VERLOREN GELOOF
fk /yr k)6
VERLOREN GELOOF
DOOK
FRBDBRIO BRETON
Werp niet, eer 't schitt'rend toortslicht straalt,
De kaars veracht'lijk op den grond!
Zeg van geen oude leer : Zij faalt.
Voor gij een nieuwe beet're vondt.
Ibsen's Brand.
TWEEDE DEEL
AMSTERDAM H. J. W. BECHT
INHOUD.
TWEEDE DEEL.
EEN SCANDINAVISCHE SYMPHONIE.
Hoofdstuk Pladz.
I. Reizen en lachen..............................1
II. De thuiskomst..................................14
III. Helga........................................28
IV. Een vriend van over de zee .................43
V. Trollen......................................57
VI. Het getij rijst..................................72
VII. Fuglesteg....................................81
VIII. De gebroken snaar............................94
IX. Moeders kruis...............108
X. Reizen en weenen...... ........121
DERDE DEEL.
HET EINDE DER PELGRIMAGE.
1. Mevrouw Wybroga.............. _ 137
II. Professor en Secretaresse............152
III. Geneesheer eu Patiënt.............164
IV. Anne blinde!.................181
V. Moeder en Dochter ...............193
VI. Een laatste verzoeking.............210
VII. De laatste pelgrimage..............228
HOOFDSTUK I.
KEIZEN EN LACHEN.
âVrijheid! Nooit heb ik gelijk thans de beteekenis van dat woord begrepen. Niets dan zee en lucht! De eenige zeereis, die ik ooit gemaakt heb, bestond in het oversteken van het Kanaal tusschen Dover en Galais. O, hoe geheel anders is het hier, de ziel voelt zich verruimd, en alle grenzen van tijd en plaats schijnen weg te vallen. Calvin had gelijk: het begrip van oneindigheid, dat bijna alle godsdiensten met elkander gemeen hebben, moet het eerst door de zee ingeboezemd zijn.quot;
âWaarom noemt gij zijn naam?quot;
âAch, ik dacht er heusch niet aan! Het spijt mij wel, Ivar, doch gij weet; ik haal zijn woorden slechts aan zooals men de woorden van een schoolmeester aanhaalt, die ons vroeger les gegeven heeft.quot;
âOnderricht ik u dan niet?quot;
âNeen. Onderrichten niet. Ik vind dat zulk een afschuwelijk woord, het doet mij steeds denken aan africhten, iemands brein met feiten volspijkeren, gelijk men draadnagels in den wand slaat om er schilde-lijen aan op te hangen. Gij voedt mij op, gij brengt
VERLOREN GELOOF. II. 1
2
wat er goeds in mij is, aan het licht, en helpt mij de gaven, die ik bezit, ontwikkelen. Ik heb de school verlaten, vergeet dat niet, en ben in het bezit mijner vrijheid gekomen. Wij zijn collega's, niet onderwijzer en leerling. Natuurlijk zal ik er aan denken dat het aanhalen van Calvin's woorden u onaangenaam is, vergeef mij echter als ik het een enkele maal vergeet. Men kan de boeien der gewoonte wel afschudden, maar hun indruksels verdwijnen niet zoo spoedig.quot;
Nielsen's hand gleed langs de verschansing tot zij die van Christina aanraakte, en hun blikken ontmoetten elkander. Zij lachte.
âWaarom lacht gij?quot; vroeg hij.
âIk weet het niet, louter van geluk, denk ik. Toen ik u in de oogen zag, was het alsof onze zielen in elkaar vloeiden gelijk twee waterdroppels. Ik kan mij niet voorstellen dat er ergens op de wereld twee menschen zijn, die gevoelen als wij, of begiijpen wat wij begrijpen. Toch moet dit, naar de boeken te oordeelen, wel het geval zijn. Misschien meent ieder paar, door ware liefde bezield, een nieuw leven te beginnen. Wat mij betreft, ik zie een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; waarheen ik mij wend, het is alles even schoon en vreugdevol. Kijk die zeemeeuw eens over de golven scheren, hoe sterk en onbevreesd is zij! Zij geniet zelfs meer vrijheid dan wij, want gebonden te zijn aan deze stoomboot, een stipje op het onmetelijk watervlak, is eigenlijk een soort van slavernij. Jammer dat wij geen vleugels hebben. Ik herinner mij hoe Cal. . .
3
neem mij niet kwalijk! . . . hoe iemand mij lai)g geleden vertelde dat het begrip van engelen waarschijnlijk door het aanschouwen van vogels in hun vlucht ontstaan is. Ik zou na mijn dood graag een zeevogel willen worden, of anders een soort van elementairgeest . . . Denk u eens, Ivar, wij beiden, niet onderworpen aan wetten van zwaartekracht en beweging, zwevende over de wateren, de booze golven uitlachend en ons verheugend in het razen van den storm. Zou dat niet heerlijk zijn?quot;
âGij zijt een geboren Vikingsbruid.quot;
âJa, dat wilde, vrije zwerversleven zou mij-zeker bekoord hebben. Vrouw van een zeekapitein had ik ook wel willen worden, mits ik hem op zijn reizen vergezellen mocht. Hoe grootsch, in een zwaren storm kalm en gelaten op de brug van een schip staande, de krachten der natuur te bedwingen en louter door eigen wilskracht zijn vaartuig in veilige haven te geleiden.quot;
âIk vrees dat de kapitein zulke oogenblikken niet tot de aangenaamste der reis rekenen zal,quot; sprak Nielsen glimlachend. âHij is blij als zij voorbij zijn, en hij in zijn kajuit een stevig glas grog drinken kan,quot;
âJa, dat is juist het ongelukkige : wie gelegenheid heeft een woeste natuur in haar schoonheid te bewonderen, mist de gave dit schouwspel te waardeeren, en wie waardeeren kan, dien ontbreekt het meestal aan gelegenheid. Zelden gaat het eene met het andere gepaard. Wellicht is het de gewoonte, die
zoovele dingen bederft en er de kleur aan ontneemt; alleen het nieuwe geeft werkelijk genot. Misschien ook,quot; en thans sloeg Christina's toon van geestdrift tot uitgelatene vroolijkheid over, âmisschien zou ik, als het inderdaad ruw weer was, zeeziek zijn. Een mooie Vikingsbruid! Ik ben maar blij dat wij zulk een kalmen overtocht hebben, liet noodlot was sarcastisch geweest als het ons ziek had doen worden. Doch ziet gij die lange purperen eilanden wel, ginds aan den horizon! Zeker de Shetland-eilanden?quot;
âHet zijn geen eilanden, doch wolken. Een gezichtsbedrog dat ik dikwijls op zee waargenomen heb.quot;
âDus slechts nevel-eilanden !quot; herhaalde Christina. âAls men er heen zou zeilen in de hoop ze te bereiken, zouden zij zich verspreiden, en zich ten slotte, als wij op de plek aankwamen, waar zij schenen te zijn, boven onze hoofden bevinden. Is dat een allegorie?quot;
âVoor menigeen misschien . . . voor ons niet,quot; antwoordde Ivar. âWij hebben ons eiland bereikt quot;
âJa, maar de nevelen! Bestaat het ook slechts uit nevelen? Doch wat doet het er toe; indien wij er doorheen vallen, vallen wij te zamen. Hoe laat is het, Ivar?quot;
âMiddernacht!quot; zei hij, op zijn horloge ziende.
âMiddernacht en zoo licht?quot;
âIn Noorwegen is het nog lichter. Zie maar eens in noordelijke richting en gij zult bemerken hoe de zonnestralen zich als een waaier boven het vlak van den oceaan uitspreiden.quot;
5
âZullen wij de middernaclitszon zieu, Ivar?quot;
âNeen, lieveling, niet geheel; wel verlaat ons het daglicht niet voor het aanbreken van den herfst. Wij hebben de duisternis achter ons gelaten.quot;
Met een stralend gelaat zag zij hem aan en legde haar andere hand over de zijne.
âHoe heerlijk klinken mij die woorden, Ivar! Zeg ze nog eens! Wij hebben de duisternis achter ons gelaten.quot;
Verrukt en als betooverd door den aanblik dei-uitgestrekte wereldzee, bleven Christina en Ivar nog eenige oogenblikken op het dek, daarop begaven zij zich naar hun hutten. Vroeg in den morgen stonden zij reeds weder bij de verschansing.
âIs dat mijn neveleiland van gisteravond?quot; vroeg Christina. âHet ligt nu aan den anderen kant.quot;
âNeen, het is ons beider neveleiland, doch een, waar wij niet doorheen kunnen vallen. Het is Noorwegen! Kijk eens, het wordt meer zichtbaar, en de wolken trekken van de bergen op.quot;
âJa, ik zie de bergen als lange grijze tafels. . .quot;
âMet een dekkleed van sneeuw.quot;
âPrecies. Doch die groote witte koepel, wat is dat?quot;
âDe Folgefond. De groote gletscher van Har-danger.quot;
âGaan wij daarheen?quot;
âNog veel verder. Zie eens, Christina, daar hebt gij IS oorsche visschersschuiten. De eerste zomer-z wal uwen, die ons komen begroeten.quot;
Zij lachten weder. Daar bestaat een onderscheid tusschen lachen en lachen; er is een lachen waaruit de vroolijkheid spreekt, en een lachen, dat het overvloeien is eener uit het hart opwellende bron van geluk. Zoo lachten Ivar en Christina, zij genoten hun geluk zooals een kind geniet, wanneer het een nieuw stuk speelgoed gekregen heeft.
Jk heb mij nooit, sedert ik als meisje met de vacantie thuis kwam, zoo gelukkig gevoeld,quot; sprak Christina. âEn toch----maar neen, dat zeg ik niet!quot;
âVertel het mij maar,quot; drong Ivar aan. âVerberg mij geen enkele uwer gedachten.quot;
,Wel, ik begon ten slotte zelfs van de vacantie genoeg te krijgen en naar school terug te verlangen. Alleen speet het mij, moeder te moeten verlaten. Doch daaraan moeten wij thans niet denken, de zaligheid onzer vacantie duurt eeuwig!quot;
Dit gesprek had plaats gedurende een wandeling te Bergen, den eersten avond na hun aankomst aldaar. Het doel van hun tocht was de Floifjeldet-heuvel, oostelijk van de stad, van wiens top men een uitzicht heeft over den Atlantischen Oceaan, dat vooral bij zonsondergang verrukkelijk schoon is. Boven aangekomen, zetten zij zich aan een dei tafeltjes onder de veranda van de restauratie en bestelden koffie en gebak.
âHoe kluchtig, die papieren servetjes,quot; lachte Christina. âZij doen mij aan Japan denken. Ik
geloof heusch dat Noorwegen en Japan veel van elkander hebben. De geverfde houten huisjes en de bonte ouderwetsche pakjes van de kinderen zijn als de prentjes op de Japansche waaiers en theekopjes. Willen wij eens een vroolijke Scandinavische sym-phonie componeeren? Zie hier dan het eerste, het Japansche motief.quot;
Het denkbeeld amuseerde Nielsen, en zij hielden er zich den verderen avond mede bezig. Den volgenden middag te vier uur verlieten zij Bergen en spoorden over de trotsch aangelegde baan, die zich kronkelt langs fjorden en fjelden naar Vossevangen. Christina wilde haast bij ieder plaatsje, dat zij passeerden, uitstappen, telkens meende zij dat dit nu het mooiste plekje van de reis was. Aan het station Dale in de nabijheid van het Bolstad Fjord stonden een menigte fabrieksarbeiders, mannen en vrouwen, langs den weg geschaard; zij waren allen in hun bont nationaal costuum gekleed, en toen de trein aankwam, hieven zij een lied aan. De achtergrond werd gevormd door een zwerm houten huisjes aan den voet der met dennenbosschen begroeide bergen.
âZou dat een welkomstgroet voor ons zijn?quot; vroeg Christina. âHet motief is bepaald âopéra co-mique.quot; Teeken het aan, Ivar, voor onze symphonie, en breng er iets van een alpenhoorn in om het wat locale kleur te geven.quot;
') Fjeld = berg.
âLocale kleur! O, wacht totdat gij in het gebergte de saetermeisjes1) haai' kudden naar huis hoort roepen. Dat zijn de klanken, wild en toch droevig, die bij de omgeving passen. Zij klinken als een echo over het water, als het krijschen der zeemeeuwen in de avondschemering.quot;
âMaar Ivar, aan die treurigheid hebben wij thans geen behoefte. Wij hebben haar immers ginds achtergelaten.quot;
Alles wat treurig en droevig was achter zich te hebben gelaten, dat was de grondtoon van Christina's Scandinavische symphonie. Onbekommerd over de toekomst het oogenblik te genieten, ziedaar wat haar het leven waard maakte om te leven. Doch gelijk een ademtocht voldoende is om een helderen spiegel dof te maken, zoo wierpen enkele voorvallen, op zichzelf van hoegenaamd geen beteekenis, nu en dan toch een schaduw over Christina's geluk. Zoo maakten zij en Ivar een wandeling te Vosse-vangen, het plaatsje, waar zij den eersten avond na hun vertrek uit Bergen overnachtten. Met den afkeer, dien zij in werkelijken zoowel als in overdrachtelijken zin voor den breeden weg gevoelden, hadden zij op goed geluk een verleidelijk zijpaadje ingeslagen. Dit pad liep echter uit op het kerkhof van de plaats, een verwaarloosde plek gronds, slechts door een laag walletje van de omringende weiden
r) Saeter = weide in Noorwegen, waar in den zomer het vee graast-Deze weiden kunnen het best vergeleken worden met de âSennenquot; in het Alpengebergte.
9
gescheiden, en bedekt met kleine witte houten kruisen, nederige teekenen van de rustplaatsen der dooden. Christina's lach verstomde en liet zich niet weder hooren, voor zij en Ivar op den grooten weg ' terug en in het gezicht der vriendelijk verlichte
veranda van hun hotel gekomen waren. Doch den volgenden morgen dreven de eerste zonnestralen alle onaangename herinneringen spoedig op de vlucht, en weldra snelden zij in een kariool over den breeden witten weg, terwijl een echt Noorsch landschap van bergen en meren zich voor hun oogen ontrolde. Te Vinje, waar zij een oogenblik toefden, werd Christina door een Noor aangesproken, die haar in buitengewoon leelijk Engelsch vroeg hoe het land haar beviel.
Ivar vertelde haar dat deze zijn Engelsch waarschijnlijk in Amerika geleerd had; vele Noren toch zoeken in den vreemde een kapitaaltje te verdienen om zich daarmede in hun eigen vaderland een rustigen ouden dag te verzekeren.
Van Vinje steeg de weg naar het plateau van het Opheims Vand '), en Christina verzonk in gedachten toen zij het sombere meer zag, waarin zich de donkere dennenbosschen en de met sneeuwvelden doorgroefde bergriffen spiegelden. Steeds indrukwekkender werd het landschap tot zij Stalheim bereikten en in den diepen bergpas van het Naerödal neer-blikten. Op hetzelfde oogenblik hadden zich eenige
') Vand = meer.
10
blauwachtige regenwolkjes om de naakte kruinen van den Jordalsnut en de naburige bergtoppen gelegerd, zoodat de vallei beneden in een schaduw gehuld bleef.
âMoeten wij daar afdalen?quot; vroeg Christina met een lichte huivering. âDe weg ziet er niet erg aanlokkelijk uit, als ik alleen was, zou ik bang zijn. Het is mij als prevelen die bergen het een of ander onverstaanbaar dreigement tegen ons, nietige insecten. Waarom zijn wij niet even sterk als zij ? Doch geef mij de hand, Ivar, ik moet voelen dat ik iemand bij mij heb. Deze natuur maakt mij angstig.quot;
âOok mij stemt zij somber, Christina, doch het is een somberheid, waarin men zich gaarne verdiept, gelijk in weemoedige muziek. Zij doet mij droomen van de zee en van verre, verre werelden.quot;
âMaar dat moogt gij niet, Tvar, ten minste nu niet. Gij moet mij bezighouden, mij opvroolijken. Toe, geef mij eens een lesje in het Noorsch, om mijn uitspraak moogt gij lachen zooveel gij wilt.quot;
âLachen! Daaraan hebben wij in het Naerödal geen behoefte, Christina.quot;
âMaar ik wel, Ivar! Zonder lachen zou ik niet kunnen leven.quot;
Nielsen was teleurgesteld dat Christina minder dan hij de woeste schoonheid van het landschap waardeerde, hij bedwong echter een opkomend gevoel van wrevel en trachtte haar wensch te vervullen. De pret zou echter slechts een gedwongene gebleven
11
zijn, indien niet de skydsgut een kloeke boerenjongen, die achter op de kariool zat, van harte daarin deelgenomen had. De grootsche somberheid van de kloof maakte niet den minsten indruk op hem, en zonder aarzelen liet hij zijn gezonden schaterlach te midden der zwijgende bergreuzen weergalmen. Zij waren ook zoo comisch, die mislukte pogingen der dame om zijn moedertaal te spreken! Zijn ongedwongen vroolijkheid werkte aanstekelijk, en lustige echo's vergezelden de reizigers gedurende het geheele traject van Stalheim tot Gudvangen. Toen bij het naderen der laatste plaats het Naeröfjord in het gezicht kwam, riep Christina:
âKijk eens, Ivar, weder een motief voor onze Scandinavische symphonie â een harmonie in groen. Doorschijnend groen water, smaragdgroen gras, blauwgroene pijnboomen op den achtergrond, en boven dat alles een hemel van appelgroen. Zulk een kleurenspel heb ik nog nooit gezien.quot;
âHet zijn de kleuren van den middernacht, Christina. Zoo ziet de duisternis er in Noorwegen uit. Daarboven op de bergen spelen de zonnestralen nog op de sneeuwvelden. Welk een contrast vormt die karmozijnen gloed met de schaduwen beneden.quot;
âJa! Ik had geen idee dat die kloof zoo duister en somber was, zij scheen licht genoeg toen wij er
') Skydsgut = de voerman Aelast met het terugbrengen der ledige kariool, die de reizigers van het eene poststation naar het andere gebracht heeft. Meestal wordt dit ambt vervuld door den zoon van den postmeester of van den boer, die het paard stalt.
12
doorheen reden. Hoe wild is hier alles ! Onwillekeurig denk ik aan die spookgeschiedenis van De la Motte-Fouqué-Sintram en zijn makkers, â haast wel het ijselijkste verhaal dat ik ooit gelezen heb ; als meisje verslond ik het verscheidene keeren achtereen. En dan was er nog een boek, dat een vreeselijke beko-ring voor mij had, de Legende der Zeven Doodzonden! O, Ivar, somtijds huiver ik onwillekeurig bij de gedachte dat de zonde ook op ons haar schaduw werpt! En toch . . . .quot;
âEn toch?quot;
âNeen, niets.quot;
âNiets? Als gij op die wijze een zin afbreekt, weet ik dat er nog iets gewichtigs volgen moet.quot;
âInderdaad? Nu, misschien hebt gij wel gelijk. Ik wilde zeggen dat de zonde een veel hechteren band tusschen de menschen schijnt te vormen dan de deugd.quot;
âDat komt omdat hetgeen de wereld zonde noemt, in werkelijkheid slechts het recht der vrije keuze is.quot;
âLaat ons dat hopen,quot; antwoordde Christina.
Zij traden het eenvoudige, in den vorm van een chalet gebouwde hotel binnen, in welks eetzaal een helder vlammend vuur van tyri of harsachtig dennenhout een aangenamen gloed verspreidde.
âHoe prettig weer eens een vuur te zien!quot; riep Christina, terwijl zij, voor den haard staande, zich de handen warmde. âEigenlijk zijn wij menschen toch vol tegenstrijdigheden. In den winter smachten wij naar den zomer met zijn lange dagen, en zijn de lange
13
zomeravonden eens daar, dan bekruipt ons menigmaal het verlangen naar den gezelligen winter. Ik heb mij ten minste, als ik des zomers alleen thuis was, dikwijls op zulk een verlangen naar de neergelaten gordijnen en het koesterende hoekje nevens den haard met zijn knetterend houtvuur betrapt! Ach Hemel, ik vrees dat ik totaal geen neigingen voor ascetisme heb. Het is maar goed dat ik niet in een klooster gegaan ben! Vindt gij het niet bespottelijk dat ik er ernstig over gedacht heb, non te worden?quot;
âHet verwondert mij niet,quot; luidde Nielsen's antwoord. âGij hadt een ideaal en wildet het verwezenlijken. Toch zoudt gij in het kloosterleven geen bevrediging voor uw ziel gevonden hebben, terwijl thans____quot;
Zij zagen elkander aan, en in hun oogen blonk een glans, helderder dan de flikkering van het vuur en der waskaarsen. Na het avondeten brachten zij een halfuurtje op het balkon van het hotel door, verzonken in de beschouwing van den aanbrekenden dag, die langzaam over de bergen kruipende, de hoog gelegen watervallen verguldde, terwijl het stille fjord aan hun voeten in sombere rust verdiept lag.
HOOFDSTUK II.
DE THUISKOMST.
Den derden dag na hun vertrek uit Bergen stonden Christina en Ivar, de eenige salon-passagiers, op het dek der stoomboot Alden, die van Aardal naar Solvörn koers zette.
Solvörn ligt aan het Lyster Fjord, den laatsten en langsten zijtak van het eenzame Sogne-Fjord. Het azuur van den hemel werd door de phantastisch gevormde wolken getemperd, en de breede schaduwen, die het zwerk over het zwarte gneis en de groene eeuwenheugende pijnboomen wierp, smolten in toon te zamen met de afkaatsing van de rotsen in het fjord. En hoog boven dat waas van blauw rezen de sneeuwtoppen, soms uit een wolk te voorschijn komende, die dagen en dagen daar hangen bleef. Niets verbrak de diepe stilte der natuur tot de boot langs een vooruitspringende rots een anderen arm van het fjord binnenstoomde; toen werden de zilveren lijnen, die de bergwanden doorsneden, breede ruischende en bruisende watervallen, wier schuim als stofregen op de boot terugspatte. Hun geklater
15
klonk als een klokkenspel, hier teruggekaatst door de naakte rotsen, ginds wegsmeltend in de met groen loof begroeide hellingen.
Een paar minuten later liep de boot de kleine baai van Solvörn binnen, en paarde zich aan het gonzen der watervallen het vroolijk gesnap der op de Alden wachtende landlieden. Toch smolten beide geluiden niet ineen, zij schenen slechts toevallig en voor een oogenblik de heerschende stilte te verbreken. Zoo doet het suizen van der; wind door het gebladerte den wandelaar de kalmte des wonds des te meer beseffen.
âZiehier onze echte Scandinavische symphonie,quot; sprak Christina.
âVindt gij niet?quot; antwoordde Ivar. âIk ben zoo blij dat gij oog hebt voor onze natuur! Ja, uit deze bron heb ik mijn eerste inspiraties geput, zij bracht de melodieën tot mij, gelijk de wind een echo of een stoot uit een jagershoorn voortdraagt. Toch scheen er vroeger aan deze natuur iets te ontbreken, zij was als een standbeeld, volmaakt van vormen, doch levenloos. Thans leeft zij en schijnt zij tienmaal schooner. En de levengevende en bezielende kracht zijt gij.quot;
Hoewel Christina zich langzamerhand aan Ivar's eigenaardige zegswijzen gewende, scheen haai' na zijn laatste opmerking zeker licht op te gaan. Kon het zijn dat hij niet haar, de onvolmaakte aardsche vrouw, beminde, maar een ander wezen met haar trekken en gestalte, doch in het bezit van eigen-
16
schappen, die slechts de vrucht eenev dichterlijke verbeelding waren? Eenigen tijd bleef zij in gepeins verzonken.
âKom, laten wij een kop thee drinken!quot; sprak zij eindelijk, met een poging om zoowel Ivar als zichzelf tot de werkelijkheid terug te roepen. âOp dat punt ben ik nog echt Engelsch, zonder afternoon-tea zou ik het niet kunnen stellen. Willen wij ze op het dek gebruiken?quot;
Ivar haastte zich den hofmeester de noodige bevelen te geven, terwijl Christina naar het uitladen van eenige hitten keek, die van uit het ruim der boot geheschen en met een zwaai op de landingsplaats te Solvörn neergelaten werden. Het gezicht was voor haar geheel nieuw en vervulde haar met kinderlijke vroolijkheid en belangstelling, doch zoomin ais toevallige geluiden aan het landschap zijn karakter van bergeenzaamheid konden ontnemen, evenmin kon een voorbijgaand schouwspel haar doen vergeten dat een menschenhart aan iets meer behoefte heeft dan aan de vreugde van een oogenblik.
De stoomboot zette haar tocht voort, en Ivar kwam met de thee op het dek terug. Zij deden elkander als dartele kinderen bescheid met den onschuldigen drank en gingen vervolgens bij de verschansing zitten, zich geheel aan een zalige vergetelheid overgevend. Het was hun reeds een genot om te leven, en Christina kon een glimlach niet onderdrukken bij de gedachte aan Calvin Mortimer's bewering dat het leven slechts was een meedoogen-
17
looze strijd tegen stoffelijke krachten, in welken kamp de sterkste overwinnaar bleef, Zij lachte eveneens toen zij zich herinnerde, hoe men haar als meisje het leven als een worsteling met onstoffelijke machten had leeren beschouwen, en tevens als een voorbereiding voor een bestaan, waarin de ontwikkeling zonder strijd voorwaarts schrijdt.
Het landschap werd inmiddels steeds woester en schooner. Het fjord scheen een smalle rivier, van alle kanten door steile wanden ingesloten, die op enkele plaatsen loodrecht uit het groene water oprezen. Honderden watervallen vielen als zilveren kettingen in één straal neer of gleden als slangen van sneeuw langs de glibberige rotsvlakten. Boven de groepen denneboomen, die het fjord als een gordel omzoomden, stegen hier en daar wolken damp op, die aan den rook van kampvuren deden denken; dat waren de plaatsen waar het water zich in de steenen afvoerkanalen stortte, welke het verder naar het fjord leidden. Van het dek der stoomboot af zag men nauwelijks eenige beweging in het vallende water, doch de lucht was vol van een sissend gefluister.
âLachende watervallen!quot; meende Christina, in die opmerking een gereede aanleiding vindend om zelf mede te lachen. Toch was de benaming niet geheel juist, het geluid geleek meer op een zich steeds herhalend âSst.quot;
De stoomfluit klonk om den wachtenden te Skolden, een klein dorp aan het hoofd van het Lyster Fjord,
VERLOREN GELOOF. II. 2
18
de nadering der boot aan te kondigen. Het geluid werd tusschen de bergen teruggekaatst als ware het de echo van een hoornsignaal, dat door den wind van de Jotunheimtoppen naar beneden gedragen werd. Daarop stoomde het schip met een korten draai naar den oever, en een oogenblik later stonden Christina en Ivar op de ruwe landingsbrug van blokken ongehakt dennenhout.
Zij wachtten tot hun bagage op een gereedstaande stolkjaerre 1) gepakt was.
âHebben wij nog een lange reis te maken?quot; vroeg Christina.
âNeen, erg ver is het niet,quot; antwoordde Ivar.
âDus bereiken wij vanavond de plaats onzer bestemming ?quot;
âZeker, lieveling.quot;
âZeg mij eens, Ivar, waar gaan wij eigenlijk heen?quot;
âNaar huis.quot;
âJa, maar waar is dat?quot;
âBoven in de bergen, aan den weg naar Jotun-heim. Ik heb mijn moeder geschreven dat wij komen.
âUw moeder? Gaan wij dan bij haar inwonen?
âVoorloopig wel. Ik zei u immers dat wij naar
huis gingen.quot;
âIk wist niet dat gij uw ouderlijk huis bedoeldet, eigenlijk dacht ik er niet verder over na omdat iedere plek, waar wij te zamen zijn, voor ons een tehuis is. Doch hoe zult gij uw moeder en huis-genooten uitleggen ...quot;
â¢) Stolkjaerre = Noorsoü rijtuigje voor één of twee personen.
19
âUitleggen? Er valt niets uit te leggen. Gij zijt immers mijn vrouw in de ware beteekenis van het woord, en zij behoeven niet te weten dat wij niet volgens de wet getrouwd zijn.quot;
âMaar is dat wel eerlijk, Ivar? Het is een misleiding, die mij tegen de borst stuit, omdat ik gevoel dat zij onzer onwaardig is.quot;
âMisleiding? Wie wordt er misleid? Ik beschouw u als mijn vrouw en noem u zoo, de nadere bijzonderheden gaan immers niemand aan. Bovendien doen wij beter de kinderachtige vooroordeelen mijner huisgenooten langs een omweg te bestrijden. De conventies zijn zwaar en koud en glibberig als de Boig in de sage van Peer Gynt, gij moet er omheen sluipen daar gij in een eerlijken kamp geen vat op haar hebben zoudt. Ja, de conventies kronkelen zich om de wereld heen gelijk de groote Boig zich kronkelde om den saeter, toen Peer Gynt dien betreden wilde. Kom, Christina, de stolkjaerre is gereed, over een uurtje zijn wij in Fortun en binnen drie uur in Liagaard. Mijn jonge vrouw moet er vroolijk uitzien als zij thuis komt.quot;
Christina glimlachte eenigszins weemoedig toen zij van uit de kariool een laatsten blik op het fjord geworpen had, en het rijtuig de richting van het Fortundal insloeg.
âHet kan mij toch spijten dat wij thans het fjord verlaten,quot; sprak zij.
âWaarom?quot;
âOch, het is altijd nog de zee, al zijn wij ook een
20
honderd en vijftig mijlen van de kust verwijderd. Hoe grappig, zoo vei' in het binnenland nog zout water te vinden; het begrip van de groote watervlakte der zee laat zich haast niet met deze overhangende bergen vereenigen.quot;
âWaarom doet het u leed, de zee te moeten
vaarwelzeggen ?quot;
âOch, zij heeft voor mij altijd zoo iets Engelsch, en haar vaarwel te zeggen schijnt mij het verbreken van den laatsten band, die mij nog aan het vaderland hechtte. Ik verbreek dien band gewillig genoeg, dat weet gij, doch wat ik te gemoet ga, is voor mij zoo geheel onbekend, terwijl zich aan hetgeen achter mij ligt vele aangename herinneringen vast-knoopen. Het is mij alsof ik een nieuw leven beginnen ga, zonder dat het oude mij iets geleerd heeft. Hoe donker is het hier, het lijkt wel alsof dit dal geen uitgang heeft. Zulke valleien zou ik mij zeei goed als door trollen bewoond kunnen voorstellen.quot;
âDe werkelijke trollen, zooals Ibsen zegt, wonen in ons binnenste. Ik geloof inderdaad dat hetgeen de menschen te allen tijde om zich heen hebben waargenomen, slechts de afschaduwing was van iets, dat reeds in hun binnenste bestond. Trollen zijn hartstochtelijke wenschen en gedachten, die volgens het beweren der oude mystici, een afzonderlijk leven leiden. Terwijl wij ze denken, scheppen wij nieuwe geestelijke wezens, die vervolgens in ons voortleven en ons ten vloek of ten zegen kunnen worden. quot;
Christina schoof haar arm in dien van Nielsen.
21
Evenals een kind in het donker., gevoelde zij behoefte dicht tegen iemand aan te kruipen, dien zij vertrouwde en liefhad.
âHet is of wij door de poort van het Rijk der Duisternis rijden,quot; sprak zij, toen de kariool den top van den heuvel bij Eide bereikte en het For-tundal in zijn gansche uitgestrektheid zichtbaar werd.
âIk vind het meer een omgeving voor een âGötter-dammerungquot;, zei Ivar.
Het tooneel spotte met iedere vergelijking. Vóór hen lag de diepe duistere kloof, ingesloten door rotswanden, die met de regelmatigheid van torenverdiepingen op elkander gestapeld waren en van uit de purperen donkerheid beneden tot het kille grijs der steenachtige hellingen omhoog oprezen. Links zag men het lange smalle meer, Eidsvad genaamd, waarin de boomen zich helderder afspiegelden dan zij voor het oog tegen de sombere bergvlakten schenen uit te komen. Tegen de zwarte rotsen rechts hing de onvermijdelijke waterval, tartend wit in het halve licht, en hoog boven het nauwe dal strekte zich een lange bergrug uit, zalmkleurig getint door de ondergaande zon, die voor de bewoners beneden in het dal reeds lang schuilgegaan was. Als een treffend beeld van den winter zette de met sneeuw bedekte koepel van den Fanaraak een kroon op dit tafereel van wilde Noorsche schoonheid. Het denkbeeld van volstrekte stilte scheen zich zoozeer met de omgeving vereenzelvigd te hebben, dat Christina bijna ontstelde
toen twee Noorsche melkmeisjes plotseling, vroolijk zingend, van achter een rots te voorschijn kwamen. Toch gaf haar verschijning een welkome afleiding, weldadig aandoende gelijk een paar maten ongekunstelde melodie te midden der ingewikkelde en moeilijk te begrijpen passages eener klassieke symphonie.
Nadat zij het meer voorbijgereden waren, opende zich plotseling het dal, en rolde het rijtuig over een vriendelijken weg langs smalle beken met groene zoomen naar het plaatsje Fortun. Christina kon haar lachlust niet bedwingen bij het gezicht der vermiljoenrood geschilderde kerk, die met de groene vlakte, waarop zij gebouwd was, zulk een schril contrast vormde.
âDe kleur is schel genoeg,quot; beaamde Ivar. âIn den winter hebben wij echter behoefte aan wanne tinten.quot;
Een mijl of zes achter Fortun eindigde de weg plotseling ineen woestenij van steenen en rotsblokken, klaarblijkelijk de voorjaarsbedding van een bergstroom. Thans, in den zomer, vormde deze slechts een smalle beek, waarover men ten gerieve der voetgangers een wankelend houten bruggetje geslagen had.
âHier moeten wij uitstappen!quot; sprak Ivar. âIk hoop dat gij niet tegen een kleine wandeling opziet, een weg is er niet daar er nog geen toeristen dezen kant uit komen. De pony zal onze koffers naar boven dragen. Kijk, ginds boven op die rots ligt het huis, zoo erg hoog behoeven wij dus niet te klimmen.quot;
23
Christina stapte zonder een woord te spreken uit het rijtuig.
Het was inderdaad een vreemde thuiskomst, en geen gezellige. De nevels, die van de hooggelegen sneeuwvelden neerdaalden, waren kil en deden Christina zich dichter in haar reismantel hullen. De koude dampkring scheen alle zonnewarmte te hebben verloren, en de uitgedroogde stroombeddingen en kloven in de hellingen der bergen zagen er uit als leelijke zwarte litteekens. Men hoorde niets dan het zachte maar onophoudelijke geklater van het bergstroompje en het gedreun van een waterval in de verte. Een forsche man, leunende op een stok, stond aan den anderen kant van het bouwvallige bruggetje.
âWie is dat?quot; vroeg Christina.
âMijn oom ïhorgheim, een broeder van mijn vader, die, sedert moeder weduwe is, onze boerderij bestuurt. quot;
âMaar waarom blijft hij daar zoo stil staan en komt hij niet hierheen om u ... en mij te begroeten ? Verstaat hij Engelsch?quot;
âHij zal u aan de overzijde van den stroom verwelkomen. Erg welbespraakt is hij niet, doch hij kent een beetje Engelsch.quot;
Christina stak langzaam de brug over met een gevoel alsof de stroom onder haar de Rubicon was. Thorgheim Nielsen strekte de hand uit om haar over een rotsblok aan den anderen oever heen te helpen. âWelkom in ons vaderland en in Liagaard,quot; sprak hij met een eigenaardigen keelklank. âHet is hier
24
een arm landje, bij Engeland vergeleken. Veel minder geld en veel minder vleesch, maar ik hoop dat gij het toch goed bij ons hebben zult, hè?quot; En hij eindigde met een norschen lach, die Christina ontstellen deed, zoodat zij Ivar aanzag om voor haar te antwoorden.
Ivar sprak eenige volzinnen in het Noorsch, waarvan zij slechts het woord troett verstond, dat vermoeid beteekende. Zij was inderdaad vermoeid, meer zelfs dan zij wilde bekennen, want op het enthusiasme van het eerste deel der reis volgde de onvermijdelijke reactie.
Thorgheim Nielsen bleef achter om het oog te houden op het vervoer der bagage, en Christina en Ivar beklommen met hun beiden een steil bergpad. De weg liep door een donker sparrenwoud, en naarmate men steeg, werd de lucht meer en meer vervuld met een bulderend geraas, terwijl tusschen de boomen door iets wits glom, als een kolossaal groot stuk linnen, dat in den wind te drogen hing. Steeds smaller werd het pad, dat thans langs den rand van een duizelingwekkenden afgrond voerde, in welken men diep beneden den stroom hoorde bruisen. Nog iets verder stortte zich aan de andere zijde van de kloof te midden van een wolk opstuivend schuim een ontzaglijke watermassa in een ziedenden poel neer. Bij het halve licht van den Noorschen nacht geleek deze val een groote witte baard, die van een vooruitstekende rotslip naar beneden hing. Het was een schouwspel, dat (Christina moest het er-
25
kennen) in huiveringwekkende schoonheid niet licht zijn wedergade vinden zou. Zij dacht aan de stroomen, waarvan de oude legenden verhalen, bewoond door booze geesten, die er op belust zijn, de menschen tot hun prooi te maken.
âEenig, nietwaar?quot; zei Ivar. âHet is de Lia Fos, een van de schoonste watervallen in dit gedeelte van Noorwegen. De toeristen hebben hem echter nog niet ontdekt.quot;
âIk zou hem liever bij zonlicht willen zien,quot; antwoordde Christina. âIk ben nu te vermoeid om iets, wat het ook zij, op prijs te kunnen stellen. Ook maakt de afgrond mij duizelig. Geef mij uw arm, Ivar. Is het huis nog ver van hier?quot;
âNeen. Gij kunt het reeds zien; mijn moeder staat ons aan de deur op te wachten.quot;
âSpreekt zij Engelsch?quot;
âMaar een paar woorden.quot;
Zij verwijderden zich van den afgrond en kwamen, na het oversteken van een stuk weiland, in het gezicht van een lang, laag en van hout opgetrokken gebouw met een voorportaal in het midden. Eenige treden voerden opwaarts naar den drempel, op welken een reeds bejaarde vrouw stond. Zij droeg een kap van gesteven linnen en hield de hand boven haar oogen gt; om de reizigers beter te kunnen opnemen.
âModer! Min Brud!quot; zei Ivar Nielsen, Christina voorstellend. Zij meende dat deze woorden ; âMoeder! Mijn jonge vrouw!quot; beteekenden.
De oude vrouw legde haar de handen op de
26
schouders en keek haar strak in het gelaat. Christina sloeg onder dien uitvorschenden blik blozend de oogen neer.
âTaler De Norsk? Spreekt gij Noorsch?quot; vroeg Fru Nielsen.
Christina antwoordde met een ontkennend gebaar, en de moeder overstroomde daarop haar zoon met een vloed van Noorsche woorden, welke Ivar het voorhoofd deden fronsen, terwijl hij zich met kwalijk verborgen ergernis op de lippen beet.
,Wat zei zij zooeven ?quot; vroeg Christina, toen zij en Ivar de huiskamer binnentraden en Fru Nielsen zich naar de keuken begeven had om het avondeten in gereedheid te brengen.
âZij vond het jammer dat gij geen Noorsche waart en dat wij ons niet naar de wijze van het land hebben laten trouwen. Zij had een Noorsche bruiloft gewenscht, die een week duurt, in welken tijd men niets doet dan feestvieren en dansen, terwijl de sendingsfolk, de bruiloftsgasten, van heinde en ver met geschenken van allerlei aard komen aandragen. Doch wees niet ongerust, mijn moeder is ouderwetsch en bevooroordeeld, als zij u eenmaal kent, zal zij zeker van u gaan houden.quot;
âIk wou dat wij op onszelf konden wonen, Ivar.quot;
,Dat zullen wij ook, lieveling. Tn den winter als Liagaard geheel door het ijs ingesloten is en men per slede overal heenreizen kan, gaan wij naar Christiania, of nog zuidelijker als het daar te koud voor u is. Doch ik hoop op Christiania, de kapelmeester
27
Bergholdt heeft mij reeds over een engagement geschreven. Ah, daar is oom Thorgheim : de goede man draagt uw vioolkist alsof het een koffertje met slangen ware.quot;
Terwijl Ivar de kamer verliet om zijn oom met de bagage te helpen, kwam Fm Nielsen binnen met een bord fladbrod en een schotel forellen. Nadat zij deze op de tafel neergezet had, vroeg zij Christina in gebroken Engelsch: âGij, Engelschen, rijk, nietwaar? Rijk?quot;
âIk ben heel arm,quot; antwoordde de jonge vrouw met een flauwen glimlach.
âArm! Wij hebben geen armen noodig! Armen genoeg in Noorwegen!quot; merkte Fru Nielsen met een ontevreden blik op. âIvar is arm, moet een vrouw met geld hebben.quot;
Christina huiverde.
âIk heb een klein kapitaaltje,quot; antwoordde zij. u Duizend pond, dat is dertig pond rente in het jaar.quot;
âDuizend Engelsche ponden! Dat is achttien duizend Kronen, maar dat is al heel weinig. In ieder geval is het niet genoeg voor Ivar om steeds hier te kunnen blijven en op de hoeve mede te helpen. Het zal Helga spijten.quot;
âWie is Helga?quot; vroeg Christina.
âIvar's nicht. Gij hebt thans haar plaats te Lia-gaard ingenomen. Zij is naar Sognedal en komt de volgende week terug. Ivar en zij houden veel van elkaar.quot;
Op dat oogenblik kwamen Ivar en Thorgheim terug, en zette mdïi zich aan den maaltijd. Christina scheen echter haar eetlust verloren te hebben.
HOOFDSTUK III.
HELGA.
Christina deed Ivar geen enkele vraag omtrent Helga. Hoe licht zou hij uit zulk een vraag een bij haar bestaande jaloerschheid kunnen afleiden en zich in zijn gevoelens van liefde gekrenkt achten! Want veinzen kon zij niet, en zij wist dat alle pogingen, die zij mocht aanwenden om haar argwaan te verbergen, dien ai'gwaan juist zouden verraden. Zij verlangde er naar, Helga te ontmoeten, waardoor ten minste een eind aan die pijnlijke onzekerheid zou komen, terwijl zij hoopte in het jonge meisje een vriendin te vinden. Ja, zij was vast besloten, haar vriendschap te veroveren, want in weerwil van Ivar's optimistische zienswijze dat zijn moeder Christina slechts had te leeren kennen om haar lief te krijgen, bleek het iederen dag duidelijker dat Fru Nielsen haar hart gesloten hield voor de vrouw, die haar zoon zich tot gezellinne gekozen had. Hierbij kwam dat ook Ivar zich minder dan te voren met haar scheen te bemoeien.
De reden was niet ver te zoeken: wel is de liefde een voortreffelijke zaak, doch men moet er.
29
evenals van zoetigheden, een matig gebruik van maken. Het gewone brood van den dagelijkschen omgang moet uit vastere bestanddeelen dan passie, poëzie en muziek bestaan. Christina voelde dan ook dikwijls een zekere leegte en hunkerde naar de sympathie en het gezelschap van iemand van haar sekse.
Wat Ivar betreft, hij had zijn oom Thorgheim om mede te praten en te rooken; wel waren beide mannen uiteenloopende naturen, doch als bloedverwanten ontbrak het hun toch nooit aan stof voor een alledaagsch discours. Ivar hield er van, als hij niet door zijn muzikale denkbeelden geïnspireerd werd, den aangeboren lust voor het boerenbedrijf bot te vieren en, terwijl hij met Thorgheim in de zon zat te rooken, uren lang over onderwerpen van zuiver plaatselijken aard te keuvelen. In zulke oogen-blikken was Christina geheel aan zichzelf overgelaten, want de aanblik van Ivar Nielsen, den landbouwer, verdroeg zich niet met haar liefde voor Ivar Nielsen, den dichter-musicus. Zij trachtte met den oom vriendschap te sluiten, doch diens zonderling Engelsch en de inwendige, klokkende lach, waarmede hij al zijn opmerkingen besloot, maakten dat zij zich in zijn tegenwoordigheid nooit recht op haar gemak gevoelde. Hij scheen voortdurend schik te hebben in de handigheid, waarmede hij zich in een vreemde taal uitdrukte, hetgeen een gesprek met hem uiterst vermoeiend maakte.
