. i.....â gt; , mÃm â '.....
vmim
Hl
. I
'- /⢠- ;'11 'B
mt : H
ENGEL8CH WOORDENBOEK.
EERSTE DEEL.
ENGELSCH
WOORDENBOEK
K. TEN BRUGGENCATE,
I.KUKAAR AAN MET GYMNASIUM TE LEKUWARDEN.
EERSTE DEEL; ENGELSCH-NEDERLANDSCH.
NIEUWE, VERBETERDE EN VERMEERDERDE UITGAVE,
lt; DER I
l'STE Dri/KNJ/i'AL.
BIBLIOTHEEK R!JKSÃ?ilVERSlTElT\( UTRECHT COLU thomaasse
TE GKONLNGEN BIJ J. B. BOLTERS, 1899.
7
..^ksuniversiteit te utrecht
.....
2189 9483
De gebruiker leze in plaats van do volgende, min of meer slorciide Errata, wat hier opgegeven is:
Alacrity, olakriti; He is all alive (Zie Alive); Apex, eipdks: Stand of âm (Z. Ann); AiitoKenoiiH, ótodzirws', An autonoinic (ötenomik) diHtriet (Z. Autonoiny); Be^irdlle),
bigéd('l)ï Benzoline, benzslin (Z. Benzine); To draw theâivater (Z. Bilge): baivaIvjuld (Z. Bivalve); Blind, subst. ophaalgordijn, jalouzie, enz.; amp;om/;erâ¬}i (Z. Bonibazin); Bought, bót; Box-iron = strijkbout; Bulge, bvldz', Bungalow, bnngdlou: Capreolus (Z. Capre-olate); Catennlate, kdtenjulit; Chevalier, ëewlia; Choleic; Clinni, têmn; ClaniH; He ha» â into hi» own (Z. Come); Commere, komêd; ConvietiHin worde onder het eerste Convict geplaatst; Conyza, konaizd: dooreenweven (Z. Crisp); I âd (Z. Cuddle); Too ninc'li (Z. Ciinmng); Curt, kvt: Daguerreian. dsgeridn; Deranal, dikeiril; Decorator (Z. Decorate): Depaint, dipeint; Detruncate, ditrnrikrit; Diagram, Dialectal
(Z. Dialect); Dilettante, Disabuse, disdhjüz; Divagation; Duet, djA,it; Dull,
adj. dom, suf, etc.; Ellen, fd'n; Eglomerate, iglomareit: âive affinity (Z. Elect): Imminently (Z. Eminence); âwulf (Z. Ethel); Evoke; ExaiitheseH; Fxawperate, agzaspdrit; Excel, 9ksel-, Exhale, dgz(h)eil; Experience; Expunction, dkspnr^kamp;n; His face had (Z. Fall); gasvormig (Z. Fluid); ForaininoiiN, fdraminds (Z. Foraminated); For»wet, föswet; Cienoa: George, dzödz', Haemorrhage, hemdridz: âing-clause (Z. Hang); âian, hMiDviridn (Z. Hanover); Hegira, hddzira: hoepelrok (Z. Hoop); Huckleberry, /ink'lberi: hjüiHdsem (Z. HiimoriHin); Imprecatory, imprikeiteri; Inauguratory, inógjureitdri; ln-coiiHolable, ink'nsoulab'l: They didn't (Z. Interpose): liiviHed, invaizd; Irreproachable, iriprontëaUI: To iHftue probate (Z.Issue); «lamieson,dzeimis'n; Knowles; simple larceny (Z. liarcener); Liin(p)sy: Lingy, linzi: Painful to my natural â (Z. Make); A âer is ripe (Z. Mash); Miliary, miljdri; Mote, mout, stofje, etc.: muis (Z. Murine); Mutiny Act (Z.Mutine); Neolithic: Kevada,m^/lt;9; Kirvana,n»vAgt;w; Koctilucent: Obedience: Oblate: Osier, ohzp; gemoraliseer (Z. Ounce): Ontbring, autbrin,; Papoose, popitz; Far-tition, initis'n; Party, pati; Penal, jyinl] That is not pertinent to (Z. Pertinence): Petitory (Z. Petition); Phosgene, fosdzin; Portuguese (Z. Portugal).
Dictionaries are like watches: the worst is better than none, and the best cannot be expected to go quite true. jjJ. j(j||NSon
V 0 O R K E D E.
Do gescliiedenis van dit boek, volgens Lessing de ware inhoud eener voorrede, is hoogst eenvoudig. Het kwam mij namelijk reeds jaren lang voor, dat wij in ons land geen, niet te groot en toch betrekkelijk volledig, woordenboek hadden , dat zoowel voor school, als voor huis of kantoor een betrouwbare gids mocht worden geacht. Hier liet m. i. de inrichting, daar weder het uitspraak-gedeelte der bestaande werken veel te wenschen over, terwijl verder bij andere werken het eenvoudig naschrijven der dikke boeken te zeer hoofdzaak was. En aangezien ik nu gedurende een tal van jaren al hetgeen mij in romans, tijdschriften en andere werken merkwaardigs en opvallends was voorgekomen, getrouw had verzameld, meende ik eene poging te mogen wagen, om te voorzien in eene naar mijne bescheiden meening bestaande leemte.
In zooverre een woordenboek op den naam van oorspronkelijkheid aanspraak kan maken, hoop ik dat deze dictionnaire oorspronkelijk is. Ik heb getracht het totnutoe geproduceerde streng te schiften en zelfstandig te bewerken, en ik heb aan het voorhandene die mijner aanteekeningen, zonder vermelding der bron, toegevoegd, van welke ik meende, dat zij eene plaats in zulk een werk verdienen. Dat dit laatste eene zuiver subjectieve kwestie is, ik ben de eerste dit toe te geven. Het zou mij dan ook niet verwonderen, zoo de meeningen der kenners op dit gebied zeer uiteenloopend waren.
Bij de bewerking heb ik mij zoo trouw mogelijk gehouden aan de volgende beginselen, die ik ten grondslag meende te moeten leggen aan dezen vrij omvangrijken arbeid;
1. Alles wat men dikwijls in hedendaagsche romans en tijdschriften vindt, moet men niet te vergeefs in dit boek naslaan. Het spreekt vanzelf, dat een woordenboek nooit compleet te maken is. Telkens ontmoette ikzelf tal van uitdrukkingen, die ik niet heb opgenomen en waarschijnlijk later ook niet opnemen zal. Een woordenboek als dit doet m. i. genoeg, wanneer het eenig artikel zoodanig behandelt, dat niet opgenomen uitdrukkingen er toch duidelijk door worden, en de verschillende beteekenissen behoorlijk geïllustreerd zijn. Er is, hoop ik, naar gestreefd, om dit te bereiken.
2. Wanneer het niet noodig was, zijn niet telkens weer de vertalingen der afgeleide woorden opgenomen. Als men weet wat agreeable is, behoeft de omvang van een woordenboek niet noodeloos vergroot te worden door de vertaling van agreeahleness, agreeably, agreeabilily, enz.: daarom zijn bijwoorden slechts zéér zelden, en woorden op ness lang niet altijd opgenomen.
3. De uitspraak is voorgesteld door eene eenvoudige phonetische tmnscriptic, waaromtrent de hierachter volgende sleutel en de woorden aan den voet der pagina's voldoende ophelderingen geven. De beklemde vokaal is door vette, de half-beklemde vokaal door gewone, en de rest der transcriptie door cursieve letter aangegeven. Waar de uitspraak der afgeleide woorden niet van die van het grondwoord verschilt, is de transcriptie niet telkens herhaald; overigens zijn de klem en de halve klem bij verschil met het grondwoord in de afgeleide woorden eveneens door vette en gewone letter aangeduid.
4. Zonder éénige uitzondering zijn geheele zinnen, en niet slechts woordverbindingen opgenomen, om bepaalde uitdrukkingen te verduidelijken ; daardoor is dit woordenboek tegelijk een Word- and Phrasebook geworden, zoodat men afzonderlijke werken voor idiomatische uitdrukkingen met dit boek vóór zich wel zal kunnen missen. Alléén dat gedeelte dezer zinnen is in idiomatisch Nederlandsch teruggegeven, hetwelk werkelijk vertaling behoefde. Waar deze niet noodig was, is onbeteekenende bladvulling achterwege gebleven. Om diezelfde
reden zijn van ile teclmische termen alléén die opgenomen, welke door hnnne vertaling werkelijk den Nederlander ter verduidelijking dienen. Waar men zich, vooral bij scheepstermen, te zeer in bijzonderheden verliest, is da Nederlandsche term ook al niet duidelijker dan de vreemde, en dient dus opneming en vertaling letterlijk tot niets.
Niemand is meer dan ik overtuigd, dat dit werk nog talrijke gebreken aankleven. Het valt voor een schrijver, die zoo gaarne anders zou willen, moeilijk, daarover getroost te zijn, maar hij zal er zich bij moeten neerleggen of er zich over moeten heenzetten door de gedachte, dat zijn boek misschien eene bestaande leemte aanvult, en op het gebied van lexicographie en uitspraak er bij eene vergelijking met andere dergelijke werken niet al te slecht zal afkomen. Eene reeks van de voornaamste drukfouten vindt de gebruiker achter in het boek verbeterd.
En nu hoop ik, aan het einde der taak gekomen, dat mijne deskundige collega's tot de overtuiging zullen komen, dat dit boek in eene behoefte voorziet. Krijgen zij deze overtuiging na een nauwkeurig onderzoek niet, dan is tnijn werk vrijwel nutteloos geweest. Voor die ervaring hoop ik van harte, dat uitgever en schrijver gespaard zullen blijven.
Leeuwarden , September 1894. K. TEN BRUGGENCATE.
RIJ DE NIEUWE UITGAVE.
Deze uitgave, na eene groote oplage zoo spoedig noodig geworden, zal blijken de resultaten te bevatten zoowel van voortgezette aanteekeningen, als van aandachtige overweging van opmerkingen en bijvoegingen, mij door zoovele belangstellenden, waarvoor ik hartelijk dankbaar ben. verschaft. Denamen van allen te noemen, die mij blijken van waardeering en belangstelling gaven, is onmogelijk: zij zullen dat ook niet verlangen. Eene uitzondering moet ik maken voor den Heer H. Poutsma te Amsterdam (die alles wat hij in een doorschoten exemplaar had aangeteekend, te mijner beschikking stelde), enden Heer H. L. van Wageningen te Jelsum, die, ofschoon niet in het vak, door nauwkeurige lectuur en aanteekening veel deed, om deze nieuwe uitgave correcter en vollediger te maken.
Dat drukfouten, als echte kabouters, vooral in een werk met zooveel verschillende typen en met zooveel lettertjes, hier en daar binnenslopen, spreekt bijna vanzelf. De min of meer storende zijn verbeterd op de vorige pagina.
De kritiek is mij zeer genadig geweest. Toch moet ik opkomen tegen eene verkeerde opvatting, vooral van Engelschen of Amerikanen. In quot;The Criticquot; van Februari -1898, een te New-York verschijnend weekblad, wordt mij, na veel waardeering, eene âovercolloquial tendencyquot; verweten, en als voorbeeld de opneming van zulk een woord als hike aangehaald. Mijn antwoord is: Als de lezer zulk een woord ontmoet, behoort zijn zoeken dan te vergeefs te zijn? Zeker niet. Het eerste deel moet zooveel mogelijk opnemen, mits uit de vertaling blijke, in welke sfeer het woord wordt gebruikt. Als hike door fiets vertaald wordt, weet de gebruiker genoeg; m. i. dekken de woorden in het gebruik elkander volkomen. Het deel Nederl.-Eng. eischt meer omzichtigheid bij de opneming, en de nieuwe druk zal daarvan ook de blijken dragen.
Moge deze nieuwe uitgave een gunstig onthaal ten deel vallen, en vooral, moge zij nut stichten waar zij wordt gebruikt.
K. TEN BRUGGENCATE.
Leeuwarden, Maart 1898.
AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK.
1. Het â in den tekst staat in de plaats van het hoofdwoord; zoo een gedeelte hiervan tusschen haakjes staat, wordt dit laatste niet begrepen in het â; Voorbeeld: Ac*â¬iiiNtk'(al): âfliK't; het â in âduet staat daarom alléén in plaats van AcoiiHtic*, dus van het niet tusschon haakjes geplaatste.
2. Van afgeleide woorden is de uitspraak slechts opgegeven bij verschil met het hoofdwoord; de klem wordt, zoowel in de herspelling als in de niet herspelde woorden, door vette, de halve klem door gewone, en de rest van het woord door cursieve letter aangeduid; Anhnntiue beteekent dus, dat de eerste a den hoofdklem, de tweede a den bijklank heeft; de quan-titeit van den klinker is als die van het hoofdwoord, tenzij anders opgegeven.
3. De noodige eigennamen zijn niet in eene afzonderlijke rubriek geplaatst, maar in het werk zelf opgenomen, en alleen desnoodig is de vertaling ervan opgegeven.
4. De woorden op eene r laten deze letter in de uitspraak vrij wel vervallen; alléén zoo door samenstelling of afleiding een vokaal op de r volgt, wordt deze letter weer gesproken: b.v. Jabber, dzabo, maar: .labbemi^, dzabêrir\.
5. Woorden als nature heb ik zonder sisklank, dus als neitjj en niet als neitéd, voorgesteld in de transcriptie, omdat de vreemdeling zich hier licht aan overdrijving schuldig maakt, en bovendien in onzen tijd deze sisklank in de beschaafde Engelsche uitspraaak steeds meer verdwijnt; alléén Soldier wordt nog zeer krachtig souldid gesproken, terwijl de vulgaire uitspraak soudis verkiest.
6. Bij de phonetische transcriptie van woorden als poor, your, etc. ben ik opzettelijk wat conservatief gebleven; ik weet wel, dat pó en yö zéér dikwijls gehoord worden, maar dan toch alléén in het vlugge gesprek; ik aarzelde, om voor het enkele woord deze uitspraak als de gewone op te geven.
7. De u van mute heb ik gewoonlijk door jü voorgesteld; echter door iü na s of z, om te voorkomen dat woorden als suit te veel met ë zouden worden gesproken, waardoor men éüt d. i. de trancriptie van shoot, zou verkrijgen; de transcripties siüt en éüt verschillen genoeg om alle verwarring te voorkomen.
VERKLARING VAN DE PHONETISCHE TRANSCRIPTIE.
A. Vokalen.
I a als de a in that (ongeveer als de a van het Fransche woord patté).
2. a als de a in ask gt; , ,
0 .. . . . _ ongeveer als de zeer open gesproken na van zaal.
3. a als de ar in farm ^ 0 0 ^
4. « als de u in hut (meer naar de a dan de ö van G'ótter).
5. è als de ear in leam (de en van het Fransch leur de toonlooze 9).
6. ai als de i in liue (iets minder diep dan de ei in het D. Wein).
7. au als de ou in Iioiimi'.
8. e als de e in bet.
9. i- ongeveer als de ê in het F. prètre.
10. ei als de a in fate.
11. i als de i in tliin (ongeveer als de i in het Noordduitsehe finden).
12. i als de ee in «ee (ongeveer als de D. ie).
13. o als de o in not (gelijk aan onze o in pot).
14. ó als de aw in law )
. . . ongeveer als de o in het Fr. encore.
15. o als de or in lord )
16. (M als de oy in boy.
17. ou als de ou in boue.
18. u als de u in full.
15. n als de ue in true (als de u in het D. Stufe â eene w).
20. |u of iu als de u in mute (na de s en z gewoonlijk i«).
21. a als de a in asleep of als de r in rare = kêd.
B. Konsonanten.
1. g als de g in good.
2. j als de y in year.
3. als de ng in long.
4. h als de sh in ship, of ongeveer als de ch in het F. CharleM.
5. i als de si in occasion, of ongeveer als de g in het F. rouge.
6. tb als de th in thin.
7. dh als de th in father.
8. w als de w in wine.
N.B. In zulk eene transcriptie als okeiïn of eih'l stellen de 'n en 7 eene lettergreep voor; het zijn wat de Duitschers noemen silbemachendes n oi' I.
A.
|
A. lt;/ (vóór konsQnatiten). liet lidw. een, of verbastering van at. by. in. on. van to have of van he. A.M. = Ariium Magister. A.D. = Anno Domini. A. M. = ante meridiem. A(r-timn) Biaccalaureus) â Bachelor of Arts = Candidaat in de vrije kunsten: A(iele) J)(e) C'iamp): Aissociate of the) Itioyal) A(ca-deniy); A( nfflo)-S((/xon): A n, ir{ dn po is). Aardvark, «dviik. miereneter tDe Kaap). A«8vogel, asfvg'l. gier (in Zuid-Afrika). An. on (vóór vokalen). het lidwoord een. A 1, ei won. subst. schip eerste klasse; adj. nitstekend. Aaron's* rod. êr'nzrocl. een staf met eene slang er om gekronkeld. Aaronic{al). Abark, lt;Jha/.\ terug, mastwaarts. I wa« taken â = van mijn stuk gebracht, zeer verbaasd. AbaHion, abakè'n. veediefstal op groote schaal. Abactor. Abacil», aholcds. rekentafel, dekstuk (van een kapiteel). Abacist = rekenmeester. Abaddon. booze geest: de bodemlooze afgrond. Aliaft, nbaft. (naar) achter (op schepen). Abalienate. .ibeiljjneit. vervreemden (van eigendom), overdragen. Abalienation. Abandon, dbandrtn. ongedwongenheid. Abandfui. dband'n, verlaten, zich geven: I have abandoned all hape = opgegeven. Abandonee, dbnnddniri(dbandlt;mi,cessionaris (iemand, wien iets afgestaan wordt). A bandolier^ ^bftinlftno. die iets afstaat, âment. Abaiinition. ab,iniè'n, verbanning. Abase, dbeis. vernederen. Abasement. Abaser. Abasii. ,)bas, beschamen (door betrapping). Abashment. Abate, dbeit, verminderen, afslaan. Abatable = voor vermindering vatbaar. Abatement. Abater. Abat-jour, a tof ite, vallicht: Abat-voix,atoivt'6. klankbord (kansel). AbatO)!». dbati of ohatis. verhakking (ter verdediging van een kamp). âed = met een â. Abattoir, ebat/v'ó of nbdltrö. slachtplaats. Abb. ab. weversgaren. âwool = wol voor weversgaren. Abba, «te. vader (geestelijk), superieur. Abbacy, ab.isi, de rang (niet de voorrechten) i van abt. Abbatial. obeisl. Abbatical. .'batik'l, tot eene abdij behoorende. Ahhetm.dbds. abdis. Abbey.«6/.abdij; klooster. Abbot, «te?, abt; Abbot'of iniHriilè (Schotl.). j Zie Lord ol* iniMrnle. Abbotship. |
Abb re \late,dbrirjelt, verkorten. Abbreviation. Abbreviator. Abbreviatory. ABC', eibisi, alphabet, beginselen. That is oi* tlie = dat spreekt vanzelf. Abderian, obdirlm. tot Abdera behoorende. Abderite. .ïbdirait. sub?t. inwoner van Abdera. domme kerel: adj. van Abdera. The â = IV-mociitus, de lachende wijsgeer. Abdicate, abdikeit, afstand doen. Abdicant. Abdication. Abdicative. Abdicator. Abditory, abditdri, geheime bergplaats voor goederen van waarde. Abdonien. obdoam'n of abdonin. onderbuik. Abdoiiiinal, dbdomin'l, Abdoniinoii». db- dominos. tot den onderbuik behoorende. Abdnce, dbdjiis. afvoeren, scheiden. Abdttcnt. Abduct , dbdnkt. ontvoeren (door roof. vooral van vrouwen of kinderen). Abduction. Abductor. Abeam, obim. rechthoekig op de kiel. Abecedarian, eibisïdêridn, subst. onderwijzer in de beginselen: adj. alphabetisch. Abecedary, eibisidori. subst. beginner, onderwijzer in de beginselen: adj. alphabetisch. Abed, dbed, in bed. [witte populier. Abele, ,fbil of eibil. Abel-tree, eib'/tr], abeel, Aber, abo. de mond eener rivier (in samenstellingen als; Aberdeen). Aberdevine. dbnddVMn, sijsje. Aberrance, -cy, aber'ns(i). Aberration, ub -reis'n, afdwaling, ronddoling. Aberrant. Abenincate, nbdrunkeit, uitroeien (met wortel en tak). Aberuncator = instrument ervoor. Abet, tibet, aanhitsen. Abetment. Abettor of Abetter. Abeyance, dbeins. tijdelijke ojischorting (tot de beslissing valt); In â = wachtende op bezitter of eigenaar, in onbruik. Abhor,abhö,verfoeien,verafschuwen. Abhor* rence, abhor'ns, afschuw. Abhorrency. Ab-horrentily). Abhorrer, abhórj. Abide, abaid. blijven, wonen, verbeiden. â by (n'luit you say) = blijf bij. Abidance^ obaid'ns, voortduring. Abidiny = duurzaam. Abiding-|gt;lace = verblijfplaats. âr. Abigail, abiyeil. kamenier (1 Sam. 20. Ability. obUiti, bekwaamheid. Abilities. abiliti'z. geestesgaven. Abintestate, nbintesteit. subst. erfgenaam: adj. zonder testament. Abject, abdzdkt, subst. een verachtelijk wezen: adj. laag, verachtelijk. Abjection. Abjectness. Abjectly. Abjudicate, .ibdtiïdikeit. (iemand in rechten iets) ontzeggen, veroordeelen. Abjudication. |
man; ösk = ask: IV/rm = fiim: btlt;t = biU: learn = l«n: line = lain: ho/'se = hans: net: care = kca; fate = feit: tin: «sleep = aslip; not: \aiv = lo: lord = üid: hoy = boi: bone-= bonn: full: fool = fnl: .» = toonlooze vokaal tzie asleep en care)-, «irl: //ear = ji^; lo??f/ = Ion; 67np = sip: occasion = okeiz'n: thin: thus = dlius: wine.
ten lutuggencate, Eng. Woordenboek. 1
ABSONANT.
Abjure. obdziiJ, afzweren, herroepen, wegzenden. Abjuration. Abjnratory. âv. ment.
Ablai'tate, ablakteit, spenen, ontwennen aan |
(moeder)melk. Ablactation.
Ablaqueate, ablakwieit, blootleggen (der i boomwortels). Ablaqueation.
Ablation, ableié'n, het wegnemen (van wat |
schadelijk is). Ablative, ablativ, subst. abla-tivus (6e naamval in het Latijn): adj. weg- ,
nemend.
Ablaze, ebleiz, in brand, vlammend.
Able, eib l, bekwaam, bevoegd, bemiddeld: â
bodied = sterk, krachtig (gezond van lijf en leden), bekwaam. ânet-»». Ably.
Ablepsy, oblepsi. blindheid, blindwording.
Ablocaie, ablokeit, verhuren. Ablocation.
Abluent, abluant, subst. en adj. afdrijvend of bloedzuiverend (middel). Ablution, ablüè'n,
reiniging (godsdienstige plechtigheid): het daarvoor gebruikte water. Ablutionanj. Ablnvion,
ablüvjdUi wat bij de reiniging als onrein wordt afgespoeld.
A bnegate, abm^/ei/, (ver)ioochenen.
AbiKH'inal, abnöm l. afwijkend (van den regel of het type). Abnormality. Abnormity = onregelmatigheid, afwijking. Abnormous.
Aboard, dböcl. aan boord. Tiie «teanier feil â of a «hip = de boot drong in de zijde van een schip. The »lii|» got â ol* a rock = stootte op eene rots.
Abode, .'boud, subst. verblijf, woonplaats: To make â = wonen, verblijven: verb, voorspellen, een voorteeken zijn. Abodement.
Abolish, obolis, afschaffen, vernietigen (van wetten, etc.); âable: âer: âment. Abolition,
ab,)lis «,afschaffing: Abolitioni8m,a^/i5a/i/s///
= de afschaffing dei slavernij; Abolitionist,
nbalièdnist, een voorstander'van die afschalïing.
Abolitiondom = de gezamenlijke afschaffers.
Abominable, dbomiiwb'l, afschuwelijk, verfoeilijk: âneHw. Abominate,lt;gt;fcom/nei/. verfoeien,
verafschuwen. Abomination. !
Aboriginal, abdHdzin'l. subst. een der eerste kolonisten in een land: adj. oorspronkelijk.
Aboriginally.
Aborigines, obaridzimz, oorspronkelijke bewoners van een land.
Abortient, abös'nt. onvruchtbaar. Abortion,
misgeboorte,ontijdige geboorte. Abortiue,su.hst.
misgeboorte: adj. ontijdig, onvoldragen.
Abound,rWjrt»fmf,overvloedig zijn: lie abounds in his sense = is eigenwijs.
About, dbaut, omstreeks: lie was â to go there = op het punt; 1 am â it now =
mee bezig; it eame â = gebeurde: This brought â a great ehange = veroorzaakte:
What â your friend? = hoe staat het met (eig. wat* hoort gij omtrent)? I have no money â me = bij mij. The ship put â =
wendde, keerde; â ship = wend net schip.
You have walked two miles â = omge-loopen. A man â town = iemand, die een wereldsch leven leidt. What is all that noise â ? = waarover? Mneh ado â nothing = veel geschreeuw en weinig wol: Look â ;
you = neem u in acht; That's all â it =
en daarmee is het uit; The books were lying all â = lagen overal te slingeren;
Left. Right â = links, rechts zwenken! â
it = er op los! Go â your work = gaaan. j
man: «sk = ask; farm = fiim; b?lt;t = bwt; learn = lim; line = Iain: ho«/se = haus; net; care = kr0: fate = felt; tin: asleep = aslip; not: \a(V = 1«'»: lord = löd: hoy = boi;
ABJURE.
Above, .tbuc, prep., adv. en adj. boven^ meer dan. omhoog, lie is â following adviee = te trotsch om. The â observations = bovengenoemde: â the rest = bovenal. âboard, adv. = eerlijk, oprecht, openhartig: âground = levend, onbegraven. â par = boven pari, duur.
Ahraeadabra. nbraktHlabra, tooverwoord, amulet (tot genezing van ziekten): wartaal.
Abrade, abreirf.afwrijven,afschaven. His shins were abraded = zijne schenen waren . . : Abrasioii, dbreiz'n, afschaving: lie doetored my abrasions with a tender hand = rauwe plekken. Abradant = wrijfwas.
Abraham, eibrdhum. Abraham. Abrahamic. â man = (op zekere dagen) vrijloopend waanzinnige, bedrieger: He shams â = hij huichelt, veinst.
Abreast,dbrest, naast elkander. This seientitio work is â of the newest diseoveries =
houdt gelijken tred met, is op de hoogte van. We walked four â = vier op eene rij.
Abreniineiation, übrindnèeiè'n. loochening.
Ahreut, obrept. ontvoeren. Abreption.
Abriuge, abridz, verkorten, samentrekken, te kort doen: lie was âd of his rights = verkort in. Abridger, Abridgment.
Abroach, nbroutè, adj. en adv. aangestoken (van een vat); verb, aansteken.
Abroad, abrótl, buiten, buitenshuis, buitenslands: The schoolmaster is â = het onderwijs geniet (en eischt) alle aandacht. Who has set it â ? = het ruchtbaar gemaakt? He was all â = hij had het glad mis, was in de war. He does hot stir miieli â = hij komt niet veel de deur uit, onder de menschen.
Abrogate, abrogeit. afschaffen, intrekken (van wetten). Abrogable. Abrogation.
Abrupt, dbrvpt, steil, plotseling, onverwacht. Abruption, obrnpè'n, plotselinge afbreking. Abruptness.
Abseess, absos, zweer, gezwel: Abscession, abses'n, vertrek, scheiding.
Abseind, absind, afsnijden.
Abscond, .tbskond, met de noorderzon vertrekken: zich verschuilen. Abscondence. âcr.
Absence, aps'ns, afwezigheid; Leave of â = verlof; â of mind = onoplettendheid. Absent = afwezig: He gazed absently at me = keek wezenloos: Absentgt;niiuded = afgetrokken. â xeYb.Abscnt = (zich) verwijderen, wegblijven. Absentation. Absenter. Absentee, ixps'nti, subst. en adj. afwezig(e), niet op zijne bezittingen wonend(e). Absenteeism.
Absinth, apsinth. Absiiithinni. absinthizm, alsem. Absinthiate(dgt;, absint hi eit{id), met alsem doortrokken. Absinthic.
Absolute, apsaljüt, adj.onbejjaald, onbegrensd, volstrekt: âly yours = geheelde uwe: subst. het absolute.' het oneindige; Absolutism, apsdljütizm, leer der onbeperkte macht, leer der voorbeschikking. Absolutist.
Absolution, apslt;djiïs'n, vrijspreking (van zonden). Absolutory, êbsoljuteri, Absolvatory dbsolvdtari. vrijsprekend.
Absolve, abzolr. vrijstellen, vergeven, vrijspreken: He âlt;1 me from my promise = ontsloeg mij van. Absolver.
Absonant, apsdn'nt. Absonoiis, apsdiids,ongerijmd, wanklinkend.
ACCOMPLICE.
A BSO KB.
3
|
Ali8orli. ,'bsöb, opslorpen, opzuigen, âcd in tlioiiglit, in Ntudy = in gedachten, de studie verdiept. Absorbent, Absorbability. Absorption = inzuiging. Absorptive. Abstaiii,db£tein,zichonthouden:lie â#*d tVoni wine = hij dronk geen wijn. Abstainer, Ab^teinioiiH, dbstimjos, matig, zich onthoudend: â llfSH. Ahhteiition. dbstens'n, onthouding, afhouding. Absterge, obstfidz, afwisschen, reinigen. Abstergent, ribstudè'nt. Abstersive, dbstüsiv, subst. en adj. zuiverend (middel). Abstersion. Abstinence, onthouding. Abstinent. Abstract, apstrdkt, subst. korte inhoud. Yon are right in the â = in het algemeen (afgetrokken e) hebt gij gelijk: adj. afgescheiden, afzonderlijk, ingewikkeld, abstract: â niinibers = onbenoemde getallen (tegenover cuncrete = benoemde). âiy; âness. Abstract, dbstrakt. afscheiden, abstraheeren, een verkorten inhoud maken, wegnemen, stelen: It was âcd from me in the railway = mij ontfutseld, ontvreemd; âedness; âer: âion: âive. Abstruse, zbsti'us, diepzinnig, duister; âness. Abstrusity. Absurd, c/bsnd, ongerijmd. âity: âness. Abundance, nbnnd'ns, overvloed. Abundant. Abuse, .ibjus, subst. misbruik, slechte behandeling, scheldwoorden, verwijtingen. Abuse, fbjuz. verb, misbruiken,verdraaien, verkeerdelijk toepassen, bedriegen, ruw behandelen, uitschelden, schenden; He lias âd my conlidence = geschonden: A bnsive (dbjusiv) language = beleedigende taal. Abu sable. Abut, fibot, grenzen aan. eindigen, verbinden. Abutter. Abntnient, dbntm'nt. steunpilaar (vooral onder bogen van eene brug), grens. A buzz, .y/vwr, gonzend. A by. nbai. boeten, lijden voor, goedmaken. Abyss, abis, bodemlboze afgrond, oceaan, hel: Tliey are lost in the â ol'time. Abysmal. cbizm'l. diep. onmetelijk. Abyssal. Abyssiiiia(ngt;, abisinw(n), Abyssinië(r). Acacia, dkeis(i),i. acacia. Acacin(egt;, akdsin. Arabische gom. Acadeinc, nkddim, akademie (dichterlijk). Aca-dernial. Academian, akodirnjdn, lid eener academie, student. Academic, a subst. lid v. akademie of hoogeschool; adj. universitair = Academical. Academician,d/calt;29mfó*/i, lid eener bepaalde academie; Royal Academician = lid der Koninklijke Academie. Academism, , Academy, akadomi, (hooge)school (vooral 1 voor een bepaald vak: Riding, dancing, military â Acanaceoiis, nkoneisas, stekelig, met stekels voorzien. Acanthus, dkanthds, berenklauw (eene plant), loofwerk. Acatalcctic, eikatalektik, subst. en adj. volkomen (versvoet of versregel). Acatalepsy, cikdtulepsi, onzekerheid, moeilijkheid (bij het bepalen eener ziekte). Acataleptic, 'â ikatdleptik, subst. iemand die aanneemt, dat lt;le mensch niets zeker weet: adj. onzeker, onbegrijpelijk. Accad, akod, verkorting voor Academician. Accede, akstd. toetreden, instemmen met, ten deel vallen (als erfgenaam): met to. |
Accelerate, lt;)kselcreit. bespoedigen, versnellen: âd force, motion. Acceleration. Accelera-tive, dkselereïtiv. Acceleratory, lt;gt;kseldre.\tlt;gt;ri, versnellend. Accelerando = toenemend snel. Accensor, Jksenslt;gt;, aansteker (vooral van de kaarsen in de Kath. kerk). Accent, aks'nt. subst. klemtoon, klemteeken, stembuiging, uitspraak. âs = woorden, taal. Accent, aksent, verb, door klem of stembuiging onderscheiden; ook Accentuate, dksentjueit. Accentuation. Accentual = rhythmisch, tot den klem behoorend. Accept, ,'ksept. aannemen, goedvinden, instemmen met, accepteeren (a bill of exchange = een wissel).âable: â ablene8S,= âability. âer, âor. Acceptance, oksept'ns. de aanneming, gimstige ontvangst, acceptatie. I request your kind âance of this = u vriendelijk, dit aan te nemen. Acceptant. Acceptation, a aanneming,aanvaarding,beteekenis (van een woord). Access, aksas, toc.gang, nadering, toeneming, aanval (van een ziekte). He is of easy â = gemakkelijk genaakbaar.Accessiö/e. Accession, okseamp;n, toetreding, toestemming, vermeerdering. komst (op den troon, tot eene waardigheid), begin (van eene ziekte). Accessary, etc. dksesari. Zie Accessory, etc. Accessorial, nksasórj.d. in verband staande met, bijkomende. Accessory, igt;/k'sesaW, subst. medeplichtige, heler; adj. bijdragend, bijkomend, medeplichtig; The Accessories = al wat er bijhoort. Accidence, aksid'ns, buigingsleer (gramm.). Accident, aksid'nt, voorval, toeval, ongeluk: (railway â: âcoliinin = kolom of rubriek van ongelukken, in eene courant); de bijbe-hoorende, niet noodzakelijk met iets verbonden eigenschap. Accidental colours = bijkleuren, aanvullende kleuren, âality = âalness. Accipient, aksipjant, die iets aanneemt of ontvangt. Accipiter, nksipita, roofvogel (gier of havik). Acclaim, dkleim, subst. toejuiching: He was placed by â at the head of the division = bij acclamatie: verb, toejuichen. Acclamation, Acclamatory. Accliniate,fgt;/i/atmlt;f,Acclimatize,.'/.7atmt'/air, aan een zeker klimaat gewennen. Acclimatation, Accli) nation. A cclimati zat ion. Acclivity, itkliviti, helling, steilte. Accolade, akdleid, ridierslag, accolade (muz.). Accmnmodate, .'kouhideit, geschikt maken, doen overeenstemmen of harmonieeren, (van gemakken) voorzien: If yon want a nice room, I can â yon = u eraan helipen. Accommodation = schikking, verzoening, geschiktheid,harmonie, voedsel, etc.: Accommodation-bill = forma-wissel: Accommodation-ladder = trap aan de valreep; Accommodation-works = bruggen, schuttingen, afsluitingen, enz., die eene spoorwegmaatschappij verplicht is te bouwen langs hare lijn. Accommodating,.'/.-omd^ei^, inschikkelijk, vriendelijk. Accompaniment, ekigt;mp'niment.hege\eiding; bijkomende zaak. Accompany,aAr»wp'm, vergezellen,begeleiden. Accompamer. Accompanist. Accomplice, medeplichtige; âship; Accomplicity. |
bone = boun; full; fool = fnl; .» = toonlooze vokaal (zie asleep en carey, girl; //ear = jio» long â Ion: .s/iip = sip: occasion = okeiz'n; thin; thxxs = dims: wine.
1*
ACCOMPIJSH.
4
ACOUSTICAL.
|
ArcMiiiplisli. .1 komplis. vervullen, uitvoeren, uitrusten: âable: âer: âment = talent, beschaving: -inent» = kundigheden. He i» an acromplittlied «eliolar = volkomen,talentvol. Aeeomptant. okomVnt. Zie Arronntaiit. Aceord, lt;iköd, subst. eendracht, overeenstemming, harmonie, schikking, accoord. vrije beweging: With one â = eenstemmig, eenparig: He did it «f his own â = uit zichzelf; verb, overeenstemmen, harmonieeren, schenken; âing = overeenstemmend: âing to your wish = overeenkomstig; â ing a« = al naarmate: âing to Cocker ((iiinter: Amer.) = volgens Bartjes: Yon inn»t art â inglv = dienovereenkomstig. AceorHion, .iködjcn. harmonica. â kilt = waaierrok; â sleeve» = waaiermouwen: A frock of' â ent = met waaierplooien. Accost, dkosf, subst. begroeting, manier: verb, aanspreken, begroeten. Acconclienient, Jkiièmoii of okiïtèm'nt, bevalling: Acconclienr, dkiis,». Ac4*onclien»e, akuè9Z. Account, dkaimt, subst. (be)rekening, credit: verhaal, verslag; reden, verklaring; belang, voordeel: On my â = om mij, wat mij aangaat: I do it on â of yon = om, ter wille van; It i» of no â = belang; He wa» called to â =5 ter verantwoording: To ca»t â» = rekeningen opmaken: Vou iiin»t try to turn it to good â = er zooveel mogelijk voordeel uit te trekken; lie will certainly render a good â of (the work ent rusted to him) = zich goed kwijten van; They had all gone to tlieir â = naar de eeuwigheid (namelijk: war ze verantwoording zullen moeten afleggen); We will give a good â of onr eneinie» = ons kranig kunnen honden tegen; The Hinaller of the two prize-lighter» gave a good â of himself = hield zich dapper, kranig: He make» his â of it = profiteert er van. â book. â verb, rekenen, aanrekenen, schatten, overwegen, rekenschap geven van: He â» dearly of all hi» friend» = schat hoog; It will iiot be difficult to â for onr absence = te verklaren. There is no â ing for tastes = over den smaak valt niet te twisten. Accountability, .tknuntabiliü, verantwoordelijkheid: Accountable. Accountant. okannt'nt. 'subst. rekenaar, boekhouder: adj. verantwoordelijk: Accountantship. Acconple. zkrijH. samenkoppelen, vereenigen: âment. Accoutre. .gt;kütz, kleeden. uitrusten (vooral voor militairen): âment» = uitrusting. Accredit, .'kredit, machtigen, volmacht geven, krediet verschaffen; gelooven. voorzien. Accrescent, akreunt, toenemend. Accrescence, Accretion, .ikriè'n, aanwas, samengroeiing, aanerving: Accrete = samen- of vastgroeien met. Accrue, Bkrii. aangroeien, voortspruiten: Much good may â to yon from it. Accnbation. nkjuheié'n, Accnmhency, ifknm-b'nsi, het aanliggen (aan een maaltijd bij de Ouden). Accumbent. Accnmiilate, okjümjidzxt, ophoopen. verzamelen, toenemen. Accumulation. Accumtdatiye. Accuracy, akjurosi. Accnrateness, nkjn-reitnis, nauwkeurigheid. |
Acciir»e. dkits, vervloeken. âd, Acciir»t = vervloekt, verachtelijk. Accn»able, dkjüzdt l. laakbaar, aanklaagbaar. . I ccusu ut. Accu sa ti on. Accn»ative, dkjiïz,gt;tiv, subst. vierde naamval (Gramm.): adj. beschuldigend. Accn»attgt;rial. ükinzMórial. Accn»atory. ekjuzdtdri. beschuldigend. Accn»e, dkjü'z. beschuldigen, aanklagen. Accuser. Accn»tom, Avst'm. gewennen, gewoon zijn: âed = gewoon, gewend. âedne»». Ace,eis. eenheid, aas (bij kaart- of dobbelspel), kleinigheid: Within an â = op een haar na. Aceldama, eik Ideimd, veld des bloeds. Acentric, ssentrik. niét middelpuntig. Acephali»t, dsefjJist. die geen hoofd erkent. Acephahsm = het zonder hoofd zijn. Acepha-In», dsefohs. lintworm (eig. zonder hoofd). Acephalous = koploos. Acer, eiso. ahorn: -ie arid, oserlkasid. ahornzuur. Acerb, dsnb. zuur, wrang; âifnde: âity. Acero»e, asi-roas. Acerons, as.o'os. als kaf: prikkelig, stijf. Acervate, .isnceit, Acervose, .isih'ous. in trossen groeiend. Acervation. Acescent. jses'nt, zuur wordend, zuurachtig. Acescence, zuurwording, zuurachtigheid. Acetate, asifeit,, azijnzuurzout. Acetic i\i'\i\j'./setik- of dsitikasid, azijnzuur. Acetone, asi tuf in. azijngeest. Aceto»e. asi tons. Aceton», asitds, zuur, azijnzuur bevattend. Ache, eik. subst. (aanhoudende) pijn: verb, pijr doen, pijn lijden. Acheron, akarn. rivier in de onderwereld, onderwereld, hel. Achievance^fy'ns,volvoering. Achieve..)/.^»'', volbrengen, voleinden: He âd a great ssn-cess = behaalde: Achievable, âment: â r. Achille»(tendon), okiliztend'n. Achillapees Achor, uk.gt;, /.eor hoofd. Achromatic, nkrdrnatik. kleurloos. Achromatism, Achromdticity â kleurloosheid. Acicnlar,dsikjnh. Acicnlate.os-ikjaleit. Aci-cnliforni, osikjülifóm, Aciform, asifóm. naaldvormig. Acid. asid, subst. zuur: adj. zuur, scherp: âlie»»; Acidit;/; Acidify = zuur maken of worden. Acidulate, /eiT, zuur maken. Acidulated drop, zuurdrupsje. Acidalaas. zuurachtig. Acknowledge, oknoktdz, erkennen, toegeven, herkennen, (de ontvangst) berichten: I â (receipt of) yonr favour of the I4th in»t. = bericht u de ontvangst van uwe geëerde van 14 dezer: I â the corn = ik geef de beschuldiging toe (Amer.): âr; Acknowledgment. Acme, «/.mi, toppunt, krisis (van eene ziekte». Acne. akni. harde puist. Acold, :ould, (zéér) koud. Acolyte. «Av/aif, Acoly th. akdlith. misdienaar. Acoiiite. akenmt, monnikskap (plant).-AcomV/'-. Acorn, eikön. eikel: Acorned = eikels voortbrengend. met eikels gevoed. Acorn», akdros, kalmus. Acotyledon. .ikotilid'n. plant zonder zichtbare zaadlobben: âon», Acon»tic(al)..'A-«?#.s-f/A-(7),het rehoor be treffend: âdnct = gehoorbuis; â nerves = gehoor- |
man; ask = ask: tV/nn = tam; b 't -- bwt: Itwn = hm: l/ne = lain: house = hans: net: care = kèd: tV/te = feit: tin: ^/slec!) â oslip: not: lei»* = ló: lord = löd; hoy = boi;
ADDUCTION.
ACQUAINT.
|
zenuwen. Acoustician = geluidkuadige. Ac-oun-ctka nst i/igel uids leer. Ac-quaint, treint, berichten, bekend maken: âaiiee = bekendheid, kennis,vriend: Au âance of mine = vriend van mij. âaitc eHliip. Acquest, dkivest (niet d. erfenis) verkregen goed. Acquiesce, 'dkwies, berusten, v.ich neerleggen bij; ânee, berusting; âui. Acquirable, dkwairdb'l. verkrijgbaar. Acq air-nhilitj. Acquire, dkivuis, verki .-en, verwerven; â uieut, verwerving; âuieiitH, talenten. Acquisition, akwiziamp;n, het vorkregene, aanwinst, verkrijging. Acquisitive.â hebzuchtig, schraperig: Acq uisitiveness. Acquit, dkivit. vrijstellen, vrijsj . 'ken, (zich) kwijten; âinent: âtal; âtance: t orliearance is no âtance = uitstel is geen afstel. Acre, e/Av?, stuk land (4840 vierk. yards of 4047 M-). tiod'n acre, yodzeikd. kerkhof, begraafplaats. âable,eitogt;*3^' /.per acre. Acreage, cikdridz. het gezamenlijke land: The â of llollaud auioiiutM to = de gezamenlijke landerijen van Nederland zijn groot...; Acred, t'ikcjd. grond bezittend. Acrid, tikrid, wrang, scherp, liitter; ânes» = Acridity. AcriinonioiiM, akrimounjds, scherp, bits (van taal of humeur); ânesM. Acriniony, akrwwni, scherpheid, bitsheid. Acrisy, akrisi, gebrek aan oordeel. Acroauiatic(ai), a.kroult;gt;matik('l), diepzinnig, slechts verstaanbaar voor ingewijden. Acrobat, akrabnt, akrobaat, kunstenmaker; âisui. Acrobatic. Acropigt;lis,cgt;/r/'o/?9/is,burcht( van Athene),citadel. Acrospire, akrdspamp;ïd, subst. kiem (vooral van gerst); verb, kiemen; âd = met kiemen. Across, ok ros. dkrós, dwars, kruiselings, van de eene zijde naar de andere: lie came â = stak over; He came â ine = mij in den weg; With anus â = de armen over elkander. Acrostic, dkrostik, subst. naamdicht; adj. van een naamdicht: An â poem: âal. Act. f/A.7, subst. handeling, daad, werkelijkheid: bedrijf, wet, stelling (bij eene promotie): âs of the Apostles: lie was caught in the (very) â of stealing = op heeterdaad; In â to = gereed; â of Faiiiauient = parle-mentswet; â verb. doen. handelen, werken, volbrengen. zich gedragen: He âh up to his promise = handelt overeenkomstig: Irving âed (played) the part of Hamlet = speelde de rol; An âing copy = een exemplaar'van een tooneelstuk, zooals het gespeeld wordt; âable = speelbaar, doenbaar; âdrop. het vallen van het scherm na een bedrijf; âing = subst. het spelen, het spel; adj. dramatisch, handelend, tijdelijk; âless. Action, akè'n. handeling, daad, gedrag, gebaar: gevecht, proces (van de zijde des eischers): i threatened the driver with an â: He brought an â against me for.. = hij klaagde mij aan wegens; âable, aksndh'l, strafbaar (in rechten): Your words are âable. Active, aktiv, werkzaam, vlug, levendig, actief; bedrijvend (gramm.); Activity. Actor, «/.-fó, tooneelspeler. advokaat (in eene civiele zaak): Actress, aktras, tooneelspeelster. XvimxX* aktjndl, wezenlijk, werkelijk, feitelijk; Actuality.â'mi =werkelijkheidsniensch( tegenover idealist). âize, aktjndlAïZ, verwerkelijken; Actualization. |
Actuary, aktjnori, griffier, secretaris: wiskundig adviseur (van verzekering-maatschappijen). Actuarial. Actuate, aktjueit, aansporen, invloed oefenen, bewegeti. Actuation. Acuation, nkjueisn, scherpmaking. Acuity, idijuiti, scherpheid. Aculeate(d). dkjülieiUïd), stekelig, van prikkels of een angel voorzien, scherp, bits. Aeiinien, okjurrVn, scherpzinnigheid. Acunii-nate(d), nkjüminei?(irf), in eene punt uitloopend (van bladeren, etc.). Acumination. Acute, dkjiit, subst. toonteeken; adj. puntig, scherp, doordringend, schrander; akuut (van ziekten, tegenover chronic): An â angle; -ness. Acutangiilar, dkjutangjuld. Adactyle. ddaktil, vinger-, teenloos. Adage, adidz. spreekwoord, gezegde: Adagial, adeidz'l, spreekwoordelijk, vol spreekwoorden. Adagio, 3ileidz{ï)ou, subst. langzaam tempo; adv. langzaam, vol gratie. Adam, ad'nt, Adam, de mensch in quot;t algemeen: 1 don't know better than dead and gone â = een doode: â's ale = water: â*s apple = soort v. citroen, adamsappel (keel): â's needle = Jucca; Adamic(al). âite = van A. Adamant, adom'nt. diamant (vooral overdrachtelijk: His heart is of â = zoo hard als steen). Adamantine: Adamantean. Adapt, .idapt. geschikt of passend maken: âed to our wants; âable; âibility. = âedness; âive: Adaptorial = passend. Add. ad. bijvoegen, vermeerderen, optellen (met up): This chance gave added eagerness to his desire = grootere gretigheid; âable; Addendum = toevoegsel, aanhangsel. Adder, acte, adder; â's wort = slangenkruid. Addible, adib'l, Additive, aditic. wat bijgevoegd kan worden; Add ibility. Addition../^'/?, bijvoeging, vermeerdering, optelling, orgelpunt (muziek). Addition«suni = optelsom; Additional = bijgevoegd (iets); adj. u la suite. Addict, ddêArt, (zich) overgeven aan (in slechten zin); âed to liquor = verslaafd aan den drank: âedness: âion. Addle, ad'l, subst. stinkend water, droesem, etc.; â verb, bederven.âd eggs = bedorven; Xe ver uiind sucli âbrains = stoor u niet aan zulke domkoppen; Au âheaded fellow = een ezel (tig.): Au âpated noodle = een zwakhoofdig, idiootachtig mispunt; âplot = spelbederver. Addorsed, met den rug tegen elkaar. Address, adres, subst. rede, toespraak, formeel schrijven, adres; manier van optreden, behendigheid; lie has a (is a inaii of) pleasant â = hij maakt een aangenamen indruk. Wanted a cook: editor has â = eene keukenmeid ge-vraagdj adrés bij den uitgever dezes, lie paid her his âes = maakte haar het hof. â verb, adresseeren, richten, het hof maken, zich klaar maken: He âed liiniself to this = vestigde hierop zijne aandacht. Addressee, adrdsi. geadresseerde; adres, eerbiedige boodschap: âer. Adduce, ddjüs. aanvoeren (als bewijs): -ut: âr; Adducible. Adduction, adnksn. het bijbrengen (van getuigen of bewijzen). Adductive = bijbrengend. |
bone = boun; full; fool = fill; ,» = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; f/ear = Jia; ]ony = loi^; s/iiji = hip; occasion = okeiy/n; thin; thus = dims: wine.
ADVANTAGE.
6
ADELAIDE.
|
Adelaide, addleicl. Adelheid. Adept, subst. ingewijde; adj. ingewijd. Adequacy, aclikwdsi, geschiktheid (voor een bepaald doel), gepastheid. Adequate, adikivit, gepast, geschikt, evenredig, bekwaam voor; AdeqiiateneHS. Adhere, dd-hid aankleven, aanhangen, getrouw blijven: ânee: âut. Adhesion, dd-hiz'n, aankleving, adhesie. Adhesive, post zegel: adj. aanhankelijk, getrouw, aanklevend: AdiieNive envelope = gegomde enveloppe. Adhihitiou, adhibié'n. aanwending. Adiaphlt;»roiiN, adiafjras, onverschillig, noch goed noch kwaad doende (Geneesk.). Adieu, ndjit. subst. afscheid: adv. vaarwel. Adige, adidz. Etsch (rivier). Adipocere, ndipdsid. vettige zelfstandigheid. Adipose, adipous, subst. nierenvet: adj. vet, vettig: -Itf/posetissue = vetweefsel. Adiposity. Adit, adit, toegang (tot of uit eene mijn). Adjacent, ddzHs'nt, aanliggend, aangrenzend. Adjacency. Adjectival, adzoktiv'l of adzdktaiv,l^ tot een adj. behoorend ot betrekkelijk. Adjective, adzektiv. subst. bijv. naamwoord; adj. met den aard van een adj.; Adjectived: Adjectively. Adjoin, ddzóin, aanliggen, aangrenzen, aanvoegen: âing. Adjourn, adznn, ophouden, uitstellen, verdagen, schorsen: The nieeting was âed; âinent. Adjudge, ddzvdz, toewijzen (bij rechterlijk vonnis): Adjudgment. Adjudicate, ddzikdikeit. berechten, toewijzen, rechtspreken (on = over). Adjudication. Adjunct, adzdr^kt. subst. aanhangsel, toevoegsel, eigenschap: adj. verbonden, vereenigd; Adjunction: Adjunctive. Adjuration, ndzureiè'n, plechtige eed. Adju-ratory = dooreen eed gestaafd. Adjure, ddzfid, bezweren; Adjurer: Adjurement.' Adjust, odzvst, geschikt maken, in orde brengen, beslechten; âable, âinent = schikking. Adjutancy, adzuVnsi, adjudantschap; hulpverleening. Adjutant, adjudant: een soort kraanvogel. Adjutor, ddzfitd, helper. Adjulrix. helpster. Adjuvant, ddziiv'nt of adzuv'nt, subst. helper; adj. helpend. Admeasure, admeze, afmeten, toemeten, toekennen; âinent; â r, admezdrd. Administer, administd, besturen, beheeren, verschaffen, toedienen: To â an oath = afnemen. A dm i nistration. A dministra t i ve. Administrator. Administratrix. Admirable, admirdb'l, bewonderenswaardig, uitstekend; âness = Admirability. Admiral, admiral, admiraal, vlagolTicier, admiraalschip: âship : âty = de admiraliteit; het admiraliteitsgebouw; âty Court = Gerechtshof voor .Marinezaken. Admire, ddmaid, bewonderen; Admiration: She perrormed to admiration = speelde wondermooi; Xote of admiration = uitroep-teeken. â r, ddmaim. Admi«sible,«///»i.svamp;7,aannemeliik,toelaatbaar. Admissibility. Admission, ad mis'n, toegang, toegeving, erkenning. Admission-ïev = toegangsprijs. Admit, admit, toelaten, toestaan, toegeven, erkennen: I â it = erken; lie was âted a doctor = promoveerde; âtance: Ko -twice but on business = verboden toegang voor het publiek (eig. behalve voor zaken): âtable. |
Admix, adtniks. bijmengen, vermengen: â tnre = bijmenging, bijmengsel. Admonish, mfmom's, vermanen, vriendelijk berispen, waarschuwen; âer: âment. Admonition, 'Admoniè'n, vermaning, zachte terechtwijzing, waarschuwing. Admonitor, ddmon i to^vér-ma.ner.Admon:tive, Admonitory = vermanend. Adnascent. adnas'nt. wassend op of aan iets anders. Adnata = aan den stam gegroeid. Adnoiin, ndnaun. adjectief. Ado, ddü. drukte: Much â about nothing = veel geschreeuw en weinig wol. Adolescent, addles'nt, opgroeiend (van kind tot man):Ar/o/cscence,Af/o/esmic?/.Jongelingschap. Adolphus, odolfds, Adolf. Adonis, adounis. Adonis. Adoneon, Adonic. Adonize = het fatje uithangen, zich mooi maken. Adopt, ,tdopt. (als kind) aannemen, als eigen beschouwen: An âive child = aangenomen, âion, ddopè'n. Adore, ddö. aanbidden, vereeren; âr. Adora-ble(ness).Adorability Adoration =i\i\nhiddiug. Adorn, arfön, ver sieren, verfraaien: âer. âment. Adown, ddaun. (naar) beneden. Adrian, eldridn, Adriaan. Adriana, wdriam. Adriatic,arfr/afifc; Tlie- = deAdriatischeZee. Aflrit't, ddrift, rondzwalkend. To turn â = aan zijn lot overlaten. Adroit, ddramp;it, behendig, handig. â at everything = handig in; âness. Adscititious, adsitiëjs. bijgevoegd, aangenomen, aanvullend. Adscript, adskript, subst. en adj. lijfeigen(e); âion; âitious = gebonden (als een lijfeigene). Adulation, adjuleiamp;n, vleierij, kruiperij. Adulator. Adulatory = vleiend, kruiperig. Adult, 9 dn It. subst. en adj. (de of het) volwassene). âness. Adulterate, ddnltdrit. adj. vervalscht (door bijmenging; verb.(arto/ïareit) vervalschen(van levensmiddelen vooral); âness. Adulterant = vervalschingsmidd. Adu lteration. A duIte)'a tor. Adulterer, ddultaro, echtbreker. Adulteress. ddvltdrds. echtbreekster. Adultery, adnltari. overspel. Adulterous, overspelig. Adulterine. ddnltdrin of ddnlterain, subst. en adj. onecht (kind). Adumbrate, adnmbreit, schetsen, een omtrek maken: Adumbrant. Adumbration. Adust, ddnst. verschroeid, uitgedroogd: somber, norsch: âion, verschroeiing, verbranding. A d vance, ad veins, subst. voortgang, vooruitga ng. bevordering, verhooging (van prijs), het voorschieten (van geld): My desires are in â of my means = mijne'begeerten zijn grooter dan mijne middelen. I tell you so in â = vooruit. The price of the goods is on the â = wordt hooger. â verb.bevorderen, voortgaan, verheffen, verhoogen, verbeteren, voorschieten: He âd an opinion from which I dissent = ontwikkelde eene meening. We should get wiser as we â in life = ... naarmate wij ouder worden: âment: âlt;1 = geavanceerd (polit., enz.): An âd child = voorlijk. âr = bevorderaar: âprooi' = afgedrukt vel: âquitte = proetje vooraf. Advantage, ddvdneidz. subst. voordeel, winst, meerderheid: Vou have taken â of my cala- |
man; rrsk = ask; fm-ni = fiim: bquot;t = but: learti = l«n: l/ne = lain: ho^se = hans: net: care = kèa; fate = feit: tin: «sleep = dsliigt;: not; \nw = lo: lord = lod: boy = boi:
AFFLATUS.
ADVENT.
|
initieH = benuttigd, misbruik gemaakt van; To great â = zéér voordeelig: Von niiist try to tiirii tliin to â = hiervan te profiteeren. You have the â of me, a» yon seem to be tainiliar with my name = gij hebt wat op mij voor.â werb.hevoordeelen.Advantageous, Advantageotisness (« = ei). Advent, adv'nt, komst, nadering, advent: Tlie polire kept a spaee clear lor the â of loyalty = nadering van den koninklijken sto'et. Adventitious, ndv'ntisds, toevallig, bijkomend: â ive. ddventive, subst. vreemdeling: adj.bijkomend, -ness. AdventMal,;gt;rfvenf/Mai, tot dén tijd van advent behoorend. Adventure, ddventjd, subst. lotgeval, avontuur, speculatie: Do it at all âs = wat er ook van kome. â verb, wagen: âsome. Adventurous, adventjdvds, gewaagd, vermetel. â r: â ss. Adverb, advitb. bijwoord. Au adverbia! phrase = bijwoordelijke uitdrukking. Adversaria, advdsêrid, adversaria,aanteekenin-gen, enz.; boek. waarin deze opgenomen zijn. Adversary, advdSdri, tegenstander. Adversa-rioits = 'vijandig. Adversative, subst. en adj. f het) tegengesteld(e) (gramm ). Ad verse,arft;ws,rampspoedig,vijandig: â winds = tegenwinden; âneus. Adversity: The uses of adversity = het nut der tegenspoeden. Advert, ddvut. letten op: 1 will no more â to that circumstance = niet meer acht slaan op. laten rusten. Advertence = oplettendheid. Advertent. Advertise,«f/i'9fair, publiek maken, adverteeren. Sunday â r = Zondagsch Advertentieblad, âment, ddviïtizm'nt, advertentie; âr. Advice, odvais. raad, overleg, lie got âs from all quarters = ... adviezen, inlichtingen van alle kanten; 1 took â with him = overlegde met hem: âboat = adviesjacht. Advise, ddvaiz, aanraden, berichten, raadplegen: It was done advisedly = met overleg, expresselijk. Advisable. Advisability. Advisableness. A well âd plan = goed doordacht. Advisory, ddvaiz ri. raadgevend: An â body. Advocate.m/iv?A:lt;7,subst.pleitbezorger.advokaat, voorstander, lie is the Devil's â of the liberal party = hij somt alle gebreken op van. Judge â = auditeur militair. â verb, bepleiten, rechtvaardigen. Advocacy = pleidooi, voorspraak, âship. Advowee, advaui. collator (van een leen, bezitting, etc.). Advowson, ad vans'n. collatie-recht. Adynamic, ndinamik. krachteloos. Adytum, adiVm, het allerheilige van een (hêiden)tempel. Adze, adz. subst. houweel: verb, met een houweel slaan. Aegean Sea, idzidnsi = Egeïsche Zee. Aegis, idzis. schild, bescherming. Aeneid, ini-id. de Aeneide (gedicht van Ver-gilius). Aeneas, inids. Aeolian, i-oulj'n. aeolisch: â harp = aeolische (of wind) harp. Aeolic, i-olik. aeolisch. Aeon, fan, eeuwigheid. Aeonian, i-oiinfn. eeuwig(durend). Aerate, eidveit, luchten, van lucht voorzien. âd bread. Aerial, dirj'l. tot de lucht behoorende: â voyages. |
Aerie, Aery, fW, roofvogelnest(arends-\ hooge menschenwoning, kinderfamilie van hooge geboorte. Aeriform, êriföm. luchtvormig. Aerify, ê/'Z/ai. met lucht vullen. Aerography, êroyrdfi, luchtbeschrijving. Aerolite, êra/aiï, meteoorsteen: Aerolitic = meteorisch. Aeromauê^, vrdmans'.. (weervoorspelling (uit de verschij'nselen der lucht). Aerometer,'quot;vowafa, luchtmeter. Aerometry, êronwlri, luchtmeting. Aeronaut, êrenht, luchtschipper, luchtreiziger. Aeronautic. Aeronautics = luchtscheepvaart. Aerostat, êrostat, luchtballon, luchtschipper. Aerotatics = luchtweegkunst. AeHculapian, eskjuleipfn, van Aesculaap, geneeskundig. Aesthete(s),t'S-^/if?(s),saletjonker,onmannelijke kwibus. AeHthetic'(algt;, es-thetikCl), de schoonheidsleer betreffend; â(s) = schoonheidsleer. Aesthe-tieism, es-thetisizm, schoonheidskunst. A est i val, ostaiv'l, zomersch. Aetyology, itiolddzi, de leer van de oorzaken der' verschijnselen, oorzaaksleer. Afar, dfü. ver, in de verte. Afeard, a/ïarf, bevreesd. Affable, afdb'l. vriendelijk, minzaam, beleefd: âness = Afjability. Affair, dfêd, zaak, strijd: It was a bloody â = gevecht. Gladstone is one of the most brilliant men of âs of our time = staatslieden: That man was versed ill âs = in de politiek (vooral de financiën). Affect, dfekt, aandoen, invloed hebben op, roeren, betreffen; liefhebben, zich voordoen als: It has greatly âed me = getroffen: He âed a stare = hij stelde zich verwonderd aan; âed with (illness) = getroffen, aangedaan door. Affectation, afdkteiè'n, gemaaktheid, liefhebberij: This seemed to be his only âation = amusement, liefhebberij, i. e. the only thing he affected. Affection, dfekè'n. toegenegenheid. liefde, aandoening: ziekte, ontsteking. Return of âii-n = wederliefde. âionate, dfekè'nit, liefhebbend, hartelijk : I am, Yours âionately B = Uw liefh. B.; âionateness = genegenheid. Affectible = te roeren. Affective, dfektiv, roerend, treffend. Affiance, a/ai'ns, subst. verloving, trouw, vertrouwen; verb, verloven, verbinden. Affiche, atliche, aanplakbiljet. Affidavit, nfideivit, beëedigde verklaring. Affiliate, zfiljeit, aannemen of erkennen als kind en lid van quot;t gezin, van een genootschap, etc. Alfiliation. Affiliable. Aflinitive, afinitiv. nauw verwant. Affinity, afiniti, aanverwantschap, overeenkomst, affiniteit (chemie): Klectioual affinities = verwantschap door keuze. Affirm,d/igt;»{, bevestigen, bekrachtigen, plechtig verklaren; âable; âaiice; âant: âation: âative: lie answered in the âative = bevestigend. Affix, afiks, subst. achtervoegsel. Affix. Dfiks. verb, hechten of voegen (aan het eind van). âture. ?fikstj,i. het aangevoegde, aanvoeging, gehechtheid. Afflatus, a/leitds, adem, opgeblazenheid, inspiratie: Af flation = aanblazing, ingeving. |
bone = boun; full: fool = tïil: .) = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jia long = Ion; «/lip = sip: occasion = okeiz'n: thin, thus = flhus: wine.
AGNOMEN.
AFFLICT.
|
Arilict, dflikt {with), bezoeken metgroote smart of droefheid, smarten: âion: âive. A I'lliience. a/lu'ns, Aniueiicy. afla mi. toevloeiing. rijkdom, overvloed. Affluent. Aniii\(ioiiK a(lnkë{?n), toevloeiing, het toegevloeide. AfTord.dföd. verschalTen, kunnen betalen: 1 can't â Jt to day = het zit er vandaag niet an: 1 will â yon the inean» = aan de hand doen. AlTorest, «/quot;orasr, in bosch veranderen: âation. AfTranehiHe, dfrantèiz of âtèaiz. vrijmaken; âinent. A ff ray, dfrei, kloppartij, ruzie, standje. AfTreiglit. dfreit. bevrachten. Airrigrit,a/quot;ra«7, subst. plotselinge schrik; verb, schrik aanjagen: âedly. Afrront,p/r»n/, subst. hoon, beleediging, verachtelijke behandeling: verb, openlijk beleedigen, weerstaan, aanranden: âed at = beleedigd over: âive = beleedigend. Afrn»e,a/7»gt;r, begieten, besprenkelen. Affusion. Afield, ófild. naar of op het veld. Alire. dfaid, in brand, gloeiend (with). Aflame, dfleim, vlammend. Afloat, 9flout, vlot. drijvend, onvast. Afoot, rfut, te voet, in beweging, op de been. Afore, ''fö. te voren, vroeger: Malice a fore-thought = . . . . met voorbedachten rade: ânamed: âsaid = voornoemd. Afraid, dfreid. bevreesd: He is more â than hurt = schreeuwt harder dan noodig is. Don't he â of him = bang voor: I am â for yon = om uwentwil vrees ik. Afresh, a/ms, opnieuw. Africa, afrikd. Afrika. African. Afric,subst. en adj. Africander, afrikvncb, blanke bewoner van de republieken van Zuid-Afrika. ânisni = iets specifiek Afrikaansch. Aft, aft, naar de achterzijde van het schip. Fore and â â het schip in zijne geheele lengte, van vóór- tot achtersteven. After, üfto. na, later, daarna: I will look â it = er op letten, naar zien: â (in) my opinion = naar mijne meening: â all = liij slot van rekening; I don't know what he is â = hij bedoelt, tracht te verkrijgen: âclap = onverwachte. nakomende gebeurtenis: âgrass, â math, etgroen; âings = droesem, de laatste uit de koe gemolken melk: ânoon = namiddag: âthought = nadere overweging. âtossing = nadeining: âward(sgt;,/J/7rV^vlt;Ar). later, naderhand;âwit=wetenschap, die telaat komt! Again,alt;/e£n of agrcn, opnieuw, weer: â and â = herhaaldelijk; He received as niiich â = nog eens zooveel: The heil rang â = weerklonk luide; At times she was aü'ahle. â she was reserved = soms ... dan weer. Against, dge(i)nst, tegem over), strijdig met. met betrekking tot: â the tith = tegen: Doing this goes â the grain with me = stuit mij tegen de borst. As â = vergeleken met: The picture hnng â the wall = aan. Agalactia,ar/,gt;/a/tf/9, Agalexy,agdleksi. gebrek aan zog. Agalactous. Agape, ageip, met open mond lt; van verbazing). A gape, agapi, liefdemaaltijd. Agaric, dgarik of agar ik. zwam, paddestoel. Agate, agit. agaat; een instrument voor gouddraadtrekkers. Agatiferous = overvloedig in agaat: Agatinc = tot agaat betekende. man; ask = Ask; tV/rm = farn; ln-é = b»t; care = kca; fate = feit; tin; asleep = ,i |
Agazed, dgeizd. verbaasd. Age ,eidz, subst. menschenleeftijd, hooge leeftijd; de oude menschen: rijpheid; meerderjarigheid: historische periode: geslacht; lange tijd: The â of Elizabeth: He was (hecame) of â = was (werd) meerderjarig: l'nder â = minderjarig. At his coming of â = bij zijn meerderjarig worden. What's yonr â ? = hoe oud zijtgij? Yon bear your â well = gij houdt u goed voor uw leeftijd: What an â yon are! = wat duurt dal lang! â verb, verouderen, oud worden: Yon have âd ten years since the other day = ... tien jaar ouder geworden sedert een dag of wat; The âing change those years have wrought = veroudering ... teweeggebracht; The âd = de bejaarden. Agency, eidVnsl, agentschap, tusschenkomst: Through yonr â = bemiddeling. Agenda, .xlzcndo, werkzaamheden. Agent, eidz'nt, agent, bewerker, middel: âial, ódzcrié'l â van een agent. Aggelation, ndzileisn, het vastvriezen of -stollen aan. Agglomerate, subst.hoekig rotsblok; adj. vereenigd tot eene massa. Agglomerate, ng/onwreit. samenstapelen, samenhoopen: Agglomeration. Ag glom era / i ve. Agglntinant,a(//»ifi/i'n?, subst. kleefmiddel;adj. k I e vend. A ggl n t i n a te,9r/ lu t in i f,adj .aa ngek leefd; verb. (dghVtneil). aaneénlijmen. Agglutination, Aggrandize, agr'ndixiz. vergrooten, verheffen, verhoogen; Aggrandizable. âment. Aggravate, agraveit, verergeren, verzwaren, tarten: Here the fellow became aggravating = onuitstaanbaar: Aggravating circnnistances = verzwarende (tegenover attenuating â verzachtende o.). Aggravation. Aggregate. agrigU, subst. geheel (van alle homogene deelen», verzameling: In the â = gezamenlijk: adj. saamgevoegd, vereenigd: verb. {agrigeit), (bijzonderheden tot een geheel) verzamelen. Aggregation. Aggregative, = (zich) vereenigend. gezellig. Aggress, dgres. subst. aanval; verb.aanvallen, den strijd beginnen; An âive man = ruziemakend = an âor: âion. Aggrieve, dgriv, bedroeven, smarten, belagen, onrecht aandoen. âd = droevig. Aggronp. lt;*grüp. groepeeren. A ghast.f'j/w.^, verpletterd van schrik en afgrijzen. Agile, adzil. vlug,bedrijvig; âneus = Agilitg. Agio,agio; âtn%e,eidz(i)dtidz,hei opdrijven of doen verminderen v. den elfectenkoers. Agist, ddzist, eens anders koeien in zijne weide laten grazen, -ment. Agitate, adzitelt, snel bewegen, hevig schokken. verstoren, de algemeene aandacht wekken. Agitation. Agitator, adziteita, drijver (op politiek gebied), stokebrand. Agle(, agldt, nestel (van veters). Aglou. zglou. gloeiend. Aglntition,a(////f«öquot;/j, onvermogen om te slikken. Agnail, agneil. nijdnagel. Agnat(e), agnut i'agneit), subst. bloedverwant (van vaders zijde): adj. verwant (v. v. z.): Agnatic relationship = verwantschap in de mannelijke linie. Agnation. Agnes, agnlz, Agnes. AgiMmien. agnownn. eerenaam, bijnaam, scheldnaam. Agnominiite, dgnomineit. 'rn = ion: 1/ne = lain: howse hans; net; [»: not; law = ió; l^/'d = löd; boy = boi; |
ALBATROSS.
AGNOSTIC.
AgiiOHtic. agnostik. iemand, die 's menschen vermogen om God, of het oneindige, te kennen.
ontkent. The âtam «f tlita philosopher.
Agnus Dei. aytiosdii, Lam Gods; deel der mis.
Ago, cW/om, geleden. Agoing = in beweging.
âne, agón, voorbij.
Agog, dgog, vurig verlangend, opgewonden (on):
â Tliey were all â to be on = verlangend om te vertrekken; lie came back all â with the sight = opgewonden door: The Hervants are all â with music = gek van.
Agonist, agdnist, es, agnnistiz, kampvechter.
Agonixe. aganniz, den doodstrijd strijden, kwellen. martelen: Au agoniyJng pain^ thought:
In the agony, agonies ol'death = doodstrijd.
Agrarian, dgrêrj'n, tot den akkerbouw behoo-rend: â laws, crime, outi'Hge. âism.
Agree, oyri, het eens zijn, eensgezind leven,
toestemmen, overeenkomen, het eens worden:
passen bij, overeenstemmen (gramm.): Ilow do you and your master â ? = Hoe is de verhouding tusschen u en uw meester ? Wine does not â with me = ik kan geen wijn verdragen; We âd on the plan = werden het eens over; lie would not â to our plan = goedkeuren: We eannot â about it = daaromtrent eens worden: lie would not â to go there = eens worden, toestemmen: The verb âs with its subject =
stemt overeen: âment = overeenstemming.
formeel contract.
Agreeable, agridhl. aangenaam, passend: â
to our wishes = overeenkomstig: lie does the â = hij wil lief zijn; Are you â ? =
vindt gij het goed? Agreeabiliti/ = âness.
Agrestic(a 1), dgrestik{'/), landelijk, ruw, lomp.
Agriculture, agrikv.ltjp, landbebouwing, landbouwkunde. Agricultural. Agriculturist.
Agrimony, agrimdni. het leverkruid.
Agronomy, dgrondmi, landbouwkunde.
Aground, ngraund, aan den grond, gestrand.
Ague, eigju. subst. (koude) koorts: lie was lying in an â lit = aanval van toenemende koorts; A persistent â = hardnekkige koorts;
â verb, de koorts op het lijf jagen; âtree =
sassefras. Aguish, eigjü-ië.
Ah, ö. ach, och.
Aha, aha, hoera! Mooi zoo! Bah!
A head, ahed, vooruit, vooraan: lt;üo â = vooruit maar! He is â ot'all = allen vóór. Vou are â
ol' time = voor uw tijd, uw tijd vooruit.
A heap, p/ifp, op een hoop.
A hein, a/iem, h'm!
A hoy. zliói, hola! (bij zeelieden, om een schip aan te roepen): Boat â!
Ahull, fl/i»/, voor top en takel, d. i. een schip ligt ahull, als de zeilen zijn ingenomen, met het roer aan lijzijde, als bij een zwaren storm.
Ai, eiai. luiaard of ai.
Ai, ai, interj. Helaas! â lor the fleecy flocks == Helaas! onze wollige kudden.
Aid, eld. subst. hulp, bijstand, helper, subsidie,
belasting, schatting; â verb, helpen, bijstaan,
verlichten: This meeting will greatly â in influencing the whole country == ertoe bijdragen. Aide-de-camp. âer. âless.
Aiglet, eigldt, jonge arend.
Aigret(te), eigral. Zie Kgret.
Ail, ei/, kwellen, pijnigen, deren: I â nothing of: \othing âs me: My friend is âlug =
btgt;iie = baun: full; fool = lui: e = toonlooze vokaal (zie aslecj) en car \ong = loij; s/iip = «ip; occasion = okeiz'n; thin; //his «= dhas: wine.
ziekelijk,sukkelend. \\ hat âsyou with him? = hindert u in hem: âment.*
Aim, eim. subst. mikpunt, doelwit, plan: He missed his â = schoot mis: verb, mikken, richten, trachten: What do you â at? = Waarop hebt ge het gemunt? The author âs higher = heeft een hooger doel. He âed at my ruin = had hetgemuntop: Teil âed at his boy's head = mikte op: âer: âfill; âless.
Air, êd. subst. lucht, atmosfeer, windje, koelte; wijsje, air; voorkomen, gemaaktheid, tróts: He gives himself âs. Let us take the â for a moment = een luchtje scheppen. That mail has an â of security about him. which I do not like = neemt aan een vertoon van verzekerdheid. It has taken â = is ruchtbaar geworden: â verb, luchten: The room was âed. She took an â ing every day = ging rijden (of wandelen), om een luchtje te scheppen. He is always âing me in public, and dropping me in private = in de hoogte steken, pochen op... negeeren, naar beneden halen. Air-brake.êdbreik. lucht-rem: The engine-driver turned on the â brake = machinist bracht de luchtrem in werking. âbuilt, âdrawn = slechts in de verbeelding bestaande; âgun = windroer: âpipe = ventileerbuis: âliisht = luchtdicht; â y: ây castles = luchtkasteelen == castles iii the' â: âiness.
Aisle, ail, zijbeuk (van een kerk), ter onderscheiding van nave (het schip) en choir (het koor), die in het centrum liggen: doorgang tusschen zitplaatsen in eene kerk. laan: âd. A it, eit, eilandje (in eene rivier of een meer). Aix-la-C^hapelle. ciksloëdpel. Aken.
AJar, ddzü, op een kier: oneenig.
Akimbo, vkimbou, in de zijde: With arms â = op de heupen, de ellebogen buitenwaarts. Akin, a kin, verwant (door bloed of aard). Alabaster, ahbaste, subst. albast; adj.albasten. Alahastrian. Alabastrine.
Alack, alak, âa-day = helaas! wee! A lacrions,f'/r//.-WrW,vrool ijk, blij moedig: âness. Alacritv, alnkriti. vlugheid, opgewektheid. Alaniolt;)e, .xb-moad, subst. dunne zijden stof: adj. nieuwmodisch. âbeef = rundvfeesch met dikke saus.
Alant, dlant, bulhond.
Ala(rgt;, eild, (van) vleugeUs voorzien): â ry, eildri. vleugelvormig.
A larie, a la rik, A la rik.
Alarm, alüm, subst. (alarm)signaal. plotselinge schrik, het te wapen roepen: wekker taan eene klok): uitdaging (bij het schermen): To give the â. to sound an â = alarm maken, blazen: â verb, ontstellen, te wapen roepen, tot waakzaamheid aanzetten: The Oerman emperor has a trick of âing garrisons at impossible hours = alarmeeren. They all assembled at the --post = loopplaats (mil.); âwatch = uurwerk met wekker: (Alarum is hetzelfde als Alarm): âing?. âist = alarm-maker , schrik verspreider.
Alas, aids, helaas!
Alb, alb, koorhemd.
Albany,«/amp;gt;/?lt;: âbeef= vleeschvan den steur. Albati â¢oss, albatros, albatros (een vogel in de Zuidzee).
â¢); girl: 2/ear = jia;
ALBEIT.
10
ALL.
|
Albeit, i'ilbiit. al zij het ook. ofschoon. AI beiii» l ie, albdmdl. Albescent, nllyes'nt* wit(achtig) wordend. AlbigeiineM. ixlbidzensiz, Albigenzen (Godsd. sekte, 12e eeuw). AlbigeiiHÃin. Albino.quot; /Mgt;?olt;/.blanke neger. Al biness.ri Ibi nas, vrouwelijke Albino. Albhiisin. Albion, (dichterl.) naam voor Engeland. AlbiiKineoiiH . nlbjudzinids, AlbiiKinons, dlbjüdzims. gelijkend op het wit van oog of ei. Albugo. .'Ihjiiyotf. parel (op het oog). Albiini. alb'm. album, gedenkboek. Albiimen.aM/rtm'n, eiwit (in planten en dieren). Albttminous matter = eiwithoudend: eiwitstof. Albuminize = in eiwit omzetten. Albiiiiiiiiiii'ia. albjuminjiirid. nierziekte. Albiirniiiii. albiïn'm. spint (van het hout). Alcedo. alsidou, ijsvogel, koningvisscher. Alcheiny. alkimi, alchemie; Alchrmist. Al-elieiniz'e = (door tooverkracht) veranderen. Alcibiade». alsibaiddiz. Alcohol, alhdhol, alcohol, wijngeest: Alcoholic liqnor.H = sterke dranken: âize = met alcohol verzadigen, âcation. Alt'oran. Alkoran, alkdwn, het heilige boek (der Mahomedanen), toren op Oostersche tempels. Alcoranist. Aleove, alkonv. of alkouv, alkoof, nis; ook: prieel, zomerhuisje. Al coved = gewelfd. Alryon. olsidn. soort ijsvogel. Alder, 6ldd of oldd. elzeboom. Aldernian,ó///»»»/'n, wethouder, schepen, raadsheer; â in eliain» = met saucijsjes behangen kalkoen: âry, âship = de waardigheid van een â : âlilie = als een â. Aldershot. ólcldsot. stad. waarbij een groot militair kamp. Ale, eil. (Engelsch) bier. Stout, Mild. Bitter, Porter, Cooper â zijn biersoorten: âbeneli = bank in of voor een bierhuis; âgar = bierazijn; âhoof = kruipklimop; âwife = bierhuishoudster, haringvormigevisch (Amer.). Alee. a/?. aan lijzijde. Alembic, dlembik. destilleerkolf. Alert, ;diït. waakzaam, lie is on the â = op zijne hoede: âiichm. Alet, niet. vleugel, pilaar, beer (metselw.). Aleutian NlandH. altiö'nail'ndz. Aleutische eilanden. Alexandrine, nloyzandrin. Alexandrian, ategzandridn. versregel van zes jamben (12 lettergrepen). Alexander, Aleck. .1 lick. Airlt;red). nlfrdd. Alga. ahjn. zeewier: âe. aldzi, zeeplanten, waterplanten: âI, AlgoiiM,ulgns, vol zeewier. Algebra, aldz.tbre. stelkunde, algebra; AIge-braic(al). Algebraist, aIdidbrei-ist. Algerian, dldtirj'n, Algerijn(sch). Algernon, aldzdium; verkort: Algy. aldzi. Algid, aid:id. koud. Algiditg = bekleuming. Algiers, aldzfdz. Algnazil. Rlgiuoztl, (Spaansch) konstabel. Alias, ei/^s. subst. tweede of aangenomen naam: adj. anders genoemd. Inter alia, intdreiljn, onder anderen. Alibi, alibin. subst. afwezigheid (van eene plaats, toen daar eene misdaad werd gepleegd): 1 proved my â. Alice, a lis. Elsje. Alien, eilj'n. subst. vreemdeling, iemand niet |
in het bezit der burgerschapsrechten: adj. vreemd: âbill = vreemdelingenwet; âage. eiljdnidz, vreemdelingschap: âable = vervreemdbaar: âate, eiljanit, adj. vervreemd: â verb, (eilidneit) vervreemden (van iemand, van elkander), âation. Alienee = wien iets overgedragen is. âIhiii. Alilerons, olifdrds, Aligerous, dJidzir,ts. van vleugels voorzien. AH form = vleugelvormig. Alight, dl ait. adj. aangestoken: lier eyes are â = schitteren; He intendM to set the Thames â = hij heeft groote plannen. Alight, dlait, aansteken, afstijgen: To â Ironi a horse; neerkomen: The bird âed on the branch: afstappen: The ambassador âed at that hotel. Align, dlain. op ééne lijn plaatsen, in orde van bataille komen; âment. Alike, olaik. gelijk, op dezelfde wijze: The Joy. the ecstasy and the Mhoiiting of the Vliildren are all indescribable â = zijn alle evenzeer onbeschrijfbaar, d. i. het eene leent zich evenmin voor beschrijving als het andere. Aliment, albrtnt, subst. voedsel, levensonderhoud (volgens de wet): â verb, (iemand» onderhouden (volgens verplichtingen, door de wet opgelegd); Alimental, Aliment ar g. voedend: âary canal = voedingskanaal; âation. Alimony, «//man/, onderhoud, dat een man wettig Verplicht is. aan zijne (van hem gescheiden) vrouw te verschalTen. Alive, dlaiv. in leven, levend, werkzaam, lettend op, vatbaar voor: He i» terribly â to an atlVont = hij voelt eene beleediging zeer diep; Ijook â = wees vlug: He is a I â = hij is er goed bij, levendig; They Hkiiined him â = sloegen hem rauw (ook: vilden... levend). This work is very much â to testily to hi» fitness lor it'= dit werk is een lévend getuigenis van zijne groote geschiktheid er voor. Alkali, alkdli, loogzout: â ne, alkdltum, met de eigenschappen van â; âfiable. AlkernicH. Dlkttmiz. een stroopje van bessen, suiker, enz. All, öl. subst. het geheel, liet alles; adj. en adv. geheel, gansch. volkomen: When â is said (told) = bij slot van rekening = after â. Kot at â = in 't geheel niet: It is â one (the same) to me = hetzelfde: This is the beâ and the endâ of life = de geheele inhoud. Take that man for â in â = neem hem geheel zooals hij is: â the town, the day = de geheele: â right = klaar: He is â 'right = hij is klaar, binnen, gered, enz.; If yon do it at â, tell me so = nog: He won't go there for â (aught) I know = voorzoover; This is a time, of â others, when want is keenly felt = meer dan andere. The boy creeps on â fours = op handen en voeten; I have read the book â through (from cover to cover) = heelemaal. He is a fool â over = een groote dwaas. In he came â of a sudden = plotseling. He is â the better for the sea-air = veel beter vanwege. I have told yon so â along = altijd, voortdurend. Fifteenâ =15 gelijk I (bilj.): That is she all over = heelemaal. I am â ears and â eyes = ik ben geheel |
man; ask = ask; farm = tain: bquot;t = but; learn = Iwn: 1/ne = lain: ho/fse = hans; net: care = kèrf: f'*te = feit: tin: asleep = «slip; not: law = lo; lord = löd; h gt;g = boi:
ALLAY.
11
ALOOF.
|
gehoor, en zie toe niet geheel open oogen: TIiih HenteiK'e is â capital» = bestaat geheel uit lt; Verg. A street â stables). I was â but deceived by liim = bijna. It is â along of you = het komt alles door u; âcomers = alien, die zich aanmelden; Au â gone sen-Mation = gevoel, dat men verloren is: â lather = alvader. godheid: âtools' Day = de eerste April: âliallo\v(s) = Allerheiligen. Ie November: âround = van zessen klaar: An âround actor = voor alle rollen geschikt; âsouls' Day = allerzielen. 2e November; âspice, nagelbol, pimentbes. Allay. Blei. doen bedaren, stillen, verzachten, verlichten; âer; âinent. Allegation, zUtgeis'n. aanhaling, verzekering, verklaring (wet). Allege, A Hedge, sledz. (als bewijs) aanhalen, bijbrengen; â r. AHegliany, atogeini. Allegiance, zlidz'ns, (onderdanen)trouw; Al-legiant. Allegory, aldyori. figuurlijke wijze van voorstelling* zinnebeeld, allegorie; Allegoric(al). Allegorize. Allegorist. Alleluiali, Allelujali, ixfoliijd. Hallelujah! Alleinannic, ixld'manik. allemannisch, oud-dnitsch. Alleviate, dllvjeit, verlichten, verzachten; .4/-ieviation. A lie via tire. Alley, ali. steeg, laan, baan (kegelâ): âed. Alliance, olaïns. verbond, vereeniging. bondgenootschap. The l'nited Kingdoni â = naam van een geheel-onthoudersgenootschap. Alligation, aligeiamp;n. verbinding; regel tot het vinden der waarde van artikelen, uit verschillende deelen bestaande (rekenk.). Alligator, al ig ei to, (Amerikaansche) krokodil, kaaiman. Allision, dlizn, botsing. Alliteration, alitareisn, stafrijm, herhaling der beginletters in versregels: Allitwative. Allocate, aldkelt, (ieder zijn deel) toewijzen; Allocation. Allocution, aldhjilsn. plechtige toespraak of rede (vooral van den Paus). Al locative. Allodial, aloaclfl. allodiaal, niet leenroerig. Allodiuin, aloadfm. eigen (niet leenroerig) goed, bezitting. Allonge, dlnnz, stoot of uitval (bij het schermen); verlengde teugel. Allopathy, dlopn-thi. de gewone geneeswijze (staande tegenover liouioeopatliy). Allot, olot. volgens het lot toebedeelen, toewijzen. â nientgt;grlt;»unds = in stukken verdeelde landerijen, welker deelen aan verschillende personen worden toegewezen: ânientslt;act = wet. waarbij deze verdeeling en toewijzing bepaald wordt; Alottee â wien iets toebedeeld wordt: âter = toebedeeler. Allow, Dlaa, toestaan, veroorloven, goedkeuren; verminderen: lie was âed a hundred a year = toegelegd; He âs oi* your excuse == neemt aan: You must â tor his youth = in aanmerking nemen; âable: âance = vergunning, toegevendheid.oogluiking, toelage: His weekly âance was too small to keep his family from starving = weekgeld (wat hem wekelijks werd toegelegd gt;,... voor honger te behoeden; You must make âance lor his hard words = door de vingers zien: I will give due âance for that fact = dat feit gaarne erkennen: We had a small âance of powder = voorraad kruit. |
Alloy, dlói, subst. allooi, bijmenging (van onedel* metaal); verb, een edel metaal met een minder edel vermengen: -age. Allude, oljnd, zinspelen, toespelen: Did you â (make any allusion) to that circiiuistnnce? An allusive, allusory remark = zinspelende. Allumette, aljumet, zwavelstok. Alluminate, dljftmineit, met ornamenten versieren, verluchten (van handschriften). Allure, dljüj. aanlokken, verlokken: -ment. Allusion. Zie Allude. Alluvial, Dlüij'l, aangeslibd. Alluvion. Alluvium = aangeslibd land. Ally, Dlai. subst. bondgenoot: verb, verbinden (door een verdrag). Almadie, almddi, Almadia, ahnsdid. eene boot of kano van boombast (Indi«:. Afrika). Almagest, aImodzest, verzameling van wiskundige en astronomische vraagstukken (eig. die van Ptolemaeus). Almagra. olmagra. fijne, donkerroode oker. Almanac, olmanzk, almanak: Pictorial â = geïllustreerde; â of the million = volksalmanak. Almandine. alm'ndnin. eene kostbare soort robijn. Almighty, óhnaiti, subst. de Almacht(ige): adj. almachtig; â dollar = geld. Alniond,«m'nrf, amandel, suikerboon; ânails. Filbert-nails = amandelvormige, fijne, schoon geronde nagels (D. Mandelförmige Nagel). Almoner, almand, alt;ilmoezenier. Almonry. ahn'nri. aalmoezeniershuis, etenskast: Lord High â = Grootaalmoezenier. Almost, ólmoust, bijna, nagenoeg: Heisan â i'rotestant. Alms, mnz. aalmoes, aalmoezen: He lives on the âbasket = van de liefdadigheid: âbo\ = liefdebus; âdeed = daad der liefdadigh.: âhouse = armenhuis. âman, dmznnxn. bedeelde; âpeople = bedeelden. Alnwick, am/i, eene stad. Aloe, alou, aloe. âs, aloaz. verdikt aloesap: Aioetic acid = aloezuur. Aloft, aloft of aloft, omhoog, boven aan (in) den mast; All hands were piped â = op dek. Alomaney. aldrnansi, voorspelling uit zout. Alone, 'gt;loun, alleen, eenzaam: Let (leave) him â = laat hem met rust, begaan: Let well alone = laat het stil begaan, bemoei er u niet mede. Let him â to be in time = laat hem maar loopen. hij komt wel op tijd. Let your brother â for a clever administrator = die broeder van u is toch: She can walk â = alléén loopen. Along,.gt;/o?gt;,indelengte,voort.voornit,langs: It in all â of you = *t komt alles doom: Come â = ga me'e; (io â with you = och loop! We went there â with liini = in zijn gezelschap. The boat» were âside = naast elkaar. Wc sailed â shore; I guessed it all â = ik heb het altijd (al dien tijd) wel gedacht. Aloof, dluf. op een afstand, ver: Why do you keep â ? = blijft gij van verre staan? | The Scotch and the Frisians stand in 1 the repute of cliaracteristie ânes» = |
bone = boun; full: fool = tul: j = toonlooze vokjial (zie asleep en care): girl: //ear = jia: lo»f7 = loi^; s/iip = sip: occasion = okeiz'n; thin: thus = dhus: wine.
AMEER.
A LOST.
12
|
hebben den naam, dat hun ar.rd niet toe-schietelijk is. AluM. a/osf, Aalst (stad). AIcmiiI. :gt;laucl. luide. Alow, sloit, beneden in het scliij» (tegenover aio It). Alp. alp. hooge berg. onoverkomelijkheid: ; Alpine, alpin of alpain, subst. bergaardbei; j adj. zeer hoog, bergachtig. The âh. Alpac». alpakfi, Chiliaansche of Peruaansche ; lama; laken van lamswol. Alpliabef,a//Vgt;6ef,subst. Het Abc: â verb.alpha-betisch rangschikken, met de letters van het 1 alphabet aanwijzen; ânrian; Alphabetic]' Alpha and Omega = het begin en het einde. Alphitoinaiicy, alfitomansi, voorspelling uit | gerstemeel. AlpiioiiMin, sifons in. instrument om kogels uit eene wonde te verwijderen. Alqiiiron, -.xlkifn, looderts, dienend om een groen vernis te geven. Already, ölrecli, reeds, tegen een bepaalden tijd. ; Al «are, alsas. Alwatia, atzeièa, deElzas: ook: berucht gedeelte van Londen. Alsatian. AImo, Olsou. eveneens, ook. Alt. ó//. de hooge tonen van de toonschaal; âo, subst. bovenstem of alt, de alt(viool); adj. hoog (van stem of toon). Altar, 61 te. altaar, de avondmaalstafel (in de i Eng. Staatskerk), heiligdom: lie led her to the â = huwde haar; â«lal». âtable = bovenstuk van een altaar: âtoinl», âtutu = graftombe in den vorm van een altaar. Alter. óltd. veranderen, wijzigen; âable: âabilily: âation; âalive, óltordtiv, subst. geneesmiddel; adj. veranderend. Altercate, alt-gt;lceit. heftig disputeeren, vechten: Altercation = ruzie. Alternate, sltAnit, subst. plaatsvervanger, hulpprediker: adj. opeenvolgend, beurtelings, afwisselend: verb, (dltiïaeit). beurtelings doen, afwisselen: Alternation. Alter native = keus ⢠uittwee): They went there alternatively = ! om beurten. Althéa, al-thid. althéa, wilde maluw. Although, ól-dhou, (al)hoewel, ofschoon. Altimeter,hoogtemeter = Altometer. Altisonant, altisdrint, hoogklinkend, hoog-dravend. Altitude, altitjml. hoogte, hoogte boven den horizon, hoogtepunt: He i»in hi» â = buitengewoon vroolijk. Altivolant, altivdVnt, hoogvliegend. AIto. Zie Alt. Altogether, ultdge-d/hi, geheel, volkomen: That's â m rong = heelernaal mis. AltrniHin, altruizrn. opolïering voor anderen. ! Altruist. Altruis.tic = zelfopofferend. Aluin, al'ni, subst. aluin: verb, met aluin door- | trekken: âsalt = steenzout; âinilerons, dljiiminifdr.is, aluin bevattend: Alnrniniam. Alntaceons, nljateièes. gelooid, lederkleurig. Alveary, alvjdri. bijenkorf, (buitenste) oorholte. Alveole, al oio al. Alveolus, olvtolos, cel van een honigraat; de holte, waarin een tand zit.. i Iveolar. Ah ine, al vin of al vain, tot den (onder)buik of de ingewandeis behoorend. Alway(s). ólwi(z), altijd, regelmatig, geregeld. Ahvin. óliuin, Alewijn. Amadou, ameclu. tonder, zwam. |
Amain, krachtig, sterk. Let go â = strijk! Anialgani(a). . n alyoana), mengsel van kwikzilver . met een ander metaal, mengsel in t algemeen; âate; âation. Aniandola,''//««/quot;tefa, groen marmer met witte plekken. Amaiiiiensis, fninnjuensis, klerk, secretaris, helper. Aniarant(hgt;, antdi Pntih), â hns, nmdran-thos. duizendschoon; purperkleur. Amaranthine, Amaryllis, dmarilis, amarillis. Amass, dm fis of dmas, ophoopen; âinent. Amateur,agt;»0tw.amateur. His work isârisli = als van een liefhebber (niet als van een beroepsmnn), niet veel zaaks; â ism. Amative, arndtiv. verliefd; âness. Amatory, arnstdri. tot de liefde behoorend: An â look = verliefde blik. Amriiirosis. nmórousis, zwarte staar. Amaze, dmeiz. subst. verbaasdheid; verb, verbazen. ontstellen; âdness; âment. Amazon, amdz'n, amazone, n.anwijf, feeks. Amazonian. Ambages, ambviclziz, omhaal van woorden, vooral met het doel om de kwestie te ontduiken. of te bedriegen. Ambassador, ambasddd, (af)gezant; Ambas-HiHlrvHti^'mbasrHlrjs. de vrouw van den gezant. Amber. amba. subst. amber, barnsteen; adj. amberachtig; âgris = âgrease. Ambidexter, nmbidekstó, iemand, die beide handen even vaardig kan gebruiken: een onoprecht, dubbelhartig mensch: Ambide-rtrons. Ambient, ambj'nt. omringend; â air = dampkring. Ambigu, ambi'jjn. feest met een mengelmoes van gerechten. Ambiguity, ambigjftiti. Ambignous(nessgt;. rtmbiyjnas(nds), dubbelzinnig(held). Ambitiim. nmbiè'n. eerzucht: Ambitions- (ness), dinbisasintds) = eerzuchtigdieid). Amble, amb'l. subst. telgang.kalme gang; verb, loopen als een telganger: zonder horten gaan, gemaakt gaan; â r = telganger. Amblygon, amblig'n. stomphoekige driehoek. Amblf/gonal. Ambo, ambon, verhoogde lezenaar, spreekgestoelte. Ambrosia, ambrout'/')£gt;, godenspijs, lekkernij: âI. Ainbrosian. ainbroaz'n. van den Heiligen Ambrosius (340â379). Ambrose, ambron.z* Ambrosius. Ambry. ambri. plaats voor aalmoezen; afgesloten* nis bij het altaar voor de heilige vaten; etenskast, vliegenkast. Ambs-aee, amzeis, Ames-aee, e£//iquot;eii?, dubbel aas, ongeluk. Ambnlaiiee,/.'/^.verplaatsbaar hospitaal, ambulance-wagen. A nib al ander. Ambulate, ambjaleit. achter- en voorwaarts bewegen, rondwandelen: Ambulator, afstandsmeter;. Ambulatory court, ambjuleïtdrilcöty rondgaand gerechtsh'of. Ambuscade, arnbaskeid. Ambuscado. ambas-keidon, Ambnsli, anibuè. subst. hinderlaag; verb, in hinderlaag liggen, plotseling aanvallen. Ambustiiin. arnbvstj'n. branding, brandwond. Ameer, Amir. dniia. (Arabisch) vorst, emir. |
man; lt;/sk = ask: lagt;*m == lam: b/'t = bot: \earn = hm; line = Iain: honsé = hans; net; core = kêa; fate = feit; tin; «sleep = oslip; not; Uvo = ló; lo/'d = löd; boy = b«i;
ANALOG V.
Vó
AMELIA.
|
Amelia, dmiljd. Amalia. Amelionite, dmifjareit. verbeteren, beter worden; Ameliorable. Amelioration. Amen, Amen of eimen. het zij zoo: verb, amen zeggen op. Amenable, dmtndb'l. verantwoordelijk, handelbaar, onderworpen: ânews = Amenability. Amend, omend. verbeteren, beter worden: âable; âatory = verbeterend: âment. He malle â» = 'hij vroeg excuus, vergoedde, maakte goed. âè, jmand of »mond, vergoeding, boete, excuus. Amenity,dmeniti. aangenaamheid, vriendelijkheid: AnienitieM = beleefdheden. Amentia, dmetiS(i)d. stompheid van geest. Amerce, dmtis, beboeten met geld (in money), âment. Amerciable = beboetbaar. Ameriea, dmevikd. ân. dmerik'n. subst. en adj. Amerikaan(sch); âiiiMin: ânize: ânist. Americomania. Amewbiiry, eimzbri. AmetbyHt, am,i-thist, amethist (een kristal-kwartsV. purperen kleur): purperkleur: âine. Amiable, eimjdbl. beminnelijk, lief: âne»» = Amiability. AmiantliiiN, amian-thas. asbestachtig, groen mineraal: steenvlas. Amicable, arnikdb'l. vriendschappelijk, welwillend; âiicks = Amicability. Amice, amis, groote pelgrimsmantel; de strook linnen, die de priester bij de mis over den schouder draagt. AmidiHt), dmid(st). te midden van: âsliip» = middenscheeps. AmiHH, amis, verkeerd, te onpas. Don't take i* â = kwalijk; That is not â = niet kwaad. \mitgt;, amid, vriendschappelijke verhouding. A min;:, ama. breukband. Ammoniii, Sfiounjd, vluchtig zout in hnrts-lioorn. amm'.nia: Liquid â = salmiakgeest. âc. Ammoniacal. Ammonium. Aniniiinition. nrnjvniè n. krijgsvoorraad. â bread, kommiesbrood: âclothing;, soldaten-kleeding: âed. Amnesty, amndsti. subst. kwijtschelding van straf (aan politieke overtreders): verb, kwijtschelden. Aniong(»t),am»Ji(.sO, vermengd met. te midden van: â ourselves = onder ons gezegd:'We bought the house and sarden â ns = met ons allen (méér dan twee). Zie Between. Amorist, amarist, minnaar: Amorous. Amorphous, amöfds, vormloos, onregelmatig. Amort, am Ut. halfdood, moedeloos. Amortize, amötniz. goederen schenken of overdragen (in de doode hand ),amortiseeren,aflossen, âment = Amortization. Amotion, amouè'n. ontzetting uit een ambt of bezit. Amoiint, amaunt, subst. som. bedrag: verb, bedragen: The debt âs to 50 guilders a head = bedraagt . . . per hoofd. Amour, amua. minnarij. Amove, amüv. wegzenden, ontzetten: Amor- i able. Amovability. Aniphibials, amfibjalz. Aniphibians, am- \ t'ibjanz. Amphibia, amfibja. tweeslachtige dieren, amphibiën: A mpbibious: Amphibiology = de leer der amphibiën. Amphibrach, amfibrnk. versvoet van drie |
lettergrepen (onbetoond betoond onbetoond, b.v. unhappy). Amphisoii.»//?/7.lt;lt;ai,Amphiscians.c/m/7.s/^/fr. dubbelschaduwigen. d. i. bewoners van de heete luchtstreek, zoodat de eene helft van het jaar hunne schaduw naar het Noorden, de andere helft van het jaar naar het Zuiden valt. Ampliitlieatrê.a/»/ï-//lt;iaf,gt;,amphitheater( theater. ingericht in cn'cuamp;xovm). Amphitheatric. Amphitrite, amfitrn'üi of amficraiti. soort zee-schelpdier; vrouw van Poseidon. Amphora.aarden vat (met tweeooren of handvatsels) voor wijn, olie. etc. âI. Ample.«//ï/)7, groot, ruim,breedvoerig; ânesn. Amplily = uitweiden, overdrijven. Amplitude, 'amplitjixd. grootte, uitgestrektheid: slingerbreedte. Amply = overvloedig. Ampulla, ampula. wijd vat met nauwen hals. bij de Romeinen in gebruik ter balseming van hét lichaam na het baden: Ampullaceous. Amputate, ampjuteit. afzetten (van lichaams-deelen-); Amputation! Anipntator. Amsel. ams'U lijster. Amuck, amnk, subst. dolzinnig alles aanvallen wat men tegenkomt: This author rims â against (at) democracy = woedt, raast. Amulet, aynjiilat, amulet (wordt gedragen al? een middel tegen ongevallen). Amuletic. Amuse, amjiiz, aangenaam bezighouden, vermaken. voorspiegelen. Amusive, amjilziv. vermakelijk; â mént. Amy. ei mi. vrouwennaam. Amygdalate. emiydaleit, subst. amandelmelk: adj.* amandelachtig. Au, an. art. het onbepalend lidwoord (vóór vokalen): conj. indien, of. Ana. eina of ana. letterkundige praatjes (van pers. of lokalen aard). A na baptism, nnabaptizm. leer der wederdoo-pers. Anabaptist. Anabaptistic(al). Anacephalaeosis, nnasefaliousis. herhaling (van de voornaamste punten eener rede». Anachronisni. anakranizm. fout in de tijdrekenkunde. Anachronistic. Anaclastic, nnaklastik. ten gevolge van straalbreking. Anaconda, onakouda. groote slang (in -i â Tropen), boa. Anacreontic, anakriontik. subst. erotisch gedicht; adj. van Anakreon, anakreontisch. Anaemia, anhnia, bloedarmoede; Anaeinu-. antmik. anemik. bloedarm. Anaesthetic, n nas-the tik. subst. en adj. ver-doovend (middel). Anagogy. aneyowlzi. allegorische verklaring van het Oude Testament, geestelijk licht. Anagram, anayr'm. een woord of zin. gevormd door letterverplaatsing van een ander woord: een gedicht, op die wijze vervaardigd: verandering: âmaticial). Analecta. nnalekta. Analects, analekts. veiv.n-meling van stukken uit schrijvers. Analectic. AnalepsiH, analepsis. herstel van krachten. Analeptic^ subst. en adj.. herstellend (middel». Analepsy. ixnalepsi. aanval van beroerte (vallende ziekte). Analogism.'cwa^f/r/sw. betoog van de oorzaak tot het gevolg, onderzoek naar de dingen door hun ik- wereenkomst. Analo'jicial). Analoyist. Analogy, â¢nalddzi. overeenkomst tusschen |
bone = boun: full; fool = ful: a = toonlooze vokaal (zie asleep en rare): girl: year = jia: \ony =â loi^: sln\) = sip: occa^/on = okeiy/n: thin: tbus = dhus; wine.
ANALYSIS.
14
A NOLO.
|
dingen, die overigens verschillen: analogie (gramm.); Analogue. Ami logo us = overeenstemmend. Aiialtigize. dnalodzniz. door analogie verklaren. .inalisis, ontleding, oplossing door algebraïsche vergelijking. Analyze, andlalz, ontleden, oplossen; Analyzable'. AiialvNt = scheikundige; Fuhlie Anahjst = ambtenaar met het onderzoek van voedingsstoffen belast. Analytical) = ontledend. Anana, dneind of dndno, (de specifieke naam van den) pijnappel; ananas. Aunpest, anapest, versvoet van drie lettergrepen ( twee onbetoonde betoonde, b.v. understand). Anarchy, anski, regeeringloosheid; Anar-cliiHin/AiiarcliiHt. Anarchic(al). Anarch. AnartliroiiM, anüthrds, zonder ledematen: zonder lidwoord (gramm.). Anasarca, anasükd, waterzucht. Anasarcous. AnastoinoHe, ^«astómour, het onderling samen-loopen van aderen. Anastroplie, AnaHtropliy, anastrdfl, omkeering van de gewone volgorde der woorden. Aiiatliema, anathsma, banvloek = â tiwin: âtization = verbanning, vervloeking. Anatomy, anatemi, ontleedkunde, ontleding, geraamte. Anatomist. Aneestor,««saste, stamvader, vroegere bezitter. AnceMtreHS, ansdstrds. Ancestral. Ancestry = oude, hooge, voorname afkomst. Anchor, arfid, subst. anker. Ships at â = voor anker. Sheet â = plechtanker. To ride at â = voor anker liggen. Let in* weigh â = het anker lichten. To cast anchor = ... uitgooien, (fig.) zich vestigen. Tlie linke (of an â) = hand, klauw; â verb.ankeren,rusten; âed. Anchorage, ankdridz, de ankers van een schip, liggeld, ankerplaats. The ship was cast loose l'roni her âage = is losgeslagen. Anchoret, Anchorite, ar\kdrn\t, ana choreet. kluizenaar. Anchoress. Anchovy, an{t)èoum, anchovis. Anchylosis, ^kilousis, onbeweegbaarheid (van een gewricht). Ancient, einamp;nt, subst. vaandrig, vaandel: adj. oud. uit vorige geslachten. The âs = de Ouden: de ouderen (van een volk); â ofllays = Godheid: âness. Ancientry â geboorte-adel. Ancillary, ansildri, dienstbaar (van eene dienstme/V). Ancipital, ansipit'l, Ancipitons, ansipitds, twijfelachtig, dubbelvormig. Ancon. aiik'n, bovendeel van den elleboeg; Anconal. Anconeal. Aiicon(es). ar^k'n, ar^koaniz, ornamenten (in de bouwkunde), hoeksteenen, etc. And, amZ oïdn{d). en. Without buts, it's and âs = zonder voorbehoud: â all that (sort ol* thing) = en dergelijke (meer). Andalusia, imdoluzd^, Andalusiö; ân. Andante,subst. langzame beweging; adj. langzaam. Andantino, andonttnou, langzaam (maar vlugger dan â). Andes, andiz, de Andes. Andiron, andsidn, vuurbok: het ijzer, waarin het spit draait; haardstel. Andrew, andriï, Andries: Merry â = Jan Klaassen: St. Andrews, s'ntandriïz, stad. Andronicus, andrdnaikds. |
Androgynal, androdzin'l, Androgynons, androdzinas, tweeslachtig. Anear, anij. nabij. Anekdote, anakdout, anecdote, lie fell into anecdotage = raakte aan quot;tanecdoten vertellen, werd sufferig. He is great in anecdotoloyi/ â in de anecdotenleer. Anecdotic(al). Aneniograph, anenwgraf, windmeter en windwijzer. Anenionieter, anemoniata, windmeter. Anenione, Anemony, anemani, anemone, I windbloem. Anent, anent, met betrekking tot, betreffende. Aneroid, aneroid, aneroïde barometer. Anenrism, anjurizm, slagadergezwel: âal. Anew, anjü, opnieuw, anders. Antractuose, anfraktjuous, Ant'ractnons, anfraktjuas, vol bochten en kronkels. Angel, eindz'l, engel, Godsgezant, oude En-gelsche munt. He is my guardianâ = beschermengel. Talk of an â, and we hear the fintter ol* her wings = als men van den duivel spreekt, komt hij zelf, of stuurt een oud wijf. The father gave Inn little cherub a flying â = de vader nam zijn kleinen lieveling op den schouder. Angelic. âbed = bed zonder stijlen of gordijnen; âshot, kettingkogel, âologg = engelenleer. Angelica, andzidika of andzelika, engelkruid. Angelot. andzalot. eene soort luit, oud Eng. muntstuk van 5 shillings; kaas (uit Normandië). Angelus, andzalas, het angelus (dienst in de Kath. kérk ter gedachtenis van de vleesch-wording van Christus): de voor dien dienst luidende klok = âbell. Anger, anga, subst. toorn, gramschap, verontwaardiging; verb, vertoornen, tergen: He was angry with me = boos op. Angry at our doing this = boos, dat wij dit deden. Angevin Kings, andzavinkinz, koningen uit het huis van Anjou. Angina, andzaina, keelaandoening, keelontsteking. Anginose. Angiography, nndziografi, beschrijving van de vaten van ons lichaam. Angiotomy, nndziotauii, ontleding van de bloedvaten van ons lichaam. Angle, ang'l. subst. hoek, haak, hengel, angel: He went off at a right â = hij ging dadelijk heen, vertrok direct: verb, hengelen: He was angling (lishing) for a coniplinient. and caught a rebuke = vischte om een prijsje, en kreeg een standje. Angular, augjula, Angulated = hoekig. Angles, aiyg'lz. Angelen. Anglian, anglian, subst. een der Angelen: adj. van de Angelen. Anglic. Anglican, subst. lid van de E. staatskerk; adj. Engelsch: Anglicanisni. Anglice, an.glis\, in het Engelsch. Anglicisin, anglisisni, Engelsch idioom. Engelsche politieke beginselen; Anglicize, Anglify = ver-engelschen. Anglo, anglon (in samenstellingen), Engelsch: âAmerican* subst. Amerikaan van Engelsche afkomst: adj. Engelsch-Amerikaansch; âcatholic, subst. lid van de High-Church: âIndian, subst. Engelschman geboren en wonende in Indië: âIsraelites, izralaits = secte uit de laatste helft dezer eeuw, bewerende, dat de Engelschen de verloren âTien Stammenquot;' waren: âmunia = overdreven voorliefde voor |
man; ask = ask; fwm = fiim: b/(t â b«t: \earn â Inn: line = lain; house = hans: net; care = kca: f'/te = feit; tin; «sleep = aslip; not; \aw = lo: lord = lod; hog = bin;
ANTAGONIST.
ANGOli.
15
|
Engelsche gewoonten en zeden: âphobia = vrees (en wantrouwen) voor Engeland. â Sa.con; subst. Angelsakser; adj. Angelsaksisch. Angor, angd, hevige smart. Angry, anyri, boos (with, at). Zie Anger. Angiiillelorni,agt;?#^Mi/om, aal-of slangvormig. AiikiiinIi, any wis. subst. groote lichaamspijn, zieles mart: verb, diep smarten. Angular, AngiiUme, uiKjjiilows. Zie Angle. Angu8tate,an^»sfdt, in breedte verminderend. Anlielation, nnhileiè'n, hijging, het hijgen. Anhelose, Anhelous. Anhyclrou», anhaidrds. zonder water. Aniglit(Hgt;, dnait(s). in den nacht. Aniu am/, indigoplant (West-Indië). Anile, anail, sufferig, kindsch. Anility. Aniline, anihxin, aniline (kleurstof). AniniadverHion , animddviïs'n, opmerkens-gave, berisping. Animadversive. Aniinadvert, ixnimadvnt, de aandacht vestigen op, opmerken. Animal,an/m'/, subst.dier; adj.dierlijk. That man i» lull ol' â HpiritM = (lichaams)opge-wektheid, levenslust. â faculties = lichaamsvermogens (hier animal ter onderscheiding van de eigenschappen van den geest). âkingdom = dierenrijk. Animalcule, animalkjü.1. klein diertje. Animalcnla, animalkju fo,kleine diertjes. Animalism. Animality = dierlijke natuur, dierlijk leven. Animate, animeif, bezielen, lie was âd by a noble desire = aangespoord; âd-iiatiire = dierenrijk. Animation. Animntive = levengevend. Animator = bezieler. Animosity, an/mosif/,bittere haat, vijandschap. Animus, ammétë, geest, humeur, (bitter) gevoel: Their words were dictated by â and sell-interest = hunne woorden werden hun ingegeven door hun vijandigen aard en hun eigenbelang. Anis, anis, anijs. We pay too much atten* tion to the â and cn(m)mins ol' literature = minder belangrijke zaken (Mattheus 23, 23): Aniseed = anijszaad: The devotees ol' the auiseed-bag = liefhebbers van eene nagebootste vossenjacht (Amer.). Anisette, aniset, anisette. Anker, ankd, een vaatje, inhoudende 10 gallons. Ankle, ank'l, enkel; âdeep: --jacks = halve laarzen: âJoint = enkelgewricht: Ankiet = enkelring, -sieraad, -boei. Ann(egt;, an, Anna, one, Anne, Anna. Annals, an'lz, jaarboeken, geschiedboeken; Anna fist. Anna lis tic. Anneal,9m/. brandverven, verhitten en daarna langzaam afkoelen (van metalen of glas), bakken (van tegels), taai maken; â ing lurnace = gloeioven. Annectant,agt;?cfcfnf, verbindend. Annex,anefc?, aanhechten,toevoegen,vereenigen.Anne.mt?quot;on: Annexment. Annesley, anzli. Anniiiilate,agt;iai/i//ei;, vernietigen, te niet doen. Annihilation. Annihilator. Anniversary, anivijs'ri, subst. verjaardag, (jaarlijksche) viering: adj. jaarlijksch. Annotate, and text, van verklarende aanteeke-ningen voorzien; Annotation. Annotatory. Announce, anatms, aankondigen, bekend maken: âment. âr. |
Annoy, nnoi. subst. nadeel, hindernis: verb, benadeelen, kwellen, hinderen: The âingboy read a tedious book = vervelende (lastige)... vervelend. âance. Annual, anjudU subst. éénjarige plant, jaarlijks uitkomend boek: adj. jaarlijksch, één jaar durend. Annuity, dnjüiti. j-aargeld. Anniiitant, onjni-Vnt = *hij, die een jaargeld geniet. Annul.dn»/, vernietigen; afschaffen: The law i was âled. âment. Annular, ringvormig. â eclipse ol'the sun. Annulate == ringen dragend. Annulation = ringvormige bouw. Annulet, anjulot. ringetje. Annulose,«»i/«/bus, van ringen voorzien. Anniimerate, anjümaréit, bijtellen. Annunciate, dnnnè(i)eit, vermelden, aankondigen. Anniinciation Day = Maria Boodschap (R.K. kerk, 25 Maart). Will yon be so kind as to touch the annunciator bntton = knopje (van electrische of luchtschel). Annan-cia tive. A nnunc hi tory. Anodynes, anadixin, subst. pijnstillend middel; pijnstillend. AnodynoiiM, anafininds. Anoint,enóinf, zalven: The fjord's âed = lt;le Gezalfde des Heeren; âinent. Anomaly,9noma//,onregelmatigheid. afwijking. Anomalous = afwijkend, onregelmatig. Anoii,dnonf dadelijk, aanstonds. Ever and â = telkens. Anonym, andnim, âous, anonimds. zonder naam* anoniem: âonsness = Anonimiti/. Anorexy, andreksi. gebrek aan eetlust. Anormal, enötril. Zie Abnormal. Another, r-mmf/ïé), een ander, nog een. thie â = elkander. Such â creature = een dergelijk s.; Have â glass = neem nog een glas (ter onderscheiding van: an other glas» = een ander glas); One inisl'ortune rides upon ârs back = een ongeluk komt nooit alleen: lie is a tool, and I am â to follow hi*» advice = hij is niet wijs, en ik ook niet. dat ik zijn raad volg. Ansated, anscitid. van een handvatsel voorzien. Anselm, ans'lni, Anselmus. Anser, ansd, geslacht der zwemvogels, âine. «nsarain, als van een gans, dom. Anstrntlier, aïisto, stad. Answer, ftnsd, subst. antwoord, verantwoording, oplossing: To call a person to â; An â will oblige = er wordt om antwoord verzocht; â verb, antwoorden, respondeerenT weerleggen, boeten, luisteren, voldoen, passen, oplossen: 1 âelt;l his letter: When will you â me ? He shall â for it = er voor boeten. What you say there, does not â our purpose = is niet geschikt voor: You will have to â for your conduct = rekenschap geven van: That âs exactly to what I want = komt juist overeen met.pastbij; Who âed the bell = deed open ? âable: âer = weerlegger. Ant, ant of ant (maar ant in samenstellingen, zooals an r-/u7/), mier.âhole, âhill = mierennest: âbear, âeater = miereneter. Antacid, ant as id, subst. geneesmiddel tegen het zuur; adj. het zuur genezend. Antae, anti. vierkante pilasters. Antagonist, ontayanist, subst. tegenstander, tegenpartij; tegenspier: adj. tegenstrevend: Antagonism: Antagonistic. Antagonize. |
bone = boun; full: fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = Jia; long = Ion; «/tip = sip; occasion = okeiz'n: thin; thus = dhes: wine.
ANTITHESIS.
ANTALGIC.
16
|
Antalsio, antaltliik, subst. en adj. pijnstillend (middel). Aii(:iic*liiNiii,(uifr'A-/rm, verzet tegen alle regeering. Antarc-hiHt. Antai ctie, antüktik, tot de Zuidpool behoorend, Zuidelijk. AiitecedaiieaiiH. antisicleinjas. voorafgaand (in tijd). Antecede = voorafgaan: Antecedence; Antecedent: lli» anteeedeiits = zijn verleden. Anteeessoi*. nntisesj, voorganger, vroeger bezitter. Aiiterliainher, antitèeimbj. voorkamer, wachtkamer. Aiite«aiirM»i% nntiktisd. voorlooper. Antedate, nntideit, subst. vóórdatum: verb, vroeger dateeren. vooruitloopen op. Antedilnvial, nntidiliït j'l, Antediluvian, an- | tidilürj'n. (bestaande) vóór den Zondvloed: het laatste ook: ouderwetsch mensch. Antelope. â¬intiloup. antilope. Antelncaii. antilük'n. vóór het daglicht. Antenieridian. a/jf/m/Vu/r/f, vóór den middag. A ii temet ie. anthnetik, geneesmiddel tegen het vomeeren. Anteniiindaiie. nntimnndein. vóórwereldlijk. Antenatal, antineit'l, vóór de geboorte bestaande. Antennae, dnteni. voelhorens. Anlennal. Anteiiuptial. nntinnpsl. vóór de bruiloft of het huwelijk gebeurende. Antepast. antipiist. voorsmaak. Antepeniilt(iniategt;, arttipintgt;ft(imeit), derde lettergreep van achteren. AntepoMition. nntipdziè'n, voorplaatsing (van een woord vóór een ander). Anteprandial, antiprandj'l. vóór den maaltijd. Anterior, anti rid, voorafgaand. Anteriority. Anterooni. antir\mi; Zie Anteclianiher. Anteteniple. antitenip'l. portaal, westelijk deel van het schip (eener kerk). Antlieni. (tn-th'ni. koorzang, loflied, kerklied. Tlie national â = het volkslied. AntliemiN. nn-thdmis, kamille. Anthology, lgt;loemlezing: verzame ling van godsdienstige liederen. Alitliony'M lire, antonizfaln. roos (huidziekte), erysipelas. Antliraeite.lt;#/'-///r0'sai/. een harde kool, die zonder rook en nagenoeg zonder vlam brandt. Antliropoerapliy, an-thrapogrdfi. beschrijving van de verschillende menschenrassen der aarde. Anthropology, an-thrdpoladzi^ leer van den mensch. wat zijn physiek betreft. Anthropo-inorphisni,a/?-f/iro?//ie»i^i/?zm,hâ¬t toeschrijven van menschelijken vorm en menschelijke eigenschappen aan de Godheid, of van menschelijke eigenschappen aan de lagere dieren- Anthropomorphic = menschvormig. Anthropophagi, an-thrdpofddzai, menscheneters. Antliropo-ioniy, nn-thrjpotonu. ontleedkunde (van den mensch). Anti, anti. tegen, strijdig met (slechts in samenstellingen). AntiaholitioiiiMt, n)ith\l)r)li$dnist, tegenstander v. de afschaffing der slavernij. AntibacehiiiH. nntibttkias. (klassieke) versvoet van drie lettergrepen (twee lange -f één korte). Antlhraehial, antibrakioL tot den vóórarm behoorend. |
Antic*, an tik, subst. grappenmaker, hansworst, : klucht, dolligheid: adj. kluchtig,grappig: verb, grappen maken, dolle kluchten doen. Aiitioanii vtiroiiH. imtikanivdrds, tegen het gebruiken van vleesch. Antiehrist, antikraist, de tegenstander van Christus. Antichristian. Antiripate. dntis'tpeit. l)ij voorbaat doen. vooruitloopen op, voorzien, vooraf gevoelen, voorbereid zijn op. By antic*ipation = bij voorbaat: He rejoieed in aiitieipiition = al vooruit. Aiitieliinax, anti\iaimdks. het belachelijk verhevene (in stijl). Antieor, antikö, borstgezwel (tegenover het hart) bij paarden. AntieoHinetic, antikozmetik, subst. wat de schoonheid benadeelt: adj. nadeelig (voordes.). Antidote, antidout, tegengif, geneesmiddel. Antidotal. Antidotical. Antidrinkist. antidrinkist, afschatTer: My friend ih both an aiitpHinokiHt and au â. Aiitirebril,anf//tamp;n/,subst.geneesmiddel tegen de koorts; adj. koortsstillend of koortsgenezend. Anti federal. ïrnti fed'rol, tegen bondgenootschappelijke vereeniging; âihiii. âi»t. Antigral'. antigraf, afschrift (Wet.;. Antiniinibuggist. antihombdgist. eenvoudig.y verstandig mensch. AntilleH (The), dhidntilz, de Antillen. Antilogy, antilodzi, tegenstrijdigheid, tegenspraak. * Aiitiinaeas«ar,anrimaA:as,gt;,gehaakte versiering op stoel, canapé, etc.: antimassar. Antinionial,antimoiinfl, subst. geneesmiddel, waarvan spiesglans (= antimony) een hoofdbestanddeel uitmaakt. â wine = eene sr.ort v. braak wijn. Anlinonie,anïino'/wi,tegenspraak. Antinoniy. anlindini. strijdigheid tusschen twee wetten: het toepassen van ons verstand op de di igen, die buiten onze ervaring liggen, op het absolute (philos.). Antioch, antiok. Antiochië. Antipathy, antipothi, tegenzin, afkeer. Antiphon'. anti f on, tegenzang, beurtzang. AntipliraNi», antifrasis, gebruik van woorden in hunne tegenovergestelde beteekenis. Antipode, antipoud,tegenvoeter; Antipodal = tegenover: âantipodiz, tegenvoeter, tegenvoeters: We Ntand diHtinetly at âh in our political vieuM = wij zijn het totaal oneens. AntiptoMta, antiptousis, verkeerd gebruik van een naamval. Antipyretic,anr/pmrerfA*, subst. en adj. koorts-werend (middel). Antiquary, antikwzrl, subst.oudheidkundige, adj. oud.* Antiquarian, antikwêrfn. subst. oudheidkundige: adj. oudheidkundig. This i.s an antiquated (antikweitid) form = verouderd. Antique,subst.antiquiteit; adj. oud, ouderwetsch: The ancient tower ol' that antique church = overoud... antiek: Antiquity = oudheid, antiquiteit. AntiHcptic. antiseptik, bederfwerend. AntiHpaHinodic, antispdzmodik, subst. en adj. krampstillend (middel). AntiHtrophe, Aiitistropliy, antistrdfi, tegenzang. Antistrophal = An'tis trophic. AntitheHi.H. antithisis, tegenstelling. Antithetical. antithetikCD, tegenstellend. |
man: «sk = ask; tV/nn = tam; b/'t = b«t; learn = Ion: line = lain: howse = haus: net; care = kcd; fate = feit: tin: asleep = aslip: not; law = Id; lord = Hid: hoy = boi:
APPARATUS.
17
ANTITYPE.
|
Antitype, antitmp, tegenbeeld. Antitypal. Anti variolous, antivdraialds. de kinderpokken voorkomend of herstellend. Antler, ant ld. tak (van het gewei): âed; âs. antldz, het gewei. AntoiifMiiatria . nntondmeizii)d, redefiguur, i waarbij een gewone naam in plaats van den ; eigennaam wordt gebruikt, of omgekeerd, b.v. Yon are a Cicero = gij zijt een redenaar. Antral, ftntr'l. hol..... Antwerp, antwüp, Antwerpen. Anus. Hnds, anus, onderste opening der ingewanden. Anvil, anr'l. aambeeld. The tiling is on the â = in discussie, maakt een punt van onderzoek uit, is in voorbereiding. Anxiety. angst, vurig verlangen. 1 am anxious (anèds), to see you = verlangend; lie is on the anxious seat = hij zit leelijk in de klem. A n./iousness. Any, eni. eenig (in zéér algemeenen zin): âthing = iets wat dan ook: lie is âthing hut rich = alles behalve (zie all hut onder all): lie must do it âhow = in elk geval, het komt er niet op aan hoe: Have you â money lor me? = ook? You will be welcome'at â time, âwhen = te allen tijde, wanneer ge ook komt; I do not see it âwhere = nergens. Aoiiian. eiounj'n, tot de Muzen behoorende. Aorist. eidrist. onbepaald verl. tijd (gramm.), aoristus (in het Grieksch). Aorta, eiiitd. groote slagader, gaat van de linker hartkamer uit. â1 = Aortic. Apaee. ripeis. snel, vlug. The rain was falling â = hard. ApagoKe. apeyoudzi, Apagogy. apogodzi, bewijs uit het ongerijmde. Apcifjoyical. Apanthropy. ^x#n^rap/,menschenschuwheid. Apart. apJi't, afgescheiden van: You cannot consider the one â from the other = de beide dingen zijn niet te scheiden. Apartment, dpütm'nt, vertrek; âs to Iet = kamers te huur. Apathy, ap;gt;thi. gevuelloosheid. Apathetic. Ape. èip. subst. aap (zonder staart), naiiper: verb. na:ipen: âdom = de apen. Apery =* apenstreek, naüperij. Apish = aapachtig.' A pea k,9pt/.'.steil.(bij na)loodrecht zich verheffend. ApelloiiM. ctpelds. zonder huid. Apennines, apanainz = Appenijnen. Apepsia. dpepsio, Apepsy, dpepsi, slechte spijsvertering. Aperient, dpiridnt, subst. laxeermiddel: adj. laxeerend. Aperture, apdtjüe, opening, gat. Apetalous. dpetolas, zonder bloemblad. Apex, eipdks (Meerv. Apices, eipisiz, of Apexes, eipdks'xz), top, punt. AphaeresiH. zfirisis, afsnijding, verwijdering (van schadelijke deelen). wegneming (vaneen letter of lettergreep aan het begin). Aphelion,Pfilirni, verste afstand van de zon. Aphis, ei fis of a fis. plant- of druifluis. (Mv. Aphides, afidiz). Aphiclian. Aphori7.n1. aforizm, leerspreuk, bondig gezegde. Aphorist. Aphoristic. Apliradite.a/V'OMuaii/, Venus(bij de Romeinen). Aphtha, fif'tiw. spruw: Aphyllous, a fibs, bladloos. |
Apiary, eipjori. bijenstal; Apiarisl. rij\i.rrist. ijmker, bijenhouder. Apiarian. Apiece, spis, per stuk, elk. Apitpat. epitpixt. met snel geklop. Aplomb, dp Ion. zekerheid, bedaardheid. Apocalypse, èpokdlips, Openbaring. Apocalyptic niitnher = het getal 666. Apocope, zpokdpi, weglating (van een letter of lettergreep aan het einde). Apocojiate = weglaten, afsnijden. Apocrustic, apakrnstik, subst. en adj. terugdrijvend, stoppend (middel). Apocrypha, opokrifd, de apocryphe boeken (van Het Oude Testament); âI. Apodal, apdd'l, zonder buikvinnen. A|)odictic. upddiktik, Apodeictic. npddiiktik, met klem betoogend, als voor geen tegenspraak vatbaar. Apodixis = afdoend bewijs. Apogee, apddzi, grootste afstand van de aarde. Apogean (= apddzidn) tides = doodtij, laag water (bij halve maan en laatste kwartier). Zie \eap. Apograph, apeyraf, afschrift, exemplaar. Aporiyon,£gt;po/iaw,de vernietigende engel,duivel. Apologue, apdloy. zedelijke fabel. Apology, jpolddzi) verdediging, excuus. He made au â, he apologized = hij maakte excuus. An apologetic (dpo/d^fe^'/i)'writing = verweerschrift. Apologist. Apoplilcgmatic, apdpegmatik, subst. en adj. slijm afdrijvend (middel). Apo(pligt;thegm. apdth'm, kort gezegde, zinrijke spreuk. Apoplexy, apapleksi, beroerte. A lit of â = aanval van b. = Apoplectic lit. Aporia.apónd, verlegenheid (van een redenaar), waar hij beginnen, en wat hij zeggen zal; ! koortsachtigheid (ten gevolge van obstructies), i Apostasy, opostdsi. afvalligheid (van partij of : geloof ):* Julian the Apostate = Juliaan de ! Afvallige. A pasta tic. Apostem, apdst'm, zweer, abscess. The wound has apostemated = is gaan zweren. Apostil, dpostil, kantteekening, naschrift. Apostle, opos'l. apostel, Godsgezant, zendeling. Acts ot'the âs = Handelingen d.Apostelen: âspoons = zilveren lepels, waarvan het handvatsel in het beeld van een apostel uit-! loopt (een gewoon geschenk van peetvaders bij hetdoopen): âship. Apostolate,d/7osfó/eir, zendeling, apostolische macht (van den paus): .\pos?o//c-fathers = Christelijke schrijvers ten tijde of onmiddellijk na de apostelen; Apostolic-siiccesMion = machtsoverdracht van af de apostelen. Apostrophe, npostrdfu aanspraak, toespraak: afkappingsteeken, komma. Apostrophize. Apothecary, spothdk'ri, apotheker (N'.B. Dit woord is verouderend, en maakt plaats voor Chemist): â's Latin = potjeslatijn. Apotheosis, apof/i/oi#sts, verheerlijking. Apotheosize. apethidsaiz, verheerlijken. Apotome. Apotemy. epotjml. verschil tus-schen twee grootheden (Wisk.). Apozem.wywz'vn, afkooksel van planten,drank je. Appal. djgt;61, verschrikken, ontstellen, ling. Appannage, Apanage, apanidz, landerijen en inkomsten, bestemd voor de jongere kinderen van een vorst: aanhangsel, eigendom. Apparatus, nporeitos. stel instrumenten, toe- |
bone = boun; full: fool = fill: a = toonlooze vokaal (zie asleep en can : occas/on = okeiz'n: thin; '/his = dhus: wine. ordenboek.
⢠: girl: ijenr
long = loi^: ship = si]»: ten imuggencate, Eng. Wlt;
APPURTENANCE.
18
APPAREL.
|
stel, de organen van het lichaam: The digestive â = de verteringsorganen. Apparel, opar'l, subst. de kleederen, gewaad, opschik, alles wat tot de uitrusting van iemand of iets behoort; verb, kleeden, uitrusten, opschikken. Apparent, dpêr'nt, blijkbaar, duidelijk. Heir â = de erfgenaam met onbetwistbare rechten I (op troon of bezittingen), zooals de oudste zoon eens konings, etc.; â from = blijkend uit. Apparition, apariamp;n. verschijning, spooksel, i geestverschijning, âal = spookachtig. Apparitor, aparitd. ambtenaar, die de bevelen der rechters uitvoert, deurwaarder, pedel (van Engelsche universiteiten). Appeal, dptl, subst. beroep, het recht van beroep, appel, uitdaging; Without â = in laatste instantie; JiiHtiees of â = leden van het hof van a.: â verb, appelleeren, zich beroepen op: He âed Irom this Court of Justice to the kin^s mercy = hij .... van deze rechtbank op; The iniiii'stry will â to couutry = zal de Kamer(s) ontbinden. Appear,* verschijnen, zichtbaar worden, blijken, duidelijk zijn: âauce, verschijning, voorkomen, verschijnsel, vertoon. We must try to save (keep up) âs = den schijn te redden. Appease,aptz, stillen.bevredigen. Appeasable: âment; Appeasive. dpiziv. Appellant, dpeVnt. de appellant, de in hooger beroep komende. The party appellant is verschillend van The party appellate: tegen deze komt gene in beroep. Appellation, apdleiamp;'n, beroep, benaming, bepaalde naam. Appellative, dpeldtiv, subst. gemeen zelfstandig naamwoord: adj. gemeen (gramm.), tot naam dienend. Appellee, apdli, gedaagde (in een hooger beroep). Appellor, apete, vervolger (van eene misdaadi. aanbrenger. Append, apend, aanhechten, bijvoegen: âage = aanhangsel; âant; âix (Mv. Appendices of 'Appendices) = aanhangsel. Apperception, npesepsn, zelfbewuste waarneming, bewustheid. Appertain, apatein, behooren tot, toebehooren; âment. Appetent. apdfnt, vurig verlangend. Appetite,apatnit, eetlust.begeerte,honger:The air had given us anâ = hongerig gemaakt. Appetitive (epetitiv) power (faculty) = begeervermogen. An appetizing hook = boeiend, de begeerte (naar lezen)opwekkend, smakelijk. Applaud, dplód. toejuichen. He was received w ith general applause izplóz): Applausive. Apple, ap'/, appel. â of the eye. â of discord = twistappel. A barrel of --jack = appel-cider. â-joliii = appel, die goed blijven kan. The âwoman = fruitvrouw. Everything is in âpie order = in volmaakte orde. âyard = boomgaard, âtree. Apply,aptot, toepassen, toeleggen, aanwenden; wenden tot, solliciteeren: I applied to him for information, and he advised me to â myself to mathematics = wendde mij tot hein om inlichtingen.... mij toe te leggen op. He used various appliances = middelen, dingen. A machine with its appliances = met toebehooren; Applied science = toegepaste wetenschap: This observation is not applicable to our case = past niet op. The applicant was ordered to appear in person = de requestrant, sollicitant; Application = ijver, vlijt: For outward application = voor |
uitwendig gebruik. Appoint,d/rómt, bepalen, vaststellen, inrichten, benoemen, aanstellen: He was âed governor of the town = aangesteld. I must hear the two voices in my breast: it has been âed me = God heeft'het bepaald, het is Zijn wil. â nients = alles, wat tot de uitrusting (van schip, leger, enz.) behoort: alles, wat iemand kenmerkt; âment = aanstelling, bepaling: By âment (tailor) to his jUajesty = hofleverancier; âable: âee = aangestelde, procurator; âer = aansteller, benoemer. Apportion,apöamp;-'n,evenredigverdeelen: âment. Appose, itpouz, ondervragen: âr. Apposite, apdzit, geschikt, voegzaam, te pas: Thi« argnment is â to the case in question = toepasselijk op. Apposition, iipdzisn, bijvoeging, bijstelling (gramm.); âday = examendag; âal. Appraise, apreiz, waardeeren, schatten; Appraisal : Appraisable; âr = taxateur. Appreciate. dprté(i)eit, waardeeren, hoog schatten, op prijs stellen, toenemen in prijs: (â old lias âd = is in waarde gestegen. Appreciable = waardeerbaar. Appreciation. Appreciative. Apprehend, aprihend, vatten, grijpen, begrijpen, verstaan, onderstellen: vreezen: As a rule men are not apprehensive of distant danger = in den regel vreezen de menschen niet, zijn niet vatbaar (toegankelijk) voor; Apprehension = bevatting, vrees. A pprentice.9/gt;ren^s, subst. leerjongen, leerling: verb, in de leer doen: 1 was âd to a very kind master at a very moderate âfee = ... tegen een zeer matig leergeld: âship = leertijd (7 jaren). Apprise', Apprize, apmtz, bekendmaken met, schatten, een prijs stellen op. Approach, dpro als, subst. nadering, toegang, breede laan. The besiegers protected themselves by âes (= loopgraven), thrown up in haste*; â verb, naderen, nabij komen, gelijken op. Approbate, aprabext^ goedkeuren, machtigen; adj. (aprobit) goedgekeurd. Approbation. Appropriate, aprouprieit. verb, izich) toeëige-nen, voor een bepaald doel bestemmen: That sum was âd for buying furniture: adj. (aproupriit) geschikt, voor een bepaald doel aangewezen. Appropriation. Appropriative. pproprietory, bezitter van de opbrengst van een leen, etc. Approve, aprüv, goedkeuren, gunstig denken over, aanbevelen, bevestigen: 1 cannot â (of) these means: âd = beproefd: An âd author = erkend schrijver: That book was sent me on approval = op zicht, op keur; âment: âr. Approximate, aproksimit, adj. naderend, bijna juist,bijna gelijk; â verb.(aproksimeit)nabij komen, naderen, j pprox i ma tion.A ppro.viniative. Appulse. apnls, stoot, botsing, nadering (van een planeet) tot zon of ster. Appurtenance, apiitarim, aanhangsel, bijvoegsel. Appurtenant. |
man; ask = ask; farm = film; bat = bot; learn = l«n: line = lain: hoase = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; net; law = lo; l a'd = löd; bo// = bAi ;
APRICOT.
19
ARE.
|
Apricot, eiprikot, abrikoos. April, eipril. April. 1 waw hut loiirteeii. and an â = een dwaas. âlooi = iemand, die op 1 April voor den gek wordt gehouden; âtool flay. Apron, eipr'n. voorschoot, schort; dekkleed (over de beenen van een koetsier): ganzehuid, i deksel op het zundgat van een kanon; âman = handwerksman; lie fc tied to his wife's âstringH = hij zit onder de plak. ApHis. apsis (Mv. ApHlde». upsidxz), de kortste of de verste afstand van de zon in de baan van een planeet; koepelvormige of veelhoekige ruimte aan de oostzijde van het koor eener kerk. Apsidal. Apt, apt. bekwaam, gepast; onderhevig, geneigd, vlug, klaar. âItuae, aptifjüd, geschiktheid, bekwaamheid, neiging. ânewM. Aptera. aptdrd. insecten zonder vleugels. Aptote. aptOKt, onverbuigbaar woord. Aptotic. Apulia, opjülid, Apulië. Apyrexi. apireksi, afnemen van koorts. ApyroiiM. dpaires, wat onveranderd blijft bij hitte, onverbrandbaar. A(|narinin. okwêrf m, aquarium. AquariiiH. rilcwêrjns, de Waterman, het elfde teeken van den dierenriem. A(|natir, dkwatik, in of op het water levende e plant), âs = oefeningen op of in het water: Aqnednct. akwddvkt = waterleiding. Alt;|natint. akwatint, kopergravure gelijkend op teekeningen met Oostindischen inkt; verb, in aqnatint graveeren. AqneoiiH.ei/cttrfdS, waterig, waterachtig; ânews of Aqnosity, dkwositi, waterigheid. Aquile-i'oiis. dkiui'fdrds, waterleidend, waterdragend. Aqnitorin. akwifóm, in den toestand van water. Aqniline, akivilain, gebogen als de bek van een arend: tot den arend behoorend. Aijuiliited = met arendskoppen versierd. Aqnilon. akwiVn, Noordenwind. Arab. ardb.subst. Arabier (ook â ian.areibfn), Arabisch paard, kind zonder dak; adj. Arabisch. The little streetâs in London = daklooze kinderen. Arahia^rei/ya, Arahy,ar»öi,Arabië. A ra hes k. Arabesque, ardbesk, subst. arabesk (een ornament); adj. up de wijze der Arabieren; verb, met arabesken versieren. Arabic, arabik. subst. Arabische taal; adj. van uit Arabië. Arabic numerals = de cijfers 1, 2, 3, enz.; He is a faiiious Arabist (arabist) â geleerde in Arabische taal en letteren. Arabicism = Arabisch idioom. Arable, arab'l, beploegbaar, bebouwbaar. Arachnoid, araknoid, Araneous. areinias, spin ne web vormig. Araignec. uranji of areinji, galerij van eene mijn (vestingbouw). Arbiter, ttblta. Arbitrator, ttbitréita, scheidsrechter. Arbitress. dbitras, Arbitratrix. übitreitriks, vrouwelijke scheidsrechter; Arbitrable. Arbitrage. Arbitrament = scheidsrechterlijke macht of beslissing. Arbitrary. tïbitrari, willekeurig, despotisch, grillig, absoluut; Arbitrate = beslissen («ui = omtrent). Arbor, iiba, boom, hoofdas (in eene machine). âaceous, iibareisas, âeous. öbórias, âeal. dbórial, boomachtig, op boomen groeiend. âetum. ïibarifm. boomkweekerij (met een bone = boun: full; fool = ful: ^ = toonlooze |
lo/lt;(y = loij; «/iip = sij»; occasion = okeiz/n; tl wetenschappelijk doel). A rboriculture = boom-kweeking. â ist. übarist, boomkenner. Arbour, üba, prieel, schaduwrijk plekje. âed. Arhusvle.dbas'l. heester, struik. Arbiiscular, dbnskjula, heesterachtig. A rbustum = boschje, verzameling van struiken of boomen, boomgaard. . \ rbust i ve. Arbute, libjüt, Arbutus, übjutas, aardbezieboom. Are, (ik, segment of deel van een cirkel, cirkelboog: âlamp. = booglamp (electrisch). Arcade, Hkeid. bogengang. galerij, met winkels aan weerszijden. âd. Arcadia, dkeidja, Arcadië; Arcadian = Ar-cadic, dkeidik. Arcadisch, herderlijk. Arcaiiiim. dkein'm. geheim, geheim geneesmiddel. Arch, ats, subst. boog (ook: of a circle) gewelf, hemelgewelf, firmament; adj. schalksch, slim, snugger, ondeugend; âness; â verb, tot een boog vormen, zich welven: Arch (in samenstellingen) = voornaamste, eerste, aarts...: âangel.fi/teincfé'Z, aartsengel. Archangel, doove netel; âangelic, -architect, Wtsakitakt, de Opperbouwheer des Heelals. â bishop, 'ixtsbis'p, aartsbisschop, âdeacon, Wtsdik'n. waardigheidsbekleeder. volgende op een bisschop, met rechtspraak over het geheele bisdom, of een deel ervan; â diocese,:U«^atastó, aartsbisdom; âduke: âenemy; âetype, iïkitnip, oorspronkelijk model of type; munt-standaard. âliend. iitsfind, de Satan. âfoe; âheresy, litéherasi. aartsketterij: âheretic, âhypocrite. âical. dkik'l. adj. voornaamste, eerste. â way.öfcsvf ei,overwelfdegang.âwise, ütswniz, âlike, fits luik. boogvormig. Archaeology, ökioladzi, oudheidkunde. Archaic(algt;'. dkeiikCl). oud, verouderd; Archaism, likeiizm. verouderd woord (of uitdrukking). Archer(es»),öfamp;gt;(r3s), mannelijke (vrouwelijke) boogschutter: ây; âgod = Cupido. Arches Court, atëizköt. hoogste geestelijk gerechtshof. Arcliimagiis. iikirneigas, de hoogepriester dei-magiërs. Archimedean, Wkimidian, van Archimedes. Archipelago. ïikipclagon, eilandenzee; groep eilanden: Archipelagian, iikipaleidtian. Architect, ükitakt. bouwmeester: â of one's ouil fortune = maker van zijn eigen geluk, âure. ükitektja. bouwkunde. Architectural. Architrave, iikitreiv. hoofdbalk (onmiddellijk rustend op de zuil). Archives, ö/cai^r, het archief; de archieven. Archival, (ikaiv'l, adj. wat de archieven bevatten. Archivist = Archivaris. Arclion. ö/c'n, Archont (eerste magistraat in het oude Athene;, hoofd. Arctation.ii/r^eWH, Arctitude^AV/OiW.samen-trekking der ingewanden, constipatie. Arctic, iiktik. noordelijk. â circle = Noord-pool(cirkel). Arcuate, ükjueit, gebogen (als een boog). Ardency, Md'nsi, vuur, drift, ijver. Ardent spirits* = alcoholische dranken. Ardennes, aden, (de) Ardennen. Ardour, üda, vuur, gloed. An arduous (üdjues) task = moeilijke taak. Are, «, Teg. tijd, meerv. van to be = zijn; vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = jia; liin; thus = dims; wine. |
ARRAIGN.
20
AREA.
|
subst. eenheidsmaat van 100 â¡ meter.of 4067,44 â¡ Engelsche voet. Area, êrio, open vlakte, maar begrensd; de ruimte vóór een sousterrain in Engelsche huizen, die van de straat door een hek langs eene trap toegang geeft tot de keuken, etc. âbell = bel voor de meid (N.B. De knoeker op de vóórdeur was alleen voor visitors en de huisbewoners. buiten het dienstpersoneel). Arefactlon. arifaks'n, het drogen of droog-worden. Arefty â opdrogen. Arena, arina, strijdperk, binnenruimte (in een circus); het middenstuk van een tempel. â eeoiiH (armelsas) «tone = zandsteen. ArinarioiiH (arinêries) sail = zandbodem. Arenation = (heet-)zandbad. Areometer, ariomsta, vochtweger. Areopagus.nriopdgds.beroemde rechtbank van het oude Athene. Argal. iig1!. (ruwe) wijnsteen, ook; Aryol. Argent, lidznt. subst. zilver, zilverwitte kleur: adj. zilverachtig: Argenlal. Argent an = Ber-lijnsch zilver. P^rgentation. Argentiferous lead ore = zilverhoudend loodoer (looderts). Argentine. ddVntnm, subst. imitatie-zilver, soort v. zilvervisch; adj. zilver bevattend. Argil, iidzil. pottebakkersaarde. klei. Argillaceous, Argillous = kleiachtig. Argive. ügaiv, van Argos. Argonaut. Hgdnöt. een der zoekers (met het schip Argo) naar het gouden vlies; nautilus. Argosy, agdsi, rijk beladen koopvaardijschip. Argue.* ügji'-' redeneeren, redetwisten, debat-teeren. bewijzen, overreden; It was no use to â the point = bespreken, lie âd me into = bracht mij door overreding tot. Argu-ment. iigjam'nt, redeneering; onderwerp eeher discussie; inhoud van een boek: Doii^t start an argument = begin geen discussie. Arguable] Argumentation. Argumentative. Argus. Ugds. waakzaam mensch; soort Aziatische fazant; âeyed. Argute, ögjfit, scherp, snedig, tijn; ânes». Argyle, agail, stad. Aria. êrid of drio, aria, lied. Arietta, ariete, airtje, liedje. Arian, êridn, subst. een aanhanger van Arius, die de Godheid van Christus ontkende: adj. Ariaansch; â isui. Arid. arid, droog, verschroeid; Ariditg. Ariel, éridl. Aries, êriiz. het sterrenbeeld de Ram; rammei. A â 'â Klit- zrait, goed. zoo het hoort, gepast. Ariolation. aridleisn, waarzeggerij. Ariole. arioul, waarzegger. Arise,5roiz,opstaan,zich verhellen, verschijnen, zich verzetten {against). Arista, dristo, baard (der korenaren), âte. Aristareli. arislïik. streng beoordeelaar. Aristocrat, ari.sfóA;gt;,a/, aristokraat. trotsch persoon. Aristocracy. Aristocratic(al). Aristotelian, aristdtilisn = van Aristoteles (volgeling) = Aristotelic. Aritliinaney. arithmansi of arif/iwi'iisi, waarzeggerij uit getallen. Ariilnneile.aritli-mdtik, rekenkunde, getalleer. -(al), nrithmetikCl), rekenkundig. Arithmetician. Arithmometer = rekenmachine. Ark. ük, ark; de heilige plaats voorde Tafelen der Wet, het biezen mandje, waarin Mozes |
man; ask = ask: farm = fam; b/'t = l)i!t: ] mre â kèd; ff te = feit: tin; «sleep = dsl lag; groote boot (op Amerikaansche rivieren). Tlie â ot' tlie Covenant = De Arke des Ver-bonds. â ite = (bewoner) van de ark. Arkansas, akansds, Arkansas. Aries, ülz, godspenning (aan dienstboden). Arm. ('im, subst. arm, tak (van milit. dienst, etc.), macht: An infant in âs = in de armen (dat niet ioopen kan); â verb, wapenen. versterken, de wapenen opvatten. â*â¦. wapenen: Stand r.f â stel wapenen; To call to âs = te wapen roepen: All the nation» were in âs against France = traden gewapend op tegen; The people was under âs = onder de wapenen. Master at âs = konstabel. Shoulder, carry âs = over. schouder quot;t geweer. Is your brother an artillery-officer? \o. lie does not like that â*= wapen: âed capapie (knpapi) = van quot;t hoofd tot de voeten = at all points. He held me at â*s length. âTul. Armada. ïimeid.7, groote vloot, vooral de Spaansche in 1588. Arniadlllo.a)wadi/o?/,schildvarken(Z.-Amerika) = pantserdier. Anna ment. ümem'nt, krijgstoerusting,oorlogsmunitie, de kanonnen van een schip; Arniature. wapenrusting, verdedigingsmiddel; het stuk ijzer, dat de twee magneetpolen verbindt, opdat de magneetkracht blijve. Arnienia. iimrnjd, Armenië; ân. Annhole. ümhoul, oksel, gat (in een kleed» voor den arm. Anniger. ümidèd, wapendrager, schildknaap = Arinonr-bearer. Armigerous. Annilla. amilo, armband (voor arm of pols), gewrichtsverband. âry, ümildri. uit ringen bestaande. â ry sphere = astronomisch toestel, bestaande'uit ringen, die de verschillende denkbeeldige cirkels van de globe voorstellen, zooals: de aequator, ecliptica, enz. Arininian. éhninf n, een volgeling v. Arminius. Armipotent. amipdtent, machtig (in oorlog). Armistice, ümistis, wapenstilstand. Annlet. amldt, kleine armband, armpje, inham: Armpit = oksel. Annoric. innorik, subst. de taal van Bretagne; het oude Armorica. Armour, ümo, wapenrusting, --bearer = schildknaap, wapendrager; âclad = gepantserd; âplate = pantser (v. schepen). Armorial bearings = wapenschild; âer = wapensmid. Armour g = arsenaal. Arinstrong-giin, dmstrongvn, zeker kanon. Army, «mi, leger, menigte, âlist: âcorps. Arnold, dnold, Arnold, Arnout. Arnut, dndt. aardnoot,aardaker. Zie Karth-nnt. Aroma, droumd, geur, krachtige reuk. Aro-malidal). Aromatize. Arose, orouz, imperf. van to arise. Around, draand. in quot;t rond, rondom, omheen: I'll get â you = quot;k zal je wel vinden. Arouse, draaz, opwekken, aansporen, doen ontwaken. Arow. droit, op eene rij, achtereenvolgens. Aroynt thee. dröint dhi, scheer je weg. Arquebus(egt;. dk(w)dbDS, haakbus, vuurroer. Arrack, ar.ik, arak. Arraign, drein, voor eene rechtbank roepen: beschuldigen. ter verantwoording roepen. Clerk of âs = ambtenaar, belast met het voorlezen earn = Urn; line = lain; ho«se = hans: net: lp; not: Xau' = ló: lord = löd: hog = hoi; |
ARRANGE.
ASCKXD.
21
|
der beschuldiging, het aanteekening houden der getuigenverhooren, etc.; âer: âinenf. Arrange, dreint, schikken, regelen, in orde brengen, arrangeéren (muz.): I have âd for it = ik heb maatregelen genomen: âment. Arrant, «r'nï, bekend (in slechten zin), berucht, in één woord: He is an â looi = groote gek (= in één woord: een gek). ArraH. oras, tapijt (als behang in vroeger tijd); Atrecht; âeil = met arras behangen. Array,aref,subst. slagorde, opgesteld in bataille (b.v. voQr eene parade): kleederpracht; het opnemen van de namen der juryleden: â verb, in slagorde opstellen, kleeden, omringen, de juryleden opschrijven: âer. Arrear. prCa, achterstallige schuld (N.B. Het meervoud is hier meer gewoon: I am in âh = achterop met het betalen mijner schulden); That Hiini iw in â» = nog niet betaald. Arrentation, ar'nteiamp;n, vergunning tot omheining van land in een bosch. Arrest, drest, verb, tegenhouden, stuiten, arresteeren : The lire was âed by the iinitefl Hlort» of all the engineH = de brand werd gestuit. âed development = belemmerde ontwikkeling; subst. inhechtenisneming, verhindering, beletsel, arrestatie; Close â = kamerarrest; He is under â = in hechtenis, âer. Arrestee, âment. Arret, orê of arot, de beslissing van eene rechtbank, arrest; decreet, edict. Arriere, ariër), achterhoede van een leger. Arris, oris, diagonaal; âgutter = V-vormige goot. âwise. Arrive, draiv, aankomen, door inspanning verkrijgen: Edison has âd and is world-lamons = E. heeft zijne pogingen bekroond gezien. At what «'om'liisioii haveyon âd?The man was looking through the arrivals = keek eens na, wat er ingekomen was. Arrogate, arogeit, zich aanmatigen, wederrechtelijk toeëigenen. Arrogance] Arrogant. Arrogation. Arrogative = aanmatigend. Arrow, aron, pijl: An ây progress =snel; âhead; âroot. 'Arry, «ri, plat Londenaar: 'Arriet. nri-it. diens meisje. Arse. «s, achterste. Arsenal, dsdril, arsenaal. Arsenie, üs'nik, subst. metaal van staalgrijze kleur: rattenkruid; adj. (cisehik): â acid, ösenikasid, een zuur (2 deelen arsenicum en deelen zuurstof): Arsenious acid, asinids arid (2 deelen arsen. en 3 deelen z.). Arsis, f'isift, rijzende stembuiging (verschillende van thesis = de dalende s.): het beklemde of betoonde deel van een versvoet (het onbetoonde heet thesis); hand verheffing bij het maatslaan. Arson, «s'n, brandstichting. Art, at, kunst, bekwaamheid, handigheid, list. âs = kunsten, door de ouden reeds verdeeld in: liberal of line âs (zooals poezie. schilderkunst, beeldhouwkunde, muziek, etc.) en niechani-eal âh. Mastel' of âs = Meester (Doctor) in de vrije kunsten (de letteren): âfnl; âless: --union. Artemisia, iitimizd, alsemkruid. Artery, iitsri^ slagader. Arterial blaod = slagaderlijk bloed. Through the Inngs venons blood is arterialized = door de longen wordt aderlijk bloed in slagaderlijk veranderd. |
Arteriotomy. ïüiriotomi, het openen van een slagader om bloed te tappen. Artesian, Artesisch. â well = ...put. i Arthritis, at hr ait is, ontstekingder gewrichten; | jicht. Arthritic(al). Arthur, iitlio, mannennaam. Artiehoke, iltitsouk, artisjok. Article, ütik'l, subst. artikel (in alle beteeke-nissen), ding, lidwoord (gramm.). âs of war = militair wetboek, krijgsartikelen: Vou are a nice â = fijn heer; What is the ne\t â = verlangt u nog iets (in winkels) ? In the â of death = oogenblik, punt; â verb, door artikelen vaststellen, door bepaalde voorwaarden verbinden, vaststellen; I was âd there = op bepaalde voorwaarden aangenomen. An âd clerk = een klerk of kantoorbediende, die eene bepaalde som (premium) betaalt aan den chef. A rticii la r.a tikj u l,i, tot de gewrichten behoorend: lèout is an â disease = de jicht is eene gewrichtskwaal. Articulate, atikjulit, adj. van gewrichten gevormd: duidelijk gesproken: in artikelen uitgedrukt; â verb, (dtikjaleit) duidelijk spreken, helder denken; iederen klank afzonderlijk doen hooren, verbinden. Articulation = ook: afdeeling, paragraaf. Artifice, ütifis^ kunst, streek; âr. Artificial = kunstmatig, geveinsd, gemaakt: Artificial numbers = logarithmen. Artillery, atilari, geschut met alletoebehooren: het wapen zelf; de wetenschap, noodig bij het behandelen van het geschut: âman: Artillerist. âship = oefening met de a. Artisan, atiz'n, werkman. Artist, dtist, kunstenaar. â ic(al), atistikCl); âe. citist, artiest (vooral voor beoefenaars der plastische kunsten) in alle beteekenissen. Artocarpad, atitküpdd, broodvruchtboom. Arundel, ar'ndal, stad. Arundiiiaceous. arundineiëes, rietachtig. Arundineoits = rijk aan riet. Arnspex. orospeks, waarzegger. Aruspici/ = waarzeggerij (uit de ingew. van otferdieren). Aryan. Arian.cWan, subst. Arische taal, Ariër: adj. Arisch: â ize. Arytenoid, uritenóid. kraakbeenig deel. As*. az, gelijk, zooals, toen. terwijl, bij voorbeeld: â far â I know = voor zoover; He told me as inuch = zulks: â if = alsof; â to, â for = wat betreft: â though = alsof. â vet = nog. totnutoe: â I live = zoowaar. â It were, als 't ware (onderscheiden van If it were (so) = indien het (zoo) ware): I might â well go = ik kon wel eens gaan. Asafetida, nsdfetido, duivelsdrek. Asbestos, dzbestos, asbest, steenvlas. Asbestic. Asbestine = als asbest, onverbrandbaar. Ascarides. askaridiz, ingewandswormen. Ascend, dsend, opklimmen, opstijgen, teruggaan (van tijd: Let us now â to the Itith century and the Renascence): They âed the hill': â ing vessels, opgaande bloedvaten: âable: âancy. âant = meerderheid, overwicht, hoogte; het teeken van den Dierenriem, dat bij iemands geboorte boven den horizon komt: Under the âancy of =- onder den invloed van; To be in thé âant = beheerschenden |
bone = boun; full; fool = fnl; = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = jio; \ong = loij; s/iip = sip; occasion = okeiz'n: thin; thxxs = dims; wine.
ASCENT. 22 ASSESS.
|
invloed hebben: lie Iuim the âant over me = hij heeft overwicht op mij; adj. te boven gaande. Ascendencij = overwicht,macht: Mature Iium an âeney overlogie = de natuur is sterker dan de leer* Ascension = bestijging, het opkomen, hemelvaart (van Jezus). Aseen-Hion Day = Hemelvaartsdag. Asrent. Jsent, beklimming, hoogtegraad, op-waai'tsche richting. AMrertain. asdtein, zich vergewissen, vaststellen: He â ed that everybody was* asleep, and asHiired Ihm iriends tliat they had notliiiig to fear = vergewiste zich verzekerde zijnen vrienden: âment: âable. Ascetie. dsetik, subst. kluizenaar, zelfmartelaar: adj. afgezonderd, streng, vroom, âihiii. âal. Asrhain. ask'in. mannennaam. AmcI. asai, AHi'iaiiM. asidnz, schaduwloozen (bewoners der heete luchtstreek). Zie Am-phiscians. Ascites, dsaitiz, waterzucht in den onderbuik: Ascitic. Aseribe. dskraib. toeschrijven, verwijten, de schuld geven van; Asn ibablc, Ascription = toeschrijving. AseriptitiiMiH,askriptisds, bijgevoegd,lijfeigen. Asexual, aseksiol. geslachtloos, zonder sekse. A»h, as, subst. asch: esch, esschenhout: adj. aschkleurig, van esschenhout (gemaakt): âes. aêiz, wat na verbranding overblijft, stolfelijk overschot, lijk: To lay in âe» = in de asch leggen. âeii pole.1* =* palen van esschenhout. âery = aschbelt. â y = aschkleurig, bedekt met asch; ây-pale = zeer bleek, --bin = aschvat; âlgt;o\. âtray = aschbakje (diep, plat); âpan, âpit = aschbak (in kachels, enz.); âhole = aschgat. â-Wednesday, aêwenzdi, Aschdag. âweed. aswid. geite-baard (plant). Ashained. dseimd. beschaamd; 1 am â ol' you = ik schaam me voor of over je. Ashlar. Ashler, as ld, arduinsteen: âwork = metselwerk van gehouwen steen. Ashore. »sö. aan (naar) wal. aan (naar) de kust. Asia, eièo, Azië; ân. Asiatic. Aside, osaid, subst. alleenspraak,apartje; adv. ter zijde, aan eene zijde. Asinine, asinain, ezelig, ezelachtig, ezels.... Asininitif. Ask. ask. vragen, verzoeken, eischen; verwachten, onderzoeken, uitnoodigen: 1 âed a penny ol' liini. âed hini lor a penny = om. lie has âed (invited) me to dinner = te dineeren gevraagd. He âed me lor money, and I âed after his brother = vroeg om... vroeg naar; To be âed in ehnreh = onder de geboden staan. âer. Askant. rv.s7ian«, Askanee^sArans, schuins, van ter zijde: He looked â at me = wantrouwend. Askew, dskjrt, schuins, scheef, verachtelijk. Aslant, êslént. schuins. Asleep, aslip. in slaap, dood: He was lastâ = in diepe rust. Aslope, dslonp, hellend. Asmear. Dsmio, bevuild. Asomatons, dsournatos, zonder lichaam, onlichamelijk. Asp, asp. Aspic, aspik. subst. slang, adder; adj. slangachtig. |
Asparagus, asparoyds. asperge. Aspara^i-notiM. nsparadzinos. met eetbare, asperge-ach-tige wortels. Aspert. aspdkt. gezicht(spunt), onderdeel: uitzicht, voorkomen: stand (v. h. kompas); ligging van een planeet in verhouding tot eene andere: The house has a southern â = ligt op het Zuiden. As|gt;en, asp'n. subst. espeboom (soort populier): adj. van espenhout. Asper, aspj. subst. een phonetisch teeken vóór Grieksche woorden, als ,.hquot;uitgesproken: spiritus asper: adj. ruw,scherp: Atuperiiy.osperiti. ruwheid, scherpheid, norschheid. Aspersillnm. aspddziVm, wijwaterkwast; Aspergillus, nspddzilds, soort zwammen. Asperse, dspos, belasteren, bezwalken: WIm» dared â my Iriend^ ebarai-ter? He has east shamernl aspersions on this man = schandelijk belasterd: Aspersive. Aspersor;/. Asphalt, asTIt, asphalt; Asphaltic: âite: The âites ijnke,dhiasfltaitsleik = DoodeZee. Asphodel, asfdd'l. daglelie. Asphy*ia.as/ïA\s(ï)^, Asphyxy^s^/A-.s/.âtion. asfiksieisn. verstikking; Asphj/.rial. Aspic, aspik. spijk (gr. lavandel). Zie Asp. Aspirate, aspirit, subst. eene geaspireerde letter: adj. met krachtigen adem uitgesproken: â verb, iaspireit) met krachtigen adem uitspreken. As/MraJion = streven, veria ngen,adem. Aspire, aspaid, streven, trachten naar: He âd alter what was lorbidden: Aspirant: âr. Aspiratonj organs = ademhalingswerktuigen. Asportation, aspdteiamp;n. het heimelijk ontvoeren van goederen. Asquint, dskivint, loensch. scheel. Ass, as, ezel, domkop: Asses' bridge = ezelsbrug: lie wanted to malie an â ol'me = hij wou me voor den gek houden: You made an â ol* yoursell' = gij hebt dom gedaan. Assagai, asdgei, werpspies (bij wilde volkeren, b.v. de Zulu s). AnshH. oseil, aanvallen, aanranden: âable: âant: âer. Assart,fgt;s/rhet rooven en vernielen van boomen. Asassin, asasin, moordenaar; âate. Assassination: âator. Assault. subst. hevige aanval, bestorming: bedreiging met woorden of daden; â at (oó arms = militair assaut: â verb, aanvallen, bestormen, aanranden: âable: âer. Assay, dsei. subst. onderzoek, toets: de te onderzoeken stof; â verb, onderzoeken, toetsen, beproeven; âbalance = fijne, gevoelige balans: âmaster = essayeur: âer. Assemble, dsemb'l, samenbrengen, vereenigen, vergaderen. Many young men and handsome ladies w ere iii the assembly rooms = danszaal, gezelschapszaal. Assemblage: Assembly-man = lid eener wetgevende vergadering. Assent, dsent, subst.toestemming,goedkeuring, berusting: The Royal â was still wanting to the bill = koninklijke bekrachtiging . . . wetsontwerp; â verb, toegeven, toestemmen: She âedtoit = vond het goed. Assentation; âient. dsenëant: â ive. Assert, asüt, met kracht verklaren, bevestigen, volhouden, handhaven: The man lias âed bis inlluenee = doen gelden; âable = ible: âion: âive: âor. Assess, dses, belasten, schatten, bepalen, vast- |
man: ask = Ask: fagt;'m = fa in; b/'t = but: Xearn = Ion: 1/ne = lain; ho^/se = hans: net: care = kè»; fate = feit; tin; asleep = dslij»: not: \aw â lo: lord = löd; hoy = boi;
ASSETS.
23
AT.
|
stellen: On that hiiiii lie wa» âed = naar... aangeslagen (in de belasting): âable; âment. Asset», asdts, het geheele eigendom van een koopman: de nalatenschap (na aftrek dei-schulden): de bezittingen van een insolvent verklaarde: We eonsider thi» as au anset. wliieli the liberal» have neeiired by tiieir labour and devotion = bezitting, goed, credit. Assever(ate). dsevd(reit), plechtig verzekeren of betuigen: Asseveration. Assident. asicVnt, bijkomend. The â HieiiH were all favourable, and tlie patient Telt tolerably well = bijkomende teekenen (ziekte). Assiduity, nsidjiiiti. (voortdurende) ijver, vlijt. AssiduitieH (steeds meerv.) = volhardende beleefdheidsbewijzen (jegens personen). Assiduous = volhardend, ijverig. As»ign, i)sain. subst. iemand, wien eigendommen worden overgedragen of toegewezen: â verb, toewijzen,overdragen, bepalen, aanwijzen: âed to hi» use = hem ten gebruike aangewezen. âee. nsini, iemand, door een ander gevolmachtigd of aangewezen tot het doen van Tets. tot het genieten van een recht, etc.: executeur. âeets) ol' a bankrupt (in bank-niptry) = een persoon (personen), aangesteld om de zaken van een gefailleerde ten behoeve der schuldeischers te besturen; curatorfen); ; -able; âment. AsHignation. nsigneiè'n. AHsiuiilate. dsimileit, gelijk maken, gelijk worden,voedsel opnemen en omzetten in vleesch, etc.: Assimilable; Assimilation; Assimilative. \ Asslmilator. Ansist, dsist. helpen, bijstaan, steunen. (Door at gevolgd beteekent het ook bijwonen, ofschoon dan liever attend gebruikt wordt; I never âed at (attended) such a grand eoncert);âanee; âant; âant master = hulponderwijzer; âer. Assize, asaiz, subst. gerechtshof, vergadering (voor de publieke zaak); de gewichts- of prijsbepaling (= taks) van sómmige voedingstoffen, zooals brood, vleesch, etc.: â verb, den prijs of het gewicht bepalen: vaststellen (van eene belasting). â». dsaiziz, zittingen der rondgaande rechters, tweemaal per jaar in ieder â der Engelsche graafschappen: âinent = inspectie van maten en gewichten. A»*MM'iate. P8oiis{i)eit, subst. metgezel, kameraad, bondgenoot, deelgenoot: adj. verbonden door gemeenschappelijke belangen; â verb, vereenigen, verbinden, vergezellen. Associable ' = gezellig. Associabilitif. Association. AMMonant. ason'nt, gelijkklinkend; zóódanig rijmend, dat de woorden wél dezelfde klinkers, maar niet dezelfde medeklinkers hebben. Assonance. AsHort, asöt, uitzoeken, sorteeren, overeenstemmen: Aii âed cargo; âment. AsMiiage, dsweidz, verzachten, lenigen, bedaren: 1 âment. AHHiiaNive = verzachtend (middel). AH»iieraetion, asirifal;sJn, het gewennen: het gewoon zijn. AHHiime. dsiüm, aannemen, zich aanmatigen, zich toeëigenen: eene verplichting op zich nemen: lie âd my debt, till I could work it out = sprak go'ed voor mijne schulden, tot ik ze door hard werken kon delgen; lie âed the reins = verkreeg de overhand. âdly = vermoedelijk. |
AHHumptron, nsvms'n. aanneming; opneming in den hemel (vooral in de Roomsche en de Grieksche kerk de miraculeuze hemelvaart van de maagd Maria). Zie Aseension. Assure, dëiid, verzekeren, vertrouwen, assu-reeren (van of op het leven; van andere dingen insure en insuranee): He âd his liie at a comparatively low premiuni: Assurance. âdly = zeker, ongetwijfeld; Assuring = geruststellend. Assyria, osirid, Assyrië; ân. Assipnologij. Aster, as to, aster. Asteraceous = tot de asters behoorende. Asterisk, astdrisk. sterretje (*). Asterism, asterizm, gesternte, driestar ***. Astern, dstnn, achter (naar achteren) op het schip: achter het schip (staande tegenover ahead): The icebergs we had seen ahead (= vooruit), were happily â now. Asteroid, astdröid. een der kleine planeten (vooral tusschen Mars en Jupiter); âal. Asthenie, ds-thenik, krachteloos, zwak, verzwakkend. Asthma, as{t)ma. asthma. Asthmatic = asth-matisch (mensch). Astir, ostii. in beweging: At live o'clock we were all â = bij de hand. Astonish, dstonié, verbazen, versteld doen staan; âment. âiug = verwonderlijk. Astound, dstaund, ontzetten, verpletteren; âinput. Astracan, astrakan, wollen stof, astrakan. Astraddle, dstrad'l, schrijlings. Astraghal, astmgl. ringvormige krans (boven of onder) om eene zuil; bikkel. Astrakhan, nstrdkan, soort van bont. Astriisalns. nstragdlos, enkelbeen. Astral, astr'l, vol sterren. Astral lamp = een lamp, waarvan het licht, door een concaaf glas, geconcentreerd wordt op de tafel. Astray, os Ir ei, verdwaald. I went â = verdwaalde. He led me â = op quot;t dwaalspoor. Astricf, asïWArt, samentrekken, toetrekken, beperken: âion: âive. Astride, dstraid, schrijlings, met de beenen uitgespreid: â of a chair. Astringent, ostrinz'nt, samentrekkend, streng; stoppend (middel). AstHngencg. Astrography, dstrogrdfi, sterrenbeschrijving. Astrologer.^sfï'otodta, sterrenwichelaar. A stro-log g. Astronomer, ,gt;stron.nnlt;i, sterrenkundige. A stronom ic. A stronomg. Astrut. dstrnt. op eene trotsche wijze, hoog stappend. Asturias. Dstiïri.is, Asturië. Astute, dstjüt, slim, sluw, schrander = Asltt-cious: âness. Asunder,vaneen, op zich zelf,gescheiden. Asylum, asairm, schuilplaats, toevluchtsoord. Lunatic â = krankzinnigengesticht; â for the deafanddiimb = doofstommeninstituut. Asymmetry.psimaïri,onevenredigheid; gebrek . aan overeenstemming. Astjmmetric{al). Asyndeton^sindat'n^ane stijlfiguur,bestaande in het weglaten der conjuncties: Ik kwam. ik zag, ik overwon. Asyntactic, asintaktik, zonder samenhang. At.* at, tot, te, aan, op, in, bij, van, etc.: â first = in den beginne; They are â peace. â war = hebben vrede, oorlog; â break of day (â dawn) we saw live birds â |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal tzie asleep en care): girl: //ear = jia: long â loi^: .s/iip = sij»: occas/on = okeiz'n: thin: thus = dhvs: wine.
ATTENTION.
ATA BAL.
24
|
inoM = bij het dagen ... op zijn meest: Are you â a los» liow to «lo that hiiiii? Kotâ all = .. verlegen .. Geenszins: â length = eindelijk, in de lengte. 1 received many kiiidnetüHeH â your liaiuta = van u, uit uwe handen. â home, subst. receptie(dag); adv. op zijn gemak, thuis: â onee = in eens: â sea = op zee, in de war: To kill two birds | â «me (a) blow = twee vliegen in één klap slaan: We did it â haphazard â op goed | geluk af; â lull gallop = in vollen galop: We are â law about that meadow = procedeeren over. The majority was returned â 152 = verkozen meerderheid bedroeg 152: The house rose â her as she eame on the stage = de bezoekers van den schouwburg gingen opstaan voor haar, toen: They are â one again = het eens. eendrachtig.* Atabal, atob'l, keteltrom, pauken. Ataghan, ateif n, kort Turksch zwaard, of lange dolk. Atavism, atevizm. neiging der nakomelingen tot terugkeer tot het voorouderlijk type; ontaarding (fig.). Atavistic. Ataxy, dtaksi of atdksL onregelmatigheid, stoornis (in de functies van het lichaam of de vormen eener ziekte). A tâ¬t.cic. Ate, eiti, de Godin van het straffende onheil; (eit of et), imperf. van to eat. Atelier, aVlid of dtcljd, atelier van schilder of beeldhouwer. Athanasiaii, aUwneizn. van Athanasius. Bisschop van Alexandrië (4e eeuw). The â Creed = . . geloofsbelijdenis. Atheism, eithiizm, ongeloof in het bestaan van God. Atheist. Atheistic. Athelstan, atJClstdn. Athen(a)eum, utheniom. instelling met bibliotheek, lectoren, enz. ter bevordering der wetenschappelijke en letterkundige ontwikkeling; letterk. vereeniging: leeszaal. Athenian, athinj'n. Athener: Atheensch. Athens, ath'nz. Athene. Athirst. dorstig, gretig. Athlete, athlit, dthlii, worstelaar, athleet. Athletic Club = gymnastiekvereeniging. ⢠Athletics = spieroefeningen, gymnastiek. Athwart, dthwöt, overdwars, van zijde tot zijde, dwars. Atilt, dtilt, met gevelde lans, geveld geweer; gereed tot een uitval: To run â = aanvallen. Atkins, atkinz. Tommy â is de algemeene naam voor den Engelsclien soldaat. Atlantes. atlantiz. menschenfiguren, die, in plaats van zuilen of pilasters, tot steun dienen. Atlantic, dtlantik, subst. Atlantische Oceaan; adj. Atlantisch. Atlantides, dtlantidiz. het zevengesternte, de Pleiaden. Atlas, athis. vereeniging van kaarten; groot formaat teekenpapier: soort satijn; eerste halswervel; Atlas (een titan). Atlahtean = met de kracht van Atlas. Atmology, ytmoladzi, verdampingsleer. At- , ni(id)oineter, a.tm{id)ometd. verdampings- | meter. Atmosphere, atmdsfio. dampkring, omgeving. Atmospheric engine = motor, waarvan de ..zuigerquot; wordt bewogen gedeeltelijk door de I drukking van den dampkring. |
Atoll, atol, ringvormig koraaleiland. Atom, aVni, atoom, molecule, iets bijzonder kleins. ây, atemi, anatomisch praeparaat, geraamte. Atomic; âism; âize. Atomology. Atone, dtonn, boeten, vergoeden, verzoenen; âment = verzoening (door Christus). Atonic, d to nik, adj. zonder toon. accent; subst. kalmeerend geneesmiddel; ongeaccentueerd woord. Atony. aUni, gebrek aan toon. Atop, dtop. bóvenop (dikwijls door o/quot;gevolgd). Atrabiliar, atrdbiljd, melancholiek, zwartgallig = Atrabihous. Atrabilarian = melancholicus. Atramentous, AtrdmentdS, zoo zwart als inkt. Atrip. dtHp, rechtop (van een anker, dat loodrecht opgehaald wordt, of van zeilen, die in top worden geheschen): The bells in the tower were all â = zoo hoog mogelijk opgetrokken, dus: werden hard geluid. Atrium, atridm, voorhof (in een Romeinsch huis). Atrial. Atrocious, dtrouöds, afgrijselijk, gruwelijk wreed, verfoeilijk; âness = Atrocity. Atrophy, atrdfi, subst. kwijning, achteruitgang (van lichaam of organen); verb, kwijnen. Atrous, eitrds, zuiver zwart. Attach, dtats, (vast)hechteii, verbinden, vast-knoopen, in beslag nemen, overhalen: Eternal shame would have âed to England for allowing such barbarity = het zou E. tot eeuwige schande gestrekt hebben: This penalty âes to oflenders = wordt gegeven aan.'âment. Attack, dtah, subst. aanval: verb, aanvallen: âable. âer. Attain, dtein, bereiken, verkrijgen, evenaren: lie âed his end = bereikte zijn doel: âable. Altainabilitji: âment. Attaint, dteint, subst. smet: verb, bevlekken, besmetten, bezoedelen, van verraad beschuldigen; vervallen verklaren van zijne rechten: A Bill of Attainder was brought into Parliament = wetsontwerp tot gevangenneming en verlies van burgerschapsrechten wegens hoog verraad, âment. -ure. Attar. ata, uit bloemen getrokken odeur. Attemper, dtempo, matigen, temperen, verzachten, vermengen, geschikt maken voor (zie Temper). Attempt, otemt, subst. proeve, poging, aanslag; verb, trachten, pogen, aanvallen, een aanslag doen: âed murder = poging tot moord: They âed (made an â upon) the life of the king = deden een aanslag op. âable. Attend, dtend, vergezellen, oppassen, bijwonen; luisteren, nauwkeurig letten op: I cannot â amy more pupils = hebben, bedienen; She âed on the party = woonde bij: The queen was âed by the* court: 1 âed a concert; You do not*â to what he says = let niet op. â ance, dienst, tegenwoordigheid, bediendenstoet: The people in âance = bedienende personen: They danced âance on him = dienden hem slaafs. âance-ofücer = ambtenaar, met de zorg voor het (verplicht) schoolbezoek belast. âant: A dinner, âant on the opening of the building = gegeven ter gelegenheid van. Attention, dtensn, oplettendheid, beleefdheid: lie paid her many âs = was zeer galant, |
man: ask = ask; form = fam; Imt = but; learn = Iwn; line â lain: house = haus; net; c/Y/'e = kèa; fate = feit: tin; «sleep = aslip; not; laiv = 16; lord = löd: bo// = bói;
ATTENUATE.
AURICULA.
25
|
maakte haar het hof; The Noldiers Mtood at â = in de positie ..geeft acht'quot;; Attentive. Attenuate, dtenjueit, verb, verdunnen, verslappen, verzachten, tenger maken; adj. (dtenjuit) tenger, zwak, verslapt. Attenuation. Attewt,aïesï, subst.getuigenis,bewijs: â verb, getuigenis afleggen van, betuigen, bevestigen; âation: âation Hauwe = wettelijke verklaring i onder eene acte. â ive. âor = er. Attie, atik, subst. bovenverdieping, vliering; adj. ! Attisch; âbird = nachtegaal; âlaitli = ! onkreukbare trouw; âwit, âsalt = fijn vernuft. â tain = Attisch gezegde (dialekt). Attire, subst. kleeding, opschik, hoofdtooi, horens van een hert); â verb, kleeden, uitdossen, optooien. Attiring = kleedij. Attitude, atitjüd, houding, voorkomen: He struck an â alter planting liimsell before lii« opponent = nam eene gewichtige, interessante houding aan (gewoonlijk ironisch); They were all attitudinizing, in their way = zé namen allen op hunne manier interessante houdingen aan; Attitudinal. Attitudinarian. Attle, afl, afval, puin. Attollent, dtoVnt, subst. eene spier, die iets (b.v. het ooglid) oplicht; adj. oplichtend, omhoog houdend. Attorn, dttin, overdragen, hulde bewijzen. Attorney, dtvni, gevolmachtigde, procureur. âgeneral = Procureur-generaal; Letter, Power, Warrant ol* â = volmacht, procuratie. âship. Attract, d tra kt, aantrekken, tot zich trekken, lokken, boeien: In these sketches the reader will iind iniich to â = veel aantrekkelijks; âable; âion = aantrekkings(kracht); âion olquot; cohesion = cohesie; âive. âor. Attrahent, atrdlïnt, subst. wat aantrekt of aanlokt: adj. aantrekkend, aanlokkend. Attribute, eigenschap,attribuut, bijv. naamwoord. Attribute, otribjut. toeschrijven, aanrekenen. Attribution, Attributive. Attrite, dtrait, afgesleten (door wrijving), boete doende (uit angst voor straf, etc.); âness, Attrition = afschaving, het afschaven, het gesleten zijn; verplettering des harten (uit vrees voor straf, etc.). Attune, dtjun, stemmen, doen harmonieeren: An ear, âd to iniisic. Atwain, atwein, in tweeën, gescheiden. Atypic, dtipik, van geen bepaald type. Aubade, óbamp;d = (morgen)serenade. Aubin, 6bin, korte galop (v. paarden). Auhurii. óhdn. kastanjebruin. Auction, óksn, (wettige) openbare verkooping bij opbod, ook genoemd: â sale; de op eene auctie verkochte zaken. Dutch â = verkooping bij afslag. The auctioneer (o/.s'nid) repeated his âgoing, going, gone'7 amid the general silence of an otherwise bustling crowd = de afslager herhaalde zijn âEerstemaal, tweedemaal, derdemaalquot; te midden der alge-meene stilte van eene anders woelige menigte. âmart = venduhuis; âary. Audacious, ódeisas, brutaal, onbeschaamd: âness = Audacity. Audible, ódibl, hoorbaar, luide; âness = Audibility. Audience, ódfns, het hooren: toelating ten ge- ; |
hoore; de toehoorders. â of leave = gehoor (bij eén vorst) vóór het vertrek. Audient. Audiphoiie, ódifown, gehoorinstrument. Audit, odit. subst. onderzoek en nazien van rekeningen, eindrekening, oordeelsdag: â verb, rekeningen onderzoeken en verevenen. C'om-missioner of â = lid eener commissie tot het nazien der rekeningen, ook Auditor genoemd. âoffice. Board of â = de Rekenkamer: Audition = gehoorszin. âive, (klific. gehoor-vermugen bezittend. Auditory, óditdri. Auditorium, quot;ditóridm, subst. de toehoorders: gehoorzaal: rechtbank; adj. totdegehoorwerk-tuigen behoorend = Amlitorial. âor; âress. Auf, óf, dwaas, sukkel, hals. Zie Oaf. Augean, ödzion, vol opgehoopte vuilnis, moeilijk, inspannend; âstable = Augiusstal. Aiiger. óyd, avegaar (eene soort v. boor). Auget, óre, met kruit gevulde buis. om mijnen te doen springen. Aught, óf, iets, wat ook, Ln eenig opzicht: subst. eene kleinigheid. For â I know = voorzoover ik weet. He may go there, for â 1 care = voorzoover mij betreft. Augite, ódzai't. een mineraal van groenzwarte kleur, in vulkanen aanwezig. Aquot;gitie. Augnient, ótjtnnl, vermeerdering: toevoeging (van eene lettergreep aan een woord»: de koorts-periode tusschen het begin en den hoogsten graad. Augment, ógment, vermeerderen. vergrooten? toevoegen: âable; âative; Auguientation. Alignr, órp), subst. waarzegger (bij de Romeinen) uit de vogelvlucht; â verb, gissen, voorzeggen, voorspellen: A.iifjural â AtKjurous. Augury, ögjuri, voorspelling (uit de vogelvlucht). August, égdst, de maand Augustus: August. August, 'if/nst, grootsch, verheven.doorluchtig; âlïess. The Augustan age. The Augustan confession = Augsburgsche geloofsbelijdenis (1530). Augiistins, ógvstinz. Aiignstinians, ogastinj^nz. Augustijner monniken: âine. ugnstin, Augustinus: Augustijnsch. Aularian, ólêrfn, tot eene aula (ofgroote zaal) behoorende. Aulic, 6Hk. tot een koningshof behoorend. Auncel(-weight), ons'l(weit). unster. A nut. ant, tante, moei = â ie (gemeenzaam). â hood = âship. â Sally = eene pop met eene pijp in den mond. die*er van zekeren afstand met stokken moet worden uitgegooid. Aura. 6ra. zacht koeltje; gevoel als van een koelen luchtstroom, dat wel eens de vallende ziekte voorafgaat; de door eenig lichaam uitgeademde dampen of yipèistolïen, als: FJec-trie â. â1. Aural, 6r7, tot het oor behoorende. Aurated, óreitid. goud bevattend. Aureate, örïit, goudkleurig, gouden, verguld. Aurelia, oriljd, pop van een insekt. Aurelia: ân. Aureola. orteU). Aureole, órioi'l. stralenkrans (om het hoofd der heiligen), lichtkrans. Auric, órik, Anrous,6/\9.s*. tot goud behoorend. â acid = verbinding van goud en zuurstof. Auriferous, orifurds, goud opleverend. Auri- gerons, óridzerds, goudkleurig = Aiirulent. Auricle, órikl, oorschelp, de hartholte (er zijn er twee, de r. en de l., die het aderlijke bloed weder opneemt, gewoonlijk hartkamer genoemd). âd. Auricula, órikjulh, soort van sleutelbloem. |
bone = boun: full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = Jior long = Ion; ship = sip; occa.s/on = okeiz'n: thin; thus â dims; wine.
AURICULAR.
26
AVERAGE.
|
Auricular, tiri/ijnte, tot het oor behoorend. â â¢confesAioii = mondelinge belijdenis van zonden (biecht). â mtHligeiice = mondeling bericht. â organs. Auricidated. Aiirii'oriii. érifóm, oorvormig. Aurisealp, óriskiilp. oorreiniger. Anriscope = instrument tot onderzoek van het oor. Aurist, órist. kenner van oorkwalen, oorkundige. Aiirocli», -oroks. wilde os, auerochs. Aurora, ó/wv. dageraad. â boreali» = Noorderlicht: â aiiMtrali» = Zuiderlicht. âI. AiiHcultatioiL, ustflteiamp;n. het luisteren; de methode, om ziekten te onderkennen, vooral die der ademhalingswerktuigen, door naar hun geruisch te luisteren. AuHfiiltatur. ósk'lteitd, iemand, die op bovengenoemde wijze praktiseert: een jong rechtsgeleerde, dié eene betrekking zoekt ter introductie in zijn beroep. Auscultate. Auspex, ólt;])ekamp;1 een priester, die de voorteekenen opnam en verklaarde. Auspice, êspis, voorteeken, voorspelling, vogelwichelarij, bescherming (gew. Meerv.): I «lid it iiiHier hls aiiHpk'C» ióspisiz) = onder zijne bescherming. Auspidous = gunstig. Auspicate = plechtig voorspellen. Austere, óstid, streng, noi sch, stuursch, wrang. He assuiued a teiil'old austeritgt; (ö.s7e7*/^) ut' l»ro\v = zijn gelaat drukte eene groote mate van norsche strengheid uit: âuess. Austiu Friars, 4stin f'raidz. Augustijnsche monniken. Austral, éstr'l. Zuidelijk: â pole = de punt â¢der magneetnaald, die het N. zoekt, âsigns laatste zes teekens van den Dierenriem. â-asia. óstr'leis,?. de eilanden ten Z.O. van Azië gelegen: âia, ostreiljd, het grootste der eilanden van Australasia: Australian. Australize = naar het Z. wijzen. Austria, óstrid. Oostenrijk: Austrian. Austroiiiauey. óstromnusi. voorspelling uit de windrichting.* etc. Aiitheutietal), óthentikCl). van echten oorsprong, dus: oprecht, waar, echt. The kiug lias authenticated the iioiiiiiiation = geteekend, bekrachtigd. They have not succeeded yet in autlienticating this portrait = de echtheid ervan te bewijzen. Authimticity. Author. schepper, voortbrenger, eerste oorzaak; schrijver, dichter, etc. âess; âship. Authority 1 nthoriti. (wettig) gezag, macht, invloed: dé met gezag bekleede: We have it on the best â = wij vernemen uit zéér vertrouwbare bron. This grammar was compiled Irom the best authorities. â We were authorized to settle the f|uestioii = gemachtigd. de zaak te beslechten. Authoritative = gezaghebbend, bevelend. Anthor'izable. Authorized Version = Engelsche bijbelvertaling (1011). ongeveer: Statenvertaling. Autobiography, otdbaioyrdfi, levensbeschrijving, dooi* den'schrijver van zichzelf. Autobio-grapher. .V utobiographic. A u tocht hou.oorspronkelijke bewoner: wat aan een land eigen is, of aldaar zijn oorsprong had; âal = -ons. Autocracy, ótokrdsi. alléénheerschappij. The little autocrats (ótakrnts) of the village = tirannen. Autocratic. Auto de Ie, ótouddfei, (plechtige zitting der |
Inquisitie vóór) het verbranden van een ketter: het vonnis over een ketter uitgesproken. Autogenous, ótödzinds. zelfvoortbrengend. Autograph, óteyraf, eigen handschrift of hand-teekening: âic, otagrafik. Autograph;/. Aiitomath. ótdinath, autodidakt (d. i. iemand, die zichzelf geleerd heeft). Automaton, ótomdVn, automaat (d. i. zelf-bewegende figuur): zelfbewegend werktuig (door middel van veeren of gewichten, zooals eene klok, een horloge). Automatons. Auto-matic(al). A iitonomy, otoiwrn i, het recht op zelfregeering. Zie Ihnne-rnle. An autonomie {otdnómik) district = dat zichzelf bestuurt. Xntonomoas. Autopsia. ó tops id, Autopsy, ótdpsi. persoonlijke waarneming, lijkopening, lijkschouwing. Autoptical = op persoonlijk aanschouwen of onderzoek gegrond. Autotype. ófafai/), echte afdruk. Aiituihn, of'm, herfst: periode van verval en achteruitgang. The â«⢠(ótnm'nl) I quinox = de dag- en nachtevening ( ongeveer 22 September). âal-point. Auxetic, nksetik. aanvullend, vergrootend. Auxiliary, ögziljzri, subst.helper, bondgenoot: adj. hulp'verleenend. The auxiliaries = hulptroepen. Aa.riliar = helpend: helper. Avail, Dveil. subst. baat, hulp, nut: It was to little â = het baatte zoo goed als niets = It was of no â, without â; â verb, baten, helpen, raden, uitwerken: 1 haveâed mysell' of that opportiinitv = mij bediend van,Voordeel getrokken uit. \Vhat can it possibly â ? = met mogelijkheid uitwerken, waartoe kan het in vredesnaam dienen? I have no âable money at this moment = beschikbaar. There were no âable candidates for that post = geschikte. Availabilitg. Avalanche, avolanë. sneeuwval. A va rice, avdris. gierigheid, i nhaligheid. He was a va r ic i ous( a vórises )o f power=begeerig naar. Avast. dvAst, stop! Avater, avdtü. de vleeschwording der Godheid (Hind. Myth.): phase. A vaunt, hvónt, weg van hier! Ave, eivi, subst. lofgezang ter eere dei- Moeder Gods: interj. Heil! Welkom! Vaarwel: âbell = het angelus. â Maria. Avenaceous, avdneiëds, ha verachtig. Avenge, dvenz, voldoening zoeken, wreken, straffen (met het begrip van wettig verdiende straf), wraak oefenen: I'll be âd on you = gij zult mij satisfactie geven (Zie Revenge): â ful: âment: â r (of blood). Avens. av'nz. nagelkruid. Aventail, av'nteil, vizier (van een helm). Aventine, atfnlain. subst. veilige stelling: Aventijnsch(e heuvel). Aventure, dventjud, onvrijwillige manslag. Avenue,af,9W;//f.toegang,oprijlaan,breedestraat. Aver^v», betuigen, verzekeren, staven: âment. Average, avdr'xdi. subst. de gemiddelde hoeveelheid, het gemiddelde. On an â = gemiddeld: Let us strike an â = het gemiddelde nemen: adj. gewoon, gemiddeld. Heiligs of the â stamp (order) = gemiddeld slag: An â amount of rain; The averagioushj ignorant citizen: â verb, het gemiddelde vinden, gemiddeld berekenen, opnemen: We âd two |
man; ask = ask: farm = tam; b'/t = but; W/rn = Um: l/ne =; lain; hofse = haus: net; care = kèa^ fate = feit; tin: «sleep = dslip; not: law â lo: lord = löd: hog = bói:
AVERXAL. 27 AZVMOUS.
|
hareM a day = schoten gemiddeld. The hlackHiiiitli âd (lie soldier with a slaiice = nam !iem met één blik op. Avernal, dvfiril, van den Avernus, helsch. Avernincate, nvemnkéit, uitroeien. Averun- i cator = snoeimes. Avemmcation. Averse, ju vs. afkeerig: lie was â to all work. These nations have an aversion to snbjeetion; âness. Avert,at'w?. afwenden: Thy doom cannot he averted: Avertible. Ave's, eiviz. vogels. Aviary, eivjdri, groote vogelkooi. Aviculture. Avid, avid, gretig, begeerig. Avidity. A vocative, dvokdtiv. afrading. Avocation. avekeiè'n. roeping, werk. afroeping. Av«gt;id, evóid, vermijden, op een afstand blijven, te niet doen, van onwaarde maken; âable; âance. âer. Av«»irdii|i«»is, iwddt'póiz, Engelsch gewichtsstelsel. behalve voor goud, zilver, juweelen en geneesmiddelen (het Ã. pound daarvan heeft 16 ounces). Zie Trov-weight. Avon, eitfn, rivier, âdale, av'ndeil. stad. Avoneh, dvautê, subst. getuigenis; â verb, openlijk betuigen, verzekeren; âable; âinent. 1 Avow, aval#, subst. erkentenis: â verb, belijden. toekennen, erkennen. The âal ol'sncli principles is nionstrons = het openlijk ! belijden: âable; âance: âant: âee, ,/vaiii (Zie Advowee). â ry = bescherming, beschermer: de daad van hem, die het terug- i nemen van goederen als zijn recht beschouwt. 1 en dus rechtvaardigt. Tegenover hem staat de âant. die. beschuldigd van het wegnemen van goederen, zijn recht daarop handhaaft. Avulsion, avitls'n, losscheuring, afrukking. Avlinenlar, dvm^kjuld. van of door een oom. Await^weiï.verwachten, afwachten, opwachten, verbeiden, te wachten staan. Awake.,)weik, verb, wekken, opwekken: That eall will â the dead, lie awoke trom his Htnpor = ontwaakte uit zijne verdooving: adj. wakker: lie is wide â = âgaarquot;: I am â to all that yon say = ik begrijp, vat (Zie Alive to), ân, diveik'n, doen ontwaken (krachtiger dan awake): ânin^-books = tractaatjes. Award, dwöd. subst. oordeel, uitspraak, beslissing: â verb, toekennen, toewijzen, beslissen. He was âed the lirst prize = The ürst prize was âed him. âer. Aware, dwêd, bewust, bedacht: lie was not â ol' what 1 said. Awash, Jivoè = op gelijke hoogte als het water, ten prooi aan de golven. \way, owei, weg, voort, op een afstand: 1 conld not â with those people = kon ze niet zetten. The patient conld not â with being nursed = wou niet opgepast worden. At intervals he gives (a)way to eveess = geeft zich over aan. He made â with all those who had oppoHed him = doodde. â, lor shame â foei, schaam u. lt;»et â = maak dat je wegkomt, l'nll â = roeit er op los! ï'ire â = toe maar, schiet maar, vooruit maar! He worked â = hard. Awe, (5, subst. ontzag, eerbied: I kept him ji» â = ik hield hem er onder: He stands in â of his lather = heeft ontzag; â verb. |
ontzag inboezemen: I was âd by his serious words = âbound, â-struck'= met ontzag vervuld: âless; âsome: Awful = ontzaglijk: Awfully = erg, zeer. Awearvl divtri, vermoeid: levensmoede. Aweather, dwedlw, aan dewindzijde. Zie Alee. A weigh, diuei. Zie Atrip. Awhile, dwnil. gedurende een tijdje. Awkward, ökivad. onhandig, lomp: It is â that I forget his name = lam, vervelend... vergeten ben; âness. Awl, ól. els (van schoenmakers.etc.); âbird = groene specht, âwort, ólwv.t. elskruid (plant met elsvormige bladeren). Awn, ón. baard (van gras of aren); âed: âless; ây. Awning, ónit], (linnen) scherm voor de zon. dekzeil. The â front of the shop = ruimte vóór den winkel, door een zeil of scherm tegen de zon beschut. Awoke, divouk, Imperf. van to awake. Awry. lt;gt;rai. scheef, schuin. His hat was â. He looked â = zuur. Axe,aks. bijl; âhead = snijdend deel der bijl: To bnry the â = vrede maken. Axil,aksil. Axilla,afofito,oksel. âlary leaves, bladeren, die uit de axilla (waar tak* en stam elkaar ontmoeten) voortkomen. Axiom, aksidm. axioma, waarheid, die uit zich zelve duidelijk is, grondstelling. Axiomtttic. Axis, aksis. as (denkbeeldig of werkelijk), waarom een lichaam draait; de tweede halswervel, waarop de atlas draait (Zie Atlas): het centrale gedeelte van eene plant: de loodrecht op het oog vallende lichtstraal (ook optie of visual axis genaamd): An axial direction = richting in de as der aarde (staande tegenover elt;|uatorial direction). A.viferovs plants =⢠planten, die slechts eene axis, geene bladeren, etc. hebben. Axle, aks'l. âtree, aks'ltrl. de spil, waarom een wiel draait. Axolotl, aksdlofl, waterhagedis (Mexico). Ay. Aye, ai, ja. â marry = ja waarachtig; â me* = o wee mij! Ayah, eijd, eene Indische bediende of min. Aye. ei of ai = eeuwig. Farewell, perhaps for â, for ever and â. Ayes, aiz. de voor- (eig. jci-)stemmers in het House of Commons (De tegenstemmers heeten noes); ook de stemmen vóór (tegen) een voorstel. Aye-aye, ai-ai, een nachtelijke viervoeter van Madagascar, ter grootte van een haas, en met handvormige achtervoeten. Aylesbury, eilzbri, stad. Ayrshire,* soort v. vee (uit â). Azalea, dzeiljd, azalea. Azimuth, azimdth. azimuth, topboog: âal. Azoic, dzonik, zonder spoor van organisch leven, zonder organische overblijfselen. Azores, dzóriz, Azorische eilanden. Aznre. eizff of azd, subst. het blauw des hemels: het uitspansel; het blauw in het wapen van allen beneden den rang van baron: adj. hemelsblauw: â verb, blauw verven: âi'. Azurlne. Azymons. azimos. ongezuurd, ongegist. |
bone = bonn; full; fool = fill; ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: year = Jid: long = loi^; s/np = sip: occas/ón = okeiz'n: thin; thus = dims: wine.
BACKGAMMON.
B.
28
It.
|
B. bi, tweede letter v. h. alphabet. B-flat = b mol: Ji-sharp = b kruis: B. A. = Bachelor of Arts. B. C. = Before Christ: JMachelorof) = candidaat in het burgerlijk recht: B. Igt;. = Bachelor of Divinity: B. ij. L. '= Bachelor of Laws = cand. in de rechten; Bart of Bt. = Baronet (Deze heeft, evenals een Knight, tien titel Sir vóór den doopnaam; die titel is echter bij de baronets erfelijk, bij de I,nights niet). Jiiritish) JKuseurn). The Ji and S = Brandy and Soda: Jiro(ther); J{rig(adier)'Geit(eral). He does not know a Ji from a ball's foot = hij kent geene A voor eene B; Jf(lessed) l'( irgin) JI(anj). Baa, ba, subst. het blaten : â verb, blaten. The baby caressing a woolly baa-lamb. Baal, beid I, Baal (de afgod der Kanaanieten); â ist, âite. Bab. bab, verkorting voor Baby en voor Barbara. biibord. Babble, bab'l, subst. gesnap, gebabbel, gewauwel: verb, snappen, wauwelen, babbelen, murmelen (van eene beek); âment: r. Babe, beib. Baby, beibi. subst. klein kind; eene pop: adj. wat een klein kind eigen is: Her baby eyes = kinderoogjes; âship: Babish. B'aby-larniing;. beibi/Timing, de zorg voor (en ook* de verwaarloozing van) pasgeboren (in den regel onechte) kinderen, die dikwijls bezwijken onder die behandeling; Baby-house = poppenhuis: Babyhood. Babel, beib'l, war(rel)taal, wanorde, rumoer, dwaas plan. Baboo, Babii. bftba, Heer (Hindostan), Bengalees; â Knglish = slecht Engclsch (als van âs». Baboon, bdbun. baviaan; âery. Babylonia(ngt;, 6a6i/o»m/a(H),'subst. bewoner van* Babylon] Babylonish, babi Ion nis, adj. Babylonscli, verward, rumoerig. Baetk), bak, veerpont, praam; kuip (bij *t brouwen en destilleeren). Baccalaureate, bakalóriit, de candidaatstitel. Baccara, Baccarat, bakard, eene soort (Fransch) kaartspel. Baccate(dgt;, bake it (id), besachtig, bezieachtig. Bacchanal, bakdril. Bacchanalian, bukd-neilj'n, subst. dronkaard; adj. dronkenmans-achtig. ruzieachtig, druk. Bacchanals, Bacchanalia, bukoneiljd. luidruchtige feesten, Baccha-naliën. Bacchant = Bacchusdienaar. Bacchante, ba/,-ant{i), eene priesteres van Bacchus, eene Bacchante. Bacchir(al). Bacchus', ook: alcoholische drank. Bacciierous, bakfsiferds,besse:.dragend; Bac-civorous, baksivdros, bessenetend. Bachelor (soms verkort tot Bach), bats{dld), subst. ongetrouwd man. candidaat; adj. van een ongetrouwde: llis â rooms were always tidy = zijne kamers, toen hij nog ongetrouwd was, waren altijd netjes: âquot;s of âs' buttons = de dubbele ranonkel; â hood: âship. Bacillus, basilds (Meerv. Bacilli), bacil. Back. bak. subst. rug. achterzijde, bovenkant: |
The â ol'the hand: The â of the wood = de verste kant. achterkant van het woud; He turned the â to it = stond er met den rug naar toe: 1 hope we shall soon see the â ol* him â van hem af komen; He turned the â upon it = hij wendde het verachtelijk den rug toe; The conqueror bowed the peoples â = onderdrukte; He has not a shirt on lt;togt; his â = aan het lijf: He says such things behind my â = achter mijn rug, als ik er niet bij ben: He can see through the â ol* your head = hij doorziet u geheel, is u te slim af; 1 began to get my â up. to put up my â =gt;ik begon driftig te worden; He made a â tor me, upon which I wrote the telegram = hij maakte van zijn rug eene soort lessenaar; â adj. wat ver van ons, of achter ons ligt; teruggaand: The â settlements; A â movement = achterwaartsche: â verb, op den rug klimmen, steunen; teekenen, endosseeren; achteruitgaan, achteruitbrengen, van een rug voorzien, het houden op of met. achterwaarts bewegen: He âed out ol* that engagement = hij maakte er zich af. hij krabbelde terug; How shall we â out ol that li* = Hoe komen wij, door eene achterw. beweging, uit die moeilijkheid.' The horse âed with him = ging achteruit: To â water = te^enroeien: He began to â water immediately = achteruit te krabbelen, zoete broodjes te bakken; He would â himselt* lor any amount to do it better than any ol* those workmen = hij maakte zich sterk, hij wilde wedden om alles wat men wilde; He lias âed me up = zedelijk of stoffelijk gesteund: He was the only man who did not â down belbre the rebels = die zich niet vernederde, die het niet opgaf, die niet toegaf; The steamer gave us a signal to â sail = achteruit te zeilen, terug te zeilen; Our train was âed on to a siding = werd op een zijspoor gebracht; I will â the field against that horse = ik wed, dat dit paard het tegen alle andere verliest; The sailors âed the oars = sloegen achteruit, om de boot te doen stilhouden; I will â that horse = ik wil op dat paard houden; lie promised to â me up in (under) all circumstances = mij te steunen; â adv. terug, achterwaarts, opnieuw: The angel rolled â the stone l'rom the door = wentelde af; 1 look â upon that time with sorrow = staar vol smart naar dien tijd terug, âbite = belasteren, kwaad spreken van; âbiter: âboard = rugplank; spiegel (van eene boot). â bone = ruggegraat, vastberadenheid: He is a liberal to the â bone = door en door; He lias got a âbone = pit in zich: âcountry =: â woods: âdoor: geheime (achter)ingang; heimelijk, âdown = That statesmairs âdown was an earnest ol* later success = zijn toegeven was eene belofte van later succes (verg. Reculer pour mieux saater). â fall = val op den rug (bij het worstelen): âgammon, bakgairin, trik- |
man: r/sk = ask: ïarm = lam: b^t = but; learn = lun: 1/ne = lain; house = haus; net; care = kêa; fate = feit: tin; asleep = «»slip; not; law ló: loi'd = löd; hog = boi;
BACKGROUND.
29
bal. wen:.
|
Irakspel, bakspel: âground = achtergrond; âIiuiid = subst. staand schrift; adj. onbillijk, niet royaal, indirect: A âhanded blow quot;= met den rug van de hand- A âhanded eoni-plinient = indirect: â hander: Fortune gave him a lift, with a âhander to Ibllow = Fortuna was hem eerst gunstig, maar bedroog hem daarna; He took a âhander = extraglas (wijn, etc.): âhouse = achtergebouw: â pieee. âplate = rugbedekking (van een harnas); â«eat = ondergeschikte (achterste) plaats; âMettletnent» = âwoods:âside = achterzijde, achterste: âslang = soort dieventaal, waarbij de woorden andersom gespeld worden, b.v. Cool the eselop (of slop) = Look at the police: âslide = afvallig of ontrouw worden, zedelijk achteruitgaan: âslider: âstaff, bakstixf. ouderwetsche quadrant. âstairs, bakstédz, subst. geheime trap (in een paleis); adv. door geheime (en lage) middelen: The whispers of the âstairs = lasterlijk gefluister, âstays = pardoens. âsword. haksöd, groot zwaard met ééne scherpe zijde: schermstok met getralied hand-vatsel. âward = adj. traag, onwillig, achterlijk, stomp van bevatting: adv. achterwaarts, rugwaarts, achteruit, bij nader inzien, lang geleden, tegenstrijdig; â wardly: âwards: âwardation, bnkivddeiè'n. som door den verkooper betaald, om later te mogen leveren: âwater = achterblijvend of teruggehouden water (van eene rivier); achterwaarts geworpen water door waterraderen of schepraderen. â woods, bakwndz. onontgonnen boschland, waar de kolonist nog niet is doorgedrongen; âwoodsman. Hit(c*)ksheesh, Backshish, bakèis of bakSis, geschenk in geld. Baron, beik'n, Baco (beroemd Eng. wijsgeer): gezouten, ingemaakte of gerookte ham. A Hitch of â = zij spek. I have saved mv â = ik ben er nóg goed afgekomen; âIan, beikonnjdn = van Baco. Karteria, baktirid. bacteriën. Bacteriology. Bad, bad, slecht, kwaad, nadeelig. onzedelijk, ongelukkig, ziek: To the â = schuldig, te kort (tegenover to the good = te goed, over): I want it âly = heb het hoog noodig; He seems to he* â ly off = hij schijnt het slecht te hebben: âdish = vrij slecht. Bade, beid of bad. Imperf. en Part. van to hid. Badge, bndz. insigne, kenteeken, versiersel van een schip bij den achtersteven: â verb, kenmerken (door een â Badger, barfré?,subst.das: een schilderspensee! (van dassenhaar): He is a rough fellow, lt;|uite a human â: As bald as a â = zoo kaal als een biljartbal: â verb, sarren, pesten, plagen, tergen: He was still full of energy, in spite of lifelong âing = tegenspoed, plagen (door Fortuna). âing is not the sort of thing to raise the soul = kwellen, tergen: âbaiting = aanhitsen van honden op een das in den grond; âdog = dashond. Badian, beidjon. steranijs (China). Badigeon. badidfn, stopsel of cement, vooral door beeldhouwers gebruikt. Badinage, badinidz of bddinaz. scherts, jok-kernij. bone = boun: full: fool = tul: é = toonloo; long = loij; s/iip = sip: occas/on = okeiy/n: |
Badminton, bad mint' eene soort raketspel (over een net heen). Baffetas, baf(a)t9fgt;, Baft(agt;, baf'td. soort Indisch katoen of mousseline. Baffle, baf' 7. subst. nederlaag: â verb, teleurstellen. overbluffen, verijdelen: Baffling winds = veranderliike (eig. bedriegelijke) winden: âr. Bug. bag. subst. zak. uier, eene bepaalde hoeveelheid ( Blt;gt;S» = loszittende kleeren, broek): He got the â (= sack) = hij werd weggezonden. kreeg den bons: laladstone â = valies: He went away â and baggage = met pak en zak: He is' a â of bones = de levende dood; He let the cat out of the â = verklapte alles; â verb, in een zak doen, uitzetten, schieten, opzwellen: llow inany hares have you âged to-day? = geschoten? âfox, bagfoks, een doorjagers medegenomen vos. om, mocht er geen vos opgejaagd worden, dien los te laten, en toch te jagen, âging = zaklinnen. âgy = zakachtig. flabberig. gezwollen (van stijl), âman. bayoi'ii. handelsreiziger. âpipe = doedelzak: âpiper: âwig = soort pruik uit de 18e eeuw. Bagasse, bdgas^ uitgeperst suikerriet. Bagatelle, bagatel, kleinigheid, beuzeling: een zeker spel. Bagehot, beidt,d. Baggage, bagidz. bagage (Amer.; in Kngeland gewoonlijk luggage), de benoodigdheden van een leger; onbeschaamd vrouwspersoon: een meisje: A pretty, sol't-hearted â. Bagnio, banjou,' badhuis, slecht huis: de galeien. Bah, bó. uitroep, die groote verachting uitdrukt. Bail. beil. subst. borgtocht: de borg en borgen: het als borgtocht gegeven geld: â verb, borg blijven; toelaten een borg te stellen, bevrijden, zich overgeven: The prislt;mer was admitted to â = mocht een borg stellen, om op vrije voeten te komen; We shall try to â him out = hem uit de gevangenis te krijgen. To â a boat = uithoozen, uitpompen'(van water); âable: âbond = borgtocht; âee. bei li. borgtochthouder: âer. âor, bei ld. borg-tochtgever. âpiece, beilpxs, schriftelijk bewijs van borgstelling; âs-nian = borg. Bailey, beili. open plaats binnen vestingmuren. The old â = bekende gevangenis in Londen. Bailiff, beilif. schout, baljuw, gerechtsdienaar. A water â = opziener der visscherijen: Bailiwick, beiliu'ik. het rechtsgebied van een bailiff. Bairn, bêdn. kind. Bait, beit. subst. lokaas, aas (om te visschen), voedsel: He gave his horse a â at the inn: Livery and â stable = stalhouderij, stalling. â verb, met aas lokken, verlókken; voedsel geven onderweg: fladderen, aanhitsen (van honden op wild, etc.): The bull was âed by the toreador = opgehitst, getergd. Have you âed the hooks? = van aas voorzien Bai7.e, beiz. grove wollen stof, soort baai, saai. Bake. beik. hard maken, drogen, bakken: âd-meat = pastei: âoven. v.va = oven: â r = bakker. A â rs dozen = dertien; â r-legged = met X-beenen. s foot = verdraaide voet. Bakery = âhouse. Balance, bal'ns. subst. balans, schaal, evenwicht. Weegschaal (teeken van den Dieren- vokaal (zie atilerp en care): girl: //ear = jia; lin: ///us = dims: wine. |
BALAXCE-MASTEK.
30
BAND.
|
riem), saldo: I have a â (in my iav«»iirgt; at iny banker's = (batig) saldo; Let n» strike the â = het saldo opmaken en vereffenen: â verb, wegen, opwegen, in evenwicht brengen of houden; gelijk maken, aarzelen. â of power = staatkundig evenwicht: â «f trade = verschil tusschen den in- en den uitvoer; âmaster, âmistress = acrobaat: âiisli = eene soort van haai. âknife = tafelmes, waarvan het lemmet niet het tafellaken raakt: âstep = ganzepas (militair); âsheet = balans, eene volledige opgave van debet en credit. âwheel = het rad in een horloge, dat de beweging regelt; âr = acrobaat. Balas(sgt;-rnby, bafosnïbi, rozenroode robijn. Balaustine, bd lós tin, wilde granaatappelboom. Biilcony, balkdni, balkon, de ruimte voor of achterop tram- of spoorwagens; Balconied. Bald, bold, kaal, onversierd, zonder tooi: â face = whiskey (Amer.); âhead, âpate, subst. en adj. = kaal(kop). Baldachin, bölddkin, âo, baldsfcinon. troon-of altaarhemel. Balderdash, boldddnë, subst. wartaal, mengelmoes, zootje; â verb, vervalschen. Baldric, bóldrik, rijk versierde gordel (over den schouder). âwise = als een â. Baldwin, bóldwin, Boudewijn. Bale, beil, subst. baal (goederen), ellende, verderf: lie is a â Inl fellow = naargeestig, verderfbrengend: â verb, in eene baal doen; uithoozen (van eene boot: Zie Bail). âgoods = in balen verpakte goederen; âlire = baken-vuur; Baling-paper = pakpapier (Am.). Balearic Islands. bixliarikaiVndz, Balearische eilanden. Baleen. balin, balein. Balfonr, balfo. Baliol, beil ia l, Bal(lgt;ista, bdlistd, handboog. A hallistic pendulum = een instrument ter berekening van de snelheid van kogels. Balistraria. bAlistrêrte, kruisvormige opening voor de boogschutters in vestingmuren. Balize, baliz of balaiz, zeebaken, hooge paal. Balk, bók, subst. balk, ongeploegd land, teleurstelling; â verb, teleurstellen, onaangeroerd laten, kennisgevén van de richting van haringscholen, weigeren te springen, in eens ophouden: The horse âed; lie âed in his speech: âer = een der visschers, die aan land op den uitkijk staat naar haringscholen. âline = streep (bij den onderband van een E. biljart). Ball, ból, bal, danspartij, kogel, aardkloot, balspel: â and socket Joint = kogelgewricht; The â of the foot = bal, zool, holte van den voet: Keep the â rolling = toe maar; To hole a â = stoppen (bilj.); We kept np the â of conversation = hielden het gesprek gaande; To open the â = het bal openen, de operaties beginnen; in so doing we shall have the â at our feet = zullen wij het spel in handen hebben: â verb, tot een bal vormen: The snow âed under the hoofs of the horses; âcock = balkraan, waardoor de watervoorraad in een vat vanzelf geregeld wordt door een drijvenden bal, die haar opent of sluit; âproof = kogelvrij: âroom. Ballad, bated, ballade, kort lied; âmaker, âmonger, âmamp;nga = liedjesverkooper, lie-derenfabrikant; âry = gezamenl. balladen. Ballast, balast, subst. ballast, puin: â verb, met ballast vullen. We had to pay the âage = belasting om het recht te hebben, ballast in eene haven in te nemen. â ing. Ballet, btilè, ballet, ingewikkelde dans; â verb, door gebaren en dansen uitdrukken. |
Biilloon, balün, ballon, bol, glazen ontvanger (bij het destilleeren); â verb.uitzetten, ineen luchtbal opstijgen: The âist gave up âing after that experience = luchtreiziger. Ballot, balat, subst. balletje of briefje (voor eene geheime stemming), geheime stemming; het aantal uitgebrachte stemmen; â verb, verkiezen door geheime stemming (met lor): He is at the head of the poll (= stembus) now, and will probably secure the seat at the ballotage = hij beeft thans de meeste stemmen, en zal waarschijnlijk bij de herstemming gekozen worden; He came in for â last Friday, and was âcd iu = er werd over hem gestemd____werd aangenomen als lid; âbox = stembus; âpaper = stembriefje. Ba(lgt;lotade, balateïd of balalixd. sprong van een paard over hindernissen. Balm, bum, subst. balsem, geurige zalf, een naam voor verschillende aromatische planten: â verb, met balsem zalven, verlichten, lenigen; âcricket = huiskrekel: ây = zacht. Balmoral, bahnor'l, koninklijk verblijf in Aberdeenshire: soort van Schotsche muts; soort van vrouwenrok; âs = geiegen lage schoenen. Balneary, balnjari, badkamer, geneeskrachtige bron. Biilneation = het baden. Balsam, bóls'm, balsem (ZieBalm); Hnlsarn-ic(ol) = verzachtend (heelmiddel». â iferous. Balsiimine, bölsamnm, kruidjeroermeniet. Baltic (The), böltik, Oostzee: Baltimore, bOltimö. Baluster, balasta, pilaster, stijl. âed. Balustrade. Bain, bam, bedrieger (Zie Bamboozle). Bambino, bambinou. kind: eene voorstelling van het kindeke Jezus in de kribbe. Bamboo, bambik, subst. bamboes: â verb, met bamboes afranselen. Bamboozle, bambüzl, subst. bedrog, beet-nemerij: â verb, bedriegen, verlakken (minder gebruikelijk In beschaafde taal). Ban, ban, subst. afkondiging; verbod, ban, vloek; mousseline; eene bepaalde geldstraf: The clergyman proclaimed the ban(n)s of fourteen couples = las de huwelijksafkondiging; â verb, verbannen, vervloeken, uitstooten. Banal, ban'l, banaal, plat, alledaagsch; Banal-ity = platte alledaagschheid. Banana, banöna, een tropisch gewas (verwant aan de plantain) met zeer voedzame vruchten, eene soort v. vijgeboom: âbird = W. Ind. spreeuw. Baiibury-cake, hnnb'rikeik, gebak met fijngehakt vleesch. Banco, bankou, bank. Op het vasteland: bankpapier. Sittings in banclt;o) = waarbij alle rechters tegenwoordig zijn. Band, band, subst. band, smal lint, koord, keten, bef, zwachtel: rand, leeren riem (om |
man; ask = ask; farm = fam: but = but; learn = lirn; 1/ne â- lain: house = haus; net: care = kèa; fate = feit: tin; asleep = «slip; not: \dw = lo; lord = Hid; hoy â boi;.
BANDMASTER.
31
BAR.
|
beweegkracht over te brengen): troep, verbond: â and gown = toga en bef: lie in in â» = in de gevangenis; Mutriealâ = muziekkorps: Tin» Hiring â = strijkorkest; Wind â = blaasorkest; Bhihm â = fanfarekorps; â verb, samenbinden, verbinden, vereenigen: Tliey were âed together in a eoininun hatred (»1* deHpotiHin; Band oi' hope = kinder-geheelonthoudersvereeniging. âmarter = kapelmeester; âNtand = verhoogde vloer voor een muziekkorps: âage, bandidz, subst. verband, zwachtel: â verb.verbinden; âbo\, hoedendoos (van vrouwen); âM-iiian = muzikant. Baiidanlt;n)a. Vndand, foulard, zijden doek (in Indië gemaakt). Biinderole, band'roul, wimpel. Bandicoot, btrndikyit. groote Indisclie rat; klein Australisch stekelvarken. Bandit, bandit (Meerv. âw of â ti, linditi), roover, bandiet, vogelvrijverklaarde. Bandag, bandog, bandrekel. Bandoleer, Bandelier, Bandileer, bamp;mtelio, bandelier (vroeger door de musketiers over den rechterschouder gedragen); houten of lederen kistje tot berging van kruit «f kogels. Bandoline, bamtelin, een haarsmeerseltje, om het haar glad te houden. Bandore, bandö, oud instrument (soort v. luit). Bandrol. bandroul, vlagje, wimpel. Bandy, bandi, subst. kolf, kolfspel; rijtuigje (Eng.* Indië); Bandie» = beenen(zeerfamilj.): adj. krom: â verb, kolven, raketten, wisselen, oneerbiedig gebruiken: Her name was freely bandied about among them = te onpas noemen; Don't â words with me; There Ik no use in our âing incivilitieN = elkander onbeleefdheden te zeggen. âlegged â met O-beenen (vergel. Baker-legged). Bane, bein, vergif, verderf, pest, rotziekte (bij schapen): lie was eoiiHidered the â of society = pest. Wolf's â = wolfs wortel, âwort, beinwvt, nachtschade (plant); âfill. Bang, bail, subst. bons: The door was closed with a â; That report proved to be a â = leugen: 1 never heard such aâer = leugen: â verb, slaan, stompen, dichtslaan (van deuren, etc.): overtreffen, weerklinken: adv. plotseling: That took my breath â away. Bangle, bang'I, arm- of enkelsieraad (in Indië en Afrika). That breed of dogs has âears = ras ... hangendeooren; They âdaway their inoney and time = verspilden. Banian, banj'n, (plantenetende) Hindoesche handelsreizigerskaste; ochtendkleed, kamerjapon: de banaan. â day. Bill! = we krijgen vandaag geen vleesch, Willem! (matrozenterm). ' Banish, baniè, verbannen; âer. -ment. BaniHter, baniste, trapleuning, trap; verbastering van Baluster. Banjo, bandzou, muziekinstrument met zes snaren: âist. |
Bank, barfi, subst. zand- of aardbank. oever, bank, geldbank. The precious stones were lirongTit to â = naar boven, aan quot;t licht. He broke the â = deed de bank springen; â verb, indammen, geld beleggen: His brother lias a âing business (âing house) = bankiershuis. The names of patriots are like a âed-up fire, that flashes out again from century to century = bedekt of in-gerakeld vuur; âagent =* directeur van eene-filiaalbank; âbill = wissel, bankbiljet; âbook = bankbook: âengine = hulplocomotief (bij hoogten); âer = eene kabeljauwbuis; eenè steenen bank voor steenhouwers om op te werken; bankier; âholiday = Paaschmaan-dag, Pinkstermaandag, le 'Maandag in Aug., en 2 e Kerstdag; ânote = bankbiljet: âMinack = visscherspink (Newfoundland»: ânipt = subst. bankroetier; adj. bankroet: â verb, bankroet gaan of maken; âruptcy Act = wet op het faillissement; ârupt(cy) laws = failliet wetten; âstock = kapitaalvoorraad. Banlieue, baaljn, het gebied eener stad buiten de wallen. Banner, bayu. banier. He Joined, followed (fought under) onr âs = streed onder onze banieren; âed = van banieren voorzien; âet = baanderheer, kleine banier. Bannock, batwlc. haver-of gerstekoek, âburn,. bandkbv.n. Bamis (Zie Ban). To forbid the â = bezwaren inbrengen tegen een voorgenomen huwelijk. Baiif|uet. bankwdt, subst, groot feestmaal: verb, onthalen, een gastmaal geven of eraan deelnemen; âing hall = feestzaal; âer. Banlt;|uette, bonket, voetbank achter eene borstwering, vanwaar de belegerden op den vijand vuurden; verhoogde voetpaden ter zijde van eene brug; voetpad, trottoir. Banshee, bansi, goede huisgeest (lerl. en Schotl.). Banstickle, bans tik'L stekelbaarsje. Bantam, bant'in, subst. Bantamsche (kleine) kip; adj. Bantamsch. klein: âwork = soort schilder- of snijwerk. Banter, bant.*, subst. scherts, boert: â verb, schertsen, gekscheren, schertsend plagen: We were âed upon being triieborn Dutchmen = plaagde ons: Our merry â ings round the wintry lire = scherts.'jokkernij. Bantling, bantlin' klein kindje, kind in hét pak: In our bantling days = kinderjaren. Banyan, banj'n, Indische vijgeboom. waarvan de takken, zoo ze den grond raken, wortel schieten, en weer stammen vormen. Baptism, baptizm, doop door onderdompeling of besprenkeling; lïaptismal font = doopvont; They were baptized first = gedoopt: The famous Spiirgeon was a baptist = voorstander van den doop aan volwassenen door onderdompeling: St. .lohn the Baptist = Joh. de Dooper. Baptistery = doopplaats. Bar, bii, ijzeren staaf, houten boom, sluitboom, hindernis, hefboom, barrière, slagboom; eene zandbank bij den mond eener haven: balie, orde der advokaten, rechtbank: buffet; balk (in een wapenschild), eene lijn op den notenbalk (voor de maat); eene exceptie, die s klagers aanklacht vernietigt; staaf (ruw edel metaal): A â of soap = reep. lang stuk, staaf (Vergel. âsoap = zeep aan stukjes). The hunter cleared all the âs = nam (sprong heen over) alle hindernissen: The â are of a different opinion = de advokaten; In â of the Jiidgment of history = voor de rechtbank Vier historie; The â of the harbour = afsluitboom; The host was in |
! quot;iie = beun; full; fool = tul; * â toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl: //ear = Jio; = loij; .s/lt;ip = .sip; occas/on = okeiA'n: thin; tlms â dhifs; wine.
BAROUCHE.
32
BARB.
|
the â = in quot;t bullet: There is no case at â at ureMent = geene zaak vóór, aanhangig; Called within the â = tot Queen's Counsel gemaakt: He was railed to the â = werd toegelaten als advocaat: â verb, met een boom of boomen sluiten (zooals blinden, deuren, etc.); uitsluiten, beletten, belemmeren: doorkruisen met lijnen of streepen: This statute âh my right of a free ehoiee: I will take tiieiii all. âring these = met uitzondering van: âiron = staafijzer; âkeeper = kroeghou-' der (Anier.): âmaid = bufletmeisje; âman = bulTetknecht: âmaster = mijnopzichter: âloom = gelagkamer; âshoe = rondom gesloten hoefijzer; âshot = boutkogel: âsinister (Zie Bend-sinisten. Barb, hob, subst. Barbarijsch paard; baard, dons (op sommige planten): weerhaak (van pijl of vischhaak); â verb, van weerhaken voorzien, met wapenrusting bekleeden; âed steeds = met wapenrusting bekleede rossen. Rarhaean, hahok'n. llarhiean. Uibik'n. wachttoren, bruggehoofd, schietgat. Barbadoe*gt;t. hübcidoaz. Barbados (W. Ind.). Barbarian, babêrj'n, subst. barbaar, wilde, wreedaard: adj. barbaarsch, wild. onmensche-lijk; Barbaric. Barbarism, btibdrizm, barbarisme (gramm.), barbaarschheid, woestheid, wreedheid: Barbarity; Barbarous. Barbary. bab'ri. Barbarijsch: âape = aap (in N.-Afrika en Gibraltar). BarbateCd), bfibeit(id). met liaarpluisjes voorzien. Barbe. bfib. een gedeelte van de defensieve uitrusting van een oorlogspaard; stuk linnen, door nonnen en weduwen om den kin gedragen. The besieged lired in â = vuurden met de kanonnen over de borstwering heen. Barberne. bübdkjii. subst. een in zijn geheel gebraden groot dier: maaltijd in de open lucht, waar zulk een gebraad wordt opgegeten: terras; â verb, een dier geheel braden of rooken. Barbel. biib'L barbeel (visch). Barber, hilbd. subst. barbier, haarsnijder, kapper; â's basin. â's plates = scheerbekken; â verb, barbieren, kappen. Barberry, bab'ri. berberis (plant), de roode vrucht ervan. Barbet. biibzt. klimvogel (uit de Tropen), poedelhond. Barbette, bfibet. terras achter de borstwering, van hetwelk men met de kanonnen vuren kan over de borstwering heen: Cn â (zie: in Barbe). Bard, bad. zanger, dichter, bard: dun sneetje spek voor quot;t lardeeren: âie: âism. Bardell. beide I. Bare. bêo. adj. naakt, bloot, kaal, arm, versleten, ontbloot: â verb, ontblooten,berooven. âbacked = zonder zadel; âboned,âribbed fellow = mager, broodmager; lie told it me â fared = zonder blikken of blozen, onbeschaamd: âfooted, âlegged, etc.: â poles = masten zonder zeilen. Barege, boreiz. barege, stof van dunne zijde, wol of katoen. Baret, barot. bisschops- of kardinaalsmuts. Ook Barret. Bargain, bliyin, subst. koop, koopje, het gekochte: At last we struck a â = sloten wij een koop: I am off my â = van mijn koop â af; He made the best of a bad â = hij |
sloeg er zich zoo goed mogelijk door: 1 had these goods a dead â = spotgoedkoop: 1 will give yon these into the â = op den koop toe:* Tliat^s a â! afgesproken! â verb, een koop sluiten, verkoopen, overeenkomen: He âed away his farm = verkocht: He sent me less tlian 1 had âed for = berekend, verwacht. Which is the bargainee and which the bargainer = kooper... ver-kooper. Barge, bddz. barge, praam, lichter, kapiteinsboot (op een oorlogschip); een passagiers- of vrachtschip met dubbel dek, getrokken door eene stoomboot: âman = Bargee (bm/rf) = schuitenvoerder = â r = âmaster Barilla, borild, alkali (uit eene Spaansche plant, â genaamd). Bark,ft(VA', subst. schuit, (zeker soort van) driemaster, geblaf: bast (van een boom), schors, run: â verb, afschillen, blaffen, rumoer maken: I âed my skin against a wheel = schaafde: âgalled tree = met geschilde bast. ThaTs but a poor old ây = schuit, boot: âbared = van de bast ontdaan; â pit = looikuils âer = blaffer, schreeuwer, pistool, kanon. Barley, büli, gerst. Pot â = gepelde gerst: l'earï â = geparelde gerst. lt;*reat â = spelt: âbroth = gerstepap; John âcorn = mout. bier: âsugar = gerstesuiker. Barm, bdm, gist: ây = schuimend, vluchtig, dwaas. Bariiiacide.Barmecide,W/mesaid,on werkelijk, slechts in de verbeelding bestaande. Barn, ban^ subst. schuur (voor oogst of vee.): âdoor fowls = pluimgedierte; âowl = kerkuil; âstormer, = zwervend muzikant: â verb, in eene schuur opslaan: âyard = erf. Barnaby, bündbi. Barnabas. Barnacle, band//l. eendenmossel, gewoonlijk zich hechtende onderaan schepen, rotsen enz.: boomgans; âs = neusknijper (voor een paard), lorgnet: martelwerktuig. Barometer, bdromatd. barometer, zwaartemeter (der lucht). Baronietric(al). Baron, bar'n. de laagste titel van den hoogen adel (in Engeland), baron: âs of tiie Exchequer = vijf rechters, die belastingkwesties tusschen regeering en onderdaan uitmaken: â and feme (wet) = man en vrouw. â of beef = twee ongescheiden lendestukken van een os. âs of the Cinqne Ports = (vroeger veertien leden van het House of Commons, door de Cinque Ports (nl. Dover, Sandwich. Hastings. Hytheen Bomneg, waarbij later Winchelsea en /*//(? kwamen) gekozen; âess; âet = hoogste erfelijke titel van den kleinen adel (in Engeland : een baronet heeft, evenals een knight. Sir vóór den doopnaam: de titel van den laatste is niet erfelijk). The Baronage and the Baronetage of Kngland = alle barons en baronets', Baronial = van een baron: ây = baronie, waardigheid van baron. Baroque, bar oak, subst. en adj. grotesk(e versiering). Barouche, borus, een rijtuig op vier wielen met twee banken van binnen, en eene kap. die neer kan. |
man: ask = ask: tVcrm = fa in: lgt;quot;t = bot; \earn = lim:.l/ne â lain: house = hans: net: care = kèa: tV'te = feit: tin: «sleep = óslip: not: \aw = lo: k^'d = löd: bog = bói:
BAHKACK.
33
BATH.
|
Iliimick. bardI,-, tijdelijke hut: âh = kazerne. Knrragcs baridz, kunstmatige dam in eene rivier ter verhooging van het waterpeil. Barrator, bardto, aanstoker, twistmaker. lgt;e- | drieger; Barratry, bardtri, het aanzetten tot ' processen; bedro'g door een scheepskapitein j gepleegd ten nadeele van de eigenaars, assu- ; radeurs of cargadoors. Barrel. bar'K subst. ton, vat. een vatvol; loop (van een geweer): cylinder, spil: trommel (van j het oor, van een horloge); â verb, inkuipen, in een vat dóen; âbulk = vijf kubieke voet; â bellied = met ronden buik: âorgan = draaiorgel: âled =-in vaten gedaan, vatvormig. Barren, bar'n. subst. onvruchtbaar land; adj. onvruchtbaar, dor. He ih a âspirited fellow = er zit niets bij. Barricade, bivrikeid. subst. versperring, hindernis: â verb, versperren, beletten. Barrier, bar id. slagboom, grenspaal, grensvesting: âreel' = koraalrif. Barring, udrin, subst. uitsluitend: prep. uitgezonderd: âout, bArinyaut, het buiten de school sluiten van den meester door de leerlingen. Barrister, barista, iemand bevoegd tot pleiten (voor de balie). Zie Bar. âMliip. Barrow, baron, grafheuvel, hunebed, berrie (zoo z-e wielen heeft, is ze een wheelâ = kruiwagen, anders eene handâ = draagbaar), zwijn. Barry, bftri. met het wapenveld verdeeld door horizontale lijnen (heraldiek). Barter, bütlt;\ subst. ruilhandel; â verb, ruil- 1 handel drijven; He âed away Iiim bookH = = verkocht voor een prikje. Barlholoniew, batholamjii. Bartholomeus. Barton. biiCn. domeingoederen van eene heerlijkheid: de heerlijkheid zelve of hare bijgebouwen. Bar^ tone, barito 1 in, subst. bariton (eene mannenstem): de laatste lettergreep van een woord zonder toonteeken: adj. tusschen tenor en bas, ongeaccentueerd. Ba^af, beis' l, BaHir, beisilc, tot de basis of den grondslag behoorende. Ba.salt, bdsólt. bazalt: âie: âiiorm. BaHanite,6azdnair, Lydische steen, toetssteen. BaNeinet, Basinet, basinet, lichte helm. BaHeule, baskjnl, bascule: âbridge = soort van ophaalbrug. BaMe.6fc'*s, subst. basis, grondslag, fondament, vertrekplaats (bij wedrennen); eene soort krijgertje (een spel), bas: adj. gering, laag, verachtelijk, waardeloos: â coin = munt. die te weinig edel metaal bevat, dus ongangbaar en valsch is: â verb, grondvesten, plaatsen: â boni = van lage geboorte, buiten huwelijk geboren: âball = balspel (in Amerika). âcourt = plaats voor het vee of pluimgedierte: âhearted = laaghartig; â burner = vulkachel (Amer.): âle««: âinent = benedenverdieping: ânew». Bash, bas. slaan, stuk slaan. BaMhaw, bdèó. pacha, trotsch mensch. Baslii'nl, baëfl, bloode, bedeesd, gemakkelijk van zijn stuk gebracht. Ba hIi i - Bazou k .baèi .(ongeregeld )ï u rk sch soldaat. |
Basil. belzif, schuinte, schuine kant (van een scherp werktuig); gelooide schapenhuid: thijm. Basilica, bdsilikd. eene langwerpige gerechtszaal (bij de Romeinen): een zoo gebouwde kerk: graftombe. Basilic = groote armader. Basilisk,fabelachtig beest,slang: eene soort groot kanon. Basin, beis'n, tobbe, kuip, vat, bekken; stuk land, waarvan eene rivier het water afvoert: âed = in een â gelegen of besloten. Basis, beisis (Meerv. Bases, beisiz), grondslag, laagste stuk van eene zuil (Zie Base). Bask. bask, koesteren, zich koesteren. Basket, bfiskdt. subst. mand, mandvol, mande-work: That's the pick of the â = het neusje van den zalm: âcarriage = mande wag-en: âeasy = teenen gemakstoel: âfish -~= eene soort zeester. âbilt = getralied gevest: â darning = het mazen; âstitch = maassteek: â buttons = knoopen van gevlochten metaaldraad: â verb, in eene mand doen: ârul. âry = mande werk. Basque, bask, Baskisch; damesjacket. Bass, beis, subst. bas; adj. laag (van toon): â verb, laag klinken, de baspartij zingen of spelen: âboni. Zie Bassoon: âviol = violoncel, ârelief; âo-relievo. Bass, bas, baars: Amerikaansche linde, of de bast van dezen boom. Basset, basdt, soort v. dashond (voor vossen-en dassen vangst). Basset-liorn, baset-h'Cm, soort van klarinet; Bassette. bdset, Ba^setto, bdsetoa. tenor viool. Bassinette, basinet, kamerwieg of kinderwagen van mande werk. Bassoon, bosün, een rieten blaasinstrument van lagen toon: â ist. Bast, bast, binnenbast (van boomen); touw- oi matwerk, er van gemaakt. Basta, bastd. basta! houd op! uit! Bastard, bastdcl, subst. onecht kind. bastaard; adj. onecht, onzuiver: ây; âiy.e = tot bastaard maken, Verlagen. Baste, beist, boter of vet op vleesch aan het spit laten druppelen: met een stok slaan: los in elkaar rijgen. Bastille, bastil, de Bastille. Bastinado, bastineidoa, subst. eene vracht stokslagen: stokslagen op de voetzolen (eene straf in het Oosten); â verb, (op de voetzolen) slaan. Bastion, bastj'n, bastion, bolwerk. Basto, büstoa, basta (klaveraas in 't omber- en quadrillespel). Bat, bat, subst. zware stok of knupppel, kolf. kolver, katoenopvulsel; een stuk steen; vleermuis; â verb, een kolf hanteeren (bij het cricketspel); He did it oftquot; his own â = door eigen inspanning, op eigen houtje; âfowling, âfiml'm, het vogelvangen (met licht) bij nacht; âblind = stekeblind (ook in geestelijken zin); â's wing = soort gasbrander. Batate, bdteitd. soort v. zoete aardappel. Batavian, bdteivj'n, Bataaf, Bataafsch. Batch, bats, baksel (de hoeveelheid, in eens gebakken): troep, partij; The inembers took the oalh in âes = werden groepsgewijze beëedigd; âes of boys and girls.. Bate, beit. Zie: Abate. With âd breath. Bath,(/^/t. badkuip, badhuis, bad; eene maat; eene orde (in Knareland). âbrick = schuur- |
bone = boun; ful; fool = fill: ^ â toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear long = loij; ship = sip; occasion = okei/'n; thin: thus = dhas: wine.
TEN BRÃGGENCATE, ICnff. Woordenboek. 2
: jia:
BATHBUN.
34
BEAD.
|
steen, slijpzand. âbun = soort van krentenbolletje: âchair = ziekenstoel op raderen. t« â = loop naar de maan. Bathe, beidh, subst. buitenbad, het baden (in zee): â verb, baden, bespoelen, bevochtigen. Batliiiig;-iiiaeliiiie. beldhh^mdéin. badkoets. Batliing-box = badkamertje; âr. Batliorse, bat-hös, pakpaard = Batmule. BatlioM, beithds. belachelijke overgang van het verhevene tot het platte (in taal of stijl). BathurHt, bat-host. Bathymetry^ bdthimatri, peilkunst ^6m de diepte der zee te meten). Bating, beltin, behalve. Zie Bate. BatLstte). bdtist, baptist (eene stof). Batinaii,^afmau. keukengereedschapbewaarder der compagnie, oppasser v.een cavalerie-officier. Baton, bal'n of baton, Batoon, bdtün, maarschalksstaf: dirigeerstok, stok (van een politiedienaar). Batraehian, bntreikj'n, subst. een van de ouden der Batrachia, waartoe kikvorschen, padden en andere behooren; adj. behoorende tot de orde der B. Batsman,batsman, hij, die bij het cricketspel den kolf heeft = Batter. Battalia, bdteilja, slagorde, leger in slagorde. Battalion, bdtalfn, subst. infanteriecorps. bataljon; â verb, bataljons formeeren. Battel, bat'l, subst. het zakgeld van een jongen aan een public school: de kosten van hetaan-schalfen van levensmiddelen door studenten uit den voorraad aan de universiteit te Oxford; â verb, schulden hebben voor zulke aangeschafte levensmiddelen; wonen in eene universiteit. Batten. baVn, subst. lat, stuk hout; â verb, met latten bevestigen; vet of vruchtbaar maken: vet worden: in weelde leven: These poor people had the privilege of âing on the flrippingH of the kitchen ami the leakage of the taproom = zich te voeden met het vet uit de keuken en de druppels van de gelagkamer. Batter, bato, subst. beslag (van verschillende ingredienten, zooals meel, eieren, melk, enz.); het achterover hangen van eene muur; deeg; slag; â verb, beuken, vernietigen, rammeien, beschieten (met zwaar geschut), achterover hangen. âing-gnn = belegeringskanon; âingrain = stormram; â ing-train = belegerings-trein; ây =.batterij; een zeker aantal kanonnen met alle's wat er bij behoort; de manschappen; opgeworpen verdedigingswerk om veilig te kunnen vuren; het onwettig slaan of maar aanraken van een ander. Battle. baVl, subst. slag, veldslag. Wager of â, Trial by â = wettige beslissing (in vroeger tijd) door een tweegevecht: â verb, slag leveren, vechten; âarray = slagorde; âaxe = strijdbijl, hellebaard; âery = strijdleus: âdoof, âdore, bat'ldö, raket; âhorse = strijdpaard (tegenover het paradepaard): He had got on his âhorse, and careered onward = hij zat op zijn paardje, en sloeg door, âment = borstwering met openingen, kanteel; âpiece = een gevecht voorstellend kunstwerk; âroyal = hanengevecht (van meer dan twee);* groote beslissende strijd; âd = in gevechtsorde opgesteld: bestreden. âsong = strijdlied. |
Battology, batolddzi, noodelooze herhaling van woorden.' Battoloijist. Battne, batü, het opjagen van wild; het opgejaagde wild; slachting op groote schaal. Banbee. Bawbee, bobi, 21/2 cents (Schotsch). Bauble, Bawble, bfWl,beuzeling, waardelooze versiering, speelgoed, zotskap. Baiidery, böddri, vroolijkheid, pret. Bauer, bau.i; Zie Boer. Bavaria, bdvêrid, Beieren; ân. Bavin, bavin, takkebos. Bawd, bod, koppelaarster; âry = onkuisch-heid: ây = vuil, onkuisch: ây-house. Bawdkiii. Baudekin,6öf//i-m, rijk geborduurde zijde of laken. Bawdrick; Zie Baldrick. Bawl, ból, subst. geschreeuw, getier; â verb, schreeuwen, bulken: â out = luid schreeuwen. Bawn. bon, omheining, vestingwerk. Bay. bei, subst. baai, reede, verlaat (van een molen); opening in een muur; laurierboom; hondgeblaf, wolfgeblaf; adj. kastanjebruin, voskleurig (van een paard, etc.); â verb, blaffen, aanblaffen, Mallend vervolgen, in 't nauw brengen: The «tag was brought to â . was (stood) at â, turned to â keerde zich om ter verdediging = werd in quot;t nauw gebracht, was overal door honden omringd. He kept his enemies at â = hield op een afstand, weerde af. sloeg gade. âberry, beiberi, laurierbes. âs, beiz, lauwerkrans, gewoonlijk van laurierbladen; letterkundige roem. âsalt = grof zout door langzame verdamping verkregen; âcherry = laurierkers. âwindow = raam van een uitspringend deel van een vertrek: The Queen's âh = het 2e regiment dragonders; âyarn, beian, wollen garen, sajet. Bayadeer, Bayadere, beiodia, danseres (in Indië). Bayard, beiod. subst. bruin paard: gaper, domkop; adj. bruinkleurig. Bayonet, beid net, subst. bajonet; â s = infanterie: â verb, doorsteken, met de bajonet aanvallen. Biiyon, bdiü. uitwatering van een meer: afleiding van eene rivier naar het lager gelegen land (in de zuidelijke Staten der Unie). Baz(agt;ar, bdzü, bazaar, groote winkel; verkoop van voor een liefdadig doel geschonken goederen. Be, bi, bestaan, zijn. Let â = laat liggen, blijf er af; I am in for it â ik ben er bij: 1 am off* for the country = ik ga naar buiten (tegenover stad); Time is up = de tijd is om. 't is tijd: He iH well up in history = weet veel van geschiedenis. Beach, bits, subst. strand, kust: â verb, op het strand halen (doen loopen); âcomber, â/lOuma, eene lange baar of golf; strandvonder: ây. Beacon, bilcn, subst. baken; iets, dat gevaar aankondigt; â verb, verlichten, tot baken dienen, âage, bikonidz, bakengeld; âed. Bead, bid, kraal, knopje (in 't oor), parel (ook op mousseerende dranken), korrel (op eert geweer): To draw a â upon = mikken op (Amer.); s = rozenkrans: Se told (saidgt; her âs, was at her âs = zeide haar gebeden op (verg. She counted lier â» |
man; «sk = ask: farm = lam; hut = b«t; \earn = Ion: l/ne = lain; house = hans; net: care = kèa; fate = feit; tin; «sleep = aslip; not; law = lo: lord = Hid; hot/ = boi ;
BEADROLL.
35
BEAT.
omhoog in rampen: That will â him up = hem steunen (eig. drijvende houden, het hoofd boven water houden); â with what cannot be avoided = draag; â a hand, boys = helpt een handje; Who will â the bell = wie durft voorop? Wie durft de belhamel zijn? The hungry lion bore against his prey = besloop: â'back there! = achteruit daar! 1 will witness to your having not been there = getuigenis afleggen, dat; fain going to â you company = gezelschap houden; He bore off all the* first prizes = behaalde: This does not â on the question under discussion = heeft niets te maken met; The ship âh before the wind = houdt voor den wind af; Will you â it in mind? = onthouden? You â your years well = houdt u goed voor uwe jaren: âable = te dragen; âberry, bêaberi, berendruif; âbaiting = ophitsen van een geketenden beer met honden; âer, bêrd, drager, brenger, ondersteuner, lijkdrager; een boom, die vrucht draagt; Please send answer by âer = antwoord verzocht met brenger dezes; -garden = berenkuil, woelige vergadering; âing = houding, verhouding (in de ligging der voorwerpen tot elkander): verband, voortbrenging, het geduldig dragen: The smugglers took their âings, and sank their goods = namen hun dièp-gangop: These words brought the Prencli-inaii to his âings = deden hem zijne positie verstaan, begrijpen: The trees are all in full âing = bloei: The âing of the cape was X. E. = de kaap lag N. O. van ons. Arum-rial âings (altijd meerv.) = de figuren op een wapenschild; â's-breech, bêazbrïts, acanthus; â's-ear = soort van primula (pr.auricula): â's-foot = berenklauw; â?s-grease, bêdzgns, beren vet (eene pomade). â's-skin = berenhuid: muts van berenvel, ongeschoren wollen stof. âward, bêdwöcl, berenhouder. Zie Born.
Beard, biacl, subst. baard, de prikkels op korenaren; weerhaak, kaak, kieuw, de fijne draden of haren van mossels en andere schelpdieren, staart (van een komeet); â verb, bij den baard trekken, trotseeren, brutaliseeren; âed; âless.
Beast, bist, (viervoetig) dier; redeloos wezen, lomperd; een kaartspel: The â = de antichrist (Openbaring XIII, 1); âish = âlike. Beastings, Beestings, bistinz, biest (de eerste melk van eene koe na het kalven).
Beat, bit, subst. klap, telkens herhaalde slag, polsslag, neerzetten (van den voet); ronde, wijk, dikwijls bezochte plaats: het maatslaan: â of drum = trommelslag; The policeinan was on his â = wacht, ook division of jurisdiction genoemd (het gedeelte, dat hij moet bewaken); Have you got a letter for me, postman? 1 am hot on your â, Sir = ik heb uwe wijk niet; His' pulse was variable, from ninety to a hundred âs a iiiinute; â verb, (herhaaldelijk)slaan,kneuzen, beuken, stampen, verslaan, slaan (om wild op te jagen), klotsen, betreden (van een pad of weg), teleurstellen, kloppen, inspannen: Toâ time = de maat slaan: lie â his head (brains) about his Latin grammar = zich erg inspannen, kwellen; To â a charge =
^one = boun: full; fool = ful: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jta; \Oiiy = loi^; s//ip = sip: occasion = okeiz'n; thin; thus = (Hius; wine.
= telde hare kralen). âroll, âgt;'ou/, naamlijst van hen, voor wier zielen moet worden gebeden: âframe = telraam. â s-man, âs-woinan = (gehuurde of verplichte) bidder of bidster.
Beadle, huTl. pedel, bode; âdom; âship. Beagle, btg'l, brak, jachthond; vervolger.
Beak, bik, subst. snavel, neb, bek; rechter! (slang)', â verb, met den bek vastpakken; âiron = aambeeld met twee punten: â ecl = met een â.
Beaker, hikd, beker.
Beam, bint, subst. balk, boom, weversboom, balans, disselboom, het deel van eene ploeg, waarin de schaar zit; het deel vim den herte-kop. dat het gewei draagt; ankerstok; lichtbundel, lichtstraal: On the â = rechthoekig op de kiel: The whip was on lier â eiids = lag op zijde. Then we were on our â ends = toen zaten we er in, waren we erg verlegen. | That side kieks the â = deze kant is het lichtst (gaat in de hoogte, bij een balans);
â verb, stralen schieten, schijnen; âed stag = hert met het volle gewei. âcompass, âIcvm-pds, stangpasser. âniiing = het invoegen j (van kalk) tusschen balken, enz.
Beau, bin, boon: He knows how many s make five = weet zijn weetje, weet bescheid âpod = boonschil; âpods are noisiest when dry = een ledig vat rammelt het meest. Si'ek for the âpots of Boston (vergel. the llenh-pots of Egypt); âfeast = jaarlijks feest van een werkgever aan zijne arbeiders; âled = gevoed met âs.
Bear, bva, subst. beer (The House of Com-iiioiis looked as sulky as a â with a sore head); lompe man', sterrenbeeld (The (ireat. Little â); een ellectenspeculant a la baisse (een bull speculeert a la hausse): The great railroad king has turned â; lie became a millionaire by bulling and âing;
â verb, dragen, torsen: Atlas âs the world; bezitten en gebruiken (van macht): He âs sway = heerscht; inwendig hebben, met zich omdragen: I â (owe) him a grudge = heb een wrok tegen hem: dulden, op zich nemen; I will â your guilt, your debts = schuld, schulden: hebben: He bore a prominent part in the conversation; This is the most lavourable meaning that your words eau possibly â; schenken, vêrschafTen: Who will â 'me company?; voortbrengen,baren: The tree that âs nó fruit, is hewn down; Three fair children first she bore him. Then before her time she died; invloed oefenen, laten spelen: We shall bring this gun to â on the battery; gelegen zijn in verhouding tot de omgeving: Our land âs \orth by East; getuigen: This quotation âs dead' against your theoretical rule = getuigt vlak tegen;* He bore the repute of = j had den naam van; The infantry bore down on the enemy with loud sluiuts = rukte , aan op . . . met luide hurra's; Nelson bore down upon the French = ging met voile zeilen aan op: That âs me down = vernietigt mij, drukt mij zwaar; Your statement is borne out by all the evidence I have been able to gather = wordt gestaafd; â up against misfortunes = houd het hoofd
3*
BEATIFY.
3G
BEDROP.
|
het sein tot den aanval geven; To â the general = het sein geven tot ..verzamelenquot; (mil.); A parley wan âen = de trom werd geroerd om het sein te geven tot een mondgesprek tusschen de vijandelijke aanvoerders; The oppoaitiun wa» â down = was verpletterd; To â a tiling into, to â a thing in upon = inprenten door onophoudelijke herhaling; The teacher tried to âhim out ol* lying = het liegen door slaan af te leeren; We* have âen the hoof = wij zijn op de zwartjes van den schoenmaker gekomen; We â up the enemy's quarter» = plotseling aanvallen: He â up and down, like a hunted animal = liep op en neer; The prices were âen down = gedrukt, neergehaald; The prince â up for recruit»everywhere = liet door trommelslag rekruten werven; I do not like âing about the hush = houd niet van indirecte, niet op het doel afgaande middelen: In that game she â her sister hollow = liet zij . . ver achter zich: A âen fox = opgejaagde; One âs the bush, and another gets the hare = de een doet het werk, en een ander steekt het voordeel op; ; He was dead â = totaal op. 1 succeeded in âing him at billiards = het te winnen; He has âen me out ol' countenance = totaal van mijn stuk gebracht: He got a sound âing quot;= flink pak slaag; The âing of the heart = het kloppen van het hart: (verg. Throbbings of the heart = hartkloppingen). Beatify, biatifai, gelukkig, zalig maken, zalig verklaren. Bealificial) = zaligmakend. Beatification = zaligspreking (door den paus). Beatitude, biatitjüd, hemelsche zaligheid. Beatrice, bid tri s. Beattie, biti. Beau, hou (Meerv. Beaux, bouz), fat, galant jonkertje: een galant: â ty. bjAti. schoonheid, bevalligheid, beminnelijkheid: She is an heiress and a âty = een rijk en schoon meisje. A âteous being = schoon (in verheven taal). The skin and hair âtilier = schoonheidsmiddel voor huid of haar. In former times ladies wore âtv-spots = moesjes; âty-sleep = deslaap vóór middernacht:-ty-wash = cosmetisch huidwatertje. Beautitul. Beaucliamp, bitamp;m. Beatilieu, houliiu). Beaver, Inuo, bever, vilt. vilten hoed, vizier; ; âteen = soort van duffel. Becalm, bikamp;m, stillen, bedaren; The Heet was âed off Lisbon = werd door windstilte overvallen op de hoogte van L. Became, bikeim, imperf. van to become. Because, bikóz, omdat, dewijl. â of his sauciness = wegens zijne brutaalheid. Beceallco, bekaftkou, vijgeneter (vogel). Bechance, bitsamp;ns, gebeuren, overkomen. Becliitrm, bitéüm, boeien, bekoren. Beek, bek, subst. knik. kushandje, wenk met j de hand (als bevel), beekje, riviertje, dal: The soldiers watched their leader's â sloegen acht op: 1 am at your â and call = tot : uw dienst; â verb, k'nikken, een teeken geven, i tot zich roepen door een teeken: Beckon, j betfn, een wenk geven (met hand of hoofd). ! Becloud, biklaitd, bewolken, verduisteren: His sense of sight was âed = gezichts- I zin . . verzwakt, beneveld. |
Become, biknm. worden, passen, tooien, goed staan: 1 do not know what has â of him = waar hij gebleven is: It does not â you to speak like that = het past u niet: That's very becoming = gepast. Bed,* bed, subst. bed, huwelijk, bedding, laag: My Mary expects (to be brought to â gt; to* have her â in three weeks = te bevallen; He keeps his â = hij houdt het bed; I have made your â = opgemaakt; As you make your â so you must lie in it = wat ge zaait, zult ge oogsten; I have made up a â for you = ik heb gauw een bed voor u in orde gebracht; He took to his â and died = ging liggen en stierf: Divorced from â ami board = gescheiden van tafel en bed; â verb, in bed leggen, in een bed planten: in orde, in eene laag leggen, hetzelfde bed beslapen: The flowers were âded out = in bedden geplant. âchair. âtZeo. ziekenstoel; âchamber, bedtsewd/d. slaapkamer. Lairds, Ladies (Women) of the âchamber = personen uit het gevolg van een vorst(in); âlinen = lakens en sloo-pen. âclothes, âkloudhz, lakens, dekens, spreien, etc.; âhangings = bedgordijnen: âding = beddegoed, bed met toebehóoren. ligging der aardlagen: âpan = beddepan: âlast, bedl'st. aan het bed gebonden, bedlegerig = ârid(den): âfellow, âmate = slaapkameraad. âgown = nachtjapon, kort jakj âpost = stijl van een ledikant: In the twinkiing of a âpost (soms verkeerdelijk pegpost) = in een oogwenk: âquilt = gewatteerde overdeken. ârock = grond(s]ag), steen om op te rusten: The family is almost down to ârock = ze hebben niets, waar het hoofd op te leggen, slechter ot lager kunnen ze niet. âroom = slaapkamer; âsore. beds'6, doorgelegen plek, wegens lange bedlegerigheid: âspread = bedsprei. Zie Counterpane: âstead = bedstede: ward = naar bed. âtick = beddetijk; âtime = tijd om naar bed te gaan; âwork, bedtvv-k. dood gemakkelijk werk. Bedabble, bidal/l, bevochtigen, besprenkelen. Bedaggle, biday'l, beslijken (door het sleepen door modder). Ook Bedraggle. Bedarken. bidük'n, verduisteren. Bedash, bidaè, bespatten. Bedaub, bid6b, besmeren, bekladden. Bedazzle, bidafl, door glans verblinden. Bedeck, bidek, tooien, versieren, opschikken. Bedehouse, bidhaus, godshuis, gasthuis, hospitaal. Bede(s)nian, bid(z)rn'ii. Zie Beadsman. Bedel, bidl. Zie Beadle. Bedevil, bidevl, totaal verwarren, hard behandelen; âment. Bedew, bidjü, bedauwen. Bedight, bidait, versierd: â, Bedizened ibi-daiz'nd) and bediamoiided (bidaim'ndid) = versierd en met diamanten behangen. Bedim, bi dim, verduisteren. Bedlam, bedVm, subst. krankzinnigengesticht: oproerig tooneel ; adj. geschikt voor't gekkenhuis. âite = krankzinnige. Bedouin, bedtdu, nomade (Arabië), bedouïn. Bedrench. bidrenë, doorweeken, doen doortrekken van water. Bedrop. bidrop, bedruppelen, besprenkelen. |
man; ask = ask; fwm = tam; b?ft = bwt; \eoru = hm; 1/ne = lain: house = hans: net: care = kè»: ft/te = feit: tin: asleep = aslip: not: law â 16: lord = Uid: bo// = bói:
liEHAVE.
