als maatstaf te kiezen, de in ons boek besproken verschillende ideën aan bepaalde richtingen, secten of stelsels te verbinden. De nieuwere schrijvers, ieder zijn eigen weg gaande in de bepaling van schrijver en ontstaanstijd van ons boek, verschillen zoozeer van meening, dat het zelfs bijna ondoenlijk is een overzicht te geven van hunne denkbeelden. Over oen periode van niet minder dan vijf eeuwen verdeelen zich de personen, wien liet auteurschap van ons boek wordt toegeschreven, — van af een tijdgenoot van 'Ezra tot op een Jerusalemsch burger ten tijde van Herodes; — wél een bewijs, dat de argumenten aan taal en quot;stijl ontleend, slechts negatieven invloed kunnen hebben en niets kunnen bijdragen tot positieve vaststelling van den tijd des schrijvers. — Ons komt liet meest aannemelijk voor, dat ons boek een werk is' van een tijdgenoot van'Ezra, die, tal van oude spreuken in zijn boek opnemend,'de beschouwingen zijner tijdgenooten t,e boek stelde, en daarbij gebruik maakte van oudere bronnen, misschien wel aan de koningsarchieven ontleend. Zoo bevat dan ons boek inderdaad veel koningswijsheid, en zijn de titels, die de schrijver zich toelegt, niet eenvoudig ficüel'. — nbnp. De stam Snp beteekentver-zamelen van menschen; ons woord dus niet: verzameling van spreuken; de vrouwelijke vorm van deelwoorden wordt in 'Ezra en de Mishna herhaaldelijk gebruikt voor het afgetrokken begrip, dus eig.: vergadering, het vergaderen, en het spreken in eene vergadering; en ook voor mannelijke jiersonen, die de handeling doen (vgl. 'Ezra 2,55 e. a. p.); vandaar dan = Sinpc, de spreker in eene vergadering; vandaar de aan Septuaginta ontleende titel van ons boek: de Prediker. Ook deze titel gaf aanleiding, Salomo voor den schrijver te houden, daar I Kon. 8,1 van dezen gezegd wordt, dat hij het volk in vergadering bijeenriep, Snpi, en als spreker voor hen optrad. — Tn p, zoon of nakomeling van David. — iStt, koning, v. a. aanzienlijke, vooral omdat de schrijver 2,4 vv., waar hij zijne grootheid beschrijft, niets vermeldt, wat aan een koning doet denken.

2. Van 2—11 vormt de inleiding van ons boek, zooals reeds Siporno

opmerkt. — ^311. eig. adem, damp, — is tegenstelling van het

vaste. De Semiechoeth-vorm ban voor ban of San is naar het Arameesch

gevormd. Het is de grondgedachte van het boek, die hier is uitgesproken ; al het ondermaansche is ijdel.

3- JDiT. vat over is, v. d. óf blijvend voordeel, öf voorrang, voortreffelijkheid. — t'Biïn nnn, onder de zon, telkens in ons boek terugkeerende uitdrukking voor : de aardsche wereld.

ocr page 328

DE PREDIKER I.

4 met al zijn moeite, die hij zich geeft onder de zon ? Een geslacht gaat heen en een ander geslacht komt; en de aarde

5 blijft in eeuwigheid bestaan. En de zon gaat schijnen en de zon gaat onder; en naar haar plaats met verlangen strevend,

0 gaat zij daar weer op. Gaat naar het zuiden en draait naar het noorden, steeds maar draaiend gaat de wind, en op zijn

7 draaiingen komt de wind terug. Alle stroomen gaan naar de zee en de zee wordt niet vol; naar de plaats, waarheen de

8 stroomen gaan, daarheen gaan zij telkens weder. Alle dingen zijn in voortdurend zich vermoeien, geen mensch vermag ze uit te spreken ; geen oog wordt zat te zien en geen oor wordt

9 vol van hooren. Wat geweest is, dat is het wat zijn zal; en wat geschied is, dat is het wat geschieden zal; en niets nieuws

10is er onder de zon. Is er een zaak, waarvan men zegt: «Zie, dit is nieuw,quot; — lang reeds was het een eeuwig lange tijd,

11 die er vóór ons was. Geen herinnering is er voor de vroe-geren en ook aan de lateren, die er zijn zullen, hun zal geen aandenken zijn bij hen, die nog later zullen zijn. —

12 Ik, Kohéleth, ben koning geweest over Israël te Jerusalem.

4. De geslachten der schepselen op aarde wisselen elkander voortdurend al' en slechts doordien telkens andere individuen optreden, kan men van eeuwig bestaan der aardsche wereld spreken. — •psn = de aardsche wereld, hier niet: de aardbol, maar de schepselen op aarde. De kringloop van ontstaan en vergaan gaat onophoudelijk voort.

eig. naar iets happen, met verlangen naar iets streven. Het ondergaan, (N'tt) eig. binnengaan in haar woning, der zon is geen zich ter ruste begeven, maar een verder voortgaan op hare baan om 's morgens weer op te komen. Hijgend gaat zij, zonder zich rust te gunnen, weer verder naar hare plaats, waar zij dan weer zal opkomen. Mendelssohn : en naar hare plaats, daarheen w er p t zij verlangend reeds stralen.

6 slaat geheel op den wind; het is een voortdurend afwisselen van richting, maar toch — tot zijn kringloop keert hij telkens weer terug — eeuwige wisseling den voortduur eigenlijk vormend. Dat de wind van Zuid naar Noord gaat, is natuurlijk niet zoo zeer regel, als dat de zon van Oost naar West haar loop neemt; maar doordien vs. 5 indirect Oost en West noemt, worden vs. 6 de beide andere windstreken als voorbeeld genomen; maar dan de gedachte verduidelijkt in are enz. — mid, een kringloop makend, dat wil zeggen: alle hemelstreken doorloopend.—wood, het zich in kringloop bewegen. Sommigen meenen, dat het eerste versdeel nog op de zon slaat, die in het Oosten opkomend, dnor het Zuiden naar het Noorden gaat; — m. i. een minder juiste opvatting, die de beschrijving van den loop der zon onnoodig rekt.

7. D^ran. meest algemeene naam voor: stroomend water, beken en rivieren. Alle. stroomen storten zich, direct of indirect, in de zee, — deze wordt echter nooit vol, — het water vloeit dus weer af, al zien wij het niet. De weg is steeds weer naar de zee, — de zee voedt weder, hetzij door in den vorm van regen nedervalleud verdampt water of op andere wijze, de bronnen, die de stroomen vormen — en deze gaan dan weer naar de zee, —eeuwige kringloop dus weder. Het gebruik der deelwoorden

18

ocr page 329

N nbnp nbjü n»

N3 im Wn in : wüwn nnjn ■lt;

T^ ■j: Iquot; lt; vit - - j- T J T :

jyoirn nnri : mmr obw1? r^^niquot;

V ; VAT -'T ^ v^v - ^-T; VIT^ jt ^ : I /.\T T :

quot;7K midi. DiirbK Tjbin : xin nnir laipp ^ : nnn vnb^D-^i min i^in 32b ' aaio riav

quot;IT JT VT •• : ^ : T fjquot; quot; lt;•• I A T

Dipo-^K Nbo D»m D'ri'^N D^Vn b^rnrr^'

I . ... f,.. T JV •• ^T- ; T- V : ■gt; ' T : quot; T

: nob1? a^w on db' D^Vn D^nsnirn

• ••: quot;•' t :quot; T v^it^t v.' T jquot; *)T • : I • t : -lt;v

nk «Vsn-K^i niN-11? vy nib wx

' v v Jquot; r I ; :* ^ j~ : • i ^ a- -: v.* r •

«in n'^s^-nai rrrw Kin n^nB'-na : vb^ö b

lt;sv rTiquot;v v t ^11- v - v ; r v -• tt iv - ^' \ :

ann nrnKquot;i nan w : B'Dtyn nnn trnn-Va rxi'

^TT VV quot; : i' v .)T T Jquot; V IT - ~ ^TT t \ jquot; z

rinar px : i3':abD nn d^d^S n»n nas xm ^

^: * ^ iquot; T ; • vtt jquot; -: • T \ ; quot;'TT^ T : A

djt ri-nat onV n^n^K1? 1 w D^inn^ oil D^'^n1?

y I t* vt «v: r :r v • -: 1- t -; a- i*t

.'D^i^abNitr^v^ü 'n^n nVhp ♦ix : nannN1? vn»^^

•ITT I • vquot; T: * Iv •)••• * i' t v v » •'• quot;s it -: r t v : •*quot;

bij deze beschrijvingen wijst op het eeuwig hetzelfde blijvende, dat zich steeds herhaalt.

8. Samenvattend, wat in de vorige verzen door voorbeelden is gestaafd, zegt de schrijver; in het algemeen dus alle dingen vermoeien zich, zijn in voortdurenden kringloop, in rustelooze, vermoeiende bezigheid. Anderen: alle woorden zijn vermoeid, vruchteloos om deze eeuwige wisseling te beschrijven; n. a. alle dingen zijn vermoeiend te beschrijven en op te sommen. — -ai1?, om op de rij op te noemen al deze dingen; zoo machtig is de indruk van die eeuwige wisseling-in den kringloop, dat mond, oog noch oor er tot rust van komen. Anderen : niemand kan ze alle opnoemen, het oog zou ze, waren ze neergeschreven, niet alle kunnen lezen, het oor, werden ze uitgesproken, niet kunnen opnemen. — ïw». jö nS», vgl. Jes. 2,6, vol van hooren; niet: vol om niet meer te hooren.

10- quot;133, tijdperk, evenals mas, stuk land, v. d. als bijwoord: reeds lang. — DinSrS, naar eeuwigheden-, een zeer langen tijd. dSï komt ook in ons boek nog niet in den zin van : wereld voor, dien het in de taal dei-gebeden heeft; het behoeft althans nergens zoo verklaard te worden, zoodat uit het gebruik van dit woord eerder een bewijs voor den be-trekkelijken ouderdom, dan voor de jeugd van ons boek is te halen. — rTgt;n, enkelvoud bij het onderwerp traSr, dat verzamelwoord is.

8—11 bevatten de gedachte, dat, trots de rustelooze wisseling, toch niets nieuws ontstaat. Wat schijnbaar nieuw is, dat was er reeds, maar is bij de wisseling der geslachten weer vergeten. — p-pi naast pnsr.

vgl. p-|iT. pTfS-

12. Hier begint nu de schrijver zijne denkbeelden uiteen te zetten en wel 1,12—4,16 zijne ondervindingen en resultaten. Tot het einde van het

ocr page 330

DE PREDIKER I, II.

13 En ik stelde mijn hart erop om te vorsehen en rondblik te houden met wijsheid over alles wat geschiedt onder de zon ; — het is een kwade bezigheid, die God den menschenkinderen gaf om

14 zich daarmede pijniging op te leggen. Ik zag alle handelingen, die geschieden onder de zon, en zie; alles ijdelheid en weiden

15 van wind! Wat krom is, kan men niet recht maken; wat ont-

16 breekt, kan niet geteld worden. Gesproken heb ik met mijn hart, zeggende: ik, zie, ik heb groote en steeds grooter wordende wijsheid verworven boven allen, die vóör mij over Jerusalem waren; en mijn hart heeft gezien zeer veel wijsheid

17 en kennis. Nu stelde ik mijn hart erop te weten wijsheid en kennis, onverstand en dwaasheid; en heb leeren inzien, dat ook

18 dit denkstreven naar wind is. Want bij toeneming van wijsheid is toeneming van ergernis; en wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart.

II.

1 Nu zeide ik in mijn hart: „Kom toch, ik wil u beproeven met vreugde en met genieten van het goede!quot; en zie — ook dat

2 bleek ijdel. Van vrolijkheid zeide ik: „dol!quot; en van vreugde:

3 „wat ter wereld werkt zij uit?quot; Ik heb toen in mijn hart nagespeurd om mijn lichaam te laven met wijn, terwijl mijn hart zich gedragen zou met wijsheid, en tegelijk vast te houden aan dwaasheid, totdat ik zien zou wat toch eigenlijk goed is voor de

eerste hoofdstuk behandelt hij de nietigheid van het streven naarlsennis: «It teas koningquot;, laat de schrijver den denker zeggen, hooggeplaatst en dus in de gelegenheid met ruimen blik alles te overzien, — over Israel in zijn geheel, een in vrede levend, eendrachtig volk, — le Jerusalem, de machtige, hoogst ontwikkelde stad.

13. nosna, door middel van de wijsheid, Hr, betreffende. — n pr. pr, klaarblijkelijk hier samenhangend met 12 rmrS, zich met iets kwellen, heelt tien zin van: vermoeiende bezigheid.

14. nn nijni. vgl. Hoshéa' 12,2 nn nn, weidt, d. w. z. streeft naar wind. De zin is dus; een streven naar wind, naar iets vluchtigs, ontastbaars.

15. Wat door des menschen daad verkeerd is geworden, kan niet weer in orde komen ; wat ontbreekt, kan niet worden meegeteld; de denker, die de door menschen veroorzaakte verkeerdheden en gebreken opmerkt, — kan daarover slechts zuchten; zijn wijsheid baat hem niet, want hij kan er niets aan verhelpen.

16. '3^ oy, tot of in mijn hart. — rrasn vbun, ik heb wijsheid groot doen zeurden - heb mij groote wijsheid verworven.

17. Nu wilde ik weten eenerzijds wijsheid en kennis, anderzijds verwardheid van denkbeelden, rthnv, en dwaasheid. Hij wilde dus dooide tegenstelling van dwaasheid en onverstand de hooge waarde van kennis en wijsheid leeren inzien, — maar zag in, w-p, kwam tot de erkenning, dat ook dit nn jvn is, — ook van nïT wat den vorm betreft, be-teekent het woord: denken, doch is tegelijk synoniem van het vs. 14 gebruikte nn nun.

19

ocr page 331

3 « rbnp u*

ntpp bv nÓDna imbi trm1? ^nnji ^

v.t ^'w jv -i t ~)m t ; t i- t ; « : • • • v • -»- t ;

a-ixn d^n ?n3 yi i «in d»öisti nnn

^TTIT jquot; : ' •)• v: ' S'.T T ^ f 'ATT quot; quot; •»quot;

vnvn nnn wynt D^Dn-VrnN 'n^n : 13 nu^

v at - - -•- i. —.r v T v * • t 1 ^ ^-;i-

|iquot;)Dm ij^n1? Vdvn1? niyp : nn m^ni ban bisn mnv0

nin ivxb uk win : nuanb ^dvn1? ra

... .. . . gt; 1 T-gt; * : 1

us1? n^n-i^K-^a by nóDn 'naoim ♦nV^n

•at t 1; v.quot; quot;ly jtt vi r •)- t ; t * : - : •:lt;-:•

nóon n^n1? 'ïb mnw : n^-n noan nam nxi ^ ^

t : t j-t • • lt;t ; vit itt jt : t vquot; ï quot; ^t t •)* • :

♦3 : nn xin nro^ 'n^T mVpiyi ni^n n^ni ^ : uindo ti'Di» n^n ei^Din DV3quot;3i narjn ana

1 : - |r ^ v.quot; I r : at t vt ; t ^ :

3

3iü3 nNii nnoiy3 n3D:« «rns1? WOK «

a ; -»•• ; ^t : ' : jt : ~ ot t : • • ; • -: • ;lt;- t

nnoirVi ^bino wok pintyquot;?: ^n Kin-oa nani 1

vt ; • ; at : • ;j- t I ^ : * .*•* ,T v. * jquot; • :

jn: ♦itai nEgt;3-nK ?quot;3 'ni^o1? ♦3l?3 'mn : n'^y rirnoj

lt;•• • • ; a-^t : v l\-- ) ^ * * * 2 . * ïquot;*' ,T gt; ^

U3V 3l0nr»K nKIK quot;IITK I -I^ ni,73D3 ThK1?! n03n3

lt;•• : • v •• v : v -»v -: s- ; • ; j v:iv : t : t -

18. Hoe meer men de door des menschen handelingen veroorzaakte fouten in de wereld ziet, des te grooter het verdriet, daarin, naar vs. 15, geen verbetering te kunnen brengen.

Hoofdstuk II. 1—11. Het onbevredigende der wereldsche vreugde. 1. n3D3X. amp; wiï u' hart, beproeven, of gij zoo het geluk kunt vinden; van nw met verlengd 2de persoons. aanhangsel, ,~J3 = ?]• In directe rede

worden de woorden, die hij tot zijn hart sprak, weergegeven. Anderen : van id:, laat ik mij als vorst gedragen, of: laat ik mengen mijn levenswijsheid met vreugde. — 31B3 nsn, een onbepaalde wijs, nog afhangende van den '3 van macs, met het zien — genieten van hel goede-, de absolute infinitiefvorm voor den samengestelden, vgl. Jer. 8,15 e. a. p. Anderen houden het voor een gebiedende wijs: en zie = geniet, gij mijn hart, het goede. V. s. is nsi hier = rm, zich voldrinken. Het resultaat van deze proef wordt reeds dadelijk aangegeven, bai sw dj rum, en vs. 2. pincb, mei betrekking tot de vrolijkheid. — nr m, wat dan toch, wat ter wereld. — rror, draagt zij voor vrucht.

1

vnri' verspieden, in Kohéleth herhaaldelijk in den zin van: een weg zoeken en trachten te vinden. — iw»S, eig. trekken, vandaar ook in het rabbijnsche spraakgebruik: aangename gewaarwordingen verschaffen, laven-,

2

lichaam door den wijn als paard laten trekken, terwijl de wijsheid als

ocr page 332

DE PREDIKER II.

menschenkinderen, dat zij doen zullen onder den hemel het

4 getal der dagen huns levens. Nu ondernam ik groote werken; ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden; Ik

5 maakte mij tuinen en lusthoven; en plantte daarin geboomte

6 van allerlei vrucht. Ik legde mij watervijvers aan om daar-

7 uit te drenken een woud, dat boomen deed spruiten. Ik kocht slaven en slavinnen, en ook in huis geborenen verwierf ik; ook veebezit, rund- en kleinvee, zeer vele verkreeg ik, meer dan allen, die vóór mij in Jerusalem waren geweest.

8 Ik verzamelde mij ook zilver en goud en het voortreffelijkst bezit van koningen en der landen; ik verschafte mij zangers en zangeressen en genotmiddelen der menschenkinderen, vrou-

9 wen zonder tal. Zoo werd ik groot en steeds grooter, meer dan ieder, die vóór mij was in Jerusalem ; ook bleef daarbij

10 mijne wijsheid mij. bij. En al wat mijne oogen vroegen, onttrok ik hun niet; ik weerhield mijn hart niet van eenige vreugde, want mijn hart had vreugde van al mijn bemoeiing en dit zou

11 mijn deel zijn van al mijn bemoeiing. En ik wendde mij naar al mijne werken, die mijne handen hadden gemaakt, en naaide moeite, die ik mij ingespannen had om ze te doen; en zie — alles ijdelheid en weiden van wind, en er is geen gewin onder

12 de zon. Nu wendde ik mij te beschouwen wijsheid en dolheid en dwaasheid ; want wat is de mensch, die zou komen na den koning.

wagenmenner zou optreden en mijn hart zon besturen; m. i. zeer gezocht.— ;n:) naar rabbijnsch spraakgebruik; zich gedragen-, v. a. leiden, waarbij dan het voorwerp is weggelaten. Hij zocht dus een middenweg: eenerzijds zingenot = dwaasheid, tnsVi, doch getemperd door wijsheid. — ips

idiquot;, dat zij doen zullen, of: opdat zij het doen zullen. —ibdï:, de te tellen dagen, vgl. Gen. 34,30 e. a. p.

4. \-|S-Un. ^ liet groot zijn mijne handelingen, d. w. z. ondernam

groote bouwwerken, — of: verwierf mij groote rijkdommen.

6. D,Sy ni312C) waarschijnlijk een Po'el-vorm in transitieve beteekenis: doen spruiten-, cw, waarschijnlijk; sier- of hout-boomen, in tegenstelling met de vruchtboomen van het vorige vers.

7. fpa quot;gt;33 = rro i-pVs in huis geboren slaven, tegenover de door aankoop verworvene; vgl. Gen. 17,13. — ÏIJpD) veebezit, waarbij jnxi ipa verklarende

bijstelling is.

8. nSjDI. en eigendom, hier: wat koningen en landen bijzonder als hun speciaal-bezit op prijs stellen. — nwna-i, de landen der wereld. — nvici D-no, zangers en zangeressen tot opluistering der feestgelagen; n. a. muziekinstrumenten. — niJirm, al wat zinnelijke lust schenkt, — en daar vrouwen dan hier niet anders genoemd zijn, verklaart reeds Ibn 'Ezka nnci nit; met: vrouwen-, het naastelkander stellen van enkelvoud en meervond geeft dan de groote menigte aan, evenals DTiiim am. Recht. 5,30; D'-vn in, Ps 72,5 e. a. p., waar het echter steeds zonder 'i staat. Hoe m» tot de beteekenis van xrromv komt, daarover loepen de meeningen uiteen. Ibn 'Ezra ; van tic, krijgsgevangen gemaakten, geplunderden; anderen in

20

ocr page 333

3 nbnp nbiö 3

; on^n w iödd D^öi^n nnn bn«n ■•

• ; r: * iv ••- jquot;; v.- : • • - t - -^i- lt;v -; ttit

nisa ^ : DWquot;) ^ wtw o^na ^ n

V.- • * ••• T 1* T: v,* ' '. Jquot; T • T * «-T AT^r

D*D ma-n ^ : na-Va n? ona D^Diiai1

•at -• ••: v.' J* yr * iv t I rJquot; v.quot; t * :.J' t ; a- •• ; -

ninö^i ona^ noiï njr DHD nip^n1?»

Saö ^ n»n nann rxxi npa nipD-oa ^ n»n n»a-^ai

.) • tjt •»quot; ;quot; I ^ t («tt quot;h • - a* t-'t v,quot; *' :

n^oi arm eioa-D-i ^ ^noja : tzjb^rra vn^n

r \'. tt: ) v^v - • • :lt;-t^ ^ ',t t 1 ' *gt;'t 1 -» t iv

^a nijjyni on^ ^ niriDm q^d

jquot; : •) i- : t : •»* t • quot; r a • : - ; v* t :

rrntf Vap 'napini, : nn^i Dn«n« ah iiyK Vai •' 'b moy quot;n^an obtym^a'

j - K. a —;|T jv -: ; r jt : Tt v.* t ; t |^' *att i *

nótr 'a^-'a nnoir-Vaö ♦a^-nN DHD

- •• t lt;• • r ti* t * • * v : m t i av •• • ; vquot; t

■^aa ♦n^ai : ^ü^-^aD nVn n'rrnn *

t ; •-j • •** t r t t t ■ k*: v -'t t iv: • t^ t •

Aanban nrn 'nbteyw bö^ai n;T pyv ni^1? ':k 'n^ai : vmn nnn im rw mn ni^ii ^

j :. ... • lt;• t v it - quot; j- 1 ^ ; • i r* : quot; . :

Tlbón nn« kia4^ onxn no i 'a n^aoi ni^im nóan

(*.• V - -quot;-II- TV TTIT •*•.* Jquot; (S : * ; V quot; ' ï T : T

verband met D'n», de borsten, meisjes met zwellende borsten (vgl. ons Neder-landsch: horst voor jongeling); n. a. de in een n'W rijdende, wat dan

vrouwenwagen zou beteekenen, dame; weer anderen van nti in den zin van heheerschen, dien het in het Arabisch heeft. — Rashie e. a. verklaren naar het rabbijnsche mf, eigenlijk kist, vandaar soms : wagen, hier mo ni-roi met: koetsje, draagstoel, het eene voor een, het andere voor meerdere personen.

9. Zoo genietend, bereikte hij wat hij zich had voorgenomen: ook zijne wijsheid bleef hem bij; nnr, bestaan blijven.

10. 'jSK,- terzijde leggen, terughouden. — p ran. Gewoonlijk volgt op p de persoon ivien iets onthouden wordt, terwijl de onthouden zaak als voorwerp in den vierden naamval staat; -m tnsn w»; hier is het omgekeerd : •ui» nix I'M. En waarlijk, o, mijn hart vond vreugde tengevolge van, p, al mijn moeite en ik dacht reeds: dit zal nu mijn deel, het blijvend geluk, zijn van al mijn moeite. De arbeid zelf was Ser, moeitevol streven, maar vormde een bron van vreugde, in het bereikte doel. Doch goed de zaken beschouwend, bleek ook dit een ijdel streven, want geen jnn', niets blijvends, geen blijvend gewin.

12. niXlS 'JX WJST. Mendelssohn ; ik wendde mij dus af van te zien — fiwi'ré, de zin is dan; ik gaf mijn voornemen op, om wijsheid met dwaasheid te vereenigen ; anderen: nu wendde ik mij, ging ertoe over eens goed wijsheid en dwaasheid te beschouwen, om te zien, of er verschil in eindresultaat tusschen beiden is. — na 13 enz. Mendelssohn : want wat

ocr page 334

de Prediker ii.

13 hem, dien men het sinds lang reeds maakte ? Zoo zag ik dan, dat er een voorrang is van de wijsheid boven de dwaasheid, gelijk de voorrang van het licht boven de duisternis.

14 De wijze — zijne oogen zijn in zijn hoofd, — terwijl de dwaas in het duister gaat. En toch kwam ik tot de erkenning, dat

15 één wedervaren hen allen zal treffen. En ik zeide in mijn hart: «Gelijk het wedervaren van den dwaas zal ook mij wedervaren ; waartoe dan ben ik zoo bijzonder wijs geweest ?quot;

1G Zoo sprak ik in mijn hart, dat ook dit ijdelheid is. Want geen herinnering blijft er van den wijze, zoomin als van den dwaas, in eeuwigheid; daar reeds lang in de komende dagen alles zal zijn vergeten, — hoe sterft dus de wijze gelijk de

17 dwaas! Toen haatte ik het leven, want tegen stond mij het gedoe, dat geschiedt onder de zon ; want alles is ijdelheid en

18 weiden van wind ! En ik haatte al mijne moeite, die ik mij met inspanning geef, onder de zon, dat ik het zal achterlaten

10 aan een mensch, die na mij zal zijn. En wie weet, of hij wijs zal zijn of dwaas, — en toch zal hij heerschen over al mijn moeitewerk, waarvoor ik mij heb ingespannen en met wijsheid

20 gehandeld heb onder de zon; — ook dit is ijdelheid. Zoo wendde ik mij dan, om mijn hart op te geven met betrekking tot al het moeitewerk, dat ik met inspanning verricht heb onder

21 de zon. Want is er wél een mensch, wiens moeizaam werken geschiedt met wijsheid en inzicht en degelijkheid, toch zal hij het een mensch, die er geen moeite voor gedaan heeft, moeten geven als zijn deel — ook dit is ijdelheid en een groot kwaad.

22 Want wat is er wezenlijks voor den mensch van al zijn moeite en het streven zijns harten, waarmede hij zich moeite geeft onder

23 de zon? Immers al zijne dagen zijn smarten en in bekommerd-

kan iemand doen, die na den koning komt? Wat anderen reeds lang geleden gedaan hel/hen. Anderen; want wat zal de mensch zijn, die na den koning komt als zijn opvolger, vergeleken met nu, hem, dien men reeds lang tot koning heeft gemaakt, met zijn voorganger. Nog anderen : ik, de koning, moet dit onderzoek instellen, als toegerust met alle daarvoor noodige hulpmiddelen ; geen ander kan het zoo goed, — want vat is de mensch, die na den koning zou kunnen komen, dien men sinds lang tot koning heeft gemaakt?

13. pquot;)nv hier: voorrang. Eenerzijds dus een groote voorrang van

wijsheid boven dwaasheid; anderzijds echter moest ik ten slotte toch leeren begrijpen, 'js dj wti, dat het einde is: het lot des doods, dat belden trei't. wt, ik kwam door mijne ervaringen tot het inzicht; vnas laSa ijs, ik zeide innerlijk tot mijzelve, '•aSa 'mal, ik trok nu in mijzelf de conclusie.

15. riDSgt; met doel.

16. aSyjS behoort bij — Vosn or, met, op dezelfde wijze als van den dwaas. De latere geslachten kennen geen onderscheid tusschen dwazen en wijzen van vroegere geslachten. — daar reeds lang;

21

ocr page 335

3 nbnp rhin nd

noDn1? ïn-v vw quot;n:nt?K nx ^

V.T : Ti- I •) ; • jquot;v • r • J- t: i t «.t : v -; jquot;

iK'Nna V3^ D3nn : ^nn;p iiKn niVDDn-ro ^

: jt ^•, t t iv | v i - I • v t I j : r is : • - I •

nip* nnx mpatf 'JK-D: -i^in

jvl;» V.T V ^ jv|; • V • t - • ^: j-t |a'* ^ I v -» - v.* : * :

^quot;Ip! Vp^n nnppa ♦3l?3 : D^rnx «

9,3 : nror^ 'ibn wm quot;in* 'nosn nsVi«

^ • VIT -v • • ; • ;-•- •: «v -r *.■-: * : -r t tst^:

a^an D^»n Dbij^ Dan1? jiidt

'^t quot; ^ lt;'T~ t : v : ist : v.' ï quot; nv ^ I s ; • I ••

-nx : ^oan-D^ ornn niü» natri ^

••T : r : - • (.t t iv j t ^ ) ■)•• : t ; • -• -

Vdh-^ EtoETi nnn n'^yr^ n'^an tn ^ D^nn

^ - r vat - - v.t y*:i- v v i— - t ^ ■J* • - -»-

boy ^or-ba-nN : nn niy-ii ^

V r -: iv • t **: t v • -: • «quot;t ; - i j : v^v

DDnn 'üt : nn« n^n'ty din1? isirsNty nnn ^

lt;t t iv - •• j- it-; i- jv ; r v v.ttit ^ v • --»v vat - ^ - J-

nnn ♦norinKh ^dd in n^rv

- j- • ; v.- T tv : • : j-'tiv • t t : - ; • : t t -* v ;r

■Va by ^a^-nx wwb gt;:h ♦niaoi : ^an nroa iro^n3

t a* • v -•••t: v.* -: * j - : vit ^v - ^ v at -

nDDna ons4 vquot;2 : nnn 'nVoyiy bayn «

jt : T : •) T -IIV TT •quot;• * V IT - — jquot; ' : V Tiv t t jv

nTquot;D3 ipbn isjn» irboy on^i riiB'Dai n^im

jv - I ; v jv : • ^ quot; it «V pT T : a : • ; v.- :

rvyiai hixh nin-no ^ : nan nyn Van m

I v : ~ ' T : T : ttit lt;v IV • IT ~ JT T: V ^v

byai d^ndü ^ : i^o^n nnn ^ Kin^ la1?»

--T • : - -quot;TT T S* VIT - - J- Vquot; T J v A *

D'san Qisin, vierde naamval van tijd (vgl. D'san Jes. 27,6) in de komende dayen. Anderen: daar, als er eens gekomen zijn, I23r2, de komende dagen, als het heden verleden is geworden, alles is vergeten; zoowel wijze als dwaze, alles; hoe sterft dus de wijze zoo goed als de dwaas! 17. y\, kwaad, akelig, weerzinwekkend.

18—23. IJdelheid van met moeite en ontbering verworven bezit, is. unvKm dat ik het, (Vsv hier: product mijner moeite) zal achterlaten aan mijn erfgenaam, die in mijn plaats zal treden, •nns.

19. 1kN...D3nn — Ds...'n. Zie onze aanteekening Num. 13,18.

20. viddV nu draaide ik mij om, wendde mij af van mijn eerste voornemen en ging ertoe over rwS, naar spraakgebruik van de Mishna: den moed op ie geven, vgl. iwo Jer. 2,25, vertwijfeld, opgegeven. 13S m li'N^S dus: mijn hart op te geven — den moed laten zinken om nog iets te doen voor al datgene, waarvoor ik mij tot heden moeite gaf.

21. Ip^n IHJT, za^ Mj het geven a l s zijn deel.

22. mn na wat is den mensch wezenlijk zijnde, of; ontstaande, voortvloeiende. Het antwoord luidt: niets!

23. Niets, want in hoofdzaak is zijn leven: pijnen. — my, waarnaar hij streeft, zijn werken en streven brengt slechts kommer en verdriet; ook

ocr page 336

DE PREDIKER II, III.

heid is zijn bezigzijn, zelfs bij nacht rust zijn hart niet —

24 ook dit is ijdelheid. Is het dan niet beter onder menschen, te eten en te drinken en zijne ziel het goede te laten genieten bij zijn moeitevollen arbeid? Ook dit heb ik gezien,

25 dat uit Gods hand is. Want wie zou kunnen eten, wie zijn

26 zintuigen genieten, meer dan ik? Want den mensch, die goed voor Zijn aangezicht is, geeft Hij wijsheid en inzichten vreugde; den zondaar daarentegen geeft Hij de bezigheid op te zamelen en bijeen te brengen om het ten slotte te geven hem, die goed is voor Gods aangezicht — ook dit is ijdelheid en weiden van wind! —

III.

1 Voor alles is een tijd en een bestemde spanne voor iedere

2 zaak onder den hemel. Er is een tijd voor geboren worden en een tijd voor sterven, een tijd om te planten en een tijd

3 om wat geplant is, uit te rukken. Een tijd om te dooden en een tijd om te genezen; een tijd om af te breken en een tijd

4 om te bouwen. Een tijd voor vveenen en een tijd voor lachen;

5 een tijd voor treuren en een tijd voor dansen. Een tijd om steenen weg te werpen en een tijd om steenen op te zamelen; een tijd om te omarmen en een tijd om zich van omarmen

6 te onthouden. Een tijd om te zoeken en een tijd om te doen verloren gaan; een tijd om te bewaren en een tijd

7 om weg te werpen. Een tijd om te scheuren en een tijd

des nachts gunt het hem geen rust, daar hij zich ook dan met overdenking zijner plannen bezighoudt, en toch — hij sterft en laat wat met zooveel zorgen is verkregen, anderen na, die misschien, dwazen als zij zijn, het verkwisten. Drievoudig San, vs. 17,21 en 23.

24—27. Ook vroolijk genieten is ijdel. Als dan alle arbeid in zekeren zin doelloos is, dan is het dan toch het best, het heden zooveel doenlijk te genieten.

24. Ik vat het eerste deel vragend op. «Zou het dan niet maar het beste zijn, zooveel mogelijk te eten en te drinken en te genieten?quot; — nsm, zie vs. 1. — iSisra, van zijn moeite, of; met zijn moeite, dus weer; vereenigen van werken en genieten. Doch ook dit gaat niet gemakkelijk — de mensch kan het zich niet zelve nemen, maar het ligt in Gods hand. En ik, schrijver, kan dit het best beoordeelen, want vs. 25: wie was ooit in de gelegenheid meer te genieten dan ik ? — cnm, v. s. haastig zijn, streven naar vervulling zijner wenschen; v. a. zijn zinnen, own, volgen.

26. God heeft dus in deze de beschikking en Hij beslist, naarmate Hij iemand als goed of als zondig keurt. — innS, opdat de zondaar het door hem bijeengebrachte ten slotte geve aan wie voor Gods aangezicht deugdzaam handelt. — nr OJ, ook dit dus, het genieten bij den arbeid, is ijdelheid.

Hoofdstuk III. Vs. 1—9 geven nadere uitwerking van de gedachte, dat alles naar Gods wil geschiedt, door in tal van tegenstellingen aan te toonen, dat het een door God bepaalden tijd heeft; vs. 10 leidt dan met vroo de conclusie in, die 12 en 14 met virv in twee gedachten ontwikkeld wordt. Die gedachte is: blijvend is niets, doch alles door God voor be-

22

ocr page 337

j 2 rvjnp rtao as

aitrrtf : Kin nroa lab nb^r-Da li^v ■»

^ c i iquot; i v j'.' - tgt; • •»- t i t :v~ * quot; ^ t ; •

riT-oa i^örnK nNim nhtyi d-I«3

at -:r v. •) : - v st : v : t t : -•- v t t it

gt;12 *3 : wn D^ri^n TD »3 «

i. t j' ■)- j' •*' •* v* v:^it j- • 4* • t ' •*' t

nnaB'-i nü3n rn3 vis1? DIK1? »3 : ^ao rin «

•st : • : vquot;; ^jt ; t l^r t t t : -• v t t ^ ^iv • I j

Dvf?Kn ♦:£)'? sit:1? nnb Diiabi «jpNb |n: ^□inV'i : nil ni^-n Vnn nroa

- I j : v v*.* -lt;••

njn mVV : own nnn ran-^b n^i ro? Ss1?«

^ •5quot;; vv,vt -it t - --»-1 v^quot; t ; •7quot;: iat : ^quot;3

:nnS n^, : r\p: nyu) n# niD1? j

n^i ni33b n^. : maa1? nyy pna1? ny.

n^i D^3K : H^n n^i nap ny. pin'^y-1

^[53^ n^. : psno pnnb n^i pi3n^ n#. d^3K D1331 n^i iMp1? n^. : n^; n^. na«^ »

paalden tijd bestemd, — doch geheel aan menschelijk inzicht onttrokken ; (10 en 16). — Want vrooliik genieten, het beste voor den mensch, is gave Gods, dus buiten 's raenschen vrije beschikking (12 en 13), — anderzijds echter wordt dit alles door een vast, blijvend Goddelijk plan geleid en dat is het blijvende in de wereld (14 en 15). — fEn, oorspronkelijk: verlangen, v. d. in het later Hebr. voornemen, onderneming, handeling, zaak.

2. mSS, om te haren; de tegenstelling ni»1? geeft echter, dat hier aan het geborene meer gedacht wordt dan aan de barende vrouw, zoodat, evenals Hos. 9,11 rrpS, de geboortevrucht, ook hier rrtil door geboren worden vertaald kan worden. Vgl. Jer. 25,34 HlSuS = rDJSilS- Alvorens

menschelljke handelingen te bespreken, geeft de schrijver eerst de gedachte, dat 's menschen leven, zoowel in zijn begin als in zijn einde, buiten hem om bestemd wordt. — ipr, eig. ontwortelen. — Wat verder genoemd wordt, zijn allen handelingen, die de mensch meent naar eigen goeddunken te doen of te laten, — en toch : alles heeft zijn vastgestelden tijd, rr.

3. JinS) ecrl gezond mensch dooden, asrh, een zieke genezen.

5. D'JSJC l'WnS. steenen wegwerpen, hetzij in den zin van: gebouwen verwoesten (vgl. II Kon. 3,25 e. a. p.) en dan □■oss di« in den zin van: voor vestingbouw materiaal bijeenbrengen, — of: steenen op liet veld werpen, ~ verwaarloozen van den akker en dien verwoesten, en steenen inzamelen, het veld, om het te bewerken, eerst van steenen zuiveren.

e- naxS, weg te maken; v. a. verliezen of verloren achten. Mij komt het eerste, als overeenkomende met het gewone spraakgebruik, het meest waarschijnlijk voor.

ocr page 338

DE PREDIKER III.

om te naaien; een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken.

8 Een tijd om te beminnen en een tijd om te haten; een tijd van

9 oorlog en een tijd van vrede. Wat is het gewin van hem, die han-

10 delt, uit hetgeen, waarmede hij zich moeite geeft! Ik beschouwde de bezigheid, die God den menschenkindereu gegeven heeft om

11 zich daarmede bezig te houden. Alles heeft Hij .schoon op zijn tijd gemaakt ; ook de eeuwigheid heeft Hij in hun hart gegeven, zonder dat echter de mensch het werk, dat God doet,

12 kan doorgronden van begin lot einde. Zoo kwam ik tot het inzicht, dat onder hen niets goed is, dan zich te verheugen en

13goed te doen in zijn leven; — Maar dat ook ieder mensch zoo hij eet en drinkt en goeds geniet van al zijn moeite, — dat

14 het een gave Gods is. Ook kwam ik tot het inzicht, dat al wat God doet, voor eeuwig zal zijn ; daarbij is niets te voegen en daarvan is niets te verminderen ; en God heeft het zoo ge-

13 maakt, dat men voor Hem ontzag heeft. Wat ontstaat, het is reeds lang, en wat nog worden zal, lang reeds was het; en

IGGod zoekt wat vervolgd is, op. Verder zag ik onder de zon de plaats van het recht, daar heerscht het booze opzet, en dc

17 plaats der gerechtigheid, daar heerscht het booze opzet. Maar ik sprak in mijn hart; Den rechtvaardige en den booze zal God richten; want een tijd voor ieder handelen en voor iedere

18 daad is daar. Zoo sprak ik dan in mijn hart; [het geschiedt] ter wille van de menschenkinderen, opdat God hen zifte.

9. Daar alles van Gods bestemming afhangt, is 's menschen daad niet van blijvenden invloed.

10. pjy, de' moeitevolle bezigheid. God is het, die den mensch zijn werkkring aanwijst.

11. Hij, God, heeft alles schoon = goed, gemaakt en op zijn tijd, in Zijn wereldplan; daarom verleden tijd. — oSïn nx beteekent in den Bijbel nooit; wereld, maar altijd: eeutriylteid; zoo ook hier. De eeuwiyheid, Gods geheele wereldplan, heeft Hij den mensch in het hart yelegd; het streven om de perken van den tijd te overschrijden en zich in te denken in wat eeuwig is. Anderen: de liefde tot de wereld gaf Hij hem, waardoor ook buiten en tegen 's menschen bedoeling Gods plan bereikt wordt. N. a. het verborgene, verstand gaf hij hem, zonder hetwelk enz. — kxiji, vinden, hereiken, hier: met het verstand, — begrijpen.

12. 3153 DIK'ySl combinatie van genieten en deugdzaam zijn; ;ia niCïS beteakent dus niet: zich te goed doen, maar: goede daden doen. Dat was nu mijn resultaat: gebruik het leven naar beide richtingen zoo goed mogelijk, maar —

13. dat ligt niet in uw macht, want genieten is gave Gods. — aio ns-»! is, juist in tegenstelling met aia nwïS, genieten.

14. Wat God in natuur en menschenlot doet en doen zal, is eeuwig eii onveranderlijk en God heeft het zoo ingericht, dat men Hem als Leider der gebeurtenissen vreest. Zoo herhaalt zich in de geschiedenis alles, en God zoekt op wat vervolgd, voortgejaagd is en schijnbaar voor goed

23

ocr page 339

3 nbnp rtaö jd

nyi njr : quot;isnquot;? n^i nitynV mén^

: • •5quot;; _ v:iv ^lt;quot; iquot; -: Oquot;; v ~iquot; ; *

Kin i^«3 n'^iyn jnrrnn : DI^ n^i non^ü n^a an^n ^ amp;rbn \r\: ib'K p^n-nx ♦n^xquot;! :

v,t^t t jquot; : • •}• r: i s-t v -: it:^- it v • t i-^t

rru b^n-nK D3 in^n na» n'^ : 13 nuvS ^

Ijquot; t t it v lt;- A * : -»••• t ^t T J - V I 7^;i-

nirv-niyK niryDn-nN snxn «ÏÜ^N1? T^N4 'SSD oa^a

JT v -: •)•.• 'hl- - v tt it -t : • 1 sv -: • ; • t • :

quot;QN »3 D3 3lü r« »3 ^Kquot;IO D^KH ='

• -•• at ^ v • -»quot; •»• * • quot;t i 1 ^- ; j •• ^ v:it

nntyi ^3^ D-tsn-^ DJI : V'n3 3iü ^

t t : pj- v tt it t lt;- : it- : ^ J ^-:i- ; - ; •

-S3 *3 : KTi nno 3iu n«-n ^

t • *: -T I^ v* v: -»- - ^ rt t t ; v. 'j^7quot; t:

^Dinb px vb^ rypi Nin D'ribxn IÏTNJ n^nt^-no : vaabo réy D^Nm ^in1? rx iüödi «

tt iv - it t : • v. : r v t t -•• v:it : - a; • i -«•• v,-* '

: eina-nx wpy oM^rn n»n 133 nvrh «in -133

I it ; * vm Ir— : v: it : att -t : v :•* Jquot; -:i- -r ;

Dipöi^nnnöE^öB'an Dipa ümn nnn ^«-1 mvv»

] J •. ^ - v t t jt ^ t : '^ — 1« : vat - -j- • vquot; t :

-nKi pnïn-nx ^3^3 wok : yvm na^ p-ivnquot;

v : I • - - v ' \ '• ' quot;• * :lt;- t - itt t JT I vvv -

ntpysrr^ ran-^1? D^NH i

JV ^11- ' T j v •• t : ^ 'iquot; a- v:it^ v : * ^ t t-^t

D^n^Nn D131? on^n »23 n^r1?^ ^3 ♦mox: ^

ft' v:it vtt : tt it ; - ; • • • : • -: * ;lt;- t it

voorbij is, zoowel in persoons- als in volksleven, en brengt het tot nieuwe ontwikkeling. Hekdelssohn; God zoekt juist dat zich haastig opvolgen, Aamp;t is juist Zijn wil.

16—22. Het goddelooze drijven van den teugelloozen raensch en het einde, dat gelijk is aan dat van het dier.

ie. taaro en pis, het eerste rechtsoefening, het tweede de eigenschap van rechtvaardigheid; waar, tia kennisneming von de leiten, recht geoefend moest worden, en waar bij het onderzoek en de beslissing rechtvaardigheid het leidend motief moest zijn, daar heerscht ïtn, hoos opzet.

17. Hij stelde zich nu gerust met de gedachte, dat daar, eens, aan de overzijde van het graf God zou richten; csc, d. w. z. gerechtigheid zou oefenen, (niet juist: straffen, daar het ook van den pnï gebruikt wordt).

18. /VDl Sy enz. zijn des denkers woorden; ter wille van (Ps. 110,4) de menschenkiuderen doet God dit, dat dralen met het oefenen van recht; DiaS, van na, uitzoeken, schiften, opdat God het verschil tusschen goeden en slechten kunne doen uitkomen; en opdat zij, de menschen, inzien dat zij onS nan, zij aan zichzelve overgelaten, eig. zij voor zichzelf, zonder God, aan het vee gelijk zijn. Anderen; ik dacht na over het zeggen van de menschen, dat God hen zou willen uitverkiezen; maar er Is te zien, dat zij enz. — q-qS, van -na, onbep. wijs Kal, quot;)3.

ocr page 340

DE PREDIKEE III, IV.

en zij inzien, dat zij aan het vee gelijk zijn, zij, aan zichzelve over-

19 gelaten. Want toeval zijn de mensehenkinderen en toeval het vee, en één toeval trei't hen ; gelijk de een sterft, zoo is de dood van den ander en eenerlei adem hebben zij allen, en een voorrang van den mensch boven het vee is er niet, want alles

20 is ijdelheid. Alles gaat naar ééne plaats; alles is geworden

21 uit het stof en alles keert weder tot het stof. En wie weet omtrent den geest der mensehenkinderen, of hij opwaarts stijgt, en omtrent den geest van het vee, of zij neerwaarts daalt ter

22 aarde ? Zoo zag ik dan in, dat er niets beter is, dan dat de mensch zich verheuge over zijne werken, want dit is zijn deel; want wie zal hem ertoe brengen, dat hij inzicht krijgt in wat na hem zal zijn ?

IV.

1 En wederom ging ik beschouwen al de wederrechtelijke handelingen, die geschieden onder de zon ; en zie: de tranen dér verdrukten, en zij hebben geen trooster ; en van de hand hunner verdrukkers gaat gewelddadigheid uit — en zij hebben

2 geen (rooster. En ik prees de dooden, die sinds lang gestorven

3 zijn, hoven de levenden, die nog in leven zijn. En gelukkiger dan beiden hem, die nog niet in het aanzijn is getreden, die niet heeft gezien het slechte gedoe, dat geschiedt onder

4 de zon. En ik zag al de moeite en alle kunstvaardigheid

19. Afgezien van God, Hem weggcdacht, is mensch en dier geheel gelijk. — rnpa is geen Semiechoeth, wat rnpO zou moeten luiden. — nn,

levensadem.

21. En, afgezien van het denkbeeld van God en Zijn wereldplan, 7on misschien nog de geest des menschen hooger gesteld kunnen worden dan die van het dier, — maar wie kan liet zeggen? De 'n van nbrn en mvn is, niettegenstaande liij een Patliach heeft, een vragende 'n. — Anderen: en wie geeft zich rekenschap omtrent 's menschen geest, zij, die opstijgt naar hoven — die immers zeker opstijgt; dan is de 'n bepalend.

22. Eenige oplossing dus: Goddelijk! leiding met rechtsoefening in de toekomst — wél begrijpen wij dit niet en zien het niet duidelijk vóór ons, en dit geeft ons de groote levensraadsels. Daarom ; verheug u in uwe werken — want u te verdiepen in wat na n komt, het geeft toch geen resultaat. — wïös naoi, vreugde met arbeid, alweder combinatie.

Hoofdstuk IV. Tal van verschijnselen in het staatsleven trekken verder des denkers aandacht ; de zichtbare verdrukking, door machtigen geoefend tegen de zwakkeren (1—3); nijd en afgunst (4 en 6); het doelloos pogen van den alleenstaande (7—12); de spoedig verdwijnende geestdrift voor den nieuwen koning (13—16). Vs. 17 opent dan een rij van spreuken, levensregelen voor 's menschen gedrag tegenover God, tot 5,6 doorloopend.

1. een zelfst. naamwoord : verdrukking, gevormd als omw,

DiVira, ains; hoewel wat den vorm belreft meerv. en dus in enkelvoudige

deuteroxomium. dd

24

ocr page 341

. -i 5 nbnp nVao na

mpaiDnKrra : onb nan nöna-onty niKiSi ^

•''• •: * tt it^ •• : v| • • iv t tvquot; jt •• : v : :• :

in^ m ni mo |3 nr moa onquot;? nnx nnppi nónan Van : Van Van »a rs^ nönan-p onxn nniöi ^aV =

J vit v - r i • t t - i • lt;t t it - f a quot;

■7K ai^ Vani n^r™ n*n Van nnx DipD-Vx nSm

gt; gt;v jt ^ tquot; : t ,v •■,tt ~ at v t v ' vquot;

nYTi ntyöV N^n nV^n Di«n »ia nn ynv 'ü : lavn «

: T l at : v.' JT it t t it •»quot; : « •• j* it^T iv

aiu pjNi »3 win1! : pKV n^öV K»n nnn»n nónan m 'ö 'a ipVn Min-^a v'^oa bw not^» iÈ'nü

*••;lt;• -•• Ia: v ^ • t^-n- : ttit lt;- ; • v -i r*

: vhm n»n^ noa niNiV

it-ii- jv ; r v v.v s ! *

quot;l

nnn quot;iï^k D^^rrVa-nx nw^iNi 'na^i«

~ J~ y-ji~ jv -; i • \ -«t t v v : vit •-»

Tpi omD DnV D^^n nj;pn i mm t^a^n naatr D»nan-nN ♦jk naiyi :Dn:a onV rw nabnwv^

JT ; v v.* quot; •* •)■ -* quot; squot; quot; : iquot; - ; vquot; t I -»•• : - v !•• : n

nw Dh^tra aiai : nany D^n nan quot;it^x o^nn-ra maj

Jquot; V * : TIV^J V*quot; TJquot; JV -: . - j- | . A..

yin nfryan-nK nx^-KV n^n NV ntnEW

Jquot; tt quot;*v i----v ^ t t ^ | lt;v -i att ^ i v -;

-Va nNi VayVa-nx 'ia : ira^n nnn nm: ■gt;

T quot; : T T T V * -I * T : V IT - - J- ^ïl-

beteekenis, kan toch bij zulke woorden liet werkwoord in het meervond staan, al wordt gewoonlijk het enkelvoud gebruikt; vgl. Dquot;n met het meerv. Ps. 31,11 e. a. p. — ompfr t»i, en uit de hand van hun verdrukkers (to, vgl. nx» rwn 'quot;pu, Jes. 50,11) kwam ru, hier in den zin van : geteeld; v. a. en uit de hand hunner verdrukkers hebben zij geen kracht zich te redden, waarbij ps uit het vorige zindeel moet aangevuld worden; m. i. onmogelijk, daar er po direct volgt en bovendien een werkwoord hverh of dgl., waarvan tgt;» afhangt, is weggelaten, waarin de hoofdgedachte ligt.

2. nam een onbep. wijs, vgl. prUI (8,9) n'jni (9,11); Ex.8,11; —

aansluitend aan rwnso w Vi2»i, daar zulk een onbep. wijs gewoonlijk na een werkwoord in een der hoofdtijden staat; anderen vatten het als deelwoord op = natw. — nnï — run ir, tot nu toe, of: tot hier toe; in later Hebreeuwsch: jvny.

3- 31t31gt; aan te vullen; en ik prij s alsnog gelukkiger dan hen heiden, waarbij dan nti enz. goed aansluit.

4. Kunstvaardigheid in het streven naar geld en goed, of v. a. het aan den dag leggen van veel vaardigheid bij de behandeling van particuliere of openbare aangelegenheden vindt zijn oorzauk niet in het gewicht der zaak, maar in den naijver op den naaste, — alles egoïsme.

ocr page 342

DE PREDIKER IV.

van doen, dat het is gevolg van naijver van den een op den

5ander; — ook dit ijdelheid en weiden van wind. De dwaas

6 perst de handen samen en eet zijn eigen vleesch. Beter eene hand

7 vol rust, dan twee vuisten vol moeite en weiden van wind! En

8 wederom ging ik en zag ijdelheid onder de zon. Er is soms een enkelling, zonder een tweede, ook zoon of broeder heeft hij niet en toch geen eind is er aan al zijn moeite, ook zijn oog kan niet zat worden aan rijkdom, — /;en voor wie geef ik mij dan moeite en doe mijn persoon te kort van het goede?quot; —

9 ook dit is ijdelheid en kwade bezigheid. Heter twee, dan een;

10 daar zij immers goed loon hebben voor hun moeite. Want als zij vallen, zal de een den ander kunnen oprichten ; wee echter den enkelling, die valt, en er is geen tweede om hem

11 op te richten. Voorts: als twee tezamen liggen, is het hun

12 warm ; doch den eene — hoe kan het hem warm worden ? En valt iemand den enkelling aan, zullen twee tegen hem bestand zijn; en een drievoudige draad zal zeker niet spoedig stuk ge-

13 trokken worden. Beter een jongmensch, arm en wijs, dan een koning, oud en dwaas, die niet eens meer weet zich te laten

14 waarschuwen. Want uit het gevangenenhuis gaat hij uit om koninklijk te heerschen, hoewel hij in zijn rijk als een arme

15 is geboren. Ik zag alle levenden, die hun levenswandel voeren onder de zon, staande aan de zijde van den jongeling, den

16 tweede, die in zijne plaats zou opstaan. Geen einde was er

5. V. s. is de samenhang aldus: zeker, er moet gewerkt worden,want dwaas is hij, die de handen samenvouwt, ze ledig in den schoot legt, — hij eet zijn eigen vleesch, maar enz.; v. a. dwaas egoïsme, dat alleen zijn eigen handen = zichzelf, omarmt, liefkoost, en daarmede zijn eigen vleesch en zijn rust zelfs verteert, trant enz. N. a. verklaren vs. 5 als tegen-argument van den vlijtige, vs. 6 als bewering van den luiaard.

6- nm. niet: werkeloosheid van den luiaard, maar: rust tegenover het rusteloos zwoegen. — tp, de holle hand, D'OBn, de gesloten vuisten. — nnj en nn mm Sar zijn vierde naamvallen, waarin datgene wordt genoemd, waarop de maat betrekking heeft.

8. Ook alleenstaanden worden door zucht naar rijkdom verteerd. — 'jx ijiSi, hier wordt de geteekende persoon sprekend ingevoerd.

10. iSvfl. en wee 'iem •' — ib quot;IN*; Thargoem = indien.

11. Er wordt niet aan huwelijk gedacht, maar bijv. aan twee vrienden, die in een koelen nacht onder een deken zich te slapen leggen, op het veld bijv. — 33», onder een deken liggen, vgl. Ex. 22,26; Jes. 28,20.

12. iriNn is vierde naamval, vgl. -hri ns insmi Ex. 2,6; als iemand hem, den eenzame aanvalt, vasthoudt, of v. a. ovenceldigt; in vw: is dan in het aanhangsel het onderwerp van upni bedoeld, legen hem, den aanvaller.— ciScnn cinm, zijn het drie, die zich vereenigen, dan gelijkt het op een uit drie draden gevlochten snoer, dat niet licht stukgetrokken wordt. Wie

25

ocr page 343

i nbnp rto hd

n^bannrD^n^o ^ rib^m

t]3 n^ü 3iu : i^rnx VT-nx pah Span : nn n n«1«iT ^quot;i : nn ni^ii D^an N^ÖO nnr

.! ♦ ' * r . gt; q-* * VT T •) • t j:- -At

1 ' PÜ? ns4! |3 qa pNi -ihk v\ : vmr\ nnn banquot; bay i yamp;y Vlvn-ab vi^-oa i^or1?^ fp. |w d^id ; «in y-i r ^quot;i bnn nr-oa rditsa Wsmx idhdi b

-' i ' ^ J • • • •) • jv quot; t * quot; ; — v lt;•• ~ •

[2 : D4D^3 niü lïv anb-amp; *im quot;in^n'fp D^a^n' Vö^^nxn iian-nK ow nnxn ^«TDK

' J . V T VIT J* : rt •• -: v IJ T ^T VIT

Tj^nn^i anb Dni Da : Wnb *

K^an binni naa növ,! cntrn inxn iö^-dni ': Dn; ^ ^pDijpT -jbap D3m; |3Dp nV 219 'T: pnr HTOD TjbD) KÏ» Dn^on n^p-^ ; nnrnb Vxquot;^ ^T D^nisn D^nn-^|-nN •' ^T quot;t^a iniD^aa Da fivpx : vnnn To^ ib'k ♦a^n nb'n D^'^a^n nnn™

bij de Iwee aan huwelijk denlit, meent, dat hier sprake is van een uit dit huwelijk geboren kind.

I3- nS', een Jongmensch, vgl. Gen. 4,23; een jongeling, pon, arm, vel.

Deut. 8,9. — -f?» is de tegenstelling van pos, }pi van -h^, Soa van D3n. _

intrn, gewaarschuwd worden en zich laten waarschuwen, liet lijdende in den zin van: iets verdragen. — hï', hij verstaat het niet meer, vroeger deed hij het wel; thans echter is hij eigenwijs geworden. Naar de meeste opvattingen beschrijft Kohéleth hier feiten; op welken tijd hij doelt laat zich niet met eenige waarschijnlijkheid zelfs bepalen.

14. De nieuwe koning is wijs, omdat hij uit den kerker den wc tot

den troon wist te vinden; dj 13, ofschoon, eigenlijk: want zelfs. _ inwSoa

in zijn, des ouden konings, rijk; vgl. wnn vs. 15. Anderen: want in zijn eigen land, in het door hem te beheerschen rijk is de nieuwe koning als een arme geboren ; n. a.: want al is hij, de jonge koning, uit de gevangenis aan de regeering gekomen, — wat doet het er toe? want ook hij, die thans in zijn koningsmacht troont, is als arme gehoren. — o^iiDn, samengetrokken

uit oniDja.

15. De schrijver gaat terug naar het oogenblik, waarop de overgang der regeering in handen van den nieuwen koning plaats had. Toen waren

allen, — breed uitgedrukt met pathos in de woorden Dquot;nn Ss enz. _or,

met, aan de zijde van den jongeling, den tweeden, nieuwen konimr, die den oude zou verdringen. — mp, optreden, evenals Dan. 8,23; vgl. op Ex. 1 8 en I Kon. 8,20. '

ocr page 344

DE PREDIKER IV, V.

aan al het volk, aan wier spits hij was ! Toch verheugen de lateren zich niet met hem ; want ook dit is ijdelheid en denk-17 streven naar wind. Neem in acht uwen voet, wanneer gij gaat naar het huis Gods ; en naderen om te luisteren is beter, dan dat dwazen slachtdieren geven; waarlijk zij weten niets, zoodat zij kwaad doeu.

V.

1 Overijl u niet met uwen mond en laat uw hart zich niet haasten een woord uit te spreken vóór God; want God is in den hemel en gij zijt op aarde; daarom zullen uwe woorden

2 weinigen zijn. Want tot droomen komt het bij veelheid van bezigheden en tot geluid van dwazen bij veelheid van woorden.

3 Wanneer gij eene gelofte aflegt ter eere Gods, stel dan niet uit haar te betalen, want er is geen welbehagen aan de dwazen;

4 wat gij belooft, betaal. Beter, dat gij niet belooft, dan dat gij

5 belooft en niet betaalt. Sta uwen mond niet toe uw lichaam te bezondigen en zeg niet vóór den Godsgezant, dat het dwaling is; waarom zou God toornen over uw stem en ten

6 verderve voeren het werk uwer handen. Want [dit geschiedt] bij veelheid van droomen en ijdelheden en vele

7 woorden ; — maar : vrees God ! Als verdrukking van armen

16. nn onderwerp van nin is de nieuwe koning. — dj, toch, niettemin, evenals Jer. 6,15; Ps. 129,2 e. a. p. — DWinsn, het nageslacht, of: de latere tijdgenoolen. De hoopvolle verwachtingen, op het optreden van den nieuwen koning gebouwd, blijken ijdel.

17. anpi. en naderen, onbepaalde wijs, om te hooren is beter, nn», dan

geven van dier offers door dwazen, anderen; en nader ligt het voor de hand te luisteren, dan enz. in ongeveer gelijken zin. — na» dikwijls speciale naam voor: vredeoffers. — Dn'nv1 das •o, v. s. want zij, die hooren, kunnen niet het kwade doen, het onderwerp staat dan nergens; anderen: want zij v:eten niet, dat zij kwaad doen, waarbij n onwjj verwacht zou worden. Beter dus de opvatting van SIendelssoiin e. a.: waarlijk, zij, de dwazen, loeten niets, D'ïin das, zijn onwetend, nityS, zoo dat zij kwaad doen, zelfs in hun offer.

Hoofdstuk V. 1. ^ SrDD overijl u niet op uw mond, met

betrekking tot uw mond; vgl. ons: op een oog blind zijn. — im. een yeloftewoord, of v. a. een gebedswoord. Want zoo hoog als Gods zetel boven 's menschen woning is, zoo hoog staat Hij boven den mensch; daarom : bind uw tong in.

2. Want evenals bij veel zich moeite geven en plannenmakerij, pj-, noodzakelijkerwijze de gedachten ook in den slaap bezig blijven en zoo droomen cloen ontstaan, zonder iets wezenlijks, — evenzoo is het onvermijdelijk, dat onder vele woorden ook nu en dan der dwaasheid stem gehoord wordt, dat wil zeggen; woorden met veel pathos, maar eigenlijk zonder zin.

20

ocr page 345

n quot;I n^np nbJD -inofcquot; D^iin^n oa irrnm* Vab D^n-S^ nfN3 ^i*i ïm ; nin ban nrari iaquot; DrK-»3 naT D^Voan nna ynv'? anpi öTibxn

jt •• i* -at v* * *• quot; jquot; ' quot; : • -«it: • v;it

: V*i nl^ D^nv n

nan xwV ^ja1?! bnan-b^^

pxn-^ nnxi b^o^a D^NH »a D^kh

b^oa bipi ? a'ia oi^nn Ka »a : nnai vn' =

.1- : Iat:« -; l -: ■- ^i- ^ ,«: Kvt : j : r

10^7 inKn-^K- quot;in: -nn n^xa : onai anaj -ab IE'K aiü : DW nx D^paa ^an ^ t

quot;nx N^nb jnn-^K : ob^n xbi ii-iniyp -jin^ f)V^ nab N»n n::tp »3 -]^an ^ab iokh-^XI ?|i^a nibbn aha »3 : ?|Tt h^dtik ^ani. ^bip-b^ D^bxn ^ ïy-)Pp^-D« .'KT D^nbNn-nK »3 nam onam o^Sanv

ti v j • it: v' v; it v r a- : - t ; • t -: r

3. D'b'DSS pn px 'Dj want God kan onmogelijk welgevallen vinden aan dwazen, die woorden zonder zin sprekenj — want wie zijn gelofte niet houdt, beschouwt zijn eigen woorden klaarblijkelijk als zonder beteekenis.

5. En zoek niet naar ijdele verontschuldigingen om uw zonde te verkleinen. — ^sSnn, waarschijnlijk de priester of geleerde, tot wien men zich om ontbinding der gelofte wendt. — rajf, een zonde in dwaling begaan.— ^am, en bederven, zie Jes. 10,27; anderen: tot pand doen nemen, m. i. zeer onwaarschijnlijk.

6. Want zulk een onheil ware het noodzakelijk gevolg van met droomen en ijdelheid gelijkstaande veelheid van woorden. Anderen; want met veelheid van droomen en ijdelheden zijn ook vele ivoorden gepaard. De derde quot;| beteekent dan niet: en, maar zooveel als ons: ook-, de '3 van aia met. — o, maar, het eenige is: vrees God!

7. Onrecht in den staat, na de spreukengroep terugkeerend tot den lateren regeeringstijd van den eerst met vreugde begroeten nieuwen koning. Het ziet er met recht en gerechtigheid treurig uit, maar geen wonder, — ieder loert, iKf, evenals I Sam. 19,11 en II Sam. 11,16, op voordeel, een hooggeplaatste loert er op zich ten koste van den ander, ook hooggeplaatst, maar lager dan de eerste, te verrijken, — om op zijn beurt weer het slachtoffer te worden van een nog hoogere. — j-rnn, hier eenvoudig: de zaak, aangelegenheid.

ocr page 346

DE PREDIKER V.

en roof van recht en gerechtigheid gij ziel in den staat, verwonder u niet over de zaak; want een hooge loert hooger dan een hooge 8 en weer hoogeren over hen. Maar het voortreffelijkste voor een land is in het algemeen : een koning dienstbaar aan het akker-!) veld! Wie zilver gaarne heeft, wordt van zilver niet zat; en wie bemint de schattenmassa ? — het is niet iets, dat binnen-

10 komt; ook dit is ijdelheid. Als het goede vermeerdert, vermeerderen ook die het eten willen; en wat gewin heeft de

11 eigenaar ervan, dan alleen het zien zijner oogen ? Zoet is de slaap van den arbeider, of hij weinig of veel eet; terwijl de

12 overvloed van den rijke hem niet toelaat te slapen. Er is een booze kwaal, die ik gezien heb onder de zon : rijkdom, door

13 zijnen eigenaar bewaard tot zijn ongeluk. Die rijkdom nu gaat verloren door een ongelukkige omstandigheid; en hij heefteen

14 zoon voortgebracht, in wiens hand nu niets is. Zooals hij is uitgetreden uit den schoot zijner moeder, naakt zal hij terug-keeren om te gaan, gelijk hij is gekomen; en niets zal hij dragen voor zijn moeite, dat hij zou medenemen in zijne hand!

15 En ook dit is een booze kwaal; geheel juist zooals hij gekomen is, zoo zal hij heengaan; en wat voor gewin is het voor hem, dat hij

16 zich moeite geeft voor den wind? Ook al zijn dagen eet hij in

17 duisternis en ergert zich veel, en o, zijn ziekte en toorn! Ziehier

8. Doch het beste voor een land is een l;onlng, die in het rustige werk des vredes zijne kracht zoekt. — in het algemeen, zooals 'Ezra 10,17: in het geheel, alles bijelkaar genomen ; anderen : het voortreffelijke, do welstand van een land toont zich in de gemeenschap, het geheel. — quot;fra ■oïj müS, de eigenaardige plaatsing der toonteekens wil niet rrw1? met ■gt;*7» verbinden, maar van ■nrs scheiden, dat bij quot;fm behoort; dus: een koning, aan hel veld dienstbaar. Mendelssohn ; ook de koning over akkers ivordt gediend en regelt niet alles zelf, in onmiddellijk verband met vs. 7, waar volgens Mendelssohn ook gezegd is, dat voor den slechten gang van zaken en het gepleegde onrecht niet de koning, maar zijn hooge staatsdienaren verantwoordelijk zijn. Nog anderen; ook de koning is afhankelijk van den landbouw, wat dan een schijnbaar geringen stand in de maatschappij moet aanduiden; in Palaestina zeer onwaarschijnlijk.

9. V. s. voortzetting van den lof van den landbouw: deze geeft nsiar, wat in de schuren als wintervoorraad wordt ingebracht; terwijl men zicli aan geld niet zat kan eten en massa's schatten de schuren niet vullen. Anderen beginnen hier een nieuwe gedachte : veel geld verzamelen, waarvoor al de vroeger geschetste ongerechtigheid geschiedt, heeft geen doel. Hoe meer men heeft, hoe meer men hebben wil; men raakt nooit verzadigd, er is nooit eens een tijd, waarin men zeggen kan; nu is de voorraad, nsian, binnen gebaald en de tijd van rustig genieten gekomen. — rrnn, eig. gedreun, v. d. dreunende menigte, ook van aardsche goederen, vgl. Ps. 37,16.

10. JTIBO HOI- Genoeg heeft hij nooit, dus tevreden is hij niet; zijne zorgen zijn vermeerderd, want hoe meer geld hij heeft, des te grooter wordt zijn bediendenstoet, voor wie hij te zorgen heeft; — ten slotte heeft

27

ocr page 347

n n^np rhyti ra

♦3 rann-^ ninan n«quot;in piii uat^o Sni

J#1 . . . T I; •.••v lt;r : • y: J-

N'n^a pK rnnn ; D'HDJT rna n33n «

a - I '.\v ^ i •; iv V : quot; - t ^-•• - t r

an^-'oi eiD3 «103 : iiy: -n^oc

jquot; i- | v v : * i | v v lt;•• it .'civ v.vt ; | v jv

n^piK 12quot;) naitari mnna : Van nroi nNian jiana1 njB' njrina : v:^ n*«TDK ^ jn^rnoi ^ g

n^o uvk na-in-DNi t:^o-D« nayn -r-

- j' ' -jv •• • *tiv ttquot;: aquot; ^ : - • : : * quot;^ir

quot;it^v t^otyn nnn wtn n^in ^ : rity^ i1? ^

j r v t) vat - - j- * ^* t t •jt t •'lt; i i * ^

ra Tbirn yn p^3 «mn nasi : v^yzh ^

I •• -•• : at I ■,quot;: ^: v. quot; ^ v *0 t •)- t : i ^t it: v.t't : *

nD1?1? aiB* Diquot;)^ is» rüa^ NÏ* : nöiNO n^a r»«i ^

v^vt^ j r •) t 1 vj v • TT «v -: i- ^t i ^t: I jquot; :

n'roai : its rhw i'^ö^a naiKDi Kat^a^

^t t - : .,t: v t^l- -quot;t • 1 t : at.v :

: nnb quot;h Tinn'-^nDi ^ ra «a^ navVa n^in

it v. ^rv i -^ : * - )aquot;quot; i-»quot; vt v j- t t

nan : ewpi vVni nann Vax' Tiiyna vo^a 03«

•• ■ ) v i itt j : t : vquot; : ~ jquot;r '. ftquot; ]■.■■'- t.T r t t1

hij alleen het voordeel; met trols te kunnen aanzien wat hij bijeen heeft gebracht.

11- den arbeider, misschien vooral den n-tx nauquot;. — iipr1? rat'n, de overvloed van den rijke, vgl. Roeth2,3.— H^Q» isccn Aramcesche

vorm naast rViH) Hiph'iel van nu; vooral in den zin van : toetóen gebruikt.

12—14. Bovendien is rijkdom zoo vergankelijk. — nSm run = Jf)

6,2; een ziekelijk kwaad, diep ingrijpend. — 'h nor, hetcaard door; hier niet: voor, daar vs. 13 juist zegt, dat de rijkdom verloren gaat, dus niet voor den eigenaar bewaard blijft.

14. Onderwerp is: de rijke of zijn nog in rijkdom geboren zoon.

15. Doch gesteld zelfs de rijkdom gaat niet verloren, maar blijft zijn leven lang in zijn bezit, — als hij sterft, heeft hij er toch niets aan. —

nwgt; Sr, niet gelijk JlOjrSs* maar in twee woorden, rwï beteekent: verbinding, gemeenschap, overeenkomst; n»ï *73 dus: geheel overeenkomstig. — nnS bij de vraag behoorend, bevat tevens het antwoord, dat in het volgende vers wordt voortgezet.

16. En zelfs in zijn rijkdom komt hij er niet toe ervan te genieten, zijn leven lang eet hij in duisternis van zorgen om nóg meer te krijgen. pblT, v. s. =. -hm, met bijgevoegde •) die echter in den regel den 2(len naamval aanduidt; anderen = iS iSm, en heeft hij ziekte-, n. a. en dan zijn ziekte en toorn, ergernis door het mislukken zijner onderr.emingen of niet voldoende reusseeren in zijne plannen.

ocr page 348

DE PREDIKER V, VI.

wat ik heb leeren zien als goed, als wat schoon is: te eten en te drinken en van het goede te genieten bij al zijn moeite, die men zich geeft onder de zon, gedurende het aantal dei-dagen zijns levens, die hem God heeft gegeven; want dit is

18 zijn deel. Ook ieder mensch, wien God rijkdom en goederen heeft gegeven en wien Hij de macht heeft verleend ervan te eten en zijn deel weg te dragen en zich te verblijden in zijn

19 moeite, — dit is een gave Gods. Want niet veel denkt hij dan aan de dagen van zijn leven, maar God stemt in met de vreugde zijns harten. —

VI.

1 Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het

2 drukt in groote zwaarte op den mensch. Iemand, wien God rijkdom en goederen en eer geeft, en hij ontbeert voor zijn persoon niets van al wat hij verlangt, maar God geeft hem niet de macht ervan te eten, want een vreemde man verteert

3 het; — dit is ijdelheid en een booze kwaal. Indien iemand honderd voortbrengt en vele jaren leeft en zeer veel is het, wat de dagen zijner jaren bedragen, maar zijn ziel verzadigt zich niet aan het goede en ook een begrafenis werd hem niet ten deel; — dan zeg ik: beter, dan hij, is de misgeboorte.

4 Want in nietigheid is zij gekomen en in duisternis gaat zij

5heen; en met duisternis blijft haar naam bedekt. Ook de

zon heeft zij niet gezien en niet gekend; meer rust heeft

Gzij, dan hij! En indien hij tweemaal duizend jaren leeft en goeds niet heeft genoten — gaat niet alles heen naar

17—19 komt Kohéleth dan terug op zijn vroeger reeds uitgesproken levensregel; matig genieten en arbeiden.

it. na1 quot;itrx 2Vl2 quot;uk wjn icn run. Ziehier icat ik heb leeren zien als lt;joed, als wat schoon is; anderen: icat ik. gezien heb is beter, dat het namelijk schoon is.

18. Dat vroolijk genieten bij den arbeid is ech(er niet noodzakelijk gevolg van rijkdom, maar God moet liet den mensch als bijzondere gave verleeuen. — d;i, en ook, behoort of bij het slot van het vers (vgl. 3,13), óf er moet wsn nT bij gedacht worden. — didsj komt ook Jos. 22,8 en II Kr. 1,11 voor. — iciScn, macht /jei-en, ook Ps. 119,133.

19. m •'Dquot;'. den korten duur zijner levensdagen. Deze gedachte zal hem zijn vroolijk genieten niet vergallen, daar God zelf hem de levensvreugde heeft geschonken en ruï» {antwoorden), instemt met de vreugde zijns harten; de Hiph'iel heeft dan hier dezelfde beteekenis als de Kal. Anderen: doet alles antwoorden, overeenstemmen en tegemoetkomen aan de vreugde zijns harten, waarbij dan het voorwerp is weggelaten.

Hoofdstuk VI. 1. DHNn h]} NTi n3Hgt; en 'jroot is het kwaad op den mensch, het drukt zwaar op den mensch.

2. nsj va. een vreemde, niet tot de familie behoorende, die dus geen

28

ocr page 349

i n nbnp rbia na

nisnbi nin^i i)u »3« ♦n^xm^Nï

^ : . : : • : j v:iv -»•.• t iv -: -» • t • •gt;• r r.;^ -;

vrro» quot;IÖDD K'orn-nnn bbygt;amp; 1 ibojr^a nam

•)t - iquot; : squot; : • v v - - 1- j ^■;i- v •* t^; t : t

-it^K onxn-bs d-i : ipVn «m-'a Dfl^Nn lyrnriE'N ^

-•V -: gt;TTVT T ^ 'i : V ' v.quot;^ qV:ir j I -it iv -:

n«tyl7,i i3aD bbK1? lü^irni D'ó^ai quot;wïv iV-rna

j.. t ; v • lt; v:iv • : • ; * t : v ^ - v: it ^ i -it

kS »3 : K^n wrhx nno nr nbteh) ipVn-nK^

j .lt; ,. v.* quot; a T : i- - v : • : I ; v

.•labnnairamiro DflV«n^ vn ^ ninn

1 • jm i ' : v,quot;- :i- •)• v:it s* at- -••• ; v ^: • •• ; -

1

: mKn-1?^ Nvn nam nnn w *

^ .ttit f- .• , .r -:q 9v.t - -- • t quot;t t -

iSi'Ni 11331 D^DDJI ivy OWKH irm* 11^« CK 2

^ v •• ; t : • t : v ^ • vit j i v • •»•.• -; j-

o^Nn iSü'^^Kbi ni«n^quot;i^« Ssp 1 ion

: «in in ban nr no: »3 issd Vbs^

1 ^t j* ▼: t v .)v j\'r av ; ^ 1 q^.' : t •gt;' v * ■j v;iv

VW'W vn^ I 311 njn; ni3i o^^i nxo I^VOK j ib nn^n-N1? miop-oii noi^n-p Wfiji

• : - t a t ;jt 1 vt i: - ; t - | • ^ j- ; • 1 : - :

lOB' 1^131 ^ 1^131 N3 i73n3v3 : böin 1300 3lü ^

j : iV - i a*'quot; i v J - vt V j-.- - r v it — *.••• • j

i^ni : nto nr1? nn: yy «bi nNTtó tyoiy-D: : nD3*n

J * ; IV • ^VT 'j' ATT -• : V,T T I ^vjv - iv \: ^

int? oipo-'jK N^n nsn ah noiüi o^oys o*:^ «iVx n;n

V.t V i j t V •) -; at t -» V.t ; * -^II- * t | V lt;V tt

rechten heeft op dien rijkdom; men behoeft niet juist aan een huitenlander te denken.

3- i-IKO. honderd kinderen. — vrpp au, breede omschrijving om de lengte van zijn leven goed aanschouwelijk te maken. — wbji enz. bevat de keerzijde der medaille; hij geniet niet van het goede, heeft in zijn heele lange leven nooit ware vreugde gekend en zelfs niet eens een eerlijke begrafenis valt hem ten deel. — his, de misgeboorte, een doodgeboren vrucht.

4, 73,quot;13, in nietigheid, !«, trad zij in het aanzijn, want zij was levenloos, toen zij zou beginnen te leven; •prai, en in duisternis, zonder eenige aandacht te trekken, zonder ceremonie, ■]Lquot;, gaat zij heen in het graf, krijgt niet eens een naam.

5. Dan heeft zij het geluk de zon niet gezien te hebben en niets te weten van al wat onder de zon gebeurt. — nru, er is mst, kalmte voor deze meer dan voor hem, den rijke van vs. 2.

6- CPOJ/a DUtr ïpx, v. s. IflOO jaren met zichzelf vermenigvuldigd, 1000 in de tweede ' macht, — een millioen jaren; v. a. 2000 jaren. — ins oip», het graf. Wat baat lang leven zonder genieten? Ten slotte ia toch het einde: het graf.

ocr page 350

DE PREDIKER VI, VIL

7 ééne plaats ? De geheele moeite der menschen wordt gedaan voor zijn mond, en toch wordt de ziel er niet ten volle zat van.

8 Want wat heeft de wijze voor boven den dwaas, wat heeft de arme, die weet zijn leven te leiden tegenover de levenden ?

9 Beter het zien met de oogen, dan het ver wegdwalen der ziel; —

10ook dit is ijdelheid en weiden van wind! Wat geschiedt, reeds

lang is zijn naam genoemd en is bekend, wat hij, de sterveling, zijn zal, en hij kan niet in rechten optreden tegen wie

11 sterker is dan hij. Want er zijn vele woorden, die ijdelheid

12 vermeerderen ; wat heeft de mensch daardoor voor ? Want wie weet wat voor den mensch goed is gedurende het geringe aantal der dagen van zijn ijdelheidsleven en die hij doorbrengt als een schaduw ? Wie immers zal den mensch mededeelen wat na hem onder de zon zal zijn ?

VIL

1 Beter een naam, dan goede olie; en de dag van den dood,

2 dan de dag, waarop men geboren wordt. Beter te gaan naar het huis van rouw, dan te gaan naar het huis van drinkmaal; daar dit immers het einde van ieder mensch is en de levende

3 het ter harte neemt. Beter ergernis dan scherts, want bij treurig

7. Het doel van alle streven is te kunnen genieten; en toch, hoeveel moeite men zich ook geeft, geheel bevredigd wordt 's menschen verlangen nooit.

8. En die niet te verzadigen begeerte beheerscht allen, den wijze, die haar zoekt le beheerschen, zoo goed als den dwaas, die Laar, waar hij kan, bot viert; en ook den verstandigen arme, die, hoewel artu, weet Diinn uj -(irh, zijn levenswandel tegenover de overige menschen te voeren, d. w. z. die tegenover de menschen den schijn weet op le honden en zijn armoede te verbergen, die in de ware levenskunst ervaren is; deze weet, wel is waar, zijne begeerten te verbergen door zich ontberingen op te loggen, om den schijn te bewaren, maar de begeerte is toch ook in hem zoo goed nis in den dwaas. JIendelssoiin : v:at helpt het den verstandigen arme, daar hij toch 'steeds tegen het leven heeft in te gaan?, den strijd om het bestaan heelt le voeren. Anderen: om het eeuicige leven tegemoet te gaan.

9. njOO. l'el z'en met dquot; oogen, het zich verheugen met wat men heelt, is beier, tej dan hel gaan, afdwalen der verlangende

ziel, vsi; -|Sri is onbepoalde wijs, verkort uit en wat de beleekenis

aangaat, samenhangend met ^]Sngt; reiziger, doortrekkend gast. Rustig

genieten is beter dan onverzadigbaar bcgeeren, — ook dit begeeren, streven naar geld en goed is dus ijdelheid. Wij zijn hier op de helft van het bock, zoodat het motto des Predikers: «ook dit is ijdelheidquot; de eerste helft aftlnil.

10. Die toekomst, waarnaar de ziel verlangt, wordt geleid door eene macht, waartegen de mensch niets vermag. — Wat geschiedt, daarvan was de naam, het wat en hoe, reeds Inng genoemd, besloten, sin ics nui Dis, en bekend is vooraf reeds wat hij als mensch zal worden. Anderen: en het is bekend, dat hij slechts een mensch is en niet kan enz. — tpprinr, de

29

ocr page 351

r i r6np rto üd

: K^an ah t^asn-DJi bwhz : Ttbin Van»

Iquot; T • J m '.\\- - -; A- ; V,TTIT T |lquot; -

133 iVnV ^Dsn-ro DDPI1? wrvi »3quot;

VJV K quot;SIquot; •* -••quot;TIV - . A* ; - I • V,TTIV Jquot; - )'

mp*n nr-oa irfii-ibnD nNquot;io am : Dnnn«

^ ; vvv jv - vat | t-:jquot; ^ ^ -»••;- •) r - i-

-N^ din latr xnp: laa rrntrno : mi1

i ; att ^ v ~i ^t : : -«tl; • x t t v - i

D^anD nann onar^» 'a : vm ci»pnnty op rn1? Vav ^ amp;

- ^:- V: ,quot; ,Tq .v- IK quot; v t - p-

□♦»na din1? aits-nü 'a : dhn? in^-nrj Van ^ ^

* quot; T T IT ^ quot; quot; 1* ■»• IT TIT v quot; v AT

-na on^V wn -i^nï Vïa i^an 'tpd* nsoa

tt it j - r v -: aquot; - •»*• quot;^:r: ^ : v jquot; - r* : •)- : •

: vnwn nnn vihn n^nquot; ■

VIT - - j~ VT-:Iquot; JV ; •

r

naVV ai6 : nVm dI'd nian om aits ikvd otr aiti« 9

•■■•quot;•• T ,. ,:,v gt;■■ ■■■T ■, Jv , » .'•■•*■■• •.lt;■•• . = Tl

niD N^n quot;urxa nn^a n^a^N naVa VaN-n^a-VN -.

i -» v. v -; 1- v ; • jquot; v v v • v •• iquot;

jha-»a pint^a o^a aiu : laV^sj rn» ♦nm anxn-Vaj

j: i*l ft : • j 1 • v I jquot; • : at tit t

Kerie: ^pnr, beteekent hetzelfde als de Kethieb: fppiintJ', die sterker is.—

Sdii n1-, kan het niet, en mag het niet, wat nS ook in wetten dikwijls beteekent.