Toch had Christina ook haar uren van zalig geluk. Somtijds besteeg zij met Ivar de berghoogten langs
30
het ruwe pad, onder den naam van winterweg naar Jotunheim bij liet landvolk bekend. En als zij de schuimwolken van den Lia Fos ver beneden zich gelaten hadden, verrezen voor hun geest allerlei tooverphantasieën, die Nielsen bij hun thuiskomst in muziek overbracht. Dan speelden zij te zamen de nieuwe composities, zij op haar viool, hij op de piano, en de harmonie tusschen de trillende snaren scheen ook hun zielen nader tot elkander te brengen. Slechts een enkele maal werd deze harmonie verstoord als Ivar's moeder hoofdschuddend om het hoekje van de deur gluurde, terwijl zij op verachtelijken toon iets bromde van het verspillen van den kostelijken tijd, dien men in huis of op het veld zooveel nuttiger besteden kon.
â Met u is het een ander geval,quot; zei Fru Nielsen eens tot haar zoon. âGod heeft uw lichaam niet voor het ruwe werk geschapen, maar zij ... . zij is geen husfru, doch een fijn dametje! Zij zegt dat zij geld heeft; als dat zoo is, waarom steekt zij het dan niet in den grond, opdat het honderdvoudige vruchten voortbrenge? Waarom hebt gij geen bruid in het oude Noorwegen gezocht? Gri] wist dat Helga op u wachtte.quot;
Ivar lachte en zweeg. Zoo nu en dan was die vraag ook bij hemzelf opgerezen.
Tien dagen wai'en sedert Christina's komst te Liagaard verloopen. Helga werd uit Sognedal terug verwacht, en Ivar had zich op weg begeven om haar tot Skjolden te gemoet te gaan. Christina vroeg
31
zich af wat hij gevoelen zou wanneer hij met zijn nichtje door die donkere kloof reed; zij, voor zich, zou de herinnering aan dien tocht niet hebben willen ontheiligen door alleen met een anderen man dien zelfden rit te maken, maar hij . . . ! Zij zuchtte en wachtte bij den hoek van het pad tegenover den waterval Helga s komst af. Een langen tijd hoorde zij niets dan het eentonig gedreun van het neerstortende water en het gesuis van den wind door het loof der berken. Eindelijk werd de stilte verbroken door den klank van vroolijke stemmen en het gelach van een man en meisje, bezig allerlei streken uit hun jeugd op te halen. Christina's eerste aandrift bij het hooren dier vroolijkheid was naar huis terug te keeren, doch weldra begreep zij dat, daar Ivar en Helga van hun kindsheid af te zamen opgegroeid waren, er volstrekt geen reden bestond zich over hun vertrouwelijkheid te verbazen of te ergeren. Zij bedwong zich dus en bleef waar zij was. Een oogenblik later verscheen Ivar; hij droeg een klein koffertje in de hand en werd gevolgd door een vrouw, die, naast Christina's statige gestalte, haast een kind geleek. Christina was grooter, Helga daarentegen kleiner dan Ivar. Toch was haar ranke gestalte volkomen goed geëvenredigd, en haar geheele wezen ademde gezondheid, jeugd en levenskracht. Zij had het blonde haar der Noorsche vrouwen, haar oogen waren blauw als het bergmeer en haar tanden wit als de sneeuw op de Jotunheimtoppen.
Ivar stelde Christina met de woorden voor, die
32
hij ook tegenover zijn moeder gebezigd had: âMin brud.quot; Daarop ging hij lachend voort: âMin brud is de donkere roos van Damascus, gij, Helga, zijt de kapel. Ik denk over een nieuwe compositie met drie motieven: de roos, eenzaam bloeiende in den tuin, de dichter, die haar geur komt inademen, en de fladderende kapel, wier doel het is, zijn aandacht af te leiden.quot;
âMaar gij behoordet geen kapellen te jagen,quot; zei Helga.
âEvenmin als men rozen behoorde te plukken,quot; antwoordde Ivar.
âZij hebben doornen,quot; voegde Christina er aan toe.
âAnders zouden het geen rozen zijn,quot; zei Ivar. âHet einde mijner geschiedenis zou waarschijnlijk zijn dat de kapel door een van de doornen der roos gewond werd.quot;
âOf dat de arme roos stierf, veronachtzaamd door den dichter, die liever de kapel najaagt!quot; sprak Christina.
âZoowel het eene als het andere slot is artistiek gedacht,quot; verklaarde Nielsen, terwijl hij vooropging naar de ouderlijke woning. âVindt gij Helga niet bekoorlijk?quot; vroeg de musicus, toen zijn nichtje-haar kamer opgezocht had. âZij gelijkt inderdaad op een vlinder, behalve dat zij nijver is, en meer doet dan hier en daar wat honig nippen. Met haar helder gelaat en haar blauwe oogen schijnt zij een kind, dat nog geen ernstige gedachten kent. Teeder, vlug en veelbelovend, heeft zij al het betooverende van
33
de lente! Zij doet mij steeds denken aan bladeren en bloemen, gij aan bergtoppen en stormen. Gij zijt het diepe fjord, zij de ondiepe watervlakte, wier rimpels door de zonnestralen gekust worden.quot;
Christina antwoordde niet, met moeite bedwong zij een opwellende gedachte, die haar liefde in bitterheid dreigde te veranderen. Ivar sprak over zijn nicht even oprecht als gold het een zuster, en zeker zou Christina zijn sympathie voor de speelkameraad zijner kinderjaren gebillijkt en gedeeld hebben, indien zij de wettige positie van echtgenoote naast hem bekleed had. Doch het feit dat Christina's betrekking tot Ivar enkel in de liefde baar waarborg en steun vond, maakte haar angstig voor alles, wat die liefde ook maar eenigszins kon aantasten. Zoo bracht Helga, het zonnetje van den huize volgens Fru Nielsen, voor Christina een schaduw van vrees en zelfverwijt mede.
De overgeërfde tradities en oude herinneringen der jonge vrouw, die volgens het oordeel van Calvin Mortimer bij de meeste menschen nooit geheel kunnen afsterven, werden door Helga's tegenwoordigheid opnieuw wakker geschud. Wanneer zij haar ook zag, Helga scheen altijd gelukkig, steeds bezield door de ongekunstelde, reine vreugde der onschuld. Ook Christina had nu en dan oogenblikken van intens emotie-genot, doch in het binnenste van haar hart voelde zij dat het een zondig en een angstwekkend genot was. Onschuldige vroolijkheid is steeds een levend verwijt voor schuldig geluk.
VERLOREN GELOOF. II. 3
34
Dan was Christina, althans in Fru Nielsen's oogen, een luiaard, Helga daarentegen een nijvere bij. Ivav zag Christina gaarne fraai gekleed, Helga aanschouwde hij liefst in haar werkpakje en schort, bezig zijn moeder in de huishouding te helpen. Het is verschrikkelijk voor een vrouw, niets te doen te hebben, en dikwijls zuchtte Christina over de verbeuzelde uren, die haar zelfs naar de schooldagen in het klooster deden terugverlangen.
âLaat mij u toch eens helpen!quot; sprak zij op zekeren dag tot Helga, toen het jonge meisje zich gereedmaakte brood te gaan bakken.
âHet verwondert mij dat gij het niet eerder gevraagd hebt,quot; antwoordde Helga. âHet leegzitten, als Ivar uit is of zijn partituren schrijft, moet verschrikkelijk vervelend voor u zijn. Ook wordt gij, mocht er eens iets met tante gebeuren, meesteresse hier in huis. Als Ivar's echtgenoote hebt gij recht op uw deel van het werk.quot;
Het woord âechtgenootequot; trof Christina als vlijmend staal, doch zij bedwong haar opwelling om dien titel af te wijzen, en volgde Helga naar de keuken. Toen Fru Nielsen haar schoondochter met opgestroopte mouwen en een voorgespeld schortje zag binnenkomen, trok zij de wenkbrauwen op. Zij sprak echter geen woord en begroette alleen Christina's pogingen om Helga te helpen met een tamelijk verachtelijken blik. Helga maakte fladbrod en andere baksels, die er aanlokkelijk en zelfs sierlijk uitzagen, doch die, droog gegeten en ook wegens hun
35
taaiheid, voor het verhemelte van den vreemdeling steeds een onsmakelijke kost blijven.
âMag ik voor een enkele maal eens een Engelsch brood bakken?quot; vroeg Christina. âHet uwe begir;t mij zoo tegen te staan, al houdt het, volgens uw beweren, de tanden wit. Er gaat niets boven Engelsch eigengemaakt brood. In Holywell heb ik het eens gebakken, en men vond het toen zeer lekker.quot;
âHolywell! Wat is dat voor een wel?quot; vroeg Helga.
âHet is een stadje in Wales, zoo genoemd naar een bron, die aan de Heilige Winfriede gewijd is. De menschen drinken het water om van hun kwalen genezen te worden â zoo iets als Lourdes in Frankrijk.quot;
âGelooft gij er aan?quot;
âIk weet het niet. Vroeger wel. Ik heb er menschen zien genezen.quot;
âWie was de Heilige Winfriede ? Het verwondert mij dat er in het practische, Protestantsche Engeland zulk een plek bestaat.quot;
â0, de bron behoort aan de Katholieken.quot;
âZijt gij dan Katholiek?quot;
Christina zweeg. Toestemmen wilde zij niet, doch evenmin kon zij het geloof, waarin zij grootgebracht was, openlijk verloochenen.
âIk zie het al!quot; zei Helga. âNeen, maar! Welk een vreemd gevoel moet het zijn, Katholiek te wezen en aan den Paus, aan beelden en dergelijke dingen te gelooven. Ik zou er maar niet met tante
36
over spreken; als zij het weet, houdt zij u voor een verloren ziel.quot;
Doch Fru Nielsen had het gesprek gehoord, en het woord Paus deed haar de waarheid vermoeden.
âDus getrouwd met een afgodendienares! Dat Ivar mij dat op mijn ouden dag nog moest aandoen!quot; sprak zij in het Noorsch tot Helga.
Christina, die sedert de vroolijke les in het Naerö-dal belangrijke vorderingen in het Noorsch gemaakt had, verstond de opmerking en boog zich met een gloeiend gelaat over den trog, waarin zij haar deeg kneedde. Het was een nieuwe ervaring dat men haar haar godsdienst euvel duidde; vroeger had men haar wel eens haar gebrek aan geloof kwalijk genomen. Er werd echter geen woord meer gesproken, en zij schoof haar brood in den oven. Kort daarop kwam Ivar in de keuken.
âIk tracht tot den rang van husfru op te klimmen !quot; zei Christina, hopend een aanmoedigend lachje van hem te ontvangen. Doch zij bedroog zich.
âDit is uw werk niet,quot; antwoordde hij. âMoeder en Helga kunnen alles doen wat er te doen is. Het werk bederft u, ik zie u veel liever in rust. Herinnert gij u hoe ik u eens in het schemerlicht van den salon zag zitten, een beeld van den zomer met de lente in zijn armen? Zoo zie ik u het liefst!quot;
â0, Ivar, hoe kunt gij mij daaraan herinneren?quot; zei Christina met een door tranen verstikte stem.
De twee andere vrouwen keken van haar werk
37
op en zagen haai' met een nieuwsgierigen blik aan. Ivar beet zich op de lippen.
âNeem mij niet kwalijk,quot; stamelde hij verlegen. âIk wilde u niet kwetsen.quot;
âKwetsen!quot; riep Helga. âWaarom zou zulk een aardig complimentje kwetsend zijn?quot;
âO, het was een kind â een dood kind, dat zij op haar schoot had, hetgeen mij aanleiding gaf haar met den zomer te vergelijken, die de gestorven lente in de armen houdt.quot;
Christina zag hem met een medelijden wekkend gelaat aan en verliet de keuken. Ivar volgde haar naar hun slaapkamer, doch zij had de deur afgesloten. Op zijn smeeken deed zij open, en toen hij binnentrad, wierp zij zich in zijn armen, uitroepend : âO, Ivar, laat ons toch van hier gaan! Mijn geluk bestaat enkel en alleen in uw liefde, en als ik langer hier blijf, zal ik ook die verliezen.quot;
âWaarom zoudt gij?quot;
âUw moeder . . . !quot;
âMijn moeder ? Gij moet van haar leeren houden juist omdat zij mijn moeder is.quot;
âMaar hoe is dat mogelijk als zij mij niet liefheeft? Zij houdt slechts van Helga en toont mij ieder oogenblik dat ik een indringster ben.quot;
âNatuurlijk houdt zij van Helga. Zij heeft haar grootgebracht en beschouwt haar als een eigen kind. En Helga is zulk een flinke werkster, altijd even opgeruimd en vroolijk. Waarom probeert gij niet een beetje op haar te gelijken?quot;
38
âIk probeer het, doch ik kan mij niet anders voordoen dan ik ben. 0, die valsche positie hier begint mij zoo te hinderen, waarom erkennen wij de werkelijke betrekking niet, die er tusschen ons bestaat? Wij beschouwen haar immers als gerechtvaardigd.quot;
âJa, doch moeder en Helga zouden er anders over denken. Ik vrees zelfs ...quot; En hij brak eensklaps af.
âXu, wat vreest gij?quot;
âDat men u geen geschikt gezelschap voor Helga
zou vinden!quot;
âIvar, durft gij zoo iets aan mij te zeggen?quot;
âBegrijp mij goed; ik beweer het niet, doch men-schen, die aan conventies hechten, zouden er zoo over kunnen denken. En moeder en Helga zijn zulke menschen. Doch laat ons hierover niet langer praten, wasch uw tranen af en kom met een vroolijk gezicht beneden. Men mocht anders eens denken dat er iets achter school.quot;
En inderdaad, Fru Nielsen's nieuwsgierigheid was reeds gaande gemaakt.
âHoe zou zij aan dat doode kind gekomen zijn? had zij aan haar nicht gevraagd, waarop deze met de ouergdenkendheid der onschuld geantwoord had: âMisschien was zij weduwe toen zij trouwde.
Doch Ivar's moeder was niet overtuigd, en zij mompelde dien dag telkens: âMijn zoons vrouw met een dood kind . . . een dood kind!quot;
Alleen zijnde, trachtte Christina zich met kalme gelatenheid een gedragslijn voor de toekomst in te
39
prenten. Zij dacht aan wat zij vroeger eens gelezen had over een berusting, die niet zonder verzet gepaard gaat, en besloot zich voortaan niet alles te laten welgevallen, doch een recht te doen gelden op de positie, die haar, naar men geloofde, toekwam. Zij zou Fru Nielsen en Helga toonen, dat zij Ivar's vrouw was en verlangde als zoodanig behandeld te worden. Met dat doel zette zij zich 's avonds tegenover Ivar aan het hoofd der tafel, en niet naast hem aan het benedeneinde, zooals zij voor dien tijd steeds gedaan had. Nu was dit echter in Noorsche oogen, zelfs al ware zij werkelijk de vrouw van den heer des huizes geweest, een vergrijp tegen den eerbied en het ontzag, aan den ouderdom verschuldigd.
âDat is de plaats van mijn moeder,quot; zei Ivar ernstig.
âHet doet er niet toe,quot; merkte Fru Nielsen op. âUw vrouw heeft haar Engelsche manieren medegebracht, en daar zij uw vrouw is, moeten wij er ons aan onderwerpen.quot;
âMijn vrouw zal aan mijn moeder den verschul-digden eerbied niet onthouden,quot; luidde Ivar's antwoord. Overwonnen schoof Christina ter zijde, zij kon niet aandringen op een recht, dat haar feitelijk niet toekwam.
Helga merkte haar verlegenheid op en trachtte goedig de aandacht op iets anders te vestigen. âHebt gij reeds naar uw brood omgezien? Het zal thans wel klaar zijn,quot; sprak zij.
40
âIk heb het geheel vergeten,quot; antwoordde Christina, niet ongaarne de gelegenheid aangrijpend om de kamer te verlaten.
âEngelsch brood behoort in Engeland metEngelsche manieren gegeten te worden,quot; fluisterde Fru Nielsen haar zwager toe, doch niet zoo zacht of de opmerking werd ook door de andere aanwezigen verstaan.
Thorgheim grinnikte bij wijze van antwoord; gekibbel tusschen vrouwen amuseerde hem en werkte op zijn lachspieren. Inmiddels was Christina naar de keuken geijld, doch de moed ontzonk haar toen zij het ellendige vormlooze baksel zag, waarin het met zooveel zorg en goedgemeenden ijver klaargemaakte deeg veranderd was.
Helga, die Christina gevolgd was, kon haar lachen niet bedwingen.
âHoe zou het zoo komen ?quot; vroeg de jonge vrouw.
âIk weet het niet, doch misschien hadt gij er gist in moeten doen.quot;
âWel natuurlijk. Hoe dom van mij, hoe vreeselijk dom! Geen gist of geen bakpoeder of iets van dien aard! En i. . is het geslonken in plaats van gerezen!quot;
Helga lachte weder en liep, louter uit kinderach-tigen moedwil, met het ongelukkige misbaksel naaide huiskamer, waar zij het midden op de tafel neerzette, roepende: âEngelsch brood, Engelsch brood.quot;
âDat gegeten moet worden met veel beef, hè, ha, ha, ha!quot; grijnsde Thorgheim, met zijn knokkels op het harde deeg trommelend.
Fru Nielsen zweeg, doch haar minachtend lachje
41
was bitterder dan een hatelijk woord had kunnen zijn.
âTk zei u wel dat zoo iets geen werk voor u was,quot; sprak Ivar tot Christina.
âIn dit huis ten minste niet,quot; antwoordde zij, diep gegriefd. Helga zag haar verwonderd aan, zonder de reden dier verstoordheid te beselfen.
â.Zij heeft een slecht humeur,quot; dacht de jonge Noorsche, en van dat oogenblik af begon zij Ivar te beklagen.
Den volgenden morgen zag Christina van uit haar venster Ivar en Helga, druk in gesprek, heen en weer wandelen. Als bij intuïtie voelde zij dat men over haar sprak. Zij zag Ivar een ongeduldige beweging met de hand maken, terwijl Helga de hare op zijn arm legde als wilde zij hem tot bedaren brengen. Daarop vatte Ivar haar hand en zei iets, dat Helga deed lachen, blozen en een snellen blik omhoog naar het venster van Christina's kamer werpen, zoodat deze achter het gordijn terugweek.
âZij zijn bij slot van rekening neef en nicht,quot; dacht zij bij zichzelf. âTe zamen opgevoed, voelen zij zich als broer en zuster. Het is dwaas van mij om jaloersch te zijn.quot; Dwaas was het zeker, doch de jaloerschheid vraagt niet of zij dwaas is.
Toen Christina beneden kwam, zat Helga aan het spinnewiel en speelde Ivar het Spinnlied van Mendelssohn ; nauwelijks zag hij echter wie er binnenkwam of hij improviseerde een wilden dissonant van lage tonen, die in een zuivere voortgezette melodie in den discant overging.
42
âWat is dat?quot;5 vroeg Christina.
âOch, dat weet ik niet.quot; antwoordde hij. âEen invallende gedachte. Een onschuldig vogeltje, zingende boven een maalstroom van passie, liefde in tweestrijd, alles wat gij wilt.quot; En hij brak plotseling zijn spel af en ging naar buiten.
âMag ik met u medegaan?quot; vroeg zij, hem volgend.
âIndien gij wilt. Ik heb echter behoefte met de natuur alleen te zijn.quot;
âVroeger hebt gij mij eens gezegd dat ik u hielp de natuur beter te verstaan.quot;
âDat doet gij ook. doch niet altijd. Vandaag moet de natuur tot mij spreken zonder dat de stem der passie zich met de hare vermengt. Ik verlang een zuivere, heilige melodie te hooren, zuiver als het heerlijke andante uit Grieg's Peer Gynt. Ik wensch het type van onschuld weer te geven â een reine maagd, die, zacht bij zichzelf zingend, langs het smalle bergpad ter kerk afdaalt, en gedachten in zich voelt oprijzen, even vroom als het gelui der klokken, dat uit het dal omhoog stijgt. Gij past beter bij dagen van onweer en storm, gelijk indertijd te Cold Harbour, toen wij te zamen een schuilplaats voor den regen zochten. Vandaag ben ik in een Sabbat-stemming.quot;
âDus zijt gij mij moede?quot;
âMoede? Neen. Doch een kunstenaarsziel heeft behoefte aan contrasten.quot;
HOOFDSTUK IV.
EEN YKIEND VAN OVER DE ZEE.
Op zekeren avond in het laatst van Augustus wandelden Ivar Nielsen en Helga te zamen het bergpad af, dat van Liagaard naar het Fortundal voerde.
âWij moeten niet te ver gaan,quot; zei het meisje. âAnders zal Christina u missen en knorrig worden.quot;
âWaarom zou zij knorrig worden?quot; vroeg Ivar. âZij kan toch niet eischen dat ik altijd voor haar klaarsta. Mets is doodender voor de neiging, die men voor iemand gevoelt, dan een bestendig samenzijn. Slechts als men iets moet missen, leert men het waardeeren â dat heb ik gemerkt, Helga, toen ik in Engeland was en u bijna altijd miste.quot;
âHebt gij mij gemist? Hoe is dat mogelijk daar gij Christina hadt. Hij heeft mij geheel vergeten, zoo dacht ik steeds bij mijzelf.quot;
âO, neen. Dan was ik immers niet te Liagaard teruggekomen. Ik wilde zien wat er van u geworden was, want amp; mijn gedachten waart gij nog het jonge meisje, mijn speelkameraadje, en niet de vrouw, die gij nu zijt. Jammer dat ik, volgens uw
42
âWat is dat?quot;' vroeg Christina.
âOch, dat weet ik niet,quot; antwoordde hij. âEen invallende gedachte. Een onschuldig vogeltje, zingende boven een maalstroom van passie, liefde in tweestrijd, alles wat gij wilt.quot; En hij brak plotseling zijn spel af en ging naar buiten.
âMag ik met u medegaan ?quot; vroeg zij, hem volgend.
âIndien gij wilt. Ik heb echter behoefte met de natuur alleen te zijn.quot;
âVroeger hebt gij mij eens gezegd dat ik u hielp de natuur beter te verstaan.quot;
âDat doet gij ook, doch niet altijd. Vandaag moet de natuur tot mij spreken zonder dat de stem der passie zich met de hare vermengt. Ik verlang een zuivere, heilige melodie te hooren, zuiver als het heerlijke andante uit Grieg's Peer Gynt. Ik wensch het type van onschuld weer te geven â een veine maagd, die, zacht bij zichzelf zingend, langs het smalle bergpad ter kerk afdaalt, en gedachten in zich voelt oprijzen, even vroom als het gelui der klokken, dat uit het dal omhoog stijgt. Gij past beter bij dagen van onweer en storm, gelijk indertijd te Cold Harbour, toen wij te zamen een schuilplaats voor den regen zochten. Vandaag ben ik in een Sabbat-stemming.quot;
âDus zijt gij mij moede?quot;
âMoede? Neen. Doch een kunstenaarsziel heeft behoefte aan contrasten.quot;
HOOFDSTUK IV.
EEN YRIEND VAN OVER DE ZEE.
Op zekeren avond in het laatst van Augustus wandelden Ivar Nielsen en Helga te zamen het bergpad af, dat van Liagaard naar het Fortundal voerde.
âWij moeten niet te ver gaan,quot; zei het meisje. âAnders zal Christina u missen en knorrig worden.quot;
âWaarom zou zij knorrig worden?quot; vroeg Ivar. âZij kan toch niet eischen dat ik altijd voor haar klaarsta. Niets is doodender voor de neiging, die men voor iemand gevoelt, dan een bestendig samenzijn. Slechts als men iets moet missen, leert men het waardeeren â dat heb ik gemerkt, Helga, toen ik in Engeland was en u bijna altijd migte.quot;
âHebt gij mij gemist? Hoe is dat mogelijk daar gij Christina hadt. Hij heeft mij geheel vergeten, zoo dacht ik steeds bij mijzelf.quot;
âO, neen. Dan was ik immers niet te Liagaard teruggekomen. Ik wilde zien wat er van u geworden was, want in mijn gedachten waart gij nog het jonge meisje, mijn speelkameraadje, en niet de vrouw, die gij nu zijt. Jammer dat ik, volgens uw
44
verlangen, niet een winter eerder teruggekomen ben.quot;
âWaarom?quot;
âOmdat mij de oogen dan bijtijds waren opengegaan, omdat ik mii dan wellicht...quot;
âWelnu?quot;
âNiet door anderen had laten verstrikken!quot;
âIk begrijp u niet. Engeland heeft u toch het oude Noorwegen niet doen vergeten?quot;
âNeen. Wel heeft het mij . . . doch dat doet er niet toe. Misschien zou ik u en Noorwegen niet zoo hoogschatten als ik niet in Engeland geweest was en een contrast gevonden had.quot;
Helga legde haar hand op zijn arm. âWat is het, Ivar? Zeg het mij, gij kunt mij vertrouwen. Ik weet dat gij minder gelukkig met Christina zijt dan gij dacht te wezen, en ik zou u zoo gaarne willen helpen, als ik kon. Ik ben immers uw nicht, en vroeger waren wij als broer en zuster.quot;
âDat weet ik, doch ik kan u niet alles zeggen, Helga.quot;
âWaarom niet?quot;
â Omdat. . . omdat gij mij dan misschien verachten zoudt. Daar ... nu weet gij het. Ziet gij wel dat gij dadelijk mijn arm losgelaten hebt?quot;
âO neen, Ivar, het was maar een onwillekeurige beweging, en ik wil u gaarne weder vasthouden. Doch waarom zou ik u verachten? Als gij u in uw gevoelens ten opzichte van Christina bedrogen hadt, zou ik slechts medelijden met u hebben. Het was immers alleszins natuurlijk dat gij, alleen in
een vreemd land, veel van haar moest houden, ziende hoeveel zij van n hield. En wat ik u wilde zeggen, is dit: ik geloof dat zij te veel van u houdt. Ik bedoel dat zij niet, evenals ik, andere belangen en een anderen werkkring heeft, zoodat zij geheel in u opgaat. Gij hadt haar niet hier moeten brengen. Ga liever met haar naar Christiania of Bergen of een andere groote plaats, waar zij afleiding voor haar geest vindt.quot;
âAls ik haar niet hier gebracht had, zou ik u niet gezien hebben, Helga.quot;
âKom, gij kunt het best zonder mij stellen. Ik ben niet een deel van uw bestaan, zooals zij.quot;
âDat zijt gij wel, en in meerdere mate.quot;
âWat bedoelt gij?quot;
âHaar ken ik slechts een paar maanden, u mijn geheele leven lang. De schoone dagen onzer jeugd, door de herinnering tot een krans te zamen gevlochten. ...quot;
âSchei alsjeblieft uit met die verheven malligheden. Gij zijt op het oogenblik niet aan het componeeren!quot;
âJa, dat ben ik wel, ik ben het steeds wanneer gij bij mij zijt. Juist het contrast tusschen u en de andere doet het kunstenaarsgevoel ontwaken, en als Christina jaloersch is en wij er bang voor zijn dat zij ons te veel samen ziet, schuilt daarin dan niet een tragedie, die door de muziek in beeld kan worden gebracht?quot;
âLaat mij buiten uw tragedie, Ivar. Ik wil de zaak beter, niet erger maken.quot;
46
âDat weet ik. Doch beantwoord mij een enkele vraag.quot;
âEn die is?quot;
âSpeet het u toen gij hoordet dat ik getrouwd
was ? quot;
âIk weet het niet. Natuurlijk was ik teleurgesteld dat het geen Noorsche was. En dan speet het mij ook om tante.quot;
âWist gij wie moeder voor mij bestemd had ?quot;
âJa, doch het geeft niets daarover te spreken nu gij een andere gekozen hebt. Zeg, Ivar, wat bedoeldet gij toch met dat doode kind, dat Christina in haar armen hield? Was zij weduwe voor zij met u trouwde?quot;
âWeduwe? Neen.quot;
âWiens kind was het dan? Uw moeder maakt zulke pijnlijke toespelingen.quot;
âEn wanneer zij nu eens gelijk had?quot;
âDat is onmogelijk. Christina is goed, al heeft zij geen gemakkelijk humeur. Ook zoudt gij uw liefde aan geen onwaardige geschonken hebben.quot;
âMen kan vroeger een mispas begaan hebben zonder daarom een onwaardige te zijn.quot;
Helga ontstelde en keek hem strak aan.
âIs dat de reden waarom ik u verachten zou?quot; vroeg zij. âDenkt gij dat ik het in u zou laken als gij Christina vergeven hadt dat. . . Maar neen, gij spreekt zonder na te denken. Gij kunt toch niet willen dat ik op Christina, de vrouw uwer keuze, laag zou neerzien.quot;
47
âVeronderstel eens,quot; sprak Ivar langzaam, âdat zij niet de vrouw mijner keuze was, in den zin, dien gij bedoelt, veronderstel eens dat ik gekozen was in plaats van zelf te kiezen, veronderstel eens dat er geen wettelijke band bestond : zou ik dan niet het recht hebben een vrije keuze te doen, nu ik. .
Hij brak eensklaps af.
Twee vreemdelingen, blijkens hun kleeding En-gelsche toeristen, kwamen bij een bocht van den weg in het gezicht.
âDaar is Nielsen zelf,quot; riep de een, terwijl hij op Ivar toeijlde.
âPassover!quot; riep deze.
âKent gij hem?quot; vroeg Helga. âWelk een aardig manneke!quot;
âZeker, het is een Engelsche vriend van mij, mijnheer Hartley Passover.quot;
âWij durfden niet hopen u nog zoo laat in het jaar hier te vinden,quot; zei Hartley. âWij zijn op onzen terugtocht naar Bergen en wandelden gisteren van Jotunheim naar Portun, waar de herbergier ons den raad gaf een dag te blijven om een uitstapje naaiden Lia Fos te maken. Hij vertelde ons dat gij hier woondet, en mijn vriend Fotheringay â mag ik u met elkander in kennis brengen â een bewonderaar uwer muziek, verlangde zeer, persoonlijk met u kennis te maken.quot;
âZeer aangenaam,quot; zei Fotheringay.
âSinds ik die sonate voor piano en viool van u
48
gehoord heb, verlangde ik steeds u te ontmoeten. Gij weet wel, die sonate; ta ta tutitum ta ta taree ta? Een allerliefst dingetje, vol locale Noorsche kleur. Ik zou de schoone maagd wel eens willen zien, aan wie ze opgedragen is. Hoe heette zij ook weer? O, ja, Christina. Is het misschien de jonge dame, die zooeven als een gazelle het bergpad ophuppelde ? Waarom maakte zij zulk een haast om weg te komen?quot;
âDat was mijn nichtje Helga,quot; zei Ivar met een blos. âZij gaat mijn moeder waarschuwen en een en ander voor uw komst in gereedheid brengen. Wilt gij zoo goed zijn mij te volgen? Het pad is te smal om met zijn drieën naast elkander te loopen.quot;
âVraag hem in Gods naam niet weer naar die Christina,quot; fluisterde Passover Fotheringay toe.
âWaarom niet ? Heb ik in een wespennest getrapt ?quot;
âDat hebt gij. Die Christina was de vrouw van professor Mortimer.quot;
âPoeh! Neen, maar zoo iets .... Dus is hij de man, met wien zij er van door geg . . . .quot;
Passover knikte toestemmend.
âZou zij hier zijn? En als zij hier is, waarom wandelt hij dan met dat andere meisje?quot;
âIk weet het niet, doch ik hoop dat zij hier is. Zoo spoedig zal hij haar niet moede geworden zijn. Maar pas op, anders verstaat hij ons. â Ja zeker,quot; ging hij op luiden toon voort, âde waterval is prachtig en den tocht hierheen overwaard. Wij hebben verscheidene bekende vallen gezien, die bij dezen niet halen.quot;
49
Fotheringhay neuriede ondertusschen een brokje uit de finale der wereldberoemde sonate.
Op dat oogenblik kwam diezelfde melodie, aan de snaren eener viool ontlokt, van uit een openstaand venster der woning tot hen.
Hartley Passover bleef staan en scheen al zijn moed voor een naderend gevaar te verzamelen.
âZij is het, die daar speelt,quot; fluisterde hij.
âZij ? Wie ? Bedoelt gij mevrouw Mortimer?quot; vroeg Fotheringhay.
âJa! Maar noem haar hier niet zoo.quot;
âIk breng een vriend van over de zee voor u mede!quot; riep Ivar, zoodra hij het huis binnengetreden was.
Christina staakte haar spel niet. Zij had het gezelschap reeds zien aankomen en voelde zich met de viool in de hand meer op haar gemak.
âHoe gaat het u?quot; zei Passover, haar ongedwongen de hand toestekend, als ontmoette hij haar in haar eigen ontvangvei'trek. âIk ben zoo vrij geweest een vriend mede te brengen, mijnheer Fotheringhay. Hij wilde gaarne den waterval zien, en verlangde niet minder met mijnheer Nielsen kennis te maken, wiens muziek hij in hooge mate bewondert.quot;
âZeker, zeker,quot; lispelde Fotheringhay. âVerrukkelijk motief, dat gij zooeven speeldet. Ta ta tuti-tuum ta ta taree ta! Echt ISToorsch, vindt gijniet? Woont gij ^eeds lang in Noorwegen, mevrouw . .. ik bedoel...quot;
âMevrouw Melsen!quot; zei Christina op vasten toon.
VERLOKEN GELOOP. ]I. 4
50
Haar oog was op de juist binnenkomende Helga gevallen.
âAh, ja. Woont gij reeds lang hier, mevrouw Melsen?quot;
âEen paar maanden. Is het geen twee maanden geleden dat wij hier gekomen zijn, Ivar?quot;
âJa, ik geloof het wel,quot; zei Ivar. âDoch laat mij het genoegen hebben, mijnheer Passover, u en uw vriend mijn nichtje Helga voor te stellen. Kom eens hier, Helga, en laat eens kijken hoe een Koorsch meisje er uitziet.quot;
Helga lachte en bloosde.
âüw vrienden zijn hier om den waterval gekomen, Ivar.quot;
âJa, dien zullen wij na het avondeten gaan bewonderen. Gij, Christina, kunt uw vriend, mijnheer Passover, den weg wijzen, hij zal wel eenig nieuws uit Engeland voor u medegebracht hebben. Helga en ik zullen mijnheer Fotheringhay gezelschap houden.quot;
Ivar's moeder, die een afkeer van vreemdelingen en speciaal van buitenlanders had, kwam niet te voorschijn, en de maaltijd verliep bevredigend onder een onverschillig gesprek over het weer en het landschap. Toch voelde iedereen, behalve misschien Fotheringhay en Helga, dat men zich op een krater bewoog.
Hartley Passover bemerkte hoe galant en opmerkzaam Ivar voor Helga was, en keek toen onwillekeurig naar Christina. Hun blikken ont-
51
moetten elkander, en zonder een woord te spreken, raadden zij wat er in hun binnenste omging. Christina sloeg met een gevoel van eenzaamheid en diepe vernedering de oogen neer, en Hartley Passover balde in machtelooze woede zijn vuisten. âDus daarvoor heeft zij van haar tehuis en goeden naam afstand gedaan,quot; dacht hij bij zichzelf. Waaromhad zij, als zij nu eenmaal door het noodlot voorbestemd was om zulk een wanhopigen stap te doen, waarom had zij dan haar lot niet toevertrouwd aan iemand, op wiens liefde zij rekenen kon, die vast besloten was, haar gelukkig te maken? Thans had zij zich overgegeven aan de genade van dien veranderlijken musicus, die zoo ontvankelijk was voor allerlei indrukken en zich door iedere nieuwe passie liet medesleepen.
Dergelijke gedachten bestormden Passover's brein, doch toen hij na den maaltijd met Christina naar den waterval wandelde en haar diep hoorde zuchten, drong oprecht medelijden alle andere gevoelens op den achtergrond.
âGij zijt niet gelukkig,quot; sprak hij plotseling. âNeen, neen, tracht niet het te ontkennen. Doch hoe het zij, ik breng u in ieder geval een tijding, die u genoegen zal doen. Mortimer heeft een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, de zaak zal echter eerst na de zomervacantie dienen.quot;
âDe rechtbank zal zeker geen bezwaren maken, nietwaar? Doch al willigt zi]' het verzoek in, wat geeft mij een echtscheiding?quot;
52
âZij verschaft u een positie. Nielsen zal dan in staat zijn met u te trouwen.quot;
âMet mij te trouwen? Waarom ? Indien ik mij niet iu de ware beteekenis van het woord als zijn vrouw beschouwde, zou ik niet hier zijn.quot;
âDat geloof ik gaarne, doch gij vergeet dat een verbintenis als deze iedere sanctie mist,quot; wierp Passover haar tegen.
âO, neen. Zij vindt die in wederzijdsche genegenheid!quot;
âEn verondersteld dat die genegenheid ophoudt te bestaan, is daarmede het contract, als ik het zoo noemen mag, verbroken?quot;
âMij dunkt van wel,quot; antwoordde Christina. âZoo diep heb ik echter nooit over de zaak nagedacht.quot;
âMoogt gij er nimmer reden toe hebben!' zei Hartley met een beteekenisvollen blik.
Zij hadden zich bij de anderen gevoegd en stonden thans tegenover den waterval. Christina keek naar Ivar en Helga, en zag hoe het jonge meisje over den rand van het pad in den afgrond gluurde, terwijl Ivar haar bij de hand vasthield.
âAl zijt gij ook een watergeest,quot; sprak hij lachend, âzoo moet gij toch niet denken dat de schuimwolken u kunnen dragen. Zelfs al konden zij het, dan zou ik u toch niet loslaten uit vrees dat gij mij verlokken zoudt u in de diepte te volgen.quot;
âDat denkbeeld moet gij uitwerken,quot; riep Fothe-ringhay. âEen Noorsche waternimf, haar minnaar in een schuimenden bergstroom lokkend. Hoe drukt
53
men dat wel het best uit? Ta ta turn taree ta? Het thema zou met een stoot uit een elfenhoorn moeten beginnen!quot;
âLaat ons weggaan!quot; fluisterde Christina Passover toe. âIk kan dien waterval niet uitstaan, hij ziet er zoo spookachtig uit en jaagt mij een huivering op het lijf. De anderen zullen ons wel achteropkomen.quot;
âNeem mijn arm als gij u duizelig gevoelt,quot; zei Hartley. âOm ons gesprek van straks weder op te vatten: met uw principe, dat een samenleven van man en vrouw voldoende door wederzijdsche toegenegenheid gesanctioneerd wordt, weet men wel waar men begint, doch niet waar men ophoudt. Het aantal van dergelijke verbintenissen zou legio kunnen worden, daar de achtereenvolgende veranderingen alle even gerechtvaardigd zouden zijn.quot;
âPrecies de reden waarom een echtscheiding mij niets baten kan. De band der vrije liefde, die mij met Ivar Melsen verbindt, is onverbreekbaar, of hij is het niet. Dit hangt slechts af van de standvastigheid onzer wederzijdsche affecties. In den beginne heb ik op die standvastigheid vast vertrouwd ; mocht ik mij bedrogen hebben, wat helpt mij dan de kunstmatige band van een wettig huwelijk ? Alles of niets, ziedaar mijne leuze; is het niets, welnu . . . dan ... is het niets!quot;
Zij lachte woest.
âWat zoudt gij in zulk een geval doen?quot; vroeg Passover. âNaar Mortimer, zelfs naar Engeland kunt gij niet terugkeeren.quot;
54
âNatuurlijk niet. Ik weet niet wat ik zou doen.quot;
âVeronderstel eens . . . maar neen!quot;
âWat bedoelt gij?quot;
âVeronderstel eens dat eriemand anders was, die...quot;
âIemand anders? Wat denkt gij van mij? Het is waar, toen ik mij op dezen weg begaf, sneed ik mijzelf iederen terugtocht af, doch is dat een reden om mij in eigen oogen te verlagen?quot;
âNeen, neen, gij hebt gelijk. Dat kunt, dat moogt gij niet. Doch bedenk: als Nielsen u niet trouwt, wordt uw positie uiterst pijnlijk. Slechts door een huwelijk kan hij het onrecht, u aangedaan, eenigs-zins herstellen.quot;
âOnrecht herstellen? Er is mij geen onrecht aangedaan.quot;
âToch wel, althans in conventioneelen zin. En daarom moet hij met u trouwen. Het is de beste wijze om er een mouw aan te passen, zooals de volksterm luiden zou.quot;
âLaat het zijn zoo het wil,quot; antwoordde Christina, âik zou mijn eigen principes verloochenen als ik in een huwelijk toestemde. Ik zou daarmede erkennen dat mijn positie onwettig was en een kunstmatige sanctie behoefde. Neen, als het op zijn ergst loopt, blijft mij altijd nog een laatste redmiddel over.quot; Zij wees op de rivier beneden hen.
âOm Godswil, zeg dat niet!quot; riep Passover. âBeloof mij zulk een wanhopig besluit niet te nemen vóór gij mij geschreven hebt. Beschouw mij als een vriend, die steeds bereid is u te helpen.quot;
55
Christina schudde het hoofd.
âIk heb mijn eigen weg gekozen, mijn vriend, en moet dien ten einde toe bewandelen,quot; sprak zij met een droeven lach. Het kostte haar moeite Passover's welwillend aanbod af te slaan, doch zijn zinspeling op het aanknoopen van nieuwe banden wanneer Ivar's liefde haar ontviel, gaf haar een gevoel van beklemming. Tegenover Calvin Mortimer's vrouw zou hij zich niet veroorloofd hebben zulk een onderwerp, zij het ook in bedekte termen, aan te roeren. Waarom durfde hij het wel te doen nu zij, althans van haar standpunt, Ivar Nielsen's echtge-noote was? Had zij zelfs de achting van een zoo welmeenend man als Passover verbeurd? Dacht hij, dacht de wereld misschien dat, nu zij eenmaal van het pad der conventies afgeweken was, zij ook gereed was dit een tweede maal te doen? De mogelijkheid dat men zoo iets veronderstellen kon, was reeds voldoende om haar het bloed naar de wangen te jagen en haar gedurende de verdere wandeling het stilzwijgen te doen bewaren. Ook Passover sprak weinig, wel wetende dat hij zich aan een onbescheidenheid had schuldig gemaakt, die hij zich onder vroegere omstandigheden niet zou veroorloofd hebben. Intusschen had het onderhoud Christina's gedachten tijdelijk van Helga's coquetterieën afgeleid, en dit was op zichzelf reeds voldoende om haar vroolijker te stemmen.
Toen het gezelschap zich weder in het woonvertrek der hoeve van Liagaard verzameld had, was zij
56
bijzonder opgeruimd, zoodat het Helga in het oog viel en zij Ivar toefluisterde: âZiet gij wel dat Christina behoefte heeft aan afleiding? Sedert de komst van dien mijnheer Passover is zij een andere vrouw!quot;
Zonderling genoeg, bracht deze opmerking Ivar onmiddellijk aan Christina's zijde. Het denkbeeld dat een ander behalve hij haar gelukkig zou kunnen maken, hinderde hem en spoorde hem aan de oude rol van verliefd minnaar weder op te vatten. Dit laatste gelukte hem zonder moeite, en Christina, dankbaar voor zijn attenties, wierp het denkbeeld dat hij ooit zou ophouden haar te beminnen, verre van zich.
âWij hebben ons noodeloos ongerust gemaakt,quot; zei zij tot Passover bij het goedennacht wenschen. âDe band is nog hecht en tegen een kleine proef bestand. Hij moet slechts nu en dan wat nauwer worden aangehaald.quot;
HOOFDSTUK V.
TROLLEN.