BEDUCK.
|
Bt'diu'k. bid ok. onderdompelen, duiken. Bedimt, bidnst, met stof bedekken. KedwaiT, bidwiif. den groei belemmeren, verkleinen, nietig maken. Bedye, bidai, verven, beschilderen. Bee, bl, bij, ijverig persoon (inAmeiika: naai-vereeniging ten behoeve der armen; vereeni-ging tot steun der armen): Bimy = ijverig menscb, de nijvere bij: He lia» a â in Iiim himnet, liear» a â iiiiiiiiniiig in IiIh head = het mankeert hem in de bovenverdieping; Spelling â = wedstrijd in het spellen. âbread = voedsel, door de oude bijen voor hunne jongen uit de bloemen getrokken; âtanner = ijmker. âhold = bijenstal: âline = kortste weg tusschen twee plaatsen. âsarden = omheinde plaats voor bijenkorven. âRlne = hel raat of was, waarmede de bijen hare cellen maken en de korven sluiten, ook â«wax. âIiive = bijenkorf; â«-wiiiR = dun laagje op ouden portwijn. Beerli, bits^ beuk, beukeboom; âgall = galnoot; âmast, ânnt = beukennoot;âwheat. Zie Bnekwheat; âen: ây. Beet', bif, vette os (Mv. hee'veH), rundvleesch; liniig â. Smoked â = rookvleesch; âeater = gardesoldaat; âtea = bouillon: âsteak, âsteik = runderlapje. Been, bin, part. perf. van to be. Beer. bio, bier; Strong, .small â = zwaar, dun (licht) bier; He thinks small â of that man = heeft geen hoogen dunk van hem; Yon talk small â = gewauwel; That iiiaii^s lot is not all â and skittles = alles behalve gemakkelijk, is geen spelevaren : \ative âs = binnenl. biersoorten: âengine, â I»iinip = bierpomp; â pull = handvatsel van eene bierpomp; âhouse, âshop = bierhuis; âmoney = geld aan meid of knecht in plaats van bier; ây = vol bier; âily = met eene grokstem (als dronken van bier). Beest, bist. Zie Beastings. Beet, bit, biet, kroot: âradish, ârave = de gewone beetwortel; âroot sugar = beetwortelsuiker. Beetle, bit'l, subsi, tor, kever; zware houten hamer, heiblok; â verb.overhangen, uitsteken, heien, slaan; Beetling house, shop = vooruitstekend, overhangend; âhrow = vooruitstekend wenkbrauwbeen: âhead = domkop. Befall, bifól, overkomen, gebeuren. Betit, bi fit, passen, betamen. Betlatter, billatd, vleien, flikflooien. Bellower, bi/lawt, met bloemen bedekken. Befoam, bif'oum, met schuim bedekken. Befog, bifoy, in mist hullen: The ship was âged and becalmed. Befool, bifnl, voor den gek houden, bedotten. Before, bifö, voor, tevoren, voorheen, vooraf, boven (bij eene keus). We sailed â the wind: I love her â any other woman; âeited, âmentioned =* vroeger vermeld: âgoing = voorafgaand, âhand, bifiihand(of biforand), vooraf, van tevoren, vooruit: llo yon not fear, that he will be âhand with yon = u vóór zal zijn? 1 am â hand with the world = ik kan mij goed redden, ben met mijn geld wat vooruit (vergel. Behindhand); âtime = in vroeger tijd. Befoul, bifaul, bevuilen, bemorsen. |
BelVeekle, blfrek'l, met sproeten bedekken. Befriend, bi frend, als vriend handelen jegens: May angels â yon! = Mogen de engelen^ u bijstaan 1 I only ask yon to â yourself = uw eigen vriend te zijn. Befringe, bifrinz, met franje versieren. Befnr, bifü, met bojit voeren, bedekken. Beg, beg, smeeken, ernstig vragen, bedelen, verzoeken: 1 â yonr pardon = vraag u excuus: I â yonr pardon? = wat blieft u? 1 â (leave) to inform (send) yon = ik beu zoo vrij, heb de eer; Miss M, may I â a dance of yon? = mag ik om een dans verzoeken? He âged for bread; He tried ti» â me off, but my father would hear of no pardon = hij trachtte gedaan te krijgen, dat de straf mij werd kwijtgescholden. To â the «inestion = wat nog bewezen moet worden als waar aannemen; âging friars = bedelmonniken. Beg. beg. Bey, bei. de gouverneur van stad of district (in Turkije); het hoofd van den staat (in Tunis of Algiers). Began, bujan, imperf. van to begin. Beget, biget, voortbrengen,gewinnen,kweeken: Kindness âs kindness: âter. Beggar, bega, subst. bedelaar, arme: âs cannot be choosers = als men moet, dan wil men wel; â verb, tot den bedelstaf brengen, uitputten: The scene âs description = laat alle beschrijving ver achter zich: âmy-neighbour = een kaartspel voor kinderen, lie was reduced to ây = tot den bedelstaf gebracht; â ly = doodarm, stumperig (ook liguurlijk). Begin, bigin, beginnen, ontstaan, aanvangen, opsporen: l^et us â at the beginning = bij. To â with I must tell you = om te beginnen, enz. In the âning = in den beginne. Begird(le), bigndCI). omgorden, omringen, omsluiten. Begnaw, binó, knagen of knabbelen aan, wegvreten. Begone, bigoti. scheer je weg, ruk uit! Begonia, bigoHnj», Begonia. Begored. bigöd, met (geronnen) bloed bevlekt. Begotten, bigoVn, voortgebracht: The only â = de zoon Gods. Begrease, big viz of big ris. met vet besmeren. Begrime, bigraim, door en door met vuil of roet bemorsen. Begrudge, bigmdz, misgunnen. Beguile^ bigail, bedriegen, verschalken, aangenaam doorbrengen: The fairy voices âd ine on = de feeënstemmen verlókten mij, om steeds verder te gaan; He âd the dillicnlt path with pleasant stories = door zijne , aangename verhalen merkten wij de moeilijkheden van ons pad niet. That might have well beguiled Even haughty Kblis of a sigh = , E. eene zucht ontlokt hebben, âinent; âr. Begnines, bdginz. Begijnen. 1 Hegum, btg'm, Begauni, bigóm, eene prinses of adell. dame van zéér hoogen rang (Indië). Behalf, bihamp;f, behoeve, voordeel, belang: In â of = ten behoeve van. I did it on your â = te uwen behoeve. Behave, biheiv, zich gedragen: â yourself, boy = gedraag je goed, jongen, pas netjes | op,*etc.; Behaviour, biheivja, gedrag, manier |
bone = boiin; full; fool = fill: = toonlooze vokaal (zie ((sleep en care): girl; //ear = Jia; ]o/}g = loi^; ^/iip = sip; occasion = okeiab'n: thin: thus â dhi!s; wine.
BELONG.
BEHEAD.
38
|
van doen: Hih behaviour ih not all that can he desired = laat te wenschen over. Behead, billed, onthoofden; âiug. Beheld, biheld, irnperf. van to behold. Behemoth, bihimoth, een groot dier (Job XL, 15â24). kolossale kerel. Behest, bihest, bevel, opdracht. Behind, bihainci, subst. achterkant: prep, achter, minder dan, na: 1 walked â him = achter hein aan (verg. after him = hem achterna); You are â your time; He M.iid it â your bark = achter uw rug; lie i» â the scenes = geheel op de hoogte, in 't geheim, -hand = achterstallig, achterblijvend: The poor fellow had got âhand with the world through illness = was (wat met zijn geld) ten achteren geraakt; â meut(sgt; = achterstallige schulden (Amer.). Behold, bihoiilü, aanschouwen, waarnemen, zien (gewoonlijk in deftigen stijl): â her there = zie, daar is zij. I am greatly âen to you = grootelijks verplicht; âer. * Behoney, bihnni, zoet maken met honig. Behoof, bihftf. voordeel, gerief. Behove, bihouv. bihüv, passen, noodzakelijk zijn. Beliimg. bihnn, gedrapeerd. Beige, brz, stof van ongeverfde wol. Being, Min, aanzijn, wezen, bestaan: We shall stop for the time â = wij zullen thans (voor het oogenblik) ophouden. Belabour, bileibd. bearbeiden, afrossen, ranselen. Belace, b ileis. met kant versieren. Belate. bileit, ophouden (zoodat men te laat komt): A âd traveller = door den nacht overvallen. Zie Benighted. Belaud, bilfid, uitbundig prijzen. Belay, bilei, belegeren, aanvallen (vooral van uit eene hinderlaag), vastsjorren. âing-pin = het hout of de pen, waaraan iets wordt vastgesjord. â there = houd op! stop! Belch, bels. subst. oprisping; â verb, oprispen. Belcher, bclss^ halsdoek met blauwen grond en witte stippen (waarschijnlijk genoemd naar Jim Belcher, een beroemd bokser in zijn tijd): A pint of shrimps folded up in a clean â = eene maat garnalen gedaan in een schoo-nen doek: A â handkerchief = een zakdoek van die stof. Beldam, beld'm. oude vrouw, heks. Beleaguer,/W/fr/tgt;,belegeren,blokkeeren:âment. Beleefured, bilektjdd: A â boy = een jongen, wien steeds zijne plichten voorgehouden worden, die veel standjes krijgt, etc. Belee, bi li. te lij waart plaatsen, beschutten. Belfast, bel fast. stad. Belfry, belfri, klokketoren, klokkekamer: in ouden tijd: wachttoren, beweegbare observatietoren. Belgian,/Wf/r'n, Belg(isch). Belgium, België. Belgrade, belfireid. Belgrado. Belgravian, b'Igreivfn, adj. tot Belgravia, een zeer aristocratisch deel van West-Londen, behoorende: subst. een aristokraat, een van de l'pper ten thousand. Belial, Ml id I, subst. de Satan; Son (man) of â = slecht mensch. Belibel. bilaibl. in geschrifte belasteren. |
Belie, bilai. logenstraffen, belasteren, nabootsen: Your looks â your words; Our hope*» âd our fears = onze hoop logenstrafte (deed te niet) onze vreeze. Belief, bilif, geloof: 1 have done it to the best of my â = naar mijn beste weten. That is past all â = dat is er overheen, al te gek, ongeloofelijk. Believe, biliv, gelooven, onderstellen: Xice weather, isn't it? I â you = Dat zal wel waar wezen, dut beloof ik*je; I do not â in having business relations with personal friends = ik houd er niet van: I do not â in him = ik vertrouw hem niet: That fellow âs, that the moon is made of green cheese = die vent gelooft van alles; He made â to read = hij deed net of hij las. Believable, Believer. Belike, bilaik. misschien, waarschijnlijk. Belittle, bilifl, verkleinen: Do not trust those who â noble deeds. Bell, bel, subst, bel, klok, schel, kelk; verkorting van Arabella of Isabella: Merrily did the âs ring = luidden; Will you kindly ring the â for me = voor mij aanschellen? He has borne away the â = den prijs behaald; He bears the â = hij is voorop; We heard the solemn tolling óf the passing â = geklep van de doodsklok: He was cursed by â. hook and candle = verbannen (in pl'echtigen kerkdienst); â verb, de bel aanhangen; schreeuwen (van herten); blaffen, in den vorm van een kelk groeien: WTho is going to â the cat? âbuoy = klokkeboei; âflower = campanula of 'klokbloem. â founder = klokkegieter. âglass = glazen klok of stolp om over bloemen of planten te zetten, âman = omroepei; âringer = klokluider; âmetal = klokkéspijs, âpulU ârope = schellekoord: âpunch = instrument om kaartjes te knippen. âwether. belwedluf, belhamel. Zie Ring-leader. Belladonna, belddona, vergiftige nachtschade. Belle, fo?/, jonge dame, mooi meisje.(Zie Bell). Bellicose, belikous. oorlogzuchtig, strijdlustig. Belligerent, belidzor'at, subst. oorlogvoerende natie; adj. oorlogvoerend. Belliijereacy. Belling, belin, subst. het schreeuwen (van herten in den bronstijd): adj. vol worden/i, in bloei komend. Bellipotent, belipdt'nt. machtig in denodrlog. Bellona, belouno, tie oorlogsgodin. Bellow, beloK, subst. luid geschreeuw, geloei, gebrul; â verb, bulken, loeien, luid schreeuwen; âer. Bellows, beloaz. blaasbalg. Belly, bell, subst. buik, alles wat rond uitpuilt: A inan given to (fond of) his â = die slechts zijn buik dient; â verb, zwellen, dik worden, opblazen: The bellied sails = gevulde, bolle zeilen. âband = buikriem (van een paard). âcheer = eten en drinken: âgod = gulzigaard, âpinched. = uitgehongerd: âslave = slaaf zijner lusten; â timber = voedsel. Bellied = met een buik. corpulent: â ful. Belock, bilok, dichtsluiten. Belomaney, betemansi, het waarzeggen uit pijlen. Belong, bi Ion, toebehooren, behooren tot, een |
man: ask â ask: farm = tam: b?/t = but; \earn = lun; 1/ne = lain: ho?lt;se = hans: net: cwe = kèa: fr/te = feit; tin: «sleep = aslip; not; \aw â lo; lord = löd: bo// = boi:
BELOVED.
39
BEPUFF.
|
deel of nur.tiungsel vormen van, geschikt zijn voor. wonen (Amer.). Are (liene yonr âings = eigendom, toebehooren. Beloved, bilrn'(i)d, dierbaar, geliefd: The â = de zoon Gods. Below, biloit, adj. lager dan, beneden, onwaardig; adv. op aarde, in de liel of de onderwereld: The regions â = hier beneden. Belt, blt;Ht, subst. gordel, eene laag (van de aarde), een ring (van Jupiter): âraiUvay (of cirele-traln, snkltrem) = ceintuurbaan; â verb, omgeven, omringen (als met een gordel): To hit below the â = een gemeenen slag toebrengen (bij het boksen). Beltane, Beltein. beltin, een Heidensch zonnefeest, in Ierland gehouden m Juni, in de Hoog-landen van Schotland in Mei, waarbij, te midden van allerlei plechtigheden, vuren werden gebrand op de heuvels. Belvedere, Oelvidêa, paviljoen op een gebouw, om een schoon uitzicht naar alle kanten te verschaffen; zomerverblijf op eene hoogte. Bel voir, hi Vd. Benia. Inma, verhooging, meteen hek omgeven, in de kerk, in plaats van den tegen woord igen kansel; rechterstoel (in eene basilica). Bemire. bi maid, besiijken, diep zinken (in). Bemoan, bimoun. weeklagen, beweenen, bejammeren: She âelt;l her late. âing = geweeklaag. Bemoek. bimok, bespotten. Beiiinnie, bimnfl, omringen, omgeven met een doek: (Be)iiinrilelt;l driiniM = omfloerste, befloerste trommen. Ben. bea. hooge berg (Keltisch), verkorting voor Benjamin. Bench, bené. subst. lange bank (met leuning), schaaf- of draaibank, rechtbank, de rechters: Court oi* Oueen's (king's) â = een hoog gerechtshof in Engeland (in naam, niet langer in der daad), gepresideerd door koningin of koning; lie was raised to the â = tot rechter benoemd. â verb, van banken voorzien, op eene bank zitten, op den rechterstoel zitten; âer = een ouder lid van een der vier genootschappen, die het bestuur hadden over de Inns of Court, welker leden het uitsluitend recht bezitten, de bevoegdheid tot pleiten voor eene balie te verleenen; wethouder: âwarrant. benswor'nt, bevel tot inhechtenisneming. Bend, bend, subst. bocht, kromming, knoop: The â s ol* a ship = zwaarste en dikste planken van een schip, gewoonlijk wales genoemd; The â (Bar) sinister,' eene lijn in een wapenschild, van den linkerbovenhoek naaiden rechterbenedenhoek getrokken, en onechte geboorte aanduidend: We have heen on the â = wij zijn eens âuitquot; geweest; â verb, buigen, krommen.quot; richten, zich toeleggen, overhellen tot, besloten zijn. onderwerpen, overhangen, een knoop leggen:' To â a sail = een zeil aan ra of stang vastmaken: lie bent his hrow = fronste zijn voorhoofd; The inaii was bent on his work = was gebogen over, inge-spannen bezig met; Bent on pleasure, on niisehier = geneigd tot pret maken, kwaad doen; âable; âer = wie of wat buigt, pretje. âleather, âledho, zoolleer. Beneaped, bi nipt, op het droge achtergelaten (door ebbe). |
Beneath, binitb, beneden, lager dan, onder, op aarde: That rogue is â my revenge = is voor mijne wraak te min: On the earth â. Benedieite, benodisiti. Gezegend gij! subst. gebed vóór den maaltijd. Benedict, benodikt. Benedick, benadik, een ongetrouwd man, een pasgehuwde; Benedictus. Benedictine, benddiktin, subst. Benedictijner monnik: adj. Benedictijnsch. Benediction, benidikè'n, zegening, dankzegging, plechtige gelukwensch, inzegening van een abt; âal. Benedictory {benodiktdri) prayers = heilbeden. Benêraction, beni/'akè'n, weldaad, het geven van eene donatie of een leen: Benefactor. Benelice, benifis. voordeel, kerkelijke betrekking. The âd clergy = de met een ambt begiftigde geestelijken*: Benelicial, bendfiè'L voordeelig. nuttig, heilzaam. Benelicence. bdnefis'ns. weldadigheid, goedhartigheid. Beneficent. Beneficiency = goedhartigheid. Beneliciary, bendfitidri, subst. beneficiant (van een leen of eene beurs): adj. een ambt be-kleedende onder een ander. Benelit, h.rnajit, subst. weldaad, gunst, voordeel, weldadigheidsvoorstelling of benetiet (van een acteur b.v.): Ijet us give him the â of the doubt = laten we hem het voordeel van den twijfel geven: â building society = vereeniging voor het bouwen van armenwo-ningen; â verb, voordeel trekken of aanbrengen, verbeteren: The Kgyptians never âed by French inlluence;âsociety = verzekeringsgezelschap tegen ziekte en ouderdom. Benevolence, bonevdVns, welwillendheid, weldaad: eene oudtijds door de koningen van Engeland als geschenk geheven belasting. A benevolent nian = goedaardig, vriendelijk. Bengal, b'ngöh dunne zijden stof, Bengalen: âee, â-i, benguli, het Bengaalsch. âese, (gt;ew-(jóliz. bewoner of bewoners van Bengalen: het Bengaalsch: â light = Bengaalsch vuur: âtiger. = koningstijger. Benighted, door den nacht overvallen: it was very â of you to think so = ezelsdom. Benign, binain, weldadig, goedhartig, goedaardig: âness; âant. binign'nt, liefderijk, gunstig. âity. Innig niti, goedaardigheid, liefderijkheid. Benison, beniz'n. zegen, zegening. Benjainin. bendzomin, benzoë; soort vanover-jas'dn de mode in het begin dezer eeuw). Benji. benzi, lage stroohoed met breeden rand. Bennet, bendt, nagelkruid. Bent, bent, zeer groote krachtsinspanning, gebogen toestand: neiging (der ziel), bepaalde richting: lie has fooled ine to the top of my â = tot het uiterste punt (zoodat het bijna niet meer uit te houden is); â(-grass) = dor gras, soort van heim. Benuinb, bimnn, verstijven: âed with cold. Benzine,benzine. Benzoline. benzolin. handelsterm voor onzuivere benzine. Bepaint, bipeint. met verf bedekken. Beplaster, biplösto. bepleisteren. Bepraise, buitensporig prijzen. Bêpufl', bi puf, vreeselijk in de hoogte steken. |
bone = boun: full; fool = fül: a =» toonlooze vokaal (/.ie asleep en care): girl: year = jia; long = loi^: s//ip = sip: occa^/on = okei^'n; thin; thus = dhrs; wine.
BEQUEATH.
40
BESTOW.
|
Bplt;|iieatli, hihivith olquot; bikwidh, nalaten, vermaken, Befiiieat, bik west, legaat. Berate, bi reit. scherp doorhalen of hekelen. Berber, biibf), Barbaiijsche taal (of bewoner); adj. Barbarijsch. Bereave, biriv, berooven, wegnemen; âment = zwaar verlies (door den dood). Berel't, bireft, imperf. en part. perf. van to bereave. BereHfonl, berzfed. Bergamot, bugemot, bergamotpeer, bergamotolie, ruw tapijtwerk. Bergander, böyandd. rotseend. Bergmaster, btiymCisto, hoofdambtenaar v. d. mijnwerkers (Derbyshire). BerKomank (danèe), biïriemiisk, landelijke dans. Berlin, bfilin of B/ïlin, soort v. rijtuig, Berlijn; âblue = Pruisisch blauw; âglove» = gebreide wollen handschoenen; âwool = lijne brei wol. Berm, b*3m, stuk gronds, vier a vijf voet breed, tusschen wal en gracht van eene vesting; walrand; afhellende oever (van kanalen) tegenover het jaagpad. Bernarn, biindd. Bernardus, Barend, âine, bwwdin, Bernardijner monnik. Bernoose, bvnus, burnoe, losse Arabische mantel. Berretta, hdretd, baret (zwart voor bischoppen en daar beneden, rood voor kardinalen). Berry, beri, subst. bes, eitje van visch of kreeft; â verb, bessen voortbrengen, vullen. BerMerk(ergt;, bttsukid). subst. oud Noorsch krijgsman, onweerstaanbaar in zijne woede: A Bemerk, so railed, probably, beeaiise they i'oufflit without «erk (= shirt); adj. BerWrker rage: lli» Berserker iorelatlierH = woeste. Berth, both, subst. ligplaats van een schip voor anker, ruimte in een schip; kooi (in een schip); betrekking: lie ha» got a good â: Ah Hoon an I Nee that man, 1 give him a wide â = zorg ik hem uit dén weg te blijven; â verb, de slaapplaatsen in een schip verdeelen; eene ankerplaats aanwijzen; âage. bvthidz, ankerplaats, liggeld. Berwick, bnrik. Beryl, beril, edelsteen, beril; Beryl line. BeHcrawi, biskról, Bescribble, biskritfl, bekrabbelen. Bescreen, biskrin. verschuilen, beschermen. Beseech, bisits, smeeken, verzoeken, vragen om: He bcHunght an introduction: âer: âing(ly). Beseem, bisim. passen, voegen, waardig zijn, goed staan; âing. Beset, biset, omringen, van alle kanten bedreigen, aanvallen: â with enemies = omringd en bestookt door âment: That was his great âment = daarvan was hij de slaaf; âting-sins = zonden, waartoe men bijzonder lichtelijk vervalt (Hebr. XI f, 1). Beshrew, bisrü, verlagen, slecht maken; â my heart = waarachtig! Beside, bisaid, naast, nabij,buiten, afgescheiden van; He was â liimselt'with rage = buiten zichzelven: He Is â the mark = de plank mis. âs^'t'sairfr,bovendien,behalve: Andâs, you know that 1 always sit â him = En daarbij komt, dat ge weet, dat ik altijd naast man: r/sk = ask; farm = fiim; but = but: ! care = kêa: flt;r/te â feit; tin: «sleep = as |
hem zit. (Verg. Kvcept, dat uisluitende be-teekenis heeft). Besiege, bisfdz. belegeren; âment; âr. Beslave, bis lei i', tot slaaf maken (gew. lig.). Besla ver, bislavd, Beslobber, bislobz, 'Be-slubber, bislubo, met speeksel bezwadderen. Beslime, bislalrn. met slijm bevuilen of bedekken. Besmear, bitsüiio, besmeren, bevuilen. Besmirch, bismvts, bevuilen, besmetten (met roet, etc.). Besiiiiit,^/^//^^;, met roet bevuilen of bedekken. Beslt;im, biz'ni, bezem. Besot, bisot, dronken voeren, voor den gek houden. Besought, bisót. imp. en p.p. van to beseech. Bespangle, bi spangquot; l, bezaaien, bedekken met loovertjes. Bespatter, bis pa to, bespatten, belasteren. Bespeak, bispik, subst. benefiet: We were at a play last night: it was a â: the â party occupied two boxes = een benefietstuk: de dames en heeren die het stuk lieten spelen; â verb, vooraf bespreken, aankondigen, beteekehen, verzoeken om: I â the attention of every man lor our foreign affairs = vraag ieder-s aandacht; His language âs him a scholar = bewijst dat hij is. Bespoke, Bespoken, bispoukCn), imperf. en. part. perf. van to bespeak. Besprinkle, bisprink'l, besprenkelen. Bess, bes, Bet, Betsy, betsi, Betty, bdti, verkortingen van Elizabeth. Bessemer process, besdmapronsds, wijze van bewerking van gegoten ijzer tot staal, door er in gesmolten toestand heete lucht doorheen te laten stroomen: Bessemer iron (steel). Best, best, subst. en adj. best. zeer begeerlijk, erg, zeer goed, best; Sunday â = Zondags-kleeren; â foot = rechtervoet; At â he is but a fool = op zijn mooist of hoogst: â pleased = erg in den schik. I will do it to the â of my ability = zoo goed ik eenigszins kan; He maciie the â of that chance = trok zooveel mogelijk voordeel; We have performed the â of our way = het grootste gedeelte: 1 made the â óf my way home = ging direkt, zoo gauw mogelijk ; l' have put the â construction on your words = uwe woorden zoo gunstig mogelijk uitgelegd: My friend got (had) the â óf it = kwam ér het best af; He made the â of a bad bargain = hij sloeg er zich zoo goed mogelijk door: 1 was the â man, and there were no bridesmaids = bruidsjonker: â verb. That confounded fellow has âed me = verlakt, het van mij gewonnen. Bestain, bistein, bevlekken. Bestead, bistcd, van dienst zijn, helpen: We are worse â than you = in slechtere omstandigheden: 1 am sore â for leisure = ik heb het erg druk. Best i a I, bestj' I, beestach tig, zinnel ij k; Bestia I i ty; Bestialize. Bestir, bisti), tot arbeid opwekken, bewegen: You must â yourself = u inspannen. Bestow,^/sflt;m, 'geven, schenken (van een hooger geplaatste aan een lager geplaatste), ten huwelijk geven, gebruik maken van, toepassen, opbergen: He âed that keepsake in a safe earn = Ion; line = lain; bowse = haus: net; lip; not; \aiv â ló: lord = lod; hoy = boi; |
RKSTKEW.
41
»IB.
|
place = legde die gedachtenis op eene veilige plaats: âal; âment = gave. Kestrcw, bistrii, bestrooien. BeHtride, hislraid, schrijlings zitten of staan op; stappen over. BfNtnd, bistvd. met studs of kn(o)opjes ver- 1 sieren. Bet, bet, subst. weddenschap, inzet : IMh au even â = weddenschap met gelijken inzet; | â verb, wedden, eene weddenschap aangaan; j I II â you feu imiiiiicIn = ik wed met u om: Von â! (Amer.) = Zeker! Dat wed ik met je! lie was proved to be a âtliig-maii, âIer = iemand, die bij wedrennen, etc. aan grof wedden doet; â tin^book = voor het opschrijven der weddingschappen; â(intc-lioiiHe. Betailed. biteild, van een staart voorzien. Betake, biteik (steeds rellexief): They betmik tlieniHelveH to sleep, to their ber'tlis = zij gingen slapen, begaven zich naar de kooien. Betel, hifi, soort van peper, waarvan de bladeren gekauwd worden. Bethel, beth'l. godshuis, heilige plek. Betliiuk, bi think, (zich) herinneren, overwegen ; I bethought inyseir ol' it at the right iiioiiient. Bethrall, bithról, tot slaaf maken. Bethiiiiip, bithnmp, stompen, krachtig slaan. Betide, bitaid, overkomen; .Miich good may â you! = u te beurt vallen! Bethiie(Hgt;, bitaim(z), in tijds, weldrn. Betoken,bitou/r'n,aanduiden,voorspellen: That dark eloud â» a storui = kondigt aan. Betook, bi tak. imperf. van to iietake. Betray, bitrei, verraden, misleiden, bedriegen: tooneh, ontdekken: lie âed his igiiorauee, and put his foot in it = liet blijken ... en compromitteerde zich. My head is all right, luit my legs â me = geven het op (ik kan niet meer loopen of staan); âal = verraad, liet verklappen van iets; âer. Betroth, bitroudh of bitródh, verloven, beloven te huwen, ondertrouwen, tot bisschop aanstellen, âal. âment. âed. Better, bet.), adj. en adv. beter, voortreffelijker, begeerlijker, in hoogere mate, meer; â verb, overtrellen, verbeteren, beter worden : They hoped to â themselves by sending a letter to the governor of the fortress: subst. (steeds meervoud) meerderen; I had the â of him = ik won het van hem: We got, gained the â of him = wij werden hem de baas; lie was the â for the sea-air = de zeelucht had hem goed gedaan; Von are â olf than your friend = in gunstiger omstandigheden; â and â = al beter; lie has gone one â (than you) = hij heeft (u) overtroffen; That boy has ehanged lor the â = ten goede; And my â half said: The more we see the â = wederhelft (vrouw)... hoe beter: They married each other for â for worse = onder alle omstandigheden des levens: The âmost farmers = de kern der boeren: The â opinion is, that he has left for ever = als we niet beter weten, is hij voor goed heengegaan : lie first intended tó go, but thought â of it = bedacht zich; Two lieads are â than one = twee weten meer dan «quot;'én. â most = het beste; âing, subst. verbetering; adj. verbeterend: lie has introdneed many bone = boun; full; fool = tul: ^ = toonlooze lont/ = ion; 6-/(ip = sip; occas/on = okeiy/n; tl âmeiits = verbeteringen aangebracht; âness = het beter zijn. |
Hetty, beti. Jan Hen. Betiimbled, bitotnb'ld, wanordelijk, over elkander heen geworpen. Between, bitivin, tusschen (van huee, en daardoor onderscheiden van aniong): They bought the house â them = met hun beiden (among them = met hun allen); â you and me = onder ons gezegd (Among ourselves â onder ons allen gezegd); â this and then = tot dien lijd toe: â-deekts), subst, en adj. tusschendek(s); âwhiles = nu en dan; Betwi\t (dichterlijk voor â ): There's many a slip Twixt the «-up and the lip = Tusschen lip en beker Js zooveel onzeker; it is-betwixt and â = zoo zoo. la la. Bevel, bee I, subst. winkelhaak, hoekmeter: adj. schuinsch, scherphoekig; â verb, hoekig maken-schuin toeloopen;âangle = scherpe(of stompe-dus: schuine, geen rechte) hoek. Beverage, bevoridz, drank, borrel, tractatie-(in drank). Bevy, bevi, vlucht, troep, visite, dameskransje-gezelschap. Bewail, biiuell. Beweep. b'nvip, bek lage n-beweenen, weeklagen; âable; âing = gejammer. Beware, biivêj, oppassen, zich hoeden voor: â of the dog = hoed u voor: â them both, but most of all â this box = passen o\} (dichterl.). Bewet, bi wel. bevochtigen. Bewiek, bjiïik. Bewilder, biwildd, in de war brengen, verbijsteren: âed = verward: âment. Bewitch, biwits, beheksen, bekoren; âer. Bewray, bi rei. ontdekken, verraden: This poem*âs itself as a translation = men ziet dadelijk, dat het vertaald is. Beyond, bi-Jond. verder dan, over de grens, aan de andere zijde van, voorbij, boven, overtreffende: It goes â my compreheusioiu powers, me = boven; That is â dispute = buiten kijf: The better land is â the tomb = aan de overzijde van: In that matter he went â me = ging verder dan ik, hield zich niet aan de afspraak, bedroog mij: You are â that handbook = .. is te gemakkelijk voor u: The swimmers were still within their depth, but tliegt; would soon be â it = konden nog staan.' maar dat zou weldra niet meer kunnen. Bezel, Bexil, bez'l. kas van een ring, waarin de steen zit; het gleufje, waarin het horlogeglas past. Bezoar. bezö, steen (in de ingewanden v.dieren). Biangiilar, bimtyjub/, tweehoekig. Bias. biiies, subst. gewicht, waardoor iets overhelt: neiging, vooroordeel: There is au admirable absence of â in this paper = vooroordeel; â verb, doen overhellen naar, vooringenomen doen zijn: I have âed him = overgehaald; I am strongly âed in bis favour = voor hem ingenomen; adv. schuin, dwars, diagonaal. Bib. bib, subst. slabbetje, yischje; â verb, slurpen. A âacious {baib'eiëes) fellow = aan den drank verslaafd. tWine-)âber = (wijn)drinker, zuiper. vokaal (zie asleep en care); girl: //ear = Jia; lin: thus = dhirs; wine. |
BILINGUAL.
42
BIBLE.
|
Ilihle, haibl. bijbel, gezaghebbend werk, standaardwerk: â Society = Bijbelgenootschap; â oat li = eed op 'den bijbel. âolerk = student te Oxford, die door het college nagenoeg onderhouden wordt. The biblicalhoQliti and the biblicists = de bybelsche boeken en de bijbelgeleerden. = hechten aan dc letter v. d. bijbel. llihlioKi'apliy . biblvogrdfi. beschrijving en i opgave van 'boeken, etc.; Bililioiiiaiiey, bi- i bliomnnsi. voorspelling naar aanleiding van j toevallig opgeslagen of open liggende teksten: BihHoinaiiist. bibliomdnist. Biblioinaiiiac, bib I iom ein} a k. iemand, die aan zucht naar curi-euse en zeldzame boeken lijdt. Bibliomania. Bifltliopliile, biblidfail, boekenliefhebber of -verzamelaar: lli1gt;lio|gt;ole, bibliDpoul, boek-verkooper. Bibliothecary, biblivthdkdri. boekbewaarder. BihuloiiM. bibjIjs, opslorpend, dronken: My â coiMliictor tell into the glitter = dronken geleider. Biralcarate, b(d)ikalk9rit, met twee sporen gewapend. Bice, Biwe, bais. bergblauw. Bicentenary, of bis'nlindvi. subst. en adj. tweêhonderdjarig(e gedenkdag). Bicephalous, baisefelos, tweehoofdig (-koppig). Biceps, hnisdps. groote bovenarmspier. Bleker, biko. subst. verward gevecht, houten beker; â vérb. kibbelen, twisten (over k ei-nigheden), trillen, spelen (van vlammetjes): Tlie MtreainletH âeil tliroiigli the Mhade = gleden glinsterend; Hlany iviiidiiiillH, âing together in a IVesli 1»rêeze over a woody eonntry = draaiend. Bickeni, bikdn. aambeeld met twee punten. Biconjngate, baikondzucfit, paarsgewijze (planten). Bieornted), baikön(d), BieornoiiH, baikiinds, tweehoornig. Biâ¬-iiH|gt;id(ategt;, baiknspid(it). met twee punten. BicyeIe./'«is/A7, subst. twee wieier. velo(cipède); â Verb, wielrijden; Bicycling: Bicyclist = wielrijder. Bid. bid. subst. bod. poging (om te bereiken of te verkrijgen): The hook fell to my â = werd mij toegeslagen; All the âh' lor iniaginatioii in the latter part ol the book are vain = pogingen...; â verb, verzoeken, bevelen, aanbieden, voorstellen, wensclien, bieden op (lor): lie bade them witne.HH it = riep hen tot getuige; I â yon good morning, lareuell. welcome =*zeg. heet: lie â» deliance to ^lieiii all = hij tart, trotseert hen allen; Will yon â the gentleman walk iti = verzoeken:* To â beads = den rozenkrans bidden; This project âs lair to be snccessrnl = dit plan heeft groote kans van slagen: âdable = gehoorzaam: âder: Your âding is enmigh for me = verzoek ... voldoende. Biddery-ware, lAddriwco, voorwerpen, te Bidar gemaakt, van koper, lood, tin, enz., alles door elkander gesmolten. Biddy, bidi. kuiken, kip, lersch dienstmeisje i (Amer.), verkort voor Bridget. Bide, baid. blijven, wonen, afwachten, ver- i verbeiden: I will â my time. Bident, hfiident. vorlc met twee tanden; j |
Bidental, Bidentate, baidwti* tweetaadig. Bidet, bidê. klein lastpaard van een kavallerist: Biennial, balen/1, tweejarig. (bidet. Bier, bid, draag-, lijkbaar, graf; âright = baarproef. Bilarionsdy), bmfêrwsili), in twee rijen. Bifacial, bdifeis'l, gelijk aan weerszijden. Bilerons, biforos, tweemaal 's jaars vruchten dragend. Bifl'in, bi fin, gebraden en platgemaakte appel. Biflorate. baiflorit, Bitlorons, baijlords. tweebloemig. Bifoliate, baifouljit. twee-bladerig. Bi fold, baifonld, tweevoudig, dubbel. Bifurcate, baifvkeit, in twee takken verdeelen: adj. â(d), baifi'tkit(id), Bifnrcons, baifükds, in twee takken verdeeld; Bifurcation. KiS. big, dik, groot (v. omvang), zwaar, zwanger, vol: 1 assure yon that he is a â man = invloedrijk man; lie looked and talked â == hij keek trotsch, en was aan het bluffen; Vonr eyes are too â for your belly = oogen zijn grooter dan; Last year was â with great things = vol van. That niiin has a â heart = groot, edel; All those people are â bugs = groote hanzen: He heard most of the London â guns = groote kanselredenaars (schertsend): He is a â pot, and yon are only a kettle = groote meneer... arme bloed. ïhe â wigs were all there = professoren (vooral te Cambridge), groote heeren; âboned = sterk: â Ben = groote klok in 't parlementsgebouw. Bigamy, bigomi, tweewijverij. Bigamist. Bigamous. Biggin, big in, klein houten vat, iiltreerkoflie-pot, kindermutsje. Biggonet, Mgdnct, vrouwenmuts, kapsel. bait, baai, bocht (van een touw), buiging (van de voorpooten van een paard). Bignonia. bignounjd, trompetbloem. Bigot, bigdt, blinde (onverdraagzame) ij veraar. A âed man usually (iocs his deed* of âry in the name of religion. Bijou, btzu, juweel, iets liefs en kostbaars. Bijiigons, baidzugos, Bljiigate, baidzugit. met twee koppen (op munten), tweeparig. Bike, baik, subst. fiets; â verb, fietsen. Bilander, bikmdd, bijlegger (een soort van schuit). Bilberry, bilbdri, soort v. braambes. Bilbo, 'bilboa, Spaansche degen (van Bilboa. bilboitd, in Spanje), tyranniek heer. Bilboes, bilbouz, ijzeren staven met daaraan bevestigde ringen voor de voeten van gesloten misdadigers (vele dezer o. a. op de Armada gevonden). Bilboquet, Inlboket, bal met beker, waarin hij moet worden gevangen. Bile, bail, gal, galbuil, slecht humeur: l)o not stir his â = maak hem niet boos: Biliary, biljdri, van de gal. Bilious, biljds, galachtig, opioopend, driftig; âstone = galsteen. Bilge, bildz, subst. buik (van een vat), ruim (in een schip); â verb, een lek krijgen: A â pump serves to drawn the âwater (= ruimwater) out of a ship. Bilingual, baUii\gwdl, Bilingnar, bailingivd. BilinguoiiH, baiiingiüds, in twee talen, twee talen sprekend. |
manv ask = ask; farm = fam; bat = but: learn = Urn; 1/ne = lain: hoase = hnus: net: care = kèo: fate = feit: tin; asleep = «slip: not: \aw = lo: logt;'d = löd: hog = l)ói;
BIRD'S-EVE.
43
BILK.
|
liiik. bilk, subst. bedrog, dwaasheid: That is a â = malligheid, onzin: â verb, bedriegen, het iemand toekomende hem onthouden. Kill, bil, bek, snavel, korte bijl, hellebaard, strijdbijl; briefje, rekening, promesse: wetsontwerp, aanplakbiljet; verk. voor William: We Hliall liave to pay the â = onkosten: A true â wa» IoiiikI (ignored) = er werd (niet) rechtsingang verleend; â of exchange = wissel (ook Draft); â of e red it = kredietbrief: â ol* lading = vrachtbrief; â ol'^ale = overdracht van roerend goed, ingeval eene schuld niet volgens contract betaald wordt; â ol' mortality = sterftelijst (officieele opgaaf van het aantal sterfgevallen binnen een bepaald gebied): â ol' divorce = scheldbrief (Joodsche wet); True â verklaring der jury, dat de getuigenis voldoende is om gevangenneming ter echtvaardigen; â ol'lare = menu; â of fares = tarief van vracht- of vervoerslijzen: â ol'health = gezondheidspas: â of indemnity = acte v. schadeloosstelling: â oI'entry *= declaratie van inkomende rechten; â ol' R'ightM = grondwet (IGSS); He has a â in ehaneery against yon = eisch tot schadeloosstelling; Do not stick â» = verboden hier aan te plakken: A â was posted np in the market place = groot biljet werd aangeplakt op de markt: â verb, trekkebekken, lief koozen; They were â ing and cooing = zij waren aan het minnekoozen. âhabe = papieren pop; âhook = soort v. snoeimes; âhook = wisselboek. âhroker = makelaar in wissels; âsticker = aanplakker. Killet, blldt, subst. briefje, inkwartieringsbiljet, inkwartiering, baantje, dienst, blok hout, stok: Kvery hullet has lts â = heeft zijne bepaalde bestemming: Secretaryships and all snch âs = baantjes; You have a very coml'ort-ahle â there = gemakkelijke betrekking; He chargcd upon the yoinig nran with a â of wood: â verb, inkwartieren: The regiment was âed upon the inhahitants: 1 wish I could get you âed on that ship = geplaatst. Killiards. biljddz. biljartspel. Killiard-hall; Billiard-cloth: Billiiird-cne: Billiard-mar-ker; Killiard-talile. A game ofâ, To play at â. Billingsgate, bilh^zgit. subst. vischwijventaal; adj. plat, gemeen: â pheasant = haring. IHWiou, hilfu. billioen: millioen X millioen (in Frankrijk en Amerika: 1000 X millioen). Billot, hllet, ongemunt goud of rilver (dus: in staven). Billow, biloa, subst. baar, zware golf: â verb, golven,opzwellen. The âand-hreaker-heaten coast = de door golven en branding gebeukte kust; ây = ruw, golvend. Billy, bilt, kameraad (ook gemeenz. voor Willy, Will iam); âcock,hilikok. flambard. âboy = platboomd riviervaartuig: âgoat = mannetjesgeit. Biltong, biltoi], reepjes (in de zon) gedroogd vleesch. Bimana. baimeino. de tweehandigen; liiman-ous, baimonds. tweehandig. Bimensal, baimens'L Bimestrial, tweemaandelijksch. |
Binionthly, bimnnthli, subst. en adj. tweemaandelijksch (tijdschrift). Bin, bin. subst. kist, trog. bak. wijnrek (in een kelder); â verb, in eene kist, etc. bergen. Binary, bnindri,{\uhhe\. Binatc. b(ii)iit,paars-gewl.s groeiend. Bind. baind, subst. stengel of rank (van hop), verbindingsteeken (muziek); harde klei (in kolenmtjnen): â verb, binden, verbinden, omwikkelen, beperken, verplichten, bevestigen, hard maken, eene grens vormen, verplichten (volgens contract): Bound down by contract: Ills wounds were bound up = verbonden: This apprentice was bound out to service = in dienst gedaan: He was bound over to appear again before the court within a week = verbond zich: That man is entirely bound up in his work, studies, etc. == wordt geheel ingenomen door, gaat geheel op in; The book has a beautiful âing; where have you had it hound? = band; waar hebt ge het laten inbinden? âer: âing = band, het binden; âweed = slingerplant. Bine, bain, teere stengel (als eene rank, van hop b.v.). Zie Wondâ. Binervate, bainüvit, met twee nerven oi bladribben. Bing, bh\, hoop (vooral van erts, etc.). Bin(n)acie, bind lel. kompashuisje. Binny, bim, barbeel van den Nijl. Binocle, blndk'l. kijker met twee oogglazen. Zie Opera-glass. Binocular. Binomial, bainoiimfl, tweeledige grootheid (algebra); â theorem = binomium v. Newton. Binominal, hainomin'l, met twee namen. Biographer, buiogrdfd, levensbeschrijver. Biographie. Biography. Biology, baiolddti, biologie. Biologist. Biparo'us, bipards. tweelingen barend: liiporti ent = in twee deelen verdeelend; Bipartite = tweeledig. Biped, baipdd, subst. en adj. tweevoetig (dier): A â beast; âal, bipccVl of baiped'l. adj. tweevoetig. Bipennate(d), baipenitiid). tweevleugelig. Biquadratic, hnikwadratik. de 4emachtswortel. Birch, bnts. berk, roede (om te straffen); â verb, met de roede straffen, ranselen: âcn: ârod. = roede: âbroom = stalbezem. Bird, bfjd, subst. vogel, lieveling: He is a prison .â = hij kent de gevangenis van binnen en van buiten: Xeither â nor fish = geen vleesch of visch: âs of a feather flock together = soort zoekt soort; lie killed two âs at a blow: A â in the hand is worth two in the bush = . . . beter dan tien in de lucht; â of passage = trekvogel; â of game = jachtvogel (zooals haviken, valken, enz.): â of Jove = adelaar; â of night = uil; â of peace = duif: â verb, vogels vangen of schieten; âcage = vogelkooi: âboy = jongen, om vogels te verjagen, om tot 'vogelverschrikker te dienen: WTiien I was ten, 1 was worth a shilling a week as a âboy = verdiende ik lii stuivers in de week: *âcall = fluitje (van den vogelaar): âfancier = vogelliefhebber, vogelkoopman; âlike = als een vogel: âlime = vogellijm; âman, âcatcher = vogelaar: â's-eye = subst. soort van tabak: adj. uit |
bone = boun; full: fool = ful; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = ji^: lom/ = loi^: s/jip = »ip: occas/on = okeiy/n: thin: thus = dims: wine.
BIRMINGHAM.
BLACK BUM).
|
de vogelvlucht gezien: A â*« eye view of ('ologiie = Keulen uit de vogelvlucht: They : went â'H'iieHtiug = vogelnestjes zoeken: Xobody Rtien âlieMing witliout a tall at tiiiieH *= wie wat onderneemt, struikelt wel eens: -witted = vluchtig, van het een op het ander: â ie = vogeltje, lieveling. ItinniiiKliaiii, Iiirtli,b/)ï/i. geboorte,afkomst,oorsprong,stand, j het geborene: lie i» an Eiig;liNlimaii by â = van geboorte. Kew â = wedergeboorte (godsd.); âhour; â«lay; âNtrangled, âxtninyld. bij de geboorte'gestikt; ânp;ht: âplace: âMin = erfzonde. Biwray, WsAe/, Biscnje; The Bay of â = Golf van B. BiM'otin. bUs kol in, zoet gebak, zoete beschuit. BiNCirit, bis kit. beschuit, ongeglazuurd aardewerk: broodje (Amer.). Bise. biz. koude N.W. wind in Zwitserland en aan de Middell. Zee (vergel. Mistral). Bisect, haisekt. in tweeëndeelen; âion; âor. Bi8erial,^a/«â¬?'/7, Biseriate, baisiriit, uit twee serieën bestaande. Bisexual. baisekèii,l. tweeslachtig. Bishop, biAop, suost. bisschop: een warme drank: tournure of kussentje, ook grare genoemd (van de dameskleeding); Amerikaan-sche zangvogel; raadsheer (in het schaakspel): â verb, bevestigen, in de kerk opnemen, een oud paard zóó opknappen, dat het jong lijkt. âews. vrouw van een bisschop (in de En-gelsche kerk); â¢âVBihle = bijbelvertaling van 1568; â's-weed = een moeilijk uit te roeien onkruid. Bison, lna)is'n of hiz'n. bison, wilde os (Am.). Bissextile, bisekstil, schrikkeljaar: iidj. daartoe behoorende. Bisson. biis'n. volkomen blind. Bistort, bistöt. slangenkruid. Bister, Bistre. bLst.i. donkerbruine verf uit roet van verbrand hout. Bistouri, bisturi, opereermes. Bit, bit. subst. brokje, stukje, beetje, kleinigheid; boor, munt (ongeveer 23 a 30 cents, in West-Indië en het Z. der Unie), scherpe kant van eene schaaf, gebit (van een paardetoom): \ot a â of it = geen kwestiequot; van; lie is every â as good as yon = in alle opzichten: 1 am not a â thé wiser = ik beu geen haar wijzer; Vou must take it by âs = in kleine gedeelten, bij stukjes en brokjes; â by â = stukje voor stukje: The roachnian draws â = brengt het paard tot staan; â verb, toomen, breidelen: âinontli = stang (van een paardetoom). Biteh. bits. wijfjeshond, leelijk wijf, feeks. Bite, bait, subst. beet, greep, mondvol, streek, i bedrog, bedrieger: IIis bark is worse than : his â = hij blaft harder dan hij bijt: lie gave me a â aiid a slip (ook sip) = beetje en een zoopje (wat te eten en te drinken); 1 have not had a single â the whole day = geen beet gehad; â verb, bijten, stuk bijten, knijpen, wonden (ook door woorden), bedriegen, vastgrijpen (van een anker), uitbijten (van een zuur): The enemies bit the dnst = beten in het stof; lie bit his lip = beet op; Tiie ! bi ter bit = de bedrogen bedrieger (eig. de bijter gebeten): He bit the thninb at me = 1 drukteverachtingjegens mij uit: Onre bit(tengt; twiee shy = een gebrand kind schuwt het vuur; A* frost-bitten nose = bevroren: Biting afllietion = diepe droefheid; âNoquot;, he answered bitiiigly = hatelijk, scherp:âr. |
Bithynia, bithinj,), Bithynië. Bitt,*6/7, subst. beting; â verb, beting leggen (scheepstermen). BitO^n). bitCu), imperf. (en part. perf.) van to bite. Bitter, bits, subst. het bittere, slag van een kabel: adj. scherp, bijtend, wreed, pijnlijk, smartelijk: â verb, bitter maken: lie draiik it to the â end, to the dregs = ledigde den beker ten bodem toe; âalmond; âapple: âeiienniber: âgourd, â-(jöd, kolokwint: âs = (gewoonlijk sterke) drank, met bittere essens gemengd; âsweet = bitter met zoet gemengd; genot en smart dooreen; âwort = gentiaan wortel; âisli; âness. Bittern, bitan, roerdomp, brem. Bitumen, bitjfwïn. of bitjumn, jodenlijm., aardpek. Dituiniferous. Bituminous. Bivalve, baivalr. subst. dubbele schelp, weekdier met dubbele schelp, peulgewas; adj. dubbelschalig. Ook BivaUular, baivalvjide en Bivalvous, baivalvos. Bi vonae, bivwdk of bivudk, subst. nachtleger, bivouak; â verb, bivouakeeren, kampeeren in de open lucht. Biweekly, bniivikli, subst. en adj. veertien-daagsch (tijdschrift); adv. om de veertien dagen. Biz, biz. verkorting voor business: That is the â now = daar komt het nu op aan. dat is er nu aan de hand, lie is up to â = hij heeft goed zijn weetje. Bizarre, bizü, dwaas, fantastisch, wonderlijk. Blab, blab, subst. snapper, verklikker; â verb, er uit Happen,wauwelen,verklikken: âher = wauwelaar; â verb, wauwelen. Blaek, blak. subst. het zwarte, neger, ultra-montaan, zwarte japon, rouw, stropdas (mil.),, roetdeeltje: The politieians did but play into the hands of the âs = ultram. partij: adj. zwart, verstoken van licht, norsch, bewolkt. donker, treurig, snood: lie gave it me â on (andgt; white = zwart op wit: He is the â slieep ol the family = die niet deugen wil: We beat tiieni â and blue = bont en blauw; The evening at the Royal Society was notable in several ways. In the first place it was the great â night of the year, that is to say, it was the uien's night; â as your hat, â as a gipsy's eyes, â as ink,'â as November, â as sables. â as thunder, â as a nigger meeting; A â list of those who failed to appreciate that poet = ongunstig, ver-oordeelend, debet: â Maria, âmamia, die-venwagen. â verb, zwart maken, bevuilen, bezoedelen: He is not fit to â your boots = uwe schoenriemen te binden'; âaniooiv âDmud. neger; âart = zwarte of tooverkunst; âball, subst. zwarte bal (bij quot;t stemmen); â verb, tegenstemmen, afstemmen; âband = soort van ijzersteen (in mijnen); âbeer = Dantzigsch bier: âbeetle = kakkerlak: â berry = braambes: As plentiful as â berries = zéér overvloedig; âbird = subst. meerle. gevangen neger; â verb, negers van- |
man: osk = ask: farm = fiim: bwt = but: \enrn = li.'n: line = lain: ho;/se = hans; net: care = kvéi fate â felt; tin: «sleep = «slip: not: \aiu -- ló; lord = löd: boy = boi:
BLACKBIKDIXG.
45
BLEA.
|
gen voor den slavenhandel: âbirilin^ = liet wegvoeren (ont-) van negerslaven, âboard = schoolbord, (zwart) aanplakbord; âboclins = onheilspellend; âbook = rapport (onder Hendrik VIII) over de toenmalige kloosters, toovenarijboek, ongunstig rapport, etc.: I am in lii« â âbooks = sta ongunstig bij hem aangeschreven; âbrowed, âbrand = dreigend, norsch: ârap = zwarte muts (door rechters bij veroordeelingen ter dood opgezet), bastaardnachtegaaal; âealtle = rundvee: âcoat = zwartrok, geestelijke: âcountry = het kolenmijnenland (in Eng.); âriirrant = zwarte bes; âdeath = pest: âdrop = opium (in azijn met kruiderijen): âeartb = teelaarde: âen, blak'n, zwart maken of worden. bezoedelen, besmetten. â(egt;y, blahi. zwartje; âfaced = somber, donker, norsch: âfellow = Australiër. âl'riar = Domini-kaner; â Forest = Zwarte Woud; âfoot = koppelaar, tusschenpersoon,N.Amer. Indiaan, âguard, blagdd, subst. ploert, deugniet, lt; lersche) snuif; adj. laag, gemeen; (ook: â ^nard-ly): â verb, op gemeene wijze beschimpen, g'emeene taal van of tegen iemand gebruiken; âguardism: âhole. subst. cachot, hondegat: â verb, in het cachot zetten; âinK = schoensmeer: âlead, subst. potlood: verb, pot-looden: -leg = oplichter, bedrieger, knoeier (bij werkstakingen, d. i. iemand, die bereid is te' werken: 188fgt;); klauwzeer: âletter = Gothische letter: âlist = lijst van strafwaardige personen; âmail = geldafpersing, brandschatting; afgeperst geld; â verb, afpersen; â inartin = muurzwaluw: ânionday. blakinvndi, ongunstige dag: de eerste Maandag na de vacantie; âinonks = Benediktijner monniken: âmout lied. âoiandh'd^yuüe taai uitslaande; âpeoiiled = met eene zwarte bevolking; âpudoing;. âpndin. beuling; â rent. (Zie âmail): ârod = een der voornaamste Eng. kamerheeren; â Sea = Zwarte Zee: âsmith = grofsmid: âWatch = het 42e regiment Hooglanders. âwork = smids-werk: âthorn, âthön. sleedoorn: âwood = pokhout. Kladder, blado, blaas, buil. blaar, windzak: âcd = in eene blaas gedaan, opgeblazen. Klade, blei cl, subst. grasspriet, halm, lemmet, platte zijde (van een roeiriem), schouderblad, zwaard; flinke, eenigszins brutale kerel; â verb, van een lemmet voorzien, opsnijden, zwetsen; âbone = schouderblad: âsmith zwaardveger. Blain, blein, blaar, zweer, tongblaar (vee). Blame, blehn, subst. beschuldiging, berisping, schuld: lie wras discharged of all â = van allen blaam ontheven: â verb, beschuldigen, laken: You are to â = gij zijtschuldig: Blameable; âlui; âworthy. Klancard, blanlod, soort van Xormandisch linnen. Blanch , blünS, subst. Bianca; verb, bleek maken of worden, ontwijken, verzachten, afschillen (amandelen'): âing liquor = bleekwater. Blanc-niaii^e(r). blmnór^z. blanc manger. Bland, blond, zacht, vriendelijk, minzaam; âiloquenee, ö/arwKteAw'iïS, vleitaal; âish = vleien, streelen; â ishment. |
Blank, blank., subst. niet beschreven of ingevuld papier, niet (in eene loterij). ledige ruimte. (doel)wit (van eene schijf), mikpunt; adj. onbeschreven, ledig, mistroostig, verward, wit. zuiver: 1 tell yon so point â = royaal weg: He looked â = zag er ontsteld (schaapachtig) uit: â cartridge = losse patroon: â door = blinde deur; âpractice = oefeningen met losse patronen; âshots = schoten met los kruit: âverse = niet rijmende verzen (meestal de rijmlooze vijfvoetige jambus); â verb, vernietigen, verbleeken. beschamen. Blanket, blai\kdt, subst. (wollen) deken; lie put a wet â on my entliiisiasm = hij gooide een emmer koud water op mij (fig.): Born on the wrong side of the â = onwettig: â verb, bedekken (als) met een deken, opgooien (in een deken); âing = stof voor (wollen) dekens; de straf van het opgooien in eene deken. Blare, bite, subst. geloei, gebrul: verb, loeien. Blarney, blihii, subst. grove vleitaal, grove bedriegelijke taal, klets: Try the three B's; Jt(larney), Hdather) and Ji{unkum). (Verg. the three It's: lt(eading), {iu)Jt{itin[i) and {a)M{ithmetic); â verb, vleien: He has kissed the -stone = hij kan goed vleien en liegen. Blaspheme, bldsfim, godslasterlijke taal spreken: Blasphemy, blasflmi, godslasterlijke, profane taal. Blasphemous. Blast, bldst, subst. rukwind, harde wind; geluid (van een blaasinstrument); het springen van rotsen (door kruit), vernietigende invloed op dieren of planten, brand (in het koren), ziekte (bij schapen): â verb, vernietigen, verzengen, verdorren, laten springen (van rotsen): They âed it abroad = maakten het ruchtbaar*; They were in (full) â = hard aan het werk; âfurnace, âfv.nis, smeltoven: âpipe = vlampijp, afvoerpijp (van stoom» bij locomotieven; -ing-oil = nitroglycerine. Blastoderm, blastcdvm, kiemhuidje. Blatant, bleit'nt, druk, kalverachtig schreeuwend: They uttered â nothings about their art = onbeteekend geschetter. Blatancy. Blather, bladlui, gezwets. The fooli-sh âing about that statesman = gewauwel. Blatta, blatd, kakkerlak. Zie Black-beetle. Blatter, bin to, onzinnig lawaai maken, kletteren. Blaxe, bleiz, vlam. gloed, bles (op den kop van koe of paard), teekén op boomen (door verwijdering van den bovenbast); The house was in a â = in vlam; He swore likeâs = hij vloekte verschrikkelijk; Go to âs = loop naar de hel; How the âs can you stand the head-work you do = hoe drommels kunt gij dat met het hoofd werken zoo uithoudenverb, vlammen, in gloed staan, heinde en verre bekend maken, (boomen) merken: The stars themselves â forth the death of prinees = kondigen der wereld aan: The enemies were blaxing away = vuurden steeds door (ook: vol geestdrift voort-werken ). Blazon, bleiz'n, subst. blazoen, wapenkunde, bekendmaking, praal: â verb, blazoeneeren. beschrijven, bekend maken, uitbazuinen: âry. Blea. bli. spint (binnenbast van een boom). |
bone = boun; full; fool = ful: d = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = .ii9: \on(j = loi^: 8/ïip = .sip; occasion = okeiy.'n: thin: Mus = dhüs: wine.
BLONDIN.
BLEACH.
4G
|
Bleach, blits, bleeken ( van linnen en katoenen stollen): âiiig lilt;|iiilt;l; âing powder;-ing-Kroimd = bleekveld = âery. Bleak, blik, subst. bliek; adj. koud, onbeschut, naar. Blear, 6/13, adj. dof, duister (door waterachtig vocht); â verb, verduisteren, tuchtigen; âed eyes = betraande (verduisterde) oo^en. lie iw âeyed = heeft zeere oogen: âeduesH. Bleat, /gt;^7,subst.geblaat: â verb.blaten; âer. Bieb, bieb, blaartje, luchtbel, puistje. Bled, bleil. imperf. en part. perf. van to bleed. Bleed, blid, aderlaten, bloed verliezen, bloeden, een gewelddadigen dood sterven, geld afpersen: He âs at the nose = uit den neus: He bled to death = bloedde dood; He bied freely = hij bloedde erg. â ing. Blemish, blemis, subst. vlek. smet, klad: â verb, bevlekken,besmetten,bezwalken: â less. Blench, bleus, terugdeinzen, wijken. Blend, blend, subst. vermenging (van dranken of geuren, zóó, dat de samenstellende deelen tot één geheel onoplosbaar vereenigd zijn); â verb, vermengen (op die wijze): The âed scents ol* tea and cotree: âer.âwater = nierziekte (bij rundvee); âcorn = tarwe en rogge dooréén verbouwd. Blenheiin, blen'm, hazewind van edel ras: edele appelsoort, gekweekt op Blenheiin House, het kasteel van de hertogen van .Marlborough, ook â orange genoemd. Blesbock, blesbok, Z.-Afr. antilope. Bless bles, een zegen afsmeeken over, geluk-wenschen, gelukkig maken, heilig verklaren, prijzen, gelukkig achten. A âed inan = gezegend, gelukkig (A âed fooi = groote, verduiveldsche gek). He was âed in a lair daughter = gezegend met: lie âed him-sell' = hij maakte een kruis; â me, no! = om den drommel niet; The abode of the âed (of bliss) = het verblijf der gelukzaligen: He lives in single âedness = hij is ongetrouwd; âing = zegen, zegening, gave, geschenk, gunst: To ask a âing = bidden vóór den maaltijd, een zegen afsmeeken; Biest = âed: Of âed nieniory = zaliger gedachtenis. Biet. biet, subst. rotte plek in vruchten: â verb, rotte plekken hebben; âted = inwend.verrot. Biether, ö/cd/w (Zie Blather). He is a âskate, âskite = onzinnige wauwelaar. Blight, bin it, subst. ziekte in planten (waarbij zij sterven), meeldauw, bederf: â verb, doen verdorren, verwelken; vernietigen, bederven. Blind, blaind, subst. jalouzie, oogklep (van een paard, ook âer genoemd), iets bedriegelijks: That proposal was a mere â = voorwendsel (om ons een rad voor de oogen te draaien); adj. blind (in eig. en fig. zin), ongezien. duister, niet lettende op, geen uitgang hebbende: A man â to his true interests = blind voor; The horse is â of an eye = blind aan een der oogen; A â street = blinde, doodloopende straat: â verb, blind maken, verduisteren, bedriegen: I hope nothing may â yon to the truth, that duty goes before everything = u zal doen voorbijzien: A â letter = onvoldoend geadresseerde brief (de ambtenaren, die zulke brieven behandelen, heeten âmen, âofficers, --readers); |
âcoal, âkont, anthraciet; âlire = vuurtje, klaar om aangelegd te worden; âfold, subst. blindmaking: Vonr egotism is a âtold to his virtues = maakt u blind voor; adj. geblinddoekt: â verb, blinddoeken; âHarry. âniairs-bnfr= blindekoe,blindemannetje; âs, blaindz, schanskorven: âshell = bom zonder kruit: âside = zwakke zijde, het zwak: âstaggers = beroerte: It gave me the â staggers = ik kreeg er een beroerte van op mijn lijf: âman^s holiday = de tijd vóór het licht wordt aangestoken; âvessel = destilleerkolf; âage, blaindidz, bedekking, scherm; âness. âworm = blindworm (koperslangetje). Blink, blU\k, subst. oogwenk, knipoogje, schijntje. glans; verb, gluren, knipoogen, ontduiken, ontwijken: He âed the question = wou het niet zien, ontdook de kwestie. Blinkers, blinkaz, oogkleppen, ook die van een paard. Zie Blind. Blirt, blut. subst. windvlaag met regen, uitbarsting in tranen; â verb, in tranen uitbarsten : opzetten (van het gelaat door schreien)'. Bliss, blis, zaligheid: âfiil(ness): âless. Blister, blistn, subst.blaar, trekpleister; â verb, blaren krijgen, blaren trekken, eene trekpleister leggen op': âlly ^ Spaahsche vlieg: - -piaster = trekpleister; ây = met blaren. Hlite, blait, spinazie. Blithe, blaidh, vroolijk, blijde: âsome. Blizxard, blizod, (plotselingopkomende) koude sneeuwstorm in N.-Amerika; dooddoener (Am er.). Bloat, blont, doen opzwellen, opblazen, ijdel maken, rooken (van visch): He was âed with family pride, âedness. Zie Blote. Bloater, bloitt.i, bokking. Blubber, blob.'), een bobbel, bel. -Hp, blóbolipy dikke onderlip; âlipped. Block, blok, subst. blok (van hout of steen), pruikebo', mutsebol; stuk hout voor snijwerk of figuren, rij gebouwen, belemmering: stuk of gedeelte van een spoorbaan, domkop; â signal = signaal vooreen trein om te stoppen, omdat het volgende block van den weg niet veilig is; â verb, insluiten, belemmeren, stoppen (van een trein), in quot;t ruwe vormen of schetsen (met out); âhead = domkop;. âish, âlike = dom: âhouse = houten huis, tijdelijk houten fort: âprinting = het drukken van gegraveerde blocks; âsystein= het stelsel, waarnaar eene spoorbaan in blocks verdeeld wordt met het oog op de veiligheid der treinen: âtin = onzuiver tin: ânp â stremming (van passage). Blockade, blokcid, subst. blokkeering: Paper â = onvoldoende bl.; â verb, insluiten, blok-keeren. ârunner = schip, dat door eene blokkeering heensluipt of breekt: Theeneiny ran the â = brak door onze schepen heen. Bloke, blonk, kerel (plat). Blomary, Bloomery, blunwri, de eerste bewerking met den hamer van ruw ijzer. Blond(e), blond, vrouw met lichte gelaatskleur,, licht haar en lichtblauwe oogen; zijden kant,, .ook âlace genoemd. Blondiii, blondin, naam van een beroemd kunstenaar op de koord; â animal = dier, dat over een strak koord heeft leeren loepen. |
man; f/sk = ask: f«rm = fam; blt;«t = bwt; learn = Inn: Ime = lain: hoftse = hans: net:. vare = kèa: f^/te = feit: tin; «sleep = aslip; not: law = !ó: lord = liW; bo?/ = boi:.
BLUE-RIBBON.
47
BLOOD.
|
Blood, hlml, subst. bloed, kroost, bloedverwantschap, hooge geboorte, koninklijke familie; doodslag, moord, hartstocht, vuur, toorn: een zedeloos mensch, fatje (Z. Dandy, etc.), het roode sap van bessen, enz.: Flesli and â = inenschelijke aard; Hé was let â (of: bied) = adergelaten; His â is lip = hij is in een staat van groote woede; You are the next in â = gij volgt in graad van verwantschap: â ih thicker than water = het bloed kruipt, waar het niet gaan kan; Kinship «1* whole â. of half â = bloedverwantschap door beide ouders of voorouders, door een van beiden: In cold â = in koelen bloede: â verb.aderlaten. met bloed bevlekken, aan bloed gewennen, verbitteren: âed = van (nagenoeg) zuiver ras; âbaptism = doop door den marteldood: âKespattered, âstained = met bloed bespat, bevlekt; âhorse = paard van zuiver ras; âhound = bloed- of'speurhond, wreede vervolger; âletting = het aderlaten: â inoney = geld voor aanbrengen van een misdadiger; âoranje = wijn-sinaasappel: âpudding, blvdpudh], bloedbeuling. Zie Black-pudding: âshaken = ontsteld: â *liedlt;diiig) = bloedstorting; âshot = met bloed beloopen (âshot eyes): âstone = soort van heliotroop: een amulet om neusbloedingen te voorkomen: âsucker = bloedzuiger, wreedaardige uitzuiger; âswelled, âswoln = gezwollen van bloed; âthirsty = bloeddorstig; âvessel = ader: She broke a âvessel in a fit of passion = kreeg eene aderbreuk in een aanval van woede: âwite = geldboete wegens bloedstorting: âworm = kleine roode pier voor hengelaars; -y-flux = roode loop, dysenterie: ây-sweat ='bloedzweet: zweetziekte: âine.sH; âless. Klooui, bltini. subst. bloesem, bloem, blauwachtig waas op frissche vruchten: volkomen rijpheid; de bloei (van het leven), het ijzer, dat de eerste hamerbewerking ondergaan heeft: â verb, bloeien, in volle kracht zijn, hameren: âits = wijde broek (van lady-cyclists): âins; = bloeiende toestand; het veranderen van gegoten in smeedbaar ijzer: â hiff nonsense = groote: A âing idiot; âins; beaks = beroerde magistraatspersonen (plat); ây; âless. BIohnoiii, ö/os'm, subst. dc bloem of bloesem vóór de vrucht, rijke belofte: â verb.bloeien: âfaced = met rood, gezwollen gezicht. Blot, blot, subst. vlek, smet, uitwissching, inktvlek, schande: He hit a â = vond eene fout: â verb.bevlekken, uitwisschen, vloeien: Mercy âfed out the accusation = de genade deed de aanklacht te niet; -ting-paper = vloeipapier: âting-book = vloeiboek; âting-pad = vloeibladen op elkander, aan den rand verbonden; âter = vloeipapier, klad (van een brief). Blotch, blots, subst. puist, blaar; â verb, met vlekken merken, zwart maken; âed. Blount, hlvnt. Blouse, b/atfz, kiel (gewoonlijk blauw),Fransche werkman. Blow, hlou, subst. slag, plotselinge ramp, al de bloesems, windvlaag, adem, vliegenei: They took the town without a â = zonder slag of stoot: At a â = in één klap; To come to âs = handgemeen worden: That will bring about a âup = een standje geven: |
â verb, blazen, hijgen, toeteren (op een hoorn», bloeien, voortblazen, opblazen, verspreiden; stinkend maken (van vieesch door maden), vernietigen (door eene ontploffing, b.\\): âing kisses to her mother = hare moeder kushandjes gevende; That man âs hot and cold = spreekt uit twee monden, is dubbelhartig, weifelt: I hope it will â over = overwaaien; The steam was ân oflT = men liet den stoom vliegen; lie was â ing the tyres out = bezig de (fiets)banden op te pompen: The ship, citadel was ân up = vloog in de lucht; The whole plan was ân up = viel in duigen; He blew his nose = snoot zich; The criminal blew his brains out = schoot zich voor den kop: lle_ blew ine up = maakte mij een standje: Vou be âed = loop jij naar de hel: Fly-blown meat = bedorven vieesch (wegens de maden); âer, âing-machine = ventileermachine; âball = zaadbolletje van eene paardebloem, etc.; âlly = vieesch vlieg: âhole = neusgat van (luchtgat voor) een walvisch; wak (in het ijs); âmilk = afgeroomde melk, taptemelk; -âout = lekker, gezond maal: âth, blouth, het bloeien, de bloesem(s) (Amer.): âV = winderig. Blówze, blauz, dikke, gezonde meid; Blowzy = met een dik en rood gezicht = â d. Blubber, blnbo, subst. walvischspek, zeejietel; â verb, luide en overvloedig schreien (zoodat het gelaat er gezwollen uitziet), snikkend spreken. Blucher, blntsd, halve laars. Bludgeon, blndz'n, knuppel, knots. Blue, bin, subst. blauwe kleur, het azuur: That is enough to give you the âs = om je landerig te maken: I am in the âs = ik heb het land: The â s = huzaren (met blauwe uniform); adj. blauw, azuurkleurig, echt (van bloed), landerig, somber, norsch, gemeen: In a â moon = met St. Juttemis; Men, boastful of their â blood = op hunne aristocratische geboorte: A âblooded peer = van ouden, hoogen adel; â verb, blauw maken, brandverven (metalen). âbell = rondbladig klokje; âbonnet = platte Schot-sche muts, soort v. korenbloem: âbook = (in Engeland) officieele regeeringsbescheiden en rapporten (tot een boek vereenigd); lijst van rijksambtenaren met hunne salarisseri (Amerika): âbottle = korenbloem: bromvlieg; âbreast, âthroat = blauwborstje; âcap = eene zalmsoort, meesje; scheldnaam voor de Bergschotten: âcoat = een. jongen van Christ's hospital in Londen (wegens de lange tenu-jas, die zij dragen): I saw many boys in the âs = âcoat boys: âdevils = landerigheid, delirium tremens; soms tot âs saam getrokken. He had a lit of the âs = het land: âgown = aalmoezenier, gepatenteerd bedelaar (Schotl.t: âJacket = matroos. Janmaat; âpeter = blauwe signaalvlag (voor schepen) met een wit vierkant in het midden: âointment = kwikzalf; âpill = kwikpil: âribbon = het lint van de orde van den kouseband; het succes, het teeken van succes; insigne der |
bone = boun: full: fool = ful; ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl: //ear = Jia; lony = loi^; .s/iip = sip: occasion = okeiï'n; fhin: thus = dhus: wine.
BODKIN.
BLUFF.
|
geheelonthouders: âribbiHiiMiii: ârihbo- niwt: âruin. bMrüin, naam voor sterke dranken, hellevocht; âM(4irkiiig= blauwkous (pedante geleerde dame); âMtorkingiHiii = vrouwelijke pedanterie; âtongue, hliïtvn, schapenziekte, soort tongblaar; âneMS; âly = blauwachtig = âisli. BliilT. blo/', subst. hooge. steile oever of rots, een kaartspel, brutaliteit, onbeschaamdheid: . That is a piece of â = dat is brutaal; i Thin â got op fty iiiiiiMell' = dié | onbeschaamde, verwaande opgeblazenheid; adj. : royaal, frank en vrij, lomp, barsch, steil, over- j hangend: â King Hol = de royale en ronde koning Hendrik VHF: Yes. lie said,! âly = brutaalweg: â verb, zonder kompli-me'nten of lomp afschepen: He âeil it tbroiigli = hij sloeg er zich brutaal doorheen: ânes» = opgeblazenheid, lompheid: ây = lomp, kortaf. 'Bhindei*. blumtld. subst. grove fout: - verb, een groven misslag begaan, domme fouten maken, knoeiwerk leveren: The latter part ot* the 'translation is â ed = verknoeid: He âs out everything = hij flapt het er maar uit: H was known that the eoiiiniaiKler had âed-; âer: -bus», blnndabv-s. donderbus (vuurwapen), domkop; âhead = domkop: A âheaded fool. Blunt, blont, subst. gereed geld: adj. stomp, . dom, kortaf, eenvoudig: â verb, verstompen, verzwakken. A âwitted tgt;oy = bekrompen, domme jongen: â tsh. Blur, blv. subst. smet, vlek, klad; â verb, bevuilen, verduisteren, verdooven. Blurt. blvt^ haastig en ondoordacht uiten. BIiinIi, bhoS) subst. blos, blosje, blik: At (the) llrst â = bij den eersten oogopslag; He put us to the â = maakte ons beschaamd; â verb, rood worden, blozen, zich schamen: To â down = overtreffen; There is no occasion for you to â at what you have â done = gij hebt geene reden u té schamen over; ârose = witte roos met rose tint; i âful; ây. Bluster, biusto, subst. getier, geraas, gebluf; â verb, razen, tieren, gieren, snoeven, bru-taliseeren; âer: ây. Bo, bou, interj. Boen! (om te doen schrikken); He eaniiot sny â to a goose = hij is te dom, om voorden duivel te dansen: âpeep = kiekeboe. Bon, bouiK groote slang, boa: â Constrictor (in tropisch Amerika). Boanerges, bouoiiUdziz. donderaar van den ; kansel, hemeldragonder. Boar, 6ö, subst. mannetjesvarken, wild zwijn; ; â verb, den neus in de lucht steken, zoodat de kop horizontaal ligt (van paarden). âish = zwijnachtig, woest, wreed. |
Board, ftörf, subst. plank, tafel voor voedsel; het opgedischte voedsel: bestuurstafel: commissie of bestuur (van een lichaam); schaak-of dambord, bordpapier: bedekking van een i boek; dek (van een schip), het binnengedeelte van schip of boot: On â the steamer; He allowed it to go by the â = hij liet het verloren, overboord gaan; â oud lodging = kost en inwoning; He was put out to â == j werd uitbesteed, in den kost gedaan: He is j above â = hij is er bovenop, hij is eerlijk: He worked out his â = hij verdiende met zijn werk den kost; The ships were lying â mid â = naast elkander: â of visitors = comm. v. toezicht: â of public works = bouwcommissie: â of trade = kamer v. kooph.; We shall soon see him on the âs = de planken (het tooneel); â verb, met planken bedekken (met over); aan boord komen, enteren, aanspreken; den kost geven: in den kost nemen, den kost krijgen: âer = kostganger: hij, die een schip entert: âing-house = kosthuis; âing;*clerk = ambtenaar van een tolkantoor of scheepsfirma, die let op de binnenvallende schepen; âing-out = het buitenshuis in den kost zijn, het plaatsen van behoeftige kinderen in goedkoope kosthuizen: âing-Mchool = kostschool. âschool = openbare school (onder toezicht van een Schoolâ = schoolbestuur): âman = wandelende advertentie. met een bord vóór en een achter zich, ook Sandwich(-inaiigt; genoemd: âwages. bödiue'idziz. keukengeld aan meiden en knechts, waarvan ze hun etensgeld betalen. Boast, bonst, subst. bluf, gepoch, reden tot bluffen; â veib. pochen op, zich beroemen, overdrijven: Holland can â many great statesmen = zich beroemen op het bezit van: Xot much to â of = niet veel zaaks: He âed of his good deeds = beroemde zich. blufte op; âer = bluffer; steenhouwersbeitel; â fuliness): âing. Boat, bout, subst. boot, stoomboot: We to wed the helpless â = namen op sleeptouw: We are (sailing) in the same â = wij varen in hetzelfde schuitje (fig.); â verb, vervoeren in eene boot, in eene boot gaan: I do not like âing = ik houd niet van roeien: â bill = reigersoort (Z. Am.): - fly = waterinsect; âhouse = schuitenhuisje'; â111011 = die een bootje heeft, en bestuurt: âswain, bous'n, bootsman: â swain's call = bootsmansfluitje; âable = bevaarbaar voor eene boot; âing = roeien, varen. Bob, bob. subst. snelle beweging, ruk, slag: slingerschijf, gewicht; oorbelletje, peuraal, korte pruik; vent, kerel (verkorting van Bobert), een shilling; eene eigenaardige manier van klok luiden; â verb, met snellen ruk bewegen, kort afsnijden; bedriegen, slingeren, op en neer gaan. peuren: âapple, âcherry = spel, waarbij naar een appel of kers wordt gehapt, die aan een touwtje los hangt; âwig = korte pruik (met krullen): âbish = gezond en opgewekt: âby = politieagent: âstays = waterstag (touwen tot bevestiging van den boegspriet): âtail = bolstaartje (kort afgesneden st.); Tagrag and âtail = het janhagel; âtail-wig = korte pruik; âbed. Bobbin, bobin, spoel, klos, lus. âwork = stof, met spoelen geweven, âet = machinaal gemaakt net- of kantwerk. Bob(ogt;link. bob{9)lh\k, rijstvogeltje (Amerika). Boeking, bokh\, grove wollen stof. Bode, bond, voorspellen (gewoonlijk in ongun-stigen zin). Boding, subst. voorteeken: â adj. voorspellend; âment = voorspelling. Bodice, bodis, keursje, korset. Bodkin, bodkin, priem, rijgpen, haarspeld, kleine dolk: To sit or ride â = tusscheii |
man: ask = ask: farm = fam; bwt = but; learn = l«n: l/ne = lain: house = hails: net: â ewe = kèa; f«te = feit: tin: fsleep = rfslip: not: \aiv = 16: lord = Hid: bo// = boi;
BOMBINATE.
BODLE.
41)
|
twee dames in een rijtuig zitten, wat in Engeland vrij belachelijk wordt gevonden. Bodle, boud'l. Boddle, bod I. ding van weinig waarde. Bodleian, bodlion. Bibliotheek van SirT.Bodley. Body, bodi, subst. lichaam, romp, vaste stof, stof (tegenover geest), persoon; schip, verzameling (van personen), corporatie, voornaamste deel of inhoud van iets, kracht: He in but a poor â = arme stakkerd; What a ây«ii are = wat ben je druk (lastig); He im a noâ = niets: â of poliee = politiemacht: Let u» go in a â = allen te zamen: Thi» is wine of a good â, This wine ha» a «o«d â, There in a good â to this wine = van goede kwaliteit: He «et bodily about it = hij legde er zich met de borst 'op toe; â verb, belichamen: lina-gination bodies forth The forniN of thing;-*1* unknown: âelothe» = kleederen. paarde-dekens; âcolour = goed blijvende, vaste kleur: âcorporate = zedelijk lichaam: â guard = lijfwacht; âlinen = lijflinnen; âphysician = lijfarts: âpolitic, amp;o(//po/t7iA', staatslichaam: âMiiatcher = iemand, die lijken opgraaft en steelt: Bodied: Bodily: He was thrown bodily on to the pavement = zoo lang hij was: His skirts were torn off bodily = jaspanden werden er geheel afgescheurd. Boeotian, bloitè'n, dom, dwaas, Abderisch; Boeotia, bUmso, Boeötië. Boer. bits, Hollandsche bewoner van Z. Af. Bog, boy, subst. moeras, poel: â verb, dompelen (in modder of slijk). âgy = moerassig: â butter = vettig mineraai in venen: âbean = moerasklaver, â-honse = privaat. ârush = moerasbies; een daarin nestelend vogeltje. âtrotter = moeraslooper (een naam, oorspronkelijk gegeven aan de Schotsche, en thans aan zekere lersche roovers, wegens hunne vlugheid in moerassen), turftrapper. Bogie, bowji. (rol)wagentje op vier wielen. âcarriage = een wagentje op twee bogies, en er mede verbonden door spillen, om gemakkelijk een draai te kunnen nemen. Z. Bogle. Boggle, bocfl. aarzelen, treuzelen, weifelen, veinzen, terugdeinzen (at): He had âd over these words for the last hour = een uur lang er mee in zijne maag gezeten. Bogle. bouff'l, Boggle, bof/l. Bog(e)y. Bogie, bougi, boeman, spooksel: Old ISogy = de duivel. Bogus,boucids, onecht, nagemaakt: He handed in a â subscription-list = valsche intee-kenlijst. Bohea, bouht) zwarte thee. Bolieniian, bouhirnfn, subst. een zwervende zoogenaamde kunstenaar, die zich aan de wereld niet stoort; Bohemer, Boheemsch: Bohemia, bouhimjd, Bohemen: âism. Boil. boil, subst. bloedvin, ontstoken zweer; â verb, koken, zieden, bruisen, gaar koken: Much of the water has âed away = is verkookt, verdampt: It must now â'down to one half of its quantity = zoolang koken, tot; âer = kookketel, stoomketel: âery; âing-point = kookpunt. âing springs '= heete bronnen. Bois Ie Due, btuXlddjük, 's-Hertogenbosch. |
Boisterous, bóisVrDS, onstuimig, hevig, rumoerig, onbesuisd: âness. Boko, boukou. neus. Bold, bould, moedig, stout, vrijpostig, onbeschaamd, krachtig, steil, plotseling: Mav 1 make (be) so â as to ask you this*? = zoo vrij zijn? Which is a â word = en dat zegt wat; âface = onbeschaamde vent: âfaced = onbeschaamd; âspirited = moedig, dapper. Bole, bonboomstam, tegelaarde: Bolar = kleiachtig; Bolling, bo lit], boomstam. Boleyn, bttlin. Bolingbroke, boHvprouk of âbruk. Bolide, bolaid. Bolis, bol is (Meerv.: Bolides bolidiz), meteoorsteen. Boll, bon I, subst. zaadbol, korenmaat (2 ;i G bushels). Bologna-sausage, bdlounjesosidz (Zie Polony). Bolognese, bdloimjiz = Bologneesch. Bolster, boulsto, subst. lange onderpeluw, compres, kussen; â verb, met kussens, etc. steunen: That opinion is âed up by the few survivors of the expedition = 'wordt gesteund, in het leven gehouden; âcase = sloop voor een â: âer. Bolt, boult, subst. grendel, bout, pijl, (langwerpige) kogel, bliksemstraal, plotselinge beweging, het snel verzwelgen van voedsel, zeef, buil: A fool's â is soon shot = een gek heeft gauw zijn kruit verschoten; A â from the blue = onverwachte, plotselinge (donder)-slag; The boy sat â upright = zoo rechtop als een kaars; â up against = met een bons tegen . . aan: â verb, grendelen, beveiligen, eruit flappen, snel doorslikken, opjagen (van wild), ervan doorgaan, deserteeren, nauwkeu-ria: onderzoeken, zuiveren, ziften, bespreken: We shall â it out = nauwkeurig schiften: The horse was frightened into âing = schrok, en ging op deii loop; She âed with a count = zij ging aan den haal met; Do not â your bread and butter = schrok je boterham niet zoo naar binnen: âer, boultd. âing-mill, -iiig-machine, builmolen; âing-cloth = buillinnen; â iiig-hutch = zeefvat, builvat. Bolton, boulVn. Bolus, botifos, groote pil: iets, hoe onaangenaam ook, dat men moet aanvaarden. Bomb, bv.m, bom: âard, Vmbiid, bombardeeren; âardier, fttsmamp;acföa, bombardier; soort v. kever; âardment. âketch, âvessel, bom bardeerboot. Bombast, bomb'st, subst. losse stof tot opvulling van kleederen, katoenen stof, gezwollen taal: â verb, opvullen, opblazen; Bombastic. Bouibax, bombdks. de zijdekatoenboom. Bombay, bonibei, hoofdstad van het presidentschap van dien naam. Bomhazin, Bombasin, bombezin. bombazijn. Bombernickel, bombanik'l. kommiesbrood. Bonibic, bom bik. tot den zijdeworm be-hoorend. Bomby \. bombiks, zijdeworm. Bom-bycinoiis. bdmbisinas, van zijde gemaakt, zij de wormk leu rig. Bómbinate, bombineit. gonzen. Bombinntion = gegons: Bombus = gesuis in de ooren, gerommel in de ingewanden. |
bone = boun; full; fool = lïil; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl: ?/ear = jia long = loij; ship = sip; occa,S7on = okehfc'n; thin; thus = dims: wine.
4
ten bruggencate, Eng. Woordenboek.
BONA FIDE.
50
BOOT.
|
Bona lide, boundfaidi, zonder bedrog, werkelijk gestort (van kapitaal), soliede. Bonanza, bonanzd, meevallertje, rijke mijn. Bond, bond, subst. alles wat bindt, band, verbond, contract, obligatie, geschreven belofte, boei, gevangenschap, het voegen van steenen, entrepot: â adj. in slaafschen toestand; â verb, goederen in entrepot opslaan, verhypotheken, tot slavernij brengen, verbinden (van metselwerk). âage, bondidz, slavernij; âager, bondidzo, een tot heerediensten verplichte huurboer (Schotland); âer, bondd, die goederen in intrepót heeft; dit zijn âed good», wines, spirits, of: goods, etc. in â; âed warehouse = entrepot; âholder = obligatiehouder ; â(s)-inan = borg, slaaf; âmaid, âservant, âwoman = slavin. Bone, boun, subst. been, graat, deel van een geraamte. 1 will work to the â lor yon = mij kapot werken; Whale â = balein; Yon must make no âs about it, il'there should be more â than meat = gij moet er geen been in zien (vinden), geene bezwaren maken; 1 have a â to piek with yon = een appeltje te schillen; That is a â ofeontentioii = twistappel: Body and âs = geheel en al. _s = kleppers, castagnetten, beenen klossen voor het weven van kant, stoffelijk overschot, lie is a liberal to the backâ = door en door; What is bred in the â will not out of the flesh = de natuur verloochent zich niet; adj. beenen: â verb, de beenderen verwijderen, er beenderen bijvoegen, stelen, wegnemen. âblack = beenderkool, beenzwart; âdust = beendermest; âshaker = spotnaam voor de oude tweewielers; âlace = linnen kant. Bonlire, bonfüd, vreugdevuur. Boniface, bonifeis, vroolijke waard, Bonifacius. Bongrace. bong re is, breedgerande dameshoed. Boning, bounn\, het waterpassen, uitnemen van been of graat; ârod = paal voor waterp. Bonnet, bonst, subst. vrouwenhoed, muts (van de Bergschotten),, bedekking, klein zeil, ravelijn; â verb, de muts afnemen; den hoed over de oogen drukken of slaan: He disclaimed every intention of âing me = hij wierp alle 'plan om mijn hoed in te slaan van zich: âbox = hoedendoos (v. dames); âcap = ondermuts. Bonny, boni, lief, mooi: A â lass = snoeperig meisje. Bonny-clabber, boniklabo, dikke zuremelk. Bonten, bonVn, smalle wollen stof. Bonum magnum, bon'm magrïm, groote pruim. Bonus, bounds, subst. belooning, premie, extra dividend; â verb, eene premie of extra belooning geven. Bony, bouni, beenachtig, grof, krachtig, sterk. Bonze, bonz, priester (van Boedha) in China, Japan, etc. Boo, bü, subst. verachting uitdrukkend geluid, gejouw; â verb, uitjouwen. Booby, bübi, domkop, soort van gans. âlint = overdekte slede (Am.); âhutch = karretje; âtrap = flauwe grap (in daden). Boodle, büd'l, groote menigte, troep, hoop, geld (Amer.). Boohoo, buhü, subst. het grienen; â verb. |
grienen, uitjouwen; interj. uitroep van verachting. Book, buk, subst. boek, geschrift: âof(ilod = Bijbel; âof reference = encyclopaedie; 1 am in his âs = heb een wit voetje bij hem; 1 have got out of his good âs = quot;ik ben bij hem uit de âgratiequot;; He speaks without â = zonder gerechtigd te zijn: Without â = van buiten, zonder gezag; He kissed the â = deed zijn eed: I'll bring him to â = ter verantwoording brengen; He speaks by (the) â = als gezaghebbende, is goed op de hoogte; I fear 1 have run into your âs = dat ik bij u in 't boek ben gekomen, u geldschuldig ben; â verb, in een boek opschrijven, plaats nemen: You must â for Windsor = een kaartje nemen naar. âaccount, bnkdkaunt, boek van ontvangsten en uitgaven: âcase = boekenkast; âhunter = verzamelaar van zeldzame werken; âing-clerk = klerk of ambtenaar aan het loket: â ing-ofüce = plaatsbureau: â ish, buk ié, studeorend, geleerd: A âish man = boekengeleerde; â knowledge,âlearning = boekengeleerdheid; A âlearned man = belezen, gestudeerd; âmark(ergt; = leeswijzer; âmadness = bibliomanie; âmaker = boekenmaker (in slechten zin); grof en systematisch wedder bij hardrijderijen (omdat hij van zijne talrijke weddenschappen een boek aanlegt); ze worden ook âies genoemd onder het volk: âmate = schoolkameraad; âmonger, buknivngd, handelaar in boeken; âmuslin = neteldoek; âoath = eed op den bijbel; (zie: lie kissed the â); âpost = verzending van boeken per post; âed = ingeschreven, besproken; âstall, âstand = boekenstalletje; ây teaching = theoretisch onderwijs, tegenover de lessons of experience. Boom, bum, subst. boom, spriet, ketting (of andere barrière, over rivier of havenmond, om den doorgang te beletten), bakenpaal, (golf)gebulder, gedreun, uitbarsting der volksgunst (Amerika), plotselinge vraag naar een artikel: That caused finite a â in the oil-trade ; â verb, voortvliegen (van een schip met volle zeilen), bulderen, plotseling en met kracht komen: The burglary season begins to â = dieven en inbrekers beginnen hun bedrijf. Boomerang, bümdrai], houten werptuig, ongeveer twee voet lang, dat, na weggeworpen te zijn, terugkeert, en achter den werper neerkomt (Australië). Boon, bun, subst. gave, gunst, gebed, verzoek; afval van vlas: â companion = gezellige baas. Boor, büd, boerenkinkel, lomperd, ongeletterd man: He is a âish sort of man = een beetje lummelig, lomp. Boose, Booze, büz, sterk drinken, zuipen. â r = zuiper. Boosy, Boozy = dronken. Boost, büst, subst.'verheffing, inspiratie; â verb, duwen, omhoog werpen: The buil âed up the sand like a whirlwind. Boot, but, subst. laars, martelwerktuig (voor de beenen), bak of kist (voor of achter aan een wagen), lederen kleed (voor de beenen) in een rijtuig; leeren huls voor eene volle flesch; voordeel, winst, toegift (bij een ruil): A penny to â = bovendien, toe; Jacks, Napoleons, Hessians = verschillende uniformlaarzen: |
man; ask = ask; farm = fiim; hut = bwt; learn = Km; line = lain; house = hans; net; care = kèe; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = IA; lord = löd; boi/ = bói;
BOOT-CRIMP.
51
BOTTOM.
|
Butcher âh = jachtlaarzen; I gave him the â» = gaf er hem van; â verb, laarzen aandoen of aanhebben; baten, voordeel aanbrengen: What âs it? = wat geeft het? A âless boast = kale (tot niets dienende) bluf; The âs = schoenpoetser in een hotel, jongste officier van een regiment (vgl. Ned. = het jongste broekje); âcrimp = laarzebeen (instrument van een schoenmaker): âee, halt. kindersokje, halve of korte dameslaars; ook Bottine en Bootikin; âlast, bütlCist, âtree, büttri, leest (voor laarzen); âleg = laarze-schacht: âhose, âstockings = slobkousen; âhook = laarzenhaak (bij het aantrekken); âjack = laarzenknecht (bij het uittrekken); âlick=lage vleier (Amerika). Zie Toad-eater. Booth, büdfi, kraam, tent. Booty, büti, buit, roof. To play â = spelen met * het plan om te verliezen, of om, met anderen, den tegenspeler slachtoffer te maken. Borachio, bdratéon, zuiplap. Borage, bnridz, geneeskrachtige plant. Borax, bórdks, borax. Boracic acid, barasik-asid, boraxzuur. Bordage, bödidz, Bordland, bödlnnd, domein, gereserveerd voor het onderhoud der tafel; grenzen van iets, zijplanken van een schip. Border, bödo, subst. rand, grens, bloembed; â verb, grenzen, aanliggen, met een rand versieren: What he says âs upon madness = grenst aan waanzin. The â = grens tus-schen Schotland en Engeland: The Scottish ers = grensbewoners (tusschen Hoog- en Laagland); âland = grensland, tusschen-liggend land. Bordure, bödjo, metalen rand om het geslachtswapen. Bore, subst. geboord gat, kaliber (van geweer of kanon), boor, vloedgolf, vervelend mensch of ding: What a â = wat een vervelende vent, wat vervelend; â verb, boren, doorboren, voortdringen, vervelen, met den kop bij den grond loopen (van paarden of honden): 1 feel âd = heb het land; A meinber of âdom = vervelende vent; Borings, bOrinz, krullen, door het boren ontstaan. Zie Shaving. Boreas, bórids, Noordenwind. Boreal, bóridl, van den Noordenwind. Borecole, bökoul, boerenkool. Bora, bón, geboren, gebaard. He was â in the fifties = is geboren tusschen 1850 en 1860; I was not â yesterday = ben niet van gisteren; He was â (of) on a Sunday = is een Zondagskind; â to a large estate = erfgenaam van een groot landgoed: He was â with a silver spoon in his mouth = rijk geboren: â again = wedergeboren (vergel. Birth). 1 never saw it in all my â days = van mquot;n leven. Bear that in mind = onthoud dat. N.B. Borne is het part. perf. van to bear: It was borne in upon his iniad = hij werd zich bewust. Borough, bnrou, stad met eigen bestuur en privileges, kiesdistrict; âenglish = toewijzing (door gewoonterecht) van land aan den jongsten, in plaats van aan den oudsten zoon; âhead, Borsholder, hoofd van een district; âmonger, bvroummigd, iemand, die de parle-mentsplaatsen van een borough verkwanselt. |
Borrow, borou, subst. onderpand, borg, leening; â verb, borgen, leenen van, zich toeeigenen, copieeren: Who goes aâing goes a-sorrowing = borgen baart zorgen; â ed = ontleend; huichelachtig. Bort, böt, gestampte grove diamanten, om mede te polijsten. Boscage, boslddz, rijk bebladerd kreupelbosch, veevoeder (van struiken en boombladeren), landschap. Bosh, bo§, subst. nonsens, malligheid; â verb, verspelen, vernielen: Seven boats were âed. Bosjesnians, boëazmamp;nz, Bosjesmannen (Z. Afrika). Bosk, Bosket, Bosquet, bosk(et), Bimket, boskat, prieel, boschje; ây, boski. rijk aan bosch, schaduwrijk, dronken: Boskiness. Bosnia, boznio, Bosnië: ân = Bosniër. Bosom, buz'm, subst. boezem, borst (vooral als de plaats der aandoeningen en hartstochten; verg. Breast en Chest), omsloten plaats, binnenste; gedeelte van een kleed, dat de borst bedekt (b.v. âfriend, dat zoowel boezemvriend als borstlap beteekent); adj. intiem, vertrouwelijk, dierbaar; â verb, in zijn hart besluiten, zorgvuldig bewaren, liefhebben. Boss, bos, subst. knop, bult, baas (Amerika); â verb, aan het hoofd staan van: lie âes the show = is de baas van 't spul. ây = met knoppen versierd; âeyed = met één oog, scheel; âed silver. See: To emboss. Bos well, bozw'l. Boston, bosfn, zeker spel. Botany, öotóm, plantkunde; Botanic. Botanist. Botanize. Botch, bots, subst. gezwel, leelijke lap. knoeiwerk: â verb, samenflansen, leelijk lappen of verstellen; âer; ây; âery = lap- of knoeiwerk. Bote, bout, vergoeding, herstel, satisfactie. Bot-fly, botflai, paardevlieg. Zie Gad-fly. Both, bouth, beide: â you and your'friend = gij zoowel als; â of us, them = wij, zij beiden; â ways = naar beide kanten. Bother, bod/w, subst. plager, kwelgeest; â verb, plagen, kwellen. â it = loop naar den duivel! You will â the life out of me = je maakt me nog ziek met je gezanik; âation, bodhoreisn, last, kwelling; âsome. Bothy, Bothie, both!, hut, waar het boeren-hulppersoneel van beide geslachten woont. (Schotl.). Bot(t), but, ingewandsworm bij paarden (de larve der Bot-lly). Bottine. Zie Boot. Bottle, bot'l, subst. flesch, fleschvol, pak hooi; â verb, op tlesschen doen of tappen: It was âd up = verstopt, ingehouden (van toorn); âcompanion, âfriend = drinkebroer, pooieraar; âglass = grof groen glas; â holder = secondant (met ververschingen) bij een vuistgevecht, aanhitser; ânose = bruin-visch, dikneus; ârack = llesschenrek; âr. Bottom, boVm, subst. laagste, onderste, verste (van iets), bodem, diepte, basis, rustpunt, dal, achterste (van mensch of dier), schip, kracht; âs = droesem: The ship'sâ = het gedeelte onder water; I will lay my â dollar for it = ik verwed er mijn laatsten dollar onder; Sixth line from (the) â = 6e regel van |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; long = loi^; s/iip = sip; Otcasion = okeii'n; thin, thus = dhus; wine.
BOTTOM.
BOX.
52
|
onderen; The â line over leal* = de laatste regel van 't vorige blad; lie iH an lioneHt man at (the) â, down to the â = in den grond van zijn hart, door en door; 1 have done it on my own â = op mijn eigen houtje: 1 will knock the â out of your secret = wil te weten komen en publiek maken; adj. laag, te gronde liggend; â verb, grondvesten. The âles» pit = de bodemlooze diepte, afgrond, hel: â ry = geld leenen op een schip, bodemerij. Bouche, biïê: â of court, in court = levensmiddelen door den koning gegeven aan paleisbedienden; â verb, een nieuw gat boren in een vernageld kanon. Boucliet, büèet, suikerpeer. Bough, ban, groote boomtak. Bought, bot, Imperf. en part. perf. van buy. Boulder, bouldd, subst. groote rotssteen, rond gelekt door het water: rotsblok: adj. rotssteenen bevattend: âperiod = ijsperiode. Boulevard, Boulevart, biklva, singel of wandeling (om de stad); groote, breede straat. Boulogne, buloun, Boulogne. Bounce, banns, subst. slag, bons, gesnoef, verwaandheid; â verb, springen, plotseling té voorschijn komen, terugspringen, bonzen, snoeven, met kracht stooten, negeren: âr = bluffer, windmaker, grove leugen, leugenaar: Bouncing = groot, zwaar, sterk, blufferig: A bouncing girl = stevige meid. Bound, baund, subst. grens, perk, sprong: â verb, begrenzen, beperken, springen, terugkaatsen; adj. bestemd, gaande naar, verschuldigd: lie was â apprentice to = in de leer gedaan bij; â lor (to) America, â home = naar Amerika, naar huis: We were snow â = ingesloten door sneeuw: Wind â = door den wind tegengehouden (in eene haven); âen = verschuldigd: It is my âen duty = schuldig: âer = âopsnijerquot;. Boundary, baund'ri, grens- of landpaal. The Afghan *â Commission = de regeerings-commissie tot het vaststellen der grenzen tusschen Afghanistan en Voor-Indië. Bounteous, bauntjds. Boiintitiil, bauntifl. vrijgevig, edelmoedig, royaal. Bounty, baunti, milddadigheid, vrijgevigheid, gave, premie (voor indiensttreding, etc.); Oueen Anne*s â = bijdragen (onder Anne's regeering) tot het steunen van lijdende kerkgenootschappen. Sugar Bounties = premies op de suikerproductie; âraised sugar = door het geven van premiën bevorderde suikervoortbrenging. Bouquet, bükei, ruiker, bouquet (van bloemen, van den wijn, etc.). Bourgeois, bvdzöis. eene soort drukletter, grooter dan brevier. Bourgeon, bvdz'n, subst. knop (uit den tak); â verb, uitbotten, ontspruiten. Bourii(e), bön, grens, einddoel, beekje. Bout, baut, keer, rondje, beurt, poging, proef: Drinking â = drinkpartijtje: I send you my last letter for this â = voor ditmaal, de'ze reis. Bovine, bonvain. tot de runderen behoorend: â uien (G. Eliot) = die nooit tevreden zijn met de beschikkingen der Voorzienigheid. Boviform. |
Bow, baw, subst. buiging (van hoofd of lichaam), boeg; roeier (vóór in de boot); â verb, buigen, neerbuigen, verpletteren, onderdrukken: On the â = binnen 45° van het punt vóór den boeg: Before I make my â = voor ik van het levenstooneel afga; Me âed me in and out = liet mij buigende in en uit: They âed and scraped to the great = zij bogen diep voor; A â ing acquaintance = een man, dien men slechts even kent. He is not within âing distance ol' that science = hij weet er niets van. Bow, öom, subst. boog (in den algemeensten zin), strijkstok, strikje of lintje (in 't knoopsgat, etc.), drilboog: â verb, op de viool, etc. spelen; lie has many strings on (to) his â = veel pezen op zijn boog; The â(ing) elbow, hand = de rechterhand of arm van den vioolspeler; He draws the (a) long â = schiet met spek: â and spear (Bijbel) = (gewapende) macht, toeleg: âdrill = drilboor; âleg = krom been: A âlegged man = met kromme beenen. âline = boeglijn (om een zeil naar den wind te zetten): On a â â¢line = dicht bij den wind zeilend. â Bells = de klokken der Bowchurch: He was born within the sound ol' â Bells = hij is een echte Cockney (ziedit woord); âman = boogschutter: die den eersten roeiriem hanteert: ânet, bounet, fuik; âshot = de afstand, die een pijl aflegt; âsprit =» boegspriet: âstreet = eerstijds hoofdbureau van de Londensche politie.quot;âstring, subst. boogpees: â verb, van pezen voorzien, worgen; â window = rond uitstekend venster. Zie Bay-window. Bowdlerize, boudloraiz, verknoeien, bederven. Bowel, baiïl, subst. darm; â verb, de ingewanden nemen uit; âs = ingewanden, binnenste, medelijden: That fellow has no âs = geen hart. Bower, bauo, priëel, schaduwijk verblijf, boeganker, gewrichtspier; Boer (in een kaartspel): The right, the wrong â = de groote, kleine B. A ây spot = schaduwrijk plekje. Bowie-k'nile, bouinaif, lang jachtmes, dolk (in 't W. der Ver. Staten). Bowl, boni, subst. schaal, kom,bekken,houten bal, pijpekop; â verb, met den bal spelen, kaatsen, kolven, rollen, mikken (bij het cricketspel): This fact âs over your argument = werpt omver; âer = balspeler, fantaziehoed met ronden bol; âing = het balwerpen: âing-alley = kaats- of kegelbaan; âing-green = 'vlak grasveld voor het balspel. Bowlder, Z. Boulder. Bowles, boulz'j Bowling, boulir^; Bowring. baurir\. Bowse, bans, aanhalen (scheepsterm). Bow-wow, baiiwau, hondgeblaf (woefwaf). Box, boks, subst. kist, doos,geldkistje, kompashuisje, loge, hokje, naafbus (van een wiel). (bad)kamertje, koets- of wagenbok, optrekje, slag, oorveeg, geschenk, boks(boom): Christmas â = Kerstgeschenk: âing-day = 2c Kerstdag; He is in a â = hij zit ef leelijk in; You are in the wrong â = gij vergist u, gij hebt het mis; Jack in a â = duiveltje in een doosje: â verb, in eene doos sluiten, van eene doos voorzien, eene oorveeg geven, met de vuisten vechten (boksen), verdeelen. |
man; ask = ask; farm = fiim; bat = b«t; learn = Iwn; l?ne = lain: hot^se = hans; net: cai'e = kèa; fate = feit: tin; asleep = aalip; not; \aiv = ló; lord = liid; bo^ = bói:
BRASS.
53
BOX.
|
insnijdingen maken in een boom, om het sap emit te krijgen: To â the eompiiH1 = de punten van het kompas in goede orde opnoemen; A âen wrhing-desk = palmhouten; âcoat = groote koetsiersjas; âelder = soort van mispelboom: âiron = strijkbout, strijkijzer; âkeeper = oppasser (bij de loges in een schouwburg); âoffiee = plaatsbureau (theater); âseat = plaats in de loge (van schouwburgen), op den bok (van een rijtuig). Boy, bói, jongen: lie made a little boat lor â = . . . voor Broer, den kleine: Tlieâ = champagne. ThaTs the â lor me = dat is net wat voor mij; Do it. that i» a dear â = dan ben je een beste! âhood = jongensjaren ; âish. Boycott, bóikot, zich vereenigen ter algeheele uitsluiting van iemand om zijne staatkundige denkbeelden (1880): âee = uitgeslotene; â ihiii: âer. Boyer. bóid. boeier. Brah;int, brdb'nt of brdbant; âine, hrabantin. Brabantsch = â«. Brabble, brab'l, subst. getwist, ruzie; â verb, twisten. Brace, breis, subst. riem, band, bandbras; leeren riem, waarop eene koets rust: bretel, draagband, koppel (een paar), spanning, accolade. touwen om eene trom te spannen: â verb, spannen, vastbinden, aantrekken, van brassen of banden voorzien, versterken: He âd himHeir (np) against miHf'ortime = verzamelde kracht; â up your head, yon have done nothing to be ashamed oï = houd . . . omhoog: â r = gordel, zwachtel, versterkend geneesmiddel: Rmeing air = opwekkende, versterkende lucht. Bracelet, breislot. armband (gewricht), deel der wapenrusting (voor den arm), handboei. Brach. bratë, brak (hond). Brachial, breikjal, tot den arm behoorende. Brachiate, brakiit, paarsgewijze getakt. Brachylogy. brakihdzi, kortheid der rede, laconisme.' BrachypteroiiH. brakiptdrds, kortvleugelig. Brackên, brak'n. varen. Bracket, brakdt, subst. klamp, console, kromhout, gaspijp (die uit den muur steekt), (meerv. haakjes); â verb, tusschen haakjes plaatsen, met klampen verbinden; âlight = uit den muur stekende gaspit. Thi» writerâ«women with J'ooIh = plaatst op ééne lijn met. Brackish, brakis, brak. zoutachtig: âness. Bract(ea). brakt(id\ Bracteole, braktioul, dekblaadje, onregelmatig ontwikkeld blad; â less. Brad, brad, spijker zonder kop, stift. âawl = els, om gaatjes voor brads te boren. Bradshaw, bradshó. Brag, brag, subst. zeker kaartspel, bluf; â verb, bluffen, pochen (of); â âger; âgadocio, brngddouëou, praalhans, bluller, gesnoef: â(fadocity â blufferij: âgart, brag.it, subst. pocher, bluffer; adj. blufferig. âgartism = snoeverij; âger. Brahma, brdmd of brfimd, de Schepper (in de leer der Hindoes); â lock = soort van veiligheidsslot: Brahman, Brahmin. brmrCn, hrAmin, priester van Brahma; âpootra = soort van groote kip. |
Braid, breid, subst. vlecht (haar), smal boordsel of veterband: â verb, vlechten, garneeren. Brail, breiL subst. leeren riem tot het opbinden van de vleugels van valken, geitouw (om een zeil in te halen); â verb, opbinden, geien. Brain, brein, subst. brein, hersenen, verstand I (gewoonlijk meerv.), verbeelding: That boy I bas ni» âs = heeft geen oordeel, verstand: I The interviewer tried to pick the poet's I âs = den dichter uit te hooren; â verb, de j hersens inslaan. A â ish lel low = dolkop, heethoofd; âfever = hersenziekte: âpan = hersenpan: âsick = krankzinnig, gedéran-geerd: âtapper = iemand, die zijne hersens tracht te meubeleeren door de ideeën van anderen te weten te komen. Braise, breiz, subst. (in eene dichte pan met andere dingen) gebraden vleesch: â verb, vleesch in eene dichte pan (Braising-pan) braden. Brake, breik, doornbosch, braambosch, varenkruid, boschje; vlasbraak, slinger (van eene pomp), bakkerstrog, kluitenbreker,rem, wagen (om paarden af te rijden en te dresseeren), hoefstal (voor onwillige paarden bij het beslaan). Safety â = noodrem: We applied the â = gébruikten de rem; Btaky = doornig, ruw; â(s)-niaii = remmer. (Ook Breakman). âvan = remwagon. Bramble, bramb'l, braamstruik, heester. â net = slagnet (voor vogelvangst). A brainbly man = een korzelig, narrig man. Brambliiig, brambVn\, bergvink. Bran, bmn, zemelen. ânew. ZieBrandnew; âny = op zemelen gelijkend. Brancard. brnr\kdd, draagbaar (gewoonlijk door paarden gedragen). Branch, brdnè, subst. tak, arm, gedeelte, opdracht (aan een loods), stang (van een gebit), afdeeling, filiaal (van bank of handelshuis); â verb, takken schieten, in takken verdeelen. vertakken, met takken versieren (in handwerken): Here the alley âcd off from the main-street = hier ging de steeg van de hoofdstraat af. âed-work = loofwerk (in bouwkunde). Branchiate, brankht. van kieuwen voorzien. Branchiae, brm^kü, kieuwen. Brand, brand, subst. fakkel, brandend stuk hout, zwaard, (brand)merk, schandvlek, soort, hoedanigheid, brand (ziekte in groenten): They set a â upon him = hij werd gebrandmerkt; Cigars and wines ofthe choicest (best)â» = fijnste merken: â verb.brandmerken, ont-eeren; âfox = roode vos (paard), (gewoonlijk: Brant-fox); âgoose = wilde gans (ook Brent): â(ing)-iron = treeft, brandijzer: Bran(d)new, bran(d)njü, spiksplinternieuw. Brandish, brandiè, subst. zwaai; â verb, zwaaien. Brandy, brandi, cognac. He was in a state of â2 = dronken: âfaced = met een gezicht, als iemand die aan den drank is. Brank, brank. boekweit. Branknrsine. brankvsin, berenklauw. Brant-fox; Brant-goose. Z. Brand. Brash, bras, subst. afgebrokkelde rotsen of ijsschotsen: adj. driftig, lichtgeraakt, broos: ây = kruimelig, brokkelig. Brass, brds, subst. geel koper, iets daarvan |
1
\ong = loij; s/iip = »ip; occasion = okeii'n; thin: thus = dhrss; wine.
2
â¢one = boun; full; fool = fnl; » = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; ?/ear = .|ia;
BRASS-THROATED.
54
BREAK.
|
gemaakt, gedenkplaat (van geel koper) opeen grafsteen of kist: geld, brutaliteit, koperinstrumenten (in een muziekkorps); â verb, verkoperen. In the boy came as hold as â = zoo brutaal als de beul (zie ook Band). The âthroated trumpet = de krachtig schetterende trompet; âfoil = klatergoud = Dutch gold; âvisaged = onbeschaamd, brutaal: ây = koperachtig, ongevoelig,onbeschaamd. Brasset, brasdt, helm. wapenrusting (van het hoofd). Brassica, brasikd, koolplanten. Brat. brat, kind, jong: overkleed, mantel; schortje. Bravado, braveidou of bravddou, bluflerij, aanmatigende bedreiging; lu â = uit bluf. Brave, breiy, subst. snoever, waaghals, Indisch krijger: adj. moedig, dapper, van edel uiterlijk, opzichtig, schoon, uitstekend: â verb, weer-staan^moedig te gemoet treden, snoeven, geuren met; âry = dapperheid, mooie kleederen. Bravo, bramp;uou, subst. bandiet, gehuurd sluipmoordenaar; interj. Mooi zoo! Bravo! (N.B. de uitspraak breivou is vulgair. Zie Hurrah). Bravura, brdvüro. subst. lied, dat hooge eischen aan stem en uitvoering stelt; adj. krachtig, schitterend, moeilijk. Brawl, bról, subst. ruzie, twist, dans; â verb, ruzie hebben, lawaai maken. The inn was full olquot; âiug sailors = luid schreeuwende, twistende matrozen: âer. Brawn, bron, gespierd lichaamsdeel, vooral de arm; spierkracht, omvang; vleesch van kop en buikstuk van een jong varken, waarbij ossepooten, om het gelatineachtig te maken. Dit alles wordt stijf in bladtin gerold en vier of vijf uur lang gekookt. Het is, sedert de i5e eeuw, een geliefkoosd eten in Engeland. âer, brönd, wild zwijn, voor den disch geschoten. ây arms = gespierde armen. Braxy, braksi, schapenziekte (in het bloed). Bray, brei, subst. gebalk, krassend, onaangenaam geluid: The sound approached to a â: â verb, balken, fijn stampen: âer. Braze, breiz, met geel koper soldeeren of er mee bedekken en versieren. Brazen, breiz'n, adj. geelkoperen, onbeschaamd: â verb, zich onbeschaamd gedragen, verharden; â face = onbeschaamde kerel: âfaced. Brazier, breizd, koperslager, (koperen) komfoor. Brazil(-woodgt;, brdzil of br9zil{w\xd), fernam-bukhout; â iun = Braziliaan. Breach, brité, subst. breuk, bres, overtreding, inbreuk, twist: âverb, bres schieten; ây = geneigd door hekken te breken (van vee). Bread, bred, brood, levensonderhoud; â and butter = levensmiddelen: Don't quarrel with your â and butter = doe met lust waarmee ge uw brood verdient; A slice (piece) of â and hutter = boterham; She is a mere â and butter miss = een echt bakvischje: â and cheese = eenvoudige kost, schamel voedsel: âand-salt civilities == beleefdheden aan tafel: âberry = broodpap; âchipper = bakkersknecht; âwinner = kostwinner. Breadth, bredth, breedte, ruimte van opvatting, algemeenheid van blik |
Break, breik, subst. breuk, scheur, afbreking, rustpunt, afbreekteeken, dageraad, rem (zie Brake); rijtuig (brik), serie caramboles (biljart): âwater = water (om een boei of gezonken schip, omdat de golfslag daar gebroken wordt); Yes, she said, with a â in her voice = met (van aandoening) gebroken stem; â verb, breken, scheuren, afbreken: verpletteren, verspreiden, verstrooien; verzwakken, onderdrukken, temmen, bankroet maken, wegzenden, schenden, overtreden, verminderen; mededeelen (voor het eerst), dagen, uitbarsten, uitroepen, falliet gaan, achteruitgaan, zich een weg banen, de vriendschap afbreken, veranderen: A house of broken fortunes = dat betere dagen gekend heeft: 1 will â a lance with you = neem het op tegen; â your heart to me = stort uit: The horsê was broken in by Carré = getemd, gedresseerd: 1 have broken the back of my work = ik ben door het grootste en moeilijks'te heen: That will â your back = u ruineeren; We shall â bulk to-mor-row = beginnen wij te lossen; The fox broke cover when the hounds came near = kwam uit zijne schuilplaats; To â a deer = een hert voorsnijden: To â ground = ploegen, graven, eene loopgraaf openen, met iets beginnen; Have you broken your fust = hebt gij ontbeten? He broke the ice = baande dén weg: â ranks! = ingerukt, marsch! lie broke Jail =â hij is uitgebroken (gevangenis): To â balls = een mispunt geven voor goed-afspel (bilj.): In olden times criminals were broken on the wheel = geradbraakt; To â wind = een âboerquot; laten: They broke forth into loud shouts = zij barstten uit in: Why do you â in upon my rest? = verstoort gij? He broke in upon us = kwam ons storen- 1 will try to â him of this habit = hem die hebbelijkheid af te leeren; Voimg men will â out = jongelui komen nu en dan los: The court, school, meeting broke up = ging uit(een): The fair was broken up = de tenten en kramen (der kermis) werden afgebroken; 1 will not â with you yet = de vriendschap met u nog niet afbreken: She broke down in her knitting = zij raakte in de war met; The whole thing broke down = kwam tot niets; Itâs upon me = de schellen vallen mij van de oogen: He broke down in his speech = bleet steken; The thief broke into a shop = pleegde inbraak in; Let us not â with liim on that subject = laten wij hem daaromtrent niets mededeelen: He broke with the turf, and sold his horses = deed niet meer aan wedrennen: How can youâJests on the Bible = aardigheden Vertellen; I represented my uncle as âing = doodziek, stervende: 'However strong the rope, it has its â ing-strain = ieder touw, hoe sterk ook, heeft een punt, waarop het breken moet; âage, breikidz, het breken, schadevergoeding voor bij vervoer gebroken goederen: âdown = vernietiging, instorting, soort v. wilde dans; âdown gang = troep arbeiders, om de spoorbaan (na een ongeluk) vrij te maken; âer = breker, klip, rots |
man; ask = ask; farm = fiim; biet = but; learn = Iwn; line = lain; hoi(se = hans; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw â 1A; lord = Irtd; bo?/ = boi:
BREAKFAST.
55
BRIDE.
|
(waarop de golven breken), branding, ijsdam of ijsbreker (in eene rivier), vaatje: âer» = branding; âlast, bi^ekfst, subst. ontbijt; â verb, ontbijten, een ontbijt verschaffen: 1 made my âlast at my aunt's = heb ontbeten; -neck, subst. gevaarlijke val of plaats, waarmede het leven gemoeid is; adj. gevaarlijk, gewaagd: That is a âneck affair; âwater = havendam. Bream, brtm, subst. brasem: â verb.zeegras, slijk, vuil, enz. van het onderste van het schip afbranden. (De daartoe gebruikte brandstof heet broom). Breast, brest, subst. borst, boezem, hart. de vóórzijde; â verb, weerstaan, te gemoet gaan: I made a clean â of it = ik zeide alles eerlijk, biechtte alles op: A sore â = slechte borst; To â up a liedje = eene heg gelijk of glad snoeien: The eagle âed the iiiüuntaiii-air = doorkliefde: This book has inspired many a youth to â the rlianee of late = te*tarten, tegemoet te treden: âfast = dik touw om een schip te meeren aan den wal, etc.; âknot = strik(je) op de borst; --pin = borstspeld: ârail = bovenste leuning van een balcon; âsunimer, Bressummer = horizontale balk tot steun van den voormuur; âwork = borstwering. Breath, breth, adem, leven, ademhaling, uitstel, tijd. oogenblik, enkele daad, koelte, woordje, uitdamping: At a (one) â = in één adem, oogenblik, tegelijk; Out of â = buiten adem: He t..ok â = haalde, schepte adem; By keeping his lipH lirnily closed, he oauglit hi* second â = kwam hij weer op adem: lie gave up his â = gaf den geest; âless. Breathe, bndh, ademen, leven, op adem komen of pauseeren, voorbijgaan als lucht, uit- of inademen, sterven, op adem houden, zacht spreken, uiting geven aan, uitdrukken: He âd his last = gaf den geest: He -d a wish = hij uitte den wensch; We shall â hi in = op adem of aan den gang brengen; He was granted a breathing-time, a breathing-spell = men gaf hem den tijd om op zijn verhaal te komen, tijd tot verademing: 1 will give you a stiff âr, if you like = eene krasse oefening (in 't loo-pen, etc.); Breatliing-while = oogenblikje. Breccia, bretèd, rots, bestaande uit hoekige stukken van dezelfde of verschillende mineraalsoorten. Bred, bred, imperf. en p. part, van to breed. Bredsore, bredsö, fijt. Zie Whitlow. Breech, britë of britè. subst. achterste (van .mensch of voorwerp): To whip on the â = voor de broek geven: â verb, eene broek aandoen, voor de broek geven: âes, britéiz, broek: She wears the âes = zij heeft de broek aan; âing, britsing, pak voor de broek; broek (deel van het paardetuig), touwen om op een schip een kanon vast te sjorren; â loader = achterlaadgeweer. Breed, brid, subst. geslacht, ras, soort, gebroed : â verb, voortbrengen, veroorzaken, door opvoeding vormen, grootbrengen, jongen voortbrengen, voorttelen, (aan)fokken: What is bred in the bone will not out of the flesh = het bloed kruipt waar het niet gaan kan; You bred us up = hebt ons grootgebracht; |
âing = voortbrenging, het grootbrengen; geboorte: Caood âing = beschaving, beleefdheid, goede manieren: âing in and in = het trouwen onder elkander (in denzelfden stand). Breeze, briz, subst. zachte koelte, bries, paarde-vlieg, kolenvuur (bij het steenbakken), afval: standje; â verb, zacht waaien: It âs up = het begint flink te waaien; Breezy = winderig. open. Brehon, brVin, lersch rechter (in ouden tijd); â laws = het gewoonterecht (in Ierland). Brent Hill, brenthil: He is looking from under â â = hij ziet vol verliefdheid en vergoding naar. BreOOst, brest, onderste deel van een zuil, ook torus genoemd. Brethren, bredhr'n, broeders (en zusters) van hetzelfde (vooral godsdienstig) genootschap: My â = Geliefde Broeders en Zusters. Brêtwalda, bretwóldd, Angel-Saksisch hoofd. Breve, briv, twee heele noten (in de muziek), boogje boven een klinker, ter aanduiding dat hij kort is. Brevet, brevdt, brevet, patent; â rank, âcy = persoonlijke (of titulaire) rang in het leger boven den eigenlijken rang; â verb, tot dien rang verheffen. Bi â¢eviary, brtvjari, kort begrip, brevier. Brevier,* brovid, brevier (drukletter). Breviped, breviped, kortpootig. Brevipennate, brevipenit. kortvleugelig. Brevity, breviti, kortheid, beknoptheid. â is the soul of wit. Brew, briï, subst. het brouwen, brouwsel; â verb, brouwen, vermengen, overléggen, samenspannen: â your own tea = bemoei je met je eigen zaken, âage, brouwsel, âer of âster; âery of âhouse = bierbrouwerij. Brewersnaven, brüozheiv'n, Brouwershaven. Briar, braid, wortel van een heideplant (erica arborea). pijp van dat hout gemaakt. Zie Brier. Bi 'iarean, braiêrfn. honderdhandig. Bribe, braib. subst. geld of geschenk ter om-kooping; lokaas: â verb, omkoopen, lokken (door geschenken); BHbable = omkoopbaar; liribee = omgekochte; âr: â ry» Bric-a-brac, britebrak, snuisterijen. Brick, brik, subst. baksteen, vierkant brood, flinke vent; kiln â = vuurvaste steen; He is a regular â = echte brave kerel: â verb, met baksteenen plaveien: The canal was neatly âed and railed in; âbat = stuk baksteen of iets in den vorm daarvan; âdust = steengruis; âkiln, brik-kil, steenoven; â layer, brikléd, metselaar (vergel. Mason); âlaving = het metselen; âmaker, â mouider, brikmonldd, steen vormer; âHogging = metselwerk tusschen houtwerk; â work = metselwerk, steenen gebouw; â works, âyard = tichelwerk; âish = als van steen. Bridal, braid'l, subst. huwelijksfeest: adj. tot eene bruid of een huwelijk behoorende; â dress = trouwjapon. Bride, braid, bruid, pas getrouwde vrouw; âale = ouderwetsch buwlijksfeest. huwelijksbeker; â(s)-cake = huwelijkskoek (een groot gebak), ter verdeeling onder de vrienden van bruid en bruidegom: âgroom = bruidegom, |
= boun; full; fool = fa I; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; yesxr = .jia; = loij: s/tip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dbvs: wine.
bone longf
BRITANNIA-METAL.
BRIDESMAID.
56
|
jong gehuwd man; â('sHuaid, â('sHuan = bruidsmeisje, bruidsjonker; âwort = moems-spiraea. Bride well, braidivel, luchthuis. Bridge, bridz, subst. brug, kam (van eene viool), het bovendeel van den neus: â verb, eene brug leggen, overbruggen: We have âd over the diniculty = geëiTend; âdeck = brug (op eene stoomboot): âhead = verdedigingswerk aan eene brug; âtrain = afdeeling pontoniers. Bridget, brididt, Brigitta. Bridle, braid'l, subst. teugel, toom, beteugeling: â verb, beteugelen, met den teugel sturen, tegenhouden, het hoofd omhoog houden met ingetrokken kin: Milie was a bridling little piece of consequence = zij was een pedant stukje gewichtigheid (in eigen oogen); lie âd up = nam eene verachtende houding aan; âhand, âarm = linkerhand, -arm (bij quot;t paardrijden): You Mhall not get hold of my âhand = ge zult me de teugels niet ontnemen; âpath, âway = rijpad, rijweg (voor paard en ruiter). Bridoon, bridün, trens (militair). Brief, brif, subsi, kort begrip, processtukken, deurwaardersexploit, volmacht (om collecten te houden, b.v.), pauselijke brief of breve; adj. kort, beknopt; To â a barrister = een advocaat nemen, hem eene zaak in handen geven. In â = kortom; A âIe»» lawyer = die geen praktijk heeft, âman = dié eene acte of volmacht opmaakt, of die manuscripten copieert; â ly; âiicm». Brier, braid, doornstruik, wilde roos; lie i» in tlie â» = hij zit er leelijk in; Sweet â = eglantier: ây. Brig, brig, brik (soort van tweemaster). âau-tine, brig'ntin, een soort van brik. Brigade, brigeid, subst. brigade (groote leger-afdeeling); â verb, tot eene brigade vereenigen: Brigadier, bhg9dia, brigade-generaal. Brigand, brig'nd, roover, balling; âage = rooverij. Bright, bra it, schitterend, lichtend, doorschijnend, helder, verrukkelijk, roemrijk, goeds aankondigend; vernuftig, geestig, levendig, opgewekt; âen = verhelderen, glans of roem verleenen, geestig maken, opleven, opgewekt worden; âly; -nes». Bright'* DiHeatie, braitsdiztz, nierziekte (door vervetting van het weefsel). Brill, bril, witte tarbotsoort. Brilliance, Brilliancy,briZ/'iw/,glans, schittering; Brilliant, bril'fnt, subst. diamant-(druk); adj. schitterend, glansrijk; Brilliant- IICHS. Brim, brim, subst. rand, boord, kant: lie frothed hi» bnmperN to the â = deed zijne bokalen schuimen tot aan den rand: â verb, tot den rand vol zijn of vol maken: langs^ de kust zeilen: âming over with happine88 = uitgelaten van; â ful; ânier = een tot aan den rand gevulde roemer: hoed (met breeden rand). BriniHtone, brimsfn, subst. zwavel; adj. van zwavel. Brinded, brindod, Brindled, brind'ld, gestreept, gevlekt. Brine, brain, subst. brem of pekel, de zee. |
tranen; Briny = vol pekel, zoo zout als brem; The Briny == het zilte nat, de zee, â verb, pekelen, zout mengen bij; âpan = pekelput (waar door verdamping zout wordt gekristalliseerd); âpit, âspring = zoutbron. Bring, bri)\, brengen, halen, geleiden, doen komen, overhalen: Things never â what they cost = brengen nooit op; How was it Itrought about? â gedaan, tot stand gebracht; That speech brought the House down = pakte, deed het huis (de zaal) daveren van toejuichingen; He brought down his band on the table = sloeg met de vuist; I will â bis pride down = ik zal zijn trots wei klein krijgen; He brought up with a bump against the door = hij kwam met een harden slag tegen de deur aan; I brought up the cartridge of a repeating-rille = ik bracht een patroon vóór (in het repeteergeweer). To â forward = transporteeren: They brought forward many proofs = haalden aan; They will â the house down about our ears* = zij zullen razen en tieren, dat het huis invalt: lie brought bis work before the public in IHOO = gaf uit: He wanted to â an action against ine = hij wou mij een proces aandoen; That place will â in ten shillings weekly = die betrekking geeft 40 s. in de week; Thé Jury brought him in guilty = verklaarde schuldig; We have succeeded in âing off most of our fur-nil ure = onze meeste meubels te redden; This child was brought up on the feeding-bottle = met de ilesch grootgebracht; It was brought to pass in this way = op deze wijze gedaan, uitgevoerd; I will â von word to-morrow = bericht brengen; the ship was brought to = werd bijgedraaid: We brought up the file (rear) = waren de achtersten, sloten het gelid; To â out (one's talents) = doen uitkomen, bekend (publiek) maken; He has brought over many noblemen to the king's side = overgehaald: The man was brought to at length = bijgebracht; The want of good water brought on an epidemic = veroorzaakte eene epidemie; âer:âer-up = opvoeder. Brink, brb\k, rand: We are on the â (verge) of min = rand des ondergangs. Ilrisgow, brisgan, Breisgau. Brisk, brisk, adj. levendig, vlug, werkzaam, helder brandend, knetterend; â verb, verlevendigen, aanwakkeren (met up), eene wakkere houding aannemen; mooi kleeden; âness. Brisket, briskdt, borst (van eendier): âbone = borstbeen. Bristle, bris'/, subst. borstelig haar, haren (op planten); â verb, de haren overeind zetten, overeind gaan staan, toornig of trotseerend rondstappen, vol zijn van: My hairâd; My desk âs witb letters; He *âd up tome â kwam verontwaardigd naar mij toe: Bristly. Bristol, br-isVl, stad; âboard = zacht tee-kencarton; âbrick = schuursteen (voor messen, enz.); â-milk = Xeresvvijn. Brit, brit, kuit of jong van haring of sprot. Britain, britin, Brittanje. Brittany, briteni, Bretagne (Frankrijk). Britannia-metal, britanjomeCl, wit metaal (pleetzilver). |
man; «sk = ask; farm = fiim; hat = but: learn â hm; line = lain; house = hans; net; care = kca; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; lata â 16; lord = löd; hog â bói;
BROWNINGITE.
BRITE.
57
|
Brite. Bright, brail, overrijp worden. BritiHli, britiê, Britannic, britanik, Britsch. â gum = Engelsche stijfsel: âer = Engelsch-man (Amer.). Briton, briVn. subst. geboren Engelschman, Brit; adj. Britsch. Brittle, briVl. broos, breekbaar, wispelturig, onzeker. BritzHka, britsko, soort rijtuig, calèche. Broarli. broutè, snbst. els, priem, speld, boor- j stift, Jonge hoorn van een hert, spits; â verb. | aansteken (van een vat), openen, beginnen, bekend maken: lie âed the Niihject to me = hij klampte mij daarover aar, begon er over: âer = eerste beginner ofpubliekmaker. Broad, bród, subst. versch-waterplas (â» = speelkaarten): adj. breed, wijd, uitgestrekt, ruim, vrijzinnig, lomp, onkuisch: â Cliiirch = liberale gedeelte der Engelsche kerk; â gauge = grooteafstand der spoorstaven (tegenover \arrow gauge): It woh â daylight = helder dag; A â complimeiit == grof kompliment, lompheid: That iM â nonwenwe = klinkklare onzin: It i» (as) â a» (it is) long = zoo breed als het lang is, net hetzelfde: âarrow = regeeringsstempel op regeeringseigendom (b.v. op de kleederen dei-gevangenen. paarden der cavalerie, etc.): â awake = klaar wakker: âaxe= een strijdbijl. houweel; âbil! = soort v. wilde eend; âblown = in vollen bloei; âbrim = breedgerande hoed (der kwakers): Kwaker; âcast = subst. en verb, (het) wijd uitzaaien met de hand: adj. en adv. ruim én wijd gezaaid of verspreid; â«â¢loth = breed laken (voor manskleederen); âen, brócVn, breed worden, ver-breeden; âpiece = goudstuk van 24sh.(17e eeuw); âseal = subst. Engeisch rijkszegel; â verb, daarmede zegelen of stempelen: âHet = van krachtigen lichaamsbouw: â Mheet = aan eene zijde bedrukt groot blad: âside =langszijde (van een schip), volle laag, pamflet of groot vel; âspoken = royaalweg.' plat: âstare = brutale blik; â-sword. hi'ódsöd, slagzwaard; â wise = in de breedte. Brobdiiignag;iaii, brobdupiadz'n, subst. kolossale reus: adj. reusachtig. Bi â¢Â«cade, brdkeid, zijden stof met figuren, daarop gewerkt met goud- en zilverdraad; âd. Broccoli, brokdli. spruitkool(soort v.bloemk.). Brochure, broèüd, brochure. Broek, brok. das, tweejarig hert. Dit is ook Brocket. Brodekiu, broddkin, halve laars. Brogue, broiifj, grove schoen (ook Brogan, brourfn), provinciaal (vooral lersch) accent! âm = broek. Broil. bróil, subst. tumult, verwarde twist, j tweedracht, gebraden vleesch: â verb, braden (op een rooster), erg verhit zijn, zweeten. âer = ruziemaker, gebraden spijs, rooster. Broke, brouk, imperf. van to break. Broken, brotik'n, part. perf. van to break-âbacked, âbellied = gebroken, verpletterd; âdown = geruïneerd, ongelukkig; --hearted = verpletterd naar het hart; â wind = dampigheid (ziekte in de ademhalingswerktuigen der paarden). âwinded = kort-adetnig, dumpig; âly. Broker, öroie/iv?, makelaar, agent, tweedehandskoopman, koppelaar. âly = laag. gemeen; j |
The âs were put in = er werd beslag gelegd op de goederen; âage, brouk,?ridzr makelaarschap. Broma, browns, chocolade-preparaat uit cocoa, vast voedsel. Brome. bram. Bromley, brnmli. Brompton. brnmVn; Bromwich. bmmidz. Bi â¢oncliia, broi\kia. âe,brot]ki\, vertakking(en) der luchtpijp in de long; âI. broi\kidl, Bronchic, bro7(kik, tot de luchtpijp behoorend; â I tubes = Bronchia ; Bronchitis, bro)\-kailis, luchtpijpontsteking. Bronze, brons, subst. brons,bronskleur, kunstwerk van brons, onbeschaamdheid: adj. van brons, bronskleurig; â verb, bronzen, hard maken: âage, âperiod, = bronsperiode; âliquor = bronsgoed; âpowder = bronspoeder. Brooch, bronts, subst. borst- of doekspeld, schilderij met ééne kleur; â verb, versieren met een â. Brood, brad, subst. gebroed, broedsel, kroost: â verb, broeden, met de vleugels bedekken, bepeinzen, peinzen, koesteren: He âed over the lire = hij zat boven op het vuur; 1 shall â on it = ik zal er over peinzen: lie âed over visions ol' departed glory = hij dacht na over: âmare, bnïdmco, volbloed merrie: ây = broedsch; norsch, peinsziek. Bróok, brak, subst. beek, stroompje; â verb, dulden, verdragen; âlet = beekje: âmint = waterkruizemunt;âweed = waterpimpernel. Broom, briim. subst. brem-of heistruik, bezem ; â verb, bezemen (zie ook Bream): âstick, âstaff = bezemsteel. Brose, brouz, ha vermeel pap (Schotland). Broth, broth of bróth, groentesoep met vleesch erin gekookt; A â of a IV1 low = een tlinke, kranige vent. Brothel, brodh'l. bordeel. Brother, brndlid, broeder, ambtsbroeder, medeschepsel. âgerniaii = volle broeder; âinlaw = schoonbroeder, stiefbroeder: â Jonathan = de Amerikanen: âly; âhood;âlike. Brough, brnf'. Brougham, brüem of bram. dicht rijtuig (vooreen paard). Single â = coupétje. Brought, brót. imperf. en p. p. van Bring. Broughton. brOt'n. Bi â¢ow, bran, subst. wenkbrauw, voorhoofd, gelaat, voorkomen, rand (van afgrond of heuvel): lie knit his â(sgt; = fronste de wenkbrauwen; âbeat = verlegen maken, overdonderen: â boiiiid = gekroond: âague = schele hoofdpijn, migraine: â verb, begrenzen. Bi â¢own. braun, subst. bruine kleur: adj.bruin, donkerkleurig; â verb, bruinen. Xot lor â = om den dood niet: lie did him â = hij bedroog hem; He was in a â study = in gepeins verzonken; He is done â == hij is op, heeft alles verloren: â paper = pakpapier; ârust = roest (in koren); â Bess = oude snaphaan: âbill = oude strijdbijl; â bread. â (üeorge = brood van ongebuild meel. kommiesbrood: âcoal = bruinkool. Brown. Jones and Bobinson = Jan, Piet en Klaas; Jan en alleman. Brownie, brauni, huisfee (Schotland). Browningite, braunit\ait, bewonderaar van R. Browning, den dichter. |
bone = boun: full; fool = ful: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jia; long = loi^; ship = sip; occa.svon = okeii'n; thin; ^/lt;us = dlix^s: wine.
BROWN 1ST.
58
BUFFALO.
|
Brownist, braunist, aanhanger van R.Brown, den Independent. BrowniMin = diens stelsel. Browse, brauz, subst. de scheutjes van boom of struik; het grazen, etc.: â verb, grazen, knabbelen, zich voeden met jonge scheutjes of takjes; â r. Bruges, brüdziz, Brugge. Bruin, brikin, Bruin (de beer). Bruise, bniz, subst. kneuzing, harde slag; â verb, kneuzen, stampen, verpletteren; âr = bokser, vuistvechter; â\% ort, bi'üziuv.t, smeer-wortel. Bruit, brut, subst. gerucht, geraas; â verb, verspreiden, ruchtbaar maken. Brumal, bi-üm'l, tot den winter behoorend. Briiiiiuiagein, bromedz'm, valsch, nagemaakt (â is de locale vorm voor Biriiiiugliiim. waar zulke artikelen het eerst werden gemaakt). Brunette, brünet, brunette, bruinachtig(e). B run ion, brünfn, soort v. perzik. Brunonian, bninounfn, volgens John Brown, een beroemd zenuwkundige. Brunt, bront, aanval, schok, slag, het heete (van een gevecht): The â of his anger. Brush, brvè, subst. borstel, kwast of penseel (schilder ),kreupelboschje, schermutseling, volle staart (b.v. van een vos), het lichten (van elektrische stoffen): I niet there niany a shrewd â = menigen slimmerd, sluwen vos; They are all tarred with the same â = met'hetzelfde sop overgoten; â verb, borstelen, strijkelings voorbijgaan, schoonborstelen (down, up), opfrisschen: snel bewegen, er overheen loopen: Their eoats were soundly âed = zij kregen er Hink van; He âed past my door = streek mijne deur voorbij; â away your tears = veeg (ongemerkt en snel) af; âwood = kreupelbosch: ây = ruig; âwheels = raderen, die elkander door wrijving, niet door tanden in beweging brengen. Brusque, brosk, kortaf, ruw. BriiMselsOsproiits), brns'Iz(sprauts), Brussel-sch(e spruitjes); âlaee = Br. kant. BniNtle. 6rös7, ruischen, knetteren, bluffen. Brute, briit, subst. redeloos beest, wilde, gevoelloos mensch, beest; adj. redeloos, onbewust, ruw, dom. zinnelijk. Brutal ahruptness = lompe kortheid; Brutality; Brutalize. Bryology, braiolddzi, de kennis en wetenschap der mossen. Ilryologfot. Bryony, braiani. wilde wingerd. Bubble. bnb'L subst. bobbel, luchtbel, hersenschim, windhandel; â verb, bobbelen, opborrelen, pruttelen, murmelen, beet nemen: âr = bedrieger. Bubby. bubi, ventje, kereltje. Bubo,' hjübou, kliergezwel, gehoornde uil. Bueauier, Buceaneer, bv.kdnid, subst. zee-roover (vooral de Fransche en Engelsche in de 17e en '18e eeuw); â verb, zeerooverij plegen. N.B. Bueeaneer is de gewone spelling. Buccal, bnlc'l, tot de wang behoorend. Biiccan, bnk'n. subst. rek. van stokken gemaakt; â verb, het rocken of drogen van vleesch op stokken. Buccinal, bnkshïl, trompetachtig. Bucentaiir, bjüêentö, fabelachtig monster, half os half mensch; staatsiebark der oude Veneti-aansche doges. |
Bucephalus, bjüsefdlds, het beroemde paard van Alexander den Groote, rijpaard, knol (schertsend). Buchanan, bvkandn. Bucharia, bjükêrid, Bokhara. Bock, Iwk, subst. loogsop, bok (van herten), ram (v. konijnen, hazen, etc.), zaagbok, fat; â verb, wasschen in loog of zeep, paren (van dieren); de achterpooten omhoog gooien (met den kop tusschen de voorpooten): The horse âed, and the rider cameofT; âbasket = kleerenmand. waschmand; ââ¢Jump = sprong van een ondeugend of ongedresseerd paard, om den ruiter af te werpen; âbean = Bog-bean: âhorn = hoorn (van een bok); â hound = jachthond; Master ol'the âhounds = opperjagermeester; âmast = beukenoot: âskin, subst. bokkevel: zacht, geel leer: broek (gewoonlijk meerv.); adj. van bukskin:âstall = net om herten, etc. te vangen: âthorn = wegedoorn (laxeerende plant): âtooth = vooruitstekende tand: âwheat, bokivit, boekweit; âish = fattig. Bucket, bnkdt, emmer; â verb, waterputten, bedriegen; een paard afjakkeren: He kicked the â (vulgair) = hij ging het âhoekje omquot;: â lui; It rained in âs lull = het kwam met. emmers uit de lucht vallen. Buckle, bvk'l, subst. gesp, krul (haar), gekruld haar; â verb, gespen, zich ten stijde rusten, zich in den strijd begeven, krullen, buigen, begrenzen: The horse âd down to the Journey = aanvaardde, maakte zich klaar; 'You 'II have to â to = gij zult u moeten inspannen: I âd with him = ik raakte handgemeen met hem; âr = beukelaar (schild, met een knop in 't midden); âr*thorn = Christus- of kruisdoorn. Buckram, bnkr'm, subst. grove, gepapte linnen stof; adj. stijf, stipt, vormelijk: Men in â = in â gekleede mannen, alleen in de verbeelding bestaande mannen (fig.); â verb, met â stijven. Bucks, bvks, verkorting voor Buckinghamshire (bukii\dmèd), een graafschap. Bucolic, bjükolik, subst. (maker van een) herdersgedicht; adj. herderlijk; â ism = landelijkheid. Bud, bod, subst. knop, kiem: The rebellion was nipped in the â = gedood in den knop of de kiem, in den aanvang gesmoord: â verb, uitbotten, knoppen, enten: âlet = knopje. Budii. bjfidd, Ofen. Budhism, biidizm, het Boedhisme. Buddie, bvd'l, subst. vierkant stel van planken tot het wasschen van erts;â verb, erts wasschen. Budge, bvdz. subst. bereid lamsvel, leeren zak: adj. stijf, vormelijk, schoolmeesterachtig. â Bachelors, de ouden, die vroeger den Lord Mayor bij zijne inauguratie vergezelden; â verb, zich bewegen, ervan doorgaan. Budget, budèdt, zak, voorraad, budget. â Speech = millioenenrede; The minister opmed the â = hield de millioenenrede. BufT, bof. subst. bereid leer van butfels of andere dieren, militaire jas, licht gele kleur, vleeschkleur; slag: In (the) â = geheel naakt; He stood the âs of fortune = hij weerstond moedig de slagen der fortuin; adj. van geel leer, lichtgeel. Buffalo, bufdlou, subst. buffel (bison van N. |
man; ask = ask: farm = fam; blt;/t = but; learn = Iwn: line lain: house = haus; net: care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; net; law â lo; lord = löd; hot/ = bói:
BUFFALO-CHIPS.
59
BUNDLE.
|
Amer.); âchips = buüelmest, gebruikt als brandstof; âgra»» = prairiegras: ârobe = mantel van geprepareerd butfelvel. Bufier, bvfd, stootkussen (aan spoorwagens); hond: An old â = gezellige âouwequot; baas. Buflet, bnfdt of bitfei. buffet, aanrechttafel. Kuflet, bvfdt, subst. klap (met hand of vuist) in 't gelaat, oorveeg; â verb, met de hand slaan, wegslaan, weerstaan, worstelen (vooral met de armen). Bufïleliead, bnflhed, dikkop, domkop; âed = dom, met dikken kop. Bufio, büfou, subst zanger in eene opéra comique; adj. grappig; â011, bdfün, potsenmaker, Jan Klaassen; âonery = grappen en streken. Bug. bvg, wand- of weegluis; schrikaanjagend spook: He is as snug as a â in a rug = hij heeft een leventje als een vloo in eene wollen deken (zéér plat): âgy = vol wandluizen; âbear, bngboj, subst. boeman, bullebak; adj. ontstellend. Buggy, bvyi, licht rijtuig op vier wielen met ééne'zitbank, kapsjees. Bugle, bjüy'l, subst. lange zwarte kraal, zekere plant (wonderkruid); jachthoorn, drinkhoorn: â verb, gonzen, hoornmuziek maken. Bugloss. bjüglos. ossetong (plant). Bulil, goud, koper of paarlemoer, gebruikt voor inlegwerk; kunstwerk, onnatuurlijkheid. Build, bild, subst. vorm, maaksel, bouw; â verb, bouwen, opbouwen, timmeren, rekenen, lt;op), stichten: âer = bouwmeester, aannemer; âing = gebouw, het bouwen; âiug-site = bouwterrein: Built, bilt, imperf. en p.p. van â. Bulb, bolb. subst. ondergrondsche bol (van bloem of plant), uitzetting (van de buis, b.v. onderaan barometer of thermometer), appel (van het oog); â verb, vooruitsteken, uitzetten; âaceous, balbeièds. bolvormig; âif er ons = bollen voortbrengend: âons plant = bolgewas; âule, bnlbjül, bolletje; âilbrin = bolvormig. Bulbul, bulbol, nachtegaal (Perzië). Bulgaria, bvlyèrid, Bulgarije; ân = Bulgaar. Bulge, bolz, subst. buik (van eene ton), lek daarin; â verb, zwellen, water binnenlaten (zie Bulgy = gezwollen, lomp. Buliuiy, bjülimi, Bulimia, binlimid, schrikbarende honger, geeuwhonger. Bulk, bulk, omvang, grootte, meerderheid, voornaamste deel, inhoud van het ruim van een schip; By the - = alles met (en door) elkaar; Lilden in â = met stortgoederen (losse lading) geladen; To-morrow we shall break â = beginnen wij te lossen; âhead = beschot tusschen de dekken; â gt; = groot, zwaar. Buil, hul, subst. stier (ook in den Dierenriem), speculant a la hausse (zie Bear), bul van den Paus), onzin, domheid; adj. van grooten omvang, mannetjes . . â verb, a la hausse specu-leeren; John â = de Engelsche natie gepersonifieerd; He took the â by the horns = pakte de koe bij de horens: Irish â = domheid lt;van een Ier), Kamperui: âbaiting = het woest maken van stieren met honden: âbeef = stierenvleesch; âbeggar = bullebak, boeman: âcalf = stierkalf, uilskuiken, domkop; âdog = bulhond: âdoze = ranselen, den mantel uitvegen, uitkleeden; âfaced = met grof en groot gezicht: âünch = bloedvink; âfeast, âlight = stierengevecht: âfrog = groote kikker; â-head = vischsoort, domkop, waterinsect; âock,buldk, os; âpup = jonge reu; âroarer (z. Turndun); â's-eye = rond venster of opening, dik glas in een scheepsdek, middenpunt (van eene schietschijf), kleine, i storm voorspellende wolk, kokinje; That is wide of the â's-eye = de plank mis: â terrier = gekruist ras tusschen bulhond en terrier', âtrout = groote forel; âwort = komijn (zwarte). |
Bullace, bulls, soort v. wilde pruim. Bullate, bulit. met blaren of uitwassen. Bnllen*iiail, bul'nneil, vertinde en gelakte spijker met ronden kop. Bullet, buldt. kogel (van een geweer). Every â has its billet = iedere kogel heeft zijne bestemming: âproof = tegen kogels bestand: kogelvast; ânionld = kogel vorm. Bulletin, buldtin, subst. officieel rapport, bulletin; â verb, per b. bekend maken. Bullion, biiIJ'7i, ongemunt goud of zilver (in massa, niet in staven); â ist = voorstander van metalen munt. Bully, bit li, subst. blufferig, lawaaiig, pedant heer: adj. brutaal,rumoerig.treiterend; â verb, overbluffen, donderen, treiteren; ruzieachtig en rumoerig zijn: She bullied over both = treiterde, speelde de baas over: â for you! = Bravo! Mooi zoo! He bullied it out of ine = door vrees, enz. van mij verkregen: ârag = uitschelden, negeren. Bulrush, bnlrvs, groote waterbies; ây. Bulwark, bulwak subst. bolwerk, verschansing (van een schip), wal: â verb, van versterkingen (of een bolwerk) voorzien. Bulwer, bulwd. Hum. subst. achterste; â verb, een gonzend geluid maken: âuier = schooier (Amer.gt;. Biimbailif, b'mbeilif. onderbaljuw. Bumble-bee, bnmb lb\, groote, wilde bij. Bumbledom, bnmb'ld'm, de gewichtige drukte van de kleine-ambtenaarswereld: alle kleinere ambtenaren. Bumbont,6»mamp;OMf,provisieboot,eig.bomschuit. Bninkiii, bnmkin, korte boom (botteloef) op een schip. Bump, bomp, subst. gezwel, buil, bons. dof geluid (als van oen roerdomp), knobbel: His â of friendship seems to be highly developed = zijn vriendschapsknobbel scliijnt zeer ontwikkeld te zijn: â verb, hard slaan of bonzen tegen: dof klinken, op en neer wippen. Bumper, bnmpa, volle bokaal, vol lokaal (als een theater of eene concertzaal); âs, Gentlemen! = Heeren. neemt uwe volle glazen op! Bumpkiii, bnm(p)kin, boerenkinkel. Bumptious. bnm(p)s3s. verwaand. Buil, bvn, krentenbolletje. Bunch, bvns, subst. tros (druiven, etc.), bos, bosje, bundel, bochel, kuif: â verb, tot een bult opzwellen, uitsteken, trossen vormen; ây = bossen of trossen vormend. Bunco, bunkou, kwartjesvinder, bedrieger (in New-York). Buncombe, Biinkiim, bm\kym, gebluf, gesnoef, gewauwel, bedriegerij (vooral in de politiek). He speakn for â = voor de vaak. Bundie. bvnd'l. subst. los pak, bundel; â |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; 7/ear = jia; long = loi^: ship = sip; occasion = okeii'n; thin: th\is = dhcs; wine.
HUNG.
60
BUSH.
|
verb, samenbinden, losjes inpakken, haastig heengaan, gekleed gaan slapen: The bill was âd out = zonder kompli men ten (of discussie) verworpen: Slie âcl «ff into tlie house = ging haastig het huis in. Biiiik, hvu, subst. bom of spon (om een vat te dichten): â verb, een vat dichten, sluiten. I âed li in eye = ik sloeg hem het oog blauw (dicht); âhole = spongat. liungHlow, bnngelou, Indisch licht landhuis (ééne verdieping). Bundle, bnng'l, subst. knoeiwerk; lie made a â of it = verknoeide het; â vérb. knoeien, broddelen: Buiigliii^. Bullion, bnnj'n, gezwel (dikte) op den grooten teen. Bunk, bm\k, subst. slaapbank, kooi; â verb, in eene kooi slapen (Amer.): âer = groote kolenmand, bank. Bunkum: Zie Bunrombe. Bunny, bttni. konijn. Bunt,' bnnt. subst. buik of middelste van een zeil; â verb, opzwellen, uitzetten. Bunting, bvntin, vlaggedoek, vlag; alle vlaggen. Buoy, b(w)oi, subst. boei, ton; â verb, drijvende houden, ondersteunen, kracht geven: lie ha» âed me up = hij heeft mij gered, drijvende gehouden; âage = de gezamenlijke boeien: âant = veerkrachtig, licht, opgewekt; âancy, b{w)6Vnsi, opgewektheid en veerkracht van geest, luchtigheid, £i rijf baarheid. Buphaga, bjufsgd, Afr. spreeuw, die zich voedt met insectenlarven onder de huid van vee. Bur, bi), stekelig hulsel (van kastanjes, b.v.), klis: He stuek to me like a â = hing aan mij als een klis. Bui'hot. bóh.tt. aalpuit. Burden, bixVn, subst. last, zware vracht, lading (in deze beteekenis ook Burthen gespeld); refrein, koor; â vei'b. beladen-, belasten, drukken: âsome = lastig. Burdett-Contts. bddet/cüts. Burdock, budok. klisplant. Bureau,bjuroii, schrijftafel,latafel,bureau; â cracy, bj aroJcrasi. bureaucratie. Bureaucratic. Burette, bjuret. glazen buis (met maatstree-pen). Burg. btiff, stad: âage. âidf, stadsleen. Biirganet, brnpnoA. helm. Burgeois, bvdzóis, soort van letter (bij het drukken). Zie Bourgeois. Burgeon, budfn, knop. Zie Bourgeon. Burgess, büdzns. burger (van eene vrije stad), afgevaardigde: Biirg(ggt;rave, btigreiv. burggraaf; Burgh, ^»n9iZie Borough): Burghal, bvy'L tot een burgh behoorende; Burgher = lid (inwoner) van een Bnrgh. Burghley, btVi. Burglar I bvg ld, inbreker; ây = inbraak: Burglarious = inbrekend; Bnrgle = inbreken. Burgomaster, bftgemCistd, burgemeester (in Holland of Duitschland); zeemeeuw. Burgundy, btïg'ndi, bourgognewijn; âpitch = dennenhars; Biirguiidiaii, b/jgnndf n. Bourgondiër, Bourgondisch. Burial, berfl, begrafenis. âservice = begra-fenisdiènst (in de Engelsche kerk); âplace = âground; Burier. Burin, bjiirin. graveerstift, graveerijzer. |
Burk(e), bok, vermoorden, vooral door verstikking; smoren: To â a discussion = eene discussie smoren, er een eind aan maken. Burl, bvL subst. nop of eind van den draad (van laken); â verb, de noppen uithalen.âer = lakeimopper. Burlace, bülis, Burdelais, btiddlei, druit (Bordeaux). Burlesque, bulesk, subst. boertige of lachwekkende voorstelling of stijl, vooral door tegenstelling tussehen vorm en inhoud; adj. grappig, boertig: â verb, belachelijk maken. Buiietta, bóletd, opéra comique, vaudeville, muzikale scherts. Burly, btfli, groot, zwaar, dik, rumoerig, stoer. Buniiah, bitmd, Binnah: Burmese. ^mtrT Birmaan. Bum. ban, subst. brandwond, het bakken (van steenen), beek: â verb, branden, verbranden, uitbranden (van eene wond), gloeien, vonkelen: lie has ât his lingers = hij is er tegen aangeloopen; They were ât out of house and home = zij zijn van alles beroofd: ât-out people = de menschen, die bij brand alles verloren hebben: âed in = erin gebrand: âable: âer, böno, brander (van gaspit of lamp). âing-glass: âing-mirror: â iug 4|uestion = brandend vraagstuk. Burnet, bfmot, pimpernel, donkerbruin (laken). Buriiisli,^igt;m.s, subst.glans, luister, helderheid; â verb, polijsten, glanzend maken of worden: âer. Bimioose, Burnous, bonus. Z. Bernouse. Burnt, bunt, imperf. en p.p. van burn; âear = korenziekte, waardoor de aren zwart worden r âoffering,âsacrince=offerande,brandoffer. Burr, ba. oorlel: ruwe kant (van metaal): horenknobbel (bij herten), zwezerik, draaibeitel (driehoekig), gebrouwde uitspraak der /â¢; â pump = scheepspomp (zonder klep). Burrock, bnrak, kleine dam (voor de visch-vangst). Burrow, bnrou, subst. hol (van konijnen-vossen, etc.): â verb, een hol graven, loeren,, omwoelen. Bursar, bfisa, schatmeester, beneficiant (van een leen). â y = schatkist (van corporatie ot klooster), leen, studiebeurs (Schotl.). Burst*, bvs, studiebeurs (Schotl.). Burst, bust, subst. breuk, scheur, uitbarsting,, pretje: This place is a â of roses = 't is al rozen wat men ziet; â verb, barsten, plotseling openvliegen, uitbarsten, plotseling aanvallen: \Vith these words he â away, forth = snelde hij heen, rukte hij zich los; He â into tears = in tranen uit: To âwith laughing (laughter), anger = van lachen, toorn barsten: \Vith a â = plotseling. Biirtheii, bvdh'n. Zie Burden. Burton, büt'n, takel, gevormd door twee of drie blokken. Bury, beri, begraven, bedekken, bergen, vergeten en vergeven: To â the hatchet = eig. de strijdbijl begraven (onder de Indianen), dus: vrede sluiten. âing; âing-beetle = doodgraver (kever). Busts), bvs, omnibus (Meerv. âses). Busby, bnzbi, kolbak. Bush', bus, subst. volle struik, boomtak, kreu-pelbosch, tak klimop (vóór éene herberg alamp; uithangbord), woest stuk ontgonnen land met |
man; ask = ask; farm = fdm; bfrt = but; learn = Iwn; Ime = lain: hoase = bans; net; care = kca; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = lo; lord = Hid; hog = boi;
BUSHEL.
61
BUZZ.
|
kreupelhout bedekt, vossestaart, ijzeren ring, naaf bus; â verb, dik of ruig worden, met metaal bekleeden, met rijsjes of takjes steunen: Ãood wine needs no â = krans; To beat about the â = er omheendraaien, niet royaal op't doel afgaan; âtighter = onregelmatig strijder (die van achter struiken vuurt); âman = bosjesman; iemand, die in een bosch woont; âranger = een ontsnapte, van root in bosschen levende galeiboef (Australië): ây. BiiHhel, bitöl, schepel (8 gallons), as- of naafbus; âage = belasting op koren, bij 't schepel betaalbaar. BiiHineHt*, bizinos, subst. bezigheid, bedrijf, beroep, zaken, plicht: That i» not your â, no â of your» = dat gaat u niet aan; He IwiH got a'n eye to â = hij is een praktische vent, past op'z'n tellen; 1 have sent hini about his â = ik heb hem de deur gewezen, afgescheept; â before pleasure = eerst het nuttige, dan het aangename. That has done the â lor him = dat heeft het hem gedaan; I will make it my â to please you = ik zal er voor zorgen----; â is â == in zaken geldt geen vriendschap: A man of â = van zaken, handelsman; A â eoneern = handelszaak; That is not my line of â = handelstak; I mean â = ik meen 't in ernst; -like = praktisch. Busk, bvsk, subst. stuk staal of balein vóórin een korset: â verb, klaarmaken, kleeden. Buskin, buskin, halve laars (door tooneelspelers in tragedies gedragen), tragedie: âed = tragisch, verheven. Buss, bvs, subst. zoen, haringbuis; â verb, een tlinken zoen geven. Bust, bitst, borstbeeld, borst. Bustard, bnstod, trapgans. Bustle, bvs'l, subst. drukte, beweging, rumoer; kussentje (voor de taille) door dames gedragen, tournure: â verb.veel drukte of bewegingmaken, bedrijvig zijn: âr = druk, ijverig man. Busy, bizi, adj. druk bezig,quot; naarstig, vlijtig, bemoeiziek; â verb, bezig houden, aan het werk zetten, lie is a âbody, a âbrain = bemoeial, plannenmaker. But, bvt, behalve, slechts, tenzij : â for you 1 should be dead = zonder u; All eame'baek â he (him) = behalve: Away went 4»ilpin, who â he? = ervan door ging G., wie anders dan hij ? It eaniiot be â you nius4 have seen him = het kan niet anders, of: Kot â what he is a good fellow = niet, dat hij niet is: Have you got anything? â I havé = Nu, of ik:* â then = maar daar staat tegenover; All â one = alle op één na; â and-ben = huisje met twee vertrekken. Buteher, butsd, subst. slager, moordenaar, wreedaard: â verb, slachten, wreedaardig vermoorden: âbird = grauwe ekster; ârow = vleeschbankje, vleeschhal: ây = slagersvak, slagerij, wreede moord of slachting. Butler, build, bottelier (hoofd der manlijke bedienden); ây = wijnkelder, provisiekamer. Butment, bntnVnt. Zie Abutment. Butt, bvt, subst. eind, doel, mikpunt, dikste eind van iets. eindpaal, grens, stoot (met den kop, zooals een bok), groot vat (126 gallons wijn en 108 gallons bier), kussen (op een kerkstoel); â verb, met den kop stooten. |
wegduwen; âend of a rille = kolf., geweer. Butter, bntd, subst. boter: He looks as ifâ would not melt in his mouth = alsof hij geen tien kan tellen, erg zoetsappig; A slice of bread and â = boterham: To put â on bacon = een ding zonneklaar maken of bewijzen: â verb, met boter besmeren, vleien, den inzet telkens vermeerderen (bij het spelen): He tried to â me up = mij te vleien; He knows on which side his i»read is âcd = hij weet heel goed, wat hij doet; He is â lingered = hij laat alles vallen, alles glijdt hem uit de vingers; âboat = sauskom: â cup, âllower = boterbloempje; âlly = kapel of vlinder: A âlly kiss = vluchtige zoen; âine, bvterin, kunstboter, margerine: âmilk = karnemelk: âscotch = soort v. kokinje; âtooth = breede snijtand; âdish, âtub = botervlootje; ây, subst. provisiekamer of -kast, ververschingslnkaal (voor E. studenten in de colleges): adj. buterachtig. Butteris, 6»/c?m,mes om de hoeven der paarden af te snijden. Buttock, bntok, achterste van mensch of dier (gew. mecrv.): bol gedeelte van het schip (onder den achtersteven). Button, bvVn, subst. knop, balletje, knoop; â verb, van knoopen voorzien, vastknoopen: It is not worth a â = het is geen cent waard: He held my by the â = pakte mij beet (om met mij te praten): âhole, subst. knoopsgat, bouquetje of roosje in het knoopsgat (N.B. ook familiaar buttonholer genoemd): â verb, knoopsgaten maken, iemand vervelen, bij het knoopsgat pakken, familiaar toespreken: The ambassador âholed the under-secietary = de gezant sprak aan (nam ter zijde) den secretaris-generaal; âhook = knoopen haakje: ânail = spijker met ronden kop; âtree = plataan; âware = garen en band. Buttress, bnlros, subst. beer(melselwerk)om te steunen, steunsel; â verb, steunen (gew. met up). Butts, bots, schuttersdoelen; hoeken van het veld. die de ploeg niet raakt: kanten van dik zooileder. Butty, bnti, subst. kameraad, maat; adj. The â system = stelsel, volgens hetwelk het loon voor een aangenomen werk onder de arbeiders wordt verdeeld. A â gang = troep polderwerkers, die volgens dat stelsel werken. Butyrine, bjuür\a)in, de olieachtige stof van boter, oleine en stearine. Buxom, bnks'm, levendig, dartel, mollig,mooi. Buy, bai, koopen, omkoopen, onderhandelen overeen koop: All the furiiitiire was bought in by me = al de meubelen werden door mij ingehouden, teruggekocht; That rich banker can â up the whole street: The Judge was bought up (over) = om rekocht; 1 have boughi the refusal of that house = ik kan (tot een zekeren tijd) dat huis voor eene bepaalde som krijgen:' The opponent was bought off = werd afgekocht, met geld werd zijn mond gestopt; âer. Buzx, bnz, subst. gegons, gebrom, in't geheim verspreid bericht; â verb, gonzen, fluisteren, in 't geheim rond vertellen: âsaw = ronde zaag; âer = gonzend insect. |
boun; full; fool = fill; e = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: year = jia: loij; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhas: wine.
bone = long =
BUZZARD.
62
CABINET.
|
Buzznrd, hm.nl. subst. soort v. valk, domkop. Bv, bai, bij, nabij, door, volgens, naar evenredigheid van, gedurende, tegen: It m seven â my watch = volgens, op: Take an example â Iiim = aan; Day â clay = dag aan dag; To travel â rail, water, land, sea, steamer = met, per (Maar: in a steamer, vessel, carriage); â this time lie will be here = tegen; One â one = voor; 1 live â my trade = van mijn beroep of ambacht; I have got it â heart, know it â heart = heb het van buiten geleerd, ken het van buiten; â virtue. â reason of = krachtens, wegens: Yon must go there â all means, â any means, â no means = vooral, hoe dan ook, volstrekt niet; A boy, â the name of William = Willem genaamd; lie is â far the best candidate = verreweg; â chance = bij toeval; â degrees = trapsgewijze; â little and little = langzamerhand; \Vho comes there â stealth = steelsgewijze; lie is older than his wife â ten years = tien jaar (vergel. tnu zehn Jahre)i'\\? said it â way of excuse = bij wijze van; I went to Italy â way of France = over P'r.; I do not know, how he came â all that money = kwam aan; I was â myself the whole evening = alleen; When thieves fall out, honest men come â their own = als de dieven twisten, krijgen de eerlijke lui het hunne terug; â anti â = straks, over een tijdje; â the â(e), â the way = in'tvoorbijgaan, a propos; I set great store â yonr C, si. A.C. = Ante Christum = vigt;ni'Christus: C. B. = Companion of the Bath = ridder (broeder)vande Bath-orde; C = 100; CC = 200; C = eerste noot der toonschaal: na den sleutel duidt C de gewone maat bij muziek aan; Cf. = confer = vergelijk: Camb(ridye): Cantab = van Cambridge Universitn; Cant(erburii); C\are) o(f) = per adres (op brieven); Ca-th(olie): Celt(ic): Ciommissionartj) G(eneral): Chap(ter); Chatt. = Charles: Cheintjstry): C(ash) O(n) I)(elivery) = tegen rembours; Colloq(uial): Cotnpiarative); Cotin(ecticut): Corr{esponding) Metn(ber); C or (responding) Sec(retarg): C(ertifloated) T(eacher); C(yclist) T(ouring) C(liib); Cwt = a hundredweight; Cyc(lopaedia). Caaba, kddbd, oude Arabische tempel te Mekka, met een geheimzinnigen zwarten steen erin gemetseld. Cab, kab, rijtuig voor één paard, overdekte plaats voor den machinist op de locomotief; âman, kabrrin. koetsier; â verb, in een rijtuig zitten: We have âbed it = den afstand gereden. Cabal, kdbal, subst. staatspartij, vereenigd om te intrigeeren; de intrigues van die partij; â verb, samenspannen, samenrotten. âIer. |
advice = stel uwen raad op hoogen prijs; â onr ladytkin) = bij de H.Maagd; lt;iiood âe = vaarwel (eig. God zij met u; verg. adien); He has two children â her: â word of nioiith = mondeling; â the run = alles te zamen; Do â others as you wish to be done â = behandel anderen, zooals . . ; âbidder = opjager (bij verkoopingen); â business = bijzaakje; âcorner = sluip-of schuilhoek; âelection = tusschentijdsche verkiezing; âend, âpurpose, âview = nevenbedoeling; âgone = voorbijgegaan; In the âgone = in verloopen jaren; Let âgones be âgones = laten we het gebeurde vergetendâinterest = eigenbelang, persoonlijk belang: âlane â zijlaan; âlaw = gemeentebepaling, wet van corporatie of genootschap; âname = scheld- of spotnaam; âpassage = geheime gang; âpath = zijpad; âplay = stil spel (ophettooneel); âproduct = nevenproduct; âroad (way) = weinig bezochte, en daardoor minder veilige weg; âstreet = achterafstraat; âword = spreekwoord, gewone uitdrukking, scheldwoord, schande. By a rd, hated) borstriem (van een mijnwerker), om iets te sleepen. Bysshe, bis. Byssns, Wsas, linnen, katoenen of zijden stof van buitengewoon fijn weefsel (bij de Ouden); de vezelen, waarmede schelpdieren zich aan rotsen klampen; bosje of kuif. Byzantine, bizantin, Byzantian, bizansn, Byzantijnsch. Cabiila, kabdld, geheime wetenschap, aan Mozes geopenbaard en den Rabbis overgeleverd, ter verklaring van de Schrift; geheimzinnige wetenschap; Cabalist, kabalist. Rabbi, bedreven in de Cabala. Cabalistic(al) = met eene geheime beteekenis. Cabiilline, kabala'm, de eigenschappen tot een paard behoorend. Cabaret, kabdrat of kabdre, kroeg. Cabas, kabas, biezen mand. Cabbage, kabidz, subst. kool, koolkop, de stof, die bij kleermakers door de naald gaat: â verb, 'een kop vormen bij 't groeien, stukjes goed zich toeëigenen (die bij het maken van kleederen afvallen of overblijven): --butterfly = koolwitje (âworm is er de larve van); âheaded = dom; âtree = soort v. palmboom; âlettuce = kropsla. Cabber, kabd, vigelante-paard: Cabby. Zie Cabman. Cabin, kabin, subst. kamertje, hut, kajuit; â verb, opsluiten of wonen in eene cabin. Cabinet, kabinat, klein vertrek, kabinetje, raadkamer, geheime raad van een koning, de ministers, kabinet, veilige plaats voor voorwerpen van waarde; â verb, op-, wegsluiten; â council = geheime raadszitting, minister |
man; ask = ask; farm = fam; bwt = b«t; learn = l«n; line = lain; howse =. hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = «slip; not; \aiv â ld; lord = Hid; hoy = bói;
CABINET-MAKER.
63
CALCEDONIC
|
raad: zitting van den raad van State: â maker = fabrikant van fijne meubelen; âpicture = kleine schilderij van aanzienlijke waarde. Cquot;«b(e)iri, kabairi. demonen, vereerd in Lemnos en andere eilanden, vooral die van het vuur. het koren en den wijnstok. Cable, keib'l, subsi, kabeltouw, kabelanker, telegraafkabel; â verb, met een kabel vastmaken. telegrafeeren: To pay out a â = een kabel laten atloopen; My Vriend âd liis mother = telegrafeerde; adj. A â (ineniHase) = een telegrafisch bericht; âgram = over-zeesch telegram: âlaid = als een kabel gedraaid: ât = kleine kabel, dik touw: âtier, keib'ltte, plaats voor kabels; opgerolde kabels. Caboclied, Cabosbed, fcabosl, met een dieren-kop er op (bij schilden, b.v.). Caboose, kdbtis, kombuis, dekstuk van een schoorsteen, conducteurswagon (goederentrein; Am.). Cabriolet, kabr'ulei, sjees, wagen. Cabiiru, keibon, kléin stuk gesponnen garen. Cacao, kdkeiou of keikou, cocoaboom; â butter = cocoaolie. Cachalot, kaèdlot, cachelotvisch. Cachectic(al), kdkektik^l),\n slechten lichaamstoestand zijnde. Cachexy, kdkeksi, slechte lichaamstoestand. Cachet, kase{i), zegel. Cachiuiiatioii, kakineis n, luid gelach,gegichel. Caelum, kdèü, pil voor rookers, om de lucht van het rooken weg te nemen. Cackle, kak'l, subst. gekwaak, gekakel (van eenden, ganzen of kippen), gewauwel; â verb, kwaken, teuten, wauwelen, stootend lachen: âr. Cacochytnia, kakdkaimid, ziektetoestand van 't bloed: Cacochyuiic(al), kakdJcimikCl). Cacodemon, ka'kddttrin, booze geest (ook scheldnaam voor personen). Cacodoxy, kakddoksi, dwaalleer. CacoetheM, kakdithiz, slechte gewoonte, onweerstaanbare neiging. Cacography, kskogrofi, slechte spelling. Cacology, kdkolddzi, slechte uitspraak. Cncophoiiy, kdkofdni, ruwe, onaangename klank, slechte toestand der stem. Cactus, kaktds. Cactus. Cactaceous, kvkteisds, Cactal, kakfl, tot de fomilie der cactussen behoorend. Cad, kad, poen, ploert. Cadastral, kadastr'l, kadastraal. Cadaverous, kddav.ivas, lijkachtig: âness. Caddice, Caddis, kadis, larve van zeker insect. Caddy, kadi, theebus. Cade, keid, subst. vat haring (500 stuks), vat sprot (1000 stuks); adj. tam, aan den mensch gewend; â verb, met de hand groot brengen. Cadence, keid'ns, Cadency, keicVnsi, val of cadans der stem, klank of toon; gelijkmatigheid in stap of pas; â verb, door muzikale maat regelen; Cadenza, hddenzd, cadans. Cadet, kddet, jongere of jongste zoon, kadet. Cadge, Ararff, klaploopen, bedelen; âr = iemand, die boter, eieren, kippen, enz. ter markt brengt, klaplooper; Cadgy = vroolijk, levendig. Cadi, keidi. Turksch overheidspersoon. Cadiz, keidiz, Cadix. Caduiean, kadmisn, van Cadmus, Thebaansch. Cadogon5 kddoug'n._ |
Cadre, keide, staf van een regiment, kader. Caducean, kddjüsion, tot den staf van Mer-curius behoorend. Caducous, kddjükds, vroeg vallend (van bladeren); Caducity = vroeg verval, sterven. Caedmon, ke{i)dnVn. Caecum, sik'm, blinde darm (PI. Caeca, siko). Caesar, sira, Caesar, keizer, autocraat; Caesarian, sizêrj'n, van Caesar; âism, sizdrizm, absolute regeering. Caesura, siziürd, caesuur (pauze in een versvoet of regel); âI. Cafleiute), kaflnin. caffeine; Cafjeic, kaftikr uit koffie getrokken. Caffre, ka/'d, ongeloovige, niet-Mahomedaany kaffer; Caflraria, kdfrêrid, het Kalferland. Cage, keidi, subst. kooi (voor vogels of wilde beesten), gevangenis voor geringe misdrijven,, omhulsel (wire â om een gasbrander); buitentimmerwerk (om iets te omsluiten of omgeven); â verb, in eene kooi sluiten: âliiig = opgesloten vogel. Caguiag, kac/may, subst. bedervend vleesch, stukjes vleesch; adj. ongezond, bedervend. Cahoot, kdliüt, subst. compagnieschap (Am.)y rapport van eene commissie; â verb, handelen in vereeniging. Calc, Caique, kdik, lichte roeiboot. Caiman, Cayman, keim'n, kaaiman. Cairn, kêdn', kegelvormige steenhoop (als monument boven een graf). Caisson, keis'n of keisot\, ammunitiekist of -wagen. Caitiff, keitif, subst. verachtelijke schurk; adj. laag, gemeen. Cai us, keids of kiz. Caieput, kadzpvt, kajepoetolie. Cajole, kodzoul, bedriegen door vleierij, mooie beloften: verlokken: âr; âry. Cake, keik, stuk gebak: That takes the â= dat wint het. haalt het verreweg: They go off like hot âs = zij gaan als koek,* grif van de hand; â verb, tot een koek vormen, zich zetten tot koek. Calabar, kaldbd, soort v. eekhorentje (Siberië). Calabar-bean, kaldbübin, Afrikaansche boon, ook toetsboon genoemd, omdat zij als toets diende van de schuld of onschuld van de van hekserij aangeklaagden. Calabash, kalobaè, pompoen, kalebas. Calaboos, knk/btls, gevangenis (Amer.). Calabria, kdleibrid, Calabrië. Calais, kalis. Calamanco, kdhmankou, kalmink. Calamireroiis, kaldmifdrds, riet voortbrengend. C alaniint, kalomint, aromatische plant. Calamity, kolamiti, ramp, oorzaak van ellende, droefheid: Calamitous = rampspoedig. Calamus, kaldmas, riet, herdersfluit (van riet)» Calandra, kolandrd,.soort v. leeuwerik. Calandre, kdlor\d3, zwarte graantor. Calash, kdlas, licht rijtuigje, kap van een rijtuig, kap (voor dames). Ook Calèche. Calcar, kalkd, glasoven (voor de eerste bewerking); âeous, k'lkêrids, kalkachtig, kalk-houdend; âeous spar = gekristalliseerd kalkcarbonaat. Calcedon, kalsicCn, vuile ader in edelgesteenten; Calcedonic, kalsidonik, Calcidonéan, kalsi-dounfn.__ |
bone = boun: full; fool = lül; » = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = jia; lony = loi^; s/ap = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dims; wine.
CALCEDONY.
64
CALLIOPE.
|
â¢Calcedoiiy, k'lsedoni of kalsidoni; Zie Clial-cedony.* kalsik. gedeeltelijk of.geheel van kalk; Caleily, kalsifdi. tot kalk maken, verkalken; Calcine, ka!s{a)i7i, door hitte tot poeder ma-ken: Calcination; Calcifonn; Calciferous; Calcimine = stukadoorskalk. lalciiiiii, kalsidm, Calcium. Paleography, klkogwfi, het graveeren in kalk. Caleulate. kalkjuleit, berekenen, rekenen, vereffenen, begrooten, denken (Ver. St.): âd to deceive the puhlie = met het doel: You may â on that promlHe = op die belofte aan* A caU'iilating boy = een wonderreken-jongen: A lightning calculator = iemand, die bliksemsnel rekent, wonderrekenaar. Calculable; Calculation; Calculator; Calcula-tive, Calculiitory = berekenend, rekenend. CalculoHe, kalkjulous, Calculous, kalkjules, steenachtig, hard. Calciilu», /iaZA;/'Mfós(Meervond Calculi), steen, graveel. eene bepaalde methode van berekening. Difiereutial â = difTerentiaal-rekening. Integral â = integraal-rekening, liiteral â = algebra. CaOOldrou. kóklr n. groote ketel. Caleb, keileb. Calecaniion. keil kan n. lersch gerecht (gestampte aardappelen en moesgroente). Caledoiiiaii. kalddoiinj'n, snbst. Schot (â» = soort quadrille); adj. tot Caledonië(Schotland) behoorend. Calelacieut. knlifeiamp;'nt, adj.ensubst warmte-verwekkend(middel): Calelactlou,knlifaks'n, verwarming, het verwarmd zijn; Calefy = verwarmen: Calefactor = klein kookfornuis; Calefactive, Calefactory = verwarmend. Caleinboiirg, kaVnbnd. woordspeling. Calendar, kaVndz, subst. kalender, almanak, register: â verb, opnemen (in een register); âniontli = zonnemaand. Calender, kal'ndd. subst. klander of linnenperser: linnenpers: â verb, linnen persen of mangelen. CalendH, kaVndz, eerste dag van iedere maand (bij de Romeinen): At the («reek â = nooit (aangezien de Grieken geen calends hadden). Calendula, kdlendjuld. plantensoort, waartoe marigold behoort. Calenture, kaVntjud, ijlende koorts (door de hitte in tropische gewesten): Calescence, kdles'ns. toenemende hitte. Calf, kaf (Meerv. Calves, kavz), kalf (ook het jong van andere dieren), kalfsleer: kuit; domme, laffe kerel; âlove = kalverliefde. Callioon, kalhün. Caliban, kalib'n, wilde, vlegel. Calibre, kalibd, kdlibd, kaliber (doorsnede van de holte van een kanon), bevatting van den geest; â compasses. Zie Callipers. Calibrate = opnemen v. h. kaliber, van graad-strepen voorzien; Calibration. Caliciform. kdlisifóm. kelkvormig. Calico, kalikou, (gedrukt) katoen, ongebleekt katoen; âball = bal, waarop de dames katoenen japonnen dragen. Calid, kalid, lauw, warm, vurig; Caliduct = verwarmingspij p. Calirornia. kaïifönia. |
Caligo, kdlaiyou, dofheid van gezicht. Calipash, kalipas, deel van een schildpad aan de bovenschelp. bevattend eene dofgroene, kleverige stof; Calipee, kalipi, deel van een schildpad aan de benedenschelp, bevattend eene lichtgele, kleverige stof. Caliph, kalif of keil if kalif; âate. ' ('alix. keiliks, kelkvormige holte. Calk, AróA', subst. ijsspoor (tegen het uitglijden): â verb, breeuwen, van ijssporen voorzien, het uitglijden beletten, eer.e teekening copieeren door krijt te gebruiken: âer, âin = punt vooraan een paaidehoefijzer; âing-iron, kó-kinair'n. breeuwmes, kalefaatijzer. Call, kol, subst. roep, oproeping, smeeking, roeping; vraag, uitnoodiging, kort bezoekt stoot op een jagershoorn, bootsmansfluitje: A â to the bar = toelating tot de balie: lie is at my beck and â = hij staat klaar voor mij; lie gave ine a â yesterday = bracht een bezoek; You had ho â to say such a thing = gij waart niet geroepen (hét was niet aan u) om zoo iets te zeggen: llis words were considered a close â = als eene uitdaging; adj. A â dinner = promotiediner (bij juristen); A â of the House = het oplezen van de namen eener vergadering: 1 am at â = ter beschikking; lie is within â = hij is te beroepen, kan ons hooren: â verb, noemen, oproepen, uitroepen, aanstellen, inroepen, toeroepen, luide roepen, bezoeken: He âed on ine, âed at my house = bracht mij een bezoek; The headmaster âed absence = hield appèl: lie was âed out at once = uitgedaagd: You are âed lor = er wordt naar u gevraagd; He âed for his sister = haalde zijne zuster; To be left till âed for = zal afgehaald worden, poste restante: This âed forth ail his strength of mind = dit riep al zijne zielskracht op; He was âed off by Heath = weggenomen, opgeroepen; He was âed to account = ter verantwoording geroepen: She âed them all kinds of names = schold hen overal voor uit; To â one to naught = uitschelden, dat er niets van iemand overblijft: The names of the Hailors were âed over to see who were missing = opgeroepen, om te zien, wie vermist werd; Can you â to mind those days? = herinnert ge u?; The mention of his name âs up before our inind a spare man = roept ons een schraal man voor den geest; He âed on (upon) the honour of his country = deed een beroep op; He was âed over the coals = uitFchelden, ter verantwoording roepen; Could you â round to-morrow = eens aanloopen*; The reserves were âed out = reserve werd opgeroepen: To â the roll = appél houden: A âed assembly = buitengewone vergadering; âing = beroep', (goddelijke) roeping; klasse van personen, een bepaald beroep uitoefenend: â bird = lokvogel; ânote = de roep van een vogel; âboy = jongen, die de acteurs op hun tijd op het toóneel roepi; kajuitsjongen; âer-up, koldwp, morgenwekker, porder. Calligraphy, kaligrdfi. schoonschrijf kunst; schoonschrift; Calligrapher; Calligraphic. Calliope, kalaioupi, muze der welsprekendheid en heldenpoëzie. |
man; ask = ask; farm = fam; bat = bwt; learn = Ion: line = lain; ho?lt;se = hans; net: care = kèa: fate = feit: tin: asleep = aslip; not; \aw = ió; lord = liid; hoy = bói:
CALLTPERS.
65
CANCER.
|
('jilli|M*rsr kalipdz, Calliper c(»iiipaHMeH. â IcDmpdsiz, passer met kromme beenen voor ])o!le lichamen. â¬3alli»tlieiiics.Aa//s-McmA-s,kamergymnastiek, vrije- en ordeoefeningen (vooral voor meisjes). 1'iilloiiH. kales, hard, verhard, ongevoelig; Callosity, kelositi, hardhuidigheid, hardheid (die b.v.'om of tusschen gebroken beenderen gevormd wordt), ook Callus genoemd. Callow, kalou, nog niet in staat tot vliegen, kaal; groen, ongaar (v. menschen). Calm, karn, subst. kalmte, windstilte: The wind fell a dead â = het werd bladstil; adj. kalm, rustig, ongestoord: â verb, stillen, doen bedaren, stil worden: We sliall try to â Iiini down a litlle = wat te kalmeeren: âalive, kdmotiv, kalmeerend (middel). CaltiinckH, kalmdks, (de) Kalm ukken. Caliie. kfin. Calomel, kalom'l, calomel (sterk purgeerend). Calorescenee, kafores'ns. overgang van niet-lichtgevende tot lichtgevende warmtestralen. C'aloric, kdlorik, subst. hitte (eig. het hitte voortbrengend element); Caloridact = warm te-buis; Calorifere, kdlorifid, kalorifére, verwarmingstoestel; Calorific, hd fori fik, verhittend: ('aloriüc rays = warmtestralen: Calorimeter, kaIdHmdtd, warmtemeter; Ca-lorimetric. Calotte, kdlot. kalotje, militaire muts, ronde holte (bouwk.). C'allrop, kaltrdp, voetangel (om de kavalerie den doorgang te beletten), sterdistel. Calumet, kaljwnet, vredepijp (Indianen). Calumniate, kalnmnieit, iDelasteren, lasteren; Calumniamp;tort/, CalumnioKS = lasterlijk; Calumny = laster. Calumniator = lasteraar. Calvary, kalv.iri, hoofdschedel plaats,kruisberg. Calve. 'kav. jongen voortbrengen. Calville, kalvil, soort v. appel. Calvinism, kaluinizm, Calvinisme. Calvinist. Calvinistic(al). Calx, kalks (Meerv. Calces, kalsiz), asch of poeder, dat van mineralen na fijn maken overblijft (Z. Calcination onder Calcic). Calyx, keiliks of kaliks, bloemkelk (Meerv. Calyces, kallsiz). Cam*, kam. subst. duim, lichter (tot het veranderen van eene beweging); adj. krom, gedraaid, dwars, scheef. Camaieii, knmdjü, cameo. Camarilla, kumdrild, geheime hofkliek, die zich tusschen den koning en zijne ministers plaatst. Cainbpr, kambd, subst. kromming, ronding (naar boven); â verb, krommen, welven. Cambist, kambist, bankier, effectenhandelaar. Camhiiim, kambfin, cambium (stof, in de lente, tusschen hout en bast van boomen). Cambray, kambrei. Kamerijk. Cainbria(n). kambrid(n), (tot) Wales of Cambria (behoorend). Cambric, keimbrik, batist: â s = zakdoeken van b.: âpaper = satijnpapier. Cambridge, keimbridz. Camden, kamd'n; â Town = wi.jk in het N.W. van Londen. Came, keim, imperf. van to come. Camel, /jam'/, kameel, scheepskameel (Holland); âbacked = bochelig: âopard, kdmeloupiid, giralTe: âry = infanterie op kameelen. |
Cameleon. Zie Cliameleon. Camellia, kdmelid, camelia. Cameo, kamiou, camee (kostbare steen). Camera, kamdrd, raadkamer (van rechters). Camerated, kamdveitid, gewelfd, in kamers afgedeeld. Cameronian, knmdroiinfn. van Cameron: â regiment = 1ste bataljon Schotsche fuseliers. Cameroon, knmariin. Camisade, A«m/Sf/i/, nachtelijke overron ipeling. Camisole, kamisoul. buis, boezeroen, jakje. Camlet, kamlot. kamelot (soort v. wollen stof). Camomile. Zie Chamomile. Camp, kamp, subst. kamp, verzameling van tenten, kampeerende troepen, wintervoorraad van aardappelen, etc.: â verb, kampeeren (dikwijls met out): âbed(steadgt; = veldbed: âcliair = lichte vouwstoel: âmeeting = godsdienstige bijeenkomst in de open lucht. Campaign, k'mpein. subst. groote vlakte, veldtocht: â verb, een veldtocht medemaken: âer. Campana, Kmpeind, paaschbloem. Campanirorm, k'mpaniföm, Campanulate, k'mpanjitleit, klokvormig; Campanile, k-.xm-ponih, klokketoren; Campanology, kampa-noladzi, de kunst van klokkeluiden, klokgieten, enz.; Campanula, k'mpanjulo, klokje. Campbell, kam(byi. ( ampeadiytwood), k'mpitsi, Campèche. Camperdown, kampddaun, Kamperduin. Campestral, k'mpestr'l, Canipestrian. k'm-pcstrion, op het veld groeiend. Oampliene , Campliine, kam fin , zuivere terpentijnolie. Camphor, kamfd, kamfer; Camphoric = tot kamfer behoorende: Camphoraceous = kamfer-achtig; Camphorateid) = met kamfer doortrekken (doortrokken). Campvcre. kampvid, Veere. Cam-wheel, kamivil, excentriek rad. Can, kan, subst. kan, kroes: verb, kunnen, inmaken (in bussen, etc.): 1 â but say, that 1 ânot (choose) but repent lt;»1* my words = ik kan slechts zeggen, dat ik niét anders kan dan (wel moet) berouw hebben over; They ânot away with each other = elkaar niet 'zetten, niet met elkaar overweg. âned fruit = ingelegde of ingemaakte vruchten. C'iuaauite. keinadmüt, bewoner van Canaan: Canaaniet(afstammelingvan Cham); Canaan-itish. Canada, kanodd: Canadian, kaneiclfn, Cana-disch. Canaille, kenaii, plebs, gepeupel. Canal, kdnal, kanaal, geleiding, fluit, groef. Canalization. Canard, kanö(d), bedriegerij, leugen, aardigheid. Canary, kdnêri, soort van wijn, kanarievogel, oude 'dans; The Canaries = de Kanarische Eilanden. Canaster, kanastd, slechte tabak of knaster, krat (voor tabakverpakking). Cancan, kar\kar\, wulpsche dans. Cancel, kftns'l, subst. het doorhalen en opnieuw drukken van een boek, het doorgehaalde: â verb, streepen halen door, vernietigen, onderdrukken; âlated = met dwarsstrepen door-' gehaald. Cancer, kamp;nso, kreeft, kanker: The Tropic ! of â = Kreeftskeerkring: Cancerate = kan- |
bone = boun; full; fool = ful; ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jiaj logt;}^ = loi^; s/èip = sip; occas/on = okeiy/n; thin; thus â dhvs: wine.
ten bruggencate, Eng. Woordenboek. 5
CANTONMENT.
06
CANCRINE.
|
kerachtig worden; Cancerous = kankerachtig =â Cancroid. CaMcrhie, ka)]kra(i)n, kreeftachtig; Cancri-form, katikrifóm, kreeft-, kankervormig. Caiidelahrnin, kuncldleibr'm, kroonkandelaar. lampestander. Caiident, kand'nt. witgeloeiend. Candia, kandjd, Candia. C andid, kandid, eerlijk, vrijmoedig, oprecht; Candidacy = Candidature = kandidatuur; Candidate = candidaat, sollicitant. Candied, kandid, met eene korst suiker bedekt, geconfijt; vleierig, onoprecht: Candify = met suiker bedekken. Candle, kancTl, kaars, licht: You cannot burn the â at both end» = men kan niet van alles tegelijk profiteeren; lie cannot (i« not fit to) hold a â to you = hij staat ver beneden u; That im not* worth the â = dat is het zoeken niet waard, de sop is de kool niet waard; For this we owe the author a â = zijn wij den schrijver dank schuldig; âberry = laurierbes: âbox = kaarsenbak: âlight = kaarslicht, avond, nacht; âlighter = fidibus, reepje papier: âends = brokjes, overblijfsels; âma» = Maria Lichtmis (2 Februari); âstick = kandelaar; âwaster = kaars- of lichtver-spiller, dief (aan de kaars); âwiek = kaar-sepit. Candour, kando, oprechtheid, eerlijkheid. Candy, kandi, subst. kandij; â verb, met suiker inleggen, kristaliseerèn, konfijten: lie has too iniirh â = een te lekker leventje. Cane, kein, subst. riet, suikerriet, bamboes, rottang, rotting, spies of pijl (van riet), lengtemaat; Bengal â = Spaansch riet; â verb, met een riet afranselen, met riet matten; A â(bottom) chair = stoel met rieten zitting. âmill = suikerrietmolen; âtrash = afval van suikerriet; Cany â vol riet. Canella, konelo, kaneel(plant). Canescent, fomes'nt, wit of grijs wordend. Canicula(r), konikjuU). (tot de) hondsster (be-hoorend), verbazend heet: â r Days, Do^-day» = hondsdagen. Caniciilnte, kdnikjulit, Caniculated, konikja-leitid. gegroefd, met voren. Canine, kenain, honds . . .; â teeth = oogtanden; â laugh = schamperlach; â appetite = onverzadelijke eetlust: â madness = hondsdolheid, watervrees. Canister, kanistd, bus, schrootbus, schroot; âshot = schroot. Canker. kai\kd, subst. bederf (in boomen), spruw (bij kinderen vooral), alles dat bederft of vernietigt; ziekte (in pooten van paarden), hondsroos; â verb, bederven, vervallen, besmetten, wegvreten; âed = weggevreten, knorrig: âfly = vruchteninsect; âworm = blad-ofvruchtenrups; ârash = roodvonk (met zwerende keel); Cankerous = wegvretend. Cannabis, kanobis, hennep: Cannabine, ka-nnbain, narcotische stof uit hennep getrokken. Cannel-coal, kan'lkoul, Candle-coal, kamVl-koul. harde, helderbrandende kool. Cannequin, kandkwin, wit katoenen stof (Indië), Cannibal, kanibl, subst. menscheneter; adj. menschenetend; âisin. |
Cannon, kanon, kanon, geschut, carambole: In â range = op kanonschotsafstand; â ball; Cannonade, subst. beschieting en aanval met kanonnen: â verb, met kanonnen beschieten, kanonnen afschieten, caramboleeren: Cannoneer = kanonnier; Cannonry = de gezamenlijke kanonnen: âproof = bestand tegen kanonschoten: -âshot = kanonschotsafstand. Cannula, kanjuld, buis. â r = buisvormig. Canny, kani, omzichtig, voorzichtig, redzaam, aardig, goedig, slim. Canoe, kanü, boot. kano: âist. Canon, kanj'n, diepe, steile bergkloof. Canon, kanon, kanon, kerkelijke wet, de heilige Schrift, domheer, lijst van heiligverklaar-den. kloosterzegel, fuga, groote drukletter: â law = kanonieke wet; Canonic(al); Canonicals = volledig priestergewaad; Cano-nicity = echtheid; Omcmir^ = heilig verklaren; Canonry, Canonship â domheerschap. Canopy, kanopi, subst. altaarbekleeding, troonhemel,* hemel van ledikant, gewelf, bedekking; â of heaven = hemelgewelf: â verb, met een hemel bedekken. Canorous, konóros, zangrijk. Cant, kant, subst. jankerige, gemaakte manier van spreken: de eigenaardige spreekwijze van sekte of partij, huichelarij; buitenhoek, kentering, stoot, ruk; â adj.huichelachtig; â verb, gemaakt, huichelachtig spreken, overhangen, kantelen: The â olquot; art is the worst of all tfie âs, continually âed in thin âing world = de praatjes * over kunst zijn het ergste gewauwel, dat steeds uitgekraamd wordt in deze gemaakte maatschappij; â hook = haak, om balken te kantelen. Cantab, kantab, een in Cambridge gepromoveerde (Verkorting van Cantabrigian). Cantankerous, k'ntankoras, onaangenaam gehumeurd, bitter, boosaardig. Cantata, k'ntüto. Cantate. Canteen, k'ntin, veldllesch. cantine, kistje met mondbehoeften en andere reisbenoodigdheden. Canter, kanto, subst. korte draf of galop; â verb, in korten draf of galop zijn of brengen: That horse won at (in) a â = won het op zijn doode gemak: Putting spurs to his horse, he âed off = zijn paard de sporen gevende, reed hij weg; lie struck a â = hij zette het paard in korten galop. Canterbury, kantdUri. muziekportefeuille: Canterbury (stad); â Tales = beroemd gedicht van G. Chaucer ('14e eeuw): âgallop = sukkeldrafje: âbell = klokje (bloem). Cantharides, k'n-tharidiz, Spaansche vliegen (Enkelv. Cantharis). Canthns, kanthos, hoek van het oog. Canticle, kantik'f, lied, lofzang. The âs = het Hooglied. Cantillate, kant Heit. zingen; Cantillation. Cantinière, kantinjêd, zoete la ars ter. Cautie, kanCl, subst. brokstuk, achterboog van een zadel; â verb, verdeelen. Canto, kanton, zang (van een gedicht), so-praanstem; âr, kanto, voorzanger. Canton, kanfn, subst. kanton, landstreek, de bewoners daarvan, gedeelte, hoek van een wapenschild; â verb, in kantons verdeelen, kantonneeren; Cantonal: âinent. |
man; «sk = ask; farm = fiim; b«t = but; learn = Iwn; line = lain; ho?/se = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = lo; lord = lod; hoy = boi:
CAPUCHIN.
67
CANTOON.
|
l'aiitoon, kantün, sterke stof (geribd aan de eene zijde, met satijnachtigen achterkant), ('aiiiite, kdnjüt, Knoet. t'aiity. kanti, vroolijk, spraakzaam. Canvas, kanvds, sübst. zeildoek, grof linnen, doek (schilderk.), borduurdoek, alle zeilen: adj. van linnen gemaakt: Under â = in tenten of tent: âback = N.-Amer. eend: âcliinber = matroos. CanvaHs, kanvos, siibst. onderzoek, discussie, stemmen werving; â verb, onderzoeken, be- ] spreken, stemmen werven, verzoeken: âer. Canzone, k'ntsouni. aria in twee of drie af-deelingen; Canzonet = liedje. Caoiitelioue. kutsnk, gom-elastiek. Cap, kap. subst. percussiehoedje, papierformaat, hoofdbedekking, pet: â and bells = zotskap; Blaek â = calotje, dat de rechter opzet, als hij het doodvonnis uitspreekt: Many a women »et lier â at liiin = hengelde naar hem:â verb, bedekken, eene muts of pet opzetten, volledig maken, overtreffen: He âped (to) the ladies = ontblootte het hoofd voor: 1 recited the first verse, and lie instantly âped it = ik zeide den eersten regel op, en liij ging dadelijk door met de volgende regels; His conduct was shaiiiei'nl, but be âped it after yonr departure = maakte het nog erger: âpaper = grof pakpapier: - l'ul oi'wind = plotselinge windvlaag. Capable, keipob'l, vatbaar,bekwaam,bevoegd: â ol' pity = vatbaar voor; A â book = voortrettelijk; Capability, Capacious, kdpei-sds. ruim, veelomvattend: Capacity, kdpasiti, bekwaamheid, ruimte, karakter, hoedanigheid; Capacitate = bekwaam of bevoegd maken, diplomeeren. Cap-a-pie, kapdpt, van het hoofd tot de voeten, geheel. Caparison. kDparis'n, subst. rijk paardetuig, staatsietooi; â verb, rijkelijk versieren of bedekken: Kicbly âed horses = prachtig opgetuigde. Cape. kelp. kaap, schouderstuk, pelerine: â ant-eater. Zie Aardvark: â Town = Kaapstad. Caper, keipe, subst. kapperkool, kaper,dartele sprong, bokkesprong; â verb, dartel rondspringen: He cut many âs = maakte . . . bokkesprongen. Capercailzie, kapdkeHji, Auerhaan (Schotl.). Capias, keipios: Writ ol' â = bevel tot inhechtenisneming. Capillaceous, kapileièds, zeer fijn(alseen haar). Capillary, kap'Uori of kdpilori,subst. haarhuis, fijne ader; adj. haarfijn, haarbuisvormig; Ca-pillnrity. Capilliform. Capillose = behaard. Capital, kapiVL subst. kapiteel, voornaamste zaak, hoofdstad, hoofdletter, kapitaal, voorraad van macht of vermogen; adj. hoogst belangrijk, voornaamst, strafbaar met den dood, uitstekend, Hink: â piiirishment = doodstraf: â crime = halsmisdaad; âletter = hoofdletter; âstock = bedrijfskapitaal; â ism: âist; âize. Capitalization. Capitate, kapiteit. tot een hoofd of kop groeiend, zooals kool: Capitation â hoofdelijke belasting. Capite, kapiti: Tenant in â = die rechtstreeks landerijen van den koning heeft. Capitol, kapiti, kapitool, congresgebouw (Ver. ; |
St.), staats vergaderzaal (Ver. St.); Capitolean, Capitoline = tot het kapitool behoorend: âine gaines = spelen ter herinnering aan de redding van het kapitool (Home), of ter eere van Jovis C. Capitular(y). k.)pitjiild(ri), subst. kapittelwet, lid van een kapittel; adj. tot een kapittel be-hoorende. Capitulate, kdpitjuleil, zich (op bepaalde voorwaarden) overgeven, opnieuw teekenen (voor den mil. dienst). Capnomaiicy, kapmnminsi. waarzeggerij uit de dikte en richting van rook. Capoc, kspok, kapok. Capou. keipyn, kapoen; âet = kapoentje. Capoiiniere, kdponjêd, bedekte gang van één deel eener versterking tot een ander. Capot, kapot, subst. het halen van alle trekken bij het piketspel; â verb, alle trekken halen. Capote, kdpout, soort van lange mantel (jas). Capoiicb, Cap(o)uclie. kdpfis, subst. monnikskap, kap van een mantel: â verb, met eene kap bedekken, door de vingers zien. Cappadocia, kapjdotisd. Cappadocië. Capra. kaprd, geit. Capric, Capricl = tot het geitengeslacht behoorende. Capreolate. kapridleit, omrankend, van ranken voorzien. Capreolus = rank. Capriccio. kdpHtêou, caprice (muz.). Caprice, knpris, gril, kuur, luim. Capricious, kdprisas, grillig. Capricorn, kaprikön, de Steenbok (in den Dierenriem): Tropic ol' â = Steenbokskeerkring. Caprilication, kapri/ikeis'n, bevordering van het rijpworden der vijgen door den steek van een insect of eene naald. Capritole, kaprifonl, kamperfoelie. Capritorm, kaprifóm, t aprine, kapr(a)in, geitvormig: Capriole, kaprioul, luchtsprong (van een paard), dolle sprong. Capsicum, kapsilvtn, Cayenne-plant. Capsize, kdpsaiz, omslaan, omverwerpen. Capstan, kapsfn, kaapstander. Capsular(y), kapsiuh(ri), hol als eene capsule. Capsulate(dgt;. kapsiufeU\itl), in eene capsule besloten; Capsule, kapsiül, capsule, zaadhuis. Captain, kapVn, aanvoerder, kapitein, opziener, hoofd (van de elf bij het cricketspel): â ol' lioi'He = ritmeester; âcy, âship = rang van kapitein. Caption, Laps'n, arrestatie: bewijsstuk aaneen wettelijke bepaling, toonende, wanneer, waaien door welke bevoegde macht uitgevoerd: gijzeling. Captious, kapèds, vitachtig, bedillerig, bedriegend: He was very â with us = op... Captivate, kaptiveü, Bekoren, boeien, onder het sim krijgen. Captive, kaptiv, subst. gevangene, krijgsgevangene: adj. gevangen genomen of gehouden: Captivity â gevangenschap: Captor = prijs-maker, vanger, kaper; Capture, kaptjo. subst. vangst, prijs, het vangen. Without a whole capture ol* coliinins we cannot do justice to the work = zonder eenige kolommen in beslag te nemen; â verb, met geweld vangen, behalen (van een prijs). Capuchin, kapnêin, Franciscaner monnik, dames-kapmantel, soort v. duif. |
bone = boun: full; fool = tul; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = jia; lony = loi^: ship = sip; occasion = okeiz'n thin: thus = dims: wine.
CARMAGNOLE.
68
CAR.
|
C'ar, /1«, licht wagentje, triomfkar, tram- of spoorwagen (Amer.). IriNh â = rijtuig, waarin men rug aan rug zit; The â8 = spoortrein (Am.). Carabine, karabin, Carbine, kit bain, karabijn. Carbineer. Carabineer; The C.Arabineers â het 6e regiment garde-dragonders. Cai'(i')aek. kardk. groot koopvaardijschip, galjoen. Carac*bl(e), A:«ra/.o(u)/, subst. sprong, halve zwenking (van een paard), wenteltrap: â verb, eene halve zwenking maken. Carale. kdrdf, karaf. Caramel, kar dm'l, gebrande suiker, om geestrijke dranken bruin te kleuren: soort v. bonbon. Carapace, kai'dpeis, harde, ronde bovenschelp van grootere weekdieren. Carat, karat, gewicht van vier grein, karaat (= maat van Vïm): It i» not worth a â = geen duit waard. Caravan, karav'n of ki\rdvan. karavaan, kermiswagen. woonwagen. Zie Van. Odravaneer = iemand, met de zorg voor de kameelen van een karavaan belast: Caravansary. Caravanserai = karavansera (groote herberg, met een plein in 't midden, voor karavanen); groot gebouw, door vele gezinnen bewoond, beneden met winkels, in groote steden. Caravel, karov'l, karveel, soort v. vaartuig. Caraway, karawei, karwei (plant). Carbiner kdbain. Zie Carabine. Carbolic, kei bo lik, uit kool(teer) getrokken. Carbon, küb'n, zuivere houtskool. Carbonac-eons, kübaneisas, koolhoudend, -bevattend. Carbonari, kcibandri, leden van een geheim demokratisch genootschap in Italië en Frankrijk. Carbonic acid. kabonikasid, koolzuur; Carboniferous = kolen voortbrengend; Carbonize, kübanaiz, tot (houts)kool doen verkeeren; Carbonization. Carbiincle, kübnnkl, karbonkel, puist, bloedzweer: Carbnncular = door carbuncles gekenmerkt. Carburet, kilbjuret, Carbnrize. kübjuraiz, een ander element met houtskool verbinden. Carcase, CarcawM, kakos, lijk, geraamte, wrak. Carcinonia, kïxsinouma, kankergezwel; Carcinomatous = kankerachtig. Card, kad, subst. (speel)kaart, naamkaartje, kompasroos, (wol)kaarde: It is on the âs = waarschijnlijk; He speakH by the â = hij drukt zich nauwkeurig uit: That piece is a sure â, it will run lifty nights = het is een successtuk, en zal wel 50 maal gespeeld worden; He plays his âs very well = hij is een handige, gladde baas; â verb, kaarden (van wol, vlas, enz.), vermengen; âiiiR-inachine = kaardmachine: âcase, âkets, visite(kaarten)boekje: âboard = karton: They left their iiaineN on glazed âboard = geglaceerd karton: âsharper = bedrieger; âtable = speeltafeltje. Zie lüaniing-table. Cardainine, küdamain, koekoeksbloem. Card ia, küdja. opening, waar de slokdarm in de maag komt: âc, kddjak, âcal, k'idaiak'l, tot het hart behoorend: het hart opwekkend, hartsterkend, prikkelend, en het geneesmiddel daarvoor. CardifT. kadif. Cardinal, küdiril. subst. kardinaal, korte vrouwenrok, bisschop (soort v. warme wijn): adj. |
voornaamst, balangrijkst. ten gronde liggend, donkerrood: â niiinbers = hoofdgetallen: â points = vier hoofdpunten (van het kompas): â virtues = de vier hoofddeugden (bij de Ouden): Prudence, Temperance, Justice. Fortitude: âbird = Amer. zangvogel met kuifje en roode veeren; â Higns = de vier voornaamste teekens van den dierenriem: Aries, Libra, Cancer, Capricorn;ântex âship. Carditis, kadaitis, ontsteking van het hart. CardtMtn, kadün, artisjok. ('ardniis. küdjuas, distel. Care, Area, subst. zorg, angst, oplettendheid, opzicht: To Mr. W. (to the) â of Mrs. MiiHer = per adres (ook c. o. = p. a.): He took â to ... = zorgde er voor, dat..; Have a â = pas op! â verb, zorgen, zich bekommeren om. geneigd zijn, houden van: I don't â about wine Jnst now = ik geef op quot;t oogenblik niet o'm wijn, d. i. ik heb het liever niet: He did not â a pin, a curse, a damn = hij gaf er geen zier om: Let him go. I don't â = het kan mij niet schelen: âworn = afgetobd, door zorgen versleten; The âtaker would not allow me to go in = huisbewaarder; lam âInl for nothing = ik geef om niets: He was not -Inl to deny it = hij erkende het gaarne: âless. Careen, karin, subst. schommelende gang (v. kameel): â verb, een schip op zijde leggen (om te kalefateren), naar eene zijde overhellen: Careenage = plaats daarvoor, of de kosten daarvan. Career, karia, subst. loopbaan, baan: â verb, zich snel bewegen: We were âing along at the rate of sixty miles an hour = wij gingen er overheen 'met eene snelheid... Carelia, karilja, Carelië. Caress, kares, subst. liefkoozing. omhelzing:â verb, liefkoozen, omhelzen. Caret, kêrat of kdrat, een teeken bij het schrijven of drukken, om aan te duiden, dal een ontbrekend woord moet worden ingevoegd. Carew, karü. Cargo, kdijou, lading, goederen: âcarrying = vrachtvarend. Caria, kêria, Carië. Caribbees, knribiz, Caraïbische eilanden: Caribs of Caribbees = Caraïbiërs. Caribou, karibü. N. Amer. rendier. Caricature, karikafjua, subst. karikatuur, lachwekkende voorstelling: â verb, overdreven en bespottelijk voorstellen. Caricaturist. Ca-ricatural. Caricous, karikas, vijgachtig, -vormig. Caries, kêrüz, beeneter; Cariosity: Carious. Carillon, kariVn of ka Hij on,, klokkenspel, een deuntje daarvoor. Carintlna, karin-thia, Carinthië. Car(r)iole, karioxxl, klein open rijtuigje, calèche. Cark, kak, subst. zorg, kommer; â verb, zich bekommeren, angst verwekken, bezorgd maken: âing cares = kwellende zorgen. Carl(e), kal, kerel, ruwe vent, boer. Carline. kdlin, oud wijf, heks. Carlisle, kïüail; Carlyle, kiilail; Curlylese. Carlovingian, külavinzan, tot Karei den Groote of zijne dynastie behoorende. Carmagnole, köm'njoul, lied en dans (in |
man: ask = ask: farm = fam: bwt = bwt; \earn = hm: 1/ne = lain: hoz/se = hans: net: care = kca: fate = feit: tin: asleep = aslip: not: low = ld; lord = löd: hoy â b«»i:
CARTOON.
CARMAN.
69
|
Frankrijk in 1793), Fransch revolutieman, bombastische stijl. ('arinaii, kiim'n, karreman, vrachtrijder. i'arniarllieii. kamiith'n. ('arnielite, kiïmolait, Karmeliet: soort v. peer. l'ariniiiative, kaminotiv, subst. en adj. wind-verdrijvend (middel). Carmine, kümain, karmozijn Canneiiiain), kamtnjd(n), Kierman(sch). Carnage, kitnidz, subst. bloedbad, slachting: â verb, met lijken bedekken: âd. ('ariiitl, Ara/i'/,vieeschelijk, zinnelijk: âminded = wereldsch^ezind. Carnality. Carnarvon, kanüv'n. Carnation, künels'n. anjelier, vleeschkleur: Carneous = vleeschachtig. Carney, küni, mondziekte(bij paarden); vleien. Carnifex, künifeks, beul. Carnify, künifai, in vleesch veranderen: Garni firati on. Carnival, kilniv'l, carneval, pret. Carnivora, kanimro, vleeschetende dieren. Carnose. kanotis, CarnoiiM, ktitiss. vleeschachtig: Carnositu = vleeschuitwas. Carol, Aar'l. subst. lofzang, lied, gekweel: â verb, lofzingen, kweelen. Carolina, kardlaind, twee der Zuidelijke staten van de N. Amerik. Unie; Caroline, karolain, Carolina; Tlie Caroline Age = tijd van Karei T. CarohiM, kardlds, gouden munt (Karei I) van20, later 23 shillings. CaroiiHal, keraiiz'l, feest, drinkgelag. Carouser. ('.arouse == subst. drinkgelag; â verb, zwaar drinken, pret maken. Carp, A-öp, subst. karper; â verb, vitten, be-dillen: âal. Carpathian, kapeithidn. Karpatisch. Carpenter, kiiifntd, subst. timmerman: â verb, timmeren. Carpentry = timmermansambacht, -werk. Carpet, küpDt, subst. karpet, vloerkleed; â verb, met een tapijt beleggen. It i.s on theâ nou' = het is nu op het tapijt: If we are live niinnteH late, we get âed = worden wij er over gekapitteld: âbag = subst. reiszak, valies; verb, het land doorgaan en politieke redevoeringen houden (âbag politician» of âbaggers); âbeater = bediende aan tafel; âdanee = geïmproviseerd huiselijk bal: âknight = saletjonker; âlint = tapijtrafels; âwalk = zacht, mossig pad. CarpiiN, kiipzs, het gewricht. Carraek, kardk, groot koopvaardijschip,galjoen. Carrag(h)een, kardgin, voedzame lersche-mos-soort. Carrel, kar'h pijl voor den kruisboog, kleine huiskapel. Carriage, kar id z, subst. rijtuig, vervoer, vrachtprijs, «affuit, last, gedrag, houding, geraamte (van wagens,trappen,enz.); âfree = franco; âable = vervoerbaar. Carriek-bend. karikbend, weversknoop. Carrier, kar id^ vrachtrijder, bode, postduif (= â-pigeon). Carrion, karidn, subst. kreng: adj. zich voedend met dood aas, betrekking hebben op dood aas. -âerow = de gewone kraai. Carrom, karom, carambole (biljart), gelukkige zet. gelukje (Amer.). |
Carronade, karmeid, kanonnetje. Carrot, karot, gele wortel (eetbaar); âs = rood haar; ây. Carrows, karotiz, rondtrekkende kermisklanten (Ierland). Carry, kari, subst. richting of beweging dei' wolleen, dracht van een vuurwapen; â verb, dragen, vervoeren, brengen, overbrengen, overdragen (v. eigendommen,enz.), binnenbrengen; wegnemen; uitwerken, volbrengen; verkrijgen; uitdrukken; vertoon maken, bevatten; met geweld nemen, kleven (van sneeuw b.v. aan de voeten), het hoofd hoog dragen (gewoonlijk: To â wind, van een paard): 1 wan (got) carried away by my anger = liet mij mee-sleepen: I did not carry away anything with me = ik heb er niets van meegenomen (fig); Do not â on like that = ga niet zoo te keer: We â on our father'» business = zetten voort; That is â ing coals to Kew-eastle = water naar de zee, uilen naar Athene brengen, monnikenwerk doen; The work was carried into execution = ten uitvoer gebracht; The motion was carried = aangenomen : The character of the hero is carried through to the end = is consequent volgehouden tot het laatste: To â off = wegvoeren: She carried off the liononrs in her class = behaalde de prijzen; To â a thing off = iets tot een goed einde brengen, redden door talentvolle behandeling, zich er doorslaan; To^ â fair = zich vriendelijk toonen; That isâing it very line = ge neemt het zeer nauw; We have carried it, carried the day = de overhand behouden, den slag gewonnen: The outworks were carried = buitenwerken werden genomen: lie carried everything before him = hij won alles, joeg alles voor zich uit; My dug can fetch and â = apporteeren; Seven and eight are fifteen, five â one = vijf 'k houd er één: âall = rijtuig met één paard (Zie Cariole); âing-liiisiness = expe-ditiezaak: -ing trade = vrachtvaart; âing-traffic = goederenvervoer. Carse( land), klisdand). aangeslibd land (bij eene rivier). Cart, kot, subst. vrachtkar (op twee wielen), karretje; â verb, per vrachtkar vervoeren; âage. katidz, vrachtvervoer, vrachtloon; â -horse = trekpaard; âload = vracht: âwright = wagenmaker; âer. Carte, kcit, stoot naar het bovenlijf (bij het (schermen), menu: âde-visite, kütcbvisit, photographic, visitekaartje. Cartel. küVl of kötel, overeenkomst tot uitwisseling van gevangenen. Cartesian, kattzdn. Cartesiaansch, aanhanger van de wijsbegeerte van Descartes. Carthamns. kiltIwmos. bastaardsalTraan. Carthage, kilthidz, Carthago; Carthagian. kötheidzf n. Carthaagsch. Carthusian, köthjüzon, Karthuizer (monnik). Cartilage. Aa«/7/V/r, kraakbeen. Cartilaginous fishes {katiladzinasf'isiz), kraakbeenachtige visschen. Carton, kiit'n, ka ion. carton, bordpapier, wit van eene schietschijf of een schot daarin. Cartoon, kötiln. kartonteekening, schets, die eene pagina vult (b.v. The âs of the Knglish |
bone = boun: full; fool = tïil: «gt; = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jia; \onlt;j = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz/n; thin; thns â dims; wine.
CARTOUCH.
70
CASTING.
|
weekly ..Pmicliquot;), gew. met een politiek of sociaal 'onderwerp. Car touch, kiitiiè. kardoes, kardoeskist, pasyoor een soldaat; âbox. Cartridge, kütridz, patroon, kardoes: âbox; âbag; âpaper. Cartulary, katjuldri, klooster- of kerkregister; de ambtenaar, met de zorg daarvoor belast. Carucate, karukzit, zooveel land als één span in een jaar kon ploegen. Caruin-goriiin. kèr'mgór'm, een kostbare steen m de Hooglanden van Schotland. Carve, kciv. snijden, voorsnijden, beeldsnijden, graveeren, in porties verdeel en: 1 toiind there a stiff pieee of work âtl (cut) out for me = bestemd. âr: Carving = snijwerk. Carvist. kauist. jonge valk. Caryatid, kariatid (Meerv. Caryatides, knri-atidiz). vrouwenbeeld in eene lange robe, om tot steun te dienen bij consoles, etc. Cascabel, kaskob'l, knop (druif) aan het kanon. Cascade, kdskeid, kleine waterval. Case, keis, subst. etui, scheede, kist, koker, dek, overtrek, letterkast: zekere hoeveelheid; gebeurtenis, voorbeeld, rechtszaak, naamval, geval, toestand: He is in good (evil) â = in goeden (slechten) toestand. The â is still ou = de zaak is nog voor; â verb, insluiten, overtrekken, in een koker of kist doen: Casal = tot den naamval behoorende: Casing = omhulsel.overtrek; âharden = den buitenkant hard maken (van ijzer b.v.): âknife = mes in eene scheede: âliian = letterzetter; âroom = letterzettersvertrek: âshot = schroot; â-work = het inbinden van boeken. â¢Caseic, keisiik, uit kaas getrokken; Casein. keisiin. kaasstof; Caseous = kaasachtig. Casemate, keismeit. kazemat, kogelvrije plaats in eene vesting; hol lijstwerk; âd. Casement, keismnt. klein, op hengsels draaiend venster: hol lijstwerk: âen. Casern, kdzvn, barak (of kazerne) onder de stadswallen. Cash, kas. subst. geld, gereed geld: Sold for â = contant verkocht; Paid â = c. betaald; He is in â = goed bij kas; He paid me in hard â = goud, specie; â verb, in geld omzetten, geld geven voor, incasseeren; âkeeper = kashouder; âprice = prijs tegen contant geld; â ier. kaèid, subst. kassier: â verb, ontslaan, afdanken. Cashmere, kasmid. subst. cachemir, sjaal; adj. van die stof gemaakt. Cashoo, kdsu, gom of sap van een O.-Ind. boom. Casino, kdsinou, Casino, gebouw voor bijeenkomsten, muziek, dansen, enz.). Cask, kdsk, vat, vatvol; âet = subst. cassette, kistje; â verb, in eene cassette of een kistje besluiten. Cask. Casque, kdsk. helm. Caspian (The), kaspj'n, de Kaspische Zee. Cassation, kaseiè'n. vernietiging van een rechterlijk vonnis; Court of â = hoogste gerechtshof (bij ons: De Hooge Raad). Cawse-paper. kaspeipd, kaspapier (de twee buitenste vellen van een riem). Cassia, kaêd. cassia (soort v.plant),laurier(bast). Cassimeer. kasimte, kazimier (wollen stof). Cassinette. kasinet, stof van katoen en wol (of zijde). i |
Casaiiio, kdsinou, kaartspel voor vier personen. Cassock, kasdk. kleed der geestelijken under hun toga, soutane; âed. Cassonade, kasdiieid. ongeraffineerde suiker. Cassowary, kasdWdri, Casuaris. Cast, kdst' subst. worp, gooi: oogopslag, blik; richting, worp (met dobbelsteenen), kans; vorm, afgietsel, indruk, tint, karakter, rolverdeeling: The â of a man's features = vorm. Ilis genius was of a gloomy â = somberen aard; A promising â = goede hengelplaats; The â of the play was excellent = rol-verdeeling: He has' a â in his eye = hij kijkt loensch: I am at the last â = tot het uiterste gebracht; â verb, werpen, slingeren, duwen, storten; richten; afschieten; neer- of opgooien; veroordeelen; berekenen; de rollen verdeelen; vormen, trekken (van proeven bij het drukken), gieten (van ijzer, kanonnen, enz.); overwegen, een bepaalden vorm aannemen: Shall we â up our accounts = rekeningen opmaken?; He â np all the medecine taken = hij vomeerde, gaf terug; AH the subsidies were â up = werden ingetrokken: He â himself on his enemies = bijstelde zich ter beschikking van, gaf zich over aan; The cow has â young = ontijdig geworpen; He â it in my teeth = wierp het mij voor de voeten; He â off his copy = hij berekende, hoeveel pagina's druks zijn manuscript zou bedragen; The horse hail â itself = was over den kop gevallen; 1 have been â in fourteen actions = heb 14 processen verloren; My friend was â for Horatio = zou de rol spélen van: He is coiitiniially âing reflections = onophoudelijk is hij aan het overwegen; He began to â in his mind = bij zich zeiven te overleggen; 1 â in my lot with that party = sloot mij bij die partij aan; He â the nativity for me (my nativity) = hij voorspelde 'mijne toekomst, trok mijn horoscoop; He seemed to be âing about for the philosopher's stone = te zoeken naaiden steen der wijzen: The chairman has the âing vote, iii case the noes and ayes are equally strong = de president heeft de beslissende'stem, in geval de stemmen staken; My horse â a shoe = verloor een hoefijzer; I 'â myself on your pity = ik doe een beroep óp uw medelijden; \Ve â anchor at seven = lieten te zeven uur het anker vallen: âaway, kastowei. subst. balling, verworpeling: adj. nutteloos, verworpen. âiron = gietijzer: âoff = ter zijde gelegd, verworpen: âsteel = gegoten staal. Castanea, kdsteinjd, het genus kastanjeboomen. Castanets, kastenets, kleine hardhouten of ivoren kleppers of castagnetten. Caste, kdst, kaste; He lost â = hij verloor zijnen rang in de maatschappij. Castellan, kastel'n. slotvoogd: Castellany: Castellated = van torens en kanteelen voorzien. Caster, kdstd, olie- en azijnstel, fleschje (voor augurkjes, enz.), meubelrólletje. Castigate, kasiigeit, kastijden, verbeteren; Castigation: Castigatorg == kastijdend. Castile, kastil, Castilië; Castilian, kdstilj'n, Kasti liaan. Casting, kdstir\, het afgietsels maken, plooien (van draperieën, etc.^. Decorated with âs |
man; ask = ask; form = fam; but = but; learn = lun; line -- lain; house = haus; net; care = kèo; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló; lo?'d = löd: hog = b«gt;i;
CATECHUMEN.
CASTLE.
71
|
of grapes and vine-leave» = versierd met metaal- of gipsafgietsels v. druiven en wingerdbladen: ânet = sleepnet; âvote, âvoice = beslissende stem. i'astle, kds'l, subst. kasteel, slot: â verb, rokkeeren (d. i. den koning door het kasteel dekken, in het schaakspel). â in the air, â in Spain = luchtkasteel: âbuilder = droomer, fantast; âd; â t = klein kasteel; âgate = slotpoort; âkeeper = slotvoogd. Castor, hiistd. bever, vilten hoed; âoil = palmolie (purgeerend). lt; astor and Pollux, kdstor'ndpo'oks, de Tweelingen (Dierenriem): meteoor. I'astorenin, kastóridm, bevergeil. Castrate, kastrit, subst. de gecastreerde: â xevh.(kastrei t),castreeren, vei-zwakken, een boek ontdoen van de vuile gedeelten: Castrato = gecastreerd zanger; Castration. Casual, A'oiwa?, subst. landlooper, tijdelijk slaap-gast (in een werk- of armenhuis); adj. toevallig, alledaagsch, bij gelegenheid voorkomend; â ward = tijdelijk verblijf voor landloopers en dakloozen: Casualism = de leer dat alles toeval is; Casualist: Casualty = toevalligheid, toeval, ongeluk: Castialness; Casuistry = casuïstiek; Casuist = iemand geverseerd in casuistry. Cat, kat, subst. kat, soort van schip, sterke takel van katrollen, zacht windje, dubbele treeft: They live like â and dog = als kat en hond: It rained âs and dogs = het regende baksteenen: She let the â ont of the bag = zij verklapte het geheim (Verg. The â is out ol* the hag); He leads her a âand-dog lite = hij doet haar een hondenleven leiden: Von have been made a â's paw of by her = ze heeft je de kastanjes uit het vuur laten halen; The â scene = het tooneel (in de Engelsche pantomimes), wanneer alles duister is, juist voor de translorinatioii scene: âbird = Amer. lijster: âcall = âpipe = schel lluitje. âeyed = in staat in 't donker te zien: ânap *= hazenslaapje, dutje: â ol' nine tails = geesel, karwats: â verb, katten, d. i. het anker opbergen of op zijne plaats brengen; â's-tail = kattestaart(plant;. Catachresis, kutekrisis, verkeerd gebruik van woord, trope of metaphora. Catachrestic = verwrongen, verkeerd. Cataclysm, katdklizm, overstrooming, groote ramp;* Cataclysmal. Catacomb, katdkdm, onderaardsche begraafplaats met nissen voor de lijken. Cataconstics. kntdkaustiks. het deel der acous-tiek. dat over echo's en teruggekaatste geluiden handelt. Catalalque, katafalk, Catal'alco, kntofalkou, katafalk. Catalectic. katdlektik, versvoet, waaraan eene lettergreep ontbreekt. Catalepsy, kdtdlepsi, beroerte. Cataleptic. Catalonia(ngt;. katdlounjain), Catalonië(r). Catalogue, katdlog, subst. geregelde lijst; â verb, catalogiseeren. Catamaran, Arafdrndmn, vlot, platboomd vaartuig, feeks. lt;'ataniount(ain), katemzuiitdri), puma. C'ataphonics, katdfoniks, leer van de geluidsweerkaatsing. Camp;taphonic, adj. |
('ataphract. ka te frak t, soort v. harnas. Cataplasm, katephxzm, een pap. Catapult, katapult, werptuig, om steenen, enz. te werpen. Cataract, katarakt, groote waterval, cataract (oogkwaal); Cataractous. Catarrh, katü. koude op de borst, zware verkoudheid: âal, âons. Catastasis, katastasis, inleiding tot eene redevoering, constitutie (van iemand). Catastrophe,/refas^a/ï,ontknooping,ongelukkig einde, groote ramp. Catch, kats, subst. vangst, greep, beletsel, vang, voordeel, beurt- of' wisselzang, woordspeling: He lives on the â = van roof, van een ander, op de pof; He is upon the â = ligt op de loer: A poor â = eene schrale vangst: She married the â ol'the season = beste partij van het season (van Februari-Augustus); Some young men were considered great âes = begeerlijke partijen: It is no great â = niet veel zaaks; â verb, vangen, grijpen, achterhalen, betrappen: in bezit brengen, vatten (van koude, eene ziekte, vroolijkheid, enz.); verward raken, besmettelijk zijn. pakken: â and have = wie heeft, dien wordt gegeven: â me at that (â me doing it) = dat kun je begrijpen: dat mocht wat! Heb ik jou daar!: He caught at all opportunities = pakte alle gelegenheden aan; He caught at me = greep naar; â hold of this rope = pak dit touw; Laughter and merriment areas âing as measles and small-pox = aanstekelijk; The soldiers caught step = kwamen in den pas: He caught towards him a scrap ol' paper = haalde naar zich toe; The lake was caught over = het meer was geheel dichtgevroren, met een vliesje ijs bedekt: A â phrase (bedriegelijke) = uitdrukking, om de menschen te pakken (b.v. liberty, equality, and fraternity); The report ol' the Labour Commission is the latest âline = Het rapport van de Enquête-commissie v. d. Arbeid is het jongste opvallend onderwerp van den dag; A âpenny title = = een titel, er op aangelegd, om de menschen een boek te doen koopen, bedriegelijke titel; A â «piestion = vraag om er in te loopen; 1 hope you may â it = dat gij er goed van zult krijgen (b.v*. een flink standje); 1 will make him â on = ik zal hem doen toehappen; Vou have caught on here. People like you immensely = hebt hier succes gehad; *âdrain = wetering, afvoerkanaal: â'ein-alive = vliegenpapier; âland = markegron-den; âline = regel aan het hoofd van eene pagina: âmeadow, âmef/o?^, weide,besproeid door water van een heuvel of helling: âment = grond, die gedraineerd kan worden; âpoll, âpou/, konstabel, dievenvanger; âword = woord onder den laatsten regel van eene blad-I zijde; het laatste woord van den vorigenspeler (bij acteurs). Catchup, kat sap. paddestoelsaus, ook Catsup en ketchup. Catechetictal), kataketikCl), catechetisch (uit vragen en antwoorden bestaande); Catechise, ! katakaiz, catechiseeren, vragen: Catechism; j Catechnmen, katakjüirin, catechisant, be-j ginner. |
bone = boun; full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; ?/ear = Jia; \m(j = loi^; s/tip = sip; occasion = okeiz'n; thin; ///us â dlitts; wine.
CATEGORY.
72
CAY.
|
Category, katagori, klasse, orde, soort, aard. Categonc{al) = volstrekt, onvoorwaardelijk. CateiiHrian. kntonêrfn, Catenary, katotiari, ketenachtig. Cateimlate. kotenjulit, aaneengeschakeld, opeenvolgend. Cater, keito, voedsel, genot, enz. verschaflen: In tlio8e day» art âelt;l to (lor) the national vanity = vleide de kunst de nationale ijdel-heid: âer. Cateran,A:ator'n,Iersche of Schotsche vrijbuiter. Cater-eoiiHin, keitdkBz'n, verre bloedverwant. Caterpillar, katepite, rups. Caterwaul, katewol, subst. kattengejank; â verb, janken (als katten). Cates, keits, lekkernijen. Cat-iall, katfól, touw, om het anker op te hijschen. Cat-gnt, katgvt, snaar (van darmen), soort v. linnen, om op te werken: She could work liandkerehielH in â = op stramien. Catharine, katlurin, Catharina; âwheel = ornamenteel rond venster; vuurrad. Catharsis, kdthüsis, zuivering; Cathartic,siihst. en adj. purgeerend of zuiverend (middel). Cathedra, kathidro, bisschopszetel, professors-stoel; E\ â = met gezag. Cathedral, kdthidr'l, subst. kathedraal, hoofdkerk; adj. â church = domkerk. Cathode, kathoiid, negatieve pool (electr.). Catholic, kat lid lik, subst. lid der R. K. kerk: adj. algemeen, R.Katholiek; â Church = de geheele Chr. kerk, de R.K. kerk; Catholicism: Catholicity = algemeenheid, vr ij zin n innigheid: Catholicities = schilderijen met K. onderwerpen; Catholicize. Catilinarian, katilinêrien, samenzweerder: Catilinism = samenzwering. Catkin, kat kin, katje (van wilgen, enz.). Catling, katlh], katje, ontleedmes, boommos. Catoiiian. keitounfn, Cato gelijkend, ernstig, streng. CatopsiH, kotopsis, erge bijziendheid. Cat'» paw, katspo, een bedrogene; gerimpelde watervlakte, draai in de bocht van een touw voor het bevestigen van een takel. Zie Cat. Cattle, kat'l, rundvee. Blood â = stamboekvee; âgate = weide voor één beest; âplague = veepest (ook Rinderpest); ârun = veeweide (Amer.). âshow = veetentoonstelling. Caucasus, kökosds, Caucasus: Caucasian. kókeiè'n, Caucasisch. Caucus, kökds, voorloopige partijbijeenkomst ter vaststelling der te nemen maatregelen: kies vereen iging. Caudal, kód'l, Caudate(dgt;, k6deit(id\ van een staart voorzien. Caude\, kódeks, stam van een palmboom. Caudle, kód'l, kandeel (warme drank). Caut', kóf\ vischkaar. Caught, kót, imperf. en part. perf. van ïo cafc/j. Caul, kol, darmnet, helm, haarnetje. Caulirerous,/cóZi/i?rc?s,stengels dragend;(7a?/1es-cent = met een echten stengel; Canlillower. koliflaxio, bloemkool; Cauliform = stengel-vormig. Cauline = tot den st. behoorende. Caulk, kok. Zie Calk. Cause, koz, oorzaak, reden, beweegreden, het nagestreefde doel, zaak, onderwerp van debat, rechtszaak: I delend my country's â = de zaak, de belangen van mijn land; 1 have won my â = proces; lie was called up to show |
â with reference to a nuisance = hij werd voorgeroepen om zich te verantwoorden wegens burengerucht (of overlast); â verb, veroorzaken, voortbrengen: He âd liis uien to follow him = beval; Causal = oorzakelijk; Causality = oorzakelijkheid. Causation = veroorzaking; Causative = veroorzakend; Causeless. Causense,/coi#zé)s,causeuse (zitbank voor twee): Cause(wagt;y, k6z{we)i, subst. straatweg, hooge weg, plaveisel; â verb, plaveien: (iiant's â = reuzendam in Ierland. Caustic, kóst ik, subst. brandmiddel: adj. brandend, schroeiend, scherp, snijdend, hatelijk: Causticity. Cauter, kóto, brandijzer; Cauterization = uitbranding; Cauterize = uitbranden: Cautery = het branden of schroeien met een heet ijzer, brandmiddel. Caution, kós n, subst. omzichtigheid, waarschuwing, pand: â verb, waarschuwen iagainst); âmoney = waarborgkapitaal: That is a â = dat is een lamme boel; Cautious = omzichtig. Cavalcade, kiw'lkeld, optocht (troep) te paard. Cavalier, knudlio, subst. ridder, ruiter, cavalier (voor dames); verhooging voor geschut in een bastion, partijman van Karei 1: adj. handig, kortaf, ridderlijk, trotsch, uit de hoogte; â verb, op ridderlijke wijze handelen: âly. Cavalry, kav'lri, ruiterij. Cavatina, kavotino, Cavatine (muz.). Cavation. koveisn, Cavaxion. kjveiz'n, uitgraving van den grond voor het leggen der fundamenten. Cave, keiv, subst. hol, het bukken of toegeven (in verachtelijken zin): That statesman's â estranged his own party IVom him = zijn toegeven vervreemdde zijne eigen partij van hem; â verb, uithollen, toegeven: We shall never â in to the French, so I'arasKgypt is concerned = toegeven; âmen, âdwellers = holbewoners. Caveat,subst. waarschuwing, proces om eene procedure te beletten, bericht van patent-aanvrage voor eene uitvinding; â verb, een caveat beteekenen. Caveator. Cavendish, kav'ndiè, (tot koeken geperste pruim)tabak. Cavern, kavon, spelonk,hol; âed; Cavernous = hol; Cavernulous = vol kleine holten. Cavessun, kavds'n, neuspranger (om paarden te temmen). Ca viare.A-awö,Caviar, /cayid,kaviaar; â to the general = te fijn voor den grooten hoop. Cavicorn, kavik'ón, s. en adj. holhoornig(e herkauwer). Cavil, kav l, subst. tegenwerping, haarklooverij; â verb, vitten op (at); âIer. Cavin, kavin, holle weg (ter bescherming van troepen, of om eene versterking). Cavity, kaviti, holte. Ca vort, kevöt, Amer. vorm van Curvet. Caw, kó, subst. gekras (van kraaien, enz.); â verb, krassen. Ca\ton, kaksVn, boek met Gothische letter,door Ccuctnn gedrukt. Cay, kei, rif, zandbank, ondiepte. |
man; ask = ask; farm = fam; bat = but: leani = Iwn; line = lain; hoase = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = oslip; not; \aiv = 16; lord = hid; bo^ = boi;
CAYENNE PEPPÃIÃ.
CEPtOGKAPHV.
73
|
Cayenne Pepper, keianpepa, Cayennepeper. Cayman, kemVn, alligator, kaaiman. Caziqiieâ kozik, Amerik. opperhoofd. Cease, sis, ophouden, staken, een einde maken aan: He â (I from work. Ironi sorrowing = met werken, treuren. Cecils, stsilz, gebakken (gekruide) vleesch-balletjes. Cecily, scsili, Cecilia. Cedar, si do, subst. ceder; adj. van cederhout: ân = van cederhout; Ceilrine, sidrin, cederachtig. Cede, sid, afstaan, opgeven, zich onderwerpen, toegeven. Cedrat, sidrot, soort v. citroenboom. Cedrik, sedWA'. Cee-spring, stspriri, wagenveer in den vorm eener liggende c: w. Ceil, sil, plafonneeren. Ceiling = plafond. Celadon, selad'n, zachte, bleekgroene kleur; porselein, waarin de kleuren gebrand of gebakken zijn. Celandine, seVndain, zwaluwkruid. Celebes, seldbiz. Celebrant, seldbr'nt, de priester, die de mis opdraagt; Celebrate = vieren, loven, herdenken: Celebrated = beroemd, vermaard; Celebration] Celebrity, sdlebriti, vermaardheid, beroemdheid; beroemd persoon. Celerity, so Ier it i, vlugheid, snelheid. Celery, se fori, selderie. Celestial, silestfl, subst. hemelling. Chinees: adj. hemelsch, uitstekend, Chineesch: âempire = China; â globe = hemelglobe. Celestine, silestin, Celestinian, silostinj'n, Celestijner monnik (13e eeuw), Celestinus. Celibacy, se/Ztosi, ongehuwde staat: Celibate, selibit. subst. en adj. ongehuwd (persoon). Cell, se/, cel, kluis, hol; âed = met cellen. Cellar, seld. kelder; âage, selsridz, kelderruimte, kelderhuur; âer = monnik, die toezicht houdt op en zorgt voor de provisie; Cellaret = keldertje (voor wijn); âman. Celluie, se Ij ill, cel(letje); Cellular, seljute. subst. plant met cellen: Cellular tissue = celweefsel; adj. cellen hebbend; Celltilifcrous = celletjes hebbend: Cellulose = c. bevattend. Celt, selt, Kelt, bronzen (steenen) beitel: âie: âieisin = Keltische gewoonte: âiberia, seltibtrid. Cement, Sdment, subst. cement, bond, verband; â verb, door cement verbinden, samenbinden of -voegen. Cementation. Cementitions = ce-mentachtig. Cemetery, semsVri, begraafplaats. Cenobitê, sindbait, kloosterling, ordebroeder. Cenotaph, senotaf, praalgraf (voor iemand, die ergens anders begraven is). Censer, sensd, wierookvat, bewierooker. Censor, sensa, censor, zedenmeester, berisper; Censorial, Censorious â berispend; Censurable = berispelijk, laakbaar; -ship; Censure = subst. berisping, beschuldiging, standje, veroordeelend vonnis; â verb, berispen, bedillen, aanmerkingen maken, veroordeelen. Census, sensos, volkstelling. Cent, sent, honderd, cent,1/100 dollar. Per Cent. = percent; âal = gewicht van honderd eenheden. |
Centaur, sentó, Centaur (myth, figuur: half menscb, half paard), sterrenbeeld in het Z-halfrond. Centenarian, sentonêrf n, honderdjarige: Centenary, sentondri, Centennial = subst. honderd jaar, eeuwfeest: adj. honderdjarig. Centesimal, s'ntesim'l, subst. en adj. honderdste (gedeelte); Ce n tesi in a t i o n, senüis i m eis'n, militaire straf, waarbij iedere honderdste man wordt terdoodgebracht. Centigrade, sentigreid. van honderd graden: Twelve degrees â = 12° Celsius. Centinietre, sentimiti), centimeter. Centiped, sentiped, âe, sentipid, duizendpoot (insect). Centner, sentna, centenaar, drachma in 100 gelijke deelen verdeeld. Cento, sentou, dicht- (of muziekstuk), verzameling (gelezen uit andere schrijvers of componisten). Centre, sentd, subst. middelpunt, centrum; â verb, in een middelpunt vereenigen, in het midden plaatsen; Central. Centralization' âbit = centerboor; âboard = schip met ronde kiel; â ol' gravity = zwaartepunt; Centric = middelpuntig; Centrlcity. Centrifugal, smtrifjuy'l, middelpuntvliedend; â force = middelpuntvliedende kracht. Centripetal, sentripdVl, middelpuntzoekend; â force = middelpuntzoekende kracht. Centrolineal, senirdlinfl, instrument om lijnen te trekken naar één, onbereikbaar of afwezig, middelpunt. Centuple, sentju/j'l, subst. honderdvoud; â verb, verhonderdvoudigen; Centuplicate = honderdmaal herhalen. Centiirion, sentjurVn. hoofdman over honderd (bij de Romeinen). Century, sentjdri, honderd; eeuw. Ceplialiilgie, se fed a ld tik. geneesmiddel tegen, hoofdpijn. Cephalic, safalik, subst. hoofdversterkend middel: adj. tot het hoofd behoorend. Cephalitis, sefdiaitis, hersenontsteking. Cephalonia, sefalounjd. Cephalonië. Ceraeeous, sireisas, Cereous,.strias, wasachtig. Cerago, sirelyou, bloem waarvan de bijen zich voeden, bijenbrood. Ceramic, saramik, tot aardewerk behoorende. Cerate, serit, waszalf, oliezalf. Cerberean, svbtrf n, tot Cerberus behoorend. Cere, sio. met was bedekken: âcloth = wasdoek, gewaste taf; â ments = lijkkleed. Cereal, strj'l, subst. eetbaar graan; adj. tot graan behoorend; Cerealia, sirieiljd. feesten ter eere van Ceres; graansoorten. Cerebellnin, serabel'm. kleine hersens. Cerebellar] Cerebral, serobr'l, tot de hersens behoorend: Cerebrate, serabreit. met het hoofd werken; Cerebruni, serabr'ui, groote hersens. Ceremony, plechtigheid, viering, cere monie; Vo ceremonies = geen komplimenten: Master «if the Cereinonies: Ceremonial. seremounfl. subst. voorgeschreven regelen of ceremonieel; adj. plechtig: Cereinonial Law = Mozaïsche Wet; Ceremonious = plechtstatig, stipt den vorm inachtnemend. Cernuous, sórtjuos. neerhangend. Cerography, sirografi, graveerkunst op was, schilderen in gebrand was. |
bone = boun; full; looi = lui: o = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jia; lomj = loi^; .s/iip = sip; occasion = okei//n; tliin; thus = dlius: wine.
CHAMPAIGN.
CEKOON.
74
|
Cerooii, sorun, baal, van huiden gemaakt. Cerri», Cerrus, seras, bittere eik. Certain, sótin, zeker, regelmatig, een zekere, eenige; âty = zekerheid. 1 know it lor â, lor a â ty (to a live âty = zéér) zeker. 1 will not 'he â = ik durf het niet zeker zeggen. l'erte», sutis, zekerlijk. Ortiiicate. sütiflkit, subst. getuigschrift, diploma: â verb, (sótifikeit) een certificaat verleenen, diplomeeren. Certification. Certify, sütif-di, verzekeren, getuigen, bewijzen, zeker'bericht geven omtrent: Ortified copy = gewaarmerkt afschrift. Certifier. Certitmle, sntitjad, zekerheid, verzekering. Cerulean, sorfilfn, hemelsblauw. Ceruse, sirüs, loodwit. Cervical, .surik'l. tot den nek (hals) behoorende. Cervus. svvas, hert. Cervine, siïvain. tot het hertengeslacht behoorende, geelkleurig. Cesarian, sizêrj'n, tot Caesar behoorend. â operation = keizersnede. CeHpitoiiH. sjspitds, mosachtig. Ces», ses. subst. belasting: â verb, belasten. Cessation, seseiè'n, ophouding, stilstand: â ol' arms = wapenstilstand. Cessio bonoriim, seèoubdnór'm, afstand door een insolvent verklaarde van al wat hij bezit aan zijne schuldeischers. Cession. seè'n, afstand, schenking; âary = afstand doende. Cesspool, sespül, riool, zinkput. Cestus, sestes. gordel van Venus, huwelijksgordel (bij de Romeinen). Cetaeea, siteièd, het geslacht der walvisschen. Cetacean: Cetie, si tik. tot de walvisschen behoorende: i.'eiolozy,sitolodzi,de natuurlijke geschiedenis der Cetaeea. Ceveniies. Sdvenz, (De) Cevennen. Ceylon, si Ion. Ceylon: âene.sibniz, Ceylonees. Cliack. tsak. het plotseling schudden van een paard met zijn kop. Cliale, Iseif, subst. toorn, woede; â verb, warmte verwekken door wrijving, afslijten, sarren, boos maken, in toorn ontsteken: The horse âd upon the rein (bit) = schuimde in het gebit: â r = kever, sarder, plager; â ry, tèeifri, hoogoven; Clialin^-dlsli = komfoor. Chaff*, tsaf, subst. kaf, haksel, waardeloos iets, scherts: Take your â to the ^oslin^s. Xo Kaiiinion w ith' me = Doe jij zoo met kleine kinderen: ik laat niet met me spelen: â verb, schertsend plagen, in 't ootje nemen. ây; âless. Chaffer, téafd, subst. het koopen, goederen, koopwaren: â verb, over een koop handelen, dingen, knibbelen, koopen, wauwelen. Chal'lineh. tèafinè, kleine vink. Cliasrin. èdyrin, subst. kwelling, verdriet, slechte luim: â verb, verdrieten, plagen. Chain, tèein. subst. keten, ketting, reeks, slavernij; â verb, ketenen, weerhouden, verbinden, beletten, tot slaaf maken: âbridge = kettingbrug: âgang; = troep geboeide galeiboeven: âmail = maliënkolder; âshot, tseinsot, kettingkogel: âstitch = kettingsteek: âlet. Chair, tsamp;), subst. stoel, zetel, voorzittersstoel, professorsambt, voorzitter, rijtuigje, draagstoel: In his âdays = op den avond van zijn leven: lie tooli the â = presideerde; |
This alderman has passed the â = is burgemeester geweest; â verb, in een stoel in triomf ronddragen, âman = voorzitter, (directeur in een music-hall), drager van een draagstoel. Chaise, seiz, sjees, rijtuig. Chalcedony, k'lsedsni of kal sado ui, kwartssteen. Chalcography, k'lkogrefi, graveerkunst op koper. C/haldaie, kaldeiik, Chaldee, kaldi. Chal-deeuwsch; Chaldea(n), kaIdid(n). 1/haldron, tsóldr'n. kolenmaat (36 bushels). Chalmers, tsdmez. Chalet, salei, Zwitsersch landhuisje. Chalire, tèalis, drinkbeker, avondmaalsbeker. âd = van een bloemkelk voorzien. Chalk, tsók, subst. krijt: French â = puimsteen; He is better than you by a long â = oneindig beter; Kot by a* long â = op verre na niet; These things are as dilFerent as â IVoiii cheese, as â and cheese = verschillen hemelsbreed: â verb, met krijt werken, bemesten: 1 loiind my way âed out (laid out, planned) lor ine = aangewezen; 1 will â it down = aankalken, opschrijven: âSunday = de eerste Zondag van den Vastentijd (Ierland); âstone = jichtknobbel(s); ây = krijtachtig. Challenge, tsakniz, subst. uitdaging, aanroeping (van een schildwacht), twijfel (aan iemands rechten), wraken (van een lid der jury of een getuige), aanslaan (der jachthonden);verb, uitdagen, ter verantwoording oproepen, een rechteischen, wraken: 1 â contradiction = ik vraag, wie mij durft tegenspreken; âable; âr. Chalybeate, kalibiit, subst. en adj. ijzerhou-dend(e vloeistof). Chalybite, kalibait, ijzererts. Chamade, èdmeid, slag op de trom of stoot op de trompet, den vijand tot samenspraak roepende of overgave bêteekenend. Chamber, tëeimbd, subst. vertrek, kamer, rechtszaal, vergaderzaal; de vergadering, wetgevend lichaam, genootschap; holte, kruitkamer of kruittoren: â verb, eene kamer bewonen of hebben, losbandig zijn, in eene kamer opsluiten: âs of a lock = ruimte tusschen de sluisdeuren van een kanaal; âcouncil = geheime raad; âcounsel, âkauns'l, stille raadsman, geheime gedachte: âlain, âlin, kamerheer, thesaurier, gemeenteontvanger; Lard âlain = een vsin de hoogste Engelsche staatsdienaren; âmaid = kamermeisje: âmaster = werkman thuis; âpractice, âpraktis, stille praktijk (van een niet pleitend rechtskundige): âed. Chambers, tseimbdz. Chameleon. Icamilfn, chameleon. Chamler, tsamfd, subst. groef; â verb, eene kleine groef maken. Chamfron, tsamfr'n, wapenrusting voor een paardekop. Chamois, sami of samwu, gems, gemsleder, vloo (schertsend). Chamomile, Aamamai/, kamille. Champ, tsamp, bijten (van een paard op zijn gebit), kauwen, stuk bijten. Champagne, smpein, champagne. Champaign, s mpein, subst. open, vlak land; adj. open, vlak. |
man; «sk = ask; form = fain; hut = b»t; learn = Iwn; 1/ne = lain; ho «se = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; «sleep = aslip; not; law = 1«»; logt;'d = löd't hoy â boi:
CHARGE-ROOM.
CHAMPIGNON.
75
('Iiaiiipigiion, sampinjon. eetbare paddestoel, daaraan ondergeschikt, geestelijke stichting. C.'liainpion, tèainjjj'n, subst. kampioen,verdedi- j t'liapelliiiK, tèapoiir^ het doen omloopeu van ger, overwinnaar; â verb, uitdagen, verdedigen. | een schip vóór den wind.
Chance, tsdns, subst. toeval, kans, gevaar, ; Cluipelry, (sap'Iri. kerkelijke gemeente tot mogelijkheid, gelegenheid: Take (rim) your ! èéne ka'pel behoorende.
â == waag het maar: He lias an eye to Chaperon, èapdroi\. subst. soort van kap, oudere the main â = hij let op No. 1; adj. toeval- ! dame, die eene jongere vergezelt In het publiek; lig; â verb, wagen, gebeuren: I âd to meet â verb, vergezellen, beschermen (van eene liini = ontmoette toevallig; âcorner = een dame).
toevallig binnenkomende: âmedley = door Cliaplallen. tsupfóVu. neerslachtig, met een zelfverdediging gerechtvaardigde manslag. lang gezicht. CliapieisM. t sap lis. zonder vleesch Ciianeel, tsdns'l. koor (waar het altaar is, om de kaken.
gewoonlijk met een hek afgesloten); âease- ( Iiapiter, tèapitd. kapiteel; Cliaptrel,
inent = hoog koorraam. kapiteel onder een boog.
lt;liaiu*ellor, fsdns'ld, kanselier. Lord High â Chaplain, t sap tin, geestelijke op een schip, of rent Britain = de hoogste dienaar der bij liet leger of in een gezin; - vy = âship,
kroon, en als zoodanig Groot Zegelbewaarder en Cliaplet, t sap lat. subst. krans, rozenkrans, lijst president van een der Hooge Gerechtshoven; (gesneden tot ronde kralen of paarlen), kuif hij bekleedt in het Hoogerhuis de eerste plaats (van eene pauw), altaar; â verb, omkransen,
(op den Woolsack. Zie dit woord). â of the C'liapman, tsapm'n. marskramer.
Exchequer = minister van financiën; âvliip; ' Cliapter, tèapto, subst. hoofdstuk, kapittel, ver-Cliancery. tèans'ri, afdeeling van het hoogste gadering van geestelijken: I am prepared gerechtshof, lie got into â = hij kwam in de to give yon â and verse of in y conduct = macht van zijn tegenstander; Chancery-suit, tekst en uitleg, reden; Von will be perse-C'handelier, samldlid, kamerkroon, soort van cnted to the end of the â = altijd door, beweegbare borstwering. ten einde toe: The â of accidents = het
Chandler, tsdndld, kaarsenmaker; ây = ar- toeval; â verb, in hoofdstukken verdeelen; tikelen door een â verkocht. * âhouse = kerkeraadskamer; vertrek, waar
Change, tseinz, subst. verandering, wijziging, het kapittel samenkomt.
overgang, nieuwigheid, variatie (bij het klokken- Cliar, töa. subst. soort v. zalm; â verb, verluiden), klein geld, pasmunt, gèld. dat men kolen, gedeeltelijk verbranden.
terugkrijgt bij het te veel betalen van een Char, tsêa of tsci. subst. dagwerk, karwei; â inkoop, de Beurs: He won't get much â verb, uit werken gaan, karweitjes doen: â out of me = hij zal van mij niet veel halen, âwoman = schoonmaakster.
krijgt bij mij den wind van voren: He was Character, har.)kis. subst. merk-ofkenteeken, ringing the âs in praise of his friend = eigenaardige letter, karakter, gedrag, aard: ge-hij prees zijn vriend op allerlei manieren; tuigschrift, persoon, naam, rol: He went by Yon have iiot yet given me the â = gij the â of = hij ging onder den naam van: hebt me nog geen geld teruggegeven: â verb. He came to mè for a â = om een getuig-veranderen, verwisselen, verruilen, (geld) wis- schrift; He was in â, ont of â = hij bleef selen, nieuw worden, ontaarden: He âd his in, viel uit de rol: 1 gave him a good â = dress, linen = hij veranderde van kleeren: ik heb goede getuigen van hem gegeven; â âable: âability; âfnl; âless; âling = verb, inprenten, graveeren; âed; Chnractc-wisselkind, weifelaar, wispelturige. ristic. subst. kenteeken, het eigenaardige van Chank. tsaiik, eene soort van schelp. iets of iemand: adj. kenschetsend, eigenaardig; Channel, tsan /, subst. kanaal, bedding, zee- âize = kenmerken, stempelen: âization.
straat, groef, voor: The (British) â = Het Charade, ödvdd, charade (een soort v. raadsel).
Kanaal; â verb, groeven maken. Charcoal, tèükoul. houtskool.
Chant, tsdnt. subst. lied, melodie, kerkgezang; Chare, tèêd, nauwe straat of hotje.
â verb, zingen, bezingen, aanhelïen, bedrie- Charge, tsddz, subst. zorg, bewaking, bevel, gelijk aankondigen: To â a horse = bedrie- plicht, opdracht (van een aartsbisschop aan gelijk verkoopen (door gebreken te verbergen); de geestelijken), aanval, last. beschuldiging, âer; âress; âicleer, tsantiklid. kraaiende lading, prijs, debetpost: The â was sound-haan; âry = kapel, waar dagelijks eene mis ed =' er'werd tot den aanval geblazen; He voor afgestorvenen gezongen wordt. gave it me in â = hij vertrouwde het mij
Chantarelle, sAntdrel, soort van paddestoel. toe: lie laid it to inv â = lei het mij ten Chaos, keids. chaos, verwarring, wanorde, laste; This minister is in â of the bill = Chaotic, keiotik. moet het wetsontwerp verdedigen; â verb.
Chap, tsap of têop, subst. kloof, spleet, reet; aanvallen, beladen, belasten, verplichten, be-
â verb, splijten, scheuren, doen barsten. velen, debiteeren, beschuldigen, toevertrouwen. Chap, tsap. kerel, vent,klant: âpie = kereltje; aanwijzen, eene charge doen: The Judge âd
âbook = kinderboekje, prentenboek. the jury at great length = sprak breed-
Chap. tsop, kaak. âs, tsops, kaken. muil. voerig tóe: He was âd with that theft = Chape, tèeip, knip, haak, metalen plaatje onder beschuldigd van; What do yon â lor these om eene scheede. cigars? = hoeveel kosten? I wonder that
Chapel, tsap'l, kapel, godshuis (van de Staats- it should be âd to your account = ik kerk afgescheidenen), bijeenkomst van druk- verbaas mij. dat dit u 'op rekening gebracht kersgezellen; â of ease = hulp- of bijkerk. werd: âable: That was âable to me = Chapelet, tsapaldt. een paar stijgbeugels. dat kwam mij ten laste; âr = strijdros,
Cliapellany, tëapdteni. kapel bij eene kerk. en groote schotel: âroom = verhoorkamer (in
bone = boun: full; fool = fnl: a = toonlooze vokaal (zie asleep en cnre): girl; //ear = .li3; long = loi}:%7np = sip; occasion = okeiz'n; thin: thus = dhus: wine.
CHAHGE-SHEET.
76
CHEEK.
|
een politiebureau, etc.): âsheet = lijst van overtreders met hunne overtredingen. Chariot, tsarjot, rijtuig, triomfwagen. Charioteer = voerman. Charitable, têaritdb'l, liefdadig, zacht (in het oordeelen): ânes». Charity, tëariii, liefdadigheid, menschenmin, aalmoes, zachtheid (in het oordeelen), liefdadigheidsstichting: â hesiiis at home = het hemd is nader dan de rok: In â = voor niets, kosteloos; We parted in â = scheidden in vriendschap: â hcIiooI = armenschool; Sister ol' â = liefdezuster. Charivari, ëarivüri, serenade met ketelmuziek. Charlatan, èdlsf n, kwakzalver, bedrieger, bluffer. Charlatanic; â ism. C'haiieniagne, sciUiymein. Charles's Wain, tsiilzizivein, de Zevenster of Wagen (in het sterrenbeeld deGroote Beer); Charles, técilz; Charley, tsali. Charlock, tèüldk, onkruid in de tarwe, wilde mosterd. Charlotte, tsülot. Charin, tédm,subst. toovermiddel, betoovering, bekoring; â verb, betooveren, verrukken, bekoren; âins = bekoorlijk: âer: âless. Charnel, tsiinl, subst. knekelhuis; adj. doodsbeenderen bevattend: âhouse. Charon, kêr'n. Charon, veerman. Charpie. .sü/ii, verbandlinnen. Charry, tsuri, houtskoolachtig. Chai't, tsfit, zeekaart, kaart, tabel, zeekompas. Charter, têüta, subst. charter, patent, schenking, grondwet, contract, rechtsaanspraak: âhouse = Karthuizerklooster, hospitaal voor oude soldaten: â verb.bevrachten, charteren, huren van wagen of schip; âland = landgoed vrij van lasten: âparty = geschreven huurcontract (v. schepen). Chartism, tsütizm. de beginselen van een democratisch lichaam, waarvan de voornaamste waren: algemeen stemrecht, jaarlijksche parlementen, geheime stemming, kiesdistricten, en de betaling van de afgevaardigden dei-natie (1833-1848): Chartist. Chartography. katogrofi. de kunst, kaarten te maken; Cluirtoiirapher. Chartreuse, siitrdz. Karthuizer klooster; soort van likeur (wijn). Chartrenx = K. monnik. Chary, tèêri, zorgvuldig, karig, zuinig: â oi' praise = karig met lof. Chase, tseis, subst. jacht(veld), vervolging, Jachtstoet, het gejaagde wild, groef, voor: â verb, jagen, najagen, verdrijven, gedreven werk maken (metalen): The sword was beanti* Inlly âd = prachtig gedreven: They gave â on the animal = maakten jacht óp; âr. Chasm, kazm, diepe kloof (in de aarde), afgrond, ledige ruimte: âed = ây = met âs. Chaste, tseist, kuisch, rein, gekuischt, onver-va Ischt; âeyed = met zedigen blik; ân = straffen, reinigen, zuiveren; âner. Chastise, têdstaiz, kastijden, straffen, onderwerpen. Chastisable; â rquot;; âment, tèastizirint, kastijding, bestraffing: Chastity, tsastiti, kuischheid, reinheid. Chasnble, tèazub'l, miskleed. Chat, tèat, subst. gekeuvel; stokje, takje; Lef us have a â together = samen wat keuvelen: â verb, keuvelen; â ty = praatziek; |
âpotatoes = aardappels voor varkensvoeder. Chatelaine, èatdléin. een bundeltje kettinkjes door dames gedragen, met artikelen voor huiselijk gebruik. Chatham, tëafm. Chatelet, satdlei, klein slot of kasteel. Chatoyant, é^tój'ut, harde steen met veranderlijken glans; adj. van kleur of glans veranderend; Chatoyment = kleurenspel. Chattel, tsaVL prul, bezitting (zie echter Ireehold). (Hoods and âs = roerende goederen. Chatter, tsatd, subst. ijdel gesnap, klanken (als van eksters of apen); â verb, snappen, klapperen (van tanden), kakelen: â«box, â basket = praatzak, babbelkous; âmagging = ijdel gesnap, het ijdel snappen. Chatwood, téattvml. brandstof, talhout. Chancer, tèósd. Cliandron,Cha\vdron, tëódr'n, de ingewanden. Channel', tèófn. klein fornuis. Cliaiivinisni, sóvinizm, bekrompen en overdreven vaderlandsliefde, jingoïsme. Chaw, tsó, den mond sluiten: lie was âed up on the spot = hem werd dadelijk de mond gesnoerd. Chaworth, tsówdlh. Cheap, (sip. goedkoop, van weinig waarde: 1 shall not make mysell' so â again = mijne waardigheid uit het oog verliezen; A man feels â in such a case = ellendig, nietswaardig; A â remark = goedkoope. niets beteekenende; â trippers = lui, die op een goedkoopje uit zijn: âJack = marskramer, die bij afslag verkoopt; âen = afdingen, loven en bieden: I have been âening lish = door loven en bieden gekregen. Cheat, tèit, subst. bedrog, bedrieger, voorwendsel (om te bedriegen); â verb, bedriegen, beetnemen; âable. Cheat bread, tèitbrecl, gekocht (niet eigengemaakt of home made) brood. Check, tsek. subst. beteugeling, wie of wat in toom houdt, berisping, verwijt, teleurstelling, controle, contremarque, teeken (ter herkenning), geruite stof. schaak: lie was dressed in a summer â = geruite zomerstof; A âed handkeichier = geruite doek. He handed in his âs = stierf; â to the qiieen schaak koningin. â(-roll) = lijst van de dienaren eens konings of lords; â verb, tegenhouden, beteugelen, berispen, vergelijken of collationneeren: inschrijven of aanteekenen (van brieven, enz. Amer.); schaak zetten, een teeken zetten op (na onderzoek), vieren (van. touwen). (Zie Clie(|ue): The king is âed. is in â = is schaak: He âed himsell' = hield zich in; âbook = chequeboekje, boekje met blanco kassiersbriefjes; âer, subst.dam-of schaakbord, damschijf, schaakstuk, ruitwerk; â verb, vierkantjes vormen, ruiten maken, schakeeren: A âered life = veelbewogen. A game ol* âers (Amer.) = een spel dammen of schaak; âmate = subst. schaakmat, nederlaag: â verb, schaakmat zetten, totaal verslaan; ârail = rail, waardoor een trein op een ander spoor wordt gebracht; ây = in kleine vierkantjes verdeeld. Cheek, tsik, subst. wang, kaak: With the coolest â = met de grootste leukheid; He |
man: ask = ask; farm = fiim; bwt = but; learn = Um; 1/ne â â lain: house = hans: net: care = kèa; fate = feit; tin; «sleep = aslip; not: \aw â ló; lord = löd; bo// = bói:
C H Eli K-BOX E.