11. Bij de woorden, die de mensch, in het gericht gaande met do hoogere macht, die het lot bestuurt, gebruiken zou, zullen noodzakelijk velen zijn, die San D'ou;, zonder doel gesproken zijn, de vele ijdelheden der wereld nog vermeerderen.

12. quot;1300, de te tellen dagen, iSan, van zijn als een ademtocht vergankelijk leven. —■ own = dïT1 ips, die hij doorbrengt; zou de mensch willen be-oordeelen wat hem waarlijk goed is, dan moest hij het heden cn de toekomst kennen, wat niet het geval is; dus: treed niet met de hoogere macht in het gericht, want de eerste voorwaarde daartoe: het oordeel, of 's menschen lotgevallen voor hem goed zijn of niet, ontbreekt u!

Hoofdstuk VII. 1 — 14. Wederom een groep spreuken; aanknoopend aan het 31a n» in 6,12.

1. ntr, even.-ils Spr. 22,1, een goede naam, vgl. ons: naam maken. Zie Gen. 0,4; Job 30,8. — niiin dvo, de dag van den dood na -een wel volbracht leven is heter dan die der geboorte, daar dan het leven nog een raadsel is, niemand weet wat het den jonggeborene brengen zal, wat de nieuwe wereldburger voor de wereld en zichzelve zijn zal.

1

SDN iT3. een huis, waarin over een afgeslorvene routo wordt bedreven, waarheen men gaat om zijn medegevoel met den treurende te toonen cn hem te troosten. — sin icsa, daar d i t, dat om hem als overledene getreurd wordt, ieders menschen einde is.

ocr page 352

30 DE PREDIKER VII.

4 gelaat is het het harte wél. Het hart der wijzen is in het huis der rouw, en het hart der dwazen in het huis der vreugde.

5 Beter te hooren beschimping eens wijzen, dan iemand, die hoort

6 naar het lied van dwazen. Want als netelgeknetter onder den ketel, zoo is het gelach van den dwaas, en ook dit dus ijdel-

7 heid! Want de wederrechtelijke onthouding verdwaast den

8 wijze en vernietigt het hart van vrijgevigheid. Beter is het einde eener zaak, dan haar begin ; beter een langmoedige dan

9 een hoogmoedige. Overijl u niet in uw geest om kwaad te

10 worden, want ergernis rust in den boezem der dwazen. Zeg niet: wat is er gebeurd? dat de vroegere dagen beter waren dan de tegenwoordige ; want niet uit wijsheid vraagt gij daar-

11 omtrent. Goed is wijsheid met een erfdeel en iets voordeeligs

12 voor die de zon zien. Want zoowel in de schaduw van wijsheid als in de schaduw van het geld is hij; doch de voorrang der kennis is: de wijsheid behoudt wie haar bezitten, in het

13 leven. Zie het werk Gods, want wie kan recht maken wat

14 Hij heeft krom doen worden ? Op een dag van goeds wees in goede stemming, en op een dag van ongeluk zie in ; ook dezen, juist als den andere heeft God gemaakt, om der wille

15 daarvan, dat de raensch na Hem niets kon vinden. Alles heb ik gezien in de dagen van mijn ijdelheidsleven ; er zijn rechtvaardigen, die met al hun rechtvaardigheid te gronde gaan, en er zijn misdadigers, die lang leven trots hun slechtaardigheid.

16 Wees niet rechtvaardig te zeer en toon u niet wijs boven

17 mate; waarom wilt gij u zelve verwoesten? Wees niette zeer misdadig en wees niet dwaas; waarom zoudt gij sterven

5. pnyy het kijven, zonder de woorden mooi te kiezen, uiting geven aan de afkeuring van de daden van den ander. Dit aan te hooren is beter dan te luisteren naar tc, den in maat gezetten, schoonklinkenden zang der dwazen.

Doornen knetteren bij liet verbranden, zij vlammen spoedig op en verbranden onder veel geruiseli, maar zijn spoedig uitgebrand en het eten blijft rauw; vuur van talhout daarentegen knettert niet, maar houdt het langer uit.

7. Dat lachen van den dwaas = den naar rijkdom en wellustige weelde strevende, is niet zoo onschuldig, maar gewoonlijk gaat dat streven gepaard met oneerlijkheid, por; deze doet zelfs vaak den wijze dwalen en vernietigt de liefde in het uit zijn aard vrijgevige hart. Anderen: en geschenken richten het hart des wijzen ten gronde.

8. Het resultaat eener poging ten goede is altijd beter dan het begin; daar dan het einde nog onzeker is. Anderen: het is beter te letten op het einde dan op het begin; laat dat einde soms lang op zich wachten, heb slechts geduld, — beter is nn yw ~ d'bn een langmoedige (niet = ^]TJC)

dan een hoogmoedige, raa verbindingsvorm van nbj. niet van —die,

naar zijn karakter, wegens den langen duur eener zaak het geduld verliest.

ocr page 353

T r6np rto b

abi va» b^dn : ab 2ü« d^ö1

jquot; : v.' * : -»quot; : v •• -••• ; • t -: «•• iquot; - r ^ t

: D^D3 yamp; yüamp; ^ND Dan niyï ybvh aiè :nno^quot;

r * : j' ' - •• at t ^ * it : •

: ban nros Vosn pnty p i^Dn nnn on^Dn Vipa

vit v.'-' quot; a* ; ~ I J : Kquot; * quot; - •»- . . - i lt; . j.

nnn« aiü : nana ayrik i3n,i ddh vsin* p^n »3'

j'-ir •) it t - v.quot; v jquot; ~ r at t ■••• : i v *\ t j' n

ïinnabnan-VN :mnn3ao nn-nnx am mwiD -131°

i. I -1 1 ; r* : - - 1 j- : • - v. I viv j a • ..... v.t t

n^n no quot;iDrtrrbtf : nir d*td3 p^na D^i '3 di^2?'

t t ■gt;•.• - - -it * ; i jquot; i , •**. vi ; *

nbNB' nQ3nD tib '3 d^Iü vn o^t^Kin D'O'nt^

t : t ^t ; t r* j ■)■ v a- •• v,* ■gt; r ' -,*t * tquot;lt;quot;

♦3 : ^ni1? mn nbnro^ nq3n n3it: : nrty^

.)• v it - jquot; : vquot; : at-n- ^.t ; t -;t iv - 2''

: n^3 nnn nD3nn rnn^ fiD3n ^3 nD3nn ^3

t iv t : r.* - : ^t: ti-^ -i ^ : •: | vat - -••• : v.t ; t 1- y :

: inw nx tpn1? 1l73v 'd '3 d'ri^nn h^dtik hni ^

^ 1 *. * jv v.quot; Mquot; - ; - «* -•• a* •/: it -••• v v.quot; :

nrna^nrnNDa n^-i DV3i 31Ü3 n^n n3iü 0^3 ^

: lt;v v j- aquot; ; ^t t ^ j : : t lt; ;

: nüiNO nnK onxn ^3^-^ D'riVKn ntyy

t i : v.t-:iquot; -it t it ^ st ; • v -: • - • v; it jt 't

^quot;ity'Tip™ quot;i3X pnï ty* ,l?3n »o»3 ♦nw ^srrnN10

t t -»••: I : • ; -••• I • lt;•• a- : v j- • * v* t j -

quot;inv a3nnn-,?Ni ninn pnv ^nn-bs4 : inj;quot;i3 TinKO quot;=

a- . v.quot; quot; : * •• ; - i •quot; : quot; 1 r it : j v'-jiquot;

niön nab n3nn : DOi^n na1? ^

^ T tjt rtr T -•■ : - : vquot; :quot; iquot; : * quot; tquot; * t^T

1

en iets van belang voor wie in dit leven treedt, waar ook vermogen een niet geringe rol speelt.

12. noann Ss3 enz. Hij is tegelijk in deschadmo, onder de bescherming der U'ijsheid en onder die 'van het geld; anderen : want in de schaduw is wijsheid = de wijsheidbezitter, en in de schaduw is geld — de rijke. — Terwijl echter geld, door tot weelde te voeren, den mensch te gronde richt, behoudt wijsheid, die hem binnen de perken doet blijven, haren bezitter in liet leven.

13 en 14 antwoord op de vraag van vs. 10. Wat gebeurt, is Gods werk; wat Hij naar menschelijk oordeel verkeerd heelt doen worden, kan toch niemand verbeteren. — vnns* ssn'« nSc, dat de mensch na God niets meer zal vinden, tegen Hem aan te merken zal hebben ; — anderen : opdat de mensch na zijn dood niets meer zal hebben te o n der v in den; n. a. opdat de mensch niets zal kunnen vinden, doorgronden van wat na hem, na hot tegenwoordig oogenblik, zal geschieden.

15. Uit den sprenkenvorm gaat do schrijver weer in den vorm van mededeeling van resultaten van onderzoek over.

15—18, bewandel den middenweg.

16. DOIUT) = oiivwr, evenals pwi = ponn Num. 21,27.

17. PST! ytJnn maar verval ook niet in het andere uiterste door

2

9. niJ1) vindt een rustig plaatsje, vgl. Spr. 14,33.

ocr page 354

DE PREDIKER VII.

18 vóór het uw tijd is ? Goed is het, dat gij het eene aangrijpt en ook het andere uwe hand niet loslaat; want wie Godvreezend

19 is, gaat met allen mede. De wijsheid verleent kracht den wijze,

20 meer dan tien heerschers, die in de stad zijn. Want een mensch is er niet zoo rechtvaardig op aarde, die slechts het goede doet

21 en niet zondigt. Ook aan al de woorden, die de menschén spreken, zult gij uw hart niet schenken; opdat gij niet uwen

22 slaaf u hoort vloeken. Want ook in vele gevallen —uw hart

23 weet het — hebt ook gij anderen gevloekt. Al dit heb ik op de proef gesteld met wijsheid ; ik dacht: nu ben ik wijs, — en

24 toch is zij zoo verre van mij ! Veraf ligt wat bestaat, en diep,

25 zeer diep — wie kan het bereiken ? Nu wendde ik mij en mijn hart was er op uit te leeren kennen en rond te spieden en te zoeken wijsheid en rekenschap en te erkennen slechtheid

26 als dwaasheid en dwaasheid als dolheid. En ik bevind bitterder dan den dood de vrouw, die op jaagnetten gelijkt en vangsnoe-reu is haar hart, boeien hare handen; de voor Gods aangezicht goede zal haar ontkomen, de zondaar door haar verstrikt wor-

27 den. Zie, dit heb ik bevonden — zegt Kohéleth — het een voegend

28 bij het ander om rekenschap te vinden: Wat mijne ziel altijd doorzocht, doch wat ik niet vond : mannen, een uit duizend vond ik wel, maar een vrouw heb ik onder deze allen niet gevonden!

losbandig te worden. Natuurlijk niet alsof de sclirijver een weinig misdadigheid wél zou aanraden, maar eenvoudig in tegenstelling met liet vorige vers; welke bedoeling blijkt uit de weglating van roin in het volgende versdeel.

18. fix XS1» üaat met eMe heiden mede, of v. a. voldoet zijn plicht

met betrekking tot deze allen; n. a. gaal hij allen den middenweg.

19- tyngt; van ïir, aterk zijn, zich sterk toonen, vandaar vers/erken, I's. 68,29. — cSf, burgerlijk heerscher. Of de schrijver een bepaalde staatsinstelling met iien leden der hoogste stedelijke overheid op het oog heeft, — of wel dat mrr eenvoudig een algemeene aanwijzing is voor een niet te klein getal, wat bij Kohéleth met verschillende cijfers voorkomt, staat niet vast.

20. De deugd beschermt den mensch niet, daar hij, zondigend, haar verlaat. Dan, na de zonde, kan alleen wijsheid hem in het goede spoor terugbrengen.

21. Tracht niet verontschuldiging voor eigen zonden te vinden door alles gretig aan te hooren wat men over anderen zegt; want zoodoende zoudt gij allicht hooren, dat uw eigen slaaf uw vloekt; en zelfs als gij dit hoort, let er niet op, — -pV |rn hs, — want ook gijzelve maakt u aan zoo iets schuldig.

23. JJV11, en zij, de ware levenswijsheid.

24. pm ver van menschenbegrip. — usws' i», wie bereikt het volle begrijpen ervan.

31

ocr page 355

T nbnp rhin n1?

mrr1?# nfa fn^n aiu : tibz ^

Iavt v J- - - v.v • -; VT j v: iv -»v -j lt; | *•■•■ j :

nT^D Dan1? T^n nDDnn : D^S-DK ^

TT iquot; ct t iv •* t vT ; t i- it •. v yquot; v: }quot;: r

quot;it^K r»K d^k ^ : 1^3 vn =

y: -: | VAT t I V.* - I Jquot; TT J- quot;I T ^T Jquot; —. . . -

TDT bnmn-bD1? D3 : xun» N^I «

• T : quot; t : it v:iv i \ v quot;

■aa '3 : 1^« ^ |nn ==

nrVs : onnK nbbp *n«-Da -it^K nsb pi'' nisi D^D^S »

v t rquot; -: t :J- !• v,T - - ^v -: Iav • J-T V quot; v *gt; ;

pim : npim «♦ni nains4 'max noDnn ^

I v t ^ • iv • I^t ^ ; v* : t t t v • :-»- t at ; t r • j* •

n^n1? 'abi ^s4 \ni3D : ISKVD' ♦D pby 1 Pbyi n^niy-no «

. -•quot;T ••:lt;-: ^ iv t : • -»• I v^t 1 j t ; int t iv

n^DDni vw*\ ?i3^m nosn ^psi quot;iin1?1!

v. . • . ^ . . ^ T , quot; * ' * fV'T * T quot;» J I » T

oniso nK'Nn-nN niso 10':« «yiai : ni^in «

s quot; ; • v -! t it v v t •• 1 •• 1

n3ÓD ubw b^ribKn ^ö1? 316 nn» oniDX n3b D'oim

t v • J- t * • v: it lt;•• : • t avt J* -: \.r • •»• T r

nnK n^np nnoK ^nKïo HT ntn : ns nsv'» «mm»

Jm - VAVl VT : IT * TT •»•.• •• : IT v JT • :

♦n«xö ^33 n^ps-ni^ : ri3iyn nïd1? nnx1? ™

at t ■• : v' : quot; JT I: • n .)••• -: ' J '' gt;v : * V.quot;^.quot; :

: 'nxYö xb nV«_i733 n^xi \nNïo nn« onx

IT T ^ v Vquot; T ; JT ' Z 'TT | V V quot; lt;T V T T

25. VIDD» 'k wendde mij om naar wat in liet volgende gezegd wordt.— •oVi, en mijn hart was er op uit, rïlS enz. — Vos ren, slechtheid is eigenlijk dwaasheid, op verkeerde redeneering gegrond; en ni^ao, onzinnigheid, zorgelooze geestelijke verstomping is JT1V7W, razernij.

26. Een zijner eerste resultaten bij dit nieuwe onderzoek. — nti ion Dinwa, dj zelve is a/s Jaagnellen, d^icn, loeien, touwen, waarmede de gevangene gebonden wordt; ook Keeht. 15,14; enkelvoud quot;IIDX Jer. 37,15. — 210

DVi^Nn iJEiS, tcie God goed toeschijnt, of: wie zich tegenover God goed gedraagt. — na •w't1, wordt in haar, — het vangnet: de vrouw, — verstrikt.

27. nnxS nruv. evenals Jes. 27,12 ins inxS, bij den een een ander, — hier: het een voegend bij het ander. — paan nskS, om ten slotte de berekening te kunnen maken, resultaat te kunnen opmaken. — nbnp mn«, met hot oog op het onderwerp, is rbnp hier naar den uiterlijken woordvorm vrouwelijk gebruikt.

28. Wat mijn ziel nr, steeds opnieuw zocht, was, wat uit het slot van het vers blijkt; een vrouw in den waren zin. — dis, een m a n, hier tegenstelling van nus. Onder dnizend manspersonen wel een man, onder duizend tot het vrouwelijk geslacht behoorenden vond ik echter nog niet eens één ware vrouw. — rhs baa, onder deze allen, een gelijk getal van 1000.

ocr page 356

DE PREDIKER VII, VIII.

29 Doch — zie, dit heb ik bevonden, dat God den menseh vecht-schapen gemaakt heeft, maar zij zoeken vele berekeningen.

VIII.

1 Wie is als de wijze en wie kent de verklaring der dingen? Des menschen wijsheid verlicht zijn gelaat en de ruwe macht

2 van zijn aangezicht verandert. Ik zeg: des konings bevel neem

3 in acht en wel wegens den Godseed. Overijl u niet van voor zijn aangezicht weg te gaan ; blijf niet staan bij een slechte

4 zaak; want wat hij verlangt, doet hij. Daar immers het woord des konings heerscherswoord is; en wie zegt hem; «Wat doet

5 gij daar ?quot; Wie het gebod echter inaeht neemt, hij zal niets kwaads leeren kennen ; en tijd en rechtsoefening weet het hart

6 des wijzen. Want voor iedere zaak is er een tijd en rechtsoefening, als de slechtheid der menschen te groot wordt op hem.

7 Want hij weet niet wat geschieden zal; want hoe het zijn zal,

8 wie zal het hem mededeelen ? Geen menseh is heerscher over den wind om den wind tegen te houden en niemand heer-schend over den dag van den dood en geen ontkomen in den

9 oorlog; en slechtheid redt haren heer niet. Dit alles heb ik gezien, en wel: richtend mijn hart op alle gebeurtenissen, die plaats hebben onder de zon, ten tijde dat de menseh over

lOdcn menseh heerscht tot onheil voor dezen. En vervolgens heb ik gezien booswichten begraven worden, en zij kwamen tot rust, terwijl verre van de heilige plaats moeten gaan

29. ten slotte is dit nog mijn resultaat: God heeft den menseh

gemaakt als ntquot;, eigenlijk; recht, zonder zedelijke kromming, — rechtschapen, maar zij zoeken slimme berekeningen om te kunnen zondigen.

Hoofdstuk VIII. 1. Overgang tot de volgende bespreking der vraag: hoe zich tegenover een vorst, ook een despoot zelfs, te gedragen. De wijze staat zeer hoog, hij alleen verstaat de verklaring van moeilijke vraagstukken. — tgt;js tpi, ruwheid van gelaat, aanmatiging, onbeschaamdheid; vgl. Deut. 28,50; Spr. 7,13. — wen = rutn; rw in Pi'el; veranderen, in Poe'al: veranderd worden, hier: ten goede.

2- 'ON, aan te vullen: zeg of iets dgl. — man Sri, ook wegens den hij God gezworen eed van trouw. Mekdelssohn's vertaling: en de vorst — Sr de liooge — neemt in acht het God toegezworen woord, komt mij zeer gezocht en onwaarschijnlijk voor.

3. VJ30 SrQn Sn = vos» mV? Sran Ss. — quot;[Sn vjeij, van hem

weggaan; evenals or quot;[Sn, hem ter zijde staan beteekent, zoo 'oeffl -jSn, van hem afvallen, vgl. Hos. 11,2. — n -ai, een samenzwering tegen den koning.— myn Sn, blijf niet werkeloos toeschouwer, als gij verneemt, dat een samenzwering tegen den koning wordt gesmeed; want de koning is oppermachtig, heer over leven en dood zijner onderdanen; en treft, zoo hij wil, ook n, den niet betrokken zwijgenden toeschouwer.

5. niSÖ) gehod des konings. — cb»»i nr, het hart des wijzen weet, dat er een tijd van rechtsoefening door den koning komt, en zal zich dus met geen aanslagen inlaten.

DEUTERON OMIÜM. EE

32

ocr page 357

n T n^np rhm 2b

Dnsn-nw DTi^n ♦nwifD nrn«quot;i na1? ^

att ^ttit v ■»• v: it st t v quot;i 'tt •quot;.• quot; t ' i

: D^ai niihis'n nsm

i- - ^ : • v » : * r jquot; :

n

ryi via Tan dik nDDn -ai DDnna 'd «

rgt; : tt j- t tt (f *quot; : .t «tt v jquot; v.quot; tt-»v ; •lt;

nnnn quot;io^ v:a =

♦3 vn quot;imn TDyn-bN rfn VJSD bnsrrVtf : ^

.)• at jt t ; ^ -! Iquot; - i •• quot; tt * lt;•• t • - r •.*:

--10^ ♦ai quot;n^Q-inTi^Kn : n'^» ran* quot;uyN-Va-1

1 r Ia:* I v v,v - : iv -: 1- iv ~-:\- | ^ - jv -: t

□atyoi n^i yi quot;)3i N1? HÏÏO nniiy : ntrvrrno ft *

t : • jquot; ; at -tt v,— ^ T : ' . ■Jquot; ••• • iquot; quot; v.

DINH □airoi B'» ran-^Db ^a :Dan a1?

v.ttit oquot; t i at : * -'•* v.quot; i v quot; t : j' it t Jquot; vquot;*

Ti^Dn'nnj^Ka^a n'n'ty-nD ^ la^N-'a : v1?^ nai'

j - v* v ï 1* ■quot;•• quot;v 'lt; Av;r v r.* •• i* it t ^t -

tiu^ rï^i rvnrrnK nna Dn« vu : i1?quot;

I : • I lt;•• : - t v -» ; • - t lt;• - t t I ■quot;• 1

-nK j;Bh nanbaa nn^Q r^i nión ova

V ^ - V.V r* - ; i : at t : • - ^ ; • Ir*; v t - -• :

-IB'N n'^D'ba^ 'aS-m rinn nr^a-n^ : vbya0

jv -: v ^:i- t : • • v i -» t^: • r lt;v t v it^- :

: i1? onxa onxn -ib'n jyotrn nnn nirvj

J',:. ^TT: ,tt,t 5quot;t. v quot; •.■•■quot; quot;q V :,quot;

la^n» iri-ip QipöïDi isiai onap ^kquot;i raav

.. - : i t i lt; ; * tt ••.!: t : * • t i •• :

6. Als 's menschen slechtheid te erg wordt, = oisn Sr, den mensch te zwaar belast, dan komt de tijd van het strafgericht, evenals de koning ten slotte zijn belagers stral't. V. s. wordt bij D-tsn hier in het bijzonder aan een despoot gedacht. Smeed maar geen aanslag tegen den vorst, al is hij een tyran; want wordt zijn slechtheid te groot, dan treft hem Gods strafgericht toch wel.

7. De zondaar kent immers de toekomst niet, weet niet wat, weet niet hoe het komen zal.

8. Niemand kan den wind tegenhouden, — nn, hier niet; levensgeest, — niemand.kan den dag des doods bevelen geven. — rn^c-'H, wer/zending, heizij tijdelijk verlof of geheel naar huis zenden, in den oorlog is er niet; alles wat ten strijde is getrokken, moet zich aan de oorlogskansen blindelings onderwerpen; en even onmogelijk is het aan Gods strafgericht te ontkomen, de slechtheid redt haren heer niet.

9. Dit is de slotsom mijner waarnemingen en redeneeringen, in een tijd, waarin ik zag mensch over mensch heersclien tot ongeluk voor dezen beheerschte, in een tijd van tyrannenheerschappij.

10—15. Onder zulke omstandigheden komt een ander vraagstuk op den voorgrond en wel de strijd tusschen het bewustzijn eener zedelijke wereldorde en Jiet lot van braven en slechten op aarde. Die vraag wordt in de volgende verzen besproken.

ocr page 358

DE PREDIKER VIII.

en vergeten worden in de stad mannen, die juist gehandeld heb-

11 ben; — ook dit is ijdelheid. Daar niet voltrokken wordt de rechtsuitspraak over het doen van het kwaad zoo spoedig, daarom wordt het hart der menschenkinderen vol in hen om kwaad te

12 doen. Daar immers de zondaar honderdmaal kwaad doet, en Hij hem langmoedigheid schenkt, -— want wél weet ik, dat het goed zal worden den Godvreezenden, die steeds voor Hem vreezen.

13 En goed zal niet zijn den booswicht en niet lang zullen zijn dagen

14 zijn, als de schaduw; daar hij niet vreest voor God. Er is een ijdelheid, die plaats vindt op de aarde : dat er namelijk rechtvaardigen zijn, wien overkomt naar de handelingen dei-boosdoeners, en dat er boosdoeners zijn, wien gebeurt naar de handelingen der rechtvaardigen ; — ik zeide, dat ook dit ijdel-

15beid is! En ik prees de vreugde, dat er niets beter is voor den mensch onder de zon, dan te eten en te drinken en blij te zijn en dat dit hem begeleide bij zijn moeite de dagen van

16 zijn leven, die God hem gegeven heeft onder de zou. Toen ik nu mijn hart eraan gaf om wijsheid te leeren kennen en te beschouwen het bezigzijn, dat plaats vindt op aarde, — want noch bij dag noch bij nacht krijgt men slaap met zijne oogen

17 te zien ; — Toen zag ik in omtrent al het werk Gods, dat de mensch niet vermag te vatten de gebeurtenissen, die plaats vinden onder de zon, daar immers de mensch alle moeite doet en toch het doel niet bereikt; en ook indien de wijze zich voorneemt het te leeren kennen, kan hij het niet vinden !

10. p31, en zoo, soms met bijbeteekenis van tijd: vervolgens, of: dan.— wal, v. s. en ondergegaan, als in rat'n n;, waar liet echter eigenlijk: ingaan, naar huis komen, beteekent. Beter daarom: en zij kwamen tot rust,gingen rustig het graf in (Jes. 57.2), beteekent dan ; in eere hegraven. De overgang van deelwoordenconstructie tot een hoofdtijd komt vaak voor.— ^31 voor IJOI onder den invloed van het scheidend toonteeken —

Met cnp Dipuisi begint de tegenstelling. — cnp Dipnsi, uit den tempel en zijne omgeving u-eg, «Sn', gaan met ztraren weemoedvollen gang, met moeite, slechts gedwongen de plaats verlatend, — de mannen, itr p ibs, die juist, goed gehandeld hellen; zij worden gedwongen heen te gaan, naar het buitenland, en worden spoedig vergeten in de heilige stad.

11. Toch is ook die schijnbare onbillijkheid ban, —• lang laat zich het Goddelijk strafgericht wachten, waardoor de mensch zich vrij acht om straffeloos kwaad te doen; lang kan het goed gaan, — maar ten slotte: er is een Goddelijke rechtvaardigheid, die alles in het goede spoor terugbrengt. — DJJis, lesluit, hier: vonnis en zijne uitvoering, is Semiechoeth (vgl. Esther 1,20); na rN n1061 deelwoord zijn, en Bins is dus hier,

misschien als uit een andere taal overgenomen bastaardwoord, vrouwelijk gebruikt. — msn ijs 2S sS», het hart der menschen wordt vol = zij vindén den moed ; vgl. Esther 7,5.

12. Mendelssohn: Al moge ook de zondaar.... lang leven, toch weet ik enz. Naar onze opvatting is het eerste deel van ons vers nadere uiteenzetting van het vorige; — nsis = di»ïb hn». — V? insni, v. s. en hij leeft er lang hij, aan te vullen dus a'0% waarbij echter i1? tamelijk onbegrijpelijk

33

ocr page 359

n nbnp nV:o b

: ban nroi quot;1^3 man^n ^

-•t ^;i- I iquot; v -; v it v.*.* - a t I •• jv -: t j : ' : ' :

ona DiNn-^a ab NSO ri-ty mno n^m n'^a Dans

k,quot; t jttit •• : squot; -tiquot; ^ rttquot; : ^t tit jquot; r t : •

■D: '311? 'nnKöi n«o jrquot;i nquot;^ «üh i^s4 ; xn ^

•lt; a | j*-: i- v.quot; : it jv ^ v jv -: it ^ ^ iquot;

iv^oiNTn^D'ri^n aits-n^ iirx

it t : • v ! r jquot; ~j * v;it Jquot; :•: v :r lt;v -; • t ^ -»••

vyn nt^K bïa D*D* TinK^N1?'! jTsh1? n^n^-N1? niüi ^

^quot;t jv •• 4v -: aquot; - {.'t i j--:r : t tit -«vrr :

amp; I IE'K p.tlt;nquot;^ n'^j ^abö ^

d^quot;| t') D^ann n^oa bn^K n^x D-pnv : San nraw ♦mÓN D*pnïn n'^yoa DH^N

v it vquot; -• • : - t ia- ^--- -•• i~ : v.quot;^ •* -« ~ quot;

trairn nnn d-in1? niü-pK ib'k nnairn-nK ♦nna^ii!-quot;

v v - - -j- t t it «I iquot; v -: t : • - v • -; *:«-•;

vn ^ ^ xirn nia'^bi nin^Si VdnV-dn ^

^ •)t- jquot; : t^:i- ^v; • ; - a ; • ; v. : * : ^ v:iv * •)•

♦aynK ♦nru : {yat^n nnn Dfl^xn lymri^K

• lt;-t v -:i- v it - ~ J'} V:,T J- ' ''T v quot;:

♦3 pKn-1?^ n'^: -ii^n r:yn-nK niNibi nasn n^nb

-*• i vat t quot; vt 51quot; jv ~! it: •jt v ;' : t : t ^ j't

■^ms4 quot;n^m : nsn i3rx vj^a nii^ nb^ai bi'a oa ^

^ t v • ^t : iv ;v •• ^v.t quot;: ^ qT quot; t : - - - lt;-

n'^an-nx Nivab onxn h6v KS '3 b^nbxn ntr^a

v j i-- V : • ^7quot;1quot;11quot; p'p . ' * v:IT quot;*quot; :r

typn1? Qixn Var iirx ^^3 a'atbn-nnn n^j ntrx

Kquot;quot; : ot t it s —.\- v_ -: ^ v ; v v - quot; ■JT :I~ JV quot;:

: Nvab ^dv xS n^n1? bann nax'-DX Dii xva* x1?!

i : • v.quot; j ~t t t iv lt;- • - ; at : • -» :

blijft; beter dus aan te vullen ies, en Hij, üüd, betoont Zich voor hem lanynwedig, straft hem niet aanstonds. — Dat is ervaring en dus niet te weerspreken, maar toch u-eet ik, dat het ten slotte den Godvreczende goed moet gaan, en den boosdoener op den duur niet goed kan gaan.

14. De ervaring is daarmede weliswaar vaak in tegenspraak, maar ook die is San, behoort tot de bedriegelijke schijn-verschijnselen des levens.— rijtt, vgl. Esther 9,26. — rrca'as, als het passende voor de daden der hooswichten.

15. HJlSs van m1?, begeleiden, volgen, aanhangen, gewoonlijk in later Hebreeuwsch in Pi'el en Hiph'iel.

16 en 17. Slot: denk dus over die vragen niet te veel, maar zie in al wat plaats vindt, Gods werk, waarin de mensch op aarde geen blik heeft. — dj 13 enz. is een tusschenzin en beteekent: de zoo groote bezigheid op aarde (want men (wx) gunt zich immers nooit den slaap).

17. nci/d s3 dn is eigenlijk voorwerp van sixn1? Disn sst n1?, maar met nadruk vooraan geplaatst en daarom als direct voorwerp van wnh genomen. — sï», vinden, bereiken, v. d. met den geest bereiken, hegrijpen, vatten. — ibs soa, vgl. het arameesche: —l h'-a, om reden dat. — mto dn dji, al neemt de wijze zich voor het te doorgronden, hij kan het niet. Wij» is dus hij, die naar weten streeft. ■

ocr page 360

DE PREDIKER IX.

IX.

1 Want al dit nam ik mij ter harte, ook om duidelijk te maken al het volgende: dat de rechtvaardigen en de wijzen en hunne daden in Gods hand zijn; noch liefde noch haat staat in's men-

2 schen erkennen, alles wordt hun voorgelegd. Alles is zoo, dat het allen kan overkomen; één lot treft den rechtvaardige en den booswicht, den goede en den reine zoowel als den onreine, den offerende zoowel als hem, die niet offert; de goede is

3 gelijk den zondaar, wie zweert gelijk wie den eed vreest. Dit is kwaad onder al wat geschiedt onder de zon, dat één lot allen treft; en ook het hart der menschenkinderen wordt vol van slechtheid, en dwaasheid is in hun hart bij hun leven, —

4 en wat na hem komt, is : bij de dooden. Maar — wie verbonden is met al de levenden, heeft reden tot vertrouwen ; want den levenden hond is het beter, dan den dooden leeuw.

5 Want de levenden weten, dat zij sterven zullen; en de dooden weten niets en zij hebben geen loon, want hun aandenken

6 wordt vergeten. Zoowel hun liefde, als hun haat, als hun naijver is lang reeds verloren gegaan; en een deel hebben zij niet meer

7 in eeuwigheid aan al wat geschiedt onder de zon. Ga, eet met vreugde uw brood en drink met vroolijk hart uw wijn, want

8 reeds lang heeft God goedgevonden uwe handelingen. Ten allen tijde laat uwe kleederen wit zijn en olie op uw hoofd

lIooi'dstuk IX. 1. Niet alleen dat de wijze de feiten niet kan doorgronden, zijn eigen handelingen zijn in Gods hand. —

van ns, ziften. — Iiaai' het arameesche jnair, handeling; vgl.

Job 34,25. V. a. hun dienaren ~ DiTlDiHi leerlingen. — Zelfs liefde en

haat, vaak van eersten indruk afhankelijk, zijn niet geheel in's menschen macht. — Dmsb San, alles is vóór hen, •osS, van ti.jd of van plaats te verklaren; de zin is in ieder geval: zijzelve beschikken niet, maar alles wordt in meerdere of mindere mate hun voorgelegd. Anderen: alles staat vóór hen, kan hen treffen; aan God te beslissen wat hun wel of niet overkomen zal.

2. Sommigen verklaren; allen zijn, alsof allen één lot hadden; anderen: alles, alle gebeurtenissen, zijn zoo, dat zij alle personen treffen kunnen. — racsn. Zweren staat ook Zech. 5,3 naast stelen. De zin is dus: valsch of lichtvaardig zweren, hier meer het laatste, zooals uit de tegenstelling blijkt.

3. Die schijnbare gelijkheid is een kwaad, want daardoor wordt de mensch slecht. — dticn Vs Tnnsi, en wat na hem komt, v. s. = irvnnsi, en zijn einde is: tot de dooden in te gaan, evenals de braven. Anderen vatten dit als de dwaasheid op, de onjuiste redeneering, nl. dat, hoe slecht ook, zijn einde evenals dat der braven zijn zal: de dood.

4. In de vertaling volgen wij de Kerie; de Kethieb irci wordt door Mendelssohn gevolgd en verklaard: want wie ook uitgekozen wordt, het hljft voor al de levenden een vertrouwbaar bewijs, dat enz. Naar onze vertaling is het een argument tegen terugtrekken uit het leven, wat uit de in de

34

ocr page 361

L2 nbnp rhyo nV

□

D^pnïn *\m nrbrnK ♦ab-Vx ♦nn: nr^-nx ^«

is- • - - v -: v t v J t : * • v • lt;- t v t v j-

nK:ty-D3 n3n«-D3 D^n^n yi Dmnyi D^nnm

t ; * quot; -■t -: i- - fgt;- ^ •:: it j- : v,v •■t^ii- .)• t -:r :

■inKmpDVi)1? —gt;^«3 ^Sn : nwish ^bn oixn jnv r^4 =

t v v|; • - -••.• -: i- - iv •• ; • ^ v. quot; ^ttit ^ i lt;••

na? 1:3^ ityK1?quot;) «ótabi iinr31?i pnv1?

quot; ftquot; jv •• -;r : - ; •• t - : -* t - : - ^ t tit : I «• —

■'iB'Kbba i nr: xn» Nüna 31133j

v -:p lt; ; t -quot;.• i-t rtr : v*-* quot;: i' t : ■ - •• i-

Dixn-^a ab oa^ bi1? mx nnpö*^ nnn

tt it iquot; : •»quot; -jquot; : a - ^.t v ^jvl; • r v v - - j- t ^;i-

: D'nön-bs4 vnnsi on^na DaaVa nibSini vrxbo

|.^.. - v ^T-.,- . v ••- ; t t : • *■*quot; 1 : quot; t

«in rintaa w D^nn-^s-bN iny ^

j - vlt;v : iquot; i at* ■*quot; v* quot; iquot; t •* quot; '•. ï •'•• ~:

□quot;nam D^ni» D«nn ^ : nan nnxn-fD

• •• - : a-..tv v. *• ■'• - i- s' iquot; - v,quot; : ~ it I •

Da: Dquot;IDT nau'i '2 onb iip-jw HDWD ayiv orn1

j- it : • : • ,»• tt v t i iquot; : t ; *-•• : i st ••

nnVrx pSni nnax 135 onsap'Da onKat^'Da Dnans4

jvt i iquot; i v •• ; tat t jt : v.t t : r - jt t : • - stt -:i-

VbNt -]S : t^o^n nnn n^^rn^x ïbn o'jiyb niy D^nSxn nin 122 *3 nr aiü-aVa nn^i ^ón1? nnDtra

v.- v: it jt t t : ■•• iav•• v. v ; | v ; - t : • ;

japi ïjnaa vn* ny^aa : ^'^a-nNn

vorige verzen neergelegde denkbeelden als liet beste zou kunnen worden afgeleid. Be hond, het zwervende straatdier, wordt gesteld tegenover den leemc, den koning der dieren. Deze heeft, als hij dood is, alles verloren; de hond, als hij maar leeft, is er dus beter aan toe, dan de leeuw zelfs, die dood is.

5. Leven is altijd beter dan dood zijn; wie gestorven is, heeft op aarde geen loon meer, daar hij met al zijn doen en laten al zeer spoedig vergeten is; en aan wat op aarde geschiedt, hebben zij nooit meer deel, zoolang hnn staat van dood-zijn duurt (dSiïS, evenals Tsn, in den zin van: zoolang alles zoo blijft, als het nu gedacht wordt).

6. Dnarw enz. De aanhangsels kunnen beteekenen: de van hen uitgegane liefde, haat, naijver; of: de hun hev-e~.en liefde enz.; hier komt mij 'het eerste waarschijnlijker voor. — Daarom komt hij weer op zijn vroeger resultaat terug: vroolijk genieten van het leven.

7. In ons vers zijn de drie elementen samengevoegd, die naar Kohéleth's meening ten slotte alles beheerschen: levensvreugde, nrmw, met arbeid. fgt;Bï», onder Gods bijstand. Anderen: indien althans God reeds welgevallen kan vinden aan mee daden.

8. D^37, wit, v. s. de raad om voor zindelijkheid en gezondheid te zorgen ; v. a. steeds het feestkleed aan te trekken; n. a. denken aan het kleed der Icvensreinheid en de olie der goede daden ; in overdrachtelijken zin dus.

ocr page 362

HE PREDIKER IX.

9 ontbreke niet. Geniet het leven met de vrouw, die gij bemint, al de dagen van uw ijdelheidsleven, die 'Hij u gegeven heeft onder de zon, al de dagen van uw ijdelheid, — want dit is uw deel aan het leven en aan uw moeite, die gij u

10 geeft onder de zon. Al wat uw hand vermag te doen met uwe kracht, doe het; want er is geen doen en rekenen en weten en wijsheid in het graf, waarheen gij gaande zijt. —

11 Wederom zag ik onder de zon, dat niet den lichtvoetigen de snelle loop ten deel valt, noch den helden de oorlog; evenmin den wijzen brood, ook niet den vernuftigen rijkdom, noch den met weten begaafden gunst; want tijd en onheilstreffen over-

12 komt hen allen. Want ook weet de mensch zijn tijd niet; gelijk de visschen, die vastgehouden worden in een kwaad vangnet, en als de vogels, die gegrepen zijn in den strik; als zij, worden de menschenkinderen verstrikt ten tijde van on-

13 heil, als dit plotseling hen overvalt. Ook dit heb ik als wijsheid gezien onder de zon, en als iets groots is het voor mij.

14 Eene kleine stad, en mannen daarin weinig; nu kwam daartegen een groot koning en omsingelde haar en bouwde tegen

15 haar groote belegeringswerktuigen. Doch hij vond daarin een armen, wijzen man, en deze redde de stad door zijne wijsheid;

16 maar geen mensch dacht aan dien armen man. Toen zeide ik : beter wijsheid, dan heldensterkte; maar de wijsheid des armen is versmaad en zijne woorden worden niet aangehoord.

17 Woorden van wijzen, in kalmte vernomen, gaan boven ge-

18 schrei van een heerscher onder de dwazen. Beter wijsheid, dan oorlogstuig; en een zondaar richt veel goeds te gronde.

9. Ook het huwelijk is hier v. s. als een der \e\ensgenietingen aangewezen; v. a. zegt de schrijver; zoek en geniet een rein echtelijk leven met eene vrouw, die gij bemint; — geen verbod van huwelijk eenerzijds, geen geslachtelijke uitspatting anderzijds.

10. Doch ga nu niet geheel in genieten op, maar doe wat gij naar uwe krachten bereiken kunt. ■— iros behoort bij den voorzin ; bij noï gevoegd, zou men -[ro Sd: verwachten, evenals Gen. 31,6. — hisn, in hel doodenrijk, het graf. — waarheen f/ij gaande zijt, waarheen gij op weg zijt.

11. Het met loopen bereiken van het doel hangt niet alleen at' van snelvoetigheid, het succes in den oorlog niet van heldenmoed, enz., zoo ook brood, rijkdom, gunst (= aanzien en invloed), allen in de macht Gods, zijn niet noodzakelijk gevolg van eigenschappen van geest en lichaam. Alles hangt van omstandigheden en voorvallen af, die buiten's menschen beschikking liggen. — Dn'T1-', den met rin begaafden.

12. QJ behoort bij inr n.\*, zelfs zijn tijd, eig. den hem op aarde toegewezen tijd, en zoo: den tijd van zijn heengaan. — DTpv, deelwoord van den Poe'al = D^j^D; of v- a- van den Hoph'al = Q'B'piQ.

13. ni. dit, het volgende heb ik ook als wijsheid leeren kennen en de daarin aan den dag tredende wijsheid geldt mij als zeer groot.

14.' JtSn JC31 = rTgt;Sr, een vijandige tocht.

35

ocr page 363

□ rbnp) rh:t2 nb

«n W'bs ranx-iB'K n^K-Dir D^n nsn : -iDn'-^c

- ... t t . _ t v -i -*t * * • - •• : it ;

Kin *3 w Vis t^Dtbn nnn hhin: nlon

plt; - iav: v ...; , v v - -- I: I -it .'•■• |v : v

73 : tyoirn nnn 70^ nn^'it^K D^na ?Tp-?n1

i ..-it quot; (,..*t jt - v quot;! h-t*5-!!quot; -quot;i- |h ^ v

|i3f ni n^Q pN »3 n^ ^nbs ni^:|7 «ïpn nNii »n3ïr : nsa' nVn nnw Sik^ nb3m n^ni ^

^ t : • : - t it ]jquot; r^t quot; q : t : t : ^ j-;

nón'pan Dni3^ pnan D^p.1? ah '3 tynrn-nnn «b Djii b^'331? Nb dji. bn1-? D^Dsnb n1? n:T ■n« onxn m ^3 : Db3-nN nnp^ ym ny-*2 rn ^

t t it quot;•• ^ i - • it \ v jv| ; • t oquot; * laquot;

na3 nirnxn onsvsi ni?quot;i nnxo3 bnnNS^ b^n3 in^

at- •▼;•-; t .t : • •tv:ivv ^ * t - ^

: DKnö on^ bisntJO n^i n^b onxn ^3 D^pv Dn3

1 : • v.-* ^ • v ; *t t ^quot;■: ttit •*quot; ; • It 1 •• t

nti nbi-iii tratyn nnn nö3n wi nroa ^

it •• v* : rv'st quot; 'j' ^ : t ' ■gt;' r •». _ t

nnw 23D1 7113 ^70 HS DWKÏ TOüp

^ t ^ j- t : t |vlt;v t V quot; it nt \ ^t )' t -:|- t quot; h

D3n ?3dü na nvdi : D^ina onixo n23i»

tt i •• ; • lt;* t tjr i* ; y ; t t t

^'Nn-nN nir Nb DINI Inö3n3 n^n-nx Nin-DVDi

y t V - t J t t : A t ; t ; t v ^ - •

no3n,i nni320 nD3n n3iü 'niDKi : Kinn ?3Dan«

; t : at ; • ^t : t jt • t • ;•*- t : 1 - kquot; : * quot;

nni3 D»b3n nsn : dvn msm nnT3 boan ^

quot;vquot; : * t -: j- ; • n• t : • jt •• v,tt : t ; i •• : • -

3np ^30 na3n n3,)t: : D^D33 bt^io npytö D^otyj^

ati; jquot; ; • vt : t jt r * ; - ^ r : *

: n3in n3iü -i3K* nnK «mm

iquot; : - jt v.quot; quot; : t v -»v :

15. N3£01. v. 8. = er hevond zich; v. a. AiJ, de machtige vijandelijke

koning, vond een armen wijze, aan wien hij //zijn man gevonden hadquot;, die dooi* zijn wijzen raad de stedelingen tot tegenweer wist aan te moedigen en ten slotte den aanval te doen afslaan. — De schrijver doelt misschien op een historisch feit, zooals de geschiedenis van alle landen en tijden ze oplevert, — van een redder van den staat, wiens verdiensten spoedig vergeten zijn. — Hij zag dus den grooten invloed van wijsheid, maar tegelijk, hoe wijsheid der armen wordt versmaad. Hieraan knoopt hij nu een aantal spreuken.

17. D^'CU'J jinj3. die in kalmte vernomen worden, zich laten hooren; de wijze treedt niet met veel geschreeuw op den voorgrond; kalm en bedaard geeft hij zijn raad; maar zijn zoo vernomen woorden zijn nprra beter, dan het geschreeuw van een heerscher, die dwaas is onder dwazen.—• Anderen verklaren D'ïnw als gezegde van het eerste versdeel; icoorden run u-ijzen in kalmte, moesten gehoord worden meer, dan enz.

18. De les uit het boven vermelde feit; wijsheid helpt meer dan oorlogstuig, wapenen en belegeringswerken; doch een zondaar kan door

ocr page 364

DE PREDIKER X.

X.

1 Doodsvliegen maken stinkend, doen gisten olie van den specerijmenger; zwaarder dan wijsheid, dan eer weegt een

2 weinig dwaasheid. Het hart des wijzen is naar zijn rechter-

3 hand, en het hart des dwazen naar zijn linker. En ook op den weg, als een dwaas gaat, ontbreekt zijn hart; en hij zegt

4 tot allen, dat hij een dwaas is. Als de toorn des heersehers tegen u opstijgt, verlaat toch uw plaats niet; want toegeven

5 brengt tot rust [den toorn over] groote zonden. Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als eene dwaling, die

6 uitgaat van voor den machthebber. Geplaatst wordt de dwaasheid soms op groote hoogten en rijken moeten in laagte zitten.

7 Ik zag slaven op paarden ; en vorsten, gaande als slaven op

8 den grond. Wie een kuil graaft, kan erin vallen; wie een

9 heining afbreekt, hem kan een slang bijten. Wie steenen uitbreekt, kan er zich pijn aan doen; wie hout klieft, kan daar-

10 door gevaar loopen. Als stomp geworden is het ijzer en hij heeft niet de voorzijde gescherpt, dan moet hij steeds weer de krachten versterken ; maar voordeeliger dan gereedmaken is

verraad of laster veel goeds bederven; v. a. een zonde in den wijze stelt veel door hem den staat bewezen weldaden in de schaduw.

Hoofdstuk X. 1doodsvliegen, v. s.doodelijhe, vergiftige vliegen; v. a. do o de vliegen; v. a. lijk-vliegen, die bij lijken vaak voorkomen en zich van aas voeden. — pai, doen borrelen, kooken, gisten; — het enkelvoudig werkwoord bij een meervoud als verzamelnaam, vgl. Gen. 49,22; Jos. 1,20 e. a. p. Een zondaar kan veel goeds bederven, — immers doodsvliegen bederven zells de fijnste zalfolie; het tweede versdeel is dan toepassing van dit beeld: een enkel vliegje bederft een geheel mengsel olie, — een beetje dwaasheid is ip', iceegl zwaarder, heeft zooveel nadeeligen invloed, dat het tegen alle wijsheid en eer opweegt. Wijsheid schenkt haren bezitter leven — dwaasheid is een doodbrengende vlieg. Mendelssohn: evenals doode vliegen zalfolie doen gisten, zoo bederft een weinig dwaasheid den naam van hem, die door wijsheid en eer voortreffelijk is. Anderen laten het eerste versdeel bij het vorige aansluiten, en plaatsen het slot van ons vers geheel op zichzelf; kostbaarder dan wijsheid, dan eer is een weinig dwaasheid in de oogen der mer.schen. — De grondbeteekenis van ip' is, zooals reeds Rasiiie opmerkt, zeker: zwaar, gewichtig zijn. De zin is naar onze vertaling dus: evenals een enkele vlieg een mengsel zalfolie bederft, zoodat de menger er niets meer aan heeft, zoo kan een weinig dwaasheid een overigens wijs en geëerd man al zijn invloed doen verliezen; een nadere uitwerking dus van het in het slot van hoofdstuk 9 volgens sommigen uitgesproken denkbeeld.

2. iro'S. naar rechts gericht, naar wat voor den mensch is aangewezen, roeping en plicht.

3. En op eiken levensweg, waarop de dwaas gaat icn uS, is hij iemand, die aS non is, wien goede geest ontbreekt, en hij vertelt, als het ware, ieder, die hem tegemoet komt, dat hij een dwaas is.

36

ocr page 365

♦ nVnp nViö ♦ iV ♦

HM» nüsno lp' npn tok' yy wilt;y niö ♦ma?«

v t • jt : t iquot; mtt -jaquot; i^v-»v - y : m vt •• j ;

: ibKO'^b ^03 3^1 D3n 3'? : nyn mVso 3

i ; • v,* : v : • r t t lt;•• * ^ : *

: Kin ^30 Vb1? iömi quot;ion 13^ nVn 'nfcii3-Di,ij

1 vt t v - j- r : ftquot; t ^ kquot; -»t v : ) •.•.)•••■ quot; :

irr köno »3 nan-^n löipo ^ian hitdk ^

quot; v*quot; •• ;-■*• is- - ^ : 11 ; i quot; t m ■'•■• -: 1- •• - - lt;

nï'E'nb^ iro^n nnn ti^ki njgt;quot;i w : o^n-i dwi*

v tt: • vat - -j- * t yr t r ; r r -:

on^jn D*3quot;I D,Dna3 ^on rnj: »3a^D1

vjquot; quot; ^ • ^;i~ a■ - : - v v - !■•- • r - - jquot; ; • •

■Vy Dn3^3 D^Vn ontri D^DID-1?^ Dn3p : 13^'»

v t : |- v ; 1 •)quot; t : is' - t • j' t iquot; ••

V^DÖ : i^nn !)33ly, quot;na pfii Vö» 13 vm lön : rixnquot;

j' - itt jv ; * i a* j i ^t r* i vit t ü

nnp-DN : D3 pD' ^pi3 an3 3^' 0^3^'

jtiquot; • it i V jt ' ^ (NV t ^vquot;^! • t quot;j

TBbn rnnn 13^ D^Vni ^pVp o^-ab Kini i?h3n

vquot; ; - i j 1 ': Aquot; -; t -:i- i -; i • -»* t i ; v ; - -

4. Verstandige houding van den onderdaan tegenover den heerscher. Onze vertaling volgt Mendelssohn en grootendeels Ibn 'Ezha's tweede verklaring. Anderen : indien de geest des heerschers over u komt, verlaat uw plaats niet, maar blijf bescheiden; rrn in den zin van: toorn komt echter meermalen voor; ook rhs wordt bij toorn gebruikt, — nsio id, want gelatenheid (vgl. Spr. 12,18) laat na, voorkomt groote zonden, of: brengt tot rust, verzoent groote zonden. Naar de boven gegeven verklaring, dat ons vers een waarschuwing tegen eerzucht bevat, vertale men: v-ant wie haar loslaat, wie niet naar heerschappij streeft, laat groote zonden na.

5. Wel is er soms aanleiding tot ontevredenheid met het staatsbestuur ; het is soms, als vergiste zich de heerscher telkens. — = n.sxvr.

e. anT^- mannen van hoogen stand, rijken hier = edelen (vgl. Jes. 32,5); mannen, die door hun rijkdom een opleiding konden verwervep, die hen tot de hoogste ambten geschikt maakt.

7- pN-n hv = te voet, tegenstelling van D'DiD Sj.

8. Sommigen zoeken het verband met het voorafgaande, doordien zij in de volgende verzen de bedreiging zien, dat ieder, die gevaar of nadeel wil brengen, zelve gevaar loopt, dus ook de heerscher geworden slaaf, die de kans loopt zelve weer op zijn beurt in de laagte teruggedrongen te worden. Anderen laten hier een nieuwe spreukengroep beginnen, met de gedachte: elke gewichtige onderneming bergt gevaren en de wijze is zich daarvan wél bewust en rekent er dus van te voren op. — n:, een heining, vaak een steenen muur tot begrenzing van tuinen of boomgaarden. In muurspleten nestelen vaak slangen.

9. pD', loopt gevaar, samenhangend met het later-Hebr. n«D, gevaar', v. a. met pD' mes, snij werktuig, — verwondt zich.

10. Wel moeten toebereidselen gemaakt en alles in gereedheid gebracht worden; is het werktuig stomp, dan wordt veel grooter inspanning voor

ocr page 366

DE PREDIKER X, XI.

11 wijsheid. — Als echter de slang gebeten heeft zonder bezwering,

12 dan heeft de man der tong geen nut. — Woorden uit den mond des wijzen zijn gunstvindend ; doch de lippen des dwazen ver-

13 slinden hem. Het begin van de woorden zijns monds is dwaas-

14 heid en het einde van zijn mond kwade razernij. En de dwaas gebruikt veel woorden, terwijl de mensch toch niet weet wat zijn zal; en wat na hem zijn zal, wie zal het hem mededeelen?

15 De moeite der dwazen vermoeit hem, die niet weet naar de

16 stad te gaan. Wee u, o land! welks koning een jongeling is, en welks vorsten met den vroegen morgen reeds maaltijd hou-

17 den ! Heil u, o land! welks koning een zoon van vrijen is, en welks vorsten te rechter tijd maaltijd houden, met mannen-

18 kracht, maar niet met drinkgeslemp ! Door luiheid zinkt ineen de zoldering en door het laten zakken der handen wordt het

19 huis lek. Tot verlustiging bereidt men een maaltijd en wijn vroolijkt het leven op ; en het geld stelt alles ter beschikking. —

20 Doch ook in uw gedachte moogt gij den koning niet vloeken en in uw slaapvertrek vloek den rijke niet; want de vogel des hemels draagt de stem voort en het gevleugelde dier deelt het woord mede. —

XI.

1 Zend henen uw brood over de oppervlakte van het water ;

2 want na veelheid van dagen zult gij het vinden. Geef echter deel aan zeven, zelfs aan acht; want gij weet niet, wat voor kwaad

het werk gcëischt; maar beter dan vele toebereidselen is wijsheid. — van SSp, polijsten, slijpen. Wij geven uit de talloos vele verklaringen hier slechts de eene, die ons het minst gewrongen schijnt.

11. Als de slang gebeten heeft, voordat de bezweerder tijd heeft gevonden zijne formule uit te spreken, dan heeft de bezwering geen zin meer. De wijsheid dus helpt toch alleen, als zij van de haar ten dienste staande middelen tijdig gebruik maakt. — Sr: is de bezweerder, die op zijn tong de resultaten zijner wijsheid draagt.

12. jn, liefelijkheid — aangenaam.

14. De dwaas stelt zich aan, als wist hij alles, terwijl toch de mensch niet weet enz.

15. De alles wetende geeft zich veel moeite om zijn alwetendheid te bewijzen ; dwaas die hij is, daar het ten slotte blijkt, dat hij niet eens den weg naar de stad weet te vinden!

16. een nog niet voldoende ervaren Jonge man, v. s. jonge slaaf, wat echter als tegenstelling van D'nin p niet noodig is, daar dit wel eigenlijk; zoon van blanken, d. i. voornamen beleekent, maar hier meer in zedelijken zin gebruikt kan zijn : iemand, die zijn doen en laten zelve heheerscht.

17. DJ/p, «p den voor maaltijd houden bestemden tijd. — mi2Jr, Mendelssohn: tol instandhouding van kracht = htcjS ; anderen; met man-

37

ocr page 367

tr ♦ nbnp nVao 6

m B'nan ^quot;0« ^nopn^

-nm nbnn : i3^nn VD2 ninsiri rn ddh-^ nm

..: . j- • : nv: - ; v.' ï 1 'Aquot; ».T T * Jquot; : '

nzy VDDHI : nri mbbin in'é nnnxi m^DD in^a ^

jv t - : it r v.quot; • -•-ir ; a : *

'ü vnnKD n^n» quot;1^1 n*n»irno dikh ana-»

t-:i-iquot; v ; r «v -:i- v;rv - ttit ^ lt;— i ^ a-t :

: TirbN4 vn,-NL' D^osn : ib w*

n* v v jv t ^ v.-t i jv -: •av:- ; v • : - -:. •. Jquot;

n^nF« : ^3Nn|533 TjaVsB' px

: wa K^I miaja n^a Vin^quot;1 onin-ra Tp^stf

^ r ; - j ; • quot; ^quot;t | • -t ; a* i v Kquot; ; - v

pin^ : n^n ej^T nnpsn •ja' d^v^3 ^

D2 : VsrrnN n:^. t]p3ni o^n on1? 3

y0T bbpn-Vx nnnm nnnT^D^afi Vipn-ni* b^n c]i^ '3

-rn : i3KXon a^D^n o^sn nünb nVirx

i v iv t : • v't- J : I' at - -••• : v.1 : : quot; gt;* quot; 2

nvn n»n»-no inn n1? ^ pVn

\t t jv : i* . * - .. j •lt; at : • •'quot; : quot;cr : ■ : i vjquot;

nenhracht, als flinke mannen, maar niet als drinkebroers. De maaltijd ontaardt niet in onmatig drinken.

18. DTI^Sy* De tweevondvorm tot versterking: luiheid. — -p,Niph'al van 13?:. — ^t, gaat druppelen, wordt het huis lek, zoodat de regen doorsijpelt. Zoo ook het huis van staat, als de huisheer, de vorst, zijn plicht verzaakt.

19. Maar er zijn ook vorsten, die eenvoudig prro1?, voor pleizier steeds maaltijden houden, met wijn alleen denken hun leven op te vroolijken; het zijn die vorsten, die vs. 16 zijn geschetst. — rws doen antwoorden, (verschaffen); geld maakt, dat alles aan hun wensclien beantwoordt; anderen ; yeld verhoort alle icenschen.

20. quot;Jjnoa, in het eigen gedachtenleven, dat men voor zich alleen leeft.

Hoofdstuk XI. 1. Twee opvattingen staan hier vooral tegenover elkander: de eene meent, dat hier geraden wordt bij het oefenen van weldadujheid niet te scrupuleus te zijn; de andere: bij den handel flink te wagen en niet te angstvallig te zijn. Wij volgen hier de laatste opvatting. De zin is dan : Zend vrij uw koopwaar — speciaal misschien graan, als aan een koren-uitvoerhaven gedacht is — over verre zeeën ; want na zekeren lijd, al duurt het lang, hereikt t/ij het brood, de winst van uwe onderneming. Vs. 2 waarschuwt dan om toch niet alles op één kaart te zetten, maar bij zijn handelsondernemingen zijn vermogen over verschillende schepen ie verdoelen, opdat niet door den ondergang van één schip het geheele vermogen verloren ga.

ocr page 368

DE PREDIKER XI, XII.

3 geschieden zal op de aarde. Als zich vullen de wolken met regen, ontlasten zij dien op de aarde; en hetzij een boom valt in het zuiden of in het noorden, — ter plaatse waar de

4 boom valt, daar zal hij blijven liggen. Wie op den wind let, zal niet zaaien ; wie naar de wolken kijkt, zal niet oogsten.

5 Gelijk gij niet weet, welke de weg is van den wind; gelijk het gebeente in den schoot der zwangere; zoo weet gij niet het

6 werk Gods, Die alles doet. In den morgen zaai u\V zaad en tegen den avond laat uw hand er niet van af; want gij weet niet, welk gelukken zal, het eene of het andere, of wel of mis-

7 seinen beiden tezamen goed zijn. En zoet is het licht en goed

8 is het voor de oogen de zon te zien. Want als vele jaren de mensch leeft, verheuge hij zich in hen allen en gedenke de dagen der duisternis, — want veel zullen zij zijn, ■— al wat

9 komt, is ijdelheid. Verheug u, jongeling! in uw jeugd en laat uw hart u vergenoegd doen zijn in de dagen van uw jonkheid en leid uw leven in de wegen uws harten en in het zien van uw oogen ; maar weet wel, dat voor dit alles God u in het

10 gericht zal brengen. En verwijder ergernis uit uw hart en houd af onheil van uw vleesch; want jeugd en onvergrijsde zwartheid is ijdel.

XII.

1 En gedenk uwen Schepper in de dagen uwer jonkheid, zoolang nog niet gekomen zijn de dagen van het kwaad en jaren aangebroken zijn, waarvan gij zeggen zult: ik heb aan hen geen wel-

3. De mensch weet niet wat voor onheil komen zal. want alles volgt vaste wetten, die nóch binnen het bereik van den wil, nóch zelfs binnen het weten van den mensch liggen. — sin1', van mn, HIIT verkort tot •in1.

evenals JIVV tot VP! l'icr verlengd geschreven met achtervoegen van's,

evenals Jes. 28,12 Jos- 10.24 NOSn.

4. Maar niettemin moet men zich niet te zeer laten beangstigen door wat komen kan, want daardoor wordt alle energie verlamd. JVie te veel /et op den wind en de schade, die deze bij het zaaien kan veroorzaken, komt nooit tot zaaien; wie in den oogsttijd in voortdurende vrees naar de wolken kijkt, of niet regen dreigt, vindt nooit den moed tot maaien en zijn koren 'bederft hem op het veld.

5. ' De toekomst blijft toch onberekenbaar en ligt uitsluitend in Gods hand; gij kent haar evenmin als gij weet, welke richting de wind straks hebben zal, welke vrucht de zwangere vrouw in haren schoot draagt.

6. Werk daarom vlijtig, zoolang het tijd is, 's ochtends vroeg, ipsa, beginnend en het tot het vallen van den avond, 2-un, — niet aiïa, daar na het vallen van den nacht geen tijd voor veldarbeid meer is. — voortzettend. — it ran vel. Jos. 10.6, ■pgt; rp'n 'w in denzelfden zin. Alles ligt immers in Gods hand; gij weet niet, weifee arbeid het meest vruchtdragend zal zijn.

7. 'En dan al arbeidende, genieten van het aardsche leven, hier als licht aangeduid. Mendelssohn : en dan, na den arbeid, is het goed in rust

38

ocr page 369

y tr nbnp rhm rh

quot;DKi ipn» p«n-^ 'nm D^n WVÖ'-DK : riNn-Vjrj

• : i 'tl V-»tt - V V «•'t IV : it* * i vit t

: Kin» nv bia4^ DipD riö^a dni ditd rv ^quot;iö'

i : ^ jt i t J • v i.) ; i a t - ■*• i ^ t ~ i •)*• J '

quot;nyx ib'XS : Tttp» ab d^3 hnti jnr Kb nn

iquot; v -li- i I: * j v.' tiv jv : _at: • ^ v n

j^nn NV nDi) nxbsn |Ü23 vmys min -iirna ynv

^ - •• lt; tt at quot; ; quot; i V JV ; v.' t l iquot; - t i V-»V - ••

jnr nj^aa : Varrrx n^;. ik'k D^nVxn n^D-nK^ V?' Hï q,3 ^jX nan-bK an^i ^nr-nx

aiüi ni^n pinai : D'aiü nnxa on^B'-DNi niquot;ix nrn»

j : a t I v. t i* vr v ; jv quot;: * : v -»•.*-:

n'n» nann d^^dk »3 : trotrn-nx niKiV n

jv; i* .)•• ;quot; j' t ^ •*• v^it - v -» : • \- quot;i-

-quot;73 vn» nann-^a Ti^nn 'D^nx nan nofc» D^as onxn

t v, : »* r* ; - r )v - ■quot;' : v :• : at ; • -«t ••. ; ^ttit

^♦3 n3i? na^n nrmnVa mn3 naty : Vsn K3tro

Jquot; ' i : • lt;1 : r • l^v : - : j t s' : ^ v ,t jt v

•ïTby *3 jrni ^noai ^a1? ^anna ^ni ^nimna najrm nabo b^a nom :ü3iyDa DflV^n n^a1 n^K'

i- ; I v • • ~ - jquot; t ; it ; • - v* v; it j] -: r : v )••

: Van nnni^ni nnV^n-'a ?ni?30 n^quot;i

v it ^ -: i- - ; j : - ~ r |avt : * t

3»

w Wa,_«V ntrx n^ n,nim3 wz n^n^-nx nan«

jquot; : t i lt;v -: j-»- i av r.. : . ^quot; * i v ; ^_ ••• :

: ran ona 'Vtk nÓNn niy^i i^^ni n^n

i V iquot; ^V t J* j iquot; - -»v -: * t ■jquot; • : t tit

van het licht te genieten; dan staat echter het voornaamste niet.

8. Want Gods wil is het, dat de raensch zijn leven geniete, gedachtig, dat, hoe lang het ook duurt, de dagen van duisternis = dood, nog langer zijn. — Sn xaü Ss, al wat komt, is ijdelheid, d. w. z.. doch het te veel denken over de toekomst en zich daardoor het heden verbitteren, is ijdelheid. Anderen : geniet uw leven, maar denk aan de dagen van duisternis, waardoor uw genieten niet in zwelgen ontaardt, — want dan, in de dagen van duisternis en rainspoed, zal al vat hem vroeger goeds is overkomen, in zijn oogen ijdelheid zijn en vergeten worden. — In ieder geval is de schrijver hier weer op zijn vast thema teruggekomen; arbeiden en genieten, en werkt die gedachte nu 11,9—12,7 in den breede uit.

9- -pry \snö3i -pS ■ona. icegen des harten, waartoe het hart drijft, en naar wat de oogen zien; om u echter door uw hartstocht en zinnen niet te laten verleiden tot zedeloosheid (vgl. ïfum. 15,39), wees u steeds beuiist, 11, dat God rekenschap van u zal vragen.

10. nnnt?ni, het zxoart zijn van het hoofdhaar - - de lijd van den krachtigen mannelijken leeftijd; v. a. het morgenrood. — San, is ijdel, vergankelijk.

Hoofdstuk XII. 1. njnn ,D,gt; de dagen van zwakheid in den ouderdom.

ocr page 370

DE PREDIKER XII.

2 gevallen ! Voordat de zon duister wordt en het licht en de maan en de sterren; en de wolken weder komen na den

3 regen. Op den dag, dat sidderen de wachters van het huis en zich krommen de wakkere mannen; en ledig zitten de molenaarsters, daar zij zoo weinig zijn geworden, en verduisterd

4 worden de kijkenden door de luikvensters. En gesloten zijn de deuren naar de straat, als laag van toon geworden is de molen ; en men opstaat uit den slaap op het geluid van een vogeltje en het kopje moeten buigen alle dochteren des ge-

5 zangs. Ook gaan zij vreezen voor wat hoog is en allerlei verschrikkingen op den weg; en in bloei staat de amandelboom en de sprinkhaan sleept zich voort en de kapper hare werking niet meer doet; wanneer de mensch gaat naar het huis zijner

6 eeuwigheid en rondzwerven op de straat de weeklagers. Voordat krom getrokken wordt de zilveren streng en verpletterd de gouden schaal en gebroken wordt de kruik aan den welput

2. Voordat de laatste levenspenode, die van het graf tegemoet wankelenden ouderdom komt. Het beeld is ontleend aan den regentijd in Palaestina. Alles bewolkt en duister, en nauwelijks heeft de eene regenvlaag opgehouden, of de wolken pakken zich weer samen. Zoo de rampen en gebreken van den ouderdom. — Anderen laten reeds hier de allegorische beelden beginnen, waarin het langzaam afsterven van het lichaam wordt beschreven. De zin is dan : voordat de oogen verduisteren, zoodat zij het hemellicht niet meer zien, en er volken komen voor de oogen na den tranen-regen, door het lijden opgewekt. Nog anderen : voordat de zon, de geest, en de maan, de ziel, en Je vijf sterren, de zintuigen., verduisterd worden en zoo telkens na regenvlagen van lijden opnieuw de wolken, nieuwe gebreken zich vertoonen.

3. Onder jvn is het lichanm, het huis der ziel te verstaan.— jvan quot;'loc zijn v. s. de armen en handen, die werkzaam zijn om al het voor het voortbestaan van het huis noodige te verrichten; deze irir1, sidderen, hebben vastheid en kracht verloren, kunnen niets meer vasthouden noch afweren. — Sinn 'fis, de krachtige mannen duiden de heenen aan; vgl. Ps. 147,10, waar r\sn ipw, de schenkels als beeld van mannenkracht gebruikt worden. Hoogl. 5,15 worden deze; marmerzuilen genoemd in de jongelingsjaren ; in den ouderdom staan zij niet meer onwrikbaar recht, maar inirrin, hebben zij zich gekromd. — nunnn, de malenden, kiezen en tanden; hel beeld is ontleend aan meisjes, die in den handmolen de spijze bij de bereiding voor dadelijk gebruik lijn malen (vgl. Num. 11,8). — iSoa, zijn werkeloos, arbeiden niet; icr» o, niet echter omdat zij niets te malen hebben, maar omdat zij zoo weinig in aantal zijn geworden, dat zij niet meer kunnen. — maisa msm, de pupillen der oogen, die door de oogleden en wimpers als door kijkvensters uitzien. — na\s is een met houten netwerk afgesloten kijkvenster.

4. DVlSin» v- s- ('e organen, die de verteerde spijzen afvoeren; v. a. de mond. — Sscs, als laag wordt, runan Sip, het geluid van den molen, v. s. de maag, v. a. de tanden. In de laatst vermelde opvatting is de zin deze; de mond, eig. de kaken worden gesloten, (vgl. Job 41,6, waar de kinnebakken van den Leviathan tos viSt heeten) omdat de tanden, die de lippen eenigszins doen opbollen, zijn uitgevallen. — romsn Sip Sbcq ver-

39

ocr page 371

y nbnp nV:ü dV

13^1 D^Düni nTm iiNm quot;i^nn-K1? IBW nv =

jt : a t •. - : - v.quot;t- : ^ ^ t : v v - )lt;-:•.• i v -: *■

im^nm n^n notr DI»3 : o^n im D^rn ^

v. • : •• : - quot; Jquot;: i ^ \r v ^ - vit- j- - r^riv

.'nianNaniNnniDiymiü^ö^nijnisn itoi Vnn ^jx

• -.-jit it ^ : it ; ^. • j- -: | - lt; ; it at v ; -

H3ïn Dip^i mntsn bip Vejtya pié'a b'n^i iisdi ^

. * - lj: i^t ; at-: i- - i ^ v.- : • i - • - t : «: ••.:

•nTia Dwnni IN-I^ n'aao D5 : t^n nur^a in^i ^

, i ••■•• ■ - - : - : t • - 'r ■ -- . i- - ^ : t i- •:

anxn nji^Nn ism ainn npt^n rwi

^ ^ttit hquot; r at • -:it vquot; t : t t iv -•••-;•: i-t - | lt;quot;t:

pn^-N? quot;ii^n : onaiDn rnvn 12201 idSw ^

i •• tiquot; «v -: i:i-l v quot; ; it : t ^1

pil na wni nntn nba pni e]p2n 'jan

klaren n. a. daar dof klinkt het geluid van het malen; nadat de tanden zijn verdwenen, geeft het kouwen op de enkele kakebeenen een dof geluld; het eten wordt slechts een mummelen en zuigen, geen kauwen en kraken meer. De oude man wordt licht van slaap en scnrikachtig; hij staat op uit den slaap, of: uit zijn rustig zitten, op het geluid van een vogeltje. — quot;iitfn niJ2 So incii. Wij verklaren; en alle zingende vogels moeten treurig hun kopjes huigen, mogen niet zingen, want zij zonden den ouden zenuwachti-gen man verschrikken. Anderen ; het geluid van de keel, waaruit eens gezangen klonken, en de andere spraak- en geluidsorganen wordt gedempt, dof.

5. Hier is de constructie met —c dyo uit vs. 3 uit het oog verloren. Hij is bang om op weg te gaan, elke nog zoo geringe verhevenheid op den weg doet hem terugschrikken, want zijn krachten zijn niet meer toereikend om zelfs kleine moeilijkheden te overwinnen. — ipcn vnjo, en de amandelboom staat in bloei, de haren worden wit, liet hoofd ziet eruit als een met witte bloesems bedekte amandelboom. De amandelbloesem eerst licht rose, wordt kort voor het afvallen helder wit Ibn 'Ezra: en hij veracht den amandel, — verachten. Nog anderen: hij

verschrikt, als ook maar de amandelboom bloeit, d. w. z. een bloempje afwerpt. — 2;nn Suw, en de sprinkhaan sleept zich voort, het levendige dier is krachteloos geworden en huppelt niet meer, maar komt slechts met

moeite verder; beeld voor het verlies van de veerkracht der heupen. _

Sanon, — van Sao, dragen, sleepen, — zich sleepen. Ibn 'Ezra: en tot last irordt hem zelfs een sprinkhaan, een zoo licht diertje ; anderen : en tot last versmaad wordt de anders als lekkernij beschouwde sprinkhaan; nog anderen: en tot last wordt het voorbijvliegen van een sprinkhaan, dan nog aansluitend bij het begin van ons vers. — ruvosn ism, en de kapper, die tot het kruiden van sausen gebruikt wordt en zeer piquant is, verliest hare werking, prikkelt niet meer; anderen : en de begeerende ~ de begeerte, laat ons los, verlaat ons. De zin is in ieder geval: de gevoeligheid voor prikkels der zinnen gaat verloren. — -lEni, v. s. van nis, kruimelen, in den Hiph'iel: stuk breken, oefent krachteloosmaking, — doet dus juist de tegenovergestelde werking van hetgeen waarvoor zij bestemd is. — -[Sn •o. De mensch nadert den dood, gaat zijn eeuwige woning, het graf, tegemoet en reeds dwalen de doodenklagers om het huis om den tijd af te wachten, waarop men hun diensten zal noodig hebben. Vs. 6 beschrijft dan het sterven.

6. De Kerie, pn-p, laat zich beter verklaren dan de Kethleb, prrv, hoe-

ocr page 372

DE PREDIKER XII.

7 en het rad wordt verpletterd in den put. En terug keert het stof tot de aarde, als wat het geweest is; en de geest terug

8 keert tot God, Die hem gegeven heeft. — IJdelheid der ijdel-!;gt; heden, zegt Kohéleth, alles is ijdelheid ! — En behalve dat

Kohéleth een wijze was, leerde hij bovendien nog het volk kennis en overwoog en onderzocht en vormde vele spreuken.

10 Kohéleth zocht te vinden welgevallige woorden en wat neergeschreven zou worden in oprechtheid, woorden van waar-

11 beid. Woorden van wijzen zijn als drijfprikkels en als ingeplante spijkers die van verzamelaars; zij zijn gegeven

12 door Eenen Herder. En meer dan deze, mijn zoon! wees gewaarschuwd! maken van veel boeken heeft geen einde

13 en veel lezen is vermoeien des lichaams. Het eindresultaat der zaak, nadat alles is vernomen, is; vrees God en neem

wel het toch nog moeilijkheden biedt. — pm beteekent: boeien, hinden, (Nach. 3,10). Rashie en Ibn 'Ezra verklaren hier; inschrompelen; Kimcuie en Pakchon' meenen, dat de Siph'al hier privatieve beteekenis heeft en verklaren: ontbinden; sommigen verklaren den Kethieb prrp = p-irp,knarsen, van het geluid, dat bij het breken ontstaat, v. d. breken. - prn=pm

Kal van pi, dat ook Jes. 42,4 verpletterd worden beteekent;p:iisNiph'al van denzelfden stam in gelijke beteekenis. De constructie van vs. 3 wordt weer opgenomen en het sterven geschilderd. Voordat de zilveren streng, het ruggemerg, verlamd wordt, en de gouden schaal, de schedel, zetel van de hersenen, wordt stukgeslagen, — van welke beiden, ruggemerg en hersenen, ten slotte het sterven steeds afhangt. Of zilveren bij net ruggemerg op de witte kleur doelt, of op de hooge waarde van het ruggemerg voor het menschenleven, staat niet vast. Misschien is de uitdrukking rhi voor het ronde hoofd, den schedel, wel gekozen als klankhérinnering aan rhhi, schedel. — man hv 13 is het hart. Het beeld is ontleend aan een door graven gevonden, diepliggende wel; met een emmer of kruik, waaraan een touw vastzit, dat door een rad wordt op- en afgewonden, wordt het water daaruit opgetrokken. — De emmer is het hart, dat voortdurend bloed opneemt en weer uitstort. Het bloed wordt met de vel vergeleken, daar het als levend water door het lichaam stroomt. Het rad, dat den emmer in beweging brengt, zijn dan v. s. de longen, daar ademhaling en bloedsomloop elkander in zekeren zin noodig hebben. De longen zetten zich uit en krimpen weer in, gelijk het rad Tiet touw op- en afwindt. Het rad breekt Ton Sn, vallend in den put; v. a. = nn Sr, het rad bij den put.

7. fpnCD = rPn gelijk hij geweest is.

8. Aan het einde zijner beschouwingen over ouderdom en dood, herhaalt hij zijn refrein; alles ijdelheid.

9—14. Slot. De subjectiviteit der bijbelcritici blijkt misschien nergens duidelijker, dan bij deze plaats. Terwijl de eene groep beslist in taal en stijl dé sterkste verschillen ziet met die van het overige boek, beweren anderen even vast en zeker, dat zij geheel het karakter van de schrijfwijze van Kohéleth vertoonen. Sommigen zien in deze verzen dan ook de afsluitverzen van den kanon van den Bijbel of van Kethoebiem, dus een bijvoeging van de slotredacteurs der bijbelboeken bij de opname in den

deuteeonomium. FF

40

ocr page 373

y nbnp nVio o

nnni air»! : n-torr1?^ »

jt : at t iv : i 'att ~ ■iT tT iv s tt i quot; v ^--

n^nipniDN D^nn ban :run: 1^« DflVNn-1?^ ai^riquot;

v vv ^ j- T ■»* t-: squot;-: «tt : jv i v,* v: it v t

TIK njTTna1? iiy DDH nVn'p n^ntr nnn : ban Vano

- - _ - * att v ^v i JT t iv •• ; vit j -

nSnp ^[53 : nann D^K'p |^ri quot;ipni 1^1 Dj)Tn1 niibnis ironn nm : HÜK nm mnni f sn-nan ^

;jt- • t -: lt;••; • iv v: Jquot;: * v v, -» t : | vaquot; ••; •

w : nnN n^ha ^n: niöD« ^3 D^IÜ: miöiröai ^

: it v dv iquot;^ lt;. : • a •.. -: ; ^ . . . .

nannanbi. nann onap nr^ quot;intn ^3 nano -nxT D^riVNn-ns4 Van i3i tiin : 1^3 nvx *

t: lt;• v:it ftt : ■ -■ - it t | it t *j-- :

kanon; anderen: het slot van Kohéletli zelve. Wij volgen de laatste opvatting.

9. mn v. s. en hoe meer Kohelelh tvys werd, des te meer enz. mv heeft die beteekenis evenwel niet. Anderen daarom: nrro iiro, en nog meer, dan dat enz.; d. w. z. behalve dat hij een wijze was, d. i. nasn, levenswijsheid had opgedaan, leerde hij bovendien enz.

10. amai. v. s. = pinai, en tesch rijven met oprechtheid woorden van waarheid; v. a. als lijdend deelwoord; dan heeft a-irii drie voorwerpen en beteekent ■OT ainsi: een geschrift in oprechtheid; (vgl. den naam Kethoebiem.)

11. .rmsTD.. als prikkels, die tot doen prikkelen. — nvi»w»31, enz. mdn, is mannelijk. — d'ïicj, als een geplant stekje, ingedreven en zitten blijvend. — niïDS 'Sra, v. s. verzamel a an, dan moet ■nm uit het eerste versdeel hier bijgedacht worden; v. a, verzamelingen, evenals W£»B Sj'2, van zaken. Nog anderen verklaren: mannen van vergadering, een vergaderd geleerden-collegie. — Allen, woorden der wijzen zoowel als die in verzamelingen van spreuken enz., zooals Kohéleth's boek zelf eene is, opgenomen, zijn gegeven van e'e'nen Herder, God.

12. nono vn en wat meer is dan deze woorden van wijzen, laat u daartegen waarschmven; te veel reeds wordt geschreven en veel lezen en le diep willen denken is vermoeien van het lichaam zonder resultaat. Anderen : »mar meer dan dit alles is van beteekenis: zelf opmerken en daaruit leering -putten; men zou onmogelijk alles kunnen neerschrijven en ook veel spreken is slechts lichaamsvermoeienis zonder veel uitwerking.— xh, volgens Ibn 'Ezra in het Arabisch: lezen-, hij verklaart mei1 = nier», afhankelijk van mtn. Neem u in acht voor hel maken van eindeloos vele boeken. In onze opvatting, de eerst vermelde, is de overgang tot het volgende het meest ongedwongen.

13. Waartoe men ten slotte komt, is: vrees God en neem Zijne geboden in acht. — ïw: Van, nadat alles is gehoord, alles gehoord zijnde, d. w. z. nadat gij alle woorden der wijzen hebt vernomen. — tnsn Sa nt '3, want dit is de taak van ieder mensch; anderen: want dit isde geheel e mensch, al wat de mensch te doen heeft.

ocr page 374

-no

iriDn mSsn

CZ) ±rC ZED IB

der

OCHTENDGEBEDEN

voor den

SHABBATH.

Opnieuw in het Nederlandse li vertaald en van verklarende aanteekeningen voorzien

door

j. tredenburg,

Zeeraar aan het Beth Hamidrash te Amsterdam.

Amsterdam, J. L. JOACHIMSTHAL.

ocr page 375

y nbnp ND

Dflbwn '2 : onNn-ba nr^ iiibir vniïö ^

•)• V:iT V -1 I- T V 'lt; ITT IT T v,quot; * : JT : •

: yroKi DIÜ-DK 1:3^02 ny

IT • : ^ fiT : ••• T quot; (.T : • ; T

ni '3 tier vmso rwi NI1 D^HSNH JTJC vm: San nan ^ID : Dixn Sa

Zijne geboden in acht, want dit is ieders mensehen einddoel. 14 Want iedere handeling — God xal haar in het gericht brengen over al wat verborgen is, of zij goed is of kwaad.

Het eindresultaat der zaak, nadat alles is vernomen, is: vrees God, en neem Zijne geboden in acht, want dit is ieders menschen einddoel.

14. Want bij het gericht ocer al het verborgene, als God reltenschap vraagt va» wat de mensch in zijn leven gedaan heeft, brengt Hij elke daad ter sprake en beoordeelt haar, of zij kwaad was of goed. Anderen : vant elke daad zal Hij richten naarmate van al wat er als bedoeling in verborgen tras.

ocr page 376

i OCHTEND-GEBED.

Aan den ingang der Synagoge zegt men:

Ik, — door Uwe overgroote genade kom ik in Uw huis, ik werp mij neder voor Uwen heiligen tempel in vreeze voor U.

Bij het binnenkomen zegt men:

Het huis Gods betreden wij met eerbiedigen schroom.

Nadat men de Synagoge is binnengegaan, zegt men:

Hoe schoon zijn uwe tenten, Jakob! uwe woningen, Israël! Ik, — door Uwe overgroote genade kom ik in Uw huis, ik werp mij neder voor Uwen heiligen tempel in vreeze voor U. O Eeuwige ! ik bemin den zetel van Uw huis en de plaats van het verblijf Uwer heerlijkheid! Ik, — ik wil mij nederwerpen en knielen, ik wil de knie buigen voor den Eeuwige, mijnen Maker! Ik, — moge mijn gebed tot U, o Eeuwige, komen in een tijd van welgevallen; o God, in Uwe overgroote genade, verhoor mij met Uw waarachtig heil!