Hartley Passover en zijn vriend bleven twee dagen in Liagaard; zalige dagen voor Christina, daar zij zich weder geheel in het bezit van Ivar's vroegere liefde zag. Vloog soms een lichte schaduw over zijn gelaat als hij Fotheringhay's attenties voor Helga opmerkte, een enkele blik op Christina was genoeg om dien trek van wrevel te doen verdwijnen. âWat gaan mij de anderen aan, ik heb u immers,quot; scheen hij te willen zeggen. Het besef van haar eigen groot geluk stemde de jonge vrouw zacht en teeder, en zij beklaagde allen, die gedwongen waren zonder een liefde als de hare hun bestaan voort te sleepen. Niet het minst Calvin Mortimer, haar vroegeren echtgenoot. Echtgenoot, â daar lag in dien naam, niettegenstaande alle vooroordeelen, toch eenige bekoring. Zoo gaat het dikwijls met namen; het zou te bezien staan of de spreekwoordelijke roos voor velen zulk een zoeten geur bezat, indien zij nu niet eenmaal meiden naam: roos gedoopt ware. Met het woord echtgenoot ging het Christina eveneens, het was voor haar nog steeds een woord van beteekenis, en zij
58
gevoelde inwendig zekere verplichting jegens den man, die haar het recht gegeven had hem aldus te noemen. Zonder het te willen, dacht zij aan hem en vroeg zij zich af of hij zich haar vertrek erg had aangetrokken. Zij hoopte dat hij er in geslaagd was zich over de scheiding heen te zetten, doch zij betwijfelde tegelijkertijd of zij het wel aangenaam zou vinden indien hij haar geheel vergeten had.
Het uur van Passover's en Fotheringhay's vertrek was aangebroken, en beide vrienden daalden, vergezeld van Ivar, Helga en Christina, het bergpad af. Bij het dorpje Fortun wilde men elkander vaarwel-zeggen. Onderweg vond Christina gelegenheid. Hartley te vragen of hij Mortimer voor zijn vertrek uit Engeland gezien had.
âJa, één- of tweemaal,quot; antwoordde Passover. âHij weet echter niets van mijn uitstapje naar Noorwegen, omdat hij toen reeds op reis gegaan was. Ik heb mij nog op het laatste oogenblik tot dit plan laten overhalen, en ben alleen gegaan om Potheringhay genoegen te doen, en omdat ...quot;
âOmdat?quot;
âOmdat ik, in Noorwegen zijnde, kans had u te ontmoeten en u dan de tijding van Mortimer's aanvraag tot echtscheiding kon overbrengen. Ik dacht natuurlijk dat dit voor u een aangename tijding zou zijn.quot;
Christina beet zich op de lippen.
âIn zekeren zin is zij dat ook. Toch spijt het mij dat Calvin gemeend heeft dezen stap te moeten
59
doen. Hij zal waarschijnlijk wel niet hertrouwen.quot;
â0, neen. Hij denkt er niet aan. Hij deinst voor de publiciteit, die de zaak natuurlijk krijgen zal, terug en zet haar alleen om uwentwil door, opdat Ivar Nielsen zijn plicht moge doen.quot;
âAls dat zoo is,quot; sprak Christina, terwijl zij haar hand op Hartley's arm legde, âwilt gij dan aan Calvin zeggen, de eerste maal dat gij hem ziet, dat ik het niet wensch, dat ik er geen gebruik van zal maken, dat hij mij genoegen zal doen, vooral ter wille van moeder en de zusters, van dergelijke maatregelen af te zien?quot;
âGoed; doch denkt Nielsen er ook zoo over? Hij verlangt er zeker vurig naar, u zijn naam te kunnen geven?quot;
âAangenomen dat dit het geval is, dan verandert dit niets aan de zaak, omdat ik toch in geen geval in een huwelijk zal toestemmen. Zijn wij gerechtvaardigd, dan zijn wij het ook zonder dat; zijn wij het niet, dan kunnen wij het door een wettelijke formaliteit toch niet worden. Wat is een rechter dat hij een heilig contract, als het huwelijk heet te zijn, zou kunnen ontbinden? Het is inderdaad grappig als men hoort spreken over het sluiten en verbreken van huwelijken bij Parlementsbesluit. quot;
âOp welke wijze moeten dan, volgens uw oordeel, huwelijken worden aangegaan en ontbonden?quot;
âBij onderling goedvinden der twee betrokken personen. Doch laat ons het gesprek hierover sta-
60
ken, mijn opinie is u voldoende bekend. Vertel mij eens iets van Calvin. Gij zeidet dat hij voor uw vertrek naar Noorwegen, op reis gegaan was. Waar is hij heen?quot;
âNaar Duitschland. Hij wilde Professor Augen-stecher te Wiesbaden consulteeren.quot;
âWaarom? Is hij ziek?quot;
,Hij was eenigszins lijdend, doch ging hoofdzakelijk voor zijn oogen, die hij bij het doen van zijn microscopische waarnemingen te zeer ingespannen heeft. Een paar weken na uw vertrek raadpleegde hij een Engelschen oogarts, die hem voorschreef zijn werk eenigen tijd te staken. Doch gij begrijpt, dat wilde hij niet.quot;
âWerkt hij nog even hard als vroeger?quot;
âHarder, indien het mogelijk is. Zijn arbeid is het eenige wat hij heeft, en het zou vreeselijk zijn als hij er van beroofd werd.quot;
âBestaat daarvoor gevaar? Wat was het gevoelen van den oogarts?quot;
âIk weet het niet. Mortimer liet zich weinig uit, doch naar hetgeen ik van hem gehoord heb, bestaat er vrees voor cataract, zoo niet voor iets ergers.quot;
âCataract! Dien kan men lichten, niet waar? Hij zal immers zijn vroegere gezicht wel weer terugkrijgen?quot;
âNooit ten volle. En in het gunstigste geval veroorzaakt cataract toch een tijdelijke blindheid.quot;
âBlind! Hoe vreeselijk! Nooit de zon meer te zien, noch de hoornen en de bergen, en wat het ergste is: de gezichten van andere menschen. In
61
plaats van een omgeving te hebben, die de gedachten afleidt, te leven in voortdurende duisternis, broedend over oude herinneringen! Ik zou, geloof ik, den dood verkieslijker vinden. Doch zoo erg kan het toch met cien armen Calvin niet gesteld zijn.quot;
De laatste woorden had Christina halfluid en als tot zichzelf gesproken. Passover had ze echter verstaan en vroeg: âVoelt gij nog iets voor hem?quot;
âIets voor hem gevoelen! Dat zou ik voor iedereen, die in een positie verkeerde als de zijne. Ik zou medelijden met hem hebben, zelfs indien hij mij volkomen vreemd ware. Hoeveel te meer nu...quot;
âGij kunt niet vergeten wat hij voor u geweest is ?quot;
Christina knikte en ging voort: âIk tracht het te doen, doch er zijn dingen in een menschenleven, die men niet vergeten kan. Verstrooiing en afleiding drijven ze somtijds op de vlucht, is men echter alleen en in een sombere stemming, dan keeren zij terug. Nieuwe zorgen doen iemand steeds aan de oude denken.quot;
âGij behoordet geen zorgen te hebben,quot; zei Hartley.
âIk doe mijn best, ze van mij af te zetten. Maar zelfs als mij dat gelukt, speelt mijn verbeelding mij parten door mij nieuwe op den hals te schuiven. Dat zijn slechts denkbeeldige zorgen, zult gij zeggen, doch vergeet niet dat deze somtijds erger zijn dan de werkelijke. Maar orn van iets anders te spreken: wilt gij mij een dienst bewijzen?quot;
-Natuurlijk, zeer gaarne.quot;
62
âWelnu, zie dan voor mij te weten te komen wat Professor Augenstecher van Calvin's oogen zegt, en schrijf het mij. Ik kan niets voor hem doen, doch ik zou gaarne weten hoe het hem gaat. En thans moeten wij ons haasten om weer bij de anderen te komen, ik zie Ivar telkens omkijken. Helga wordt geheel door mijnheer Fotheringhay in beslag genomen, die zich zeer schijnt te interesseeren voor alles wat Noorsch is.quot;
âEvenals gij, nietwaar?quot; vroeg Passover.
Christina lachte.
âZoo behoorde het ten minste,quot; luidde haar ietwat raadselachtig antwoord.
Nadat het gezelschap in de kleine herberg te Fortun gezellig thee gedronken had, namen Passover en Fotheringhay afscheid. Zij waren van plan naar Skjolden te wandelen om vandaar met de boot naar Bergen en verder naar Engeland terug te reizen.
âHoe zonderling dat ik hen naar het vaderland zie terugkeeren, terwijl ik in den vreemde achterblijf,quot; zei Christina, terwijl zij met Ivar en Helga den vertrekkenden een laatst vaarwel toewuifde.
âIn den vreemde achterblijven, Christina?quot; vroeg Ivar.
âIs het land van uw echtgenoot voor u een vreemd land?quot; zei Helga gelijktijdig.
âOch, gij begrijpt immers mijn bedoeling wel,quot; antwoordde Christina gemelijk. âHet spreekt vanzelf dat Liagaard nu mijn tehuis en Noorwegen mijn vaderland is, doch daarom behoef ik Engeland nog
63
niet te vergeten. Zelfs kolonisten, die in Australië geboren zijn en nooit een voet op Engelschen grond gezet hebben, spreken toch, als zij naar Engeland gaan, van naar het vaderland terugkeeren. Hoe gelukkig men elders moge zijn, de plek, waar men geboren en opgegroeid is, blijft dierbaar bovenal. Aan die plek verbinden zich de herinneringen uit onze kinderjaren, den schoonsten tijd des levens, waarop men later zoo dikwijls met weemoedig verlangen terugziet.quot;
âWat Christina zegt, is waar,quot; sprak Ivar, terwijl hij steelsgewijze een blik op de glimlachende Helga wierp. âIk zou bijvoorbeeld nooit een andere plaats dan Liagaard als mijn eigenlijk tehuis, andere men-schen dan die van Liagaard als mijn familie kunnen beschouwen.quot;
âEn ik dan?quot; vroeg Christina, halfschertsend, halfernstig, terwijl zij haar arm door dien van Nielsen stak.
âGij behoort nu natuurlijk tot de onzen, nietwaar?quot; zei Helga. âGij zijt nu een Noorsche, en Noorwegen is uw vaderland geworden. Evenzoo zou ik mij als een Engelsche beschouwen, wanneer ik met een Engelschman trouwde en hem naar Engeland volgde.quot;
âTot zoo iets zoudt gij nooit in staat zijn, Helga,quot; zei Ivar. âGij het oude Noorwegen verlaten om de vrouw van een vreemdeling te worden! Neen, dat is een onmogelijkheid!quot;
Helga schudde met een coquette beweging het hoofd.
64
âMijn echtgenoot zou nooit een vreemdeling, en zijn vaderland nooit een vreemd land voor mij zijn,quot; antwoordde zij.
âGij denkt er toch niet over ons te verlaten?quot; vroeg Ivar met een ernst, die eenvoudig belachelijk scheen na den luchtigen toon, waarop het meisje gesproken had.
âWeet ik het? Heb ik ooit vijf minuten achtereen geweten wat ik wilde? Ik ben als de herfstdraden, die op den adem van den wind worden voortgedreven.quot;
En zij spreidde, dit zeggende, haar armen uit en zweefde in de schemering als een nevel over den weg.
âGij ziet er uit als een witte nachtvlinder!quot; zei Christina.
âAls een geest,quot; riep Ivar. âAls een watergeest, die den wandelaar van den weg tracht te lokken. Wanneer ik u in mijn armen wilde sluiten, zoudt gij schuim worden, een kille, vochtige nevel zou alles zijn wat er van u overbleef. Gij zijt een droombeeld, een illusie, Helga!quot;
In weerwil van deze woorden liet hij Christina los om zijn nichtje achterna te ijlen. Helga was hem in haar rol van Undine vooruitgesneld, terwijl zij hem met haar arm wenkte en geheimzinnig naar den koelen stroom wees. Het lichtblonde haar was onder het loopen losgegaan en zweefde als een wolk om haar heen, en daarbij zong zij een oud Kunenlied, een tooverzang, dien zij als kind van een stokoude vrouw geleerd had.
65
Zoo zweefde zij voort tot waar de weg in een klein dennenbosch verdween, steeds gevolgd door Ivar, die tevergeefs trachtte haar te grijpen. Weldra zag Christina hen niet meer, slechts in de verte klonk flauw Helga's gezang. De sterren begonnen juist te lichten, en het avondwindje suisde door het gebladerte.
Christina liet moedeloos de armen zinken en blikte hemelwaarts.
;;0, mijn God, mijn God, het is meer dan ik dragen kan!quot; zuchtte zij.
âEn dan reeds zoo spoedig, zoo spoedig. Nauwelijks zijn Passover en Fotheringhay vertrokken of het oude spelletje begint weder. En het is niet Ivar's, maar Helga's schuld. Zij lokt hem tot zich, gelijk hij zelf erkent. Zij bespeelt de snaren van zijn gemoed, en doet hetzelfde, waarvan... ja, laat ik eerlijk zijn . . . waarvan Passover m ij eens beschuldigde. Maar toen ik het deed, stond er niemand tusschen ons, en nu .. .! O, Helga, ik zou u kunnen dooden als gij mij Ivar ontsteelt, want met hem zoudt gij mij alles ontnemen wat ik heb. Maar neen, wat ik daar zeg kan mij geen ernst zijn. Moet ik, zij het ook in gedachten, een bloedschuld bij die andere schuld voegen? Schuld? Ben ik dan schuldig? O, wist ik het maar. Werd ik maar bevrijd van dat drukkende gevoel, dat mij in weerwil van alle zelfvertrouwen en logica toefluistert: Gij hebt gezondigd. Maar de gedachte aan Helga kwelt mij op het oogenblik het meest. Aan haar
VERLOKEN GELOOF. II. 5
66
coquetteeren met Ivar, het moge dan louter de onschuldige dartelheid van een vroeger speelkameraadje zijn, moet een einde komen. Het pijnigt mij te zeer, het zal mij gek maken en tot de een of andere daad van vertwijfeling drijven. 0, zou er in de geschiedenis der zwakke menschheid wel een voorbeeld te vinden zijn van een eersten stap op het pad der zonde, die tevens de laatste was? Ik betwijfel het. De trol in ons, gelijk Ibsen zegt, is van een te boosaardige natuur om ons niet steeds voort te drijven wanneer hij ons eens in zijn
macht heeft.quot;
Langzaam wandelde zij verder tot Ivar en Helga zich weder bij haar voegden. Nielsen had zijn nichtje
bij de hand gevat.
âGij zijt als twee kinderen,quot; zei Christina, staan blijvende en met kwalijk verborgen ergernis.
âEens hebben wij als kinderen met elkander gespeeld,quot; antwoordde Ivar.
âZijt gy jaloersch op het verleden?quot; vroeg Helga. âHindert het u te moeten denken dat er een tijd was toen Ivar u niet toebehoorde? Het zou mij ook zoo gaan, als ik in uw plaats was.
âNeen, Helga, niet het verleden maar het heden wekt mijn jaloezie op, als gij het dan precies weten wilt. Het was, op zijn zachtst gezegd, onvriendelijk van u, zoo weg te loopen en my in het bosch alleen te laten. Gij zoudt het evenmin aangenaam vinden als ik zoo iets deed, wanneer Ivar uw. . .quot;
Zij brak af en zuchtte.
67
âMijn wat?quot; vroeg Helga.
âEchtgenoot was, bedoelt zij,quot; zei Ivar.
âHet is een eigenaardige opvatting van Christina,quot; sprak Helga, de schouders ophalend, âom in zulk een kleine plagerij zooveel kwaad te zieu. Ik ben jong, en kan niet altijd even bezadigd en stemmig zijn. Waar die lust tot kwaaddoen vandaan komt, ik weet het niet. Waarschijnlijk sta ik in contact met den een of anderen boozen geest, zie maar, het is alles electriciteit wat er aan mij is! Kijk eens!quot;
En zij nam den zilveren kam uit het haar en trok hem snel door de blonde tressen heen en weer, tot deze glinsterden als myriaden vuurvliegjes, terwijl de wrijving een eigenaardig knetterend geluid als van een houtvuur veroorzaakte.
âEn nu zou ik willen dansen,quot; ging het jonge meisje voort. ;;Grij moet een dans voor my com-poneeren, Ivar, een dans, die wild en woest en nochtans luchtig is, luchtig als de zonnestraal, die op de kabbelende golfjes speelt.quot;
âWas er maar een bruiloft in het verschiet,quot; zei Nielsen, in de handen klappend. âDan zou ik een nieuwen Halling-dans op muziek zetten Gij zoudt het van allen winnen, Helga, en in een ommezien de daksparren raken.quot;
âZulk een Halling-dans moet een fraai gezicht zijn,quot; zei Christina smadelijk.
âHet is de beste van onze nationale Noorsche dansen,quot; luidde Ivar's antwoord. âMet zijn vlugge
68
en wilde bewegingen jaagt hij het bloed sneller door de aderen en benevelt de zinnen. Het landvolk houdt van dien dans, en den musicus brengt hij in zins verrukking. De extase duurt slechts een korten tijd, evenals iedere extase ; met het eindigen van den dans is ook zij voorbij.quot;
âJa, de extase duurt slechts kort!quot; stemde Christina toe; zij sprak echter zoo zacht dat de beide anderen haar niet konden verstaan. âWist men maar waar de extase begint en het gezond verstand ophoudt! Zouden, zooals Calvin beweerde, alle gevoelsmenschen zenuwlijders zijn? Na de ervaringen van heden zou ik het bijna gaan ge-looven.quot;
âWat mompelt gij toch binnensmonds?quot; vroeg Ivar. âHet klinkt mij somber in de ooren, gelijk het suizen van den wind door cypressen- of spar-renloof. Lach eens, Helga, om dien indruk te verdrijven.quot;
Helga zette de handen in de zijde en gehoorzaamde aan het bevel. Rugwaarts tegen een boom leunende, gaf zij zich aan een bui van dolle vroo-
lijkheid over.
âWelk een heerlijk tooneel,quot; riep zij. âPrecies de trollen-scène uit Peer Gynt. Ik ben de dochter van den trollenkoning, Ivar is Peer Gynt zelf, en Christina. . . wie zal Christina zijn ? . .. 0, zij is Solveig. Gij moet een zachte melodie neuriën, iets goeds en heiligs, om de too verkluisters te verbreken, waarmede ik Ivar tracht vast te houden. Nu ont-
69
breekt ons nog maar myn vader, de oude koning. Kijk, daar komt hij aan! Oom Thorgheim is een prachtige trollenkoning.quot;
Zij zagen inderdaad Thorgheim Nielsen, die hen te gemoet gewandeld was en thans met groote stappen over de rotsblokken naderde. Het was dezelfde plek, waar Christina op den avond van haar komst te Liagaard het rijtuig verlaten had. Men kon zich in den bejaarden Noor zeer goed een dier ruwe, vroolijke geesten voorstellen, met welke de oude Scandinaviërs de schuilhoeken hunner gebergten bevolkten. Hij zag er in de schemering grooter en magerder uit dan hij inderdaad was. Als wandelstok droeg hij den stam van een jong denne-boompje, en de koude, scherpe herfstwind had zijn langen grijzen baard en knevel met een laag ijzel bedekt.
Helga schaterde inmiddels nog steeds van lachen, terwijl Ivar in de handen klapte en Christina met een moedeloozen en toch geboeiden blik toekeek.
âHè! Hè!quot; giggelde Thorgheim. âJullie bent aan het pretmaken, hè ? Ha, ha, ha!quot;
En hij liet weder den klokkenden lach hooren, die als het ware zijn âLeitmotif vormde. Het was Christina of zij met een vijl op een stuk metaal hoorde krassen.
âVertoonen wij hier een Brocken-scène,quot; kreet zij, âlaat ons dan een rondedans doen en gillen en gieren tot zelfs de geesten er van ontstellen.quot;
âJa, dat is een heerlijk idee,quot; riep Helga. âKom, oom Thorgheim, kom, Ivar!quot;
70
De drie grepen elkander by de hand en begonnen te dansen. De juist opkomende maan had waarschijnlijk zelden op een spookachtiger tooneel neergezien. Een mismaakte jongeling, een gebaarde oude man en een slank, goudharig meisje, heen en weer zwevend, nu eens over een met mos begroeide vlakte, dan weder langs den oever van een bergstroom, die klaterend voortrolde over zijn steenachtige bedding. Een oogenblik hing Christina's blik aan het tooneel, dat zij in haar overspanning, door verbijstering en zielsangst gedreven, zelf te voorschijn geroepen had, spoedig echter barstte zij in tranen uit.
âZijn wij bezig hier gek te worden?quot; snikte zij. âHet heeft er inderdaad veel van. Het schijnt wel of wij van kwade geesten bezeten zijn. Wat be-teekent dit alles?quot;
âLiefde, en anders niets, Christina!quot; zei Ivar, zich bij haar voegend. âDe uitwerking der men-schelijke passie, die opbruist als de zee en allerlei wilde dissonanten voortbrengt!quot;
âMoedwil, louter moedwil!quot; riep Helga, terwijl zij over de steenen naar het bruggetje trippelde en vervolgens het voetpad naar Liagaard insloeg.
âWat een pret! Ha, ha, ha!quot; klokte Thorgheim Meisen, haar volgend.
Ivar bood Christina den arm aan, doch zij weigerde dien.
âIk zoek liever zelf mijn weg over de steenachtige plaatsen, Ivar,quot; zei zij. âGij hindert mij meer dan gij mij helpt.quot;
71
âMeent gij dat, Christina?quot;
âJa. Doch laat ons wat aanstappen. Uw moeder zou ons, al heeten wij man en vrouw, haar aanmerkingen niet sparen, wanneer wij bleven treuzelen en later dan de anderen thuis kwamen.quot;
Nielsen zweeg. Christina's woorden kwetsten hem, doch hij vond in haar toorn een zekere verontschuldiging voor zijn eigen gedrag en geflirt met Helga.
HOOFDSTUK VI.
HET GETIJ KUST.
âGij zijt erg onnoozel, als ik het zoo eens zeggen mag!quot; merkte Helga een paar dagen later op, toen zij toevallig met Christina alleen was. âGij toont Ivar veel te duidelijk hoeveel gij van hem houdt. Wend onverschilligheid voor, en gij zult hem spoedig genoeg tot u zien terugkeeren.quot;
âIk kan niet veinzen, Helga,quot; antwoordde zij. âAls mij iets hindert, toon ik het. Waarom zou ik het verbergen?quot;
âOmdat de mannen andere wezens zijn dan wij. Geef u geheel aan een man en hij zal weldra genoeg van u hebben, wees min of meer terughoudend en hij zal u steeds vervolgen, trachtend datgene te verkrijgen wat hem, zooals hij zich verbeeldt, nog ontbreekt. Ontvlucht de mannen indien gij wilt dat zij u volgen. Zij zijn als jagers: wat zonder moeite veroverd wordt, trekt hen niet aan.quot;
âDat is het standpunt, dat ik vroeger eens door een bekende, een man van de wetenschap, heb hooren verdedigen. Hij bracht het zelfs in verband
73
met het gebruik, onder oude volksstammen en onbeschaafde volkeren in zwang, om hun vrouwen aan naburige stammen te ontrooven. Ik echter ben van een ander gevoelen. Liefde is meer dan een passie, het is een ineensmelten van twee naturen. Als zij dat niet is, is zij niets.quot;
Helga haalde de schouders op en begon een deuntje te neuriën. Na een korte pauze sprak zy: âDat is het gezichtspunt van een dweper. Het leven, de feiten zijn anders. De liefde duurt slechts kort, hoogstens een jaar na de bruiloft. Dan wordt men bezadigde lieden, men krygt kinderen en gaat op de beurs letten. De man is gezeten burger geworden en werpt een begeerigen blik op het burgemeestersambt of een ander postje, de vrouw wordt dik en gaat aan de toekomst van haar kinderen denken. Ba! Het is geen schoon vooruitzicht, en ik zet mij alle gedachten aan trouwen uit het hoofd, tot ik mijn jeugd ten volle genoten heb. Ik ben te verzot op kattekwaad en plagerijen.quot;
âJa, dat zijt gij, Helga,quot; sprak Christina met nadruk. âEn al plagend ontrooft gij mij Ivar's liefde.quot;
,Dat is toch heusch mijn bedoeling niet. Maar o, ik plaag hem zoo gaarne. Hij laat zich zoo gemakkelijk beetnemen, en ondanks mijzelf moet ik iemand plagen als ik zie dat hij het zich aantrekt. Dat ligt nu eenmaal in mijn natuur. Doch geloof mij, ik wil u volstrekt geen leed berokkenen.quot;
Christina zuchtte.
74
âHet is de vraag of gij dat kunt,quot; fluisterde zij by zichzelf. âEn zoo ja, dan is het zeker een vergelding.quot;
Op dat oogenblik kwam Ivar de kamer binnen.
âGaat gij vanmiddag met mij naar den Fugle-steg, Helga?quot; vroeg hij.
âIk?quot; antwoordde zij lachend. âWaarom zou ik met u gaan? Doe uw plicht en neem Christina mede.quot;
âPlicht!quot; zei Ivar. âWat een verschrikkelijk woord, haast om iemand mee dood te slaan. Alle genot wordt er door bedorven!quot;
âWat praat gij van genot,quot; schertste Helga. âDie tyd is voor u immers voorbij. Het genot is voor de ongetrouwden, waartoe ik behoor. Neen, gij gaat vanmiddag met Christina naar den Fugle-steg, als zij ten minste niet bang is.quot;
âBang? Waarvoor?quot; vroeg Christina.
âVoor den Fuglesteg! Het beteekent Vogelpad, omdat het haast te smal is voor menschenvoeten. Doch juist het gevaarlijke der wandeling heeft mij altijd aangetrokken:
âVer rask som en Löve, og skynd dig som en Hind.
âSei Veiret, det gryner i Fanaraak Tind.
âWees snel als een leeuw en spoed u voort als een hinde. Zie hoe boven den Fanaraak de dreigende sneeuwstormen hangen.quot; Die woorden staan op den wegwijzer van den winterweg naar lotun-heim. Ja, spoedig breekt de tijd der stormen aan,
75
en dan komt de winter met zijn sledetochten en wandelingen op sneeuwschoenen. Ik verheug mij nu al in het vooruitzicht van die wandelingen in den helderen sterrennacht.quot;
âIn mijn gezelschap, nietwaar?quot; fluisterde Ivar, doch Helga lachte hem uit en verliet de kamer. Hij zette zich daarop voor de piano en verzocht Christina haar viool te nemen en de sonate met. hem te spelen, die hij indertijd aan haar opgedragen had. Na een paar maten bleef hij evenwel plotseling steken, terwijl zijn handen op goed geluk op de toetsen neerploften.
âAch, die sonate is kinderwerk,quot; riep hij. âIk behoorde mij te schamen niets beters vervaardigd te hebben dan die onnoozele, onbeteekenende muziek.quot;
âGij dacht er vroeger anders over, Ivar, toen wij haar in Cold Harbour speelden, ^ zei Christina.
âNeen. Zij was toen geheel nieuw, en wanneer een kunstenaar zijn werk voor het eerst beschouwt, staat hij meestal verbaasd over de schoonheid er van. Eerst later begint hij er de gebreken van in te zien.quot;
âHet is niet zoozeer het werk, als wel de gemoedsstemming, in welke men het beschouwt, die verandert.quot;
âWel mogelijk. Stemmingen zijn als windvlagen op het meer. Kijk, dat is een idee voor een musi-cale compositie: de windvlaag op het meer.quot;
Christina zuchtte.
76
âGij doet mij dikwijls aan het meer denken, Tvar,quot; sprak zij. âIeder briesje laat er zijn indruk achter.quot;
âJa, maar in de diepte blijft het water onveranderlijk.quot;
âWat is bij u onveranderlijk? Uw liefde voor de muziek?quot; vroeg Christina, en zonder zijn antwoord af te wachten, ging zij haastig voort: âZoudt gij gelukkiger zijn als ik heenging?quot;
âO, neen. Als gij gingt, zou ik uw gelaat slechts te duidelijker voor mij zien. Ik zou mij veel ellendiger gevoelen als gij niet meer hier waart!quot;
âWat bedoelt gij?quot;
âMijn zielsrust zou verstoord zijn, ik zou steeds het gevoel met my omdragen dat ik u verongelijkt had. Maar waarom houden wij dergelijke dwaze praatjes! Wat zouden moeder en Helga er wel van zeggen!quot;'
âZij zouden er blij om zijn, dat kunt gij gerust gelooven.quot;
âWat moeder betreft, hebt gij in zekeren zin gelijk, omdat zij jaloersch is op alles wat zich tus-schen haar en mij schijnt te stellen. Maar zij beschouwt u als mijn echtgenoote, wat gij ook worden zult zoodra Mortimer's eisch tot echtscheiding toegewezen is.quot;
âIndien gij mij nu nog niet als uw vrouw beschouwt,quot; zei Christina met een bitteren lach, âdan zult gij het wel nooit doen. Laat mij maar gaan als het u om een conventioneel huwelijk te doen is. Grij zijt dan vrij om Helga te vragen.quot;
77
âZij zou mij niet willen hebben.'
âDus hebt gij over de mogelijkheid nagedacht?quot; vroeg Christina.
Er was iets in den toon barer stem dat hem trof, en hij bemerkte dat hij te ver gegaan was.
âOch, onzin!quot; riep hij van de piano opstaande en naar Christina toegaande. âGij zijt immers de mijne, zooals ik de uwe ben. Niets kan ons scheiden, waarom dus over allerlei mogelijkheden te redeneeren? Wij hebben ons lot vrijwillig gekozen en kunnen er geen wijziging in brengen. Ik zou dit trouwens ook niet wenschen, hoewel gij somtijds het tegendeel veronderstelt. Gij geeft mijn gemoed rust en vrede, en wanneer ik Helga nu en dan wat naloop, dat is dit omdat zij een soort van betoovering op mij uitoefent, waaraan ik geen weerstand kan bieden.quot;
âLaat ons dan van hier gaan, Ivar. Gij zyt licht vatbaar voor indrukken, ik weet het, en ik zal niet meer op de zaak terugkomen, indien wij slechts voor het aanbreken van den winter Liagaard kun-verlaten.quot;
âVóór den winter? Daar moet ik eerst met moeder over spreken, zij wenscht dat ik tot Nieuwjaar hier blijf. In het begin van Januari ben ik, zooals gij weet, voor een reeks concerten te Christiania geengageer d. quot;
âWaarom zouden wij beiden, alvorens naar Christiania te gaan, niet eenige concerten in Bergen, Molde en Drontheim kunnen geven? Ik speel goed
78
genoeg om uw solo's voor piano met eenige vioolnummers te kunnen afwisselen.quot;
â0, zeker. Dat is geen bezwaar, maar ...quot;
âKunt gij er niet toe komen, Liagaardte verlaten?quot;
âIk zou het kunnen, als . .
âWelnu, als?quot;
âAls Helga met ons meeging. Reeds jaren geleden beloofde ik haar een uitstapje naar Chris-tiania, en zij heeft zich steeds in het vooruitzicht van dat plan verheugd. Zij is nog nooit verder geweest dan Bergen,quot;
âDenkt gij dat ik in zoo iets zal toestemmen, Ivar, waar ik Liagaard wil verlaten alleen om u aan haar invloed te onttrekken?quot;
âAha, zijt gij jaloersch?quot; vroeg Ivar glimlachend.
âJa, ik ben jaloersch. Ik kan er niets aan doen. Ieder, die bemint zooals ik, zou het zijn.quot;
âDat weet ik. Doch wat doet het er toe ? Jaloezie geeft immers een eigenaardige dramatische bekoring aan de liefde. Is zij het niet, die ons voortdurend doet zweven tusschen hoop en vrees, angst en twijfel? quot;Wat blijft er over als men zyn wenschen eenmaal bevredigd ziet?quot;
âWorden onze wenschen wel ooit bevredigd? Ik betwijfel het. Het genot, dat wij bezitten, schijnt zoo geheel anders dan het genot, dat wij begeerden. 0, Ivar, ziet gij niet dat wij met ons geluk spelen? En bedenk: als wy het eens verliezen, zullen wij het nooit weder terugvinden.quot;
âMaar, Christina, dat alles is geen reden, waarom
79
Helga ons niet vergezellen zou! Zij zal het opwindende element zijn. Als zij bij ons is, zult gij steeds vreezen uw geluk te verliezen. â een even prikkelende sensatie als de hoop, die gij vroeger gekoesterd hebt om het machtig te worden. Gij moest blij zijn als zij meeging.quot;
âDat zou ik ook, wanneer mijn levensdoel bestond in een jacht maken op telkens afwisselende sensaties. Doch dit is het geval niet. Hoe zou ik blij, hoe zou ik kalm kunnen zijn, als ik zie dat men luchthartig speelt met het eenige wat ik in de wereld heb? Denkt gij dat ik een liefde, waarvoor ik mijn zielsrust heb opgeofferd, met een ander deelen wil? Gij moet kiezen, Ivar, tusschen Helga en mij.quot;
âWaarom zou ik niet u beiden kunnen behouden ? ü als troost en hulp in tijden van druk, haar als het vroolijke kind, dat mij doet lachen in mijn oogenblikken van opgewektheid. Haar als mijn vreugde, u als mijn rust.quot;
âIk ben blij dat wij niet getrouwd zijn!' zei Christina met een toornigen lach.
âWaarom?quot;
âOmdat ik u, wanneer gij mijn echtgenoot waart, nooit zou kunnen verlaten zooals ik Calvin verliet.quot;
âBedoelt gij dat gij mij nu kunt verlaten?quot;
âZoo noodig, ja. Alles of niets: ziedaar wat ik wil en wat de essentiëele voorwaarde voor onze verbintenis is. Wanneer Helga zich tusschen ons stelt, moet zij of ik het veld ruimen.quot;
80
âGij ... . gij zoudt haar toch niet willen doo-den ?quot; vroeg Ivar angstig.
âWaarom niet?quot; antwoordde Christina. âIk weet inderdaad niet waartoe ik niet in staat zou zijn. Mijn zelfbeheersching heeft haar grenzen. Doch mij dunkt: het zal u genoegen doen dit te hooren. Het geeft een dramatisch tintje aan het geval en verschaft u de kans op het verkrijgen van een sensatie, grooter dan gij er nog ooit een gehad hebt.quot;
Ivar antwoordde niet, doch mompelde bij zichzelf: âIk moet haar waarschuwen.quot; Hij verliet de kamer en vernam van zijn moeder dat Helga uitgegaan was in de richting van den Fuglesteg. âDan zal ik haar gaan opzoeken,quot; sprak hij.
âIk ga met u mede,quot; zei Christina. Zij was hem ongemerkt gevolgd en stond als een beeld van het noodlot op den drempel der keuken.
HOOFDSTUK VII.
FtTGLESTEG.
Hoog in het gebergte aan den winterweg naar lotunheim ligt een saeter, waar Helga en Ivar als kinderen weken en weken hadden doorgebracht, het toezicht houdend op de kudden runderen en geiten, die men na het smelten der sneeuw naar hun zomerweiden gedreven had. Het pad naar dezen saeter liep langs een duizelingwekkenden afgrond en was wegens zijn smalte onder den naam Vogelpad of Fuglesteg bekend. In de diepte stroomde de Lia Elv in haar rotsachtig bed, men kon haar loop volgen tot aan den grooten waterval bij de hoeve. Duizenden voeten boven het pad hing als een gevaarlyke kroonlijst een zware sneeuwmassa over den rand van den bergwand.
Gewoonlijk was de saeter-hut in September reeds verlaten, doch thans duidde een opstijgende rookwolk de aanwezigheid van een menschelijken bewoner aan. Het was Helga. Zij had een vuurtje ontstoken en was bezig eenig theegoed op de ruw getimmerde, houten tafel gereed te zetten. Onder
TEELOREN GELOOP. II. 6
82
het heen en weer dribbelen neuriede zij een vroo-lyk deuntje, terwijl zij nu en dan zacht lachte, als broeide zij over een grap.
Een oogenblik later kwam Thorgheim Nielsen met een mandje brood, gebak en verdere benoo-digdheden voor de thee binnen.
âWat zyt gij laat. Ik vreesde al dat zij u gezien hadden,quot; zei Helga. âEn dat zou de pret geheel bedorven hebben. Wat zullen zij opkijken, wanneer zij hier die gedekte tafel vinden, ik wed dat zy het voor tooverij houden. Als Christina nu maar niet duizelig geworden en naar huis teruggekeerd is. En thans, oompje, moet gij verdwijnen; ik ga mij als herderin verkleeden, als het herderinnetje uit Ibsen's Brand. Straks ga ik den witten valk met steenen gooien, hu! hu! hu! schreeuwend, en Ivar aanbieden, hem naar de ijskerk boven op den gletscher te brengen. Dan, als ik hen genoeg voor den gek gehouden en verschrikt heb, lok ik hen naar den saeter en verdwijn. Zijn zij eenmaal in de hut, dan gluren gij en ik als grinnikende trollen ieder door een venster. Gij hebt mij goed begrepen, nietwaar? Gij moogt niet te voorschijn komen voor ik u een teeken geef.quot;
Inmiddels hadden Christina en Ivar den tamelijk veel betreden winterweg naar lotunheim verlaten om den steilen Fuglesteg te beklimmen. Het uitzicht werd ruimer naarmate men steeg. In de verte vertoonde zich de roode torenspits
83
der kerk te Fortun, zich helder afteekenend tegen de groene vallei, in welke het dorpje lag. In dezelfde richting, doch iets verder, bespeurde men de met bosch begroeide hoogten om het Lyster Fjord, en achter deze den ijskegel van den Joste-dalsbrae, flauw glinsterend in de verdwaalde stralen der herfstzon. Links benam de loodrechte rotswand alle uitzicht, doch rechts en voor hen uit rees de eene bergpiek naast de andere op, geen koe-pelvormen of heuvelruggen van het kustgebergte, doch echte Alpentoppen, gescheurd en verwrongen tot allerlei fantastische gedaanten. De geheele keten van den Horung Tinder was in het gezicht, van den Fanaraak tot den in drie pieken ge-kartelden Store Skagastolstind en den naaldvor-migen top van den Ringstind.
âHet landschap wordt al trotscher en trotscher,quot; zei Christina. âHet Fortundal schynt een Riviera, vergeleken met deze grimmige woestenij.quot;'
âGrootsch, nietwaar?quot; antwoordde Ivar. âDe lucht prikkelt als jonge wijn, er ontbreken nog maar een paar trollen om het tooneel te voltooien. Grij zijt toch niet duizelig?quot;
âNeen, zoolang ik niet naar beneden kijk gaat het best. Ik gevoel mij vanmiddag zelfs bijzonder kalm; wanneer ik thans de een of andere taak te verrichten had, die al mijn geestkracht en moed vereischte, zou ik daarvoor volkomen berekend zijn.quot;
âDat is de invloed van de lucht. Doch laat ons wat voortmaken, wij hebben onzen tijd wel noodig
84
als wij vóór donker weer thuis willen zijn. De avonden vallen tegenwoordig zoo spoedig. Ik ben nieuwsgierig of Helga reeds boven is.quot;
âMaakt gij daarom zulk een haast?quot; vroeg Christina.
âMisschien wel. Men moet steeds een doel voor oogen hebben, in welke richting men zich ook bewege.'
Op dit oogenblik werd de stilte der natuur verbroken door een vreemden, klagenden kreet, die na een korte poos door den tegenoverliggenden rotswand teruggekaatst werd.
âWat is dat?quot; vroeg Christina, staan blijvend en de hand tegen het kloppende hart drukkend.
âWanneer het niet zoo ver in het jaargetijde was, zou ik zeggen: een saetermeisje, dat haar kudden bijeenroept. Maar thans, in den herfst, is dat niet mogelijk. Misschien is het Helga. Jammer dat ik den seater niet in het oog kan krijgen, doch deze blijft van den Fuglesteg af onzichtbaar totdat men er vlak bij is.quot;
âHet is een afschuwelijk geluid, en het weergalmen langs de rotsen maakt het nog onheilspellender,quot; zei Christina.
âHu! hu! hu!quot;
Ditmaal klonk de kreet doordringender dan den eersten keer, terwijl hij vlak boven hun hoofden scheen geuit te worden.
âGroote God!quot; riep Ivar. âHet is Helga, ik ben er zeker van. Ik herinner mij nu hoe die kreet
85
haar aandacht trok toen wij te zamen Brand lazen. Zij zal toch niet daarboven op die rotsen geklauterd zijn, een mispas zou haar in dat geval het leven kosten! Korn mede, Christina. Kijk, daar valt een steen, dien moet zij naar beneden geworpen hebben. Zie eens, hoe hij van rots tot rots teruggekaatst wordt, eer hij in de rivier plompt. Mijn God, denk u eens een mensch, een meisje, op die wijze te pletter vallend. Als Helga eens . .. Helga, Helga, kom hier. Wij hebben u gezien, wij weten waar gij zijt. Om Gods wil, om mijnentwil, kom toch naar beneden !quot;
Als eenig antwoord hoorde men een schrillen lach, terwijl een tweede steen vlak vóór hen langs den rand van het pad naar beneden stortte, in zijn val van de eene zijde der kloof naar de andere buitelend.
âHelga!quot; riep Ivar weer, en zijn stem klonk even wild en klagend als de kreet, die hem en Christina den eersten keer zulk een schrik aangejaagd had.
âIk geloof niet dat het Helga is,quot; zei Christina.
âWie zou het anders zijn?quot; vroeg Ivar driftig. âDenkt gij, dat ik de stem niet herken, die ik van mijn jeugd af gehoord heb, die, evenals een kerkklokje, allerlei zoete herinneringen in mij doet ontwaken ? 0, mijn God, zonder Helga zal ik sterven! Wat moeten wij doen? Help mij toch, Christina, gij, die altijd zoo verstandig en geduldig zijt.quot;
âGeduldig! Ik zeg u, mijn geduld is thans uit-
86
geput. Mijn ziel heb ik reeds voor u opgeofferd; moet ik u ook nog mijn liart ten offer brengen? Eens hebt gij mij gezegd, dat ik uw alles was, dat geheel uw ziel, geheel uw hart aan mij toebehoorden, en thans durft gij zeggen, dat zonder Helga het leven voor u geen waarde heeft! Mijnentwege bekoopt zij dit avontuur met den dood. Ja, kijk mij maar niet zoo verbaasd en ontsteld aan, uw bedaarde, zachte Christina kan ook driftig worden. En sterk en hardvochtig kan zij zijn, evenals uw Noorsche Vikingsdochteren. Ik laat mij niet langer tarten en beleedigen, ik laat mij niet langer het eenige ontrooven, waarop ik een recht kan doen gelden, al weet ik thans hoe weinig waarde het heeft.quot;
Wederom hoorde men het klagende geroep. Christina wierp een vlammenden blik omhoog en klemde de tanden op elkaar, terwijl haar gelaat een dreigende uitdrukking aannam.
âIvar behoort mij, Helga!quot; riep zij. âGa uws weegs en stoor onzen vrede niet.quot;
Nielsen glimlachte in weerwil van den angst, die hem bezielde.
âHet is een heerlijk tooneel, Christina,quot; fluisterde hij. âGij en ik op dit nauwe pad, de bergen, die ons door hun nevelsluiers met een somberen blik aanstaren, en daarboven Helga, ons bespiedende. In weerwil van haar gevaarlijke positie zal zij schik hebben en denken dat gij voor haar plezier comedie speelt. Want het is u immers geen ernst, nietwaar?quot;
87
âWas het u daar straks ernst?quot; luidde haar toornig antwoord.
Hij greep de gelegenheid aan om den indruk zijner woorden uit te wisschen.
âWel neen, natuurlijk was het mij geen ernst. Ik liet mij medeslepen, evenals dien avond toen ik Helga in het bosch naliep.quot;
âHelga! Helga! Altijd Helga. Ik laat mij niet misleiden, Ivar, al is dat coquetteeren in haar oogen misschien niet meer dan kinderspel. Aha, daar komt zij naar beneden geklauterd. Als zij eens viel, Ivar!quot;
Nielsen sloot de oogen.