CHILL).
|
liiiM pienty ol* â = hij is zoo brutaal als een deur: â by Jowl (Jolt*) = wang aan wang, zij aan zij, dicht naast elkander, gemeenzaam, bestemaats: â verb, brutaliseeren. âbone = kakebeen: âwatcli = patrouille (oudtijds): â y = brutaal. tiieep, tèip, tsjilpen; âer = jonge vogel. Clieer, tèid. subst. blijdschap, gejuicli, onthaal, gastmaal: The table wan lil led with good â = lekkere spijzen; Be «I good â = wees goedsmoeds; The prime ininiHter was received with âgt;⦠= met gejuich ontvangen : What â ? = Hoe gaat het? Three âs lor the bride and bridegrooiki = driemaal ..hoeraquot; voor bruiden bruidegom; â verb, verblijden, toejuichen, aanmoedigen, vroolijk worden. met hoera's begroeten: The Hpeeeh was âed to the echo = werd daverend toegejuicht: His company will â yon up = opvroolijken; â np. Annie daiiing = schep moed, lieve Anna: -Inl; âless; ây. Cheese, téiz. kaas: lie would niake me believe that the moon is made ol* green â = hij wilde mij knollen voor citroenen verkoopen; That isquot; the â = dat is je ware (ook: That's the ticket, the correct tiling* the dandy): âhopper, âmite = kaasinijt; âniongeV,tèr~mvr\gd. kaaskooper; âparing = kaaskorst: Financial âparing = krenterigheid (in geldzaken); âpress = kaaspers; ârennet = Lieve-vrouwe-bedstroo: Cheesy = kaasachtig: Cheesiness: lie is beginning to border upon cheesiness = hij begint ei' sjofel uit te zien. C'iiela. schaar van krabben of kreeften: Cheliierous, kilifords, van klauwen voorzien. Chelirorm. ktliföm, klauwvormig. C'helmst'ord. tëemzfdd. Chelsea, Chel tenham, tèeltan'm. Chemical, kemik'l. scheikundig; âs = scheikundige stollen; Chemico (in samenstellingen) = scheikundig; ChemiNt. kemist, scheikundige, apotheker: Chemistry = scheikunde. Chemin-de-rer, èdmv.i\dfêo. soort v. kaartspel. Zie Poker. Chemise, èdrniz, vrouwenhemd. âtte.^emireï, chemiset. Chenille, .s.mil, chenille. Clieque, téek. kassiersbriefje,cheque; âbook = chequeboekje. Zie ook Check. Cherish, (êcrix. liefhebben, liefkoozen, koesteren, voeden. To â a secret = trouw bewaren. Cheroot, sernt. soort v. sigaar (zonder punt). Cherry, tóen, subst. kers: adj. kerskleurig: âcheeked apples= appels metroode wangen. lt;'liersoii, küsonn. Chersonese, kmemz. schiereiland. Chert, tsot. vuursteen, harde steen; ây. Cherub, tserob, engel (volgende op seraph), mooi kind: âic(al), IsdnlbikCl), engelachtig. Chervil, tsiivil, kervel. Cheshire, tSeëd. Cheslip, tseslip. houtluis. Chess, tses. schaakspel. To play .'it â = schaken; A giime of â = spel schaak. â board. âman = schaakpop. Chest, tèest, subst. koffer, kist, borstkas: â of drawers = latafel: â verb, in eene kist sluiten, opzamelen: âfoiindering = rhuma-tische ziekte, werkende op borst en voorpooten van een paard; dampigheid. |
Chestnut, tèesnot^snhst. kastanje(boom); That is a = = aardigheid, grap: er is niets van aan: adj. kastanjekleurig. To pnll the âs out of the fire for another. Cheval, èdval, ronde of ovale lijst; â glass = toiletspiegel, hangende en draaiende op spillen in eene lijst. â de l'rise = hek met ijzeren pieken of punten er op, soort v. opmaaksel. Chevalier, nevelt,/, ridder, galante man. ruiter in volle wapenrusting. Cheveril, èetrril. snbst. zeemleer: adj. zacht, zeemleerachtig. Cheville, ódvil. brug of kam (van viool of violoncel;. Cheviot, tsevidt. Cheviotschaap. Chevisance, tèerizum. voltooide handeling, dading, overeenkomst. Chevron, èevr'it. streep op den mouw van onderolïicieren; âed; âel = kleine â. Chevrotaiii, sevrotein. kleine antilope. Cheyne, tsïn. Chew, tsü, subst. mondvol, pruim(tabak): â verb, kauwen, malen, herkauwen, overdenken: â on this = bedenk dit wel, overleg het bij uzelf; To â the end = herkauwen, overleggen. Chian, ka ion. van Chios. Chiaroscuro. kjAronskurou (de behandeling van) licht en schaduw. Chibou(|ne, èibiïk. Turksche pijp. Chic, sik. subst. vaardigheid, handhabiliteit; adj. fijn. Chicago, sikdgou. Chicane, sikein. subst. haarklooverij, kibbelarij; â verb, vitten, betwisten door haar-klooverijen. âry. Chichester, tsiisdsto. Chick, tsik, uitspruiten, vegeteeren. Chick(en), tsikCn\ kuiken, kip of haan (als voedsel), kind, jong persoon: He has neither â nor child = geen kind of kraai; âen-hearted = lafhartig: âen-pox = waterpokken. âling = kuikentje: = âpea = kleine eetbare erwt, keker(ookChicIi genaamd): âweed = muurkruid; ârising apparatus = broedmachine. Chicory, tsikdri. cichorei, suikerij: As inuch like a gentleman as â is like coflee = evenmin een heer als cichorei koffie. Chide, tsaid. subst. zacht gebrom, gemurmel: â verb, beknorren, berispen; âr. Chief, tsif. subst. hoofd, bevelhebber, grootste gedeelte: To hold land in â = land onmiddellijk in leen hebben van den souverein; adj. voornaamste, hoogste, opperste: âbaron = president van het Court of Exchequer', âtain. âtin. opperhoofd, stamhoofd, hoofd van een clan (Schotl.): âJustice = opperrechter: â|y = voornamelijk. Clii'flomer. si/imia. voddenraper, chiffoniere. Chignon, sinjon. haarbos (achter aan het hoofd). Chilblain, tMlblein, winter aan handen of voeten. Child. tsaild (Meerv. Children. tsildr ri),kind. kroost, onervaren mensch. nakomelingen, bewoners van 't zelfde land: The â is lather of (to) the man = zoo kind, zoo man; With â = zwanger. In âbed =in het kraambed: |
bone = boun: full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jia; long = Ion; ship = sip: occas/on = okeiz'n; thin: //his â dhvs; wine.
CH1LDBEARING.
78
CHOICE.
|
âhearing, âbèriny, het kinderen baren, âbirth, âbvth, bevalling: âing = kinderen barend: â's-play = gemakkelijk werk, beuzeling: âermas-dny, tëilddmasdeï, herdenking (in de Eng. kerk) van den kindermoord (28 December); â lionrt = kindsheid; Seroiifl âiiood = kindschheid. âImIi. âlike, â¢âish-iiiiiide(l = kinderlijk, kinderachtig: âiHlinesh. C'hilde. tëaild, oudste zoon van een edelman, jonker. lt;1.11111, têili; Chilian, tèilj'n, Chiliaan. Chiliad, kilidd, duizendtal, duizend jaren: Chiliagon, hilidgon, duizendhoed: Chiliark. kilicik. hoofdman over duizend: ChiliaMiii. kiliazm, duizendjarig rijk. Chili, tsil. subst. kilheid, ontmoediging: I have taken the â «ff = het laten beslaan; adj. koud, kil. huiverig, koel en op een afstand: â verb, koud maken, ontmoedigen, plotseling afkoelen (om metalen hard te maken). â(igt;-newH. âing: ây = kil, onhartelijk. Chi Ionian, kiloinifn, van Chilo (een der zeven wijzen); kort en beknopt. Chïltreii llundredH. tsiltdnhnndrddz, Domeingoederen in Bucks, en Oxfords., waarover het nominale rentmeesterschap wordt gegeven aan een uitgetreden parlementslid. Chimb, tèaim, rand van een vat (ook Chime en Chine geschreven). Chime, tsaim, harmonisch geluid, klokkenspel, harmonie, rand van een vat; âverb, overeenstemmen, harmonieeren,instemmen: Iüh will â« with mine = komt overeen met. Chimera, kai- of kimird. hersenschim ; mythol. vlammen spuwend monster met den kop van een leeuw, het lichaam van een geit, eu den staart van een draak. Chimerical. Chiinere, simtd, opperkleed van een bisschop. Chimney, tèlmni,schoorsteen,lampeglas:The â Ninokes = de schoorsteen rookt, de lamp walmt; âcap = gek op een schoorsteen: âmoney = belasting op schoorsteenen: â hook == ketelhaak, vuurhaak; âeorner = hoekje v. d. haard; âpiece = schoorsteenmantel: âpot, subst. schoorsteenpot; adj. in den vorm van een schoorsteenpot: A âpot hat = hooge hoed: âHhal't = deel van den schoorsteen boven het dak; â»weep(er) = schoorsteenveger. Chimpanzee, tèimpnnzi, groote Afrikaansche aap. Chin, tèin, kin;âned = met een â (m samenst.). China, tsainD, subst. en adj. (van) porselein: China^ Chineesch; âman = Chinees; â orange, âorinz. sinaasappel; âshop = porseleinwinkel: âware, âwèd, artikelen van porselein; ChineHe, tsainiz, Chinees(ch), Chinezen. Chiiivh. tëinS) graanworm, wandluis (Amer.). Chinchilla, téintéild, Z.Am. knaagdier: het haar of bont ervan. Chincoiigh, têinkof, kinkhoest. Chine, tsain, subst. ruggegraat, ruggestuk, rand van een vat, kloof; âverb, door de ruggegraat snijden, den rug kloven. Chink, tèirik, subst. kloof, spleet,reet, gerinkel (van geld); â verb, scheuren, eene reet stoppen, rinkelen. Chin^cab, têinskab, schapenschurft. Zie Dar-tar». |
ChiiiHe, té ins, de naden van een schip tijdelijk stoppen of breeuwen. Chintz, tèints, sits. Chioppine, tsopin, hooge damesschoen; ook: Chopine. Chios, katos. Chip. tèip. subst. spaan, spaander, stok, soort v. l jvlochten stroo: Onv mills are riinning full â = wij werken nog met alle machines geregeld door: lie is a â ot'the old block = hij heeft een aardje naar zijn vaartje: 1 feel very âpy: those suppers ilon't agree with nie*= ik* heb haarpijn (ben katterig): ik kan niet tegen die soupers; lie was âpy = dronken : â verb, stuk snijden, hakken, stuk vliegen. It was not broken, only âped = ... beschadigd: âaxe = timmermansbijl, snik. houweel; âbat, âbonnet = strooien hoed. Chirugra, kairaf/rn. handeuvel (Verg. Podagra = het pootje). Chiragrical. Chirk, tèvk, levendig, vroolijk (Amer.). Cliirognoniy, kairocfndmi. bepalen van het karakter uit de hand; Chirography. kairo-yrd/i, schrijfkunst, voorspelling uit de hand: Chirology. kairolodzi. vingerspraak, vinger-taal: Chiromancy, kuirdmnnsi. waarzeggerij uit de hand; Cl'iir«»noniy. kaironami, gebarenkunst, âtaal. Chiropodist, Chiropedist. kairo/wdist, iemand, die kwalen aan handen of voeten geneest. Chirp, lënp. subst. gekweel, gesjilp: â verb, tjilpen, kweelen: âer. Chirre. tëo, kirren (van duiven). ChiiTiip. téirdp, opvroolijken. sjilpen: He is as âpy as ever = even levendig en opgewekt als altijd. Chirnrgeon, kairvdz'n. wondheeler, chirurg: Chirnrgery. Chisel, tëiz'l. subst. beitel: â verb, beitelen, uitbeitelen, beeldhouwen: bedriegen: They have âled me = beetgehad. Chisholni. tsiz'm. Chislen, Icizlü, negende maand van het jood-sche jaar. Chiswick. (sizik. Chit, tëit, spruit, kind. levendige jongen of meisje, wrat: âty = kinderachtig. Chit-chat, tèitëat, gekeuvel, gebabbel. Chitter, tsito, huiveren, rillen, klapperen (van tanden). Chitterlings, tsitalbyz. darmen ('van varkens). Chivalry, èiv'lri. ridderschap, ridderlijkheid, riddergóed. Chivalric, Chivalrous = ridderlijk. Chloe. kloni. Chloral, klór'l, chloraal; âism = schadelijke invloed van het gebruik ervan op het lichaam. Chlorine, klórain, groenachtig gas uit gewoon zout, bleekpoeder. Chlorosis, klouroitsis, bleekzucht: Chlorotic. Chock, tsok, klos of blok (om 't voort- of wegrollen van iets te beletten). Chockfnl, tsokful, stikvol. Zie Choke. Chocolate, tëokdlit. subst. chocolade: adj. chocoladekleurig; âcrackers = knalbonbons; â drop = chocoladekoekje. Choice, tsóis* subst. keus. verkiezing, onderscheid, het beste van iets: Yoii miist take yonr â = gij moet eene keus doen; adj.zorgvuldig gekozen, uitgelezen, keurig; âness. |
man; ask = ask; farm = lam; bjet = bwt: learn = hm; line lain; house = hans; net: care = kcd; fate = feit; tin; «sleep = aslip; not; law = lo; lord = lod; hoy = bói:
CHÃBB-LOCK.
CHOIR.
79
|
('Iioir. kwaio, subst. koor, zangkoor; â verb, in koor zingen: âservice = het gedeelte van den kerkdienst, dat door het koor wordt gezongen. l'iioke, tsouk, subst. het draderig deel van de artisjok; â verb, verstikken, versperren, verhinderen, beleedigen: âcl up = volgepropt: âlull = tot stikkens toe vol: â(laiii|gt; = .stiklucht, mijngas; âpear,pèc), rietpeer, hatelijkheid, bittere pil; â r = dooddoener, een niet te weerleggen argument: âr« = vadermoorders (i. e. witte das); âweed = kleefkruid. Cliokij. C lioleik. koltik, uit gal verkregen, galachtig; â arid = galzuur. iiioler. kolo, toorn, gal: ('liolerie, kolorik, toornig, driftig, opvliegend. Cholera, kolora, cholera nostras: â morbus = Aziatische cholera. Choleraic, ('iioleriiie, kolo-rain, cholerine, lichte graad van cholera. ('Iioluioiideley, tshmli. ('iioiidroiiiete'r, kondromdtQ, graanweger. Choose, tèüz, kiezen, uitkiezen, genegen zijn, besluiten: Beggars caimot (must not) he â rs. (quot;hop, tëop, subst. snede, stuk, cotelet of ribbetje, verandering, spleet, muil, hoeveelheid thee (Zie Chap): â verb, afkappen, kappen, hakken, ruilen, plotseling veranderen (van wind of golven): To â logie with one = met iemand redekavelen; He is a logicâper = wauwelaar; That is lirst â = van eerste kwaliteit; âper, tsopd, hakmes; -lallen (Zie Chaplallen); âs (Zie Chaps): âhouse = eethuis, gaarkeuken; -ping-block = hak-bord: âping-knile â hakmes; âsticks = eetstokjes (bij de Chineezen); âpy = vol barsten: ruw (v. d. zee). Chopin, tsopin, Schotsche maat van twee pinten. Cliorages, kdrelgas, koorleider (bij de Grieken ), orchestdirecteur. Choragic. Choral, kór'l, Choric, kór ik, tot een koor be-hoorend, in koor gezongen. ('hord, köd, subst. snaar, pees, harmonie (van tonen of kleuren), koorde; â verb, besnaren. Chore, tèö, karweitje (Amer.). Chorea, kór id of korin, St. Vitusdans. Choreic. Chorister, koristo, koorzanger, zanger, leider van een kerkkoor. Chorography, korogrofi, district- of plaatsbeschrijving,' of het in kaart brengen ervan. Chortle, tsöVl, gerochel, gehoest. Chorus, kóros, koor, koorgezang, zangstuk van twee of meer deelen. ( hose, èonz, ding: â in action = eigendomsrecht (wegens schuld). Chose, tsouz, imperf. van to choose; ân, part, van to choose: My ân Iriend = boezemvriend. Chough, tsvf, kauw. Cho(u)ltry, tsoultri, Oost-Indische herberg of karavanserij. Chouse, tsaus, subst. beilrieger, leelijke streek, bedrog; â verb, bedriegen. Chow-chow, subst. ingemaakte zuur tjes door elkander; adj. vermengd. Chowder, tsands, subst. vischgerecht (Amer.): â verb, een vischgericht bereiden; A â headed nuniskiill = idiootachtige ezel. domkop. Chowter, tsauto, kwaken (van kikvorschen), drenzen (van kinderen). bone = boun; full; fool = ful; i» = toonlooz long = loi^: ship = sip; occasion = okeiy/n; |
Chreniatistics, krematistiks. staathuishoudkunde. Clirestoniathy, krestoniothi, bloemlezing. Chrism, krizm, heilige olie: Chris)nation = toediening van het oliesel; Chrismatorg = voor het oliesel. Chrisoni, kriz m, doek. gezalld met heilige olie? en den kinderen bij het doopen op het hoofd gelegd; doopkleed, pasgedoopt kind; kind, dat. binnen eene maand na den doop sterft. Christ, kraist, de Gezalfde, Christus: âcross-row, kriakrosron, oude naam voor quot;t alphabet: âen, kris'n. doopen, noemen: âendom, kris'nd'm, de Christenheid: â ian. kristj'n, subst. Christiaan, Christen: adj. Christelijk; âian era = Chr. jaartelling: âian nanie doopnaam; âianity, krisCjaniti. de Christelijke leer; ânias, 'krismas, subst. Kerstmis; adj.tot het Kerstfeest behoorende: A âmassy piece = kerstpantomime: âinas-box, kris-mlt;ishoks, kerstgeschenk; âmas-carol. kris-nidskarl, kerstzang: âmas-day = Kerstdag, Kerstfeest; âinas-eve. krismd'ziv, de avond' van 24 December: ânias-tide = Kersttijd; âmas-holidays. krismasholideiz, Kerstdagen (van 24 DecemberâG Januari). Christina, kristino. St. Christopher. S'ntkristofd. Chromatic, kroumatik, gekleurd,chromatisch r â scale = chromatische toonladder: âs = leer of wetenschap der kleuren. Chromatography, kronmdtogrdfi. kleurendruk, verhandeling over kleuren; Chroniatgpe = gekleurde photograph ie. Chrome, kroum. Chroniiuni./.r«i/my.»gt;j,grijswit metaal, beroemd om zijne vele kleuren. Chroinule. kroumjnl, kleurstof in planten (behalve groen). Clironio(graph), krouinon(graf). prent of schilderij in kleurendruk:; You will find in-siiranee âs in all my rooms = gekleurde wandkalenders van levensverzekeringmaatschappijen. Chronic, kronik, met betrekking tot den tijd,, langdurig (van ziekten, tegenover acute i. Chroniele. kronik'l, subst. kroniek, geschiedenis, verhaal; â verb, boekstaven, vermelden. âr: âs = Kronieken. Chronogram, Avojwr/raw,opschrift,bevattende in grooteren druk den datum van het gebeurde. Chronography, kranogrdfi, geschiedbeschrij-ving. Chronology, krdnolndzi, tijdrekenkunde, tijdtafel van * geschiedkundige gebeurtenissen. Chronological. Chronoineter,/.gt;v»io#i#tgt;Miiauwkeur.)tij(lmeter. Chronoscope, krondskoup, instrument om de snelheid van proctielen te meten. Chrysalis, krisdlis (Meerv. Chrysalides, kri-salldiz), pop (van een insect). Chrysolite, krisolait, edelsteen van groene of gele kleur. Chrysology, krisolodzi,dee\ der staathuishoudkunde, dat over het voortbrengen van rijkdom handelt. Chuh, tsob, riviervisch (soort van karper). Chubby, tèobi, mollig, kort en dik. C'hub-fnced *= dikwangig, met poezele wangen. Chubb-lock, tëvblok, slot, dat niet kan opengebroken worden: Cimbb-key = vooreen â. vokaal (zie asleep en care): girl; year = J10; liin; thxas = dhus; wine. |
CIHCASSIA(N).
CHUCK.
80
|
4'hurk. tévK\ sukst. gek lok (van een kip), geraas. lieverd, tikje (onderden kin), worp (op kleinen afstand); â verb, klokken (als eene kip), roepen, een zacht tikje geven, streelen, werpen, gooien: To â up the spouse = het opgeven bij eene bokspartij; lie was â ed out = er uitgesmeten: ârarthiii^, âfixdhh], eabst. een spel. waarbij centen in een kuil worden geworpen: To play âlarthius wHIi = veronachtzamen, kleingeestig behandelen: .adj. kleingeestig, krenterig: âlarthint!; poli-Im*» = kleingeestige staatkunde, kruidenierspolitiek: âer-ouf = uitsmijter. Chuckle, t.svkl. snbst. het klokken (van eene kip), inwendige lach: â verb, klokken.kakelen, liefkoozen. inwendig en onderdrukt lachen. Cliiieklius: âhead = domkop: His native âheadediip«s = zijne met hem geboren domheid. diiidteish, tswdli. Clmet, fsii.it. gefarceerd vleesch, gehakt. Clmli; tsnf\ boer, lomperd, norsche vent: ây. Chum, tètvm. subst. kamergenoot, kontubernaal, intieme vriend; â verb, met iemand samen eten of wonen: Shall we â up together? = samen gaan wonen? â Chump, tb'vmp, subst. dik en zwaar stuk hout; â verb, eten kauwen. Chiiiiain. tiiAn'm of tèiuiam. Indische naam voor kalk. Chunk, tsniik. brok, stuk: ây. 4'hureh. tsMs. subst. kerk, léden eener kerk, kerkgangers, de geestelijkheid (tegenover laity i. godsdienstoefening, geestelijk gezag: lie â¢wa* aw last asleep as a â = hij sliep als â¢een otter: adj geestelijk: The â Catholie = de gezamenlijke belijders van Christus: The â Militant = de (tegen alle kwaad) strijdende kerk: â triumphant = de zalige Christenen; The â Invisible = de gezamenlijke Christenen in den hemel en op aarde: They were asked iu â = zij stonden onder de geboden; â verb, danken ('in de kerk) na eene herstelling (vooral van eene bevalling); in de kerk genoemd worden (Amerika) bij wijze van afkeuring: He was âed lor ha vino; done this; âale = wijdingsfeest, kermis: âbeneh = bank in het kerkportaal (Zie Pew); âImrial, âberidl. begrafenis naar den ritus der kerk: âliving = kerkelijk ambt, predikantsplaats; âman = geestelijke, lid van de kerk (nam. de Engelsche): âmusie = koraalmuziek; âouted, tèfftènuiid, verbannen, buiten de kerk geplaatst; ârate = kerkbelasting: âwarden, tsntèivöd'n. een van de wettige vertegenwoordigers der gemeente, kerkopziener, kerkmeester, kerkvoogd: âway = kerkpad; âyard = kerkhof: âing = kerkgang na bevalling. Churl, tënl. lomperd, vlegel, vrek; âish. â y. Churn, fëón, subst. karn; â verb, karnen, krachtig roeren, woedend koken of zieden (van de zee). Chute, süt. brandredmiddel, waardoor men naar beneden glijdt; val in een stroom, om vlotten en hout te doen afdrijven. Zie ook üaymi (Arner. gt;. Chyle, Kail, chijl (melkachtige stof). Chyme, kaim. de papachtige voedselmassa in de* maag vóór de chijl ervan gescheiden is. Chyniist(ry). Zie C'hemist(rygt;. |
Ciharious, sibfirjds. eetbaar, voedsel____ Cibol, sib l. eene soort v. look, bieslook, riborium. sibörfm, hostiekastje, hostievaas. Cicada, sikeido. Cicala, sikAlo, sprinkhaantje, krekel. Cicatrice, sikatris. Cicatrix, sikdtriks, lit-teeken; Cicatrize,s-t/wrrair,dichtgaan of heelen (van wonden); Cicatrization: Cicati'ose,sikd-troas, vol litteekens. Cicatricle, sikdtrik'l, Innetred (in een ei). Cicero, sisorou; Cicenme.(t)éi(t)êd)'ouni,gids (voor vreemdelingen). Ciceronian, Ciceroniaansch; Ciceroiiianisin. Cichory, sikdri, Cichoriiim, sikóridm. Zie Chicory. Cicisbeó. (t)èl(t)8isbiou. galant jong mensch, damesgek, minnaar v. eene getrouwde vrouw: Cicisbeism. Cicuta, sikjütd, dolle kervel en de verwante soorten. Cid. sid, opperhoofd, aanvoerder (Sp.). Ciller,saido. appeldrank; oudtijds: sterkedrank in 't algemeen: â ki:i, saiddkin, minder soort v. cider; âbrandy = Apple-brandy. Cierge, sfodf, groote waskaars (Katli. kerk). Cigar, sirjii. sigaar; Paper â, âette, sigdvet. sigarette: âbox, âcase, âbolder = sigarenkist, sigarenkoker, sigarenpijpje; âdivan = rooksalon. Cilia, silja, oogharen: âry, siljdri, tot de oogharen of oogleden behoorênd. Ciliated. Cilice, silis, haren kleed. Cima, Cyma. saima, Cyme, saiyn, kroonlijst. Cinibri(cgt;, simbri(k), subst. (de taal der) Kim-bren: âc. adj. Kimbrisch = Cimbrian. Cinieter, ttimild, Turksch zwaard. ZieScimitar. Cimmeriaii. siimrfn, buitengewoon duister. Cinch, sins, gorden, den buikriem vastdoen. Cincinnati. sinsinAti. Cincture, sit\ktjd, band, gordel, omheining. âd. Cinder, sindo, asch, sintel, stuk verkoold hout: ây; Cindroas: Cinderella = Asschepoester: â-wench, âwoman, sindoivurn'n. asch-vrouw,voddekrabster; Cine lad ion, s/n/faksn. het vergaan tot asch: Cineraceous, sindreises, Cinereous, sintrias, aschachtig, aschkleurig. Cinerary, sindrzri, subst. urn voor asch van een verbrand lijk; adj. tot asch behoorende: Cinerary-urn. Cineration = asch wording, het vergaan 'tot asch. Cingalese, singdliz, subst. bewoner(s) v.Ceylon: adj. van Ceylon. Cingle, singl. buikriem v. een paard, gordel. Cinnabar, sinaamp;a, vermiljoen, drakenbloed. Cinnamon, vindm n, kaneel; Cinnamic, Gin-namomic = tot kaneel behoorende. Cinque, sink, vijf (bij 't kaarten of dobbelen): â foil = vijfvingerkruid: âports = de vijf havenplaatsen Dover, Sandwich. Hastings. Itomney en Hytlie, waarbij later nog kwamen Winchelsea, Rye (en Sea ford). Ze hadden onderscheidene privileges. Zie Baron. Cipher, saifo, subst. de 0, cijfer, naamletter, cijferschrift, onbelangrijk iets; â verb, berekenen, in cijferschrift schrijven: aanwijzen, uitdrukken: âkey = sleutel om te ontcijferen: âing-book. ' CircassiaOi), svkaëdin), Circassië, Circassiër: Circassisch. |
man; ask = ask: farm = ffim; b«t = but: \earn = l«n; 1/ne = lain: ho?/se = hans: net: â¢care = kèa; fate = teit; tin; «sleep = aslip: not: \aw = ld; lord = Irtd; hoy = bói:
CIRCE.
81
CIVIL.
|
Circe, svsi, Cireenn. sosian. door too verkracht verdwazend, schadelijk, magisch. Circeiiaial. sósenamp;l, Cirrensijui,sfgt;senè,n, tot den Circus behoorend (bij de Romeinen), l'ircius, siïxas, N.W. wind. Cirrle. svkïl, subst. cirkel, kring, omtrek: gezelschap, afgerond stelsel: stuk grond: redeneering, waarbij men in een cirkel ronddraait: â verb, zich in het rond bewegen, zwenken lt;v. cavalerie), omringen; âd in on all Mide» = rondom ingesloten: âd; ât = cirkeltje; âHtnliiiK. Zie Cimilar. Circuit, svkit, omloop, omtrek, grens, geregeld bezoek of rondgang: He made a â = maakte omwegen: The iiiHpeetor (Judge) In on his â = op zijne tournee: To put in â, out of â = aansluiten (van telefoon, b.v.), losmaken: â verb, rondgaan, zijne tournee doen. Circuiteer = iemand, die zijne tournee doet; âous, snl.juitds, met een omweg, niet direct: ây. sfjkjüiti, indirecte of draaierige manier van doen. Circular, sökjuld, subst. circulaire: adj. cirkelvormig, gericht tot vele personen; âletter = circulaire, credietbrief aan onderscheidene bankiers; âMailing; = het zeilen langs den boog v. een grooten cirkel. Circularity, Circularize = circulaires zenden: Circulate, snkjulext, circuleeren, rondgaan, zich verspreiden: Circulating decimal = repeteerende breuk: Circulating: library = leenbibliotheek: Circulatine; niediiini = ruilmiddel, pasmunt; Circulator = repetent: Circulation = omloop. ruilmiddel, verspreiding. Circiinianihieiit. sv.k'maitibfnt. rondgaand, omgevend: Circumambulate, si'.k'mambju-leit. rondwandelen; Circumambulation. CirciimbendibiiN. âheudibas. omschrijving. CircuniciHe,s»/rrw«aiz,besniiden;Cimmiefeion. Circumduct. rondleiden, nietig ver klaren, voor verjaard verklaren. Circumierence, snknmfar'ns, omtrek, het in een kring beslotene: Circumferential. Circumflect, svk'mflekt, ombuigen, met een kapje of circonflex voorzien: Circumfleadon of '/lection. Circiimniience, sftlcnmfludns, omstróórning, insluiting door water. CirciiniforanemiH, sv.k'mfd rein jas. van huis gaande, zwervend. Circuml'ul^eiit. sók'mfnldz'nt, overal schitterend. Circumt'iiHe,siïk'mfjüz. omstióümen, verspreiden. Circmn fusion. Circumsyrate. sntfmdzaireit, ronddraaien. Circumgyration. Circumjacent, sv.k'mdzeis'nt, omgrenzend, omliggênd. Circuml(M*utioii, svk'mldkjiis n. omschrijving. Circumlocutory , svk'mlokjutdri. omschrijvend. Circummeridiaii, sv.k'maridjên. aan of bij den meridiaan gelegen. Circumuavigable. si'.k'mnaviyab'I, omvaar-baar: Circumnavigate. C i re u m pol a r. s v k'rnpou ld. nabij of om de polen. Circumptmitioii. si'k'mppziS'n, omheenplaat-sing. Circunirota(to)ry, svk'mroutait^ri, rond- of omwentelend. bone = boun: full; fool = fill; »gt; = tooniuu^. lo)iy = ion; s/iip = »ip; occasion = okeiy/n; lt; ten bruggencate, Eng. Woordenboek. |
CircuniMcribe. svk'mskraib, beperken, omsluiten, begrenzen: Circumscription. Circumspect, svk'mspekt, omzichtig; Circumspection. CircuiiiHtance. stik'mst'ns. subst. omstandigheid, voorval, gebeurtenis, toestand; â verb, in een bepaalden toestand plaatsen: He i» quite a â = een heele Piet, een man van gewicht (Amer.); In point of tral'fic Pari» is not a â to Ijondon = kan lang niet halen bij; Circumstantial evidence = aanwijzingen (bij eene strafzaak, bijkomende bewijzen; tegenover Internal evidence); Extenuatins âs = verzachtende omstandigheden: llfc talent Iuih given the tale a kind of circumstantiality and Miib.Htance = eene soort van waarschijnlijkheid; It waw circumstantiated years afterwards = jaren later werd het door de gebeurtenissen bewezen. Circuin val late, svk'mvaleit, omwallen, ommuren; CircumvaUation. Circumvent, snk'mvent, misleiden, bedriegen; âion; âive. Clvvuuiyeai.sx'.k'tnvest, met een kleed omhullen. Circumvolution, svk'mvdlfis'n. omdraaiing, omwenteling; Circinnvolve, snk'mvolv, omdraaien, overwegen, overleggen. Circus, sükds, circus, paardespel. Cirencester, sisdste. Cirrose, sir ous, Cirrous, siras, uitloopend in eene rank: Cirrus,siras(Mv.Cirri,«ïn), hecht-rank, uitgespreide wolk, als eene haarlok. Cisalpine, sisalpain, aan deze zijde. d. i. de Zuidelijke quot;ijde, der Alpen. Cisatlantic, sisatlantik, aan deze zijde van den Atl. oceaan. Ciselure, siz'ljua, subst. en adj.gedreven (werk). Cispadane. sispadein, ten Z. van de Po. Cis(sy). sis(i), kort voor Cecily, sisili. Cissns, sisas, wilde wingerd. Ciwt, sist, kist, mand, graf. Cistercian, sistvamp;n, subst. soort v. Benedik-tijner monnik; adj. van een â. Cistern, sistan, regenbak, vergaarbak, put. Cit, sit, burger (verachtelijk); âicism = burgerlijkheid, burgermanieren. Citadel, sitad'l. kasteel of citadel nabij eene stad. Citation, saiïeis'n, dagvaarding, aanhaling. Ci-tatory = in den vorm van eene aanhaling. Cite, sail, dagvaarden, als voorbeeld bijbrengen (Zie Ouote) of aanvoeren. Cithara. slthara, Cithern, sithan, cither. Citizen, sitiz'n, subst. burger; adj. van een burger; âsoldier = schutter, burgermilitair; Citified = grootsteedsch (Amer.) âship. Citrin(egt;. sitrin, subst. gele kwarts; adj. citroen-, geelkleurig; Citron, sitr'n, citroenboom). Citrnl, sitr'l, pompoen. Citrus, sit ras. lemoen. City, siti, subst. groote stad (oorspronkelijk : bisschopsstad), de burgers; adj. stads.quot;..; âarticle = beursbericht; âman = koop-Civet-cat. sivetkat, civetkat. [man. Civic, sivik, burgerlijk: â crown = burgerkroon (oorspr. bij de Romeinen een krans van eikenbladeren voor den soldaat, die het leven van een burger in den slag had gered). Civil, sivil. burgerlijk, civiel, van een leek. in-heemsch;geregeid.b'eschaafd,burgerlijk beleefd; âdeath = verlies der burgerschapsrechten, vokaal (zie asleep en care): girl; ?/ear = jia; lin; thws = dlius; wine. 6 |
CLAVERHOUSE.
82
CLABBER.
|
afsterven van de wereld; âengineer = civiel I ingenieur: ââ¢engineering = het bouwen van openbare werken, enz.; âlan, sivilfn, student, professor, ingewijde in quot;t civiele recht; burger (tegenover militair); âluw = burgerl. recht; â.list = civiele lijst; âservant = burgerl. ambtenaar: âservice = civile dienst, burgerl. , ambtenaren; -ity, siviliti, de gewone of burgerlijke beleefdheid; âitiew = attenties: âize = beschaven: âyear = burgerlijk jaar. Clabber, klabd, subst. dikke, zure melk; â verb, klonteren, zuur worden. Claek,A:fri/i:,subst. herhaalde klap, onophoudelijk gesnap, tong (verachtelijk), klik (van eene klok vóór het slaan), verklikker (in een korenmolen); â verb, klappen, snappen, kakelen, klappeien: He âed In» whip: --dish = bedelaarsschotel, met wiens deksel zij steeds klapten bij het gaan langs de huizen; âer. Claim, kleim, subst. aanspraak, eisch, recht, het geëischte stuk land (vooral waar edele metalen zitten); â verb, aanspraak maken op: He âw kindred with iih = zegt dat hij familie van ons is: He ha» a â on, he lay» â to. he â» that piece of land: âant = eischer; âjumper = iemand die een stuk land in bezit neemt, waarop een ander een vroeger recht heeft. Clam, klam, subst. groot schelpdier (Amerika): He »hnt iijgt; like a â (Amer.) = zweeg als een mof; 11 it i»irt true, I am a âshell = ben ik âik weet niet watquot;; â verb, kleven, kleverig zijn; âmy = kleverig, lijmerig. Clamber, klarnbd, klonteren, steil zijn. Clamorous, klamdi'ds, luidruchtig, tierend, schreeuwend; âness: Clamour, klamd, subst. getier, luidruchtigheid, eisch, klacht : â verb, luid schreeuwen, tieren, dringend eischen, klagen. Clamp, klamp, subst. klamp. kram. zware voetstap (van veel personen), hoop (steenen); â verb, klampen, krammen, lasschen (d. i. een stuk hout ter versterking dwars over een ander slaan), krachtig stiippen (als van soldaten); ânails = spijkers met groote koppen, klampnapels. Clamz. klamz, groote nijptang, houten schroef. Clan. klan, stam. geslacht, kliek, sekte: They âned together = zij staken de hoofden bij elkaar; ânish. âship. âsman. Clandestine, kVndestin, verborgen, in'tgeheim, onderhandsch. Clang, klan. Clank. klar\k, subst. harde klank, metaalachtig gekletter (ook Clangour, klar^ga); â verb, klinken, kletteren (v. zwaarden). Clap, klap, subst. slag, klap, donderslag, handgeklap: He took a â at me with his stick = sloeg naar mij: â verb, klappen, slaan (met iets plats), plotseling bijeendrijven, haastig dichtslaan, met kracht neerzetten, met handgeklap begroeten: To â to = dichtslaan; I never â ped eyes on gt;â¬gt;11 before to my knowledge = ik heb u nooit eer gezien voor zoover ik weet; He was âped into a strait-waistcoat = hij kreeg een dwangbuis aan; He was âped into prison = in de gevangenis gestopt: They âped him up = brachten hem op (in de gevangenis); The chancellur of the Exchequer has âped five shillings on champagne = heeft... meer belast: The bargain was âped up = plotseling gesloten; They âped hands = kl. in de handen; âboard,* âhod, subst duig (voor een vat), dunne smalle plank (voor daken van huizen, Amer.); â verb, met dunne planken bedekken (Amer.); âbread = klapbrood (in Cumberland en Westmoreland); âdish, zie Clack-dish: ânet = slagnet; âper = klepel (gemeenz.):âtrap^/a/wap.subst.kunstgreep, om toejuiching te verkrijgen: bedriegelijke, schoonklinkende woorden; adj. bedriegelijk (om toejuiching te winnen), schoonklinkend. |
Clapper-claw, klapdklu, uitschelden, kijven, toetakelen, krabben. Clara, klêra. Clare, Idêd. non (orde v. St. Clare). Clarence, klar'ns, rijtuigje op vier wielen en ééne bank van binnen. Clarendon, klafnd'n. Clare-obscure, klêrobskwa. licht en bruin. Claret, klaret, subst. Bordeauxwijn; adj. wijn-kleurig; âcup = drank (in ijs) van wijn, citroen, enz. Clarichord, klariköd, ouderwetsch snaarinstrument, soort v. spinet. Clarify, klarifai, reinigen, zuiveren, klaren zuiver worden. Clarification: Clarifier. Clari(ogt;net, klari(d)net, klarinet. Clarion, klarion, klaroen; Clarisonoiis, /.7a-risdnas, helderklinkend. Clarty, kliiti, nat. vuil, glibberig. Clary, klêri, soort van salie; âwater = drank van'cognac, suiker, salie, kaneel, enz. Clash, klas, subst. stoot, bons. gekletter (van wapenen), tegenstand: The â of cymbals: â verb, stooten, bonzen, dwarsboomen; That âes with my interests = strijdt met . . . Clasp, klasp, kram, haak, knip. omhelzing: A menal with six âs = medaille met zes haken (voor de zes veldslagen, waarbij de drager is tegenwoordig geweest); â verb, vasthaken, grijpen, omklemmen, omhelzen. âknife = knipmes: âlock = springslot. Class. kMs, subst. klasse, orde: â verb, in klassen rangschikken, ordenen: âperiodicals = vaktijdschriften: âmate, âfellow = klassegenoot. Classic(algt;, klasik^l), subst. en adj. klassiek (schrijver of boek). Classic» = kl. studiën: The classics = de kl. schrijvers; Cleissic-alism; âal ness of Classical ity: Classicist = klassiek geleerde; Classify, klasifni, in klassen rangschikken; Classification: Classifiable: Classific. Classis, klasis (Mv. Classes, klasiz,), classis (kerkelijk). Cl assmaii, kldsman, een âmet lofquot; geslaagde (tegenover Fassmaii). Clatter, klatd. subst. geklater, gerammel, geratel; â verb, klateren, ratelen, rammelen; âer. Claudicate, klódikeit, hinken, kreupel loopen. Claiidin», klódjas. Clause, klóz, zindeel, clausule, artikel v. eenige wet of bepaling: Claii»ular. klóz ulo, bestaande uit clauses. Claustral, k lós tri. kloosterachtig. Clavate. kleivit, Clavated. kleiveitid, Clavi-form, klaviföm, knotsvormig. Clavecin, kleivsin, soort v. clavecimbaal. Claverhouse, k la var as. |
man; «sk = ask: farm = fam; bt/t = but: learn = Iwn; line -- lain; house = hans; net: co/'e = kèa; fate = feit; tin; «sleep = «slip; not; laiv = lö; lord = lod; hoy â bói;
CLAVICHORD.
83
CLEW.
|
(iavieliord. klavik'ód. (Zie Clariclioril). Clavicle, klavilvl, sleutelbeen. Clavirular, kldvikjuld, tot het sleutelbeen behoorend. C'laviconi, klavikon, familie v. insecten, met knotsvormige voelhorens. Clavier, klavjv, klavier. Claviger, klavidzd. sleutelbewaarder, concierge. ClaviH, kleivis, sleutel, vertaling. Claw, klu, subst. klauw, post, schaar, hand (verachtelijk); â verb, krabben, verscheuren, grijpen, kittelen, flikflooien; â off = wegkomen, ontsnappen: âback = vleier, flikflooier: â liaiiniier = hamer met klauwen om spijkers uit te trekken; zwarte rok; adj.gekleed,deftig; There was quite a âhammer erowd at the goveruor'H palaee = een troep heeren met zwarte rokken (stalen pennen); âsiek-(iieHH) = klauwzeer; âed; âle»s. Clay, klei, subst. klei, leem, aarde, stof; adj. van klei gemaakt; â verb, met klei bedekken, zuiveren; âbrained = dom: âeold = marmerkoud; Clay-marl = kleimergel; âey = met klei, van klei; âiwh. Clayew, kleiz, afsluitingen van stokken met wilgentakken. Claymore, kleirnö, slagzwaard (der Sch. Hooglanders). Clean, kiln, adj. zuiver, rein, schoon, onschuldig, heilig, geheel, handig: As â as a new penny = zoo blank als zilver: He went out ol' offiee with his hand^ â = hij legde zijne portefeuille neer zonder smet of blaam; A â bill = Bill ol' Health (Zie Bill): He made a â Job of it = hij deed het uitstekend, keurig; â verb, reinigen, schoonmaken, zuiveren; âshaped. âlimbed = goed gevormd,goed geëvenredigd: âly, klenli, adj.zindelijk: âly, kliali, adv. rein:* âliness, klenlinis, zinde-Jijkheid: âliness is next to godlinesH: âse, klenz, zuiveren,purgeeren; âsing= reiniging: âing = schoonmaak, âbeurtquot;. Clear, kHz, adj. klaar, zuiver, helder, lichtgevend, doorzichtig, doorschijnend, duidelijk, onbetwistbaar; onbelast, onbezwaard, ongehinderd, duidelijk verstaanbaar: The coast is â = de kust is vrij, het veld is schoon; 1 will try to set yon â = u nit de verlegenheid te helpen;* He carried it â = hij heeft het royaal gewonnen: We steered â of the rock = liepen de rots vrij; A â hour == vol uur; â verb, helder maken, verduidelijken, zuiveren, ophelderen, wegnemen, vrijmaken, vrijspreken, zuivere winst maken, overspringen, vrij worden: The grounds will be âed at ten = de tuin zal ontruimd worden te tien; The table was âed = de tafel was afgenomen; To â a character = iemand van blaam zuiveren; He âed bis throat = schraapte de keel: It has âed up = opgeklaard: Let us â accounts = onze rekening vereffenen: We âed more than 200 p.st. = wonnen meer dan 200 p.st. zuiver; He âed the way = hij baande den weg: The boy âed the hedgè = sprong royaal over de heg; He âed out = hij kneep'uit; I am âed out = platzak: Thé ship âed off = vertrok: The ship was âed at the ciiNtomlioiise = uit-, ingeklaard; To â the land = in volle zee komen: The Heet was âed Tor action = de vloot werd voor den bone = boun: full; fool = lïil; é = toonlooz( lom/ = loi^; «/lip = sip: occasion = okei/zn: i |
slag gereedgemaakt: Tt» â off = vertrekken; âage, kliridz, het wegnemen van iets; âance = (bewijs van) uitklaring, netto winst; âcut = regelmatig, als gebeiteld; âheaded = helder van hoofd: âsighted = scherp, schrander; âing = verdediging, rechtvaardiging, ontgonnen land in bosschen (Amer.), liquidatie (bankiers; dit wordt gedaan in het âing-house); âstarch, âstiits, stijven (van fijn linnen); âness; âly. Cleat, klit, subst. klamp, stukje hout. dun metalen plaatje; â verb, vastmaken. Ook Cleet. Cleavage, kliuidz, het kloven, de eigenaardige breuk, die daarbij ontstaat. Cleave, kliv, kleven, hechten, passen, kloven, scheuren, scheiden: He âs to bis right = staat op: My tongue âs to my mouth = kleeft vast aan mijn gehemelte: âr = (slagers)hakmes, houthakkersbijl: Marrow-bones and ârs = mergpijpen en hakmessen (met deze werd eertijds bij een huwelijk uit de lagere standen muziek gemaakt). Cledge, kledz. kleigrond. Cledgy, kledzi, stijf, vast, kleiachtig. Clet', klef, Cliff, klif, (muziek)sleutel. Clel't, kleft, kloof, reet, barst, scheur. âfooted = met gespleten hoef. Cleg, kleq, paardevlieg. Clemmed, klemd, uitgehongerd, dood van den honger. Clematis, khmieitia, klem,dis of klinwtis, slinger- of klimplant. Clement, klem'nt, subst. Clementius; adj. zacht, goed, vriendelijk, vergevend, medelijdend. Clemency, klerrCnsi. Clementina, klem'ntins, Clementine. Clench, kiens. Zie Clinch. Clepsammia, klepsamjd, zanduurwerk, zand-looper. Clepsydra, hlepsidm, wateruurwerk. Clergy, klvdzi, geestelijkheid: âman = geestelijke. Benefit of â' = het voorrecht, dat de geestelijken niet aan de rechtspraak van seculaire hoven zijn onderworpen. Cleric, kier ik. klerk, geestelijke: Cleric(al) = tot de geestelijkheid of eenquot; klerk behoorende: Clerical and typographical errors = schrijf-en drukfouten; Clericalism = te groote invloed der geestelijkheid: Clerisy, klerisi, geletterden, schriftgeleerden. Clerk, kink, subst. geestelijke, geleerde, schrijver, klerk; leek, die in de kerk de antwoorden leest: â of the House = Griffier van de Kamer; â verb, het boekhouder-of klerkschap uitoefenen (Amer.): I don't like figures well enough to â = genoeg van cijfers om klerk of boekhouder te worden: âlike; âship. Cleromancy, klerjtniinsi, waarzeggerij uit een dobbelsteenworp. Cleronomy, klarondmi. erfenis, vadersdeel. Cleve. kliv, Clif, klif. klip (in samenst.), zooals: Cleveland. Clifton. Clever, klevd, handig, bekwaam, vlug, glad, geschikt: A â book = geleerd, mooi: A â leading-article = mooi hoofdartikel. Cleves, kiivz. Kleef. Clevis, lde vis, Clevy, klevi, ijzer aan een ploeg. Clew, klu, subst. kluwen, bal, draad (om den weg te vinden in moeilijkheden), wenk, reef (in een zeil); â verb, reven, geleiden. vokaal (zie asleep en care)-, girl: //ear = Jia; bin; thxxs = dhes; wine. |
6*
CLOSET-SIN.
CLICK.
84
|
Olirk, subst. getik, klink (van eene deur), pal (van een rad): â verb, slaan, tikken, klinken; âer = winkelknecht, om klanten te lokken: drukkers- of schoenmakersgezel. Client, klaiont. klient, beschermeling; âage, klaidntidz, clientèle, al de klienten; âal = afhankelijk. Clifl', /./?Æ, steile rots, afgrond, ('lift, klift,! klove, klip. Cliinaeterie, Idimdhterik of klimaktdrik, kritiek tijdperk in het leven (om de 7 jaar volgens sommigen, of in het 21e, 3öe, 49e en 63e jaar. Dit laatste is de (ilraiid Cliinaeterie). Climate, klaimit, Climatiire, klaimdtjd, Clime, klaim, klimaat, luchtstreek, gewest: Climatie(algt;, kl(a)imatikCl), het klimaat be-treffend: Climation = gewenning (aan 't klimaat); Clhnatize, klaimatniz. aan het klimaat gewennen. Climatography. Climatology. Climax, klainwks. opklimming, hoogste punt. Climb, klaim, subst. het klimmen, de klim: We began the upward â; It i« a good â = heele klim, flinke klim: â verb, klimmen, met moeite en langzaam stijgen; He âed down = hij zong een toontje lager: âer = klimmer, klimplant, klimvogel. Climeiie, klaimtn, Climeen. Clineli, klins, subst. greep, houvast, woordspeling. dubbelzinnigheid; â verb, vastslaan, vastmaken, klinken (vanspijkers), vastgrijpen: That âe» the matter = dat is afdoende; âer = klamp, houvast, afdoend antwoord; âer-nails = klinknagels: âer-work = klink-werk. waarbij (gelijk bij de pannen op het dak) de voor het bouwen gebruikte planken overelkander liggen; That'» a âer = daar kun je niets op antwoorden, dat is afdoende. Cling, klin. aanhechten, omhelzen, inkrimpen: She eliing hold ol' lifc eoat = hield stevig vast. Clinie, klinik, een bedlegerige, onderwijs door een professor aan het bed van patienten in een hospitaal; â(al) = klinisch; âal haptiHin = doop aan zieke of stervende; âcouvert = de aldus gedoopte; âal leeture = kliniek (college». Cliniqne, klinik. college of les aan het ziekbed. Clink, klir^k, subst. het klinken : â verb, klinken (vooral van belletjes), doen klinken. Clinker, klir^kd, klinkersteen, hamerslag, me- ! taalschuim, harddraver (paard). Clinqiiant. klink'nt, subst. klatergoud; adj. glinsterend, in klatergoud gekleed. Clio, klaiou, de Muze dei* geschiedenis en dei-epische poëzie; genus v. kleine schelpdieren. Clip, klip. subst. de afgeschoren wol van één seizoen, slag met de hand (Amer.); â verb, afknippen (met eene schaar), snoeien (van goud en zilver), afsnijden, afbreken (v. woorden), snel bewegen, in vliegende vaart gaan (Amer.); Hiw wing» were âped = zijne macht (eerzucht) werd besnoeid: âper = besnoeier, snelzeilend schip; âperbnilt = als een snelzeiler (met scherpen boeg). Clique, klik, kliek, troep. Cliquish. Clish-rlaMh, klièklas, subst. gesnap. â verb, als zwaardgekletter klinken. Clitter-elatter, klitdklntd, gewauwel. Cliver», klaivdz. kleefgras. |
Cloak, klonk, subst. mantel, dekmantel, voor- I wendsel: â verb, bemantelen, verbergen. âing; = mantelstof: âbag = mantelzak, valies: âroom = kleedkamer. Clobber, klohd, smeersel om bij het oplappen van oude schoenen de scheuren te stoppen. Clock. kloh\ klok, kever, klink (aan den enkel of de zijde van eene kous): What o'â is it? What iw (it) o'â? = Hoe laat is het? â verb, klokken (van eene kip): Am regular an âwork = zoo precies als de klok: âmaker. Clod, klad. subst. aardkluit, aardklomp, alles wat verachtelijk en laag is, domkop, sukkel: â verb, kluiten, klonteren, met kluiten gooien: âdy, âdish = lummelig, âhopper = boerenkinkel; âpate, âpoll, ezelskop. t'log. klog. subst. blok, belemmering, holsblok, klomp, damesschoen: â verb, belemmeren, verhinderen, tegenhouden, overladen, verstoppen; âgy. Cloister, klóistd, subst. kruisgang (om de muren van kloosters), klooster, piazza: â verb, in een klooster opsluiten: âer = kloosterling. Clomb, kleum, oud imperf. van to elimb. Clonic. 1,1 onil.\ zenuwtrekkend. Cloop, hlup, ploef ( van een kurk, die van eene flesch wordt getrokken). Close, klouz, subst. besluit, einde, schermutseling, worsteling: â verb, sluiten, vastmaken, eindigen, besluiten, aanvullen, vereenigen, beperken, insluiten, worstelen: At this moment the scene âs in = valt het gordijn; The passage was âd up = afgesloten: âup, gentlemen: we won't go home yet = aansluiten, Heeren! We have âd on that ooint = zijn het daaromtrent eens geworden: V ou will â with me that this is iniieli better = zult bet met mij eens zijn; I âd with his invitation = nam aan: We have âd (In) w7ith the enemy = zijn met den vijand handgemeen geworden. These are âd questions now,which were open questions some years ago = uitgemaakt . . . onbeslist. Close, klous, subst. ingesloten of omheinde plaats, wat tót eene cathedraal of abdij behoort, blinde straat of steeg; adj.gesloten, benauwd, drukkend, dicht, stilstaand, begrensd, nabij (â by), ongeveer gelijk, geheim, achterhoudend, oplettend, beknopt, getrouw (aan het oorspronkelijke), nauwkeurig, gierig (with money), krenterig: The air is â here = het is hier benauwd: To live at â quarters = klein behuisd zijn; â on seven: â is my shirt, but âr is mv skin = het hemd is nader dan de rok; A â bird (heraldiek) = een staande vogel met toegevouwen vleugels; gt;!gt; friend lives â by = dichtbij, in de buurt: âbanded = dicht aaneengesloten; A â corporation = bestuur of lichaam, dat de opengevallen plaatsen zelf aanvult: A â fisted, âhanded man = vrekkig, gierig man: A â jest = bijtende scherts: The\ came to â quarters (lights) = werden handgemeen: A âstool = stilletje; âtime = gesloten jacht- of vischtijd; âtongued = zwijgend, .,zoo dicht als een potquot;. Closet, klozdt. subst. kabinet, studeerkamer, kast; â verb, samen in een vertrek gaan of zijn voor geheime beraadslaging; âsin = geheime zonde. |
man; ask = Ask; farm = fiim; b?tt = but; learn â l«n; line â lain; house = haus; net: core = kèa; fate = feit; tin; asleep = dslip; not; laiv = ló: lord = löd; bo*/ = hoi:
CLOSH.
COAK.
85
|
('IohIi, /.los, ziekte in de pooten van vee, ouderwetsch kegelspel. CloMire, klouts, subst. sluiting, slot, besluit, sluiting van het debat; â verb, het zwijgen opleggen. C lot, hiot, subst. geronnen massa (zooals bloed), sulferd; â verb, klonteren, stollen: âteil crcain = dikke room. Cloth, kloth, laken, wol, katoen, lijnwaad, zijde, tafellaken, officiëel gewaad (vooral van geestelijken): 1 am Hliocked to hear hih-Ii Heiitiineiit» trom the â = een geestelijke of de geestelijkheid; More â than dinner = meer omvang (of vertoon) dan degelijkheid: âworker; âshearer. Clothe, kloi'dh. bekleeden, van kleederen voorzien, kleederen dragen. 1'lotheN, kloudhz. Clothing, l.ioitdhin, kleederen, kleeding: A «uit of â = pak; âhorse = droog rek; âline = drooglijn: âmoth = mot (in kleeren): âpress = kleerkast; â wringer = wringmachine. lt; lothier, kloudhja. lakenkooper,lakenfabrikant. Clotpoll, idotpowl. domkop, ezel. Z. Clodpate. Cloture, kloutjd. sluiting van een debat (in het parlement). Clond, idaud, subst. wolk, ader(in marmer,etc.), groote menigte, sluier, geldnood: I am inthe âs = in het onzekere, verward: There was a â ahont him = hij voelde zich ongelukkig: He was imder a â = had geldgebrek, hield zich gedekt (dorst zich niet vertoonen), was lichtelijk aangeschoten; â verb, bewolken, verduisteren, somber maken, bedroeven, besmetten: A âed sky = betrokken lucht: 1 got âed out = de wolken beletten mij het photo-grapheeren (van zon verschijnselen bij eene eclips); âage, Liaudidz. wolkenmassa: âlet = wolkje; âherrv = bergbraambes;âcapped (rapt) = zeer'hoog, met wolken bedekt; â rompeller. âk'tnpela, donderaar, Jupiter to na ns; âdrift = drijvende dampen: ârack = kleine wolk; âwrapt = in wolken of mist gehuld; ây = bewolkt, somber, duister, norsch, geaderd of gevlekt (van marmer, enz.), onduidelijk. Clongh, klnf. kloof of ravijn, dam, sluis, toegift van 2 Eng. ponden op iedere honderd. Clout, klant, subst. lap, vod, harde slag met de hand. witte lap of doek (waarop boogschutters^ mikten), ijzeren as-plaatje: He looks as white as a â = zoo bleek als de dood: â verb, oplappen, opllikken, slaan, met spijkers bevestigen: âed = met spijkers beslagen; â(â¢nail) = dikke korte spijker (in schoenzolen). Clove, klouv, kruidnagel, gewicht van 7 a 8 Eng. ponden, ravijn; âgilly-llower == sering. Cloveii-tooted,/./oieüVi/uffd':=:Cloveii-hooled, idouv ahnft, met gespleten hoef: There was a decided exhibition »1'the cloven foot = daar kwam de aap leelijk uit de mouw kijken. Clover, klonvd. klaver: lie lives (is) in â = hij heeft een lekker leventje; He went Ironi â to rye-grass = hij kwam van de veeren op het stroo. Cloves, klouvz, soort drank, sterk met nagels gekruid. Clown, boerenkinkel, hansworst; âish. Cloy, klói, verzadigen, zwelgen, tot walgens toe eten; âinent = oververzadiging. |
Club, klvb, subst. dikke stok, knots, kolfstok, klaveren (kaartspel), club, societeit. de leden daarvan, gelag, fonds: He was in a â, w» that money wTas provided for the fiineral = (begrafenis)fonds; There is a new after-noon-express, the so called â, or âtrain, each way via Dover and Calais = socie-teits- of beurstrein; adj. knotsvormig, dik uit-loopend: A â pigtail; â verb, met een knots slaan, samen betalen, geld bijeenleggen: We â bed our funds together = wij legden bij elkander wat wij hadden; The soldier âbed his musket = keerde zijn geweer om, en gebruikte het als knots (= sloeg met den kolf = bntt-end); â-fist(ed) = (met) dikke vuist; âfoot = horrelvoet: âhaul = een schip wenden: âheaded = met dikken kop; âhouse = societeit: âlaw = het recht van den sterkste; âinan = knotsdrager; âroom; âbable = gezellig: âbed = knotsvormig. Clnck, kink. subst. het klokken (van een kip); â verb, klokken, klokkend roepen. Clue. Zie Clew. Clnnip, klomp, subst. blok, dik stuk, groep (boomen, enz.); â verb, lomp stappen; âer = tot groepen vormen; âboots = zware vet-laarzen. Cliinip*, klomps, domme kerel, een spel (gelijk âVes and Noquot;). Clumsy, klnmzi, onhandig, lomp, slecht gemaakt'; Clumsiness. Cliincli, klons, harde klei. Clinig, kloi], ingedroogd, vermagerd; imperf. en part. perf. van to ding. Clnniac, kliinjdk, soort v. Benediktijnermonnik. Cluster, klvsto, subst. tros, bos, groep, troep, verzameling, menigte; In âs, ây = saam-gehoopt; â verb, in een groepje verzamelen, in trossen groeien:âed round thee vening-fire. Clutch, klots, subst. greep of kneep (met de vingers), klauw, ijzer of haak (ter verbinding); â verb, knijpen, grijpen, vatten. Clutter, Lhlti). subst. warboel, lawaai, drukte; â verb, onderstboven gooien, eene warboel of drukte maken. Clyster, klist.), inspuiting, klisteer. âpipe = klisteerspuit: âwise. Co, kou, verkort voor Company. Coiicervate, koudsüvit, adj. opgehoopt, ver-eenigd; â verb, ( â veil) ophoopen. Coach, kouts, subst. rijtuig, koets, diligence, repetitor (aan de hoogeschool); A â and four = rijtuig m. 4 paarden; They play at âes with my money = hangen'den âheerquot; uit; He is a slow *â = hij is erg langzaam, lummelig; â verb, in eene koets rijden, voor een examen klaarmaken: âey, âee, koutsi, âinan = (eigen) koetsier: --lui: âhouse = koets- of wagenhuis: âofüce = plaatsbureau (van eene diligence): âbox = bok. Coact, konakt, samenwerken: âion = dwang, geweld; samenvoeging. Coad|utor, kowddzitU, medehelper, collega, medeplichtige: âship. Coagent, koneidz'nt. medewerker, compagnon. Coagulable, kouagjulab I, strembaar; Coagulate, kouaf/juleit, stremmen, stollen: Coayu-lation-, Coagiiluin. kouagjuVm, gestolde massa, geronnen bloed. Coak, kouk, subst. zwaluwstaart (bij het aan- |
bone = boun: full; fool = fnl: ,» = tooidooze vokaal (zie asleep en care)-, girl: //ear = jio; \ony = loij; slnp = sip; occasion = okei//n; thin; thus â dhes; wine.
COCKATK1CE.
COAL.
86
lapper, knoeier, verkoelende drank (Amer.). Cobby, kobi, krachtig, levendig, kort en dik, koppig.
Cobelligerent, koubdlidèdrnt, subst. en adj. medestrijd voerende.
Cobiron, kobaidn, haardijzer. Zie Andirun. Co bh a in, kob'm.
Coble, koUl, visschersboot.
Cobnut, kobnvt, groote hazelnoot.
Cob-wall, kobwol, muar van leem, vermengd met stroo.
Cobweb, kobweb, subst. spinneweb, spinrag; adj. dun, zwak, lijn, waardeloos; âbery = massa spinnewebben, haarkloverij; âby = met spinrag.
Coeagne, koukein, luilekkerland, spottend voor Londen en omgeving.
Coealon, kokdVn, tonnetje van eene zijderups. CoccileniiiM, koksifdros, bessen voortbrengend of dragend.
Cochineal, kotsinil, cochenille.
Cochlean, koklidn, Cochlea(e(ci), kokli{e)it-{id), spiraalvormig.
Cochrane, kokr'n.
Cock, kok, subst. mannetje (vooral van huisvogels;, weerhaan, kraan; kegelvormige hoop hooi, wijzer, tong (van eene balans), kleine boot, aanvoerder, opperste; het hanengekraai, familiaar woord (bij het aanspreken), kerfje (in een pijl), haan (van vuurwapens): As the old â crows, the yoiing â learns = zooals de ouden zongen, piepen de jongen; By â and pie = bij kris en kras; That â won't light = die vlieger gaat niet op: He is the
â of the walk = haantje de voorste; The
â ot' the school = deâprimusquot;; That nian i» âa-hoop = zijn haantje kraait victorie; A â and bull (A ââ¢and-a-biill) story = onmogelijk en vervelend verhaal); â adj. hoog: âlol't = bovenste verdieping, hanebalk: â verb, rechtop zetten, op ééne zijde zetten (van hoed of pet), spitsen (van de ooren), aanmatigend of dreigend stappen of rondkijken);
He is a---horse = te paard, hoog, trotsch:
âade, kokeid, kokarde; âboat = kleine boot; âbrained = onbezonnen, dwaas; â broth = hanensoep: âchafer = meikever: âcrow(ing) = dageraad, hanengekraai: â right(ing) = hanengevecht; âerel, âlet,
â ling = jonge haan; âeye = scheel oog: âeyed = met schele oogen; âhorse, koknös. stokpaard: âmatch = hanengevecht: -pit = hanenmat, plaats v. hanengevechten; âpit deck. Orlop deck = het lager dek van een oorlogschip, waar de gewonden gelegd worden: âroach, kokroutè, kakkerlak, tor: ârose = roode papaver; âs-conib, koks-/lOum, hanekam, fat. Zie Coxcomb; â's-heail = spurrie; â«lint, koksvt, schemeravond: âshy, Ao/rsai, spel, om met stokken (âsin sticks) iets op een afstand te gooien; âspnr = haneuspoor; âsure, âêiid. positief zeker: âswain, koks'n, bootsman, stuurman (in eene roeiboot): âtail = soort v. tor, cognac-groc of jenevergroc met suiker; lafaard: âtip = hoed met opgezetten rand, hoofdletter in drukwerk; ây = onbeschaamd, pedant, aanmatigend.
Cockatoo, kokdtü, kakketoe.
Cockatrice, kokatris. basiliskus (fabelachtig'-
man; ask = ask: frrnn = tam: bjn = bwt: \earn = l«n: line = lain; bowse = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin: «sleep = «islip: not; law = lo; lord = löd: boy = boi:
een voegen van hout, enz.), ijzeren bus; â verb, met een zwaluwstaart bevestigen of vereenigen. Zie Coke.
Coal, koul, subst. brandende kool, houtskool, steenkool: He was blowing a â, the âs = stookte ruzie; 1 will not be hauled over
the âs by yon = berispt of onder handen ; genomen; Hequot; carries âs = laat zich belee-digen; That is carrying âs to Newcastle = i
monnikenwerk: â verb, tot kolen verbranden, ! met houtskoor teekenen, kolen innemen (van een schip); âbacker = kolendrager; âbox = kolenbak; âbnnker = kolenben of-mand; âg»M = lichtgas; âheaver = kolendrager; âhouse = kolenhok of-bergplaats; âoil = petroleum (Amer.); âmouse = koolmees; âpit = kolenmijn: âscuttle = kolenschop; âstone = anthraciet: âtar = koolteer; âwhipper = kolendrager (bij schepen); âworks = kolenmijn, met alle machinerieën. etc.
Coalesce, koud les, samengroeien, zich vereenigen: ânee = vereeniging.
Coalition, koudlië'n, vereeniging: âist.
Coally. koudlai, medeverbondene.
Coaptation, koudpteiè'n, samenvoeging der deelen tot een geheel.
Coarse, Aös, grof, ruw, onbeleefd, onkiesch; âgrained = grof; ân = grof maken, ver-quot; stompen.
Coast, koust. subst. kust, zeekust, uiterste grens: He knows the â of France = is een smokkelaar: The â i» clear = het gevaar is van de lucht: â verb, langs de kust zeilen, van haven tot haven zeilen, op sneeuw of ijs in eene slede naar beneden glijden (Zie Tobó-ganniiig), eene helling affietsen met de voeten op de toot-rests: âer of âing-vessel = kustvaarder; âguard = kustwachter (tegen het smokkelen); -ing-trade = kusthandel; âwise = langs de kust.
Coat. kout, subst. jas, (officieel) tenue, huid, vel, schil, oogvlies, bedeksel, wapen (herald.): A â of mail = maliënkolder; â of arms = familiewapen; Cnt yonr â according to yonr cloth = zet de tering naar de nering; â verb, bedekken, met eene laag (verf of metaal) be-kleeden: âcard = Heer. Vrouw of Boer (in het kaartspel, thans gewoonlijk Court-card); âee, kouti, jasje met korte panden; âtail, kout teil, rokspand: He trailed his âtails over the green, and dared any one to tread on them = een vorm (bij' de Ieren) om iemand tot een vuistgevecht uit te dagen.
Coax, kouks, vleien, liefkoozen, door vleierij verkrijgen: lie âed me out of (into giving him) my watch = verkreeg door mooie praatjes; *âer: âingly.
Cob, kob, subst. top, kruin; krachtige, zware hit, soort v. zeemeeuw, prop of bal om vogels te voeden: spin: klophengst: teenen mand, leem of klei met stroo; vreemde munt, vrek; â verb, afstraffen, bij de haren of ooren trekken.
Cobalt, koubólt, kobalt(kleurig); Cobaltic.
Cobble, kobl, subst. kiezelsteen, rond afgesleten steen, rond stuk kool; â verb, lappen (v. schoenen), onhandig maken, knoeien: The buttonholes had been âd out of their original shape = waren verknoeid, en hadden niet hun oorspronk. vorm: âr = schoen-
COCK BURN.
COIK.
87
|
slang), vogel met een slangenstaart, vergiftige | slang. Cock burn, koubdn. Cocker, AoAa, subst. kemphaan, soort v. windhond; â verb, troetelen, liefkoozen: âed up too iniirli: According to â = volgensBartjes. Cockct, kokdt, douanezegel, tolbewijs, douane; j âbread = tarwebrood. Cockielcckie, kokileld, kippesoep met look. Cockle, Ao/i7, subst. mossel, onkruid (tusschen de tarwe); â verb, rimpelen, samentrekken: [ âhat = pelgrimshoed met een âshell = ' (mossel)schelp (als pelgrimsinsigne); â r = mosselverkooper; âstairs, kok'lstèdz, wenteltrap. Cockney, kokni, subst. Londenaar, verwijfd persoon; adj. wat een Cockney eigen is; âdom: âl'y; âism; âish. Cocoa. koukoK, cacoa; ânut = kokosnoot. Cocoon, kolciin, cocon of pop van een zijdeworm; âery = inrichting voor de zijdewormteelt. Coction. kokè'n, koking, vertering; Coctible, koktWl, wat gekookt of gebakken kan worden; Coctile, koktil, gebakken. Cod, kod, subst. schil, schaal, kabeljauw, peluw; â verb, in eene schil besluiten: âlivcr-oil = levertraan; âded = in eene schil besloten. Coda. koude, het melodisch einde van een muziekstuk. Co(dgt;dle, kod'l. zacht koken, troetelen, vleien: Doirt â yourself = verwen je zelf niet. Code. wetboek, reglement: â ot'inora- lity = zedewet: â words = afgesproken of teïegramwoorden; The telegram was put into the â = in geheimschrift overgebracht; Codex (Meerv. Vwlïces, koiidisiz) = wetboek. Codeer, kodzo, excentrieke oude man, vrek. Codicil, kodisil, aanhangsel (van een testament). Codicil lart/. Codily. koudifai, tot eene wet of een codex vereenigen. Codifier = samensteller van wetten en wetboeken; Codification. Codilla. koilild, ruwe hennep of vlas. Codille, kodil. codille (in quadrille of omber). Codlin(g), kodlin, âlin, kookappel. Codling, kodiir^, jonge kabeljauw. Codrington, kodritifn. CoelTiciency, kowdfisnsi. samenwerking. Coemption,* kouempsn, het opkoopen of koo-pen in het groot. Coequal, kouikiv'l, subst. en adj. gelijk(egt;; âity, konikivoliti, gelijkheid. Coerce, kouvs, dwingen; â r; Coercion = dwang; Coercion-act = dwangwet. Coessential. kond sens' l. van hetzelfde wezen. Coeternal, kouitonl, eeuwig bestaand met; Coeternity. Coeval, kouiv'l. subst. en adj. van gelijken leeftijd. Coexist, koudgzist, gelijktijdig bestaan, j Coexistent. Coextension, koudkstenè'n, uitbreiding naar alle kanten gelijkelijk. Coffee, A-o/i, koffieboon, koffie: They were roasting â = aan 't koffiebranden. * Ciiffer. kof9, subst. geldkist, kist,koffer,schat; holle loopgraaf over eene gracht, sluis (ineen kanaal); â verb, in eene kist besluiten; â dam. kofddam^ afsluitdam; âed. |
Cofiin, kofin, subst. doodkist, pasteivorin, peperhuisje, bovenste v. een paardehoef, raam van den drukkerssteen; â verb, in eene kist besluiten, insluiten. tog, kog, subst. kam of tand (van een rad), kleine boot; â verb, paaien, door mooie praatjes bedriegen: His dice were âged = zijne dobbelsteenen waren valsch (met lood aan ééne zijde bezwaard); â-wheel = tand- of kamrad. Cogency, koudz'nsi, overtuigende kracht. Co-gent, /coudi'nt, krachtig, overtuigend. Coggle, kog'/, kleine boot; âstone = schoenlapperssteen. Cogitate, kodziteit,denken,overpeinzen: Cogitation: Cogitative. Cognac, kounjdk, cognac. Cognate, kogneit, subst. bloedverwant; adj. in 't bloed verwant, vooral van moederszijde, vermaagschapt, verwant, van denzelfden aard. Cognation = bloedverwantschap. Cognition, kogniamp;n, kennis (door eigen ondervinding of onderzoek opgedaan); Cognitive. Cognizable, konizdb'l, kenbaar, wat onder gerechtelijk onderzoek valt; Cognizance, koni-z'ns, kennis(neming). voorgevoel, kenmerk, insigne; Cognizant, koniz'nt, kennis dragend of nemend van; Cognize, kognaiz, bewust weten; Cognizee, ko{g)nizi, iemand, wien het recht op boete wordt toegekend; Cognizor, konizü. hij, die het recht op eene boete erkent. Cognoinen, kognoum'n, familienaam.bijnaam. Cognoscible. kognoaiVl, kenbaar, geschikt voor gerechtelijk onderzoek. Cognovit, kognouvit, erkenniug door den beklaagde, dat de eischer in zijn recht is. Cogue, koy, kleine houten quot;bak; kleine hoeveelheid. Cohabit, kouhabit, (als man en vrouw) samenwonen ; âation. Coheir(ess), kouêd{ris), mede-erfgenaam. Cohere, koiihte, samenkleven, logisch samenhangen: ânee, âncy; ânt. Cohesion, konhtz'n. cohesie, samenhang, verband. Cohesible. Cohesive. Cohort, koa/iót. krijgsbende (oudtijds 500 a (500 man). Coif, kóif1 kwof. subst. kuif, kap, kapsel; â verb, met eene kap bedekken: âlure, kiuofüe, kapsel. Coign, kóin. Zie Coin. Coil, kóil, subst. kronkeling (van touw of slang), rumoer, verwarring, menigte; â verb, kronkelen. Coin, /mm, subst. hoek, buitenhoek, wig, muntstempel, (gestempelde) munt: Current â = gangbare munt; lie was paid in his own â = met gelijke munt betaald; â verb, metaal tot geld slaan,, munten, smeden, bedenken (van onware dingen): lie is âing money = hij verdient geld als water: lieâed new* words = vond., uit; âage, kóinidz, het munten van geld, geld, muntstukken, het bedenken (van onware of valsche voorstellingen); âer = stempelaar, valsche munter, bedenker (van leugens, enz.). Coincide, kouinsaid, samenvallen, overeenkomen : Coincidence. Coinstantancoiis. kouinsVnteinjas, op hetzelfde oogenblik gebeurend. Coir, coid. vezels of touw werk (van de kokosnoot). |
bone = boun; full; fool = fill: ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl: //ear = jia; low#/ = loi^; sh'vo = sip: occas/on = okehfc'n; thin: th\is = dhi^s; wine.
COLORATURE.
COISTRIL.
|
Coitttril, kóistril, palfrenier, jongmaatje, lafaard. Coition, kouiamp;n, samenkomst: samentretfen (v. zon en maan) in hetzelfde teeken van den Dierenriem. Cojuror, koudzürd, getuige van eens anders geloofwaardigheid of onschuld. Coke, kouk, subst. coke(s); â verb, incoke(s) veranderen. Colander, knVnda, vergiettest. Colation, konleis n, zuivering door doorzijging. Coiature, koldtjto, het gezuiverde, de doorzijging. Colchester, koultsdstd. Cold, kould, subst. koude, verkoudheid: Slie would not be left out in the â = zij wou ook meedoen, er niet kaal afkomen, niet afgescheept worden: adj. koud, huiverig, koel, zonder deelneming of opgewektheid, bedaard: 1 call that â comlort = dat noem ik een schralen troost; It iniigt be a â day in August ere 1 ever try ita^ain = het zal lang duren, vóór ik het weer beproef: âblooded, âblndicl, koelbloedig: âcream = zalfje voor barsten: âserved = koud voorgediend, vervelend, saai; âshort = broos, na het koud worden; âshoulder = afwijzing, weigering: He gave ine the âshoulder = negeerde mij, zag mij met den nek aan; I am severely âed = zwaar verkouden; âish: âness. Coleoptera, kouliopterd, schildvleugelige insecten. Cole-rape, koulreip, koolraap; Cole-mouse = koolmees; Coleseed = koolzaad. Cole wort, koulwvt, de gewone kool. Colie, kolik, subst. koliek, hevige buikpijn; adj. de ingewanden pijnlijk aandoende: âky. Colinderies, kdlinddriz, koloniale producten, enz.; eene tentoonstelling daarvan. Coliseum, kolisiom. Zie Colosseum. Collaborate, kdlabDreit, samenwerken. Collapse, kdlaps, subst. instorting, invalling, geheele mislukking: â verb, invallen, instorten. Collar, kola, subst. kraag, boord(je). halsband, halsring: Against the â = met tegenzin: He slipped the â = streek de halster (af), ging er vandoor: A â of brawn = eene rollade vleesch (Zie Brawn): â verb, een halsband, enz. aandoen, bij den kraag pakken, eene rollade maken: The beef was âed = het vleesch werd tot den vorm eener rollade gemaakt: âbeam = dwarsbalk (ter verbinding); âbone = sleutelbeen; Collarette = dameskraagje; â ed. Collate, ksleit, vergelijken (vooral van oude handschriften of boeken), ordenen of rangschikken, schenken, overdragen, met een kerkelijk âbeneficequot; begiftigen; Collation, keleisn, vergelijking, lichte maaltijd, begiftiging, geschenk: Collator, A:ateifc?,vergelijker,schenker. Collateral, kolatar'l, subst. bloedverwant in de zijlinie; adj. zij aan zij, parallel loopend, indirect, zijdelinsch: â security = bij- of nevenborg: âness. Colleague, kolig, subst# ambtgenoot; â verb, zich vereenigen: âship. Collect, koldkt, kort gebed, gebed voor een bepaalden tijd of dag. Collect, kdlekt, subst. vijver, waterplas (Amer.); â verb, vereenigen, verzamelen, door waarneming of inlichting verkrijgen, gevolgtrek |
man; «sk = ask; fr/rm = lam; bwt = but: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = »s kingen maken: He âed himselt'= hij herkreeg zijne zelfbeheersching; He was not âed = bedaard, zich zelf meester; âanea, kolekteinjd, verzameling van stukken uit verschillende schrijvers; Collectaneotis: âion = verzameling, gevolgtrekking, buslichting; âive = verzamelend, vereenigd, afleidend (uit); âor = verzamelaar, ontvanger (v. belastingen, enz.), titel (te Oxford) voor een B. A. Collec-torate, Collectorship â ontvangersdistrict of ontvangersbetrekking. College, kolidi, college, faculteit, leerinrichting, verkiezingslichaam (Amer,); â-puddiiig = p. van nierenvet, brood, rozijnen en eieren. Collegiate, kolidznt. subst. lid van een co/to/e; adj. tot een college behoorende. â chiircli = kerk zonder bisschopszetel, maar met alle rechten van een Cathedral (Zie dit woord). Collet, koldt, halsband; het deel van ring of sieraad, waarin de edelsteenen gezet zijn. Collide, kolaid, tegen elkander stooten. Collie, Colly, kali, herdershond. Collier, kóljd, kolengraver. kolenhandelaar, kolenschip: ây = kolenmijn, kolenhandel. Colligate, koli'yeit, saam verbinden, opsommen. Collingual, kolingw'L dezelfde taal sprekend. Collision. kdlifn, botsing, tegenstand. Colli-si ve, botsing (veroorzakend), botsend. Collocate, kohkeil. plaatsen, stationeeren: Collocation. Collocutor, koldkjütd, spreker (in een dialoog). Collocution = samenspraak. Collodion, koloudfn. Colloid, kolóid, gomachtige zelfstandigheid. Collogue, koloug. samenspannen (with). Col lop. kohp, stukje vleesch. klapstuk. Colloquial, k.iloul;widl, tot de omgangstaal behoorende; â powers = gaven der gezelligheid; â ism: Colloquy, koldkiri, gesprek. Collude, koljüd, onder 'één hoedje spelen, samenspannen (bij bedrog); âr: Collusion = geheime samenspanning (om te bedriegen). Colluvies. kdljüvaz, verzameling vuil en afval. Colly, ha li, subst. roet. zwartsel; â verb, vuil maten, besmoezelen. Z. ook Collie. Collyrium, koliridm, oogzalf. Colnian, koulm'n. Colnebrook. konnbruk. Colocynth, kolasinth, (vrucht v. d.) bittere komkommer. Cologne, kalottn, Keulen: âwater = Eau de C. Colon, koitl'n, grootste afdeeling van het darmkanaal, dubbele punt. Colonel, kttn'l, subst. regimentscommandant; â verb, {kolanel) = als militair avonturier doen en optreden: âcy. Colonnade, kolaneid, zuilenrij. Colony, kolani, kolonie, volkplanting: Colonial. 'subst. en adj. koloniaal: Colonial-office = Min. v. koloniën. Colonist. Colonize. Colonization. Colophon, kolafon, datum en plaats (vroeger op de laatste pagina) van de uitgave van een boek: From title to â the work is excellent = van 't begin tot het einde. Colophony, kalofani, hars (uit terpentijn). Colorado(-heetle), kolareidoaibM'h, kolorado-(kever). Colorate, kolarit, gekleurd, geverfd, getint; Coloration', Colorature, kniaritja, colora- ....... = Ken; line = lain: lumse = haus; net; lip; not; law = Id; lord = löd; hog = bói; |
COLOSSAL.
89
COME.
|
tuur (muziek); Colorific, koldrifik, kleur gevend. Colossal, ledlos'I, Colossean, kolosum, kolossaal, reusachtig. ColoMseiim, koldsidm, amphitheater van Ves- j pasianus te Rome. Colo^HiiM, kdlosds (.Meerv. Colossi, kdlosai). reusachtig standbeeld (van Apollo te Rhodes), j ColoHtriim, kalostr'm, biestmelk. Colour, subst. kleur, tint, verf, voor komen. (valsche) schijn, soort, karakter: I (Meerv.) vlag, standaard, insigne: He wa» in the oil and â line = hij deed in oliën en verfwaren; Man ol'â = kleurling; Heelian-ged, lost â = veranderde van kleur, werd Vtleek of verschoot: lie is in âh = hij is erg opgeschrikt: That is off â = heeft niet de ware kleur: 1 am all off â = de kluts totaal kwijt: ' She had nailed lier colonrM to theniaHt= , besloten, zich tot het uiterste te verdedigen; â verb, verven, kleuren, tinten, doorrooken, blozen, bedekken, bewimpelen, aanneembaar maken, overdrijven: He âed to the eyes = bloosde... ooren: Prismatic s = rood, oranje, u eel, groen, blauw, donkerblauw.violet: Complimentary âs = kleuren, die samen wit vormen: Primary âs = rood, groen, violet: âable = aannemelijk, ; schoonschijnend: That is eolonrahly honest = heeft den schijn...; âbox = Verfdoos; ; âman = verfbereider. verfverkooper; â sergeant = onderofficier-vaandeldrager, âed = gekleurd (niet wit): âing = valsche schijn. kleur(sel). âless; âist. Colportage, kolpötidz, het rondventen van boeken, traktaatjes, enz. Col|»orte(ii)r, kol-pötü. rondventer. Colqnhoim, kdhün. Colstaff. kolstaf. draagstok (met een last), door twee mannen gedragen. Colt, kaalt, subst. veulen, dwaas en onervaren i persoon; â's-tooth = melktand: â verb, dartelen, springen (Amer.), afstraffen meteen eind touw; âish. Colter, konlte. kouter, ploegijzer. Zie Coulter. Colton. kouWn. Coluber, koljabo. soort van onschadelijke slang; Colubrïne = slangachtig, listig. Columba, kdlnmbd. eene soort v. duif; â ry. kol'mbari. duiventil: kamer met nissen voor urnen met asch van de dooden. Columbian, kdlnmbfn, Amerikaansch. Colnmbine, koVmbn'm, subst. soort v. verbena: de heldin en danseres in eene pantomime; eene violetkleur; adj. als eene duif, met de kleur van eene duif. Column. koVm, zuil, pilaar, kolom, kolonne (troepen), rij: â ol* companies = compagniescolonne. Columnar = zuilvormig. , Cohire, kalina, snijpunt. Coma, konmd, slaapziekte, diepe slaap, nevelkring van een komeet: zaadpluisje. Comate, koumit. subst. kameraad. Comatose, koumatous. Comatons, koumatas. door slaap bevangen, slaapzuchtig. Comb, koum. subst. kam, hanekam, honigraat: j â verb, kammen, hekelen, rollen en uiteenspatten (der golven): He âed his hair with bi» hands = streek met de hand door: âer = die kamt, lange omkrullende golf; âings = ; kamharen. |
Combat, kumbat. subst. strijd, gevecht; â verb, strijden, worstelen, bestrijden: âable = bestrijdbaar: âant, subst.(ook: âer)strijderp adj. strijdend, strijdlustig: âive = strijdlustig; âiveness; Private, single â = duel. Combe, kum of kouin, dal (in samenst.). Combination, kornbineisn. verbinding, ver-eeniging; âs = onderkleeren uit één stuk geweven; âroom = gezelschapszaal (aan de universiteit te Cambridge): âlaws = arbeidswetten: Combine, k'mbain, nauw verbinden, (zich) vereenigen, samenvoegen; Combinable, Combinative = vereenigbaar, vereenigend. Combustible, k'mbustib'l. subst. brandbare stof; adj. verbrandbaar; driftig, opvliegend. Combustion, k'mbustfn, verbranding: Spontaneous â = zelfverbranding. Come, knm, komen, naderen, aankomen, verschijnen, uitbotten, gebeuren, ailoopen: â, that's satisfactory = komaan, dat is plei-zierig: He'll be sixty â next Christmas = met K.; Will yon â the cruise = den tocht meemaken: Tlie time has â about, â round = is weer daar: I came across a tiger = ik trof toevallig een tijger; How did it â about? = is het gebeurd? We cannot â at him = raken, bereiken: â along, old man ga nu mee. baas(je); The soldiers came by = kwamen voorbij: How did yon â by tliat horse? = kwaamt gij aan? 'She was always eomiiig backward and forward = zij was er of zij kwam er: He came down very soon = hij bakte heel gauw zoete broodjes: They came down handsomely = zij waren royaal, dokten flink op: That word came home = dat woord heeft diepen indruk gemaakt: That stab came home = dolksteek trof het hart, was raak: It lias â home to me = is me duidelijk geworden; The letter came duly to hand = heb ik in orde ontvangen: â 111 = kom binnen: IJiistcame in for the last act = ik was nog 'net op tijd voor het laatste bedrijf; He came in for a good scolding = kreeg een flink standje; We came in for a storm = werden overvallen: Chimney-pot hats have â in again = zijn weer in de mode: He has into his own = zijn (erf)deel gekregen; He came off scot-free = hij heeft het er zonder kleerscheuren afgebracht: When will the concert â off? = wanneer zal het concert plaats hebben? My hair is coming off = ik groei door mijn haar: He came out with his guess prematnrely = hij raadde te vroeg; Why don't yon â over to our party? = waarom schaart ge u niet aan onze 'zijde? Xothing will â out of it = daar zal niets uit voortkomen: She came out on her |Hth birthday = werd (in de wereld) gepresenteerd; The bankrupt has â out again = heeft zich weer (in de maatschappij) vertoond: It came out as I told yon = gebeurde: He came out with his secret = hij verklapte zijn geheim: He is sure to â round = hij zal zich wel schikken: The carriage came roniid = reed vóór: The patient will soon â round again = hersteld zijn: Von shall not â round me = mij niet beetnemen; He lias â short = hij quot;is niet geslaagd; He |
|
bone = bonn; full; fool = fill: »» I0/Ã7 = loi^; s/iip = sip; occasion = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jio; okeiz'n: thin: thus = dims: wine. |
COMMISSION.
COMEDIAN.
90
came to in no time = kwam dadelijk weer requireeren (in den oorlog: Zuid-Afrika); âer
bij; It came to pa»H that 1 met him = = bevelhebber, zwaar houten blok (voorstraat-
gebeurde; That lian â up of late = dat is makers). âer-in-cliief = opperbevelhebber;
in den laatsten tijd gebruik geworden: He â(e)ry = kommandeurschap = âship; â
Htrnrk sold, and came up fgt;y leap» and ment*= gebod, bevel: âable.
bounds = hij vond goud. en wérd zeerspoe- ; Commaterial, komdtirjdl, van hetzelfde ma-
dig rijk; Thé soldiers came off duty = teriaal.
kwamen van de wacht; He came up to* me CommeaHiire, kdmezd, vergelijken met, even-
= naderde mij; Two travellers came up ' aren; Commeasurable = evenredig, gelijk,
with me = haalden mij in; He came upon 1 Coniniemorate,kdmemoreit,herdenken,vieren;
me very suddenly = hij viel mij plotseling Commemorable = gedenkwaardig.
op het lijf: In time to â = in de toekomst; Commence, kdmens, beginnen, worden, een
â, â, don't be a looi = Allo, wees niet zeker karakter aannemen; âment = begin,
dwaas: â your ways = allo, ga mee, kom opkomst, oorsprong, promótiedag (voor candi-
hier: You 'shall not â your ghosts over daten van Cambridge).
me = zult mij met uwe* spoken niet beet- Commend, kamend, prijzen, aanbevelen, opnemen, bang maken; That is coming it dragen, toevertrouwen: For a mild winter, strong = dat is sterk gezegd, eene stoute âme to the South of France = voor zacht bewering; lie has â out sti'oiig(lvgt; = hij is winterweer moet men het Zuiden van Frankrijk kranigvoor den dag gekomen: Allhis wicked hebben: âable; âation; âer: Commendam deeds came to light = kwamen aan het = tijdelijke begiftiging met een kerkelijk ambt licht; When all âs to all = wanneer men of een leen (in 1863 afgeschaft); Commendatory alles te zamen neemt: His words have â = subst. een met een commendam begif-true = zijn gebleken waar te zijn: He came tigde; lofrede: adj. tijdelijk begiftigd, prijzend; up to the scratch = hij nam eene uitda- Commendator = een met een commèndam gende houding aan, hij nam de uitdaging begiftigde.
aan: âdown = val, vernedering: He has Commensurable, kdmenédVdbl, dezelfde maat
found his âiippance = zijn meerdere, zijn hebbende, onderling meetbaar; Couiinensu-
man gevonden: âat-able = genaakbaar: rate. Icvmenèureit, adj. van dezelfde maat,
âouter, komautd, radicaal (in de staatk. evenredig; â verb, evenredig maken.
Amer.); âr = komende, bezoeker: He offered Coninientlt;arygt;, koment(eri), verklarende aan-
to light all ârs = hij wou het tegen wie teekening, opmerking, kritiek. Comment =
ook opnemen: Coming-in = binnenkomen, verklarende aanteekeningen maken bij, kritiek
inkomsten; Comiiig-on = nadering, toeneming, uitoefenen (on). Commentator = uitlegger,
Comedian, kemidj'n. tooneelspeler, blijspel- verklaarder: Commentative.
dichter: Comedy, komodi, blijspel: Come- Commerce, komos, handel, verkeer, omgang,
dietta, komddjetd. klucht. kaartspel:âL'nion = tolverbond.Coinmercial,
Comely, knmli. bevallig, knap, gepast; Come- kdmiiè'l, handels...: Commercial-traveller,
liness' -school = handelsreiziger, -school.
Comestible, kdmestih'subst. eetbare waar Commere, komèd, petemoei.
(gew. Meerv.); adj. eetbaar. Commigrate, komigreit, gezamenlijk een land
Comet, konwt. komeet, een kaartspel. Comel- verlaten; Commigration.
ary, Cometic â tot een komeet behoorende; Comminate, komineit, bedreigen, bespotten;
â¢ComeiariMmss instrument, dat de omwenteling Coinuiiiiation-servlce = een deel van de
van een komeet om de zon voorstelt. liturgie der Eng. kerk, op Aschwoensdag ge-
Conifit(iire), kvmfiU je), suikergoed, bonbon. lezen, waarbij Gods toorn tegen zondaars wordt
Comlit = confijten. uitgesproken. Comminatonj.
Comfort, knmfdt, subst. troost, vertroosting, Commingle, koming'l, vermengen,
aanmoediging, bijstand, warme sprei (Amer.): Comniiniite, komïnjüt, tot gruis of poeder
We are in â = kunnen ons goed redden: â maken: ook: Comminnate: Comminution.
verb, troosten, kracht geven, opwekken; âable Commiserate, kdmizdrzït, beklagen; Commi-
= subst. warm dek van een bed (Amer.); serable: Commiseration. Commiserative.
adj. aangenaam, gemak gevend: Now I am Commissariat, komisêridt, subst. de inten-
âable = nu ben ik (voel ik mij) op mijn dance van het leger, de daartoe behoorende
gemak; âer = trooster, bouffante, de Heilige officieren: ook adj. All the â animals had
Geest (Joh. XIV, 26). been killed = al het slachtvee (voor het leger)
Coniic(al). komik('l)r grappig, komiek. was gedood.
Comitia, kdmiëd, volksvergaderingen. âI. Commissary, komisdri, gemachtigde, officier
Comity, komiti, (burgerlijke) beleefdheid, van het Commissariat. â Court = gerechtshof
hoffelijkheid: â of nations = internationale (van een graafschap); âgeneral = comman-
hoffelljkheul, waardoor b.v. de wetten van het dant van het Commissariat.
eene land erkend worden binnen de grenzen Commission, kdmisn, subst. opdracht, last,
van een ander. lastbrief, commissie(loon), aanstelling (bij ma-
Coninia. koma, komma; âbacillus. rine of leger): Ships in â = in dienst gestelde
Command./ramö/irf, subst. bevel.gebod,macht, schepen: â of (the) peace = college vrede-
gezag, commando: â of oneself = zelfbeheer- rechters in een count!/; â verb, machtigen,
sching: â verb, bevelen, beheerschen, dwingen: belasten, in commissie bestellen: -er =
This hill âs a view of the surrounding gevolmachtigde, commissaris, lid van eene
landscape = deze heuvel geeft het gezicht commissie, commissionair (hotel); âagent,
op: âant = commandant: âeer, kom'ndid, âmerchant: âal: âary.
man; ask = ask: form = fam; b//t = but; learn = Iwn: l/ne = lain: house = hans: net; care = kc^; fate = feit: tin: asleep = dslip; not: laiu = ló: lord = löd: hot/ = bói;
COMMISSURE.
91
COMPANY.
Doctors' âs = een college voor de meesters in het burgerlijk recht; âty = land, aan twee of meer tóebehoorende;'gemeenteweide. âweal. konVnwil. het algemeen welzijn;
â wealth, kom'nwelth, gemeenebest, staats-1 lichaam, republiek (in Engeland onder Crom-| well: 1649-1660).
Coinmonition, komdniamp;n, waarschuwing,raad.
Commoranee, -ey, komer'nsii), verblijf (in rechterlijken zin).
Conimorient, kamörj'nt, op hetzelfde oogenblik stervende.
Coniniother. Zie Commere.
Commotion, kdmous'n, beroering, beweging, drukte, tumult; -er.
Commune, komjün, intieme omgang, gemeente, commune(Fr.),communie: To hold â = intiem omgaan.
Commune, k,nnjün. intiem omgaan, deelnemen aan het Avondmaal, de communie ontvangen (Kath. kerk).
Communicate,/ri»?7j?lt;m7ceii,inededeelen.schen-ken, openbaren, omgang hebben, deelnemen, aanzitten (aan het Avondmaal); Commun icable; Communicant = subst. avondmaalsganger; adj. mededeelend: Communication = mede-deeling. gedachten wisseling, omgang, communicatie: Evil eommumcations corrupt good manners = kwade samensprekingen bederven goede zeden ; Commaniaitive = mededeelzaam; Communicator: Communion
â gemeenschap, omgang. Avondmaal: Coin-milnion cup, table, service = avondmaalsbeker,-tafel,-dienst: Conimunisin,/.,«m/jmirm, eigendomsgemeenschap, communisme, socialisme; Community = maatschappij,burgerlijke gemeente (tegenover de kerkelijke; zie Congregation), gemeenschap, gemeentebezit.
Couimiitable, kdrnjiitdl/1. vervreemdbaar, verwisselbaar : Commutabilitg.
Commutation, komjateiamp;n, verwisseling, verandering: Commutative: Commiite. kwnjüt. veranderen, verwisselen: The sentence of death was commuted into lifelong imprisonment = het doodvonnis werd veranderd in.
Conimutual. kdmjiltjadl. wederzijdsch, weder-keerig.
Compact, kompdkt, verdrag, overeenkomst, verbond: Compact, k'mpakt, adj. aaneengesloten. vast, krachtig; â verb, krachtig ver-verbinden. nauw vereenigen, versterken: A âly built young fellow = een kort en stevig gebouwd ventje; âness = beknoptheid, soliditeit, stevigheid, omvang; âed = krachtig, vast, dicht, beknopt, pittig.
Compacture, k'mpaktjd, Compagination, k?mpudzineis'n, bouw, verbinding.
Companion, k'mpanfn, subst. gezel, kameraad, makker, graad in eene ridderorde, kampanje, kapluik (bij de trap van eene kajuit): adj. vergezellend; â verb, vergezellen; âhatcïi = dakje boven den ingang der gr. kajuit; â ladder = kampanjeladder; âstairs, âway = kampanjetrap: âable = gezellig.
CoiiiiniMHiire, komièud, voeg, naad (b.v. waar de lippen, oogleden, etc. samenkomen).
Coinmit, Jcomit, toevertrouwen, toewijzen, gevangen nemen, blootstellen, compromittee-ren, (zich) verbinden, doen, bedrijven, naar eene commissie verzenden: lie rarely âs himself in .speaking = hij zegt zelden domme of gekke dingen; 1 would not â inysell' to these foiiHnsions without examining the affair myself = ik wou niet instemmen met dergelijke conclusies; Parliament has the power of âting = het recht om wetten enz. in handen eener commissie te stellen, of een bevel tot gevangenneming uit te vaardigen;
â this to paper = breng dit op papier; lie âted these words to memory = leerde van buiten; âtal = subj. borg, toewijzing, gevangenneming, bevel daartoe; adj. I thought of a nonâtal thing to say = ik bedacht mij op iets, dat ik gerust kon zeggen, waardoor ik mij niet bloot gaf; âtee, klt;mnti. commissie, comité: âteeman = commissie-lid: âter; âtable; âtee, komiti. curator (van een idioot of krankzinnige).
Commix, komiks, (ver)mengen: âtion, komikstfn. mengsel, vermenging: âture, komikstjdi vermenging, de gemengde massa.
Commode, komoud. dameskapsel (van vroeger tijd), latafel, stilletje: Commodious, komoudjds. geriefelijk, ruim: Commodity,/â¢'dmorfiti,gerief, gemak, handelsartikel: Commodities = goederen, waren.
Commodore, komddö, kapitein ter zee, oudste kapitein (van eenige schepen), het eerste schip in eene koopvaardijvloot.
Coinmon, /rom'n, subst. gemeenteweide, gezamenlijk bezit; adj. (al)gemeen, gewoon, gebruikelijk, openbaar, van lagen rang, plat, gemeenslachtig (van subst. en werkw.): We have it in = gezamenlijk: He is above the â = meer dan gewoon: It is out of the
â = buitengewoon, ongewoon; â earrier = vrachtrijder; â divisor, = gemeene deeler:
â Prayer = de liturgie der Anglic, kerk:
â verb, gezamenlijke grondrechten hebben, samen eten: â c*ouneii(niangt; = gemeente-raad(slid); â erier = stadsomroeper: â gender = van 't zelfde gramm. geslacht; â hall = raadhuis; â law = gewoonterecht (tegenover het geschreven recht): â sense = gezond verstand: That is a â sense remark = van gezond verstand getuigende; â noiiii = gem. zelfst. naamw.: â Pleas = afdeeling van het Hooggerechtshof: âable = gezamenlijk, gemeenschappelijk: âage = gezamenlijk bezit, gemeenschappelijk recht; âalty = burgerij (wat niet tot den adel behoort); âer = burger; lid van het House of Commons', iemand, die mede recht heeft op gemeenschappelij ken grond; student (van den tweeden rang) te Oxford, deelhebber: âish = vrij algemeen, alledaagsch; âplaee, koni'npleis. subst. gewoon onderwerp, gewone uitdrukking, gemeenplaats, memorandum; adj. gewoon, alledaagsch; â verb.in ! een memorandum of eommonplaee-book aanteekenen; âs. konwnz, het volk, deleden van het Lagerhuis (House of âs), voedsel (aan eene algemeene tafel): His eheeks were hollow; he had been on short âs for four years = hij had het schraal van eten gehad;
Company, kviup'ni, gezelschap, maatschappij, gilde, genootschap, compagnie, bemanning: 1 will bear, keep you â = u gezelschap houden; He kept with our servant = had verkeering met onze meid; She wept
bone = boun; full: fool = ful: = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = jia; lon.7 = loi^; ship = sip: occasion = okeiy/n; thin: thus = dlius; wine.
COMPARATIVE.
92
COMPOSE.
|
for â = zij schreide mee: Two i» â, three i» none = twee is gezellig, drie is te veel: My friend see» no â = is zéér eenzelvig. Comparative, k'mpardtiv, vergelijkend, betrekkelijk: A âly sinall Minn = betrekkelijk geringe som; Coniparison, k'mparijn, vergelijking. Compare, k'mpêd, vergelijken, gelijkstellen, gelijk zijn: lli» eloqneneè may be âd to a tiiiindei'Mtorm = kan worden vergeleken bij: 1 cannot â the one statesiniin with the otiier = vergelijken met: On our eomparing notes, many eirenniHtanees tallied witli wonderlnl exactness = toen wij onze bevindingen vergeleken (van gedachten wisselden), kwamen vele omstandigheden merkwaardig juist overeen; Von cannot â with yonr triend = gij kunt eene vergelijking mét uw vriend niet doorstaan; Comparable. Compart, k'mpüt. subst, deel, lid; â verb, in vakken of stukken verdeeen: â(i)nieiit = afdeeling, coupé, vak; âition, kompatiamp;n. verdeeling, afdeeling, deel. Compass, /f»mpas. subst. omtrek, ruimte, grens, bestek, bereik, kompas: lie fetched a â = hij maakte een omweg, ging niet recht op het doel af; We speak within â in asserting this = wij zeggen niet te veel met dit te beweren; â verb, omvatten, omringen, bekleeden. verkrijgen, beramen: 1 felt resolved to â revenge = op wraak te peinzen; âbox = kompashuisje: âcard = kompasroos; âsaw = cirkelzaag; âtimber = gebogen (scheeps;-timmerhout; âwindow = rond venster: True as a â = echt waar. Comp-ission, k'mpaè'n, subst. medelijden; â verb, beklagen, zich erbarmen: âable: âate, k'mpas;mit. adj. mededoogend. medelijdend; verb, beklagen, medelijden hebben met. Compaternity, kompdtnniti. peetschap. Compatible,bestaanbaar, passend (met with); Compatibility. Compatriot,/c'mpeêrWaf, subst. landgenoot: adj. uit hetzelfde land: âism. Compeer, k'mpio, subst. evenknie, gelijke i makker; â verb, evenaren. Compel, k'mpel, dwingen, onweerstaanbaar drijven, verplichten, samenbrengen: That actor âled tears from his audience = dwong zijn gehoor tranen af. Compellation, kompdleiè'n, wijze van aanspraak; Compellative â naam, waarmede men iemand aanspreekt. Conipend./rompend, âiinn. k'mpeneij'm, kort begrip, verkorte opgaaf; Compendious = beknopt. bevattelijk. Compensate, komp'nseit of k'mpenseit, goed maken, vergoeden, opwegen: Compensation = vergoeding, belooning, excuus; Compensative = equivalent; Compensation-^a/mict' (pen-clulam) = compensatie-slinger. Compesce. k'mpes. bedwingen, beteugelen. Compete, wedijveren, samen strijden om. Competeiife. kompit'ns, Competency, kom-pit'nsi. bevoegdheid, welgesteldheid,gep'astheid: They led a life of â = zij konden het goed stellen in de wereld: He has a competency = kan zich goed redden; Competent = bevoegd. Competition, kompitisn. mededinging, wedijver: Competitive, k'mpetitiv, vergelijkend (van een examen b.v.), mededingend. Competitor; Com peti tress = CompetitrLv. |
Compilation, kompileiamp;n, verzameling. Compile, k'mpnil, samenstellen, samenvoegenr verzamelen; â r. Complacence, k'mpleis'ns, Complacency, k'mpleis'nsi, genot, voldoening, aangename wijze van optreden, manieren, enz.; beleefdheid: Complacen t; Com p I a c en t ia I, kMmp Idsens l. Complain, k'mplein, subst. klacht: â verb, klagen, morren, aanklagen: He -cd of the boys = klaagde over; âing = klacht: âant = 'klager, lijder, eischer; ât = klacht, pijn, kwaal, ongesteldheid, aanklacht. Coniplaisiince. kompleiz'ns, beleefdheid, hoffelijkheid, inschikkelijkheid: Complaisant. Complement, kompldnVnt, subst. aanvulling, volle getal, volheid, versierend toevoegsel, het bijkomende, complement: Three meals a day was the Homeric â = de taks, het aantal in de dagen van H.: â verb, aanvullen: Complementair Complementary = aanvullend. Complete, k'mplit. adj. volledig, voltooid, af,, volkomen: â verb, afmaken, voltooien: âness; Completion: Completive = volkomen makend;. Completory, subst. avonddienst (Kath. kerk); adj. vervullend, voltooiend. Complex, kompldks, subst. het geheel; adj. samengesteld, ingewikkeld; Completed ness. Complexion, k'mpleksn. gelaatskleur, temperament, lichaamsgesteldheid: Complâ¬.rityr Complexness, Comple.rare, Com pie. ens = ingewikkeldheid. Compliant, k'mplaiant, Compliable, k'm-plaidbH, toegevend.inschikkelijk: Compliance â toegeving, toestemming, onderwerping; Complier = inschikkelijk mensch. Complicacy, komplikdsi, ingewikkeldheid; Complicate, komplikeit, adj. ingewikkeld: â verb, verwikkelen, verwarren; Complicateness;. Complication. m* Complicity, k'mplisiti, medeplichtigheid. Coniplimeiit, komplim nt. subst. plichtpleging, lof, vleierij: âs of the season = Nieuwjaars-wenschen; My best âs to = mijne hartelijke groete aan; \Vith the author's âs = van den schrijver. Compliment, kompliment, verb, complimen-menteeren, gelukwenschen, complimenten maken; âal; ary. Zie ook ook Catch. Complin(e). 'komplin, avonddienst of completen (Kath. kerk). Complot, k'mplot, subst. samenzwering; â verb, samenspannen, samenzweren. Comply, k'mplfii, voldoen, toegeven aan, toestemmen: I complied with his wishes == voldeed aan. Compo, kom po li, stucadoorskalk, enz.; het woord is kort voor Composition. Component, k'mpoun nt. subst. en adj. samenstellend (deel). Comport, k'mpöt, overeenkomen, overeenstemmen, zich gedragen: She âed herself with milch gravity. The hangings do not â with the fiirnitiire = hèt behangsel past niet bij het ameublement; âment = gedrag, houding: âable. Compose, /c'/npcmz, samenstellen, samenvoegen. bevredigen, tot bedaren brengen, zetten (drukkerij), componeeren: What was it âd |
man; ask â ask: farm = lam; b/ft = but; learn = l«n; line = lain; house = bans: net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv = lo; lord = Hid: hoy = bói;
COMPOSITE.
93
CONCERT.
|
of? = waaruit bestond liet?; âr = componist. samensteller, vredestichter; âd = kalm, rustig. Coiiiposing-t'raiiie (room. maclihie) = zettersraam, etc. Composite, kompdzit, uit verschillende deelen bestaande; âcarriage = spoorwegrijtuig met verschillende klassen: ârandle = kaars van talg en was: âmimber = deelbaar getal; CompoMitioii, kompdzisn, samenstelling, opstel, schikking, verdrag, afkooping, bevrediging, het aangenomen bedrag, het letterzetten: A compoNition of a shilling in the pound = een accoord van vijf percent: lie lias no tear in hi» eoinpoHition = corpus: Compositive = samenstellend; Compositor' = letterzetter. CompoHt. I.ompast, subst. gemengde mest, pleisterkalk, allerlei of gemengd nieuws (van eene courant): â verb, mesten, bepleisteren. CompoMiire, k'mpouzD, kalmte, bedaardheid, bezadigdheid, schikking: lie np.set my â = hij bracht mij van mijn stuk. Compote, kompont, in suiker ingel. vruchten. Compoinifl, kompavnd. subst. samengesteld iets, mengsel; adj. samengesteld; â l'racture = gecompliceerde breuk: â interest = interest op interest: âleaf = sameng. blad. C'ompoiinrl, vermengen, vereenigen, bereiden, schikken, accordeeren; The matter was âed for = geschikt; lie âed the felony = hij nam tegen belooning de hem ontstolen goederen terug, en vrijwaarde den dief voor straf; We âed some hot stuff = bereidden wat warmen drank; âable; âer. Comprador, k'mprddö. handelsagent in China. Comprehend, homprihend, omvatten, insluiten, begrijpen; Comprehensible = duidelijk, begrijpelijk; Comprehension = bevatting, begrip. omvang; Comprehensive = veelomvattend, uitgebreid, groot. Compress, kompros, compres, doek. Compress, A-*'mpres. samendrukken, verdichten; âion = samendrukking, bondigheid, beknoptheid: â ible; âive: âor. Comprint, k'mprint. subst. nadruk; â verb, zich aan nadruk schuldig maken. Comprise, /c'wprair,bevatten, insluiten; Com-prisal = bevatting, insluiting, kort begrip. Comprobate, komprabeit. hetzelfde getuigen; Comprobation = vereenigd getuigenis. Compromise, kompramniz, subst. schikking, overeenkomst; A life of â = van geven en nemen; â verb, schikken, bijleggen; I will so far â the matter as to accompany yon thither = ik zal er mij dan toe laten vinden er met u heen te gaan: Let ns â opinions = laten wij het zien eens te worden. Compromit, komprainit. plechtig toezeggen of beloven, in gevaar stellen. Comptoir koi\tw'ó. kantoor, toonbank. Comptroller, k'ntrouhi. Zie Controller. Compulsive, k'mpnlsiv. Conipuls(atgt;ory, k'mpnlsidVpri, dwingend, gedwongen; Compulsion â dwang: On coinpiilsion = gedwongen. Coinpuiiftion. k'mpnnkamp;n. wroeging, gewe-tensknaging; Compnnctive = berouwhebbend. Compiir^ation, kompijgeiamp;n. vrijspraak van een beschuldigde door beëediging van zijne geloofwaardigheid (aan zijne onschuld) door |
anderen; Compurgator = iemand die de onschuld van een ander beëedigt. Compute, k'mpjüt, Compntate. kompiuteit, tellen, (be)rekenen; Computable: Computation. Comrade, komreid, kameraad; âship. Co(o)ms, kïimz. moutstof. Con, kon. subst. het tegen; Pro and â = het vóór en tegen; â verb, zorgvuldig nagaan, van buiten leeren, de richting van een schip aangeven: He âned over his lessons = leerde zijne lessen van buiten: lie âned thanks = toonde dankbaarheid. Conacre, k'neikd. een stuk land verhuren voor één oogst. Concatenate, konkatoneit. aaneenschakelen; Concatenation, Concave, konkeiv. subst. holte, gewelf; adj. hol, concaaf: â verb, uithollen; Concavity, konkaviti. holheid: Concaveness; Concavo-concave = hol aan beide oppervlakten: Con-cavo-conve.r = hol aan de eene. bol aan de andere zijde. Conceal, k')isil. verbergen, wegstoppen, vermommen; âable; âer; ment. A âed royalist = geheim. Concede, k'nsid, toegeven, opgeven, toestaan, toestemmen. Conceit, k'nsit. subst. bevatting, begrip, meening, valsche waan, verwaandheid; eigenaardige, grillige opvatting of denkbeeld: lie was a little out of â with her = hij mocht haar niet meer zoo graag; A man of a quick â = vlugge bevatting; A âed fellow = verwaande vent; â verb, opvatten, een denkbeeld vormen: âedness. Conceive, k'nsi v. een denkbeeld vormen, denken, zich voorstellen, begrijpen, bevatten, zwanger worden, ontvangen; Conceivable: Conceivability. Concentrate, koos'ntreit, in een put vereenigen. concentreeren. samentrekken op: Concentration: Concent rat ive: Concentrator. Concenter, k'nsentd. in een middelpunt samenkomen (Amer.); Concentric: Concentricitjf. Concept, konsept. (abstract) begrip; Concep-tive; Conceptual: Conception = hevaiiing,he-grip. opvatting, gedachte, ontwerp, ontvangenis. Concern, k'nsün. subst. zaak. belang, bezorgdheid, angst, gemeenschappelijke zaak: Thaitis no â of any one's = dat gaat geen mensch wat aan: 1 do not care for the whole â = ik geef niets om het heelespul: Common âs = alledaagsche zaken: Forget such worldly âs now = wereldsche zaken; I have no â with it = heb er niets mede te maken: â verb, betreffen, aangaan, ontstellen, bezorgd maken: 1 am âed for your welfare = stel belang in (maar maak'mij ongerust over); Many were âed in the plot = in de samenzwering gewikkeld; He was greatly âed for the loss, his friend had sufTêred = hij had erg te doen met: I am not âed with his opinions = . . . gaan mij niet aan: So far as 1 am â ed = wat mij aangaat; âment -- zaak: He has no âment for it = hij bekommert er zich niet om; âing = betreffende. Concert, konsót, overeenstemming, harmonie, concert: They acted by â = één van zin; 1 have acted in â with your wishes = |
bone = boun: ful; fool = fill: J = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: y/ear = jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin: thus = dhas; wine.
CONDYLE.
CONCERT.
94
|
overeenkomstig uwe; â ize = concerten geven. Concert, KnsnU samenwerken, afspreken, een plan maken: The âed works were Beet-hoveirH seventli Sympliony and Seliu-inann'H Quartet in A niinor=*de uitgevoerde, ten gehoore gebrachte stukken; âante, kon-tsittanti, concertstuk voor solo-instrumenten; âina, konsvttnd, concertina (soort v. harmonica): Concerto = concertstuk (voor solo met begeleiding). ConeesHion, k'nses'n, vergunning, concessie; Concessionary = bewilligd; Concessive = vergunnend = Concessory. Concli.kotft, zeeschelp: â a,konkd, oorschelp, oppervlakte van een gewelf: â ilera, kot\kifdrd, schelpdieren met twee schelpen; â(y)ology, konk\i)olddzii kennis van schelpen'en hare bewoners. Coiiciliable, k'nsiljêb'U verzoenbaar. Conciliar. k'nsiljd^ tot een (raads)vergadering behoorende. Conciliate, k'nsiljext, verzoenen, bevredigen, (voorzich) innemen: A conciliating; person = innemend mensch; Conciliation] Concilia.tive, Conciliatory = verzoenend. Concise, k'nsais, beknopt, kort, zaakrijk. Concision, k'nsiz'n, partij, afdeeling, afsnijding. Concitation, konsiteiamp;n, opwinding, opruiing. Conclave, konkleiv, (geheime) kardinaals vergadering; de vergaderde kardinalen, hunne vergaderzaal, geheime zitting. Conclude, k'nklüd. besluiten of opmaken uit. ten einde brengen, vaststellen, eindigen: I â trom your words to his guilt = ik maak uit uwe woorden op, dat hij schuldig is; To be âed = slot volgt: Conelusion. k'nklüz'n, besluit, einde, gevolgtrekking: I will try con-eliisions with him = mij met hem meten; Conclusive, k'nkliïsiv, Conclusory, k'nklü-sjri. afdoende, beslissend. Concoct, k'nkokt, samenkoken, verteren, zuiveren, bereiden, overléggen,smeden,beramen: âion = bereiding, overleg, beraming; âer. Concomitant. k'nkomiVnt, subst. het l)ege-leidende of bijkomende: adj. vergezellend, bijkomend : Concohiitancy. Concord, ko7\k'ód. eendracht, overeenstemming, harmonie; âance, k'nköa'ns, overeenstemming, index, concordans: âancy = overeenstemming: âat, overeenkomst, concordaat; Concordist = maker van een index. Concourse. kor\kös, toeloop, samenloop, menigte, vergadering. Concrete, konkrit, subst. een concreet begrip (tegenover abstract), klomp, samenstelling, beton: The Hoor is â = de vloer is van beton (d.i. stukjes steen en kiezel, met cement bevestigd); adj. vereenigd, concreet. Concrete, k'nkrit. verschillende deeltjes tot eene vaste massa vereenigen, samengroeien; âness; Concretive; Concretion â samen-groeiing, daardoor ontstane massa; Concretionary = concretions bevattende. Concubine, konkjubain, bijzit: Concubinage, k'nkjübinidz, het samenleven gelijk man en vrouw, Conctibinal. Concupiscence, konkjupis'ns, wellust, zondige begeerte, ontucht. |
Concur, k'nku. samenkomen, overeenkomen, overeenstemmen: 1 â in this opinion = ben het daarmede eens; â rence, k'nkvr'ns, overeenkomst, vereeniging, goedkeuring, medewerking: We acted in â rency = wij traden gemeenschappelijk op. ârent, Knkur'nt, subst. medewerker, mededinger; adj. samenwerkend, mededingend; ârentness. Concuss, k'nkus. schokken: âion = schok, botsing, druk: âion ol'the brain = hersenschudding; Concttssive = schokkend. I Cond, kond, (den stuurman) de richting van het schip aangeven: âer. konda, loods,seingever. Connemn, k'ndem, veroordeelen, berispen, ongeschikt verklaren voor den dienst, verbeurd verklaren; âed cells = cellen der ter dood veroordeelden; âable; âatory; Condemnation. Condense, k'ndens. Condensate, k'ndenseit, adj. verdikt, verdicht: â verb, verdikken, verdichten, samendrukken: Condensable; Condensation; Condeyisative; Condensability; âr = werktuig om te verdichten, condenseur. Condescend, konddsend. zich verwaardigen, zich vernederen: The king was very âing = minzaam; His condescension struck us all very favourably = zijne minzaamheid deed ons alleen aangenaam aan. Condign, k'ndain. verdiend: â piinisliment. Condiment, kondbrint, saus, kruiderij. CondiHciple, kondisaipquot;l, medeleerling. Condite, k'ndait, inleggen, konfijten. Condition, k'ndisn, subst. toestand, rang, eigenschap, voorwaarde, bepaling; 1 am not in a â to least with you = in de stemming, met u feest te vieren; â verb, bepalen, voorwaarden maken, bedingen, in goeden gezondheidstoestand brengen en houden: She lelt herseir growing quiet and âed again = gezond, Hink; âal. subst. voorwaardelijke wijs, beperking: adj. voorwaardelijk; âality. Conditory, konditeri, (geheime) bewaarplaats. Condole,' k'ndoul, smart lijden met, mede-treuren, betreuren: lie âd his own misery = hij had medelijden met zichzelf: 1 â with you on the loss you have sufiered = ik condoleer u met; Condolatory; ânee; â r. Condone, k'ndoun. vergeven (vooral bij echtel. trouwbreuk); Condonation = vergilfenis. Condor, konda, Z.-Amer. gier. Condottiere. kondotjêa, Ital. vrijbuiter of soldaat. Conduce, k'ndjüs, leiden, strekken, bijdragen; âment; Conducive, Conducible = leidend, strekkend tot: May your measures be conducive to that iiolgt;le end! = Mogen . . . dienstbaar zijn aan . . . doel. Conduct, konddkt, gedrag, leiding, houding, aanvoering, geleide: Safe â = vrijgeleide; âroll = conduitelijst (van ambtenaren eii officieren). Conduct, k'ndnkt, leiden, vergezellen, richten, besturen, geleiden, gedragen: Who âs your correspondence? = voert; âion = geleiding; âive = geleidend: âor = leider, gids,bevelhebber, kapelmeester, muziekdirecteur, conducteur, bliksematleider; â ress; âory = geleidend: â ing-wire = geleiddraad. Conduit, kondwit. (ge)leibuis, waterleiding. Conduplicate, kondjüplikit. adj. dubbel gevouwen: â verb, (kondjüplikeit), dubbel vouwen; Conduplication. Condyle, kondil, knokkel. |
man; ask = ask; farm = fiim; b/zt = bwt; learn = l«n; line = lain: ho?lt;se = hans; net; care = kea; f^rte = feit: tin; «sleep = aslip; not; kuu = 16: lord = liid: boy = ból;
CONGREGATE.
CONE.
95
|
Cone, koun, kegel; â ol* sugar = suikerbrood; âshaped = kegelvormig. ConfabCulation), konfab(juleisn). gemeenzaam gesprek: Confabulate, Confab = keuvelen. Confect, konfekt, bonbon. Coniect, k'nfekt, suikergoed maken; âion, subst. suikergoed, het maken daarvan; âverb, suikergoed maken, kleederen maken: She is kind enough to âion lor the poor; âioner; âlonery = suikerwinkel; suikergoed, bonbons (Arner.). Conlederacy, k'nfedardsi, verbond, vereeni-ging; de verbondenen; Confederate, fcnfedarit, subst. bondgenoot: adj. verbonden; â verb. (k'nfedareit), verbinden, een verbond aangaan; (German Confederation = De Duitsche Bondi Confer, k'nfv, te rade gaan, beraadslagen, omgaan, overdragen; âee, kon fori, wie geraadpleegd wordt, wien iets overgedragen wordt; âenee, konfdr'ns, beraadslaging, bijeenkomst, onderhandeling; âinent. Conferruniinated,A,onf/)rlt;imineifïd,onafscheidelijk (niet te onderscheiden) verbonden. Confess, k'nfes. erkennen, bekennen, belijden, biechten, toegeven; 1 â to a weakness in his favour = dat ik te zijnen gunste gestemd ben: She stood âed A maid in all her charnis (Goldsmith) = bleek te zijn, ontpopte zich als; The AugsburK âion of faith = geloofsbelijdenis; She went to âion =ging biechten: âional. subst. biechtstoel: âionary, adj. belijdend; âor of Confessor = biech't-vader, belijder. Conttdant(e). konficVnt. mann. of vr. vertrouweling. boezemvriend. Confide, k'nfaid, verb, vertrouwen, toevertrouwen; Confident: I am â ut that it is true = overtuigd: Confidential = te vertrouwen, vertrouwelijk; âiitial Clerk = procuratiehouder; Confidence = vertrouwen, zelfvertrouwen, het toevertrouwde, boudheid. Configure, konfigijp, een bepaalden vorm (gedaante) geven; Configuration = uiterlijke gedaante. Coniine, kon fain, subst. grens, rand, uiterste. Confine, k'nfain, opsluiten, beperken, bepalen tot: lie is âd to his bed = hij moet het bed houden; She was âd of a boy on the 5th = beviel van: âinent: âr; Confinity = nabuurschap, nabijheid. Conliriii. k'nfnm, bevestigen, versterken, bekrachtigen, als lidmaat erkennen: lie is a âed bachelor = verstokte oude vrijer; âation; âative; âatory = bevestigend. Confiscate,/ro/i/is/tei^, adj. verbeurd (verklaard); â verb, verbeuren, verbeurd verklaren; Confiscation; Confiscator = verbeurdverklaarder: Confiscatory = verbeurd verklaard. Confitent, konfiVnt, belijder (van zonden). Confiture, konfitjd, bonbon, suikergoed. C'onfix, k'nfiks, goed bevestigen. Conflagration, ko n fley reis'n. groote brand. Conflict, konfiikt, botsing, strijd, worsteling. Conflict, k'nflikt, botsen, strijden, worstelen, in tegenspraak zijn met; âivè = âing. Confluence, konfliCns, samenvloeiing, veree-niging; Confluent, subst. zijrivier, bijstroom: adj. samenvloeiend: Conflux = samenvloeiing, samenloop, menigte: Confliucible. |
Conforin, k'nförn, adj. overeenkomstig; â verb, van gelijken vorm maken, passend maken, (zich) schikken of voegen naar, overeenstemmen: You niiist â yourself to our customs = u schikken naar; âable: âability; Conformation = vorm(ing), bouw, overeenstemming; âist = lid van de Engelsche kerk; âity, âance = gelijkheid, overeenkomst, overeenstemming (ook: met den ritus der Anglic, kerk). Confoiind. k'nfaund, verwarren, dooreenwar-ren. vernietigen, verbazen, bedremmelen: 1 âed the fellow = vervloekte, etc.; âeil = verward, verbaasd, verfoeilijk, vervloekt, duivelsch. Confraternity, konfratfmiti, broederschap. Confront, k'hfrvnt, tegenover staan of plaatsen, het hoofd bieden: I have âed theni together = hen tegenover elkander geplaatst. Confucian, k'nfjüsn. subst. leerling van Confucius; adj. overeenkomstig de leer van C.; âism = de zedeleer van C. Confuse, k'nfjüz, vermengen, verwarren, ontstellen, verbijsteren: It was confusion worse con founded = het was eene onbeschrijfelijke verwarring. Confute, k'nfjüt, weerleggen, de onjuistheid aantoonen of bewijzen van: Confutable = weerlegbaar. Confritation. Congeable, kondzibl, of kondzizVl, gepermitteerd (naar de wet). Congeal, k'ndzil, doen stollen of stremmen, bevriezen; âinent: âable. Congee, konzï, subst. gekookte rijst, rijst-water dndië); â verb, hoffelijk afscheid nemen, buigen. Congelation, kondzileis n, bevriezing, stremming, verdikking. Congener, konzins of k'ndzino. iets van denzelfden aard; âic, kondzinerik, âons, k'ndzendrds, van denzelfden aard. Congenial, k'ndzinfl, verwant, in geest en aard overeenstemmend: âness of Congeniality, Congenital, k'ndzenit'U aangeboren, natuurlijk. t'onger. koiyp, zeeaal f âcel = zeeaal (bij de Eng. kust). Congeries, k'ndziriiz, samenhooping, verzameling. Congest, k'ndzest. ophoopen (van bloed, b.v.); âion = ophooping (van bloed in bepaalde organen, als longen, hoofd, onderbuik, etc.) âible = ophoopbaar; âive. Conglaciate, k'nglaèieit. bevriezen; Congla-ciation. Conglobate, kongloubeit, Conglonierate, k'nglomsreit, adj. bolrond: â verb, tot een bal of bol verzamelen; Conglobulate = tot eene kleine massa verzamelen. Congliitinate, kongliltineit, samenlijmen, samenkleven, verbinden; Conglntindnt; Con-gluti native. Congo. koi\gou, zwarte thee (China). Congratulate, k'ngratjule'it, gelukwenschen, zich verheugen met (on): The statesman received hundreds of congratulatory let-tors on his lOth birthday = felicitatiebrieven; Congratulation; Cohgratulator. Congreet, kongrit, wederkeerig groeten. Congregate, kongrigeit, verzamelen, samenkomen; Congregation = vergadering, (ker- |
bone = boun; full; fool = ful: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = .jia; lo»/; = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin: f/ius = dims; wine.
CONSIDERATE.
CONGRESS.
9C
|
kelijke) .ffemeente, broederschap: Conyreya-tioual: Congregationalism = stelsel van onafh. kerkel. gemeenten. Congress, konyrjs, vergadering, congres; âman = lid van het Congres (Amer.); Congress! ve = samenkomend; Congressional. Congreve, kongriv. CiHigriience. konarudns, Coii^riiency, kon-gruansi, Con^niity. k'ngriiiti, overeenstem-ming, gepastheid; Congruent. Congruous = overeenstemmend, samenpassend. Conif'Cal). konikCh, kegelvormig; âHeetion = kegelsnede: â.s = de leer van den kegal en de kegelsneden: C'oniier, kounifv = een der coniferen; Coniferous = kegelvormige vrucht dragend; Coniform = kegelvormig. Coiijectnre, k'ndzektjd. subst. gissing, onderstelling; â verb, gissen: Conjectural = gissend. Conjoin, k'ndzóin, samenvoegen, vereenigen; ât = vereen igd. Conjusal. konzug'l. echtelijk; ConjugaHti/ = 'eclitelijke staat. quot;C'oiijiigatp, konzugit, subst. woord van denzelfden oorsprong als een ander; adj. in paren vereenigd; â verb, {konzugext). vervoegen; Conjugation. Conjugational system. Conjniift. k'ndznnkt, vereenigd; âion=ver-eeniging, verbond, voegwoord, conjunctie; âive = subst. aanvoegende wijs; adj. nauw verbonden, vereenigd: âure, k'ndznnktjd, vereeniging, samenloop van omstandigheden, crisis. Conjure, k'nclzih), bezweren, verzekeren, onder eed'e bevestigen. C«iniiire, kunzd, bezweren of oproepen (van geesten); Von are no âr = gij hebt ook het buskruit niet uitgevonden. Connascence, konas\ns. gelijktijdige geboorte. -Connate, honeit. oorspronkelijk vereenigd, samengegroeid. Connatiirality, konatjdraliti, natuurlijke vereeniging. â¢Connect, kdnekt, verbinden, vereenigen, aansluiten: âion, Connexion. kanekè'n. verband, verbinding, (bloed)verwantschap, bloedverwant, aansluiting (van spoorwegen), vereeniging, aantal klanten of clienten: In tiiis âion = in verband hiermede; I 'bought a âion in that part ol* London = ik nam (voor geld) de praktijk van een dokter (met diens patienten) over: âive. Coiineeticiit, kanetikdt. Connive, kdnaiv, oogluikend toelaten, opzettelijk door de vingers zien (met at); Connivance = oogluikende toelating; âr. ⢠Connoisseur, kon is u. (kunst)kenner; âship. Connote, konout. Connotate, konouieit,mede opnemen in de beteekenis; Connotation: Connotative. Connnbial. A'an./iffc'./V, huwelijks ....; â bliss = huwelijksgeluk. Connubiality = echtelijke staat; Conmibialities = lievigheden. Connnmeration. kanjumdreis'n. samentelling. 'Conoid, konnóid. kegelvormige figuur, conoïde; âal, kounóid'l, bijna kegelvormig. Conquer,- konkd, veroveren, onderwerpen, overwinnen: âable; âor: The âor = Willem de Veroveraar: Conquest, konkwdst, verovering, onderwerping, overwinning. 'Conrade, konrad, Koenraad. |
Consangiiineoiis. konsangicinjds, verwant in den bloede; Consanguinity â bloedverwantschap. Conseienee, konsns, geweten: â money = vergoeding voor te weinig betaalde belasting; â clause = bepaling, in eene wet, ter wegneming van gewetensbezwaren; âsmitten = door het geweten gekweld; âprooi' = tegen de aanmaningen des gewetens bestand: Con-scientions. konèensdS, nauwgezet: âless; Conscionable, konèandVl, redelijk, billijk; Conscious, konèds, bewust, gewaar; 1 am not conscious ot' any gnilt = ik ben mij niet bewust van; âness. Conscript, konsknpt. subst. iemand, die aan-geloot is voor den krijgsdienst; adj. op de dienstrol geplaatst; â fathers = senatoren (van Rome), raadsleden; âion = verplichte krijgsdienst. Consecrate, konsikreit, adj. geheiligd, gewijd; â verb, heiligen, wijden, inwijden; Consecration; Consecratory = heiligend, wijdend. Consectaneoiis, kons kteinjds, van zelf volgend; Consectary = natuurlijk volgend (iets). Consecution, konsakjüs'n, opvolging, reeks, gevolgtrekking; Consecntive, k'nsekjutiv, geregeld opvolgend. Consenescence, konsones'ns, het oud worden, verval door ouderdom. Cmisensns, k'nsensds. overeenkomst, -stemming. Consent, k'nsent, subst. overeenstemming, berusting, toestemming; Silence gives â = die niets zegt stemt toe: By (with) one â = éénstemmig: â verb.instómmen, berusten, toegeven; âaneity, konsentdniiti, onderlinge overeenkomst; âaneons, kons'nteinjds, in overeenstemmenden zin; âient, k'nsensidnt, eenstemmig; âing. Consequence, konsikufns, gevolg, uitwerking, gewicht: In (By) â ot* = ten gevolge van; That is ol* no' â = van geen belang; He gave a bottle to keep up his â = hij schonk eene flesch voor zijn fatsoen; He promised it, and he did it in â = dus; To play - s = protocollen maken; This man is a consequential fellow = een verwaand heer; Consequent = volgend(e term). Conservancy, k'nznv'nsi, behoud, bewaring: Court of â = hof (in Londen) voor de vis-scherijen en de scheepvaart op den Theems: Conservant. Conservation, konsdveiè'n, behoud: â of force, energy = de stelling of leer, dat in het Heelal geene kracht verloren gaat: âal = behoedend; CoMScryafiw? = subst.behouds-man; adj. behoudend. Conservatoire, konsvvdtivö, muziekschool. Conservator, konsüvdtd, bewaarder, opziener: Conservatrix, k'nsnvdtriks; ây = subst. broeikas, bewaarplaats; adj. behoedend. Conserve, konsvv, conserf. Conserve, k'nsvv, conserveeren, goed houden. Consider, k'nsidd, overwegen, beschouwen, waarnemen, bedenken, beloonen: â the end = let op; He put on his âmg cap = hij begon te overleggen; âable = aanzienlijk, gewichtig; âate = attent, zorgvuldig, kiesch. omzichtig; Consideration = overweging, aanzien, achting, beweeggrond, invloed, vergoeding: |
man; «sk = ask; farm = fiim; hut = b«t; \eam = Iwn; line = lain; htwse =- hans; net: â¢care = kèd; fate = feit; tin; asleep = a slip; not; law â 16; lord = löd; bo*/ = bói;
CONTACT.
CONSIGN.
97
|
In âatioii of = ter vergoeding van: He sold the picture lor a âation = hij deed de schilderij over voor iets meer dan den kos-tenden prijs: âative = beschouwend, peinzend: âiiig = in aanmerking nemende, lettende op = Taking into âation. CoiiHign, k'nsain, overdragen, toevertrouwen, toestemmen, toewijzen, onderwerpen: âeil to liappineHS. to letters = gewijd aan, verwezen tot: âatary, k'nsif/ndtdri, iemand, wien iets wordt toevertrouwd; Consignation: âee, konsaini, zaakwaarnemer, factor; âer, k'nsaind. consigneerder, die een ander goederen, enz. ter verkooping toevertrouwt (ook: âor); âinent. CoiiHignily, konsignifiü. eene bijbeteekenis hebben: Conslynification; Consiynificative. l'oiiHist, k'nsist, bestaan, voortbestaan, bestaanbaar zijn met: llappineHs âs in con-tentinent = het geluk is gegrond in de tevredenheid: What does it â of? = waaruit bestaat het? Such things cannot â together = zijn niet met elkander bestaanbaar; âency = duurzaam-, bestaanbaarheid; âent = adj*. vast (niet vloeibaar), consequent, zich-gelijk-blijvend. Consistory,/ronsiston, vergadering, consistorie, kerkeraad'; Consistoria I. Consocitite, konsottèit, subst. medep'ichtige, bondgenoot: â verb, (konsouseit) zich vereenigen. samenkomen (Amer.). Consociation. Console, konsoul) console, steunstuk; âtable = consoletafeltje. Console, k'nsonl, troosten, bemoedigen, tot berusting aansporen: I hope «lie will he âd = dat zij zich zal schikken in haar lot; Consolable'. Consolatory, knsotefri, subst. bron v. troost; adj. troostend; Consolation. Consoliflant, knsolid'nt, subst. en adj. hee-lend (middel). Conslt;»lidate, k'nsolid(e)it. adj.verhard; â verb, tot eene vaste en krachtige massa vereenigen; âd fund = nationaal fonds ter betaling van zekere staatsschulden. Co)isolidative. Consols, kdnsolz of konsolz. Engelsche staatspapieren (Werkelijke Schuld). Consonance, âcy, /ions»9H'ns(i), overeenstemming. gelijkluidendheid: ilonsonant = subst. medeklinker: adj.gelijkluidend: Consonantal-, Consonous = overeenstemmend, welluidend. Consort, konsöt, echtgenoot, makker, overeenstemming: Prince â = Prins Gemaal. Consort, k'nsöt, zich verbinden of vereenigen, huwen, vergezellen, escorteeren. ConspectiiN. kdnspektos. algemeen gezicht ot overzicht, schets, synopsis. Conspicuous, if nspikjios, duidelijk zichtbaar, buitengewoon, opzichtig: He made hiinsell* â = maakte, dat de aandacht op hem viel. Conspire, k'nspaid, samenzweren, beramen; Conspirator, fc'nsptrafó. samenzweerder. Conspiracy, tx'nspirasi, samenzwerii.g, complot. Constable, konstabel: He has been outriiniiing the â = heeft te groot geleefd; Constabulary, k'nstabjuteri, subst. de gezamenlijke konstabels, de geheele politiemacht; adj. daartoe behoorend. Constance, konsfns, Constanz; Constantia. Constancy, konsfnsi. standvastigheid, volharding, waarheidsliefde: Constant. |
Constantine, konsfntain, Constantijn. Con* stantinople, kustantinoup'l, Constantinopel. Constellate, konstdleit, met vereenden glans schitteren, samenschijnen: The âd sky = de met sterren bezaaide lucht; Constellation = gesternte, sterrenbeeld. Consternation, konstdneisn, ontsteltenis. Constipate, konstipeit, samendrukken, verstoppen; Constipation. Constituency, k'nstitjudnsi, de gezamenlijke kiezers; Constituent, subst. bewerker, lastgever, gemachtigde, kiezer, klant, cliënt; adj. vormend, samenstellend: Constituent body = kieslichaam; Constitute = samenstellen, vormen, uitmaken, benoemen: The constituted authorities = gestelde, wettige machten: Constitution = inrichting, aanstelling, ziels-of lichaamsgesteldheid, regeeringsvorm, grondwet, staatsregeling; Constitutional eovern-ment = grondwettelijke regeering; He went for a constitutional every day = hij nam alle dagen beweging voor de* gezondheid: Constitutive = samenstellend, vormend, wezenlijk: Constitutive power = wetgevende macht. Constrain, k'nstrein, dwingen, weerhouden, bedwingen, noodzaken, binden; ât = dwang, beperking; âable; âed demeanour = gedwongen houding. Constrict, k'nstrikt, samentrekken, samenkrimpen; âion; âive; âor = samentrekkende spier, alles wat samentrekt: groote slang. Constringe, knstrinz (Zie Constrain en Constrict); ânt. Construct, k'nsirnkt, bouwen, opbouwen, vormen, plaatsen, verklaren; âion = samenstelling, maaksel, bouw, inrichting, uitlegging, constructie: What âion shall 1 put upon your words? = welke uitlegging moet ik aan uwe woorden geven? The building; was in course of âion = er werd aan . . . gebouwd; âive contempt (trust) = smaad (vertrouwen) in de gebruikte woorden opgesloten: âure = (ge)bouw; âor. Construe, k'nstrü of konstriï, verklaren, uitleggen, vertalen. Consuetude, konswitjüd, gewoonte, gebruik: Consuetudinary, konsivitjüdinari, door de gewoonte geijkt. Consul, konsl, consul; âar, konsuld, âate = consulaat; âship. Consult, k'nsnlt, raadplegen, beraadslagen, letten op, overleggen: âary: âative; âive = raadplegend; Writ of Consultation = verwijzing naar het oorspronkelijke gerechtshof. Consiime. k'nsiüm, vernietigen, verteren, gebruiken, uitroeien, uitteren; Consumable: âr â afnemer. Consummate, k'nsvmit, adj. volkomen, volmaakt. uitstekend: â verb, (konsvmext), voltooien, afmaken; Consummation = voltooiing, einde, dood. Consumpt, k'nsnmt, consumptie, de verteerde hoeveelheid; âion = uittering, tering, verbruik: A âive body = teringachtig lichaam of persoon: He is in a*âion = hij heeft de tering. Contact, kontakt, aanraking, vereeniging. Point of â = snijpunt; Angle of â = hoek, gevormd door eene kromme lijn en den tangens daarvan. |
bone = boun: full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; ?/ear : long = loi^: ship = sip: occas/on = okeii'n: thin; thus = dhus; wine.
ten bruggencate. Eng. Woordenboek. 7
: Jia:
CONTRAVALLATION.
CONTAGION.
08
|
Coiitagiuii, k'nteidz'n, besmetting, besmettelijke invloed of uitwaseming; Tlie Contagious Disease» Act» = Wetten op Besmettelijke Ziekten; Contagium â smetstof. Contain, k'ntein, bevatten, omvatten, insluiten, bedwingen, (zich) goed houden; âable. Coiitamiiiate^'nfammeif, adj. bevlekt, besmet, bedorven: â verb, bevlekken, besmetten, bezoedelen: Contamination = bemesting, bederf: Contaminative = besmettend. Contemn, k'ntem, verachten, in den wind slaan: âer. Conteinper(ate), k'ntempdirelt), matigen; Coiiteiuperainent. k'ntemp'roirint, Con-temperation, kontempdreiè'n, matiging. Contemplate, k'ntempleit of konfmjAeit, beschouwen, overpeinzen, van plan zijn, op het oog hebben, ernstig denken over: Contemplation', Contemplator; Contemplative. ConteinporaiieoiiM, konfmpdreinjds, gelijktijdig; Contemporaneity, k'ntempareiniiti, gelijktijdigheid: Contemporary,A'nfe/u/j'rari. subst. tijdgenoot; adj. gelijktijdig. Contempt, k'ntemt. verachting: â of Court = beleediging van het (gerechts)hof; â ible = verachtelijk; ânou», k'ntemtjuds. verachtend, smalend. Contend, fc'nfeMd, betwisten, strijden, worstelen, streven (met lor); -er. Content,k'ntent, subst. voldaanheid, berusting: (kontent) inhoud, omvang, grootte: To In» heart'» â = naar hartelust: adj. tevreden, voldaan; vóór(stemmer in het House of Lords); 1 am â = ik stem het toe, ben er voor; â verb, tevreden stellen, tot bedaren brengen, vergenoegen: âed(ne»»gt;: âment: âment i» above riclie» = gaat boven rijkdommen. Contention, k'ntenè'n, strijd, twist, naijver, argument, bewering: My â i». that . . . = ik beweer, durf volhouden, dat...; Contentioii», k'ntenSdS, twistziek. Content», k'ntents. inhoud of inhoudsopgave (van boek of geschrift). Contermiiiable, k'ntvmindb'l, Conterminate, k'niüminit, Conterminoii». k'ntüminds, door dezelfde grenzen bepaald. Conte»t, kontast, strijd, twist, geschM. Contest, k'ntest, betwisten, strijden om, worstelen, wedijveren: âed election = verkiezing, ; waarbij meer dan één candidaat voor ééne plaats is: âable; âant. Context, kontekst, samenhang (der woorden in een zin); -ure, k'ntekstjo, samenweefsel, samenstelling, samenhang, bouw; ânred. Contiguity, kontigjüiti, samenhang, nabijheid; Contiguou», k'ntigjuas, aangrenzend, nabij (met to). Continence,fconïin'»is,Continency,/i:onïm,gt;zs'i, matigheid, zelfbeheersching, maat, kuischheid, vereeniging, verband. Continent, kontirCnt, subst. vastland. Europa (behalve Engeland); adj. kuisch, matig,onafgebroken, bevattend: The continental Power» = de Europeesche mogendheden (behalve Engeland); Continentalize = zich naar vastelandsgewoonten schikken. Contingenee, -cy, k'ntinz'nsiï), gebeurlijkheid, toeval, toevallige gebeurtenis: Contingent, k'ntinVnt, subst. toevallige gebeurtenis, aandeel, contingent; adj. voorwaardelijk,toevallig. |
gebeurlijk: My promise i» contingent on your going away = ik beloof het onder voorwaarde, dat gij'weggaat. Continual, k'ntinjndl, voortdurend,onophoude-lijk, herhaald: â lever = aanhoudende koorts; Continuance = onafgebroken opeenvolging, volharding: Continuation,fc'nïiyf/wei^i,voortduring, voortzetting, vervolg: Continuation-day = beursdag, waarop de interest verrekend wordt; Continuations = broek; Continuative = voortdurend, voortzettend. Continue, k'ntinjii, voortduren, voortzetten, blijven, duren, vertoeven: The weather âd lair lor several days = het weer hield zich verscheidene dagen goed (bleef droog): To be âd = wordt vervolgd; âd lever. Continuity, kontinjüiti, samenhang, onafgebroken v'erband, voortdurende vereeniging; Continuous rains = onophoudeHjke regens. Contort, k'ntöt, adj. ineengedraaid: â verb, wringen, draaien: âed; âion, k'ntöamp;n, verdraaiing, verminking (vooral der ledematen), verrekking; â ionist = acrobaat: iemand die kinderen opleidt voor acrobaten, en hen oefent in lichaamsverdraaiingen, etc. Contour, k'ntüa, subst. omtrek: â verb, een omtrek of schets maken. Contraband,A:cmft*damp;and,subst.smokkelhandel, verbod, smokkelgoederen (âgoods): adj. verboden, onwettig; âist = smokkelaar, handelaar in smokkelgoederen. Contract, kontrakt, verdrag, acte, overeenkomst; huwelijk; huwelijksacte, aanneming (v. bouwwerken, etc.). Contract, k'ntrakt, samentrekken, verkorten, samen verbinden, verloven, zich op den hals halen, krijgen, oploopen: To â Iriendship = vriendschap aangaan; âion = verkorting.het oploopen (van eene ziekte): âil/ilitij; âible. âile = samen trekbaar; âor = aannemer (v. bouwwerken, etc.), leverancier. Coiitra-dance, kontrddüns. Zie Country. Contradict, kontradikt, tegensprekenquot; ontkennen, weerspreken; âlous, kontradiksas, tegenstrijdig; âable; âive, âory, kontradik-tjri, subst. tegenstrijdigheid; adj.'tegenstrijdig, onbestaanbaar met elkander (lt;»!' one another): That is âion in term» = dat is eene absolute tegenstrijdigheid. Coiitradi»tinction. kontradistiukè'n, tegenstelling: Contradistinctive = tegenstellend: Contradistinguish = door tegenstellingen onderscheiden ; In â to = in tegenstelling met. Contralto, kontraltou, subst. tweede alt; adj. voor tweede alt. Contrapuntal, kontrapnnVl: Contrapuntist. Zie Coimtcrpoint. Contrary, kontrari, subst. tegendeel: On the â = integendeel; adj. tegengesteld, weersprekend, strijdig; â to equity = in strijd met de billijkheid; â wind = tegenwind: Contrariety, kontraraiiti, tegenstrijdigheid, onbestaanbaarheid: Contrarioiis, k'ntrêrias, weerbarstig. Contrariness of Contrariness. Contrast, kontrast, tegenstelling. Contrast, k'ntrast, tegenover elkander staan of stellen (met with). Contra-tenor, kontratenö, tweede tenor. Contravallation, kontra valeis n, door belegeraars opgeworpen verschansing. |
man; ask = ask; farm = fam; bwt = but; learn = l«n: line = lain: hcmse = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; «sleep = aslip; net: \aw *= lo; lord = löd; bo// = bói;
CONTRAVENE.
!)9
COO.
|
Contravene, kontvdvin, tegenwerken, overtreden: He did it in contravention of tiiat rule = vlak tegen dien regel in. Contribute, k'ntribjut, bijdragen (voor een gemeenschappelijk doel), een deel geven, medewerken: Contributable â , Contributor] Contributory = bijdragend; Contribution j = medewerking, brandschatting, belasting; | Contributive = bijdragend. Contrite, kontra it, berouwvol, boetvaardig: i Contrition, k'ntrië'n, diep berouw, droefheid: 1 âneHS. Contriturate. k'ntritjureit, verbrijzelen. Contrive, k'ntraiv, beramen, bedenken, het aanleggen, overléggen. Contrivance, k'ntraiv1 ns^ plan, uitvinding, middel, list; Contrivable; âr. Control, k'ntroul, subst. beperking, bestuur, invloed, macht; â verb, controleeren (door een tegenregister of duplicaat etc.) in bedwang houden, invloed oefenen: He cannot â liinmeH' = zich beheerschen; âlable; âIer; âment. Con troversary, kontrovrïsYi, Controversial, kontrdvus L strijdend, tot eene strijdvraag betrekkelijk: Controversy. AronfrayiW. dispuut, geschil, strijdpunt (vooral schriftelijk); Controvert, kontrovv.t, betwisten, weerleggen; Controverted'\ Controvertible = weerlegbaar. Contuinacy, kontjumdsi, (opzettelijke) weerbarstigheid, verzet (tegen een rechterlijk bevel); ConhiinacioiiH. kontjumeiëdS, weerspannig, weerbarstig, zich verzettend. Contiimely, kon-tjumlU smaad, onbeschaamdheid, beleedigende taal; Contiinielioiis, kontjumiljds, verachtelijk, beleedigend. Contuse, k'nt.jiiz. slaan, kneuzen: Contusion: Contnsive, k'ntjüsiv, kneuzend. l'oiiuiiflriiiii. kdnvndr'm, woordraadsel,scherts, aardigheid. Convalesce, konvdles, beter worden (van eene ziekte); Convalescent hospital = hospitaal voor herstellende zieken. Convalliiria, konvalêrja, de plantensoort, waartoe het lelietje van dalen behoort. Convection, k'nveks'n, (hitte)geleiding. Convene, k'nvtn, samenkomen, samenroepen, oproepen: Convenable = gepast,geschikt; âr. Convenience, -cy, k'nvtnf mii), geschiktheid, gepastheid,gemak: Do it at your convenience = zoo het u voegt; Convenient = geschikt, gemakkelijk: I will make it convenient = het schikken, dat... Convent, konv'nt, klooster: âual, k'nventjiidl. subst. kloosterling; adj. kloosterlijk. Conventicle, k'nventik'l. subst. samenkomst, geheime godsdienstoefening, bidstond of bedehuis (der niet tot de Staatskerk behoorenden; 16e en 17e eeuw); â verb, behooren tot een C. Convention. k'nvenSn, samenkomst, vereeni-ging, (voorloopig) verdrag van oorlogvoerende partijen, verbond, afspraak, overeenkomst; âal, â«ry = overeengekomen, afgesproken, stilzwijgend gewettigd; Conventionalitn = het overeengekomen stelsel = âalism: âalize. Converge, k'nvvdz, in één punt samenkomen (tegenover Diverge); ânee, âncy; âent. Conversant, k'nvns'nt, bekend, bedreven in, vertrouwd, gemeenzaam (with). Conversation, konveseiamp;n, verkeer, omgang, gesprek; We entered into â = wij raakten in gesprek: He Joined in the â = hij sprak een woordje mee; That is a âism = familiare nitdrukking; Conversationist = gezellig, uitstekend prater; Conversable = gezellig. |
Conversazione, konvdsatèouni, bijeenkomst ter bespreking van een letterkundig of wetenschappelijk onderwerp. Converse, konuns, subst. gesprek, gemeenzame omgang; adj. wederkeerig, tegengesteld, omgekeerd. Converse, k'nvvs, omgaan, praten, verkeeren. Conversion, k'nvüs'n, bekeering, verandering, in-eigen-gebruikneming; â ist = bekeerling: A âist sermon = preek van een bekeerling (waarin hij zijne redding vertelt); Conversive, k'nvvsiv, gezellig, veranderlijk. Convert, konvut. bekeerling,quot; geredde. Couvert, k'nvüt, veranderen, bekeeren, redden, in eigen gebruik nemen, doen overgaan; He âed his property into money, which he âed to his own use = te 'gelde maken . . .aanwenden; âible; Convertibility. Convex, konvoks, subst. en adj. bol (lichaam), tegenov. Concave; âo-plane, k'nveksouplein. bol aan de eene zijde, vlak aan de tegenovergestelde; -o-concave = bol en hol; âo-convex = bol aan beide zijden. Convey, knve-i. vervoeren, overbrengen, mededeelen; âable: âance = vervoer, vervoermiddel, overdracht; âer; âancer = âancing-coiincil = die acten v. overdracht maakt: âancing-law = het opmaken eener acte tot overdracht van eigendom: Letter of âance = vrachtbrief. Convicinity, konvisiniti, nabuurschap. Convict, konvikt, veroordeelde, galeiboef; âestablishment = strafkolonie. Convict, k'nvikt, adj. schuldig bevonden; â verb, schuldig bevinden, bewijzen, de onjuistheid aantoonen; âion = schuldigbevinding, overtuiging, vastgeloof: âive = overtuigend; âism. konviktizm, stelsel der galeistraf. Convince, k'nvins, overtuigen; Convincible: âment = werkelijkheid (in de kunst), overtuiging, schuldigbevinding. Convive, konvaiv, tafelgenoot Convivial, k'n-vivfl, feestelijk, vroolijk, gezellig: Conviviality. Convocate, konvdke.it, bijeenroepen; Convocation = bijeenroeping, vergadering (vooral van de geestelijken der Eng. kerk, of van den academischen senaat te Oxford). Convoke, Wnvouk, samenroepen, oproepen, samenkomen. Convolute, konvdlbt, âd, konvolütid, ineengerold: Convolve, k'nvolv. samenrollen, ineen wikkelen; Convolution = omdraaiing, ineen wikkeling; Convolvulus, k'nvolvjufos, eene soort v. klimplant. Convoy,/convoi, (beschermend) geleide.konvooi. Convoy, k'nvói. geleiden (ter bescherming of bedekking). Convulse, k'nvnls, hevig ontroeren, samentrekken, schokken, schudden: Convulsive motion = stuiptrekkende beweging; Convulsion. Con(e)y, kouni, konijn: âburrow = konijnenhol; âwool = konijnenbont. Conybeare, knnibèd. Conyza, kdndizo. vlooienkruid. Coo, few, kirren, het hof maken: They were billing and âing together = zij haalden elkaar aan en zoenden elkaar. |
bone = boun; full; fool = tul; ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl; 7/ear = jia; lony = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin, thus â dln:s: wine.
CORDUROV.
100
COOK.
|
Cook, kuk, subst.kenkenmeid.kok: Too many j âh spoil the broth = met twee kapiteins gaat een schip te gronde; â verb, koken, bereiden, een geflatteerden balans maken; To â up = opwarmen: â ery; â ie = koekje (Am.). Cooky, kuki, iemand die met Cook (den Engelschen Lissone) reist. Cool, kill, subst. koelheid; adj. matig koud, lauw, kalm, onhartstochtelijk, onverschillig, onvoorzichtig; â as a ciicinnber = zoo koel als koud water; 1 eall it â = vrij onbeschaamd; â verb, afkoelen, bekoelen, koelen, koel worden: â your brain = kalmeer je wat; It's her âness that conquers me = haar (onverschillige of schaamtelooze) leukheid beheerscht mij; âer = koelvat, koelkan: âish = wat koel: âheaded = onhartstochtelijk, zich zelf meester: -ly : -tli = het koel zijn. Coolie, knli. arbeider (uit Indië of China), koelie. Cooin, kion. wagensmeer, roet (boven den mond van een oven). Coomb, küm, maat van vier bushels; ook: Comb. koum. Coon, kan. verkorte vorm van raccoon: You are a gone â = je bent erbij, verloren (Am.). Coop, küp, subst. kippenhok, konijnenhok, kuip; â verb, opsluiten in een Coop; âer, subst. kuiper, soort van bier; verb, kuipen; âered up = verloren: âerage, kiïpdridz, kuiperswerk, kuiperij, geld voor kuiperswerk; âery. Co-operate, kouopdreit, samen-,medewerken; A co-opei'ative shop, Co-operative stores = coöperatieve winkel, magazijnen; Co-operant', Co-operation: Co-operator. Co-ordinate, kouödinit, adj. van dezelfde orde of macht: â verb, (kouöciineit), doen coördi-neeren; Co-ordination. Coot. küt. waterhoen. Copi kop, âpin, kopin, kluwen, punt, vogelkuif. Coparcener, koupdsonff. medeërfgenaam. Copartner, koupatnd, deelhebber: âship = ây- Co-patriot, koupeitridt, landgenoot. Cope. koup, kap. kapmantel, priestermantel, (blader)dak, uitspansel: â verb, met eenekap of mantel bedekken: bestrijden, tegemoet treden: handel drijven, wedijveren, meedoen. Copenhagen, koup'nheig'n. Coperiiican, kouptïnik'n, van Copernicus. Copestone. Aquot;o»/p.sfoi/n,Coping-st«nie,A'oifp»?.-stoun, sluit-, hoek-, of deksteen: Coping = het bovenste metselwerk van een muur. Copier, kopjd. Copyist, kopjisl. overschrijver, copieerder. Copious, koupjds. overvloedig; âness. Copland, kopland, stuk land, dat in een scherpen hoek eindigt. Copper, kopd, subst. rood koper (verg. Brass), ketel, koperen munt; âbeech = bruine beuk: adj. van koper: â verb, met koperen platen bedekken: âbottomed = met koper beslagen; âhead = vergiftige slang (Am.): vijand, die vrede voorwendt; scheldnaam (in den Am. vrijheidsoorlog) voor een Noord-Amerikajin, die het met de Zuidelijken hield (âheadism); âish = koperachtig; âplate = koperplaat, kopergravure; ây == koperachtig, van koper, naar koper smakend. |
Coppice, kopis. Copse, kops. hakhout, kreu-pelboschje: Copse = geregeld snoeien: Copsewood. Coprolite, koprdlaït, meststof (vooral van uitgestorven diersoorten); Coprolitic. Copt, kopt, een van de Kopten; âic, subst. en adj. Koptisch(e taal). Copula, kopjub. koppelwoord; âte, kopjuleit. adj. saamgevoegd: â verb, paren, copuleeren: âtive, kop ju leitiv, Copulatoru, subst. en adj. verbindend (voegwoord); Copulation. Copy, kopl, subst. afschrift, manuscript, exemplaar, kopie: He set us copies = hij schreet ons een regel voor om na te schrijven; â verb, afschrijven,nabootsen,overschrijven: Have you copied it fair = in 't net geschreven?* He made â out of it = hij schreef er over, vulde er zijne krant mee: Where's your âbook = schrijfboek? âhold, kopiliould, erfpacht; âright = copierecht; The paper was duly ârighted = het recht op den inhoud van het blad (of artikel) was volgens de wet verzekerd. Coquet, kouket, coquetteeren, den saletjonker of verliefde spelen, beuzelen; â ry,ko(u)kdtri. behaagzucht; âte, kouket, behaagziek meisje, coquette: âtish = coquet. Cor, kö, Hebreeuwsche maat. Coracle, kordk'l, visschersboot (Wales en lerlA Coral, kor'l, subst. koraal, kinderrammelaar: adj. van koraal, koraalachtig; Corallaceous = koraalachtig: â island; âline,/contain, subst. koraalgewas, oranjekleur; adj. van koraal, koraalachtig: âlite, kordlait. koraalverstee-ning: Coral li form: Coral li ferous = koralen bevattend. Corb, köb, kolendragers- of mijnwerkersmand. aalmoezenmand. Corban. köl/n, aalmoes, armbus, het aan God gewijde (bij de Israelieten): de offerande van schapen (bij de Mohamedanen), die onder de armen verdeeld worden. Corbeil, kiib'l of köbail, schanskorf. Corbel, kiib'l, subst. draagsteen of draagijzer. nis, deel van eene Corinthische zuil; â verb, laten steunen op een C.; âsteps = geveltrapjes; âtable = aan den muur bevestigde, op een C. rustende tafel. Corcule. kökjul, Corcle, kök'l, zaadkiem. Cord, köd, subst. touw, snoer, vadem hout (128 kub. voeten): â verb, met een touw binden (ook: â up); âage, tuig, tou\v-ot takelwerk; âwood = vademhout (tegenov. talhout). Cordate(d),A-örfej7( jrf), hartvormig (v. bladeren): Cordiform. ködifom, in den vorm v. het hart. Cordelia, ködiljo. Cordelier, köddlid. Franciscaner. Cordial, ködfl, subst. hartsterking, opwekkend middel, likeurtje; adj. hartelijk: âitgt;. ködjaliti, hartelijkheid. Cordilleras, ködiltrdz, de Andes (Zuidelijk gedeelte). Cordlt;m, köd'n, lint, insigne, rand van een muur. reeks v. militaire posten: â bleu = beste kok. Cordova, ködottvs: Cordovan, köddv'n. Cord-wain, ködwem, Spaansch leder, geitenleder. Cordwainer. Corduroy, ' geribde, dikke katoenen stof: âroad = weg van dikke stukken hou: door venen of moerassen (Amer.). |
man: osk = ask: farm = tam; b?/t = bwt; \earn = l«n; 1/ne = lain: ho»se = hans; net-care = kèo: frtte = feit; tin; asleep = «slip; not; law = ló; lord = löd: boy = bói:
CORRESPOND.
CORE.
101
|
Core, A*ö, hart, binnenste, kern; â r = instrument om het hart uit vruchten te boren. Corea, kórto. Co-regent, konridz'nt. mede-regeerder. Clt;»-reNpoiideiit, kourispond'nt, mede-aanwe-zige, medeminnaar of medeplichtige (bij een echtscheidings-proces). Corf, köf, mand voor de mineralen in mijnen. Coriareoiie*, körieiêds, lederen, taai. Coriander, kuriandd. koriander (aromatische en verzachtende plant). Corinth,/coHnt/i;âlaii,fear»w-ï/iian,Corinthisch. C«i-ri\al, kouraiv'l, medeminnaar, -dinger; âship: â ry. Cork, kök, subst. kurk; â verb, kurken; âscrew, kökskrii, kurketrekker: âsrrew-MtairH = wenteltrap; ây = kurkachtig, naar kurk smakend. Corking-pin , kökir\pm, groote doekspeld, bakerspeld, paknaald. Connorant, kömar'nt, (gulzige) zeeraaf, vraat. Corn, fcön, subst. korrel, graan, koren, mais (Am.); likdoorn; There â in Egypt = er is overvloed: â verb, pekelen, zulten, met graan of haver voederen, tot korrels maken; âcliandler, köatèïvndld. korenhandelaar: â crake = kwartelkoning (spriet); âexchange = korenbeurs; âloft = korenzolder: â platüter = likdoornpleister; âpoppy = klaproos: âNalad = veldsalade; âviolet, könvaidlit, veldviooltje; âweevil, könwiv'l, graan- of klanderworm. C(»rnage, könidz, in vroeger tijd land, verhuurd met de verplichting v. d. pachter om door hoorngeblaas een vijandelijken inval aan te kondigen. Cornea, könjd,hoornvlies (v. h. oog); CorneoiiH, könids, hoornachtig. Cornel(-tree), A:ön/(ïri),Cornel ian-tree,subst. köntlfntri, kornoeljeboom; adj. van diens hout gemaakt. Cornelia, kdniljd; Corneliii», kdniljds. C(»rnelian, könili'n, kornalijn (edele steen). Corner, körw, subst. hoek^ besloten ruimte, geheime plaats; kliek, die door opkooning den prijs opjaagt: When he heard this, he turned the â on the spot = was hij in eens beter; â verb, den prijs van iets opjagen, eene schaarschte verwekken door opkooping; The Corner = llydepark â (Londen): â hoy = lanterfanter: âed = met hoeken; in eene moeilijke positie geplaatst; âer. âman = lid van een corner of kliek; âwise = diagonaalvormig, met den hoek naar voren. Cornet, kötwt, hoorn, cornet, escadron (paar-devolk), tweede luitenant (bij de cavalerie), doctorsmuts, kneepjesmuts, peperhuisje; âcy = rang van 2en luitenant (cavalerie). Cornice, könis, kroonlijst; --pole = stok (van overgordijnen). Cornicle, könik'l, kleine hoorn; Cornicnlate, könikjulit, gehoornd: Cornljic; Corniform. Corning-hoiise. kOninhaus, korrelhuis (waar het buskruit gekorreld wordt). Cornish, köniè, van Cornwallis; âengine = stoompomp. Cornncopia,/tö/y «/cou#/3,hoorn des overvloeds. Corniite(dgt;, könjüt(id), gehoornd, hoornvormig. Cornwall könwal; âis, könwoiis. Corollary, kordldri, gevolgtrekking uit het voorafgaande. |
Corona, korouno, kroontje, lichtkroon, kroon (van een kies), kring (vooral om de maan); â1, subst. kroon, krans; adj. tot de kroonbehoorend; âry, kor.mari, kroonvormig, kransachtig: âry arteries = de twee uit de groote slagader zich vertakkende hoofdaderen; âte(d), kordneit{id), eene kroon dragend: Coronation = kroning; j â tion-oath = eed bij de kroning afgelegd; j Coronet. koranot, kroontje, hoofdsieraad; i Coroneted â met een Coronet. Coroner, kordnn, lijkschouwer. Coronule. koranjul, zaadkroontje, zaadpluisje. Corpfgt;ral, Aröpar'/, subst. korporaal; adj. lichamelijk, stoffelijk: â piinishiiient = lijfstraf. Corporal, köpdr'l, âe. koporeili, Corporas, 'köpdras, fijne linnen doek tot bedekking van den eucharist. Corporate, köpdrit, als tot één lichaam ver-eenigd; âbody = corporatie = Corporation = staatkundig of wetgevend lichaam; Corporation spiritual = bestuur van eenecathedraal; Corporation temporal = bestuur van eene gemeente; Corporator = lid v. eene corporatie. Corporeal, köpöriol, een lichaam hebbende, lichamelijk (met betrekking tot den bouw). He is a âist = hij loochent het bestaan van zuiver geestelijke wezens; Corporeality = lichamelijkheid: Corporify = belichamen, tot een lichaam vormen. Corposant, köpaz'nt, St. Elmsvuur (in stormachtige nachten bij de scheepsmasten dikwijls waargenomen). Corps, kö (Meerv. Corps, köz), legerkorps. Corpse, köps (Meerv. Corpses, köpsiz), lijk; âcandle, âlight = dwaallicht. Corpulent, köpjuint, zwaarlijvig; Corpulence, Cor pu lenen. Corpus, köpns, lichaam (in de anatomie); â Christi = Sacramentsdag; âde, köpds(kyi of köpnsk'l, atoompje; Corpuscular = tot atomen behoorende. Corradiate, koreiiljeit, in een brandpunt vereenigen; Corrsxdiation = vereeniging v. stralen in één punt. Corral, kordl, subst. omheining (voor vee; ter verdediging); â verb, omsluiten. Correct, kdrekt, adj. precies, goed, juist, nauwkeurig: â verb, verbeteren, gelijk of op tijd zetten (klok), straffen (om te verbeteren), wegnemen door tegenwerkende kracht: House ot' âion = verbeterhuis, gevangenis; âion ol' the press = drukproef; He observed under âion = merkte bescheiden op; She stood â ed = daar stond ze, zich van hare schuld bewust; We will apply a âive = verbeteringsmiddel, tegenwerkend middel; âness; âor. Correlate, korileit. subst. wat in wederkeerige betrekking staat: â verb, wederkeerige betrekking hebben; Correlation = wederkeerige betrekking: Correlative, koretetiv, subst. wat in wederkeerige betrekking tot elkander staat: adj. wederkeerig op elkaar betrekkelijk: Correlative conjunctions, zooals: either... or: These words are correlatives. Correspond, kordspond, van denzelfden aard zijn, bij elkander passen (to), briefwisseling houden (with); A miittoncliop, with potatoes to â â⢠een schapenboutje, met daarbij I behoorende aardappelen: 1 â with him; That |
bone = boun: full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; long = Ion; «/lip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhus; wine.
CORRIDOR.
102
COUCH.
|
â» to this = dat stemt hiermede overeen; âence = overeenstemming, briefwisseling: âent, subst. correspondent; adj. overeenstemmend. Corridor, korid'ó, open galerij om een gebouw, bedekte weg om eene versterking. â¬orri. kori, holte in een heuvel. Corris^eiidn, koridzendo, aan te brengen verbeteringen (in een boek): Corrigendum (enk.). CorriKibl^ koridzib'l, strafbaar. Corrivnl, koraiv'l, mededinger: mededingend. Corroborant, korobor'nt, Corroborative, korobdreitiv, subst. en adj.versterkend (middel), bevestigend: Corroborate, korobareit, versterken, bevestigen, verzekeren; Corroboration. Corrode, kdroud, wegvreten, invreten, beschadigen: ânt = invretend (middel); Corrodible, Cowosible=\ooTinvreting vatbaar; Corrosion. kdrouz'n, wegvreting, uitbijting; Corrosive, kdrousiv, subst. en adj. bijtend (middel). Comitate, korurieit, adj. gerimpeld, gefronst: â verb, fronsen, samentrekken. Corrugation. Corrupt, kdropt. adj. bedorven, omkoopbaar, onecht, verknoeid; â verb, bederven, verontreinigen, omkoopen; âpractices = gemeene verkiezingspraktijken: âible; Corruptibility: âion = omkooping, bederf; â ive; âles»; âness. Corsage, kösidz, keursje. Corsair, kösêd, zeeroover, vrijbuiter of diens schip. Corse, A'ö.s, lijk (dichterlijk). Cors(e)let, kösldt, borstharnas, romp (van het lichaam van een insect). Corset, kiis.it, subst. korset, lijfje: â verb, in een korset besluiten. Corsica, kösikd; ân = Corsikaan(sch). Cortege, köteiz, stoet, gevolg. Cortes, kötiz, de Staten-Generaal (in Spanje en Portugal). Cortex, kötdks, bast, bedekking: Cortical, kötik'l, op bast gelijkend, van bast gemaakt, uitwendig; Corticate(dgt;, kötikeit(id), op bast gelijkend; Corticiferous = bast voortbrengend; Corticiform = bastvormig. Cornscant, komsk'nt, flikkerend: Coruscate, komskelt. ilikkeren; Coruscation = schittering. Corvette, követ, Corvet, kövdt, korvet (oorlogschip). Corvns. kövds. kraai, kraaiensoort, enterhaak (bij de Romeinen); Corvine = aan kraaien eigen. Corybant, koribant, priester van Cybele; âic, koribantik. dol, woest. Corymb, korimb, â tis, korimbds. stengeltros. Corypheus. koHftds, leider van een koor; aanvoerder. Coryphee, korifi, balletmeisje. Cosey. kouzi, g'ezellig, aangenaam (Schotsch voor* Cosy). Coshering, kosdri^ lersch gebruik, waarbij de landheer van zijn pachter voedsel en onderkomen kon eischen voor zich en zijn gevolg. Cosine, koxsain, co-sinus. Cosmetic, kozmetik. subst. en adj. schoonheid bevorderend (middel). Cosmic(algt;, kozmikCl), tot de wereld behoo-rende, met de zon op- en ondergaande. Cosmogony, kozmógeni, (de theorie van) het ontstaan der wereld; Cosmogonic{al). Cosmography, Arormopra/f, wereldbeschrijving; Cosmogrcipher; Cosmographic(al). |
Cosmology, kozmotedzi, kennis van den bouw der wereld of des heelals. Cosmopolitan, kozmdpoliVn, Cosmopolite. kozmopdla.it, wereldburger: Cosmopolitism. Cosmos, kozmos, het Heelal, etc. Coss, kos: The rnle of â = oude naam voor de algebra. Cossack, kosdk, kozak. Cosset, kosdt, lieveling(slammetje): â verb, liefkoozen, in alles den zin geven. Cost, kost, subst. prijs, uitgaaf, verlies, boete, nadeel: I have experienced it to my â = ik heb het tot mijne schade ondervonden: At any â = tot eiken prijs; The court sentenced him to three months and âm = veroordeelde hem tot drie maanden en in de kosten (van het geding); â verb, kosten, waard zijn; âless; âly = duur. Costa, kostlt;gt;, rib(be); 'tot de ribben behoo-rende; Costate(d), kosteit{id), geribd. Costard, kostdd, groote appel, kop (schertsend). Coster(monger), kosto{mvngd), fruitverkooper (langs de straat). Costive, kostiv. hardlijvig; âness. Costume, kostjüm 'of kdstjüm, kostuum, kleeding; âd; Costum{i)er. Co-surety, kousüriti. medeborg. Cosy, kouzi, adj. gezellig, aangenaam (ook: Cozy); subst. bedekking (van trekpot of chocoladeketel, om warm te houden). Cot, kot, huisje, hut, bootje, schaapskooi, krib (ook: Cote); âland = akker, tot een cot behoorende; âBetty = Janhén. Co-temporary. Zie Contemporary. Cotermiiioiis*, koutfiminos, aangrenzend. Coticnlar, koutikjute, geschikt voor een slijpsteen, slijpsteenachtig. Cotillon, koutiljort, of koutijor^, cotillon. Cotqnean, kotkwin, janhen, grove vrouw. Cotswold, kots wou ld, schaapskooien in het open veld: beroemd schapenras. Cott, kot, hangmat. Cottage, kotidz, hut, klein buitentje; â allotments = stukken gronds behoorende bij de woningen van boerenarbeiders; â piano = kleine pianino; Cott(ag)er, kot(idz)d, hutbewoner, eenvoudige landman. Cotton, kot'n, subst. katoen: Cotton-broker = makelaar in katoen; Cotton-cornerer = lid van eene katoenkliek (Zie Cornereri; â lord = rijk katoenfabrikant; âprints = gedrukt katoen; âwool = ruwe katoen; adj. van katoen: â verb, wollig zijn, wollig worden, eens zijn met, harmonieerên: 1 cotton to Codlins = C., daar houd ik van; âgin. âdzin, machine, om katoen te zuiveren: âocracy, kotdnokrdsi, de leiders van en hun invloed op den katoenhandel; âons = donzig, als katoen. Cotyledon, kotilid'n, zaadlob: -ons, âal = van zaadlobben voorzien. Conch, ka HtS, subst. rustplaats, canapé, laag. verflaag, leger (ligplaats); â verb, (op de knieën) gaan liggen (b.v. als een kameel), gedekt liggen, in hinderlaag liggen, zich buigen, bukken; te bed leggen, uitspreiden, vellen (van eene speer), van den staar lichten (To â an eye): He âed it in glowing terms = drukte het uit in hartstochtelijke woorden: A lion âant = liggende leeuw (heraldiek): |
man; osk = ask; farm = fiim; hut = bwt; learn = lim: line lain: holt;/se = bans: net: care = kca: fate = feit: tin; asleep = dslip: not: law = 1A: lord = löd: hog = bói:
COÃNTRV-SQUIRE.
103
COUGH.
Countereheer, kauntotste, subst. tegentoe-juiching (gew. meerv.); â verb, de toejuiching der vijandige partij met tartend gejuich beantwoorden.
Counterdraw, kauntddró, natrekken (van eene teekening).
Counterfeit, kanntefit, subst. bedrog, bedrieger; adj. nagebootst, onecht; â verb, namaken, huichelen, bedriegen; âer.
Counterfoil, kaunteftnl, copie van een document.
Countergiiard, kauntegamp;d, kleine wal vóór een bastion.
Connterlight, kaunU'hüt, valsch licht. Countermand, kauntemdnd, subst. tegenbevel: â verb, een tegenbevel geven, herroepen. Countermareli, kauntdmixtè, marsch met verkeerd front, terugmarsch; â verb, terugmar-cheeren.
Countermark, katintomUk, subst. contramerk, merk, merkteeken; â verb, merken. Countermine, kauntdmain, subst. tegenmijn; krijgslist; â verb, eene tegenmijn aanleggen, verijdelen.
Connterpane, kauntapein, sprei. Counterpart, kauntepiit, tegenhanger, dupli-kaat, tegen- of aanvullingsstem.
Counterplea, kauntdpli, tegenpleidooi, repliek. âd, kauntdplïd, tegenpleiten, weerspreken, ontkennen.
Counterpiot, kauntaplot, subst. tegenlist; â verb, eene tegenlist gebruiken. Counterpoint, kanntepóint, gestikte deken, harmonie, componeerkunst, de kunst, om de verschillende deelen van eene compositie naar de wetten der harmonie in te richten: The contrapuntal effects of decasyllabic blank verse â het harmonisch effect* der vijfvoetige rijmlooze jamben.
Counterpoise, kauntdpo\z, subst. tegenwicht, evenwicht; â verb, opwegen tegen. Coiinterpoison. kauntdpoiz'n, tegengif. Counterscarp, kauntdskiip, tegenwal. Countersign, kauntdsain, subst. wachtwoord, contrasigne, medeonderteekening; â verb, medeonderteekenen. âature, kauntesigndtjd, medeonderteekening, contraseign. Counterstroke,/taim^gt;sZrou/t, tegen-,terugslag. Countervail, kannteveil, subst. gelijke waarde of kracht; â verb, opwegen tegen. Countervote, kauntovout, tegenstemmen, overstemmen.
Counting-house (room), kauntinhaus (rum), (kassiers- of bankierskantoor.
Country, knntri, grondgebied, de bewoners daarvan, vaderland, platte land (tegenover stad): To go into the â = naar buiten gaan: So many countries, so many eiistoms = 's lands wijs, 's lands eer; The ministry will go to the â = de kamer(s) ontbinden, en de kiezers laten beslissen; adj. landelijk, lomp, boersch: Xo one called him â = boerachtig; âdance = dans, waarbij de heeren en dames in twee rijen tegenover elkander staan; tusschen de rijen wordeneenigepassen uitgevoerd: Country tied, kvntrifaxd, boersch; âgentlenian = landedelman: âman = landgenoot, landman: âwoman = landge-noote; âseat = buitenplaats, landgoed; â squire = landjonker.
bone = boun: full: fool = ful: d = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = .ji9; long = loi^; ship = sip: occas/on = okeii'n; thin; thus = dhus: wine.
âer; âgrass = hondsgras; âmate = slaap-kameraad.
Cough, Ao/quot;, subst. hoest; â verb, hoesten, opgeven; âdrop = hoestbonbon; âer.
Could, kud, Imperf. van can.
Coulisse, kill is of kulis, coulisse, gleuf (waarin de c. staan), ruimte tusschen de c.
Coulter, koultd, ploegijzer, kouter.
Council, /caunsil, raad, raadsvergadering: Coiiimon â = gemeenteraad; County â = graafschapsraad; Privy â = Raad van State, geheimraad: âboard = raadstafel, raad; -lor = lid van een C.; âman = gemeenteraadslid.
Counsel, kamis'L, subst. raad, overleg, onderzoek, plan. advocaat, rechtskundige: He took
â with iiis friends = raadpleegde; tüood
â is never out of date = komt altijd gelegen; Don't tell her; she cannot keep â, her own â = zich niet stil houden; â verb, raadgeven. aanraden; â lor = raadsman (vooral in rechtszaken); âlorship.
Count, kaimt, subst. het optellen, getal, rekening, graaf (vreemde): punt van aanklacht, onderdeel van eene beschuldiging: He keeps no â = telt of controleert niet; He was beaten on that â = op dat punt verslagen: You must take no â of it = er geene rekening mee houden, er niet om geven: â verb, optellen, rekenen, achten, rekenen op: The meeting was âed out (a â out took place) = de zitting werd verdaagd, toen na tellen bleek, dat het vereischte getal leden niet tegenwoordig was: How many fingers have we got? Five, if you â the thumb in = meetelt; --palatine, âpaletain, hoog rechterlijk ambtenaar onder de Merovingers, paltsgraaf: âable; âess = gravin.
Coiiiitenance, kauntdrins, gelaat, uitzicht, blik, gezicht, steun, aanmoediging: He kept his â = beheerschte zich, hield zich goed; He got quite out of â = raakte volkotnen uit de gunst, van zijn stuk: That put him out of â = deed hem beschaamd staan; The church gave â to the party = steunde;
â verb, begunstigen, (zedelijk) steunen: The authorities âd the school-feast = gaven het schoolfeest door hunne tegenwoordigheid zedelijken steun; In â = in de gunst: zeker en bedaard: â r = beschermer, steungever.
Counter, kaunta, subst. legpenning, fiche (in 't spel), toonbank, teller, altstem, borst (van een paard): Over tiie â = contant betaald: He runs â to my plans = werkt .. tegen; adj. tegengesteld: â tâ¬gt; the hearth = tegenover den haard; â verb, tegenwerken: ââ¢jumper = elleridder, helper in een winkel.
Counteract, kamnfrakt, tegenwerken, in den wind slaan: Counter-agent = wat tegenwerkt.
Counter-approach, kaiinterdprouts, tegenloopgraaf.
Counterbalance, knuntdbarns, subst. tegenwicht; â verb, opwegen tegen.
Counter-blast, kaimtdblCist. krachtig antwoord (weerlegging).
Counterbond, kauntobond, medeborgtocht.
Coiinterbuff, kaïintobvf, subst. terugslag; â verb, terugslaan.
Countercharge, kauntetëiidz, tegenaanval.
Countercharm, kauntdtëiim, ontgoocheling.
COUNT-WHEEL.
104
COW-LICK.
|
Comit-ivlieel, kauntwil, tandrad voor het slagwerk (in een uurwerk). County, kaunti, graafschap, district. â cor-ornte = eene met bijzondere privilegiën egiftigde stad; âcourt = graafschapsrechtbank: â Palatine (patetin), een met bijzondere koninklijke privilegiën begiftigd graafschap; j âtown, de hoofdstad van een graafschap, waar de âcourt zitting houdt. Coupé, kïipei, eerste afdeeling van eene diligence of van een eerste-klasse spoorrijtuig. Couple, knp'l, subst. paar, echtpaar, band: A â of dozen = een paar dozijn: Tlie^e horses run in âs = zijn een span; â verb, paren, vereenigen. Couplet, knptet. twee gerijmde versregels, couplet, vers; Coupling-pin, knpliripin, verbindings- of kettingbout: Coupling-cliains = koppeling (spoorw.). Courage, kvridz, moed, dapperheid: He took his â in both hands = vatte moed, vermande zich; âoils, kdreidzds. Courier, küria, koerier, renbode. Courlaiid, küdhxnd. Koerland. Course, kös, subst. loop, wedloop, loopbaan, stroom, richting, renbaan, reis; wijze van handelen of doen, opeenvolging, reeks, gerecht: In â ol* time = met verloop van tijd, mettertijd; In due â = op (behoorlijken) tijd, naar den gewonen gang van zaken; That is a matter of â = heel natuurlijk, iets, dat vanzelf spreekt; 1 attended his â of lectures = volgde zijn cursus; Take your â = ga je gang: Right must have* â = het recht moet zijn loop hebben; â of exchange = wisselkoers; The ship shaped a â for Tahiti = wendde den steven naar; â verb, jagen, vervolgen, doen loopen, stroomen: 1 will â you to the house = ik wil om het hardst met u naar het huis loopen; âr = renpaard, oorlogspaard, jager (van vossen, hazen, etc., die door hem niet geschoten, maar door de honden gevangen worden); Coursing, kösir\, jacht op vossen, hazen, enz.: Coursing-match; âs, kösiz, de voornaamste zeilen van een schip. Court, köt, subst. hof, plein, gerechtshof, rechtbank, hofstoet, vriendelijkheid: To go to â = aan het hof verschijnen; â of guard = de wacht: He paid his â to her = hij maakte haar het hof, trachtte haar voor zich te winnen; To put out of â = buitensluiten, uit de gratie brengen: In open â = voor het geheele vergaderde hof; â verb, door vriéndelijkheid trachten te behagen, streven naar, het hof maken, vleien, den hoveling spelen: To â appearances = voor het oog aangenaam zijn; I came to this country, to â forgetfiilness of the past = om te trachten, het verledene te vergeten: 1 suffered chains, and âed death = zocht den dood; â of Common Pleas = een der voornaamste gerechtshoven in Engeland; â of Session = voornaamste gerechtshof (Schotl.); âcard = heer, vrouw, of boer (in het kaartspel); âday = zittingsdag; âdress = galakleed; âfooi = hofnar; âmartial = krijgsraad: âpiaster = (Engelsche) pleister; âyard = binnenplaats, binnenplein; â eous, kntjds. hoffelijk, beleefd, beschaafd; âer = hofmaker, saletjonker; âesan, kötiz'n, lichtekooi; âesy. |
kvtisi, hoffelijkheid, vriendelijkheid, gunstbetoon: By âesy = uit hoffelijkheid, niet rechtens:* âesy 'title = de titel, door de zonen van adellijken 'gedragen, vóór ze hun vader in zijn rang opvolgen; Tenure by âesy = het bezit, dat de vrouw heeft aangebracht, na haar dood genoten door den man; âesy, kvtsi, subst. buiging (van hoofd en lichaam) door eene dame; â verb, eene buiging maken (ook Curts(e)y gespeld); âier, kötjd. hoveling; âierisin, kötjdHzm, hoofschheid, hoof-sche manieren; âing: âship. Court ray, kült;)tre\. Kortrijk. Cousin, 'knz'n, neef, nicht, â¢german = volle neef of nicht; â Betty = halfwijze, waanzinnige; âship; âly =*van een neef. Coutts, kiïts. Cove, kouv, subst. inham, baai, kreek, vent; â verb, verwulven; Coving = het vooruitsteken der bovenverdiepingen; opstaande zijden van een haard. Covenant, knvdrint, subst. wederzijdsche overeenkomst, acte: â verb, zich verbinden, beloven, volgens acte schenken; â ed = door een verdrag gebonden: âer = verbondene (1638). Covent iaarden, kovdr^gti.d'n, groente-en fruitmarkt (Londen). Coventry, kovntri, doodverklaring, de stad C.: He was sent to â = hij werd doodverklaard. Cover, knvd, subst. bedekking, scherm, schuilplaats (The fox broke â = kwam uit zijne schuilplaats), beschutting (vooral struiken'en kreupelhout, voor wild); couvert (bord, mes, vork, lepel): â verb, bedekken, bekleeden, beschermen, omhullen; broeden, van gelijke uitgestrektheid zijn, insluiten: That âs everything = sluit alles in; We have âed a mile = eene mijl afgelegd; 1 knelt down, âed the tiger, and llred = ik knielde, legde aan en schoot; The balcony has Just been âed in with glass = rondom omsloten; âing = (lijk)wade; â¢ing-party = bedekking; âchief = hoofddoek, hoofddeksel; âlet = buitenste deken (van een bed), soms âlid; âside = jachtterrein (eig. plaats bij de schuilplaats van wild of vossen); â t = subst. schuilplaats, lommerrijke plek, leger (van wild); adj. verborgen, geheim, beschermd. Femme ât = getrouwde vrouw; âture = beschutting, lommerrijke plaats, staat der gehuwde vrouw; â t-way = bedekte weg (ook: âed-way). Covet, khvdt, vurig verlangen, onrechtmatig begeeren, hunkeren: Thou ahalt not â = gij zult niet begeeren; âons, kuvdtds, begee-rig; âousness. Covey, kwi. broedsel, vlucht (patrijzen), troep. Covin, kvvin, bedriegelijk contract. Cow, kau, subst. koe; â verb, vrees inboezemen, ontmoedigen, vernietigen (door angst). âbane = waterplant, nadeelig voor het vee; âboy = koejongen, koeherdersjongen; â bunting = (Amerik.) spreeuwensoort; â catcher = toestel vóór aan de locomotief om de baan schoon te maken (Amer.): âfeeder = houder van melkkoeien; âhide = subst. koehuid, grove rijzweep; â verb, met de zweep afranselen: âleech = veearts; âlick = haarlok (op het voorhoofd hangende); âpock |
man; «sk = ask; farm = fiim; b^/t = but; learn = l«n: line = lain; house = hans: net; care â kèa; fate = feit; tin: asleep = aslip; not; law = ló; lord = lod; hoy = bói;
CRAWFISH.
COWPOX.
105
|
= koepok; âpox = koepokken: âry = vliegendapper (van leer of iets dergelijks): âslip = sleutelbloem {primula veris). Coward, kauod, subst. lafaard; in de heraldiek: beest met den staart tusschen de pooten; adj. lafhartig, verachtelijk; âice = lafhartigheid; âly. Cower, kaiia, neerhurken, ineenkrimpen. Cowes, kauz, noordelijke havenstad in Wight. Cowl, kaul, monnikskap, gek op een schoorsteen, kap van ijzerdraad op den schoorsteen van een locomotief; watervat, tusschen twee mannen aan een stok gedragen. Cowley, kauli; Cowper, küpd of kaupj. Coxcoiiil», kokskoum, zotskap, fat, pronker, hanekam (plant); Cuxcomlcal, kokskomik'l. fattig, ijdel; Cox(N\vaiii). Z. Colt;'k(»*waiiigt;. Coy, A-ói, adj. bedeesd, zedig, preutsch; â verb, zich op een afstand houden. Coz, kvz, familiaar voor CoiiHiii. Cozen, /tüz'n, foppen, beetnemen; âer. Cozy. Zie Cosy. Crab, /tmö, subst. krab, kreeft (in den Dierenriem), kaapstander, kraan, wilde appel, gemelijk mensch: He ha» caught a â = hij heeft (bij het roeien) het water niet geraakt, en is achterover gevallen; adj zuur, gemelijk, norsch; â verb.bederven: Don't â the whole tiling now .= zeg er eens, bederf het spul nu niet; âbed inaniiscripts = moeilijk te lezen handschriften; â ber = krabbenvisscher; âlon»e = platluis; âsidle = in zijwaartsche richting voortbewegen. Crack, krak, subst. gekraak, spleet, barst, (donder)slag, stemverandering (van jongen tot man), verbijstering (van het verstand), oogenblikje: He got it in a â = onmiddellijk; There is a â in your head = je hebt het niet pluis; adj. kranig, uitstekend; The premier is a â speaker; A â piano = eene rammelkast van eene p.: â verb, barsten, breken, knappen, scheuren, diep treffen, verbijsteren, bluffen: To â a crib = inbreken (in een huis); He was not in the habit ol' âing .jokes = het lag niet in zijn aard, geestigheden te zeggen (tappen); All the inhabitants âed up that watering-place = verhieven die badplaats tot in de wolken: He is âed, a âbrained tellow = gek, malle kerel; A âjaw (word) = niet uitte spreken: He is a â-hemp, ârope = hij verdient de galg, hij komt nog wel eens aan de galg: âer = blufferig heer, pistache: zwermer, hard biscuitje (Amer.); He told a âer = was aan het opsnijden: âIe = knetteren: âling = zwoerd van gebraden varkensvleesch: ânel = krakeling, bros beschuitje. Cracow, kreikou, Krakau. Cradle, kreicTl, subst. wieg, net (of filet) in een spoorwagon, bakermat, kindsheid, spalk, zwachtel, graveerstift, zeisboog: 1 have known him froni the (his) â = van zijne geboorte, van kindsbeen af; â verb, wiegen, tot bedaren brengen, bakeren, maaien (van koren), in eene wieg liggen, in de wieg leggen: âd in inno-cenre = in onschuld gelegerd; Cradling = houtwerk van een plafond; âclothes = luren. Craft, krdft, kunst, handigheid, beroep, ambacht, vaartuig: The â = de vrijmetselarij: Sinall â = kleine vaartuigen van allerlei soort; âguild = handwerksgilde: âsinan = bekwaam handwerksman; âsuiaster=meester (in zijn vak); ây = listig, sluw. |
Crag, krag, ruwe rots(punt), klip: âand-tail = rots steil aan de eene zijde, en langzaam af-hellend aan de andere; â ged = âgy: âginess. Crake. Zie Corn-crake. Cram, krant, subst. ingepompte kennis, leugen;; â verb, volstoppen, inproppen, inpompen, gretig eten; ânier = inpomper. leugen. Crambo, krambou, spel. waarin op een bepaald woord een rijmwoord moet worden gevonden. Cramp, kramp, subst. kramp, pijnlijke trekking: beperking, kram of klemhaak; adj. moeilijk, lastig; â verb, kramp hebben, kramp veroorzaken, beperken, achteruitgaan (van de wielen van een wagen), klampen, krammen 1 âeil for room, te weinig ruimte, in enge ruimte besloten: âlish = sidderrog; âons, kramp'nz, klimplanten: âoons, krdmpünzr ijzeren haken om steenen, enz. op te lillen; ijzers aan de voeten, om het uit- of afglijden te beletten. Cranberry, kranb'ri, soort v. boschbes. Crane, krein, subst. kraanvogel, kraan, hevel; â verb, den nek uitrekken; C ran age. krcinidz,. kraangeld: âfly = aardvlieg: â's-bill = ooievaarsbek (gèraniumsoort), soort van tang (chirurgie). Cranium, kreinj'm, schedel: Cranial. kreinflr tot den schedel behoorende: Craniology, kreiniolddti, schedelleer; Cranioscopy, krêi-nioskdpi, schedelonderzoek. Crank, krank, subst. kruk, slinger, handvat,, draai, verdraaiing, gril, dwaas: Hé was much of a â about liis discovery = erg mal,, dwaas met; adj. rank (van een bootje), gek; â verb, kronkelen; âIe, subst. kronkel; â verb, kronkelen: âles = hoekige uitsteeksels; ây = dwars, kronkelend. Cranny, krani, scheur, spleet, geheime verblijfplaats; Crannied = gespleten, gebarsten.. Crape, kreip, subst. krip: â verb, krullen. Crapnel, krapril, dreg, haak. Crapulence, krapjuVns, overlading, misselijkheid (door te veel eten of drinken); Crapulent = overladen, dronken. Crash, kras, gekraak, geraas, krach (= algemeen failliet), grof linnen (voor handdoeken = towels): âes on the doors were heard = geklop en gestomp op de deuren: â verb, krassen, ineenstorten met gekraak: âing. Crass, kras, grof. dik. lomp: â ignorance = kolossale domheid: âitude. krasitji'id. lompheid.. Crassament, krasam'nt. bloedklomp, het dikke roode van het bloed, ter onderscheiding van het waterachtige. Crate, kreit, teenen mand (als verpakking), krat.. Crater, kreitd, krater: âiforni. kreiliriföm = kratervormig; âlet = kleine â. Craunch, krans, kraken, krassen. Cravat, kravat, (stijve) das. Crave, kreiv, smeeken, verzoeken, eischen: I â your indulgence = roep in: A craving after her child = vurig verlangen. Craven, kreivn, subst. lafaard, zwakhoofd 1 adj. lafhartig: â verb, bloohartig maken. Craw, krö, krop. Crawfish, kró/is, kleine zeekreeft (onderscheiden van lobster, die claws heeft). |
bone = boiin: full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl: v/ear = Jia;. \on(j = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n: thin; thus = dhus; wine.
CRICHTONITE.
CRAWL.
106
|
Crawl, krol, subst. het kruipen, vischweer: â verb, kruipen, krieuwelen; âer = vigelante, die langzaam rijdend op een vrachtje wacht; âerH = ongedierte. Crayfish, kreifié, kleine zoetwaterkreeft. Crayon, kreten, subst. teekenkrijt, pastel, tee-kening daarmede; â verb, schetsen, met â crayon teekenen. Craze, kreiz. subst. dwaasheid, dwaze hartstocht: â verb, verpletteren, breken, kneuzen (het verstand krenken); Crazy, krelzi, gebroken, oud. zwak, verpletterd; gekrenkt: CraziiiK-iiiill = molen om tin te verbrijzelen. Creak, krik, subst. gekras: â verb, kraken, krassen. Cream, krim, subst. room, het fijnste van iets, bloem, fine fleur; â and ronet* = melk en bloed (fig.): â verb, afroomen, room voegen bij, (met room) bedekken: âcake = room-taartje: A âiaeed tel low = bleeke vent (van angst of vrees); âlaifl paper = geel geribd schrijfpapier: âwove paper = geel glanzig schrijfpapier: âery = roomhuis; ây = vol room, vettig. Crease, kris, subst. vouw: â verb, kreuken, vouwen: The ehlld^ creasy arms = mollige armpjes, met plooien erin. Zie Cliuhby. Create, krieit, adj. voortgebracht; â verb, scheppen, voortbrengen, benoemen, maken; Creation, krieiè'n, het scheppen, de schepping. wereld, heelal, aanstelling, benoeming: A creative genius = scheppend genie; Creator, laHeltd, Schepper, voortbrenger: Creatress = voortbrengster; Creature, kritèd,subst.schepsel : werktuig, die zijne opkomst aan een ander dankt; sterkte (of versterkende) en opwekkende drank: A silly creature = een sul: adj. tot het lichaam behoorende: He despises all creature comtbrts = hij geeft niets om de dingen, die den mensch aangenaam zijn; He was tilled with creature comtbrts = hij kreeg (had) wat zijn buikje maar begeerde. Credence, kriel'ns, subst. geloof, vertrouwen, geloofwaardigheid; â verb, geloof schenken aan: Credent = geloofwaardig, geloovig; â Credential = geloofwaardig: Credentials, kridens'lz (steeds meerv.), geloofsbrieven; Credible, krediUl, geloofwaardig; Credibility. Credenda, kridendo, de te gelooven waarheden (tegenover Agenda = de te vervullen plichten). Credit, kredit, subst. vertrouwen, geloof, goede naam, achting, crediet. creditzijde: fjetter ot' â = credietbrief: Bills of â = schatkistbiljetten: 1 take â tbr nothing but my books = ik betaal alles contant behalve mijne boeken; He takes â to the liberal party for the rclbrins during the past titty years = hij geeft de ... de eer van de hervormingen dei-laatste 50 jaren; That does you â = dat strekt u tot eer; Give him â tbr a clever fellow = geloof maar gerust, dat hij een knappe kerel is: There are a hundred pounds to your â at the bank; 1 carry that to your â = dat schrijf ik u toe, komt op uw crediet; â verb, gelooven, vertrouwen, tot eer strekken, crediteeren; âable = eervol: âor = schuldeischer; âor in trust = curator (van een faillieten boedel); â rix, âress = schuldeischeres. |
Credulous, kredjulds, lichtgeloovig;Credulity, kridjilliti. lichtgeloovigheid. Creed, krid, geloofsbelijdenis, geloof. Creek, krik, kreek, inham, bocht, riviertje (Am.). Creel, kril, teenen mand (vooral van visschers). Creep, krip, kruipen, krieuwelen, sluipen, zich slaafs gedragen, laag vleien, dreggen (tbr a drowned man): My flesh begins to â = ik krijg kippenvel; âs and horrors = akeligheden; âer = kruipend dier, kruipende plant, (kleine) specht, dreg, ijsspoor; âhole = schuilgat, uitvlucht; âmouse = kinderspelletje (soort van verstoppertje); ây = akelig: A ây tale, story. Cremate, krimeit, verbranden (van lijken); Cremation, krimels'n, lijkverbranding: Cre-inationist = voorstander van Cremation. Cremona, krimound, soort van viool. Crenate(dgt;, krineit(id), gekerfd, getand. Crenel, kronel, schietgat, kanteel; Crenellated = met schietgaten voorzien, getand. Creole, ArCoui, een (uit Europeanen)in Spaansch Amerika of W.-Indië geborene. Creosote, kridsout, creosoot. Crepaii(c)e, krtpdns (kripein), de wond aan een paardepoot, ontstaan door aanslaan. Crepitate, krepiteit, knetteren: Crepitant-, Crepitation = geknetter, geratel. Crepon, krep'n, soort van krip. ⢠Crepuscle, kripus'l, Crepuscule. kripnskjül, avond- of morgenschemering; Crepuscular, Crepusculoas = schemerend. Crescendo, /crasenrfow, toenemend; Crescent, kres'nt, subst. wassende (afnemende) maan. Turksche vlag, de Porte, eene halfcirkelvormige rij huizen; adj. toenemend; â verb, tot een Crescent vormen; Crescentade = oorlog ter verspreiding van de leer van Mohammed Cress, kres, kers. Waterâ = waterkers. Cresset, kresdt, groot bakenlicht, toorts ot flambouw; meteoor. Crest, krest, subst. kam, kuif, helmpluim, hoofd, schuim (op de golven), kruin, trots, hoogmoed: â verb, van een kam of pluim voorzien, kuiven: He looked âtallen = hij zag er moedeloos uit, liet het hoofd hangen; âed; âless. Creta, kritd, Kreta. Cretin, kri tin, soort v. idioot; âism. Cretism, kritizm, leugen (Vergel. Tit. I, 12). Cretose, kri tons, krijtachtig; Cretaceous, kri-teièds, vol krijt, krijtachtig. Crevasse, krovas, scheur, spleet, gleuf. Crevet, kreudt, smeltkroes (van goudsmeden). Crevice, krevis, subst. scheur, spleet; â verb, scheuren, (doen) barsten. Crew. krü, menigte, troep, scheepsbemanning, gespuis, zootje. Crewel, krüdl, borduurwerk, borduurwol. Crib, krib, subst. etenskribbe, stal (voor ossen), hut, woning, kinderkribbe, plaats, betrekking, zoutvaatje, letterdieverij, woordelijke vertaling (van een Latijnsch of Grieksch schrijver); â verb, beperken, opsluiten, ontstelen, letterkundigen diefstal plegen, opgesloten worden. Cribbage, kribidz, een kaartspel. Cribble, krib'l, subst. grove zeef, grof meel: adj. grof; â verb, ziften. Cribration, kribreiö'n. het ziften of raden. Crichtonite, kraitenait, fluweelzwart mineraal, gen. naar Dr. Crichton, een beroemd geoloog. |
man; ask = ask; form = fiim; b#ft = but; learn = l»n: Ime = lain: house = haus; net: â¢care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = liid; hoy = bói:
CRICK.
107
CKOSS.
|
Crick, krik, subst. kramp of pijn (in rug of neck); â verb, pijn krijgen: lie âed his neck with gazint; upon the picture». Cricket, krikit, subst. een nationaal Engelsch spel; krekeltje; â verb, cricketen; âgroiiiiil; âmatch, = . . partij: âer. Cricoid, kr(a)iko id, ringvormig: âcartilage = kraakbeen bovenaan de luchtpijp. Crim.-con., kHmkon, overspel (verkorting van Criminal converse). Crime, kraim, misdaad (Zie Capital): Criminal, krimin'l, subst. misdadiger, schuldige, veroordeelde; adj. misdadig. Criminate, krimi neit, van misdaad beschuldigen, in eene misdaad betrekken. Criminality. Crimea (The), krimid. de Krini. Crimp, krimp, subst. iemand, die een ander tot dienstnemen overhaalt of verleidt (vroeger vooral voor den dienst der East-India Company), ronselaar; adj. broos, onstandvastig;â verb, krullen, friseeren. knijpen, grijpen, krimpen (van visch), verlokken, ronselen; âing-iron = plooitang, âIe = samentrekken, doen krimpen ol krullen. Crimson, krlmz'n, subst. karmozijn; adj. donkerrood: â verb, donkerrood kleuren, verven, blozen: âwarm = roodgloeiend. Criual. krain'l, tot het haar behoorende: Crinated, kraineitid. Crinite, krainait, Crinose. krainous, harig, behaard. Crinciim, krink'm. kramp, draai, gril. Criiiffe. krinz, subst. lage vleierij; â verb, samentrekken, laag kruipen, vleien. Cringle, krimfl, oog, ring (in het zeil van een schip). Crinkle, kHnJtl, subst. kronkel, kronkeling. â verb, kronkelen. Crinoline. kHndlin. crinoline, hoepelrok: A â hat = hoed van stijve stof. Cripple, krip'l, subst. kreupele; adj. kreupel; â verb, kreupel maken, verlammen, verminken. Crippling;», kriplinz, steunstukken (tegeneen gebouw). Crisis, kraisis (Meerv. Crises, kraisiz), keerpunt, crisis, beslissend punt. Crisp, krisp, adj. kroes, knetterend, brokkelig, broos. Hink, krachtig; â verb, krullen, draaien, dooreenwerven, zacht rimpelen; âins-iron = frizeerijzer. Crispin, krispin, schoenmaker. Crispisnlcant, krispisulk'nt. gegolfd of zigzag (als de bliksem). Criss-cross, kt^iskros. subst. kruisje van iemand die zijn naam niet kan zetten: adv.tegenovergesteld. tegen elkander in. ârow = het alphabet. Cristate(dgt;, kristeit(id), met een haarbos(je). Criterion, kraitirisn, kenmerk, maatstaf. Critic, kritik, beoordeelaar (in letteren en kunst); âal = kritisch, onderscheidend, oordeelkundig, streng beslissend, hachelijk: âiHin: Criticize, kritisnxz. beoordeelen, hekelen, doorhalen; Critique, kritik. CrizzeUiiig), kHz'l(in). ruwheid op glas, waardoor het dof weerkaatst. Croak, krouk, subst. gekras, gekwak: â verb, krassen, morren, kwaken, kwaad voorspellen, sterven: He âed forth his lesson = dreunde zijne les op; âer: âitig-lizard = gecko van Jamaica. |
Croat, kroiiot, Kroaat; âia(iO, kroueiêdhi), Croatië(r). Crochet, kronèê, subst. haakwerk: â verb, haken: âhook = haaknaald. Crock, krok, subst. aarden kan of pot, roet (daaraan verzameld), vilderspaard; â verb, met roet zwart maken, in een pot doen, zwart of vuil afgeven; âery = aardewerk. Crocodile, krokddinl.'suhst. krokodil; meisjeskostschool, twee aan twee op de wandeling: sophisme; adj. krokodilachtig, huichelachtig, niet gemeend: â tears = krokodillentranen: Crocodilian = krokodilachtig, valsch: Croco-dility = sophistische wijze van redeneeren. Crocus, kroukos, saffraanbloem, krokus. Crol't. kroft, klein stuk wei- of bouwland bij een boerenplaatsje: âer = een klein boertje. Croise(s), kröiz(iz), kruisvaarders). Croma, kroumd, triller (muziek). Cromarty, kronwti. Cromlech, krom lek, een groote platte steen op andere steenen steunend, gevonden in Keltische landen, en óf een graf of een Drui-denaltaar verbeeldend. Crone, kroun, oud wijf, ooi. Cronenhurg, kronrinbvy; Cronstadt. kron-stat. Kroonstad. Crony, krouni, intieme kameraad. Croodle. kriid l. neuriën, zich lekker neervlijen. Crook, kruk, subst. bocht, kromte, herdersstaf, bisschopsstaf, hanepoot (in 't schrijven), ketel-haak, kunstgreep: By hook or by â = op alle manieren, door eerlijke of oneerlijke middelen: â verb, buigen, krommen, uit den rechten stand brengen; âed = gebogen, gedraaid. gekromd: âed-stick = dwarse kerel, norsche vent. Croon, krün, subst. zacht gekreun of geneurie: â verb, neuriën, zacht jammeren. Crop, krop, subst. krop, oogst, kort afgesneden haar, erts, een geheele huid: Xeck and â = geheel en al, volkomen; â verb, afsnijden, afvreten, maaien, oogsten, tijdig plukken.' verbouwen, oogst geven: 1 niMst get â ped = ik moet mijn haar laten knippen; It lias â ped out = aan het licht gekomen; Such subjects are âping up nowadays = komen tegenwoordig voor den dag (in grooten getale): âear = paard met korte ooren. âsick = ziek door overvoeren; â per = duif met grooten krop, kropper: He came (down)aâper = hij schoot of viel over den kop (van het paard, van een rijwiel, etc.): âpy = iemand met afgesneden ooren; Rondkop; lersch oproerling in i7(.)8. Croquet, kronkei of kronkel, subst. croquet-spel; â verb, croquetten. Crore, krö, een millioen pond sterling (= honderd lacs = 10.000.000 ropijen). Crosier, krouid, bisschopsstaf. Crosiet, kraslot, kruisje, een kruis van één i-echte streep met twee dwarsstrepen. Cross, kros of krös, subst. galg van twee stukken hout, in de volgende drie vormen: 7, T, X : kruis, het lijden van Christus, de Christelijke godsdienst, iets in den vorm van een kruis, eene lijn door eene andere getrokken, wederwaardigheid, gekruist ras: St. Andrew s â = X ; lie took up the â = hij leed voor de eer van Christus, droeg gelaten zijne |
bone = boun; full: fool = ful: e = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: year = jia: long = loi^; ship = sip; occas/on = okeiz'n: thin; thus â dims; wine.
CRUSADE.
108
CROTCH.
|
smart: adj. en adv. dwars, verkeerd, tegengesteld, onhandelbaar, knorrig: On the â = onbillijk: â reference = verwijzing van het eene naar het andere; â examination = getuigenverhoor (door den advocaat der tegenpartij); As â as two sticks = erg boos; Xo one rides â country like him = niemand rijdt dwars over 't 'land (over alle hindernissen heen) zooals hij; â verb, kruisen, doorhalen, vernietigen, het kruisteeken maken, oversteken, dwarsboomen, tegenstreven, afsluiten, gekruist ras voortbrengen: It âcd my mind = het kwam bij mij op: When do you â to the continent = gaat gij de zee over? A âed Hieque = een cheque met twee evenwijdige lijnen op de voorzijde, alléén verhandelbaar bij een bankier; âarrow = pijl van een voet- of handboog: âaisle = dwarsvleugel van eene kerk = Transept: âbar = drempel; âlgt;;ir-shot. krosbaëot. stangkogel; âarmed = met de armen over elkander; âhones = gekruiste beenderen als zinnebeeld van den dood: âhow = voet- of handboog; âhred = gekruist: âbreed = gekruist ras; âhun = krentenbroodje of gebakje met een kruis erop (op Goeden Vrijdag gegeten); âent, subst. korte weg: â verb, dwars doorsnijden; âeyed = scheel (met beide oogen); â¢âexamine = ondervragen van een getuige door een advocaat der tegenpartij; âgrained = tegen den draad in, lastig, onhandelbaar, dwars; âhead = aanwijzing (om de attentie te trekken) op de marge van een blad; âing = tegenspraak, verzet, het oversteken, de kruisplaats (van den éénen kant der straat naar den anderen): He gave the -ing-sweeper a penny = den schoon-houder van den overgang, straatveger; â legged = met de beenen over elkander; âover = doek, waarvan de einden gekruist over elkander loopen: âover cape: âpurpose. Icrospvpos, tegenstrijdig doel of plan, tegenspraak, misverstand: To be at âpurposes = tegen elkander in zijn of werken, elkaar misverstaan; ârow (Zie friss-cross-row); âquestion = âexamine; âreference = verwijzing van de eene plaats naar eene andere; âstaff = instrument om hoogten te meten; âtie = dwarsligger (van den spoorweg; ook Sleeper): âwind = tegenwind, zijwind; âwise = kruiselings. Crotch, krots, haak, gall'el, bifurcatie; âet, subst. haakje, kwartnoot, steunstuk, eigenaardigheid, gril, stokpaardje; â verb, op bedaarde wijze spelen (muz.); âet-monger of âeteer = grillig mensch, idie er eigenaardige idees op nahoudt. Oouch, krauts, zich laag bukken, kruipen, laag vleien; âed-friars, kraiitèlfraXdz, ordebroeders, die een kruis op hnn ordeteeken dragen. Croup, krüp, kroep (luchtpijpontsteking), kruis (van een paard), romp (van een vogel). C'roupade, krüpeid, paardesprong, waarbij het dier de achterpooten optrekt. Croupier, krüpjd, croupier (bij 't dobbelen), ondervoorzitter aan een tafel (zittende tegenover den voorzitter). Crout, krant, soort v. ingemaakte kool, zuurkool. Crow, krou, subst. kraai, koevoet, gekraai: | |
To pluck (pull) a â = over kleinigheden twisten: 1 have a â to pluck with you = een appeltje met u te schillen: The distance is live miles as the â flies = in eene rechte lijn; â verb, kraaien, bluffen, snoeven: lie shall not â it over me = hij zal mij niet overbluffen, de oaas zijn; âbar = koevoet breekijzer; - -flower = boterbloempje; âloot = ranonkel, hanepoot, voetangel; âkeeper = vogelverschrikker; âmill = kraaienknip: â's bill = kogeltang (Chir); â's feet = rimpels om de oogen (bij oude menschen: ook Crows-feet); â's nest = een vat (aan den mast van een walvischvaarder), waarin de uitkijk zit. Crowd, Araicrf,subst. menigte, troep, gepeupel: â verb, dringen, duwen, overmatig vullen, volproppen, aandringen, wemelen: The room was âed with people, and 1 got âed into a corner = stampvol . .gedrongen; The captain ordered to â Nail, steam = zooveel mogelijk zeilen of stoom bij te zetten; My article got âcd out = mijn artikel kon door gebrek aan ruimte niet geplaatst worden. Crown, kraan, subst. kroon, koningsmacht, eer, pracht, kruin, bol (vaneen hoed),geldstuk van 5 sh., voltooiing, bijzonder formaat v. schrijfpapier; â verb, kronen, eeren, sieren, loonen, voltooien: The word glared at me in â posters from every hoard = het woord staarde mij tegen uit groote aanplakbiljetten van elke schutting; â office = de afdeeling van Queens Bench voor crimineele zaken: âet = kroontje, voornaamste doel. Crucial, knïs'l, kruisgewijze, streng, hard. kritiek: At the â moment: Cruciate, krüseity kruisvormig. Crucible, krüsib'l, smeltkroes, kritiek oogen-blik, waarbij quot;s menschen deugd op eene harde proef wordt gesteld. Cruciferous, kvmifords. CTiicigerous. knl-sidèdrds, kruisdragend; Crucifix, krüsifiks, kruisbeeld: Cmcifkcion = kruisiging; Crucify, krüsifixi. kruisigen, kwellen. Crude, kriïd. ruw, onbereid, onrijp, slecht harmonieerend (van kleuren in eene schilderij). Crudity = âness. Cruel, krnal, wreed, ongevoelig, hardvochtig; âty: âhearted = wreedaardig. Cruet, krüdt, oliefieschje, azijn-: âstand = olie- en azijnstelletje. Criiikshank, kruksunk. Cruise, krüz, het kruisen (van een schip); â verb, kruisen: â r. Crumb, krom. subst. kruimel; â verb, kruimelen, kruimels strooien over; âbrush = tafelborstel; âcloth = kleed onder de tafel, om de kruimels op te vangen, en het tapijt te beschermen; Criimmy = kruimig, zacht : âIe, krrnnVl, afbrokkelen: âly = kruimelig. Crumpet, krnmpdt. los gebak bij de thee. Crumple, kmmp'l, kreukelen, krimpen: He looked âd = zag er moedeloos uit. Crunch, krons, subst. harde taak; â verb, kraken, knarsen. Cruor, knïd, geronnen bloed; âin = roode bloeddeeltjes. Crupper, kropd, subst. staartriem; â verb, den staartriem aandoen. Crusade, kriïseid, subst. kruistocht; â verb, een kruistocht ondernemen: âr=kruisvaarder. |
man; ask = ask; farm = lam; bat = bwt; \earn = hm; line ~ lain: hotese = hans: net; ert/'e = kca: faté = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló; lord = löd; boy = boi;
CULTIVATE.
CRUSE.
|
Cruse, Icriïs, kroes: He .npilt his mother's â = hij maakte het spaarpotje (spaarpenningen) . . .op: â t, kt*ü8dt, goudsmidssmeltkroes. lt;'rusli, krvs, subst. (groot) gedrang, schok, verplettering, groote avondpartij; â verb, verpletteren, vernietigen, samendrukken, persen: We âed a cup (pot) = knapten eene tlesch; He was âed = verbouwereerd, over-düveld: My fate is a âer = mijn lot is vernietigend hard; âliat = klak; â-room = foyer (van een schouwburg). Crust, lcrvst, subst. korst, aardkorst, schaal, wijnaanzetsel (in de flesch): â verb, met eene korst bedekken, tot eene korst maken: âed = met eene korst: âed with prejudice = door vooroordeelen omgeven: âeel manners = strenge m.; Crnstatecl = met eene korst bedekt: ây = hard, korstig, gemelijk, knorrig. Crustacea, krasteiüd, schaaldieren; Crusta-ceoiis = als eene schelp, hard en broos. Crutch, krvts, subst. kruk: â verb, steunen (met eene kruk): âed = op krukken steunend. Crux, kroks, iets verwarrends, kwellends; groote moeilijkheid (Meerv. Cruces, kriisiz). Cry, krai. subst. kreet, roep, geschreeuw, geween, gehuil, omroeping, straatroep, klacht, leus. zootje: It a far â from the lifteeutli to the iiiiieteeiith century = daar liggen heel wat jaren tusschen: It'ih more â than ivool = meer bluf dan degelijkheid: A great â and little wool = veel geschreeuw en weinig wol: Tiit» do^s were in full â = blaften luide; â verb, schreeuwen, huilen, schreien, weenen. roepen, janken, gillen, omroepen: lie cried (out) against everybody = hij voer tegen iedereen uit: They cried down the other party's merits and cried up their own = zij' brachten de verdiensten ... in minachting, en verhieven hunne eigene hoog; He cried off in time = hij gaf het bijtijds op: He cried mercy = vroeg om genade: â ing, subst. geschreeuw, gejammer, gehuil: adj. hemeltergend; âiMh(neMH) = grienerig(heid). Crypt, kript, grafkelder (vooral in de kerk onder het koor); âic(al), kriptikCl), geheim, verborgen. Cryptogami», kriptourjeitnjo. kryptogamen, zooals varens, mossen, etc. Cryptograph, kriptdyrwf. geheimschrift. Cryptology, kriptoteclzi. geheime taal. Crystal, krist'f. kristal: adj. van kristal: âline, kristdlain, kristalachtig, helder, doorschijnend: â lize: âlization: âloid. Ctenoit, tinóid of tenóid, kamvormig, scherpgepunt: âNcaleM = schubben, waarvan (zooals bij den baars) de onderzijde scherp gepunt is. Cub, kvb, subst. jong. welp, jongen of meisje (verachtelijk): â verb, jongen werpen, opsluiten: âhunting = jacht op jonge vossen; âby = eng, beperkt: âby-hole = nauwe ruimte. Cu bation, kjubeis'n. het neerliggen, achteroverleunen. Cubature, kjiïhdtjd, inhoudsmeting. Cube, kjüb. subst. kubus, dobbelsteen, teerling; â verb, tot de derde mocht verheffen: âroot â kubiekwortel: Cubic equation = derde-machtsvergelijking. |
Cubit, kjüb it, voorarmslengte (45 tot 5quot;) c.M.), klein deel, voorarm; âarm = arm, bij den elboog afgesneden. Cucking-Htool, knkhistü.1, duikstoel (een oud strafwerktuig). Cuckold, knkoyjcl, subst. de man van eene overspeelster: â verb, overspelig zijn. Cuckoo, kukiï, koekoek, domkop; âbud = boterbloempje; âflower = koekoeksbloem. Cucullate(d). kjükdleit(id), met eene kap voorzien. Cucumber, kjükombd, komkommer: Ciicumi- form, kjukjiimiföm, komkommervormig. Cucurbit, kjukiibit, âa, kjukóbite, destilleer-kolf. Cud, küd, voedsel (dat nog herkauwd moet worden), tabakspruim: To chew the â = overpeinzen, herkauwen. Cuddle, kod'l, gezellig samenliggen, omhelzen, liefkoozen, pakken: I âed the liddie under my chin = bracht, vlijde. Cuddy, kodi, kombuis: The cook^s â: â table = algemeene eettafel (kostschool). Cudgel, kudzl, subst. knuppel, stok: liet us cross the â« = den strijd eindigen: I'll take up the âs for you, in your behalf= het voor u opnemen: â verb, knuppelen, afrossen: 1*11 â my brains no more about it = ik wil er mijne hersens niet langer mee plagen. He is âprooi' = hij kan tegen een stootje, is niet gauw bang. Cue, kjü, einde of staart (vooral van eene pruik), de laatste woorden van eene rol (eene waarschuwing voor den acteur, die daarna moet spreken): rol, wenk, luim, humeur, queue (biljart): My uncle was not in good â = had geen goéde bui: He gave me the â = hij zei (wenkte) wat ik zeggen (doen) moest. Cuff, knf, subst. vuistslag, slag, opslag (van eene mouw), losse manchet: â verb, met de vuist, de klauwen of de vleugels slaan, vechten. Cuira.sM. kiriras, borstharnas: âier, kwirdsid. kurassier. Cuish, Cuisse, kwis, dijstuk (harnas). Cuhlccs. knldiz, monniken (Ge en 7e eeuw) in Schotland. Ierland en Wales. Ciilex, kjüldks, mug, muskiet. Culinary, kjulindri, tot keuken of kookkunst behoorende. Cull, knl. plukken, uitzoeken; âer. Cullender, kuVnda. Zie Colander. Cullet. knlet, oud, gebroken glas; Culling = uitschot, minder goed. CullibilJty. kvlibiliti, lichtgeloovigheid (zoodat zoo iemand gemakkelijk beet te nemen is). Cullion. knlfn, deugniet, ellendeling. Cullis. kul is, vleeschnat, dakgoot. Culloden. koloud'n. Cully. knli. subst.sukkel; â verb.gemakkelijk beetnemen. Culm, knlm, halm, stengel, kolengruis. Culminate, kolmineit {Culminant), adj. vertikaal. overheerschend; â verb, vertikaal zijn. het toppunt bereiken. Culmination = hoogste punt, grootste hoogte. Culpable, knlpdb'l, schuldig: Culpabilitn = âness; Culprit, knlprit, schuldige, beschuldigde. Cult, knit, bepaalde eeredienst, hulde. Cultivate, knltiveit. verbouwen, bebouwen, be- |
bone = boun: full: fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = Jia; long = Ion; ship = sip: occas/on = okeiz'n; thin; thnlt; = dhus: wine.
CULTRATE(D).
110
CCRT.
|
studeeren, liefhebben, koesteren, beschaven, aankweeken; Cultivable; Cultivation', Cultivator. Ciiltrate(dgt;, koltreit(id), scherp, in den vorm van een snoeimes = Cultriform. Culture, knltjd, subst. aankweeking, aanbouw, beschaving, veredeling; â verb, aankweeken, veredelen: âd = beschaafd, ontwikkeld. Culver, knlvd, (hout)duif; âtail = zwaluwstaart (bij timmerwerk). Culveriii. knltfrin, ouderwetsch kanon (gewoonlijk 18-ponder). Culvert, kolvdt, verwulfd riool. Cumber, kombo, subst. hindernis,kwelling; â verb, kwellen, lastig zijn, belemmeren; Cumgt; brauce = hindernis,last,kwelling; Cumbrous. âsome = lastig, vervelend, hinderlijk; â world, knmbdwvld, sta-in-den-weg. Cumin, knmin, komijn. Zie Aulse. Cumulative, kjümjuleitiv, ophoopend: â voting = stemming, waarbij een stemgerechtigde al zijne stemmen aan één candidaat geeft; dit is een â vote. CumuliiH, kjümjulds, groote samengepakte wolk, hoop. Cuiiabula, kjunabjuld, exemplaren der eerste gedrukte boeken. Cuiictative, kvnktdtiv, omzichtig, dralend. Cuiieal, kjünjl, Cimeate(d), kjnnjeit(id), wigvormig; Cuneirorui writing, kjuniifóm-raitiïi, keil- of spijkerschrift. Ciinegond, kjündyvnd, Kunegonde. Cunning, kunii]. subst. ondervinding, slimheid, loosheid, bedrog; adj. listig,loos, sluw, handig: Am â as a weasel = zoo slim als eene rat; To miicli â undoes = wie te slim wil zijn, komt bedrogen uit; âman, âwoman = waarzegger, waarzegster. Cup, knp, subst. kop, beker, kroes, kelk, schaal, drinkgelag: They were quoting poetry over their âs = zij' haalden de dichters aan bij hunne drinkgelagen; He is in his âs = dronken: There is many a slip Betwixt the â and the lip = men moet de huid niet verkoopen vóór de beer gevangen is; â verb, van drank voorzien, koppen zetten (om bloed af te tappen); âand-ball = kinderspel, waarbij een bal in een beker wordt opgevangen: â and-hall Joint = kogelgewricht; âbearer, kvpbèrd, schenker (aan het hof); âboard. krtbdd. subst. kast,quot; huishoudkast, vertrekje, kabinetje; â verb, vergaren; âhoard-love = egoïstische liefde: âlui; âgall = galappel; âping-glass = kopglas; ârose = papaver. Cupel, kjüp'l. zuiverings- of smeltkroes: Cupel- lation = zuivering van goud of zilver. Cupid. kjüpid. Cupido; âity, kjupiditi. be-geerigheid. Cupola, kjüpdld, koepel (op een gebouw). Cupreous, kjnprids, koperachtig, koperen: Cupriferous, kjuprifaras, koperhoudend. Cupula, kjüpjnls, Cupnle, kjüpjid, eikeldop, notenschil, etc.: Ciipuliform. Cur, ki), rekel, lummel; ârish; ârishness. Curable, kjümbl, geneeslijk; Curability, â ness = geneesbaarheid; Curative â gent-zend. Cnraf.'oa, kjurdsou. Curaroa. Curacy, kjürasi, predikantsplaats, -ambt; Curate, kjürit. (hulp)predikant. |
Curator, kjiireito, Curator, beheerder, opziener; âship. Curb, kub, subst. trens (aan een paardetoom), beperking, dwang; â verb, beperken, bedwingen, leiden, een trens aandoen. ârooiquot; = boogvormig dak; âstone = trottoirband. Curd, kód, subst. wrongel, geklonterde melk (gew.Meerv.); â verb, klonteren, stremmen; âIe = stremmen, stollen, klonteren: This novel is a regular âIer = dit is een echte sensatieroman: ây = geklonterd. Cure, kjüd, subst. genezing, herstel, zielzorg, geneesmiddel, predikantsplaats; â verb, herstellen, genezen, inmaken, zouten, pekelen: 1 will â him ol' his cheeMiness) = zijne brutaliteit afleeren: What cannot be âd must be endured = het onvermijdelijke moet men dragen: â r; âless. Curfew, küfjü, avondtijd, avondklok = âbell. Curialistie, kjxxriolistik. tot het hof behoorend. Curing-liouse, kjürinhnus, suikerralf)naderij. Curio, kjiirjou, lariteit; Curiosity, kjui'ioslti-, nieuwsgierigheid, zonderlingheid, rariteit: Cu-riosity-monger = nieuwtjeslooper: Curious, kjürids, zonderling, zeldzaam, keurig, nieuwsgierig, vreemd: Gurioso = verzamelaar v. âs. Curl, A'ü/, subst. krul. golving, kronkeling, aardappelziekte; â verb, krullen, kronkelen, golven, kabbelen; âing = balspel op het ijs (Schotl.); âing-tongs(iroiisgt; = frizeerijzer: ây = gekruld, krullig, golvend. Curlew, knlj ü. zee- of watersnip. Curmudgeon, ktjmudz'n, vrek. onaangenaam mensch, vlegel: â ly = vlegel-, vrekachtig. Currant, knr'nt, krent, aalbes, eetbare bes Rough â = kruisbes; âcake. Currency, kurnsi. voortdurende stroom, circulatie, gangbaarheid, muntbiljet, gangbare munt, schatting; Current, kur'nt, subst. stroom, loop, reeks; adj. stroomend, gangbaar, algemeen verspreid of aangenomen: To pass current = gangbaar zijn; Atmospheric currents = luchtstroomen. winden; The current month = loopende; Of this current =3 dezer (maand)-= instant: He reported it currently = vertelde het overal. Curricle, knrik'l, subst. rijtuig op twee wielen m. twee paarden; â verb, in een â rijden; Curriculum, kdHkjuVm. renbaan, wedloop, cursus (aan school of universiteit, etc.). Currier, knria, leerbereider (nadat het gelooid is. Zie Tanner); ây = ambacht of werkplaats van een â. Currie, knri, subst. kerrie; vischschotel, etc., met kerrie klaargemaakt; â verb, met kerrie kruiden, leer prepareeren, roskammen, afranselen: lie curried favour with the Royalists = hij trachtte bij de R. in de gunst te komen; âcomb, knrikoxim, roskam. Curse, kos, subst. vloek, vervloeking, verdoeming: I dó not care a â = ik geef er geen lor om; â verb, vloeken, vervloeken,bezoeken, teisteren: A âd calumniator = vervloekte lasteraar; â r. Cursitor, Arwsifa, klerk in het Court of Chancery. Zie Chancery. Cursive, knsiv, subst. en adj. loopend (schrift): Cursores, kósóriz, loopvogels; Cursory, küsari, haastig, vluchtig. Curt, kdt, kortaf,kortweg; âly; âness; âail. |
man; ask = ask; farm = fiim; bwt = bwt: learn = Iwn; line = lain: hoitse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not: law â¢â = 16; lord = Hid: hoy = bói;
CUTANEOUS.
CURTAIN.
Ill
|
kuteil, verkorten , afsnijden, kortstaarten; âailed] âailment = verkorting, enz. Curtain, kutin, subst. gordijn (van bed, enz.), schuifgordijn of overgordijn (voor het raam), scherm (tooneel), tent, deel van een vestingwal: â verb, met gordijnen omsluiten, met een wal omringen: âlecture = bedsermoen; ârings. Curtal, küVl, subst. hond of paard met korten staart; adj. m. korten staart, beknopt, vrekkig. C'urtilage, kAtilidz, erf (bij een huis). Curtle-axe, kvt'laks, korte bijl of zwaard. Curt8(e)y, kvtsi, subst. (dames)buiging: â verb, eene buiging maken: To drop (make) a â. Z. Courtesy. Curule^ïlrwZ, subst. soort vouwstoel voor hooge magistraten (bij de Romeinen); adj.gerechtigd tot hooge waardigheid of eer. Curvate(flgt;, kvveit(id), gekromd, gebogen: Curve (Curving), kdv. subst. kromme lijn, bocht; adj. gebogen; â verb, regelmatig buigen of krommen; Curvation, Curvature = kromming. Curvet, kvvet, subst. (dartele) sprong: â verb, springen, dartelen. Curvilbrni, kvvif'óm, boogvormig: Curvi-lineal, kvvilinfl, kromlijnig. Cushat, knsdt. ring- of houtduif. Cushion, kuè'n, subst. kussen (voor zitten of leunen), biljartband: â verb, op een kussen plaatsen, van kussens voorzien; een bal bij den band brengen: âet = kussentje. Cusp, kvsp, hoorn (van de maan), uitstekende punt, onelfenheid (in het ijs; ook purl genoemd); âid = oogtand; â idal â in eene punt uitloopend. Cu ss, /cüs, vent, aap(Amer.); âedness = aperij, gemaaktheid, aanstellerij, dwarsheid (Am.). Custard, knstdd, vlade (van melk en eieren); ârup = vlade-glaasje of -kopje. Custody,/c»stodi,bewaring,veiligheid,hechtenis; Custodian, kdstoudfn, bewaarder, custos; Custodial = bewarend. Ciistoni, IcosVm, subst. gewoonte, gebruik, klandizie, nering, jaarlijksche offerande van inenschen (bij de Ashantijnen): It was the (agt; â vvitii theni = hét was gebruikelijk bij hen; âs = in- en uitgaande rechten en accijnzen (ook â Duties); âable = naar gewoonte, belastbaar: â ary, = subst. boek met handvesten en keuren (ook: âai); adj. gewoonlijk,gebruikelijk; âer = klant: I know my âers = ik ken mijn volkje; A queer âer = rare klant; âhouse = douanenkantoor: âhouse otïicer = tolbeambte. Custos, kvstos, bewaarder: âs hreviuin = griffier (bij het Court of Common Pleas. Zie Court); â rotiiloruni = voornaamste rechter van een graafschap, en bewaarder der handelingen van het hof. |
Cöt, kot, subst. snede, hak, gapende wonde: houw, zweepslag, schok; kanaal, kortere weg; afgesneden stuk, prent, plaat, het coupeeren (bij kaartspel); vorm, fatsoen, snit: Let us draw âs = laten we er om trekken (wie het langste stuk papier, etc. krijgt); A âand-eonie-azain = groot stuk vleesch, overvloed, zoodat de gasten zich naar hartelust kunnen bedienen; He is ol' the same â with tiie rest = net zoo als de anderen; He took a short â = hij koos den kortsten weg; â verb, snijden, afsnijden, verdeelen. hakken7 maaien, diep treffen of aandoen, grieven, coupeeren (van kaarten): That's where it â»â = dat gaat door het hart; He â a caper = hij maakte een bokkesprong: The hares â somersaults on the green = de hazen buitelen op het gras: He âsa dash = maakt veel vertoon; He â a nohle figure = sloeg eene mooie figuur; Let us â = heengaan: He â ine (dead) in the street = hij wou mij op straat niet kennen, negeerde mij (volkomen); That âs both ways = is voor tweeërlei uitlegging vatbaar; liet us â across here-= laten we hier dwars oversteken: â away ga je gang maar: He â his stick = hij schuurde zijne piek: To â asunder = scheiden: The premier was âting down trees = de eerste minister was bezig met boomen omhakken; â down = afbikken, afhakken, verkleinen: He was â off in the niidst of his work = afgeroepen (door den dood); He was â off with a shilling = onterfd = â out ol' the will: I shall try to â him out = ik zal trachten, hem een b'eentje te lichten; He is â out for a teacher =â voor onderwijzer geknipt: He could not â out a coat = geen jas knippen: â yotur scientific cackle = schei uit met je wetenschappelijk gewauwel: Has he â his wisdom-tooth yet = heeft hij zijn verstandskies al? I was-â short by him = in de rede gevallen en tot zwijgen gebracht; To â to pieces = stuk snijden: â your coat according to your cloth = zet de tering naar de nering: He â it lat = hij was aan het opsnijden; â it short = maak het kort; He âs up rough directly = hij wordt dadelijk boos en grof:; The piece of cloth was â up = stukgesneden; He was â up by his l'riemrs death =gt; kapot van; The book was â up by all the critics = werd doorgehaald door al* de beoordeelaars; He has â up well = veel geld nagelaten: That merchant â under = verkocht de goederen onder de waarde; Here the old woman â in = sprak een woordje mee: His âand-dried theory did not please me = zijne mooie, klaargemaakte-theorie: A âglass water-bottle = waterkaraf van geslepen glas; A âaway coat = jas met rondgesneden panden; âgrass = zwaardgras; âIer = messenmaker: âlery = messenmakerszaak, scherpe werktuigen;; âlet, kntl.it, cotelette, ribbetje: âpurse, kntpy.s, gauwdief, zakkenroller; âter= hakker, snijder, coupeur, mes, kotter, boot (bij oorlogschepen), lichte slede (Amer.); â ters = steenen,. gebruikt om de bogen van vensters, enz. temaken: To play âters = een pandspel (âAlle vogels vliegenquot;); âthroat, kot-throxit. subst. moordenaar; adj. moorddadig, barbaarsch; âting, kntir^, subst. scheiding, verdeeling, reepje, uitholling (v. een heuvel, om kanaal ot weg te maken): He sent me several âting* from the London papers = kourantenreepjes, uit de bladen geknipt; adj. snijdend, grievend, scherp, satiriek: âting sorrow = snijdende-smart; âwater = het voorste van het schip, steven, golfbreker: âworm = rups. Cutaneous, kjüteinjds, tot de huid behoorend. |
bone = boun; full; fool = tïil; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = J ia ; long = loi^; ship = sip; occasion = okeizn: thin; thus = dhcs; wine.
DAGGER.
CUTE.
112
|
Cute, kjiit. Zie A^ute. Cuticle, kjütik l, opperhuid, vlies (op dranken); Cuticular. C'iitiN, kjütis, huid. CutliiMH, kntïds, groot gekromd zwaard, hartsvanger. Ciittle(*fi8li), knVl{f\è). inktvisch. Cutty-stool, kntistuL vrouwelijke-zondaars-bankje in Schotsche kerken in vroeger tijd; Cutty-pipe = neus warmertje. Cuvette,chirurgisch instrument, steenen smeltkroes. Cwt, 112 Eng. ponden (Verkorting v. Centum -f weight. Zie llnmlredweiglit). Cyanogen, saianddz'n. blauwzuur. CyaiiOHÃH, saidnousis, ziekte, waarbij (door ge-b'rekkigen bloedsomloop) de huid blauw wordt. Cyatliironn, saiathiföm, bekervormig. Cyclamen, sikldtrin. alpenviooltje. Cycle, saik't. subst. kringloop, tijdkring, cyclus (Vanlegenden): â oftliemoon of \letoiiic â = guldengetal (tijdperk van 19 jaar, waarna nieuwe en volle maan op dezelfde dagen der maand terugkeeren); â ol'the Sun = zonnecirkel (28 jaar); â of indiction = tijdperk van 15 jaar; â verb, in een kring ronddraaien, op de velocipede rijden. Cyclic(al). s-iklikCl), tot een cyclus behoorend: â poetH = navolgers van Homerus, die allen den Trojaanschen oorlog tot onderwerp hunner epische poezie kozen; â cliorus = het koor te Athene, dat, zingende, om het altaar van Bacchus danste; CycliHt, saiklist. wielrijder: Cycling = het wiêlrijden. Cyclone, saikloun, orkaan tusschen de tropen; Cuclonic: Cu clonal. Cyclopaedia, saikbpidjd. encyclopaedic. |
Cyclopean, saikldpidn, tot de Cyclopen behoorend, reusachtig, woest; Cyclops, saikldps (enk. en meerv.). Cycloop. Cyclorama, saikldr'dmd, reeks zich voorbij den toeschouwer bewegende tooneelen of gezichten. Cygnet, signal, jonge zwaan. Cylinder, silindd. cylinder: Cglindric{al): Cylindriform. Cyinar, saima, lichte doek, sjaal. Cy in ha 1(8), simVl{z), bekken(s). i Cyinhirorin. simbifóm, bootvormig. Cynanche. sinanki, keelontsteking. Cynantiii'opy, sinan-thrdpi, hondsdolheid (bij menschen). Cynic(al), sin/A:(7), subst. cynisch persoon: adj. h'ondsch, cynisch, verachtelijk; â» = de school der cynische wijsgeeren, van wie Diogenes rte beroemdste was; âiHin = menschenhaat. -verachting. Cynosure, sinaèd, middelpunt v. aantrekking, de kleine Beer (die de Poolstar bevat). Cypher. Zie Cipher. Cypress, saiprds, cypres. Cy prian.siprian, van Cyprus; Cy priot. sipridt. bewoner van C.; Cyprus, saiprds. krip. Cyrus, sairds. CyMt(is), sistiis). blaas, zak; âic worm = lintworm; â itis, sistaitis, ontsteking v. de blaas. Czar, keizer, czaar: Czarevna, zarevnd. vrouw van den czarowitz; Czarina, zarrns. keizerin, vrouw van den czaar: Czarowitz. zArdvits, de oudste zoon van den czaar. Czech, tèek. subst. de slaven uit Moravië en j Boheme. hunne taal; adj. tot de Czechs be-| hoorende. |
»
|
D,di. The hig; D. = groote vloek(Igt;. = Damn): i M.D. = Mediclnae doctor; = Divinitatis Doctor; D. C. L. = civilis Legis doctor: L. L. D. = Legum Doctor. Igt; = 500; D = 5000; d = penny, pence; De(l) = Delaware: Deciember)', i J)euf(eronomy); Div. = Divide. Dividend, Division. Divisor: lgt;. liittt) = Litterarum Doctor: D(ead) L{etter) O(ffice): Do. = Ditto; Doz(en): Dii(t). = Dutch: IHeo) Violente): Dwt. = Pennyweight. Dab. dab. subst. stukje, een zachte slag, soort v. platvisch; bedreven persoon, kraan: â verb, zacht kloppen met een vochtig of zacht werktuig; She âbed at her hair with a briiHli: âber = wie of wat klopt; âster, dabstd. iemand, die in alles een kraan is. Dabble. daUl. besprenkelen, bevochtigen, plassen, knoeien: He âd at his forehead with a pockeMiandkerchiet': âr. Dabchick. dabtSik, kleine duiker: een watervogel; eig. Dipchick = duikkuiken. Da Capo, ddkiipoxx, opnieuw, van het begin af aan. |
Dace, dels, een kleine soort karper. Dacia, deisd, Dacië. Dactylic), dak til ^ een versvoet v. één betoonde twee toonlooze lettergrepen: onderling, tremblingly: âar, âic, daktilik. uit dactylen bestaande: een dactylische versregel: â io-Clypii. daktiljdglif, graveur; het op een ring, étc. gegraveerde: âology, daktilotedzi, de kunst der vingertaai. Dad(dygt;, dad(i). paatje, va, vaderlief; Daddy-loiiK-fegs. dadiIonlegz, een soort v.groote mug. Daddle, dad'l, waggelend gaan. Daddock, daddk, vermolmde boomstam. Dade.deid, door een leiband steunen: aan een leiband waggelend loopen. Dafle, daf^ domkop. Daffodil, dafddil, narcis. Zie Asphodel. Daft. lt;laft. bot van geest, dwaas, dol; âness. n«K. subst. lap, los stuk, léeren schoenriem: â verb, in stukjes snijden. DagK^iN dagd, subst. dolk, schermdegen, verbindingsstuk: They are at âs drawn â klaar om te vechten: He looked â» at me = keek woedend; â verb, met een dolk |
man; «sk = ask: t«rm = fam; b«t = but; \earn = Iwn; line = lain: ho/lt;se = haus; net: care = kè^; fate = feit: tin: «sleep = aslip; not; \atv = lo: lord = löd: hoy = boi:
DAGGLE.
113
DANGLE.
|
doorsteken: -s-drawing, daydzdrdln, hooggaande twist; âplant = Jucca. Daggle, dag'I, door het slijk sleepen, door den modder loopen; âtail = slordig (eig. met het onderste gedeelte der kleeding door den modder sleepend). Dag-lork, daglok, de vlok wol (bij een schaap), die door den modder sleept. Dag(gle)-tailed, day{'l)teild, slordig. Daguerreian, ddgarion, van Daguerre(den uitvinder der âCameraquot;). Dagnerreotype,ctor/e?'9^//gt;,subs:.photographie (op gepolijst metaal): â verb.photographeeren (op g. metaal). Daliaiheeyali, Daliabieli, ddhdbtü, Egyptisch vaartuig, voornamelijk voor den Nijl. Dahlia, deitjd, soort bloem (gen. naar den Zweedschen botanist Dahl). Daily, deill, subst. dagblad; adj. dagelijksch: â \e\vH = ..Nieuws v. d. Dagquot;; adv.dagelijks. Dainty, deinti, subst. lekkernij; adj.lekker, kieskeurig. sierlijk, complimenteus; Dainteousbj: Daintiness. Dairy, dêri, subst. melkhuis, melkwinkel; adj. daartoe behoorend: âlarin melkboerderij: âhoiiHe = melkhuis; âmaifl = melkmeid: âman = melkboer. Dais, dei-is, verhoogde vloer of zitplaats in eene eetzaal; troonhemel. Daisy ,cte*zlt;,subst.madelielje:Dai»ieil meadow = vol madeliefjes: âcutter = dravend paard. Dak. ddk, brievenpost in het Oosten. Daker-lien, deikdhen, wachtelkoning. Dakir, deikv, tiental (huiden). Dakoit, cUfkamp;it, een rivierroover, lid van een gewa penden rooverstroep (ook Daeoit); ây = rooverij door gewapende benden. Dale, cieil, dal: âHinan = dalbewoner, vooral op de grens tusschen Engeland en Schotland. Dallionsie, d'lhfizi; Dalkeith, d'lkith. Dallianee,lt;/oiia»?-s,het dartelen, stoeien: Dallier = stoeier; Ijalhj = dartelen, benzelen, treuzelen, talmen. Dallop. dal Dp. bosje, kuifje. Dalmatia,rfjimetamp;, Dalmatië; ân = Dalmatiër. Dalmatisch. Dalniatie(a), ddlmatikip), witte diensttoga bij lï. K. priesters. Daltonism, doltdnizm, kleurenblindheid: Dal-tonian, doltourifn, kleurenblinde. Dalzell, deiel: Dalziel, tl iel. Dam, dam, subst. moer, moeder (v. viervoeters), dam: â verb, stuiten, tegenhouden (door een dam of dijk). Dam, dam, Danni, dom, 1/40 van eene ropij. Damage, damidz, subst. schade, nadeel, kosten, averij: \Vhat?s the â ? = hoe groot zijn de onkosten, wat ben ik schuldig? â verli. beschadigen, schade lijden, toetakelen: âable. Damasrene, dnmdsin, subst. kleine pruim (ook Damask-phim,): adj. v. Damascus; Damascus blade â Damascener zwaard. Damask, damosk,subst.damast: adj. lichtrood: â verb, bloemen in stoffen werken (damast weven), schakeeren, staal met figuren versieren of damasceeren: âsteel = Damascus-staal: Damaskeen, damp;moskfii, damasceeren. Zie Damask, verb. DamaHsin. danusin, damast, met bloemen van goud- en zilverdraad doorweven. |
Dainboard, dambód. dambord. Dame, deim, deftige dame (vrouwe), meesteres, matrone, hoofd van eene kinderschool, een niet gediplomeerd of gepromoveerd leeraar: â's-violet, deimzvn'wlit, âwort, deimwv.t. nachtviooltje. Damietta, da ut iet,gt;, Damiette. Damn, dam, subst. vloek: It is not worth a â = het is geen lor waard; â verb, verdoemen, veroordeelen, vloeken;âable; âation. (Tmneiè'n, subst. verdoeming, verdoemenis: interj. vervloekt: Damnatonj = verdoemend, veroordeelend: Damnificâschadel ij k: Dam n ify = schade veroorzaken, beschadigen. Damoeles, damdkliz, Damocles; Damoelean. dnmoklion, van D.; â sword, söd, zwaard Damon, deiirin. [van Damokles. Damosel, damoz'l. Zie Damsel. Damp, damp, subst. vochtige lucht, vochtigheid, nevel, neerslachtigheid; adj. vochtig, saai, neerslachtig, kil: â verb, vochtig maken, verkillen, verzwakken, ontmoedigen, smoren, dof maken; âs = schadelijke uitwasemingen van den grond: Dampen is hetzelfde als Damp, verb.: âer = demper, sleutel (in een kachelpijp), toondemper, soort van gebak (Austr.), teleurstelling, ontmoediging: He puts a âer on every Ihing 1 do or say = hij beneemt me den' moed bij alles wat ik doe of zeg; â ish. Dampier, dampjd. Damsel, damzl, jonge deern, jonge dame. Damson, damz'n, kwets, kroosje; â eheese = pruimenconserf. Dan, dan: From â to Beersheba = overal, op alle punten. Dance, dfins, subst. dans, bal: â verb, dansen, rondspringen, zich verblijden: He âd attendance on (to) the poweiinl = trachtte de machtigen te behagen door groote attenties: â of death = doodendans; He led me a Jolly â = hij stelde mij mooi teleur, hield 'me'leelijk aan het lijntje; Dancing-girl = = Indische danseres' (ook naiitch-girl genoemd); Dancing-mistress = balletmeesteres: Dancing-school. Dandelion, dundelaion, paardebloem. Dander, dandd, subst. toorn, roos; â verb, treuzelen, zeuren, stotteren: He got (had) bis â (dandriü') raised = hij werd woedend. Dandle, dand'l, liefkoozen, spelen met, laten dansen (op de knie) van een kind: âr. Dandriiff. dandrdf, roos. Dandy, dandi, fat, pronker, kotter; adj.fattig; âiMli; Dandify = het heertje uithangen: Dandiprat = dreumes, kleuter; âcock (âhen) = Bantamsche haan (hen); âhorse = soort van tweewieler; ârigged = als een kotter opgetuigd. Dane, dein, Deen; âSelf = jaarlijksche belasting. in vroeger tijd opgelegd ter verdediging tegen de Denen: âhigh (log) = deel van Engeland, in «78 aan de Denen gegeven. Danish, deinis, Deensch(e taal). Dane-wort, deinivöt, wilde vlier. Danger, deinzd, gevaar: âsignal = onveilig sein (bij spoorwegen); âons. Dangle, dang'l, slingeren, bengelen: achterna loopen, om in de gunst te komen: âr. |
bone = boun; full: fooi = fïil; * = toonlooze vokaal (zie asleep en care) long = loi^; s/iip = sip; occas/on = okeiy/n: thin: thus = dhus: wine.
ten bruggencate. Eng. Woordenboek.
girl; 2/ear = Jia;
DAY-BOOK.
114
DANIEL.
|
Daii(ielgt;, dan(fl). Dank, dai\k, subst. vochtigheid; adj. vochtig. Daiitettque, dantesk, in den stijl van Dante, somber, verheven. Danube,danjub,Donau: J)niïuh\iiii,danjübj'n, van den Donan. Dap, dap, zekere wijs v. hengelen. Daphne, daf ni, soort v. laurier, eerie der nyinfen van Diana. Dapiler , da/tiffj, vleesch- of spijsopbrenger, voorsnijder, hofmeester. Dapper, dapo, vlug, netjes, wakker, kranig. Dapple, dajf /, subst. spikkel; adj. gevlekt: â verb, bespikkelen. DarbieH. dühiz, handboeien. D'Arblay, düblei. DarbyiteH, diibiaxts* godsdienstige sekte, ook Plymouth Brethren genoemd. Dardanelles (The), dhddïiddnelz, de Darda-nellen. Dardania, dadeinjd, Dardanië. Dare, dê.gt;, durven, stoutmoedig zijn, wagen, tarten, uitdagen: I â say = ik durf wedden: I âsay = voorwaar; Daring, subst. vermetelheid*; adj. onverschrokken, moedig; âdevil, âdev'l, roekelooze waaghals; Daring-net, dêriy\net, slagnet. Darg, Dai'gue. dag, subst. dagwerk, dagtaak; â verb, eene dagtaak verrichten. Darins, dar aids. Dark, dük, subst. duisterheid, onwetendheid; adj. duister, donker, somber, ontmoedigend, slecht, blind, onzeker, donker uitziend: â Ages = Middeleeuwen: lie rides a â horse = hij voert wat in het schild: 1 have kept it â = geheim; I fear I shall â = blind worden: Then I had my â hour = had ik een droevig uur; After â *= in 't donker: He has kept me in the â = hij heeft mij onwetend gehouden: âbine â de kleur van de studenten van Oxford (sport); âen = verduisteren, verdonkeren,verbijsteren, bezoedelen, blind maken, duister worden: You shall âen my doors no more = komt me nooit weer óver den drempel: âish = vrij duister; âIe = duister worden; âness; âling;, adj. somber, norsch; adv. in het donker: âly = in 't geheim, geheimzinnig; âsome, düks'm, somber, duister: ây = zwartje, neger, dievenlantaarn. Darling, dülin. subst. lieveling: My â = lieverd: adj. geliefd. Darn, dan, subst. stop: adj. vervloekt (Amer.): Tlie âest fool I ever saw = grootste gek; â verb, stoppen, mazen; âer = stopnaald, stopper of stopster. Darnel, dttn'l. dolik (tusschen het koren). Dart, (Uit, subst. pijl, schicht, werpspies; â verb, (een pijl) schieten, (eene lans) werpen, schieten (v. stralen), wegsnellen: To â rays. Darwin, düwin; Darwinian: âism = Dar-ivinianism. |
Dash. das, subst. slag, schok, stoot, aanval, vlugge beweging, bezieling, geestkracht, wacht-teeken, mengsel; â of the pen = pennestreek: lie wanted to cut a â (figure), and lived above his iiifome = hij wou bluf slaan, en leefde boven zijne middelen: At lirst â = op het eerste gezicht; They invited him for a morning â through the Park = morgenrit: A â of romanee = romantisch tintje: â verb, stooten, slaan, te pletter slaan, bespatten, met water werpen, besprenkelen, vermengen, bederven, een streep halen door, teleurstellen, snel bewegen: I âed this paper off in two hours'' time = ik heb dit artikel in twee uur op het papier gegooid; I âed at iiim = vloog op hem aan; I âed it out = ik streek het uit; âboard, daèböd, spatbord (vooraan een rijtuig); âer: ây = opzichtig fijn gekleed. Dastard, dastod,'bloodaard, lafaard: âize = doen bukken, ontmoedigen: â ly = laf. Datary, deitori,dateerder (v. pauselijke bullen); Dataria = pauselijke kanselarij. Date, deit, subst. dadel, datum, dagteekening, duur, tijd: That is out of â, up to â = uit den tijd of ouderwetsch, op de hoogte van den tijd; â verb, dateeren, vaststellen, rekenen, beginnen; âless = zonder datum: âpalm. Dative, deitiv, dativus of 3e naamval. Datum, (Mv. Data, deito), liet gegevene, een gegeven. Daub, dób, subst. kladschilderij: â verb, besmeren, bekladden, kladschilderen, vermommen, huichelen: âer = knoeier, kladschilder: âery = knoeierij (in de kunst), valsch voorwendsel; Dauby,' dóbi, kleverig, lijmerig. Daughter, t/ötö,*dochter; âin-law = schoondochter; âly; â of lleth = zedelooze vrouw. Daunt, dóni of ddnt, schrik inboezemen, ontmoedigen; â less. Dauphin, dó/in, dauphin; âess; ây = Dau-phiné. Davenant. davon'nt: David, deivid. Davenport, dav'npöt, schrij(lessenaar met laden aan weerszijden. Davits, deivlts, davits of de stukken ijzer (ol hout) ter zijde van een schip, waaraan de boot hangt. Davy Jones, deividzounz, de booze geest dei-zee; â's Locker of Davy's Locker = de zee als de plaats, waar zoo velen omkomen: We go to Davy's Locker = we zijn âvoor de haaienquot;. Davy-lamp, deivihunp, veiligheidslamp (mijnwerkers). Daw. do, kauw, kleine kraai, leeghoofd. Dawdle, dód'l, beuzelen, verbeuzelen, zeuren: She is a regular â = echte zeur. Dawk, dok, subst, inkeping, transport door mannen (Indië); Indische post; â verb, eene inkeping maken. Da win, dom, Indische munt: 1/40 van eene ropij. Dawn, dón, subst. dageraad: At â ol day = bij het aanbreken van den dag. â verb, licht worden, dagen, aanbreken; â ing = dageraad. Day, dei, dag, daglicht, strijd, overwinning: Tliis â fortnight, sennight = vandaag over veertien, acht dagen; One â = op een dag, een dezer dagen; â by â = dag aan dag; Every other â = om'den anderen dag; The â before yesterday = eergister: Toâ = vandaag; The emperor won the â = behaalde de overwinning: We lost the â = wij verloren den slag; All â (long) = den ge-heelen dag: Broad â = op klaarlichten dag: â of grace = dag der genade: âs of grace = respijtdagen: âticket â retourkaart (voor één dag); For ever and a â = voor eeuwig, voor goed; âbed = rustbank, sofa: âbook |
man; ask â ask; ïarvo. = lam; biet = b«t; \earn = lun; line = lain: holt;lt;se = hans; net; care = kèa: fate = feit; tin: «sleep = aslip; not; \aw = ló; lord = lod; bo// = boi;
DEATH-WATCH.
115
DAY-BREAK.
|
= memoriaal; âbreak = het dagen: âcoal = bovenste kolenlaag; âdream = mijmering, luchtkasteel; âmaid = melkmeid; â8-inaii = scheidsrechter; âspring = dfige-raad; âstar = morgenster; In tlie â -time = overdag; âwearied = vermoeid van het dagwerk; -âwork = dagwerk; â's-work = werk voor één dag. Daze, deiz, subst. schitterende steen; â verb, de oogen verblinden, doen ontsteld staan; Dazzlè. daïl, subst. schittering; â verb, verblinden, verwarren, verbijsteren; Dazzling. Deacon, dik'n, diaken (in de Apostolische kerk), geestelijke, zonder priester te zijn (Engelsche kerk); âes»; âship. Dead, t/erf, subst. de dooden, het holle of hartje (van nacht en winter); adj. en adv. dood, levenloos, doodsch, nutteloos, smakeloos, verschaald, geesteloos, van burgerrechten beroofd, dof (tegenover glanzend), somber: The â Sea = De Doode Zee; He is â and gone = dood, heengegaan: He is â alive = levend dood: The wind was â against ns = vlaktegen; He ent ine â in the street = negeerde mij totaal; Yon are â in love = smoorlijk verliefd; That aetor was â letter-perfeet = volkomen rolvast; 1 am â beat = geheel op : She stopped â in her talk, eanie to a â stop = bleef ineens steken: It was a â failure = het mislukte totaal; He was â ol small-pox = gestorven aan; The book I'ell âborn from the press = het boek baarde niet het minste opzien: 1 am âbroke = geruïneerd: The country is a â level = volkomen vlak: The wind fell a â calm = het werd bladstil: A â letter = doode letter, onbestelbare brief; â capital = renteloos kapitaal: â coloiir(inu;gt; = doodverf (van een schilderij); â copper = dof; He went off in (to) a â faint, fainted â away == viel geheel van zich zelf (in zwijm): Thé fellow was â drunk = stom dronken; âhorse = vooruitbetaald werk; He is a â shot = wat hij onder schot krijgt is erbij; There was a â wall = muur zonder opening (zoodat men tot staan wordt gebracht); We have him at a âlock = in onze macht, tot staan: Things have come to (are at) a âlock = de zaken (vooral politieke) zitten vast, ze kunnen niet vooruit; There were several âheads in the theatre (Amer.) = lui met vrij bil letten: The race was a âheat = de wedstrijd was kamp; âlights = het phosphorisch lichten van bedorven visch, etc.: How many â men did you count? = ledige llesschen: â on end *= vlak tegenover; The band played the âmarch in Saul = de muziek speelde de marclie funèbre uit Saulus; â reckoning = raming, ruwe berekening; We were in a âstand = in groote verlegenheid: I made a â stand against him = ik plaatste mij krachtdadig tegen hem over: I was â struck = verpletterd van afgrijzen: â water = water onder den achtersteven; â weight (lift) = zwaar gewicht (van iets dat niet meegeeft of meewerkt), voorschot van de Engelsche bank aan de regeering voor gepensioneerden, etc.; ï had these articles a â bargain = spotgoedkoop; The dog made âsets at me â deed bepaalde aan- |
bone = boiin: full; fool = tïil: a = toonlooze loncj = loi^; «/tip = sip; occasion = okeiz'n; t vallen op mij; âen = verzwakken, verminderen, verstompen, verdooven, doen verschalen, den glans ontnemen; â lihood = de staat der dooden; âly = doodelijk, vergiftig; âs = de aarde en fossielen, die het erts omsluiten; grond zonder erts. Deat'. def, doof, onoplettend, zonder pit of kern: He is â and dumb = doofstom = âmute: â to prayers == doof voor; â of an ear = doof aan één oor: 1 am â with the noise = doof van het lawaai; âen = verdooven: The floor was âened = ondoordringbaar gemaakt voor geluid. Deal, di/, subst. gedeelte, hoeveelheid, handel: het geven (bij het kaarten), plank, vurenhout: A â = een boel; A great (good) â of money (slechts voor enkelv. woorden) = zeer veel; The â is with me, I have the â. 1 have to â = ik moet geven: â verb, verdeelen, geven (van kaarten), handelen, zich gedragen, behandelen: Wat shop does he deal at?= waar koopt hij zijne waren: â by others as you wish to be ât by = behandel anderen zooals gij wenscht behandeld te wor.len; He âs in vviues and spirits = handelt in: He has troublesome customers to â with = hij heeft met lastige klanten te doen, ze te beteugelen: âer = koopman, handelaar. Dean, dzn, deken (hoofd van een kapittel: Engelsche kerk), hoofd van eene faculteit: (Eng. hoogescholen): â and chapter = bisschopsraad: Kural â = deken op het platte land; âery = waardigheid, huis, of rechtsgebied (van een deken): âship. De-anathemize, dfonaihomaiz. den banvloek herroepen. Dear. did. subst. lieveling; adj. duur. dierbaar, geliefd: Oh â! = hemeltjelief! â me = Goeie Genade: There's a â = dan ben je een beste: âbought = duurgekocht: âth, dóth, schaarschte,duurte,hongersnood: ây = lieverdje: I should have âly liked to* go there = ik had er graag heen* gewild. Death, det/u de dood, wijze van sterven, doodstraf, sterfgeval, holle of hartje (van winter of nacht): To put to â = terdoodbrengen: He bored ine to â = verveelde mij doodelijk; He rode the occasion to â = hij maakte misbruik van de gelegenheid: Frightened to â, Frozen to â = doodelijk geschrokken, dood gevroren; The liiintsinan was in at tlie â = de jager was er bij, toen de vos gevangen en (door de honden) gedood werd; You will be the â of me = Je zult me nog dood maken; It was war to the â with (lermany = het was oorlog op leven en dood met Duitschland: The âduties bear hard on such people = de successierechten drukken zulke lieden zwaar; The ârates were considerably higher last moiith = de sterfgevallen waren percentsgewijze aanzienlijk hooger: ârattle = gerochel (vóór den dood): I have been atâ*s door several times = ik ben er verscheiden keer.,aan toequot; geweest: âstroke = doodelijke slag: â struggle, âthroe = doodstrijd: â's-head = doodskop: âsiiian = beul: The king has signed the âwarrant = bevelschrift tot terdoodbrenging; âwatch = kloppertje of tikkertje (een ongeveer één cM. lang hout- vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = Jia; liin; thus = dims: wine. |
.8'
DEATHFUL.