Vóór het ochtendgebed wordt nog het volgende gezegd-.

Ik roep U aan, want Gij verhoort mij, o Godl neig Uw oor tot mij, hoor mijn spreken. Ik — in gerechtigheid aanschouw ik Uw aangezicht; ik wil mij bii het ontwaken verzadigen aan Uwe verschijning! Ik —op ü vertrouw ik, o Eeuwige; ik zeg; mijn God zijt Gij 1 Hoor het geluid mijner smeeking, wanneer ik tot U schrei, wanneer ik mijne handen ophef naar het binnenste van Uw heiligdom! Eeuwige, mijn God, ik schrei tot U en Gij geneest mij. Tot Ü, o Eeuwige, roep ik, en den Heere smeek ik. Doe Uw aangezicht lichten over Üwen dienaar, help mij door Uwe genade! Want op U, o Eeuwige, hoop ik; Gij, Gij zult verhooren, Eeere, mijn God! Hoor toch mijn gebed, o Eeuwige, luister naar mijn schreien, zwijg toch niet bij mijne tranen. Hoor, o Eeuwige, en wees'mij genadig. Eeuwige! wees Gij mij tot helper.

Lied Hamma'aloth van David. Ik verheug mij, wanneer men mij legt: laat ons gaan naar het huis des Eeuwigen I Ik verblijd mij met Uw gezegde, gelijk iemand, die grooten buit vindt. Luister naar het geluid mijner smeeking, mijn Koning en mijn God, want tot ü bid ik. Eeuwige! des morgens moogt Gij mijn stemme hooren; des morgens, als ik voor U offers orden, — en naar U uitzie. Ik roep U aan, want Gij verhoort mij, o Godl neig Uw oor tot mij, hoor mijn spreken! Mijn voet staat op vlakken bodem, in volksverzamelingen loof ik den Eeuwige.

Verheerlijkt worde God, d'Allevende, hoog worde Hij geprezen,

Die absoluut bestaat, en Wiens bestaan geen tijd tot maatstaf heeft;

Die eenig is, geen eenheid is gelijk de Zijne;

Voor menschengeest verborgen, is Zijn grenslooz' eenigheid.

Hij heeft geen lichaamsvorm, is onlichaamlijk Wezen,

Geen nog zoo krachtig woord beschrijft Zijn heiligheid!

Voorafgaand aan 't Heelal, uit niets door Hem geschapen,

Was Hij de eerste, aan Zijn bestaan ging niets vooraf.

ocr page 377

mm nSsn -no n

nssquot;ii ,3quot;ana nirya cr» ,m»i nojan niaS DJai» mip

: ^nKT3 ?if-jpT bx ninn^K KDK ^-ipn 212 ♦JNI

hs.squot;gt;i nrua -[Si txi

: ^t3 ^bn: n^a

quot;icNi noaan rpaS DJaifa

^pn 313 'JNI : VtfTji» ^njs^D 3p^ ^SHK titrna »ri3riN ^ ninri^K KDK

ninn^N : ^133 Dippi |i^p pïn n^ « ^ Tamp;fin ^JNI : ^ ♦; npquot;i3^ : naK3 ^ ^pn 313

nrnN pis? ^ : •'ii'itpN ynp -h tan hx ■•jjjrr) gt;? yx

Mlpx 11 ^np? : ^njian ppna ?)U3

quot; : WTr i,?1 ^ 'i; WP ^i1,^ W? ywqn ^'P VW - nnx HTXH : i|nri{lt; rm Ssi xnp?? v: T,^ : ^f!??T1-tfw; nj^n nnx ,ritpnin ^ r\) quot;3 ; ?j^pn? ^B'in ïj^iaj; by ^ja paf : Bhflj.) Sx ,,rij;p,ïï nrwn \] 'rhsn n^ac' : \iSx : quot;h iflj; n.:n ^ yjm v:

Sj? ojn frr : quot;^S: v» n1? -h anpw? ,rinp^ nn1? niS^sn ytf '3 ^nVi 13!?Q Sip1? nTrpn : an SSr jesio? iri-iDN ^ÏS : ns3f$?i ?i^ quot;i^N! npa 'Sip yofn ipa v; : ?)^N

■ritf'o? nnp^ : ^inox yat? ^ an SN* -«a ^^np : v: T53« o'Snpa?

: inwïö quot;JK fw NXDJ * nsntrn ♦n D^K bnr

: iminK1? t]iD pK Dii d^j • i-nrrs n\T nnx

inu'nps vVk -jin^; ah - ^ i:w c]^n man ib px

: n^Ki pKi: p^Kn • «13: quot;13TS3V ponp

ocr page 378

OCHTEND-GEBED.

„Ziedaar den Heer van 't Alquot;; met luider stem verkoHdigt Al, wat geschapen werd, Zijn groote koningsmacht.

Hij gaf profetengeest, den straal van Zijn genade. Den mannen, die Hij Zich tot roem en eer verkoor.

Doch onder Israël's stam wordt geen profeet gevonden, Die Mozes evenaart, aanschouwend Zijnen troon!

De leer der waarheid heeft Hij ons, Zijn volk, geschonken, Door Mozes, Zijn profeet, vertrouwd in gansch Zijn huis! God ruilt Zijn wet niet in, verandert geen bepaling, In verste toekomst blijft onwrikbaar nog Zijn woord! Alziende, kent Hij ook ons diep verborgen denken.

Ziet van den eersten kiem het eind van elke zaak!

Naar ieders werken schenkt Hij 't loon van Zijn genade, Bestraft den booswicht ook voor 'tgeen hij heeft misdaan. Hij zal op zijnen tijd ons den gezalfde zenden.

Die elk bevrijden zal, die Zijne hulp verbeidt!

De dooden doet God eens door Zijne gunst herleven!

Zijn naam, zoo roemrijk, zij in eeuwigheid geloofd!

O Wereldbestuurder, die koningsmacht kendet,

Voordat een gewrocht uit het niets was ontstaan, —

Toen plots door Uw willen het al was geschapen.

Weidt Gij als Almachtig Beheerscher erkend!

En mocht eens de Schepping geheel weer verdwijnen,

Ook dan zal gevreesd nog Uw koningswoord zijn!

Toen niets was, bestond Hij, Hij is in het heden,

Zal eeuwig bestaan in Zijn stralenden glans.

Zijn wezen is eenig, geen tweed' is te vinden.

Met Hem te vergelijken of naast Hem geplaatst!

In tijd niet begonnen, geen einde bestaanbaar,

Bij Hem slechts is macht en berust heerschappij !

Slechts Hij is mijn God, mijn Verlosser, Allevend!

Is Rots in mijn lijden, in tijden van nood !

Banier is mij God, is mij veilige toevlucht.

Mijn deel aan den kelk !), op den dag, dat ik roep.

Ik leg in Zijn handen mijn geest met vertrouwen,

Wanneer ik te slapen mij leg en ontwaak;

Doch niet slechts mijn geest, ook mijn stoflijk omhulsel! Is God slechts mijn steun, zie, dan vrees ik niet meer!

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt, de handen te wasschen.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die den mensch met wijsheid ■ hebt gevormd en aan hem verscheidene openingen en holle organen geschapen hebt. Het is openbaar

2

ocr page 379

rvw

iniaböi inbii mv innNsn*! irtap in:iDn-nK ta^oi wz:

t : v • - • t

in'l |DN2 1W33

inViT1? im inü^a -in^T ^lob in^tf'-ia jn |ni: in^* ^np nnaV mVnri Dt^ n^-n^ ^na

nVön 3

nifirbs'i 4 abip jm lan quot;VN un: inKia: vzw

Ity nfD2 ÏN'iWZ DJ5 ^

* bi* loyb fn: nox niin

unnD nöiï

• iV^öps ion Vpm

un^D pp* '{pb rhp\ ' non aia VK n»n' D^np


t^naj TÏ» ^ aitoa

t : • • ; t vi v ;

ia^ v_st

xni: •jjiS»» iinS

rnKöro nw Kini HTannV ib Virpn1? nnfani f^n 1S1 nnï r-$3 ^nn 1^1 Kquot;ip« DV3 t)i3 n:D

Tl; v ; • t ;

nT^xi

kSI ,l? «

♦n^a 'nn d^I

vniïpa *\m nbyn -]bü « nnx ^na : Dn» r\bv: by )m)

• itt - • ; it • :

D^O riN quot;IÏ* quot;ie'K DVi^n TjSo irp^K » nnx quot;i1?! D^i^n oop: Dopa in 'nnni noDna

^So • rhty |ns? b'2 lyfina ni^j nyb

San nibD5 nnxi

: i*

mn Kim n»n Kim

: t t :

quot;inK Kini n^an ^3 n^Nquot;i •hs 'bm v),L?^ Nini quot;b duoi ♦p: «mi ♦nn tmk iTa


^8, 16,5, waar de dichter God noemt: zijn aandeel in erond-bezit en levensvreugde; vgl. daarmede Num. 18,20 en Deut. 18,2.

ocr page 380

3 OCHTEND-GEBED.

en bekend voor den troon Uwer heerlijkheid, dat indien een van hen geopend of verstopt zou worden, het niet mogelijk zou zijn te bestaan of in het leven te blijven vóór Uw aangezicht. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die alle vleesch geneest en wonderbaarlijk handelt.

(In vele gemeenten, o. a. te Amsterdam, leest men hier: Mijn God ! enz. (zie hieronder) terwijl de lofzegginqen over de heilige Leer gezegd worden vóór de af deelingen hetrejf'ende het dagelijksch offer, hlz. G).

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt, ons met de woorden der heilige Leer bezig te houden; doe toch. Eeuwige, onze God, de woorden Uwer Leer aangenaam zijn in onzen mond en in den mond van Uw volk, het huis Israel's, zoodat wij en onze afstammelingen en de afstammelingen van Uw volk, het huis Israel's, wij allen worden kenners van Uwen naam en beoefenaars van Uwe Leer (ter wille van haarzelve); geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de heilige Leer aan Uw volk Israël hebt onderwezen. G. z. G., E. o. G. K. d. w. die ons uitverkoren hebt boven alle volkeren en ons Uwe Leer hebt gegeven; g. z. G. E. die de heilige Leer gegeven hebt.

(Zij, die de lofzeggingen over de Leer hier uitspreken,

laten daarop nog dit volgen :J

De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede. Dit zijn verplichtingen, waarvoor geene bepaalde maat is voorgeschreven: de hoek (van het veld, waarvan een niet vast bepaald gedeelte bij het maaien voor de armen moest staanblijven'), en de eerstelingen der boomvruchtenJ), (die naar Jerusalem werden gebracht) en het brandoffer bij het verschijnen in den tempel bij gelegenheid der drie feesten 3) en de verrichting van liefdewerken door persoonlijke daden en de beoefening der heilige Leer4). Dit zijn zaken, waarvan de mensch de vruchten geniet in deze wereld, terwijl de hoofdsom hem blijft voor de toekomstige wereld5). De volgenden zijn het: eerbied voor vader en moeder, en verrichten van liefdewerken en tijdig bezoek van het leerhuis des morgens en des avonds, en gastvrijheid tegenover vreemdelingen, en bezoeken van zieken, en het verschaffen van uitrusting aan bruiden, en het begeleiden van lijken, en diepe aandacht bij het gebed, en het stichten van vrede tusschen den mensch en zijn naaste, doch beoefening der Leer weegt tegen hen allen op.

Mijn God ! de ziel, die Gij in mij geplaatst hebt, is rein; Gij hebt haar geschapen. Gij hebt haar gevormd. Gij hebt haar mij ingeblazen, en Gij bewaart haar in mijn binnenste; en Gij zult haar mij eenmaal ontnemen, doch haar ook weêr in de verre toekomst in mij doen terugkeeren. Zoolang dus de ziel in mijn binnenste is, dank ik U, Eeuwige, mijn God en God mijner Voorouders, Meester over alle werken. Heer van alle zielen! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die zielen doet terugkeeren in gestorven lichamen!

') Vgl. Lev. 22,22 e.a.p. s) Vgl. Deut. 26,2. ') Vgl. Deut. 16,16 e.a.p. *) Vgl. Josua 1,8.

ocr page 381

mnp nVfin gt;

nnK öhd^ 1« DHÖ nnK nna» TIIM «DD ♦tóV

t v quot; t * v quot; t V - iquot; t * • v i iv ; quot; * quot; : ' i t;

Nan v nnN ^113 • ^JÖ1? D^nn1? 'N dhd

: nv^1?

.rmc: inbs jso pWin» D-nopusa dji mSnp nama

WÏI vniïöa iiK'-ip DVI^H -I^D « nnw wna

it • ; t ; * : rr :!• v -: t ^ t |v iv i- •.•: ▼: t - | t

nnrnx irriVK « «rn^ni • niin nans U^ÏNXI urnN n^nai bxiw rgt;»3 ^aj? 'sni iraa ïjpa' yiy 13^3 bKT.^» TOXI)

id)?1? niin nabon « nriN ^na * (no^S) ^nnin nüibi lis^na quot;if k D^iyn -jbü ir^x « nri» ^quot;13 : bNnr» : nnmn |ni3quot; nrix ^na * innin-ntj jnii D^a^rrbap

TpStf V3S 1 « NBquot; : ^1 TI'SS VJB ' £ 1??; : ?) W) «

□nisani nxsn -n^ nnS px^ nna-j i^n : QiW ^

SaiN dtn!^ ann-j ^ : nnin iia^ni anpq ri:tS,p^ jv^Tni mji ax nas jn * xsn dSij;S no»p. i^pi rwn aSiya qt^Iis a^-jiK npprn n^ij;! nnn^ Cnnan n',3 nos^ni nnoq mS1^ Dnx aiW nxaqi nbs? p»yi nan n^i n^3 no»ni Q^in npai : ob ijj3 min iraSm nanS

t •.. viv: t : - : quot; quot;

nnK nn«ia nm minis ^ nnsty natn srhx

t - tt; t- t : t r t v tt; tv:

nnxquot;! ^anpa nia^ö nnNi »3 nnnai nnw nri^v' |ar^3 : m) n^S ^3 nnnnnSi »200 n^1? ♦ni3K ♦iiVki ♦ribx « w niia ♦snps nütfantf nnnan « nriN * matwrrba |m D^sn'Va pan : D^na oniab niatrj

... -t : • t :

5) Men beschouwt 's menschen deugden als een Gode geleend kapitaal, waarvan de mensch op aarde de renten geniet, terwijl in het leven hiernamaals de hoofdsom als het ware wordt teruggegeven.

ocr page 382

OCHTEND-GEBED.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die den haan inzicht hebt gegeven, om te onderscheiden tusschen dag en nacht.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij niet tot niet-Israëliet hebt doen worden.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mrj niet tot slaaf hebt gemaakt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij niet tot vrouw hebt gemaakt.

(De vrouwen zeggen: G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij naar Uwen wil gemaakt hebt).

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die blinden de oogen opent.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die naakten kleedt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die geboeiden losmaakt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die gebukten opricht.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die de aarde hebt uitgespannen over de wateren.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die voor mij al mijne benoodigd-heden gemaakt hebt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die de schreden van den man vast doet zijn.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die Israël met mannenkracht omgordt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die Israël kroont met luister.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die den vermoeide kracht geeft.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die verwijdert den slaap van mijne oogen en de sluimering van mijne oogleden; en het zij ü welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, ons geoefend te doen zijn in Uwe leer; en doe ons gehecht zijn aan Uwe geboden en doe ons niet komen tot zonde, noch tot overtreding en misdaad, noch in verzoeking, noch tot verachting; doe de kwade neiging niet heerschen over ons en verwijder ons van slechte menschen en slechte metgezellen, doch doe ons gehecht zijn aan de goede neiging en goede handelingen, en buig onzen hartstocht, zoodat hij zich aan U onderwerpt; en laat ons heden en eiken dag geraken tot gunst en genade en barmhartigheid in Uwe oogen en in de oogen van al, die ons zien, en bewijs ons goede weldaden. G. z. G. E. die goede weldaden bewijst aan Uw volk Israël.

4

ocr page 383

mnr nbsn n

nra \n: abi^n rhn irnbN « nnK ^quot;13

t • * : v - I - t v -s t t 1 v iv iquot; v: ▼; t - | t

: nVb 1^1 Dl» |»3 : ns: K-'i^ D^iyn imbx « nnK -iiia

• ; t • r t v t t i v iv iquot; v: *: t - ) t

: up kW dVi^h quot;iVa irri^K « nnx Tina

VHT • r t V t T J v IV Iquot; v: ▼: t - | t

: NW D^n TIVD « nnK quot;nrö

t * * r t v t t I v iv r* v: *; t - | t

c i3Kquot;!3 wjrcf aSigt;n wn'Sx v. nnjj ^ns mmw D'cjn)

: Q'i.W Dbi^n -jbo « nnx : D^Dnjj; Dbi^n -jba waVk ^ nriK ^na : nniDN n^nü D^iyn •nbo irn^K « nnx rina

-: • - t t i v iv iquot; v; ▼: t - | t

: D'fiiM «]piT D^i^n irn^K « nriN • D?örrb# p«n abi^n ^0 wrf?K « nriN Tjna : ^ n'^i^ D^i^n wnbK quot; nnK Tina

• ;t t • t itv t t |v iv iquot; v: *: t - | t

: larnj^vö pan Dbiyn tjba irn^K « nnx -jinn v : miaia miK D^i^n •n^o irribK « nnK n-na

t : • •• t : • •• t t i v iv iquot; v: ▼: t - | t

: n^sm bxiKquot; quot;IDI^ aSi^n ^0 wrhx « nnK nna

t t : • : •• t : •• t ^ t | v iv i- v; ▼: r quot; | t

: na jnisn obi^n wnba « nnx Tjina

♦3^0 rn# n^sn Dbi^n -jbo irn^K ♦; nnK ijina ♦nVKi irri^K « ^iöbp |iyiT ^nn * ♦ajtötfa na^m K1? iiK»3n bxi ^n'iïpa li^ani ^nnma i:J?^nn^ irnüK |m n;1? ah] |1»b: Kbi \wr\ majr n;1? ah) xun n6 ^-1 lanai ^n Dquot;IKO up^mm ynn ur-ü^n ba)

~ quot; t •• ttquot; liquot;* : ~ ; ~ t viquot; it v ; - - ;

i:iï^nK tjisi aitan nra lapan'i

crarnbi npnSi jn1? nv^ai ai»n iwni ^^zynvrb nnK Tjina - d^iü onon i^ö^ni. irKiT^a : 10^ d^il] onon baia M

•• t ; • : • • t -; •• *;

ocr page 384

OCHTEND-GEBED.

Het zij welgevallig voor ü, Eeuwige, mijn God en God mijner voorouders, mij heden en eiken dag te behoeden voor onbe-schaamden en onbeschaamdheid, voor slechte menschen, en slecht gezelschap, en voor een slechten buur en voor noodlottig toeval en verderfelijk hindernis, voor een strenge rechtspraak en eene harde tegenpartij, hetzij hij tot het verbond 1) behoore of niet.

Steeds zij de menscli godvreezend in het geheim ') en bekenne de waarheid en spreke de waarheid in zijn hart (binnenste); hij sta vroeg op en zegge;

Meester over alle werelden!3) Niet [in vertrouwen] op onze verdiensten storten wij onze smeekingen voor U uit, maar [steunende] op Uwe groote barmhartigheid! Wat toch zijn wij, wat is ons leven, wat onze gunst, wat onze rechtvaardigheid, wat onze hulp, wat onze kracht, wat onze sterkte? Wat zullen wij voor U zeggen. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders? Zijn voor U niet alle helden als niets, en de mannen van naam, als hadden zij nooit bestaan, en wijzen als zonder kennis, en verstan-digen als zonder oordeel ? Want hunne nog zoo talrijke handelingen — niets zijn zij ; de dagen huns levens, ijdel zijn zij voor U; ook dat, waardoor de mensch boven het vee verheven is, is niets — want alles is ijdelheid.

Voorwaar, wij zijn Uw volk, de zonen van Uw verbond, de kinderen van Abraham, die U lief had, dien Gij op den berg Moria hebt toegezworen; het kroost van Izak, zijn éénigen zoon, die gebonden werd op het altaar; de gemeente van Jakob, uwen eerstgeboren zoon, wiens naam Gij wegens uwe liefde, die gij hem toedroegt, en wegens de vreugde, waarmede Gij U over hem verblijddet, Israël en Jeshoeroen genoemd hebt.

Daarom zijn wij verplicht U te danken en U te loven en U te roemen, en Uwen naam te zegenen en te heiligen en lof en dank te brengen aan Uwen naam. Heil ons! hoe voortreffelijk is ons deel, en koe liefelijk ons lot en hoe schoon is onze erfenis ! Heil ons! dat wij des morgens vroeg en des avonds laat ons opmaken en tweemalen eiken dag zeggen:

Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is éénig!

5

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig!

') Door God met Israël gesloten. ') Ook al kan hij in het openbaar wegens vervolging niet al zijne plichten vervullen. 3)De uitdrukking dSw, in het meervoud gebezigd, doelt meestal op de beide werelden, deze en de toekomstige.

ocr page 385

nnnt? nban n

-Vsai di^n « n^abü ?iïn ♦n»

t : *,•••- v - -: •• .. - v: t; i iv t : • i t * :

jn lanoi yi_ diko d^s niT^oi d^ö n^ü ai» V^api p-iü n^nB'sn fü^öi ^ÖÜI yi p^ai : nnrp iw pai nn.rp pa n^j5

mim inoa nt mx nh' aVi^S

vp*; *1 t ••; tt •• : r ^ :

: iimc^ 03^:1 üaS? npx naini nn^n-S^

mim D,1?^Ö urm irnpnv1?^ ah D^pb^n-ba |ian i^n no un:» no * o^ann by »a wsn

,... v ; 1—; t • -t p iv-: - i ivt :

unTiarn» wna-no upnvno inon nö

i„ t ; - !•• - iquot; t : - liquot;;* - !••: -

DniaarrVa kVh irniaN irnbK « no^rno

• - t -: !•• -: •• •• iquot; •••: *: p ivt :

D^ia:i pö ♦Vaa o^pani vn ahs D^n yizh f^a • ban Drr»n inn dh^d an ^a Vai^n ^aa : ban ban ♦a rK nonan-ro DiKn nnioi

v it - p * it t quot; ; - p • t t t

nya^a^ ^anN ornax ^a • ?jnna ^a unpK bax narsn arbj? i-i^n; pnr * nnan ina ib ^nnp^pi inK nanx^ ^nanxp^ ?piaa ^a apjr rn% : n*it^i bKii^» lot^-nK mip la nno^

p ••. • •• t : • ; v t it It t : r t v

-|-iabi ^«fibi ^na^bi ^b nnmb D»a»n unix -ja^ab aita-na : noirb nnim nairnnbi ^ipbi

iquot;: - P iv ; • tt : - iv vit ; quot;I- ;

umNty untrK ns^riDi ubma a^rnoi i:pbn

: 1--j v iquot;: - i-t \: tt - iquot; t t liquot;: v

DVbaa D^O^Ö onoiKi ipai a^. D^an^pi o^p^a^p

: in»1quot; uri^K ^ Sx-itr1 vW

pt v ^r: v v; -'x: a** t : • ^ v- ;

•nBisn ri»« D^p-rp-im ; ^ obl^b iHiabp llaa DB' Tp-ia *quot;**

ocr page 386

OCHTEND-GEBED.

Gij waart dezelfde, toen de wereld nog niet was geschapen; Gij zijt dezelfde, nadat de wereld geschapen is; Gij zijt dezelfde in dezp wereld, en Gij zijt dezelfde in de toekomstige wereld ! Heilig Uwen naam over hen, die Uwen naam als heilig erkennen, en heilig Uwen naam in Uwe wereld en door Uwe hulp worde onze horen !) hoog en verheven. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwen naam heiligt in het openbaar.

Gij zijt de Eeuwige, onze God, in den hemel en op aarde en in de hoogste hoogten der hemelen! Het is waar! Gij zijt de eerste en Gij zijt de laatste 2) en buiten U is geen God. Verzamel hen, die op U hopen, van de vier hoeken der aarde, opdat erkennen en weten alle wereldbewoners, dat Gij alleen God zijt over alle koninkrijken der aarde ! Gij hebt gemaakt hemel en aarde, de zee en al wat in die allen is; en wie is er onder het gansche werk Uwer handen, onder de hoogere en onder de lagere wezens, die tot U zou zeggen: „Wat doet Gij?quot; Onze Vader, die in den hemel zijt! bewijs ons genade terwille van Uwen grooten naam, die over ons genoemd is; en bevestig voor ons, Eeuwige, onze God, hetgeen geschreven is: In dien tijd zal Ik u brengen, en in dien tijd verzamel Ik u; want Ik maak u tot roem en lof bij alle volkeren der aarde, wanneer Ik uwe ballingen terugvoer voor uwe oogen, zegt de Eeuwige.

(In véle gemeenten worden hier de lofzeggingen over de heilige Leer uitgesproken, zie blz. 3).

Ex. 30,17—21. De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Gij zult maken een waschbekken van koper en zijn onderstel van koper, om zich te wasschen; en gij zult het plaatsen tusschen de tent der samenkomst en het [koperen] altaar, en er water in doen. En Aharon en zijne zonen zullen zich daaruit hunne handen en voeten wasschen. Wanneer zij namelijk in de tent der samenkomst gaan willen, zullen zij ze met water wasschen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij naderen willen tot het altaar om dienst te doen, om een vuuroffer in rook te doen opgaan voor den Eeuwige. Dan zullen zij hunne handen en hunne voeten wasschen, opdat zij niet sterven; dit zal hun zijn tot eene eeuwige wet, voor hem en voor zijn kroost, voor hunne geslachten.

6

Lev. 6,3 — 5. De priester zal [des morgens] zijne linnen kleeding aantrekken en een linnen broek aantrekken op zijn bloot lichaam en eene heffing nemen van de asch, tot welke het vuur het brandoffer op het altaar zal hebben verteerd, en die leggen naast het altaar. Hij zal zijne kleederen uittrekken en zich met andere kleederen kleeden, wanneer hij de asch wegbrengt buiten het leger naar eene reine plaats.

') Als zinnebeeld van macht. 3) Vóór al het bestaande, waart Gij, en als eens niets van het geschapene meer zal zijn, zult Gij nog bestaan.

ocr page 387

rvw nVfin i

obi^n wn nnK obi^n n-üj nW ip «in nn«

t t t : * v • t- t t ti- v - t •

N2n obiy1? Kin nnxi ntn obi^a Kin nnx

..|. t - t t t - : v - t t t-

^npü by ^Ü^tik : D^3 ïjötr™ vty? V: nj?^ * iW naini Dnn D'o^n vamp;n) ritsje « Kin nnx

• r r •• ; • I v it t • r t - iquot; v: ▼: t -

p™ «in nriNi |i^quot;i «in nnx nox * D^i^n pKn nia:2 ysiNQ ^ip fsp * o^bti pw ^jinS D^nS^n xm-nriK »3 abip ♦«rSa ly-in IT^ pNn-mi D'-ü^n-nK nvtr^ nnx * pxn nisbao Vs1?

I vit t v ; • r t - v t r t t - | vit t ; : - ;

ntpyü-Vaa 'QI • D3 quot;ityx-ba-nKi dtthk

: • t | ivt •* - t : • t v -; t v : t -

D^ÜB'?^ 1V2K * n^ri-nö ^7 nüN^ D^innnn 1« i:b-D^i 1:^ Si-un ?|p^ ns^a npn i:a^ ntr^ n^ai D^m N^K N^nn n^a mnairno irnbn « ♦3^3 pNn wx Sba nbnnbi D^b DpnK jriN-^ DpnK : \] iok DDn^b D^ninB'-nK

•mmn nana 1^= 0^»w mSnp nama

r . . 'h mou

1351 n^m 11^2 n^l ; ^ÖN? n^öquot;7K nin^ nann, naran ?^i nyiö Vn^-pa ihK nn:i nvrnb ntfm

-••;•- i Jquot; v lt; i |t. jt - |t . at : t J V ^ :

-mi onn^nx laap v:di pnK iïnn ; d^d na^ nnn IN ma» N^i D^a-iïm» n^ia VnN-^K DNaa : on^i

•* fgt;\ t j ; 'vquot; -; :• v s v ^ ^t : iv •• : -

onn» lïnii: nin^ n#K i^pnV naran-Vn on^a

jquot; quot;: •» -: it: it r {.'•'' si:-: •• t : - ; - ... lt;t : • ;

: □nni1? i^rbi i1? oSi^-pn onb nn^m ma» NVI on^m

it i ; ^ :quot;: j ot ^ i t sv t t : it : a\t j : ^v :

onni 'hm-bv mb* Tpppai na ma |nan irabi ^ bïN la'B'i na?an-^ nbyn-nK B'Nn Vaxn IB'N rtr-in-nN

vy.quot; t : -aquot;: - - vt^ it v r' t j~ ^ v -; i v v-

-jik kwi Dnnx onja iraVi vn:a-nN ü^öi : naran

lt;• ; ft' •• -: j-t ; . V.' t : tt : v ^ - ^t - iquot;: • -

: quot;iinB Dipa-1?» njna1? pna-Vw f^nn

ocr page 388

OCHTEND-GEBED.

Num. 28,1—8. De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Gebied den kinderen Israels en zeg tot hen: het offer voor Mij, Mijne spijze, voor Mijn vuur, tot een liefelijken geur voor Mij, zult gij in acht nemen voor Mij te brengen op zijnen bepaalden tijd. En gij zult tot hen zeggen: dit is het vuuroffer, dat gij den Eeuwige zult brengen: schapen, in dit jaar geboren, zonder gebrek, eiken dag twee tot gedurig brandoffer. Het eene schaap zult gij bereiden des ochtends, en het tweede schaap zult gij bereiden tusschen de beide avonden. En een tiende van een Epha ^ meelbloem tot meeloffer, aangemengd met een vierde Hin 1) gestooten [olijf-]olie. Een gedurig brandoffer, gelijk het bereid werd bij den berg Sinai, tot een liefelijkeu geur, als vuuroffer voor den Eeuwige. En zijn plengoffer: een vierde van een Hin [wijn] voor elk schaap, in het heiligdom uit te gieten tot wijnplengoffer voor den Eeuwige. En het tweede schaap zult gij bereiden tusschen de beide avonden, gelijk het meeloffer des morgens en zijn plengoffer zult gij bereiden, een vuuroffer, tot liefelijken geur voor den Eeuwige.

Lev. 1,11. En hij zal het slachten ter zijde van het altaar, ten noorden, vóór den Eeuwige; en de zonen van Aharon, de priesters, zullen zijn bloed sprengen op het aldaar rondom.

Gij zijt de Eeuwige, onze God, voor Wien onze voorouders het reukwerk van specerijen in rook deden opgaan in het heiligdom, zooals Gij hun geboden hebt door Uwen profeet Mozes; zoo toch staat geschreven in Uwe Leer;

Ex. 30,34. De Eeuwige zeide tot Mozes: neem u specerijen, als : welriekende hars, en zeenagel en galbanum; dergelijke specerijen en zuiveren wierook; in geheel gelijke deelen zal het zijn. Gij zult het maken tot reukwerk, een mengsel, naar de wijze des specerij mengers, goed dooreengemengd, zuiver, tot een heiligdom. Gij zult daarvan tot fijn poeder stooten en daarvan leggen vóór het getuigenis in de tent der samenkomst, waar Ik u op bepaalden tijd verschijnen zal; heiligdom der heiligdommen zal het u zijn. — (Ex. 30,7 en 8). En er is gezegd : Aharon zal daarop reukwerk van specerijen in rook doen opgaan; eiken morgen, wanneer hij de lampen reinigt, zal hij het ontsteken. En wanneer Aharon de lampen aansteekt, tusschen de beide avonden, zal hij het ontsteken; een gedurig reukwerk vóór den Eeuwige, bij uwe nageslachten.

Onze leeraren hebben geleerd: 2) De samenstelling van het reukwerk; balsem, zeenagel, galbanum en wierook ieder tot een gewicht van 70 Mané ■'). Mirre en kassia, nalm-dunne nardus en saffraan, ieder tot een gewicht

7

1

J) Een Hin bevat 12 Log, zie noot l).

2

) Gewone inleidingsformule voor eene bepaling uit oude Boraitha's.

ocr page 389

rvw nbfin T

1 : . , . nquot;3 laiBa

niöKi 7«^ ♦aa-m ix : IDNV HB'Ü-VK nin» -ÖTI

'T: quot;:.T! • ■■••! ;• L* ^ lquot; ■■gt; JV ■•quot; v : ......

iwn w: m ♦onS ^2ip--nK DH^N

; : * * * t :| T v av -:

mnpn nwi nr onV mo«i : mioa ^ anpnb

^*1: quot; Jquot; quot;: -• * it vlt; v t jt ; - it : i : j*l: - :

tin : -ron nVjr dij1? dd^oh n:^-^2 dv^23 nin») n nfe^ri ♦jesti jrasn mi n^n IHK ton n^3 |D^3 nn:ab nVp na^n nn^i': D^iin n^Khn»: nn) ♦j'p nna n^n nby : pnn ri^an ^p: ^pn B'n'pa inxn pnn hp:) : nirrb nmüp D^n pa n^n nNi : nin^ nai

: nirvb nh»j nn nt^K rimn laoaai ipan

^ it i- - ^ - jquot; ■)quot; * •* : iquot; ; * : ^ I v lt; -

piti nin* n:by natan •n-i' ink üniyi '«^

I :it: at : — ; • t ^ t -•»••;•- ) vjv - t :

: a»ap npian-^ idthk d^ripn prix 'ja

-irnüN* n^i?^ irnSx ^ jnn nnx :?imin? aires nro nnw -d^ ^^pan

Y'1? 'h nis»

nhbni nbn^i i d^sd ^jb-np nirr

niDp nntt nw%] : nw naa ia nar maVi d^d pnn naap ri^nj^i : tyij? nn^ nböp npin n^o n^h nsty f|b -ij^K n^ia ^nxa m^n ys1? nsóp nnnij niai? pnx vj?^ i^pjni npN:*! : Dpb n^nn D^nj? riS^nai ; nsTts^ nhsn-nx la^na ij^aa ifjaV n^p 'JöS Töri n1ü|5 naVpfst oi-i^n pa nhan-nN pn« : Da^nnnb nin»

D'j^ nakii nj?VoD1 Ils?ni 'quot;«n '/ilö^n miss • jjai «n het hfêü ' Dto'isi li; nSlac' nj7^pi -iio • njo

4) Een Mané, eigenlijk een munt, heeft 100 denaren; de zilveren denar heeft een gewicht van 96 gerstekorrels.

ocr page 390

OCHTEND-GEBED.

van 16 mané. Costus 12 mané, specerijbast drie en kaneel 9 mané. Loog van Carshiena ') 9 kab, wijn van Cyprus drie sea en drie kab, en indien men geen wijn van Cyprus heeft, neemt men ouden zeer witten wijn. Zout van Sedom een vierde van een kab, een weinig van het kruid Ma'alé 'Ashan (dat den rook doet opstijgen). Rabbi Nathan ze^t: ook een weinig hars van den Jordaan. — Indien men er honig heeft ingedaan, heeft men het ongeschikt gemaakt voor offergebruik; en indien men een van al zijne specerijsoorten er aan laat ontbreken, is men den dood schuldig s). Rabban Shim'on, de zoon van Gamliël, zegt: de balsem is niet anders, dan de hars, die van den balsemstruik afdruipt. — De loog van Carshiena dient om daarmede den zeenagel af te spoelen, opdat deze schoon zij. De wijn van Cyprus dient om daarin den zeenagel te weeken, opdat hij sterk van geur zal zijn. Hiervoor zoude immers ook urine geschikt zijn ? doch men brengt uit eerbied geen urine in het voorhof.

Er is geleerd: Rabbi Nathan zegt: terwijl men [de specerijen] stoot, zegt men: stoot fijn! stoot fijn I omdat het geluid goed is voor de specerijen. Heeft men het op de helft samengesteld, zoo is het geschikt voor het gebruik; op een derde of op een kwart, daaromtrent hebben wij geene overlevering gehoord. In verband hiermede zeide Rabbi Jehuda: dit is de regel: is het in de vereischte verhouding bereid, dan is het ook op de helft voor het gebruik geschikt; heeft men er echter een van de specerijsoorten aan laten ontbreken, dan is men den dood schuldig.

Bar Kappara deelde de volgende bepaling mede: Eenmaal na zestig of zeventig jaren werd van het overgeblevene gebracht eene hoeveelheid, gelijk aan de helft van het reukwerk 3). Nog deelde Bar Kappara mede: zoude men er een kortob 4j honig bij doen, zoo zoude niemand den reuk er van kunnen verdragen; en waarom mengde men er geen honig onder? omdat de heilige Leer zegt: want alle zuurdeeg en alle honig, daarvan zult gij geen vuuroffer voor den Eeuwige in rook doen opgaan.

De Eeuwige Tsebaoth is met ons, de God Jakob's is ons tot toevlucht, Séla! Eeuwige, Tsebaoth, heil den man, die op ü vertrouwt. Eeuwige, help toch! Moge de Koning ons verhooren op den dag, dat wij Hem aanroepen. Gij zijt mij een schuilplaats, voor nood beschermt Gij mij. Gij omringt mij met reddingsjuichen, Séla! Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offer van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden, als in de jaren der oudheid I

Ach, Heer! verlos 't gebonden Israël door de krachtige grootheid van Uw rechterhand!

Verhoor het schreien van Uw volk, bescherm ons, doe ons rein zijn, Eerbiedwekkende 1

Behoed als Uwen oogappel. Almachtige 1 hen, die Uw éénheid zoeken te verbreiden;

Zegen hen, doe rein hen blijven, ontferm U over hen; bewijs hun bij voortduring Uw welwillende liefde I

Albedwingende, Heilige, leid Uwe gemeente met de voUe grootheid Uwer goedertierenheid!

Eenige, Hoogverhevene! Wend U tot Uw volk, die Uwe heiligheid steeds gedenken.

Verhoor ons smeeken, luister naar ons geschrei. Gij, die het verborgene kentl

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig I

') V. a. van wikken. J) tyisB its rOTs, niet door den aardschen rechter. s) Keriethoth 6a en amp;, vgl. Thalm. Jerus. Joma 4,5.

4) :=: Vm Log, eene zeer kleine hoeveelheid dus, vgl. noot 1 op blz. 7.

B

8

ocr page 391

rvTO rhun n

pquot;D3pi 'namp;bv ns^pi nvy n1# pn * rua rmp axysnhr} pap.! arh} pxp fpn?p p. • pap. njpfti nWia n^ia 'apn pan n^np nSo-p^ piin loq N5,ap .ponap pj. iS px jru DKi mig'-Sa PT?? nsa fjx isw |rij 'an * wntf:(gt;a n^o I? jan : nrro agt;n nyao-Saa nnjc nsn dn*} • nSosVan na n^TI fi'la • ^apn t|al3n eftv üw ns,n Ziaw S^Saa -nts ia pnW pDn?p. p: • nw n? -p^n-nx na parf povaa p^ JC^ .nS pa; a^n V N^ni * rwj?quot;»^ na .jisin

: niaan ^a ^n^a n^Sn id ^a fin aan aan pin now pnii? «nfa naw jn; ■•ai Jc^n ah ra*f?i vtyb *nn«7? px^qS nas?? • a^a^a1? na; Sipn^ dn? * pxsn^ n-^a -nma? ax ^S|n n| nin^a-i -iax -'w^

: nrra an n^aa-ba nnx Tan hf nsa nnn njr a^1? w aw1? nns new Nisp. na yn aiaiTp na jriij nn ibjc 'N-jsp na nij; • pxsn1? an^ '^31 na pa-i^a px naSi '.nnn y?a quot;rïa^S Sia; b-hc px ^ b$ •• $ nrx «aa iTapn sb virhii iNT^a ^a n-jax n-jinn^ ^sa Q-ix n,rx rte v: : nSo apj;;. nSx uS aa^a ua» nixa?^ isa 'h im nnx : •ijx-ipt ara ^San n^n { : -]3 naa ' wa qWiTi mn': nra;a quot;b na^i : nSa ^aaton aba : n1»3laip. a^^a-i obij;

.rupn p OTim lt;ai nhsn

vm'Ma* • nin? ^a? nb-w naa pwjip • Nni: -unqa -j^i nn Sap • anpiï naaa tjiw Tin nia; nj jwioa • abpi Tan ^pis aaqi aiqa nana r«quot;3pn • Tjnn^ Snj rjya ana ^npT ppq ptBquot;1» • ïjn^Tj? n5ir naa ?iap'? nm TH; n^ip» • niaS^T wfip^yot^ Sap =i:n^ : nxi aVij;'? Ino^a iü? a^ rjna

ocr page 392

9 OCHTEND-GEBED.

Num. 28,9 en 10. En op den Shabbathdag: twee sehapei, onder het jaar, zonder gebrek; en twee tienden meelbloem tot meel-offer, aangemengd met olie, en zijn plengoffer. Dit is het Shabbath-brandoffer op eiken Shabbath, behalve het gedurige brandoffer en zijn plengoffer.

Op het Nieuwemaansfeest zegt men-.

Num. 28,11—15. En op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer brengen voor den Eeuwige: twee jonge stieren, jonge runderen, en één ram, zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En drie tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij lederen stier; en twee tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij den éénen ram. En telkens een tiende meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij elk schaap; een brandoffer tot liefelijken geur, een vuuroffer voor den Eeuwige. En hunne plengoffers: een halve Hien zal zijn bij eiken stier, en een derde van een Hien bij den ram en een vierde van een Hien bij elk schaap, wijn; dit is het Nieuwemaans-brandoffer voor eiken eersten dag der maand voor de maanden van het jaar. En één geitenhok tot zondoffer; behalve het gedurige brandoffer zal het bereid worden en zijn plengoffer.

!) 1. Welke is de plaats [voor de verschillende dienstverrichtingen] der dieroffers? De allerheiligsten 1) worden aan de noordzijde [van het voorhof] geslacht; de stier en de bok van denverzoendag worden geslacht aan de noordzijde, en het opvangen van hun bloed in een voor den tempeldienst gewijd voorwerp geschiedt aan de noordzijde; en hun bloed moet met den vinger gesprengd worden op de plaats tusschen de draagboomen [der verbondsarke] en op het voorhangsel [dat tusschen het heilige en het allerheiligste hing] en op het gouden [reukwerk-] altaar. [Het nalaten van] ééne dezer spattingen houdt de verzoening tegen. Het overblijvende bloed goot men uit aan de westzijde van het voetstuk2) van het altaar, dat buiten [in het voorhof] stond; indien hij het evenwel niet uitgestort heeft, belet dit de verzoening niet. — 2. De [andere] stieren en bokken, die verbrand moeten worden,3) moeten aan de noordzijde worden geslacht en hun bloed in een voor den dienst gewijd voorwerp aan de noordzijde opgevangen worden; hun bloed moet met den vinger gesprengd worden op het voor-

1

') Tractaat Zebachiem, Hoofdst. V. 2) Brand-, schuld- en zondoffers.

2

) Het altaar in den tempel bestond namelijk uit een voetstuk ter hoogte van één el (tiD') en 32 el lang en breed; daarop stond een tweede prisma-vormig stuk, ter hoogte van 5 el en 30 el lang en breed, en daarop het eigenlijke altaar, drie el hoog en 28 el lang en breed; aan de vier hoeken van dit bovenste stuk stonden kubussen ter lengte, breedte en hoogte van één el (nw-ip, horens). Het bovenvlak van het tweede stuk heet aaw,

3

omgang, gaanderij.

ocr page 393

rvw nVan Ü

'o nquot;3 irma

n^D ^ Dü'üri njtr^s ni^rt bini

inaB'a rhy : üdji ro^a n%z nmD : naoji Tonn nVr1?^

it : • ; s,' T • j'~

o-nn pnV?

b^iiy quot;ipr^a DHÖ nin^ rhy isnpn o^tshn

• - ; I lt;tt iquot; : • t at i- ^t r): - v •• : t •• t ;

D'i^ : DO'pn njn^ n^-^3 to ^NI nVo inxn na1? roè'a nbbz nn:ö nVo

^ v lt; • : l* jquot; : at v it ^t - i v v - -«t : t ; • v lt;

nrnpnVo : inxn W) nmp

: mrrb nnn nnnV^ inxn traa1? ?oiba nb^a

it iquot; v. •* * quot; • - j.. t ^ at v ^it ^ v - i v v quot; -«t :

nyoii rnnnp^n^ n^n» pnn »xn an^pai 1^1: n 'Bhn1? itbnna an'n n)gt; n^r p^^aa1? pnn : iaD:i rïvy Tonn n1?^-^ nin^ nNLsnb inx onr

i ; • ; vquot; Tiquot; •gt;* t quot; s-^ at r v.t - ; 4T v

'n pifi DTrar

is jiaxa fnB'ntf D^npr D^nar1?^ joipp nw x \üit biapi |i3ïa fn^ntf onisan yyw) nahön-^i onan nnn joni fisva 'Vaa n^n om * naa^o rna nnx nana antn naro-^i

tt t - quot;t; v it : i v •• - - tt- ttquot; - : • ^- :

: aajr N1? jn: NVDK jix^nn naip-1?^ quot;iiD,:1?)r ^öiiy löT^ap^iöïajnü^n^D^i^nDn^ o^n^n ons a antn natD-^i nahön-^ nnn riyts ?qti tiüïa 'Vaa

tt- -: • -: vit- tt — I titti' t - -t ■ : •

4) l0. De stier, door iederen stam te brengen, indien door eene verkeerde beslissing van het hoogste gerechtshof eene overtreding door het volk heeft plaats gehad, die, indien opzettelijk geschied, met uitroeiing (nis) gestraft wordt (nnï So -in dSjih ib) ; 2°. de door den hoogepriester te brengen stier, indien hij op grond eener verkeerde wetsbeslissing eene dergelijke zonde heeft begaan (men pa ib); 3°. de bokken, door iederen stam te brengen, indien op grond van eene verkeerde beslissing van het hoogste gerechtshof eene overtreding op het gebied van afgodendienst heeft plaats gehad (tquot;r I-T»»).

ocr page 394

OCHTEND-GEBED.

hangsel en het gouden altaar; [het nalaten van] één dezer spattingen houdt de verzoening tegen; het overblijvende bloed goot men uit aan de westzijde van het voetstuk van het altaar, dat buiten [in het voorhof] stond; heeft hij het niet uitgestort, dan belet dit de verzoening niet. — Zoowel dezen als genen (de stier en bok van den verzoendag) worden op de aschplaats1) verbrand. — 3. De zondoffers der gemeente, zoowel als die van enkele personen, — de zondoffers der gemeente zijn namelijk de bokken, op de nieuwemaansdagen en de feestdagen gebracht, — moesten aan de noordzijde geslacht en hun bloed in een voor den dienst gewijd voorwerp aan de noordzijde worden opgevangen; hun bloed moest vier maal met den vinger gestreken worden, aan de vier horens van het altaar namelijk (zie noot 3 op blz. 9). Hoe handelde men daarbij ? De priester beklom den trap 2) en wendde zich naar den omgang (zie noot 3 op blz. 9) en kwam het eerst aan den zuidoostelijken horen, [ging van daar rechtsom en kwam achtereenvolgens] aan den noordoostelijken, noordwestelijken en zuid westelijken horen [terwijl hij telkens met zijn vinger een weinig van het bloed aan den horen streek.] Het overblijvende bloed goot hij uit aan de zuidzijde van het voetstuk. — Deze offers werden gegeten binnen de gordijnen [die het voorhof begrenzen] door alle mannen van den priesterstam; op welke wijze ook toebereid, gedurende éénen dag en den volgenden nacht, tot middernacht. — 4. Het brandoffer behoort tot de allerheiligste offers; het moet dus geslacht worden aan de noordzijde en zijn bloed in een gewijd voorwerp aan de noordzijde opgevangen worden en zijn bloed moet in twee spattingen aan de vier zijden van het altaar komen 3) en de huid moet worden afgestroopt, het offer naar zijne deeien ontleed en geheel op het altaarvuur verbrand worden. — 5. De vredeoffers der gemeente 4) en de schuldoffers, — de schuldoffers zijn namelijk de volgenden: het schuldoffer wegens roof5), het schuldoffer wegens gebruik van gewijde zaken 6), het schuldoffer wegens onteering eener verloofde slavin 7), het schuldoffer van denNazier8), het schuldoffer van den melaatsche9) en het schuldoffer wegens eene twijfelachtige overtreding 10), — moeten geslacht worden aan de noordzijde, en hun bloed moet in een gewijd voorwerp aan de noordzijde worden opgevangen en hun bloed moet in twee spattingen aan de vier zijden van het altaar komen (zie noot 3). Zij worden gegeten binnen de gor-

10

1

') Eene plaats buiten Jerusalem, waarheen men ook de asch bracht, die dagelijks vóór het begin van den dienst van het altaar werd genomen.

2

Aan de zuidzijde van het altaar bevond zich eene helling, ras genaamd, waar langs men tot boven op het altaar kon komen; daar naast was een kleinere opgang naar den aaio.

3

) De priester wierp namelijk uit het bekken een weinig bloed aan den

ocr page 395

rvw nSsn ♦

n»n DTI nny |nü nn« nariö panfj IVKI ibx 33^-N1? fna N^-DN jirnn narp-1?^ iiaïn nN'i3n rn ibx Tirm mavn n^tsn : : rtrin n^a

- I •• iquot; quot; t ~ : — - I v it - •• ;

fü*! biapi |i£3ï? ni^ia-b^i D'Bhn 'yyamp;

Vl^-by nvna V3i:tlt;t pyo joy jmz nnamp; ^33 ni?h amp;N2) 231D1? njöl ^333 1^2 ' nlllp

* n^-iyo n^isï * nmsï rm-iTü • n^mro n'oini

• t -: - • ; • : • t; • • t: • • :

* ♦pm TjaiE' n^n Dquot;in *ramp; * n^pmn JW^D bsKp-^s nsns nsrS o^^n-fp D^S1?

nni:»n^ awip vip nbiyn i : nivrrnv nb*b) avb

tt': * tIt vh t t -: *■ titt :

vnw jipu nai) fiaï3 nramp; ^33 no^ |13Ï3 : a^Nb ^31 nwji ü^ön nii^üi yzi# jnv niinp aamp;N * niD^K rn ibx * niD^Ki ti3ï vb# rar n

- -: t -: i •• iquot; t -1 - •• : - •• ; •

damp;k rn om nsnn nnstr d^k nibyo aamp;N ni1?^

~: ' t ~ ~: t ~: t : • ~ -; • ; ~ ••;

niamp; ^33 |aiT |i2i'3 * ^br\ ^niïp

vteb p^N:quot;! • yzix jn^ ni:np 'm pjrta jdti. fia^s

noordoostelijken en zuidwestelijken hoek van het altaar tegen de ribben, zoodat aan de vier zijden bloed zichtbaar was.

4) De 2 schapen, die op het Wekenfeest met de brooden der eerstelingen (Dntt'an onV) gebracht werden.

6) Vgl. Lev. 5,25. 6) Vgl. Lev. 5,15.

') Lev. 19,21. Verloofd beteekent in rabbijnsche taal iets anders dan bij ons. Het wil nl. zeggen, dat een bindend huwelijk is gesloten, doch de bruid vooralsnog in het huis haars vaders blijft; de jiüiTp hebben plaats gehad, de nsin, de eigenlijke echtverbintenis nog niet.

8) Vgl. Num. 6,12. 9) Vgl. Lev. 14,12.

10) Vgl. Lev. 5,18. Voor het geval namelijk, dat er twijfel bestaat, of iemand eene overtreding heeft begaan, die, opzettelijk geschied, met ma gestraft wordt.

ocr page 396

OCHTEND.GEBED.

dijnen van het voorhof, door de mannen van den priesterstam, op welke wijze ook toebereid, gedurende één dag en den daaropvol-genden nacht tot middernacht. — 6. Het dankoffer en de ram van den Nazier *) zijn offers van minder heiligen aard; zij mogen geslacht worden overal in het voorhof en hun bloed moet tweemalen gesprengd worden, zoodat het aan de vier zijden van het altaar komt; zij mogen gegeten worden in de geheele stad Jerusalem, door een ieder, op welke wijze ook toebereid, gedurende een dag en den volgenden nacht tot middernacht. Hetgeen als heffing daarvan [voor den priester] wordt afgezonderd, staat er geheel gelijk mede; met dien verstande evenwel, dat dit afgezonderde slechts mag gegeten worden door de priesters, hunne vrouwen, kinderen en slaven. — 7. Vredeoffers zijn van minder heiligen aard [dan de in Mishna 1—5 genoemden]; zij mogen overal in het voorhof worden geslacht en hun bloed moet tweemalen gesprengd worden, zoodat het aan de vier zijden van het altaar komt. Zij mogen gegeten worden in de geheele stad, door een ieder, op elke wijze toebereid, gedurende twee dagen enden daar tusschen liggenden nacht. Hetgeen als heffing ervan wordt afgezonderd, staat er geheel gelijk mede, met dien verstande, dat het afgezonderde slechts mag gegeten worden door de priesters, hunne vrouwen, kinderen en slaven. — 8. Het eerstgeborene en het tiende van het vee en het Paaschoffer zijn van minder heili-

fen aard. Zij mogen overal in het voorhof geslacht worden en un bloed behoeft slechts éénmaal gespat te worden, mits men dit doet op eene plaats, waaronder het voetstuk zich bevindt en aard. Zij mogen overal in het voorhof geslacht worden en un bloed behoeft slechts éénmaal gespat te worden, mits men dit doet op eene plaats, waaronder het voetstuk zich bevindt 2). Wat het eten betreft, bestaat er tusschen deze offers verschil: het eerstgeworpene nl. wordt door de priesters gegeten, het tiende daarentegen door een ieder, doch beiden in de geheele stad, op elke wijze toebereid, gedurende twee dagen en den daartusschen liggenden nacht; het Paaschoffer daarentegen mag niet anders gegeten worden, dan bij nacht, slechts tot middernacht, slechts door hen, die er bij gerekend zijn, s) en niet anders dan [aan het vuur] gebraden.

Rabbie Jishma'el zegt; Door middel van dertien afleidingsregelen kan de Heilige Leer verklaard worden: Door gevolgtrekking van het minder tot het meer gewichtige; door toepassing van dezelfde wetten bij verschillende zaken op grond van traditie betreffende gelijkheid van uitdrukking; door eene bepaling bij eene zaak als stelregel te gebruiken, hetzij die bepaling op een of twee verzen berust; door een algemeen begrip, gevolgd door bijzonderheden (waar onder het algemeen begrip niets gebracht mag worden, dan wat uitdrukkelijk genoemd is) en door bijzonderheden gevolgd door een algemeen begrip (waardoor alles wordt inbegrepen).

Wanneer een aantal bijzonderheden worden voorafgegaan en gevolgd door een algemeen begrip, moogt gij de wet op niets

11

ocr page 397

mnir nVsn n»

: niïn n^Vi dvV VDKO-bsa nans nsrb D^bsn rö

s *- t ;r t : tiquot; t : t \ : ••: •; t i: - i •

ninra Dipü-^2 rnü^nt^ a^p D'Bhp yt: nmnn i

tt^jt It t : itt*; *1- 'tit -t ••; t

* vilt* |n^ ni:nD ♦nty pya fo-ii Dno onisn * niïn ny nb^i di^ Vdno-Vds din-Sd^

v •• t ' -; t ; r t ; t -i - t : t t t ;

Dir:^ Dn^:b Darts'? DTisn^ NVX onn MXI»3 n^SDipü^aafn^n^ D'En^ q^V t : onn^Vi 'bz) quot;i^n'VDS ^3quot;i« jn^ ni:riü loni

KXI»3 Dn» oman * inK nWi D^ ':vb VDKD-Vaa mx

*• - v •• t - tv t ; r : • t •• ; * t -: - t ; t t

: DCVK^'?!| öh^;1? D^ria1? baw onian^ NVK ona Dipü-^i iriü'n^ D^i? D^npT npsni. maan n

: iio'n 13:3 ?jw naVai * nnx mno rwp toii nnnra

; - viv : i •• • v t ; • tv t t - i t itt: tt^*: t

DiK-VaS T^ani a^naV Vax: -iiaan mVaxa

tt t : ■ -j t v: v ; - i t t • -: - t •

• nntt nb^i D*D' wb VaKO-baa i^n-baa pbaMJi

tv t ; i- ; * t •• : • t - t : t t : i • t v: v j

nivmy «bx baw irxi n^ba batw irx noan

-; - t v t v; v •• : t :i— t v t •••; v •• - iv -

; *bx «Vk bDtv lyai vmb aba baw i:w

, t tv t v; v •• ; t ; • t v t •.•: v •• ;

•qijto min fia Wntquot;1 'n xn^ia

; n^n: minn nnö amp;bamp;2 lam bttVDP* 'an

v it : • t - * quot;: v ; • •• t : • • -

inx amao a« nsa * mtr mnoi * itDim bpD

tv t • t it; • • tt tquot;; • vit i- •

* bbzi □quot;löüi • ^iai bbso * a^aina vamp;o aK r'jaDi

t; t:* t: t;* • :••;• tit:**

Sbao * üian r^a n nnx »k bbzi onsn bbs

t : ' t quot; i •• : t v i t t ~ t ; t : t :

') Vgl. Num. 6,17.

!) Aan een deel van de oostzijde en een deel van de zuidzijde liep nl. het voetstuk niet door.

3) Vgl. Exod. 12,4.

ocr page 398

12 OCHTEND-GEBED.

D^rDön DWO pi - IÖIDÖ löbn *\yvi; waya : Dn\^3 aman kW nrrgt;K nr

rnnp? ^quot;npan irnla® flSjo -irnS?? \] ?i^aSa psn \quot;i*

0^31 oSiy io13 nxT? ïjia^j D^I: : ^nnin? ini: yp;?

imn -pzi 3quot;nsi naian onp pnaS riygt;M »»»»■« Snj n'bo t^carnna

imi vhiïöa mnp ntyx oVi^n irribn « nn» Tina

it* ; t : • ; it :l • v -: t ^ t )v iv iquot; •.•:*: t - | t

: nx^v? «i^nnb

I»N* irisw inxi

HIT : p'ön^ ^333 bïa Dn« ^ni ^ftpn n» Dnn upp ?|a^ »3 : Dp^n bnri i^p •' ^npnïi ^jipn -j'^D : niK-nKnj

tenzij de heilige Schrift haar uitdrukkelijk wederom onder den regel begrijpt. — Iets, dat uit den samenhang [met andere wetten] wordt afgeleid of iets dat uit het vervolg [der bepalingen betreffende de zaak zelve] wordt afgeleid. — En evenzoo: twee bijbelplaatsen, die elkander tegenspreken, [kunnen niet worden opgehelderd,] tenzij een derde bijbelplaats de tegenstrijdigheid oplost.

Het zij U welgevallig. Eeuwige onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij ü in eerbied dienen als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

Bij het aantrekken van het groots Tcdlieth zegt men staande;

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt ons met de schouwdraden te omhullen.

Vervolgens doet men het Tallieth om en zegt, terwijl men erin gehuld is: Hoe kostbaar is Uwe genade, o God! ook menschenkinderen vinden bescherming onder de schaduw Uwer vleugelen! Zij drinken tot verzadiging uit den overvloed van Uw huis, en Gij drenkt hen uit den beek Uwer heerlijke genietingen. Want bij U is de bron des levens, in Uw licht zien wij licht! Verleng Uwe genade voor hen, die U kennen, en Uwe gerechtigheid voor hen, die oprecht zijn van hart!

ocr page 399

nnntp rbön a»

-Sa * ionv üiödi * t^öS Tinx KUT^

t t : * i * f v tc * t; • i • t

-Sjr nab1? naSb Sban-ro xvn n»n^ I3i

•• - : •• - : t ; - i • t t : t ; • t t v t t

■QTVS * ib bbsn nabb my

t t t tt \ tlquot; : tv tt

ii»3p Kiniy nnt^ r^b Kïn Sbaa nr\iï

tt t'.• i v t v 1 i i ^ : - tt; t ; • tt v

\tyvb xïn Sbaa n,ni!' larba * n^nnb abï bpnS

1^:* tt: t:* t t v tt t •-:-; ; 1quot; t;

n^ni^ -arba * ym^ bpnV w lyj^D KVty nnw wta

tt V tt t • -: - : i •• t S tt t: : v •• - 1^- i

nnnnS bw nnw 'k uhnn nnna ?nb Kïn

•-:-: t t- • ttv tt~ i * tt; t;*

nöbn in ' am^n ^nrvt^ iVSaquot;?

„ t - t t - : t : • t - iv • -;- v quot; t ; •

anders toepassen, dan op hetgeen met die bijzonderheden overeenkomt. Door een algemeen begrip, dat nog nadere toelichting in bijzonderheden noodig heeft, ^ en door bijzonderheden, die door het algemeene begrip opgehelderd worden. 2) Elke zaak, die in het algemeene begrepen was en uit dit algemeene is uitgetreden [afzonderlijk behandeld is] om ons iets nieuws te leeren, is niet alleen afzonderlijk behandeld, om ons [de nieuwe bepaling] voor die ééne zaak zelf te leeren, maar is afzonderlijk behandeld, om [ons die nieuwe bepaling] te leeren met betrekking tot het ge-heele algemeene begrip. Elke zaak, die in het algemeene begrepen was, en afzonderlijk behandeld is, om eene nieuwe, verlichtende bepaling vast te stellen, in een geval, waarin volgens de bepalingen bij het algemeene begrip eene zwaardere wet wordt toegepast, — is afzonderlijk behandeld, uitsluitend om die lichtere bepaling te geven, doch niet om de verzwaringen, die bij het algemeene begrip gelden, toe te passen. Elke zaak daarentegen, die in het algemeene begrepen was en afzonderlijk behandeld is, om nieuwe bepalingen te geven, voor gevallen, die bij het algemeene juist tegenovergestelden invloed hebben, is afzonderlijk behandeld, om de daarbij uitgesproken verlichtingen en verzwaringen aan te geven [zonder dat uit het algemeene iets op die afzonderlijk behandelde zaak mag worden overgebracht]. Eene zaak, die in het algemeene begrepen was en afzonderlijk behandeld is om volgens eene geheel nieuwe bepaling behandeld te worden [die bij het algemeene in het geheel niet voorkomt], heeft men niet het recht weder onder den algemeenen regel te brengen,

') In welk geval niet de regel cnai V» geldt.

') In welk geval het niet wordt beschouwd als ¥731 dib.

ocr page 400

13 OCHTEND-GEBED.

(Het zij U welgevallig, Eeuwige, onze God, en God onzer voorouders, dat de vervulling van dit gebod der schouwdraden beschouwd worde, alsof ik het vervuld had in al zijne bijzonderheden en nevenbepalingen en met de daaraan ten grondslag liggende gedachten, met de 613 geboden, die ermede in verband staan; amen!)

Van -ic.sï.' -]nn tot mnaoro ssns wordt staande gezegd, terwijl men de heide voorste rwx in de rechterhand houdt. Zoodra men begonnen is, mag het gebed tot nd niet onderbroken worden; echter met deze uitzonderingen: op unp te antwoorden met N3T noü xm jon; op «ia met njji ftaan 'n -pia, hij rwnp de verzen nip en 1123 mede te zeggen, zoolang men niet zelve hezig is 33quot;d te lezen-, is dit het geval, dan zmjge men, zoolang een dier formulieren wordt uitgesproken, en luistere.

Bij het verrichten van het gebed met de gemeente, komt het in hoofdzaak er op aan, vquot;v tegelijk met de gemeente te lezen, zoo mogelijk ook vquot;p met zijne lofzeggingen. Wie dus te laat ter Synagoge komt, om alle Psalmen en bijbelplaatsen, die hier volgen, aan zijn gebed te doen voorafgaan, kan, indien er geheel geen tijd meer is, onmiddellijk ns w met de gemeente beginnen; htefl hij eenigszins tijd, zoo begint hij •i,quot;a) en zegt vervolgens •nrs tot rmSbn, vervolgens nriwj en naniï'. Heeft hij nog meer tijd, dan worden nog andere stukken bijgevoegd, zóó echter, dat hij tin iïh met de gemeente kunne zeggen. Hetgeen bij het gebed niet gelezen is, behoort later bijgevoegd te worden, evenwel zonder en nancn.

Geloofd zij Hij, die zeide — en de wereld ontstond, geloofd zij Hij; geloofd zij de Maker van het begin der wereld ; geloofd zij, die zegt en ook doet; geloofd zij, die besluit en volbrengt; geloofd zij Hij, die zich ontfermt oyer de aarde; geloofd zij Hij, die zich ontfermt over de schepselen; geloofd zij Hij, die degenen die Hem vreezen, met goeds beloont; geloofd zij Hij, die eeuwig leeft en door alle tijden bestaan blijft; geloofd zij Hij, die bevrijdt en redt; geloofd zij Zijn naam ! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der Wereld, Almachtige, Albarmbartig Vader ! Wiens daden geprezen worden door den mond van Uw volk, die geloofd en geroemd wordt door de tong Uwer vromen en Uwer dienaren. — Met de liederen van Uwen dienaar David willen ook wij Uwe daden prijzen, Eeuwige, onze God, met lofprijzingen en gezangen Uw grootheid verkondigen, U loven en roemen. Uwen naam in herinnering brengen en U als Koning doen erkennen, onze Koning, onze God, Eenige, Eeuwiglevende, Koning, Wiens groote naam geloofd en geroemd worde tot in eeuwigheid. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Koning, Wiens daden in lofprijzingen worden geprezen!

Na de schouwdraden gekust te hebben, laat men ze los.

!) Dankt den Eeuwige, roept Zijnen naam aan, maakt Zijne daden bekend onder de volkeren! Zingt te zijner eere, verheft uwen zang tot Zijnen lof, bespreekt al Zijne wonderdaden! Zoekt uwen roem in Zijnen heiligen naam; dat zich verheuge het hart van hen, die den Eeuwige zoeken. Verlangt naar den Eeuwige en Zijne macht, zoekt steeds Zijn aangezicht! Gedenkt Zijne wonderdaden, die Hij gedaan heeft, Zijne teekenen eu de rechtsuitspraken van Zijnen mond! Gij kroost van Israël,

ocr page 401

nbön x

^«3 it nrs nip nawrj irrila?? ^nSxi wrtSj? ^ v'o P'ST vr : {ex • na o^Spn ni^o jquot;nni n^nijpi n^nrSa? n^nprp

mnatJTia ^ quot;ionu' ^na n'iBn ,pidb i103 Ti-ïn 's'x-'1 mh «o o^Dtrn jn 'n nx iSbn =quot;«quot; n-'iSSn oSiy lyi 15 quot;inS nSnn p ™ •w norj ^quot;nsi nnSSn ^ inpa Sn iSSn y™ n^SSn ianp dj? 1» DimNiniquot;'»^ aim kpi 1» nS nm ^ ^ D, 0x1 tnan^ 'quot;10X1? ina pquot;1 i^quot;1 n*' ^ mno -h ps Dsi ;imi or hhsnrh na tnpw nx isv «quot;3 ^ 123 0x1 nanu',i notrj miS nSnn

msi mor row» insi /imn or nitTJT HJIO^ rpnirc oy DX'lp

.nanci nSi iss» ina ins' «Si ,rnnï''' is 'iai tiS mn

.rmsi'a iiiissii nONC ina nrca irwn i-r-a vos1?!? 'no Tn.s-gt;

Tjiia * Kin ^13 * abi^n n^ni noK^ Tjiia

* D^OI ITIÜ Tjiis • n^ijri iQiK ^13 ' n^Kna Tjins * mnan-^ DTO

* nïiS a»pi npS ♦n 'nna * 2113 -ot? chiïü

-IV t Tl-; t - I t t •• • tt •• - :

Tjbo wjibK \\ nnx ^13 * loip ^13 * VVÜI nnis ^13 iNSjai nsiro iö^ ^3 Vbnün romn 3Kn bxn * obiyn

t ; t ••. ; ~ * : t *.. : - i t -: -t t t •• t t ^ t

wpbK ♦♦ ïjbbn; ^3^ in * v-t3^i VTpn ji^bs

n^ni ^köii ni*vpT3i nin3^3

iNfsai ns^p Tjbü * D^iyn »n Tn» irn1?^ 133^0 : nins^ris ^bnp Tjba v. nriK Tjiis - Vnri ïm

.ITO Drpy»i nnïn pvv

V'*» 'n nquot;n

h m : vri1?^ d'^3 i^nm 10^3 wip «S Win IBHE Dt^s ibbnnn : vnKVörbss lymsr nsr : n^on v:fl 1^3 1^1« win : « ^p30 3b nö'^»

. ; * * T TT I: - ^. ; T; ; • ▼: •• I: - : •• - ; •

Skiü'» jnr : in^-^öE'Di vnab ntrv vnïibfij

•• t: • ^ -iv r •• ; ; • t : t ^t v -; t ; : '

') I Kron. 16,8—37. Deze verzen werden gedeeltelijk 's morgens, anderdeels des middags bij het brengen van het dagelijksche offer uitgesproken.

ocr page 402

OCHTEND-GEBED.

14

Zijnen dienaar, zonen van Jakob, die Zijne uitverkorenen zijt, — Hij is de Eeuwige, onze God, over de gansche aarde reiken Zijne rechtsuitspraken! Gedenkt dus tot in eeuwigheid Zijn verbond, het woord, dat Hij geboden heeft, tot in duizenden geslachten; [het verbond] dat Hij gesloten heeft met Abraham, en [gedenkt] Zijnen eed aan Izak; Hij stelde het voor Jakob tot een vaste bepaling, voor Israël tot een eeuwig verbond, zeggende: u zal Ik geven het land Kena'an, het u toegewezen erfdeel. — Toen gij nog weinig in getal waart, gering — en er als vreemdelingen u ophieldt, en zij zwierven van volk tot volk, van het eene koninkrijk naar eene andere natie, liet Hij niemand toe hen te verdrukken, en bestrafte om hunnentwille koningen: HRaakt niet aan Mijne gezalfden en Mijnen profeten doet niets kwaads!quot; — Zingt ter eere des Eeuwigen, aardbewoners allen! verkondigt van dag tot dag Zijne hulp! Verhaalt onder de volkeren Zijne heerlijkheid, onder alle natiën Zijne wonderdaden. Want groot is de Eeuwige en Zijne daden hoog geprezen, Hij is eerbiedwekkend meer dan alle goden! Want alle goden der natiën zijn afgoden, de Eeuwige echter — Hij heeft den hemel gemaakt; majesteit en glans is vóór Hem, macht en blijdschap op Zijne plaats! Geeft den Eeuwige, gij geslachten der natiën, geeft den Eeuwige heerlijkheid en macht! Geeft den Eeuwige de heerlijkheid van Zijnen naam, draagt geschenken en komt vóór Zijn aangezicht, werpt u neder voor den Eeuwige in heilig pronkgewaad! Beeft voor Hem, gij aardbewoners allen! dan staat vast de wereld, zij wankelt niet! De hemel verheugt zich en de aarde jubelt, als men zeggen zal onder de volkeren: «de Eeuwige regeertquot;. Dan bruischt de zee en wat haar vult, luide jubelt het veld en al wat erop is. Dan juichen al de boomen des wouds voor den Eeuwige, — want Hij komt om over de aarde recht te spreken! Dankt den Eeuwige, want Hij is goed; want tot in eeuwigheid duurt Zijne genade! En zegt: help ons. God van ons heil, en verzamel ons en red ons van de volkeren, opdat wij danken Uwen heiligen naam, opdat wij ons roemen in het prijzen van Uwe daden. Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid!!) — en het gansche volk zeide: «amenquot; en prees des Eeuwigen daden.

Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijn voetbank, heilig is Hij ! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijnen heiligen berg, want heilig is de Eeuwige, onze God. Doch Hij, Albarmhartig, vergeeft misdaad en vernietigt niet; reeds veelmalen wendde Hij Zijnen toorn af, en wekt nimmer Zijne geheele gramschap. Gij, o Eeuwige! onthoud

') In deze woorden vinden de geleerden eene toespeling op de toekom-

ocr page 403

mnp nbsn T

: pK!TbD3 irn'bK « «in : v^na »33 iinjr

-nN n-D : mi éi^nquot;? niï im mna obi^

- t v -: | v iv; t • tt • : t ^ : : *

pn1? ap^b nTp^ü : pnï^ i DrnriK : oanbn: San j^rp^ |riN ^ -ionj1? : aVi^ nna ■quot;?« 'i-io iDbnnquot;'! : na anji ^oa isdd ♦nö oani^na

: - ; * - t * t : ' : • t : • •• : v ; : •

n^n-^ : quot;inK nabDapi ^ia

VK 'K^aaai ♦n^pa i^n-bis : Q^aVü on^ nain : dvVx-dI'ö n'^a pKrrVa quot;b : ijnn « Vina »3 : vn^bsj o^a^n-Saa niaa-nx D^iaa nao

*: t • t : : * . • ~ t t : : v • - : quot;

'ribsj^a ^a : Dv^N-Sa-Vy Kin TKO ^bnöi

t • v: t t : ; t •.. :

mini ip vjab nnni nm : ntry quot;i D^Djrn

t x v : t t : t t : t t • i- t t - • v; * ^- t

ian : maa lan o^oy ninsra quot;b lan : ibpoa

t t t t - # t • : ; • tquot; t f*

quot;S linnen VJÖ^? ixai nn:D 1^ iDty maa MS

t- -:-;• tt: i t:* ; : t -

: üiörr^a ^an jian-e]N ptfrrVa Vifibp i^n : ^ip-nnnna üyy : quot;nbo « D^aa riü^n p^n bani D^o^n inot^*

^- : • j t t *; • - : . : | v it t •• t : * i- t - ; : •

*-£% vw : ia n^sj-Sai nn^n ixbai ar\ aiü *a quot;b nm : pxn-nx üia^1? Ka-»a « ^aVo quot;i^sn

tquot; | vit t v ; • t •▼;••:• • ^it-

liïapi i:^» 'n^N u^^in noxi : non abi^ 'a : ^nbnna nan^nb ^np nnnb n^rrjo ub^ni -Sa np^i oV^n't^i Dbi^n-fp « -jiia

onn1? iinn^m irribx M loon : ^ Sbm ?ün D^n

_: - -.-... ,.. ... t. _. t - •• - : i •• t t t

ii?np mV iinn^ni wrha quot; iödii : Min irmp vbai

:It i- v; *: -: It t ; quot;

n^nB't NSI |ijgt; laa^ Dim. Mini : irnVx \\ i^np »3

-Kb quot; nnx : innn-Sa yy ïèi iöm yvrh na-mi

▼; t - t-: t ^t : - 't: t;*:

stige wereld; dit formulier zou nl. juist zijn ingesteld met het oog op hen, die het leven hiernamaals ontkenden.

ocr page 404

OCHTEND-GEBED.

mij Uwe barmhartigheid niet; Uwe genade en Uwe trouw mogen mij steeds beschermen! Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige! en üwe genadebewijzen; want sinds alle eeuwigheid zijn zij! Kent God macht toe, Wiens hoogheid over Israël is, gelijk Zijne macht in de wolken. Eerbiedwekkend is God, meer dan uwe heiligdommen! de God van Israël, Hij is het, die macht en sterkte geeft aan het volk; geloofd zij God! God der vergelding. Eeuwige, God der vergelding! treed stralend te voorschijn! Verhef U, Gij Eechter der aarde, geef vergelding hunner daden den hoogmoe-digen! Doch bij den Eeuwige is de hulp, over Uw volk is Uw zegen, Séla! De Eeuwige Tsebaoth is met ons, de God van Jakob is ons tot vesting, Séla. Eeuwige Tsebaoth, heil den mensch, die op U vertrouwt! Eeuwige! help toch, moge de Koning ons verhooren op den dag, dat wij Hem aanroepen! Help toch Uw volk en zegen Uw erfdeel, weid hen en verhef hen tot in eeuwigheid. Onze ziel verbeidt den Eeuwige, Hij is onze steun, ons schild; want in Hem verblijdt zich ons hart, want op Zijnen heiligen naam vertrouwen wij. Zoo moge dan Üwe genade over ons zijn, o Eeuwige! gelijk wij op U hopen! Toon ons, o Eeuwige, Uwe genade, en verleen ons Uw heil! Sta op tot onzen bijstand en bevrijd ons ter wille van Uwe genade! Ik ben de Eeuwige, uw God, die U heb opgevoerd uit het land Egypte; open wijd uwen mond, en Ik zal hem vullen! Heil het volk, dat iets zoo-danigs bezit! Heil het volk, wiens God de Eeuwige is! En ik, ik vertrouw op Uwe genade, mijn hart juicht in Uwe hulpe; ik wil zingen den Eeuwige, want Hij heeft mij welgedaan!

Psalm 19. Voor den zangmeester: een psalm van David. De hemelen verhalen de heerlijkheid Gods, en: «WerkZijner handenquot; deelt het uitspansel mede. De eene dag doet den andere toevloeien het woord, en de eene nacht verkondigt den andere kennis. Niet uitspraak is het, niet woorden, wier stemme niet wordt gehoord, — maar over gansch de aarde strekt zich hun meetsnoer, en tot het einde der wereld hunne uitspraken; voor de zon plaatste Hij een tent in hen. En deze, gelijk een bruidegom uit zijn bruidsvertrek te voorschijn treedt, verheugt zich als een held om de baan te doorloopen. Van het einde der nemelen is zijn uitgangspunt en zijn omloop over hunne grenzen, en niets kan zich verbergen voor zijnen gloed 1 — De leer des Eeuwigen is volmaakt, zij verkwikt de ziel; het getuigenis des Eeuwigen betrouwbaar, het maakt den onnoo-zele verstandig; de bevelen des Eeuwigen zij n rechtvaardig, zij verheugen het hart; het gebod des Eeuwigen is zuiver, het verlicht de oogen. De vreeze des Eeuwigen is rein, zij bestaat eeuwig; de rechtsuitspraken des Eeuwigen zijn waar, rechtvaardig allen te samen. Zij zijn meer begeerenswaardig, dan goud en fijn goud in menigte; en zoeter dan honig en uitvloeiend zeem. Ook Uw dienaar wordt door hen gewaarschuwd; bij hunne inachtneming [vindt meu] groote belooning.

15

ocr page 405

rvTO nban ID

^öniiDT : Tpn ^pn ^ÖÜ ^ürn xbDn D^ribKb iy un : nsn dVi^ü ^ ^nDm « Nin D^ribx Nil:: D^ntfa 1^1 ïnm

S« « nio^ : DTibx nioïsmi |n:

: D^r^ quot;7102 aiyn pxn liaty n'mr\ : nio^ -na'^p way ninnï « : n^D ^HD-ID ^arbj? ^ « : Tia nt23 DIK n^K nixnv quot; : nbo spy ^ribN w1?

t: I t - iquot; t t ••: - t : *: t iv I .quot; quot; v: it

ipni n^^in : ^an n^^in

wyy. quot;*? nnsn : Dbiyrn^ n^ni ^nbnrnN -♦n» : wntsa i^-ip Dtrn ^ wa1? ntiw ir^ : wn wajDi

• : ; it t :it •• ; • iquot; • - : • • iquot;* t

^'1 V: WNf^in : rjb ubrr n^N2 « ^pn « ♦DJN : nion inai i:b nnnr^ naip : wS-rnn

▼: t I iv: - l'5, 1- ; r*: it t it-.^v t I it I v •

nB'N nnN^öKi ^fi-annn onyp pKD ^sn ♦nnL33 ïiiDna 'JNI : VHVK quot;V D^n ib rmw D^n

• : 1- t i :; - : * -: - t •.•:*;•.• t t ••: - t it v 't t

: bm »3 «b bx

T T -t t- t 1* t i iv tt ......

n'^oi ^N-nina onsDD D^a^n : irh quot;iiötd HÏ^Öquot;? Ö'

•• - •• ; • : - : • r t - • t ; ; • quot; iquot;quot; : ~

IOK yy DI^ DI» : rpin VT

t :i- ; f v 1 ^ r - : Ii t t - tt .

»S3 ^NJI nüN pK : nyrnw nVbS wmb Dn^D nïpni Dip KÏ» -pHn-bDS : obip

v iv - ..... .... •• i : • tl- tt 1 vit t t : t i

ni333 wv inano KX» Tnn3 Kini : Dn3 briK D'Bgt;

• : • t t % •• •• i t t : : v t v i t

Dniïfr1^ infipni isiïio D»o^n ngt;'pQ : mx pnS nm 1^32 nn^n « niin : inano quot;ino: r^t

vit - i* ; t • : *: - t - •• t ; • I •• :

niïo 31? 'na'B'p on^. v. 'lip? : ♦na na^sna max: « «-♦üfi^a -iv1? may mint: « nx^ : m^a nquot;)3 «

▼; •• ; : • t viv^ t : *: - ;• •itquot;* - • : tt ▼:

raa a^pinai 31 raai sn-ta onanan : m ipnï nas4

- : ' i • ; t - • tt* • t v: v - t : - i : t v v:

: 31 3py Dna^ ons nnn ni3y na : d^iï na:i

r i vn4» t ; t ; v t t ; • | ; : ^ * * v 1 ;

ocr page 406

OCHTEND.GEBED.

Dwalingen — wie bemerkt ze?! houd Gij mij rein van verborgen zonden! Ook van moedwilligen houd Uwen dienaar terug, dat zij mij niet beheerschen; dan zal ik schuldeloos zijn en rein van zwaar vergrijp. Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser!

Psalm 34. Van David, toen hij zijn verstand verloochende vóór Abimélech, waarop deze hem verdreef en hij wegging!) -. Ik wil den Eeuwige loven ten allen tijde; steeds zij Zijn lof in mijnen mond. Mijne ziel beroeme zich op den Eeuwige; dat bedrukten het hooren en zich verheugen. Verkondigt des Eeuwigen grootheid met mij; laat ons te samen verheffen Zijn naam! Den Eeuwige zocht ik en Hij antwoordde mij, en uit al wat mij verschrikte, redde Hij mij! Die tot hem opzien, ontvangen licht en hun aangezicht wordt niet donker van schaamte. Deze ongelukkige riep, en de Eeuwige verhoorde, en hielp hem uit al zijnen nood. De engel des Eeuwigen legert zich rondom hen, die Hem vreezen, — en maakt hen vrij! Ondervindt en ziet, dat de Eeuwige goed is; heil den man, die bij Hem bescherming zoekt! Vreest dus den Eeuwige, gij Zijne heiligen; want geen gebrek lijden zij, die Hem vreezen! Jonge leeuwen lijden gebrek en honger, maar zij, die den Eeuwige zoeken, ontberen niets goeds! Komt, kinderen, luistert naar mij, de vreeze des Eeuwigen wil ik u leeren: Wie is de man, die leven wenscht, die vele dagen begeert om goeds te zien ? Bewaar uwe tong voor kwaad en uwe lippen voor het spreken van bedrog; houd u verwijderd van het kwade, en doe het goede; zoek vrede en jaag hem na! Des Eeuwigen oogen zijn gericht op rechtvaardigen, Zijne ooren wenden zich tot hun schreien; het aangezicht2) des Eeuwigen richt zich tegen de boosdoeners, om hun aandenken van de aarde uit te roeien. Doch als zij schreiden, dan hoorde de Eeuwige, en redde hen uit al hunnen nood. Want de Eeuwige is nabij de gebrokenen van hart, en helpt de terneergeslagenen van geest. Wel zijn veel de rampen des rechtvaardigen, maar uit allen redt hem de Eeuwige; beschermend al zijne beenderen, zoodat niet één van hen gebroken wordt- Den booswicht daarentegen doodt het ongeluk, en die den rechtvaardige haten, boeten hun schuld. Doch de Eeuwige bevrijdt de ziel Zijner dienaren, en die bij Hem bescherming zoeken, boeten hun schuld niet!

Psalm 90. Gebed van Mozes, den man Gods; o Heer, een toevlucht waart Gij voor ons in alle vroegere geslachten, Voordat bergen voortgebracht waren en Gij aarde en wereld deedt baren, en van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God! Gij voert den sterveling tot verbrijzeling, maar spreekt: Keert terug, gij menschenkinderen! Want duizend jaren zijn in Uwe oogen als de dag van gisteren, als

') Vgl. I Sam. 21,14. ') De toorn.