Helga bevond zich thans slechts een voet of tien boven het pad. Zich vooroverbuigende, steunde zij met één voet op een smalle inkeep in de rots; terwijl zij zich met de ééne hand vasthield en met de andere Ivar toewuifde onder een voortdurend geroep van: âHu! Hu! Hu!quot;
Christina voelde haar hart kloppen.
Het pad was te smal, dit zag zij, om in geval van nood Helga's val te breken; het jonge meisje behoefde slechts even haar hand los te laten, het vooruitstekende rotsblok, waarop haar voet rustte, slechts uit te glijden, en zij was reddeloos verloren. En Christina streed tevergeefs tegen een zekere voldoening, die zij gevoelde bij het zien van het doodsgevaar, waarin haar mededingster verkeerde.
âBlijf gij hier, Christina, om haar op te vangen
88
als zij valt,quot; riep Ivar met een heesche stem. âGij zijt zwaarder dan ik, mij zou zij slechts medesleepen.quot;
Christina kruiste de armen over de borst en bewoog zich niet.
âZiet gij niet dat zij zich haast niet meer in evenwicht houden kan?quot; ging Ivar voort. âDe spieren van haar arm zyn geheel opgezwollen door de pogingen, die zij aanwendt om zich op te richten. Haar lippen worden reeds wit, doch zij is te dapper om hulp te vragen. Naar boven klauteren kan zij niet, zich laten vallen schijnt haar te gewaagd toe. Als gij dicht tegen de rots gingt staan en ik op uw schouders klom, dan zou ik haar misschien kunnen bereiken.quot;
Christina verroerde zich nog immer niet. De rose lichtglans der laatste zonnestralen was van de verwijderde toppen van den Jostedals Brae geweken, en grijze wolkenmassa's legerden zich op een doodskleed van witte sneeuwvelden.
Licht en schaduw schenen beide verdwenen, en de stilte was zoo intens, dat men den hijgenden adem van Helga hooren kon.
âGroote God!quot; schreeuwde Ivar. âWilt gij Helga vermoorden, Christina ? quot;
âIk? Hoezoo? Ik heb haar niet boven op die rotsen gebracht.quot;
âNeen, doch gij weigert haar te helpen. Als zij valt en verongelukt, kome haar bloed over uw hoofd. Maar zij zal, zij mag niet vallen. Helga, Helga, houd u vast. Ik ga hulp halen uit Liagaard.quot;
89
âNiet naar Liagaard! De saeter! Thorgheim!quot; riep Helga hijgend.
âThorgheim is op den saeter! 0, mijn God, laat mij niet te laat zijn, laat mij niet te laat zijn,quot; riep Ivar. Hij snelde voort en was spoedig bij een bocht van het pad uit het gezicht verdwenen.
Op dat oogenblik ijlde Christina tot vlak onder de plek waar Helga zich bevond, haar toeroepend:
âLaat u thans vallen, Helga; ik zal u opvangen. Gij kunt het toch niet uithouden tot Ivar met Thorgheim teruggekomen is; en wat mij betreft; liever met u in den afgrond dan blijven leven om door Ivar uw moordenaarster genoemd te worden.quot;
Helga had de aangeboden hulp o zoo gaarne geweigerd, doch het natuurlijk instinct, de zucht naar het leven, die den drenkeling zich aan een stroohalm doet vastklemmen, was haar te machtig. En binnen weinige minuten moest zij loslaten, zij voelde het. De krachten begaven haar, hare pezen waren verstijfd en verdoofd, een onweerstaanbaar verlangen bekroop haar om zich te laten vallen. Een val zou althans, indien zij maar altijd door kon vallen, rust geven. Maar de rotsen, de wreede scherpe rotsen; het was haar als voelde zij reeds hoe zy haar het vleesch verscheurden. En heel in de diepte scheen de koude stroom zijn witte armen uit te breiden, gereed om haar in doodelijke omhelzing te ontvangen.
Met een blik vol afgrijzen in den duister wordenden afgrond riep zij: âSta vast dan! Ik kom!quot;
90
Christina strekte de armen uit en keek met opengesperde oogen naar boven. Alle spieren en zenuwen van haar lichaam waren gespannen, en het hart klopte haar in de keel.
,0, God, als gij inderdaad een God zijt, help mij dan nu!' fluisterde zij.
Een oogenblik van diepe stilte, dat een eeuwigheid scheen te duren. Het geluid van vallende aarde en steenen, die op het pad neerkwamen en in de diepte rolden.
En Helga viel.
Christina ving iets in haar armen op. Op hetzelfde oogenblik voelde zij een hevigen stoot in haar linkerzijde en zeeg zij achterover. Kleine lichtjes dansten voor haar oogen, en in haar ooren klonk een geluid als van borrelend water. Zou dit het einde zijn? dacht zij bij zichzelf.
Maar Helga, de bergbewoonster, strekte met groote tegenwoordigheid van geest den arm uit en het gelukte haar inderdaad, door zich een oogenblik aan een vooruitspringende rotsspits van den bergwand vast te klemmen, aan haar en Christina's val een binnenwaartsche richting te geven. Beide vrouwen tuimelden naast elkander neer, Christina het meest naar buiten, zoodat zij half over den afgrond heen hing. Zij zou waarschijnlijk naar beneden gestort zijn, indien Helga niet snel als de gedachte haar voet om den rug der bewustelooze jonge vrouw gehaakt en haar vervolgens naar zich toe getrokken had, waardoor het lichaam overlangs in
91
plaats van dwars over het Vogelpad kwam te liggen.
Nauwelijks had Helga zich van den grond opgericht of Ivar en Thorgheim kwamen met rassche schreden aangesneld.
âGod zij geloofd: gered!quot; riep de laatste. âDat was een angstig oogenblik, hè?quot;
Ivar was zoozeer buiten adem, dat hij gedurende een paar minuten geen woord uitbrengen kon.
âChristina is in zwijm gevallen. Gij kunt hier niet langs, het pad is te smal!quot; riep Helga, aan gene zijde van de roerlooze gedaante staande.
âZij heeft het bewustzijn verloren en is door u van een val in de diepte gered!' riep Ivar. â0, Helga, gij hebt vurige kolen op haar hoofd gestapeld.quot;
âHoezoo?quot; vroeg Helga. âZij heeft haar best gedaan om mij te redden, en ik was zeker in den afgrond getuimeld, als zij mijn val niet gebroken had.quot;
âZij uw val gebroken? Wat! Zij heeft u willen vermoorden. Toen ik het haar vroeg, weigerde zij u te helpen.quot;
âDat kan zijn, doch gij waart niet weg of zij bood aan mij op te vangen. En bijna was zij dooiden schok achterover in de diepte gevallen.quot;
âAchterover gevallen? Wie heeft haar dan tegengehouden?quot;
âIk haakte mijn voet om haar heen en kon mij
92
op het juiste oogenblik aan een rotspunt vastgrijpen.quot;
âWie zegt u,quot; sprak Ivar langzaam, âdat zy, achterover tuimelende, u niet in haar val trachtte mede te slepen? Kon haar doel niet zijn u te dooden, zelfs ten koste van haar eigen leven?quot;
âHoe durft gij uw vrouw van zulk een laagheid beschuldigen, neef Ivar?quot; viel Thorgheim hem in de rede.
âVrouw! Tk heb geen vrouw!quot; kreet de musicus wanhopig.
âWat zegt gij!quot; riepen Helga en Thorgheim gelijktijdig. ;;Maar wat is Christina dan?quot;
âZij moge al of niet uw vrouw zijn,quot; ging Thorgheim voort, toen Ivar op zijn vraag het antwoord schuldig bleef, âop het oogenblik verkeert zij in gevaar en heeft zij hulp noodig. Indien er hier iemand te laken valt, dan is het de man, niet zij.quot;
Zoo sprekend kroop hij behendig langs den overhangenden rotswand, waaraan hij zich met beide handen zoo goed het ging vasthield, terwijl zijn voeten een steunpunt zochten op de smalle strook gronds, die Christina van den afgrond scheidde. Hij haalde vervolgens een fleschje brandewijn uit den zak en bracht een paar druppels tusschen de opeengeklemde lippen der jonge vrouw. Toen hij vervolgens haar halsdoek een weinig losgemaakt had, kwam Christina weder bij.
âMoed gevat, nog een oogenblikje en gij zijt
93
weer geheel opgeknapt,quot; sprak Thorgheim, haar op de been helpend. En met de teederheid van een vrouw ondersteunde hij haar gedurende het afdalen langs den smallen weg, terwijl Ivar en Helga zonder een woord te spreken vooruitliepen.
HOOFDSTUK VIII.
DE GEBROKEN SNAAR.
Het was een koude avond, en de wind huilde over de bergen en om de hoeve van Liagaard. De houten muren en balken van het huis kreunden en kraakten, als wisten zij dat ook tusschen de bewoners daarbinnen weldra een storm zou losbreken.
Boven, in haar kamer, lag Christina gekleed op haar bed, zij sliep echter niet, doch trachtte zich de gebeurtenissen der laatste uren weder voor den geest te brengen. Zij hoorde het gemompel van stemmen beneden in de keuken en kon een bitteren glimlach niet onderdrukken bij de gedachte aan den familieraad, die thans het vonnis over haar velde. Het was haar alsof zij het tooneel voor zich zag, â het lange, lage vertrek, welks zoldering gestut werd door een enkelen zwaren pijler, die zijn donkere schaduw op den tegen-overliggenden muur wierp, de katoenen gordijnen, in den tocht zacht heen en weer wuivend, den oranjekleurigen gloed van het tyri-haardvuur. Zij zag hoe blij het flikkerlicht der allerlei fantastische
95
gedaanten aannemende vlammen beurtelings het stroeve, doch welgevormde gelaat van Fru Nielsen, de ruwe trekken van Thorgheim Melsen, Helga's goudgelokt kopje en het fijnbesnedene en angstige gelaat van den jongen musicus uit de duisternis opdoemden.
âAls het waar is dat Ivar en Christina niet getrouwd zijn, moeten zij onmiddellijk te Bergen of Christiania hun huwelijk laten voltrekken,quot; sprak Helga in het Noorsch.
âIvar is dat aan de nagedachtenis van zijn vader verplicht,quot; merkte Thorgheim met onge-wonen ernst op.
âIk zal nooit mijn toestemming daartoe geven,quot; sprak de moeder. âIk geloof niet aan het wettigen der zonde. Ivar is echter oud genoeg om te weten wat hij doen moet, en als hij zich in het ongeluk wil storten, kan ik hem niet terughouden. Doch met die vrouw blijf ik niet langer onder één dak; Ivar wete dus dat hij tusschen haar en zijn moeder te kiezen heeft. Een verder samenleven is voortaan onmogelijk.quot;
âGij beschouwt de zaak te veel van één kant, schoonzuster,quot; zei Thorgheim. âOok Christina heeft rechten, met welke men rekening dient te houden.quot;
âDat gaat mij niet aan. Ik ben moeder en weduwe, die slechts aan haar eenig kind denkt. Eens zal ik rekenschap moeten geven van de wijze, waarop ik mijn plichten als moeder vervuld heb. En nu ik mijn zoon niet voor de verzoeking heb kun-
96
nen bewaren, nu hij een prooi der zonde geworden is, wil ik ten minste het mijne doen om hem uit de klauwen van den booze te redden. Nooit zal ik toestaan, dat hij zich voor altijd bindt aan haar, die hem ten val bracht; ik, zijn moeder, zal hem weder oprichten en steunen, opdat hij de man worde, die hij had kunnen zijn. Die vrouw moet weg van hier, Ivar kan dan te Liagaard blijven tot hij deze verschrikkelijke geschiedenis vergeten is.quot;
âChristina wegzenden! Maar schoonzuster, is dat als Christinne handelen?quot; vroeg Thorgheim. âKent gij geen barmhartigheid?quot;
âBarmhartigheid, ja! Maar barmhartigheid bestaat niet in het oogluikend toelaten van de zonde. Hij moet van haar afzien, wat er verder van haar worden zal, is haar zaak. Laat zij naar haar vrienden terugkeeren, als zij vrienden heeft. En zij zal ze wel hebben, al kunnen het geen menschen zijn, die wij onder ons eerlijk dak zouden noodigen. Wat was zij voor zij met Ivar naar Noorwegen trok? Waar heeft mijn zoon haar ontmoet? In een wereldstad, een modern Babylon, vol boosheid en zedenbederf. Zij is een Papiste, een afgodendienares, een volgelinge van Isebel. Wat bedoelde Ivar toen hij van dat doode kind sprak ? Zijn kind was het niet! Neen, niet haar is onrecht aangedaan, maar hem; zijn schitterende carrière is verwoest door een goddeloos schepsel, dat misbruik van zijn zwakheid heeft gemaakt. Misbruik maken, ziedaar het woord, want Ivar was niet slecht. Hij
97
was alleen zwak en niet verantwoordelijk voor zijn daden, hij wist niet wat hij deed en liet zich be-tooveren door de vergankelijke schoonheid des vleesches. O, had die zucht tot reizen hem maar niet aangegrepen! Ware hij maar in Liagaard gebleven, evenals zijn vader, het land bebouwend en zich niet overgevend aan de muziek, die hem het hoofd op hol bracht. Die muziek! Die muziek! Zij draagt van alles de schuld.quot;
âGij vergeet dat Ivar lichamelijk ongeschikt was voor het boerenbedrijf, tante,quot; merkte Helga op.
âVergeten! Vergeten!quot; riep Fru Nielsen. âDenkt gij, dat ik het vergeet, ik, die hem onder het hart gedragen heb? Doch hoe zoudt gij kunnen weten wat een moederhart gevoelt? Steeds zal ik mij den dag herinneren, toen Elsa Löveborg, die mij bijgestaan had, mij het kleine ventje in de armen gaf en mij wees hoe het eene schoudertje hooger was dan het andere. Zijn vader kwam juist binnen. âIngrid,quot; zei hij, âdat is geen loot van onzen stam. Ons geslacht was altyd recht als pijnboomen, en deze is mismaakt. Daar zal nooit een man van groeien.quot; Doch ik paste hem op en zorgde voor hem, juist omdat hij een moeilijken strijd met de wereld te gemoet ging. En ik dacht aan de verhalen, die ik in mijn jeugd omtrent mismaakte kinderen gehoord had, hoe men ze vroeger trollenkin-deren noemde, omdat zij een trol in zich hebben, gevaarlijker en moeilijker te overwinnen dan een menschelijke vijand. Wie weet of onze
VERLOKEN GELOOF. II. 7
98
voorouders niet verstandiger waren dan wij ? Zeker is het dat dergelijke kinderen zonderlinge eigenschappen bezitten, die men bij normaal ontwikkelde niet aantreft. Soms is het een slecht humeur, soms een wilde, grillige voorliefde voor het een of ander, zooals Ivar heeft voor de muziek. Ja, ik herhaal het, de muziek, de vervloekte muziek heeft hem het bloed bedorven. Met haar viool heeft die vrouw hem behekst, heeft zij mij mijn jongen, mijn eenige, ontstolen. Waar is dat tooverinstrument, waarmede de duivel zijn kinderen leert dansen? Ah, daar staat het in dien hoek. Ik wist dat het zich ergens in de kamer bevond, ik voelde de tegenwoordigheid van het goddelooze ding. Nu, het zal voortaan geen onheil meer stichten, als ik er ten minste iets aan doen kan.quot;
Dit zeggende rees zij op, en, voor een der aanwezigen het beletten of zelfs een woord spreken kon, had zij Christina's viool gegrepen en met haar gespierde vingers twee der snaren aan stukken gescheurd. De gesprongen koorden deden een laat-sten schrillen toon hooren, door het huis weergalmend en vervolgens wegstervend gelijk het klagend geluid van een om hulp roepende men-schelijke stem.
Ivar huiverde, het was hem als vernam hij den laatsten wanhoopskreet eener liefde, die thans gestorven was.
âSchoonzuster, bedaar!quot; zei Thorgheim. âGij zijt
99
onredelijk en windt n te zeer op. Zie, bij het losrukken der snaren hebt gij u den vinger gekwetst.quot;
Fru Nielsen schudde de bloeddroppels af. âDit wondje zal spoedig genezen,quot; sprak zij. âDoch de wonde, aan mijn hart toegebracht, geneest nooit weer.quot;
âMoeder! Spaar mij!quot; bad Ivar.
âU sparen, mijn jongen! Juist omdat ik dat wil, kan ik die vrouw niet sparen. Haar en haar werk, niet u, veroordeel ik. Gij moet van haar afzien, en zij moet weg van hier,quot;
âZij zal heengaan!quot; sprak een stem, die allen deed opschrikken. Op den drempel stond Christina. Zij was bij het vernemen van den klank, dien de gesprongen snaren van zich gaven, onhoorbaar de trappen afgesneld en wachtte thans als een uitgeworpen misdadigster haar vonnis af.
Het vuur gaf aan de bleeke wangen een rose tint, en de betraande oogen schitterden met zachten glans.
Ivar stond op en strekte onwillekeurig de armen naar haar uit,
â0, Christina,quot; zuchtte hij, âGij zijt zoo schoon, zoo ernstig. Gij moogt mij niet verlaten. Vergeef mij! Vergeef mij!quot;
âKunt gij uzelf vergeven?quot; vroeg Christina met holle stem.
Hij bedekte zich het gelaat met beide handen.
âArme Ivar,quot; ging zij bij het zien zijner droefheid voort. âHet spijt mij zoo, het spijt mij zoo, en nog meer om u dan om mijzelf.quot;
100
âGa naar haar toe, Ivar!quot; zei Helga, met moeite haar tranen bedwingend. âGa naar haar toe en troost haar. Zij is een vrouw en zal u vergeven. Zij moet u vergeven, als zij ten minste de kans niet verspelen wil haar geluk en goeden naam terug te krijgen.quot;
âBlijf waar gij zijt, mijn zoon!quot; kwam het stroef over Fru Nielsen's lippen. âArme jongen, is de betoovering u nog altijd te sterk? Doch behoef ik mij te verwonderen, als ik zie dat zelfs Helga, die, naar ik geloofde, tegen de verleiding bestand was, voor de bekoring dezer moderne Isebel bezwijkt?quot;
âSchoonzuster, matig u!quot; sprak Thorgheim. âDergelijke taal past niet in uw mond. Het is uw wensch, dat Ivar zich als een man gedraagt, welnu, laat hem dan zelf een keuze doen. Ivar, wilt gij deze vrouw huwen?quot;
Ivar wrong zich de handen en zag Christina aan.
âJa, als zij mij hebben wil, en dan, zoodra de wet het toestaat,quot; sprak hij langzaam.
âWat bedoelt gij met uw: zoodra de wet het toestaat?quot; vroeg Thorgheim.
Ivar bewaarde het stilzwijgen, doch Christina, de hand opheffend als wilde zij haar hoorders tot luisteren dwingen, sprak met vaste stem: âIk zal voor hem antwoorden. Op het oogenblik kan ik niet met hem trouwen, omdat er een andere man leeft, die krachtens de wet het recht heeft zich mijn echtgenoot te noemen.quot;
âWat hoor ik?quot; riep Fru Nielsen, âEen echtge-
101
noot in leven, terwijl zij hier met mijn zoon onder het eerbiedwaardige dak verkeert, waar geslachten en geslachten een rein en kuisch huwelijksleven leidden! Het verbaast mij, dat de bergen niet instorten om de woning te begraven, die tot een huis des overspels geworden is.quot;
âSpaar mij dat woord!quot; kreet Ivar.
âIk mag u niets sparen,quot; antwoordde zijn moeder.
âHet kwaad moet met wortel en tak worden uitgeroeid, opdat uw ziel voor het eeuwige verderf bewaard worde. Arme jongen, die vrouw be-heerscht u, zooals gij uw muziekinstrument be-heerscht. Niemand hier in huis schijnt zich trouwens aan haar invloed te kunnen onttrekken, zelfs zij, die mij ter zijde behoorden te staan, nemen de partij op van een echtbreekster en moordenaarster.quot;
âEen moordenaarster?quot; riep Thorgheim. âMaar, schoonzuster, vanmiddag heeft zij nog haar leven voor Helga gewaagd.quot;
âJa, doch alleen omdat de moed haar op het laatste oogenblik ontzonk, en het vleesch te zwak was om aan de booze driften van den geest te gehoorzamen. Meent gij dat ik er niet alles van weet? Zou ik, een vrouw, niet in het gemoed van een andere vrouw als in een open boek kunnen lezen? Gelijk het vuur van een brandend pijnbosch door den wind wordt aangewakkerd, is sedert Helga's terugkomst de jaloezie dier vrouw in hevigheid toegenomen. Toen Ivar dezen middag zijn nichtje ging zoeken en zij er op stond hem te vergezellen,
102
was het met moord in haar oogen en moord in haar hart. En waarom? Omdat zelfs het verleden haar ijverzuchtig maakte, omdat zij wist hoe het vroeger mijn hartewensch was, dat Ivar en Helga een paar zouden worden. Doch waarom nog meer woorden hierover te verspillen? Die vrouw moet gaan, en zij is verstandig genoeg om dat zelf in te zien.quot;
Fru Nielsen had zich onder het spreken naar Christina toegewend en stootte bij die beweging met den voet tegen de viool, die nog op dezelfde plaats lag, waar zij na het stuktrekken der snaren was neergeworpen. Het fijnbewerkte instrument, eeuwen geleden door een bekwaam kunstenaar in zuidelijke landen vervaardigd, scheen zich tegen de smadelijke behandeling, welke die ruwe boerenvrouw het aandeed, te willen verzetten. Toen het als een onrein dier door Fru Nielsen voortgeschopt werd, lieten de overgeblevene snaren een jammerkreet hooren, klagender dan het gehuil van den Noordenwind om het huis.
âDat duivelsding,quot; zei Fru Nielsen toornig. âIk zou het wel willen verbranden.quot;
Bij Christina echter had de klaagtoon der viool herinneringen opgewekt, smartelijker dan het verdriet, dat zij op dat oogenblik gevoelde.
âO, mijn Amati! Mijn Amati!quot; riep zij, naar voren schietend om het instrument te redden. âPas op dat gij haar niet beschadigt. Het is een geschenk van mijn moeder.quot;
103
Ook Ivar was opgesprongen, en uit zijn blik sprak meer vastberadenheid dan hij gedurende den geheelen avond getoocd had.
âGij zijt krankzinnig, moeder,quot; riep hij. âHet zou misdadig zijn een instrument als dit te vernielen of te verbranden. Bedenk dat het de ziel van een kunstenaar bevat, bedenk dat de stem dezer viool gedurende eeuwen tot verkwikking en troost heeft gestrekt aan het afgetobd gemoed van zoo menig menschenkind. Een menschenleven beteekent weinig, vergeleken met de onsterfelijke ziel der kunst. Kunst en liefde alleen geven waarde aan het leven. Gij, moeder, begrijpt dat niet, gy zijt door conventies en vooroordeelen aan handen en voeten gebonden, hoe goed overigens ook uw bedoelingen mogen zijn. Zelfs Helga begrijpt het niet. Hoe zou zij ook, die niets van de wereld gezien heeft behalve onze fjorden en bergen ? Slechts Christina en ik hebben elkander verstaan, en daarom waren wij één, evenals liefde en kunst één zijn. De eene vult de andere aan, men kan ze niet van elkander scheiden, evenmin als men ons scheiden kan, nietwaar, Christina?quot;
Christina antwoordde niet. Met een blik van onuitsprekelijke droefheid drukte zij de beschadigde viool tegen zich aan, telkens de woorden: â0, moeder, o, moeder!quot; herhalend.
âUw moeder!quot; sprak Fru Nielsen op bitteren toon. âZij is het, nietwaar, die u dit instrument gegeven heeft? Welnu, ik zeg u: zij zal den dag
104
vloeken toen zij het u schonk, want ook gij zijt, evenals Ivar, door de muziek ten verderve gebracht. En waarschijnlijk hebt gij het hart uwer moeder gebroken, evenals hij het mijne. Kom, laat mij het ding verbranden, ik ben overtuigd dat het een werktuig van den satan is, dat onrust en verwarring in onze harten en ellende over Liagaard gebracht heeft.quot;
Fru Nielsen deed een greep naar het instrument, dat bestemd scheen om de zondenbok voor Ivars overtredingen te worden. Doch Christina hield de viool des te steviger vast en riep: âGij zult mij mijn moeders geschenk niet ontnemen, gij zult mij niet berooven van het eenige, dat mij in dit ellendige leven overblijft. Raak mij niet aan, vrouw, of ik sla u.quot;
Met een zegevierenden blik keek Fru Nielsen de anderen aan.
âHoort gij dat, Ivar, en gij Thorgheim en Hel ga ?quot; riep zij. âHeb ik te veel gezegd toen ik beweerde dat zij een bloeddorstig karakter had ? En kunt gij het rustig aanhooren, Ivar, hoe die vrouw uw moeder dreigt te slaan?quot;
Ivar viel weder in zijn stoel neer, zijn energie scheen even snel geweken als zij gekomen was.
âOp die viool speelde zij het eerst mijn sonate,quot; steunde hij. âDoor die viool sprak haar ziel voor het eerst tot de mijne, dien avond te Cold Harbour. O, God! Hoe vreeselijk is het te moeten denken dat zulke oogenblikken van geluk voor altijd voorbij zijn.quot;
105
âVoor altijd!quot; herhaalde Christina. âMijn geluk en dat van Ivar, voorbij voor altijd! Gaat het zoo met alles in deze wereld ? Kan de liefde worden als een viool, wier snaren gesprongen zijn, zoodat zij niet in staat is een enkele melodie meer voort te brengen? Wat blijft er over als zelfs de liefde ons ontvalt?quot;
âDe plicht!quot; zei Fru Melsen ernstig.
âWat is mijn plicht?quot; vroeg Christina.
âVan hier te gaan! Niet langer den vrede te storen van het huis, over welks dak gij schande gebracht hebt; den zwakken knaap te verlaten, die door u te gronde gericht is.quot;
âIk ga!quot; zei Christina, zich als in een droom naar de deur begevend.
âGa niet!quot; riep Ivar, opspringend. âVerlaat mij niet. Denk aan het verleden.quot;
âGeen verleden kan onze toekomst helder maken, Ivar.quot;
âO, toch wel. Denk aan wat wij op de stoomboot tot elkander zeiden: âWij hebben de duisternis achter ons gelaten!quot; Winteren duisternis zullen hier spoedig hun intocht houden, welnu, laat ons de zon volgen en naar zuidelijke landen trekken. Ik zal mijn engagement te Christiania verbreken.quot;
Hij was onder het spreken met uitgebreide armen op haar toe gekomen.
Christina bleef staan en zag hem met een blik vol liefde en innig medelijden aan. Zij dacht op
106
dat oogenblik slechts aan de liefde, die zij nog altijd voor hem gevoelde, een liefde, die slechts inniger werd door alles, wat zij voor hem ten offer gebracht en om zijnentwil geleden had.
Doch Fru Nielsen legde haar zoon de hand op den schouder.
âBedenk wat gij doet, Ivar!quot; sprak zij op ijs-kouden toon. âAls gij deze vrouw volgt, verwerpt en verloochent gij de moeder, die u onder het hart gedragen heeft.quot;
âMaar hebt gij dan geen medelijden, moeder?quot;
âVoor haar niet. Ik ben onverbiddelijk.quot;
âZou het niet beter zijn wanneer wij dit gesprek staakten en tot morgen wachtten, alvorens een besluit te nemen?quot; vroeg Helga.
âZeker, zeker,quot; liet Thorgheim zich hooren. âDat is veel beter, schoonzuster. Morgen zijn wij allen kalmer en meer geschikt om de zaak te bespreken.quot;
âWaarom zouden wij morgen de zaak bespreken, nu het bij mij vaststaat, dat zij het huis uit moet?quot;
âMaar zij kan toch vanavond niet heengaan. Gij kunt haar immers niet in den nacht buiten de deur zetten,quot; zei Thorgheim.
âNeen. Doch ik verlang dat zij zonder Ivar meer te zien of te spreken naar haar kamer gaat. Morgen kunt gij haar te Skjolden aan boord van de stoomboot naar Bergen brengen.quot;
âOom Thorgheim behoeft zich geen moeite te geven,quot; sprak Ivar, de hand, die op zijn schouder
107
lag, afschuddend. âIkzelf zal met haar vertrekken. Mijn keuze is bepaald: gij kunt te Liagaard Wijven, ik ga met haar!quot;
âDat zult gij niet!'' kreet Fru Nielsen. âIk zal u desnoods met geweld hier houden, want gij zijt slechts een zwakkeling. Ik wil u niet aan zonde en verderf ten prooi laten, ik wil u de nagedachtenis uws vaders niet laten bezoedelen. Ik ben maar een zwakke vrouw, doch ik ben moeder, en God zal mij helpen.quot;
Nauwelijks had zij uitgesproken of zij zonk in haar stoel neer, het gelaat krampachtig vertrokken en met de handen om zich heen slaande,
Helga wilde haar bijstaan, doch de oude vrouw duwde haar woest ter zijde, mompelend: âMijn zoon, mijn zoon!quot;
Ivar stond in tweestrijd.
âGa naar haar toe!quot; zeide Christina. âUw plaats is bij haar. Zij heeft een recht op u . . . ik niet.quot;
Na het uiten van deze woorden verliet Christina de keuken en ijlde naar boven. Ivar volgde haar, doch zy had, voor hij haar kon inhalen, haar kamer bereikt en de deur van binnen gegrendeld, terwijl zij voor zijn smeekbeden om te openen doof bleef. Toen hem het vruchtelooze zijner pogingen overtuigend gebleken was, begaf Ivar zich weder naar beneden om naar zijn moeder om te zien.
HOOFDSTUK IX.
MOEDERS KRUIS.
Christina had een paar minuten alleen in de duistere kamer gezeten, toen zij een lichten tred op de trap hoorde, een oogenbiik later door een klop tegen de deur gevolgd.
âWie is daar?quot; vroeg zij.
âHelga!quot; luidde het antwoord. âLaat mij binnen, misschien kan ik u van dienst zijn.quot;
âWaar is Ivar?quot; vroeg Christina.
âBeneden bij zijn moeder. Toe, laat mij binnen.quot;
Christina bedacht zich een oogenbiik voor zij opende. Zij zag er tegen op met Helga alleen te zijn, doch zij hunkerde naar sympathie, naar die sympathie, welke slechts een vrouw aan een andere vrouw schenken kan.
âLaat mij binnen, ik heb u iets te zeggen,quot; drong Helga aan, en Christina opende de deur, om deze dadelijk weder achter Helga te sluiten en te grendelen.
âWat hebt gij mij te zeggen?quot; vroeg Christina. Zij trachtte den toon van gewonden trots aan te nemen, hoewel haar lippen beefden.
109
âIk wilde u slechts zeggen, dat ik diep medelijden met u heb en dat ik mijn best wil doen Ivar en u met elkander te verzoenen,quot; antwoordde de Noorsche.
, Waarom?quot;
âOmdat ik gevoel____het valt zoo moeilijk het
in woorden te zeggen____dat ik misschien te laken
ben, daar ik. .. Begrijpt gij mij niet?quot;
âIk begrijp u volkomen, Helga, doch geloof mij: ik laak u niet. Ik weet nu dat het uw schuld niet was, al heb ik dat ook in den beginne gedacht. Zelfs Ivar beschuldig ik niet! Maar gij .... gij hadt volkomen gelijk, vrees ik, met uw bewering dat het gevaarlijk is een man te toonen hoeveel men van hem houdt, vooral....quot;
âVooral....?quot;
âVooral als hij een natuur heeft als Ivar.quot;
âDaarover wilde ik juist met u spreken,quot; zei Helga ernstig. âNatuurlijk kan ik mij niet in uw plaats denken en weet ik niet welke op dit oogen-blik uw gevoelens zijn; ik ben echter diep met u begaan en wil alles tusschen u en hem weder in orde zien te brengen. Sommige menschen zullen dit niet goed van mij vinden, daar hebt gij bij voorbeeld: tante en de dominee. Ik zie hen reeds in heilige verontwaardiging de handen opheffen bij het denkbeeld alleen dat ik aldus het kwaad zou aanmoedigen. Doch dat laat mij volkomen koud: gedane zaken nemen geen keer, nietwaar, en op het oogenblik hebt gij zorgen en verdriet, en dus
110
behoefte aan steun en hulp. En die kom ik u thans brengen; misschien kan ik zoo mijn lichtzinnig gedrag, althans ten deele, weder goedmaken. Helaas, helaas, nooit vermoedde ik dat mijn coquetteeren zulke vreeselijke gevolgen zou hebben.quot;
âDat kondt gij ook niet vermoeden, Helga, vergeef mij dat ik ooit het tegendeel gedacht heb. Gy weet echter niet wat ik geleden heb, gij kunt u niet voorstellen wat jaloerschheid is, als gijzelf nooit jaloersch geweest zijt. Ach, ik vrees zelfs dat men zich van de liefde, dat is van de smart dei-liefde, geen begrip kan vormen zoolang men de jaloezie niet kent. Doch dat alles is nu voor-bij.... voorbij.... niets, niets blijft mij meer over.quot;
âO, Christina, zeg dat niet, het klinkt zoo vree-selijk! Gij moogt den moed niet verliezen; als gij verkeerd gehandeld hebt, is het kwaad immers geboet. En o, als de menschen eens de geheele waarheid wisten, dan zou hun oordeel over u misschien veel zachter zijn. Men heeft geen recht iets verkeerd te noemen als men niet alle omstandigheden, alle gevoelens kent, die tot de daad gedreven hebben. Doch over het verleden praten wij thans niet, en wat de toekomst betreft,.... we!, waarom zoudt gij niet met Ivar trouwen om de wereld, die nu eenmaal op den schijn afgaat, tevreden te stellen?quot;
âWat recht is, is recht, Helga, en heeft het vernisje van den schijn niet noodig. Maar die
Ill
quaestie moesten wij liever laten rusten, Ivar weet wat ik bedoel en waarom ik niet met hem trouwen wil; het zou geheel tegen onze principes in-druischen. En zelfs al dacht ik er anders over, dan zou ik nu in geen huwelijk meer kunnen toestemmen. Er blijft mij slechts één weg over.quot;
âEn die is?quot;
âHem te verlaten.quot;
âMaar waarom? Ik weet dat hij u liefheeft. Ik weet dat hij berouw gevoelt over zijn coquetteeren
met---- met mij, en over de bittere woorden, die
hij u heeft toegevoegd. Geloof mij, van een ernstige neiging voor mij is bij hem nooit sprake geweest, het waren slechts zijn emoties, zijn zucht om in het nieuwe, nieuwe sensaties te vinden. Men mag hem werkelijk niet als geheel toerekenbaar beschouwen.quot;
âGroote gaven verbonden met waanzin, zooals Dryden zegt,quot; merkte Christina op.
âWaanzin? Neen, dat is het woord niet, een voorbijgaande phase der emotie zou ik het willen noemen. Hij is als het meer, ieder windje rimpelt het oppervlak, doch in de diepten blijft het water onberoerd. En in die diepten heeft hij u lief, Christina. My zal hij spoedig vergeten, u nooit.quot;
âO, verleid mij niet, verleid mij niet,quot; riep Christina, de handen wringend. âHet zal mij den dood aandoen hem te moeten verlaten, doch laat mij ten minste in vrede sterven.quot;
112
âMaar waarom moet gij hem verlaten? Kunt gij hem niet vergeven? Als gij hem niet vergeven kunt, is uw liefde ook niet groot.quot;
âDe Hemel weet dat ik hem reeds vergeven heb, doch het is mij duidelijk geworden dat. . .
âDat?quot;
âDat het vertrouwen tusschen ons voor altijd verbroken is. En een liefde als de onze is zonder volkomen vertrouwen niet gerechtvaardigd.quot;
âVertrouwt gij hem dan niet meer?quot;
Christina zweeg.
âNu, spreek!quot; zei Helga. âVertrouwt gij hem niet meer?quot;
âVraag het mij niet. Hoe zou ik hem kunnen vertrouwen als ik jaloersch ben, jaloersch zonder reden, althans wat u betrof? Is jaloezie op zichzelf reeds geen wantrouwen?quot;
âNiet altijd, Christina, niet altijd. Ik weet niet beter of liefde zonder jaloezie is onbestaanbaar. Zelfs Gods liefde is een ijverzuchtige liefde, staat in de Schrift; gij weet dat misschien niet, omdat het u, als Katholieke, verboden is den Bijbel te lezen.quot;
âGij vergist u, Helga, ik heb den Bijbel wel degelijk gelezen; doch laat ons niet gaan theologiseeren. Als men verkeerd gehandeld heeft, moet men de zaak eerlijk en dapper onder de oogen zien en er niet met behulp van den godsdienst een plooitje aan trachten te geven. Ik heb, als mensch, eenvoudig geluisterd naar de menschelijke stem, die
113
in mijn gemoed sprak, en nu deze stem mij begeeft, ben ik niet van zins in den godsdienst mijn heil te gaan zoeken.quot;
âWat maakt gij u warm!quot; zei Helga. âMen zou bijna denken dat gij een krachtige opwelling van uw eigen hart bestreedt in plaats van een door mij gemaakte losse opmerking. Doch in den grond hebt gij gelijk; godsdienstige beschouwingen zijn op het oogenblik niet van pas. Wat de meeste menschen onder godsdienst verstaan, schijnt mij trouwens evenzeer een quaestie van conventie als het zich kleeden voor partijen. Ik heb wel eens hooren beweren, dat men alles wat goddelijk is als het ware voelen moet; best mogelijk, doch ik wil wel eerlijk bekennen dat een dergelijk gevoel mij ten eenenmale ontbreekt. Ik ben niet veel meer dan een heidin, vrees ik.quot;
âDat zijn de meeste menschen,quot; merkte Christina bitter op. âDe wereld hiernamaals is op zijn mooist een mogelijkheid, terwijl dit leven een zekerheid is, een verschrikkelijke zekerheid. 0, het valt hard van alles, wat zij aan geluk bevat, afstand te moeten doen.quot;
âMaar dat is niet noodig, Christina. Ik ben overtuigd dat het tusschen Ivar en u weder in orde komen kan.quot;
âLiefde is geen lapwerk, Helga. Zij is als een kostbare vaas, die, eens gebroken, altijd geschonden blyft, al lijmt men ook de scherven weder aan elkander.quot;
VERLOREN GELOOP. II. g
114
âGij zult toch niet weigeren Ivar te zien, hoop ik? Tante gaat zoo aanstonds naar bed, als zij niet reeds gegaan is. Mag ik Ivar dan bij u zenden?quot;
âNeen, Helga, doe het niet en dring er ook niet verder bij mij op aan. Geloof mij, met een dergelijke ontmoeting vergt gij te veel van mijn krachten. 0, ik ken ze, Ivar's buien van hartstochtelijke opgewondenheid, en weet dat mijn zenuwen er thans niet tegen bestand zouden zijn. Ik zou flauw vallen of de een of andere dwaasheid doen.quot;
âEn wanneer ik Ivar de voorwaarde stel dat hij zich kalm houdt?quot;
âDat kan hij niet, Helga, als zijn emoties eenmaal haar spel met hem spelen. Ik vrees zelfs dat juist dat teugellooze zijner passie mij in den beginne medegesleept heeft.quot;
âMaar op een oogenblik als dit moet hy kalm zijn,quot; drong Helga aan. âZijn onbesuisde drift was het, die al deze ellende veroorzaakt heeft, hij zal zich dus nu wel weten te beheerschen,quot;
âDenkt gij dat?quot; vroeg Christina. âLuister dan eens.quot;
De zitkamer lag juist onder het slaapvertrek, en beide vrouwen hoorden den musicus plotseling door een vloed van tonen aan zijn wilden ziele-strijd uitdrukking geven. Het was een heftige en klagende melodie, die het gieren van den kouden herfstwind overstemde.
âDe muziek,quot; sprak Christina, âziedaar Ivar's
115
eigenlijk ik, waaraan hij steeds trouw blijft. Zijn medemenschen zijn voor hem slechts muziekinstrumenten, die hij achtereenvolgens bespeelt. Ook ik was in zijn handen een speeltuig, dat hij in een hoek wierp toen de klanken het verrassende dei-nieuwheid verloren hadden. Doch ik vergeef het hem, de droom was zoet, al heeft hij slechts kort geduurd.quot;
Helga antwoordde niet. Zij gevoelde de waarheid van Christina's woorden te zeer om er iets tegen in te brengen. Zij kuste haar zwijgend goedennacht en sloop vervolgens onhoorbaar de kamer uit.
Toen Helga heengegaan was, kon de jonge vrouw haar aandoeningen niet langer bedwingen. Zij wierp zich op haar legerstede, het hoofd in de kussens drukkend, opdat noch Ivar, noch zijn moeder, die in de kamer naast de hare sliep, haar snikken zouden hooren. De wilde muziek, in welke haar minnaar zijn emoties uitstortte, herinnerde haar aan de oorzaak van haar verdriet, doch overigens was haar smart zoo intens, dat zij alle besef van hetgeen er dien dag gebeurd was, verloren had. Het leven scheen haar een eindelooze woestenij; een donkere, doellooze toekomst grijnsde haar aan. Een oogenblik fluisterde een booze stem daarbinnen: gijzelf kunt aan uw lijden een einde maken; doch de instinctmatige gehechtheid aan het leven legde die stem spoedig het zwijgen op. Ook koesterde zij een flauwe hoop, de hoop van velen, die in vertwijfeling verkeeren, dat de zaken ter elfder ure
116
r
nog een gunstigen keer zouden nemen. Eén ding echter stond bij haar vast: zij moest Liagaard zoo spoedig mogelijk verlaten. Zulk een dag als zij achter zich had, zou zij niet ten tweeden male kunnen doorstaan.
Gelukkig dat de natuur, de vriendelijke, doch onverbiddelijke medicijnmeester, haar balsem heeft voor de pijnlijkste wonden, door het verdriet geslagen. Zenuwen, die behoefte hebben aan rust, vinden rust; langzamerhand bedaarde Christina's heftig gesnik, en een half uur na Helga's vertrek was zij in een diepen slaap gevallen.
Bij het ontwaken hoorde zij slechts het huilen van den wind en de zware ademhaling van Fru Nielsen in de aangrenzende kamer, Ivar had zijn spel blijkbaar gestaakt. Op haar horloge ziende, bemerkte Christina dat het bij tweeën was. Zij sloop zoo geruischloos mogelijk naar een klein boekenrek, dat tegenover haar kleerkast hing, en kreeg een reisgids van Noorwegen, dien zij, nog voor haar vertrek uit Engeland, te Huil gekocht had. Spoedig vond zij een kaartje van het Lyster Fjord en omstreken, met aanduiding van den weg, die het met Jotunheim en verder met de groote route tusschen het Ramsdal en Christiania verbindt.
Eerst was zij van zins zich langs den bekenden weg door het Fortundal naar Skjolden te begeven, ten einde aldaar de Logne Fjord boot naar Bergen af te wachten; zij wist echter dat zoo laat in het
117
jaar de stoombootdienst ongeregeld en onbetrouwbaar was en vreesde dat een oponthoud te Skjolden Ivar in staat zou stellen haar in te halen. Zij voorzag de pogingen, die hij zou aanwenden om haar tot terugkeeren te bewegen, en het was hoofdzakelyk met het doel deze pijnlijke ontmoeting te vermijden dat zij tot een overhaaste en geheime vlucht langs een minder bereisde route besloot.-Wegens haar totale onbekendheid met het land had zij evenwel geen vermoeden hoe eenzaam en verlaten die weg was. De kaart gaf zijn richting duidelijk aan, in den tekst stond hij als gevaarloos en vrij goed begaanbaar vermeld, waaruit Christina de gevolgtrekking maakte dat zij langs deze route zonder bezwaar het eerste station aan de andere zijde van het gebergte zou kunnen bereiken, om van daar per kariool naar Christiania te reizen. Waar zij verder heen zou gaan, wist zij nog niet, doch in het binnenste van haar hart trok haar een onweder-staanbaar heimwee naar het oude vaderland.