116
DECLAHE.
|
insect, welks getik eertijds geacht werd een ! zeker voorteeken van een sterfgeval te zijn); | â tul = doodelijk; âles» = onsterfelijk; âly i wiek = doodziek: âlike. liebaeeliate. dibakit. razen en tieren als een j dronkenlap. Debacle, dibakl. vliegende, razende stroom. Debar, diba. uitsluiten, den toegang beletten. Debark, dibük, ontschepen, aan wal gaan;: Debarkation. Debase, dibeis. vernederen, verlagen, verval-schen, onteeren: âment: âr. Debate, dibeit. subst. debat, gedachten- of woordenstrijd; â verb, debatteeren, strijden met woorden, beraadslagen; Debatable = betwistbaar; Debating Society = dispuut- of debatteercollege. Debauch, dibóts. subst. ongebondenheid, losbandigheid; â verb, bederven, verleiden, pret maken, losbandig zijn; âeâ¬', deboèi, losbandig mensch. lichtmis; âery, dibötëdri, losbandigheid, verleiding; ânieiit. Debenture, dibentjd. schuldbekentenis, hypotheek; door de douane terugbetaalde rechten, wanneer de ingevoerde (uitgevoerde)goederen weder worden uitgevoerd (ingevoerd): â«I. Debilitate, dibiliteit, verzwakken: Debilitation. = verzwakking: Debility = zwakheid. Debit, debit, subst. debet, schuld, debetzijde (van liet grootboek): â verb, debiteeren, boeken op de debetzijde: Xo one conld be credited or âed with any knowledge of it = men kon niemand de e'er of de schande geven, dat hij er iets van wist. Debonair, debonêd, zacht, inschikkelijk. Deborah, deboro. Debouch, dibiïé, deboucheeren (van een leger), uitloopen: The new street iw to â into the Strand = zal op het Strand uitkomen. Debris, dzbri, overblijfselen, wrak, overschot. Debt, det. schuld: â on call = opzegbare schuld; We have all to pay the â of nature = tol iler natuur; To run into â = schulden maken; You are in my â, head over ears in â = bij mij in de schuld, tot over de ooren in de schuld: An action of â = schuldvordering; âless; âor, del.i, schuldenaar, debiteur; âor-side (Debit-side) = debetzijde. Debut, debiï, eerste optreden, begin; J)ebn- tant(e) = beginner. Decachord, dekdköd, ouderwetsch iO-snarig instrument. Decade, deke(i)d. tiental (van jaren, etc.). Decadence. âcy, dikeicVnsi i), verval; Decadent. Decagtui. dekdg'n. tienhoek. Decahedral, dekdhidr I, tienzijdig. Decalcomania, dikalkdmeinjd, het overbrengen van gekleurde plaatjes van papier op glas, etc. Decalogue, dekalog. de tien geboden. Decameron, dikamar'n. verzameling van 100 verhalen door Boccaccio. Decamp, dikamp. een kamp verlaten, opbreken, heengaan. Decanal, dekeiriL toteene Deanery héhoorend. Decangular, dekamijuld, tienhoekig. Decant, dikant. zacht overgieten; Decantation = het overgieten; âer, dikantd, wijn- of j likeurkaraf. Decapitate, dikapiteit. onthoofden, ontslaan (Arner.); Decapitation. |
Decapoda. dikapddd. de tienpootigen; âI = tienpootig. Decarbonize, dikübdnixiz, van kool berooven. Decastich, dekast ik, tienregelig gedicht. DecaNyllable, dekdsildbl, woord van tien lettergrepen; Decasyllabic. Decay, dikei, subst. verval: â verb, vervallen:'A âed tradesman = achteruitgegaan: The house went to â = verviel, geraakte in verval. Decease, rfisis. subst. dood, overlijden; â verb, sterven; The âd = de overledene. Deceit, dl sit, bedrog, neiging tot bedriegen, begoocheling: Tul; âless; Deceive, disiv, misleiden, bedriegen, teleurstellen: Deceivable. December, disembo. December; âly = winterachtig. Decemdentate. dis'mdenteit, met tien tanden. Decempedal, disempid'l, tien voet in de lengte. Decemviri, disemvirai, de Tienmannen (Rome). Enkelv.: Decemvir; Decern viral: Decemvir ate. Decency, dis'nsi, welvoegelijkheid; Decent = welvoegelijk, gepast, fatsoenlijk, bescheiden. Decennary, disennri, tijdperk van tien jaren; Decennial â tienjarig, tienjaarlijksch. Decentralization, disentrolaizeis n. de verdeeling van macht, die vroeger in één centrum vereenigd was: Decentralize. Deception, disepamp;n, subst. betIrog. misleiding, bedriegelijk iets: Deceptive, bedriegelijk. Decerption, disüps'n, afplukking, wegneming, brok; Decerptible. Decharm, ditèam. ontgoochelen. Dechristianize, dikristjdnaiz, ontkerstenen. Decide, disaid, beslissen, bepalen, overhalen: He âd me to go there = kreeg er mij toe: Decidable: âdly true = bepaald waar. Deciduous, desidjuds, vergankelijk, uit- of afvallend. Decimal, desim'l, subst. tiende deel, tiendeelige breuk: adj. tiendeelig, tientallig: âfraction = tiendeelige breuk; -âarithmetic = rekenen met tiendeelige getallen: âsi\ = nul komma zes = 0.6; Decimate, desimeit, door tien deelen, den tienden man dooden. in grooten getale ombrengen: Decimation. Decipher, disaif.i, ontcijferen, ontwarren: âable: âer. Decision, disiz'n, beslissing, uitslag, beslistheid; Decisive, disaisiv, beslissend, afdoend. Deck. dek, subst. dek, pak kaarten: The âs were cleared = alles werd in orde gebracht, tot den strijd voorbereid: Have you swept the âs = hebt gij den inzet (den pot) ge-wormen, het dek schoongeveegd (fig.): â verb, tooien, versieren, bedekken, van een dek voorzien; âed out = getooid: âchair = rieten dekstoel (op een schip): âpassenger. Declaim, dikleim, voordragen, declameeren. uitvaren: He âed against such measures = liet krachtig zijne stem hooren tegen: âer = âant; Declamation = redevoering, voordracht,hoogdravende rede; Declamatory. diklamdtdri, gezwollen, hoogdravend. Declare, diklêo, verklaren, verzekeren, bekend maken, constateeren: I â = ik moet zeggen : He âd himself to her = deed haar eene liefdesverklaring; His name was âd at the Exchange = werd genoemd (in ongunstigen zin) op de Beurs; I have âd the contract |
man; «sk = ask: tVlt;rm = fiim: biet = bwt: Irani = Km: 1/ne = lain: hoifse = bans: net: care = kc.i: tVrtc = feit: tin; asleep = aslip; not: Imc = lo; lord = lod; hoy = boi;
DECLASSED.
117
DEFAULT.
|
«IT = ik heb verklaard, niet te willen voortzetten: Declaration; Declaratory; â r. Declassed. diklAst, uitgestooten. Declension, dikiens n, verval, afdaling, vermindering, afwijking, verbuiging. Deelinale, deklineit, naar beneden gebogen, met een bocht: Declinal = afbellend; Declination = neerbuiging, verval, achteruitgang, kalineering, afwijking, helling, verbuiging: Decliiiatum ol'tlie needle (compaHM): Declinator = afwijkingsmeter; Declinatory = weigerend, afwijzend; neclinature,diklindtjd, weigering tot erkenning van de rechtspraak van een hof. Decline, diklain. subst. afneming, verval, vermindering, uittering: He ïs on llie â = gaat achteruit; â verb, afwijken, verbuigen, neerbuigen, bukken, weigeren, vervallen, ten einde loopen, afwijzen, niet meedoen aan: Prices are decliniiiK = gaan achteruit; De-clinable = (ver)buigbaar: â r. Declivity, dikliviti. helling (naar beneden); Declivitous = zacht hellend = Declivous, dlklaivds. Decoct, dikokt, koken, afkoken, verteren: âion; âil»le; âive. lgt;ecolliite. dikoleit, onthalzen; Decollation. Decolo(iOr(i%egt;. dikt)l.)()\iiz), bleeken, doen ontkleuren; Decolorant, diknter'nt. bleekstof; Decoloration = kleurontneming; kleurloosheid. Decompose, dik'mponz, ontbinden, oplossen, ontleden; Decomposition; Decomposite, cli-kompdzit, veelvoudig samengesteld. Decoinpoiind. dik'mpaund, nogmaals samenstellen of verbinden: âable. Decompound, dikompaund, dubbel samengesteld: A â leaf, flower = een dubbel blad, dubbele bloem. Decorntc, dekorext. versieren, optooien; Deco-ration-dny = 30 Mei (in Amerika), bestemd ter versiering van de graven der in den burgeroorlog gesneuvelden (1861 â 1805); Decorative == versierend, verfraaiend: Decorator-. Dccoroiis. dokórds, gepast, welvoegelijk: Dccorinii, ddkór'm, gepastheid, welvoegelij k-heid. Decorticate, dikötikeit, van den bast ontdoen, schillen. Decortication. Decoy, dikói. subst. lokmiddel, lokeend, eendenkooi: â verb.verlokken, lokken, verleiden; âduck: ânian = kooiker. Decrease, dikrts, subst. afneming, vermindering, het vallen (van het water): â verb, verminderen. (langzaam) afnemen. Decree, dikri. subst. besluit, decreet, gebod, vonnis; â verb.bepalen, vaststellen, beslissen, decreteeren: To â levies = lichtingen uitschrijven. Decrement, dekrim'nt, achteruitgang, vermindering. Decrepit, dikrepit. afgeleefd: Decrepitude = hooge ouderdom, achteruitgang (door ouderdom). Decrepitate, dikrepiteit. doen knetteren, knetteren; Decrepitation. Decresccndo. dikraêendoquot;, geregelde vermin-dering(Muz.); Decrescent, afnemend. Decretal, dikrtfl, subst. bevel (vooral pauselijk); adj. tot een decreet behoorend: Decretive. dikritic. de kracht van een decreet hebbende: Decretory, dikritdri, bij decreet vastgesteld, beslissend. |
Decrétion, dikrtè'n, afneming. Decrial, dikrai'L krachtige berisping, blaam. Decry, dikrai, laken, in discrediet brengen. Decnbation. dtkjubeiè'n. het gaan liggen: Decinnb. dikomb, gaan liggen; Decurnb-ence = liggende houding; Decumbent = liggend; Decumbiture = tijd van te bed gaan, of bedlegerigheid (van een patient). Decuple, dekjupl, subst. tienvoud; adj. tienvoudig; â verb, vertienvoudigen. Decnrsion. diküs'n. naar beneden strooming: Decnrsive, diknsiv, afloopend. Decussate, dikvseit, snijden in den vorm van een X (van lijnen of stralen, etc.). Decussated. Dedicate, dedikeit, adj.toegewijd; â verb.toewijden, opdragen, wijden. Dedicatory, dedi-keïtvri. bij wijze van opdracht; Dedication. Deduce, didjüs, afleiden, opmaken (uit); âment: Deducible. Deduct, didvkt, aftrekken, afnemen, wegleiden; âion = vermindering, afneming, gevolgtrekking: The âive method = de methode, om uit gegevens tot gevolgtrekkingen te besluiten (tegenover de inductive metliod). Deed, did, subst. daad. feit, handeling, akte: â of sale = koopakte: â of gift = schenkingsakte: â of trust = volmacht; He was caught in the very â = op heeterdaad; In â = in de daad: â verb, bij akte overdragen (Amer.). âpoll = hoofdelijke acte (tegenover de dubbele), omdat ééne der partijen ze maakt: âful; âless; ây = ijverig, knap. Deem, dim. oordeelen, denken: He âed it au lioiionr = achtte het eene eer: ster.ditnstJ, rechter (op het eiland Man). Deep. dip. subst. diepte; adj. diep. diepzinnig, laag, achteraf, verborgen, geheim, doordringend, ernstig, zwaar: Of a â blue (colour) = van donkerblauwe kleur: He lied â = hij loog schandelijk; They have drunk â = schandelijk gedronken'; The stakes were very â = inzet was zeer hoog; A âly-bitten sketch of the city of L. = een* scherpe (scherp gelijnde) schets; Tlie ânioutlied tliunder = quot;krachtige en holklinkende donder: âread in the classics = erg belezen; The âsea water = het water der zee op meer dan '200 vademen diepte; âtoned instrii-nients = zwaarklinkende; âen = verdiepen; âmost = diepste, verste. Deer, di.t. hert: âneck = dunne, slecht gevormde nek (van een paard): âstalking, âstoki^ jacht op herten (door ze te besluipen); âmouse = (Canadisch) eekhorentje. Deface, difeis. schenden, misvormen, doorhalen, uit het veld slaan; âment. Defalcate, difalkeit. snoeien (van geld), verminderen, korten; De fa leation = tekortkoming, verduistering, besnoeiing. Defamation, defomeisn, laster, eerrooving; Defame, difeim, lasteren, onteeren. Default, dif'ólt. subst. gebrek, verzuim, ver-waarloozing, nietverschijning (voor de rechtbank): .ludgnient by â = veroordeeling bij verstek; He made ta) â = hij verscheen niet; To sufler a â = eene rechtszaak laten doorgaan zonder te verschijnen: In â of = bij |
bone = boun; full: fool = ful: .» = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = jia; long = loi^; .s7/ip = sip; occasion = okeiz'n; thin: thxxs = dhes: wine.
DEFEASANCE.
118
DELE.
|
gebreke van; â verb, bij verstek veroordeelen. niet voldoen aan (een contract, eene belofte, etc.); âer = die in gebreke blijft (gelden te verantwoorden, schulden te betalen, etc.). Defeasanre. difiz'ns, nietigverklaring, vernietiging, verbeurdverklaring; â d = vatbaar voor â: Defeasible = vernietigbaar. Defeat, dipit. subst. nederlaag, verijdeling, vernietiging; â verb, verslaan, verijdelen, van nul en geener waarde maken; âure. difitjo, verandering van trekken, misvorming. Defecate, defikeit, adj. gezuiverd; â verb, zuiveren (van droesem, onreinheden, etc.). Defect, difekt, gebrek, onvolkomenheid, dwaling; â ion = opstand, het ontrouw worden aan, de afval van eene partij, afvalligheid; â.ive = gebrekkig. Defence (Defense, Amer.), difois. verdediging, versterking, bescherming, verdedigingswerk. verbod: liine of â = verdedigingslinie. Defend, difend, verdedigen, weerstaan, afweren, beschermen; â me from my enemies = bescherm mij voor; We âed ourselves against the enemy = verdedigden ons tegen: âer = verdediger: âer of the Faith = Hendrik VIII (1521) en alle vorsten na hem; âable: âant = beschuldigde, gedaagde; Defensative, subst. verdediging, bescherming (van eene wonde, door pleister of lapje): adj. verdedigend: Defensive = verdedigend, verwerend: lie is, stands on the defensive = heeft, neemt aan eene verdedigende houding: Defensor = advokaat, voogd, beschermer (van eene kerk). Deler, difii, uitstellen, talmen, eerbiedigen, opdragen aan: I â to your opinion = onderwerp mij aan. deel uwe meening; I â the sixth example = ik erken de juistheid van; âment = uitstel: âence, defdr'ns, eerbied, onderwerping, eerbiediging: âent, defernt, subst. geleider, overbrenger: Tlie air is a âent of sound = klankgeleider; adj. geleidend: Deferential: â rer. Defiance. difaVns. uitdaging, uittarting: In of all rules = trots alle regelen; He bids â to them all = hij tart ze allen: He set all the rules at â = hij zondigde tegen al de regels: Defiant, Deflatory = trotseerend, tartend. Delicience. â cy, difisns(i). gebrek, tekort, onvolkomenheid*: â Bills = voorschot door de Bank aan de regeering; Deficit, defisit,tekort; He is deficient in that quality = hem ontbreekt, hij schiet te kort in ... eigenschap. Defile, difail, subst.engte, pas, défilé: â verb, defileeren, bevuilen, besmetten, schenden, bederven: âment = besmetting, schending: âr = schender. Define, difain, bepalen, beperken, uitleggen, beschrijven: Definahle; Definite, de fin it. bepaald. [begrensd, beperkt: Definition = bepaling, omschrijving, beschrijving: Definitive, subst. bepalend woord (b.v. een adjectief); adj. beslissend, afdoend. Deflagrable, di/leigrdbl, (plotseling) ontbrandend, ontbrandbaar; Deflagrate, deftogrext, ontbranden, ontvlammen. Deflagration. Deflect, diflekt. afbuigen, afwijken; âion; Deflexure, dijlekèd, neer-, terzijdebuiging: â ive. |
Defloration, dxfloreis'n,schending, wegneming der bloemen. Deflour. Deflower.(/i//aie3,onteeren,schenden. Deflux, diflvks, naar beneden strooming: Defluxion. diflukè'n, ontsteking, afvloeiing (van stof uit de ontstoken luchtkanalen). De foe, ddfou. Deforest, diforost, uitroeien (van wouden of boomen). Deform, diföm, wanstaltig maken, misvormen: âity, difömiti, wanstaltigheid, mismaaktheid. Defraud, difród, van het recht berooven, onrechtmatig onthouden, beetnemen. Defray, difrei, (de onkosten) betalen, afbetalen, vereflenen; âment. Deft, deft, vlug, vaardig, handig; âly. Defunct, difmikt, subst. overledene:'adj. overleden. Defy, difai, tarten, uitdagen, trotseeren: It defies description = gaat alle beschrijving te boven. Zie Defiance. Degeneracy, didzendrdsi, ontaarding; Degenerate, adj. ontaard, laag; â verb, ontaarden: Degeneration â ontaarding. Degenerative. Deglutinate, diglütineit, losmaken (wat gelijmd is). Deglutition, diglutiamp;n, verzwelging. Degrade, digreid, verlagen, afzetten, ontaarden: Degradation = ontaarding, afneming. Degree, digri. subst. graad, rang, waardigheid, verwantschap: Persons in their â = van hun rang: He took his â = promoveerde: By âs = trapsgewijze, langzamerhand: In some â = eenigszins, eenigermate; In a â = tot op zekere hoogte, in zekeren zin; in no â = geenszins; To a â = in hoogen graad, buitenmate; âday = promotiedag: Honorary â = doctorstitel honoris causa. Dehisce, diliis. gapen, opengaan (van planten): ânt; ânee. Dehort, dihöt, afraden; âatory, âative = afradend. Deliiimanixe, dihjümdnniz, verdierlijken. Deicide, diisaid, Christusmoord, Christusmoordenaar. Deific(algt;, diifik, vergoddelijkend; Dei/1 cation: Dei fier-, Deify, diifü, vergoden, vergoddelijken: Dei form = van goddelijken vorm, overeenkomstig Gods wil. Deign, dein, zich verwaardigen, toestaan. Deil, di-il, duivel (Schotsch). Deism, diizm, deisme, geloof in God (buiten de openbaring); Deist: Deity, dtiti. Godheid. Deject, didzekt, adj. terneergeslagen, ontmoedigd: â verb, ontmoedigen, neerslachtig maken: âed: âion = neerslachtigheid, moedeloosheid. Delactation, dUakteis n, het spenen. Delany, dileini. Delapse, dilaps, neervallen, afglijden. Delate, dileit, beschuldigen, aanklagen; Delation: Espionage and delation. Delay, dilei. subst. uitstel, vertraging: â verb, uitstellen, tegenhouden, rekken: All is not lost that is âed = uitstel is geen afstel. Delcredere, delkrêdoro, waarborg (voor soliditeit). Dele, dili, subst. uitschrappingsteeken; â verb, uitschrappen, wegnemen: Deleble. delib'l. uitwischbaar. |
man; «sk = ask: ïariw = fam; b^t = bwt: \earn = hm; line = iain; howse = haws; net: care = kca; fate = feit; tin; «sleep = »slip; not; \aiv = lo: lord = löd: hoy = boi;
DELECTABLE.
119
|
1gt;eleetable(8gt;, dilehldh'Hj.). veiTukkelijk(e, lekkere dingen): Delectibility; Delectation=genot. Delegate, clelogit. subst. gevolmachtigde. ;ifjre-vaardigde;adj. gevolmachtigd; â verb, (de lag ait) volmacht geven, toevertrouwen, afvaardigen: Delegation = volmacht, aandeel. Delete, c7i^,uitwisschen,wegnemen; Deletion. Deleterious, dildtirios. vergiftig, schadelijk. Delaware, delowèd. Dell', delf. Delftsch aardewerk. Delhi, deli, Turksche ruiterij. Dellan. Z. Delow. Deliberate, dllibdrit. adj. bedaard, overleggend, i opzettelijk; â verb, (dilihereit) overwegen, beraadslagen; It wat* taken into deliherntion = het werd in overweging genomen; Deliberative, dilihdreitiv, overleggend. Delieaey, delikdsi, fijnheid, keurigheid,teerheid, lekkernij; Delicate, deli kit * keurig, lijn, teer, lekker, voorzichtig; Delicate» = lekkernijen; DelieioiiM, dilièdSy heerlijk, aangenaam. Del iet, dilikt. delict, strafbare daad. Deligation. deligeië'n, (aanleggen van een) verband: Deligate = verbinden (van wonden). Delight, dilnit. subst. genot, wellust, verrukking: 1 took â in it = had er plezier m; â verb, verrukken, streelen: I am âeil with it = ik ben er verrukt mee, over: âful. Delimit, dilimit, afperken, de grenzen vaststellen. Delimitation = vaststelling (der gr.). Delineate, dilinieit. omtrekken, schetsen, ontwerpen, beschrijven; Delineation: Delineator. Delinqneiiey. dilirikiv'nsi, misdrijf, misdaad, plichtverzuim; Delin(|iient, dilinkw'nt,subst. schuldige: adj. schuldig. Deliquekee. delikwes, Delilt;|niate, delikwieit, (langzaam) smelten of oplossen door vocht-opneming: ânee; â nt. Delirilaeient, dilirifeisnt, delirium veroorzakend; Delirious = ijlhoofdig, dol (van = with)'; Delirium = ijlhoofdigheid, zinsverrukking: Delirium tremeim = dronkaards-waanzin. Delitescence, delitcs'ns, verborgenheid, verborgen of geheime ontwikkeling van eene ziekte; Delitescent. Deliver, dilivd, verlossen, bevrijden, geven, overgeven, uitspreken (eeneredevoering): She was âed ol'a boy = beviel van een jongen: âed in my trust = mij toevertrouwd; T:gt; be âed immediately = in handen (op brieven); The fortress was âed up (over) = overgegeven: To â out = uitdeelen: âance = bevrijding, beslissing, vrijspreking,allevoring, bezorging; âer; ây^diliv'ri. verlossing, bevrij-ding, overgave,uitspraak, (wij ze van) voordracht ; -y.pipe= afvoerpijp, -buis. Deil, del, nauw dal. Delos, di los; Delian, (lil ion. tot Delos be-hoorende; Deliac, diliak. kostbare vaas. Delphian, delfldn, Delphic, delfik, tot Delphi behoorend. als door Apollo bezield. Delphin, del I'm. tot den dauphin behoorend; naam gegeven aan eene geannoteerde uitgave der Latijnsche klassieken, onder Lodewijk \1V, voor den dauphin: âe, del fin, tot de dolfijnen behoorend. Delta, deltd, de Grieksche D = A; alluviale bodem (vooral van den Nijl); âleaved = met A-vormige bladeren; Deltaic, d'lteiik, gelijk een Delta. DeW/ïcaf/cm = deltavorming. |
Deinde, dilud. bedriegen, misleiden; Deludable. Delnge, deludz, subst. watervloed, zondvloed, verschrikkelijke algemeene ramp; â verb, overstroomen, overstelpen. Delusion, diltifn, bedriegeüjke voorstelling, begoocheling; Delusive, diliisiv, Delusory, dilusdri, bedriegelijk, begoochelend. Delve, delv, subst. kuil, gat, hol; â verb, graven, een gat maken. Demagogue, demagog, volksmenner; Denia-gogism, demdgogizm, de beginselen van een volksleider; Demagogie, demarjodzik. Deniain. dimein. Zie Demesne. Demand, dim And, subst. eisch. vraag, verlangde prijs, vordering; â and supply = vraag en aanbod: Payable on â = betaalbaar op zicht; That's much in â now = daar is thans veel vraag naar: On â = op verlangen; â verb, eischen, vragen, smeeken om; âant = eischer; âer. Demarcation, dimdkelamp;n, afpaling, grenslijn; Demarcate = de grenzen vaststellen. Dematerialize, dimotiridlalz, onstoffelijk maken. Demean, dimin, subst. gedrag; â verb.(zich) gedragen of houden, (zich) vernederen of verlagen; âour, dimind, gedrag, houding. Demembration, d\m'mbreis'n, verminking. Dcmentate. dimenteit, adj. onzinnig, krankzinnig; â verb, gek maken: Dementation: Demented = krankzinnig; Dementia, di-menso, idiootachtigheid, dwaasheid. Demerit, di merit, blaam, wangedrag, gebrek. Demersed, dimiist. onder water groeiende of geplaatst (van planten). Demesne, dimin, domein, hoeve, gebied. Demi-god, demigod, halfgod; Demi-iohn, t/e-midzon, ilesch (met grooten buik en kleinen hals) in mandewerk; Demi-lance, demilims, korte lans, werpspies: Demirep = iemand van slechten naam (vooral eene vrouw); Demi-seniilt;|uaver = tweeëndertigste noot. Demise, dimaiz, subst. overlijden, overdracht: â verb, overdragen, nalaten (bij uiterste wilsbeschikking); Demisable = wat overgedragen kan worden; Demisability. Demission, dimis'n, neerlegging, afstand, verlaging. Demit = wegzenden, afstaan. Demiurge, dimivdz, Demiurgos, dbniiigds, booze geest, schepper der zinnenwereld. Demobilize, dimohilmz, ontbinden (van troepen); Demobilization. Democracy, dimokrdsi, volksregeering: Democrat, denwkrat, voorstander der democratie: Democratic: Demography, dimografi, statistiek omtrent den toestand der burgerij, wat gezondheid, enz. betreft. Demolish, dimolis, neerhalen, afbreken; âer: Demolition = neerhaling, verwoesting. Demon, dim'n, (booze of goede) geest,demon; âess = duivelin; âiac, dimounjak, âiacal, dimanaiak'l, duivelsch; âiac = bezetene; âian, dimoiinfïi, demonisch,duivelsch: âie, dimonik, demonisch: âology, dimanoladzi, geestenleer. Demonetize, dimonitiüz, van geld berooven: Demonetization. Demonstrable, dimonstrab'l of dem'nstrab'l. bewijsbaar: Demonstrate, damonstreit of dem'nstreit, aantoonen, aanwijzen, bewijzen: |
bone = boun: full: fool = ful: ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en core): girl; v/ear = Jia: logt;?i; = Ion; .s/up = sip; occasion = okciz'n; thin; thus = dhes; wine.
DEPOPULATE.
DEMORALIZE.
120
|
DeiiioiiHfrative, climonstrdtiv, duidelijk bewijzend, in het oog loopend toonende: Demonstration ; Demonstrator. Demoralize, dlmordlaiz, bederven, onzedelijk maken; Demoralization. DeiiiOHtlieiiie, chmas-thenik, als van Demosthenes = Demos-thenian. Demotie. dimotik, algemeen bij het volk gebruikelijk. Demur, dimi), subst. aarzeling, weifeling, verzet: 1 cannot HiihHerihe without â to so Hweepiiig a sentence = ik kan zulk een algemeen oordeel niet zonder protest aanvaarden: â⢠verb, aarzelen, weifelen, excepties opwerpen: lie âred to my aHHertioii = was het niet eens met mijne* bewering; I â at that = daar verzet ik mij tegen: â rer = weifelaar, exceptie; â rabie. Demure, dimjiïd, stemmig, zedig (vooral met de bijlieteekenisv.eenige gemaaktheid); ânew». Demurrage, dimvridz. onkosten, vergoed aan scheepseigenaars door de bevrachters wegens oponthoud in de haven: Days of â = ligdagen. Demy, dimai. een zeker papierformaat (55 bij 44 cM. voor drukwerk, 50 bij 40 cM. voor schrijven); student van Magdalen Coll. (Oxford). Deu, den, subst. hol, leger, kuil: Daniel in the liom*' â = Daniel in den leeuwenkuil. Deiiariu». dinériss, oude zilveren munt (Home) van ongeveer 8 stuiver, een Engelsche pmn//; â Dei = Godspenning: â Saucti Petri = St. Pieterspenning. Denationalize, dinasonoldiz, van de nationaliteitsrechten berooven. DeubigliHliire, denbiéd. Dendri..., dend'i.... Deiiclro____dendra..., insamenst.: boom ...:Dmdria'c=boomachtig. Dendrolite, dendrohxit. versteende plant, versteend hout; Dendrology = boomenleer. Denham, dendrn. Denial, dinai'l. ontkenning, verloochening: 1 will take no â = ik neem geen bedankje aan: Deniable = loochenbaar; Denier. Denim, denim, grove katoenen stof, dril. Denis, de nis. Dionysius. Denizen, deniz'n. subst. bewoner, genaturaliseerd burger; â verb, vrij maken, naturali-seeren; â«hip. Denmark, denmak of denmak: â satin whoe.s = stolfen laarsjes. Denominate, d i nominei t, benoeme n .aan wij zen; Denomination = sekte, naam, titel: Denominational edneation = sekte-onderwijs; Denominative = wat een bepaalden naam heeft I of verleent: Denominator = noemer (van eene breuk). Denote, dinout, aanwijzen, aanduiden; Deno-table; Denotation of a ferm = omvang (ruimte) eener uitdrukking. Denouement, denümon, ontknooping, cifloop. Denounce, dinauns, veroordeelen, bedreigen, j beschuldigen. Dense, dens, dicht, suf, dom: The ânes» of the public is something wonderiïil = % domheid; Density = dichtheid. |
Dent, dent, indruk, deuk (Meervoud Dents = i tanden van een kam, borstel of kaard); âal, subst tandletter: adj. tot de tanden behoorend: j âaMbrniuH = tandformule: âate(d), dent- ' eit(id). âed. getand, gekerfd; Dentary = tanden hebbend: â\e\\\Me{A)^intik.iulie)it{id)^ met kleine tanden; âilorm, dentifóm, tand-vormig: âilriee, dentifr'xs, tandpoeder, tand-zeep: âist, dentist, tandheelkundige: âistry = tandheelkunde: âition. dentisn, âation, denteisn, het tandenk rijgen; âolingiial. dentelinyw'l. subst. en adj. (consonant) door tong en tanden gevormd; âure, dentjd, kunsttand, kunstgebit. Denude, dinjnd, Deniifilate, dinjudeit, ont-blooten; Denudate, dinjüdeit. naakt, ontbloot: Denudation. Denuneiate, dinunèeit (Zie Denoimce): Denunciation: Denunciator = beschuldiger. Deny, dinai, ontkennen, tegenspreken, weigeren. (ver)loochenen: lie denied himKeil' every pleasure = ontzeide zich elk genot. Deobstruent, diobstruent, subst. en adj. zuiverend of purgeerend (middel). Deodorize, diouddraxz, ontsmetten, van stank zuiveren; Deodorant. Deontology, diantoledti, Bentham's leer der zedelijke verplichting. Deoxydate, dioksideit. Deoxydize. dioks'uhxiz, van óxyde oi zuurstof ontdoen. Depaint. dipaint, afschilderen, malen. Depart, dipüt, vertrekken, heengaan, sterven, verlaten, afwijken: The statesman âedthis life on the 20th = scheidde uit hei leven, stierf; The âed = de overledenen: âure = vertrek, dood, het afzien van de verdediging! bij eene strafzaak): lie took his âure = vertrok. Department, dipülnïnt, afdeeling, werkkring, deel; Departmental. Depauperate, dipóporeit, arm maken: Depauperize. dipóporaiz, uit de armoede opheffen. Depend, dipend, neerhangen, afhangen, vertrouwen op, rekenen op: They are people to be âed upon = ver- en berouwbare menschen; â upon it = reken daarop : That âs = dat is er naar, dat hangt er van af: Every man must âupon himself = zelf is de man; âable; âence, âency = afhankelijkheid, verband, wingewest,kolonie: âent = subst. afhangeling; adj. afhangend (on), neerhangend (from), afhankelijk, verbonden met; âer; âing, dipendin. onbeslist of hangende (van eene rechtszaak». Depersonalize,rfi/)MS'ndtaiz,van het subjectieve ontdoen, objectiveeren. Depict, dipikt, afschilderen, malen; âure = malen, voorstellen. Depilation, depileisn, wegneming van het haar, afschillen, doppen; Depilatory, dipilo-tdri. ontharend. Deplantation, diplanteis'n, verplanting. Depletion, diplis n, aderlating, vermindering. Deplore, diplö, betreuren, beweenen: Deplorable, Defloration. Deploy, diplói, ontplooien, ontwikkelen, bestemmen: The troops âed into line = kwamen in bataille: âment. Deplume, diplüm, van vederen berooven. Depone, diponn, onder eede bevestigen (Schotsch): ânt, diponnnt, subst. getuige, werkwoord met passieven vorm en actieve beteekenis: adj. passief van vorm en actief van beteekenis. Depopulate, dipopjuleit, ontvolken: Depopulation. |
man; «sk = ask; farm = fam; b»tt = but; learn = Inn: line = lain: how.se = hans: net; C((re = kèa; faté = feit: tin; «sleep = aslip: not: law = ló: lord = Hid: hoy = bin;
DESIDERATE.
121
DEPORT.
|
Deport, dipiit, deporteeren, naar eene strafkolonie brengén, (zich) gedragen: âment = houding (van't lichaam), gedrag; Deportation. Depone, dipouz, afzetten,getuigenis aflegggen, getuigen; DepoMal = afzetting. Deposit, dipozit, subst. storting, pand, gedeponeerd geld: In (on) â = in deposito (van gelden, etc.); â verb, leggen, neerleggen, j storten, toevertrouwen, in bewaring geven; j âary. dipoziteri, bewaarder (van een toever- 1 trouwd pand): âion, dipozdis n. getuigenis-allegging, afzetting, verklaring; âory, dipoziteri, bewaarplaats, bewaarder. Depot, dipou of depon, depot, bergplaats; station (Amer.). i Dep rave, dipreiv. bederven, verknoeien; âr: Depravation, depraveis'n, bederving, bederf; Depravity, dipraviti, verdorvenheid (van hart of zeden).* Depreeable, deprikab'l, Depreratable, depri-keitibl, af te keuren: Deprecate, deprikeit, door smeeken afwenden, krachtig opkomen tegen, diej» betreuren: Deprecation = afbidding. verzoek om excuus. Depreca-tonj looks = smeekende blikken. Depreciate, diprtêeit, de waarde verminderen, onderschatten: Depreciative. diprièdtiv, Depreciatory, cliprisdtëri, minachtend, onderschattend ;* Depredator. Depredate, deprideit. (uit)plunderen. verwoesten. verslinden; Depredation = roof-, strooptocht. Depredatory, depridexturi. plunderend. Depress, dipres. neerdrukken, verlagen, lager richten (van geschut), neerslachtig maken, verarmen, vernederen, in waarde doen dalen: âant = kalmeerend middel: â ion, (neerdrukking, daling, neerslachtigheid, slapte (in zaken): âion ol' the pole = de nadering van de poolster tot den horizon, door de beweging van den aanschouwer naar den evenaar; âionist = pretbederver, vreugdeverstoorder: âive = drukkend: âor. Deprive, dipraiv.berooven,ontdoen.ontzetten; â r: Deprivation, deprive is' n. berooving, verlies. Dept lord, del fad. Depth, depth, diepte, donkerheid (bij eene kleur; zie Deep), afgrond, zee, hartje (van den winter), holle (van den nacht), diepzinnigheid, onmetelijkheid: Ten leet in â = tien voet-diep: I am out of (within) my â here = ik voel hier geen (nog) grond, kan hier (niet) staan (fig.); âles». Depiirition, depjurign. zuivering. Deputation, depjuteiamp;n, afvaardiging, deputatie. gevolmachtigde commissie: In, by â = bij volmacht; Depute, dipjut. subst! gevolmachtigde (Schotsch); â verb, afvaardigen; Deputy, depjuti, subst. afgevaardigde, gevolmachtigde. plaatsvervanger, helper: By depnty = bij volmacht: Depnty-cliairmaiM-imlgé) = ondervoorzitter (rechter-plaatsvervanger). Deracinate, dirasineït, uitroeien, vernielen. Derail, direil, derailleeren, uit den trein laden (van troepen; Zie Detrain): âinent. Derange, direinz, verstoren, den geest krenken: âd = gek; âinent. Derby, diïbi of dabi, wedrennen te Epsom (in Mei): âday = de daarvoor bestemde dag. |
Derelict, derdlikt. subst. hel onbeheerde of, verlatene (vooral op zee), aangeslibd land; adj. onbeheerd, verlaten. Dereliction = verzaking, het onbeheerd laten. Derliam, derom. Deride, diraid, bespotten, uitlachen: Derisive, diraisiv, bespottend; Derision, diriz'n, verachting, bespotting, voorwerp vunspot; Derisory, diraisori, belachelijk makend, hoonend. Derivative. diHvdtiv, subst. het afgeleide, afgeleid woord, bijtoon; adj. afgeleid, voortkomend, bijkomend; Derivation = alleiding; Derive, dirair, afleiden, verkrijgen (door schenking of overdracht), trekken uit, voortkomen uit; Derivable. Derm, dnm, Derma, huid (Zie Cuticle); âatology, âJtobnlzi, leer der huid en harer ziekten; â(aDorjraphii = huidbeschrijving; âic. Dermestes, dnmestiz, schadelijke insecten, zooals boeken- en houtwormen. Derogate, derdgeit, afbreuk doen (rromone^H honour = aan) benadeelen, schenden, aftrekken; Derogatory, daroydtori, benadeelend, schendend; Derogation. Derrick, dftrik, soort v. kraan (tot het ophelfen van lasten). Derringer, deringd, pistool met korten loop en grooten kogel (Amer.). Dervis(e). ditvis. Dervish, dtivië. dervis. Descant, desk'nt, lied, zang (met variaties), redevoering, gedachten wisseling, sopraan. Descant, diskant, vrijelijk zijne gedachten laten gaan, uitweiden, zingen (mei variaties); âer. Descend, dosend. neerdalen, afdalen, invallen, tendeelvallen, zich vernederen, van kruis tot mol overgaan: He âed iiitu particulars = daalde af tot bijzonderheden: âable = âible; âant = afstammeling = âent = afstammend. neerdalend: Desccnsion. ddsenè'n, neerdaling, vernedering: DcNcent. dasent, neerdaling, helling, landing, aanval, de nakomelingen, laagste plaats; (Meervoud; Descents = de holten, door ondergraving of ondermijning van den grond veroorzaakt):Descent-theory = afstammingstheorie, leer der evolutie. Describe, diskraib, beschrijven: Describable: â r: â nt = beschrijvend (door beweging: meetk.); Description, diskrips'n, beschrijving, geteekende figuur, klasse, soort; Descriptive geometry = beschrijvende meetkunde. Descry, diskrai, bespieden, ontdekken. Desperate, desakréit, ontheiligen, uit een gewijd ambt ontzetten: Desecration. Desert, dezat, subst. woestijn, woestenij; adj. woest, onbewoond: âbird = pelikaan. Desert, dizrit, subst. verdienste, verdiende loon (gew. Meerv.); He got his âs = hij kreeg zijn verdiende loon: â verb, verlaten, deserteeren: Desertion, dizris'n, verlatenheid-wanhoop, desertie: âer: Deserve, diziiv, verdienen, waardig zijn: Deserving ol' a better cause = eene hetere zaak waardig; He has deserved well ol* his country = heeft zich jegens zijn land verdienstelijk gemaakt. Deshabille, desa bil, ochtendjapon, négligé. Desiccant. disik'nt. subst. en adj. opdrogend (geneesmiddel): Desiccate, desikeit of dasikeit, opdrogen: Desiccative. disikativ, Zie Desiccant. Desiderate, dasidareit. wenschen (door het |
bone = bonn: fill; fool = fill: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jia; loji^ = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin: thus = dhas; wine.
DETRAIN.
DESIGN.
122
|
gemis van): I could have âil a Tiiller treatment oi'that subjeet = eene vollediger behandeling ware wenschelijk geweest; Desideratum = het gewenschte; Deniderative, ddsiddreitiv, subst. en adj. gewenschUe zaak). DeHis»* dizain, subst. schets, plan, ontwerp, voornemen, bedoeling, dessin: A ncIiooI of â = ambachtsteekensehool; Through â = expres: âverb, schetsen, ontwerpen, bedoelen, aanwijzen: âed = geschetst, bedoeld: âate. dezigneit, aanwijzen, aanduiden, bestemmen, noemen, toewijzen: Designation: âer = ontwerper: â ing. dizalnin, subst. het ontwerpen van dessins, etc.: adj. intrigeerend, listig. DewilvertixeK dLHlvd(raiz), het zilver trekken uit: Desi Iverizatioi i. Desire, dizaid, subst. begeerte, wensch, verlangen: â verb, verlangen, begeeren, verzoeken: lie is not all that eau be âd = hij kon wel beter zijn: Desirable = begeerlijk; Desirous = begeèrig; Desirous of praise = begeerig naar lof; Desirability = begeerlijkheid. Desist, dlzistj ophouden, nalaten, at'zien: âance. Desk. desk, subst. lessenaar, lezenaar: â verb, wegsluiten: âwork = schrijfwerk. Desolate, des,)Ut. adj. verlaten, eenzaam, woest; â verb, idesdleü) verwoesten, eenzaam maken, ontdoen van (bewoners); Desolater, tte^e/eift?, verwoester; Desolation. Despair. dispêo, subst. wanhoop: In â = wanhopig: â verb, wanhopen: His life was âed ol'= er werd gewanhoopt aan zijn leven; âlui; â ius;. Despatch, dispats, subst. verzending, wegzending, afdoening, spoed, bericht, courant: â verb, afzenden, verzenden, afmaken, volbrengen, dooden; âer = dispacheur: âbox. Desperado, desporeidou, bezetene, dolle waaghals. Desperate, despdrlt, adj. woedend, wanhopig, verloren, hopeloos, roekeloos, zeer groot: â ol* = wanhopend aan; Desperation = wanhopige toestand, roekeloosheid, woede. Despise, dispaiz. verachten, versmaden; Despicable, despikob'l, verachtelijk, laag, gemeen, waardeloos. Despite, dlspait, subst. boosaardigheid, spijt, verachting: â verb, kwellen, beleedigen, plagen: He did it (in) â ol* wariiing = trots alle waarschuwing: âlui. Despoil, dispoil, berooven, uitplunderen; Despoliation, despoulleisn, plundering, be-rooving. Despond. dispond. moedeloos of hopeloos worden, wanhopen; âency; âent. Despot. despi)t, volstrekt heerscher, tiran; âat = regeering van een â: Despotic. Despotism. Despumate.d/ó'fl/rt/m'if, afschuimen,als schuim doen wegvliegen. Dessert, ddzvt, dessert: âspoon. Destine, destin, bestemmen, vaststellen, toewijden: Destined)Ie: Destination: Destiny, destini, bestemming, lot, noodlot: The Destinies = de drie Parcae of schikgodinnen: Clotho, Atropos. Lachesls. Destitute, destitjüt, ontbloot van. behoeftig, arm; Destitution = groote armoede. |
Destroy, dlstramp;i, vernietigen, verwoesten, afbreken, dooden, verdelgen, oplossen; âable: âer. Destruetibility, distrvktlbiliti, vernietigbaarheid; Destructible', Destruction, distrnks'n, vernieling, verdelging, verwoesting, verdelger; Destructive, distmktiv, subst. radicale hervormer; adj. vernietigend, boosaardig. Desudatioi^rfisiiirfets'?!, het over matig zweeten. Desuetude, dtsivitjüd, ongewoonte, onbruik. Desulphiirate, disnlfjrreit, ontzwavelen. Desultory, des'ltdri, onsamenhangend, vluchtig, terloops gemaakt, van den hak op d. tak. Detach, ditats, scheiden, losmaken, detachee-ren: âed: âinent. Detail, diteil, subst. omstandig verhaal, omstandigheid, bijzonderheid, manschappen (voor speciale diensten): In â = omstandig, stuk voor stuk: He entered into âs = trad in bijzonderheden: Further âs = nadere bijzonderheden. details. Detail, diteil, omstandig verhalen, in bijzonderheden mededeelen, voor speciale diensten aanwijzen: A âed account = omstandig. Detain, ditein, afhouden, terughouden, uitstellen, gevangen houden: A writ olquot;âer was issued against them = bevel tot gevangenhouding werd tegen hen uitgevaardigd; Forcible âer = gewelddadige inbezitneming of -houding: âment. Zie Detention. Detect, ditekt. ontdekken, aan't licht brengen; âable of âible: âer; âive = subst. geheime agent: adj. op ontdekking uit, voor ontdekking dienende: The âive force = geheime politiemacht; âion. Detent, ditent, lichter van het slagwerk (in eene klok). Detention, ditensn, terughouding, uitstel, opsluiting: House of â = vóórarrest. Deter, dltn, afschrikken, voorkómen; ârent = afschrikkend (middel of voorbeeld). Deterge, ditmlz, eene wond zuiveren; -ut. Deteriorate, ditirldveit, ontaarden, verergeren: Deterioration. Determinahle. ditümbwb'l, bepaalbaar, be-slisbaar: Deter mlnabili ty: Determinate. dltiimlnlt, bepaald, beperkt, beslist: Deter-minatiou, ditvmineis'n, beslissing, bepaling, besluit,beslistheid,vaststelling; Determinative = bepalend: Determine, ditvmin, bepalen, beperken, besluiten, beslissen, vergewissen: Determined = bepaald, beslist; Determinism, ditvminizm, de leer van de onvrijheid van den wil. Detest, ditest, verfoeien; âable; âability: âation, ditesteis'n, verfoeiing, walging. Dethrone, dithroun, onttronen; âment: âr. Detinue, detinjü, bevelschrift tot teruggave van onwettig onthouden goederen. Detonate, deteneit, (doen) ontploffen: Detonating; powder = donderpoeder. Detonation. Detonize. detennXz: Zie Detonate. Detort, ditöt, verdraaien, verwringen: Detor-sion of âion. Detour, ditiïd, kronkelpad, omweg, afwijking. Deti â¢act, ditrakt, wegnemen, smaden, in den naam aantasten: That does not â from my wish to serve you = dit belet niet, dat ik wensch; âion: âor, âress. Detrain, ditrein, eene legerafdeeling uit een spoortrein verwijderen. Zie Derail. |
man; ask = ask: farm = film; b«t = but: learn = Ion: line = lain: hemse = haus; net: care = kè»; fate = feit: tin; asleep = aslip; not; law = lo; lord = löd; hoy = boi:
DIALECTICIAN.
123
DETHI.MEXT.
|
Detriment, detriment, schade, nadeel: Delrl- , mental, subst. jongere zoon, weinig serieus minnaar; adj. nadeelig. schadelijk. Detroit, ditramp;it. Detruncate, ditranheit, knotten, afsnijden: Detruncation. Deuce, djtis, twee (op dobbelsteenen of kaarten), duivel, droes, drommel: I had tlie âown trouble with iiini = drommels veel moeite met: The â is in it = daar speelt de duivel mee; Hr is the â to talk = hij is een vervelende babbelaar; Denoed dilTieiilt = verduiveld moeilijk: âace = de één en twéé bij het dobbelen. Z. Devil. DeiiH ex machina, didseksmeilcino. Deuterogamy, djütoroydmi, tweede huwelijk. Deuterononiy, djïüaronomi, vijfde boek in het O. T. Deu\|gt;ont.H, djüpon. Tweebruggen. Devaporation, divaporeiè'n, verdamping. Devastate, devesteit. verwoesten; Devastation. Develop, diveldp. ontwikkelen, verduidelijken, ontvouwen: âment = ontwikkeling, ontvouwing: âment theory = ontwikkelingsleer: Developmental. De veren x, devdrïi. Devewt, divest, vervreemden (van recht of titel): He âed hiniselt'ol' hiw power =⢠hij legde af. Deviate, divieit. afwijken, afdwalen; Deviation'. Deviator. Device, divais, subst. plan, oogmerk, devies, motto, list, vinding. Devil, detfl, subst. duivel, drukkersloopjongen, scheurmachine (in lompenfabrieken): â hones = dobbelsteenen: â'm hookw = speelkaarten; â'm Own = het 88e linieregiment; â'h tattoo = het trommelen met de vingers op eene tafel, etc.: â take the hindmoHt = ioope wiejoopen kan; That hoy play» the â with his teacher» = plaagt zijne meesters verschrikkelijk: He nnist needs go whom â¦he â drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen: What comes over the â's back, goes under his belly = onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet; It is enough to kill the devil = jé zou er des duivels van worden; He gave the â his due = hij heeft hem zoo gunstig mogelijk beoordeeld: That is the â of it = dat is het beroerde van de zaak; What the â do you want? = wat duivel moet je: â a bit I care = het kan me geen zier schelen: There's devilment in him = hij heeft leelijke streken; â*s Advocate (Zie* Advocate): â's dirt = duivelsdrek (plant): â verb, aan flarden scheuren (van lompen), sterk kruiden of peperen: A âmay-care fellow = hoogst onverschillige, roelcelooze kwant; âing = duiveltje, rakker; âment = streken: â(t)ry = duivelsche slechtheid, streken. Devious, divjds, afdwalend, kronkelend. Devise, divaiz, subst. erflating, testament: â verb, overleggen, verzinnen, overwegen, nalaten (bij wilsbeschikking): Devisable; Devisee, devizi, wien iets vermaakt wordt; âr = plannenmaker: Devisor = erflater. Devitrily, divitrifni. tot matglas maken. Devocalize, divokolaiz, stemloos maken. Devoid, divamp;id. ontbloot (of). Devoir, devwö. plichtpleging. |
Devolution, devdlusn. tebeurtvalling, overdracht (van eigendom = of property). Devolve, divolv. neerrollen. overleveren, neerkomen op. tebeurtvallen: That duty âs on you = komt op u neer. Devonian.'//t,oiftf./'gt;?.tot7}mgt;gt;?s/ii/Y'behoorende. Devon port. dev'npöt. kleine schrijftafel (Zie Devonshire, dev'nsn. [Davenport). Devote, divont. verb, wijden, zich geheel overgeven aan, aanbidden: Devotee, devdti. bekrompen dweper, kwezel, opgewonden mensch, enthousiast: âr = vereerder, aanbidder: Devotion, divouë'n, toewijding, godsvrucht, eeredienst, gebed, gehechtheid, vurige liefde: Devotions = gebeden, godsdienstige plichten: Devotional = godvruchtig, vroom; Devout. divaut. godvruchtig, eerbiedig, godsdienstig, vroom. Devour, divaud. verslinden, verteren, vernietigen; âable; âer; âing. Dew. subst. dauw; â verb, bedauwen, bevochtigen; ây = bedauwd: âberry = braambes: âdrópping = nattig, regenachtig: âlap = keellap; âpoint = temperatuur waarbij de dauw valt; âworm = aardworm. pier. D'Kwes, djüz. Dexter, dekstd, rechtsch, ter rechter (Herald.): âity. ddksteriti, handigheid, vaardigheid: Dext(e)rous, dekstrns, handig, vaardig. Dextrose, dekstrons, druivensuiker. Dey. dei. (Turksche titel voor) stadhouder. Dh'ow, dan. Arabisch vaartuig. Dhiirra, Indisch en Egypt, graan (gewone voedsel voor de arbeiders). Diabetes,f/aiaMr?quot;,suikerziekte; D/^/yef/c-sugar = druivensuiker. Diablerie. Diablery. daiabkiri. duivelswerk, tooverij.duivelsche s'treken: DiabolictalK^aie-holikCl). duivelsch. kwaadaardig; Diabolism. daiabolizni. duivelachtigheid, bezetenheid. Diaconal. daiakariU tot een deacon (Zie dit woord) behoorend: Diaconate = de waardigheid v. een deacon, de gezamenlijke deacons. Diacoustics, dniokaitstiks, leer der geluidsweerkaatsing. Diacritic(algt;, di\\dkritik{'l), onderscheidend, onderscheidings...... Diadem, ddiad'm. diadeem, kroon: âed: â spider = tuinspin. Di(a)eresis. daitrisis of daierisis. oplossing van ééne lettergreep in twee (b.v. weer tot weder), deelteeken. Diagnose, rfai^r/noifz, eene ziekte bepalen door de begeleidende teekenen: Diagnosis, lt;/aim-nousis. ziektebepaling: Diagnostic = kenmerkend (teeken). Diagnostics. Diagonal, daiagdn'l, subst. diagonaal; adj. overhoeksch. Diagram.'/w^'fifrm.subst. toonladder, teekening. meetkundige figuur; â verb, door eene figuur voorstellen: Diagrammatic. Diagraphic(ah. ilaiografik^l). beschrijvend. Dial. daVl. zonnewijzer, wijzerplaat; âplate = wijzerplaat. Dialect, daidldkt. dialect, tongval, taal: Dialectal. Dialectical: Dialectic; Dialectology = studie en kennis der dialecten. Dialectician, dsxidldktisn. redekunstige. Dialectics = redekunst. |
bone = boun; full; fool = ful: .» = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = Jia; long = loi^; s/iip = sip: occasion = ok ei/Zn; thin: thus = dims: wine.
DIALOGIST.
124
DIGESTION.
|
Dialo^iMt, ilaialddtist, schrijver van tweespraken: iemand optredende in eene tweespraak : Dialogue, (laidlog, subst. tweegesprek, tweespraak; verb, in den vorm van een d. brengen. Diameter,daiainotd, middellijn: Diametric(al) = van een â, vlak tegenovergesteld. Diamond. dai(i))m'nd, subst. diamant, kleinste drukletter, ruit: Xine of â» = ruiten negen; adj. van of gelijk diamant: The windows were âpane lattices = in lood gevatte ruiten: It is â out â = ze zijn aan elkaar gewaagd; A âshaped figure = ruitvormige fig.; D'mmondiferous = diamanten bevattend. Diana, daiand. Diana. Diapason, daXdpeifn, octaaf, omvang van toon, zekere toonhoogte, harmonie, samen-stemming. Diaper. daiopd, subst. soort van damast, tafellaken: â verb, figuren of bloemen maken (in eene stof), schakeeren; âpavement. âwork = mozaïekvloer. Diaplisine, daiofexu, zijden stof met doorscliij-nende en gekleurde figuren; DiaplianoiiM, daiafdrws, doorschijnend. Diaphoretic, damp;idforetik, subst. en adj. zweet-ver wekkend (middel). Diaphragm, daidfr'm, middenrif, afscheiding (gewoonlijk met eene opening). Diarrhoea, daiarta, buikloop: JJiarrhoetic, dtiiidritili, buikloop veroorzakend. Diary, daisri, dagboek: Diarist = houder van een dagboek. Diastole, daiestdli, uitzetting van het hart, verlenging van eene korte lettergreep. Diathesis, dd.\i)thisis, predispositie (voor ziekten). Diatrihe, daiotrnib, schimprede, schotschrift. Dib, dib, subst. muntstuk (Amer.): â verb, hengelen; âs = geld; â ber = hengelaar, pootijzer. Dibble, dib'/, subst.pootijzer: â verb.planten met een pootijzer. hengelen; âr. Dice, dais, subst. dobbelsteenen. dobbelspel; â verb, dobbelen; â r iâ dobbelaar; âbox = dobbelkoker: Dicing-hoiise = dobbelhol. Dicephalous, daisefdlds. tweekoppig. Dick, dik, (verkorting voor) Richard: Dick, Tom or llarrv = Jan, Piet en Klaas; The children werê making âduck-drakes in the sea with llattish pebbles = keilden platte kiezelsteentjes over de zeeoppervlakte. Dickens.^//, nr: The â = drommels, te duiker! Dicker, dikd, subst. tiental (voor huiden); â verb, knibbelen, dingen (Amer.). Dick(e)y, diki, achterbok (van een rijtuig), voorhemdje, slabbetje, ezel. Dicky, diki, twijfelachtig, vreemd, onwel. Dicotyledon, daikotilid'n, plant met twee zaadlobben: âons. Dictate, dikteit, subst. inspraak, voorschrift: â verb, voorschrijven, gebieden. dicteeren: Dictation; Dictator(ship): Dictatorial = gebiedend, verwaand. Dictatory. Diction, dikS'n, wijze van zeggen, uitdrukking, stijl: â i\ry, diks nari, woordenboek: Dictum, dïkVm (Meerv. Dicta, diktd), bewering, voorschrift: Obiter Dicta = beweringen âin t voorbijgaanquot;. Didactic(algt;,d(a)ida/.-tiA-(7), leerend: Didactic poetry = leerpoëzie; âs = onderwijskunst. |
Didder, didd, rillen ivan koude). Diddle, didl, bedotten, waggelend toopen: lie âd me out of it = door bedrog verkreeg hij het; â r. Dido, r/a/do«, sprong, streek: He was cutting âs = hij maakt kromme sprongen ( Am.). Die, dai.' subst. dobbelsteen (Meerv. Dice), teerling, kans, (kubiek) voetstuk; muntstempel (Mv. Dies, daiz): â verb, sterven, omkomen, achteruitgaan, verdwijnen: \ever say â = geef het nooit op: lie âd ol' hunger, lor thirst, with terror = van honger, van dorst, van schrik: This man has âd to the world = is der wereld afgestorven; I am dying to see you = brand van verlangen; Those âs are well sunk = die stempels zijn goed gegraveerd: As straight as a â = zoo recht als eene kaars; The â is cast = teerling is geworpen; âsinker = graveur. Dies irae, daiizairi. dag des toorns, zang (op het laatste oordeel). Diesis, daiisis, dubb. dolk: een teeken ( 4= )⢠Diet, daiit. subst. voedsel, dieet, rijks- of landdag; â verb, den kost geven, voeden,, volgens bepaalde regels eten: I think I ought to â you = op dieet zetten: âary = bepaald regime, dieet: âdrink = geneeskrachtige drank; Dietetic = tot â behoorende: Dietetics, daidtetiks, leefregels. Dillarreation, difnrieiè'n, het breken van een koek of gebak (eene plechtigheid der Romeinen bij echtscheiding). Differ, difd, verschillen, niet eens zijn: lie âed with me in opinion = was 't niet met me eens; He âs Trom you = hij is anders dan gij; âencc, subst. verschil,strijd,geschilpunt: It makes no âence = het maakt niet uit; With a âence = meteenig verschil; âent: âential. dvfdrensl, verschil of onderscheid makende: âential calculus = dillerentiaal-rekening; âential duties = differentiaalrechten; âentiate, dxfarenéeit, doen verschillen, onderscheiden, het verschil vinden van, differentieeren ; âentiation. Difficult, difilcdlt, moeilijk, lastig; ây = moeilijkheid: He is in âies = in geldelijke verlegenheid. Diffidence, difhl'ns, gebrek aan zelfvertrouwen. schroom, bedeesdheid: Diffident â beschroomd, bescheiden. Diffraction, difraksn, stukbreking, breking of afwijking (van stralen). Diffrancliise, difransaiz (Zie Disfranchise^ Diff use, difjiis. adj. verspreid, verstrooid, wijd-loopig. Diffuse, difjiïz. verspreiden, uitspreiden, uitgieten; Diffusion = verspreiding, verstrooiing, uitstorting,overvloed: Diffusive,difjiksiv,verspreidend, uitstortend; Diffusible. Dig, dig, subst. stomp, duw; â verb, graven, spitten, uitgraven: The wall was dugdouu = werd ondermijnd: The ground was dug up = uitgehold: â away = graaf maar toe. Digest, daidzest, pandecten, verzameling van wetten. Digest, didzest, rangschikken, verteren, slikken, dulden, zacht laten worden (door hitte), tot mest prepareeren: âer: âible = verteerbaar: Digestibility; âion = vertering, het prepa- |
man; r/sk = ask: form = fam; bquot;t = b«t; \earn = l«n: line = iain: house â h»us; net; care = kèa; fate = feit; tin; «sleep = aslip; not; Iniu = !ó; lord = lod: boy = bói ;
DIPLOMATIC.
DIG(GING)S.
125
|
reeren van niest; âive = verteringbevorderend (middel), oplossend, rangschikkend: âive organs = verteringsorganen. Iliglt;Riii§ï)s,diflf(i^)z.goudvelden, goudmijnen (in Californië, etc.), woonplaats, district, woning. Oiglit. dniU tooien, sieren. Zie Bediglit. Iligit. didzit. subst. vinger, vingerbreedte. 1/12 van de middellijn van zon of maan. ieder getal onder 10; 1\umher ol'three= getal van drie cijfers; âal = vinger, tot de vingers of teenen behoórendc: âali», didziteilis, vingerhoedskruid (D. purpurea). lligitigracle. didzitif/reid. teenganger (tegenover zoolganger), zooals de leeuw. Digladation. davjlddeisn. twist, duel. Dignity, dignifai, met eer bekleeden, onderscheiden, eerbied wekken: Dignified style = deftige stijl: Dignitary, diyniteri, waardig-heidsbekleeder(in de kerk), kerkvoogd: Dignity, digniti. waardigheid, deftigheid. Digram, daigram. Digraph, daigraf. twee letters met één klank; Ui graphic. DigreHH, d(a)igres. afdwalen, afwijken: âion = afwijking, uitweiding, afdwaling; âive. Dike, daik, subst. sloot, dijk, steenen muur (zonder cement): â verb, door een dijk beveiligen, uitgraven, indijken. Dilaeerate. dilasdrèxt. Dilaniate, dileinieit, vaneenrijten, scheuren. Dilapidate,dflt;7apidei(.vervallen.verwaarloozen, neerhalen, afbreken: Dilapidation. Dilatable. d(a)ileiHh'I, uitzetbaar, elastiek; Dilate. d{a)ileit. adj. uitgezet, verwijd; â verb, uitzetten, verwijden, uitweiden: âd eyes = opengesperde oogen; Dilntcilrilitg = uitzetbaarheid; DUa{ta)tion = uitzetting. Dilatory, dildtdri, traag, lui, vadsig, tot uitstellen geneigd. Dileninia, difemo. moeilijk geval, verlegenheid: Thewe are the Iioiiim ot'the â = hieruit kunt ge kiezen (in eene logische moeilijkheid). Dilettante, dUdtent. subst. dilettant, kunst-kritikaster: adj. kunstlievend. Diligence, dilidz'ns, ijver,spoed,naarstigheid: Diligent. Dilly, dili, diligence, omnibus, postkoets (verkorting van Diligenee. dilizoi\s). Dilly-dally. dilidali. uitstellen, treuzelen. Diliient. dihTnt, subst. en adj. bloed verdunnend (middel). Dilnte, diljüt. adj. verdund; â verb, verzwakken, verslappen, verdunnen: Dilution = verdunde oplossing (van vloeistoffen). Diluvial, dilüvj'l. Dilnvian. dilüvfn. tot den zondvloed behoorend; Diliiviinn. diluv/m, diluvium. Dini.r/m?, adj. donker, dof. schemerig, suf, zonder glans: â verb, verduisteren, versuffen, bezoedelen: âeyed = met zwakke oogen: â sighted =* dom: âtwinkling = zwak schijnend. Dime, daim, zilveren muntstukje, 110 van een dollar, kwartje: ânovels = kwartjesromans: âs = geld. Dimension, dhnensn. afmeting, graad, grootte: âal; Dimensive. Dimeter. dimdUï. (versregel) van twee voeten. Dimidiate, dimidjeit. gehalveerd. |
Diminish, diminiè. verminderen, verlagen, afvallen, afnemen: Onr opponents may well hide their âed heads = beschaamd afdruipen: Diiiiiniiendo. diminjuendon. verminderingsteek en: gt;: Diminution, dïmin-jiisn, vermindering, verlaging, verachting: Diminnti ve.iminjntiv. subst. verkleinwoord: adj. klein, nauw, gering, verminderend; Dimi-nntival. diminjKtaiv'l, vermindering uitdrukkend. tot een verkleinwoord behoorende. Dimissory . dimisdj'i, wegzendend, ontslag gevend. Dimity, dimiti, subst. diemit (sterke katoenen geribde stof); adj. van diemit. Dimple, dimjfl. subst kuiltje (in wang of kin»; â verb, kuiltjes vormen: A pretty. âd face = lief gezichtje, met kuiltjes erin: Dimplg. Din, subst. krachtig en voortdurend ratelend geluid, slag, geraas: â verb, krachtig slaan, verdooven, hinderen (door geraas), (aan de ooren) schreeuwen of zeuren. Dinah, daind, Dina. Dinarchgt; . dimil. i, tweehoofdig bpstuur. Dine, dó in. middagmalen, middagmaal ver-schallen: 1 haveâd with Dnke lliimphiey = heb geen (warm) eten gehad: Von can â a boat's crew on this piece ol' meat = aan dit stuk vleesch heeft de bemanning van eene boot genoeg; lie is a â r out = hij is bijna altijd op diner, eet zelden thuis; Dining-car = restauratiewagen: Dining-rooms = restaurant. Ding, din, rinkelen, met kracht slaan tegen, aandringen: â«long, dikdon,, bom-bam, gebeier. Ding(e)y, dingi, Indisch bootje, kleinste boot (van een schip). Dingle, ding'l, klein dal, vallei Dingle-dangle. dingldMHj'l, slofslof. Dingy, dinzi, vuil. donker, zwart: Dingily. Dinner,dino, middagmaal, partij,feest: âmat = tafelmatje: âless = zonder eten. Dint, dint, subst. slag, stoot,deuk,kracht: By â of hard work he succeeded = door hard werken slaagde hij; These are the âsofhis fingers = indrukken; To â = indrukken. Diocesan, daiosis'n of daiosis'n, subst. aartsbisschop: adj. tot een bisdom behoorende: Diocese, d aio sis. bisdom. Diocletian, daidklisn, Diocletianus. Dionysos. -us, daionaisds. Grieksche God: Fruit of â = wijn. Dioptrics, daioptriks, leer van de breking en voortplanting van het licht. Diorama, daiordrnd. diorama. Dioramic. Diota. daioutd, wijnvaas met twee ooren. Dip, r7/quot;p, subst. indooping, nederhelling, vetkaars, vette saus. inclinatie (van de kompasnaald): â verb, indoopen, bevochtigen, indompelen-doorslaan (v. balans); uitscheppen, vluchtig doorlezen, betrokken worden in, op goed geluk kiezen, verpanden: He had deeply âped his estates = hij had eene zware hypotheek op zijne bezittingen genomen. Dipchick. diptsik: Zie Dahchick. Diphtherea. dif'-thirid, Diphtheritis. dif-th,-raitis, besmettelijke keelziekte. Diphthong, dip-thdn, tweeklank: âal. dip-thong'l. van een â: âize = tot â maken. Diphyllous, difilf/s. tweeblad(er)ig. Diploma, dip Ion ma. diploma; âcy = diplomatie; ât, diplMnut, âtist. diplomnotist, âtess (vr.). diplomaat: âtic, dipbniatik' |
bone = boun: full; fool = tïil: = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = jia; long = Ion; s/np = sip; occasion = okei/.'n: thin: thus = dhi^s: wine.
DISCIPLINABLE.
DIPPEIu
126
|
subst. gezant, diplomaat; adj. diplomatisch, bevoorrecht, gemachtigd; âficw, diplomatiks. de kunst, om oude geschriften, enz. te lezen: paleografie. Dipper, dipd, duiker, pollepel, zevengesternte (Amer.), watermeerle. Dipsomania, dipsomeinjd, drankzucht; Dipsomaniac = drankzuchtige. Dipsomaniacal. Diptera(ii8gt;. diptdrd{nz). tweevleugel, insecten: Dipteral = tweevleugelig = Dipterous. DiradiaUon. direidieiamp;n, lichtuitstraling. Dire, daid, ijselijk, verschrikkelijk, treurig, naar; âlui: ânes». Direct, direkt. subst.teeken (in de muziek); adj. rechtstreeksch, voorwaartsch, eenvoudig, oprecht, uitdrukkelijk, direct: â verb, mikken, richten, den weg wijzen, geleiden, besturen, voorschrijven, adresseeren: âlire, loodrecht vuur; âorate, direkterit, bestuurslichaam, directeurschap; âion = richting, bestuur, opschrift, adres; -ion-pont = wegwijzer: ânes» = oprechtheid,eenvoud: âly you go there = zoodra: âory, direkteri, subst. adresboek, bestuur, directoire (179')): adj. aanwijzend, aanwijzingen bevattend; âor, âress, âri\: ât«x = grondbelasting. Direption, direps'n, plundering. Dirge, di'jdz, lijk-, treurzang. Dirige, diridzo, lijkdienst (R.K. kerk). Diriment impediinent, dirirrintimpedinïnt. storend iets; omstandigheid, die een huwelijk onwettig maakt (R. K. kerk). Dirk, dï)k, subst. dolk, ponjaard; â verb, doorsteken met een dolk. Dirt, dut. subst. vuil, drek, slijk, vuiligheid: It ih as ('omnion »8 â = komt in groote hoeveelheid voor: â verb.bevuilen, besmetten: I had them âcheap = ik heb ze spotgoedkoop gekregen; ây, adj. bevuild, vuil, laag; verb, bevuilen, ontêeren. Dtaability. disdbiliti, onbekwaamheid, onvermogen, onbevoegdheid; DiHabie, diseibH. onbekwaam, onbevoegd, ongeschikt maken: A disabled soldier = invalide; A disabled Htate = ontredderde toestand. Disabuse, disdbjüz, uit de dwaling of den droom helpen: You must â yoursell' of such au idea = u losmaken van. Disaccommodate, disukomddeit, in ongelegenheid brengen, derangeeren. Disaccustom, disokvsVm. ontwennen. Disacknowledge, dlsdknolidz, niet erkennen, (ver)loochenen. Disadorn. disddön, van versierselen ontdoen. Disadvantage, disddvamp;ntidz, subst. nadeel, verlies; â verb, nadeel berokkenen; âous^ diso.dv'nteidzds = nadeelig. Disalfect, disofekt, vervreemden, afkeerig of ontrouw maken: âion; âed. Disalïirm. disofüm, ontkennen, tegenspreken, loochenen. Disagree, disdgri, verschillen, oneens zijn, niet passen bij, niet overeenkomen: âable: âment. Disallow, disdlau. niet toestaan, weigeren, afkeuren: âable: âance = afkeuring. Disally, disdlai, een slecht, onheilig verbond aangaan. Disanimate. disanimeit, ontmoedigen, dooden. Disannul, disonnl, vernietigen. |
Disappear, disdpio, verdwijnen; â«nee: He was a nameless âance = zijn naam stierf geheel uit. Disappoint, disapóint, teleurstellen, verijdelen; I am âed in you = gij valt mij tegen: âment. Disappreciate, disapriseit, onderschatten. Disapprobation, dissiprdbeiamp;n, afkeuring, veroordeeling; Disapprobatory = afkeurend. Disappropriate, dxsdpronpriit, adj. niet goedgekeurd; â verb, (disoprouprieit) ontnemen, onteigenen. Disapprove, disaprüu, afkeuren, misprijzen; Disapproval, disdprüu'l^ afkeuring; Disap-proving(ly). Disarm, disilm, ontwapenen, ten onder brengen. Di»arrange, disdreinz, in de war brengen; âment = verwarring. Disarray, diserei, suhst. verwarring, wanorde: â verb.' in wanorde brengen, ontkleeden. Disarticulate, disci tihj uleit, de deelen uit elkander nemen; Disarticulator = maker van anatomische preparaten. Disassociate, disdsotiseit, ontbinden. Disaster, dizdstd, subst. ramp, slecht vooi-teeken, ongeluk; Disastrous = rampspoedig, ongelukkig. Disattacli, disdtats. losmaken, ontbinden. Disautlilt;»ri%e, disótlwraiz. van vertrouwen of gezag berooven. Disavow, ontkennen,loochenen; âal. Disband, disband, afdanken (v. troepen), (zich) verspreiden: âment. Disbar, disbd, het recht van pleiten ontnemen. Disbark, disbak, van de schors ontdoen. Disbelief, disbolif', ongeloof. Disbelieve, dis-bdliv, nietgelooven; Disbeliever = ongeloovige. Disbowel, disbaul, v. de ingewanden ontdoen. Disbranch, disbrftns. van takken berooven. Disbud, disbod, Disburgeon, dizbódz'n, van knoppen berooven. Disburden, disbmVn. ontlasten, bevrijden. Disburse, disbvs, uitbetalen, uitgeven; â ment: â r. Disc, disk (Zie Disk): âal = van een â. Discaged, diskeidzd, uit de kooi bevrijd. Discard, diskiid, subst. het écarteeren, de weggegooide kaarten; â verb, afdanken, heenzenden, verwijderen, écarteeren (van kaarten), afleggen. Discarnate, diskünit, van vleesch beroofd. Discase, diskeis, ontblooten, ontdoen van. Discern, dizün, duidelijk onderscheiden, be-oordeelen, waarnemen; âer: â ible = te onderscheiden, duidelijk; A âing public = ... tot juist oordeelen in staat; âment. Discharge, distsddz, subst. ontslag (ook v. soldaten), kwijtschelding, ontlasting,ontheffing; losbranding, afdoen, verrichting; â verb, ontlasten, ontladen, afschieten, kwijtschelden, ontheffen,betalen,vrijspreken,ontslaan: To â one's duty, trom duty = zijn plicht vervullen, van den plicht ontheffen; âr. Dischurch, distsfits, doorhalen als lidmaat,berooven van den rang van kerkelijke gemeente (dus: als sekte behandelen). Disci 1'orm. disifém, in den vorm v. eene schijf. Disciple, disaipl, subst. leerling, volgeling; â verb, (disip'l) discipelen maken, bekeeren, disciplineeren. Disciplinable,tft.slt;/j/m0k7, voor leering vatbaar. |
man: ask = ask: farm = fam; bat = but; learn = l«n: line = lain: hoase = hans; net: care = kea: fate = feit: tin; asleep = aslip: not: law = U»; lord = löd: bo// = boi;
DISCIPLINARIAN.
127
DISEMBITTER.
|
strafbaar; Disciplinarian, tuchtmeester; adj. tot de tucht behoorende: Disciplinary,r/isip/ina#*/, bijwijze van tuchtmiddel: Discipline, disiphn, subst. tucht, tuchtmiddel, tuchtiging, bestraffing; â verb, onderwijzen, drillen, tuchtigen, bestrallen: T« take the discipline = zichzelf tuchtigen. Disclaim, ontkennen, van zich werpen, verwerpen: âer = ontkenning, verwerping; Disclamation = niet erkenning als meerdere. Disclo.se. diskloiiz, openbaren, onthullen, bloot leggen: Disclosure, diskloitzd, openbaring, onthulling. Discoid, dislcóid. schijfvormig; Discoidal. Discoloration, diskvhreiê'n, verkleuring, het verkleurde; vlek, smet. Discolour, diskulo. ontkleuren, verkleuren, verbleeken; âed. Di.sconilit, diskvmfit. verslaan, verstrooien, teleurstellen: âure = nederlaag, omverwerping, teleurstelling. Discomfort, diskumfdt, subst. smart, pijn, droefheid; â verb, bedroeven. Discoininend, diskomend^ berispen,misprijzen. Disconiniode. diskdmoml, in ongelegenheid brengen. Discommon, diskomm'n, van rechten en privileges berooven. Discompose, disk'mpouz. verontrusten, in wanorde brengen, plagen: lie was âd at it = was er geheel van ontdaan; DiscompoMiire, disk'mpoitzD, ontsteltenis, wanorde. Disconcert, disk'nsvt, in wanorde brengen, ontstellen: âion. Disconlormity. disk'nfömili, gebrek aan overeenkomst' of overeenstemming. Disconnect, diskonekt. scheiden: âion. Disconsolate, diskonsèlit. mistroostig, treurig: âness. Discontent, disk'ntent, subst. ontevredenheid, misnoegen;adj. ontevreden, misnoegd; â verb, ontevreden, misnoegd maken: âlui: âment. Discontinue, disk'ntinjü, afbreken, ophouden, staken: Discontinuable. disk'ntinjudl/l. voor staking vatbaar: Disrontiniiance, disk'ntin-Judns. staking, afbreking, storing. Di scord. disïcöd, tweedracht, strijd, disharmonie; âance, disköd'ns, tweedracht, strijd; Discordant. Discount, diskaunt, korting, disconto: The shares are at a â now = de aandeelen zijn nu goedkoop, beneden pari: I houglit it at a â bookseller's = bij een boekhandelaar, die netto en amp; contant verkoopt; âbroker = wisselmakelaar: âday = de vaste dag, waarop de E. bank wissels, enz. disconteert. Discount, diskaunt, aftrekken, van weinig waarde beschouwen, disconteeren: We do not wish to â the report olquot; the committee = vooruitloopen op en te kort doen aan; Our objections are partly âed in the preface = onze bezwaren ..ondervangen; The beauty of the book is somewhat âed by that circiiinstaiice = aan de schoonheid wordt afbreuk gedaan; Iron looked up through causes, that everybody had often âed = de prijs van 't ijzer ging omhoog door oorzaken, die iedereen dikwijls als van geen invloed had beschouwd: This grand building âs all other structures out ol' sight = laat alle andere gebouwen verre achter zich; âer = âbroker. Discoiiiitenance, diskauntdn'ns. subst. koele behandeling, afkeuring: â verb, den moed benemen, afkeuren, verlegen maken: â r. Discourage, dislcoridz, ontmoedigen, tegenwerken: âable; âinent. |
Discourse, dlskös, subst. redeneering, redevoering, gesprek, verhandeling, preek : â verb, spreken over, uiten, eene redevoering houden, handelen over, onderhouden over: lie âdthe women about their duties = onderhield; Discoursive = redeneerend, minzaam. Discourteous, diskvtjos of -kötjds. onbeleefd, lomp: Discourtesy, diskntisi, onbeleefdheid, lompheid. Discoiis. diskos. plat en rond, schijfvormig. Discover, disknvo. (het eerst) ' ontdekken, openbaren, onderscheiden: She cannot â hearts from diamondH = zij kent geen harten voor ruiten: âable; âer: âery = ontdekking: ât condilion = onbeschermde (ongehuwde) staat. Discredit, diskredlt^ subst. oneer, schande, slechte naam; â verb, niet gelooven, in minachting brengen: âable = verkeerd, schandelijk. Discreet, diskril, verstandig, oordeelkundig, beleidvol: lie is â = kan een geheim bewaren. Discrepance, âcy, diskre/fnsii). verschil, disharmonie, inconsequentie; Discrepant. Discrete, diskrit, afgescheiden, apart: Diw-cretive, diskritiv, tegenstellend. Discretion, diskres'n, oordeel, verstand, beleid : Years ol' â = jaren des onderscheids; The enemies surrendered at â = gaven zich over op genade of ongenade; That is at your â = tot uw dienst; â is the heiter part ol' valour = beter een levende hond clan een doode leeuw; l'se your own â = handel naar believen. Discriminate, adj. onderscheidend: â verb.((//sAvlt;mmeiO onderscheiden, uitkiezen, kenmerken: Discriininative, diskrimineitiv, kenmerkend,onderscheidend: Discrimination. Discursion. diskiïè'n. vluchtig gesprek, ongeregelde redeneering; Discursive, disküsiv. los, over alles en nog wat (van een gesprek): geregeld redeneerend: Discursory. diskftsori, beredeneerd: Discursus = bewijsgrond. Disfiis, diskds, schijf, het middelste van eene samengestelde bloem. Discuss, diskms, onderzoeken, bespreken, samen verorberen of verteren; âion; âive = subst. en adj. afdrijvend (middel», beslissend, bepalend. Disdain, disdein. subst. versmading, verachting: â verb, versmaden; âl'ul. Disc 'ase, diziz. ziekte, ziekelijke toestand: â prevention Act = Wet op Besmettelijke Ziekten: lie is âd in his brains = hij is niet goed bij het hoofd. Disedge. disedz, verstompen. Disembark, dïsdmbük, ontschepen, landen: Disen i ba t 'ka t ion. Disembarrass, disdmbaras, uit de verlegenheid helpen: âment. Diseinbcllish, dïsombelis, van versierselen ontdoen. Disembitter, dlsdmbito, het bittere ontnemen. |
bone = boun: full; fool = ful; ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; year = jio; \on(j = loi^; ship = sip; occas/on = okeiz'n; thin; thus = dims; wine.
DISEMBODY.
128
DISMOUNT.
|
DiHeiubofly, cüsdmbodi. van 't lichaam bevrijden, afdanken (van soldaten), ontbinden. Disembogue, dissmbmiy, uitstorten, uit-stroomen. DiHeinbowel, disdmhati'I. van de ingewanden ontdoen, uit de ingewanden doen komen. DiHembi'oil. disdmbröH. ontwarren. DiHemployeil. d'isamp;mplöid, buiten dienst ol' ambt gesteld. 1gt;i»eiH'haiit, dxsdntèdnt. onttooveren, ontgoochelen; âer: âinent. DiMeneiiniber. disanhtHnhd, bevrijden, ontlasten. 1gt;iHeiil'i'aiiC'liiMe, disdwfransaiz, van kiesrecht berooven. Disengage, disdnyeidz, vrijmaken, ontbinden, ontheffen, ontwarren: I Hliakl be âfl tci-mor-row = morgen zal ik vrij zijn: âediiesn = âment. DiHenno1»le. d'xsdnoub'l. verlagen, van adeldom berooven. Disenroll. il\sanr-oul, van de lijst schrappen. 'DiHentangle. dxsdntttr/j'L ontwarren, onthelTen, vrij maken: âment. DiseMtabliëli. disostabliê, scheiden (v. Kerk en Staat): âment = scheiding (v. K. en S.). DiHeHteem, dlsastim. subst. minachting; â verb, minachten, niet houden van. Disf'ame, d'tsfeim, slechte naam. DiHravonr, disfeivd. subst. ongenade, minachting, onvriendelijke daad: â verb, ontmoedigen, onvriendelijk behandelen. Disfigure, dispiyj.t, misvormen., loeder ven: âment: Disfiguration = misvorming, wanstaltigheid. DiMl'rancliise, disfranèmz, van rechten (vooral van het kiesrecht) berooven; âment. Dtariirnisli. disfUnlè. onttakelen. Disgorge, disgödz, uitbraken, opgeven, teruggeven (van het gestolene of weggenomene). Disgrace, disgreis, subst. ongenade, schande: That boy is in â = heeft straf: â verb, in ongenade* brengen, onteeren: Yon are âd = in ongenade gevallen: âlui. Disgruntled, disgmnVld. teleurgesteld. Disguise, disgtóz. subst. vermomming, dekmantel: lie did not make-tlie least disguise ol' bis laults = verbloemde ze niet: â verb, vermommen, verkleeden: lie was slightly âd = lichtelijk aangeschoten. Disgust, disgust, subst. walging; âverb, walgen: 1 am âed at tiiat = walg ervan; âing = walgelijk. Dish, dis, subst. schotel, schaal, het opgediende voedsel, schoteltje, holte, ertstrog: â verb, op een schotel doen, verijdelen: He was âed by an inlerior man = hij werd overvleugeld, te pakken genomen door zijn mindere (in kennis, etc.): âcloth = vaatdoek, bordendoek; âmat = tafelmatje; âing = hol. Dishabille, disdbil, négligé. Disharmony, dishümdni. tweedracht; Dis-li armonioiis. dïshcimounjds. Dishearten, dishill'n, ontmoedigen; âIng. Dishevel, disevl. in wanorde brengen (van haar vooral): âment. Dishonest, disonost. oneerlijk, onoprecht, be-driegelijk, schandelijk: ây = oneerlijkheid. Dishonorary, disonlt;vdri' oneer aanbrengend, onteerend. |
Dishonour, disond, subst. oneer, schande: â verb, onteeren, te schande maken, niet betalen of honoreeren (van een wisse?); âable. Disburse, dishös, van het paard werpen. Dishwasher, diétvosd, het bonte kwikstaartje. Dish-wheels, diswilz, wielen, convex aan de eene en concaaf aan de andere zijde. Disillusiontize). disilüz'n(aiz), ontnuchteren, de illusie wegnemen. Disincline, disinklain, (iemand iets) tegen maken; Disinclination, disinklineis'n. on-geneigdheid. Disincorporate, disinköpjreit, eene corporatie of vereeniging ontbinden. Disinfect, disinfekt, ontsmetten: âant = ontsmettingsmiddel = âing agent: âion. Disingenuity, disinzonjüiti, onoprechtheid: Disingenimiis, disindzenjuds, onoprecht, onwaar, op lage wijze listig of sluw. Disinherit, disinherit, onterven: âance = onterving, het onterfd zijn. Disintegrate, disintdgreït, de samenstellende deelen scheiden; Disintegrable. Disinter, dïsintn, opgraven, uit het niet of duister te voorschijn brengen: âment. Disinterested, disintorestid, belangeloos, onpartijdig; âness. Disinthral(lgt;, disinthról, van slavernij bevrijden. Disjoin, disdzóin, ontbinden, scheiden. Disjoint, disdzamp;int, ontwrichten, scheiden, de orde of den samenhang verbreken: âed sentences = losse zinnen; âedness. Disjunct, disdzvnkt,gescheiden: âion: âive = scheidend (van conjuncties). Disk. Disc, disk, schijf, discus. Dislike, dislaik. subst.afkeer, weerzin: Likes and âs = sympathieën en antipathieën: He took a â to me = hij kreeg een hekel aan mij: â verb, niet houden van, met afkeer beschouwen: I do not â it = ik mag het graag. Dislocate, disldkeit, ontwrichten: Dislocation = ontwrichting. Dislodge, dislodz, van eene plaats verwijderen, uit eene stelling verdrijven, opjagen, verjagen, verlaten; Dis lodgment. Disloyal, dislamp;ial, adj. ontrouw (aan een plicht, in de* liefde, etc.); âty, subst. ontrouw. Dismal, dizm'l, ijselijk, somber, droevig, treurig: A âized account of the circumstances =' treurig, naar, pover: âness. Dismantle, dismant'I, onttakelen, ontmantelen, ontdoen van. Dismask. dismAsk, van het masker ontdoen, ontmaskeren. Dismast, dismast, van mast of masten berooven. Dismay, dismei, subst. verslagenheid, schrik: â verb, ter neder drukken, moedeloos maken; âedness. Disme, dim, tiende. Zie Dime. Dismember, dismembd, scheiden, losmaken, verbrokkelen, stuk snijden: âment. Dismiss, dismis, wegzenden, ontslaan: He was âed (from) that office = ontslagen uit dat ambt; lie got his âal = ontslag (ook v. officieren). A âive letter = waarbij ontslag gegeven wordt. Dismount, dismaunt, afstijgen, neerkomen. |
man; ask = ask: form = fam: bat = b«t: \earn = hm; 1/ne ~ lain: howse = hans: net: â care = kèa; fate = feit: tin: asleep = aslip: not; la a1 = lo: lord = lod; hog = bói:
DISOBKDIENCE.
Disport, dispöt. subst. spel, tijdverdrijf: â verb, spelen, dartelen, zich vlug bewegen, uit eene haven verwijderen.
Disposable, dispouzdb'l, beschikbaar: Disposal. dispouz'l, beschikking, regeling, schikking: 1 am at your disposal = tot uw dienst, te uwer beschikking; Dispose, dispouz, schikken, regelen, uitdeelen, bestemmen, verkoopen. voorwaarden maken: Man proposes. God disposes = de mensch wikt, God beschikt: I am not disposed to it = niet voor gedisponeerd; He disposed of his house lor half the value = hij verkocht zijn huis voor de helft der waarde; It was disposed by will = bij testament vermaakt; This house will be disposed of by valuation = is te koop volgens geschatte waarde; He has a disposing mind for it = neiging: Disposition, dispozië'n, subst. gesteldheid, schikking, aard, aanleg: The house is at your disposition (Amer.) = te uwer beschikking: I had the worst dispositioned donkey = kwaadwilligste ezel: Dispositional. Dispossess, dispazes, van bezit berooven: He was âed from (of) the throne by his brother; âion.
Dispraise, dispreiz, subst. blaam, verwijt; â verb, laken, berispen, verwijten.
Dispread, dispred. verspreiden, uitstrekken (naar verschillende richtingen).
Disprofit, disprofit, nadeel, schade, verlies. Disproof, disprüf, weerlegging. Disproportion, dispropös'n, subst. wanverhouding, onevenredigheid; â verb, onevenredig maken; âable = âal = âate. âit, ongelijk, onevenredig: âed = ongelijk gemaakt. Disprove, disprüv, weerleggen, het tegendeel
bewijzen-,Disproval=\veer\egg\r]g:Disprovable.
Disputable, dispjutdVl, betwistbaar, twistziek: Disputant. dispjuVnt, subst. twistredenaar: adj. betwistend; Disputation, d'xspjuteiè'n. woordentwist: Disputatious = twistziek, tot opponeeren geneigd; Dispute, dispjüt, subst. woordentwist, debat, geschil: â verb, twisten, wedijveren, betwisten, verdedigen; Disputed = betwist.
Disquiilify,rfisfcu;o/i/ai,onbevoegd(onbekwaam)
verklaren (maken); Disqualification, diskivo-HJikeié'n, onbevoegdverklaring, onbevoegdheid. Disquiet, diskwaiit, subst. angst, onrust: â verb, verontrusten, kwellen; -er; âment: âons = angst- of onrustwekkend: â ude = onrustigheid, ongerustheid.
Disquisition, dislaviziè'n. verhandeling, onderzoek; âal; Disquisitive. diskwizitiv, onderzoekend.
Disraeli, disreili.
Disregard, disriyüd, subst. minachting, ver-waarloozing; â verb, in den wind slaan; âful. Disrelish, disrelis, subst. afkeer: â verb, een afkeer hebben tegen.
Disrepair, disripêo, verval, achteruitgang. Disrepute, disripjüt, subst. slechte naam, oneer, schande: â verb, in kwaden reuk brengen: Disreputable, disrepjutebl. berucht, in slechten naam staande.
Disrespert, disrispekt, subst. oneerbiedigheid: âable = oneerbiedig: âful = onbeleefd. Disrobe, disroub, van het kleed of de waardigheid ontdoen; âr.
bone = boun; full: fool = ful; ê = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //oar = jia: long = loi^; s/ilp = sip; occasion = okelz'n; thin; thns â dhus: wine.
ten bruggencate. Eng. Woordenboek. lt;gt;
DISROBE.
demonteeren (van geschut), van het paard 1 werpen, vernietigen (van vestingwerken).
DiMoliedience, disebiilfns, ongehoorzaamheid; Disobedient', Disobey, disdbei, niet gehoorzamen.
Igt;iHoblige, d\sdblaidz, onbeleefd,oninschikkelijk ; zijn, een ondienst doen; DiHobligatory, ^isd/gt;/t-(jdteri, van eene verplichting ontheffênd.
Disorbed, disöbd, uit zijne baan gedreven.
Disorder, disödd, subst. wanorde, verwarring, wetschennis, ongesteldheid, hartstochtelijkheid, j gekrenktheid (van geest); â verb, verwarren, i derangeeren, de regelmaat verstoren: His mind 1« âed = van streek, gekrenkt; âly, Dis-ordinate, disödinü, wanordelijk, ongeregeld.
Disorganization, disögdnizeiamp;n, verstoring, | stoornis; Disorganize.
Disown, disoun, verloochenen, niet erkennen. |
Dispair, dispêd, scheiden (van een paar).
Dispaiage, disparidz, verachten, verkleinen, onderschatten; âinent.
Disparate, disparit, ongelijk.
Disparity, dispariti, verschil, ongelijkheid.
Dispart, dispüt, scheiden, klooven, openen, verdeden, een vizier zetten (op een stuk geschut): | ââ¢sight = vizier (op een stuk geschut).
Dispassion, dispaamp;n, vrijheid van hartstocht, i leukheid; âate = onpartijdig, kalm, leuk = âed.
Dispatch, dispats. Zie Despatch.
Dispel, dispel, verdrijven, verstrooien, verbannen.
Dispensable. ontbeerlijk, ontbeer- i
baar; Dispensary, dispensdri, armenapotheek, laboratorium (voor geneesmiddelen); Dispensation = uitdeeling, beheer, plan: Godsbeschikking, ontheffing, vrijstelling, vergunning (tot het hebben van twee betrekkingen, tot het wonen buiten zijn district of gemeente, etc.): Dispensatory, subst. de pharmacopcea: adj. de macht bezittend om vrijstelling tever-leenen; Dispense, dispens, uitdeelen. toedienen, recepteeren: 1 can dispense with tiiat now = ik kan er nu wel buiten, ik kan het missen; Dispensing-power = het koninklijk prerogatief om de wet (b.v. door gratie ; te schenken) buiten werking te stellen of van j geene waarde te maken; He did. as il were the dispenser of life and death = beschik- j ker over.
Dispeople, dispip'l, ontvolken.
Dispennons, daispêmds, tweezadig.
Disperse, 'lispvs, verstrooien, verspreiden, uit | elkander jagen, uiteengaan; Dispersion, dis- j pus'n, verstrooiing, breking (van licht in ver- j schillende kleuren); Dispersive = verspreidend, j
Dispirit, dispirit, den moed en de kracht bc- ! nemen; âed = ontmoedigd.
Displace, displeis, afzetten, de plaats ontnemen, verplaatsen; âinent = verplaatsing (van water door een vast lichaam).
Display, displei, subst. vertooning, vertoon, ontvouwing: â verb.ontvouwen, ontwikkelen, tentoonspreiden, vertoon maken.
Displease, dispïiz, onaangenaam zijn, weerzin verwekken, mishagen; âr; Displeasing.r/is--pliziv, onaangenaam; Displeasure, displezd, subst. misnoegen, ongenade.
Displode. disploud, uitbarsten.
Displume, displüm, van de vederen (eere-teekens^ berooven.
DISTRESS.
DIS KOOT.
|
lgt;ie*ruot. disriit, ontwortelen. Disrupt, disrupt. adj. verbroken; â verb, scheiden, verbreken; âion = ontbinding, scheiding, splitsing, verbreking. DiHSiitiMlactiou, disatisf'aksn, ontevredenheid: JJissütisfactoriness = onvoldoendheid; Dissatisfy = mishagen, niet voldoen, ontevreden maken, teleurstellen. Dtaseat, disit. verplaatsen, van de plaats be-rooven. Dissert, disekt, ontleden, scherp en kritisch onderzoeken; â iun: âor. Disseize, disiz, uit het bezit stooten: Disseizee = de onwettig uit zijn bezit gestootene; Disseizor. Dissemble, disenib'l, veinzen, huichelen; Dis-semblaiiee, 'disembVns. veinzerij; â r. Disseminate, disemineit. verspreiden, uitstrooien: Dissemination; Disseminamp;tive. Dissension, dlt;senö''n, tweedracht, vriendschapsbreuk, oneenigheid. Dissent, disent. subst. verschil ( van gevoelen), afscheiding (van eene kerk): â verb, verschillen (van gevoelen), zich afscheiden: âer = afgescheidene (van de Staatskerk); âient, disen-s'nt, subst. iemand, die van gevoelen verschilt en dit zegt: adj. van gevoelen verschillend: âing views = afwijkende of tegengestelde meeningen. Dissertation, disateiamp;n, verhandeling. Disserve, disnv, benadeelen, een ondienst doen. Disservice, disvvis. ondienst, nadeel, schade. Dissever, diseva. scheiden: âment. Dissidence, disid'ns. oneenigheid, scheiding; Dissident, subst. en adj. oneenig(e), afgescheidene). , Dissilience, disilfns, uiteenbarsting: Dissilient. Dissimilar, disimih. ongelijk: Dissimilarity. ongelijkheid = Dissimilitude, disimilitjud: Dissimilation = ongelijke uitspraak van twee zelfde klanken, of gelijke uitspraak van twee verschillende. Dissimulate, disimjuleit. veinzen; Dissimulation. Dissipate, disipeit. verstrooien, weggooien, verkwisten, uitputten; Dissipation. Dissociable, disoiièDb'l, ongezellig, niet passend bij. onberijmd. Dissociate, disouseit, Dissocialize. disousv-/air, scheiden. Dissoluble, disoljub'l. Dissolvable,dizolvdU/, oplosbaar; Dissolute, efisa/tK, losbandig; Dissolution, disdlüs n, smelting, oplossing, ontbinding, dood; Dissolve, dizolv, oplossen, scheiden,ontbinden. sluiten( van vergaderingen); Dissolvent, dizoltfnt, subst. en adj.oplossend of verdrijvend (middel): Dissolving views = verdwijnende gezichten. Dissonance, dison'ns. wanklank; Dissonant = wanklinkend, niet samen passend. Dissuade, dZ-swetc/.afraden; âr; Dissuasion, disweiz'n, afrading, ontrading; Dissuasive. disweisiv, ontradend. Dissyllable, disilaVl, woord van twee lettergrepen: Dissyllabic, disilabik. tweelettergrepig; Dissyilabify = tot twee lettergrepen maken. DistafT, distdf. spinrok, vrouw; âside = de vrouwelijke nakomelingen. Distance, disfns, subst. afstand, verschiet. |
tijdruimte, afscheiding, eerbied, koelheid, interval (muziek), 240 yards van den eindpaal, aangewezen door den âpost: Out of â = onafzienbaar ver; At a â = op een afstand; tie keeps his â = hij weet waar hij staan moet. hij is bescheiden; In the â = in de verte; The Jockey has saved his â = had den -âpost bereikt, voor de winter aan het, einde der baan was; â verb, verwijderen, ver achter zich laten: That horse was âd = dit paard viel uit, mocht niet meer meedoen in den wedstrijd, omdat het den âpost nog niet had bereikt, toen zijn mededinger aan den winning-post was; Distant, disfnt, verwijderd, afgelegen, koel: He waM distant aiid reserved = erg op een afstand: Distantly = op een afstand, gereserveerd. Distaste, disteist. subst. afkeer, walging: He took a â at it = walgde ervan; â verb.een afkeer hebben van, walgen; âlui = walgelijk. Distemper, distempa, subst. ongesteldheid (vooral bij dieren), kwaal, kwade luim, schilderwerk (op droog doek of kalk): The walls are plastered and coloured in â = van beschilderd pleisterwerk; â verb, verwarren, storen, gemelijk maken. Distemnerate, distemp'rit, onmatig. Distend, distend. uitstrekken, uitzetten, opzwellen: The horse âed its nostrils = spalkte zijne neusgaten open. Distension. Distention, distens'n. uitzetting, ingenomen ruimte, breedte. Distich, dis tik, tweeregelig vers of epigram. Distil, distil, in druppels neervallen, zacht vloeien, distelleeren, doen vallen, zuiveren: âlable; âlate, distilit, gedistelleerde vloeistof: â lation = het distilleeren; âlatory . distildtdri. subst. distelleerwerktuig,-inrichting; adj. afdruipend,distelleerend; âIer: âlery = branderij, stokerij. Distinct', distinkt, onderscheiden, duidelijk: âion, distinkè'n, onderscheid, onderscheiding, onderscheidihgsteeken , oordeel. verdeeling. aanzien, rang: Without â ion = zonder onderscheid: Distinguish, distingiriè, onderscheiden, kenmerken, beroemd maken; Distinguishable: Distinguished = aanzienlijk, uitstekend. Distitle, distaiVl, van recht of titel berooven. Distort, distöt, verwringen, verdraaien, vertrekken; âion; â ive = verdraaid, verwrongen. Distract, distrakt, afleiden, afwenden, verwarren, storen (v. de geestvermogens), verbijsteren: (â erinany was âed = wroette in eigen ingewanden: âion = verwarring, ontvoering, verstandsverbijstering, waanzin, afleiding: He allowed himselt' no âion = hij gunde zich geene ontspanning. Distrain, dis trein, benaderen, beslag leggen op: lie threatened to lor the money = hij dreigde beslag te zullen leggen (op het goed). om het geld te krijgen; âable: âer. Distraught, distrót, gekweld, waanzinnig: (â erinany wasâ, and France was powerless = Duitschland was in zichzelf verdeeld (wroette in eigen ingewanden), en Frankrijk was machteloos. Distress, distres, subst. groote smart, benauwdheid , ellende, droefheid, tegenspoed . beslaglegging: To levy (take) a â = beslag |
man; «sk = ask; fa/*m = lam: b//t = but; learn = l«n; I me = lain: house = liaus; net: care = kê»; fate = feit; tin: asleep = aslip; not; \aw = 16; lord = löd; hog = boi;
DISTRIBUTE.
131
DO.
|
opbellen (leggen); tie in in â for money = heeft geldgebrek; Flag of â = noodvlag'; â verb, benauwen, ongelukkig maken, beslag leggen op; âfnl: âing; = rampspoedig, pijnlijk. lliHtribute, distribjut, verdeelen, uitdeelen, toebedeelen, sorteeren of distribueeren (van letters); Distributable; Distributary = om uitgedeeld te worden; Distribution,di.sïrit'/rts'n, verdeeling, toebedeeling, sorteering(v. letters); Distributive, subst. distributief woord (b.v. ieder); adj. verdeelend, toekennend. Distriet, distrikt, subst. gebied, streek, provincie; â court = arrondissementsrechtbank: Military â = militaire afdeeling: â verb, in districten verdeelen (Amer.). Dmtrnst, distrust, subst. wantrouwen, verdenking; â verb, wantrouwen, verdenken: âfnl. DiHturb, distiib, verstoren, doen afwijken, in wanorde brengen: Do not â the Mleepinu; lion = stoor den ... niet; âance = verstoring, stoornis, verwarring, verhindering. DiHiinioii. disjünfn, scheiding, strijd, oneenig-heid; âist = afvallige; DiHiinite, disjunait, scheiden, gescheiden raken. Disuse, disjüs, onbruik, ongewoonte. DiHiise, disjtiz, ontwennen, in onbruik brengen. Disvaluation, dlsvaljiteis'n, geringschatting. Disvalue, dis vat ju, subst. geringschatting; â verb, geringschatten. Diteli, dits, subst. greppel, sloot, gracht: It is as flat as âwater = zoo slap als lauw water; They would «lie in the last â = zich tot het uiterste verdedigen; I am in a dry â = heel wel; â verb, eene sloot graven, droogleggen (door waterafvoer langs eene sloot), met eene sloot omringen: âer = slootgraver, schip, dat door het Suezkanaal vaart. Ditheism, daithiizm, de leer. dat er twee goden zijn, de een een goede, de ander een booze; Dltheist. Dithyramb, ditldranib, âus. 'UthirambdS, hymne ter eere van Bacchus, ode van opgewonden en wilden stijl; Dit/njrambic. Ditroehee, daitrouki, voet van twee trocheeën. Dittander. ditando, peperkruid. Ditto, ditóu, hetzelfde: A suit ofâes(does) = een pak kleeren van ééne stof. Ditty, diti, subst. liedje, deuntje; â verb, zingen, neuriën: â bay; = een zak voor huismoeders (met naalden, garen, etc.). Diurna, daiünd, dagvliegen, kapellen: âI, damril, subst. dagboek, journaal; adj. dage-lijksch. Diiitnrnel, ddldtün'l, van langen duur. Divigation. damp;wageiamp;n, afdwaling (van het onderwerp. Divan, divan, hooge raad (Turkije), raadsvergadering, sofa, verzameling gedichten (Perzië). Divarieate, d(a)ivarike\t, adj. vertakt; â verb, vertakken, in twee takken scheiden. Dive, daiv, subst. duiking in het water met het hoofd vooruit: lie made a â for it = hij dook (hengelde) ernaar; â verb, duiken, zich verdiepen, zinken, doordringen: âr = duiker(eend). Diverse, d{a)ivudz, afwijken, verschillen; ânee â het divergeeren of uiteenloopen (van lijnen); âut. |
Divers. Diverse, daivos, verscheidene,ettelijke: âely = in verschillende richtingen; âi/ication = verscheidenheid, verschil,verandering; âi-lied: âiform = van verschillenden vorm; âiloquent, divvsilokw'nt, op verschillende wijze sprekende; âion, diviisn, afleiding, uitspanning, vermaak, schijnbeweging (om de aandacht der tegenpartij af te leiden): To create a â = eene schijnbeweging maken: âity, divüsiti, verscheidenheid, ongelijkheid. Divert, d(a)iviit, afleiden, vermaken, eene schijnbeweging maken; â ive = vermakend. Divest, divest, ontdoen, berooven. ontblooten: Dives(tf)ture. dives(ti)tjc), ontkleeding, be-rooving; âment. Divide, divaid, subst. waterscheiding; â verb, verdeelen, scheiden, openen, klooven, stemmen: The question was âd = er werd gestemd over; -ml, dividend, deeltal, aandeel (in de opbrengst), dividend: ând-warrant = coupon, dividendbewijs: â r; â rs = passer om lijnen in een zeker aantal gelijke deelen te verdeelen. Divination, rfii'meês'n, voorzegging, gissing: Divinatory = gissend, voorzeggend: Divine. divain, subst. godgeleerde, geestelijke; adj. goddelijk, hemelsch, buitengewoon, voortreffelijk: Divine service = godsdienstoefening: â verb, voorzeggen, gissen, raden: Divining-rod = tooverroede (om te ontdekken, waar water onder den grond wordt gevonden). Diving'bell. daivinbel, duikerklok: Divins;-dress = duikerskléeding. Divinity, diviniti, god(delijk)heid, godgeleerdheid: Ãivinily, divinifnx, vergoddelijken. Divisible, divizib'l, verdeelbaar: Division. diviz'n, verdeeling, verdeeldheid, scheiding, schot, aandeel, te verdeelen buit, divisie (van leger of vloot), stemming, deeling: Divisor. divaizd, deeler (tegenover Dividend). Divorce, divös, subst. echtscheiding: â from board and bed = scheiding van tafel en bed (ook judicial separation genoemd); Bill of â = vonnis van echtscheiding: â verb, scheiden (van den echt, ook put away genoemd): He âd her = liet zich...: âr. Divulge, divnldz. openbaar maken, verspreiden, verkondigen: âr. Dixen. daiz'n, zich opzichtig kleeden. Dizzy. 'Uzi, adj. duizelig, onnadenkend, gedachteloos: â verb, duizelig maken, ronddraaien, verwarren: Dizziness. Do, du, subst. handeling, daad, moeite, drukte, bedrog; A great to â = drukte, verwarring: It was all a â = bedrog; â verb, doen, verrichten, volvoeren, eindigen, gereedmaken, zich gedragen, zich bevinden, voldoende zijn, slaan (in 't boksen): That will â = mooi zoo, zoo is 't goed of genoeg; How do you â ? = hoe gaat het?: We have done for him = He was done for by us = wij hebben hem zijn vet gegeven, totaal verslagen; 1 eau without it = ben zonder dat tevreden; Without further to â he took us to our room» = omslag, omhaal: There is nothing to â but yielding = er zit niet anders op dan toe te* geven: Could you â me some fifty pounds? = zoowat 50 I. leenen? Von â ine Kroudroud = ik ben trotsch op u; He was done rown = leelijk beetgenomen; He did me for three thousand guilders = hij zette mij ... af; The house was done up = opgeknapt, gerepareerd: Their enemies were done to death = ter dood gebracht; I will â |
bone = boun: full: fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jio; \ony = loi^: s/iip = sip: occasion = okeiy/n: thin; f/ius = dhus: wine.
9*
DOLDRUMS.
132
DO.
|
you ri^ht (reason) = u bescheid doen; We did away with it = schaften het af: The poor felfow did himseir away = beging zelfmoord: Is your sister game to â the housekeeper = is uwe zuster geschikt om ! de rol van huishoudster te spelen: He was ; done in stone == uitgehouwen; We â these at a shilling a pieee = verkoopen: To â hills = wissels realiseeren : We did the Isle of Wight in three days = reisden ..rond; They did the grand at my expense = zij hingen den heer uit op mijne kosten: 1 can â without it = ik kan het wel missen; We are done (with it) = klaar: â. as you wish to be done hy = doe (aan anderen) zooals gij wenscht dat men u zal doen: Done into English = in tE.vertaald: He is well-toâ = welgesteld; We were done at three oVIoek = 3 uur waren wij klaar; The meat was done to a turn, to a T = prnchtig gebraden: I will have nothing to â with him = met hem te maken hebben: Have done = schei uit; He seems to hè born to be done = hij schijnt geboren te zijn om beetgenomen te worden; Done = klaar, fiat, afgesproken: 1 was done up (knocked up) with the heat = kapot van «le hitte; A âall = duivelstoejager: There is not much â ing = aan de hand. Do, f/OM, ut of do (toonschaal), verkorting van dittoConnubial does = trouwpak. Dobbie. dobi, een geest of kabouter. Dobbin, dobin, oud werkpaard, zand met kiezel gemengd. Docible. dosib'l. Docile, doiisil, leerzaam, zachtzinnig, handelbaar: Dociliti/. Doek. r/ofc, subst. dok, stompje, afgekorte staart, bank der beschuldigden: â verb, afsnijden, kortstaarten, verminderen, afschaffen, dokken (van een schip): âage, â charges, â duties = dok- of havengeld; âmaster = havenmeester; âyard = werf: âer = dokwerker. Docket, dokdt, subst. korte inhoud, adreskaart (aan goederen), etiquet, lijst der aanhangige rechtszaken; â verb, een korten inhoud maken, briefjes of nummers plakken op, den inhoud van een stuk op de rugzijde vermelden, adresseeren: To strike a â = eene faillietverklaring aanvragen. Doctor, dokte, subst. doctor, dokter, leeraar, donkere sherry: â verb, promoveeren, medici-neeren, beter maken, vervalschen: lie âed us in the cholera days = behandelde ons: I live by â's rule = op dieet; â?s Commons = college van Rechtsgeleerden (London); âquot;s-stnflF = drankje; âing, = geneeskundige behandeling, vervalsching; Doctorate, dohte-rit, subst. doctoraat; â verb, (doktereif) doctoreeren, promoveeren; âship. Doctrinaire, doktrinêd, onpraktisch theoreticus (vooral in de politiek). Doctrine, doktrin, leer, leerstuk, dogma, onderwijs, kennis; Doctrinal = leerstellig. Document, dokjurnnt, subst. bewijsstuk, voorschrift, document; â verb, van bewijs- l stukken voorzien, onderrichten; Documentary i evidence = schriftelijke getuigenis (van een â). . Dodd, dod, afsnijden, scheren (van wol). |
Dodder, dodd, subst. viltkruid: â verb, beven, trillen. Doddle, dod'l, waggelen: A doddling old dotard = een waggelende oude sufferd. Dodecagon, doiideksg'n, twaalfhoek. Dodge, dodz, subst.' plotselinge zijbeweging, kunstgreep, list, streek: He worked the â single-handed = hij bracht de streek geheel alleen in toepassing; â verb, ontwijken,teleurstellen, bedriegen, uitvluchten bedenken: He went dodging about the village = slenterde door het dorp: âr = slimmerd, bedrieger, kuiperijenmaker; Dodgy. Dodipole, dodipoul, sulckel, domkop. Dodoniaii, doudounfn, naam van Jupiter, vereerd in den tempel van Dodona. Doe, don, hinde; âskin, dons kin, hertenvel. Doft', dof, afzetten, uittrekken (van kleeding-stukken), afnemen. Dog. dog, subst. hond, sterrenbeeld (in het Z. halfrond), ijzeren haak, haardijzer: That has gone to the âs = dat is ten onder gegaan: Caive a â a bad name, and hang him = als men een hond wil slaan, vindt men wel een stok; 1 call this throwing things to the âs = ik noem dat de dingen weggooien: He is a â in the manger = hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt; â verb, als een hond of als eene schaduw volgen: The police âged him = hield hem in 't' oog: âbee = hommel (mannetjesbij): âbriar, â rose = meidooorn: âcart = twee- of vierwielig rijtuigje met twee banken (rug aan rug); âcheap = spotgoedkoop: âdays = hondsdagen: âfancier = hondenfokker en -koopman (uit liefhebberij); âfish = zeehond: âfo\ = mannetjesvos; âged courage = standvastige, niet wijkende moed; He was a âged fellow = norsch, hondsch: âgish = als een hond: âhearted = onbarmhartig: âhole = hondegat, hondehok: âlatin = kramerlatijn: âmad = gek; â's-ear = ezelsoor (in een boek); âsleep == hazenslaapje: â's-meat = afval van vleesch, hondenvleesch: âstar = hondsster, Sirius; âtooth = oogtand: âtrick = leelijke streek, gemeene behandeling; âtrot = sukkeldrafje: âvane = wimpeltje: âviolet = welriekend viooltje: âwatch = hondewacht (van 4â6 of 6âK p. m.); âweary = zoo moe als een hond. Doge, doudz, doge (in Venetië en Genua): Dogate, dougeit, Dogeate, doudz ei t, waardigheid van d. Dogger, dogd, schip voor haring(kabeljauw)-vangst. Doggerel, dogor'l. subst. 'rijmelarij; boertige verzen; adj. boertig, weinig dichterlijk. Dogma, dogma, leerstuk; Doginatic(al): âtisui = leerstelligheid; âtize = eene leerstelling-maken of verkondigen. Doily, dóili, sierlijk tafelmatje (voor fles-schen, etc.). Doings, diïhjz, handelingen, daden, gedrag, drukte; Do-little = luilak (Amer.). Doit, dóit, duit, kleinigheid, domkop. Dolce, doltsi, zacht, liefelijk. Doldrums, doldr'mz, streek (in de tropengt;der windstilten: We were in theâs = lusteloos, gemelijk, wij hadden het land. verveelden ons, etc. |
man: ask = ask; farm = fam; b?«t = bwt; learn = Iwn; 1/ne = lain; howse = hans: net: care = kèa: frïte = feit; tin: asleep = aslip: not: \aw â lö: lord = löd: boy = hoi:
DOOR-STONK.
DOLE.
133
|
Dole, doffl, subst. portie, aalmoes, smart, uitgedeelde slagen, grens (langs een bebouwd i stuk gronds): Happy man bellis â= moge hij gelukkig zijn; â verb, uit- of ronddeelen in kleine hoeveelheden, gewoonlijk met out); â tul = smartelijk, treurig, akelig: â some = i somber, ontmoedigend. Doll, dol, pop; â'ö eye«. dolzaiz, koralen (voor poppenoogen). Doll, Dolly, verkorting van Dorothy, (f/orafi), Dorothea.' Dollar, (/ofo, Amerik. munt (van 100 cents), daalder, rijksdaalder. Dol(l)iiiaii, dolrn'n, Turksch gewaad. Dolly, do li, bak met geperforeerden bodem, om erts in te wasschen; waschmachine; sukkel; âHhop = stille bank v. leening, winkel voor zeelieden. Dolly Varden, doliviid'n, dameskleedingstuk. Dolour, «loulo, groote smart, pijn: DolorifcroKs = pijn verwekkend = Doloriflc; Dolorous, (lold)'ds, pijnlijk, smartelijk; Our Lady ofâs = naam voor de H. Maagd Maria. Dolphin, dol fin. dolfijn, ooren (van kanon of mortier), aanlegpaal, boei met ring (aan een anker): lie lelt as much out of his element as a â in a sentry-ho\ = als een visch, die op het droge ligt. Dolt, doult, domkop, sukkel: Slovenly and âish work = slordig en slecht werk.' Doniain, ddmein, domein, grondbezit, gebied. Doni-hoe, dom hok, wetboek der oude Saksische koningen. Dome, t/oitm, koepel, koepelvormig dak,grootsch gebouw, b.v. een tempel of cathedraal; â shaped = koepelvormig; âd = met een â. Domesday, dnmzdei; Zie Doomsday. Doinesman, doumzman, rechter, * scheidsrechter. Domestic, «/./mesïi/.-, subst. huisbediende, dienstbode: adj. huiselijk, huishoudelijk, tam, in-landsch: â animals = huisdieren; â peace = huiselijke vrede; â quarrels = bmnen-landsche twisten: â economy = huishoudkunde: âate, ddrnestikeit, aan* huiselijk leven gewennen, temmen, beschaven; âity. domds-(islti, huiselijkheid; âs = binnenl. producten. Domett, domdt, eene stof van katoen en wol. Domical, domik'l, als een dom of koepel. Domicile, domisail, subst. domicilie; â verb, (zijn) domicilie nemen: A domicilianj visit = bezoek (aan een huis) van de rechterlijke macht, met het oog op huiszoeking: To domiciliate a bill of exchange = een wissel betaalbaar stellen (bij een bankier, etc.». Domify, domifamp;x, de verdeeling van het hemelgewelf in twaalf damns of hulzen, ten einde een horoscoop te trekken. Doniinaiit, dominant, subst. de dominante (Muziek); adj. heerschend; Doniinate, domi-neit, heerschen, zich verheffen boven; Domination; Dominamp;tive = heerschend; Doniineer, dominio, een gebiedenden, onbeschaamden toon voeren, dreigen, woedend uitvaren: JJominntor = besturend lichaam. Doniinic, dominik, Dominicus. Dominical, ddminik'l, subst. de Sabbath: adj. tot den dag des Heeren behoorend; âletter = Zondagsletter; âs = de lessen der Schrift voor den Zondag. bone = boun: full; fool = tul; a = toonlooze lom/ = loi^: s/np = wip: occasion = okelz'n; tl |
Doniiiiicans, ddminik'nz, de orde der Dominicaner monniken (ook Black Priars geheeten). gesticht in 1210. Dominie, domini, schoolmeester, domino (Schotsch). Dominion, domlnfn, oppermacht, heerschappij, bestuur, de bestuurders, orde van engelen. Domino, dominou, domino, dominosteen: To play at âes = dominospelen; 1 was presented with an ivory âbox = kreeg een ivoren dominospel ten geschenke. Don, don, subst. beer (vroeger titel, in Spanje), iemand van gewicht in eigen oogen, een ouder lid v. een college aan de Eng. hoogescholen: â verb, aandoen, bekleeden; ân ish = geleerd-Donah, dound, meisje, liefje. Donald, don ld. Donari, domisri, subst.gave, offer; adj. gewijd, toegewijd. Donate^ douneit, geven (Am.); Donation. ddneis'n, gave, gift, schenking; Donative, dondtiv, subst. gift, schenking, benefice; adj. bij schenking gegeven: Douee, douni, begiftigde; Donator; Donor, dound, schenker. Doncaster, do^kasto: Donegal, donoyól. Done, dnn, part. pertquot;, van to do. Zie Do. Donjon, donzn, verhoogd middengebouw of Keep (zie dit woord) van een oud kasteel, waarin de bezetting ingeval v. nood terugtrok, en waarvan het benedenste als kerker werd gebruikt: sloktoren, kerker (Zie Dungeon). Don Juan. döndzüdn. Donkey,ezel; âess, (loi\kUs, ezelin; â engine = stoomkraan (op een stoomboot), om goederen uit het ruim op d. wal te brengen: -pump = stoompomp (voor den ketel). Donnybrook.'/ombniA:, ruw, woest: â fair = woeste kermisboel; â dance = woest gevecht. Do*nothing.'/M/ii3^/^, subst.doeniet; adj.niets-doend: They set up âness for a virtue = zij beschouwden een leven van nietsdoen (het âlaisser allerquot;1) als eene deugd. Doodle, düd'l, subst. beuzelaar, sukkel: Amerikaan; â verb, beuzelen. Doom. diïm. subst. oordeel, veroordeeling-verdoeming: The crack of â = vernietiging van alles op den dag des oordeels: â verb, veroordeelen, doemen; âsday = dag des oordeels; âMday-book = kadaster, register van de landerijen (in twee deelen, samengesteld op last van Willem den Veroveraar); -ster = rechter. Door, dö, deur, ingang: Creaking âs hang long = krakende wagens loopen 't langst: That was laid at his â = hem ten laste gelegd: It lies at bis â = het is zijne schuld: He lives nextâ = in het huis (kamer) hiernaast. Xextâ to him = naast hem; We had nextâ to nothing = zoowat niets: In. within âs = binnenshuis; Out of âs = buitenshuis: Sent out of âs = weggestuurd: He leant against a âcasing (case) = kozijn van eene deur; âkeeper = portier: ânail = spijker of plaatje, waarop de klopper neerslaat: He is as dead as a ânail = zoo dood als een pier; âplate = naamplaatje; âpost = deurstijl: He is as deaf as a âpost â- zoo doof als een kwartel; âstep = stoep, of = âsill = drempel; âway = ingang; âstone = steenen drempel. vokaal (zie asleep en ''are): girl; /year = jia; liin: Mus = dims: wine. |
DOWLE.
134
DOP.
|
Dop. dop, plaatsen of opzetten. Dor, r/ö, zwarte tor: ook âbeetle. Dorado. iJdrddou. Zuidelijk sterrenbeeld van zes sterren: zeebrasem. DoreaH Society, (/ölc.isasaiiti. Vereeniging(van dames) tot Christelijk Hulpbetoon (Zie Handelingen IX, 36â41gt;. Dorchester, (lötsdste. Dorêe, dórei. Dory, dori, goudvisch. ook Jolm Dory genoemd. Dorian, dó'rVn, Doric, dorik, Dorisch: Doric order, dialect = Dorische bouwstijl, etc. Dorin^, dórin,, het leeuwrikenvangen met een slagnet en een spiegel. Dormant, dörrCnt, subst. slaper (groote dwarsbalk); adj. slapend, rustig, stil, in eene slapende houding; â partner = stille vennoot (ook Sleeping p.): Dormancy = slaap: Dormer = slaapkamer; Dor nier-Indo w, dömdw'mdou, venster, uit een hellend dak springend; dakvenster: Dormitive, dömitiv, subst. en adj. slaapwekkend (middel); Dormitory,dömitori, slaapvertrek, rustplaats, begraafpfaats: Dor-mou8e. dihnaus, marmot. Dorn. dön, rog, stekelvisch. Dorothy, dordthi, Dorothe.'i. Dors»I.V/«s7, tot den rug behoorende. Dorse, dös, kabeljauw (Oostzee». Dorsel. dös'l, wollen stof, pakzadel, troonhemel. Dorsum, dös'm. rug, heuvelrug, schelprug (tegenover de opening). Dort. döt, Dordrecht. Dose, dons, subst. dosis (geneesmiddelen, in één keer gegeven), harde pil of onaangenaam middel, bepaalde hoeveelheid: subst. afmeten (van geneesmiddelen), iets walgelijks toedienen: They have âd him with liquor = veel drank toegediend, suf of dronken gemaakt. Dosel, dous'l, Doser. donsd, rijke draperie. Dosser, dosD. draagkorf. Dost. dost-, Doth, dvth, vormen v. to do. Dot. ilot, subst. stip, punt, kindje, huwelijksgift (Amer.); â verb, stippelen: âted lines = stippellijnen; â your Ts and cross your t's = zet de puntjes op de i, werk nauwkeurig. Dotage, doutidt, sulligheid (vooral van ouderdom). overdreven teederheid, dwaze liefde; Dotard, doutod, sufferd, iemand die buitengewoon verzot is op. Dotty = gek. Dote, dont, suffen, dol, verzot zijn op: He âs on her = is dol op haar; Dotation = huwlijks-gift, schenking. Dotiny = dol, gek (on). Dottard, doteii, geknotte boom. Dottel, doVl, eindje sigaar. |
Dott(e)rel. doVr'l. soort van kievit, sukkel. Double, rlnb'l, adj. dubbel, in paren, bedrie-gelijk: They niiirched off at the â, at âquick time = in den looppas; â verb, vouwen, verdubbelen, herhalen, omzeilen, verdubbelen (van rotten; Mil.), op zijn weg terugkeeren. omdraaien, bedriegen: The Cape was âd = omgezeild: We âd upon the enemy = vielen den v. van twee zijden aan, brachten hem tusschen twee vuren; He âd his lists = balde zijne vuisten; All the leaves were âd down = aan alle bladen waren ezelsooren; I am â his age = tweemaal zoo oud als hij; A âbarrelled rifle = geweer met dubbelen loop; âbass = contrabas : âbreasted coat = jas met twee rijen knoopen: âchin = onderkin: A âdealer = dubbelhartig mensch, bedrieger; âdealing, subst. en adj. dubbelhartig(heid). âdutch = brabbeltaal: He âlocked his door = hij deed zijne deur op het nachtslot; A âdyed villain = een aartsschurk; âeagle = goudstuk van twintig dollars (Amer.): âedged sword = tweesnijdend; âentry = Italiaansch boekhouden; A âtace(d lellów) = huichelende, onoprechte: âlirst = de hoogste graad aan de hoogeschool te Oxford (de eerste zoowel in klassieke talen als in mathematische wetenschappen): âganger = dubbelganger, tweede ik; âhamled = bedriegel ijk, verraderlijk; â hearted = verraderlijk, valsch; âminded = weifelend, besluiteloos; âshot = zwaar laden, aandikken (lig.): âtongued = uit twee monden spiekende, bedriegelijk; âr; Doubly thankiiil = hoogst dankbaar. Doublet, dnhldt, wambuis,buis, vest, een woord van denzelfden stam als een ander, maar verschillend in vorm en beteek.: âs = dobbelspel (soort van triktrak), hetzelfde getal op beide dobbelsteenen. Doubloon, dob bin, Spaansch en Zuid-Amer. goudstuk, ter waarde van ongeveer f 12. Doubt, daut, subst. twijfel, vrees, verdenking: â verb, weifelen, aarzelen, twijfelen, vermoeden, verdenken: That is beyond a â = boven allen twijfel verheven; âer; âlui; âinp. Douche, düè, waterstraal, op een deel van het lichaam gericht ter versterking daarvan. Dough, don, deeg: My cake is â = mijn plan is in duigen gevallen: A âlaced fellow = beginsellooze, gemakkelijk over te halen kerel (Amer.): ânut = soort v. pannekoek: âkneaded = zoo zacht als deeg (Amer.): ây = als deeg. Doughty, dauti, dapper, manhaftig, Mink: Doughtiness. Douglas, dvgbfs. Dour, dito, hard, streng, norsch, suf. Douse, Dowse, (/ff MS, plotseling onderdompelen, in eens vieren of het zeil strijken, uitdooven. Dove, dvv, duif, schatje; âcot(e). âhouse = duivenhok, duiventil; âlet = duifje; â?s-loot = soort van geranium: âtail, subst. zwaluwstaart, verbindingsstuk; â verb, vast verbinden, samenvoegen met zwaluwstaarten: His own work and the quoted pass.iges âtail into one another = zijn eigen werk en zijne aanhalingen loopen in (passen goed bij) elkander. Dóver, donvd, een dutje doen, verstomd doen staan: de stad D.: The Straits of â = de Hoofden. Dowager, dauidzd, douairière, weduwe van een adellijke of een vorst, oude dame. Dowdy, daudi, subst. slordige vrouw, slons: adj. slonzig, slordig. Dowel, dati'l, subst. ijzeren bout of houten pen: â verb, planken verbinden door ijzeren of houten pennen; âjoint = verbinding door een dowel; âpin = â. Dower, dau9. subst. weduwengoed, huwelijks-schat, uitzet: â verb, begiftigen, een uitzet geven; Doivirible = gerechtigd tot een goed of uitzet. Dowlas, dautos, grof linnen goed. Dowle, danl, pluim, veder. |
man: osk = Ask: ferm = fam: b//t = but; \earn â l«n; line = lain; house = hans: net: care = kto; fete = feit: tin: rfsleep = dlslip: not: \aiu = lo; lord = lod; bo?/ = boi:
DRAIN.
DOWN.
135
|
Down, doan, subst. dons, zaadpluimpje, zacht j haar. duin. schapenweide; â prep, en adv. | beneden, naar beneden, onder: af, van de j hoofdstad of van een hoofdstation weg, ter- j neergeslagen: â the country = weg van i â¢de hoofdstad: â the Hound =* in de richting I van de ebbe zeewaarts; â the stream = ! stroomafwaarts: â town = naar het centrum der stad; â with him = weg met hem: He wo» â in the month = neerslachtig = â on his Inek: 1 feel very â = ik gevoel mij somber gestemd; Every thing was tinned upside â = het onderste boven gekeerd; They look â upon him = zien uit lt;le hoogte neer op; Payment â = contante betaling: That will not go â with me = dat wil er bij mij niet in: The wind i» â = is gaan liggen: He went â = ging met vacantie naar huis (v.studenten): I am going â into the eoimtry = naar buiten (tegenover: eoniing up tótown): That partMiiits you â to the ground = die rol is als geknipt voor u: 1 like her â to the ground = ik mag baar dólgraag: From the mayor â to the meanest citizen = tot den gerlngsten burger toe; That man is â on his luck = is ongelukkig: He is â with the influenza = aangetast door, ligt te bed met; His shoes were â at heel = waren afgetrapt; In writing for children, he carel'iil not to write â too much = niet te kinderachtig te schrijven: âbear = drukken, verdrukken: A âcast look = sombere blik; âcome = plotselinge val, omverwerping: He is a â llt;iaster= rijke, maar onbeschaafde Amerikaan; -fall = instorting, val (van water), plotselinge val, ondergang: âhaul = touw om een zeil neer te halen; lie is âhearted = neerslachtig: â hill = bergafwaarts: âhill work = gemakkelijk werk (zie i'phill): âline = spoorlijn «van de hoofdplaats of het middelpunt af): âlooked = somber: âpour = harde, aanhoudende regen: ârazed = met den grond gelijk gemaakt; âright = rechtstreeks, rondweg: A -right tool = gek in folio, echte dwaas; She was âthump on him = pakte hem (te) hard aan; âtrain = trein (van de hoofdplaats of het middelpunt af); âpassenger = passagier van een âtrain: â trod(den) = platgetreden, overheerscht; âweed = katoenplant; âstairs = (naar) beneden: ây = donsachtig, slim. lgt;owns (Thé), illwilaunz, Duins. Dowry, danri. huwelijksgoed, geschenk. Dowse, dans. subst. slag in 'tgelaat; â verb, in het gelaat slaan. Doxology. doksolddzl, lofzang (ter eere Gods); Doxological = lofzingend. Doxy, doksi, zedelooze vrouw. Dozê. doi(Z. subst. dutje, sluimering: â verb, sluimeren, dutten, suffen; âr. Dozen. subst. twaalftal: adj. twaalf: A baker'H â = dertien. Drab, drab. subst. slet: zoutbak: bruine stof, dof bruine kleur; adj. dot bruin, vaal, zwak: The republic is too â to last = te zwak om het lang uit te houden: His âbtali-yellow moustache = zijn vuil-bruingele snor: âby vuil, slonzig; âboots = laarzen van natuuf-leder. |
Drabble, drably bemodderen, door het slijk halen, naar barbeelen visschen met een lang snoer (peuren); â r. Dracaena, drdsind, Dracena (plant). Drachm, dram. Draehma, drakimo (zie ook Dram), zilveren munt bij de Grieken, van ongelijke, maar gemiddelde, waarde v. ongeveer 10 stuiver; gewicht bij de Grieken v. ongev. 30 grein. Draco, dreikoii. sterrenbeeld (Noordelijk halfrond), lichtende uitwaseming van den bodem, kruipend dier, Draco; â volan» = vliegende draak, soort van hagedis (Indië en Afrika): âniaii, drokounj'n, ânic, dwkonik, Draconisch, hoogst gestreng. Draciinculus. drdknvjcjulos, eene soort van Aronskelk = slangenwortel. Dra ff', draf, afval, droesem, draf: ChafT and â = volkomen waardeloos iets. Draft, draft, subst. het trekken, afdeeling, detachement, wissel, omtrek, schets, waterdiepte noodig voor een schip; goed gewicht, rafactie; â verb, schetsen, omtrekken, samenstellen, uitzoeken, detacheeren: He was âed off with others to work in the mines = bij werd met anderen tot werken in de mijnen aangewezen; âhorse = trekpaard. Zie ook Draught. Drag, drag, subst. dreg, zware eg, rem, remschoen, langzame beweging, laag voertuig of kar, slede (Amer.); â verb, langs den grond (doen) sleepen, eggen, dreggen, trekken, met een sleepnet visschen. langzaam vooruitkomen: The affair âged = werd gerekt, vlotte niet: âchain = remketting: âman = visscher, die een sleepnet (ânet) gebruikt. Draggle. 'Iragl, door het slijk of den modder sleepen, bevuilen: A âtail, a âtailed w7oman = eene slons, slordige vrouw. Dragoman, drng.nn a, Turksche(of Oostersche) tolk (gids). Dragon, drag'n, draak, vurige meteoor, driftig persoon, booze vrouw, karabijn (van de dragoons), sterrenbeeld (Noordelijk halfrond): âet = draakje, soort v. visch, ook: âlish. Dragonnade, draganeid, dragonnade (vervolging der Protestanten onder Lodewijk XlVen XV): het overlaten van eene stad aan de woede der soldaten. Dragons, drag'nz, zekere planten (van het genus Dracontium): Dragon's-blood = drakenbloed (soort v.gom); Dragon-fly = waterjuffer (insect): Dragoirs-head = drakenhoofd (plant). Dragoon, drdgikn, subst. dragonder; â verb, aan de woede der soldaten prijsgeven, onderwerpen. plagen, négeren, vervolgen: The military vice of âing is nmiiiited to civic life == de militaire ondeugd van âdonderenquot; komt in het burgerlijk leven niet te pas. Drain, drein, subst. verlaat, sluis,riool,slokje: That i» a heavy â on my purse = dat kost veel geld; âs = korrels,* zaden: â verb, draiueeren of droogleggen, rioleeren, uitputten, laten leegloopen, uitdrinken, filtreeren; âable = wat gedraineerd kan worden; ât\%e,dreinidz. drooglegging, waterafvoer, het drooggelegde land; âer = droogrek: âing-eiigine = pomp-machine (voor waterafvoer); â(iiig)-tiles = draineerbuizen. |
bone = boun; full: fool = fnl: » = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl: //ear = jia; long = Ion; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin: thus = dhvs: wine.
DREAD.
DRAKE.
|
Drake, dreik. mannetjeseend, woerd (zieDuck); ââ¢Â«tone = steentje, om over het water te keilen (Zie Duck). Dram, '/mm, subst. drachme (60 greinen of 1/8 van een ounce), kleine hoeveelheid, slokje, borreltje: Not a â = geen zier; â verb.zich aan het gebruik van sterken drank overgeven, laten drinken; âdrinker; âshop. Dram», dramp;md, tooneelspelknnst, dramatisch stuk, dramatische letterkunde: The dramatic speed of a railway-train = de werkelijke snelheid van een trein: âtie language; Tlie dramatization of a novel = het omwerken van een roman tot een tooneelstuk (The novel was dramatized): Dramaturgy = tooneel-schrijfkunst: Dramaturgist, dnhnotndzist, tooneeldichter, tooneeldirecteur. Drape, dreip, drapeeren, met laken bekleeden; âr = lakenhandelaar: The ârs' Company . = het derde der twaalf groote Londensche gilden; âry = lakenhandel, lakensche goederen, draperie; âried = met dr. behangen. Drastic, drast ik, subst. en adj. krachtig werkend Cmiddel). ~ Draught, drdft, subst. het trekken, teekenen of drinken; teug, drankje; tocht, luchtstroom: schets, omtrek, eerste ontwerp, klad: visschen (met een net), vangst; het spannen van een boog; detachement, diepgang, wissel: At a â = in één teug; A boat with a light â = boot met geringen diepgang; Ale on â = bier van het vat; â verb, trekken, eene schets maken, tappen; adj. van het vat: â and bottled ale = bier van't vat en op flesschen: âboard = dambord; âcompasses = teekenpasser; â-hole = trekgat (voor smeltovens, etc.); âhorse. âox = trekpaard (os): âs = damspel; graan, dat bij het wannen wegvliegt: âsinaii = teekenaar; ây = tochtig. Draw, dró, subst. trekking, haal,'lot, beweegbaar deel van eene brug, voelhoren, einde van een onbeslist spel: The â ol'the concerts was immense = de concerten trokken ontzaglijk veel menschen; She was a sure â = zij trok veel menschen; The game (dispute) ended in a â = het spel (de twist) bleef onbeslist; â verb, trekken, achternakomen, uithalen, sleepen; inzuigen, inademen: uithalen, langzaam bewegen, rekken, uittrekken, slaken (van een zucht), uitstrekken; teekenen, schetsen, malen: leiden (door zedelijken invloed), overhalen: belangstelling wekken.' afpersen, ontwringen: diepgang hebben, terugdeinzen, uit de scheede halen, onbeslist blijven: â it mild = maak dat je grootje wijs; The evenings are âing in already = de avonden worden al langer: He drew a bead upon ine = mikte op mij (Amer.): To â a fox = noodzaken uit zijn hol te komen; Tc» â a man = hem taquineeren, zoodat hij los komt: The hounds drew a covert = omsingelden tie plaats waar het wild was, en dreven hel er uit; To â a letter = een brief opstellen: He -s a straight furrow = hij gaat zijn gang (Amer.); The ship âs twenty feet (of water) = heeft een diepgang van twintig voet; A report was n up = opgesteld: The coachman drew up (drew bridle) instantly = hield dadelijk stil; He drew upon mé as often as lie had a chance = hij maakte gebruik van mij (mijn geld, mijn tijd, mijne krachten, enz.) zoovaak hij een kansje zag; The train drew up at the station = hield stil voor: Your conildence will be able to â him out = uw vertrouwen zal hem kunnen doen uitkomen, zijne talenten doen toonen; I led off on that subject to â out my guest = ik bracht het gesprek op dat onderwerp, om mijn gast aan den gang te krijgen; The head (of the figure) is out of âing = de kop is slecht geteekend; A ân battle, gaine = onbesliste slag, spel: The sword drew blood = het zwaard maakte een wonde, waaruit bloed stroomde: He âs the long bow = hij schiet met spek; The matter was ân to an end (to a close) = de zaak werd ten einde gebracht; The soldier drew iiimself up = nam de militaire houding aan, zette zich in postuur: ân butter = gewelde boter; gesmolten b. (Amer.); His negligence drew on much danger = zijne nalatigheid veroorzaakte veel gevaar; The troop» were ân up in array of battle = opgesteld in slagorder We shall write, when the time âs near = wij zullen schrijven, zoodra de tijd nadert: We tried to â him, but. beyond a smile, he would make no sign = wij trachtten hem aan den gang te krijgen, maar hij liet niets los, behalve dat hij glimlachte: A ân fowl = schoongemaakte vogel. |
Drawback, dróbak, teruggave van invoer- of uitvoerrechten, nadeel: Being young is a â which disappears in time = Jeugd is een gebrek, dat met den tijd verdwijnt: The â is-that . . = er is tegen, dat . . . Drawbar, dröbii, stang, die locomotief entender verbindt, ook Dragbar genoemd. Drawbridge, dróbridz, ophaalbrug. Drawcansir, drékanso, bluffer, snoevende grootspreker. Drawee, droi, op wien een wissel getrokken wordt, acceptant. Drawer, dród, trekker, putter, tapper, wat aantrekt, lade: A pair of âs = onderbroek (Amer.; Z. Pants); Chest of âs = latafel. Draw-gear, drógid, tuig voor trekpaarden: koppelstang (voor spoorwagens). Ook Draw-link genoemd. Drawing, dróin, trekking, teekening, ontvangst; âboard = teekenbord; âmaster (paper) = teekenmeester (papier): âroom = salon, mooie kamer, ontvangzaal, het daar aanwezige gezelschap: The Queen's âroom = de (avond)receptie (voornamelijk voor dames, in Buckingham-Palace, tegenover levee, alléén voor heeren, in St. James's Palace)-. â-pin = punaise, stiftje. Drawl, drol, subst. temerige spraak: â verb, temerig spreken. Draw-net, drónet, vogelnet (van pakgaren. met groote mazen). Draw-plate, dröpleit, stalen plaat met conische gaatjes, waardoor metaaldraad wordt getrokken, om het te verdunnen of te rekken. Draw-well, dró-wel, diepe waterput. Dray(-cart), drei{ka.t), sleeperswagen: â horse: âman = sleeper; âage = gebruik en huur van een dray. Dread, dred, subst. vrees, schrik, ontzag; adj. |
man; ask = ask; farm = fam; hut = but; learn = Ion; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = ^slip; not; \aw = lè: lo/'d = Hid; bo// = boi;
DK1VEN.
137
DRKAM.
|
gevreesd, verschrikkelijk, ontzagwekkend; â verb, vréezen, duchten; ânought, drednvt. onverschrokkene, zware regenjas; âlui; â lesw. Dream, drim, subst. droom, vizioen. ijdele voorstelling, ongegronde verdenking; â verb, droomen, zich verbeelden: He â8 away his life = hij verbeuzelt zijn leven: âer;* ây; âlesw. Drear, drij, woest, somber: ây, driri. akelig, treurig, vervelend; â iueHH. Dredge, dredz. subst. dreg, sleepnet, baggermachine, mengsel van haver en gerst; âverb, met eene dreg of een sleepnet ophalen, uitbaggeren, meel strooien op: âr of Dredging-box = strooibus; Dredgiiig-inacliine = moddermolen. DregM, dregz, grondsel, droesem, uitschot, janhagel, verdachte aardigheden: To the â = ten bodem toe: Dreggy = vuil: Dreggiuess. Drenrh, drens, subst.'teug, borrel: â verb, doorweeken, doornat maken, verzadigen (met drank of vocht), purgeeren: Christ was âed with vinegar: âer = zware bui (die doornat maakt). Dress, dres^ subsi, kleed, kleeding, kleederen. japon: Full â = groot tenu, officieel kleed: â verb, kleeden, richten,klaar maken, bereiden, wasschen en verbinden (van eene wonde), kammen, roskammen, kappen, africhten, mores leeren: I gave him a âing = ik gaf er hem van; Halt, â! = Sectie halt! Richt u!; Tiie shops were beaiitil'iillv âed = waren mooi uitgestald; âed to death = vreeselijk opgeschikt; To â up = optooien, uitdossen; The ships were âed = met vlaggen getooid: âer = aanrechtbank of -tafel, bulïet, kast. aankleeder; âing = kleeding. verband, mest, pak ransel, opvulsel (van vogels, enz.), het zuiveren van metalen voor het smelten; stijfsel, etc. om zijde en stoffen in t algemeen voor het gebruik te bereiden: âings = lijstwerk om deuren en vensters; She was ratherây = opzichtig gekleed, rijk uitgedost: â-eirele = deel van den schouwburg, waar bezoekers zitten, die âtoilet gem;iaktquot; hebben: ââ¢coat = rok (zie Clawhaimner); âgoods = japonstolfen: âinggt;ease = toilet- of kap-doos; âing-gown = kamerjapon, morgenjapon (voor dames), peignoir: âiiig-room = kleedkamer; âiiiglt;tabie = toilettafel: âmaker = naaister, modemaakster. Dreul, drül, kwijlen. Zie Drool. Drey, Dray, drci, eekhorennest. Drrfgt;, drib, afsnijden, stukje voor stukje door bedrog binnenpalmen. Dribble, drib'l, druppelen, kwijlen, beuzelen: Only driblets ol' the diary have been eoininunicated = slechts brokken van het dagboek zijn bekend geworden; Driblet = brokje, kleine som. Drift, drift, wat gedreven wordt door wind, water, enz.; hoop (sneeuw, b.v.), drijfkracht, loop, doel, beteekenis, voornemen, bui, strekking: The â of a current = snelheid van een stroom; â verb, drijven (uit den koers), .saamgedreven of voortgedreven worden, een doorgang in eene mijn vormen: â ice = drijfijs: He âed about = slenterde rond; ââ¢wind = een wind, die alles opéén jaagt; ââ¢wood = drijf- of wrakhout; âless = zonder doel; âage, driftidi, (mate van) afdrijving van een schip door wind en stroom. |
Drill, dril, subst. (dril)boor, het exerceeren, aap, baviaan, beekje, rij gezaaid graan; â verb, doorboren, boren, uitputten, leeg of droog maken, drillen, exerceeren, graan in rijen zaaien, zacht vloeien: I never saw any one â like that before = ik heb nooit iémand zoo mooi zien exerceeren; âbow = drilboog:: âharrow = fijne egge: âpress. âing-niachine = drilboor voor metalen: âsergeant = sergeant met het exerceeren belast. Drily, draili, droogjes, leuk. Driiik, drink, subst. teug, drank, borrel: That brute of a fellow is always on the â and gamble = dat beest van een vent is altijd aan quot;t zuipen en dobbelen; He was in â = dronken = the worse for â; â verb, drinken,, onmatig drinken, opdrinken: 1 â to the bride and bridegroom = ik drink up bruid en bruigom; Von cannot â him down = onde) de tafel drinken: He drank deep = dronk sterk (Zie Deep;: â off your glass == gooi â'mquot; eens om: I'll â (tó) your health = (op) uwe gezondheid drinken:* He -^s like a lish = zuipt als een teek; The giiineat was drunk out = verdronken; âable, subst. en adj. drinkbaar (iets); âmoney = drinkgeld, fooi; âer: âless: âing-bout = slemp- oi zuippartij: âing-fountain = drinkfontein: âing-hiHise = kroeg, bierhuis: âing-song = drinklied. Drip, drip, subst. druppelval, neervallen iu druppels, dakkant, goot: â verb, druppelen, laten vallen in druppels: The âping air of the twilight = de met waterdeelen bezwangerde avondlucht; The â piiig(s) of the meat = het van aan 't spit gebraden vleesch afgedruppelde vet (dit wordt opgevangen in de â ping-pan): âping-eaves = benedenste dakrand. Drive, draiv, ritje (ineen rijtuig),rijweg:,hevige slag; â verb, (ver)drijven, voortdrijven, ach-terjagen. in een voertuig vervoeren, stampenT slaan, duwen, aandringen, achtervolgen, mikken op, drijven (van eene zaak); Letâ.boys t = slaat ér duchtig op, jongens! â yóur business = drijf uw zaak; To â a trade iu = handelen in; We dr«.ve that bargain to our mutual joy = wij sloten dien koop (na eenig dingen) tót wederzijdsche vreugde: It drove my heart into my boots = het deed mij het hart in de schoenen zinken; I did not know what he was driving at = waarop hij doelde, waar hij naar toe wou;. You are driving a hard bargain = gij laat ook niets vallen; They drove the river = zij stuurden het vlot, etc. de rivier af: The enemies were driven in = genoodzaakt te retireeren; They were driven off = teruggedreven: There will soon be a âway behind these houses = rijpad achter deze hulzen langs: â r = koetsier (van niet eigen rijtuig; Zie Coachman), voerman, drijfrad; Driving-band = drijfriem; Driving-park = renbaan (Am.); Driving-wheel = drijfrad. Drivel, driv'l, subst. speeksel, kwijl,gewauwel: â verb, wauwelen, suilen, kwijlen; âIer = suffer, kwijler, dwaas, halfwijze, idioot. Driven, driven, part. perf. van to drive. |
|
bone = boun; full: fool = tïil; a lom/ = loi^: ship = sip; occas/on = = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = Jia: okeiz'n: thin; thus = dims; wine. |
DR V-BOB.
DRIZZLE.
|
1gt;rizzle. dHz'l, subst. druilerige regen, stof-of motregen; â verb, mot- en stofregenen, in fijne deeltjes neervallen; Drizzly. Uroffheda, drogidd: Droitwiel»,'(/r6i^V/f. Droll, droul, subst. grappenmaker, snaak; adj. snaaksch. grappig: â verb, grappig zijn, den boertige spelen; ây = grappig; âêry = snakerij. Dromeilary. dmmod'ri, dromedaris. Drone. 'Irottn, subst. hommel, luiaard, gebrom, gegons, geneurie, koor, refrein: The monotonous â of the wheel = gesnor; â verb, gonzen, brommen, dreunen, luieren: He âd out a little song = hij neuriede (fantaseerde) een liedje; âfly = bromvlieg; âbee â mannetjesbij: â-pipe = doedelzak (van het geluid). Drool, drill, kwijlen. Droop. drup. subst. het laten hangen (van quot;t hoofd); â verb, laten hangen, kwijnen, zinken. Drop. drop, subst. droppel, oorknopje, kleine hoeveelheid, valluik, valdeur, tooneelscherm of gordijn, drupsje: The âseene descended = het (bij)scherm (dat tusschen de tooneelen gebruikt wordt) viel; It nas a great â, a fall I'roin the stars to the mire = een diepe val; He likes a â â houdt van een borrel: The bear fell down some ten feet of â = de beer viel zoowat tien voet naar beneden: Kendal Black â = opium; â verb, druppelen, druipen, laten vallen, ter zijde leggen, opgeven, onverwachts komen: He âped me a post-card = zond mij eene briefkaart: We âped anchor = lieten . . . vallen: 1 never âped a word on the subject = ik heb er nooit over gesprnken; We âped down = zakten de rivier af; We shall â Sicily, and return by Marseilles = â S. niet a'andoen. uit ons plan laten vervallen; I will â in one of these days = wel eens aanloopen; The conversation halted, then âped = het gesprek stokte, en hield toen geheel op; The steamer âped astern = verminderde hare snelheid (om eene andere te laten voorgaan): He âped into his place = nam . . . plaats in: After dinner I âped off = viel ongemerkt in slaap; Where did you â from ?= waar zijt gij vandaan komen waaien (Zie Hail); The Ciovernment âped the bill = liet het wetsontwerp varen, nam het terug; âletter = bestelbrief in hetzelfde postdistrict (Amer.); A âping lire = ongeregeld aanhoudend geweervuur: â ping-bottle (tube) = druppel-flesehje; âs = druppen (vloeibaar geneesmiddel), borreltje, geslepen glas aan een luchter: tabletten: He is fond of bis âs = hij houdt veel van een borrel; âstone = druipsteen. Dropsy, dropsi. waterzucht: A dropsied (dropsical) body = waterzuchtig (dik, gezwollen,) lichaam.' Drosky, dr-oski, huurrijtuig, vigelante (Russ.). Dross.' dros, schuim (van metalen), roest, afval, droesem ; â of iron = hamerslag; ây; Drossiness. Drought, draul. droogte, dorheid, dorst, onvruchtbaarheid: âv: Drouth, dranth (dichterlijk voor drougfit). Drove, drouv, kudde (groot of klein vee: Zie Herd en Flock V drom. hoop. drijfpad (voor man; ask = Ask; farm = lam: b//t = but: vare â kè»; fate = feit; tin: «sleep = a? |
vee, etc.), buis of nauwe greppel voor besproeiing van land: imperf. van to drive; âr = veedrijver, veekooper. Drown, draun, (doen) verdrinken, onder water zetten, overweldigen, uitdooven, gesmoord worden: While intending to â his dog, he himself was âed = verdronk hij zelf: We were in danger of â ing = gevaar te verdrinken; âer. i Drowse, drauz, subst. dutje; â verb, dutten, dommelen, suf maken, versulïen: A drowsy-headed fellow = slaapkop, sufkop. Drub, drvb, subst. slag, stoot; â verb, slaan, kloppen (met), ranselen; Vou have brought me many âbings = veel ransel bezorgd; -her. Drudge, drvdz, subst. werkezel, slaaf, duivelstoejager, hark; â verb, slaven, zich afsloven, hard werken, zwoegen; âr: âry = zware arbeid, verachtelijk werk. Drug, drvg, subst. drogerij, kruid (vooral als bestanddeel van medicijnen of chemische prae-paraten); koopwaar, waarnaar weinig vraag is: Such men are a â in the labour-market = zijn niets waard, en brengen dus niets op; â vèrb. geneesmiddelen voorschrijven, kruiden, vermengen, verdooven door het toedienen van middelen: âgist = drogist: apotheker (Amer.). Drugget, ilrngnt, vloerkleed. Druid, drüid. naam van de priesters, rechters en geleerden bij de oude Kelten: âess = priesteres; Druidic: âism. Drum, drom, trom, mat (vijgen), trommel, zuilsteen, groote avondpartij (Zie Crush en Kout); â of the ear = trommelvlies; â verb, trommelen, hard kloppen (van het hart), door trommelen samenroepen of oproepen: The soldier was âmed out = werd voor het front der troepen weggejaagd; A â and trumpet spirit = oorlogzuchtige geest; â head = trommelvel, top van een kaapstander, soort v. kool; âmajor = tamboermajoor: ânier = trommelslager, handelsreiziger: âstick = trommelstok: boutje van eene kip of eend. Drumble, dromh'L gonzen, dreunen. Drunk(en), drnnkCn), dronken: He is â: âen man: âard: âenness = dronkenschap, waanzin. Drupe, drup, steenvrucht: âI = steenvrucht met veel pitten. Druse, drïis, rotsholte of grot met kristallen bezet. Druses, drftziz, volk, een deel van den Libanon en Anti-L. bewonende. Dry, drai, adj. droog, dorstig, zuiver, streng, sarkastisch, vormelijk, koel, correct: â wine = zuiver (niet zoet); Madera â = zuiverem.: â light = ongemengd, zoo zuiver mogelijk; â verb, drogen, van dorst versmachten, uitputten, geheel van vocht berooven: The conversation dried up = hield op (door gebrek aan stof): A âas-dust, sleepy village = vervelend, saai dorpje; A âas-dust (scholar) = geleerde (vooral historicus), die scherp onderzoekt, maar zonder ziel of belangstelling voor de gebeurtenissen; A â blow = hevige sl.ag (die geene wond veroorzaakt); âbeaten = flink afgeranseld; He is aâbob=jongen te Eton, die niet aan roeien doet [deze is een learn = Urn: line = lain; bowse = liaus; net: lip; not: law = lo: lord = löd: hog = boi: |
DKV-BONED.
139
DÃMM V.
|
wet-boigt;j maar wel aan andere sport): â honed = knokig (zonder vleesch); âeyed = met droge oogen: âfoot = speurhond: â good» = manufacturen: âmeasure = maat voor droge waren: âiHirnp = baker, ziekenoppasser; instructeur van een superieur officier; âpoint = fijne etsnaald: ârot = i vermolmd hout: He talk» a lot ol* â rot = hij kletst heel wat af; ârnb = droogschuren (poetsen): â«alter = koopman in gedroogde visch, drogerijen en verfwaren, enz.; âhIiocI = droogvoets; âstove = broeikas (voor tropische gewassen): âing'Stove = droogoven: âhiK-lineN = drooglijnen; âly = droog(jes). Dryad, draidd, boschnimf. 1gt;iial. djitoU uit twee bestaande: âihiii = het stelsel, dat ziel en lichaam als twee afzonderlijke deelen beschouwt; âist; Duality. Iliian. djuan* zang (van een gedicht). Dnarcliv, djiiaki. bestuur van twee hoofden. Dub, dnh. subst. slag; â verb, tot ridder slaan, titel of naam geven, gladmaken, bereiden, een tikkend geluid maken: We â bed him Charlie = noemden; The eoek was âbed = de sporen gescherpt, en de kam en de lellen afgesneden, d. i. voor 't (hanen )gevecht klaar gemaakt: To â elotli = laken of stollen kaarden: âbiiiR = mengsel van traan en talg om leer zacht te maken. Hnbasli. diïbaè, Indische tolk. Dubious, djübjds. Dnbitable. djffbitJh'l,twijfelachtig. onzeker; IJnbiety = twijfelachtigheid. Dublin, dnblin. Duc-al. djük'L hertogelijk. Dncat, dvknt. dukaat (gouden, ongeveer/'5,70; zilveren, ongeveer Æ' 2.20). âoon. dvtotun, dukaton (ongeveer f 3,20). Dneliess. dntéis, hertogin: Dneliy. dntèi, hertogdom. Dnc-k. dnl,\ subst. grof linnen, eend, nijging (van het hoofd), lieveling (met het verkleinwoord Ducky: Now, Ducky, don't frown = snoesje, kijk nu niet boos); â verb.duiken. lt;zich) bukken, buigen, kruipen: The boys were making (playing) âs and drakes*= keilden steentjes over het water: He makes âs and drakes of his money = hij gooit zijn geld weg; That Jobber is a lame â = die effectenhandelaar*is failliet, aan lager wal; A âbilled bird = vogel met eendenbek; âer = eendenfokker, kruiper: â ing-s(ool = .stoel ter onderdompeling als strafoefening; âlegged = met korte, waggelende beenen: âmeat. â's-meat, âweed = eendenkroos; âpand = eendenvijver, (schertsend) de Atlantische Oceaan(Amer. Zie Herring-pond); âling = jonge eend. Duet, dvkt, leiding, buis; â ile. ^/»/.-^7, leid-zaarh, handelbaar, buigzaam; toegevend, rekbaar; Ductilitij = â ileness. Dudder. dndd. trillen, beven, verdooven. verwarren. Dude. djad. groote, verwijfde fat, âgigerlequot;. Dudeen. djudin. neuswarmertje (pijp). Dudgeon, dndzn. korte dolk, dolkgevest, verontwaardiging, toorn: She left in (high) â = zij ging (zéér) boos weg. |
Duds, dvdz. oude kleeren, vodden, spulletjes. Due, djv, subst. schuld, plicht, recht, eisch, aanspraak, rechten en leges (de laatste twee steeds Dues): That is my â = dat komt mij toe; tiive every maii bis â = geelquot; ieder het zijne (zie* Devil); adj. schuldig, behoorlijk, gepast, wat moet zijn op een bepaaldenquot; tijd, vlak: I had been â at my ofliee for an hour = ik had al een uur op het kantoor moeten zijn; The debt is â on the twentieth = vervalt, moet betaald worden op; He eame in due time = juist op tijd: The weather-eoek pointed â east = de weerhaan stond vlak oost: The train is â at 7 = moet om 7 uur hier zijn; â bill = schuldbekentenis; Duly = gepast, behoorlijk, in orde; âness = ge*pastheid. Duel, djii'l, subst. duel, strijd; â verb, duel-leeren: âlist. Duen(n)a. djuens, gouvernante, opzieneres, eerste hofdame (Spanje). Duet, djiiot. Duetto, djuetou, duet. Duettino, djudtinou, kort duet. Duffel, '/«/quot;/, duffel, grove wollen stof. Duffer, dnf'i. marskramer (vooral in onechte dingen), bedrieger, sufkop.brekebeen,domoor: He is but a flat â = niets dan een saaie sufkous. Dug. dog, tepel of uier; p. perf. enimperf. van to dig: âout = boomkano, ruwe hut (Am.). Duke. djük, hertog;âling = hertogje:âdom: âship. Dnleamara. dvikdmAra, bitterzoet (plant). Duleet, dnlsit. zoet. liefelijk; Dulcifhious = zoetvloeiend: Dulcify, dnlsi/'ai. zoet maken. Dulcimer, dulsimd. buderwetsch snaarinstrument, met roedjes bespeeld. Dulcine. dnlsin, Dulcose, dnlkoiiz. suiker v. Madagascar. Dull. dvl, adj. dom. sul, bot, slaperig, loom. zeurig, dof, stomp, stroef (van een slot), ongevoelig, bewolkt, vervelend; â of sale = traag van de hand: â of hearing = hardhoorig: â verb, dof (bot, stom, traag) maken, versuffen, bewolken, verdooven; âbrained = stomp, traag (van (hersens: âbrowed = somber uiziend; âcoloured = dof gekleurd: â disposed = somber gestemd; âeyed = met somberen blik; âsighted = slecht van gezicht; âtempered steel = dof staal: âwitted = dom. sufferig; âard. dnted. âhead = domkop, botterik: â ish: Dulness = slapte in zaken, sufheid. Dulse, dvls^ eetbaar zeewier. Dulwich. dnlidz. Dumb, dnm. adj. stom, sprakeloos: It has struck me â = het heeft mij de spraak benomen; â verb, tot zwijgen brengen; â hells = halters (bij de gymnastiek); âcake soort koek of gebak, door meisjes gebakken, om haar toekomstigen man te ontdekken: âledor(e) = hommel; âshow = pantomime: âwaiter = dientafeltje, stomme knecht: I was âfounded, âfoundered = verslagen, met stomheid geslagen. Dunibarton, d'rnbat'n. Dumfries, d'tnf'ri:. Duininy, dnrni, subst. stomme, iets nage-maakts, zoodat het uiterlijk het aanzien van iets heeft, maar innerlijk niets bevat; blinde (bij het kaartspel), figurant (op het tooneel), persijzer: Most of these doors are dummies = blinde deuren: He is not a man. he is a â = pop; Double â = whist met twee personen: adj. storn, geveinsd. |
bone = boun; full: fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en enre): girl: //ear = jto; long = ion; s/np = sip: occasion = okei#/n: thin; f/ms = dims: wine.
DUMOSE.
140
DYE.
|
Duiiiohc. Ojümouz, Duihoiih, tljunws, vol braamstruiken en heesters. Dump, dump. geld, klein beetje; somberheid, slechtgeluimdheid; â» = dofheid, droefgeestigheid: 1 am in flie â» = somber gestemd: To â down = neersmakken; âeart = stortkar; â i»li = somber. Dumpling, domplh^ soort gebak, knoedel. Dumpv. 'lumpi, kort en dik. Duii, dim, subst. lastige schuldeischer, dringende maanbrief, aardhoogte; adj. dofbruin, somber; â verb, onophoudelijk manen (om eene schuld), visch inzouten; âliali = gezouten kabeljauw; âHy = vlieg om mede te hengelen. Dunbar, d'nbii; Duncan, dnr\k'n. Dunce, dnns, ezel. domkop. Dundalk. cVndók. Dundas, d'ndas. Dundee. cVndi. Dunder. dondd, droesem, gistend suikerrietsap vooi- het distelleeren van rum. Dunderlicad(cdgt;, dvnddhed{id). Dunder pa te. dunddpeit. subst. domkop; adj. dom. Dune, djün, duin. Dunterline, d'nfvlin. DungeneMH. donztiBs. Dung, dirti, subst, mest, drek; â verb, bemesten; âbeetle = mestkever : âliill, subst. mesthoop, vuil hok; adj. laag,gemeen: âmeer = mestput; âyard = mestvaalt. Dungeon, dnnVn, subst. kerker; â verb, in-kerkeren. Dunkirk, dvnkv.k. Duinkerken. Dunlop, dunldp, roomkaas (Schotl.). Dunnage, dtmidz, takken of takkebossen, etc. onder in het schip ter bescherming van de verpakte goederen tegen het ruimwater. Dunnock, dmwk, grijze musch. Diinnv, dmii, bot, dom, hardhoorig. DunHinane, d'ns-indn. Dunstable, dnnstdb l. Dunwicli, dnnidz. Duodecimo, djüoudesimou, subst. een boek in duodecimo (formaat); adj. duodecimo (twaalf bladen of 24 bladzijden in een vel). Duologue, djüdlog, tooneelstukje met zang voor eene dame en een heer, met een duet eindigende. Dupe, djiip, subst. bedrogene, iemand die gemakkelijk bedrogen wordt; âverb, bedriegen; âable; âabiiitj. Dupion, djüpj'n, dubbele cocon van twee of meer zijdewormen. Duple, iljnp'L dubbel: Duplex, djüpbks, tweevoudig; Duplicate, dj üp lik it, subst. afschrift, duplicaat; adj. dubbel, tweevoudig: â verbi (djüplikeit) dubbel vouwen, in tweeën deelen; Duplication; Duplicative; Duplicature = vouw;i)w/jiict^/=dubbelhartigheid,huichelarij. Durable, djürdb'l, duurzaam; Durability; Durance = gevangenschap, gevangenis; Duration = duur, voortduring; Dure = duren: During = gedurende. Dura mater, djürdmcitd, buitenste hersenvlies. Duramen, djureinf n. hart van een boomstam. Durbar, dvbii, audientie-zaal of receptie (Indië). Duraws, djüros, subst. dwang, gevangenschap, vrijheidsbeneming, dreigement. DuresM, djures, aan dwang etc. onderwerpen. Durga, dürp, godin (der Hindoes), vrouw van Siva. Durham, durm. DurHt, dnst, imperf. van to dare. |
Dusk, dvak, subst. schemering, duisterheid: adj. schemerachtig, donker; âi»li; ây = somber, donker, droevig. Dust, dvst, subst. stof. stoornis, aarde, graf, verwarring, beroering, geld: The rain lias laid the â = het stof bedwongen; The 1 enemies bit the â = beten in't stof, werden overwonnen; In â and ashes = in zak en assche; It was turned to â and ashes = werd waardeloos: Doirt throw â in(to)my eyes = werd mij geen zand in de oogen, breng me niet in verwarring; He kicked up, made, raised a â = hij haalde alles overhoop; â verb, afstoffen, bestuiven, verslaan: I will â your Jacket = ik zal je een pak ransel geven; â-contractor = aannemer van het straatvuilnis: âing sheet = stoflaken; âhole = aschhok: âman = vuilnisman, aschman; âer = stofdoek, borstel; ââ¢paii = blik; ây = stoffig. Dutch, 'dots, subst. de Nederlanders; de Ned. taal; adj. Hollandsch, Nederlandsch: âauction = verkooping bij afslag; â concert = onregelmatig concert, kikkergekwaak; - courage = jenevermoed, valsche moed; â disease = scheurbuik; â metal (gold) = koper en brons (gemengd) in bladvorm, klatergoud: â drops = terpentijnbalsem: â blue = lakmoes; â cheese = Edammer kaas; â clinkers = gele klinkersteenen: â stairs = huistrap; â tiles = geglazuurde en beschilderde haard-steentjes (zie ook nog brass-foil); â uncle = ouwe knorrepot; âman = Nederlander: II' it is not true, I'm a âman = mag ik vervloekt zijn. Duty, djuti, plicht, gehoorzaamheid, onderwerping, eerbied, belasting, accijnzen, in- en uitvoerrechten: When will he enter upon his duties = zijn ambt aanvaarden: Vouare in â bound tó go there = verplicht; They are (up)on â, off â = in dienst, op wacht, vrij; Succession â (duties) = successierechten: Dutilul = plichtmatig, gehoorzaam, eerbiedig: âfree = vrij van belasting, etc.: Duteous, djüt'us, aan plichtgetrouw,gehoorzaam, onderdanig; Dutiable = aan rechten onderhevig. Diiuinvir, djunnwv, tweeman (Meerv. Diinni-viri, djunmvirai); âate. Dux, dvks, primus (op school). Dwarl'. dwöf, subst. dwerg; â verb, den groei beletten, klein houden: Famine hasâedthe race = het geslacht in forschheid achteruit doen gaan; âtree = dwergboom; âwall = lage muur met ijzeren pennen. Dweil, dwel, wonen, verblijven, (lang) stilstaan bij, teeder aanhangen: I shall not â any longer on this subject = blijven stilstaan: Her eye dwelt on* her child = rustte vol teederh'eid op; â ing-house; â ing-place. Dwindle, divimVl, subst. afneming, achteruitgang: â verb, minder worden, achteruitgaan, inkrimpen, ontaarden, verstrooien. Dwt, verkorting voor pennyweight (zie dit woord). Dye, t/ai, subst. kleur, tint, verfstof: â verb, verven (van stoffen): A villain of a lirst-class â = schurk van 't ergste soort = of the blackest â; âing, daiir\, het verven (van stoffen); â r = stoffenverver; -ster. |
man; ^rsk = ask: ïarm = tam: bèlt;t = bwt: \earn = lim; line -- lain: house = haus; net; ewe = ked; fate = feit; tin'; «sleep = «slip; mit: \aw = ló: lord = lod; hoy = bfti;
KAKTH.
DYING.
141
|
Dying, daiir\, subst. het sterven, de dood: ' adj. sterfelijk, laatste, het einde nabij. Dynninies, dainamiks, het deel der mechanica, dat over de kracht handelt: de wetenschap der bewegende krachten. Dynamic man i testations = krachtsopenbaringen (of a nation). Dynaniite, dairwmait, subst. dinamiet (ontplofbare stoO; adj. van dinamiet: â explosions = dinamietontploffiggen: Dynaiiiitard. 'laindmaited; Dynamiter. Dynamo, rfainamou, dynamo-electrische machine: Dynamometer. ^ai»iemomato, Dyno-meter. dmnomatd. knichtmeter. E, /, verkorting voor East (als E. X. E. = Oost j Noord Oost): als telwoord = 250: I'Ja{ch)', \ E. r. = Eastern Central (postdistrict in Lon- i den) of: Established Church', TJccl{esiastes): 1 Kd(itor); E. G. (Exempli gratia) = bij voorbeeld; Edin(bnrgh); Jï(ast) J(ndies); E(ast) I(ndia) Coirnpany)'. JïHs(abeth); Eng(lish): Epis(copal); JEquir(alent): J'Jt Seq(uentia) = en de volgenden: l'Jtjpn{ology); Ex(amplc)\ E. amp; O. E. = Errors and Omissions accepted: Etc. (Etcaetera) = enzoovoort: Esq. Esq® (Esquire) = Weledele Heer: Exc7 (Excellency) = Excellentie: E sharp = Eis (muziek): E flat = Es (muziek). Each, its, subst. en adj. elk (van een zeker aantal); â other = elkander. Eadish, idis. Zie Eddisii. Eager, fga, gretig, vurig, driftig, ernstig; âness. Eagle, ig% arend, adelaar, gouden munt van 10 dollars (Amer.), sterrenbeeld in het Noordelijk halfrond; ât = jonge arend: âeyed, âsighted = m. arendsoogen; âflighted = met eene arendsvlucht; âpinioned = met arendsvlerken = âwinged. Eagre, igz, springvloed. Ealing, ilin. Eaniiig, de tijd van het jongen (vooral van lammeren). Ear, ie, oor. gehoorzin, oplettendheid, aar: It goes in at one â and comes out at the other = het ééne oor in, het andere weer uit; j I am all â, all âs = geheel gehoor: The room fell in about our âs = viel boven ons hoofd in: Ko â for music = geen mu- i zikaal gehoor; lie turned a deaf â to (had no â for) my entreaties = luisterde niet naar mijn sme'eken; We have set them by the âs = tegen elkander aangezet, opgehitst; This set the critics by the âs = deed... opvliegen: They knock'ed the idols of their youth about 'their âs = verachtten hen, iegden hen af als prullen: They fell(went) together by the â s = zij kregen het met ; elkander aan den stok; They are together by the â8 = zij hebben het samen aan den ' stok; He is over head and âs in debt, up to the âs in debt = diep in de schuld; Lend me your â(*â ») = verleen mij gehoor; bone = boun; full; fool = ful; = toonlooze long = loi^: ship â »ip: occasion = okeiz'n: tl |
Dynasty, dinesti, regeering, heerschappij, reeks van koningen uit hetzelfde stamhuis: Dynastie. Dysentery, dis'ntori. roode loop, sterke stoelgang; Dysen teric(al). Dysopsy, disopsi. zwakheid van gezicht. Dysorexy, diédreksi. slechte eetlust, gebrek aan eetlust. Dyspepsia, dispepèd, Dyspepsy. dispepsi. slechte spijsvertering. Dysphoria, disfórid. rusteloosheid, slapeloosheid (populair: The fidgets). Dynpnoea. dispnfo. moeilijke ademhaling. lie has a flea in his â = hij zit er in, hij zit in de klem; He lias bitten this man's â = heeft dezen man beleedigd: I would not say anything against him in the public â = it zou in 't openbaar niets in zijn nadeel willen zeggen: â verb, in aren groeien, aren vormen, bebouwen, beploegen; âache, trei/.:, oorpijn; âbob = oorknopje; âcap = oorklep (tegen de koude): âcockle = ziekte in de tarwe; âdeafening = oorverdoovend: âdropt per) = oorknopje;âdruni = trommel-vlies; âed = met ooren (aren); âlap = oorlel: âless = zonder ooren (aren): âmark = merk; verb, merken; âpiek = oorlepeltje: âshot = gehoorsafstand: The man wan within âshot = de man kon ons hooren: âtrumpet = gehoorbuis; âwax = oorvuil. oorsmeer; âwig, subst. oorworm, oorblazer, verklikker: verb, gehoor verkrijgen door lasterlijk gepraat over anderen; â ing = het aren vormen, noktouw van een zeil. Earl, r);, graai (Eng. titel: zie Count), tusschen marquis en viscount; âmarshal = chef van het militaire huis, erfelijk in het geslacht van de hertogen van Norfolk; âdom. Early, tïli, vroeg, vroegtijdig, bijtijds: â in May = in 't begin v. Mei; â to bed and â to rise. Makes a man healthy and wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond= The â bird catches the worm: An â party = eene partij, waarbij de gasten niet laat blijven: â tinie.s = vóórhistorische tijd: â English = het Engelsch tusschen 1250-1350. Earn, wn, verdienen, verkrijgen. Earnest, finist, subst. eerstelingen, eerste vruchten, pand, onderpand, handgeld, ernst: I am in (good) â = ik meen het; adj. ernstig, vurig, ijverig, dringend: 1 shall be â to know how the matter proceeds = ik verlang vurig om te weten, het zal mij verwonderen, hoe de zaak gaat: This is an â of further honours = onderpand van: âmoney = geld als borg voor de geldigheid van een gesloten koop: âly; âness. EarningK. unir\z. verdienste, verdiende loon. Earth, vth, subst. aarde, grond, de wereld, streek, lage toestand: How on â could yon- vokaal (zie asleep en care): girl: year = jia: liin: f/ius = dims: wine. |
ECHINATE(D).
142
EASE.
|
do it = hoe kón je het toch doen: â verb, met aarde bedekken, in den grond kruipen, een gat graven (van konijnen, enz.); âboard = ploegzool (die de aarde omwerkt); âboni = menschelijk, sterfelijk, laag: âbound = in de aarde bevestigd; âbred, âled = laag, verachtelijk; âcreated = uit stof geschapen; âdrake = monster, draak: âflax = steen-vlas: âhonger = begeerte naar grond- of landbezit: âlight = van de aarde op de maan teruggekaatst licht =âsliine: âlin^ = aardbewoner, sterveling, wereldling; ânut = aardaker; âquake = aardbeving: Blind force and violence played âquake with peace and order = vernietigden; âward, nthwdd, naar de aarde toe; âwork = aardewerk (Mil.); âworm = aardworm, verachtelijk mensch; âen = van aarde gemaakt, broos; âenware = aardewerk, potten en pannen: -I.V = aardsch, stoffelijk, mogelijk, begrijpelijk; âly-minded = aardschgezind: ây = aardsch, ruw: They are of the â ây = aardschgezind, wereldsche personen; An ây aavour = grondlucht. Ease, iz, subst. gemak, kalmte, rust, ongedwongenheid: Stand at â = op de plaats, rust! At â = op zijn gemak, van pijn ontheven; Chapel of â = hulpkerk; â verb, geruststellen, verlichten, van pijn verlossen, loslaten: Tiie rope wa» âd «lï. âd away = het touw werd langzaam gevierd: The cy-clists âd up = reden langzamer (om stil te houden); The »hip was âd = aan lijzijde gebracht; â her = halve kracht! (op eene stoomboot); âful = kalm, vreedzaam; âles» ongemakkelijk: âment = verlichting, gemak, recht, voorrecht; Easy, i:i. gemakkelijk, ongedwongen, vrij van zórgen, pijn, etc., gerust, welgesteld: Hè is in easy circumstances = hij is in goeden doen:' 1 fell into easy chat with him = begon een gezellig praatje met hem: Easy travellers = gemakkelijk te bedriegen; Easy with it = kalmpjes aan er mee; The soldiers were allowed to stand easy = mochten uit het gelid gaan: Easy of digestion = licht verteerbaar: We may-take an easy = rust nemen; Easy come, easy go =' zoo gewonnen, zoo geronnen; Yoii may make yourself eatty on that = daarop kunt gij gerust zijn; To easy = zachter voortbewegen; Easy-chair = gemakstoel; He is an easy-going man = hij neemt de dingen gemakkelijk op = takes things easy: Easiness. Easel, iz7, schildersezel: âpicture = klein schilderijtje, paneeltje. East, ist, subst. Oosten: adj. oost, oostelijk: â of \orth = N.-Oostelijk; Bounded to the â by France = ten oosten door F. begrensd: âIndies = O.-Indie: âIndian = O.-Indiër: O.-Indisch; âend = armenbuurt in Londen: âender = bewoner van die buurt; The â = de landen oostelijk van Europa; âer = Paschen (de eerste Zondag na volle maan op of na 21 Maart); -er-term: âer-tide; âerling = Oosterling, handelaar v. de Oostzeekusten; goudstuk (door Richard I in het Oosten ge-slagen), soort v. zwemvogel: âerly = oostelijk; âern, subst. Oosterling; adj. en adv. Oostersch. naar het Oosten; âern Empire = Oostersch |
Rom. Rijk; âern question = Oostersche: âing = oostel. afstand van eenigen meridiaan; âerner = meer oostelijk bewoner der Vereenigde Staten; âward = oostelijk, oostwaarts(ch). Eat, it, eten, knagen, opeten, smaken: These peas â very well = smaken lekker; He âs nis ternis = hij studeert voorde(Engelsche) balie; Vou shall â your words = uwe woorden terugnemen; lie âs dirt = bakt zoete broodjes (Am.): To â into = uitbijten: They have âen far into the pudding = een heel gat in den pudding gegeten: Toont = verteren; âable, subst. en adj. eetbaar (iets): âablcs and drinkables = eet-en drinkwaren; âer: A great, a poor âer = een sterke, slechte eter: âing = het eten: âing-hoiise = ordinaris. Eatanswill. it'nziuU. blufferig. Eau de Cologne, 'ouddk'lonn. reukwater (Eau de Cologne). Eave, iv, beschutten als onder de âs = benedenste dakrand: â sdrop, subst. het v. den dakrand druppelend water; â verb, alluisteren, den luistervink spelen: He is au âsdropper = luistervink. Ebb, eb, subst. ebbe, verval; My feelings were at â (tegenover: 1 was in high spirits) = ik was gedrukt, neerslachtig; â verb, ebben, achteruitgaan, in verval geraken: âtide = afstroomend getij; âing and flowing = het rijzen en dalen, toe- en afnemen. Ebenexer, ebdnizo. Ebionite, ibafonaXt, oude Christensecte, die het Jodendom met het Christendom zocht te vereenigen, en de Mozaïsche wet ook voor de Christenen bindend achtte. Eblis, eblis, duivel der Mohammedanen: Hall of â = hel. Ebon, eb'n, zwart, van ebbenhout; â ize = zwart, ebbenhoutkleurig maken; ây = ebben-boom, ebbenhout, negers: Dealer in ây = slavenhandelaar. Ebriety, ibraiiti, dronkenschap; Ebriosity, ibriositi, doorgaande dronkenschap; Ebrious, tbr his, dronken, aan den drank verslaafd. Ebrillade, ibHleid, plotselinge ruk aan d. toom. Ebulliency, ibnl'fnsi, het overkoken, over-stroomen; Ebullient', Ebullition.ibaWs'n,het koken, (op)borrelen. uitstorting van gevoel, opwelling. Ebiirnean, ibvnfn, van ivoor gemaakt. Eccaleobion, elcdlioubj'n, vertrek voor kunstmatige broeiing. Ecco Homo, eksihoumou, voorstelling van Christus voor Pilatus (= Zie den mensch). Eccentric(al). dksentril{'l), uitmiddelpuntig, zonderling, grillig; subst. excentriek (rad, etc.). zonderlingheid, zonderling (persoon): ârod = excentriekstang; Eccentricity = uitmiddel-puntigheid, onregelmatigheid, grilligheid. Ecclesia, eklitd, vergadering v. vrije burgers in het oude Athene, wetgevende vergadering, kerk. Ecclesiaste», ekliziastiz, de Prediker (O.Test); Ecclesiastic, ekllziastik, subst. geestelijke; adj. geestelijk: The Ecclesiastical States == de Kerkelijke Staat: Ecclesiastical music = kerkmuziek; Ecclesiology, ekUziolddzi, kerkbouwkunde. Echinate(d), skaineit(id), met borstels, prik- |
man; lt;/sk = Ask; tV/rm = fam; hut = b«t; \earn = hm; line = lain: ho?«se =⢠hans; net; care = kè»; fate = feit; tin; «sleep = iisllp: not; law = lo; lo/'d = Hid; hoy = bói
EFFECTUAL,
ECHO.
143
|
kels of punten; EcIiiiiiim, akahias, zeeëgel. t prikkelige plantkop, ornament. Echo, ekou, subst. weerklank, echo, gewelf; â verb, weerklinken, weergalmen,herhalen: The ! Hpeeeli w«» cheered ït» the â = werd uit- j bundig toegejuicht: âer; âless: âmeter. ! ekonwtd, klankmeter. Echometry. Eclampsy,dklampsi, lichtflikkering (verschijn- i sel v. vallende ziekte): vallende ziekte. Eclectic, iklektik, subst; eclecticus (wijsgeer, die uit verschillende stelsels noemt, wat hem waar toeschijnt): adj. uitzoekend, schiftend; âism, iklektisizm. Eclipsareon, eklipsên'n, instrument, dat eclipsen aanschouwelijk maakt. Eclipse, iklips, subst. verduistering (van zon of maan), duisterheid: â verb, verduisteren,in ongenade brengen. Ecliptic, ik lip tik, subst. zonneweg, ecliptica: adj. tot den zonneweg behoorende. Eclogue, eklog. herdersdicht, idylle. Ecoiioiiiic(al). \lcdnomikCl). huishoudelijk , zuinig, spaarzaam; â'\kdaomiks of eâ. (staat)huishoudkunde: Economist: Economize = spaarzaam zijn, sparen; Economy = zuinigheid, huishoudelijkheid, inrichting (van een of ander werkquot;), natuurwerking (bij het voortbrengen v. planten en dieren), orde v. zaken, regeling v. bestuur of staatszaken. Ecorclie, ei/cöse£, sujet (met ontbloote spieren) ter bestudeering (voor plastische kunstenaars). Ecphasis. ekf.tsia, zaakrijke verklaring. Ecphciiiesis.e/iYo/iêsys. hartstochtelijke uitroep. Ecstasy, ekstdsi, verrukking, genot, soort v. flauwte (na welker aanval de lijder zich de in haar duur gedachte dingen herinnert), dartelheid; EcstaticCal), dkstatikCl), verrukt, onbeschrijfelijk genotvol, verrukkelijk. Ecthyma,W.-V/lt;m?.gt;,uitslag (op de huid),eczema. Ectoilerm, ektodiim, buitenvlies, buitenhuid. Ectype, ektaip, afschrift, afgietsel; Ectypal. Eciimeiiic(al). '\kjumeniM l), algemeen. Eczema, eksimv of eksemd. prikkelende huiduitslag; âtons, dksemdtds. Edacious, ideièds. gretig, gulzig, vraatzuchtig: Edacity, iilasiti, vraatzucht, gulzigheid. Edder, êiIcK buigzaam hout, wilgentwijgjes, etc. Eddish, edié. etgroen, nagras. Eddy. cdi. subst. kleine draaikolk, dwarrelwind: adj. draaiend, dwarrelend: â verb, dwarrelen, draaien; âwater = zog, kielwater: âwind = teruggeslagen wind, doordat zijn voortgang belet wordt. Edematose. ülemjtous. Edematous, idem.itds. zwellend, waterzuchtig. Eden, Paradijs, heerlijke plek (plaats). Edental, hlent'l, subst. en adj. tandeloos (dier); âons ; Edeiitate(dgt;, identeit(id), zonder snijtanden. Edgar, edgd. Edge,et/s, subst. rand, kant, scherpe kant, snede, zoom,hevigheid,scherpheid: It sets my teeth on â = het doet mij griezelen; It lias taken away (off) the â oI* hunger = het heeft den eersten honger gestild; â verb, scherpen, van een scherpen kant of zoom voorzien, begrenzen, omzoomen, verbitteren, zich zijdelings \ Dort bewegen, scherp bij den wind houden: We -d in with the coast = langzamerhand en al afhoudende naderden wij de kust; We bone = boon: full: fool = fnl; «gt; == toonlooze lom/ = Ion; .s7gt;ip = sip: occasion = okeiz'n: tl |
âd away from the eoast = verlieten langzamerhand; ârail = rechtopstaande spoorstaaf (niet liggende, zooals bij trams): âtooi = snijdend of scherp werktuig: lie plays with âtools = hij gaatmetgevaarlijke dingen om, speelt met vuur; âd = met een scherpen rand: âwise = met den scherpen kant vooruit, van terzijde: 1 couldn't get in a word âways = er geen woord tusschen krijgen; Edging, edtir^, boordsel, franje, rand Edgecombe, edzk'm. [(om een bloembed). Edible, edibU, eetbaar; âness. Edict, idikt, bevel, gebod. Edilication, edifikeixn, stichting, opbouwing (in kennis, godsdienst of deugd); Edifice, edifis. gebouw; Edily,clt;/i/ai, stichten,opbouwen: Au edifying sermon = stichtelijke preek. Edilê, idail, Romeinsch magistraat, met het toezicht op alle (vooral openbare) gebouwen belast, aedilis. Ei 1 inburgli, edinhard. Edit, ev/it, uitgeven (d.w.z. voor de pers gereed maken, tegenover publish = publiek maken), redigeeren: Dickens's Letters, âed by bis daughter, and published by L.; âion. ddiSn, uitgave, druk: âor = uitgever, redacteur (tegenover Publisher): âorlnUeditOri'l. subst. hoofdartikel (eig. artikel door den redacteur); adj. van den redacteur, de redactie betreffende; âorship; âress = redactrice. Edith, idith; Edmund, edm'nd. Educate, elt;lji(keit, opvoeden, onderrichten : He was âd here = hier kreeg hij onderwijs; Educational institiitions = opvoedingsgestichten,-inrichtingen;E'/«/o'aflt;on;E'//^c«f/omamp;'r = voorstander v. onderwijs; Educator, edju-keito, opvoeder. Educe, idjüs, afleiden, trekken uit: Educiblr, Educt. idukt, wat getrokken wordt uit: The âs of' au analysis = samenstellende deelen: âive, idwktiv, afleidend; Eductor. Edulcorate, idnlkareit, zuiveren, van bittere ofzoutedeelenontdoen; Edulcorant = middel (druppels) voor bloedzuivering. Edward, edwed, Eduard. Eel, 2/, aal, paling: âbuck. âpot = aalkorf (om ze te vangen); âTare = broedsel palingen; âspear = aalgeer, elger: âpont = aalpuit. E'en, in, verkorting van Even of Evening. E'er, ca. verkorting van Ever. Eerie, Eery, tri, vreesverwekkend, huiveringwekkend: 'Eeriness = zenuwachtige angst, vooral voor spoken, etc. Efface, a/eis, uitwisschen, onzichtbaar maken; âable: -ment. Effect, dfekt, subst. uitwerking, gevolg, einde, voordeel, algemeene indruk: For â = om den schijn, om den indruk teverhoogen; In â = werkelijk, inderdaad; To no â. Without â = vergeefs; Ofnotne)â = vangeene kracht: His words were to this â = waren van dezen inhoud: The cannon took â = miste zijne uitwerking niet; lie gave â to this resolution = voerde uit: â verb, uitwerken, teweegbrengen, afmaken; âive = (uit)wcrkend, krachtig, werkelijk: An army with an âive of* H0.000 men in time of'peace: âiveness: âor: âs = goederen, meubels, bezittingen: âual, âJiol, krachtdadig. vokaal (zie asleep en car'')', girl: //ear = J19; lin: thns = dims: wine. |
EFFEMINACY.
ELBOW.
|
Kffeiiiiiiary, dfemindsi. verwijfdheid, losbandigheid: EfTeminate. dfeminit, subst. en adj. verwijfd (persoon); â verb, (dfemineit) verwijfd maken, verzwakken: Etfeminamp;teness. 'Effeiidi. dfendi, hooge titel (Turk.). Kffervesre, efnves, opborrelen, zingen (vóór het koken), krachtig bruisen of uitbarsten: ânee; âut: E ffervesci b Ic. Kffefe. dfit. afgeleefd, versleten, onvruchtbaar. 'EtfieaeioiiH, efikeièds, krachtig: Kf'fieacy , eftkdsi. kracht, invloed: âiie«». FilTieient. ofis'nt, subst. oorzaak, uitwerker; adj. werkend, krachtig: KI'fieieHey, zfiamp;nsi, werking, kracht. KfiigieN, ofidziz. Zie Elligy. 'Effigy, eficlzi, beeld, beeltenis, beeldenaar (op eene*munt): He wn» hangefl in â = zijne beeltenis werd opgehangen. 'EffloreHee. efïdres, uitbotten, kristalliseeren: ânee = bloei, het uitbotten, huiduitslag (bij mazelen, b.v.), kristallisatie: âut. Eriliieiiee. e/lii'ns. uitvloeisel; JE fflu ent. Effliiviuin, dflüvfm. uitwaseming, uitdamping; Effluvia! = (schadelijke) dampen bevattend. rf^rflnx, efldhs, uitvloeiing; Efflwion. Effbliation. efouljeis'n,'ontbladering. EfTort. efdt, poging, krachtsinspanning, worsteling: That it* an â to me = kost mij inspanning: âless. Effrontery. dfmnVri. onbeschaamdheid, brutaalheid. ' Effnlge. cffuldz. uitstralen, glans verspreiden: ânee: ânt. Effuse, ofjüz, uitgieten, storten, voortvloeien; Effusion = uitstorting; Effusive, afjüsiv, overal verspreid, rijkelijk. Eft, eft, soort van salamander. Eftsooiis, eftsünz, in korten tijd, spoedigdaania. Egad. dfjad, goede hemel! Duivekaters! 'Egbert, eybat. Eger, idzcf, onstuimige vloed. quot;Egerton. edzdVn. Egg, e//, subst. ei: A« «nre a« â« are â» = zoó zeker als wat; â verb, «aanzetten, ophitsen: He has âed yon on = opgestookt; ânip = eierdopje; --flip = warm bier met suiker, etc., en daarin geklutste eieren: ânog = advocaat; ââ¢Hliell = eierschaal; âsliee = pannekoeksijzer: â^vliisk = eierklopper: âer = aanhitser, eierzoeker; âery = nest met eieren, eierbergplaats, eierrekje:*âIer = eieren-handelaar, eierenverzamelaar. 'Eginliard. edzinhdd. Egis, idzis, schild. 'EglanduloiiH, iglandjulds. EglandnloHe. i gland ju lous. zonder klieren. Eglantine, egTntain, egelantier, ook «weet brier genaamd. 'Eglonierate. iglomereit. loswinden, afwinden. Ego, igou, de ikheid; âbood = individualiteit; âiMiii. igouizm, zelfbewuste ikheid, eigenliefde. het op den voorgrond dringen zijner persoonlijkheid: lïgoist: Egoistic(al): âtheism, igouthuzrn. zelfvergoding: âi'iHxn. egoutizm, zelfzucht, verwaandheid, zelfgenoegzaamheid; Egotist: Egotistic. Egregious, igridzdS, uitstekend, buitengewoon, groot: â folly = kolossale dwaasheid. Egress, igrds' subst. uitgang, het heengaan: â verb, uitgaan, verlaten; Egression. |
Egret, igï'dt, soort van reiger, reigerveer, zaadpluimpje; âte, ilt;/reï, pluim, bos, lintversiersel. Egria. igria, Eger (Boheme). Egypt. idzipt, Egyi)te; âian, idèipamp;n, subst. Egyptenaar, zigeuner, vette druk; groot formaat teekenpapier; adj. Egyptisch, zigeunersch: âologer = ologist = Egyptoloog; âology. idziptolddzi. kennis van Egyptische antiquiteiten, enz. Eh. ei, He.' Wat? 'Eidam, aid'm. Edammer kaas. Eider, aidd, âduek. eidergans: âdown = eiderdons. Eigh, ei, H»'*! Och! Eight, eit, acht: An âday eloek = die acht dagen loopt: âeen = achttien; âeennio. eitinmou, boekvorm, verkregen door het in 18 bladen (of 3G bladzijden) vouwen van een vel: âeenth = achttiende: âfold = achtvoudig; Eighth, eitth, achtste; âieth, eitidth, tachtigste; ây, eiti. tachtig; âseore = 160. Eigne, em, subst. oudste, eerstgeborene; adj. onvervreemdbaar. 'Eikon, aikonn. beeltenis. Eisteddfod, aistddhvoud, oorspronkelijk eene vergadering van Keltische zangers tot het ontvangen van prijzen voor hunne werken, in den laatsten tijd weer opgerakeld door een genootschap, dat jaarlijks bijeenkomt ter bevordering van Keltische taal en letterkunde. Either, aidlw of idlw, een van beiden (onverschillig welke), beide: In â ease = in het eene of andere geval. Ejaculate, idzakjuleit, uitroepen, ontboezemen: Ejaculüitory prayer = schietgebedje, kort en vurig gebed: Ejaculation. EJeet, idzekt, schieten (van vuur), uitwerpen, afzetten, verdrijven, van het bezit berooven: âion: âment; âor. Eke, ik, subst. toevoegsel: â verb, toevoegen, aanvullen, vermeerderen, verkrijgen: The meat was âlt;1 out by potatoes and apple^ sa nee = het vleescn werd aangevuld door aardappels en appelmoes; The lion's skin was d out with the fox's = moed en list gingen samen: adv. ook. Elaborate, ilabarit, adj.doorwrocht, in betoog loopend nauwkeurig uitgevoerd: â verb. (ilabdreit) nauwkeurig bewerken, met moeite voortbrengen; Elaboration: Elaborative fa-eulty = onderscheidingsvermogen: Elahorator. ElaiK Hon., vuur. gloed, kracht. Elaine, Hein. Eland, f/ nc/, eland. Elapidation^i/apir/efó'n,opruiming van steenen. Elapse, ilaps, ongemerkt voorbijgaan (van tijd). Elastie(algt;, ilastik^l). elastiek, veerkrachtig: âsided boots = bottines met elastiek: â tissue = veerkrachtig weefsel: Elasticity, lljstisiti, veerkracht. Elate, Heit, adj. opgewonden, blijde, hoogmoedig; â verb, verheffen (van geest of ziel), opgeblazen maken; Elation: â r = veer; zeker soort van kever, die, op den rug liggend, zich met knippend geraas omhoogwerpt. Elbe (The), dhi-elb, Elbe. Elbow, elboit, elleboog, bocht, hoek: I am at your â = vlak bij u; He is out at â(s) *= hij is in slechten doen, hij zit met zijn elboog door de mouwen; I am up to myâs |
man; risk = ask; farm = fiim; b?/t = but; learn = l«n; Ime = lain; holt;ese = bans: net: â¢care = kè»; fate = feit: tin; asleep = «islip; not: law = 1A; lord = Hid; hog = boi;
ELIMINATE.
14ö
ELD.
|
in work = ik heb het ontzettend druk. zit tot over de ooren in het werk: He jogged (nudged) my â == hij gaf mij een duwtje (ter herinnering); You have been lining the â = hebt onmatig gedronken: â verb, duwen, stooten, een bocht of hoek vormen: He âed IiIm way through the crowd = hij baande zich met geweld een weg door de menigte: âehair = armstoel: âgrease = harde handenarbeid; 1 have noâroom here = ik heb hier geen ruimte van beweging. Fld. zwakheid (van ouderdom), oude tijden. Elder. e/r/p, subst. oudere, oudste (van twee), voorvader, ouderling, speler aan de voorhand (bij het kaarten): vlier; adj. ouder, den voorrang hebbende in jaren: âbrethren = de regenten van Trinity Honse; An âly gentle-iiian = oudachtig heer; âHhip =* eerstgeboorte, de betrekking van ouderling, de ouderlingen; âgun = proppenschieter: â wine. Eldest, eldist, oudste, den voorrang hebbende in jaren (meer dan twee). Fillt;dorado, eldórfidou, luilekkerland, rijke mijn. Eldritch, eldritè. vreemd, spookachtig, ijzingwekkend. Eleanor, elidn'6, Eleonore. Elecampane, elik'mpein. alant (eene plant). Elect, ilekt. subst. uitverkorene, gekozene; adj. uitverkoren, gekozen: The Lord Mayor â = de nieuwgekozen (nog niet zijne functies aanvaard hebbende): The â = de uitverkorenen Gods: â verb, uitkiezen, verkiezen, kiezen: âion = keus, verkiezing; âion auditor = iemand belast met het opmaken van de kosten voor eene parlementsverkiezing: âion cry = verkiezingsleus: âionjiiflgeH = commissie, die over de geldigheid van verkiezingen, etc. beslist: âioneer, ilekèdnio, stemmen werven bij verkiezingen: â ioneering agent = verkiezingsagent; âive = uitkiezend, verkiezend: â af'linity = verwantschap door keuze (Chem.): âive'franchise = kiesrecht: âor = kiezer, keurvorst: âoral college = kiescollege; âorate. UektdHt. keurvorstendom: âorHhip. Electrepeter. ilektrepdtd, instrument, om de richting van electrische stroomen te veranderen. Electric(al), ilektrikCl). electrisch: â wire = telegraafdraad; â eel = sidderaal; fluid = electriciteit: â circuit = electrische stroom = âcurrent: âjar = Leidsche flesch: âian. ilektriê'n, iémand in de electriciteit bedreven: âity, ilektrisiti, electriciteit: Electrify. Electrize, ilektralz, electriseeren. electrisch worden: Electrification: Electrizers = electrische koperen, zilveren of zinken platen; Electro, ilektrou, in samenstellingen: electro, electrisch: Electroeution, ilektroukjüè'n. terechtstelling door electriciteit (Amer.): Elcc-trology, ilektrolddzi, de wetenschap der electriciteit: Electrolyse, ilektrdlaiz, door electriciteit ontleden: Electromotion. ilektrwnous'n. beweging door electriciteit: ElectrophoniN, ilektrofords, electrofoor: Electroplate, ilek-trapleït. subst. electrozilver; â verb, verzilveren door middel van electriciteit: Electroscope, ilektrdskoup, electrometer; Electruni. ilekir'm, amber, mengsel van goud met i/5 7ilvpr. quot;OMdorts van blppkireie kleur. |
Electuary, ilektjiori, purgeerend stroopje, slikartsenij. slikpot. EleemoHyiiary, elimosindri, subst. de van aalmoezen levende: adj. uit liefdadigheid gegeven. door liefdegaven tot stand gebracht. Elegance, âcy, elagyns{i). sierlijkheid, beleefdheid. netheid,'fraaiheid; Elegant. Elegiac(algt;, elidzaidk^l), elegisch, treurig; Elegiac = elegisch, treurig gedicht. Elegy, elotlzi. elegie, treurdicht: Elegist. el,i-dzist, dichter van elegieën; Elecfize = betreuren in eene elegie. Element, eldm nt. (eerste of hoofd)bestanddeel, element, omtrek, hoofdoorzaak: I am out of my â in this rotiipany = voel mij in dit gezelschap niet thuis: âs = beginselen, gegevens, brood en wijn (aan 't avondmaal), elementen: The âs of Political Economy = Beginselen der Staathuishoudkunde; âal. eldnientl, tot de elementen behoorend, aanvankelijk, oorspronkelijk: âal spirits = de geesten van vuur, aarde, lucht en water, i.e.salamanders, gnomen, sylphen en undinen: âalism, eldmenLilizm, de theorie volgens welke de goden der oudheid verpersoonlijkte natuurkrachten waren; âary, eldinentdri, eenvoudig, onvermengd, de be'ginselen behandelend: âary instrurtion = Lager onderwijs; âariness. Elènchtus), ilenk\9fi). drogrede, weerlegging. Elephant, eldfrit, olifant: Order ol'the white â = oude Deensche orde (met slechts .30 ridders als maximum); â paper = groot formaat teekenpapier; He has seen the â (Amer.) = hij is door schade wijs geworden: âiasis, eldfntaiosis, huidziekte (soort v. schurft): Elephiintine, eld fan tain, oliefant-achtig. zwaar, dik, log. Elevate, eldveit, adj. verheven, opgeheven: â verb, verheffen, verhoogen, veredelen, opvroo-lijken, van trots doen zwellen: I am slightlv âd = een beetje vroolijk (dronken); âd railway = Inchtspoorwêg: Elevation = verhevenheid, verhooging: To my tallest elevation = in mijne volle lengte: J-Jlevator = ascenseur, soort v. kraan: lïlevdtonj = opbellend. Eleven, ileifn, elf: The â = de Apostelen: âth = elfde. Elf, elf, subst. elf. kabouter, fee. kwaadaardig mensch. lieverdje: â verb, (het haar) verschrikkelijk verwarren: âarrow. âbolt, âdart = vuursteen (in den vorm van een pijl): â child = wisselkind (door feeën achtergelaten voor het echte): âlire = dwaallicht: âlock = haarlok: âin. subst. kleine fee; adj. tot de feeën behoorende: âish. Elvish = kwaadaardig, door de feeën gedaan; l'Jlvan = tot de elfen behoorende. Elgin marbles, eldzinniab'Iz, de beelden uit den tempel van Minerva te Athene, door Earl Elgin in 1812 naar Engeland gebracht. Elia. Hid. Eliah, Halt. Elia (I Kron. VIII. 27). Elijah, i laid zo, Elia lt;1 Kon. XVII. 1). Elicit, ilisit, uitlokken, krijgen uit, aan het licht brengen. Elide. i7a«f/,elideeren, een lettergreep weglaten. Eligible, elidzWl, begeerlijk, verkieslijk, verkiesbaar; âneHs; Eligibility. Eliiniiiikt^. iliminp\t. nit.wprpen. vprdrijven. |
bone = boun: full: fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = jia; long = loi^; ship = sip: occasion = okeii'n; thin; thus = dhvs; wine.
ten bruggencate. Eng. Woordenboek. 10
KLIQUATION.
146
EMBOWEL.
|
vrijmaken, terzijde stellen, elimineeren; Elimination. Kliquatioii, ilikiveië'n, scheiding van metalen door smelting. Elisabeth, ilizdbeth, Elizabeth. Kliz», ilaizd. EliHion. iliz'n, elisie, weglating van den eind-klinker als het volgende woord meteen klinkei begint: scheiding. Elite, ilit, keur. Elixir, iliksd, elixer, bitter, hartsterking, geest (van vloeistoffen); vloeistof, die het leven verlengt; â of life = liie's â. Elizabethan, UizdbitfVn. uit den tijd van koningin E. Elk, e/fc, grootste hertensoort, wilde zwaan. Eli, e/, lengtemaat (in Engeland van 45 inches of 142.5 cM., in Holland van 60 cM.): Give him an inch, he will take an â = als men hem den vinger geeft, neemt hij de ge-heele hand: âwand = ellestok, el. Ellen, eTn, Leentje, Lena. ElleMinere, elzmio. Ellipse, dlips, ellips; Ellipsis, olipsis, gebrek, uitlating; Elliptictal). .üiptik^l), elliptisch, met een gedeelte weggelaten; Ãliipticily. Elm, elm, olm, iep; âen = van een olm: â(en)-tree; ây = met veel olmen. Elmo^H-flre. elmouzfuid, St. Elmsvuur. Zie Corposant. Elocution, etekjüè'n, voordracht, wijze van spreken, welsprekendheid; âary; â ist. Elodes, iloudiz, zweetziekte. Elogy, eteclzi, Eloginm, i louilz'm, lofrede (op een afgestorvene). Elohini, olouhim, een van de namen voor God in het Oude T. Elongate, ilonyeit, adj. langwerpig: â verb, verlengen, uitrekken, wijken; Elonifation. Elope, iloup. wegloopen (met een minnaar), zich laten schaken: âinent. Eloquence, elskufns, welsprekendheid: Eloquent. Else, els. ander, anders, bovendien: Somewhere â = ergens anders; âwhere = elders, ergens anders; What â = nog iets.' Elsinbnrg, elsinbdrd. Elzenburg. Elsinorc. elsirió, Elseneur. Elucidate, ilrtsideit, verduidelijken, ophelderen, verklaren: Elucidatory notes = verklarende aanteekeningen: Ehfciflation; Elucidative; Eluciddtor. Einde, ilüd, ontduiken, ontwijken, ontsnappen; Elusion; Elusive, iliïsiv, ontwijkend. Elnl, elül. de 12e maand van het Joodsche burgerlijk jaar, ongev. gelijk vallende met September. Elutriate, ilütrieit. door wassching zuiveren. Elysian, v/ir'n, Elyseesch.genotvol; Elysinin. iliz'ni, Elysium, Paradijs. Elytra, elitro. schildvleugels. Elzevir, elzovv., een van de Elzevier-uitgaven der klassieken gedurende de 16e en de 17e eeuw te Amsterdam en Leiden: âeditions. 'Em, am, samentrekking van them. Emaciate, imeièeit, adj. uitgemergeld, mager: â verb, vermageren.wegkwijnen; Emaciation. Emannnt, enwrint, voortkomende uit; Emanate, emdneit, voortkomen uit. Emanation. Emancipate, imansipeit, adj. vrij gemaakt; |
â verb, vrij maken, emancipeeren: He was an emancipationist = voorstander van de vrijverklaring der slaven; Emancipator = vrij-maker; Emancipist = vrijgelaten gedeporteerde (galeiboef). Einarginate, imddzineit. van den rand ontdoen. Eniasciilate, imasA'./V/eif, adj. ontzenuwd, ontmand: â verb, ontzenuwen, verwijfd maken, ontmannen. Embale, dmbeil. in balen pakken. Embalm, ombamp;m, balsemen, voor bederf bewaren; âer. Einbank, ambank, indijken, van eene kade voorzien; âment = indijking, kade. Embar, ombü, insluiten, tegenhouden, blok-keeren. Enihargo. orribügou, subst. beslag (op schepen in eene haven): â verb, beslag leggen en tegenhouden; Enibarquements, dmbükm'nts = embargoes. Embark, ombiik, inschepen, zich wagen of begeven in: Embarkation, embcikeisn. Embarrass,ambarf?s,beletten, verlegen maken, verwarren, ontstellen; âing; âment. Embassador. Zie Ambassador. Embassy, embosi, gezantschap, zending, ge-zantscha'pshotel. Embattle, ombat'l. in slagorde scharen, van kanteelen voorzien: âd = in slagorde opgesteld; âd fields = slagvelden. Embed, ombed, als in een bed leggen, toedekken, bedelven. Embellish, .mibelis. verfraaien, versieren: âer: âment. Ember days, embddexz. drie achtereenvolgende vastendagen in de Engelsche kerk, die viermaal in quot;t jaar voorkomen: quatertemper; Einber-last = quatertemper; Ember-goose = groote duikereend in de Poolstreken: âtide. Embers, emboz, gloeiende asch of sintels. Embezzle, ambez'/, verdonkeremanen: âinent. Embitter, embita, verbitteren. Emblaze, ambleiz, blazoeneeren, met blazoenen voorzien: Emblazon, ambleiz'n, blazoeneeren. met sterke en schitterende kleuren versieren, vieren; Emblazonry, dmbleiz'nri,heraldieke figuren. Emblem, embVm, subst. mozaïek, zinnebeeld; â verb, door een zinnebeeld voorstellen; âize, emblanmiz. door een zinnebeeld voorstellen: âata, omblemoto, losse figuurtjes van goud of zilver, waarmede de ouden hunne gouden en zilveren vaten plachten te versieren: Em-blematic = zinnebeeldig. Einblemeiit8,emamp;amp;9menfó, voortbrengselen van den bodem. Embody, ambodi, belichamen, tot één lichaam vereenigen; Embodiment = belichaming. Embolden, dmboukVn, aanmoedigen. Enibolism, embdlizm, inlassching (van dagen, enz. in den tijd), ingelaschte tijd; Embolic = ingelascht. Embolus, embalas. zuiger, wig, spie of spalk. Eniborder, amböda, omzoomen. Emboss, ambos, reliefwerk maken, metrelief-werk versieren: âelt;l = met reliefwerk. Embottle, ambofl, op ilesschen doen, bottelen. Emboiichnre. oi\buèÃ3, monding (van eene rivier), mondstuk (van een blaasinstrument). Einbowed, atnbaud, gewelfd, gebogen. Embowel, ambau'l. de ingewanden uitnemen, in iets anders steken of verbergen. |
man; ask = ask; iV/nn = lam: b/a = bwt; leam = lóu; lêue = lain: hottse = hans; net; er/re = kèa: fr/te = feit; tin; «sleep = oslip; not; \atu = 1lt;V; lo/'d = liid; boy = ból;
EMBOWER.
147
EMU.
|
Knibower, dmbatw, in eene lustwarande verblijven, van lustverblijven voorzien. Kinbrace, arnhreis, subst. omhelzing,omarming: â verb, omhelzen, in de armen sluiten, aangrijpen, omvatten, begrijpen, bevatten, trachten om te koopen (van rechters of jury); âment; âr; Embracery = poging om eene jury om te koopen: Kmbrafive = van omhelzen houdend, omhelzerig. Kinhraiicliiiieiit. zmbrdnsm'nt, vertakking, het takken vormen. Embrangle, dmbrang'l, verwarren. KmbraHiire, dmbreizd, schietgat of opening, binnenmuursche hellende verbreeding van deur of venster. Kmbrmrado, embrdkAcloii, beweging bij het schermen. Kmbrocate, embrdkelt. een pijnlijk lichaamsdeel met balsem wrijven. Embrocation = wrijving, wrijfmiddel. Kmbroider, .mibróido, borduren: ây = borduurwerk, kunstmatige versiersels: ây Iramo = borduurraam: âer. Embroil, dmbrfnl, verwarren, verwikkelen: âment. Kmbronze. ombronz, in brons afbeelden of uitvoeren. Kmbryo, cmftriou, Kmbryon, embrion, subst. kiem,* onvolkomen vrucht; adj. tot de eerste ontwikkeling behoorende: In â = in den eersten en onvolkomen toestand; ânal: Em-bryonic. Kmend, imend, verbeteren: âation: Last âation = de laatste hand; Kmandator; Emencïatory. Emerald, emor'ld, smaragd (groene kleur), soort v. drukletter: â green = smaragdgroen; â l«Ie = Ierland. Emerge, imfidz, oprijzen uit, zich verhellen, opnieuw verschijnen; âney = plotselinge verschijning, onverwachte gebeurtenis, moeilijkheid, dringende noodzakelijkheid: âncy-man = noodhulp, noodpachter (Ierland): ânt. EmeritiiH, imeritos, emeritus. Emerods, enwrodz, aambeien. EmerHion, imttamp;n, oprijzing, verschijning (van een planeet na eene eclips, van eene ster). EmerMon. enws'n. Emery, enwri, amaril: âpaper = schuurpapier; âwheel = slijprad. Emetic*, imetik, subst. en adj. braakwekkend (middel); Emetin. emdtin, ipecacuanha. Emeu, imju. Zie Emii. Emicant, emik'nt, stralend, afvliegend. Emigrant, emigrnt, subst. landverhuizer: adj. uit het land verhuizend; Emigrate, emigreit, uit het land verhuizen; Emigration', Emi-grationist. Emily, em Ui. Emilian, imilfn, Aemilius. Emiiienee, emirins, verhevenheid, hoogte, beroemdheid, onderscheiding, eminentie: HJmi-rint{Ufi = uitstekend; in hooge mate. Emir, em/gt;, Emeer, imio, titel van een onafhankelijk hoofd (in het Oosten en in N. Afrika), titel van een vizier en pacha (in Turkije). EmiHsary, emisdri, subst. geheime gezant, bespieder, onderaardsch afvoerkanaal; adj. onderzoekend, bespiedend. Emission, imiamp;n, uitzending, uitgifte (van bankbiljetten, schatkistpromessen, enz.), het bone = bonn; full; foul = fnl: w» = toonloo long = loi^; s/rip = sip; occnston = okeix'n; |
bedrag, op die wijze in omloop gebracht; Emissi ye=uitstralend, uitzendend=/£missor7. Emit, imit, uitzenden, uitwerpen, uitgeven, uitstralen. Emma, em,i. Emmet, emot, mier, pissebed. Emolliate, imolieit, verzachten, verwijfd mji-ken; Emollient, imolfnt, subst. en adj. uitwendig verzachtend (middel). EiiioIiiinent, imoljum'nt, salaris, voordeel, winst. Emotion, imoits'n, aandoening, ontroering: âal = gemakkelijk aangedaan = Emotive' Empale, dmpeil, omheinen, met palen omgeven, spiesen. Empan(n)el, ,/mparil, subst. lijst van gezworenen: â verb, zulk eene lijst maken. Empark, dmpak, omparken, omheinen. Emperil, amper 11. in gevaar brengen. Emperor, empdrd. keizer; Furple â = prachtige Engelsche kapel: â paper = grootst formaat teekenpapier, 165 c.M. bij 118 cM. Emphasis, emfdsis, nadruk, klem: I wish to emphasize this fact = ik wensch op dit feit den nadruk te leggen; Emphatic form = de vorm van een werkwoord met to do. Emphlysis, emflisis, zekere huiduitslag. Empire, empaid, keizerrijk, rijk, hoogste gezag: The â City = de keizerin der steden (d. i. New-Vork). Empirie, ompirik. kwakzalver; Empiric(al), dmpirikCl), empirisch, op ondervinding gegrond, onwetenschappelijk: â tain = kwakzalverij. Emplaster. emplAstè, met een pleister bedekken. Emplastie, dniplastik, gomachtig, klevend. Employ, dmplói. subst. bezigheid, beroep: â verb, bezighouden, gebruiken, besteden: lie â ed himself actively whilst there = hij werkte hard toen hij daar was: âment = ambt, bezigheid, beroep: âable; â ee; âer. Empliinge, .rmplttnz, indompelen. Empoison, ompóiz'n, vergiftigen, vergallen. Emporiimi, dmpóri'm, hoofdmarkt, handelscentrum, stapelplaats, entrepot. Empoverish. ampov'rië, verarmen, uitputten. Empower, ampaiio, machtigen. Empress, emprds, keizerin. Emprise,amp/ aê', subst. onderneming (in verheven en edelen stijl): â verb, ondernemen (id.). Emption. emps'n, het koopen. Empty, em(p)ti, adj. ledig, kaal, ijdel, onwetend. onvruchtbaar, woest en ledig: The room was â of everything but a lamp = niets in de kamer dan; â verb, ledigen, uitputten, uit- of weggieten, leeg worden; The empties = alle ledige dingen (zooals bussen, flesschen, zakken, kisten, enz.); âings = droesem van bier, cider, etc.; gist (Amer.): âhanded; âheaded = onwetend: âhearted = gevoelloos: J'Jmptiness; Emptier. Emptysis, emptisis, bloedspuwing. Empiirple. .rmpvifl, purperkleurig maken. Empyreal,am/gt;iWd; ofewyj/rfa/,van zuiver vuur of licht gevormd, hemelsch, rein: Empyrean, empiridn, subst. hoogste hemel: adj. hemelsch. Eins, emz. Emu, imjü. casuaris (Australië); âwren = klein Australisch vogeltje. vokaal (zie asleep en care); girl; /year = Jiy; lin; thus = dims; wine. |
10*
. ENDURE.
148
EMULATE.
|
Emulate, emjnleit, adj. eerzuchtig; â verb, wedijveren met, nastreven; Kmulation; JEmulntov, Kiniilous. emjutes, mededingend, naijverig. Kiiiulgeiit. imnldz'nt, subst. en adj. afvoerend (middel), vooral van gal. EinulHioii. imnlamp;n, melkachtige verbinding van olie met water of iets anders, koeldrank; Emulsive = verzachtend. Kmuiietory. imvr\kteri, opening of porie in de huid. Knable. dneihH, in staat stellen, machtigen, van middelen voorzien. Enact, snakt, vaststellen, bepalen, tot wet verheffen, bekrachtigen: T« â a part = eene rol spelen; â ment = wetsbekrachtiging, wet; âor: âure = doel, besluit. Enamel, nnam'l, subst. email, verglaassel; â verb, emailleeren, email schilderen, blan-ketten; â far, adj. op email gelijkend, glad, glanzig: âIer = emailleerder, brandschilder; âling. Enamorado. etKimoradou, de smoorlijk verliefde. Enamour, anama, verliefd doen worden, bekoren: He is âed ol'(with) your »igt;*ter = verliefd op. Eneani|i, dnkatnp, kampeeren, tenten opslaan, halt houden: âment. Encase, dnkeis. in een koker sluiten. EncaHliment, ankaèrrint, betaling in contanten van een wissel, bankbiljet, etc. Encave, dnkeiv, in een hol verbergen. Enceinte. Anseint, subst. wal. ringmuur: adj. zwanger. Encephalic, ensdfalik. tot hoofd of hersens behoorende; Encephalitis = hersenontsteking. Encephaloii, anse/^/'n, de geheele hersenmassa. Encliafe, ontseif, sarren, boos maken. Encliain, dntsein, ketenen, boeien, aaneen-klampen: âment. Enchant, ontsdnt. bekoren, verrukken, be-tooveren: âed ring = tooverkring: âer; âment: âre»«. EnchaHe, ontèeis. zetten (b.v. van juweelen in goud), met gedreven werk versieren, drijven. Encircle, dnsvk'l. omringen, omgeven, omarmen. Enclasp, dnklAsp, omhelzen, omsluiten. Enclave, dnkleiv, rondom omsloten grondgebied; -ment. Enclitic, dnklitik. enklitisch, onafscheidelijk verbonden, leunend, neigend. Enclose, dnklouz. insluiten, omsluiten. Encomium, dnkoumfm. lof, loftuiting: Encomiast, dnkoumidst, lofredenaar; Kncomi-â¬18 tic. EncompaHS, dnkompos. omringen, omgeven: âment. Encore, ankö, verb, biseeren, om eene herhaling vragen; adv. nogmaals, bis! Encounter, dnkauntd, subst. ontmoeting, te-gemoettreding, gevecht, onderhoud: â verb, (onverwacht) ontmoeten, vechten, tegemoet treden, het hoofd bieden; âer. Encourage, imkuridz, aanmoedigen; âment: âr. Encradle. dnkreidH. in de wieg leggen. Encrisped, nnkHspi. gekruld, in krullen. Enrroach, onkroutë, inbreuk maken op (on), indringen, ongemerkt bekruipen; âment. |
Encrust, dakruxt, met eene korst bedekken. Encumber, vnkmnhn. belemmeren, belasten, met hypotheken bezwaren; Encumbrance = hindernis, last, hypotheek. Encyclic(al), ansiklik('l), subst. rondgaand schrijven; adj. rondgaand. Encyclop(agt;edia, ensaikldptdjd, boek, dat alle wetenschappen omvat, algemeen woordenboek: Encyclopefliacal, easaiklairidaidk'l, alle wetenschappen omvattend: Encyclopedist. ensaiktepidist, encyclopedist (1750â1770 in Frankrijk). End, end. subst. einde, besluit, uitslag, dood. grens, oogmerk, stukje: At au â = ten einde, uit; lie stayed there lor a fort night on â = veertien 'dagen aan één stuk; This train runs HO miles on â = zonder stoppen: His hair stood on â = was te berge gerezen : In the â = bij slot van rekening: He lia.s no â of time and money = hij weet met zijn tijd en geld geen weg; He cannot make both âs meet = hij kan niet rondkomen (vergel. joindre les deucc bonts): He put an â to it (hiniseH') = maakte er een einde aan (aan zijn leven): The â is not yet = het eind is niet te voorzien: He draw» to an â = het loopt met hem ten einde: To no â = vergeefs: 1 was at my wit's â = ten einde raad; There's an â lt;»1'the matter = daar is de zaak (het praatje) mee uit; 1 am no â of sorry = quot;t spijt me schrikkelijk: World without â = van eeuwigheid tot eeuwigheid; lie roamed to the âs ol* the earth â zwierf tot de uiterste grenzen der aarde: â verb, afmaken, eindigen, terdoodbrengen, ophouden: All's well that âH well = einde goed, al goed: âall = slot, einde voorgoed: âing = einde, uitgang: âless = eindeloos; âlong = rechtuit; âmost = laatst, uiterst. Endanger, am/einfa, in gevaar brengen, aan schade blootstellen. Endear, ondïo. bemind of dierbaar maken: âing terms = lieve namen of woorden, zooals âsnoesjequot;, etc.: âment. Endeavour, dndevd, subst. poging, inspanning: â verb, pogen, trachten; âer. Endecagou. dndekaifn, elfhoek. Endemic(algt;, dndemik{l), subst. locale ziekte: adj. inheemsch, eigen aan een bepaalde streek. Endirons, endaidnz. ijzeren platen aan weerszijden van het vuur. Endive, endic, andijvie. Endocardiiini, endoiiküdj'm, inwendig hartvlies: Endocarditis = hartvliesontsteking. Endogamy, endog;mii. huwelijk onder de leden van denzelfden stam of dezelfde familie: En-dogamous mamage. Endogastritis, endotigds trait is, maagvlies-ontsteking. Endorse, andös, endosseeren, in omloop brengen, steunen, onderschrijven; âment; E/lt;-d or see = iemand, aan wien een wissel, etc. geëndosseerd is: Endorser = die endosseert. Endow, ffndau, begiftigen, van talenten voorzien: âment = huwelijksgift, gave: â mentM = talenten, gaven; âer. Endue, dndjn. Zie Indue. | Endure, ondjud. duren, verdragen, dulden. 1 steunen, ondergaan; âr: Endurable: Endu- |
man; ask = ask: form = fam; bwt = but; learn = hen: line = lain: hoase = hans: net: care = kco: fate = feit: tin; asleep = aslip: not: \aw = 1«»: lord = löd: bo// = boi:
ENDWAVS. 149 ENNE A.
|
mure, .mdjür'ns, duur, voortduring, lijden, lijdzaamheid, kracht. Kiidway», endweiz, Endwise, endwaiz, overeind, rechtop. Eneid, iniid, de Eneide (gedicht van Vergilius). Enemy, enomi, vijand, hater: The â = de Ãuive*l; A private â = persoonlijke vijand. Eiiergetit'tal), enadzetikCl), krachtig: âs, erwdzetiks, de wetenschap der physische dynamica; EnergicCal), dnvdzikCl), krachtig, werkzaam. Eiierg;iiineii, enogjnm'n, bezetene. Energy, enndzi, (innerlijke) kracht, nadruk: Conservation ol' â = de leer. dat geene kracht ooit verloren gaat. Enervate, sniivcit of enoveit, verzwakken, ontzenuwen; Enervation. Enfeeble, dnftlf /, verzwakken; âinent: âr. Enleotr, dnfif, beleenen, met een leen of eene schenking begiftigen; âinent. Enlilade, enfileid, subst. positie in eene rechte lijn; â verb, langs de geheele linie bestrijken. EhiiHt, dnfist, pakken: Tlie book âh the reader = pakt, bindt. Enforce, anfös, kracht geven aan, opdwingen: Tfie law was âd = werd ten uitvoer gebracht; âd absenre = gedwongen afwezigheid: âinent = kracht, dwang, uitvoering, handhaving. Enfortiine, onfötfn, begiftigen. En tra nc hi He, 9nfran£(a)iz, vrijmaken, vrij laten, het burgerrecht verleenen, het kiesrecht geven: âinent of copyhold landH = het veranderen van deze in freeholds: âr. Engage, .mgeidz, verbinden, verpanden, bespreken, in dienst gaan, aantrekken, verwerven, bezetten, wikkelen (in een strijd), zich begeven in. meedoen, zich verbinden: I am âd = ben bezet, niet te spreken, heb al eene uitnoodiging; A general and close âment = een algemeen gevecht van man tegen man; 1 am under an âment to him = ik ben jegens hem gebonden: Meet your âinentM = betaal uwe schulden: An engasiiiK subject = onderwerp, dat de aandacht bezig houdt; âd-wheels = met elkander verbonden raderen, het drijvende rad heet eiigasin^ het gedrevene â d wheel. EngarriHon, dngaris'n, (met een garnizoen) bezetten. Engender, andzends, voortbrengen, telen, veroorzaken: âer. Engild, anyild, vergulden. Engine, endzin, machine, locomotief, werktuig, middel; âdriver, âman = machinist (van de locomotief); âhone = brandspuitslang(en): âI1011.se = brandspuithuisje; âer, enzinio. subst. ingenieur, machinist (Amer.). bouwkundige, mijnbouwkundige, officier of soldaat van de genie: Practical âer = werktuigkundige; â verb, het opzicht hebben over, aanleggen, op touw zetten: With a little tact it could be âered = met een beetje tact kon het overlegd en gedaan worden; Civil and Military âering = burgerlijke en militaire bouwkunde of genie. Engird, angvd, omgorden: Engirdle, ongticVl, omringen. Englander, itxglanda, Brit, Engelschmnn: English. i)iglis, subst. de Engelschen, de |
Engelsche taal; Mie (Hel is English = zij (hij) is een(e) Engelsche; adj. Engelsch: â verb, verengelschen, in het E. overbrengen; Englishman = Engelsch man; Englishwoman = eene Engelsche; Englishry = bewoners (in een ander land) van Engelschen stam. Engorge, angödz, gulzig verslinden, vraatzuchtig eten; âd = volbloedig; âment = vraatzucht, volbloedigheid. Engraft, angramp;ft. Zie Ingraft. Engraii, zngreil. inkerven, bespikkelen, scha-keeren; âment = de gestippelde kring om eene medaille of een geldstuk. Engrain, angrein. diep indrukken, in de wol verven. EngraNp, angrösp, vast grijpen. Engrave, ongreir, graveeren, indrukken: âry = graveerwerk; That is a beautiful engraving = gravure, afdruk. Engross, angroiis. geheel innemen of bezitten, in beslag nemen, in 't groot opkoopen, in 't net schrijven, copieeren: âer; âment. Engnlf, angnlf, als in een draaikolk of afgrond verzwelgen. Enhance, anhdns, verhoogen, verhellen, vermeerderen, verzwaren; âment. Enharden, anhad'n, verharden, aanmoedigen. (Dit laatste is ook Enhearten, anhilfn). Enid, inid. Enigma, inigma, raadsel, onverklaarbaar verschijnsel; âtic(al), enigrnatikC l). raadselachtig, duister; Enigmatist = raadselmaker: âtography, amgmatografi, het maken of oplossen van raadsels. EniMle. a nail, als op een eiland plaatsen, afzonderen, tot een eiland maken. Enjail, andzeil, in de gevangenis zetten. Enjoin, andzöin, opleggen, bevelen, vermanen (niet on); âer. Enjoy, andzói. genieten, gelukkig leven: We â'ed* ourselves very mnch = wij hebben ons zeer geamuseerd;* Did yon â your holiday = hebt ge plezier geliad in devacantie? âable = genietbaar, genotvol: âment = genot: âer. Enkindle, ankindl, aansteken, doen ontvlammen, ontbranden. Enlace, anlds. Zie Inlace. Enlard. an lad, lardeeren. Enlarge, anladz, grooter maken, verwijden, uitzetten, in vrijheid stellen, uitweiden over: Such an education « the heart = zulk eene opvoeding maakt het hart ontvankelijker; âd; âdness: -ment: âr. Enlighten, anlaifn, verlichten, beschaven, tot zien in staat stellen: âer; âment. Enlink, an link, aaneenschakelen. EnliNt, anlist, op de lijst zetten, in dienst nemen, werven, aanwerven (intol, zich aan eene zaak wijden: âment. Enliv«*n. anlaiv'n, verlevendigen, opwekken, opvroolijken. Enmity, enmiti, vijandschap, vijandige gezindheid. EnmoMsed, anmost, bemost, met mos bedekt. Ennea ..enia (in samenstellingen), negen: Enneagon = negenhoek: Enneaticial) days = iedere negende dag van eene ziekte: Knnêa-tic(al) year» = ieder negende jaar van een menschenleven. |
bone = boiin; full; fool = fill; = toonlooze vokaai (zie asleep en care)-, girl; //ear = .jio; \ong = loi^; sAiip = «ip: occa.s/on = okeii'n; thin; f/ms = dhrs; wine.
ENTOMIC.
ENNOBLE.
150
|
Ennoble, dnoub'l, veredelen, adelen, beroemd maken; âment. Enoch, ïnlt;lt;k. Enode, inoud. zonder knoopen of verbindingen. Enorinons, inömds. buitengewoon, afschuwelijk, ijselijk; âness. Enormity, inömiti, kolossaalheid, buitengewoonheid, 'gruwelijke misdaad, wreedheid, afschuwelijkheid. Enough, innf, genoeg, voldoende (hoeveelheid): Hold. â = schei uit. 't is genoeg: â iw a» Kood a» a feast = de tevredenheid gaat boven alle schatten: Enow, inau (het oude Meerv. van Enoiigh) is dichterlijk. Enonneenient, inaunsm'nt, uiting, verklaring. Enrage, dnreidz. woedend maken, vertoornen. Enrank, lt;mrar\k. in de rij, in orde plaatsen. Enrapt. dnrapt, verrukt: âure, dnraptjd, Enravisli, onravis, verrukken. Enregister. dnrediistd, op de rol plaatsen, inschrijven. Enrich, dnritê, verrijken, tooien, vruchtbaar maken; âment. Enrobe, dnroitb. (be)kleeden, tooien. Enrockinent, snrokrvïnt, massa groote stee-nen tot basis van havenhoofden, wallen, dammen, enz. Enrol, enroul. op eene lijst plaatsen, vermelden. nalaten in geschrifte; -Ier; âment. Enroot, onrüt. bevestigen, doen wortel schieten. Ens, enz, het zijn, bestaan. Enschediile. dnsedjid. in een cedel opnemen. Ensconce, onskons. beschermen, verbergen, omschansen: They âd themselves on one ol'the solas ='zij doken in; âd in an angle = verscholen. Enseal, ?nsil, bezegelen. Enseam, amlm, vet of vettig maken. Fnsliriiie, ensrain, wegsluiten (als iets heiligs), koesteren (met heilige liefde). Enshrond. dnëraud, omsluieren, bedekken. Ensilerons, dnsifdros, zwaarddragend; Ensi-tbrin, ensiföm, zwaardvormig. Ensign, ensain. vlag, standaard, signaal, vaandrig, (onderscheidings)teeken, uithangbord; âbearer = vaandeldrager; âcy, âship = vaandrigsplaats. Ensilage, emilidz, subst. inkuiling van groen veevoeder en vruchten: â verb, inkuilen = Ensildite. Enslave, onsleiv, tot slavernij brengen; âd-ness: âment: âr. Ensnare, dnsnei), in eene val lokken, verstrikken. Ensphere, ansfid. in eene sfeer plaatsen, tot een bol vormen. Enstamp, onstamp, stempelen, indrukken. Ensue, onsiü, volgen, vervolgen, voortkomen: Ensuing â volgende op. Ensure. nnsAa of itnêö. Zie Insure. Entablature, zntabtetJiM, Entablement, dn-teih'lrrïnt, het deel der zuil boven het kapiteel: architraaf, fries en kroonlijst samen. Entail, subst. goed, onder zekere beper kingen aan eén bepaald erfgenaam vermaakt; de regeling van de overdracht van goederen: He cut off the â = hij maakte een einde aan de vermaking van het goed; â verb, vermaken (zóó, dat het vermaakte onvervreemdbaar is), na zich sleepen, leiden tot; âment. Entangle. ontantfU verstrikken, verwarren, verlegen maken, na zich sleepen. âment: â r. |
Entassment, sntasm'nt, opeenhooping. Enter, ento, binnengaan, doordringen, intreden, zich begeven in, lid worden van, toelaten, inschrijven, inklaren (v. goederen), ndrijven: He âed the lists against a t'ormidahle adversary = hij trad het strijdperk binnen, hij bond net gevecht aan met een geduchten tegenstander; He âed the church, he âed into orders = hij werd geestelijke, werd tot geestelijke gewijd: The poor child âed upon the joys of heaven = werd de hemelsche zaligheid deelachtig; He was âed of the Inner Temple = werd lid van; She âed to him = zij kwam bij hem op het tooneel; We âed into conversation = knoopten een gesprek aan: 1 âed a protest against such actions = teekende protest aan; âed to national account = opgeschreven op's rijks kosten: To â into the kingdom of heaven = het koninkrijk der hemelen binnengaan; He âed his office = ging in zijn kantoor: He âed upon his office = aanvaardde zijn ambt. Enteralgia, entdraldzid, ingewandspijn; En-teric,anïc/n7i, v. de ingewanden: Enterïc-fever = typheuse koorts; Enteritis, e/^dmir/s, ingewandsontsteking: Entero..., enterou. (in samenstellingen), ingewands .... buik ... Enterclose, enteklouz, doorgang tusschen twee kamers. Enterprise, entdprniz, subst. (koene) onderneming; â verb, ondernemen, pogen. Entertain, entdtein^ onthalen, onderhouden, bezighouden, handhaven, voeden of koesteren, in overweging nemen, vermaken: 1 do not â the idea of it = ik donk er niet over; -ment = onthaal, gastvrijheid, feestmaal, vermaak, geestesgenot, opneming (door den geest): âer; âing = amusant. Entertissued, entdtisiiïd, met verschillende stoffen of kleuren doorweven. Entheal, dnthtil, Enthean, dnthidn, En-theastic, enthiastik, met goddelijke kracht of goddelijk vuur bezield. Enthral, .mthról, tot slaaf maken; -inent. Enthrone, onthroun. Enthronize, dnthrou-naiz, ten troon verhellen, zetelen, wijden (een bisschop); âment; Ent ionization. Enthuse, .mthjüz. in geestdrift, in vuur geraken, vol geestdrift zijn (Am.): Enthusiasni. dnthjüzidzm, geestdrift, overdreven ijver: Enthusiast = geestdrijver, opgewonden of overdreven persoon; Enthusiastic. Entice, ontais, verlokken of verleiden door schoonschijnende beloften; âment; âr. Entire, dn'tate, subst. bier (direct v. de brouwerij); adj. geheel, volkomen, oprecht, onbetwist, zuiver; âness; â ty. Entitle, ontaifl, aanspraak of recht geven op, betitelen, noemen, diplomeeren. Entity, entiti, zijn, aanwezen, bestaand iets: That remarkable â, the Frent*h people = dat merkwaardig geheel: het Fransche volk. Entoil, dntöil, verstrikken. Entomb, ontüm, begraven, in het graf bergen. Entomic, dntomik, op de insecten betrekkelijk; Entomoid, entdmoid, gelijk een insect: Ãntomologic. entdnwlodzik, tot de insecten-leer behoorend; Entomology, entemotedzi. insectenleer. |
man; ask = ask; farm = fiim; b^t = bwt; learn = hm: l/ne -- lain: ho«se = haus: net: care = kèd: fate = feit: tin: asleep = aslip; not: \aw = 16; loj-d = löd: bo^ = bói:
KNTOMOPHAGA.
151
EPITOME.
|
Kiitoiiioplmgii, ent.nnofcigj, miereneters; Ea-tomophagous = insectenetend. KiitrailM, entreilz, ingewanden, binnenste. Kiitrain, lt;m trein, troepen m. d. spoortrein overbrengen of zenden. Zie Derail en Detrain. Kiitramiiiel, entrarrVl, verwarren, verstrikken. Entranee, entr'ns, binnenkomst, intrede, ingang, inklaring: Iüh â into the olliee = het aanvaarden van zijn ambt: âfee, âmoney = toegangsprijs. Kntranee. antrAns, verrukken, in geestver- \ rukking brengen: âment. Kntrap, dntrap. in eene val vangen,verstrikken. 1 KntrenHiire, antrezd, vergaren (v. schatten). Kntreat, ontrit, smeeken, dringend verzoeken, overhalen: â ive words = smeekende, vurig pleitende woorden: âer: ây = dringend verzoek, smeekbede, welkom, ontvangst. Kntrée.ri^rrci, vrije toegang; â6 = Entremetw, \\7\tdmei, tusschengerechten. Kntreiu-li. dntrenè, verschansen (m. loopgr.). Entrepot. hoofdstapelplaats, magazijn. Kntrimt. fnilmst. Zie Intrust. Entry, entri. ingang, (binnen)komst, boeking, inklaring: Will yon make an â ol' tliis = dit opschrijven? Tlie entries were six in all = deelnemers: Double â = dubbelboek-houden: Single â = enkel boekhouden. Entwine, ontiuain. En twist, .mlwlst. omwinden, omslingeren. Ennbilons, injübilds, onbewolkt, onbeneveld. Ennrleate, injüklieit, ontwarren. Enumerate, dnjümdreït, optellen, opnoemen: Enumeration. Eniineiate, innnëeit, uiten, verklaren: Enun-ciable; Enunciation. Envelop, onveldp. omringen, omwikkelen; âment = inwikkeling. omsluiting: âe. envdloup. omslag, enveloppe; de coma (zie dit woord) van een planeet: In an âe = onder couvert. Envenom, znvandm. vergiftigen, verbitteren. Enviable, envidWl. benijdbaar: Envied = | benijd; Envious, envids. afgunstig (z. Envy): The envious flood = de boosaardige golven (vloed). Environ, dnvair'n. omringen, omgeven; â ment: âs = omstreken, omgeving. Envisage, dnvizü/z, als bij intuïtie opmerken. Envolnme, dnvoljum, tot een deel vereenigen. Envoy, envoi, afgezant, bode, naschrift: âship. Envy, mvi, subst. nijd, afgunst, kwaadaardigheid: In â = uit jaloerschheid, nijd; â verb, benijden, misgunnen, wenschen te bezitten. Enwrap, anrap, omwikkelen, verlegen maken. Enwreathe, onridh, be-, omkransen. Eolian, ioulfn, Eolic, iolik, Eolisch. Eon, idn, onbepaalde tijd. eeuw, eeuwigheid. Eostre, i.istd, Saksische godin. Epaet. ipakt, epacta. Eparch, epdk, gouverneur of landvoogd (van eene provincie); ây = provincie. Epanle, epól, hoek* van een bastion; âment = zijde-borstwering. Epanlet(tegt;, epólet, epaulette. Ephelis. dfilis, zomersproeten. Ephemera, ïfemard, dagvliegen, koorts v. één dag; âI, subst. iets kortstondigs; adj. kortstondig, van één dag: Ephemeris, \femdris (\feerv. Ephemerides. \farneri(liz). dagboek. |
sterrekundige tafel, tijdschrift: Kphernerist: Ephenieron, ifemsr'n, dagvlieg, insect, dat maar één dag leeft. Ephesian, ifiz'n, subst. Ephezer; adj. van Epliesns, efdses. Ephealtes, e/ialtiz, nachtmerrie. Ephod, efoil of ifod, l ijk en kort opperkleed der Joodsche (hooge)priesters. Ephori, efsrai, de vijf magistraatspersonen in Sparta; Ãphoradty. Epic, t'pik. subst. verhalend gedicht, heldendicht: adj. episch, verhalend. Epicede, opisxd, lijk- of klaagzang. Epicene, t'pisïn, subst. en adj. tweeslachtig (woord). Epicure, epikjuo, epicurist, lekkerbek: âau. epikjuridn, subst. epicurist, lekkerbek: adj. epicuristisch, weelderig, wellustig; âanisin = Epicurism. Epidemie, epidemik. Epidemy, epiddtni, al-gemeene ziekte, epidemie; Kpidcmic(al) = algemeen heerschend, epidemisch. Kpidermis. epidnmis. opperhuid. Epidictic, epidiktik, krachtig, m. veel vertoon. Epigastric, epigastrik, tot het bovendeel van den onderbuik (= Epififosirium) behoorende. Kpigee. epidzi. Zie Perigee. Epigeons, epidzids, dicht a. d. grond groeiend. Epiglottis, epiglotis, keelklep; Epiglottic. Epigram, epigr'm. puntdicht, puntig gezegde: Epigrammatic: âmatist,e/?i0ram«4isf, maker van puntdichten: Epigrammatïzc. Epigraph.c/w/ro/', opschrift,motto; Epigraphic. Epigraphy. Epilepsy, epilepsi, vallende ziekte: Epileptic, epileptic, subst. lijder aan vallende ziekte: adj.epileptisch; Epileptics = geneesmiddelen voor epilepsie. Epilogue, epitoa, slotrede, epiloog; Epilogistic, epilddzistik, Epilogical. epilodzik'l, tot een epiloog behoorend. Epiphany, epifdni, Driekoningen. Epiphyte, epi/kit, woekerplant; Epiphytal. Epi nis, epirdft. Episcopacv. ctpisk.iposi, bisschoppelijke regee-ringd.kerk;Episcopal.apis/«:ap7,bisschoppelijk; Episcopalian, episkêpeilfn, subst. lid v. de episcop. kerk; adj. bisschoppelijk: Episcopate, opiskdpit, subst. bisdom, waardigheid van bisschop; verb, (apiskdpeit) de bisschoppelijke waardigheid bekleeden, als bisschop handelen. Episode, episoud , voorval, bijgebeurtenis, tusschenverhaal; Episodial. episoudfl, Episodic(algt;. episodikCD, tot eene episode behoorend. Epistle, ipis'l. subst. brief, geschrift; adj. linkerzijde van het altaar (rechts van de hoorders); Epistolary, dpistdlari. tot een brief behoorende, gemeenzaam: Epistolize, apistdlaiz, brieven schrijven. Epistyle, epistail, architraaf. Epitaph, epitaf, grafschrift; âist = maker van grafschriften; â ian, epiteiffn, tot een grafschrift behoorende. Epithalamiiiin. epitlialeimfm, bruiloftsdicht. Epithem, epith'm, uitwendig geneesmiddel. Epithet, epithdti subst. adjectief: â verb, benoemen, betitelen. Epitome, apitami, korte inhoud, kort begrip; Epitnmist: Epitom\ze. |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; v/ear = jia: long = loi^; ship = sip; occa.sjón = okeiz'n; thin; thus = dhüs; wine.
Eli RAND.
EPOCH.
152
|
Kpocli. epdk of ipak, tijdstip, tijdperk: âal = een nieuw tijdperk beginnende; Au âmaking work = werk van grooten invloed, zoodai het een tijdperk kenmerkt. Kpode, epoud, slotzang; Epodic. Kpopee, epapt, Kpow. epds, episch gedicht, onderwerp van een heldendicht. Epsom Salts, eps'Hisólte. sulfaat v. magnesia. Kpiilotie, epjulotik, subst. enadj. wondbeelend (middel). Kquable. ikwdVl, gelijk, gelijkvormig, billijk: Rquabilhy, ikwdbiliti, gelijkheid = âneHS. Kinial.fArw'/,subst.gelijke, wederga: adj.gelijk, bekwaam, onpartijdig, gelijkmatig: lie is* nol â to it = hij is er niet tegen opgewassen: â verb, gelijkmaken, evenaren, geschikt maken: âity, ikwoliti, gelijkheid: âize: âization. ikwdlaizeis'n, gelijkmaking; ânes». KqiiHiiiinity. ikivdnimiti, gelijkmoedigheid. Kquate. iktvelt, gelijkmaken door het verschil te vereffenen: Kqootion. ikweiamp;n, vergelijking, equatie of gelijkmaking, invloed van iemand op zijne omgeving: Kqiiation olquot; time = verschil tusschen den werkelijker! en den schijnbaren tijd. Kquator, ikweitd. evenaar, equator: â ial. iAvrjfóWquot;/, subst. astronomisch instrument; adj. tot de evennachtslijn behoorend: âial region.*» = de tropen, streken onder de linie: âial current = aequatoriaalstroom. Kqiier(r)y, ekwdri, stalmeester, stal. Kques, ikwiz, Uomeinsch ruiter of ridder. EqueNtriaii, xkwestriim, subst. ruiter, paardrijder; adj. te paard zittend, tot het rijden behoorend; âiHiu. Equiangular, ikwiangjuld, gelijkhoekig. KquibalHm*e,i/i:u;/(gt;ar^8, subst. evenwicht; â verb, in evenwicht zijn met. Kquidiflerent, ikwidifdr'nt, met gelijke velschillen. Kquidistant, 'xkwidisVnt. op gelijken afstand. Rquilateral, ikwilator'l, subst. en adj. gelijk-zijdig(e figuur). Kquilibrate. ikiuilaiOreit, in evenwicht brengen (houden); Equilibration; Equilibrist. ikivilibnst, koorddanser; Kquilibrium. ikwi-libridm, Kquilibrity, ikwilibriti, evenwicht: In eqnilibrio = in* evenwicht. Kqniinultiple, \kivimnltip'l, subst. en adj. met hetzelfde getal vermenigvuldigd (getal). Kqnine, ikwain, tot een paard behoorende. Kquinof'tial. ikunnokè'l, subst. evennachtslijn : adj. tot de e. behoorende; Equinox,ikwinok*. dag- en nachtevening: Vernal and antiinina. equinox = lente- en herfstnachtevening. Equiiiuinerant, ikwinjürïwr'nt, uit een gelijk getal bestaande. Equip, ikwi/j, uitrusten, kleeden; âment. Equipage, ekwipidz, uitrusting, stoet, gevolg, staatsierijtuig; âd. Equipendency, ikwipend'nsi, evenwichtstoestand: Equipoise, ikwipóiz, evenwicht. Eqnipollence,iA:m/3orns, gelijkheid van macht of kracht: All the parts arc equipollent = al de deelen zijn van gelijke kracht (waarde). Equiponderant, ikwiponddr'nt. van gelijk gewicht. Equisonance, ikivisdri ïis, gelijke toon of klank. Equitable, ekwitdb'l, billijk,gelijk, onpartijdig. |
Equitancy, ekwit'nsi, het paardrijden: l.qui-tation. ekiviteis n, de kunst van paardrijden; Equitant, ekwiVnt, te paard: Equites^A-v/'i-^iz, de tweede adellijke orde in het oude Rome, die oorspronkelijk de cavalerie vormde. Equity, ekiviti, billijkheid, rechtvaardigheid; â of* redemption = de billijke tijd, iemand toegestaan, om zijne verhypothekeerde landerijen in te lossen; Court of â = rechtbank, die niet naar 't strenge recht, maar naar de billijkheid beslist. Equivalence, ikwlvaVns, gelijkwaardigheid; Equivalent. Equivocal, ikivivdk'l. subst. en adj. dubbelzinnig (woord), uit eene onbekende oorzaak voortkomende; âness: Equivocate, ikwivlt;)-keit, dubbelzinnig spreken, het niet nauw met de waarheid nemen. Eqims, ikivds. paard. Era. t/v, tijdperk, jaartelling. Eradiate, ireidieit, uitstralen. Eradicate, iradikeit, met wortel en tak uitroeien, verdelgen: Eradication; Eradicative, iradikeitiv, subst. en adj. radicaal uitroeiend (middel). Erase, ireis, uitschrappen, uitwisschen; âr. Erasion, ireiSn, Erasement = uitkrassing, uitschrapping. Erastian, irastj'n, iemand, die de Kerk wil ondergeschikt maken aan den Staat. Erasure, irriz;gt;, doorhaling, uitgeschrapt gedeelte. Ere. ên. eer. vroeger dan, vóór: âlong = eerlang; ânow = vóór dezen; âwhile = vroeger. Erebus, eribds, de onderwereld. Erect, irekt. adj. rechtop, naar boven gericht; â verb, oprichten, stichten, verheffen, uitstrekken, zich verheffen: â a perpendicular = eene loodlijn oprichten; âile, irekta.il, wat opgericht kan worden; âion = oprichting, verheffing, stichting; âive = oprichtend: âor = spier, die ter oprichting dient. Eremite, erdmaxt. kluizenaar (Zie Hermit); Eremitism. Ereption, ireps n, wegneming, ontrukking. Ergo. ngoa, dus. derhalve. Ergot, ii{tot. hanespoor, moederkoren: âed: âism. Erica, iraikd, heidekruid; âcinus, erikeiëos, tot de heide behoorende. Erie, iri: Lake â = het Eriemeer. Erin, irin. Ierland: Sou of â = Ier. Erinaceus, erineisins, de stekelvarkensoort. Erinnys, irinis, godin(nen) der tweedracht, furie(n). Erl-king. filkin,, elfenkoning (kabouter). Ermin(èK »mm, hermelijn, rechterlijke waardigheid; âd. Ern(egt;, /m, zee-arend. Ernest, nnist. Erode, iroud, wegvreten, invreten; -ut = wegvretend (middel); Erosion, ironz'n, wegvreting, uitholling. Erotic, irotik, minnedicht. Erotomania, oroxxtameinjd, Erotomany, erd-tom.mi, minnewaanzin. Err, dwalen, afwijken, eene fout begaan, zondigen. Errand, er'nd, mondelinge boodschap: He runs âs for liis mother = doet boodschappen ; He went on an â = ging eene boodschap |
man; lt;/sk = ask; iV/nu = fain: Imt = bot; k'Oin = lóu; l/ne â- lain; lioaae = liaiib; nel; care = kèi); f«te = feit; tin; «sleep = aslip; not; \aiu = lo: lo/'d = löd; hoy = boi;
ERRAND-BO V.
153
ESTATE.
|
doen, eerie opdracht vervullen; Bent on an â = op eene b. uit; âboy = loopjongen. Errant, er'nt, dolend, dwalend: Knight â = dolende ridder; âry. Errata, areite, Meêrv. van Krratiini: Erra- tic(al), 3ratik('l), dwalend, zonder vasten weg, ongeregeld; Erratum, oreiVm, drukfout, vei-gissing. ErroneoiiM. m'ounids, dwalend, verkeerd, af- i wijkend: âneMH. Error, era, dwaling, vergissing, fout, verkeerdheid, zonde, overtreding: Writ of â = beroep (in erimineele zaken) van eene rechtbank op een hooger college wegens eene fout in de behandeling. Ense, ós. subst. en adj. Keltische taal, Keltisch. E(a)rMli, /'amp;â¢, stoppel (na het maaien overblijvende). Erftkine, fiskin. Erwt. hst (superl. van ere), vroeger, eerst. â while = totnogtoe. Ernbeweenee, erübes'm, het roodworden of blozen: Erubescent = blozend. Ernetation, irokteis'n, oprisping. Erudite, erudait, geleerd: Erudition, e/v/d/^n, (boeken)geleerdheid. ErnginoiiM, Qrüilzimfs, koper(roest)achtig. Eruption, traps'n^ uitbarsting, uitval, uitslag (van de huid); Eruptive matter = uitgeworpen stollen (van een vulkaan, b.v.); Eruptive eoiintenanee = gezicht vol uitslag. Ervalenta, ï'.vdlento, revalenta (voedsel van linzen meel). ErysipelaM. erisipolds, roos (huiduitslag). EMan. t.si'. Escalade, eskoleid. subst. beklimming met stormladders: â verb, met stormladders beklimmen; âr = bestormer. Enealop, nskaldp. tweekleppige schelp. Zie Scallop. Escapade,e6'frlt;gt;pei//,dollesprong(van paarden». Escape, oskeip, subst. ontsnapping, ontkoming, ontwijking, ontduiking: We bad a narrow â = wij ontsnapten ternauwernood; We made onr â = wij maakten ons uit de voeten; â verb.ontsnappen,ontkomen, vrijkomen; âment = échappement (in een uurwerk); ontsnapping (h-oni = aan); Escapee = ontsnapt gevangene: âwarrant = bevel tot inhechtenisneming van een ontsnapt gevangene. Esearp, dsküp, subst. steile helling, helling (van de gracht bij den wal); â verb, tot eene steile helling maken; âment = steilte. Esflialot. esdlot, sjalot. Eseiiftr, oskfi of eska. korst van eene brandwonde; Escharotlc. Esehatology, eskdtotodzi, het leerstuk dei-laatste dingen, zooals: dood, verdoemenis, etc. Eselieat. nstsit, subst. vervallen leen (door gebrek aan erfgenamen, door oproer, etc.): â verb, aan de kroon of den leenheer vervallen, verbeuren. Esc lie w, dstsii, schuwen, vlieden, vermijden. Eseort, esköt, gewapend geleide: Escort. oskM. vergezellen of geleiden (ter bescherming). Escritoire, eskrit/iui, schrijflessenaar, schrijfmap; Escritorial, eskritórVl. Esciilapian, pskjuleipf n, geneeskundig. Esculent. eskjuVnt, subst. en adj. eetbaar (iets). Escurial, dskjürwl, Eskuriaal. |
Escntclieon, dskntsn. wapenschild, familiewapen; deel van den achtersteven, waarop de naam van het schip staat. Eskimo, eskiaiou, Eskimo. Esop, tslt;)p, Esopus: âiain, isoupj'n. esopisch, van E. Esopliages, isofdyps, slokdarm. Esoterie, esouierik, geheim, alléén voor de ingewijden; Zie Exoteric. Espadon, espad'n. lang Spaansch zwaard. Espalier, zspaljd, subst. reeks van leiboomen, leilatten: â verb, eene reeks van leiboomen maken. Especial, dspeamp;l, onderscheiden, bijzonder:. In â = voornamelijk = âly. Espial, dspai'l. spion, bespieding. Espinel, espin'l. soort van robijn. Zie Spinel. Espionage, espjonidz, bespieding. Esplanade, esploneid, open plaats tusschea citadel en stad, terras, vlakke wandel- ofrijweg. Espouse, espauz. huwen, verloven, uithuwelijken, aankleven, omhelzen; Espousal. ospaufl, subst. huwelijk: adj. tot het huwelijk behoorend; Espousals = verloving,huwelijksbelofte. Espy, ds/jai. bespieden, ontdekken, nauwkeurig nagaan. Esquiinaiix, esk'nnou. de stam, of één van den stam, der E. Zie Eskimo. Es(|uire, r)skwaij. subst. schildknaap. Weledele Heer (op adressen): lt;â . Bell, Em|. = Den Weled. Heere B.: â verb, vergezellen, dienen. Esquisse. dskis, schets, model. Essay, esei, poging, proef,toets, verhandeling: âist = schrijver van korte verhandelingen. Essay, osei. pogen, beproeven, toetsen. Essence, es'ns, subst. bestaan, wezen, uittreksel, welriekende olie, reukwerk: He is theâ ol' tfoodness = toonbeeld van goedheid: â verb, geurig ruiken, welriekend maken; Essential. osensH, subst. en adj. wezenlijk,, werkelijk, belangrijk: âoils = vluchtige plantenoliën; Es.sewtlality. Essera, esoro. jeukende huiduitslag. Essoi(Kgt;n. fsamp;in. subst. het bijbrengen van een grond wegens niet-verschijning voor eene rechtbank, de niet verschenen en verontschul--digde persoon: Essoin days = de drie dagen toegestaan voor het verschijnen vooi* de rechtbank: â verb, verontschuldigen wegens niet-verschijning ter terechtzitting. Establish, ostablié. gronden, (be (vestigen, vaststellen, bekrachtigen: He âed himseli* there = vestigde zich: An âcd truth = uitgemaakte waarheid; âment = vestiging,, bevestiging, regeling, bekrachtiging, handelshuis, inrichting, huishouding, staatskerk = The âed Church. Estacade, estokeid. staketsel, paalwerk (ter verdediging, om den vijand bet naderen te beletten). Estalettte), estufet, koerier, expresse. Estate, osteit, subst. staat, toestand, rang, bezit, landbezit, stand: The British lesiisla-ture consists ol' the âs ol' king; tqueen), lords and coinmons = de wetgevende macht in Engeland bestaat uit drie (stenden» lichamen: koning, lords en gemeenten; âs = domeinen, bezittingen van een vorst: He lias come to niairs â = mannelijken staat; |
bone = boun; full; ioo\ = tul; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care): niri; //ear = Jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion â okeiz'n; thin; thus = dims: wine.
ESTEEM. 154 EUSTACE.
|
Real â = onroerend goed; IVrwonal â = roerend goed; The fourth â = de dagbladpers (omdat ze, schoon niet tot de drie âs der wetgevende macht behoorende, op deze grooten invloed oefent): â verb.vestigen, vastzetten van geld of goed op een persoon. üamp;teeiii. DStim, subst. achting, hooge waardee-ring; â verb, achten, hoogelijk waardeeren; Estimable, estimdb1!, achtenswaardig; Estimate, estimeit. subst. schatting, waardeering, waarde, begrooting: On the extremest estimate = naar hoogste schatting; The Army Estimates were voted imaiiiiiioiisly =de begrooting van oorlog werd met algêmeene stemmen aangenomen: â verb, schatten, ramen, begrooten, berekenen; The loss is estimated at 5000 £ = de schade wordt begroot op 5000 pond sterling; Estiwation: Estimator. Esther, esto. 'Esthetic, cs-lhctik. Zie Aesthetic. Estival. ostaiv'l. zomersch: Estivation , ostiveiamp;n. doorbrengen van den zomer. Estop, ostop, belemmeren: âpel = belemmering. Estovers, jstouvdz. onderhoudsmiddelen, onderstand. Estrade, astrad. verhooging van den vloer, vlakke grond. Estrange. Dstreinz, vervreemden, onthouden; âment. Estrapade, estrapeid. steigeren en schoppen van een paard, om zijn ruiter af te werpen. Estray, dstrei, onbeheerd of weggeloopen huisdier. Estreat, dstrit. subst. afschrift, duplicaat: â verb, een afschrift maken. Estrid^e, estridz, struisvogeldons. Estuary, estjudri, wijde monding eener rivier. zeeboez'em; Estnarine. estjitzrabi, tot een estuary behoorend. Estnation, estjueiè'n. opbruising. 'Et cetera, etsetorz, enzoovoort. Etch, etè, etsen;. âing-needle = etsnaald, etsstift. Eteostic. etiostik, chronogram. Etern, itmi. eeuwig (âe is dichterlijk): âal, itnnyl, subst. Eeuwige, God; adj. eeuwig, onveranderlijk: âalist = aanhanger van de leer. dat de stof eeuwig is: âity = eeuwigheid, voortbestaan na den dood: âize, iïamair, onsterfelijk of eeuwig maken; Eternization. lEtesian. itSzn. periodiek terugkeerend; â wind = de ..mistralquot; of de âbisequot; aan de Middell. Zee. Ethel, ethdl: âhald, â'bold: âhert, âbid: â WÃft, âWlllf. Ether, ithd, ether: âeal, ithiri.d. vluchtig, etherisch, hemelsch; âification, ithdrifikeië'n, het maken van ether: âization, het |maken, de aanwending of de uitwerking van ether; â i/.e, ithdraiz, in ether veranderen. Etiiicial), ethikCl). de zeden of de zedenleer betreffend: âint. vthisist, zedenkundige; âs = zedenkunde. Ethiop. tthiop, Ethiopiër, â ian, ithioiipfn, subst. Ethiopiër, neger: adj. zwart: Ethiopië. Ethnic, et/mik. subst. heiden; adj. met betrekking tot het ras, heidensch: âal. Ethnography, ethnofirafi, Ethnology, ^/mo-hdzi. volkenkunde, ethnolnjrie: T\\^ Pthnoloqrc affinities of these races = de stamverwantschap dezer rassen; Ethnologist. |
Ethology, dtholddii, wetenschap van zeden-en karakterkunde. Etiolate,â¬fia/eif,(doen) verbleeken; Etiolation. Etiology, itiolddti. leer der (ziekte)oorzaken. Eti(|uette, etiket, voorgeschreven of gangbare beleefdheidsvormen. Etnean, vtnten, van den Etna. Etonian, itounf n, jongen op school te Eton, it'n. Etriiria(ngt;, ürüri9(n), Etrurië(r); Etruscan. itrvsk'n, Etrurrsch. Etui, etivi, kokertje, etui. Etymologicon, ethndlodzik'n, boek over de woordvorming, etymologisch woordenboek: These words are etymologically connected = staan in etymologisch verband met elkaar; Etymologize^ etimolddzniz, woorden afleiden, aan woordafleiding doen; Etymology,ef/mo-Iddzi. woordalleiding, buigin'g en vervoeging der woorden: Etymon, etirrin. grondwoord, stam met beteekenis. Eucalyptus, \f\kdliptds, Australische boom. Eucharist, iükdrist. (Sacrament van het) Avondmaal; Encharistica = overpeinzingen en gebeden bij het Heilig Avondmaal. Euchre, iükct. kaartspel (met kaarten van af 7 en hooger). Euclid, ink lid. Euclides. Eucrasy, iükrdsi, gezonde, normale lichaamsgesteldheid. Eudaemonism, iddluwnizm. de leer dat deugd bestaat in het verspreiden en bevorderen van geluk: Endaemonist: Emiaemonistic. Eugene, iüdzin. Eiiharmonic. mhnmönik. harmonie voortbrengend. Euhemerisin, i aheyndrizoi. de leer. da t de goden der ouden slechts vergoddelijkte helden zijn. Eiilogium. iuloudz m. (bestudeerde) lofspraak: Eulogy, iulddzi. lofspraak: Eulogist, iüht-dzist, lofredenaar; Eulogistic. Eiimenides, inmenidiz, de Furiën. Eiiiiomy, inndmi. rechtvaardige regeering of wet.' Eunuch, iündk, eunuch: Eunuchate = tot eunuch maken. Eupepsy, iupepsi. normale spijsvertering: Eupeptic = goed verterend. Eupliemism, iü/imizm, verzachtende uitdrukking; Exiphemistic. Euplionic(al), iufonik('l), Euphonious. iufounids. welluidend; Euphonism, iüfdnizm. harmonie der klanken; Euphony, iüf.ini. welluidendheid, aangename uitspraak. Euphrates, iufreitiz. Enphiiism, iüfjuizm, gemaakte, overdreven manier van spreken; Euphuist: Euphuize. Eurasian, inreizn, een uit het huwelijk van een Europeaan en Aziaat geborene. Eureka, iurikd, âik heb het gevondenquot;, uitroep van blijdschap bij eene ontdekking. Europe, iürdp: âan, 'mropidn, subst. Europeaan; adj. Europeesch: âanisation = het invoeren van Europeesche zeden, enz. Euriis. iüms, Zuidoostenwind. Eustace, insteis; Eustachian, ii'Steikfn.xnn Eustachius: Eustachian tube = gehoorbuis. Enstatia. â ivsteisn. |
man; /vsk = ask: farm = tïim; bi«t = bwt: \earn â hm; line = lain: ho«se = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = dslip; not; law = lo: lord = löd: hoy = bói:
EUSTON.
EXACT.