C

16

ocr page 407

rvw nbfin TD

tanjtö D3 : ^[5; nnriDab |^»ö nmvp -noK jixn'? vn» : T\ ypbü »n'j5^ on^ m : nw quot; »3^ |i»jni »0

5 ^.1 in^na^. ^0^« isj^-nj* ima^a in1? nS Ma : »33 inVnn n^n nr^3 quot;-nx ™n2N

t quot; * : ti : i t t ; •*; v t -:t -:

notfhji 'nx «quot;? bbnnri

iia'an ; ^yvn ♦ninuo-^üi «TIK ID^

quot;Vsöi ym «1 tsj^ ^ nr : dh^öi nnji. vVk

tójn? : Dï'pnn. VN'^,,? nj'n : i^^in vnnx

^riN ixn; : irnDrr naan n^N « 31 IN-II 'kS « ♦Bhii 13^ iBh Dn»fl3 : VNTV HDHD px »3 quot;'p : DDlö^K quot; DKT 'Vtynv D^riD^ : Slüquot;1» iipn; f)ii^ lx: : aiü niKn1? D»Ü» ariK Dquot;n pann ^(53 3iL3-nquot;TO vjü quot;IID : naia IS^IÜ ^na^i : an^w-bsï vimi D^nr^K » : ^naTii DIVB^ Vüv quot;t\ ip^ï : dist pjstö nnpn1? yi wyz « ♦ja -^arnKi 3L?-n3f:b « 311^ : D^vn annr^spi quot;ipiy : \] 0^01 pHV ni^-i ni3*i : nin ^^quot;1 nnion ; m3B': kV nsno nnx vrioxr^

.tt tt •• ; tit : • tiquot;quot; - - t : m r

quot;S3 iDtyK* KVI in3jr vsn quot; nis .* IDITK» Ö^X

t ; ; V ; t t quot;S Viv t; v it ; V | • - •• ; ;

: 13 tfpnn

wb n^n nnK ?i^o ^quot;IK D^nVKn^'K niro1? nban s

•t t 1* t t ~ i t t quot;ï * VJ t * V ; t * ï

riK Winm rh* onn di^3 ; ini 113

..... 1 viv .. . - tr.% .t v1v . t .

quot;löKm N3T^ 1^1:« 3tpn : bKTinK DVI^OI

'3 SlDnKDVS ï|^3 QVV 6]^ ^3 ^31^

ocr page 408

OCHTEND-GEBED.

hij voorbij is; als ééne wake in den nacht!1) Gij doet henweg-stroomen, als een slaap zijn zij; doch des morgens vernieuwt het als gras zijn levenskracht; des morgens bloeiend en vernieuwd van kracht, snijdt men het tegen den avond af, zoodat het verdroogt. Want wij gingen te gronde door Uwen toorn, en door Uwe gramschap zijn wij verschrikt. Gij steldet onze misdaden tegenover U, ons geheimste denken in het licht van Uw aanschijn. Want al onze dagen zijn heengegaan in Uw toornig woeden; wij eindigden onze jaren als een enkelen galm! De dagen onzer jaren — hun aantal is zeventig jaren en, als zij machtig veel zijn, dan tachtig jaren; — en hun trots is zorg en nietigheid; want spoedig is het afgesneden, en wij vliegen henen! Wie kent de macht van Uwen toorn! Ja, gelijk de vreeze voor U is Uw toornig woeden! Leer ons dan zóó onze dagen tellen, dat wij een hart vol wijsheid verwerven. Keer terug, o Eeuwige, — tot hoelang nog! — en verander van besluit over Uwe dienaren! Verzadig ons in den morgen met Uwe genade, opdat wij jubelen en ons verheugen gedurende al onze dagen! Verblijd ons gelijk de dagen, toen Gij ons vernederd hebt; de jaren, dat wij onheil zagen. Moge Uw werk zichtbaar worden voor Uwe dienaren, en Uwe heerlijkheid voor hunne kinderen. Moge de liefelijkheid van den Heer, onzen God, rusten op ons; en het werk onzer handen bevorder voor ons, ja, bevorder het werk onzer handen!

Psalm 91. Wie zit onder de bescherming des Allerhoogsten, verblijft in de schaduw des Almachtigen. — Ik zeg met betrekking tot den Eeuwige : mijn toevlucht en burcht, mijn God, op Wien ik vertrouw, — Dat Hij U zal redden van des vogelaars strik, van vernietigings-pest. Met Zijn vlerken bedekt Hij u en onder Zijne vleugelen vindt gij bescherming; schild en pantser is Zijne waarheid. Gij hebt niet te vreezen den schrik van den nacht, den pijl, die bij dag vliegt; de pest, die rondwaart in het duister; de besmetting, die des middags woedt. Al vallen duizend aan Uwe linkerzijde en tienduizend aan Uwe rechterhand, U zal het niet naderen. Slechts met uwe oogen zult gij aanschouwen, zult zien de vergelding der booswichten. — Want gij hebt den Eeuwige, mijnen Beschermer, den Allerhoogste, tot uw toevlucht gemaakt! Daarom zal

feen onheil u beschoren zijn, geene plaag naderen tot uw tent. Vant Zijne engelen zal Hij omtrent u gebieden, u te behoeden op al uwe wegen. Zij zullen u dragen op de handen, opdat gij uw voet niet stoot aan een steen. Op luipaard en adder zult gij dan treden, zult vertrappen jonge leeuw en slang. «Want in Mij schept hij behagen, daarom red Ik hem; Ik verhef hem hoog, want hij kent Mijnen naam. Als hij Mij aanroept, dan antwoord Ik hem; met hem ben Ik in nood; Ik bevrijd hem en maak hemeen onheil u beschoren zijn, geene plaag naderen tot uw tent. Vant Zijne engelen zal Hij omtrent u gebieden, u te behoeden op al uwe wegen. Zij zullen u dragen op de handen, opdat gij uw voet niet stoot aan een steen. Op luipaard en adder zult gij dan treden, zult vertrappen jonge leeuw en slang. «Want in Mij schept hij behagen, daarom red Ik hem; Ik verhef hem hoog, want hij kent Mijnen naam. Als hij Mij aanroept, dan antwoord Ik hem; met hem ben Ik in nood; Ik bevrijd hem en maak hem

feëerd; Ik verzadig hem met lengte van dagen, en doe hem Mijne ulp aanschouwen.quot;eëerd; Ik verzadig hem met lengte van dagen, en doe hem Mijne ulp aanschouwen.quot;

17

ocr page 409

mnt? nban v

i»ïn3 ipsa vn» mty anDir : miöBfci injr»

•tv iv i - ; • t •• t : -: t :it - t : - ; *•:-

?j3Nn : vy] bbm «jbni 1^33 : ejVir : ïj^ö quot;iikü1? mbv_ ^nünni

i^nuty w : mn-iüa 1:^3 us wö^n ^

iquot; : •• : viv ; 1** t r | iv r:^v 1 t iquot;t t

Dsmi ttiïm n^n DNI oynü ona

t : t : tt • : : • • : t t : * • v t

?|nNTDi ï|ök iy : najw wn n »3 p.Ki Sa^ naw : noDn lib K3:i ^nin |3 ww ni:üS : n3:i3i ^pn 1^33 uyst? : onani ♦no-i^ 7

uw ni:^ nio^ vnm : gt;irn^L733 nnQt^ai

1* t : it * • iquot; : - i-t t : t : : • ;

♦nn : DiTjr1?# ^ITHI r,fST. •' ^

n'^ai 1:^ n::i3 wt n'^oi wrhx d^: : injiü un^

rt

wixorenD ^ quot;ioilt;: 1:1^ inp3 3^ ks

: min iyip vhpi nöp wn ^ : i3-nt33K : inöNt ninbi nav nDnn vfiJ3 nnm rh -id' ini3NJ3

• -: tquot; : t • v : v tt : - r ; ) t |vit t : v :

•j^n^ bsK3 i3ia : aav rna nW insa K^rrK1?

) -: - vit v iv • t 1 t i •• •• t ;it - i- • t •

ab TVK ïirö'» n33*i!i «ibx : onnï iw* zupn

i iv •• 11 v * • tt : r v iv i :• • • 'it^t t v hv •

« nnK-»3 : nxin no^i t^sn pn : ■{•6 nsNn-K1? ; ^1^0 'pno

: ?1»31Tquot;I?33 VDN^Oquot;^ : 1^X3 3quot;lp'

i iv t : t ; i c t ; | t v - : t t : - * i ivt; t ; -|: •

Tjhnn inai |3N3 ï]an-f3 ^INE» D^ÖS-1?^

^t-'s in3^N inüböKi p^n »3 '3 : pni 1^3 bö-in : ^quot;133X1 invbnN n-iX3 '3JK isj; in^Ki wip'gt; : 'm

,.. . —. tt ; t iquot;*%*: v ; • iquot; t| ; • • ;

'«1DW TN : ^^»3 inNiNquot;) in^s'^ nw TJIX

!) De nacht wordt, èn met het oog op den zang der engelen èn met betrekking tot den tempeldienst, gewoonlijk in drie nachtwaken, ieder van 4 uur, verdeeld (vgl. Berachoth 3a).

ocr page 410

OCHTEND-GEBED.

Psalm 135. Halleloe-Jah! Looft den naam des Eeuwigen, looft, gij dienaren des Eeuwigen, die staat in het huis des Eeuwigen, in de voorhoven van het huis van onzen God! Looft God, want goed is de Eeuwige, bezingt Zijnen naam, want dit is liefelijk! Want Jakob heeft God zich uitverkoren, Israël tot Zijn eigendom! Want ik weet nu, dat groot is de Eeuwige, onze Heer, meer dan andere goden! Al wat de Eeuwige begeert, doet Hij in den hemel en op aarde, in de zeeën en alle diepe wateren. Hij doet wolken opstijgen van het einde der aarde. Hij vormt bliksemflitsen bij den regen, laat de wind los uit Zijne schatkamers. — Hij, die sloeg de eerstgeborenen van Egypte, van mensch tot vee; Hij zond teekenen en wonderen in uw midden, o Egypte, op Phar'o en al zijne dienaren; — Hij, die vele volkeren sloeg, en machtige koningen ombracht, Siechon namelijk, den koning van den Emoriet, en 'Og, den koning van Bashan, en alle koninkrijken van Ke-na'an. En hun land gaf Hij tot erfdeel, tot erfdeel aan Zijn volk Israël! Eeuwige, Uw naam duurt immer. Eeuwige, Uw aandenken door alle geslachten! Want de Eeuwige zal eens Zijn volk recht verschaffen en van besluit veranderen over Zijne dienaren! De afgoden der natiën zijn zilveren goud, werk van menschenhanden. Een mond hebben zij, — doch spreken niet; oogen hebben zij, — doch zien niet; ooren hebben zij, — maar zij hooren niet; ook adem is niet in hun mond. Mogen hun gelijk worden zij, die hen maken, allen, die op hen vertrouwen! Gij echter, huis Israëls, looft den Eeuwige; gij, huis Aharons, looft den Eeuwige! Huis van Levie, looft den Eeuwige; gij, die den Eeuwige vreest,looft den Eeuwige: Geloofd zij de Eeuwige van uit Tsion, Hij, die woont in Jerusalem !quot; Halleloe-Jah!

Psalm 136. Dankt den Eeuwige, want Hij is goed,

want eeuwig duurt Zijne genade. Dankt den God der goden, w. e. d. Z. g.

Dankt den Heer der heeren, w. e. d. Z. g.

[Dankt] Hem, die alleen groote wonderdaden verricht,

w. e. d. Z. g.

Hem, die met doorzicht den hemel gemaakt heeft, w. e. d. Z. g. Hem, die de aarde heeft uitgespannen over het water; w. e. d. Z. g. Hem, die groote lichten heeft gemaakt, w. e. d. Z. g.

De zon tot beheersching van den dag, w. e. d. Z. g.

De maan en de sterren om te zamen te heerschen

des nachts; w. e. d. Z. g.

Hem, die Egypte sloeg in hunne eerstgeborenen, w. e. d Z. g.

18

ocr page 411

rvro nVan

n'53 ibVn ♦♦ DirnK ibVn i nn^n nVp

ait3quot;^ PT-^bn : irri^K n»? nnyna v.

: in^pV bHnfe^ n» lb nna : ay: »3 HST

fön-i^K Va : D^nbK-^o U^IKI » bnr^ »3

D^i^: nb^o : niohn-bai, pK3i D^o^a n'^jj « .* vniiïiKa nin nxid n'^ i^ab D^pna pijn nipp D^nfibi riniK nb^ : nona-n^ d^no onxp nisa nantr D!ia nan^ : vn^-^ai n^n|2 anvp Ppma f^an TjVö noxn prvob ; d^iï^ d^Vü j-ini. : id^ ^K-if ^ nbn: nbn: Drw inri : 1^3 nü^ap V^i

i^r^l W. 11 PT^ •' 11^'^ a1?^1? ïjp^ «

NVi on^-nö : D^K 'T n'^p ann. e]p3 D^n »3^ •' Dn:n^ ■pN c]N irm; k^i on1? d'jtk : Nbi Dn1? iist n»3 iDnsnta^itfK V3 on^ vn* anios ; nn^sa nir^» ■riN^s^bnn's :^nNi3i3pnxn»3^-nK irna

: n^Vbn pis' fi»vp v. •' r™* {' '^T M

: npn abip1? »3 : non D1?^ »3 : llpn D^ip1? '3 : npn d^v1? '3

: npn d1?^ »3 : npn »3 : non D^iy1? »3 : npn »3 : llpn '3 : npn »3

31C2 »3 quot;b nin iSp

t- '

D^nV^n ♦ri1?N1? nin

v: t

DTINH min

nnb niVni niNbö: iïvyb muns D'pB'n nfetyS D^arr^ pKn ^p.n1? D^n-i oniK n'^1? D1»3 nb^poV E'pmTlK

rh^z 0^33131 m»n-nN

t :it ::••• : • t : - i-t-

Dnni333 onxa n3oS


ocr page 412

19 OCHTEND-GEBED.

En Israël uitvoerde uit hun midden,

w.

e.

d.

Z.

g-

Met sterke hand en uitgestrekten arm;

w.

e.

d.

Z.

g-

Hem, die de Schelfzee in stukken deelde,

w.

e.

d.

z.

g-

En Israël er midden doorvoerde.

w.

e.

d.

z.

g-

Doch Phar'o en zijn leger uitschudde in de Schelfzee;

w.

e.

d.

z.

g'

Hem, die Zijn volk door de woestijn voerde,

w.

e.

d.

z.

g-

Hem, die groote koningen sloeg,

w.

e.

d.

z.

g-

En machtige koningen ombracht.

w.

e.

d.

z.

g-

Siechon namelijk, den koning der Emorieten,

w.

e.

d.

z.

g-

En 'Og, den koning van Bashan,

w.

e.

d.

z.

g-

En hun land tot erfdeel gaf.

w.

e.

d.

z.

g-

Tot erfdeel aan Zijn dienaar Israël;

w.

e.

d.

z.

g-

Die in onze vernedering aan ons dacht.

w.

e.

d.

z.

g-

En ons verloste uit de macht onzer verdrukkers;

w.

e.

d.

z.

g-

Die spijze geeft aan alle vleesch,

w.

e.

d.

z.

g-

Dankt den God des hemels!

w.

e.

d.

z.

g-

Psalm 33. Jubelt, rechtvaardigen, inden Eeuwige; den oprechten betaamt lofzang! Dankt den Eeuwige met de harp, bespeelt den tiensnarigen luit Hem ter eere! Zingt voor Hem een nieuw lied, — speelt goed met jubelschallen. Want oprecht is des Eeuwigen woord, en al Zijn handelen met trouw! Hij bemint rechtvaardigheid en recht, — doch de aarde is vol van de genade des Eeuwigen. Door het woord des Eeuwigen werden de hemelen geschapen, en door den adem van Zijnen mond al hun scharen. Hij verzamelt als tot een stapel de wateren der zee, legt woelende wateren als in voorraadkamers. Daarom vreeze den Eeuwige de gehèele aarde, voor Hem verschrikken alle bewoners der wereld; want Hij sprak, — en het was; Hij gebood, — en het bestond! De Eeuwige vernietigt den raadslag van natiën, verijdelt de plannen van volkeren, doch het raadsbesluit des Eeuwigen bestaat voor eeuwig, de plannen Zijns harten voor alle geslachten. Heil de natie, wier God de Eeuwige is; het volk, dat Hij zich tot erfdeel heeft uitverkoren ! Uit den hemel ziet de Eeuwige neder, aanschouwt alle kinderen des menschen. Van de plaats van Zijn wonen

ocr page 413

n»w nVön ra»

DDinö Kïl'1

t * quot; t; * •• -

n^L23 nprn yz

t : i: .• itt-: r;

onnb ejiD-D! lï) tóina 'jK'iift n^ni tjiD'D^ iVni ri^na quot;1^:1 nana? isjr

Dpba naüb onnK D^Ö nöKn Tj^o iin^p1?

I^an Tjbo 31^1 nbn;1? qïik |nji i^ nVna lab-nsT liVa^ai^

it -t iquot; : • ; v

irap i:^fi*i on1? m'3

tt t : viv i ••

D'Dt^n bxb nm

11333 quot;b nin : nbnn nix: «3 D^pnï m b

. ; t - t-: tt • t : - t - i • * - -:quot;

|a; yp i1? : iVna? ni^

npiï 3nK : n3iöN3 in'^a-^i ^-i3i : n^!nn3

) t t ; •• t v; v iquot; ^ - t : ▼: - : t t • 'r ; •

nra wyi VDW « 13^3 : rnxn HN^D quot; non □a^üi

- i : - • i- t ▼; - : * i vit t t : t ▼; v iv t ;

: nioinn niquot;ixiN3 rni D»n »o n33 D33 : DK3r,?3 va

: t : i •• t t t ; t

noK xin *3 : myrb3 inv ISSD rnNrrb3 «D INI^

- t ......: t it iv • i vit t ttquot; : *

ni3^nQ D^ia nv^: iw « : To^i nis «in Tn : ini in1? 131? ni3^na lo^n D^I^ quot; nv^ : Q'Pi?

: iS n^niS in3 D^n vribx quot;-ntfx ♦lan niïx

t -; - ; - t i t v: t: * ': quot; *•: quot;

in32'-ri3DD : Dquot;i«n ♦:3-S3-n« nai quot; ü^n cro^a

: • I -j • t t t •• ; t v t t ▼; • • • r t •

non Dbi^p i'Tpn

non D1^ iipn

non tyy) non dVI^ non Q)ty) non D^I^1? npn npn

non D^

npn

npn

i-ipn dVi^ npn Dbi^1?

npn d^v1?

ocr page 414

OCHTEND-GEBED.

richt Hij Zijnen blik op alle bewoners der aarde. Hij, die aller harten vormt, Hij let op al hunne handelingen. De koning wordt niet geholpen door groote legermacht, de held niet gered door groote kracht; bedriegelijk is het paard als hulpmiddel, en met al zijn sterkte doet het niet ontkomen! Zie, het oog des Eeuwigen is gericht op hen, die Hem vreezen ; op hen, die Zijne genade verbeiden ; — om hun ziel te redden van den dood, en hen in het leven te behouden bij den hongersnood. Onze ziel wacht op den Eeuwige; Hij is onze hulp en ons schild. Want in Hem verheugt zich ons hart, want op Zijn heiligen naam vertrouwen wij. Zoo zij dan Uwe genade, o Eeuwige, over ons, — gelijk wij U verbeiden!

Psalm 92. Zang-psalm voor den Shabbathdag: Het is goed den Eeuwige te danken eu ter eere van Uwen naam, o Allerhoogste, de snaren te doen klinken, — te verkondigen des morgens Uwe genade en Uwe trouw in de nachten — op tiensnaar en op luit, met zinrijke woorden, begeleid door de harp. Want Gij hebt mij verblijd, o Eeuwige, door Uw wrochten, wegens de werken Uwer handen jubel ik! Hoe groot zijn Uw werken, o Eeuwige! oneindig diep zijn Uwe gedachten. De verstandelooze beseft het niet en de dwaas ziet dit niet in: wanneer goddeloozen als kruid opbloeien, en onrecht-volvoerders bloesemen, — [dan geschiedt dit] opdat zij vernietigd worden voor eeuwig! Doch Gij blijft eeuwig verheven, o Eeuwige! Want zie, Uwe vijanden, o Eeuwige! — want zie, Uwe vijanden zij gaan te gronde, zij lossen zich op, alle onrecht-volbrengers! En Gij verheft mijnen hoorn als eenen Reëm, ik word met verfrisschende olie overgoten ! Zoo ziet mijn oog neder op hen, die mij beloeren; van hen. die als kwaadwilligen tegen mij opstaan, hooren mijne ooren ! De rechtvaardige zal bloeien gelijk de dadelpalm, als de ceder op den Libanon hoog opschieten. Geplant in het huis des Eeuwigen, zullen zij bloeien in de voorhoven van onzen God. Nog in grijsheid zullen zij vrucht dragen, sappig en frisch blijven zij; om te verkondigen dat rechtvaardig is de Eeuwige, mijn Rots, en geen onrecht is bij Hem !

Psalm 93. De Eeuwige is nu Koning, heeft zich met hoogheid bekleed, bekleed heeft zich de Eeuwige, met macht zich omgord; nu staat ook vast de wereld, wankelt niet meer! Gevestigd was Uw troon van oudsher, sinds alle eeuwigheid zijt Gij ! Wel verhieven stroomen, o Eeuwige! wel verhieven stroomen hunne stem; stroomen verheffen hun dreunend geloei. Doch meer dan de geluiden van groote wateren, de machtigen, de brekende golven der zee, is geweldig de Eeuwige in de hoogte. Uwe getuigenissen zijn vast vertrouwbaar, aan Uw huis past heiligheid, o Eeuwige, tot in lengte van dagen!

Moge de erkenning der heerlijkheid des Eeuwigen eeuwig duren, zoodat de Eeuwige zich verblijde in Zijne werken. De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid. Van de opkomst der zon tot haren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen.

20

ocr page 415

rvTO nVan d

r^an D31? nï»n : rratfn

i • •• - t • - r .. - | vit t •• : t v - r : •

-NS ni33 ytfü ^sn px : on^ü-br^K

NS iVn nhni nypvrh didh : na-^a S^n1? •' npnb Q^n^öV vkt-VK \\ nsn : vfow 1:1?^ quot;b nnan 1:^0: : Dni'nbi Dt^öi niöD

i«:»s. t- ti* iquot; ; - t tt t - : t ; quot; vit •

: untaa lirip '3 1:3^ no^ 13-^ : xin 1:3301

; it t :lt •• : • i- • - : • • iquot;* t

•' ^ imo 13^ ♦♦ ^on w tpvh natVi ^ min1? 3it2 : ns^n dvS yv Tiötp ax : nl^bs ^n^iOKi ^pn npss ^33quot; ^nns^ *3 : H333 |i»3n bsr^i 11^ :^n3fnöipp^TKp ^-no : ^DS

D^B'I nhfis : m-nx ^p3i yr, amp; ij?3 nnKi : Din^nb ?ik irn 3^r'iö3

t - ; t j t * j i v it quot;^quot;il t l't~ v n** z

113^ ^3'fc nsn-^s « ^3^ nsn »3 : ^ ona : |3)ri fo^s D^-IS D^ni: |IK itiöiv

pnx : *3tK nj^a^n D'jna ♦bjr D^aps ni^s üsni niivn3 « n»33 o^in^ : niv ri33b3 nK3 ma» ian3

: - ; ▼: •• : • : v : • i t : - viv ; t ; • t t -

: VfT D'33^11 anB'T n3^3 p313» 11^ : innfl». 13»rj,?K : 13 nnViy nVi niï « itf^3

t it : : • ▼: t t * * quot; ;

-bs V3ri |i3ri-t]N imnn iy « vi) r\m -jba « js mm: ik^3 : nnN obiva rxa ?i«D3 ?133 : aian

t : ; t t it t t •• | -; : • i t

d»3quot;i D»a mVpa : o^n nnn3 iks^ obip nnn31^3 quot;

• - • 1- i • t: t t : : • t i t ; it*:

?|n^ ixa waw ^rn# :« onas nn« D^ns^a onn» : qw quot; ^^quot;nix3

* t I v i : -r; vl 1 t-:it

Tjina « DB' ♦n* : v'^as v. nafc» Dbi^b « H33

: ^ bbna iKi3aquot;nj? ^a^-niraa : obiyijri nn^a

ocr page 416

OCHTEND.GEBED.

Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Eeuwige, Uw naam is voor eeuwig, Eeuwige, Uw aandenken van geslacht tot geslacht. De Eeuwige heeft in den hemel Zijnen troon gevestigd en Zijn koningschap heerscht over alles. De hemel verheugt zich en de aarde jubelt, wanneer men zeggen zal onder de volkeren: //de Eeuwige is Koningquot;, De Eeuwige is Koning, de Eeuwige was Koning, de Eeuwige zal Koning zijn immer en eeuwig. De Eeuwige is Koning immer en •eeuwig, de volkeren gaan verloren uit Zijn land. De Eeuwige vernietigt den raadslag van natiën, verijdelt de plannen der volkeren. Veel zijn de plannen in het hart eens menschen, doch des Eeuwigen raadsbesluit, dit krijgt bestand. De raadslag des Eeuwigen bestaat voor eeuwig, de plannen Zijns harten door alle geslachten. Want Hij sprak — en het was, Hij gebood — en het bestond. Want de Eeuwige heeft Tsion uitverkoren, heeft het begeerd tot verblijfplaats voor zich. Want Jakob heeft God zich uitverkoren, Israël tot Zijn eigendom. Want de Eeuwige zal Zijn volk niet prijs geven, en Zijn erfdeel niet in den steek laten! Doch Hij, albarmhartig, vergeeft misdaad en vernietigt niet; reeds veelmalen wendde Hij Zijnen toorn af, en wekt nimmer Zijne geheele gramschap. Eeuwige, help toch! de Koning verhoore ons op den, dag, dat wij Hem aanroepen.

Hdil hen, die wonen in Uw huis, voortdurend prijzen zij U, Sel a. Heil het volk, dat iets zoodanigs bezit; heil het volk, wiens God de Eeuwige is.

Psalm 145. Loflied van David. Ik wil U verheffen, mijn God, o Koning! en Uwen naam zegenen immer en eeuwig. Eiken dag wil ik U zegenen en loven Uwen naam immer en eeuwig! Groot is de Eeuwige, en zeer geprezen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk! Geslacht na geslacht roemt Uwe werken en Uwe machtige daden verkondigen zij. De schoonheid van de heerlijkheid Uwer majesteit, en de verhalen Uwer wonderdaden wil ik bespreken. Over de macht Uwer eerbiedwekkende daden spreekt men, en Uwe grootheid — ik wil haar verhalen. De herinnering aan Uwe groote goedheid doen zij als een bron opwellen en wegens Uwe gerechtigheid jubelen zij. Genadig en barmhartig is de Eeuwige, langmoedig en groot in genade! Goed is de Eeuwige voor allen, en Zijne barmhartigheid strekt zich uit over al Zijne werken. Al Uwe werken, o Eeuwige, danken U en Uwe vromen zegenen U. De heerlijkheid van Uw koningschap vermelden zij, en Uwe almacht spreken zij uit; ten einde den menschenkinderen Zijne machtige daden bekend te maken en de heerlijkheid van de schoonheid van Zijn koningschap. Uw koningschap is een koningschap van alle eeuwigheid, en Uwe heerschappij over alle

21

ocr page 417

jvw nVan m

yop » • 1-1^3 D^ö^n on

Vsa iniDbai iKpa pn nvvi V; : ^3 ^■,i? 11^ tt ; Tj^o « D?ia? 110^1 fiijn bini D^^n inoip: : n^o

iVX d^ a1?^ t! ^!? V:

nia^no D^ia nvx ^an « : irwo DMa : Dipn «'n ♦; nv^l nin^no man :

Kin V i i-n in1? ia1? n-ü^no lo^n Dbi^1? « nv^ hik |isV3 ? : io#!l njv ^i~i ^*1 IÖK viw-ih »3 : in^pgt; ^ nns apj^-p : ^

wmi *\by mrn ttin') : nr^ Kb inbmi W. ^ Tjbön n^^in »; : inDn-Va Kbi m yvrb na-im : ^KIp-DVn w

iquot; ;it : i* •'

: nbD ^1lpb^, ity n^K

: vribN oyn nt^N ib D^n n^K

t v: •»•; v t t ••: ~ t it v t t ;

nDnaNi -jban ^aanK in1? : abi^b ïjp^ nbbnNi DV'baa : ^

n3^,T nnb in : ipn pK mbnibi tno bbnoi « Sna *pnï6ai nnni ^nin 1133 inn : n'^ ^'^0

li : nanöDN ^nbnii noK^ ^mni: riTjn : nn^K D^N ? Dinii pan : ^3T ^n^vi T?! jn : v^o-Sr^ vonni bsb ^quot;2iu : ipn Snai noK» nina : roiany ^Tpni V:

rtn -ii3pi vnii3a DIKH i?nir6 : IIST ^11331 quot;iitVss ^nb^poi D^pbjrquot;1?! ni3bp ^n^bp : ini3bp

.quot;inSnji ^p1 '-m quot;iniSui * •avo Snji *

ocr page 418

OCHTEND-GEBED.

geslachten. De Eeuwige steunt alle vallenden, en richt op alle gekromden. Aller oogen richten zich vol hoop op U, en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd! Gij opent Uwe hand en verzadigt al wat leeft tot welgevallen. Rechtvaardig is de Eeuwige in al Zijne wegen en liefderijk in al Zijne werken. De Eeuwige is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem in waarheid aanroepen. Hij volbrengt den wil van hen, die Hem vreezen; Hij hoort hun smeeken en helpt hen. De Eeuwige behoedt allen, die Hem beminnen; doch alle godde-loozen verdelgt Hij. Den lof des Eeuwigen moge daarom mijn mond uitspreken; en alle vleesch zegene Zijn heiligen naam immer en eeuwig! — Ook wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid, — Halleloe-jah!

Psalm 146. Halleloe-jah! Prijs, mijne ziel! de daden des Eeuwigen. Ik wil des Eeuwigen daden prijzen, zoolang ik leef; wil mijnen God bezingen met snarenspel, zoolang ik besta. Vertrouwt niet op vorsten, op een menschenkind, bij wien geen hulp is. Zoodra zijn adem hem verlaat, keert hij terug tot zijne aarde; op dienzelfden dag zijn zijne plannen verloren. Heil daarentegen hem, wiens bijstand de God van Jakob is, wiens vertrouwen zich richt tot den Eeuwige, zijn God, — die maakt hemel en aarde, de zee en al wat in hen is; die eeuwig trouw bewaart [Zijne beloften vervult] ; die recht verschaft aan bedrukten, die den hongerigen spijze geeft, — de Eeuwige maakt geboeiden los; de Eeuwige opent blinden de oogen, de Eeuwige richt gekromden op, de Eeuwige bemint rechtvaardigen; de Eeuwige behoedt de vreemdelingen, heft op wees en weduwe, doch kromt den weg der booswichten. De Eeuwige regeert in eeuwigheid, uw God, o Tsion, alle geslachten door! Halleloe-jah!

Psalm 147. Halleloe-jah! Want het is goed onzen God met snarenspel te bezingen; want het is lieflijk, passend is lofgezang. De opbouwer van Jerusalem is de Eeuwige, Hij brengt de verstootenen Israels te zamen; Hij, die de gebrokenen van hart geneest en verband legt op hunne pijnlijke wonden. Die voor de sterren getal vaststelt, hun allen namen geeft. Ja, groot is onze Heer en rijk aan kracht, voor Zijn inzicht is geen getal [tot maat]. De Eeuwige heft op de bescheidenen, vernedert de booswichten ter aarde. Heft ter eere des Eeuwigen een danklied aan, bezingt onzen God met de harp. Die den hemel met wolken bedekt, die regen bereidt voor de aarde, die op de bergen gras doet spruiten. Hij geeft het vee zijn spijs, den jongen raven, die [er om] roepen. Niet in de sterkte van het paard vindt Hij behagen, niet in de schenkels van den man zoekt Hij welgevallen. — De Eeuwige vindt welgevallen in hen, die Hem vreezen, die verbeiden Zijne genade. — Roem,

22

ocr page 419

mni? nbfin 23

wy : t]^n « TjüiD : ini

nnis : in^a obpK-nK onb-fnu nnKi Va

Tpm vd^tVds « P'IV • \^1 'n_i?pV n'fói ^lTr'11^ : noN2 innnp» VDV VKip-^V « ainp : v^o-Vaa

r.. ti; • v -: : t :l t : *: it t - t :

« iDitf : a^^vi Dn^i^nxi n'^ VKT'fiïn ♦ö isn* v nbnn : TÜ^, D^^in_b3 nxi vsnirVsTiK n» Tj-iaa : i%) chty)

: obi^-i^i nn^o rrisTK «na ^ nSVnx : ^-nsi ^a: ^Sn n^Vbn iop DnK_p2 D^nnp in^an-bK : ni^a xmn Di43 inoiK1? 2^ inn «ïn : n^it^n iV |w iiT^a n.B'N : vn:ri^ nasi

Dr^K-brnKï a^n-nx rquot;iMi n^m rivy : vriVM

t v -: t v ; t - v i v it t * i- t v t v;

Dnquot;? |rt D^pi^b LJÖ^P n'^ : noNt namp;n « D'fiiM c]pT Dnijr npgt; ♦;. : oniDK quot; ao^-i1? ^ iW nj^Nquot;! om» onrnx na'^ « : tfpnx shk : nnVbn l-inn^ |i»v abi^ « rpy ; ny;; D^quot;I : nbnn nm aws irri^K niar mVbn top

t • : tt t iquot; v: .T : quot; * t -: -

Könn : wy Vxna': 'nn: « pV^rr n:i3

Dbpb quot;löpp mio : oninv^V : quot;ispp pts injianV nra*ii bn^ : Knp^ nio^ nnina «V ; pK'n# a^^quot;) « .D^ Tiiyo pNb fDan D^3 wm nDDon : 11333 I-IDT

non1? nan?b |ni: : i^n nnn n^oysn ^♦KH 'piBO'ió DIDH n^ais N1? : iNinp» IB'K ♦naK' : npnV D^n^prrnK VKT;nK v: •quot;'V1quot;1 : r,tfT

ocr page 420

OCHTEND-GEBED.

Jerusalem, den Eeuwige! Prijs de daden van uwen God, gij Tsion. Want heeft Hij sterk gemaakt de grendels uwer poorten, heeft uwe zonen in uw midden gezegend, zoo maakt Hij uw grens tot gebied van den vrede, zal U met tarwemerg !) verzadigen. Hij toeh, die zendt Zijn bevel ter aarde, zeer snel loopt Zijn woord; die sneeuw geeft als wolvlokken, die rijp strooit als asch, die Zijn ijs neerwerpt als brokken, tegen Zijne koude, — wie is er tegen bestand?! Dan weder zendt Hij Zijn woord en doet ze smelten, Hij doet Zijn wind waaien — en zij vloeien weg tot water. Hij deelt ook Zijne woorden mede aan Jakob, Zijne wetten en Zijne rechten aan Israël. Zoo heeft Hij niet gedaan aan eenig volk, en rechten — zij kennen ze niet! Halleloe-jah!

Psalm 148. Halleloe-jah! Prijst des Eeuwigen daden van uit den hemel, prijst Hem in de hoogten! Prijst Hem, gij. Zijne engelen, allen; prijst Hem gij, al Zijne heirscharen! Prijst Hem, zon en maan; prijst Hem gij allen, lichtende sterren! Prijst Hem gij hemelen der hemelen, en gij, wateren die boven den hemel zijt! Dat zij prijzen den naam des Eeuwigen, want Hij gebood, — en zij werden geschapen. Hij deed hen bestaan voor immer, voor eeuwig; Hij gaf eene wet, die nimmer wijkt! — Prijst ook des Eeuwigen daden van de aarde, gij zeegedrochten en alle woelende wateren, vuur en hagel, sneeuw en damp, stormwind, die Zijn woord volvoert! — Bergen en hemelen allen, vruchtboomen en alle cederen; veldgedierte en al het tamme vee, kruipend gedierte en gevleugelde vogel; koningen der aarde en alle volkeren, vorsten en alle rechters der aarde; jonge mannen en ook jonge maagden, ouden met jongelingen, — dat zij prijzen den naam des Eeuwigen, want hoog verheven is Zijn naam alleen. Zijne glorie is over aarde en hemel. Hij verheft den horen voor Zijn volk, tot lof voor al Zijne vromen, voor de kinderen Israels, het volk, dat Hem nabij is; Halleloe-jah!

23

Psalm 149. Halleloe-jah! Zingt ter eere des Eeuwigen een nieuw lied, tot lof Zijner daden in de samenkomst der vromen! Israël verheugt zich in zijnen Schepper, de kinderen Tsions mogen jubelen over hunnen Koning! Mogen zij Zijnen naam prijzen met rijendans, met tamboerijn en harp te Zijner eere zingen. Want de Eeuwige heeft welgevallen aan Zijn volk, siert be-scheidenen met hulp. Vromen juichen in heerlijkheid, jubelen op hunne legersteden. Verheffing Gods [uiten zij] met hun keel, en een tweesnijdend zwaard voeren zij in hun hand. Om wraak te oefenen op de volkeren, strafgericht onder de natiën, om hunne koningen in ketenen te binden, hunne meest geëerden

') De beste bestanddeelen der tarwe.

ocr page 421

rvw nban «

'nna pin-^ : |i*v p)fn»

: D^n nbn DI1?^ -jSni D^n : Tjiipa ^3 bü jrisn : na^ pn» nnno-i^ pK innpN nbi^n inn[5 ^öb D^nöD irnp ybvn : IÏÖ» Tias i'öp T3D : D'önbr inn zw Dpon narnW» : 10^ quot;p ■Vd1? p v^atpoi visn

: nnbbn Di^T-ba D^Ö^ÖI ^

Tnbbn : ö^oiiö? inibbn D'p^n-jp «quot;nx iSbn n^n nop B'DK' ini^n : ini^n va^ö-Sa

D'srn D'o^n *m ini^n : uk inibbn m

: njy Kin »5 « DirnN ibbn» : D^o^n byn -I^K trnK ^bn : Kbi jnr-pn o^p^i

nn Hü'pi nnni ï^k : niDhrrbDi. pKirjp

: oniK-bDi n|3 y# ni^rboi onnn : w n'tfy rnyp D^pKy^Di pK-^bp : e]33 -I13V1 njnn

: Q'IJtt'0# D'^! ^'ibinrDJquot;! onina : pK on;^

: Q,Ö^1 pK-1?^ nm nab ïm zp: *3 y D^K ibbn^ ühp Djr btsi^' ^ vTDn ^?1? nbnn la^b pp.

: nnbbn

■noquot;^ : Dn»Dn bnpa inbnn ^nn yv ^ wv nnbbn uop

;* ~: ~ I: * T*: TT T~ i* T~;~ '

10# thr\\: oaVps |i»r^3 v^3 VK^

vvv; w isia « nïiT»3 : ib-^an IISDV ^ns binö3 : Dnl33^p-S^ nüD3 an^on irS^t, •' n^^3 nop: m^1? ; dtt3 ni»rfi m 051-133' bK niDpn Dnn33:i o^prs an'3bp iDKb : D^pKbs ninsm n^n

'ara was * .avo nai *

ocr page 422

OCHTEND-GEBED.

in ijzeren boeien; om aan hen te voltrekken het voorgeschreven gerecht! — het is glorie voor al Zijne vromen! Halleloe-jah!

Psalm 150. Halleloe-jah! Prijst God in Zijn heiligdom, prijst Hem in het uitspansel Zijner almacht! Prijst Hem in Zijne machtige daden, prijst Hem naar Zijne grenzelooze grootheid! Prijst Hem met bazuinenschallen, prijst Hem met luit en harp! Prijst Hem met tamboerijn en rijendans, prijst Hem met snaren en fluit! Prijst Hem met helder klinkende bekkens, prijst Hem met dreunende bekkens! Al wat adem heeft prijze God, — Halleloe-jah!

Geloofd zij de Eeuwige immer, amen en nogmaals amen! Geloofd zij de Eeuwige van Tsion uit. Hij die troont in Jerusalem, Halleloe-jah! Geloofd zij de Eeuwige, God, God van Israël, die alléén wonderen doet; en geloofd zij eeuwig de naam Zijner heerlijkheid; en de geheele aarde worde vervuld van Zijne heerlijkheid, amen en nogmaals amen!

(Het volgende tot na 1513 wordt staande gezegd:)

I Kron. 29,10—13. En David loofde den Eeuwige ten aanzien der gansche vergadering, en David zeide: Geloofd zijt Gij, Eeuwige, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Aan U, o Eeuwige, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want [u behoort] alles in den hemel en op aarde ; aan U, o Eeuwige I is de heerschappij, en Gij zijt het, die boven alles als opperhoofd verheven zijt! Zoowel rijkdom als eer gaan van U uit en Gij heerscht over alles; en in Uwe hand is kracht en macht, en in Uwe hand ligt het alles groot en sterk te maken. En daarom, onze God, danken wij U en prijzen Uwen roemrijken naam.

Nechemja 9,6—11. Gij, Eeuwige, zijt het alleen. Gij hebt gemaakt den hemel, de hemelen der hemelen en hun gansche schare, de aarde en al, wat erop is, de zee en al, wat erin is; en Gij houdt hen allen in het leven en de schare des hemels werpt zich voor U neder! Gij zijt het. Eeuwige God, die Abram hebt uitverkoren en hem hebt uitgevoerd uit Oer-Kasdiem en zijnen naam Abraham genoemd hebt; Gij vondt zijn hart getrouw voor U en sloot met hem het verbond, te geven het land van den Kena'aniet, den Chittiet, den Emoriet en den Perizziet en den Jeboesiet en den Girgashiet, —

D

24

ocr page 423

nnntp nban na

■bab Kin mn ams ona : SÏ-Q ^333

T ; TT T T : • V T .- V ; - ;

: nnbbn vTpn mibbn : iry ^[5*13 imSbn it^nps ^Vrn rnV?n jp ypn3 ini^bn : iVna 3^3 imbSn vm^3

I •quot; • . 1 -: - :•-. : i -; - T : •

im^n Sinoi «jns iniVVn : quot;11331 imbbn ifiitr : n^nn ^^Ï3 inibbn im^n : 3^1 D^ÜS

: 'n '♦ 'n 'n ;3 : n* Vbnn nü^n V3

- T : - T -; - T •• - : T T : -

DS^ pty jinfü « Tjns : fötsii; |OM obl^b » TJ^S niN^aj nfety 'ri^K D^ribK « Tjins ;

quot;b^TlK 11133 ióa^ D^l^b 11133 Tjmi .* llsS : |0K1 |ON pKn

.1313 ins njj Tior1? bquot;3 's nquot;n

» nnx Tjiis 111 quot;iok'1 bnpn-^3 'yyb «-nK 111 ^131 t? ^ : D^iT'^i 071^0 1^3Jst bKIE» ^SK D»Ö^3 ^3-^3 mnni nvsni niKönni nn^ni nbisn i^ni : mnb S31? x'^nsni ns^öön v. ^ flKni

?|T31 nquot;113J1 n'3 Ï|T31 S'33 bt^lD HPIKI 113311

^ wnjK anio iri^Nï nn^i : ^'sb ptnbi biiï ïjisquot;? « ssin nriK 'd n,r-™ : ^niNsn n^Snai fi«n Dsisr^i D^ü^n D^^n-riN ntey nnst tin n^nD nriKi 013 i^x^si D^a^n -1^-^31 BVbijtn « Kin nnx : ainjró ^ d»obti k3ïi obs iDf no^i D'ip3 HKp inNiïini 013x3 nins i^k nnsn lay niquot;i3i |okj innb-nx nKïai : Dii3K 'B'iiani '013^1 nisni noKn wn 'J^asn px-nx nnb

.yns jtx *

ocr page 424

OCHTEND-GEBED.

het te geven aan zijn kroost; en Gij bevestigdet Uwe woorden, want Gij zijt rechtvaardig. Toen Gij zaagt de ellende onzer voorouders in Egypte, en hoordet hun geschrei bij de Schelfzee, — toen gaaft Gij teekenen en wonderdaden tegen Phar'o en tegen al zijne dienaren en tegen gansch het volk van zijn land; want Gij wist, dat zij moedwillig tegen hen gehandeld hadden; en Gij verwierft U een naam gelijk op den dag van heden. En de zee kliefdet Gij vóór hen, zoodat zij door het midden der zee doortrokken op het droge, hunne vervolgers echter wierpt Gij in diepten als een steen, in machtige wateren.

Exodus 14,30 en 31. De Eeuwige redde op dien dag Israël uit de macht van Egypte en Israël zag Egypte dood aan den oever der zee. Toen Israël zag de groote macht, die de Eeuwige tegen Egypte had geoefend, vreesde het volk den Eeuwige; en zij stelden vertrouwen in den Eeuwige en in Zijnen dienaar Mozes.

Exodus 15,1—19. Toen zong Mozes en de kinderen Israëls dit lied ter eere des Eeuwigen; zij zeiden namelijk, als volgt: Zingen wil ik ter eere des Eeuwigen, want hoog is Hij verheven; paard en zijnen berijder stortte Hij in de zee. Mijn zege en mijn zang is God, Hij was mij ter hulpe; deze is mijn God, Hem wil ik verheerlijken, — de God mijns vaders, Hem wil ik verhefifen. De Eeuwige, Heer van den oorlog, Eeuwige is Zijn naam ! — De wagens van Phar'o en zijn leger slingerde Hij in de zee, en zijne uitgelezen legeroversten werden in de Schelfzee bedolven. quot;Woelende wateren bedekken hen; zij daalden af in diepten gelijk een steen ! Uwe rechterhand, o Eeuwige, prijkend in kracht, Üwe rechterhand. Eeuwige ! verplettert den vijand ! — En in Uwe overweldigende hoogheid rukt Gij Uwe tegenstanders omver; zoudt Gij Uwen brandenden toorn vrijlaten, hij zou hen verteren als stoppelen. En door den adem van Uw neus hoopten wateren zich op, bleven vloeistoffen overeind staan als een muur; stolden woelende wateren in het midden der zee. Reeds zeide de vijand: ;,Ik wil vervolgen, ik zal inhalen, ik zal buit verdeelen; mijn verlangen zal aan hen bevredigd worden; ik zal trekken mijn zwaard, mijn hand zal hen terug-veroveren.quot; Doch Gij bliest met Uwen adem, — de zee bedekte hen; zij zonken in de diepte als lood in geweldige wateren! Wie is U gelijk onder de machten. Eeuwige! wie is U gelijk, prijkend in heiligheid, eerbiedwekkend in lof, wonderen verrichtend! — Evenals Gij uitstrektet Uwe rechterhand, — de aarde verslond hen; Zoo leidt Gij door Uwe genade dit volk, dat Gij verlost hebt; zoo voert Gij het door Uwe macht naar Uw heilig verblijf. Volkeren hooren het, — zij beven; siddering grijpt aan

25

ocr page 425

nnn^ nVan ns

■nK Hirii ; nnx p^V ^ nn^

jnni : tjiD-or^ nyniï on^rnNi DnTVp3 irnbK ^ n^T »5 lyiK or^ni vnnr^ni ri^-iaa D^nabi nhK riypa Drn : nn Di»n3 nnn »3

riD^n Dirairnw D'rr^ma na^i Dn^öV

: D^ D^3 ^K-1Ö3 hVlïÖ?

T'i mn»

Kin onïö TO Kinn DI^ nin» vtyin

quot; T:if .:lt;_ quot;Squot; Jquot;' lquot;T: • •-■ i - :J- t : quot; quot;

-J-IK 7NiT{f» : DTi na'c^ no dhvotik tik D^n onïöa nin» nfry IB'M n^n n»n

V,tt j z iquot; • - ; • : t : ^lt;t^t v -: t : - -t -

: nn^ nin»3 uwi nin»

i : vquot; ; t r * -:i— at :

.Di»OTn i«:3i ronsa mttxS -piï OTI HTC

itaiüN,,i nin^ nN-rn n^rrrnK bk*iw n^ö-i^* tk

V : • - tl- - lt;t • - V ^ •• t: • •• : v r r jt

nai iashi DID n'Kr-^ mn^ m^M ION1?

jt t : i : ^ j tt ■* t 1* t 1- ^ t lt;• t a quot;

'ri^N ini:Ni n? ^-♦nn n* man nr : D»3

r* v: : • •• lt;■.• 'at i* v * :iquot; t t : • : lt;*^t it-

r-iDDio ; loir nin» nanbo nin» : injDO^Ni ♦dk

j : :- i : vt : at t ; • •,* v.t : : iv i-;i- v- t

riöhn : «iiD-D'D i^ü inDüi d^ m» i^ni nv-iö

v : li ~ : d : ^t • it j- : • at- -«tt v quot; : ^ : -

riDD niKJ nin» ; pK'iDD n^iïQD IÖ^DD»

^ a - v* t ; v t ; J| : r ; i v it ; v : * J :ir a\; - ;

n^n ?]»o[5 D-inn Dhni : d;.ik nin» ïjrö» iriQD m: D^Q ioquot;i^ ^ÖK nnni : ups ID^DN; p^nx riTK cinx yin -ion : o^a riö'nn iwap D^n

• ï V quot; | ^ ; v v j- t it v : ^ ; j : It a- : i

npm ; n» iDtfnin *i-in pnst ^s; losiVpn y?tf nDOD-'D : Dnnx D^OD mèi^s \bhv D» IODD nni-a

t « t r r •- • v.quot; : vv ^ i- -: it at -t • -: i:

: hbnn tnü i^ipa tikj hdod 'O nin» d^ns

.• '• quot; 1 : jt •••Ia- -t : v t v t r t : ^ • ^-it

r^NM i]quot;D^ ^DnD n»nj : px lo^nn n^cpj thm pnT D^ I^ÖK' : ^jtfijs nir^K nbm

ocr page 426

OCHTEND.GEBED.

Philistaea's bewoners! Dan verschrikken de vorsten van Edom; de machtigen van Moab — beving grijpt hen aan; weg smelten zij, allen bewoners van Kena'an. Verschrikking en angst overvalt hen; wanneer Uw arm zich groot toont, verstommen zij als steen; — tot voorbij is getrokken Uw volk, o Eeuwige! tot voorbij is getrokken dit volk, dat Gij U hebt verworven! Totdat Gij hen hebt gebracht en geplant op den berg van Uw erfdeel, den zetel voor Uw verblijf, dien Gij ü bereidt, o Eeuwige; het heiligdom, o Heer, dat Uwe handen vestigen! De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!

(Want PharVs paarden waren gekomen m«t zijne wagens en met zijne ruiters in de zee; toen had de Eeuwige over hen de wateren der zee teruggevoerd, terwijl de kinderen Israëls gegaan waren op het droge in het midden der zee.)

Want aan den Eeuwige is het koningschap en Hij heerscht over de volkeren! En redders zullen bestijgen den berg Tsion, om te richten den berg 'Esau, dan zal den Eeuwige het koningschap zijn. Dan zal de Eeuwige tot Koning zijn over de geheele aarde; op dien dag zal de Eeuwige eenig zijn en Zijn naam eenig! En in Uwe leer staat als volgt geschreven: ,/Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig!quot;

De ziel van al, wat leeft, zegene Uwen naam. Eeuwige, onze God! en de adem van alle vleesch roeme en verheffe steeds Uw aandenken, onze Koning! Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God, en buiten U hebben wij geen Koning, die verlost en helpt, bevrijdt en redt en onderhoudt en zich ontfermt in eiken tijd van nood en druk ; wij hebben geenen Koning, dan U ! God van de vroegere en na ons komende geslachten, God van alle schepselen. Heer van alle geboorten, die in tal van lofzangen geprezen wordt, die Uwe wereld leidt met genade en Uwe schepselen met barmhartigheid ! En de Eeuwige sluimert niet en slaapt niet; Gij, die de slapenden opwekt en door diepen slaap bevangenen doet ontwaken, en die stommen tot spreken brengt en geboeiden losmaakt en vallenden steunt en gebukten opricht, — U alleen danken wij ! Indien onze mond ook vervuld ware van liederen, gelijk de zee [vol water is], en onze tong vol jubelklanken als het ruischen harer golven, en onze lippen vol lof als de uitgestrektheid van het uitspansel, en al waren onze oogen lichtgevend als zon en maan, en onze handen uitgespreid als [de vleugelen van] de arenden aan den hemel, en onze voeten zoo snel als [die van] de reeën, — zouden wij U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, niet genoeg kunnen danken en Uwen naam kunnen

26

ocr page 427

mniy ■ nbön 13

lötn^ 3N1D DinNj Wnaa m : ni^Sa ^p\ Vni2 Tiin nnö^KDn^Vsri : |^p Va 13D: -i^-n roj? i^p^. njn» fiNta w ^I-it

nV^ö |13Ü ïjnVnj ina lo^an'i loxnn :'ri^ M : quot;1^1 oV^b ihw 1 nin» : UJÜ 'Ï-IK t^npü nin»

*: nvt jt ; k : * -gt;t : ) ivt j-: i v.t -: ti: • at :

: nyi aty) ifiw

□n^,. nin? 3£»i Dj3 v^naai iap-i? ri^-is did jo ^) (: pjn rpn? nf m «Vn ^31 • a»n iq dk

ji'v quot;in| D^^IÖ : D^I-Q quot;^loi naibpn »5 tiVD1? « n^m : naiVan «V nn^m -in-nx

t ~ !*•* •*♦* ; t; tt : t : - t- t : t ; t

nma ^nnmni : inx lotyi to « m mnn DI»3 pKn : ™ \\ vdv iDNb

-Sa nni * irribNt ♦» ^o^'riNi -pan ♦n-Sa no^: quot;|Ö * Tpn uaSa oonni ixan VNIS UV pK ^n^api * VN nnx o^n-^i nVi^n npT^i mTy n^-Saa onioi oriSDi ^ïdi nnia jr^ioi nibK * D^iTOm ♦ribx : nnK KVK tiVo r^x

quot; 1 v: • -: - t : * • t •• v; t it t v ) v iv it i ••

jruan nina^nn aha Vbnpn nnbin-ba jm nma-Va

♦ aiy-quot;^ y_ * D^pn^a vninai ipna lobi^ ynisn) a^pbK n^pni D'p^: ppprn wyw in^pn wnjN ^aV ^ * D^iaa ^itni n^si: TjöiDni. nn.iDNï vba riDna nsi D«a xbo ira ibn * onio

t - i -: - t • Iquot; : t - t • •• t r

* nTai t^pira nn^o * ^^n/annpa na^ irniriö'^ rK : m^xa mbp irVin * wv n^ja nit^na inn

i •• t - t i - !••;-: * it t ••: • ; : ' r-r:

^.abi * wniax irnbK « ^ nnin'? D'p^pp i:mx

ocr page 428

OCHTEND-GEBED.

zegenen ook maar voor een duizendste van de duizenden mil-lioenen en milliarden malen aan onze voorouders en ons door ü bewezen weldaden! Uit Egypte hebt Gij ons verlost. Eeuwige, onze God! en uit het slavenhuis hebt Gij ons bevrijd, bij hongersnood hebt Gij ons gevoed en in [tijden van] overvloed ons verzorgd, van het zwaard hebt Gij ons gered en voor pest ons beveiligd en ons aan boosaardige en wissen dood brengende ziekten onttrokken. Tot dusverre heeft Uwe barmhartigheid ons bijgestaan en hebben Uwe liefdebewijzen ons niet verlaten j o geef ons, Eeuwige, onze God, dan ook niet prijs tot in eeuwigheid ! Daarom zullen de ledematen, die Gij gescheiden hebt aan ons, en de adem en de ziel, die Gij in onzen neus hebt ingeblazen, en de tong, die Gij in onzen mond hebt geplaatst, — zie! zij zullen danken en zegenen en loven en roemen en verheffen en de macht, de heiligheid en het koningschap toekennen aan Uwen naam! Want elke mond moet U danken en elke tong U toezweren en elke knie voor TI zich buigen en elke hoog opgerichte gestalte voor U zich nederwerpen en alle harten moeten U vreezen en alle ingewanden en nieren Uwen naam bezingen, naar het woord, dat geschreven is: «Gansch mijn gebeente zegge: Eeuwige, wie is U gelijk, die den arme redt uit de macht van hem, die sterker is dan hij ; en den arme en behoeftige uit de hand van wie hem berooft!quot; Wie is U gelijk? Wie kan bij U worden vergeleken ? Wie kan bij U als verhouding worden aangegeven ? Gij groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God, Eigenaar van hemel en aarde! Wü willen U loven en U prijzen en U roemen en zegenen Uwen heiligen naam, gelijk er gezegd is: ,/Loof, mijne ziel! den Eeuwige; gij, mijne ingewanden allen, Zijn heiligen naam !quot; Gij God, door de krachtige uitingen Uwer macht, groot door de heerlijkheid van Uwen naam, machtig tot in eeuwigheid en eerbiedwekkend door Uwe eerbied afdwingende daden, Koning, die zetelt op den troon hoog en verheven, — eeuwig troont Hij; Verhevene en Heilige is Zijn naam; en er is geschreven : ;; jubelt, rechtvaardigen! in den Eeuwige, den oprechten betaamt lofzang!quot; Door den mond der oprechten wordt Gij geprezen en door de woorden der rechtvaardigen gezegend, en door de tong der braven verheven en door de ingewanden der heiligen !) geheiligd !

En in de verzamelingen der tienduizenden van Uw volk, het huis Israels, worde Uw naam, onze Koning, met gejuich geroemd door alle geslachten; want dit is de plicht van alle schepselen vóór Uw aangezicht, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, om U te danken, te prijzen, te loven, te roemen,

') Vgl. iets vroeger: n»rgt; rmSai aip Vsi, waar een loflied als het ware opstijgt uit 'smenschen ingewanden. — Anderen vertalen: te midden der heiligen, in den samenhang minder juist.

27

ocr page 429

rvw n'rfin n

maai 'pbii f]bKO nnK b$ - ^Ü^TIK

un^Ka DHVÖÖ : wayi irnaK D^ riv^f nini^n D'a^a * unjT * i:nna ona^ n^ai lyn'^K «

tt : it :- 't t : it • : * t^: quot; * iquot; *.quot; ▼:

D^I D^nai * nmoi * unbïn nno *

• t • t ▼: •• it : - • v iv • it : - • viv •• it : - : •

♦ïjniDn^iaT^-^ * ^ani ^TIT^ ron-n^ :mVl Ö^ÖWI

* 133 naböïr onnx rr^ : nvb quot;irn^ « wtsrr^i

it t ;i- • v * t •• 1 •• quot; -ivt iquot; v: *: i- : • - ;

?n * 13^3 noiyi^ri^bi wöK2 nnsa^ nmn nm

I •• r : t ; i- ••• -f* 1 t : iquot; - : t : r t v t t ; - i:

ina^i imrn Dn

|.|;.; r^:-; • -: t • : - * -:t •

* nnv ^]1? na-bs ^ : liabo

* ninmn naip-1?^ * ^ ^quot;irVoi ^ ito ' nar m^Di

prna ^ V quot; n3quot;io^n ^ria^ Va

-Tj^ ♦pi 'Pi '^■noT *p : ibrip «SÖ

: pNi D'pf nip |i^ «nisni ii33n Vnan bxn • ^ quot;noKS * ?|tfipT DE'TIK Tjinii ^IKS^ ^na^ii ^bn: : itrnp DirnK ♦anp-bai quot;-n« ^s: ^ia nn1?

;lt •• v ' tI: t : t: v • : - • -:t • t:

nv^ iisan • 11333 bnan • niD^ns bxn • DIt KD3 b# 32'i,n ^on * ^niKius KTiani

•mSnpoai «w Vipm npnn t» ip pic tquot;3 quot;rquot;quot;^ Dn^1? «3 D^nï 133quot;! 3^31 ' IDE' DllO |3lBgt;

* -in3nn dwï * ^bnnn an^ ^3 : nbnn nm

) t . i quot; ' t '' t * * * t 1* t t

: Khpnn D^np 3np3T • Doinnn on^pn 1^731

^op quot;iKSn» nro hifp* rra ni33*i nibnpp3i aniï^n-^ n3in ?3^ mn quot;)1t1733 133^0

j - T - i •• v t t : iquot; ; quot;

quot;iks1? nsB^ bbnb nmnb irn^si ♦ribKi irribN « ^JS1?

ocr page 430

OCHTEND-GEBED.

te verheffen, te verheerlijken, te zegenen. Uwe hoogheid te erkennen en U te bezingen nog boven alle woorden van zangen en lofliederen van David, den zoon van Jishai, Uwen dienaar, Uwen gezalfde!

Geloofd worde Uw naam tot in eeuwigheid. Gij, onze Koning, God, groot en heilig Koning in den hemel en op aarde! Want U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, komt toe lied en lofprijzing, danklied en gezang, almacht en heerschappij, zege, grootheid en kracht, verheerlijking en roem, heiligheid en koningschap, zegeningen en dankzeggingen, van nu tot in eeuwigheid ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, God, Koning, groot in lofzangen. God, wien dankzeggingen toekomen. Heer der wonderdaden, die behagen schept in lofgezangen. Koning, God, Eeuwiglevende!

Voorlezer: En nu, moge de kracht van. mijn Heer zich groot toonen, gelijk Gij gesproken hebt, zeggende:

Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige, en Uwe genadebewijzen, want sinds alle eeuwigheid zijn zij.

Moge Zijn groote naam in zijne grootheid en heiligheid erkend worden in de wereld, die Hij naar Zijnen wil geschapen heeft; moge Hij Zijn koninkrijk weder vestigen tijdens uw leven en in uwe dagen en tijdens het leven van gansch het huis Israel's, spoedig, in nabijzijnden tijd ; zegt: Amen!

Gemeente; Amen 1 Zijn groote naam worde gezegend immer en in alle eeuwigheid!

Voorlezer: Gezegend en geprezen en geroemd en verhoogd en verheven en verheerlijkt en vereerd en geloofd zij de naam van den Heilige, geloofd zij Hij, — verre boven alle zegeningen en liederen, lofzangen en vertroostingen, die in de wereld worden uitgesproken ; zegt Amen !

28

De voorlezer;

Looft den Eeuwige, den lofwaardige !

De gemeente:

Geloofd zij de Eeuwige, de lofwaardige, immer en eeuwig.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die het licht hebt gevormd en de duisternis geschapen, die vrede sticht en de Schepper zijl van alles!

Wanneer men Jotser bijvoegt, zegt men:

Het eeuwige licht bevond zich in de schatkamer des levens;,/lichten [zullen ontstaan] uit de duisternis,quot; zeide Hij, — en het was!

(Terwijl de voorlezer «ia voordraagt, zegt de gemeente zacht:)

Geprezen en geloofd en geroemd en verheven en verhoogd worde de naam van den Koning aller koningen, den Heilige, geloofd zij Hij; want Hij is de eerste en Hij is de laatste en buiten Hem is geen god! Baant den weg voor Hem, die door de hemelvlakten snelt, jr is Zijn naam, en jubelt voor Zijn aangezicht! Zijn naam is verheven boven elke zegening en lofzang I (Terwijl de voorlezer 'n zegt-) Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig! De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid!


ocr page 431

jvw nban na

nnrbs bv ii.nb DDiib

: ïjn^ö ^rjl quot;in ftfrn^ni D»ÖBgt;3 ^npnquot;! Vnsn ^an b^n lisbü rantf*

irniDK ♦ri1?Ni irjibK \] hkj *3 nyixi rbi} nV3 n^oüi Tgt; mDTi Vbn nnn^i nri^D nïinini nüia ni31?oi nnNfini nbnn nixninn nina^ri? bna VK ^ nn« ^quot;13 * obijr : oibi^n »n bx ^ba mot n^a nnian nixbaan |m

: IdnS ri*i3i n^N? ^ na ai S^1 nnjn rquot; : nan q^ö 's T1901- quot; TPOquot;!

nnijnp «irn Nü^a «31 naf ^n') b^n\ v»

m ban «nni jws nn^ba ^ban

naw 2nj5 |api Kb^a bKnip»

K«DSJ; 'OS^ DSJ/S N3i na^ xnvta^ V i'n nV^n^ rinrn oannn iKsnn; nsn^i i,n ba |a (n^ K^b «in -jnn natr b^nrn Kab^a j^a^i xnan^ ^nna^n KHTB'I KHDIS

: |aK naxi

.-i-arp ^pn -mis ona IJ» rquot;»quot;» ^®3

: -|-jnan »-nK «'is t'n i«iT oSiyS Tjiaqn quot; ^na nquot;v ■jba irnbK ^ nnN ^quot;13

□aiin,i quot;wfri1! nai^n oVa ^Sa iop JCfe'jri?!

Nin ^na' tfiijri DoSan pN vi^Saai p'nPBf Nini; p'^Ni ia# n^ nünya aanS -iVi? -ovibN Sa bj; nana ia^i * v^S itbjri Has ap fiis : nbnrii nana i; d^ M', : aSigt;S imsba : oSij? ixi n^o Tjaa

niM np' abivn Dibu' n'^ ^n {^quot;ipi : SarrnK «quot;iiai

aquot;n 1S1K3 ahty nix wonnwüa

! .' . . nt DIB'DW

^nMna^ ^wanmx

ocr page 432

OCHTEND.GEBED.

Gedurende den zomer, van den Shahbath vóór het Paaschfeest tot de Seliechoth-dagen, wordt het volgende tot cipn nvm in beurtzang door Voorlezer en Gemeente voorgedragen.

Allen danken U en allen prijzen U en allen zeggen: niemand zoo heilig, als de Eeuwige! Allen verheffen U, Séla! Gij, die het heelal hebt gevormd; God, die eiken dag de deuren van de poorten van het oosten opent! *) En die vensters in het uitspansel uithouwt 3), die de zon laat te voorschijn komen uit hare plaats en de maan uit het verblijf, waar zij gevestigd is. En die der geheele wereld en haren bewoners licht verschaft, die Gij geschapen hebt, [geleid] door de eigenschap van barmhartigheid! Gij zijt het, die de aarde en hun, die haar bewonen, licht geeft met barmhartigheid, en door Uwe goedheid eiken dag gedurig het scheppingswerk vernieuwt! Gij Koning, die alleen verheven zijt van oudsher, die geloofd, geroemd en hooggeprezen zijt van af de dagen der oudheid ! Gij, God der eeuwigheid! ontferm U over ons in Uwe groote barmhartigheid, Gij Heer onzer macht. Rots van onze toevlucht. Schild van ons heil, Toevlucht voor ons! Niets is met U te vergelijken, niets is buiten U, niets is zonder U, en wie gelijkt U ? Niets is met U, Eeuwige, onze God, te vergelijken in deze wereld; en niets is buiten U, onze Koning, in het leven der toekomstige wereld ! Niets is zonder U, onze Verlosser, in de dagen van den Messias; en niets gelijkt U, onze Helper, bij de herleving der dooden!

God, Heer over alle schepselen, geloofd en gezegend door den mond van alle zielen! Van Zijne grootheid en Zijne goedheid is de wereld vervuld; kennis en inzicht omgeven Hem! Hij is hoog verheven boven de heilige Chajjoth, en prijkt glansrijk in heerlijkheid op de Merkaba. 3) Erkenning van verdiensten en rechtvaardigheid staan voor Zijnen troon, genade en barmhartigheid vóór Zijne heerlijke verschijning! Goed zijn de hemellichten, die onze God geschapen heeft; Hij vormde ze met kennis, met inzicht en oordeel; kracht en macht schonk Hij hun, om te kunnen heer-schen te midden der wereld!4) Vervuld van schittering, en glans uitstralend; heerlijk is hun schittering door de geheele wereld! Zich verheugend bij hun te voorschijn treden en verblijd bij hun huiswaarts keeren, vervullen zij in vreeze den wil van hunnen Eigenaar! Roem en eer kennen zij Zijnen naam toe; gejuich en gejubel bij de herinnering aan Zijn koningschap. Hij riep de zon — en er straalde licht, Hij zag — en ordende de gestalte der maan! Lof kennen Hem toe alle scharen in de hoogte, roem en grootheid de Serafiem, de Ofanniem en de heilige Chajjoth.

') Waardoor als het ware de zon naar buiten treedt (.w), om haren weg aan het uitspansel af te leggen.

s) Waardoor de stralen der zon, wier plaats boven het uitspansel wordt gedacht, tot de aarde kunnen doordringen.

29

ocr page 433

nnnir nVan dd

.quot;[nv San rundon w iï Snjn naro ; «3 Vani • ^na^! Vani fiy ban

di^33 n'nian bxn • Van isi» rhü ^lüün^ Van nan K710 * ^.iVn ^^121 : nnrü n,^ ninSn

• iba thtyb tkoi : nnn^ tisöq mnbi noipso

t : : \ t * t • •• t ; * i : ' t t : t i ; •

rrby ombi psjb quot;i'Nïan : Dvam mna

t iv t * t- : i V it t ... - • -: - - • : tt •••

: n'^ö Tpn Di^ra ^nö * D^pnna

K'^nsm quot;ixisoni natran * TNO na1? aonan ^an

t : - : t - t •• - : t : - | v iv -

• onn a^in chty flVK : nia^a ï]3quot;!^3 j'N : 1^3 n^a \yj2 laaa'^a quot;iix wy |n« »; : 'rjb-naii ♦ai DÖNJ * \w : N3n obiyn «nb i^a ^rhv |w ' nn abi^s irn^K u^K'ia ^-nai-t • n^an ma^ lab^ia D3«

: o^nan n^nnb

: nafrbs ^3 ^3ai -jins * o^an-bs b% fm VK : mix 0*330 nj^ni ngt;n * QSI^ xba 131121 ibii

• -: t : ^ r t ^ quot; t : :t

: n33quot;ian-i7^ H333 n^n:i - ^Tpn nvrrby nwnan

t t ; v - t ; t : v : v| i - - v t : * quot;

DOiü : iquot;ii33 'jfib o^ani.i non * indo quot;ii^ai ni3T : S3^n3i nr33 n^n3 ani^ * irnbx ^3^ nniNa

: t • : ~ i~ : t t ; iquot; v; t t v ;

D^ba : Vsn 3^3 o^fia ni^nb * ons |n: mTi3Ji n3 DnNï3 o^na^ : Dl7i^n-l733 ovr hkj * ruu o^p^ai in

t .. ; • •• : t t t : t • v t - 1 1 • • ;

D^nu ni33i INÖ : D3ip |iïquot;i: na^3 o^i^ *0x133 owi

• iiN-nquot;)?^ vmb Kip : in^ba 13Tl? n:ii nbnï * laiy1?

- v iv - tIt ; - vr*; t •; t *: t ; •

• oiia N3rl?3 iV onnii n3^ : m3Vn miï rpnni hki

t t : t • ; quot;iv t t : quot; ~ I I • : • ; t t

: ni»ni o^öiki vs-iv nbnai niKan

3) De troonwagen der goddelijke Majesteit. 4) Vgl. Gen. 1,18.

ocr page 434

OCHTEND-GEBED.

Den Almachtige namelijk, die met alle werken ophield op den zevenden dag, zich verhief en zette op den troon Zijner heerlijkheid. Met roemrijkheid omhulde Hij den rustdag, tot genot bestemde Hij den Shabbathdag; dit juist is de roem van den zevenden dag, dat daarop God ophield met al Zijn werk. De Shabbathdag zelve prijst dan ook en zegt: «een zang-psalm voor den Shab-bath: !) het is goed den Eeuwige te danken!quot; Daarom roemen en zegenen God al Zijne schepselen; lof, eer en grootheid kennen zij toe aan God, den Koning, den Vormer van het heelal, die in Zijne heiligheid aan Zijn volk Israël rust tot erfdeel heeft gegeven op den heiligen Shabbathdag. Uw naam, Eeuwige, onze God, worde geheiligd en Uw aandenken, onze Koning, geroemd in den hemel boven en op aarde beneden. Wees geloofd, onze Helper! wegens het prijzenswaardige werk Uwer handen en wegens de stralende lichtverspreiders, die Gij geschapen hebt, mogen zij U eeuwig roemen, Séla!

Wees geloofd. Gij onze Rots, onze Koning en onze Verlosser, Schepper van heilige wezens! Uw naam worde eeuwig geprezen, onze Koning, die dienaren hebt gevormd, en Wiens dienaren allen staan in de hoogte der wereld en vol eerbied te zamen met luider stemme doen hooren de woorden van den levenden God en eeuwigen Koning! Allen zijn bemind, allen uitverkoren, allen machtig; en allen volbrengen zij met vreeze en eerbied den wil van hunnen Meester! En allen openen hunnen mond in heiligheid en in reinheid, met lied en gezang; en zegenen en loven en roemen en kennen kracht, heiligheid en koningsmacht toe aan den naam van God, den grooten, machtigen en eerbiedwekkenden Koning, heilig is Hij ! En zij allen nemen in beurtzang op zich het juk van het koningschap des hemels s) en geven elkander verlof hunnen Schepper te heiligen met opgewekten geest, in zuivere taal en met lieflijk geluid; heiliging heffen zij allen te zamen aan en zeggen met eerbied :

Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de geheele aarde!

■Rn dp Ofantlipm Wanneer men Ofan bijvoegt, zegt men-,

.. de S:,.quot; E» quot;e Chajjoth zingen en de Cheroe-° . biem roemen en de Serafiem juichen en joth verhellen zich (jg Er-elliem zegenen ten aanzien van met groot gedruisch elke Chajja en eiken Ofan en Cheroeb tegenover de Serafiem; tegenover hen staande prijzen zij en zeggen:

') Ps. 92,1; d. w. z. volgens de opvatting van Midrash: ook door den Shabbath zelve aan te heffen.

3) D'hipn is hier in twee beteekenissen gebruikt: vSr Sapa, op zich nemen, erkennen; en n» rw Sapa, van elkander overnemen. Vgl. de Chaldeeuwsche vertaling van nt S.s m tnpi; die beide beteekenissen doet de vertaling uitkomen.

30

ocr page 435

mnip nVan ^

nb^nn dis3 Dv^sn-b|p nzv *\filt; bxS nnuan DI^ HÜ^ niKfin : niM NDrVj? n^v

t : - : t tquot; viv : • : •* ' ~ t:

latr ai'W nt : n|^n 017 yp niöTp lüixi narp oin : inDNbü-b|p SnV nx^ ^ niTn^ ma na^n DI^

^njan ^3 -lïi* 'nbü bvh un» n^i lp' nDty -

• :----•• ) v iv quot; t : * t •-.: It: - iv t ; t

quot; ipp : ^ij-p nip QV2 inEhpa bKntf* nniJD • iNsn: ^ppn • vipn* irnbK fX n'^D nnE'-^ -jiann : nnnp p^n : n^D nwyv hik niK»

t iv p I -: t : t r t v •• ;

^ narity» D^np Kquot;I.12 WVNIJquot;) I^O ^pann Db3 vnnt^D D^m^a ix^ usbö

t *.. t -: t ; v -: - • -: t : quot; iquot; ; - - t

nn^i Vips nn» nxyi aVi^ DIIS anoi^

onna oba D^IHN DVS ; obiy ^oi D«n D^nbN Dennis chp) D3ip |1ït nNn^ni na^a D'fcty ü^\ onisa D^n^^ai mom n-1^3 nnn^m nuhps on^-nK

• ; - ; • -; t : t ; * ; t • : tt: t : t '•.!:* v •

D^npDI DT^OI Dbp1! : Kin irnpT Nnisni ni35n -]ban bxn Dtrnx D^ni:quot;! * nip n? amp;m msbp bp Dn^: D,l?3pD nma ns'ira nirmma mwb tfnpnV * rt?^ nT ni^i

t ; tt:-i - r ; t:; *1: quot; : vt v :

nKT3 DnaiNquot;! D^ijr nnK3 oVa nuhp no^pi : ni33 pNn-^ abD niKny « lynp t^np B'inp .n? ion4' jaw mmsuD I nirn o^ai^ni

W D^n'^i nxs* D^i3i iquot;n^ ni»nni iyp*i3 lynpn

it * t : r* t ; * *•. : •• : - - : i~: . v| i

31131 |Ö1N1 n'n^S ♦JS 1313* D^NIKI D^^HD Slquot;l3 onpiNi D^nac'Q onay1? D^liy nayb

ocr page 436

OCHTEND-GEBED.

Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats.

God, den geloofde, wijden zij lieflijke klanken; ter eere van den eeuwig levenden en bestendigen God spreken zij gezangen uit en doen zij lofliederen hooren, dat Hij alleen het is, die machtige daden verricht, nieuws wrocht, Hij de Heer is der oorlogen, die weldaden zaait, en hulp doet ontspruiten; die genezingen schept, eerbiedwekkend in lof, Heer der wonderdaden, die door Zijne goedheid eiken dag gedurig het scheppingswerk vernieuwt! Gelijk er gezegd is [Dankt] Hem, die groote lichten gemaakt heeft, want eeuwig duurt Zijne genade! Een nieuw licht moogt Gij over Tsion doen schijnen, zoodat wij allen spoedig den glans ervan mogen deelachtig worden; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper der hemellichten!

Met groote liefde hebt Gij ons bemind. Eeuwige, onze God; Gij hebt ü in groote, in overgroote ontferming over ons erbarmd; onze Vader, onze Koning! ter wille van onze voorouders, die op U vertrouwden en wien Gij levenswetten leerdet, — o, wil ons evenzoo genadig zijn en ons onderwijzen! Onze Vader, barmhartig Vader, Albarmhartige, ontferm ü over ons en schenk ons hart de ingeving, te willen begrijpen en verstaan, te willen aanhooren, leeren en onderwijzen, te willen in acht nemen, doen en vervullen met liefde al de woorden, die wij in Uwe heilige Leer vernemen, — En verlicht onze oogen in Uwe Leer en doe ons hart gehecht zijn aan Uwe geboden, en maak tot eenig streven onzes harten Uwen naam te beminnen en te vreezen, opdat wij niet beschaamd worden tot in eeuwigheid ! Want op Uw grooten en eerbiedwekkenden heiligen naam vertrouwen wij, dat wij eens zullen jubelen en ons verblijden in Uwe hulp. (Men neemt de vier schouwdraden bijeen en houdt ze gedurende het lezen van Shema' in de linkerhand, ter hoogte van het hart.) En breng ons in vrede te zamen van de vier hoeken der aarde en voer ons met opgerichte gestalte !) naar ons land. Want Gij zijt God, die reddende daden verricht, en ons hebt Gij uitverkoren boven alle volkeren en talen, en hebt ons doen naderen tot Uwen grooten naam. Sela, in waarheid, opdat wij U danken en met liefde Uwe eenheid erkennen; geloofd zijt Gij, Eeuwige! die Uw volk Israël met liefde hebt uitverkoren!

(Wie a/leen bidt, zegt: God, getrouwe Koning!)

Deut. 6,4—10.

Hoor. Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is éénig!

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig!

31

Gij zult den Eeuwige, uwen God, beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met geheel uw vermogen. En deze woorden, die Ik u heden gebied, zullen [steeds] in

') Niet meer gebogen onder liet juk der ballingschap.

ocr page 437

jtto nban n1?

: loipap «-niaa ^13 ni^öT D»j5i Ti VK -jbpb * un» niD^; Tjna VKquot;?

nquot;^ nniaa V^ia iiaV Nin ^ * wnf\ nina^ni Kquot;!i3 nmn nipnï ^IT monbp byz nit^nn quot;Soa 131133 E'inon niKVaan jitK mbnn xnu niKian D'Via oniN nfety1? iiö^i : n^K-in n^ö npn di» wba nar:1) fi»v ^ ^nn nix : npn thty) *3

: nniKpn quot;iïv « nn« ^-is * iiin^ mnp nbfjn mnn nbi-ii rten irribx « wranw nan ronx

t ; i- t t •• • t ; t ; v iquot; v: *: it : - -: t - t -; -

na in^aty n^niasï -najn uaba irasi :

I : ; t v iquot; -: iquot; : - r t •••'t

jomn Sisin iraK : unaVni i^nn p D«n ♦pn Dis^ni

i t -; - t tt r t r* : - : r* t ; i •• * - j •• •-.

ybvb bgt;2amp;nb) pan1? uaba |ni ann anion ^nnin niD^n narVrnx a,pi?'i iapb inty inn ^n'iïpa vzh pani ^nnina ixni. : nan^a Dt^a ^a : njn ^larx^i nNi^i nanx1? uaa1?

•• : * •'t t ; •• ; iiv : t :*: t -: - : i-t ;

: nn^u^^a nna'^i nbm wnüa i^niani Si-inn

I iVt t;:-: t r t :itt t - : t - |: :It

maaa yanKö aib^ i:^ani oa'C'i jvVsofn 1T3 nxiïn jai* ppquot;

T : ....... .Din^lJ) •'371P11 U? üquot;p rï»3 27n UJ

ntyw] S^'a 7K »a : ni»püip ^a^im pKn nba bnjin unanpi ri^bi ajrVao mna uai nnx

t iv t - | ; • : it : -I ••: I t ; t • t ; i- t it t it

man « nnK ^na • nanna ^nn^i ^ nnin1? * noxa : IO»3 bN quot;iDiN Trr» J nan^a is^a

. . 'l '1 ffgt;W

: ins% 1quot; uri^K ^

it v -t: v v; JTi aquot; t : • ^ v- :

•' iniabp naa at^ tpa wnba

quot;Saai ^ar-Vaai ^aaV^aa ^rtbst nin» m nantsji quot;V^ Di'n niïD quot;ii^k nb^n anann vni ; iikd

V quot; -J I:quot; : s- it v -: v •• t -«• t : - t ; | iv ;

ocr page 438

OCHTEND-GEBED.

uw hart zijn! Gij zult ze uwen zonen inprenten en er over spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u nederlegt en als gij opstaat. Gij zult ze binden tot teekeu op uwe hand en zij zullen zijn tot voorhoofdsband tusschen uwe oogen. En gij zult ze schrijven aan de deurposten van uw huis en aan uwe poorten.

Deut. 11,13—22. En het zal zijn, wanneer gij zult luisteren naar Mijne geboden, die Ik u heden gebied, — om te beminnen den Eeuwige, uwen God, en Hem te dienen met ganseh uw hart en ganseh uw ziel; dan zal Ik den regen in uw land geven op zijnen tijd, vroegen regen zoowel als laten regen; en zult gij inzamelen uw koren en uw most en uw olie. En Ik zal gewas geven op uw veld voor uw vee; en gij zult eten en u verzadigen ! Neemt u in acht, dat uw hart niet verleid worde, en gij zoudt afwijken en andere goden zoudt dienen en u voor hen neder-werpen. Want dan zon de toorn des Eeuwigen tegen u ontbranden en Hij zou den hemel sluiten, zoodat er geen regen zoude zijn en de aardbodem zijn opbrengst niet zoude geven; en gij zoudt spoedig verdwijnen van het goede land, dat de Eeuwige u geeft. En gij zult deze Mijne woorden in uw hart en in uw ziel opnemen ; en gij zult ze binden tot teeken op uwe hand en zij zullen zijn tot voorhoofdsband tusschen uwe oogen. En gij zult ze uwe zonen leeren, om er over te spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u nederlegt en als gij opstaat. En gij zult ze schrijven aan de deurposten van uw huis en aan uwe poorten. Opdat uwe dagen en de dagen uwer kinderen zich vermeerderen op deu bodem, dien de Eeuwige uwen voorouders toegezworen heeft, hem hun te geven, zoolang als de hemel boven de aarde blijft.

(Men neemt de schouwdraden in de rechterhand en kust ze telkens lij het uitspreken van het woord: Tsietsith.)

Num. 15,37—41. De Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt: Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen, dat zij zich schouw^ draden zullen maken aan de hoeken hunner kleederen, gedurende al hunne geslachten; en dat zij bij de schouwdraden van den hoek een hemelsblauw snoer voegen. En dit zal u tot schouwdraden zijn; en wanneer gij ze zien zult, zult gij u herinneren alle geboden des Eeuwigen en ze vervullen; opdat gij niet [de wereld] beschouwt1), volgend uw hart en uwe oogen, die gij slechts in afval van Mij zoudt aanhangen. — Opdat gij u herinnert en uitoefent al Mijne geboden, en

Eigenlijk: verspiedt, onderzoekt.