Nadat aldus haar besluit genomen was, begon zij de weinige voorwerpen in te pakken, die zij mede wilde nemen. Onder het heen en weer loopen viel haar aandacht op de grillig gevormde en nog grilliger beschilderde houten bedstede, het voornaamste meubelstuk in het vertrek.
Een zeer aesthetisch voorwerp was het niet, doch voor Noorsche oogen bezat het, met al zijn eenvoud, een groote aantrekkelijkheid. Ouderwetsche Engelsche families hebben dikwijls een grooten
118
Bijbel, op wiens schutblad naam en leeftijd der verschillende leden van het gezin vermeld staan. Een dergelijke rol nu vervult bij het landvolk in Noorwegen de bedstede; de namen van vader en moeder, hun leeftijd, de datum van hun huwelijk en die van de geboorten hunner kinderen, dat alles prijkt in sierlijk, gekruld schrift op de houten deuren. Op de bedstede te Liagaard waren in heldere kleuren de namen van Ivar's ouders, en daaronder die van hun zoon geschilderd; achter Ivar's naam had men een plaatsje opengelaten voor dien zijner toekomstige echtgenoote.
In den beginne had de jonge man er bij zijn moeder eenige malen op aangedrongen, dat ook Christina in het familie-register zou worden opgenomen, doch Fru Nielsen wist zijn verzoek telkens op de lange baan te schuiven. Een instinctmatige tegenzin weerhield haar de vreemdelinge openlijk als een lid van het gezin te erkennen, een tegenzin, die thans maar al te zeer gerechtvaardigd bleek. Christina huiverde bij het zien van de ledige ruimte, het oningevulde paneel scheen een symbool harer verbintenis met Ivar.
âDit is erger dan een weduwstaat,quot; mompelde zij bij zichzelf. â0, mijn Hemel, kon ik ten minste de liefde, die ik voor hem gevoel, maar uit mijn hart rukken, want zij is het, die mij pijnigt. Vroeger een staf, waarop ik leunde, is zij een dolk geworden, die mij het hart doorboort. En toch... neen, ik zou mijn liefde voor hem niet wenschen
119
te verliezen. Zulk een wensch zou op zichzelf reeds een teeken zijn dat ik opgehouden had van hem te houden. Ãn ik zal, ik kan niet ophouden hem lief te hebben!quot;
Zij zocht inmiddels allerlei kleinigheden bij elkander, die zij wilde behouden â geen zaken van waarde, doch zulke nietigheden, aan welke teergevoelige vrouwen somtijds meer hechten dan aan juweelen â een paar brieven misschien, een stukje lint, een ruikertje verwelkte bloemen. Doch bij het verzamelen dezer souvenirs stuitte zij op een voorwerp, dat haar pijnlijker aandeed dan de beschilderde bedstede.
Deze laatste wekte slechts herinneringen van jongen datum op, het andere daarentegen zulke, die een deel harer persoonlijkheid uitmaakten. Het voorwerp in quaestie was het gouden kruis, het geschenk harer moeder, met de inscriptie van de zuil te Holywell: âMet God, alles; zonder God, niets!quot;
Was het een spel van het noodlot, dat haar deze woorden in tijden van crisis telkens voor de oogen bracht? Zij dacht aan den laatsten avond, te Cold Harbour doorgebracht, aan de stem harer gestorvene vriendin, die haar als een waarschuwing in de ooren geklonken had. Zij herinnerde zich den dag, toen zij met Calvin den Pennyball-heuvel beklommen had, zij herinnerde zich hun verloving en de hoop, aanvankelijk door haar gekoesterd, in de liefde een bevrediging der vage,
120
meisjesachtige verlangens naar een ruimer, voller leven te zullen vinden. Haar geheugen voerde haar nog verder, naar haar kinderjaren, terug, toen zij een spreuk als die van de gedenkzuil vol vreugde als een zaakrijke definitie harer innigste overtuigingen zou hebben beschouwd. Thans kwam die spreuk haar als een verwijt voor.
Was het dan misschien waar? Was een leven zonder God slechts een ij del, ledig leven?
Zij durfde deze vraag niet te beantwoorden, het kruisje echter stak zij bij zich, terwijl zij zich voor haar reis begon te kleeden.
HOOFDSTUK X.
REIZEN EN WEENEN.
De dag begon aan te breken toen Christina Liagaard verliet en langs het bergpad naar het bruggetje afdaalde, bij 'twelk zij op den avond barer aankomst het rijtuig had moeten verlaten. Toen was de zon ondergaande, thans zou het nog een half uur duren eer zij opkwam. Het contrast sprong Christina in het oog, het paste volstrekt niet bij de omstandigheden van toen en nu. Verbaasd vroeg zij zich af hoe die onbezielde natuur ooit de impressie op haar had kunnen maken van deel te nemen in de lotswisselingen der menschenkin-deren. Eens, gedurende het onweer te Cold Harbour, had zij met Ivar gemeend in den donder de juichende stem der natuur te hooren, die zich verheugde dat twee harten elkander gevonden hadden, eens had zij een helderen nacht op de Noordzee als een teeken beschouwd dat de duisternis voor altijd achter haar lag. Thans wist zij wel beter, zy was tot de overtuiging gekomen, dat, zonsopgang of zonsondergang, zomer of winter, storm of windstilte, de natuur haar onver-
122
biddelijken loop vervolgt, zonder zich om nietige individuen te bekommeren. En niet alleen de natuur, zelfs het geslacht, waarvan zij een onderdeel uitmaakte, ging, onverschillig voor de levens der enkelen, voort op de breede baan der ontwikkeling. Van de liefde als van een band tusschen twee menschelijke wezens te spreken, was ijdel gesnap. Welke band is sterk genoeg om niet door het noodlot te worden verbroken? Leeft niet iedere ziel een even eenzaam leven als een kluizenaar in de woestijn? Dit vroeg zij zich af gelijk velen het zich hebben afgevraagd en zich zullen afvragen, zoolang het hun niet geopenbaard is wat het leven beteekent en waarom men geschapen wordt.
Christina wierp een laatsten blik op de woning, waar zij gehoopt had het ware geluk der liefde te zullen vinden, toen sloeg zij met een beklemd hart en een stikkend gevoel in de keel den weg naar het dorpje Fortun in.
De morgen was koud en nevelig, doch de wind hield den regen tegen en joeg de wolken in snelle vaart langs de bergwanden, die het nauwe dal insloten. De eerste zonnestralen beschenen juist het rood geverfde torendak der Fortunkerk, toen Christina dit plaatsje bereikte en den zigzagsge-wijze stijgenden weg naar het Bergedal insloeg. Wel had zij gaarne in de herberg te Fortun het ontbijt gebruikt, doch de angst, dat men haar daardoor op het spoor zou komen, dreef haar voort. Eerst toen zij het gehucht Optun achter den
123
rug had, gunde zij zich eenige rust en verkwikte zich aan een glas geitenmelk en een stuk fladbröd, die haar door de vriendelijke bewoners eener aan den weg liggende hoeve werden voorgezet. Met deze hoeve nam Christina voor een geruimen tijd van iedere menschelijke woning afscheid, eerst tegen den middag zou zij de twee saeters van Turtegrö hereiken, die volgens haar reisgids ongeveer tien mijlen van Fortun verwijderd lagen. Hier hoopte Christina uit te rusten en het middagmaal te ge-gebruiken, alvorens zij den pas naar Skogadals-boen in Utladalen overtrok.
De zon verrees in een gouden glans en goot gedurende een half uur een zee van licht over het landschap. Doch de weerkundige bewoners lieten zich hierdoor niet bedriegen , zij voorzagen dat het mooie weer slechts kort zou. duren, en toen weldra de grijze wolken zich in het Noordwesten samenpakten en de zonnestralen op de vlucht joegen, zeiden zij op lakonieken toon tot elkander: âDe winter komt!quot; Christina niet. Met vreugde had zij het doorbreken der zon begroet, en toen deze na een korte poos weder schuil ging achter het grauwe zwerk, dat de lucht geheel bedekte, had zij reeds den voet van de tweede der drie steilten bereikt, die van het dorpje Fortun naar den vijf duizend voet hoogen Keizer-Pas voeren. Men kan dezen weg gevoeglijk met een uit drie afdeelingen bestaande trap vergelijken. Als men de eerste en meest halsbrekende beklommen heeft,
124
rust het oog met welgevallen op het houtrijke en vruchtbare Fortundal met zijn hoeven en lachende weiden, zijn kronkelenden weg, langs welken zelfs de telegraafpalen, als een symbool van moderne beschaving, niet ontbreken. Doch het steile pad gaat voort over steen en mos en sneeuw, en steeds eenzamer en eenzamer wordt de natuur. Hoeven en houtgroepen worden schaarscher, en een koude wind daalt van de uitgestrekte sneeuwvelden neer, die als een laken over de kruinen der bergen uitgespreid liggen. Nog een laatste blik op de bloeiende dal-vegetatie bij een bocht van het pad, en men bevindt zich als met een tooverslag te midden van de meest woeste bergeenzaamheid. Om tien uur 's morgens de groene weiden van het Fortundal te verlaten en zich tegen den middag bij het Boven-Helgedal te bevinden, ziedaar een overgang, bijna gelijkstaande met een plotselinge verplaatsing van een der Molukken naar de woeste rotsen der Hebriden.
Christina bleef staan om adem te scheppen. De streek, die zij verlaten had, was thans geheel aan haar blikken onttrokken, doch voor haar was het uitzicht vrij. En welk een uitzicht! Een crescendo van grootschheid had zij het kunnen noemen, als zij in een stemming geweest was om motieven voor de Scandinavische Symphonie te zoeken. Toch zou geen muziek ooit den indruk dier natuur hebben kunnen weergeven, haar verhevenheid lag juist in haar algeheele eenzaamheid. In volle majes-
teit vertoonden zich de dreigende toppen met hun stoute vormen aan den gezichteinder. Voor haar, de geheele streek beheerschend, de scherpe driedubbele piek van den Store Skaga-Föltind; de berggroep van den Oskarshaug, die in den piek van den Fanaraak haar hoogste punt bereikte. De Fanaraak was dezelfde berg, op welken Helga gezinspeeld had toen zij het opschrift van den wegwijzer naar lotunheim voor Christina vertaalde:
Wees vlug als een leeuw, spoed u voort als een hinde, Zie hoe de sneeuwwolken zich dreigend om den Fanaraak legeren.
En al die bergkruinen schenen zich in de ijle lucht op slechts een steenworp afstand van Christina te bevinden, hoewel zij in werkelijkheid verder dan het Fortundal van haar verwijderd waren.
Het was koud, hevig koud op deze hoogten, zelfs de bergstroom, die met het pad van Fortun naar Turtegrö parallel loopt, was gedeeltelijk bevroren, en nauwelijks hoorde men het geplas van het water, dat traag en droppelsgewijze langs de rotsblokken sijpelde.
De lucht werd inmiddels steeds dreigender, en de dichte wolken verzamelden zich tot een wollig grijs kleed, dat langzaam nederdaalde. Doch Christina sloeg geen acht op deze waarschuwing om een schuilplaats te zoeken; het denkbeeld, hoe gevaarlijk het was zich in zulk een jaargetijde in het gebergte te wagen, rees geen oogenblik bij haar op. Zeker, het speet haar dat de zon slechts zoo kort geschenen had, doch zij dacht niet aan terug-
126
keeren. De Turtegrö saeters waren thans in het gezicht, en daar wachtten haar immers rust en voedsel. Zij begon eenigszins vermoeid te worden, terwijl zij een bitteren glimlach niet bedwingen kon toen zij zich, diep bedroefd als zij was en te midden van die sombere natuur, op een onweerstaanbaren trek naar een kop warme koffie betrapte. Ja, dit verlangen werd zelfs zoo sterk, dat zij met de hallucinaties, aan sommige koortspatiënten eigen, het geurige aroma reeds meende op te snuiven, en de weldadige warmte van den drank op haar lippen voelde. Zij wist dat die zinsbegoocheling haar ontstaan vond in den overspannen toestand harer zenuwen, die op zijn beurt het gevolg was van haar vermoeidheid. Zij had zichzelf kunnen uitlachen om dien trek naar een kop koffie, wanneer niet met de nuchtere, wetenschappelijke wijze, waarop zij haar eigene ziekte door de begeleidende teekenen bepaalde, het beeld van den man voor haar verrezen was, aan wien zij haar geringe medische kennis te danken had. Haar echtgenoot! Een eigenaardige gedachte dat, ver van haar verwijderd, een man leefde, op wiens steun zij nog altijd aanspraak kon maken, met wien zij verbonden was door een keten, sterker dan de band, die haar aan Ivar hechtte. In abstracten zin was de liefde wellicht de sterkste band, doch de wereld erkende van haar concreet standpunt slechts dien van het huwelijk.
Aldus peinzende bereikte Christina ten slotte
127
de twee saeters van Turtegrö. Beide hutten lagen niet ver van den weg; een ruw pad, dat tusschen groote rotsblokken tegen de kale helling opliep, voerde er heen. Doch het hart zonk Christina in de schoenen toen zij, naderbij komende, geen vriendelijken rook zag opstijgen, noch een ander teeken van menschelijke bewoners bespeurde. Ook thans speelde de verbeelding haar weder parten, want zij meende binnen in de hut het gefluister van stemmen te hooren. Doch haar kloppen bleef onbeantwoord en de koude, prikkelende berglucht scheen met haar smachtend verlangen naar spijs en drank den spot te drijven. Toen zij bij de eerste hut geen gehoor kreeg, klauterde zij over een lage steenen omheining en liep zij naar den hooger gelegen saeter, zich met zenuwachtige haast voortspoedend, als vreesde zij anders te laat te komen. Doch ook hier was geen levend wezen te bekennen; tevergeefs ijlde zij van de voor- naar de achterdeur, hopende den bewoner daar te treffen, tevergeefs sloeg zij in vertwijfeling met haar knokkels tegen de houten paneelen, een holle echo was het eenige antwoord, dat zij kreeg. Zij schreeuwde luid, doch schrikte van den klank van haar eigen stem, zoo schril en scherp klonk het geluid in de ijle lucht. Met de uiterste krachtsinspanning en niet zonder zich de armen te bezeeren, gelukte het haar zich aan een uitstekend kozijn op te hijschen en een blik door het venster te werpen; daarbinnen echter was en bleef alles stil. De saeters waren
128
onbewoond, die waarheid drong zich met verpletterende zekerheid aan Christina op, en zuchtend hervatte zij haar wandeling naar den bergpas, die als een donkere schaduw boven de nevelachtige vallei opdoemde. Hoe meer zij in het hart van het gebergte kwam, des te onduidelijker werd het pad, tot het zich eindelijk in een moerasvlakte verloor, waar het halfbevroren slijk bij de minste aanraking afbrokkelde
Een mistige nevel kwam uit het laag gelegen Bergedal opzetten en onttrok de betrekkelijk opene vallei, langs welke Christina naar boven gekomen was, aan het gezicht. Alle gemeenschap tusschen haar en het overige deel der wereld scheen verbroken, zij was alleen met haar droevige gedachten en met de zwijgende, met gletschers bedekte bergreuzen, die hun sneeuwhelmen in de wolken verborgen. En in deze ontzagwekkende verlatenheid, waar alle leven ontbrak, scheen de eenzaamheid zelf levend te worden, men voelde haar onnaspeurlijke, onveranderlijke en allesomvattende tegenwoordigheid.
Een onbeschrijfelijk gevoel van angst snoerde Christina de keel toe, het was haar alsof de onbezielde natuur een levend schepsel geworden was, terwijl zij met haar kloppend hart en jagenden boezem zich als een in de ruimte verloren niets gevoelde.
0, wat had zij niet willen geven voor een vriendelijken handdruk, voor het enkele gezicht van een levend wezen! Zelfs een trol of een der fabel-
129
achtige reuzen van lotunheim, waarvan Tvar haar verhaald had, zou op dat oogenblik een welkome verschijning voor haar geweest zijn. Een herdershond zou zij met gejuich hebben begroet. Zij order-vond wat ieder menschenkind, het zij eens of dikwijls, voor een oogenblik of gedurende een langer tijdsverloop, ondervindt: dat ieder individu eenzaam en alleen staat, en dat er in een menschenhart leemten zijn, die niet door dingen van deze wereld aangevuld kunnen worden. Christina Mortimer was een keerpunt op haar levensweg genaderd. En, spel van het toeval! toen zij met een onwillekeurige beweging de hand naar den boezem bracht, kwamen haar vingers in aanraking met een voorwerp, dat ook in vroegere oogenblikken van crisis zulk een gewichtige rol gespeeld had. Het was het gouden kruis met de spreuk: âHeb Dhuw, heb dhim; Duw a digon.quot;
âZonder God, niets, met God alles!quot;
Met die woorden scheen de waarheid, als in een vlammend schrift, voor haar geestesoog op te rijzen, een waarheid, des te verpletterender, daar bij haar alle menschelijke verlangens, al het hangen aan de dingen dezer wereld in het niet zonken.
âZonder God, niets!quot; Behelsde die uitspraak wellicht de verklaring van het gevoel van algeheele verlatenheid, dat haar bekroop? Chnstina sidderde en strekte smeek end en in stomme vertwijfeling de handen uit naar de zwijgende getuigen harer smart.
Inmiddels spoedde de korte Noorsche dag ten
VERLOREN GELOOF. II. 9
130
einde. De wind was, naar gelang de duisternis viel, in hevigheid toegenomen en huilde en klaagde tusschen de bergen. Hier en daar scheurde hij het wolkengordijn vaneen, en dan zag men hoe hij de sneeuw dwarrelend en in fantastische kolommen over de hoog gelegen, zwarte rotsvlakten voortjoeg. Het was Christina alsof de moederaarde, met alles wat zij aan leven en lieven bevatte, beefde en schudde en dreigde weg te zinken, haar alleen latend in de onbegrensde, ledige ruimte. Slechts in de verte, aan de overzijde der bergen, hoorde zij, evenals het luiden van verwijderde kerkklokken in den stillen winternacht, een stem, die sprak: âGedenk Mijner, want Ik ben eeuwig en onwankelbaar. quot;
Toen eerst vond Christina woorden om aan haar verdriet lucht te geven.
âMijn God, mijn God, waarom heb ik U verzaakt?quot;
riep zij.
De sneeuwbuien, die tot nu toe slechts hoog in het gebergte gewoed hadden, waren inmiddels tot het plateau van den Keiserpas neergedaald en Christina begon voor het eerst te betwijfelen of zij wel ooit het doel harer reis bereiken zou. Zy was thans bij het begin van den pas aangekomen en sleepte zich met moeite langs de steile helling tusschen den voet van den Fanaraak en den Skagastolstind naar boven.
De sneeuw en de vallende duisternis maakten het pad geheel onzichtbaar, zoodat slechts het
131
ruischen van den bergstroom, die hier wegens het steile der helling niet bevroren was, Christina tot gids verstrekken kon.
Zij herinnerde zich op de kaart gezien te hebben dat het pad den stroom nabij het hoogste punt van den pas kruiste, en in hare onwetendheid had zij zich voorgesteld op die plek een bruggetje te vinden, of, zoo dit ontbrak, althans een rij steenen om over te stappen. Noch het een, noch het ander ziende, liep zij de doorwaadbare plaats onopgemerkt voorbij en volgde zij den stroom in de richting van zijn bron, boven in de gletschers. Het terrein werd allengs onbegaanbaar, groote rotsblokken en sneeuwstuivingen versperden den weg, en verscheidene malen struikelde Christina en viel zij neer. Plotseling hield het geluid van het stroomende water op, het riviertje scheen in de ingewanden der aarde verzonken te zijn. Thans had Christina den eenigen gids verloren, die haar door de spoor!ooze wildernis leiden kon. Haar weg zooveel mogelijk in dezelfde richting voortzettend, hoorde zij eindelijk weder het welkome ruischen van het water. Zij trachtte toen den stroom voorzichtig te naderen en bemerkte dat deze zijn bed diep tusschen twee steile rotshellingen gevonden had, welke naar boven schuin toeliepen, zoodat hun toppen zich op betrekkelijk geringen afstand van elkander bevonden. Een sneeuwkorst van een paar voet dikte hing als een natuurlijke brug over dé gapende kloof, doch zag er zoo broos
I
132
uit, dat Christina haar niet durfde betreden. De krachten begonnen de jonge vrouw te ontzinken,
en de moed, die haar tot nu toe op de been gehouden had, begaf haar. Doodmoede zette zij zich in de zachte sneeuw neer en liet aan haar tranen den vrijen loop. Haar gedachten dwaalden doelloos rond, als van iemand, die op het punt is in slaap te vallen. Eerst verbeeldde zij zich met Ivar op de Noordzee te zijn. Vervolgens kwamen de herinneringen aan hun onschuldig geluk, niet gestoord door eenig besef van verantwoordelijkheid, aan alle ^
nietigheden, in welke zij zooveel behagen geschept hadden, â de zeemeeuwen en de Noordsche vis-schersschuiten, de papieren servetjes in de restauratie te Flöifjeldet bij Bergen, die Christina op het denkbeeld van het Japansche motief der Scandinavische Symphonic gebracht hadden, het gezang der schilderachtige groepen arbeiders aan het station van ^ den Bergen-Vossevangen Spoorweg, waaraan zij het opera-comique-motief had willen ontleenen. Toen ^ was het een reizen en lachen geweest, thans was het een reizen en ween en !
Doch alle smart en kommer, alle herinneringen aan blijde en droeve dagen werden langzamerhand door een onbedwingbaar verlangen naar slaap op quot; ^
den achtergrond gedrongen. De oogen vielen haar toe, vervolgens zonk haar hoofd achterover op een kussen van sneeuw, en weldra hadden de dwarrelende vlokken haar geheel in een smetteloos wit kleed gehuld.
133
En de bevyoners van For tun, die eens om het hoekje der deur naar het weer keken en de dikke sneeuwvlokken zagen neervallen, zeiden tot elkander : âHet is winter geworden.quot;
DEEL HI.
HET EINDE DER PELGRIMAGE.
HOOFDSTUK I.
MEVROUW WYBKOGA.
Op zekeren morgen, ongeveer acht maanden nadat Christina Liagaard verlaten had, zat Hartley Passover dood op zijn gemak in zijn kamer in Shafterbury Avenue te ontbijten. In een leunstoel tegenover hem lag Fotheringhay, een cigarette rookend en verdiept in de lectuur van een morgenblad, welks nieuwtjes hem bij wijlen een losse opmerking ontlokten.
âHebt gij de laatste berichten van professor Mortimer's ziekte al gelezen?quot; vroeg hij, toen zijn oog op den naam van den geleerde viel.
âNeen,quot; antwoordde Passover. âEen paar dagen geleden trachtte ik tevergeefs hem een bezoek te brengen. Doch lees eens voor, wat staat er van hem?quot;
âProfessor Calvin Mortimer, die reeds eenige maanden aan een ongesteldheid der oogen lijdende was, zal zich, naar wij vernemen, op voorschrift der geneesheeren in den eersten tijd van allen arbeid moeten onthouden. Dientengevolge is de lezing over: âDe werking der hersenknobbel-cellen,quot;
HOOFDSTUK I.
MEVROUW WYBROGA.
Op zekeren morgen, ongeveer acht maanden nadat Christina Liagaard verlaten had, zat Hartley Passover dood op zijn gemak in zijn kamer in Shafterbury Avenue te ontbijten. In een leunstoel tegenover hem lag Fotheringhay, een cigarette rookend en verdiept in de lectuur van een morgenblad, welks nieuwtjes hem bij wijlen een losse opmerking ontlokten.
âHebt gij de laatste berichten van professor Mortimer's ziekte al gelezen?quot; vroeg bij, toen zijn oog op den naam van den geleerde viel.
âNeen,quot; antwoordde Passover. âEen paar dagen geleden trachtte ik tevergeefs hem een bezoek te brengen. Doch lees eens voor, wat staat er van hem?quot;
âProfessor Calvin Mortimer, die reeds eenige maanden aan een ongesteldheid der oogen lijdende was, zal zich, naar wij vernemen, op voorschrift der geneesheeren in den eersten tijd van allen arbeid moeten onthouden. Dientengevolge is de lezing over: âDe werking der hersenknobbel-cellen,quot;
138
die hij in de Royal Society zou houden, onbepaald uitgesteld.quot;
,Is dat alles?quot; vroeg Passover.
âHet is treurig genoeg. Wat scheelt hem eigenlijk? Cataract?quot;
,Ja. In den beginne dacht men dat het grauwe staar was, doch de Duitsche specialiteit, die hij verleden zomer te Wiesbaden raadpleegde, twijfelde toen reeds en heeft onlangs bij een hernieuwd onderzoek cataract geconstateerd. Mortimer is, zooals gij begrijpt, wanhopig, gij kent zijn motto: leven is werken. Ja, het is wel hard voor hem; die gedwongen ledigheid, die waarschijnlijk ten gevolge zal hebben dat zijn jongere collega's hem verdringen. Zijn eenige eerzucht was: succes te behalen met het laatste werk, dat hij onder handen had, en de slag moet hem dubbel treffen, daar hij op het punt stond dit boek, waaraan hij een jaar gewerkt heeft, te voltooien. Naar mijn meening heeft de haast, waarmede hij trachtte het werk af te maken vóór zijn oogen te slecht werden, in ruime mate tot de verergering zijner kwaal bijgedragen. Zooals hij het zelf uitdrukte; hij heeft een wedloop met de natuur willen houden, en is door haar geslagen.quot;
âMaar zou hij het gezicht niet weer terugkrijgen ?quot; vroeg Fotheringhay. âWanneer wordt hij geopereerd ?quot;
âDat zal nog een poosje duren. Hij zoekt thans een amanuensis om hem bij het revideeren van zijn boek te helpen.quot;
139
f
,Hoe jammer dat zijn vrouw . . .
âHem nu niet helpen kan. Ja, dat is jammer. En het is dubbel te betreuren omdat hij, had hij destijds een weinig meer inschikkelijkheid getoond, thans haar hulp niet behoefde te ontberen. Zij verlangde steeds hem van dienst te zijn, dat weet ik, doch . ..
âZij was maar een vrouw, nietwaar?quot; opperde Fotheringhay.
Passover haalde de schouders op. ) âGedeeltelijk was het dat, doch over het alge
meen liet hij haar te veel alleen, en . . .
âEn toen kwam de ander, dat spreekt vanzelf. Die professor schijnt er een echte, koudbloedige visschennatuur op na te houden. Wat ik zeggen wil, heeft de rechtbank de quaestie der echtscheiding reeds behandeld?quot;
âWegens zijn ziekte heeft Mortimer zijn eisch voorloopig ingetrokken, en hij ziet er geweldig tegen op, de zaak opnieuw aanhangig te maken. Hij is koudbloedig, doch zelfs visschennaturen zijn niet ten eenenmale van gevoel ontbloot. Ik weet dat deze geschiedenis hem dieper heeft getroffen dan de meeste menschen denken.quot;
âLeeft zij nog met dien musicus, Nielsen?quot;
âIk heb geen reden om het tegendeel te geloo-ven. Sedert wij haar den laatsten keer in Noorwegen gezien hebben, heb ik niets van haar gehoord. Ik hoop maar dat . . .
âWat hoopt gij ?quot;
140
âDat zij bij Nielsen is, wilde ik zeggen, doch ik weet eigenlijk niet of ik dat voor haar wel hopen mag. Ivar is vee] te veel een man van emoties om een vrouw werkelijk gelukkig te kunnen maken. Eerst dacht ik natuurlijk dat hij haar na de uitspraak der echtscheiding trouwen zou, doch zooals het geval nu ligt. . . .quot;
âNu, wat bedoelt gij ?quot; vroeg Fotheringhay, toen Hartley bleef steken.
âIk wilde slechts zeggen dat het trotseeren der conventies, speciaal voor een vrouw, op hetzelfde neerkomt als met het hoofd tegen den muur rennen.''
âIk geloof dat het hoofdzakelijk de muziek was, die Nielsen en haar tot elkander bracht,quot; zei Fotheringhay. âDie sonate voor piano en viool was trouwens verrukkelijk. Herinnert gij u het scherzo wel ? Ta ta turituritum ta tee. Die Christina, aan welke de muziek opgedragen is, was zeker mevrouw Mortimer ?quot;
âIk geloof het wel,quot; antwoordde Passover kortaf.
âToch eigenlijk een mal idee van zulk een mooie vrouw,quot; ging de onverbeterlijke Fotheringhay voort, âom op een bultenaar als Nielsen te verlieven. Van passie is er bij haar zeker geen sprake geweest. quot;
âDat ben ik volstrekt niet met u eens. Er bestaat geen sterkere liefde dan die, welke door medeleden geïnspireerd wordt. Na den dood van haar kind voegde mevrouw Mortimer haar moederlijke affecties
141
bij de liefde, die zij reeds als vrouw voor Nielsen gevoelde.quot;
âDus is haar handelwijze in uw oogen gerechtvaardigd ?quot;
âDat zeg ik niet. Ook ben ik de vriend van haar man, zooals gij weet. Veroordeelen kan ik haar echter niet. Het was hard voor een romantisch, dweepziek temperament als het hare, voortdurend door douches van nuchtere feiten te worden afgekoeld. Slechts weinige vrouwen en zelfs mannen kunnen bij feiten alleen leven. Gij kent de vrouwen, speciaal zulke, die, als mevrouw Mortimer, haar jeugd in een soort van hemelsche droomwereld hebben doorgebracht. Gij weet welk een denkbeeld deze vrouwen zich gewoonlijk van een geleerde gevormd hebben : een man, die met nobele doeleinden een grootsche roeping volgt, wat trouwens ook waar is. Denk u thans eens de ontgoocheling als zij het ideaal, in dit geval: Calvin Mortimer, met een blauw voorschoot en opgestroopte mouwen een dood konijn in stukken zien snijden. Mortimer zelf wist welk een stuitend gezicht het voor zijn vrouw was, doch in plaats van haar het doel van zijn slagerswerk te verklaren, voorkwam hij alle vragen harerzijds met de opmerking dat vrouwen zich van dergelijk werk geen begrip kunnen vormen. Feitelijk was hij een te ernstige en gesloten natuur voor het huwelijksleven. Hem ontbreekt het gevoel voor het Ewig Weibliche, zooals Goethe het noemt; hij bezit geen verbeeldingskracht.quot;
142
Fotheringhay lachte.
âBravo, mijnheer de advocaat, ik maak u mijn compliment over uw schoone verdediging der beschuldigde,quot; zei hij, doch Passover fronste het voorhoofd en sloeg haastig een kopje thee naar binnen, hoewel hij op dat oogenblik volstrekt geen dorst had.
âGij vergist u: ik houd geen pleidooien en ben slechts advocaat als het geldt mijzelf te verdedigen,quot; ging hij voort. âIk erger mij echter over de menschen, die altijd gereed zijn een daad te veroordeelen; eer zij hare beweegredenen kennen. En tot mijn genoegen is Professor Mortimer het in dezen geheel met mij eens, hij heeft, zooals gij weet, vroeger gepraktiseerd, en een geneesheer kent de menschelijke natuur te goed om een haastig en hard oordeel te vellen. Hy schrijft mevrouw Mortimer's misstap geheel aan haar zenuwen toe. Naar zyn meening worden alle overtredingen, zelfs de crimineele, verkeerd behandeld, en onze wetten behoorden, volgens hem, evenals een medicijn, slechts één doel, ééne functie te hebben, namelijk: te genezen, niet te straften; de natuur te hulp te komen, niet haar tegen te werken. Eerlijk bekend, koester ik in sommige opzichten een groote bewondering voor Mortimer, hij bezit zoo bij uitstek de gave der rede. Zijn raad is mij menigmaal van veel dienst geweest.quot;
âIk heb altijd gemeend dat het meer zijn vrouw was, die u aantrok. Dat was trouwens de alge-meene indruk.quot;
143
âOver 't geheel genomen was die jaist, doch sedert zij hem verlaten heeft, heb ik zijn goede eigenschappen leeren waar deer en. Hij heeft een hart van goud. Kon ik hem het gezicht maar terugbezorgen! Al zijn betrekkingen heeft hij er aan gegeven, hoewel hij weinig fortuin van zichzelf bezit. Hij zal zijn huis moeten verkoopen en op kamers gaan wonen ; denk eens : wat een overgang voor een man van zijn positie. Gij kent niet toevallig iemand met een schijntje geleerdheid, dien gij als amanuensis zoudt kunnen aanbevelen? Ik sloeg hem voor een der jonge doctoren uit de hospitalen te vragen, doch dat wilde hij niet. ,Die jongelui hebben al hun tijd noodig om hun carrière te maken, ik mag er hun dus niet van berooven,quot; zei hij.quot;
âIk wil wel eens voor u rondzien, doch de kans onder mijn kennissen iemand te vinden, is zeer gering. Wij, gewone journalisten, halen wat wij aan geleerdheid te debiteeren hebben meestal uit onze encyclopedieën. Zoo gaat het mij ten minste.quot;
âZoo gaat het met de meesten, denk ik,quot; zei Passover, terwijl zijn vriend neuriënd de kamer verliet.
Nauwelijks was Fotheringhay heengegaan, toen Passover's hospita hem een kaartje bracht van een dame, die hem gaarne wilde spreken.
âMevrouw Wybroga!quot; mompelde hij bij zichzelf, op den naam turend. âVoor den drommel, wie kan dat zijn? Waarschijnlijk een schrijfster, die de
144:
Chatelaine met een bijdrage wil vereeren, en thans mijn steun bij de redactie komt inroepen. Laat de dame binnenkomen, juffrouw,quot; ging hij voort, zich tot de huishoudster wendend. Daarop begon hij haastig aan een artikel voor zijn courant te schrijven, een air aannemende alsof hij het erg druk had en ongaarne gestoord werd. Hij zat bij het binnenkomen van mevrouw AVybroga met den rug naar de deur en stond op om haar met een paar gelegenheidsphrasen te ontvangen, toen de toon zijner stem plotseling veranderde en de pen aan zijn handen ontviel. âMevrouw Mortimer!quot; riep hij.
âDie naam staat niet op het kaartje,quot; antwoordde Christina met een droevig lachje.
âHij komt u evenwel nog wettig toe,quot; zei Passover. âDoch wat brengt u hier? Ik dacht dat gij in Noorwegen waart.quot;
âIk heb Noorwegen eenige maanden geleden verlaten.quot;
âEn hem ook?quot;
âHem ook.quot;
âVrijwillig? Ik bedoel of de vrees, die gij ten opzichte van het jonge meisje, het nichtje, koes-terdet ...quot;
âGerechtvaardigd was, wilt gij zeggen. Neen, althans niet wat haar betrof, doch mijn vertrouwen was verdwenen, en daarmee de eenige sanctie van den aangeknoopten baud. Bovendien weigerde zyn moeder . . . Doch dat doet er thans niet toe, die herinneringen zijn te smartelijk om ze weder op te
145
rakelen. Ik kwam hier om naar Cal. . . naar Professor Mortimer te informeeren. Is het waar, wat de couranten over zijn oogen schrijven?quot;
âHelaas, maar al te waar. Hij is nagenoeg blind.quot;
âNagenoeg blind!quot; zei Christina. âHoe vreeselijk. Dus kan hij nu ook niet werken?quot;
âNeen! En gij weet hoe zijn werk zijn alles was. Hij schijnt zich met het overmatig turen op zijn microscopische preparaten, bij electrisch licht, de oogen bedorven te hebben.quot;
âEn hij heeft voor zijn betrekking moeten bedanken?quot;
âJa. Dat vond hij eerlijker, omdat hij ze niet meer naar behooren kon waarnemen. Thans is zijn eenige hoop op de voltooiing van zijn boek gevestigd. Met het practische werk schijnt hij gereed te zijn, rest dus nog het revideeren van het manuscript met behulp van zijn aanteekeningen. Voor dit werk zoekt hij een amanuensis,quot;
âEen amanuensis! Wel, zou ik...quot; Christina stond op en zag in den spiegel.
âVindt gij mij erg veranderd?quot; vroeg zij.
âGij ziet er slecht uit. Zijt gij ziek geweest?quot;
âJa. En eigenlijk ben ik nog niet geheel beter. Volkomen herstellen kan ik trouwens nooit, althans volgens het zeggen der doctoren. Denkt gij, dat mijn vroegere kennissen mij zouden herkennen?quot;
âIk zag dadelijk wie gij waart.''
âJa, natuurlijk. Maar zou hij..,?quot;
âHij? Hij kan niet zien.quot;
VERLOREN GELOOP. II. JQ
146
âWat, is het zoo erg met hem, dat hij zelfs geen gelaatstrekken meer onderscheiden kan? 0, hoe verschrikkelijk is dit alles! Blind . . . blind, en dan . . . alleen!quot;
âJa, hij is alleen! Dat is juist het ergste.quot;
âDenkt gij,quot; begon Christina, terwijl zij weder zitten ging en met een angstige uitdrukking op het gelaat vooroveiieunde, âdenkt gij dat een blinde een stem zou herkennen, die hij sedert het verliezen van zijn gezicht niet gehoord had? Natuurlijk begrijp ik dat iemand, die blind geboren is, met groote zekerheid verschillende stemmen zal herkennen, omdat hij zich uitsluitend op zijn gehoor verlaten moet. Zou echter het gehoor van een man, die gedurende zijn geheele leven bijna uitsluitend met zijn oogen waargenomen heeft, even ontwikkeld zijn ? Mij dunkt, zijn blindheid zal hem in den beginne geheel verbijsteren, en het zal lang duren eer hij er aan gewend is.quot;
âGij bedoelt,quot; antwoordde Passover met nadruk, âof gij zonder gevaar voor herkenning Mortimer uw diensten als amanuensis zoudt kunnen aanbieden?quot;
âJuist. Ik durfde het zoo niet in ronde woorden zeggen. Houdt gij zulk een plan voor mogelijk? Mijn stem is, zooals gij bemerkt, haast nog meer veranderd dan mijn uiterlijk.quot;
âHet schijnt mij een gewaagde onderneming toe, het is hier minder een quaestie van het al of niet herkennen dan wel van uw eigene gevoelens ten
147
aanzien van Calvin. Wilt gij tot hem temgkeeren ? Zoo ja, dan kunt gij dit, geloof ik (geheel zeker weet ik het echter niet), als mevrouw Mortimer,
in plaats van als mevrouw____ mevrouw Wybroga
doen.quot;
âAls mevrouw Mortimer, o neen, dat zou ik niet kunnen, ten minste nu nog niet. Het zou ons beiden in een te pijnlijke positie brengen.quot;
âDie positie wordt voor u nog veel pijnlijker als gij onder een anderen naam tot hem komt en hij u herkent.quot;
âWaarom? Mij drijft slechts de wensch hem van dienst te zijn. Hij is ziek en alleen, en ik â God helpe mij â ben ook ziek en alleen. Ik heb medelijden met hem en moet mijzelf wel schuldig gevoelen aan de ramp, die hem getroffen heeft. Mijn heengaan was het, dat hem dreef zich geheel in zijn werk, als zijn eenige afleiding, te verdiepen.quot;
âHebt gij hem lief, als ik u die vraag mag doen?quot;
âLiefhebben! Neen. Liefde, in den zin, dien ik vroeger aan dat woord hechtte, is een dood begrip voor mij geworden. Zij is heengegaan, evenals de zomer van verleden jaar. En met den winter komen de neigingen voor het huiselijke, zooals gij ziet.quot;
Zij sprak op den ouden toon van quasi schertsend cynisme, dien Passover zich zoo wel herinnerde. Toch was er iets gejaagds in het timbre harer stem, dat hem noopte haar opmerking onbeantwoord te laten.
148
âMag ik u een glas wijn aanbieden?quot; vroeg hij. âGij ziet er afgemat uit, en die hoest van u bevalt mij volstrekt niet. Ook uw stem is, zooals gij zeidet, geheel veranderd, zij klinkt zoo schor. Het is toch niets ernstigs, hoop ik?quot;
âNeen, volgens de doctoren is het maar een chronische aandoening der luchtpijpen, en behoef ik mij niet bezorgd te maken. Ik heb haar waarschijnlijk in Noorwegen opgedaan, toen ik in de bergen verdwaald geraakt ben.quot;
âVerdwaald?quot;
âJa, op den weg van het Lyster Fjord naar lotunheim,quot; antwoordde zij met een fietsen lach. âIk raakte het spoor bijster en viel in de sneeuw in slaap. Het was de avond nadat ik hem verlaten had. Zijn moeder had mij door een hevige scène een verder verblijf te Liagaard onmogelijk gemaakt. Om niet door hem te worden teruggehouden, besloot ik stil heen te gaan. Ter hoogte van den Keiser Pas werd ik door een storm overvallen en begaven mij de krachten; ik had mij den weg minder lang en moeilijk voorgesteld. Eenige berenjagers kwamen toevallig voorbij, zij zagen mijn voetstappen in de sneeuw en spoorden het wild, als het ware, in zijn hol op. Nu, zij waren zeer vriendelijk en brachten mij naar Skogadalsbön, waar ik drie weken ziek lag. Inmiddels was het winter geworden, doch ik kon, wegens het aanhoudende regenweer, eerst na Kerstmis naar Chris-tiania reizen. Gelukkig bleek mijn vrees, dat ik
149
hem daar ontmoeten zou (hij was er voor eenige concerten geëngageerd) ij del, en zoo kwam ik eindelijk in Londen. Ik had nog juist geld genoeg om mijn overtocht te betalen.quot;
âZijt gij op het oogenblik in verlegenheid?quot; vroeg Passover. âIk bedoel.. . omdat... ik ben altijd gaarne bereid voorschotten op wisseltjes te geven, zooals het in de advertenties van de geldschieters heet. Ziet gij, wanneer het er op aankomt een paar honderd pond voordeelig uit te zetten, ben ik evengoed een koopman als ieder ander,quot;
âGij zijt zeer vriendelijk,quot; antwoordde Christina. âIk kan mij echter nu weer redden. Ik heb den interest van mijn eigen kapitaal.quot;
âDertig pond in het jaar, en dat voor haar!quot; dacht Passover bij zichzelf. Hij had het juiste bedrag van Christina's vermogen van Calvin Mortimer gehoord, toen deze hem bij een vroegere gelegenheid geraadpleegd had over de beschikkingen, die hij ten behoeve van Christina wilde treffen voor het geval zij weduwe werd. Doch de journalist hield zijn gedachten voor zich en kwam op de quaestie van het amanuensisschap terug.
âIndien het werkelijk uw verlangen is, zal ik Mortimer polsen,quot; sprak hij, âen zien of het plan uitvoerbaar is. Ik kan hem zeggen dat ik een dame ken â een weduwe van een letterkundige bijvoorbeeld â die in aAnoedige omstandigheden verkeert* Ik weet dat een man hem liever zou zijn, misschien gelukt het mij echter hem te bewegen zich tijdelijk
150
met een secretaresse tevreden te stellen. In Noorwegen beloofde ik u reeds n zooveel mogelijk te zullen bi]staan, en ik kan niet zeggen hoe aangenaam het mij is dat gij mij aan mijn woord gehouden hebt. Zoo iets doet mij weer in de vriendschap gelooven. Doch, duid mij de vraag niet ten kwade, weet uw familie, uw moeder en uw zusters, iets van uw terugkomst? Ik vraag het maar voor het geval men naar u informeert.''
âAlleen mijn oom, Pater Mordaunt, weet dat ik hier ben. Ik schreef het hem van uit Noorwegen met verzoek het niet aan de anderen mede te deelen eer ik er hem verlof toe gegeven had.quot;
âWeet hij van uw plannen ten opzichte van mijnheer Mortimer?quot;
âNeen. Dat denkbeeld kwam eerst zooeven bij mij op. Ik zal er trouwens met niemand over spreken, en gij zult mij niet verraden, nietwaar?quot;
âGij kunt op mijn stilzwijgendheid rekenen. Wilt gij mij uw adres geven, opdat ik u nader over het verloop der zaak schrijven kan?quot;
Christina schreef het adres op haar kaartje.