155
|
Kiiston. liisVn. Eutaxy, iütdksi. gevestigde orde van zaken. Euterpe, iutvpi, muze der lyrische poezie, palmsoort, kapellensoort; Euterpean. Eutliaiiasi». '\\xthaneizd, EiiHianaNy, xatha-ridsi. zachte dood. Euxine (The), dhdjüksin, de Zwarte Zee. Eva, tvd. Eva. Evan, ev'n. Evan», exfnz. Evacuant, ivakjiCnt, subst. en adj. ontlastend en purgeerend(middel): Evacuate, ivakjueit, ontruimen, uitwerpen, ledigen: Evacuation. Evade, iveid. ontduiken, ontwijken, ontgaan, ontglippen: Evadible. Evanesce, ivdnes^ verdwijnen: ânee; ânt. Evangel, ivanz'l, blijde tijding, evangelie; âian, iv'ndztlj'n, dank betuigend: âie, iv'n-dzelik. evangelisch: â isin, ivanzdlizm.evangelieverspreiding : âize, ivanzdlnXz, het evangelie prediken: Evangelization. Evangeline, ivandzdlain. Evanition, wdniamp;n, het verdwenen zijn, verdwijning: E vanishment = verdwijning. Evaporate, ivapdrelt, verdampen, uitwasemen, verdwijnen, luchten (van toorn, b.v.); Evaporation; Evaporometer, ivaparomdte, verdampingsmeter. Evasion, iveiz'n, ontduiking, ontwijking, uitvlucht: Evasive, iveisiv, ontduikend. Eve, iv, avond, avond vóór een feest- of gedenkdag: tijd, die onmiddellijk eene belangrijke gebeurtenis voorafgaat: She was on the â of lier marriage = het was onmiddelijk vóór haar huwelijk, aan den vóóravond van; Eva. Eveetion, ivekè'n, libratie der maan; verspreiding (van hitte = of heat). Evelina, evalin.f. Evelyn, evalin. Even, £v'n, adj. gelijk, 'ellen, even, kalm: She iw oï* an â temper = zij heeft een gelijkmatig humeur: â anil odd = even en oneven: I'll be â with him = ik zal wel met hem afrekenen, het hem betaald zetten: â money = ronde som: â verb, effenen, glad maken, vereffenen; adv. zelfs, juist, bovendien: â though he came = al kwam hij ook: 1 saw him â yesterday = ik heb hem gisteren nog gezien; lie tóld me â as iniieh = hij heeft mij precies hetzelfde gezegd; I saw him â now = pas nog; â as 1 said it = juist toen: His âhanded dealing with all = onpartijdige handelwijze jegens allen: â keel = een schip, dat 'achter en voor even diep ligt, zonder stuurlast: âminded = gelijkmoedig: âsong = avondlied, vesper; ⢠tempered = gelijkmatig van humeur:âness: âer = gelijkmaker (Amer.). Evening, iv^nii], avond (tijd/mmte), afnemingr Six in the â = zes uur 's avonds; âdress = galatenu (rok met witte das. laag uitgesneden vest en hoogen hoed). Even-tide = avondtijd; Evenfall = avondstond. Event, ivent, gebeurtenis, alloop.gevolg: The â of a marriage: Double â zevenstoot (bilj.); Treble â = negenstoot: At all âs == in elk geval: â ful = belangrijk, gewichtig; âual, iventjuol. gebeurlijk, eindelijk; Even-taality. Ever, evo. ooit, in eenig opzicht, in eenige mate: For â = voor goed; Or â = voordat (verbasterd uit ere â): â and again â¢â telkens weer: â and anon = nu en dan: bone = boun; full: fool = ful; e = toonlooz( long = loi^: ship = »ip; occasion = okeii'n; lt; |
As soon as â she eomes here = de eerste maal dat zij hier komt; â since that time = van dien tijd af aan; I waited for â so long = ik heb een eeuwigen tijd gewacht; He may rail â (never) so much = hij moge tieren zooveel hij verkiest; For â (and a day) = voor eeuwig (en altijd); â and anon *= nu en dan, gedurig; I cannot ever repent of it = ik heb er volstrekt geen berouw van: âglade = moerassig land, verdronken land (Amer.): âgreen = plant, die het geheele jaar door groen blijft; âlasting. subst. eeuwigheid: The âlasting = de (eeuwige) Godheid: adj. eeuwig, eindeloos: Life âlasting = het eeuwige leven: âmore = altijd door, steeds weer, eeuwig. Everard. cvnrdd. Everett, cvdret. Evert, Wê, omverwerpen, naar buiten keeren; Eversion, ivüamp;n. Every, ev'vi. ieder (nooit zelfstandig), elk: â Hody = iedereen; â where = overal; Her â* gesture = elk harer gebaren; â other day = om den anderen dag; â now and then* = telkens. Evesham, ivz{h)dm. Evict, ivikt, uitzetten (uiteen huis.b.v.;; âion = uitzetting, ontneming; âor. Evidence, evid'ns, subst. bewijs, getuige, klaarblijkelijkheid: In this novel the clergy are in â = komen veel geestelijken voor: Mr. and Mrs. K. were both in â = tegenwoordig; Circumstantial â = aanwijzingen: These circiimstances are opposed to the â = druischen tegen alle waarschijnlijkheid in: He gave â = legde getuigenis af: â verb, bewijzen: Evident, evicVnt, subst. bewijs; adj. duidelijk, klaarblijkelijk; Evidential = duidelijk bewijzend; Evidentness. Evil, ft»7, subst. kwaad, zonde, kwaal: The king's â = kropzeer; The â one = de duivel; adj. kwaad, boos, snood, slecht,zondig: âaffected = kwalijk gezind; âdoer = boosdoener, zondaar; âeye = kwaad oog (dat als door tooverkracht kwaad berokkent); â favoured = met een ongunstig uiterlijk: âminded = kwaadaardig; âspeaking = laster; âworker = boosdoener. Evince, ivins. bewijzen, aan den dag leggen. Eviscerate, ivixdrext, de ingewanden uitrukken; Evisceration. Evocate. evzkeit. oproepen. En voke, ivonk. oproepen, voor den dagbrengen, uitlokken. Evolution, ivdlüè'n. ontwikkeling, ontvouwing, worteltrekking, militaire beweging; âar. âary = door evolutie; â ism = ontwikkelirigsleer: Evolve, ivolv. ontvouwen, ontplooien, ontwikkelen; Evolvent: Evolvulns. ivolvjulds. zekere klimplant. Evulsion, ivnlsn. uitrukking. Ewart, iüwdt. Ewe, iü. ooi: â cheese = schapekaas. Ewer, iiiz. lampetkan, waterkan. Ewing. inwin. Ex. e/iS, (in samenst.), vroeger, gewezen: ook verkorting van Exhibition. Exacerbate, ogzasdbeit, verbitteren, verergeren; Exacerbation. Exact, dgzakt. adj. nauwkeurig, precies, stipt: In âest sort = in de puntjes: âly so = vokaal (zie asleep en care): girl: year = J ia; lin; f/ms = dims; wine. |
KXAGGERATE.
156
EXCUSE.
precies; â verb, eiscben, vorderen, afpersen: âingneM» fausea iniicli niiMery = veel- ! eischendheid is de oorzaak van veel ellende: j âer; âion = afpersing, buitensporige eisch; ! ânes» en â itude = nauwkeurigheid.
Kxaggerate, agzadzareit, overdrijven, ver- ; gröoten; Exaggeration.
Exalt, dgzólt, verheffen, verhoogen, verrukken. ! zuiveren; âation, egzolteiamp;n, verheffing, j loutering, verrukking, geestvervoering.
Examen. dr/re£m'/i, onderzoek; Kxaininatioii. dgzamiwetó'n, onderzoek, ondervraging,verhoor, , examen, ook verkort tot Exam.; Kxaiiiiiiation-in-riiiel' = ondervraging van de(n) hoofd- : getuige; Examine, ogzamin, onderzoeken. ; ondervragen, verhooren: I examined into the thing to knock the bottom out of it = ik deed onderzoek naar de zaak om er ge- i heel van op de hoogte te komen; Examiner ; . = onderzoeker, inspecteur, rechter van instruc- 1 tie; Kxatninee.
Example, dgzdmp'l, voorbeeld, patroon, model: For â = bij voorbeeld; 1 will set (give) i you a good â = ik zal u een goed voorbeeld ; geven; Take â from (by) your bother = neem een voorbeeld aan uw broeder, uw broeder tot voorbeeld: By way of â = als (bij wijze van) voorbeeld;* âr = exemplaar.
Exanthema, eksnthinw, koortsverwekkende huidziekte (pokken, mazelen, etc.).
ExentheseN. eks'ntliisis, huiduitslag.
Exareh, eksak, aartsbisschop (Grieksche kerk), onderkoning (in Italië) van de Byzantijnsche . keizers; ate, eksakeil, de waardigheid van een E.
Exartieillation, eksütikjuleië'n, ontwrichting.
Exasperate, dgznsparit, adj. verbitterd, getergd;- verb, (dgzaspdi'eit) verbitteren, tergen, ondragelijk maken; Exasperation.
Exeandescent, eksk'ndes'nt, gloeiend heet.
Exearnation, ekskcineiamp;n, ontvleezing.
Excavate, ekskdveit, uithollen; Evcavation.
Exceed, dksid, overtreffen, te buiten gaan: I'll take good care that you don't â = u niet te buiten gaat; I have* âed already = ik heb al boven mijn âtaksquot; gedronken (gegeten); âer; âing(iy).
Excel, eAs»/, overtreffen, uitmunten: âlence. eksdTus, uitstekendheid; âlency, eksdTnsi, | waardigheid, hooge rang, excellentie: In a degree ol' âlency = voortreffelijk: âleut.
Excelsior, ekselsio, naar hooger.
Excentric. eksentrik. Zie Eccentric.
Except, oksept, verb, uitzonderen, tegenwerpingen maken: prep. buiten, behalve; coni. tenzij, zonder: âing = uitzonderend, uitgezonderd; âion, dksepamp;n, uitzondering, tegenwerping, ontkenning: 1 take âion to such words = ik keur af, verwerp zulke woorden: Bill of âions = lijst van excepties tegen een rechterlijk besluit: âions prove the mie = de uitzonderingen bevestigen den regel: âional: âive = uitzonderend.
Excerpt, aksüpt, subst. uittreksel: â verb, een uittreksel maken, uitkiezen: âa = verzameling v. uittreksels.
Exchange, dkstselnz. subst. (uit)wisseling, ruiling, beurs: Tourse of â = wisselkoers; Arbitration of â = koersrekening; Bill of â = wissel(brief): The â = de Beurs; â verb, ruilen, wisselen, uitwisselen; â it for another = vervang het; âbroker = wisselmakelaar; âable; âabilitn; r = wisselaar. Exchequer, okstseko, schatkist, geldelijk bezit: â Bills = schatkistbiljetten: Chancellor of the â = Minister van Financiën.
Excipient, dksipUmt, bezwaar makend. Excise, dksaiz, subst. accijns; adj. tot den accijns behoorende: â verb, veraccijnzen: âmail = kommies; âduties = accijnzen; Excizable.
Excision, .iksit'n, uitsnijding, afzetting of amputatie, verdelging.
Excitable, oksaitab'l, prikkelbaar, lichtgeraakt; ExcitabilituExcitant, dksaiVnt, subst. en adj. opwekkend (middel): Exci-tlvc; Excite, dksait, opwekken, aanzetten, opwinden, prikkelen, aan den gang brengen; Excitement.
Exclaim, dkskleim, uitroepen, luide uitvaren (tegen = against): âer; Exclamation. ekskldmeis'n, uitroep, kreet, geschreeuw, het uitvaren (tegen): ]\ote of exclamation = uitroepteeken: Exclamatory, aksklaindtori. Exclude, óksklüd, uitsluiten, buitensluiten, uitzonderen; Exclusion; E.rclnsive: He lias exclusive sources of information = aparte, bijzondere; His comforter was three yards long, exclusive of the fringe = zijné bouffante was... buiten de franje; Exclusive-dealing. /. Boycott.
Excogitate, aks'kodtitelt, uitdenken, zorgvuldig beramen of bedenken.
Excommunicate, eksk.inijiïnikeit, verbannen (uit kerk of eenige gemeenschap): The lesser excoimnimication = uitsluiting van deelneming aan het avondmaal; The greater excoiiiniimication = algeheele kerkban. Excoriate, dkskórieit. villen, de huid afschaven: Excoriation.
Excortication, ekskötikris'n, het ontdoen van de bast.
Excrement, ekskrwrint. uitwerpsel(en); E-/gt; ' cremental.
Excrescence, dkskrest'ns, uitwas, wrat; Ex-i crescent.
Excretion, dkskris'n, uitwerping, afscheiding: i Excretive', Kidneys are excretorg organs = de nieren zijn afscheidingsorganen. Excruciate, akskrnseit. martelen, folteren: Excruciating pains = ondragelijke pijnen; Excruciation.
Exculpate, dkskolpeit, verschoonen, verontschuldigen ; Excnlpati/rg = verontschuldigend. Excursion,dkskamp;ê'n. afwijking, uitstapje, overschrijding: âticket = vacantiekaart; âtrain = pieiziertrein: â ist = tourist; Excursus, dksktjsds, aanhangsel met nadere uitwerking van een in den tekst genoemd punt. Excuse, dksjüs, verontschuldiging, verschooning.
Excuse, dkskjnz. vrijpleiten, vergeven, vrijstellen, verontschuldigen: He is âd all the hard xvork in the house = hij is vrijgesteld van; He âd himself on that score = op
dien grond; Excusable: Excusatory.
Excess, dkses. overtolligheid, overdaad, buitensporigheid, onmatigheid: He eats and drinks to â = buitensporig veel: âive = overdadig, buitensporig, buitengewoon, onmatig.
man: ask = ask; farm = lam; hni = but; Itwn = Ion; line = lain; htmse = haus; net; care = kè»; fV/te = feit; tin; //sleep = aslip: not; \atv = lo; lord = lod; hog = boi;
FA cess I ox.
EXORDIUM.
|
KxciiHsioii, dkskuè'n. gerechtelijke beslaglegging, afschudding. eksiot, verlof aan een (Engelsch) student, afwezigheidsverlof aan een geestelijke. Kxeerable, eksikrdVl. verfoeilijk; âhpwm : Kxecrate.e/iSiArrei/, verfoeien, vervloeken, ver-wenschen: 'Execration. Kxenite. eksdkjiit. uitvoeren, volvoeren, ter-doodbrengen, verrichten: T« â a will = een testament van kracht maken: âr: Executant; K xei* ii t i on, eksd kj üè' n. u i t voeri ng,vo 1 bre ngi ng, voltrekking der doodstraf, handigheid: To take in exeoiition = bij executie laten verkoopen: To put a thing; into exermtion = iets ten uitvoer brengen; Executioner = beul; Executive, dgzekjntiv, subst. uitvoerende macht; adj. uitvoerend, volvoerend: Kxecutor, dgze-kjiiUi, uitvoerder, executeur; ExeciitorHhip: Executorial'. Executrix; Executory. Kxedra. ngzech'd, conversatiekamer, vestibule. Kxe^esiw. eksidzisis. tekst- of schriftverklaring; Kxegete. eksidtit. Kxesetist, eksiilzttist, uitlearger der H. Schrift; Kxegetietal). eksi-(lzetik{l), verklarend, uitleggend; Kxegeties, eksiclzetiks. uitlegk unde. Kxemplar. in/zemphi. model, voorbeeld; y, eks'mpldri, voorbeeldig, uitstekend: Kxempl'i-firation, egz'mplifikeiè'n. verklaring door een voorbeeld, afschrift: Kxemplify, ogzempli/ai, met een voorbeeld aantoonen, bewijzen. Kxempt. dgzemt, subst. vrije: CoiiNcientiou^ âh = v. dienst vrijgestelden wegens gewetens-of godsdienstbezwaren; adj. vrij, bevrijd: verb, vrijstellen, excuseeren; âion, dgzeinamp;n, vrijstelling; âible. Kxêqiiatnr, eksikweitd. erkenning van een consul door de regeering. Kxe«|iiieH, eJcsikmz. begrafenisplechtigheid. Exercine. eksdsnxz. subst. beoefening, oefening, tucht, exercitie, opga ve.lichaamsbe weging: You eau take â every day in that eliniate = in dat klimaat kan men zich alle dagen in de open lucht bewegen: â verb, oefenen, doen, drillen, beweging nemen in de open lucht, angst, veroorzaken: They were iiiik'Ii âd on that Mihject = ze hadden het druk over dat onderwerp: llii* liorwe.s are thoron^hly âd every day = flink afgereden; Von were âd that* we Hiionld know her = gij deedt uw best. steldet er belang in, om haar met ons bekend te maken: 1 was painrnlly âd in my mind at tlie way in whieh he mined his ehildren = het 'deed mij pijn in de ziel te zien, hoe hij zijne kinderen bedierf; 1 was seriously âd in my iiiind as to the possibility of doing it*= ik zat er ernstig over in of hét mogelijk was: lie âs ine strangely = hij doet zonderling met mij: â r. Exerêitor. oksvsitd. reeder of eigenaar van een schip. Exergue, fgztig. plaats op medaille of penning voor het jaartal of eenig opschrift. Exert, cK/rwr, inspannen, aanwenden, streven: It is the privilege ofpoeiry to â such charms = het is het voorrecht der poezie zulke bekoringen op te wekken, teweegtebrengen: He âd hiniselt' very iniieh = spande zich zéér in: âion, dgzns 'n. inspanning, krachtige poging. Exes, oksiz, (tegenwoordig zéér gewone) verkorting van Expenses. |
Exeter, eksito. Ex loliate,;gt;fcs/oif//e/f, afschilferen: E.r/o/lt;«£/o/lt;. Exhale. 9gz(h)»il, uitdampen, uitwasemen, in damp opgaan: E.rhalable: Exhalation. Exhaust, ogz(h)6st. uitputten, leegmaken, vermoeien, een onderwerp volledig behandelen: The first edition is âed = uitverkocht; âed receiver = leeggepompte klok (van eene luchtpomp): âpipe = afvoerpijp (v. stoom); âion. dgz(h)6stfn. uitputting, vermoeienis, bewijs uit het ongerijmde: He sent me âive inrorni-ation about that subject = volledige inlichtingen: â ible; âer; âless. Exhibit,agz(h)il/it. subst. uitstalling, ingediend bewijsstuk, declaratie: â verb, tentoonstellen, vertonnen, formeel indienen of overleggen, toedienen (v. artsenijen); âant; â'ntn,ek,s{li)ilns'n, tentoonstelling, vertooning, indiening of overlegging v.be wijsstuk ken, studiebeurs, toediening (van geneesmiddelen), toegestane hoeveelheid spijs: IFe made an exhibition of hiniMelf = hij steldo zich belachelijk aan: He has an interesting colleetion on âion = heeft.. ingezonden; âion-room = tentoonstellingszaal: âioner, egzhibiéerw. iemand, die van eene beurs studeert; â ionist = exposant op eene tentoonstelling; âor. Exhilarant,agfr(/i)ifcgt;r'nf,subst.en adj. vervroo-Iijkend of opbeurend (middel); Exliilarative; Exhilarate. 9gz(li)iloreit. opvroolijken, verblijden. vroolijk worden: Exhilaration. Exhort. ogz(h)öt. vermanen, waarschuwen, aanzetten, aansporen; Exhortation: âative, âatory words = vermanende woorden; âer. Exhunie. dgzhinm. opgraven (van lijken). Exigence, cksidz'ns, Exigency, eksidfnsi, behoefte, vereischte. dringende iiood. Exiguity, e/rs/^./^/r/,kleinheid.geringheid: Exiguous.* rgt;A\s'«V/t//f,7.s, gering, klein, schraal. Exile, eksail. subst. balling, verbanning; â verb, verbannen. Exist, dgzist, zijn, bestaan, leven; âence = bestaan, zijn: âent. Exit. ekslt, heengaan (v. het tooneel). hij (zij) die in een stuk het tooneel verlaat, begin, uitgang, verscheiden: He made bis â = hij trad af, stierf; âus = afloop, jaaiiijksche rente of opbrengst van land. Exode. eksoud. ontknooping of einde van een tooneelstuk. satire, klucht. Exodus, eksddds. uittocht (van de kinderen Israels): tweede boek van het O. T.; algemeene j uittocht. Exogamy, nksogami. huwelijk buiten zijn stam (S.v. van een boerenjongen met een stadsmeisje). Exogastritis. eksoiigastraitis, maagvlies-ontsteking. Exomphalos, eksomfdlos, navelbreuk. Exonerate, ogzonore'it. zuiveren, ontlasten: Exoneration: Eionerntire. Exorable, meedoogend. te verbidden. Evorbitance. jgzöhit'ns. overdrijving, buitensporigheid: Exorbitant = buitensporig: Exorbitant bill = apothekersrekening, hooge prijs. Exorcise, e/csösaiz, bezweren, uitwerpen of uitbannen (van booze geesten); l'].rorc\ser of E'oreist. Exordiuin. ogzödj'm. inleidend woord, aanhef: Exordial = inleidend. |
bone = boun: full: fool = tul: é = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jia; long = loi^; ship = sip: occas/on = okeiy/n: thin; tlni.lt; = dhvs: wine.
EXXDTEKICAL.
158
EXPRESS.
|
E\oteric*(al), eksouterilc^l), openbaar, voorde oningewijden. Zie FiSoterio. Kxotic. agzotik, subst. en adj. niet inheemsch, buitenlandsch (product). Kxpancl, ekspand, uitspreiden, ontplooien , in omvang toenemen, ontluiken, uitzetten; ExpaiiHC, dkspans, uitgestrektheid, groote ruimte, uitspansel: Expansible', Expaiiaion, akspanê'n, uitzetting, verbreeding, toeneming, vermeerdering: KxpaiiHion curb = instrument tot het tegengaan van uitzetting of inkrimping (door hitte of koude), zooals bij chronometers; Expansive youth» = openhartige jongelui; Expansive power = uitzettingsvermogen; Expansive force = spankracht. Expatiate, okttpeièeit, uitweiden (on): Expa-tiation. Expatriate, nkspeitrieit, verbannen (uit het vaderland): He âd liiniself = hij verbrak alle banden, die hem aan zijn vaderland bonden. Expect, dkspekt. verwachten: He is not âcd to live = de dokters hebben hem opgegeven: âance = verwachting, hoop, opschorting: âant; âation, ekspdkteiè'n, verwachting, vooruitzicht, belofte: âation ol* life = het aantal jaren dat iemand van bepaalden leeftijd nog mag verwachten; âation week = de week voor Pinkster; âer. Expectorant, dkspektar'nt, K.rpectoramp;tive. suost. en adj. slijm losmakend (middel): Expectorate, dkspektsreit, opgeven (bij het hoesten); Expectoration] Expectoratoon = = kwispeldoor (Amer.). Expediency, jkspiclfnsi, gepastheid, geschiktheid, doelmatigheid: Expedient, ckspidj'nt. subst. hulpmiddel, redmiddel: adj. bevorderend, dienstbaar, gepast. Expedite, ekspddzxt, adj. gemakkelijk, vaardig, vlug: â verb, bevorderen, verhaasten: The revolution was âd, instead of delayed = verhaast., uitgesteld; Expedition, Qkspo-cfiè'n, spoedige, vlugge verzending; gezelschap van onderzoekers, expeditie, onderneming: Expeditionary troops = de tot eene expeditie behoorende troepen; Expeditions. ekspadisns, Expeditive. dkspeditir, Expedi-tory, dlcspcditeri. vaardig, vlug. Exp'el, skspel. uitdrijven, verbannen. Expend, dkspend, uitgeven, besteden, verbruiken: âiture, dkspenditjd, uitgaven, het uitgeven: That is mere âiture of words = slechts verlies van woorden; Expense. akspens, onkosten, uitgaven (Zie Exes): At my expense = op mijne kosten: I am sorry you were put to such expenses = het spijt mij, dat gij zooveel kosten hebt gehad: Hè went to great expenses = hij maakte veel kosten; An expensive ornament = kostbaar sieraad; Expensiveness = verkwisting, duurheid. Experience, okspirVns, subst. ondervinding: â verb, ondervinden, beproeven, lijden; He âd religion = hij werd bekeerd (Amer.); Au âd teacher = een ervaren onderwijzer: |
â teaches fools = ervaring is de wijsheid der dwazen; Experiential science = ervaringswetenschap: Experiment, dksperim'nt, subst. proef; verb, proeven nemen, op de proef stellen: He experimented upon that subject = nam proeven op; Evparirnentai philosophy = proefondervindelijke wijsbegeerte: Experimentum cruris = afdoende, beslissende proef (waarbij de juistheid eener bepaalde theorie tegenover de andere wordt bewezen): Erperimentative. Expert, subst. deskundige; adj. (akspvt) deskundig, bedreven; âness. Expiable. ekspidbl, verzoenbaar, wat goed gemaakt kauworden; Expiate, ekspieit. boeten, weer goed maken: J'J.i'pmtor: J2xpia.tory. Expirant, akspair nt, stervende; Expiration. ekspireiën, einde dood, vervaltijd; Expire. akspaia, uitademen, den laatsten adem uitblazen: Expiry, akspairi, vervaltijd: The expiry of the' copyright = het vervallen van het copierecht. Explain,a/csp te/u, uitleggen, verklaren: âable; âer; Explanation, eïesplaneiamp;n, uitlegging, wederzijdsche verklaring; E.vplanatorn notes = verklarende aanteekeningen. Expletive, eksplativ, subst. stopwoord, vloek: adj. aanvullend; J^xpletory = als een â. Explicable, eksplikabl. verklaarbaar: Explicate, eksplikeit, uitleggen; Explication: Explicative, eksplikeitir, uitleggend: J-Jxplira.-tonjx JJ.rplicator: Explicit, aksplisit.duidelijk, helder, opzettelijk vermeld: Explicüness. Explode, oksploud. uitbarsten, ontploffen, verwerpen: An âd notion = opgegeven denkbeeld; He âd with his grievances to his triend's ear = hij uitte zijne grieven tegen zijn vriend;ânt = ontploffingsgeluid: âr. Exploit, dksplamp;it. subst. daad, heldendaad: â verb, exploiteeren, gebruiken (tot zijn doel): âation, elcsploiteis'n, ontginning, exploitatie. Exploration, eksplöreiè'n, onderzoeking, na-vorsching: Exploratory = vorschend; Explore, aksplö, zorgvuldig onderzoeken (met het oog op ontdekkingen); Explorer. Explosion,uitbarsting, losbarsting, ontploffing: Explosive, aksplonsiv. subst. klapper, ontplolïingsgeluid: adj. ontploffend. Exponent, aksponn'nt, verklarend persoon (of iets), exponent: Exponential «|uaiitity = hoeveelheid met veranderlijken exponent: Exponential equation = vergelijking met den onbekende als exponent. Export, eksp'ót. uitvoer, uitgevoerde artikelen: âtrade = uitvoerhandel; âduties = uitgaande rechten. Export, ekspöt. uitvoeren; âable: âation: âer. Exposal, aksponzl. Zie Exposure. Exjiose. aksponz, blootstellen, blootleggen, uiteenzetten, tentoonstellen, uitstallen: They âd the child = lieten . . aan zijn lot over: Exposition, ekspazisn, blootstelling, blootlegging, verklaring; tentoonstelling (Amer.): Expositor, akspozita, verklaarder, tolk, woordenlijst: Expositive, Expository = verklarend: Exposure, akspouza, blootstelling^ blootlegging, het blootgesteld zijn. Expostulate, akspostjuleit, ernstig onderhouden, vermanen: Expostulation', Expostidn-tor ij. Expound, akspannd. verklaren, vertolken: âer. Express, akspres, subst. bode. expresse, sneltrein; adj. duidelijk, helder, uitdrukkelijk, precies gelijkend, met een bepaald doel gezon- |
man; ask = ask; ft/rm = fiim; bett = bwt; \eara = Ion: l/ne = lain; lio«se = hans: net: care = kèa; f^/te = feit: tin; r/sleep = aslip; not; \aiv = lo; lord = löd; hoy = b6i:
EXTRAVAGANCE.
EXPROMISSOR.
109
|
den; â verb, uitdrukken, uitpersen, afpersen, per expresse verzenden, in beeld brengen: He âed hiinseir very distinctly = drukte zich duidelijk uit; âion = uitpersing, uitdrukking, verklaring, voorstelling: He loves you past âion = meer dan woorden kunnen zeggen; âive language = krachtige, levendige taal: âive ol'deep interest = groote belangstelling uitdrukkende: â ible: âional; âivo, eksprosivou, met gloed. Expromissor, ekspromiso, iemand, die goed zegt voor een schuldenaar. Expropriate, dksprouprieit, eigendom of aanspraak op iets opgeven; Expropriation, Kxpugn, dkspjiin, met geweld nemen: âable, dkspnyiiobl, met geweld neembaar. Expulsion, uitdrijving, verbanning: Eucpulse = verbannen; Expulsive = verbannend, afdrijvend (middel). Expuntion. okspaiiks n, uitwissching, uitkrassing; Expunge, ekspmiz, uitwisschen, uitkrabben. Expurgate, dkspvgeit, zuiveren, reinigen; Expurgation; Expurgatorial. ekspogetóriol, Expurgatory, dkspégeVri, zuiverend: Ex-purgatory Index = Lijst van Boeken, schadelijk geacht voor de leer der Roomsche kerk, en waarvan zij het lezen verbiedt. Exquisite, ekskwizit, subst. fat, fijne meneer; adj. keurig, lekker, uitstekend, erg aangenaam of smartelijk, verschrikkelijk, diep; âness: Exquisitism = fatterigheid. Exsanguinity, eks'ngwiniti, bloedarmoede : Exsangui(ngt;óus, iksangwi(n)ds, armoedig (aan bloed). Exseetitm, oksekamp;n. af- of uitsnijding. Exsieeant, oksik'ni. subst. en adj. opdrogend (kruid of middel); Exsieeate, dksikeit, op- of uitdrogen; Exsiicummis. oksukos, saploos, droog; Exsuction, dksnkè'n, uitzuiging. Extant, eksVnt, bestaande, voorhanden, aanwezig, vooruitspringend, vooruitstaand. Extasy, ekstosi. Zie Ecstasy. Exteniporal. dkstemjw'l, E'xteniporancous. ekstdmpdreinjds. Extemporary Extempore. dkstempdt% onvoorbereid, voor de vuist; Extemporize, akstemporaxz, voor de vuist spreken, improviseeren. Extend, okstend, uitstrekken, trekken, voortzetten, doen toekomen, vergrooten, pletten, verlengen, schatten (gerechtelijk): An invitation was âed to me = mij werd eene uitnoodiging gezonden: He had the most âed powers = hij had de meest uitgebreide volmacht; A more âed book = omvangrijker boek: This group requires âed notice = het is noodig, dat wij deze groep van naderbij bezien; âedly = ten volle, geheel; âible: Extensible, dkstensib'I, Extensile, rekbaar; Extension, dkstens'n, uitbreiding, uitstrekking, uitstel van betaling, het rekken en zetten van eén uit het lid geraakt lichaamsdeel, omvang; Extensionist, ifkstenëdnist, iemand, die vóór extension (d. i. uitbreiding en verspreiding van universitair onderwijs) is. He has an extensive knowledge ol' that subject = uitgebreide kennis; Extensor = strek-spier: Extent, ekstent, uitgebreidheid, omvang, ronddeeling, bevel tot verkoop bij executie; To a certain extent = tot op zekere hoogte; To the extent ot*=ten bedrage van; He laughed at me to such an extent, that 1 got my back up = lachte zóó om mij, dat ik boos werd. |
Extenuate, dkstenjueit. verzachten, verminderen; Extenuating (gew. Attenuating) circumstances = verzachtende omstandigheden; Extenuation; Extenuntor; Extenuatory. Exterior, akstiria. subst. buitenzijde,uiterlijk; adj. buitenste, uiterlijk, buitenlandsch; â angle = buitenhoek; âity, ekstirioriti, oppervlakte, buitenzijde, overdreven oplettendheid voor uiterlijke dingen. Exterminate, dkstvmineit, uitroeien, verdelgen; Exterminatory war = verdelgingskrijg; Extermination. Extern, dkstfm. het uitwendige, extern (leerling); adj. uiterlijk, uitwendig; âal, subst. uitwendig deel; adj. uitwendig, zichtbaar;, âals = uitwendige deelen, uitwendige ceremonies en plechtigheden, zichtbare vorm. Exterraneous. okstoreinws, uit het buitenland. Exterritorial. eksteritórVl, buiten het rechtsgebied van een land. Extinct, dkstinkt, uitgebluscht, uitgestorven, niet meer bestaande,niet meer van kracht; â eur, akslinktó, blusscher. extinctenr: âion = blus-sching, uitroeiing; Extinguish, dksti)\gwis,. uitblusschen, wegsterven, uitgaan, verstikken, vernietigen, verduisteren; Extinguisher = uitblusscher, dompertje, een dooddoener. Extirp(ategt;. lt;)kstijp(eit), verdelgen, uitroeien,, geheel wegnemen: Extirpation. Extol, iikstol, verheffen, prijzen, verhoogen; âIer. Extorsive, dkstösii\ afpersend, ontwringend = Extortionate; Extort, .ikstöt. afpersen, ontwringen: Extorter: Extortionter). Extra, ekstro, subst. apart of bijgevoegd iets; adj. daarbuiten, buiten en behalve; Seven and twenty shillings a week tor board and lodging; no extras = 27 sh. kostgeld per week, zonder meerdere kosten. Extract, ekstr.ikt, uittreksel, extract; â of beef = vleeschex tract. Extract, dkstrakt. uittrekken: I will have a tooth âed = ik wil een tand laten trekken: To â the root olquot; = den wortel trekken uit; âable: âion = uittrekking, afkomst, geboorte; âion of roots = worteltrekking; âor = trekker, tang (voor tandartsen). Extradition, uitlevering: Law of â = uitleveringswet: Extradite, ekstrddmt, uitleveren (van misdadigers, enz.): Extraditable = uitleverbaar. Extrageneous, ekstrodzrnids, tot eene andere soort behoorend, vreemd. E x t ra-j ii d i c i a I, ekstrodz iidis /, wederrech tel ij k, Extraniundane,efcsframimdem,bovenaardsch. Extra-mural, ekstramJArl, buiten de muren. Extraneous, .ikstreinids, vreemd, niet behoo-rende bij. Extraordinary, akströd'ndri, buitengewoon,. zeldzaam, merkwaardig. Extra pay, ekstropei. dubbele soldij; Extra postage, ekstropoustidt â strafport. Extra-regular, ekstwegjulo, buiten den gewonen regel vallend. Extravagance, dkstravog'ns. buitensporigheid, woestheid, onregelmatigheid; Extravagant;: |
bone = boiin; full; fool = tïil; ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = |ioi; long = loi^; s/iip = sip; occn.svon = okeii'n; thin; f/ius = dht?s;'wine.
EXTRA VASATE.
FABULIST.
|
Kxtravfi^aiiz», ekstrdvdganza, woest, onregelmatig muziekstuk. KxtravaHate. ekstravoseit. uit de aderen dringen of brengen (van bloed): Extravasation. Kxtremc. dkstrim. subst. uiterste, einde, uiteinde: It in ridicnloiiM in the â = het is allerbelachelijkst; adj. uiterst, dringendst, verst: â unction = het laatste oliesel: â» meet = de uitersten raken elkander: Kxtremity, dkstremiti, uiterste, uiteinde, hoogste graad, uiterste nood: The extremities = de ledematen of deelen van het lichaam (hoofd, voeten, handen): Xetlier extremities = beenen. Kxtricate. ekstrikeit. (zich) bevrijden, losmaken. ontwarren; Jï.rtricable: Extrication. Kxtrinsie(al). akstrinsiki'l) uiterlijk, niet behoorende tot bet innerlijk deel. Kxuberanee. agzjübor'ns. weelderigheid, groote vruchtbaarheid, overvloed: Exuberant. Kxude. dgzjiïd. uitzweeten, uitvloeien: Kxn-datiun. eksiudeis n, uitzweeting. Kxiilt. jyzDlt. zich verheugen,juichen: âant, âiiiR; âation. Exuviae, dgzjüvii, afgeworpen huiden of schelpen: E.xtiinal; Kxuviate. agzjüvicit. de huid of lichaamsbedekking afwerpen; Exuviation. Kyas, aids, jonge valk. |
quot;Eye, ai. subst. oog, gezichtsvermogen, gezicht, gelaat, blik, hoede, opzicht, toezicht, knop (van rlanten). broedsel fazanten, tint: The â of â¢day (of the mornins) = de zon: The âs of* a ship = voorste deel van den boeg: He has au â to my sister = hij heeft een oogje op mijne zuster:* I have an â to business = ik let op de zaken, allaire; I am -Setting; my â in now = ik begin er nu kijk op te'krijgen: I will keep an â on him = ik zal hem nauwkeurig gadelaan: He sees a thing with half an â = met â¢Ã©Ã©n oogopslag: I never set âs on her = .ik heb haar nooit gezien: I see â to â witii you = ik ben 't met u eens, heb er denzelfden kijk op als gij; I am not going to he cheated out of my âteeth here (Amer.) = ik laat me hier niet afzetten: It shows to the â of sense beautiful vistas = het toont den gezichtszin schoone vergezichten: I could find no favour in his âs = ik kon geen goed bij hem doen: He looked upon me with an evil â = keek mij met een scheel oog aan: â of a dome = cirkelvormige opening bovenop een koepeldak: â verb, bezichtigen, bekijken, waarnemen, aanstaren : -hull = oo'ggappel: âbeam = oogopslag: âbolt = oogbout (scheepst.): âbright = ©ogentroost (plant): âbrow = wenkbrauw; âdrop = traan; âflap = ooglag (van een paardetuig); âglass = = monocle, oogglas; âlash = wimper: âlet = oog, vetergaatje, reefgat; -Iet-hole = vetergaatje; âpiece = lens: âsalve = oogzalf: âservant = oogondienaar; âservice = dienst onder opzicht; âs front = staat! (militair commando om rechtuit te zien. nadat de soldaten in bataille gekomen zijn): âs right (left) = rechts (links) richt u!; âshot = blik, gezichtsafstand: lie was within (out of) âshot = hij was in (uit) het gezicht: âsight = gezicht, gezichtsvermogen: His âsight begins to fail = zijne oogen worden zwak; âsore = doorn in'toog: âstring = oogzenuw, oogspier: âtooth = oogtand; âwater = oog watertje; âwitness = ooggetuige. Kyder. aid,', de Eider. r/yne, ain. oud Meerv. van Eye. Kyot, ai.it. riviereiland je. Zie A it. E'yre, èd. rondgaande rechtbank: Justices in â = rondgaande rechters. Zie .lustice on Judge. Eyre. Eyry. airi. roofvogel nest, nestbewoners, jong broedsel. E/ekiel. izikj'l. Ezechiël. |
F.
|
F. ef. F sharp = fis (muz.); Fem(inine): F. A. S. = Fellow of the Society of Arts: J'\ree) C(lmrch of Scotland): Fep = Foolscap; F(idei) JJ(efensor) = Verdediger des Geloofs: Feh(riiaru): Feud(al): Ff = de pandecten: Piel luw) G(eologicalj S(ocietn) = Lid van het geologisch (ook geographical = aardrijkskundig) Genootschap; Welloiv of the) J{{ogal) S(ociety) = Lid van het koninklijk Genootschap; F(ellow) Jt(oijal) A(cademg) = Lid van de koninklijke Academie; F(elloiv) JS(ociet!i) Aintiquaries) = Lid van het oudheidkundig Genootschap: T\eUow) S(ociety) A(rts) = Lid van het. Kunstgenootschap: J'ielloLV) Z(oological) S(ociety) = Lid van het Zoölogisch Genootschap: Fig{ure) = figuur; Fl(prin) = gulden; Fo1{io) = blad: F(atho)rn = vadem: Fra(nris) = Frans of Fanciscus; F(oo)Ã4tc(a)p = zeker formaat schrijfpapier, ongeveer als ons ..I'ro Patriaquot;: J'\oo)f = voet: The three F's = Whitechapel (oostelijk deel van Londen). |
Fa. /V?, de vierde noot van de toonschaal. Fabaceous. fobeièns, boonachtig. Fabian, feihf n. sluw, talmend, traag. Fable, feib l, subst. fabel, verdichtsel, vertelseltje, praatje: â verb, fabelen schrijven, leugens vertellen: âd animals = in fabels besproken, alléén in de verdichting bestaande: â r = fabeldichter. Fabliau, fabliou. kort metrisch verhaal (12e en ISe eeuw). Fabric, fahrik, subst. bouw. weefsel, maaksel, gebouw, laken, stof; âs = manufacturen: â verb, vormen, bouwen: âate. fabrike'it. bouwen, maken, samenstellen, fabriceeren. verzinnen; âant: âation: âator. Fabulist, fabjulist, fabeldichter: FabuWze: |
man; «sk = ask: förm = fam; bgt;/t = bot: \earn = l«n: l/'ne = lain: hoiese = haus: net: care = kèa; fr'te = feit: tin; «sleep = «slip; not: \aiv â lo: lord = löd: boy = boi;
FACADE.
161
FAIL.
|
Fabuloim, fabjulds, verdicht, fabelachtig, onwerkelijk, ongeloofwaardig: Fabulous age = vóórhistorische tijd; Fabulosity = fabelachtigheid. Facade, fdseid, vóórgevel, vóórzijde. Fnèe, feis, subst. gelaat, voorzijde, gezicht, zijde, blik. voorkomen, vertrouwen, onbeschaamdheid, persoontje: The âs of* a Hquare = de zijden van een carré; The soldiers were ordered to about â = zwenken; She said it with a little â = ietwat brutaal of onbeschaamd; This is uupardouable in â of the tacts = i tegenover de feiten; In the â of day = op klaarlichten dag; lie did it in â ol* all that is honorable and just = tegenover, niettegenstaande al wat eervol en rechtvaardig is; 1 will say so before his â, in his â = ik zal het zeggen waar hij bij is: He told it me to the â = vlak in quot;t gezicht; We were â to â = tegenover elkander; I laughed In bis â = ik lachte hem in zijn gezicht uit: He made a wry â = trok een zuur gezicht; He has bis â at bis oommand = hij kan net kijken zoo hij wil: Everything lias two âs = men kan alles van tweè kanten beschouwen: He sought (entreated) the king's â = 'skonings gunst; The king accepted the poor suppliant's â = trok zich den armen smeekeling aan, stond zijn verzoek toe; He cut a queer â = hij trók een raar gezicht; He pulled (made) a long â = trok een lang gezicht (lig.); She can make all kinds of âs = allerlei gezichten trekken; He set his â agiiinst his father's will = hij weerstreefde zijn vader: Kight (left) â = hoofd rechts (links)! Rightabout â = rechtsomkeert; 1 could not see my band before my â = ik kon geene hand voor oogen zien;' They Hew in the â of danger = zij snelden het gevaar te gemoet: â verb, te gemoet treden, weerstand bieden, tegenhouden, met de voorzijde staan naar, omzoomen, omboorden, huichelen: He âd the lt;*ard = hij keerde de kaart om; The country-seat âs the iiigb-road = het buiten staat met de voorzijde naar (ziet uit op) den straatweg; He wanted to â me down = hij wou mij door onbeschaamdheid weerstaan, den â¢blik doen neerslaan; lie âd it out = hij hield het brutaal vol: He âd the consequences = aanvaardde de gevolgen: He âd bis men down = hij overblufte zijne manschappen; We shall have to â the music lt;Amer.) = de moeilijkheid onder de oogen zien; Let ns â the ênemy = moedig tegengaan en weerstand bieden;'The soldiers âd about = zwenkten; âache, /eisei/r, âague, feise\yju. aangezichtspijn; â and bood = driekleurig viooltje; âcard = heer, vrouw of boer (in 't kaartspel); âcloth = lijkkleed lt;ter bedekking van het gelaat): âguard = masker (ter bescherming van het gelaat); âpainter = portretschilder; âr, feisd, onaangename ondervinding, slag in 't gezicht, teleurstelling, afscheping: Facial, feis'l, tot het gelaat behoorend: Facial contractions = gelaatsverwringingen; Facial angle = ge-laatshoek. Facet, fasdt, ruitje, zijde (van kristallen), facet. Facetiae, fdsiëi, fijne, geestige zetten; Facetious, fdsisds, grappig, boertig (gewoonlijk in ongunstigen zin). |
Facile, fasil, gemakkelijk, gedwee, gewillig: His â and sanguine nature = luchthartige aard; Facilitate, fdsiliteït, vergemakkelijken, verlichten; Facilitation; Facilities, fosilitiz. gemakken: Facility, fosiliti, gemakkelijkheid, handigheid, genaakbaarheid, minzaamheid. Facing, feisin, subst.boordsel, opslag; (steeds Meerv.) tressen, militaire manoeuvres; â of tea = thee-vervalsching; prep. tegenover, met het gelaat of de voorzijde naar. Facinorous, fdsinarvs, goddeloos, zondig, wreedaardig. Facsimile, fnksimili. subst. juiste copie, precies nagebootst handschrift; â verb, eene juiste nabootsing geven van; Facsimilist. Fact, fakt, daad. gebeurtenis, werkelijkheid; In â = inderdaad, feitelijk. Faction, fakamp;n, (politieke) partij, oneenigheid, oproer; âist = raddraaier, oproermaker; Factious, fakéos, oproerig, muitend; Factiousness. Factitious, fdktiëds, kunstmatig, nagebootst. Factitive, faktitiv, causatief; â object = het woord duke in: The queen made him a duke. Factor, faktd, agent, facteur, factor: âage. faktdriclz. commissieloon; âial, fdktóridl, tot eene fabriek (of factoren) behoorend; â y = fabriek, faktorij; ây-hand = fabrieksarbeider: ây-acts = wetten op de veiligheid, enz. in fabrieken. Factotum, fdktouVm, doe-al, duivelstoejager. Faculty, fak'lti, vermogen, macht, recht, faculteit: The â = medische faculteit; Faculties = vermogens.. Fad, fad, stokpaardje, gril; âdist = iemand, die er allerlei dwaze stokpaardjes en meeningen op nahoudt; âdy = vol âs. Faddle. fad'l. beuzelen. Fade, feid, adj. zwak, mat, kleurloos: â verb, verwelken, achteruitgaan, langzaam sterven, verkleuren, verschieten; Fading = verval, het verwelken; âless = onvergankelijk. Faeces, fisiz, faecaliën, uitwerpselen, bezinksel; Faecal, ftk'l, tot faeces behoorende of die bevattende. Faffle, fafU stamelen, stotteren. Fag, /ofif, subst. werkezel, schooljongen die voor een ouderen kameraad bepaalde diensten moet doen; â verb, zich afsloven, moe worden, zich afmatten: Such a poor band is pretty well âged out by the end of the week ^zoo'n arme fabrieksarbeider is vrij wel op tegen het einde der week; âend = zelfkant, uitschot, rafeleind, uitgerafeld stuk, eindje. Faggot, fagdt, subst. takkebos, bundel ijzeren staven; â verb, samenbinden, samenvoegen tot bossen; âvote = stemmental, verkregen door de verdeeling van één goed in kleinere stukken, die ieder recht op eene stem hebben, en de bijeenvoeging van deze stemmen. Fa gin. feigin. Fagotto, fogotou, fagot. Zie Bassoon. Fail, feil. subst. gebrek, verzuim, ongunstige afloop; â verb, schaarsch worden, ontbreken, achteruitgaan, gebrek lijden, bezwijmen, sterven, ophouden, mislukken, nalatig zijn, fail-leeren of bankroet maken, verlaten, teleur-| stellen, in den steek laten: This work cannot |
bone = boun; fill; fool = fill; j = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jia; lonlt;7 = loij; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; f/ms = dlias; wine.
ten bruggencate , Eng. Woordenboek. 11
FALL.
162
FAIN.
|
â of popularity = dit werk moet wel in den smaak vallen; lie lm» âed of liin ambitions = zijne illusies (wenschen) zijn niet verwezenlijkt: lie âed in hm usual alacrity = zijne gewone vlugheid (van voet) begaf hem; Without â = zondermankeeren,zeker; âiug, subst. gebrek, bankroet, zwakte; adj. achteruitgaand, begevend (van krachten): A never âmg topic of conversation = waarover men nooit raakt uitgepraat; âure = gebrek, slechte uitslag, gemis, verval, achteruitgang, bankroet. Fain, /ein, gaarne, blij (als met eene gedwongen fraaiigheid): lie was â to eat black bread = hij was blij met (hij moest wel eten) roggebrood: He would â = hij wou graag. Faint, feint, adj. zwak, verzwakt, uitgeput, flauw (op het punt van te bezwijmen), bedwelmend, zwoel, terneergeslagen: 1 have not the âest idea of it = ik heb er geen flauw begrip van; The book was killed with â praise = het boek werd totaal vermoord door zwakke aanprijzing (die met veroordeeling gelijk stond); â with hunger, thirst = flauw, uitgeput van; A â sound = zwak. dof: â heart never won fair lady = den moedige behoort de wereld (die niét waagt, die niet wint); â at heart = bevreesd en zenuwachtig; â verb, verzwakken, bezwijmen, den moed verliezen, achteruitgaan, verdwijnen; --hearted â flauwhartig; âing = flauwte, bezwijming; In a âing fit = in een aanval van flauwte: âish; ây. Fair, fêd, subst. jaarmarkt, kermis, schoone (vrouw): Fancy â = verkooping door dames met een liefdadig doel; The â het schoone geslacht r-= â sex; adj. schoon, fraai, blond, blank, gunstig, rein, ongehinderd, billijk, oprecht, rechtvaardig: â words butter no parsnips = praatjes vullen geen gaatjes; She has a â knowledge of English = behoorlijke, flinke; â weather = droog, helder weer; lie is in a â way to succeed = hij is mooi op weg om te slagen; â trade = beschermde handel (tegenover free trade): â trader; You have looked on fairly = (met) onbevangen (blik); That is not â play = dat is niet eerlijk en rond; â and square = eerlijk, rond, oprecht; â and softly = zoetjes aan; The book is going on 'âly, sells âly well = gaat goed van de hand: He bids* â to get the place = hij zal de betrekking hoogst waarschijnlijk krijgen, zijne kansen staan goed: âfaced = met mooi gelaat, mooie praatjes makend; âminded = oprecht; âspoken = innemend, vleiend; âway = bevaarbare deel van eehe rivier, vaarw'ater; â ish = vrij goed; âing = kermisgeschenk; âish = lief, tamelijk goed (mooi, etc.); âness. Fairbairn, fêabêdn. Fairfax, fêdfaks. Fairy, /eri, subst. fee, toovenares; adj. feeachtig; âglove = vingerhoedskruid; âland = feeënland; âlike = als eene fee; âgreen, âring, âcircle = kring (groener dan de omgeving) in 't grasveld, die naar 't volksgeloof door het dansen der feeën ontstaan is: She had a foot, which might have danced the greensward into fairer circles = zij had een zoo fijnen voet, dat zij op de weide groener kringen zou hebben gemaakt door haar dansen, dus: een voetje als eene fee; âtale = sprookje. |
Faith, feith, geloof, vertrouwen, trouw, eerewoord : ('n) â, he did it = eerlijk (waarachtig), hij deed het; In good â = eerlijk, waarachtig; The â = de Christel. Godsdienst: The âlui = de geloovigen; A âless friend = trouweloos; âworthy = be-of vertrouwbaar; â fulness; âlessness; â = Faix (lersch) = waarachtig. Fake, feik, ontduiking, bedrog, bocht of slag van een touw; â verb, lappen, opknappen, bedriegen, stelen: The old horse was âd up for work again = werd weer opgelapt voor 't werk; âment, feikm'nt, lapper, knoeier, lap- of knoeiwerk. Fakir, Fakeer, feikid, Indische bedelmonnik. Falcate(dgt;, falkeitiid), hoorn-of sikkelvormig; Falcation = kromming (als van een sikkel); Falciform = sikkel- of zeisvormig. Falchion, fólamp;n, kort zwaard, met eenigszins gebogen punt. Falcon, fók'n, valk of havik, kanonnetje: âer = valkenier; âry = valkendressuur, valkenjacht; âet = kanonnetje, jonge valk of havik. Faldstool, fóldstül, vouwstoel, bisschopsstoel (bij het altaar), stoel (aan de zuidzijde van het altaar), waarbij de Engelsche vorsten bij de kroning knielen: lezenaar (in de kerk). Falernian, fdlnnfn, subst. en adj. (wijn) van Falernus. Falkirk, fólkuk. Falkland, fökland. Fall, fól, subst. val, het vallen, neerdaling, dood, ondergang, daling, helling, waterval, uitwatering, herfst (Amer.): The â = zondenval; They tried a â = worstelden samen: There was' a general âof jaws = zij trokken allen lange gezichten; lie came here in the â = in den herfst; A â overcoat = demi-saison: â verb, vallen, zich uitstorten, zondigen, sneuvelen, dalen of verminderen, vervallen, neerkomen, aanvallen, te beurt vallen: He feil along = viel neer zoolang hij was; He feil in love = werd verliefd; That âs short of my expectations = beantwoordt niet aan mijne verwachtingen; His facc had âen in = ingevallen, mager geworden; To â in = aansluiten: To â out = de gelederen verlaten; The lease will â in on the first == het huurcontract vervalt: I fell in with his plans = keurde . . goed en deed overeenkomstig; He has âen headlong into the water = voorover in 't w. gevallen; He feil ill of the small-pox = kreeg de pokken: It fell to my lot, share = het viel mij te beurt; We fell together = ontmoetten elkander, kwamen tegen elkaar aan: We feil among friends = raakten toevallig onder; He fell from grace = verviel tot zonde: The ship fell foul of a rock = stootte op eene rots; The wind fell (a dead) calm = het werd (blad)stil: I have nothing to â back upon if this fails me = niets om op te steunen, als dit mij begeeft; We fell in with each other = troffen elkander: They fell by the ears = kregen ruzie; We fell out, but soon got reconciled = wij werden het oneens (kregen onaangenaamheden), maar |
man; ask = ask: farm = fiim; b«t = but; learn = l«n: line = lain: howse = haus; net; care = kèa; fate = feit: tin: asleep = aslip; not; \aw = WV; lord = löd; bo// = bói;
FALLING-AWAV.
163
FANNY.
werden weldra verzoend; It fell out that... = goede kennis,huisgeest:'*Butquot; ia the areptie's
het gebeurde, dat; We fell aboard with the familiar = het woordje quot;Butquot; heeft de twij-
eiiemy'w flagship = klampten 's vijands felaar steeds in den mond; adj. gemeenzaam,
vlaggêschip aan boord; 1 advise you to â huiselijk, intiem, minzaam, ongedwongen, zon-
to = ik raad u, om toe te tasten, aan te derkomplimenten; âity,/amlt;7yari7?/,gemeen-
vallen; The steamer has âen aboard of a zaamheid, nauwkeurige bekendheid, minzaam-
yacht = de stoomboot is in aanvaring ge- heid: (Too great) âity breeds contempt komen met een jacht; You have âenaway i = van (al te groote) g'emeenzaamheid komt
= gij zijt mager geworden, afgevallen; All verachting; âities = al te gemeenzame the people fell away from him = begonnen ^ handelingen; Familiarize = gemeenzaam
hem ontrouw te worden, te negeeren; He maken, gewennen; i^amiitarizaïion; Family,
fell away = verviel tot slechtheid; We feil famili, huisgezin, (vrouwen)kinderen, familie,
astern = wij werden achteruit gedreven; geslacht, hooge en roemrijke afkomst; Family-
The plan fell through = viel in duigen, man = huisvader; Faniily-medicine = huis-
werd opgegeven; He fell back upon his middeltje; Family-way = gezegendeomstan-
first contention = zocht weer steun bij zijn digheden: His wife is' in the family-way;
eerste argument; We fell upon the hostile Familiar â huis----
forces = vielen met kracht aan; He fell Famine,/amin, hongersnood; Famish,/amis,
back, when the critical moment came = uithongeren, van honger omkomen,
hij krabbelde achteruit, toen het kritieke oogen- Famous, feimos, beroemd, vermaard, berucht;
blik kwam; We fell foul of the enemy = âness.
raakten slaags met: The enemy fell to rear Famiilist, famjulist, ondergeschikte aan de
= week achteruit; We fell foul* of a steamer universiteit te Oxford.
= kwamen tegen ... aan; lie has âen short Fan, fan, subst. waaier, wan, blaasbalg, prikkel; = is te kort geschoten; The legacy fell to â verb, koelte toewaaien, wannen, aanzetten; us = viel ons ten deel; His words have âlight = waaiervormige lichtschepping boven âen flat on the company = hebben niet eene huisdeur; âtail = duif, met waaierden minsten invloed gehad *op; That poem vormigen staart, soort v. gasbrander, soort v. fell «lead from the press = het gedicht pruik; âning-machine, faninmdè'm, âning-m.aakte geen opgang, was een doodgeboren mill = builmolen, wanmachine.
product: âing-away = afvalligheid, ontrouw; Fanal, fdnól, lichttoren, lichttoestel.
âing-oif = vermindering, achteruitgang; Faïiatic, fdnatik, subst. (godsdienstige) dwe-
âing-sickness = vallende ziekte; âing-star per; adj. dweepziek: âal; âism.
= vallende ster: -ing-stone = meteoorsteen; Fancied, fansid, in de voorstelling bestaande,
âtrap = valdeur, waardoor men opgesloten gezocht, geliefd; Fancier, fansid. kweeker,
raakt. liefhebber (van vogels, enz.); Fanciful, /quot;cm-
Fallacious, fdleiéds,bedriegelijk,teleurstellend; siful, hersenschimmig,grillig; Fancifulness;
âness; Fallacy, faldsi, bedrog, vergissing. Fancy, fansi, subst. verbeelding, fantazie,
onjuistheid, dwaalbegrip, drogrede. verbeeldingskracht, denkbeeld, waan, gedachte,
Fallals,/a/7r, opzichtige prullen of nietigheden, gril: The fancy = in 't algemeen sport-
Fallible, falib'l, feilbaar; Fallibility. menschen, vooral worstelaars, hondenliefheb-
Fallow, falou, subst. braakland, onbebouwde hers, etc.: He took a fancy to it = hij kreeg
grond; adj. vaalrood, vaalgeel, onbebouwd, er zin in; adj. wat den smaak of de verbeelding
braak, verwaarloosd: He had to rest and behaagt; â verb, zich verbeelden, zich voor-
lie â = hij moest rusten en mocht geen stellen, eene voorliefde opvatten voor, aange-
werk doen: â verb, verwelken, geel worden, naam vinden: Only fancy = stel je voor!
braak land beploegen; âness; âcrop = If you fancy the* idea, *1 will act accor-
oogst van braakland; âdeer = damhert; dingly = als het denkbeeld bijval bij u vindt,
âfinch = tapuit. zal ik*dienovereenkomstig handelen; Is there
Falmouth, falmoth. nothing, that you can fancy? = is er niets,
False, fols, adj. valsch, onwaar, ongegrond, dat u bevalt? iancyâ¢articles'. Fancy-goods
ondergeschoven,ontrouw,trouweloos:âpocket = weelde-artikelen;* Fancy-ball ='gecostu-
= (losse) vrouwenzak; He sails under â meerd bal; Fancy-dress'; Fancy-fair =
colours = hij zeilt ondervalsche vlag, neemt bazaar voor een liefdadig doel; Fancy price
een valschen n.aam aan; â fire = blauw = weeldeprijs; Fancy-sick = eenigszins ge-
(Bengaalsch) vuur; âface = masker; â troubleerd van geest:'Fancy-skater = kunst-
faced = huichelachtig; âhearted = trouwe- schaatsenrijder; Fancy-stationer = verkooper
loos, verraderlijk; -bood = valschheid, leugen, van luxepost, galanterieën, enz.; Fancy-work
bedrog; Falsify, /otei/ai, vervalschen, schen- = handwerkje.
den, liegen, de onjuistheid bewijzen; Falsifier: Fandango, fndangou, oude Spaansche dans.
Falsification', Falsifiable. Falsity, fólsiti, i Fane, fein, tempel, kerk, godshuis.
valschheid. onjuiste bewering. Fanfare, fanfêd, trompetgeschal.
Falsette, fulset, âto, fölsetou, faucet-stem. Fanfaron, fanfar'n, snoever; âade, fanford-
Falstaff, f61 staf. ; neid, snorkerij, gebluf.
Falter, fólta, stamelen, stotteren, weifelen, F quot; ' tand, klauw; âed = metslag-
wankelen, ziften, schoonmaken.
Fame, feim, gerucht, faam, roem,beruchtheid, Fanion, fanj'n. klein vlaggetje.
vermaardheid; âd; Fama, feimd, Godin van j Fannel, faril. Zie Fanon.
het gerucht. i Fanny, /«ni. Fransje (verkorting van Frances,
Familiar, fdmiljd. subst. vertrouwde vriend. | fransdz, Francisca).
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)m, girl; /year = jia; long = loi^; ship â sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dlu:s: wine.
11'
FANON.
164
FATAL.
|
Kanon, fa non, hoofdtooi van den paus bij het opdragen der mis. geborduurde band om den linkerarm van een mispriester, kerkbanier. FantaHi», fnteisid, muzikale fantazie; Fan-tasied, fantdsid, gefantaseerd; FantaMtk', fntastik, subst. grillig persoon, fat: adj. fantastisch, grillig; Fantasy, fantdsi. Zie Fancy. Fan-tods, fantodz, landerigheid: 1 got the â = het begon me te vervelen, ik kreeg het land. F'antoi'f'ini, fantoutsini, marionetten-theater. Far, fci, ver, afgelegen, zeer. groot: This readies â baek into antiquity = dit gaat terug tot ver in de oudheid: â'and away. By â = verreweg: â and wide. â aiid near = heinde en ver, overal; We had to go â ahont = we moesten een heelen omweg maken; So â as I ani eonrerned = wat mij aangaat; So â so good = tot hiertoe is het in orde: âforth = heel ver; Yon are â out = hebt hot heelemaal mis; âwest = het gedeelteder Unie ten \V. van den Mississippi: Few and â between = zelden voorkomend; âoff = op een grooten afstand; â other = heel anders; âfetched = vergehaald, vergezocht; In the âgone = in ouden tijd; lie is â gone in that science = een heel eind gebracht; â gone in love = tot over de ooren verliefd: âmost = verst; âsighted = ver vooruitziend. Faradization, farodizeisn, behandeling van ziekten door elektrische stroomingen, ook: Faradism^ naar Faraday genoemd. Farce, fös. klucht, kort blijspel; Farcical. füsik'l, kluchtig, grappig: Farcicalness. Farcin, füsin, Farcy, füsi, schurft bij paarden. Fare, fed. subst. voedsel, kost, gerecht, vracht: Bil! of âs = tarief (in omnibus of huurrijtuig); Bill of â = menu, spijskaart; â verb, zich bevinden, varen, zich voeden, voortgaan: â yon well = vaarwel; âwell, fêdwel, subst. afscheid, vaarwel: lie bade âwell to his country = zeide vaarwel; adj. vaarwel zeggend, afscheid nemend: Aâwell address = afscheidsrede; â verb, vaarwel zeggen aan; interj. (fêowel) vaarwel! adieu! F^arina. fdraind, bloem van meel: âceons. farineièos, melig, meel bevattend: âceons food = meelkost; Farinose, farinous, meel voortbrengend, met meel bedekt. F'arni, /V/m, subst. boerderij, pachthoeve, verhuring; â verb.pachten, verpachten, bebouwen, den landbouw uitoefenen: This house was let to â = verhuurd: âdog = waakhond: âhouse = boerenwoning; âlabourer = boerenarbeider; âyard = boerenerf: âstead = boerenplaats: âer = pachter, landman; âery = boerenerf met huizen, schuren, enz.; âing, subst. landbouw; adj. landbouw..... Far most, famp;moust. verste. Faro, fêrou, hazardspel (kaarten); The Faroe Islands, dhdfêrouamp;iVndz. Farquhar, fükwd. F'arraginous, fdradzims, gemengd; Farrago, foreigou, mengelmoes. Farrier, far id, subst. hoefsmid, paardearts; â verb, het bedrijf van farrier uitoefenen; ây = hoefsmidsbedrijf, smederij. Farrow, far on, subst. worp biggen: adj. van een koe, die geen kalf voortbrengt in j een gegeven jaar; subst. biggen werpen. |
Farther, fiidho, Farthest, füdlnst^ comp. en I superl. van far (Zie Further): âmore = 1 bovendien. Farthing, fddhir\, vierde deel van een penny: â's-worth = waarde van een farthing. Farthingale. fiidhhigeU, hoepelrok. Fasces, fasïz, bundel (vooral van staven, om den stok van eene bijl gebonden, en als staf ! vóór de Romeinsche magistraten gedragen): Fascial = tot de fasces behoorende. Fasciate(dgt;, fasieit{id), met een zwachtel of band gebonden; Fasciation, fnsieiè'n. het zwachtelen van eene wond; Fascicle, fasik'l. bundeltje: Fascicled = Fascicular, fdsikjiild, tot een bundeltje vereenigd. Fascinate, fasineit, betooveren, verrukken, bekoren, boeien; Famp;scination. Fash, fas, hinderen, plagen, lastig zijn. Fashion, fasn, subst. fatsoen, mode, vorm. patroon, trant, kleederdracht: After a â. in a â = tot op zekere hoogte; â verb, vormen, fatsoeneeren. gepast maken voor: âable = naaide mode, fatsoenlijk, chic: âist = modegek, iemand, die aan den vorm hangt; âmonger = fat, modepop: âs = de heerschende modedracht. Fast, fast, subst. het vasten, houvast, meertouw: I have broken my â = ik heb ontbeten; adj. vast, krachtig', gehecht, getrouw, snel, vlug, los, losbandig: My watch is â = vóór (tegenover slow); He plays â and loose with his principles = 'hij is niet beginselvast; He is as â asleep as a cliurch = hij slaapt als een otter; â friends = dikke vrienden; â by = dichtbij; â beside = vlak naast; â verb, vasten: I liope I shall â my illness off = ik hoop, dat ik door onthouding (vasten) er weer bovenop kom; I am obliged to â from reading = mij van lezen te onthouden, spenen; âday = vastendag: âman, woman = man of vrouw van de wereld; â train = sneltrein; âen, fds'n, vastmaken, beveiligen, verbinden, toebrengen, zich vastklemmen: He can âen an article on any i Journal = kan . . in ieder tijdschrift geplaatst j krijgen; 1 have âened a lib on him = ik heb hem wat wijs gemaakt; He âened a quarrel on his opponent = zocht ruzie met; âener; âness = snelheid, versterking, fort. Fasti, fastai, Romeinsche kalender of registers. Fastidious, fdstidjds, kieskeurig, moeilijk te i voldoen: âness. Fastigiate(dgt;, fjstidzieit(id), naar boven spits ! toeloopend. Fat, fat, subst. vet, room, beste deel: The â | is in the lire = de poppen zijn aan het dansen, de heele boel is overhoop, vernield; There is plenty of â in that part = er zit veel pit of kracht in die rol; adj. vet, dik, zwaar, stomp. rijk. voedend; â verb, mesten, vet maken, vet worden: âbrained, âwitted. âheaded = dom, suf; âhead = domkop; âling = gemest dier; âness; âten, fafn, vet mesten, vet maken of worden; âty = vettig; âty degeneration = vetziekte; âtiness. Fatal, feifl. noodlottig, rampspoedig, onheilspellend, doodelijk; âism, feitdlizm. geloof en leer der noodlotsidee: âity, fdtaliti, noodlottige gebeurtenis; âist: âistic: Fatalities = rubriek der ongelukken (in couranten). |
man: ask = ask; farm = fiim; hut = but; learn = Iwn: Ime = lain: hoase = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; boy = bói;
FEATHER-BOARDING.
165
FATA MORGANA.
|
Fata Morgana, fdtdmöyünd, bedriegelijke luchtspiegeling. Kate, feit, noodlot, lot, dood: Tlieâs = schikgodinnen (Clotho, Lachesis en Atropos); âd = voorbestemd; âlui. Father, fad lid, subst. vader, voorvader, oudste, maker: Adoptive â = aangenomen vader; Putative â = vermoedelijke vader; âs ol' the Chiireh = Kerkvaders: CoiiHeript ân = Romeinsche Senatoren; â verb, aannemen j (als kind), zich uitgeven voor den maker van, iemand iets op den hals schuiven: lie âh j the ivork» of others, and wisheH to â i his aiioiiyinoiiH books on ine = hij geeft' zich voor 'den maker van de werken van an- i deren uit, en tracht mij voor den schrijver van zijne anonieme boeken te doen doorgaan; ; âhood = vaderschap; âin-law = schoon-1 vader, stiefvader: âland = vaderland: The â land = Duitschland: âlonsi-legs = lang- j been (mug); âliness = vaderliefde; â ly; 1 âship. Fathom, fadh'm, subst. vadem (1.83 M.), omvang, bereik; â verb, omvatten, begrijpen,' doorgronden: âline = peillood; âable: âless.: Fatigue, fdtïg, uitputting, vermoeienis, mili- ' taire corvée: â verb, afmatten, vermoeien. , kwellen; âduty = corvée(-dienst); âcap = i politiemuts;âdress = corvée-tenue; âparty ; = troep voor eene corvée. Fatuitous, fdtjüitos, Fatuous, fatjuss, zwak 1 van geest, sullig; Fatuity, fdljüiti,sulligheid, zotheid. Fauees, fösiz, achtergedeelte van den mond, | besloten door de pharynx en de larynx: , Faucal = tot den strot behoorend. Faucet, fósdl, tapkraan, tapbuis. Faugh, /o. bah! Fault, fólt, subst. fout, gebrek, feil. schuld, afbreking (van eene mijnader, zoodat de werk- i man liet spoor bijster wordt): lie always ' linds â with ine = hij heeft altijd wat op \ mij te zeggen; You like to lind â = gij houdt van klagen en pruttelen; The hounds I were at â = het spoor bijster; If he is severe, his love ol* learning is in â = als i hij streng is, draagt zijne liefde voor de weten- ! schap de schuld: lie is good to a â = hij is zoo goed, dat het haast verkeerd is, dood- j goed: â verb, beschuldigen, eene fout maken: gt; He has âed in several passages = fouten ⢠gemaakt: lie is a regular âliiuler = echte ! brompot, pruttelaar; ây = gebrekkig, schuidig, ! met fouten behept =âed; âless: âsonie= i met gebreken behept. Faun. /on, boschgod (bij de Romeinen). Fauna, fónj, de aan een bepaald land in een ; bepaalden tijd eigen dieren. Faunist = na- 1 tuurkenner, vooral van de fauna'. Faunistic i = van eene bepaalde fauna. Faveolate, fdvteleit, honigraat- of celvormig ! = Favose, fe ivo its. Favershain, favdamp;m. Favillous. fdviles, | aschachtig. Favonius, fevounids. Westenwind. : Favour, feivd, subst. gunst, begunstiging, steun, gelaat, linten en strikken, een lintje van eene bepaalde kleur als teeken van liefde of aanhankelijkheid: I received your â of the 1st. inst. yesterday = ik heb uwe geëerde letteren van den eersten dezer gisteren ontvangen; 1 have lost â in your eyes = |
ben bij u uit de gratie: Under (By)your â = met uw verlof, welnemen: 1 have done it in your â = te uwen behoeve: A challenge* to the â = het wraken van een jurylid; â verb, begunstigen, vriendelijk gezind zijn, gemakkelijk maken, vereeren: âed = gesteund, in een bepaalden toestand, met een gelaat: 111âed = met ongunstigen aard en uiterlijk; Wellâed = met goeden aard en uiterlijk; âable = gunstig; âer: âite, feivrit, subst. gunsteling: adj. lievelings ...: That is my âite dish, author = lievelings-kost, lievelingsschrijver; âitisin = begunstiging. Favus, feivds, besmettelijk hoofdzeer. Fawkes. fóks. Fawn, /on, subst. jong hert (van quot;teerste jaar), vleierij, kruiperij; â verb, laag vleien, kruipen, jongen werpen (van herten): He âed(up)on the iniglity = vleide, kroop voor; âing: âer. Fay, feL subst. fee; â verb, precies passen, sluiten. Feal, ftol, trouw; â and leal = houw en trouw (aan leenheer); â ty = trouw (aan leenheer, vorst of regeering). Fear, fio, subst. vrees, angst, ontzag, eerbied: For â of = uit vrees voor; J\o â of that = geen vrees daarvoor: â verb, vreezen, duchten, vermoeden; âful (of) = angstig (voor), vreesachtig, vreeswekkend; ânought dikke en ruige wollen stof, toeliet vullen en bekleeden van tochtige plaatsen; âless; âsome = angstverwekkend. Feasible, fizib'l, adj. en subst. praktisch en uitvoerbaar (iets); âness; Feasibility. Feast, fist, subst. feest, lekkernij, feest- of gastmaal, verrukking: Knoiigh is as good as a feast = genoeg is overvloed: â verb, feestvieren, smullen, onthalen, royaal ontvangen en vieren; âday = feestdag; ârite = feestelijk gebruik; âing. Feat, fit, subst. daad, feit; â of Juggling = goocheltoer: adj. handig, bekwaam, netjes; âness = vlugheid. Feather, fedlw, subst. veer, veder, versiering, ijdele titel: He showed the (a) white â = hij toonde zich lafhartig: Hirds of a â Hoek together = soort zoekt soort; That's a â in his cap = dat is eene door hem behaalde eer; She was in full â in gala; berekend voor hare taak; You are in high â to-day = je bent erg in je ..humquot; vandaag; It is but the turning of a â between you and hi in = haast geen onderscheid, verschil: The ship cut a â = het schip sneed snel door de golven, en liet schuimend gekabbel achter zich: âs = smalle stukjes hout; âverb, uitdossen, versieren: His air of superiority inspired ine with a desire to tar and â him = zijn beschermende blik deed de begeerte in me ontwaken om hem eens Hink te pakken te nemen, te verlakken (eig.: te teeren, endan op de teer veeren te kleven); That man is â ing his nest = is bezig zijne schaapjes op het droge te brengen, voor zichzelf te zorgen; To â the oar = den roeiriem horizontaal over het water laten glijden; âbed = veeren bed: âbed conspirators = zoetsappige; â boarding = planken beschieting, zóó dat de |
bone = boun: full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = Jio; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; thus â dims; wine.
FEATHER-EDGE.
166
FELLOW.
|
planken over elkander liggen: âedge = dunne kant van eene plank; âflowers = kunstbloemen (vooral voor hoeden); âgrass = vedergras; â-weight = kleinst mogelijk gewicht, precies gewicht, zoodat eene veer de schaal zou doen doorslaan; ây = als veeren. met veeren bedekt. Feature, fttja, gelaatstrek, trek. voorkomen, het eigenaardig kenmerk, het in 't oog vallend deel: This house is the â of the street. Feaze, fiz. ontrafelen (van touw). Febrieula^ fibrikjula, lichte, korte koorts: Febriculose = wat koortsig: Febritaeieut, flbrifeisdnt, subst. en adj. koortsverwekkend (middel); Febritugal, flbrifjugU, subst. en adj. koortsverdrijvend (middel): Febriluge, fibrifjüdz, koortsverdrijvend middel; Febrile, fibril, koortsig. February, februori, Februari, sprokkelmaand. Feces, /ïsir. Zie Faeces. Fecial, fiédl, bij de Romeinen een der priesters, die presideerde bij de plechtigheid van oorlogsverklaring en vredesluiting. Fecit, fisit, âhij (zij) heeft (het) gemaaktquot;, geschreven op een kunstwerk achter den naam van den kunstenaar. Feck, fek, subst. deel, hoeveelheid, ruimte: kracht, waarde: adj. flink, krachtig; âless = laf, zwak, flauwhartig. Fecula, fekjuld, het voedende deel van tarwe of stijfsel, groene plantenstof. Feciilant. fekjuUnt, troebel, modderig, droese-mig, drabbig; Feculence. Fecuiid, feWnd of fik'nd. vruchtbaar; âate, fek'ndeit, vruchtbaar maken, bevruchten; Fecundation-, âity, fdknnditi, vruchtbaarheid. Federacy, fed'ri'si; Zie Federation; Fede-ral(istgt;.' fed'raKist), voorstander van den bondsstaat; Federal, fed'rdl, tot een bondsstaat behoorende: Federal iiuioii = vereeni-ging van onderling onafhankelijke staten tot een centraal bestuur; Federal City = Washington: Federal Diet = de Duitsche Bondsdag; Federalism: Federalize, fed'rdlaiz, tot een bond vormen: Federation = bond, eedgenootschap: Federative. Fee, /ï, looa, salaris (vooral als het door gewoonte of tarief is vastgesteld), bijdrage, leengoed, eigendom; I hold it in â = ik heb het als leengoed; What with doctors' and lawyers' âs we had a hard year of it = doof al die kosten van doctor en advo-kaat hadden wij een moeilijk jaar; âless = zonder belooning; âsimple = eigen landgoed of bezitting; âfarm. Zie Socage; âtail = landgoed, op zekere voorwaarden genoten, en reeds aan bepaalde erfgenamen toegewezen; â verb, beloonen, huren, nemen; You had best â the porter = win den portier door geld. Feeble, fib'l, zwak, krachteloos; âminded = zwak van geest, besluiteloos; âness. |
Feed, fid, subst. een maal, voer, maaltijd, voorraad: His horse must have its four âs a day = moet viermaal per dag gevoerd worden;! am off my â = heb mijn eetlust verloren; â verb, voedsel geven,' van het noodige voorzien, weiden, verlustigen, veel eten: He âs like a wolf = eet als een wolf; He was âing morsels from his plate into his mouth, as if he was firing up an engine = hij stopte stukjes van zijn bord in zijn mond, alsof hij een machine stookte: Will you â the fire? = wat in de kachel doen? The operator âs the letters into the stamping-niachine = het werktuig stopt de brieven van zelf in de stempelmachine: The child was brought up on the â ing-bottle = werd met de tlesch grootgebracht; âpump = perspomp,aan voer pomp (die stoomketels of brandspuiten van water voorziet): âpipe = aanvoerpijp (bij stoomketels); He is a huge â er = hij eet erg veel. Feel, fil, subst. gevoelszin, aanraking, gewaarwording (door het gevoel); â verb, voelen, bevoelen, betasten, ondervinden: 1 â lor you, poor fellow = ik heb medelijden met je, arme kerel; He felt his way after the sound = hij deed (tastende)' onderzoek waar het geluid vandaan kwam; The baby âs his legs = probeert al te staan; I shall try to â him out = hem te polsen; She felt her way on the subject with him = zij polste' hem over dat onderwerp; 1 â up to much work = voel me geschikt voor; 1 â offended by your remark = ik acht mij beleedigd door uwe opmerking; âer = voeler, voelhoorn; âing = gevoel, aandoening, gewaarwording: He has no âing against you = niets (= geen wrok) tegen u; The*âings = de aandoeningen der ziel (hartstochten, etc.): The âings are dangerous guides = het is gevaarlijk, om op 't kompas van zijn gemoed te zeilen; adj. gevoelend, gevoelig, gevoelvol. Feet, fit, voeten (Zie Foot); He is certain to fall on his â anywhere = hij komt altijd op zijn pooten terecht; Writh the world at your â = met de wereld gereed om u te dienen; âless. Feign, fein, veinzen, voorwenden: A âed issue = een proces, om eenvoudig de rechtskwestie te beslissen: -er; Feint, feint, subst. voorwendsel, schijnbeweging, list; â verb, veinzen, eene schijnbeweging maken. Feldspar, feldsp:A, kristalachtig mineraal (Feld-spaath). Felicitate, fdlisiteït, gelukkig maken, felici-teeren: Felicitation; Felicific, felisifik, gunstig, voordeelig; Felicitous, fdlisites, gelukkig, gelukkig gevonden, voorspoedig; Felicity, ftlisiti, geluk, gelukzaligheid, gelukkige aanleg. Feline, ftlain, subst. en adj. (als eene) kat: â amenities = kattige lievigheden (d. i. komplimentjes, zacht als kattepootjes, maar met een klauw erin); Felis = familie dei-katten. Felix, filiks. Feil, fel. huid, zoom, val of golving (van haar), rotsachtige heuvel; adj. wreed, woest; â verb, zoomen, vellen, doen nederkomen; imperf. van to fall] âmonger = koopman in huiden. Fellah, fel9, (Meerv. âeen) Egyptische boer of arbeider: The âeen forces' = de strijdmacht der fellahs. Felloe, felon. Zie Felly. Fellow, felon, subst. kameraad, maat, wedergade, gelijke, kerel, vent, jongen, lid van een college of genootschap: A glove and its â |
man; ask = ask: farm = lam; bat = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit: tin; asleep = dslip; not; \atv â lo; lord = Hid: boy = bói;
FELLOW-COMMON KR.
167
FETCH.
|
= en de daarbij passende handschoen; He is hail â well met with everybody = hij is goede maatjes met iedereen: They are â8 in ofilce = amtgenooten, collega's; adj. (in samenstellingen) mede . . .: âcoin-inoner = student (aan Eng. Universiteiten), die met de fellows van zijn college dineert; âcreature = medeschepsel; âfeeling = mede-gevoel, sympathie; âera ft = vrijmetselaar (tweede graad); âranker =» iemand van denzelfden rang: â8iii|gt;=: gemeenschap, omgang, geld (voor het onderhoud van een fellow), gezelschapsrekening; â verb, passen bij. Felly, fell, velg (van een rad), rad. Felon, feVn, subst.misdadiger, fijt; â*8doek = beschuldigdenbank; adj. kwaadaardig, verraderlijk, wreed; â iouw, fdlounjds, snood, boosaardig, misdadig; âry = de klasse der misdadigers; ây = zware misdaad, halsmisdaad. Felt, feit, subst. vilt(en hoed): â verb.met vilt bedekken, tot vilt maken; imperf. van to feel. Feltre, feltd, ouderwetsch borstharnas van vilt. Felucca, falnkd, boot of schip (Middell. Zee). Fel wort, felwvt, gentiaan, bitterwortel. Female, fimeil, subst. vrouwtje, wijfje (tegenover male = het mannetje); adj. 'vrouwelijk, zacht, teeder: A â woman = teedere, zwakke vrouw; â screw = moerschroef; â die = holle stempel, waarop de munt geslagen wordt: â rhymes of rimes = rijmen met ongeaccentueerde lettergreep op het einde: geven â leven: Feminine, feminin, vrouwelijk, zacht, teeder, verwijfd: Feminine (niet female) gender = vrouwelijk geslacht: Femme sole (covert) femsoul (knvdt), (on)gehuwde vrouw. Femerell, femdr'l, ventilatie-toestel op het dok, ook: Fomerell. Fen, fen, moeras, laag en moerassig land: â herry = veenbes; âny = moerassig; âdnck = soort v. wilde eend; âlire = dwaallichtje. Fence, fens, subst. muur, heg, beschutting, het schermen, handigheid (in 't debat), heler: She rushed at her âs = zij vloog naar de beschermde plaats, stelde zich tè weer: Ring â = hek, dat eene bezitting omgeeft: Ke is on the â = hij houdt het met geene der partijen (Amer.); â verb, omheinen, beschutten, schermen, dubbelzinnig spreken: He studiously âd round the points = hij ontweek opzettelijk de kwestie; âmonth = gesloten jachttijd (van 9 Juniâ9 Juli); Fencible, fen-sib'l, verdedigbaar; The Fencibles = soldaten alléén voor de landsverdediging: âd = versterkt; âr; Fencing, fensin, materiaal voor eene schutting, schermkunst; Fencing-pad =⢠borstleder (van den Fencing-master = schermmeester). Fender, fendd, beschutting of hek voorlangs den haard of de daardoor ingesloten ruimte; wrijfhouten of wrijfkabels ter bescherming van tegen iets stootende schepen. Feneration, fendreis'n, leening tegen woekerwinst, woeker, intrest. Fenestra I, fenestr'l, tot een.venster behoorende = Fenestrate. Fenian, ftnj'n, lersche revolutionaire partij) (sedert 1858); âism. Fennel, feril, venkel. |
Fent, fent, opening of split in een kleedingstuk, om het gemakkelijk te kunnen aan- en uittrekken. Feod, fjüd. Zie Feud. Feoff, fif, subst. leengoed; â verb, met een leen begiftigen; âee, fefi, leenman; âer, âor, fifd, leenheer. Feral, /ïr'l, woest, tot wildheid vervallen. Feriae, ftrii, feest- of vrije dagen (Rome); Ferial = tot vacantie behoorende. Ferine, /tram, wild, ongetemd (tegenover domestic); âness. Feringhee, fdringi, namen der Hindoes voor Engelschen en Europeanen. Ferment, fum'nt, gisting, beroering, opwinding. Ferment, fdment, in gisting brengen, beroeren; âable, âability; Fermentation = gisting, beroering; âative = gistend, gisting veroorzakend. Fern, firn, varenkruid; âery = kweekplaats van varens; âowl = nachtzwaluw; âticle = sproet (op de huid): ây =vol varens, gelijk varens. Ferocious, forouèds, woest, wreed; âness; Ferocity, fdrositi, woestheid, wreedheid. Ferrandnie, fer'ndain, stof van zijde met andere materialen. Ferret, ferdt, subst. fret, smal lint van wol, katoen of zijde gemaakt; â verb, uitdrijven, (weg)jagen: I have âed it out = ben het op listige wijze te weten gekomen; âeyes = = kleine, slimme oogen. Ferriage, ferüdz, veergeld. Ferric, ferik, uit of van ijzer; Ferriferous = ijzer opleverend; Ferruginous, fdrüdtinds, ijzerhoudend, ijzerroestkleurig; Ferrule, ferül, ijzeren ring aan stok of mes, etc. Ferry, feri, subst. veer, veerrecht, veerboot; â verb', overzetten; âboat = veerboot; ânian = veerman. Fertile, futil, vruchtbaar, vindingrijk; Ferti-litij = âness: Fertilize,/vti/aiz, vruchtbaar maken, bemesten; Fertilizer = mest, mestvaalt: Fertilization. Ferula, ferula, scepter van de keizers van het Oostersche rijk. Ferule, ferül, subst. schoolplak: â verb, met de plak geven. Zie ook Ferrule. Fervent,Twü'nr, vurig,driftig, ijverig; Fervency = âness; Fervescent, fbves'nt, heet wordend; Fervid, fnvid, heet, brandend, vurig; Fervour, fnva, gloed, vuur, drift. Fescennine, /esanain, losbandig, gemeen. Fesse, fes, breede band, die 1/3 van het schild beslaat: âpoint = midden van een wapenschild. Festal, fesfl,feestelijk: Festival, festival,subst. feest, feestviering; adj. feestelijk, vroolijk; Festive mirth = feestvreugde: Festivity, fdstiviti, feestelijkheid, feestvreugde. Fester, festo, subst. zweer, invreting: â verb, bederven, zweren. Festoon, fdstnn, subst. guirlande, krans, festoen; â verb, met guirlandes, enz. tooien. Fetch, fets, subst. streek, list, geest; â verb, halen,trekken,behalen,bereiken: The picture will have to be âen out = de schilderij zal wat uitgehaald (voor den dag gebracht) moeten worden: She was âed to = bijgebracht; The flatness of the last act must be âed up = het weinig indrukwekkende van het laatste |
bone = boiin; full; fool = lïil; ü = toonlooze vokaal (zie aslee/j en care)-, girl; j/ear = jia; long = loi^; s/jip = sip: occas/on = okeiz'n; thin; tfms = dhvs: wine.
FIFTEEN.
FETICH.
168
|
bedrijf moet verholpen worden; To â a pump = eene pomp aan den gang maken; A thing iw worth what it will â = een ding is waard wat het opbrengt; I âed him from behind = ik greep hem van achteren aan: She âed a deep High = slaakte een diepen zucht; That i» rather far âed = nog al ver gezocht: To â a comuaH» = een omweg maken; He was âed m (out) = gegrepen (weggevoerd); âcandle = heen en weer gaand licht, dat, naar het volksgeloof, den dood aankondigt; âer. Fetieli, fetish, fitis, afgod, fetisch, toover-middel: âtem. Fetid, fetid of filid, stinkend; âiien». Fetlock, fetlok, vetlok (aan een paardepoot). Fetter, fetd, subst. voetboei, keten: â verb, boeien; âed; âless; âlock = boei aan een paardepoot. Fettle, feVl. subst. orde: â verb, in orde brengen, repareeren, schoonmaken. Fetus, Foetus, fitds, ongeboren vrucht. Fend, fjüd, vete, strijd, leengoed: Tlie âal system = leenstelsel of âalism; âalist: âality, fjudaliti, leenmanschap; âalize: âary = âatory = leenman. Fever, fit'a, subst. koorts, hitte, opgewondenheid: In a â of disgust = misselijk van ergernis; â verb, koortsig worden; âfew = koorts- of moederkruid; Lawâ = binnenkoorts; âweakened = door de k. verzwakt; âish, ftvdrië, koortsachtig, onstandvastig, grillig, zwoel: âishness. Few, f'jü, weinige(n): The âer the better = hoe minder (menschen) hoe liever; A â = eenige weinige(n); A good â = aanzienlijk getal; In â = in 'tkort: â and far between = hoogst zeldzaam; âness. Fey, fei. (ge)dood, ten doode bestemd, ongelukkig, vreemd, zonderling, mistroostig: You are â, and 1 prophesy a head-ache for you to-morrow = je b'ent niet gewoon, en ik vrees, dat dit voor morgen hoofdpijn spelt. Fez, fez, fez (Turksche muts met een kwastje erop). Fiasco, fidskon, ongustige uitslag, slechte figuur. Fiat, faidt. âhet worde gedaanquot;. Fib, fib, subst. leugen(tje): â verb, jokken, snel achtereen slaan: Don^t tell âs = jok nu niet: âber = jekker = âster. Fibre, faibd, vezel, kracht; Fibril, faibril. fijne vezel of draad; Fibrous, faibrds, Fibrose. faibrous, vezelachtig; FibHllose = met ol van vezels. Fibula, fibjuld, gesp, kuitbeen; âr. Fickle, fik'l, wispelturig, grillig; âness. Fico, fikou, knip met duim en voorvinger als teeken van verachting; vijg. Fictile, fikt{a)il, gevormd of vormbaar (van pottebakkersaarde); âness. Fiction, fikamp;n, verdichting, verdichtsel: Fictitious stories = verdichte verhalen: Fictive tears = geveinsde tranen; âal; âist;Fictor, fikte, boetseerder. Ficus, faikds, genus vijgeboom. Fidalgo, fulalyou. Portugeesch edelman. Fiddle, fid'l, subst. viool; â verb, viool spelen, beuzelend met de handen spelen: He took first â = nam de leidinff: He played first â |
= hij speelde eene voorname rol; --bow = strijkstok (ZieBow); âde-dee = malligheid; âladdie, fid'lfdd l, subst. gewauwel, kouwe drukte; adj. wauweiachtig, beuzelend: â verb, drukte maken om niets, beuzelen; âstick = strijkstok; 1 don't care a âstick = ik geef er geen zier om; -sticks' ends = geleuter; âstring = vioolsnaar; â r = vioolspeler, zesstuiverstuk. Fide-jiisMion, faididzrtamp;n, borgstelling. Fidelity, fideliti, getrouwheid, aanhankelijkheid, trouw. Fidget, fidzdt, subst. zenuwachtige gejaagdheid, bewegelijkheid, zenuwachtig persoontje: Her arm seemed to have got the âs (Zie Dysphoria) = niet stil te kunnen blijven liggen, bewoog zenuwachtig heen en weer; â verb, zenuwachtig bewegen: You â me by your presence = je maakt me zenuwachtig én gejaagd door uwe tegenwoordigheid; A ây pei'Mon = gejaagd persoon, aangekleedezenuw. Fiducial, fldjuêdl, vertrouwend, vertrouwelijk; â mark = bewijs v. vertrouwen; Fiduciary, fidjusdri, subst. iemand, wien een pand ter bewaring is toevertrouwd; adj. vol vertrouwen, toevertrouwd. Fie, Fy, fai, foei! Kiel', /if- leengoed. Field, fild, veld, akker, open land, slagveld, slag, uitgestrektheid, cricketveld, al de cricketspelers, de jachtstoet, deelnemers aan een wedstrijd (ook: paarden, etc.): He won theâ = hij won den slag; He betted (laid) against the â = hij hield op één (of meer) paard(en) tegen alle' andere; The army took the â and kept it during the srnnmer = het leger trok te velde en bleef daar den ganschen zomer; A â of ice = groote (drijvende) ijsmassa: â ol' view = gezichtsveld, bestreken door een verrekijker; âallowance = extratoelage aan te velde zijnde soldaten; âartillery = veldgeschut; âbock = veldboek (voor het* landmeten): âday = velddienst, dag van groote drukte, vertoon', etc.; âduck = kleine trap; âequipage = uitrusting te velde; âed = gekampeerd, in den strijd gewikkeld; âer = cricketspeler, die den bal tegenhoudt: âfare winterlijster; âglass = veldkijker: âmarshal = veldmaarschalk : âmouse = veldmuis; âofficer = stafofficier (majoor, overste of kolonel); âgnn, âpiece = stuk veldgeschut; âsports = jachtvermaak, enz.; âworks = belegeringswerken. Fiend,/md, boozegeest,duivel; âisli: âlike» Fierce,ftes, woest,hevig, wreed, vurig: âness. Fieri facias, fai{9)raifeisds, bevelschrift tot uitvoering van een vonnis, waarbij schadevergoeding aan iemand wordt verleend (eig. zorg dat het gedaan worde). Fiery, fai(o)ri, vurig, in brand, licht ontbrandbaar, vlammend; â substances = licht ontbrandbare stollen; â cross = vlammend kruis (in de Hooglanden van Schotland), om de stammen te wapen te roepen; âred = vurig rood; Fieriness. Fife, faif, subst.. fluit, pijp; â verb, pijpen, op eene 11 uit spelen; â r = fluitspeler. Fifteen, fif tin (maar Fifteen boys, fiftin bóiz), vijftien; âth = vijftiende; l^iftli, fifth, subst. en adj. vijfde (deel): Fifth monarchy |
man: «sk â ask; farm = fiim; hut = but; learn = Km; line â lain; hojlt;se = bans; net; care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; boy = bói;
F1LTEKING-BAG.
FIG.
169
|
men = dweepzieke gadsdienstsekte, die onge- j veer 1659 ontstond, en eene vijfde monarchie profeteerde, waarin Christus duizend jaren op ; aarde zou heerschen: Fit'tiily = ten vijfde; : Fifty = vijftig; Fit'tietli = vijftigste. fiUi subst. kleeding, uitrusting, vijg, vijgeboom, waardelooze zaak, tabakspruim: In tuil - = in groot tenu, poesmooi, goed op dreef; 1 don't care a â tor what you say = ik geef geen zier (zie Curse) om hetgeen gij zegt: â verb, kleeden, mooi maken; â i eater. âpecker = vijgeneter; âleaf = vijgeblad: This poet's works have been subjected to the âleaf and knife = de werken van dezen dichter zijn gecastigeerd en besnoeid; âshell = schelp in den vorm eener vijg of peer. Fight, fait, subst. gevecht, strijd: Single â = tweegevecht; A running â = het nazetten van en vuren op een vluchtenden vijand; A hand-to-hand â = strijd van man tegen man; I don't think he will show â = dat hij zal vechten; â verb, strijden, vechten, bestrijden: 1 will â you = ik neem het tegen je op: They fought hand to hand = zij vochten man tegen man: A battle was fouglilt; on this field = op dit veld werd slag geleverd; lie fought his way through the crowd = hij baande zich mét geweld een weg door de menigte: We will â it out together = wij zullen het samen uitvechten; I â shy of him = ik vermijd hem, omdat ik hem niet vertrouw; They are â ing the tiger (Amer.) = zij dobbelen; âer; âing-alliance = of- en defensief verbond; The âing erti-ciency of our fleet = vechtvermogen; âing-eock '= kemphaan. F'ignient, fiynVnt, vinding, verdichtsel. F'igulate(d), fiyjuleit{id), gevormd (van potte-bakkersaarde); Figuline, figjulain, potte-bakkersaarde. Figuraiit(e),/iV/lt;/uranr,figurant (op hettooneel). Figuration,voorstelling, afbeelding, type; Figurative, f'ifijurdtiv, figuurlijk,zinnebeeldig, bloemrijk: Figure, fwij)d. figuur, vorm, voorkomen, menschelijk lichaam (kunstenaars), gedaante, gestalte, prijs, beeld, cijfer, de passen (bij het dansen): \Vhat a ligure you are = wat zie jij eruit! What is the tigure? = op hoeveel'komt dat? I will not sell it under three figures = onder 100 iquot; (eig. onder drie cijfers, dan is 100 het kleinste getal): Sold at a great ligure = voor zéér hoogen prijs; He cuts (makes) a poor figure = hij maakt een treurig figuur: He lives in figure = hij heeft een grooten staat; â verb afbeelden, vormen, zinnebeeldig voorstellen, uitkomen, becijferen, zekere passen en bewegingen uitvoeren: He figured down several couples with his amiable partner = hij danste (in den country-dance) tusschen de rij der dansers door met zijne lieve danseres: We have figured it out = het uitgerekend: It in easy to figure these sums up = op te tellen; Figured = gebloemd, met figuren erin gewerkt; Figure-head = vóórstevenbeeld: Figure-maker = modelleur, maker van anatomische modellen, boetseerder: Figure-weaver = damastwever; Figurine,figjdrin. beeldje. |
Kiü, /ïdrt, de Fidsji Eilanden (Polynesië). Filament, fUdirint, vezel, draad; F'ilaceous^ fileiöos, uit draden bestaande: âous, fild-nientds, vezelig, draderig = â ose. â ary. Filander. Jilandd, soort van kleine kangoeroe;. âs = ziekte bij valken. Filbert, filbüt, hazelnoot: ânails = boller spits toeloopende sierlijke nagels (Zie almond). Filch, pis. stelen, kapen; âer; âingly. File, fail-, subst. snoer, draad, ris papieren,, lijst, catalogus, gelid, rot (mil.), vijl: The rank and â = de gewone soldatenquot; en korporaals, troep (zonder de aanvoerders); Ou â = stelselmatig gerangschikt: Indian â eendenmarsch; â verb, aanrijgen, deponeeren, voor het hof of de rechtbank brengen, in rotten marcheeren, vijlen, afvijlen, glad maken: The soldiers âd off = dè soldaten rukten in in rotten; To â a bill = eene aanklacht indienen: A petition was âd = een verzoekschrift werd (met de noodige papieren) de rechtbank voorgelegd: âcutter = vijl-maker: âleader = voorste soldaat van een file; Filings = vijlsel. Filial, filj'l, kinderlijk. Filibuster, filibvsto, subst. vrijbuiter, roover; â verb, op roof of buit uitgaan: âer = steler,, kaper; A âing expedition = roofexpeditie. Filices, filisiz, orde der varens: FUical = tot de varens behoorende; Fiiicifonn = varen-vormig = Filicoul. Filiform, filifóm, draadvormig, dun. Filigree, filiyri. subst. zilver- of gouddraadwerk; adj. van draadwerk; âd = met â. Fill, ///, subst. bekomst: I have eaten and drunk my â = ik heb volop gegeten en gedronken: Two âs of tobacco = pijpjes t.: â verb, vullen, doordringen, genoeg eten, volstoppen, bezetten, doen innemen (van eene plaats), bekleeden: The wind -cd the sails = deed de zeilen zwellen: All the narts are âed = al de rollen zijn bezet: The order had been accurately âed = de bestelling was accuraat uitgevoerd: To â teeth (Amer. voor to stop); The article was âed in = het artikel werd geplaatst; Shall 1 â you out a glass = vullen? To â up = geheel innemen, vol maken of worden:.The ship âed up with water there = nam daar water in; That â» the bill = is voldoende (Amer.); âer; â ing-in pieces = vulstukken. Fillet, fildt, subst. metalen of linnen band (cm het hoofd), lendestuk, vleesch zonder been (als schijf of rollade opgediend), lijst: â verb, met een hoofdband omringen of binden, versieren, tot eene schijf of rollade maken, met lijsten versieren. Fillibeg, filibeg. Zie Kilt. Fillip, filip, subst. knip (met de vingers), harde slag, verrassing; â verb, knippen (met de vingers), krachtig slaan. Fiinpeen./y//gt;tgt;i. l'liilipeiia,/l//p'?na,Filippine. Filly, fili. merrieveulen, levendig meisje. Filiii. /i/m, subst. vlies, oogvlies: â verb, met een vlies bedekken: The pools were âed with frost = er lag een vliesje ijs op de plassen: ây = kanten, fijn; ây-fern = vliesvaren. Filter, filte, subst. filtreer, zeef: â verb, filtree-ren. ziften: âing-ba^: â doorzijgzak: âing- |
bone = boun: full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl: ?/ear = Jia; \ong ~ Ioij; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus â dhus: wine.
FILTERING-MACHINE.
170
FIRE.
|
inHcliiiie = filtreermachine; âing-pnper = poreus papier; âing-stoiie = poreuze steen; Filtrate, filtreit, subst. het gefiltreerde; â verb, filtreeren; Filtration. Filth, filth, vuiligheid, vuilnis, bederf; ây; âitieHM. Fin, /m, vin, zwemvlies: Pectoral and ven- : tral â = borst-en buikvin; âfooted, âtoed = met zwemvliezen aan de pooten. Finable, faindUl, beboet- of bekeurbaar. Final, fairil, laatste, eind....: â «ueeess = i einduitslag; âcause = einddoel: He doe» j not believe in â eanses = hij ontkent de teleologie: â proof = afdoend bewijs; âity, fainaliti, eindtoestand, volkomenheid, de leer dat alles met een bepaald doel werd geschapen. Finance, /mans, subst. stelsel van inkomsten en uitgaven; âh = geldmiddelen, fondsen: â verb, de financiën besturen, geldelijk ondernemen of steunen: He âs the paper = hij neemt de geldelijke uitgaven op zich; Many people âd the movement = steunden de beweging geldelijk; He âd his nephew = j voorzag van geld: Financial, finanè'l, geldelijk; Fiiiancialtat = Financier, f'mansid. Finch, vink: A âbacked cow = (op den rug) gestreepte of gevlekte koe; âed. Find, faind, subst. ontdekking, vondst: The pocket» were emptied of our â» = wat wij gevonden hadden werd uit onze zakken gehaald; â verb.vinden, ontdekken, bereiken, bevinden, goedkeuren, toewijzen, een vos uit ^ijn hol drijven, levensbenoodigdheden, enz. verschaffen: Will you â ine a pen = voor mij zoeken? 1 will try to â it out = het : te ontdekken; 1 could not â it in my heart â¢to do it = ik kon het niet over m'ijn hart verkrijgen; The Jury I'oiind for the plaintifT = de jury verklaarde zich ten gunste van den eischer of klager: A bill wa» found for the case = er werd tegen de zaak (door de Grand Jury) rechtsingang verleend: Onr privateers were not so well found as the enemy's = onze vrijbuiters waren niet zoo goed van alles voorzien als die van den vijand; \Ve took furnished apartments, only âins plate and linen = wij namen gemeubelde kamers, en moesten alléén voor eigen zilver en tafellinnen zorgen; She could not â herself in dresses out of that money = zij had niet genoeg kleedgeld; 1 will â you In pocket-money = ik zal je zakgeld geven; He is well fouiid in everything = hij zit goed in z'n spulletjes: Then the yoniiK scholar found himself = toen vónd de jonge geleerde een hem passenden werkkring; He always âs fault with everything; = hij heeft altijd op alles aanmerkingen; â ings = werktuigen, enz., waarvoor de werkman : ^elf moet zorgen; The âing of the jury = uitspraak; âing-store = winkel voorschoen-makersbenoodigdheden (Amer.); âfault = berisper: âfaulting = faultâing = berispend. |
Fine, fain, subst. geldboete: In â = kortom, ten slotte; adj. fijn, teeder, rein, mooi, keurig, 1 edel, prachtig, helder of onbewolkt, handig, sluw: 1 havé run it very â = ik heb het er precies afgebracht, het*was ,.er aan toequot;: â arts = fraaie kunsten; â verb, beboeten, I verfijnen, zuiveren; âdraw = een scheur haast onzichtbaar stoppen, naaien of mazen: âdrawn =â erg gezocht (fig.); âspun = fijn gesponnen of uitgedacht, fijn bewerkt; âstill = zuiveren, distelleeren: âstuff = pleisterkalk; Fining-pot = zuiveringskroes (v. metalen); âry = mooie kleeren, opschik, opzichtigheid, ijzerfabriek. Finesse, fines, subst. sluwheid, handigheid, list; â verb, list gebruiken. Finger, fingd, subst. vinger, aanwijzer, vingervaardigheid: He has his â in it = hij is erbij betrokken; 1 have it at my âends (111^â¢' ends) = ik ken het op mijn duimpje; He has his â in every man's pie = hij heeft overal de hand in; He shook his â at me = dreigde mij met opgeheven vinger; â verb, betasten, bevoelen, ontfutselen, met de vingers bespelen; âboard = nek van een snaarinstrument, manuaal (van piano of orgel); âglass of âbowl = vingerglas (om na het diner de vingers in af te spoelen); âplate = deurplaat; âpost = handwijzer; âreading = lezen door blinden; âand-sign language = vingertaai (der doofstommen); The âed gentry = de Heeren dieven; âling = vingerling, jong van een zalm; âing = aanraken met de vingers, fijn werk voor de vingers, vingerzetting. Finial, finidl, Gothische puntversiering, krullen (bij 't schrijven). Finical, finik'l, Finickin(g), finikin(g), gemaakt, overdreven keurig. Finis, fain is, einde, slot. Finish, finis, subst. laatste, voltooiing, einde (van den wedstrijd), laatste hand aan iets, buitenste pleisterlaag; â verb, eindigen,afwerken, voltooien, dqoden, uitdrinken: That âed him = toen had hij genoeg, was dood; âing-coat = derde of laatste laag (verf of pleister); âer. Finite, fainait, eindig, persoonsvorm (tegenover den Infinitive) van een werkwoord; âness. Finlander, finlundd, Finn, fm, Finlander; Finnish = Finsch, Finlandsch: Finmark. Finnikin. finikin, soort van gekuifde duif. Fionia, fiounjd, Funen. Fions, faidnz, half-mythische krijgslieden in Ossian's gedichten. Fiord, fjöd, baai (in Noorwegen). Fir, fu, den, denneboom; âapple, âcone = pijnappel; âpoles = juffers; âtree. Fire, faia, subst. vuur, brand, hitte, hel, licht, ijver, drift, kracht, hartstocht, het schieteji: The house i» on â = in brand: He will not set the Thames on â = hij zal weinig opzien baren; The castle was set on â, was set â to = werd in brand gestoken; The house took â = vatte vuur, geraakte in brand; 1 took â = ik werd woedend; We were under â = aan 't vuur (des vijands) blootgesteld; The piece hangs â = heeft geen succes; He went off to sleep, but I hung â = hij raakte in slaap, maar ik kon den slaap niet krijgen; The affair hung â = hokte; My gun missed â = ketste; Fire = vuur!; We silenced the enemy's â = brachten 's vijands batterij tot zwijgen; They opened a raking fire â = moorddadig vuur; The enemies were under â = aan |
man; ask = ask: form = fain; blt;a = bwt: learn = lien; line = lain: bowse = haus: net; care = kèa: fote = feit: tin: asleep = aslip; not: \aw = ló: lord = Hid: bo?^ = boi:
FIRE-ALARM.
171
FIT.
|
ons vuur blootgesteld: â verb, in brand steken, bakken (van porselein), afschieten, toornig maken, gelijktijdig luiden (van klokken): lie âd up at my words = stoof op bij; â away, boy =*toe maar, begin maar; He is âd lip'= woedend; âalarm = brandschel; âarm = vuurwapen; St.-Aiidioiiy'H â = roos: («reek â = Bengaalschvuur; Riiimiiig â = peletonsvuur; âball = granaat, vuurbol (meteoor); âannihilator = extincteur; âballoon = luchtballon (met heete lucht), ballon met vuurwerk, dat boven in de lucht ontvlamt; âbar = rooster; âbasket = draagbare rooster: âbavin = houtbundel, om vuur te maken; âblast = ziekte in hop lt;door den zonnegloed): âbrick = steen, ter vulling in een grooten haard: âbrigade = brandweer; âboard = schoorsteenscherm; âbox = vuurkast (van een locomotief); âbrand = brandend stuk hout, stokebrand: âbrush = haardveger; âbucket = brand-«mmer; âclay = vuurvaste klei; âcock = brandkraan: âcompany = assurantiemaatschappij ; --cracker = voetzoeker; âdog = haardijzer: âdrill = vuurmaker (bij wilde stammen) door wrijving; âeater = vuurvreter, ruziezoeker, bluffer; âengine = brandspuit; âescape = reddingtoestel (bij brand); âeyed = met vurigen blik: âily = lichtend insect; âguard = vuurscherm:*âliook = brandhaak; âinsurance = brandassurantie: âirons = haardstel; âkiln = vuurvaste oven; âlighter = vuurmaker; âlock = snaphaan; âman = brandweerman; stoker (Am.); âmaster = brandmeester (Amer.); âo nice = brandassurantie-kantoor; ânew = fonkelnieuw; âpolicy = brandpolis; âpan = vuurpan; âplace *= haard: âplug = brandkraan; âpot = vuurpot, smeltkroes; âproof = tegen het vuur bestand; âraising = orandstichting: âscreen = vuurscherm; âship = brander; âshovel = kolenschop; âside = haard; âstick = brandende fakkel; âwater = naam bij de wilden voor spiritualiën; âward(en) = brandmeester: â wood = brandhout, brandstof: âwork = vuurwerk: Fire-works will be let â¬Â»11* = er zal vuurwerk afgestoken worden; âworshipper = vuuraanbidder; Tiring, fairir^, het vuren, brandstof, uitbranden (van eene wond); Firing-iron = brandijzer. Firkin, ftïkin, vaatje. Firm, /om, subst. firma; adj. vast, hecht, standvastig, onschendbaar: âly; âness. Firmament, fvrndrrint, basis, uitspansel: âal. fvrrwmenVl, hemelsch, tot het uitspansel be-hoorende. Firman. fnrrCn of fvman, besluit of mandaat (van Oostersche vorsten). First, fust, subst. eerste partij, eerste; adj. eerste, voorste, bovenste, hoogste: At (the) â = in den beginne, oorspronkelijk: â come |
â served = die 't eerst komt, die 't eerst maalt; â or last = te eeniger tijd, vroeg of laat; â and last = gemiddeld: This was the â 1 had heard of it = de eerste maal (Zie Last); â and foremost = in de allereerste plaats; âbegot(ten), âboni = eerst-geboren(e); âclass affection = waarachtige liefde; lie got a âclass = den hoogsten graad (bij examens); âcomer = de eerste de beste; âday = naam voor den Zondag bij de Quakers: âHoor = tweede verdieping (Engeland), eerste verdieping (Amer.); âfoot = eerste bezoeker in't Nieuwe jaar; âfruits = eerstelingen, eerste vruchten; âhand, subst. de eerste hand: adj. direct, zonder tusschenpersoon; âmate = eerste scheepsofficier (na den kapitein); âmover = oorspronkelijke beweegkracht; ânighter = tooneelstuk vuor de eerste maal opgevoerd, iemand die deze opvoering gewoonlijk bijwoont; âproof = eerste proef (van een werk); ârate = oorlogschip eerste klasse; He is a ârate second-rate actor = hij is een uitstekend acteur van den tweeden rang: âwater = zuiverste hoedanigheid; âling, ftistlir^, eerstgeborene; âly. Firth, fr'jth. Zie Frith, Fiscal, fisk'l, tot de schatkist behoorende, fiskaal. Fish, fië, subst. visch, fiche: 1 have other â to fry = ik heb wel wat anders (en beters) te doen; All is â that comes to net =wij kunnen van alles gebruiken: That is a pretty kettle of â = dat's een mooie boel! (ironisch); A strange â = rare snaak; âbone = graat; âculture = vischteelt; âcurer = visch-zouter, etc.; âfag = visch wijf; âgarth, âweir = vischhouder; âgig = harpoen: --fly = kunstvlieg (voor het visschen); â glue' = vischlijrn; âhawk = vischarend: âhook = vischhaak; âmaw = luchtblaas van een visch; âmonger = kooper; âpond = vischvijver; âspear = harpoen; âwife, âwoman = vischvrouw; âcarver,âknife. âslice = vischmes; âsound = zwem- of luchtblaas van een visch; âstrainer = vischschotel; âtail-burner = soort v. gasbrander; âtorpedo. Zie Torpedo; â verb, visschen, uitvisschen, trachten te verkrijgen, dreggen: He âed for a compliment and caught a rebuke = hij vischte naar een compliment en kreeg een uitbrander; He has âed it out = hij is er achtergekomen; Things look ây = de zaken zien er verdacht uit: âer = visscher; âer-boat = visschersboot; âerman = visscher. visschersschuit; âery = het visschen, visscherij : The -cries = d*e visscherijtentoonstelling; âing = het visschen; â ing-line = vlschsnoer; âing-net = visch-net; â ing-rod = hengelroede; âing-tackle = vischtuig; âing-smack = visscherspink; âlike = vischachtig; ây = door visschen bewoond, van visch. Fisk, /fs/.-, druk zijn. Fissile, fisil, splijtbaar; Fission, fis'n, het splijten; Fissiped. fisiped, zoogdier met gespleten teenen (b.v. kat of beer); Fissure, fiöci, subst. kloof, spleet; â verb, splijten. Fist, fist, vuist: Close âed = vrekkig; They were at âs = aan het vuistvechten: â verb, met de vuist slaan; A â ic .quot;s'ïi = vuistgevecht; He was beaten at âicufis = hij werd in eene bokspartij geslagen of overwonnen. Fistula, fistjulD, waterbuis, rieten fluit, fistel: â laclirymalis = ontsteking van de traanklier; âr = hol (als riet); Fist aliform = van ronden, hollen vorm. Fit, fit, subst. worsteling, vlaag, bui, aanval. |
bone = boun; full; fool = fïil: * = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = .ji3; long = loi^; ship = sip: occasion == okeiz'n; thin: thus = dlitis; wine.
FITCH-BRUSH.
172
FLANK.
|
gril. wat juist past, gelijke: lie t'rigliteiied me into â» = hij deed me vreeselijkschrikken: By â» and start»* = bij buien, mettusschen-poozen; More than is â = ongepast veel; That is a tight â = het kan er net in, en meer ook niet; My coat is a bad â = zit leelijk: adj. bekwaam, geschikt, passend, voorbereid: I am â as a liddie = ik ben uitstekend goed (zie trivet): â verb, geschikt, bekwaam of passend maken voor, uitrusten, voorbereiden, gepast of passend zijn: A Heet was âted out â = werd uitgerust: The house was â ted np = gemeubileerd, be- â woonbaar gemaakt; That âs him like a glove, to a T. = het is hem als aan het lichaam gegoten, dat past precies op hem: I It âs it like a ping = het past precies 1 (zooals eene kraan moet doen); âly. Fiteh-hrnsh, fitèbrvs, fijne borstel of penseel. Zie Fitchet. Fitehet, j'itsdt. Fitchew, filsü, bunsing. Fitliil, fitfl, onrustig, bij buien, ongeregeld: The decline of trade is not â, it is regular = de achteruitgang van den handel is ! niet ongeregeld, maar gestadig. Fitter, fitd, aanpasser (van kleederen), kolen- , koopman, iemand, die dingen in elkander zet ; (Vergel. gasfitter)^ Fittings = noodzakelijke artikelen voor huis, winkel of schip; Fittiiig-out = uitrusting; Fitting-up = het uitrusten. Fit/-, /ïiz, zoon. onwettige zoon (van een koning | of een prins van den bloede): .la mes â James: âgerald, âdier'ld: âherhert, âhóbdt. Five, faiv, vijf; âs, faivz. een soort v. balspel. 1 paardenziekte, de vuist (aile vijf): Buneh of âs = de vuist; âfinger exercises = vingeroefeningen (piano); âfold = vijfvoudig: âs-ball = leeren bal: âs-conrt = balspelplein: âr = een bankbiljet van vijf pond, alles wat I voor vijf telt. Fix, /i/cs, subst. lastig geval, moeilijkheid: | How shall we hack out of that â ? = hoe komen we uit die moeilijkheid: â verb, i vastmaken, verbinden, aanstellen, richten, vast- ! stellen, duurzaam maken (van kleuren, photo- i graphieën, etc.), fixeeren, in orde maken (Am.): I They âed themselves tiiere = zetelden | zich daar: We have âed on Sunday for the meeting = wij hebben de bijeenkomst op Zondag bepaald; 1 must try tó â it np with you = in orde te makenj bij te leggen: To â up a pole = een paal overeind zetten: He âed his responsibility = schoof zijne verantwoordelijkheid op een ander; âation â vaststelling, bepaling, verdichting, het in vloeibaren toestand brengen van gassen, of in vasten toestand van vloeistoffen; âative; âed = vast: âed-hodies = vaste lichamen: With âed bayonets = met de bajonet i op: âed-oils =* niet vluchtige oliën: âed-point = standplaats (van een soldaat of politie-agent): âed-stars = vaste sterren: âity = vastheid, samenhang: âity of purpose = vastheid van doel: âtu're = het vastzetten, vastheid, onroerend goed, en wat spijkervast is: He is a âture = is stoelvast, i gaat niet gemakkelijk uit (weg). Fiz-gig, fizyig, harpoen, coquet meisje, sisser (van vochtig kruit). Fizx. (iz. subst. gesis, champagne, gisting: i |
â verb, sissen, gisten, niet slagen; âle, subst. gesis, gebruis: â verb, bruisen. Flabbergast, flabdgOst, verbazen, verpletteren. Flabby, flabi. zacht, meegevend, los, slapr week:* Flabbiness. Flabellate, flobeleit, Fla belli form,/ïaöcK/om, waaiervormig; Flabellatiun = afkoeling (b.v. met een waaier). Flaccid, flaksid, slap, zacht; âity; âness. Flag, flog-, subst. vlag, platte steen voor vloeren, zwaardlelie: â of truce = vredevlag,, witte vlag; To dip the â = met de vlag salueeren; The âs were hung half mast high = de vlaggen waren halfstok geheschen; All the âs were struck, lowered, gathered = gestreken, naar beneden gehaald, opgedoekt; The âs were innocent of carpet = er lag geen kleed op den vloer: â verb, los hangenT neerslachtig worden, alle kracht verliezen, zinken, alle belangstelling verliezen, metstee-nen bevloeren: His zeal began to â = te verminderen; âlientenant = adjudant van den âofficer = vlagofficier, commandant; âship â vlaggeschip: âstaff = vlaggestok; âstone = vloersteen, soort van zandsteen; âgy = loshangend, slap, smakeloos, breed, vlagachtig; âman = signaalman, vlagofficier. Flagellate, fludt,de\t, geeselen, zweepen; Flagellation \ Flagellator; Flagelliform, flo-dzeliföm, zweepvormig, lang en buigzaam. Flageolet, flndzDlet, fluitje: âtones = harmonische tonen van snaarinstrumenten. Flagitious, JlddzièdS^ schandelijk, snood. Flagon, flag'n, flesch, flacon. Flagrancy, Jleigriisi, in'toogloopendheid, blaking: Flagrant, fleigr'nt, vlammend, vurig, blakend, in quot;t oogloopend. Flail, fleil, dorschvlegel. Flake, fleik, subst. schilfertje, vlok, varieteit v. Carnation, droogstel voor visschen: â of ice = ijsschots; â verb, tot vlokken vormen, afschilferen: âwhite = loodwit: Flaky. Flam, /lam, subst. leugen; adj. leugenachtig. Flambean, /lambou, brandende toorts of fakkel. Flaniborough, llambdrj. Flamboyant, fl'mbamp;idnt, vlammend, gevlamd (bouwkunde). Flame, fleim, subst. vlam, hitte, vuur, opgewondenheid, drift, kracht, liefje: He is in a â for the measure = vuur en vlam voor; â verb, vlammen, ontvlammen, in woede opvliegen, in vuur uitbarsten: âeyed = met vurige oogen; âshaped = gegolfd'; âcolour = helgele kleur; Flamy. Flamen. fleim'n, oud' Romeinsch priester; Flaminical = van een flamen. riamingo, flomingou. flamingo. Flancon(n)ade, '/lM]kdneid, zijstoot (bij het schermen). rianders, flAnddz, Vlaanderen: âbrick == poetssteen. Flane, flein. flaneeren: They lazed and âd about the boulevards = slenterden en flaneerden. Flange, flanz, uitstekende rand, om b.v. een wiel het spoor te doen houden: ârail = spoorstaaf met opstaandea rand (zooals b.v. bij trams). Flank, lla)\k, subst. zijde, flank, ribstuk; â verb, aan de zijde bevinden, in de flank aanvallen. |
man; ask = ask; farm = fam; bat = b«t; learn = hm: line = lain: hoase = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw â ló; lord = löd: hoy = boi;
FLAN K-COMP ANY.
173
FLESH-WORM.
|
de Hank dekken, begrenzen, bestrijken: â company = de rechter- of linker-compagnie van een bataillon; âliles = de twee rechter en de twee linker manschappen van de linie; âer = subst. flankeur; â verb, op de flank aanvallen, met llankeurs verdedigen. Flannel, flan'l, flanel; âled: âette. Flap, flap. subst. lap, klep, flap, klap, tafelblad, lapèl, blad, blad van een luik: A â of heel* = lap rundvleesch; â verb, flappen, weg-flappen, kleppen, slaan, neerslaan (van den rand van een hoed): The Hails âped in tliunder â flapten met donderend geraas; âdragon = spelletje, om iets uit brandenden cognac b.v. te halen; âper = klapper, jonge wilde-eend. Flare, flêd, subst. flikkering, zij spek; â verb, flikkeren, schitteren, zich openen en uitspreiden: There was a ânp = er was een hevige woordentwist, standje; lie âd np = hij werd woedend, stoof op; Flaring = schitterend. Fla.Hli, //«.s, subst. vlam, flikkering, straal, schicht, oogenblik, woest stroomende watermassa, dieventaal: For a â = voor een oogenblikje; â of liglitnins = bliksemflits: A â in tïie pan = ketsschot, mislukte poging; â of water = waterstraal: â verb, flikkeren, schitteren, plotseling ontvlammen, in een oogenblik overbrengen: The truth âed upon me = plotseling werd ik mij de waarheid bewust; The news wa» âed to America = de tijding werd naar A. geseind: âhouse = helershuis; âing-light = licht in een vuurtoren (dat beurtelings helder flikkert of verduisterd is); ây = opzichtig, winderig, blufferig, wispelturig: âiness = opzichtigheid: âman = schurk. Flask, flask, flesch, metalen of lederen kruit-houder. Flasket, flaskat. spijsmand. Flat, flat. subst. vlakte, vlak land, ondiepte, platboomd vaartuig; breedgerande strooien hoed (Amer.), palm van de hand, plat (dak), vertrekken op dezelfde verdieping, mol (muziek), half achterscherm (tooneel), sul of hals (ook Jay genoemd): lie fell on the â of his hack '=*vlak op zijn rug: adj. plat, vlak, smakeloos, laf, zonder geest, rechtuit, laag (van prijzen), onopgewekt (van verkoopingen), mineur (muziek): His defence fell â on the assembly = maakte niet den minsten indruk; 1 won't go there, and that's â = ik ga er niet heen. en daarmee uit, dat spreekt vanzelf; That*» a â lie = een infame leugen; â and plain = ronduit; I could not give him a â denial = ik kon het hem niet zoo botweg weigeren: A â affair = vervelend iets; â cap â formaat v. papier, 35 bij 43 cM., mutsje. Londenaar; âfish = platvisch; âiron = pietijzer: ârace = wedloop zonder hindernissen; âten = plat, smakeloos, neerslachtig maken, den toon verlagen: The sail was âtened = voor zijwind gezet: âter = pletter, soort v. hamer; âting-mill = pietmolen (voor metalen); âtish = iètwat plat. Flat ter, flata, vleien, streelen, behagen, aanmoedigen, te gunstig voorstellen: âer; âing; ây = vleierij, niet gemeende lof. Flatnlem-e, âcy, flatjuVns(i). opgeblazenheid, winderigheid; Flatulent: Flatus, fleitss. Zie Flatulence. |
Flaunt, flOnt, subst. brutaalheid, opzichtige kleeding; â verb, opzichtig gekleed zijn, zich brutaal gedragen: âer; âing; ây. Flavour, fleivd, subst. geur, smaak; â verb, smakelijk of geurig maken; âed; âless. Flaw, fló, scheur, spleet, windvlaag, gebrek: â verb, barsten, scheuren; âless. Flax, flaks. subst. vlas: The â was dressed = het vlas werd gehekeld; adj. vlaskleurig: âcomb = vlashekel; âseed = lijnzaad; âen =â van vlas. vlaskleurig, lichtblond: âen-headed, âen-haired = met vlaskleurig haar: ây. Flay, flei, villen, martelen: âflint = vrek. Flea, fli. vloo: lie came away from the races wilh a â in his ear*= hij kwam landerig van de wedrennen thuis; I sent him off with a flea in his ear = ik zond hem met een onwelkom antwoord heen, scheepte hem af; He put a â in my ear = stootte me voor 't hoofd, joeg me het land op: He sticks to it like a â to a fleece =alseene vloo in eene wollen deken; âbane = vlooien-kruid; âbite = vlooienpik, kleine onaangenaamheid; âbitten = door vlooien gebeten, gekleurd (zooals een tijgerpaard) met roode vlekken op lichten grond. Fleak, flik. draai, draad, lokje. Zie Flake. Fleam, flim, vlijm, lancet (van veeartsen); Case of âs = instrumentkist (v. veeartsen). Fleance, flions. Fleck, flek, subst. vlek, streep, smet; â verb, bespikkelen, met strepen bedekken; âless. Flection, fleks'n. Zie Flexion. Fledge, fledz, van vederen voorzien: Fledg(egt;-ling, fledzlin, jonge vogel, die pas kan vliegen. Flee, fli, vlieden, vluchten, vermijden. Fleece, f'lis, subst. vlies, vacht; â verb, scheren (van schapen), met een vlies of vacht bedekken, bedriegen, het vel over den neus halen, villen: Fleecy. Fleer, flid, subst. spot, bespotting: â verb, spotten, grinniken; âer; âing. Fleet, flit, subst. vloot, inham, baai: The â = oude gevangenis voor gijzelaars (Londen): adj. snel, vlug; â verb, heenvliegen, voorbijsnellen, afroomen; âdike = kade, dijk; â-footed = snelvoetig; âing; âness. Fleming, flemin,, Vlaam; Flemish, flemis, subst. en adj. Vlaamsch(e taal), de Vlamen; Flemish-bricks = klinkersteenen. Flesh, fles. subst. vleesch, lichaam, menschel ijk geslacht, dierlijke lusten, aardsch bestaan, geslacht, blooedverwanten: I saw him in the animated â = in levenden lijve: An arm of â = menschelijke kracht of hulp: â and blood = de menschelijke natuur; They are one â â zij zijn één: You are gathering â = gij wordt dik: That storv made my â creep (crawl) = ik kreeg kippenvel van dat verhaal: â verb, inwijden, aanmoedigen, africhten, harden, gewennen: âclogged = last hebbend van. 't vleesch, lastig zijn van dikte; ârolour(ed) = vleesch-kleur(ig); âfly = (groote) bromvlieg: â hood â = lichamelijk bestaan: âmeat = vleeschspijzen: âtints = vleeschkleur(en): â worm = made, trichine: âed = gewend, verzadigd, vet: âer = slager: ây = vleezig, dik, zwaar, grof: âings.vleeschkleurigtricot: |
bone = boun; full; fooi = lui; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = iia; long = loi^: s/iip = sip; occasion = okeiz'n: thin; thus = dlius: wine.
FLESHLY-MINDED.
174
FLOOR-TIMBERS.
|
âling = lichtmis, wellusteling; âly =vlee-schelijk, dierlijk (van voedsel), onzedelijk (van romans); â ly-iiiinded = zinnelijk genot zoekend; âmeat = dierlijk voedsel. Flew, flü, imperf. van to fhj. Flex, fleks, (doen) buigen; âaiiiinoiiH, fleks-animds, hartroerend; âible = buigzaam, handelbaar, gedwee: âile = buigzaam; âIcm = buiging, bocht, verbuiging; â uous, flek-siuds, âuoHe,fleksiuo\is, kronkelend, weifelend; âure, flekèd, buiging, bocht, slaafsche oplettendheid. Flibertigibbet, flibdtidzibit, huichelachtig, Fliek, flik, subst. knal, klap; â verb, knallen (als van eene zweep), slaan (met de zw.). Flicker, flikd, subst flikkering, aarzeling: â verb, fladderen, kleppen (v. vleugels), flikkeren (v. eene vlam), weifelen; âmoiiHe. Zie FlitterinouHe. Flier, flate, vluchteling, snel paard, vliegwiel, velocipedist: âs = rechte trap. Flight, flail, vlucht, de (jonge) vogels van 't zelfde seizoen, vaart, loop, buitensporigheid, haverdoppen: â of stairs = reeks van treden (gedeelte van eene lange trap, die door landings afgebroken wordt); The enemies were put to â = op de vlucht geslagen: ây = vluchtig, snel, grillig, wispelturig, onbetrouwbaar. Fliin-flam. flimflam, kuur, gril, poets. Flimsy, flimzi, subst. dun papier, mailpapier, bankbiljet; adj. dun, zwak, gering, onvast: A â box = een los in elkaar getimmerde kist. Flinch, fliné, terugdeinzen, aarzelen,toegeven; âer; âing. Fliuder, flincte, flentertje, stukje, splinter; âmouse. Zie Flittermouse. Fling, flh], subst. worp, gooi, spot, uitval, onbeteugelde pret, Schotsche dans: I want to have a â at him = ik moet er hem eens goed van geven; lie had his â = was bezig zijne wilde haren te verliezen; â verb, met kracht werpen, in 't rond gooien, verspreiden, overbluffen: We shall â in our swords ilquot; necessary = wij zullen onze zwaarden bij in de schaal werpen, zoo het noodig is; The hounds were flung off the scent = van het spoor gebracht, teleurgesteld; Ile flung out at me = beleedigde mij ; We have flung up the business = hebben de zaak aan den kant gegooid, laten varen. Flint, flint, subst. keisteen, vuursteen, iets buitengewoon hards, hardvochtigheid: He skins a â = hij is buitengewoon gierig; adj. van steen gemaakt: âage = steenen tijdperk; âglass = hardglas; âflake = steenen werktuig; âlock = vuursteenslot (bij geweren); âgun = ouderwetsche snaphaan; âknapper, âworker = vuursteenslotmaker; ây = steenachtig, hard, hardvochtig. Flip, flip, vlade (geslagen eieren); âflap, subst. geklepper, geklikklak: The clown turned somersaults and âflaps = deed allerlei sprongen; â verb, klappen met de vingers. Flippant, flip'nt, onbezonnen, glad, achteloos: His wit is â ly dull = zijne geestigheid is brutaal vervelend; Flippancy. Fiipper, flips, groote vin van een visch. Flipperty-flopperty,fJipaii/7opati,zich samenvouwend (als een slangenmensch of kunstenmaker). Zie Twisty-twirly. |
Flirt, flüt, subst. ruk, zwaai, coquette; â verb, spottend of verachtelijk spreken van, fladderen, huppelen, ongedurig zijn, coquetteeren, rukken, zwaaien met: She âed lier Tan elegantly ; He âed the pellets of bread about = hij gooide de kogeltjes brood in ?t rond; Flirtation = coquetterie = â ing. Flit, flit, fladderen, vliegen, heen en weer trekken; â ter-moiise = vleermuis; â ty = vluchtig, onvast. Flitch, flits, zijde spek, gerookte en gezouten zijde van een varken. Float, flout, vlot, dobber, watervlotter, troffel; âs = voetlicht (in een theater); â verb, drijven, vlotten, dobberen, aan den gang brengen (van eene zaak), doen drijven, bepleisteren: Let us â a company = eene vennootschap beginnen; âboard = plank van een stoombootrad, schoep; âage, floutidz, alles dat drijvende gevonden wordt; âed-work, floutidwiik, vlak pleisterwerk; âing = drijvend,vlottend, onzeker: â ing-battery = drijvende batterij; âing-bridge = schipbrug; âing-capital = vlottend kapitaal; âIng-debt = vlottende schuld; âIng-doek = drijvend dok; âing-light = lichtschip, lichtboei: âing-pier = drijvend havenhoofd; âing-wick = drijvend nachtpitje. Floc'i'ilation, floksileié'n, het plukken aan beddedekens door ijlende patienten. Floccose, flokous, vlokkig; Flocculent, fio-kjuVnt, wollig, aan elkander hangend; Floccus, flokds, lange bos haar (aan den staart van koeien, b.v.), dons van jonge vogels. Flock, flok, subst. kudde (schapen), vlucht, troep, vlok (haar of wol); â verb, zich in troepen vereenigen, samenstroomen: Birds of* a leather â fogefher = soort zoekt soort; âbed = bed gevuld met vlokken grove wol of lappen; âmaster = schapenfokker; âmei = in kudden. Floe, flou, groot stuk drijfijs. Flog, flocf, slaan, afranselen, geeselen: They were âging a dead horse = zij trachten belangstelling te wekken voor iets, waar alle belang af was; âger. Flood, find, subst. vloed, zondvloed, overstrooming: When thwarted, his personality rises in â = als hij gedwarsboomd wordt, komt hij in volle kracht uit; â verb, over-stroomen, onder water zetten; He swam the âed stream = den hooggaanden stroom; âgate = sluis, vloedpoort: âma rk = hoogwatertij; âtide = wassend getij. Flook, fluk. Zie Fluke. Floor, flö, subst. vloer, verdieping, suite: He took the â last = hij nam het laatst het woord; All the rooms are on a â = gelijkvloers ; â verb, neerslaan, tot zwijgen brengen, onderzoeken, verslaan, ten einde brengen: That âed me = bracht mij in den war; The child was âed by the nurse = neergezet (in zedel. zin); He can â a paper for highgt; class honours = eene dissertatie maken voor eene âcum laudequot; promotie; âcloth, subst. doek voor vloerbedekking; verb, een vloer mét doek bedekken; âplan = platte grond (van een gebouw; Amer.): âtimbers |
man: ask = ask; farm = fiim; b{tt = but; learn = lun; line = lain; hemse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiu â ló; lord = löd; hoy = bói;
FLUTE.
175
FLOP.
|
= onderbalken (waarop eene vloer rust); â ing = het bevloeren, bevloersel, vloer, plaveisel; âless. Flop, /quot;/op, subst. flap, klap: It came â down = het flapte neer; Their footsteps were very audible: pit-piit, tloppety-clop = klep-klep; â verb, flappen, kleppen,'neerslaan, plotseling op de knieën vallen. Flora, flóro, godin der bloemen, plantengroei van een land, een boek daarover; âI, flór'l. bloemen betreffende; Floreated, flórieltid, met bloemrijke versierselen voorzien: Flo-reseence, flores'ns, bloeitijd of het bloeien (van eene plant); Floret, flórdt, bloempje, bloemdeeltje; Floriculture, floriknltjd, bloem-kweeking; Floriculturist: Florid, florid, bloeiend, bloemrijk, blozend,schitterend: Flo-rid-Taced = met rood gelaat; Floriduess: Florilbrm, flórifóm, bloemvormig; Florist, florist, bloemkweeker, bloemenkoopman, bloe-menkenner: Florooii,/7orwn,rand van bloemen. Florence, flor'ns; Florrie, flori, dim. vanâ. Florentine, flor'nt(a)in, subst. een bewoner van Florence, zijden stof: adj. Florentijnsch. Florin, florin, oud stuk van 2 Sh. Flory boat, floribont, bootje om passagiers van'een stoomschip naar wal te brengen. Â¥\nHvu\e. floskj ui,bloempje: Floscular, Floscu-lous, Flosculose = met bloempjes. Floss, flos, vloszijde,donsachtige stof;âthread = fijn garen voor borduurwerk. Flotant, /YoMi'nï, wapperende; Flotation = het drijven; F/oïatit;e= drijf baar; Flotilla, flou-tiU), flotille. kleine vloot. Flotsam, flotsam, Flotsnn. f lots'n, goederen bij eene schipbreuk verloren, en op zee drijvende achtergelaten: The .jetsam and â ol* literature = de niet-kla'ssieke (tijdelijke) producten. l loiinee, flauns, subst. rukkende beweging der ledematen, strook; â verb, spartelen, eene snelle beweging maken, met eene strook bedekken: 8lie âd out ol'the room = zij ging snel (en boos) de kamer uit; âd = met strooken. Flounder, flaundd, soort v. bot, werktuig om leder te rekken; â verb, worstelen, spartelen, rollen, sukkelen: He âed in his speech = hakkelde, viel over zijne woorden. Flour, flaiid, subst. bloem (van meel, etc.); â verb, met fijn meel bestrooien, met bloem bedekt worden; âdredgetr), = geperforeerd tinnen busje om bloem te strooien: âmill = meelfabriek; ây = met bloem v. meel bedekt. Flourish, fluriè, subst.praal,vertooning,krul, zwaaien (met een zwaard), overdreven versiering, fanfare: â ol' trumpets = trompetgeschal, praalzieke aankondiging; â verb, gedijen, bloeien, toenemen, bloemrijke taal gebruiken, krullen maken, schallen, schetteren, borduren, zwaaien, versieren: A âed letter = krulletter. Flout, flaut, subst. beleediging, smaad: â verb. (be)spotten, beleedigen. verachtelijkbehandelen. Flow, flou, subst. vloed, stroom, overvloed, vaardigheid (van spreken), drijfzand: llis â ol' spirits is something wonderful = zijne jeugdige opgewektheid; â verb, vloeien, loopen, stroomen, opkomen, vloeibaar worden, fladderen, uitstroomen, overstroomen. vernissen: It âs in upon us = het wordt voor ons hoorbaar. |
Flower, flauo, subst. bloem, bloesem, keur, redefiguur, bloei (der jaren); â verb, bloeien, in den bloei der jaren zijn, met bloemen versieren: âde-lis (luce) = gele lischbloem; âgentle = amaranthus; âhead = bloemkroon: âshow â bloemententoonstelling; âsoft, = teeder,buitengewoon zacht:âstalk = bloemstengel; âed, flatiod, met bloemen versierd, bloemen dragend, schurftig; ây = bloemrijk, figuurlijk: ây-kirtled = 'met guirlandes van bloemen' versierd: âet = bloempje; âless. Flown, floun, part. perf. van to fly. Fluctuate, flnktjueii, golven,weifelen.aarzelen, heen en weer gaan. Fluctuation. Flue, flü, schoorsteenpijp, zacht dons of bont; â-work = orgelpijpen met lippen. Fluellen, flueVn. Fluency, flüonsi, vloeibaarheid, vaardigheid, welbespraaktheid: Fluent, flüent, vloeibaar, welbespraakt, praatziek; Fluently = vloeiend. Fluff, flvf. licht dons, zacht wollig'goed: ây = donsachtig, met dons of vederen, in de vederen gedoken. Fluid, fluid, subst. vloeistof: adj. vloeibaar, glasvormig; âness = Fluidity. Fluke, f I ilk,bot, soort v. aardappel, ankerklauw, meevallertje, gelukkig toeval, beest (op 't biljart): 1 scored one by a â = ik kreeg een punt door een toeval' of beest (in het spel): A fluky stroke = een stoot (op quot;t biljart), waarvan het resultaat een beest is. Flume, flüm, molenvliet, waterloop. Flummery, flvniari, haverpap, dwaasheid, flauwiteit'. Fliimmoxed. flomdkst, geflambeerd, verloren, erbij. Finns;, flvi]. imperf. en part. perf. van to fling. Flunk, flvnk, subst. luilak, slechte uitslag, fout: â verb, missen (in eene les, b.v.), zich terugtrekken, zich er uit draaien. Z. ook âey. Flunk(egt;y, flm\ki, lakei, mosterdjongen (scherts.)', lage vleier, bedrogene: lie has a âlied pronunciation = als een lakei; âdom: âism. Fluor, flüd, Fluorite, flCedrait, vloeispaath. Flurry, flnri, subst. drukte, verwarring, gejaagdheid, hevige bui, doodstrijd (van een walvisch); â verb, ontstellen, verbijsteren. Flush, flos, subst. blos, gloed, aandrift, schok, opgeschrikte vlucht vogels, overvloed, moeras; adj. frisch, krachtig, overvloedig, effen, vlak: He isn't â of money Just now = niet goed bij kas: â verb, blozen, opwinden, snel vloeien, ontstellen, reinigen (door een waterstroom); Von will hardly get âed over that work = in extase geraken: âdeck = doorloopend dek; âness = frischheid, overvloed. Flushing, flush], Vlissingen. Fluster, flnstd, subst. hitte, opwinding, drukte, verwarring; â verb, door drank verhitten en opgezet maken, verwarren. Flute, flut, subst. lang en dun broodje, soort van boot met platte ribben, groef, plooi, fluit: (lerman â = dwarsfluit: Armed in â = (schip) waarvan een aantal kanonnen zijn weggenomen; â verb, fluiten, op de fluit'spelen, groeven maken: âd = met groeven (Z. Chan- |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; v/ear = jia; long = loi}; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; f/ms = dims: wine.
FOLK-REDE.
176
FLUTTER.
|
nel); Fliitina. flütino. soort. v. harmonica; Flutist = fluitist. Flutter, flutd, subst. trilling, ongeregelde polsslag, opgewondenheid, ongerustheid, ontsteltenis, wanorde: â verb, fladderen, zweven, trillen, druk zijn, weifelen, beuzelen. Fluvial, fliivfl, Fluvlatio. flüviatik, Flu-viatile. flüvjdtail. tot eene rivier behoorend, in de rivier levende. Flux, flvks, subst. vloed, stroom, samenloop, doorloop, samensmelting: â and reâ = vloed en ebbe: â verb, smelten, purgeeren; âion = vloeiing, samensmelting, berekening van oneindig kleine grootheden: âioual. Fly, flai, subst. vlieg, mug, kunstvlieg, vliegwiel, onrust, schietspoel (bij het weven), breed deel van een windwijzer, vlag, rijtuig voor één paard, huurrijtuig: As flriiuk as a â = zoo dronkeu als een katrol; There is a â in the liouey = vlieg die de zalf stinkend maakt; 1 don't care a â â ik geef er geen zier om; adj._ glad, bij de hand: When I heeaine â to it, I was disgusted = toen ik het snapte, er lucht van kreeg, walgde ik ervan; â verb, vliegen, snellen, opvliegen, vlieden, henensnellen, zich snel verspreiden: lie flew at me suddenly = hij vloog plotseling op mij aan: DouM â into a passion = word maar niet driftig: He Hew in the lace of everything; and everybody = hij beleedigde én trotseerde ieder e'n allés; He flew out at me = hij voer tegen mij uit; Let â = laat los; Shall we â our kite = zullen we onzen vlieger oplaten, zullen we geld trachten los te krijgen? Don't â your garter iu the road = sleep je kouselnind niet...; âbitten = door muggebeten gcteekend: âboat = fluitschip, snelle passagiersboot in vaarten, platboomd vaartuig; âblow, subst. vliegenei;â verb, eieren leggen in (vleesch, b.v.); âblown = bedorven, stinkend, met vliegendrek; â leaf = schutblad (d. i. wit blad vóór of achter in een boek); âlish = hengelen (met vliegen als aas); âspeek = vliegenspatje; âflap = vliegendooder, vliegenklap: âtrap = kruidjeroermeniet: âman = koetsier (van een fit/); âpowder = insectenpoeder; â wheel = vliegwiel; âer, flaid (Zie Flier); âins,, subst. het vliegen; adj. vliegend: âing-army (squadron, party) = vliegend leger {escacler.afdeeling); âing-artillery = rijdende artillerie; âing-bridge = ponton, gierbrug; âing-oolours = wapperende vlag: They entered the town with âing-colonrs = zij trokken triomfantelijk (met vliegende vaandels) de stad binnen; -ing-dragon = vlieger; draak = âing-lizard; âing-pinion = onrust van eene klok; âing-post-office = postwagen (in een trein). Foal, foul, subst. veulen: â verb, een veulen werpen: âteeth = melktanden (v. een â). Foam, foum. subst. schuim: â verb, schuimen: He âed at mouth = schuimbekte van woede; âcrested = met schuim bedekt; âless. Fob, fob, horlogezakje (in de broek). F'ocal, fouk'l, van een brandpunt; âdistance = brandpuntafstand. |
Focus, foukds, subst. middelpunt, brandpunt; â verb, naar een brandpunt richten, het middelpunt treffen: He fixed and âsed the girls = fixeerde erg; He âsed the palace = richtte zijn kijker op het paleis: How shall he â all the light of his learning in one work = in een werk samenvatten, vereenigen? Fodder, fodd. subst. veevoeder (als hooi; onderscheiden van pasture» = groen veevoeder); â verb, voederen. Foe, fou, subst. persoonlijke vijand, tegenstander; âlike; âman. Fog, foy, subst. zware mist, verwarring, verlegenheid, grof gras, etgroen: 1 am all in a â = ik ben verlegen: adj. dik, gezwollen: â verb, in verlegenheid brengen of zijn, het nagras afweiden: âbank = zware mistbank; âdog = heldere plek in eene âbank; â ring = zwarte mistkring; âgy = mistig, vol gras, mosachtig. Fog(e)y, fougi, ouderwetsch, excentriek persoon; âdom; âism. Fob, fou. bah! Foible, fóibl, zwakke zijde, zwak punt. Foil, foil, subst. foeliesel (achter een spiegel), dun metaalblad onder juweelen, om deze beter te doen uitkomen; wat iets voordeelig doet uitkomen, loofwerk, onverwachte teleurstelling, schermdegen, spoor van gejaagd wild: The one was a â to the other = ze deden elkanders voortreffelijkheid uitkomen: â verb.overwinnen, teleurstellen, verijdelen ; âstone = imitatie-juweel: âable; âer; âing = spoor van een hert op gras. Foison. fdifn, overvloed; âplenty = meer dan genoeg. Foist, fóist, onderschuiven, voor echt laten doorgaan, inbrengen. Fo'ks'le, fouks'l. Zie Forecastle. Fold, fo\lid, subst. schaapskooi, kudde, de Geloovigen, het vouwen, vouw, -voudig (in samenstellingen); â verb, opsluiten (in eene kooi), vouwen, sluiten (van handen): All the leaves in your book are âed down = hebben ezelsooren: âer = vouwbeen, vouwer; âless = zonder vouwen; âing = het opsluiten, de schaapskooi, het vouwen: â ing-chair = vouwstoel: â ing-doors = vleugeldeuren: -ing-net = slagnet: âing-screen = vouwscherm; âing-stool = veldstoel; âless = zonder â. Foliaceous, fowljeièds, bladervormig, bladerig; Foliage, fouljidz, subst.quot; gebladerte, blader-werk, loofwerk: â verb, met loofwerk versieren: Foliaged = met loofwerk versierd; Foliated, fouljeitid, verfoelied, gebladerd, met loofwerk versierd; Foliation, foulieië'n, me-taalpletting, het verfoeliën, het van loofwerk voorzien; Folio, fouljou, subst. doorloopende pagineering, folio, pagina copie, 72 woorden in wettelijke stukken,90 in parlementsstukken; adj. van foliogrootte (4 bladzijden in een vel); verb, pagineeren: Folious, foulids, dicht met bladeren bezet, bladeren hebbende, met bloemen vermengd. Folk, fouk, subst. luitjes, volk : How are the old â(s) = hoe gaat het met de oudjes; adj. tot het volk behoorend, overgeleverd; âlore = het bijgeloof en de overleveringen van een volk, de studie daarvan; âlorist = kenner of beoefenaar van folklore; âmedicine = huismiddeltjes; ârede = mondelinge |
man; ask. = ask; farm = lam; but = but; learn = Ion: line = lain: liolt;/se = haus; net; care = kca; fate = feit; tin: asleep = aslip; not; law â Id; lord = Hid; hoy = boi;
FOLKESTONE.
177
FOOTLE.
|
overleveringen (v. bijgeloof, etc.); âright = gewoonterecht; âtale = volksmythe; â Hong = volkslied, populair lied. Folkestune. fouksfn. Follicle, folik'l, zaadhuisje, klier; Follicular, Folliciilous. Follow, /b/0M,volgen, nazetten, tothetgevolg behooren. nagaan, de partij kiezen van, voortkomen, opletten, gehoorzamen, een beroep uitoefenen: Sometliiiig better wa» toâ = liet zou beter worden; It doe» not â that he is idle = daaruit volgt niet: We âed (acted upon) certain liiie« = gingen volgens een bepaald plan te werk; Do you â me = begrijpt gij mij? She immediately âed Muit = zij bekende dadelijk (bij 't kaartspel: de gevraagde kleur naspelen), zij deed eveneens; lie âed out Imh principles = hij handelde consequent volgens zijne beginselen: This work âs closely upon history = dit werk is nagenoeg aan de geschiedenis getrouw; lie âs the trade ol' a blacksmith = hij oefent het beroep van smid uit; He âs his pleasure = jaagt zijn genoegen na; He lias a âing of rich friends = hij heeft een aanhang van rijke vrienden; âer= volgeling, volger, leerling, dienaar, vrijer: No âers allowed (in advertenties) = geen vrijers in de keuken. Folly, foli, dwaasheid, domheid, verdorvenheid. Foment, j'oument, voeden, kweeken, warm betten, aanmoedigen; âation: âer. Fond, fond. dwaas, onwijs, al te teeder of lief, toegevend, verzot op, gek met: She is â oi' her children = gek met haar kinderen; âness; âIe = liefkoozen, toegevend behandelen: That is her âling â hartje, lieveling. Fondus. fond li, manier v. katoendrukken, waarbij de kleuren in elkander overgaan. Font, font, doopvont, compleet stel drukletters met bijbehooren: âal. Fontanel, fontanel, open plek in een zuigelingsschedel. trekpleister. Food, füd, voedsel, spijs, voeder: A daily â = almanak met teksten voor iederen dag*van het jaar: â s = voedingsstoifen. Fooi, fül, subst. dwaas, malle vent, zot, zondaar (bijbelsch), kruisbessenvlade: Abbot of â8 = hoofdleider der dwaasheden in de ouder-wetsche kerstfeestviering: Feast of âs = oud feest op Nieuwjaarsdag; He has made a â of me = hij heeft me voor den gek gehouden, belachelijk gemaakt: That*s a â to it = haalt er niet bij: Let him play the â = laat hem voor dwaas of grappenmaker spelen: â verb, voor den gek houden, bedriegen, teleurstellen, bespotten: DonH â away your time = verbeuzel uw tijd niet: â's-êrrand = vruchteloos onderzoek: He is out on a - s-errand = hij jaagt het onver-krijgbare na: â's-paradise = blijdschap met een dcode musch: He lives in a â quot;s-paradise = hij leeft gedachteloos voort, in een toestand van denkbeeldig geluk; âhardy = roekeloos, dol, moedig: âs-cap = narrenkap: soort v. papier, omdat dit formaat oorspronkelijk het watermerk van eene narrenkap had; âery = dwaasheid, dolheid; âing, subst. malligheid, grappigheid; adj. voor gek spelend; âish = dwaas, mal, belachelijk, zondig (bijbelsch). bone = boun; full; fool = tïil; a = toonloo2 \oncj = loi^; ship = sip; occasion = okeiz/n; ten bruggencate, Eng. Woordenboek. |
Foot, fut, subst. voet (12 inches), maat, versvoet, het wandelen, korte afstand, voetvolk: The best â foremost = het beste beentje vóór; On â = te voet; At a â's pace = stapvoets: 1 have taken the measure of your â by this time = ik heb u nu wel leeren kennen; He hardly ever says anything, without putting'his â iii (it) *= hij doet haast geen mond open, of hij compromitteert zich; Who will set the business on â = aan den gang brengen, op touw zetten; â verb, dansen, betreden,(be)wandelen, met den poot of de klauw pakken, optellen en daaronder de som opschrijven: These stockings must be âed = er moeten nieuwe voeten aan deze kousen gebreid worden: I think we shall â it = ik geloof, dat we maar zullen loopen: The bill was âed = de rekening werd betaald (Amer.); âand-inoiith disease = mond- en klauwzeer: â band = troep infanterie; âhall = bal (gevulde blaas met leer omgeven), gebruikt bij het spel van dezen naam; âbarracks = infanteriekazerne; âboard = treeplank, voeteneind; --boy = loopjongen, liverei-knechtje; âbridge = brug voor voetgangers: âed = met voeten (insamenst.); âfall = (hoorbare) voetstap; âguard = voetbedekker; âguards = lijfwacht te voet (Grenadier, Coldstream en Scots guards): âhold = steun voor den voet, vaste positie, vestiging; â ing = steunsel voor den voet, vaste positie, opstelling: He missed his âing = stapte mis: It is dinicult to get a firmâing there = om daar vasten voet te krijgen; lie has to pay his âing = hij moet zijne entrée betalen (van een werkman, die voor het eerst zijn beroep aanvaardt); First âing is a New-Year's custom in Scotland: the person who first enters the hoiiNe is called its first â; âiron = voetboei, rijtuig-trede: âlicker = lage vleier; âlights: He was before the âligiits = op hettooneel: âman = voetknecht, livereiknecht: âmark = voetspoor, indruk van den voet; âiniiff = voetenzak; ânote = aanteekeningonder aan de bladzijde: âpace = wandelpas,verhoogde vloer; âpad = struikroover; âpassenger = reiziger te voet; âpath = voetpad: â plate = staanplaats op een locomotief (zie Cab); âpost = voetbode; ââ¢pound = krachtseenheid; âprint = indruk van den voet; ârace = wedloop: ârest = voet-rust (fiets): ârot = rotziekte in schapen: ârule = duimstok (30 c.M. lang); âs = zaksel (van olie of suiker) onder in het vat: This sugar is very ây = deze suiker is zeer onzuiver; They are little ây falderals = kleine niets beduidende prullen; *âscraper = voetenkrabber: âshackles = voetboeien: âsoldier = infanterist: --sore = met pijnlijke (zeere) voeten; âstall = vrouwenstijg-| beugel, onderstuk van eene zuil; âstep = voetstap: Follow his âsteps = druk zijne voetstappen, volg zijn voorbeeld; âstool = voetbankje: âstove. âwarmer = stoof; âway = voetpad, ladder om in de mijnen af te dalen; âworn = met pijnlijke voeten. Footle, füt'l, adj. prullerig; â verb, knoeien, 1 onzin doen. 3 vokaal (zie asleep en care): girl: gt;/ear = jia; thin: thus = dhus: wine. 12 |
FOOZLE.
178
FORE.
|
Foozle, füz*l, vervelend malle gek; Foozlified = dronken. Fop, /bp, modegek: â pery = kwasterij, ijdel-heid (in kleederen of vormen); âpisli. For, /o, prep, voor, gedurende, om. wegens, ten behoeve van, met het oog op, met bestemming naar, vergeleken met, niettegenstaande: Hf i.H a noble chararter â all that = hij is toch (niettegenstaande al wat er gezegd is, b.v.) een edele kerel; You must do it â all the world = wat de wereld er ook van zegge: \o\v â it = nu begint het; Thiit^ it â all the world = juist, zoo is het; â the intitter of that = wat dat betreft; â one thing. 1 don't know your naine = in de eerste plaats; He was at home â a wonder = verwonderlijk genoeg was hij thuis; A man can live â much less = kan van veel minder leven; â as niiich as 1 can say = voor zoover ik weet; Eye â eye and tooth â tooth = oog om oog en tand*om tand: We sailed â the Indies = zeilden naar Indië: 1 have taken yon â my model = ik heb u ter navolging gekozen; I, â one = ik voor mijn part; Do it â my sake = om mijnentwil; 1 have sent it by'post â convenience' sake = ik heb het gemakshalve per posl gezonden; I waited â him to resume his triory = ik wachtte erop, dat hij ... zou hervatten; â Tear ol'getting nothing I shall take this â want of better = uit vrees niets te krijgen zal ik bij gebrek aan beter dit maar nemen; You have taken each other â better â worse = gij hebt elkander genomen in alle omstandigheden des levens, wat er ook gebeure; He went in â his examination, â that place, but he did not succeed = gaf zich aan; I tell you this â good and all = voor goed = once â all = eens en voor al; She didn^t listen â all she held her tongue = al hield ze ook haar mond: A house â sale = te koop; Take this word â example, â instance = bij voorbeeld; â shame = schaam je; That is â me â aught 1 see = dat is voor mij voor-zoover ik zien kan, als ik het wel heb; 1 am to blame â it = ik alléén draag daarvan de schuld; 1 felt uneasy â him = ik was bezorgd over hem; â want of something better = uit gebrek aan beter; 1 do not care â him = ik geef niet om hem; You have done what you should be sorry â = gij hebt iets gedaan, waarover gij spijt moet hebben; But â me he would be unhappy = zonder mij; It is not â you tâ¬gt; say so = het past u niet zulks te zeggen; 1 could not â the life of me help saying it = ik moest het welzeggen; conjunctie: want, daar, in aanmerking nemende dat. Forage, foridz, subst. voeder, fourage, weide, vernielende woede; âcap = politiemuts (van soldaten); âcontractor = aannemer van het voedsel der cavaleriepaarden; â verb, fourageeren, plunderen, verwoesten; âr. Foraminated, fdramineitid, met kleine gaatjes doorboord; Foramiiious, fdromiiws, vol kleine gaatjes. Foray, forci, subst. rooftocht, buit; â verb, uit fourageeren gaan, plunderen, verwoesten. |
Forbear,nalaten, zich onthouden van, dulden, verdragen: âance,/oamp;êr'ns, onthouding, geduld, zelfbeheersching, veidraagzaamheid, duldzaamheid: âance is no acquittance = uitstel is geen afstel; âiugly = lijdzaam. Forbear(s), föbaz, voorouder(s), Voorzaten, nazaten. Forbes, föbz. Forbid, föbitl. verbieden, ontzeggen, weigeren (toegang, b.v.), een verbod uitvaardigen: (iod. Ilea ven â = dat verhoede God, de Hemel! âden fruit = verboden vrucht (Bijbel); âding = onaangenaam,terugstootend: Those are âding subjects = onaangename onderwerpen. Forbore, föbö, Forborn, föhön. imperf. en part. perf. van to forbear. Force, /os, subst. kracht, geweld, dwang, noodzaak, beteekenis, wettigheid, strijdmacht (ook dikwijls âs); Conservation of â = krachtsbesparing: Correlation of â = krachtsverhouding; F^xternal âs = vanbuiteh werkende krachten; Moral â = zedelijk ver\j mogen: \atural âs natuurkrachten:quot; Physical â = natuurlijk vermogen (tegenover Moral â); By main â = met geweld; The law will come into â (be enforced) very soon = de wet zal spoedig tot uitvoering komen; That must follow of â = dat moet er noodzakelijk uit voortvloeien; The scouts reported that they had discovered the enemy in â = de spionnen berichtten, dat ze den vijand in grooten getale ontdekt hadden; â verb, dwingen, ontwringen, afdwingen, noodzaken; verwringen, onnatuurlijk aannemen (v. eene bepaalde rol), doen rijpen door kunstmatige hitte, in kassen kweeken: His sword was âd from his hand = aan zijne hand ontwrongen; They were âd out = met geweld verjaagd; âd plants = brocikasplanten; He âd that word into a new meaning = hij gaf door verwringing dat woord eene nieuwe beteekenis; He âs a passage of Macaulay into his service = hij verdraait eene passage van M. tot eene bewijsplaats voor zich: His wit is rather âd = zijne geestigheid is vrij onnatuurlijk, gemaakt; âmeat = gehakt (en sterk gekruid) vleesch; âpump = perspomp; âless. Â¥orceps, fösdps, tang voor chirurgen (dentisten). Forcible, fösib l, krachtig, gewelddadig, hevig, onstuimig, indrukwekkend: âdetainer = gewelddadige onthouding; âentry = gewelddadige inbezitneming; âfeeble, subst. iemand, die een schijn van kracht ontwikkelt; adj. gemaakt of slechts schijnbaar krachtig. Forcing, fösir^. dwang, geweld: âhouse = broeikas; âpiimp = perspomp. T'orcipitate, fösipiteit, zich als eene forceps openend en sluitend (bij een kreeft). F'ord, föd, subst. doorwaadbare plaats (v. eene rivier), stroom; â verb, doorwaden: âable. For(e)do, födü, verwoesten, vernietigen, overwinnen, uitputten. Ford ice, fddais. Fore, /o, subst. voordeel, hulp, steun; adj. vooraan, voor, vooraf; adv. vooraan: To the â = naar voren toe, gereed, aanwezig, nog levend; He came to the â = kreeg naam; He is well to the â = hij heeft veel naam; â and aft = de geheele lengte v. het schip; |
man; ask = ask; farm = fiim; bat = bwt: \earti = Iwn: line = lain; hcmse = hans; net; care = kèa; f«te = feit; tin; «sleep = aslip; not; \aw = ló; lord = löd; \)oy = böi;
FORE-ARM.
FORM.
179
|
âarm, subst. voorarm; â verb, vooraf wapenen: âwarned is âarmed = eene waarschuwing maakt dubbel sterk; âbrace bits = betingen der fokbrassen; cabin = voorkajuit; âelder = voorouder; âend = eerste gedeelte; âpalate = voorste deel van het gehemelte; âftorfe = voorspellen, voorgevoelen; âbode)' = voorspeller; âbow, föbou, zadelknop; âcast = voorspelling, voorziening: | The weather âcast = het vermoedelijk te wachten weder: âcast, /'ökdst, voorzien, vooraf berekenen, ontwerpen; âcastle, fouks l, bak (op een schip tusschen den voormast en den boeg); âclose, füklouz, tegenhouden: To â close a mortgager = een hypothecair schuldenaar het recht op terugverkrijging v. zijne bezittingen ontnemen: âclosure = ontneming van dit recht; -father = voorvader; â-lathers'-Day = 21 December, toen de Pilgrim Fathers in Amerika landden (1620); âfeeling = voorgevoel; âfend, föfend, verbieden, afwenden, afweren; âfinger,/ö/igt;^f/a,vóórvinger: -loot = voorpoot: âfront, /'öf'rvnt, voorste deel; âgo, fögou, afstand doen, afzien van: That is a âgone conclusion = dat is eene uitgemaakte zaak, spreekt vanzelf; âground = vóórgrond (v. een landschap of schilderij); âgather, fögadhd, samenkomen; âhaiid, subst. vóurhand, voorkeur; adj. naar voren, anticipeerend: âhead, föhed of fored, voorhoofd; â hold = voorste gedeelte van het scheepsruim; âhorse = voorste paard van een span. Foreign, /or'n, vreemd, uitheemsch, buiten gemeenschap met: âattachment = beslaglegging op goederen van vreemdelingen voor schuld: âbuilt = in het buitenland gebouwd; âer, fororw, vreemdeling, buitenlander. Forejudge, födzndz, van eene rechtbank verwijderen, van de rol afbrengen; Foreknow = voorafweten: Foreknowledge, fönolidz, het vooruitweten; Foreland = landtong, kaap, ruimte tusschen den versterkten muur en de gracht; Foreleg = vóórpoot; Forelock = voorlok, vóórhaar, sleutel: 1 will take occasion by the forelock = ik zal de eerste de beste gelegenheid aangrijpen; Foreman = eerste, eerstaanwezende, presiderlt (van eene jury), meesterknecht, hoofdconducteur: Foremast, fömast, fokkemast; Foremast-man = gewoon matroos: Foremeiitioned, fomens'nd, voormeld: Foremost = voorste, eerste, voorop; Foremother; Forename = vóórnaam: Fore-nanied = voornoemd; Forenoon = vóórmid-dag: Fore-ordaiu, forödein, voorbeschikken (Bijbel); Foreordination, fórödineié'n, voorbeschikking; Forepart, föpiit, voorste deel: Forepast, Forepassed, föpdst, voorbij, verleden; Forerank = voorste rij of gelid, voorkant; Forereach = winnen op (bij het zeilen, etc.); F^orereading = voorafgaande doorlezing; Forerun = voorafgaan,voorspellen. Forerunner = voorbode, voorlooper; Foresail == fokkezeil: F'ore-scent, fösent. vóórsmaak; vóórsmaak; Foresee, föst, voorzien, voorafweten: Fore-seeable consenuences = te voorziene gevolgen; F^oreshauow, foèadou, vooraf schetsen, voorbeduiden; Foreship = I vóórschip; f'oreshore = het gedeelte kust I tusschen ebbe en vloed': F'oreshorten, föèöfn, \ in de verkorting zien (perspectief); F'oreshow, föéou, voorspellen, voorzeggen, verkondigen; Foresight = het vooruitzien, overleg; Fore-sleeve = vóórmouw. |
F'orensic, farensik, gerechtelijk: âmedecine, âmedisin, medische rechtswetenschap, F'orest, forast, subst. woud, bosch, koninklijk jachtveld: â verb, in een bosch veranderen, met boomen beplanten; adj. boschachtig, landelijk; âfly =\ paardevlieg; âlaws = boschwetten;'âscience,âsai'm^Z.F'orestry); âwalk = schaduwrijke wandelweg; âer = houtvester, boschbewoner, bosch wachter; âry = boschcultuur, boomkweeking. Forestall, föstól, vooruitloopen op, berooven, verstoppen: He âed the market â hij kocht zooveel mogelijk alle goederen op; You â life with your talk = gij neemt door uw gepraat al het aangename en belangwekkende van het leven weg; Foretaste, föteist, subst. voorsmaak; verb, een voorsmaak hebben van; Foretell, fötel, voorspellen, voorzeggen: F'ore-thought, föthot, subst. voorbedachtheid, voorzorg; adj. voorbedacht, vooraf beraamd; Foretooth = vóór-of snij tand; F'oretop = vóórmars; F^ore-warn, föwön, vooraf waarschuwen of kennis geven (zie Forearm); Forewind, föwind, gunstige wind; Forewoman = vrouwelijke opzichter, besteedster; F^orewords. /'öiuvdz, voorrede, inleiding. F'orfeit. föfit, subst. verbeurte, het verbeurde, boete: They were playing (at) âs = zij waren aan het pandje-verbeuren; To cry âs = de panden oproepen: adj. verbeurd: â verb, verbeuren, te kort schieten, niet gestand doen; âer: âure, föfitjd. verbeuring, verlies, boete. Forlex, föfdks, schaar. Forge, födz. subst. smidse, smidsvuur,smederij, werkplaats; â verb, smeden, maken, uitvinden, verdichten, namaken, vervalschen, valschheid in geschrifte plegen, voortdrijven, langzaam en moeilijk voortbewegen; âman = smidsmeesterknecht; âr; âry = valschheid (in geschrifte), verdichting,* verzinsel; âtive, f'ödtdtiv. vindingrijk, verdichtend. Forget, föget, vergeten, verwaarloozen: Forbear. or I shall â myself = laat af, of ik vergrijp mij, ga mijzelf te buiten: ânie-not = vergeetmenietje; âable; âtul; âter. Forgive, fögiv, vergeven, vergiffenis schenken, kwijtschelden, door de vingers zien; âness; Forgivable\ Forgivingness = vergevensgezindheid; âr. Forgottten). fögot(?n\ imp. en p.p. van forget. Fork, /ofr, subst. vork. gaffel, scheiding van een weg, etc., moeilijkheid, lastig geval, stemvork; â verb, met eene vork opheflen en aangeven, omspitten, scherp maken, in tweeën verdeelen, stelen, kapen: You shall â it over (out) first = je zult het eerst overgeven, eerst opdokken; âed lightning = zigzag bliksemstralen; âhead = punt van een pijl; âtail == 3-jarige zalm; ây = gevorkt. Forlorn, fölön, verloren, verlaten, hulpeloos, ongelukkig, eenzaam: âhope = troep soldaten, die voor een uiterst gevaarlijken post zijn aangewezen; gevaarlijke post, wanhopig geval; â ness. Form, /om, (uiterlijke) vorm van iets, gedaante. |
bone = boun: full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl: year = .ji8; long = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhus; wine.
42*
FORM.
480
FOUL.
|
stelsel, leest, model, gelijkheid, plichtpleging, schoolbank (zonder rugleun.), klasse (in school), leger (v. een haas), geschiktheid, goede figuur: The horse wa» not in â to-day = kwam niet op z'n voordeeligst uit, was niet op dreef: The prime minister was in splendid oratorical â = des eersten ministers redenaarstalenten kwamen prachtig uit; They went through the â of dining = voor den vorm deden ze, alsof; â verb, vormen, scheppen, oefenen, zich richten of vormen: They âed lor a dance = zij traden aan om te dansen; They âed in front = zij plaatsten zich in de voorhoede in 't gelid; âal = vormelijk, precies, stellig, stijf, vol plichtplegingen, naar de orde: Ills evidence was of a âal order = zijne getuigenis betrof slechts feiten; âalism = vormendienst; âalist: âality, fómaliti. welvoeglijkheid, vormelijkheid; âal-ities = formaliteiten (speciale kleeding, etc.); âation = vorming, samenstelling of afleiding; âative = vormend, niet tot den stam be-hoorend; âer = Schepper. Former, /oma, voorafgaand, vroeger, eerste; âly = vroeger, te voren. Formic, fömik, van mieren; âacid = mieren-zuur; âary = mierenhoop: âate = op eene mier gelijk'end; âation = jeuking. Formicant, fömik'nt, zwak en onregelmatig (van den pols). Formidable. fömidaVl, geducht, vreeswekkend; âness. Formula, fömjute, formule, recept; âte, fömjule'ït, formuleeren, duidelijk stellen; âry, subst. formulier, formule; adj. voorgeschreven, vastgesteld naar den ritus. Fornicate, fönikeit, gewelfd, boogvormig; Fornication, fónikeië'n, boogvorming, bloedschande, overspel. Fors, föz, een woord (van Ruskin) om de drie hoofdvoorwaarden, die 's menschen lot bepalen, aan te duiden (Force, Fortitude en Fortune). Forsake, f'óseik, verzaken, verlaten, begeven; _ii = part, perf., Forsook, fösuk, imperf. van to forsake. Forsooth, fösulh, voorwaar, zeker (dikwijls ironisch). Forswear, föswêd. afzweren, bij eede ontkennen: You are forsworn = gij hebt uw eed gebroken: Von have forsworn yourself = gij hebt een meineed gepleegd. Forswet, fosivet, kapot van de hitte. Forsyth, fösaith. Fort*, föt, subst. sterkte, vesting, kasteel, iemands sterke zijde; adj. sterk, machtig. Forte, föt, iemands sterke zijde, uitstékendst gedeelte. Forth, föth, vooruit, buiten, uit, voorwaarts, de grenzen te buiten gaande, voort; -âcoming = op 't punt te verschijnen; âgoing, subst. het voortkomen; âissning; = het naar voren komen; adj. voortkomend; âwith = onmiddellijk, op staanden voet; ây = daarom. Fortieth, fötidth, subst. en adj. veertigste (deel). Fortificationjo^/z/teii'^versterking, fort: Fortify, fötifdi,versterken,bevestigen; Fortifier; Fo'rtitnde, fötitjud. lichamelijke of zielskracht, vastberadenheid, moed, geduld. |
Fortnight, fötnait, veertien dagen. âly = alle veertien dagen, veertiendaagsch. Fortress, fötrds, vesting, kasteel, sterkte. Fortuitous, fötjüitds, toevallig; Fortuity, fötjüiti, toeval(ligheid). Fortune, fötamp;n, subst. geluk, fortuin, lot, groote rijkdom, bezit: â favours the hold = wie waagt, wint; By â = toevallig; He came into his â = 'hij kreeg zijn erfdeel; As â would have it = toevallig ('t was, of het spel sprak); â verb, begunstigen, gebeuren; âbook'=ivoorspellingsboekje: âhunter = iemand, die bij het trouwen op geld uit is; âIiunting = het zoeken van geld bij huwelijksplannen: âteil = waarzeggen; âteller = waarzegger; âtelling = waarzeggerij: Fortunate, fötëdnit. Forty, föti, veertig: I'll take my â winks = e'en klein dutje doen; In â seconds = in minder dan geen tijd. Forum, fór'm. rechtbank, gerechtshof, plaats voor het bespreken der algemeene belangen. Forward, föivdd, subst. een vooraan geplaatst speler bij foothall; adj. voorste, vroeg, gevorderd, vroegtijdig, niet achterlijk, verwaand, onbeschaamd, naar den voorsteven toe: The hook is in a â state = het boek is een heel eind op weg; â verb, bevorderen, aansporen. verhaasten, overzenden: 1 beg to â this letter = ik ben zoo vrij, u dezen brief te doen toekomen; adv. â(s) = vooruit, voorwaarts: From this day â = in het vervolg: interj. Voorwaarts ! âness = voortvarendheid, vrijpostigheid; âer; âing = bevorderend, overzendend: âing-note = verzendbrief (Amer.). Fosbroke, fosbruk. Fosse, /os, gracht, sloot; âway; Z.Fossroad. Fossick, fosik, lastig en druk zijn, aanhoudend zoeken; rechten op mijnen opkoopen (Austr.). FuNSil, fosil, subst. delfstof, versteend lichaam, iemand ten achteren bij zijn tijd; adj. opgedolven, verouderd; âifdrons = versteeningen bevattend; âize, fosilsiz, versteenen, achter zijn tijd aankomen, verouderd zijn. Fóssróad, fosroucl, groote militaire weg (door de Romeinen in Engeland aangelegd), ook Foss(egt;way geheeten. Foster, fostd, voeden, zoogen, kweeken, aanmoedigen, koesteren (gewoonlijk van kwade gevoelens); âbrother = zoogbroeder; â child = voedsterkind; âdaughter,âsister = pleegdochter, zoogzuster; âfather = aangenomen vader; âmother = zoogmoeder, min; âson = pleegzoon; âer = voedster, zoogster. Fother, fodhd. stoppen (v. een lek in een schip). Fotheringay, fodharir\ge\, Fotmal, fotmdl, 70 Eng. ponden lood. Fought. /oJ, imperf. en part. perf. van to fight. Foul, faul, subst. schande, gemeene zet, opzettelijke botsing; adj. vuil, onrein, stinkend, heiligschennend, gemeen, zondig, misdadig, onwettig, onbillijk, storm-, regenachtig, bewolkt, belemmerend: We fell (ran) â of a rock = wij kwamen in botsing met, stieten op eene rots; These two persons fell â of each other = kregen samen twist; â verb, bevuilen, besmetten, in botsing komen, vuil worden, verward raken: He â ed my course and |
man; ask = ask; farm = fiim; hut = but; learn = l«n; line = lain; house = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; laiv = lo; lord = Hid; hoy = boi;
FOUL-ANCHOR.
181
FRATERNAL.
|
received all my weight = hij kwam mij in den weg, en 'kreeg mijne geheele zwaarte op zich; âanchor = onklaar anker (omdat de kabel er omheen zit); âprooi' = eerste, zeer foutieve drukproef; âmouthed, â spoken, âtongiied = vuile taal sprekend; Foulard, fülüd, zijden (hals)doek. [ânesw. Found, f'auncl, metaal gieten, stichten, grondvesten, begiftigen: He wa» â out = gesnapt, men kreeg hem âin de gatenquot;; (imperf. en part. perf. v. to find); âatiou, faundeiamp;n, grondslag, fundeering, stichting, begiftiging, fundatie: âation-musliii = opengewerkte mousseline; âation-school = begiftigde of gesubsidieerde school; âatiou-stone = eerste steen; âer, subst. metaalgieter, stichter,maker,begiftiger: He i« the âer of the l'eaHt = aanlegger v. het feest: â verb, zinken, zakken, vergaan, in de zee drijven en spartelen, kreupel worden of maken (van paarden); âling = vondeling; âling-hospital = vondelingenhuis; âre»»: â(e)ry = metaalgieterij. Fount, faiint, bron, fontein, put; âaiu, fauntin, bron, fontein, waterreservoir; âain-head = oorsprong of bron (v. eene rivier, b.v.); âaiu-peu = pen met inktreservoir. four, /o, subst. vierriemsboot; adj. vier: We are (run) on all âh = wij zijn (loopen) op handen en voeten; They go on all âh = zij stemmen volkomen overeen; That i» on all âh with it = dat komt er geheel mede overeen: âale = dun,goedkoop bier; âfold, adj. viervoudig: â verb, verviervoudigen; âfooted = viervoetig; ââ¢handed = vierhandig; âlioi'He = door vier paarden getrokken; âin-haud, subst. rijtuig met vier paarden; adj. door vier paarden getrokken; âlegged = met vier pooten, viervoetig; âpenny, âpence = vierstuivers tukje; â poster = groot ledekant met stijlen aan de vierhoeken: âscore = tachtig; âsquare = vierkant, vast gegrond, vast staand: The Eiffel tower stands âsquare on feet of solid niasonry = de E.-toren staat onwrikbaar vast op voetstukken van zwaar metselwerk; âteen = veertien; âteeuth = veertiende; âth = vierde: Fourth-rate = kanonneerboot (1â4 stukken); â thly = ten vierde; âwheeler = vigelante. Fourbissenr, füdbist, zwaardveger. Pourgou, f'üdgon, ammunitie-of bagagewagen. Fourierism, füridrizm, het coöperatief-socialistisch stelsel, aanbev. door Charles Fourier. Fowl, faul, subst. gevogelte, het vleesch daarvan , gezamenlijke vogels, haan , kip ; â verb, vogels vangen; âer = vogelaar; âing-piece = ganzenroer; âing-shot = ganzenhagel. Fox, foks. subst. vos, sluwe kwant; â verb, zurén (bij 't gisten), voorwenden, veinzen, uit de school blijven (Amer.); âbrush = vosse-staart: âchase, âhunt = vossenjacht; âearth = vossenhol; âevil = kaalheid; âglove of Folks?-glove = vingerhoedskruid; âtrot = korte stappen (van een paard): âtail = vossestaart; âtrap = vossenval; âed, fokst, verkleurd, gevlekt, gelapt (van laarzen, Amer.); âiug, subst. bovenleder: adj. verkleurend; âlike; ây = sluw, zuur, gevlekt. |
Fracas, frnkd. lawaai, ruzie. Frack, frak, gretig, vaardig, krachtig. Fracted, fraktid, gebroken, verplaatst; Fraction, frakamp;n, breking (vooral met geweld), gebroken getal, breuk, brok; het breken van het brood bij het H. Avondmaal; Fractional, frakèdril. tot eene breuk behoorend, gebroken, klein, nietig: Fractious, frakèds, twistziek, knorrig, kribbig; Fracture, /V'a/cO'a,breuk (met geweld), gebroken deel: Simple fracture = eenvoudige been- of armbreuk: ('ompouiid fracture = gecomplic. breuk (beschadiging v. het weefsel): â verb, doorbreken, verbreken. Fragile, fradzil, broos, zwak teer: Fragility, frddziliti, broosheid, zwakheid. Fragment, fraym'nt, brokstuk, inhoudsopgave, voorrede en titel (v. een boek); âal, fragmenf l, âary, fragm'ntdri, uit brokken bestaande, zonder verband. Fragrance, -cy, freiyr'nsii), geur, welriekendheid: Fragrant, freigr'nt, geurig, welriekend. Frail, freil. subst. bies (voor manden), biezen-mandje of mat (voor vijgen of rozijnen); adj. bros, broos, teer, besluiteloos, onvast: âness; -tv = zwakheid, broosheid. Fraise. freiz, subst. stormpalen of palisaden, pannekoek; â verb, met pieken of bajonetten dekken ofbeschermen: The battalion was âd = het bataljon stond met gevelde bajonet. Frame, freim, subst. samenstel, lichaamsgestel, steiger, geraamte, lijst, raam, borduurraam, etc., gemoedsgesteldheid, gietvorm: Out of â = in wanorde: His â of mind = gemoedsstemming; â verb, bouwen, samenvoegen, regelen, ordenen, vormen, overleggen, omlijsten, in elkander zetten: Who âd that story = bedacht: Framable â vormbaar; âbridge = sterke brug: âhou8e = huis van hout; âtimbers = houtwerk van een gebouw: âwork = geraamte, lijstwerk, inrichting. France, frans, Frankrijk: Isle of â = Mauritius; The Frauco-tilermaii war. Frances, fransds, Francisca; Francis, franc is, Franciscus, Frans. FraucliiHe, frans{a)iz, subst. voorrecht, recht, vrijplaats, vrijmoedigheid, edelmoedigheid, stemrecht; â verb, vrijdom verleenen. Franciscan, fr'nsisk'n, subst. Franciskaner (grijze) monnik; adj. Franciskaansch. Franconia, fr^konnw. Frankenland. Frangible, franzWl, licht breekbaar; Fran-gibihty = broosheid. Frangipane, franzipein, amandelgebak. Franion, franfn, gezellige baas. Frank, frai\k, subst. Frank, franc, brief vrij van port; â verb, zonder vracht of port verzenden (door âDienstquot;' of âO. 11. M.S.quot; en de handteekening van den verzender): adj. openhartig, oprecht, vrij; âish. Frank-incense, frai\kinsens, soort v. geurige hars, wierook. Frauklinic, fran^klinik', door wrijving ontstaande (van electriciteit). Frantic, frantik, dol, krankzinnig, woest, razend: âness. Frap, frap, spannen (van eene trom). Fraternal, frdtiml, broederlijk; Fraternity, frdtüniti, broederschap: Fraternize, frata-nair, vertrouwelijk en vriendschappelijk om- |
bone = boun; full; fool = ful: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; //ear = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeiy/n; thin; thus = dln;s: wine.
FRATRICIDE
182
FRIABILITY.
|
gaan: Fraternization = verbroedering; Fratricide, I'ratrisa'id, broedermoord(er). Fraud, /rod, bedrog, bedrieger, list; âulence = bedriegelijkheid, bedrog; âulent, /'ródj uVnt, bedriegend, bedriegelijk. Fraught, frót, beladen, geladen, opgestapeld, overvloedig: â wit li sorrow = vol smart, van smart overstelpt. Fray, /m, subst. strijd, gekrakeel, twist, rafel, kale plek (in laken, b.v.): â verb, verslijten, rafelen, afslijten door wrijven (van horens van een jong hert): âed ropes = uitgerafelde touwen. Freak, frik, subst. gril, kuur: â verb, bont maken, streepen of stippels trekken. Freckle, frek'l, subst. (zomer)sproet, vlekje; â verb, met sproeten bedekken of teekenen; â laced = met sproeten in 't gezicht: âduess. F red,/quot;mf, verk.v.F rederick, freddrik, Frederik. Free, fri, adj. vrij, toegankelijk, onbelemmerd, gratis, vrijwillig, oprecht, mededeelzaam, mild, toegelaten (tot een gilde b.v.): Tliey made â with his wine = zij dronken ongegeneerd van zijn wijn; âand-easy, subst. gezellige en familjare samenkomst; adj. vrij. ongedwongen: Wine was â to all takers = ieder, die wou, kon vrijelijk wijn drinken; He is â of' the goldsmiths* company = hij is lid van hetgoudsmidsgilde: You are as â of the house as anybody = gij kunt even vrij het huis binnen gaan als'ieder: IIis talents had â space to work = konden zich geheel ontplooien; I am â to admit that = ik erken dit gaarne: He was made â of the city = hem werd het eereburgerschap der city 'aangeboden; He wanted â and open sittings in church = hij wenschte dat ieder vrijelijk de onbezette plaatsen in de kerk zou kunnen innemen: â verb, bevrijden, ontheffen: He did not offer to â me = hij maakte geen mine om mij van mijn woord te ontslaan: This ticket will â you over every line of the country = met 'dit kaartje kunt ge voor niets langs'elke spoorlijn in het land reizen; âbench = weduwengóed; âhooter = vrijbuiter: âchase = vrije jacht; âchurch = Vrije Kerk; âcity, âtown = hanzestad; -man = vrijgemaakte slaaf; âfighter = guerilla soldaat, franc-tireur; âgrace = Vrije Genade: âhand = uit de vrije hand; â handed = edelmoedig, mild: âhearted = openhartig, weldadig: --hold, subst. vrij goed: âhold estate in land = onbezwaard landbezit; adj. houdende of hebbende als vrij goed; âholder = bezitter van eva freehold: âliver = smulpaap, iemand die groot leeft; âman = vrije burger; âmason = vrijmetselaar; â'masonry = vrijmetselarij; â minded = m. onbekommerd gemoed: âpass = vrijbiljet; âport = vrijhaven; âschool = kostelooze school; âspoken = vrijmoedig; âstone = zandsteen, hardsteen; âstates = die Staten van de Unie, waar reeds voor den burgeroorlog geene slavernij meer bestond; âtalk and knowing innuen(los = fami]jaré gesprekken en slimme wenkjes; âtrade = vrijhandel; âtrader = voorstander van vrijhandel; âwind = gunstige wind: âdom, frid'm, vrijheid, vrijdom, al te groote vrijheid, gemakkelijkheid: 1 shall take the liberty to speak with âdom = ik zal zoo vrij zijn ronduit te spreken; He was offered the âdom of that town = hem werd het eereburgerschap van die stad aangeboden: âr = bevrijder. |
Freeze, friz, subst. vorst, het vriezen: â verb, vriezen, bevriezen, stollen: The whole thing is a âout = wijsmakerij, bedrog: Freezing = het (be)vriezen; Freezing-point = vriespunt. Freight, freit, subst. vrachtprijs, goederentrein, vracht of lading (Amer.): We have sent the trunk by slow â = wij hebben den koffer als vrach'tgoed verzonden; â verb, laden, bevrachten; âtrain (Amer.) = goederentrein: âwaggon = goederenwagen; âage.freitidz. goederenvervoer, vrachtprijs; âless. French, frenë, subst. en adj. Fransch(e taal), Fransch(e volk): He lias taken â leave = hij is er van doorgegaan; â curve = teeken-mal; What is the â for William = wat is Willem in het Fransch? taiiillaiime is â for William; âbean = snijboon: âhorn = waldhoorn: âlike = naar de wijze der Franschen; âman, â woman = Franschman. Fransche vrouw; âpolish, subst. wrijfwas: â verb, politoeren; âroll = broodje; â window = openslaand venster; âify, fren-èifamp;i, verfranschen; âlike. Frenzy, frenzi, subst. waanzin; â verb.waanzinnig* maken: Frenzied = waanzinnig. Frequency, frikw'nsi. herhaald voorkomen, herhaling; Frequent, frikw'nt, gedurig, herhaald; Fre(|uently; Frequentness. Frequent,/W/rtvcnï, dikwijls bezoeken, omgaan met; âative, frikwentdtiv, subst. en adj. frequentatief (werkwoord). Fresco, freskou, subst. waterverfschildering op natte kalk; â verb, schilderen op die wijze. Fresh, /res, subst. zoet water, dooi weder: adj. frisch, versch, nog krachtig (v. indrukken), levendig, koel: As â as a daisy, as â as paint = zoo frisch als eene roos, als een hoen; We shall have to gather â way = wij zullen wat moeten opstoomen, wat meer spoed moeten bijzetten: â blown = pas ontloken; âfish = nieuweling: âforce = pas bedreven, onwettige daad: âlooking = frisch uitziend; âman = groen, nieuweling; âwater = zoet water; âen = opfrisschen, verfrisschen, verlevendigen, ontzouten of ont-pekelen, aanwakkeren, kracht krijgen: âes, freèiz. het vermengen van zoet en zoutwater aan de monding van rivieren; âet = overstrooming (door zwaren regen of het smelten van sneeuw); âness. Fret, fret, subst. het in- of wegvreten, zweer, gisting, kwelling, schaving (van de huid), lijstwerk, ornamentwerk: â verb, wegvreten, invreten, afwrijven, schoonwrijven, aantasten, beschadigen, kwetsen; kwellen, beroeren. gemelijk zijn, kniezen; versieren (m.snijwerk), beitelen of beeldhouwen, van toetsen voorzien, tokkelen; â ful = gemelijk, knorrig, twistziek; âsaw = figuurzaag; âwork = snijwerk, netwerk; â ise, fretxz, met snijwerk versieren; âten, freVn. (van de pokken) geschonden; -*y. Freya, fraid, eene Godin. Friability, fraidbiliti, brokkeligheid, bros- |
man; ask = ask: ftrrm = fiim; b?/t = but; learn = Iwn: line = lain; hoz^se = haus; net; care = kèa; fate = feit: tin; asleep = aslip; not: law â ló; lord = löd; hoy = bèi;
FRIABLE.
183
|
heid; Friable, fraidUl, bros: brokkelig; Friablenes». Friar, /rate, Frere, frid, broeder, monnik, plaatsen in eene proef waar de inkt niet geraakt heeft: â'«-balsam = monniksbalsem; â^â¢lantern = dwaallicht. Fribble, /Hamp;7, subst. beuzelaar; adj. zwak, beuzelachtig; â verb, beuzelen; â r = beuzelaar. FrieasHee, frikdsi^ subst. schotel v. kuikens, konijnen, etc., met krachtige saus; â verb, eene â maken. Fricative, frtkdtiv, subst. schuringsgeluid; adj. schurend. Friction, friké'n, subst. wrijving, kleine on-eenigheid; adj. wrijvend: âwheel = wiel, dat door wrijving in beweging brengt of gebracht wordt; âal-electricity = wrijvings-electriciteit. Friday, fraidei, Vrijdag: ilood â = Goede Vrijdag. Friend, frend, vriend, vriendin, beschermer, bevordeiaar, Kwaker: A â in need i» a â indeed = in den nood leert men zijne vrienden kennen; lie lias â« in (at) court = vrienden aan het hof, invloedrijke vrienden; Fil never a^ain make a â = ik sluit nooit weer vriendschap; Let ut* make âm with him = laten wij ons met hem verzoenen; Society ol' â» = de sekte der Kwakers (17e eeuw g'esticht): âlike = als van een vriend, welwillend; âly = vriendschappelijk, goedaardig, gunstig* gezind: â ly Societies = Vereenigingen tot wederzijdschen bijstand in ziekte en nood; âcJiip = vriendschap, goede gezindheid; âlessOiese*). Friese./rfz, Friesche taal; Friesland,/rfrfcmr/; Frisian, f'Hz'n, Friesch. Frieze, friz, fries (bouwk.), grove wollen stof: âlike = âd. Frigate, frig it. fregat: Frigatoon, frigdtün, Venetiaansch fregat. Fright./quot;m/f. vrees, schrik: Yon look a â. if yon do not do yonrsell'np = je ziet eruit óm van te schrikken, als ge u niet blanket; â verb, schrik aanjagen: It is the thnnder that âs, and the lightning that smites: âen = schrik aanjagen, ontstellen: I was âened to death, out ot'niy wita = doodelijk verschrikt; âTul. Frigid, fridzid, koel, koud, kil, vormelijk, vervelend: â zones = de Poolstreken (tüsschen de Polen en de Poolcirkels); âness; â ity, fridziditi. koelheid, kilheid, enz. Zie Frigid*. Frill, friI. subst. geplooide strook, zoom, opgezette veeren (door koude) v. een roofvogel; â verb, van een â voorzien; Elizabethan â = kanten kraag (uit E.'s tijd); âed: â ing. Fringe, frinz, subst. franje, rand: Kewgate â = gedeelte van den baard om de keel: â verb, met franje versieren; Fringy = met franjes. Fringilla, frindzifo, hetgrenwsvinken; âceous, fr'mdzileièds, tot de vinken behoorend. Fringing reef, fHnzir\r\f, koraalrif dat een eiland omgeeft. Frippery, fripori, subst. oude kleeren, tweede-handsm*eubels, oude-kleerwinkel, prulleboel: adj. min, beuzelachtig. F risi an./Wz'n, subst.en adj. Friesch(e taal, volk). |
Frisk, frisk, subst. dartele sprong, dol vroolijke bui; adj. levendig, dartel, druk; â verb, rondspringen, dansen, dartelen; ây = dartel, vroolijk; âer. Frit, frit, subst. specie tot het maken v. glas. Frith, frith, mond eener rivier, vischweer, gedeelte van eene weide. Fritter, fritd, brokje, stuk, reepje, afgesneden stukje vleesch om te bakken: â verb, in kleine stukken snijden of breken: He lias âed away his time = zijn tijd verbeuzeld, langzaam erdoor gebracht. Fritillary, frititeri, eené soort v. lelie (vlinder). Frivolity, frivoliti, beuzelachtigheid; Frivolous, frivdlds, beuzelachtig, nietig. Friz(z), friz, subst. pruik, krulhaar; â verb, krullen, kroezen; âzie, subst. gekrulde lok, kroeslok; verb, krullen, opheetekolen bakken; âzier = friseur, kapper; âzling. Fro. froii, alléén in: To and â = heen en weer. Frock, frok, pij, jurk, kleed: âcoat = gekleede jas; âed = een â dragende. Frog, frog, kikker, lis (om een knoopsgat), knoop, scheidingspunt van spoorbanen, straal (aan paardehoeven); âged = met lussen ot kant; âgy = vol kikkers: âbit = kikkerbeet: âeater = Franschman (iron.); âhopper = soort v. sprinkhaan, schuimbeestje; â's-march = kruipen op handen en voeten, het wegdragen door de politie van een lastigen dronken man (met het gezicht naar beneden). Froise, froiz, dikke groote pannekoek. Frolic, fro lik, subst. dartele sprong, grap, vroolijke partiji pretje; adj. vroolijk,dartel,dol, lustig; â verb, dartelen, rondspringen, pret maken; âsome = dartel, vroolijk. From, from, van, vandaan, vanuit, sedert, wegens: We sil'ted grain â chaff* = wij scheidden het koren van het kaf, de waarheid van den leugen; He had his mission â on high = hij ontving zijne zending van boven, uitden hemel: â the sixth ol'May = sedert: It's all â his iinwillingiiess to* ublige me = het komt allemaal door zijne ongeneigdheid om mij te helpen: Tell it him â me = namens mij: â time to time = van tijd tot tijd: Judging â this = hiernaar te oordeelen: Protected â the rain = beschermd voor: â my childhood = van kindsbeen af. Fróme, frum. Frond, frond, blad (met stengel), vooral van varens en palmen: âlet = klein blad: âation = ontbladering, snoeiing: âescence, fron-des'ns, het ontplooien der bladeren: â ilerons, frondifdrds,bladeren dragend: âose = bladrijk. Frondenr, frondt), lid der Fronde (tegenstanders van het bestuur bij de minderjarigheid v. Lode wijk XIV). Frons, fronz, deel van het gelaat tusschen de slapen. Front, front, subst. voorhoofd, gelaat, voorste gedeelte, front, gevel, voorvertrek, brutaalheid, schaamteloosheid, toertje (valsch haar), overhemdje, begin, voorhoede: He changed â all at once = hij veranderde in eens v. batterij; He stood iii â ol'me = vóór mij: This man has come to the â of late = deze man neemt in den laatsten tijd eene eerste plaats in; â verb, het hoofdquot; bieden, staan tegenover, met het voorhoofd gekeerd staan |
bone = boun; full; fool = fnl; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; //ear = jia; long = loi^; s/jip = sip: occasion = okeii'n; thin; thixs = dhus: wine.
FULGENCY.
FRONTAGE.
184
|
naar, van een front voorzien: My shoes must be new âed = ik moet mijne'schoenen laten voorschoenen; interj. front!; âbeiicher = die op de eerste bank zit (Lagerhuis); âbox = loge tegenover het tooneel; âname = voor- of doopnaam; â«ge, frnntidz, voorzijde of front van een gebouw langs de geheele uitgestrektheid; â«l,subst. fronton, hoofdband, deur- of vensterboog; adj. eerste, voorste, vooraan gelegen, tot het voorhoofd of front behoorende; âless = schaamteloos; âIet, fmntldt, kleine hoofdband; âon, froi\tot\. fronton (versierde ingang van een gebouw). Frontier, frontjd, subst. grens(lijn); adj. aan de grenzen gelegen. Frontispiece, frontispis, plaat tegenover het titelblad, gelaat. Frost, frost, vorst, ijzel, kilheid, koele ontvangst: The singer was a teaiiul â = de zanger had niet rt minste succes; This piece will run no chance of a â = dit stuk zal ongetwijfeld succes hebben, âgaanquot;; â verb, met rijp bedekken, door vorst schaden, scherpen (van paardehoeven, bij vriezend weer), wit maken, oversuikeren; âbitten = bevroren: A âbitten nose = bevroren neus; âbound = ingevroren; ânail = ijsnagel (voor paarden); âwork = ijsbloemen op glas, enz.: â y; âiness; âed glass = ijsglas; âed silver = mat zilver. Frosting, frostiT], fijne broodsuiker en eiwit voor gebak, etc. Froth, froth, subst. schuim (op gistende dranken), ijdel gesnap, gewauwel; â verb, met schuim bedekken, (doen) schuimen, ijdele praat houden; ây = vol schuim, ijdel snappend; âiness; âspit; Zie Froghopper. Fronde, früd. Frownce,/raims,krul, rimpel: âs of phrase and style = gemaakte zinswendingen en onnatuurlijke stijl. Frousy; Frowsy, franzi, vuil, slordig, donker, dof. Froward, froued, adj. weerspannig, gemelijk, onaangenaam; prep. weg van; âness. Frown, fraun, subst. gefronst gelaat, ontevreden blik; â verb, fronsen, dreigend staren, terugstooten, dreigend afwijzen: He âed ns into ;obedience = zijn dreigende blik deed ons gehoorzamen. Froze, frouz, imperf. van to freeze. Frozen, frouz'n, bevroren, buitengewoon koud, kil: part. perf. v. to freeze: The â Zones = de Poolstreken; The â Ocean = de IJszee. Frncted, frvktid, vruchtdragend; Frnct-escence, frdktes'ns, rijpwording der vruchten, vruchtentijd; Fructidor, frnktid'6, twaalfde maand v. het republikeinsche jaar (18 Aug.â 16 Sept.); Friictillcation, vrucht vorming, vruchtbaarheid; Fructify, frvktifai, vruchtbaar maken, vrucht dragen; Fructose fmktoiis, vruchtensuiker. Frugal, früy'l, matig, zuinig; âiiy,frugaliti, matigheid, zuinigheid, onthoudingquot; van noode-looze uitgaven. Frugivorous, frudzivdrds, vruchtenetend: Frugiferous, frudzifards, vruchtdragend. Frnit, früt, vrucht(en), fruit, kroost, gevolgen, voordeel; âbearing = vruchtdragend; âbud = vruchtknop; âknife = fruitmesje: lolt |
â fruitzolder; âtime = oogsttijd, vruchtentijd; âtree = vruchtboom; âage, frütidz, ooft; opbrengst; âerer = fruithandelaar; â ful = rijk aan vruchten, vruchtbaar; âion, früiè'n, vrucht, gebruik, bezit, genot daaruit voortvloeiend ; âi ve, früitiv, genietend, gebruikend; âless; ây, frilti, rijk, met heerlijken geur en smaak. Frumenty, früm'nti, meelpap. Frump, fromp. subst spotternij, hoon, brom-mige vrouw, ouderweisch mensch; Old â = oude soes; âish = lastig, brommig, ouder-wetsch: âish ways = ouderwetsche manier van doen. Frustrate, frnstreit, adj. ijdel, van nul en geener waarde; â verb, teleurstellen, verijdelen, tenietdoen; Frustration. Frustum, frusVm, brok, stuk, geknotte zuil of kegel. Frutex, /rufe/cs, heester; VTiiteseeni. frütes'nt7 vol heesters. Fry, fral, schoteltje, baksel; lever, longen, hart, enz. van varkens, schapen, kalveren en ossen; school (jonge visschen), jong goedje of volkje, kleinigheden, mindere lui; â verb, bakken, braden, koken, gisten; â ing-pan = bakpan: Out of the frying-pan into the lire = van den regen in den drop, van den wal in de sloot. Fub, fob, bedriegen, onder valsche voorwendsels uitstellen. Fuchsia, ftièd, foksia. Fiiciis, fjükds, soort v. zeewier. Fuddle, fndl, subst. drinkpartij: â verb, dronken maken, overmatig drinken; âr = dronkaard. Fudge, fodz, subst. malligheid, onzin: â verb, (klaar) maken, ontleenen (aan): He âd his reports from another paper: interj. och loop! onzin! Fuel, fjitel, subst. brandstof; â verb, van brandstof voorzien, voeden: That added â to the lire = dat was olie in 't vuur; âling. Fuero, fairou, rechtspraak, recht uit gewoonte ontstaan, rechtbank. Fuif, fof, subst. trekje (aan sigaar of pijp); â verb, trekken, puffen; â y = licht. Fugacious, fjugeisds, vluchtig, snel voorbijgaand. Fugal, fjüg'l, gelijk eene fuga. Fugh, fjt'i, Bah! Zie Faugh. Fugitive, fjüdzitiv, subst. vluchteling, deserteur; adj. vluchtig, voorbijgaand, voortvluchtig, zwervend: â compositions = werken van één dag. Fugleman, fjüg'lmdn, vleugelman, guide, voorbeeld. Fugue, fjüg, fuga; Fuguist, fjügist, componist van fuga's. Fulcrate, fvlkreit, van steunpunten voorzien; âstem = boom, waarvan de takken aan de aarde reiken. Fulcrum, fnlkr'm, steunpunt (van een hefboom), stut, steun. Fulfil, fulfil, vervullen, volbrengen,uitvoeren: This short note â s the adage, lor it is a merry one = dit kort brieQe maakt het bekende* gezegde waar, want het is een vroolijk kattebelletje (Short but merry): âment. Fulgency,/»/rff'nsi,glans,schittering: Fulgent. |
man; «sk = ask; farm = fiim; bilt;t = bwt: learn = Iwn; line = lain: howse = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = oslip; not; law = lè: lord = löd: bo?/ = ból;
FULGORA.
FUR.
185
|
Fulgora. fvlgdra, lichtende insecten; ^ulgu-ration, f\ügjureië'n, laatste opflikkering of Fulliani, futom. [schittering. FiiliginouH, fjulidzinds, roetachtig, rookerig, 1 vuil, duister, somber. Fuik, fvlk, Volkert. Full, ful, subst. volle maat, grootste uitge- | breidheid, hoogste punt: The â ol'tlie moon = de tijd, dat de maan vol is: The moon was at the (its) â = was vol; adj. vol, ' verzadigd, bezet, dik, gevuld, rijp, volkomen, j krachtig: We are â = wij hebben geen plaats meer (in hotel of school, etc.); The 1 dogs were in â cry = blaften alle luide: He knows it â well = hij weet het heel goed: To the â, In â = ten volle; â and by = met volle zeilen, en scherp bij den wind; â verb, vollen (van laken); âage(d) = meerderjarigheid; âarmed = in volle wapenrusting: âbloomed = in vollen bloei. : rijp; âblown = geheel ontwikkeld, volkomen, rijp; âbottoin(ed wig) = allonge pruik (gedragen door rechters, enz. in volle ambts-kleeding); âcry = samen blaffend; âdress, subst. (Zie Dress); adj. waarbij lull-dress wordt gedragen; âdrive = in vollen ren: â-eyed = met uitpuilende oogen; âfaced = met groot en dik gelaat; A âfledged socialist = ten volle ontwikkeld, overtuigd: âout = geheel, voluit; âstop = punt, i plotseling einde: âswing = in vollen ren. i volkomen, druk bezig: We are in the â swing oi' stopping managers to play our pieces = wij zijn druk bezig er een 'stokje voor te steken, dat de directeuren van schouwburgen onze stukken spelen: âage, fulidz, | geld voor laken vollen; âer = subst. hamer (om groeven te maken), volder (van laken): â verb, groeven vormen; â er's earth = voldersaarde; âery, /Wan, volmolen = Fnl-iiiig-mill; ây =*ten volle: ây-committed = tot gevang'enisstraf veroordeeld; Fnlness: In the tiilness of time, ol' years = volheid. Fulminate, fnlmineit, donderen, losbarsten, ontploffen: Fulminating-powder = donder-poeder; Fnlmineoiis, fdlminids, tot den donder behoorend. Fulsome, fals'm, walgelijk, ruw, lomp; âness. Fulton, fulVn. Fulvous, fulvds, taan- of voskleurig. Fung, /»?lt;, de Chineesche Phenix. Fumble, fmnl/l, rondtasten, tastend zoeken, onhandigdoen, verward zijn,verfrommelen (up). Fume, subst. uitwaseming, damp, reuk,! toorn, hartstochtelijke woede: He was in aâ = hij was woedend; â verb, damp uitwerpen, in damp opgaan, rooken (van vleesch, etc.), i doorgeuren, ontsmetten (door rook of damp), woedend zijn: He walked up and down, fretting and finning = knarsetandend en : woedend ging hij op en neer. Fumigate, fjilmigeit, doorgeuren, ontsmetten (door rook), Fumigator â rook- of damptoe-stelletje (tot het verdrijven van insecten, besmetting. enz.); inhaleertoesiel (met medicinale dampen); Fumous = damp of rook veroorzakend. Fun, fon, subst. pretje, grap, vroolijkheid: I did it for (in) â, for the â of the thing = voor de grap, voor de aardigheid; lie made |
â of it = hij maakte er een grapje van; That was the â of it = dat was juist de aardigheid; We are going to have good â = wij zullen plezier hebben. Fimanibulatioii, fjünambj11leis'n, het koorddansen; Funambulist. Function. subst. verrichting, uitvoe ring, beroep, dienst (van een bepaald orgaan), kerkelijk ambt; â verb, een plicht, dienst of beroep vervullen: That railway âs no longer = die baan is buiten dienst; âal-disease = ontstemming van een der lichaamsfunctiën; Functionary,/'»)]/^'naH,ambtenaar,beambte. Fund, fvnd,' subst. fonds, kapitaal, voorraad; âs = nationale schuld, geld, financiën: â verb, beleggen (van geld), een fonds bestemmen voor: âed-debt = schuld metgewaarborgden intrest; âing-system = het converteeren van vlottende schuld in staatspapieren: âholder = actiënhouder. Fundament, /'ttmllt;m^,ut, grondslag, benedenste, achterste; âal, fv.nddmenVl, subst. tot grondslag liggende wet of regel, basis, hoofdbestanddeel, grondslag; adj. den grondslag vormend, voornaamste, oorspronkelijk; âal-bass, âbeis, laagste noot of grondtoon. Fundi, ftmdi, Fundiingi, fndnnzi, West-Afrikaansch koren. Fnnebrial, fjunibridl, tot eene begrafenis behoorend. Fnnen, fjündn. Funeral, fjnrwrl, subst. begrafenis, lijkstatie; adj. tot eene begrafenis of den dood behoorende: âsacrilice, âsa la* if ais, doodenoffer; âpije = brandstapel; âsermon = lijkrede: âtrain = begrafenisstoet: â ize = als geestelijke dienst doen bij eene begrafenis (Amer.). Funereal, fjuniridl, als bij eene begrafenis, treurig: A â gait = begrafenispas. Fungal, fvng'l, spons- of zwamachtig: âes, fngeiliz, het genus zwammen: Fungi. fmi~ éai, de zwammen: Fiingivorous, f ndzivdrds, zich met zwammen of paddestoelen voedend; Fungoid, fungoid,paddestoelachtig: Fiingons, fnngds, sponsachtig, als een uitwas; Fungns, fnngds, eene plant van het genus Fnngales; sponsachtige uitwas. Fungible, fnnzilfl, roerende goederen. Funicular, fjunikjulo, kabel- of touwvormig: â railway = kabelspoorweg. Funiriiliis, fjunikjulds, Funicle. fjunik'l, vezel, dun snoer; Funiliform = vezelvormig. Funk, fnr\k, subst. stank, angst, schrik, toorn, knorrigheid; â verb, schoppen of trappen (van woede), woedend zijn, bang zijn: You seem to â it = gij schijnt het niet aan te durven; lie was in a blue â = indoodelijkenschrik; âer = bange, benauwde vent: ây = angstig. Funnel, fnn'l, trechter, schoorsteen (van stoomboot of locomotief); âform, âshaped = trechtervormig; ânet = in eene punt uitloopend, zich langzamerhand vernauwend net. Funny, /imi, subst. soort van roeiboot; adj. grappig, kluchtig; âbone = benedendeel van dén elboog: My friend's mild fimni-ments = goedaardige grapjes. Fur, fv, subst. bont, kleed met bont gevoerd, beslag op de tong, ketelsteen; adj. van bont, met bont gevoerd of afgezet: â verb, met bont voeren of afzetten, beslaan (van de tong); |
bone = boiin: full: fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl: year = jia; long = loi^; s/iip = sip: occasion = okeiz'n: thin; thus = dliBs; wine.
FÃKBELOW.
186
G.
|
âbelow, subst. geplooide rand aan japonnen of rokken, mooie kleeren; â verb, met geplooide randen tooien; âred = met bont gevoerd. Furbish, fubtë, oppoetsen, polijsten, bruinee-ren: âer. Fiireate(dgt;. f tjkeit(id), gevorkt, in twee takken gedeeld; Furcation = vertakking; Furcalar. Furfur, /w/a, schurft, roos (op 't hoofd); âa-eeoiiH, /'vforoièos, schurftig, gekorst. Furibuiido. fnribondou, met kracht (muziek); Furioso, fürionsou, met geweld. FuriouM, f'jüries, woedend, dol, geweldig, levenmakend: âuew». Furl, fvl, samenrollen, inhalen (van zeilen). Furlong, ijS van eene E. mijl = 201 M. Furlough, fulou, subst. verlof: He is 011 â = met verlof: â verb, verlof toestaan. Fiirineiity, fnnïnti. Zie Friiuieiity. Furuaee,* fnnis, subst. fornuis, m'artelplaats; â verb, in een fornuis of oven werpen. Furuish, funis, voorzien, uitrusten, versieren, meubileeren, verrijken: They âed iiiinlorth with the best they could get = zij rustten hem uit met, voorzagen hem van, het beste dat zij konden krijgen: âer. Furinture. fvnitjd, uitrusting, huisraad; meubilair. sloten aan deuren en vensters, monteering (van een kanon), masten en tuig: Articles of â = meubelen. Furrier, fvrid, bontwerker, bonthandelaar; ây = bontwerkerszaak, bontwerken: Furry, fvrU van bont, met bont bezet. Furring, fiirin, het bepleisteren van bakstee-nen muren. Furrow, l'orou, subst. voor, groef, rimpel; â verb, doorploegen, groeven of rimpels trekken in: âdram = voor (om water af te voeren); âfared = met gerimpeld gelaat Further, fvdhd, adj. verder, meer, bijgevoegd: On the â wide = aan den anderen (tegen-overgest.) kant; â verb, bevorderen; adv. bovendien, behalve: â than this = buiten dit alles; âmore = bovendien; âmost = het verst verwijderd; âanee, fndhdr'ns, bevordering, hulp, bijstand: âer = bevorderaar; Furthest, ftidhist, adj. het verst; adv. verst: I shall come to-morrowr at the furthest = op zijn laatst. Furtive, fntiv, steelsgewijs, heimelijk, sluw. Furuncle. ijiirnnVl, bloedvin, zweer. Fury, /'jitri, woede, dolheid, onstuimigheid, razernij; The Furies = de drie wraakgodinnen (bij de Romeinen; Zie Erinnys). Furze, /'Oz, brem; âwren = soort v. winterkoninkje: Furzy = met brem begroeid. |
Fuse, fjüz, sme'lten, vloeibaar maken, samensmelten; Fusion = (samen)smelting, ver-eenigihg. Fuse, fjüz, sisser of lont (van bommen, enz.). Fusee, fjuzi, klein geweer, windlucifer, spil (in een uurwerk). Fusibility, fjüzibiliti, smeltbaarheid; Fusible, f'jüzib'l, smeltbaar. Fusiform, f'jüzifom, spil vorm ig. Fusil, f'jüzil, klein soort geweer, ruit (in de heraldiek); âlier, âleer, fjuzilio, fusilier; â(I)ade, fjCizileid, subst. peletonsvuur; â verb, neerschieten, fusilleeren. Fuss, fvs, subst. lawaai; noodelooze, opzienbarende drukte; â verb, woelig en druk zijn, klateren, snel stroomen: The river fretted and âed over its bed = de rivier schuurde en klaterde langs hare bedding: The tugâed and fretted, tossing over the green waves = de sleepboot pufte en woelde, geslingerd op de groene golven; ây = drukte makend, druk: A ây looking fellow = een opgewonden, druk standje. Fussock, fnsdk, dikke âmoekequot;. Fust, fust, subst. vatlucht, muffe reuk: â verb, duf en muf worden; ây = muf, duf, bedorven. Fusteric, fastdrik, gele* verfstof van den Fustet = geel verfhout van den Rhus cotin us. Fustin, hetzelfde als Fusteric. Fustian, fvstj'n, subst. bombazijn, bombast, gezwollen stijl; adj. van bombazijn, opgeblazen, gezwollen. Fustilarian, fvstilêrion, schavuit, verachtelijke vent. Futhork, fut hok, Runenalphabet; de phone-tische teekens der Germaansche talen, tegenover Alphabet, dat de phonetische teekens der klassieke talen bevat. Futile, fjütail, beuzelachtig, nutteloos, waardeloos: Futility = beuzelachtigheid. Futtock, fntdk, optlanger (stuk hout in de ribben van een schip); âshrouds = puttings. Future, fjütéd, subst. toekomst, âaanstaandequot;; In the â = inde toekomst; Inâ = voortaan: adj. toekomstig: â tense = toekomende tijd; Futurist, fjütèdrist, iemand vol hoop op'de toekomst; iemand die gelooft, dat vele prophe-tieën der H. S. nog zullen vervuld worden; Futurity, fjütjüriti, toekomst, toekomstige gebeurte'nissen. Fuzz, foz, subst. kleine deeltjes, rond soort v. paddestoel; â verb, in kleine deeltjes wegvliegen; âball = soort v. paddestoel; âIe = dronken maken; âwigged = met ronde pruik; ây = uit lichte deeltjes bestaande. Fy, fai, foei! Fyke, fuik, fuik (soort v. net). |
fti.
O, dzi, 7e letter van het alphabet, de G-snaar 1 of St.) Mdchael and St.) G(eorgé) = kolo-(op eene viool); Gael(ic): G(reat) Jf(ritairi):\ niale orde; Geiit(leman); G(rand) O(ld) M(an) G{rand) C(ross of the) li(ath): G{rancl) C(ross \ = Gladstone; Geo(rge)] Gosp(el)'. Gov(ern-
man; «sk = ask; fa?'m = fam; b?/t = but; learn = Ion; line = lain; house â hans; net; care = kcd; fate = feit; tin; asleep = aslip: not; \aiv = Id; lord = löd; bo?/ = bói;
GALLEY.
187
GAB.
|
ment); G(eneral) l*(ost) O(ffice): Gr(ain): Greg (or y); Garand) C(ommandêr of the) S(tar of) Undid); G(rand) D(iike); Gerin(an); Geolipgy); Geoin(etry); G(rand) L{odge)\ Gothiic); Gov{ernor)-Gen{era l); CUtt = druppels. lt;iab, gab, subst. gewauwel, gesnap: He lias the gift of tlie â = hij kan praten als Brugman; â verb, praten, snappen, kakelen; âble, subst. luid gekakel, druk gerammel; â verb, wauwelen, praten, kakelen, rammelen, druk en onduidelijk snappen; âby = praatziek. (â abarnge, gabdridz, grof paklinnen. Gabardine, gabddin, grof overkleed. Ciaberliinzie. geibdlvnzi. rondreizend ketellapper, bedelaar. lt;iabioii, geibfn, schanskorf; âade,geibjdneid, versterking van schanskorven; âage = schanskorven; âed = met âs. Ciable, geib'l, driehoekig bovendeel van den voorgevel; âend = spits toeloopende gevel; âroof = afbellend dak; âwindow = venster in den voorgevel; â d = van gevels voorzien. toibriel. geibridl. 4üaby, geibi, sukkel, dwaas; gek, fat. CiadJ gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor: He did not know what to say on the â = hij wist niet wat hij zoo gauw zou antwoorden: â verb, doelloos rondzwerven: His iinagiiiation was âding = zijne fantazie was aan het dwalen; He has a âabout spirit = hij houdt van doelloos rondzwerven = He is a âahont; âder = zwerver; âling, subst. vagebond; adj. zwervend; âdie = aan het zwerven of in de war brengen: That thought Het all their little heads âdling = bracht al hunne hoofdjes op hol. toidelle, godel. roode bes. ^â ad-fly, gad/lai, horzel, paardevlieg. lt;iiadhelic, gadhilik of geil ik, Keltisch (die van Schotland, Ierland en het eiland JV/an): Cüael, geil, Kelt; Cilaelic, gei lik, Keltisch. GaflT, gaf, subst. ijzeren haak. speer, gaffel, café chantant of theater van de laagste soort; â verb, (visch) vangen en aan land brengen met een ijzeren haak; âIe = kunstspoor (voor hanen bij hanengevechten). Cüaffer. gafi, oude man, opziener, meesterknecht, de baas. liag, gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne rol lascht: â verb, knevelen, eene prop in den mond stoppen, het zwijgen opleggen, woorden inlasschen (iii eene rol); âger. füage. geidz, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), kleine pruim, peil (Z. (ilaiige): â verb, verpanden, op het spel zetten, peilen. iüaggle, gag'l, snateren, kakelen. Ciaiety, geioti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon; tiaily. geili, vroolijk (Zie Gay). Gain, gein, subst. winst, aanwinst, voordeel; â verb, winnen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen: They have âed ground of late = zij hebben in'den laatsten tijd veld gewonnen; 1 have âed him into that art = ik heb hem daartoe overgehaald; The eneniy âed upon us = stak ons de loef af, behaalde voordeden op ons: We âed the day = behaalden de overwinning; I shall |
try to â hi in over to our side = ik zal hem voor onze partij zien te winnen; That will â us time = daardoor zullen wij tijd winnen; We have âed the wind of that ship = wij hebben dat schip de loef afgestoken; âer; â ing = het winnen of verkrijgen: âings = behaalde winst. Gainsay, geinsei, tegenspreken, weerspreken: âer: âing = tegenspraak, ontkentenis. Gainst, genst, verk. van against. Gainstrive, geinstrniv, weerstreven. Gait, geit, pad, straat, gang, pas, loop, houding, graanschoof; â ed = met een bepaalden gang (samenst.). Gaiter, gelta, subst. slobkous; â verb, van slobkousen voorzien. Gala, geild, vertoon, feestelijkheid: âday = feestelijke dag; âdress = mooie kleeding. Galactometer, galdktomatd, melkmeter; Ga-laetophagous, galdktofdgds, van melk levend. Galage, galidz, klomp. Galantine, gaVntin, galantine (vleesch in gelei). Galatian, galeiè'n, subst. bewoner van Galatië (= Galatla, gdleiéd); adj. Galatisch. Galaxy, (jaldksi, melkweg, schitterende groep. tgt;ale, geil, subst. windvlaag (tusschen breeze en blast), twist, oproer, vaste rentetijd; â verb, snel zeilen: âday = rentedag. Galenie(al), geilenik{'l),'volgens de geneeswijze van Galen (Grieksch geneesheer, 131â200): Galenism. Galicia. galiëo, Galicië; ân, gfdiè'n, subst. Galiciër; adj. Galicisch. Galilean, galiltdn, subst. Galileër: adj. tot Galilea behoorend; tot Galileo (1564â1642) behoorend. Galilee, galili, Galilea, voorportaal of kapel aan den ingang eener kerk; Galileans = Galileërs. Galiniatia(sgt;, galimeièd{s), dwaasheid, onzin. Gal(l)iot, galiat, galjoot. tilaliuiii. gelliam, Lieve Vrouwe Bedstroo. Gall, gól, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot; schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale plek ( in den oogst), laag, moerassig land (St. Gall = St. Gallen); â verb, met gal (doen) doortrekken, afschaven, schrammend beschadigen, verslijten, kwellen, vertoornen,kwetsen; âbladder = galblaas; â of glass (Zie Sandlven; âlly = gal wesp; âsickness = galkoorts; âstone = steen (in de blaas): ânut = galnoot. Gallant, galant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant, hoofsch, hoffelijk; â verb, het hof maken, hoofsch behandelen, geleiden (eene dame); Zie ook Gallivant. Gallant, gaVnt, subst. dappere, flinke kerel; adj. schitterend, opzichtig, goedgekleed, dapper, fier, moedig, ridderlijk: âness; âry = dapperheid, uiterlijk vertoon, hoffelijkheid* galanterie. Galleon, galfn, galjoen. Gallery, gahri, vertrek ter verbinding met andere, gang, schilderijverzameling, schilderijmuseum: balkon, tribune, galerij, âhet schellinkjequot;, de menschen op tribune of galerij, wandelweg onder boomen: He is playing to the â = hij tracht de toejuichingen Van het plebs te winnen. Galley, ga li, galei, strafkolonie, staatsieboot. |
bone = boun: full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = Jia; long = loi^: ship = sip: occasion = okeiz'n; thin; ?/ius = dhus; wine.
GALLEY-FOIST.
188
GANTLET.
|
open boot, kombuis; âfoist = staatsievaartuig; âpepper = kolenasch; âslave = galeiboef; âworm = soort v. duizendpoot; âwest: That knocked the mystery â west in a second = toen was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.). Gallia, ga lid, Gallië; âii, galian^ Gallisch. Galliarcl, galjdd, subst. vroolijke kwant; adj. vroolijk, vlug, dartel; âise, galjddaiz. vroo-lijkheid, opgewektheid. Gallic, galik, Gallisch, Fransch (ook: âan); uit galnoten getrokken; âism = Fransch idioom. Galligaskins, galigaskinz, groote broek. Gallimaufry, galimófri, mengelmoes. Gallinacei,*^a7inelt;sa/, genus korhoenders. Gallipot, galipot, likkepot. Gallivant, galiv'nt, het hof maken, ronddartelen. Galliwasp, galiivosp, onschadelijke hagedis (W.-Indië). Gallomania, galdineinjd, manie voor alles wat Fransch is. Gallon, gaVn, Engelsche maat (natte waren) van 8 pints en 4 quarts = 4.54 L. Galloon, gdliin, lint, band, galon. Gallop, galdp, subst. galop; â verb, galop-peeren, snel rijden, haasten: â ing-consiimp-tion = vliegende tering: âer: âade, r/atepefd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de dans ..galopquot;; â verb, galoppeeren, een galop dansen. Gallow, galon, doen schrikken. Galloway, galotvei, kleine, sterke hit. Gallow-glass, galougids, zwaar gewapende lersche voetknecht (uit ouden tijd). Gallows, galouz, galg(ebrok), ophanging; âes = bretels; âbits = galgen (op een schip); âfree = van de galg gered; âtree = galg: âness = verzotheid op mannen. Gally, góli, gallig, galachtig; âworm = soort v. duizendpoot. Galoot, gdlüt, drukke, rumoerige kerel (Amer.). Galop, galdp, galop (dans). Galore, gdlö, subst. overvloed; adv. in overvloed: She has jewellery â = zij heeft een rijkdom van juvveelen. Galoslie, Galoclie, gdloè, elastieken overschoen. Galvanic, gdlvanik, Galvanisch; âbattery = Galvanische batterij; âpile (Zie Voltaic); Galvanism, galvdnizm, leer der electrische stroomen; Galvanize,#a/vtmair, galvaniseeren. GiaXxe^ion^gavsVnoïgalvdsVn', iinlway.góhui. Gamba, gambd, 6-snarige viool. Gambado, g'mbddou, lederen dijstuk (ruiters). (üambeson, gambdz'n, wollen wambuis (onder het harnas). GHinble, gamb'l, om geld dobbelen: They âd away their lives = verdobbelden, vergooiden hun leven; â r. Gamboge, roodgele verfstof, guttegom. Gambol, gamVl, subst. (kromme) sprong; â verb, springen, huppelen. Gambrel, gambrl, achterpoot van een paard; âroof = gebogen dak. Game, geim, subst. spel, vroolijkheid, pretje, vastgesteld voordeel om te kunnen winnen, wild, toeleg, tijdverdrijf: Popular âs = volksspelen: Is that your little â ? = voer je dat in je schild? lie made â of us = hij hield ons voor den gek, maakte ons belachelijk: A â of chess = een spel schaak; The child was tired with a â of play = moe van |
't spelletje; That is not my â at present = daarom is 't mij nu niet te doen; The â is not worth thé candle = de sop is de kool niet waard; adj. flink, moedig, opgewekt, bereid: 1 am â to do it = ik ben bereid het te doen; He is â to play that part = hij is geschikt die rol te spelen; All hoped he would die â = allen hoopten, dat hij als een man zou sterven; He went to America much âr than we could have expected = hij ging met meer moed (flinker) dan . . .; â verb, spelen, een spelletje doen; âbirds, âfowls = kempvogels (vooral hanen); âcock = kemphaan; âkeeper = jachtopziener; âlaws = jachtwetten; â preserver = wildbewaarder (die niet toelaat, dat op zijne landerijen geschoten wordt); âful, âsome, geims'm, dartel, vroolijk, van spel houdend; âster = dobbelaar, pretmaker; âr; Gaming, het dobbelen; Gaming house = speelhuis, dóbbelhel; Gaming-table = speeltafel (Zie Card-table = speeltafeltje); Gamy = moedig, flink. Gamin, gamin, straatjongen. Gamma, gamo, toonladder. Gammer, gamo, oude âmoekequot;. Gammon, garrin, subst. gerookte ham, spel, bedriegerij (JXo â with me! = 'k laat me niet beetnemen); het spel backgammon; â verb, ham of spek rooken, verslaan (bij het backgammon), bedriegen, bedotten; interj. malligheid, loop! Gamp, gamp, subst. paraplu; adj. bol staande; â verb, bollen of uitzetten. Gamut, gamdt, toonladder, ut', geheele uitgebreidheid. Gander, gandd, gent, mannetjesgans: Sauce for the goose is sauce for the â= gelijke monniken, gelijke kappen. Gang, gai\, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor een bepaald doel aangewezen; âboard = loopplank (op een schip); âcask = watervat (op een schip); âway = pad, doorgang, gangboord, trap, brug (schip), een gang in het lagerhuis, die de onafhankelijke leden (die tot geene der hoofdpartijen behooren) van de andere scheidt: The poor fellow was brought to the âway = arme kerel werd afgestraft; He sits below the âway = hij behoort tot de onafhankelijke leden;*ârobbery = diefstal door eene geheele bende; âweek â rondgangweek (Z. Rogation). Ganger, gar^o, opzichter van een arbeidersploeg. Ganges, lt;/anrte, Ganges; Gangetic,fifandüeïifc, tot den Ganges behoorend. Ganglion, gar\glidn, (Meerv. Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop. Gangrene, gangrin, subst. koudvuur; â verb, het koudvuur (eerste stadium van kanker) krijgen; Gaiigrenous, gar\gHndS, door koudvuur aangetast. Ganister, ganistd, soort v. hardsteen. Gannet, gandt, soort v. wilde gans. Gantlet, göntlet (Gantlope, góntloup), spitsroede: lie had to run the â = hij moest spitsroeden loopen; A new-comer has to run the â of the whole company = die binnenkomt staat aan de kritiek Van het geheele gezelschap bloot, heeft het geheele |
man; ask = Ask; farm = tam; b/lt;t = b«t; learn = l«n; line â lain: ho«se = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; «sleep = aslip; not; \aw =quot;lo: lo/'d = löd; bo?/ = bói;
GAN V-MEDE.
18:»
GATE.
|
gezelschap het hoofd te bieden; lie (ook up the â = hij nam de uitdaging aan. (â anymcde, {lanimid, Ganymedes. Caaol, dzeil: Zie Jail; âer. Gap, gap. subst. gat, opening, bres, hiaat: He stood in the â for all Iiih friends = hij sprong in de bres voor al zijne vrienden; We had to stop tlie â = wij moesten de defecte plek herstellen; â verb, een gat maken in; âtoothed = met holten tusschen de tanden, (â ape, geip, subst. geeuw, het geeuwen; The chiekèns have got the âs = de kuikens hebben de gaapziekte (veroorzaakt door een parasiet); â verb, gapen, geeuwen, verbaasd aanstaren, aangapen: We were âdat by ail = wij werden door allen aangegaapt; They are gaping for (after) it = zij snakken er naar. Gar. ga, speer, pijl. Garb, gcib, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren): âed = gekleed. Garbage, gübidz, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets; âd = van ingewanden gereinigd. Garble, #«67, verminken, verknoeien, het fijne en goede van het ruwe en waardelooze scheiden: âr. Garboard, giibód, bodemplank, eerste plank op de kiel (van een schip). Garboil, güboü, subst. oproer, wanorde; â onderstboven gooien, storen. Garden, güd'n. subst. tuin, genotvolle plaats: The â = de markt (= Co vent â in Londen); adj. tot een tuin behoorend; â verb.tuinieren, een tuin aanleggen: âglass = tuinspiegel; âhouse = tuinhuisje: âmould = tuin-of teelaarde; âplot = deel van den tuin met bloemen, enz.; --stuff = groenten, enz.; â tools = tuingereedschap; âer = tuinier; âia, gadinjd, gardenia (broeikasplant). Gare. r/êa, grove wol op schapepooten. Garfish, yüfis, geep: ook: Garpike. Gargantuan, (/«flfanfjïfan, reusachtig, kolossaal. Gargarism, güglt;irizm, gorgeldrank; Gargle, gdg\ subst.quot; gorgeldrank; â verb, gorgelen, kweelen. Gargat, gagdt. keel, keelziekte (bij vee), uierziekte. Gargery, giidzari. Gargol.' igïig'l, varkensziekte. Gargoyle, g dg oil, menschen- of dierenkopaan eene daklijst, geloover in spoken. (â arihaldi, gnribaldi, buis of muts, zooals door G. en zijne troepen werd gedragen. Garish, gêris, verblindend, blinkend, opzichtig, buitensporig. Garland, gaVnd, subst. guirlande, bloemenkrans, zinnebeeld van roem; keur (v.gedichten, etc.), provisienet: â verb, met kransen tooien. Garlie, gülik, knoflook: âky = knoflook bevattend: âeater = verachtelijke kerel. Garment,günVnt, kleedingstuk, kleeding: âure = kleeding (Amer.). Garner, gdrw, subst. graanzolder; â verb, opstapelen (van koren). Garnet, gdiiat, granaatsteen. Garnish, gdnis,s\ihst versiersel, randversiering (om een schotel); â verb, versieren, voorzien van, waarschuwen; âed: âer; âinent. Garnison, gdnifn, wacht, bescherming. |
(â arnitiire, gdnitjd, ameublement, versiering, kleeding. Garo(t)te, garot, subst. instrument tot terdoodbrenging (door stikking); â verb, terdood-brengen: bestelen door de keel van het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken; âr = straatroover (in Londen vooral). Garret, f/oraï, vliering; âmaster = meubelmaker, die thuis werkt voor opkoopers of bazen; âed = met eene vliering; âeer, garatid, vlieringbewoner, arme broodschrijver. Garrison, garisquot;n ot' gariz'n, subst. garnizoen, vesting; â verb, in garnizoen leggen,bezetten. Garron, gar'n, klein, sterk Schotsch paard. Garrulity, ganïliti, praatachtigheid: Garrulous, garulds, praatziek, snapachtig. Garteri gdtd, subst. kouseband, hoogste Eng. orde: â verb, met een kouseband bevestigen; Kuight of the â = Ridder van den Kouseband. Garth, gath, besloten plaats, vischweer. Garuni. gèr'm, soort v. pekelvischsaus. Gas, gas, subst. lichtgas, gas, gewauwel, bluf: â verb, wauwelen, bluffen: How he was âsing = wat was hij aan ?t opsnijden; â braeket = armbrander (die uit een muur steekt); âeondenser = gaszuiveringstoestel: âfitter; âfixture, âfikstjo. gasbrander, armbrander, gaskroon; --jet = gasvlam, gaspit; âlight: âmain = hoofdleiding; âmeter = meter; âgovernor, âregulator = gasregulateur; âtar = koolteer: â-works = gasfabriek; âholder = gashouder: âiform = gasvormig: âalier, âelier,lt;;asa/fa, gaskroon; âeous, geisids oïgeizids, gasachtig; âeity. gasiiti, gasachtigheid; âify = in gas veranderen: âoline, gazdlin, zeer zuivere petroleum: âometer, gdzomatd, gashouder, gasmeter: âometry, gazomdtri, het meten en opnemen van ga's; âsy. Gaseon, gaskon, Gascogiier, bluffer; âade, g-askoneid, subst. blufferij, snoeverij: â verb, snoeven, grootspreken: ây, gaskoni. Gascogne; âader = bluffer, âopsnijerquot;. Gash, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede; â verb, eene gapende wonde maken: 1 â myself asunder from the king = ik breek geheel met den koning. Gasket, gasket, seizing (schip; d. i. een touw, waardoor de zeilen aan de ra's, enz. worden gebonden), leeren riem, eind touw. Gaskins, gaskinz, broek. Gasp, gasp, subst. snik: At the last â = bij den laatsten snik, op sterven; With a â = verbaasd (als naar adem snakkend): â verb, snakken (naar adem), vurig verlangen. Gastralgia. gdstraldzio, maagpijn. GaHtrie. gastrik, tot de maag behoorend: â catarrh = maagcatarrh; âlever = typheuse koorts (Zie Typhoid): âjuice = maagsap: âism, gastri'sizm, maagaandoening; Gastri-lo(|uy. gdstrildkwi, buikspraak; Gastritis, gdstraitis, maagontsteking; Gastronomer. gastrondmd. Gastronomist, gastronamist. lekkerbek: Gastronomy, gastrondmi, kunst en lust om lekker te eten. Gastrotomy, gastrotdmi, onderbuiksoperatie, keizersnede. Gat, gat, nauwe doorgang. Gate, geit, subst. poort, deur, ingang, weg, sluis, gelegenheid, kans (The â = Rillingsgate = |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: i/ear = jia; long â loi^; sfnp = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhus; wine.
GENERAL-ASSEMBLY.
190
GATE-HOUSE.
|
Londensche vischmarkt): That opened theâ â lor all abiiHes = dat zette de deur open voor alle misbruiken; â ol' horn = de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware visioenen komen; â of ivory = de poort van ivoor, waardoor de onware visioenen of leugens komen: â verb, van eene poort voorzien, noodzaken op een bepaald uur binnen te zijn; âhouse = portierswoning: âman = portier, tolgaarder: âway = poort; âd = met poorten. (â ather, yadhd, subst. plooi, vouw; â verb, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, zweren, rijp worden, afleiden: The harvest was âed in = de oogst werd binnengehaald; I âed it from what he said = dat maakte ik uit zijne woorden op; He was âed to his fathers = stierf: Then we had time to â breath = toen hadden wij tijd om op adem te komen, te rusten; âable; âer; âing = verzameling, vereeniging, inzameling, collecte; zweer, (â atling Kim, gatlingvn, soort v. mitrailleuse, (â aud^ód, versiering, snuisterij: â ery = pronk, versierselen; ây = feestelijk, opzichtig, praalziek: ây-day = feestdag, feestmaal, (â andeamiis, godieimds, drinkgelag, feest. CiaufTer, goufd, plooien; âing. Ga(ii)ge. geidz. subst. maat, peil, diepgang, peilstok, maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven: I have your â = ik snap je, doorzie je; â verb, méten, schatten, peilen, ijken: âr = roeier (van vaten met belastbare dranken), kommies; Gauging, geidtb], het peilen: Gauging-rod â peilstok = Gauging-rule. Gaul, gól, Gallië, Galliër; âish. Gault, gólt, subst. klei: â verb, klei brengen (op land); âmill = kleimolen (voor steenbakkerijen). Gaunt, gónt, schraal, mager, geel (van magerheid): That's the â, bare truth = dat is de naakte waarheid. Gauntlet, gónt let, lange dameshandschoen, strijdhandschoen: He threw down the â, and my friend took it up = hij deed eene uitdaging, en mijn vriend nam ze aan. Gauntrees, göntriz, stellage voor vaten. Gauze, {/óz, gaas; âwire = ijzerdraadgaas; Gauzy = gaasachtig. Gave, geiv, imperf. van to give. Gavel, f/ety'/, kleine (ongebonden) schoof, houten hamer, tol, schatting; âkind = gewoonte-erfrecht, waarbij de broeders een gelijk aandeel krijgen: âmiiii = schatplichtige huurder. Gave lork, gav lok, breekijzer, werpspies. Gaveston, gavdst'n. Gavial. geividl, krokodil (Ganges). Gavot(tegt;, gdvot, danswijs, dansmaat. Gawk, gok, koekoek, zot; ây, subst. sul, sukkel; adj. dwaas, mal. Gay, gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd, opgewonden (van drank), losbandig; âness; âsome. Gaze, geiz, subst. blik, aanblik: âverb, staren; At â (herald.) = in 't volle gélaat, en face', âful; âinent = gezicht; âr; Gazing-stork, geizinstok, voorwerp van hoon of verachting. Gazelle, gazel, gazelle. |
Gazette, gazet, subst. courant, officieel blad, staatscourant; â verb, in de staatscourant (dus: officieel) bekend maken: He was âd = aangesteld, bevorderd; Gazetteer, gazattd, dagbladschrijver, topographisch woordenboek. Gazogene, gazoudzin, toestel om koolzure dranken te maken. Gazon, g9zor\, graszode. Gean, gin, wilde kers. Gear, gid, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen, zaak, de touwen,blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel, mechaniek, tandrad: It was thrown out of â = de koppeling werd verbroken, de zaak werd bedorven; My ships are out of â= zonder tuigage; â verb, tuigen, kleeden; âing = tuig, harnas, stel tandraderen tot het overbrengen van beweging. Geek, gek, voorwerp van verachting. Geeko^ gekou, soort v. hagedis met kleel-schijfjes aan de teenen. Gee, dzi, naar rechts wenden, het paard aansporen: Gee iip = Huup! Vooruit! The horse gee-up'd = het paard ging vooruit; Gee-gee = soort v. rijtuig voor een paard. Geese, gis, ganzen. Gehenna, qdhena. Hel. Gelable, dzeldb'l, bevriesbaar, verdikbaar. Gelatine, dzeldt'm of dzeldtin, gelatine: Gelatinous, dzdlatinds. gelatine- of geleiachtig. Geld, geld, verminken, berooven, snijden, cas-treeren, castigeeren; âing = het snijden; ruin, gesneden dier; âer. Gelidity, dzdliditi, groote koude. Gein, clzem, subst. juweel, keur, kleinood; â verb, met edelgesteenten tooien, ontbotten; âmy = vol edelgesteenten, schitterend, rijk, fijn, net. Gemara, gdmdrd, tweede deel van den Talmud. Geminate, dzemineit, adj. in paren; âleaves = tweelingbladen: Gemination = verdubbeling; Gemini, rfreminai, Tweelingen (sterrenbeeld). Gemma, rffc»w,bladknop; âte, c/remetf, knoppen hebbende; âtion, dzemeis'n. het knoppen, groenen; Gemmiferous, dzemifdrds,knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend; Gemmiparoiis, dzetnipdras, knoppen voortbrengend. Gemimin, dzenïn, fam. samentrekking van gentleman. Gemmiile, dzemjül, eitje, knopje, spoor. Gemote, gamoiit, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers). Gendarme, zor^ddm, gendarme. Gender, dzenda, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht (N.B. het natuurlijk geslacht heet Sex). Genealogical, dzenwlodziltl, geslachtrekenkundig; âtree = stamboom; Genealogist, dzeniatedzist, geslachtrekenkundige: Genealogy, dzenialadzi, geslachtrekening, stamboom. Genearch, dzeniamp;k, stamhoofd. Genera, dzenara, meervoud van Genus. General, dzenar'l, subst. het geheel, voornaamste, het algemeen, generaal, algemeen appél (voor de infanterie): In â, âly = in of over het algemeen; In a â way = in alge-meenen zin, over het algemeen; adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald, gewoon: The â public = het groote publiek; âassembly |
man; «sk = ask: farm = fiim; b/lt;t = bwt; l^arn = lim; line = lain: ho?lt;se = hans; net; ca/'e = kèd; fate = feit; tin; «sleep = «slip; not; law = ló; lord = lod; hoy = bói;
GENERANT.
191
GERMINAL.
|
= wetgevende vergadering: â dealer = iemand die in allerlei dagelijksche artikelen handelt: âofllcer = generaal; âservant = werk- en huismeid; âwarrant = bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte personen; âism = algemeene conclusie; âissiino, clzendr'lisimou,opperbevelhebber; Generality = algemeenheid, meerderheid, groote hoop; âize = algemeen maken, een beginsel afleiden uit vele bijzonderheden; âization; âizer: â«hip. Cüenerant, dzenar'nt, subst. voortbrenger; adj. voortbrengend; Generate, dzdwarett, voortbrengen, telen; Generation = voortbrenging, geslacht, nakomelingen, de menschen van denzelfden tijd: Noali was perlect in his generations (Bijbelsch: Zie Gen. VI, 9): Ge-nerative = voortbrengend, vruchtbaar; Generator = voortbrenger, hoofdklank; Genenc(al) = een genus omvattend, of betreffend, ge-slachts..... (â enerosity, clzenorositi, edelmoedigheid, milddadigheid; (lenermiN. dzendras, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig. Cilenesis, dzenssis, voortbrenging. Genesis. Genet(tegt;, dzanet, civetkat. (üenetir(algt;, dzdïietik\l), tot den oorsprong of het geslacht behoorende: â al'iinity = geslachtsverwantschap. Caeneva, disnivd, jenever, Genève: The Lake «f â = Meer v. G. (= Lake Leiiian): â bible = bijbel van 1560: â cros» = rood (Grieksch) kruis op witten grond voor ambulances, enz.: âgown = toga (voor geestelijken); ân, subst. bewoner van Genéve; adj.Geneefsch; (üenevese, dzendvtz; Zie Cüenevan. Genial, dzinj l, natuurlijk, levendig, sympathiek, hartelijk, vroolijk: âity, dzinialiti. opgewektheid'; âness. Cienilt;'iilate(dgt;, dzenikjuleit, met geledingen. Cüenie. dzinU geest (vooral in Oostersche verhalen). Genista, dzmistd, heester met gele bloempjes. Genitals, dzenit'lz, geslachtsdeelen. Genitive, dtenitiv, subst. genitief: adj. van den genitief: A genitival (= dzenitaiv'l) relation = eene genitiefverhouding of -betrekking. Genius, dzinids (Meerv. regelmatig, en Genii, dztmai), natuurlijke aanleg, genie, mensch met buitengewone gaven; geest, genius. Genua, dzenoio, Genua; Genoese, dzenouiz, subst. Genuees; adj. van Genua. Gent, dient, poen, zoogenaamd heer, âsnuiterquot;. Genteel, dz'nïf/, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, i behoorlijk; âness. Gentian^ dzenédn, Gentiaan: Gentisin, dzen-tisin. het bittere van den Gentiaanwortel. Gentile, dzentail, subst. heiden, iemand die | geen Jood of Mormoon is; adj. heidensch, niet-Joodsch; Gentilism, dzentilizm, heidendom. Gentility, dz'ntiliti, hooge of edele geboorte, beschaving, sierlijkheid, bevalligheid. Gentle, dzenVl, subst. edelman, gedresseerde valk, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk; â verb, adelen, in rang verheffen, veredelen; âfblk(s), âfouk(s), menschen van edele geboorte (gewoonlijk meervoud); âman, subst, adellijke; ieder door opvoeding en beschaving eene onafhankelijke positie (buiten den kleinhandelstand) bekleedendeT fatsoenlijk man, man: The Old -man = de duivel; âman of property = grondbezitter; âmen ot' the slionlder-knot = bedienden; Ladies and Gentlemen = Dames en Heeren!; |
â verb, den heer (en leeglooper) uithangen; âman-at-arms = lid van de lijfgarde of eerewacht van een souverein; âman-eom-inoner = een bevoorrecht student te Oxford met bijzondere toga en fluweelen muts: âinan-larmer = heereboer: â man-iisher = aandie-ner (van personen bij den vorst); -manlike, âmanly = beschaafd, fatsoenlijk, beleefd; âwoman = edelvrouw, beschaafde dame. Gentry, dzentri, hooge stand, de stand der gentremen. Genu flection. Gennflexion. dzenjuflekè'n, kniebuiging, knieval. Geniiine, dzenjuin, echt, onvervalscht, oprecht; âness. Genus, dztnos (Meerv. Genera, dzerwrd), geslacht, klasse: Siimmiim â = hoogste geslacht, dat geen bestanddeel van een ander geslacht uitmaakt. Geof*eiitric*(al), dzwsentrikCl), met de aarde gelijkmiddelpuntig. Geodesy, dzioddsi, landmeetkunde. GeofTrey, dzefri. Geogon'y, dziogdni: Zie Cosmogony. Geographer, dfio^ra/a, aardrijkskundige; Geo-grapliiâ¬(al), dziagra/ikCl). aardrijkskundig; Geography, dziogrdfi, aardrijkskunde. Geologist, 'dziolddzist, aardkundige;Geologyt dziolodzi, aardkunde. Geometer, dziomdte, Geometrieian, dziomd-trié'n, meetkundige; GeonietrieCa)l, dzidme-trik^l), meetkundig; Geometrical-efevation = geometrische hoogte; Geometriral-pen = passer; Geometrical-progression = meetk, reeks; Geometry = meetkunde. Geoponios, dziaponiks. landbouwkunde. George, dzodz. het beeld van St. George te paard, met den draak strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met dat beeld: lirown â = grof aarden waterkan; ânoble = gouden munt (tijd van Hendrik VIII). ter waarde van ongeveer/quot;4,00; Georgian, dziidzdn^ subst. bewoner van Georgia: adj. behoorend tot de regeering der Georges in Kngeland (1714â1830). Georgie, dzödzik. subst. landelijk gedicht: adj. tot landelijke zaken of den landbouw behoorende. Geranium, dzirehnj'm. Geranium. Gerard, dier ad, Gerard. Gerrit. Gerlalron. dzn/'ók'n, giervalk. Z. Gyrfaleoiu Germ, dzvm, subst. kiem, oorsprong, begin; â verb, ontkiemen: âtheory. German, diwrin, subst. en adj. Duitsch(e taal, dans of volk); Cousin â = volle neef (nicht); âIlute = dwarsfluit; âie, divmanik, Ger-maansch; âsausage = metworst: âsilver = pleetzilver; âtinder = tonder, zwam; ây = Duitschland. Germane, divmein, subst. en adj. een persoon (uit dezelfde ouders gesproten, nauw verwant): This siibjert is more â to our eirciim-stances = nauwer verwant met. Germinal, dzuminl, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar (Maart 21âApril |
bone = boun: full; fool = fill; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; long = loi^; s/üp = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhcs; wine.
GIBBLE GABBLE.
192
GERRYMANDER.
|
20); adj. tot de kiem behoorende; Genninant = ontkiemend; CBeruiiiiate, dzvmineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten; Germination. (â errymaiider, dzerimanda, knoeien, verknoeien, verknippen van kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig. Amer.). Ciertrude, gutrüd. Cieruiid, dzer'nd, grammatikale term voor een verbalen vorm op ing (die geen participe is), zooals in walking-Htick, rending = het lezen, enz.; âgrinder = schoolvos: â ial, dzdrnndyi, tot een behoorende; âIve, dzdmndiv, de vorm op ing met eene prepositie daarvoor: On coming', In crossing, etc. lierva», dzvvos, Servaas. Ciestation, dtdsteis'n, dracht, drachtigheid, omdraging (met zich). (â estieulate. dzostikjuleit, gebaren maken; Gesticulation; Ciestirulator, dzestikjuleitd, gebnrenmaker; Gesticulatory language = gebarentaal; Gesture, dzestj*, subst. gebaar, beweging; â verb, van gebaren vergezeld doen gaan: Gesture-language = gebarentaal = Gestural language. Get, get, krijgen, verkrijgen, verdienen,bezitten, hebben, voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren: We have not yet got our first mile = wij hebben onze eerste mijl nog niet afgelegd; To â in the erops = den oogst binnenhalen; I hope to see you as soon as 1 â off = ik hoop u te be'zoeken, zoodra ik vrij heb, klaar ben; How are you âting on = hoe maakt ge het?; I wish 1 could â out of this business = ik wou dat ik van dat zaakje kon afkomen: They have got the day = de overwinning behaald: Voiril â no good by it = het berouwen; It was got up for the occasion = afgesproken, klaar gemaakt; She âs up linen = zij mangelt: 1 must â wind first = ik moet eerst op adem komen; He is so weak that he cannot â about = hij is zoo zwak, dat hij niet loopen kan; It has got about, that you are here = het is bekend geworden; They are âting ahead = zij gaan vooruit, het gaat hun goed; How are you âting along = hoe staat het met de zaken? â along with you = och, loop!; He lias got among thieves = is onder de dieven terechtgekomen; I hope you will soon â asleep = in slaap komen; 1 cannot â at him = ik kan hem niet bereiken, te pakken krijgen; It is easy to â at him = hem te plagen; The jockey was got at = omgekocht ; 1 could not â away from him = ik kon niet van hem afkomen, hem niet kwijtraken; The horse got away with him = ging er met hem van door; One of the boats had been got away = neergelaten en afgestooten; They will â before, behind us = zij zullen ons vóór-, achterkomen: I hope to â behind your tricks = ik hoop, dat ik uwe streken zal doorzien; I got behind the scenes = ik geraakte volkomen ingewijd (in de plannen); The ship got clear of the rock = raakte vrij van: Can you not â clear of him = kunt gij niet van hem afkomen?: We shall â home at ten = thuis komen; I'll try to â in that picture = te koopen, krijgen: |
He got into it = raakte er aan gewend; We have got off safely = zijn er goed afgekomen: I hope 1 shall â over it = ik hoop, dat ik het zal te boven komen; They gjot over me = zij bedrogen mij; I got over it at last = kwam het eindelijk te boven; I cannot â rid (quit) of my toothache = ik kan mijne kiespijn niet kwijt raken: At length we have got round him = eindelijk hebben we hem te pakken; 1 fear he will not â through = ik vrees, dat hij niet zal slagen; To â up = in orde maken, arran-geeren, opstaan; The affair got wind = de zaak werd verklapt en bekend; We have got the better of him = wij hebben deoverhand op hem verkregen, hem overwonnen; â you gone = scheer je weg; I'll â it done = ik zal het laten doen, maken; You must try to â it by heart = het van buiten te leeren; He lias got a cold = hij is verkouden: lie got the sack = hij kreeg de bons: I have got the wind of you = ik heb je inde gaten; It got wind = werd ruchtbaar; âup = subst. kleeding, enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van voorstelling, tooneelschikking, enz.: The âup of the book is perfect = The book is nicely got up = de uitvoering van het werk (druk, papier, formaat, enz.) is uitstekend; -ter-up =1 klaarmaker: The âters-up of a cliarade = de personen, die de charade voorstellen; âting = winst, voordeel. Gew-gaw, gjiigo, prul, opzichtig wisjewasje. Geyser, gaizd, heete bron (IJsland en Amerika). (â harry, gdri. rijtuigje (Eng.-Indië). Ghastly, gdstli,spookachtig, doodsbleek, ijzingwekkend; Ghastliness; Ghastness = afgrijzen. Gha(u)t, gót, bergpas, gebergte, trap (leidende naar rivieren: Eng.-Indië). Gherkin, gvkin. augurkje. Ghetto, getou, Jodenkwartier (It.). Ghibe(l)lines, gibelinz, aanhangers der mid-deleeuwsche Duitsche keizers in hun strijd met den paus. Ghost, gonst, subst. geest, spook, ziel, adem, lijk, geestverschijning, schijntje; iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer krijgt: He has not the â ofa chance = hij heeft niet de geringste kans; He gave up the â = hij gaf den geest; The Holy â = de H. Geest; â verb, bespoken, bezoeken'(als spook); âstory = spookvertelling; âly = spookachtig, geestelijk, akelig, somber; â ly-hour = spookuur, middernachtelijk uur; â liness. Ghoul, gul, (Oostersch) menschenlijken etend monster. Ghyll, gil, bergkloof, ravijn. Giant, dzaiamp;nt, subst, reus; adj. reusachtig, kolossaal; âess = reuzin; âship. Giaour, dzaud, ongeloovige hond (scheldnaam voor Christenen door de Turken). Gib, dzib, arm van eene kraan, spie, (oude) kater. Gibber, gibd, brabbeltaal spreken, kakelen; â ish, gibdriê, subst. brabbeltaal; adj. zonder beteekenis. Gibbet, dzibdt, subst. galg, kraanarm; â verb, ophangen, belachelijk maken, smaden. Gibble gabble, gib'lgab'l, gesnater, gekakel. |
man; ask = ask: fm'm = tam; bMt = bwt: learn = hm: line = lain; hewse = haus; net: â¢care = kca; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; horj = bói;
GIBBON.
193
GIVE.
|
Ciiibboii. gib'n, soort van langarmige aap. (â ibbose, gibous, Gibbon», gibos, gebocheld, uitpuilend,bol; Gibbosity, gibositi, bultigheid, bolheid, uitpuiling. Gibe, dzaib, subst. spot, smaad; â verb, spotten, hoonen, beschimpen, uitschelden; â r = spotter, schimper. Gibeonite. gibjdnaxt, bewoner v. Gibeon (Jozua IX, 23), duivelstoejager, laagste loondienaar: Children of Gibeon = proletariërs, armen. Gibleta. clzibldts, losse deelen van gevogelte, zooals kop, pooten, vleugels, hart, etc. Gibraltar, dzibróltd, Gibraltar; âape (monkey) = Noordafrikaansche aap. Gibson, gibs'n. GibstafT. dzibstüf', peilstok, boom (om vaartuigen voort te duwen). Giddy, gidi, duizelig, zwijmelend, veranderlijk, grillig, opgewonden, onnadenkend, onbezonnen; âbrained = gedachteloos, roekeloos; âgo-ronnd = caroussel; Giddinesg. Gifiord, gif'dd. Gift, gift. subst. recht van geven of begeven, gave, begaafdheid: That appointment is in the â of the crown = die betrekking wordt door de kroon vergeven; â verb, beschenken, begiftigen: âed with many acconiDiish-meiits = met vele talenten begaafd; âeaness. subst. harpoen; tol; sjees, cabriolet; kaardcylinder, kaardmachine; commandantssloep, roeiboot; â verb, met hengel of harpoen visschen: âlamp = (schertsend voor) bril. Gigantic, dzaigantik, reusachtig, kolossaal. Giggle, gig'l, subst. gegichel; â verb, giebelen. Gigman, gigman, fatsoenlijk, aanzienlijk man. Gilbert, gilbdt. Gilchrist, gilkrist. Gild, gild, vergulden, opvroolijken, verfraaien; âing = het vergulden, versiering, verguldsel: â ing-inetal = verguldstof. Giles, dzailz, Gilles; Sf. â = beruchte buurt in het centrum van Londen. Gill, gil, kieuw, kaak, lel, het vleesch om en bij de kin: âflap = kieuwklep. Gill, dzil, meisje, liefje; moutdrank, kruipklimop of aardveil. 1/4 kan; âflirt = dartele meid; âian, dzilf n, Julia, Juliaantje. Gillet, dtildU Gillian, dzilfn, dartele meid. Gillie, gili, Hooglandsche dienaar, vooral bij rijden en jagen. Gilly-flower, dziliflnus, nagelbloem. Gilpin, gilpin. Gilpy, gilpi, vroolijke gast. Gilravage, gilrnvi'dz, subst. opgewonden pret, rumoerig partijtje, verwarring; â verb, eene rumoerige partij hebben; â r = rumoerige, wanordelijke klant, roover, plunderaar. Gilt, gilt, subst. verguldsel; adj. verguld: â edged = verguld op snede. Gim. dzirn. chick, fijn, net. Gimbal, gimVl, haak, om iets aan te hangen dat vrij slingeren kan. Gimcrack, dzimkrak, subst.fatje, heertje, prul, opzichtig maar nietswaardig iets: adj. waardeloos en opzichtig. Uimlei^gimldt, subst. drilboor; â verb, draaien, met een drilboor bewerken. Ginimal, gim'l, subst. reeks v. schakels; adj. aaneengeschakeld. Gimmer, gimd, oud wijf. Gimp. gimp, zijden boordsel. |
Gimp, dzimp, net, fijn, keurig, slank, schraal. Gin, dzin, jenever, strik, machine, foltertuig, braak, Australische vrouw; â verb, braken (van vlas), vangen; âmill, âpalace, âshop = kroeg, drankhuis; âhorse = molenpaard. Ginger, dzinid, gember; âbrandy, âcordial = drank, gemaakt van spiritualiën met gember-extract; âbread = peperkoek; -bread-nuts = pepernoten; âbread work = grillig gesneden werk; âly = voorzichtig, behoedzaam, netjes, keurig, smaakvol. Gingham, git^h'm, linnen of katoenen stof, groen katoenen paraplu. Ginglymiis, dzimglimos, gewricht, dat maar naar eene richting gebogen wordt, zooals de knie en elboog. Gipsy, Gypsy, dzipsi, subst. Zigeuner, de taal der Z., donker uitziend persoon, listig en sluw persoon; adj. Zigeuners----, Zigeunerachtig: â verb, in de open lucht wonen; âcart = reis- en woonwagen; ârose = klaproos; -fy, dzipsifm, zwart of donker maken; â ism = gewoonten en zeden der Zigeuners, bedrog. Giraffe, dzirüf, giraffe. Girandole, dzir'ndoul, kaarsenkroon, vuurrad (stuk vuurwerk). Girasol(e), dziresoul, Europeesche heliotroop, zonnebloem. Gird, gvd, subst. kneep, steek, sarcasme, hoonlach; â verb, doorsteken, spotten, lachen om (at), omgorden, vastbinden, aangorden: âer = gordel, band, omtrek, boog; â verb, omgorden, insnijding om een boomstam maken, omvatten: lie had (held) the people under his âIe = hij hield het volk er onder. Girl, gvl. meisje, tweejarige reebok; âfriend j = vriendin(netje); âhood = de meisjesjaren; ! âish = meisjesachtig, van een meisje, i Gironde. dziror^d, gematigde Kepublikeinsche ! partij (Fransche Revolutie). : Girouette, ziruet, politieke weerhaan. Girr, gv, hoepel (voor vaten). Girth, gvth, buikriem, band, omvang, ruimte ; om te zwaaien (van een schip). : Gisborne, gizbdn. Gislebert, giz'lbat, Gijs-i bert(us). Gist, dzist. hoofdpunt (v. redeneering of vraag): I told him the â of my errand = doel I van mijne boodschap; That is the â of it j = dat is de kern der zaak. j Giusto. dzi-üstou, juiste maat (muziek), i Gi\e,giv, subst.het meegeven: The kindly â of the trigger = het zacht meegeven van den ! trekker; That is a â and take (exchange) 1 = dat is een billijke ruil, lood om oud ijzer; â verb, geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen, veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken: The weather âs = verandert; I felt the bar â a little = voelde, dat de stang boog; I'll â it you = ik zal je wel! The bride was ân away by her brother = de bruid werd door haar broeder aan den bruidegom als vrouw geschonken; I hope you didn't â me away = bekend maken; You ought to â me something = wat voorgeven (bilj.); â you good day = (God geve u) goeden dag; That is a ilead âaway = dat is enkel geld weggooien; I^et us â battle = slag leveren; He gave me a call = zocht mij op; We gave chase = |
bone = boun: full; fool = tïil; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; year = Jia; tongr = loi^; s/iip = sip; occasion = oketf/n; thin; thws = dlrus; wine.
13
ten bruggencate, Eng. Woordenboek.
GIZZARD.