E

32

ocr page 439

nnnt? nVön a1?

oa

j | ; ; v ; | v •• : lt; | : ; • : at vt : - *: I v t ; -«t : - • ; | iv t :

vni niKb Dnn^^i : palps') TP2

: nina-^ DMnai .* riadLj1?

.jquot;i «quot;I onan

D3n« nvtfö ^niïü-bx i^ü^n ^o^dn njni:

-Saa inaySi dd^^k nirr-nx nnnx1? Di*n

t : ; 't ; v •• i v: «t : ••• t -: i- : a -

mi» injrs d3ïin-quot;ic3d ♦nni'i : naaab

Jv K. • •*'' itquot; iquot; : s* quot; it : iv ; ; - t : y.quot; ; ~ :

trim ivy ^nnii : ^nnri nhn nfiDNi iripVoi

v» :quot;t : v Oquot; r -it: |ivt ; •: i.1 : i • ; |vt ; -«t ; - it : U; -

oraa1? nns^ra DÏ1? noi^n : nyafri nbDNi inDnn1?

: - : v,v ; • i • v t j : it • t it t ; ^t^: - it : |av ;•.*;•

mni : Dnb Dn^inn^ni onnK DTibx omn^i onioi

tt : ivt vv *-: r : ^ •.. -. j. ... ... ..-«..f ... ;- ;

naiKm quot;ièü D^a^n-nx n^yi Dia nirreiK

t t -: jt : t t ^ jv : r ; • - t - v lt;-^ ; v t t ; ) -

nhbn pxn b^ü nnno Dn-ias^ n^i^-nx |nn a) oaaaS-1?^ nbx narnx bno'^i : DDS jn: nin» quot;I^K rm ddt-S^ nixS onx Drntfpi

j t : v :v ; lt;t v ; - i: av ; : - ;

D3 quot;nai1? Da^rnx nnx Drnabi : ?»3

at — -; vquot; quot; : v JT jv ; - • ; iv •• ) jquot; *. t 1 ;

DnanDi : ?|n^3 -jna^a

QD^n 12T ?jn;3 ninrp-^

»o'3 nn1? nnb DD^nnxS nin» nonxn bv

jquot; ' av t -quot;• t \.quot; quot; i -: i- .)t : ^ s- ; • v -: t t -: it lt;

pB38 n*'ï nSn miNw OI-B Saai /Ws'a njisn Sia' Tquot;1? V'C lanea

^-Sx n|i : iöN^ nj^o-bx nin» 10^1 orvTQ ♦0:3-^ nx^ï Qnb an^N möNi

v.v ••: • ; ~ •)• * r.* t ^t : v •• -: -nr : - it :

ddV n^ni : n^n ti^n nvrhy linai nrn-6

vt ■'tt : # viquot; : r : i^tt^ - y • ^ ;it: at i:

Divipyi nin» mva-ba-nx amsninKDnwin^v1?

^v • ^—.r t j ; • t v v ; - ; ■quot;.••: • • ;

DnK-ityx D3»rv 'IHKI 0333'? nnx mnn-Nbi DHN

ys - v -1 v •• Tquot; 1- : v ; - ; lt;,,-:r t 1 : at

DJT'm ♦n'iïD-^-nN on^i liarn : onnnx D^T

-gt;v • ; r at ; • t v vv * : : • l*1 ■*- ; iv ••-: r

ocr page 440

OCHTEND-GEBED.

33

heilig zijt voor uwen God! Ik ben de Eeuwige, uw God, die u heb uitgevoerd uit het land Egypte om u tot God te zijn; Ik, de Eeuwige, uw God!

Waar en juist, gegrond en bestendig, rechtvaardig en vertrouwbaar, bemind en geliefd, begeerenswaard en lieflijk, eerbiedwekkend en machtig, welgeordend 1) en door overlevering aangenomen, goed en schoon is dit woord voor ons immer en eeuwig. Het is waar, de God der eeuwigheid is onze Koning; de Rots van Jakob is het schild onzer hulpe; voor alle geslachten is Hij bestendig en Zijn naam bestendig en Zijn troon vast gegrondvest en Zijn koningschap en Zijne trouw bestendig tot in eeuwigheid ! En Zijne woorden zijn eeuwig levend en bestendig, vertrouwbaar en begeerenswaardig voor immer en voor alle eeuwigheid, (Hier kust men de Tsietsith en legt ze uit de hand) voor onze voorouders, zoowel als voor ons, voor onze kinderen en onze nageslachten en voor alle geslachten van het kroost van Israël, uwe dienaren, voor de vroegeren zoowel als voor de lateren is het woord goed en bestendig immer en eeuwig, waar en vertrouwbaar, een wet, die nimmer wijkt! Het is waar, dat Gij, Eeuwige! onze God zijt en de God onzer voorouders, onze Koning en de Koning onzer voorouders, onze Verlosser en de Verlosser onzer vaderen, onze Schepper, de Rots onzer hulpe; onze Bevrijder en onze Redder is van oudsher Uw naam; geen God is er buiten U1

Wanneer men Zoelath bijvoegt, zegt men:

Waar en juist, gegrond en bestendig, rechtvaardig en vertrouwbaar, goed en schoon is dit woord voor onze voorouders zoowel als voor ons, voor onze kinderenen onze nageslachten en voor alle geslachten van het kroost van Israël, Uwe dienaren, voor de vroegeren zoowel als voor de lateren, immer en eeuwig, een wet, die nimmer wijkt! Het is waar, dat Gij, Eeuwige! onze God zijt en de God onzer voorouders immer en eeuwig. Gij zijt onze Koning, Gij waart ook de Koning onzer voorouders ; wil spoedig ter wille van Uwen naam ons verlossen, gelijk Gij onze voorouders verlost hebt! Het is waar, dat van oudsher Uw groote naam met liefde over ons genoemd is; geen God is er buiten U!


Bijstand voor onze voorouders waart Gij van oudsher, Schild en Helper voor hunne zonen na hen in elk geslacht. In de hoogte der wereld is Uw zetel en Uwe rechtsoefeningen en Uwe liefderijke mildheid reiken tot de einden der aarde. Heil den man, die luistert naar Uwe geboden en Uwe leer en Uw woord zich ter harte neemt! Het is waar, Gij zijt een Heer voor Uw volk

^ Door bepalingen (rmpn) verzekerd.

ocr page 441

rvw nban ^

b^nK ♦nNifin D^ri^K nin» ♦jk ; m^k1?

.nos1? navibx * iv quot;'l v; jt : v* -:

•n? cnniN nSlt D'mwto

D*j5l; |ÜJ1 yV] DDK nan m röKJi

v t: ; i t v: v : r t :

wnia» by ntn nn^n S^i ij»J| S# wby] nniT^ irnnn

t quot; ; iquot;

: ïinajr bniw

i ,vt«, •• t: • ^ -.•-•

D^it^Kin hv 1$) chtyb onnnKn nüK * Nbi pn « sjin nriKt^

iquot; v: *: t - t

D1?^ wnüK 'ribNi

t ; iquot; -:

iis^a «in nnK : * nnx U'nüK tiSo

t it iquot; -: | v iv

ubtfj1? quot;inD^p^^a1? n» nVx-i quot;itrKa

t : i- t v -: -

DbiyanDK nrnüK jnjMw^ 'pnan ?|pjy j^nViT D^i^nanNa

.no« Di'nSs 'n mn y'^n

|okji 1^1 D»^ [ÜJI yw npN

lonai ynn] ainxi yu] i^nDi ; nnx'! •' lyi Q^^1? njn ia-in nsn aip^! TIÏ uabo obiy ♦riVt? npN Dt»|5 xin Tini nn'p vyw |JÜ in«Vö1 |133 iNtpDI DT»j5 lÜBh DMn vnmi : nD»p n^V imiQKi

•T TT : VIT»- T T •.•:•••

quot;i^S onanji Q^OXJ o^pi

t t v; v ; • t v: v * t|-;

nrgt;ïn pc;:-»

,.. -; -j-po nn^ • ...Af'

irniiiT^i ir^i.

^ •' riniT1?!

yu isi D^nnttn hy) o^i^Kin pn niiDMi nöN : obi^ d»^ « Kin nriNB' npN ;

uaVp • irni2K ♦n'pNi irn^' upïv wnüN bm 13^15 irnüN obi^D inis wnvijy* ny

T •• iquot; • - !•• Iquot;*T :

: ?|n^r px ♦ ïjdk' (Kin)

amzb );^ioi |jü chtyn Kin nriK irnüK nir^ ïj^pi^iö übty Di-i3 : quot;iini iit^3 onnriK ^n'iïpb ypi?!tf ly^K n,^ • pK V ^jnpnïi ^a^1? |1*tk Kin nriK hük : lab ^ ïjinni ^nnini

ocr page 442

OCHTEND-GEBED.

en een machtig Koning om hunnen strijd te voeren! Het is waar, Gij zijt de Eerste en Gij zijt de Laatste en buiten U hebben wij geen Koning, die verlost en helpt! Uit Egypte hebt Gij ons verlost, Eeuwige, onze God ! en uit het slavenhuis hebt Gij ons bevrijd ; al hunne eerstgeborenen hebt Gij omgebracht, doch Uwen eerstgeborene hebt Gij verlost, en de Schelfzee hebt Gij gekliefd en overmoedigen daarin gedompeld en de U dierbaren er door gevoerd, doch de wateren bedekten hunne verdrukkers, zoodat niet één van dezen overbleef. Daarvoor loofden de beminden en verhieven zij God, en wijdden de dierbaren zangen, liederen en lofprijzingen den Koning, den eeuwiglevenden en bestendigen God; die hoog is en verheven, groot en eerbiedwekkend, die trotschen vernedert en vernederden verheft, die gevangenen uitvoert en verdrukten bevrijdt en behoeftigen bijstaat, en die Zijn volk antwoordt in den tijd, dat zij (ot Hem schreien; lofzangen [wijdden zij] God, den Allerhoogste, geloofd zij Hij en alom gezegend; Mozes en de kinderen Israels hieven voor U een lied aan met groots vreugde en zeiden allen:

wWie is U gelijk onder de machten. Eeuwige! wie is U gelijk, prijkend in heiligheid, eerbiedwekkend in lof, wonderen verrichtend 1

In een nieuw lied prezen de verlosten Uwen naam aan den oever der zee, allen te zamen dankten zij en huldigden en zeiden: «De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!quot;

Rots van Israël, sta toch op om Israël bij te staan en bevrijd, gelijk Gij hebt toegezegd, Juda en Israël; (onze Verlosser, Eeuwige, Tsebaoth. Heilige van Israël is Zijn naam); geloofd zijt Gij, Eeuwige ! die Israël verlost hebt!

o Heer! open mijne lippen, opdat mijn mond Uwen lof verkondige.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders. God van Abraham, God van Izak en God van Jakob, groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God! die weldoende gunsten bewijst en Eigenaar zijt van alles, en de goede daden der voorouders gedenkt en in liefde voor hunne kindskinderen den verlosser doet komen ter wille van Uwen naam; !)

{In de tien bekeeringsdagen zegt men:

Gedenk ons ten leven, Gij Koning, die leven wenscht, en schrijf ons in het boek des levens om Uwentwille, levende God 1)

Gij Koning, die Helper en Redder en Schild zijt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham !

34

Gij, o Heer, zijt machtig in eeuwigheid, Gij zijt het, die de dooden doet herleven, krachtig om steeds te helpen;

l) Niet ten gevolge hunner verdiensten.

ocr page 443

jvw r6an ib

nriw Kin nnK nöN ; onn y^h 1133 TjVöi Dnïöp ; ^fiai bwia ^0 ij1? ^n^api p-inw «in anniDS-ba * unns ona^ n^api irn^K « wri^Ka onn^i, n^atp onn ^Dquot;D^; nbw ^*11351 rgt;^n n^rb^ : nnii ^ onp nnx ornx d*ö nin^n mn^ nn^r DH^T unji loani D^HNS xm] DT, : D»^ »n Vnï -jba1? nima nina^ni

nnifli d»tpk nw d,1?Ö^ n^ipi DW Kniii^na mbnn : vbx nipp ïnyh n:i^ vy. ^1? n^D • Tj-npi Kin Tpa VKquot;?

nD03 M D^KS nDQDquot;^ * D^D IIOKI nan nnQ^3

t 1 t * *: * :quot; t t 1 t t *-. : t : r - t : • : t •

: K7ö-n^ hbnn kiij trnpa -^kj

viv •• n • : T Vh - T ; V

oba nn» DT*n nöf by_ D^IKJ ma^ n^nn nT^ : D^V -jbo^ « * IIÜKI iD^pni. nm

* n-jm» ï|ökj3 nnai bK*^ nnr^a na^ ^k^» iiï : ^Ki \] nnK Tpi * 6K*I^» trinp ïm niK^v ^ ubKi)

! 1^1? tïp ifli nnan ^

♦nbK DniDK ^n^K irnüK ^bKi mn^K « nnK Tina

• vi T T : ~ •• VJ iquot; ~: •• •• |«« ••; ▼: T ~ ) T

Vk KTisni lain Vnan bKn ap^ ^ki pnr ^kü K^pi nüK npn iDiri Van njpi nnm onpn bpi3 * nanKa 10^ j^ob on^a

.mn ws roian onm nat; osi Dquot;n 1203 OIDSI .1103 gt;0 03n3T d^dto n'uo)

c n^n QTiS^ ' Qquot;nn ngp? wsroi * o^n? fan ^Sp * Dquot;nS unpr : onnaK |3D « nnK ^na * pai JTPIDI ITI^ TjVo

* ^^in1? si nnK D»np njno ^ nVip1? naii nnK

ocr page 444

OCHTEND-GEBED.

(Van het Slotfeest tot het Paaschfeest:

Die den wind doet waaien en den regen doet nederdalen;)

Die de levenden verzorgt met genade, de dooden doet herleven met groote barmhartigheid, die vallenden steunt en zieken geneest en geboeiden losmaakt en Uwe belofte vervult aan hen, die in het stof slapen. Wie is als Gij, Heer der machtige daden, en wie gelijkt U, Koning, die doodt, doch weer doet herleven en hulp doet ontspruiten;

(in de tien hekeeringsdagen: Wie is als Gij, Vader der barmhartigheid I die Uwe schepselen ten leven gedenkt met barmhartigheid 1)

Gij zijt vertrouwbaar, dat Gij de dooden zult doen herleven; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven!

Gij zijt heilig en Uw naam is heilig en heiligen prijzen U dagelijks, Séla; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! (m de tien hekeeringsdagen: heilige Koning.)

Mozes verheuge zich met het hem toebedeelde geschenk ^; want een trouwen dienaar hebt Gij hem genoemd; een krans van heerlijkheid 3) hebt Gij op zijn hoofd geplaatst, toen hij vóór Uw aangezicht stond op den berg Sienai en twee steenen tafelen in zijne hand naar beneden bracht, waarop de inachtneming van den Shabbath geschreven was ; en aldus is nog geschreven in Uwe Leer:

Ex. 31,16 en 17. De kinderen Israels zullen den Shabbath in acht nemen, den Shabbath te maken voor hunne geslachten tot een eeuwig verbond. — Tusschen Mij en de kinderen Israels zij hij voor eeuwig een teeken, dat in zes dagen de Eeuwige gemaakt heeft den hemel en de aarde en met den zevenden dag ophield te werken en Zijn doel had bereikt.

En Gij gaaft hem niet, Eeuwige, onze God, aan de volkeren der landen, en schonkt hem niet als erfdeel, Gij onze Koning, aan hen, die afgodsbeelden dienen; ook zullen in zijne rust onbesnedenen niet zetelen; maar alleen aan Uw volk Israël hebt Gij hem met liefde gegeven, aan het kroost van Jakob, dat Gij hebt uitverkoren, het volk, dat den zevenden dag heiligt, die allen zich verzadigen en verlustigen in Uwe goedheid ; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd. Gij bestemdet hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust; heilig ons door Uwe geboden en laat Uwe leer ons deel zijn; verzadig ons met Uwe goedheid en verblijd ons met Uwe hulp, en reinig ons hart om U in waarheid te dienen; en doe ons. Eeuwige, onze God! in liefde en welgevallen Uwen heiligen Shabbath deelachtig worden, opdat daarop mogen rusten Israël, die Uwen naam heiligen; geloofd zijt gij. Eeuwige, die den Shabbath heiligt!

') Den Shabbath, welks wetten Mozes aan Israël had mede te deelen, vgl. Ex. 16,29; Talm. Shabbath 106. s) Een stralenkrans, Ex. 34,29.

35

ocr page 445

nnntp nbfin rh

Dt^-in TTtel niTl a'B'D annw nosn '« dv t]Bin np niïr wscr tjoia jn)

^oiD D'pnna D^no n»no ipna D«n • ' ♦JBquot;1? injlDK D^ÖI DniDK I^DI D^ln KÖITI n»npi n^a ^ noi-i ♦pi nnisa S^3 ^IDD ♦» * n»Dïpi

c d-'poi? o^nS rnis^ nair • D^arjnn ax ïjim d'E'dio nquot;iya)

: D»nan n»np « nnx Tjiis * D^np nvnn^ nriK |ük:i

• n^D ^jV^rr di» VSS D^npi {ynpT ^p^i ^nj5 nn^i (: rnpn ^an «wn ^ ^wa) : tfinjri bxri ^ nnx Tina

' I-J n^pr |ÖN3 ^ ipbn nanpü n^a npfr»

• n^-quot;in ^ IID^S * nnj mKsn

- • - | iv t : '.t: t i- t : viv ; •

• ra^ n^Qty ons amai * min D^K hnb

t - - • : v t t : t ; • • t -: \ •• ;

ni'^b na^rrnK *33 np^i : ^nnina mn3 pi niN ^3 pai ^3 : obijr nn3 aninS ns^n-nx

n^n-nKi D^DurrnK « niyjr^n-nKi D^DurrnK « niyjr chvb «in

it t v ; * r t - v ▼: t 't • t v i- • t^ ;

niïiNn «ia1? irn'bx quot; wn: nVI : n3^ dvsi Nb innwDS dji; * D^Vpfi nsipS laabp inbnan ah) 3p^ • rDriNa inna ^

DvO ynp ^npp D^ * jrm D| -I^ nxnp ini« D*p* mpn in^pi 13 ^3#™ * ^iap

: n^Ni3 n'^pb nar ^niïps vamp;ip_ iinniio3 nin irn^sï ♦riVtti irribK ?|n^ity»3 unsfri ?|3it3p 1^3'^ ïjnnms |ni nsnxs irnbNj « liVnani npK3 ^'i3^1? mb inu) ^quot;is * ï|Df ns imr;, ^-!pT n3^ pxisi

: n3#n itido M nnw

ocr page 446

OCHTEND-GEBED.

Schep behagen, Eeuwige, onze God, in Uw volk Israël en in hun gebed; en breng den tempeldienst terug in het binnenste van Uw huis, opdat Gij Israëls vuuroffers en hun gebed in liefde welgevallig zult aannemen, en steeds zij welgevallig de eeredienst van Uw volk Israël!

Op het Nieuwemdansfeest zegt men-.

Onze God en God onzer voorouders! Moge voor Uw aangezicht opstijgen en komen en naderen en gezien en welgevallig aangenomen en gehoord en bedacht en herinnerd worden de herinnering aan ons en onze bedenking en de herinnering aan onze voorouders, en de herinnering aan den Messias, den zoon van Uwen dienaar David, en de herinnering aan Jerusalem, Uwe heilige stad, en de herinnering aan geheel Uw volk, het huis Israël?, — tot redding, ten goede, tot gunst en tot genade en tot barmhartigheid, tot leven en tot welstand op dezen dag van het begin der maand. Gedenk ons. Eeuwige, onze God, daarop ten goede, en bedenk ons daarop tot zegen, en help ons daarop tot leven! En ter wille van de toezegging van hulp en barmhartigheid, spaar ons en wees ons genadig en erbarm U over ons en help ons, want tot ü zijn onze oogen gericht, want een genadig en barmhartig God en Koning zljt Gij!

En onze oogen mogen het aanschouwen, wanneer Gij met barmhartigheid naar Tsion terugkeert; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert! Wij danken U, dat Gij zijt

de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, immer en eeuwig. De Rots van ons leven, het Schild onzer hulp zijt Gij voor alle geslachten ! Wij danken U en verhalen Uwen lof voor ons leven, dat in Uwe hand is overgegeven, en voor onze zielen, die aan U zijn toevertrouwd, en voor Uwe wonderen, die eiken dag met ons geschieden, en voor Uwe wonderbaarlijke weldaden, die ten allen tijde, des avonds, des morgens en des middags [op

Bij de herhaling van Tiet gehed, zegt de Gemeente, terwijl de Voorlezer omn zegt, het volgende-.

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, de God van alle vleesch, onze Vormer, de Vormer van het Scheppingswerk ; lof en dankzegging [brengen wij] Uwen grooten en heiligen naam, dat Gij ons hebt doen leven en doen voortbestaan! Zoo moogt Gij ons laten leven en ons laten voortbestaan en onze ballingen verzamelen

ge

naar de voorhoven van Uw heiligdom, om Uwe geboden in acht te nemen en Uwen wil te volbrengen en U van ganscher harte te dienen; [wij danken U ervoor] dat wij ü kunnen danken; geloofd zij de God der dankzeggingen! te merken] zijn; Gij, Algoede, Wiens barmhartigheid niet eindigt; Gij, Albarmhartige, Wiens genadebewijzen niet ophouden, — van oudsher hopen wij op U 1

Op Chanoekka zegt men-,

[Wij danken UJ voor de wonderen en de verlossing en de machtige daden en de reddingen en de krijgsverrichtingen, die Gij voor onze voorouders verricht hebt in vroegere dagen op dit tijdstip.

In de dagen namelijk van Mattnithjahoe, den zoon van den hooge-priester Jochanan, den Chashmoneër, en zijne zonen; toen de boosaardige

36

ocr page 447

rvTO n^ön ib

nniajrnTiK n^ni • onbanm \] np;

S^nnnnxa Vk^» *m] yyp

' ?jajr mpy; Tpn |ivnb ♦nni jiïna

.X3M nSy o^ms trmn trxna I3i,.1 quot;ij?.??'! VQfy. n^T.i n^Ti N3;i nS^, wriiae? viSxi. irn'Sj? iT-pti T]^ nn ja jrtfö jl-pn wpü?? p'i?n wünpsi WJii?!

naiöSi na^aS ^i^aS 'wn^? n^ ïjp-Si pi?ti ^-!pT tj? pWn; v i^pi • njn tt'inn rxi dv? aiVf^i a^n5? cpnquot;!5?' ipn^i jn^ rw^ 13-131 • Dquot;nt? 13 «^ini n3n3i? 13 «Tpffl nsio1? ia wnS^ rjSa SN ^ irrj ^ M^lni onii «ani om * o^onii • nnK mnni pan

innan « nnx ^13 * D^onna \v)sh nrmni

: i^vquot;? inrDB'

Kin ^ vnm onio

t - T |T : I- -:

|:a m nis *

• Tiii n-ib Kin nnK

T ; T - *1quot;; •

* ^nVnn napii ^ nnia ?|TT3 Dnioan i3«n bz

by) ^ nnipsn wnioau byi lasjr 01^33^ ?|f 3 ♦3 3i'i3n Dnnïi np3i 3^. njrbD3^ ^^ni3iüi ^niKba:

• it*: t ; iv it vnv •• t : v » i- • f '• • •

• ^ irip ^non lan-K1? »3 onnani ^onn byüb

D^niN nawa

U • UJ llgt;gt; • IJ IJl ' J

nlonSsn Sj?i nlyir^n S^i nna^in S^i iPTisn Si?i opari S]?

* njn jni? onn D,,p;3 :i3,ni3xS yvvv jv msSo nnp^? nsi ^lo^n Sna jns ijnv-js inv-ipp ,p,3

pan □••TIÖ

^ x-in nnxr r\h uton nmo ^riSx «'nü» mSjci m'3-13 nTN-13 isv -1^3 Ss Sï tt'npni Snan nwilni p uriQ-pl urrnrn? niquot;)?nS wni'Sii ^Ids^o? ?|13j;Si ?|Jlsi nir^Sl TPH •^DniowTO^ 'ty nhiï 33i73 : nixiinn Sn ^ns

ocr page 448

37 OCHTEND-GEBED.

Grieksche regeering opstond tegen Uw volk Israël om hen Dwe leer te doen vergeten en hen af te brengen van de wetten van Uwen wil; doch Gij in Uwe groote barmhartigheid, stondt hen bij in den tijd van hunnen nood; Gij voerdet hunnen stnjd. Gij kwaamt op voor hun rechtzaak. Gij naamt voor hen wraak; Gij leverdet helden over in de macht van zwakken, en velen in de macht van weinigen, en onreinen in de macht van reinen, en booswichten in de macht van braven, en moedwilligen in de macht van hen, die zich bezighielden met Uwe leerl U zelve maaktet Gij een grooten en heiligen naam in Uwe wereld, en voor Uw volk Israël bereiddet Gij groote hulp en verlossing tot op den dag van heden! En daarna kwamen Uwe zonen in het binnenste van Uw huis, en ruimden [het verontreinigde] weg uit Uw paleis en reinigden Uwen tempel en ontstaken lichten in de voorhoven van Uw heiligdom, en stelden deze acht dagen van het inwijdingsfeest vast om Uwen grooten naam te danken en te prijzen!

En voor dit alles worde Uw naam, onze Koning! steeds geloofd en verheven immer en eeuwig;

{In de tien hekeeringsdagen:

En schrijf in voor een goed leven al de leden van Uw verbond!)

En alle levende wezens zullen U danken, Séla! en Uwen naam in waarheid loven, o God, onze hulp en onze bijstand, Séla 1 Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam //de Algoedequot; isenWien het past te danken!

Bij het herhalen van het gebed zegt de Voorlezer:

Onze God en God onzer voorouders! Zegen ons met den in Uwe leer uitgesproken drievoudigen zegen, die voorgeschreven is door de hand van Uwen dienaar Mozes en uitgesproken door den mond van de priesters Aharon en zijne zonen, gelijk er gezegd is: De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede.

Geef vrede, heil en zegen, gunst en genade en barmhartigheid ons en ganseh Uw volk Israël; zegen, onze Vader! ons allen te samen met het licht van Uw aangezicht! Want met het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven. Eeuwige, onze God, de leer des levens en de liefde tot genade en welwillendheid, en zegen en barmhartigheid, en leven en vrede; o, moge het goed zijn in Uwe oogen, om Uw volk Israël in eiken tijd en elk uur te zegenen met Uwen vrede!

(In de tien hekeeringsdagen-,

In het boek van leven, zegen en vrede en ruim levensonderhoud mogen wij herdacht en opgeschreven worden voor Uw aangezicht, wij zoowel als geheel Uw volk, het huis Israels, tot een goed leven en tot vrede; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper van den vrede!)

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.

ocr page 449

mm? nban tquot;?

nnjji ?i3ln ^no DTagpS 'IC1^ ^v. n^in

oj^-n^ oan-ns n?p arm nya d^iS riia^ o^in D^nai D^e t? D^li t? oniaa nipo Dnap.rn^ npp.3 nv TjSi Tinnin t? Q1!!.! D^ns t? d^i? nnint? t? □vn? ijriai nSii^ nj;^^ n^j; S^{quot;l^, ^oSij?? t^in^ Sna ?I^quot;5l?p-ns nnpi ^Sa^n-n^ =1551 Tp-jS wa innjji n^n niiln1? najq 'P] nimf wppj nn?n? nnj ipS-jni : Snan hbij'ji

* quot;Uft quot;i^ün )22bD ^jpB' Düiirn Tj^an»

c ?jnn? 6a) o^aia o^nV alrpi nawn 'B' mwa)

Vkh nüN| ^0^ nK ibbn^. nbs ^inv D«nn bbf ?]Oty riiEn i* nritlt; - n^p lan^ : niTin1? HK:

: v t

yvn ints nhem nvra

n* hp naman mins ntfWnn naiaa waia irnlaic ,n'lwi wnSx

•*: t ; t v iv - t t: - iquot; -:t iquot; -j •• •• iquot; v:

: quot;iioxa ïjtfnj? DJ o-'jqa raai pqjc va nnio^n rjrpj; nt?a apy ïpStf vjs v: Nf ^ : Tiarvi ?]^Sx VJS ^ IN; : \] ^a* (p'i'T. vi? 1? D,31ï) : DiVf ?]V

irSv D'ömi quot;iDni ?n naiai naiü QiSiy Dvtf

-; iquot; 't • -: -: v iv t i •• t t : r . r

-iiK3 1:313 lap

; tv: it ••. r r iquot; -:t | iv^- •• t: • t

ranxi DMn min ivriVx « u-j nn: quot;iins »3

- ; • - - iquot; v: *: it t 1- t I iv t : • I iv r

Tjin1? 3IL21 DI^^I D^ni vmyi naini npiïi non • nyv boni

nawn •lt;amp; niisra)

Ti^a1? anaai -du naiö nw-iai diS^i nana Dquot;n lapa c DiWn nrj? \] nriij ^na * DlWSi opia a^nS

: DiVsya ID^-HK mnn » nnw quot;nm

t - •• t; • v i •• t ; - t; t - i t

ocr page 450

38 OCHTEND-GEBED.

Mijn God! bewaar mijn tong voor kwaad en mijne lippen voor het spreken van bedrog; moge mijne ziel zwijgen tegenover hen, die mij vloeken, en moge mijne ziel tegenover ieder zoo nederig zijn als het stof! Open mijn hart in Uwe leer en moge mijne ziel Uwe geboden najagen! En allen, die kwaad tegen mij beramen, o, verijdel spoedig hun plan en vernietig hunne gedachten! Doe het ter wille van Uwen naam, doe het ter wille van Uwe rechterhand, doe het ter wille van Uwe heiligheid, doe het ter wille van Uwe leer! Opdat de door U beminden gered worden, help met Uwe rechterhand en verhoor mij! Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor ü, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser. Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede voor ons en geheel Israël; zegt hierop: Amen!

Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij U in eerbied dienen, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid. Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offergeschenk van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

De Voorlezer herhaalt het gebed, waarhij na ovmn rpna de volgende Kedoesha wordt ingevoegd-.

Voorlezer-, Laat ons Uwen naam heiligen in deze wereld, gelijk men hem heiligt in de hooge hemelen; zooals door Uwen profeet geschreven is: En de een riep den ander toe en zeide: {De Gemeente:) Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de gansche aarde! (Het volgende wordt door den Voorlezer herhaald-) Vervolgens doen zij met een groot, machtig en sterk stormgeluid een geluid hooren; terwijl zij zich verheffen tegenover de Serafiem, zeggen zij, tegenover hen staande: ,/Geloofdquot;. {Gemeente-.) Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats! {Gem. en daarna de Voorlezer-) Moogt Gij van Uwe plaats stralen, onze Koning! en over ons regeeren, want wij verbeiden U, wanneer Gij als Koning weder te Tsion zult regeeren; o moogt Gij spoedig in onze dagen, en dan voor immer en eeuwig, daar zetelen! Dan zult Gij in Uwe grootheid en heiligheid erkend worden in Uwe stad Jerusalem voor alle geslachten en in alle eeuwigheid! Mogen dan onze oogen Uw koningschap aanschouwen, naar het woord, in de liederen, die Uw macht bezingen, uitgesproken door David, Uwen rechtvaardigen gezalfde. — {Gem. en daarna de Voorlezer-) De Eeuwige zal dan in eeuwigheid regeeren, uw God, o Tsion, door alle geslachten; Halleloe-jah!

(De Voorlezer-) Alle geslachten door willen wij Uwe grootheid verkondigen en in alle eeuwigheid Uwe heiligheid uitspreken, en Uw lof, o onze God, zal nimmer uit onzen mond wijken tot in eeuwigheid, want een groote en heilige God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige Godl (in de tien hekeeringsdagen: heilige Koning).

ocr page 451

mntr nban nV

•hbpzh) nm 1510 ^*30 -to *rbH ^jnnina nna : n^nn Vab is^i Qiin isri mno n^inn V3i: ^02 sjiTin

\Viï? nv% * ïjüB' i^p1? n^: • onn^nQ on^ ]Vfib - ^nnin n^: * tyü) 7p% *

♦fi-npK pvn1? vn* : t]yw njr^in pï'pn» Kin VDi-m Dib^ n'^ : *1^ V; T,^1? Ï^OI : |ÜK noNi Dl^

n-inoa ^psn rr1? in'SNi irijSa « ïi^o P'st ^

dub'?! oSiy ,Ö,3 nxT? Dri; : inning wpbn jni war? : nvioip nwaï oSiy ,p,3 DWiti nnm; nn?o ^S na^i : nvioip

•nbann mins ftrS ncnp i'n

Diin ^^3 iniK D^npaiy otra abi^3 •qoa'-nK

♦ lü^ii nr nr xn^ ^^3 i! rjiro?

: 11133 p^n'1?? niN3V V ^npT ^,iquot;,i^ nquot;v D^anp ^ip d^^ük'd prni nnx quot;?ina Vips tnï /n « ni33 Tjiis quot;quot;v : '^m, ^quot;is Dna^b na^S

D^na *3 13^ -jibanquot;) jram lasba ^aipaa 'n : laipaa il^n^iD^1? W3 3npT3 |i»v3 ^an Tia i:mK : D^nï; nv^nnnn1? pbnT Tjins ^pnni bi^nn in ngt; by_ n^3 quot;iiaxn 1313 ^jroba nrKquot;in irr^i : nj^bn -nnnb |i'V ^riV» abi^ « rpn^'v : ^jpnï n^a

Wjlbs? T)n3ri ÏJ^TJ? o^nw ns?.^ ^Sia T-a nni nnV i,n

• nnx riipTi Sna i?Q Sx v ij;,i dSi^^ jcS wsp

c B*nj?n quot;ïjSsn nquot;^r=) : ^iipn Sxn y nnx ^na

ocr page 452

OCHTEND-GEBED.

Op Rosh Chodesh en Chanoekka zegt men:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt Hallel te lezen. ^

Psalm 118. Halleloe-jah! Prijst, gij dienaren des Eeuwigen! prijst den naam des Eeuwigen! De naam des Eeuwigen worde eloofd van nu tot in eeuwigheid ! Van de plaats van opkomst er zon tot haren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen. Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Wie immers is als de Eeuwige, onze God, die hoog verheven troont, — en toch in de diepte nederziet, in den hemel en op aarde?! Die opricht uit het stof den arme, van den mesthoop opheft den behoeftige, om hem te doen nederzitten naast vorsten, naast de vorsten zijns volks; die de onvruchtbare vrouw in het huis doet neerzitten vol vreugde als moeder van zonen; Halleloe-jah!

Psalm 114. Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakob's uit het midden van een volk, dat eene vreemde taal sprak, werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn machtgebied! De zee zag het, — en vluchtte, de Jordaan wendde zich achterwaarts, de bergen huppelden als rammen, de heuvelen als jong kleinvee I Wat is u overkomen, gij zee, dat gij vlucht; gij Jordaan, dat gij u achterwaarts wendt?! Gij bergen, dat gij als rammen huppelt; gij heuvelen, als jong kleinvee?! Voor den aanblik des Heeren beef, gij aarde, voor den aanblik van Jakob's God; die den rots doet verkeeren in een watervijver, hard gesteente in een waterwel!

Op Rosh Chodesh wordt het volgende stuk niet gezegd.

89

Psalm 115. Niet ons, o Eeuwige, niet ons, maar Uwen naam slechts verschaf eerbied, ter wille van Uwe liefdevolle genade, ter wille van Uwe waarheid! Waarom zullen de volkeren zeggen: «Waar is toch hun God?quot;, terwijl toch onze God in den hemel is, Hij volvoert al, wat Hij wil! Hunne afgoden daarentegen zijn zilver en goud, het werk van de handen eens menschen. Een mond hebben zij, maar zij spreken niet; oogen hebben zij, doch zij kunnen niet zien; ooren hebben zij, maar kunnen niet hooren; een neus hebben zij, doch kunnen niet ruiken. Hunne handen, — zij tasten er niet mede; hunne voeten, zij gaan er niet mede; zij uiten geen klank met hun keel 1 Gelijk zij zelve worden zij, die ze maken, allen die op hen vertrouwen 1 Gij daarentegen, o Israël, vertrouw slechts op den Eeuwige; Hij toch is hun Steun en hun Schild. Gij, huis van Aharon, vertrouwt op den Eeuwige; Hij is hun Steun en hun Schild! Gij, die den Eeuwige vreest, vertrouwt op den Eeuwige; Hij is hun Steun en hun Schild 1

') Het lezen van Hallel behoort tot de zeven door de geleerden, Soferiem, voorgeschreven verplichtingen, waarover (met het oog op Deut. 17,10) evenals bij de vervulling van in de Thora voorkomende plichten, eene lofzegging wordt uitgesproken. Daartoe behooren nog: het ontsteken van het Snabbathlicht, 'Eroeb, het wasschen der handen vóór den maaltijd.

ocr page 453

rvw nbsn vb

D^sw nsum vin cxia iJjVl vn'iïpa quot;itfK obi^n -]Vo U^K « nm • SbnirnN a^pb

« DB' ♦n; : « DB'-nN ibVn « i^n • n^bbn ^

^ö^nirai? : oVir^ nn^ü -j-jnü : niaa D^iyn-1?^ « onrbrbv on :« üv Vbn» iKiaö

: ' i~ t ~ ~ ▼; • t t *: •• t •-. : :

D^ot^a niKnb ♦TÖ^ÖH : mmn irribN «3 »D

* •quot; t - : * • j----v it t ... - - !•.... t.

♦a^in1? .* |i»aK on; rispKQ ^ -i^o »p^p ; pwi D^arrDK n^n rnjyr »3*^10 : isjr ♦ana DJ; D^rDjr

: - nnnw nn^n : tyb D^Ö Dp^ n»3 Dnvpp riNïa TP hki D»n : vnib^DO min»

tt t - t : ; - •• t ; * :it: t :

m^na d^Vks npn onnn : ninxb p-i^n dpi onnn : iinNb 2bn pTn oun »3 DT»n ^np : fïtt ♦JÖ^Ö n« ,!?',r? : ^r^33 nijrsa D^vd npnn

: D^-ir^pb tr^pbn D^Ö-DJK niïn pö'nn : 3'p^ nibx

.IJS XS b'-ibw i\s t^nn cnis nsS : ?inD8quot;S^ ^iprrSj; niaa {n T]ipt?^ quot;gt;5 uS jcS ^ wS xb «p -Ttrx ha Dpamp;3 wrihw : Drrri1?» njtp» DMan nox'

v -; -it t i* •• v •• v: t • * quot; :

kSi ddS ns : dik n;: namp;io ann ^ra □n',3S£: : nfc'jj fgn kSi nnS-fiN wotf'1 nh) onh avw : wr nSi dhS avy nan'

• ti it t • • y t i~: t ; • ; v t *1quot; •• r* ~:

: nun?? tib o.v'n? NSI Dn\S;-i NS) 'gt; pnn; D^OI «3 ne? S^? : ons np'a SS nn^y nolo? V3 -inpa i1! 'xy. : nw dmöi oryx. ^5 inp? pnx : xin

: Kin dmoi onijp;

het uitspreken der lofzeggingen vóór genietingen (p:nn niaia), het lezen van de rol Esther op Poeriem, en het ontsteken van het Chanoekkalicht.

ocr page 454

OCHTEND-GEBED.

De Eeuwige toch heeft ons herdacht. Hij zegent, Hij zegent het huis Israëls, Hij zegent het huis van Aharon. Hij zegent hen, die den Eeuwige vreezen, de kleinen met de grooten ! De Eeuwige zal u bijvoegen, bij u en bij uwe kinderen! Gezegend zijt gij door den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde! De hemel is de hemel voor den Eeuwige, doch de aarde heeft Hij den menschenzonen gegeven. De gestorvenen prijzen God niet, noch zij, die afgedaald zijn in doodszwijgen, — maar wij, wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid ! Halleloe-jah!

Op Rosh Chodesh wordt het volgende stuk niet gezegd.

Psalm 116. Ik bemin den Eeuwige, dus zal Hij zeker hooren naar mijne stem, mijn angstig smeeken. Want Hij neigde Zijn oor mij toe, daarom wil ik Hem al mijne dagen aanroepen! Als banden des doods mij omstrikten en de angsten des grafs mij troffen, als ik ondervond nood en kommer, — en dan aanriep den naam des Eeuwigen: „Ach, Eeuwige! red mijne ziel!quot; — dan was de Eeuwige genadig en rechtvaardig, en onze God vol erbarmen! De Behoeder der argeloozen is de Eeuwige; ik was diep gezonken, en ook mij redde Hij! Keer dus terug, mijne ziel, tot uwe rust, want de Eeuwige bewijst u goeds! Want wij hebt mijn ziel aan doodsgevaar onttrokken, mijn oog aan tranen, mijn voet aan neerstorten. Ik zal voortaan gaan voor den Eeuwige in de landen der levenden. Ik bleef vol vertrouwen, toen ik sprak: „Ik ben zeer arm gewordenquot;. Ik zeide daarom nog bij mijn overhaaste vlucht: „Alle menschenhulp is bedriegelijkquot;.

Hoe kan ik echter den Eeuwige teruggeven al Zijne mij bewezen weldaden ?! Den heiiskelk wil ik opheffen en den naam des Eeuwigen aanroepen ! Mijne geloften wil ik den Eeuwige betalen, ik wil het gaarne doen ten aanzien van gansch Zijn volk! [Toen ik sprak:] //Kostbaar is in de oogen des Eeuwigen het sterven Zijner vromen. O Eeuwige! —ik ben immers Uw dienaar, ben Uw knecht, de zoon van Uwe dienstmaagd, Gij hebt zoo vaak reeds mijne banden verbroken! U ter eere zal ik dan offeren een dankoffer en den naam des Eeuwigen wil ik aanroepen!quot; Deze mijne geloften voor den Eeuwige wil ik betalen, wil het gaarne doen ten aanzien van geheel Zijn volk, in de voorhoven van het huis des Eeuwigen, in Uw midden, o Jerusalem; Halleloe-jah!

Psalm 117. Prijst den Eeuwige, gij volkeren allen; roemt Hem gij natiën allen ! Want machtig uitte zich over ons Zijne genade en de trouw des Eeuwigen duurt in eeuwigheid; Halleloe-jah!

Psalm 118. Dankt den Eeuwige, want Hij is goed;

want eeuwig duurt Zijne genade.

Spreke Israël het uit:

„want eeuwig duurt Zijne genadequot;. ■ Zoo spreke ook het huis van Aharon:

«want eeuwig duurt Zijne genadequot;.

Mogen zoo spreken allen, die den Eeuwige vreezen:

z/want eeuwig duurt Zijne genadequot;. F

40

ocr page 455

mni? nbfin b

•• pnN n»a-nK n»3-m ipy Tpn» I:^T «

D3^ D3^ \] Ï]^ : D^ian-Dj; D^üipn « ♦«quot;)♦ Tjny D^ü^n : pNi n'^ ^ DON Dpna : DD^-^'I amp;] rr-i^n; D^nan-xb : |n: pKni ^ vnv

: nnbbn Dbi^-i^i nnyo n» m: unjNi : non ♦TV-'W

t • t -; t quot; •• t | •• t : : i—: ~ t ••; t

•TianN oi-nsw j-x nn cxia ■•Ö;?! 'S Ü|X nan-1? : ^«wn 'Sijrn# y yüamp;r^ Tianx «p ifcn nnx ^wso Swb^ nsoi Dio-iSan ••jiaax : ntk

' t . TT it. . t : vit ••:••• • i t *: tI : v

\] pan : ^53 naV» nax ^-o^ai : li '2 ,?;niU9i? ^$3 quot;h] 'hbi ^ Dyne laf ; nnnp

: Tno ^rns n^p-n-jo WW niaa ^ n^n ^ : vhj; boa : INP nan?? v wpxv : □quot;nn nii'gt;'3 v; \^h -jbnn^

: ap onxn-Ss nana 'mo* •UJC

•• TT T T • : T : * ; i- T • -I

npy urn 'nibiowbs quot;b yvx-nn

: W'bïh Nrnnjj qWk ^ nnj : N^N « »3» »3 \] n3K : VTpnb nnisn •gt;*

« nnm nar natN : npiö1? nnns ^natf-fi nnyn3 : is^-bDb strnn^ ob^N ^ nnj ; : m^n oDina « m

T -: - 'IT T : • iquot; ; T;

quot;133 »3 : D'aKrr-^ mina^ D^ir-^ «~nK quot;bbn pp

quot; t * % t t i : - • t *: v -: - '

.* rvMn * quot;-nöKi iion i:^

t -: - t : t; v ,•:•-• : - iquot;*t

n'p

Snp ; «j-jon »3 3lL3 »3 quot;b nlH Pquot;

: quot; t : • • t-

inn bnp ; -j^n '3 NJ-1DN» 1'quot;

! quot; t : • .. t . . t . ,

nm bnp ; ^pp, '3 KJ nON^ i'quot;

nm bnp ; non gt;2 „ ^ t,n

ï quot; T ; • ▼;••:• t ; I

ocr page 456

OCHTEHD-GEBED.

Van uit de benauwdheid riep ik God aan, Hij antwoordde mij door onbegrensde verruiming. De Eeuwige is met mij, dus vrees ik niet; wat zoude een mensch mij doen ? ! De Eeuwige is mij onder mijne helpers, — ik zie dus rustig mijne haters aan. Beter is het bescherming te zoeken bij den Eeuwige, dan te vertrouwen op menschen. Beter is het bescherming te zoeken bij den Eeuwige, dan te vertrouwen op vorsten. Al omringen mij ook alle volkeren, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren! Al omringen, ja, omsingelen zij mij, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren ! Al omringen zij mij als bijen, — plotseling als een doornenvuur gaat hun vlam uit, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren ! Wel hebt gij mij gestooten om mij ten val te brengen, doch de Eeuwige hielp mij. Mijne zege en mijn zang is God ; Hij was mij ter hulpe. De roep van juichen en redding klinkt in de tenten der rechtvaardigen: «de rechterhand des Eeuwigen schenkt macht; de rechterhand des Eeuwigen is hoog verheven; de rechterhand des Eeuwigen schenkt macht!quot; Ik zal niet sterven, neen, ik blijf leven en zal verhalen de werken Gods! quot;Wel heeft God mij getuchtigd, maar aan den dood gaf Hij mij niet prijs! — Opent dan voor mij de poorten der rechtvaardigheid, ik wil er binnengaan, wil God danken ! Dit is de poort des Eeuwigen, rechtvaardigen treden er binnen ! Ik dank ü, dat Gij mij verhoord hebt en mij ter hulpe waart! De steen, die de bouwlieden verachtten, zij werd tot sluit- en hoeksteen ! Van wege den Eeuwige geschiedde dit, het is wonderbaarlijk zelfs in onze eigene oogen ! Dit is de dag, dien de Eeuwige ons heeft bereid; wij willen ons er mede verblijden en verheugen!

Ach, Eeuwige ! help toch !

Ach, Eeuwige ! help toch !

Ach, Eeuwige ! schenk toch geluk !

Ach, Eeuwige ! schenk toch geluk !

Gezegend hij, die komt in den naam des Eeuwigen; wij zegenen u van uit het huis des Eeuwigen ! God is de Eeuwige. Hij heeft ons licht verschaft; bindt daarom het fecstoffer met touwen tot aan de hoorns van het altaar! Mijn God zijt Gij ; ik wil ü danken; mijn God, ik wil U verheffen! Dankt den Eeuwige, want Hij is goed; want eeuwig duurt Zijne genade!

Al Uwe werken mogen U loven, Eeuwige, onze God; en Uwe vromen, de rechtvaardigen, die Uwen wil volbrengen, mogen met gejuich Uwen naam danken en zegenen en prijzen en roemen en verheffen en zijn macht, heiligheid en heerschappij erkennen, onze Koning! — Want het is goed, U te danken en het is gepast Uwen naam te bezingen; want van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Koning, Wiens daden in lofliederen worden geprezen!

Kaddiesh Thithkabhal.

41

ocr page 457

mni? rhtn kd

-nö NTK ab •h \] : n^n-jaa ^ nvan--|p

3lü : »N3i5gt;3 HN-jK 'JKI ♦S « ;

: DOnja nbaö «3 nionb 3112 : diks nbso «3 nionV

♦♦ 05^3 *J133£pquot;DJ 'JISp : D^OK »3 ♦» D^3 *31330 D'ir^ »3 « 0^3 D^ïp ^K3 13^1 Dn313 ♦iISp ': D^ÖK »3 ■♦n'i n» rnon «i Va;1? ♦Jn'ni n'niT : dVök

nfcty t! PP! o'pnv '!?nN3 n^itrn. mn Vip ; 'S n»nK-»3 mDN-KV ; n'^ « pp» noDin ♦♦ pa» : ^n ■inns : »jjnj n1? niD^i rr io» : n» typü isdki 1^3» D'^iv quot;b i^^rrnr : rr nniK D3 N3N »•?

ID«Ö |3Nt ^quot;'nni ^n^ »3 ^IK : 13

nN^fii N»n nKT nrvn ♦♦ nxp : toö nn»n D»;i3ri quot; : 13 nnö'fji n^a: « rwy oi'n nr ««» ; wj^s

ruiy ^npm j«oi mn [tnn ruw bnpm ivo jmn

«3 n^^in « N3N N3 n^tyin « ksn

: Ni nn^ïn « IWN «: nn^ïn quot; NSN

TT-:-»: TT T T * : quot; *: TT

\\ Sk 1quot;= : « n»3p 0313313 quot; Q^3 lsJ3n ^113 ^ : nsTpn ni3i[5 ny D»n'3^3 in-npN 13) ♦3 31LP3 ^ mm ^ : ?jodiinj ^riSs? ^niMi nriN

^ : npn chtyb ?|3i2fquot;); ^iy o^nv ^Tpni • ïj^p-Vs 13^^ « ?|ib}?n» ins^i lon^i ni» n3quot;)3 n»3 ^öi;_'?3i

wsbp ïjöErnN wn^i IPDITI IIN^I

obi^p »3 nar1? nN3 ^p^i minV 310 »3 : nins^ns bbnp ^0 ? nnx Tjins • ^ nn« •Sapnn vip

ocr page 458

OCHTEND-GEBED.

Bij het openen der Heilige Arke om de Wetsrol er uit te nemen, zegt men;

Het was bij het optrekken der Arke, toen zeideMozes: Verhef U, Eeuwige! dat Uwe vijanden verstrooid worden en zij, die U haten, mogen vluchten voor üw aangezicht! Want van Tsion gaat de leer uit en des Eeuwigen woord van Jerusalem!

Geloofd zij Hij, die de leer heeft gegeven aan Zijn volk Israël in Zijne heiligheid !

Sommigen zeggen nog het volgende-.

Geloofd zij de naam van den Heer der wereld; geloofd zij Uw kroon en Uw verblijf! Moge üw welgevallen immer met Uw volk Israël zijn en doe Uw volk de verlossing door Uwe rechterhand aanschouwen in Uw heiligdom. — Doe ons toekomen den zegen van Uw licht en neem in barmhartigheid ons gebed aan ! Moge het U welgevallig zijn ons leven te verlengen in welzijn, en moge ik bedacht worden te midden van de braven, zoodat Gij U over mij ontfermt en mij behoedt en al het mijne en al wat üw volk Israël toebehoort! Gij toch zijt het, die alles voedt en alles onderhoudt; Gij zijt het, die alles beheerscht; Gij zijt het, die ook koningen beheerscht, en alle heerschappij is aan Ü. Ik daarentegen ben slechts een dienaar van den Heilige, geloofd zij Hij, voor Wien en voor Wiens verheven leer ik mij ten allen tijde nederbuig; niet op een mensch vertrouw ik, noch steun ik op eenig ander goddelijk wezen, dan alleen op den God des hemels, die is de God der waarheid en Wiens leer waarheid is en Wiens profeten waar zijn en die in rijken overvloed daden van liefde en waarheid verricht; op Hem vertrouw ik entereere van Zijn grooten en geëerden naam spreek ik lofzangen uit! Zoo moge het U dau welgevallig zijn mijn hart te openen voor Uwe heilige leer, en moogt Gij mijne harlewenschen en die van gansch Uw volk Israël vervullen, ten goede, tot leven en tot vrede!

De Arke wordt gesloten en de Voorlezer zegt:

Kent met mij grootheid toe aan den Eeuwige; laat ons te zamen Zijnen naam verheifen.

De Gemeente antwoordt:

Aan U, o Eeuwige, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want [ü behoort] alles in den hemel en op aarde; aan U, o Eeuwige, is de heerschappij, en Gij zijt het, die boven alles als opperhoofd verheven zijt! quot;Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijne voetbank; heilig is Hij ! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijnen heiligen berg, want heilig is de Eeuwige, onze God!

42

ocr page 459

mntp nbön 30

DiiBiNi nnn IAD tuswnoi empn pi.x DmniD

^ Tr?^ 1^1« noip ntfa -iö^p. psjn w : d^ii^q «lyri nnin xvn p»vP ^ .'' ^JSp T^p : la^b rnin fn^ Tjiia

N^OÜT ^jJin Tl^so ,t»3 ^IpoS N113Ï3 min 1DD ppBO *T3 ^21 ION

.w nn^ö1? üj 12S mb T2Nn nV^S nanxn rx pii^öi parrn

^10^1 «0: * TjnK'i ^na KÜ^ K-IO^I np^ ^na ^]^1? nnN ^'p» ipnfii • ^ ni?

* PPöll ^rii^ bap1?') -]iTinj aitsp K^^DNSI ^pp NTpöKJNKinbi -Kn^pip'n f? ?]nini ^p.'^ trr

^n^ ♦n; ip:p^TDn-pV^pnï in Kin ri:N -tbib 0:^01 K^'ir Kin'rijK •^n^-n Kni^pi ^ rm •N^jr

quot;ipH «appi nap kj-ijd^ ^in Tjna K^-iipn Kiaj; njk 13 ^ xb) -NJvnn K™ ^ nV • ^ ^annniw

* L3^p NnbN Nirn ♦ N»p^ NnbNa njdod pn^H

* ü^i'?gt;l im) ^P*1' ^p • D'^p nnniiii

* [na^in npK N:N KTpn N^np na^V ♦ pnn K:N na

* ^gt;1 pbK^p D^ni «nniKa »aV nnsnn Tjanp «ri»

•* p'nbi aüV • -jaj; Van «aS/

: mn» iob' naoiui ♦nN i^n-i

T;quot; ; T~I : •• T - 1 _

•uw Snpni

D^aVa»a mnni nxam n-iNarini niiaani nbnan « ^ idoii : vü-h SaS K^nani nagaan « ^ 'pxai « laain : Nnn ^npT v1?^ onnV iinnVni irn^ « •' quot; ^npT 'a iK'np inb nnn^ni irn^K

' :'T quot; » quot;X quot; ; • ; !•• •••

ocr page 460

OCHTEND.GEBED.

Boven alles worde de grootheid en de heiligheid erkend, worde geloofd, geroemd, verheven en verheerlijkt de naam van den Koning aller koningen, den Heilige, geloofd zij Hij, in de beide werelden, deze wereld en de toekomstige wereid, die Hij geschapen heeft; [dit geschiede] naar Zijn welgevallen en naar den wensch van hen, die Hem vreezen, en naar den wensch van het geheele huis Israëls! Rots van alle eeuwigheid. Heer aller schepselen, God aller zielen; die troont in de uitgestrektheid daar boven, die zetelt in de overoude hemelen. Wiens heiligheid [een grootschen indruk maakt] op de Chajjoth, en [de indruk van] Wiens heiligheid rust op den troon Zijner heerlijkheid; zoo worde dan Uw naam geheiligd door ons, Eeuwige, onze God! ten aanzien van al wat leeft! Laat ons voor Hem een nieuw lied uitspreken, gelijk er gezegd is: Heft een lied aan ter eere van God, bezingt Zijnen naam, baant den weg voor Hem, die door de hemelvlakten snelt, n1 is Zijn naam, en jubelt vóór Zijn aangezicht! Mogen wij Hem oog in oog aanschouwen, wanneer Hij terugkeert naar Zijn verblijf, gelijk er geschreven is: Want oog in oog zullen zij aanschouwen, wanneer de Eeuwige naar Tsion terugkeert. En er is gezegd: Dan wordt de heerlijkheid des Eeuwigen openbaar, en alle vleesch te zamen zal zien, dat de mond des Eeuwigen gesproken heeft!

De Vader der barmhartigheid. Hij moge zich ontfermen over het volk, dat door Hem van zijne geboorte af beschermd werd, en moge gedenken het verbond met [de voorouders,] de krachtige instandhouders der wereld, en moge onze ziel redden voor ongelukkige oogenblikken, en moge in toorn verdrijven de kwade neiging van hen, die door Hem [zoolang zij bestaan] gedragen worden, en Hij zij ons genadig tot eeuwige redding en vervulle onze wenschen in rijke mate, in heil en barmhartigheid I

Nadat de Wetsrol op de Biema is neergelegd, zegt de Voorlezer;

Moge Hij bijstaan, beschermen en helpen allen, die op Hem vertrouwen, laat ons hierop zeggen : Amen! Schrijft thans allen grootheid toe aan onzen God en bewijst eer aan de heilige Leer! De Kohen kome nader, en wel N. N. de Kohen plaatse zich hier! Geloofd zij Hij, die de Leer heeft gegeven aan Zijn volk Israël in Zijne heiligheid. De Leer des Eeuwigen is volmaakt, zij verkwikt de ziel; het getuigenis des Eeuwigen is vertrouwbaar, het maakt den onnoozele verstandig; de bevelen des Eeuwigen zijn rechtvaardig, zij verheugen het hart; het gebod des Eeuwigen is zuiver, het verlicht de oogen. De Eeuwige verleent Zijn volk macht, de Eeuwige zegent Zijn volk met vrede. God, Wiens weg volmaakt is; het woord des Eeuwigen is gelouterd; Hij is het Schild voor allen, die op Hem vertrouwen.

43

ocr page 461

rvw nVan ao

♦ döiw jy^nn Van bjr

* Tj^na opban ^SÖ -jbü-S^ 10^ |iïquot;)p^ 1:1^13 * wan obi^rn rrrn oVi^n K-12^ niabi^a ninan-Va jiiK D^pVi^n TIÏ : n^r1?! pï^Di VK^ ♦de' *0^3 piirn diiq ♦snnos 3^1^ * niKtesn-1?! HISk |33i : nissn ND3 in^ipi ni^nn inrnp : on^ quot;1^ v:|)i7 quot;IÜ^I : irribN 7 ia3 fjaty ni3quot;iy3 331-1'? iVd ioït nar i-m * 3in33 B'-in

t^:T •• T • ; . - . .. ,. T quot; xT

1,-112 bK 131^3 1^3 inN*i;i : v:ab irb^i W n;3 1133 rbiï] 1ÜK31 : |14V \\ 311^3 1KT 1^3 »3 * 3in33

. -,3-, „ ,3 ,3 ^3-^3 «

•••▼;• • T : - TT T T : ▼:

D^nN nns H3ri D'pio^ dj? dht Kin D^pnin 35S |Ü v'in nrs i^ri m^in m^n |p irni^a; Vri irni/KB'p Kv^i D^öbi^ nü^ab i:ni^i |n»i D^iiran : D^pnni n^iir» nniü nios

•1S1K1 jn^wn hy nquot;cn TOO nsm Sr Yquot;vr\ Ï^JP;

b-fj i3n b3n : |pK npKji 13 D^pinn ^^vi |ri HT^i p yiba niD^ • 3^ |n3 * nninb 1133 i:ni irnb^b nnin : manps is^b nnin jn^ ^ns : |rt3n vb* mps : ^na no^no moNi « nny b^öj n3^o na^on «

.. I . . |V - r j - TT •.•;••• ▼; vit - i* : t • ; *;

isvb m M : D'ry m^D m3 ^ niïo 3b ♦nsirö oniy» «

^ ^ 'it - * : TT ▼; - ; • •• •• ; - i • T : ▼:

♦; nnpK 13^. D'on b^n : Dib^3 idj? n« ^quot;in^ « : 13 Dpinn bbb Kin pa nsnï

ocr page 462

OCHTEND-GEBED.

De Gemeente en daarna de Voorlezer:

En gij, die gehecht zijt aan den Eeuwige, uwen God, gij allen leeft heden *).

Lofzegging vóór de lezing uit de Thora:

Looft den Eeuwige, den Lofwaardige.

De Gemeente:

Geloofd zij de Eeuwige, de Lofwaardige, immer en eeuwig!

Hij, die voor de Thora geroepen is, vervolgt:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons hebt uitverkoren boven alle volkeren en ons Uwe leer hebt gegeven ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de leer gegeven hebt.

•) Men leest eiken Shabhath de afdeding der week voor, over ten minste zeven personen verdeeld; — men heeft echter het recht het aantal der voor de Thora geroepenen te vergrooten, mits men zich lij de verdeeling der afdeeling strikt aan de daarvoor geldende voorschriften houdt. Te Amsterdam is het vaste gébruik, de afdeeling altijd over acht personen en niet meer te verdeden. Hij, die de Haphtara zal voordragen, wordt niet meegeteld, daar voor hem slechts enkele verzen, die reeds zijn voorgdezen, worden herhaald. — Nadat nu de laatst voor de Thora geroepene de slotlofzegging heeft uitgesproken, draagt de Voorlezer half Kaddiesh voor, en leest men ten minste de drie laatste verzen nog eens voor aan hem, die de Haphtara zal voordragen.

Indien twee weekafdeeling en op één Shabbath gecombineerd worden, dan wordt voor den vierde het slot van de eerste en het begin van de tweede afdeeling gelezen en wordt als Haphtara het voor de tweede afdeeling aangewezen stuk uit de Profden voorgedragen, behalve bij combinatie van Acharé en Kedoshiem, en van Nitsabiem en Wajjélech, in wdke heide gevallen de Haphtara der eerste afdeeling voorgedragen wordt.

Indien op Zondag het Nieuwemaansfeest zal invallen, wordt de voor dat geval bestemde Haphtara gelezen; de Haphtara 'Ania So'ara wordt echter niet voor die van Machar Chodesh op zijde gezet.

Indien vit twee Wetsrollen moet worden gelezen, verdeel! men steeds deweek-afdeeling over zeven (resp. acht) personen, en nadat de laatste de slotlofzegging heeft uitgesproken, legt men de tweede Wetirol naast de eerste en zegt half Kaddiesh; vervolgens wordt de Wetsrol, waaruit is gelezen, opgeheven en der Gemeente getoond en opgerold; ment opent de tweede Wetsrol en leest daaruit den Maphtier voor.

Indien op Shabbath het Nieuwemaans feest invalt, leest men uit de tweede Wetsrol Num. 28,9—15, de afdeding over het hijzonder offer voor den Shabbath en dat vóór den Nieuwemaansdag, en als Haphtara leest men Hassharaajim Kis-ie (Jes. 66,1—24); behalve wanneer de \ste Ah op Shabbath invalt, daar alsdan de Haphtara Shim'oe (Jer. 2,4—28 en 3,4) toch wordt voorgedragen. In de slotlofzegging na de lezing der Haphtara wordt van het Nieuwemaansfeett geene melding gemaakt.

Indien uit drie Wetsrollen moet worden voorgelezen, bijv. indien op den Shabbath van het 'Inwijdingsfeest tevens het Nieuwemaans feest invalt, leest mm uit de eerste Wetsrol de afdeeling der week, over zeven personen verdeeld; nadat de eerste Wetsrol is opgeheven en gesloten, leest men uit de tweede de afdeding voor het Nieuwemaans feest, legt vervolgens de derde Wetsrol naast de tweede en zegt half Kaddiesh. Nadat ook de tweede Wetsrol getoond en gesloten is, leest men uit de derde de afdeding voor het Inwijdingsfeest (resp. Shekaliem of Hachodesh), en leest de voor ieder dier dagen bestemde Haphtara.

44

ocr page 463

nnnty n^ön no

(* : Di»n D«n D^pyin nm] ^

: Tiinan « m Dia miN rmnS nVirn

) t : - *: v -:t

: Tjinpn ♦; Tpa ^

: D^iy1? Tjiaon « Tjna T=on ^1quot;1 D^srn Vaü quot;ie'N d1?^ 12^« « nnN ■ma

• ~ T t • it -it V -: t t |viv 1quot; VC ▼: t - i t

: rnmn |ni3 ♦; nnx ^ia * innin m wV-inai

jn:on py nai ^did ^DinS nxi dni na; nyar nac Saa jnip (* Ttsaoni .nnr j'S'DiopjcvinnK xipa xmi inx iv nnpS jnuvpquot;n prmow nannx nana jnrran iiair nnxi -pjon jd u'-k dni 'H^isn «]iDar D'piDS 'i tdsdS Niip aquot;nxi inrwS inar 'ü .quot;]nsr loa Diipo D^pioa ia Va Nmpi Snno or rnnn1? n^ax ^

mno «)1do yvh nnpnS pjnu nnainn nmo ,nr w nara p pin wdv iT'jü' bv maana p^aaoi 'nmo nSnnS pTöaor iS1! D^asj pi Sra pTaaor D'mpi nnx j'N tt'np quot;loxi Ten dj; nnan □quot;di pquot;trn njro ax .o^axj Sra wen 'Tirn Nnpr noo n^oaon nv Nip1 nSn nas* nj; nnpb ins •nyar pjoS nSiy T'oao

myiD n^jj; p pin -trnn mo pTüao naira inxa Snir nn nyar pnip nSiyS min nao 'nv px^siora -n^mj raw w nquot;D pn^o rannx naia pinxn iiac nnxSi yiatrn noa naj pcxn nquot;D pSSui pn^ajoi -onw hv rnp ^n nowi prxm Sï-n* ■w nquot;Da ToaoS jmpi pnnxS inar 'io pjnui w nquot;D j^nmai

'quot;•NDaD'oirn pTöaoi n a c n o i1 a i w nquot;Da pup nm nara Toan1? iSn nunoa D^nur nara hnv ax nn p pin •maan naiaa nn pTato px nbi^Si wnv

nyatr prxia pnip naum nn naira ji;a nquot;D nrSr px-'siora w nquot;D pnmai pcxn nquot;D pbSui pn^joi -jnarn nnoa whv D'D pn^oi -nn Wa pnnN^ pupi 'jr^arS ^nar 'O pjnui p,Tajoi nn^Sy pquot;n pnowi on^ir hy S'yon ponai '\rhvn by iSsx pipi p-vwS -[-lar 'O D^nui wbv n-o pnniai w nquot;D pSSui nn jnvc Die pin pi ^notri pTtaaoi naun noo tosoS pTöaoinnan noa wbvi pnip oSiySi -nnn 'aa w n-'Spc -aa

.mrna bvz

ocr page 464

OCHTEND-GEBED.

JVa de lezing:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons de ware leer gegeven hebt, en [daardoor den weg tot] het eeuwige leven in ons midden geplant hebt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de leer gegeven hebt.

Wie van eene ernstige ziekte genezen, van eene zee- of woestijnreis teruggekeerd, uit de gevangenis ontslagen, of aan eemg ander gevaar ontkomen is, zegt het volgende na. de Thoralezing:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ook aan schuldigen weldaden bewijst, — dat Gij mij allerlei goeds hebt bewezen.

De Gemeente antwoordt-.

Hij. die u [tot dusverre] allerlei goeds heeft bewezen, moge u ook voortaan allerlei weldaden bewijzen, Séla.

Op den dag, waarop iemands zoon, na het hereiken van den dertienjarigen

leeftijd, voor het eerst voor de Thora geroepen wordt, zegt de vader na, de ThoravooHezing en nadat hij den priesterzegen over zijnen zoon heeft uitgesproken, nog het volgende:

Geloofd zij Hij, die mij van de strafplichtigheid voor dezea bevrijd heeft.

Na afloop der Thora-voorlezing zegt de Voorlezer half Kaddiesh; vervolgens

leest men ten minste de drie laatste verzen nog eens voor aan hem, die de

Haphtara zal voordragen; daarna wordt de Wetsrol opgeheven en het schrift aan de Gemeente getoond; hierbij zegt men:

En dit is de leer, die Mozes den kinderen Israels voorlegde, op bevel des Eeuwigen door Mozes. Een boom des levens is zij voor hen, die aan haar vasthouden ; wie haar steunt, is gelukzalig. Haar wegen zijn wegen van liefelijkheid, en al hare paden zijn vrede. Lengte van dagen is in hare rechterhand, in hare linkerhand rijkdom en eer. De Eeuwige schept er behagen in ter wille van Zijne gerechtigheid, de leer steeds meer groot en verheerlijkt te doen worden!

Nadat de Haphtara en hare lofzeggingen zijn uitgesproken, vervolgt men het gebed aldus:

Moge van uit den hemel verlossing, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven en overvloedig levensonderhoud en hemel-sche bijstand en gezondheid van lichaam en uitstekende voorlichting, een kroost, dat leeft en blijft voortbestaan, een kroost, dat nooit ophoudt en nimmer zich onttrekt aan de woorden der heilige Leer, beschikt worden over onze leeraren en onderwijzers, de heilige genootschappen zoowel in het land Israels als in Babylonië, (alsook in alle andere landen onzer ballingschap), over de leiders der volksvoordrachten, de hoofden der ballingschap, !) de hoofden der leerscholen, en de rechters, die in de poorten [der verschillende steden] zitting hebben; over al hunne leerlingen en over alle leerlingen

45

ocr page 465

nnntr nban no

Ss nquot;B3 rums ma1? wa' tgt; iswm nquot;Dn» rfSsown m i'di n-nna mpS Nupn S^nnaoa Tiaoi SSm nwipn m.si nSna nSo siipn or trnSa sip sin dji /wipn jm

no» nnm lib fn: quot;ik'n thtyn Tjbo irnbN « nnK ^quot;13 : nnmn jnu « nm Tjiia * obi^ «ni

'si pic1? rgt;jgt;f3 laTsa -jSno w (imo rhvt ah tkv ^ pvmS pa^ix wais it nsta ustoi ;sygt;i »gt;n:.sn niaa cian .tw ^sirui nSm rrrro .mina in^ip Sr n:imgt;s na-ta vw to

niait: D^nV Voian obiyn rfeo irnVw « nnx

: nii2quot;b3

t • i- t : v

: rhp 3iD bs Kin ^05^ ♦» ^

u na-a -wis /ms dygt;i ,-ucj jquot;i ja gt;svid wn mx» laS pan waw '»

.naM wa SSsnBc nrca is nquot;DS ua ns pnpw nroa

: n?W I^D rjiia

.pquot;n i'quot;»n mis n.snpn is^fna Qi-itjis dvS ansn nisinS mnB nun iton mainwa

—i*3 « bxnty* na ♦JÊJV n^ö nninn jikti

: n^phquot;! ns D'pnns1? trn DMn~^ : n^ö nyp^a aw -]iK : DIVB' n^nia^nrbaquot;) D^r^-n :Twnninb^ipnv|^ffin « HÜDI

Dnoix niinns i^cfien d^dü quot;ins

♦JITOI ♦an» \»m ♦pnTi Kiom K3n ^ptrjn |^ö Dip» * NÏ^Ö Kninii Köia mnni ^p^-n Nn^pi »nn-i: Starr^ n) poa^Mb n si^nr * x'n tlt;^ n sin^np «nnnn j:^quot;! |3quot;IÜV * KnniN ^pansp ♦irnbi ^5 * ^33 ni n^bn-So1?! jin'TpVri-SD'? • Ksrn xnynn

') De door de regeering benoemde staatkundige hoofden der babylonische Joden, v. d. in het algemeen de leiders en bestuurders der Joodsche gemeenten in de ballingschap.

ocr page 466

OCHTEND-GEBED.

hunner leerlingen en over allen, die zich met de heilige Leer bezig houden; — moge de Koning der wereld hen zegenen, hun leven vruchtbaar doen zijn en hunne dagen vermeerderen en hun lengte van jaren geven; mogen zij verlost en bevrijd worden van allen druk en alle verderfelijke ziekten ; onze Heer in den hemel zij hun tot hulp ten allen tijde en in elke stonde; laat ons hierop zeggen : Amen !

Wie niet met tien personen het gebed verricht, zegt de twee volgende stukken niet.

Moge van uit den hemel verlossing, gunst ea genade en barmhartigheid en lang leven en overvloedig levensonderhoud en hemelsche bijstand en gezondheid van lichaam en uitstekende voorlichting, een kroost, dat leeft en blijft voortbestaan, een kroost, dat nooit ophoudt en nimmer zich onttrekt aan de woorden der heilige Leer, beschikt worden over deze geheele heilige gemeente, groot en klein, kinderen en vrouwen 1 Moge de Koning der wereld u zegenen, uw leven vruchtbaar doen zijn en uwe dagen vermeerderen en u lengte van jaren geven; moogt gij verlost en bevrijd worden van allen druk en alle verderfelijke ziekten; onze Heer in den hemel zij u tot hulp ten allen tijde en in elke stonde; laat ons hierop zeggen: Amen!

Hij, die onze voorouders, Abraham, Izak en Jakob gezegend heeft. Hij zegene deze geheele heilige gemeente benevens alle andere heilige gemeenten, hen, hunne vrouwen, hunne zonen en hunne dochters en al de hunnen; ook hen, die bedehuizen bestemmen om het gebed te verrichten, en hen, die daarheen gaan om te bidden, en die brandstof schenken tot verlichting en wijn voor de wijding en het afscheid [van Shabbath en feestdagen] én brood voor doortrekkende vreemden en giften voor de armen [aamp; ook al, wie vasten wil den eerstvolgenden Maandag en Donderdag en den daaropvolgenden Maandag] alsook allen, die zich trouw bezighouden met de aangelegenheden der gemeente; de Heilige, geloofd zij Hij, schenke hun loon daarvoor en houde van hen alle ziekte verwijderd, en geneze hun geheele lichaam, en vergeve hun elke zonde, en zende zegen en geluk op al het werk hunner handen, evenals aan gansch Israël, hunne broeders; laat ons hierop zeggen: Amen!

Gebed voor de Koningin en het Koninklijk Huis.

Hij, die hulp verleent aan koningen en heerschappij verschaft aan vorsten; Wiens koningschap is een koningschap over alle eeuwigheid; Hij, die Zijnen dienaar David bevrijd heeft van het verderflijke zwaard;

46

ocr page 467

mntp nSön ia

tóbö • wnniwa |Ü babi prrrpVn

* fin^B'b naiK |rin jin^öi» xïm pn^n |inn» tpn» n pö * p^»3 funa-Va jüi Np^-b|) |o parri^n ppiön^

: ]m lötói fprbs pn^pn «n» N»pf3

.^13^ quot;iQ KSI ni JpIS Dip11 low rN ■,pn,a ^snon

♦airpi ^nx «ni ♦pn-ii N^pni wn ^p^-jp fpnö Dip;

* xninai NÖI5 nmai «»oty-n KD^'DI rrn

t : ~ t ; t ;- t - ; • t :

Süp^-x1? ni; ppfi^K^ n NijpT • NïQT»pi N»n k^-it d^ Npnnn pin KB'np K^np-^D1? * NnniK ^pinsp pDn* Kpb^-n K3^p * X^ÖÜ Kn^r

pnm^ni pp^nni - pD^b nsiN |ri^ pa^pv Ka^n pD«n xn» ^pB'p n po • p^^a pj?i.p_l?3 jpi Kp^-Vi |p

; |pK -IpKJI • pjn |pr-^3 p3^p3 SrnK -j-iT Kin dp^i pnv' onnpK irniaK fpa^ ♦p Dn^ii on * trnpn nibnp_,7| d^ * nrn irnpn bnpn ni'pjp ♦na ann^ ♦pi • DnVquot;i^K_i?Di on^nupi nn^pi ia Q^nis^ ^pi *i7^önni? DDina owntf ♦pi * nban1? npnïi nöi * nbnpn^i tmp1? p;.i -iiks1?

(^^'pqrjB'nia^onVn^lTB' v ; yvn inw a-na rvorn 'ja1?» nana)

Kin ^113 irnpn njiöNa nsv 'PIV? ^pf1^ 'p'Sai nbo^i DfiirbDb NÖH nbno-^ ona Dnair DVB'»

- : •: t t ; t ; •: t -: - t v •• • t : t t : •• - :

■ba D^ onn» n'^o^aa nnVvni nana nbt^i o^-ba1?

t v ••; .. t. - t : t t . - . t t : - : •; t t ;

: |p« ipNii onriK

.nquot;T miBTii msSon no ijd nSan mabp imaVp wyp^b nV^püi D^aVp1? n^i^n jnisn jnian * n^n annp naj? titdk nxian D'pbi^l

ocr page 468

47 OCHTEND-GEBED.

die in de zee een weg, in machtige wateren een pad heeft gebaand, — Hij zegene en behoede, beware en steune, verheffe en make groot onze Gebiedster, Hare Majesteit Koningin

WILHELMINA en Hare Majesteit de Koningin-Moeder, die tijdens de minderjarigheid van H. M. de Koningin als Regentes over ons land heeft geheerscht, en het geheele doorluchtige Koninklijke Huis!

De Koning aller Koningen schenke Haar in Zijne barmhartigheid leven en behoede Haar en bescherme Haar voor allen nood en kommer en schade; en onderwerpe volkeren aan Hare voeten, doe Hare vijanden voor Haar vallen en moge Zij gelukkig zijn, waarheen Zij zich ook wende ! De Koning aller Koningen schenke in Zijne barmhartigheid Haar hart en het hart der Koningin-Moeder en dat van al Hare raadgevers en vorsten een gevoel van barmhartigheid, om ons en gansch Israël wel te doen; moge in Hare en onze dagen Juda geholpen worden en Israël veilig wonen en de Verlosser komen voor Tsion; zoo zij het welgevallig; laat ons hierop zeggen : Amen !

Ashré, blz. 48.

Op den Shabbath vóór het Nieuwemaansfeest zegt men;

Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, deze maand voor ons te doen beginnen ten goede en tot zegen en ons te schenken een lang leven, een leven van vrede en welzijn, een leven van zegen en levensonderhoud en versterking van ons gebeente, een leven vol eerbied voor God en vrees voor zonde, een leven zonder schande en schaamte, een leven van rijkdom en aanzien, een leven, waarin ons bezielt liefde tot de heilige Leer en vreeze Gods, een leven, waarin al de wenschen onzes harten ten goede bevredigd worden; Amen, Séla I

Intusschen draagt de Voorlezer het volgende voor:

Hij, die voor onze voorouders wonderen heeft verricht en hen uit slavernij bevrijd heeft en hen tot de vrijheid heeft gevoerd, Hij verlosse ons spoedig en verzamele onze verstootenen van de vier hoeken der aarde, gansch Israël vereenigd; laat ons hierop zeggen: Amen I

ocr page 469

mntp nbfin tö

iivy1) quot;rpy «in * on)? ^ D»3

ni^an wnnaa nx n^o1? bnri. Donn IIT^

nnb^pö Vïs nsbsn dk nw k r p V n b quot;i n^rVsi nan nn^n nna li^n

t: • t quot; t- t:t t • ; r t

♦ Dim Dïr mdSan

t t ; - -

ïiri mv VSDI möEh n»n» voma D^bon ♦abo rbn

i t ; tt t • t iv ; : •; tiv- : t -: - : • t ; - •• ; - | v tv

n^jquot;i nnn d^dj? nVv! pw |n^ van-ia noban -]bo • n^yn n:fin

nbni naSan dn nbni naban uniaa ^3 n^a»3 * Va D^i wa^ miü ni'^b niaam nn'^i

t ivt ; •• t ; • t * : ir^m r '■' t -; - t ivt ;

Vki^ pv1? «21 naab rnirr ywn

nquot;» v na'x : |ok quot;laNii |1ï1t vr pi:

.IT nSsn miS dutü csianü otipi cmn csiaa BTI fsi 'JB^P nawa

irVir ^quot;innti' irriVN quot; T3öba riïi ♦n»

r'^t quot;quot; : v iquot; -: •• •• !•• •.•: *: | ivt : • t r * :

Q^-nx o^n uS-mm nDinbi nniüb nn ^inn-nx

• -: • - it i v • : t t : * ; t : v- v i -

-S^ D«n nairbir D^n nniü-^ D^n oibtrbiy Dnn

t t : v • - t v • - tv

n«T ora wv Dquot;n niav^ pVn-1?^ D«n npiia ivy biï D^n nabDi ona |w Dnn stan HKTI D«n wv n«i,i min nan» un Knnir Dquot;n maai

• i- t - ; •; t —: - it -tv • - t ;

: n^D ra« - nniaV Mïh mb^a ba-nx i:b stbanty

Tiv i quot; t t : iquot; • -: : • t v it •• - : v

•Twyv Xquot;üry msl «in ' nnnb nnn^a anix Vwi irninx1? D'pa rivyv ♦a pxn nis:? ^rwa irnn: yzp) anj^a uniw ' ?a« quot;ia«ji ^NTt^-^a onan

| ., t - ; quot;. t : * t * quot; t

ocr page 470

OCHTEND-GEBED.

De Voorlezer neemt de Wetsrol in den arm en zegt:

Het begin der maand.....zal zijn op aanstaanden.....dag, die voor

ons en gansch Israël ten goede korae!

De Gemeente en daarna de Voorlezer-.

De Heilige, geloofd zij Hij, doe haar [de maand] beginnen voor ons en geheel Zijn volk, het huis Israëls, tot leven en vrede, tot blijdschap en vreugde, tot hulp en vertroosting; laat ons hierop zeggen: Amen!

Heil hen, die wonen in Uw huis, voortdurend prijzen zij U, Séla. Heil het volk, dat iets zoodanigs bezit; heil het volk, wiens God de Eeuwige is.

Psalm 145. Loflied van David. Ik wil U verheffen, mijn God, o Koning! en Uwen naam zegenen immer en eeuwig. Eiken dag wil ik U zegenen en loven Uwen naam immer en eeuwig! Groot is de Eeuwige en zeer geprezen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk! Geslacht na geslacht roemt Uwe werken en Uwe machtige daden verkondigen zij. De schoonheid van de heerlijkheid Uwer majesteit, en de verhalen Uwer wonderdaden wil ik bespreken. Over de macht Uwer eerbiedwekkende daden spreekt men, en Uwe grootheid — ik wil haar verhalen. De herinnering aan Uwe groote goedheid doen zij als een bron opwellen en wegens Uwe gerechtigheid jubelen zij. Genadig en barmhartig is de Eeuwige, langmoedig en groot in genade! Goed is de Eeuwige voor allen, en Zijne barmhartigheid strekt zich uit over al Zijne werken. Al Uwe werken, o Eeuwige, danken U en Uwe vromen zegenen U. De heerlijkheid van Uw, koningschap vermelden zij, en Uwe almacht spreken zij uit; ten einde den menschenkinderen Zijne machtige daden bekend te maken en de heerlijkheid van de schoonheid van Zijn koningschap. Uw koningschap is een koningschap van alle eeuwigheid, en Uwe heerschappij over alle geslachten. De Eeuwige steunt alle vallenden, en richt op alle gekromden. Aller oogen richten zich vol hoop op U, en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd! Gij opent Uwe hand en verzadigt al wat leeft tot welgevallen. Rechtvaardig is de Eeuwige in al Zijne wegen en liefderijk in al Zijne werken.- De Eeuwige is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem in waarheid aanroepen. Hij volbrengt den wil van hen, die Hem vreezen; Hij hoort hun smeeken en helpt hen. De Eeuwige behoedt allen, die Hem beminnen; doch alle godde-loozen verdelgt Hij. Den lof des Eeuwigen moge daarom mijn mond uitspreken; en alle vleesch zegene Zijn heiligen naam immer en eeuwig! — Ook wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid, — Halleloe-jah!