âHet is een pension,quot; sprak zij, op een toon alsof de plaats eenige verontschuldiging behoefde. âTweede rang natuurlijk, doch het is goedkoop en dat is de hoofdzaak. Vergis u niet met den naam. Mevrouw Wybroga, denk er aan.quot;
âIk zal het niet vergeten. Beterschap met uw verkoudheid. Goedendag!quot;
Dit zeggend keerde Passover zich weder naar
151
zijn schrijftafel, terwijl Christina, zonder een handdruk met hem te wisselen, de 'kamer verliet.
Hartley beproefde daarop zijn artikel te vervolgen, doch het was hem niet mogelijk de gedachten bij het werk te houden, en met een zucht legde hij de pen neer.
âEn dan zegt men dat de Don Quichots de wereld uit zijn!quot; sprak hij bij zichzelf. âAlsofooit een man zulk een daad van zelfopoffering verricht heeft als ik, terwijl ik die vrouw aan haar echtgenoot teruggeef. Groote God! welk een moeite kostte het mij, haar niet op een geheel andere wijze te troosten! En toch dorst ik zelfs haar hand niet aan te raken.quot;
HOOFDSTUK 11.
PROFESSOR EN SECRETARESSE.
Drie weken na het onderhoud tusschen Christina en Passover, opende de dienstbode van een pension in een der vervelende straten, nabij het Britsch Museum, de deur van een voorvertrek op de tweede verdieping, en diende âmevrouw Wybroga aan.
âWees zoo goed haar binnen te laten, sprak een man van middelbaren leeftijd, die, met den rug naar het licht gezeten, een kap voor de oogen droeg. âNeem mij niet kwalijk, wanneer ik zitten blijf, mevrouw,quot; vervolgde hij tot de binnentredende, diep gesluierde dame. âIk kan maar juist mijn weg van de eene kamer naar de andere op den tast vinden. Mijnheer Passover heeft u zeker reeds alles van mijn oogziekte verteld.quot;
âJa, mijnheer, dat heeft hij,quot; zei Christina met een schorre stem.
Calvin Mortimer ontstelde.
âHebt gij er iets tegen een weinig naderbij te komen en mij de hand te geven?quot; vroeg hij. âWij, arme blinden, hebben slechts onze fijnge-
153
voelige vingertoppen om te weten, met wie wij kennis maken. Het geluid helpt natuurlijk ook, doch ik heb het gezicht niet lang genoeg verloren om mij geheel op mijn gehoor te kunnen verlaten. Daarbij komt, dat ik vroeger weinig op stemmen gelet heb, zoodat het mij moeilijk valt ze te herkennen. Ik moet het genot van het hooren nog leeren waardeeren.quot;
Christina sloeg een blik op haar echtgenoot. Hij zag er weinig veranderd uit, doch met het gezicht scheen ook de uitdrukking van het gelaat verdwenen. Alle bezieling ontbrak er aan, het was alsof men een pleisterbeeld voor zich zag. Christina kon van aandoening schier niet spreken en drukte hem zwijgend de hand.
âEen karakter, rijk aan verbeeldingskracht,quot; zei hij, terwijl hij de lange vingeren harer niet kleine hand betastte, âdoch daarbij zich gelijkblijvend, zelfs in zijn dwalingen. Als ontspanning heb ik vroeger eens een weinig aan handkunde gedaan, en, oprecht gesproken, men vindt in de handen een even goede aanduiding van het karakter als in het gelaat, â ik bedoel het aangeboren karakter, want gij weet zeker dat hetgeen de menschen karakter noemen slechts een later aangenomen karakter is, ontstaan door de inwerking der vele, van onzen wil onafhankelijke, omstandigheden en invloeden. Alleen in wat ik oogenblikken van primitieven hartstocht zou willen noemen, komt het werkelijke karakter, het naturel, zuiver en onvervalscht voor den dag.quot;
154
Christina zuchtte.
âWaarom zucht gij, als ik vragen mag?quot; zei Mortimer.
,lk dacht bij mijzelf, hoe het individu ooit de neigingen van zijn werkelijk karakter zal leeren onderscheiden van de inblazingen van hetgeen de Noren âden trol in onsquot; noemen.quot;
âAha, gij hebt een weinig aan Noorsche literatuur gedaan, zie ik. Wanneer ik niet met alles, wat mij van mijn gezicht overbleef, had moeten woekeren om mijn boek te voltooien, zou ook ik gaarne eenige van mijn snipperuurtjes aan die letterkunde gegeven hebben. Uit een sociologisch oogpunt interesseert mij die plotselinge inval van Noormannen op ons gebied gedurende de laatste jaren. Zetten de tegenwoordige Scandinaviërs het Vikingsbedrijf hunner voorvaders op intellectueel gebied voort? De quaestie opent een ruim veld voor allerlei veronderstellingeu. Tot nu toe kwamen de ideeën gewoonlijk van uit het Oosten, moet men de nieuwe revelatie uit het koude Noorden verwachten? Als gij er niet tegen hebt, zou ik ons ernstig werk gaarne met eenige lichte lectuur willen afwisselen, dat zal voor ons beiden een aangename afleiding zijn. Wij konden dan bijvoorbeeld een der nieuwere Noorsche romans lezen,
vindt gij niet, mevrouw.... mevrouw----? Pardon,
de naam is mij ontschoten.quot;
âWybroga.quot;
âO, ja, mevrouw Wybroga. Neem mij niet kwa-
155
lijk. Mijnheer Passover heeft mij eigenlijk slechts heel weinig van u verteld. Uw echtgenoot was letterkundige, nietwaar?quot;
âJa!quot; zei Christina wanhopig. âHij schreef echter onder een anderen naam. Zijn werk bestond hoofdzakelijk in het leveren van anonieme bijdragen aan wetenschappelijke bladen en revues.quot;'
âDus een soort van voorkauwer der wetenschap, die anders het groote publiek te zwaar in de maag zou liggen, veronderstel ik?quot; zei Mortimer, meer oprecht dan beleefd.
,0, neen, volstrekt niet!quot; protesteerde Christina. âVan zoo iets had hij denzelfden afkeer, dien een schilder van gekleurde prentjes, en een musicus van een straatorgel heeft. Ik was het op dat punt niet geheel met hem eens, want hoe zal men ooit het oor van de menigte bereiken, als men zich niet verwaardigt een taal te gebruiken, die algemeen verstaan wordt? Het is wel een beetje onredelijk, het den menschen kwalijk te nemen dat zij u niet begrijpen, als gij weigert u begrijpelijk uit te drukken.quot;
âMaar uw echtgenoot gaf u toch zeker wel de noodige uitleggingen, zou ik denken.quot;
âOch, hij had het erg druk!quot; antwoordde Christina verlegen. âIk probeerde hem aan zijn werk te helpen, zoo goed het met mijn beetje kennis van de beteekenis der wetenschappelijke termen ging. Die kennis is echter zeer rudimentair, en als gij vindt dat zij voor uw arbeid onvoldoende is____quot;
156
âLaat ons afwachten en zien,quot; viel Mortimer haar ernstig, doch niet onvriendelijk, in de rede. âZoo gij het goedvindt, zullen wij maar dadelijk een begin maken. Ergens op die tafel liggen mijn manuscripten; schrik maar niet van de massa, het zijn hoofdzakelijk aanteekeningen, die wij moeten rangschikken en ordenen, voor wij ze tot een aaneengeschakeld verhaal vereenigen, of beter gezegd, ze in het door mij reeds geschrevene opnemen. In de lade van mijn schrijftafel vindt gij een stapeltje gedrukte kopij, dat is als het ware het skelet, dat wij met zijn weefsels gaan bekleeden. De titels der hoofdstukken zullen ons tot leiddraad strekken; de correcties en inlasschingen verzoek ik u op de marge aan te teekenen.quot;
Christina verheugde zich dat het gesprek van onderwerpen afgeleid werd, die zulke teedere snaren bij haar aanroerden. Zij begon met het voorlezen van de door Calvin gemaakte aanteekeningen, en laschte deze vervolgens in de kopij in op de plaatsen, waar hij dit wenschte.
Zij kon een bitteren glimlach niet onderdrukken bij de gedachte aan het contrast tusschen de omstandigheden, onder welke zij Mortimer thans bijstond, en de voorstelling, die zij zich als jong meisje van haar hulp gevormd had. Als echtgenoote had zij zijn werk nooit gedeeld, door een grillig spel van het toeval deed zij het nu als zijn secretaresse. Bij het lezen der verschillende medische termen dacht zij aan de handboeken, die zij vroeger gekocht had.
157
Met welk een inspanning en ijver was zij aan het studeeren gegaan, en hoezeer was zij ontmoedigd door het afkeurend oordeel van den man, die thans van haar geringe kennis profiteerde.
âHet is uitstekend gegaan, mevrouw,quot; zei Mortimer, toen zij twee uur onafgebroken gewerkt hadden. âDe verschillende uitdrukkingen, al kent gij ook haar beteekenis niet, zijn u toch niet vreemd, en gij zijt in staat ze correct te schrijven zonder dat ik ze u behoef voor te spellen. Meer mag men van een amanuensis niet verlangen. Groote technische kennis uwerzijds zou zelfs ongewenscht zijn, zij zou u allicht in de verleiding brengen enkele mijner conclusies te bespreken of te betwijfelen en aanleiding geven tot allerlei misschien belangwekkende, doch ook tijdroovende discussies. Mag ik u een glas wijn aanbieden voor gij heengaat?quot;
Christina bedankte.
âWaarom niet?quot; drong Calvin aan. âHet lezen schijnt uw stembanden vermoeid te hebben, en een kleine hartsterking zal u goeddoen. Ik heb u nog al eens hooren kuchen, hebt gij dien hoest reeds lang? Gij zult mij misschien een weinig vry-postig vinden, doch bij een oud geneesheer kruipt het bloed waar het niet gaan kan, alle ziekteverschijnselen blijven onwillekeurig zijn aandacht trekken. Had ik vroeger maar evenzeer op de psychische als op physische symptomen gelet,quot;
De laatste woorden werden halfluid gesproken zoodat Christina ze niet verstond.
158
âHet is maar bronchitis/ sprak zij. âIk heb een dokter geraadpleegd en hoop er te eeniger tijd wel van af te komen.quot;
âZoo, gij zijt onder geneeskundige behandeling geweest? Nu. dan is het misschien beter dat ik er mij niet mede bemoei. Slechts een vraag: hebt gij wel eens last van zenuwpijnen?quot;
âSomtijds, vooral in het hoofd. Doch heeft dat iets met mijn bronchitis te maken? Er zijn zooveel menschen, die aan zenuwpijnen lijden, het is immers de kwaal onzer zwakke eeuw.quot;
âZeker, zeker,quot; sprak Mortimer glimlachend. âWat die betiteling onzer eeuw betreft, ben ik het echter niet met u eens. De tijd, waarin wij leven, is een gezonde tijd, omdat men begint in te zien dat veel van het zenuwlijden zijn oorzaak vindt in allerlei ellenden, van welker bestaan men vroeger niet het flauwste vermoeden had. En met de ontdekking van de oorzaak der kwaal is men reeds een goed eind voortgeschreden op den weg, die tot genezing voert.quot;
âMet altijd. De gevolgen van sommige oorzaken zijn onherstelbaar.quot;
âOmdat men de oorzaak niet voldoende heeft kunnen bereiken of vaststellen. Daar hebt gij bij voorbeeld kanker, een kwaal, die geneeslijk zou kunnen zijn, als wij meer van hare physiologische geschiedenis en de juiste oorzaak van haar ontstaan wisten.quot;
âIk sprak in het alg^iieen, niet van bijzondere ziekten.quot;
159
âAlles, wat in de wereld anders is dan het zijn moest, is een ziekte in den een of anderen vorm, of het resultaat van een ziekte. Zelfs de misdaad vindt waarschijnlijk haar oorzaak in een beschadiging of onvolkomen ontwikkeling der zenuworganen, daar straks door ons behandeld. Een medicus moet dan ook, meer dan iemand anders, verdraagzaam en toegevend zijn, slechts als de menschen hem zand in- de oogen willen strooien mag hij zich streng toonen. Ik herinner mij, hoe in mijn praktijk enkele patiënten mij allerlei merkwaardige verhalen deden, denkend, mij op die wijze iets op de mouw te kunnen spelden. Zij vermoedden niet dat ik hen en hun gewoonten veel beter kende dan zijzelf. 0, de geneeskunde is een heerlijke wetenschap, het is de wetenschap der menschelijkheid. Mijn eenige hoop is, vóór rnijn dood iets tot haar vooruitgang te hebben bijgedragen. Doch ik houd u op! Duid mij mijn praatachtigheid niet ten kwade, zij is een ondeugd van blinden, en ik krijg zoo weinig bezoek. Goedendag, tot morgen!quot;
Hij stak de hand uit, doch Christina, onvoorbereid op zooveel toeschietelijkheid van een koele natuur als Mortimer, had zich reeds naar de deur begeven. Calvin zuchtte toen zij de kamer verliet, en hij zuchtte weder toen hij haar by het naar beneden gaan hoorde kuchen.
âDie hoest en die heeschheid bevallen mij in het geheel niet,quot; mompelde hij bij zichzelf. âDe hoest heeft zulk een eigenaardigen snerpenden klank.
160
Haar dokter moge zeggen wat hij wil, het schijnt mij eerder een symptoom van een inwendige drukking dan van bronchitis. Arm kind, want zij is niet veel meer dan een kind! Hoe jammer, hoe jammer!quot;
Christina had nauwelijks het huis verlaten of Hartley Passover kwam haar achterop.
âNeem mij niet kwalijk dat ik op u gewacht heb,quot; sprak hij. âIk was zoo nieuwsgierig naar den afloop. Gij begrijpt, voor iemand, die er buiten staat, is het een lastige zaak, zelfs tot een zoo onschuldig bedrog, als gij tegen uw man gepleegd hebt, de hand te leenen.quot;
âMijn man!quot; fluisterde Christina, waarna zij luide voortging: âHij heeft mij niet herkend, geloof ik, al waren enkele zijner opmerkingen van bijzonder personeelen, om niet te zeggen pijnlijken aard. Verbeeld u: hij kreeg het plotseling in zijn hoofd, over Noorsche literatuur te gaan spreken en vroeg mij, hem een der nieuwere romans voor te lezen. Ikzelf bracht het onderwerp met een dwaze opmerking over trollen op het tapijt, gij begrijpt echter hoe pijnlijk het voor mij werd, toen hij er op doorging.quot;
De journalist floot zachtjes.
âHet is zonderling dat hij u een dergelijk voorstel deed, het heeft allen schijn of hij daarmede . . . Doch neen, ik geloof niet dat hij zich van den domme zou houden, daar is hij de man niet naar. Als hij u herkend had, zou hij het gezegd hebben.quot;
âDat hoop ik ten minste, ik gevoelde mij ech-
161
ter lang niet op mijn gemak. En dan is hij zoo veranderd! Of het van zijn blindheid komt, weet ik niet, doch hij was bijzonder toeschietelijk, drong er op aan mij de hand te schudden en was bijna overdreven beleefd. Het kostte mij verscheidene malen moeite genoeg om mij niet te verraden. Ach, ik heb zulk een medelijden met hem en ben zoo bang dat hij mijn bedrog bemerken en kwalijk nemen zal. Het laatste zou mij niets verwonderen, want hij moet een afschuw van mij hebben. Doch ik zou hem dan niet meer kunnen helpen, en...quot;
âEn wat?quot;
,Ik weet het niet, maar Calvin te helpen schijnt mij thans mijn eenig levensdoel. Een paar woorden van hem deden mij erg ontstellen. Hij sprak over de gematigdheid en toegevendheid, eigenschappen die de doctoren behoorden te bezitten, en zei dat hij het alleen niet verdragen kon als de menschen hem zand in de oogen trachtten te strooien. Doe ik dat op het oogenblik niet?quot;
âAls het zoo is, wordt gij in ieder geval door mij geholpen en aangemoedigd. Ik geloof echter niet dat gij, wat dit betreft, zorgen behoeft te koesteren. En wat gij daareven van den afschuw zeidet, dien hij van u hebben moet, toets dat eens aan zijn woorden omtrent de toegevendheid van doctoren. Misschien is de gedachte voor u eenigs-zins vernederend, doch professor Mortimer heeft u gedurende het geheel e verloojD der ongelukkige geschiedenis nooit als geheel toerekenbaar be-
VERLOREN GELOOF. II. 11
162
schouwd en uw daad voornamelijk aan een overspanning van zenuwen toegeschreven. Hij keurt het in zichzelf af dat hij te weinig op u gelet heeft, hij had niet moeten vergeten, zegt hij, dat gij een vrouw waart met het zenuwgestel eener vrouw.quot;
âIs dat alles? Ben ik slechts een patiënt, van wier ziekte hij de symptomen heeft verwaarloosd?quot;
âDat zegt hij om consequent te blijven, doch ik geloof, neen, ik weet zeker dat het in werkelijkheid een quaestie van een diepgewortelde affectie bij hem is. Zijn karakter is van nature koud en gesloten, maar .... Nu, gij weet wat onder zulk een âmaarquot; niet al begrepen kan zijn. Denk maar eens hoe hij zich den dood van het kind heeft aangetrokken.quot;
âO, spreek daarvan niet. Hij had het portret voor zich op de tafel staan, hoewel hij het niet zien kon. Maar ik, ik zag het!quot;
âNeem mij niet kwalijk, het spijt mij dat ik u leed gedaan heb. Ik sprak zonder na te denken.quot;
âVolstrekt niet,quot; zei Christina. âHet is niet te verwonderen als de menschen vergeten dat zijn kind ook het mijne was. En toch vormt dit de werkelijke band tusschen ons beiden. De betrekking, waarin man en vrouw tot elkander staan, is wellicht een conventioneele, ik hechtte er ten minste nooit veel gewicht aan, en thans heb ik haar verbroken. Het is my echter onmogelijk den vader van mijn kind te vergeten.quot;
163
âZoo iets heb ik Mortimer ook liooren zeggen, hij kan dat evenmin vergeten. Doch hier zijn wij aan Gower Street Station, gij gaat zeker per trein naar huis. Mag ik u eens een bezoek komen brengen ?quot;
âIk heb het liever niet!quot;
âHeel goed. Ik vroeg het alleen voor het ge^val ik u iets van belang had mede te deelen. Ik mag u zeker wel naar het perron brengen en een kaartje voor u nemen, als gij ten minste geen retour hebt.quot;
âIk heb het heusch liever niet. Geloof mij, ik ben er aan gewoon voor mijzelf te zorgen.quot;
âDat weet ik, maar . . . .quot;
âIk stel uw goede bedoelingen zeer op prijs, doch gij zult mij verplichten met thans heen te gaan. Ik heb een retourkaartje.quot;
En zij haalde een geel stukje carton voor den dag, een derde-klassekaartje, gelijk Passover huiverend opmerkte. Hij was geen fat, maar toch deed het denkbeeld hem pijnlijk aan dat de vrouw, voor welke hij gaarne alles had willen opofferen, gedwongen was met daglooners in dezelfde coupé te reizen. Op politiek gebied was hij beslist radicaal, doch in de practijk waren deze gevoelens niet sterk genoeg om hem voor zichzelf, veel minder voor de vrouw, die hij liefhad, weelde en comfort te doen versmaden.
HOOFDSTUK III.
GENEESHEER EN PATIÃNT.
Het laatste woord was geschreven, en het manuscript lag voor den drukker gereed. Professor Mortimer had zich opgeruimd moeten toonen, doch toen mevrouw Wybroga hem met de welgeslaagde uitvoering van het werk gelukwenschte, verrieden zijn trekken eerder een geheime droefheid.
âLaat eens zien,quot; sprak hij. âIs het geen zes weken geleden dat gij hier voor het eerst kwaamt?quot;
Zijn amanuensis antwoordde bevestigend.
âDat dacht ik ook, hoewel de tijd mij korter scheen. Op de tafel zult gij een aan u geadresseerd couvert vinden, gij hebt er zeker niets tegen, het aan te nemen?quot;
âEen couvert? Een brief voor mij?quot; vroeg zij verrast.
âEr is geen brief in, doch een chèque voor het bedrag, dat ik u schuldig ben.quot;
âMij?' riep Christina onwillekeurig. âIk heb er nooit aan gedacht.... ik bedoel: wij hebben de quaestie van het salaris nooit besproken.quot;
âIk meende dat gij dit met mijnheer Passover
165
geregeld hadt. Hij zeide mij dat een guinje per week .... doch als dit niet voldoende is ....quot;
â Wel zeker, het is meer dan genoeg. Het kwam niet in mij op het te weinig te vinden.quot;
âWat wüdet gij dan zeggen?quot;
âDat weet ik zelf niet meer. Ziet gij, het is
de eerste keer dat ik voor geld werk, en dan____
laat ik het maar zeggen, deze arbeid scheen mij meer een vriendschappelijk samenwerken dan iets
anders. Gy waart zoo vriendelijk voor mij, en____
doch ik ben kinderachtig om mij door een derge-lijke kleinigheid zoo in de war te laten brengen!quot;
âWaarde mevrouw Wybroga,quot; gaf Mortimer haar op ietwat stuggen toon ten antwoord, âik waardeer ten zeerste nw welwillende gevoelens en zou uw diensten gaarne als een vriendelijk geschenk beschouwen, wanneer niet iedere arbeider zijn loon waard ware. Het leven kost geld, en om geld te hebben, moet men het eerst verdienen. Dat is de algemeene regel, die ook wel voor u gelden zal.quot;
Christina stak de enveloppe bij zich. Zij had het geld inderdaad zeer noodig, doch toen zij het plan had opgevat, Mortimer's amanuensis te worden, dacht zij er niet aan dat zij daarmee tevens zijn loontrekkende bediende werd. Het denkbeeld schokte haar zoozeer dat zij zich bijna verraden had. Om haar misslag* weder goed te maken, vroeg zij Mortimer of hij een quitantie wenschte.
âNeen, dank u,quot; antwoordde hij glimlachend.
166
âtenzij het verzuim te veel tegen uw principes van zaken doen indruischt.quot;
âZulke principes houd ik er, geloof ik, niet op na,quot; zei Christina. âAnders had ik niet geaarzeld mijn salaris aan te nemen.quot;
âÃén ding kan ik u niet betalen,quot; sprak Mortimer.
âEn dat is?quot;
âHet genoegen van uw gezelschap. Onze arbeid is inderdaad, zooals gijzelf zeidet, een vriendschappelijk samenwerken geweest, en het spijt mij dat hij ten einde is. Toen ik nog in het genot van al mijn zintuigen verkeerde, was ik eerder geneigd den bijstand der zwakkere sekse te versmaden (ik hoop dat gij mij de openhartige bekentenis niet euvel duiden zult), doch thans, hoe het komt weet ik niet, is het mij alsof juist door uw medewerking de arbeid beter vlot. Ik vrees echter, dat de dagelijksche inspanning en het voortdurende kamerleven u kwaad hebben gedaan, die hoest van u, en dan die schorheid . . . .quot;
â0, mij scheelt niets,quot; viel Christina hem in de rede. âHet werk was mij een waar genoegen, en de routine beschouw ik als een uitmuntend opiaat.quot;
âHebt gij dan behoefte aan opiaten?quot;
âWel eenigszins, daar ik anders te veel nadenk en de toekomst vooruitloop. Het is veel beter van den eenen dag op den anderen te leven, en met geregeld perken gelukt dit het best.quot;
âWaarom zoudt gy de toekomst vooruitloopen? Heeft het heden niet genoeg aan zichzelf?quot;
167
âZeker, doch juist omdat het zoo snel voorbijgaat, maak ik mij onwillekeurig angstig.quot;
âBedoelt gij, dat het u misschien moeilijk zal vallen, een nieuwe bezigheid te vinden?quot;
âGedeeltelijk, doch dit is niet alles.quot;
âDus private aangelegenheden, veronderstel ik. Enfin, ik wil mij niet in uw vertrouwen dringen, doch wat een nieuwe bezigheid betreft, wenschte ik u een voorstel te doen. Clij zoudt mij namelijk verplichten met de functie van voorlezeres bij mij te vervullen; nu het boek gereed is, kunnen wij ons aan eenige lichte lectuur, bijvoorbeeld aan een der nieuwe Noorsche romans of tooneelspelen wijden. Dat zal voor u opwekkender werk zijn dan wat wij tot nu toe gedaan hebben.quot;
âIk heb geen behoefte aan opwekking,quot; zei Christina flauwtjes. âTk zoek eerder iets verdoovends en vrees dat de Noorsche literatuur, althans wat ik er van ken, te zeer op de emoties werkt.quot;
âDaarin kondt gij wel eens gelijk hebben; ook acht ik het wenschelijk, dat gij gemoedsbewegingen zooveel mogelijk vermijdt, daar deze uwe gezondheid slechts schaden kunnen. Doch er is genoeg andere lectuur, en zoo niet, dan zijt gij misschien wel genegen een weinig muziek voor mij te maken. Herinnert gij u hoe ik u bij uw eerste bezoek vertelde, dat ik het genot van het hooren nog moest leeren waardeeren? Het is zonderling, vroeger hield ik veel van muziek, maar alleen van haar theoretische zijde; als zinnelijk genot bezat zij voor mij
168
niet de minste aantrekkelijkheid. Ik zou thans gaarne de proef willen nemen of, door het verlies van mijn gezicht, de oorzenuwen meer vatbaar voor aangename indrukken geworden zijn. Doet gij aan muziek?quot;
âVroeger heb ik er aan gedaan en hield ik er veel van,quot; antwoordde Christina, het gelaat van den blinde nauwkeurig waarnemend, om te zien of er achter zijn onschuldige vraag wellicht een verborgen bedoeling school. âMijn echtgenoot gevoelde er echter niets voor en in den laatsten tijd heb ik in het geheel niet meer gespeeld.quot;
âDat is jammer, ook was het verkeerd van uw man dat hij u niet aanmoedigde. Aanleg voor muziek is, evengoed als aanleg voor de wetenschap, een talent, in staat vruchten voort te brengen. Als uw man mijn leeftijd bereikt had, zou hij zijn weinige medewerking zeker betreurd hebben. Hoe ouder men wordt, des te meer eerbiedigt men de smaken van anderen, zelfs al deelt men ze niet. Wat was uw instrument, als ik vragen mag?quot;
âDe viool. Doch zooals ik u zei de, ik heb mijn strijkstok in geen maanden in de hand gehad, en door de lange rust is met de lenigheid van mijn arm ook de lust voor het spel totaal verdwenen. De vroolijkste stukken komen mij thans onuitsprekelijk droefgeestig voor, ja er zijn zelfs enkele, die mij geregeld op de vlucht jagen, zoo somber vind ik ze. Tot mijn spijt hebben een paar jonge dames uit ons pension juist voor deze muziek een
169
bijzondere voorkeur, den geheelen dag zitten zij op de piano te trommelen, en de dunne muren dempen het geluid maar weinig.quot;
âWelke stukken zijn dat?quot;
âDat weet ik niet. Ik geloof Noorsche muziek, van Grieg of een der andere moderne componisten.quot;
âUw herinneringen aan Noorwegen schijnen niet van de aangenaamste te zijn!quot;
Christina stond plotseling op.
âGraat gij reeds heen?quot; vroeg Mortimer, die haalbeweging gehoord had.
âJa.
âEn hoe denkt gij over mijn voorstel om mijn voorlezeres te worden?quot;
âMijnheer Passover zei mij dat gij eerstdaags een operatie aan uw oogen moest ondergaan.quot;
âJa zeker, doch dat is geen beletsel. Beide oogen zyn aangedaan, en zelfs als de operatie aan het eene gelukt, moet er eenige tijd verloopen voormen het andere opereeren kan. In dien tusschentijd ben ik, evenals nu, tot volslagen blindheid gedoemd. Hebt gij niet een beetje medelijden met een armen blinde?quot;
Hoewel de laatste woorden schijnbaar schertsend uitgesproken werden, ontging de ernst, die er in verborgen lag, Christina niet.
âIk zal er over nadenken en u mijn besluit laten weten,quot; antwoordde zij.
âHeel goed, meer mag ik voorloopig niet verlangen. Ga echter nog niet heen, ik wilde u een
170
paar vragen betreffende uw gezondheid doen. Gij zult mij misschien onbescheiden vinden, doch den medicus moet men op zijn gebied wat toegeven, en als praktiseerend geneesheer had ik vroeger nogal eenigen naam. Mocht gij reeds onder behandeling van iemand anders zijn, dan âquot;
âNeen, dat ben ik niet,quot; viel Christina hem in de rede.
âZoo! Eu hoe weet gij dan dat gij aan chronische bronchitis lijdt?quot;
âDat heeft de dokter van het hospitaal mij gezegd. Het was maar een gratis consult, want het raadplegen van een specialiteit is mij te kostbaar.quot;
âEn is het nooit bij u opgekomen dat de diagnose aan het hospitaal wel eens verkeerd kon zijn?quot;
âJa, vooral in den laatsten tijd.quot;
âVoelt gij u dan minder wel?quot;
âIk ga ten minste niet vooruit. Vroeger heb ik wel eens gevreesd dat mijn longen aangedaan waren, en was ik bang voor tuberculose.quot;
âZiet gij, dat komt er van als de patiënten zelf gaan dokteren. Een eenigszins langdurige hoest, en zij denken dadelijk aan tering. Er zijn immers geen gevallen in uw familie?quot;
âMet dat ik weet. Doch ik vorder heusch te veel van uw tijd, geloof mij: het is niets van beteekenis. De symptomen zijn te vaag en algemeen om op iets bepaalds te vrijzen; had ik hier of daar voortdurend pijn, dan zou ik mij kunnen voorstellen dat er het een of ander niet in den haak was, doch
171
iederen dag voel ik iets anders, en al die sensaties kunnen toch niet met elkander in verband staan.quot;
âWat gevoelt gij dan al zoo?quot;
âGij zult mij uitlachen als ik het u zeg.quot;
âEen ernstig ondervrager lacht nooit. Ik heb mij omtrent uw kwaal een theorie gevormd en zou gaarne weten of deze juist was. Voor gevallen, die slechts uit bijkomende symptomen afgeleid kunnen worden, koesteren wij, doctoren, steeds een bijzondere belangstelling. Welke zijn die gewaarwordingen. waarover gij spraakt?quot;
âVroeger had ik een zuster, die aan verlamming leed. Het bleek slechts hysterische verlamming te zijn, doch de verschijnselen waren dezelfde. Welnu, in den laatsten tijd heb ik zenuwaandoeningen, die mij het gevoel geven van een beginnende verlamming.quot;
âHoe interessant!quot; mompelde Mortimer, op dat oogenblik meer aan de ziekte dan aan de patiënt denkend. âHebt gij ooit een rib gebroken?quot; vroeg hij luid.
âEen rib gebroken? Neen. Ik heb eens een hevigen stoot in de zijde gekregen, en dacht toen het eerste oogenblik dat er iets gebroken was. De pijn duurde echter maar kort.quot;
âEn hoelang is dat geleden?quot;
âOngeveer een jaar. Ik hielp een meisje bij het neerdalen van een rots, zij kwam te vallen en bonsde tegen mijn linkerzijde aan. Ik viel flauw, en toen ik weer bijkwam, was de pijn verdwenen.quot;
âGij zijt er zeker van dat het uw linkerzijde was, die getroffen werd?quot;
172
âBepaald zeker. Ik herinner mij het geheels voorval even duidelijk als den dag van gisteren.quot;
Mortimer bleef eenige o ogen blikken in gepeins verzonken.
âZoudt gij, wanneer ik u een introductie verschafte, een consult bij een kundigen dokter willen nemen?quot; vroeg hij ten slotte.
âIk wil, nu ik u zooveel gezegd heb, liever uw opinie hooren,quot; antwoordde Christina moedig.
âOm met eenige zekerheid een oordeel te kunnen vellen, zou ik u moeten ausculteeren,quot; zei Mortimer. âIk praktiseer reeds lang niet meer, zooals gij wreet.quot;
âDoch uw gehoor is scherper dan ooit, terwijl gij uw gezicht bij zulk een onderzoek immers niet noodig hebt.quot;
âNeen, dat is waar. Wacht eens! Mijn stethoscoop ligt, geloof ik, in de rechtsche lade van de kleine tafel.quot;
Christina vond het instrument en overhandigde het hem. Hij maakte hieruit op dat zij genegen was zich aan het onderzoek te onderwerpen.
âWilt gij zoo goed zijn op de sofa te gaan liggen, het staan zou u te veel vermoeien. Dan moeten wij het venster sluiten, opdat het geratel der rijtuigen zich niet met het tikken van het hart vermenge.quot;
âVan het hart? Ik meende dat het de longen gold!quot; zei Christina, terwijl zij het venster sloot.
âBeide,quot; antwoordde Mortimer, opstaande. âZijt
173
gij klaar? Den weg naar de sofa kan ik wel zonder hulp vinden.quot;
âKlaar,quot; antwoordde Christina. Zij had inmiddels haar boezem ontbloot.
De professor liep langzaam de kamer door en boog zich over haar heen.
âMet zenuwachtig zijn,quot; sprak hij. âIk hoor aan uw ademen dat gij u agiteert. Tracht zooveel mogelijk u te beheerschen en normaal te blijven.quot;
De raad was gemakkelijker gegeven dan opgevolgd. Indien de man, die zich over haar heen boog en haar de hand op de borst legde, niet meer dan haar dokter geweest ware, zou Christina volkomen bedaard gebleven zijn, doch bij de gedachte dat de geneesheer tevens de echtgenoot was, wiens tehuis zij verwoest had, kostte het haar moeite haar zelfbeheersching niet te verliezen. Zijn aanraking was teeder als die eener moeder, welke haar ziek kind de hand op het kloppende hoofdje legt. Daarbij verrieden zijn geduldige gelaatstrekken een bezorgdheid, die de belangstelling van den geneesheer in het ziektegeval geheel op den achtergrond drong. Zijn gelaat raakte bijna het hare, en toch zag hij haar niet. Duizend oude herinneringen rezen bij haar op en dreigden haar in tranen te doen uitbarsten. Wroeging en medelijden maakten zich van haar ziel meester, en o, zoo gaarne had zij zich bekendgemaakt en zijn hoofd tegen haar borst gedrukt. Doch zij durfde niet, en Mortimer's kalme stem bracht haar spoedig weder tot zichzelf.
174
âHet spijt mij te moeten constateeren dat mijn vrees volkomen gegrond was,quot; sprak hij. âGij zult u zeer in acht moeten nemen, uw heesch-heid en hoest zijn slechts symptomen. Destijds, toen gij dien stoot ontvangen hebt, is een der ribben beschadigd, en heeft zich een losgeraakte beensplinter tegen de aorta gedrukt. Tengevolge van deze drukking heeft zich een slagadergezwel gevormd. De opgezwollen aorta drukt op haar beurt tegen de naastliggende zenuwen der larynx en doet aldus de stembanden aan, op die wijze ontstaat de heeschheid, waaraan gij lijdende zijt. Eeeds bij uw eerste bezoek meende ik dat eigenaardig snerpende van het geluid te herkennen, doch ik voelde mij toen nog niet gerechtigd er u opmerkzaam op te maken.quot;
âIs een slagadergezwel gevaarlijk?quot; vroeg Christina. âGij zult mij verplichten met openhartig te zijn.quot;
âIk verzwijg u niets omdat ik weet dat gij liefst de volle waarheid hoort. Er bestaat hoop dat het bloed stremt en tegelijkertijd een opening laat, voldoende voor een ongestoorde circulatie: deze hoop is echter gering. In ieder geval moet gij u in acht nemen en alles vermijden, wat opwinding en onnoodige emoties, in één woord: wat een te snel kloppen van het hart veroorzaakt.quot;
âDus onder een glazen stolp gaan leven,quot; sprak . Christina, ietwat bitter.
âDat zou zeker het beste zijn, doch daar het
175
onmogelijk is, moet uw eigen voorzichtigheid de glazen stolp zijn. Ik weet, het klinkt belachelijk wanneer men zegt: vermijd alles, wat kommer en zorg veroorzaakt. Iedereen doet dat reeds uit zichzelf. Toch kan men zich door onbezonnenheid of drift veel onnoodig verdriet op den hals halen. Wat gij te doen hebt, is: uiterst zelfzuchtig te zijn en alles aan uw eigen rust op te offeren, zoo niet, dan kan ik niet voor de gevolgen instaan. Ik zal u iets geven om het hart te kalmeeren, doch het resultaat hangt hoofdzakelijk van uzelf af. De natuur is misschien in staat u te genezen, indien gy slechts alles vermijdt wat haar werking zou kunnen verijdelen.quot;
âHoe zal het einde zijn als het komt ?quot; vroeg Christina.
âHet einde!quot; zei Mortimer. âDaar moogt gij niet aan denken. Dat is juist een van de bezwaren, die gij ter zijde zetten moet. Wij hopen en mogen verwachten dat het einde een nieuw begin zal zijn.quot;
âDoch als het dat niet is, wat gebeurt er dan?quot;
âDan breekt het gezwel en volgt er een inwendige bloeding.quot;
âWaarvan het gevolg is .... ?quot;
Calvin wendde zich af.
âAls gij nog iets te regelen hebt, doet gij verstandig u daarmede te haasten,quot; sprak hij op gedempten toon, terwijl hij weder zitten ging.
âIs het verloop dan zoo plotseling ?quot;
176
âDat is de regel in dergelijke gevallen, doch ik herhaal: gij moogt er u niet angstig over maken.quot;
âIk zal mijn best doen en dank u voor uw openhartigheid. Het is veel beter de waarheid te weten dan er naar te gissen.quot;
âHet verheugt mij dat gy de zaak zoo rationeel opvat. De meeste menschen schrikken voor de waarheid terug, en daarom moet de geneesheer er dikwijls doekjes om winden.quot;
âIk heb altijd omtrent alles de waarheid willen weten ! Somtijds heb ik mij daardoor onaangenaamheden op den hals gehaald, doch, nietwaar, het is beter te trachten zelf de waarheid te vinden dan op gezag te gelooven.quot;
Calvin greep zich aan de leuningen van zijn armstoel vast. Hij herkende de opmerking als zijn eigene, doch herinnerde zich niet bij welke gelegenheid hij haar gemaakt had.
Met voor mevrouw Wybroga vertrokken was, dacht hij aan zijn eerste ontmoeting met Christina Mostyn op de bruiloft harer zuster en aan den raad, dien hij haar gegeven had, toen zij hem vroeg of Pater Mordaunt een slecht priester was, daar hij wijn dronk en sigaren rookte.
âDat was ook mijn opinie,quot; zei hij in antwoord op Christina's opmerking. âToch zijn er gevallen dat de ontdekking de moeite niet loont. Bovendien zijn dwalingen, zelfs bij het doen eener ontdekking, niet te vermijden, en kan een nieuwe opvatting nog verder van de waarheid verwijderd wezen dan
177
een oude. Er bestaan vraagstukken, die voor oplossing onvatbaar zijn, laten wij ons in zulk een geval tevredenstellen met den uitleg, dien wij er aan kunnen geven.quot;
âDatzelfde denkbeeld vond ik bij een der Noorsche schrijvers uitgedrukt, dien gij wenschtet te lezen :
Zeg van geen oude leer : zij faalt.
Voor gij een nieuwe, beet're vondt.
Zal dat groote, nieuwe licht ooit opgaan ?quot;
âWij zullen het niet beleven, vrees ik,quot; zei de professor moedeloos, als een man, die geen illusies meer koestert. âHet vertrouwen, dat ik althans eenige vruchten zou mogen oogsten van het weinige, dat ik voor den vooruitgang gedaan heb, vermindert naarmate ik ouder word. De ontwikkeling schrijdt zoo langzaam voorwaarts dat het individu bijna geen verandering bespeurt. En helaas, de belangen in het leven zijn voor ons van te persoonlijken aard dan dat wij troost kunnen vinden in het denkbeeld, dat anderen zullen maaien wat wij gezaaid hebben.quot;
Christina's medelijden nam gaandeweg toe toen zij hem zoo hoorde spreken; het was zulk een pijnlijk contrast: zijn tegenwoordige moedeloosheid en de vurige en hoopvolle wijze, waarop hij in den tijd hunner verloving van den vooruitgang gesproken had. Van alle emoties roert medelijden het meest tot tranen, en Christina was voor een oogen-blik even blind als de professor. Haar verlangen om zich bekend te maken werd bijna een intuïtie, doch
VERLOREN GELOOP. II. 12
178
de ervaring had haar geleerd dat men zich dikwijls voor de spontane uitingen van het gemoed in acht nemen moet.
âGij spreekt als iemand, die bittere ervaringen in het leven opgedaan heeft,quot;' antwoordde zij zoo kalm mogelijk.
âWie heeft dat niet op mijn leeftijd?quot; zei Mortimer. âOp de tafel staat een portret, ik kan het niet zien, en toch doet het mij goed dat het er staat. Het is mijn zoontje, voor wien ik hoopte te leven en te werken, doch hij is gestorven, eu nu ben ik alleen, geheel alleen!quot;
âZijn wij in ons binnenste niet allen alleen?quot; vroeg Christina met gebogen hoofd.
Haar stem beefde, met moeite onderdrukte zij een snik. Mortimer bemerkte het en stak plotseling de hand uit. In angstige spanning en ademloos van verwachting zag Christina hem aan. Had hij haar herkend en ging hij spreken? Het onderhoud was door hem, meer dan bij vroegere gelegenheden, in een richting geleid, die het bestaan van nevenbedoelingen verried, het scheen alsof hij een opening zocht om het licht binnen te laten, dat de tusschen hen heerschende duisternis opklaren zou.
Zij had zijn zinspelingen met een in het oog loopende bereidwilligheid aangemoedigd en zag thans reikhalzend naar verdere verklaringen uit. Wilde hij spreken of gaf hij er de voorkeur aan haar niet te herkennen? Tenzij hij er haar toe aanspoorde, kon zij niet het eerst het stilzwijgen breken. Daarom
179
bespiedde zij die kleine beweging zijner hand met hetzelfde vurige verlangen, waarmede een bedelaar de hand gadeslaat, die gereed is hem een aalmoes te reiken.
Doch Calvin Mortimer gaf eensklaps aan het schijnbaar onwillekeurige gebaar een verklaring, zeggende: âMet ons gesprek over den vooruitgang heb ik u, vrees ik, op uw weg naar huis opgehouden. Laat ik u niet langer storen als gij haast hebt.quot;
Christina was geheel uit het veld geslagen.
Hij wilde blijkbaar niet spreken, hij wenschte, ook al vermoedde hij de waarheid, dat zij voor hem zou zyn en blijven: mevrouw Wybroga, de amanuensis. Een gevoel van bitterheid bekroop haar, en zij trok zwijgend haar handschoenen aan.
âGij zijt nog hier, nietwaar?quot; vroeg Calvin, het hoofd naar de deur wendend.
Die woorden herinnerden haar aan zijn hulpe-loozen toestand, en wederom vulden haar oogen zich met tranen. Ternauwernood kon zij een bevestigend antwoord uitbrengen.
âZult gij mij laten weten of gij na mijn operatie terugkomt ?quot;
âJa.quot;
âEn belooft gij mij, te denken aan hetgeen ik u omtrent uw gezondheid gezegd heb?quot;
âIk zal mijn best doen.quot;
Mortimer stak haar de hand toe en zeide: âVaarwel.quot;
180
Zij gaf hem de hare, die hij een oogenblik vast omklemd hield, terwijl hij tevergeefs trachtte met zijn blinde oogen de hem omringende duisternis te doorboren. Hadden zij slechts een enkelen blik kunnen wisselen, zij zouden elkanders gedachten gelezen en geen behoefte aan woorden gevoeld hebben. Doch hij kon haar gelaat niet zien en het was haar onmogelijk uit die blinde oogen te lezen wat er in zijn gemoed omging.