194
GLEXE.
|
wij vervolgden (den vijand etc.); I gave the thief in charge = ik liet... gevangen nemen; â ear to my word» = leen het oor; It was âli forth by everybody = het werd door iedereen verteld; We will not â ground = niet wijken (voor dwang); You must â in to me that you were wrong == mij toegeven, dat gij ongelijk hadt: To â on = uitkomen op (tuin of straat); 1 had ân it over = het opgegeven: He gave himsell' over to drinking = hij verslaafde zich aan den drank: He has ân out the text = den tekst opgelezen; â place to good reasons = wijk voor goede redenen; The dog ha» ân tongue = heeft aangeslagen; He was âii up by the doctors = de geneesheeren hebben hém opgegeven, wanhopen aan zijn herstel; Here the crew began to â way hier begonnen de roeiers (met kracht); I will not â way to you = voor u niet wijken: He gave liimsefl' up to the police = hij leverde zichzelf in handen der politie: It was ân out publicly = openbaar aangekondigd, bekend gemaakt: He is ân to Mudy = hij wijdt zich aan, houdt veel van studie; 1 â you Joy = ik feliciteer u; He gave a guess «f it*=* raadde ernaar; Hegave ine the cold shoulder = negeerde mij, zag mij met den nek aan; To â Jiidgmèiit = een oordeel vellen; To â sentence = uitspraak doen: To â suck = zoogen; He gave me the lie = hij heette het mij liegen, logenstrafte mij; He lias ân me thcHlip = hij heeft mij laten glippen, alléén laten zitten, is er uit geglipt: My mistress has â n me warning = de julfrouw heeft mij den dienst opgezegd; A â name = doopnaam (Amerika). (â izzard, gizdd^ krop, aard, humeur: He l'rets his â = hij ergert zich. Glabrate, gleibreit. glad worden afschaven (v. ouderdom): (ülabroiiN, (fleibrds, glad, kaal. Glacial, gleiè^U tot ijs behoorende, bevroren: Glaciate, gleiéeit, bevriezen, tot ijs worden; Glacier, gleiëa, gletscher. Glacis, gleisis, schuinte, helling. Glad, glad, adj. blij, verheugd, vroolijk, schitterend; â verb, blij maken of worden: 1 am â of it = ik ben er blij om; 1 shall be â to do it = het zal mij aangenaam zijn; He was â at finding us = dat hij ons vond; âden = verblijden; âness; âsome. Glade,£7tei(7, open ruimte (doorgang) in een bosch. Gladiate, gladieit. zwaardvormig: Gladiator, gladieite, zwaardvechter, strijder; Gladiolus. g ladionlds. zwaard lelie. Gliidstone bag, gladstquot;nbwg. valies. Glair, glêj, subst. eiwit, eiwitaclitige stof; â verb, vernissen, bestrijken met; ây. Glaive, gleiv, zwaard. Glamour, glanid, subst. biologie, oogenbegoocheling, stralenkrans; â verb, schitterend beschrijven, verrukkelijk schilderen: lie âed the mountains with a fascination that none could resist = hij schilderde de bergen zoo betooverend, dat niemand het kon weerstaan. Glance, glans, subst. lichtstraal, flikkering, blik, oogopslag, lichte aanraking, lonk, wenk; â verb, stralen schieten, schieten langs, vluchtig aan-zien.kortelijk vermelden,aanblikken: He hardly âd upen it = roerde het haast niet aan; â coal = gloeikolen, anthraciet. |
Gland, gland, klier, cel; âers, glanddz, droes (paardenziekte); âered = behept met kwaden droes; âiferous, glandifdrds, eikels voortbrengend; âiform, glancliföm, eikelvormig; âular, glandjuld, âulose. glandjulous, van eikels voorzien, klierachtig; âule, âula, glandjal(d\ kliertje. Glans,glanz, nootvormige vrucht, zooals eikels, kastanjes, beukenoten. Glare, glêd, subst. schitterende glans, valsche gloed, schittering, doordringende blik; â verb, met schitterend en verblindend licht schijnen, woest staren, vlammende blikken werpen (at); Glaring = bekend, onbeschaamd, schandelijk, starend, verblindend; («lary = fonkelend, Glasgow, glasgou. ' [schitterend. Glass, gids, subst. glas, drinkglas, lens, spiegel, telescoop, zandlooper, barometer, thermometer, sterke drank: adj. van glas; â verb, (afspiegelen, met glas omhullen, verglazen; â blower = glasblazer; gas- of alcohollamp; âcoach = staatsiekoets, huwelijkskoets: â house = glasblazerij: âmetal = gesmolten glas; âpainting = het schilderen of schilderwerk op glas; âpaper = schuurpapier; âshade â stolp, glazen lampekap; â staining = het kleuren van en schilderen op glas: âware, âwork = glaswerk; âworks = glasblazerij: âes. glétsiz, bril; ây = van glas, als glas, glad. spiegelglad: ây eyes = doiïe, glazige oogen (omdat het licht eruit is); âfill; âlike. Glastonbury-thorn, glds'nbdrithön, soort hagedoorn. *die in den winter bloeit. Glaucescence, glóses'ns, blauwachtigheid, zeegroenheid; Glaucescent, g loses n't, Glaucous, glókas, blauwachtig, zeegroen. Glaucoma, (jlókoumd, grauwe staar; âtons. Glaliens, glókas. Glaze, gleiz, subst. verglaassel, glazuur; â verb. v. glazen, vensters of spiegels voorzien, met glas bedekken, in glas zetten, verglazen, glimmend maken: A âd hat for bad weather = een glimmende oliehoed voor slecht weer; âkiln, âkil = verglaasoven; âd board = soort van bordpapier, waartusschen het papier glanzend gemaakt wordt: âd boardpaper = geglaceerd karton: With âd eyes = glazige: â r = verglazer, scharenslijpers wiel. Glazier, gleizd^ glazenmaker; âquot;s-diamond. Gleam,f/Hm. subst.straal,schittering: â verb, stralen, stralen schieten, schitteren. Glean, glin, subst. nasprokkeling; â verb, nalezen, opzamelen, verzamelen, aren lezen, opmaken; âer. Glebe, glib, pastorie-landen; âhouse = landelijke pastorie: âless. Glede, glid, wouw of kiekendief. Glee, gli, vroolijkheid, muziek, zang, lied (soort v. canon): In high â = zeer vroolijk: â maiden = liedjeszangster en danseres; âman = minstreel; âful; â wood = houtder vreugde. Gleety, git tl, dun, vloeibaar, helder. Gleig^ gleg. Glen, glen, nauw dal tusschen twee heuvels. G lene, glin, oogappel, holte in een been, waarin een ander been sluit. |
man; ask = ask; farm = fiim; b?/t = bwt; \earn = lun; line = lain; hoj/se = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; hog = bói;
GLIB. 195 GLUTINOUS.
|
(â lib, ylib, glad,glibberig, vloeiend (van spraak), welbespraakt: A â tongue: ânews. (alide, glaid, subst. het glijden, overgang (van de eerie letter op de andere): â verb, zacht glijden of voortbewegen, zweven: âr. («liff, glif\ korte tijd, plotselinge schrik, paniek, (â liin. glim, licht, kaars: Douse the â = doe het licht uit; âiner, subst. zwak, onzeker licht, mica: â verb, zwak, schemerachtig licht verspreiden: ânieriiig = schijnsel, zwakke glans, zwakke opflikkering (van bewustheid, kennis, enz.), schijntje, flauw begrip. lalhnpHe, glimps, subst. zwak licht, blik, spoor, voorbijgaand genot, kort bestaan, tint: â verb, dagen, een straal opvangen, schijnen: 1 caught a â of him = ik zag hem met een wenk. (â lint, glint, subst. licht, lichtstraal: â verb, schitteren, flikkeren, opvangen: The train niHlied on over the âing rails = de trein snelde voort over de glinsterende staven. (â liNHade, gliseicl, subst. glijpad voor het afdalen van gletschers, de afdaling zelve; â verb, naar beneden glijden, (â listen,glis'n,subst. flikkering; â verb, flikkeren, schijnen, glanzen; (â lister. glistd, subst. glans, schittering; â verb, glanzen, schitteren, (â litter, glitd, subst.glans, schittering: â verb, flonkeren, ongeregeld schitteren, pralend blinken: A âing eye = vonken schietend, flikkerend oog; All'is not gold that âs = 'tis al geen goud wat er blinkt. (â loam, gloum, beginnen donker te worden, norsch of somber zijn: âing, subst. avondschemering, laatste periode: adj. schemerend, (â loat, gloui, aanstaren vol hartstochtelijkheid (in slechten zin): Tiie savage âeil on his vietini = de wilde zag vol begeerte naar zijn slachtoffer. (â lohate(d), glonbeit(id), bolvormig. (â lobe, gloub, subst. bol, bal, aarde, wereld, globe {terrestrial = aard ... en celestial = hemel . . .), ballon (van de lamp); â verb, in een kring verzamelen; âdaisy =kogelkruid; âflower = soort v. ranunculus; âtrotter = reiziger (die van plaats tot plaats snelt); âtrotting = het reizen over de wereld; â valve = balklep; (ilobose, gloubous. (ilobular, globjuld, bolvormig; (â lobular sailing: Zie Circular, (ülobule, globjiïl, bolletje, kleine homoeopatische pil, celletje. (â lobulin, globjulin, witte stof (uitdeooglena). (iloinerate, glomsreit, tot een bal of kluwen vormen; (illoiiierous, glomards, tot een bal gevormd. (â loam, glüm, subst. donkerheid, zware schaduw, somberheid, dofheid, stompheid, droefgeestigheid, moedeloosheid; â verb, somber of donker worden of schijnen, schemeren, betrekken (met wolken), fronsen, bedroeven; ây = duister, somber, zwaarmoedig, neerslachtig. (â loria, glórid, lof, heerlijkheid; â Patri = lof zij den Vader: â in excelsis Deo = lof zij den Heer in de hoogste; (ïlloried, glórid, doorluchtig, roemrijk; Glorification = verheerlijking ; Glorify = verheffen, verheerlijken: (â loriole, glörioul, stralenkrans, nimbus, (â lorious, glórids, doorluchtig, roemrijk, heerlijk, prachtig: lachwekkend; («lory,glóri, subst. roem, lof, bewondering, heerlijkheid, lof, (he-melsche) zaligheid, roemzucht, trots, snorkerij, nimbus: lie was the glory olquot; his age = de roem van zijn tijd; â verb, zich trotsch gevoelen, roem dragen op: He glories in bis ignorance = hij draagt roem op zijne onwetendheid. |
(â loss, glos, subst. verklarende aanteekening, glans, luister, gunstig uiterlijk; â verb, verklaren door aanteekeningen, glanzend en schitterend maken, verfraaien, vergoelijken: 1 will â over your shortcoinings = uwe tekortkomingen vergoelijken, door de vingers zien; ây = glanzig; âer = schrijver van âes. (ilóssantbrax. glosanthmks, tongblaar (vee), (â lossary, glosori, verklarende woordenlijst; (â lossai'ist, glosdrist, verklaarder, uitlegger; Cillossarial, glosêridl, van ophelderingen voorzien. (â lossic, glosik, stelsel van phonetische spelling, (â lossing, glos'nx, stoomen en glanzen van zijde, (â lossitis, glosaitis, tongontsteking, (â lossography, glosogrjfi. het maken van commentaren, verhandeling over de tong. Glossolalia, glosolalio, (ilossolaly, glo.soldli, het spreken in tongen. (â lossology, glosolddzi, uitlegging van woorden, taalwetenschap. (â lottal, glofl, tot de stemspleet behoorende; («lottis, glotis, stemspleet. (â lottology, glotolifdzi, vergelijkende taalwetenschap: Glottologic, Glottologist. Gloucester, glosto, kaas (in (iloucestershire gemaakt). (â love, rysubst.handsclioen,bokshandschoen: Berlin â = wollen handschoen; They are band and (in) â = koek en ei; He threw down the â and 1 took it up = hij deed de uitdaging en ik nam haar aan; â verb, met een handschoen bedekken; âlight = vuistgevecht, bokspartij; âstretcher = handschoenrekker: âr quot;= handschoenmaker: He got it with the aid of a âr = kruiwagen (eig. invloedrijk, geganteerd persoon); A gloving business = handschoenmakerszaak, (â low, gloa, subst. gloed, gloeihitte, helderheid, vuur, hitte, roodheid: â verb, gloeien, fonkelen, schitteren, rood zijn, vol vuur en opgewektheid zijn: He is âing with patriotic feeling = brandt van vaderlandsliefde; â worm = glimworm. Calower, glatid, nijdig en dreigend staren (at), (â lucic. glüsik, tót druivensuiker behoorend; (ilucose, glükous. druivensuiker. (ülue, glü, subst. lijm: â verb, lijmen, vasthechten, vereenigen; â r: ây. (â Inin. glvm, adj. norsch, somber: â verb, norsch of somber zien: There is no Sabbath âness at these meetings = op deze vergadering ziet men geen somber Sabbatsgezicht. Caluine, glüm, dop, kaf. (â Int, glvt, subst. overkroptheid, groote overvloed, al te groote voorraad; â verb, schrokken, kroppen, overladen, overvoeren: He âted bis eyes = hij weidde zijne oogen. (â ruten. glüt'n, eiwitstof in tarwebloem. Calntin, lt;ilütin, planten-gelatine. (â lutinate. glütineit, lijmen, samenvoegen; (â lutinative, glütinamp;tivï (â lutinous, glütinss, lijmend, verbindend, lijmachtig. |
bone = boun; full; fool = ful; e = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl: «/ear = jia; long = loij; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus â dims; wine.
13*
GLUTMAN.
196
GO.
|
Gliilinaii. (jlntmon, buitengewoon beambte in het tolkantoor bij veel werk. (â Hutton, glvVn, subst. zwelger, gulzigaard; â verb, gulzig eten, doorslikken; â«uh, âlike = gulzig: ây = vraatzucht, gulzigheid. Glycerin, glisdrin, âe, glisdrin, glycerine. Glyph, glif, loodrechte holte of gleuf (in zui- | len, b.v.); âic, glifik. Zie Hieroglyphic. GlypticH, gliptiks, graveerkunst op juweelen, etc.: Glyptography gliptougnxf, graveering op edelsteen. Gnarl, na/, subst.snauw,grauw; â verb, snauwen, grauwen: âed, nald, vol knoesten, korzelig, grommig = ây = Gnarry, ndri. CiiiaHli, was, knarsen, stooten tegen, woeden. Gnat, nat, mug: To strain at (beter: out) a â and swallow a camel = eene mug uitzuigen en een kameel doorslikken; âworm | = larve van eene mug. Gnatliitis, rwthaitis, ontsteking der kaak. Gnaw. j?ó, wcgknagen, knabbelen, knagen, I voortdurende pijn lijden; âer. Gneiss, nats, rots van kwarts, mica, enz.; âic. Gnoine,rtOJrm, aardmannetje, kabouter;maxime, gezegde: (iiiomicCal), noumiki'l). leerend, vol maximen; Gnomology, noumolddzi, verhandeling over (verzameling van) maximen, enz. Gnomon, noumon, (zonne)wijzer; âic, nou-monik. Gnosis, nousis, kennis, wetenschap; Gnostic, nostik, slim, sluw, wereldwijs; Gnosticism, nostisizm, stelsel om sommige leerstellingen der Chr. kerk te verklaren. Gnu. ml, eene soort van antilope. Go, gou, subst. daad, handeling, mode, pretje, opgewektheid, geest, borreltje: Great â = doctoraal examen: Little â = voorbereidend (candidaats-)examen; He has plenty of â in iiim = veel energie; That is no â = dat is mis, gaat niet, geeft niets; Here's a Jolly â = een mooie boel: That is the extreme of noâism = dat kan heelemaal niet; Such hats are all the â now = draagt nu iedereen, zijn erg algemeen; 1 have given him the â-by = ik heb hem gedaan gegeven, hem afgedankt; He was our â between = hij was onze bemiddelaar; â verb, gaan, bewegen, reizen, voortgaan, heengaan, sterven, in omloop zijn, voorhanden zijn, gebeuren, handelen, bekend raken, uitgedrukt worden, varen, zich bevinden, op het punt zijn, worden: Take anything that is âins = neem alles wat waarde heeft; The book will â = zal bijval vinden, âgaanquot;; She went that fatal voyage = ondernam; Pay as you â = betaal wat gij noodig hebt; I am gone = verloren, âer bijquot;; â to = och loop! Komaan! Begin! ga door; â about your business = maak dat je wegkomt; We have âne about a long way = een heel eind omgeloopen; The family are âing abroad this year = gaat van* 't jaar buitenslands, naar buiten; Every thing goes against me = alles loopt mij tegen; It goes against the stomach (grain) with me = stuit mij tegen de borst; â ahead â voorwaarts, maak voort; He is a âahead fellow = hij is iemand, die doorzet; â along with you = och loop; You will understand it as you â along = als gij maar volgt, voortgaat; |
We have gone astray = wij zijn verdwaald geraakt; I have gone between them = ik ben als bemiddelaar tusschen hen opgetreden: You have gone beyond me = mij bedrogen, mij overtroffen; You went by me = zijtmij voorbijgegaan, hebt mij genegeerd; The ship has gone down â is vergaan; The ma-noeuvre which iu the language of the prize-ring is known as âing down to avoid punisliiiient = de handeling, die in kampvechterstaai bekend staat als zich bukken om de slagen te ontduiken; That won't â down with us = dat wil er bij ons niet in, gaat bij ons niet op, dat slikken wij niet: One ship went down = verging; The bread has gone down (gone up) = het brood is afgeslagen (opgeslagen); Such things â for nothing with me = tellen bij mij niet; I'll â for him for slander = wegens laster aanklagen: That does not â far enoiigh = is niet toereikend; I will not â that length = zóóver ga ik niet (mee); We went forth at 12 = wij vertrokken om 12 uur; It will â hard with you in that case = in dat geval zult gij hét hard te verantwoorden hebben; I will â halves with you = ik zal half mee betalen; I must â in'for a new coat â ik moet aan eene nieuwe jas gelooven; 1 will â in for it = ik zal eraan meedoen; He went in for a quiet country-place = hij vestigde zich in (nam); This door goes into the garden = komt op den tuin uit; We did not â into those matters = wij roerden die dingen niet aan; They have been âing it = zij zijn âervan doorquot; geweest; â it, old boy = toe maar, raak hem maar, durf maar; lie has gone mad = hij is gek geworden; He has gone off = hij is heengegaan, gestorven; Things went off at high prices = de artikelen werden voor hoogen prijs opgekocht; It has gone off very well = het is heel goed gegaan; She is âing off (in her looks) = zij wordt er niet mooier op; The gun went óff = geweer ging af; He went on = ging door, voort: Gone on a girl = verliefd op; Comparisons never â on all fours = vergelijkingen gaan altijd mank; She is âing on for middle-age = zij komt al op middelb. leeftijd; Ministers have gone out of office = de ministers hebben hunne portefeuilles neergelegd; With her something seems to have gone out of my life = door haar (vertrek, etc.) schijnt er iets aan mijn leven te ontbreken; Her thoughts went out to tea = hare zinnen zetten zich op thee; We have gone over this book together = wij hebben samen dit boek doorgewerkt, nagegaan; He has gone the whole figure (the whole hog) = hij heeft (het) consequent doorgezet, heeft terdege volgehouden, zich aan niets gestoord; We went through the accounts = rekenden af; We have gone through much suffering = veel leeds geleden; !\ow that you have begun you must â through with it = moet gij het ook doorzetten; He went to law = ging procedeeren; Two things â to this = twee zaken zijnhiervoor noodig; He goes under that title = hij is bekend onder dien titel; We will not â |
man; ask = ask; farm = fiim; bilt;t = but; learn = lun; line = lain; howse = bans: net; care = kca; fate = feit; tin; asleep = eslip; not; law = lo; lord = löd; hog = boi;
GONE.
GOAD.
197
|
upon such principles = wij willen niet volgens die beginselen handelen; Thi» colour doe» not â with my bonnet = deze kleur past niet bij mijn ho'ed; loll will have to â without yoür dinner to-day = gij zult het vandaag zonder middageten moeten stellen; tiet you gone = ruk uit; Be gone = maak, dat je wegkomt; He is gone = weg; It is gt; rather fair, as things â = het is naar i omstandigheden nogal gunstig; He went I greater lengths than any ol' you = was meer meegaande dan één Van ulieden; The merchant went into the tiazette = verklaarde zich failliet; What went with her is not known = wat met haar gebeurde: The child is taught to walk by nieans ol* a âcart = loopwagentje (raamwerk zonder bodem op rolletjes). (â oad, goud, subst. prikkel (van ossendrijvers); â verb, prikkelen, aanzetten, tot prikkel dienen: He was âed into savageness = hij werd geprikkeld tot hij een woesteling geleek: âsinan, âster = ossendrijver. Cüoal', goaf, afval. (â oal, goul, begin- of eindpaal (bij een wedstrijd), doel, einde. (â oat, gout, geit; holte, loopgraaf; â's-beard, âmarjorain = geitebaard (plant); âloot = bokspoot, satyr; âherd = geitenhoeder; â skin, subst. en adj. geitenvel, van geitenvel; âsucker = nachtzwaluw, geitenmelker; âee, goutt, baard als die van eene geit; âish = bok- of geitachtig, vuil ruikend, ontuchtig. tiob, gob, mond(vol), speeksel; (ilobbet, gobdt, subst. mondvol, brok, stuk; â verb, met groote slokken of brokken verzwelgen. (â obbing, gob hi, afval (van kolen). (gt;obble, gob'l, 'subst. geklok; â verb, gulzig slikken, klokken, kakelen: Such excellent housekeepers are eagerly âd up by bachelors = meisjes, die zoo goed het huishouden kennen, worden gretig gevraagd door ongetrouwde heeren; â r = gulzigaard, smulpaap, kalkoen. (â obelin, gouUlin, soort van behangsel. Goblet, goblet, drinkbeker. Goblin, goblin, kabouter, spook, booze fee. God, god. God, Hoogste Wezen, despoot, vergood mensch: Would to â = God gave! The âs = (de lui van het) âschellinkjequot; (in een schouwburg); âchild = petekind; â daughter = peetdochter; âfather, subst. peetvader, peetoom: â verb, als peetvader optreden; --fearing = godvreezend, godsdienstig; âman = Godmensch; âmothei' = petemoei; âsend = meevallertje, geluk; âson = peetzoon; âwit = hazelhoen; â speed = voorspoed; â's-acre = godsakker, begraafplaats; âdess = godin; âhead, âhood = Godheid, goddelijkheid; âless = goddeloos; âlike = goddelijk; âly = godvruchtig, vroom; The âly = het volk Gods (naam van de parlementsgezinden in den Eng. burgeroorlog; 1629â1640). Go-down, gondaun, pakhuis, stapelplaats; Goer, goud, iemand die gaat: All comers and goers = de komende en gaande man. Godfrey, godfri, Godfried, Govert; Godiva, gadaiva, Godiva. |
Goee-goee, goutgout, lafaard. Golfer, go/'d; Zie Gaulfer. Go lie ring, gofdrir\, versierend kantwerk. Gog, gog, begeerte, verlangen, naam v. een reus. Goggle, gog'l, subst. rollend, starend, uitpuilend oog; adj. groot, uitpuilend; â verb, met de oogen rollen, staren; âeye(d) = (met) rollend, starend, bol oog: âs = glazen oogbedekking (tegen stof, scherp licht of scheel zien), oogkleppen (v. paarden), bril. Goglet, gogbt, (aarden) koelkan. Going, goiiin, liet (heen)gaan, handeling, levensloop, gedrag: It.is â on lor twelve = loopt tegen twaalf; He set it â = hij bracht het aan den gang; Her âaway dress = haar reistoilet (van eene bruid); âforth = poort, opening, grens; âout = punt van uitgang, uiterste punt; Goings-on = manier van doen (in slechten zin): Vou never saw such â s-on = zoowat hebt ge nooit beleefd. Goitre, góito, kropgezwel. Golconda, golkonda, goudmijn, geldwinning. Gold, gould, goud, rijkdom: These words hit the â with precision = slaan den spijker juist op den kop; adj. gouden, van goud: âbeater = goudpletter, goudbladmaker; âbeater's-skin = goudvlies: âbound â in goud gezet of gevat; âcloth = goudlaken; âdigging = het graven naar goud; âdnst = stofgoud; âfever = manie voor goudzoeken; âfield = gouddistrict, goudveld; âlinch; âlish = goudvisch (soort v. karper); â-foil = bladgoud; âflower = zonnebloem; âhammer = geelgors; âlace = goudgalon; âleaf = bladgoud; âsinith(rygt; = goud-smid(swerk); âstick = kamerheer (met gouden staf/in Engeland; âthread = gouddraad (om zijde gewikkeld); âwasher = goudwasscher (die het'slijk van gouderts wascht); âwire = gouddraad; âen = goudachtig, op goud gelijkend, goudkleurig, schitterend, van groote waarde, gelukkig: âen-age = gouden eeuw; -en-cup = boterbloem: âen-eagle = steenarend; âen-lleece = gulden vlies (eeneorde); âeii-moiithed = welsprekend, muzikaal; âen-niimber = guldengetal; -en-rille = gulden regel (âDoe een ander wat gij wenscht dat men u zal doenquot;), regel van drieën; âen-tressed = met goudgele lokken; âing = gouden renetappel; âney = goudvischje; ây = goudvink; âyUwiiH, gotiIdilo/iS, vele plantensoorten met geie bloempjes. Golf, go(l)l', kolfspel; âclub = kolf, kolfklub; âer. Golgotha, golgouthd, martel plaats. Goliath beetle, goulaiothbifl, groote kever (in de Tropen). Golly,^oZi, beware me: â, how they shrieked = Gossie, wat schreeuwden ze! Goloe shoe, gdlouèn, (elastieken) overschoen. Golore, glt;ilö. Zie Galore. Gomuti, gamüti, paardehaarachtige stof (van den sagopalm). Gondola, gondola, gondel, platboomde vrachtboot (Amer.); Gondolier, gondxilia, gondelier. Gone, gon of gén, part. perf. van to go: It is six â = over zes; Going, going, â = eerste maal. 2e m., 3e m.; âness = gevoel van zwakheid of gedruktheid (Amer.): He is |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dims; wine.
GONERIL.
198
GOSPEL.
|
â, a âr = hij is er bij, hij is geruïneerd. (â oneril, gonoril. Cionl'aloii, (jonfdlon, (â oiiteiitui = vlaggetje aan eene lans. (â ong, yori, tambourijnvormig bronzen instrument (waarop met een omwoelden stok wordt geslagen, en in vele Engelsche huizen in plaats van de etensbel gebruikt); heimelijk gemak; ! âpiinoli. Z. Bell-puncli (Am.). Goniometer, gouniomdtd, hoekmeter; (iloiiio-metry, gonniomatri, hoekmeetkunde. Ciioocl, gud, subst. het goed(e), voordeel, welzijn, genot, nut, goede hoedanigheden: lt'« no â = geeft niet(s); What'* the â of it = waartoe dient het? ill-gotten â» Heidom pi'OHper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; Well and â = alles goed en wel; For â (and all) = voor goed, volkomen: Five Hhilliiij^H to the â = tegoed, credit, vooruit; adj.goed, geschikt, vroom, aanzienlijk, juist, getrouw: He ha» behaved a» â as gold = hij heeft zich gedragen zoo goed als 't maar behoeft; She gave her a» â as she got = betaalde haar met gelijke munt; He 18 aw â as Uïh word = hij vervult trouw wat hij belooft; In â time = tijdig; In â sooth = in waarheid, eerlijk; He ha» made â his name = zijn naam eer aangedaan; He has seen (thoiight) â to do it = het heeft hem goed gedunkt (behaagd) het te doen; A â many persons = een aanzienlijk getal menschen: A â two months = een âgoeiequot;, ruim; \ot â lor miioh = niet veel waard; That is â lor nothing = dat is nietswaardig: A â for-nothing (fellow) = nietswaardige (kerel); Be â to ine = wees vriendelijk of barmhartig jegens mij; He is (a) â (hand) at languages = hij is goed in de talen; That is â = dat is ook mooi! He (it) stands â = is soliede: That is a â one = aardige zet, goeie grap; â behaviour = verplichting geen last te veroorzaken: He was released mi his â behaviour = hij werd onder de verplichting ontslagen (uit de gevangenis), dat hij zich goed zou houden; âbreeding = hoffelijkheid, wellevendheid; âeonditioned = in goeden staat zijnde; âday = goeden dag (bij komen of heengaan); âbye = goeden dag (bij heengaan voor ge-ruimen tijd); I will not say âbye yet = ik zie je nog wel; âevening = goedenavond; âfared = met gunstig uiterlijk: âfellow = gezellige, goedaardige kerel; âfellowship = gezelligheid; âfolk(s) = feeën; â Friday = Goede Vrijdag; âgraces = gunst; â-hunionr = opgeruimde aard; âlack = Hemeltjelief! (verbazing); ânianners = beschaving; âman = vriendje, huisbaas, echtgenoot, de Duivel: âmorning,âmorrow = goeden morgen: ânature = goedaardigheid; â natnred = goedaardig; ânight = goeden nacht, kort gedicht (voor eene serenade, b.v.); , |
â now = Beware me! (verbazing); âsense = gezond verstand: A âsized box = vrij groote; â speed = succes!; âtempered = goedgehumeurd; â Templar â geheelonthouder; âwife = huisvrouw; âwill = welwillendheid, welbehagen, gunst, zaak met klandizie, het daarvoor betaalde geld: âwill to man = âin menschen een welbehagenquot;; j âwoman = huisvrouw; â = Mooi zoo!; âly = mooi, lekker, edel, bevallig, piekfijn (ironisch); âs = goederen, waren, bezittingen: âs and chattels = persoonlijk eigendom: âs-train = goederentrein; ây = subst. sul, goeie vent, beste moeke; adj.* goedaardig, sullig, sentimenteel: It would look so ây goody and stnpid = het zou zoo sullig en dom lijken; He is â, almost to âiness = hij is zoo goed, dat hij haast over zich laat loopen; I have talked âyây to her = ik heb sentimenteel met haar ge'sproken; â ies = lekkernijen, bonbons. (â oosander, güsandd, duikereend. («oose, gïis, subst. gans, sul, sukkel, uilskuiken, (kleermakers)persijzer; He has cooked hisâ = hij heeft de winst opgestreken; 1 cooked his â for him = ik âgaf hem er vanquot;; He is sound on the â = hij is ouderwetsch in de slavenkwestie (Amer.); â verb, uitfluiten (van acteurs, etc.); âberry = kruisbes, kruisbessenstruik: âberry 'time = komkommertijd (ook The silfy season): Old âberry = de duivel; I am not going to play --berry (picker) to yon two = ik wil 'niet jullie beider âfacheux troisiémequot; zijn, ik wil jullie niet in den weg zitten; â berry-fool = uitgeperste kruisbessen met room (Zie Fooi); âllesh, âskin = kippenvel; â berd = ganzenhoeder; âneck = zwaanshals (schip); âquill = ganzeveer, pen; â wing = onderste hoek van een gegeid of in het midden ingenomen zeil. (â opher. goufd, naam voor verschillende in een gat in den grond levende dieren (Amer.); het hout, waarvan de ark gemaakt moest worden, (â orcock, gökok, korhaan; (üorhen, göhen. korhen. Gor-crow, gökrou, kraai. (â ordian, gödj'n, ingewikkeld: âknot = Gor-diaansche knoop: He cut the âknot = hij heeft den knoop doorgehakt. (â ore, gö, subst. geronnen bloed, geer, driehoekig stuk (land); â verb, doorboren, spietsen, met eene wig doorbreken; Goring = prik, steek. Gorge, gödz, subst. keel, strot, het zwelgen, het verzwolgene, zware maaltijd, walging, nauwe bergpas; â verb, gretig verzwelgen, schrokken. Gorgeous, gödzas, schitterend,prachtig;âness. Gorget, giïdtdt, halsstuk (van eene wapenrusting), borstplaat, halskraag of plooisel. Gorgon, gög'n, subst. een der drie vrouwelijke monsters, wier aanblik den aanschouwer in steen deed veranderen, iets zeer leelijks; adj. versteend, afschuwelijk leelijk: âian, âeau, gögounfn, versteend, afschuwelijk leelijk; âize = in steen doen veranderen. Gormand. göm'nd, gulzigaard; âize, göïrin-rfaiz, gulzig eten, schrokken. Gorse, gös, brem; Gorsy = vol â. Gory, göri, met geronnen bloed bedekt. Goshawk, goshók, soort van havik. Gos(c)heii, goitè'n, eigennaam (pers.), Gosen. Gosling, gozlin, gansje, katje (van wilgen, etc.). Gospel, gosp'l, subst. evangelie, iets onom-stootelijk waars: Yon ninst not take his words for â = als de waarheid; adj. van het evangelie: That is â truth = dat is de waarachtige waarheid; âIer = evangelist, geestelijke. |
man: ask = ask; farm = fiim; bwt = b«t; \earn â hm; line = lain: hotese = haus: net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep â aslip; not; \aiv = ló: lord = löd; bog = bói;
GRAMMAR-SCHOOL.
199
GOSSAMER.
|
iiONHHiner, gosdmd, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier: Old lace, line â = oude kant, zoo fijn als (spin)rag; ây. (iciNaip, yosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar, drinkebroer; â verb, babbelen, leuteren, vroolijk zijn, drinken, peet zijn van. lt;gt;0880011, gosün, jongen. lt;iot, (jot, imp. en part. perf. van to get, lt;ilotli, goth, een van den stam der Goten, i barbaar; âie; âland. lüotliainist, gouthamist, bewoner van Gotham in NottingUmnshire (ongeveer als Kampen of Beotië, bekend om de domheid der bewoners). Gotliai'd (SI.), s'ntgotliod, St.-Gothard; (üougli, gof. Ciouge, gaudz, subst. guts (soort v. beitel), bedrieger: â verb, met een beitel of guts uitsteken of uithollen, bedriegen; âslip = staal om beitels of gutsen te slijpen. Cüonrd, güdd, waterflesch'of karaf, pompoen; âine»» â gezwel; ây, güddi, gezwollen (van paardepooten). lt;i«iirniand, gndmand, gulzigaard, lekkerbek. Caont, gaut, jicht, droppel; ây = jichtig, gezwollen, moerassig. iüoiit, gn, smaak. (üoverii, gnv'n. besturen, regelen, bedwingen, regeeren; âable; âe»s, gnvdnds, subst.gouvernante: â verb, gouvernante zijn: That please» me better than âe»»ing = dat doe ik liever dan voor gouvernante spelen; âment = bestuur, regeling, regeering, zelfbeheer-sching. uitvoerende macht: âor = bestuurder, landvoogd, loods, âouwe heerquot;, regulateur (in stoommachines); âorship. lüowaii, gaudn. madeliefje. (â own, gaun. japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene universiteit: Town and â = studenten met professoren tegenover de stedelingen; Band and â = toga en bef; Morninc; â = morgenjapon; IVight â = slaaprok: â(»gt;-in»n = getabberde, rechtsgeleerde, lid van eene hoogeschool. lt;«ozzard, gozed, ganzenhoeder, verbastering van goo»e-herd. lt;gt;rab. grab, subst. Oost-Indische tweemaster; â verb, grijpen (naar = at), pakken, vatten: âble = grabbelen, tasten, spartelen. Grace, gr eis. subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid, titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene Eng. hoogeschool), gebed aan tafel: They »aid â = zij baden, dankten; He did it with a bad â, with a good â = onvriendelijk. vriendelijk: Day» ol* â = loop-dagen. respijtdagen; We liad but ten mi-nllte», â = ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan; He wa» in her good â» = bij haar in de gunst; The â» = de (drie) Gratiën: In the year ol' â 1894 = In het jaar onzes Heeren'1894; â verb, begunstigen, versieren, vereeren: Ciracion», greièos, genadig, gunstig: (iiood(ne»s) graciou» = genadige goedheid, goeie hemel! âlui; âles» = losbandig. iüracile, grasil, dun, slank. Ciradation, grodeis'n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; (üradatory, greiddtori. |
subst. trap van uit een klooster naar eene kerk; adj. geregeld opklimmend. (â rade, greid, subst. graad, ring, stap, helling (van een weg): These roads are at grade = waterpas, op dezelfde hoogte; â verb, regelen, waterpassen (d. i. de grootte der hellingen in een weg bepalen); âly, lt;/reW//, gepast, voegzaam. (â radient, greidj'nt, subst. mate van helling (van een weg); adj. trapswijze, geleidelijk, (ilradua!, gradjudl, subst. trap, gezangboek; adj. trapswijze. (â raduate, gradjueit, â verb, in graden verdeden, kleine verschillen vormen, geleidelijk voorbereiden, promoveeren: âd Income-tax = progressieve inkomstenbelasting: These lessons are carelully âd to the children^» powers = deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige leerlingen; subst. (gr adj uit), gepromoveerde; Graduation, gradjueisn, geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene vloeistof tot een bepaalden omvang (door verdamping); tiraduator, gradjuexto, graadboog, lijnverdeeler. (â raduction, grddvkè'n, verdeeling van cirkelbogen in graden, etc. (iradus, greidds, woordenboek voor (klassieke) prosodie (eig. â ad Parna»»um). (â raIT, graf, sloot, loopgraaf. (â rafler, grAfa, notaris, schrijver. (â rait, graft, subst. ent; â verb, enten; âer. (â raliain bread, greVmbred, kropbrood. (â rail, greil, (Heilige) Graal. (â rain, grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch), weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard; vork, harpoen: It goe» again»t the â with ine = het stuit mij tegen de borst; He ha» no â or»en»e = geen greintje verstand; First they rubbed the old man again»t hi» â, and then »uioothed him down again = eerst maakten zij den ouden man kwaad (eig. wreven tegen zijn aard of humeur in), en toen brachten zij hem weer in zijn humeur (tig. streken hern weer glad); He ha» a â of allowance = hij krijgt maar een bitter beetje; That i» dyed in â = in de wol geverfd; He i» a rógue in â = doortrapte schurk; â» = afgewerkte mout (na het brouwen of distel-leeren); â» of Paradtae = Paradijskorrels (die aan sterke dranken een prikkelenden smaak geven); â»hipmeiit» = korenladingen: âed = ruw, korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven); âer = schilder (die hout imiteert), of zijn borstel, leerlooiersloog, looiersmes; â ing = inkerving (op eene munt), imitatie-houtschilderwerk; âstaff, âsra/quot;, piek; â y = vol graan, korrels of pitten. (â rallae, grali, (â rallatore», graldtöriz, de orde der steltloopers. (â ram, gram ((lirame, greini), smart, toorn, Indische paardeboon; gram. (â ramercy, gromvsi, ik zou je danken! (â ramina'ceou», f/ramineisas, grasachtig; («ra-minivorou». grnminicdrds, grasetend. (â rammar, gramd, spraakkunst, behoorlijke taal: â»chool = gymnasium, Latiinsche school; âian, grdmêridn,taalkundige:Giram-niatical,^ramaï/A:7, taalkundig, spraakkunstig; |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokoal (zie asleep en care)-, girl; «/ear = Jia; \ong = loi\; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; Mus = dhus; wine.
GRAVE-THOUGHTED.
GRAMMATICASTER.
200
|
GraininaticnHter, gromatikastd, schoolvos; Grammaticism = grammatikaal punt. Grampu», grampes, soort v. dolfijn. Iiiraiiadai, yranddd. (â ranary, granari, korenschuur, korenzolder. Grand, grand, subst. de groote meneer: They do the â at our expense = zij hangen den heer uit op onze kosten; adj. grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig, op-of neergaande trap (in bloedverwantschap); âaunt = oudtante; âchild = kleinkind; âdaughter = kleindochter; âduke = groothertog; âdad, âlather = grootvader; â juror = lid van de âjury = de jury, die onderzoekt of er reden' is dat de gevangene door de petty jury verhoord wordt; âmarter = grootmeester; âmother = grootmoeder; ânephew = achterneef; âniecre = achternicht; âseignior = (oude) titel van den Sultan van Turkije; âstand = groote tribune (bij een wedstrijd); âsire = grootvader, voorvader; âsou = kleinzoon; âunele = oud--oom; âvizier = grootvizier of eerste minister in Turkije; âam, grandêm, grootmoeder, oude vrouw; âee, grandi, grande (Spaansch edelman); âe-garde, grandgixd, het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst beschermt; âeur, grandjd, grootschheid, pracht, verhevenheid; âiloquent, grandilo-A'M/an^âiloquous^r^ndifo/cM/a's,bombastisch, grootsprekend, opgeblazen, snoevend; âiose, grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en indrukwekkend. Grange, greinz, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buitentje; âr, greinzd', ânze, greinzdraiiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen die direct den inhoud betreffen, overdreven illustreeren. Graniferous, qrdnifdras, graandragend; Grani-form, granifóm, korrelig (alsgraan); Grani-vorous, graniudras, graanetend. Granite, granit, graniet; Granitic = van g. Granny,ry ram, grootje; ook: Grannam, (jrarim. Grant,* r/rdnJ, subst. schenking, gave, toestemstemming, overdracht: There will be a â as prayed = de eisch zal toegewezen worden; 1 claim a â of letters of administration = ik eisch, dat er een administrateur worde benoemd: â verb, geven, schenken,toegeven, toestaan, toestemmen, overdragen: God â him success = God geve, dat hij slage: Let us â it for argument's sake = laten wij het voor een oogenblik aannemen; 1 heg your pardon: âed = ik vraag u excuus; ge hebt het; 1 take it for âed = ik houd het voor bewezen, uitgemaakt; âed you are right = toegegeven, dat; âs-in-aid'= hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij werkstakingen; âable; âer; âee,lt;;rdnti, concessionaris; âor, gr Ante, concessie-gever, schenker. Grantham, granVm. Granular, granjuld, korrelachtig, korrelig; Granulate, granjuleit, tot korrels maken, ruw maken aan de oppervlakte; Granule, granjül, korreltje; Granulous, granjulds, vol korrels. Granville, granvil. Grape, greip, druif; âs = gezwel (oppaarde-pooten); âshot = schroot; âsugar = druivensuiker; âstone = druivepit; âvine = wijndruif; âry = kweekplaats van druiven; ây = als druiven. |
Graphic(algt;, grafik('l), tot de schrijfkunst be-hoorende, krachtig geteekend, j uist beschreven; Graphite, graf ait, potlood; Graphology, f/m-folddzi, de kunst om uit het schrift het karakter op te maken; Graphouieter,örra/'oma?a, hoekmeter; Graphophone = klankschrijver. Grapnel, graprtl, dreg; klein anker. Grapple, grap'l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een strijd), gevecht van man tegen man, dreg; â verb, aanklampen, vastgrijpen, vechten; Grappling iron = enterhaak; âment = worsteling v. man t. man. Grasp, grasp, subst. greep, houvast, bereik; â verb, vasthouden, grijpen, bezit nemen: All â all lose = die te veel in eens wil, komt bedrogen uit; lie is a âlug miser = inhalige vrek; âer. Grass, gras, subst. gras. al het vergankelijke: In the holidays schoolboys go to â = in de vacantie moeten de jongens de wei in; The horses were taken in to â = werden in de wei gedaan = put to â; What made him have iiis horse up from â = waarom heeft hij het p. uit de weide gedaan ? We are at â = wij zijn vrij, kunnen in de weiloopen; lie never Iets the â grow under his feet = hij laat er nooit gras over groeien, hij pakt flink en dadelijk aan; â verb, met gras of zoden bedekken, bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen; âblade = grassprietje: âcloth = graslinnen: âgreen, subst. graskleur; adj. grasgroen ; âgrown = met gras begroeid; âhopper = sprinkhaan: âplot = grasveld: âhand = (nood)letterzetter: âwidow = onbestorven weduwe; â y = met gras bedekt, groen. Grate, greit, subst. rooster, haard, traliewerk; â verb, van rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen, kwellen, krassen, knarsen: It âs upon my ears = het doet mijne ooren pijn; â r, greitd, rasp. Grateful,^reit/u^dankbaar,aangenaam,liefelijk; Gratifieation, grdti/ikeié'n, belooning, genot, bevrediging; Gratify, grati/'ai, behagen, be-loonen, inwilligen,bevredigen, aangenaam zijn: That must be very gratifying to you = daarmede moet gij wel ingenomen zijn. Gratian, greis'n, Gratianus. Grating, greitir\, subst. traliewerk: â verb, knarsend, krassend, hard, irriteerend. Gratis, greitis, voor niets, zonder kosten. Gratitude, gratitjM, (diepgevoelde) dankbaarheid. Gratuitous, gratjüitds, gratis, vrij willig, zonder reden, ongegrond; Gratuity. gratjAiti, fooitje, vrije gift, douceurtje; âness = noodeloosheid. Gratulate, gratjuleit; Gratulation; Grafnlz-tory. Zie Congratulate. Gravamen, graveirrtn, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht. Grave, greiv, subst. graf, vernieling, dood; adj. belangrijk, ernstig, gewichtig, eenvoudig, plechtig, diep (van tonen); â verb, breeuwen, graveeren, beitelen; âclothes, âkloudhz, lijkwa; âdigger, âmaker = doodgraver; ââ¢mound = grafheuvel; âstone = grafsteen; âthoughted = ernstig; A gravened |
man; ask = ask; farm = ftim; b?lt;t = but; learn = l«n; line = lain; hoitse = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; hog = boi;
GRAVEL.
201
GRIDE.
|
voice = doffe, sombere; âyard = kerkhof: âless; âness; âii = gegraveerd. lira vel, grav'l, subst. kiezel, graveel; â verb, met kiezel(zand) bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken: âpit = kiezelkuil; âwalk = laan of pad. met kiezel belegd. Graveliii(e), gramp;vdlin, Grevelingen. Graver, greiva,graveur, graveerstift;Graving, greivin, het breeuwen (van den bodem van een schip), het graveeren. Gravesend, greivzend. Gravid, gravid, zwanger; («ravimeter,gravi-mdtê. speci fieke-zwaartebepaler. Gravitate, graviteit, (aan)getrokken worden, neigen: lie is gravitating towards conservatism = hij helt naar het c. over; Gravitation = zwaartekracht. Gravity, gravity zwaarte, gewicht, belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of aantrekkingskracht: Specifir â = soortelijk gewicht; Centre of â = zwaartepunt. Gravy, greivi, jus, vleeschnat. Gray*, grei, subst. grijze kleur,grijsaard, soort, v. bont; das; adj. grijs, achkleurig, grauw, duister; âbeard = grijsaard, aarden vat (voor dranken); âfly = schapenhorzel; âl'riar = kapucijner monnik; âmare = bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek aan heeft). Grayling, greili^ vlagzalm. Graze, greiz, subst. schaafje of schrammetje; â verb, schaven, langs strijken, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden met; âr = grazend dier; Grazier, greiéd, vetweider. Grease, gris, subst. vet, smeer; â verb, (be)-smeren, omkoopen: We shall let him stew in liis own â = in zijn eigen vet laten gaar koken; âr, grizd, smeerder, smeerlap, Creool uit .Mexico; Greasy, grizi, vettig, besmeerd, zacht, korpulent, grof, vuil; Greasiness. Great, greit, subst. massa, gros: We bought them by the â = wij kochten ze in de massa; A â many = vele: A â deal = zeer veel (vóór enkelv. woorden); A â while = sedert lang; adj. groot, lang, wonderlijk, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste, dik, gezwollen, op- of afgaande graad (in bloedverwantschap; Zie Grand): âgrand-t at her = overgrootvader; âgrandson = achterkleinzoon;----annt = overoudtante: ânephew = achterneef; âcoat = overjas; âgo of âs = laatste examen voor een graad (Oxford); âhearted = dapper, grootmoedig; âseal = grootzegel; â Spirit = naam van het Opperwezen bij de Indianen; He rides the â horse = hij zit op zijn paardje: âness. Greaves, grivz, scheen- of beenplaten (wapenrusting), droesem van gesmolten talg. Grecian, grië'n, subst. Griek. Hellenist, een dei-oudste jongens in Christ's Hospital (Londen): adj. Grieksch; âize, f/rtsanair, Grieksch spreken: Grecism, grtsizm, Grieksch idioom: Grecize, grisaiz, in het Grieksch vertalen, Grieksch spreken, vergriekschen. Greece. Grebe, grib, staartlooze zwemvogel. Gree,.7H, voldoening,genoegen;rang, graad,stap. Greed, grid, gretigheid, gierigheid, begeerig mensch; ây, gridi, gretig, begeerig, schrokkig, gierig (met of); ây-gnt = schrokker, slokop. |
Greek, gr ik, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch: â Church = Grieksche kerk (in de 9e eeuw van de Roomsche gescheiden); He is a good â scholar = hij is knap in het Grieksch; âcross = kruis met vier gelijke armen; âlire = Bengaalsch vuur; âorders = de Dorische, Ionische en Korintische bouworde. Green, grin, subst. het groen, groene vlakte; âs = groenten, het jonge groen; adj. groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel; âback = bankbiljet (Amerika); â cheese = groene kaas: He would make me believe tiiat the moon is made of â cheese = hij wou mij wijsmaken, dat zwart wit is: â verb, groen maken of worden; âcloth = soort v. gerechtshof in het paleis, ter behandeling van alle zaken, het koninklijk huis en zijne onmiddellijke omgeving betreffende: âcoloured = bleek, ziekelijk; âcrop = groenteoogst: âeyed = groenoogig, de dingen verwrongen en verkleurd ziende: The âeyed inonster = dejaloersch-heid: âhand *= nieuweling: âliach = goudvink: âfoil, z. Foil: âfoil smalls = groenkleurige korte broek; âg«ge = de gewone groene pruim; âgrocer = handelaar in groenten; âhorn = sukkel, sul; âhouse = oranjerie, broeikas; âland(er) = Groen-land(er); âsward = grasveld; âwood = woud in den zomer, groen hout; âroom = kamer voor de spelers (in een schouwburg); âsickneHS = bleekzucht; âstall = groen-tenstalletje; âery, grinari, massa groene planten, plaats waar ze gekweekt worden; â hood, gnnhnd, dwaasheid, onwetendheid; âish, grtniè, ây, grini, groenachtig; âth = het groen. Greenwich, grinidz. Greet, grit, subst. geschrei, weeklacht; adj. treurig; â verb, schreien, weeklagen, (be)-groeten, toespreken, gelukwenschen: âer; -ing. Gregal, grig'l, gelijk eene kudde: Gregarian, grigêridn,zich vereenigend,algemeen: Gregarious, grigêrids, in kudden of troepen levend. Gregorian, grijörian, subst. en adj. Grego-riaansch (lied of muziek); Gregory, gregdri, Gregorius. Gremial, grimidl, subst. Roomsche-priester-kleed, dat de schouders en de borst bedekt, en tot aan de beenen reikt; adj. tot schoot of boezem behoorende. Granada, graneidd. Grenade, grdneid,granaat; Grenadier,^gt;'egt;i^-! dio, grenadier. Grenadine, grenddAm, gazige zijden of wollen ! stof voor dames-japonnen. Gresham, greédm; Greville, grevil. Grew, grü, imperf. van to grow. Grewsoine, grits'm, ijselijk, leelijk; ook: Gruesome. Grey, grijs (Zie Gray); âfalcon = soort v. valk: âhound = hazewind, snelvarende stoomboot; â s, (ymz,cavalerie-regiment(omdat de paarden alle schimmels zijn). Grice, grais, speenvarken, jonge das. Griddle, grid'l, pannekoekspan. zeef (met ijzergaas); âcake = pannekoek. Gride, graid, doorboren, wonden, snijden, knarsen, krassen. |
|
bone = boun; full; fool = fnl; a long = loi^; ship = sip; occasion = = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = Jia; okeiz'n; thin; thus = dliBs; wine. |
GRIDIRON.
202
GROOM.
|
Gridiron, yHdaisn* rooster (om op te braden); âpeiidiiinm = compensatie-slinger. grif\ smart, droefheid, hartzeer, fout. beleediging: The bridge lia* come to â = is zeer bouwvallig; lie came to â = het liep verkeerd voor hem af, hij brandde de vingers; (ilrievaiiee, griv'ns, droefheid, krenking, onrechtvaardigheid; Girievaiiee-iiioiiger. âmv.nyo, eeuwige mopperaar, brompot; («riev-anePM = bezwaren, grieven: Grieve, yriv, bedroeven, smarten, krenken, treuren; Cüriev-ohs, (jrtL'ds, smartelijk, moeilijk te dragen, betreurenswaardig, hatelijk, wreedaardig. Ciriffe, yri/'. kind van een neger en eene mulat. rjrifin. Griflon, griffioen (fabel achtig dier); baar (die pas naar Indië komt): âlike. Cürinith, (jrifith. drig, Qï'iy, krekeltje, peuraal: As merry as a â = zoo vroolijk als een vogeltje, erg gezellig. lt;iirill, gril, subst. gebraden vleesch; â verb. braden, roosteren, martelen; âade, yrileid. het braden, enz., al het gebradene, enz. (â rillage. yrilidz, stellage als fundeering voor een pier of werf. (â rilse, yrils, jonge zalm (tweede jaar). Ciriiii, yrim, woest, streng, leelijk, wreed, grimmig ; âace, yrimeis, subst. gelaatsvertrekking: â verb, het gelaat vertrekken, grijnzen: âaeed. lt;gt;rimalkiii, yrimalkin. oude kat. (â rime, yraim, subst. vuile stof, slof, slijk; â verb, bevuilen; (ürimy = vuil. Cürimurs law, yrimzlö, wet der klankverschuiving. lt;]iriii, yrin. subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val; â verb, grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen. drind, yraind, subst. het malen, blokken, -ploeteren: A man cannot be always on the â = kan niet altijd ingespannen wezen, doorploeteren; â verb, malen, slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen, driilen(voor een examen), blokken: He ground â¦he laces of the poor = onderdrukte de armen; Do not â your teeth = knars niet met dé tanden; Two numbers have been ground off the wheel = twee nummers lt;van het tijdschrift) zijn afgewerkt; âer = onderdrukker, maler, maaltand, kies, repetitor, blokker: He took a âer = bracht zijn linkerduim aan zijn neus, en deed met zijne rechterhand, alsof hij een kolfiemolen draaide (als om te zeggen: ik maal er wat om); âery = lt;winkel met) materialen en werktuigen Voor leerwerkers: âing = het malen, maalloon: âing poverty = verpletterende (nijpende) armoede: âstone, graindstoxxn ofgrin(d)st3n, slijpsteen: He has kept his nose to the âstone = heeft zich afgebeuld: 1 have been tied to the âstone dun'Dg the hist weeks = ik ben de laatste weken erg gebonden geweest. iarip, grip, subst. greb, greppel, voor, greep, houvast, griep, naam voor m/Zwmza in Amerika: He had a feeble â of my idea = hij begreep mijn denkbeeld zoowat; Take a good â on that = onthoud dat goed; â verb, droogleggen, greppels graven, grijpen, goed vasthouden: âsack = reis- of knapzak: âple, grtp'l, subst. greep, houvast; adj. grijpend, inhalig. |
Caripe, graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt, knauw, klauw, druk. smart, verachtelijke vrek: â verb, grijpen, goed vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afperken, te kort bij den wind liggen: âs = koliek, snijdingen in den (onder)-buik, bootkrabbers: He felt griping pain» in the belly = ondragelijke buikpijn; âr. graipd, afperser, onderdrukker. lt;irif|uas, tvricas. yrikdz, Z. Afr. stam. nakomelingen van Nederl. kolonisten en vrouwelijke inboorlingen. (â rise, gr ais, trap, stoep. Iiriselda, grisekü, («ris.sel. grisl, Griselda. (ariseous, grizids, grauw, grijsachtig, türisette, grizet, meisje uit de lagere (Fransche) klassen. CüriHly, grizli, akelig, vreeselijk, afschuwelijk, (â riso'n, grtz'n, soort v. wezel (Brazilië), (â risoiis (The), dlwgrts'nz, (bewoners van) Grauwbunderland. (â rist, yrist. maalkoren, gemaald koren, voorraad: Such things bring â to his mill = zulke zaken brengen hem voordeel aan (zijn koren op zijn molen); âmill = korenmolen, (â i'istle, gris'i, kraakbeen; (üristly = kraakbeenachtig. (â rit, grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijk meervoud), grof deel van meel, gruis, ruwe deeltjes, vastberadenheid, moed: They had not â enough to do it = zij hadden geen flinkheid genoeg; Her father i» full ofâand go = is een kranige, vooruitstrevende kerel; â verb, knarsen, krassen, wrijven; âstone = grof soort v. zandsteen; âty = gruis bevattend, korrelig, hard, flink,* kranig: A â ty novel = flinke, mannelijke roman: The âtiness of Ihm langustge = beslistheid en flinkheid van zijne taal. (â rizxle, griïl, grijs worden; âd = grijs, grauw, geschimmeld. (â rixzly, grizli, subst. (grijze) beer: 1 will «end you a «kin, if I have any luck with the grizzlies = ik zal eene huid zenden, als ik succes heb op mijne berenjacht; adj. grijsachtig; âbear, (ilrisly-bear, N. Amer. beer. (â roan, groun, subst. g'ekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen gevend); â verb, kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt worden, brommen (om af keuring uit te drukken). (iroat, grout, groot (munt van ongeveer vier stuiver), kleinigheid. (â roat«, grouts, grutten. Grocer, grouso, kruidenier; ây = kruidenierswinkel; â ies = kruidenierswaren, (â rog, grog, sterke drank met water; âbloM-som = roode neus of gezicht (van het drinken): âshop = kroeg (met vergunning) = âgery; âgy = dronken, met de voorpooten zwaaiend bij het loopen (van paarden). (â rogram. grogr'm, subst. grove zijden stof: adj. van deze gemaakt. (üroin, gróin, lies, hoekboog gevormd door de snijding van gewelven; â ed. (irom(ni)et. grnmdt, strop (van een zeil), prop van touw tusschen kogel en kruit. (â room. gnhn, subst. stalknecht, bruidegom. |
man; ask = ask; farm = fam: b/(t = bwt; learn = Iwn: line = lain: hoitse = hans; net: care = kca: fate = feit; tin; asleep = dslip; not; \aw = ló; lord = löd; hoy = bói:
GROOVE.
203
GRUDGE
|
kamerheer: â â¬gt;f the Htole = opperkamerheer; â verb, (de paarden) verzorgen: He was well âeil and trimly clad = zag er welgedaan uit en was keurig gekleed: â H-inan = jonker van den bruidegom. Ciroove. grüv, groef, voor, levensloop, sleur: He had got into the â »1* that kind ol' life = hij was aan dat soort van leven gewoon geraakt; Teaehiiijs; tend» to Tall into âh = onderwijzen wordt gemakkelijk sleurwerk; A â in teaching is fatal = sleur bij hetol is noodlottig; â verb, groeven of voren maken; âd. (â¢rope, group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden (ook met hack), in den blinde rondtasten: She had heen gt;valking; in âlight towards a precipice = zij was tastende (in het donkere) op een atgrond toegegaan. (â roschen, (ironè'n, Duitsch muntstukje (ongeveer 6 cent). (â ross, rjroifs. subst. gros, massa, geheele hoeveelheid: We bought it by the â, in (the) â == wij hebben de geheele massa opgekocht: adj. grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom. suf, laag, plat, gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto (tegenover net): âheaded = dom, stomp; âweight = brutogewicht: âifica-tion, (irousifikeis'n. dikmaking, dikwording. Cürossnlacons, grosiuleiëos. tirossnlar, gro-siidd, tot de (kruis)bessen behoorend. (â rosvenor, grouvdnd. (â rot, grot, grot. (â rotesqne. grotesk, subst. grillig gevormde figuren, etc., kunstmatig grotwerk, vette letter; adj. grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk, (â rotins. grousos, Hugo de Groot. drotto, grotou, subst. grot, hol; â verb, bedekken (kunstmatig): âwork = kunstmatig grotwerk. (â round, graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste 'bodem, basis, reden, achtergrond, speelgrond, eenvoudig lied, grondtoon (â8 = tuin bij een huis; gronden of eerste beginselen, droesem, grondsop, grond-kleur: The âs will be cleared at ten = de tuin of het park wordt om 10 uur ontruimd): We have broken â already = wij hebben al een begin gemaakt: The plan lias lallen to the â = het plan is in duigen gevallen; lie has cut the â from under my feet = hij heeft mij het gras voor de voeten weggemaaid: We have gained â = wij hebben succes gehad, zijn vooruit gekomen: That idea seems to gain â = schijnt veld te winnen, algemeen te worden; They have lost â = zij zijn achteruit gegaan, hébben hun aanzien verloren: Our troops bravely stood their â = onze troepen hielden moedig stand; imperf. en p. van to grind: â verb, op of in den grond plaatsen, vellen, grondvesten, stichten, onderwijs geven in de beginselen, aan den grond of vast raken (schepen): He is well âed in that branch = in dat vak goed onderlegd; â arms = zet af 't geweer: â angling = peuren (d. i. visschen zonder dobber): -âash = jonge esch; âbailiff = mijnopzichter: âbait = vischaas (gekookte gerst of mout): âbridge = brug van houten dwarsliggers door eene moeras (Amer.; Zie |
Corduroy-road); âfloor = benedenverdieping; âice = grondijs; âivy = aardveil, kruipklimop, eilof; âoak = eikenboompje: âplan = platte grond; âplate = laag getimmerte, waarop het huis rust. drempel: âplot = platte grond, bouwterrein; ârent = grondpacht; âtackle = ankertouwen, grondtakelage; âtier = benedenloges (in een theater); âswell = deining, beweging van het water onder de oppervlakte: âwork = grond, grondslag, grondbeginsel; âage, graund id z, havengeld: âling = grondeling, grondvischje; âsel, graundsl, getimmerte, waarop het andere rust. (â roup, griip, subst. groep, vereeniging.familie (bij classificatie), carré: The (â ermaiis formed âs = carrés; â verb, groepeeren. tirouse, gratis, korhoen, sneeuwhoen (Red â). (â rout, grant, gruttenmeel, dik bier, soort v. wilden appel, natte mortel, stukadoorskalk (âs = droesem); â verb, met grout vullen; ây, grauti, norsch, boos. («róve, grouv, boschje (zonder struikgewas), groep boomen, heilig woud. (ürovel, grovl. (op de aarde) kruipen, verachtelijk zijn; âIer = kruiper. (â row, grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen, aankleven, kweekeu, voortbrengen: The book âs upon the reader = des lezers belangstelling in het boek neemt bij het lezen toe: Drinking will â upon a man = de gewoonte van drinken wordt gewoonlijk sterker: The leaf âs out of the stem = het blad komt voort uit den stengel: He âs a moiistachc = laat zijn snor staan: They have ân together = volkomen één gewórden: He grew up to manhood = hij bereikte den mannelijken leeftijd; The âing-ups == aankomende jongelui; âer = groeier, verbouwer; ân = gegroeid, tot volle rijpheid ontwikkeld: A full ân man = volwassen man; The ground was ân over with weeds = bedekt met onkruid (Zie Overgrown): âth, grouth, groei, toeneming, gewas, aanwas,voortbrengsel. oorsprong. (â rowl, graul, subst. geknor, gebrom, geklaag; â verb, brommen, snauwen, knorren; âer = brompot, huurvigelante (in Londen). Grub, grvb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en slordig persoon, voedsel: He knelt down a â, and rose a butterfly = toen hij knielde was hij een plebejer.* toen hij opstond was hij een ridder: He is fond of his â = hij houdt veel van eten; â verb, (op)graven, ploeteren, knechten-werk doen, eten: Money-grubbing = geld bijeenrapend: A âhing pace = moeilijke stap; â hing = het opgraven, eten, enz.; â(bing)-axe = soort v. schoffel; âbing-hoe = houweel: To â up = met de wortels uithalen; âby = onzindelijk, vuil. (â rub Street, grnbstrlt, subst. de tegenwoordige Milton Street (in Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden, dus: een i nietswaardig letterkundig product, of arme schrijvers; adj. laag, min, nietswaardig, (â rudge. grvdz, subst. wrok, haat, afgunst: He bears me a â = heeft een wrok tegen mij; â verb, wrok koesteren, onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen |
bone = boun; full; fool = ful; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; //ear = .jia; \ong = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; tlms = dims; wine.
GRUEL.
204
GULP.
|
aanzien, aanmerkingen maken op: lie âs liiitiHell' nothing = ontzegt zich niets; He â» me flie light of my eyes = hij gunt mij .... niet; âr = afgunsti'ge, brompot. ftruel, (ji*üol, gekookte gort, pap: 1 have given him his â = ik heb hem zijn vet gegeven. (â ruesome. fjnis'm. Zie CarewHome. GrufT. gvDf\ norsch, barsch, ruw; ânes». (â rugrii. gnigrü,de larve v. d.palmboomklander. Grum, grrnn, norsch, barsch, knorrig. Cürumble, gmmb'l, subst. klacht (âs = ontevreden aard): lie had a â to himself = mopperde inzichzelf; â verb.morren, grommen, rommelen; âr = knorrepot, brompot. Iirumose, grnmous, Ciruinous, grümds, geklonterd, geronnen; Griimoiisiiess. Grumpy, gmmpi, norsch, brommerig. Grundel, gmntfl, grondeling. Griindy, grondi] Mrs. â = de kritiseerende, kwaadsprekende wereld: What will Mrs. â say? = wat zal de wereld er wel van zeggen? (â ruilt, grvnt, subst. geknor; â verb, knorren, brieschen, klagen, brommen; âer; âling = jong varken. Gruyere, grüjêd, soort van kaas (gemaakt in Gruyère, Zwitserland). Grysbok, grizbok. Zuid-Afr. antilope. füuano, gwünou, subst. guano; â verb, met guano bemesten; Guaiiiferous, gwdnifdrds, guano opleverend. Guarantee, gar'nti, subst. waarborg, borg, zekerheid; â verb, waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor: This âs you in the possession of your property = waarborgt u het bezit uwer goederen; Guarantor,yar'nJö, borg: Guaranty, gar'nti', Zie Guarantee. Guard, gad, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), horlogeketting, rand, zoom, vuurscherm (âs = garde in het leger): He put me on my â = waarschuwde mij; He threw me oir my â = hij deed mij mijne kalmte verliezen*; I am olf my â = ik ben niet op mijne hoede; Be (stand) on your â = wees op uwe hoede, omzichtig; The soldiers mounted â = betrekkende wacht; The â was relieved = de wacht werd afgelost; The advanted â had to delend the bridge = de voorhoede moest de brug verdedigen; â verb, bewaken, behoeden, beschermen, zich hoeden: You must â against mistakes = gij moet oppassen voor fouten; âboat = wachtboot; âhouse = wachthuis: âroom = wachtkamer (voor soldaten), politiekamer (id.); (N.B. Wachtkamer in stations = Waiting-room); âship = wachtschip, romp; âed(ly) = omzichtig; â ian, güdfn, voogd, opziener, bewaarder, geleider: â ians of the poor = armvoogden; âian-angel = beschermengel; â iansliip; âsman, güdzm'n, bewaker, officier of soldaat van de garde. Gude-wife. güdiunif, huisvrouw (Schotl.). Gudgeon, gvdïn, subst. grondeling, spil waarop het roer draait, sukkel, lokaas; adj. vraatzuchtig, onverzadelijk. Guelders, gelddz, Gelderland. Guebre, Gueber, gibd, subst. vuuraanbidder; adj. tot de vuuraanbidders behoorende. |
Guelph, Guelf, gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z. Ghibelline); âic = tot de Guelfen behoorende; â ic-order == ridderorde voor het oude Hannover (in 1815 ingevoerd). Guerdon, gnd'n, belooning. Guer(r)illii. gorild, guerilla (ongeregelde oorlog tusschen kieine troepen; beunhaas, knoeier. Guerite, garit, kleine wachttoren (aan een bastion). Guernsey, gvnzi, nauwsluitend gebreid of geweven wollen hemd; het eiland G. Guess, ges, subst. gis. gissing: He gave a â at it = hij raadde er naar; â verb, gissen,, onderstellen, raden: He âed at it = hij raadde er naar; âwork = gissing, onderstelling^ 1 â = ik geloof (Amer.). Guest, gest. gast, logeergast; âwise. Gulla w, f/»/o, subst. luide lach: â verb, brullen (van lachen). Guggle, gug'l. Zie Gurgle. Guidable, gaidoVl, leidzaam, bestuurbaar; Guidance, gaid'ns, geleide, richting, bestuur; Guide, gaid, subst gids, geleider, bestuurder,, regulateur, reisgids: âbook = reisgids; â board = wegwijzer: âpost = wijspaal, wegwijzer: âr = leider (Zie ook: Guldon). Guidon, gidot^ vaandel, vlag, vaandeldrager. Guild, gild, gilde, vereeniging: âbrother = gildebroeder: âhall = gildegebouw, groot gebouw (stadhuis) in Londen; âer = gulden (Nederl.): âry = gilde, leden van een gilde. Guildford, gilfdd. Guile, lt;/«*7, bedrog, list, valschheid: âr = bedrieger; â fill; âless. Guillotine, gitetin, subst. guillotine; â verb, guillotineeren. Guills, gilz, goudsbloempje. Guilt, gilt, schuld, misdaad; ây = schuldig: He was ây of that theft = schuldig aan dien diefstal; He looked â y-like = hij zag er uit, alsof hij schuldig was: âless. Guinea, gini, subst. guinje (21 sh.; deze munt bestaat alléén nog als rekenpenning). Guinea: adj. v. Guinea; âcorn = gierst (ook Millet genoemd); âfowl = paarlhoen: âpig = Braziiiaansche rat, soort v. marmot; âpepper = Spaansche peper. Guinevere, gwindv(i)d, Ginevra. Guise, f/air, mode, uiterlijk voorkomen, manier: In the â of = bij wijze van. Guitar, gitd, guitaar. Gular, gjüld, tot de keel behoorende. Gulch, gvls, diep ravijn (Amer.). Gulden, guld'n, Oostenrijksche florijn. Gules, gjulz, rood, keel (op een wapenbord). Gulf, gvlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil, laatste op de lijst der geslaagden (Cambr.); âstream = golfstroom. Gull, gvl, subst. zeemeeuw, sukkel, onnoozele hals; â verb, bedriegen, beetnemen; âible = gemakkelijk beet te nemen. Gullet, f/»^, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd). Gully,#»/*, subst. geul, sloot, tramrail; â verb, met geraas stroomen; âhole = rioolgat. Gulp, gvlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking; â verb, met groote teugen inzwelgen, slokken: He âed up what he had taken = braakte uit; They are a brace of giilpiiigs = stelletje drinkebroers. |
man; ask = ask; farm = fam; bitt = but; learn = l«n; line = lain; hemse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = «slip; not; \aw = 16; lord = Hid; hoy = bói;
GIVE.
205
GUM.
|
lt;ium, (jvm, subst. tandvleesch, gom: â verb, met gom bestrijken of vastkleven, gom vormen; âarabic = Arab, gom; âboil = zweertje op het tandvleesch; âeinstic = caoutchouc; âranh = spruw, roode gom; âtree» = soorten v. Eucalyptus, waaronder bliie-giiiiiH, inheemsch in Australië, het Z. van Afrika en de Transvaal; âmy = gomachtig, kleverig, gom bevattend: That i» âmy = bijna ongeloofelij k, en toch waar. dump, fjvmp, sul, dwaze kerel. niiinptioii,i(/»mpS'n, gladheid, scherpzinnigheid, kleurmengingskunst: The boys had to write a â paper = opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen: Ciluiiiptioiis, gmnpéds, glad, vaardig, bij de hand. dun, yvn, sabst. geweer, kanon, aanzienlijk persoon: lie isa bis â = invloedrijk persoon, groote hans; Son of n â = lamme vent; It was blowing; great âs = het stormde dat het een aard had: It is as sure as a â = zoo zeker als 2 X 2; The â s were brought to bear on the enemy's ships = de kanonnen werden op's vijands schepen gericht; We spiked their âs = wij vernagelden hunne kanonnen; â verb, op de jacht gaan, met een vuurwapen schieten; âbarrel = loop van een kanon of geweer; âbattery = batterij (van kanonnen): âboat = kanonneerboot: âcarriage = affuit; âcotton = schietkatoen; âlire = uur, waarop 's morgens of 's avonds het kanon wordt afgeschoten; â metal = geschutmetaal; â ner, anno, kanonnier, konstabel; âner's ladle = laadlepel; ânery, gnndri, kunst het geschut te bedienen; âpowder = buskruit, fijne groene thee: The âpowder Plot = samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te doen springen; âreach = kanon-of geweerschotsafstand: lie is within âreach == op kanon- of geweerschotsafstand; He is within âreach (ook: âshot) = hij is onder schot; ârod = laadstok; âroom = kamer opeen der benedenste dekken van een oorlogschip: âshot = het afschieten, het schot, de afstand van een kanon of geweer; âNinith = geweermaker: âsmithery = geweermakerskunst, -vak: âstock = 'geweerlade; âtackle = geschuttalie. diinnel. yvril, dolboord, hout (met roeigaten) van eene boot. dunn(egt;y. fjuni, grof zaklinnen. fiunter's chain, gvnteztëein, landmetersketen. Cüunwale, gnn l (Zie dunnel). durgle, gfyfl, subst. geklok, gemurmel; â verb, klokken, murmelen: The delicious giirg-giirgling from our bronze fountain = het heerlijk geklater uit onze bronzen fontein; A ât of water = waterbron. Ciiirnaird, günad, (inriiet, gumt, knorhaan. Cüush, guè, subst. krachtige stroom, uitstroo-ming, uitbarsting, overdreven taal of gevoel: All this is not â. it is the honest truth = dit is volstrekt niet overdreven of onwaar, het is de waarachtige waarheid: 1 am not a âer, but I must tell you how iniicli I like you = ik ben geen overdreven gevoels-mensch, maar ik moet u zeggen, hoeveel ik van u houd: â verb, krachtig (uit)stroomen, snel en mild vloeien, overdreven en sentimenteel zijn, ophakken: She âed about Liszt = zij sprak of schreef met overdreven vuur (en sentimenteel) over L.; She was conceited and â ing = zij was pedant en dwaas sentimenteel. |
Gusset, gnsot, geer, inzetsel, belegsel. (»ust, gvst, windruk, vlaag, uitbarsting (van drift), smaak; âation, gosteiamp;n, het proeven of genieten: âatory, gostotori, tot den smaak behoorende; âatory â¢nerve = smaakzenuw: âo, gostou, smaak, genot (vooral intellectueel)-, ây = stormachtig, winderig, woest, (â ustaviis.' gdsteivds. Gut, gvt, subst.darm, ingewand, snaar: âs = de maag; â verb, van de ingewanden ontdoen, leegplunderen. Gutta, gntd, druppel (vooral in samenstellingen): âpercha = guttapercha. Guttate, gnteit, met droppels besprenkeld, (â utter, guto, subst. goot, geul, vuil, modder, riool; âsnipe, âsnippet = straatjongen (die geen thuis heeft); â verb, geulen maken, goten vormen, afloopen (van eene kaars), in druppels neervallen: A âing paper = onzedelijk, vuil blad; âspawned = slijkvoort-brengend, verachtelijk en onzedelijk. Guttiferoiis, gvtifdrds, gom opleverend. Giittiform, gutiföm, druppelvormig. Guttle, gnt l, haastig verzwelgen, zuipen. Guttural, gutdr'l, subst. keelletter, keelklank; adj. tot de keel behoorende; Gutturize, gnte-rair, in de keel vormen. Guy, gai, topreep (d. i. een touw, om een voorwerp onder het ophijschen vast te houden en vastheid te geven), vogelverschrikker, leelijke fantastische pop (ter herinnering aan Guy Fawkes en het Gunpowder Plot); voorwendsel: He did a â and bolted = hij wendde iets voor (b.v. dat hij noodzakelijk weg moest) en ging ervan door : â verb, met een touw (onder het ophijschen) vasthouden, belachelijk maken: He was âed unmercifully = hij werd ongenadig uitgelachen. Guyón, gaidn. Guzzle, gnz'l. snel drinken, zuipen: âr. Gybe, dzaib. Zie Gibe. Gyinnasiarch. dzimneiziak, Grieksch ambtenaar, die het opzicht had over de athleten en hen betaalde. Gymnasium, dzimneiz'm, worstelplaats.gym-nastiekschool, inrichting van hooger onderwijs. Gymnast, dzimndst, gymnastiekonderwijzer o'f-beoefenaar; âics, dzimnastiks,nth\eüsche oefening, gymnastiek; An artistic âic = kunstgymnastiek. Gymnotiis, dzimnoutds. soort v. weekvinnige visschen; â electricus = sidderaal. Gypseous, dzipsids,gipsachtig; Gypsiferous. dzipsifaras, gips bevattend: Gypsoplast, dzipsoupUxst. gipsafgietsel: Gypsum, dtips'm, Gyps(e)y, dtipsi. Zie Gipsy.' [gips. Gyrate,' dzaireit, omwentelen, ronddraaien: Gyre, dzaid, subst. kring, omwenteling; â verb, omwentelen; Gyration. Gyroscope, dzairdskonp, instrument, dat de ronddraaiing der aarde aanschouwelijk voorstelt; Gyrus, dzairds. omwenteling. Gyrfalcón. dzvfók'n. giervalk. Gyve, dzaiv, subst. boei. keten (gewoonlijk voor de beenen): â verb, boeien, verstrikken. |
|
bone = boun; full; fool = ful; a = long = loi^; ship = sip; occasion = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: ?/ear okeiz'n; thin; thus = dhus: wine. = .lia; |
HAIR-OIL.
H.
206
H.
lt; koetsier = verhuurder van paarden en rijtuigen = Jobmaster): âman = huurkoetsier. Haddock, hadak, schelvisch.
Hade, heid, subst. steile ingang van eenemijn;
â verb, hellen (van mijnaderen).
Hades, heidiz, schimmenrijk.
Ilaema, hima, in samenst. bloed- of bloeds-; âchrome, himakroum. kleurstof van het bloed; liaeinorrhage, hamaridz, bloeding uit het hart of de bloedvaten; liaemorrhoids, hemaróidz, aambeien.
Ilarile, haf 7, stamelen, hakkelend en onduidelijk spreken.
Ilafiz, hdfiz. den Koran van buiten kennende (Perzische titel).
Haft, haft, llel't, heft, subst. handvat, hecht, heft, woning, gevangenschap; â verb, in een heft zetten, van een heft voorzien.
Hag, hag, subst. heks, too verkol, furie; â verb, schrik aanjagen; âridden = aan nachtmerrie lijdende: âseed = kroost van eene heks. Haggard, hagad, woest, verwilderd, bleek uitziend; â ly.
Haggis, hagis, fijn gehakte schapekop met ; hart, lever en longen; een Schotsche schotel j van schapeningewand met uien, en gekookt in eene schapenmaag.
Haggle, hag'l, knibbelen, afdingen; â r. Hagiographa, hadziografa, een gedeelte van het O. Testament (Psalmen. Spreuken, Job, Hooglied, Ruth, Jeremia, Prediker, Esther, Daniël, Ezra, Nehemiah en Kronieken 1 en II): -I.
Hagiology, hadzioladzi, werk over de levens van (R.-K.) heiligen.
Hague (The), dhaheig, 's-Gravenhage. Hah, hó, uitroep van verbazing, inspanning, etc. Ha-ha. hfihd of hóhó, heg tusschen hellingen. Hail. heil. subst. hagel, aanroep, welkomstgroet: He is within â = hij kan beroepen worden, is vlak bij de hand, is binnen het bereik van de stem; That man is â fellow well met with all people = hij is met alien op intiemen voet; â verb, hagelen, aanroepen (op een afstand), praaien, begroeten, verwelkomen: The ship was âed by us = gepraaid; Where do you â from = komt gij vandaan waaien?; This dictionary âsfrom America = dit woordenboek is een Amerikaansch voortbrengsel; They sang a â Mary! = een Ave Maria; interj. heil!; âstonê = hagelsteen; â«shot = schroot.
Hair, hêa, haar, iets zeer fijns, zeer kleine afstand, kleinigheid: It i» my friend to a â = het is mijn vriend opentop, tot op een haar (Zie Shade); Within a hair of' = op een haar na; Let us not split âs = laten wij niet haarkloven, vitten, etc.: âbreadth = haarbreedte, zéér kleine afstand: It was a
ii. eitis: Haiupsyhire) = Hantn. lleb(rews). 1 Hert{ford)s(hire), Ji(is of Her) Jüritannic) Miajesty). H{ts of Her) It(oyal) ll(iffhness), Uon(ourable), IIlid = Hogshead{s), Misthorn\ Hier) M^ajesty's) S{eruice), li. I*. = half-pay ^ horse-power) lluny{ary), Jlmid{red), H u iif(ing don )s{ h ire). 11 //poth( esis).
Ha, hd. subst. uitroep van verbazing of vreugde, bij herhaling van gelach; â verb, verbazing of vreugde uitdrukken, aarzelen: lie liiiiiiined and â'ed, be lore he replied: He was an enemy to beating about the bush, hnm-
ining'and â'ing; His inaiiner is very6---'
= hij doet altijd zeer verbaasd, is erg opgewonden. enz.
Habeas corpus, heibidsköpds, bevelschrift om een gevangene ter onderzoeking voor te brengen met opgave van dag en reden zijner arrestatie en gevangenhouding.
Haberdasher, habadasd, kramer, handelaar in manufacturen en nouveautés; ây.
Haberdine, habddnin, labberdaan (gezouten en gedroogde kabeljauw).
Ilabiliinent, hübilim'nt, kleeding, kleed (gewoonlijk âs).
Habit, habit, subst. gewoonte, neiging, hebbelijkheid, persoonlijk aanwensel, kléeding, kleedij, rijkleed, lichaam, habitus, houding, uiterlijk: He was in (got into) the â of swearing = hij was gewoon (wende zich aan) te vloeken; By â = uit gewoonte; â verb, kleeden; âshirt = chemisette; âed = gekleed.
Habitable, habitabl, bewoonbaar; âness: Habitant, habiVnt^ bewoner (vooral van Z.-Canada); Habitat, habitat, natuurlijke woonplaats of plek voor dier of plant; Habitation, h-Abiteisn. bewoning, bewoond zijn, woning, loge van de Primrose League (eene staatkundige, conservatieve partij in Engeland).
Habitual, hdbitjudl, gewoonlijk, voortdurend: Habituate, hdbitjueit, gewennen, bekend maken; Habitude, habitjM, gewoonte, bekendheid, hebbelijkheid, geschiktheid.
Hack, hak, subst. houw, snede, kerf, huurknol, broodschrijver, rek (om visch te drogen), stapel steenen (om te drogen), mestvork, ruif; â verb, hakken, houwen, radbraken, kuchen, verhuren, algemeen worden: A âIng cough = droge kuchhoest: adj.gehuurd; âinlt;chief = hoofdredacteur (spottend).
Hackee, haki, N.-Amer. eekhorentje.
Hackery, hakdri, tweewielige ossenwagen in Indië.
Hackle, hak'l, subst. hekel, ruwe zijde, hane-veer, kunstvlieg (aas voor het visschen); â verb, hekelen, vaneenscheuren: âr.
Hackney, hakni, subst. rijpaard, huurpaard, huurrijtuig, duivelstoejager, huurling; adj. verhuurd, alledaagsch, laag, verachtelijk: A âed subject = afgezaagd, dood gewoon en algemeen bekend onderwerp; âcarriage, âcoach = huurrijtuig, huurkoets; âcoachinan = koetsier van een huurrijtuig (N.B. Huur-
â breadth escape = wij brachten er nog net het leven af; âbrush = haarborstel; âcloth = haren stof; â-dresser = kapper; âlace = haarlint; âline, âstroke = op-haallijn (in 't schrijven); âoil = haarolie,'
man; ask = ask: farm = fiim; but = but; learn = Iwn; line = lain; hoase = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; bof/ = bói;
HAMSHACKLE.
207
HAKE.
|
âpencil = fijn penseel; âpin = haarspeld; âpointed = met fijne, teere punt: âpowder = haarpoeder (wit); âshirt = haren kleed; âsplitting = subst. haarklooverij; adj. vitterig, haarkloovend; ây, hêri, met haar bedekt; âless. Hake, heik, leng (stokvisch). Ilaklnyt, hak lilt-, Hal, ha I, fam. voor Harry of Henry. Halberd,' halbad, hellebaard; âier, halbodid. hellebaardier. Halcyon, halsidn. subst. koningsvisscher. ijsvogel, kalmte, rust; adj. kalm, rustig: That wa» in my âday» = dat was in mijn kalmen, gelukkigen tijd. Hale, heil, adj. gezond, flink, kloek: 1 am â and hearty = frisch en gezond; â verb, sleepen, krachtig trekken; ânesw. Half, haf, subst. helft, gedeelte: That*» not â had = dat is lang niet kwaad; He tore the letter in â = in tweeën; adj. half: â andâ = subst. mengsel van twee bieren (vooral porter en ale), onoprecht mensch; adj. zonder pit. kwijnend (llalve»: 1 will go yon halve» in a »iipper = ik zal half m'et u meebetalen aan een souper; He cried halve», when 1 round the guilder = hij riep âbuit half', toen ik den gulden vond; Do nothing by halve» = doe niets ten halve); âbaked = halfgaar, sullig; âhapti»ni = nooddoop (bij Katholieken): The child wa»âbaptized = ontving den nooddoop; âbinding = half leeren band; âblood = verwantschap tusschen twee, die alleen één zelfden vader of ééne zelfde moeder hebben, halfbroeder, halfzuster; âblown = half ontbot; âbound = in half leder gebonden; âbred = laag, verachtelijk, onbeschaafd; âbreed, subst. kind van een Europeaan en een Indiaan; adj. van gekruist ras; âbrother = halfbroeder: âcaste = kind van een Hindu en een Europeaan; â cock = de stand van den haan, die half afgegaan is: They went ofl' at âcock = zij lieten het halverwege steken; âcrown = Eng. zilveren munt van f 1.50; âdead = bijna dood; âface = gelaat âen profilquot;; âhe irted = lauw, onverschillig; âlength = kniestuk (portret); âpart = half deel: âpay, subst. nonactiviteitstraktement; adj. op nonactiviteit; âpenny, heip'ni, halve stuiver; âpennyworth *= waarde van 21/2 c.; âprice *= halve prijs of verminderde prijs; âseasover = half dronken, aangeschoten; â»i»ter = halfzuster; â»tarved = slecht gevoed, half verhongerd; â»word = de halve lengte van een zwaard: The enemies were at âsword = op de halve lengte van een zwaard, dus: handgemeen: âtime = het vereischte aantal schooltijden; âtimer = een kind, dat de lagere school slechts vijf schooltijden per week behoeft te bezoeken; âway = halverwege; âwgt;tted = zwak van denkvermogen, zielig^ sukkelig; âyearly = zesmaandelijks(ch). Hal lord, halfdd. Halibut, halibdt, llolibut, holibdt, heilbot, schol. Halilax, halifdks. Ilalitiions, hdlitjuds, op adem of damp gelijkend. Hall, hol, groote zaal, vergaderzaal, rechtszaal, I eetzaal (universiteiten), huis, vestibule: A â = ruimte! uit den weg daar!: âmark = stempel, keur, bewijs van echtheid. |
Hallam, halam. Hallelujah, halilujo, subst. lofzang; adj. daartoe behoorende; âlass, âlas, vrouwelijk dienstdoend lid van het heilsleger. Halliard, haljail. Zie Halyard. Halloo, hdlii, Halloa, holou, subst. roep, kreet (om aan te sporen, enz.); â verb, luid roepen: Do not â before yon are out ot'the wood = men moet geen ho! roepen vóór men over de brug is; interj. uitroep: hola, allo! Hallow, /»«ton, heiligen, wijden: âe'en,âin, avond voor Allerheiligen: âmas = Allerheiligen. Hallucination, halüsineiè'n, dwaling, zinsbedrog, zinsbegoocheling. Halm, hom. Zie llanlm. Halo, heilon, lichte kring om zon of maan,, stralenkrans, heiligenkrans. Halt, holt of hólt, subst. stilstand, halt, het kreupel zijn, kreupelheid, ziekte bij schapen; adj. kreupel; â verb, halt houden, kreupelen,, mank gaan, dralen, gebrekkig zijn, té kort schieten; interj. Halt!: He was obliged to call a â = hij was verplicht halt te quot;roepen (i. e. hij kon niet meer); âingly = gebrekkig.. Halter, holte of hól to, subst. kreupele; halster, touw, strop; â verb, een halster aandoen of er mede vastbinden. Halve, hdv, (in tweeën) deelen. Zie Hall'. Halgt; 'ard, haljdd, val (d. i. takel of touw om ra's, zeilen of vlaggen op of neer te halen). Ham, ham, achterdeel der knie, plaats waar been en dij samenkomen, ham. Ham, ham, Cham; Hamilton, hamilVn;. Hamitic, homitik, van de nakomelingen van Cham of hunne taal. Hamadryad, hamodraidd, boomnimf. Hame, heini, haam (deel van het halsgareel van een paard). liamirorm, heimifóm, haakvormig. Hamlet, ham lot, gehucht, dorpje. Hammer, hamo, subst. hamer: They fell to-work (like) â and tongs = zij gingen met alle kracht aan het werk; The goods were-brought to the â and paid on the nail = de goederen werden openbaar geveild en contant betaald; â verb, hameren, slaan, smeden, met moeite uitwerken, volhardend aanvallen: I'll be âed if I do it = je mag op mij schieten als ik het doe; 1 have âed it out at last = ten laatste ben ik er achter, eindelijk begrijp ik het; He is always â ing. at it = hij geeft het niet op; â-axe = werktuig, aan de eene zijde hamer, aan de andere bijl; âdre»»ed = met een hamer bewerkt: âcloth = kleed van den bok van een rijtuig: âer, âman = iemand, die den hamer hanteert; âhard(cn) = koud metaal door hameren harden; â(i»h = hamer(visch);; â»tone = hamer uit de steenperiode. Hammock, hamdk, hangmat; âchair = stoel met linnen zitting en rug; ânettings = plaats, waar de hangmatten overdag worden, geborgen. Hamper, hampd, subst. grove sluitmand,. kluister, boei; â verb, in eene sluitmand doen, beiemmeren, boeien, in de war brengen. Hamshackle, hamëa.k'l, den kop (van os- |
bone = boiin: full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia^ lony = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; ï/ius = dhus; wine.
HANDICAP.
208
HAMSTER.
|
of paard) aan een der voorpooten vastmaken. Hamster, hamstd. veldrat, hamster. Hamstring, hamstrb\, subst. kniepees; â verb, verlammen door het doorsnijden der kniepees. Hamular. hawjute, haakvormig. Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling, bekwaamheid, acte; deel, rijde, kant, werkman, tabrieksarbeider, matroos, ingewijde; schrift, kaartspel, een der spelers, vijf (van een artikel dat verkocht wordt), pak tabak; It was agreed to on (at) all âs = het werd algemeen goedgevonden; âs off = afblijven! My sword was at â = bij de hand, dicht bij; I have received many kindnesses at your â(sgt; = ik heb veel beleefdheden van u ondervonden; The child was brought up *gt;y â = het kind werd met kunstmatig voedsel groot gebracht; He sent his reply by â = hij zond antwoord met een bode; He was taken in â by the Judge = hij werd door den rechter onder handen genomen; They go â in â = zij houden het samen, helpen elkander; We have the matter in â = wij zijn bezig, de zaak voor te bereiden of uit té voeren; Payment in â = contante betaling; This horsê is light in â = gemakkelijk te beheerschen; We have no stock on â = geen voorraad voorhanden; He has got quite out of â lately = hij is in den laatsten tijd geheel buiten den band geraakt; He did it out of â = dadelijk, onmiddellijk; My âs are clean = ik ben onschuldig: i have come out of* this business with clean âs = er ds mij niets aan mijne handen blijven hangen, ik ben eerlijk gebleven; They went Trom â to â = van den een tot den ander; These people live from â to mouth = van de hand in den tand; They went home â in â = hand aan hand; He went up the ladder â over â = hij ging de ladder op door telkens de eene hand boven de andere te brengen: He came down the rope â under â = hij gleed, door telkens de eene hand â onder de andere te plaatsen, langs het touw naar beneden; I have tried my â at it = ik heb het geprobeerd; He came out at the right â = kwam er goed af; It was a â toâ light = gevecht van man tegen man; â8 off = verboden aan te raken; The horse is heavy on â, hot at â = moeilijk te regeeren;* 1 wash my âs of it = ik wasch mijne handen in onschuld: Bear a â there = 'help daar eens een handje; He asked (gave) the â of his cousin = hij vroeg om (schonk) de hand van zijn nicht (ten huwelijk); They are â and glove (ook: â in glove) with all artists = koek en ei (op intiemen voet) met; My brother is on the mending â (Amer.) *= aan de betere hand; This house lias changed âs five times in three years = is van eigenaar veranderd: Your favour came duly to â = uwe geëerde letteren heb ik in orde* ontvangen; He had a â in .the gaine = hij had er de hand in; One must keep one's âd in = men moet het onderhouden; Kach found the life of his â = deed het werk, dat zijne hand vond om te doen: You must have your âs full = volop werk hebben: He l'iolds â with the best writers = hij kan met de beste schrijvers wedijveren; Let us Join âs. Join â in â |
= eendrachtig samenwerken;* The police have laid âs on him = heeft hem te pakken; Lend a â, old boy = zeg vrind, help eens een handje; You will find everything to your â here = gij zult hier alles klaar vinden; His â was against everybody = hij was in opstand tegen ieder; He ccuild set his â to every kind of work = hij kon met allerlei werk terecht; Let us shake âs = elkander de hand drukken (= shake each other by the â); The matter was taken in â by him = door hem aangepakt, ondernomen; Take him by the â = aan uwe hand, onder uwe hoedé; 1 saw an instrument under the minister's â = ik zag een door den minister geteekend stuk; He is a clever â at doininoes = hij kan goed domineeren; He won the race âs down = hij won den wedloop op zijn doode gemak; You don't show me your â for nol hing = je laat me niet voor niemendal in je spel kijken; I bought that at first, at seèond â = uit de eerste, de tweede hand; I will not put my â to that deed = ik wil mijne hand niet onder die acte zetten: â verb, aanreiken, de hand leggen op, met de hand besturen, met handslag verzekeren: This story was âed down from my ancestors = di't verhaal is van mijne voorouders afkomstig; Will you â it about = rondgeven; He âed it over to me = overhandigde het mij; She was âed over to her old enemies = overgeleverd aan; âbag = valies; âbarrow = (draag)berrie; âball = handbalspel; âbell = handschel, bel; âbill = snoeimes, affiche, strooibiljet; âbrace = handboor; âbook = handboek: âbreadth = handbreedte; âcart = handwagentje; âclasp = handdruk; âcuff, subst. handboei; â verb, de handboeien aanleggen; âdog = braadrooster; âdrop = hand verlamming; âgrenade = handgranaat; âgallop = korte galop; â glass = handspiegel, glas over planten; â language = vingertaai; âlead = klein peillood; âloom = weefgetouw; âkerchief = zakdoek, doek; âiiiaid(cn) = vrouwelijke bediende, dienares; âmill = handmolen; â rail(ing) = trapleuning; âorgan = draaiorgel; âpaper = papier (met eene hand als watermerk); âpainted = uit de hand geschilderd; âsail = klein zeil; âpress = handpers; âpromise = plechtige verloving, die slechts met toestemming van beide partijen ophoudt; âshake = handdruk; âsaw = handzaag; âscrew = dommekracht: â spike = handspaak, koevoet; âspring = sprong, waarbij men de handen op den grond plaatst! een salto mortale maakt, en op zijn voeten neerkomt; âwriting = schrift, handschrift; âer, hands, aanreiker, overbrenger, klap: IX o âers was the motto of the schoolboys on strike = ,.^een lichamelijke straf' was het motto van de werkstakende schooljongens. Handfast, handfixst, subst. greep, houvast, contract, pand, verbintenis; â verb, verbinden, huwen, vereenigen. Handicap, handikap, subst. vóórgift (in tijd, afstand of gewicht) aan de zwakkeren bij een |
man: «sk = ask; farm = fiim; but = but; learn = lun; line = lain; house = haus; net; â¢oare = kca; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; laiv = ló; lord = löd; bo?/ = boi;
HAPPY-GO-LUCKY.
200
HANDICRAFT.
|
wedstrijd, (fig.) nadeel: It i» a â to a popular author to have inside a great hook = het is een nadeel (n.1. met het oog op zijne volgende boeken), zoo een volksschrijver een voortreffelijk boek heeft gemaakt; adj. van zulk een wedstrijd: A â race = wedstrijd met vóórgift; â verb, vóórgeven, (fig.) bena-deelen, bezwaren: Heavy taxation â« a country = zware belastingen drukken een land (beletten het in zijne vrije ontwikkeling); In this way we â our own producer» as compared with the foreigner = op deze wijze bezwaren we onze eigen producenten tegenover de buitenlandsche. Handicraft, handikrCift, handenarbeid, werk van de handen: âs-nian = handwerksman. Handing up, handinpp, opwrijven van verlakte artikelen. Handiwork, handiwv.k, werk der handen. Ilandkercliier, handkdtèif of haT\kdtsif\ doek, zakdoek: I withdraw the periniMsion at tlie dropping of a â = ik trek de vergunning in bij het minste dat er gebeurt. Handle, hand'l, subst. handvatsel, oor, gevest, enz.: He has a â to his name = hij heeft een titel, is van adel; I will give you a â = ik zal u de gelegenheid verschaffen; â verb, betasten, bevoelen, hanteeren, behandelen, aanpakken: He knows how to â the matter = hij weet de zaak aan te pakken; Handling. handlij, hanteering, de kunst het penseel te hanteeren, eigenaardige manier v. een schilder. Handsel. han(d)s,l^ subst. handpenning, handgift. eerste verkoop, geschenk, etc.: â verb, een handpenning geven, voor het eerst gebruiken. Ilandsome, hanamp;m, mooi, knap, goedgevormd, edel, mild, royaal, ruim: â is, what â does = mooi is wat mooi doet; The guests have come down âly, said the butler to the rook = de gasten zijn royaal over de brug gekomen, hebben goed' opgedokt. Handy, handi, handig, vlug, bij de hand, nabij: I have my sword â, to take it up at a moinent's'notice = ik heb mijne sabel bij de hand, om haar dadelijk te kunnen grijpen: The hook has toiind a place on the handiest shelf of every student = zóó, dat het altijd voor het grijpen staat; The children were playing at âdandy = de kinderen speelden': ,*,Ra, ra, in welke hand?quot;; âhook = modelboek, dat gemakkelijk geraadpleegd kan worden. Hang, hai], subst. helling, verbindingswijze, neiging, richting: He has got the â of it (Amer.) = hij is er volkomen mede vertrouwd, heeft er den slag van beet; â verb, hangen, ophangen, versieren, behangen: He hung down his head = liet zijn hoofd hangen; AH the flags were hung out = uitgestoken; The matter was hung up = bleef onbeslist; He âs about her = is erg aan haar gehecht; Many boys were âing about the stables = hielden zich op bij de stallen; Do not â back = krabbel niet terug, doe het niet met tegenzin: The .joke hung lire = de aardigheid gin/? niet op, miste hare uitwerking (Zie Fire); We have been âing in doubt these three days = wij hebben de laatste drie dagen in onzekerheid verkeerd; He âson his party as faithfully as may be expected = hij kleeft zijne partij aan; Where do you |
â out = waar woont gij, hangt gij uit?; I â over to that opinion = hel naar die meening over; They â together like burs = ze hangen als klissen aan elkander; All the hearers â on his lips = hangen aan zijne lippen: The thing was hung on by the eyelids = was er slechts even of onvoldoende mede verbonden; Where do you â out = waar woon je? Be âed to 'cm = laten ze naar den duivel loopen: The suit hung = het proces werd gerekt, uitgesteld; He was âed inhumanly = wreedaardiglijk opgehangen; âdog * = gemeene, verachtelijke vent; âman = beul; ânail = nijdnagel; ânest = hangend nest; ânet = hang-net; âer = hangstuk, haak, ophanger, kort en krom zwaard, woud of boschje (vooral in plaatsnamen); âer-on, hai\dron, aanhanger, afhankeling, klaplooper; âing.subst. hethangen of ophangen, vertoon; adj. steil, den dood verdienend, strafbaar met den dood: That is a âing-airair= eene halszaak; âclause = bepaling, met wier niet-nakoming het leven gemoeid is: âing Judge = rechter, die het doodvonnis uitspreekt; â ing'garden = hangende tuin: âing-guard = verdedigende houding met het zwaard; âing-participle = epitheton, sierend bijvoegelijk naamwoord; âings = behangsel. Hank, hai\k, subst. streng (garen, zijde, etc), strengen, iets om vast te maken: His tales are excellent: the first in the â is the best = het eerste in de verzameling is het beste: â verb, tot strengen vormen, krachtig aanhalen: âIe = verwarren, ineendraaien. Hanker, har^kd, hunkeren, verlangen: 1 felt a âing after her = een onweerstaanbaar verlangen naar haar bekroop mij. Hank(e)y-I*ank(egt;y, ha)dcipanki, subst. too-venarij, bedriegerij; adj. bedriegend. Hanover, hamva; â ian,/la^é/rinan, subst. en adj. Hannoveraan(sch). Hansard, hansnd, koopman uit eene hanzestad, officieel verslag van de handelingen van het Parlement. Hause, hansi, verbond, vereeniging: âtowns = hanzesteden en hun verbond: âatic, hnn-siatik, van de Hanzesteden: âatic-league = hanzeverbond. Ilansom (cab), hans'tn (knb), tweewielig huurrijtuig (de koetsier zit achterop, en de leidsels gaan over de kap heen). Hants, Uants = Hampshire, hampso. Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis: â verb, toevallig gebeuren; âhazard, âhaz.id. kans, gelukje, toeval: 1 did it at âhazard = op den bof, op goed geluk af; âly = bij toeval, misschien: âpen = gebeuren: I â pened to meet him = ik ontmoette hem toevallig; I âpened on it yesterday = gisteren trof (vond) ik het toevallig; As it âpened 1 found him = toevallig vond ik hem; .lust âpen in at my office to-morrow (Amer.) = wip morgen* mijn kantoor eens binnen; 1 have not seen the âpenings with my own eyes (Amer.) = ik heb zelf niet gezien wat er voorgevallen is; âless = ongelukkig, rampspoedig; âpy = gelukkig, voorspoedig, verheugd, blij,eendrachtig, handig, bekwaam: Heisa âpy-gó-lucky fellow = hij |
bone = boiin; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; gt;/ear = .jia; Jong = loi^; ship = sip: occasion = okeiz'n; thin; thus = dhtis; wine.
ten bruggencate, Eng. Woordenboek. 14
HARMONIUM.
HARANGUE.
210
|
is een zieltje zonder zorg; âpy man be his dole = moge het hem goed gaan! âpy-despatch (Z. Harikiri); âpy-family = vreedzaam samenlevende kleine dieren v. verschillenden aard (zooals honden en katten, etc.); â mean, subst. het ware midden: Theâmean man = de man van 't ware midden. Harangue. }idrar\g, subst. redevoering, toe- i spraak; â verb, toepreken, eene rede houden (gewoonlijk voor de vuist); â r. Harass, hnrds, subst. kwelling; â verb, kwellen, vermoeien, uitputten; âer; âinent. Harbinger, hübinzd, subst. kwartiermaker, voorlooper, voorbode; â verb, voorafgaan als bode, etc. Harbour, hübd. subst. schuilplaats, haven, her-bergkoning: âdues = havengeld; âmaster = havenmeester; âwatch = havenwacht: â verb, voeden, koesteren, herbergen, eene schuilpl. verleenen: Do not â such thoughts = laat zulke gedachten niet toe, koester ze niet; âer = herbergier, iemand die een hert tot zijne schuilplaats opspoort. Hareourt, hüköt; Hardieanute, hiidikdnüt: Hardinge, hamp;dir^. Hard,/iad, adj. hard, vast, moeilijk, vermoeiend, streng, wreed, verhard, onbuigzaam, grof. onsmakelijk, wrang, hevig: No â and lost line can be drawn in this matter = geene scherpe, bepaalde grens kan in deze zaak worden getrokken; That man is â ol' hearing = hardhoorig; They live â by = zij wonen kort bij, in de buurt; Move the rudder â a-starboard = leg het roer zoover mogelijk naar stuurboord; â luek = tegenspoed; It will go â with him = het zal hem slecht vergaan: These people were very â up = deze arme lui hadden groot geldgebrek; This reward was â won = deze belooning werd met moeite verkregen; He died â = zijn doodstrijd was moeilijk, zonder berouw; â bake = soort van kokinje; âbelieving = ongeloovig; âbeset = eng ingesloten; â besetting = nauw insluitend, belegerend; âbound = verstopt, hardlijvig, stijf; âcoal anthraciet; âdrinker = zuiplap; âearned = zuur verdiend; âiish = gedroogde kabeljauw, schelvisch of leng; âfisted = met sterke vuist; âtought = hardnekkig (van ; strijd); âgrained = ongunstig, weinig aantrekkelijk; âgot(ten) = zuur verdiend: âhanded = hardhandig: âhead(s) = vechtpartij, waarbij de koppen tegen elkander slaan; âheaded = sluw, helder van hoofd: âhearted = hardvochtig; âlabour = dwangarbeid; âmouthed = hard in den bek (van paarden), ruw, grof (van taal); âpressed = in moeilijke omstandigheden; âset = streng, onbuigzaam; âtack = grove beschuit; âup = zeer arm, in geldgebrek; âwon = moeilijk verkregen; âwater = slecht waschwater: âworking = zeer arbeidzaam; âware = j ijzerwaren, vooral potten en pannen, enz.: â rubber = caoutchouc; âshell = strenge ; Baptistensekte (Amer.); âen = harden, verharden, hard of gevoelloos maken (worden): âihood, hddihxid, koenheid, onversaagdheid, onbeschaamdheid; â ly = nauwelijks, hard. moeilijk, streng: âly .... when = nauwelijks .... of; âship = ontbering; âs = ruwe deelen (werk) van vlas of wol; ây, subst. smidsbcitel; adj. gehard, sterk, stoutmoedig, onbeschaamd. |
Hare, hêo. haas: As mad as a March â = zoo gek als wat: He wanted to make a â of me = trachtte mij belachelijk te maken, mijne onwetendheid te doen uitkomen; âbell = rondbladig klokje; âbrained = nietig, onbesuisd, dwaas; âhound = jachthond; â lip = hazenlip; â's-lbot = hazepoot (door acteurs gebruikt). Harem, hamp;r'm, harem, vrouwenverblijf in een Oostersch huis. Ilarengirorm, iwrcnzif'óm, in den vorm van een haring. Harikot, harikou, gehakt gebraden vleesch, snijboon. Harikiri, hArik'iri, wijze van terdoodbrenging van Japaneesche ambtenaren, op bevel van het gouvernement. Hark, /ia/c, luisteren: â forward, â away, â back zijn termen, waarmede dejagerdehet spoor voorbij hollende honden terugroept; She always âs back to her old grievances = zij komt altijd op hare oude grieven terug; The government âed back to undertake the expedition = zag er tegen op (krabbelde terug) om de expeditie te ondernemen. Harl, hal, vezels van vlas, veer uit een pauwestaart. Ilarleian, hülidn, van Harley, naar wien de door hem gevormde, thans in het British Museum aanwezige bibliotheek genoemd is. Harlequin, hiildkin, subst. harlekijn, potsenmaker, grappige vent; â verb, voor harlekijn spelen; âa, hiitekind, vrouwelijke harlekijn; âade. hütekineid, harlekinade (dat deel in eene Christmas-pantomime, dat op de Irans-formation-scene volgt). Harlot, httldt, slechte vrouw, slet; âry. Harm, hcim, subst. nadeel, schade,'kwaad; â watch â catch = wie een ander een kuil graaft, valt er zelf in; â verb, kwaad doen, schade aanbrengen; âdoing = het kwaaddoen; âful; âless: 1 will hold you âless = beschermen. Harmattan, hamaVn, droge en heete wind, die van December tot Maart v. Midden-Afrika naar het Noorden waait. Harmonie, hamonik, harmonisch,' overeenstemmend, schoonklinkend: âa, hamonikd, mondharmonika, glasharmonika. collectie verschillend gestemde en m. de vingers bespeelde glazen; âal = harmonisch: âahproportion = harmonische verhouding (tusschen vier grootheden, waarbij de eerste staat tot de vierde als het verschil tusschen de eerste en de tweede staat tot het verschil tusschen de derde en de vierde); âcon,/iamomfc'n,groot draaiorgel; âs, hdmoniks, quot;harmonieleer; Grave âs = bijtonen van twee overeenstemmende klanken; Hariiionions, hamounies, harmonisch, eensgezind; llarmoniphon, ha-monifdn, soort van muziekinstrument; Harmonist, hdmdnist, componist, iemand, die de overeenkomstige plaatsen van verschillende schrijvers aantoont en behandelt: Harmonists = communistische secte van Gebrs Rapp, in 1803 uit Wurtemburg naar de Vereen. Staten getrokken; Harmonium, hamonnj'm, har |
man; ask = ask; farm = fiim; bat = but; learn = lèn; line = lain; house = haus; net: care = kea; fate = feit; tin; asleep â⢠aslip; not; laa; = 16; lord = Hid; boy = bói:
HARMONIZE.
211
HAUGH.
|
monica, harmonium; Harmonize, hilmdntiiz, overeenstemmen, in overeenstemming brengen, in vrede leven, congrueeren; llnrmony, hd-mani, harmonie, eensgezindheid, overeenstemming , vriendschap : Artilieial harmony, ütifië'l â, oplossing van dissonanten tot harmonie: Hannony ol'the sphere» = de leer { van Pythagoras omtrent de harmonie der tonen, door de planeten in hunne beweging en al naar hunne grootte, snelheid en afstand voortgebracht. Harness , hdnos, subst. harnas, wapenen, I paardetuig, gareel, pekelvleesch (voor de marine ! en de koopvaardij): He died in â = hij stierf te midden v. zijn werk; The thing is well in â = goed bewerkt; â verb, van wapenrusting voorzien, het tuig aandoen, verdedigen; âcask, âlub = vat met pekelvleesch; â maker = zadelmaker; âroom = tuigkamer. Harold, har did, Harold. Harp, hap, subst. harp; â verb, op de harp spelen, steeds hetzelfde onderwerp aanroeren, altijd het oude liedje zingen: He is still âing on his first love = heeft het nog steeds over; â ist = harpspeler. Harping iron, /löpi^air'n, harpoen. Harpings, hüp 'nxz, boeghout (schip). Harpoon, hcipiln, subst. harpoen: â verb, harpoeneeren; âroeket =: verbinding van bom en lans om walvisschen te dooden: âer = harpoenier. Harpsichord, hüpsik'ód, soort v. klavier, flarpy,hüpi,harpij (fabelachtig monster: gelaat v. eene vrouw, lichaam v. een gier en vingers ; met scherpe klauwen); âlooted. Harr, ha, hevige storm (van uit zee). Harridan, harid'n, oude feeks, oud wijf. Harrier, harid, jachthond, soort van valk, plunderaar. Harrow, haron, subst. egge, stadje waar eene bekende public-school is; â verb, eggen, kwellen, openrijten. Harry, hart, subst. andere vorm v. Henry; â verb*, plunderen, verwoesten, plagen, kwellen. Harsh, haè, zuur, wrang, scherp, wreed, streng, ruw; âiichs. Hart, hat, hert (na het vijfde jaar): â of ten = hert met tien takken op het gewei; â's-tongue = hertstong; â(e)beest, hüt(d)b\st, groote antilope (Z.-Afrika); âshorn, hütshön, hertshoorn. Hariim-scariim. hêrmskêfm, subst. en adj. dolzinnig, dwaas (persoon); â carriages = rijtuigen met drie paarden: Hâ. Harvest, havast, subst. herfst, oogst, opbrengst; â verb, inzamelen, oogsten; âbug ; = Cochenille-spinnetje; âleast = oogstfeest: I âfestival = dankdag voor het gewas; â home = oogsttijd, oogstfeest, oogstlied; âlady ! = de tweede maaier van eene rij; âlord = ⢠voormaaier, eerste maaier: âman = oogster, maaier; âmonth = September; âmoon = (bijna) volle maan ten tijde der dag- en nachtevening in den herfst; âmouse = kleine veldmuis, graanmuis; âqueen = oogstkoningin (beeld, Ceres voorstellende, rondgedragen op den laatsten oogstdag); â spider = herfstspin; âer = oogster. Harwich, haridz. |
Hash, has, subst. gehakt vleesch (na gebraden te zijn) met groenten; mengsel, poespas: He made a â of it = hij bedierf den boel; 1 have settled his â = ik heb hem voor goed geraakt, ervan gegeven, zijn doel gedwarsboomd; â verb, hakken, fijnmaken, bederven: âed = fijn gehakt vleesch; 1 have âed my goose altogether = ik heb mijne zaak totaal bedorven. Hashish, huöis, Haslieesh, hasis, soort van bedwelmende drank (ook Bhang genaamd) uit droge hcnnepbladeren. Haslet, hazlot, long, lever, en hart v. een varken (als voedsel). Hasp, hasp, subst. grendel, beugel; â verb, met een klamp of grendel vastmaken. Hassock, hasdk, grof gras (in moerassigen bodem), dikke mat (om te knielen in de kerk), klein voetkussen. Hastate(d), hasteit(id), speervormig. Haste, heist, haast, spoed, drift, overhaasting, toom: Why do you nol make â = waarom maakt gij niet voort? lïnHte, heist,âti^heis'n, haast maken, zich haasten; âner; Hasty, heisti, haastig, snel, vlug, driftig, hartstochtelijk ; Hasty-pudding = pap (meel in kokende melk geroerd en gekookt). Hastings, heistii\z. Hat, hat, hoed, kardinaalshoed, waardigheid v. kardinaal: He has hung up his â in my house = hij heeft zijn anker bij mij neergelegd, zijne tenten bii mij opgeslagen; They have sent (passed) the â round = zij hebben eene collecte gehouden, inteekenlijsten laten rondgaan; He raised the â kindly to us = hij nam vriendelijk den hoed voor ons af,⢠âband = rouwband (om den hoed); ârack = hoedenrek, kleerenstander; âmaker = hoedenfabrikant; âter, hato. hoedenkoopman of -maker; He is as mad as a âter = hij is zoo mal als een schoorsteengek; âless; âted = met een hoed. Hatch, hatè, subst. bout, grendel, luik, halve deur, deksel van een luik, broedsel, gebroed, samenzwering, fijne streep: They were all under âes = zij waren allen onder de luiken geconsigneerd, beneden opgesloten, werden zeer verdrukt, verkeerden in slavernij; â verb, met bouten vastmaken, met een deksel sluiten, broeden, uitbroeden, voortbrengen, arceeren(d.i. door fijne elkander kruisende lijnen beschaduwen); âboat = soort van visscherspink; âway = luikgat; âer; âery = kunstmatige broeierij. Hatchel, hats'l', -Ier. Zie Hackle. Hatchet,bijl, bijltje,oorlogsbijl, fooi om de kommiezen om te koopen (Amer.): Let us bury the â = laten we vrede maken; They took up the â = zij vatten de wapens op; Do not throw the â = vertel geen leugens; âface = scherp geteekend gezicht; âfaced = met scherp, mager gelaat. Hatchnient^mtsm'nt, wapenbord (voor het huis van een overledene, in de kerk, etc.). Hate, heit, subst. haat; â verb, haten, verafschuwen: âful; âr; Hatred, heitrdd, haat. kwaadaardigheid, kwaadwilligheid. Haiti sc her iff, hatiserif, onherroepelijk, door den sultan van Turkije uitgevaardigd bevel. Hauberk, hóbvk, maliënkolder. Haugii, hok, laaggelegen land. |
bone = boun; ful; fool = ful: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; /year = jia; long = loij; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; f/ius = dhas; wine.
14*
HAUGHTY.
212
HEAD.
|
Haughty, hóti, trotsch, verachtelijk, aanmatigend; IliiuglitiiiesH. Haul, hól, subst. haal, trek: â verb, halen, trekken, sleepen, den koers van een schip veranderen: lie was âed over the coals by the minister = hij kreeg er van den m. van langs; The sheets were âed home = de schooten werden aangehaald: â the wind = bras het zeil bij den wind; The ship was enabled to â off Trom the shore = in staat af te houden van de kust. Haulm, hom, halm, stroo. Hauiifh, hóns, dij, lendestuk, bout; âed. Haunt, hónU subst. gebruik, gewoonte, dikwijls bezochte plaats; â verb, omgaan, verkeeren, bezoeken of kwellen (v. een geest): This house is âed = het spookt in dit huis); âer. llausinanize, hósmdnaiz, verbeteren door het uitvoeren van publieke werken. Ilaut, hot, weekmarkt (Indië). Hautboy, hoiibói, hobo. Ilavaii(ii)a(hgt;. havand, Havanasigaar: llava-nese, havdmz, subst. bewoner(s) van H.: adj. van Havannah. Have, hav, hebben, bezitten, houden, bij zich hebben, genieten, ontvangen, ondervinden, dulden, laten, te pakken hebben, bedriegen, beetnemen: â at him, boys! = pakt hem, raakt hem, jongens! â a rare == pas op! â done = schei uit; I had as liet* die as be a slave = ik zou evenlief sterven als een slaaf zijn: I had rather do that = dat zou ik liever doen; â the tea-things away = ruim het theeservies eens op; Do well and â well = die wel doet wel ontmoet: As Shakespeare has it = zooals S. zegt; As the mood has the reader = al naar de lezer gestemd is; I â no money about me = ik heb geen geld bij mij; He had on his best coat = droeg: He hastheearol'the House = hij is gezien in de Tweede Kamer, men luistert gaarne naar hem: Let us â lots of room here = maak hier eens flink wat ruimte; I'll â it out of you = ik zal je wel weer krijgen, het je wel*inpeperen; You â nothing lor it but to go = je kunt niet anders doen dan gaan, er zit niets anders op. Haveloek, havloh, lichte hoofd- en halsbedekking (tegen zonnesteek, in Indië). Haven, heiv'n, subst. haven, veilige ligplaats, schuilplaats; â verb, eene schuilpl. bieden. Haver, havd, haver; âsack = broodzak (der soldaten). Having, havin, bezitting, eigendom; âs = gaven, talenten. Havoc, havdk, subst. verwoesting, vernieling: The boys have played â with my furniture = mijn meubels vernield; To* cry â = geen kwartier geven: â verb, verwoesten, vernielen, dooden. Ilaw, /ió, subst. laag stuk land, bes of zaad van de haagdoorn, aarzeling, hapering; â verb, haperen, aarzelen, een paard links wenden (Amer.): He spoke in his---style = hij sprak op zijne âö-öquot; manier; He was a---swell = hij was zoo'n ,,wat-zou-dat- nu?quot; fatje (die van alles tegen ieder durft te zeggen); I felt â, like a fish out of water = ik voelde mij zoo lam en lusteloos, als een visch op het droge: It is â and gee here. |
instead of woo and gee in the old country = aansporing naar links of rechts te gaan (Zie CUee). Ilawaiian, hdwaij'n. bewoner van Hawaii. Ilawarden, had'n. itawes, hóz. Ilawlinch, hófinó, appelvink. Ilaw-haw, hólw-, Zie Ha-ha en Haw: â verb, luidruchtig lachen, br.lken (van ezels). Ilawk, hok, subst. havik, valk, bedrieger, schrapende hoest; â verb, met valken jagen, opzweven, in de vlucht aanvallen, ophoesten, rondventen, verspreid of bekend worden: â's-bill = haviksbek: âeyed = met scherpen blik; ânosed = met arendsneus: âmoth = groote vlinder; âing = het valkenieren, ophoesten, rondventen, bedriegen; âer = marskramer. Ilawik, hóik: Hawkesworth, hókswath. Hawse, hós. het liggen v. een schip voor twee ankers van iederen boeg, afstand tusschen het voorste gedeelte van het schip en de ankers waarvoor het ligt, het deel van den boeg waarin de kabelgaten of kluizen zijn; âhole, âpipe = kabelgat of kluis: He came in at the âholes = hij is met den laagstenrang in den zeedienst getreden; There was a boat athwart â = er was eene (stoom)boot dwars voor den boeg; â r = kleine kabel. Hawthorn, liöthön. hagedoorn. Hawtborne,Wnyew.Jieiz. IIayti,//et//. Hay, hei, hooi, boerendans: The farmers are making â = zijn bezig het hooi te keeren: Make â while the sun shines = smeed het ijzer, terwijl het heet is; He was making â in bis papers = hij gooide zijne papieren door elkaar; This boy is always making â with (of) his hair = deze jongen maakt altijd zijne haren in de war; âasthma of âfever = zware verkoudheid, van asthmatische symptomen vergezeld: âcock = hooiopper; âfield = hooiland; âlork = hooivork; âloft = hooizolder; âknife = hooisteker: âmaker = hooier, boerendans; âmow = hooiberg, hooirook (in eene schuur): ârick ofâstack = hooiberg ^in de open lucht, maar gedekt); That is like looking for a needle in a âstack = onbegonnen, vruchteloos werk. Hazard, hazdd, subst. gevaar, kans, toeval, stoot om te stoppen (bij 't biljardspelen), waarbij a winning â is, als de bal der tegenpartij, en a losing â, als des spelers bal gestopt wordt (Zie Spot); lie did it at the â of his life = met gevaar voor zijn leven; 1 intend to run the â = ik ben van plan, de kans te wagen; â verb, wagen, gevaar loopen; âer: -ons, hazddzs, gevaarlijk, gewaagd. Haze, heiz, subst. damp, mist, waas, nevel, duisterheid, onduidelijkheid: â verb, plagen en straffen met overwerk (matrozentaal), kastijden, berispen, pret maken (Amer.), in'tootje nemen (Amer.): Hazy = dampig, wazig, duister, onduidelijk. Hazel, heiz'l, subst. hazelstruik; adj. lichtbruin, hazelkleurig; âearth = vruchtbare grond voor hazelaars; âeyed = met lichtbruine oogen; ânut = haz*elnoot. He, hei, he! He, hi, subst. man: vn.w. hij; adj. mannelijk, mannetjes____ Head, hed, subst. hoofd, kop, kruin, top, op- |
man; ask = iisk: farm = fam; b»/t = but; learn = Km: line = lain; hoase = haus; net; care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16: lord = Hid; boy = bèi;
HEADACHE.
213
HEARSE.
|
perhoofd, haar, gewei, persoon, eereplaats, hoofdeind, bron, de zijde v. munt of medaille met den kop erop (N.B. de andere zijde heet tail), verstand, doorzicht, getal, onderwerp, gelaat, pak vlas, rijpe deel van eene zweer of puist, schuim op dranken, watermassa (voor een molen), beschikbare stoom: He? has two â ol' daughter» = twee stuks dochters; The âs of a speech = onderafdeelingen; The âh of au acciisation = punten van aanklacht; The army is a serious â of expenditure in lt;gt;emiany = het leger is een zware post van uitgaven in Duitschland; It is easy to make â against that accusation = die beschuldiging te weerleggen; He made â against tlie enemy = hij hield stand tegen den vijand; 1 fell into it â and ears = ik viel er heelemanl in; He is in debt over â and ears = hij zit tot over de ooren in de schuld; He rose â and shoulders above them = hij stak een heel eind boven hen uit; It keeps running in my â = het is steeds in mijne gedachten, maalt mij door het hoofd; He did it of his own â = hij deed het uit eigen beweging; He hit the right nail on the â = sloeg den spijker op den kop; It is on your â s to tell it me = ik bezweer julliê; The ulcer has come to a â = is rijp geworden (komt ook figuurlijk voor, als in: Then things came to a â = toen bereikten de zaken een crisis); Give the horses their âs =- laat los (schieten) de paarden; The ship was running under a full â of steam = stoomde met volle kracht; 1 cannot make â or tail of it = ik begrijp er niets van, kan er geen touw aan vastmaken; He came down â over heels from the tree = hij viel holderdebolder uit den boom; He fell â foremost into the water = hals over kop; That seems to have turned your |
â completely = geheel op hol te hébben gebracht; They laid their âs together = zij overlegden samen, staken de hoofden bij eikaar; That man has a long â = ziet ver vooruit; 1 see through the back of your â = ik doorzie u geheel; â verb, aanvoeren, leiden, aan het hoofd komen, zich verzetten: When 1 approached the subject, he would â me oil = als ik aan dat onderwerp toe kwam, placht hij mij er af te brengen, terzijde te leiden; She tried to â off the spider = zij trachtte de spin te pakken, te vangen; The hedges and bushes must be âed down = de heggen en struiken moeten gesnoeid worden; âache = hoofdpijn; âband = hoofdband, lint of band boven-en onderaan de vellen van den rug vaneen boek; âbutler = eerste huisbediende; âcheese = hoofdkaas; âdress = kapsel; âed = met een â (in samenst.); âer = hoeksteen, speldeknop-maker, sprong of onderduiking met het hoofd vooruit: He took a âer from his bathing-machine = hij sprong pardoes van zijn badkoetsje in zee; âlast = meertouw; â form == vorm van het hoofd (bij de verschillende rassen): âgear = hoofdtooisel, hoofdstel (v. paarden); âhunter = koppensneller (voornamelijk op Borneo en Celebes); âing = schuim (op dranken), opschrift, door-loopende titel: Copy-book â(ing) = eerste regel in een schrift voor schrijven, schrijfvoorbeeld; âland = voorgebergte, kaap, braakland; âless: âlight = licht (vooraan de locomotief); âline = hoofdlijn fbovenaan eene bladzijde), raband(schip); âlong = hals over kop, roekeloos; met het hoofd vooruit, plotseling, gedachteloos, steil: 1 always write âlong = zoo maar weg; âman = leider, opperhoofd; âmoney = hoofdgeld; âmost = voorste: âmould = schedel, vorm van het hoofd; âmoulding = lijstwerk (boven deur of venster): âpiece = hoofd, kop, helm, stormhoed. versiering (aan het begin van een hoofdstuk); âpost = paal bij de ruif; â quarters = hoofdkwartier; ârest = steun voor het hoofd (b.v. bij photographeeren; â sail = vóórzeil; âsea = stortzee: âshake = beteekenisvol schudden met het hoofd; â ship = hoogste waardigheid; âs-nian = beul, scherprechter; mijnwerker, die de kolen naar de plaats brengt vanwaar ze vervoerd worden; âstall = hoofdstel, wollen mutsje (Amer.); âstone = grafsteen (rechtopstaande aan het hoofdeinde van het graf); âstrong = koppig, onhandelbaar; âway = vaart, gang, vooruitgang: We have been making âway of late = wij zijn in den laatsten tijd goéd opgeschoten; âwater = bovendeel van eene rivier; âwind = tegenwind; â work = werk met het hoofd, intellectueele arbeid, ornamenten opsteenen; âworkman = vóórman, werkbaas; â y = koppig (ook v. dranken), overijld, aanzettend. Heal, kil, gezoiid maken, heelen, genezen, van schuld vrijspreken, bijleggen: âall = geneesmiddel voor alle kwalen; The âing art = geneeskunde; âable = geneesbaar: âer. Ileald, hi ld, weef haak. Health, helth, gezondheid, gerechtigheid, heil: He is out of â = ongesteld; Vour â = santé! They forgave each other, and began with a clean bill of â on both sides = zij vargaven elkander en begonnen b?iden met een schoon blaadje (Zie Bill); âlui = gezond, krachtig, heilzaam (N.B. in figuurlijken zinr benevens voor alles, wat gegeten en gedronken wordt, gebruikt men Wholesome). Ileam, htm, nageboorte bij vee. Heap, hip, subst. hoop, menigte; All of a â = allemaal door elkaar; â verb, ophoopen, opstapelen. Hear, hid, hooren, luisteren, letten op; â, ây cried some members = bravo, goed zoo, riepen sommige leden: Shall we never â the last of it = houdt dat praatje dan nooit op? He âd us our les.sons = overhoorde; âHay = het hooren zeggen: 1 have it on âsay, on âsay evidence = ik heb het van hooren zeggen; âer: âing, hirin, gehoor, gehoorsafstand: He is within (out of)âing = hij kan ons wel (niet) hooren, wij kunnen hem wel (niet) beroepen; I promise you a fair âing = dat men u zal laten uitspreken, en billijk zal beoordeelen, wat ge zegt. Hearken, hük'n, luisteren, letten op: âer. Hearne, him. Hearse, hus, subst. lijkwagen; â verb, kisten (van een lijk), naar het graf brengen (in eene lijkkoets); âcloth = baarkleed (verg. Shroud = lijkkleed); âlike = begrafenisachtig. |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl; ?/ear = Jia; long = loi^: s/iip = sip; occasion = okeiz'n: thin; th\xs = dhi:s; wine.
HEBRIDES.
214
HEART.
|
Heart, hat, hart, wil, moed, vuur, gloed, angst, verlangen, binnenste, harten (in 't kaartspel): lie iw brave at â = in den grond is hij dapper; â alive, how we laughed = goeie hemel! I would not for my â do it = ik deed het om den dood niet; In hia â of âs = in het binnenste van zijn hart; It broke hi§ mother's â = zijne moeder het hart; He eould not find it in his â to go there = hij kon het niet van zich verkrijgen daarheen te gaan: Try to get (learn) this leHson by â = van buiten te leeren; 1 had it in my â to tell you so = ik was van plan u 'zulks te zeggen; On seeing this 1 lelt (had) my â in my mouth = toen ik dit zag,was ik'bijna buiten mijzelf van schrik; My â failed me = de moed ontzonk mij; Set your â at rest about that = wees daaromtrent maar gerust; He had set his â on seeing her = hij had er zijne zinnen op gezet haar te spreken; Take this lesson to â =neem deze les ter harte; If it were not so serious, I could laugh my â out = als het niet zoo ernstig was, zou ik me doodlachen; He put some â into me = hij wekte me op, sprak mij moed in: He took â ofgrare, and did it = hij vatte moed, en deed het; Her â sank = dè moed begaf haar: He spoke to my â = sprak mij vertroosting toe; That man wears his â on his sleeve = die man draagt zijn hart op zijne tong; Keep a good â, man! = houd moed, kerel!; What the â thinks, the mouth speaks = waar het hart vol van is, loopt de mond van over; âaehe = zielesmart; âblood of â's-blood, âblvd, levensbloed; âbreaker = wat het hart breekt, soort v. krul of lok (Zie Lovelock); âbreaking = diep smartelijk; â broken = verpletterd; âless = moedeloos, gevoelloos; âburning, subst. zuur (in de maag), ontevredenheid, vijandschap; adj. ontevredenheid of jaloerschheid veroorzakend; âdisease = hartziekte; âen = aanmoedigen, bezielen; âAfelt = diep, oprecht; ârending = hartverscheurend; ârobbing = in verrukking brengend; âsick = droevig, hartzeer gevoelend: âsickening = bedroevend; âsore = hartzeer, groote smart; âstring = hartzenuw; âwhole = met vrij, niet door de liefdé getroffen hart; âquot;s-ease = zielevrede, driekleurig Viooltje; ây = hartelijk, oprecht, vriendelijk, flink, overvloedig, stevig: Do it, that's my âv = doe het, dan ben je een bovenstebeste!; He grasped my hand with a â iness = drukte mij hartelijk de hand. Hearth, hiith, haard (bodem van eene stookplaats), haardstede, huiselijke kring, familie; âbrush = haardstoffer; âmoney = belasting op de stookplaatsen; ârug = haardkleedje; âstone = haardplaat, schuursteen. Heat, hit, subst, hitte, verbittering, hooge kleur, hevigheid, woestheid, haast, vuur, gloed, enkele loop (in een wedstrijd), stuk heet ijzer, enkele blootstelling aan het vuur: You cannot realise the white â of his wrath = gij kunt u van zijne groote woede geene voorstelling maken; His nature was at white â = was in gloed: He wrote this novel almost at a â = .,aus einem Gussquot;, uit een stuk; â verb, verhitten, heet worden, broeien (van hooi); âer = verwarmer, verwarmingstoestel, ijzeren bout (in een strijkijzer, eene theeurn, etc.). |
Heath, hith. heide, vlakte. Erica of heidebloempje; âcock = korhaan; âgame = korhoenders; âhen = korhen: âpout = korhaan: âen, hidh'n, subst. heiden,barbaar, afgodendienaar; adj. heidensch, onbeschaafd, barbaarsch; âend(lt;m, âenry = heidendom; âenism, hidhdnizm, heidensche gebruiken, heidensche toestand, lage zedelijke staat; âenish = heidensch, wreed: âenness = heidendom (tegeno. Christendom); âer, hedhd, âplant = heidekruid; âer-bell = heide-klokje. Heave, hiv, subst. rijzing, zwelling, deining, poging tot braking, zucht, worsteling (âs â dampigheid of aamborstigheid, en Heavy = dampig, van paarden); â verb, opheffen, verheffen, deinen, slaken, neerwerpen, ophij-schen, hijgen, zwoegen, poging doen tot braken: She âlt;1 a sigh = zij slaakte een zucht; The ship hove in sight = kwam in't gezicht: The ship hove to = draaide bij,ging stil liggen; â down the sails = strijk,haal neer de zeilen; â out the sails = gooi de zeilen los; â up = vomeeren: Let us â up that design = laten we dat plan laten varen. Heaven, hev'n, hemel, lucht: He moved â and earth to get it = wendde alles aan; âbanished, âbaniët, uit den hemel gestoo-ten; â of âs = opperste, zevende hemel; âboni = van den hemel gedaald, bezield: âbred = van goddelijken oorsprong; âdirected = door den hemel bestuurd, ten hemel wijzend; âlallen = uit den hemel verjaagd: âgate = hemelpoort; âgifted = door den hemel geschonken; âgulf = rivier des doods; -iy = hemelsch, goddelijk, uitstekend, voor-trelTelijk; âly-minded = hemelschgezind: âward = hemelwaarts. Heavy, hevi, zwaar, gedrukt, droevig, zwaarmoedig, slaperig, suf, vervelend, dreigend, niet behoorlijk gerezen (van brood), vol (van wijnen): The ofïicers of the heavies = de officieren der zware cavalerie: â type = vette letter: His life hangs â (up)oh his hands = het léven valt hem zwaar: â lady = dame, die voor het fatsoen meegaat; âarmed = zwaar gewapend; âcavalry = zware cavalerie: A âfather kind 'of man = eenigszins zwaar op de hand; âgaited = metlangzamen en moeilijken gang; â-handed = onhandig: âladen = zwaargeladen; --spar = zwaar-spaath; âweight = mensch of dier boven de gemiddelde zwaarte. Hebdomadal, hdbdomwVl, wekelijksch; Heb-domadary, hdbdomdd'ri, subst. lid van een kapittel of klooster, die de weekdienst in het koor heeft; adj. wekelijksch. Hebe, hibi, godin der jeugd. Hebetude, hebitjdd, stompheid, sufheid. Hebraic, hibreiik, Hebreeuwsch; Hebraism, htbreiizm, Hebreeuwsche spreekwijze of gewoonte; Hebrew,/iâ¬amp;ru, subst. en adj. Hebreeër, Hebreeuwsch(e taal); âwise = in tegengestelden zin. Hebrides (The), dhdhebridiz; Hebridean. |
man; ask = ask; farm = fam; b?lt;t = but; learn = Iwn; line = lain; house = hans: net; care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = Hid: bo?/ = bfti;
HELLENIZE.
215
HEBRIDIAN.
|
Ilebridian, hibiHdfn, tot de Hebriden be-hoorende. Hecate, hekdti, Grieksche godin. Hecatomb, hekdtxxm, offerhande van honderd ossen of andere beesten, groote offerande. Heek, hek, ruif, deur, klink, bocht of kromming in een stroom. Heckle, hek'l (Zie Hackle), een verkiezings-candidaat lastig vallen door ongepaste vragen; Heckling meeting = meeting met debat, waarin een candidaat voor de wetgevende macht optreedt. Heela, hek la. Hectare, hektö, hectare, ongeveer 21/2 awes. Hectic, hek tik, subst. Zie âlever; adj. langzaam maar hardnekkig: âfever = tering-koorts, teringblos. HectogramOne), hektdgram, hectogram. Hectometer, hektomxte, hectometer (ruim iOi) yards). Hector, hektö, subst. snoever, vechtersbaas; â verb, snoeven, onbeschaamd behandelen, bluffen: He âed it out ol* me = hij kreeg het uit mij door brutaliteit. (Vergel. lie âeil me out of it = kreeg het van mij door br.); He âed «ver me = negerde mij. Hectostere, hektostid, 100 kubieke meters (ruim 3531 kubieke voet). Iledera, heddrd, klimopachtige planten; llederi-ferou», heddrifdrds, klimopdragend. Hedge, hedz, subst. heg: Over â and ditch = over heg en steg; You are on the wrong »ide of the â = gij hebt het mis, zijt verkeerd; â verb, omheinen, insluiten met eene heg, omringen, dekken: My bet is âd = mijne weddenschap is gedekt door andere weddenschappen ( zoodat het verlies nooit groot kan zijn); âberry = vogelkers; âbill = snoeimes; âborn = van lage geboorte; âcreeper = landlooper, sluiper; âhog = = stekelvarken: âhog-thi«tle = het genus cactus; âhyHsop = genadekruid; ânote = verachtelijk geschrift, straatproduct: â⢠priest = hageprediker; ârow = haag; âschool = hageschool (boerenschool, vroeger in Ierland in de open lucht gehouden); â master = boerenschoolmeester; âsparrow = bastaard-nachtegaal; âwriter = verachtelijk schrijver; âstake = heiningpaal, stut; âr = haagmaker, haagsnoeier. Hedonism, htddnizm, de leer, dat genot het doel des levens is: You are right trom a hedonistic point of view = als het leven slechts genot beteekent hebt gij gelijk. Heed, hid, subst. zorg, oplettendheid, omzichtigheid: Take â = pas op; â verb, zorgvuldig letten op, gadeslaan; He âed my words = lette op en deed naar: âlui; âless. Heel, hil, subst. hiel, hak, knobbel, knop, overhelling naar eene zijde: ]\'eck and âs = in de volle (lichaamslengte: The police are at (upon) his âs = de politie zit hem op de hielen: His shoes are down at âs, out at âs = afgetrapt, versleten; They were laid by the âs = zij werden geboeid; The enemies showed their âs, took to their âs = de vijanden gingen op de vlucht, zetten het op een loopen; He kicked up hisâ8 = sloeg achteruit: lie always treads upon a mairs âs=hij volgt een* mensch gelijk zijne schaduw: He went at it âs over head = |
hij begon er hals over kop mede, hij ging onbezonnen of roekeloos te werk: â verb, eene hiel zetten aan, een kemphaan met eene spoor wapenen, dansen, naar eene zijde overhellen; âball = compositie van was en schoensmeer, om de hielen glad te maken of om afdruksels van opschriften te nemen; â piece, subst. achterlap, hakstuk; â verb, hakken aanzetten; âtap, subst. staartje (in een gias); verb, achterlappen aanzetten: Ko âtaps = er mag niets in het glas blijven. Hegemony, hddzemdni, hegemonie, overwicht. Ilegira, hddztrd, vlucht van Mohammed uit Mekka (622); overhaaste vlucht. Hei Ier, he fa, vaars. Ileigh, hai, hei! hola! âho = helaas, bah, ha, o wee! Height, hait, hoogte, verhevenheid, toppunt, Ãestalte, lengte, hoogste punt:estalte, lengte, hoogste punt: We were in «ondon at the â ol' the season = wij waren in L., toen de âseasonquot; in vollen gang was; The â of summer = hartje van den zomer; âen = verhoogen, verheffen, vermeerderen, krachtiger maken. Heinous, heinas^ kwaadaardig, snood, misdadig. Heir, êd, subst. erfgenaam, nakomeling; â verb, erven; âat-law, âgeneral = universeele erfgenaam: âapparent = troonopvolger; â presumptive = vermoedelijke erfgenaam (wiens rechten ophouden, zoo er nog een ander erfgenaam, den bezitter nauwer verwant, geboren wordt): âess, êras: âloom, êdlüm, persoonlijk erfstuk; âship. Held, held, imp. en part. perf. van to hold: He was â up to ridicule = hij werd in het openbaar belachelijk gemaakt. Helen, heVn. Helena (St.gt;, heiand. Heliac, hi Hak, Heliacal, hilaiak'l, aan de zon verwant, vóór de zon opkomende; llelianthus, hilianthas, het genus planten, waartoe de zonnebloem behoort. Helical, helik'l, spiraalvormig; âspring = spiraal veer. ⢠Helicon, helikquot;n\ Heliconian, helikounfn, tot den Helikon behoorende. Heligoland, heligaland. Heliochrome, hiliakronm, photographie met de natuurlijke kleuren. Heliometer, hiliomata, instrument ter bepaling van den zonnetijd. Helioscope, hilïaskoup, zonnekijker. Heliotrope, hilioutroup, zonnebloem: Helio-tropic. » Helix, htliks (Meerv. Helices, helisiz), spiraal, rand van de oorschelp, soort van weekdieren (waaronder de gewone en de eetbare slak). Heli, hel, hel, booze geesten, speelhuis; â brewed = in de hel gesmeed: âhated = verfoeid en veracht als de hel; âhound = helhond, cerberus; âlire = hellevuur: âish. Hellebore, helabü, Helleborus, plant(die iemand dol maakte). Ilellenian, halinj'n, Hellenic, halinik, Hel-leensch; Hellenism, helinizm, Grieksche spreekwijze; Hellenist, helinist, Grieksche jood in het begin van het Christendom, Hellenist ; Hellenize, helinaiz, Grieksche gewoonten aannemen, Grieksch schrijven of bestudeeren. |
bone = boiin; full; fool = ful; 9 = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: »/ear = jia; long = loij; s/iip = sip: occasion = okeiz'n; thin; thxxs â dhus; wine.
HELM.
216
HERE.
|
Helm, helm, subst. helm, bovenste deel van een retort, roer. helmstok, richting, bestuurder, gids; â verb, besturen, regeeren; âles»; âH-iniin = stuurman. Helmet, hehnat, helm; âed. llelmiiithaKOKiie, helmintlidgog, wormkoekje: Helmindiie, helminthik, wormen verdrijvend, llelot, heldt, slaaf (in het oude Sparta), lijfeigene: âi8m = toestand van een â. Help, help, subst. hulp, bijstand, geneesmiddel, helper: There i» no â for it = er is niets aan te doen: Tiiat is but my seeoiid â = ik word pas voor de tweede maal bediend; â verb, helpen, bijstaan, ondersteunen, voorkomen, nalaten, dienen (aan tafel): May I â you to a potato = mag ik u een aarda'ppeltje geven?; 1 could not â attaeliiug myHelf to him = ik moest wel aan hem gehecht raken; Thank you lor âiug me forward = wel bedankt dat je me zoo vooruitgeholpen hebt: He Hliairt go, if I eau â it = als ik er wat aan doen kan: He eould not â himself = hij kon er niets aan doen; Let me â you off time = laat ik u den tijd helpen verdrijven; Caift you â me ou = kunt gij mij niet voorthelpen?; He âed me over the «tile = hij heeft mij over het hek geholpen; âmate = helper, kameraad; âmeet = levensgezel(lin); âer; âful = hulpvaardig, heilzaam; âiiiR = portie voedsel: I have not yet fiiiiMhed my tirst âing of veal = ik ben nog niet mét mijne eerste portie kalfsvleesch klaar; -les». Heiter skelter, heltdskeltd, in 't honderd, verward. Helve, helv, steel van een hakmes, bijl, enz.; That is throwing the â after the hntehet = dat is het goede met het kwade weggooien; â verb, van een steel voorzien: â r = handvat. Helvetia, fwlvisd. Helvetië; ân, helviamp;n, subst. en adj.Z\vitser(sch); Helvetie,/tp/feïjfc, subst. Zwitser; adj. tot Helvetië behoorende. Hem, hem, subst. ,,H'mquot;, korte hoest, zoom, rand, boord; â verb, âh'mquot;' roepen, aarzelen, omzoomen, insluiten, omsingelen: âmed in with enemies, 1 knew not what to do = door vijanden van alle kanten ingesloten; My feelings âmed in my speeeh = beletten mij te spreken; âstitch = zoomsteek. llemadrometer, hxmddromato, snelheidsmeter van den bloedsomloop. Heniadynamometer, hxmddaXnomomdto, druk-kingsmeter van het bloed in de slagaderen. Hematite, himdtzixt, bloedsteen, rood en bruin ijzererts. Hematocele, himatasll, bloedgezwel. Hemi, hemt, (in samenstellingen) half . . . .: âcarp, hemikamp;p, vrucht (zooals eene perzik) die zich vanzelf in tweeën deelt; âplegia, hemipledzd, verlamming aan de eene zijde van het lichaam; âsphere, hemisfid, halfrond; âtone, hemitOMYi, halve toon. Hemlock, hemldk, dolle kervel: âspruce = Canadeesche spar. Hemp, hemp, hennep, werk; ânettle = hennepplant: âseed = hennepzaad. Hen, hen, kip, hen; âbane = bilzenkruid; âcoop = hoenderhok; âharrier, âharm = blauwe kuikendief; âhawk = kuikendief; âhouse = kippenhok; âmould = zwarte zachte aarde: âpeck = de baas zijn: He is a âpecked husband = hij zit onder de plak van zijne vrouw; ânery = kippenloop; âroost = hoenderrek. |
Hence, hens, adv. vanhier, hier vandaan, daardoor komt het dat: A week â = over eene week; â I am sad = dat is de reden mijner droefheid; interj. weg, ruk uit; (From) âforth, hensföth, âforward, hensföwdd, voortaan. Ilenchman, henêm'n, Henchboy. henèbui, bediende, page. liendecagon, hdndekdy'n, elfhoek, llendecasyllable, hdndekdsitoVl, (vers)regel van elf lettergrepen; Hendecasyllabic. llenriette. henrieto. Henry, henri. Hente, hento, te pakken krijgen (Amer.). Hepatic, hijpatik, tot de lever behoorende; Hepatitis, hipdtaitis, leverontsteking; Hepa-tocele. hipatasil, leverbreuk. Heptachord, heptdk'ód, reeks van zeven noten, zevensnarig instrument; Heptagon,heptegon, zevenhoek: Heptahedral, heptdhidrl, zevenzijdig: Heptahedron, heptdhidrn, zevenzij-dige figuur; Heptangular,/ic;jfa^/^/5, zeven-hoekig: Heptarchy, heptaki, zevenhoofdige regeering, land onder zeven heerschers; Hep-tastich, heptostlk, zevenregelig vers: Heptateuch, heptdtjük, de eerste zeven boeken van het O. Testament. Her, hv, bez. en pers. voorn.w., haar. Heracl(e)idan, hirdklaid'n, subst. afstammeling van Hercules] adj. tot de Heracliden (afstammelingen van Hercules) behoorende. Herald, her'ld, subst. heraut, wapenheraut, bode, voorlooper; verb, aankondigen, verkondigen; âs* college, âzkolidz, koninklijke corporatie, bestaande uit den earl marshal, de heralds en een secretaris; -ie, hdraldik, wapenkundig; âry, herldri, wapenkunde, praal, ambt van heraut. llerb, hvb, gras, kruid (éénjarig): âwoman = groentevrouw; âaceous, hubeiëds, tot de kruiden hehoorende; âage, Imbidz. de gezamenlijke kruiden of grassen, gras, weide, weide-recht: âal = kruidenboek, herbarium: âalist, hvb,dist, kruidenkenner, planten verzamelaar, handelaar in geneeskrachtige kruiden; âariiim, Iwbêridm, plantenverzameling, plantenkast; âiferous, hubifdrds* planten voortbrengend; âivora, hvbivdrd, plantenetende dieren: âi-vorous, hvbivdrds, plantenetend; âorize. hubdraxz, planten zoeken, botaniseeren; âelet = dim. van herb. Herculean, Iwkjülfn, buitengewoon krachtig of sterk, herculisch, buitengewoon groot, moeilijk of gevaarlijk; Hercules, hükjuliz. Hercules, buitengewoon sterk mensch; Hercules-beetle = groote Braziliaansche kever. Ilercynian, hvsinidn, adjectief voor een groot woud in Duitschland. Herd, /iórf, subst. kudde (groot vee; zie Flock), troep, zootje, herder, hoeder; â verb, in kudden leven, zich vereenigen, hoeden, oppassen; âbook = rundveestamboek; â's-grass = weidegras; â's-man = veehoeder, eigenaar van eene kudde vee; âer â¢= bewaker, beschermer, bestuurder. Here, hid, hier, bij deze gelegenheid: â and there, hirdn(d)dhêj, hier eri daar; That is neither â nor there = dat hoort er niet bij. |
man; ask = ask; farm = fiim; bat = but; learn = Iwn; line = lain; house = hans; net; care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = lo; lord = löd; boy = boi;
HEREABOUTS.
217
HIDALGO.
|
doet niets tot de zaak af; â you are = alstublieft: âal»out(8) = hieromtrent, hier in de buurt; âafter, subst. het hiernamaals: adj. aanstaande, toekomstig: adv. hierna, voortaan; âat = hierbij; âby = dichtbij: -in = hierin; âof, âOf, hiervan, hier van-daan; â011 = hierop; âto = hiertoe, hierbij, j in overeenstemming hiermede; âto-lore, â tufö, eertijds, vóór dezen; âupon = hierop; â with, âwidli, hiermede, bij deze(n). Ilereditahle. hdreditdVl, erf baar; lleredita- ineiit, herdditdment, erfgoed; Hereditary. heredit.iri, erfelijk, overerf baar (van ziekte); Heredity, hdrediti, erfelijkheid (d. i. het overgaan van zedelijke eigenschappen van het eene geslacht op het andere, vooral van ouders op kinderen); Heritable, heritdiïl, erf baar; Heritage, heritidz, erfenis, erfdeel, het Volk Gods. Ilerelord, hvfdd. llere8iarcli,/iarCs/aA:,ketteraanvoerder;Here»y, herdsi, ketterij; lleretie, herd tik, ketter; lleretieal, hdretitfl, kettersch. Ileriot, heridt, schatting,. aan den landheer te betalen bij den dood van den pachter. ileriHHon. heris'n, paal of balk met scherpe . punten voorzien. Herniaplirodite, humafrddüxt, subst. tweeslachtig dier of plant; adj. tweeslachtig. Ileriiieiieiitie(al), hv.monjütikCl), uitleggend, verklarend; lleriiieiieiitieH, livmanjütiks, uitlegkunde (vooral van de H. Schrift). Hei mew, hümiz (Mv. Ilerinae, humt), Griek-sche God (de Mercurius der Romeinen). Ileriiietic(al), hmnetikCl), scheikundig, luchtdicht. Hermit, hnmit, kluizenaar; Hermitical; Hermitage, livmitidz, kluis, soort Fransche wijn (wit of rood). Hernia, hünid, breuk (Zie Strangulated): llerniology, hv.niolddii, behandeling eener Hernsliaw,' hvnso, jonge reiger. [breuk. Hero, hiröu, halfgod, held; âworaliip, âtuvëip, buitengewone vereering aan een groot man, heldenvergoding; âie, Iwrouik, heldhaftig, helden...: He goes into lieroies = hij bedient zich van bombastische taal; âie age = de heldentijd; âie treatment = krachtige behandeling (van een ziektegeval); âie verse = versregel van vijf jamben (bij de modernen), hexameter (bij de ouden): âine, herouin, heldin; âism, herouizm, heldenmoed; âship = heldenaard. Hertrdians, hdroudfnz, partij van Herodes (= Herod, herdd: Matth. XX.H, 15 en 16). Heron, her'n, Uern. hun, reiger; âry = reigersnest. Herpes, hvpiz, huidontsteking, dauwworm. Herpetology, hvpitolddzi, beschrijving der kruipende dieren. Herring, herit\. haring: Fresh â = panharing: Redâ = bokking: Such an inquiry should not end in a savour «gt;1* red â =*zulk een onderzoek moet niet zoo kaal aflooopen; Fickled â = pekelharing; âbone = haringgraat, diagonale dwarsstreek, diagonaal metselwerk; âfishery = haringvisscherij; âpond = de (Atlantische) Oceaan (Amer. Zie Duek-pond): He was sent across the âpond = hij werd naar de strafkolonies getransporteerd. |
Herrnhuter, hiinhntd. Hernhutter (Zie Moravian). Hers, hnz, de of het hare, van haar; She was by herself = alléén. Hei â¢se, hós, valpoort. Hertford, hafod. Hertha, hüthd, godin der aarde bij de oude Germanen. Hesiod, hisiod, Hesiodus; âic, hisisdik, vanH, Hesitate, heziteit. aarzelen, stamelen, twijfelen; Hesitation, hezitelé'n, aarzeling, twijfel, hapering. HespertusK/Aes/^'^.s^avondsteiJlesperiatn), hdspirid(n), subst. (bewoner van) Spanje of eenig westelijk land; adj. westelijk. Hesperides, hdsperküz, de Hesperiden (die de tuinen met gouden vruchten bewaakten), de tuinen zelf. Hessian, heè'n, subst. bewoner van Hessen, politieke huurling (Amer.); adj. tot Hessen behoorende; â boot = hooge verlakte laars^ â f|y = verwoestende graanvlieg (of liever de larve) in N. Amerika. Hest, hest, bevel, 2:ebod. Heter(o),/icïa(roM) (in samenstellingen), anders, vreemd, verschillend: âoclite, hetorouklait, subst. en adj. (woord) afwijkend van den gewonen vorm: âodox, hetoroudoks. onrechtzinnig, kettersch; âodoxy, hetoradoksi, ketterij, onrechtzinnigheid; â«»geneous,/iefaro^-dzinios, ongelijksoortig; âogenesis, heterou-dzenosis, voortbrenging van nakomelingen verschillend van de ouders. Hetinaii, hetm'n, Opperhoofd bij de Kozakken. Hew, hjiï, houwen, hakken, vellen. Hewes. hjüz. Hewitt, hjüwit. He\(a), heks{d), (in samenstellingen),zes: âa-dactylous, heksddaktilds, met zes vingers of teene'n: âagon, heksdyon, zeszijdige figuur, zeshoek; âahedral, heksdhidr'l. zeszij dig; âahedron, heksdhidr'n, zeszijdig lichaam, kubus; âanieter, heksamatd, subst. zes voetige versregel; adj. met zes voeten: âangular, heksangjuld, zeshoekig; âapod. heksopod, zespootiginsekt; âastich, heksdstïk, zesregelig gedicht; âastyle, heksostuil, tempel of gebouwniet zes zuilen in het front. Iley, hei, ha, hei! âda y, heidei. he! â Presto ! Change! = Rrrt! iets anders! Ilezekiah, hezekaio, Hiskia. Hiatus, haieitds, gaping, open plaats, leemte, Hiawatha, hüidivdthD. [hiaat. Iliberiiacnlnin, haibdnakjuVm, winterverblijf van een dier; Hibernate, h'dibüneit, den winter in slapenden of verstijfden toestand doorbrengen (van dieren). Ilibernia, haibünjd, Ierland; ân, haibvnj'n, subst. Ier: adj. lersch; llibernicisin, haibtgt;-nisizm, lersch idioom: Hiberno-eelt, haibu-nouselt, lersche Kelt. ilieeough. Hiccup, hikdp, subst. hik; âverb, den hik hebben. lliekery pickery, hikoripikeri. mengsel van gestampte kaneêlbast en aloe. Hickory, hikari, walnotenboom; âshirt = hemd van gestreept katoen. Hid, hid, imp. en p. p. van to hide: The spaces of the 11 if! = het onbekende land. Hidalgo, hidalgoic, Spaansche edelman van den laagsten rang. |
bono = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = Jia; long = loi^; ship = sip; occasion = oketf/n; thin; thus = dims; wine.
BIDDER.
218
HIM.
|
Ilidder and shidder, hidan\n(d)èidd, hij en zij, mannetje en wijtje. Hide, haid, subst.huid, leven: I have curried li is â = ik heb hem goed afgerost; â verb, verbergen, verscholen zijn, geheim houden, bedekken, slaan: The king hid his face from them = de koning onthield hun zijne gunst of zijn steun: 1 will â my tare trom it = ik zal het over het hoofd zien, het vergeven; The children were playing; at â and seek = de kinderen waren aan het verstoppertje spelen; âbound = met strakke huid of bast: You cannot latten a âbound -colt = men kan een veulen met strakke huid niet dik in 't vleesch krijgen; That is â bound conservatism = dat is strak, streng, bekrompen conservatisme; Hiding, haidir^, het verbergen, schuilplaats; pak ransel; Hiding-place = schuilplaats. Hideous, hidjds, leelijk, afzichtelijk. Hie, hai, zich haasten. Uiemal, haidm'l, tot den winter behoorende. Hiërarch, hairak. opperpriester, kerkvoogd; Hierarchic'. ây = priesterregeering, kerk-heerschappij: Hieratic, hairatik, heilig,gewijd. Hieroglyph,/loir^i/', subst. beeldschrift, beeld: â verb, door âs voorstellen. Hieronymites, haironimaits, orde van kluizenaars in Italië. Hiralautin, hciifdlótin. Zie lligh-faliiting. Higgle, hig'l, rondventen, afdingen, koude drukte maken: They are higgling uiggling humbugs = onzinnige en drukke bluifers en schreeuwers. Higgledy-piggledy, hig'ldipirfldi, onderstboven. in volkomen verwarring. liigh, hai. hoog, verheven, machtig, edel, aanmatigend. hevig, van den aequator af, sterk riekend, de verrotting nabij, scherp: The â sens = de volle zee; â and dry = uit het water, aan den grond, boven hoog waterpeil: These people are â and dry conservatives = ouderwetsche, ingevreten;'With a â hand = uit de hoogte; He carries it â = hij heeft een trotsch air; On â = omhoog, inde lucht; The Most â = de Allerhoogste; This word must be written with a â M = groote M.: âer up there = rijd wat op (naar den trottoirband); âaimed = met een verheven of groot doel; âbaili(r= voornaamste ambtenaar; âblown pride = opgeblazen trots: âbred = van zuiver bloed of ras; âcaste, â/cusf, van hoogen rang; âborn = van edele geboorte; âchurch, subst. streng episcopaalsche kerk (onderscheiden van Low-cliiircli en Hroad-chnreh); adj. tot die kerk behoorende: âchurchism = beginselen der âchurch: âchurchman = aanhanger dezer kerk; âclass work = uitstekend; â climbing, -~klaimiT\, zich hoog verheffend: âcoloured, âknldd, methooge, sterke kleur, blozend, in krachtige taal uitgedrukt; âcourt (Zie Parliament); â court of Justice = hoog gerechtshof (Zie Supreme-court); â cross = kruis, vroeger op de markten geplaatst; âday = hoogtij, feestdag, volle dag, middag; âDutch, âtiennaii = Hoogduitsch; âengendered = in de lucht, hoog geboren; âfainting, âfdlütin, hoogdravend, bombastisch, gemaakt (Am.); âfed = volgepropt. |
gemest, weelderig; âflier = overdreven mensch, aanmatigend persoon: He was a âflier at fashion = erg op de mode gesteld; âflown = trotsch, overdreven, bombastisch ; âflying = overdreven, aanmatigend; âhanded = overheerschend, willekeurig; âheeled = met hooge hakken; âhung = verheven; âjinks, âdzir\ks^ groote pret of jool; âland'= hoogland; bergachtig deel van Schotland (altijd meerv.); âland fling = Schotsche dans, horlepijp; âlander; â-111*0 = de hooge aristocratie; âliving = keurige spijzen, de gewoonte lekker te leven; âlow = lage schoen met veters; âmass = hoogmis; âmettled = vol vuur en opgewektheid; âminded = grootmoedig, edel; ânoon = middag te 12; âpitched = trotsch, eerzuchtig, fijn, hooggestemd: âpitched roof = hoog en spits dak; âplace = hoogte, waarop de Joden aan afgoden offerden; â pressure, âpreëd, subst. hooge druk; adj. met hoogen druk; âpriest = hoogepriester; âprincipled = met edele beginselen; â proof = krachtig, zeer op de proef gesteld, in de hoogste mate; âreaching = hoog reikend, eerzuchtig; ârelief = hoog relief;. âroad = groote weg, straatweg; â-seas = volle zee: On the âseas = in volle zee; â seasoned = sterk gekruid, pikant; âseated = hoog gezeten; âsheriff = opperschout; âsouled = edel van ziel; âsounding = hoogdravend, praalziek, vol vertoon; âspirited = vol vuur en fierheid, stoutmoedig: â stepper = paard, dat de pooten hoog optilt, iemand die pedant stapt; âswelled = opgewonden en opgeblazen door hartstocht; âtide = hoog water, vloed; âtoned = hoog van toon, krachtig van klank, met hooge beginselen; âtowered = met hooge torens; âtreason = hoogverraad; âwater = vloed; âwatermark = hoogpeil; âway = straatweg, groote weg; âway-man = struikroover; âwrought = zeer* opgewonden; âwine = gedistelleerde drank, zuivere alcohol (Amer.); âness = hoogheid, verhevenheid, titel voor hooggeplaatsten: Your âness = Uwe Hoogheid. Highty-tighty, haititaiti, hooghartig: Do not turn 'me off in that â nianner = zend mij niet weg op die hooghartige manier. Hilarious, hilêrids, vroolijk; Hilarity, hilariti, vroolijkheid, opgewektheid. Hilary term, hiloritiim. de zittingstijd (11 Jan.â31 Jan.) in de Eng. gerechtshoven. Hilding, hildin, subst. en adj. laag, verachtelijk (mensch). ilill, hil, heuvel, bergje, hoop: As old as the âs = zoo oud als de wereld, als de weg naar Kralingen; âfolk, âfouk, soort van elven of kabouters; âside = helling van een heuvel; âtop = heuveltop; âwort, âwvt, wilde thijm; âock, /iifóAr, heuveltje, bergje; ây = heuvelachtig. Hil't, hilt, hecht, gevest: You have proved it up to the â = gij hebt het zonneklaar bewezen. Him, him, pers. voornw. hem: âself = hemzelf, zichzelf: He was by âself = alléén; He was not â self yesterduy = gister was hij zichzelf niet, zichzélf niet meester; He kept |
man; rrsk = ask; farm = fiirn; hut = but; learn = Ion; line = lain; ho?lt;se = haus; net; care = kè»; fate = feit; tin; r/sleep = asllp; not; \aw = ló; lord = lod; boy = hoi;
HIMALAYAN.
219
HIVE.
|
âsell* to âself for moiiip time = hij zonderde zich af. Hiiniilayan, Inmaleian, tot het Himalaya-gebergte behoorende. Hind, haind, subst. hinde, boer, boerenarbeider, knecht; adj. achterste; â before = achterstevoren: With their heads turned âfore-moHt = achterstevoren; âcalf = hinde van het eerste jaar; âberry = gewone braambes: âmost â achterste: âleg = achterpoot ; âer, /laimfo, achterste, laatste: âerling (Zie lliiding); âermost = laatste. Hinder, hinde, hinderen, verhinderen,beletten, moeilijkheden in den weg leggen: He âecl me from coming = belette mij te komen. Hinlt;Uegt;ranee, hindr'ns, hindernis; âer. Hindi, hindi, taal in de vallei van den Ganges. Hindoo, Hindu, Iiindü. subst. en adj. Hin-doe(sch): âism, hindüizm, leer der Hindoes; âstani, hindüstdni. het eigenlijke Hindostan. Hin^e, hinz, subst. hengsel, scharnier, spil: Things are off the âm = de boel is in de war; â verb, van hengsels voorzien, draaien, steunen, afhangen: Everything âs on that fact = op dat feit draait alles. Hink, hitik, oogsthaak. Iliniiy, hini. subst. muildier; â verb, hinniken. Hint/ hint, subst. zinspeling, wenk; â verb, zinspelen, een wenk geven, aan de hand doen, toespelingen maken: Do not â at a present = maak vooral geene toespeling op een cadeau; He took the â = hij begreep, snapte me (de toespeling): âer. Hip, hip, subst. heup. buitenhoek van de bijeenkomende zijden van een dak, vrucht van de hondsroos: I had (caught) him on the â = ik had hem te pakken, had een voordeel op hem; â and thigh = volkomen: The govern-nient was beaten â and thigh = het ministerie bleef verschrikkelijk in de minderheid; âbath = halfbad, zitbad; âgout = heupjicht; âJoint = heupgewricht; âroof = schuin dak; âshot = ontheupt; âtree = hondsroos of wilde roos; âped, hipt, ontheupt, met ontwrichte heup, somber gestemd, gedrukt: You are â ped, you want more society = je bent zwaarmoedig (âhiepquot;), en hebt afleiding noodig. Hippocentaiir, hipdsentö, centaur, paard-mensch: Hippodrome, hipodroum, circus, paardenspel, renbaan; Hippogriff, hipagrif, gevleugeld paard: Hippopathology, hipoupd-f/iotedri, veeartsen ij kunde; Hippophagy, /' ipo-fddzi, het zich voeden met paardevleesch; Hippopotamus, nijlpaard,rivier- paard: The mairs hippopotamic manner = 's mans lompe en forsche manier. Hippocratic, hipakratik, tot Hippocrates behoorende; âface = gelaat van een stervende even vóór de dood intreedt. Hircania. hvkeinid. Hircine, hnsain, sterk riekend, als v. een geit. ; Hire, haid, subst. huur, belooning, steekpenning; â verb, huren van iemand, in dienst nemen voor loon, omkoopen; âling, subst. huurling: adj. voor huur, gehuurd; âless = gratis; â r. Hirsute, hvsiüt, behaard, ruw, harig. His, hiz, pron. poss. zijn. de of het zijne: He lias come by â own = heeft gekregen wat het zijne was; He has come into â own = |
hij heeft zijn erfdeel aanvaard. Hisk, hisk, gapen. Hispanicism, hispanisizm, Spaansch idioom: The Hispano-Portuguese frontier = Spaansch-Portugeesche. Hispid, hispid, ruw, grof, stekelig. Hiss, his, subst. sisklank, gesis, gejouw: â verb, sissen, fluiten (van een pijl door de lucht, b.v ), uitfluiten. Hist, hist, adj. tot stilte gebracht; interj. St.! Histology, histolddzi, microscopische anatomie. Historian, histörian, geschiedschrijver, geschiedkundige: Historial, ^ Histo-ric(al), historikCl), geschiedkundig: llistoric-painting. Historic-picture = geschiedkundig schilderstuk; Historic(al)-sense = zin voor het onthouden van historische feiten; Historicity, histdrisiti, geschiedkundige waarde of waarheid (vaneenigwerk); Historiette, hista-riet, verhaal, kleine geschiedenis; Historiographer, hxstoriografa, geschiedschrijver (officieel); Historiography,/astóno{/ra/Z, geschiedschrijving; History,* histari, geschiedenis, verhaal; llistory-piece = historische schilderij. Histrio, histrioxx, tooneelspeler; ânicCal), histrionikCl), tot het tooneel behoorende: Our ânic taste is gone = onze zin voor de tooneelspeelkunst en het tooneel is verdwenen: ânies, histrioniks, tooneelkunst; â nism. Hit, hit, subst. slag, stoot, aanraking, kans. gelukkige zet, succes: The book is a decided â = het boek heeft bepaald succes; The singer was a great â in London = maakte bepaald opgang; You must do it, â or miss (bitty missy) = op goed geluk af, (eig. luk of raak); *â verb, raken, slaan, bereiken, gissen, passen: You have â it off = ge hebt het juist getroffen, geraden: Heâ off my likeness very happily = hij heeft mij go'ed getroffen: He â it out = hij heeft het er goed afgebracht: I could not â upon the right expression = ik kon de juiste uitdrukking niet vinden; lie â out at me = hij deed een krachtigen slag naar mij; I â it iii his teeth = ik wreef het hem onder den neus; Her visit to America was a triumph: she â up all her hearers = zij pakte al hare hoorders in; âting-shot = raakschot. Hitch, hits, subst. haak, beletsel, hapering, het grijpen, ruk, tijdelijke hulp in nood, kink, steek: The â was due to your carelessness = door uwe zorgeloosheid ontstond het beletsel; llpon the least â I will have you write your lesson = als ge even hapert laat ik je de les schrijven; â verb, vastmaken, aanhaken, met een ruk stilhouden, met horten en stooten bewegen, prettig samen werken, aanslaan (van paarden), wegnemen: The extinguisher was âed to the candlestick = het dompertje was aan den kandelaar gehaakt: Take care, lest he âes you into a story = pas op, dat hij je niet 'in een verhaal ten tooneele voert; âing = vasthaken (bij paarde-tuig). Hither, hidha, hierheen, aan deze zijde: â and thither = heen en weer; âmost = nabij, het meest naar deze zijde; âto = tot hiertoe: âward = herwaarts. Hive, haiv, bijenkorf, zwerm bijen, dicht be- |
bone = boun; full; fool = ful; «⢠= toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl: t/ear = jia; long = loi^; ship = sip; occas/on = okeiz'n; thin: thus = dlws; wine.
HIVE-BEE.
220
HOLD.
|
volkte buurt, hooge vrouwenhoed: â verb, in een korf doen of verzamelen, opzamelen, bevatten, samenwonen: 1 will nu longer â with tliein = ik wil niet langer met hen onder één dak zijn; âlgt;ee = korf bij; âward = korfwaarts, huiswaarts; âIe»»: âr = ijmker. Ilive», haivz, soort v. waterpokken, kroep, llizzing, hizhx-, gesis. Ilo(a), hou, he! (uitroep om attentie te wekken), ho! (uitroep om paarden tot staan te brengen) (Zie Whoa en Way). Iloaiiiin^, hou ui in, 'schuimend, bruisend. lloai\ /iö, adj. wit, grijs,beschimmeld: â verb, wit of grijs maken, beschimmelen; âfrost = rijp (bevroren dauw); âMtone = grenssteen. Hoard, Iwd, subst. voorraad, hoeveelheid, hoop, geheime schat of voorraad: â verb, vergaren, opzamelen, opleggen: He âed all MaviiigM = hij zamelde alle spaarpenningen op. Hoarding, hödii^ planken omheining om een in aanbouw zijnd gebouw. Hoarse, //ös, schor, heesch, krassend; â sounding = schor klinkend; âness. Hoary, /ión,grijs,beschimmeld; âheaded = met grijzen kop. Hoax, houks, subst.grap, fopperij, aardigheid; â verb, eene grap hebben, foppen. Hob, hob, subst. haardplaat aan den rand, om iets warm te houden, naaf, lomperd, geest, kabouter; âlike = boersch, lomp; ânail = dikke spijker, boer. Hob-and-nob, hoban(d)nob, drinken, een lijntje trekken met: We were all âbing with our host = wij trokken allen een lijntje met onzen gastheer; llob^a-nob, hobdnob. adj. op fami-liaren voet, goed bekend met elkander. Hobbes, hobz, Hobbes (Engelsch wijsgeer); llobbisin, hobizm, wijsgeerig stelsel van Th. Hobbes (1588-1C79); llobbist. Hobble, hobl, subst. onregelmatige en lompe gang, moeilijkheid: â verb, strompelen, ongeregeld gaan of loopen, binden (van paarden) van den kop aan een voorpoot, om het weg-loopen onmogelijk te maken: .John had âd the horses, aiid tied them together (Zie ook: Kneehnltered): llobbly = hobbelig, oneffen, vol gaten (van een weg). Hobbledehoy, /ioigt;7cte/iói. jong mensch, te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken. Hobbler, hob ld. lichte cavalerist (Zie Hobby). Hobby, hobi, haviksoort; hit, telganger, stokpaardje, geliefd onderwerp of plan; domkop, lummel; âhorse = stokpaardje (eig. en fig.), telganger, uilskuiken. Hob-goblin, hobgoblin, leelijke kabouter. Hobnob, hobnob, familiaar zijn, drinken met. Hobson's choire, hobs'nztèma, geene keus, gedwongen keus. Hoek, hok. achterste deel van het kniegewricht (bij menschen), hak pees (bij paarden, etc.), lichte Rijnwijn (Zie ook Hough): âday = vreugdedag, vroeger op den tweeden Dinsdag na Paschen; âtide = zelfde als't voorgaande. Hockey, hoki. soort v. kolfspel. Ilocklê, hok'l, de hakpees doorsnijden, verlammen; maaien (Zie llainstring). |
Hoeus, houkds, subst. bedrog, wijn met slaapkruid erin: adj. bedriegend; â verb, bedriegen, iets door den drank mengen (met een gemeen j doel) om bewusteloos te maken: âpoeus = goochelaar, goocheltoer, goochelarij. Hod, hod, kalk- of steenenbak; âcarrier = opperman = âinan; âinandod = huisjesslak. Hodden, hod'n, ruw, lomp,boersch; âgray = stof van ongeverfde wol. Hodge, hodz, boer, boerenarbeider; âpodge = i hutspot, allegaartje; âpudding = allegaars-| pudding. Hodiernal, hoadiünl, huidig, van dezen dag. Hodometer, hodomdtd, afstandsmeter (aan de as van een rijtuig, etc.). Hoe, hou, subst. schoffel; â verb, schoffelen; âcake = koek van Indiaansch meel. Hok, hog, subst. varken, gesneden beer, schaap of stier van een jaar, verachtelijke vent, schrobber (voor het deel van het schip onderwater): â o 1'wool = vacht van een tweejarig schaap; 1 am one ot' those men who must go the whole â = ik ben een van die lui, die als ze A gezegd hebben, ook li zeggen: â verb, kort afknippen, schrobben (van een schip, technisch hoggen genoemd), naar beide zijden buigen, met gebogen hoofd gaan: âeote = varkenskot: âherd = zwijnenhoeder; âinane = kortgesneden opstaande manen van een paard; âpen = varkenskot; â's-back = heuvelrug; â's-lard = varkensreuzel; â shearing = koude drukte, drukte om niets; âsteer = wild zwijn van drie jaar: âsty = varkenskot; âwash = varkensdraf; âgish, hog is, met de kenmerken van een varken: vuil, dom, gulzig, zelfzuchtig. Hogarth, hougath. Hoggerel, hogorl, schaap in het tweede jaar. Hogger-pump, hogdpvmp, pomp in eene kolenmijn. â loggers, hogdz, kousen zonder voeten (door mijnwerkers gedragen). Hogget, hogdt, tweejarig schaap, zwijn of veulen. Hogmanay, hogmonei, Oudejaarsdag (met feesten eri geschenken) in Schotland. Hogshead, hogzhed, okshoofd (03 gallons). Hoiden, hóid'n, subst. wilde meid, driedekker; adj. ruw, brutaal; â verb, ruw en ongepast stoeien. Hoist, huist, subst. het ophijschen of optillen, toestel daarvoor, vóórlijk van een zeil; â verb. (op)hijschen: He was â(edgt; with his own petard = hij werd in zijne eigen val gevangen, vloog met zijne eigen mijn in de lucht. Hoit, hóit, erg druk zijn; lloi'tv-toity, hóili-. tóiti, adj. opgewonden, druk, grillig,'knorrig; interj. tut tut! (uitroep van verbazing, gemengd met afkeuring). Holborn, houbdn. Holbrook, houlbruk. Hold, ho aid, subst. houvast, greep, steun, bezit. eisch, gevangenschap, gevangenis, schuilplaats, ruim van een schip: That great shock looses his â on life = die groote schok brengt hem den dood nader; He laid â of (took â of) my arm = hij greep (pakte, hield) mijn arm vast; 1 cannot get â of him = ik kan hem niet te pakken krijgen; ]\Toth:ng has any â on him = niets heeft vat op hem; â'verb, pakken en houden, vasthouden, er voor houden, behouden, inhouden, bevatten, bewaren, behoeden, hebben, bezitten, verkrijgen, verdedigen, deelnemen, vieren, voeren (van taal), wedden: 1 will â that wager = |
man; «sk = ask: farm = fam; b»«t = but; learn = l«n; line = lain: house = haus; net; care = kèo; fate â feit; tin; asleep = aslip; not; \aiu = 16; lord = löd; bogt;/ = bói;
HOLDBACK.
221
HOME.
|
ik durf die weddenschap aan: I will â a brier lor you = de zaak voor u bepleiten; That rule 'always âs (good) = gaat altijd door: The ininiHtry â« it» power at the hands of the people = het ministerie heeft of ontvangt zijne macht uit de handen van het volk; We held the lortress against the enemy = wij verdedigden (met succes) de vesting; He held forth his hand = stak zijne hand uit, bood zijne hand aan; We have been â ing forth on all kinds of subjects = hebben het gehad over allerlei onderwerpen, er over uitgeweid: â your tongue = houd u stil, zwijg; We â our title of (from) the royal favour = wij ontleenen onzen titel, ons Vecht aan de koninklijke gunst: He held off his enemies = hij hield .. op een afstand: He held on his headlong course = hij zette zijn onstuimigen loop voort: â on a bit = wacht eventjes; He held (on) by the railings = hield zich vast 1 aan het hek;* He held his own against any odds = hij hield stand tegen elke overmacht; lie can hardly â his own = hij kan zichzelf nauwelijks bedruipen: He was ing out to a knot of men = stond te oreeren tegen een groepje mannen; He held out those favours to me = bood mij die gunstbewijzen aan: 1 can â out no longer = ik kan het niet langer uithouden: Many advertisements must be held over till our next issue = wij moeten vele advertenties tot ons volgend nummer laten liggen: You must not â him to that opinion = deze meening niet als zijne eind-opinie beschouwen: Behave well aiid â to the right = gedraag u goed. en houd u aan t goede; He held faithfully to his party = hij bleef standvastig trouw' aan zijne partij: â up your head, and look like a man = wees 'flink; The same speed was held up to the last = tot het laatst bewaarde men dezelfde snelheid; lie was held up for (to) execration, ridicule = men deed al het verachtelijke, belachelijke van hem uitkomen; He âs with the royalists = hij houdt het met de koningsgezinden: Why don't you â up your ena of the line' (rope) = waarom neemt gij niet deel aan het gesprek (Amer.)?: He held wool for her = (eig.) hij hield eene streng wol voor haar op, die zij tot een kluwen wond, (fig.) hij onderwierp zich aan hare nukken: â. enough! = houd op, het is genoeg;, âback = verhindering, beletsel; âcheap, houldtsip, vluchtig: âer = houder, huurder, aandeelhouder, bloemenvaas; âer-forth = schreeuwerig redenaar: âlast, houldfiist, steun, houvast; âing = houvast, bezit, gehuurde boerderij. Hole, hoiil, subst. gat, hol, opening, kuil, hok (van eene woning), moeilijkheid: 1 have put my foot into a big â = ik ben er leelijk in'geloopen. heb mij leelijk verpraat, enz.; The liberals are in a â now = de liberalen zitten er nu leelijk in; We are not going to pick âs in each other's coats = wij zullen elkaar geen kwaad doen: I tried to pick âs in his story = ik trachtte fouten te vinden in, aanmerkingen te maken op ' zijn verhaal: He walked till his shoes were in âs = stuk waren; The diplomatic âs and corners of our day = de diplomatieke geheimen ( wat er achter de schermen gebeurt van onzen tijd; The proceedings of the club are âand-corner = de handelingen van het genootschap zijn geheim: â verb, een gat maken, in een gat jagen of gaan. Holibut, holihv.t (Zie Halibut). |
Holiday, /jo/idei, subst. heilige dag, vacantie-dag, feestdag: ndj. tot een feest-of viicantiedag of -tijd behoorende: â task = vacantiewerk. Holiness, houlinds, heiligheid: His â = titel voor den paus. Iloliiished, holinëad. Holla, holt). Holloa, holott, subst. luide roep; â verb, luide roepen; interj. hela, hei! Holland, hoVnd, Hollandsche linnen- en witte goederen: The carpet is covered with brown â = over het vloerkleed ligt een bruin grof katoenen kleed; âs = Schiedammer; British âs = in Engeland gestookte jenever; âish. Hollow, holou, subst. holte, ledige ruimte, hol, groef, voor, dal; adj. hol, niet massief, uitgehold, concaaf, laag, diep, geveinsd, onoprecht, volkomen: She beat all her sisters â = zij won het royaal van al hare zusters: â verb, uithollen, bukken, buigen, luid roepen: âeyed = met holle oogen: âhearted = onoprecht, valsch; âsquare = carré (mil.): âware = gegoten ijzeren potten en pannen, enz. Holly, holi, hulst (plant met stekelige, glanzende bladeren en roodgele bessen); âhoek = stokroos. Holm, houm. riviereilandje, grond langs den rivieroever, hulst: âoak = steeneik. Holine(s), lioum(z). Holocaust, hola kóst, brandoffer, algemeen offer van levende wezens. Holograph, holdymf, eigenhandig geschreven document. Holster, houlstd, holster (v. een zadel): âed. Holt, houlU hout, boschje, aanleg, gat (in den grond), schuilplaats (voor dieren). Holy, houli, heilig, rein, goddelijk, gewijd: â of Holies = het Heilige der Heiligen: The â One = Jehova; â day = Heiligendag: (ihost, â Spirit = Heilige Geest: â Office = de Inquisitie; â Orders = kerkdienst: He entered into â orders = hij wijdde zich aan den dienst der kerk: ârood = kruis, kruishout, crucifix (in kerken vooral): âstone = schuursteen (voor scheepsdekken); â Thursday = Hemelvaartsdag: âwater = wijwater; â week = week vóórPaschen: â Saturday = Zaterdag vóór Paschen; â wells = miraculeuze bronnen; â Writ = de H. Schrift. Holyhead, holihed. Holywell, Ito li wel. Homage, homidz, subst. hulde, eerbied; â verb, hulde of eerbied bewijzen: âr = vasal, leenman. Home. houm, het tehuis, huis, geboorteplaats, vaderland, woning, verblijf, liefdadige instelling: He has left â, come â = is van huis gegaan, thuis gekomen; â is â, be it never so âly: Be in Kast and West, â is best = oost, west, thuis best; That truth came â to me = die waarheid drong tot mij door, ik werd mij harer bewust: All our deeds come â at last = al onze daden worden |
bone = boun; full; fool = ful; é = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = jia: iong = loi^; ship = sip: occas/on = okeiz'n; thin; thus = dims: wine.
HOME-BORN.
222
HOOK.
|
op den duur op onszelf verhaald; He is perfectly at â with what passed = volkomen op de hoogte van wat er gebeurd is; Make Vourselt* at â = doe alsof je thuis was; Mrs. K is at â an Monday = Mevrouw N. ontvangt Maandags; He banged the door â = sloeg hard de deur dicht; Charity begins at â = het hemd is nader dan d*e rok; adj. huiselijk, binnenlandsch, dicht, gepunt, scherp, doordringend: âborn = in-landsch. natuurlijk; âbound = door het 1 weer belet om uit te varen, aan huis gebonden door de omstandigheden; âbred = inlandsch, natuurlijk, niet beschaafd (door reizen); â âeircuit, âsvkit = omtrek die de âcounties insluit; âcomity = graafschap, waarin een deel van Londen ligt; âdepartment^ Departement van Binnenl. Zaken; âoffice = Ministerie van Binnenl. Zaken; âmade = eigengemaakt, van inlandsch fabrikaat; âfarm = boerderij verbonden met het verblijf van den eigenaar; âfeit = innerlijk, geheim; âkeeping = thuis blijvend, huiselijk; â return = repatrieering; ârule = plaatselijk eigenbestuur (vooral met het oog op Ierland); âsick = landziekig; âsickness = heimwee; âspeaking = eenvoudige, oprechte taal: âspun = subst. enadj. eigengesponnen (stof), van eigen fabrikaat, eenvoudig, ongemaakt, lomp (persoon); âstall, âstead = erf, huismansplaats; âthrust = gevoelige waarheid, stoot die raak is; âtrade = bin-nenlandsche handel; âward = huiswaarts: âward-bound = naar het vaderland op reis; âless = dakloos: âly, houmli, eenvoudig, dood gewoon (van het gelaat), voor huiselijk gebruik bestemd, ongeaffecteerd, leelijk (van gelaat; Amer.). Homeopatliy, houmiopdthi (Zie Homueo-pathy). Homer, houmd, Homerus; Homeric, houme-rik, Homerisch. Homicide, homisaid, menschenmoord, dooder: Homicidal = moorddadig, bloedig. Homily, homili, leerrede, preek; Homilist, homilist, schrijver van preeken; llomiletics, homiletiks, kanselredekunst. Hominy, homini, grof gemalen maïs. Hominock, homok. Zie iiiiminock. Homoeopath, lioumidpath, homoeopaat; Homoeopathy , houmiopdthi, homoeopathie; Homoeopa thetic. Homugeneal, homddzinidl, Homogeneous, homddzinids, gelijksoortig, gelijkslachtig. Homograpli, homagraf, woord met dezelfde schrijfwijze als, maar anderen oorsprong dan een ander. Homologate, homotegeit, bekrachtigen, goedkeuren. Homologous, homotegds, evenredig. Homonym, horrwnim, woord met denzelfden klank als een ander maar andere beteekenis; âous, homonimds, dubbelzinnig; ây,/«omo-nimi, dubbelzinnigheid; Homophone, /ioma-/bun, letter of woord van denzelfden klank. Homunculus, homntikjulas, dwerg, mannetje. Hone, houn, subst. slijpsteen, oliesteen; â verb, slijpen, aanzetten. Honest, ondst, eerlijk, braaf, oprecht, kuisch, onbesmet; ây, onasti, braafheid, eerlijkheid: i ây is the best policy = eerlijk duurt het langst; In ây of heart = in alle oprechtheid. |
Honey, /i»m, subst. honig, zoetheid, liefje,, snoesje; adj. honigachtig, zoet: â verb, met honig bedekken, zoet maken; âbadger = honigbeer; âbag = honigzakje (der bijen); âbear = honigbeer; âbee = honigbij; âcomb, â/t'oum, honigraat, honigcel: The nation is âcombed with secret societies = de natie is vol, doortrokken van geheime genootschappen; Mature is âcombed with pain and strife = de natuur is vol van pijn en strijd; âdew = honigdauw, soort van tabak met stroop bevochtigd en in koekjes geperst: âflower = honigbloem: âguide, âgaid, Z. Afrikaansche koekoek; âharvest = honigoogst; âmoon, subst, de vier wittebroodsweken; â verb. in de wittebroodsweken zijn; âstalk, âstok = klaverbloem; â mouthed, âmaudhd, âtongiied. âtwid, met honigzoeten mond, vleierig; âsuckle = kamperfoelie; âwort = wasbloem; âedy Honied, hvnid, zacht, zoet, vriendelijk, vleiend: âless. Honorarium, honorêrwm, salaris, belooning. Honorary, hondrori. eervol: â President = Eere-Voorzitter; â momiment = gedenktee-ken voor iemand, die ergens anders begraven is; That is a purely honorific distinction = zuiver een eeretitel. Honour, ons, eer, hooge rang, waardigheid, titel (= edelachtbare), eerewoord, een der vier hoogste troeven (Meerv. â s = eerbewijzen, hoogste graad: Examinations in âs = âcum laudequot; examens): 1 pledge it on my â, I pledge my â for it = ik beloof het op mijn woord, verpand er mijn woord voor: Ion are in â bound to do it = aan uwe eer verplicht; My friend did the âs =? mijn vriend nam de honneurs waar; That does you â = dat strekt u tot eer; âs of war = krijgseer: â verb, eeren, eer bewijzen, erkennen, honoreeren (van een wissel); âer. Honourable, onordUl, eervol, aanzienlijk, achtbaar, titel (aan de jongere zoons van ear Is, aan al de zoons en dochters van viscounts en. barons, aan rechters en aan verschillende rijksambtenaren: Zie ook Rightâ): âness. Hood, hud, subst. kap, zacht hoofddeksel, aanhangsel van eene universiteitstoga, kap (van een rijtuig); peperhuisje, gek (op een schoorsteen), enz.: The â and leathern apron of the carriage âde kap en beenbedekking van het wagentje; â verb, met een kap of iets dergelijks bedekken, blinddoeken; --cap = zegel met \tapen er op; âmoulding =Jijst boven deur of venster: âman = blindeman (in het spel); ânian-blind = blindemannetje; â wink = blinddoeken, verschalken: âed. Hoof, hüf, hoef, klauw, dier; --bound = met pijnlijken hoef; â ed. Hook, huk, subst. haak, vischhaak, sikkel, kram, duim (van eene deur), kaap, voordeel, meevallertje, âgannef: By â or by crook (Zie Crook); Things are off the âs = de dingen zijn in groote wanorde; He is off the âs = dood, het hoekje om; You must do it on your own â gij moet het op eigen gelegenheid, verantwoording, doen; She kept him on the âs = zij hield hem aan het |
man; «sk = ask; farm = fam; hut = but; learn = Iwn; line = lain; hoitse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = «slip; not; law = 16; lord = löd; hoy = bói;
HORSE-COPER.
223
HOOKAH.
|
lijntje, liet hem niet los; â verb, met een hoek vangen, aanhaken, tot een haak buigen, van haken voorzien,stelen: Tliey âed it = zij zijn ervandoor; She â«â¢and^eyes lier gown = zet haken en oogen aan: ânoseCd) = (met een) haviksneus; âpin = haakbout; âed; ây. Hookah, /in/ra, pijp, waarbij de rook door water gaat (Indië). Hooker, /iie/ca, Hollandsche éénmaster. Hoop, hup, subst. ijzeren of houten hoepel, crinoline, band, riem; â verb, met hoepels, enz. beslaan, omringen (Zie ook Whoop); âiron = plat en dun staafijzer; âstkirt = hoepelrek. Hooping, hüpin, geschreeuw: âcough, âkof, kinkhoest. Hoonier, hüzd, bewoner van Indiana (Amer.). Hoot, hüt, subst. gejouw; â verb, uitjouwen, schreeuwen (van een uil). Hoove, hüv, soort van ziekte bij vee. Hop, hop, subst. hop; sprong, dans: âo'iuy-thumb = nietig ventje; He escorted herat party our â = hij ging met haar naai- partijen'en bals: He han had many girls on the â = hij heelt veel meisjes hét hoofd op hol gemaakt; He was on the â, and still smarting under defeat = hij gevoelde zich ongelukkig, en voelde nog zijne nederlaag: He is a â out of kin = hij slaat geheel uit den aard; â verb, hinken, huppelen, springen, dansen, hop oogsten, met hop brouwen: He ha» âpeil the twig = hij is het hoekje om gegaan, is overleden: âback = mout- en hopvat: âbind, âbine, âvine = hopstengel: âpieker = hopoogster; âpole = hopstaak: âyard. âgarden = hopveld, hoptuin; âpér = danser, etc.; kaasmijt, trichine, zaaibak, hopoogster; âscotch, hop-skotè. âpers, hopaz, hinkebaan. Hope, houp, subst. hoop. vertrouwen, verwachting, wensch; â verb, hopen, verwachten, vertrouwen. Young âful = veelbelovend jong mensch (ironisch); âless. Hoplite, hoplait, zwaargewapend Grieksch krijger. Hopple, hop'l, de voeten samenbinden, kluisteren; âs = kluisters voor vee in de weide. Horal, hór'l, Horary, hörari, wat een uur duurt of betreft. Horace, horos, Horatius; lloratian, horeiè'n, Horatiaansch. Horatio, horeiëou. Horde, höd, subst. horde, bende, troep: â verb, in horden of benden leven of zich vereenigen. Horehouiid, höhaund, malrove. Horizon, hdraiz'n, horizon, beperking (van den gezichtskring); Sensible, Apparent â = schijnbare (voor ons waarneembare) horizon; Rational â = werkelijke horizon; Horizontal. Horn, hön, hoorn, horen, drinkhoorn, voelhoren, de niet-volle maan (bij 't wassen of afnemen), vleugel (van een leger), zijtak (van eene rivier), punt (van een aambeeld), zinnebeeld van kracht en overvloed: â of Plenty = horen desover-vloeds; Til either make'a spoon or spoil a â = ik waag het: erop of eronder; He lias drawn, hauled, pulled in his âs = hij is in zijne schulp gekropen, hij heeft een toontje lager gezongen, hij heeft koek gegeten; The âs of a horse's bit = ringen; Take a â = neem een glaasje, borreltje; â verb, van horens voorzien, (fig.) horens doen dragen; |
âbeam = hagebeuk; âblower = hoornblazer; âbook = abéboek; âbeak, âlish = gewone geep; âfoot = met een hoef of hoeven: âdistemper = hoornziekte (van vee); âmad = dol van woede en ijverzucht; âshavingH = geraspt hertshoorn; âpipe = oud blaasinstrument, horlepijp: âwork = hoornwerk (vestingbouw); âed = van horens voorzien; âed-horse (Zie Cgt;nu); âing = wassende of afnemende maan, bevelschrift tot betaling binnen zekeren tijd met het alternatief van gevangenzetting: ây = hard,hoornig. Hornet, höïidt, horzel, onaangenaam mensch; A â's neat = onaangename dingen. Horologe, horolodz,uurwerk; Horology./^gt;'0-Iddzi, uurwerkmakerskunst, tijdmetingskunst; Horologist, hdrolddzist, uurwerkmaker. IIoroMCope, hordskoup, planeetlezing, voorstelling van de teekens van den dierenriem, om daaruit de toekomst te voorspellen; Ho-roscopy, hdroskdpi, kunst om de toekomst te voorspellen; Horoscopic. Horrent, hor'nt, overeindstaande als borstels. Horrible, /ioHö7, verschrikkelijk, ij selijk, akelig. Horrid, hor id, ruw, stekelig.' overeindstaand, akelig, afschuwelijk. Horrillc, horifik, afschuwwekkend: Horrify, horifiü, met afschuw vervullen, ijseiijk maken. Horripilation, horipileisn, eeri gevoel alsof het hoofdhaar zich beweegt, als een gevolg van zenuwachtige aandoening. Horrisonous, hoHsondS,afschuwelijk klinkend. Horror, hora, afgrijzen, afschuw, huivering; The âs = delirium tremens: âstricken = door afgrijzen verpletterd. Horse, hös, ruin, (mannetjes)paard. cavalerie, steunbok, beweegbaar geraamte van eenig voorwerp, werk dat vóór het uitgevoerd is betaald wordt; The near â = bij-de-handsche paard; He took â at six = hij steeg om 6-uur te paard; 1 rode the high â. and moved that he should leave the house =ikwerd brutaal, ging op mijn paardje, en stelde voor; You rode a dark â then = (eig.) gij reedt toen op een onbekend paard, (lig.) gij hieldt u maar dom, voerdet wat in uw schild: The dark â in the transaction is Mr. B. = de onbekende (waarachter men zich verschuilt)-in deze zaak is de Heer B.; He sits a â very well = hij rijdt goed; tileiitleinaii. Master of the â = stalmeester; 1 will win the â or lose the saddle = ik waag het; erop of eronder; â verb, op den rug dragen, van een paard voorzien, dekken, te paard stijgen, laten betalen voor werk vóór het af is: 1 have-often been âd in thiN school myself = ik ben in deze school zelf dikwijls gedrild geworden; âartillery = rijdende artillerie;; âback = rug van een paard: On âback = te paard; âbean = paardeboon; âblock = stellage om bij het op- en afstijgen behulpzaam te zijn; âboat = pont door paarden getrokken, of om paarden over te zetten: â boy = staljongen; âbreaker = pikeur,, iemand die paarden dresseert; âcar = tramwagen (Amer.); âcar-track = tramweg (Amer.); âchanter, tëiintd, opkooper van oude paarden, om ze door list weer goed aan. den man te brengen; âchestnut = wilde-kastanje: âcloth = paardedek: âcoper = |
bone = boun; full; fool = ful; 9 = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl: ?/ear = jia;. long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; ;/ius = dhus; wine.
HORSE-COURSEK.
HOUSE.
224
|
paardenkooper: âcourspr = koopman in renpaarden; eigenaar van renpaarden; âeu-«umber, kjükomba, grootegroene komkommer: âdealer = paardenkoooper; âdoctor = paardearts; âdrench = paardedrank; â einiiiet = groote mier; âfared = met een lang, grof gezicht; âfleali = paardevleesch, paarden : The age of âllesh = de diligence-tijd; He know» little of âfle»li =hij heeft geen verstand van paarden: â-lly = paarde-vlieg: âGuard»* = lijfwacht, bureau van den bevelhebber in Whitehall, de militaire autoriteiten aan het ministerie van oorlog: âliair = paardehaar: âhoe = groote egge; â-jockey = pikeur, paardenkoopman: âkeeper stalknecht: âknacker = paardenvilder; âlaugh = luide en ruwe lach; âlatitudes = streek der windstilten: âleech = hoefsmid, paardearts, groote bloedzuiger; âlitter = baar door paarden gedragen; âload = paardevracht;âlock = paardekluister: âman = ruiter; âinaii«hip = rijkunst: âmarines lt;= schertsend voor een) denkbeeldig iets: Teil that to the âmarines = maak dat je grootje wijs: âmarten = groote hommel; âmeat = paardevoer; âmill = rosmolen; âmilliner = paardetuig- en zadelmaker: âplay = ruw spel, ruwe wijze van doen; âpond = paardewed; âpower = paarde-kracht: ârace = wedren: âradish = mierikswortel, peperwortel; ârailroad = tramweg (Amer.); ârake = paardehark, groote egge; âshoe = subst. en adj. hoefijzervormig): âshoeing = beslaan v. paarden: fiorse-stinger = paardebijter: âtail = paardestaart, Turksehe standaard: âway, â road (Amer.) = rijweg; âwhip, subst. paardezweep; verb, met de paardezweep slaan, afranselen: âwoman = paardrijdster; â worm = paafdewortn of de larve ervan; llors(e)y, hösi, paardachtig, gek op paarden. Hortatioh, hoteiamp;n, vermaning, aanmoedigen; Hortative, hötdtiv. Hortatory, /vötofoW, vermanend, aanmoedigend. Horticulture, hötilcv'ltjd, tuinbouw; A horticultural show = tuinbouwtentoonstelling. Hosanna, houzano, lof Gods. ilose, houz. kousen, nauwsluitende kuitenbroek, brandspuitslang: Von have got your legs into twisted â there = dat hebt gij glad mis; Hosier. Ihouza, koopman in sajetten en wollen goederen; Hosiery, h-ouzdri, sajetten en wollen (gebreide) goéderen, zaak in die goederen. ilosea, housid. Hosea. Hospice, hospis. (Alpen)klooster voor het opnemen van reizigers. Hospitable, hospitdb'l, herbergzaam, gastvrij; âness; Hospitage, hospitidz, gastvrijheid; Hospital, hospifl,hospitaal, godshuis; Hospitality = gastvrijheid; Hospitaller, fhospitald, een van eene broederschap, die zich het lot der ongelukkigen aantrekt. flost, hoKSt, subst. gastheer, waard, woekerplant, leger, troep, menigte, hostie: â verb, zijn verblijf nemen, onthalen, herbergen; âage. hoitstidt, gijzelaar, borgtocht, flostelier, hostolio, hotelhouder: Hostelry, hosflri, herberg, woonhuis = llostry, houstri (Zie ook Ostler). |
Hostile, host(d)il, vijandig, vijandelijk; Hostility, hostiliti) vijandigheid (Meerv. llostilities = 'vijandelijkheden). Hot, hot, heet, scherp, brandend, vurig: That horse is â at hand = dat paard is vurig en hard in den bek: Til make it â for him = ikzal hem mores leeren; We found ourselves in â water = wij zateu er leelijk in; Brandy â = warme cognacgroc; âbed = broeibak, broeinest; âblast = stroom van heete lucht: âblooded = vurig, driftig, hartstochtelijk: âbrained = oploopend, heethoofdig; â cockles = handjeplak (kinderspel); âflue = heetkamer voor het drogen van gedrukt katoen: âheaded = heethoofdig, driftig: â house = broeikast, droogkamer; âmouthed = koppig, onhandelbaar; âpress = gloei-pers (voor gesatineerd papier of linnen); âspirited = vurig v.geest,driftig: âspur, subst. driftkop, vroege doperwt: adj. doldriftig; âspurred = driftig, onstuimig. Hotchpot(ch), hotëpot(ë), mengelmoes, zootje, hutspot. Hotel, houtel, logement; âde-ville = stadhuis; âdien, âdjiï, hospitaal. Hottentot, hoVntot, taal (of één) der Hotten-totten, lomperd. Houdah. hand,). Zie Howdah. llough. hok, subst. scholfel, hakpees (Zie ook Hoek): â verb, de hakpees doorsnijden. Iloughton, hót'n: IIouiihIow, haunzlou. Hound, haund, jachthond: Master of theâs = jagermeester (met opzicht over de honden): He rides well to âs = hij is een goed vossenjager (blijft altijd te paard vlak achter de honden, zonder hun ooit vóór te komen): â verb, met honden jagen, aanzetten, ophitsen; âtongue = hondstong. Hour, atio, uur, gebed op bepaalden tijd (âs = levensuren, het leven), werktijd: He keeps good (bad) âs = hij komt steeds op tijd lt;te laat) thuis; The house sat far into the small âs = het Lagerhuis zat tot diep in den nacht; We keep early âs = wij staan vroeg op, en gaan vroeg naar bed: 1 promised him so in an evil â = ik heb hem dat te kwader ure beloofd; What is the â of day = hoe laat is het op den dag? After âs == na den arbeid, den werktijd; âangle = af-standshoek van een hemellichaam van den meridiaan; âcircle = meridiaanlijn; âhand = uurwijzer; âglass = zandlooper (ook: (â lass of time): âplate = wijzerplaat; âly = (van) ieder uur. Hoiiri, hüri, nimf uit het paradijs der Mohammedanen. Housage, hauzidz, pakhuishuur. House, haus, huis, woning, klooster, geslacht, vorstenhuis, kamer v. afgevaardigden, schouwburg, gehoor of toeschouwers, tafel, firma; vierkant (op een schaakbord), plaats van een planeet, één twaalfde v. het firmament: A â of call = arbeidersbeurs, bestedershuis; â of correction = gevangenis, verbeterhuis: As safe as a â = zoo sterk als een dijk: â of (liod = Godshuis, tempel: Hls speech brought down the â = werd stormachtig toegejuicht; They played at keeping â = zij speelden huishoudentje; He keeps open â == hij ontvangt iedereen, houdt open tafel: |
man; ask = ask; form = fiim; but = bwt; lecwn = hm; llt;ne = lain: hOMse = hans: net: -care = kèa; fote = feit: tin: asleep = aslip: not; laêt' = ló; lord = löd; hoy = bói:
HOUSE-AGENT.
225
HULK.
|
The â \va« out «f window» = het ging er wild langs, het hek was van den dam; The piece drew a full â = het stuk trok zéér veel menschen; âagent = agent voor het verhuren v. huizen, het ophalen der huur, enz.; âboat = woonboot (met een houten huisje er in); âbote = voldoende hoeveelheid toegestaan hout voor reparatie en brandstof; âbreaker = inbreker; âbreaking = in- j braak; âdog = waakhond; âflag = de bijzondere vlag van een huis, schip of firma; âfly = gewone vlieg; âhold, subst. huisgezin, huishouding: adj. huiselijk, huishoudelijk: â hold words (songs) = bekende of gemeenzame woorden (liederen); âhold management = bestuur eener huishouding; i -hold-bread = huisbakken brood (niet van de fijnste kwaliteit); âhold brigade = lijfwacht (inf. en cav.); -hold-stuff = huishoudingsartikelen en maubelen; â hold-troops = lijfwacht; âbolder = hoofd van een gezin.' bewoner van een huis; âhunting = het zien van huizen vóór men wenscht te huren; âkeep = het huishouden doen, huishouden; âkeeper = huishoudster, bewaker v. een huis; âkeeping = huishouding, gastvrijheid : âleek = huislook; âline = marlijn: âmaid = dienstmeid, werkmeid: âmaid's eloset = meidenkamertje; âparty = de familie met logé(e)s; âroom = ruimte in een huis: 1 can give you âroom till to-morrow = ik kan u tot morgen in mijn huis een plaatsje geven: âsparrow = gewone of huismusch: âsteward = beheerder van een groot huis; âsurgeon = inwonend heelmeester (van een hospitaal): âtax = perso-neele belasting; âwarming = inwijdingsfeestje bij het betrekken van een nieuw huis: âwife, hausiuaif. huisvrouw, necessaire of naaikistje (in de laatste beteekenis steeds/iozi/1 gesproken); âwifely (ook: hnzifli), gelijk eene huisvrouw, huishoudelijk: â wifery. hnzifri, huishouding, huishoudelijkheid: â-wright, âraif, bouwmeester: âless. House, hauz, huisvesten, onder dak brengen, wonen, huizen: âd = met dekkleeden bedekt, van mooi tuig voorzien; Housing = paarde-dek. schabrak. lious(e)ling,subst. het ontvangen der sacramenten; adj. sacramenteel. Houston, hüstan. Hove, kouv, imperf. van to heave. Hovel, hovl. subst. hut, afdak voor vee: â verb. in eene schuur plaatsen, onderdak brengen. Hovelling, hov lir\, methode om de schoor-steenen het rooken te beletten. Hover,hovd. wachten, dralen, weifelen,zweven; âground = losse, lichte grond. How, hau, hoe, op welke wijze, hoever: I did it someâ = ik heb het (op de eene of andere wijze)gedaan gekregen; You must do it anyâ and everyâ = gij moet zorgen dat 'het gedaan wordt, hoe dan ook; I must say â-(de)-do (gemeenz. voor âdo-you-do) t*o him = ik moet hem goedendag zeggen, groeten, bezoeken; â about your frienrl = hoe staat het met uw vriend?' âheit = hoewel, niettegenstaande; âever = hoe dan ook, in elk geval, nochtans, echter: âever he got there is mi known = hoe drommel hij daar kwam: âsoever = hoedanig ook, hoe ook. Ilowdali, haudd, zitplaats op den rug v. een olifant. |
Howe, hau. Howell, hattdl. Howel, hauol, kuipersschaaf. Howes, hauz. Howitt, haait. Howitzer, hauitso, houwitser. Howker, haukd. Zie Hooker. Howl, haul, subst. gehuil, geschreeuw, kreet, gejank: AU the children were on the full â, on full pipe = al de kinderen waren zoo hard mogelijk aan het gillen, schreeuwen; â verb, huilen, janken, brullen, schreeuwen, gieren (van den wind); âer = huiler; groote stommiteit; âing = akelig. Howlet, hau ld t, uil. Zie Owlet. Hoy, /iói, subst. vaartuig met een mast, soort v. lichter: interj. hei! hela! Hoyden, hóid'n. Zie Hoiden. Hub, hvb, uitsteeksel, doelwit, gevest, naaf: The universe is large, and ban many âs = dient velerlei bedoelingen, doeleinden. Hubble bubble, hvVlbvb'l. Zie Hookah. Hubbub, hnbob, verwarring, verward geraas, rumoer: âboo, hvbdbü, gejank, gegier, gekerm. Hubert, hjübat. Iluck, hvk, forel (Duitsche). Huckaback, hnkdhak, grof linnen, oo^jesgoed. Huckle, hnk'l, heup, bult: âbacked = met ronden rug; â bone = bikkel. Huckleberry, hak lber\ Amer. boschbes. Huckster, hnksto, subst. venter, kramer, bedrieger, verachtelijke vent; â verb, venten; âage, hvkstdridz, kleinhandel, kramerij. Huddle, hnd'l, subst. menigte, gedrang: It is all in a â = ligt alles door elkaar: â verb, haastig doen, door elkaar gooien, slordig bij elkaar pakken: Peace was âd up with the enemy = er werd een overhaaste vrede met den vijand gesloten; âr = knoeier. Hue, /yit, kleur, tint, schakeering, luid geschreeuw: They raised the â and cry after the thieves =*zij zetten de dieven na, schreeuwende : âHoud den dief;quot; âd = getint: âr, hjüd, persoon op eene verhevenheid, die de bewegingen van eene school visschen nagaat en door roepen bekend maakt. Huff, hof, subst. nijdige bui, toorn: She was in a â = had eene booze bui; â verb, opblazen , razen, schelden, schreeuwen, blazen (in het damspel); âer; âish: ây: âI don't understand youquot;, she said âily = knorrig, onbeschaamd. quot;Hg, hvg, subst. omhelzing, bepaalde manier van vastpakken (bij het worstelen); â verb, omhelzen, in de armen drukken, pakken, lief-koozen, vleien: She âged herself with the idea of getting rid of him = zij vleide zich met de gedachte van hem af te komen; The ship âged the shore = hield dicht langs de kust. Huge, hjüdz, zeer groot, kolossaal. Hugger-mugger, hvyomvgd, subst. geheim, ; geheimhouding: adj. geheim, heimelijk, min, ; laag; â verb, geheimhouden. Hugh, hjiï. Ilughenden, hjfand'n. Hughes, hjüz. Huguenot, hjügdnot, Hugenoot; âism. Hulk, hvlk, romp v. een schip (onzeewaardig): The âs = oude schepen zonder mast voor |
bone = boun; full; fool = föl; a = toonlooze vokaal (zie a.sleep en care)] girl; f/ear = jia; longf = loi^: ship = sip; occasion = okei/'n; thin: thus = dhus: wine.
ten bruggencate, Eng. Woordenboek. 45
HUNTING-SHIRT.
HULKING.
226
|
galeiboeven, enz.; âin^ hnlki^ lomp, vlegelachtig, niet te hanteeren. Huil, /*»/, schil, dop, romp (van een schip): The whip is â down = het schip is zoo ver verwijderd, dat alleen de masten nog zichtbaar zijn; â verb, schillen, wannen, doppen, in den romp schieten, hulpeloos dobberen, drijven als een ontredderd schip. Hullabaloo, hvldbdlA, lawaai, drukte, geschreeuw. Hum, hvm, subst. gegons, gemompel, gebrom, gesnor (van een wiel), sterk aangezet bier, bedrieger; â verb, gonzen, snorren, brommen, neuriën: 1 do not like âmiiig and lia'ing = ik houd niet van die bedekte, halve antwoorden: interj. h'm, hum! Human, /ijthn'n, subst. menschelijk wezen; adj. menschelijk, aardsch: âly speaking = menschelijkerwijs gesproken:'âe, hjumein, humaan, menschlievend, vriendelijk, zacht; âism, hjümanizm, letterkundige beschaving, menscheiijke aard: âist = letterkundig beschaafd man, kenner der menscheiijke natuur: âitarian, hjunwnitêridn, subst. iemand, die gelooft dat Jezus een mensch was; iemand die in de voortgaande volmaking der mensch-heid gelooft, philanthroop; adj. menschlievend; --ity,/yimiamft/,menschelijkheid,menschheid, menschlievendheid: The âitie» = de klassieke letteren,enz.,Humaniora:âize,/y»1m(9nai2, beschaven, veredeleij, menschelijk maken: â kind = de menschheid. Humble, hvmb'l, adj. nederig, bescheiden, onderdanig: â verb, vernederen: âbee = hommel; ââ¢moutlied = bescheiden, zedig van taal; âpie = pastei van herteningewand: He lias eaten âpie = hij heeft zich laten beleedigen, nederig excuus gemaakt: â plant = kruidjeroermeniet: âs, ImmVlz. Zie Tinbles. Humbug, hnmbvg, subst. bedrog (onder fraaie voorwendsels), onzin, larie, windmaker, bedrieger; â verb, bedriegen, beet nemen; âgery, hnmbvgdri, bedotterij, bedriegerij, malligheid. Humdrum, hnmdr'm, subst. sutïerd, botterik, eentonigheid, gonzend geluid; adj. stomp,dom, suf, vervelend, eentonig. Hiimeetant. hjumekfnt, Humeetive, hjumsk-tiv, bevochtigend; H umectation, hjumakteisn, bevochtiging. Humeral,hjümdr'l, tot den schouder behoorend: âveil = langwerpige sjaal of sjerp, door priesters bij de mis, etc. gedragen. Ilumerus, hjümdrds, het lange armbeen. Ilumhum,/i»m/mm, grove katoenen stof(lndië). Humic, hjümik, tot de aarde of den grond behoorende. Humid, hjümid, vochtig, nattig; â ity, lijnmi-diti. vochtigheid. Humiliate, hjumiljeit, vernederen, ootmoedig maken, verlagen; Huinility, nederig heid, ootmoed; Humiliation = vernedering. Humming, hnmin, gonzend, sterk aangezet (van bier); âbird ='kolibri; --top = bromtol. Hummoek, hnmak, heuveltje, hoogte, bergje, vruchtbaar land. Hummum, hvmdm, (Turksch) bad. |
Humoral, hjümarH, uit de vochten (des lichaams) voortkomend; âism = leer, dat de oorzaken der ziekten de vochten des lichaams zijn, ook Pathology genoemd. Humorism,/yrtman:rm, geestigheid, grilligheid: Humorist, hjümarist, luimig mensch, zonderling, geestig schrijver, humorist: Humorous, hjümards, geestig, grillig, luimig = Huinour-some, hjünwsam. Humour, hjümo, subst. (neiging tot) ziekte, vocht; verwaandheid, grilligheid, gril, luim, humor: 1 am out of â with mysell' = ik ben boos op mijzelf; In good â = goed geluimd: â verb, believen, toegeven: Children must be âed a little = men moet kinderen wat toegeven. Iliimp, hvmp, bult, uitsteeksel; âback = bult, bochel; âbarked: âs = geweren: Shoulder squot; = Over... âhuupquot;! Humphrey, hnmfri. Humus, hjiimds. teelaarde, humus. Hun, /ion, een der Hunnen. Hiinrh, hvnë. subst. bochel, brok, homp.duw: â verb, duwen, stooten, krommen: âback = gebochelde; â¢âbacked. Hundred, hnndrdd, honderd, afdeeling van een graafschap: A â guilders = honderd gulden; Three â and live = driehonderd vijf: Some â = zoo wat honderd; Some âs (of) = eenige honderden; âweight = centenaar (ongev. 112 Eng. ponden); âfold = honderdvoudig: âth. Hung, /to^, opgehangen: She is â on wires = zij is ongedurig en zenuwachtig: âbeef = rookvleesch. Hungarian, Iwr^gêrfn. subst. en adj. Hon-gaar(sch); Hungary, hnngdri, Hongarije; Hungary-water = soort van gedistelleèrd water. Hunger, hnr^gd, subst. honger, sterk verlangen (naar voedsel), pijnlijke aandoening, hongersnood: â is the best sauce = is de beste kok (saus); â verb, hongeren, hunkeren, uithongeren: âbitten = door honger gekweld: ârot = schapenziekte; Hungry, Itnngri, hongerig, uitgehongerd, vurig verlangend, hunkerend, schraal, onvruchtbaar: A hungry belly has no ears = een hongerige buik heeft geen ooren; Hungry evil = geeuwhonger. Hunk, hvr\k, homp, groot brok. 11 unker,/i»r(A:é), conservatief democraat (Amer.). Hunks, hvf\ks, vrek. Hunt, hvnt, subst. jacht, troep honden, troep jagers, jachtgebied; â verb, jagen, nazetten, najagen, zoeken, onderzoeken: The stag was âed down = het hert werd doodgejaagd, gedood; They were âing for houses, riehes, etc. = zij* waren er op'uit, huizen te zoeken, rijkdom të verkrijgen; 1 have not been able to â up that expression = ik heb die uitdrukking niet knnnen vinden: I have âed it out at length = ik heb het eindelijk uit-gevorscht; They were playing at â the slipper = speelden âsloQe onderquot;: âcounter = jachthond, die terugloopt; stoffel, domkop: âer = jager, jachtpaard, najager, jagershorloge: 1 am as hungry as a âer = ik heb een honger als een paard; âing = het jagen; âing-box,âing-seat = (tijdelijk)jachtverblijf; âing-crop = jaehtzweep; â ing-horn = jachthoorn; âing-horse, â ing-nag = jachtpaard; âing-shirt = jachtvest: âihg-watch |
man: «sk = Ask; farm = tam; bi(t = but; learn = Iwn; üne = lain; hoiese = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = dslip; not; law = lo; lord = löd: hog = bói:
HUNTSMAN.
227
HYGIENE.
|
jachthorloge (in een metalen kast); âsmall, hnntsnf n, jager. Hurdle, hücVl, subst. horde (voor poorten, heiningen, enz.), schanskorf, heining (van stokken en takken); ârace = wedren met hindernissen, over heggen; â verb, omheinen, omschansen. Hurds. twdz. Zie Hard». Hurdy-gurdy, hüdigv.di. lier (draaiorgel). Hurkaroo, Ifiirkaru, hükdrn. loopjongen, lakei (Eng. Indië). Ilurl, hul. subst. krachtige worp; â verb, slingeren, werpen, met een draai gooien, een balspel doen. II u r I y ⢠hu rl y ,/m/ibv. verwarring, geraas, strijd. Hurra(ligt;,/mrd, subst.en interj.hoera! â verb, hoera roepen, met hoera's begroeten. Hurricane, hvrik'n, orkaan: âdeck = bovendek (op stoombooten). Hurry, hori. subst. overgroote haast, verwarring, gewoel, ladingplaats voor steenkolen uit spoorwagons in schepen: What is done in a â is seldom done well = haastige spoed is zelden goed; â verb, verhaasten, haast maken, overhaasten: â up there! = maak daar wat voort; We were hurried on by fear = voortgejaagd door angst; â scurry (-skurry), subst. verwarde drukte; adv. verward. Hiirst, hvst, boschje (in plaatsnamen). Hurt, hut. subst. wonde, beleediging, letsel, nadeel: â verb, wonden, kwetsen, benadeelen: âlui (to) = nadeelig, schadelijk. Hurtle, hnt'l, botsen, stooten, kletteren, aanrukken, schermutselen. Hiirtleberry, hutlberi. Zie Whortleberry. IliiHbaiid,/iuzl/m/, subst. echtgenoot, man (Zie Ship's husband): â verb, zuinig zijn met: Let us â out lite (time) as much as possible = laten we zoo zuinig mogelijk met den tijd omgaan; âhood: âman = landman, huisman: âry = landbouw, landbouwproducten; âquot;s tea = slappe thee. Hush, hvs. verb, stillen, bedaren, zwijgen; interj. stil! zwijg!: â, I tell you! Can you â? = zwijg, zeg ik u; kunt gij een geheim bewaren ? We must try to â it up = wij moeten trachten het stil te houden, het den kop in te drukken; âmoney = steekpenning (om stilzwijgen over iets te koopen); âmiish = behoedz. stilzwijgen, âstiekemigquot;heid : âaby, hnèdbi, sussen (van kinderen). Husk,husk, subst. schil, dop: â verb, doppen, wannen, schillen; âing = het pellen of doppen: âing-bee = partij van vrienden, om een boer mais te helpen pellen (Amer.); â y, hvslci, ruw, vol schillen, krassend, schor. Hussar, huzü. huzaar. Hussil', hnzif. necessaire, naaikistje. Hussite, hnsait, volgeling van Huss, den Bo-heemschen hervormer. Hussy, hnzi, meisje, schalk of ondeugd v. eene meid, slechte vrouw. Hnsting, hvstii], bijeenkomst, vergadering (Mv. âs = verhevenheid, van welke de candidaten voor het parlement hunne kiezers in den verkiezingstijd toespreken). Hustle, dringen, duwen, ruw dringen, zich moeilijk bewegen: â him = gooi er hem uit, dring hem weg. |
Hut, hot. subst. hut, barak, houten gebouw als schuilplaats; â verb, in de barak brengen, in hutten liggen of wonen. Hutch, hvté, subst. kist. trog, bak, hok (voor konijnen, etc.), baktrog, builmolen; â verb, in eene kist leggen of bewaren, ziften, opsluiten. Hux, hvks, (naar snoek) visschen. Huzz.-i, hnzd. Zie Hurra(h). Hyat'inth, hatesinth, hyacint: âian; âine. Hyades, haiodiz, Hyads, hatodz, Vijfster. Hyaena, haiind. Zie' Hyena. Hyaline, haielain, subst. zeespiegel: adj. doorschijnend, kristalachtig; Hyalite,liaidluit, varieteit van den opaal. Hybrid, li(a)ibrid. subst. basterdwoord, uit deelen van verschillende talen samengesteld: adj. van twee bronnen afkomstig, basterd: â ize, h(ayibridR\z, verbasteren; âous, h(a)ibriclds; Zie Hybrid. Hydas'pes, haidespiz. Hydepark, hai(d)pak. Ilyderabad. haidorabamp;d. Hydra, haidrd, hydra, waterslang (myth.), zoetwaterpoliep: âheaded = veelkoppig', zich uitbreidend; âtainted = vergiftig, doodelijk. Hydragogue, haidrogog, waterafdrijvend middel. Hydrangea, haidranzd, bloeiende waterplanten (Azië en Amerika). Hydraulic, haidrólik, tot in beweging zijnde vloeistoffen behoorende; âpress = hydraulische pers; âs = waterwerktuigkunde. Hydriad, haidridd, waternimf. Hydro,haidrou.. (in samenstellingen), water.., grootsch ingericht of kosthuis, zoo genaamd omdat men er de waterkuur kan doen = Hydropathic establishment. Hydrobarometer, haidroubdromdtd, werktuig om door de drukking van het water de diepte te bepalen. Hydrocephalus, haidrousefolos, waterzucht in het hoofd. Ilydrodynamics, haidroudainamiks. leer van d'e drukking en kracht van het water. Hydrogen, haidrddzen, waterstof; âize, hai~ d'rodtdnaiz, âate, haidrodzdneit, met waterstof doen verbinden: âous.haidrodzdnds. tot waterstof behoorende, waterstof bevattend. Hydr(»grapher, haidrogrdfd, iemand bekwaam in IlycIrogra\Aiy,haidrogrofi. zeebeschrijving, het maken van 'zeekaarten, enz. Hydrology, haidrobdzi, de kennis v. het water en zijne wetten. llydrometeor, haidroumitjd, verschijnsel door water veroorzaakt, zooals regen, sneeuw, etc. Hydrometer,Ziaidromdfó, instrument tot lietbe-palen v. de dichtheid en sterkte der vloeistoffen. Hydropathy, haidropdthi, watergeneeskunde, waterkuur;' Hydropathic establishment. Hydrophobia,//aid7'a/oi«i»yc?, watervrees, hondsdolheid. Hydropic,/iairfrop/A:,waterzuchtig(Z. Dropsy). Hydroscope, haidroskoup, wateruurwerk, hygrometer. Hydrostatics, fmidrdstatiks, evenwichtsleer van vloeistollen. Ilydru», haidrds. eene soort van waterslang, slang (sterrenbeeld in 't Z. halfrond). Hyena, haiind, hyena. (N.B. Soms ook haierw uitgesproken). Hygiene, haidziin, gezondheidsleer: Hygeist, |
ie = boun: full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl; g = loi^; s/iip = sip: occasion = okeiz'n: thin: Urns = dims: wine.
bone long
?/ear = Jia;
15*
ICHNOGRAPH.
228
HYGIÃNIST.
|
haidzüst, Hygiënist, haidzidnist. iemand, bedreven in Hygiene. Hygrometer', haigromdtd, meter van de vochtigheid der lucht; Hygrometry,haigromdtri. meting van de vochtigheid der lucht. Hygroscope, haigrdskoup, aanwijzer van de vochti jheid der lucht. Hymen, haim'n, god des huwelijks, huwelijk: âeal, haimdnidl, subst. en adj. bruiloft(slied). Hymn. /»im, subst. lied, ode, gezang: Katio-nai â = volkslied; â verb, loven, bezingen; âbook = gezangboek: âal, himn'l, verzameling v. (godsdienstige) gezangen: âology, himnolddzi, verzameling van liederen, de gezamenlijke liederen; kennis der liederen en gezangen. Hyper, haipd (in samenstellingen), over... bovenmate..., overdreven...; âbole, haipnbnli, overdrijving; âbolie(algt;, haipabolikCI). overdreven: -holism, haiptibdlizm, hyperbolische uitdrukking; âborean, haipdbóridn, subst. en adj. (iemand) tot het uiterste Noorden behoorende, zich onderscheidende door vroom-heid en geluk; -critic, haipdkritik, subst. en adj. letterzifter, overkritisch (mensch); âcriticism, haipdkritisizm, vitzucht, letter-zifterij; -orthodox, hnipdröthddoks. overdreven rechtzinnig. Hyperdnlia, haippdjfilid, vereering der Heilige Maagd. Hyperion, haiptrfn, zonnegod, Apollo. Hyplien, haifn, subst. verbindingsstreepje: â verb, met een streepje verbinden. Hypnobate, hipndbeit, slaapwandelaar (Amer.); I, ai: I(sland); 1(d) â¬(st) = dat is; = op dezelfde plaats: Jcel(andic): Id(em) = hetzelfde; l(esKS) Jl(ominum) S(alvatnr) = Jezus de Redder der Menschen; lll(inois); Inipierator)-, Jnip(ersonal); Itnp(erative); lmp(c)')f(ect): lncog{nito); Indic(ative); Infiinitive); I'd = I had; I(esus) Xiaza-renns) lt(e.x) l(udaeorum) = Jezus de Na-zarener de Koning der Joden; I'll = I will, 1 shall; lllns(tri0i(s) = doorluchtig; I'm = I am: J(ndian) N{avy) = Indische marine; Instiante) = van deze maand; Itt£f(ant) = oogenblik: Jnstit(ution) = instelling; Interest): in Ital(ics) â cursief; I 0(ivë) U (= you) = ik ben u schuldig, schuldbekentenis; Intersection)', Jntrod(iiction); lo = lotua: Ir(eland): I(risli) S{ociety); Isl(and). I, oi, ik. lago, jAgou. Iambic, aiambik. subst. en adj. Jambisch(e voet, vers); Iambus, aiambds, Jambische voet; âs = jambische verzen. Iberia(n), aibïrid(n), subst. (bewoner van) Spanje; adj. en subst. Sraansch(e taal). lbe\. aibdks, soort v. wilde geiten. Ibis, aibis, Ibis (Egypte). man; ask = ask: farm = fam; b?/t = bwt; 1 care = kèa; fate = feit; tin; asleep = as |
Hypnotic, hipnotik. subst. en adj. slaapver-oorzakend, slaapwekkend (middel). Hypochondria, hnxpdkondrid, zwaarmoedigheid; âc, hamp;ipdkondridk, subst. en adj. zwaarmoedig (persoon); âsis, ha\pdkondrai9sis. Hypocrisy, hipokrisi, veinzerij, huichelarij: Hypocrite, hipokrl:, huichelaar. Hypocritical. Hypodermic, hdipodvmik, subst. en adj. onder-huidsch (geneesmiddel); âinjection = onder-huidsche inspuiting. Hypogastric, haipdgastrik, tot den onderbuik behoorende: Hypogastrocele, haipdgastrdsU. onderbuiksvlies. Ilyfiostasis, haipostesis, Hypostasy. haipos-tdsi. grondslag, grondbeginsel: Hypostatic iinion, hmpdstatikjünfn = vereeniging van God en mensch in Christus. Hypostyle, /iaipigt;sfai/, zuileningang, colonnade. Hypotenuse, haipotdnjüs. langste zijde v. een rêchth. driehoek. Hypothecate, haipothikeit. verhypothekeeren. Hypothesis, haipothdsis. onderstelling; Hypo-thetic(al), hamp;ipdthetikCl), onderstellend, voorwaardelijk. Hypotyposis, haipatipottsis, levendige beschrijving. Hyrcanian. hukeinfn. tot een stam of land behoorende bij de Kaspische Zee. Hyssop, hisdp, hysop. Hysteria, histirid, zenuwaanval; Hysteric(al). lusterikCI), hysterisch: Hysterics, histeriks. zenuwaanval:'She fell into hysterics = zij kreeg het op de zenuwen. Hysterotomy, histdrotdmi. keizersnede. Icarian, aikêrian. te hoog vliegend-, onbezonnen. Ice. ais, subst. ijs: He has broken the â = het ijs gebroken, den weg gebaand; â verb, tot ijs maken, doen bevriezen, met gesmolten suiker bedekken: He âd his ollice in thedog-days = maakte zijn kantoor kil of koud in de 'hondsdagen; âage = glaciale of ijsperiode: âberg â ijsberg; âbird = ijsvogel; âboat = ijsboot, ijsbreker: âblink = ijsschittering: âbound = door het ijs ingesloten; âbrook = bevroren beek; âcream = roomijs; âd = veranderd in, verkoeld door, bedekt met ijs; met eene laag suikerglazuur: âlield, âplain = groote ijsvlakte; âfloe, âpack = groote massa drijfijs; âloot = ijsgordel (om den oever); â-house = ijskelder: Icicle = ijskegel; Icing = laagje suikerglazuur: âlaiid = IJsland; âlander = IJslander; â land-moss = IJslandsch mos; âspar = veld-spaath; âspur = ijsspoor: âwater, â(d)-water = ijswater, door ijs verkoeld water. Ichabod, ikdbod. Ichiieumon, iknjtinVn, sluipwesp. Ichnograph, iknegraf. platte grond: Ichno-graphy. rn = Iwn; 1/ne = lain; hot/se = haus; net: ; not: law = ló; lord = löd; hoy = bos; |
ILLEGIBILITY.
ICHNÃLITE.
229
|
lcliiiolite. ikndlait, steen met een voetindruk. Iclior,, «i/ca, vloeistof in de aderen der Goden, sap, waterige etter. li'litliyueol, ikthidkol, vischlijm. lelithyolite, ikthidlait, (indruk van een) versteende visch. Ichthyology, ikthiolddzi, natuurlijke geschiedenis der visschen. Ichthyophagist, iklhiofddzist, iemand, die van visch leeft; Iclitliyoplingous, ikthiofdgds, vischetend. lehthyoHaurus, 'ikthidsóms, soort van reusachtig fossiel zeedier. Icoiioclasm , aikonaklnzm , beeldstormerij; Iconoclast, aikonaklust, beeldstormer. Iconograpliy. nikonografi, beschrijving van schilderijen,* beelden, enz. Iconolator, aikonoldto, beeldendienaar. lt*oiiopliili»t, 'dikdnofilist, kunstkenner, verzamelaar en kenner van prenten en gravures. Icosa lied roii,ai/i;o£d/itdr'n,twmtigzijdige figuur. Icteric, ikterik, geelzuchtig; â disease = geel- Ictus, iktes, maat, rhythmus, slag. [zucht. Icy, aisi, ijsachtig, ijskoud; âpearled = met pareltjes van ijs bedekt. Idea, aidid, denkbeeld, begrip, plan, geloof: âI, subst. denkbeeldige volmaaktheid; adj. denkbeeldig, volmaakt; â lisiu = idealisme, zeker wijsgeerig stelsel: âlist = idealist, aanhanger van het idealisme: âlity, aidialiti, ideale toestand; âlize, aididlaiz, tot een ideaal maken, idealen vormen. Ideiitic(al), aidentikCl). hetzelfde, identiek: Identity, aidenli/'ai, vereenzelvigen, degelijkheid bewijzen of bepalen, samenvatten; Identity, aideniiti, het identiek zijn. Ideograph, aülidgraf, Ideogram, aidiagram, zinnebeeld; ây, aidiogrdfi, het voorstellen door zinnebeelden. Ideology, aidiolodzi, ideologie of de wetenschap der denkbeelden; Ideopraxist, aidid-praksist, iemand, die denkbeelden in praktijk brengt of verwezenlijkt. Ides, aidz, de 15e van Maart, Mei, Juli en October, en de 13e der andere maanden. Idiocy, idjdsi. domheid, onnoozelheid. Idiograph, idjdgraLf, handelsmerk. Idiom, idfm, taaleigen, dialect; âatic, idjo-matik, tot een bepaalde taal behoorende. Idiopatliy,irfiopai/ii, persoonlijke neiging,ziekte niet veroorzaakt door eene andere. Idiosyncrasy, irfiasinArasi,(persoonlijke) eigenaardigheid of zonderlingheid. Idiot, idjdt, subst. en adj. wezenloos of onnoo-zel(mensch); âcy, idjdtsi. Zie idiocy; âical, idiotikCl), onnoozel, dwaas, dom. Idle, aid'l, subst. nietsdoener, luiheid; adj. nietsdoende, vrij, onbezet, lui, nutteloos, ijde'l; â verb, den tijd in ledigheid doorbrengen: lie âs away many an hour a day = hij verlummelt menig uur per dag; --wheel = luilak; wiel, dat de beweging van het ééne rad op het andere overbrengt: â r, aidlo, nietsdoener: He is a busy âr = hij heeft het altijd druk en voert nie'ts uit. Idol, aid'l, afgod, een zeer geliefd persoon (of iets); ânter, aidohtd, heiden, afgodendienaar; âatrous, aidoUitrds, afgodisch; âatry, aido-letri, afgodendienst; â ize, aidolaiz, verafgoden. Idyl(l), aidil, idylle, landelijk gedicht. |
IIquot;, if, ingeval, indien, of: â not = zoo niet; He is fifty â he is a day = minstens vijftig: Kot â I'know it = niet als ik er wat aan doen kan. Igneous, ignids, vuur bevattend, door vuur voortgebracht. Ignis latuus, ignisfatjiids (Meerv. Ignes fa-tui, ignizfatjuni), subst. dwaallicht, bedrie-gelijk iets; adj. dwaas, ijdel. Ignite, ignail, in brand steken, vuurrood worden, doen ontvlammen; Ignition, igniè'n, ontbranding; Ignitor,ignaitj,ontbrander,lont. Ignoble, igriouVl, laag, verachtelijk, onedel; âness. Ignoniiiiious, ignominjds, schandelijk, ontee-rend; Ignominy, *7/wmim, openbare schande, oneer. Ignoramus, ignareirrws, domkop, weetniet, formule door de grand jury op eene aanklacht geschreven als er geen voldoende grond tot vervolging bestaat. Ignorance, igrwr'ns, onwetendheid: â s = onbewuste zonden; Ignorant, igrwr'nt, onwetend, ongeletterd: â of = onbekend met; Ignore, ignö, niet erkennen, voorbijzien, niet tellen. Iguana, igwand, groote Amer. hagedis. Ihlang ihlang, ihrtfldn, odeur uit eene Oost-Indische bloem. Ileum, ilidm, dat deel der kleine darmen dat met de groote in verbinding staat; Heus, ilids, darmverstopping, koliek. Ilex, ailaks, soort van hulst. Ilfracombe, ilfrokum. Iliad, ilidd, de Iliade of Ilias: lang verhaal. Ilk, ilk, elk, het- of dezelfde: Of that â = uitdrukking om aan te duiden dat de familienaam van een persoon ook die is van zijne bezitting. Ill, il, kwaad, slecht, ongelukkig, ziek (in de laatste beteekenis slechts pmedicatief); â advised = onoordeelkundig: âblood = wrok, vijandschap; âboding = kwaad voorspellend; âbreeding = ongemanierdheid; âbred = ruw, lomp: âconditioned = slecht geaard; âconcerted, âcontrived = slecht overlegd; âaffected, â-disposed = slecht gezind; âfated = ongelukkig, rampspoedig; âfavoured = ongunstig, leelijk, misvormd; âgot(tengt; = kwalijk of onrechtvaardig verkregen: âgotten goods never prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; âhumour = sléchte luim; âluck = ongeluk; âquot;judged = onoordeelkundig; âmanned = met onvoldoende bemanning: âmannered = slechtgemanierd; âmatched, âmated = niet bij elkander passend; ânature = boosaardigheid, slechte luim: âuatured = boosaardig, knorrig, onhandelbaar; âomened, âstarred = onheilspellend: âtemper(ed) = (met) slecht en knorrig humeur; âturn = onnatuurlijke daad, slechte behandeling: âusage, âjüzidz, slechte behandeling: â will = kwaadwilligheid, norschheid; It's au â wind that blows nobody any good = den een zijn dood is den ander zijn brood: âness = ongesteldheid, ziekte, verdorvenheid. Illegal, iltg'l, onwettig: Illegality = âness. Illegibility, iledzibiliti, onleesbaarheid; Illegible. |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl; year = jia; long = loij; ship â sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhus: wine.
ILLEGITIMACY.
230
IMPALPABLE.
|
Illegitimacy, ilddzitinissi, onwettigheid; Illegitimate, itedzitimit, onecht, onwettig, onlogisch; lllegitimize, ilddzitimaiz, onwettig verklaren of maken. Illiberal, illibarH, laag, onedel, kleingeestig, gierig, ruw. Illicit, ilisit, ongeoorloofd, onwettig. lllimeiit, ilhrint, bestanddeel (van punch, b.v.: Amer.). Illimitable, ilimitdVl, onbegrensd. Illinois, ilinóiz. Illiteracy, ilitdrdsi, ongeletterdheid, onwetendheid: They declared their â = zij verklaarden dat zij niet konden lezen of quot;schrijven; Illiterate, ilitdrit, ongeletterd, onwetend. Illogical, ilodzik'l, onlogisch. Illude, iljiid. bedriegen. Illuminate, iljümineit, subst. een der lllumi-naten; adj. verlicht, verhelderd; â verb, verlichten, verluchten (met gekleurde letters, enz. van manuscripten), behangen (met lampions, enz.); Ilhimiiiati,t/jiimmeiïa/,deIlluminaten of vrienden des lichts; Illumination, iljümi-neiamp;n, het verlichten of versieren, het verlichte, illuminatie, glans, schittering; Illuminator. Illusion, iljüz'n, bedrog, begoocheling; â ist; Illusory, Illusive = bedriegelijk. Illustrate, ilnstreit of ilostreit, ophelderen, toelichten, verduidelijken, verheerlijken, illus-treeren, ten toon spreiden: Illustration-, Illustrative, ilnstrativ, ophelderend, verduidelijkend. IlliiHtrioiiH, ilnstrids, doorluchtig, beroemd, schitterend. lllutation, Ujuteiamp;n, modderbad. Illyria, ihrid, IJlyrië. Iniage, imidz, subst. beeld, afbeeldsel, beeltenis, levendige beschrijving; â verb, af beelden, afspiegelen, een (innerlijk) beeld vormen van; âworship, âwnèip, beeldendienst, afgoderij; âry, imddzdri, beelden, standbeelden, voorkomen, afbeeldsel, voorstelling, hersenschim; Imaginable, imadzinaVl, denkbaar; Imaginary, imadzinsri, denkbeeldig, onwerkelijk; Imagination = verbeelding(skracht), voorstel-ling(svermogen); Imaginative, imadzineitiv, rijk aan verbeelding(skracht); Imagine, ima-dzin, zich verbeelden, voorstellen: 1 did not imagine about these things = daar heb ik niet om gedacht. Inia(ugt;ni,//gt;}óm,Inian,im6n,Mohammedaansch priester (Turkije). Imbecile, imbdsil, subst. en adj. zwak(ke naar lichaam of geest); Imbecility, imbdsiliti, zwakheid. Imbibe, imbaib, indrinken, inzuigen, opnemen. Imbow, imbau, buigen, verwulven. Imbricate(d), imbrikeit(id), uitgehold (als eene dakpan, b.v.), elkander bedekken (gelijk dakpannen). Imbr(»glHi, imbrouljou, verwarring, ingewikkelde intrigue (van roman of drama). Imbrown, imbraun, bruin (donker) maken. Imbrue, itnbrü, doorweeken, bezoedelen. Imbrute, imbrüt, verdierlijken. Imbue, imbjü, doen indrinken, kleuren, verven. Imitable, iniitdVl, navolgbaar; Imitate, imi-ïeiï,nabootsen,navolgen; Imitative,imiteitiv, nabootsend, navolgend; In imitation of = ter navolging van; Imitator. |
Immaculate, imakjulit, onbevlekt: â Conception = Onbevlekte Ontvangenis. Immanent, imorint, onafscheidelijk, subjectief. Immanuel, imanjudl, âGod met onsquot; (naam van Jezus). Immarginate, imüdzinit, zonder rand of kant. Immaterial, imdttrwl, onstoffelijk, geestelijk, van geen belang of onverschillig: That is lt;|uite â to ine = dat is mij totaal onverschillig; âism = de leer die het bestaan van geest zonder stof aanneemt; -ity, imdtirialiti, onstolfelijkheid = âness. Immatiire(d), imdtjüo^d), onrijp, ontijdig. ImmeaHurable, imezarab'l, onmeetbaar. Immediate, imtdjit, onmiddellijk, dadelijk, tegenwoordig; spoed! (op brieven); âness. Immedicable, imedikdb'l, ongeneeslijk. Immeniorial, imimóridl, onheugelijk: From times â = sedert onheugelijke tijden; Im-memoriality. Immense, imens, subst. de oneindige ruimte; adj. onmetelijk, onbegrensd,uitstekend: -ness; Immensity = onmetelijkheid, oneindige ruimte. Imniensikofr, imensikof, groote overjas met bont, pelsjas. Immerge, imndz, in- of onderdompelen; Immerse, imijs, indompelen, indoopen: He was immersed in his studies = verzonken in zijne studie; Immersion. Immigrant, imigr'nt, die zich in een vreemd land vestigt; Immigrate, imigrext, zich in een vreemd land vestigen; Immigration. Iiiiminent, imirint, dreigend, boven het hoofd hangend, nabij. Immobility, imdbility, onbewegelijkheid. Immoderate, imorfaWf, buitensporig, onredelijk: Immoderation = gebrek aan gematigdheid, buitensporigheid. Immodest, imodost, onbescheiden, onkiesch, onkuisch, zedeloos; ây. Immolate, imsleit, (op)olïeren; Immolation. Iinmciral, ijnar l, onzedelijk, oneerlijk; Immorality. Immortal, imöVl, subst. en adj. onsterfelijk(e). onvergankelijk(e); Immortality = onsterfelijkheid: âize, imöto/aiz, vereeuwigen, onsterfelijk maken; Immortelle, bnatel, (krans van) immortellen. Immovable, imüvdb'l, onbewegelijk, onwrikbaar, onveranderlijk, ongevoelig; âm = onroerende goederen, wat âspijkervastquot; is; Immo-vdbility = âness. Iminuiie, imjün, vrijstellen, onthetfen; Immunity = vrijstelling, ontheiTing, vrijdom. Immure, imjüd, opsluiten, als met een muur omringen. Iminiitable, imjütdbl, onveranderlijk; âness = immutability. Imp, imp, subst. kabouter, booze geest, deugniet, guit, verlengstuk; â verb, van nieuwe vederen voorzien, vermeerderen, versterken. Impact, impakt, slag, duw, schok. Impair, imped, aantasten, beschadigen, verminderen, verzwakken: His health was not seriously âed = had niet erg geleden, was niet ernstig aangetast; âer. Impale, impeil, spietsen, omringen, weerloos maken; -ment = het spietsen, schutting. Impalpable, impaipoVl, niet voel- of tastbaar, fijn. |
man; ask = ask; farm = fam; bwt = b«t; learn = Iwn; line = lain: howse = haus; net; care = ké»; fate = feit; tin; asleep = dslip; net; \aw â ló; lord = liid; hoy = bói;
IMPAN(N)EL.
231
IMPLUVIUM.
|
Iiiipaii(ii)el, imparil, op de lijst der jury plaatsen, dagvaarden om als lid der jury op te treden. Imparadtae, imparadais, als in een paradijs plaatsen, volkomen gelukkig maken. Imparfcyllabic, imparisilabik, met een ongelijk getal lettergrepen. Imparity, imparitU ongelijkheid, verschil. Imparlance, impüVns, gesprek, verloftijd om tot eene schikking te geraken. Impart, impat, stoot, aandrang. Impart, impüt, mededeelen, toestaan, een deel geven: âer. Impartial, impüè'l, onpart jdig, billijk, belangeloos : I mpartiaiity. ImpaHHable, impdsob'l, onbegaanbaar, ontoegankelijk. ImpaNHible, impasib'l, Impawwive, impasiv, ongevoelig, stomp, zonder deelneming; Im-paHHioned. impaè'nd, hartstochtelijk, vurig. ImpaHtation, 'wiposteis n, samenkneding van verschillende bestanddeelen; ImpaHte, impeist, samenkneden (tot deeg), de kleuren er dik opleggen; Impasto = dikte van een verflaagje. Impatieiice, impeië'ns, ongeduld: Ilis â of oppression = zijn afkeer (afschuw) van onderdrukking ; An â of poetry = hekel aan poezie. Impatient, impels'nt, ongeduldig, vurig verlangend, afkeerig: I am â for his arrival = verlang vurig naar zijne komst; lie was â of slavery = hij kon geene slavernij dulden. Impann, nnpón. verpanden. Impeaeli, impils, in oneer brengen, betwijfelen, aanklagen, in staat van beschuldiging stellen (van staatsdienaren, b.v.); âable; âer; âment = beschuldiging, aanklacht, etc. Impearl, impvl, tot paarlen maken, beparelen. Impeccable, impekeb'l, die geene zonde kan doen; Impeccability. Impecnniosity, impdkjüniositi, geldgebrek; Impeciinions, impdkjüriws, arm, slecht (of in 't geheel niet) betalend. Impede, imptd, beletten, verhinderen: Impe-dient = hinderlijk; Impediment, beletsel: He lias an impediment in bis speech = hij kan sommige letters niet zeggen, stamelt, spreekt onduidelijk, lijdt aan spraak-belemmering. Impel, impel, voortdrijven, aanzetten; âIer; âlent, subst. aanzetter; adj. aansporend, voortdrijvend. Impend, impend, boven het hoofd hangen, voor de deur staan, dreigen; âent. Impenetrable, impendtrdVl, ondoordringbaar, stomp, ongevoelig; Impenetrability. Impenitence. âcy, impenifnsiï). onboetvaar-digheid. verhardheid (des harten). Impennate, impeneit, tot de Impennes be-hoorende; Impennes, impeniz, eene familie van zwemvogels met korte vleugels, zooals de vetgans. Imperative, imperdtiv, subst. gebiedende wijs; adj. gebiedend, verplicht: The categorical â = de kategorische imperatief (de naam door Kant aan het beginsel der zede wet gegeven). Imperator, ïmpdreite, imperator, keizer. Imperceivable, ïmpssivaVl, Imperceptible, impdseptib'l, onmerkbaar, onbeteekenend. Imperfect, impvfdkt, subst. en adj. onvolkomen of onvolmaakt (verleden tijd); Imperfection. |
Imperforable, impvfdraiïl, ondoorboorbaar; Imperforate(d), impigt;for(e)it(id), zonder openingen, niet doorboord; Imperforation. Imperial, impiridl, subst. imperiaal (voor bagage op een rijtuig), plaats buitenop (koets of diligence), imperiaal (papier: 55 bij 80cM.), puntbaard (aan de kin), koepeldak; adj.keizerlijk; âcity = vrije rijksstad; The â interests = de belangen van het geheele Engelsche rijk; âfederation = plan tot bevestiging van het Britsche rijk, waarbij de rechten der koloniale parlementen onaangetast blijven; âism = keizerregeering, federatie-politiek; âist. Imperil, imperil, in gevaar brengen. Imperious, impirids, gebiedend, aanmatigend, heerschzuchtig, dringend. Imperishable, imperiédUl, onvergankelijk, eeuwig; âness. Imperium, imptriom, oppermacht. Imperiwilled, imperiw'xgd, met eene (groote) pruik op. Iiiipernianent, impümdrint, niet duurzaam of standvastig; Impermanence. Impermeable, impmnidVl, ondoordringbaar; Impermeability = âness. Impersonal, impvsdrtl, subst. en adj. onpersoonlijk (werkwoord); Impersonality. Impersonate, impvsdnzxt, verpersoonlijken, optreden in den persoon van; Impersonation = vertolking (van eene rol); Impersonator. Imperspiciious, impaspikjiws, onduidelijk, niet helder. Impertinence, -cy, imprgt;tirins(i), ongepastheid, onbeschaamdheid, onbehoorlijkheid. Imperturbable, impdtvbdVl, onverstoorbaar, leuk, koel; Imperturbability. Impervious, impnvws, ondoordringbaar, ontoegankelijk; âness. Impetuous, impetjtos, onstuimig, woest, driftig; Impetuosity, impetjuositi. onstuimigheid. Impetus, impiths, beweegkracht. impiety, impaidti, goddeloosheid; Impious, impid's, goddeloos. Impinge, impinz, stooten, raken: The first circle âs on the second = raakt (snijdt); The song of the skylark âd on her ear = het lied van den ieeuwrik trof haar oor; âinent: âut. implacable, implakdb'l. onverzoenlijk, onverbiddelijk; Implacability â âness. Implaiit, impldnt, zaaien, enten, inprenten; âation. implausible, imvlózib'l, onwaarschijnlijk. implead, implid, beschuldigen, een proces aandoen. implement, implam'nt, werktuig, gereedschap; âs = de werktuigen en gereedschappen van den mensch in den vóórtijd; \mplemental. Implicate, implikeit, inwikkelen, verwikkelen; Implication: By implication = erin begrepen. implicit, implisit, ingewikkeld, stilzwijgend of daaronder begrepen, onvoorwaardelijk: I have an â faith in yon = ik vertrouw u onvoorwaardelijk: An* â compact = stilzwijgend verdrag: â faitli = onvoorwaardelijk geloof. implied, implaid, stilzwijgend, daaronder begrepen (in). implore, implö, smeeken; Imploration, im- ploreië'n, smeeking. Impliivium, implüvf m, bekken tot opneming |
bone = boun: full; fool = ful; e = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; j/ear = jia; long = Ion; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhus; wine.
IMPROVISATORE.
IMPLY.
232
|
van regenwater in het centrum van het binnenplein van een Romeinsch huis. Iinplyj implai, insluiten, beteekenen, behelzen. Impolicy, impolisi, gebrek aan overleg, onvoegzaamheid: Impolitic, impolitik, onverstandig, onoordeelkundig. Impolite, impdlait, onbeleefd, lomp. Imponderable, imponddrdh I, subst. en adj. onweegbaar (zooals b.v. licht of hitte). Impone, impoun, inzetten, verwedden. Imporous, impöras, dicht, vast, weinig poreus: ImporoHity, imporositi, dichtheid, geringe poreusheid. Import, impöt, invoer, belang, gewicht, betee-kenis: âh and exports = in- en uitvoer; â dutie» = inkomende rechten. Import, impöt, invoeren, beteekenen, van belang zijn; âation; âer. Importance, impiiVns, belang, gewicht, gevolg, beteekenis; Important. Importunate, impötjuneit, lastig, aanhoudend, dringend; âness. Importune, impötjün of impötjün, aanhoudend aandringen, lastig vallen; Importunity, impö-tjilniti, overlast, kwelling. Impose, impouz, opleggen, in de handen stoppen: I will not be âd upon = ik wil mij niet laten bedriegen: He never âd on mè on this subject = maakte op dit gebied nooit grooten indruk op mij; Imposing, impouzir], indrukwekkend, bedriegelijk: Imposition. impdzié'n, oplegging, belasting, strafwerk, bedrog. Impossibility, imposibiliti, ^onmogelijkheid: Impossible^ *At impossibly early hours = onmogelijk vroeg. Impost, impoust, belasting, rustpunt van een boog of zuil. Impostliumate, impost]umeit, eene zweer vormen, zweren: Imposthume, impostjüm, subst. etter, zweer; â verb, zweren. Impostor, impostd, bedrieger; Imposture, impostja, bedrog. Impotence, -cy, impdVns{i), onmacht, machteloosheid, onvermogen; Impotent, impdVnt, machteloos, onvermogend. Impound, impaund, opsluiten, in bezit nemen (van een document). Impoverish, impovdris, verarmen, uitputten; âer; -ment. Impracticable, impraktikdVl, ondoenlijk, onhandelbaar, koppig; âness. Imprecate, imprikeit, vervloeken, een vloek roepen op; Imprecation-, Imprecatory, im-prikeitori, vervloekend. Impregnable, impregndVl, onneembaar, on-verwinlijk; Impregnability. Impregnate, impregneit, bezwangeren, bevruchten , vruchtbaar maken, doortrókken, verzadigen; Impregnation. Impresario, imprasAriov, directeur van eenig kunstgezelschap (meest op muzikaal gebied). Imprescriptible, ïmpriskriptib'l, onverjaar-baar, van zelf sprekend. Impress, imprds, stempel, afdruksel, merk, motto. |
Impress, impres, stempelen, merken, teekenen; drukken, krachtig aandoen, forsch aandringen; voor den publieken dienst bestemmen of aanwijzen; -ion = indruk, kenmerk, stempel, afdruk, uitgave of oplaag, vaag begrip, invloed, uitwerking; â ionable, impreö'nsb'l, âive, impresiv, licht voor indrukken vatbaai', hartstochtelijk; âionist, impreèdnist, subst. kunstenaar, die op eifect werkt en de details veronachtzaamt; adj. tot die school van ai'tisten behoorende; âment = gedwongen dienstneming, hartelijkheid; âor = wat of wie indruk maakt. Imprest, imprest, leening, voorschot: âoffice = departement van de admiraliteit dat voorschotten verleent aan kwartiermeesters en andere officieren. Inipriinatur, imprimeitd, verlof (van de cen-suur) tot het drukken (woordelijk: âdat het gedrukt wordequot;). Imprint, imprint, naam van drukker of uitgever van een boek, etc., met de plaats en den datum der uitgave. Imprint, imprint, drukken, stempelen, inprenten. Imprison, impriz'n, gevangen nemen; -er; âment. Improbable, improbdb'l, onwaarschijnlijk; Improbability. Improbation, imprabeis'n, niet goedkeuring wegens valschheid in geschrifte of onwaarheid. Improbatory, improbdtori, met het doel om het tegenbewijs te leveren. Improbity, improbiti, oneerlijkheid, onoprechtheid. Iiiipromptu, impromptjü, subst. en adj. een extemporé, (iets) zonder voorbereiding gemaakt; âist = improvisator. Iiiiproper, impropd, ongeschikt, ongepast, onjuist: âIVaction = breuk met een teller gelijk aan of grooter dan den noemer. Impropriate, improuprieit, zich toeëigenen, kerkelijke inkomsten en bedieningen in handen van leeken stellen: Impropriator, improu-prieitd, die zich rechten toeeigent: leek, die kerkelijke goederen en bedieningen in handen heeft. Impropriety, impraprateti, ongepastheid, on-welvoegelijkheid. Improve, impriiv, verbeteren, volmaken,voordeel trekken, gebruik maken van, aankweeken, herstellen, vermeerderen, verhoogen: He lias âd the occasion = hij heeft de gelegenheid waargenomen: He was called upon to â the death of three young rishermen = hij werd gevraagd om zijnen (geestelijken) bijstand te verleenen bij de begrafenis van drie jonge visschers; That cannot possibly be â«I upon = dat laat geen verbetering toe; It âs on acquaintance = het wint bij nadere kennismaking; The house was â d away = dat huis werd (tot groot voordeel der omgeving) afgebroken: That old gate has been âd oil' the lace ol'the earth = die oude poort is gelukkig van den aardbodem verdwenen; Improvable = verbeterbaar, met voordeel te gebruiken; âr = verbeteraar, leerling-japonnen naaister. Improvidence, improvid'ns, gebrek aan voorzorg, zorgeloosheid; Improvident, improvident, zorgeloos. Improvisation, improvizeis'n, improvisatie (het maken van iets zonder voorbereiding); Improvisator, improvizeito, Improvisatore, improuvizdtóro, improvisator. |
man; ask = ask; farm = fam; bitt = bwt; learn = hm: line = lain; hoi«se = haus; net; care = kca: fate = feit; tin: asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; hoy = bói;
1MPKUDENCE.
233
INAUGURAL.
|
Imprudence, imprücTns, onvoorzichtigheid, gebrek aan beleid; Imprudent, imprücCnt, onvoorzichtig, zonder beleid. Impuberty, impjübdti, onder den mannelijken leeftijd. Impudeiiee,imjtgt;jud,/is, onbeschaamdheid; Impudent, impjucVnt, onbeschaamd. Impugn, impjtin. bestrijden, weerspreken: âable, impjündb'l, bestrijdbaar, weerlegbaar; âer. Impulse, impvls, linpiilsion. impulamp;n, aandrang, aandrift, aansporing; ImpiilHive, im-pvlsiv, aandrijvend. Impunity, impjüniti,straffeloosheid: You are old enoiigli, and may do nothiiig with â = en moogt gerust niets doen. Impure, impjüd, onrein, onzuiver, besmet, vuil, onkuisch; Impurity, impjüriti, onreinheid, onkuischheid. Impiitahle, impjütdUl, Imputative, impjüta-tiv. toerekenbaar: Imputation = beschuldiging, aantijging, toerekenbaarheid: Impute, toeschrijven, toerekenen, ten laste leggen (to): Why do you impute yourself to the Hub-jeet*= keurt ge het onderwerp af? In, in, subst. lid van de regeerende partij; â verb, inhalen (van oogst): prep, en adv.in,op, naar, bij, tehuis: â my opinion = naar mijne meening: lllt;' rainê â time = op tijd; â due time = op den rechten tijdf â the daytime = overdag, des daags; He i« not worthy to be mentioned â the Hame day as bin friend = hij mag met zijn vriend niét op één dag genoemd worden: âthe nisht = des nachts: â writing; = in geschrifte; â virtue of li in olliee = krachtens zijn ambt: â vain = tevergeefs; â fa vuur of = ten gunste van; â re»pei-t, regard to = met betrekking tot, ten opzichte van; â as miieli aw = voorzooverre: They can't be mentioned â the Hame day = óp één dag genoemd worden: My inemberHhip â your society = van uwe vereeniging; â the reign of CharleH I = onder de regeering van: I gpoke thewe word* more â Harrow than â anger = ik sprak die woorden meer uit droefheid dan uit toorn; If thene thiiign be done â the green tree, what will be done â the dry = geschieden aan; Are you curious â bookn on IjoihIoii = gesteld op boeken over L.?; â hante = haastig; â obedience to your huuiuioiih = ingevolge uwe oproeping;* â order to = ten einde; â name of = bij wijze van; â the name of = in naam van; â that = aangezien,daar, omdat; He is one â a thouHand = hij is er één uit de duizend; He was caught â the act of stealing = hij werd op heeterdaad betrapt; He gave me twenty â fifty â billiards = hij gaf mij bij het biljarten 20 op de 50 vóór; The country was â arinn = onder de wapenen; â concliiHion = tot besluit, om kort te gaan; He wan â drink, |
â npiritH = dronken: Why, you are â love = wel, je bent verliefd; *! am â for it = ik ben er bij, kan er niet aan ontsnappen; \ penny â the pound = een stuiver op of van de /12; â for a penny, â for a pound = wie A zegt, moet B zeggen: They are â and out twenty timen a day = zij hebben standjes en worden weer goed twintigmaal per dag; The newn in â theair = het nieuwtje gaat rond; The liberaln are â now = de liberalen zijn nu aan de regeering: Come â = kom binnen: A great pleanure in â store for you = u staat een groot genoegen te wachten*; You are not â it with your friend = gij haalt niet bij uw vriend: Cliam-pagne is not â it = dat overtreft champagne; The âs and outs of a town = de stad en hare omgeving; The âs and the outn = regeering en oppositie. Inability, indbiliti, onbekwaamheid, onvermogen.* InacccHHible, \ndksesil/L ontoegankelijk, ongenaakbaar ; Inaccessibility. Inaccuracy, inakjurdsi. onnauwkeurigheid; lnaccurate(neHHgt;, inakjurit. onnauwkeurig-(heid). Inac(|uaintance, hwkiueinVns, onbekendheid. lnacf|uieHcent, inakwies'nt^ niet berustend. Inaction, inakamp;n, werkeloosheid, rust: Inactive, inaktiv, werkeloos, vadsig, zonder uitwerking: Inactivity, indktiviti, werkeloosheid, traagheid, vadsigheid. Inadequacy, inadikwjsi, onevenredigheid, ongelijkheid, onvoldoendheid: liiadequate. in-adikwit, onevenredig, ongelijk, onvoldoende: Inadequation, ïnadikweiè'n. gebrek aan overeenkomst. InadmiHHible, \nddmisib'l, onaannemelijk, niet toelaatbaar; \nadmissibility. Inadvertence, -cy, \ndduóVns{i), zorgeloosheid, onachtzaamheid.* Inaflability, inafdbiHti, onvriendelijkheid, ongezelligheid. Inalienable, ineiljdndb'l, onvervreemdbaar; Inalienability, ineiljdndbiliti, onvervreemdbaarheid. Inane, inein, ledig, zinloos, doelloos. Inanimate, inanimit^ onbezield. Inanition, itidniamp;n, ledigheid, uitputting door gebrek aan voedsel. Inanity, inaniti, zinloosheid, zinlooze opmerking, holheid, ledigheid; Inanities = dwaasheden, zinledige gezegden. Inappellable, ïndpeldVl, waartegen niet geappelleerd kan worden, laatste. Inappetence, -cy, biapit'nsii). gebrek aan eetlust. Inapplicable, inaplikdb'l, ontoepasselijk, niet behoorende bij; inapplicability. Inappreciable, xnoprvsoVl, onschatbaar. Inapproachable, inaproutsdb'l, ongenaakbaar, weergaloos. Inappropriate, inDpronpriit, ongeschikt, ongepast; âness. Inapt, inapt, ongeschikt, niet voegzaam; âitude, inaptitjüd, ongeschiktheid: âness. Inarch, inüts, in een naburlgen tak enten zonder de loot van de moeder te scheiden. Inarticulate, inatikjulit, onduidelijk, onverstaanbaar, zonder geledingen; Inarticidation â onduidelijkheid (in het spreken). Inattention, inatenamp;'n, onoplettendheid, achteloosheid: Inattentive, 'mdtentiv, onoplettend, achteloos. Inaudibie. inódib'l. onhooibaar; âness = Inaudibility. Inaugural, inógjur'l, subst. eh adj. inwijdeiid(e |
bone = boiin: full; fool = fill; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = jia; long = Ion; s/iip = nip; occasion = okeii'n: thin; f/lt;us = dhos; wine.
INAUSPICIOUS.