G

48

ocr page 471

mm nbfin no

isiNi itgt;3 nquot;D npiS )'quot;on

; nnita1? S^i. xsn ^ oi1? nw. ^ t^in

rra id^-Si wby xin Tps m^n* nquot;v

' nnmbi - nnü'^i ïi^irV * diV^I D^nb -

t t v: iquot; t ; * ; i t : t : • - ; •• t ; •

: |o« nativ

: nbs ybbn* ity tjnv oamp;i* npst : vn^tt quot;amp; oyn nm ib nD3amp; ayn nm

t v; ▼: v *t t ••: - t it v *t t ••; -

obtyb tjaamp; ns'intt) Tjban ^DDm -inb nbnn nop : ly} abiyb tjrpiï nbbntt) av~bD2 :1%)

nzw nm1? 111 : n^n px IKO bbnw « Si-i| nil) ïj-iin 1133 quot;inn : ^nniaii ^^0 nsr : nanspN IIÜK^ ^mnu nTjn .* nnv^K

d^n TjnK quot; Dinni pan : ^n^nvi ww yniu an yy* : vamp;yp'hs-by vonni bzb «-3it3 : npn Snji inoN» niaa : nDionD* ^Tpni ^quot;^a-Sa «

nnn niDDi vnniaa nnxn vnb yninb : mzr nnniaii

• : t : t t t •• : • ~ i* ; iquot; -: | ; t :

nirbra ^nb^aüi a'ob'vbs niDba : iniDbo

vy. : awssrrbpb ^in o^fiarr1?^ « Tjoio : nni nniö : myz obpN-nt* Dn^-jnu nnjsti ma'^^ bo Tpm vann-baa ♦» pnv : pn ♦n-bab ^♦a'^oi ^T-nts : noKa inNnp* -it^N bbb v^np-baS quot; amp : vjyva-baa

v v; v i\ rl: • v -: : t :l t : ▼: It t ' r :

quot; naiiy : D^K'in VDW on^i^'mNi nquot;^ vxTquot;pïn '3 nan» « nbnn : to^ o^^nrrba nxi vanK-ba-nx

v -; r; - • ; * : ~r t ; t t •• ; t -: t

n* ?]na: umw : n#i dVi^1? ii^n^ db' n'^rba Tjnan : nn^n obi^-n^i nn^a

•aw Snji * -inSnji ^p1 nnibui *

ocr page 472

OCHTEND-GEBED.

Op den Shahhath vóór het Wekenfeest en dien vóór den (Jden Ah draagt

de Voorlezer na Ashré het volgende voor:

De Vader der barmhartigheid, die in de hoogten troont, moge met Zijn machtige ontferming in barmhartigheid gedenken de braven en rechtvaardigen en volmaakten, de heilige gemeenten, die hun leven hebben opgeofferd voor de heiliging van Gods naam! Zij waren bij hun leven [door God] bemind en Hem dierbaar en lieten zich ook door den dood niet van Hem scheiden! Sneller waren zij dan arenden, krachtiger dan leeuwen, om te volvoeren den wil van hunnen Eigenaar en het verlangen van hunnen Rots ! Moge onze God hen ten goede gedenken met de andere vromen uit alle tijden en in onze dagen, ten onzen aanschouwen wreken het vergoten bloed Zijner dienaren; gelijk geschreven is in de Leer van Mozes, den man Gods; Doet juichen, gij natiën! Zijn volk, want Hij zal wreken het bloed Zijner dienaren en wraak oefenen op Zijne vijanden, en Zijn volk verschaft verzoening aan Zijn aardbodem! Én door Uwe dienaren, de profeten, is aldus geschreven: En Ik laat vrij, doch hun bloed laat Ik niet ongewroken, de Eeuwige toch troont te Tsion! En in de heilige Geschriften is gezegd ; Waarom zouden de volkeren zeggen ; waar is hun God ? Moge Hij onder de volkeren ten onzen aanschouwen bekend worden, als wraak voor het vergoten bloed Zijner dienaren! Ook zegt de heilige Schrift: Want Hij, die vergoten bloed opeischt, heeft ook hen herdacht; Hij vergeet niet het geschrei der bedrukten. En nog zegt de heilige Schrift; Eens richt Hij onder de volkeren die natie, die vol is van lijken, nadat Hij zal geslagen hebben het hoofd van een machtig land, die, omdat hij dronk uit den beek aan den weg, daarom trotscn zijn hoofd verheft I

De Voorlezer neemt de Wetsrol op en zegt:

Men prijze den naam des Eeuwigen, want hoog verheven is Zijn naam alleen.

De Gemeente ■. Zijne glorie is over aarde en hemel. Hij verheft den horen voor Zijn volk, tot lof voor al Zijne vromen, voor de kinderen Israel's, het volk, dat Hem nabij is; Halleloe-jah!

Psalm 29. Een psalm van David: Kent den Eeuwige toe, gij zonen der krachten, schrijft den Eeuwige toe heerlijkheid en macht! Kent den Eeuwige toe de eer van Zijnen naam, werpt U neder vóór den Eeuwige in heilig pronkgewaad ! De stem des Eeuwigen over de wateren, de God der heerlijkheid dondert, de Eeuwige over machtige wateren! De stem des Eeuwigen verheft zich in kracht, de slem des Eeuwigen verheft zich in luister. De stem des Eeuwigen breekt cederen, de Eeuwige verbrijzelt des Libanon's cederen, en laat ze huppelen gelijk een kalf, Libanon en Sirjon gelijk het jong van den Reëm! De stem des Eeuwigen splijt tot vuurvlammen! De stem des Eeuwigen doet de woestijn beven, de Eeuwige doet beven de woestijn van Kadesh. De stem des Eeuwigen doet hinden baren en ontbladert wouden, en in Zijnen tempel zegt alles: heerlijkheid! De Eeuwige troonde reeds bij den zondvloed, de Eeuwige troont nog als Koning voor eeuwig! De Eeuwige zal Zijn volk macht geven, de Eeuwige zal Zijn volk zegenen met vrede!

49

ocr page 473

rvw nbön - ^

miS d'jto 3X3 nycn •-jsSi Ww «»3

D'nqi? nip?1 wn • a^oi^n rorjn? • D^onp pitf D'onnn ^ Q^9i npa# ripn nl^nj? • a^a^nni nn^ni Dn;prp an^o • ni?: ah onlopi ni-iquot;n? D'o^ni Q^nin * arn nr'ni? •irnSss DTir. : ^ r?Pl a^'P P'^l n%»é naj nlnxoi Wp nopj wpti M'p;? Dip^i: • aSii? n^-oj; 'nzia) ai ^ m aw m-jn ■ ariWi rw nfo nn'n? sidm : -[^r'n

'T S^i : isj; ina-jN! is5i; vtïS anr opji • alpquot;1, vnaj; 'W : 1^*3 pü' * ^^pj xS T- ios-h Dim

•i:;^.1? D^iaa ynr • arrnS^ n?» o^wn nipx' nsS • io^ ^njjn n??' ^ i?i onw trii o -inwi : ^iarn ai napj : n?n- ^ quot;^i rn? a.'to pn; inwi : dmjj;. np^;j

: Wi on; |3 bg nyf: rpis hma

1S1S1 quot;mvu u-iJïnSi rrs'an p whirh iT2 n i i n n i b d npiS fvr\

' iinb lof ^ ibbn»

nbnn dti ; d^'i pst bv_ nin ^

: •ühpj VTpn-^quot;?

lan : fjn 1133 ^ nn D^K ^ ^ i^n -in^ morp taa l! : ^1i?quot;mnn3 ^ nnn^n 10^ -1123 ^

na? ^-bip : D^I D'Ö-^ « D^-in -II^TVK o^n-^ : pwbn n-iK-nK « quot;12^1 D^m nn'ty ♦; bip ; ttdquot;quot; bip nïn «-blp ; D»pNTf2 103 pn^l f1:31? ^103 DTpTI Sip : ^pT 13-10 « bw laio W v/bip quot; : m nünbquot; t! •' 1V3 63^31 n'n^^ ejïrn»i m^ ' bbin^'^

V?: quot; W quot; ' o1?^1? ^jbo « 30 3^ bisoS

: 01^3 IO^TK

ocr page 474

OCHTEND- GEBED.

Terwijl de Wetsrol in de Arke geplaatst wordt, zegt men:

En als [de arke] rustte, zeide hij: keer terug, o Eeuwige! met de myriaden der duizenden van Israël. Begeef ü, o Eeuwige! naar Uwe rustplaats. Gij en de arke Uwer macht! Uwe priesters mogen met gerechtigheid zich bekleeden en Uwe vromen jubelen! Ter wille van Uwen dienaar David wijs toch het aangezicht van Uwen gezalfde niet af! Want goede leering verschaf Ik u, verlaat dus Mijne Leer niet! Een boom des levens is zij voor hen, die aan haar vasthouden; wie haar steunt, is gelukzalig. Haar wegen zijn wegen vol liefelijkheid en al hare paden zijn vrede. Voer Gij, o Eeuwige! ons tot U terug, dan zullen wij in waarheid terugkeeren! Doe opnieuw onze dagen worden als vroeger!

Bijgevoegd-gebed voor den gewonen Shabbath en voor dien, die met het Nieuwemaansfeest samenvalt.

De Voorlezer zegt half Kaddiesh.

Wanneer ik den naam des Eeuwigen aanroep, kent dan grootheid toe aan onzen God.

o Heer! open mijne lippen, opdat mijn mond üwen lof verkondige.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, God van Abraham, God van Izak en God van Jakob, groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God! die weldoende gunsten bewijst en Eigenaar zijt van alles, en de goede daden der voorouders gedenkt en in liefde voor hunne kindskinderen den verlosser doet komen ter wille van Uwen naam;

{In de tien bekeeringsdagen zegt men:

Gedenk ons ten leven. Gij Koning, die leven wenscht, en schrijf ons in het boek des levens om Uwentwille, levende God!)

Gij Koning, die Helper en Eedder en Schild zijt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham!

Gij, o Heer, zijt machtig in eeuwigheid. Gij zijt het, die de dooden doet herleven, krachtig om steeds te helpen;

(Van het Slotfeest lot het Paaschfeest:

Die den wind doet waaien en den regen doet nederdalen;)

Die de levenden verzorgt met genade, de dooden doet herleven met groote barmhartigheid, die vallenden steunt en zieken geneest en geboeiden losmaakt en Uwe belofte vervult aan hen, die in het stof slapen. Wie is als Gij, Heer der machtige daden, en wie gelijkt U, Koning, die doodt, doch weer doet herleven en hulp doet ontspruiten;

50

ocr page 475

rvTO nbsn 3

tfisis Sawn quot;pn ibdm didi»»» nysa

« ™p : hxïw quot;shtt nnni » nn^ IÜK» nnjai

pir^Y T,^3 : W nnx ^nnup1? : ïjn^o 'jö 3^-VN ?|-I:$ inT 1^5 i'^T

D»n-^ : lir^ri-^ ^niin'oD1? ^rtnj ait: n^ ï n^ni^nrVaquot;) Dtfprm : ib'ko n^phi na D^nnsV : D-IM wp snn nawai n^K « ; ai1?^'

* 1 • * tit: I IV •• *; !•• • -: T

•nm nn^Si ra^1? ^oia n^sn

.tnnp ^n -win fm

: wp'^NS hii on xipx ^ atf '3 : 'H' nri?ri ^natr yijj

dhisk irninK 'rib«i wrhta « nriN N-iiani i^n Vian 'bKn ap£' ANI pnv! Vkü k^oi nüK non iDin Van nipi d^Iü onpn bm ' n2nK3 10^ f^D1? DH^S

.innws rownmnv wi .Dquot;n n£3D3 OIDSI .-]103 --O /13T3r W)

c aquot;n • Dquot;nn 1902 uariai * D^na pan * o^nS uTpj

•' on-m jjo \] nnx ^n| • poi ^^ioi nn^ 4 yviïrh n nnx a»nü rma « d'1?^1? 1135 nriK

(* D^an nnioi nnn 3^0 oimw neen 'n dii ejoio is nm' v»p ^di» |a) d^st: -]qid d^i D^pnna d^d rma npna o^n * quot;10^ m^QN D»j50i an.iDK Triöi a^in KfiiTj n^noi n»po rhn quot;nb nan 'ai nniaa Sra ^iiaa ♦a * rravai

ocr page 476

BIJGEVOEGD-GEBED.

(in de tien hekeeringsdagen: Wie is als Gij, Vader der barmhartigheid! die Uwe schepselen ten leven gedenkt met barmhartigheid!)

Gij zijt vertrouwbaar, dat Gij de dooden zult doen herleven; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven!

Gij zijt heilig en Uw naam is heilig en heiligen prijzen U dagelijks, Séla; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! (in de tien hekeeringsdagen: heilige Koning.)

51

Voor den gewonen Shahhath:

Gij hebt den Shabbath ingesteld, met welgevallen zijne offers voorgeschreven, hebt zijne nadere toelichtingen als geboden verordend, evenals de orde zijner plengoffers; zij, die hem als een genot beschouwen, zullen tot in eeuwigheid eer deelachtig worden; die hem genieten, erlangen het eeuwige leven en ook zij, die woorden omtrent hem gaarne hooren, hebben het hoogste goed verkoren; reeds toen, van den Sienai af werden hun aangaande hem [dien dag] geboden gegeven en hebt Gij, Eeuwige, onze God, ons bevolen op dien dag het bijgevoegde offer voor den Shabbath naar behooren te brengen. — Moge het U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, welgevallig zijn ons in vreugde naar ons land op te voeren en ons te planten op ons gebied, opdat wij daar vóór Uw aangezicht onze verplichte offers kunnen bereiden, de gedurige [dagelijksche] offers naar hunne orde en de bijgevoegde offers naar hun voorschrift. Ook het bijgevoegde offer van dezen Shabbathdag

Voor den Shabbath, waarop het Nieuwe-maansfeest invalt:

Toen Gij Uw wereld in de oudheid hebt gevormd, hebt Gij Uw werk voleindigd op den zevenden dag; Gij hebt ons bemind en in ons welgevallen gevonden en ons verheven boven alle talen en ons geheiligd door Uwe geboden en ons doen naderen tot Uwen dienst, Gij, onze Koning! en Uwen grooten en heiligen naam over ons genoemd ; Gij gaaft ons. Eeuwige, onze God ! met liefde Shabbathdagen tot rust en Nieuwe-maansdagen tot verzoening; doch daar wij zoowel, als onze voorouders, gezondigd hebben vóór Uw aangezicht, is onze stad verwoest, ons heiligdom eenzaam geworden, ging onze glans in ballingschap en werd alle heerlijkheid aan het huis van ons leven [onzen tempel] ontnomen en kunnen wij onze verplichtingen niet meer vervullen in het door U uitverkoren huis, in het groote en heilige huis, waarover Uw naam genoemd is, wegens de hand, die aan Uw heiligdom geslagen is. — Het zij U dan welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, ons in vreugde naar ons land op te voeren en ons te planten op ons gebied, opdat wij daar vóór Uw aangezicht onze verplichte offers kunnen bereiden, de gedurige offers naar hunne orde en de bijgevoegde offers naar hun voorschrift. Ook de bijgevoegde offers van dezen Shabbathdag en dezen Nieuwemaansdag


ocr page 477

epio n^ön

c D^ani? Dquot;nS inis; nait * a^amn ax tjIm o^dw

: D»nan n»no ♦; nriK Tpa * D»no ni^nnV nnx

* nbo Di» V53 D^npi irin^ nn^

(*• rinpn ^San ™vn w nwa) ; ^npn bxn ♦♦ nriK Tjlia

um üsii nac1?

n^3 Dquot;ipo noViy niv nnK

t r * vliv • p : t t ;i-t t -

wniK rianx DV? ^PDNVO nüiB'Vn-^ao unoam 1:3

: quot; t * it : quot; : it t i* t:

):pbt2

ir^ ^nan ^aan nanxa irnSx « ^Vrnm - nxnp

t -: - : iquot; v: ▼: it i v r - t itIt

D^nn nrroab ninaiy

t*: t : t ; • t -

unjK i:KL2ntr ♦abi * mso1?

; 1- -; j iv t : it t v • ; t t - :

DO^ nain irniaNt

.. t ; iquot; ^ t : t iquot; -; -

n»3D 1133 btSil unp» 1it!^lpO

•• * t ~ : iquot;It; tt: iquot; ti: •

nitr^1? 0^13! ps?i * m Vn5nn^3im'n3 n»33 irn^in

t - * 1- - p iv t • ; •• ; iquot;

^ap trnj^ni

|iï*i 'n* : ^jBnpps nnbntr^ TPI 1:^13« ♦riVxi

,.. .j .. .. ,.. ... t; j )v t. .

u^ni laïnxb nnp^3 nK D^I 1^13:3

DnD3 DH^on irni3in ni:3quot;ip

t :• ; • • : r* : :It

^Dia-nNi * aro^ro D^OIOI

•• : v ; t t ; • : • t

^inn 011 nn 713^1 dv

na»1?

pquot;wfl Dquot;y

n^i ,n35r n:3n

t i* t t - t ; iquot; *

mï • n^nimp

t r * t iv : :It

nno oy n^na

... t iv

Q^vb -n^oo:

t ; t iv ;^- : t iv t :

* ftrw 1133

t iv it : • t

o^niNn oil * -DT o^n

• -: t - : t

* nno rivJia nn3i

it t t -.. ; t iv t :

* iTty 11t2ÏJ ^DD TN

t iv*t - : • - • • t

3npn^rn^N,nmni

r\Zp |3quot;jj5 n3 fiy-T. ♦!-!♦ : nstll irnbK «

irni3K mntS1? nno^3

* i:Si3J3 i^ni ^ab D^I

* irn^in nij3ip-nK

iquot; : :It

q—i-ips Dn^pn

* Dn3bn3 D^fioioi

t t ; * ; * t

ns^n 01» fjOiD-nxi

ocr page 478

B IJ GEVOEGD-GEBED.

zullen wij met liefde bereiden en brengen vóór Uw aangezicht, naar het gebod van Uwen wil, zooals Gij het ons hebt voorgeschreven in Uwe leer door Uwen dienaar Mozes naar de uitspraak Uwer heerlijkheid; gelijk er gezegd is:

En op den Shabbathdag; twee schapen, onder het jaar, zonder gebrek ; en twee tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, en zijn plengoffer. Dit is het Shabbathbrandoffer op eiken Shabbath, behalve het gedurige brandoffer en zijn plengoffer.

(Op het Nieuwemaansfeest: Dit is het offer voor den Shabbath; en ook het offer van [het feest van] heden [lullen wij dan brengen], gelijk er gezegd is:)

52

Voor den gewonen Shabbath:

Zij verheugen zich in Uw koningschap, zij, die den Shabbath in acht nemen en hem een genot noemen, het volk, dat den zevenden dag heiligt; allen verzadigen en verlustigen zij zich in Uwe goedheid; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd; Gij be-stemdet hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust; heilig ons door Uwe geboden en laat Uwe leer ons deel zijn; verzadig ons met Uwe goedheid en verblijd ons met Uwe hulp, en reinig ons hart om U in waarheid te dienen; en doe ons. Eeuwige, onze God! in liefde en welgevallen Uwen heiligen Shabbath deel-

Voor den Shabbath waarop het Nieuwemaans-feest invalt-.

En op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer brengen voor den Eeuwige; twee jonge stieren, jonge runderen, en één ram, zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En het daarbij behoo-rende meeloffer en hunne plengoffers, gelijk er uitgesproken is: drie tienden [van een Epha] voor eiken jongen stier en twee tienden voor den ram en één tiende voor elk schaap; en wijn, naar het daarbij voorgeschreven plengoffer; ook een bok, om verzoening te doen; benevens de twee gedurige [dagelijksche] offers naar hun voorschrift.

Zij verheugen zich in Uw koningschap, zij, die den Shabbath in acht nemen en hem een genot noemen, het volk, dat den zevenden dag heiligt; allen verzadigen en verlustigen zij zich in Uwe goedheid; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd; Gij bestem-det hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust en laat voor ons op dezen Shabbathdag deze maand beginnen ten goede en ten zegen, tot vreugde en blijdschap, tot hulp en vertroosting, tot verzorging en levensonderhoud, tot leven en vrede, tot vergiffenis van zonde en kwijtschelding van misdaad ; {in de schrikkelmaand: en tot verzoening van misdrijf;) want Uw volk Israël hebt Gij uitverkoren boven alle natiën


ocr page 479

«]Dio nVön 33

ninip 103 ïjiip nanKS nnp:i n^: ntn : quot;iidks ^i3p »30 n^ö n;-^ ^nnina

D»:^ DD^n n^-^3 an^nm^ nat^n ovm

: *v •• ; • • : T T •• : * T : •• ; T - - :

iraab nzp rny : üp:i. füisft nb^a nnjp n^p : napii n^prin nVr^

C nON3 Dvn j31[71 nar |3-1[? n.l tnn ^ ravh)

.üin üsii nap1?

ona rhy mnpn Danjhn ^N-ÜI

•TT~ T rl; - v •• ; T •• T :

»:3 D^33 TIK Vxi amp;W quot;Ipa ^3

•• : • T ; TV • i- ; -i- : ITT •• :

D:T3D:I Dnn:oi : oo^n nyaE'

•-•••:•: T T : • • • : 'T ; • T T

izh rwhv ns-ioa

•• : T - • : T : T •.. : •

^337

an'on 'm nssS yyv\ 133:3

: Dn3L5n3

T T : * :

wipi nsB' npiir ^jn^bos inp'^^

Dv'S * ^3f 'ty^Ö tiy

n^n ynfn) ^3it2p wzp*

• nxnp mix niün inanpi 13

T ITIT • T - : v ; -| • :

: n^Kpn npyiï ly ijnni3ü3 nïn irni3K T^KI irn^K

iquot; T ; • •• : iquot; -: •• •• iquot; v:

-na nrn n3^n 31*3 irby

T - - : !*• T ••- ;

* n3quot;i3L)i n3iül? ntn i^inn

I T ; T T : • : T : v - v i -

nsjna1? * non^i * nno'^i

T T : - : T T v ; T ; • :

n^nD1? * Bib^i D^nb *

quot;•;• T: *-: TT:-:

(r^s nnsaSi hot nns) py nirbpbl NDn •niöKn-^o mn3 na^3 *3

\ T T • T : I- T *• T : * I •. - :

.naw1?

na^ ♦Nquot;)ipi n3^ npiir

^3'Bgt;: 3^3 * TSf ^risp

13 n^iT T^rn ww mpn in^ipi quot;i3T • nKip miK

VIquot; T IT I T

: rivynh ♦ribxi irn'^K nïi irni3x ij^np !ijnnija3

|.. .)- r* T ; •

|ni ^n'iïps

1:^3^

una'En ?j3ii3p vzh quot;inüi ^n^i^3 nüNi3

irn^ V: liVn^ni na# fiï-i3i nsnxa

ocr page 480

B IJ GEVOEGD-GEBED.

53

Voor den Shabbath waarop het Nieuwemaans-feest invalt-.

Bij de herhaling van het gebed, zegt de Gemeente, terwijl de Voorlezer oma zegt, het volgende ■.

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, de God van alle vleesch, onze Vormer, de Vormer van het Scheppingswerk; lof en dankzegging [brengen wij] Uwen grooten en heiligen naam, dat Gij ons hebt doen leven en doen voortbestaan! Zoo moogt Gij ons laten leven en ons laten voortbestaan en onze ballingen verzamelen naar de voorhoven van Uw heiligdom, om Uwe geboden in acht te nemen en Uwen wil te volbrengen en U van ganscher harte te dienen; [wij danken U ervoor] dat wij U kunnen danken; geloofd zij de God der dankzeggingen! te merken] zijn; Gij, Algoede, Wiens barmhartigheid niet eindigt; Gij, Al barmhartige, Wiens genadebewijzen niet ophouden, — van oudsher hopen wij op U !

(Op Chanoekka zegt men-. 'Al Hanissiem (blz. 36).

En voor dit alles worde Uw naam, onze Koning! steeds geloofd en verheven immer en eeuwig;

(In de tien bekeeringsdagen:

En schrijf in voor een goed leven al de leden van Uw verbond!)

En alle levende wezens zullen U danken, Séla! en Uwen naam in waarheid loven, o God, onze hulp en onze bijstand, Séla! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam «de Algoedequot; isenWien het past te danken!

Voor den gewonen Shabbath:

en hebt hun Uwen heiligen Shabbath bekend gemaakt en voor hen de wetten der Nieuwemaansdagen vastgesteld; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath en Israël en de Nieuwemaansdagen heiligt!

Schep behagen. Eeuwige, onze God, in Uw volk Israël en in hun gebed; en breng den tempeldienst terug in het binnenste van Uw huis, opdat Gij Israëls vuuroffers en hun gebed in liefde welgevallig zult aannemen, en steeds zij welgevallig de eeredienst van Uw volk Israël!

En onze oogen mogen het aanschouwen, wanneer Gij met barmhartigheid naar Tsion terugkeert; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert!

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de

achtig worden, opdat daarop mogen rusten Israël, die Uwen naam heiligen; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt!

God onzer voorouders, immer en eeuwig. De Rots van ons leven, het Schild onzer hulp zijt Gij voor alle geslachten ! Wij danken U en verhalen Uwen lof voor ons leven, dat in Uwe hand is overgegeven, en voor onze zielen, die aan U zijn toevertrouwd, en voor Uwe wonderen, die eiken dag met ons geschieden, en voor Uwe wonderbaarlijke weldaden, die ten allen tijde, des avonds, des morgens en des middags [op

ocr page 481

epia nVan

.oin »nii nauS

* ri^nin onb n^i Ttna • n^p on1? a^tn ^KI

) t t*:itIt v t • t*; •• t

bNïpn nn^n BhpD M nnx

t: •• t: •: t - - quot;l- : ▼: t -

: D^in

33

.nac1?

nn imri -

Ehpa nnK Tjiia : roiyn


nnin^n-nx ivy - onbanai ^'p' ^a^-i irribx « nx-i Saj^n nariNa DnVsni wx] ^3 yyi^ • nnia^ Ton |i^ ^nni |1ÏIt3

nnnan»; nnx Tjiia * n^nna ji'ïb mnnni

: |i»v^

Kinnm^Ti1? wnax onio

t - t )t : i- -:

irninx ^Knyji'pN ♦♦ pa m tiï * ijn D^jrV •innnb «in nnx 13^ * ^nbnn quot;iBpii ^ nni: by) ^Ta onioan iy*n b# quot;^1T]^ nmpan li^nia^: bjn i3ay ^D3

♦3 3ii2n onnvi npbj 3quot;!^. n^DS^ ^ni3it:i ^nixbs:

• rfe irip o^a ?|npn lan-N1? '3 onnani ^ann

.(vs ^a a'DJn Sp O'mis nsuna)

* Tan usVa ^a^ aann^i -]quot;i3ngt; Dbr^i

(* ïjnn? (bs) D^io D,sn^ alnpi nawn w mcra)

ijn^itr» ^Nn naN3 ^op nK ibbn^ nbo D^nn V31 : niTinb nx: ^ ^a^ 3it3n « nnx Tjiis • nSo linn^i

pan cna

^ Nin nrw^ umN* anio

irniaN flSxi -irn^K nfj? n^Ki? quot;isr wisr nra Ss bji u'npni Sn;n TjptfS nwnini p •iino^i -urrniT^ ^II? nn^n1) fjlDs^rii

T]3lsi ?j^n lae'S * onio um^ by aW 33S3 : nwninn Sn* ijns

ocr page 482

54 BIJGEVOEGD-GEBED.

Bij het herhalen van het gebed zegt de Voorlezer:

Onze God en God onzer voorouders! Zegen ons met den in Uwe leer uitgesproken drievoudigen zegen, die voorgeschreven is door de hand van Uwen dienaar Mozes en uitgesproken door den mond van de priesters Aharon en zijne zonen, gelijk er gezegd is: De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede!

Geef vrede, heil en zegen, gunst en genade en barmhartigheid ons en gansch Uw volk Israël; zegen, onze Vader! ons allen te samen met het licht van Uw aangezicht! Want met het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven, Eeuwige, onze God, de leer des levens en de liefde tot genade en welwillendheid, en zegen en barmhartigheid, en leven en vrede; o, moge het goed zijn in Uwe oogen, om Uw volk Israël in eiken tijd en elk uur te zegenen met Uwen vrede!

(In de tien hekeeringsdagen;

In het boek van leven, zegen en vrede en ruim levensonderhoud mogen wij herdacht en opgeschreven worden voor Uw aangezicht, wij zoowel als geheel Uw volk, het huis Israels, tot een goed leven en tot vrede; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper van den vredel)

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.

Mijn God! bewaar mijn tong voor kwaad en mijne lippen voor het spreken van bedrog; moge mijne ziel zwijgen tegenover hen, die mij vloeken, en moge mijne ziel tegenover ieder zoo nederig zijn als het stof! Open mijn hart in Uwe leer en moge mijne ziel Uwe geboden najagen! En allen, die kwaad tegen mij beramen, o, verijdel spoedig hun plan en vernietig hunne gedachten! Doe het ter wille van Uwen naam, doe het ter wille van Uwe rechterhand, doe het ter wille van Uwe heiligheid, doe het ter wille van Uwe leer! Opdat de door U beminden gered worden, help met Uwe rechterhand en verhoor mij! Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser. Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede voor ons en geheel Israël; zegt hierop: Amen!

Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij U in eerbied dienen, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid. Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offergeschenk van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

ocr page 483

6]DiD nbön n:

yun ibis nSsnn mna

■•t nainsn rnin? n^Wtpn nanaa wana irnlax wijSx : naxs DJ D^ris vja-i jinx ^sn rniogn ?|^ n^o Q??;i VJS v. Nf' J ^3rpi ïpSx VJS 11 IN; : ?]naB',i v. (p'sn 'n1 ja dw) : DlW t)1?

Vjn Q^nn noni rn noiai nniü diS^

-: iquot; T • -: -; V IV T I •• T T : T T

quot;iiK3 inK3 ijba i^nst wana nav SN^^-ba

: tv; it ••. r t iquot; -:t | iv^- •• t: • t

nanNi D^n min irri1?» quot; ^ nnj quot;ii«a ^a

- ; * - - !•• v: ▼: it t r t | ivt : • | ivt

Tj-iab ^J^a aiLJi D^ni. dw*ii naiai npnvi npn

* ^ib^a baai n^-baa ^sjrnK

nawn n^ora)

Tisy-Saiwrnx ïi^aS ana^i ix: naica noj-iai DlStfi nana aquot;n -i3D3

i ; t : : i -: Mv t ; •• t • : •• t* t t t :quot; t : t t : * ~ viquot; ;

c nlStfn rwv i] nn» ^na * olSefy d^Id a^nS n,a : Dib^a IS^TIN tpaün ♦; nn« ^ia

^a: nanp quot;la^p ix:

^nnina ♦a1? nna : n;nn Vab ia^a ann nan ninp ^ D^a^inn Vai. ^a: e^i-nn ^rnirüai l^a1? n^: * n'^ • ona^nü onïjy;

* ^nnin ]v_iï? n^: * ♦fi'nöK pïn1? rn* : ?|VP' n^^in pvbn^ Kin voi-iöa DISK' n^ : ^KUI niï 7 ♦a1? ji^ni

: |OK noKi Vtni^-ba ^i ir^ DIVE' n'^

rnnpa ^j?Bn n1? irniaN* vj'Ski «vlS^ ^ ^^aSo p'sn

n^^ai dSïj; ',o,a ,-1x7.5 ^iajy. aüy : ^n-iina jni; wn;a : nnoip. D'^ai dSij; ws pS^n'1! niin; nn^o nanj?i : nwaip

ocr page 484

55 BIJGEVOEGD-GEBED.

Bij de herhaling van het gebed, begint de Voorlezer na o^nsn rms aldus:

Wij willen Uwe macht en Uwe heiligheid uitspreken, naar de wijze, waarop die uitgesproken wordt door de vergaderde heilige Serafiem, die Uwe heiligheid in het [hemelsche] heiligdom verkondigen; zooals er geschreven is door Uwen profeet: En de een riep den ander toe en zeide: {De Gemeente.-) Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de gansche aarde! {De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Van Zijne heerlijkheid is de wereld vervuld ; Zijne dienaren vragen elkander; waar is de [eigenlijke] verblijfplaats Zijner heerlijkheid? Zij, die tegenover hen staan, zeggen ; geloofd ! (De Gemeente.-) Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats ! (De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Van Zijne verblijfplaats wende Hij Zich in barmhartigheid en begeuadige het volk, dat des morgens en des avonds de eenheid van Zijn naam uitspreekt, en steeds eiken dag tweemaal met liefde zegt: Hoor! (De Gemeente:) Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig! {De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Eenig is Hij, onze God, Hij is onze Vader, Hij is onze Koning, Hij is onze Helper; moge Hij in Zijne barmhartigheid ons ten tweedenmale voor de oogen van al, wat leeft, laten hooren: om U tot God te zijn! {De Gem.:) Ik ben de Eeuwige, uw God!

Op eenen Shahhath, waarop Ofan gezegd is, wordt een der onderstaande met Elohécljem beginnende stukken hier ingevoegd. *)

(De Voorlezer:) En in Uwe heilige woorden is aldus geschreven: {De Gem. en daarna de Voorl.:) De Eeuwige zal dan in eeuwigheid regeeren. Uw God, o Tsion, door alle geslachten; Halleloe-jah!

(De Voorlezer:) Alle geslachten door willen wij Uwe grootheid verkondigen en in alle eeuwigheid Uwe heiligheid uitspreken, en Uw lof, o onze God, zal nimmer uit onzen mond wijken tot in eeuwigheid, want een groote en heilige God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige Godl (in de tien bekeeringsdagen: heilige Koning).

*) Op den Shabbath, waarop het Nieuwemaansfeest invalt:

Uw God late Zijne zon stralen in het zevenvoud van hare kracht, moge de maan bij hare vernieuwing stralen gelijk de zon;') dan moge de Nieuwemaansdag, als hij weder heilig verklaard wordt, opnieuw zijne verzoenende werking doen, zoodat die dag weder zijne functie verricht en men aanschouwt de heiligheid van Gods Majesteit, op eiken terugkeerenden Nieuwemaansdag en op eiken nieuwen Shabbathdag. — (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

Op een Shabbath, waarop eene besnijdenis plaats heeft:

Uw God ben Ik, Ik gedenk het verbond [der besnijdenis]; zie. Ik zend voor Israëls rest hem, [den profeet Elia, den bondsengel] die eens zich schuil hield in het dal Keriethï), (die voor zich uit alles schoonvegen en moedwil uitroeien zal;) om heil en vrede te verkondigen op het einde der dagen; dan mogen allen, met wie het verbond is gesloten, weten, dat Hij het is, die verkondigt aan Tsion: Uw God regeert, gij glansrijk stralende ! — (De Voorlezer; En in Uwe heilige woorden enz.)

ocr page 485

«piD nbsn n:

.quot;isnw nw-ip mwi /Sipa nSsjin wn ^quot;cn

ïjp^ D^n^sn t^ijp 'sriv n^ -iim

nr bx riT h^) - y Dina?

pxn-ba ibn ni«3ï « ziïip t^np i^i-ip nquot;9 • ioni

I v it t t : t : ▼: It It It - t ;

iTN nrV nr d^kie' vmt^o nbiy «bo 1H23 'n : maa

vt •.••-: t -:t ; t ^ quot; t t : :

« nins Tp-Q quot;quot;v : noK» TJIIS ana^S nma Dipa onn^pn firn cran-D m-i loipap 'n : loipaa : DnaiK yai? nanxa D'a^ö Tan av bra ipni lair i^ri^K Nïin quot;in« 'n : nnx quot; irrtbK « vm n,'v

,.. ... T ... T V ▼: Iquot; ••: -r; •• T; • ^ - ;

van*i3 ! Kim * ujrtfia Kin uaba xm irnx «in : D^nbx quot; : D^n^Kb DDV nvnb ♦n-^ 'yyb mp

.{msth D'DBnjn) DD'nSj? Q'S'DW jaw D'isis» nina»a

■j^nbx nbtyh « -jba^ nquot;'p : iaxb ama ^npT '*

: nnbbn Ini iib |i»v •irn^ ïjrptfi D^nw nsjVi ïjS-W nn; inS jin

• nrw Egt;npi Sna quot;tSa ba ^ aSiyS ïï-na1 kS irso

t it It: t Iviv •• 'vt t : t r •

(: rnpn -[^an : t^npn Skh ^ nnx ^na

.cm cki naïS

rap • ir^nrin? nn»n * innu» irnjnr • i^a^ nnp. na^nS^

• ic-ac'S ovn rn * imss iïirh • icnpnna ch'nm • innnr

t tt- •• - : :!-:•; v i - ; t •:

pip ^ia-iai v'rn: insr? ns^ noi *Ttfiratf1nquot;jp -inra^nrip nitn

•nVo niia nac;1?

Sna? inprns * nnxtfS nSn? n:n * nn?n lair y* ds^Sn* Vl?.' rinqx? DiS^) aia TraS * (rn?? pin vjfiS raai) * nna ^Tp quot;aiai |*quot;c'n : nniH! -]Sa jl's1? law • nna 'nna-Sa nxr

') Vgl. Jes. 30,26; waar voor de toekomst aan de hemellichamen groo-tere glans wordt toegezegd. Vgl. Jes. 66,23. J) Vgl. I Kon. 17,3.

ocr page 486

BIJGEVOEGD-GEBED.

De Voorlezer vervolgt de herhaling van het gebed en zegt Kaddiesh Thithkdbbal; daarna wordt het gebed aldus voortgezet-.

Niemand is als onze God, niemand is als onze Heer, niemand is als onze Koning, niemand is als onze Helper! Wie is als onze God, wie is als onze Heer, wie is als onze Koning, wie is als onze Helper? Laat ons danken onzen God, laat ons danken onzen Heer, laat ons danken onzen Koning, laat ons danken onzen Helper! Geloofd zij onze God, geloofd zij onze Heer, geloofd zij onze Koning, geloofd zij onze Helper! Gij zijt onze God, Gij zijt onze Heer, Gij zijt onze Koning, Gij zijt onze Helper! — Gij zijt het, voor Wien onze voorouders het reukwerk van specerijen in rook deden opgaan!

De samenstelling van het reukwerk: balsem, zeenagel, gal-banum en wierook ieder tot een gewicht van 70 Mané. Mirre en kassia, halm-dunne nardus en saffraan, ieder tot een

Op den Shabbath, waarop de afdeding Beréshieth gelezen wordt: Uw God zal eens Zijnen dienaar [Israël] verstand schenken, dan lal Zijn zetel gevestigd zijn als van den beginne; Hij zal de stad op hare puinhoopen herbouwen en het paleis [den tempel] herstellen en [den breuk van] Zijn altaar heelen om de plaats der plengoffers te herstellen; zal de maagd van Israël vrijlating toeroepen, zoodat zij vrij zal zijn;zie, dan zal de kracht van Zijn toorn Zijne tegenstanders verstrooien als met een alles tot zwijgen brengenden, scherpen wind, en zal Hij regeeren over het volk, dat den Shabbath der wereldschepping in acht neemt. — (De Voorlezer-. En in Uwe heilige woorden enz.)

Op den Shabbath van het Inwijdingsfeest ■.

Uw God zendt eens Zijnen gezalfde, die zich siert met den gordel van rechtvaardigheid en trouw; die den booswicht doodt door den staf van zijnen mond, den vijand te gronde richt; ') zoodat men wegens de wonderen geheel Hallel zal uitspreken, daar men ['Esau] thans den jongeren broeder [Jakob-Israël] niet meer tot slaaf maakt; nieuwe kennis doet Hij dan ontstaan, zoodat men zijn oor neigt om te luisteren en het niet meer zwaar maakt [om niet te hóoren] 3); den glans van het bekoorlijke heilige gebied zal Hij herstellen en ons ten deel doen vallen, dan zullen wij zingen den psalm van David tot inwijding van den tempel. — (De Voorlezer-. En in Uwe heilige woorden enz.)

Op den Shabbath na den 9den Ab:

Uw God zal ten tweeden male Zijne hand uitstrekken om uwe verstrooiden te verzamelen; zal den tijd verhaasten, waarop men zal zeggen: //gaat heen uit uwe boeien 1quot; Hij zal Zijnen bondsengel [Elia] zenden om uw hart [tot Hem] terug te brengen3); baant voor hem den weg, zoodat de kromming tot een rechten weg wordt, — en Hij zal u naar Zijne stad verzamelen; gij, die den Shabbath in acht neemt, hij is een verbond tus-schen Hem en u; looft Zijnen naam en gunt u geen zwijgen; zoo waar Zijn heilig aandenken leeft! //troost,quot; spreekt eens uw God; //want Ik ben uw Koning en zal over u regeeren V' — (De Voorlezer: Ea in Uwe heilige woorden enz.)

!) Vgl. Jesaja 11,4—8. 2) Vgl. Jes. 6,10. 3) Vgl. Mal'achi 3,23 en 24.

H

56

ocr page 487

epiö nban u

ojinSxa ps D'mw tni 'rap/in onp isis rhenn ms

: 1:^^103 * naböa px • W3nN5 pK * irri1?^ pK : 'p * 'a * wjiin? 'p * 'p

nni: * uahpb nni: * rnu * nni:

* vïhn Tjna * irniiN ^na * irn^K tjins : 1^.^10^ nriK * iriiiN wn nriK * irn'pK xin nnx : vyviïn Tjiia irmaK rvEpn# «in nnx : Nin nnx * Nin

iquot; -: i* I: * v T - 1quot; * T - iquot; ; -

: D^pDn nicap nx ^iaV Sp^a * niaVni n^abnrn pay™ 'IK? rnippn DVtaa ban?) 113 rb'zp n^'ypi quot;ia * n:a aysp o^a^

.nifvSia na»1?

p'ngt;\i phn hy, yyn - n^xna? wp? pa: n^n'Sfc

nn^S xnp ini • n^nV ^sj Dippi nst inarai • n^;

lair dj; hy. • n^nq pa; vopT ioyi pin ran • n-tfsn nnvn t-T rquot;t''quot;1 : dtni,? na?'

.n3i:n nas;1?

rsöajamp;mr y^nn • T3^ raie^ni pns niw in^p nty 03^% nuno • Ta^no rys -liojS Sbn o^Djn Sj;i; • -na^ ajix ytfi] - Tani DDlp? B'ip Sia; n^pn Tin * quot;raana |w nissn ^in? ■ft rquot;^ : in1? n?3n najq yv niaia

.1»™ ra»1?

• DsniDso W3J laxS r^n; nyn • D^^nisiö? papS IT ^DV T^a^ap^nTniusia^n 'Djaa1? a^n'? nScquot; inn? ^Sai Sjci. lat?' «ia * oa'rai ira jlt;,n nna na?' Dnaitrn * □5^ap'1 ii^Si D5?Va wn 'a • D5'nS^ nax1 -laq: tK'-ij? nar. ^n * naS vpi «nn

T^p rquot;w : 03^ ^a^i

ocr page 488

B IJ GEVOEGD-GEBED.

gewicht van 16 Mané. Costus 12 Mané, specerijbast drie, en kaneel' 9 Mané. Loog van Carshiena 9 Kab, wijn van Cyprus drie Sea en drie Kab; en indien men geen wijn van Cyprus heeft, neemt men zeer ouden witten wijn. Zout van Sedom een vierde (van een Kab), een weinig van het kruid Ma'alé 'Ashan (dat den rook doet opstijgen). Rabbie Nathan zegt: ook een weinig hars van den Jordaan. — Indien men er honig heeft ingedaan, heeft men het ongeschikt gemaakt voor offergebruik; en indien men een van al zijne specerijsoorten er aan laat ontbreken, is men den dood schuldig. Rabban Shim'on, de zoon van Gamlieël, zegt: de balsem is niet anders, dan de hars, die van den balsemstruik afdruipt. — De loog van Carshiena dient om daarmede den zeenagel af te spoelen, opdat deze schoon zij. De wijn van Cyprus dient om daarin den zeenagel te weeken, opdat hij sterk van geur zal zijn. Hiervoor zoude immers ook urine geschikt zijn ? doch men brengt uit eerbied geen urine in het voorhof.

De liederen, die de Levieten zeiden in den tempel: op den eersten dag [der week] zeiden zij [Psalm 24, die begint met de woorden :] «Den Eeuwige behoort de aarde en wat haar vult, de wereld en die haar bewonen!quot; Den tweeden dag zeiden zij [Psalm 4b] : „Groot is de Eeuwige en zeer geprezen in de stad van onzen God, Zijnen heiligen berg!quot; Den derden dag zeiden zij [Psalm 82] : „God plaatst zich in de gemeente Gods, te midden van rechters houdt Hij gericht!quot; Den vierden dag zeiden zij [Psalm 94] : „God der wraakneming. Eeuwige, God der wraakneming, doe Uwen glans stralen !quot; Den vijfden dag zeiden zij [Psalm 81]: „Laat jubeltoon klinken voor God, onze Sterkte; juicht voor den God van Jakob !quot; Den zesden dag zeiden zij [Psalm 93]: „De Eeuwige is nu Koning, heeft Zich met hoogheid bekleed, bekleed heeft Zich de Eeuwige, met macht Zich omgord; nu staat ook vast de wereld, wankelt niet meer!quot; Op Shabbath zeiden zij [Psalm 92]: „Zangpsalm voor den Shabbathdagquot; ; een zangpsalm namelijk ook voor de toekomst, die komen zal, voor den dag, die geheel Shabbath en rust zal zijn, voor het eeuwige leven!

Rabbie Eli'ezer zeide uit naam van Rabbie Ciianiena: de leerlingen der wijzen [de wetgeleerden] vermeerderen den vrede in de wereld, want er is gezegd : Indien al uwe zonen leerlingen des Eeuwigen zijn, dan zal groot zijn de vrede uwer zonen; lees [verklaar] niet: BOnajich (uwe zonen), maar BOUnajich (uwe opbouwers). Groote vrede [valt ten deel] aan hen, die Uwe leer beminnen, hun ligt geen struikelblok in den weg. Vrede heersche binnen uwe muur, welvaart in uwe paleizen!

57

ocr page 489

nban n

♦ önip * rt:D -i'^ nfiï niïv bpiïd nyfn nr^na nna * n^n pa^i na^pi Iquot;. ïb fN DKi • NnVn psp Knbn pxp ppna^ p» • paj^ apn) $21 n^np vbü : prn# |nin quot;ion K^Ü ppna^ ■Va fi*i»n nö3 f]K IOIK jn: * KIH^ bi JE^ nV^o n^sp bsp nnx npn DK • n^pa ^ ro fn: dkvnih^ N^K U'x nifn * loiN bN^aa || fiyptf jai/ : nn^p 2»n nx na nrtyna nna : 'ï^ü t]L3i3n c]-iW n'Sïn nx ia fni^ ppnap p_: nx: «nn^ np • pain pp^appN^N^N n) pa» D^J-I »p K^HI :n^ Nnn^'np

: maan 'jao mr^a D^J-I

t - •• ; • tt : t • |- ; -

.nquot;ib d'isio 'döi tan 'do ^id

p^Kquot;in Di'a : Bnppn n^aa anpiK vn Ttrn

: na ♦airin Van hni^oi r-ixn - onoiK vn

t •• : i : •• •• t ; | vit t t- • ; t

in irnVx i^a nxp bbnai \] bna * onpiNj vn r^a an^a Vn nn^a a^j D'rfrN • onpiN vn ^♦^a : ïvip niDj^: Vk « nioj^: Vk • onpix vn ^aia : uhp\ ^nn D^ribN1? la^-in * onpiK vn ^♦pna : ^^ain {^a1? t?a^ mxi -jba « * onpiN vn ^tra : ap^ ^xb

• nnaiN vn na^a : □isn Va Van pan -itxnn iy ^ dvV * «aV n^n^V TiOTp : na^n dvV m'OTp

: D^oVi^n MnV nni:oi rnat^ iba^

* t t •• ~ ; t ; t - \ v

D^anp a^pan n^pVn • xr;n ♦an npx ♦ai. quot;IÖK DIVK' aiquot;) quot; HIDV quot;j^a-Vai ipKSjy * aViya DIVE'

♦anKV an DIVE' : -j^ia NVN ^:a Nipn' VM t* ^:a : ^ni:a*iKa niVa' -jVna DiV^^n^: Vitrap laV pxi ^nnin

ocr page 490

B IJ GEVOEGD.GEBED.

Ter wille van mijne broeders en mijne vrienden wil ik u den vrede wensehen ! Ter wille van het huis van den Eeuwige, onzen God, wil ik goeds voor u afbidden! De Eeuwige geve Zijn volk macht, de Eeuwige zegene Zijn volk met vrede!

Op ons rust de plicht den Heer van het heelal te prijzen, te verheerlijken den Vormer van het Scheppingswerk, dat Hij ons niet heeft doen worden gelijk de volkeren der landen en ons niet heeft gelijkgesteld met de geslachten der aarde, dat Hij namelijk ons deel niet heeft doen gelijken op het hunne, en ons lot op dat van hunne menigte — Wij immers knielen en werpen ons neder en spreken onzen dank uit voor den Koning aller Koningen, den Heilige, geloofd zij Hij, — die den hemel uitspant en de aarde grondvest, Wiens heerlijke verblijfplaats is in den hemel van boven, en Wiens machtige verschijning in de hoogste hoogten is. Hij is onze God, niemand anders; onze Koning in waarheid, er is geen buiten Hem ; gelijk in Zijne leer geschreven is; en gij zult heden weten en u ter harte nemen, dat de Eeuwige God is in den hemel boven, en op aarde beneden, niemand anders!

Daarom hopen wij op U, Eeuwige, onze God, om spoedig de heerlijkheid Uwer macht te mogen aanschouwen, dat Gij de gruwelijke schijngoden zult doen verdwijnen van de aarde en de nietswaardige afgoden zullen worden uitgeroeid, zoodat Gij de wereld volmaakt doet zijn door de heerschappij des Almachtigen en alle vleeschelijke wezens Uwen naam aanroepen; dat Gij tot U richt alle booswichten der aarde, zoodat erkennen en weten alle bewoners der wereld, dat voor Ü zich behoort te buigen elke knie, bij U behoort te zweren elke tong! Mogen zij voor U, Eeuwige, onze God, knielen en nedervallen en de majesteit van Uwen heerlijken naam erkennen, en mogen allen op zich nemen het juk Uwer regeering, zoodat Gij Koning over hen zijt, spoedig voor eeuwig en immer! Want U behoort de regeering en tot in eeuwige tijden zult Gij in heerlijkheid Koning zijn; gelijk in Uwe leer geschreven is : /,De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig.quot; En er is gezegd: //Dan zal de Eeuwige Koning zijn over de ge-heele aarde, op dien dag zal de Eeuwige eenig zijn en Zijn naam eenig 1quot;

Hier wordt door iemand, die een zijner heide ouders verloren heeft, Kaddiesh yezegd.

En nu, moge de kracht van mijn Heer zich groot toonen, gelijk Gij gesproken hebt, zeggende : —

Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige, en Uwe genadebewijzen, want sinds alle eeuwigheid zijn zij.

Moge Zijn groote naam in zijne grootheid en heiligheid erkend worden in de wereld, die Hij naar Zijnen wil geschapen heeft;

58

ocr page 491

epiö nbfin na

irjibK «-^3 : tja tta-nianK ♦jni. 'HK J^ÜV : lö^-nx -jir « is^V ry ♦; : niü nt^SK

xW n^Kquot;!3 quot;iïv1? nbii nrh San fi-iNb abt nöiNn ninstt'pa vm K^I niïnxn quot;K2 vamp;y ayiiz unixi * anion Sd3 ana upbn a'^

* ; : I- -: - T f ~: T : ••• T : v t If: v t

i^in^n DO?ön ^SD ^ID dhioi onnn^pi D'0^3 ai^iöi pK npi,'i D^ nüi: «in r-m * ni^ pK wri^K Nin : D»pinp ♦nnn lip nrptri n2^m Dvn n^n^ imina Dinss mVir DÖK 125VD

v T - . — t . —T : T : T - T v iv Iquot; : -

nnrip pxn S^i V^öp vmz Q^nbKn «in 7 '3 ^nn1?

: niy

fjïj; nnxana nnnD nix^ • irnb^ ♦; mp; |3 by_

* pnii» nns D^^nni p^n |p n^^nV nuanb - ^^3 1^3 ^3 ^ namp; nisbps abip ?jb »3 * nty» bs wri iry • px ^3 Wiy wiibt* « bs yn-fn Tps b3 ynpn

Si^ nx obs ibs^ ' un» quot;ip; ^p^ -1133^ * *ibiamp;) nwVpn *3 • n^i d1?^1? nnno on^^ -ji^m. • ^niabp ^jnnins 3in33 • ni3pa -ji^pn v'b1^ *

pf?n-S3 by rjbob « n^ni npK^ ; n^i oVp1? Tj^p» »;. ; nriK iob'I nnx « nvr Kinn di»3

•Din1 rnp : IdkS ijia-n n^??3 nb nj ^ n^i : nan atya ^ Tjngni « ^prn iaj nni^n? xnrn MÖ^S X3quot;i HÖK' S^n»

') Vgl. Jeremia 10,19; „Niet als dezen is het deel van Jakob, want [zijn God] is de Schepper des heelals.quot;

ocr page 492

59 B IJ GEVOEGD-GEBED.

moge Hij Zijn koninkrijk weder vestigen tijdens uw leven en in uwe dagen en tijdens het leven van gansch het huis Israel's, spoedig, in nabijzijnden tijd ; zegt: Amen !

Gemeente; Amen 1 Zijn groote naam worde gezegend immer en in alle eeuwigheid I

Gezegend en geprezen en geroemd en verhoogd en verheven en verheerlijkt en vereerd en geloofd zij de naam van den Heilige, geloofd zij Hij, — verre boven alle zegeningen en liederen, lofzangen en vertroostingen, die in de wereld worden uitgesproken; zegt: Amen ! 1)

Gemeente-. De naam des Eeuwigen zij geloofd, van nu tot in eeuwigheid!

Moge van uit den hemel groote vrede en leven komen over ons en over gansch Israël; en zegt: Amen!

Gemeente; Mijne hulp gaat uit van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde!

Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede over ons en over gansch Israël; en zegt: Amen !

{Te Amsterdam wordt het lied van Gods eenheid en dat van Zijne heerlijkheid, henevens Psalm 92 onmiddellijk na het morgengebed vóór de Thoralezing voorgedragen).

Zang op Qods Eenheid.

Toen [bij de Schepping] rusttet Gij op den zevenden dag, daarom hebt Gij den Shabbathdag gezegend.

Voor al, wat Gij geschapen hebt, wordt U lof gebracht; Uwe vromen zegenen U ten allen tijde:

//Geloofd zij de Eeuwige, die deze allen gevormd heeft, de levende God en Koning der eeuwigheid !quot;

Want van oudsher rust op Uwe dienaren de volheid van Uwe barmhartigheid en genadebewijzen.

1

Bij Kaddiesh-Derahhanan wordt het volgende ingevoegd:

Voor Israël en voor de geleerden en voor hunne leerlingen en de leerlingen hunner leerlingen, alsook voor allen, die zich met de heilige Leer bezighouden, hetzij in deze plaats of op andere plaatsen, — voor hen (en voor Ü) moge beschikt worden veel vrede, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven, en overvloedig levensonderhoud en verlossing, vanwege hunnen Vader, die in den hemel is; en zegt: Amen!

ocr page 493

epiü nbfin uj

bxïw ba*] «nai pd^na nnid^ü tj^pn

nöni 3n[5 |öpi k1?^?

n'os^ 'asijs-i as^s rjia^j xan na^ nh1 • jdn ^p i^nnn oonnn nksnn 'nan^n

|p (n^gt; n,',t'quot;) kv,$5 kin -]n3 n^nipi nptr bbnnn. küto ri'önn knonai i^nnsirn xnsia

t : t s It*-:- t t : v; t t : : •-. t t * : t t : •

(* : |pk npki : asij; nn^a tpa v. 3r ^•^,

bz by) wby d^ni wnp |p «ai_ kovtr : |ük noni : pni b^ar ramp;v v a^a nt^

bxïw bi di^ n'^ kin vompa di1?^ naty

: fpsj npisi

min ibd nsïin omp sapnn flip ins d^-ibis nquot;ïi dticton pquot;p2)

.(ar hv matai maan nin,n it

.nn'n i'v

: nsia ra by nai^n dv * nm ^a^n di»2 tk

t : i- •• i •• ~ t - - t ; i~ * : ~ - t

: nai^n» ^npn - nai^ nbnn byfbs sjn

: ^bai d«n d^nbk * oba ivi» « ^ina : t^-p^1- t?^n- ^ ^ abiyt2 gt;2

•ht d^bidv: tiasn ins pan rnp

♦tövrr1?! by) |inn;pbn by) |j3n by) » hy |nn x-inxn n Knn.iNa pppjn |o_v3 ^i finn^pSn k3n niiquot;) tlt;übw qiasi) pnv xn» nn«i ni

d^-|p k^nai kitvi kiitpi pns1 p»ni j^anni irjpni '131 nasr xn' ; |pk npkl x»p^2 h pni2k

ocr page 494

ZANG OP GODS EENHEID.

Reeds in Egypte zijt Gij begonnen bekend te maken, dat Gij verre verheven zijt

boven alle goden; toen Gij groote strafoefeningen richttet tegen hen en hnnne goden 1

Toen Gij vervolgens de Schelfzee kliefdet, zag üw volk de groote macht, en vreesden zij I

Gij leiddet üw volk, waardoor Gij U een roemrijken naam vestigdet, en üw grootheid toondetl

En Gij spraakt met hen van uit den hemel, toen dropen ook de wolken van water.')

Gij kendet hun gaan in de woestijn, in een woest land, waar geen mensch was doorgetrokken.

Gij verdreeft vele volkeren en natiën, wier land zij veroverden met de moeitevol verworven rijkdommen der volken.

Opdat zij in acht zoudea nemen de wetten en leeringen, de uitspraken des Eeuwigen, reine gezegden!

Zij verlustigden zich in vette weide, en uit den harden rotssteen vloeiden oliestroomen. —

Toen zij nu rust kregen [van hunne vijanden], bouwden zij üwe heilige stad en sierdwi haar met üw heiligdom;

En Gij spraakt: //Hier wil Ik gevestigd blijven tot in lengte van dagen; haar voedsel zal Ik zegenen!

Want daar offert men rechtvaardige offers, ook üwe priesters kleeden zich in rechtvaardigheid!

En het huis van Levie zingt lieflijke liederen ü ter eere, zij jubelen en zij zingen!

Het huis Israels, en allen, die den Eeuwige vreezen, vereeren en danken Uwen naam, o Eeuwige!

Gij hebt dus den vroegeren geslachten in hooge mate, welgedaan; o, bewijs ook den lateren zulke weldaden!

O Eeuwige ! verblijd ü toch over ons, gelijk Gij ü verblijd hebt over onze voorouders,

Zoodat Gij ons vermeerdert en weldoet; dan zullen wij ü eeuwig danken, dat Gij weldaden bewijst 1

O Eeuwige! herbouw spoedig Uwe stad; over haar toch is üw naam genoemd!

Doe daarin Davids hoorn weder ontspruiten; en zetel Gij, o Eeuwige ! voor altijd in haar midden !

Dan zullen wij daar wederom rechtvaardige offers slachten en zal, als in de dagen der oudheid, een ü aangenaam meeloffer worden gebracht!

En zegen üw volk door hun üw aangezicht te doen lichten, want zij verlangen üwen wil te volbrengen!

Volvoer dan met welgevallen ons verlangen; zie toch op ons allen, uw volk, [met liefde] neder !

60

Ons hebt Gij uitverkoren om een volk te ziin, dat üw eigendom is; moge dan Uw zegen rusten op üw volk, Séla 1

') Vgl. Ps. 68,9.

ocr page 495

Tirrn yw d

n^: inü »3 ^ninV mbnn

t i** :— : r ; t i • - • - ; • ;

Dn^ribMai wbi* vutp ona nf^a ♦ ^

: 1^*1 nVn|n th IN-I ^ ^ID ^23 ; -jbni niKinb • nnjstsn ni'^b ^aj; nina

: d»o ificaa D^n an * D^otrn ro dö^ ma-n

•it ; it •'tv -: • it t - i • t t ;iquot; *:

: quot;Dy ab wn n^ pK3 * istaa D^D1? r\yi'gt;

t t t • l viv ; t : • - t ; v t ; i~t

: d*ü ni^pi ikb* nnn

: amp;mb böjri DÏ^K • D^DJ? D^n D'ia : niiinp miüK ♦; ninp« • nnini D^n iid^ *112^3 : nVs nv ^quot;o'pnüi * fö#

: ^npp n*3 onias

: Tj^nK Tpa mx * iwh n'ö noKrn.

: pquot;iï wty ^^ria tjK * pnï 'rpr inar dv »3 : rvt^ f|N i^^i-in^ • ^ nar nia^: nVn n»3i : v. ^a^ nvi nsa^ * \\ wy) n»3

: D^ITO1? os 3,ü,n T3 * D^Hwn1? INö ni3,L:n

«. _ t - .t . t , . ...

: i^niaK by m'v i^«3 * vby KJ 'VVF\ quot;

i.. -. r- t . ,- ... -. - j..^ _ t ▼:

: 3^»n »3 tp n-jiii • 3,prii?,i ni3-inS uniK

: *3 * n-jna mnn «

: n3quot;):p3 « obiyb |i3^m • ns n^aïn in p.^ : nn:a 3*iyn Dip ^31 • nn3Ta nair piï ^31

t : • -*v;v quot;1 iv •• r : t : : • t it I viv •• ; •

: ïjairi ni'^ o^an »3 * -iixa ^a^ -|quot;i3i

: uba ^a^ k: aan * ijxan n'^n ^ivnai j rte ^nana ?|a^ • n^o ^b nvn i:nnna

ocr page 496

ZANG OP GODS EENHEID.

Dan zullen wil steeds Uwen lof verhalen en üwen roemriiken naam loven!

Moge dan Uw volk met Uwen zegen gezegend worden, want wie Gij zegent, is in waarheid gezegend I

En ik, zoolang ik besta, zal ik mijnen Schepper loven. Hem zegenen, zoolang de dagen van mijn levenstaak duren !

Gezegend zij de naam des Eeuwigen in eeuwigheid, van eeuwigheid tot eeuwigheid!

Gelijk er geschreven is; Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! — en het gansche volk zeide : //amenquot; eu prees des Eeuwigen daden. Toen hief Daniël aan en zeide: De naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij, Wien alle wijsheid en kracht is ! En er is gezegd: Toen zeiden de Levieten Jeshoea', Kadmiël, Banie, Chashawneja, Sherebja, Hodija, Shebanja, Pethachja ; Welaan, looft den Eeuwige, uwen God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en men love Uwen heerlijken naam, die verheven is boven alle zegening en lof!quot; En er is gezegd : Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid ; en het geheele volk zeide : «amen! Halleloe-jah !quot; En er is gezegd : En David loofde den Eeuwige ten aanzien der gansche vergadering, en David zeide : Geloofd zijt Gij, Eeuwige, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid!

Zang op Gods Heerlijkheid.

{Dit stuk wordt bij geopende Arke voorgedragen).

Sommigen zeggen vooraf de volgende verzen-. Ps. 24,7—10.

Heft op, gij poorten! uw hoofden, verheft u, gij overoude toegangen, opdat binnenkome de Koning der heerlijkheid! Wie is de koning der heerlijkheid ? De Eeuwige, onoverwinnelijk en machtig, de Eeuwige, een held in den strijd! Heft op, gij poorten ! uw hoofden, en verheft u, gij overoude toegangen, opdat binnenkome de Koning der heerlijkheid I Wie is Hij, de Koning der heerlijkheid ? De Eeuwige, Tsebaoth, Hij is de Koning der heerlijkheid I Séla!

Lieflijke zangen wil ik uiten, liederen wil ik samenstellen ; want naar ü smacht mijne ziel 1

Mijne ziel verlangt naar de beschermende schaduw van Uw hand; te kennen al Uw verborgen plannen.

Telkens wanneer ik over Uwe heerlijkheid spreek, klopt mijn hart van verlangen naar Uwe liefdeblijken.

Daarom spreek ik van Uwe voortreffelijkheid, en verheerlijk Uwen naam met liefdezangen.

61

ocr page 497

■nrrn «D

: Vbnii * ^nbnn iöp: Törn

; Tjiap ^j-inn IB'K Va nx ^ • ^p] ^aj? ^nD-iapi : ♦xnv b| * 'XI.ID nbbnx niya nxi

: D^i^n obi^n |p * obi^1? ^ino quot; d^ ♦n»

npK'i * DVI^H n^i oViyn |p ami?

na^ Krib IOKI b^nnij; Vbni |pN a^n-bs s^nquot;)i3Ji wnpan n «o'pjpjn Nü^'fp ^nnn N4nbK-n n^n^n ^3 Vx^1^;, onbn npNquot;! .laK^ : N'n nyn |p dd^Vn «ia löipj n^nna nnin nana •?# nonpi ^nma ID^I DVI^H D^i^n ö^i^n -1^1 abiyn |p ♦rjVK « ^1? npNai: n^nni rnj* Tn : n^n jQN D^n ba IOKI

whsï « nnK -ina i^n nDK!',i bnsn

,. t quot;t: '• •:: ▼: t - ) t ' t • • tit x

: o'jiy nj?i obiya

.maan TC

.iSs d^ids ï2-gt;s -raiS »' niTgt;»r d'ïjsV cnpn pis D'-nnisi's

: n'asn iSa N13,I DSIJ; ^nnss wirani oa^Nn on^ wr

t - Iv iv t: t ^ •• : • : t • ; v •• t • t :

: nonSp ilaa ^ -ii3Ji; twy ^ liaan ^So ni, 'p : liaan ^Sp N3;i oSij? 'n^i? wtpi an^f wi?

: nSp niaan rj^p Nin nixa^ \] niaan ^Sa n; xm 'p

: ji-i^n ^33 '2 ' J11NK Dn^i nn^pT D^:N : quot;hiid TTba nynV * w bïa man ^33

p iv tt ^ i-t i ivt •• : t : • : -

: ?|nn bs4 nam * nan np : mn^T n^a naax * ninapj ^3 ISIK |a b#

ocr page 498

ZANG OP GODS HEERLIJKHEID.

Ik zou üw heerlijkheid verhalen? — ik heb ü nooit aanschouwdl

Zou ü door gelijkenis of bijnaam omschrijven? — ik ken Uw wezen niet!

Door Uwe profeten, in de vergadering Uwer dienaren liet Gij in gelijkenissen den schitterenden glans Uwer majesteit beschrijven.

Uw grootheid en Uwe almacht stelden zij voor naar de kracht Uwer werkzaamheid!

Zij gaven een beeld van U, doch niet in overeenstemming met Uw wezen; zij schetsten U naar Uwe werken 1

In talrijke visioenen gaven zij uiteenloopende voorstellingen van U; toch zijt Gij één, met al die gelijkenissen I

Zij zagen aan U nu eens ouderdom, dan weder jeugd; en het haar van üw hoofd somtijds grijs, dan weer zwart;

Ouderdom op den dag des oordeels, en jeugd ten dage van strijd; als een oorlogsheld, die strijd voert met zijn handen;

Hij plaatst dan op Zijn hoofd den helm der hulpe; dan steunt Hem Zijn rechterhand en Zijn heilige arm!

Met schitterenden dauw is Zijn hoofd bedekt; Zijne haarlokken met nachtelijke droppels.

Hij beroemt Zich op mij, want in mij schept Hij behagen; daarom is Hij mij tot een sierende kroon.

Zijn hoofd is als het zuiverste schitterende goud; op Zijn voorhoofd is Zijn heerlijke, heilige naam gegrift!

Tot hulde en eerbewijs, tot roemrijke verheerlijking vlecht Zijn volk [in zijn gebeden] Hem een krans I

Dan is Zijn hoofdhaar weer gelijk in jongere jaren. Zijn lokken golven ravenzwart I

De woning der gerechtigheid, het sieraad, waarop Hij roem droeg, — o moge Hij het tot Zijn hoogste vreugde maken!

Zijn uitverkoren volk zij een sieraad in Zijne hand, een koningsdiadeem, een luisterrijke tooi I

De beladenen. Hij droeg ze; met een kroon sierde Hij hen; omdat zij dierbaar waren in Zijne oogen, vereerde Hij hen.

Hij beroemt zich op mij en ik beroem mij op Hem; Hij is mij nabij, wanneer ik Hem aanroep !

Schitterend rood, in bloedrood gewaad, wanneer Hij den perskuip heeft getreden, als Hij van Edom terugkeert!')

Den knoop der Thefillien toonde Hij den bescheidene [Mozes] ; voor wiens oog de verschijning Gods zichtbaar was.

Hij, die in Zijn volk behagen schept, zal bescheidenen sieren; opdat Hij, die in lofzangen troont, door hen verheerlijkt worde!

Gij, Wiens voornaamste woord //waarheidquot; is, die van den beginne af alle geslachten oproept, — richt Uwen blik op het volk, dat U zoekt 1

Neem toch aan mijn talrijke gezangen; moge mijn jubelzang tot U naderen I

62

Mijn lofzang zij een kroon voor Uw hoofd, en mijn gebed worde aangenomen als reukwerk I

') Vgl. Jes. 63,1, 2 en 3.

ocr page 499

TODH W SD

2''N Dquot;S

: üb] ^123 mapK

: 'ïpin hm quot;nn n^a-i * ïps# moa rz

: cprh ia? * ^rvrott ^nbna

: 'ö1? iDT

: ni:w b33 nn« * ni:inn 3^3 ^b^on : niin^i n3^3 ^nquot;i * rvrmi n^r ^3 itm

:3i I1? vt niünbö ^^3 *3quot;ip di»3 nnn3i ri DV3 mpT

t tt t : • * : Tl; ; -i - l • . ti.

: itrnj5 ^inn irü* ib n^in * it^Kis jrsis ^3n

: nVV ♦D^pn vniïip • «bo: 1^1 nin« : ^ Nini * »3 fön »3 '3 iKön»

: nr-ip dk' 1133 rwo hy pni * niüi tö nnta Dns

:It •• ; - tv i - : : T i T i

: rna# ib maw • nnxsn OÏ quot;»13371 jn?

: mint? D^nbn vniïip • ninn3 W33 1^1 maSn» : innp^ N3 • irmsn pn^n ni:

: npKön nsibp ^iïi * npE# 1T3 ♦nn inbao : diss v:^3 np; * on^ npü^ ütïm D'pio^

: Vb« ♦Knp3 ♦bK 3l*)p1 * Vby nKfil ^ 1quot;)«3

t .. • :It: - •• it: t*t * •• ; quot; t

; DIINÖ 1N133 13113 1112 * DIK 1^13^ D11K1 Hï

v: •• : : t : t t : • t i

: ixb niion * i:^ nNin pVsn i^p, ; iKönn1? ds mbnn 3tyv - ikö; is^s nxn

rlll ^111 DJ? * 1111 111 B'NID Klip nüK ^131 Wtil

: ^J?k 3ipn ♦naii * «3 pan n^ : niiüp |i3n ^nböni * ni^ ^Nib ♦nn ^nbnn

ocr page 500

ZANG OP GODS HEERLIJKHEID.

Moge de zang eens armen in Uwe oogen even waardig zijn, als het lied, dat bij Uw offers gezongen wordt 1

Mijn lofzang stijge op tot den Alverzorger, tot den Schepper, den Voortbrenger, den Rechtvaardige, den Machtige !

Voor mijn lofzang moogt Gij mij welwillend toeknikken; neem dien [lof] voor U aan, als kostbare specerijen !

Moge dan, wat ik zeg, ü aangenaam zijn; want mijne ziel smacht naar U I

{Sommigen zeggen hier: Wie kan uitspreken des Eeuwigen macht; kan geheel verkondigen Zijn lof! ?) Men sluit de Arke, Kaddiesh Jathom. Ver-volgens zegt men 1'salm 92, Kaddiesh Jathom.

Als slotgebed zegt men het volgende :

De Eeuwige, onze God, zij met ons, zooals Hij met onze voorouders was; moge Hij ons niet verlaten en ons niet prijsgeven! Zoodat Hij ons hart tot Zich neige, dat wij gaan in al Zijne wegen en inachtnemen Zijne geboden en wetten en rechten, die Hij onze voorouders geboden heeft! Zoo mogen dan deze mijne woorden, die ik vóór het aangezicht des Eeuwigen als smeeking heb uitgestort, dag en nacht den Eeuwige, onzen God, nabij zijn, om te oefenen het recht van Zijnen dienaar en het recht van Zijn volk Israël, eiken dag het op dien dag benoodigde. Opdat alle volkeren der aarde weten, dat de Eeuwige God is, niemand anders ! O, Eeuwige! leid mij door Uwe welwillendheid juist wegens hen, die mij beloeren; effen Uwen weg voor mij ! Ik — in mijn eenvoud ga ik; bevrijd mij en wees mij genadig; want ik ben alleen en ongelukkig. Mijn voet staat thans in de wijde vlakte, in volksverzamelingen wil ik den Eeuwige prijzen ! De Eeuwige behoedt mij, de Eeuwige is mijn schaduw, aan mijne rechterhand ! Mijne hulp komt van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde. De Eeuwige behoede mijn uitgaan en mijn binnenkomen tot leven en tot vrede, van nu tot in eeuwigheid I Zie neder van Uwe heilige verblijfplaats, uit den hemel, en zegen Uw volk Israël en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk Gij onzen voorouders hebt toegezworen, een land, vloeiende van melk en honing! God der heerlijkheid ! U wil ik wijden zang en loflied, ik wil U dienen dag en nacht. Geloofd zij de Eenige, die als éénig wordt erkend, die was, is en zijn zal! De Eeuwige, God, God van Israël, Koning aller koningen, de Heilige, geloofd zij Hij, — Hij is de levende God, de Koning, die leeft en bestaat immer en tot in alle eeuwigheid ! Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig! Op üwe hulp hoop ik. Eeuwige!

Vóórdat men het hedehuis verlaat, zegt men zittende het volgende:

Doch rechtvaardigen danken Uwen naam, braven zullen zitten vóór Uw aangezicht!

63

ocr page 501

Toon yv JD

: wi nyp

: quot;1^35 pnv quot;i*l?,i'3,i ^inQ * quot;vipn B'Knb nV^n quot;n^ : t^Ni D^'^23 n^ nniNi * ^KI quot;b ^:^:n 'n^nni

.pisn ]^X)D i

(! inSnn Sa ^■'ar1. \] nniaj SSd1 ip ; Dnais c;-1)

•Din'1 rnp 'Darn dvS -it noro •Din'1 rnp

: nt -«si niSsnn Sa ins

bw bx wniK n»n n^N4? ^rnbs4 ^ ♦n» iDirbi VDITVDS mbb vbx 1333^ ni^nS : vvw

: • : t t : t ; v iv t t •• iquot; t : quot; : 1quot; : •

nvwnnivm vus^qi vpni vn'iïo

viquot; ~t : ; • ; iquot; ~: v t * v -; t t ; * It ••. ; t ; •

nVbi oni» irribK ^ « *:sh ^nnn quot;if K

; 1Q1*3 DV nni bKTf* IS^ L33fp1 113^ 123^0 nf^1? ^n:« : niy d^kh np « ^ p.xn bz ^p1? -j^x 'sna : ■^-n ♦iö1? quot;i'^^n nni^ j^ob D^npoa Tn» ^ ^sm ^na

...);_: . . t : t • ; - * it 'quot;t ; • t * •r* t : * r*:

r w? : w *1! ^ r quot; : v 11.^

nvi nnrö Dib^i D^nb ^ini « : rnxi D^tr

: t ** t ; • - : • ... t • * ** | vit t * i- t

nx Tj-ini fp p'^ap na^.^n : DVI^ u1? nnn: ramp;n nanxn nxi nx

t : i~ : • v -: - it t r t v -: t t -: t •• : •• t ; •

yamp; ^ fnK iinsn bx : amp;ni) nbn nn: pK irnnx1? mn n^n * -in^Di Tina : di» ^i7■quot;I2^N,) * Vbm

t t t •.. : • t 1 t •• t I : T ^;: v : •• - :

tfi-i^n DpVsn D'H^K quot; : m]

♦pSi^Vi Q'p '0 -jbo Dquot;n D^ribx Kin : «in -p-fl : n^i iniDbp niaa Qp : D^pbi^ •' V TTIp

: 10^1 tsp» 2tquot;gt; nxitd

: ^20 nx in^ nv D^nv

ocr page 502

SLOT-GBBED.

Vervolgens, staande, met eene buiging vóór de heilige arke: Al gaan ook alle volkeren ieder in den naam van zijnen God, — wij gaan in den naam van den Eeuwige, onzen God, immer en eeuwig! Mijne hulp komt van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde! De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!

Daarna begeeft men zich naar de deur en zegt, onder eene herhaalde buiging vóór de heilige arke-,

O Eeuwige! leid mij door Uwe welwillendheid juist wegens hen, die op mij loeren; effen Uwen weg voor mij !

Eindelijk bij het verlaten van de synagoge, de volgende drie verzen: Gad, benden grijpen hem aan, doch hij valt hen aan in de verzenen! David was in al zijne wegen voorspoedig, en de Eeuwige was met hem. En Noach vond gunst in de oogen des Eeuwigen!

64

Psalm 67. Voor den zangmeester: op Negienoth !); een zangpsalm. God verleene ons gunst eu zegene ons; Hij doe Zijn aangezicht lichten met ons; Séla! Opdat men op aarde Uwen weg leere kennen, onder alle natiën Uwe hulp. Dat U danken volkeren, o God ; dat U danken de volkeren allen. Mogen natiën zich verheugen en jubelen, want Gij zult richten volkeren met billijkheid; en de natiën op aarde, — Gij leidt hen; Séla! Dat U dus danken volkeren, o God; dat U danken de volkeren allen! De aarde gaf reeds haar opbrengst; zoo moge ons zegenen God, onze God! Moge God ons zegenen, en mogen Hem vreezen alle uiteinden der aarde!

') Eene bekende melodie; v. a. onder muziekbegeleiding.

I

ocr page 503

— 1Ü

: ion1! trnpn jm Sus mnnm -nop 3quot;nsi

Tjbi umNii vriVx Dtra laV?. D^ö^n-Sa »3

• raquot; oj?Ö 'yx '• ^3 Ö1?^1?

•' ^ tbv) r

: msii BTipn p-ix Si» mnnuquot;! ■minsS nnsn Sn -[Vi 3quot;nxi

•' ^1111 n^n nniB' f^aV ^n; »

: D'ipiBB 'J hs IDS' ibvws 3quot;n.si

VDir^b nn rn ; 2$% ix «mi wnw» m na : ^ ^#3 |n kxü mi : is^

ik» )my) i3an| d^k : yp -iiarp nV«3 nwp1? ro D^irVsa pK3 : nbp unx V:Ö ina'f ♦ : D'ö^ ?|ni» D^rib^ ^-JV :

onari pN| D^SK^I daarna D^KV

n:nj px : oVa fiv vrbx D»a^ ?|ni» : nbp iniN iNTn UD'in* : irribK D^riVx nVi^

ocr page 504

JOTSEROTH

•n'ra nnaS

Die door de vreeze voor Hem worden gesterkt zal Hij met levensdauw drenken; die de door Hem uitgesproken wet in acht nemen, in de eeuwigheid hun gebied aanwijzen, — naar het bijbelwoord: n Ware niet Mijn verbond bij dag en bij nacht/quot;2) Met het heilig bondsteeken bezegeld bij hunne vorming3;, werden de grondslagen der wereld onwankelbaar gevestigd: „de wetten van hemel en aarde [zou Ik anders niet hebben vastgesteld].quot; Ook door het bloed des verbonds worden de mijnen vrijgelaten, om niet te worden overgegeven, zoodat hunne gevangenen niet langer in de put, waarin geen water is, worden geworpen 4), want: ndit is het teehen des verbonds, dat He stel.quot; 5) Moge God, wanneer Hij de volkeren ieder naar zijn lot opschrijft, dit volk, dat door het verbond is geteekend, tellen om het te verheffen, zoodat van ieder, die ten leven is opgeschreven, zal ivorden gezegd: heilig 6).

Toen Hij Zich herinnerde Zijn heilig woord aan hem [Abraham], die zijne geoefendea aanspoorde, zond Hij vooraf tot hem, om hem de blijde boodschap te brengen, Zijne dienaren, de door Hem gezegenden, Hij, God, die het woord van Zijn dienaar en het plan Zijner engelen tot stand brengt.'') Voorwaar, eerst gebood Hij hem de voorhuid te verwijderen, en toen bracht hij in reinheid voort den lieveling, den eenige, den reine, — nGord het zwaard aan tegen uw heup, gij held.quot; 8) En toen werd hij bedacht met den op het altaar gebondene [Izak] als de vrucht van zijn lijf; en op den achtsten dag legde hij hem het zegel aan en maakte hem tot bloed bruidegom door het bloed des verbonds, en besneed Abraham zijnen zoon 1 zak.9) Zijne rank [Jakob], wiens beeld gegrift is op den troon van den Almachtigen God 10), werd besneden geboren en beminde [de geboden der Thora, talrijk als] de opeengepakte lokken l:l) — en Jakob was een vroom man, zittend in de tenten 12) [der Thora]. — Toen nu de hinderaar [Bil'am] naar den top van den berg kwam om zijne spruiten te verwenschen, zag hij de in zand verborge-nen 13) en sprak : „hoe zou ik vloeken,quot; — „wie toch telt het stof

*) Het hier volgende stuk bestaat uit drieregelige verzen, wier aanvangletters alphabetiscli zijn, terwijl in het vierde vers en het laatste gedeelte de naamletters van den schrijver als acrostichon zijn ingevlochten. De twee eerste regels van elk vers bestaan uit i-ijf woorden, terwijl de derde regel door een bijbelvers wordt gevormd.

De schrijver is R. Eli'ezeb. ben Nathan (jquot;2.sn) uit Mainz, ± 4900 a. m. (1140 g. j), schrijver van mrs n:3ï, een tijdgenoot van Rashie's kleinzonen R. Samuel b. Meier (dquot;3ïi) en R. Jakob Tham.(LANDSHÜT,rni2ïniTOr pag.20vv.)

') Volgens den Thalmoed (Sanhedrien 110?;) wordt een kind door de besnijdenis het eeuwige leven deelachtig, zooals blijkt uit Ps. 88,16: een volk, arm en bijna stervend van der jeugd af — van dat ik de vrees voor U, Uwe geboden, draag, ruiss ben ik gesterkt. Aan dit laatste woord is hier de uitdrukking 'jibn ontleend.

s) Jer. 33,25: Ware niet Mijn verbond hij dag en bij nacht, dan zoude Ik

65

ocr page 505

n^'o rro1? nsv

(* .jw 1212 itï^n dim t)1d31 2quot;n dquot;jj

imüK nn np# • o^n bpn vd»n niN3 : DDV ♦nns K1? DK noixa *

t :it t t • • : • v i : t r : - :

• pö ^3 npiö DWfD * pfpa D'pinn nna 1133 * jnsnbp ♦nWp nns dis D3 : pNi mpn ♦aK -i^k nnsn niK tnt * jriVü i onnpK d^o i3quot;pN4 Di^T/iT dJ * ib^nQ i d'ö# 3in33 nisp* : jni:

: irnp 6quot;^^2N, n^n1? 3,in3n-l73 * ibr1? /nn3

It v itquot; -----t - t - : • ;

vm^o ito1? ibïN onpn * V3^n nrb -1313 i^np 13^

t :t : : - ; : v 1: • t • -: —; -t: :It - :

: VSNSo nv#i n3i? quot;13-1 a'pa * vsn^pi

• quot;ii32i quot;fnn mnü3 Tbin * 113^^ nbn v irm* vish

t: -t: tt: t : ^;- t :^r it- tt:

• 13L33 ns 1^23 npfii TN1 : nl32 TjT ^ ?|3pn H2n pnx» nN Dn~i3K ban • unn nn3 Di3i lonn ruiat^n

It:- v t t : - tit- : • • : - : ; • t : • :

nvip 33ni bino -t'pia * d^k Vk D33 npipn mnior : 123 'Sü |L2^ X33 : D^riK 3^' Dn wx 3p^i * D^nbri n2D »0 • 3ipK_no psi bin'^ifiB' nxn ?N • 3ipb

de toetten van hemel en aarde niet hehhen ingesteld, wat de Thalmoed (Nedariem 32a) op het hesnijdenisverhond laat slaan.

3) pp2, hij de vorming, eig.; uitsnijding, vgl. Job 33,6: •os dj wip isna, uit leem werd ook ik gesneden. Voor den zin zie de vorigeaanteekening.

4) Eene omwerking van het vers Zecharja 9,11. 6) üen. 9,12. 6) Eene omzetting van Jes. 4,3. quot;) Jes. 44,26.

s) Ps. 45,4. Het vers is hier natuurlijk in geheel oneigenlijken zin gebezigd, als doelende op de besnijdenis: richt uw zwaard op uwe heup, om u te besnijden (Jalkoet 1,81). Dat quot;ir1 op de besnijdenis kan doelen, blijkt uit Rashie Gen. 24,2 e. a. p.