Zoo eindigde het âvriendschappelijk samenwerken,quot; dat professor en secretaresse, geneesheer en patiënt niet in man en vrouw had kunnen veranderen.
HOOFDSTUK IV.
ARME BLINDE !
Op zekeren namiddag kwam de musicale Fothe-ringhay hevig opgewonden bij Passover oploopen. Hij neuriede reeds op de trap, en hij ging door met neuriën terwijl hij, zonder een enkelen groet de kamer binnentredend, naar de piano snelde en met één vinger een deuntje tokkelde.
Toen hij zag hoe Passover hem met open mond aanstaarde, riep hij : âNeem mij niet kwalijk, dat is een der hoofdmotieven, en ik was bang dat ik het kwijt zou raken als ik sprak, eer ik het met behulp van de piano in mijn geheugen geprent had. Dat is voor mij de eenige manier om een melodie niet te vergeten. Doch luister eens, hoe eenvoudig en toch veelzeggend, wanneer het door een meester vertolkt wordt: Tum tum taree taree ! Het diminuendo van den interval teekent het genie !quot;
âGenie is waanzin, volgens de laatste uitspraken,quot; zei Passover, min of meer ruw.
âAls dat zoo is, neem ik voor den waanzin mijn hoed af. Ik ken natuurlijk de vooroordeelen, die gij tegen het genie in quaestie koestert, maar dit
182
neemt niet weg dat gij door het verzuimen van zijn concert veel verloren hebt. Ik heb nog nooit iets, ik wil niet zeggen; beters, maar beters in het genre gehoord. Het was bepaald ongemeen, veel meer nog dan die sonate voor piano en viool. Gij herinnert n immers wel, die sonate met het scherzo: ta ta tnri turi tnm ta tee? De nieuwe compositie mist het onstuimig vroolijke der sonate, doch het wegsleepende pathos van haar finale overtreft alles, wat ik op dat gebied gehoord heb. Het is als hoort men een menschelijke stem klagen. Heusch, gij moest u schamen over uw bekrompenheid ; was het u inderdaad onmogelijk een onderscheid te maken tusschen den artist en den man zelf?quot;
âIn dit geval kon ik het niet. Zijn stoutmoedigheid hier weder in het publiek te verschijnen, is mij trouwens een raadsel.quot;
âWaarom ? Een eigenlijk schandaal is er nooit geweest, en zelfs al had de zaak meer éclat gemaakt, dan zou dit hem eerder tot aanbeveling bij im-pressario's en publiek gestrekt hebben. Ik zie niet in waarom iemand, die, evenals zoovele zwakke menschenkinderen, een mispas begaan heeft, zich in de wildernis zou moeten gaan begraven. Wij verlangen dit niet van doodgewone menschen, mogen wij het dan eischen van artisten, die een roepingen de wereld te vervullen hebben? Bevooroordeeld als gij zijt, kunt gij de zaak niet van een onpersoonlijk standpunt bekijken en moogt dus ook
183
niet critiseeren. Bovendien is de dame in quaestie vrijwillig met hem medegegaan, en waren zij, voor zoover ik het beoordeelen kon, zeer gelukkig met elkander.quot;
âZóó gelukkig dat zij gedwongen was hem te verlaten en zich aan een leven van armoede en ontbering, verborgenheid en eenzaamheid te onderwerpen!quot; zei Passover, die zich door ziin verontwaardiging liet medesleepen.
Fotheriughay floot zachtjes.
âDus leven zij niet meer met elkander? Dat wist ik niet. Nu wordt het mij duidelijk!quot;
,,Wat wordt u duidelijk?quot;
âWel, zijn komst hier. Ik bemerkte dat hij angstig en gedrukt was, en schreef dit aan zijn zenuwachtigheid toe.quot;
âEn wat denkt gij nu?quot;
âIk denk â doch zeg mij eerst eens, is zij in Londen ?quot;
âHoe vraagt gij dat zoo ?quot;
âOmdat hij haar zoekt, ik ben er nu zeker van. En wat meer is, hij rekent er op dat gij hem daarbij helpen zult.quot;
Jk?quot;
âJa. Ik heb u nog niet verteld dat hij naar u informeerde. Naar aanleiding onzer kennismaking te Liagaard ging ik hem na afloop van het concert mijn compliment maken. Na het wisselen van een vluchtigen groet vroeg hij mij dadelijk of gij in Londen waart en op uw oude kamers woondet.
184
Eigenlijk verwachtte ik hem hier reeds te vinden, want hij was blijkbaar van plan u te komen opzoeken. Zal ik blijven of wilt gij hem liever alleen spreken?quot;
âDoe mij het genoegen en blijf,quot; zei Passover ernstig.
âWaarom? Moet er een treurspel afgespeeld worden?quot; vroeg Fotheringhay lachend. âGij spreekt op den toon van den braven jongeling uit het melodrama. Doch scherts ter zijde, weet gij waar zij is?quot;
Passover deed als hoorde hij de vraag niet.
s Ik ben de vriend van haar echtgenoot, die wetenschap is voor mij voldoende,quot; sprak hij.
âDat vind ik niet, het heeft niets met de quaestie te maken, Passover. Gij handelt in haar belang, of wat gij voor haar belang houdt, niet in het zijne. Ik zie niet in waarom gij tusschenbeide zoudt komen als Nielsen zich met haar verzoenen wil. Tot haar echtgenoot kan zij niet terugkeeren, en Nielsen houdt veel van haar, iets, wat men professor Mortimer niet nageven kan.'quot;'
âVan haar houden?quot; herhaalde Passover toornig. âHij houdt te veel van haar, evenals de apen, die hun jongen dooddrukken. Zij is voor hem slechts het voertuig zijner eigene emoties. Daar hebt gij die nieuwe compositie van hem, een liefdes-elegie, zooals hij ze noemt. In werkelijkheid is zij niets anders dan een transcriptie in muziek van het drama, door hem veroorzaakt, van het wellustige
185
genot, dat hij in haar smart heeft. Ik vind het kras dat een man kapitaal uit zijn eigene en uit anderer emoties slaat. Een man, zeg ik? Hij is geen man, hij is maar een phonograaf in men-schengedaante.quot;
âWel, wat is kunst anders dan een omzetting van emotie in kracht?quot; vroeg Fotheringhay, en, bemerkende dat hij geen antwoord kreeg, ging hij voort: âWat dunkt u er van als gü eens de beleefdheid hadt mij een kop thee aan te bieden? Na een concert lijden mijn zenuwen altijd aan afmatting, niet te verwonderen trouwens na de groote inspanning.quot;
âJa, dat kennen wij, die inspanning van concerten,quot; zei Passover, op de bel drukkend.
âZeg aan de hospita dat zij de thee niet te slap maakt, ouwe jongen.quot;
âZe is waarschijnlijk reeds gezet. Mijn bellen is een teeken voor de juffrouw om ze binnen te brengen. Mijn hospita komt nooit in de kamer tenzij ik schel; dat geloop om mij heen leidt mij te veel af als ik schrijf.quot;
âGij zijt wijs, doch, van schrijven gesproken: weet gij dat het nieuwe boek van professor Mortimer verschenen is? Het avondblad wijdt er een waardeerend artikel aan en geeft in een verschrikkelijk leelijke houtsnede het portret pan den auteur. Hoe heeft hij met zijn blinde oogen kunnen schrijven, of zijt gij er bij slot van rekening nog in geslaagd een amanuensis voor hem op te duiken?quot;
186
Passover knikte bevestigend, daar de hospita juist de thee binnenbracht.
âWie was hij?quot; vroeg de praatzieke Fotheringhay.
âHet was een dame. De weduwe van een oud vriend van mij, doctor Wybroga.'
âWybroga? Wat een vreemde naam, nooit van gehoord. Wat voor een dame is zij? Blauwkous, gebrild en tegen de vivisectie? Maar neen, het laatste is onmogelijk, dan had zij niet, als Mortimer's secretaresse kunnen fungeeren. Hoe gaat het met Mortimer's oogen? Ik meende dat hij een operatie ondergaan zou.quot;
âDat zal hij ook â morgen vroeg.quot;
,Wie zal hem o pereeren ?quot;
âDe Duitsche specialiteit, Augenstecher. Hij komt heel uit Wiesbaden over, louter en alleen uit vriendschap en bewondering voor Mortimer, die in Duitschland een grootere reputatie geniet dan in Engeland.quot;
âIk zou wel eens willen weten,quot; sprak Fotheringhay afgetrokken, âof Mortimer van Nielsen's komst te Londen gehoord heeft. Wie weet of het hem niet beweegt de echtscheiding door te zetten. Mijns inziens had hij dit reeds veel eerder moeten doen, ten einde Nielsen de gelegenheid te geven zijn vrouw te trouwen. Ik houd het er voor dat zij den musicus alleen wegens haar valsche positie verlaten heeft, en onmiddellijk tot hem zou terug-keeren als die positie een wettige worden kon.quot;
âZij zal niet tot hem en hij niet tot haar terug-
187
keeren, als ik het verhinderen kan/' mompelde de journalist.
âIk zie niet in hoe gij dat kunt, het lot heeft hen blijkbaar voor elkander bestemd,quot; zei Fothe-ringhay, terwijl hij zich naar de piano overboog en met de eene hand een paar toetsen aansloeg om zijn geheugen in betrekking tot het finale-motief van Nielsen's laatste compositie, nog eens op te fris-schen. Hij had nauwelijks drie noten aangeslagen, toen Passover's hospita âmijnheer Ivar Nielsenquot; aandiende.
âPrecies het opkomen van een der helden in een opera van Wagner,quot; mompelde Fotheringhay. âHet Nielsen-motief wordt gespeeld, Nielsen verschijnt !quot;
âAh, mijnheer Passover,quot; zei Nielsen. âIk kom in mijn diepe droefheid tot u. Gij waart m ij n vriend en de hare en zult mij wel willen helpen haar te zoeken.quot;
Passover leunde in zijn fauteuil achterover en stak een cigarette op. Het viel Fotheringhay in het oog dat zijn handen beefden.
âWij hebben ongenoegen gehad in Noorwegen,quot; ging Nielsen voort, âen zij verliet mij, doch het was alles tengevolge van een misverstand. Ik heb overal onderzoek naar haar gedaan, en het heeft lang geduurd voor ik ook maar bij benadering ontdekte in welke richting zij gevlucht was. Ach, ik vreesde reeds dat zij gestorven zou zijn, tot ik haar eindelijk te Christiania op het spoor kwam en vernam
188
dat zij met de boot naar Engeland vertrokken was. Dat was verleden winter, en nu is het zomer, doch voor mij blijft het winter. Gij zijt haar vriend en weet zeker waar zij is. Zeg het mij, ik moet haar vinden, ik moet haar terug hebben.quot;
âDenkt zij er ook zoo over?quot; vroeg Passover. âIs het ridderlijk haar aldus te volgen en lastig te vallen, nadat zij er de voorkeur aan gegeven heeft u te verlaten? Professor Mortimer volgde haar niet toen zij met u heenging.quot;
âDat was geheel iets anders. Zij heeft mij niet verlaten met het doel tot hem terug te keeren.quot;
âHoe weet gij dat?quot;
âZij heeft hem niet lief. Zij heeft hem nooit liefgehad.quot;
âZij kan medelijden met hem hebben, evenals in den beginne met u.quot;
âWaarom zou zij ?quot;
âOmdat hij blind is. Nadat gij haar van hem weggelokt hadt, heeft hij, door te hard te werken, het gezicht verloren.quot;
Nielsen keek Passover en Fotheringhay beurtelings in stomme verbazing aan.
âNu begrijp ik er niets meer van,quot; zei hij. âIn Noorwegen hebben wij u beiden als onze gasten en vrienden onder ons dak ontvangen, en thans behandelt gij mij alsof ik uw en, wat erger is, haar vijand ware.quot;
âUw eenige vijand zijt gijzelf,quot; sprak Passover, een weinig kalmer wordend.
189
Nielsen lette niet op de opmerking, die hij misschien ook niet begreep.
âAls wij volgens uw conventioneele begrippen van zedelijkheid verkeerd handelden, waarom hebt gij dan onze gastvrijheid ingeroepen ? Is het eerlijk in Noorwegen vriendschap te huichelen en mij hier te beschuldigen, haar met schoonschijnende beloften weggelokt te hebben?quot;
Passover blies de asch van zijn cigarette.
âDe omstandigheden zijn sinds dien tijd veranderd. Toen had zij u nog niet veidaten, en zoolang gij haar vriend waart, waart gij ook de mijne. Thans zijt gij dat niet meer.quot;
âHebt gij haar dan gesproken? Heeft zij zich bij u beklaagd?quot;
âZij heeft zich over niets beklaagd.quot;
âMaar gij hebt haar gezien! Gij weet waar zij is! O, het doet reeds goed met iemand te spreken, die haar gezien heeft. Doch zeg mij, waar kan ik haar vinden ? Ik weet niet wat zij u verteld heeft, maar het was alles dwaasheid en misverstand. Ik wachtte slechts tot den volgenden morgen om haar mijn gedrag op te helderen. Den avond te voren waren wij in vriendschap gescheiden en had zij mij uitdrukkelijk gelast mijn moeder, die ziek geworden was, op te passen. Ik wilde haar dien nacht niet meer storen en wachtte tot laat in den morgen, omdat wij dachten dat zij sliep. Toen wij eindelijk de kamer binnentraden om haar te wekken, was zij verdwenen! 0, mijn God, wat moet zij geleden
190
hebben bij het oversteken van het gebergte. Ik werd zinneloos van angst en lag weken lang in zware koortsen. Het was een hersenziekte; zie, ik heb er grijze haren van gekregen. Mijn moeder paste mij op, en toen ik weer beter was, werd zij ziek, en thans is zij dood. Helga keerde naar Sognedal terug, en behalve de oude Thorgheim is er thans niemand meer te Liagaard.quot;
âDus omdat gij alleen zijt, wilt gij haar weder bij u hebben?quot; vroeg Passover met kwalijk verborgen toorn.
âJuist,quot; antwoordde Ivar naïef. âZoolang moeder en Helga te Liagaard waren, zou zij nooit teruggekomen zijn, het was steeds haar wensch dat wij beiden alleen zouden wonen. Doch wat moest ik doen? Ik kon toch mijn moeder haar eigen huis niet uitzetten! Ik zou Christina onmiddellijk gevolgd zijn, doch eerst werd ik ziek en daarna moeder. Bovendien wist ik niet waar zij heengegaan was, ik deed navraag te Fortun, ik deed navraag te Skjolden, doch niemand had haar gezien, en ik kon niet denken dat zy alleen en in den winter den pas zou overtrekken. Mijn God! Wat een vreeselijke tijd was dat! Maar thans is alles weer in orde, en gaan wij samen naar Liagaard terug, dat zal een andere thuiskomst wezen dan de eerste! Zeg mij dus spoedig waar zij is, want dat zij weer bij den koudbloedigen professor zou zijn, geloof ik eenvoudig niet.quot;
Fotheringhay kwam op dit oogenblik tusschen*
191
beide met de opmerking; âDaar hoadt een rijtuig voor uw deur stil, Passover. Twee mannen stappen er uit, het schijnt dat zij hier moeten wezen.quot;
âWaar?quot; riep Passover, naar het venster snellend.
âZij zijn al binnen. De eene man leunde op den arm van den ander. Het leek wel alsof hij blind was.quot;
âGroote God, als het Mortimer maar niet is. Ik kan hem hier niet ontvangen, de juffrouw moet zeggen dat ik uit ben.quot;
En hij drukte als dol op het knopje der electrische bel en hield niet op met schellen voor de huishoudster verscheen.
Zij werd gevolgd door twee personen.
âProfessor Mortimer,quot; diende zij aan.
âGij moet heengaan, het is haar echtgenoot!quot; fluisterde Passover den musicus driftig toe.
Doch Nielsen verroerde zich niet.
âZoo is het goed, O'Reilly,quot; sprak Mortimer tot zijn geleider, toen deze hem naar een stoel gebracht had. âGij kunt thans beneden op mij wachten; mijnheer Passover zal n wel waarschuwen als ik u weer noodig heb, nietwaar, Passover?quot;
âZeker, zeker,quot; antwoordde de journalist met een onvaste stem.
Het ongewone in Passover's toon ontging den professor niet.
âStoor ik misschien?quot; vroeg hij. âNu, mijn bezoek ral maar een oogenblik duren. Ik kom van mijn uitgever, en daar ik, zooals gij weet, morgen
192
geopereerd word, greep ik deze gelegenheid aan um u in het voorbijgaan het adres van mevrouw Wybroga te vragen. Uw vrienden zullen mij deze interruptie zeker niet kwalijk nemen.quot;
âNatuurlijk niet, natuurlijk niet,quot; haastte Fo-theringhay zich te zeggen.
Intusschen bleef Passover Nielsen aanzien, met de lippen het woord; âGa,quot; vormende. De musicus wilde dit teeken echter niet begrijpen en hield de oogen onafgebroken op Mortimer gevestigd.
.,Mag ik u een kop thee geven, professor?quot; vroeg Fotheringhay wanhopig. âThee schenken is een functie, die Passover mij nogal eens opdraagt.quot;
âIs hij misschien midden in het schrijven van een artikel?quot; vroeg Mortimer glimlachend. âNa mijn jongste ervaringen weet ik wat dat is. Ga gerust uw gang, Passover, de formaliteiten van het voorstellen kunnen wij ons sparen, want het schijnt mij dat ik uw vriend reeds vroeger ontmoet heb. Ik meen ten minste zijn stem te herkennen.quot;
âMijn naam is Fotheringhay,quot; zei de ander. âMuziekcriticus van den Daily Remembrancer.quot;
âEn die andere mijnheer? Ik meende bij het naar binnen komen nog een stem te hooren, of heb ik mij misschien vergist? Wij blinden, ziet ge____quot;
âNeem mij mijn onoplettendheid niet kwalijk,quot; viel Passover hem haastig in de rede. âLaat eens kijken â mevrouw Wybroga's adres? Ik herinner
193
het mij op het oogenblik niet, doch ik heb het ergens opgeteekend. Ik zal het voor u opzoeken.'
âGij zult het mij moeten voorlezen, aan het geschreven woord heb ik thans niets, doch mijn geheugen is gelukkig heel goed.quot;
âMevrouw Wybroga was uw amanuensis, nietwaar, professor?quot; vroeg Fotheringhay, om maar iets te zeggen. âDe naam trok mijn opmerkzaamheid toen ik hem voor het eerst van Passover hoorde. Was haar wetenschappelijke kennis voldoende voor de taak, die zij bij u te verrichten had? Gewoonlijk blijven wij, mannen, op een afstand van dergelijke dames, en ik heb nooit geweten dat Passover er geleerde vriendinnen op nahield.quot;
âMevrouw Wybroga was een oude vriendin, nietwaar, Passover?quot; vroeg Mortimer.
âEen heel oude,quot; antwoordde de journalist, ten einde raad.
âIs dat sarcastisch bedoeld?quot; zei Fotheringhay, quasi schertsend. âHet heeft er ten minste veel van.quot;
Mortimer zuchtte.
âIk weet wel beter,quot; zei hij. âPassover heeft zich in deze als een waar vriend van mevrouw Wybroga .... en van mij gedragen. Jammer dat ik de gelegenheid niet aangegrepen heb, zooals ik had behooren te doen.quot;
De journalist wendde de oogen van Nielsen af en richtte zich tot Mortimer.
âHeeft zij gesproken?quot; vroeg hij driftig.
âNeen. Zij verwachtte klaarblijkelijk dat ik het
VERLOREN GELOOF. quot;⢠13
194
ijs zou breken, en ik treuzelde en treuzelde, en nu spijt mij dat geweldig, zoodat ik u haar adres kom vragen. Ik zou het gaarne dadelijk willen hebben, dan kan ik er heen rijden, eer ik naar huis ga.quot;
âGoed, goed, ik zal het u geven, doch ik zou u eerst gaarne een oogenblik alleen willen spreken. Wilt gij even medegaan naar mijn slaapkamer?quot;
âDoe geen moeite, er valt niets meer te bespreken, mijn besluit staat vast. Geef mij het adres maar, het is ergens in North Kensington, is het niet?quot;
Er was niets meer aan te doen, langer aarzelen kon de zaak slechts erger maken. Passover doorbladerde met veel vertoon een ongebruikt aantee-kenboek en zei eindelijk, zoo ongedwongen mogelijk: âAh, daar is het: mevrouw Wybroga, Acacia House, St. Swythin's Road, North Kensington, Londen, West.quot;
âDank u,quot; zei de professor, opstaande. âEn zoudt gij thans mijn geleider willen roepen?quot;
âTk zal u zelf naar beneden brengen,quot; antwoordde Passover, Mortimer's arm nemend. De professor schudde Fotheringhay de hand, terwijl Nielsen met een zegevierend glimlachje tegen de piano bleef staan leunen.
âDe lente breekt aan,quot; zei hij tot Fotheringhay. âDe winter is bijna voorbij, en de gesmolten sneeuw doet de stroomen zwellen. O, ik zou het u kunnen voorspelen, als dit niet Passover's piano ware en
195
ik mij niet in zijn kamer bevond. Begrijpt gij wat ik bedoel ?quot;
âEerlijk bekend, is het mij niet recht duidelijk.quot;
âMevrouw Wybroga,quot; fluisterde Nielsen. âAcacia House, St. Swythin's Road, North Kensington, Londen, West.quot;
âGij wilt toch niet zeggen dat. .. .?quot;
Nielsen glimlachte.
âBij den Hemel! Welk een ingewikkelde geschiedenis, en toch was ik een ezel dat ik haar niet eerder snapte. Alsof Passover een man was om er platonische relaties met geleerde weduwen op na te houden! Wel, wel, het is een echt blinde-mannetjesspel.quot;
Op dit oogenblik kwam Passover de kamer weder binnen.
âThans ga ik,quot; zei Nielsen, terwijl hij zijn hoed opzette. âIk wilde alleen maar zien hoe hij er uitzag. Nu, de kans dat hij haar zal overhalen tot hem terug te keeren is, geloof ik, niet groot.quot;
âLoop voor mijn part naar den duivel,quot; sprak de journalist woedend. âGoede Hemel, Fotheringhay, vervolgde hij, âhebt gij ooit iemand zulk een onaangenaam kwartiertje zien doorleven? Hier de arme, blinde, verlaten Mortimer en daar dat lee-lijke mismaakte schepsel, dat hem als een trol stond aan te gluren. Geef mij gauw een kopje thee, mijn keel is droog als zand.quot;
Fotheringhay reikte hem het gevraagde en vroeg: âWat denkt gij te doen nu hij er achter gekomen is?quot;
196
âEr achter gekomen? Wie? Wat? Bedoelt gij nu Mortimer mevrouw Wybroga's adres weet?quot;
âNeen, ik bedoel: nu Nielsen mevrouw Mortimer's adres kent.quot;
âWat zegt gij? Hij? Zij?quot;
âJa. Hij vertelde mij dat mevrouw Wybroga en mevrouw Mortimer één en dezelfde dame waren.quot;
Passover liet bijna zijn kopje vallen.
âDat heeft hij u gezegd! Maar dan moet ik zonder verwijl naar North Kensington om haar te waarschuwen. Verschrikkelijk! Hoe dom van mij dat ik gesproken heb toen hij er bij was, doch Mortimer dwong er mij feitelijk toe en ik was mijn hoofd totaal kwijt. Wilt gij eens schellen en juffrouw Armstrong zeggen dat zij een rijtuig voor mij bestelt, vooral een met een goed paard. Ik trek in dien tijd een andere jas aan en ben in een ommezien terug!quot;
Dien avond hadden de âbetalende gastenquot;, die in Acacia House, St. Swythin's Road, North Kensington, âeen gezellig tehuisquot; vonden, een heerlijk onderwerp om het gewoonlijk vrij eentonige gesprek te kruiden. Dien middag hadden niet minder dan drie heeren, ieder in een hansom-cab, achtereenvolgens getracht mevrouw Wybroga een bezoek te brengen. De hoofden werden bij elkander gestoken, daar school bepaald iets achter.
âZij was zeer beleefd en ladylike, dat moet ik toegeven, maar toch, ik heb altijd wel gedacht... dat... wel. . . enfin, dat er iets niet in den haak
197
was. Zoo teruggetrokken en stil, en dan een weduwe, ik heb het op dergelijke dames nooit erg begrepen. Wat zou zij vanmorgen in de courant gezien hebben? Zij veranderde plotseling van kleur. Wacht eens.... neen.... dat was toen een verslag van een concert of een bericht betreffende een musicus werd voorgelezen. Geloof mij, daar schuilt meer achter dan men oppervlakkig denken zou.quot;
Zoo sprak het koor der ongetrouwde juffers van Acacia House.
De drie heeren, die in den namiddag tevergeefs getracht hadden mevrouw Wybroga op te zoeken, moesten tot hun leedwezen vernemen, dat zij onverwacht met den middagtrein naar North Wales vertrokken was, terwijl zij verzocht had nakomende brieven naar Villa Deeside, Holywell, te adresseeren.
HOOFDSTUK V.
MOEDER EN DOCHTER.
Pater Mordaunt ging alleen het huis binnen om mevrouw Mostyn op de terugkomst harer dochter voor te bereiden. Naar aanleiding eener van Christina ontvangen depeche had hij haar aan het station te Chester opgewacht en was vervolgens met haar naar Holywell gereisd.
Thans sprak hij met haar moeder, terwijl zij in den tuin wachtte en naar de wijde monding der Dee tuurde. Zij zag hoe de golven nog altijd tegen de landtong braken, die de Mersey en de Dee van elkander scheidt, terwijl verder oostelijk, boven de steden Birkenhead en Liverpool, nog dezelfde donkere rookwolken hingen. Het tooneel kwam haar bekend en toch vreemd voor. Alles was hetzelfde gebleven en zij herinnerde zich alles, alleen zij was veranderd. Zij keek naar het torentje boven op de villa, de windwijzer was er nog, doch hij bewoog zich niet in de kalme atmosfeer van den fvarmen namiddag. Zij herinnerde zich hoe Pater Mordaunt eens schertsend gesproken had over lieden, die als windwijzers met alle winden meedraaiden.
199
Op dit oogenblik verscheen de priester in de tuindeur. Hij gaf haar een wenk, aan welken zij met bevende leden gehoorzaamde.
âKom, kom, niet zenuwachtig worden,quot; zei Pater Mordaunt. âAlles is in orde, zij wacht u in de tuinkamer. Houd u goed, vooral om harentwil, want zij is niet sterk tegenwoordig. Eileen hebben wij voor een poosje de deur uitgezonden.quot;
Voor zij binnentrad, bleef Christina een oogenblik op den drempel van het vertrek staan. De vensters zagen op het westen uit, zoodat de kamer zich in het heldere licht der namiddagzon baadde.
Het sierlijke kooitje met Eileen's kanarievogeltje stond op een Japansch tafeltje bij het open venster, en het beestje zong en kweelde het hoogste lied. De zachte geur der planten onder den schoorsteenmantel, der bloemen, die in een vaas op de tafel prijkten, kwam Christina als een welriekende adem van het lang ontbeerde tehuis te gemoet. Zij had het gevoel, dat vroeger bij het betreden eener kerk steeds over haar kwam, een gewaarwording van vrede en gedragen worden, die zij daarbuiten, in de beroeringen des levens, wel gezocht doch nooit gevonden had.
Mevrouw Mostyn stond in het midden van het vertrek, met een barer smalle witte handen op de tafel leunend. Zij had het hoofd een weinig voorovergebogen, haar oogen waren terneergeslagen en een licht blosje bedekte haar gelaat. Het was als streed zij met een opkomend gevoel van schroom.
200
âMoeder!quot; zei Christina met een heesche stem. âKunt gij uw ongelukkig kind nog aanzien?quot;
De oude dame sloeg de oogen op.
â0, mijn lieveling,quot; riep zij. âHoe slecht ziet gij er uit!quot;
Zij breidde de armen uit en drukte Christina aan haar borst, een omhelzing, die de jonge vrouw meer troost gaf dan zij ooit in de meest hartstochtelijke liefkoozingen van haar minnaar gevonden had.
De moeder hield haar dochter een klein eindje van zich af om haar in het gelaat te zien, daarop kuste zij haar weder en sloot zij haar opnieuw in de armen.
âIk dank u, mijn God, ik dank u,quot; fluisterde zij, en daarop: âArm kind, wat moet gij geleden hebben. Ik heb u slechts één ding te verwijten: waarom kwaamt gij niet dadelijk hier toen gij in Engeland terug waart? Foei, te vergeten dat gij een moeder hadt!quot;
âIk had het niet vergeten, moeder! Nooit, nooit, den geheelen tijd niet toen ik weg was . . . .quot;
Mevrouw Mostyn hief de hand op.
âSt . . . . spreek niet van dien tijd, ten minste nu niet. Hij is voorbij, Grode zij dank, en wij zullen trachten hem te vergeten. Ik heb dat reeds gedaan nu gij weder terug zijt, herinner er mij dus niet aan. Maar lieveling, gij ziet er erg vermoeid en bleek uit, dat komt zeker van de reis en de opwinding. Wilt gij met mij naar mijn kamer gaan
201
om uw goed af te doen en u wat op te frisschen? Kate kan dan in dien tijd de thee zetten.quot;
âWeet zij iets?quot; vroeg Christina.
âWie, zij? Kate? Natuurlijk niet, dan zou ik immers gezorgd hebben dat zij u niet behoefde te bedienen. Zij weet dat gij na baby's dood zeer ziek en langen tijd in het buitenland geweest zijt. Dat is alles.quot;
Christina wierp haar moeder een dankbaren biik toe, en beide vrouwen gingen naar boven. Toen zij in de zitkamer terugkwamen, vonden zij daar Pater Mordaunt en Eileen. Christina voelde zich zonder hoed en mantel meer op haar gemak, en nadat haar zuster haar de hand gedrukt en op de wangen gekust had, was zij geheel gerustgesteld.
Eileen, aan wie Pater Mordaunt reeds haar les ingeprent had, gaf een verder bewijs van tact door zich betrekkelijk vroeg ter ruste te begeven, zoodat moeder en dochter met elkander alleen bleven.
âIk maak mij ongerust over u, lieveling,quot; zei mevrouw Mostyn, terwijl zij Christina's hand in de hare nam en die zachtjes streelde.
âDat kan ik mij begrijpen, moeder. Ik heb het er naar gemaakt.quot;
âO, zoo bedoel ik het niet, liefste. Ik had het oog op uw gezondheid. Gij ziet er slecht uit en hebt zulk een drogen, harden hoest, en uw stem klinkt zoo heesch. Zijt gij bij een dokter geweest?quot;
âJa, moeder, even voor ik Londen verliet.
202
Hij zeide mij dat ik een slagadergezwel in de aorta heb.quot;
âWat een vreeselijk ding! Hoe zijt gij daaraan gekomen?quot;
âDoor een stoot in de zijde, dien ik in Noorwegen gekregen heb. Een der ribben is toen beschadigd, en ....quot;
âGij wilt toch niet zeggen dat ... hij u sloeg ?quot;
âO, neen, geen sprake van. Maak u daaromtrent niet ongerust, hij was altijd even vriendelijk voor mij. Neen, het gebeurde toen ik een meisje bij het naar beneden klimmen van een rots hielp en zij uitgleed en tegen mij aanbonsde. Het was geheel toevallig.quot;
âJuist. Doch is zoo iets gevaarlijk, en kan het weer genezen?quot;
âHet kan genezen als ik mij zeer in acht neem en opwinding en emoties vermijd. Zoo niet, dan ....quot;
Christina haalde de schouders op.
âDan?quot;
âVolgt er een plotselinge dood. Nu, kijk maar niet zoo ontsteld, moeder, dat is iets, waaraan wij allen blootstaan. Denk maar eens aan het gevaar dat men loopt in drukke straten, in spoortreinen. Wat doet een kans meer of minder er toe? De dood is toch per slot van rekening de eenige zekerheid, laten wij hem dus moedig afwachten.quot;
âMoedig? Maar Christina, gij praat als een hei-
203
den. Ik had het onderwerp niet willen aanroeren, doch nu gij mij zegt, dat gij ieder oogenblik sterven kunt, kan ik niet langer zwijger;. Hebt gij vrede in uw God gevonden?quot;
Christina zweeg.
rGelooft gij in God?quot;
âGelooven?quot; zei Christina. âO, moeder, de gedachte aan God heeft mij achtervolgd als een spooksel. Bij iedere verandering, iedere crisis in mijn leven had ik het gevoel .... Doch ik kan u dat niet uitleggen, het was zulk een vreemde leegte in mijn hart, een gevoel van verlatenheid, zoo angstwekkend, dat zelfs Ivar's liefde het niet verdrijven kon. Toen ik ook die liefde miste, toen ik mij in den donkeren nacht alleen in het woeste gebergte bevond, toen kwam de gedachte aan God als iets overweldigends over mij. Het was alsof er buiten Hem niets anders in de wereld meer bestond.quot;
âIvar's liefde!quot; antwoordde haar moeder. âO, Christina, waarom zegt gij dat? Het doet my vreezen dat gij nog steeds naar hem hunkert. Gij houdt zijn passie voor u toch niet voor liefde? Gij treurt toch niet om hem?quot;
âIk zal nooit tot hem terugkeeren, moeder, als gij dat bedoelt; vergeten dat wij elkander bemind hebben kan ik echter niet. Als gij onder het vinden van vrede in God een gevoel van berouw over het verleden verstaat, dan heb ik dien vrede nog niet gevonden. De zonde, ja, die mag ik betreuren, doch
204
de liefde niet. Zij was waar zoolang zij duurde, en zelfs toen hij mij ontrouw werd, veranderden mijn gevoelens voor hem niet, ik verloor alleen allen lust in het leven en had niets meer om mij aan vast te klemmen. Ik voel dat er een Grod is, doch ik kan nog niet tot mijn ouden vorm van geloof terugkeeren. Het is mij als bestaat er nevens de algemeene een individueele openbaring; was deze mij eerder ten deel gevallen, dan zou ik waarschijnlijk niet heengegaan zijn. Maar o, moeder, na baby's dood gevoelde ik mij zoo eenzaam. Oom had mij gezegd dat ik het kind als mijn God beschouwen moest, en dat trachtte ik ook te doen. Doch mijn kind werd mij ontnomen, en ik bleef alleen over. Calvin had mij geleerd dat godsdienst en geloof slechts ij dele klanken waren, en zoo stond ik daar met niets om mij aan te wijden, niets om voor te zorgen, niets____quot;
âMaar gij hadt toch uw echtgenoot! Kondt gij hem uw liefde niet geven?quot;
âToen niet, moeder, toen niet. Het zou een droppel water op een gloeienden steen geweest zijn.quot;
âDat weet ik, lieveling, het was hard voor u. Maar hebt gij Calvin eigenlijk wel ooit bemind?quot;
âIk geloof van wel. In den beginne had ik hem werkelijk lief, en, o, ik heb zoo mijn best gedaan om my over zijn koelheid heen te zetten en mij naar hem te schikken. Hij echter stootte mij opzettelijk en bij voortduring van zich af, als wilde hij mij met geweld beletten de plaats in te nemen.
205
waarnaar ik streefde. Ik moet hem wel liefgehad hebben, anders had ik niet zoo spoedig mijn geloof voor zijn levensbeschouwing verwisseld. Ik deed het hoofdzakelijk om hem aangenaam te zijn, wellicht is dat de reden van den treurigen loop, dien de dingen genomen hebben. En toch . , .
âWat wildet gij zeggen, liefste?quot;
âWel, ik geloof dat ik het leven nooit zoo helder zou hebben ingezien wanneer ik dit alles niet beleefd had. Het is mij als was ik naar den top van een hoogen berg gevoerd, om van daar het volle leven in vogelvlucht te aanschouwen. En ik voel dat er achter het weinige, dat wij van het leven zien en begrijpen, één groote waarheid ligt; dat al ons ondervinden, ons struikelen, ja zelfs ons vallen slechts het resultaat is van onze pogingen om die waarheid te ontdekken. Ik weet zeker, dat, als ik voortgegaan was het conven-tioneele leven aan Calvin's zijde te leiden, mijn geestelijke natuur verstikt zou zijn. Ik zou het lot gedeeld hebben van de meeste vrouwen, ik zou, evenals zij, ten slotte bloot een slavin van routine en gewoonte zijn geworden, een zeer ontwikkeld dier, zooals Calvin het uitdrukt.quot;
Mevrouw Mostyn zuchtte.
âEerlijk gezegd, Christina, begrijp ik u niet,quot; sprak zij. âMijns inziens ligt de waarheid in het geloof, de gehoorzaamheid en het geduld, doch uit uw woorden meen ik te moeten opmaken, dat gij nog steeds uw eigen gids wilt zijn. Gij schijnt,
206
helaas, het gevaarlijke van het steeds op eigen kompas zeilen nog niet te hebben ingezien. Eeeds als meisje moest gij altijd uw zin hebben, en ook in deze treurige zaak heeft men u weder uw eigen gang laten gaan; maar kind, zijt gij nu nog niet overtuigd, dat een mensch zich niet alleen op zichzelf verlaten kan?quot;
âGij begrijpt mij klaarblijkelijk niet, moeder,quot; zei Christina met een droeven lach. â Ik wilde alleen zeggen dat ik God en de behoefte aan God heb leeren kennen op een wijze, als ik nooit zou gedaan hebben, ware ik mijn gewonen levensweg blijven bewandelen. Ik herinner mij hoe Calvin en ik vóór onze verloving eens een wandeling over den Pantasaph-heuvel maakten. Wij hadden ons schertsend afgevraagd wat wij boven op den top zouden vinden; ik behoef u niet te zeggen dat ik geen voorgevoel had van hetgeen ons in werkelijkheid wachtte, ik dacht slechts aan het prachtige vergezicht, dat men er heeft. Welnu, mijn geheele leven gelijkt op die wandeling. Ik streefde steeds omhoog teneinde een schooner en ruimer uitzicht te verkrijgen, en het einde is dat ik slechts lijden, misschien wel den dood, gevonden heb. En toch beklaag ik mij de moeite van het klimmen niet.quot;
âIedere Christen heeft zijn eigen Calvariënberg te bestijgen,quot; sprak mevrouw Mostyn, âal ware het alleen om tot de ontdekking te komen, dat de dood het leven is.quot;
207
âWelnu, als dat zoo is, waarom jaagt dan de gedachte aan mijn dood u schrik aan?quot;
âDat is het niet, mijn kind. Doch de gedachte dat gij onverzoend met uw God de eeuwigheid zoudt ingaan . . .
âKom, moedertje, dat punt moesten wij laten rusten, misschien brengt de tijd eens tot stand, wat uw woorden thans niet kunnen uitwerken. Voor het oogenblik zeg ik nog met Calvin, dat de theologie en de feiten van het leven twee dingen zijn, die niet altijd met elkander kloppen. Ik erken het bestaan van, ja, ik voel God, ik geloof ook in een toekomstig leven, doch niet in het samenstel van leerstellingen, formules en artikelen, door de menschen met den naam van godsdienst bestempeld.quot;
âLieve Christina, gij veracht immers een lamme niet omdat hij op krukken gaat? Welnu, wij, stervelingen, zijn in zekeren zin allen lammen en kreupelen, die het zonder onze krukken, dat is; onzen godsdienst, niet stellen kunnen. Wanneer wij allen vlekkeloos en zonder zonde zijn, zullen wij ze niet meer noodig hebben.quot;
âDat is knap van u gevonden, moeder, het is of ik oom hoor argumenteeren. Maar het neemt niet weg dat, al zijn wij allen kreupel, wij toch moeten trachten zonder krukken onzen weg te bewandelen. Misschien zal ik er later anders over denken, doch thans. . . .quot;
Mevrouw Mostyn zuchtte voor de tweede maal en liet het onderwerp varen.
208
^Weet gij dat Calvin blind is?quot; vroeg zij.
.,0f ik dat weet? Wel natuurlijk. Ik ben zes weken lang zijn secretaresse geweest.quot;
âGij? Kende hij u dan? Wat bedoelt gij?quot;
Christina vertelde haar moeder van den dienst, dien zij haar echtgenoot bewezen had.
âEn denkt gij dat hij u niet herkend heeft?quot;
âSomtijds dacht ik het en hoopte ik dat hij spreken zou. Doch hij brak het ijs niet, en zonder aanmoediging zijnerzijds durfde ik het niet te doen. Het kostte mij nu en dan moeite genoeg, mijn zelf-beheersching niet te verliezen.quot;
âZoudt gij tot hem kunnen terugkeeren als hij het gebeurde door de vingers wilde zien?quot;
âMisschien .... indien hij mij noodig had, en dan als zijn verpleegster en om hem gezelschap te houden, niet als zijn vrouw. Ik heb hem niet lief, moeder, doch ik gevoel medelijden met hem en ben in zeker opzicht zijn schuldenares. Wanneer zijn operatie niet gelukt en hij blind blijft, dan zal ik hem wellicht van dienst kunnen zijn, doch anders . . . . ! Nu, gij weet, het huwelijk is als een van die vazen, welke, eenmaal gebroken, niet hersteld kunnen worden.quot;
âMaar gij keert in geen geval tot den ander terug, nietwaar?quot; vroeg haar moeder angstig.
âNooit!quot; antwoordde Christina met nadruk. âVerbroken liefdebanden kunnen nog minder dan verbroken huwelijksbanden weder aangeknoopt worden. Ik verliet Londen hoofdzakelijk om hem
209
te ontsnappen. Ik zag in de couranten een concert van hem aangekondigd en durfde, uit vrees dat hij mij ontdekken zou, niet langer in de stad bliiven.quot;
âWaart gij bang voor uzelf of voor hem, Christina?quot;
âVoor beiden!quot; antwoordde de jonge vrouw-huiverend.
Als eenig antwoord kuste haar moeder haar op beide wangen. Daarop sprak zij met een opgeruimd gelaat: ,En nu moet ik naar bed, anders ben ik morgen vroeg niet in staat vóór het ontbijt naaide kerk te gaan.quot;
âGaat gij naar de mis?quot;
âZeker, om God dank te zeggen. Het was heden een dag van geluk.quot;
14
VERLOREN GELOOP. II.
HOOFDSTUK VI.
EEN LAATSTE VERZOEKING.
De volgende dag was een Zondag en voor Christina een rustdag. Zij had haar moeder en zuster niet naar de vroegmis vergezeld, doch liep haar tegen het uur, dat de kerk uitging, te gemoet.
De heldere zomermorgen herinnerde haar flauwtjes aan den dag, toen zij met Ivar Nielsen het Arka-disch ontbijt in den tuin te Cold Harbour gebruikt had. De dampkring was even doorschijnend als destijds, dezelfde zilveren herfstdraden, die van heester tot heester zwierven, voorspelden een warmen namiddag, dezelfde frissche geuren vervulden de lucht, en hetzelfde zachte gekweel verwelkomde den aanbrekenden dag. Ja, deze ochtend kwam Christina nog stralender voor dan die Septembermorgen, toen liefde en leven in volkomene harmonie met elkander schenen. Helaas, thans waren zij dat niet meer!
Bij een bocht van den weg kwamen haar drie nonnen met eenige schoolkinderen van het naburige klooster tegen. Een der zusters herkende haar en lachte haar vriendelijk toe. Het was Christina
211
onmogelijk terug te lachen, zij antwoordde slechts met een hoofdknik. Het reine gelaat der non kwam haar als een levend verwijt voor, de gelukkige gezichtjes der kinderen herinnerden haar aan haar eigen jeugd. Nimmer had zij het zoo duidelijk gevoeld, dat geen enkel levensuur ooit terugkeert, dat iedere hoop, het leven nog eens opnieuw te beginnen, ijdel is.
âJammer dat gij niet met ons medegegaan zijt, Christina,quot; zei mevrouw Mostyn, toen zij haar dochter bij het kerkportaal begroette. âDe dienst was dezen morgen bijzonder opgewekt en toch verheffend, en een menigte menschen gingen ter Communie. Er zijn in den laatsten tijd vele gevallen van genezing, en de stad is vol pelgrims.quot;
âIk had niets tegen den dienst, moeder, doch de kerk zou te veel oude herinneringen in mij opwekken, spooksels, die ik liever vermijd.quot;
âHoe kunt gij op zulk een prachtigen morgen als deze van spooksels praten?quot; riep Eileen.