234
INCOMPLETE.
|
rede); Inaugurate, inógjureïU plechtig in een ambt inwijden, inhuldigen; liiaugiiratory, inógjureitori, inwijdend, huldigend. liiaiiMpicioiiH, inóspiëds, onheilspellend, ongelukkig, ongunstig. Inboard, ïnb'ód, adj. binnenboordsch; adv. aan boord. Inborn, inbön, Inbred, inbred, aangeboren, natuurlijk. Inbound, inbaund, niet omheind, maar door grensscheidingen aangewezen. Inca, inkd. souverein (van Peru, vóór 1531). Incalculable, inkalkjuldb'l, onberekenbaar, onmetelijk: âne«». IncaleHcent, inkdles'nt, warm wordend, toenemend in hitte: Incalescence, âcy. IncandeHce, ink'ndes, gloeien; ânee = gloeihitte: ânt lamp = (electrische) gloeilamp. Incantation, ink'nteiamp;n, (gezongen) toover-formule, betoovering. Incapability, inkeipdbiliti, onbekwaamheid, onbevoegdheid: Incapable, inkeipab'l, onbekwaam. onbevoegd: Incapacitate, inkopasi-teit. onbekwaam of onbevoegd maken; Incapacity. inkdjjasiti, onbekwaamheid, ongeschiktheid. Incarcerate, inküsdreit, gevangen zetten; Incarceration. Incarnate, inkiinit, vleesch geworden: A devil â. an â iiend; Incarnation, inktïneiè'n, vléeschwording, levendige voorstelling, vleesch-IncaNe. inkeis. Zie EncaHe. [kleur, j incautioim, in/.-ó^9S, onvoorzichtig, onomzichtig; âne»». Incendiarism, insendjarizm, brandstichting; Incendiary, insendjdri. subst. brandstichter, oproermaker, aanstoker; aiij. brandstichtend, oproer stokend: brutaal, schandelijk. Incense, insens, subst. wierook, oiler; â verb, bewierooken; âboat = wierookvat; â breathing, âbridhi^ geuren ademend. Incense, insens^ in br.ind steken, vertoornen. Incentive, insentiv, subst. aansporing, prikkeling: adj. aansporend, prikkelend, licht ont- , vlambaar. Inception, insepgn, begin, ontvangst. InceHsaiit^mscs'nï, onophoudelijk, voortdurend. Incest. bloedschande;âuous,mscsfj»^s, ! bloedschendig; âuousness. Inch, inö. 21/2 cM. (twaalfde deel van een voet), kleine hoéveeelheid. het juiste oogenblik, eiland: (live him an â, he will take an ell =als men hem een vinger geeft, neemt hij de heele hand; â by â = voet voor voet, langzamerhand; To an â = precies; He is every â a king = hij i4? eer. koning in hart en nieren; He did not bate an â = hij liet geene kleinigheid vallen; I thrashed him within an â of his life = sloeg hem bijna dood; We did it by âmeal = bij stukjes en brokjes; He died by âes = stierf een lang-zamen dood; âstiiff* = vurenplanken van een ine/» dikte; âed (in samenst.): Threeâed. Inchoate, inkoueit, begonnen, onvoltooid. Incidence, insid'ns, de inval van een licht- i straal, etc. op eene oppervlakte: Angle of â ; = hoek van inval; Ijine of â = lijn van inval: Incident, insid'nt, subst. voorval, ge- | beurtenis; Paintings of incident = genre- ' stukken: adj. invallénd, voorkomend,toevallig; | |
Incidental, ïnsidenVl, toevallig, onoverlegd, ondergeschikt, afhankelijk. Incinerate, ms-inareiï, tot asch verbranden. Incipience, -cy, insipfns(i) begin: Incipient, insipj'nt, beginnend: Boys with incipient beards = jongens met vias om de kin. Incised, insaizd, ingesneden,gekerfd; Incision, insiz'n,insnijding,kerf,snede, wond; Incisive, insaisiv, insnijdend, scherp, doordringend: Incisive teeth = snijtanden; Incisor, insaizd, snijtand. Incite, insait, aanzetten, aansporen, prikkelen; Incitation, insiteiè'n, aansporing, prikkel. Incivility, xnsiviliti, onbeleefdheid, lompheid. Incivisui, insivizm, staatsgevaarlijkheid. Inclemency, inklem'nsi, wreedheid, onmee-doogendheid, stormachtigheid, guurheid: In-clement, inklemquot;nt, onbarmhartig, wreed, guur, stormachtig. Inclination, inklineis'n, neiging, geneigdheid, overhelling, genegenheid. Incline, inklain, neigen, overhellen, richten, geneigd zijn: He âd to conservatism = hij helde over naar het konservatieve kamp; âd-plane = hellend vlak: âr. Incline, inklain, hellend vlak, helling. Inclose, mfc/oMZ,insluiten,omringen.omheinen, afrasteren: âd letter = ingesloten brief; Inclosure, inklouzd, insluiting, omheining, het ingeslotene of omheinde. Inelude, inklüd, insluiten, behelzen, bevatten: Costs âd = met kosten: Inclusion, inklüz'n, insluiting, bevatting; Inclusive, inklusiv, ingesloten, bevattend, insluitend, gewichtig. Incog, inkog, (verkorting van) incognito = onbekend (man), onbekendheid, of incognita = onbekend(e vrouw). Incolierence, -cy, inkouhtfnsiï), gebrek aan samenhang of consequentie: Incoherent. Incombustible, ink'mbnstiiïl, onverbrand- of onverteerbaar. Income, inkdm, inkomen, inkomsten; âtax = inkomstenbelasting; âr = inbezitnemer, nieuwe huurder; Incoming, inkvtmin,, subst. ingang, winst, inkomsten (gewoonl. meerv. Incomings); adj. het bezit aanvaardend: The incoming president delivered an address = de nieuwe president aanvaardde zijn ambt met eene rede. Incommensurable, inIcdmenëdrdb'l,subst.een van twee (of meer) grootheden die geen ge-meene maat of gemeenen deeler hebben; adj. onderling onmeetbaar; âness; Incoininen-siirate, inkdmenëdrit, onevenredig. Inc«»mniode, inkamoud, lastig vallen, storen, belemmeren: Incommodious, inkdmoudjds, hinderlijk, lastig. Incommunicable, imkdmjünikdV 1, niet geschikt om te worden medegedeeld: âness. Incomparable, inkompdrab'l, weergaloos, ongeëvenaard; âness. Incompatibility, ink'mpatibiliti, onbestaanbaarheid; Incompatible, ink'mpatib'l, onbestaanbaar, onvereenigbaar. Incompetence, -cy, inkompifnsii), onmacht, onbevoegdheid, onvoldoende middelen (van bestaan); Incompetent, inkompifnt, ongenoegzaam, onbevoegd, ontoelaatbaar. Incomplete,mfc'n?p/rï, onvolkomen.onvolledig: Incompletioii, inVmpliè'n, onvolledigheid. |
man; «sk = ask; farm = flim; b«lt;t = bwt; learn = lèn; line = lain; house = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin: asleep = «slip; not; Vnu = 16; lord = löd: bof/ = boi;
INCOMPREHENSIBLE.
235
INDEFINABLE.
|
liiromprelieiiHihle, inkomprihensib'l. onbegrijpelijk, onbegrensd. IncoinpresHibility, hik'mpresibiliti, onsamen-drukbaarheid. liiroiicealnble, ink'nsildb'l, onverbergbaar. Inconceivable, inkdnsivab I, onbegrijpelijk. Inconcliisive, inkdnklnsiu, niet beslissend. Inconciirring, inkdnknr'n\, niet samengaand of overeenstemmend. Incontoriiiity, inkdnföiniti. gebrek aan overeenkomst. Incongriiity, inlcongrüiti, ongepastheid, gebrek aan 'overeenstemming of samenhang; Incungriioiis, inkoiigrtos, onbestaanbaar, onsamenhangend, onpassend. IncoiiHeqnence, inkonstkiv'ns, valsche gevolgtrekking, gebrek aan logische redeneering; Inconsequent. Inconsiderable, inkdnsicldrdbl, onbelangrijk, gering. ... Inconsiderate, inkanstcwnt, onbezonnen, onbedachtzaam, weinig kiesch. IncoiiHiHtent, Inkdnsisfnt, onbestaanbaar, niet passend, inconsequent: Inconsistency. Inconsolable, inkensóuldbl, ontroostbaar. InconspiciioiiH, inkdnspikjtids, onduidelijk, onaanzienlijk, niet in quot;t oog vallend; ânes», inconstancy, inkonsVnsi, onstandvastigheid, veranderl ijkbeid; Inconstant, inkonsfnt, onbestendig, veranderlijk, vluchtig. Inconsumable, inkdnsiümdbl. onverteerbaar, onvernietigbaar. Incontestably, inkdntestdbli, onbetwistbaar. lncontinence',-cy, mfcon?m'gt;is(/).onkuischheid; Incontinent, mko\itindnt, subst. en adj. onkuisere); Incontinent/1/ = onmiddellijk. Incontrol la ble,?nAquot;£m£gt;'oie/ab7. onbedwingbaar. Incontrovertible, inkontrdvntib'l, onbetwistbaar. Inconvcnienre, ink'nvtnj'ns, subst. ongerief, ongelegenheid; â verb, in ongelegenheid brengen, last aandoen: Inconvenient. Inconvertible, inkdnvütibl, onverwisselbaar. Incorporate, inköpdrit. adj. nauw verbonden, tot éen lichaam gemaakt, niet lichamelijk of als één lichaam bestaande; â verb, (inköpdreit) tot één lichaam maken, in eene corporatie opnemen; Incorporator, inköpdreitd, soort van llesch voor sla-aanmaaksel; wie of wat tot een lichaam maakt. Incorporeal, inköpóridl, onlichamelijk, onstoffelijk: âism. Incorrect, mtoreArf, onjuist, ongepast; âness. Incorrigible, inkoridzibl. subst en adj. on-verbeterlijk(e). Incorrodible, inkdroudibquot;!, onverteerbaar, onvernietigbaar. Incorrupt, inkdmpt, onbedorven, rein, onomkoopbaar: âible = onomkoopbaar, onbederf-baar; âion = onverdorvenheid; âness. Incrassation, inkraseiamp;n, verdikking. Increase, inkris, vermeerdering, aanwas: The moon is on the â = aan het toenemen of wassen: Increase, inkris, toenemen, aanwassen, vermeerderen, vergrooten. Incredible, inkredib f, ongeloofelijk. buitengewoon. Incredulity, inkrddjiiliti, ongeloof, twijfelzucht: Incredulous, inkredjulos. ongeloovig. Incremate,in/cr9»lt;eif,verbranden://icrei//oï/o»i. |
Increment, inkronient, aanwas, vermeerdering, verhoogde belasting. Increpate, inkrjpeit, berispen; Increpation. Increscent, inkres'nU aangroeiend, wassend. Incriminate, inkrimineit, van eene misdaad beschuldigen: Incriininatory, inkrimineitdri. beschuldigend. Incrust, inkrnst, âi\ie,inkrnsteit, omkorsten; âation; âment. Incubate, inkjiibeit, broeden; Incubator = kunstmatig broeitoestel; Incubative, inkju-fteii/v, broedend. Incubus, inkjubds. nachtmerrie, zware last, hindernis. Inculcate, inknlkeit, inprenten; Inculcation. Incumbency, inknmUnsi, het houden van een (geestelijk) ambt, het liggen op iets: Incumbent, inknmUnt. subst. de met een (geestelijk) ambt begiftigde: adj. liggend, rustend, opgelegd als een plicht: That is incumbent on me = dat is mijn plicht. Incumbrance, inknmbr'ns. (lastige) aanhang: Without â = zonder vrouw of kind; A wile and seven â» = ... en zeven lastposten van kinderen. Iiiciiiiabulum, inkjunabjuVm, een boek vóór 1500 gedrukt. Incur, inkti, oploopen, zich op den hals halen; âsion = (vijandelijke) inval. Incurable, inkjürdbl, ongeneeslijk, hopeloos: Incurability = âness. Incurvate, inArwmf, adj. gebogen,gekromd: â verb, doen afwijken v. de rechte lijn, krommen: Incurve, inkvv, krommen, buigen. Incus, inkds, aambeeld (ook het dusgenoemde beentje in 't oor). Indebted, ?quot;m7e£lt;V/, verplicht,schuldig: He was â to herin a large sum = eenegrootesom gelds schuldig: âness. Indecence, -cy, indis'ns(i), onbetamelijkheid: Indecent, 7»onwelvoeglijk: Indecent exposure = ongepaste (strafbare) blootstelling van het lichaam. IndeciduoiiH, indisidjuos, niet afvallend (van bladeren, enz.), altijd groen. Indecipherable, indisaifordb'l. niet te ontcijferen of te ontwarren. Indecision, indisizn, besluiteloosheid; Indecisive, indisaisiv, weifelend, aarzelend, besluiteloos. Indeclinable, indiklainoUl. subst. en adj. | onverbuigbaar (woord). Indecomposable, indilSmpouzobl, onscheidbaar, onoplosbaar. Indecorous, indikórds of intlekurds, on welvoegelij k: Indecorinn, indikór'm. ongepastheid. Indeed, indid.inderdaad, wél (wel te onderscheiden van in deed = in werkelijkheid, zooals blijkt uit deze verzuchting van een gepensioneerde: I am not dead â. but in deed I am dead); Kind â! = Vriendelijk? 't mocht wat! : Indelatigable . indifatigdtfl, onvermoeid: âF. ess = Indef-Atirf ability. \ Indefeasible, indifizil/l, onvervreemdbaar, j onschendbaar, onaantastbaar. I Indelectible, indifektib'l. onfeilbaar, onver-I gankelijk. Indefensible, indifensibl. onverdedigbaar. Indeiinable, indifainêb'l. onverklaarbaar, niet 1 omschrijfbaar. |
bone = boun; lull; fool = ful: a = toonlooze vokaal (zie asleep en caré)\ girl; year = jia: long = loi^; s/?ip = sip: occasion = okeiz'n; thin; thus â dhus: wine.
INDO-EUROPEAN.
INDEFINITE.
236
|
Indefinite, indefinite onbepaald, onbegrensd, oneindig; Indelinitiide, indifinitjüd, onbepaaldheid. Indelible, indelib'l, onuitwischbaar; Indelibility. Indelicacy, indelikdsi, onkieschheid, lompheid; Indelicate, indelikit, onkiesch, ongepast. Indemniricatiüii, indemnifikeiamp;n, schadeloosstelling; Indeiiiniry, indemnify schadeloos stellen; Indeiiinity, indemniti, schadeloosstelling, vergoeding*. Indent, indent, subst. inkerving, contract; â verb, inkerven (als met tanden), inspringen (bij het drukken), een contract maken, zich verbinden, gekorven zijn; âation = inkerving; âed; âinp; = inkerving, draai, bocht. Indenture, indentjd, subst. gezegeld verdrag: The âh were cancelled = de contracten werden wederzijds vernietigd; â verb.rimpelen, door een verdrag binden, kerven. Independence, indipemVns, onafhankelijkheid, onafhankelijk bestaan: â Day = 4 Juli (herdenking van de Amerikaansche onafhankelijkheidsverklaring in 1776); Independeiit, indipend'nt, onafhankelijk, onbevooroordeeld, tot de Independenten behoorende: The Independente = godsdienstige, van de Staatskerk afgescheiden sekte; ook: CongregationalistH. Indescribable, indiskraibdb'l, onbeschrijfelijk; â» = pantalon, broek. IndeHtrnctible, indistruktibquot;l, onvernietigbaar: Indestructibility. Indeterminable, indittimindb'I, onbepaalbaar; Indeteriniiiate, inditmninit, onbepaald, onjuist. Index, indeks (Meerv. IndexeH of Indices, indis\Zy dit laatste in de algebra: exponenten), subst. wijzer, bladwijzer, inhoudsopgaaf, handwijzer, exponent: â expnrgatory = lijst van passages, door den paus als kettersch gebrandmerkt; â prohibitory = lijst van de door de R. K. kerk verboden boeken; âlinger = wijsvinger; verb, van een index voorzien, op den index plaatsen. India, intZ/c?, Voor-Indië; Further â =Achter-Indië; âman = Oostinjevaarder; ân, subst. of adj. Indisch(e), Indiaan(sch); ân-anis = steranijs; ân-corii = maïs; ân-crews = Oostindische kers; -n-date = tamarinde: -n-lire = soort van Bengaalsch (sein)licht; ân-ink = Oostindische inkt; ân-like = als een Indiër of Indiaan; ân-reed, -n-shot = Oostindischriet; -n-rubber(ook: ârubber) = gomelastiek, caoutchouc; ân-Hiimmer = warme nazomer; ân-yellow = Oostindisch geel; The Indies = Indië. Indiana, indjam). Indianapolis, indjdnapdlis. Indicant, indik'nU subst. voorteeken (van eene ziekte); adj. aanwijzend; Indicate, indikeit, aanwijzen, aanduiden; Indicative, indikdtiv, subst. en adj. aantoonend(e wijs); Indicator, indikeito, aanwijzer, instrument tot het bepalen van het aantal paardekrachten eener stoommachine. Indict, indait, beschuldigen,aanklagen; âable; âer of âor; âinent = aktev.beschuldiging, aanklacht onder eede door de grand jury voor een gerechtshof gebracht. Indiction, indikë'n, proclamatie, afkondiging. |
Indiflereiice, indifar'ns, onverschilligheid, onpartijdigheid, middelmatigheid; Indifierent, indifdr'nt, subst. en adj. onverschillig(e), van geene beteekenis, onpartijdig(e), tamelijk (met een overhellen naar de ongunstige zijde): 1 sleep very indifierently = ik slaap vrij slecht; He is in indiflereiit health = hij is niet recht gezond; Indifierentism, indifar'n-tizm, stelselmatige onverschilligheid, vooral in godsdienst. Indigence, -cy, indidz'ns(i). gebrek, nooddruft, armoede; Indigent. Indigene, indidzin, oorspronkelijke bewoner; Indigenous, indidzinas, inlandsch. Indigested, indidzestid. onverwerkt, ruw, verward, vormloos; Indigestible, indidzestibly onverteerbaar, onduldbaar; Indigestion, imli-dzestfn, slechte spijsvertering. Indignant, indigent, verontwaardigd; Indignation, indigneiè'n, verontwaardiging: Indi^iiation-ineetiiig = protestmeeting; Indignity, indigniti, smaad, hoon. Indigou, indigow, indigo; âbird = N.-Ame-rikaansche vink; âplant = indigoplant; -meter, indigomote, indigometer. Indigotin, indigotm, zuiver blauwe kleurstof uit indigo. Indirect, indirekt, niet recht, onoprecht, slinksch: â evidence = aanwijzingen (geen directe bewijzen); âtax = indirecte belasting (nl. op de consumptie): âion, indirekamp;n, oneerlijke praktij k,zijdelingsche bedoeling; âness. Indiscernible, indizüniül, niet te onder-. scheiden. Indiscoverable, indiskuvordb'l, niet te ontdekken, onbegrijpelijk. Indiscreet, indiskrit, onverstandig, onoordeelkundig, dwaas; âness; Indiscretion, indis-kreè'n, onverstandigheid, onvoorzichtigheid. Indiscriminate,verward, zonder te onderscheiden; liidiscrimination, indis-krimineiamp;n, verwarring, verwardheid. Indispensable, indispensably onvermijdelijk; âness = Indispensability. Indispose, mrftó/joMr.ongunstigstemmen, ongeschikt of ongesteld maken; âd; Indisposition, indispdziè'n, afkeer(igheid), ongesteldheid; âdness. Indisputable, indispjutdb'l, onbetwistbaar; âness: Indisputed, indispjütid, onbetwist. Indissoluble, indisoljub'l. onoplosbaar, onverbreekbaar; lndisslt;»lvable, indizolvdb' l, onoplosbaar. Indistinct, indistit\kt, onduidelijk, verward; âness. Indistinguishable, indistivgwiëdb'l, niet te onderscheiden. Indite, indait, schrijven, opstellen; âr. Individual,tndivi£^wei,subst.ondeelbaar wezen, persoon, individu; adj. afzonderlijk; âism = individualiteit, eigenbelang, zelfzucht: âity, individ[/waiiti, eigenaardig karakter, zelfstandig bestaan: âize = onderscheiden, als een individu kenmerken; Individuate, individjueit, onderscheiden, afzonderlijk kenmerken. Indivisible, subst.en adj.ondeelbaar (iets); Indivisibility. Indo, indou (in samenstellingen): âBriton = iemand met een Engelschen vader en eene Hindoesche moeder; â-Chinese = behoorende tot het Z.O. schiereiland v. Azië; âEuropean |
man; «sk = Ask; farm = fiim; bitt = b«t; \earn = Iwn; line = lain: house â¢-=. hans; net; care = kca; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; loï'd = löd; \ioy = bói;
INFERENTIAL.
237
INDOCILE.
|
= Arisch, Indogermaansch: âGermanic = Arisch, Indogermaansch; âEnglish = met betrekking tot in Indië geboren of wonende Engelschen. Indocile, indottsiI of indosi /, onleerzaam; Indo-cility, inddsiliti, onhandelbaarheid. Indnctrinate, indoktnneit, onderwijzen, in een stelsel inleiden of er mede vertrouwd maken; Indoctrination. Indolence , inddVns, vadsigheid, traagheid; Indolent, vadsig, traag: Indolent tumour = pijnloos gezwel. Indomitiible. indomitably ontembaar. Indoor, indö, adj. binnen, huiselijk: âa,indöz, adv. binnenshuis, thuis. Indrauglit, indrdfU inham, baai. Indubitable, indjübitdb'l. Indubitate, indjü-bitit, ontwijfelbaar. Induce, indjüs. bewegen, nopen, veroorzaken, van eene inleiding voorzien; âment = aanleiding, beweegreden, drijfveer. Induct, indnkt, installeeren (into), in een (geestelijk) ambt bevestigen; âion,indnkamp;n, begin, installatie, bevestiging, inductie (electr.), inleiding, gevolgtrekking uit waargenomen feiten: âive = inleidend, door gevolgtrekking uit waargenomen feiten: âive method = redeneering van bijzondere gevallen tot al-gemeene regelen; âive science» = op waarneming gegronde wetenschappen (Zie Deductive). Indue, indjü, bekleeden, verschaffen. Indulge, indvldz, toegeven, zich overgeven, voeden, koesteren: She âh lier children too much = geeft te veel toe: He âs in indolence = hij geeft zich over aan vadsigheid: This writer â8 himselt' with a trifle ol' exaggeration = veroorlooft zich eenigszins te overdrijven; We âd ourselves with tickets lor the opera = permitteerden ons de weelde: ânee, âncy = toegevendheid, gunst, verdraagzaamheid,* aflaat. Indurate, indjureit. verharden, ongevoelig maken; Induration. Industrial, indnstridl, vlijtig, nijverheids...; â exhibition = nijverheidstentoonstelling; â school = school voor verwaarloosde kinderen; Industrious, indvstrids, vlijtig, nijver, arbeidzaam; Industry, tnttesfri, ijver,vlijt,nijverheid. Inebriate, intbriit. subst. en adj. dronken (mensch): â verb, (inibrieit), dronken maken; Inebriation = dronkenschap; Inebriety, im-braiiti, dronkenheid, dronkenschap. inedited, ineditid, onuitgegeven. InefTable. inefdVU onuitsprekelijk. Ineflaceable, inefeisdUl, onuitwischbaar. Inefieetive, inefektiv. InéfTectual, inefektjudl. vruchteloos, zonder uitwerking. Inefficacy, inefikdsi, Inefficiency, inefiè'nsi, nutteloosheid, krachteloosheid ; Inefficient, inp.fiamp;nt, krachteloos, onvoldoende. Inelegance, ineteg'ns, lompheid, onbevalligheid; Inelêgmit, ineldg'nt, lomp. onbevallig. Ineligible, inelidzibl, onverkieslijk, onverkiesbaar. Ineluctable, inilnktdb11, onvermijdbaar, onweerstaanbaar. Inept(itude), inept(itjnd). ongeschikt(heid). Inequality, inikwoliti. ongelijkheid, verschil, onbevoeg'dheid. |
Inequilateral, inikwilatdr'l, ongelijkzijdig. Inequity, inekwiti, onbillijkheid. Ineradicable, iniradikdb'L onuitroeibaar. Inert, innt, bewegingloos, log, traag; âness: âia, imïêd, volharding in denzelfden toestand: Vis âiae (innéi) = volhardingsvermogen. Inessential, indsenë'l. Zie UnessentiHl. Inestimable, inestimdUl, onschatbaar. Inevitable, inevitdVl, onvermijdelijk; âness. Inexact, inlt;iyzakt, onnauwkeurig. Inexcitable, indksattdb'L loom, lusteloos. 1 Inexcusable, indkskjüzob'l, onvergeeflijk. Inexhalable. inegzheildbl, onuitadembaar, onuitwasembaar. Inexhaustible, indgzhóstiVl, Inexhaustive, inogzhóstiv, onuitputtelijk. Inexorable, ineksorobl, onverbiddelijk; Inexorability. Inexpedience, -cy, iHc)/rspâ¬c/rns(i), ongeschiktheid, onraadzaamheid: Inexpedient, inakspi-dj'nt, onpreschikt, onraadzaam, onvoordeelig. Inexpensive, innkspensiv, goedkoop. Inexperience, indksptrfns, onervarenheid; âd i = onervaren. Inexpert, inokspvt, onbedreven. j Inexpiable, inekspidUl. onverzoenbaar. Inexplicable, inefespMtob'Z, onverklaarbaar; âs = broek. Inexpressible, inokspresiVl, onuitsprekelijk; âm = broek; Inexpressive, indkspresiv, zonder kracht van uitdrukking. Inexpugnable, indkspvgrwb'l. onverwinbaar, onneembaar. Inextinguishable, inDkstingwiëdb' l, on-bluschbaar. Inextricable, inekstrikdbl. niet ontwarbaar.on-Inez. ainiz. Agnes. [vermijdelijk; âness. Intallibilism. infalibUizm, het steunen der pauselijke onfeilbaarheid: Infallibility, infn.li-bi liti, onfeilbaarheid; Infallible, tnfalib'l, onfeilbaar, onweerlegbaar; Infallibleness, Infamy, infoyni, schande, laagheid; Infamous, infdmds, schandelijk, verfoeilijk. Infancy, inf nsi. kindsheid, minderjarigheid. Infant,' infnt. subst. kind, minderjarige; adj. klein, teeder, kinderlijk; âschool = bewaarschool; âa, infantd, âe. infanti, koninklijke prinses of prins, behalve de troonopvolgster of den troonopvolger (Spanje); âicidal, infan-tisaid'l. kindermoordend: âicide, infantisaid, kindermoord(enaar); âile, infntnxl, âine, infntdXn. kinderachtig, kinderlijk. Infantry, infntri, voetvolk. Infatuate, infatjuelt, dwaas maken; infatuation, infatjKeië'n, verdwaasdheid, dolheid. Infect, infekt, besmetten, bevlekken; âion, ! m/eAquot;sVi, besmetting, smetstof, verontreiniging; -ions, infeksds, besmettelijk, aanstekelijk, i In fecund, infek'nd, onvruchtbaar: â ity, / n-I foknnditi, onvruchtbaarheid. ; liifelicific, infelisifik, heilloos. Infelicitous, infdlisitds, ongunstig, rampspoedig; Infelicity, infdlisiti, ongeluk, ellende, rampspoed. Infer, ivffi, eene gevolgtrekking maken, een besluit, trekken; âable = afleidbaar; âence, infdr'ns. gevolgtrekking; âential. infdrenamp;l, afleidbaar = By âence: I could only gather it âentially = slechts uit het ge-1 hoorde opmaken. |
bone = boiin: full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: year = Jia; long = loi^; ship = sip: occasion â okeii'n; thin; thus = dlws: wine.
INFERIOR.
238
INHIBIT.
|
Interior, in fir id, subst. en adj. minder(e), lager(e), ondergeschikt(e): 1 am â to none in love of eonntry = ik doe voor niemand onder in vaderlandsliefde; âity, infirioriti, minderheid. Internal infvril. helsch, duivelsch,verfoeilijk; â niarliine = helsche machine (zooals eene dynamietbom,etc.):âMtone.Z.Lunar Caustic. InVerno, infvnou, de hel. Inlerrible, infvrib'l. Zie Inferable. Infect, infest, verontrusten, onveilig maken, kwellen; âer; âered, infested, vergiftigd, bedorven. / Infidel, in fid'l. subst. en adj. ongeloovig(e); âity, infideliti, ongeloof, twijfelzucht, ontrouw, verraad, bedrog. Intiltration, infiltreiê'n, insijpeling. Infinite, infinit, subst. oneindigheid, oneindige ruimte,onbepaalde hoeveelheid. Hoogste Wezen: adj. grenzenloos. oneindig; âsiinal, infinitesimal, subst. en adj*. oneindig klein(e hoeveelheid); Infinitive, infinitiv, subst. en adj. onbepaald(e wijs); Infliiitiide, infinitjud. Infinity, infiniti, oneindigheid. Infirin,* infüm, zwak, onzeker, weifelend; âarian, infvmêridn, ziekentrooster: âary = ziekenhuis; âity, infvmiti, zwakheid, ziekelijkheid; âne»». Infix, in fiks, inplanten, bevestigen, inprenten. Inflame,/n/Zetwj,doen ontvlammen, verbitteren, doen gloeien; Inflainmability, infldmob-iliti, ontvlambaarheid; Inflaniinable, in/lamab'l, ontvlambaar; Inflainination , infldmelsn, ontsteking (van eenig lichaamsdeel); Inflain-inatory, inflamdtdri, ontsteking veroorzakend, oproerig. Inflate, infleit, opblazen, uitzetten (door lucht of wind); Inflationist, infleièdnist, voorstander van de uitgifte van papieren geld (Amer.). Inflect, inflekt, buigen, krommen, verbuigen; âion. Inflexion, inflekê'n, (ver)buiging; âional = buigings...; Inflexible,in/ïeArs/ö7, onbuigzaam, vast van wil. Inflict, in/likt, opleggen (van boete of straf), doen gevoelen; âion^inflik'sn, opgelegde straf, last, bezoeking. Infloreseence. in flor es1 ns, bloei wij ze. Influence, in/Zttdns, subst. invloed', macht: He lias â at Court = invloed aan het Hof; These things have no â with ine = hebben geen vat of invloed op mij; He bragged ofâ over his mother = dat hij zijne moeder naar zijne hand kon zetten: â verb, invloed hebben op, nopen; Influential, influenamp;l, invloedrijk; Influenza, influenza, griep, zware verkoudheid (N.B. wat wij influenza noemen is in het Eng. Russian influenza). Influx, inflvks, instrooming, toevloed. Infold, infould, omsluiten, invouwen. Inform, inföm, onderrichten, mededeelen, vorm geven aan, bezielen: His book is âed with intense conviction = is bezield door, gloeit van innige overtuiging; âed with one spirit = van één geest bezield: He âed ine of it = hij berichtte het mij; He âed against me = diende eene aanklacht in: âal = familjaar, ongeregeld; âality, infömaliti, I onregelmatigheid: âant, infötrint, aanbrenger, inlichtingen-gever; âation = kennis, bericht, j inlichting(en), kennisgeving, geschreven beëe- | digde aanklacht; â er = aanklager: Coniinon âer = iemand, die voortdurend overtredingen aanbrengt met het oog op vervolging bij de wet. |
Infraction, infraké'n, schending, inbreuk. Iiifi'e(|uence,-cy, infrikw'nsii), zeldzaamheid; Infrequent, infrikiv'nt. zeldzaam. Infringe, infrinz, inbreuk maken op, schenden, overtreden. Infuriate, infjürüt, adj. woedend, razend: â verb, (infjürieit), woedend of razend maken. Infuse, infjüz, inprenten, verspreiden, doordringen; âr; Infusible, infjüzib'l. onsmelt-baar, wat ingeprent kan worden; Infusion, infjüz'n, inprenting, indooping, ingeving. Infusoria, infjiisórid, infusiediertjes: ân = infusiediertje; âI = tot de infusoria behoo-rend of die bevattende. Ingate, inheit, ingang, opening (van een vorm) waarin het gesmolten metaal gegoten wordt. Ingathering, ingadlwrin,, inzameling, oogst. Iiigenious, indzinids, vernuftig, talentvol, vindingrijk; Ingenuity, indzanjüiti, vindingrijkheid, vernuft, talent, bekwaamheid. Ingenue, ai\znü, subst. en adj. naïef (karakter of meisje). Ingenuous, indzenjues, oprecht, openhartig, ongekunsteld. Ingesta, indzestd, voedsel. Ingle. ing'l, vuur. haard. Inglorious, inglórids, roemloos, onbekend, schandelijk. Ingluvial, inglüuidl, tot den krop of de maag béhoorende; Ingluvies, inglüv'nz, krop, maag (van herkauwers). Ingoing, ingo\xir\, subst. ingang, UUJ- binnengaand, een ambt aanvaardend. Ingot, ingot, baar of staaf (goud, ter er, staal). Ingraft,ingrüft, enten; âer = en ö ; âinent. Ingrain, ingrein, adj. in de wol everfd; â verb, in de wol verven, doordringen, verzadigen; â(-carpet) = in de wol geverfd vloerkleed. Ingraniniaticisiii, ingromatisizm, taalkundige onjuistheid. Ingratefiil, ingreitf'l, ondankbaar; Ingratiate, ingreiéeit, (zich) in de gunst brengen bij (with), steeds rellexief; Ingratitude, ingra-titjud, ondankbaarheid. Ingredient, ingridfnt, bestanddeel. Ingress, ingrds, toegang. Ingnlf, ingnlf, (als in een afgrond) verzwelgen. Inhabit, inhabit, wonen, bewonen; âable = bewoonbaar; âance = woonplaats, domicilie; âant = inwoner, bewoner; âation = bewoning. Inhale, inheil, inademen (ook van iets anders dan lucht); â r = respirateur, inhaleertoestel. Inharmonic(al), inhcimonikCl), Inliarmo-nioiis, inhamounjds, onwelluidend. Inhaul(er), inliól(9), schoot, touw. Inhere, inhid, aangeboren zijn, als eigenschap bezitten; ânee, -ncy, inhtr'ns(i), onafscheidelijkheid, natuurlijke of aangeboren eigenschap; âut = aanklevend, onafscheidelijk, ingeboren. Inherit, inherit, erven; âable = erfbaar; âance = erfenis, erflating; âor = erfgenaam, erve. Inhibit, inhibit, verbieden, beletten: âion. |
man; ask = ask; farm = f?im; bwt = b«t; learn = lèn; line = lain: hemse = haus; net; care = kèa; fate = feit: tin; asleep = aslip; not; law = lè: lord = löd; hoy = bói;
INHOSPITABLE.
INROAD.
239
|
inhibiè'n, verbod, weigering van rechtsingang, ontzetting van een priester uit zijn ambt. lnlioHpitiible, onherbergzaam, on gastvrij. luliumaii, inhjüm'n, onmenschelijk, wreed: Au â liiinger = verschrikkelijke honger; He was murdered âly = wreedaardiglijk vermoord; âity, inhjumaniti, wreedheid. liiliiiine, inhjüm, begraven; liiliiiinatioii, m-hjumeiamp;n, begraving. Iiiiinical, inimik'U vijandelijk. Inimitable, inimiteVl, onnavolgbaar; âness = Inimi lability. Iniquity, inikwiti, ongerechtigheid, onrechtvaardigheid, misdaad; Iniquitous, inikwitds. zondig, onrechtvaardig. Initial, iniè'l, subst. beginletter, vóórletter; adj. beginnend, eerste, voorste; â verb, met zijn initialen teekenen, parafeeren: Initiate, mt-sit, adj. en subst. ingewijd(e); â verb, (miself) inleiden, in de eerste beginselen onderrichten, inwijden; Initiative, iniëdtiv, subst. eerste stap, begin, rol van aanvaller, initiatief (vooral bij wetgeving); adj. inleidend, inwijdend, beginnend; Initiatur, iniseitd, inleider, beginner; Initiatory = inleidend. Inject, indzekt, inspuiten, inbrengen; âion: âor = inspuiter, toestel om den stoomketel van eene stoommachine van water te voorzien. Injelly, indzeli, in gelei leggen of inmaken. Injudieious, indzüdiëas, onoordeelkundig, onverstandig: âness. ln|unetion, indzntiks n, opdracht, bevel. Injure, inza, benadeelen, lasteren, aantasten, verongelijken; âr; Injurious, indzürids, na-deelig, schadelijk; Injury, intdri, nadeel, onrecht, verlies, schade, beleediging: He is detained by an injury to his leg = hij wordt opgehouden*door eêne wond aan zijn been. Injustice, indznstis, onreeht(vaardigheid). luk, ir\k, subst. inkt: âb»K = inktzak (bij visschen); âblurred = met inkt bevuild'; âbottle, âholder = inktllesch: âlish = inktvisch; âlines = gelinieerd blad: â slinger = redacteur of correspondent van eene courant (Amer.); âstand = inktkoker; âstone = inktsteen; â verb, zwart maken, met inkt besmeren; â iness = inktachtigheid, zwartheid; âing = het zwart maken; ây = inktachtig, zwart; âyburn = de Hel: I wished him at âyburn '= ik wou, dat hij op de Mookerhei z'at. Inkle, inftU breed lint, soort sajet. Inkling, ir^klii], wenk, kennisgeving: He has an â of ii = hij weet er van. Inknit, in-nit, inbreien, vastmaken. inknot, in-not, met een knoop vastmaken. Inland, inVnd, binnenlandsch: ârevenue = binnenlandsche rechten; âtown = landstad. Inlay, inlei, subst. mozaïek; â verb.inleggen, met mozaïek versieren. Inlet, inldU ingang, baai, inham. Inly, inli, innerlijk: Man's conscience is an âwritten law = innerlijke, in zijn binnenste geschreven. Inmate, inmeit, medebewoner, huisgenoot. Inmost, inmoust, binnenste, geheimste. |
Inn, in, subst. herberg, college van rechtsgeleerden en studenten: âs of Chancery = colleges voor studenten in de rechten (in vroeger tijd); âs of Court = vier corporaties van rechtsgeleerden in Londen, waartoe alle (pleitende) advokaten en a.s. advokaten moeten behooren; de gebouwen, tian deze corporaties behoorende; â verb, huisvesten, ontvangen: âkeeper = herbergier. Innate, in-nelt;7, in- of aangeboren; â ideas = aangeboren begrippen. Inner, ind, meer naar binnen gelegen, innerlijk, ; binnen...: The â man = inwendigemensch, maag; The â office = kantoor van den chef; He has struck the â = hij heeft in de roos (behalve de âwittequot;) geschoten; That's an â = dat is een mooi schot; âmost = binnenste. Innervation, indveiamp;n, zenuwwerking. Inning, inh\^ oogst, het binnenhalen daarvan; âs = aangeslibd land. beurt om te spelen (bij het cricket), gelegenheid. Innocence, inds'ns, onschuld, oprechtheid, on-noozelheid: Massacre of the Innocents = Innocents'' Day = 28 December (Zie Matth. II, 16); liinocc'nt = onschuldig; Innocentius. Innocuous, in-nokjios, onschadelijk âness. Iimoniinate, in-nominit, naamloos: â hone = schaambeen. â¢Innovate, indveit, nieuwigheden invoeren, veranderingen aanbrengen; Innovative, indreitiv, door nieuwigheden gekenmerkt. Innoxious, in-nokë(i)9S% onschadelijk; âness. Innuendo, injuendou, wenk, (hatelijke) toespeling. Iimumerable, in-njümardb'l, ontelbaar, talloos. Innutritions, injutrièds, niet voedzaam. Inobservant, indbziiv'nt, achteloos. Inociilar, inokjuld, in den hoek van het oog geplaatst. Inoculate, inokjuleit, enten, inenten. Inoffensive, inafensiv, onschadelijk, argeloos; âness. Inoperative, inopardtiv, zonder uitwerking. Inopportune, inopdtjün, ongelegen, ontijdig. Inordiiiacy, inödinasU ongeregeldheid, buitensporigheid'; Inordinate, inödinit. ongeregeld, buitensporig. liiorganic(algt;. inöganik^l). onbewerktuigd. Inosculate, inoskjuleit, samenvoegen (b.v. twee llesschen, door eene gemeenschappelijke buis, etc.). Inpatient, inpeis nt, verpleegde (in een hospitaal, etc.). Inquest, inkwest, onderzoek: Coroner's â = gerechtelijke lijkschouwing. Inquietude, inkwaiitjüd, ongerustheid. Inquire, inkwaid, vragen, onderzoeken: â after him = informeer naar; â within == infor-matiën hier te verkrijgen; He â d into the matter = hij onderzocht de zaak: â ndo» inkwairendou, volmacht tot onderzoek (namens de regeering): De lunatico ândo = bevel tot onderzoeking van iemands geestestoestand; Inquiry, inkwairi,vraag, onderzoek, naspeuring; Inquisition, inkwizi£n, onderzoek, inquisitie, gerechtelijk onderzoek: Inquisitive, inkwizitiv, subst. en adj. onderzoekend, I nieuwsgierig (mensch); Inquisitorial, inkwizi-tóridl, streng onderzoekend, tot de inquisitie behoorende; Inquisitor. Inregistcr, inredzista, op de lijst of in een ! register schrijven. Inroad, inroud, vijandelijke inval, inbreuk. |
bone = boun; full; fool = ful; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; «/ear = Jia; lom/ = loij; s/iip = sip: occasion = okeii'n: thin: th\is â dims; wine.
INSALI VATTON.
240
INSTRUMENT.
|
Insalivation, insaliveiè'n, vermenging van speeksel met het voedsel. InsaliibrioiiH. insdljübrids, ongezond; Insalubrity, insdljnbriti, ongezondheid. IiiHane, insein, krankzinnig (makend); ânesH: Insanitary, insanitdri, nadeelig voor de gezondheid; IiiHiinity, insaniti, waanzin. Insatiable, inseièdb'l, Insatiate, inseisit, onverzadel ijk. Insatisfaction, insatisfakè'n, onvoldaanheid. Inscribe, inskraib, opschrijven, graveeren, opdragen. toewijden, indruk maken; âr; In-scrip tih le = 'wat opgeschreven kan worden; Inscription = opschrift, opdracht, onderschrift (bij eene plaat of illustratie); Inscriptive = van een opschrift voorzien. Inscrutable, ittsArilfób'/,onnaspeurlijk:âness; Inscrutability. Insect, insdkt, subst. insekt: adj. als van een insekt, klein, verachtelijk; âicide, insektisaid, praepnraat om insecten te dooden: â ivora, insdklivdra, de orde der insectenetende zoogdieren: âivorous, insoktivdrds, insectenetend. Insecure, insokjüd, onveilig; Insecurity, in-sdkjüriti. onveiligheid, gevaar. Insensate, insensit, onmerkbaar, onzinnig. Insensible, insensib'l, ongevoelig, bewusteloos, onverstandig, zorgeloos: â of pain. â to shame; Insensibility. Inseiisient, insenamp;nt, ongevoelig. Inseparable, insepdrzbl, onscheidbaar, onafscheidelijk: âs = dingen, die niet te scheiden zijn: personen, die steeds samen zijn; âness. Insert, insiït, opnemen (in eene courant), invoegen; âion, insvamp;n, plaatsing of opneming (in eene courant), inlassching, tusschenzetsel (bij dameshandwerken of Japonnen). Inslieatlie, insidh, in de scheede steken. Inshore, inSö, nabij of aan de kust. Inside, insaid, subst. binnenkant, ingewand, passagier binnenin; adj.binnen, innerlijk: (adv. insaid: There were three inside): â out = binnenste buiten: â callipers = kromme passer. Insidious, rnsidjds, verraderlijk, sluw, arglistig; âness. Insight, Insait, inzicht, begrip. Insignia, insignid, onderscheidingsteekenen. Insigniflcance, -cy, insignifik'ns^i), onbeteeke-nendheid; Insignificant. Insincere, insinsid, onoprecht, huichelachtig; Insincerity, onoprechtheid, valsch- heid. Insinuate, insinjueit, zich opdringen, plaatsen tusschen (ainong), zich indringen in (de gunst), te kennen geven, kronkelen; Insinuating, insinjueitin, innemend, inpakkend, vleierig. Insipid, insipid, laf, smakeloos, lusteloos; âity, insipiditi, smakeloosheid, lafheid, lusteloosheid, lusipient, insipfnt, subst. en adj. dwaas of dom (mensch). Insist, insist, aandringen, staan op. Insnare, insnêo, verstrikken, verleiden; âr. Insobriety, insoubraiiti, onmatigheid. Insociability, insouëdbiliti, ongezelligheid. Insolence, 'insdVns, onbeschaamdheid; In-solent. Insoluble, insoljub'l, onoplosbaar, onverklaarbaar. Insolvency, insolv'nsi, staat van onvermogen; |
Insolvent, insolvent, subst. en adj. onver-mogend(e). Insumnia, insomnia, slapeloosheid; Insoin-nious, insomnias, slapeloos. Iiisomiich, insomnnts, voorzooverre, zóó dat. Inspan, inspan, aanspannen (Transvaal). Inspect, inspekt, officieel nagaan, het opzicht houden over; âion, inspekè'n, nauwkeurig onderzoek, opzicht; âor = inspecteur; âor-ship = opzienerschap, inspectie(-district). Inspiration, inspireis'n, inademing, ingeving, genie, inspiratie; âist = iemand die gelooft dat ieder woord van den Bijbel door den H. Geest is ingegeven; Inspiratory, inspairatori, ingevend; Inspire, inspaia, inademen, ingeven, inboezemen, bezielen; Inspired. Inspirit, inspirit, bezielen, geest en leven mede-deelen, opwekken, moed geven. Inspissate, inspisit, adj. verdikt: â verb.(m-spiseit) verdikken. Instability, instabiliti, onbestendigheid. Iiistal(lgt;, 'instól, met een ambt bekleeden, in-stalleeren; âinent = bevestiging, installatie, afdoening, termijn, gedeelte: They bought a piano on the âinent plan == met afbetaling op termijnen; The article will be inserted in â ments = zal bij gedeelten opgenomen worden. Instance, insVns, subst. aandrang, verzoek, geval, voorbeeld: It was a kind thought in the first â = als begin; He resigned at the â of popular clamour = hij trad af op den krachtigen aandrang der volksstem: For â = bijvoorbeeld; â verb, een voorbeeld aanhalen of geven; Instant, insVnt, subst. oogenblik, deze maand: The ilfth iiist(ant) = de 5e dezer; This instant, on the instant = dadelijk; adj. en adv. dringend, onmiddeHijk. tegenwoordig: Instantaneous, insfnteinjds. oogenblikkelijk, in een oogenblik; Instanter. instanta, dadelijk, onmiddellijk; Instantly = dadelijk. Instate, insteit, aanstellen, plaatsen. Instaurator, instóreita, hervormer. Instead of', instedov, in plaats van. Instep, instep, wreef (van den voet). Instigate, instigeit, aansporen, aanzetten, ophitsen; Instigation', Instigator, instigeitd, aanzetter, ophitser. Instil, instil, indruppelen, langzamerhand inprenten: â lation. Instimulation, instimjuleiamp;n, aansporing. Instinct, instii\kt, subst. natuurdrift; adj. bezield: â with life: âive, instir\ktiv, door natuurdrift, spontaan. Institute, institjüt, subst. instelling, wet, genootschap(sgebouw), (wets)instituut; â verb, instellen, stichten, vaststellen, beginnen, aanstellen; Institution, institjüs'n, instelling, aanstelling, wet, stichting, genootschap(sge-bouw); Institutional = instellend, vastgesteld, elementair (van kennis); liistitutor,insfi^'üfó, insteller, oprichter, onderwijzer. Instruct, instmkt, onderwijzen, leeren, last geven: He was âed out = hij werd op hooger last uit zijn ambt ontslagen (Amer.): âion = onderwijs, bevel, last; âive = onderwijzend, leerzaam; âor = onderwijzer, leeraar. Instrument, instrument, werktuig, bewerker, gereedschap, speeltuig, gerechtelijke acte; âal. |
man; ask = ask; form = tam: b«t = but; learn = Iwn: line = lain: howse = haus: net: c.are = kèa; fote = feit: tin; asleep = aslip: not: \aw = 16; lord = Hid; hoy = bèi:
INSUBORDINATE.
241
INTERCOURSE.
|
instrumenVl, werktuigelijk, instrumentaal, dienstbaar, strekkende tot: That will beâal to your welfare = dat zal tot uw welzijn strekken; âality = werking, middel; âary, instrumentdri = âal; âation = arrangement (van een muziekstuk voor orkest), het bespelen van een instrument; â0011, instryi-irintün, kwispedoor (Amer.). liiMubardinate, insdbödinit, weerspannig, oproerig, zich verzettend tegen tucht; Insubordination. Insufierable, insnfdrdUl, onverdragelijk, verfoeilijk. Insui'ficienry, insdfië'nsi^ ongenoegzaamheid, onbekwaamheid; Insufficient. liiHiif'llation, insdfleiamp;n, inblazing, opblazing. Insular, insiulo, als of van een eiland, enz., bekrompen; âity, insiulariti, eilandligging, bekrompenheid. Insulate, insiuleit, afzonderen, isoleeren (in natuurk. zin); The insulation ol'overhead wires = het isoleeren van de over de huizen loopende telefoondraden (Verg. Isolate). Insulator, insiuleitd, isolator. insult, insdlt, beleediging, hoon. insult, insnlt, beleedigen. honen: âer. insuperable, insiüpdrab'l, onoverkomelijk; âuess. Insupportable, insdpöteb'l, on(ver)dragelijk; âness. insuppressible, insdpresibquot;l, niet te onderdrukken. Insurance, inëür'ns, verzekering (in 't algemeen: op het leven gewoonlijk assurance), assurantie: â company = verzekeringmaatschappij; â broker = assuradeur; â inoney = verzekeringspremie; âollice = assurantiekantoor: âpolicy = assurantiepolis; injure, inèüd, verzekeren: I insured my voyage out and home = ik heb mij voor de heen-en terugreis verzekerd; Insurable = verzekerbaar. Insiirgence, -cy, insvdfnsti), opstand; Insurgent, insudz'nt, subst. en adj. oproermaker, oproerig. Iiisurinoiintable, insemauntdb'l, onoverkomelijk; âness. Insurrection, insnrekamp;n, opstand, muiterij: They rose (were roused) in â against their lawful prince = zij kwamen in (werden gebracht tot) opstand tegen hun wettigen vorst; âal; âary. Insusceptible, insoseptiVl, onvatbaar (voor indrukken); Insusceptibility. Intact, intakt, onaangeroerd, ongeschonden. Intaglio, in tal jou, subst. gegraveerde edelsteen: adj. gegraveerd. Intake, inteik, inham, vernauwing (in eene buis). Intangible, intanziVU onvoelbaar,ontastbaar; Intangibility. integer, intddzd. het geheel, geheel getal; integral, intogr'l, subst. geheel getal; adj. geheel, volledig, ongeschonden, samenstellend: integrant, integrant, deel van een geheel vormend: Integrant parts = samenstellende deelen; Integrate, intdgreXt, het geheel aanwijzen, de integraal vinden van; Integration. Integrity, integriti, oprechtheid, braafheid, onverdorvenheid, volledigheid. |
integiiment, integjuirint, vlies, vel, huid, kleeding, bedekking; âary, integjumentdri. intellect, intolekt, verstandelijk vermogen: â« = verstand, zinnen, de verstandelijke wezens collectief; â Ive, intdlektiv, verstandelijk; âual, intdlektjudl, in hooge mate met verstand begaafd, verstands...: âual powers = verstandelijke vermogens; âualism, in-tdlektjudlizm, de leer dat alle kennis van de zuivere rede komt, rede-overschatting; âuality = verstandelijk vermogen. intelligence, intelidz'ns, verseind, oordeel, begrip, verkregen kennis, vlugheid van begrip; bericht, nieuws: To give â = inlichtingen verschaffen; âdepartment = informatiedepartement: âoffice = informatiebureau, adreskantoor (Amer.); Intelligent, intelidz'nt. verstandig, vlug van geest, mededeelzaam; Intelligible = begrijpelijk, duidelijk, intemperance, intempor'ns, onmatigheid, overdaad; intemperate, intempdrit^ onmatig, te buiten gaande, guur, ruw. Intend, intend, zich voornemen, van plan zijn, bedoelen, bestemmen: lie is âed lor tbc I church = hij moet predikant worden; 1 â to leave at four; She is âed to marry him = zij is voor hem bestemd; âed == subst. enadj. verloofd(e); âment = bedoeling, oogmerk. Intensate, intenseit, versterken; Intensative, intensdtiv, versterkend; Intense, intens, krachtig, ingespannen, hevig, geweldig, bovenmate : Intensify, intensifai, krachtiger maken: intension, intens'n, spanning: Intensity, intensity kracht,hevigheid: Intensive, mtegt;?siv, ! subst. en adj. versterkend (woord). Intent, intent, subst. plan, voornemen, bedoeling: lie is the right man to all âs and purposes = in alle opzichten, inderdaad: To the â that = opdat: adj. ijverig: lie is â on his work = ijverig bij zijn werk: âion = voornemen, doel. bedoeling^ einde: By the first âion = snel; â ional = met een bepaald oogmerk: A wellâioned man = met goede bedoelingen. Inter, intft, begraven (met alle plechtigheid; anders: Bury); âment = teraardebestelling. Inter, intd, in samenstellingen: tusschen, in: â alia (intdreiljo) = o. a. interact, intorakt, subst. tusschenbedrijf, tus-schenwerk; â verb, wederzijds werken op. interarticular, intdratikjuld, tusschen twee | gewrichten. interbreed, intdbHd, rassen van dieren onder-1 ling kruisen. Intercalate, intnkoleit, inlasschen (van een dag, b.v.). Intercede, intosid, tusschenbeide komen, pleiten, voorspreken. Intercept, infósepf,onderscheppen,tegenhouden. Intercession, intdseamp;n, tusschenkomst, be-; middeling; âal; Intercessor, intdsesd, mid-I delaar, tusschenpersoon. interchange, intdtseinz, subst. ruil, afwisseling; â verb, wisselen, ruilen; âable; âability. Intercolonial, intdkdlounfI, interkoloniaal, ; tusschen de koloniën onderling, intercommunion, intdkdmjünfn, onderlinge gemeenschap. intercourse, intdkös, omgang, gesprek. |
bone = boun; full; fool = fnl; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; year = jia long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dims; wine.
16
ten bruggencate. Eng. Woordenboek.
INTERCROSS.
242
INTERRUPT.
|
Intercross, intakrós, onderling kruisen. Intercurrent, intekor'nt, tusschenkomend, ongeregeld. Intércutaneous, intekjuteinjas, onderhuidsch. Interdependence, intadipend'ns, onderlinge afhankelijkheid. Interdict, intddikU verbod, schorsing. Interdict, verbieden,schorsen; âion. Interest, intardst, belangstelling, belang, voordeel, invloed, aandeel, intrest: I take an â in you = stel belang in u; I disposed of a tl'iird â in the lactorv = ik verkocht een derde aandeel in de fabriek; He lias little or no â = weinig of geen invloed; Most oi* them lost on â account, and closed mills = de meesten hunner konden hun interest niet goedmaken, en sloten de fabrieken; Compound, simple â = samengestelde, eenvoudige interest; Put out at â = op interest gezet; I am really very much âed in your fate = ik 'stel werkelijk'veel belang in uw lot: He is âed in the matter = hij heel t belang bij de zaak; That Is very âing = zeer belangwekkend, interessant. Interest, interest, belang inboezemen, treffen, aandoen: He âed himself for me = hij stelde belang in mij, trok zich mijner aan: âed marriages (marriagesofâ) = waarbij andere belangen in het spel zijn dan de liefde. Interfere, intofid, tusschenbeide komen, bena-deelen, botsen, aanslaan of strijken (van paarden): Don't â with me = bemoei u niet met mij; If it does not â with your plan = als het uw plan niet verstoort; ânee, intó/tr'ns, bemiddeling, bemoeiing, botsing; âr. Interim, interim, subst. tusschentijd; adj. tijdelijk = In the â = voorloopig. Interior, intirid, subst.binnenste, binnenland: adj. binnenlandsch, inwendig: Department of the â = Departement van binnenlandsch bestuur (Amer.); â angle = binnenhoek. Interjacence, intedzeiamp;ns, tusschenligging. Interjection, intedzekë'n, tusschenwerpsel: âal remarks = tusschenin gemaakte aanmerkingen. interlace, inteleis, tusschenvlechten, doorheen vlechten; âd arches = elkander kruisende of snijdende bogen. Interlamiiiated, intelamineitid,iusschen twee platen of vlakken gelegen. Interlard, intelad, doorspekken, vermengen. Interleave, intdltv, doorschieten met wit papier. Interline, intelain, tusschen (de regels) schrijven; âar, ân\,intdlinjd{l), tusschen de regels; âation, inteHnieiè'n, plaatsing tusschen de regels, doorhaling en vervanging van woorden in eene acte. Interlocation,mfcgt;Zo?//i:eamp;rn,tusschenplaatsing. Interlock, intelok, samensluiten, ineenvloeien. Interlocutor, intelokjutd, deelnemer aan een gesprek; â y = uit eene samenspraak bestaande, voorloopig. Interloper, inteloupd, indringer, beunhaas. Interlude, int dij üd, tusschenspel, âentre-actequot;. Interlunar, inteljiine, van den tijd, dat de maan onzichtbaar is. Intermarry, intemari, onder elkander huwen; j Intermarriage, intemaridz, wederzijdsch huwelijk (tusschen families of stammen). Intermaxillary, intemaksildri, tusschen de i |
kaakbeenderen: â bone = tusschenkaaksbeen. Intermeddle, interned'l, zich (ongepast) bemoeien met; âr = bemoeial. Intermediary, intemidjeri, subst. agent, tus-schenpersoon; adj. tusschen(komend); Inter-mediate, intemidjit, tusschen(kornend of liggend); Intermediate person = tusschen-persoon; Intermediate education. Intermediate schools = middelbaar onderwijs, hoogere burgerscholen. Interminable, intömindamp;l, oneindig, vervelend, gerekt: âness. Intermingle, intemir^g'l, onderling vermengen. Intermission, intemié'n, tusschenpoos, tijdelijke afbreking. Intermit, intemit. tijdelijk afbreken, ophouden, verpoozen: âtent fever = afwisselend heete en koude koorts = âting fever. Intermix, intemiks, onder elkander mengen; âture = mengsel, dooreenmenging. Intermural, intemjür'l, tusschen de muren. Intermuscular, intemuskjaid, tusschen de spieren. Intern, intnn, in het binnenland zenden of opsluiten; â«I = innerlijk, inwendig. International, intenaêdril, subst. .,de Internationalequot; (vereeniging, in 1864 gesticht); adj. internationaal, tot de natiën onderling behoo-rende: â law = volkenrecht; âiwt, subst. lid van de âInternationalequot;; adj. tot de âI.quot; be-hoorende. Internecine, -cive, intenisain, -slv, doodelijk, onderling vernietigend. Internode, intenond, ruimte tusschen twee knoopen: Internodal, intenoud'l, tusschen twee knoopen of geledingen. Iiiternunciiis, intenvnëds, pauselijk gezant. Interoceanic, interouëanik, tusschen twee oceanen. Interocular, interokjuld, tusschen de oogen. Interosseal. interosidl, tusschen beenderen gelegen = Interosseous. Interpellate, intepeleit, vragen,interpelleeren; Interpellant, intepefnt, subst. en adj. in de rede vallend, interpelleerend (persoon). Interplead, intepltd, een bijkomend iets bepleiten. Interpolate, intvpdleit, inschuiven (van een onecht woord, b.v.), tusschenvoegen: Interpolator', Interpolation. Interpose, intepoiiz, tusschenplaatsen, (zich) opdringen, in de rede vallen, tusschen beide komen, in 't voorbijgaan opmerken: They did^nt â in her management, or interfere in the choice of servants = zij bemoeiden zich niet met haar bestuur of de keuze dei-dienstboden; Interposition, intepaziSn, tus-schenkomst, bemiddeling: âr. Interpret, intnprdt, verklaren, vertalen, vertolken; âer = tolk, uitlegger; âation, inte-prateiamp;n, vertolking, verklaring. Interregnum, intdregn'm, tusschenregeering. Interrogate, interdgeit, (onder)vrageM; Interrogation; Interrogative, interogativ, subst. en adj. vragend (voornaamwoord); Interro-gator, interdgeite, (onder)vrager; Interrogatory, interogdteri, subst. onderzoek; adj. vragend. Interrupt, interopt, in de rede vallen, afbreken, storen; âer; âion. |
man; ask = Ask; farm = film; biet = b«t; learn = Iwn; line = lain; house = bans; net; care = kca; fate = feit; tin; asleep â aslip; not; \aw = 16; lord = Hid; hoy = boi;
INTUSSUSCEPTION.
243
INTERSCAPULAR.
|
Interscapular, intdskapju fó, tusschen de schouderbladen. liiterHec.t, intdsekt, (door)snijden, (door)kruisen. Interspace, intdspois, tusschenruimte. Intersperse, intdspfis, overal verspreiden, (rond)strooien. Interstellar(y),mtosïete(rO,tusschen desterren. Interstice, intvstis, tusschenruimte; Interstitial, intdslisl, met tusschenruimten. Intertie, intdtai, verbindingsbalk. Intertropical, intdtropik'I, tusschen de tropen of keerkringen. Intertwine, intdtwain, subst. ineenstrengeling: â verb, dooreenvlechten. Interval, intev'l, tusschenruimte (-tijd), pauze, vlakke grond tusschen heuvels (ook intervale gespeld; Amer.): At â s = van tijd tot tijd. Inter veined, inteveind, met aderen doorsneden. Intervene, intdvin, liggen tusschen, tusschen-beide komen, storen; Intervention, mfavens'n, tusschenkomst, bemiddeling. Intervertebral, intdvótdbr'l, tusschen de wervels. Interview, intóiyü, subst. samenkomst, gesprek, formeel bezoek van een dagbladcorrespondent aan een bekend persoon om hem op onderscheidene punten te hoeren; â verb, formeel bezoeken om ingelicht te worden; âer. Intervisible, intavizib'l, onderling zichtbaar. Interweave, intawiv, dooréénweven. Intestate, intestit, siibst. en adj. zonder testament (overledene); Intestacy, infestós/,afwezigheid van een testament. Intestine, intestin, inwendig, binnenlandsch; â war = burgeroorlog: âs = darmen, ingewanden: Intestinal, intestiril, tot de ingewanden behoorende. Inthral. inthról, tot slavernij brengen,insluiten. Intimacy, intimdsi, gemeenzaamheid, vertrouwelijkheid; Intimate, in timit, adj. gemeenzaam, vertrouwelijk, volmaakt; â \erh.(inti-meit) vertrouwelijk mededeelen, te kennen geven; Intimation, intimeiamp;n. kennisgeving, wenk. Intimidate, intimideit, vrees aanjagen, ontmoedigen. beangst maken; Intimidation: Intimidatory, intimideitdri, vrees aanjagend. Intituled, intitjüld, getiteld. Into, intu, in (drukt ,.richtingquot; uit): I^et me look â it = laat mij het eens onderzoeken, inzien; I got this âthe bargain = dit kreeg ik op den koop toe; He reaHoned them â courage = hij vervulde hem door redeneering met moed; He was laughed â good hii-moiir again = door lachen werd zijn goed humeur hersteld: Yon are sitting wel! â the lire = je zit haast bovenop het vuur; This rooms looks â (on) the garden = deze kamer ziet op den tuin uit. Intolerable, intoldrdb'l, onduldbaar, onverdra-gelijk; âness. Intolerance, intoldr'ns, Intoleration, intolo-reis'n, onverdraagzaamheid ; Intolerant, into-ter'nt, subst. en adj. onverdraagzaam, bekrompen (mensch). Intone, intoun, aanheffen, eentonig zingen: Intonation, intouneiè'n. aanhef, juistheid van hoogte (bij een toon), toongeving. Intoxicate, intoksikeit, dronken maken, opwinden, dol maken: Intoxicating liquors = bedwelmende dranken; Intoxicant, |
dronken makend. Intractable, intraktdb'l, onhandelbaar, weerspannig; Intractability â âness. Intrados, intreidos, binnenvlak van een gewelf : (tegenover Extrados). i Intrainiiral, intremjü.r'l, binnen de muren. Intranquillity, intr'nkiviiiti, ongerustheid. ; Intransitive, onovergankelijk. Intransmissible, intrdnsmisiUl, wat niet overgedragen kan worden. Intrench, intrené, met loopgraven omringen, verschansen; âment = verschansing. Intrepid, intrepid, onverschrokken; âity, in-trdpiditi, onversaagdheid. Intricacy, intrikdsi, ingewikkeldheid, neteligheid; Intricate, intrikit, ingewikkeld, netelig, duister. Intrigante, intrigdnt, intrigante. Intrigue, int rig, subst. kuiperij, geheime (ongeoorloofde) liefde; â verb, heimelijke aanslagen smeden, kuipen: He is an âr, au intriguing lellow = een kuiper ofintrigant. Intrinsic(al), mïri/is//c(7), innerlijk, eigen, echt. Introcession, intrdses n, verzwakking, drukking binnenwaarts. Introduce, intr.idjns, inleiden, invoeren, inlas-schen, bekend maken, voorstellen; Intn»-duction. intrddvkamp;n, inleiding, inlassching, invoering,bekendmaking: lietter ol'introduction = aanbevelingsbrief: He made some introductory (intiodiictive) remarks = hij maakte eenige inleidende opmerkingen. Introit(us), intro uit, introuitos, woorden gezongen of opgezegd, terwijl de priester het altaar beklimt en naar de avondmaalstafel gaat. Introinit, intromit, toelaten, binnenlaten: Intromission, intrdmiè'n, invoeging, toelating. Introspection, introspekamp;n, zelfonderzoek, blik naar binnen; Introspecti ve, intrdspektiv, den blik naar binnen slaande. Introvert, intraviït, naar binnen wenden: An -cd nature = eenzelvige aard. Intrude, intrüd, zich indringen, lastig vallen, zich opdringen: I liope I do not â = ik hoop, dat ik niet ongelegen kom: He âd himseir upon the minister = hij drong zich op aan den minister (Hier ook dikwijls obtrude); Intriision, intrüz'n, indringing, het lastig vallen, onrechtmatige bezitneming van onbeheerd goed; Intrusive, intrüsiv, opdringend, ongenood, onwelkom. Intrust, intrnst, toevertrouwen: He âed me with his secret. He âed his secret tome = hij vertrouwde mij zijn geheim toe. Intue, intjü, bij intuitie zien of begrijpen. Intuition, intjuiè'n, aanschouwing, doel, innerlijke gewaarwording, niet op waargenomen feiten berustend (tegenover de empirie) : There is tar more allinity in this historian to the empirical than* to the âal school = deze geschiedschrijver toont meer verwantschap met hen die op feiten, dan met hen, die op innerlijke gewaarwording hunne inzichten bouwen; Intuitive, intjiiitiv, aanschouwend, innerlijk beseffend. Intiiniesce, intjiunes, opzwellen, uitzetten (door hitte); ânee = opzwelling, gezwollen massa, opwinding. Intussusception, intdsvsepë'n, opneming en |
bone = boun; full; fooi = ful; d = toonlooze vokaal (zie asleep en core); girl; //ear = jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; £/ms = dims; wine.
1G*
IRISHMAN.
244
INTWINE.
|
inschuiving van het eene stuk of deel in een ander. Int wine, intwain, Int wist, intwist, samenvlechten, ineenvlechten. Inundate, innndeit of irjanrfeiï, overstroomen. Innre, injüd, gewennen, harden, tot eene gewoonte worden, ten goede komen. Inurn. invn, begraven (in eene verzamelen). Inutility, injiitiliti, nutteloosheid. Inutterable, invteroUl, onuitsprekelijk. Invade, inveid, invallen, inbreuk maken op, schenden. Invalid, invalid, krachteloos, ongeldig, van geen waarde: Invalid, invalid, subst. zieke, zwakke, invalide; adj. teer, zwak, ziek: âverb, door ziekte aangetast worden, ongeschikt verklaren voor actieven dienst; â ate, mvaiicteit, krachteloos of van onwaarde maken, omverwerpen, vernietigen; Invalid} Uj = ongeldigheid, krachteloosheid, zwakheid. liivaluaMe, invnljudbH, onschatbaar. Invariable, invêridb'l, onveranderlijk, standvastig; Invariability. Invasion, inveiz'n, inval, inbreuk, schending. Invective, invektiv, subst. smaadrede, scheldwoord, scherpe aanval; adj. berispend, smadelijk, satirisch. Inveigh, invei, uitvaren: âer. Inveigle, invig'l, verlokken, verleiden, in de val lókken; âinent; âr. Invent, invent, uitvinden, verdichten, verzinnen: An â ive mind = vindingrijke geest; âion = uitvinding, ontdekking, verzinsel, plannetje; The âion» = Tentoonstelling dei-Uitvindingen (1885); âor, âer = uitvinder, bedenker. Inventory, invdnteri, subst. inventaris, lijst; â verb.'een lijst of inventaris opmaken. Inverary, invdrêri. Invernesw, invdnes. Inveriiiiiiation. invvtmineis'n, het âvergevenquot; zijn van ongedierte. Inverse, invüs, omgekeerd: â proportion = omgekeerde verhouding of reden: The father's infliienee varied inversely as the age of the son = 's vaders invloed werd gewijzigd in omgekeerde reden tot den ouderdom zijns zoons: Inversion, invvS'n, omkeering, omzetting (van woorden in een zin). Invert, inviït, omgekeerde boog, bodem van een riool, enz. Invert, invvt, onderstboven keeren, omzetten. In vertebral, -brate, invütabr'l, invntdbrit, subst. en adj. ongewerveld (dier); Inverte-brata, inviitdbreitd, klasse der ongewervelde dieren. Invest, invest, bekleeden (met een ambt), beleggen (one's money in shares), blokkeeren, omsingelen: âinent = omsingeling, blokkeering, belegd geld, geldbelegging. Investigate, investigeit, nauwkeurig nagaan en onderzoeken: Investigation', Investigator. Investiture, investitjud.inhuldiging,bekleeding (met een ambt), inbezitstelling. Inveteracy, invetdrdsi, het ingeworteld zijn; Inveterate, inveterit, diep geworteld, lang gevestigd, verouderd (van ziekte), gebeten op. Invidious, invidjds, verbitterend, hatelijk, haat-wekkend: âness. Invigorate, invigdreit, kracht geven of bijzetten; Invigoration. |
Invincible, inmnsib'l, onverwinlijk, onoverkomelijk; âness = Invincibility. Inviolable, invaidldb'l. onschendbaar, onverbreekbaar; âness: liiviolate(dgt;, invaid-l(e)it(id), ongeschonden, ongebroken. Invised. invoizd, ongezien, onzichtbaar. Invisible, inviziUl,onzienlijk,onzichtbaar: The â = de Onzienlijke; âness = Invisibility, Invitatory, invaihtdri, uitnoodigend; Invitation, inviteisn, uitnoodiging. Invite, invalt, subst. uitnoodiging: â verb, verlokken, verleiden, aantrekken, uitnoodigen, oproepen; âr = uitnoodiger; Invitee, inviti, genoodigde. Invocation, invoukeië'n, in- of aanroeping. Invoice, invóis, subst. factuur; â verb, in eene factuur opnemen. Invoke, invoiik, aanroepen (in't gebed), plechtig inroepen. Involuntary ,m'ornïari,onwillekeurig,onwillig. In volute, ingerold,naar binnen gewend: Involution, invdljüamp;n, inwikkeling, ingewikkeldheid, machtsverheffing (wisk.). Involve, involv, inwikkelen, omringen, ingewikkeld en moeilijk begrijpelijk maken, verwarren: I don't like roundabout phrases and âd coiiHtructions = ik mag die dubbelzinnige termen en dien ingewikkelden zinsbouw niet: â this quantity to the third power = verhef deze grootheid tot de derde macht. Invulnerable, invnhidrob'l. onkwetsbaar, on-wondbaar: âness = Invulnerability. Inward, inwdd, innerlijk, inwendig; âs, in-wddz, subst. ingewanden; adv. naar binnen, landwaarts in. Inweave, iniuiv, inweven, invlechten. Inworking, imvnkin, innerlijke werking. In wrap, inrap, inwikkelen, verwarren. Inwreathe, inridh, omkransen. Inwrought, inröt, ingelegd, doorweven. lonia(n), aioiinjd(n), subst. lonië(r); adj. ionisch; Ionic, aionik, ionish. lota, aioutd, eene Grieksche letter, stip. tittel, kleine hoeveelheid: The tiniest â = geringste. I. O. ü., aioujü, schuldbekentenis (== Iotve you = ik ben u schuldig). Iowa, aiouwd. Ipecacuanha, ipakakjuand, eene soort wortel, veel als geneesmiddel gebruikt. Ipswich, ipswidz. Iranian, aireinfn, subst. bewoner van Iran: adj. Ireensch: â languages = de Arische talen. Irascible, (a)irasib''l, opvliegend,driftig;âness = Irascibility. Ire, aid, toorn, gramschap; Irate, aireit,toornig. woedend. Ireland, aidland. Irian, airidn, tot den Iris behoorende. Iririsin, airisizm, lersch idioom. Iridescence, irides'ns, kleurenspel of -gloed (als van den regenboog); Iridescent, irides'nt, regenboogachtig, gloedvol. Iris (Meerv. Irides), airis(airidiz), regenboog, ring om den oogappel, zwaardlelie; âed, airist, met kleuren als van den regenboog. Irish, airis, subst. en adj. Ier(sch), lersche taal. humeur (Amer.): âman = Ier; âry = de Ieren; â moss = Zie Carrageen; â stew = soort van haché (groenten en vleesch |
man: «sk = ask: farm = fiim; b«t = bwt; learn = Iwn: line = lain: hoi/se = haus; net: care = kèa; fate = feit: tin: asleep = dslip; not; law = ló: lord = löd: bot/ = boi:
IRKSOME.
ISOLATE.
245
|
samen gekookt); â aprieots = aardappelen; âassurance = doldriestheid; â ise, airtóaiz, in het lersch dialect overzetten; âmm = lersch idioom; Zie Buil. Irksome, vks'm, vervelend, ergerlijk, afmattend; ânes». Iron, oian, subst. ijzer, strijkijzer: In âs = j = in de boeien geslagen: He lias many âs i in the üre = hij onderneemt vele dingen te j gelijk: Strike the â while it is iiot = i smeed het ijzer terwijl het heet is; Cast, ! wrought and sheet â = gegoten, geslagen ijzer en plaatijzer; adj. ijzeren, gelijk ijzer, hard, onbuigzaam, ongevoelig: The â age = het ijzeren tijdperk: â railing = ijzeren hek; â erown = ijzeren kroon (oorsponkelijk voor de koningen van Lombardije); â verb, met ijzer beslaan, boeien, kluisteren, strijken: âing-board = strijkplank; âer; ây = ijzerachtig; âbanded = met ijzer beslagen; âbound = van ijzeren banden voorzien, door rotsen ingesloten : âclad, subst. pantserschip; adj. gepantserd, met ijzer beslagen; âfilings = ijzervijlsel: âfisted = met harde vuist, begeerig, vrekkig; âfounder = ijzergieter; âfoundry = ijzergieterij: âgray = grauwzwart(e kleur); âhearted = hardvochtig, wreed: âheater = strijkbout; â liquor = ijzer(roest)zuur; âmaster = ijzerbewerker; âmonger, m^gd, ijzerhandelaar; âmongery = ijzerwaren; âmould, subst. ijzersmet; â verb, met roest of inkt besmetten; âside = gehard soldaat (oorspr. een van Cromwell's soldaten); âsmith = grof-smid; âstone = ijzererts: âware = ijzerwerk; âworks = ijzergieterij. Irony, aironi, ironie,scherts; lronic(algt;,tt/ro-nikCl), ironisch, schertsend. Iroquois, irdkwamp;i. Irradiance, -cy, ireidfnsii). uitstraling, glans; Iradiate, ireUIJeit, stralen, verlichten, ophelderen; Irradiation. Irradicate, iradikeit, vast doen wortelen. Irrational, irasdril, onredelijk, dwaas, ongerijmd; âness. Irreclaimable, irikleimdbl, onverbeterlijk, verstokt. Irreconcilable, irek'nsaiteb'l, subst. en adj. onverzoenlijk(e), onbestaanbaar, inconsequent: âness. Irrecoverable, iriknvdrdVl, onherstelbaar; âness. Irredeemable, iridimdlfl, onafkoopbaar, onaflosbaar. Irreducible, iridjüsib'l, onherleidbaar, onver-kleinbaar. Irreformable, irifömobl, onveranderbaar. lrrefragable,*re/r3lt;/afe7.ontwijfelbaar,onweder-sprekelijk, onwederlegbaar. Irrefutable, irifjAteb'l of irefjutdb'l, onwederlegbaar. Irregular, iregjute, onregelmatig, afwijkend, ongeregeld, ongewoon,onzedelijk: âs = onge-regelde troepen; âity, iregjularUi, onregelmatigheid, ongeregeldheid, afwijking. Irrelative, ireldtiv, geen betrekking hebbende op, niet behoorende bij. Irrelevant, irelovnt, niet toepasselijk, ongepast. Irreligion, irilidz'n, ongodsdienstigheid,goddeloosheid; Irreligious. |
Irremediable, irimidjaUl, onherstelbaar; âness. Irremovable, irimüvDb'l, onbuigzaam, vastbesloten. Irreparable, onherstelbaar: âness. Irrepleviable, iriplevjdUl, onherkrijgbaar. Zie Replevy. Irrepreliensible, ireprihensib'l, onberispelijk. Irrepressible, iripresiVl, niet te onderdrukken, onbedwingbaar. Irreproachable, iriproutéeVl, onberispelijk, onschuldig, âness. I rrepro va ble, i npri1t;367,onberispelijk; âness. Irresistible, irizistiVl, onweerstaanbaar; âness = Irresistibilitg. Irresolute, irezdljüt, besluiteloos; âness = Irresolution. Irresolvable, irizolvdbl, onoplosbaar. Irrespective, irispektiv, afgezien van, zonder aanzien van: («od is â of' persons = God kent geen aanzien des persoons. Irresponsible, irispoym6'/,onverantwoordelijk, onbetrouwbaar. Irretentive, iritentiv, zwak (van geheugen). Irretrievable, mïrtfaö7,onherstelbaar; âness. Irreverence, irevorns, oneerbiedigheid: Irreverent. Irreversible, irivvsib'l, onherroepelijk, onveranderlijk: âness. Irrevocable, irevdkdb'l, onherroepelijk. Irrigate, irigeit, kunstmatig besproeien (van land). Irritable, iritdVL prikkelbaar, lichtgeraakt, knorrig; âness; Irritability. Irritate, iriteit, verbitteren, prikkelen, vertoornen; Irritation', Irritant, irit'nt, subst. en adj. verbitterend(e zaak). Irruption, imps'n, inbreuk, in- of aanval. Isaac, aizdk. Isabel, izobl, bleeke bruingele kleur. Isagogics, aisdgodziks, (voorafgaand) onderzoek der Heilige Schrift. Isaiah, aizeio: Isaianic studies = over â. Ishmaelite, isyneiohüt. afstammeling van Is-maêl (Gen. XVI, 12), iemand die tegen de maatschappij in opstand is. Isidore, izidö, Isidorus. Isinglass, air mflfias,vischlijm; âstone = mica. Isis, aisis. Isis (Egyptische God), naam van den Theems boven Oxford. Islam(ismgt;,izr»i(/zm), Mohammedanisme: Islamite, izthmait, Mohammedaan; Islamitic = Mohammedaansch. Island, aiVnd, subst. eiland: âs ofthe Biest = verblijf der gelukzaligen; adj. eilandachtig, op een eiland gelegen: â verb, met eilanden bezaaien, tot een eiland vormen; âer = eilandbewoner; Isle, ail, eiland (in verbinding met of: Isle ol* Wight); Islet, ail,it, eilandje. Islay, aili. Islington, izlin^Vn. Iso. aisoii (in samenstellingen), gelijk. Isobar, aizdbix, lijn (op eerie kaart) die plaatsen met gelijken barometerstand verbindt. Isochroniatic, nisdkroumatik, van gelijke kleur. Isochronous, -al, isokr.mds, isokron'l, met gelijken tik (van twee klokken, b.v.), gelijktijdig. Isolate, (ayisnleit, afzonderen, isoleeren (I}isii-late in natuurk. zin); Isolation. |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; f/ear = .jia; long â loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = ilhus; wine.
ISOMEROUS.
246
JACK.
|
Isoiiieroiis. aisomdï'ds, met een gelijk aantal deelen. Isometrik, aisdmetrik, van gelijke maat. Isomorpliisin, üisdmöfizm, vormgelijkheid (bij kristallen). l8onoiiiy,aisonami, gelijkheid van wet en recht. Isopod, aisdpod, schelpdier met zeven paar pooten van ongeveer dezelfde lengte; âou», aisopddds. met pooten van gelijke lengte, tot de iHopndt* behoorende. Isothermal, aisdtJiwm'l, met gelijke gemiddelde warmte; â line» = lijnen op globe of kaart, die plaatsen met gelijke gemiddelde warmte verbinden. Israelite, izr{ei)dlaAt, Israelietjood; Israelitic-, iHraelitiHli, izreidlaitis. iHHiiance, iëions, uitvaardiging; ièiont. uitvaardigend. Issue, ièiï, subst. uitgang, uitvaardiging, gebeurtenis, uitstorting, fontanel, uitgifte; nageslacht, kroost, opbrengst (der aarde), uitslag, gevolg, geschilpunt, resultaat of einde van een pleidooi: To probate â = de executeurs machtigen het testament uit te voeren; Fresh âh are demanding solution now = geheel nieuwe kwesties vereischen thans oplossing; The government was in no danger ol' being defeated on that â = het ministerie liep geen gevaar op dat punt verslagen te worden: I will Join (take) â with yon on that question = over die vraag w'il ik den strijd met u aanbinden; The question at â is too important for me to stay away = het geschilpunt of punt onder dis-cussi'e (dat aan de orde is) is te belangrijk, lt;ian dat ik zou wegblijven: She died without male â = zij stierf zonder mannelijk oir; â verb, uitstroomen, uitstorten,afstammen, voortkomen, eindigen, in omloop brengen, uitgeven, uitvaardigen. Isthmian, istmidn of izmidn, tot eene landengte (spéciaal die van Corinthe) behoorende: â games = Corinthische spelen; Isthinus, istmds of izmds, landengte. Istria, istrid, Istrië. It, iï, het (3e pers.): There is not inucli in |
â = het heeft niet veel om het lijf; Claret is not in â = Bordeaux haalt er niet bij, is bij lange na zoo lekker niet: We had a splendid time of â = wij hadden een heerlijken tijd; He does not like me as â is = mag mij toch al niet. Italian, italfn, subst. en adj. Italiaan(sch): â iron = plooi- offrizeerijzer; â warehouseman = verkooper van delicatessen, fzooals: fijne oliën, macaroni, gedroogde vruchten, etc.; â ize = als een Italiaan spreken, een Itali-aanschen aard geven; lt»ly, Italië. Italië, italik, subst. cursieve letter; adj. cursief: In âs = cursief gedrukt; âize, italisniz, cursief drukken. Itch, itë, subst. jeuking, hunkering, schurft; â verb, jeuken, hunkeren: He has an â ing palm = hij is licht om te koopen; ây. Item, aiVm, subst. bepaald punt, bijzonderheid, post (v. rekening, etc.), exemplaar, nieuwsbericht, inlichting (Amer.); adv. eveneens; âize = in bijzonderheden vermelden. Iterate, itdrit, adj. herhaald; â verb, (itereit) herhalen: Iterative, itereitiv, herhalend; Iteration. Itineracy, itindrasi, gewoonte of praktijk van reizen; Itinerancy, itirwr'nsi, rondreis (van officieele personen), de rondreizenden; Itinerant, subst. en adj. rondreizend of rondzwervend (prediker of vagebond); Itinerary, subst. reisbeschrijving, reisboek, gebedenboek voor reizende R. K. geestelijken; adj. rondreizend; Itinerate, itinsreit, zwerven, rondreizen. Its, its, zijn of haar (bez. voorn.w.); Itself. itself, zichzelf: In itself = op zichzelf; Of itself = vanzelf, uit zichzelf. Ivan hoe, aiv'nhou. Ivory, aivari, subst. ivoor (The Ivories = de tanden: He showed his ivories = liet grinnikend., zien); Gate of â = poort der droomen (Zie («ate en Horn); âblack = ivoorzwart; âturner = kunstdraaier; âtype = photographic op ivoorachtige oppervlakte; adj. ivoren. Ivy, aivi, klimop; âmantled = met klimop begroeid = Ivied. Iz(z)ard, izzd, Ibex, soort v. wilde geit. |
â¢l.
|
J, dzei; 'f(udge); *f(udye) A(dvocaté): *Tac(ob): fTan(uary); *rav{anese): 'T(esus) C(hrist); »f(uris) C{ivilis) JHoctor): Jos{eph); JoHh(ud) = Jozua: »7o(/m); J. P. = Justice of the Peace = vrederechter; *T(iinio)r: Jul(y), Jun{e)x *Turis(prudence): J-pen = soort v. stalen pen. Jab, dzab, steken: He âbed his penknife into the table; âble = herhaaldel. steken. Jabber, dzabd, subst. gekakel, gebabbel; â verb, kakelen, wauwelen: He was âing nonsense by the yard = hij kraamde er heel wat onzin uit; âer. â¢lacent, dzeis'nt, liggende. |
.lacinth, dzasinth, hyacint. Jack, dzak, verkleinwoord van John, term van verachting, boerenpummel, (jonge) snoek, matroos, mannetjes...., halve of vierde pint, bok voor een braadspit, zaagbok, laarzeknecht, lederen bierhouder, dommekracht, boer (in 't kaartspel), doel (in balspel), prikkel, wig, vlaggetje: Black â = lederen bierhouder; Cheap âs were bawling their wares = de kermiskerels brulden hunne waren uit: He is a â of all trades = hij is van alle markten thuis; â at a pinch = huurling, 1 noodhulp, loonbederver; Fresh water â = |
man; «sk = Ask; farm = fam; bi«t = bwt; \earn = l«n; Ime = lain; hotese = bans; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = éslip; not; \aw = lo; lord = löd; hoy = ból;
JACK-A-DANDY.
247
JAW.
|
nieuweling, baar; â by the hedge = Look zonder look; â in office = ambtenaartje die zich heel wat dunkt en een hoogen toon aanslaat: â in the (a) b«x = duiveltje in een doosje; â of the Hoek = mannetje, dat de uren op de klok slaat; â (with)a lantern = dwaallicht; âa-dandy = fatje; He know»* every â of thein = hij kent Jan, Piet en Klaas van dat volk: âanapes = fat, kwast, parvenu; âas» = mannetjesezel; âass-rabhit = konijn met lange ooren en pooten; âblock : = bramreepblok; âboots = dij laarzen (voor visschers, enz.), rijlaarzen met een bovenstuk voor kniebedekking; âdaw = kleine of kerk-kraai: âflag = boegsprietvlag: â Ketch = beul: âknife = groot knipmes; âplane = eerste (en ruwste) schaaf van den schrijnwerker; â Pudding; = Jan Klaassen, hansworst; â Robinson = klein tijdsverloop: Do it before a man can say â Robinson = doe het als de wind; âscrew = dommekracht; âstraw = âhomme de paillequot;, stroo-pop; âstaff = stok van de boegsprietvlag, geuzestok: --towel = (grove) handdoek op rol; â verb, in de hoogte werpen (gewoonlijk met up). Jackal, dzakol, subst. jakhals; adj. gemeen. Jacket. subst. buis, jekkertje, bedekking om verlies van hitte te voorkomen: â verb, in een omhulsel doen, afranselen of âwat op t jak gevenquot;: He got a sound âing = zijn buis werd Hink uitgeklopt = His â was soundly dusted = hij kreeg een Hink pak slaag. Jacob, dzeikdb, Jacob; âin, dzakdbin, subst. Dominikaner, Jacobijn, oproermaker; adj. Ja-cobijnsch: âite, dzakdbait, aanhanger van Jacobus II en diens afstammelingen: â's ladder, dzeikdbzladd, ladderblad, touwladder met houten sporten; â's inembrane = buitenste vlies van de retina-, â's stafr=kruk-stok. pelgrimsstaf, instrument voor het meten van hoogten en afstanden; Jacobns, r/r^/tou-bds, oude munt van 25 sh. Ja(c)conet. dzakdnet, soort v. neteldoek. Jacquard loom, dzaküdlüm, damastweefgetouw. Jacquerie, zdkri, boerenopstand (genoemd naar dien in 1358 in Frankrijk). Jaculator. dzakjuleita, werper, schieter, soort v. visch (Zie Archer fish); ây (dzakjuleitdi'i) prayer = schietgebedje^ Jade, dzeid, subst. (oude) knol, soort v. stier, oud wijf, slet: â verb, verachten, schoppen, voor den gek houden, afmatten; Jadish, dzeidié, ondeugend, slecht geluimd. Jag, dzag, subst. kerf, tand, prikkel, uitstekende punt; â verb, kerven, tanden: âged rocks = scherpe rotsen; âgy. J agger, dzagd, getande vorm voor pasteien, enz., getande beitel, enz. Jagg(li)e(r)ry, dzagori, soort v. ruwe palmsuiker. Jaguar, dzagwa. Jan, dzdh, Jehova. Jail (Zie tüaol), dzeil, gevangenis, kerker; âbird = boef, gevangene; âfever = (typheuse) hospitaalkoorts; âer = cipier. Jake, dzeik. Jaap. Ja lap, dzatep, jalappe. |
Jalousie, zaluzi. jalousie, zonnegordijn. Jam, dzam, subst. conserf, gelei, gedrang, menigte, mousselinen japon, kinderjurk: â verb, durven, drukken, indringen, pakken (tusschen). Jamaica pepper, dzomeikdpepa. Zie Allspice. Jamb, dzam, stijl van deur of raam. etc. James, dzeimz. Jamieson, dzeimis'n. Janipan, dzampon, draagstoel (Japan); âee, dzamponi, draagstoeldrager. Jane, dzein. Janna, Jaantje. Janet, dzenat, Jean nette. Jangle, dzangl, subst. gekibbel, geharrewar, wanklank: â verb, kibbelen, onaangenaam klinken; â r. Janitor, dzanitd, portier, custos. Janizary, Janissary, dzanizdri, Janitschaar (oud Turksch soldaat;*in 1820 zijn ze ontbonden). Jansenist, dzansanist, Jansenist (volger van Corn. Jansenius, 17de eeuw). January, dzanjudri, Januari. Janus, 'dzeinds, Janus: âclotli = stof met twee rechte kanten. Jap, dzap (verkorting van Japan), Japanees, jongleur, goochelaar, enz.; Japish, dzeipië, grappig, humoristisch; Japishness. Japan, dzdpan, subst. Japan, lak, verlakt werk; â verb, verlakken; âese, ^/zap^niz,subst.en adj. Japanees(ch); â ner, dzdpano, verlakker. Japhetic, dzdf'etik. tot Japhet (df ei/ai) of diens afstammelingen behoorende. Japonica, dzdponiko, Japansche kwee. Jaqueline, dzakelin. Jaques, znk. Jar, dza, subst. Ilesch, kruik, pot, trillend geluid, wanklank, oneenigheid, kier: The door is on the â = aâ = op een kier; â verb, krassen, een wanklank veroorzaken, botsen, twisten, beleedigen: It âs on my ears = het doet mijn ooren pijn; That does not â with the surroundings = strijdt niet tegen, harmonieert met. Jarde, dzad, gezwel aan den poot van een paard. Jardiniere, ziidinjêd, bloemenstander. Jargon, dzüg'n, subst. brabbeltaal, gewauwel, dieventaal; â verb, koeterwaalsch praten. Jargonelle, dzaganel, soort v. vroege peer. .larf, jal, gouverneur van eene provincie. Jarv(e)y, dzüvi, huurkoetsier, huurrijtuig. Jasey, Jazey, dzeizi, sajetten pruik, kalotje. Jasliawk, dzas-hók, jonge valk. Jasniin(e), dzasmin, jasmijn. Jasper, dzaspd, jaspis; Jasper, Kasper. Jaundice, dzóndis, geelzucht, iets waardoor eene zaak in een valsch licht wordt geplaatst: He looks on the world with a âd eye = met een bevooroordeeld oog. Jaunt, dzant, subst. zwerftochtje, uitstapje, rijtoertje, tochtje op een Jaunting-car: â verb, rondzwerven, een uitstapje maken; Jaunting-car = lersch karretje met twee banken rug aan rug en een bankje voor den voerman; ây = vlug, vroolijk, zwierig. Java, dzeivo] ânese, dznvmtz, subst. en adj. Javaan(sch). Javelin, dzavalin, werpspies. Jaw, dzó, subst. kaak, gekakel, brutaliteit, grove scherts, scheldwoorden, twist: We were rescued from theâsofdeath = wij werden den dood ontwrongen; â verb, kakelen, uitschelden, een grooten mond (bek) opzetten: |
bone = boun; full; fool = ful; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care)\ girl; year = jia; long = loi}; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; tJms = dims; wine.
JAW-BREAKER.
JOB-PRINTER.
248
|
That i» a âbreaker = dat woord is niet uit te spreken: âlever, âlivd, instrument om den bek van vee voor het inbrengen van medicijn te openen; âtooth = maaltand. Jay, dzei, soort v. kraai, meerkol. Z. JuggiiiH. Jealous, dzelas, jaloersch, uitermate bezorgd, waakzaam uit verdenking; ây = jaloerschheid. angstige waakzaamheid. Jeaines, dzimz, lakei (verbast, van Jame»). Jean, dzein, Engelsch leer. Jedburgh, dzedbora. Jeejee, dzidzi, âhuutliuutpaardjequot;' (kindertaal). Jee'r, dzid, subst. bespotting, spotlach; â verb, bespotten, schimpen op: He Maid it âiugly = op spottenden toon. Jeffrey, dzefri, Godfried, Govert. Jehovah, dzihotivo, Jehova, de Heer. Jehu, dzihju, koetsier (2 Koningen IX, 20). Jejune, déddztin, schraal, droog, dor; âueH». Jelly, dzeii, subst. gelei: I'll beat you to a â = ik zal je tot mosterd slaan; â* verb, tot gelei worden; Jellied = geleiachtig. Jem, dzem, Koos. Jemima, dzdmaimo. Jemidar, dzemicte, inlandsch onderoiïicier (Indië). Jemmy, dzemi, subst. kort breekijzer, schape-kop; adj. keurig, netjes. Jennet, dzowt, Spaansch paardje. Jenneting, dzenoth], soort v. vroege appel. Jenny, dzeni, spinmachine, wijfjesezel (ook âass); Jeannette. Jeoparder, dzepodd, waaghals: JeopardoiiN, dzepddds, gewaagd, gevaarlijk; Jeopardy, dzepddi, (levens)gevaar. Jeremiad, dzeromaiod, klaaglied, Jeremiade; Jeremiah, dzerdmaid. Jeremy, dzeromi (ook verk. tot Jerry). Jericho, dzerikou: 1 wished him at â = ik wenschte dat hij op de Mookerhei zat. Jerk, dzvk, subst. ruk, stoot, slag, plotselinge beweging; â verb, plotseling rukken, schudden of stooten, vleesch in lange reepen snijden en in de zon drogen: âed beer(Zie ook Charqni); ây = met rukken. Jerkin, dzükin, nauwsluitend buis of jekkertje. Jerome, dzer'm of dzoroum. Jerry, dzeri (in samenstellingen), knoei... of prul...: âbuilder = bouwer van niet soliede huizen; That book is a piece ot'âbuilding = dat boek is slecht in elkaar gezet, is knoeiwerk; âshop = bierhuis, kroeg. Jersey, dzvzi, fijn gesponnen wol, nauwsluitend sporthemd (voor roeiers, enz.). Jerusalem, dzdrüsdVm. Jess, lt;lzes, korte leeren riem aan den poot van valken; âed. Jessamine, dzesomin. Zie Jasmin. Jesse, dzesd, groote koperen kerk kroon (voor kaarsen). Jest, dzest, subst. scherts, boert: It was but said in â = het was maar schertsend gezegd: He can't take a â = hij kan geen scherts verdragen; â verb, schertsen, voor den gek houden; âer = schertser, nar. Jesuit, dzezuiU Jezuiet; âs'bark = kinabast ; âic(al), dzetuitikCl), jezuietisch; âism, dzezuitizm; âry, dzezmtri, Jezuietisme, onoprechtheid. Jesus, dzizds. |
Jet, diet, subst. (water)straal, bedoeling: kanaal waardoor gesmolten metaal in den vorm komt, git; â verb.uitschieten, uitspringen, uitspruiten; âblack = gitzwart; âty = gitachtig. Jetsam, dzets'm, Jet(ti)son, dzet{i)s,n1 het o verboord werpen van goederen bij dringend gevaar, de overboordgeworpen goederen. Jettison, dzetis'n, een schip verlichten door goederen overboord te werpen. Jetty, dzeti, uitstekend deel van een gebouw, klein havenhoofd; âhead = vooruitstekend deel aan het eind van eene werf. Jew, dzü, Jood; âbaiting = dweepzieke jodenvervolging; â's-eye, âess'-eye = iets van groote waarde; âs'harp = mondharp; âthrift = het zoeken van eigen grootheid; âess = jodin; âish = joodsch; âry = Judea, jodenbuurt. Jewel, dziiol, subst. juweel, kleinood, engel; âcase = juweelkistje; âlike = schitterend als edelsteen; â verb, (als) met juweelen versieren; âIer, dzüdte, juwelier; â(le)ry, dzikolri) juweelen, juweliersvak. Jezebel, dzezdVl, booze, brutale vrouw. Jib, dzib, subst. kluiver (driehoekig zeil), uitstekende arm van eene kraan; âboom = kluiverboom, kluiffok; â verb, verleggen van het zeil naar den wind, zijwaarts of achteruit springen (van paarden), achteruit krabbelen. Jibe, dzaib. Zie (iibe en Jib (verb.). Jiffy, dzifi: In a â = in een wip. Jig,* (Iziy, subst. levendige dans, hupsasa, danswijsje, streek; â verb, rondspringen, danse;;, bedriegen; âjog = duw, onregelmatige beweging, sjoksjók. Jigger, dzigv, danser, biljartbok, ertszeef, erts-zifter, pottebakkerswiel; Jigging, dzigir^ het ziften van erts. Jiggle, dzig'l, ronddansen, spartelen. Jilt, dzilt, subst. coquette; â verb, coquetteeren en dan de bons geven of een blauwtje laten loopen. Jim, dzim, Jaap. Jimcrackery, dzimkrakdri. aardewerk, porselein. Jimmy, dzirni. Zie Jemmy. Jimp, dzimp. Zie Ca imp. Jingle, dzii\g l, subst. gerinkink, rijmelarij, overdekte lersche tweewielige kar; â verb, rinkinken, rinkelen, rijmelen: He is a âbrains = warhoofd, lichtzinnig heer. Jingo, dzingou, oorlogzuchtige, een van de oorlogspartij (die de partij der Turken wou kiezen in i877â1878): By â = bij alle goden, voor den drommel; âism = de gevoelens der Jingo's. Jinn(ee), dzin(i),geest(Mohamed. mythologie). Jinks, dzinjzs, grap: It was high (grand) â = het was eene kolossale grap; lie is in high â = erg vroolijk. Jo, dzou: Kot lor â = om den dood niet. Joachim, dzouakim. Joan, 6/roi«(a)n, Johanna. Job, dzoub, Job: â's comforter = valsche trooster; As poor as â = doodarm. Job, dzob, subst. karwei, baantje, werkje, onderneming, plotselinge slag: That's a good â = gelukje, meevallertje; He did the â for the ruffian = hij doodde den schurk: By the â = bij «aanneming; adj. verhuurd; â master = verhuurder van paarden en rijtuigen; âprinter = drukkersgezel (voor geen bepaald |
man; ask = ask; farm = fam; b?lt;t = but; learn = hm; line = lain; house = haus; net; care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aio = 16; lord = löd: hoy = bói;
JOBBING-HOUSE.
240
JOWL.
|
werk aangewezen); â verb, karweitjes doen of aannemen, verhuren, speculeeren, koopen en verkoopen in groote massa's of in 't klein, krachtig slaan met iets scherps; Jobation = uitbrander, verwijt, vervelende vermaning: â ber = iemand die op stuk werkt, huurkoetsier, speculant, knoeier,koopman; âbery = het speculeeren, ondernemen van karweitjes; âbing-lioiiHe = drukkerij (van allerhande drukwerk, maar geene couranten of boeken). .locelyn, dzosdlin, Just. Jockey, dzoki, subst. jockey, pikeur, paarde-koopman, bedrieger; â verb, in den handel bedriegen, duwen (door tegenaan rijden); âism = de praktijken der jockeys. Jocose, dzoukous, grappig, boertig, amusant: âiie»s. Jocular, dzokjuk), snaaksch, grappig; âity. dzokjulariti, snaakschheid, grappigheid. Joemifl, dzok'nd, blijde, vroolijk, opgewekt: -ity. dzdknnditi, vroolijkheid. Jociit, dzokdt, stuk vleesch. Joe Miller, dzoumild, oude âmopquot;, een uil den Enkhuizer; boek met âZie Joseph. Jog;, dzoy, subst. stootje, lichte slag, onregelmatige beweging; â verb, zachtjes duwen of slaan, horten, sukkelen: Shall 1 â your ineiiiory for you? = opfrisschen, wakker schudden; I am âging = ik ga er van door: âtrot, subst. sukkeldrafje, routine; adj. eentonig, vervelend. Joggle, dzoy l, waggelen, rammelen, inkepen. John, dzon, Jan; â Bull, dzonbul. de En-gelsche nalie: â Dory, dzondóri, soort van goudvisch; âuy, dzoni. verkleinw. wan John: onbeteekenende vent, poen, aap, enz. (De be-teekenissen nemen nog steeds toe): lie is a ho It âuy = een groote sul: âny cake = maïskoek (Amer.), Amerikaan (Am'er.); âny rrapaml, dzonikropou, de Fransche natie. * JoliiiNoniaii. dzonsounfn, deftig, opgeblazen, zwaar (van JoIiiihoii, dzons'n). Join, dróin, subst. vereeniging, punt v. samenkomst; â verb, vereenigen, verbinden, samenvoegen, aansluiten, grenzen aan, samengaan: Will you Join iih = doet (of gaat) ge mee met ons?; He âeil the majority = stierf: Shall we join tables? = zullen we de tafels aan elkaar zetten?; I did not Join with him = ik was het niet met hem eens; They âed battle = zij raakten slaags; VoiimayHarely â with him = gij kunt hem gerust aanspreken; I have âed interests with him = ik heb mijne belangen aan de zijne verbonden: âder = vereeniging, verbinding, samenkomst; âer = schrijnwerker; âery = schrijnwerkers vak of -beroep. Joint, dzóint, verbinding, aanknoopingspunt. gewricht, knoop, scharnier, groot stuk vleesch: Out of â = uit het lid, uit de voegen, in wanorde (Z.Xose); adj. vereenigd, verbonden, gezamenlijk: â and several = allen te zamen en ieder in het bijzonder, dus: allen zonder onderscheid; âactions = het samenvoegen van verscheiden overtredingen in ééne acte: âheir = mede-erfgenaam; âstock = gemeenschappelijke actiën of aandeelen; âstock company = soort van vennootschap, waarin de aandeelen van ieder lid verhandelbaar zijn zonder wederzijdsche toestemming; âstool = vouwstoel; âtenancy = medebezit: â tenant = medebezitter; â verb, samenvoegen, verbinden, in geledingen of stukken verdeelen (zooals vleesch): glad schaven: âer = lange schaaf, reeschaaf: âing-plane, |
reeschaaf; âiug-rule = soort van duimstok. Jointure, dzóintjd, subst. goederen vastgezet op eene vrouw bij haar trouwen, om de opbrengst ervan na mogelijk overlijden van haar man te genieten; â verb, vastzetten op. Joist, dzóist. subst. balk; â verb, van balken voorzien. Joke, dzonk, subst. scherts, grap. kwinkslag: He can't realise a â = hij kan geene aardigheid snappen; A practicalâ = (ondeugende) daadwerkelijke grap; in â = uit de grap, schertsend; To take a â = eene aardigheid verdragen; That's past a â = dat is al te gek; â verb, schertsen, boerten, plagen: He âd me good-naturedly = schertste . . . met mij; â r = grappenmaker, vroolijke kwant (soms schertsend Jokist); Joking apart = nu geen scherts. Jole, dzoul. Zie Jowl. Jolly, dzoli, dartel, vroolijk, lollig: He is â rich = hij is buitengewoon rijk; Jollification, dzolifikeïamp;n, jool. lolletje. Jolly-boat, dzolibout, jol (soort van boot). Jolt', dzoult, subst. schok, stoot; â verb, schokken, horten, stooten: âhead = domkop, ezel. Jonah,rfzoima. Jonas, cZzoimas. Jones,^/roimz. Jonathan, dzonotli'n, de Amerikaansche natie, de type-Amerikaan. Jordan, dzöd'n, Jordaan. Jorum, dzór'm, groote beker of roemer. Josceliu, dzosdlin, Josselijn. Josceline, dtosj-lain, Josselina. Joseph, dzouzdf, dames-rijkleed, soort wapenstok (van de Fransche politie). Jozef. Josephine, dzouzdfin. Josh(ua), dzoèio, Josua. Josiah,damp;gt;s/d, Josias. Joss, dzos, Chineesche afgod; âhouse = Chineesche tempel. Jostle, (/tos7, stooten,duwen,verdringen,hossen. Jot, dzot, subst.jota, kleinigheid, beetje: â verb, opschrijven, aanteekenen (steeds met down): 1 have bought a âting = memorandum. Journal, dzvn'l, dagboek, dagblad, courant, handelingen van een geleerd genootschap, journaal, scheepsjournaal; âese = krantentaal; âesia = krantenwereld; âism = het dagboek houden, de pers, invloed der dagbladen, beroep van een dagbladschrijver; âist = houder van een dagboek, dagbladschrijver; âize, dznndlaiz, journaliseeren. Journey, dzvni, subst. (dag)reis: They took a â = zij deden een reisje; âwork*= dagwerk ; â verb, reizen, doorreizen; âman = werkman, daglooner. Joust, dzvst, subst. tournooi, steekspel; â verb, een steekspel of tournooi houden. Jove, dzouv, Jupiter, de lucht of atmosfeer: By â = bij den hemel; Kot for Jo = om den drommel niet. Jovial, dzouvfl, vroolijk, opgewekt; âity, dzouvialiti, vroolijkheid. Jowett, dzattdt. Jowl, dzonl, kop van een visch, bek, krop, wang, kaak; Cheek by â = met de koppen bij elkaar, vlak naast elkander, wang aan wang. |
bone = boun; full; fool = ful; .⦠= toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; i/ear = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = oketö'n; thin; thus = dhvs; wine.
JURIDICAL.
JOWLER.
250
|
Jo wier, dzould, (jacht)hond. Joy, dzói, subst. vreugde, blijdschap, reden tot blijdschap, succes: I wiah (give) you â = ik feliciteer u; â verb, zich verheugen, verblijden: âbells = vreugdek lokken; âlui, dzóiful, blijde, verheugd; âles» = treurig, verdrietig: âous = blijde, verheugd. Jubilant, dznhiVnt, juichend, jubelend; Jubi-late, clzübileiti, tweede gezang in den avonddienst der Eng. kerk, derde Zondag na Paschen; Jubilation = gejuich, gejubel, vreugdebetoon; Jubilee, dzübili, groot jubelfeest (om de 50 jaar) bij de Israëlieten ter herdenking van de bevrijding uit Egyptische slavernij; kerkfeest (om quot;de 25 jaar) 'te Rome; feestgetij, de 50e verjaardag van eene blijde en belangrijke gebeurtenis. Jiiflaie, dzudeiik, joodsch: JudaiNiu, dzü-deiizm. jodendom, joodsche leer; Judaize, dzüdeiaiz, in overeenstemming brengen met joodsche leer en gebruiken, joodsche begrippen hebben of leeren; Judea, dzudio. Judas, dtüdds, Judas, verrader; âeoloured = rood, rossig; âtree = Judasboom. Judeoek. dzndkok. soort van snip. Judge, dzvdz, subst. rechter, kenner, beslisser: âadvocate = auditeur militaire: â verb, oordeelen. vonnissen, beslissen, onderscheiden, achten, beschouwen, beoordeelen (met of): Judging trom what you say = te oordeelen naar hetgeen gij*zegt; Jiidguient = oordeel, vonnis, onderscheidingsvermogen, verstand, godsoordeel, laatste oordeel: In my Judgment = naar... oordeel: Judgment by default was passed on him = er werd vonnis bij verstek tegen hem gewezen; The court sat in Judgment = het hof had zitting; That plague was considered as a Judgment upon the people = werd als een 'godsoordeel over het volk beschouwd: Judg-ment-day = dag des oordeels: Judgment-debt = *door den rechter als juist erkende schuld, en door bevel tot executie gedekt; Jiidgment-liall = audiëntiezaal, gerechtszaal; Judgment-seat = rechterstoel, vierschaar, rechtbank. Judicative, dzüdikditiv, in staat tot oordeelen; â faculty = oordeelsvermogen. Judicature, dzüdikdtjus, rechtspleging, rechtspraak. rechtsgebied, gerechtshof. Judicial, dzudis'l, rechterlijk, gerechtelijk. Judiciary, dtudiëdri. subst. de rechterlijke macht; adj. gerechtelijk, rechtsprekend. Judicious, dziidièdS, oordeelkundig, scherpzinnig, verstandig. Judy, dzndi, de âvrouwquot; (Trijn) in de poppenkast. Zie l'uncli. Jug, dzvy. kruik, pot, gevangenis, nachtegaalstoon ; â verb, in eene kruik doen, kweelen als een nachtegaal; âged hare = hazepeper. Jngal, dziiy'l, tot het kaakbeen behoorende. Juggernaut, dzngdnót, een der 4000 namen van Vischnu, iets waaraan men meedoogenloos wordt opgeoiïerd. Juggins, dznginz, sul: ook Jay. Juggle, dzvcf I, subst. goochelto'er, bedriegerij; â verb, goochelen, bezweren, bedriegen; â r = goochelaar, bedrieger: â ry = goochelarij. Jugular, dzügjuld, subst. kèelader; adj. tót nek of keel behoorende. |
Juice, dzüs, sap, waterdeelen; âless; Juicy, dzüsi, sappig. Jujube, dziidzüb, borsttablet, jujube. Juke, dzük, buigen, rukken mét (het hoofd, b.v.). Ju lep, dzüldp, zoete verkoelende drank. Julia, dzülid, Julia. Julian, dzülion, Juliaan, Juliaansch (i. e. van Julius Cesar); âperiod = Juliaansche periode (van 7980 jaren, en begonnen 4713 jaren voor de Chr. jaartelling). Juliers,r/cil/tdr, Gulik. Juliet, Julius, dz Alios. July, dzulai, Juli. Jumar, dzüma, soort van muildier. Jiinible, dznmlfl, subst. verw.arring, mengelmoes, zwezerik; â verb, verwarren, dooreen-gooien. Jump, dzomp, subst. sprong, soort van buis (âs = lijQe, korset); â verb, springen, het eens zijn, overeenstemmen, overheen springen, schikken, wagen: He âed at my proposal = hij pakte mijn voorstel met beide handen aan; (ireat wits â together = groote geesten raken elkander; My Jiidgment âed in with, his = stemde overeen met; You â to con-clusioiis = gij trekt zonder overleg besluiten; They âed that claim = zij maakten zich meester van dat stuk mijngrond (Amer. en Austr.); âseat = open wagentje met veranderlijke zitplaats(en): âer = springer, boorwerktuig van een mijnwerker: The âers = godsdienstige sekte (zoo genoemd naar hunne vertrekkingen bij opwinding; vergel. Shakers). A â ing- off place = springplaats; ây = bewegelijk, zenuwachtig. Juiicous, dznnkds, vol biezen: Junciis, fcas, plantensoort, waartoe de biezen behooren. Junction, dznnkamp;n, verbinding, vereeniging, vereenigingspunt (vooral van spoorlijnen); ârailway = verbindingsspoor. Juncture, 'dzm\ktjd, kritiek oogenblik, tijdsgewricht, naad, vereeniging: At (in) this â. June, dztin, Juni. Jungle, dzny\gl, land met bosch of weelderigen plantengroei; âlever = ongeregelde tropische koorts. Junior, dzünjd, subst. en adj. jonger(e), lager geplaatst(e): â year = op jeugdigen leeftijd: âity, dznnioriti, toestand van een junior. Juniper, dzünipd, jeneverboom, jeneverbes. Junius, dzünids. Junk, jonk (Chineesch vaartuig), brok, homp, oud kabel- en touwwerk, pekelvleesch (voor schepen op lange reizen); âbottle = bierflesch: âdealer = handelaar inscheeps-behoeften (Amer.); âwad = prop van pluis-werk tusschen lading en kogel; âing = smullerij. Junket, dzm\kdt, subst. eene soort v. bonbon: gestremde melk met room en suiker, lekkernij. .luno, dztïnou, Juno, vrouw van Jupiter. Junta, dznntd, (Spaansche) Raad van State. Junto, dznntou, geheime raad, geheime partij of kliek. Jupiter, dzüpitd, Jupiter. Jura, dzürd. Jurat, dzürdt, gezworene, schepen, wethouder, bewijs onder eene verklaring, toonende voor wien ze werd beëedigd met datum en plaats. Juratory, dzürateri, een eed behelzend. Juridical, dzuridikl, gerechtelijk, juridisch. |
man; rtsk = ask: ft/rm = fam; bwt = but; le^rn = l«n; line = lain; bouse = haus; net: care = kè»; ft/te = feit: tin; asleep = aslip; not; \aw = ló: lord = löd; bo^ = boi;
JURISDICTION.
251
KEEP.
|
Jurisilictioii.df rechtsmacht,rechts- dwang, rechtsgebied. «Iiirispriidence, (l-iüirisprüd'ns, rechtswetenschap. rechtspraak; .liirispriidential^züm-prudenèl, tot de rechtswetenschap behoorende. Jurist, dzürist, rechtsgeleerde (vooral in 't bur-(jerlijk recht). Jiiror. dzürd, gezworene. Jury, diüri, subst. de gezworenen, jury of commissie van beoordeeling bij tentoonstellingen, etc.; lt;ilraiifl â = jury van 24 leden; Petty â = jury van 12leden; âbox = bank der gezworenen; â-process = dagvaarding van eene jury; âman = lid van eene jury; adj. tijdelijk, in nood dienende: âmast = noodmast;quot;ârudder = noodroer. Just, dzvst. subst. Joost, Justus; adj. rechtvaardig, onpartijdig, eerlijk, trouw, welverdiend: adv. juist, precies, nagenoeg: But â = net, eventjes, nauwelijks; â like = precies zoo: â now = zooeven, op het oogenblik; 1 will â step in = ik zal even binnengaan; â give me a liKht = geef mij eens even een vlammetje: You are not Koin^ â yet, are you? = je gaat toch nog niet weg? * |
Justice, dzostis, gerechtigheid, rechtvaardigheid, onpartijdigheid, rechter (alleen v. common law, en daardoor onderscheiden van Judge) : Lord chief â = opperrechter; â of tlie peace = vrederechter: Justices^ â = buitengewone rechtspraak of beslissing v. de justices: You cannot do so in â = van rechtswege, rechtens kunt gij dit niet doen: âship = rechterschap; Justiciary, (Izdstièdri^rechtshe-deeler; High Court oTJiisticiary = hoogste crimineele rechtbank in' Schotland. Justillahle, dz-dStifaidbl, verdedigbaar, verschoonbaar; Justification â rechtvaardiging, verdediging, redding of rechtvaardigverklaring van zondaren; Justificatory, dzdstiflkeitdri, rechtvaardigend, verdedigend; Justiüer, dzns-*?/aia, rechtvaardiger, vrijspreker; Justify. dzvstifai, rechtvaardigen, vrijspreken, overeenstemmen, sluiten (bij het drukken). Justin, dznstin, Justinius. Justinian, dzvstin-fn, Justinianus. Jut, dznt. subst. uitsteeksel: â verb.uitsteken, vooruitspringen; âwindow = uitstekend venster. Jute, dzüt, jutte. Jutland, dzotland. Juvenal, dzüvdril. Juvenalis. Juvenesceiice, dzüvones'ns. jongwording; Ju-venescent. Juvenile, dzAvenail. subst. en adj. jeugdig (persoon), jong (mensch); Juvenility, dzavz-niliti, jeugdigheid. Juxtaposition, dzvkstdpdziamp;n, naast elkander plaatsing, het naast elkander geplaatst zijn. Juzail, dzuzeil, zwaar geweer (bij deAfghanen). |
â 4.
|
K, kei: Kdng); K.B. = Knight of the Bath = ridder v. de Bathorde: Kinight) C(ommander of' the) Sitar of) I(ndia); K.C.B. = Knight Commander of the Bath; K.(ü. = Knight of the Gorter = ridder van den Kouseband; K.G.C. B. â Knight Grand Cross of the Bath = ridder grootkruis van de B.-orde: K.G.F. = Knight of the order of the Golden Fleece = ridder van het gulden Vlies: Ki(ngs); Knt. of Kt. = Knight. Kent, of Ky. = Kentucky. Kaama, kamp;md. soort v. antilope (Z.-Afr.). Zie llartebeest. Ka(f)ür. kafj. subst. en adj. Katrer(sch). Kail, Kale, kei/, gewone kool, koolsoep; âyard = moestuin. Kaleidoscope, kdlaiddskoup, kaleidoscoop. Kali, keili. potasch; âuin, keilidm, potassium. Kalmuck, kalnidk. ruige, grove stof. Kamptiilicon, kamptjülik'n. vloerkleed van kurk, gutta-percha, enz. Kamsin, kamsin, heete Zuidenwind (Egypte). Kangaroo, kangerü, kangoeroe. Kantian, kantidn, subst. volgeling van Kant; adj. Kantiaansch. Kaolin, keiolin, porseleinaarde. Ka(i )roo, kdrt, middenterras in de Z.-Afrik. hoogvlakten. Kaross. karos, dierenvel door Afrik, stammen gedragen. Kasan, kdzan. Kate, keit, Katrien, Kaatje. |
Kavass, kdvas, gewapende konstabel (Turkije). Kayles, keilz. kegels, kegelspel. Kean, kin. Kearney, küni. Keble. kib'l. Keek, kek. braken:*âIe = misselijkheid. Keckle, kek'l. een kabel met smarting omwoelen of bekleeden. Kedge(r), kedz(d). klein werpanker: ook: Kedge-anclior. Kedgy. kedzi. levendig, opgewekt. Kee, ki, interj. kiede-kiede! Keek, kik. kijken, gluren. Keel, kil, subst. kiel, kolenschuit, uitstekende kant: False â = looze kiel (balk onder de ware kiel); â verb, met de kiel over den grond schuren (ook: to plough with the â), varen: The ship was âed over = het schip kantelde, sloeg om; âboat = vrachtschuit: âman = schuitenvoerder: -sou = zaadhout (langwerpig stuk, dat de planken met de kiel verbindt); âage, kilidz, havengeld: âhaul, ktIhol, kielhalen. Keeling, ktUr\^ leng (soort v. kabeljauw'). Kpcii, kin. scherp, vinnig, bijtend, bits, doordringend: â witted = scherp v. geest; âness. Keep. kip. subst. bewaring, bewaking, slottoren, bestaan, onderhoud: The poultry lind their â outside = het pluimgedierte vindt zijn voedsel buiten; â verb, bewaren, behouden, hoeden , bewaken, weerhouden, handhaven, onderhouden, vervullen, houden : They held the town against the enemy, and kept it |
bone = buiin: full; fool = ful; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = jia; lorn/ = loij; ship = sip; occas/on = okeiy/n; thin; thus = dints: wine.
KEEPER-SHIP.
252
KEY.
|
lor the priiii*e = zij verdedigden de stad tegen den vijand, en bewaarden haar voor den prins; â silent, silence = zwijg, blijf zwijgen; He kept crying = hij schreide maar door; lie kept us waiting = liet ons wachten; How many terms have yon kept? = hoe lang heb je* de colleges gevolgd ? Do yon â j lig»? = hebt ge ook vijgen te koop? â it back = houd het geheim, bedwing u; It won't â = dat blijft niet goed; Our servant âs company with the baker's man = onze meid heeft verkeering met den bakkersknecht; He kept down his anger = hij onderdrukte zijn toorn; â from sin = laat af van de zonde; I could not â from saying it = nalaten; He âs early (good), late (bad)bonrM = hij is altijd vroeg (op tijd), laat (na zijn tijd) thuis: They were playing at âing house = zij speelden huismoedertje: He cannot â counsel = kan geen geheim bewaren; 1 could not â myself on my legs = ik kon niet op de been'blijven; Th'e army was kept on foot = het leger werd onder de wapenen gehouden; I have kept him off the place = ik heb hem belet de plaats te naderen; The working classes â themselves to themselves = houden zich op zichzelf; â thy shop, and thy shop will â thee = houd de hand aan uw winkel, en uw winkel zal u onderhouden; He kept pace with all iinprovements = hij hield zich op de hoogte van alle verbeteringen; You must â touch of, â in touch with the world = gij moet voeling blijven houden met de wereld : He could not â up with me = hij kon mij niet bijhouden: These advertisements iniist be kept over = moeten wij tot een ander nummer uitstellen; â it on = ga zoo door: I â to my own people = ik houd mij bij de mijnen; He kept me up to the letter of the contract = hield mij strikt aan: He kept his temper better than we had expected = hij behield zijne bedaardheid beter dan wij verwacht hadden; They kept time very well = zij bleven uitstekend in de maat;*I kept aloof = ik hield mij op een afstand; He kept his enemies at bay = hij weerde zijne vijanden af; The horse kept their ground = de cavalerie hield stand; The matter was kept close = werd geheim gehouden; Put yonr trust in taod. and â your powder dry = vertrouw op God. maar wees op alles voorbereid; Children should be kept out of harnrs way = men moet de kinderen niet aan gevaren blootstellen; The ship was kept to = het schip werd bij den wind gehouden; The ship was kept under weigh (way) = werd gaande gehouden; âer= houder, bewaarder,opziener, opzichter, cipier: âer of the Great Seal = Grootzegelbewaarder (in Engeland de Lord Chancellor); âer of the Privy Seal = geheimzegelbewaarder; âership; âing = bewaring, voeding, overeenstemming, juiste ; verhouding van licht en schaduw: In âing with = harmonieerend met; You are here in safe âing = in veilige hoede; â ing-room = huiskamer; âsake = gedachtenis, herinnering, aandenken: By way of âsake = als gedachtenis. |
Keeve, kiv, subst. tobbe, kuip, mand; â verb, in eene kuip zetten te gisten. Keg, keg, vaatje. Keith, kith. Kek, /re/c, kijk, zie (Z.-Afr.). Kelk, kelk, subst. groote steen, slag; â verb, ranselen. Keil, kei, pop (van een insect), spinneweb, net, helm (vlies). Kelp, kelp, asch van zeewier, waaruit Carbonas soclae wordt bereid. Kelpie, Kelpy, kelpi, soort v. watergeest (Schot.). Kelt, kelt, inlandsche zwarte wol. Zie ook Celt. Kemp, kemp, grove wol, onreinheden in bont. Ken, ken, subst. blik, waarneming, gezichts-bereik, lage kroeg of kosthuis: Out of â = onzichtbaar, buiten het gezicht; â verb, waarnemen van een afstand, bespeuren; âning = g;ezichtsgrens op zee (20 miles). Kendal Black Drug, kemVlblakdmg, opium. Ook: liancaster Black Drop. Kendal green. kemVlgrin, groen laken (voor Kenelin, kerilm. [jagers, enz.). Kenilworth, kenilwtth. Kensington, ken-zir^Vn. Kennel, kertl, subst. hondenhok, hok. vossenhol, enz, goot, poel; â verb, in een hol wonen, in een hok opsluiten; âraker = straatveger, iemand van den reinigingsdienst; âcoal = harde kool, gaskool. Kentish, kentié, van quot;t graafsch. Kent; âfire = opgewonden toejuiching. Kentucky, k'ntuki. Kept-niis*tress, keptmistrds, bijzit. Kerb(stone), küb{stomi), trottoirband. Kerchief, kóts if, doek. servet. Kerf, kof, kerf, insnijding (van eene zaag). Kermes, kümiz, droge lichamen van de wijfjes van Coccus ilicis, scharlakenkorrels. Kern, kun, lichte lersche voetknecht, boerenpummel, karn, binnenhalen van den oogst en oogstfeest; âbaby = met korenaren versierde pop bij het oogstfeest. Kernei, küril, subst. pit. kern, zaad, korrel; â verb, tot korrels vormen. Kernooze, kanüz, kennen, op de hoogte zijn van; âr = kenner, connaisseur (Het woord komt in scherts veel voor). Kerosene, kurosin, gezuiverde petroleum. Kerse, kvs, kers, kleinigheid (verouderd, maar nog over in: Kot worth a curse = geen zier waard; verg. Xot worth a damn). Kersey, knzi, subst. grove wollen stof; adj. van grove wol, eenvoudig; Kerseymere, kiï-zirnid, casimir. Kestrel, kestr'l, bastaardvalk. Ket, ket, kreng, vuil. Ketch, kets, kaag (Turksch vaartuig); Jack, John â = beul. Ketchup, ketédp, soort v. saus. Ook Catsup gespeld. Kettle, keVl, ketel: Here is a pretty â of fish = dat 's een mooie boel; âdrum = keteltrom, pauk, theevisite; âdrummer = paukenslager. Kevel, kev'l, een stuk hout om af te straffen, steenhouwershamer. Keziah, kozaio. Key, ki, sleutel, oplossing, vertaling, gids, |
man; «sk = ask; farm = fam; bwt = bwt; \earn = Urn; line = lain: hot/se = haus: net: care = kèa; f«te = feit; tin; «sleep aslip; not; law = ló; lord = Hid; hog = bói:
KINGDOM.
253
KHAN.
|
toonaard, klavier: We have the â of the position = wij hebben het hoofdpunt der positie in ons bezit: The pope has the power of the â s = de paus heeft de macht over den hemel: That fellow has the â of the street = die stumperd heeft geen plaats om zijn hoofd neer te leggen; â verb, sluiten (met een â): âed = met een sleutel; âless = zonder â: A âless watch = remontoir; âboard = klavier (van orgel of piano); â bugle = klephoorn; âhole = sleutelgat; ânote = grondtoon (van eene melodie); âseat = sleutelgat; âstone = sluitsteen; Keyage. Zie Onayage. Khan, kan, Az. 'gouverneur, vorst, koning, prins, hoofd, karavanserij; Khanate, kaneit, rechtsgebied van een khan. Khedive, kddiv, onderkoning (van Egypte). Kibe, kaib, winterblaar, wintervoet. Kibitka, kibitkd. Russisch rijtuig, als slede te gebruiken, Tartaarsche tent. Kiek, kik, subst. schop, terugstoot (van 't geweer): lie has a good deal of â in him this niorning = hij is van morgen slecht in zijn hum; â verb, schoppen, stooten (van een vuurwapen), bespotten, walgen: lie has âed the bucket = hij is dood; 1 âed him out to sink or swini = ik liet hem aan zijn lot over: His stomach âcd at the medccine = zijne maag walgde van de medicijn; Don*t â up a row here = maak hier geen standje of opstootje; At the age of 14 she âed the beam at IKO pounds = toen ze 14 was haalde ze al ISOpond; He wasâed upstairs into a splendid post = werd vooruit geschopt, en kreeg eene prachtige betrekking: The horse âs at everybody = het paard slaat naar iedereen: He is alive and kicking = springlevend. Kickshaws, kikëoz, beuzelarijen, wissewasjes, liflaljes (tegenover ..soliedequot; kost). Kicksy-wicksey, kiksiwiksi, âprulleke'1, âpoe-lekequot;.* Kid, kid, subst. jonge geit. geitenleer, glacéhandschoen, kind, kleine tobbe, takkebos: adj. van geitenleer: â verb, ter wereld brengen, bedriegen, voor den gek houden: There is no âding about him = men kan op hem aan: Many candidates â to their constituents = vele kandidaten houden hunne kiezers voor het lapje; âgloves = glacé handschoenen; âling = klein geitje; âtopped boots. Kidderminster, kidamxnsto, vloerkleed van echte wol. Kiddle, kidl, teenen vischweer, speeksel. Kidnap, kidnap, stelen, met geweld wegvoeren (van volwassenen en kinderen); âper = steler (van kinderen, enz.). Kidney, kidni, nier, soort, aard: They are all of the right (same) â = zij zijn allen van 't goeie (zelfde) soort: âbeau = witte boon* âshaped, âform = niervormig. Kiffckil, kifikil, soort v. meerschuim. Kilderkin, kildokin, vaatje van 18 gallons. Kilkennv, kilkeni. Killarney, kiUini. Kill, kiC, subst. doodslag; â verb, dooden, uit-blusschen, stillen: You are too âing = je laat me nog doodlachen; To â time = den tijd verdrijven; He is a âJoy = hij is een spelbederver, een âsaaie Klaasquot; (ook wet |
blanket genoemd); âdevil = rum of sterke drank in 't algemeen. Killeen, kilin, in haast gedolven graven, in tijden van hongersnood in Ierland. Killock, klldk, klein anker. Killow, kilou, zwartachtige aarde. Kilmarnock, kilmündk. Kilmore, kilmö. Kiln, kil, oven, eest, kalkoven: âdry = in een oven of eest drogen; âhole = mond van een oven. Kilogram(iiie), kildgramp;m. kilogram: Kilolitre, kilêlitd, kiloliter; Kilometer, kilornitD. kilometer. Kilt, kilt, subst. korte rok der Bergschotten; â verb, opnemen (van rok of kleed). Kimbo, kimbou, gebogen, gekromd: There he stood, with his arms aâ = met zijne armen in de zijde, en de elbogen buitenwaarts. Kin, kin, subst.maagschap,bloedverwantschap, bloedverwant, maag; adj. verwant, van dezelfde soort: He is ne\t of â = hij is de naaste bloedverwant; l\o â no care = geen kinderen. geen zorgen; I do not care for him and all his kith and â = ik geef om hem en zijne geheele familie niets. Kinciiin, kinsin, gebroken of bedorven (van taal of spraak). Kind, kaind, subst. soort, kunne, geslacht, wijze; I will pay you in â = in natura. met dezelfde munt: He has grown out of â = hij is uit den aard geslagen; I â of thought you were there = ik dacht soms, dat u er was (ook wordt â of verbasterd tot âer. Amer.); adj. vriendelijk, goedaardig, natuurlijk, weldadig, goedhartig: He took It â = beschouwde het als eene gunst; â hearted = goedhartig; â verb, baren, voortbrengen: âly = goedaardig, vriendelijk, teerhartig: The' pig fattens âly on this food = zet flink vleesch aan van: âly plant = thee. Kindergarten, kinddyWVn,Fröbelschool; Kin-dergartner, Icinddrjiitnd, onderwijzeres van eene Fröbelschool. Kindie, kind'l, ontsteken, aansteken, doen ontvlammen of ontbranden, opwekken, opwinden: The Nhavings can be used as kindlings = krullen kunnen dienen tot vuuraanmakers. Kindred, kindrad, subst. verwantschap (door bloed of huwelijk), verwanten; adj. verwant, van denzelfden aard. Kine, /cam, koeien. Kinematics, knXndmatiks, wetenschap der i zuivere beweging; Kinetic. kainetik, beweging gevende; Kinetics = leer der krachten; KinetoHcope. kaineteskoup. Zie Vitascope. King, kin, koning, vorst, heer, winner (in een strijd), dam (in het damspel); âat-arms = wapenkoning: â's-bench = soort van gerechtshof; â's (Oueeii's) evidence = medeplichtige, die getuigenis aflegt tegen zijne kameraden: â'h evil = scrofula, huidziekte; â's-yellow = koningsgeel: âcraft = regeerkunst, staatkunde: âcup = soort v. ranunculus; âfish = soort v. lamprei; âfisher = ijsvogel; âkiller = koningsmoorder; âless: âlike = als een koning, koninklijk: âpost = middenstijl van het dak: âwood = hard Braziliaaansch hout; â verb, van een koning voorzien, ten troon verheffen, aan een koning onderwerpen: âdom, kivftm, koninkrijk. |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: 7/ear = jia: kmy = loi^; s/iip = sip: occasion = okeiz'n; thin; thus = dlros; wine.
KNIGHT-ERRANTRV.
254
KINK.
|
streek, gebied: Aniuial, mineral and vege- table âdom = dieren-, delfstoffen- en plantenrijk; âdom-eome = de eeuwigheid: He went to âduni-c'oine = hij is overleden: âdomed = in den toestand van een koninkrijk: â let, âling = koninkje; âly = koninklijk, doorluchtig; âHhip. Kink, kink, subst. kink, slag in een touw, gril, eigenaardigheid; â verb, kinken (van een touw). KinrosM, kinros. Kinsale, kinseil. Kinslblk, kinzfouk, verwanten. KinHnian,fcinrm;m, Kin8Woinaii,/t'inr^^?n'n, bloed ver want(e). Kiosk, kiosk, kiosk, (Turksch) paviljoen. Kip, kip, leer van jonge kalveren; ook: Kip-hkIII. Kipe, kaip, teenen mand om visch of aal te vangen. Kipper, Jcipd, subst. zalm direkt na den tijd van het eierléggen; â verb, zouten en drogen (van visch, vooral zalm). Kirk, kijk, kerk, vooral de Schotsche; âses-Hion = kerkeraadsvergadering. Kirkaldy. kuk6{l)di. Kirtle. 'küVl, subst. soort van opperkleed, mantel, overrok, japon, buisje, jacket; â verb, in zulk een kleed kleeden: âd. Kismet, kismot. noodlot (Oostersch). Kiss, kis, subst. kus, zoen, confectie van suiker en eiwit; â verb, kussen, liefkoozen, even aanraken: The ministers âed hands yesterday = aanvaardden gisteren hun ambt (dooide'koningin de hand te kussen): She âed her hand te» her nncle = zij gaf haar oom kushandjes; The enemies âed the dnst = beten in het stof; He âed the ground, the earth = hij boog zich neder, onderwierp zich: They âed the rod = zij onderwierpen zich aan de straf; The witness âed the book = legde den eed af; She wears a âme-(|uick = zij draagt een klein hoedje; âable = om te zoenen, zoenbaar: â ing = zoen, het zoenen; âing-ernst = dat deel van eene broodkorst, dat een ander brood raakt, zachte zijde van brood: âing-in-the-riiig = geliefd volksspel. Kit, kit, kleine zakviool, groote flesch, kleine tobbe, gereedschapsbak, de âheele rommelquot;, katje. Kitcat, kitkat, doek (70 bij 90) voor portretten. Kitchen, kitë'n, subst. keuken; âdresser = aanrechtbank; âgarden = moestuin; âmaid = keukenmeid (in Engeland tot hulp van de cook, die alléén kookt); âmiddens = hoopen afval, of schelpen van heel ouden datum; â range = keukenfornuis; âstnff = keuken-of braadvet; âwench = keukenmeid; adj. bedorven: Kitchin of Kitchen Zulu = gebroken Zoeloesch (Zie Kinchin); â verb, in eene keuken voeden of onthalen. Kite, kalt, kiekendief, roofgierig mensch, vlieger, schatkistbiljet: To fly a â = een vlieger oplaten; âHying = de praktijk om geld te krijgen door tor ma wissels; âs'loot = soort van gele tabak. Kith, kith, verwanten. Zie Kin. Kitten, kiVn, subst. jonge kat; â verb, jongen werpen. Kittiwake, kitiweik, soort van zeemeeuw. |
Kittle, hifi, kiedelen, kietelen: â cattle = moeilijke stof; Kittlish, kitlié, kietelig, gevaarlijk, gewaagd, bedriegelijk. Kittys (St), s'ntkits, de H. Christoffel. Kitty, Idti, Kaatje. Kive, kaiv. Z. Keeve. Kleptomania, kleptdmeinjo, steelmanie: Klep-I tomaniac = een lijder aan kleptomania. Kliek, klik, tikken. Klipspringer, klipsprb\a, antilope (Kaap). Kloot', klüf, kloof, ravijn, voor. Knack, nak, slag, handigheid, beuzelarij, list, gemakkelijkheid, gewoonte: There is a â in doing it = men moet er slag van hebben: âer = paardenvilder; âer's yard = paarden-villerij. Knag, nay, knoest of kwast (in hout), wrat, ruwe rots- of heuveltop; begin van den hoorn van een hert; âged; âgy. Knap, nap, subst. uitstekende punt. knobbel, heuvel; â verb, een scherp, knetterend geluid voortbrengen. Knapsack, napsak. ransel, knapzak. Knapweed, napwicl. duizendguldenkruid. Ivnar(l), na(l), knoest lt;in hout). Knave, neiv, schurk, bedrieger, boer (in 't kaartspel); Knavish: âry = schurkerij, bedriegerij; Kn avish trick ='schurkenstreek. Knead, nid, kneden: âed in the same trough = van hetzelfde maaksel, met één sop overgoten; âer; âing-trongh. âintrof. bakkerstrog. Knee, ni, knie, kniestuk, kniebuiging, hoffelijkheid, stut of steun; tio down on your âs to him = kniel voor hem; The prize-fighters were given a â after every round = de kampvechters namen na lederen, toer wat rust (nl. op de knie van een der secondanten); âbreeches, âbrilsiz, kuitenbroek; âcap = kniebeschermer (voor paarden), knieschijf (deze wordt ook knee-pan of patella genoemd); âdeep = tot aan de knieën: âhigh = tot aan de knieën; âhaltered = gekluisterd (zoodat de kop aan den poot is vastgemaakt; zie Hobble) van paarden; â holly, âholm = aculeatus: âjoint = kniegewricht: âtribute = eerbewijs door knieling; âd. nid, van knieën voorzien, gebogen als eene knie. Kneel, nil, knielen; âing(ly). Knell, nel, subst. doodsklok, dood, doodelijke slag; â verb, de doodsklok luiden. Knew, njü, imperf. van to know. Knickerbocker, nikdhokd, (oude) bewoner van New-York; âs = korte broek (van schooljongens en sportlui). Knick-knack, niknak, beuzelarij, snuisterij. Knile, naif, subst. mes, scherpe dolk: âboard = slijpplank, zitbank bovenop eene omnibus; âedge = scherpe kant van het mes; â grinder = messen- en scharenslijper; ârest â messenleggertje; âsharpener = mesaan-zetter, messenscherper;âtray = messenbak; â verb, uitsnijden, snoeien, doorsteken: Kniting alfrays = gevechten met messen. Kniglit, nait, subst. ridder, kampioen, paard 1 (in 't schaakspel), niet erfelijke titel (met sir vóór den doopnaam): âerrant = dolende ridder; âerrantry = dolende ridderschap: | â of the shire *= vertegenwoordiger van |
man; ask = ask: form = fam; but = but; learn = Km; line = lain: house = hans: net: care = kee; fate = feit; tin; asleep = bslip; not; law = 16; lord = löd; hoy = boi:
KYRIE.
255
KNIT.
|
een graafschap in het parlement; â of the road =roover; â of the blade = ijzervreter; â of tlie tlihnble, â of the needle, â of the shears = ridder van de el of kleermaker (schertsend wordt knight in nog meer gevallen gebruikt); â verb, tot ridder slaan; âage. naitidz, al de personen, die den titel knight hebben; boek met hun aller namen; âhood, naithud, ridderschap: â ly, âlike = ridderlijk. Knit, nit, knoopen, breien, samenbinden, aaneenhechten, doen samengroeien, fronsen, vlechten: He â hih brow (the brown) = hij fronste het voorhoofd (de wenkbrauwen): âting = het breien of vlechten; âting-inachine = breimachine;âting-needle,âting-pin = breinaald, breipen; âtinggt;8heath = breipenscheede. Knittle, niVl, koordje (van eene beurs), touw voor eene hangmat. Knob, nob, knobbel, knoest, hard stuk, knop (van stok of deur); âbed; âby; ântic-k = werkman, die aan eene werkstaking of arbei-dersvereeniging niet wil meedoen. Knobkerry, nobkeri, knots met ronden knop. Knock, nok, subst. slag, klop, stoot; â verb, slaan, stooten, kloppen: lie lias been âing about the whole dav = rondgezworven: He is âing himself about = hij vliegt van 't een op 't ander; That man was âed about = leelijk toegetakeld; He âed his enemy flown = velde neer, sloeg tegen den grond: The picture was âed down to me for (»00 guilders = werd mij toegeslagen: 1 will not â off one penny = ik wil er geen stuiver afdoen: The workmen have âed off = hebben opgehouden met werken: He was âed over in the street = neergeveld; Are yon going to light or to â under? = het opgeven? He has âed that opinion on the head = hij heeft die meening den kop ingedrukt; I am quot;quite âed up = ik ben doodop; He was âed silly = deed zoo'n val (kreeg zoo'n slag), dat hij* bewusteloos werd; âkneed = met de knieën binnenwaarts; âknees = binnenwaarts gebogen knieën; âout = afspraak om bij eene verkooping niet tegen elkander op te bieden, ten einde alles zoo goedkoop mogelijk te krijgen; âer = klopper. Knoll, now/, subst. heuvel(tje), heuveltop; â verb, luiden (vooral van de doodsklok). Knolles, noulz. Knop, nop, knop, knoop, groep, bladeren, bloemen of iets dergelijks. Knot, not, subst. knoop, vouw, bocht, groep, bende; verzameling, knoest, moeilijkheid, schouderlap (voor dragers van lasten), schouderbedekking, epaulet, knoop (ongev. 2.025 yards): How many âs is she going now? = hoeveel knoopên loopt het schip nu? The marriage â = huwelijksband; â verb, knoopen, verbinden, samengroeien, verwarren, knoesten vormen; âgrass = duizendknoop, varkensgras; That is rather a âty point = lastig punt (eig. vol knoesten); âted = vol âs. |
Knout, nant, subst. knoet (zweep m.plat lederen riem); â verb, met de knoet straffen. Know, nou, kennen, verstaan, weten, begrijpen, vernemen: He knows it like ABC = kent het als een lier; 1 do not â how to do this problem = ik weet dit vraagstuk niet op te lossen; You â very well what you are about = je weet drommels goed wat je doet; 1 â him for a clever fellow = ik weet, dat hij een knappe vent is; That man does not â his own mind = weet zelf niet wat hij wil; He does not â on which side his bread is buttered = hij kent zijn eigen voordeel niet; He âs what is what = heeft z'n weetje, is een gladde kerel; He does not â w hich is which = hij weet het ééne niet van het andere te onderscheiden; 1 never knew him do it = ik heb het hem nooit zien doen, van hem bijgewoond; He is a âing one = gewikst; I will make you â better in future = ik zal wel zorgen, dat ge het later beter weel; âable: âer; âing = glad, slim: There is no âing what he may do next = men kan niet weten, wat hij straks zal doen; âledge, nolddz, kennis,wetenschap, geleerdheid: He has not gone there, to my âledge = voorzoover ik weet: âledge is power = kennis is macht; -ledge-box = kop: ânothing = weetniet. Knouwles, noulz. Knub(ble), nnb^l), met de knokkels slaan. Knuckle, nnk'I, subst. knokkel, kniegewricht (van een kalf), schenkel; â verb, met de knokkels slaan; I am not going to â under (down) = ik wil niet toegeven of mij onderwerpen; âduster = ijzeren ring om de knokkels te beschermen bij het toebrengen van een hevigen slag; boksijzer. Knur(l), n/gt;(7), knoest, knobbel, knoop, norsche en koppige kerel; â ly. Kobold, kobould, kabouter. Kobns, koubos, soort van antilope (Midden-Afrika). Kodak, koudak, klein photographie-toestel. Kolf, kof, Hollandsch visschersvaartuig met twee masten, soort v. Nederl. tweemaster. Kopje, kopjd, heuvel (Z.-Afrika). Koran, kór'n of koran, koran. Kourbash, Icüdbaé, subst. zweep van hippopotamushuid: â verb, met deslaan, of martelen. Ko(w)-tow, koatou, Kotoo, koutü, subst. diepe buiging, lage vleierij ; â verb, diep neerbuigen, verachtelijk vleien: They âed to her on account of her reputation. Kraal, krat of krol, dorp (in Z.-Afrika). Kraken, kreik'n, fabelachtig zeemonster (bij. de kust van Noorwegen). Krang, kran, geraamte van een walvisch na wegneming van het vet. Kransick,/trassi/:,gek,krankzinnig(Transvaal).. Kruller, km ld, in vet gekookt krulkoekje. Kudos, kjildos, roem. eer. Kuril, küril, zwarte stormvogel. Kylin. kail in, jong van een leeuw en een Ãhineeschen hond. Kyrie, ktrid of kairid, deel der Mis. |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; year = jia; long = Ion; s/iip = «ip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dints; wine.
LADLE.
L.
|
Ij, el; L = 50; Liiber) = boek: Xj(ibra) = | pond. ook: lib; Jjatiin): Hord) C(lianiberlain of Chancellor): Liacly)Diay) = Maria Boodschap: Liorcl) C(hief) *T(uslice); lex(icori); Ld = Lord: JAeut(enant) = luitenant: JL^egis) â¬{ivilis) I}{octor) = Dr. in hetburgeii. recht; L. Ij. D. = Legum Doctor = Dr. in de beide rechten: Ij. L. B. = Candid, in de beide rechten; I.ongiituile) = geograph. lengte: L{ow) Ger-Cma/r) = Nederduitsch; TAh(rary); JAqiuor); TAt{erarum) Igt;(octor)] TAord) T^ieutenant of) l(reland); Lonidon)'. Loq(intur) = hij (zij) i spreekt: T^ordshi)}*; J^(ord)l*(rovost); X.(eft) S(ide): Xj(ibrae), 8{oUdi\ d(enarii) ponden, shillings, pence. La. /ü, hè, kijk, zie! L:i. ld, zesde noot in de toonschaal. Labarum, lahdr'm, standaard v. Konstantijn den Groote, waarop het monogram van den Griekschen naam van Christus. Labefartion, labifaks n, achteruitgang, verval. Label, leib'l. subst. etiket, lijstwerk boven deur of venster, codicil: â verb, een etiket hechten aan. merken, beschrijven. Labial, leibj'U subst. lipletter; adj. tot de lippen behoorende of er mede gevormd: Labiate(dgt;. leibjit, l-eibjeilid, met twee door eene regelmatige opening gescheiden lippen: Labio-clental, leibjoudent'l. subst. eene door lip en tanden gevormde letter, als f en v: adj. gevormd door lippen en tanden. Laboratory, labdrdtori of Idborotdri, laboratorium, werkplaats. LaborioiiH, labêrids, werkzaam, ijverig,moeilijk, vermoeiend. Labour, leibn, subst. arbeid, werk, barensweeën, pijn, arbeidersbevolking van een land; â verb, arbeiden, zich inspannen, zwoegen, stampen (van een schip),aandrijven,bewerken: lie âa iiiider dit'lic'iiltieH = hij had met moeilijkheden te kampen; They were â iiig under an illness = laboreerden aan eene ziekte: A âed piece of work = eene taak, die de sporen van arbeid of inspanning draagt; A âHaving inaeliine = die veel werk uitspaart: âed = onnatuurlijk, niet vrij, al te veel kunst verradend: âer = arbeider: Skilied und unskilled âer.s = volleerde en geen vak verstaande arbeiders; A âing-inan = landbouwer, losse arbeider. Labrador, labrddö. LabroHe, labrous, met dikke lippen. Laburiium, Idburim, goudenregen(boom). Labyrintli, labirinth, doolhof, onverklaarbare moeilijkheid;âilbrm, /ai//rtr^////om.labyrinth-achtig, -vormig; â ian, lubirinthion, âine, iRbirinthin, verward, kronkelend; â ic(al), labirinthiki'l), als een doolhof. Lac, lok. harsachtig lak (gebruikt voor verven in rood), honderdduizend (Eng. Indië; in de laatste bet. ook lak/i gespeld): âdye, âlake = schilderslak; âcie, laksik, behoorende tot, of getrokken uit lac. Lacradive», lakddaivz, groep eilanden. |
Lace, leis, subst. kant, snoer, rijgveter, galon, strik: Without â = zonder cognac, sterken drank of likeur; â verb, vastmaken, rijgen, met galons versieren, afwisselen, afranselen, sterke dranken voegen bij; âbark = binnenste bast v.een W.-Ind. heester; âwinged = netvleugelig; âmaker = kant- of passementwerker; â-nian, âwoman = kantver-kooper (-ster). Lacedaemon, lasidim'n, Lacedemonië; âian, lasidinioiinfn, Lacedemoniër, Lacedemonisch. Lacerate, lasareit, (ver)scheuren, wonden, scheiden: Laceration = scheur, wonde. Lacerta, hisvtD, hagedis; Lacertian, Idsvs'n. Lacertine. Idsntin, hagedisachtig. LaclieN. lasiz, nalatigheid. LaclieMis, lakdsis, eene der drie schikgodinnen: soort van ratelslang. Lac(li)ry mal, lakrim'l,traan..: The â glands = de traanklieren; LachrymoHe, lakrimous. somber, droevig, tranen stortend. Lacing, leisir^, boordsel, veter, het vastmaken met veters. Lack, lak, subst. gebrek, behoefte, verwijt: .lohn âland = Jan Zonder Land; âa-day = helaas: Mood â = Jeminiejoosje: He i» a âadaisical fellow = gemaakt sentimenteel: â verb, gebrek hebben aan (soms met for), berispen; âall = wien het aan alles ontbreekt; âlustre = glansloos, somber. Lackey, Lacquey, laki, subst. lakei, lijfknecht, slaafsch volgeling of dienaar; â verb, als lakei dienen, slaafs dienen. Laconia, Idkonnjd. Laconic(al), IdkonikCl), streng, droog, kort, bondig; Laconism, lakonizm, Laconicism. Idkonisizm, korte en bondige uitdrukking of spreekwijze. Lacf|uer, lake, subst. vernis, lak, onecht zilver; â verb, vernissen, verlakken, â jactation, lakteiS'n, het zoogen; Lacteal, laktidl, Lactean, laktidn, Lacteoiis, laktids, melkachtig: Lacteals. laktidlz, meikaderen of -vaten; Lactescent, laktes'nt, melkachtig, melksap voortbrengend, in melk veranderend: Lactic, lak tik, melk.., uit zure melk getrokken of daarin vervat: Lactic fermentation = het zuurworden der melk; Lactin(egt;, laktin, melksuiker; Lactose , laktous, suiker uit lactine bereid; Lactometer, laktomate, melkweger. Lacuna, Idkjuno, gaping, hiaat, kuiltje; âI = met gapingen. Lad, lad, jongeling, jonge man, kameraad: âdie, dy = verkleinw. van lad. Ladder, 'ladd, ladder, scheur (in eene zijden kous): He soon got to the top of the â = hij klom spoedig tot de hoogste ambten: He can't see a hole through a â = hij kan geen steek meer zien, is erg bekrompen. Lade, leid, laden, scheppen (van water, etc.): Lading = het laden, lading: Bill of lading = vrachtbrief. Ladle, leidl, subst. pollepel, gietlepel, schep- |
man: ask = Ask: farm = lam; b^t = b«t; \earn = Iwn; line = lain; howse = hans: net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not: \aw = lo; lord = löd; boy = bói;
LANDFALL.
257
LADRONE.
|
bord. plank van een molenrad, laadlepel (ook, om de lading uit het geschut te verwijderen): â verb, met een grooten lepel toedienen; âfuï. liadrune, Iddroun. dief, schurk; âs, Iddrounz, Dieveneilanden. liady. leidt, (voorname) dame, vrouw van een knight of baronet, dochter v. een hoogadelijke, mevrouw, vrouw, liefje: Our â = Onze Lieve Vrouwe; Your (good) â = uwe echtgenoot; âbird = lieveheersbeestje = âImg: â «â liapel = kapel aan de Maagd Maria gewijd; âday = Maria Boodschap (25Maart); âkiller = adonis, damesveroveraar; â'«-«mock = waterkers: â's-treases = draaisteel; We carried lier in the lashion they call lailies' ciiMliion = we droegen haar tusschen ons beiden op onze ineengevouwen handen; âtam = manieren van eene â; âkin (gew. fjakin. leikin) = Onze Lieve Vrouwe; âlike = als eene dame, kiesch,vrouwelijk,verwijfd: âlove = geliefde; â»liip = rang of titel van eene â: Your âship = Uwe genade, Mevrouw. Lag, lag, adj. langzaam, dralend, laatste; â ! verb, dralen, achterblijven, transporteeren of naar de strafkolonie zenden; âgard, lagod, subst. draler, talmer: adj. langzaam,achterlijk, treuzelig. Lager beer, Idgobid, Duitsch bier. Lagoon, Idgün, waterplas bij eene riviermonding: âreef = koraaleiland. Ijagrimando. lagrimandou, LagrimoMO, lagri-mousou, plechtig, klagend (muz.). Laic, le{i)-ik, subst. leek; adj. tot de leeken behoorende. Laid, leid, gelegd: It was â on the shell' = buiten dienst of rekening gesteld; âpaper = geribd papier: â up = bedlegerig: lie was â up M'itli the rlieiiniatiHin = hij lag te bed met de rheumatiek; opgestapeld, afgetakeld (van een schip). Laidly. leidli, afzichtelijk, walgelijk. Lain,* tem, part. perf. van to He = liggen. Lair, lêo, leger (van een wild dier). Laird, lêod, heer (van eene heerlijkheid). Laity, le(i)-iti, de leeken. Lakê, (eik. meer, soort van verf: âdwellers = bewoners van paalwoningen; âsettlement = verzameling van paalwoningen; âlike = gelijk een meer; âlet = meeitje; â Leman = het Meer van Genève = The â of tieneva. Lallation, laleis n, spraakgebrek, waarbij do r als / wordt uitgesproken. Lainarrkisin, Idmükizm, theorie van Lamarck. Lamb, lam, subst. lam, lieverd; â verb, lammeren werpen: âale = feestelijkheid bij het scheren der schapen; â's-wool = lamswol; bier met suiker, notenmuskaat, gember, enz.; âkin = lammetje, lieveling: âlike = zacht (als een lam); âskin = lamsvel. Lambent, lamUnt, flikkerend, spelend, lekkend. Lambreqnin, lambdkin, helmbedekking tegen de hitte, draperie boven aan een venster. Lame, leim, adj. kreupel, verminkt, hortend, onvolkomen, gebrekkig; â verb, kreupel maken, verminken; âdurk = iemand, die zijne verplichtingen op de (effecten)beurs niet nakomt; âly: -news. Lamella, Idmeld. dunne plaat of schilfer; âr; |
âte(d), lamdleit(id), met dunne platen of schilfers bedekt; Lamelliform = schilferachtig. Lament, /awc/if, subst. weeklacht; â verb, betreuren, weeklagen; âable, lam'ntdb'l, jammerlijk, betreurenswaardig, treurig; âation = weeklacht, jammerklacht: The â ations of Jeremiah = Klaagliederen van J.; âer. Lametta. Idmetd, goud-, zilver- of koperdraad. Lamia, leimjd, booze geest in den vorm eener slang met vrouwenhoofd: heks, toovenares. Lamina, lamino, dunne plaat, bedekking,blad; â ble = tot dunne platen pletbaar; âte(d), lamineit(id), uit dunne platen bestaande. LainniaH, latnos, 1 Augustus: At latter â = met St. Juttemis. als de kalvers op het ijs dansen; âday, âtide = St. Pieter (4 Aug.). Lamp, /amp,* lamp; âglass = lampeglas (gewoonlijk Chininey genoemd): âblack = lampzwart: âpost = lantarenpaal; âlight = lamplicht: âlighter = lantaarnopsteker; -ad = toorts, fakkel; âadronie, lampd-droum, wedloop met brandende fakkels; âion, lampfn, kleine lamp, lampion. Lanipolt;m, rmpün, subst.schotschrift; â verb, schotschriften schrijven; âer. Lamprey, lampri, lamprei. Lanark.' landk. Lanatetd), leineit(id), wollig, zacht. Lancashire, lankaèd. Lancasterian. lar^kdsttridn, volgeling van Joseph Lancaster en zijn opvoedingsstelsel met monitors. Lanrastrian, lanjcastrion, partijganger van Hendrik IV van Lancaster. Lance, hms, subst. speer, lans, lansier: With â in rest = met gevelde lans; â verb, met eene lans doorsteken, met een lancet openen; âolate(dgt;, Idnsidleit(id), aan beide zijden in eene punt uitloopend; ârs = âquadrille des lanciersquot;. Lancelot. Idns.)ldt. Lancet, lansdt, lancet; --arch = boog met spitsen top; âwindow = hoog en smal venster met spitsen boog. Lancination, lansineis'n, scheuring, wond; Lancinating, lansineitiv,, scherp, snijdend, | vlijmend. Land, land, subst. land (tegenover zee), landstreek, grond, natie, landerijen: The great of the â = al het land: By â = te land; â of the leal = land der zaligen, hemel; The ship made (the) â == kwam in t gezicht van land: They set the â = zij namen hoogte (met betrekking tot hun afstand van het land); The cape sluit in the â = door i de kaap was het land niet te zien; The â was looming = in de verte doemde land op; I want to see how the â lies = ik wil me op de hoogte stellen, poolshoogte nemen; â verb, landen, aanlanden, aan land werpen; I âed hini for ten pounds = kreeg van hem los; He âs hiniself in all kinds of difficulties = hij brengt zichzelf; I âed a splendid lish = wierp op het droge: â of Promise = Land der Belofte: â of Cakes = Schotland; âagent = die voor den eigenaar de eigendommen bestuurt; âcrabs = landkrabben; âfall = plotselinge overdracht van land door den dood van een rijke, land-afschuiving, ontdekking van land na eene lange |
bone = boun; full; fool = ful; e = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; i/ear = jia; \ong = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dlius; wine.
ten bruggencate, Eng. Woordenboek. 17
LAND-FLOOD.
258
LARD.
|
reis; âflood = overstrooming; âforce = landmacht; âgrabber = iemand in Ierland, die land huurt waaruit een ander met geweld gezet werd; âgrave = landgraaf (bestuurder van eene provincie); â-graviate, greivjit, landgraafschap; âgravine, gravin, vrouw van een landgraaf; âholder = grondbezitter: âjobber = landerijenspeculant; âlady = huisjuffrouw, waardin; âlock = met 'land omsluiten: A âlocked bay = rondom door land ingesloten baai; âleague = in 1879ge-vormde'en in 1881 door de regeering verboden bondgenootschap van huurders tegen de landeigenaren (Ierland); âleaguer = lid van de land-league', âloper = vagebond, landlooper: âlord = huisbaas, waard; âlordiHin = de maatregelen der landeigenaren (als één lichaam) tegenover hunne huurders; âlobber = landrot (scheldnaam voor niet-zeevarenden); â man = iemand, die niet op zee is; âmark = grenspaal, baken, gewichtig tijdpunt; â measuring = het landmeten: --owner = grondbezitter; -rail = wachtelkoning (vogel); ârat = landrat, dief, roover; ârent = landrente: âreeve = helper van den rentmeester: âroller = zware rol, om aardkluiten te breken; âscape = landschap; âscape-gardening = de kunst van tuinen en parken aanleggen; âscrip = bewijs van landaankoop (Amer.); âshark = landhaai, d. i. bedrieger, beunhaas; âside = de platte zijde van den ploeg; âslip, âslide = grondafschuiving, de afgeschoven grond; âs-nian = iemand, die niet op zee is, matroos op zijne eerste reis; âspring = waterwel na zwaren regen: âsteward, stjnwdd, rentmeester; â«ur-veyor = landmeter; âsurveying = het meten en in kaart brengen van* land; âtax = grondbelasting; âturn. âwind = landwind: âlt;inggt;-waiter = kommies, die let op het landen van belastbare goederen: âward = landwaarts; âworker = arbeider, landbouwer; âless; âed = land bezittend: â ed proprietors = grondbezitters: The âed gentry = landadel; â ing = het aanlanden, landingsplaats, pier. werf, perron (van een spoorwegstation, in Amerika: in Engeland heet het: platform), bordes: âing-net = klein net om gehengelde visch aan land te krijgen; -ing-place = landingsplaats; âing-surveyor = opziener over de -(ing)-waiters. Landaii, landó, landauer (rijtuig); âIet, Inndólet. kleine landauer. liane, /ein, nauwe weg of pad tusschen groen of twee rijen mensclien door, nauwe straat, steeg: The â = een theater (Drury liane) inL! Langate, lai\geit, rol linnen voor wondver-banden. liaiighain, laiidm. iiangholm, lai\dm. iiangrage, langridz, liangrel. langr'l,schroot. Lang-syne, lansain, lang geleden. lianguage, langwidz, taal, spraak, stijl, ge-meene taal, vloeken: He used (bad) â = hij vloekte, etc.; âmaster = taalonderwijzer. Ijanguid, langwid, kwijnend, zwak, traag: iinnguisli. lang wié, subst. het kwijnen, zachte en teedere blik; â verb, kwijnen, smachten, kniezen, achteruitgaan; liunguor, lar\g{iu)a, matheid, dofheid, slapheid; Languorous = mat. |
Laniary, leinjori, subst. slachthuis, hondstand; adj. verscheurend. Laniferous, Idniforas, woldragend. Lank, lat\k, adj. dun, mager, schraal en lang; â verb, schraal worden. Lanner, lam, wijfje van den steenvalk; âet = kleine steenvalk. Lansquenet, lanskdmt, lansknecht, kaartspel. Liintern, lantan, subst. lantaren, lichtschepping (in een koepel, etc.): Chinese â = lampion: Dark â = dievenlantaarn; Magie â = too-verlantaarn; Feast of âs = feest in China op den eersten van iedere maand: â verb, aan een lantaarn ophangen: lie was lynched and âed; âfly = glimworm; --jawed = met een lang en mager gezicht; âjaws = lange,schrale kaken; âwheel = verticaal rad, dat de beweging op een ander rad overbrengt. Lanyard, Laniard, lanjsd, taliereep. Laodicean, lexddisian, tot Laodicea. leioudisio (in Phrygië) behoorende: onverschillig in godsdienstige dingen. Lap. lap. subst. pand (van een kleed), schoot, de knieën, middelpunt met de omgeving, lengte der dikwijls te doorloopen baan bij een wedstrijd: het likken, geruisch van kabbelend water: â verb, op den schoot leggen, polijsten, (op)likken, kabbelen, bedekken, omringen, omvouwen: âdag = schoothondje; âstone = klopsteen (van een schoenmaker); âwork = werk, waarbij het eene gedeeltelijk over het andere gelegd is: âful; âper = vouwer, likker. Lap(p)el, lapel (van eene jas): Aâled coat. Lapidary, lapiddri, juwelier, juweelwerker; âstyle = voor monumenten en opschriften gepaste stijl. Lapidesceiice, lupides'ns, versteening: Lapi-dose. lapidous, wat in steenachtigen grond groeit. Lapilli, lopllai. vulcanische asch. Lapis, leipis, steen; â infernalis = helsche steen; â piunex = puimsteen. Lapland(er), lapli\nd(lt;gt;), Lapland(er), ook kortweg Lap(p); Lappic; Lappish. Lappet. lapdt, slip, pand, loshangend deel van kapsel of muts; Cap â = oorlap (v. eene muts, etc.). Lapse, laps, subst. val, loop, glijding, schier onmerkbare beweging, fout, vergissing, plichtverzuim, afdwaling, Adams zonden val: âverb, vallen, glijden, glippen, dwalen, den plicht verzuimen, vervallen (van een legaat wegens verzuim of dood. etc.), van nul en geener waarde worden: That is a lapsed legacy = vervallen legaat: Lapsable = wat vallen kan. Lapsided, lapsaidid. Zie Lopsided. Lapwing, lapwh\, kieviet (ook Peewit genoemd). Lar, la (Mv. Lares, lêriz), huisgod (bij de Romeinen). Larboard, lilböd of lübdd, bakboord (linkerzijde van het schip, thans gew. I'ort genoemd).' Larcener, Idsond, Larcenist, Idsdnist, dief; Liircenous, lüsands, diefachtig; Larceny, lüsdni, diefstal: He was accused of *a simple â = van eenvoudigen diefstal. Larch, lats, lorkenboom. Lard, lad, subst. varkensreuzel, spek: â verb, i doorspekken, lardeeren, vruchtbaar maken, |
man: ask = ask; farm = fam; bitt = but; learn = lèn: line = lain; house = haus; net: care = kè»; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lo?'d = Hid; bo?/ = bói;
LARDACEOUS.
LATIN-UNION.
|
vermengen iViet iets anders; âaceou», lüdei-ëds, uit reuzel bestaande = ây; âer = provisiekamer, mondvoorraad. Large, lcidz, ruim, groot, breed, omvangrijk, overvloedig, veelomvattend, verziend: She had a â heart = edel hart; lie talked at â = hij praatte maar toe: A âminded person = iemand met ruimen blik (tegenover narrow-minded = bekrompen): Tlie pri-HonerM were (set) at â = waren (werden) vrijgelaten; Tlie public at â = het groote publiek; The ship went (wailed)â= zeilde vóór den wind; A âhanded fellow = roofzuchtig, begeerig, ook: overdreven mild, verkwistend; LargiHh = vrij groot, tamelijk ruim. LargestMe), Iddzos. geschenk (van meerderen aan minderen), overvloed, mildheid. Larghetto, lagetou, Largo, lügou, breed en langzaam (muz.). Lariat, lariat, subst. halster voor het vastbinden van paarden in het kamp; â verb, met een lariat vastbinden. Lark, lak. subst. leeuwrik, pretjé, opstootje, âlolletjequot;: 1 am up to a â = ik houd wel van dolle pret; â verb, pret maken, voorden gek houden; âpudding = soort van fijne pudding: ânpur = ridderspoor. Larrikin, lari/cin. subst. ruwe klant: adj. ruw, oproerig (Australië). Larry, lari. Zie Lorry. Larva, lüvd, larve of 'pop (van insecten): âI = tot eene larve beboerende; âte(d), lüveit(id), gemaskerd: LurviparoiiH, laviparas, larven voortbrengend. Laryngeal, loHnzdl, Laryngeal!. Lirinzon, tot*de luchtpijp of het strottenhoofd behoo-rende; Laryngitis, larindzaitis, ontsteking van de larynx; Laryngoscope, terinr/dskoup, keelspiegel; Larynx, larinks. luchtpijp,strottenhoofd. Lascar, Idskü, O.-Ind. matroos op Europeesche schepen. Lascivious, Idsivjds, wulpsch. Lash, laë, subst. het slag (v. eene zweep), zweep, zweepslag, geeseling, sarcasme, schimprede, ooghaar: He is under the â of his wife = onder de plak: The horse gave a sudden â out = begon plotseling te schoppen of dartel te worden: â verb, zweepen, slaan, geeselen, doorhalen, hekelen, schimpen, vastbinden: His horse âed out = zijn paard sloeg, werd dartel; âing = touw, bindsel (op een schip); â ings = overvloed. Lass, las of Ids, meisje, deern. Lassitude, lasitjüd, moeheid, matheid. Lasso, lasou, Lazo, lazoa, subst. strik tot het vangen van wilde paarden of wild vee in Spaansch Amerika of Texas; â verb, meteen lasso vangen. Last, lüsU subst. last, volharding,leest: Shoemaker, stick to your â = blijf bij je leest; adj. laatste, besluitend, uiterste, geringste, jongstleden: The â century = vorige; â night = gisteren avond; At*â = ten laatste, eindelijk: At the â = op het einde, laatste oogenblik; â though notieast = het laatste, maar niet het minste; He breathed his â = hij blies den laatsten adem uit; He retained Ins wits to the â = hij bleef tot het laatste toe bij zijne zinnen; The â event = de bone = boun; full; fool = ful; «gt; =-----â Ion# = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; i |
dood; Shall I never hear the â of it = houdt dat dan nooit op: The affair is on its â legs = het is bijna uit of over er mee; â verb, duren, uithouden; âing, subst. volharding, voortduring; adj. volhardend, duurzaam: That is to your âing honour = dat strekt u eeuwig tot eer; â ly. Lastage, lüstidz, lading, ballast, bergplaats voor goederen. Latch, latë, subst. klink; â verb, met de klink sluiten; âkey = huissleutel, lichter van de klink: For you the string of the â is on the outside = gij zijt te allen tijde welkom. Latchet, latsdt, schoenriem. Latching, latèing, lus om een zeil aan een ander vast te maken. Late, lelt, laat, langzaam, vergevorderd, wijlen, overleden, ex-, pas gebeurd: Our â king = wijlen onze koning: Mr. X., â of her Majesty's service: Vou are five minutes â '= gij komt vijf minuten na uw lijd: The train is â = te laat; The â rains have spoiled the crops = de in den laatsten tijd gevallen regens hebben den oogst bedorven; 1 have seen much of him of â = in den laatsten tijd heb ik hem veel ontmoet; I saw him âly = onlangs heb ik hem gezien; It did not'happen until very âly = is pas onlangs gebeurd; âr on in the day = later op den dag; âness. Lateen(-sail), ldtin(seil), driehoekig zeil (Mid-dell. Zee). Latent, leifnt, latent, verborgen; â heat = latente warmte; Their steps awaked the â echoes in the house = deden de slapende echo's ontwaken. Lateral, latdrl, zijdelingsch, uit de zijden voortkomende, in de richting der zijden. Lateran, latdr'n, voornaamste kerk van Kome; â councils = de vijf kerkvergaderingen, daar gehouden. Laterifolious, latarifoulios, aan de zijde van een blad groeiende. Lateritious, latdrisds, tegel-ofbaksteenkleurig. Lath, lath, subst. lat: He is as thin as a â = zoo mager als een houtje; âand-piaster = van bepleisterde latten; â verb, met latten bedekken of bespijkeren: âwork: ây = (zoo) dun (als eene lat), van latten gemaakt. Latham, leith'm. Lathe, leidh, draaibank. Lather, ladho. subst. zeepsop, schuim: â verb, inzeepen, schuimen, met zeepsop of schuim bedekken (bedekt worden). Latidentate, leitidenteit, met breede tanden. Latifoliate, leitifouliat, Latifolious, leiti-foulids, met breede bladeren. Latimer, latimd. Latin, latin, subst. Latijn, Romein; adj. La-tijnsch, Romeinsch; â Church = Roomsche Kerk; â cross = kruis, waarvan het onderste lid langer is dan de andere drie: â races = Franschen, Spanjaarden en Italianen: âiinion = muntconventie tusschen Frankrijk, België, Italië, Zwitserland en Griekenland: âism = Latijnsch idioom; âist = Latijnsch geleerde. Latinist; Latinity = Latijnsch idioom, gelatiniseerde Engelsche uitdrukking; âize, latinamp;iz. Latijnsche vormen of uitgangen geven, La- vokaal (zie asleep en care); girl; year = Jio; lin; th\xs = dims; wine. |
17-
LATITATION.
260
LAYLAND.
|
tijnsche woorden en spreekwijzen gebruiken, aan den Pauselijken Stoel onderwerpen. Latitat ion, leititeis'n, het verborgen zijn, het verbergen. Latitude, latitjüd, breedte (geographische), ruimte, omvang, onbepaaldheid, onnauwkeurigheid, vrijheid, ruimte van opvatting, afwijking (van een bepaalden standaard); Latitudinal, fatitjüdiril, met betrekking tot de breedte: Latitudinarian, lutitjüdinêridn, subst. en adj. vrijzinnig(e), vrijdenkend(e). Latitudinariaiiisiii = vrijzinnigheid. Latrine. Idtrin, privaat (vooral in kazernen, hospitalen en gevangenissen). Latten, lat'n, subst. fijn soort van geel koper, geslagen metaal; adj. van â gemaakt; ââ¢bras» = geplet koper. Latter, /afa, laatste (van twee), nieuw, pas gebeurd; âday Saints = geestdrijvers uit Cromwell's tijd, die zich alléén onderdanen van Jezus noemden, en eene vijfde groote monarchie (na die van Assyrië, Perzië, Griekenland en Rome) onder Jezus verwachtten; de Mormonen; The âday liglit» of London = de Londensche sterren (op tooneel- en ander gebied) van den laatsten tijd; âmath = nagras, etgroen; âly = onlangs, in den l.tijd. Lattice, latis. subst. open lat- of traliewerk (ook --work): â verb, met traliewerk voorzien. doorvlechten. Land. /od, subst. lof, loflied, hymne; âs = vroegmis, morgenlof; â verb, lofzingen, prijzen; âable = lofwaardig, prijzenswaardig, gezond; âableness = Laudability; âation, lódeië'n, lof; âatory, lóddtdri, lovend, prijzend. Liaudaniiin, lóddnztn of loddnom, tinctuur van opium. Laugli, Mf, subst. lach, gelach (Zie llorse); â verb, lachen, plezierig aangedaan worden: lie âed at me = lachte.. uit; He âed outright in (to) my laee = hij lachte mij royaal in het gezicht uit; He âed in his sleeve = lachte in zijn vuistje; He âed on tlie wrong side of bis inoutb (face), ook: Heâedon tbe otber side (corner) of bis inoutb = hij schreide (van teleurstelling en verdriet); He âed my proposal to scorn = hij versmaadde mijn voorstel: Those best, who â last = wie 't laatst lacht, lacht het best; âable = lachwekkend, grappig, belachelijk; âing = het lachen of lachend; âing-gas = lachgas; âing-stock = voorwerp van bespotting. mikpunt: âter = gelach: She looked at me with âter-briinining eyes = met allergelukkigste oogen. Launce, Idns, zand-aal. Launceston, IdnsVn. Launch, lam, subst. sprong, stapel, het van stapel laten loopen, barkas (grootste boot van een schip); â verb, slingeren, werpen, doorboren, van stapel laten loopen, vooruitschieten, in zee steken, uitweiden over, iets nieuws beginnen: I was âed upon (into) tbe world when quite young = de wereld in gezonden; The ship was âed = liep van stapel; We âed a boat = lieten eene boot te water. Launder, Idndd, waschvrouw, houten goot (in mijnen): Laundress, Idndrds, waschvrouw; Laundry, Idndri, waschhuis; Laundry-maid =* waschmeisje. man: ask = ask; farm = fiim; but = bwt; care = kca: fate = felt; tin; asleep = a |
Laura, lórd, verzameling van afgescheiden monnikscellen; Laura. Laureate, I6ri-it, subst. en adj. gelauwerd(e dichter); âship: â verb, (lórieit) lauweren, bekransen, een graad verleenen. Laurel, lor'l. laurier, lauwerkrans, eer en roem. Laurence, Lawrence, lór'ns. Lava, Idvd, lava; âlike of Lavatic = als lava; âinillstone = harde bazalt. Lave, leiv, wasschen, bespoelen; Lavatory, lavdtdri. waschvertrek, toiletkamer. Laveer, Idvtd. La ver, leiva, laveeren. Lavender, lav'ndo, subst. lavendel: He laid it up in â = bewaarde het zorgvuldig, bracht het naar den lommerd; adj.bleekgrijs-blauw. La ver, leivd, eetbaar zeewier, waschbekken. Laverock, leivdrdk, leeuwrik. Lavish, lavis, adj. verkwistend, kwistziek, overvloedig; â verb, verkwisten, verspillen: He âed his bounties on all around hini = hij gaf zijne weldaden kwistig aan allen om hem heen; âer: âness. Law, lo, subst. wet, besluit, recht, rechtspraak, toegestane tijd (âs = reglementaire bepalingen): He studies â, is a student in â = studeert in de rechten; They are at â = zij liggen in proces; He took tbe â into bis own bands = hij verschafte zichzelf recht; I will have the â of you = ik zal je vervolgen; They went to â = zij gingen procedeeren; The'fox was given â = men liet hem een eind vluchten vóór de vervolging begon; You must not sin against tbe âs of honour = gij moet u niet aan de wetten van eer en fatsoen vergrijpen; âsofnations = volkenrecht; â of exchanges = wisselrecht: âbook = verhandeling over het recht: âabiding = zich aan de wet houdend: â breaker = wettenschender: â ful = wettig, rechtmatig; âless = wetteloos, onwettig, woest, losbandig; âlatin = advokatenlatijn: âgiver. âmaker = wetgever; âmere bant = handelsrecht; âmonger = beunhaas: âol'ficer = dienaar der wet; âstationer = copiïst van gerechtelijke acten en documenten; ook âwriter genoemd; âsuit = proces, rechtsgeding: âyer = wet-of rechtsgeleerde, advocaat. Law(s), ló{z\ goeie genade (verbastering van Lord)! Lawn, lón, grasveld, fijn kamerdoek, de waardigheid van bisschop: âtennis = een soort van raketspel in de open lucht (eig. op het grasveld); âparty = buitenpartijtje. Lax, laks, los, slap, dubbelzinnig, laks, loslij-vig; âative, iaksdtiv, subst. en adj. laxeerend (geneesmiddel^; â ity = losheid, onbepaaldheid, losbandigheid, dubbelzinnigheid, laksheid. Lay, leU imperf. van to lie = liggen. La'y, lei, subst. lied, ballade, laag, richting, ligging, plan: They were on the same â (track) as mysell = hadden hetzelfde plan: adj. tot de Teeken behoorende, wereldlijk: âdays = (toegestane) ladings- en lossings-dageh; âfigure = ledepop; âbrother. âsister = leekebroeder, -zuster; âclerk. âvicar = ambtenaar van eene kathedraal, koster; âelder = ouderling (in de Presby-teriaansche kerk); âland = braakland; â ?arn = Ion; line = lain; hoiese = haus; net: ip; not: law = 16: lord = löd; bo// = bói: |
LAY-HELPERESS.
LEAF.
201
lielpereHs = schoonmaakster (van de kerk); ;
âman = leek, oningewijde, ledepop: â verb. |
leggen, plaatsen, vellen, bouwen, stellen, doen liggen, bedaren, bannen (van een geest); ver- ,
spreiden (over eene oppervlakte), spannen (van i strikken), bedriegen, opdragen, wedden: That i whs laid to my charge = mij ten laste |
gelegd; The cloth is laid = de tafel (wordt) j is gedekt; The enemies laid siege to the town = sloegen het beleg voor; 1 will â
yon a wager, that he âs no claim to it = ik wil met u wedden, dat hij er geene aanspraak op maakt; I'll â a huiidred-poniid note = ik verwed er een briefje van honderd onder; They laid a plot to â all the guilt at his door = zij spanden samen om al de schuld op hem te schuiven; The land was laid waste = werd vernield, verwoest; lie was laid low = hij stierf en werd begraven;
The rain has laid the dust = de regen heeft het stof doen verdwijnen; They laid themselves open to chaniiig = zij lokten het uit, om hen voor den gek te houden; They laid (put) their heads together = zij staken de koppen bij elkaar; I cannot â my hand upon it now = niet vinden; lie laid it within his reach = legde (zette, plaatste)
het binnen zijn bereik; It is easier to call up a ghost than to â him = verjagen,
bezweren; He laid about him with his cudgel = sloeg om zich heen met zijn knots;
He laid his work before the public =
maakte zijn werk publiek; He âs the guilt at my door = geeft mij de schuld ervan;
I would â down my lile for him = ik zou mijn leven voor hem willen geven; â
hold of the rope = pak (grijp) het touw;
â on = sla toe; Vou â it on rather thick = gij overdrijft niet weinig, gij werkt met sterke kleuren; We will â it by for the next time = wij willen dit voor den volgenden keer bewaren: He was laid by the heels = hij werd ingerekend; â down a plan, and â this down as your principal rule = maak een plan op, én maak dit tot uw voornaamsten. regel; We have laid in as much as we could = wij hebben zooveel mogelijk vergaard, verzameld; The expedition was laid out = op touw gezet, voorbereid:
I have laid out my pocket-money in a watch = ik heb voor mijn zakgeld een horloge gekocht; They laid out the corpse =
zij legden het lijk af; He laid himself out to turn a penny = beulde zich af, spande zich in om een duitje te verdienen; I hope i yon will â this to heart = ik hoop, dat '
ge dit ter harte zult hemen; He laid hands upon himself = hij sloeg de hand aan zichzelf; It was laid over with rust = het was geheel met roest bedekt; The ship laid the land = het schip verloor langzamerhand het land uit het gezicht: He was laid up with the rlieiimatism = hij lag te bed met de rheumatiek; 1 hope you will â it to old age = toeschrijven aan; He laid himself out to make me comfortable = hij sloofde zich af, spande zich in; âer, lêd, laag, bed,
aflegger of loot; âer-out = gelduitgever,
hofmeester; âer-up = verzamelaar; â ing = het leggen, de gelegde eieren: The âing
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = Jio; lom/ = loij; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhus; wine.
on of hands = (kerkelijke) bevestiging door handoplegging.
Layard, leiod.
JLazar, tera, melaatsche; Lazaretto) = pesthuis, quarantaine-plaats, voorraadkamer in koopvaardijschepen; IjaKarus, lazdrds.
Laze, leiz, den tijd zoek maken, lummelen.
Lazy, leizi, lui, vadsig: A â morning = mofgen om niets te doen; He is a âbones = luiwammes; Laziness.
Lazzaroni, hitszrouni, de armere Napolitanen.
Lea, /£, vlakte, weide.
Leach, litè, subst. loog, loogvat; â verb, wasschen; âtub = loogvat.
Lead, /erf, subst. lood, metaalplaatje tot het scheiden der regels bij het drukken, plat dak (steeds meervoud), peillood, potlood; adj. tot lood behoorende: My room is under the âs; A widelyâed volume = boek met veel wit op de bladzijden; âen pills = âblauwe boonenquot;, geweerkogels; âline = lood- or peillijn; âsmall = matroos die het peillood ophaalt; âpencil = potlood; White â = loodwit; âworks = loodhut; â verb, met lood bedekken; door metaalplaatjes afscheiden; âed = in lood gevat; âen = van lood, loodkleurig, loom.
Lead, /id, subst. voorgang, leiding, eerste plaats, hoofdrol: He took the â = nam de leiding, speelde de eerste viool; They would not follow that statesmairs â' = zij wilden hem niet volgen: He is now playing â at the Savoy = hij speelt nu de hoofdrollen in het S.-theater; adj. voornaamste: Who is to act the â part = wie zal de hoofdrol spelen?;
â verb, leiden, voeren, aanvoeren, de leiding hebben: They were led astray = op het dwaalspoor gébracht; He led inv sister to the altar = hij is getrouwd met; Will you â the way = vooropgaan? He âs them a dog's life = zij hebben een hondenleven bij hem; Vou have led us a pretty dance = je hebt ons heel wat last op den hals gehaald: This measure led up to success = leidde tot een goed resultaat: The manager will
â off with Hamlet = zal het seizoen met H. openen; lie âs oil' with some good verses in that periodical = hij begint het nummer met; 1 led lt;»11* on that subject = bracht het gesprek erop; She led tlie conversation round to her son = bracht het gesprek op; lie led me to expect it = spiegelde het mij voor; The girl led him on = hield hem voor den gek; The book is short and âing on, so that one reads it at a sitting = boeiend... achterelkaar uitleest; âer, subst. hoofdartikel, geleider, gids, chef, aanvoerder, orkestmeester; voorste paard: 1 stood at the âer's head, and my groom at the wheeler's = bij het voors'te paard, en mijn palfrenier bij het achterste (dat het dichtst bij de wielen is); â verb, een hoofdartikel schrijven over; âerette = klein hoofdartikel; âership; lie is dangling at bis wife's âing-strings = hij loopt aan den leiband van zijne vrouw; He is in âing-strings = is de marionet van anderen: A âing-article = hoofdartikel; âing counsel = vóórnaamste advocaat in een proces.
Leal', lif, subst. blad: He took a â out of
LEAF-BRIDGE.
262
LEEWARD.
|
my book = hij heeft mij nagevolgd; Doirt turn down the â = maak geen ezelsooren: You will have to turn over a new â = zult een nieuw blaadje, een ander leven moeten beginnen; â verb, bladeren krijgen; âbridge = soort van ophaalbrug; âcrowned = met bladeren gekroond; âlard = lardeervat: â lonse = bladluis; âmetal = klatergoud; âmould = verrotte bladeren als mest: âage = al de bladeren, loof; âed = van bladeren voorzien; ây = bladerrijk; âless = bladerloos; âlet = klein blad, tractaatje. lieague, lig, subst. verbond, verdrag, verbintenis, mijl; â verb, zich verbinden, een verbond aangaan; â r = bondgenoot, Lieak, lik. subst. lek, het lekken: The veHsel sprang a â = werd lek: â verb, lek zijn, lekken: Kothing has âed out yet = er is nog niets uitgelekt: âage = het lek, lekkage; ây = lek, praatziek, babbelzuchtig. Leal, lil, trouw, loyaal. Ijeaniington, leminl'n. Liean, tin, subst. mager vleesch, onvoordeelig werk: adj. mager, dun, schraal, onvruchtbaar, onbeteekenend: â verb, leunen, rusten, afwijken (van de rechte lijn), afhangen, neigen: All his faults â to the side of virtue = = hij heeft de gebreken van zijne deugden; âfaced = met mager gelaat: âfleshed = schraal; âing = overhelling, neiging; âto, adj. leunend tegen of gesteund door eene muur: A âto building == gebouw, waarvan de balken weer op een ander gebouw steunen; âness = schraal- of magerheid, onbeteeke-nendheid (vooral in geestelijken zin). Lieap. lip, subst. sprong, sprong wijdte: A â in the dark = sprong in het duister; The consumption tif Ijenion Squash went up by âs and bounds = het verbruik van âkwastquot; nam kolossaal toe (eig. met groote sprongen); â verb, springen, vliegen: 1 could â for Joy â opspringen van: lie â s the most dilTicuIt passages = springt heen over; Can you â this wall = over dien muur heen;'lie âed in the saddle = hij sprong op het paard; âfrog = haasjeover; âyear = schrikkeljaar: âer = springer; âing**pole = polsstok. Learn, Ivn, leeren, kennis opdoen, vernemen: I will â it by heart = van buiten leeren; He would not â by the lessons of experience = niet van'de ondervinding leeren; He is âed in that matter = knap in; He will never â wit = hij wordt nooit wijzer; The âed never pretended such a thing = = de geleerden hebben zoo iets nooit beweerd: âed counsel = advocaat; This maifsâing is something wonderful: at school he w as always a good âer. Leased lis, subst. verhuring voor een bepaald aantal jaren, huurtijd, huurcontract, duur (His â of life = levensduur): We hold this house on a twenty years' â = wij hebben 20 jaar huur aan dit huis; â verb, verhuren, aren lezen: âhold, subst. pacht, huur; adj. verhuurd, verpacht: -bolder = huurder, pachter. Lease, Hz, lezen (van aren). Ijeash, lish, subst. koppel, leeren riem, drietal (bij jacht), band: â verb, koppelen, vastmaken. |
Leasing, liziri, leugen. Least, list, minst, geringst, kleinst: At â = ten minste; At (the) â = op zijn minst: Kot in the â = hoegenaamd niet; -wise. â ways = ten minste, hoe dan ook: â said soonest mended = hoe minder ervan gezegd hoe beter. Leat,/fJ, molenvliet. Leather, ledlw, subst. leer of leder, huid: adj. van leer; â verb, afranselen of slaan als met een leeren riem: The drum wasâing away to his heart's content = de trommelslager sloeg er naar hartelust op los; âcoat = (aard)appel met taaie schil; âdresser = leer-fabrikant; âeïtó = imitatie-leer; ân = lederen; ây = leerachtig, taai. Leave, liv, subst. verlof, vrijheid, afscheid, vaarwel: By your â = met uw verlof; He lias taken French â = hij is met de Noorderzon vertrokken; â verb, nalaten, verlaten, heengaan, ophouden, toevertrouwen: There are three bottles left = over; â him alone = laat hem met rust, laat hem maar loopen: He (It) was left to look after himselt' (itself) = aan zichzelf overgelaten; Will you â off teasing him = uitscheiden hem te plagen; They left off wearing their overcoats = droegen hunne overjas niet langer; This blow made him â go of me = maakte, dat hij mij losliet; They tried to â me out = zij trachtten mij te negeeren, er buiten te laten, enz.; âtaking = het afscheidnemen: Leavings = overblijfsel, afval, droesem: Leaving-shop = geheim pandjeshuis; âr. Leaved, Hud, bebladerd. Leaven, lev'n, subst. zuurdeeg, mengsel dat eene verandering ten kwade teweegbrengt: â verb, doen rijzen, luchtig maken, besmetten, bederven; âed: âing. Lebanon, lebdrwn. Lecher, lets,i, lichtmis, zedelooze vent; âons = wellustig; ây = ontucht. Lectern, lekten, koorlessenaar, voorzangerslessenaar, lezenaar; ook Lettern gespeld. Lection,/e/fs'n, les (uit het gebedenboek), lezing: âary = verzameling v. stukken uit de H. S.. om in de godsdienstoef. te lezen. Lector, lekte, lector. Lectual. lektjudl, aan het bed bindend. Lecture, lektjd,subst. lezing, verhandeling, redevoering, berisping; â verb, college geven, eene lezing houden, onderwijzen, de les lezen, een standje maken: He âd me on that subject = nam mij onderhanden; âr: âship. Led, led, imperf. en part. perf. van to lead: âhorse = pak- of lastpaard. Ledge, ledz, plank, richel, rug, laag, rand, kant. uitstekend iets; Ledgy. Ledger, ledzd, grootboek, groote plattedeksteen; âbait, âline = vastliggend aas. Lee. li, lijzijde, luwe zijde: Tide under the â = het getii tegen den wind in; The ship was laid by the â = werd zoo gelegd, dat het den wind uit lij kreeg; We were under the â of the mountains = voor wind beschermd door; âboard =-zwaard aan lijzijde; âlurch = krachtig rollen naar lij bij hooge zee: â shore = de kust aan lijzijde; âside = lijzijde (van een schip): â-tide = getij in de richting v. d. wind: âward, Itwdd, lijwaarts: |
man; ask = ask; farm = fiim; bat = bwt: \earn = l«n: line = lain: hoase = hans; net: care = kèa; fate = feit; tin: asleep = aslip; not; \div = lo: lord = löd: hoy = bói;
LEE-WAV.
263
LENGTH.
|
The âward Inle» = de kleine Antillen: â way = het naar lijzijde langzaam afvallen van een'schip: achterstallig werk, verloren tijd. Leech, litë. subst. bloedzuiger, arts, lijk (v. een zeil): â verb, bloedzuigers aanleggen, genezen: âcral't = geneeskunde. Leek, lik, knoflook, prei: lie liad to eat the â = hij moest zijne beleedigende woorden terugnemen. Leer, ftdj subst. zijdelingsche blik: â verb, schuin kijken, gluren, wegsluipen: âingly. Lees. liz, droesem, grondsop. Left, left, imperf. en part. perf. van to leave: To be â till called lor = âposte restantequot;, zal afgehaald worden. Left, left, subst. linkerkant, oppositie (in het //cmse o/* Commons),vooruitstrevende(radicale) partij : \obody eau put hi her â more neatly than «lie = niemand kan fijner bedekt hatelijk zijn dan zij is: Kaeh gentleman pointed with his right thiiinh over hi** â shoulder: this action in called âover ⦠he âand expresHe» light and playful sarcasm; adj.linksch; âhand = linkerz'ijde: âhander = vuistslag (in 't gelaat); â handed = linksch: âhanded marriage = morganatisch huwelijk. Leg, leg, been, beenbedekking, schenkel, poot: He put his best â foremost = zette zijn beste beentje vóór; He is on In» last âs = hij loopt op zijne laatste beenen, is haast op, is aan den rand des ondergangs; He Mtauds on his own â« = staat op eigen beenen: He has not a â to Ntand on = zijne kans is glad verkeken; Such a man generally falls on his âs = zoo iemand komt altijd âop zijne pooten terechtquot;: The hall has not âgt;i enough = geene kracht genoeg (bilj.); At that evpreHsion the niimHter sprang to his âs, and made a sarcastic speech; he was on his âs for more than an hour; We were literally taken off our âs by the blast = feitelijk opgetild door den storm; A man's memory goes before iiis âs = men verliest zijn geheugen sneller dan het gebruik zijner beenen: â verb, loopen: âbail = ontsnapping (uit de gevangenis); Can't you give me a âup = een handje helpen, een steuntje geven; âged: Man is a two âged animal = tweevoetig dier; âging = beenbekleeding, slobkous: âgings = broekspijpen; â gy days â de tijd der balletten; âless. Legacy. I eg 9 si, nalatenschap; âduty = successierecht: âhunter = erfenisjagêr. Legal, lig'l, wettig, wettelijk: -âtender = betaling in rijksmunt; There were several â types in the court = rechtsgeleerden; â ism = wettelijkheid: âist = wettelijk man, iemand die zijne zaligheid van zijne gehoorzaamheid aan'Gods geboden verwacht; âity, ligaliti, wettigheid; âize = wettigen, legaliseeren. Legate, legit, gezant, pauselijk legaat; Legation = gezantschap, ambassade. Legatee, legati, wien iets vermaakt wordt; Legatine. legdtin, tot een legaat behoorende; Legator, legata, erflater (dit woord heeft plaats gemaakt voor testator). |
Legend, ledz'nd, legende, overlevering, fabel, opschrift (op een wapenbord), randschrift (van munt of medaille); âary = fabelachtig, legenden bevattende; âary lore = bekendheid met legenden, legendarisch'e wetenschap; âary tales = volksoverleveringen, sprookjes. Leger (St ), tfntledzo. Legerdemain, ledzdddmein, handhabiliteit,vin-gervaardigheid, goochelarij. Leghorn, leghün, Livorno, Italiaansch stroo, hoed daarvan gemaakt. Legible, ledzUfl, leesbaar; âness â Legibilitg. Legion, lidfn, legioen (2000â6000 man bij de Romeinen), krijgsmacht: Their number is â = getal is legio: Order of the â of honour = eene door Napoleon I ingestelde orde; âary, subst. soldaat van een legioen; adj. van een legioen, uit legioenen bestaande, zéér groot. Legislate, ledzisleit,wetten maken; Legislation = wetgeving: Legislative, ledzisleitiv, wetgevend: Legislator = wetgever; Legislature, ledzisleïtjd, wetgevende macht. Legitimacy, Iddzitinosi, wettigheid (vooral v. geboorte) ,* echtheid , juistheid (van logische gevolgtrekking): Legitimate, Iddzitimit, adj. wettig, echt, juist, natuurlijk; â verb.(bdziti-meio, wettigen, voor wettig of echt erkennen: Legitimation = wettig- of echtverklaring: Legitimatist = Legitimist = ondersteuner v. het monarchaal gezag, legitimist, aanhanger van de partij der Bourbons; Legitimize = wettigen, voor echt verklaren. Legume, legjihn of logjüm, ân, legjthrin, peulvrucht; Leguminous = â s dragend. Leicester, lesto. Leigh, li. Leighton, leit'n. Leinster, Unstd. Leipothymia, fai/wf/iim/a, bezwijming; Leipo-thymic = onderhevig aaa flauwten. Leipsic, lipsik. Leisure, lezd, subst, ledige tijd geschikte gelegenheid; adj. niet bezet, vrij: To-morrow I shall beat â = morgen ben ik vrij, onbezet; He did it âly = op z'n gemak; âhour = vrij uurtje. Leith, Hth. Leiand, lildnd. Lely, HU. Leman, lem^n, vrijer, liefje. Leni(m)ing, lemh], bergmuis. Lemniaii, lemnidn, van Lemnos. Lemon, lerrtn, subst. limoen, citroen: adj. geelkleurig; âpeel = citroenschil: âJuice, âdz lis, citroensap; âsquash, âs-A^os, ('spuit-) water met citroensap (en ijs): âade, lemdneid, limonade. Lemur, linw, nachtelijke apensoort; âine, lemjurin, tot de lemurs behoorende. Lemures, lemjurlz, geesten d. afgestorvenen. Lend, lctid, leenen, tijdelijk afstaan, toewijden, geschikt maken: â a haiid there = help daar eens een handje; âer = leener, geldschieter. Length, lei\th, lengte, duur, grootte, 40 regels van eene acteursrol: A â of string = een eindje touw: The tiger was lying at full â = lag in zijne volle lengte; * At full â = levensgroot; He went all âs with the ministry = hij steunde het ministerie door dik en 'dun; This sum will carry us a great â = een heel eind brengen; He was unrivalled in the â and breadth of his trade = hij was in zijn beroep ongeëvenaard in alle opzichten; He went the â of saying this (thus) much = hij ging zóóver, dat hij |
bone = boun: full; fool = ful; é = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = Jia; long = loi^; s/iip = «ip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhus; wine.
LENIENT.
264
LEVEL.
|
dit zeide; 1 have gone the utmost â = ik ben zoover gegaan als ik maar kon of mocht; The horHe won by the â of a neck â het paard heeft het met'ééne halslengte gewonnen; The train was stopped (halted) at its own â = de trein blijft staan op eigen lengte (verg. op 30 Meters); He was nibbing a short â ol* straw = knabbelde aan een kort endje stroo; At â = eindelijk: âen = verlengen: âén it out a little = rek het nog wat; ây = lang en vervelend; âwise = in de lengte. Lenient, Itnfnt, toegevend, genadig, zacht: Leniency] Leiiitive, lenitiv, subst. en adj. verzachtend (geneesmiddel); Lenity, leniti, zachtheid van aard, menschelijkheid. Lenny, leni, kort voor Leonard, lendd. Lens, lenz, lens. Lent, lent, imperf. en part. perf. van to lend. Lent, lent, vastentijd v. 40 dagen, beginnende op Asch-Woensdag; âen = tot Lent behoo-rende, schraal, mager: We received a âen entertain inent = kale ontvangst. Lenticular, l'ntikjuld, totde linzen (zie Lentil) behoorend, dubbel bol. Lentigo, Vntaigou, uitslag v. sproeten; Len-tiginous, VntidzindS, met sproeten. Lentil, lentil, linze; âs = zaad der linze. Leo, Hou, de âLeeuwquot; (in den Dierenriem). Leo; ânine = van of als een leeuw: ânine courage (part) = leeuwenmoed (deel); ânine verses = maandgedichtjes (bij iedere m.: ook: Month-verses). Leominster, lemstd. Leopold, Iteponld. Leopard, lepod, luipaard. Leper, lepd, melaatsche: Leprosy, lepras!, melaatschheid; Leprous, lepras, melaatsch. Lepus, lepas, het genus knaagdieren, waartoe de hazen en konijnen behooren. Lerwick, lerik. Leslie, lezli. Lesion, Itz'n, beschadiging, kneuzing. Less, les, minder, kleiner: Five â three = 5 â 3; âen = verminderen, afnemen, verkleinen; âer = kleiner, minder: The âer Prophets = de Kleine Profeten: âer circle = cirkel, die een bol in twee ongelijke deelen verdeelt. Lessee, lesi, huurder (zie Lease): Lessor. lesö, verhuurder. Lesson, /es'n, les, oefening, onderwijs, voorschrift, waarschuwing: Object âs = aan-schouwingsonderwijs; He took the â = hij heeft dit eene les voor zich laten zijn. Lest, lest, opdat niet, uit vrees dat: Take care â you fall = pas op, dat ge niet valt. Let, let, subst. verhindering, beletsel, het nemen van plaatsen (voor concert of komedie): The â was immense = er werden kolossaal veel plaatsen genomen; â verb, laten, toestaan, verhuren, verhinderen,beperken: 1 was sorely â and hindered by this decree: â alone = om niet te spreken van; â him alone = laat hem maar loopen, laat hem met rust; A house to â = te huur; â that penholder be = laat dien pennehouder liggen; He was |
â blood = hij werd adergelaten; â me have a twopenny cigar = geef me eene sigaar voor een dubbeltje; â drive (flygt; = laat maar schieten (los); â us on witli something else = aan iéts a. beginnen: He was â in for it = hij liep erin, werd beetgenomen, was âerbijquot;, enz.; He was âting In pretty tightly (= hitting out pretty freely) = hij sloeg er duchtig op los; He was not â off* lessons entirely, but had a holiday-task = hij werd niet geheel van zijne lessen ontheven, maar had vacantiewerk; He was â loose = werd losgelaten: He â out on (about) that subject = hij weidde uit over (verklapte); He â go his hold of the rope = liet het iouw los; â that pass = enfin! laten we er niet meer over spreken; He â the cat out of the bag = verklapte alles; â go = strijk! He â drive (fly) at me = hij sloeg met kracht naar mij: â well alone = blijf er af, bemoei er u niet mee; The Minister received an emphatic âting down = werd van hooger hand totaal ge-désavoueerd. Lethargic(al), lathddzikCl), slaperig, sulferig. vervelend: Lethargy, lethddzi, slaapzucht, sufferigheid, werkeloosheid. Let he, lithi, deLethe, rivier in de onderwereld; âan, lithtm, van de Lethe. vergetelheid veroorzakend; âed = vergeetachtig, onbewust; Lethal = doodelijk. Lett, let, inwoner van Livonië; âish = â subst. en adj. (taal) van de Letten. Letter, let.), subst. letter, brief, beteekenis, drukletter, verhuurder, geleerdheid (altijd Meerv.); Will you post this â ? = op de bus doen; To the â = letterlijk: He knows his âs = hij kan lezen en schrijven: By â = per brief; âs patent = octrooibrie'ven; â of credit = credietbrief; âboard = letterplank; âbook = boek met copieën v. brieven: â box = brievenbus (Pillar-box is de straatbus voor brieven en drukwerken); âcarrier = = bode (Postman = brievenbesteller): â founder = lettergieter; âpaper = post-papier; âpress = het gedrukte (vooral de bijschriften in een geïllustreerd werk): â verb, den titel zetten op, met letters beschrijven of bedrukken: âwriter = briefschrijver, copiëer-machine; âed = geleerd, geletterd, beschreven met letters; âing = opschrift, titel. Lettice, letis, gemeenz. voor Letitia. litisa. Lettonia, latounia, Lettenland. Lettuce, letis, latu, salade. Levant, lauant, subst. de Levant (kusten van het O. der Middell. Zee), Oostenwind in de Middell. Zee (ook Levanter genaamd); â verb, ervan doorgaan: He âed with some 6000 pounds = âsneed er uitquot; met zoowat 6000 £; âer = die er âuitsnijdtquot;; âine = van de Levant, daartoe behoorende, soort zijden stof. Levee, levi, morgenreceptie (bij een vorstelijk persoon); Z. Drawing-room. Level, lev'I, subst. vlak, waterpas, paslood, gelijkheid, dagelijksche standaard: I did my â best = ik heb mijn uiterste best gedaan: adj. horizontaal vlak, overal even hoog: 1 did my best to keep â with the latest results = op de hoogte te blijven van de jongste resultaten; On a â = gelijkvloers: A â headed woman = verstandige, praktische vrouw; He has his head â = hij is een bedaarde, verstandige kerel (Amer.); â verb, horizontaal maken, effenen, aanleggen (om te mikken), gissen: The house wasâled with |
man; ask = ask: farm = fam; bat = b«t; learn = lèn; line = lain; howse = haus; net; care = kèd; fate = feit; tin; asleep = »slip; not; law = ló; lord = liid; hou = bói;
LEVEN.
LICH.
265
|
(to) the ground =â geslecht; lie âled at my head = legde aan op; The road was âled up = werd opgehoogd; They are trying to â up the music-halls = om de âcafés chantantsquot; zedelijk te verhelfen, te veredelen; Sea-siekiiess is a terrible âler = onder zeezieken bestaat geen rang of stand: The âling system = stelsel waarbij alles over één kam wordt geschoren (b.v. de au van laud en de or van lord als dezelfde klank worden beschouwd, etc.). Leven (IjocIi), loklev'n. Lever, livd, hefboom, échappement in een horloge (zulk een horloge heet âwatch): âage, Itvdridz, kracht of mechanisch vermogen van een hefboom. Leveret, levarot, haasje (nog geen jaar). Leverock, levdrdk. leeuwerik. Levi, livi. Leviable, levjdb'l, hefbaar, vorderbaar (van belastingen). Leviathan, tovaidtlïn, groot watermonster, waarschij nl. de nij I krokodil; iets monsterachtigs. Levigate, tevigeit, glad maken, tot stof malen of wrijven; Levigable; Levi gation. Lev in-bolt, levinboult, bliksem( straal). Levi rate, livireit, wet, die den broeder van een overledene verplichtte zijne weduwe te huwen; Leviratical. Levitatloii, leviteiamp;n, lichtheid (vooral die geringer dan de omringende lucht). Levite, livaü. Leviet, priester; Levilical = tot de Levieten behoorende: Levitical degrees = verwantschapsgraden die het huwelijk verbieden; Leviticus = derde bijbelboek. Levity, leviti, lichtheid, lichtzinnigheid, wispelturigheid. wuftheid. Levy, levi, subst. heffing (van belasting), het door belasting gehevene; â in mass = het oproepen van alle strijdbare manschappen: â verb, hellen, werven (v. legers), inzamelen: To â a (ine = een proces voeren om zich de aanspraak op landerijen of huizen te verzekeren; They levied war upon us = zij begonnen den'oorlog tegen ons, vielen ons aan. Lewd, hul, ontuchtig, wulpsch; âly; âness. Lewes, Ijüiz. Lewis, luis. Lexical, leksiKl, tot een lexicon behoorende: Lexicographer, leksikogrdfd, woordenboekschrijver; Lexicographical)-, Lexicography] Lexicology , leksikotedzi, wetenschap dei-woorden; Lexicon = woordenboek. Ley, li, weide, vlakte. Leyden. laicTn, Leiden; âJar, âphial = Leidsche flesch. Leze majesty, lizmadzdsti, majesteitschennis, verraad.quot; Liable, laidl/l, verplicht, verantwoordelijk, ondergeschikt, onderhevig: He is â to iaïnting tits = heeft last van flauwten; âness = Liability: Liabilities = schulden. Liaison, lieiz'n, vereeniging, verwarring, ongeoorloofde verhouding, het gebonden worden (door koken). Liana, lidnd, de klim- en slingerplanten in de bosschen van Midden-Amerika. Liar,/afo, leugenaar: Show me a â and I'll show you a thielquot; = wie liegt, steelt ook. Liard, laiad, geappeld, schimmelkleurig (van paarden). bone = boun; full; fool = ful; * = toonlooze long = loi^; ship = sip: occasion = okeii'n; tl |
Lib, lib, castreeren. Libation, laibeis'n, plengoffer. Libel, laib'l, subst. schotschrift, smaadschrift, spotprent, proces-verbaal met dagvaarding (Schotl.); adj. wegens laster: â proceedings â¢= vervolging wegens laster of smaad: â verb, belasteren (in woord of geschrifte); âli'i' = schotschriftschrijver; âlous = lasterlijk. Liber, laibd, de binnenste van de vier lagen van een boombast. Liberal, libarl. subst. vrijheidsman, liberaal: adj, beschaafd, fatsoenlijk, edel, royaal, overvloedig, mild, oprecht, openhartig, vrijzinnig, vrijheidlievend: â education = beschaafde opvoeding; â arts = vrije kunsten; â studies = vrije studies (tegenover beroeps-); â ism = de beginselen der liberale partij; âist = een liberaal; Liberality = vrijgevigheid, milddadigheid, breedte van blik; âize = liberaal maken. Liberate, libdreit, bevrijden, vrijmaken; Libe-Liberia, laibirui. [nxtdr: Liberation. Libertarian, Ubatêrum, subst. voorstander v. de leer v. d. vrijen wil: adj. daartoe behoorende 'r âism = de leer van de âs. Liberticide, Ubütisaid, vrijheidsmoorder; A liberticidal usurper = eeti vrijheidmoordend geweldenaar. Libertine, iibdtln. subst. losbandige, lichtmis; adj. ongebonden, losbandig, hoogst vrijzinnig; Libertinism = bandeloos gedrag, losbandigheid, zedeloosheid. Liberty, liboti. vrijheid, verlof, privilege, vrijplaats: lie allowed himseir many liberties = hij permitteerde zich allerlei vrijheden; 1 shall be at â in an hour = vrij, onbezet; I take the â to speak with freedom = ik veroorloof mij, vrijmoedig te spreken; He was set at â = in vrijheid gesteld: The cap ol' â = phrygische muts; Civil, Political and Keligious â = burgerlijke.staatkundige en godsdienstige vrijheid; â of the press = = vrijheid van drukpers. Libidinous. Ubidinos, wellustig: âness. Libra, laibra, de Weegschaal (Dierenriem). Library, laibrzri, bibliotheek, boekenverzameling*; Librarian, laibrêridn. Libration, laibreiè'n, evenwicht: Libratory = schommelend, op en neer gaande als een balans. Libretto, libretou, woorden v. eene opera, oratorium, enz., tekstboekje; Librettist = schrijver van een libretto. Libya, Hbjd. Lybië. Licê. lais, luizen (Meerv. v. Lousei. License, Licence, lais'ns, subst. verlof, vergunning, vrijheid, patent, privilege, losbandigheid; â verb, veroorloven, verlof geven, patenteeren; âd-victualler, ' lais'nstvitdlo, handelaar in sterke dranken (met âvergunningquot;); âe = gepatenteerde: âr = vergunner, patentgever. Licentiate, laisensit, subst. iemand die een bepaald beroep mag uitoefenen: â ol* theology = titel door King's College in Londen en 'de Universiteit te Durham verleend; â verb, {laisense.it), vergunning verleenen. Licentious. /^isenamp;?.s,losbandig,los,toomeloos; âness. Lich, lits, lijk; âgate = breede kerkhofpoort; âowl = krassende uil. vokaal (zie asleep en care)', girl; */ear = jia; lin; thws = dhns; wine. |
LICHEN.
266
LIGHT.
|
liielieii, laik'ii. of litamp;n, boommos, huiduitslag; Lichen ic: Lichenous. Licit, lisit, wettig, geoorloofd; âiiewn. Lick, lik. subst. het likken,'de lik, dunne verflaag, kleine hoeveelheid; â verb, likken, lekken, afvegen, afranselen: The work wa» âcd into shape by the present editor = de tegenwoordige bewerker heeft het werk vorm en methode gegeven: Many enemieM âed the dnst = beten in 't stof: Theyâed it up = ze verslonden het; That artist âs creation = overtreft de natuur (plat); âer; âspittle = lage vleier, klaplooper. Licorice, likaris. Zie Liquorice. Lictor, likte, bijldrager (bij de Romeinen). Lid, lid, deksel, bedekking, ooglid; âless = onbedekt, kaal, slapeloos, waakzaam. Lie, lai, subst. leugen, (betrekkelijke) ligging: He gave me the â = hij beschuldigde mij van leugen, heette het liegen; A white â = .,mennistenquot;leugentje, leugen om bestwil: âs have no legs = de leugen heeft slechte beenen: â verb, liegen (zwak werkw.), liggen lt;sterk werkw. lay, lain), rusten, leunen, blijven, logeeren: * Your books are lying about = liggen te slingeren; It âs at my heart = ligt mij aan 't hart, is een voorwerp van mijne zorg of begeerte; I â at your mercy = hang af van uwe genade; That âs by (with) you = staat aan u: â down = ga'liggen; The soldiers lay low = hielden zich gedekt, waren ..koestquot;: The sum lay by at compound interest = stond uit tegen:*Lire âs heavy (hard)on my hands = het leven is mij tot last; Tlie woman is lying in = is in quot;t kraambed: It âs in my way = ligt mij in den weg; That place âs* in your gift = hebt gij te vergeven; The tigêr lay in wait for his prey = lag te loeren op: Many articles are lying on hand still = zijn'nog onverkocht: It âs at your door = het wordt u toegerekend: That guilt âs on his head = hij wordt ervan beschuldigd; I can â out ot'thatsum lor some days yet = ik kan het nog een dag of wat buiten die som stellen: Many advertisements must â over till next week = moeten tot de volgende week blijven liggen; The ship lay to = staakte zijne vaart; They were lying under dil'ficulties = hadden met moeilijkheden te kampen; The occasion âs under our hands = biedt zich aan, is er: Let the little boy â with me = laat den kleine maar bij mij slapen; The future âs with the young = de jeugd heeft de toekomst in handen; lie is a âa-bed = luilak: A lier in wait = op-de-loerligger. Lief, Hf', geliefd, lief, bereid, gaarne: 1 had as â not go there = ik zou er even graag niet heen gaan. Soms wordende vormen lieve en liever gezien. Liege. lidz, subst. leenman, leenheer, Luik; adj. leenplichtig: âlord = leenheer: âman = Lien, laten, recht op een onderpand, [vasal. Lientery, latenteri, buikloop, lAenteric. Lieu, l(ï)ï(: In â of = in plaats van. Lieutenant, liftenquot;nt, luitenant: âgeneral: âgovernor = plaatsvervangend gouverneur; Lieutenancy: âship. |
Life, klif, leven, ziel, levenswijze, geest, levensbeschrijving, lieverd; He had been the â of the Hague = hij was de ziel van den Haag geweest; He departed this â on the 20th = stierf; Such officers carry their lives in their hands = zulke ambtenaren zijn hun leven geen oogenblik zeker; They ran for their lives = zij trachtten hun leven door de vlucht te redden; 1 cannot for the â of me understand it = ik kan het met den besten wil ter wereld niet begrijpen; We had not enough to keep â (body) and soul together = om ons te voeden: Taken from the â = naar het leven (jeno-men; Taken from â = uit het leven gegrepen', âannuity,lijfrente; âassurance, âinsurance = levensverzekering: âblood = hartebloed, kracht; âboat = reddingboot: âbuoy = reddingboei; âgiving = bezielend, krachtgevend: âguard(s) = lijfwacht; âinterest = lijfrente, vruchtgebruik: A âinterest in a sum of 5000 I. = vruchtgebruik van een kapitaal van 60.000 g.: âlong = levenslang; âless = levenloos: She fell down âless = als dood: âlike = alsof het leeft; âpreserver = reddingtoestel, zwemgordel, etc., âploertendooderquot;; ârent = lijfrente; âtime = levensduur; âr = gevangene voor zijn leven: Most of the prisoners are ârs = de meesten der gevangenen zijn levenslang veroordeelden. Lift, lift, subst. het opbellen, optillen, last, hulp, hijschtoestel, âascenseurquot; (in hotels^ etc.): Til give you a â in coming back = ik zal u op mijn terugweg laten meerijden; Give us a â = help een handje; The woman was a dead â (weight) = de vrouw gaf niets mee (bij het tillen of dragen): â verb, opheffen, optillen, stelen, optrekken (van mist, etc.), verhellen, trotsch maken: We â up our eyes to Thee, O Lord = heffen de oogen op:' â up your face, and look like a man = wees vol vertrouwen; â up your hand(s) = hef uwe hand(en) op: He âêd up his hand against iik* = verzette zich; â up your head = .het hoofd omhoog! They âed up their heels against the measure == zij behandelden den maatregel verachtelijk; â up your voices = verheft uwe stemmen; Whe'n the fog of admiration âs from the biography, we see that the hero had his faults; âer = lichter, opheffer, gauwdief (in samenst. als: shop-lifter = ladelichter); âbridge = ophaalbrug; âlock = sluis in een kanaal. Ligament, ligdmnt, band, verbinding; Liga-mental, Ligamentous. Ligan, Iftig'n, in zee geworpen, maar aan een boei, en zoo terug te vinden goederen. Ligate, laigeit, verbinden; Ligation = verband, verbinding: Ligature, ligdtjitd, verband, band, draad (tot het binden of afbinden van aderen). Light, lait, subst. licht, lichtgevend voorwerp, lichtschepping, voorbeeld, kennis, uitlegging, verlicht deel van een schilderij (â8 = longen v. dieren): The âs of our days = degroote mannen (âkranenquot;) van onzen*tijd; He was honest according to his âs, so far as his âs extended = zoogoed als hij het wist: Between the âs = in de schemering; â of the countenance (Bijb.) = het lichten of de |
man; «sk = ask: farm = fiim; bwt = b«t; learn = lun; 1/ne = lain; house = haus; net: care = kèa; fate = feit: tin; asleep = aslip; not: lait; = lo; lo?*^ = löd; hoy = bfti:
LTGHT-Dl ES.
207
LIMIT.
|
vriendelijkheid van het aanschijn: The ileed w«s hrmiglit to â = werd aan 't licht gebracht = came to â; To «ee (the) â = het licht zien (eig. en fig.); He wtood in Iiih own liglit = hij stond zichzelf in den weg, benadeelde of hinderde zichzelf; lie ^tood to ine in the â of » father = was voor mij een soort v. vader; He let in â upon hi« bnsiiieMM = gaf eenig licht omtrent zijne zaken; âdues = belasting op de straatverlichting: âhoiiNe = vuurtoren: âMhip = lichtschip: adj. licht, niet zwaar, gemakkelijk, onbeteekenend, luchtig, lichtzinnig, grillig, vlug, opgewekt, druk, duizelig, gederangeerd: He made â of my warning;» = sloeg in den wind: â in han'd = gemakkelijk te regeeren: He set» â hy this circiimHtaiiee = onderschat, veracht; âly Haid. âly answered = zoo vraag, zoo antwoord; âly eome, âly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; â soil = losse, zandige bodem; âarmed: âbine = kleur der studenten van Cambridge (sport); âhob = lichte infanterist: âcavalry, âhorse = lichte cavalerie: âfingeredquot; = met vlugge en lange vingers: Tiie âlingered gentry = de heeren gauwdieven, zakkenrollers, etc.; âfooled = vlug van voet: I am rather â handed at preHent = ik heb gebrek aan werkvolk; âheaded = lichtzinnig; âhearted = luchthartig: â horsemen = bestelers van op stroom liggende schepen: âinfantry = licht voetvolk: A âlegged person = nip van voet; âminded = ongedurig, vluchtig: A âspirited fellow = opgewekte vent; â timbered = zwak gebouwd, ziekelijk; â weight = paard of Jockey met weinig gewicht: kampvechter die geen acht stone weegt; âwinged = met snelle wieken, vluchtig: â verb, aansteken, verlichten, ontvlammen, neerkomen (in deze betekeenis gewoonlijk alight): We âed on each other = troffen elkander toevallig; May no harm â on yon = op u neerkomen. * Lighten, laiVn. verlichten, verhelderen, weerlichten, flikkeren, in gewicht afnemen, verlichten, opbeuren: We were obliged to â the ship = goederen uit het schip te brengen (over boord te werpen): A light(egt;iiiiig sense of relief = verlicht gevoel. Lighter, laitD, verlichter, opsteker, lichter (boot of schuit); âage, âridz. het overladen in lichters, lichtergeld; The heavier part of the eargo was âed over the sand = met lichters gebracht: âman = schuitenvoerder. Lightning. laitnh\. bliksem: A IIa«hof~ = bliksemschicht, -straal; âconductor = bliksemafleider = ârod; âswift = bliksemsnel; âpromptiieNH, âswiftneMH = bliksemsnelheid: âtrain = bliksemtrein. Ligneous, lignids, van hout. houtachtig: Lignite. bruinkool: Lignitic: Ligmim vitae, ligrimvaiti = pokhout. Lignlatetd), ligjuleit(id): hand- of riemvormig. Lignria, ligjürid, Ligurië; ân = Ligurisch. Like, laik. subst. gelijke, overeenkomst, wedergade, voorliefde, verlangst: The elder son wa* his father's favourite and like = evenbeeld: âs and disâs = sympathieën en antipathieën: It is good enough for the âs of them = voor lui van hun slag; adj. |
gelijk, waarschijnlijk, geneigd: â master, â man = zoo heer zoo knecht; And the â = en dergelijke; Those evils are nothing â as injnrions in other cases = het lijkt er niet op, dat de nadeelen zoo schadelijk zijn in andere gevallen; He did not feel â seeing any friends that day = hij was niet gene-gen; What is it â ? = hoe ziet het er uit; â produces â = gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen: That photo is â you, is a good âness = dat portret lijkt goed; That action in â yon = die daad kon men van u verwachten:* He had â to lose the wager = het was âeraan toe ', dat hij de weddingschap verloor; I am not â(ly) to go there = ik ga er waarschijnlijk niet heen: It \h â enongli = het is heel waarschijnlijk; He was swearing away â blazes = vloekte dat het een aard h'ad: Every â is not the Name = er is meer gelijk dan eigen; â verb, houden van, behagen scheppen, bevallen: Just as you â, my dear = zoo je verkiest, lieve; They are ââ¢minded = één van zin; A likable'young woman = lieve, beminnenswaardige;' âly = waarschijnlijk: He is not âly to go there = gaat er waarschijnlijk niet'heen: âliness, âlihood = waarschijnlijkheid: ân = vergelijken: To whom shall we ân him? Do âwise = doe desgelijks: He took a great liking to me = hij vatte eene groote voorliefde voor mij op; On liking = op proef (Vergel. Ou approval). Lilacs, laihiks, subst. seringen, adj. (lilac) paars. Liliaeeous, lilieisns, tot de leliën behoorende. LiUI)iputian. lilipütfn. subst. Lilliputter; adj. lilliputachtig. klein. Lille, lil. Kijssel (ook Lisle). Lilt, HU, subst. danswijsje, lersche dans met gezang: â verb, vlug dansen en springen, levendig doen. Lily, Uil. lelie: â of the valley = lelietje der dalen; âpad = blad van de waterlelie (Amer.). Lima. laima, hoofdstad van Peru; âwood = fernambuc-hout. Limaceoiis. laimeises, slijmerig (als slakken). Limation. laimeisn, het vijlen of polijsten. Limb, Hm. lid (van eenig lichaam), tak, rand (van zon en maan), kleine vent; â of the law = rechtsgeleerde, advokaat: âate, limbeit. met een rand; âed = met ledematen: âer, subst. voorgestel of lemoen (van een kanonwagen); adj. buigzaam, lenig; âerness: âlens = zonder ledematen. Limbo, limbou, hel. gevangenis: (io to â = loop naar de hel; Limbus = de uiterste grens der hel: LimbiiM fatuorum = het gekken-pa rad ijs. Linie,ïaim, subst. vogellijm, kalk, lindeboom: (Jiiick â = ongebluschte kalk (tegenover slacked â): âverb, met kalk bemesten, met kalk bestrijken; âburner = kalkbrander: âkiln = kalkoven: âlight = kalklicht: âsink = kalkput; âtwig = lijmstang, lijmtak, lijmroede; âwater = kalkwater: âJuice = lindensap, limoensap; = âstone = kalkrots: Limy = kleverig, kalkachtig. Limit, limit, subst. grens, uiterste punt,beperking; â verb, begrenzen, vaststellen; âed = |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; //ear = jia: long = loi^; ship = wip: occas/on = okeiy/n: thin; thus = dhvs: wine.
LION-HUNTING.
LIMMER.
268
|
begrensd, bepaald: London OiiinibiiH Company, liin. = Londensche Omnibus Maatschappij met âed liability, d. i. de aandeelhouders zijn slechts verantwoordelijk voor het bedrag hunner aandeelen; âed inonarcliy = constitutioneele monarchie; âary: That â*ary ocean, called London = begrensd: âation = beperking, bepaling, vastgestelde tijd; termijn, binnen welken een proces aanhangig moet worden gemaakt; âer = begrenzei, beperker; âles» = grenzenloos, onbegrensd. Liinmer, Ihno, soort v. jachthond (vooral op wilde zwijnen), hond van gekruist ras, beuzelaar, oude knol. Linni. Zim, schilderen of teekenen in waterverf, illustreeren, afschilderen; âer, limnd. schilder, artist. Limoges, limoudztz, stad: soort, v. emailleermethode; âware = geëmailleerd aardewerk. Limp, litnp, subst. het kreupel zijn: lie liaw a â in hls walk = hij loopt kreupel; adj. buigzaam, vlug, slap; â verb, kreupelloopen, mank gaan; âer: â âing. Limpet, limpdt, éénschelpig weekdier, dat zich vastklemt aan rotsen: lie stuck like a â = hij kleefde als eene klis. Limpid, limpid, helder, klaar, doorschijnend; âne»» = Limpidity. Limp(8)y, iim{p)si,zwak, onbeduidend (Amer.). Lin, Lyii. lin, bron, plas, waterval, afgrond. Lincli-pin, linëpin, pen vóór het wiel, lunspen. Lincoln, Jiyjfe'n, stad en graafschap: â^reen = groen laken, vroeger door boogschutters vooral gedragen. Linden, iiruTn, Europeesche lindeboom. Line, lain, subst. lijn, snoer, streep, rij, reeks, regel, bloedverwantschap, trek, bezigheid, briefje of lettertje, waren of goederen, streep = 1/12 van een inch: It is rather hardâh on hiicIi people = het is hard voor zulke lui; Wc stick to the old â« = blijven bij het oude: To brin^; a person (a tiling) into â = iemand (iets) weer laten meedoen, naast de anderen plaatsen: All along the â = langs de geheele linie: He was irreconcilable all along the â = onverzoenlijk op alle punten, in alle opzichten; The picture was on the â = hing ter hoogte van het oog; The â = de evenaar; The â» = stuurtouwen; teugels (Amer.); The troops were disposed tar-ranged) in â olquot; battle = in âorde van bataillequot; opgesteld; Marlborough turned the celebrated âs ol* Villars = verbrak, wierp overhoop; â ol* ba(tle ships = ships oi* the â = linieschepen: lie dropped me a â = schreef mij een lettertje; My friend is in the railwayâ = bij het spoor; That's not my â of business = daar doe ik niet in; A shop in the general â = winkel waar van alles te krijgen is, koomenijswinkel: Male, remale, collateral â = mannelijke, vrouwelijke, zijdelingsche linie; White â = regel wit; You will be the biggest â in the whole show = gij zult op de tentoonstelling het grootste succes zijn; A â of* print = één regel druks; Vou must draw the â somewhere = men moet ergens eene grens trekken, het houdt éénmaal op; IVith that author we must read between the âs = bij dien schrijver moet men tusschen de regels lezen; A colossal â ormountaiiis |
= bergketen: On the 15(h we crossed the â = passeerden wij de linie; â verb, lijnen trekken, voeren, op eene lijn of in eene linie plaatsen: The street was âd with bayonets = afgezet (in de lengte); A soft âd face = gelaat met zachte trekken; His purse was well âd with money = was goed gespekt: The room was âd* with books = langs de muren stonden boeken; âabout dialogue = tweegesprek, waarbij om de andere regel de ander spreekt; âr = linieschip, stoomboot (van eene bepaalde lijn): A Transatlantic âr = stoomschip; llis picture got a place among the â rs = kreeg eene plaats onder de aangenomen werken op de tentoonstelling. Lineage, linixdz, geslacht, afstammelingen. Lineal, lin id l, lijnrecht, direct: My â race direkte afstammelingen. Lineament, linidfrtnt, omtrek, gelaatstrek of blik (gewoonlijk in deze beteekenis: âs). Linear, linid, uit lijnen bestaande, lijnrecht; â perspective = lijnperspektief. Linen, linon, subst. linnen, ondergoed: adj. (van) linnen, wit, gebleekt; âdraper = lin-nenkoopér; âweaver = linnenwever. Ling, lin, leng; heide, heidekruid. Linger, livgo, talmen, dralen,toeven, weifelen: Liuget, Lingot, Hnydt. Zie Ingot. [âer. Lin(ggt;hay, lit]hei (iinhei), open wagenschuur. Lingo, 'liixgou, taal, dialect, manier van spreken. Linguacioiis, linntueiêds, praatziek. Lingual, lingwdl, subst. tongletter; adj. met de tong gevormd; Lingiiilorm, Hngwifóm, tongvormig; Linguist, lingwist, taalkenner, taalkundige; Linguistic] Linguistics == taalwetenschap. Lingy, lir^zi, krachtig, gehard, groot, vlug. Liiiinient, linim'nt, smeersel. Lining, lainin, voering, inhoud. Link, lir^k, subst. schakel, bocht (in eene rivier), 7,92 inches, toorts; â verb, verbinden, schakelen, vlug voortstappen; With âed arms = arm in arm; âs = vlakke zandige bodem aan de zeekust, kolfbaan; âboy, âman = toorts- of fakkeldrager (bij avond of zwaren mist). Liniiaean, linten, van Linnaeus (1707â1778); â system. Linirct, Hiidt, vlasvink = Lint-white. Linoleum, linoulfm, eene stof, een vloerkleed daarvan. Linseed, linsid, lijnzaad: âcake = lijnkoek; âmeal = lijnmeel; âoil = lijnolie; âtea = aftreksel van lijnzaad. Linsey-woolsey, linziivulzi, subst. katoen-wollen stof; adj. van katoen en wol, van verschillende stoffen gemaakt. Lint, lint, pluksel: âwhite. Zie Linnet. Lintel, linVl, kalf of bovendrempel van deur of venster. Linter, lintd, rij afgeschoten hokken voor vee (in schuren). Lion, laidn, leeuw, voorwerp van belangstelling en nieuwsgierigheid: âheart = moedig man: âhearted = manmoedig; âdog = leeuwtje (hond); âhunter = jacht om groote mannen of talenten aan zijn huis te krijgen: The modern sport of âhunting = de nieuwer- |
man: ask = ask; farm = fiim; bwt = bwt; learn = hm; line = lain; house = hans; net; care = kèa; fate = feit: tin; asleep = aslip; not; \aw = 16; lord = löd; bog = bói;
LIVING-ROOM.
269
LIP.
|
wetsche jacht op groote namen of talenten: âlike = moedig als een leeuw: â'«-provider = jakhals; â'«-den = leeuwenkuil; -'«-sliare = leeuwendeel: â's-tootli = leeuwentand, hondsbloem; âize = als een belangrijk voorwerp behandelen of bezoeken, rondleiden als gids: 1 hate being âized = ik houd niet van die belangstelling in en dat geloop achter mij aan; âess = leeuwin. Lip, lip, subst. lip, rand, mond (tegenover hart), taal: The haby made a â = trok een lipje, liet de lip hangen; He bit his â(s) = beet zich op de lippen; There is many a slip Betwixt the cup and the â = men moet geen ho! roepen, vóór men over de brug is; â verb, kussen, uiten; âless; â ped = lip-vormig. Lipothymia, Impdthimid, flauwte, bezwijming. Liquation, laikweiè'n, Liquerac-tion, l'\kwd-fakamp;n, smelting; Liquefaoieiit, likwdfeiamp;nt, smeltend, oplossend; Liquefy, Ai/ci^a/'ai,smelten: Liqucfier; Liquefiable. ' Liqueur, likti, likeurtje. Liquid, likwid, subst. voeistof, vloeiletter: adj. vloeiend, zacht, zoetvloeiend: âate = vloeibaar maken, verhelderen, vereffenen, liquideeren; âated damages = vastgestelde som; âaïfon; âator; âness = Liquidity. Liquor, lika. subst. vocht, drank, alcoholische drank: Addicted to â = aan den drank; In â = dronken: â verb, bevochtigen, besmeren, vet maken, een borrel nemen (gewoonlijk met up). Liquorice, likoris, zoethout, drop; Sticks of â = pijpen zoethout. Lira, lird. (Ital.) franc. Lisbon, lizb'n, Lissabon, Portugeesche wijn. Lisp, lisp, subst. het lispelen; â verb, lispelen, gemaakt spreken, gebrekkig spreken (als een kind); âer; âingly = lispelend. Lissom(e). iis'm: Z. Lithesome. List, list, lijst, catalogus, rand of zelfkant van laken, genot, overhelling van een schip naar ééne zijde (âs = touruooiveld: He entered the âs = hij trad in het strijdperk): He made a black â of them = zij stonden , slecht bij hem aangeschreven: I ani on your black â = ik kan geen goed bij u doen; â of trains = spoorlijst; â of wines = wijnkaart; â shoes (slippers) = lakensche schoenen (pantoffels); â verb, op eene lijst plaatsen, werven, aaneen naaien, een rand of zelfkant maken aan, behagen, lust hebben; âless = zorgeloos, onverschillig, lusteloos. Listen, lis'n, luisteren; âer = luisteraar. Lit, lit, imperf. en part. perf. van to light. Litany, /item, litanie. Literacy, litdrosi, letterkundige werkzaamheid, geletterdheid. Literal, litdvl, letterlijk, door letters uitgedrukt; âness. Literary, litdrori, letterkundig, geletterd. Literate, litsrit, subst. en adj. geletterd of geleerd (man); Literati, litdreitai, de geleerden of geletterden; Literature, litordtjo, de letteren, letterkunde. Lith, lith, lid, deel, voeg, gewricht. Lithe, laidh, buigzaam, lenig, vlug = âsome == Lithy. Lithiasis, lithawsis, steenvorming (blaas). |
Lithoballize, lithoubdlaiz, ruiten ingooien met steenen of catapulten. Lithoglyph, litlwglif, graveering op edelgesteente. Lithograph, litlidgraf, subst. steendrukplaat: â verb, op steen graveeren, drukken of schrijven: âer, lithografo, steendrukker; Lithogra-p}iic(al): Lithography = steendrukkunst. Lithuania(ii), Hthiieinjd(n), (van) Littauen. Litigate, litigext, procedeeren, in rechten aanspreken; Litigant, subst. en adj. procedee-rend(e); Litigation = proces; Litigious, litidzds, procesziek. ruzieachtig; Litigiosity = proceswoede. Litotes, laitoüz, redefiguur, om zacht iets mede te deelen, b.v.; âEr is iets met hem gebeurdquot; voor: ..Hij is doodquot;. Litter, Htd, subst. draagbaar, stroo(bed), stroo-bedekking (voor planten), wanorde, rommel, worp (van varkens, honden, katten, enz.): Ouite a â of children = een nestvol kinderen; â verb, van stroo voorzien, een stroo-leger maken, bedekken, jongen werpen, overhoop halen of liggen: 1 kicked aside the objects that âed the floor = bedekten; A room untidy and âed = eene rommelige kamer waarin alles overhoop ligt. Little, lifl, subst. kleine hoeveelheid, geringe tijd; adj. en adv. klein, gering, weinig, kort: A â money = eenig (nog al wat) geld: â money == weinig (haast-geen) geld; By â and â = langzamerhand (soms: By âs): Sleep, my â one = slaap, lieve kleine; I forgot my sorrow for a â = voor een poosje, tijdje; âness = kleinheid; Hisâness of mind = kleinzieligheid; âgo = tentamen, candidaatsexamen. Littoral, litdr'l, subst. kustland; adj. aan de kust liggend. Liturgy, litddzi, liturgie (vastgestelde vorm van e'eredienst), ritus; LiturgicCal), litü-dzikCD. tot de liturgie behooende; Liturgist, litvdzist, voorstander van het gebruik eener liturgie. Livadia, liveidjd, Livadië. Live. liv, leven, wonen, bestaan: He âs in dover = hij heeft een lekker leventje; They could not go on living at this rate = op dezen voet konden zij niet blijven leven; I hope to â to see you a useful man = ik hoop het te beleven,quot; dat; As I â = zoowaar ik leef; A toy-merchant âs on children = speelgoedkoopman leeft van kinderen: Lawyers â by our quarrels = de advokaten leven van onze standjes; I cannot â on 50 £ a year = ik kan niet met 600 gid. in het jaar toe: He âd up to his promise = hij voldeed aan zijne belofte; It is almost impossible to â such a sorrow down = te vergeten, te overkomen; He âd that calumny down = hij bewees door zijn leven dat hij belasterd was; Livable = met wien men leven kan; âlong day = lievelange. godgansche dag; â r = levende, bewoner: lever; The longest â r = de langstlevende: âr-coloured = leverkleur(ig), roodachtig bruin: âr-freckles = sproeten: âr-wort = leverkruid ; The Mounted â r Brigade = degenen, die voor hunnne leverkwaal paardrijden in Hydepark; A li ving-room = woon- of huis- |
bone = boun: full; fool = fill; » = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; «/ear = jia: long = loi^; ship = sip: occasion â okeiz'n; thin: thus = dims: wine.
LOCK-SMITH.
LIVE.
270
kamer; He lint* a good living = hij heeft Loan, loun, subst. het leenen, ieening, geleend
eene goede (predikants)plaats; He was offered geld: 1 begged liim lor a â til'five pounds =
that living = hij werd daar beroepen; He ik vroeg hem mij 5 £ te leenen; I put it out to
made (earned) a living there = verdiende â = heb het uitgeleend: âolïice =leenings-
daar den kost; He i» in the land ol'the bureau, pandjeshuis; â verb, leenen (Amer.).
living Ntill = in het land der levenden; He Loathe, loudh, walgen, verfoeien: Even hunger
worked out hi» living = verdiende den âd Mich bad food = zelfs de honger wou
kost met werken. zulk slecht voedsel nietecen; âr; Loathing,
Live, laiv, levend, brandend, gloeiend, glim- subst. walging, afkeer; adi. walgend; Loath-
mend, in leven: The âMt-looking street 1 Nome, loudhs'm. Z. ook Loth.
ever saw = de levendigste, vroolijkste; â Lob, lob, subst. lobbes, lummel, domkop, iets coals = gloeiende kolen: â leathers = veeren I diks en zwaars, onderhands geworpen bal (bij
uit een levenden vogel gerukt; âhair = haar het cricketspel): â verb, onderhands den bal
van een levend dier genomen; âly = levendig, werpen; âcock = botterik, lomperd,
vroolijk, opgewekt, ernstig: Tl'ie liveliest- Lobate(d),/ouöei^id), Lobed, in lobben
looking girl I ever knew:âliness:âlihood verdeeld, uit lobben bestaande.
= levensonderhoud: He gains (makes) his Lobby, tobi, subst. gaanderij, kleine zaal,
âlihood = verdient den kost: â stock = couloir (van vergaderzalen), foyer; âmeinber,
Liverpool, iivdpül. [levende have. âist = couloirlooper (om invloed op de leden
Livery, livdH, livrei, mondigverklaring, in- der vergadering uit te oefenen); â verb, om
bezitstelling, acte van schenking of inbezit- stemmen verzoeken, aanspreken, steun vragen;
stelling, al de liverynien (zie dit woord) van door takt en overleg slagen (Arher.).
Londen, gilde; âstable = huurkoetsiersstal; Lobe, loub, lob, lel (van het oor): âlet: Lo-
He keep horses at â = hij heeft huur- bule, lobjül, kleine lobbe; Lobular, lobjula,
paarden, is huurkoetsier; ânian = livrei- ; lobbig, gelobd.
bediende (= liveried servant), vrijburger Loblolly, lobloli, watergruwel, lepelkost; â
van de city (Londen), die de livrei van zijn boy =* scheepsdoktersassistent; LobscoiiMC,
gilde mag dragen, en meestemt bij de ver- lobskzius, haché met allerlei groenten gemengd,
kiezing van de ciC«/-ambtenaren, zooals den Lobster. zeekreeft: He has boiled bis
Lord-Mayor, de Sheriffs, etc. â = is van geestelijke soldaat geworden
Livid, livid, loodkleurig, lijkkleurig, doods- (omdat de donkere kreeft bij het koken rood
bleek: âness = Lividity. wordt, dus eene soldatenjas aankrijgt).
Livonia(n), livoitnjd(n), Lijnaiid(er), Lijf- Local, loulcl, plaatselijk: â colour = lokale
land(sch). Livy, Uvi, Livius.quot; ' kleur, waarheid en juistheid van beschrijving;
Lixivial, -vious, lilcslufl, -vids, van loog; â option = plaatselijk âvergunning,'srecht:
Lixiviate, liksivie.it, loogen; Licciviation: âisin: âize = plaatselijk maken, de plaats
Lixivium = loogwater. bepalen; Localization,', Locality = ligging.
Lizard, lizdd, hagedis. Lizard l'oint = localiteit (Amer.), plaatselijkheid = liocale.
Kaap L. Lizzy. Uzi, verk. van Elisabeth. loukamp;l.
Llama, Lyaina. Idmd, IJamp;nid, lama. Locate, loukeit, op eene bepaalde plaats zetten
Llanelly, 'idnethli. Llewellyn, luelin. (gew. reflexief), de plaats bepalen van; Loca-
Llanos,* Ijanouz, groote vlakten in het N. van tion; Locative, subst. en adj. (woord ofnaam-
Z.-Amerika. val) plaats aanduidende.
Lloyd^s, tóidr, maatschappij voor het assuree- Loch, lok, meer, zeearm: âaber, lokdbd.
ren en classificeeren van schepen (Zie A I); district in het graafschap Inverness] âaber-
â offices (rooms) = de kantoren der maat- axe = strijdbijl der Hooglanders: âmaben,
schappij in de Royal Exchange, âmciban: âleven, âlev'n.
Lo, Ion', zie, aanschouw! Lock,/ofc, subst.slot, samenbinding. omsluiting
Loach, louts, grondel (karpersoort). (bij het kampvechten), slot (van een geweer),
Load, loud, subst. last, lading, vracht: It sluis (in een kanaal), lok, krul: He is under
would be âs of fun = dat zou ijselijk â and key = achter slot en grendel; When
grappig zijn; âline = ladinglijn: âdraught 1 am gone, my estate will come to you â,
= diepgang van een geladen schip; â verb, stock and barrel = in zijn geheel; The ships
laden, bevrachten, zwaar maken, overvol doen were passed through the â = werden
(van glazen, b.v.): Yesterday's claret was doorgeschut (Zie Deadlock): â verb, sluiten
âed = die Bordeaux van gisteren was aan- (met een sleutel), omsluiten, dicht in de armen
gezet; They played with âed dice = met sluiten, den arm van de tegenpartij grijpen
valsche (aan eene zijde bezwaarde) dobbel- (vasthouden en ontwapenen): The door was
steenen; âer; âing = het laden, lading, closed but not âed = de deur was dicht,
vracht: âstar = noordster, poolster, iets dat maar niet op slot; âed water = stilstaand
aantrekt; âstone = magneet, zeilsteen. water (eig. tusschen sluisdeuren); He was
Loaf, loaf, subst.brood, hoop, stuk: âsugar, âed in = opgesloten; His money wasâed
broodsuiker, fijne suiker (vergel. Sugarâ = up = sekuur weggesloten, vastgezet; The
suikerbrood); â verb, beuzelen, ijdel door- workmen were âed out = den arbeiders
brengen: They were âing about and en- werd gedaan gegeven; âchamber = sluis-
Joying themselves = zij waren aan't zwieren bekken; âgate = sluisdeur: âJaw = klem
'en pretmaken: âer = leeglooper, luilak, j (in den mond); âkeeper = sluiswachter:
klaplooper. âout = het gedaan geven aan werklieden:
Loam, loum, subst. leem; â verb, met leem j âpaddie = duiker (in eene sluisdeur); â
bedekken; ây. , stitcli = verbindingssteek;âsmith = sloten-
man; ask = ask; farm = fam; bat = bwt; learn = l«n; 1/ne = lain; house = hans: net; care = kè^; late = feit; tin; asleep = aslip; not: law = lo; lord = löd; hoy = blt;Vi;
LOXGIPENNATE.
271
L0CK1AN.
Logos, logos, âHet Woordquot;, Christus.
Loin, lóin, lendestuk; âs = lendenen.
Loiter, lóite, dralen, treuzelen, talmen; He âed away his time = verbeuzelde zijn tijd; âer = treuzelaar; âingly.
Loll, lol, lusteloos liggen,* lummelen, hangen uit (b.v. de tong van een hond uit den mond): i They âed back in the carriage.
Lollard, loldd, lid eener hervormingssekte 1 (14e eeuw), volgeling van Wiclif.
Lollipop, lolipop, kokinje, bonbon.
Lollop, lofop, zich moeilijk bewegen, rondslenteren.
Lombard, lomhdd, bewoner van Lombardy, lombddi. Lomond, loumand.
London, luntfn, Londen: âpride = schildersverdriet; âer: â ize = de eigenaardigheden van Londen navolgen, Londensch maken.
Lone, loun, eenzaam, verlaten: âly = alléén, eenzaam, akelig, somber; âliness: âsome = eenzelvig, afgezonderd.
Long, loi\, subst. lang, gerekt, langdurend, vervelend, vérziend: 1 will accept â odds against him = ik durf veel op hem houden: He is â saying what he intends = het duurt lang voor hij zegt wat hij wil; 1 shan't be â = ik blijf niet lang weg; It is a â way = het is een heel eind; He was dressing by â stages, travelling by â stages = dood op zijn gemak: He cannot work a sum in â division = kan geene lange deelsom maken: The â and the short of it is. that lie went away = om kort te gaan: hij ging weg; He is cleverer than you by a â chalk = heel wat (oneindig) knapper; The opportunity was not â in coming = de gelegenheid bood zich weldra aan; He will have to give it up in the â run = eindelijk. op den duur, ten langen leste: â verb, verlangen.-They were âing for the holiday» = verlangden'naar de vacantie; âboat = sloep (op één na de grootste boot van een schip); âbow = lange boog: He draws the â bow = schiet met spek; âbreathed, âbretht = lang van adem: âdozen = dertien; âfirm = flesschentrekkersfirma: â hand = gewone schrijfwijze (tegenover Shorthand = stenographic): âheaded = vooruitziend, sluw: âhundred = 120: âlived, -laivd. langdurig: Ours is not a âlived family = onze familie wordt niet oud; âmeasure = lengtemaat; âprimer = drukletter tusschen pica en bourgeois: âslioreman = baliekluiver: âsighted = vérziend, slim, sluw; âstaple = voortreffelijk soort van katoen: âsuffering, subst. kwijtschelding van straf, lankmoedigheid: adj. lankmoedig, geduldig: âtail, subst. langstaart (van honden), fijne of adellijke lui. Chinees, jachthond; adj. met ongekorten staart; âtongued = praatziek, babbelachtig; âways, âwise = in de lengte; âwinded = van langen adem: Aâwinded speech = lange, vervelend gerekte redevoering: âing = vurig verlangen, hunkeren: âittli = wat lang: â ish bills = al lang staande rekeningen.
Longevity, londzeviti, lange levensduur, hooge ouderdom.
maker; âup = voorarrest, voorloopige gevangenis; âer = lade, kist, afgesloten vertrek in een schip (Zie Davy Jones); âage, âidz, sluiswerken, schutgeld; âet = slotje, medaillon.
liockinn, lokidn, van Locke (beroemd Eng. wijsgeer).
Locofoeo, loukoafoukoK. subst. lucifer, ultraradicaal; adj. zeer radicaal (Amer.).
lioc'oiiiotion, loukdmouffn, beweging, plaatsverandering; Locomotive^ subst. locomotief j (Amer.); adj. van plaats veranderend: Ijoco-motive organs = bewegingsorganen.
liOCUHt, lonkdst, sprinkhaan.
liorution, lokjüê'n, spreekwijze, uitdrukking.
iiode, loud, slootof waterafvoerkanaal, metaal-ader.
Lodge, lodz, subst. portiershuis (bij een buiten), hut, optrekje, hol, schuilplaats, loge, de leden eener loge, Indianenfamilie in één wigwam: Tlie âs of the beaver = holen; â verb, plaatsen, leggen, tijdelijk huisvesten, herbergen, plaats verschalïen. aan eene autoriteit vóór-leggen: He âd an iiirorniation = gaf bericht; I have âd it in my ineniory = opgenomen: âable = bewoonbaar: âr ='bewoner (vooral van gehuurde kamers); Yon have got very good lodgings here = je bent hier goed gelogeerd, hebt eene mooie kamer; Lodging-hoiiNe = huis waar men kamers verhuurt (ter onderscheiding van boarding*iioiise); Lodg(e)nient = huisvesting, schikking.
Loft, Zo/Y, zolder (vooral in stal of schuur, b.v. Cocklol't = hanebalk), galerij of kraak (in kerk of zaal), tooneel, verdieping; ây = verheven, statig, trotsch; âinews.
Log, log, subst. een blok ongehakt hout, dagboek, log; â verb, opschrijven in hetâbook = het boek. waarin de directeur van eene school zijne memoranda, of waarin de kapitein van een schip de reis van het schip aantee-kent; âcabin, âhut, âhouse = blokhuis: âeanoe = boot van een uitgeholden boomstam gemaakt: âline = lijn metknoopen (150 vademen lang) om de snelheid van het schip te meten; ânian = houthakker: â reel = rol, waarvan de âline afloopt: â rolling = wederzijdsche hulp bij het voortrollen van tot brandstof gevelde boomen. wederzijdsche hulp (in de politiek), wederzijdsche bewondering en aanprijzing (van letterkundigen en kunstenaars): He is rolling his own â = hij dient zijne eigen zaak; Infiiiential â rollers tried to impose that nobody upon the public = invloedrijke voorspraak trachtte dien ânulquot; het publiek op te dringen : âwood = campéche-hout.
Logarithm, logarithm, logarithme: âic(algt;. logdrithmik{'l).
Loggerhead, logohed, domkop: They feil (came) to âs together = zij kregen 'elkaar bij den kop; They are at âs = zij hebben standjes.
Laggia, lodzid, vóórgalerij (van een groot ge-bouw), balkon of galerij (in theaters, etc.).
Logic, lodzik, redeneerkunde, logica; âal; Logician; âchopper = wauwelaar.
Logography, logogrdfi, wijze van drukken, waarbij iedere letter een woord voorstelt.
Logomachy, logomdki, woordenstrijd: Logo-niiinia, logdmeinjo, spraakgebrek.
Longipeunate. lonzipeneit, met lange vleugels.
bone = boun; full; fool = fill; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = Jia; long = loi^: sMp = sip: occasion = okeiz/n; thin; thus -- dims; wine.
T
LONGIROSTER.
272
LORD-MAYOR.
|
LoiigiroNter, lonzirostd, zwemvogel metlangen snavel; LongirostraL Longitude, lonzitjüd, geographische lengte; Longitiidinal, lonzitjüdiril, in de lengte ; uitstrekkende. Loo. /w, subst. gezelschapskaartspel; â verb, winnen bij dit spel, verslaan: 1 «in âed = ; ik heb geen enkelen trek; âtable = ronde tafel. Looby. liïbi, lompe vent, lummel. Loof'. loef (van een schip). liook, luk, subst. blik, gelaat, uitdrukking: I don't like the â of him = ik mag zijn oogopslag niet: tie does not belie hi» â» = hij is zooals hij er uitziet: He was on the â out = stond op den uitkijk; Is that your â out? = zoo, verwacht je dat? â verb, zien, kijken, den blik slaan op, waarnemen, weerstaan, (zich) voordoen: It âs like you = dat is net wat voor u, 'k had niet anders van ii verwacht, het lijkt sprekend;' You â pale this niorning = ziet er bleek uit; He âed his wish = gaf door een blik te kennen: He âed as blark as thunder = zijn blik was dreigend als eene onweerswolk; lie âed daggers at me = hij keek mij grimmig aan; You inust â about you = gij moet goed om u heen zien, den oogeh den kost geven; He âed about him = hij paste goed op, was waakzaam; â at home = bemoei je met je eigen zaken: â alive = haast je wat, wees wakker, attent: â sharp = haast je wat, pas op je tijd; Will you â after the «'hildren = letten op. zorgen voor (Verg. Will you â for the children = zien waar de kinderen zijn); 1 â at it in that light = beschouw het als zoodanig; He âed down in the inouth = zag er neerslachtig uit; He has a knack of âing down on one = hij heeft den slag iemand verachtelijk aan te zien; He âed me down = hij deed mij door zijn blik de oogen neerslaan; 1 â forward to a pleasant evening = ik hoop op een prettig avondje; Let me â into it = laat mij dat eens onderzoeken; 1 â on him with a kind eye = zie hem met gunstig oog aan; I merely â ed on = ik heb niets gedaan dan toekijken; My rooms â out upon a beautiful landscape = zien uit op: Y'ou may â out for a thorough scolding = kunt een hevig standje verwachten; 1 have âed it out = ontdekt, gevonden, uitgezocht: Is that your âout = zoo! is dat jou plan? He established a sharp âout all ronnd 4he bed = hij richtte zijn blikken strak om het geheele bed heen: â out = pasop! voorzichtig! I will Just â over it = doorloopen, nagaan: We will â over lt;= overâ) your neglect = uw verzuim over het hoofd'zien: He seems to â through things = geheel te doorzien, grondig te kennen; I â to you for support = ik reken op u wat steun betreft, op uw steun; I â to vour prndence = vertrouw op uw beleid; 1 âeel him in the face = keek hem tlink onder de oogen; I have not been able to â it up = ik heb het niet kunnen vinden; The weather is âing up = knapt op; Things are âing up = komen in orde; I will â you up to-iiior-row = ik kom morgen ee'ns aan. ik kom eens zien waar je woont; Eggs have âed up 3 d. per dozen = zijn drie stuiver het dozijn opgeslagen; 1 was a mere âer-on = slechts toeschouwer; âing = blik, onderzoek; âing-glass = spiegel. |
Loom, lüm, subst. weefgetouw; handvat van een roeiriem; â verb, boven den horizont of de oppervlakte verschijnen, schemeren, opdoemen (als in een mist); It âed upon my mind = doemde op voor mijn geest; âing* = wat opdoemt; âgale = zachte bries. Loon, lün, schurk, deugniet, duikereend van de Noordpoolstreken: He is a lazy â =luie vlegel; As crazy as a â, As wild as a â = zoo gek als eene windvaan, zoo wild als een springhaas; âey = schurkachtig, dwaas. Loop. lüp, subst. lu's, lis, bocht, hengsel, kijkgat; â verb, eene lus maken, met lussen vastmaken: âhole = kijkgat; âholed = met kijkgaten; âline = zij- of verbindingslijn (bij spoorwegen); âed = tot een â gevormd. Loose, hïs, subst. vrijheid: He gave (the) â to his wit = liet zijne geestigheid den vrijen teugel; adj. los, vrij, ronddwalend, loszinnig, dartel, loslijvig, vuile taal sprekend: The dogs have broken â; A â garment = los (tegenover tight = nauwsluitend); â cash = klein geld; He was set (let) â = hij werd in vrijheid gesteld; â verb, losmaken, loslaten, verzwakken, bezwijken: Afternoon church was Just loosing = demiddagkerk ging juist uit; âly, Loosish = losjes, los-achtig: A âly hung boy of sixteen = lange slappe lijs van een jongen; A loosish inoiitli = slap, llabberig: âgrained = weinig be-teekenend, zonder kracht; ân = losmaken, loslaten, loslijvig maken; âness. Loot, hU, subst. buit, roof: â verb, rooven. buit maken, plunderen: The waggon had been âed of its provisions. Lop, lop, subst. afgesnoeide takken of hout: â verb, snoeien, knotten, laten hangen of vallen: A âeared dog = met hangende ooren; The âsidedness of such societies = de éénzijdigheid (het éénzijdig gewicht leggen op) van zulke genootschappen (ook lob-sided). Lope. loup, subst. gang (Amer.); â verb, springen (b.v. van konijnen). Lopper, lopd, stremmen, verdikken. Loquacious, loukiveisds, babbelziek, druk, praatzuchtig; Loquacity,/owArifosiri = âness. Lord, löd, heer, meestér, hoogste wezen, lord. echtgenoot, pair van het rijk, zoon van hertog of markies, oudste zoon van een earL eeretitel (als in â Mayor): The House of Lords = ééne der wetgevende kamers in Engeland: âlieutenant = Commissaris der Koningin (des Konings), Onderkoning (Ierland); â Mayor = titel van de burgemeesters van Londen, Dublin en York (de andere heeten eenvoudig Mayor): âs spiritual = de geestelijke leden (aartsbisschoppen en bisschoppen) van het House o/'Lords (tegenover de wereldlijke leden, die âs temporal heeten); The â Harry = de Duivel: The Day of the â = dag des oordeels: The â's'Day = de Sabbat of Zondag; â's Prayer = het Onze Vader; â's Supper = avondmaal; Our â = de Heere, Jezus Christus: â Keeper olquot; the Great Seal = Grootzegelbewaarder; â |
man; ask = ask: farm = fam; bi(t = bwt; learn = Urn; line = lain; house = haus; net: ! care = kèa; fate = feit: tin; asleep = aslip; not; \aw = 16; lord = löd; bo?/ = boi:
LOVE-TOKEN.
LORE.
273
|
Treasurer = Grootschatmeester; â verb, met macht bekleeden, heerschen over, bestrijken: I won't allow him to â it over me = om mij te commandeeren: Tlie hill âs it over the surrounding landscape; âlike, âly = edel, trotsch, heerschzuchtig, onbeschaamd; âlini; = jonge lord, pseudo lord; âship = heerschappij, macht, heerschap, grondgebied van een lord: âolatry = lordvereering. Lore, /ö, geleerdheid, kennis, wetenschap, leer; vermaning, onderricht. Lorgnette, lönjet, tooneel- of veldkijker. Loriea, lóraikd, cuiras, pantser. lioriot, loridt, weduwaal (vogel). liorn, /ön, verlaten, ongelukkig. liorraine, lorein: âr = bewoner van L. Lorry, Lorrie, lori, handkar (voor mijnen); vierwielige wagen zonder leuningen. Lory, Wri, soort van papegaai. Lorikeet. Lose, lüz, verliezen, verbeuren, toegeven, vallen, zinken: Tliey lost their way = verdwaalden ; I â my debts = men betaalt mij niet; You have lóst flesh since = zijtsedert dien tijd mager geworden: You seem to have lost your head = gij schijnt buiten uwe âpositievenquot; te zijn; 1 frequently lost heart in those «lays = verloor dikwijls den moed; We are fighting a losing battle, playing a losing game = wij strijden zonder hoop op overwinning, spelen zonder hoop op winst; They had lost their soundings = zij konden geen grond meer peilen; I lost sight of hi in = verloor hem uit het oog; iiood words are lost upon him = hebben geen âvatquot; op hem; lie was lost to all sense of honour = alle eergevoel was er uit; We had lost ourselves = waren verdwaald, volkomen van ons stuk gebracht: âr: He shall be no âr by it = zal er geen schade bij hebben. Loss, /os, verlies, het verlorene: lie bears his â well = hij kan goed tegen zijn verlies: 1 was at a â how to do it = verlegen hoe ik het zou aanpakken. Lost, lost, imperf. en part. perf. van to lose. Lot, lot, lot, aandeel, portie, stuk lands, boel: He bought about a hnndred âs = honderd nummers (uit den catalogus); Let us cast âs = er om opgooien of loten: They have drawn âs = zij hebben geloot; 1 ha ve cast in my â with yours = ik heb mijn lot aan hét uwe verbonden; It fell to my â = mij ten deel; They made a â of him'(made murh of him, a'great fuss with him) = ze haalden hem erg aan, fêteerden hem zeer; I bought the whole â = ik kocht de heele âzooquot;; Let us have âs of room liere â zorg, dat we hier veel ruimte krijgen; He lias âs of money = heeft een âschepquot; geld; He thinks a â of himself = hij denkt dat hij heel wat is. Loth, Vowf/i, adj. afkeerig, ongaarne: He was â to go there = hij wou er liever niet heen; -ness; âly, weerzinwekkend, walgelijk. Lotion, loitamp;n, wassching, waschmiddeltje, oplossing voor het wasschen van wonden, etc. Lottery, lotdri, loterij, toeval, het loten. Lot(t)ó. lotou, Lotto- of kienspel. Lotus, Lotos, louUs. lotus(boom), lotusvrucht; . |
âeater = lotuseter, iemand, die zich aan droomerige gemakzucht overgeeft. Lond, laud, luid. luidruchtig, krachtig, opvallend, opzichtig: Those that laugh last, laugh âest = die het laatst lacht, lacht het best; A â dress = opzichtige, drukke, veelkleurige japon; âly; âness; âvoiced = met luider stem. Lough, lok, meer. Loughborough, Infbdro. Louis, luis. Louise, Luiz. Louisiana, Imzeind. Lounge, launz, subst. het lummelen, plaats voor leegloopers of lummelaars, sofa met rug aan ééne zijde; â verb, lummelen, rondslenteren, lui liggen, lanterfanten: â r. Louse, lans (Meerv. Lice, /ais), luis: She is as proud as a â of her little girl = zoo trotsch als een haantje op: Lousy, lanzi, vol luizen, verachtelijk, gemeen: Lousiness = verachtelijkheid. Lont, laut, subst.lummel, pummel, kinkel; â verb, buigen, bukken, voor den gek houden, als een lummel behandelen; âish = lummelachtig. lomp, onhandig. Louvain, luvein. Louvre, Louver, lüvd, rookgat, lantaren; âwindow = klankgat. Love, tov, subst. liefde, genegenheid, vriendschap, teederheid, lieverd: Yes, my â = ja, lieve: He made â to my sister*= maakte het hof; Give my â to your sister = groet . . hartelijk; He* is in â with her = verliefd op haar; He fell in â with an actress = werd verliefd op eene actrice; 1 did it out of â for you = uit liefde voor u; It cannot be got for â or money = het is voor geen geld of goede woorden te krijgen; There is no â lost between them = zij mogen elkaar niet; That work is decidedly a labour of â = is bepaald uit groote liefde tot stand gebracht of geschreven; First â never lasts = eene eerste liefde is niet bestendig: 1 made â to the gardener to let me gather the flowers my self = ik vleide den tuinman, om gedaan te krijgen, dat ik de bloemen zelf mocht plukken; We play lor â = spelen om quot;s keizers baard; â verb, beminnen, liefhebben, aanhalen,behagen scheppen in: I â to go there = ik ga er graag heen; â me little, â me long = uwe liefde, hoe gering ook, zij bestendig: âs of girls = allerliefste meisjes; âaffair = liefdezaak; âapple = tomaat; âchild = onecht kind; âescape = schaking; âleast = liefdemaal; âgod = minnegod. Cupido; âin-idleness = driekleurig viooltje; âin-a-niist = passiebloem: âknot = liefdeknoop; â letter == minnebrief; Love-lies-a-bleeding = roodekattestaart; âlights: Theâlights were shining in her bine eyes = hare blauwe oogen straalden van liefdé; âlock = haarlok of krul bij het oor (oudtijds in de mode): âlorn = verlaten door de(n)geliefde, doodelijk verliefd; âprate = liefdegebazel; âshaft = minnepijl; âsick = sentimenteel (smachtend) verliefd; âspring = begin dei-min; âtoken = minnepand, liefdegeschenk; âly = lief, beminnelijk, mooi, snoeperig; âless: I am. Your loving father = liefhebbende; âr = minnaar; ây = snoesje; |
bone = boun; ful; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; ?/ear = jia; \ong = loij; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhas; wine.
ten bruggencate, Eng. Woordenboek. 18
LUMBOSACRAL.
LOVING-CUP.