9) Gen. 21,4. '») Ber. Rab. 68, Choellien 91,amp;.

quot;) Het eerste versdeel van Hoogl. 5,11 wordt in Jalkoet t. p. toegepast op de Thora; onze dichter ontleent daarom ook zijn beeld voor de Thora aan dit vers. Misschien ligt in d^nsn ook eene toespeling op de bekende uitdrukking; rvoSn Sn Di^n 'Sn, geheele groepen van bepalingen.

quot;) Gen. 25,27. Midrash ziet nl. in de o^nx, hier genoemd, de leerscholen van Shem en 'Eber, waar Jakob zich langen tijd zou hebben opgehouden om met de oude overgeleverde leerstellingen aangaande God enz. bekend te worden.

13) De afgesneden voorhuiden der Israëlieten, die in zand waren gelegd en zijn gezichtsveld geheel vulden.

HD

ocr page 506

JOTSEROTH.

van Jalcob.quot;!) Ze te verbergen in zand is daarom een wel onderzochte en volkomen wet van Hem, die het zand tot grens stelde voor de zee, als een eeuwige wet; Hij stelde het Jakob tot wet, Israël tot eeuwig verbond. De bewoners van Koph 3) deden het verbond van mijn teeken ophouden, tot de tijd hunner bedenking kwam, om uit te trekken en hen te bevrijden, 3) „alleen de stam Leviequot; 4) [stoorde zich aan dit bevel niet]; — Daarom zegende hem de man Gods met het verpletteren [zijner haters] 5), en prees hem de profeet6) [en zegde hem toe], dat hij nimmer zou worden vergeten, [met de woorden] ; „Mijn verbond ivas met hem, het leven en de vrede.quot; Hij [Mozes] had zijnen eerstgeborene niet besneden en werd daarom [door den doodsengel] opgeëischt in het nachtverblijf, hadde niet de ijverige, [door schoonheid en deugd] zich onderscheidende [Tsippora] een scherpen steen genomen en afgesneden de voorhuid van haar zoon. 1) «Uit harden dienst heb Ik u bevrijd door de braafheid uwer volmaakte vaderen, toen uwe alruinen geur gaven en uwe wijngaarden bloeiden 8) en Ik bij u langs ging en u zag, wentelend in uwe beide bloedsoorten. 9) TJw leven heb Ik gespaard, toen Ik alle eerstgeborenen sloeg 10); doordien Ik aan uwe deuren het teeken liet aanbrengen, zoudt gij in het leven blijven; en Ik zeide tot u: „door uw bloed zult gij levenquot; H) Als loon, voor de tiienstbaarheid dienden de [gouden] spangen met de zilveren stippen 12); ten einde hare [Israels] vlerken in goudglans te meer schitterend te maken, werden de vleugelen der duif met zilver bedekt.13) De Allerhoogste heeft wegens het besnijdenis-verbond den zeetong drooggemaakt14j, en deze zaken zijn in een duidelijk sprekend bijbelvers neergelegd : /;[Dankt] Hem, die de zee kliefde voor de besnedenen.quot; 15) Zij werden weerhouden en lieten, wegens de moeilijkheden der reis, na, zich te besnijden, terwijl zij in de woestenij op weg gingen, geheel het volk, dat in de ivoestijn tijdens de reis was geboren. 10) Toen echter [Mozes'] dienaar Jehoshoea' en het volk

') Num. 23,10, waarbij -isï1 ook opgevat wordt als zinspeling op het zand, waarin de voorhuiden waren gelegd. Zie Jalkoet, Humeri H0. 766; Pirké R. Eli'ezer, 29.

2) Nopli, een der voornaamste steden van Egypte, waarsch. Memphis.

3) Naar aanleiding van Ez. 16,6 verhaalt Midrash, dat vóór den uittocht uit Egypte do Israëlieten zich besneden; vgl. Jos. 5,5.

4) Num. 1,49. Vgl. Shemoth Rabba, 19.

5) Op de aangehaalde plaats brengt Midrash de woorden door Mozes, den /,man Godsquot; (Ps. 90,1) tot Levie gesproken, De ut. 33,8—11, in verband met Levie's handhaving der besnijdenis. uOmdat zij Uwe woorden inackt-

namen en Uw verhond beschermden......verpletter de lendenen van hen, die

tegen hem opstaan enz.

6) Malachie, op de straks aan te halen plaats, Malachie 2,5.

quot;) Ex. 4,24 en 25, naar ééne opvatting in Midrash. nïirn, wordt Tsippora genoemd, naar de opvatting, die in de woorden nra nrs (Num. 12,1) eene toespeling op hare bijzondere schoonheid en deugdzaamheid ziet.

66

ocr page 507

nVa nnnb ivv id

af?' bin * pin Sma |1öü ; dpjr

: D^iy nna pnquot;? np^ nTO^n * obiypn tiw

• ^nnS nxïb» onnps for n^ * nn nna i^-in f]ij N^JI * DiVn1? lana D^n^n ntsö nx T]K : Dib^ni Dquot;nn inx nn'n ♦nna * nib^b atyb bab lobp

• nsirai nnT iï nnpb -mibaa tfparui misa bo n1?

t ••. ; t •: t i ; t •• t ; • i •• - : • : ; t

^n.in ifiD3 ^npinn -paa : n:3 nx nnpni ii^ni • ^onp n-iopi -j^nn nn. i:n:3 • -powi

• quot;np3 nüa ba ♦n^nn Tj^a; : ^ona nppianp TjxpKi na'^ : Mn ^ona ^ -ioki ♦ «nn vn Tpnna b^ 'n'ina pnpn^ ^nn n»nna« pja * ^pan ninp:i anm

d» |irb nnaa jvb^ : ^paa nan: n:i' »a:a - e]pinb : annb t]iD a* nrub * anann |n |n xbo «npai • annn quot;hz |io^ »abin Siöbp * -jpnn n*iiü ^ap ib-ini laa nn^a pT mbï : rpna nanaa anb'n a^n ba * -]nn

8) Vgl. Hoogl. 2,13, hetgeen door Midrash in verband gebracht wordt met Israels deugdzaamheid bij den uittocht uit Egypte.

9) Ez. 16,6; het meervoud -pma wordt verklaard te doelen op het bloed van het paaschoffer en dat der besnijdenis, met welke beide heilige handelingen Israël bij de bevrijding zich bezig hield.

10) «nsa, van het Chaldeeuwsche nto, slaan, vgl. in het bekende smeekgebed voor de boetedagen: igQi inQ.

quot;) Ez. 16,6. Vgl. aant. 9.

) Vgl. Hoogl. 1,11, waar Midrash deze beide uitdrukkingen in verband brengt met den rijkdom uit Egypte meegenomen, an den buit, aan de zee behaald; ook Ez. 16,7 doelt volgens Midrash t. a. p. met de woorden Dquot;quot;iï iiïa op die beide bronnen van rijkdom.

I3) Jalkoet, Psalmen, n0.795, wordt het vers Ps 68,14 eveneens in verband gebracht met de bovengenoemde schatten en vertaald; An Egypte werden de vleugelen der duif [Israël] met zilver hedekt, doch aan de zee hare vlerken met schitterglans van gedegen goud.quot;

quot;) De uitdrukking is ontleend aan Jes. 11,15; het denkbeeld aan Mechiltha Ex. 14,15, waar o. a. gezegd wordt, dat het klieven van de Schelfzee ter belooning van de besnijdenis zou hebben plaats gehad. Zie ook Jalkoet, t. p. I n0. 233.

I6) Ps. 136,13; rgl. de aangeh. plaatsen, di-im1? is dan = DinnS = dm-ivoS. 16) Jos. 5,5.

ocr page 508

JOTSEROTH.

Gods den Jordaan waren doorgetrokken, gebood Hij te maken steenen messen, en toen hij daaraan voldeed [luidde het bevel:]

iien besnijd wederom de kinderen Israels.quot; !) Toen de vorst des volks [David] ontkleed in het bad ging, sprak hij : ,/thans zijn de [Tsietsieth-] snoeren er niet en is mijn hoofd niet met [Thephil-lien-] kroon versierd, — i,wees mij daarom genadig, o Eeuwige, want ik versmacht.quot;3) Hij verzadigde U met talrijke liederen en lofzangen, om U te verheffen, en zeide vóór U, met betrekking tot het zegel van Uw verbond: nik verheug mij over Uwe uitspraak.quot; Toen hij zag, dat door het achtste [gebod] de spin [Edom] zou worden weggesnoeid, verkondigde hij het geheele menschdom de grootheid van uw lof, zeggende : nvoor den zangmeester .... op het achtste [gebod'], zeggendequot;.*) De Thishbiet, [Elijahoe], was een ij veraar, zooals hij voor God sprak: „Ik heb geijverd voor U, Helper en Verlosser! want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten' 5). Voorwaar, daarom maakt men twee zetels gereed, één voor hem, en één voor den sluiter des verbondsc), dat deze kan zitten en zal verschijnen in hijzijn van het getuigenis, ter inachtneming, tot teéken.'1') Om hem [den besnedene] te genezen, daartoe blijft de zetel staan; 8) de Schrift duidt het aan: „om op den derden dag u te doen opstaan en tot nieuw leven op te wekkenquot; 9) — want: nzie. Ik zend u [den profeet Elijahoe] !quot; I0) Laat hij spoedig komen om zijn pand in te lossen, om het niet langer in te houden; de Waw van zijn naam is tot pand gegeven als getuigenis bij Jakob, — „en Ik zal gedenken Mijn verbond met Jakob.quot; H) „Mijn uitverkoren volk, dat van Mijne tafel is verwijderd, zal Ik in barmhartigheid gedenken wegens de verdiensten van het verbond, dat door hen als wet wordt gehandhaafd, — en ook Mijn verbond met Izak. n) Den verstrooiden in de vier [windstreken], hun, die eens door Mij zijn verworven voor een Léthech en een Kor 12), zal Ik een sein toefluiten en Ik zal ze verzamelen om hen nimmer weer te verkoopen, — en ook Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken. n) Besnijdenis-bond, Shabbath en Thora zijn [heden] als tweelingen

!) Jos. 5,2.

J) Ps. 6,3. Vgl. voor den inhoud der drie over David sprekende strophen: Menachoth 43i,

3) Ps. 119,162.

4) Vgl. Menachoth t. p. In Jalkoet, Ps. 6,1, N0. 633 komt eene opvatting van nown Sr voor, zooals ik die in de vertaling gegeven heb: de besnijdenis als het achtste gebod, door God aan menschen gegeven, nl. de zeven Noachidische plichten, en liet gebod der besnijding aan Abraham. Zoo doelt dus ook onze strophe op de besnijdenis, rpntto, Spr. 30,28, is eene spin. Het vers wordt door Midrash op Edom betrokken. B. R. 66, einde; Jalkoet 1,115; 11,964.

5) I Kon. 19,10. Zie Pirké R. Eli'ezer, 29 einde; vgl. Jalkoet 11,15 en 11,217 einde, waar dezelfde Midrash abrupt voorkomt.

6) rp-c bi';. Hieronder worden verstaan de „vader van het te besnijden kindquot; ([in ■on), hij, die de besnijdenis verricht, (Sm») en hij, die tijdens

67

ocr page 509

n^o nna1? quot;iïv td

Via sin * bNns oniï nimn ni^ niï * Vk d^i rN fö * ^rnab D;D;D D^ pip : i7^^■l^, ^3 m nin^ ah nn : bboN ^ ^ni N^I ^na

|: • t : •-. • ▼: • iquot; t t : -. * : * t

^ no^rin ^ ioxi • ^ni^ nina^ni

^^a^ni * hot1? wnm mnw ^ quot;if : by '2^n : HDTp n^ro^n ^ nïjpV • quot;iüN^ ^nbnn 13T^ »3 * b^l Vamp;ID ^ ^K3p K3p * ^S1? ^33 K3j3 ^3^111? - niND3 |33 pN : ^3 ?|nn3

: nixb nn^n ^a1? * nisnbi 3^S nnsri

Di'3 TDT * jsS ipnp NiD3 nvbv inxai^ tfy : D3b nVtf nsn *3 * D3nvnnbi DDa^pnb

t • t v t -1quot; t •• • ■ v ; : v : i • -; -

♦m3n * 3p^3 nn^ nüi3^ 1213^ VI • 313^Q 1Ü13^ bwb annsi * pni; n^ns 'sj : 3ipV;! TP? nx

D'inf : pnv' 'rins dn ^ni • pnin nns ni3T3 hstni * 113P1? I ^3^ Ity ^3pN1 pn^K • *1131 quot;Tjnbs «ns ^3ixb rmn mini n3^ nnl : -i3Tx Dni3N 'nns jik nxi

it \ t : t - • : : v t t : - • • ; i quot; :

de handeling het kind op zijn schoot houdt (pus, gevader, peet). Hier is laatstgenoemde bedoeld.

quot;) Num. 17,25.

s) Ik heb dit gebruik, om den ini^x Sc; sro drie dagen te laten staan, nergens kunnen terugvinden, noch in Midrash, noch in de decisoren, die allen wél melding maken van den irnSs hv xoa met vermelding van den oorsprong der zaak.

s) Vgl. Hoshéa' 6,2.

10) Mal-achie 3,23.

11) Lev. 26,42. Daar staat nl. sipï1, met een Waw geschreven, wat Rashie aanleiding geeft tot de opmerking, dat deze volledige schrijfwijze van Jakob's naam vijfmaal voorkomt, evenals de onvolledige schrijfwijze van den naam EliaAoe, waarvoor op vijf plaatsen Elia staat. De Waw zou dan als het ware aan Elia ontnomen en aan Jakob toegevoegd zijn, als waarborg dat Elia, de bondsengel, tevens de voorlooper van den toekomsligen verlosser (llalachie 3,23), Israël zal bevrijden om die letter weer bij zijn naam gevoegd te zien. Reeds Berliner zegt de bron van deze aanteekening van Rasiiie niet te hebben kunnen vinden.

12) Hoshéa' 3,2. Israël is door God als Zijn eigendom verworven door een Léthech,d. z. 15 Sea, en een Kor, dat is dertig Sea. Vgl. Jalkoett. p. 11,519.

ocr page 510

JOTSEROTH.

vereenigd; om hunnentwille werden gegrondvest de ffVoetbankquot; [Gods] !) en de hemellichten en de hooge hemelen, — in den beginne schiep God2). Bij de vervulling van deze drie zult gij, Mijne beladenen, verlost worden, zoo gij in achtneemt, wat Ik u heb toevertrouwd, Mijne geboden. Mijne wetten en Mijne leeringen, doch vooral — die Mijne Shabbathen zullen in acht nemen. 3) Plaats en naam zal Ik u dan geven in Mijn huis ; met het goede, dat [voor de braven] is weggelegd, zal Ik u verzadigen, gij Mijn volk en Mijn erfdeel ! die verkiezen, waarin Ik behagen schep, en vasthouden aan Mijn verbond.quot;3) Gij, die in genot den rustdag viert, den Shabbath in achtneemt, gij, Zijne besnedenen, erkent de macht Gods naar Zijne groote daden, verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor den bank Zijner voeten,4) van Hem, den Heilige!

.jaiN

[De engelen] Die omgord zijn met schrik, en geschapen tot vrees, — machtig in kracht, te verheffen Zijn troon, — de schrikwekkenden ... sidderen en dienen met vrees, — bezingen hun Koning in heerlijken lof!

Ook Zijn volk, eens genomen in heilig verbond.

Looft Hem, die herdenkt den Besnijdenisbond!

Den geprezen Beheerscher, wie zou Hem niet roemen ? Wie niet den lofwaardigen Koning verheffen ? Den heiligen Koning te prijzen, te huldigen, — hoog heerlijk te roemen Zijn lof te vermelden____!

En Zijn volk in den avond- en morgenstond,

Roerat d'eenheid van Hem, die gedenkt het Verbond !

De dienaren Gods staan daar krachtig en hoog; die glanzende wezens, zij stijgen en rijzen; zij roemen en loven zoo luide, zoo gaarne; zij nemen de harp, begeleidend het lied !

En Zijn volk, — als de dauw, is gering ook de rest5), — Zij roemen den Heer, die gedenkt het Verbond !

De machtige wachters door Shechiena gewekt0), zij vlechten er kronen voor God in Zijn woning; den Hoogste bezingend met juichenden roep, volbrengen z' in hoogste getrouwheid hun taak! En de natie, de dochter van 'Ibrieschen grond.

Verheerlijkt den Heer, die gedenkt het Verbond!

In gezang en begroeting, in loflied en dank, barsten los vonkenschietende Chashmalliera luid ! De Vlammen omhoog staan rondom als een krans, — zich beijv'rend en naarstig Zijn grootheid te roemen!

En het volk, eens zoo schoon, doch zoo zwart nu van kleur7).

Het looft toch zijn God, die gedenkt het Verbond!

') De aarde, vgl. Jes. 66,1.

!) Gen. 1,1. Bij de Schepping had God nl. hoofdzakelijk o. a. Thora en Shabbath op het oog (Pirké R. Eli'ezer 3); wat de besnijdenis betreft, zie onze aant. op de 1ste strophe. 3) Jes. 56,4,5. 4) Ps. 99,5.

68

ocr page 511

n^D mn1? -isv no

nwquot;G * Dinn npu * D^nnb

^niQ^o npi^ * ibxin nbx vhv DVpa :

üpl T : ♦hna^TiK ntpB'» *I^K ^ * \nnim '•npn 'n'iïp inns * ^rni nsplm payn nm - dsS jnn r-i^ n.pB'i ^31: : 'nnaa D^nnai ^ïan T^K? WSK quot; 1DD1quot;) * V^öd V*iii3 D'nbx^ i!n * VSTID

iquot; v: ▼: -: t t ; * v i : • : t :

inv San : irnj5 * v^*i Dlnnb nnmnquot;)

.ownn •'WNia rans upSk -isnisn dü law

* ns'^ib ikd3 nb na^ nirA : nw nbnn Dabp1? d^ok * hkt'S onni^i Dnjrh

: nnan quot;)?i6 D^np * nnn 'nins la^i

* *tik* nV ^p na^pn ^ab * Tin» ♦p Vbnpn

: -i^ipb inn^ nx|)bi bpbpb * TinS rityb Bgt;n[5n ^bab : nnan iditV onnip * nnneh n^ni^ la^i

* ji^nt ^^3 bzw 'ni^a inpi-i» nssiv : jvan ni3p m(W\ • p^v? iSbnb nxn^

: nnan npi6 nnxaa * nnx^ Sap la^i

• n:i^a rtbub nnnp nuiy * nrpir ^a^aa n*vi2a n,^ : niiaK fpixp anp^a * nsn n^p D^na

: nnpn npirS nrnp * nnpjr np Di«i:

* bba1? D^nïis D^atrn ♦pr • ^ni nNiin nDim mar

.. - : . . - - . _ j... •• - : tt t t : t : •

: Sbob ibna annr d'tht * on^roa nV^a nnr

,. _ : ;t ... • • : •• - : • • : - t r quot; ▼rr

: nnpn npirb D^np^a * nninnn^ nw: dini

ocr page 512

JOTSEROTH.

De wagen van God, het zijn duizend myriaden, — zij dond'ren het ,/heiligquot; drievoud in twee legers ; zij peinzen ; //geloofd zijquot; steeds zonder verpoozen; zij schudden, doen wankelen drempel en post!

En de nalie, bezegeld met heiligen bond,

Zij looft steeds den Heer, die gedenkt het Verbond!

. D S11

Drie malen heb Ik een boudsteeken gegeven tot genezing der wereld : door het plaatsen van den boog in de wolken «om te gedenken het eeuwig verbond,quot; — de besnijding, — en den rustdag heb Ik in hun gebied gegeven ; tusschen Mij en de kinderen Israels is hij een teelcen voor eeuwig. !) Mijne lievelingen zijn daarmede gesierd, Mijne uitverkorenen. Mijne beproefden, die geteekend en gewaarmerkt zijn, om gered te worden van de kolen Mijner verbranding 3j; en al wie hen ziet, zal erkennen, dat zij volmaakt zijn vóór Mij ; dat zij vormen een kroost, dat de Eeuwige gezegend heeft. 3) Vijf maal werden snijwerktuigen aangewezen voor het verbond aan het lichaam, bij het besnijden der twee voorouders [Abraham en Izak], dat zijn de stamvaders 4); de reine [Tsippora] deed liet ten derden male en [Jehoshoea',] de zoon van Noen hief er twee op, en Jehoshoea'maakte zich zwaarden van gescherpten steenquot;.1) Toen werden steenen tot zwaarden veranderd 6), om daarmede te besnijden, gelijk zij met een scherpen steen hadden besneden gisteren en eergisteren 7); daarom heeft [Mozes'J dienaar hen gesteund met een voorschrift om te besnijden: „Maak u z to aarden van scherpen steen en besnijd weder omquot;.6) Toen de heerlijke zanger [David] den kampvechter [Goliath] neervelde [met een steen], kwamen zij alle vijf voor den dag en werden tot één om hem te helpen 9) en het ijzer trok zich uit zich zelve terug, toen het aan zijne [Goliath's] wijze van doen dacht en zoo drong de steen in zijn hoofd.10) De bezigheid voor de besnijdenis doet [de wetten omtrent] de Shabbathrust wijken, het verrichten der handeling zelve, het losscheuren en ombuigen der onderhuid, het uitzuigen en afwasschen der wond, de komijn en pleisters voor het verband; en voor eiken noodzakelijken arbeid, dien men den vorigen dag [vóór den ingang van den Shabbath] niet had kunnen doen [is het geoorloofd] te naderen tot den arbeid om hem te verrichten n) In de oudheid hebt Gij U Uwe gemeente tot eigendom gemaakt van tusschen de //ezelsquot;,

69

1

De Schrijver van dit stuk is R. Eljakiem of Eljakoeii, waarsch. b. Meschoellam. (Zie Landsiiüt s. n.)

') Ex. 31,17.

2) De vlammen van het Géhinnom; zie 'Eroebien 19a; Abraham zit aan den ingang van Géhinnom en staat niet toe, dat een besnedene het betrede. De besnijdenis is dus een teeken, waarop hem, die het draiigt, de toegang tot Géhinnom ontzegd wordt. 3) Jes. 61,9.

ocr page 513

n^D ma1? jaiN ud

* D^niinüa tt'inp vihw • dttüi ♦fiVK d^k Mn nquot;v

• it -: - ; it • * : * it .... - ....... ,..

: D^niSK *3p D^^ai ^3 o^nli

nrnm : nnan 1516 n?n3p * nnaa rramn di«i:

(* •D'p'Sx Dinn rponi 3quot;N Cquot;S

iat1? nr;^2 * oSip Nsno1? 'nvW nna nix ♦^3 * abiDja ♦nn: tröii am nm - obiy nna

... t : * • r t vi : tquot; : r ^ ' :

n_in3 on^p ' D| nn : Kin niK ♦ja pai Sdi * bïsnb D^nnKai o^aoan • ♦Jina

t : t : * •• : .....t • : • t •.. : • t - t i

ijst :« ^12 an »3 * D^panio 1 Qwy Drrxin

* onïi'n nan amp;:v ni2K 2ïn • nnira nna1? ni^an oniï

• : - t iquot; *1- : t viv • t : • ; • t • -:

^in» ib» vy) - nnn pr-pi nwty nninti * Sisn1? las niann1? on^ i2pr : onix niann

* ^ia1? nn^a ♦iiva DDao * Vlam aii^ nïa iba

t **t : • : t t : i •• t : * : it

D^ran wx jj:1? a^pa ; Va zw] d^ï niann ^V n'^ Vnan pVp * quot;inVï1? nns1 fn^an uanr: * inbaa r\2p nV^a pp^.: inïaa pxn y3tpn,i - mnx npra lav^

* nn^VaDNi riaa nnv»m nn^ïai nn^ns * nn2^ ,nnn

t • t : : • : 1 - t t • : t t * ; t t ' : t t -

Vx nnnp^ * nni'^V nn^|a n^ax^x^ na^Va -jniy

* onian paa ^nVn; onp, : nnK nit^V nD^Van

1

) I Kron. 4,23.

2

s) Zie Jalkoet, I Samuel 17,40, N0. 127. De vijf steenen, die David noodig had, vereenigden zich vanzelve tot één.

ocr page 514

JOTSEROTH.

toen Gij zaagt, hoe zij [Israël] in gemengd bloed') wentelden, toen Gij de eerstgeborenen sloegt; Almachtige bevrijd ons en onze vijanden zult Gij in stukken snijden, dan zullen als op de tijding omtrent Egypte, de verdrukkers beven.1) God moge in Zijne genade opstaan om Zijn woord te vervullen ; moge ons spoedig in erbarming aannemen en ons ten tweeden male redden van de lasten [der ballingschap] ; als in de dagen der oudheid moge Hij ons weder wonderen doen aanschouwen. Hij, onze Verlosser, Heilige is Zijn naam, de Eeuwige Tsebaoth.

•nn wn nar2? -isv

Onze God is in waarheid God, en Zijne leer in waarheid betrouwbaar, ,/Voorwaar, ook Zijne eerste woorden zijn waarheid!3) en het einde ervan wijst op de waarheid [der eerste woorden;]quot; Hij vestigt de grondslagen der wereld op recht, vrede en waarheid 3). — Vóór de vroegste oudheid overdacht Hij den raad der ware wijsheid 4), die op Zijn uitgestrekten arm was geschreven, — want een gouden plaat was nog niet geschapen, noch ook een huid van vee of wild. — Hij rolde duisternis en donker weg voor het doorbreken van het licht; toen Hij echter zag, dat het verheven was boven eiken glans en licht, borg Hij het als een schat weg voor hen, die zich bezighouden met de Heilige Leer, die lichtend is.6) «Hemel en aardequot;7) gebood Hij, als een koning zijn dienaren — en zij werden tegelijk geschapen, volgens de beslissing, gegeven door den voornamen geleerde en zijne leerlingen, als bewijs daarvoor aanhalend het bijbelvers: nik roep hun toe — en tegelijk bestaan zijquot;. 8) — Toen nu tot in het oneindige

70

1

) Ps. 119,160, waar Rashie die woorden den volkeren in den mond

2

) Van paaschoffer en besnijdenis. De uitdrukking nown Dt beteekent een mengsel van bloed, voor en na den dood aan een verslagene ontvloeid, en wordt door Maimonides Mishna-commentaar Aholoth 2,1 afgeleid van nsDian», Ez. 16,6.

3

legt, die bij de 1ste groep der tien geboden de opmerking maakten, dat zij allen op God betrekking hadden, maar door de latere geboden: /,gij zult niet moordenquot; enz. ook tot erkenning van de waarheid der vroegeren werden gebracht. 4) Aboth 1,18.

4

) De Thora, die, naar Midrash Konen, ook gedeeltelijk in Jalkoet,

ocr page 515

nVo nnaV n^ir

wyw inan np * onisa DI np^n ^niK-i

: anï iS^n» an.vp^ yoir * anra i JDan i^bob • nxbo^ wv ia»; npna mjr *4«

iDiy i i^i-ip • niK^ö: my onp m ' niKVnD

; I t !•• -: t : • iquot; :- v I iv •• • T ; *

m?y : niK^v V

'ffm trim nair1? urr

(* .pys lanan db r|iD3i 3quot;n dquot;3)

bwi ö:qk * nüK nmx irnirn * nox irnbts ynyn) * noxn n^iD laioi * nox nn^ ♦an[5p |3 : noxn aiV^n bjn jnn ^ obi^n iid^ '3 * nnt]3n naina njvnn * nvi?. ^ onp, baiK : n^ni n^ro NSI anr DD nxna: üb

vi - T T - : T •• : : tt ~ •• : *

rn Sa ^ * n«n n^^pa ^aa ^ini

njv : uk rnina D^ppi^1? iT:a * hhöi

*vTü^N^:);n.pn3nnNn23 *vnn^: by_ -jbaa pxb innnnn : i^rn» qh^k Kiip quot;onb n^i'i

Spr. 8,22 vv. aangehaald, vóór de schepping bestond, geschreven niet op metaal, noch op leder, daar dat nog niet bestond, maar in vuurletters a. h. w. op Gods arm. Zij werd vóór de Schepping door God geraadpleegd en haar raad opgevolgd.

6) Vgl. Chagiega 12a, Ber. Rabb. 12.

7) nSni pn, hemel en aarde, pn voor hemel met het oog op Jes. 40,22, -hn voor aarde, vgl. Ps. 49,2.

8) Chagiega t. a. p. en B. R. 1, komt een verschil van meening voor tusschen de scholen van Shammai en Hillel, of de hemel dan wel de aarde het eerst geschapen is. Eindelijk verklaart R. Shim'on b. Jochai de beide meeningen Tiiet te begrijpen, daar beiden tegelijk geschapen zijn, als een schaal met zijn deksel, die te samen vereenigd gebakken, eerst later van elkander afgesneden worden (vgl. voor dgl. potten Thosaphoth Bétsa 32a, en 'Aroech s. v, dsSn). Hij beriep zich daarbij op het boven aangehaalde vers Jes. 48,13. De geleerden van zijn tijd nu waren het algemeen met hem eens. — Ik prefereer daarom de lezing die ook in Jlachzor Romie voorkomt, daar de constructie —2 man moeilijk te verdedigen is.

V

ocr page 516

JOTSEROTH.

zich uitbreidden de uitspansels van Zijn glansvolle woning, moesten zij plotseling een: «het is u thans genoegquot; hooren en verstijfden op Zijn woord, !) «de zuilen des hemels schudden en worden angstig bij Zijn dreigen.quot;3) Daarna verdeelde en splitste Hij de «met Zijne hand gemetenquot; [wateren]3); de eene helft hief Hij op en plaatste Hij in de hoogte tot latere eerbewijzing, dat zijn de reine wateren, die eens zullen gesprengd worden. — Toen schreeuwde de rest in opstand : «waarom zou mijne eer tot schande worden ! ? Laat ook ik boven de wolken-hoogten stijgen en met mijn wederhelft gelijkgesteld wordenquot; ; toen verbrandde het een verterend vuur en werd de grommende bedwongen.4) — Hij vernieuwde de oppervlakte der aarde door vruchtboomen en gewassen, en gaf voorschrift aan de boomen : «ieder naar zijne soortquot;, doch niet aan de gewassen; toch maakten zij voor zichzelve eene gevolgtrekking en de gewassen kwamen in afzonderlijke soorten te voorschijn. 5) Den physieken aard der beide hemellichten maakte Hij [oorspronkelijk] gelijk in gestalte6) en vorm; en naar het aangezicht van den door Gods hand gevormde [den mensch] gaf Hij hun gelijk uiterlijk en droeg hun op en gebood hun door hetzelfde venster te voorschijn te treden. De maan echter berispte Hem; dadelijk werd zij kleiner gemaakt, omdat zij aanmatigende woorden tegenover Hem had gesproken en niet begreep haar, in trouw haar toegewezen, tijd [van werkzaamheid]; en Hij troostte haar wel met vertroostings-gronden over hare kleinheid, doch haar geest werd niet tot kalmte er door gebracht; — daarom brengen mijne scharen een zoenoffer voor den Heilige op alle Nieuwe-maansfeesten naar mijn wettelijk voorschrift; één geitebok tot zondoffer voor den Eeuwige.quot;') Van hen beiden [zon en maan te zamen] leeren de rozenbloesems [Israël] tijden en eindpunten, nieuw en oud, en zij zullen zijn tot teehenen en tot tijdsbepalingen en tot dagen en jaren8). Den maancyclus geven de letters aan, hare tellingen worden telkens door de zes eersten [samen te voegen] bekend ; voegt gij de zevende [letter] er aan toe, dan stijgt het getal tot dat van den zonnecyclus. Dan zijn van den eersten regel nog twee over en van den tweeden en derden nog vier, niet waar? terwijl de Zajin (j), de 'Ajin (J?) en de sluit-Noen (j) voor hen

') Zie Chagiega t. a. p.

s) Job 26,11.

3) Vgl. Jes. 40,12.

4) De voorstelling is ontleend aan Midrash Konén; vgl. ook Ber. Rab. 2, Jalkoet 11,789.

5) Choellien 60a, vgl. Rashie, Gen. 1,12,

6) De gewone lezing is: in kroon, d. w. z. uiterlijken glans(?); Ottensoser leest: jrD, van p'sn Jln (Jes. 40, ) en vertaalt omtrek. Maclizor Roraie geeft de lezing; nis-B, in gestalte, wat mij het meest eenvoudig

71

ocr page 517

tnn mi) isv xy

nis# * im;pK D^n i2^j5 * innn i nin n

D'1?^ nïnni ibs tki : inn^ü inan,,i isöit oninpn D^an dh • oniap1? d^i N^n nym • oninan

• na by nai?;?i? n'M mxi Dquot;in» it : on^n^ pni1?

nbpK m inLDnbrii * nai« ^ ^naa hv_

• DW-p na nanx ^n : nainn Kin

bp |aïjp 1x^:1 • D^^in by xbi inrab ^n by ini Ipini niana nm^a ^ ^ : D^^n ♦ra ixvn naim nnx fibna nxsi • n^i jpn la^ D^3 rvjanm * n^n va^a n^tsn ^ a^anai inDn ID» : njvi. quot;tps lab rrnpru ^ainjna ,ian:,i * iny niioK |3 «bi

boa * aian panpa pb iaia .* in^n

1 onab : quot;b nxranb nns4 Dv!y yyiï * nna D^nn vni * d,:b'' D2 D^nn a^ai • 'nna ona ni'nK rnabn quot;iirna : D^a^i an^iabi ninx1?

tt:- -:- t; *t: ■ - : :

^a^Dina * niyrr n^nniap nimnn vpi • ni^nia

• nj^Ki na^a i D^nty ninni: : ni^^a nanb n^^aty

T. *T* *,: T • L •

nar^a pji. fn * n^axa ^anx n^7fi n^^ai

voorkomt, temeer daar de uitdrukking i:pin nv;n in Midrash en bij de Paitaniem zeer gewoon is.

7) Vgl. Choellien 606, waar dit geheele verhaal voorkomt. De maan maakte de opmerking, dat in de geheele Schepping de grootere aan de kleinere zaak gepaard was; twee even groote hemellichamen zouden slechts aanleiding geven tot strijd. Als straf voor haar eerzucht, daar zij natuurlijk de grootste wilde blijven, werd juist zij verminderd. Toen begon zij eene discussie over haren toekomstigen werkkring, totdat zij eindelijk door God werd aangewezen als uitgangspunt van feestbestemmingen; ook toen was zij nog niet tevreden en zeide God; brengt daarom eiken Nieuwc-maansdag een zoenoffer voor Mij, omdat Ik de maan kleiner heb gemaakt. Dit wordt vastgeknoopt aan het woord 'nS (Num. 28,15), dat alleen bij den zondoffer-bok van het Nieuwemaansfeest wordt gézegd, terwijl het bij de zondoffers op andere feesten ontbreekt.

8) Gen. 1,14. Zie onze aant. aldaar op het woord onritt.

ocr page 518

J0T8ER0TH.

allen de rekening doen sluiten.!) — De visschen, die zwemmen in de zee, deed Hij wemelen in 700 reine soorten, en voor gebruik geoorloofd gevogelte zonder einde of getal, en [onreine] te verafschuwen vogels vierentwintig. — Daarna raadde Hij: «dat de aardbodem voortbrenge wild en vee, onrein en kruipend gedierte te doen wemelen in machtig aantalquot;; toen bewoog zij [de aarde] zich als het ware zelve van insecten, die toch allen voor eene of andere noodzakelijkheid dienen. [David] die na talrijke bepaalde jaren [bij het brengen der bondsarke in Jerusalem] zou dansen en springen 2), vroeg: «waartoe zijn gekken, spinnen en horzels geschapen ?quot; Hij antwoordde hem ; «gij zult ze eens noodig hebben, op den dag, dat gij, om u te redden, zult moeten vluchten.quot; 8) — Toen Hij nu voleindigd en voltooid had het bevelen van al het geschapene, sprak Hij : «laat Ons een mensch maken naar Ons beeld.quot; Hij mengde hem dus [uit stof der aarde en water] en gaf hem de ziel en zette hem in zijne «hulpquot; [de vrouw] de kroon op. Toen hem een gemakkelijk gebod gegeven was, deed zijn misleid hart hem afwijken; en richtte Hij hem door Sanhedrien's besluit als een zin verdraaide en verdwaasde om op hem te vervullen : met den kromgeestige gedraagt gij u dwaas 4). In die afdee-ling teekende Hij 71 Godsnamen op; van Beréshieth, totdat hij geschapen zou worden6) en van dat hij geschapen was tot de verdrijving, — beantwoordende aan [de 71 leden van] het San-hedrien, de mannen van onderzoek en navorschen. 6) Zij beiden hebben gezondigd en worden in de Heilige Leer veroordeeld en de slang met hen, omdat Hij [God] niet de juiste argumenten voor hem aanvoerde, immers : [wanneer tegenover elkander staan] de woorden van den leeraar en die van den leerling, — past het

i) De gewone maancyclus omvat een tijdperk van 19 jaar, waaronder 7 schrikkeljaren, waarin één maand wordt ingevoegd, ten einde er altijd voor te zorgen, dat het Paaschfeest in de 3gt;axn c-nn, d. i. in de lente valt. Daardoor wordt dan het zonnejaar met het maanjaar in overeenstemming

gebracht (19 X 354 210 = 19 X 365 4- 1). Dit is de zoogen. jop -mrro. •aarnaast staat nog een cyclus van 21 jaar, d. i. van zeven driejarige perioden, omdat de maan telkens na 21 jaar op haar plaats in verhouding tot de sterren is teruggekeerd, die zij bij hare schepping innam, Vru ■mn» roaS Sc. De zonnecyclus omvat 28 jaar, en wordt nnnn -mn», ook wel, in de latere litteratuur gewoonlijk,ebracht (19 X 354 210 = 19 X 365 4- 1). Dit is de zoogen. jop -mrro. •aarnaast staat nog een cyclus van 21 jaar, d. i. van zeven driejarige perioden, omdat de maan telkens na 21 jaar op haar plaats in verhouding tot de sterren is teruggekeerd, die zij bij hare schepping innam, Vru ■mn» roaS Sc. De zonnecyclus omvat 28 jaar, en wordt nnnn -mn», ook wel, in de latere litteratuur gewoonlijk, hm nrna genoemd. Plaatst men nu de letters van het Hebr. alphabeth, met de sluitletters, in drie rijen:

o n n m j a «c je syo : oS a ' -f p| ID imrn p

dan zijn alle berekeningen te maken. De zes eerste letters van de eerste rij (1—K) geven tezamen 21, d. i. het aantal jaren van den grooten maan-

DEUTERONOMIUM. J

72

ocr page 519

2nn ixv

• nninip niNO D'^np : nibD1? ni^nDD

D'vp^ nisi^i * onspoi n^n pxb n^üi ijgt;Qni -ffv - nonni n»n nans; sj^ïin '(% : Dn^i: : nan -pivb obni n^nTi * no^^nbi fn^n1? iNquot;i3a nab' i bxv • ni^iap a^tr nsa1? ^quot;idoi nis

IT : • tit - T I; • T T - ; :

nnna di^ IDV in^n * ni^üi

t • : ; it | vit : • • v: ^ r: • t :

lio^V? ön» n^3 * lo^ ^13 Va mï : ni^wnb nb rrarn njüïja nbp : bbp ^ iD^:ni iba: * hip * bnöii quot;i3J3 jnnnjp jna ini * bnm

• n^'iM nnxi nyiw iW ni-i|Tx db't : Vnsnn vpy zy pnnjp njp * n^na 1%) riïww -iïi: iv_] n^Nquot;iap ^nji * mins irrnnji ix^n : ntynni nn^pn ^3

T T: T - . : - : • : ; T t : T • ; T I • -; ••«- -

*)xiT ann TpSni Dipaa * nni^a nV^ dq^

.rro'ïïn1? :»ws p Dip?52 isn nimsa *

cyclus; de zevende er aan toegevoegd, geeft 21 7 = 28, het aantal jaren van den zonnecyclus. In de tweede rij krijgt men op dezelfde wijze '210 (280) en 2100 (2600). Dan schieten dus de beide laatste letters van iederen regel over, terwijl de letters f (in den Isten), y (in den tweeden), en sluit-J in den derden regel alleen dienen om den maancyclus tot zonnecyclus te vergrooten.

=0 U Sam. 6,15.

3) De zoogenaamde Ben Siera (ed. Amsterdam 5457, pag. lOi) verhaalt, dat David God eens de vraag zou gesteld hebben, waartoe Hij gekken, spinnen en horzels had geschapen ? Het antwoord luidde: zij zullen u eens diensten bewijzen, dan zult gij niet meer vragen. Toen hij dan ook op de vlucht voor Shaoel zich in de spelonk verborg (I Sam. 23,14), werd hij door het web van een spin, die daar op Gods bevel zich nestelde, aan het oog zijner vervolgers onttrokken. Bij Achiesh, den koning der Philis-tijnen, werd hij alleen gered door zich krankzinnig aan te stellen (I Sam. 21,11—1(5); en bij gelegenheid van Davids overrompeling van Shaoel, waarbij hij diens lans en drinkschaal wegnam (I Sam. 26,8 vv.), redde eene horzel David het leven.

4) Ps. 18,27.

s) De Godsnamen in cpSx oSï2 en van ffipS.s -pa'! (Gen. 1,27) worden nl. niet medegeteld.

c) Vgl. Ber. Rab. 20.

ocr page 520

J0T8ER0TH.

voor des leeraars woorden ontzag te hebben. ^ De zevende dag zag om naar den [door God] gevormde, daar hij der vertwijfeling ten prooi was, en stond op als een held om hem als eene muur te beschermen en smeekte vóór het aangezicht van den Vergevensgezinde en bracht tot bedaren toorn en gramschap. a) Zoo rustte daarop Hij, die woont in het verblijf in de uitgespreide [hemelen]; Hij gaf hem tot erfdeel aan Zijn volk, dat in Zijne schaduw toevlucht zoekt, die loven Zijn naam, [zeggende:] nwant op dim dag rustte Hij van al Zijne werken,quot; de Heilige 1

.JSIN

Milliocnen macht'gen U ter eere zeggen : //heiligquot; s).

De schitterstralen, iedren morgen nieuw geschapen 1),

hun zeggen is: //geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen : «heiligquot; en «geloofd.quot;

Heirscharen hoog ter Uwer eere luide — zeggen; //heiligquot; ;

Zacht suizend, zoet gemurmel U ter eere,

hun zeggen is: «geloofd,quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: «heiligquot; en «geloofd.quot;

Dreunend dreigende donders U ter eere, — zeggen: «heilig.quot;

Voor U verzaam'len zangerscharen zich — en zeggen: «geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath, zeggen: «heiligquot; en «geloofdquot;.quot;

Schreiend de schltt'rende hemelsche boden — zeggen: //heilig.quot;

Siddrend staan vóór U de groepen Chashmalliem

zeggen: «geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: «heiligquot; en «geloofd.quot;

Tot U vliegen vorsten van 't vast firmament, zij zeggen: //heilig.quot;

Tot (T roepen eng'len en fladd'ren en vliegen 2)

en zeggen: «geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen : «heiligquot; en «geloofd.quot;

73

1

een verleider te doen had, ook door den Rechter niet in aanmerking

2

*) Pirké R. Eli'ezer, 19.

ocr page 521

tsnn irNii iïv ^

iiaaa quot;lojn * noino1? |n: »3 yr *)gt;% yip nn : niidV 1133 !'n: nam d^3 ^2p\ Vniö bio |3ni: • noins pnS

* D^pin i-?V3 quot;IB'N ID);'? iSnl * o^ns (130 3^1*13 tó ipv San : • D^an bso r\nv 13 »3 idk'1? D'na/p

eVi»ö aquot;« 0quot;» |£JUC

• tynpT onoiK ♦3'?« *f?

• ^quot;is onöiK nn|53 wis o^ns

: Tjra ^npT onpiK D^nnni nins^s ni^np ^

• tfnp onaiN D»ni33 nna o^ia ^

- ^13 onoiH npn piöD'I 0^3311

: TJTQI onpiK D»Bhn3i ninsK'S niVnp ^

• K^njj onoiK nVion ♦pin o^pin

- •rps onoiN D^ni niyi oniyV ^1?

: ^quot;131 onpiK D^nn3i nin3^3 ni^np ^

* B'llj? DnOlK D^13T *31 D^p^lT ^1?

* Tjiis onpiN ö'Vp^ö ♦Vn o^n

: Tjnsi onoiK D^nnai nins^s m^np

' ^npT onaiN o^rnsp npfiü d^dd ^1?

* ^113 onoiK pnn» pin» pN-ip» tp nvnni : Khij? onpiN tfEhroi ninsB's nibnp ^

3) Gedoeld wordt op de Kedoessha, heiliging van den naam Gods, door de engelen-koren, die, bij Jesaja 6,3j}het «-driewerf heilig enz.quot;, bij Ezechiël 3,12 het: „geloofd zij de naam des Eeuwigen enz.quot; aanheffen. Deze beide verzen vormen ook in onze liturgie de Kedoessha.

4) De engelen, die als bliksemstralen glanzen en iederen morgen nieuw geschapen worden, vgl. Chagiega 14a. B. R. 78.

') Ps. 68,13.

ocr page 522

JOTSEROTH.

74

.nSn

Uwe trouw is waarachtig en groot, Gij, die in de vergadering der heiligen als heilig wordt geprezen; telkens als Gij het teeken des heils [aan den hemel] plaatst bij het vernieuwen van het morgenrood, zullen de [uit Egypte] verlosten U huldigen ^ telkens op iederen Shabbath en nieuwemaansdag en zeggen: „Uwe getuigenissen zijn ten zeerste vertrouwbaar, Uw huis betaamt heiligheidquot;.1) Het is gewoonte «de sehoone vruchtquot;8) [van den olijfboom, d. i. de olie] te gebruiken als brandstof ter verlichting, bij het naderen der ochtendschemering echter gaan de lampen uit, daar hun gebied ten einde is; en kort vóór den morgen orden ik mijne bede en zie hopend op naar U, Eerbiedwekkende, — want bij U is de bron des levens, in Uw licht zullen wij het licht aanschouwen. 4) Moge de glans van het verblijf Uwer heerlijkheid [Tsion] Uwen uitverkorenen getoond worden naar hunne verdienste; vensters, [naar binnen] kleiner, en [naar buiten] grooter wordend,6) mogen in pracht zich verheffen als bij den eersten en tweeden [tempel]; de voorspelling van Uwen ziener moge bewaarheid worden: «dat maan en zon zich verbergen, 6) want de Eeuwige zal u zijn tot eeuwig licht.quot; — De kroon der schoonheid, Uwen tempel, vestig hem, leg vast zijne grondslagen; maak weer volkomen den troon en Uwen heiligen Naam, bedien U niet meer van slechts twee letters;7) verschaf Uwen dienaren een nieuwen naam, 8) gelijk er een nieuwe hemel en nieuwe aarde zal komen ;9) n Jubelt hemelen, want de Eeuwige verricht het; juicht, gij diepten der aarde \quot;w) Wanneer Gij [naar het gebied] van den top van Amana af binnenwaarts11) de ballingen uit hun gevangenschap bijeen trekt, doe hen dan hun zangstuk erven, terwijl vrouwen de mannen omringen;12) als het geheim van hun leiding in hunne jeugd, toen maagden den tamboerijn sloegen [bij den uittocht uit Egypte, aan de Schelfzee] na [den val van] het leger; de stad is dan ons tot kracht, tot hulp doet Hij strekken muren en tusschenmuur.1S) Het woord der bedenking in Chanés [Egypte] heeft opgewekt het verbond met onze dooden [de aartsvaders] ;13*) gij, rechtvaardige spruit! vernieuw in nabijzijnden tijd onze jaren; dan gaat Gij gevreesd als koning daar heen, en ik [Israël] als Uw pachter 11) en te zamen verlustigen wij ons; dan wordt vol van gejuich en lachen

1

De schrijver is R. Meier ben Izak, met den bijnaam Sheliach Tsibboer (l'quot;r. Voorlezer), die herhaaldelijk door Rashie geciteerd wordt, soms als reeds overleden (V'ït). Hij leefde te Mainz en te Worms omstreeks 4820 (lORO) en R. Jitschak Hal'lévie uit Worms, Rasiiie's leeraar, roerat zijne dichtstukken en voordracht. Zijn zoon R. Jitschak was te Worms een der slachtoffers van den eersten kruistocht (4856, 1096). Van hem is o. m. het beroemde nmipx, dat op het Wekenfeest bij het begin der Thoralezing wordt voorgedragen. Landshut pag. 162—167 noemt als beslist van dezen dichter uit d« verschillende ritus 21 stukken.

ocr page 523

Enn tftm nai^S nbiT

(* .B'siB D'üpisai mini pin pny ia i\s» Dinn ejioai aquot;N Dquot;s

p*V * EHprip ' 1102 nri ^dk

np ^TpNt • Rinnan in^n 110^3 ytf*

IT!!.: * Bhini na^

133 nnupn ni^ot^n Tjibn * undquot;? 133 nri iKin ns »3 • iik: ^ nssNi. ^DDI • -iiKn1? 1' S33

riN^ ^133 DipD quot;iniT : iin ntn; ?j-iiN3 Dquot;n upp nT3i nrs nn'mpi nirupp ni:ibn * 0^33 ^TnsV ^ ^♦^, ♦j» »3 * D^nn1? nixi *iv JP^'. ^nn n^t: * DV^ Dp) 03 * ni'ntr iv 3^! bbso : D1?^ -IIN1? D*Bhn3 ^n Dp * nrniK ^^3 tfanirnp 1 obtrn

: ni'iinn ij;nn « »3 ist * ni'niN ntrnnquot;)

* ; quot; i't t: t • * 1-t it t t-: -

33iDn n3p3 * l?n^n3 d^d ni^a D»:öi?i n:oK

; t r*: : t ; • • • t • ; • ; t t -:

inx nisain nio^s nmby am: no * Vna Tt? p-ia quot;133 D:n3 nTpa na : Vni main * Vn

• lyjï? 1 ^nn 3ip pnx nav * nn3 m^n

i** t •• - : • t ••'} iv I • - - iv ..... ; • : t ^ ••

pinfcnnri «^a» tk onxi 'nl?a3 xnia ^iibnn

i : t • •• t • t Iquot; : •• - : ■ t : ) ■-• Iv : t | -i -

') •pTBS', vgl. Deat. 26,17. 4) Ps. 93,5.

3) Jeremia 11,16. 4) Ps. 36,10. 5) I Kon. 6.4.

6) De uitdrukking is ontleend aan Jes. 6,30, het denkbeeld aan Jes. 60,19, waaruit de tweede plaats is genomen.

7) Ex. 17,16 staat m ds t '3, het woord nds dus ,/gebrekkigquot; geschreven, zonder N, en de Godsnaam slechts uit de twee eerste letters bestaande. Hieruit leiden onze Wijzen af, dat, zoolang de eindstrijd met 'Amalek door Israël niet is volstreden, Gods naam noch zijn troon weer volkomen zullen zijn. De bedoeling van onze strophe is dus: maak een einde aan 'Amalek's macht.

8) Jes. 62,2. 9) Jes. 66,22.

'») Jes. 44,22.

ll) Amana is de noordelijkste bergtop in Palaestina. //Van Amana binnenwaartsquot; duidt geheel Palaestina aan. Vgl. Challa 4,8; Gittien 76 en 8a. quot;) Jer. 31,22. 13) Jes. 26,1.

13*) Zi'e de aanteekening op het einde van dit deel.

14) criN is een werkman, die van den landheer land in pacht neemt onder voorwaarde, dat de opbrengst in zekere verhouding zal verdeeld worden.

ocr page 524

75 JOTSEROTH.

onze mond en ome tong /quot; *) Door het te plaveien met Poech en Saffier 2) maak hecht en sterk mijn voorhof; den, cypres en ceder, populieren zijn de latten bij mijn terugkeer; en men stelt schoon een heerlijken zang in, als destijds toen ik de zee gekliefd zag! Neem ter hand schild en sohutpantser, en sta op om mij te helpen!*)

Ahaba voor den Shaïlath vóór 9 Ab.

De Voorlezer zegt tot Oelejachedcha Beahaba.

*) Op ü, o Heer! slechts hopen wij eiken dag.

Uw naam herdenken, vormt ons geheel vertrouwen!

Gij, Eeuwige, zijt onze Vader! 4)

Wel hebt G' Uw eerstgeborene [wreed] verstooten, — Waarom toch zoudt Gij hem voor altijd vergeten?

Niet weder hem [genadiglijk'] tot TJ nemen?5)

o God! hoe lang nog ! ?

Verdreven uit zijn binnenvertrek, den tempel.

Verjaagd uit al zijn vroegere pracht en grootheid,

De deur achter hen gesloten!6) Al voortgestooten, niet meer teruggezien.

Geslagen wreed, te pletter, geheel verbrijzeld.

Gevangen, ach, — en geen die hem ooit zag weder!7)

o God! hoe lang nog ?

Zoo zwaar getuchtigd, brak ik in jamm'ren uit, [Aan smart ten prooi], in plunderaars macht gegeven.

Gelijk aan den eenzamen vogel! 8)

Zoo vluchtt' ik telkens, iederen dag vervolgd.

Steeds weer als uitgeklopt door geweld'naars plannen, [Al voortgejaagd] door de stem van gevallen blaren9), o God! hoe lang nog 1

Zij trachten listig, loerend op ziel en leven;

Hoe toch ontkomen aan 's vogelaar's leugenstrikken ?!

Zij bloeien, hun knoppen zwellen!10)

Steeds lastert driester, die mij naar het leven staat! Wat kan ik hem op zijn schelden ten antwoord geven ? In zwijgen leg ik mijn hand op den mondn), verstommend! o God ! hoe lang nog ?!

Verborgen netten spreiden zij voor mijn schreden. Den schoonheidsstaf12) bedreigen zij met verderven,

3) Jes. 54,11.

l) Ps. 126,2.

») Ps. 35,2.

ocr page 525

unn awn natr1? nVir ny

trna * p;fn njpn •vsp'i -jiö nvbSii : 1221^1 irs D^»ÜD f^óii * ♦nnrn ♦nna ♦□♦ni i^Kni innri n-i?y : ♦mrya nöipi navi no prnn * *mn d»3 t«3

• t: •* : t h : t • : iquot; t 1 - • t: • t- t :

.aK3 nyvn quot;sh rwh nans

•prn pn»1 ^na onax Dinn 121031 3quot;N Dquot;r

« nnN * iriK ?|d^ * Di»ri S| ^bi • inrotf nvjS nab • inmn nniaa p : iraK

; ; - : -iv t tit ; - • | : : i •• r t

bbao KViD * VTin n^D : ♦♦ ♦no n^i * innpb zwn

- : . t t t -: •• * - *: — t quot;quot; s : i -: r

quot;ISK'J * ntf-n amp; iw) nm : mnx 120 nbmi • imn

t : * v ; • ; t t - t v iv - ; t t-:

quot;ID1Ö3 ♦rgt;«n :« 'na * riKii pw na^: • nanjquot;! ba 'nwi : nnia nsv? - yip T3 tntf • quot;nünp 'no lyi Vipi *^3 D'ïn^ m-a * ^ri: Di*n

ns: nr6y • nniia D'trpv nejoi * nnpb ^s: idöt : ♦♦

t* t :'t - i- •!: - • -i i-t • ; ~ -it

* ♦öiin i3i 3^k not * nbo nin ; nniiss trrn

• ; t t • t t • -i tiv f •••• - 1- ; • :

i^n * uysh ntri uot: : M 'r\m n»

: . 1- ; v iv ; t • : • ; i- 't

1

*) De schrijver van dit stuk is R. Eprajim b. Iza.k uit Begensburg,

ocr page 526

JOTSEROTH.

De natie, in gramschap zoo woedend! !)

Te zamen fluist'rend, stellen zij lagen mij a).

Hun strikken spannend voor alles, wat mij behoort. En daag'lijks weer mijn ondergang ijv'rig zoekend!*)

o God ! hoe lang nog !

Zij graven kuilen, ddar mij met list te vangen.

Verbergen knippen, ondergang mij beramend;

Verlaat mij toch niet, o Heere ! 4)

Waarom toch zoudt Gij in eeuwigheid mij vergeten ? 5) U tot mij wendend, bestraal mij met Uw genade!6)

o Wil mij redden uit 's vijands verwaten pralen ! 7)

o God! hoe lang nog!

Wat kan ik wachten, wat blijft er nog te hopen ? De heil'ge berg, het sieraad, gewijde woning,

[Beploegd, en] gelijk aan de dalen!s)

Mijn ziel versmacht, in wachten op 't eind der tijden 9); Weer nieuwe rechten I0) bedreigen mij eiken morgen. En alle troost is verborgen voor mijne oogen! 11)

o God! hoe lang nog ?!

Zie, telkens hoop ik; „thans is eens de tijd gekomen!quot; Doch neen, slechts dood en verderf [komt mij tegengrijnzen]

En geen, die besluit tot herstelling!12)

Vertrapt, vertreden, als voetbank word ik gebruikt! Vertwijflend kan ik al bijna niet meer gelooven.

Dat eens toch komt nog het einde der jammer-daywi/13) o God ! hoe lang nog ?!

Verdrukkers doen verwild'ren, verteren mij,

Zij brengen ons aan de grens van den ondergang.

Ach, zij domp'len in d' afgrond mij ! 14)

Ons leven smorend, eischen zij zielsbesmetten15); Hun doode goden aanbiddend, tot hen te smeeken ;

Hoe zij mij tergen, met niet-god mij pijn'gend kwellen! 16) o God ! hoe lang nog ? !

In wreedheid roepen zij ; „bloed moet er thans vergoten!quot; Zij stellen U, o Rechter! zich niet voor oogen !

Wat zoudt Gij dan langer nog slapen?V)

76

Gij ziet, o Heer! hoe Uw naam z' in hun trots ontwijden, Hoe snood zij telkens weer nieuwe beschuld'ging uiten, Hoe luid zijn heerschers in vreugde hun macht bejuub'len18). o God ! hoe lang nog ? !

') Naar Mal-achie 1,4. •) Ps. 41,8.

ocr page 527

nto njnrn ♦aö'? nnnx w

* it^n^n* ♦Vy nn» : D^r nt^x D^n * D^I: 'jpo

v -: t : -:- ; * - *t -i- *tt v -: *t t i i - -

nnit^ 113 : « ♦no n^i * iagt;m DI» Qi' * ^ na1? : ♦jarjrn-VK dtïVk • ^quot;dn1? «dü d^si • ^-ob1?

t it • iquot; : - - - • v; •!quot;:-: : t * - • iquot; ; t :

1$) * n33 • ^nairn nï^

. .,...- . . „ . ,.. T . - •• •• • . ,.. T . . - IV t

Sk * nu i^lp in * mpN noi gt;niN no : quot; ♦no

VT vh • ; - v Jf T f ' T

* 'jn Dn[5|V D'Khn * yph ♦aS jöj : po^. nan1! * (ny1? i rho : M n^i • ijtd» oni^

* pann wj?3V^^ :n ' ÏW!

♦jia : « 'na npi - pari ' paxn^a mv way : ♦jtoaü» nnt^a -]« • n^an n^i * quot;ïbsa

: T • i ; : • - i- ; ) - * i • • : - ^- : -it-:

• VN-t^a ♦aiwp on * quot;jNiKh nan ■?« irnn * ^wrvh «n D^si ïjia'^ • DT^atf onDN INIJ? : « 'na np y^ha • i^n ^a^ nw : orn ^ nai •

*nbij? ^apT |1N^ : »♦ »na njri * v^iai * 'btyr

3) Naar Jes. 58,2.

4) Ps. 71,18.

5) Naar Klaagl. 5,20.

6) Ps. 25,16.

T) Naar Ps. 18,18.

8) Zeer geestig gebruik der woorden Gen. 14,17.

9) vp i® de gewone term voor: de bepaalde tijd, waarop de verlossing komen zal. •onr -^p beteekent: het verloop der door de Profeten en Daniël aangeduide wereldperioden, die door de definitieve verlossing zullen gevolgd worden.

10) quot;on, strafgerichten.

quot;) Hoshéa' 13,14. quot;) Naar Jeremia 30,13. quot;) Dan. 12,13. quot;) Naar Job 9,31.

quot;) S.sjnnS, ons te bevlekken door heidensche voorschriften en godsdienst-ceremoniën te volbrengen; vgl. voor de uitdrukking Dan. 1,8.

quot;) Deut. 32,21. quot;) Jona 1,6.

l8) Naar Jes. 52,5. iViSvp eig. jammeren, hier; juichen, evenals p in beide beteekenissen gebruikt wordt.

ocr page 528

JOTSEROTH.

Gebrul stijgt op uit Uwer weerstrevers mond;

Om mij te binden, in kerkermuur op te sluiten.

Voornamen zoowel als geringen!1')

Het onheil, ach, het vermoeit, het verzwakt te zeer! Zij maken puinhoop, een aak'lige woestenij 2),

De natie, eenmaal genoemd : «aan het zwaard ontkomen.quot; 3) o God! hoe lang nog ?!

Zij dachten reeds m' uit der natiën rij te delgen,

Zij brieschten m' aan, door schrik moest ik zijn bevangen!

Doch ik stel den Heer mij voor oogen!4)

Toch staalden zij zich het voorhoofd, vol overmoed, In groote trotschheid verzamelden groepen zich 5), De menschen vangend, slepen zij weg den buit! 6)

o God ! hoe lang nog ? !

Al moordend nemen goed'ren z' in hun bezit;

Zwaar drukt de last ons van 't zwaar te verdragen juk !

Mijn rug met hun ploegschaar doorsneden! 7)

Met lange streken trekken zij ploegers-voor'.

Zij trekken 't meetsnoer over 't volmaakte plan 8),

Want Gij, o God, voert hun hart op verkeerde wegen!9) o God ! hoe lang nog ? !

Uw naam verheffen, die prijzen Uw eenigheid; Om Uwentwille worden vermoord, ontworteld.

Die des Eeuwigen wachtpost betrokken 10). Uw kind'ren, vaak beproefd, zijn daardoor gekend,

Wier stroomend bloed hun martelaarschap verkondigt In eiken ochtendstond, ieder oogenblik!11)

o God ! hoe lang nog !

Zoovelen trachten van Uw weg ons af te leiden.

Beramen plannen, door U mij te doen verachten ;

Zij roepen mijn ziele toe: buig u! 12)

Zij denken immer, mijn volksnaam eens weg te rukken. Zoodat Uw naam dan ook nimmer men meer gedenke! Voorwaar zou God dan die wandaad niet onderzoeken? ls) o God ! hoe lang nog !

Uw kleinvee-kudde, den dood reeds ten prooi en hinkend. Steeds voortgestooten, van ongeluk vol verzadigd,

o Eeuwige ! help toch ! 14)

Allevend God! Verlosser sinds eeuwen her!

Doe óp weer bloeien in 't dal mijnen rozenstam !

Waak op, o Heer! waartoe dan nog langer slapen!16) o God! hoe lang nog ?!

ocr page 529

ato njnrn ♦iö'? nntr1? nnn«

• yn oniKbn : n^33 13333 * ahz rv33 ^quot;idn1? i^iok : ♦♦ ♦no * 3in nnty oy * 3quot;iin ni3in töv

:^t vit •• r : ^ v 1 : t it

on^s : * nnnn^ * n^nsn1? 'lap

♦no ipi • IT^l 13^ • l^n D31K2 31131 * IT^HI Ipïn : i^nn »33 ^1 * iK'pn DV^ * wy oai inxn : quot; 03'? dn ni3Dn • jvwn pk inai * mpn i3nK*

t • ti- -: * ; t v# -it ' -*V r-i-

^♦S^i • WOK». ï|pB' ^nn;_ü : »♦ ♦no ijri * n^iintj

• a'yiT n^ins T33 : I-IOE^ « mais'D • noiii im33

' ' 1 ••• : 1 •••t it t ▼: Viv : • it : • : : : *

D'Si. : M 'no ijri ' D^r^i D,quot;!pT:?^ ' D^niD 1 D^DTTII : 'ni^ npN • topi1? ^aa i^t - ♦nnnV onaiK

• nipn» abri ' niSTv'a ii^ ^a^ • np^1? ♦a^ ian

• n^3^ myis nnn; * n^iïi m-inn : w ♦na nyi mTij; * I^ik' pa^a n^ayn * ♦n : n^in «

') Naar Jes. 3,5. — Zie over deze strophe Baer.

s) Naar Ez. 29,10.

=0 Jer. 31,1.

*) Ps. 16,8.

') ityn, verzamelen, naar Ex. 9,19; eene aardige woordspeling.

6) Gen. 34,29. ') Naar Ps. 129,3.

8) Ez. 43,10. Het beeld is ontleend aan het naar Romeinsch gebruik beploegen van veroverd en in bezit genomen land, dat dan werd uitgemeten en onder de soldaten van het overwinnende legioen werd verdeeld, mar is hier gebruikt in de beide beteekenissen, waarin het in den Bijbel voorkomt: teekening, plan, (Ez. 43,10) en volmaaktheid (Ez. 28,12). Het is de bodem van Palaestina, waarop de dichter doelt, of Israël zelve.

») I Kon. 18,37.

'«) Num. 9,23.

quot;) Naar Job 7,18.

1!) Naai- Jes. 51,23.

13) Ps. 44,22.

quot;) Ps. 20,10.

quot;) Ps. 44,24.

ocr page 530

J0T8ER0TH.

Die U weerstreven, ruim weg gelijk dierenmest;

Neem dure wraak voor Uw Naam, zoo alom geprezen.

Ach, thans door de volk'ren geschonden ! !)

Almachtig Vader, Verlosser van Israël,

Wek op Uw macht, o spoed ü toch mij te hulp!

Waak op, mijn eere! op s) uit uw doodenslaap!

o God ! hoe lang nog !

Stort op ons neder Uw teederste liefdeblijken.

Wek op Uw wraak in het ziedendste gramschapswoeden

Op 't hoofd van den wreeden verdrukker! s)

Gedenk die allen, die in 't diepst hunner ziel U minnen, O draal niet langer, te schenken hun loon naar werken! Gij mint ons immers met eeuwige vadertóe/cfe / 4)

Dan zijt Gij, o God, onze Vader!

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die behagen schept in Uw volk Israël met liefde!

Zoelath voor den Shabbath vóór 9 Ab.

*) Met onz' ooren, o God 1 hebben [vaak] wij vernomen.

Onze vaad'ren, zij hebben ons [dikwijls] verhaald

Van de daden, [in groote genade] bedreven,

In de dagen der oudheid, voor ons, [Uwen stam]!

Ja, in alle geslachten verrichttet Gij wond'ren,

Die met eerbied doen noemen Uw naam [steeds gevreesd].

Groot zijn Uwe daden, o Eeuw'ge, mijn Heere!

Uwe wond'ren en plannen, op ons steeds gericht6).

Gij bevrijddet met machtige hand ons zoo vaak reeds

Van de listige slang, uit verdrukkers geweld.

Uit den muil van den leeuw, uit des beers sterke klauwen.

Uit den greep van den panther, uit allerlei ramp.

Doch zie thans ons getrapt, de verplett'ring ons dreigend.

Door den poot van den ever, wild woedend in 't woud!6)

Bijna wankelt de voet ons, mijn voetstap glipt uit!'1)

Reeds te lang hebt, o God ! Gij gestraft met verachting [Uwe natie, die Gij thans] vergeet, naar het schijnt;

Reeds veel meer dan een duizendtal jaren van zuchten, Van smarten en weenen ging mij over 't hoofd !

') Naar Ez. 36,23.

») Ps. 57,9.

•) Num. 10,9. *) Naar Jer. 31,2.

78

ocr page 531

3K3 njnwi rüvh nan» ny

K3|5 1 bbia nj^n ^öpT : quot; »nö -1^1 * nsj? ^nniaa • nnnijr /^Kia pm : b^np i D^iaai * bbnon nan : « »no • n^ niM nntj; * rrv^1? n^in : iiiïn iïD V# • nniyn nona ^nNJp * inim mn» • D^bp i onbiys nnxn * DvO ^saa ^aniK nar : irnx « nnxi * d4?^ nan» lananN

r t *: t - : r ^ - it : - -:

: narua quot;wrcquot; ioj;3 nnian 'n nnx iro ('isi quot;jS nmnS pquot;p3)

.3»a njran quot;jb1? rDB^ nVir

•foxi ptn jru 'aia owm aquot;« D-r Sv'3 * mso ii^niaN watMa a^n1?»

it : * iquot; -» : iquot; t iquot;: t : • v:

nm -nit Saa * u^oS oip ^'a n^s

t t : r*^-:- ; vhv •• • t : n-t

^nixbs: « nri« man * ^nia^ no'B' niKTia

• anvi i^nao i» pTina wnbtw : n^nia^npi

• t : tt* t I v i : it ; - ; |.. •• | iv : .

nnn ^yi nn^ i^^ai • amiv quot;inb'i noji ani n«o

... -. •• : - t- i : • • -: t : •• t ; : • -j ••

nn» : oni^x laa^i vü3 D^oa * onj?»

t - -: • -: : *-. : iquot; : - it t quot; : * t ;

* nn^Ni |ia»2 a^tjgt; -ini» * nnair1? linnr d^s

t t - I t : • t I v iv •• quot; t : - : it : - : • v:

1

Over den schrijver, R. Eli'ezek b. Nathan, pag. 65 (bij den iïtgt; nV» nna rocS). Ons stuk bestaat uit vierregelige strophen, waarvan telkens de eerste en derde met een opvolgende letter van het alphabeth beginnen. Tusschen en 'd zijn drie strophen ingevoegd, alphabetisch van 'n tot 'jj, betrekking hebbende op de vervolgingen in de Rijnstreek gedurende den eersten kruistocht, 4856 (1096). — In de daaropvolgende strophen is de naam van den dichter ingevlochten. — De laatste regel van elke strophe is een bijbelcitaat.

5) Ps. 40,6.

6) Over deze zinnebeeldige aanduiding der vier wereldrijken, zie deel III, pag. 142, noot 1.

?) Ps. 73,2.

ocr page 532

JOTSEROTH.

En nog steeds is de ziel mij verstoken van vrede,

Worden bressen geslagen, weergalmt mijn geschrei!

Want ter eere van U laten daag'lijks w' ons dooden.

Wij gelijken op kleinvee, ter slachtbank geleid! !)

Perioden van lijden gaan heen na elkander.

Steeds hoopt' onze ziel, dat het einde eens kwam!

Doch hoe lang liet de eindpaal van dulden zich wachten, En geen heeling werd zichtbaar [voor schrijnende wond]! Toen de tijd van het schriftwoord: „Wilt Jakob bejuub'lenquot;2) Was gekomen, verwachtten wij hulp op haar tijd, —

Doch men hoopte op welzijn, maar 't geluk Het zich wachten; Op den tijd van genezing, doch helaas! niets dan schrik!3)

Ach! wij hoopten op goeds, doch 't bleef duister en donker;

Na den tweehonderd vijftig en vijf maal'gen loop

Van negentienjarige maanjaarperiode.

Geschiedde het plots in het elfde jaar.

Dat te zamen [tot machtigen strijd] zich vereenden

De volk'ren, zoo trotsch, zoo aanmaat'gend, zoo wreed!

Ja, toen zonk mijn leven in ziedende waat'ren.

De stroomen der boosheid bedolven mijn ziel! 4)

Toen hun toorn ontbrandde, hun gramschap ontvlamde. Verzwolgen zij levend mijn treurige rest;

Jonge kind'ren en vrouwen, — [niets spaarde hun woede] — Als kleinvee ter slachtbank — zoo rukten z' ons weg! Den zuig'ling op straat door het zwaard te verdelgen. Van de pleinen den jong'ling, [nog stralend in jeugd]; Zij ontzien niet des priesters eerwaard'ge verschijning.

Geen genade voor grijsaards 5), [door jaren gekromd].

Voor de stem van den last'raar, Uw naam schand'lijk smalend. Voor den vijand, die wrekend zijn godsdienst verbreidt. Die van U ons wil scheiden, tot afval ons voerend.

Ons de grens Uwer paden verkrommend, o God I Daarvoor schrikt onze ziel, is door vreeze bevangen Voor de woedende drift van verleiders-gespuis.

Zoudt Gij dan bij dit alles hun daad niet bedenken.

Niet eens eincTlijk U wreken, 6) [omgordend het zwaard] P!

[Ach, hoe groot was de doodslag, ja een dag was 't van slachting;

In Acht zes en vijftig7) viel 't zware besluit;

Toen zijn heil'ge gemeenten vermoord en geplunderd,

In ziedende gramschap getroffen door 't leed!

Ziet, hoe grijsaard en jong'ling te zamen daar sneven,

Hoe de maagden gansch naakt naar hun graf zijn gesleurd!

Zie de kuilen, gevuld met zoo jeugdige wichtjes.

Met knapen en meisjes, uit de leerschool gesleept!

ocr page 533

3K3 njN?n naty'? nVir ray

Sa iwnin '3 * r-inixi riöa «8gt;fi3 di^^d mmi

t : i- I IV *t t t : | viv : i- ; - t • -: • -

• nnan 1:^331 |öt ihn |ot : nn^tp |Ky3 Di»n

wan 'nn1?^ ab nantji

: nn^n mni sisiö aiü fw • nnya

nn« lan nirnpa * d^öbM Vsik nani la^p aita D»sri 12^3? ^ quot;13^ nK * d^ö 'ia iï^ij virv • ?nï3 d^ji nü * 1:^3 D«n 113 dsn ni-in3 : D^nnn

i - t : f - *1 t : •- it t- -1-

♦ w^nisnquot;)» 1 onins pnp nnsn1? * in^rin nnstaquot;? tlquot;inö SipD : ujn ah D'ipn isitr: ah D»jn'3 ^3

i quot;t : i * it t • iquot;; it t • -t •• ;

^ninniN m v^srh Ï|ÖÖ • o^npi 3;IK ^3p «j^oi

* o^on npn ':ap ikq nbns: 13^03 • ni3C3 dvi 3quot;) 3in] : Qp:r\n D3-7p3n kS h^k

-it : - viv I •• - : • : t It;* v r*

m3^ d^TS unipn mbnp mn • nnn mn; ^rins nnian * nn^pquot;? 13^0: D'p^ nSin^i ninsi |pT • n-jvi TtaiT3 »nquot;im n^n diü : minn n^Vni nnVi onV m»1?»

—: • t: v tt viv t quot; ■••:-: t - • t : •• :

!) Ps. 44,23.

') Het jaar 4856 (1096), het vervolgingsjaar tijdens den eersten kruistocht, viel in den 2563ten maancyclus van 19 jaren, die met het jaar 4845 begonnen v/as. Naar aanleiding van dit cijfer 256 (V'ji) zegt nu onze dichter, dat men gehoopt had in dit cyclus-cijfer een gunstige voorbeduiding te vinden, daar het immers Jer. 31,6 luidt: nrrac apyi1? y^, jubelt Jakob vreugde toe.

a) Jer. 8,15.

lt;) Pb. 125,5.

') Klaagl. 4,16.

') Naar Jer. 9,8.

') 856 = 4856 a. m. = 1096 gew. jaartelling.

ocr page 534

80 J O T S B R O T H.

: oniy; ^3 pp nnian nbinas • onnts ^ö?

• D-IÖ vïn Tjnüp; Dip;1? * onioa

nywn nan iïd nri; * n^ma noa lam niiï

- : ; t : t it t * v*!quot; t t : i •• t : : quot; ~ t -:

on^o» ixn» nb\ * d»pp ?|3n3 « no'ip : dik

• msb otyfi:! nnnK o^n * D^OI

• * : - vit - i iv t t : - : p iv-: - • t .j(.t

KTio quot; nn^ : D'OIÏ^ loS-p^nn D^na

. t ▼: t • * ^: - : it i v - : • -t

nnaan *i^k i^-D^pn * ^aniK jni;, w, b±gt; * ïjin

Voor den smaad, over zielen der braven gebracht!

Barst in jammerkreet uit, g'lijk een maagd, in haar jonkheid Met den rouwzak omgord om de liefde der jeugd! !)

Stort Uw harte dan uit voor des Eeuwigen zetel.

Wil Uw bede vereen'gen met Israel's geklaag2).

Dat Hij spoedig, om wraak voor Zijn eere te nemen.

Zijne pijlen weer drenke met stroomen van bloed!

Dat Zijn zwaard dan verteer', wie er Hem durft weerstreven, En een bloedgolf er kleure gansch rood weer Zijn schild! O breng hulpe, [o God!] uit de hand des verdrukkers,

Dan blijkt ijdel de redding, verwacht van een mensch ! 3)

Sta dan op weer, o Eeuw'ge! in ziedenden toorn.

Houd gerecht tegen ieder, die U dorst weerstaan;

Laat de helft hunner dagen toch niemand bereiken Van die mannen des bloeds, [zoo met bloedschuld belaan] ! Doch die volgen Uw sporen, snel loopend Uw wegen, Die hun ziel in Uw dienst aan den dood geven prijs,

Geef hun deel onder grooten, laat hen mede verdeelen Den te plunderen buit van der machtgen bezit!4)

Boezem schrik in, o Eeuwige! [en angst en ontzetting] Aan de mannen, die voerden den strijd tegen U!

Dat niet langer zij [wreed met hun wetten] verdrukken Ons, het kroost van [de vaad'ren], die U minden alleen! o. Bevestig aan ons Uwe schoone voorpeiling,

In Uw Thorageschrift ons zoo heilrijk beloofd:

n Joël 1,8.

s) DiiDD (d-dn1? : Dipna DiSif ■on ijs» run»:) moet beteekenen; met de vergadering Israels.

') Naar Ps. 60,13. *) Naar Jes. 53,12.

DEUTERONOMIÜM. K

ocr page 535

3K3 nvw *:sh nbir

• nTp^nV ï|T n^n D^E'n fp * rnpj/? iTn»

jrtpir6 trn tf1? • mm rmm nnj? nsa

nao |1qn jrip : nnpiD dtoü

• o^ipn niüiö quot;hu D^ns Sri»1? d^ü: • d^it nnm nbx ^ * DTViXD ♦na DI«^

'on* Tja i^iynn rninn nap d»s3 ♦yjn n»aia 1 pa1?#quot;) ^an ^iab^ • on^ Dvnaa bzv DJI

Zie, nog was niet gereed d' Ezrachiet!) vader Abram,

Toen zijn eenigen zoon hij tot off ring spoord' aan, —

Toen een stem uit den hemel het woord hem deed hooren: «Strek uw hand ter verniet'ging niet uit [naar den knaap] !quot; Ach, hoe talrijk zijn thans er de offers gevallen.

Geslacht onder Juda, zoo dochter als zoon!

En de Heer haast Zich niet om ter hulpe te snellen De geworgden, verbranden op houtmijt, in vuur!

Het geschenk Zijner Thora, [eens op Sinai ontvangen] Zoo gekoesterd door God, lang het voorwerp der lust, — Thorarollen, beroemd, ach, als tent thans gespannen. Ruw verscheurd, stukgereten, op stangen gespreid!

Zelfs, o jammer! tot slot maakt men lendenbedekking.

Broek en schoenen ervan voor der onreinen voet!

Zie, om dezen, mijn God! smelt ik weenend in tranen.

Welt het nat uit mijn oog, als een stroomende bron!]

o Gij, heilige Wetsrol, — gij, woord mijner Leere, Verdrukkers zij koelden aan U hun gemoed!

Zij ontnamen de telgen aan hen, die U vorschen. En vermoordden de mannen, als schatten mij dier!

s

O eisch wraak voor den smaad, waarmee U men dorst krenken.

') I Kon. 5,11 wordt van Salomo gezegd, dat hij wijzer was, dan Ethan, de Ezrachiet. Baba Bathra 15a en Tnanchoema Choekkath wordt gezegd, dat daaronder Abraham te verstaan is, onder verwijzing naar Ps. 89,1, waar dezelfde naam voorkomt. Thanchoema, -[7 -ji (ed. Buber n0. 18) en «n (ed. Buber 40) worden eenige der voornaamste verzen van dezen Psalm in verband gebracht met feiten nit Abraham's leven, o. a. met de offerande van Izak. vandaar dat het opschrift van den Psalm wordt opgevat in den zin: met betrekking tot den Ezrachitt, Abraham; en dat deze bij de Paitaniem dikwijls onder den naam Ezrachie wordt aangeduid.

ocr page 536

JOTSEROTH.

if Eens zal weder uw God u erbarmen verkenen,

Zich genadig ontfermen, vermeerd'ren uw kroost!quot; !)

Uwen heiligen arm zult Gij dra weer ontblooten, Om ons nogmaals te maken Uw [heerlijkst] bezit; Wil ons, Eeuw'ge, verlossen uit onze ellende,

G'lijk de vaad'ren, uit Noph [in Egypte] bevrijd ! o Versterk onzen arm, schenk ons kracht en vermogen. Als het groote moment, toen ik trok door de zee; Haast U, spoedig, ter redding, — wil ons hulpe verleenen. Gij, o Eeuw'ge, mijn Heer! Gij, mijn eenige hulp!*)

oan: natrS -ixr

Almachtige, levende God ! Ik wil ü verheffen, wil Uw naam mijnen broederen verkondigen, wil U danken met de prachtigste mijner lofliederen. Daar niet meer bestaan mijne nauwkeurig bestemde offerdiensten, [wil ik het doen] te midden der vergadering van ouden, die bewaken de posten mijner deuren3), wil met duidelijkheid den naam des Almachtigen uitspreken [bij het uit de Thora,] waardoor koningen regeeren 4), even dikwijls [lezen van Shema'] als mijne offerstukken op het altaar kwamen 5). Vijfmaal hebt Gij den lichtglans genoemd in het boek vol geheimen, in den grondslag 6) van de Thora, mijn macht en vertrouwen 7). Der aarde dalen en de hooge hemelen, die Gij hebt geschapen — daarin zal mijn geest met verstand zich verdiepen.

Wie is zoo rijk, om zulken ooit te maken? of wijs genoeg hun beelt'nis te begrijpen ? Waar is de held,8) hun hoogte te bereiken ?

O Jubelt, heem'len ! die de Eeuw'ge heeft gemaakt 9), de Heilige !

') Deut. 13,18. s) Ps. 38,23.

*) De schrijver is R. Meier b. Izak b. Samuel, bijgenaamd: Sheliach Tiibboer, uit Mainz, die door Rasiiie herhaaldelijk genoemd en met lof vermeld wordt. Hij bloeide omstreeks 4820 (1060), was dus iets ouder dan Rashie en vervaardigde zeer vele liturgische stukken, o. a. het bekende nimps, dat op den eersten dag van het Wekenfeest na het begin der Thora-lezing wordt voorgedragen. Zijn zoon Izak behoorde tot de slachtoffers van den eersten kruistocht (zie bij den nn bnquot;i rocS nVtr). Ons stuk bestaat uit zes strophen van telkens drie (oorspronkelijk vierregelige?) verzen, opvolgend met de letters van het alphabeth beginnend, terwijl de vierde verzen uit vier regels bestaan en het acrostichon van den schrijver bevatten met eenige wenschen (wat bij hem regel is).

3) D. w. z. die in mijne synagogen aanwezig zijn.

4) De woorden zijn ontleend aan Ps. 11,15. Berachoth 156 zegt R. Chama b. Chamena : Voor wie Shema' leest en nauwkeurig let op de uitspraak der letters, koelt men het Géhinnom af, want zoo staat er: wal;

verklaard moet worden; #193' bij het duidelijk uitspreken van •'Ti', den

81

ocr page 537

3n3 n^trn ♦jöv nbir ns

^oniy d'pnn fnavrjnridpa u^iit fpy • irnink nk ^iap 1^3 nw mty : unjntfn ^in umijr'? ni^in • 12-0^3 d's tns

iquot; t ; t -: 1quot; t; •• ; t i iquot;: : t- t :

.rm mtrs in1

(• .asiy quot;ns n'n1 pns1 nna tko u dir.m 3quot;^ dquot;r

: »nnty Tina nnapx • »n bx ^jppiiN

ninrp npiir nn^ ^ina * 'nar '■^^, pxa ntran m : *nn: v:dï na do^q nr 'ciaa • 'nns

t;i-' -1* t t : iquot;; • ; t t: - - quot;t : tt:

is'ais» nxna d^niaji - ♦nliao tij; ^1d, moa

r ; quot; t itt • : •• t v : • ^ :

: thü oa

♦ t ♦ t *

♦p yx - onion yy oan ik * onioa yamp;y v : b'i-ip * « '2 D'Diï vi • dnidi1? naa

it *: t t • • 1- t t t t :

naam des Almachtigen, jsïti n: a'sS);, maakt zij [de Thora], waardoor kuningen regeeren, sneeuwkoel den pnSx = ninSx, doodschaduw. Zoo verklaart althans Rashie d. t. p. — Noch Baer noch Oiteksoser schijnt aan deze plaats gedacht te hebben. Baeb verklaart, evenals Ottensoser vertaalt: met uitgespreide handen (tnsa), Almachtige! kom ik tot U, Koning aller koningen (na üosï;).