Christina glimlachte.
âHet weer heeft niet meer denzelfden invloed op mij als vroeger, Eileen, ik ben niet meer zoo vatbaar voor indrukken. Wij worden allen ongevoeliger voor invloeden van buiten naar gelang wij ouder worden, veronderstel ik. Gelooft gij ook niet, moeder?quot;
âNiet voor goede invloeden, wil ik hopen, Christina.quot;
âWat verstaat gij onder goede invloeden? Het
212
hangt van onszelf af of invloeden al of niet ten goede werken. Daar hebt gij bij voorbeeld de pelgrims, waarvan gij zooeven spraakt â het is niet de bron, die een goeden invloed op hen heeft, want indien dit zoo ware, zou zij dien invloed op iedereen uitoefenen. Neen, het zijn eenvoudig hun eigen pogingen om zichzelf in een goede gemoedsstemming te brengen.quot;
âWaarom probeert gij het niet eens met de bron?quot; zei Eileen. âWie weet of zij u niet van uw kwaal afhelpt!quot;
âOnmogelijk is het niet, doch er is een ander lijden, dat zij niet genezen kan. Ook weet ik niet of een genezing, althans op die wijze, wel wen-schelijk voor mij zou zijn. Tk elk geval, ik zal het maar niet probeeren.quot;
âOok niet als gij er moeder genoegen mee doet?quot; drong de jongere zuster aan.
âZou het u genoegen doen, moeder?quot; vroeg Christina.
âAlleen als het u uw gemoedsrust terugbezorgen kon. Anders niet.quot;
âDat zou het niet, integendeel, het zou mij het gevoel geven, als handelde ik onoprecht. Ik geloof niet in de bovennatuurlijke kracht van het water.quot;
âNeen, neen, dat begrijp ik. Ik zou u nu wel kunnen antwoorden dat het niet noodzakelijk is, dat men vrome gebruiken in acht nemen kan, al.. . doch wij zullen er liever over zwijgen en den morgen niet met dergelijke discussies bederven.
213
Geef mij uw arm, Eileen, het schijnt mij dat de heuvel iedere week steiler wordt. Neen, neen, Christina, den uwe niet, ik kan zien dat gij geheel buiten adem zijt. Gij hadt heusch beter gedaan ons niet te gemoet te komen.quot;
âOch, waarom? Eerst wandelde ik den tuin op en neer, maar dat gaf mij het gevoel van opgesloten te zijn. In ieder geval heeft de wandeling mij eetlust bezorgd, de geur van het versche brood uit dien bakoven daar doet mij aangenaam aan. Wij, menschen, zijn toch eigenlijk maar slaven van onze begeerten.quot;
En Christina lachte, zich herinnerend hoe zij in oogenblikken van het hevigste verdriet een onwe-derstaanbaren trek naar een kop koffie gevoeld had.
âAch, ik zou wenschen dat gij dergelijke opmerkingen achterwege liet,quot; zei mevrouw Mostyn. âZij klinken zoo hopeloos en bitter. Het is als wildet gij den mensch met het redelooze dier op één lijn stellen.''
âZoo bedoelde ik het niet, moeder. Maar ziet gij, de feiten kan men toch niet loochenen.quot;
âDus gelooft gij dat de mensch in hoofdzaak aan het dier gelijk is?quot; vroeg Eileen.
âIk? Weineen. Doch het dierlijke in onze natuur laat zich niet wegredeneeren. Juist omdat men dat zoo dikwijls tracht te doen, ontstaat er een massa ellende. Men behoorde de menschen in de eerste plaats hun eigene, physiologische geschiedenis te leeren, zij kan in sommige opzichten van evenveel nut zijn als de gewijde historie.quot;
214
â0, Christina, lach toch niet zoo spottend. Gij doet er moeder verdriet mee.quot;
âIk spot niet, en lachte slechts om de wonderlijke wisselingen van het leven, terwijl ik dacht aan een opmerking, door mijnheer Passover gemaakt den eersten keer toen ik hem ontmoette. Hij beweerde dat een tragedie iets belachelijks is, en hij had gelijk. Want is het geen bespottelijke overgang, na al het gebeurde weder zoo doodgewoon met u van de kerk naar huis te wandelen, evenals jaren geleden? Het geeft mij het gevoel van iemand, die, lang na zijn dood, op de aarde terugkomt.quot;
âIk kan u niet volgen, Christina,quot; zei mevrouw Mostyn, âdoch gij moest, naar ik mij voorstel, dankbaar zijn dat alles nog zoo geloopen is.quot;
âDat ben ik ook, moeder, dat ben ik ook.quot;
âWelnu, praat of denk dan niet over het verleden. Herinner u alleen, dat gij weer thuis zijt.quot;
âDat tracht ik te doen, maar ik heb soms een gevoel als Eva zou gehad hebben zoo zij na den val weder naar het Paradijs had mogen terug-keeren.quot;
âZij zou in ieder geval dankbaar geweest zijn,quot; zei Eileen.
âNatuurlijk, en ik ben dat ook. Maar zij zou nooit kunnen vergeten, dat zij van den Boom der Kennis gegeten had, en ik kan dat evenmin.quot;
Op een teeken der moeder hield de jongste zuster zich stil, en de drie dames wandelden huis-
215
waarts. Christina begon tneei- en meer in te zien hoe weinig punten van aanraking er tusschen haar en de beide anderen bestonden, en zij begreep dat zij op den duur niet te Deeside blijven kon. In het binnenste van haar hart moest mevrouw Mostyn, tot haar leedwezen, hetzelfde erkennen. Zy en haar dochter waren vreemden voor elkander geworden, die den weg tot elkanders hart niet meer konden vinden. Bovendien vreesde de moeder voor Christina's mogelijken invloed op Eileen, ja, zij voorzag zelfs dat de jonge vrouw, met haar afwijkende levensopvattingen, op den duur een storend element in den kalmen, huiselijken kring van Deeside zou worden. Deze en dergelijke overwegingen brachten er haar toe nog dien dag een schrijven aan Calvin te richten, waarin zij zonder zelf voorstellen te doen, den toestand blootlegde en hem om raad vroeg. Zij schreef op het couvert van den brief het woord; âvertrouwelijkquot;, geheel vergetend dat de professor blind was en niet den eersten den besten vreemde kon vragen hem een vertrouwelijk schrijven voor te lezen.
Intusschen namen de gebeurtenissen na het tooneel, dat op Passover's kamer afgespeeld was, haar loop, mevrouw Mostyn's brief vermocht dien evenmin te stuiten als het papier, waarop hij geschreven was, een rivier in haar vaart had kunnen tegenhouden. Een kind is in staat aan een beekje bij de bron een andere richting te geven; later, als de beek een krachtige stroom geworden
216
is, kan een geheel leger hem nauwelijks van zijn baan doen wijken. Aan het begin van een reeks gebeurtenissen staat steeds een eenvoudige, nietige handeling, wij hadden deze naar believen kunnen doen of nalaten, doch is zij eens verricht, dan zijn wij machteloos tegenover haar gevolgen.
Het prachtige zomerweer hield ook den volgenden dag aan, zoodat mevrouw Mostyn en Eileen onmiddellijk na de koffie een rijtoertje gingen maken in het ponywagentje, dat de nonnen van het klooster haar geleend hadden. De moeder vroeg Christina of zij meeging, doch daar Eileen op den terugweg Pantasaph wilde aandoen om den dienst in de kloosterkerk bij te wonen, had de jonge vrouw voor het aanbod bedankt. Zij wilde liever de smartelijke herinneringen vermijden, die het weerzien van Pantasaph en zijn Calvarium noodzakelijk bij haar moesten opwekken.
âWij zullen ongeveer te vier uur, dus vóór de thee, terug zijn,quot; waren mevrouw Mostyn's laatste woorden.
âik zal zorgen dat de thee gezet is,quot; antwoordde Christina.
Het rijtuig reed heen, en de jonge vrouw keerde in huis terug.
Noch zij, noch mevrouw Mostyn, noch Eileen hadden een nietige, misvormde gedaante opgemerkt, die hen van uit een kleine dennen-aanplanting aan de overzijde van den weg bespied had. Eerst uit de woorden: âNeen, mijnheer, mevrouw Wybroga
217
woont hier niet,quot; die zij het dienstmeisje Kate bij de voordeur hoorde zeggen, maakte Christina op dat men haar in haar rust kwam storen.
Zij stond van haar stoel bij het venster op en luisterde, de hand tegen haar linkerzijde drukkend.
Na een korte woordenwisseling, die Christina niet in bijzonderheden volgen kon, kwam de dienstbode de kamer binnen. Nieuwsgierigheid sprak uit iederen trek van haar gelaat.
âDaar is een mijnheer buiten, die naar een mevrouw Wybroga vraagt,quot; begon zij. âIk zei hem dat een dame van dien naam hier niet bekend was, maar hij hield vol dat zij hier woonde. Volgens hem was zij het huis binnengegaan juist op het oogenblik toen het pony wagentje wegreed. Ik vroeg hem of hij mevrouw Mortimer bedoelde, en hij antwoordde dat de dame op het oogenblik een anderen naam droeg. Ik moet u zeggen dat ik er niemendal van begrijp. Zoudt gij hem misschien even te woord willen staan?quot;
âWie is hij? Hoe ziet hij er uit?quot;
âHij heeft een bult,quot; fluisterde Kate. âNaar zijn uitspraak te oordeelen, is hij geen Engelschman, maar hij heeft een vriendelijk gezicht, vragend, net als van een kind.quot;
Christina's eerste opwelling was den bezoeker niet toe te laten, doch, zijn heftigen aard kennend, vreesde zij voor de mogelijke uitwerking van zulk een weigering,
âLaat hem hier binnen,quot; zei zij, terwijl zij zich
218
met het gezicht naar het venster keerde. Zij hoorde het sluiten der voordeur en daarop de voetstappen van een man in de gang. Zij voelde hem de kamer binnenkomen en begreep dat zij alleen waren.
â Christina! Kjaerlighed!quot;
Deze woorden kwamen fluisterend over zyn lippen.
Zij huiverde, doch bleef in dezelfde houding staan.
âHebt gij geen enkel woord voor mij? Ben ik ook uw vijand geworden?'
De vraag dreef haar het bloed naar de keel, zij had het gevoel alsof zij stikken zou.
âMaar spreek toch tegen mij! Zeg maar een enkel woord! Laat mij ten minste uw gezicht zien!quot;
Zij klopte zenuwachtig met haar voet op den vloer.
âWaarom zijt gij gekomen? Waarom zijt gij gekomen ?quot; kwam het heesch en eentonig over haar lippen, als zei zij een van buiten geleerd lesje op.
Hij zag om zich heen naar het een of ander middel om haar aandacht te trekken, en zijn oog viel op de oude pianino, die na Christina's huwelijk van muziekinstrument tot een soort van opzetkastje voor bloemvazen, photographieën en verdere snuisterijen gedegradeerd was. De toetsen waren geel en versleten, en de klank geleek op dien van een draaiorgel, doch dit deerde den speler geenszins, daar het hem niet om het uitvoeren van een
219
fraai concertstuk te doen was. Zijn linkerarm uitstrekkend, sloeg hij een dissonant aan.
âIs het zoover tusschen ons gekomen?quot; vroeg hij.
Christina zuchtte. Toen de musicus dit hoorde, verhelderde zijn gelaat, met een glimlach op de lippen en uitgestrekte handen keerde hij naar de piano terug en weldra ruischten de eerste tonen van het scherzo der beroemde sonate, der Christiaa-sonate, door het vertrek.
âHet is als te Cold Harbour,quot; zei hij. âDit is de manier om tot uw hart te spreken.quot;
Doch de uitwerking der muziek beantwoordde niet aan zijn verwachtingen.
De handen tegen de ooren drukkend, snikte Christina: âO, Ivar, om Godswil, doe mij dat niet aan! Het is meer dan ik dragen kan! Ik ben niet meer even sterk als vroeger, ik zal naar u luisteren indien gij het verlangt, doch in 's Hemels naam, martel mij niet.quot;
âIk u martelen? Zou onze muziek u pijn doen?quot; zei Nielsen, van de piano opstaande. Hij sprak op den toon, dien hij steeds aannam wanneer hij zich gekrenkt of geminacht voelde, doch toen Christina zich omdraaide en hij haar veranderd gelaat aanschouwde, riep hij: âMijn God, hoe slecht ziet gij er uit. En uw stem, die helder was als de tonen
eener fluit____! Wat scheelt u? Wat scheelt u? 0,
het is wreed, het is slecht van mij, alleen aan mijzelf te denken, terwijl gij lijdt. Vergeef het mij!quot;
âEr valt niets te vergeven, Ivar. Gij hebt geen
220
schuld aan mijn ziekte. Doch wilt gij mij een dienst bewijzen en meent gij het goed met mij, ga dan heen.quot;
âHeengaan? Maar .... ik kom u halen. Wilt gij niet met mij medekomen?quot;
âNeen, Ivar. Vraag het mij niet want ik kan het niet.quot;
âDus moeten wij voortaan ver van elkaar een eenzaam leven voortsleepen ?'
âIk weet het niet, maar ik kan niet met u medegaan. quot;
âDan blijf ik hier! O, Christina, bedenk____quot;
âSt____! Het was als hoorde ik de wielen van
een rijtuig. Moeder en Eileen kunnen ieder oogen-blik terugkeeren. Ga toch heen, bid ik u.quot;
âGa dan met mij mede, laat mij ten minste een oogenblik met u spreken en u datgene zeggen, waarvoor ik zulk een lange reis gemaakt heb. Sedert ik gistermiddag met den trein aangekomen ben, bespied ik het huis en wacht ik tevergeefs op de gelegenheid u onder vier oogen te spreken.quot;
âGoed, heb een oogenblik geduld, ik zal myn hoed opzetten en een eindje met u opwandelen. Alles liever dan dat moeder u hier zou vinden.quot;
Christina spoedde zich met zenuwachtige haast naar boven en was in een oogwenk weer terug. Zij verlieten het huis, den weg naar de stad inslaande, daar Christina tot iederen prijs een ontmoeting met het uit Pantasaph terugkeerende ponywagentje vermijden wilde.
âHier zijn te veel huizen, hier kan ik niet spre-
221
ken,'quot;' zei Nielsen, toen zij Market Street naderden. Als antwoord sloeg Christina de Penny ball Street in. De deuren en vensters der verspreid liggende huisjes waren op dien warmen namiddag bijna alle geopend, terwijl de bewoners hun heil in de buitenlucht gezocht hadden. Mannen in hemdsmouwen leunden tegen de deurposten, kortgerokte vrouwen waren bezig water uit de gemeenschappelijke pomp te halen en kakelden met elkander in hun eigenaardig dialect, kinderen speelden verstoppertje achter de opstaande karren aan de eene zijde van den weg.
De dame en haar vreemdsoortige begeleider trokken natuurlijk zeer de aandacht en werden met een aan onbeschaamdheid grenzende vrijmoedigheid opgenomen. Aan een geregeld gesprek tusschen die beiden viel dus niet te denken voor zij aan gene zijde van Sankey's Woods een minder druk gedeelte van de Pennyball Street bereikt hadden. De weg werd hier door een grasvlakte van een rij kleine witte huisjes, die het voorkomen van kustwachters-woningen hadden, gescheiden.
âHet heeft hier wel iets van het pad van Fortun naar het Bergedal,quot; zei Nielsen glimlachend.
Christina drukte de hand tegen het hart en bleef staan.
âGeen klim in Noorwegen is mij ooit zoo zwaar gevallen,quot; antwoordde zij hijgend.
âDat komt omdat de lucht hier niet medewerkt.
222
Foei, hoe warm is het. Wat zou ik niet willen geven voor het koele briesje van het Lyster Fjord of voor den wind van de sneeuwvelden. Als gij maar eenmaal weer in Noorwegen zyt, zult gij u spoedig beter gevoelen. 0, het doet mij zeer uw bleeke wangen te moeten zien, dien drogen hoest van u te moeten hooren!quot;
âIk ben reeds beter, Ivar! Wilt gij nog hooger stijgen?'
âZeker, altijd hooger. Wij zijn geen menschen, die laag bij den grond kunnen leven.quot;
Christina liet de opmerking opzettelijk onbeantwoord en wandelde langzaam voort tot zij het laatste en steilste gedeelte van den weg genaderd waren. Aanhoudende regens hadden op deze plek een laag aarde weggespoeld en aldus het pad steenachtig en moeilijk begaanbaar gemaakt.
âEens wildet gij u niet door mij over de steenachtige bedding der Lia Elv laten helpen,quot; zei Ivar. âSlaat gij ook nu mijn steun af?quot;
âIk ben niet van plan verder te gaan,quot; antwoordde zij, terwijl zij zich naar een hek ter zijde van den weg begaf. âAls gij mij nog iets te zeggen hebt, doe het dan hier maar, in deze weide. De koeien zullen ons niet storen. Laat ons dit voetpad volgen, men loopt gemakkelijker op het gras dan op dien slechten weg.quot;
âZijpaadjes zijn altijd aangenamer dan de groote weg, waar iedereen wandelt. Ik zou u wel voorstellen in het gras te gaan zitten, doch het is er
223
haast te warm voor, en ik zie geen enkel schaduwrijk plekje. Ach, hoe anders zou het in Noorwegen zijn! Daar is het nu lente, de lucht is bezwangerd met de geuren der eerste bloemen, en stroomen en watervallen zijn vol en sterk door het smelten van de sneeuw. Christina, Christina, bedenk hoe gelukkig wij daar waren. Denk eens aan onze symphonie, waarover wij zoo dikwijls hebben gepraat en die alle motieven van ons geluk bevatten zou. En wat waren wij gelukkig, om alles lachten wij, ja, wij lachten zelfs 's avonds in het donkere Nae-rödal! De muziek moet nog geschreven worden, ik kan haar niet alleen componeeren. Gij moet bij mij zijn om mij alles weder voor den geest te brengen, en gij zult er zijn. Het is thans één lange dag in Noorwegen, de winternacht is voorbij. Voor ons geldt hetzelfde, indien gij slechts besluiten kunt mij te volgen.quot;
âGij vergeet, Ivar, dat het niet enkel vreugdeklanken waren, die ik in Noorwegen gehoord heb.quot;
âDat weet ik, doch, beste, daaraan behoeft gij niet meer te denken. Helga heeft Liagaard verlaten, en mijn moeder is gestorven.quot;
âGestorven?quot;
âJa. Had ik het u nog niet verteld? O, het was een vreeselijke tijd nadat gij weg waart. Ik geloof dat ik mijn verstand verloren had, want ik dwaalde zonder ophouden door het gebergte, luidkeels om u roepend, tot Thorgheim mij vond en naar huis bracht. Daar lag ik dagen lang ziek, en toen ik
224
weer beter was, werd moeder ernstig ongesteld. Heiga was inmiddels vertrokken. Zoo kwam het dat ik u niet eerder terughalen kon. 0, mijn God, wat heb ik in dien tijd geleden, wat heb ik geleden !quot;
De aandoenlijke toon, waarop hij sprak, trof Christina, en onwillekeurig strekte zij de hand uit, zeggende: .Arme jongen!quot;
Ivar greep haar vingers en kuste die hartstochtelijk.
â0, nu is alles weder goed,quot; mompelde hij tevreden. âGij zijt weer vriendelijk, gij vergeeft mij, gij hebt mij nog lief! Hoe zouden wij ook zonder liefde kunnen leven? Dus gij gaat met mij mede, nietwaar ?quot;
Christina spoedde zich voort. Het was haar onmogelijk een woord uit te brengen.
Het door de wandelaars ingeslagen smalle paadje boog zich een eind verder naar de haag, die het weiland van den Pennyball Road scheidde, en kwam vlak bij de gedenkzuil weder op den grooten weg uit. De woorden van het opschrift waren in het helle zonlicht duidelijk leesbaar.
âChristina, Christina, antwoord mij toch. Ik vraag het niet slechts voor mijzelf, doch ook voor u. Het is zoo vreeselijk, u te zien lijden, ik bid u: laat mij u helpen !quot;
âDat kunt gij, Ivar, als gij mij verlaat. Ik zal waarschijnlijk nooit weer beter worden.quot;
âNooit weer beter worden? Maar wat scheelt u dan ? Een kwaal ? Ongeneeslijk, doodelijk misschien ? Heb ik er schuld aan?quot;
225
âJa en neen. Het is in Noorwegen begonnen. Toen Helga op den Fuglesteg tegen mij aanviel, is er een rib gebroken, en dat heeft een slagadergezwel veroorzaakt.'
âHelga! Helga, altijd Helga!quot;
âHet was haar schuld niet; zij kon er niets aan doen.quot;
âNeen, neen, ik alleen draag de schuld. Op mijn aansporing beklom zij den Fuglesteg, ik was het weder, die haar volgen wilde, ik, ik alleen heb onze scheiding veroorzaakt. O, ware Helga maar nooit te Liagaard teruggekomen I Had ik mij maar niet door hare coquetterieën het hoofd op hol laten brengen! Kinderachtige dwaas, die ik was, in een oogenblik van drift te beweren dat gij Helga vermoorden wildet, ik . . . die thans uw moordenaar ben. 0, mijn God, behoef ik mij te verwonderen dat gij u van mij afwendt, dat gij mij niet vergeven kunt?quot;
Hij bedekte zich het gelaat met de handen, en Christina zag hoe de tranen langs zijn vingers biggelden.
âArme jongen!quot; sprak zij, hem de hand op het hoofd leggend. âArme jongen, ik wend mij niet van u af, ik vergeef u. God helpe mij, ik heb u nog lief.quot;
âEn wilt gij met mij medegaan?quot; fluisterde hij, naar haar opziende.
âNeen! Ik kan het niet! Breng mij niet in verzoeking, ik ben zwak, ik ben ziek, het gaat mijn
VERLOREN GELOOF. II. 1 r
226
krachten te boven. O, God, het is hard, dus beproefd te worden.quot;
âMaar ik toon u immers den weg tot het vinden van uw eigen geluk, van uw eigen gemoeds-vrede!quot;
âNeen, in dat soort van geluk vindt men geen vrede. Wij hebben het beproefd, het was ij del en leeg!quot;
âEen leven zonder liefde is ijdel, Christina!
âNeen, neen, het leven is alleen ijdel zonder God. Ziet gij, ik ben niet godsdienstig, en een geloof als dat, waarin sommige menschen hun troost zoeken, bezit ik niet. Maar toch weet en voel ik iets van het Goddelijke, de gedachte aan God achtervolgt mij en hecht zich aan mij vast en belet mij voor de tweede maal te zondigen. En toch ... is het zonde? Zijn wij inderdaad slechts een speelbal onzer eigene dwalingen, en is het beter van alle vreugde af te zien ? 0, Calvin, waarom hebt gij mij mijn geloof ontnomen? Het was de eenige lamp, die mij den weg wees op den tocht door het leven.
âEn toen het kind stierf. .
âHet kind! Denkt gij aan professor Mortimer
en zijn kind?quot;'
âHet was ook het mijne, en ik had het lief. Om zijnentwil had ik mijn echtgenoot kunnen lief-krijgen. Geen vrouw haat den vader van haar kind!quot;
âDus wilt gij tot hem terugkeeren? Dus daarom ... ?quot;
227
âTot hem? Neen, neen, nu minder dan ooit. Ik heb een oogenblik gedacht aan de mogelijkheid hem van dienst te zijn, zijn vriendin te worden, â ik, die zelf geen enkelen vriend meer bezit. Doch nu gij teruggekomen zijt... 0, mijn God, welk een medelijden moet gij soms met uw arme schepselen hebben!quot;
Christina's armen vielen slap langs het lichaam neer, terwijl haar blik onwillekeurig in de richting van het monument zwierf.
Toen zag zij eensklaps de woorden, die baarbij iedere crisis in haar leven voor oogen gekomen waren;
âHeb Dhuw, heb Dhim; Duw a digon!quot;
Zij bracht de hand naar haar borst om zich te overtuigen of zij het gouden kruisje van haar moeder bij zich droeg. De uitdrukking echter, die haar gelaat bij deze beweging aannam, deed Ivar Nielsen zoodanig ontstellen, dat hij angstig om hulp rondzag.
Op dat oogenblik naderden twee mannen op den top van den heuvel. De een droeg een blinddoek voor de oogen en werd door den andere geleid.
HOOFDSTUK VII.
DE LAATSTE PELGRIMAGE.
âIk hoop maar dat wij niet te laat komen,quot; zei Calvin Mortimer, toen Hartley Passover hem aan het station te Holywell bij het uitstappen hielp. âMevrouw Mostyn zou het bepaald in haar brief vermeld hebben wanneer Nielsen ons vóór geweest ware.quot;
, Tenzij hij vanmorgen met den eersten trein gekomen is. Jammer dat wij tot heden moesten wachten, doch uw operatie kon zeker niet uitgesteld worden?quot;
âNeen, Augenstecher kon niet langer blijven, hij is gisteravond weer naar Duitschland vertrokken. Zijn tijd is kostbaar! Doch mij dunkt, wij moesten een rijtuig nemen, een open, als het u hetzelfde is en gij de zon niet te brandend vindt.quot;
âO, neen, ik houd van frissche lucht, zooveel als ik krijgen kan. Hoe lang is het rijden?quot;
âNiet meer dan twintig minuten.quot;
Vijf minuten later reden beide mannen langzaam den heuvel op naar het plaatsje Holywell.
Hartley Passover dacht aan den dag, toen hij
229
als bruidsjonker bij de bruiloft van Christina Mostyn langs dienzelfden weg gereden was. Voor Calvin Mortimer's geest verrees een nog vroeger tijdstip, hij herinnerde zich hoe hij eens in deze zelfde plaats rust en gezondheid was komen zoeken. Daar het ernstige gedachten waren, die hen bezighielden, wisselden beide mannen slechts nu en dan een onbeduidende opmerking.
âDe vallei zou heusch schilderachtig zijn, wanneer zij niet door die onvermijdelijke flanelfabrieken en de naburige kolenmijnen bedorven werd,quot; zei Passover. âDe heuvels achter het stadje zien er van hier bepaald indrukwekkend uit. Op een er van, het is de hoogste, zou ik zeggen, staat een vlag-gestok.quot;
â0, gij bedoelt den Pennyball Heuvel, het hoogste punt van Halkin Mount.quot;
âWat een wonderlijke naam: Pennyball Hill. Men heeft zeker een mooi vergezicht daarboven?quot;
âDat heeft men inderdaad.quot;
âIk wou dat ik er zat in plaats van hier, in dit stoffige dal. De woningen van die mijnwerkers moeten bij dit weer ware ovens of â spoorwegcoupés zijn. Op een dag als vandaag bestaat er tusschen die twee bijna geen onderscheid.quot;
âHet was heel vriendelijk van u met mij mede te gaan.quot;
âKom, Mortimer, spaar mij uw dankbetuigingen alsjeblieft. Ik kon immers niet anders nu ik mij eenmaal met de zaak ingelaten had. Ik zou in ieder
230
geval gegaan zijn, al ware het alleen om haar te waarsc huwen. Nielsen heeft zich, naar myn meening, afschuwelij k gedragen.quot;
âValt gij hem niet wat al te hard?quot;
âVolstrekt niet. Toen ik in Noorwegen was, heb ik met eigen oogen gezien hoe de zaken stonden.quot;
âMaar waarom is hij dan naar Londen gekomen?quot;
âEigenzinnigheid, anders niets. Wat men verloren heeft, trekt altijd meer aan dan wat men bezit.quot;
âZijn ervaringen op dat punt worden door anderen gedeeld,quot; zei Mortimer halfluid. âNu, hij kan in ieder geval uitdrukking geven aan hetgeen hij gevoelt, iets wat ik niet kan. Doch, ziet ge, Passover, nu en dan rijst er wel eens een ernstige twijfel bij mij op; was het wel goed van mij gehandeld, de zaak der echtscheiding niet beslister door te zetten? Ik kan haast niet gelooven dat zij van haar vrijheid geen gebruik wilde maken, tenzij hij
âO, neen, hij zou haar gehuwd hebben, wat dat betreft, moet ik hem recht laten wedervaren. Doch gij weet, wat zij mij in Noorwegen gezegd heeft?quot;
âBedoelt gij van het in tegenspraak met zichzelf handelen ?quot;
âJuist. Zij wilde zich gelijk blijven, en ontzegde een derde partij het recht, zij het ook te haren gunste, tusschenbeide te komen.quot;
231
âArm kind, zij had een onverzettelijk karakter. Ik wenschte .... doch wat helpen mij mijn wen -schen! Op het doen komt het aan. Wilt gij wel gelooven, Passover, dat, nu ik eens te Holywell ben, ik hensch niet weet wat ik er eigenlijk kom uitvoeren ?quot;
,In de eerste plaats, haar voor Nielsen waarschuwen. Het verdere verloop der zaak dient gij kalm af te wachten, gij kunt er voorloopig toch niets meer aan doen. Gij weet wat gij hoopt.quot;
;;In de eerste plaats hoop ik dat ik mij thans geen gunstige gelegenheid zal laten ontsnappen. Al den tijd toen zij mijn secretaresse was, wachtte ik op een gelegenheid, of wel: wachtte de gelegenheid op mij.quot;
âWaarom hebt gij toen niet gesproken?quot;
âOmdat ik vreesde, dat dit haar op de vlucht drijven zou. Ook was er in onze gesprekken iets gedwongens, dat ons steeds op een afstand van elkander hield, zoo zelfs, dat ik haar een paar maal stuitte, toen zij op het punt was zich bekend te maken. De verplichting om te vergeven drukt zwaarder dan de last van het berouw, en ik was niet zeker of zij wel. ...quot;
âTot u terug wenschte te keeren?quot;
âJa. Gelooft gij dat zij het wilde?quot;
âIk weet het niet. Zij wilde alles voor u doen wat zij kon, dat is zeker.quot;
âJuist, wat zij kon. En de gedachte is by mij opgerezen of zij wellicht niet met opzet als mevrouw
232
Wybroga tot mij kwam, omdat zij geen nauwere relaties wenschte. Eerlijk bekend weet ik niet of, zoolang ons samenwerken duurde, mijn wenschen op dat punt van de hare verschilden. Zij kwam tot mij omdat zij alleen was, en om dezelfde reden vond ik het aangenaam dat zij kwam. Misschien bestaan er diepere beweegredenen, waarvan ik mij thans geen rekenschap geven kan, mijn tijdelijke blindheid bij voorbeeld, of de naderende ouderdom of iets van dien aard. Een feit is het dat ik behoefte heb mij aan iemand te hechten.quot;
âDie behoefte had zij ook â vroeger!quot; kon Passover zich niet weerhouden te zeggen.
âIk weet het! Ik weet het! Het was zelfs de kern van haar godsdienst. Het kan mij thans spijten dat ik haar ooit mijn beschouwingen opgedrongen heb, het geloof in een anthropomorphis-tische godheid is in ieder geval verkieslijker dan een ziekelijke passie voor het abnormale. Want inderdaad, met dien naam moet ik haar neiging voor Nielsen wel betitelen.quot;
Het rijtuig reed thans de Bron van de Heilige Winfriede voorbij. Er werd juist een namiddag-dienst gehouden, en de pelgrims zongen de hymne der Heilige.
âWelk een vreemd wysje!quot; zei Passover.
âJa,quot; antwoordde Mortimer, âhet trof mij ook, den eersten keer toen ik het hoorde. En wat erger was, het speelde mij een tijdlang door het hoofd. Dat is nu vier jaar geleden, en nog steeds
233
stroomen de pelgrims hierheen. Het gevoel, in welken vorm het zich openbaren moge, is een geweldige kracht, Passover, en wij, geleerden, houden er niet altijd voldoende rekening mede. Doch hier zijn wij op den weg naar Pantasaph, ik voel het aan den overgang van de steile richting in een horizontale. Wij kunnen nu spoedig het huis zien; mij dunkt, gij moest beginnen met mevrouw Mostyn te spreken te vragen, ik blijf dan zoolang in het rijtuig wachten.quot;
Passover voldeed aan Mortimer's verzoek en ging alleen naar de deur der villa. Hij kwam echter na een paar minuten reeds terug, zeggende: âZij zijn uit.quot;
âZij ook?quot;
âJa, maar zij is niet met haar moeder en zuster, die een rijtoertje maken.quot;
Aan den toon, waarop de journalist sprak, bemerkte Mortimer dat er iets bijzonders gebeurd was.
âNiet met haar? Gij wilt toch niet zeggen dat...quot; begon hij haastig.
âJa, wij zijn te laat. Mevrouw Mostyn was niet weg of hij verscheen. Waarschijnlijk lag hij ergens op de loer. Hij gaf geen naam op, doch het verhaal der dienstbode zei mij genoeg. Hij tokkelde even op de piano en daarna verlieten zij samen het huis. Yolgens de meid zou zij tegen de thee weer terug zijn.quot;
âTegen de thee! Wat een ironie! En in welke richting zijn zij heengegaan?quot;
234
âVan de stad. Naar het station hebben zij zich niet begeven, dan zouden wij hen tegengekomen zijn. Ik heb den geheelen weg scherp uitgekeken.quot;
âMisschien ging zij alleen met hem mede om hem het huis uit te krijgen.quot;
âDat acht ik zeer waarschijnlijk. Zij zal bevreesd geweest zijn dat de meid hem zou hooren raaskallen. Ook kon haar moeder ieder oogenblik terugkomen.quot;
âIs hij zichzelf zoo weinig meester?quot;
âHij bezit geen greintje zelfbeheersching. En bij zulk een ontmoeting ...quot;
âIk hoop maar dat hij haar spaart. Iedere opwinding kan haar bij den tegenwoordigen staat harer gezondheid.. . Doch wat zullen wij doen? Ik wil haar nu tot eiken prijs vinden.quot;
âLaat ons naar de stad rijden om te zien of zij daar zijn, al acht ik dit niet waarschijnlijk. In de straten van het plaatsje kan men geen ongestoord gesprek voeren. Is er geen singel, geen stille buitenweg?quot;
âWacht eens, de Penny ball Road, die naar den top van den Pennyball Heuvel voert, is, vooral verder op, weinig bezocht. Het was de eerste wandeling, die ik te Holywell met haar maakte.quot;
âWij kunnen beginnen met daar navraag te doen. Zyn voorkomen is te sprekend dat men hem niet zou hebben opgemerkt als hij voorbijgekomen is.quot;
âUitstekend. Vooruit, koetsier!quot;
235
Bij het begin van Pennyball Street lieten zij het rijtuig achter, men kon op den steilen weg te voet sneller dan met een wagen vooruitkomen.
De kortgerokte vrouwen, die nog steeds met waterdragen bezig waren, gaven hun met groote bereidwilligheid een beschrijving van den in het oog vallenden vreemdeling en de dame, wier verschijning reeds in zoo hooge mate de algemeene nieuwsgierigheid opgewekt had, Nog grooter werd die nieuwsgierigheid bij den aanblik van den blinden bejaarden heer en zijn begeleider, die klaarblijkelijk het eerste paar achtervolgden. De bewoners leden gelukkig niet aan een overmatige verbeeldingskracht, anders had het voorval licht tot het ontstaan eener Pen-nyball-Street-romance aanleiding kunnen geven.
Hand in hand klommen Mortimer en zijn vriend langzaam den steilen weg op tot zij de rij witte huisjes bereikten, waar de journalist opnieuw informeerde. Zij hoorden dat het paar nog geen twintig minuten geleden voorbijgekomen was. Toen zij eindelijk op het plateau van den heuvel aankwamen, riep Passover: âDaar zijn zij! Mijn God, Mortimer, haast u wat! Zij is ziek. Hij heeft den arm om haar heengeslagen om haar te steunen.quot;
âWijs mij den weg,quot; zei Mortimer.
Den professor achter zich aansleepend, snelde Passover op het tweetal toe.
âLeg haar op het gras neer en ga op zijde, Nielsen,quot; riep hij.
Als eenig antwoord klemde de Noor Christina
236
des te vaster in zijn armen, hoewel zijn zwak lichaam bijna onder den last bezweek.
âO, Christina, liefste, wat scheelt u?quot; fluisterde hij ademloos. âHet doodt mij u zoo te zien.quot;
âGij zijt bezig haar te dooden, indien gij het niet reeds gedaan hebt,quot; zei Passover, den musicus op zijde duwend en Christina in zijn eigen armen opvangend. Zij viel als een blok hout tegen hem aan.
âIk geloof werkelijk dat wij te laat komen, Mortimer,quot; sprak de journalist. âZij geeft geen enkel teeken van leven meer. Kan een slagadergezwel een plotselingen dood veroorzaken?quot;
âWaar is zij? Waar is zij?quot; vroeg de professor, met beide handen om zich heen tastend. âDat vervloekte verband! Ik moet het wagen.quot;
En hij rukte zich den blinddoek van de oogen en zag.
Hij zag niets dan een nevelachtigen lichtglans met een zwarte kern. De hand uitstrekkend, voelde hij naar het hart, het klopte niet meer. Hij boog zich voorover en bracht zyn gelaat tegen het hare, de huid was koud en klam. Trachtend zijn aandoening te overmeesteren, raakte hij haar lippen aan, ook deze waren kil, en geen warme adem kwam er over, âLeg haar neer,quot; zei hy zachtjes. âHet is een inwendige verbloeding, het gezwel is doorgebroken. Ik voorzag zulk een einde.quot;
Mortimer voelde plotseling een hand op zijn arm en wist dat Nielsen naast hem stond. Onwillekeurig
237
week hij achteruit, doch zonder op deze beweging te letten, sprak de musicus:
âGij zijt dokter, gij moet het weten. Is zij dood?quot;
âJa,quot; sprak de professor kortaf.
âEn denkt gij dat nu alles van haar dood is, dat zij stof is, en niet meer?quot;
Calvin Mortimer antwoordde niet. Hij herinnerde zich het tooneel aan het doodbed van zijn kind. Smeekend had Christina hem toen gevraagd of er niet een flauwe hoop bestond dat de dooden op de eene of andere wijze bleven voortleven, en hij had geantwoord dat dergelijke bijgeloovigheden juist in oogenblikken van diepe smart in ons oprezen.
âGij durft mijn vraag niet beantwoorden,quot; vervolgde Nielsen. âDoch ik kan het u zeggen, zij leeft thans, ik weet het, in een land waar geen koude conventie de edele aspiraties barer reine ziel aan banden legt. Ik zal haar weerzien, maar gij nooit, omdat gij niet gelooft. 0, ik heb haar laat-sten blik opgevangen, ik heb haar stem het laatst gehoord! En toch, mijn God, mijn God, de Fugle-steg! Daar is het begonnen. Ik bad God dat ik niet te laat mocht komen, ik hoopte reeds dat Hij mijn gebed verhoord had, doch niet mijn wil, de Zijne is geschied.quot;
,Laat hem in 's Hemels naam weggaan, Passover!quot; zei Mortimer.
De journalist kwam naar voren om den professor van den musicus te bevrijden, doch Nielsen ont-
238
glipte, onder het slaken van een hartbrekenden zucht, aan zijn handen, en ijlde in westelijke richting over de heide voort. Spoedig was hij uit het gezicht verdwenen.
Intusschen waren eenige landlieden, bemerkende dat er iets bijzonders gebeurd was, de plek genaderd om hun diensten aan te bieden. Zij legden het lichaam op een horde en droegen het, onder leiding van Passover, naar een der naastbij gelegen woningen, vanwaar het later per rytuig naar Holywell zou vervoerd worden.
Onder de dragers bevond zich een oude man, die den professor onderzoekend in het gelaat staarde.
âNeem mij niet kwalijk, mijnheer,quot; vroeg hij, âzijt gij niet dezelfde heer, die mij, vier jaar geleden, op een zomeravond naar de beteekenis van den naam: Pen-y-Pole vroeg? Gij liadt toen een jonge dame bij u, voor wie ik het opschrift van ons monument vertaalde: âZonder God . ..
Mortimer viel hem in de rede.
âDit is de dame,quot; zei hij, op de draagbaar-wijzend.
âArme ziel! Arme ziel! Hoe droevig en hoe plotseling! En hoe zonderling dat het juist hier gebeuren moest. Nu, mijnheer, laat het u een troost zijn, gelijk het dat voor ieder denkend mensch wezen moet, dat zij geen beter grafschrift kon krijgen dan de woorden van dien steen daar. Zij heeft thans alles wat wij, menschen, noodig hebben.
Mortimer wendde zich zwijgend af. Hij wilde niet
239
tegenspreken en kon niet toestemmen, doch hij hief smartelijk bewogen het gelaat op naar de wolkenlooze diepten van het uitspansel boven hem, als zocht hij daar iets wat hij reeds lang verloren had. Passover raakte zijn arm aan.
âWillen wij het rijtuig een eindje te gemoet gaan?quot; vroeg hij. âIk heb iemand naar Brynford gezonden om er een te bestellen.quot;
âGaarne. Waar is hij . . . Nielsen, gebleven?quot;
âHij is heengegaan.quot;
âEn wat zal er van hem worden?quot;
âVan hem? O, hij vindt wel troost in zijn muziek! Doch ik denk aan u. Zoudt gij niet liever dien blinddoek weer voor de oogen binden?quot;
âOch neen, het kan geen kwaad, de wonde zal zich wel gesloten houden. Hoe het zij, het is mij thans onverschillig. Ik denk aan haar, en het schijnt mij dat ik mijn geheele leven blind geweest ben. Waarom zou ik anders een vrouw van haar geloof in een persoonlijken God beroofd hebben? Hier, op deze plek, ben ik er mede begonnen. Gelijk zij zelf zeide: âZij vroeg om brood en ik gaf haar â een microbe!quot;
Bij den Uitgever dezes verscheen mede:
W O H |VI S T E K I G E H
DOOR
,y. HORA ADKMA.
Prijs ingenaaid /quot;1.90; gebonden /2.50.
Het boek is in een eigenaardige, krachtige, kortaf-ie stijl geschreven; er staat geen enkel woord te veel. Daardoor leest 't prettig en boeit voortdurend. De typeering der min of meer op den voorgrond tredende personen is kernachtig en teekenend. En alle types zijn goed volgehouden, terwijl het psychologische proces dat de drie hoofdpersonen ondergaan, zeer gelijkmatig en gemotiveerd verloopt. Zoo simpele Jan, de oude boer, zoon en kleinzoon van andere simpele Jannen en suffe Janussen, dien we zoo uitstekend geschetst zien in zijn langzamerhand simpeler worden, van af de overtuiging dat er iets niet met hem in den haak was tot vervolgingswaanzin toe, welke hem eindelijk drijft in dolle bestrijding van zijn onzichtbare vijanden eigen woning in brand te steken. Zoo de boerinne, de kranige vrouw, die huis en hof weet te besturen, maar die ten slotte aan lager wal raakt en na 't weggaan harer dochter in versuffing haar dagen eindigt, al prevelende dat God zoo alles had doen geschieden en niet anders; en dat men tegen Zijn wil met in verzet mocht komen. En dan die dochter, mooi Lieuwkje genaamd, de eigenlijke persoon waarom alles draait. Ook een wormstekige, van binnen, met een simpelig hoofd en een sterk passioneel begeeren, maar uiterlijk glanzig en frisch, nooit anders dan âmooiquot; Lieuwkje genoemd. De langzame decadence van dat kind is scherp-waar gegeven. Zoo eveneens de types der nevenpersonen, van dien sympathicken Theo die door Lieuwkje wordt verleid, van Gabe den baliekluiver, die zijn ,zilveren kluifjubleum,, al achter den rug heeft, en meer nog.
De heer Hora Adema heeft dus volkomen bereikt wat hij wilde bereiken. Hij heeft ons een sober verhaal gedaan van een âworm-stekige'-familio, en heeft dat gedaan in een gesoigneerden vorm.
hul. Mere uur, 7/8, '97.