6) Naar Berachoth 26b beantwoorden de gebeden aan de offers in den tempel. Ochtend- en namiddaggebed correspondeeren met de beide dage-lijksche offers; het avondgebed beantwoordt aan het verbranden der offerdeelen van het namiddagoffer, wat in den regel 's avonds geschiedde. Voor bijzondere dagen komt het Moesaf-gebed met het bijgevoegde feestoffer overeen.

6) De eerste afdeeling der Thora, die de schepping van liet licht bespreekt, bevat vijfmaal het woord quot;iin. Volgens eene opmerking in Ber. Rabba 3,5 in verband met de vijf boeken der Thora. De woorden beteekenen dus: Gij hebt tot vijfmalen toe het licht genoemd in het geheimzinnige stuk (no), dat den grondslag {— het begin) vormt van de Thora, die heet:

^ nrrca» nï. Spr. 21.22, komt die uitdrukking voor, die in Lev. Rabba 31,5 o. a. verklaard wordt: Hij, Mozes, bracht naar beneden de Thora, die macht geeft en vertrouwen, doordien wie zich met haar bezig houdt, zeker kan zijn van zijne schoone toekomst.

8) Met het oog op Jes. 9.22: de wijze beroeme zich niet op zijne wijsheid, de sterke niet op zijne kracht, de rijke niet op zijn rijkdom, maar sLechts daarop drage, wie zich beroemen wil, roem: te begrijpen en te kennen Mij.. zegt God.

9) Jes. 44,23.

ocr page 538

JOTSEROTH,

Met diep inzicht en groote kennis lette de «Volmaakte in alle wetenquot; erop de veelkleurige machtige [watermassa's] weg te drijven en terug te dringen, die tot nu toe met hun mond [Zijn lof] hadden verkondigd !); Hij verdeelde ze, en sloeg ze uiteen tot gescheiden groepen 2). Hij hief de eene groep op en plaatste ze boven de uitspansels; de in de diepten [op aarde] verzonkenen bracht Hij in voorraadbakken, en omringde [met zandgrenzen] de legioenen der op hun plaats vastgelegde golven. Voor Hem vreezen zij dan ook, angstig terugwijkend; — ook de uitgegoten vuurstroom 3) werd gemaakt voor de in zonde afgedwaalden ; ook werden de groepen [van engelen] met viervoudig aangezicht geschapen, waaronder er zijn, als Tharshiesh schitterend en vast en sterk. — Als brengt tot rust der zeeën bruischen [de Heer], die haar geschapen heeft; als zien de baren, vol ontzetting. Zijn macht'ge kracht, die schrik verspreidt, — zie, dan roept toe nog als getuige een golf der and're 't heilig woord :

O zoudt Gij dan voor Mij niet vreezen, zoo spreekt de Eeuwige ') Heil'ge God !

Gedachtenis deed Hij blijven voor Zijne wonderen, toen Hij de golvenmassa's trapte naar de hoeken 5); wat gelukkig zou maken reeds sinds de verre oudheid Zijne geroepenen, heeft Hij opgezameld als 'Eden voor Zijne schepselen 6). Daar deelt Hij toe Zijne geschenken aan hen, die [op aarde] in duister steeds zaten als in door Hem aangewezen kerkers; onder de eerebedekking in Zijne woningen zullen zij zich verzadigen aan den glans Zijner genietingen. De uiterste hoeken Zijner aarde sierde Hij met boomen en Zijn lieflijke planten; Hij liet dauw op hen nederdalen, gelijk de mensch in Zijne gebeden had begeerd'); bij dezen derden scheppingsdag is tweemaal het «goedquot; uitgesproken.

Het al verkondigt luid de groote liefdeblijken van d' eeuwig levenden en steeds bestaanden God ; want zie, hoe Hij juist zóó Zijn scheppingswerken maakte, dat met een ieders wensch het stemde overeen 8). Toen ving de genius der wereld aan [te zingen] en bracht zijn lied ten eind [met 't heilig Bijbelwoord;] O mong' des Eeuw'gen eer in eeuwigheid Inch blijven, n Verblijde zich de Heer met Zijne werken steeds /quot; 9) de Heilige!

De Eeuwige heeft met buitengewoon inzicht de maan en de zon gevormd; toen Hij de in schoonheid haar baan vervolgende [maan] had gevestigd, plaatste Hij haar, wit licht gevend, als tusschen schotels10). Zij, die gebonden [en verminderd] hare schande

') Ber. Rubba 5 wordt gezegd, dat oorspronkelijk de wateren Gods lof verkondigen (cpm di» mSipo), zeggende; 'n onna ms (Ps. 93,4).

s) Naar Pirki R Eli'ezer 5, verzetten de wateren zich tegen liet Goddelijk bevel en werden door God met geweld teruggedreven.

3) Naar Job 32,16. —■ Volgens Pirké R. Eli'ezer 4 is de vuurstroom in het Géhinnom op den 2den dag geschapen, evenals de engelen.

82

ocr page 539

ion: rai^? IÏV 3S3

tin nim • D^pn * d^'iöi niiian ^

♦ DTp? DVC10 : n33 ïp)n * D^^ÏQ

e^n * D^iptr lïiNb D'pn * '^p i obin iN13:i • D^in1? pvv iC1?1: ' D,^1^ wspi : o^npn

: anpi • D^mn nins

TV* * INquot;IIO nnisa nb niNT * IJTQ uiNiy n^t^nl

t t ; - i : ^ t : v -: : - r ; - :

: irnp * v. ^ * lN4quot;?P02 1 ^

pimo mar * vniNba Tn ni'iT * vniNbs:1? ntpy IDT

| t •• - t •• ; | quot; t 't t : ; • ; t 't viquot;

• wijd i DB' pbn : vninnS m rrnr * vniKnp

tt t i - t t • ; • i v*!quot; t :•• ^ t quot;l:

vt 1^3^' * vniN3 nina n3n • vniK^p Tj^in

* vnix: wit niaVx * vni«3 'dön dsls : vnitwn

t :••:*: t • t •• •• ; ~ •• • t t -:

: vni^öDS nr^: niu * vnibfln axna oSiyn quot;iv * D'INQ1? pa vfe^p • D^I 'n nipnv ^n2: ^np • ^ v'^oa npc'* ^ quot;ins 'n* • Dpi

* nrDra hd1? ip» * njnbi nsn it * nrn mn^ tit

t • -: - v iv I-: t t : t - - t t • t •• • • t

• nbnip nnifiD : nr^n nnjrp 'nv pns

1

) Jes. 5,22, welk vers P. R. E. 5 den golven toegevoegd wordt, daar

2

op de hier geciteerde woorden volgt; «Mij, die het zand heb gesteld tot grens voor de zee.quot;

ocr page 540

JOTSEROTH.

draagt!), — gelijk voormaals in den ,/wierookheuvelquot;1) moogt Gij, als weer zij zich vernieuwt, haar offer doen brengen, als losgeld voor haren Meester 2). Hare rekening dient den kleine [Jakob] tot telling, om Shalem te troosten in zijn verdriet3), om het groote licht [van 'Esau] te doen ondergaan en verbleeken, en het kleine licht [Jakob] blijvend te vestigen.

Aan Tsions volk [ontelbaar als de sterren] herinner'nd, wees Hij hun de sterrenheiren toe, — het zevental planeten 4) en al hun myriaden, [beg'leidend steeds de maan bij op- en ondergang]. Als samen Israels zonen worden opgenomen in Godes derde schaar van eng'len om Zijn troon 5), Dan kermen z' altegaar en werpen zij zich neder voor ü, mijn Heer 7) en God, o Heil'ge, Hemelheer 1

Wie heeft gemeten de machtige stroomen ? Hij, Wiens werk bewonderenswaardig is en eerbiedwekkend ! Uit het water deed Hij gevormde wezens ontstaan 6), daarom moet lof worden gebracht aau Zijn naam ! Voor den dag der vertroosting werd, om Zich ermede te verlustigen, de Liwjathan gevormd, een schoon en heerlijk deel voor hen, die in Gods lusttuin zitten 7). [De huid] — omringend, bedekkend en zich uitspreidend, schoonheidsglans werpend op den muur van Jeruzalem 10). Als eere-gerecht wordt daarbij de in 't vrije veld levende vogel Ziez gegeven u).

Toen eens een Godsgezant zijn opdracht wou verbergen, en vluchtend zich onttrok, aan wat hij had aanschouwd, —beloofde hij, met duren eed zijn woord bezwerend, het kronkelend gedrocht te leiden aan een touw 12). Den Heer, die zinken doet.

83

1

') Gen. 1,16 worden zon en maan eerst: de twee groote lichten genoemd en onmiddellijk daarna gesproken van het grootere en het kleinere licht. Naar aanleiding daarvan wordt door Midrash gezegd, dat de maan naijverig was op de zon en haar gebied betrad; als straf daarvoor werd zii kleiner gemaakt (Ber. Rabb. 6,3).

s) De tempel, naar aanleiding van Hoogl. 4,6.

2

) In Ber. Rabbn t. a. p. wordt de uitdrukking 'rh nsisn1? .. ms Trui, bij het bijgevoegde offer van den Nieuwemaansdag (Num. 28,15), terwijl bij fjeen der andere offers dit woord 'rh voorkomt, aldus verklaard: De Heilige, geloofd zij Hij, sprak: brengt een zoenoffer voor Mij, omdat Ik de maan kleiner heb gemaakt, want ikzelve ben oorzaak geweest, dat zij hare grenzen heeft overschreden.

3

) Op de aangehaalde plaats in Ber. Rabb. zegt R. Lévie: 'Esau, de

4

oudere en grootere, telt naar de zon, het grootere hemellichaam, — Jakob,

5

de jongere en kleinere, naar de kleinere maan; — en, zegt Rab Nachman,

6

groote bestaat, kan het licht van den kleine zich niet openbaren; zoodra

7

echter het licht van den groote is ondergegaan, wordt het licht van den

ocr page 541

lom ratp1? quot;i^i^ JÖ

•misbn npaa TK3 niK • toünio i D^ on?1? • njia^n |bpT |»3p^

: n::iDgt; fiüj^n iino • njabSi Vnan nbro1? irv • Dnisi DÏB' ^n *DniN3ï-in* ri'ï quot;IST^

t —i quot; : -1- t - t : - : *quot; : ' t : * quot; * ' ' viquot; ;

: t^np *M nnnt^n my * anKiDDO

It -r; I ivt : it t t : • • * : -

niquot;nx quot;iv d^o * rno^i i^s ^20 * p'K nnnj Vd ȟ

t • 1- • it: •• ; *▼; t t : ••. it- -: - t

' rnn1? irpnir1? non: nvb -iïu : m» loir1? n3^

I t t ; • I v 1- : t t v ; t It*.. : • - iv

quot;iitrm Tpo nno * ?n»3 nsa nsn HJÖ nw

: - ; • : | v iv -1- I t • - • •• ; ; t t : t t t t

: rnj ntr n -linob 13 i^d * rmn

I t • -t t ; * It:* m- t #

* wsrh 1 Ssns nn3 quot;nai * jgt;rann lainn ni3

■ t : v iv - - i* t -t : • : v : v -t •■

kleine voor ieder zichtbaar; zoodra dus 'Esau's licht zal zijn ondergegaan, zal Jakob's licht zich openbaren.

5) dquot;xu hy'm, de aanvangletters van de namen der zeven planeten: nsn. de zon, nso, Venus, 2D13, Mercurius, naS, de maan, 'snar, Satumus, p-rc, Jupiter en D'inc, Mars.

6) Chagiega 146 verhaalt een der geleerden een visioen, waarbij hem van uit den hemel werd toegeroepen: Stijgt op hierheen, waar paleizen voor u en uwe leerlingen gereed zijn, waar uw zetel u wacht; gij allen zijt aangewezen voor de derde eng'lengroep. Waarschijnlijk doelt onze dichter op die plaats. Dat zon en maan en sterren ooit onder de derde soort schepselen, de intelligibelen, zuiver geestelijke wezens, zouden worden opgenomen, heb ik in de onzen dichter bekende Midrashiem niet kunnen vinden. T) Ps. 86,9.

8) Ber. Rabb. 7,1. Terwijl menschen slechts vormen kunnen geven aan vaste stof, aarde bijv., gaf God op den vijfden scheppingsdag vorm aan het water.

9) Zie Baba Bathra 746. Vgl. Pirké R. Eli'ezer 9, einde.

10) Baba Bathra 75a:».... en de rest spreidt God uit over de muren van Jerusalem en zijn glans straalt van net eene einde der wereld tot het andere.quot;

u) Zie Wajjikra Rabba 22 einde.

15) Pirké R. Eli'ezer 10: de visch, die Jona verslond, wees hem er op, dat eens de dag zou komen, waarop ook hij, de visch, op zijn benrtdoor den Liwjathan zou worden opgeslokt. Toen zeide Jona: «voer mij tot hemquot;. Nadat dit geschied was, sprak Jona tot den Liwjathan: Om uwentwille, om uw verblijf te aanschouwen ben ik hierheen gekomen, want weet, dat ik eenmaal een touw om uw tong zal binden en u ten offer zal brengen om u te bereiden voor den grooten maaltijd der braven enz. Eindelijk bad Jona: o Heer der wereld! Gij wordt genoemd: die doet neerzinken en opvoert; — welnu, ik ben neergedaald, voer Gij mij opwaarts enz. Hij werd echter niet verhoord, totdat hij de woorden sprak: wat ik als gelofte heh op mij genomen, zal ik betalen, nl. den Liwjathan ten offer te brengen.

ocr page 542

JOTSEROTH.

maav opwaarts ook kan voeren, prees biddend de profeet, [doch werd nog niet verhoord, — tot eindelijk hij sprak :] Wat ik Uheb gezworen, zal ik betalen wis, mijn hulp in handen Gods !), des HeUigen !

De Allerhoogste verdeelde gelijkelijk Zijne werken en gebood [hen] over de gansche wereld [verspreid te zijn]; zoo vulde Hij haar met troepen van zoogdieren, waarvan Hij tien de onderscheiding gaf, ze voor het gebruik [van Israëlieten] geoorloofd te verklaren2). Hij riep in 't aanzijn den Behémoth, den „voornaamste onder Zijne werkenquot; s), en teekende hem grenzen voor op duizend bergen 4); als iets, dat bewaard wordt tot hulp en welbehagen, voor wie op Hem wachten tot hoop, heeft Hij de benoo-digdheden voor het maal bijeengebracht. — Hij zag vervolgens neder op Tsion en koos dit uit6) en schiep [uit Tsion's aarde] het beeld van Zijn vorm; — daarna voegde Hij zijn rib hem als hulpe toe!

Wie is, o God, als Gij op aard' en in den hemel, — die maken kan een werk, zoo schoon als Uw gewrocht! Met letters, o, zoo licht voor ons om uit te spreken, met Jod en Hé 6), [hebt Gij Uw wereld sterk gebouwd] —iü, grootsche daden hebt Gij, Eeuw'ge! l) weer verricht, o Heilige Koning!

Toen stond het werk van den alom Gevreesde gereed, toen prees en heiligde de dag [der rust, Gods naam] en Hij bewilligde zoengeld voor de bezondiging8). Zangen met zinrijke woorden [hief zij aan], — tot Hij eindelijk verademing schonk en bevrijding en Hij den Shabbath in overvloed drenkte van licht. De Shabbath blijft vrij van verdriet, is een weldoende zou voor den behoeftige; Hij verheerlijkte Zijn erfdeel in welgevallen en haastte zich het ons over te leveren in 't verborgen 9); de optelling der op Shabbath verboden werkzaamheden — zij is openbaar — ontleend aan de inrichting van de woning des Allerhoogsten! 10)

De Shabbath is 't beeld van het komende leven — met liefde zal Hij het gewis eens doen erven, het wezenlijk heil, aan wie steeds Hem beminnen; het grens'looze heil, [voor den brave] verborgen, voor hem, die ten volle vertrouwt op zijn God ! Blijf dus, o Israël! steeds op den Eeuw'ge hopen 13), uwen Heil'gen Beschermer!

') Jona 2,10.

а) Deut. 14,4 en 5 worden de tien reine vee- en wildsoorten opgenoemd.

3) Job 40,19.

4) Wajjikra Rabba 22 einde.

5) Ber. Rabba 14,8: Van de plaats, waar hij verzoening zou erlangen, waar eens het altaar zou staan, zou de mensen geschapen worden. Nog duidelijker Pirké R. Eli'ezer 12 en 20. Vgl. daarentegen Ibid 11, waar het stof voor de schepping van Adam van alle vier noeken der aarde wordt bijeengebracht.

б) Menachoth 296 wordt naar aanleiding van Jes. 26,4 gezegd, dat belde, dc stoffelijke wereld, en de toekomstige, geestelijke wereld, met de

84

ocr page 543

ion: natr1? IÏV na

nramp;m wi: nzv nbyoi miQ1^

tiquot;--: • i i-t v -: • t - - • v 'quot;z — • ;

: ^inp ' ^

Ir t - tTt :

* niTj niöna Tf$ * niï Snn • ni^n v'^d fibK mna van npö : min nnnS

|v it t r : * •• I-t t: • •• - : v nv

nni^p * rnpnS fiyii rnpb • njnn

: mb h • ny i:pin rniï 'njKp'ïinöï -nipn

rr * pnV n'^ quot;ik'k * fiijai V

: B^np • « nnx nwy msT * poa nnu nixa

It *: t — ti* t - | v iv ; t :

* ïl'HE'1? 1313 nn * Dl»n HB'tpl HD^P • OVH HOp

It*: vi t * quot; t ;!* : t : I * t v iv ; tIit

: |i^-)3 nix m * pnai wvnn nn • p^n ^ jan mbn: ifitf • riox1? np-iï * rv^o i ohw n2^

t -» - •• • .1 ; v t It t ; v iv f : ' ** T T ~

* p^| vnüNSö jDin • p^na I-IDOS i\W ' p^ïs

; p'S^. p ppn nn • ronK*! ^ Vnjnb vnnix * K3n D^iyn non p^o inv Snn : * ♦; bn* * nsn miOKS psïn siü

letter 'i en ',quot;1 van den Godsnaam |quot;p geschapen zijn (o'iiVir nx 'n rp; '3 beteekent dan: want door den quot;gt; en 'PI ontstond de vorm der werelden). Uit Gen. 2,4 wordt dan afgeleid, dat de stoffelijke wereld met den 'H geschapen is (DN-ora = üsna ••quot;na). — p»: nni: meen ik, naar het Bijbelsche i'nnn (Pred. 9,11) te moeten verklaren: gemakkelijk uit te spreken. Baer en Ottensoser: met sterkte.

7) Ps. 40,6.

8) Pirké R. Bli'ezer 19 (vgl. Jotser Shabbath Rosh Chodesh, pag. 73) wordt meer in 't bijzonder de Shabbath voorgesteld als, na Adam's zonde, voor hem om genade smeekend. Ook kunnen deze woorden doelen op Pirké R. Eli'ezer 18, einde: „Wie den Shabbath in acht neemt, dien worden al zijne zonden vergeven.quot; De volgende woorden spreken echter meer voor de eerste opvatting.

9) Waarschijnlijk doelt de dichter hier op het feit, dat, volgens Midrash althans, de Shabbath reeds in Mara als wet was gegeven, in het geheim dus, niet, gelijk op Sinai, ten aanzien der geheele wereld.

10) De 39 hoofdgroepen van op Shabbath verboden werkzaamheden, nosS» nms, zijn ontleend aan de verrichtingen, die bij bouw en bediening van den tabernakel noodig waren.

n) Berachoth 576.

quot;) Ps. 130,7.

ocr page 544

JOTSEROTH.

.JfilJC

*) Heft op geschenk, van waarde groot, op den dag der rust

brengt gaven ! ^

Omhoog die woont, in macht zoo hoog, kent toe1) Hem pracht

en luister!

Uw oogen vóór u uit gericht, uw blik den weg u banend !s) En ziet het licht van maan en zon 2), bezingt de hemelbollen ! Zangers van 't morgenrood, sterren van d' ochtenstond,

gaan een nieuw lied er thans zingen:

En Chajoth zullen zingen, Keroebiem nu roemen!

Wie is 't, die plaatst het twaalftal der beelden3) aan den hemel ? Schiep hun getal, als 's vromen kroost4), gegrift in Choshen's

steenen ?

Dezen al, en Israel's schaar, bij drieën Hij hen plaatste5). Hu voert de spheeren voor ons oog half zichtbaar, half in

duister.

Naak hun getal mat d' Ephod Hij, verdeeld' in twee de

stammen 6).

Daarom vóór Zijnen troon staan zij in g'lijk getal,

geven hun licht in de spheeren.

En Chajoth zullen zingen, Keroebiem nu roemen !

Hün heie bewaar in Tsor's gevaar 7); gebied hun Vorst daar

boven!8)

Hun allen is de macht verleend voor muur der stad te waken.13) Met naam Hij roept«bewaak, geef acht, bij dag en nacht

gedurig!

85

1

) Naar Spr. 4,25.

2

) De uitdrukking is ontleend aan Jes. 5,30.

3

) De twaalf teekens van den dierenriem.

4

') Twaalf, evenals de zonen van Jakob, den on tns.

5

hunner namen, die Hij liet graveer en in de steenen van het borstschild-, of;

6

met het getal der steenen, die Hij liet zetten in het borstschild Arniieim

7

leest Svm bij on, en vertaalt: den vrome, en besnedene-, doch Jakobs zonen

8

waren evenzeer besneden. Of zou soms aan Vin» quot;iSi: moeten gedacht worden ?

ocr page 545

quot;iDm nap1? jaiK

pw

: Wnn nmao i DV3 * nna^o * nn^o i n v

r : - t : ; t t \ : t : • :

: ■nm mna • tijd * quot;11 diio

r : - tt ; : t ; v ^ : t t

: ri^n D^Ö^ÖJ; ' *D5TX : 11« niNo • hki quot;iv ♦ UK iKTi

i* t •• ; t -

: iTtf» irnn -i^ * quot;IÖÏ DDIDI * isiy ♦JJIO

,. T TT • - : : : - : :

: iiNs* D^IIDI mit^ ni^nni

,.. t : • ; iquot; : — ;

; rp13 'HIVTO * W • quot;)DO ♦ 0

^ h'tt t- t't ••; -t

irptfn ftfiro -IEW •/Dn ♦to • KIt3 : ^nn* on^n * on n

: Wfipü ^n\ h'ty* • n ♦ ï 1 a n

: jrpan D^n *pn HÖN ' |3 IÖDQS : babaa • tDina on * ïd4? na?

: nKfi» nnitr* ni*nni : nb^o1? iDnty is» * iï nv Tjina * HÏ: DN^X

t : r ; iquot;t - ; - | : : t t :

8) In vier groepen van drie beelden zijn de 12 teekens verdeeld, die ieder aan eene zijde des hemels staan (Pirké R. Eli'ezer 7). — Israels stammen waren evenzoo in vier groepen van drie, ieder aan eene zijde van den tabernakel, gelegerd. — r'pnn, eig. vastslaan, v. d. plaats aanwijzen.

9) Op ieder der twee steenen, die op de schouderstukken van den Ejjhod waren bevestigd, waren zes namen van stammen gegraveerd.

10) Ts is het beeld voor de volkeren, die Israël verdrukken.

u) Elke natie heeft in den hemel zijn engel; indien God dezen onderwerping beveelt, dan behandelt het volk, wiens engel dit gebod heeft ontvangen, Israël met genade.

quot;) Menachoth 87a: alle dienstdoende engelen zwijgen niet, maar roepen voortdurend; Gij zuil opstaan en Tsion in genade aannemen (Ps. 102,14).— De uitdrukking nimn Sn naar Jee. 62,6. nSn Sr it, de stad, die eens op hare puinhoopen zal herbouwd worden.

nfi

ocr page 546

J0T8ER0TH.

«Hu roep' voor 't kleinvee1) 'n gunstig jaarquot; verzwijgt nooit

deze bede!quot;

Chashmalliem, vlammend vuur, — Erelliem, grootsch in pracht, helpen de een er den ander.

En Chajoth zullen zingen, Keroebiem nu roemen !

Door grooten angst, stroomt uit voorwaar der Chajoth's zweet

in stralen 2);

Almacht is Hem, en al Zijn roem — bij zwakken is 't te

troonen !3)

En machtig God, dien braafsten heil 4), voor Hem gansch waard

bevonden!

In krachten groot is alwie naar 't getal van 1quot;^ (36) mag uaad'ren! Een ieder met verlof, een enk'le slechts mag in den spiegel

kijken !6)

Pleiters voor Israels stam, lieflijk hun woordenkeus, naderen dan om te spreken —

En Chajoth zullen zingen, Keroebiem nu roemen !

Niet even vrij zijn Tharshieshiem in 't lied, als de trouwe

vrienden !6)

Ontzegd is 't ied'ren engel toch voortdurend God te prijzen! «Geloofd Zijn naamquot; zoo prijzen zij eerst na den lof der wijzen ! 7) Eer is hun staan — als zwijgt mijn volk, dan klapp'ren zangers-

vleugels 8),

Des Eeuw'gen naam te heil'gen daar, slechts ééns is 't hun beschoren !9)

Van Zijne plaats, verwonderd staan Chajoth, elkander vragend 10): «Waar is de Macht'ge God, [Jakobs] des vromen Heer, wiens beeld Zijn troon versiert ?quot; u) En Israels God

zij vermelden !

Eu Chajoth zullen zingen, Keroebiem dan roemen !

') Israël.

2) Pirké R. Eli'ezer 4; de ChajoÜi staan in angst en schrik voor Gods troon, en het zweet huns aanschiins vloeit in een vuurstroom af.

3) Naar Jes. 57,15.

4) mSï ia, de allervoortreffelijksten onder de menschheid. De woorden ia •oin Sa (Jes. 30,18) worden nl. Sanhedrien 976 en Soekka 456, met het oog op de getalwaarde van i1?, aldus verklaard; dat er altijd, in elk geslacht, ten minste 36 zoo brave menschen zullen gevonden worden, dat zij waardig zijn de hoogste hemelsche zaligheid te genieten.

5) Op de genoemde Thalmoedplaatsen wordt van die 36 gezegd, dat zij in den lichtenden spiegel Gods heerlijkheid aanschouwen; andere braven zien haar door den niet-lichtenden spiegel. — i; beteekeut verlof om nader te treden.

6) Choellien 916. De engelen mogen den huldigingszang in den tempel niet aanheffen, voordat Israël op aarde God zijn hulde heeft betuigd.

7) QiJiM, waarsch. van jjp, inprenten, de zin is dus; na den lol', door Israël gebracht, dat zich de leer inprent.

86

ocr page 547

iDru roE^ IÖIK is

: nbo w nnn * pïn • i^ïV

: IIIT^ ns wx * D^tnw * D^öfn : ni*^ vzm nm]

: naöo ni»n ^n * Vhto K^n • ^n n n ö : rori N|i nx * i^bni • i1? d^iin : rolt vaaS * n»1?^ ^23 * f *dni

••; - T t : T • : •• : T I • - ;

: ^Din •?! 'i1? j^pa * ;np: ^pS * 31 n'3 : npiD n^nps 0:3; * 13 ^3 i^n * 133 B' ♦ N : nsn* tk wv • 0^1:3 on * q$ 7,l?o : 1*1«^. Dpnsi nniiy» ni4nni

: nniaK o^^ns quot;1^3 * * D^IQ KV

: d^dt ^33 TpnnV |n * TjKbp ^3 * 'qN

: D^i^p D^p nnx * 103-133 * T] n 3 : D^n ï]23 nrann • DT nys * onoj; -1133 : D^p3 nnN D^Ö * n^npns * D^ V; : d^is dVn^1? ni'n * id1? inan» • i d 1 p s 0

T ▼: T : - it : : • I ; *

: rrsr ♦nl?«3!i * onn: D33 * Dn n^3K tk

1* :- •• t : • •• •• t : v •• : t * -: I t

'131 mnr nvnni : •n^ D^roi nil^* nl^nni

,.. t ; • ; iquot; : - - :

8) Ber. Rabb. 65: De woorden Drvsas rwsm mnra (Ez. 1,21) worden daar verklaard: als het volk Israël komt, om Shema' en Kedoessha te lezen, zinjgen de engelen; eerst als Israël geëindigd heeft: klapwieken de vleugelen. Ik zou voor rj-2 liever lezen JÖ3, hij het optreden des volks, zwijg, onava is

dan een notaricon, □'rj, Qj; J^3 — Arnheim heeft }{3, doch dit is tegen het

metrum.

9) Chagiega 14«. Zie ook de DiSpp 'sS piSo, Deel II, pag. 88.

10) Pirké R. Eli'ezer 4, einde; «Ook de Chajoth kennen de plaats Zijner heerlijkheid niet, al staan zij ook dicht in de nabijheid; (ook zij vragen: Waar is de plaats Zijner heerlijkheid?) en antwoorden aanheffend; Waar zij zich ook bevinde, — geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen van elke plaats!quot;

quot;) Jakobs beeltenis is op Gods troon gegrift (Choellien 91?;, B. R. 68). Vgl. Pirké R. Eli'ezer 35.

ocr page 548

JOTSEROTH.

•nSn

Waarlijk, eene gelijkenis was ^ onder Uwe ware oude gelijkenissen, [o Israël] ook de man [Job,] die vroom en rechtvaardig wordt genoemd, het beeld namelijk van de stad Uwer heer-schers; hem werd tweevoudig als troost het verlorene hergeven, evenzoo luidt het door de hand der profeten tot u: n Troost, troost nogmaals Mijn volk, zoo zal uw God zeggenquot;. 2) De wijze (Bo'az) was toegerust met macht om te troosten (Roeth), die gekomen was om beschutting te zoeken3) [onder Gods vleugelen]; hij sierde haar met een „volmaakte belooningquot;— den „vriend Godsquot; namelijk uit Beth Léchem. — Hoeveel te eer dus zal men tot Jerusalem spreken 5j, als eens hare heerlijkheid in haar gebied wederkeert : „Z?e Eeuwige troost Zijn volk en is Zijnen armen weer genadig!quot; 6) Jesaja, gezalfd boven zijne ambtgenooten, werd aangewezen, profetiën en troostwoorden te verkondigen in dubbele uitdrukkingen7): Verblijden, verblijden zal ik mij; waak op, waak op; ontwaak, ontwaak! gij, die zoo verwonderlijk gedaald zijt! Dat kunne optrekken de baanbreker 8j, de trooster9), — rechtvaardig ons, den zoom onzer kleederen reinigend; want: nog eenmaal troost de Eeuwige Tsion en kiest boven allen weer uit Jerusalem 110) „De wet wordt vastgesteld, naar de meening van den een en den anderquot; 11j, twintig ellen hoog hare lichtluiken 12j, hare vensters kostbaar gesteente, — om vrede te stichten binnen hare grenzen; Hij maakt haar woestijn tot een 'Eden, als den hof des Eeuwigen hare dorre steppen 13); De Eeuwige troost Tsion, troost al hare puinhoopen14). Die haar beminnen zullen zich aan vetheid verzadigen uit den stroom der lusten van hare

•) Over den schrijver. Meier b. Izak, zie den Jotser.

') Baba Bathra 15a komt het denkbeeld voor, dat Job nooit werkelijk bestaan zou hebben, maar dat de in het boek Job meegedeelde feiten slechts verzonnen zouden zijn, als gelijkenis, haa sSs tox nSi mn sS arw nvt. — In Pesiktha Nachamoe, pag. 1266 en Jalkoet II, N0. 312 (vgl. Ibid 307 einde) komt nu naar aanleiding van de woorden: fiTon a'i.s non '3 (Jer. 30,14) eene reeks van overeenkomstige punten voor tusschen het lot van Job en dat van Jerusalem. Op dezen Midrash doelt onze dichter. Het slot van dien Midrash luidt: Evenals Job, na tweevoudig getroffen te zijn, ook in dubbele mate getroost werd (Job 42,10), zoo zal Jerusalem, waarvan gezegd is: want zij is geslagen door de hand Gods tweevoudig voor al hare zonden (Jes. 40,2), tweevoudig getroost worden, zooals het luidt: troost, troost mijn volk!

gt;) Jes. 40,1.

3) rea nwn, naar Roeth 2,12 men1? nsa ics.

4) In hetzelfde vers wenscht Bo'az: n s S c -[jrocn vini, wat door Midrash (Pesiktha t. a. p. en Midrash Roeth 5,3) verklaard wordt: Salomo zal uw loon zijn, die uit u geboren zal worden. II Sam. 12,25 nu wordt deze met den naam Jediedjah, «Vriend Godsquot;, aangeduid.

6) Pesiktha Rabbathie t. a. p. pag. 124a sluit de behandeling onzer plaats uit Roeth: ^wanneer reeds Bo'aa met zijn hartelijk woord Roeth

87

ocr page 549

ion: nSiT ra

(• .fDKi prn pns1 na tnd s k d't .nSn /•■ii^i on quot;oa • ny^wn ♦jidid nnaxa ,n»n btro noN

t t ; t viv •.•••:• •• : i - - • -J ~ t t t t v v:

T21 /nion: mfpa • DS^ID nnp |iw hit : DD^IIVN ION' ♦sjr ian: ion: *

v •• v: - ■ - v •• -: • • : -

/hq1?^ miatros hdsls 'Dm1? nxa nion ,ri^3 om

t •• : v i ; - ; t : • •• - ; t t -: ^ r r r

miM möN» nsDi nsa • Dn1? n^a

tl tt : t * ; t - v iv •• • •;

Tbo1? vinna nitfo : onT is^ \] on: * onanna mw /nijr -mi^nn wvx iriiy • D,l?aD3 monai niNia:

t : • • -j : * • t •!-:•: tv; :

« Dn: ■* ine ' Dn:p pis - d^nVö ant?# dm , ntDi nn ^i3[5 : p^i'va inni p»y • n^nibiaa Dit^V DIVK' /ran n^ni^ai^ * n^niaiN

t iv : t tl v...... - ; t iv : • t iv \—.

p»V Dn: • n^nianj? « pa ,^3 mrip |[5n quot;li# ^nap ,]wi i^-i; n^ntsp : n^nimn S| Dn:

kon troosten, zeer zeker zal dan God, indien Hij eens hel zal willen, Jerusalem troost kunnen brengen!quot;

6) Jes. 49,13.

') Pesiktha, ibid. 125b wordt Ps. 42,8 -p-izrra ... -jnp» p Sr, daarom heeft uw God u gezalfd.... meer dan uwe metgezellen, op Jesaja toegepast. Deze zou, hoewel gewezen op de slechte bejegening, die vroegeren profeten was te beurt gevallen, en op den weerspannigen aard van het volk, tot hetwelk hij gezonden werd, niettemin bereidwillig zijn: «.hier ben ik, zend mijlquot; (Jes. 6,8) hebben doen hooren. Daarop sprak God: Gij bemint te rechtvaardigen en haat te veroordeden Mijn volk, — daarom heeft God u gezalfd met olie van blijdschap, nog meer dan uwe ambtgenooten; terwijl alle proleten enkelvoudige troostwoorden spreken, zult gij steeds uw woord herhalen, zooals ■nir ■nir (Jes. 51.9), muvin ■quot;■niynn (51,17), o'ün uiiü (61,10), '3JS ■ojs (51,12), isno innj (40,1).

8) Naar Miecha 2,13, waar die woorden v. s. op den Messias doelen.

9) Bros, volgens Sanhedrien 98?; een der namen van den Messias.

'») Zech. 1,17.

quot;) Baba Bathra 75a komt voor: twee engelen, of, volgens anderen, twee Amoraiem in Palaestina, verschillen van meening over de beteekenis van 1313, Jes. 54,12; de een zegt: het is Shoham, de ander: Jashephé; nu spreekt God: het blijve naar de meening van den een zoowel als van den ander! Bij den herbouw van Jerusalem zullen beide soorten gebruikt worden.

ls) Ibid.: God zal edelgesteenten nemen 30 el lang en breed, en daarin 10 bij 20 el uithouwen en ze zoo plaatsen in de poorten van Jerusalem.

quot;) Naar Jes. 51,3.

quot;) Jes. 66,11.

ocr page 550

J0T8ER0TH,

vertroosting, als het ü eens zal behagen zelve troostwoorden te spreken tot het hart der dan in erbarming aangenomenen; dan zullen rechtvaardig zijn bevonden en zich beroemen op U zij, die wachten op de nieuwe versiering harer grenzen, — gij zult zuigen en u verzadigen aan de borst harer vertroosting ^). Als het profeten-visioen der tien heilige zieners met ü zich vereenigt, gelijk Gij mij hebt toegezegd 2), en als de letters [van 'DJ?] bij het troostwoord, dat ü dan geldt, zich voegen 3), daar Gij ü moet laten troosten wegens het verlies van Uw kleinvee en Uw wijngaard, gelijk Gij mij door een beeld hebt duidelijk gemaakt4), — dan zal ik in lofzang en danklied U bezingen, gelijk in de oudheid, toen Gij uit Noph mij voerdet, want Gij, o Eeuwige! helpt mij en troost mij! 6)

.row ror1? isv

Die het eeuwige licht in 't aanzijn riep. Hem volgt slechts na in vreeze, zoekt den Eeuwige, wanneer Hij Zich laat vinden. In deze bekeeringsdagen is Hem wis aangenaam, wie met bekeering tot Hem komt naderen ; roept Hem dus, terwijl Hij nabij is! Groot is Hij, en geen is met Hem te vergelijken; toch besloot Hij voor Zijne schepselen genezing mogelijk te maken; — laat daarom de booswicht verlaten zijn weg!

Op ons zijn Zijn plannen voor eeuwig gericht,

Daarvoor staat onwrikbaar getuig'nis gegrift:

Terug toch, o Israël! o! keer toch terug — tot6) den Heil'ge!

Voor den mensch, terneergeslagen, is voldoende blijk van bekeering het nalaten zijner verkeerdheden — en voor den man van onrecht dat zijner gedachten. Vóórdat Hij de wereld op hare grondslagen had gevestigd, liet Hij de bekeering voorafgaan7),

i) Jes. 66,11.

s) Pesiktha, Nachamoe 127 wordt verhaald hoe tien van de zoogen. kleine profeten (allen met uitzondering van 'Obadja en Jona, die over Edom en Ninewé. niet over Israël profeteerden) achtereenvolgens Israël willen troosten, maar onverrichterzake moeten heengaan, daar Israël hun hun eigen strafbedreigingen tegemoet voert en zegt niet te weten, wat hel te gelooven heeft. Allen keeren dan tot God terug, die tot hen spreekt; mrö inn:, troost Mijn volk mei Mij, laat ons te zamen Israël troost

brengen.

3) De woorden 'ar innj toto worden in Pesiktha 128fc verklaard: 'Jinro, 'Jian:; — de letters 'J— worden dus tweemaal achter laro geplaatst. heeft nu eene getalwaarde van 60. rsr van 120, dus gelijk tweemaal '3. Doordien men dus de getalwaarde (rwns) van 'ny gevoegd heeft bij de woorden inro, krijgen deze den zin: troost Mij, zegt God. Aldus Ldzatto bij Baeb.

4) Want God heeft troost noodig, naar de twee gelijkenissen diet.a.p. gegeven worden: de bezitter van een verwoesten wijngaard heeft troost

DEUTERONOMIUM. L

68

ocr page 551

lam nivb nbiT ns

** it 1 * *

ïpiT •n'öinna? nan? wmnin ^niïns * rroin?

Ti^p I oriyaBquot;! iprn • n^pinn tai^p ^in i^nrn

• ^npïpa ^Pifna D^np jinn inwan

i^3 • *jnD!p| ^quot;pquot;! ^NÏ1? ^oimnV msi^vp ni'niM

^nyX ^ nriN »3 * ^ntrcin ^iap wa /^aw n,inn,!

rnry : ♦anonai

• it ; - • ;

.ra-B' rot?1? tsv

(* -pxi ptn avüS nis? jru -wrSx «ma Dwm Sis3 3quot;j{ Dquot;r : iKïöna quot; * IKHOS ubn vinK • iKtp obip HN

; t • ; *; ; • t ; : •• t-; - rl: t ^

inxip * anp1? M2 HDI^DS • 3iquot;i^ D^Oquot; ibxa

i-.. tl: i: • t t : • ^-:- • t iquot; :

nr^ • imKnV 17^ quot;tra * pNi bna : nnpT invna nai^ * nynb Ditrn PNT hj; * vmntyno

t 1 t s t - t t : ; - !•• ••

: *

jiN tpw • rniawp 31^ in * vnüitrn ^I:N5 «3-1 nni^n onpn * mnm tib quot;ij? obi^n : vnn^np

noodig, niet de wijngaard zelve; niet het volk Israël, de wijngaard, maar God, de Eigenaar, moet getroost worden. — Niet het door den wolf verscheurde kleinvee, maar den eigenaar ervan moeten troostwoorden worden toegevoegd. 6) Ps. 86,17.

*) Over den schrijver, R. Eli'ezer b. Nathan, zie pag. 65, den narbisti rhv jvia. Ons stuk bestaat uit strophen van 4 drieregelige verzen; in het laatste vers dei- strophen bevindt zich het acrostichon, de drie eerste verzen van iedere strophe volgen den rij van het alphabeth. Elk vers bestaat uit drie regels, waarvan de 2 eersten de alphabetische orde volgen, terwijl de derde gevormd wordt door de verzen van Jes. 55. — Ook de derde regel van het slotvers vau iedere strophe is eene bijbelplaats, die met het woord naw begint.

6) Hoshéa' 14,2.

?) Pirké R. Eli'ezer 3, naar Ps. 90,2 en 3: voordat hergen ontstaan waren.... zeidet Gij: uk eert terug, gij menschenkinderen.quot;

ocr page 552

JOTSBROTH.

om [den schuldige] terugkeer mogelijk te maken, — dus Tceere hij slechts tot den Eeuwige terug, dan zal Deze hem genadig zijn. En dóórdringend reikt zij tot den troon van Gods Majesteit1), totdat daaronder vandaan eene hand zich uitstrekt2) [voor die terug-keeren] tot onzen God, die veelmalen vergeeft!

In groote gemeenten ligt d' eer van Mijn Koning3).

Laat tot God men dus spreken in hunne bijeenkomst:

Keer terug dan, o Eeuw'ge! met onze gevang'nen4)/ o Heilige Koning!

Gij, die het zaad [Uwer goede daden] strooit op den bodem, gedrenkt door de wateren [der Thora], heil ü !5) Weest rein, maakt goed uwen levenswandel, — want niet al mijne gedachten zijn uwe gedachten! Mijn wil en Mijn verlangen is het, dat gij gaat in Mijne wegen; Mijne begeerte is het, de door Mij eens gezegen-den te reinigen [van zondesmet], — want niet uwe wegen zijn Mijne wegen! Mijn aard is het, gebruik te maken van een uiterlijk verachtelijk voorwerp 6); zoo zij slechts rein zijn van hart, blijven zij vóór Mijn aangezicht bestaan, — zoo is het gezegde des Eeuwigen!

In eeuwigheid hoop ik op God, den Almacht'ge!

Geef hulpe en redding aan 't volk, dat die vraagt!

Voer terug dan, o God / de myriaden van IsraèTs duizenden7) / o Heilige!

Zijne hand is uitgestrekt om met grooten spoed [zondaren] op te nemen; Hij, de Alwetende, komt terug en verandert van besluit8) met welgevallen ; ivant gelijk hoog zijn de hemelen hoven de aarde, — zoo zal Ik in volle kracht Mijne genade over u doen heerschen; even ver als zij, de hemelen, verwijderd zijn, zal Ik uwe misdaden verwijderen, — zoo zijn hoog Mijne wegen boven uwe wegen ! Keert terug voor Mijn aangezicht — en Ik zal u terugvoeren, zal u aanwijzen en opteekenen voor het eeuwige leven, — [want verheven zijn] ook Mijne gedachten hoven uwe gedachten!

Gedenk dan ten goede, neem aan in erbarmen

Uw volk, van den moederschoot af reeds beladen;

Keer terug dan, o God! tot hoelang ?! en verander Uw meening 9), o Heilige !

89

1

) Joma 86a, Pesiktha, Shoeba 1636: groot is de kracht der bekeering.

2

want zij reikt tot den troon der Goddelijke Majesteit, gelijk het luidt:

3

„keer terug, o Israël! tot gij bereikt den Eeuwige, uwen God!quot;

4

J) Pesachiem 119a, naar aanleiding van Ez. 18: eene menschenhand van

5

onder de vleugelen der Chajoth; waar geschreven is: mi. Zijne, Gods hand is

6

uitgespreid onder Zijn heerlijken troon om de bekeerlingen op te nemen.

7

^ Naar Spr. 14,28, welke plaats in den regel wordt aangehaald ten

8

betonge, dat bij het vervullen van vele plichten net ter hoogere eere Gods

9

beter is, gezamenlijk met anderen de handeling te verrichten.

ocr page 553

roitr rap1? ixv ut

' nivï quot;1135 «sa : inpnn^ ♦; 3^1 * rirnit^

: nibD1? nzy »3 irn^K ^ni * nib^ y vnnnpi « nsip * wrbvh IIDN* mm oy xil

*: T iquot; •• : T : ~ ; r» ; - - : - :

: pnp • nx

Ir iquot; • ;

i6 *3 * D30quot;)quot;! 13,üni 13T * DSn.B'N D'Q ^3 b]? yiV - i3Vn nivii ^sn : D^nin^np »ni3Pna visnamp;nb '3p ; D3»3ii * vynn irjüb yamp;n

: « dn: ' no^ 31? ninp * ♦nw ^33 ni33quot;)M n3,iir • n!n * ^ mpx nv:

-; ▼: T •• - : ; T : •• T vl- -: -iv

: tfnp * ^nTB» ♦Ö'?»

IT •• T; • •• ; -

ins: »3 * pro Dn:1! 31^ pi? - poa nü-it^a it p'niN D|5inquot;)3 * D3^ non quot;l»3iN |2 : pNQ D*av quot;nï • dd3w1 i3^n : ds'o'na ^n-i tn3313 * d3^pö

: Ds'ns^nöp ♦ns^nai * D3^nN ^noquot;quot;!^ « nsw * orno 'did^ dj; * dhti ^diü1? tidt : irnp * ansni

It •• T • :

4) Ps. 126,4.

6) De hier gebruikte woorden uit Jes. 32,20 worden door den Thalmoed (Baba Kamma 17a) verklaard, zooals in onze vertaling is teruggegeven. Vgl. 'Aboda Zara 5ft, waar dit heil verklaard wordt daarin te bestaan, dat zij hunne hartstochten volkomen kunnen beheerschen.

6) Naar aanleiding van de woorden : mafj mi dviSs 'naï (Ps. 51,12) wordt in Pesiktha Shoeba 158ft (vgl. Wajjikra Rabba 7,2) gezegd; indien een tnensch gebruik maakt van gebroken 'vaatwerk, strekt hem dit tot schande; bij God echter is dit anders. Hij gebruikt juist bij voorkeur gebroken vaten, zooals uit onze en andere plaatsen blijkt ; — daarom vermaant Hoshéa' (14,2): keer terug Israël,' tot den Eeuwige, uwen God!

1) Num. 10,36.

8) Geestig gebruik van de Bijbelwoorden Jona 3,9 in eenigszins gewijzigde beteekenis I

9) Ps. 90,13.

ocr page 554

JOTSEROTH.

Hij wacht met ongeduld op ieder, die zijne ziel schuldig verklaart ; Hij verbeidt hem, om hem aan te teekenen tot herleving, immers — wanneer de [herlevings-Jre^eji nederdaalt. Laat hij, [de mensch,] dus steeds God danken, in alle eeuwigheid, zoolang [hier op aarde] voor hem het water nederdaalt en de sneeew uit den hemel. Hij [God] verheugt Zich over de overwinning, wanneer hij [de mensch] tot den Albedwinger zich bekeert; ja zeker, het meeste waarde heeft in Zijn oog het danken door den levende!), [want eenmaal gekomen] daarheen, [in een ander leven,] — kan hij niet meer terugkeeren !

Maak ons sterk dan, herstel na twee dagen ons leven,3) Voer nogmaals ons op uit den afgrond 3) [zoo zwart] !

Keer terug dan, o Eeuw'ge ! kom, red onze ziele 4) / Gij Heilige !

Almachtig in de schrikwekkende hemelen, bewijst Gij toch welwillende liefde op aarde, — maar neen! Hij drenkt, de aarde! Nadat opgeheven zijn 6) dier- en meeloffer, [is er slechts over] smeeking, plechtig godsdienstig samenzijn en gebed, — en dit slechts doet haar voortbrengen en bloeien! Zijn rotsvasten troon verscheurt het gebed van die Hem aanroepen, wanneer het, zich verbreidend, tot Hem opstijgt — en geeft zoo zaad aan den zaaier. „Uw kracht neemt dan toe, want Ik ben 't die u reinigt!quot;6) Als ge u wilt bekeeren — ja, waarlijk. Ik steun u !

Keer terug dan tot Mij, want Ik hen uw Verlosser'), Ik de Heilige!quot;

Wie nabij zijn of verwijderd, maar nu zonder listen 8), heb Ik den vrede aangeboden [en de zaligheid], gelijk de handelaar een specerijbundel, en brood aan wie eten wil. Ik vereenigde slechtriekenden galbanum met Mijn reukwerkbalsem, om daardoor uw slechten reuk te verwijderen 9) — zoo is Mijn woord. Zie en let er op: uwe bekeering geschiede als iets tusschen Mij en u, keer niet terug ten aanzien van rijen van menschen, want — wat uit Mijn mond is gegaan, wordt niet teruggenomen! w)

') Naar Jes. 38,19, de levende, hij danke U.

s) Naar Hoshéa' 6,2, wat Ber. Rabba 56,1 o. a. verklaard wordt; op den derden dag, na twee dagen dood, volgt de herleving. Vgl. den Thal-moed, Sanhedrien 97a, Rosli Hashana, 31a, was-r het verklaard wordt: nadat de wereld 2000 jaar verwoest zal zijn, enz. //Duizend jaren zijn immers in Gods oogen als één dagquot;; één dag Gods telt dus duizend wereldjaren.

3) K» ar Ps. 71,20.

4) Ps. 6,5.

5) ns. De dichter maakt een Kal-vorra van een stam n-, waarvan de Hiph'iel: beteekent; vernietigen. De Kal kan dus den zin hebben: vernietigd zijn of worden.

6) Naar Ez. 24,13.

') Jes. 44,22.

8) *733 'S; pim. — Berachoth 34?; worden de woorden anpVi pimS DiSf DiSc;

DEUTERONOMIXJM. L*

90

ocr page 555

rw nDtr1? IÏV y

»3 * Dsn1? n'nnb nsvo ' ib'S? d^ö1? nanp rvTT »0» mi» bxS nyj : iy

- •; •• ; t * iquot; t ; v •• t - iv v iv ~ •—

nSo * Dit^a nïii1? n^3 nnir : o^mn ro * D'on

t iv : - iquot; : - i • : - iquot; t • it t - I • v iv - : • r -

: ^ üb nöBh * mu'n nmn1? 'n

L T Tgt;r' . . T : ' ***

^ na^ ^ wyn zwn niDinnoi • wn D^OVÖ ijptn

▼; t iquot; - r : • iquot; - -i- hquot;;quot;

: i^np * WSJ nïbn

it iquot; : - t ; -

ntt nnn dn ^ ' pk3 n^-iï * pj; *0^3 nr^ * nn^i -id^o ^jö ' nnaöi n^r na : riKn

t • : t • : t quot; quot; iv t ; • -iv | vit t

jnii • ^wnD VN-iip ppv • ^nip ind? iix : nirpïrn

: Vl?? Vlj.,

nniE' * '3 aity1? * frnna »3 ^pin foiK : ^npT * *3 ,1?N

onbi * bsn npans divk' pinni

• n;3^n3 jri ^nn * nx oy nja'pn 'nan : ^kquot;? Va D^iN rnitf - nw 'r? *n^ : nnn n^n» |3 : aiB^ ah »30 NÏ' I^N • miyn

(Jes. 57,19) door R. Jochanan verklaard : Wie van den beginne af van de zonde verwijderd bleef, en wie oorspronkelijk wel in de nabijheid der zonde vertoefde.

9) Zie Keriethoth 66; evenals onder de specerijsoorten van het reukwerk het kwalijk riekende galbanum voorkomt, zoo verhinderen afvalligen en zondaren onder Israël de Goddelijke genade niet; integendeel; zij moeten zich in het gebed met hunne bravere broeders vereenigen en bevorderen dan zelfs nog de vervulling der beden!

10) In Pesiktha Shoeba 1636 wordt naar aanleiding van de woorden -pnSiS 'n ij! S.s-iüi row, keer terug, Israël, tot uwen God (Hoshéa' 14,2) gezegd: Wanneer de eene mensch den andere in het openbaar heeft belee-digd, dan zal de beleedigde geen genoegen nemen met het aanbieden van verontschuldigingen in een persoonlijk onderhoud tusschen hen beiden, maar eischen, dat ook de intrekking der beleediging ten aanzien van velen geschiede. God echter is, ook indien iemand Hem openlijk mocht hebben gelasterd, reeds tevreden, wanneer de mensch in zijne binnenkamer blijken van berouw geeft en zijne bekeering als het ware slechts eene zaak laat blijven, die tusschen God en hem behandeld wordt.

ocr page 556

JOÏSEROTH.

Het vertrouwen op Mij blijve sterk slechts, verwilderd'

afvallige dochter!

Eens wordt gij geholpen, gered met bedaardheid en kalmte

zeer zeker,

Dan zal Ik hun afval genezen, Mijn liefde als gave hun schenken!'1) Ik, de Heilige.

.JS IK

Want zeker, daar troont er d' Almacht'ge, onze Heer!

De machten des hemels staan klaar Hem te heil'gen!

En ik — ik wil zingen den Beuw'ge, wil snaren doen klinken, Zoo hoort dan, gij koningen ; luistert, gij vorsten! 3)

De naam, hij alleen is voor eeuwig verheven.

Ja eeuwig blijft Gods woord bestand in den hemel!

En ik — Zijne eenheid erken ik tweemaal eiken dag:

Gij, die geeft Uwe Majesteit over den hemel!3)

De Eeüw'ge — Zijn eenheid is kroon der Hem kroonenden,

Israël, ,/waarmede als een krans Ik Mij sierequot; '),

En ik — wil den glans van Zijn heerschen verkond'gen; — Zoo luister, mijn volk, opdat spreken ik kunne! 6)

Ik koep aan den Alhooge, — mijn stem wordt vernomen,

Als een kroon om Zijn hoofd haar te winden, te vlechten 6), En ik — Mijne beden in stilte, moog' Hij ze verhooren!

Als ik schrei uit mijn nooden tot U — o verhoor 1)!

o Kent toe dan in vreeze Hem eer, gij omvaamden!8)

Laat hen zangen doen hooren van d' einden der aarde!

En ik — zie, ook ik wil Zijn aandenken zeeg'nen met ijver.

o Hoe machtig Uw naam, op heel d' aarde9), mijn Heer!

De geootiieid Zijns troon wagens... duizenden, heiliging sprekend10);

Eu Ofanniem, ruischend, «Baroechquot; huune zangen besluitend, En ik — zie, mijn juub'len is 't honderdtal, d' achttien eronder

begrepen!11)

Mogen zijn tot behagen de woorden 12) [mijns monds].

') Hoshéa' 14,5. Ook al verdienen zij het niet geheel door hun deugd-zamen levenswandel, als Israël slechts op God vertrouwt, dan krijgt het Zijne geheele liefde weder terug als geschenk Zijner onuitputtelijke genade. (Zie Rashie t. a. p.)

*) Het stuk bestaat uit vierregelige strophen, die te samen het acrostichon //Eli'ezer bar Nathan Chazzakquot; vormen. De derde regel van iedere strophe begint echter met het woord:'jsi, terwijl vóór iedere strophe een woord van het vers Deut. 32,3 is geplaatst. De vierde regel van iedere strophe is een Bijbelcitaat.

J) Naar Ree li teren 5,3.

s) Ps. 8,2.

91

ocr page 557

nmir nniy1? ixv NÏ

nsik * nn:2 * maitfn na *nmx rian

t ; v t : quot; i~ : : t * t •• - - • t v: I

inv San : t^np * nat: DaniN onDi^o

' it t t; •• -: t t ;

Tim Ss wN-i: D'-tprw nSn ; ptn JDJ ^2 own irmnn niBio »»«13 .J31X

; ijxi na'fl iiicnSfn nc»n /lai J{quot;lpN 'H DC 'S pioss nnx rovi

.ainan jw1? Sr rvjrom nopm

* onpiy pn^ ♦b'A * ♦; in» nv dk ' 2 : wmn D^DVD wdv * mswi quot;h mw * ♦aNi

- .. . t ; * ' x iv : - t- t r t

• quot; nViy1? - d v

• 1- t - t t:*: t^; • i- t ^ ; t:'# quot;:

: own by ^nin nin * D'pjtö DV nn^ • »JNI

• .-nNönx na IB'N SNquot;I^ * in^yoa nin* »♦

tiquot; t : v i ; v -: •• t : • t t -: t ■ . ~ : ▼;

: m3i«i n^OB' * nquot;i£5DN ini^o quot;ip* *

t,quot; - ' t : * *t,quot;~ ~: : quot; : ^ ■ -: -

* VPp1?quot;! rnu^ * yam ^ipni N-jpK : vnpn) 'nnvD trnba 'HTDJ; • ^KI

• pNn e]?2p niyaj * ni3| d^vHt nn : pKn VDS ïjpE' quot;inN nn * paa ^quot;lax npf •

* noia'nna d^sin • noix ^inp Denial aDn 'pta

•••It . . t ' * ,v v '

: npN jiïn? vn» * nquot;i^ njio^ oy hkq ♦na-i * ♦:«!

ocr page 558

JOTSEROTH.

Onzen God als bezingen te zamen de sterren des avonds,

Brengen lof Hem de godd'lijke wezens met [gausch] hunnen

mond.

En ik — zie, ik sta op mijn wachtpost, [volbrengend mijn plichten] o mijn mond moog' verkond?gen des Eeuwigen to//1)

De heirscharen hoog in den hemel — zij heil'gen,

De reinen beneden op aarde — zij smeeken.

En samen gelijk'lijk roepen zij 't drievoudig heilig!

•nSit

Tot onzen God laat ons wederkeeren, als het ons eng wordt in onze ballingschap, — want Gij zijt rechtvaardig, trots al wat ons overkomt; wegens de misdaad onzer hebzucht zijn wij heen gezonden van vóór üw aangezicht; doe Gij ons terugkeeren, dan zullen wij ons bekeeren, want Gij, Eeuwige! zijt onze God !

//Ballingen, zonen van ballingen!quot; zoo sart men ons met haat; noemt ons: «veracht zilverquot;,2) tengevolge onzer schuld; — doch Uw recht, de rechtvaardigheid Uwer strafgerichten reikt tot den diepsten afgrond; «keert terug, keert terug!quot; spraakt Gij tot ons — doch wij luisterden niet! Voorwaar, omdat Uwe Majesteit niet in ons midden verwijlt, troffen ons de rampen in 't land onzer krijgsgevangenschap; en eerst nu onze krachten ten einde zijn, schreeuwen wij ten laatste uit: „Komt, laat ons terugkeeren tot omen God, — want heeft Hij verscheurd, zoo zal Hij ons genezen!quot; 3) Bevestig ons dit, om onze ziel te doen terugkeeren, zooals Gij ons beloofd hebt, ons te vermeerderen en wel te doen; Uwe krachtige hand en Uw woord blijft in eeuwigheid staande; o, voer ons terug, o Eeuwige! tot U, en wij willen terugkeeren!4) Ik werd verscheurd 5J in de ballingschap en tot nu toe heb ik daar moeten vertoeven; toen nu mijne ziel versmachtte in mij, dacht ik weder aan den Eeuwige; ik vermoeide mij door mijn zuchten, doch rust mocht ik niet vinden; want, nadat ik tot mijzelve ben ingekeerd, voel ik berouw, ben beschaamd en rood van schaamte ! 6)

«Uwe zoo ware woorden werden door Mijne ooren vernomen en Ik schep er behagen in ; zij zijn als een zegel gehecht op Mijn hart, als een vast sluitend deksel eraan verbonden ; indien gij waarlijk zult leeren uwen levenswandel voor Mijn aangezicht te voeren, indien gij terugkeeren wilt, zal Ik u terugvoeren, zult gij vóór Mijn aangezicht staan'1). Niet omdat uwe getalsterkte grooter is, dan eenig volk, heb Ik u verkoren, maar alleen omdat Ik beminde u en uwe voorouders; in eeuwigheid zal Ik dan ook Mijne genade en Mijn verbond

92

1

Ps. 145,21.

2

*) Naar Jer. 6,30. Vgl. Thanchoema fficsw», Shemoth Rabba 31,10 : Men

3

vergeleek Israël met zilver, dat zoo dikwijls in den smeltkroes is geworpen

4

om er weer een nieuw voorwerp van te maken, dat het ten laatste onder

ocr page 559

nmty rot^ JÖIN DÏ

103 »33 nbnn win: - »3313 nn» ps 1 r ni S k b : 'ö ist ^ nbnn * 'ÖÏÖ ^ nnio^K * 'iNi * ^

nuhp • D^nn nüD »3T • a^npD nbvo ♦i?»n !'m

t *•.1: • -: ti- ••- • -1: - t *; i- •• t

nvnm : D^Wp nn«3

(* .jn: ia niySx own ^213quot;« d't ,nSii S3 hp pnx nnK »3 * unto wb n^3 315ft irn^K SK

t — i * _ t - • iquot; t : it quot; - , t 1quot;

I33^ri * unbB' i^v? p#3 * u,u?^ K3n

uniN d^io 1 D^ia ^3 D^ia ; irrtbK « nnx »3 raiiryi

it • * •• ; • iquot; v: ▼: t - • tit;

nt^v nri * raira i:niN awip dhd: nD3 * n3^3

v i 1 : • t ; it • : i t ; • | v iv t •• ;

: n3^p: lab max i3ity 131^ * n3n Dinn ït^strD

tri;- ; it t ; 1- t i i t - ; i iv t : •

pN3 nijnn ^inïo * las-ips j'K »3

♦♦ Sk n3i^^ * wnnnN3 nan: iari3 nii733i * ir3ir

t; v t i t ; ; iquot; • ; : i- t iquot; ; • ; iquot;: •

quot;1^X3 • n33l^ i^a: i^-D'p nr : IJHSI^ nit: Nin »3

v -; - t ; r* : - it v|- v iquot; t : •: | tt

chtyb ïj-isii ?|T pTin • nrün^ nünnS i:nnü3n nn^ -1^1 n^3 : n3^ai * n3ï:

t - ^- ; t - • : i- t 1 t ; i i*.* •• ♦: iquot; • -» t it •

♦nn3K3 • ♦nipT quot; n« ^3: 'hy «]t3^nn3 • ^rinnx : ^0^3: DJI ^13 ^non: »31^ nnx »3 * ^nxvo N1? nm:Q

.. |t ...... i ..,.. . ...j - - it t t :

Tpï3 '31? 1 ^ niDinn * quot;iionxi »iTK3 I^D^: ^n3-i 1^13 3!iE'n-DK • niöVn na1? dk ':sh n31?1? • mavV Sma

t • : * t • - t ; v iv t : * • t

• D33 ^ps^n N5? Djr bin I D33quot;1D : quot;llD^n ï|3TN5

'nnsi npn nï; * 33^13« nw ddhk 'nnnKa 1 dk »3

'smenschen vingers breekt. Zoo wordt Israël door de telkens herhaalde ballingschap ten slotte zoo krachteloos, dat liet voor goed onbruikbaar wordt.

3) Hoshéa' 6,1. quot;) Klaagl. 5,21.

5) Het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat het woord visnc hier gebezigd is in den zin van: dreigen te verzinken, naar de Thalraoedische uitdrukking; D'o nsniBisn rws», een schip, dat dreigt onder te gaan op zee.

6) Jer. 31,19.

') Jer. 15.19.

ocr page 560

JOT8EROTH.

van u niet doen wijken; keert slechts terug tot Mij, dan zal Ik tot u terugheeren!!) Zoekt beschutting in Mijne schaduw. Mijne teergeliefde zonen! dan zullen die u smadelijk behandelen, in hun onbeduidendheid licht geacht worden en zal Ik u, die Mij eert, tot aanzien brengen; Ik heb immers wonderen verricht ten aanzien van uwe voorouders, die Mijne dienaren waren ; en ook thans is het gezegde des Eeuwigen: „keert terug tot Mij!quot;2) Den perskuip zal Ik treden, als het strafgericht [in zijn kracht ook de bergen] doorboort, tegen hen, die u onderdrukten, tegen uwe vijanden, die Jakob verteerden ; doet dus rechtvaardig zijn uwe handelingen en verwijdert uw krom, [van den rechten weg zicli afwendend] hart, — dan komt voor Tsion de verlosser en voor wie van hun misdaad zich bekeeren onder Jakob'3) Verzamelen, verzamelen zal Ik u uit de volkeren, waarheen Ik u heb verstoeten; Ik zal u weldoen, u vermeerderen, want u heb Ik uitverkoren ; in barmhartigheid zal Ik u aannemen, want tot Mij voer Ik u terug. Ik wisch uit, als waren zij eene wolk, uwe misdaden — keer terug tot Mij, want 11c verlos u /4) Zie en aanschouw, dat Ik, de Eeuwige, te harer tijd haar, [de verlossing] zal verhaasten5); heb Ik eens vuur doen branden in Tsion, zoo zal Ik liet ook weer herbouwen ! 6) steeds zal Ik tot eere zijn in haar midden en daar verblijf houden — en de door den Eeuwige bevrijden zullen terugkeeren en komen naar Tsion met juichen !quot;

Wij willen in eeuwigheid Uwen lof verkondigen. Gij onze Rots ! omdat Gij ons verlost hebt uit de macht onzer verdrukkers; met een krans van lofzegging zullen wij, onze Koning! ü kronen! slechts: haast U ons te helpen. Gij mijn Heer, Gij ons Heil! 8)

») Mal-achie 3,7.

') Joel 2,12.

3) Jes. 59,20.

4) Jes. 44.22.

6) Jes. 60,22.

e) Baba Kamma 606, naar aanleiding van Zecharja 2,9 in verband met Klaagl. 4,11. Wanneer het Ex. 22,5 luidt: «betalen zal hij de brandschade, die den brand heeft aangestokenquot;, dan past God dat voorschrift op Zichzelve toe en zegt: Op Mij rust de plicht om weer te herstellen de schade, toe-

febracht door den brand, dienebracht door den brand, dien Ik zelve heb ontstoken; Ik heb, naar laagl. 4,11 mur doen branden in Tsion, dat zijne grondvesten verteerde, — welnu. Ik zal het ook weer in vuur opbouwen, gelijk het Zecharja 2,9 luidt: En Ik zal voor haar, zegt de Eeuwige, een muur van vuur zijn rondom en tot eere zal Ik zijn in haar midden!quot;

1) Jee. 35,10.

8) Ps. 38,23.

93

ocr page 561

row nivb nbiT ax

♦33 ^¥3 130 : n3!lt5'K,l 13W ' D3Ö quot;1»DK

- t • • : i •••••-: tit:-quot; i v • • t

quot;133 * n3301 DsnssNi iV D3ni3i * mon

VIV V IV • r t -: - : v ; v - - 11— v •• -

nnia : 131^ \] DN3 nn^ 031. • nsjr D3»ni3«

* 3p^ nx 1V3K quot;S D3^inpp3 • 3i[5» |nn 1^3 ♦3^1 ^Nla ji*V^ N31 * 3lp^n 3f? IIWquot;! D3^P IplV

' ^rmn im D^ian |p f3p •' 3p^3

* *3 ^on-iN Dnn • ^nnn3 '3 ^niK ns-iKi nn^3 *3 : ynbw »3 *btt nnw ygamp;Q 3^3 Tmo quot;1133'? TQn * n333K ^KI rl»X3 l^N ♦nïH • n3Bgt;»nK ♦♦ ^3«

t t t tiv : v • -: - i • : •• • 1- • t iv • -1 ▼; • -t

: ns-is fi»v 1N31 p3iE» « * n3i3^Ki rrnK nsins n»o *2 $* • i3^y ^nbnn 1333 D1?-^ i3K

t! ' 133^0 ?iquot;)»n33 nsns nf * 13^0

mty :

ocr page 562

viii

Stadskanaal.

Vries, H. de 2 Exempl,

Terborg.

Straus, H.

Tilburg.

Rijn, Ph. v.

Twelloo.

Spiegel, M. van

Utrecht.

Italië, H.

Uithoorn.

Koppels, L.

Yeendam.

Witsen, Chs. v.

Veghel.

Monnikendam, S. Winter, Simon de

Venlo.

Rijn, L. S. van

Waalwijk.

Leeuwen, I. van

Naamlijst.

Wageningeu.

Cozijn, M. A.

Weesp.

Houtkruijer, J.

Vries, H de Vries, P. S. do

Wildervank.

Beugen, H. van Kamerling, IJ.

Polak, Ed.

Woerden.

Blankenstein, L. van Creveld, S. van

Zalt-Bominel.

Frank, S.

Zntphen.

Levisson, D.

Meijer, M.

Staal, L. D.

Vies, J. J.

Zwartsluis.

Aronius, Sal.

Zwolle.

Kirsch, S. J. S., Opperrabbijn Salomons, A.


ocr page 563

Aanteekening Fag. 74 JOTSEBOTH, noot 13*).

Mijn geachte Vriend, de Heer S. Seelibmann, wees mij op de groote moeilijkheid, verbonden aan de uitdrukking nrps HS- Hij vestigde tevens mijne aandacht op eene plaats in Pirké R. Eli'ezer 48, waar o. m. voorkomt, dat de Israëlieten, na het eerste optreden van Mozes en Aharon, zich tot Sérach, de dochter van Asher, begaven en haar verhaalden van de wonderteekenen, door Mozes verricht. Zij antwoordde: //die hebben geen beteekenis.quot; Toen echter de oudsten haar mededeelden, dat de Godsgezanten waren opgetreden met de woorden: vnps ipE, Ik heb u bedacht (Ex. 3,16), zeide zij: //dan is de redder gekomen; want zoo heb ik van mijn vader vernomen: de tweemaal herhaalde letter {i{S zal het teeken der verlossing zijn.quot;

In verband met dezen Midrash zou moeten gelezen worden; rmps ww ma rrryn wm, en vertaald: «De nb, waarmede het woord der bedenking begon, getuigde voor het verbond met onze dooden, de aartsvaders.quot; — Ook de volgende woorden pm nisx wijzen met hun dubbelen 'ï op de toekomstige verlossing, die Zecharja 6,12 met de woorden n»ï rmy» winnm i»f, met dubbelen 'x dus, wordt aangekondigd.

ocr page 564

Naamlijst.

vi

Haarlem.

Cauveren, J. S.

Hartog, H.

Keizer, L. M.

Overste, D.

Prins, J.

Staal, D. L.

Talmoed Tora Vries, S. Ph. de Wolff, Dr. M.

Zilversmit, M.

Hasselt (O).

Keizer, L. M.

Keizer, M. D.

Keizer Sz., Simon Klein, M.

Den Helder.

Beek, J. L.

Hes, A. A.

Jong, S. M. de Nol, A.

Hengelo (O).

Lindeman, D.

Vries, N. de

's-Hertogenbosch.

Azijnman, M.

Cahen, Is.

Diependaal, Joseph

Heijden, Mr. M. v. d.

Hijmans, Hijman K.

Knijper, J.

Meer, A. v.

Seijffers, Meijer

Vliet-De Lima, Mevr. Wed. v.

Hilversum.

Bartels, J. A.

Frank, A.

Frank, J. L.

Frank, S. L.

Krant, M.

Laar, S. P. van Monnikendam, E. Pakkedrager, E. A.

Rood, B. A. van

Hoogeveen.

Khan, B.

Khan, J.

Lange B. de Meiboom, Abr.

Hoorn.

Prins, M.

Trompetter, M. A.

Kampen.

Gondsmit, Geb.

Melamed, M.

Kopenhagen.

Lewenstein, Dr. T.

Opperrabbijn.

Leeuwarden.

Cohen, Izak H.

Dwinger Az., H.

Gelder, Mej. van Jong, Abram J. de Jong, S. M. de Melio, Hanna Reindorp, H.

Rozenberg Hzn., H. Rndelsheim, S. A.,

Opperrabbijn. Visser, H. D.

Wonde, J. v. d.

Zendijk, Jb. M.

Londen.

Zwart, M. H.


ocr page 565

Naamlijst.

vii

Maastricht.

Schepp, S. M.

Meppel.

Esso, Henoch van Godfried, A. M. Hes, M. B. de Kan, H. S.

Kan, I. S.

Keizer, A. S.

Levie, B.

Muller, D. A.

Mesritz, I. M.

Rhoer, J. v. d.

Rhoer, L. v. d.

Monnikeudam.

Monnickendam, A.

Muiderberg.

Swaap, N.

Naarden.

Gelder, L. D. v. Heilbron, Ph.

Nijkerk.

Metzelaar, J.

Nijmegen.

Dam, I. van Glaser, J.

Glaser, Ph.

Isaacson.

Jacobs, J.

Leer, Willem van Levy, J. A.

Muller, J. M. Nordheimer, M. Ornstein, J. L.

Polak, Wed. J. D. Schaap, Maurits Wolff, S. M.

Wijk, H. S. v. d.

Oldenzaal.

Cohen, George Cohen, J.

Cohen, A. J.

Cohen, W. H.

Krukziener, Sail}' Krukziener, Meijer Melamed, L.

Muller, Henri Zwartz, N. S.

Osch.

Hartog, H.

Paramaribo. (W. I.)

Abarbanel, J.

Hilffmann, P. A.

Roos, J. S., Rabbijn.

Paris.

Polack, A.

Rotterdam.

Berg, Simon v. d.

Elze, M. B.

Gaarkeuken, Mej. M. Goldsmit, M.

Haagens, Dr. A. J. Haagens, Gebr.

Hartogensis.

Levie, A.

Ossedrijver, A.

Pels, M. van Slagter, S. M. Vleeschhouwer, H. Zalsman, J.

Schiedam.

Hij man, M.

Smilde.

Cohen, J.


ocr page 566

iv

Vries, B. de Wagenaar Jr., L. Wagenaar, E. A. Weijl, L.

Wilkens, J.

Wins, L.

Witjas, Abr.

Witjas, A.

Workum, H. A. Woudluiijzen, D. H. Ziel, S. van der Zodij, J.

Alkmaar.

Elzas, A. J.

Jong, A. I. de Kalkoene, J. L.

Prins, A.

Velleman, B.

Almelo.

De Metz, M. E.

Amersfoort.

Klein, H. L.

Antwerpen.

Kirsch, D.

Apeldoorn.

Son, A. van Son, E. van Son, M. van

Arnhem.

Dam, L. van Dormits, J.

Duren, L. van Franken, Asser Gans, M.

Gazan, J.

Heijinan, S.

Jong, M. de Koster G.

Naamlijst.

Linnewiel, G.

Mendels, D.

Wagenaar, L. Opperrabbijn.

2 Exempl.

Wolff, J. M.

Zoete, H. de

Assen.

Jong, I. M. de

Beverwijk.

Cohen, Ph.

Lieme, M. de

Borne.

Mogendorff, M.

Coevorden.

Vogt, M. v. d.

Deventer.

Berg, D.

Cohen, J.

Sou, P. van, 2 Exeinpl.

Diuxperlo.

Menist, I.

Doetinchem.

Fuldauer, Adolf Groeuheim, D.

Groenheim, S. W.

Kan, C.

Dordrecht.

Blok, R.

Dasberg, S.

Lievendag, M. S.

Meijer, Wed. B. A.

Meijer, I. H.

Snijders, E.

Zadoks, A.


ocr page 567

Naamlijst,

Ede.

Berlijn, P. J.

Eiudhoveu.

Ham, S. v. d.

Staal, M.

Eist.

Manasse, E. A.

Enschedé.

Cletsowij, N.

Mej. Cohen, J.

Frankenhuis, F., 2 Ex. Lowenstein, M.

Menko, A. H.

Menko, Sal.

Meijer, A.

Frankfurt a/M.

Prins, (Liepman Ph.)

Goor.

Cracau, E.

Sanders O. L.

Gorincliem.

Hartog, M. de Waterman, Israël

Groningen.

Boutelje, W. 5 Exempl. Breslauer, H. J.

Gelderen, M. van Gosschalk, B.

Kleef, J. van

Loen, A. van. Opperrabbijn. Meijer, I. H.

Meijer, S. M.

Stern, B. M.

Vleeschhouwer, I. J.

Zwaan, M.

Zwaan, S.

Gulpen.

Zuiden, J. A. van

Den Uaag

Alter, Henri Arend, A. van Berg, Mark v. d.

Berg, W.

Cohen, I. N.

Cohen, J.

Dnitz, S.

Edersheim, A. H. Edersheim, M. Fransman, J.

Gelder, L. van Hamme, J. •

Hamme, L.

Hartog, I. de Horst, E. v. d.

Hijmans, B. H.

Jongh, B. de Jaeobson, S.

Kan, J.

Kropveld, M.

Levisson, L.

Limburg, L.

Lieme, B. de Mol, G. A. 6 Exempl. Simons, J.

Stibbe, J. 2 Exempl. Straaten, J. van Turksma, M.

Turksma, S.

Verveer, H.

Viskoper, E. Voorzanger, L.

Vries, Jac. de

Hardenberg.

Leman, L.


ocr page 568

Naamlijst.

II

Diinner, L., 2 Ex.

Eitje, J.

Eitje, A. S. Z.

Eitje, B. E.

Embden, B. E. van

Embden, Wed. E. E. van

Eijl, H.

Figatner, H.

Förster, B.

Frank, Akiba

Frank, J.

Frankfort, J.

Gelder, J. van

Gelder, I. E. van

Gobits, M. J. B.

Gompen, G.

Gompertz, E. B.

Gomperts, H. Ph.

Gorter, S. de

Goudsmit, D.

Goudeket. J. W.

Goudsmit, S.

Groen, L.

Haan, M. de

Haas, Jb.

Hamburger, Wed. E., 2 Ex.

Hamburger, D. A.

Hamburger S.

Hartz, 1.

Heertjes, S.

Hes, A.

Hes, M.

Hes, J.

Hes, L. M.

Hen, Mr. I.

Heymann, I., Oppervoorzanger

Houthakker, J.

Hillesum, U. M. P.

Hirsch, Wed. A. M.

Hirsehel, H.

Huisman, S.

Italiaander, A.

Jacob, J.

Jacobson, Ed.

Jacobson Jr., E. I.

Jacobson, M.

Jawits, W.

Jong, J. de 2 Ex. Jong, 1. de Jong, M. de Jong, H. de, 2 Ex. Jonge, D. de Kalker, H. M. Kalker, M. L. Kalker, Meijer Kar, M. van der Kleerekoper lz., J. Keizer, E. H.

Keizer, M. Keilerman, E. Kleerekoper, S. H. Kollem, E. van Kollem, J. van Konijn, M.

Kool J.

Koster, S.

Kromme, Ph. de Kulb, M.

Kulker, E. B. Kulker, J. B.

Lange, G. de Leeuwensteen, S. S. Leemans, S. Les, W.

Levie, A.

Levie, Wed. L. Levin, D.

Levin, L.

Lierens, H. Leijdensdorff, M. J. Lissauer, D. E. Lissauer, J.

Limburg, I.

Loeza, D.

Loopuit, S.

Menist, J.

Menist, L. L.

Menist, S.

Mekor Chajim. Mesquita J. B. de Metz, D.

Mendels, M.


ocr page 569

Naamlijst..

hi

Meijer, S.

Monasch, M.

Monasson.

Monk, S.

Montezinos, J. L.

Montezinos, D.

Muller, M. A.

Norden, H.

Norden, S. I.

Nordheim, D.

Norden, J. van

Nijkerk, H. M.

Onderwijzer, A. S., Rabbijn.

Ornstein, B. L.

Orpes, M.

Paauw, L. de

Paamv, I. de

Paauw, S. Ph. de

Parser, A. G.

Parser, M. G.

Peper, M. E.

Philips, Mej. C.

Polak, B. M.

Polak, L. G.

Polak, L. M.

Polak Jz., A.

Polack, S.

Polak, D. 31.

Porcelein, S.

Praag, Mej. van

Prins, Ed.

Prins, D.

Prins, Maurits, 2 Ex. Querido, A.'

Querido, D.

Querido, Wed. D. A. Rapoport, I.

Ricardo, D. I.

Roode, J. de Roos, J. A.

Rosenberg, Max Rozelaar, H. A.

Rubens Jr., M. S.

Rubens, B. H.

Rubens, N.

Rubens, G.

Sachs, M.

Salomons, L.

Sakolskij, M.

Salomons, Meijer Salzedo, R. S.

Sammes, M. J.

Sarlie, H.

Schalekamp, v. d. Grampel amp; Bakker.

Seeligmann, S.

Seminarium, Ned. Israël. Silberklank, M.

Sjouerman, A. L.

Slijper, E.

Sluijs, D. M.

Snatager, B. S.

Snatager, M.

Snuijff, Sal. I.

Songet, S. M. J.

Souget, M. H.

Spangenthal, L.

Speijer, D. M.

Spier, W.

Spits, I.

Springer, S. M.

Stein, J.

Stokvis, J. A.

Stork, L. E.

Stranders, J.

Swaab, Louis,

Tal, E. T.

Tas, E.

Theeboom, S.

Tifereth Jisroël, Gebr. Tonnigen, N.

Troeder, S.

Troostwijk, M. I.

Trompetter, B. I.

Tijn, I. van Tijn, A. van Vaz Bias, A. M.

Veershijm, J.

Velde, B. van der Vet, E. H.

Vorst, B. L.

Vries, I. M. de


ocr page 570
ocr page 571

Namen der Inteekenaren.

H. Mj, WtLHELMIKA, IConiiigin eter Nedertanden.

Amsterdam.

Abas, A.

Abas, A.

Abbe, S. van Abrahamson, J.

Abram, A.

Adelsbergen, M. van Alexanderoflquot;.

Amerongen, A. J. van Amerongen, A. van Amerongen, J. van Amerongen, Bern. J. van Amerongen, J. van Amerongen, F. van Amerongen, D. S. van Ansel, W.

Asscber, E.

Asseber, J.

Barendz, E.

Bawly, N. tjU lu

Beer, H. $

Beer, J. de Benjamins, H. J. Benjamins, S. J.

'Beugel, M. v. d.

Beugel, T. v. d.

Berensobn, B.

Bergb, S. van der Benjamin, B. E. Bibiiotbeea Rosentbaliana. Birnbaum, S.

Birnbaum, W.

Bloemist, I. H.

Blog, J. S.

Blog, M. L. S.

Boas, A.

Boas, M.

Boekdrukker, M. S.

Boekman, A. 2 Ex.

Bokkie, Ü.

Bolle, Mej. A.

Bolle, Meijer Bonnist, I.

Bos, J.

Boutelje, G.

aCoben, H.

iiCoben, D.

Cohen Iz.

Cohen, H. L.

Cohen, C.

Collem, I. van Coppenbagen, I.

Cortissos. J.

Couzijn, W. I.

Creveld amp; C0., 2 Ex.

Creveld, C. van Davidson, L. M.

Davids, I. E.

Davids, L. M.

Davids, J. M.

Davids Bz., L.

Davids Bz., N.

Davids, B. A.

Dikker, H. L.

Drukker, L.

Drukker, J. J.

Druijf, A.

Drukker, S.

Duizend, J. H.

Duizend Jr., H. E.

Diinner, M.

Diinner, Dr. J. H., Opperrabbijn.


ocr page 572
ocr page 573
ocr page 574