274
|
Loving-cup = vriendschapsbeker (moestom zijne grootte met twee handen worden aangevat): iioviiig-kiiidiiess = goedertierenheid (Bijb.), liefde, toewijding. Ijow, lou, laag, klein, diep, goedkoop, matig, dof, somber, droefgeestig, zwak, gering, nederig, verachtelijk, plat: Speak â = spreek zacht; I feel very â to-day =.ik ben vandaag niet monter; My store is run-nhig â = mijn voorraad raakt op; lie lies â now = hij is nu dood; âboni = van lage afkomst: â Cliureli = evangelische partij in de Engelsclie kerk: The â Coiiiitrip» = de Nederlanden; âlife = nederige staat, lagere standen; â Cüerinaii = Nederduitsch(e taal); â Latin = Middel-eeuwsch Latijn; â land = laaggelegen (land); â inaHS = mis zonder begeleiding van muziek; âminded = van verachtelijke beginselen; ânecked = (japon) met laag uitgesneden hals; âpitched roof = laag dak; âpressure = lage drukking, laagdruk; â rated = veracht: âspirited = somber, neerslachtig; â Sunday = Zondag na Paschen; An easy, âtread staircase = met lage treden: â tide, â water = laagtij; âvoiced = met zachte, vriendelijke stem: âer = naar beneden laten, lager plaatsen: Prices were âered = de prijzen werden verminderd: I will âer his pride = ik zal zijn trots wel breken; âerinost = laagst; â iy = laag, nederig, bescheiden; ânes». Low, lou, subst. geloei: â verb.loeien,bulken: âbell = bel aan den hals van het vee. jachtbel (om vogels te doen schrikken): â inp = geloei. Lowell, lousl. Lonndes, laundz. Lower. Lour, lauo, dreigend, somber en norsch zien; âing thunderclouds = dreigende onweerswolken. Lowlands (of Scotland), louVndz, Schotsche Laaglanden. Lowth, lauth. Loxodroinic, loksddromik, schuinzeilend: â curve = streeklijn; âs = kunst van schuin zeilen. Loy, /ói, lange smalle spade. Loyal, lóidl, trouw (van onderdaan tegen heer-scher), oprecht, eerlijk; â ist; âness = âty. Lozenge, loz'nz, ruit (in het wapenschild van ongetrouwde adellijke dames of van weduwen), tablet, ruitvormige vensterruit (wapenschild): âinoiilding; = versiering met ruitvormige paneelen; âshaped = ruitvormig = âd; Lozengy. Lozengce, lofnzi, loz'nzi. in ruiten verdeeld* (op een wapenbord). Lubber, /»to, lomperd,lummel: âly; âliness. Lubricate, lübrikeit, glibberig, glad of gemakkelijk maken: Lubricating-oil; Lubricant = gemakkelijk of glad makend (middel): Lubrication; Lubricator. Lubeck, lübek. Lucan, Ijük'n, Lukanus. Luce, lus,volwassen snoek, visch (ineen wapen). Lucernal, lüsvn'l, tot eene lamp of kunstlicht behoorend: â inicroHcope. Lucern(e), lüsvn, klavergras. Lucern = Lucern. Lucia, Iüsd. Lucian, lüé'n, Lucianus. Lucid, lüsid, schitterend, stralend, helder, duidelijk, begrijpelijk; âness = Lucidity. |
Lucifer, lusifu of lüsifo, lucifer; de Satan: Venus (als morgenster); âmatch = lucifer: -fan, lusifirion, satansch. Luciineter, lüsimoto, lichtmeter. Luck, lok. toeval, geluk, fortuin: Good â Ill â = geluk, ongeluk; He has a run ol' good â = het loopt hem voortdurend mee; â for the fools, and chance for the ugly = gekken krijgen de kaart: He was down on his â = hij vas ongelukkig; âpenny = kleine som, die de verkooper aan den kooper teruggeeft; ây = gelukkig: Unây in love. ây at play = gelukkig in het spel, ongelukkig in'de liefde*: âiness; âless: It was aâless boast = onzalige blufferij. Lucrative, likkrativ, winstgevend, voordeelig; Lucre, liikd, winst, voordeel (gewoonlijk in ongunstigen zin). Lucrece, lukris. Lucretia. Lucy, l(})üsi, Lucie. Lucubration, lamp;kjubreié'n. nachtelijke studiegt; nachtwerk, letterkundig product. Ludicrous, /ndikrds, grappig, koddig, lachwekkend. belachelijk; âness. Lues, IJiiïz, pest of plaag, vergif. Luff, Ivf, subst. loevert (deel v. het schip, dat naar den wind gekeerd is), het dicht bij den wind zeilen; â tackle = takel van één dubbel en één enkel blok; â verb, loeven of dichter bij den wind zeilen: The ship was âing up to the wind = was aan het oploeven: Lu fier. Z. Louvre. Lug, Ing, subst. uitspringend deel, oorlel, oor. twijgje, dunne roede, stuk gronds, paal of stok, â verb, trekken, sleepen: He âged off his hat with a bend = rukte met eene buiging zijn hoed af; âmark = merk in het oor v. varken of schaap, enz.; âsail = breefok : âworm = aas (voor het visschen). Luggage, Ing idz, bagage, passagiersgoed, pakkage: âtrain = goederentrein (Z. Freight;: âoffice = bagagebureau: âticket = bagage-re ru : âvan, âwaggon = goederenwagen. Lugger, Ing'cf. logger (schip). Lugubrious, lügjübrids, treurig, somber. Luke, l.jick, Lucas. Lukewarm, lukwöm. lauw,onverschillig, koel: âness. Lull, Ivl. subst. tijdelijke stilte of kalmte: A sudden â in the conversation = plotselinge stilstand van het gesprek; The â of August = de Augustusstilte (als wanneer de vogels gedurende een tijd zich niet laten hooren); â verb, in slaap maken, kalmeeren. gaan liggen. Lullaby, Inldbi, wiegeliedje. Lumbago, Ivmbeigou, lendepijn, spit in den rug; Lumbaginous, Ivmbadzinds, tot het spit behoorende. Lumbar, Inmbn. Lumbal, Inmbl, tot de lendenen behoorende; â-region = lendestreek. Lumber,subst. rommel, prullen,afval, timmerhout (Amer.); â verb, verward opstapelen, met rommel vullen, timmerhout ten verkoop gereed maken (Am.), zich lomp (zwaar» bewegen, rammelen: A âing carriage; The deck was âed up = hetdek stond vol rommel: âer = houtkooper = âdealer: âroom = rommelkamer, pakkamer. Lumbosacral, Ivmbouseikr'l, de lendenen met het heiligbeen verbindend. |
man; ask = ask; farm = film; bwt = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus: net: care = kca: fate = feit; tin; asleep â aslip; not; \aiv = ló: lord = löd; hoy = bfti;
LUMBH1CAL.
275
LVTHE.
|
iiiinibrical, ^mnbrik,/, wormachtig, iaiiiiiiiary, lüminori, lichtgevend (hemellichaam:'hij, die licht werpt op een onderwerp of de menschheid verlicht: Liiininirerous. lüminifaras, lichtgevend; Luminous = stralend, schitterend, verlichtend, helder; liimii-noiiHiiess = glans, helderheid. Lump, Ivmp, subst. klomp, vormelooze massa, lummel, verwarde hoop: I lelt » â in my throat = prop in de keel; I knofked my head against the wall, and had a â above my eye = bult, dikte: Iüh â of benevolenee *= welwillendheidsknobbel; I bought them in the â = zoo ze daar waren, den geheelen hoop; 1 Mold them by the â = in massa, in den roes: A â of Miliar = klontje; â verb, tot ééne massa vormen, opeenhoopen, gezamenlijk tellen of bespreken: Whether you like or â him. he it* your uiaHter ='of ge hem moogtof niet; âsugar suiker in blokjes of klontjes: âer = losser en lader van schepen; ây = vol dikten of knobbels: Who has made my bed? It is awfully ây; A âing; lot = kolossaal stuk: âish = lomp, dom, ais een blok. Lunaey. Inndsi, krankzinnigheid: liiiuatic*. lünatik, krank/innig(e): Imuatie awylum (dsaWm) = krankzinnigengesticht. Luiiar(ygt;, lnno{ri), van de maan, maans...: â cycle = maancirkel; â month = 291/2 dag;* â year = maanjaar; â efllpse = maansverduistering; Lunation = maansom-loop; Lunulamp;teid), Lunular = in den vorm van halve maan. liunc'h(eon), Ivnèi^ri), subst. tweede ontbijt, twaalfuurtje; â verb, het tweede ontbijt gebruiken. Lune, lün, iets in den vorm eener halve maan; aanval van waanzin, gril. Lunette, lunet, Lunette (verdedigingswerk), plat horlogeglas. Lung. Imx, long; âsick = zware vorm van pneumonia-, âchill = bekleuming; âless. Lunge, Imiz, subst. stoot, uitval bij't schermen: He made a â at my uncle, oh hls heart; â verb, een uitval dóen, slaan naar. Lunt, Innt. subst. lont; â verb, vlammen, rook uitwerpen. Liipercal, lüpakl (Mv. Lupercalia, lüpdkeiljd), het feest van Pan; Lupercalian = tot de Pansfeesten behoorende. Lupine, lupin, Lupiniis, lüpaiiws, wolfsboon. liiipulin, lüpjulin, het ibittere van hop = Lu pu li te. Inpjulait. Lupus, lüpds, huidontsteking of wolf (gewoonlijk in het gelaat). Lurch, lots, subst. het afvallen, heen en weer rollen, vogelnet, moeilijk geval: He left me in the â = in den steek; We lay on the â = lagen op de loer: â verb, gieren of plotseling naar eene zijde rollen (schip), slingeren, stelen, ontfutselen; âer = soort van jachthond met scherp gezicht en fijnen reuk. Lure, Ijüd, subst. lokaas; â verb, lokken,! verlokken, roepen. Lurid, Ijürid, lichtgeel, bleek, somber. Lurk, Wk, op de loer liggen, loeren, schuilen; âer; âing-hole, âing-place = verschuilplaats; âIng-rockM = blinde klippen, verscholen rotsen. |
Lurry, Z»ri, verwarde troep, eentonig lied, dreun. Zie ook Lorry. LuscioiiH, Inèds, zeer zoet, heerlijk, lekker; Lush, Ivè, weelderig, sappig. [âness. Liisiad, hïsidd, episch gedicht v. Camoens over de stichting v. het Portugeesche rijk in Indië. Luskish, Inskis, langzaam, vadsig; âness. Lust, lost, subst. booze neiging, zinnelijke lust, begeerlijkheid, begeerte, wellust; â verb, ongepaste begeerte voeden, haken (met after): -tul = onkuisch, zinnelijk, krachtig; âfulness; âick, ây = krachtig. Hink, kloek: Those times w'ere full of spirit and âi-hood (âiness) = die tijden waren vol opgewektheid en kracht (kloekheid). Lustration, lostreiè'n, zuivering, reiniging. Lustre. Luster (Am.), Insta, glans, luister, schittering, weerkaatsing, lichtkroon met hanger van gesneden glas, schitterend kleed, lustrum: âless,lackâ = glansloos, somber; Lustrous = = vol glans, schitterend. Lustrum, Instrin, tijd van 5 (4) jaar. Lustring, Instriv, glanzende taf of zijde, ook Lute-string en Lustrine geschreven. Lute, liït, subst. luit, geprepareerde leem (ook Luting genoemd); â verb, op de luit spelen, liefelijk klinken, met leem bedekken; âstring = snaar van eene luit. Lutheran, ItWwr'n, subst. volgeling van ^1/. Luther; adj. Luthersch: âism = leerstellingen van L. Liithern. liithon, Lutheran, lütliar'n, dakvenster. Luxuriance, -cy , Idgzüridns(i), weelderigheid; Luxuriant = weelderig, overvloedig, lang opschietend; Luxuriate, logziirieit, weelderig leven; Luxurious = weelderig, wellustig, kieskeurig, met weelde beladen: Luxuri o usness. Luxury, Inkëori, weelde, weelderige leefwijze, heerlijke en lekkere dingen, lekkernij. Lyam, laiom, koppel om honden vast te houden. Lycanthropy, laikenthrdpi, wolfswaanzin (waarin de patient zich voor een wolf houdt). Lyceum, laisiam, inrichting voor (voortgezet) hooger onderwijs, hoogeschool. Lydia(n), lidjd(n), (van) Lydië, verwijfd, Lye, lai, loog. [wellustig. Lying, laiin, het liegen, het liggen: âoff = ver in zee; âin = kraambed: âin hospital = hospitaal voor kraamvrouwen; âin woman = kraamvrouw. Lymph, limf, kleurlooze vloeistof: âatic = lymph bevattend: âatics = lymphvaten. Lynch, Uns, zonder vorm v. proces strafl'en en zelfs dooden (Amer.); âlaw = het straffen volgens de begrippen v. /?/rtc//,d.i. zonder proces, waarbij het volk zijn eigen rechter is. Lynx,/m,/igt;-,losch; âeyed = metscherpen blik. Lyons, laianz, Lyon; The Lyon King at (of) arms = de voornaamste 'der Schotsche herauten. Lyre, laia, lier; âshaped.Lyrate(d). laireituf. ifervormig; Lyric poetry.'lirikpouatri, lyrische poëzie. Lythe. laidh, naam v. de Whiting (= wijting, e'en visch) van Schotland. |
bone = boun; full; fool = ful; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; /year = Jia; \ong = loi^; ship = sip; occasion = okeiy/n; thin; thus = dhus: wine.
18*
MADWORT.
276
|
M. em. verb, voor Marquis. Masculine, Meridian, Mid-He, Mile(s). Mille (Thousand), Minute, Monday. Morning; M(agister) A(rtium) of M(ilitary) A{cademy); Macdabees); Mach(iney, Mad{am): May(azine)', MaJ(or) Gen(eral): Mal(ayan): Mar(c/i) of Mar-(itime); Marq(uis); Masc(uline): J}fass-(achusetts): Matfi(emalies, enz.): Matt{hew)\ M(edicinae) Ji(uccalaureus); 3r(ember of) dongres) of M(aster of) Cieremonies); M(edicinae) JXoctor); Mdlle = Mademoiselle; M(ost) E{occellent): M(ilitary) JS(ngineer); Jfech(anics, enz.); Medicine); Mediaeval) J.at(iri): Mem(orandum); HIpmsfw â Messieurs: 3Iet(aphysics): Metaph(ysics); Me-teor(olofjy); Meth{odist); M(aster) of the) F(ox) jl(ounds); M(ost) H(onourable); M(iddle) H(igh) G(erman); Mi8s(isippi); M(ember of the) I(nstitiite of) C(ivil) JE(ngineers): Min(eralogy); Mhm(esota): Minister) l*len(ipotentiary); M(ember of the) Kiing's and) Q(ueeris) C(ollege of) physicians): M(ember) of the) JL(ondon) S(chool) Ji(oard): M.Hl = Their Majesties, of: Gentlemen; Mn = Michigan; Mo. = Missouri, of Month: Mod(erri); Mon(day): Mmis(ieur): !M(ember of) l*(arlirnnent): 3I(ember of the) philological) S(ociety); Mr = Master, Mister: Miember of the) Jt(oyal) Ciollege of) physicians); M(ember of the) It(oyal) G(eographical) S(ociety); M(ember of the) It(oyaI) A.(cademy); Mr« = Mistress; M(ember of the) l{(oyal) S(ociety of) Literature); Miaster of) S(urgery); Mh = Manuscript: Ms» = Manuscripts; Mt = Mount: M#« = Mountains: Mus{eiim of Musical); M(ost) W (or thy) G(rand) M(aster); Myth(ology). Ma. md. Mama (kindertaal). Ma'am, maom, verk. van Madam. Mali, mab, feeënkoningin, slordige vrouw. Ma by», mabis, jonge dienstbode, eig. verk. van: Metropolitan) Association for) li(efriending) Y(oung) S(ervants). Mac, mak, zoon (vóór Schotsche namen). Maoaciis, mdkdkds, apensoort met korten staart. Macadamize, mdkaddmaiz. een weg met kleine gebroken steenen beleggen (naar het stelsel van Mac-Adam); Macadam road = een zoo gemaakte grintweg. Macaroni, makerouni, deeg van fijn meel tot lange pijpen gevormd. Mdcaronic, subst. verwarring, vers op koddige wijze uit moderne woorden met Lat. uitgang (of omgekeerd) gevormd; adj. van macaroni, beuzelachtig, fattig, wuft, verward of gemengd. Macaroon, malorün, macrone (een soort van koekje). Macartncy cock, mdkütnikok, hanensoort v. Sumatra.' MacaHHar oil, mdkasdróil, Macassar-olie (Zie Antimacassar). Macanlay, mdkóli. Macbeth, mnkbeth. Macaw, mekö, Z. Amer. papegaai. |
Maccabecs. makabiz, Maccabeeën, twee der apocryphe boeken; Maccabean. makdbtsn. Macdonald. makdcndld. MacdufT, mok duf. Macdon^al, mokdng'l. Mare, meis, staf (als teeken van gezag), stafdrager, zware biljartqueue, foelie; âbearer, âbér,), pedel, stafdrager: âr = hofbeambte. Macedon ia, mnsidoiinja, Macedonië; ân, subst. Macedoniër; adj. Macedonisch. Macerate, masdreM, kwellen, weeken (door instippen): Maceration = weeking. Macliiavelian, makiavilfn, subst. en adj. (volgeling) van Machiavelli (146!)â1527; sluw, dubbelhartig, trouweloos (mensch); âism = Machiavelism = de beginselen van M., staatkundige dubbelhartigheid. Machicolation, matèikdleis'n, schietgat(en): Machicoulis, matsiküli, vooruitstekende galerij met schietgaten. Machination, makineis'n, samenzwering, kwaad plan, brouwing van iets kwaads. Machine, rnoëin, subst. werktuig, toestel, machine, brandspuit (Amer.), diligence, bovennatuurlijke kracht in gedichten, etc.; âgnu = 'soort v. mitrailleuse: âmade = stoom..; ârnler = linieermachine; âwork = fabriekswerk; â verb, door machines maken, met machinewerk bezig zijn; âry = machinerie, inrichting, bovenaardsche middelen (in gedichten, enz.); Machinist = machinist, machinekamer. Mackay, mdki of mdkei; Mackenzi, maArenr/. Mac(kgt;intosh, makintoë, waterdichte regenjas. Mackerel, makdr'l, makreel: âsky = lucht met kleine wolkjes of schaapjes. Mackle. mak'L Zie Macule. Macleod, mdklód. Maclise, mdkltz. Mac-niillan, makmiVn. Macomb, makurn. Macon, makon, soort van Fransche wijn. Macpherson, mak fris'n. Macready.rwpArcrf/. Macrocosm, makrekozm, het heelai (Z. Microcosm); Macrocrystalline, makrakristolain, met voor het bloote oog zichtbare kristallen. Macron, makr'n, lengteteeken, als boven ü. Macropod, makrapod, soort van krab. Macroscopic,ri^aA r^s/copi/c, voor het bloote oog zichtbaar (Zie Microscopic). Mactation, mdkteis'n. offerande, slachting. Macnla, makjuld, vlek (op zon of huid); âte, adj. bevlekt; â verb, bevlekken; Maculation = bevlekking, vlek; Macule, makjül, subst. misdruk, vlek: verb, bevlekken, besmetten. Mad, mad, krankzinnig, dolzinnig, razend, woedend, overdreven: lie is sure to run â = hij wordt bepaald gek: lie has driven me â = gek gemaakt; â as a hatter, as a march-hare = stapelgek: âbred = door waanzin voortgebracht; âbraiii(edgt; = dol, razend, dwaas; âcap, subst. dolhoofd, dolleman; adj. dol, dwaas; âden = dol of woedend maken: The madding crowd = de woeste, woelige (dwaze) menigte; âheaded = dwaas, dol; âhouse = krankzinnigengesticht; âly: âman = krankzinnige; âness = krankzinnigheid, waanzin, dolheid: âwort = steenkruid. |
man; ask = ask; farm = fiim; b?/t = but; learn = Km; line = lain; how se = hans; net; care â kto; fate = feit; tin; asleep = aslip; not: law = ló: lord = löd; \)oy = bói;
MADAM.
MAIN.
277
van het magnetisme: â ism = magnetisme, aantrekkingskracht: Terrestrial âism = aardmagnetisme; âist; âization = magnetiseering; âize = magnetiseeren; â izer; Magneto-electric = magnetisch-elektrisch; Magnetometer = magnetische krachtmeter. Magniliable, magnifdirb'l, vergrootbaar, prijzenswaardig.
Magnificat, magnifikat, het lied der H. Maagd (Lukas I, 4(3).
. Magniriccnce, magnifisdns, grootschheid , i luister; Magnificent = grootsch, edel, prach-i tig, lofwaardig.
Magnilico, magnifikou^ rector eener Duitsche Hoogeschool, rector magnificus, groot heer. Magnily, magnifni, vergrooten. vermeerderen, verheerlijken, van waarde of beteekenis zijn; Magnifier; âing-glass = vergrootglas. Magniloquent, magnildkiiïnt, gezwollen (van taai).
Magnitude, magnitjüd, grootte, omvang, hoeveelheid.
Magnolia , magnouJjo, soort van prachtige (vooral N.-Amer.) heesters.
Magnum btmum, magn'mhourim, soort van groote ronde pen; soort v. groote gele pruim. Magog, meigog, groote reus.
lilagpie, magpai, ekster.
Mahabharat, mü-hobArat, een Indisch epos. Mahdi, mAdi, naam van den valschen profeet (in Egypte); âst wars = oorlogen met den M. Mahlstick. Z. Maulstick.
Mahogany, ttidhogeni, mahoniehout. Mahonied'aii, -etan, mdhomod'n, -dVn, Mohammedaan; âIsm.
Mahon, meih'n of mohün.
Mahori, mohóri, Oost-Polynesiërs.
Mahout, mfifnit, olifantdrijver (Indië).
Maid, meid,maagd, meid, meisje: â of honour = hofdame; â of all work = meid alléén; âservant = dienstmeid; âen, subst. maagd, meisje, waschmachine; adj. maagdelijk, rein; âen-assize = zitting zonder crimineele zaken; âen-aunt = ongetrouwde tante: âen-auntisli; -en-hair = venushaar; âenhead. âenhood = maagdom, maagschap; âen-like, âenly = maagdelijk, zedig, kuisch; âen-name = de eigen naam van eene getrouwde vrouw: -en-speech = eerste redevoering van een nieuw parlementslid. *
Maieutic.mei-juJiA', bevorderend, ontwikkelend. Mail. mei/, subst. maliënkolder, brievenzak, brievenpost: â verb, bepantseren, met de post verzenden, op de post doen (Amer.); âcart = sportkar; âclad = bepantserd; âcoach = postwagen; âmaster = conducteur van een âcoach (Amer.); âsteamer = postboot; âtrain = posttrein; âable = wat per post kan worden verzonden (Am.); âed = met een maliënkolder.
Maim, meim, subst. verminking: â verb, verminken, schenden.
Main, mein, subst. voornaamste deel, hoofdbuis. oceaan, wedstrijd tusschen hanen: In (on) the â = in hoofdzaak; He is honest in the â = over'tgeheel genomen is hij eerlijk; With might and â = met alle macht; â s and service-pipes = hoofd- en zijgeleidingen; adj. voornaamste, eerste: The â body of an army de hoofdtroep; He lias
Madam, mad'm, M e vro u w, J u It'rou w: Madame, mdddm, mevrouw, âmadamquot; (ironisch): Tomorrow Madame retnriiH to the kitchen = morgen kan men de mooie âmadamquot; weer in de keuken vinden; lie always addresHeN lier as âMadamequot;, and treats lier as a rliicess.
adder, madd, meekrap.
Made, meid, imperf. en part, van to make: You are a â man = uw fortuin is gemaakt. Madeira, mddird, madera; âchair = soort v. gemarkkeiijke stoei.
Mademoiselle, maftomwözeZJuflrouw: lias â come back = is de juffrouw al terug? Madge, madz, verkorting van Margaret. Madonna, mddono, (beeld v. de) Maagd Maria. Madrilene, madrilin, van Madrid.
Madrier, madrid of madrio, stormplank. Madrigal, madrig'l, klein minnedicht, een a capella lied voor verschillende stemmen. Maelstrom, meilstrom, gevaarlijke draaikolk op de kust van Noorwegen.
Maenad, minad, vrouw die aan de Bacchus-feesten deelnam, dol wijf.
Magaxine, mngdzin, pakhuis, magazijn, tijdschrift, kruitkamer (in een schip); âdom = de gezamenlijke tijdschriften.
Magdalen, magdoldn. bekeerde slechte vrouw. | Magdaleua.
Magdeburg, magdabv.y, Maagdenburg; â liemispheres, â hemisfidz, Maagdenburger 1 halve bollen.
Mage, meidz, toovenaar.
Magellan, niadzeVn, Magellaan: The Straits ol' â = Straat van Magellaan; â ic, mat/fa-lanik, v. Magellaan: âic clouds = drie grauwe nevelvlekken nabij de Zuidpool, kaapvlekken. | Maggot, magdt, made, gril; ây = vol mijten of maden; âiness.
Magi, meidzai. kaste van priesters bij Meden , en Perzen, de Wijzen uit het Oosten; âanism, meidzidnizm. leerstellingen der M.
Magie, madzik, tooverkunst, hekserij, toover-kracht; âOil) = tooverachtig, bekorend, door tooverkraclit; âcircle = tooverkring; âflute = tooveriluit; âlantern = too verlantaarn; âHquare = vierkant van zoodanige cijfers, dat deze, loodrecht, horizontaal of diagonaal opgeteld, steeds dezelfde som leveren; âally: âian, mddziè'n, toovenaar.
Magisterial, madzislirwl, meesterachtig, heerschend.
Magistracy, madzislrdsi, alle magistraten of hun ambt;* Magistral, madzistrl, meesterachtig, gebiedend, afdoend of volgens recept (van een geneesmiddel); Magistrate, madzistreit. j overheidspersoon, vrederechter.
Magna C(ligt;arta, magndkato, Jan Zonder, Lands grondwet (1215), grondwet. Magnanimity, mapnanimifi, grootmoedigheid ; Magnanimous = grootmoedig, edel.
Magnate, magneit, voornaam persoon. Magnesia,mafirnfsa,magnesia; Sulphate of â = Epsom salts; ân = magnesium bevattend of gelijkend.
Magnet, magnet, mngneet, magneetstaaf; â ic, magnet ik, magnetisch, aantrekkend; âic needie = magneetnaald; âic poles = magneetpolen; âic field = ruimte onder den ' invloed van een magneet; â ics = de leer j
bone â boun; full; fool = fill; a = toonlooze yokaal (zie, as/ee/; en care); girl; v/ear = jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thws = dhus: wine.
MAIN-BOOM.
278
MAKE.
|
an eye to the â elianee = hij let op No.1, hij is een egoist: âboom = giek, zeiiboom; âcourse = hoofdzeil; âdeck = opperdek; âland = hoofdland, vasteland; âline» and branch lineH ol* a railway = hoofd- en zijlijnen v. een spoorweg: â-ma«t = groote mast; âpost = achtersteven; âsail = grootzeil: âsheet = groote schoot: âshroud = groot want: âspring; = groote veer, hoofdader, hoofdbron, etc.; âstay = groote stag; âtop = groote mars; *âyard = ! groote ra; â ly = voornamelijk, krachtig, mainprise, meinpraiz, loslating onder borgtocht. Maintain, m'ntein, handhaven, verdedigen, i rechtvaardigen , onderhouden, volhouden : âable; âer; Maiiitenanee, meintdrins, handhaving, onderhoud, onwettige geldelijke steun in een proces: Cap of maintenance = staatsiemuts of -baret, vóór den koning of een burgemeester bij hunne beëediging, enz. gedragen. Mainwaring;, mandril^. Maize, meiz, maïs; âna, meirtna, korenmeel. Majestic, mddzestik, majestueus, heerlijk, prachtig; âally: Majesty, madzosti, majesteit, grootschheid, verhevenheid. Majolica, medzolikd, soort van geëmailleerd aardewerk. Major, meidtd, subst. meerderjarige, eerste term van een syllogisme, majoor; adj. grooter (in getal), meerder, grootste; âdomo =! hofmeester, voornaamste dienaar; âgeneral = generaal m.ij oor; âpremiss, âpremis,! hoofdpr.-umisse; âterm = major (d. i. de term, die het pnedicaat der conclusie vormt): âity, mddzoHti, meerderheid, majoorschap, mee'rderjarigheid : The Army Estimates were voted by a sweeping âity = de Begrooting van* Oorlog werd met eêne verpletterende meerderheid aangenomen; âship = majoorsrang of -betrekking. Majorca, mddzökd. Majuscule, mddzvskjill. hoofdletter. Make, meik, subst. vorm, gedaante, maaksel: That is painl'ul to my naturel â = doet mijne natuur geweld aan; A heart of his â = van zijne soort; â verb, maken, scheppen, voortbrengen, doen, bereiden, verheffen (tot) een rang of waardigheid), bedragen, bijdragen, dienen, afleggen (van een weg), plechtig verklaren, bewijzen, halen (van den prijs), nabijkomen, naderen: lie made a speech = hield eene rede; â haste = haast je wat: I have Just made the steamer = de boot nog net gepakt; The ship made the ocean = stak den oceaan in (verg. The ship made lor the harbour = bewoog zich in de richting van de haven); He made the island = kwam nabij, in 't gezicht van; â an end ol* it = maak er een eind aan; He âs no account of it = hij geeft daar niet om; That will â against your plan = benadeelen: Why don't you â amends = maakt ge het niét goed, geen excuus; He made a guess at the meaning = hij raadde naar; They made after the deer = vervolgden het hert; The king made away with his enemies = de koning ruimdezijne* vijanden uit den weg: They made away with the soup = aten de soep'op: He âs free with my wine â hij doet alsof het zijn wijn is; He made the waiehouse into a ball-room = veranderde; He has made good his reputation = zijn roem gehandhaafd; i on must not â light óf it = licht opvatten: He made good his promise, word = hij hield: 1 do not know what to â of it = ik kan er geen touw aan vastmaken; He made love to my sister = dong naar de hand van: 1 have made a good dinner = flink gegeten; 1 made the best of my way home = begaf mij zoo gauw mogelijk naar; The riders made much of their horses after the charge = na de charge streelden de huzaren hunne paarden; He âs much of me = hij haalt mij erg aan; You â merry with iiie = houdt me voor 't lapje; Do not â a fool of me = houd...voor den gek; That does not |
â the least dilference = dat kan niets schelen; 1 â no doubt of it = ik ben er zeker van; I cannot â that man out = ik begrijp, âsnapquot;, dien man niet; A skilful deteiider might perhaps â out a case for him = hém vrijpleiten, rechtvaardigen; 1 can â out the village spire = den dorps-toren duidelijk onderscheiden; I will â sure of it = mij ervan vergewissen; The ship made sail = zette meer zeilen bij; 1 will â you a good husband = ik zal een goede man voor je zijn; He âs a fair living = heeft het vrij goed: I say, you must â it up = zeg er eens, jullie'móet elkaar de hand (dei-verzoening) geven: Vou are making up to her = ge tracht u bij haar aangenaam te maken, maakt haar het hof: All your money does not â up a guilder = bedraagt no'g geen gulden: We made war against him = voerden oorlog tegen; Will you â a pen for me = vermaken; 1 have made it up for you = in orde gemaakt; He could not â up lost ground = het verlorene niet herwinnen; He ha» made his pile = een,,bomquot; geld verdiend; The ship âs water = is lek; â way, there = uit den weg daar; You must try to â (head)way = je moet wat vooruit zien te komen; They made a stand in the wood = hielden halt; I will not â any more words about it = ik wil er geen woord meer over verliezen, er niet meer over kibbelen: He made over his property to his cousin = schonk zijne bezittingen'aan; He made as if he consented = hij veinsde toe te stemmen: He made believe to weep = hij deed alsof hij schreide; It is only a âbelieve = het is maar een voorwendsel, huichelarij; They make-believe to believe = doen net, of ze 't gelooven; I â bold to observe = ik waag het op te merken; He made up to me in the crowd = hij sprak mij aan in het gedrang; We have made rather merry to-day = vrij wat pret gehad: He âs sure* of it = hij acht het zeker; He will never â a good actor = hij deugt niet voor tooneelspeler; The actor was made up beautifully = in een mooi costuum gekleed, goed gegrimeeid; We shall have to â up for lost time â wij zullen den verloren tijd moeten inhalen: i have made up my miiid=ik ben besloten; The proofsheet was not made up as yet = de drukproef |
man; osk = Ask; farm = lam; bat = but; learn = Iwn; line = lain; hoitse = haus: net: care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv â 16; lord = liid: hoi/ = bói:
MALABAR.
279
MAN.
|
was nog niet opgemaakt; The actor'» âup was excellent = de grime was uitstekend; He is a âpeace = vredestichter; That is only a âshll't = redmiddel, uitvlucht; A âHliil't contrivance = iets om ons tijdelijk mee te behelpen; âweight = aanvulling, toegift, stoplap, noodhulp; âr = maker, vervaardiger, dichter, Schepper; That was the making of hini = dat heeft er hem bovenop geholpen; He has the makings olquot; an excellent teacher = er schuilt (zit)....in hem. Malabar, maldbü. Malachi, maldki, Maleachi. Maleachite, mafóA-ail, malachiet (mineraal). Malacology, tnaldkolddzi, natuurlijke beschrijving der weekdieren. Maladjiistment, mabdzvstm'nt, slechte regeling of inrichting. Maladministration, ntnl.idmmistreisn. wanbeheer, wanbestuur. Maladroit, malifdrt'nt, onhandig: âness. Malady, malddi, (slepende) ziekte, moreel gebrek. Malaga, mutegd, Malagawijn. Malahack, maldhak, kneuzen (Amer.). Malapert, maldpvt, onbeschaamd, brutaal. Malapropism. maldpropizm, verkeerde toepassing van âstadhuiswoordenquot;, een verkeerd toegepastâstadhuis\voordquot;: Malapropos,r/w/«-prdpou, te onpas, ongeschikt. Malar, meite. subst. kaak: adj. tot de kaak behoorende. Malaria, nwlêrid, moeraskoortsen, schadelijke moerasdampen: âI, ân, Malarious = door schadelijke dampen bedorven. Malay, nwlei, Maleier. Malcolm, malkdm. Malcónlormation, malkonfdmetïn, wanverhouding der deelen, slechte vorming. Malcontent, malkamp;ntent, subst. en adj. onte-vreden(e); âed. malk'ntentid. Maldives, maldaivz. Maladiven. Maldon. móld'n. Male, met/, subst. mannetje; adj. mannelijk: ârime = mannelijk of staand rijm; âscrew = vaarschroef; âissue = mannelijk oir. Maledictiim, rnalddikamp;n, vervloeking, kwaadspreking; Maledictory = vloekend. Malefactor, mwlofakti), boosdoener; Malcficence = misdadigheid: Maleficent = misdadig, boosaardig; Malefic = slecht, kwaadaardig. Malevolence, mdlevarns, kwaadwilligheid; Malevolent. Miilfeasiince, malfïz'ns, onrecht. Malformation, ma.lfdmeiè,n, slechtgevormd-heid. Malice, ma lis. boosaardigheid, opzettelijke boosheid: tie did it of â prepense (aforethought) = met voorbedachten rade: He bears no â = is niet haatdragend: Malicious, welisds, kwaad- of boosaardig: Maliciousness. Malign, melain, adj. ongunstig, nadeelig: â verb, benadeelen, gemeen behandelen, kwaad spreken van: âer; âancy,»wWpn'wsi,kwaadaardigheid; Malignant == kwaad-, boosaardig; Malignity = boosaardigheid. Malinger, mdlir^gd, ziekte voorwenden (vooral bij soldaten): âer; â y = het voorwenden eener ziekte om vrij van dienst of corvée te zijn. |
Malison, maliz'n, vervloeking. Malkin, m6(l)kin, ovendweil: The kitchen â = keukenmeid (eig. keukenkat). Mali, ma/, maliebaan, openbare wandelplaats. Mallard. mated, wilde woerd. Malleable, maljnVl, smeedbaar: âness, 3/a/-leability = smeedbaarheid: Mall cation = het pleiten. Mallet, malot. houten hamer: Malleus,ma/ias, hamer (in het oor). Mailow(sgt;. malou(z), maluw. Mallory, ynaldri. Malmesbury, mümzb'ri. Malmsey, mamzi, malvezij (soort v. druif). Malodorous, malouddrds, stinkend; Malo-dour, maloudd, stank. Malone, moloun. Malpractice, malpraktis, kwade praktijk, slecht gedrag. Malt, molt, subst. mout; adj. van mout: â verb, tot mout maken: âdust = moutstof; âhorse = paard vaneen moutmolen, sufferd, domkop; âkiln â (mout)eest; âliquor = moutdrank; âster = moutmaker: âspirits = korenbrandewijn. Malta, mol to: Maltese, móltiz, subst. Maltezer^), hunne taal; adj. van Malta; Maltese-cross = kruis met acht punten (insigne van de Maltezer ridders); Maltese-dog = soort v. patrijshond. Malthus. maltlws: âian, malthjüzdn, subst. en adj. Malthusiaan(sch). Maltreat, maltint, ruw of slecht behandelen; âment. Malvem Hills, müvdnhilz, de heuvels van M. Malversatilt;m. mnlvdseiamp;n, bedriegelijke of gemeene streken, ontrouw. Mameluke, mamoljnk, Mameluk. Mam(ui)a, mdmd, Ma. (Kinderen zeggen ook: Mama, of: Mam mg = moesje, Ma'tje). Mammal, zoogdier; Mammae, mamt, zoogborsten: âia, mamei/./Vgt;, zoogdieren; âian, tot de zoogdieren behoorende; Mammalogy = wetenschap van de zoogdieren; Mammifer = zoogdier: Mammiferous = de jongen zoogend. Mammodis, mamddis, grof neteldoek (Indiö). Mammon, wom'n. Mammon, rijkdom. Mammoth, manwth, subst. mammoet; adj. reusachtig. Man, man (Meerv. Men, men), subst. mensch, man, echtgenoot, knecht, de menschen, men. pop (bij dam- of schaakspel): A â ought to do his duty = men moet zijn plicht doen: 1 am my ówn â = ben mijn eigen baas; To a â = éénparig: The old â = de oude Adam: He came to â's estate = hij kwam tot mannelijken leeftijd; They all wore gloves to a â = zij droegen * allen, zonder onderscheid, handschoenen; A â of arms = krijgsman: A â of peace = vreedzaam mènsch; A â about town = losbol, doordraaier, âbon vivantquot;; Au Kast-lndia â = Oostinjevaarder; â verb, bemannen, versterken, bezetten, (zich) vermannen: lie â ned himself, and did it: The sailorsânedthe shrouds = paradeerden in het want; âengine = machine tot het ophalen en neerlaten van mijnwerkers: âmercer = handelaar in ondergoederen voor mannen: âmidwife = accoucheur; âmonster = half menschelijk mon- |
bone = boun; full; fool = fill; 9 = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = jia; long = loi^; s/iip = sip: occasion = okeiz'n: thin: thus = dhvs; wine.
MANACLE.
MANUAL.
|
ster; â of war = oorlogschip; âuf-straw = nul van een vent; ârope = valreep; â trap = val om overtreders te vangen (zooali-voetangels, enz.); âful = manhaftig; âfulness; âhater = menschenhater: âhole = gat om in riool of zinkput te komen: âhood = de menschelijke natuur, mannelijkheid: âly = mannelijk; âliness; ânisli = man-nig, d. i. mannelijk in ongunstigen zin; â servant = knecht; âslaughter, âslotv. doodslag, manslag; âslayer = doodslager. Manaele, manak'l (gewoonlijk meerv.), .subst. handboei; â verb, de handboeien aandoen. Manage, manidz. besturen, behandelen, be-heerschen, richten: 1 hope 1 eau â it = illt; hoop dat ik het 'm lever: lie eauiiot â the boys = kan geen orde houden; âability = handelbaarheid; âable = handelbaar, leerzaam (van dieren); Managing-partner = besturend-firmant; âment = bestuur, leiding: âr = bestuurder, leider, theaterdirecteur, chef van tractie (bij de spoorwegen); âress: Managing-di rector = bestuurder. Manakin, mandkin, dwerg (Zie Man(n)ikin): Manehester, mantëistd. Mandamus, mandeimds, bevelschrift. Mandarin, mandorin, subst. Mandarijn (China); â verb, in oranjekleur verven. Mandatary, manddtori, gevolmachtigde; datory =* bij of volgens volmacht. Mandate, mandeit. bevel(schrift), opdracht. Mandible, mandibH,(beweegbare)kaak; Mandibular = behoorende tot de M.; Mandibu-late = van (beweegbare) kaken voorzien. Maiidolin(e),mandc^m,mandoline(snaarinstr.). Mandragora, mandragard. Mandrake, ma^y-dreik, wolf kers, slaapwekkende drank daarvan. Mandrel, Mandril, mandr'l, draaiersspil. Mandueable, mandjnkdVl, eet- of kauwbaar: Manducate = kauwen, eten: Mnnducation; Manducatory = geschikt om te kauwen, om mee te eten. Mane, mein, manen: âsheet = bedekking voor het bovenste van een paardekop; âd = van manen voorzien. Manege, nidnêz, rijschool, rijkunst. Manequiii, mandkin, kunstenaarsmodel van hout of was. Manes, meiniz, schimmen der afgestorvenen. Maneuver, mnnxiva. Zie Manoeuvre. Manganese, niangdniz, bruinsteen. Mange, meinz, schurft; Mangy, meinzi, schurftig, min. onvruchtbaar; Manginess. Mangelwurzel, mang Iwvz'l, beetwortel. Manger, meinzd, ruif, kribbe: lie is a dog in the â = hij kan niet zien dat de zon iu het water schijnt. Mangle, mangH, subst. mangel; â verb, mangelen, klandéren, verminken, havenen, verscheuren; âr. Mango, mar\gou, mango (soort van meloen). Mangrove, mangrouv, tropische boom, mangoboom. Mania, meinjd, krankzinnigheid, ziekelijke opgewondenheid, manie: âe, subst. krankzinnige : adj. krankzinnig = Maniacal, mdnaidkl. Maiiich(a)ean, manikidn, Manicheeër; Mani-chaeism = de leer der M.; Maniehees. manifrtr, Manicheeën. |
Manifest, manifast, subst. factuur (voor de douane); adj. openbaar, duidelijk; â verb, openbaar maken, de factuur vertoonen; âable = verklaarbaar: âation = openbaring, ontdekking; âness; âo, manifestou, manifesto, publieke verklaring omtrent beweegredenen en plannen. Manifold, manifould,adj. menigvuldig,talrijk, herhaaldelijk; â verb, vermenigvuldigen, vooral door een âwriter = copieer-instru-ment; âness. Man(n)ikin, ma), ikin. mannetje, ledepop. Maniltlgt;a, mdnils, manilla (sigaar). Maniple, manip l, kleine troep (in het Rom. leger 60 man twee officieren en een vaandeldrager), lint om den linkerarm van een priester; Manipular = tot een Maniple behoorend; van de handen. Manipulate, nidnipjuleit, met de handen bewerken, behandelen, vervalschen; Manipulation-, Manipulatory = met de handen bewerkt, door bewerking met de handen. Manitou, mamtA, Groote Geest b./d. Indianen. Mankind, mdnkaind, het menschelijk geslacht; (mankaind) alle mannen (tegenover woman-kmd), echtgenoot (tegenover wife, bij de lagere klassen). M anna. mand, manna; Mannite, m ana it. suiker uit manna. Manner, mand, manier, wijze, methode, gewoonte, stijl, mode: In this â = op deze wijze; After his sour â = op zijne norsche manier; In a â = in zekere mate; â s == gedrag, manieren, âmoresquot;; I'll teaeh him âs = ik zal hem manieren leeren; Au ill-âed young fellow = met slechte manieren; There i» a âism about him = gemaaktheid: This writer's âism = de gemaniëreerdheid (smakelooze eenvormigheid) van dezen schrijver; âist; âly = welgemanierd, beschaafd. Manoeuvre, monüva (Maneuver is Amer.), subst. taktische beweging, handige zet: â verb, handig besturen, (doen) manoeuvreeren; âr. Manometer, monomdtd, Manoscope, mana-sfcoup, manometer. Manor, mana, ambtsheerlijkheid, baronie: âhouse, âseat = heerenhuis, groot verblijf; âial, manórial, tot eene baronie behoorende. Mansard roof, mansadrnf, rond dak. Manse, mans, predikantshuis, pastorie. Mansion, manamp;n, groot heerenhuis; The â house = het officieele verblijf van de Lord-Mayors in Londen en Dublin. Mansuetude, mansuntjnd, zachtheid, onderworpenheid. Mantel, manfl, versierde vóórzijde van eene stookplaats: âpiece = schoorsteenmantel = âshelf. Mant(egt;let, mant(e)lat, manteltje; Mantilla. irintila, kap, lichte mantel. Mantle, manfl, subst. mantel, bedekking; â verb, bedekken, verduisteren, uitzetten, verspreiden, schuimen, de vleugels uitspreiden om te rusten. Mantua, mantjua, dameskleed, japon; â maker = japonnennaaister. Manual, manjual, subst. handboek, manuaal (van orgel of piano), handspuit; adj. met de handen; âexercise = oefening in de handgrepen van het geweer. |
man; ask = ask; farm = fiim; bat = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló; lord = Hid; hoy = boi;
MANUFACTOKV.
281
MARK.
|
Manufactory, manjuf'akteri, fabriek; Maiiii-factnre, ma.njufaktjd, subst. fabrikaat, vervaardiging; â verb, vervaardigen, fabriceeren. werkzaam zijn in fabrieken; Maniifactiirer = fabrikant. MaiiumisHioii, ma.njumië'n, vrijmaking door handoplegging (handlichting); Manumit = vrij verklaren (van slaven). Manuiiiotor, mamp;niumoutd, wagen met quot;s rijders handen voortbewogen. Manure, monjüo, subst. mest; â verb.bebouwen, bemesten, vruchtbaar maken; â r. MamiHcript, mandskript. subst. handschrift: adj. met de hand geschreven. Manx, mai\ks, subst. taal van het eiland Man: adj. tot Man behoorende: The â people = inwoners van M. Many, ment, subst. menigte, groot aantal: The' â = de meerderheid, groote hoop; adj. talrijk, veel, vele(n): So â eountrie», mo â ciiHtomH = 's lands wijs 's lan-is eer; â a man = menig mensch; â a time and oh (â time»*) did 1 see him = ik heb hem herhaaldelijk gezien; A great â = zeer vele(n): As â again = eens zooveel; â men. â minds = zooveel hoofden, zooveel zinnen: âheaded = veelkoppig, veelhoofdig, wispelturig; âsided = veelzijdig, met breeden blik, vrijzinnig (in de edelste beteekenis); â sidedness. Maori, mauri, subst. Nieuw-Zeelander; adj. Nieu w-Zeelandsch. Map, map, subst. landkaart, hemelkaart, omtrek; â verb, teekenen, afbeelden, nauwkeurig beschrijven of voorstellen; âmaker = land-kaartmaker. Maple, meip'l, ahorn, eschdoorn. Mar, ma, beleedigen, bederven, ontsieren. Marabou, maraöü, marabout: âleathers = windveeren van den M. Marabout, Marahoot, mwdbüt, .Mohammedaan, aan godsdienstig leven gewijd. Maraean, marakstn, papegaai (Brazilië). Maraschino, mardskinou, marasquin. Marasmus, mdrasmas, vermagering. Maraud, mdrócl, stroopen, plunderen; âer: -ing. Marble, miiVl, subst. marmer, knikker; adj. marmeren, als marmer geaderd, ongevoelig, wreed; â verb, marmeren; âArch = een der toegangen van het Hydepark: âedged = gemarmerd op snede, met gemarmerden rand; âliearted = hardvochtig; â r: The children were playing at âs = waren aan het knikkeren; Garbling = op marmer gelijkende steen, het marmeren. Mare, mcik, afval van uitgeperste vruchten. March , maté, subst. grens, markegrond. marsch. tocht, geleidelijke ontwikkeling. Maart: They rode the âes = zij trokken over de grenzen: Order of â = marschroute: As mad as a â hare = stapelgek; â verb, begrenzen, (doen) marcheeren: Tiie general âed the annv to the enemy = rukte met het leger op: We âed down upon the enemy = rukten aan op; The soldiers were -eel up trom the barracks = men liet hen uit de kazerne hierheen rukken; The soldiers âed off = marcheerden af; âchick = brutale kerel. |
Marcescent, müses'nt, verwelkend, vergaand. Marchioness, müédrws, markiezin. i Mare, mêd, merrie: You think yourself very clever, but you have only * found a â ?s j nest = gij denkt dat gij heel knap zijt; maar i gij hebt een ongerijmdheid ontdekt of gevonden: Some experience will save you from â's nests = zal u voor ongerijmdheden bewaren; â's-tail = hooge, luchtige wolk. Margaret, mügdrdt] Margate, magit. 1 Margarine, magdrin, kunstboter. Margarite, mügdrit, parel; Muryaritifwoi(s = paarlen voortbrengend. ⢠Margay, mügei, tijgerkat. Margin, miidzin, Marge, matlz, subst. rand, wit papier op den rand van eene bladzijde, wat men over heeft: In such a work a â of error should be allowed = moet men een zeker getal vergissingen verwachten; Eleven to four is a suflicient â for me = van 11â4 heb ik tijd genoeg; 1 sold out so as to have a larger â with which to operate = ik verkocht mijne aandeelen, om wat meer geld in handen té hebben: A small â of profit = een klein voordeeltje; lie is so devoted to his work, that he has not a â for social life = dat er voor't gezellige leven geen tijd overblijft: To operate on a â = alléén verkoopen (b.v. van etfecten) als men erop kan winnen; â verb, van een rand voorzien, op den rand aanteekenen; âal notes of âalia, mamp;dzineilja, kantteekeningen: âally; âate(d) = met een rand, gerand. Margót, rniigzt, soort v. snoek (Amer.). Margrave, miigreiv. markgraaf; Margravate, mügrdvit, Margraviate, mVigreivi-U, markgraafschap; Margravine, mügrovvn, markgravin. Maria, mdraid. Maria; lllack â = dieven-; wagen (in Amerika Salad-basket); âiit mêridn, tot Maria behoorende; The ân Islands = de Dieven Eilanden: Mary. mêrir Marie; Marianne, mèrian. Marigold, ?Ha/'iV/ou/d, goudsbloem: âwindow = ornamenteel rond venster. Marinate, âade, marineit, âeilt;/, subst. iets : ingemaakts; â verb, marineeren (v. visch). Marine, mdrln. marine, zeesoldaat, zeemacht: âengine = stoomwerktuig in schepen; â gunner = zee-artillerist: âstore = zeemagazijn: Mariner, marind, zeeman, matroos. Mariolatry, mèriofatri, Maria-vereering. Marionette. maWancf, marionet. Marish, maris, subst. moeras; adj. drassig. Marital, maHVl, van den man: I have no-sympathy with â wrongs = ik voel niets voor mannengrieven. Maritime, maritahn, aan zee gelegen. ; Marjoram. müdz.ir'm, moederkruid. Marjoribanks.m«^r//i/r,s.Mark,mflA-,Marcus, ark, mak, subst. gewicht, mark, merkteeken, I doelwit, kruisje (van iemand, die niet kan i schrijven), aanzien, gewicht, handelsmerk: A man (names) of â = man (namen) van 1 gewicht; Above, below the â = te hoog, te laag; You are beside the â = gij zijt de plank mis: â of the beast (Zie Openbaring XIX, 11)); IlightliOW'Mvater â = hoog (laag) waterpeil; Load â = lastlijnr | diepgang; That man will make his â = |
bone = boiin; full; fool = tïil; 4 = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl: year = Jia; long = loij; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; r/?us = dhtjs: wine.
MARKS-MAN.
282
MASK.
|
â¢die man zal van zich doen spreken; That (lie) i» not up to the â = dat (hij) kan er niet door, is beneden peil; It would look âed if you stayed away = het zou zoo interèssant lijken;* âedly = duidelijk, openbaar; â verb, merken, onderscheiden, letten op. scherp onderzoeken, uitpikken: They were âed out lor deHtruetioii = ze waren bestemd voor den dood; â ine = let op m'n woorden; âer = aanschrijver, teller, marqueur; âH-nian â¢â goed schieter, scherpschutter: âin^-ink = merkinkt. Market, niiikdt, markt, de bezoekers ervan, koop of verkoop, prijs: He found hin â and died rich = zijn artikel vond aftrek, maakte opgang: In the â = voorradig, aanwezig; Clerk ol* the â = marktmeester: Good wares make quick âs = goede waar is half verkocht; It was put upon the âet = openbaar ten verkoop aangeboden: â verb, (op de markt) koopen en verkoopen: They looked like devils who were âing a â¢corpse = zij zagen eruit als duivels die om een lijk dobbelen: âcross = kruis (waar eene markt gehouden werd of wordt): âgarden = vruchten- en moestuin; âgardener = hovenier, gaardenier: âmaid, ânian = marktbediende; âplace = marktplein; â price, ârate = marktprijs; âtown = stad met het recht eene weekmarkt te houden; âable = verkoopbaar; âing = het ter markt zijn of gaan. TMaii, mal, subst. mergel, aarde; â verb, met M. bemesten: âaceous^ â y, âitic. mergel-achtig, mergel bevattend; âite, mülait, variëteit van mergel: â p'i = mergelgroeve. 'Marlborough, miilbro. Marlowe, miilou. Miiriine, rnüUn. marllijn; âspike of Mar-ling-spike = marlpriem: Marling = het marlen of omwikkelen van een dik touw of kabel met twijn. 'Marmalade, mümdleid, vruchtengelei. Marmoraceoiis, mlimdreiêds. Marmoreal, âan, mdmóridl, âan, op marmer gelijkend: Marmoratiim, mümareifm, cement van gestampt marmer en kalk. IMarinot, mümdt, marmot. Marone, moronn. Maroon,mdrün, vanbruin-roode kleur. 'Maronites, mêranaite. Maronieten (godsd. sekte). Maroon, marun, subst. voortvluchtige neger (W. I.): adj. vluchtend; â verb, op een woest eiland aan wal zetten, een picnic houden (Amer.); âing = buitenpartijtje. Marplot, miiplot,, planbederver. ïlarque, mak: Letters of â = vrijdom (door de regeering aan een kaper), kaperbrieven. Marquee, makt, groote veldtent. quot;Marquetry, mdkdt'i, ingelegd werk. Marquis,' Marquess, mdkwis, markies; âate, mükwisit, markisaat. Marriage, maridz, huwelijk(splechtigheid); âarticles, âcontract = huwlijkscontract: âfavours = witte strikken of linten bij een bruiloft gedragen; âlicence = huwelijksvolmacht: âlines = huwelijksbewijs; âvow = huwelijksgelofte: âable = huwbaar. Marrow, maroM, merg, kern, pit; partij,deelgenoot; âbone = mergpijp: âboiies = knieën (Zie Cleaver); â-fat = groote erwt: ây; âless. |
Marry, man, trouwen, huwen, uithuwen: â in haste, repent at leisure = snel getrouwd, lang berouwd; He married below his station = onder zijn stand; Is your brother a married man? l\To, he is not a âing man = is uw broer getrouwd? Neen, dat is geen man om te trouwen; Married state = echtelijke staat. Marry, niari, verbastering van Mary: â, yon'are right = waarachtig, je hebt gelijk. M ars, m«z. Mars (oorlogsgod, planeet». M arsala, mösAlo, Siciliaansche wijn. M a rse i 11 es, müsei Iz. Marsh, mcië, drassig land, moeras; â y = drassig; âgas = moerasdamp: âmarigold = hoefgras; âmallow = althéa: âmint = kruizemunt. Marshal, mdsol, subst. maarschalk, provoost (schip): Lord â = hofmaarschalk, oppercere-moniemeester; â verb, rangschikken, scharen, ordenen, aanwijzen; âIer; âship. Marshalsea, müsdlsl, vroegere gevangenis voor gijzelaars in Londen (Southwark). Marsupial, mcisiüpiol (Mv. Marsupalia, miksiupeUjd). subst. buideldier: adj. buicleldra-gend: Marsupüun = buidel van de Marsupial. Mart, mat, subst. markt, inkoop en verkoop; â verb, verhandelen, schacheren. Martello(towergt;, matelou(t-dud), ronde kust- toren. Marten. müVn, marter. Martial, maè'l, krijgshaftig, krijgs....: Court â = krijgsraad; âlaw was proclaimed in the country = het land werd in staat van beleg verklaard; â ly. Martin, mMin, gierzwaluw = Martlet, miitldt. Martinet, miitinet, streng dienstdoener (ambtenaar): He gives himsell' â airs. Martingale, rnatingeil, riem om den kop van een paard omlaag te houden: He played the â on fate = hij eischte veel van* het lot. wilde het tot zijn slaaf maken. M irtinmas, mlltinmds, St. Maarten (Nov. 11): St. Martin's summer = mooie dagen laat in den herfst. M artyr, miito,subst. martelaar: â verb, martelen: âdom = martelaarschap: âology, mii-tirolddzi, lijst van martelaren. Marvel, müul, subst. wonder: It is a â ol cheapness = wondergoedkoop; â of Peru = wonderbloem; â verb, zich verbazen, nieuwsgierig zijn: I â where he can be = ik wou wel eens weten waar hij is; â lous = wonderbaar; â lousness. Mary, mêri, Marie; âland, mêriland. Mascle,m«s/»:7, ruitvormig stuk (wapenrusting). Masculine, maskjulin, mannelijk, krachtig, Hink, ruw, grof. Masli, maë, subst. mengelmoes, brouwsel, liefje, minnaar; â verb, vermengen, fijn stampen, koorn in heet water dompelen, verliefd worden op, het hoofd op hol maken, gek zijn op; âer = damesgek, fat, los heer: A â is ripe lor any folly, but his pliysiognomy is severity itself: âerly â- van een âer; âing-tub of' âtub = moutkuip. Mask, mask, subst. masker, vizier, dramatisch stuk, voorwendsel, draai: â verb, maskeren. |
man: ask = i\sk: farm = lam: b//t = b«t; learn = Iwn; line â lain; lumse = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin: asleep = aslip; not; law = lo: lord = löd; bo?/ = boi;
MATRON-LIKE.
MASLIX.
283
|
vermommen, bedekken: âer = gemaskerde. Z. ook Masque. Maslin, mazlin, subst. soort van brons, drinkbeker: adj. van verschillende metalen. MaNOii, meis'n, steenhouwer, werker (in gehouwen steen, vergel. Brick-layer), vrijmetselaar; âie, mason/fc, maronnielc: -ie Je wels = vrijmetselaars-insignes: âry = metselaars-werk, vrijmetselarij. Masque, mask. Masquerade, mamp;sksreid, subst. maskeradebal of -partij, vermomming: â verb, een masker dragen, aan eene masquerade meedoen; âr = gemaskerde. Mass, mds, massa, troep, hoop: The âes and the classes = het volk en de aristocraten: â verb, tot eene massa verzamelen: âmeeting = algemeene bijeenkomst voor een bepaald doel. Mass, mas, mis. het op muziek gezette deel der mis: To ssiy â = de mis lezen. Massacliusetts.' masdlëüsdts. Massacre, masdkd, subst. moord, bloedbad: â verb, in het wilde moorden. Massage, masidz of masüz. ziektebehandeling door wrijf- en knijpmethode. Miisseter, masato, onderkaaksspier. Massiuger, masinzo. Massive, masiv, Massy, mcuii. zwaar, dicht, massief; âness. Mast. mast, subst. mast; vrucht van eik of beuk. eikels, beukenoten; â verb, bemasten; âbeam = zeilbalk: âhead, subst. top van den mast; â verb, naar boven in den mast zenden: He came too late, ami was consequently âheaded: âhoop = band of hoepel om deii mast; âed = mot mast(en): âless = zonder masten; âprop = kielstuk; â spars = rondhout: âtackle = zijtakel: The Hag; floated at hall'âhi(;h = halfstok. Master, mastd, subst. meester, vader (v.armhuis, etc.), heer, baas, âvrindquot;', eigenaar, jongeheer, titel van meester of doctor, kapitein van beurtman of koopvaarder, kapitein-luitenant lt;van een oorlogschip): He is a â at it = hij is het meester; â of the horse = stal- ; meester; adj. voornaamste; â verb, vermees- ' teren, overwinnen, onderwerpen, bekwaam en i degelijk behandelen; âat-anns = konstabel: i âbuilder = bouwmeester; âhand = 1 meesterhand; âkey = iooper; âmind = i de allesbeheerschende geest; âpiece = ! meesterstuk: âspring = hoofdveer; â stroke = meestertrek, meesterlijke stoot (op ; het biljart, b.v.); âdom = heerschappij: 1 âInl = bazig; âhood = heerschzucht; | âless = zonder meester: âly = meesterlijk, uitstekend; heerschzuchtig; âship = meesterschap, meerderheid: ây = heerschappij.groo- : tere voortreffelijkheid, meerderheid: To be in I âV of = heerschappij voeren over. Mastic, mastik, mastik, i. e. hars, voortko- i mende uit den âtree = mastikboom. Masticable. maslikdUl, kauwbaar; Masticate, mastikeit, kauwen; Mastication; Masticator = wat of wie kauwt of fijn maakt, hakmachine; Masticator if = geschikt om te kauwen. MiistilT, mastiff bulhond, bandrekel. Mastodon, mastedon, mastodont ( vóórwereldlijk dier). Mastology, mastolddzi. Zie Mammalogy. bone = boun: full; fool = ful; » = toonlooze long = loi^; s/iip = sip: occasion = okeiz'n; t |
Mat, mat. subst. mat, grof vlechtwerk, verk. van Matthew. Matthias, Matilda; â verb, met matten beleggen, vlechten: His âted hair = verward haar; âting = matten, matwerk, stof voor matten; âgrass = bosjesgras. Matador(e), matddö, matador (man, die den stier doodt). Mateh, mats, subst. zwavelstok, lucifer, lont, partij, partuur, huwelijk: The â will not come off = dat âdingquot; gaat niet door; lam no â lor him = ik kan tegen hem niet op; He is a â lor them all = hij staat ze allemaal: â verb, evenaren, opgewassen zijn tegen, vereenigen, passen bij: Vou two are well âed = jullie beiden hoort net bij elkaar; âable = vergelijkbaar, overeenstemmend; âer: âbarrel = lontvat; âless = weergaloos; âlessness: âlock = lontroer: â maker = koppelaar: She is a âmaking woman = zij ma : graag zoo'n beetje koppelen. Mate, meit, subst. maat, kameraad, gelijke, stuurman: adj. verward, verlamd; â verb, evenaren, trouwen, paren, verlammen, schaakmat zetten. Mater. meitd, moeder, ,,ouwe vrouwquot;. Materia, mdtirid. stof; â medica = (lijstder) als geneesmiddelen gebruikte stollen; âI. subst. (bouw)stof: He bought the house for its -Is = voor afbraak; adj. stoffelijk, lichamelijk, gewichtig, belangrijk : That 'is âI to your welfare â van t hoogste belang voor üw welzijn; His health improves âlly = gaat hard vooruit; âlism: âlist; âlistic: âlity, matirialiti, âluess = stoffelijkheid: âlize = verstoffelijken, stoffelijk voordeel (of resultaat) opleveren: All onr aniioiincements and posters have failed to âiize = al onze advertenties en aanplakbiljetten hebben niets gegeven; âlization = verstoffelijking. Maternal, mdtnrïl, moederlijk, als van eene moeder: Maternitij = moederschap; Mater-nity-hospital = hospitaal voor kraam vrouwen. Matheniatic(al). mnthdmatikCl), wiskunstig: âian, msLtlwmdtis'n, wiskundige: âs = wiskunde. Mather(sgt;, mathd(z); Matilda, matilda. Matins, matinz, vroegdienst, vroegmis: Ma-ti na I = tot den morgen behoorende: Matinee, mixtim, morgenuitvoering of -receptie. Matricide, matrisoxd, moedermoord(er): Ma-tri cklal. Matriculate, matrlkjuleit, adj. ingeschreven: â verb, opschrijven in een register, opnemen als lid (vooral van eene universiteit);Matriculation. Matrimonial, matrimounfl, huwelijks ...: His â duties = huwelijksplichten: He is âly inclined towards her = wenscht haar tot* zijne vrouw; Matrimonii = huwelijk, huwelijke staat. Matrix, meitriks, baarmoeder, matrijs, een dei-vijf eenvoudige kleuren, waaruit de combinaties ontstaan (bij het wolverven). Matron, mêitr'n, getrouwde vrouw van zekeren leeftijd, deftige dame, directrice van eene instelling of inrichting; âlike = âly = deftig, bedaard; âage, meitranidz, de gezamenlijke matrons: âal = matroneachtig, getrouwde-vrouwachtig; âhood = het getrouwde-vrouwschap: âize = als oudere dame (of moeder) eene jonge vergezellen. vokaal (zie asleep en care); girl: //ear = jia: liin; thus â dhi:s: wine. |
MEANDER.
MATTER.
284
|
Matter, ma to, subst. stof, beteeken is, begrip, zelfstandigheid, onderwerp, voorwerp, zaak. gewicht, etter, wat gezet is (drukkerij): What is llie â = wat is er, scheelt er aan ? Then' m alwavH Hometlihig or other the â with him ='hij heeft ook altijd wat; It is no â = het kan niet schelen; It i» a â of live Ãouiids =ouiids = zaakje, dingetje van zoowat 60 gld.: hat is a â of course = dit spreekt vanzelf; It is a â of fact = het is feitelijk waar. eene daadzaak; He is a âoi'-lact person = door-en-door praktisch, man van feiten, eenvoudig; That is a great â = dat is van groot gewicht; I might go there for that â, for the â of that = wat dat aangaat: â verb, van belang zijn: It does not â = het kan niet schelen; It âs to us all = is van belang voor ons allen; It cannot greatly â = het doet er niet veel toe; â y = vól etter of stof; â ful = van gewicht, kracht of beteekenis. Matthew, mathjil. Matthias, mathaids. Mattock, matdk, soort v. houweel. Mattress, matras, matras. Maturate, matjureit, rijp worden; Maturation. Mature, mdtjiia. adj. rijp, gerijpt, geheel ontwikkeld, gereed voor handeling, voorbereid, vervallen (van wissels); â verb, rijp worden, rijp maken; âness; âscent, m-dtjures'nt, rijpend : Maturity = rijpheid, vervaltijd (van wissels). Matutinal, matjntain'L, tot den ochtend be-hoorende: â habits = gewoonte vroeg op te staan. Maud, mód, herderskleed; verk. van Magdalen of van Matilda. Maudlin, mödlin. over-sentimenteel, halfdronken, dronken manshartelijk; â ism. Maugre. móffd, niettegenstaande. Maul, mol, subst. groote houten hamer,moker: adj. ranselen, verpletteren, kneuzen: He was severely âed = leelijk toegetakeld. Maulstick, mólstik, schildersstok. Maund, mond, handmand(je). Maunder, móndd, brommen, grommen, knorren, bazelen; âer = brompot. Maundy-Thursday, móndi-thuzdi, Witte Donderdag. Mauresque, moresk. Zie Moresque. Maurice, móris. Mauritania, moriteinjd. Maurist, mórist, lid van de gemeente van St. Maur (hervormde Benediktijnen). Mausoleum, mósaltem, praalgraf. Mauve, mouv, subst. purperkleur: Clouds of crimson and pale â; adj. purperkleurig. Mavis, meivis, lijster. Maw, mó, pens, krop, maag (lagere dieren): âseed = papaverzaad; âworm = ingewandsworm. Mawk, mók, slet, slordig wijf; âish = walgelijk, gauw boos, jankerig. Mawley, móii, hand. Vergel. Maul. Maxillar(y), maksild{ri), subst. kaakbeen: adj. tot de kaak behoorende; Maxilliform = kaak vorm ig. Maxim,ma/toim, grondregel, spreekwoord, soort v. kanon; âmonger, mv.r\(ja, spreukenverkoo- Maximilian, maksimilfn. [per, wauwelaar. Maximum, maksim'm, subst. hoogste trap. grootste hoeveelheid; adj. grootst. |
May, mei, Mei, lente; âbloom = meidoornbloesem; âbug, âchafer = meikever; â day = eerste Mei; âduke = soort v. meikers; âflower = meidoorn; âlady, â queen = meikoningin; âlily = lelietje v.. dalen; âmeeting = meibijeenkomst (van godsdienstige sekten en staatkundige partijen); âpole = meiboom, scheldnaam voor een lang meisje (âkip op hooge pootenquot;); The company went out âing = ging bloemen plukken op den len Mei, in Mei; âer = iemand, die op oude wijze den eersten Mei viert. May, mei, mogen, kunnen, misschien kunnen: Be* this as it â = laat dit zijn zoo het wil; As one â say = om zoo te zeggen; He that will not when he â, When he will he shall have nay = Wie niet wil wanneer hij mag. Krijgt een âneenquot; op later dag; Come what come â = laat er gebeuren wat er wil; It â be fine to-morrow = het is morgen misschien wel mooi weer; âbe = kan zijn, misschien: âhap = misschien, toevallig. M ayence, majdns, Mainz. May-hem, meihem, verminking. Mayor, mêja, burgemeester (in Engeland): âalty = burgemeestersambt; âess = burgemeestersvrouw. Maztz)ard, mazdd, subst. kop, schedel, zwarte kers; â verb, op den kop slaan. Mazarine, mazorin, subst. en adj. donker-blauw(e kleur). Maze, meir, subst. dool hof, verlegenheid; âverb-verbijsteren, in verlegenheid brengen; Mazy = vol kronkelingen, ingewikkeld, verward: The Mazy = dedans, het dansen; Maziness. Mazology', meizolddzi. Zie Mammalogy. Maz(o)urka, mozukd, levendige Poolschedans-(muziek). Me, mi, mij: That's â = dat ben ik. Mead, mid, mee (drank), weide (dichterl.); âow, medou, weide, weiland; âow-sweet = moeras-spiraea; âowy = uit weiden bestaande. Meagre, mtga, adj. mager, schraal, onvruchtbaar; â verb, vermageren; âly = dunnetjes, schraal; armelijk (Amer.); âness. Meal, mil, maal, maaltijd, meel: He made a â of it = at er zijn bekomst van; âman = meelhandelaar; âmeat = meelspijs; âtiiiH' = etenstijd; â verb, bestuiven, besmetten: ây = melig (van appelen of aardappelen), droog, als met meel bestoven: -y-mouthed = zoetsappig; âiness; âies, miliz, maïs (Z.-Afr.). Mean, min, subst. middelweg, middenmaat, middelbare tijd, middenterm; adj. laag, gemeen, onbeteekenend, slaafsch, krenterig; There was nothing â about the party = het was eene royale partij; Yon are too â for anything = je bent al heel min; â verb, bedoelen, meenen, voornemenszijn; âing = beteekenis, meening; âingless = zonder zin; âly: âness; In the âtime = ondertusschen. middelerwijl = In the âwhile; âs = middel, middelen, inkomsten, oorzaak; You iiinst go there by all âs (= vooral), by no âs (= vooral *niet), by no manner of â s (= in geen geval); \Ve'must try to do it by any âs â hoe dan ook. Meander, mianda, subst. kronkeling, doolhof: â verb, kronkelen, stroomen over (om): âins |
man; ask = ask; farm = fain; bat = but; learn = Ion; line = lain; hoase =. haus; net: care = kê«; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = If»; lord = Hid; hoy = boi:
MEANDRINA.
285
MEET.
|
= kronkelend: You fell him my very words, and no âins; o* your own = mijn eigen woorden, zonder verdraaiing: Uleandrina. mtendraina, soort v. tropische koralen. Mease, miz. Maze, meiz, vijfhonderd (van haringen). gt;leasled, miz'ld^ Measly, mizli, de mazelen hebbende: I will break*every bone in your measly skin = ik zal je fijn'wrijven, rottige kerel! 'Measles, miz'lz. mazelen, vlekziekte in boomen. Measure, mcra, subst. maat, éénheid, schatting, gematigdheid, maatregel, bereik, laag, bedding, statige dans, rhythmus: In a â ='in zekere mate: Beyond â = buitenmate; â for â= leer om leer; 1 bad soon taken bis measure = begrepen wat hij waard was; â verb, meten, afmeten toemeten, opmeten, afleggen: Before daybreak we âed fweiify miles = vóór het krieken van den dng legden wij twintig mijlen af: He âd ine for a coat = nam mij de maat voor eene jas; As you â so it will be âd unto you = met d'e mate waarmede gij meet, met die mate zal u gemeten worden; Measurable{ness) = meet-baar(heid); That is witliin measurable distanre = op meetbaren afstand; âd = gelijk, afgemeten, evenmatig, rhythmisch geordend: âle^s: âment; âment-goods = goederen die bij de maat of grootte, niet bij quot;t gewicht bepaald worden: âr; A nieasiiring-rod = maatstok. Meat, mït, voedsel, kost, spijs, vleesch: Spoonâ = lepelkost; Sweetâ = bonbons: An egK t uil of â = geheel gevuld: I am as full of business as an egg is full of â = ik ben naar alle kanten bezet: â and drink = eten en drinken; That is â and drink to me = dat is een kolfje naar mijne hand; âbiscuit = vleeschbeschuitje; âoffering = offerande van meel of de eerstelingen des velds; âsafe = vliegenkast; âsalesman = iemand, die doode beesten opkoopt en aan slagers verkoopt: ây = vleezig (niet vet). Mebbe, tnebi, â verb, van may be = misschien. Mechanic, iiidkanik, subst. handwerksman; âal, subst. handwerksman; adj.werktuigelijk (tegenover chemical), als handwerksman gebruikt; âal philosophy = mechanische theorie; âal powers = werktuigelijke krachten (hiertoe behooren, wig,hefboom,enz.enz.); âian, mekdniamp;n, werktuigkundige; âs = werktuigkunde; Mechanism, rnekonizm, mechaniek.machinerie,werktuigelijk samenstel; Mechanist = aanhanger van de mechanische theorie. Mechlin, meklin^ Mechelen, Mechelsche kant. Meconiuin, niDkouniom, kinderpik,papaversap. Medal. med'l, medaille: âlie. nwdalik, tot medailles behoorende; âlion, niddalj'n, groote antieke penning: âlist = penningkundige, met eene medaille bekroonde, iemand die penningen slaat; âlurgy, medalvdzi, de kunst van gra-veeren op penningen. Meddle, med'l, zich bemoeien: Do not â with my affairs = steek je neus niet in mijne zaken: âr = bemoeial: âsome = bemoeiziek: Meddling = bemoeiachtig. Medes, midz, Meden; Media, ntidjd, Medië. |
Mediaeval, gt;/je£/irv7,middeleeuwsch; âism = de geest der middeleeuwen in kunst en godsd. Median, midfn, in het midden gelegen, in de lengte middendoor deelend; van Medië. Mediastine, midiastin, het vlies, dat de borstholte in tweeën deelt. Mediate, midi-ït, adj. in het midden liggend, bemiddelen; â verb, (midizü) bemiddelen, als bemiddelaar optreden; Mediation = bemiddeling, verzoening; Mediator = bemiddelaar: Mediatorial = bemiddelend: Mediatorship. Mediatize, niididtaiz, afhankelijk maken, onderwerpen: âd water = suikerwater (voor sprekers in debatten); Mediatizatien = onderwerping. Medical, medik'l, geneeskundig, medisch; â jurisprudence = gerechtelijke geneeskunde; â profession = beroep van geneesheer; âman = geneesheer, praktizijn; Medicament, mddikdment, geneesmiddel; Medica-rnental: MedicaMfer, mediknsta, kwakzalver; Medicate, medikelt, geneeskundig bereiden: Medicated coffee = geneeskrachtige koffie: Medication = geneeskundige behandeling of bereiding; Medicinal = genezend, verzachtend; Medicine, medsin of medisin. geneesmiddel, geneeskunde, artsenij; Medicine-man = ; dokter of bezweerder bij de indianen (dezen i passen het woord Medicine toe op bovennatuurlijke krachten); Medico, medikou. subst. ⢠esculaap (schertsend voor geneesheer); adj. tot de geneeskunde behoorende; Medico-legal i = tot de gerechtelijke geneeskunde behoorende. ; Medieval, mediiv 1, Middeleeuvvsch. ! Mediocre, midioukd^ middelmatig; Mediocrity, nridiokriti, middelmatigheid. I Meditate, niediteit. peinzen, overdenken, voornemens zijn; Meditation. Meditative = pein-I zend, overleggend: Meditlt;\tiveness Mediterranean, meditdreinj'n, subst. Middel-landsche Zee: adj. middellandsch. I Medium, inidftn, subst. midden, middenterm, middenstof, middel, formaat (55Vs c.M. bij 43 c.M., tusschen dewy en royal)' medium; adj. gemiddeld = At a â. Medlar, medio, mispel(boom). Medley, medli, verwarde massa, potpourri. Medulla, hwdnl.i, merg, pit, kern; âry = ! mergachtig; Medullin â cellulose van de : kern van sommige planten. Medusa, mddjüsd. Medusa (eene der Gorgonen); Medusae, modjüsi. Meed, »mi, belooning. Meek, mik, zachtzinnig, gedwee, nederig; â ly : âness. Meerschaum, midvv.tn, meerschuim(en pijp). Meet, rnit, subst. bijeenkomst (van sportlui), : rendez-vous voor sportlui, de gezamenlijke sportlui: A â of the Coaching Club = bijeenkomst van de âVereeniging tot het Instandhouden van de Plehierwagensquot;; adj. geschikt, gepast: It is not â that he should go there: â verb, ontmoeten, tegenkomen, bijeenkomen: More is meant than âs the ear (the eyes) = daar schuilt meer achter dan in en hoort (ziet); I met with a kind reception = ik vond eene vriendelijke ontvangst; 1 met with an accident, a loss = mij trof, etc.: I cannot make both ends â , = ik kan niet rondkomen; lie tried to â |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year â long = loi^: s/iip = »ip: occasion = okeiz'n; thin: thxxs â dlrcs: wine.
pa;
MENTOR.
286
MEG.
|
all my wants = in.... voorzien; I will â yow (in equal term» = ik durl' je staan ónder gelijke voorwaarden; That â« the needs of the people = voorziet in de nooden van het volk; Have 1 met you? = is deze inlichting voor u voldoende? âiiig = ontmoeting, bijeenkomst, vergadering, samenvloeiing: âiiiK-liouse = bedehuis: âly = gepast, geschikt: ânews = gepast-, geschiktheid. Mes, meg, Grietje. MegaCIo), megdilou), in samenst.: groot, reusachtig; MegiieephaloiiH, megdsefdlos, groot-koppig: MegiiNebpe, megdskoup, soort v. zonnemicroscoop. Mega88(e). megax, afval van suiker(riet). Megrims, mtgrimz, schele hoofdpijn, ziekte-aanval bij paarden. Melancholia, metenkouljd, Melancholy, me-Vnkdli, subst. zwaarmoedigheid, droefgeestigheid: lie is in a melaiieholy mood = in eene sombere stemming; Melancholie. = droefgeestig, zwaarmoedig; He is a hopeless melancholiac. Melanochroi,me/anoMA:roMflu,donkergekleurde blanken, waartoe beboeren de Kelten, Iberiërs. Romeinen, Semieten, enz.; Melanochroic. Melbourne, melbdn. Mêlee, meilei, verward gevecht. Meles, miiiz, genus knaagdieren, waartoe de das behoort. Melib(o|ean, melibtan, beurtelings antwoordend. Melilot, melilot. soort v. klaver. Melioration, miljdreiê'n. verbetering: Meliorism. mtljorizm, de leer dat alles gestadig beter wordt. Meliphagous, nwlifdgds, honigetend: Melliferous = honig voortbrengend; Mollification = voortbrenging of bereiding van honig: Mellinuenee. melifluons, zoetvloeiendheid: Mellifluent, Mellifluous = zoetvloeiend; Mel-lite, melait, honigsteen. Mellay, melci, verward gevecht. Mellow, melou, adj. overrijp, beursch, zoet. zacht, lichtelijk aangeschoten; â verb, rijp of zacht worden (maken); âly: âness; ây = zacht, zoet, heerlijk. Melodious, meloudios, welluidend; âness: Melodist = componist, verzameling v. melodieën; Melody, melddi, melodie, zangwijze. Melodrama, meloudrümd, melodrama, overdreven en onnatuurlijk tooneelstuk; âtie, meloudromatik, tot een melodrama beboerend; âtist, meloudrdniotist, schrijver van M. Melon. meFn, meloen: â-juiee = citroensap. Melpomene, mei po mini, Muze der tragedie. Melrose, melrouz, rozenhonig. Melt, melt, smelten, oplossen, verteederen. , roeren, verdwijnen: All the spoons were âed down = gesmolten; âer = metaalsmelter; âing sorrow = zielsroerende smart; âing-pot = smeltkroes: âingness = vermogen om de ziel te roêren, smeltbaarheid. Member, membd, lid, deel, lidmaat, afgevaardigde; â of Parliament (M. P.) = volksvertegenwoordiger; âed = van ledematen voorzien; âship = lidmaatschap, alle leden. Membrane, membrein, vlies; Membrana-eeous (membraneises). Membraneous (mam- , |
breinids), Membranous (mernbranss), met vliezen, vliesvormig= Membranilbrm, breiniföm. Memento, nwmentou, herinnering, gedenk-teeken. Memoir., memivö, gedenkschrift (gewoonlijk meerv.). wetenschappelijke mededeeling; âist = schrijver van Memoirs. Memorable, memordb'l, merkwaardig,gedenkwaardig; âness = Memorability. Memorandiiiii, memdramVin, aanteekening, korte inhoud: âbook = memoriaal. Memorial, momóridl, subst. aanteekening. nota, diplomatiek stuk; adj. herinnerend,heugelijk: âday. Zie Deeoration-day; â ist = maker van *âs; âize, momóridlwxz, eene memorie indienen bij wijze van verzoekschrift: The mimieipalities (= gemeenten) âized to the queen: Memorize, memdraüz, zich herinneren, opteekenen, van buiten leeren; Memory, uieuwri, herinriering(svermogen). geheugen, gedachtenis: In â of = ter gedachtenis aan; Since the inemory of man = sedert menschenheugenis; I cannot call it to memory = ik kan het mij niet herinneren. Memphis, nieuifis; Memphian = van Memphis, Egyptisch. Menace, menis, subst. bedreiging; â verb. (be)dreigen; âr. Menacingly = met bedreigingen. Menad, menod. Menagery, -rie, mdnadzori, beestenspel. Mend, mend, subst. verbetering, amendement» geneesmiddel; â verb, goedmaken, verbeteren, vermeerderen, beter worden: We shall have to â our paces = wij zullen moeten aanstappen; The prices have âed = zijn omhoog gegaan; To â stockings = kousen stoppen: To â the lire = wat bij het vuur doen: âer: âing. Mendacious, mondeisds, leugenachtig, valsch : Mendacity, manrfas/?/, leugen, leugenachtigheid. Mendicancy, mendUc'nsi, Mendicity, rnendi-siti, groote armoede, bedelarij; Mendicant = bedelend: Mendicant Friars = bedelmonniken. Menial, minfl, subst. huisbediende, assche-poester; adj. in huisdienst, dienst... Mennonites, merwnmts, Doopsgezinden. Menology, manoladzi, maandregister. Menstrual, mens trio L maandelijksch; Meu-struate = menstrueeren; Menstruation. Menstriiiiin, rnenstrudm. oplossende vloeistof. Mensurable, inensiurdbl, meetbaar: âness of Mensurability; Mensuration = meting. Mental, menfl, tot geest of ziel behoorende. ziels..., geestes...; â arithmetic = hoofd-rekenen; â faculties = geestesgaven; â reservation = voorbehoud in de gedachten. Menteith, m'ntith. Mention, menamp;n, subst. (ver)melding, ter-loopsche opmerking: âI thank youquot;, of: ,.l beg your pardon.quot; â ..Don't â itquot; = âik dank'u,quot; of âNeem me niet kwalijk.quot; â ..'tis de moeite nietquot;; â verb, terloops opmerken, gewagen, noemen: Just â some = noem er eens een paar; âable = vermeldbaar: II is hardly âable = het is haast niet te noemen, noemenswaard. Mentor, mentd, trouwe vriend en raadgever. |
man; ask = ask; farm = fam; hut = b«t; learn = Iwn; line = lain; bowse = haus; nel: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; net: \aw = lo; lord â löd; hoy = ból:
MESSUAGE.
287
MENU.
|
Menu, menu, spijslijst. MephistoplieleH, mefistofiliz, naam voor den Duivel; Meph'istophelian = van M., cynisch, skeptisch, met alles spottend. Mepliitic, mofitik. stinkend, vuil, vergiftig. Mephitis, mdfaitis. âm, mefitizm, verpestende uitwasemingen of dampen. MeraeifMiH, mireièos, zuiver, krachtig. Mercantile, mük'ntnil, tot handel behoorend. handels .., handeldrijvend: â town = handelsstad; â rode = wetboek van koophandel. Mercator'» Chart, mvkeitBztsiit, projectie van de aarde op een plat vlak (de z.g. projectie van Mercator). Mercenary, mnsdmri, subst. huurling, huursoldaat: adj. gehuurd, gekocht, inhalig, veil: â aid = hulp door huurlingen verleend; MercenarinesH. Mercer, mtisd, manufacturier; âship = manufactuurzaak : ây = manufactuurzaak . manufacturen, a! de manufacturiers. Merchandise, wwté'ndair, koopwaar. Merchant, mntamp;nt, subst. koopman (in het groot, vooral met vreemde landen); adj. handeldrijvend; â like = als een koopman; âman = koopvaardijschip: âservice = handelsvloot; âtailor = groot kleermaker, marchand-tailleur. Merciful, mvsiful, genadig, barmhartig: Merciless = meedoogenloos; âness. Mercury, mükjuri, Mercurius, kwikzilver; Mercurial, tot Mercurius belioorende, vluchtig, levendig, wispelturig, kwikzilverachtig. Mercy, mnsi. genade, barmhartigheid, vergeving,'vrijheid: I am at your â = ik ben in uwe macht, en dus aan uwe genade overgeleverd; It was a mercy, he did not prosecute him = hij mocht van geluk spreken, dat..: lie cried â = hij vroeg om vergeving: Lord. have â upon us = Heer, wees ons genadig: We are thanklnl lor small merries = wij zijn dankbaar voor gering gunstbetoon: âseat = troon der genade, verzoendeksel. Mere, mid. subst. grens, grenssteen of -paal, meer; adj. onvermengd, zuiver, echt: He is your â tool â slechts uw werktuig: âly = enkel, alléén. Meredith, merddith. Meretricious, mentri^ds, veil, verachtelijk,met valsch vertoon; â eoiira^e = aangenomen (niet echte) moed; âness. Merganser, mvgansa. duikereend. Merge, mvdz, verzwelgen, opslorpen, verzinken, opgaan in (into): To be âd in = geheel opgaan in; âr = het opgaan van eene bezitting in eene andere. Meridian, maridfn. subst. middag, hoogste punt, meridiaan, middaglijn: adj. middag..., , hoogte..., hoogste; â altitude = middaghoogte; â ol'the globe = koperen ring dei-globe, waarin deze draait; Meridional = zuidelijk; Meridionality = zuidelijke of zuid-waartsche ligging of richting. Merino, mdrtnou, subst. Spaansche schapensoort, wol daarvan; adj. tot M. behoorende of daarvan gemaakt. |
Merit, merit, subst. uitstekendheid, waarde, verdienste, belooning (Merits = wezenlijke dingen of omstandigheden van het een of; ander geval); â verb, verdienen, aanspraak 1 hebben op, zich verdienstelijk maken: You have âed well ol* the country = ge hebt u jegens het land verdienstelijk gemaakt; âorious, merilórios. verdienstelijk, prijzenswaardig; âoriousness. Merivale, meriveil. Merk in, mvkin, dot van valsch haar, pompstok (van een kanon). Merle, mul, meerle (alléén in poezie). Merlin, mvlin, Britsch toovenaar en profeet: steenvalk. Mermaid(en)^ mmneid{'n), (zee)meermin, waarvan Merman het mannelijk is. Merovingian, meravinzan. subst. een vorst uit het stamhuis d. Merovingers; adj. Merovingisch. Merry, meri. vroolijk, luidruchtig, prettig, pret-wekkend: We were making rather â last night = wij zijn gisteravond tjog al dol prettig geweest; lie was rather â = lichtelijk aangeschoten: They maue â with me = ze hebben mij in't ootje geno.',en, zich ten mijnen koste geamuseerd; âandrew = grappenmaker, Jan Klaassen, hansworst; âdancers = het Noorderlicht; âgo-ronnd = mallemolen; âmake (on) = pretmaken (van); âmaking = subst. pret, vermaken: adj. vroolijk: â thought = borstbeen (van vogels); MeiTiment = vroolijkheid. Mersey, mdsi, naam van eene rivier. Mesentery, mes'uteri, darmvlies; Mesenteric â tot het darmvlies behoorende: Mesenteritis. mes'nteraitis, darmvliesontsteking. Mesh. mcë, subst. maas, netwerk (= âwork), bierdroesem (âes = val, strik): â verb, verstrikken. Mesjid, mezdzid, moskee. Mesmerism, mermpr/r^i, dierlijk magnetisme, het brengen in een abnormalen toestand, waarbij de wil van den patient beheerscht wordt door den Mesmerist of Mesmerizer: de aldus behandelde heet Mesmeree (mezmori), de werking heet Mesmerize (mezmaraiz), wat er toe behoort Mesmeric. Mesne, min, tusschenkomend; âprofits = de voordeden van een landgoed, die den huurder tusschen den dood van den verhuurder en het ingaan van een nieuw contract toevallen. Mesopotamia, mezdpouteimjd. Mess, mes, subst. gemeenschappelijke tafel (vooral van militairen en matrozen), wanorde, moeilijkheid, verwarring: He made a â olquot; it = hij heeft den boel verknoeid; Chief ol'a â = bakmeester; â verb, gezamenlijk eten,van voedsel voorzien, bevuilen, bevlekken: I don't like to be âed about = ik wil niet voor den gek gehouden, vermurwd of sentimenteel gemaakt worden: âmate = tafelgenoot, bakgast. Message, mesidz, boodschap, officieele mede-deeling: The King's â = bericht des Doods; Messenger, mes'nfa, boodschapper, verkondiger. kabelsring (d. i. het touw v. d. kaapstander naar den kabel bij het ankerophalen). Messiah, mdsaio, Messias, mosaüs, de Gezalfde; Messianic, mesianik, tot den Messias behoorende. Messidor, mesidö, tiende maand van het repu-blikeinsche jaar. Messieurs, mesvz, Heeren (van eene firma). Messuage, meswidz, woonhuis met bijbehoo-rende gebouwen. |
bone = boun; full; fool = fill; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; //ear = jio; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dims: wine.
MICROMETER.
288
MESTEE.
|
Mestee, mesti, kind van blanke en quadroon (zie dit). Mestizo,mesJizoz*. illestiiio,?/?esfinoie. mesties, d.i. spruit van Spanjaard of (Creool) en Indiaan. Met, met, imperf. en part. perf. van to meet. Metal, meVL subst. metaal, spoorstaaf, grint (voor wegen), gesmolten glas; The train went off the âh = de trein derailleerde; â verb. | met metaal bedekken. Z. Mettle; âMejnetalik, \ van of als metaal, klankrijk, krachtig: âlie i vein = mineraal- of metaalader; âliferous = metaalquot; opleverend: âlilorm, meteliföm, metaalvormig: âline, metolaw. van of als metaal: âlist = metaalwerker: â lography = wetenschap en beschrijving der metalen; âlurgy, meflvdii, metaalkunde, metaalbewerking; âUtrgiHi. met'Ivdzist, metaalwerker, metaalkenner; Metalliirgic{aï). Metaniorpliose, metdmöfovs, van gedaante (doen) veranderen; Metamorphosis = gednante-1 verwisseling; Metamorphism = verandering, veranderde toestand: .l/ef«mogt;7)/iic = gedaanteverwisseling veroorzakend. Metaphor.mefó/o, overdrachtelijke spreekwijze, b.v. Hij is een leeuw; âie(al), metdforik^l). overdrachtelijk, figuurlijk. Metapliysics, metdfizïks, bovennatuurkunde; Metaphysic(al) = bovennatuurkundig, afgetrokken, algemeen; Metaphysician = bovennatuurkundige. Metatlieria, metothirid, buideldieren. MetatlieHiH, mdtat/wsis, verplaatsing v. letters (verg. wesp en lueps, bron en hom). Metayer, moteio, landbouwer die een bepaald deel der opbrengst aan zijn heer betaalt. Mete, mit. subst. maat, grens; â verb, meten: Full justice was âd out to him = men liet hem alle recht wedervaren. Metempirirtal), meVmpirikCl), de grenzen der ondervinding te buiten gaande. MetempsyehosiH, mdtem(p)sikousis, zielsverhuizing. Meteor, mitjd, luchtspiegeling, vallende ster, luchtverschijnsel, iets voorbijgaand schitterends;âic,-mi WA-, tot een r/ieïeorbehoorende, als een ni.: âie shower = groote menigte vallende sterren; âite = meteoorsteen = âol-ite (mitiordlait); âolozlcinl^mitiowlodiikCl), tot de luchtverschijnselen behoorende; âologist = weerkundige; âology = wetenschap der luchtverschijnselen. Meter, mito, meter: âage. mitdridz, meting, meetloon. Metheglin, nwtheglin, mede (drank). Methiiiks, mijdunkt (verouderend). Method,me/Ziari. methode, stelsel, wijze v. doen; âical, mdthodikl, methodisch, stelselmatig; âism = de leer der methodists (popul.nir: âees). sekte v. streng geloovigen, door Wesley gesticht: â ist = streng geloovige, stelselmatig werker: âistic(al). tot de methodisten i behoorende, streng geloovig, âfijnquot; (ironisch); j âize = stelselmatig behandelen, tot eene bepaalde methode brengen: âizer; âology wetenschap of wijze van klassificatie. Methought, mithóU mij docht (verouderend). Metirulons, mitikjulds, bang, vreesachtig. Metonif-Cycle, mitoniksaik'l, maancirkel ! (19 jaar). |
Metonymy, mitonimi, redefiguur, waarbij de eene naam in plaats van den anderen gezet wordt, zooals de oorzaak voor de werking, b.v. Het vuur des vijands doodde de meesten: Metonymie^ al). Metre, mito (Meter is Amer.), dichtmaat, versregel, meter: Metric, metrik, tot het stelsel van maten en gewichten behoorende, waarvan de meter de éénheid is; Metrical, metrik'l, metrisch. Metrograpli. metrdgramp;f, instrument aan een locomotief, dat de snelheid van den trein, met den duur en het aantal malen âstoppenquot; aanwijst. Metronome metrmoxxm, tactmeter (muziek); Metronomy = het meten der maat (muz.). Metropol is, hoofdstad, voornaamste stad: (aarts)bisschopsstad; Metropolitan, metrdpoliïn, subst. (aarts)bisschop; adj. tot de hoofdstad of (aarts)bisschopsstad behoorende; Metropolitan Board of* Works = Londen sche bouwcommissie. Mettle, met'/, geest, vuur, ijver, moed: A horse of inucli â = vurig, dartel paard; lie was put on his â = hij werd vurig, driftig gemaakt, tot alle kracht aangezet; A man of â = driftig man, heethoofd: âd = vurig; âsome = vol vuur; â someness = vurigheid. Meuse, mjüz, Maas. Mew, mjü, subst. zeemeeuw, vogelkooi, gevangenis, gemiauw: The cat's sympathetic â = het vriendelijk gemiauw der kat; â verb, opsluiten, ruien, miauwen; âs = stalling, paardestallen: This street is all âs = deze straat is één stal al stal. Mewl, nijül, schreeuwen, drenzen (v. kinderen). Mexico, meksikou; Mexican, meksikn, subst. en adj. Mexicaan(sch). Mezzo, metsou, half, midden in: â soprano = tweede sopraan; â tenore = tweede tenor. Mexzotintio), metsoutint{oü), koper- of staalgravure in aquatint (imitatie O. I. inkt). Miaow, miau, miaauwl Miasm, maiazm (Meerv. âata), schadelijke damp(en) of stof(fen) in de lucht, malaria; âal, âatic(al) = schadelijke dampen of stoffen bevattend. Mica, maikd, mica (soort v. glasachtige stof); âceous, maikeiëos, van of als mica. Micawher, mikóbd. Michael, maikl. Mice, mais, meerv. van blouse. Michaelmas, miklmds, St. Michiel (2lJ Sept.), herfst; âterm =2â25 November. Miche, mitS, verbergen, gluipen; âr = heler, gluiper, gauwdief. Michigan, miëigan. Mickle,w?ifc7,veel,groot: Many a little makes a â = veel kleintjes maken een groote. Microbe, maikroub. zeer klein organisme. M icrocosm,mai/ingt;A:orm,demensch (tegenover Macrocosm), kleine gemeente; âic, maifcra-kozmikCl), tot den mensch behoorende. ^licrocoustic, muikrdkaustik, subst. gehoor-instrument (voor halfdooven); adj. geluidversterkend. Micrography, maikrogrofi, beschrijving van microscopische voorwerpen; Micrographer. Micrometer, maikromdtd, instrument om zeer kleine voorwerpen of afstanden te meten: Mxcrometric. |
man; ask = ask; farm = fïim; b?ft = but; learn = Iwn; line = lain; house = hans; net: â care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv = 16; lord = löd; bo?/ = boi:
MICROSCOPE.
289
MILLENARY.
|
Microscope, maikrdskoup, microscoop: Microscopic; Microscopist = iemand, die goed met den microscoop kan omgaan; Microscopy = gebruik van en onderzoek met den microscoop. Mid, mirf, subst. samentrekking v. inidHliip* man; midden; âage = middelbare leeftijd; âday = het midden v. d. dag; âheaven = zenith, hemelmeridiaan; âdy, verkorting v. inidsiiipinan; âland = in hét binnenland gelegen: The âlands = centrale deelen van een land; The âland railway = de cen-traalspoor; âlent = het midden v. de vasten (Zie lient); âlenting = het bezoeken van het ouderhuis in âlent; âniowt = middelste; ânight, subst. middernacht; adj. middernachtelijk, zeer duister; âriff = middenrif: -whip = in het midden van het schip; âchipman of âshipniile (schertsend) = adelborst; â cdiips = middenscheeps; â«t = het midden: In the â»t of the forest, of danger = te midden van hetbosch, van gevaar; âstream = middenstroom; âsnmnier = hartje v. d. zomer (21 Juni): It ia âHinnmer madness = het is groote dolheid; âsiimmer-day = St. Jan (24 Juni); âsummer-eve = 23 Juni; âway, subst. middenweg: adj. midden op den weg, halverwege: âwinter = het hartje van den winter (21 December). Midden, mid'n, mesthoop. Middle, midi, subst. het midden, middel (v. h. lichaam), middelpunt: adj. midden, middelst, tusschen beiden, nederig; âaged people = rnenschen van middelbaren leeftijd: âAges Middeleeuwen: Book» in âage bindings = met middeleeuwsche banden: âclass = middenklasse, burgerklasse: âclass school = H.B.School: âdeck = middendek; â distance = centrum tusschen voorgrond en verschiet (op eene schilderij); âEnglish = het E. van 1200â1460; âground = centrum (van schilderij); âman = agent, tusschen-persoon: âmost = middenste; ârib = hoofdnerf (van een blad): âterm = middenterm (van een syllogisme); Middlings = grove deelen van meel Middlebnrgh, mid'lbvg. Midge. midz, mug. Midwife,midwai/. subst. vroedvrouw; â verb.in eene verlossing bijstaan, de verloskunde uitoefenen; âry,Midwifry (mfr/wj/W), vroedkunde. Mien, min, uitzicht,gelaat, voorkomen,houding. Mifl. mif. kleine ruzie, standje. Might, mait, imperf. v. may: As best Ineâ = zoo goed en zoo kwaad liij kon; lie wept and well he â = en daar had hij wel reden voor. Might, macht,kracht: With â and main = uit alle macht: ây = machtig; âiness = üTootheid, vermogen, hoogheid. Mignonette, minjanet, reseda. Migrate, maigreit, verhuizen of trekken naar een ander land; Migrant,subst. trekvogel: adj. trekkend, verhuizend; Migration = zwerving, verhuizing; Migratory = zwervend, verhuizend. Mikado, mikddoH, keizer van Japan. Mike, maik, verk. van Michael. Milan, mil an; â ese, mxloniz, van â. Milch, milè, melkgevend; âcow = melkkoe. Mild, maild, zacht, zachtaardig, vriendelijk: A â winter = zachte winter; â and Htrong bone = bonn; full; fool = fnl; a = luuihuu^. long = loi^; s/iip = »ip; occasion = okeiz/n: 1 ten bruggencate, Eng. Woordenboek. |
cigars = lichte en zware sigaren; â ale = slap, zacht bier; A â answer = vriendelijk antwoord; With â pique = eenigszins gepiqueerd; âspirited, âtempered = zachtaardig: âness. Mildew, mildjü, subst. honigdauw,schimmel: â verb, beschimmelen, met honigdauw bedekken; ây = bedorven, beschimmeld. Mile, mail, mijl (1609 meter); âpost = mijlpaal; âstone = mijlsteen; âage, mailidz, afstand in â s, uitgaven per â, reiskosten (Am.). Milesian, mailtzdn, subst. Ier; adj. lersch. Milfoil, milfóil, duizendblad Miliary, milidrU als gierst, korrelig. Militancy, milifnsi, oorlog, militarisme: Militant = vechtend,strijdlustig; Militarism = ^ oorlogsgeest, oorlogspolitiek, militarisme ; Military, subst. de militairen, leger, troepen; adj. krijgs..., krijgshaftig: lie is a military man = hij is bij het leger: I am not *a military man = ik houd niet van legers en soldaten: Military stores = krijgsvoorraad: Militate (met against) = vijandig staan tegenover, gezag of invloed hebben. Militia, miliéd, militie, staand leger. Milk, milk, subst. melk, zog, sap: â verb, melken, van melk voorzien: To milk the wires = âaan den draad tikkenquot; (telegrafeeren); âlever = zogkoorts: âlivered = lafhartig: âman = melkboer; âmaid: âpunch = zoete drank van spiritualiën met melk; âsop = in melk geweekt brood, verwijfd persoon, lafaard; âtie = zoogverwantschap; âtooth = melktand, voortand van een veulen; âwalk = wijk van één melkboer: âer = melker: ây = melkachtig: The ây-wav = melkweg: âand-water = halfslachtig,karakterloos: âand-watery = uit melk en water bestaande, zwak, onbeteekenend. Mill, miL rekenpenning (1/10 v. een Am. cent), molen, fabriek, spinnerij, vuistgevecht: That brings grist to your â = dat is koren op je molen, geeft je voordeel; â verb, malen, kartelen (van den rand eener munt), vollen (van laken), ranselen, doen schuimen (van chocolade): âcog = tand (molenrad): âdam = molendam; âdnst = stuifmeel; âpond = molenvijver: As quiet as a âpond: ârace = molenvliet; âtooth = maaltand; âwright = molenmaker; âstone = molensteen: lie can see through (into) a âstone = hij is scherpzinnig, glad; Militarism is the âstone of our civilization = het m. is de vloek van onze beschaving; âstone-grit = steensoort voor molensteenen, Bentheimer steen: âtail = waterstroom uit een molen; âer = molenaar: There are many cases of drowning the âer in our annotated editions of standard authors = herhaaldelijk vinden we gevallen van te veel commentaar in de verklarende uitgaven van onze klassieken; âing = het malen, kartelen (van muntranden). Millenarian, milonêrion, subst. geloover in de komst van het duizendjarig rijk; adj. van duizend jaren, wat tot het duizendjarig rijk behoort; âism = de leer der Millenarians: Millenary, milonori, subst. het duizendjarig rijk, geloover in de komst daarvan; adj. uit vokaal (zie asleep en care); girl: year = jia; iiin: thus = dln:s; wine. 19 |
MILLENNIAL.
290
MINK.
|
duizend bestaande: Milleiiiiial, mitenfl, tot het duizendjarig rijk behoorende; Mileiiiiiuiii. milenj'm, het duizendjarig riik. Milleped. miliped, Millipede, milipid, duizendpoot. MilleriHin, mildrizm, leer van John Miller: MilleriMt, Millerite, mildrait. volgeling van Miller, die de onmiddellijke komst en heerschappij van Jezus verwachtte. Milletumal, milesirril, duizendste deel. Millet, miht. gierst. Milliard, miljdd, duizend millioen. Milliner, milind, modemaakster; ây = modeartikelen. Million, milj'rt, millioen, zeer groot aantal: The â = de groote hoop, het groote publiek: âaire, rm/j'nèa, millionair, zeer rijk mensch; âary = uit millioenen bestaande; âfli = millióenste. Milly, Millie, mili, verk. v. Amelia. MilreiH, mi Iris, Portug. munt (ongev. 3 gulden). Milney, milsi, melkzeef. Milt, milt, subst. milt, hom (van visschen): â verb, bevruchten, kuit schieten; âer = mannetjesvisch, hommer. Mime, maim, subst. kluchtspel (bij Grieken en Romeinen), komisch acteur, komiek; â verb, spelen, eene bepaalde rol aannemen: We cannot bedeck our inner selves, and make them mime as the occasion pleases = ons innerlijk niet verbergen, en het, al naar de gelegenheid het verlangt, eene rol doen spelen; âsis, maimisis, nabootsing van stem en gebaren; âiifinl}, maimetikCl), nabootsend; Mimic, mimik, subst. nabootser: adj. nabootsend: verb, nabootsen, naapen (uit de grap); Mimicker = nabootser; Mimicry, = grappige nabootsing. Mimosa, maimousd. mimose (plantensoort, waartoe b.v. het kruidjeroermeniet behoort). Minaret, minoret, torentje op eene moskee. Minatory, mindtori, dreigend. Mince, 'mins, subst. fijngehakt pasteivulsel van nierenvet, rozijnen, krenten, enz.: â verb, fijn hakken, bewimpelen, over het hoofd zien, gemaakt spreken of loopen (m. kleine pasjes): Don't â matters = verbloem de zaak niet, zie niets over het hoofd; lie. speaks very mincins;ly = hij spreekt erg âgemèktquot; (voor: âgemaakt'*'); A mincing pace = trippelpasje: âmeat = fijngehakt pasteivulsel; âpie = eene met âmeat gevulde pastei. Mind, maind, subst. gemoed, geest, ziel, neiging, herinnering, meening, bedoeling: I will put you in â of it = het u indachtig maken, herinneren; Do you call that to â = herinnert ge u dat? I have not yet made up my â = ik ben nog niet besloten: He does not know his own â = weet zelf niet wat hij wil; Out ol'sight, out of â = uit het oog, uit het hart; The house lias stood there time out of â = sedert onheugelijke tijden: So many men, so many âs = zooveel hoofden, zooveel zinnen; We are all of one â = eenstemmig, eensgezind: Speak your â = zeg wat ge op het hart hebt, spreek ronduit; He has set his â upon it = hij heeft er zijne ziel (zinnen) op gezet; 1 have a great |
â to go there = ik heb grooten lust er heen te gaan; He had no â to it = had er geen ; lust in; â verb, letten op, behartigen, be-: zwaren hebben: â your own business = bemoei je met je eigen zaken; â your head-! ache = denk om je hoofdpijn; Siever â = het kan niet schelen; 1 should not â going there now = ik zou er nu wel heen willen; i â your F's and t)'s = pas op je tellen: âed = geneigd, gezind: He was âed to end the matter = van plan een einde aan de zaak te maken: If you are (so) âed = als ge er zin in hebt: Be âful of your health = denk om uwe gezondheid: â less of every t h ing = op (om) niets lettende (denkende). Mine, main, van mij: This book is â; A friend of â = een mijner vrienden. M ine, main, subst. mijn(werk), bron van rijkdom; â verb, ondermijnen, uitgraven; âcaptain = mijnopzichter; âr = mijnwerker, mineur. Mineral, mindr'l, subst. delfstof; adj. delfstof-felijk; â kingdom = delfstoffenrijk; â salt = mineraal of natuurzout; â waters = minerale bronnen of wateren; âize=ineene delfstof veranderen; mineraliseeren. d. i. delf-stoffen zoeken; âization: âizer: âogy,mma-raladzi, delfstofkunde: âogist, minaralddzist, delfstofkundige; âogic, minordlodzik, tot de delfstofkunde behoorende. Minerva,min»va,Minerva; âpress = ziekelijk-sentimenteele letterkundige producten, of het maken daarvan. Minever, Miniver, minivo. Siberisch eekhorentje, het bont daarvan. Mingle, ming'l, vermengen; âd(Iy) = verward: â r. Miniature. mini(j(\i)d. subst. miniatuur-i (portret), iets zeer verkleinds of kleins; adj. verkleind, op kleine schaal. M inify, minifni, verkleinen, verminderen. Minikin, minikin, subst. lieveling, kleine speld; adj. klein. Minim,minim, subst. dwerg,kort gedicht, druppeltje, halve noot, soort v. kluizenaar; âize = zeer klein maken, verkleinen, verbloemen: Let us not âize the danger of our situation: âiim = kleinste (deel of graad). Mining, mainii\, subst. mijnbouw; adj. gravend of wroetend in de aarde, mijn...,verraderlijk. Minion, minfn, subst. slaafsch volgeling; âs of the moon = roovers, dieven. Mini ster, ministd, subst. (staats)dienaar, gezant, middel, predikant: â of the interior =M. van Binn. Zaken:' Prime â = minister-president: â verb, voorzien van, verschaffen, toedienen, als geestelijke optreden, oppassen, geneesmiddelen geven: lie âed to me in those days = behandelde mij toenmaals: âial, mïnistiridl, dienend,gehoorzamend,ministerieel; âialist = regeeringsgezinde; Ministrant, subst.dienaar, adj.dienend; Ministration = dienstverrichting, geestelijke bijstand, beheer, bediening (door een geestelijke): The prisoner was offered his niinistration = den gevangene werd aangeboden, dat hij bediend kon worden: Ministrations = operatie: Ministry = dienst, geestelijke functiën, ministerie (in ruimeren zin dan Cabinet, waartoe niet alle leden van het Ministry behooren). Minium,' minfm, roode menie. Mink, mi rik, Amer. wezel. |
man; ask = ask; farm = fam; but = bist; learn = Iwn; line = lain; house â¢= haus: net: care = kèa; fate = feit; tin; «sleep = aslip; not; law â ló; lord = löd; hoy = boi:
MISCONDUCT.
MINNOW.
231
|
Minnow, minou, gladde voorn. Minor, maim), subst. minderjarige, minor (term in een syllogisme); adj. minder, kleiner, geringer, van den tweeden (of derden) rang: â poetH; âkey = mineur (muz,); âpremisM; deze bevat den âterm = het subject v. de conclusie. Z. Major-term. Atria â = Klein-Azië; â ite, mairwrait, Franciskaner; -ity, minonti, minderheid, minderjarigheid. Minorca, minöko. Minotaur, mindt'6, Minotaurus, d. i. monster ' met stierenkop en menschenlichaam. Minwter, minste, hoofdkerk, kloosterkerk, klooster. Minstrel,minsfr7, minstreel, bard: â»y = de kunst v. d. minstreel, een koor v. zangers, al de zangers, balladenverzameling. Mint, mint, munt, groote hoeveelheid, kruizemunt: A â ol* money = een âbomquot; duiten; The â and riiminiiV of literature = de nietige dingen of kleinigheden in de letteren (Zie Matth. 23, 23); â verb, munten, stempelen; â-julep = Amer. drank van suiker, spiritualiën en kruizemunt in gestampt ijs; âman = munter; âdrops = pepermuntjes; ânance = kruizemuntsaus; âage, mintidz, het gemunte, muntrecht. Minnend, gt;ninjuend, aftrektal. Minnet, minjuet, menuet. Minns, mainvs, aftrek- of minusteeken, minder dan. MimiHcuIe, minDSkjül, subst. kleine letter in oude handschriften; adj. klein, gering. Minnte, minit, subst. minuut, klein tijddeel, memorandum, officieel stuk; âbook = aan-teeken- of notulenboek: âglnsM = zandglas (van ééne minuut duur); âgnn = minuutschot: âhand = minuutwijzer; â verb, aan-teekeningen maken, de minuten of notulen schrijven van. Minute, minjüt, zeer klein, gering, precies, omstandig: lie told me every circumstance â|y = omstandig; Minutiae, miiijüsii,kleine, weinig beteekenende bijzonderheden. Minx, mir^ks, brutale meid, wijf. Miracle, mirdk'l, wonder, wonderdadige gebeurtenis: To aâ = wonderbaarlijk; âplay = misteriespel; Miraculous, mirakjulds, wonderdadig, wonderbaarlijk. Mirador, mirddö, balkon of belvedère met vérgezicht. Mirage, mirOz, luchtspiegeling. Mire, maio, subst. natte kleigrond, modder: We are in the â = zitten er leelijk in, hebben schulden; â verb, bemodderen, in den modder zakken of dompelen; âcrow = lach-meeuw; Miry = vol modder, modderig, slijkerig. Mirk, mvk, etc. Zie Murk. Mirror, mire, subst. spiegel, voorbeeld, model, patroon; â verb, terugkaatsen. Mirth, mvth, vroolijkheid, opgewektheid; âlui: âlulness. Mirztt, miizo, eeretitel = prins (Perzië). Misadventure, misddventjd, ongeluk, tegenspoed. Misalliance, misdlaiens, ongelijke vereeniging of verbintenis (vooral bij huwelijk); Misallied, niisdlaid, ongelijk vereenigd. |
Misanthrope, tnisdnthroup, Misanthropist, i misanthropist, menschenhater; Misanthro-pic(ai), misdnthropikCl); Misanthropy, mi» santhropi, menschenhaat. Misapply, misdplai, verkeerd toepassen; Misapplication. Misappreciated, m\sdprtèe\tid, niet goed of ten volle gewaardeerd (geschat). Misapprehend, unsdprihend, misverstaan, verkeerd begrijpen; Misapprehension = verkeerd begrip, misverstand. Misappropriate, nnsdprouprieït, zich vooreen verkeerd doel toeëigenen; Misappropriation. Misarrange, mïsdreinz, verkeerd rangschikken; âment. Misbecronie, misbikmn, ongepast zijn voor, slecht passen bij; Misbecoming = ongepast, onvoegzaam. Misbelitting, in\sbifitiT\. onvoegzaam. Misbegotten, mishigot'n, onecht. Misbehave, misbiheiv, zich misdragen; âd = van slecht gedrag: Misbehaviour, misbi-heivjd, wangedrag. Misbelier. nixsbilif, verkeerd geloof, wangeloof; Misbelieve = dwalen, verkeerd ge-looven; Misbeliever = wangeloovige. Misborn, tnisbön, tot ongeluk geboren. WwnWuUite, rniskalkjuleit, misrekenen; Miscalculation. Miscall, miskól, verkeerdelijk noemen. M iscarry, tniskari, naar dè verkeerde plaats brengen, mislukken, een miskraam krijgen: He miscarries ol' puns every minute = hij zegt om de haverklap te onrechter tijd woordspelingen; Miscarriage, rniskaridz, mislukking, wangedrag, miskraam. Miscast, rniskAst, subst. misrekening: â verb, misrekenen, verkeerd berekenen. Miscegenation, misddzdneiamp;n, rassenvermenging, vooral van blanken en negers. Miscellanea, misoleinjo, gemengde verzameling, allerlei: Miscellaneous = gemengd, verschillend: Miscel laneousness = verscheidenheid. Miscellany, miseldni, mengeling, mengelwerk; Miscellenarian, misetenêridn, Miscellanist, miseldnist, schrijver van mengelwerk. Mischance, mistëüns, subst. ongeluk, ramp; â verb, ongelukkig gebeuren. Mischarge, mistsüdz, subst. verkeerde beschuldiging; â verb, verkeerdelijk beschuldigen. Mischiel', mistëif, schade, nadeel,onheil, kwaad, het kwaaddoen: He means â = voert wat in het schild: A â on you = de duivel hale u! 1 wished him at the â = ik wenschte hem naar den duivel: What the â is your little game = wat duivel voer jij in'tschild? He is a âmaker = onheilstoker, tweedrachtstichter; A âmaking fellow = kwaad-stichter, onheilstoker: Mischievous, mistsivds, boos(aardig), noodlottig, ondeugend. Mischoose. niistëüz, verkeerde keus doen. Miscible, misib'l, vermengbaar: Miscibility = vermengbaarheid. Miscite. mis-sait. verkeerdelijk aanvoeren of aanhalen; Miscitation. Misconceive, nnsk'nstv, verkeerd begrijpen of beoordeelen; Misconception = verkeerde opvatting, wanbegrip, dwaling. M i sco ml u c t, m i skondd kt, wangedrag, verkeerde behandeling. |
bone = bonn; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; «/ear = jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dht?s; wine.
10*
MISCONDUCT.
292
MISSHAPE.
|
Miscondiiot, tnisk'ndnkt, zich verkeerd gedragen, slecht besturen of behandelen. Misconjectiire, unsk'ndzektjd, subst. valsche gissing: â verb, verkeerdelijk gissen of berekenen, misrekenen. MiHcoiiHecration, miskonsikreië'n, verkeerde (toe)wijding. Misconstruction, isk'nstwkè'n, misvatting, verkeerde uitlegging; MiHConstrue. misk'n-strii, verkeerd opvatten of uitleggen. Hliscount, miskaunt, subst. misrekening; â verb, verkeerd tellen of rekenen. Miscreant, miskrtent, subst. ongeloovige, ellendeling, schurk: adj. verachtelijk, laag. Miscne, miskjü, subst. misstoot, poedel (bilj.); â verb, misstooten. Misdate, misdeit, subst. verkeerde dagteeke-ning; __ verb, verkeerd dateeren. Misdeal, misdil, subst. het verkeerd geven (van kaarten); â verb, verkeerd geven. Misdeed, misdid. misdaad. Misdeem, misdim, verkeerd beoordeelen. Misdeineaiionr, misdimirtd, wangedrag, misdrijf; Misdenieannnt = bedrijver van een misdrijf. Misdirect, m'isdirekt. verkeerd adresseeren, verkeerd richten of leiden; âion = verkeerde leiding. Misdo, misdü oï misdü, verkeerd doen, eene misdaad begaan: âer: âiiiR. Misemploy, mxsdmplamp;i, verkeerdelijk toepassen, misbruiken; âment. Misenter, «jis-enfó, verkeerdelijk boeken; Mis-entry = verkeerde boeking. Miser, maizd, vrek, groote boor voor putten; âly = vrekkig, gierig. Miserable, mizdrdVl, ellendig, verachtelijk, waardeloos, ongelukkig: âs = arme stakkerds; Misery, inizorU ellende, ramp, ongeluk. Miserere. mizarCra, Psalm 51, de muziek daarop, weeklacht. Misteasance, misfiz'ns. overtreding, slechte uitvoering. Misfit, wat slecht past: This coat is a â. MiMlorinatioii, unsfömeis'n, misvorming. Misfortune, nmfötjdn, ongeluk: âs never come singly = een ongeluk komt nooit alléén. Missive, misgiv, met twijfel of argwaan vervullen: My mind misga ve me = ik vreesde iets ergs;* MiHpving = wantrouwen, boos voorgevoel, twijfel. Misgovern, misgttvdn. slecht besturen; âed = slecht bestuurd, lomp: âment = wanbeheer, wanbestuur. Misguidance, misgaid'ns, verkeerde leiding; Misguide, misgaid, verkeerd leiden; Misguided = op een dwaalspoor gebracht, misleid. Mishap, mishap, ongeluk, ongeval. Mishmasli, /gt;mmas, mengelmoes, hutspot. Mislina(ligt;, }nisna, tekst van den Talmud; Mislinic = tot de M. behoorende. Misinfer. misinfn, verkeerdelijk opmaken. Misinform, nnsinföm. verkeerd inlichten; âant; âation: âer. Misintelligence, misintelidz'ns, verkeerde inlichting, valsch bericht. Misinterpret, m'isinlnprdt, verkeerd uitleggen; âation = misduiding. Misjoin, inisdzóin, slecht of verkeerd verbinden. |
Misjudge, misdzndz, verkeerd (be)oordeelen. Mislay, mislei, verliezen, te zoek maken: She lost her temper, or. rather, mislaid it = zij raakte uit naar humeur, of liever, ze werd even boos; âer. Misle, miz'l. en Misly, mizli. Zie Mizzle. Mislead, mis lid.I misleiden, verkeerd leiden; âer. Mislie, mislai, verkeerd liggen. Mislike, mislaik, subst. afkeer, weerzin; â verb, een afkeer hebben, mishagen. Misly, mizli, mistig, druilerig. Mismanage, mistnanidz, verkeerd besturen; âment: âr. MiMinatch, mismatë, verkeerd samenvoegen of paren. Mismetre, mismitd, het metrum bederven. M isnaine, misneim, verkeerd noemen. Misnia, miznid. Meiszen. Misnomer, misnoumd, verkeerde benaming. Misodiplomat, tn\suudipld)iint. hater van diplomaten en diplomatie. Misogamist, misogamist, tegenstander van het huwelijk; Misogamy = huwelijks weerzin: Misogynist, misodzinist, vrouwenhater; Misogyny, misodzini. vrouwenhaat. Mispersuade, mxspdsweid, verkeerdelijk overreden; Mispersuasion, nnspdsweiz'n. valsche overreding, verkeerd begrip. Misplace, mispleis, misplaatsen, verleggen, verkeerde termen gebruiken; âment. Misplead. misplid, verkeerd of onjuist pleiten. Mispractice, rnispraktis, verkeerde toepassing, wandaad. Misprision, mispriz'n. groote misdaad, grenzende aan eene halsmisdaad: â of treason = verberging van verraad zonder in dit verraad toe te stemmen. Misprize, mispraiz, onderschatten,verachten. MiMpronoimce, misprdnauns, verkeerd uitspreken ; Mispronunciation. Misproportion, misprapöè'n, eene slechte verhouding of schikking maken. Misquotation, miskivouteië'n, onjuiste aanhaling; Misquote = onjuist aanhalen. Misremember, misrimembd, zich niet juist herinneren, vergeten. Misreport, misripöt, subst. onjuist of valsch rapport; â verb, onjuist berichten. Misrepresent, misreprisent, onjuist of verkeerd voorstellen; Misrepresentation', -er. Misrule, misrül, wanorde, verwarring, oproer. Miss, mis. (me)jutrrouw (voor ongehuwde vrouwen): The â Browns, Tlieâes Brown = de (junge)dames B.; âish â gemaakt, juffertjesachtig, preutsch. Miss, mis, subst. een misschot, gebrek: Ilc made a â in balk (a â for safety) = hij gaf een mispunt om goedaf te spelen (bilj.): â verb, missen, ontberen, niet raken, afdwalen: You have âed the aim, the mark = mis geschoten, het doel niet geraakt; The gun âed tire = ketste; I sorely â him = ik mis hem erg; The book is âing = is er niet. is verloren. Missal, mis'l, misboek. Missel (thrush), misyl(th7'vè), lijster. Missend, misend, aan het verkeerde adres zenden. Misshape, subst. wanstaltigheid; â |
man; ask = ask; farm = fiim; bilt;t = bwt: \earn = Km; line = lain; howse = hans; net: care = kèa: fate = feit; tin: asleep = aslip; not; \aw = ló; lord = löd; hoy = boi:
MOCK-SUN.
MISSILE.
203
|
verb, wanstaltig maken, verkeerd vormen; ân = wanstaltig, misvormd. Missile, misil, subst. werptuig, projectiel; adj. wat geworpen wordt. Mission, mië'n, subst. zending, plicht, opdracht, missie, zendelingenstation: âary, subst. zendeling; adj. wat tot zendelingen of missiën behoort; âer = zendeling, iemand met eene zending of eene missie belast. Missive, misiv, subst. brief, officieel bericht; adj. officieel (gezonden). Missouri, misiiri. Misspell, mispel, onjuist spellen; âing = verkeerde spelling. Misspend, niispend, slecht besteden, weggooien; Misspent = nutteloos uitgegeven. Misstate, inisteit, verkeerd voorstellen of uitdrukken; âment. Missuade, misweid, misleiden, op een dwaalspoor brengen. Mist, mist, subst. mist of waterdamp die optrekt (Zie Fog), alles wat verduistert: I had a â before my eyes = mijne oogen waren beneveld; They were in a â = zij waren beneveld, dronken; A Seoteh â = motregen; â verb, misten, met nevel bedekken: ây = mistig, duister: âiness; âlike = als een mist. Mistake, misteik, subst. vergissing, fout: lie is a good lellow. and no â (about it) = . ., daar kun je op aan; â verb, verkeerd opvatten of verstaan, verkeerdelijk houden voor, dwalen, misverstaan: I mistook you lor your brother = ik hield u verkeerdelijk voor uw broer; You are ân = ge vergist u; A ân notion = dwaalbegrip; Mistakable = wat gemakkelijk verkeerd wordt opgevat; ânly = bij vergissing; âr. Mistêr, tnistd, mijnheer (vóór den naam, en dan steeds geschreven Mr.). Misterm, misttim, verkeerd noemen. Mistimed, mistaimd, ongepast, te kwader tijd aangehaald. Mistitle, mistaiVl, een verkeerden titel geven. Mistletoe, mis'lton, uiizltow, marentak, vogellijm. Mistranslate, rrdstr'risleit, verkeerd vertalen; Mistranslation. Mistress, mistras, julï'rouw, mevrouw (voor getrouwde vrouwen verkort tot Mrs., tuisis), meesteres, hoofd (van familie, school, enz.), liefje, minnares. Mistrust, m istrnst, subst. en verb, wantrouwen; verdenking, twijfel; âlui; âfulness: âless. MisunderstaiHl, misvndostand, verkeerd begrijpen, misverstaan; âing = misverstand, onaangenaamheid, verschil. Misusage, misiüzidz, misbruik; Misuse, misiüs, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misiüz, misbruiken, slecht behandelen. Miswrite, misrait, onjuist schrijven; Mis-nriting = schrijffout. Mite, mait, mijt, penning, ziertje: The widow's â = het penninkske der weduwe; Our Mary was a toddling â ol'two years old = ons Marietje was een waggelend'dreumesje^ van twee jaar; Mity = vol mijten. Mithridate, mithrideit, Mithridates, tegengif; Mitbridatic, mithridatik, van M., als tegengif. Mitigate, mitigeït, verzachten, verlichten. |
matigen, lenigen; Mitigation', Mitigntive = lenigend; Mitigator = alles wat lenigt en verzacht. Mltre, ntaito, subst. (bisschops)mijter, waardigheid van een b., hoek van 45°; â verb, met een mijter tooien, onder een hoek van 45° samenvoegen; âd = met eene bisschopsmuts versierd, samengevoegd of gesneden onder een hoek van 45°; Mitral = als een mijter; Mitrüorm, mitrifóm, mijtervormig. Mitt(eii), mitCn), handschoen (zonder vingers), want: Handle your tools without âs = doe geen handschoenen aan bij uw werk, pak uw gereedschap flink aan. Mittimus, mitimos. bevel tot inhechtenisneming, bevelschrift tot het overbrengen van stukken van het ééne hof naar het andere. Mi\, miks, (ver)mengen, vereenigen, zich mengen: Don't â with such people = ga niet met zulke menschen om; lie got âed in his wrath = hij wist in zijn toorn niet meer wat hij zeide; I advise you never to â your wine(s) = nooit^wijn'door elkaar te drinken; âer; âtilincal, âtilinear = uit rechte en kromme lijnen bestaande; âture, mikstjd, het mengen, mengsel. Miz(z)en, miz'n, bezaan, bezaansmast == â mast: âcourse = groote bezaan; âsail = bezaan; âshroud = bezaanswant; ârigging = bezaanstuig of-want; âyard = bezaansra. Mizzle, miz'l, subst. motregen: â verb, motregenen, ervan âdoorgaanquot;; Mizzly = druilig, mistig. Mizzy, mizi, poel, moeras. Mnemonics, nimoniks, geheugenleer; Mne-nionir(al) = tot de geheugenleer behoorende. Miiemosyne, nimosim, de (Grieksche) godin van het geheugen. Moan, moun, subst. gekerm, gejammer; â verb, kermen, kreunen, betreuren, bejammeren. Moat, mout, subst. gracht (om fort of kasteel); â verb, met eene gracht omgeven. Mob, mob, subst. Janhagel, gepeupel, gespuis, wanordelijke menigte, muts, nachtmuts (= âcap); â verb, samenrotten, samen aanval len, achterna loopen: lie round himselt' âbed by the hangers-on, who invariably worship the rising sun = hij zag zich gevolgd door de vleiers, die steeds eene opkomende grootheid aanbidden; âlaw = wet van het ruwe geweld en zonder vorm van proces (Zie Liynch-law); âocracy, mobo-krdsi, de tirannie van het gepeupel.' Mobby, mobi, gedistilleerd sap van appels of perzik'en. Mobile, moubil, stad. Mobile, moubil, bewegelijk; Mobi lily = bewegelijkheid; Mobilization, mobilizeisn, mobilisatie (van troepen en legers); Mobilize, mobilaiz, mobiliseeren. Moccasins, mokdsinz, Indiaansche sandalen. Mocha, mouko. Mokka; âcollee, âkofi. Mock, mok, subst. bespotting, voorwerp van spot: To make â at = bespotten; adj. nagemaakt, onecht; â verb, bespotten, uitlachen, tarten, negeeren, nadoen, nabootsen; âlight = spiegelgevecht: âheroic = het heroïsche belachelijk nabootsend: âmoon = bijmaan; ânightingale = bastaardnachtegaal; â orange = Spaansche vlier; âsun = bijzon; |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; /year = jia; long â loij; s/iip = Aip; occasion = okeii'n; thin; tliMS = dhus; wine.
MONASTERIAL.
MOCK-TURTLE.
294
|
âturtle = nagemaakte schildpadsoep; â velvet = katoenfluweel; âer; âery = spotternij, ijdele poging, bedriegelijke nabootsing; âiiig = spot, beleediging, namaaksel; âing-bird = zwarte Amer. lijster of spotvogel; âiiiK-wtoek = voorwerp van spot; âiiisly. Mode. rnoud, wijze, manier, vorm, gewoonte, | schaal (muz.); Modal = tot de mode of den vorm behoorende, modaal: ModaÃHt = iemand, die de personen der Drieëenheid als verschillende wijzen van het âzijnquot; beschouwt; Modality, moudaliti, toevallig of bijkomend verschil.' Model, mor/7, subst.model,patroon,voorbeeld; â verb, naar een bepaald model vormen, een model maken of vormen: âIer = vormer, boetseerder: âling = het modelleeren. Modena, tnoclim, karmozijnachtige kleur. Moderate, modsrit, subst. gematigde (Schot-sche kerk); adj.gematigd, middelmatig, matig, bezadigd: â talent» = middelmatige gaven of talenten; â verb, (moddreit) matigen, doen bedaren, stillen: âiichh = gematigdheid, middelmatigheid: Moderation = matiging, matigheid, gematigdheid, zelfbeheersching; Moderations (in studententaal verkort tot Mods: He took a lirwt in Mods = hij kreeg âsumma cum laudequot; in M.) = eerste openbaar examen aan de hoogeschool te Oxford; Moderatism = gematigdheid (van beginselen en leerstellingen); Moderato, moddrAtou, matig snel (muz.); Moderator, inodoreitd, iemand die of iets dat matigt, voorzitter (vooral van eene vergadering der Presby teriaansche kerk), voorzitter van het examen in ModeratioiiM: Mo-deratorlamp = moderateurlamp; Mode-ratorship. Modern, modon, subst. iemand van den nieuwen tijd, de nieuwe tijd: A poet ol' the â = onzen tijd; adj. nieuw, modern: The â» = de nieuweren, modernen; â isni = nieuwe wijze van uitdrukking: âity, modnniti, moderniteit, de begrippen van den nieuweren tijd: âize = moderniseeren, nieuwerwetsch maken: âization: âizer; âness = nieuwheid. nieuwerwetschheid. Modest, moddst, bescheiden, zedig, ingetogen, j kuisch, fatsoenlijk: â y = bescheidenheid, zedigheid, ingetogenheid* (soms ironisch, waar de lichtgeraakte oortjes /imfcs verkiezen boven legs, bother boven Devil, continuations, vn- ' rnentionables en inexpressibles boven trousers, shifts boven shirts, hose boven stocking, enz.). : Modiciiin, modi/cui, kleinigheid, beetje. Modify, tnodifai. wijzigen, matigen; Modifiable = voor wijziging vatbaar; Modification i = wijziging, verandering; Modifier = wie of wat wijzigt. Modillion, modilfn, soort van console. Modish, naar de mode, fatterig; Modist = fat. Modiste, moudist, modiste. Modulate, niodjuleit. regelen, moduleeren (muz.); Modulation: Modulator. Module, modjül, model. Mod wall, modwól, bijeneter (vogel). Mods, niodz', Z. onder Moderate. Moe, tnou, oude, dichterlijke vorm voor more. Moeso^othio, inisougothik, subst. en adj. Moesogothisch(e taal). |
Mogul, mougnl. Mongool. The (ilreat â = de groote Mogol (1525â1806). Mohair, mouhêd, haar van de geit van Angora. Mohaininedan, mouhamdd'n, subst. en adj. Mohammedaan(sch); âism; âize = tot de leer van Mohammed bekeeren. Mohawks, mouhóks, Mohocks, mouhoks. stam van Indianen. Mohun, mouhdn. Moidore, mamp;ido, Portug. munt (ongev./10.00). Moiety, móidti, helft, deel. Moil, móil, subst. vlek; â verb, bekladden, zwoegen. Moist, moist, vochtig, nattig; âen, móis'n, bevochtigen; âener; âness; âure, móistjd, vochtigheid: â ureless = zonder vocht. Moither, möidhd, zwoegen, sloven. Moke, mouk, ezel, koppig beest. Molar, mould, subst. maaltand: adj. malend: ây = malend. Mo'lasses, rrolasiz, suikerstroop. Moldwarp, mouldwöp, mol. Mole, moul, moedervlek, havendam, mol, vleeschklomp: âcricket = aardkrekel; â eyed = met kleine en slechte oogen; âhill = molshoop; ârat = blinde molrat; âskin = zacht bombazijn; âtrack = molsgang. Molecular, moulekjuld, moleculair: Molecu-larity: Molecule, moldkjül. Molest, molest, lastig vallen, plagen, kwellen: âation, moldsteié'n; âer. Molinisin, moulinizm, soort van Arianisme (16e eeuw). Mollah, molif, eeretitel in Turkije. Moll, mol, meid (naam voor alle vrouwen in vulgair Londensch), Mietje = Molly. Mollify, iiiolifai, verzachten, lenigen, stillen: Mollifiable = verzachtbaar; Mollifier = wie of wat verzacht. Mollusc, molvsk. weekdier: âa, molnskd, klasse der Weekdieren; âan, molnsk'n, tot de W. behoorende = -ons, molnskds. Molly-coddle, molikod'l, subst. en adj. juffer-tjesachtig, verweekelijkt (mensch); â little lads = moederskindjes. Moloch, moulok, een God der Ammonieten. Molten, monlVn, part. perf. van to melt. Moly, mouli, wilde knoflook. Moiiieut. mount nt, oogenblik, belang, beweegkracht: Katerprises of ^reat â = vangroot gewicht: At a â's notice = in minder dan geen tijd; âary = oogenblikkelijk, voor een oogenblik; âoiis, moumentds, van groot gewicht; âousiiess; âuni, moumenVm, aandrang, prikkel, moment, kracht(shoeveelheid). Moinus, moumds, ruzieachtig mensch. verpersoonlijkte spotternij. Moiitichisin, monokizm, kloosterleven, monniksgewoonten. Monaco, msnakou, Monaco; Monagasque, monogask, van Monaco. Monad, monsd, monade, oorspronkelijke atoom. Monarch, mondk, subst. monarch, alleenheer-scher; adj. eerste, heerschend: â ic(al), md-ndkik^l), éénhoofdig, monarchaal; âism = eenhoofdige regeering; ây = eenhoofdige regeering, koninkrijk. Monastery, mon^sfóri, (mannen)klooster; Mo-nasterial', mondsttridl, kloosterachtig, klooster ...; Monastic = klooster...; Monasticisni |
man: ask = ask: farm = tam; but = but; learn = Iwn; line = lain: house = haus; net: care = kèa: fate = feit: tin: asleep = «slip; not; \nw â 16; lo^'d = lod: hog = boi:
MONUMENT.
MONDAY.
|
= kloosterleven; Monasticon = kloosterboek. Monday, mvnd(e)i, Maandag; Blark â = de eerste schooldag (Maandag) na devacantie. Monetary, mvnateri, munt- of geldkwestie betreffende; Monetize, mvndtaiz, in munt veranderen, eene standaardwaarde geven; Monetization. Money, mvni, munt, geld (zoowel specie als bankbiljetten, credietbrieven, enz.), rijkdom: â of areonnt = rekenpenning (niet in werkelijkheid bestaande, zooals onze daalder van /1,50); Current â = gangbare munt: Spare â = geld, dat over is; EnrneHt â = godspenning: I am out ol* â at preHent = ik hen op 't oogenblik niet bij kas: â makeN the mare (to) go= geld is de ziel v.de negotie: lie laid out all lita spare â = hij zette zijne spaarpenningen uit; It is like eating â = dat kost een bom geld; I laid out my â in a necklare = ik besteedde mijn geld*aan een halssnoer: It looks like â = het is peperduur; What's the â ? = wat kost het; That's not my â = dat is niets voor mij; That is the man lor my â = dat is m'n man: âbox = spaarpot; âbroker, â ehanger = geldmakelaar of -wisselaar; â dropper = kwartjesvinder, bedrieger: âer = geldman, bankier: âlender = geldschieter; lie has a ââ¢making business = hij heeft eene voordeelige zaak, verdient geld als water; âmarket = fondsen-, geldmarkt: âmatter = geldzaak, iets wat geld kost: âorder = postwissel (ook l'ost-ol'fiee âorder, of verkort: l'.O.M.O ., en Postal order genoemd); lie is âproof = laat zich niet omkoopen: âspider. âspinner = geluksspinnetje; -'s-worth = volle waarde, geldswaarde: âed = rijk. geldelijk; âer = bankier, geld-inunter: âles». Monger, wvngd, koopman (in samenst.). Mongol, monriol, âian, m'ngoulfn, subst. en adj. Mongool(sch). Mongrel, mvnyrdl, subst. en adj. (iets) van gemengd ras: âize = toteen mongtvlmaken. Monism, monizm, leer van de éénheid der stof: Monistic. Monition, tiwniè'n, vermaning, waarschuwing, dagvaarding; Monitive = vermanend: Monitor. vermaner, monitor (oudere leerling in scholen, die op de jongeren toeziet); zwaar gewapend pantserschip; Monitorial, tnoni-tóriol, behoorende tot, gedaan door monitors; Monitory, monitari, vermanend; Monitress â vrouwelijke monitor. Monk , mmik, monnik, vlek (bij het drukken); â's Latin = middeleeuwsch Latijn; âery = monniksgewoonten: âbood = monnikschap; âish â monnikachtig: âshood = monnikskap. Monkey, mvnki, aap, heitoestel, som van £ óOO; âboat = kleine dokboot; â-Jacket = dik jekkertje; -'s-bread = apenbrood(boom); âism = aapachtigheid. Monmonth, nmnmdth. Monoeardian, mondküdf n. met één hart. Monochord, monaköd, hakkebord (éénsnarig instrument). Monochrome, mondkroum, schilderij met tinten van eene kleur; Monochromatic, mondkroumatik, stralen van slechts eene kleur hebbende. bone = boun: full: fool = ful; a = toonloos long = loi^; s/iip = sip: occasion = okeiz'n: |
Monocle, mondk'l, vergrootglas (bij het lezen); Monocular, Monoculous = éénoogig; om voor één oog te gebruiken. Monocracy, tndnokrusi, alleenheerschappij. Monodrama, monddramp;md, dramatische alleenspraak; Monodramatic. Monody, klagend lied voor één persoon. Monogamist, mdnogomist, iemand, die tegen meer dan één huwelijk is; Monogamous, Monogamie â tot het éénhuwelijk behoorende; Monogamy = éénhuwelijk. Monogenism. manodzdnizm, Monogeny, manodzani, de leer dat alle menschen van één paar afstammen. Monogram, momgrum, naamcijfer. Monograph, mondgrvf, beschrijving van één ding; âer. monogrdfd', âic, mondgrafik: ây, nidnogrdfl, schets, ook â. Monolith, mondlith, zuil uitéén steen gevormd; Monolithic. Monologue, mondlog, alleenspraak; Monolo-gnize, manofóf/air, eene alléénspraak houden, praten, keuvelen; Monologuizer. Monomaiiia, mondmeinjd, waanzin op één punt: âc, subst. en adj. waanzinnig(e). Moiiometalism, mogt;ï9mefcgt;//z///,éénmetallisme. Monopat hy. t/idnopdthi, ziekte van één orgaan. Monopetal'ous, mondpetalds, éénbladig. Monophthong, monopthor^, manofthon^ éénklank: âal, mondpthong^L Monopolize, monopdlAiz. zich alléén het bezit verzekeren van: âr of Monopolist = alleen-bezitter of opkooper; Monopoly = alléénbezit of -handel. Monospermoiis, mondspiimas, éénzadig. Monosyllabe, monasildbl, éénlettergrepig woord:* Monosyllabic. Monotheism, mondthiizm, geloof aan één God: Monotheïst'. Monotlieistic, mondthi-istic, aan één God geloovend. Monotone, mondtonn, Monotony, mdnoteni, eentonigheid; Monotonous, manotdnes, eentonig, vervelend, saai. Monroe doctrine, monroudoktrin, de leer van Monroe, dat Amerika zich noch metandere landen bemoeien, noch tusschenkomst van andere landen dulden zal. Monsoon, monsnn, passaatwind (Z.W. van AprilâOctober, N.O. van OctoberâApril). Monster, monsta, subst. wonder, monster, gedrocht; adj. buitengewoon groot; â verb, monsterachtig maken; Monstrosity, mon-strositi, monster(achtigheid): Monstrous = monsterachtig, verschrikkelijk. Monstranee, monstr'ns, vat voor de Hostie. Montague, montagj\\. Montevideo, monta- Montero, monttrou, jagersmuts. [vidjou. Month, mvnth, maand: Lunar â = maanmaand; This day â = vandaag over eene maand; âly, subst. maandelijksch tijdschift: adj. en adv. maandelijks(ch): âly-nurse = vroedvrouw. Montpellier, manpelja. Montgomery, man-gomari. Montmorency, monttnarensi. Montreal, montnól. Monument, monjum'nt, monument, gedenk-teeken; The â = zuil (200 voet) ter herinnering aan den brand in Londen (IGBG); âal, monjurnent'l, tot gedenkteeken dienende, volhardend, niets ontziende. vokaal (zie asleep en care)] girl: 7/ear = jia; liin: thns = dhus: wine. |
MORSE.
MOO.
296
|
Mou, mü) subst. en verb, (het) loeien, joelen. Mood, mud, (gemoeds)stemming, luim, humeur, ziekelijke gemoedstoestand, wijze,manier; ây = gemelijk, knorrig, humeurig; âineH». Moon, mtlw, subst. maan: I wished liiin over the â = dat hij op de Mookerhei zat; lie would make us believe that the â itt made of green cheese = ons knollen voor citroenen verkoopen; Once in a bine â = heel zelden; Till the bine â = tot onbepaalden tijd, ad calendas Gr.; â verb, ijdel rondzwerven (ook met about); âbeam = manestraal; âeyed = zwak van gezicht = âing; âglade = maneschijn op het water; âless = zonder maan; -light, subst. maanlicht; adj. door de maan verlicht; âlighter = lersch moordenaar (politieke; ze bedrijven hunne daden in den nacht); âraker = domkop, die het onmogelijke beproeft; âyear = maanjaar: âshine = maneschijn, valsch vertoon: It is the merest âshine = alleronzinnigst; It's all âshine = niets dan bluf en vertoon; âshiner = stille brouwer, dranksmokkelaar (Amer,); âshiny = maanlicht; âstruck, âstricken = maanziek, gek, sentimenteel, grillig; ây = in den vorm eener halve maan, dronken, sullig, dom. Uloor, müd, Moor, veengrond, heide; â verb, een schip voor anker of vast leggen; âage, müridz, ankerplaats: âcock = mannetje, en âhen = vrouwtje van âfowl, âgame = sneeuwhoenders; â ing = onderzeesch houvast, kabeltouw; âings = waar of waarmede een schip vastgelegd wordt, verbinding, band; â ish = Moorsch; âland = heide, veengrond; âship = persoonlijkheid van een Moor. Moore, mö. Moose(-deer), müsUlia), eland (Noordelijk Amerika). Moigt;t, milt. subst. debat, discussie; adj. wat bediscussieerd kan worden; â verb, debat-teeren, bediscussieeren: The project was ilrst âeil in 1880 = werd voor* het eerst besproken; âcase, âpoint = open vraag geschilpunt; âcourt = bijeenkomst tot het bediscussieeren vanrechtszaken; âer = iemand, die aan een âcourt een geschilpunt inleidt. Mop, mop, subst. stokdweil, meid, pop van lappen: â verb, dweilen of drogen met een mop, afvegen, afdrogen: He âped up the ink with blotting-paper = nam...op met vloeipapier; âboard = plint (lage lambri-zeering). Mope, moup, subst. sufferd, sul: â verb, suffen, gemelijk of moedeloos zijn: lie is in the âs = knorrig, gemelijk; âeyed = bijziende, slecht ziende; Moping: Mopish = suiTerig; Mopishness. Moppet, mopdt, Mopsey, mopsi, lappenpop, meid, lieveling. Moquette, mouket, Brusselsch of Wiltonsch tapijt. Moraine, tnarein, stukken rots in dalen. |
Moral, mor'l, subst. moraal, toepassing, bedoeling, evenbeeld; adj. zedelijk, rechtvaardig, voldoende voor het doel; âs = zedelijk gedrag, zeden, levensgedrag; âlaw = zedenwet; âphilosophy â zedenkunde; âsense = zedelijkheidsgevoel; âe, mor Al, moed en volharding in vermoeienissen en gevaar; âist = zedelijk mensch, zedenpreeker, zedenmeester; -ity, nidraliti, zedelijkheid, zedenleer, zedelijke* eigenschappen, deugd, zedelijk spel;âize = zedenlessen geven, in zedelijken zin verklaren of toepassen, zedelijk maken: âizer: âization. Morass, moras, moeras. Moravia, moreivjd, Moravië; ân, subst. Mora-viër; adj. Moravisch; The âns of The ân Brethren = Hernhutters. Morbid, möbid, ziekelijk, ongezond: âness. Morbidity = ziekelijke toestand: Morbific = ziekte veroorzakend: Morbiüc matter = ziektestof. Mordant, möd'nt, subst. soort v. lijm, bijtende stof, die kleuren fixeert; adj. dienend om kleuren te fixeeren. More, mö, subst. grootere hoeveelheid, toegevoegd iets, wortel; adj. meer, toegevoegd, verder, bovendien, opnieuw: â andâ = steeds meer; Much â = veel meer; Ko â = niet meer bestaande, dood, evenmin; Kot â = evenzeer: Once â = nogmaals; So much the â = deste meer; He never did it any â = hij heeft het nooit weer gedaan; The â the better (merrier) = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; â or less = min of meer: âover = bovendien. Moreen, morin. krachtige wollen stof. Morel, mor'l, Morello, mdrelou, morel. Morell, morel. Moresque, moresk, subst. versiering met arabesken; adj. Moorsch. Morganatic, mögonatik, morganatisch (ook: Lel't-handed) van een huwelijk tusschen een vorst en eene niet vorstelijke dame. Morglay, möglel, slagzwaard (Zie Claymore). Moribund, moribund, zieltogende, stervende. Morion, mór'wn, soort v. helm (zonder vizier). Mor(tgt;liiig, mö{t)l'm, schaap dat ajin eene (besmettelijke) ziekte is gestorven, wol daarvan. Mormoii, mönïn. Mormoon; de sekte wordt ook Latter-day Saints genoemd; âism: âite, mómanvSt, Mormoon. Morn, mön, morgen (dichterlijk woord voor âing = ochtend, vóórmiddag); Of a âing = op een morgen: âing-gown = ochtendjapon, kamerjapon; âing-paper = ochtendblad (courant); âing-star = morgenster (Venus). Morocco, morokou. marokijnleder, Marocco. Morone, moroun, donkerroode kleur. Morose, mar ons, gemelijk, knorrig, streng; âness. Morpheus, möfuis, of möfjüz, Morpheus: In the arms of â = slapende. Morphia, möfjd, Morphine, möfin, morphine: He is a confirmed niorphinonianiac = hij is aan de morphine verslaafd. Morphology, möfolddzi, leer der vormen (bij organismen); Morphologicfal),mö/aJlt;K/ziA:n). Morris(-dancegt;, moris(diins), soort v. Moorsche dans: My clown and his dog have morrised = zijn met de Noorderzon vertrokken. Morrow, moron, de volgende dag: He troubles himself about no âs = hij is niet bezorgd over de toekomst: Toâ = morgen; Toâ morning = morgenochtend; On the â = morgen. Morse, mös, walrus, zeekoe. |
man; ask = Ask; farm = fnm; bat = bwt; learn = Km; line = lain; hoase = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = «slip; not; \aw = 16; lord = löd; boy = bói;
MOKSEL.
MOUNT.
297
|
Morsel, mös7, bete, stukje, beetje. Mort, möf, (Zigeuner)vrouw, stoot (op jachthoorn), zalm in het derde jaar. Mortal, möVl, subst. sterveling; adj. sterfelijk, dood(s)..., vervelend, buitensporig; adv. biii-tengewooni uiterst; â sin = doodzonde; â enemy, foe = doodvijand; He is in a â funk = in doodsangst; There ih no â power that can release yon = geene macht der menschen kan u bevrijden; Von may wlsli any â tiling = al wat ge maar wilt; âity, mötaliti. sterfelijkheid, sterfte, menschelijke wezens (Zie Bill). Mortar, mötd. vijzel, mortier, mortel (kalk); âboard, âhöd, stijve barret door headmasters gedragen (schertsend). Mortgage, möf/(e)idf, subst. hypotheek : I gave it him in â = heb het hein verpand: He took up money on â; â verb, hypothekeeren, verpanden; âdeed = hypothecaire acte; âe, m'ógidét, hypotheekhouder; âr, möyidtd, hypothecair schuldenaar. MortiHcation,möei/i/ce£s n,bittere vernedering, verdriet, zelfkwelling of -tuchtiging, kanker, koudvuur; Mortify, mötifwx, tuchtigen, dooden, kwellen, kastijden, vernederen, versterven (van eenig lichaamsdeel); Mortifier, Mortifying = vernederend, kwellend, tuchtigend. Mortise, mötis, subst. in hout geboord gat om er een ander stuk in te voegen; â verb, een gat boren, een stuk invoegen. Mortiiiain, wöïmein,goederen in de doodehand. Mortuary, mOtjiori, subst. begraafplaats, lijkenhuis; adj. graf..., tot de begrafenis be-hoorende. M osaie, mouzeiik, subst. mozaïekwerk; adj. mozaïek, Mozaïsch; Mosaisni, mouzeiizm,de Mozaïsche leer. Mosrovy, moskovi. Moscow, moskou. Moselle^ moiizel. Moezelwijn. Moses. mouziz. Moslem, mozVm, subst. en adj. Mohammedaan (sch). Moslings, mozUr\z, afgeschaafde reepjes leer. Mosque, mosk, Moskee. Mosquito, moskitou, moskiet (groote soort v. mug). Moss, mos. moeras, zachte veengrond, most; âclad, âgrown = met mos bedekt of begroeid; âland = veenbodem, veengrond; ârose = mosroos; âtrooper = bereden strooper of bandiet (op de grenzen van Engeland en Schotland): ây = met mos bedekt, mosachtig. Most, moust, subst. meeste, grootste; adj. meest, grootst: adv. zeer: At (tlie) â = op zijn meest, hoogstens; The â High = de Allerhoogste; 1 am â happy to see you â¢= erg blij; âly = voornamelijk, meestal', doorgaans. Mot, mot of mow, geestig of pittig gezegde. Mote, mout, stefje, vlekje, spikkel, kleinigheid; âd = vol vlekjes of spikkels. Moth, moth, mot, nachtvlinder, wat trapsgewijze wegvreet of verteert, wie zich veel moeite geeft; âeat = zich voeden met (als motten); The cloth is âeaten; ây = vol mottenl door de motten opgegeten. Mother. mndhd, subst. moeder, bron, oorsprong, droesem: â of pearl = parelmoer: â Carey's |
Ciiicken(s) = stormvogel(s); To play â Shipton = laf zijn; adj. moederlijk, aangeboren, natuurlijk, moeder....; â verb, als kind aannemen, stremmen, stollen; âcountry = moederland, geboorteland; âin-law = schoonmoeder (stiefmoeder); âearth = moederaarde: âing. ZieMid-lenting:âland = vaderland; âspot = moedervlek; âtongue = moedertaal; âwit = gezond verstand, natuurlijke gevatheid; âless; â-ly = alseene moeder,quot;zorgzaam; âliness; â's blessing = zoetigheid, bonbon. Motion, mouè'n, subst. beweging, neiging,aandrift, motie, voorstel: The â was carried by 70 votes to 20 = aangenomen met: â verb, gebaren maken, door eene beweging te kennen geven: lie âed me to a chair = wenkte mij te gaan zitten: Equable â = gelijkmatige beweging: Laws of â == de drie bewegingswetten van Newton: âless. Motive, moutiv, subst. beweegreden, oorzaak; adj. beweging veroorzakend, bewegend, beweeg...: âforce = beweegkracht; âless = doelloes, zonder reden; Motivity = beweegkracht. Motley, motli, subst. narrenpak, nar; adj. bont. gemengd. Motocycle, moutousaik*l, door stoom, etc. bewogen wiel (fiets). Motor, moutd, subst. beweger, beweegkracht: Steam is a powerful â; adj. beweging mededeelend: ây = beweging gevend. Mottle, mod, subst. gespikkeld of gevlekt schrijnwerkershout; â verb, stippelen, bevlekken, schakeeren; âd = gevlekt, gespikkeld, geschakeerd: âd with wrath = van woede. Motto, motou. kenspreuk, zinspreuk: âkisses = ulevellen. Mould, mould, subst. aard, mestaarde, teelaarde, schimmel (op brood, inkt, enz.), gietvorm, gegoten iets, vorm, karakter; â verb, beschimmelen, schimmelig worden, vormen, gieten, kneden; âboard, âhöd, krom ploegijzer; âlolt = modelkamer (waar de verschillende deelen van een schip in natuurlijke grootte geteekend worden); âer, subst. (me-taal)gieter; â verb, tot stof vergaan, vermolmen, verrotten; ây = beschimmeld, oud; âiness = beschimmeldheid; âing = het gegotene. lijstwerk (van deuren en vensters); âwarp; Zie Moldwarp. Mouline(tgt;, mülin{et), draai- of kruisrad (op voetpaden). Moult, moult, subst. het ruien; â verb, ruien, verliezen (van haren of huid, zooals de slangen); âing = het ruien. Moultrie, mütri. Mound, maund, subst. aardverhooging, wal, heuvel(tje), rijksappel: A â of papers = een heele hoop papieren: â verb, een wal opwerpen (om te versterken). Mount, maunt, berg, bolwerk, beschutting, hulpmiddel bij het bestijgen van een paard, rijpaard met toebehooren, karton of monteering (voor teekeningen): 1 will go out hunting with you, if you give me a â = als gij een paard voor mij hebt; All the âs werè strong and serviceable = alle âkarren'' (velocipedes) waren sterk en goed tegebruiken- |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = Jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeiamp;'n; thin; thus ~ dhus; wine.
MOUNTAIN.
298
MUD-LARK.
|
I like to see a little more picture, and a little le»» â = ik wou meer schilderij en minder doek zien; â verb, opstijgen, opklimmen, zich verhellen, monteeren, versieren, een paard verschaffen: Mount = óp-stijgen! (commando bij de cavalerie); lie âed the breach first = hij was het eerst in de bres; The soldierM âed guard = betrokken de wacht; The »dnpâh twenty guiiH, and they were all âed = het schip voert twintig stukken, die alle gericht waren; Why don't you â this diamond? = -waarom laat gij dezen diamant niet zetten? The drawing was âed = de teekening werd (op karton) gemonteerd; lie is well âed, haH a good â = heeft een goed paard; âed police = bereden politie; âable = beklimbaar; âer; âing = monteering. Mountain, matmtin, berg, gebergte, groote hoop of massa, soort v. lichten wijn, uiterste democratische partij (Fr. revolutie): Yon make âs ol' molehills = gij maakt van de muis een olifant: The waves were âs high = hergen hoog: âa»lt;h = lijsterbes: âdew = Schotsche whiskey; âsoap = zwart krijt; âeer, mauntomd, bergbewoner, bergbeklimmer: âeering = het beklimmen van bergen; âons = bergachtig, buitengewoon groot. Mountebank, mauntdbM\k, subst. kwakzalver ; â verb, bedriegen (door valschen schijn of bluf). Mourn, mön, rouwen, treuren, betreuren; âer = rouwdrager; âlui â treurig, droevig: âTulness; âing, subst. smart, klacht,rouw: They went into (were in, went out of) â ing = gingen (waren) in, gingen uit den rouw; First (deep), second âing = zware, lichte rouw: âing-brooch = gitten doekspeld; â ing-coach = rouwkoets: â ing-Hiiit = rouwpak: â iiig-rhig = ring ter herinnering aan een afgestorvene. Mouse, mans (Meerv. Mice, mnis), muis; âdimg = muizenkeutels; âhunt = muizenjacht; âsight = bijziendheid; âtrap = muizenval: FarMon^ âtrap = huwelijk (ironisch); âhole = muizengat. Mouse, mauz, muizen vangen, aan stukken scheuren: Our cat is a good âr. M(o)u.stache. maslamp;s, snor, knevel. Mouth, manth, mond, muil, opening, monding: An examination by word ol* â = mondeling examen: It malie.H my â water = het doet mij watertanden; He made âs(maudhz) at us = hij trok allerlei gezichten tegen ons; They lead a life from hand to â = zij leven van de hand in den tand: He was â down in the â = neerslachtig; I will stop that â of his = ik zal hem leeren zwijgen, zijn mond doen houden; My heart came up into my â = ik stond verslagen, was door schrik en angst verpletterd: He laughed the wrong side of his â = hij lachte volstrekt niet, het schreien stond hem nader dan het lachen; Your success is in every body's â = ieder heeft den mond vol van'uw succes; âmade = onoprecht, alléén met den mond: âorgan = mondharmonica; âpiece = sigarenpijpje, mondstuk, uitdrukker van de gedachten van anderen of van zijn tijd: Tennyson has become theâpiece of our century; âful; âless. |
Mouth, maudh, met gemaakte waardigheid spreken; âed = met een mond (in samenst., zooals deepâed = zwaar, krachtig); ây = overdreven krachtig, schreeuwerig. Movable, müvab'l. beweegbaar, veranderlijk; âs and lmâs = roerende en onroerende goederen: âness. Move, müv, subst zet (bij schaken, dammen, etc.), rol, handeling, daad, beweging; â verb, bewegen, opwekken, roeren, aanzetten, overhalen, verbitteren, lastig vallen, voorstellen, verhuizen, vervoeren, gaan naar of naderen: The minister âd the Army Estimates = stelde voor (de behandeling of aanneming van) de Begrooting van Oorlog; â on. Keep moving! = doorloopen! âless = bewegeloos; âment = beweging, aandoening, opwinding, agitatie, mechaniek (van uurwerken); âmeiits = manoeuvres, evoluties, afdeelingen (van symphonic, b.v.); âment-niaker = mechaniekfabrikant: â r = beweger, voorsteller, oorzaak, bron; Moving = roerend, treffend, aandoenlijk. Mow, jnou., subst. hoop hooi of graan, hooiopper: â verb, ophoopen, opstapelen, maaien: The troops were âed down by the enemy's breechloaders = werden weggemaaid door 's vijands achterladers; -er; âing. Mow. 7}iaii, subst. scheef of zuur gezicht; â verb, gezichten trekken. Mowbray, manbri. Moxa. m'oksd, moxa, uitbranding; Moxibustion = uitbranding (van wonden, b.v.). Moya, móia, vulkaanmodder, -slib. Mr., mistd, de Heer (vóór een naam): Mrs., misis, Mevrouw (vóór een naam). Much, 7notè, subst. groote hoeveelheid: adj. en adv. veel, zeer: By â taller = veel langer of grooter; As â = evenveel: 1 thought as â = dat dacht ik al; His words were â to this effect = kwamen vrijwel hierop neer: It is not â of a thing = niet veel nuts: That is â the same = komt vrijwel op hetzelfde neer: As â again = nog eens zooveel: That is too â of a good thing = overdreven veel, al té; He was made â of = hij werd hoogelijk gewaardeerd, erg gevleid of aangehaald: He made â of himself = deed zich erg te goed; They are â of a âness = zij hebben veel van elkaar; Ourâbeloved friend = veelgeliefde. Zie ook In. M ucific, mjüsifik, slijm bevorderend. Mucilage, wjüsilidz, vloeibare gom. gom, slijmerige stof. Muck, 7iwh\ vochtige, natte mest; iets vuils of verachtelijks: It is all â = hét is louter dwaasheid; â verb, bemesten; âcheap = dolgoedkoop; âheap, âbill = mesthoop: ârake = mestvork; âsweat = erg transpireeren; âworm = mestworm, vrek; ây = vuil, beslijkt. Mucor, wyrt/ra, schimmeligheid, slijm; Mucous, 7njükds, slijmio;: Mucous membranes = slijmvliezen; Mucalent = slijmig, kleverig; Mucus = slijm, gomachtige stof. Mucososaccnarine,7ryMA:oMscwsoA'arm, gomsuiker. Mud, mwtf, teelaarde, modder,slijk: âcart = vuilniskar; âhole = gat (in een stoomketel ter verwijdering van aanzetsel) = âvalve; âlark = vuilnisman, rioolkeerder; âscow |
man; «sk = ask; farm = fiim; bwt = bwt; learn = Iwn: line = lain; howse = hans; net: cnrre = kèa: frrte = feit; tin; asleep = »slip; not; law = 16; lord = löd: bo// = bói:
MÃNDATORV.
299
MUD-SILL.
|
= zware boot voor het dreggen (Amer.); âsill = laagste drempel, het uitvaagsel dei-maatschappij (Amer.); âwall = aarden wal: âdy, adj. modderig, bemodderd; â verb, bemodderen, bevuilen: âdines» = modderigheid. Muddle, mvdi, moesje (voor motlier). Muddle, mvd l, subst. verwarring, âberoerdequot; boel: 1 will Htraigliteu out thi» â = ik zal ! die verwarring ordenen, die moeilijkheid elfe-nen: â verb, verwarren, bederven, weggooien, 1 (half)dronken maken: He âd away hls property in HpeculatioiiH = verspilde; Let them â it out aiuoiij; tlieiiiHelves = laat ze dat onder elkander uitmaken; He was ratlier âd = vrijwat âaangeschotenquot;; A â headed fellow = dof, sufferig, verward. Muezzin, mïiedzin, die tot het gebed oproept (bij de .Mohammedanen). MufT, muf, subst. mof, sul; â verb, bederven: You âed it at starting = je bedierf den boel van het begin af. Muffettee, mv.fati. polsmofje (van bont of sajet). MulTni. m»/m, licht theegebak: âcap = platte wollen muts; âeer, mnfims, schotel om â» warm te houden. Muffle, mvfl. subst. doek, omslag; â verb, warmpjes inwikkelen of instoppen, den klank dempen, befloersen, verbergen, blinddoeken, mompelen: âd drums = belloerstetrommen; âr = bouffante, halsdoek, vuisthandschoen, gevoerde handschoen. Mufti. mwfli, Mohamm. rechtsgeleerde: Of-ficers in â = officieren in politiek; She is a saint in â = eene heilige in menschen-gedaante. Mug, mmj, kroes, kopje, aap (scheldnaam), sul, gelaatsuitdrukking; â verb.ploeteren: I have got to â uiiconIinoiiIy hard = buitengewoon veel ploeteren; --house = matrozen-kroeg; âgy = vochtig, warm, drukkend, duf. Mugwump, mvywv.mp. subst. hoofd, gewichtig persoon, voornaam heer, onafhankelijk repu-blikeinschgezinde; adj. onafhankelijk; â verb, onafhankelijk zijn. Muhammedaii. mühamod'n, Mohammedaan. Mulatto, mjulatou, kind van blanke en neger. Mulberry, mnlb'ri, moerbezie. Mulch, 'mvlë, subst. laag van half verrotte planten; â verb, bedekken met â. Mulct, mvlkt. subst. geldboete; â verb, (met geldboete) straffen: He was âed of no end of goods = hij werd met kolossaal goederen-verlies gestraft, beroofd van; â uary, mntk-tjiori, boete opleggend. Mule. mjül, muilezel, spinwerktuig (voor katoen); âspinner = katoenspinner; âtwist = spingaren; âteer, mjüldtid, muilezeldrijver: Mulish = koppig; Mulishness. Muiier, mjülid, vrouw, wettige zoon (rechtstaal). Muil, }nvl. subst. stof, molm, puin, verwarring, mousseline, kaap, snuifdoos: â verb, warmen, zoetmaken en kruiden (van wijn), verwarren, verknoeien: âed wine = soort v. bisschop, warme wijn. Mullagatawny, hivlaydtóni, Indische kerriesoep. Mullein, mttlin, genus toorts (plant). Muller, wrijfsteen (voor verven en kleu ren), ketel voor warmen wijn. Mullet, muldt, harder (soort v. visch). |
Mulligrubs, inuliywbz, maagpijn, koliek. Mullion, ^wZ/'n, verticale scheidingineen raam: âed windows = Gothische ramen; â verb, verdeden door â s. Mullock, nmldk, puin, verwarring, vuil. Mulready. mnlrddi. Mulse, 'mvls, wijn met honig gemengd en gekookt. Multangular, mvllanyjuhi, veelhoekig. Multiarticiilate, mvdliatikjulit, veelgeledig. Multifarious, nivltifêrids, verscheiden, veelvuldig; âness. Multirorin(ous), 7//igt;^//om(as), m. veel vormen. Multiflorous, invdtiflórDS, veelbloemig. Multilateral, mvltilatar'l, met vele zijden. MiiUinomial, nivUinounifl, met veel namen of uit meer dan drie termen bestaande. Multiped, multiped, duizendpoot. Multiple, subst. veelvoud; adj. veel voudig; (Least) coninion â = (kleinste) gemeene veelvoud: Multiplex = veelvoudig. Multiply, hivltiplsLi, (zich) vermenigvuldigen, toenemen in grootte of getal; âing-glass = vergrootglas; lens met tal van facetten die het voorwerp weerspiegelen en dus verveelvoudigen: Multiplicand en Multiplier = vermenigvuldigtal en vermenigvuldiger: Multi-plicate, invltiplikit, uit vele deelen bestaande; Multiplication = vermenigvuldiging: Multi-plication-table = tafel van vermenigvuldiging: Multiplicity = menigvuldigheid. Multiradiate, invltireidjit, met veel stralen. Multisonoiis, mvltisoms, veeltonig. Multitude, mnltitjüd, menigte, groot aantal, vergadering, âde groote hoopquot;; Multitudinous = in groot aantal, veelvuldig. Multivalve, mvltivnlv, Multivalvular, mv.l-tivalujuld, veelkleppig. Miiltum-in-parvo. mnWniinpilvou, nuttig voorwerp van kleinen omvang (eig. veel in kleine ruimte). Miiltnngnlate, innltutiyjidit, subst. en adj. veelhoevig (dier). M inn, mtnn, subst. tarwebier, stilte: adj. stil: As â as a mouse; interj. St! âchance = gek, lummel (in 't kaarten): Am 1 to sit âchance? = moet ik er voor niet bijzitten? Mumble, mmnVl, mompelen, prevelen, mummelend kauwen; âr; Miimblingly = onduidelijk. Mumbo .lumbo, nimnboudimnhou, boeman. Muinin, zich vermommen of maskeeren; âer = gemaskeerde, vermomde, acteur; âer Worship = overdreven vereering van acteurs en tooneelmannen; âery = pret, maskerade, schijnheiligheid: âing = maskeradepret. Mummy, inmtii. subst. mummie, entwas, lijk, geraamte, âmoesjequot;: I'll beat you to a â = ik zal je ongenadig afranselen '; â verb, balsemen ; M uniniify = balsemen, drogen, tot mummie maken; 'Mwnmiform = mummieachtig. Mump, uivnip, mompelen, kakelen, klagend bedelen, bedriegen: âer = bedelaar. Mumps, invwps, gemelijkheid, bof (gelaats-ziekie, waarbij het gezicht opzwelt). Munch, rurmë, hoorbaar kauwen, mummelen, smakkend eten, mompelen: âer. Mundane, mnndein, van deze wereld. Mundatory, mmuldtdri, zuiverend. |
bone = boun: full: fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; j/ear = jia; \ony = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; f/ms = dhtss: wine.
MUTABLE.
MUNGO.
300
|
Ulnn^o, rnvngou, grove wollen stof. Muiiieli, mjünik, München. Municipal, mjünisip'l, gemeentelijk: âlaw = gemeentewet; âity, mjünisipaliti, (burgerlijke) gemeente. Muiiifieeiicc, mjünififns, mild(dadig)heid; Munificent = milddadig, edelmoedig. Mimi ment, mjünim'nt, versterking, vesting, hulpmiddel, acte, oorkonde; âroom, âhoiiHe = documentenkamer, archief van acten en oorkonden. Munition, mjünis'n, krijgsvoorraad. Munnion, rnmifn. Zie Mullion. Mural, wjür'l, van een muur of daartoe be-hoorende; âcrown = gouden kroon voor den Komeinschen soldaat die het eerst in de bres was bij bestorming; Murlf'orm = muur-vorm ig. Murcia, rnvéd. Murder, mvcL). subst. moord; â will out = een moord blijft niet verborgen; The â iw out = het geheim is verklapt, de poppen zijn aan het dansen; â verb, vermoorden, met voorbedachten rade dooden; âer = moordenaar; klein kanon; âes» = moordenaarster; -ons = moorddadig, bloedig; âing-sliot = vernietigend vuur, schrootvuur. Murcx, mjürdks, soort van schelpdieren. Muriatic, mjüriatik, adj. zout; âacid = zoutzuur; 3/uriateol'ammonia = ammoniak-zout; Muriate of soda = keukenzout. Muricate(d). wjun7teiï(«0,niet scherpe punten. Murine, mjürain, subst. muts of rat; adj. tot muizen of ratten behoorende. Murk, muk^ subst. duisternis; adj. duister, dreigend, zwart = ây, âsome; âiness = duisternis, somberheid. Murmur, mvmd, subst.gemurmel, gemompel, gemor, gebrom; â verb, murmelen, mompelen, onduidelijk spreken, in den baard brommen, morren; âer = knorrepot; âing, subst. gemompel; adj. morrend, murmelend; âous = gemor verwekkend, mompelend. Murrain, mnrein, subst. veepest; adj. aan veepest lijdend: A â to you = krijg de pokken! de duivel hale je! Mu rza, mvzd, erfelijke Tartaarsche adel. Musea, mnskd, de familie der huisvliegen. Muscadel, mnskddel, Muscadine, nivskddin, Muscat, mnskdt. Muscatel, mnskdtel, Mus-caatwijn, muscaatdruiven, muscadelpeer. Musci, mnsai. de mossen; Muscoid, mvskóicl. subst. en adj. mosachtig(e plant); Muscology, mvskolddzi, leer der mossen. Muscle, mns'l, spier; âd = gespierd (in samenst.); Muscular, mvskjuld, gespierd, spier . . .: Muscular strength, motion = spierkracht, spierbeweging; Muscularity = gespierdheid; Musculature, mnskjuleitjd, spierstelsel. Muscovado, tweskdveidou, ongeraffineerde suiker. Muscovite, mnskdvaxt, Rus; soort van mica. Muse, mjüz, subst. eene der negen zanggodinnen, dichtergave, dichter, gepeins; â verb, peinzen, overwegen, afgetrokken zijn, zich verbazen; â r; Musing, subst. gepeins; adj. einzend, overdenkend. usette,w?./Mzei. kleinedoedelzak, lieve melodie. Museum, mjuzïom, museum. |
Mush, mvs, gekookte maïsmeelpap (Amer.). Musliroom, mvèrum, subst. (eetbare) paddenstoel, parvenu; adj. van paddenstoelen, in ééns opgekomen, parvenuachtig; âketchup (catsup) = paddenstoelsaus; â gentry = jonge, nieuwbakken adel. Music, mjüzik, muziek, melodie, toonkunst, partituur: Hough â = ketelmuziek; âgo-verness = leerares in muziek en zang; â hall = concertzaal, soort van café-chantant; He is âmad = dol op muziek; âstand = muziekstander; âstool = pianostoeltje; âal = muzikaal, welluidend, muziek . . . : -al-box = speeldoos; âal-clock = speelklok; âal-glasses = muziekglazen, speelglazen; âalness; Musician, tnjiiziè'n, musicus, toonkunstenaar, muzikant. Musk, /gt;lt;06'A:, muskus, muskusgeur; âbeaver = muskusrat = ârat; âdeer = muskus-dier; âapple, âpear = muskadelappel, -peer; ârose = muskusroos; âwood = muskushout; ây = muskusachtig, geurig: â iness. Musket, mnskdt, (oude) snaphaan; âproof = schotvrij, tegen kogels bestand: ârest = bok voor een geweer: âeer, iitvskdtid, musketier; âry = musketvuur, geweervuur. Muslin, mnzlin, subst. en adj. (van) mousseline; â de laiiie = wollen mousseline; âet = grof neteldoek. Musquash, mnskwoè, muskusrat. Musrol(l), nmzronl. neuspranger (van een teugel). Muss, mvs. subst. verwarde toestand, drukte: They got into a â over that girl = hun hoofd was op hoi; â verb, verwarren (Amer.). Mussel, nms'l, mossel. Mussitation, »lt;tJS/7et«'n,gemummel (bij eten). Mussulman, gt;»»s7man, muzelman. Must, nivst, (pr. en imperf.) moeten. Must, most, subst. most (d. i. ongegist druivensap); â verb, (be)schimmelen; â y = oud, suf, geesteloos: A ây smelling study = muffe studeerkamer; âiness = suffighe'id. Mustache; Mustachio, niasldèou. Zie Moustache. Mustang, mustar\, wild prairiepaard; âer, I mis tangd, vanger van en handelaar in prairie-paarden. Mustard, wostid, mosterd. Mustela, mvstila. de familie der wezels en marters; Musteline, mus to lain, tot de marters en wezels behoorende. Muster, mnstd, subst. wapenschouwing, monstering, monsterrol, appc-l, verzameling: That can(iiot) pass â = dat kan er (niet) door, is (niet) voldoende; â verb.monsteren, revue houden, samenkomen: He could not â a shilling = hij kon geen 60 cent bij elkaar krijgen; The soldiers were âed into (out of) service = de troepen werden na inspectie op de rol geplaatst, en in dienst genomen (en ontslagen); He could not â up courage enough = hij kon er niet toe komen, bleek geen moed genoeg te bezitten; âbook = monsterrol = âroll. Mutable, mjHtdVl, ongedurig, wispelturig, veranderlijk: â sands = drijfzand; âness = Mutability = veranderlijkheid, wankelmoedigheid. |
man; ask = ask; farm = fiim; brrt, = but; learn = Iwn; line = lain; hoi/se = hans; net; care = kéa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = lè; lord = Hid; hoy = boi;
MUTACISM.
301
NAIL.
Y
|
MiitaciNin, mjiitdsizni, onvermogen om stem-looze medeklinkers uit te spreken. illiitatioii, ntjüteië'n, verandering. nmtêkin, pint (Schotsche maat). Mute, mjüt, subst. vogeldrek of-mest, stomme, stomme letter, stemlooze medeklinker, bidder (bij eene begrafenis), demper of sordine (muz.); adj. stom, sprakeloos, zwijgend: â verb, mesten, uitwerpen: âiiphs. Mutilate, mjütileit, verminken: Mutilation; 1 Mutilator. Mut ine. mjütin, subst. muiter; â verb, muiten; 1 Mutineer = muiter, oproermaker: Mutinous = muitziek. oproerig; Mutiny, subst. opstand, I oproer, muiterij; â verb, aan net muiten slaan, i in opstand komen: â Act = krijgsartikelen. I Mutter, nmtn, subst. gemompel, onduidelijke uitspraak; â verb, mompelen, brommen, rommelen (van den donder); âer; â iug. Mutton, innVn, schapevleesch, schaap: As dead »h â = zoo laf als schapevleesch, zoo dood als een pier; âchop* = schapecote-letten, âlapjesquot; van schapenvleesch; âham = (gedroogde) schapebout; âhead = domkop. Mutual, mjütjiol, onderling, wederkeerig, wederzijdsch; Mutuality = wederkeerigheid. Muxy. mnksi, vuil, slijkerig. Muzzle, mnz'l, subst. muil, bek, snuit, muilband, prop, mond of tromp (van vuurwapenen); â verb, muilbanden, knevelen. Muzzv. ninzi, dronkemansachtig, beneveld. My, in ai, mijn (pron. poss.); (Oh) â = goeie genade = Oh â eye; â word! There's plurk in you = waarachtig, je durft! Myalgisi, i'iiaialdzd, spierkramp. Myelitis, maidlaitis, ruggegraatsontsteking. Mynheer, mnmhiv, Hollander (schertsend). Myography, maiogrofi, spierbeschrijving. |
Myology, maiolodzi, kennis der spieren. Myopy, wiaiap?, Myopia, //m/oM/ya, bijziendheid. MyoMotis, maidsoutis, plantenfamilie, waartoe hét vergeetmenietje behoort. Myotomy, maiotdmi, spierontleding. Myriad, 'miriDd, subst. enadj.tienduizend(tal), ontelbaar (aantal). Myriapod, miridpod, veelpootig insekt. Myriorama. mïridrAnid. soort v. kaleidoscoop. M y nn idon,?«»wi/d'n,subst.(slaafsch) volgeling. Myrrh, mi), mirre: âie = uit m. getrokken. Myrtle. mnVl) mirt; âberry = mirtbes; Myrtitorm, nivtifóm, mirtvormig. My sell', rnaiself, zelf, ikzelf (pron. reflex.): I was by â the whole evening; = was den geheelen avond alléén. Mgt; sore, maisö. Mystagogue, mistdgou, verklaarder van (in-wijder in) goddelijke geheimenissen; Mysta-Rogy. Hiistogodzi, verklaring van goddelijke verborgenheden, mystieke leerstellingen. Mysterious, misttrids, geheimzinnig, verborgen: â uess: Mystery, mistari, misterie-(spel), geheim, verborgenheid: Mystic, subst. mysticus (een der mystieken); adj. geheim, mystisch, zinnebeeldig; Mystical; MyHtical-nèss; Mystieism = mysticisme, * direkte gemeenscliap met God door innerlijke geestes-of zielswaarneming; Mystification, mystificatie, geheimzinnigheid; Mystily, mist if-ai, bedriegen, verwarren. Mytli, mith, mythe; âie(al) = fabelachtig, mythisch; âoyony = studie van den oorsprong der mythen: â ographer, mithogrdfd, schrijver van mythen,fabelenen legenden; âology. rnitholddzi, mythologie, godenleer: âólogic(al): âologist = kenner van mythologie. |
H'.
|
X, en; If(orth) A{merica), 2iajgt;(oleon), Xaf-(ural) Hist{ory), Nat{ural) J*hil(osophy), Nantiical), Niota) JB(ene), N(ew)E(ngland), X(orth) JE(ast). Ne(j{ative), Nem{ine) Con-(tradicente) = éénparig, éénstemmig =-Vem-(ine) Diss(entiente). Nethierlands), ^Svntier), N(ew) Jiersey). N{ort}i) N(ortli) JS(oM), Kom{inativé), Non con(tent) = tegen (bij eene stemming in het House of Lords), JVVw seq(uitiir) = daaruit volgt niet; Norm(an), Xoriv{ay), Norivietgian). Xos = nummers = yHtn(bers), N{orth) W{est), Siew) Y{ork), X(ew) Z(ealand). \ab, nab, snappen, vangen. \abit. neibit, fijne kandijsuiker. IV a bob. nelbob, rijkaard, een in Indië rijk gewordene. INaearat. nakdrat, oranjeroode kleur, aldus geverfd linnen. Kaere, neikd, paarlemoer; âous, neikrids, paarlemoerachtig; âous-shells = schelpen met eene laag paarlemoer. |
\adir, neidv, punt tegenover Zenith; laagste punt. \aevose, nivous, gespikkeld, gevlekt. Xag, nag, subst. (klein) paard, hit; â verb, plagen, zeuren, kwellen, negeren, aanmerkingen maken: 1 can't bear to be âged at = ik kan dat geplaag en geneger niet velen; Men hate âgiiig = mannen hebben een hekel aan dat onophoudelijk plagen; âgy = plaag-i ziek, kwelziek. iN'aga. nQgd, (stam van) O. 1. bedelaar(s). Kaiad. naiod of neiod, waternimf; â es. | diz, orde v. waterplanten, zoetwater conchiferen. Xail, neil, subst. nagel, klauw, spijker, maat van 5r,/s duim: GoodH brought to the hammer must be paid on the â = op auctie verkochte goederen moeten dadelijk (contant) betaald worden; Vonr comments are more down on the â than his = uwe opmerkingen zijn juister dan de zijne; You have hit the â on the head = den spijker op den kop geslagen: 1 have laboured tooth |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = jia; iongr = loi^; s/jip = sip; occasion = okeiz'n; thin; tlms = dims: wine.
NAIL-BKUSH.
202
NATIVITY.
van loodoxyde: Napolite, neipdla.it, blauw mineraal van den Vesuvius.
Napoleon, nopoulfn. Napoleon, gouden 20-francstuk; The Napoleonic period. Narcissus, ndsisds, narcis.
Narcosis, nakomis. verdooving; Narcotic, na-kotik, subst. en adj. verdoovend en slaapwekkend (middel); NarcoticaIness; Narcotine, nükdtin, slaapwekkend en verdoovend element van opium: Narcotism, nükdtizm; Zie Narcosis.
Nard, nlid, nardus (geurige zalf); âine. Nardoo, nadil, Australische waterplanten. Narrate, iwreit, verhalen, beschrijven; Nar-ration; Narrative, narotiv, subst. verhaal, verslag; adj. verhalend; Narrator, noreitd, verhaler.
Narrow, narou, subst. engte, nauwe bergpas, zeeëngte; adj. nauw, eng, klein, bekrompen, gierig, vrekkig, dichtbij, precies: We made (had^ a â escape = wij ontkwamen ternauwernood; A â compass = beknopte omvang; He has a â mind, isâminded = bekrompen van geest; â verb, vernauwen, verengen, beperken, begrenzen, minderen (bij het breien); âcloth = laken minder dan 80 c.M.breed(tegeno. Broad-cloth); â gauge, âgeidz, spoorwijdte van ongeveeer 140 c.M. (tegenover de vroegere algemeene Broad gauge, van grootere wijdte tusschen de n/ite); âminded = kleingeestig, bekrompen; â miiidedness: âer; âness; âsighted = bijziende, kortzichtig.
Narwhal, namp;wdl, walrus, narwal.
Nasal, neiz'l, subst. neusletter; adj. door den neus gesproken, neus..., tot den neus behoo-rende; âis, warciiis,neusaap; âliy^neizaliti^ eigenschap van door den neus te'worden gesproken; âi/.e = tot een neusklank maken. Nascent, nas'nt, ontstaande, groeiende. Nastiii-tinm, ndstvédm, O. I. (water)kers. Nasty, nfisti, (door en door) vuil, vies, morsig, akelig, ernstig: A â illness: Xastiness. Natal, neit'l, tot de geboorte behoorende. Natant, neit'nt, drijvend, zwemmend: âes^ neitantiz, waterspinnen: Natation = zwemkunst, het zwemmen: \atatores, neitotóriz. orde der zwemvogels: Natatorial, Natatory = geschikt om te zwemmen, tot het zwemmen betrekkelijk.
Natch, nats, ossenstuk tusschen de lendenen. Nathan, neitfïn: âiel, nathanidl.
and â = met alle macht; III» pared liis
âH to the quick = hij sneed zijne nagels af tot op het levende vleesch; I'll pare yuur âs = ik zal je kortwieken, je de macht ontnemen; Cliiicher â = klinknagel; â verb. (vast)spijkeren,vernagelen,stelen: Jesus was âed to the croNH = werd aan het kruis genageld; I â that plank down = spijker die plank vast; The door wa» âed up = dichtgespijkerd; lie was never âed at being drunk = hij werd nooit op zijne dronkenschap j betrapt; âbrusli = nagelborstel: âfile = nagelvijltje; âheaded = met een kop als een spijker: âer = spijkermaker, iemand die spijkert.
Naive, mJi?',ongekunsteld,oprecht: âté, âty. Naked, neikid, naakt, bloot, ontbloot, kaal, eenvoudig, oprecht: With the â eye = met het bloote oog; lie was stripped'â = geheel uitgekleed, uitgeschud, van alles beroofd; âness.
Nainay-eiish, nomellcvè, groote forel (der Amer! meren).
Nainby-pamhy, nambipambi, subst. gemaaktheid of overdrevenheid (in spreken of schrijven): There is nothing â in hini = niets gemaakts of overdrevens: adj.sentimenteel, dwaas. j\aine, neim, subs, naam, benaming, schijn, roem, aanzien, macht, naamwoord: A nice â to go to bed with ='tis me ook'n naampje! 1 know hini, but I cannot put a â to him = maar ik kan hem niet thuis brengen; Do not take the â of tiod in vain = gebruik Gods naam niet ijdellijk; lie called me all kinds of âs = hij schold mij overal voor uit; As good be hanged as have an ill â = wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat: Christian â = doopnaam, voornaam: Family â = geslachtsnaam: Maiden â = eigen naam (van getrouwde vrouwen); A man, Williams by â of the â of W. = genaamd W.; â verb, benoemen, noemen: lie was âd after me = naar mij genoemd; âboard = naambord: âless = nameloos, onbekend, onnoemelijk: âly = namelijk; âr = naamgever; âsake = naamgenoot.
Namiir, neimo, Namen.
Nancy, nansi, Nancy: Sweet â = narcis. Nankeen, nankin, nankin (gelekatoenen stof). Nantz, nants, Nantes.
Nap, nap, subst. slaapje, dutje, nop (wol of zijde) op laken, etc., soort v. kaartspel, stof voor een hoed: His hat was not â but felt = zijn hoed was niet van zijde, maar van vilt; lie took a â = deed een dutje, knapte een uiltje; I'll go â = ik verwed er wat onder; â verb, dutten, sluimeren, zorgeloos zijn: You have been âping = gesoesd; I caught him âping = hij is ,.erinquot; geloopen: âless = kaal. zonder haar of noppen: âpy = met noppen, koppig (van dranken), slaapwekkend: âale = zwaar bier.
Nape, neip, nek (tegenover throat en neck). Napery, neip'rt, tafellinnen, onderlinnen. Naphtha, nap-l/id, naphtha; âline; âlic,nap-t hal ik = van naphthaline.
Napier, neipjd.
Napiform, neipifóm, knol- of raapvormig.
Napkin, napkin, servet; âring.
Naples, neip'lz, Napels; â yellow = soort
Nathemoe, neidhmou, niet te meer. Nathless. Nation, neiè'n, subst. natie, volk, groot aantal (Amer.); adj. kolossaal (Amer.); âal, nasariL nationaal: âal debt = staatsschuld; âalism = nationale trek of eigenaardigheid: âaliti/ of âaluess = volkskarakter, volkseenheid, vaderlandsliefde: âalize = nationaal maken. Native, neitiv, subst. inboorling: He is native to the soil = daar geboren (âs = kunstmatig geteelde oesters); adj. oorspronkelijk, natuurlijk,aangeboren: â wit. Z. Mother-wit; â country = vaderland; Nativism,nei£mzm, de rechten der bewoners tegenover genatura-liseerden (Amer.); Nativity, ndtiviti, tijd. plaats en omstandigheden 'eener geboorte; (schilderij van de) geboorte van Christus, horoscoop: He had his nativity cast = hij ; liet zijn horoscoop trekken.
man; ask = ask; f«rm = fam; bat = but; learn = Km; line = lain; house = hans; net; care = kèa; fate = feit: tin; asleep = eslip; not; \aw = ló: lord = löd: bo?/ = boi:
NATOLIA.
303
NECK.
|
iMatolin, ndtouljo, Natolie. \atron, neitr'n, natron. Natty, nati, keurig, netjes, chique: Rvfrytliin^ belonging; to Kaney waw ol'delieatê nalti-news = alles om en aan haar sprak van lijne keurigheid. Natural, natjdr'l, subst. idioot, naturel of her-stellingsteeken (muz.), uiting van gevoel; adj. natuurlijk, redelijk, teeder, gevoelig: Why wa» not lie â in his lile-time? = waarom was hij bij zijn leven niet als andere menschen? â death, hou. philosophy, science; â selection = natuurkeus: âism = natuurstaat, natuurlijke (tegenover geopenbaarde) godsdienst met uitsluiting van geloof in een persoonlijken God: âint = natuurkundige: âistic == naturalistisch, realistisch; âize = natuurlijk maken, aannemen (als kind), burgerrechten schenken aan vreemdelingen; âization: ânewM; Katiire, neitjd, natuur, heelal, (natuurlijke) aard. karakter, soort, waarheid, werkelijkheid: In a state ol'nature = in den natuurtoestand, naakt, zondig; In the nature of = krachtens; From nature = naar de natuur; He has gone (walked) the way of nature = hij is den weg van alle vleesch gegaan, gestorven: Kat ure-worship = natuuraanbidding. Naught, nót, subst. niets: He sets all your orders at â = veronachtzaamt, schendt al uwe bevelen: She called the ineuibers of the club to â = zij schold de leden uit tot er niets van overbleef: adj. waardeloos; ây = ondeugend, kwaadaardig; âiness. \auuiachy, nómoki, Nauinachia. nómeikjd. zeegevecht. Nausea, nósD, walging, misselijkheid: âte, gt;?ó«ei^ misselijk worden of maken, walgen; âtion, nóéieiê'n: Nauseous, nóëds, walgelijk! Naiiteh, nótè, Indische dans; âgirl. Nautif'(al), nótikCl), tot de zeevaart behon-rende; âal almanac = astronomisch jaarboek van de sterrenwacht te Greenwich: âal chart = zeekaart. Nautilus, nótilos, nautilus. Naval, neiv'l.uit schepen bestaande, tot schepen of de zeemacht behoorende: A â term = scheepsterm: â officers = marine-c ITi eieren; â combat, battle = zeestrijd, zeeslag. Nave, neiv; naaf (v. wiel), schip (v. kerk). Navel, neiv'l, navel; âstring = navelstreng; -âwort = navelkruid (Genus Cotyledon). Navette, rwvet, wilde raap = Navew. neivjü. Navicular, ndvikjula. bootvormig; â bone = hand- of voetwortel. Navigable, navigahl, bevaarbaar; âness = Navigability = bevaarbaarheid; Navigate. navigeit, bevaren, besturen (van een schip); Navigation = het varen, scheepvaart, stuurmanskunst: Aerial navigation = luchtvaart; Inland navigation = binnenvaart; Navigator, navigeitd) zeevaarder. Navvy, navi, polderjongen, spoorwerker. Navy, neivi, scheepsmacht, marine, zeemacht; â yard = admiraliteitswerf; His son is in the â = bij de marine. Nawab, ncivöb, Ind. onderkoning, nabob. Nay, nei, subst. weigering, ontkenning (Zie may); â verb, weigeren; adv. neen,ja,jazelfs, wat meer is: Not only the navy, â the bone = boun; full; fool = ful; a = toonloozi |
long = loij; ship = sip; occasion = okeii'n; t army was discouraged: âsay = tegenspreken, weigeren: If you invite'me, I will not say you â = zal ik niet bedanken. Nazarener nazorin, Christus, Nazarener: Na-zarite, nararaiC, Jood aan den dienst van God gewijd: Nazaritisni. Naze, ne/s, kaap, voorgebergte. Nead-end, nidend, toonstuk (v. eene rol goed). Neap, nip, laag water, disselboom: Dead â = doodtij; âtide = laag water; âed = aan den grond zittend (van schepen). Neapolitan, mopoliVn, subst. en adj. Napoli-taans(ch ), Napelsch. Near, nro. adj. nabij, nauw verwant, aan het hart gaande, dierbaar, letterlijk, kort, recht, aan de linkerhand, uiterst zuinig: â is my coat, but âer is my skin = het hemd quot;is nader dan de rok; it was a â thing = het was âer an toequot;; Christmas is drawing â = nadert; The â horse = het bijderhandsche of linksche paard (verg. The off horse = het vanderhandsche of rechtsche paard); You are â the mark = ge zijt er haast; â verb, naderen, nabij komen; âsighted(ness) = bijziend(heid); âly = bijna: Not âly (so) = op verre na niet; âness = schraapzucht. Neat. mt, subst. rundvee: adj.tot rundvee behoorende, netjes, zuiver, rein, handig: Brandy â = enkele of klare cognac (tegenover qualified brandy, die verdund is); âherd = veehoeder; âness; â's loot = koepoot. Nebula, nebjufo, nevelvlek, vlekje op het oog (hoornvlies); â r = tot nevelvlekken behoorende: âr-hypothesis, âhaipothosis, neveltheorie; Nebulosity, nebjnlositi. nevelachtigheid; Nebulous = nevelachtig, schemerig, in de war; Nebuly = met golvende lijnen versierd. Necessary, nesas'ri, subst. het noodzakelijke, privaat (The necessaries = de behoeften of benoodigdheden); adj. noodzakelijk, onvermijdelijk : Necessariness; \ecessitarianism. nesasitêridnizm, de fataliteitsleer: Necessitarian = aanhanger van de fataliteitsleer; Necessitate, ndsesitelt, noodzakelijk maken, noodzaken; Necessitous, nosesiti's. behoeftig, nooddruftig; Necessity = nood(zakelijkheid): He made a virtue of necessity = bij maakte van den nood eene deugd: Necessity has no law = nood breekt wet: From sheer necessity = enkel uit nood; I am under the necessity of telling yon = in de noodzakelijkheid. gedwongen. * Neck, nek, hals, nek, landengte: One misfortune rides on the â of another = een ongeluk komt nooit alleen: I have got my â out of it = ik beu er van bevrijd, ontslagen; That has broken the â of him = dat heeft hem vernietigd, geknakt: This came in the â of your tidings = kwam onmiddellijk na: He has a stiff â = is een stijfkop, een verstokte zondaar; He has laid thé guilt on my â = hij heeft mij de schuld op den hals geschoven: Away they went, â or nothing (naught) = voort g'ingen zij in dolle vaarUeig.ten kóste v. alles): It was a âandâ race = zeer harde strijd, was kamp; He won by a â = hij won met ééne halslengte; The horses ran â and â = bleven elkander prachtig bij: â and crop = volslagen, geheel: vokaal (zie asleep en care)] girl: //ear = jia; lin; J/ius = dln?s; wine. |
NECK-BAND.
304
NEPOTISM.
|
He rliuokpil liini, â mid crop, out of the room = hij gooide hem royaal de kamer uit; âband = hemd- of halsboord; âelotli = halsdoek: âercliief= halsdoek; âtie = dasje, colletje; âbeel' = vleesch van runderhals; âlace = halssnoer: âlet = halssnoer; âwear = das, dasje, colletje: âed = met een nek (in samenst., zooals: «tifl-âed). Kecrology, ndkrolddzi, sterftelijst, opgave v. overledenen; Necrologic(al) = tot eenenecrologie behoorende; Necrologist = beschrijver van de levens van pas overledenen. NecroiiiitiiHer, nekr.nnansd, toovenaar; Necromancy = zwarte of tooverkunst: Necromantic = tot de tooverij behoorende. KecrophagoiiM, tidkrofdgas. op lijken azend. Kerropolis, nekropalis, doodenstad, begraafplaats; Necroscopic = onderzoekingen na den dood betrelfende. Kerro.His, nakrousis, beeneter, kanker. Nectar, nektd, godendrank, plantenhonig; Kectareal,-au, iidktêriat, -dn. -eowa.noklê-rids, âons, nek torjs, nectarachtig, heerlijk als nectar; âed = met nectar gevuld: âiferous = nectar opleverend; âIne, nektorin, abrikoos; ây, nektdri, honiskelk (van eene bloem). Ked(dy). necl(i). Edward: âdy = ezel. Xeed, nff/, subst. nood, behoefte, dwang, moeilijk geval: II* â be = zoo het noodigis; lie lias â, Ntand* in â of a good seolding = bij moet eens een flink standje hebben; â verb, behoeven, noodig hebben: You â not do it = gij behoeft het niet te doen: lie âed to go there = moest er noodzakelijk naar toe; âlui = noodier, vereischt: We do the âlui with these bills to your credit = wij brengen deze wissels op'uw credit; âlulness = noodzakelijkheid; âily = in nood of armoede; âiness = nooddruft, 'ellende; âlessOiess) = noodeloos(heid); âs = noodzakelijk, onvermijdelijk: He must âs go whom (he devil drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; ây = behoeftig, armoedig. Needle, nicTL, subst! naald, kompasnaald: As Hharp as a â = zeer slim, zoo scherp als een vlijm: Dip ol* the â â¢= helling van de magneetnaald; â verb, naaldvormige kristallen schieten; âbook = naaldenboekje; âgun = achterlader, naaldgeweer; âwoman = naaister; âwork = naaldwerk, naaiwerk, handwerken, borduurwerk (Fancy âwork = fraaie handwerken); âlui = een draad naaigaren; âfurze = bremkruid. Ne'er, nêa, verk.v. never: lie is aâdo-well hij is niet meer te verbeteren. Nelarious, nifêrids, afschuwelijk, schandelijk. Negation, nigeiamp;n, ontkenning', niet-aanwezig zijn; Negative,negdliv, subst.en adj. weigerend (antwoord), veto, ontkennend: lie answered in the negative = hij antwoordde ontkennend; â verb, ontkennen, verwerpen: The motion was negatived = voorstel werd verworpen; I negatived his arguments = ikbeweesde onjuistheid van: Kegati ve-electriclty = hars-electriciteit, negatieve electriciteit. Neglect, n?Y/teArt, subst. verzuim, verwaarloozing, zorgeloosheid: I did it in â = ik heb het verzuimd, ik deed het uit achteloosheid; He studied literal ure, to the â ol' his other work = met veronachtzaming van; â verb. |
verzuimen, verwaarloozen, over het hoofd zien; âer, â lulOiess) = achteloos(heid). Kegligêe, neglizei, ochtendjapon, négligé, lang koralen halssnoer. Negligence, neglidVns, (gewone) nalatigheid, verzuim, achteloosheid; Negligent = nalatig, achteloos. \egotiable, nigousdb'l, verhandelbaar; Negotiability = verhandelbaarheid; Negotiate, nigouèeit. handelen, verhandelen, onderhandelen, in omloop brengen, sluiten (v. leeningen); Negotiaticn = onderhandeling, handel, verkeer; Negotiator; Negotiatory = handelend, onderhandelend. Negro, nigrou. neger; âhead = soort van tot koeken geperste tabak: Negress, nigrds, negerin; Negrillo, nigHIon, jonge neger: Negroid, nigróid, van het negertype; âland = Nigritië. Negus, ntgds, warme gekruide wijn; de souverein van Abyssinië. Nehcmiah, mhimaio, Nehemia. Xeif, Niel', nif, vuist, hand. \eigh, nei, subst. gehinnik; â verb.hinniken: Did you hear no âing? Neiglihoiir, neiba, subst. buur(man); adj. aangrenzend, naast; â verb, nabij wonen, aangrenzen : The âing nations = omliggende, aangrenzende volkeren; âhood = nabijheid, nabuurschap, omtrek: It was somewhere in the âhood 01*50 dollars = het was zoowat om en om de 50 d. (Am.); âly = als goede buren, gezellig, vriendelijk. Neither, naidha, nn//ja, quot;geen van beiden, noch, en... ook niet; â...nor = noch... noch. Nell(y), nel{i), verk. v. Eleanor, Helen of Ellen. Nemesis, neniasis, godin der wraak, wraak. Neolithic, nioulithik, tot de latere steenperiode behoorende. Neologian, maloudz'n, iemand die nieuwe woorden smeedt of aan oude nieuwe be-teekenissen geeft = Neologist, nioladzist; Neologism, nioladzizm, nieuw woord, nieuwe beteekenis, nieuwe leerstelling; Neologize. nioladzaiz, nieuwe woorden, beteekenissen of leerstellingen invoeren; Neology, nioladzi. invoering van nieuwe woorden of moderne godsdienstbegrippen. Neontology, niantoladzi, de studie der levende (tegenover uitgestorven) soorten. Neophyte, niafdU. subst. nieuweling,beginner, pas bekeerde; adji pas toegelaten. Neoplastic, niaplastik, nieuw gevormd. Neoplatonism, niapleitanizm, Nieuw-Plato-nische wijsbegeerte. Neoteric, materik. nieuw, pas ontstaan. Nep, nep, kattekruid. Nepaul, napöl, stad; â paper = soort v. papier, in Nepaul vervaardigd; âese, nepo/iz,subst. en adj. (bewoner) van N. Nepenthe, nipenthi, pijn- of smartverdrijvend middel = âs. Nephew, nevjü, neef (oomzegger). Nephralgia, nifraldza, nierziekte; Nephritic. subst. middel tegen nierziekte; adj. tot de middelen tegen nierziekten of de nieren behoorende; Nephritis, nifraitis, nierontsteking: Nephrotomy, nifrotami, steenoperatie. Nepotism, nipatizm, het voortrekken van ken- |
man; ask = Ask; farm = fiim; b?it = bwt; \earti = Ion; line = lain; hcmse = hans; net: care = kca; fate = feit: tin; f/sleep = dsllp: not: \aiv = lo; lord = löd; hoy = bói:
NEPOTIC.
305
NICE.
|
nissen of familie bij het begeven van ambten; Xepotie, nipotik, vóórtrekkerd. IX'epliine. neptjiin, Neptunus; iVeptniiiaii, I noptjtinfn, tot N. of de zee behoorende; \«'|)tiiiiiaii-tlieory = watertheorie (tegenover j de Viil«'»iiiaii*tlie'ory ofvuurtheorie), volgens ' welke alle (vooral basaltrotsen door de werking j van het water zijn ontstaan; Neptunist = ; aanhanger van deze theorie. T\ereid, niri-id, zeenimf. Xeroli oil, neroliöll, oranjebloesemolie. Xerve, subst. zenuw, nerf. pees: lie ha» not Ihe â = hij heeft er den moed niet toe; â phcnoinena â zenuwverschijnselen; âs = kracht, sterkte (v. lichaam); â verb, kracht of vastheid geven aan: lie âlt;1 him-nell* = vatte moed, vermande zich; âlew» = zwak, zonder kracht; Kervine, nUrain, subst. en adj. zenuw(middel); Xervous, nüvds, zenuwachtig. zenuw..., gespierd, krachtig: Kervous Kngiish = gespierd Ensrelsch; \ervouM di.s-enne = zenuwziekte: KervoiiH force = innerlijke kracht, spierkracht: !\ei'voiiNiieM8; \erviire, nüvjd, vertakking d. nerven (in een blad), ribben in de vleugels der insecten. Xewrience, nièiens, onwetendheid. \eMli(egt;, neë, zacht, week, fijn, teer, sullig. nes. voorgebergte, kaap (in samenst.). nest, subst. nest, verblijfplaats), tal van in elkander sluitende kisten of doozen: He liaa leathpred Iiin â = is binnen; â verb, nestelen, een nest bouwen: âegg = nestei, het begin v. het sparen, het gespaarde; âIe = nestelen, (zich) verschuilen,(zich)koesteren, druk zijn: The MHle girl âleil close to lier inotlier = kroop dicht tegen hare moeder aan; lie âled hiiiiNeir to her = vlijde zich tegen haar aan; Hi* head âFed itself on my Nhoiilder = hij lei zijn hoofd op mijn schouder; âling, subst. nest vogel: adj. pas uitgebroed. \estor, nestö, Nestor (oudste der Grieken). Xet, net, subst. net. strik: The ninbrella and luggage âs in a rail\vay*eamage (Zie Cradle); adj. netto, zuiver, onvervalscht: â gain = nettowinst: â verb, tot een net maken, haken, in een net vangen, verstrikken; âwork = netwerk; âting = het netten maken, netwerk (op schepen, enz.); âtiiiglt; needie = haaknaald. haakpen. Xetlier. nedhu. lager, beneden: âlip = onderlip; âmost = laagste, onderste; The âlands = Nederland. Xettfe, netl, subst. brandnetel; â verb, boos-maken. verbitteren: â in. doek ont = van den hak op den tak: âelotli = verlakte stof, zwilk: ârasli = netelroos. XenlVhatel. nvèdtel. \enral. njrtrl = tot de zenuwen behoorende; âgia. njüraldzo. groote zenuwpijn; Neuralyic = tot zenuwpijn behoorende; Neuratiin = ligging en verdeeling der zenuwen; IX'eniitis, njOrailis, zenuwontsteking; .\enrograpliy, njürogrefi, zenuwbeschrijving; Neuroloqy = zenuwleer; Neuropathie \euroHiH,nJw'ousis, zenuwlijden; \eiirotie, njürotik,zenuwlijdend; Neurotomy = zenuwontleding. iVenter. njiitd. subst. onzijdig woord, werkbij; adj. onzijdig, onovergankelijk; Xentral. njntrl, subst. onzijdig blijvend persoon (natie): adj. onzijdig, onverschillig,onpartijdig; Neutrality = onzijdigheid; Neutralize = onschadelijk of van geen invloed maken: Neutralizer; Xevada, nivvdd. [Neutralization. |
Kever, nevd, nooit, geenszins, nimmer, volstrekt niet: Well, I â! = heb ik ooit van mijn leven! Be he â so rich = al is hij nog zoo rijk: That problem is â so simple = vraagstuk is doodeenvoudig; â mind = dat doet er niet toe; â fear = heb geen zorg; â say die = je moet nooit den moed opgeven: â theless, nevddlwles, niettemin, niettegenstaande. Xeiv, njii, adj. nieuw, onbekend, versch: He is â to the business = pas bij de zaak, er nog niet mede op de hoogte; âborn = pasgeboren ; âeastle = stad: âcomer = pas (aan)gekomene; âcreate = opnieuw scheppen; âEngland = de N.O. kleinere der Vereenigde Staten van N.-A.: âfangled = nieuwerwetsch: âfangled theories = nieuwerwetsche theorieën; âfashioned = nieuwmodisch; âfoiind-land = hondenras (v. X.); â Orleans,njMö/janz,stad; âmodel = nieuw modelleeren; âlaid eggs = versche eieren; âpainted = pas geverfd; âyear = Nieuwjaar; âyear's Eve = Oudejaarsdag; â(ly)-married = pasgetrouwd; âish = eenigszins nieuw; âness. Xe wel, njü.il, zuil of stijl v. eene wenteltrap. \ewing. njüin, gist. Xews, njüz, nieuws, tijding, bericht; âboy = courantenjongen = âman: âmonger == nieuwtjesverspreider; âpaper = courant: Some of these essays are too obviously â paperisli = sommige der artikelen dragen al te zeer den stempel, courantartikelen te zijn: âroom = tijdingzaal; âvender, âvendor = courantenverkooper. Xewt, njut. ikleine) hagedis. Xewton, njiït'n. Newton: âian, njiitounfn, subst. en adj. (volgeling) van X, Xext, nekst, naastbij, naast, volgende op, daarna: Tlie â station = het eerstvolgende station; â time = de volgende keer; I am tlie â in blood, â of kin = ik volg in graad van bloedverwantschap; He has â to nothing = zoo goed als niets; âdoor to poverty = de armoede nabij: He is âdoor to an idiot = zoo goed als idioot; He lives âdoor = hiernaast; Wlift â ? = wat zullen we nu nog hebben? dat is al te gek. Xexns, neksds, band. X;agara, naiagdro. Xib. nih, snavel, spits, punt van eene pen, pen: A soft â = buigzame, zachte pen; -rble, subst. het knabbelen, eventjes bijten: \ glorious day for a âble = prachtige dag om te hengelen: â verb, knabbelen, bijten, vangen: â bier; âblingly = knabbelend. Xice, nnis, stipt, nauwkeurig, keurig, zedig, preutsch, lekker, aangenaam: That's rather a â question = lastige vraag; Yon must not be nice about accepting it = u niet geneeren om het aan te nemen; â isli.wnlsfs, lief, aardig: A âish girl: âness = liefheid, keurigheid, aangenaamheid, enz; âty = fijnheid (van waarneming), nauwkeurigheid, kieschheid: The coat fits to a âty = zit keurig, als geschilderd. Xice,na/.s,Nicea; Xice.nfe,Nizza; â ne,r?«ism. |
hone = boiin: full; fool = fnl; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; ?/ear = ji9; iong-fsz loi^; s/jip = «ip; occas/on = okeiy/n; thin; thns â dhus; wine.
ten bruggencate, Eng. Woordenboek. 20
NOBILIARY.
306
NICHE.
|
van Nicea; âne-eounrilM = concilies van Nicea (325 en 787): âne-creed = geloofsbelijdenis van X. (325). Xiclie, nitè, nis: âd = in eene nis geplaatst. NirliolaH, niks Ids. Kick, nik, watergeest, kerf, kerfstok, rekening, kritiek oogenblik, hoogste worp (hij het dobbelen), verk. van Nicholas: Old â = de duivel; In the very â of time = te juister tijd; That iw out óf all â = gaat buiten de i schreef; â verb, kerven, eene inkerving maken, op hetjuiste oogenblik treilen, bedriegen, stelen, zich vlug bewegen; âiiackw (ook Knick-knackn en iiieiiarH gespeld) = snuisterijen: ânackery. Nickel, nikl, nikkel = âwil ver: Nickelic = nikkelachtig, nikkel bevattend = âiferous. Xicker, niko, trappelen (v. paarden). Nickname, nikneim, subst. bijnaam, scheldnaam; â verb, een spottenden bijnaam geven. Xico(i 11(e), *'ikdtin, nicotine (in tabak). Niddle-noddle, nidlnod'l, knikken, op en neer gaan: The plnnieN âd on the liorHe^H lieadw. Nidification, riuHfikeis'n, het maken v. nesten. Nidns, naidds, nest, broedplaats. Niece, nis, nicht (oom- of tantezegster). Niemen, ntm'n. Nifty, nif'ti. verk. van Magnificat. Niger, naidid. Niggard,subst.vrek: adj.vrekkig,gierig = âly: â lineHH = vrekkigheid. Nigger, nigd, spotnaam voor neger of kleurling: He works like a â = als een os (ezel). Niggle, nig'l, beuzelen, spotten; âr. Nigïi, nai. nabij, nauw verwant, bijna (poët.): Well â = genoegzaam, voldoende: ânes». Night, nait, nacht, avond, domheid, duisternis, dood, tijd van rouw en smart: Lawt â = gisteravond; Toâ = van avond: tl^ate) at â = (laat) in den avond (nacht); The piece is a firstâer = wordt voor de eerste maal opgevoerd; We have made a â of it = wij hebben den geheelen nacht doorgezwaaid: âbrawler = (nacht)rust verstoorder; âcap = slaapmuts, warme sterkedrank; âclothes = nachtgoed; âdog = waak- of wachthond; âfall = het vallen van den avond; âfly = avondvlinder, mot: âfoundered = dooiden nacht overvallen; âgown, âdress = nachtjapon,nachtgewaad; âingale.naamp;w^ei/, nachtegaal: --jar = geitenmelker (vogel),ook âhawk genoemd; âman = nachtwerker, man van den reinigingsdienst; âmare = nachtmerrie; âpiece = schilderij bij nacht, bij maan-of kaarslicht; âraven = ongeluksraaf; âshade = nachtschade (plant); âsoil = inhoud v. privaten, menschendrek; âstool. âchair = stilletje; âwalker = slaapwandelaar, nachtelijk zwerver of vagebond; â ward = tegen den nacht; âwatch = nachtwacht, de nachtelijke uren; âless = zonder nacht(en): â|y = nachtelijk, eiken nacht. Nigi'itia, nigrièd. Nihilism,naihilizm, nihilisme (Rusl.), d.i. eene 1 soort van communisme; het ontkennen van al wat is; Nihilist = aanhanger van het nihilisme; Nihilistic. Nil, nil, kort voor nihil (naihil), niets. Nile, nail, de Nijl; Nilotic, nailotik, v.d. Nijl. Nilly-willy, niliwili, goed- of kwaadschiks, j |
Nimble, nimbi, vlug, lenig: The âfingered gentry = de vlughandige jonkers (dieven); â footed = vlug ter been, rap v. voet; âness. Nimbus, nitubdS. stralenkrans. Nimegiien, nimeig'n, Nijmegen. Niminy-piminy, niminipimini, geaffecteerd, gekun'steld. Nincompoop, nintfmphp, stommerik, sul = Ninconi. Ninkum, nink'm. Nine, nam, negen: The (sacred) â = de muzen; Dressed np to the âs = keurig, netjes, piekfijn gekleed; That^s a âdays' wonder = verbaast de wereld eene week lang; âfold = negenvoudig; âpins = soort v. kegelspel: They were playing at âpins = zij waren aan het kegelen; âteen = negentien: She would chatter âteen to the dozen = praatte honderd uit; âteenth = negentiende; âtieth, naintiath, negentigste; âtv = negentig; Ninth, nainth negende; N' iiitlily = ten negende. Ninny, nini, sukkel. Niobe, naidbi, Niobe. Nip, nip, subst. kneep(je), vernietiging (door vorst en koude), wippertje of glaasje: I'll first take my â and then my nap = eerst mijn wippertje en dan mijn knippertje; lie takes two âs a-day = hij gebruikt zijne twee borrels per dag: There was an exhilarating â in the air = er was een levenwekkende kracht in de lucht; â verb.nijpen,knijpen, verdooven. vernietigen: The flowers were âped in the bnd = werden in den knop gedood; The rebellion was âped in the bud = in de kiem gesmoord; âper = iemand die knijpt of vernietigt, voortand v.een paard; âperkin = kopje,bekertje; âpers ^=.(kleine)knijptang, schaar, knijper(s); âpy = krachtig, gauw, scherp: Yon had to look very âpy to see him = scherp en vlug kijken als men hen» zien wou. Nipple, nip'/, tepel. Nirvana, nvvund, nirwana. Nit, nit, neet (van ongedierte). Nitre, naito, salpeter; Nitrlfdrons = salpeter opleverend; Nitrification = salpetervorming: Nitrify = tot salpeter vormen; Nitrous = salpeter bevattend = Nitry. Nitrogen,naitrddz'n,stikstof; Nitrogenized = stikstof bevattende = Nitrogenous. Nix(ie), niks{i), watergeest. No, nou, subst. ontkenning, weigering, tegenstemmer, stem tegen: The noes have it = het voorstel is verworpen; Twenty noex and five aves = twintig stemmen tegen en vijf vóór: iMie everlasting â = ontkenninu van het bovenzinnelijke, de skeptische geest: â cards = algemeene kennisgeving; adj.geen: adv. neen, niet,geenszins: No! (alsuitroep) = och kom! wat je zegt!; There is â avoiding it = dat is niet te vermijden. Noali,noicd,Noach; Noachian,noi/ei/g'n,van IN. Nob, nob, knop, kop. hoofd, verk. voor nobleman; Nobble, nob'l, naar zijn zinnen zetten, beschikbaar stellen: It's no use trying to â ble him = het helpt niet of men dat met hem probeert. Nobby, nobi, mooi, sierlijk, chique. Nobiliary, noubiljdri, geschiedenis van edele geslachten. |
man; ask = ask; farm = flim; bnt = bwt; learn = l«n; line = lain; bowse = haus; net: care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló; lord = löd; hoy = bói:
NOBILITY.
307
NOON.
|
Kobility, noubiliti, (hooge) adel (tegenover Gentry), adeldom; ]\Toble, nouamp;l, subst. edelman, pair, oude gouden munt (ongeveer f 4.00); adi. edel, grootmoedig, doorluchtig, adellijk: ]\oMe inetalH = edele metalen; Kobleman, KoblewomHii = adellijke (man, vrouw); I\obleiieMH = edelheid, groótschheid, heerlijkheid; IN'obly. \ lt;gt;body , noubddi, onbeteekenend mensch, niemand: He iH a â = een nul; They are â in particular = zij zijn van gewone ,.kom-afquot;. KobH, nobz, verk. v. Ohadiaii en v.Nublemen. Zorake, nonkeik, maïskoek. Xoren^noifó'/iï,schadelijk,boosaardig,misdadig. \oc-tanibiilatioii. noktumbjtileis n, \oetani-buliHin, noktambJuliz)n, slaapwandeling. VioQii\lo,noktiljou, vleermuizensoort; j\oetiiIe, noktjül, groote vleermuis. Xotilncent, noktiljüs'nt, bij nacht schitterend. X octivacant, noktivdgant, bij nacht rondzwervend; Noctivagation. Xoetograpli,rioA:tólt;yra/quot;,schrijfraam voorblinden, nachtelijk verhaal of bericht = \ot'tuary. noktjuSri. RoeiuniHl, noktvn'l, nachtelijk; Nocturne . noktvn, nachtstuk (ook muz.). XoruuuH, nokjios, schadelijk. Mod, norf, subst. (hoord)knik, bevel; â verb, knikkebollen, knikken (verticale beweging van het hoofd, tegenover wag = horizontale hoofdbeweging), slapen, slaperig zijn, toeknikken : He waH a man to â to, not to Hfieak with = hij was iemand om op een afstand te kennen en te honden; He âfled approbation, an alTinnative = hij knikte goedkeurend, toestemmend: A â Ih au good a» a wink to iiini = hij heeft maar een half woord noodig; âder = knikker, slaperig mensch, soezer; 1 bail a âding acquaintance with him = kende hem eenigszins; âdie, subst. hoofd, bolletje (schertsend); verb, knikken (schertsend of verachtelijk); âdy = domkop, sukkel, dwaas. Xode, noud, knoop, knoest, knobbel, intrigue, spierverharding, beenuitzetting (bij ziekte): Xodal, noud'l, met betrekking tot knoopen: iVodated, noudeitid. geknoopt, met knobbels; KodoHe, noudous, met knoopen of knoesten: Xodosity, noudositi, knoestigheid, knoop; Kodnlar, nodjuhi, knoestig; Xodule,no^/Yt/, klompje, knoestje, knobbeltje; \oduled. Kog, nog, cylindervormig of vierk. stuk hout. Noggin, nog in, kroes, maat (1/4 pint). Xogoism, nougouizm, onmogelijkheid, wat niet gaat. Noise, nóiz, subst. geraas, getier, leven: He made a great â in his time = hij deed bij zijn leven veel van zich spreken; â verb, tieren, bulken, schreeuwen, bij geruchte verspreiden, uitbazuinen: It was âd about; âlui = luidruchtig, lawaaimakend; âless = stil, zonder geraas of geluid: Aioisy = druk, lawaaiig, luidruchtig; \oisiness. * Xoisome, nóisdm, nadeelig, walgelijk, ongezond. Noli me tangere, noulaimitanzdrd, kruidje-roermeniet, huidziekte. Noll, no/, verk. van Oliver. \omad, nomad, subst. nomade, herdersstam; adj. nomadisch, rondzwervend = Nomadic, j âism = zwervende toestand; âize = een zwervend leven leiden. |
Nombril, nombril, centrum v. een wapenschild. Nome, nonm, provincie (Griekenl. en Egypte). Nonienclator, noutrinkleite, naamgever; Nomenclature, nowu'nkleitjd, naamlijst, naam. Nominal, nominal, in naam bestaande, namen bevattende: It in but a â price = de prijs is niet noemenswaard; âism (tegenover Realism) = de leer, dat aan onze begrippen geene werkelijkheid beantwoordt, en zij slechts als namen bestaan; â ist = aanhanger van deze leer; Nominate, nomineit, benoemen, candidaat stellen; Nomination = benoeming, candidaatstelling; Nominator = noemer, benoemen Nominee,nommi, benoemde; Nominative, nomindtiv, subst. onderwerpsnaamval; adj. daarop betrekkelijk. Nomography, ndmogrdfi, wetsbeschrijving, het wetten maken; Xomothethic, nomothetik, wetgevend. Non, non. (in samenst.), niet, b.v. Non-attendance = niet-verschijning; \ non-committal answer = antwoord, waarbij men zich tot niets verbindt, zich niet blootgeeft; Non-con, verkort voor non-conlormist (= van de En-gelsche kerk afgescheidene), of voor non-content (= tegenstemmer of stem tegen in het Huis der Lords); Non-conforniity = afgescheidenheid van de E. kerk; Noil-elect = niet uitverkorene (godsd. zin); Non-ponderous = zonder zwaarte of gewicht; No:)-Me\ual = geslachtloos, en vele andere samenst. Nonage, nonidz, minderjarigheid. Nonagenarian, nonddzonêridn, ÃO-jarige. Nonagon, nonagon, negenhoek. Nonce, nans, alléén in: For the â = voor de gelegenheid, voor dezen keer. Nondcscript, nondaskript, subst. zonderling (dwaas) persoon of iets; adj. niet gemakkelijk te beschrijven, dwaas, onmogelijk. None, nvn, subst. en pron. niemand, niets: adj. geen: â of your cheek here = hou je brutalen mond thuis; 1 am â the wiser = ik ben geen haar wijzer; â too hooii = geen oogenblik te vroeg. Nonentity, nonentiti, onbeteekenend persoon, onbestaanbaar persoon of iets. Noiich, nounz, negende dag voor de Ides. Nonjuror, nondzürd, die den eed niet wilde afle'ggen op de regeering bij de revolutie van 1688; Nonjuring, nondzürit], tot de Nonjurors behoorende. Non-pareil, nonparel, subst. weergalooze voortreffelijkheid, soort van appel of beschuitje, kleine'drukletter; adj. weergaloos. NonpliiH, nonplvs, subst. verlegenheid, moeilijkheid; â verb, verwarren, verlegen maken. Nonsense, nom'ns, onzin, dwaasheid; Nomen-sical(ness) = ongerijmd(heid), onzinnig(heid). Non(e)NUch, nnnsnis, subst. weergaloos persoon of zaak, soort van appel. Zie Non-pareil. Nonsuit, nonsint. subst. het opgeven of royee-ren v. eene rechtszaak; â verb, opgeven, royeeren. Noodle, nüd'l, uilskuiken, dwaas; âs=soort van vermicelli (Amer.). Nook, nuk, hoek, gezellig plekje. Noon, nün, subst. middag, hoogte; adj. van den middag: He knew how to make it â |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaai (zie asleep en care); girl; year = jia: lowgf = loi^; s/iip = sip: occasion = okeiz'n; thin; thws = dhes; wine.
â¢20*
NOTHINGNESS.
308
NOON-DAY.
|
= kon de middaghoogte bepalen; âclay, âtide = middag; We stopped at the hin for a â ing = hielden stil om een middagmaal te nemen; âhouse = herberg. IN'oose, nüs, ntiz, subst. lus, vanzelf dichtgaande strik: â verb, knoopen, in een strik vangen. Kopal, noup'l, eene soort van vijg. Xor, «ö, noch, en ook niet: â 1 either = en ik ook niet; â is thin all = en dat is nog niet alles. IVorlblk, nöfdk. \oriiial. nötn'l, subst. loodlijn; adj. naar den regel of het model, normaal: âschool = normaalschool. ]\oriiiaii, nöm'n, Normandiër, Noorman: â architecture: âdy = Normandië. \orii(a), )ï«n(a), eene der Noorsche schikgodinnen. \orse, nas. subst. en adj. Noorsch(e taal); âman = Noor. \orth. nöth, subst. Noorden: adj. noordelijk; âeast = noordoosten, noordoostelijk; â eastern = noordoostelijk: â by East = noord ten oosten; âstar = noord poolster; âwest = noordwesten, noordwestelijk; â western = noordwestelijk, noordwestelijke wind; âer. nödlw. hevige noordenwind in de golf van Mexico (van Sept. tot Maart); âerly, nödhdli, noordelijk: âern, nödhon, nooj-delijk. uit het noorden: âern-lights = Noorderlicht; âerner, nödhdnd, bewoner van het noorden: â eriiniost, nödlwnmnust, het meest noordelijk gelegen; âinp. nöthbi, afstand naar het noorden; âman = Noorman. Scandinaviër: âward = naar het noorden: To the â ward = benoorden. i\orthnnipton,nö^ccmrn; Northumberland, nöthnmhdltxnd. Xorwny. nöwex^ subst. en adj. Noorwegen; Norwegian, nöwidzn, (bewoner of taal) van Noorwegen. Norwich, noridz. Norwood, nöwud, uitzuigen of exploiteeren (door den staat) van ambtenaren of werklieden. Xose, nouz, neus, reuk(vermogen), scherpzinnigheid: You can lead them by the â = men kan hen blindelings leiden of doen volgen; He speaks in the â = spreekt door â den neus; He thrusts (puts) his â into 1 eTerytiling = steekt zijn neus in alles, bemoeit zich met alles; lie turned up his â at it = hij trok er zijn neus voor op: lie paid throup;li the â lor the house = hij moest dat huis zeer duur betalen: They have paid through the â lor that victory = die overwinning is hun duur te staan gekomen: That has put his â out oi'.joint = dat heeft hem den voet erelicht. de gunst doen verliezen; (Z. ook Joint):' Wiien the baby came, the little boy's â was put out of Joint = toen de jonpr'seborene verscheen, was 'de kleine jongen .,Benjamin-ar'; You had best follow your â = recht uit te gaan: All my life my nose was kept to the grindstone = ik heb mijn leven lang zeer hard moeten ploeteren; lie did it under my very â = hij deed het waar ik bij was; : âliag = voe lerzak (van een paard, en aan zijn kop gebonden), gezellige warme plek: 1 |
The British Museum reading-room is made a âbag of by many = velen gaan naar de leeszaal van* het B*. M. om warm onder dak te zijn; âband = tweede teugel; âbleed = duizendblad (fam. der samen-gesteldbloemigen); âgay = ruiker; âpiece = neusstuk (bij een microscoop); âring = ring door den neus; âthirl = neusgat; âd = met een neus (in samenst. als llatâd = met een platten neus); âless = zonder neus; \osing = vooruitstekende rand van lijstwerk. Nosology, nosolddzi, stelselmatige klassificatie van ziekten, ziektenleer. Nostalgia, nostaldzd, heimwee (naar = for): Nostalgie = heimwee hebbend. Nostril, nostril, neusgat. Nostrum, nostr'm, kwakzalversmiddel. Not. not, niet: â at all = geenszins, integendeel: â in the least = in het minst niet: â for Joe = om den dood niet; â if I know it = ik denk er niet aan, het komt niet bij mij op; Will they do it? â they = 't mocht wat, dat kun je begrijpen; â by a very long way = geenszins. Nótabilia,' noutdbilid' merkwaardige dingen. Notable, not ltd bl. subst. en adj. merkwaardig, gedenkwaardig, uitstekend, in 't oog vallend (persoon of iets): âs = afgevaardigden van Frankrijk vóór 178!); âness = Notability. Not ilgia, no/italdzd, pijn in den rug. Notary, noutari, notaris; Notarial,nonterid/, notariëel. Notation, noMteijrn,aanteekening,opschrijving. Notch, nots, subst. kerf, inkeping: â verb, kerven, inkepen, opschrijven: The stick was âed across at regular distances = over den stok waren op gelijken afstand inkepingen gemaakt; âboard = plank of boom, waarin de einden van de treden eener trap rusten. Note, norit, subst. opmerking, bekendheid, belang. (verklarende) aanteekening, uitlegging, briefje, mededeeling, orderbriefje (ook: â ol hand), toon, noot: A thing worthy â = merkwaardig iets; He is a man of â = man van aanzien en gewicht: I took no â = lette er niet op; We compared âs together = wij vergeleken onze bevindingen; âs = verslag van eene rede. etc.: â verb, aanteekenen. letten op, nota of notitie nemen van. eerbied bewijzen, aanteekeningen maken; âbook = aanteèkenboek; âpaper = octavo schrijfpapier; âshaver = bedrieger met wissels, enz., maker van valsche bankbiljetten; He is a âd general = vermaard;âdness: âworthy, nontwvdhU merkwaardig. Notliing,'mgt;{/m^ subst. niets, kleinigheid, nul. prul: Next to â = zoo goed als niets; He made â of insulting everybody = hij be-leedigde iedereen zóó maar, zonder reden; â venture. â have = wie niet waagt, die niet wint; That is â to me = d:it kan me niets schelen, gaat me niet aan; The piece was â like so witty as I expected = het leek er niet op. dat;* There was â for it but to get out = er zat niets anders op dan; I will have â to say to you = niets met u te maken hebben; It is â to be inquired into = het is de moeite niet waard, er onderzoek naar te doen; âness = waardeloosheid. |
man; ask = Ask; farm = film; b?lt;t = b«t; \earti = Inn; line = lain: house = haus; net; care = kèd; fate = felt; tin; asleep = aslip; net; \aw = 16; lord = lod; hoy = bói:
NUNCLE.
NOTICE.
309
|
Xolice, noutis, subst. opmerking, aandacht, acht. hoede, kennisgeving, waarschuwing, aankondiging, recensie: lie gave me â (toquit) = hij heeft me de huur (dendienst)opgezegd; Have you given â an yet? = hebt ge u al (voor 't examen) aangegeven; The child take» â in a wuiideri'iil way = krijgt al merkwaardig veel âweetquot;; At *a moiiieiit'H â = onmiddellijk; â verb, notitie nemen van, letten op, bespreken, recenseeren, eerbied bewijzen: We âd the work in ia.st week^H IsHiie = wij hebben het werk in ons nummer | van de vorige week besproken; Do not â ine = doe maar alsof ik er niet ben, let niet op mij; We were neitherâd nor piiniHhed = evenmin opgeteekend als gestraft; lgt;id yon â iiow he hliiMlied? = hebt ge opgemerkt, hoe hij bloosde? âable = opvallend, opmerkenswaard: ActresseH generally go about with âable dre«» = actrices zijn nog al dikwijls opzichtig gekleed. Xotil'y, noutifin, bekendmaken, verwittigen: Notification = kennisgeving, verwittiging, aankondiging, mededeeling. \otion, nouè'n, begrip, denkbeeld, neiging, kleinigheid (Amer.); âal = tot een begrip of denkbeeld behoorende, begrips____: âal word» = begripsnamen (tegenover abstract). IVotorioiiM. noulórios. berucht, bekend: A â burglar = berucht inbreker; âneM»: \oto-riety, noxitdraidti, beruchtheid, klaarblijkelijkheid. Xóttnrno, notvnou. nocturne (muz.), slaap-XotiiM, noutds, Zuidenwind. [liedje. !\otwheat, notwit, ongebaarde tarwe. Notwithstanding, uotiuidlistanclin, niettegenstaande. Nought, not, nul. Zie ook \anght. \oiin. naun, naam van eene zelfstandigheid. iX'oiiriHli, nnriè, voeden, steunen, handhaven, kweeken; âable = wat gekweekt of gevoed kan worden: âer; âinent = voeding, voedsel. iV'oiim, naus, talent, verstand (gewoonlijk schertsend): Von need all your â lor that = daar mag je .,de vijf''wel goed bij hebben; -âbox = ..kopquot;' (als kast van het verstand). Nova Scotia, nonvaskouéd, Nieuw Schotland. Novaya Zeinlya. nouvjdzemljd, NovaZembla. Novel, nou'l, subst. roman; adj. nieuw, vreemd: A â point = een nieuw gezichtspunt; âelte, novaiet, novelle: âist = romanschrijver; âty = nieuwigheid: That is quite a âty = dat is wat nieuws. November, ndvemba, November. Novice, novis. nieuweling, beginner, novice i (klooster); Novitiate, Noviciate, naviSeit, l staat van een novice, proeftijd (in een klooster), huis voor novices. Now, nau, nu, thans: JiiHt â = zooeven; j Even â = net nog; â and then = nu en dan: Every â and then = telkens; Tilt â = totnutoe; Don't Npill oil onmydreNH,â = zeg er eens, mors nu geen olie op mijne japon; â, the weather being nice = aangezien het weer mooi was; He said wo. Did | he â? = och kom! â lor it! = nu moet het maar wezen: â and again = telkens; âadays, nauddeiz, heden ten dage. Nowagt;(Mgt;, nonwei(z), geenszins; Nowise, 1 nouwaiz, op geene manier. bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze long = loij; ship = »ip: occasion = okeiz'n; tl |
Nowhere, nouwvd, nergens: Now that he has lost his property, he iw â = nu hij alles verloren heeft, vraagt geen mensch meer naar hem, kent niemand hem meer; My horse was â = mijn paard verloor het royaal, viel geheel af; No w li it her, nouwidhd. nergensheen. Noxious, gt;ioAs5S,schadelijk,verderfelijk;âness. Noyau, nwüjou, persico. Noxzle, noz l, pijp, uitstekend mondstuk,snuit. Nubia, njübja, wollen netje (hoofdbedekking voor Amer. dames). Nubië; ân = Nubiër. NubigeroiiH, njnbidtdrds, wolken voortbrengend: Nubilous = bewolkt. Nubile, njübil, huwbaar; Nubility = huwbaarheid. Nuclens, njüklids. kern (vooral vaneen komeet). Nndation, njüdeiamp;n, oniblooüng; Nude, njüd, subst. naakt model, ongedrapeerd beeld; adj. kaal, naakt: Nudeness; Nudity = naaktheid (meerv. naakte deelen, schaamdeelen). Nndge, nwdz, subst. duwtje (als met den elleboog of voet); â verb, eventjes aanstooten: He âd me = hij gaf me een duwtje (met den elleboog). Nndibraiichiate, rijiidibrai]kiit, subst. en adj. schelploos (weekdier). Nugatory, njügotdri, beuzelachtig. Nu quot;get, nvgat. klomp goud of edel metaal. Nuisiince, njus'ns, plaag, last, burengerucht: Begone lor a â = ruk uit, leelijke rust-verstoorder; Commit no â! = verontreiniging van deze plaats is verboden. Null, nvl, krachteloos, nietig, ongeldig: âi/t-co(ion = vernietiging; â ily,nulif'ai, van nul en geener waarde maken; âilier; âity = ongeldigheid, ongeldige daad. Numb, nvm, adj. verstijfd, verkleumd; â verb, verdooven, verstijven; âness. Number, nmx to?, subst. eenheid, getal, menigte, (vers)maat: In great âs = in gr. getale: â verb, rekenen, nummeren, (op)tellen, bedragen: âoff = nummert u! (:r.il.); The multitude âed about a thoiiHand; âer; âless; â s = Numeri (4e boek v. h. O. T.). Numbles, nnndflz, ingewand van een hert. Numerable, njünurdb'l, telbaar; Numeral, subst. telwoord, getalteeken; adj. tot een telwoord behoorende, een getal aanduidend: Nnmerary = in een zeker getal besloten: Numerate, rviimareif, tellen,rekenen; Numeration = het tellen: Numerator, njnnisreitd, teller; Numerical, njihnerik'l, een getal be-treifend: Numerical diflerence = verschil in aantal; Nunierous(nes»gt; = tairijk(heid), welr luidend(heid). Niimerian. njunitridn, Numerianus. Numidia, njuniidjó, Numidië; ân = Numidiër, Numidisch. Numismatics, njumiztnatiks, penningkunde; Nuinismatic(al) = tot penningen en medailles behoorende: Numismatist, njihniznidtist, penningkundige. Niimmary, nvnidri. tot geld behoorende. Niimsknll, nnmskv.l, uilskuiken; âed = dom. Nun, non, non, soort v. duif; ânery = nonnenklooster. Nimcheon, nnnè'n; Zie liuncheon. Nuncio, »t»^sou, pauselijk gezant, nuntius: Nunciature, nnnèdtjuo, ambt v. een Nuncio. Nnncle, mtuk'l, Niinkey, nnnki. Z. Uncle. vokaal (zie asleep en care); girl; «/ear = jia; liin; thns = dhus; wine. |
NUNCUPATE.
310
OATH.
|
\iiiiriipate. nnnföupéit, openlijk belijden of betuigen, mondeling verklaren, toewijden; \iiiieiipative, nm^kjupextiv, Xuiirupatory, nnr\kjupe\t9riy nominaal, mondeling: A imii-cuputive will (legacy) = mondeling gemaakt testament of legaat. .\uiidiiial, nvndinl. \ midi na ry. nnndiriri, markt..., kermis...: â laws = marktwetten of -bepalingen. Xuptial, nupè'l, huwelijks...: â benediction = huwelijksinzegening: âtie = huwelijksband; âh = huwelijk, bruiloft. Knreinberg, iijilr'mbva, Neurenberg. IX ii r«e, n»s, su bst. min (Wet â),baker(Dry â), ziekenoppass(t)er, kweeker, verzorger; âverb, zoogen, grootbrengen, oppassen, koesteren, sparen: The cliild was at â, was put out to â = het kind was, werd bij eene min uitbesteed; Yon must â yonr cold = je moet van je verkoudheid zien af te komen; He understands the art of nursing; = om ze warm te houden (bilj.); Heâd his capital = was spaarzaam, leefde zuinig: He âd hls leg = hij had zijne armen om zijne knie geslagen; âgirl: âr: âry = kinderkamer, kweekerij (van planten): -ry-tale = sprookje; âry-nian = bloemkweeker= âry-gardener: Xiirsling = voedsterling, lieveling. Nurture, nntjd, subst. het voeden of grootbrengen, voeding, voedsel, opvoeding: â verb, voeden, grootbrengen, opvoeden. Xussle, n»s7.(verbastering van nurse), koesteren (gewoonlijk met up). |
Nut, mtf, subst. noot, moer (van eene schroef), neut (van een anker): He is as close as a â = zoo dicht als een pot; I have a â to crack with you = appeltje ... te schillen; That is âs to me = dat is een genot voor mij; It is âs to read that letter = het is een genot dien brief te lezen; He is off his â(h) = hij is gek; You are always dead âs on that school = je legt die inrichting altijd af: â verb, noten plukken; âbrown = licht bruin; âcracker(s) = notenkraker; âgall = galappel;' âhook = notenhaak; âhatch = specht; âmeg = notenmuskaat; âinegged = met notenmuskaat gekruid; âmeg-grater = notenmuskaatraspje; âoil = notenolie; âshell = notedop, waardeloos iets: The world in a âshell â de wereld in een doosje: âty = vol noten, als noten smakende: âting = het notenplukken. \11trient, njütrVnt, subst. en adj. voedend (deel). iN'iitriment, â njntrinCnt, voedsel; âal, njütri-menVl, woeamp;end; Nutrition = voeding, voedsel; i\utntions, njütriSds, Nutritive, njütritiv, voedend, voedzaam. Nuzzle, nnz'l, koesteren, kweeken, zich verbergen of vlijen, met den neus omwroeten (zooals een varken), het hoofd verbergen in moeders schoot (als een kind). Z. Nussle. Nyinph, mw?/quot;, nimf, lieve jonge vrouw; âlike o'f âly = als eene nimf; âaea, nim/ïa, soort v. waterplanten, waartoe de witte waterlelie behoort; âaean, mm/tan, nimfachtig = âical = âish. |
O.
stoppen, enz.): The prisoners were picking
â = aan het touw uitpluizen; He has been picking â these three years = hij zit al
drie jaar in 't tuchthuis.
Oar, ö, subst. (lange) roeiriem (tegenover scull = korte riem, en sculling oar = wrikriem): We rowed on with iniirfled âs = wij roeiden onhoorbaar voort (met omwoelde riemen); The âs were boated = werden ingenomen; Let ns ship (unship) Hie oars = de riemen inleggen (uitleggen): They rested (lay) on their âs = zij rustten op* de horizontaal liggende, uithet water geheven riemen, (fig.) zij rustten van den arbeid op hunne lauweren: He shoved (put) in au â = hij sprak een woordje mee, stak er zijn neus in;
â verb, roeien; âed = met riemen (in samenst.): âsman roeier; ây = met riemen, riemvormig.
Oasis, oueisis (Meerv. Oases, oueisiz), oase. Oast, oust, eest voor hop.
Oat, out, haver: He has sown his wild âs = hij heeft zijne wilde haren verloren, is uitgeraasd; âcake = haverkoek; âen = van haver; âmeal â havermeel; âmalt = havermout.
Oath, outh, eed, vloek: By (upon an) â =
man: «sk = ask; farm = fam; but = but; learn = Km: line = lain; hoi^se â haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; hoy = bói;
O, on: 0(hio)[ Ob(iit) = hij (of zij) is gestorven; Ohalt;f{iah): ObJ(ective): Ãhsiolete): Oct(olgt;er)', O(dd) F(ellows); 0( Id) Il(igh) Germany, 0(n) H(er) M{ajestifs) S(ervice) = ,.Dienst-zakenquot;,âDienstquot;; O(W) T(estament)', Or(egon); Op(posite); O(pposite) FiroHipter) = de zijde van het tooneel tegenover den souffleur; Opt(ative) of Ojrt ics): Orig(inal); Onrifh-(oloyy): O(ld)St(yle): Oxf(ord);Oxon(iensis) = van de hoogeschool te Oxford; Oz = Ounce.
O, o?/ (Meervoud t)es, ouz), subst. iets dat op eene O gelijkt, nul: interj. Uitroep in aan-spaak of aanroep: O Mercy, Oflspring of the Eternal Spirit.
Oaf, ouf, onnoozelesukkel,uilskuiken; âish = dom, sullig, onnoozel.
Oak, ouk, eik, eikenhout, studentenkamer (kast): Little strokes fell great âs = de aanhoudende druppel holt den steen uit; He dined at his rooms, and sported his â
= hij ... en bleef daar, voor niemand thuis r An â is not felled with one blow = een
boom valt niet op den eersten slag; âapple, âgall = galnoot; âbark eikenbast; â leather = zwammen op oude eiken; âen = eikenhouten; âling =⢠eikenboompje.
Oakum, ouk'm, werk (om naden in schepen te
OBSERVE.
311
OBADIAH.
|
onder eede; â of olliee = ambtseed; lie «ook his â on entering upon liisolïire = hij deed zijn eed, toen hij zijn ambt aanvaardde; The man ndininiHterêd the â to iih all = deed ons allen zweren; I have sworn an â = ik heb een eed gedaan; I put the fellow on his â = ik eischte een eed van den vent; â of ahjiiration = afzweringseed (waarbij de Stuarts na 1688 van den troon werden uitgesloten); â of allegiance = eed van trouw; âbreaking = meineed. Obüdiah, oabedaia, Obadja: Kwaker. Obdnraey, obdjurdsi,verstoktheid; Obdurate, obdjurit, verstokt, berouwloos; ObdurateneMs. Obeah. oubi9, Obi, oitbi, toovenarij onder de inboorlingen van W.-Indië. Odedience, oubtdj'ns, gehoorzaamheid: Pas-Mi ve â = onvoorwaardelijke gehoorzaamheid; Obedient = gehoorzaam: I am. obediently yours = hoogachtend, Uw dv. Dr.: Obediential, oubidjenè'l, naar de regelen der gehoorzaamheid. Obeisiinee, oubetëns, gehoorzaamheid, diepe liuiging. iMielisk, obdlisk, obelisk, teeken(f); Obeliscal = gelijk eene obelisk; Obelize = met een kruisje (= Obelus, obolos) merken. Oberon, oubdr'n, Oberon, koning der feeënwereld. Obese. OM6fs,dik, vet, vleezig; âness,Ohesity, oubSsiti, groote zwaarlijvigheid, ziekelijke vet-uphooping. Obey, oubei, (onderdanig) gehoorzamen: âer. ObfiVscate. obfnskeit, verduisteren, verwarren; âd = zwaar in het hoofd, katterig; Obfus-cation. Obit, obit, dood, sterfdag, zielmis, lijkdienst; Post â â na den dood: Obitual = tot een obit of obits behoorende: âuary, obitjuari, subst. doodenlijst (met beschrijving der overledenen, enz.); adj. op een sterfgeval betrekkelijk. Obiter, obitd, in het voorbijgaan, toevallig: â dieta = in het voorbijgaan gemaakte opmerkingen. Object, obdidkU doel, plan, vooorwerp: Money is no â = geld is bijzaak, geen vereischte; âglass = dé lens of lenzen aan het eind van microscoop of telescoop, het kortst bij het waargenomen voorwerp: â of conversation = onderwerp v. gesprek (persoon: eene zaak is het Subject of â¬.); âlesson = illlustra-tie, duidelijke les: An âlesson in l^n^lish history; âteaching = aanschouwingsonder-wijs: âless = zonder doel of plan. Object, dbdzekt, tegenwerpen, bezwaar maken: I â to your going there = ik heb ertegen dat gij daarheen gaat; â ify = objectief beschouwen; âion = tegenwerping, bezwaar; âionable = laakbaar, betwistbaar: âive, subst. operatiedoel (ook: -ive-point); adj. objectief, wat buiten het subject is gelegen; âive-case = voorwerp, vierde naamval; âiveness = objectiviteit; âor = tegen wer-pinsrenmaker. Objurgate, obdzngeit, berispen, verwijten; Objurgation = verwijt, berisping; Objurgatory, obdzvgdtdri. verwijtend, berispend. Oblate, obleits afgeplat aan de polen: âness. Oblation, obleiè'n, offerande, offer. |
Obligate, obligeit, verbinden, verplichten; Obligation = verplichting, verbintenis, obligate; Obligatory, obligoteri, (verbindend. Oblige, oblaidz. Verplichten, een dienst of genoegen doen, eene gunst bewijzen, vriendelijk zijn: Will you â ine so far? = wilt ge mij dat plezier doen; Miss Jane will â = Mej. Jaanlje zal het gezelschap het genoegen doen, iets te zingen, spelen, etc.; An iininediate reply will â = er wordt om spoedig antwoord verzocht; Obligee, oblidzi, obligatiehouder. schuldeischer: Obliger: Obliging, ,9Mrtidfz^,beIeefd,voorkómend; Obligor,oMlt;V/ö, schuldenaar. OblM|ue. dblik, scheef, schuin, slinksch, afwijkend; âangle = scheeve (stompe of scherpe) hoek; â case = verbogen naamval; â plane = hellend vlak; â dealings = indirecte of slinksche manier van doen; ânews = Obli-quity (dblikwiti) = scheeve richting, afwijking, onregelmatigheid, verkeerdheid = Obliquation. Obliterate, oblitdreiU uitwisschen, doorhalen, doen verdwijnen, uitslijten; Obliteration. Oblivion, dblivfn, vergetelheid: Act of â = algemeene amnestie; Oblivious(ness) = vergetend, het vergeten: Oblivious (of a thing). Oblong, obloii, subst. en adj. langwerpig(e figuur). Obloquy, obldkwi, verwijt, berisping, laster, schande. Obnoxious, onderhevig, aanstootelijk, hatelijk, afkeurenswaardig: lie is â to ine = ik mag hem niet zien: âness. Oboe, oubói, oho (muziekinstrum.). Obovate. obonveit, met het dunne eind naar beneden (als een omgekeerd ei). Obreption, obrepè'n, verschalking (door nader te sluipen); Obreptitiously, obreptièdsli, ter sluiks of op schalksche wijze gedaan of verkregen. trBrien, oubraten. Obscene, dbsin, vuil, onkuisch, vies, zedeloos; âness of Obscenity, dbseniti, vuile woorden of daden, ontucht, onkuischheid. Obscurant(ist), obskjiïr'nt(ist), duisterling, domper; Obscurantism = domperzucht. Obscure, dbskjüd, adj. duister, somber, dreigend, norsch, onbekend, nederig, onduidelijk; â verb, verduisteren, bewolken, verbergen, verlagen; lie lives very âly = hij leeft afgescheiden van de ma'atschappij. eenzaam, de wereld kent hem niet; Obscuration = ver-duistering, het donker maken = âment; âness of Obscurity = duisternis, donkerheid, onduidelijkheid, onleesbaarheid: These persons are obscurities = dit zijn totaal onbekende persoonlijkheden; âr. Obsecrate, obsikreit, smeeken, bidden; Obsecration = smeeking. Obsequies, obsikwiz, lijkstaatsie. Obsequious, dbstkwios, slaafs onderworpen en onderdanig; âness. Observe, obzfiv, waarnemen, gadeslaan, opmerken, plechtig vieren, vermelden, letten op, waarnemingen doen: They âd the suifs altitude = zij waren bezig de zon te schieten; Observable = waarneembaar, opmerkenswaardig : Observance = waarneming, viering, opvolging (van een bevel of voorschrift), plechtigheid; Observant = oplettend, gehoor- |
bone = boun; full; fool = fill; e = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: gear = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dln:s: wine.
OCTOGENARIAN.
OBSERVATION.
312
|
zaam: lie wan observant ut* hi» inotlier^ HlighteMt wiHlieH = hij lette op de kleinste wenschen zijner moeder; Observation, ob-zoveiamp;n^ waarneming, nakoming of opvolging (van bevel of voorschrift); Observatory, db-zvvdldri, sterrenwacht; âr. ObHession, abseè'n, het bezeten zijn (door een boozen geest). Obsidional, dbsi(JJ,)ril, belegerings..; â rrovvn = kroon van gras, door de Romeinen gegeven aan iemand dieeene vesting behield of ontzette. Obsignate, dbsigneit, bezegelen, bekrachtigen: Obsignation. Obsolesrenco. obs,i:es'ns, veroudering; Obsolescent = verouderend, in onbruik gerakend; Obsolete, obsdht, verouderd: Obsoleteness. Obstacle, obstsk'l. hindernis, beletsel. Obsletrirs, obstetriks, verloskunde: Obstetrical) = verloskundig; Obstetrician, ob-stdtrió'n, verloskundige, vroedvrouw. Obstinacy, obstindsï, koppigheid, hardnekkigheid: Obstinatctness). obstiniUnos). hardnekkig- of stijfhoofdigheid. Obstipation, obstipeis n, verstopping. Obstreperous, luidruchtig, woelig, rumoerig; âness. tlbstruct, obstrokt, versperren, verstoppen, be-lemmeien, verhinderen: âer; âion = belemmering, beletsel, misbruik der parlementaire rechten ten einde eene niet in den smaak vallende wet, etiz. door lange discussies tegen te houden of af temaken; âionist = iemand, die den voortgang belemmert; â ive, subst. en adj. belemmerend (persoon of iets). Obtain, dbtein. verkrijgen, verschalfen, houden, heerschen, algemeen in gebruik zijn, behelzen: This custom âs in some of our cities = heerscht; In coinplexion, as the coninion reports â, she surpassed the lily and rose = naar luid van de algemeene berichten overtrof hare tint die van lelie en roos; âable = verkrijgbaar; âer; âinent = verkrijging. Obtected, obtektid, beschermd, beschut. Obtest, dbtest, smeeken, bidden, protesteeren: âation. Obtrude, dbtrüd, (zich) opdringen, indringen: He âd hiiuseir upon the company = hij drong zich op aan het gezelschap: â r; Obtrusion, nbtrüi'n, opdringing; Obtrusive, dbtrüsiv, opdringend. Obtund, dbtnnd, stomp maken, verdooven: âent = verdoovend, kalmeerend middel. Obtusangnlar, obtjnsar^gjuld. stomphoekig; Obtuse, obtjiis. stomp, dom; tMgt;tiise-:iiigled; Obtuseness; Obtusion, obtjüz'n, verstomping. dof- of sufheid. Obverse, ob-tis, subst. vóórzijde (van munt of medaille); adj. de zijde der medaille of munt, waarop de kop staat; Obvert, toekeeren. Obviate, obvieit, voorkomen, uit den weg ruimen, ter zijde zetten: The diriiculty was âd = weggenomen: Obviation. Obvious, obvids, duidelijk, klaarblijkelijk, in 't oog springend: âness. O'Callaghan, oukaldtïn. Occasion, okeifn, subst. aanleiding, reden, behoefte, gelegenheid, toestand: On that â = bij die gelegenheid; By, upon â = bij gelegenheid; On â = van tijd tot tijd, desnoods; lie lias no â to be told such a thing = zoo iets behoeft men hem niet te zeggen; 1 had â to look the passage up |
= het was noodig, dat ik de plaats even opsloeg; He improved the â = hij maakte alle gebruik van de gelegenheid; He rode the â to death = hij maakte misbruik van de (hem gegevenquot;) gelegenheid; He rose to the â == hij toonde al zijne kracht; He took (the) â by the lorelock = hij greep de gelegenheid* aan; There is no â lor it = het is niet noodig: â verb, veroorzaken, aanleidinggeven, overhalen of brengen tot, invloed-oefenen op; âal = toevallig, als de gelegenheid zich voordoet; I see liim âally = zoo nu en dan ontmoet ik hem wel eens; âer. Occasive, okeisiu, dalend, ondergaand. Occident, oksid'nt, Westen; âal, oksidenfl. westersch, westelijk; van mindere voortreffelijkheid (van edelgesteenten). Occiput, oksipdt, achterhoofd; Occipital,d/rsi-pit'l. tot het achterhoofd behoorende. OccltiHion, oklüz n, afsluiting, opsluiting. Occult, oknlt, verborgen, geheim: âation = tijdelijke verdwijning, tijdelijke verduistering van een hemellichaam door tusschenkomst van een ander; âed = voor't oog verborgen: âism = theosophie; âness. Occupancy, okjiip-.insi, bezitneming of -houding; Occup.xnt, Occupier (okjupuw), bezitnemer, bezitter; Occupation, okjiïpeièJnr bezetting, bezigheid, beroep, ambacht: By occupation = van beroep; Occupy, okjdpiii bezetten, bezitten, innemen, vullen, bezighouden aanstellen, gebruiken. Occur, o/cw, voorkomen, gebeuren, aantreffen opkomen: It âs to me that more might have been done â het wil mij voorkomen; It didn't â to me until it was too late = het kwam eerst bij mij op toen het te laat was; Occurrence, afcör'ws, voorkomende gebeurtenis; Occurrent, okur'nt, vóórkomend, gebeurend. Ocean, ouè'n. Oceaan, oneindige uitgebreidheid of hoeveelheid; â ic, ouèianik, van den oceaan: âides. ousianidiz, oceaannimfen; âus,ousi-dn.fs, Grieksche God; âa, onsidno of ousian,i7 de koloniën van Engeland. Ocellate(d), ouseleitdd), oogvormig. Ochlocracy, oklokrdsi, bestuur door het gepeupel; Ochlocratie, okldkratik. Och re, oukd, oker, âduitenquot; (geld);Ochrace*3Us, oukreiéds, okerkleurig; -ons, ounrids. okerachtig. oker bevattend = Ochrey, oukri. O'clock, ouklok: Five â = vijf uur; He knows what's â = hij weet hoe laat het is, hij weet bescheid, is op de hoogte. Octaclioi'd, oktdköd, achtsnarig instrument. Octiigon, oktdgdn, achthoek; Octagonal ~ achtzijdig. Octahedral, oktdhtdr'l, met acht gelijke zijden. Octangular, oktangjuld, achthoekig. Octant, okfnt, octant, achtste deel van eet» Octave, okteiv, achtste, octaaf. [cirkel. Octavo, okteivou, octavo (8 bladen of 16 bladz.). Octennial, oktenfl, achtjarig. October, oktoubd, October, goed bier. Octodecimo, oktoudesimou, 18» (18 bladen of 30 bladz. in een vel). Octogenarian oktoudidnêrfn, subst. en aij. 80-jarig(e). |
man; ask = ask; farm = fiim; b/lt;t = but; learn = l«n; line = lain; howse â¢= haus; net; care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiu = 16; lord = löd; bog = bói;
OFF-SEASON.
OCTOPOD.
313
|
Ortopud, oktapod, subst. en adj achtpootig (insect). OctopiiH, oktapos, polyp met 8 armen. OrtoHpei'inoiiM, oktdspumas, achtzadig. OrtoHyHalgt;l(% oktesildbl, woord van acht lettergrepen; Octosyllabic = aclitlettergrepig. Oetiiple, oktjup'l, achtvoudig. Oriiliir, okjub, tot het oog behoorend, oog..., duidelijk: â witneHS = ooggetuige; Ociilate, okjiUit, met oogen; Oculironii, okjuliföm, oogvormig: OcuÃMt, okjalint, oogarts. OdiiliMk, Odalisqui', oudalisk, slavin (in het serail). Odd, orf, oneven, overblijvend (na verdeeling) in paren), waaraan de (het) tweede ontbreekt, onbepiald, vreemd, raar, onwaarschijnlijk: lie fried to inatcli â glove» = ongelijke handschoenen tot een paar te maken; The âtrick (bij het whistspel) = trek boven zes; 1 liave an â volume of Cliauiber»^ Cyclopaedia = ik heb een enkel deel van 'het geheele werk; Au â lot = een rommeltje, zootje; Fifty â Kiiiider» = zoowat vijftig gulden; â or even = even ot' oneven; lie i« trying to iiud work nu â man or ocraMioual = als losse werkman: ââ¢mail = oude vrijer: â» = ongelijkheid, verschil, meerderheid, overmacht, voordeel, kans, waarschijnlijkheid: They are at â« = zij zijn het niet eens, hebben standjes: I take the â« = ik neem de ongelijke weddenschap aan; The âm «re that he will come = er bestaat kans; It ïm within the â» = er is kans op; She drew-«ed herdelf up i:i all sart» of âh and ends = kleedde zich met allerlei lappen en kwikjes; They were «et at âm, they feil at âh = zij werden tegen elkaar opges'tookt. kregen ruzie; All the â« and ends of my time = al mijn overschietende tijd; I have the â» of you = ik ben je de baas; Tliey laid long âw = zij wedd'en 7 tegen 1, 11 tegen 2; They had all the â» of niiniber and time on their «ide = alle voordeel van getal en tijd was aan hunnen kant; What ia the â» = wat is het onderscheid, wat zou het? âconceited = grillig, fantastisch; âlooking = zonderling uitziend; âFellow» = genootschap (in Engeland) tot aankweeking van onderlinge vriendschap en het verschalfen van onderlinge hulp; âity = zonderlingheid, grappigheid; âneHs: âinent« = overblijfselen, brokken. Ode, oud. ode. Odean, oudidn, Odeon, concertzaal, schouwburgzaal. OdioiiN, ondjds, hatelijk, tegenstaand, leelijk, gehaat; âiichm. Odium, oud'fm, haat. Odometer, odorrwtd, afstandsmeter (aan een rijtuig). trUonoghue, oudomygjxx. t^dontalgy, ot/'ni«Wrlt;,tandpijn; Odontology. od'niolddzi, tandkunde. Odoriferous, ouddrifordslt; geurig; ânesMï Odorous, oudords, geurig; OdoroiiHiieMH: Odour, oudd, geur, reuk, goede naam: In had â = te slechter naam bekend; Odour-len». Odyssey, odisi, groot epos van Homerus. O'er. Zie Over. OeMophagiiH, isofagds, slokdarm. |
Of. oi», van, voortkomende uit: He went â himself = uit zichzelf; Be â good cheer = wees vroolijk en hoopvol; lie i» â age = meerderjarig: Ten year» â «ge = tien jaar oud; I never .saw the like â you before = zoo iemand als gij zijt heb ik niijn leven niet gezien; In dagt;w â yore = in vervlogen dagen: I like it â all* thing» = ik mag het dolgraag; ChristuiaH is « time, â all other», when want i» keenly felt = Kerstmis is bovenal het seizoen, dat de nood nijpt; lie wa». â all men, the iiio»t miserable; He went there â a Sunday = op een Zondag; 1 have »een miicli â'you â late = ik heb u in den laatsten tijd*veel ontmoet; lie worked at thi» paper within a fortnight â hi» death = veertien dagen voor zijn dood schreef hij nog aan dit artikel: Blind â au eye = blind aan 't ééne oog; Beware âthe dog = hoed u voor; All â « heap = alles te zamen, op één hoop. Off, o/quot;, adj., adv. en prop. weg, vandaan, ver,, rechtsch: fhe â horce = het vanderhandsche paard; We ?ll put it â = uitstellen; I am â, gent lemen = Heeren, ik ga weg; He came â with a slight wound = hij ontkwam met eerie lichte wond; When will the concert come â ? = plaatshebben; He went â at ten = ging heen om tien uur; Vou-have taken â hi» feature» admirably = zijne trekken merkwaardig goed uitgedrukt: He ha» a talent for taking â a person-» peciiliaritic» = hij heeft den slag, iemands eigenaardigheden na te bootsen; He took hini»elf â = hij ging er vandoor; I fear (hope) he i» badly (well) â = ik vrees (hoop)^ dat hij het slecht (goed) heeft; The door is â the latch = de deur is niet dicht; 1 am â duty to-day = ik heb geen dienst: He is â hi» head = krankzinnig (van angst,, etc.); He was â his legs in less than no time = hij lag in minder dan geen tijd op den grond; My ball went in â the red = mijn bal verliep op den rooden (bilj.); We dined â a Joint = sneden ons vleesch van het stuk af; We saw a »hip â Dover = op de hoogte van; I» it a long way â ? = is het ver; â with you = maak datje wegkomt; We have a day â, an âday tomorrow = een vrijen *dag; lief us not go to l*arlianient, it is an ânight = er is niets aan de hand; He would not let me â sixpence = hij wou het geen schelling minder geven; He visit» us â and on = nu en dan, ongeregeld: âchance = kans, uitzicht; 1 do not like hi» âhand iiianner = korte, hooghartige manier; An âhand »hot = een schot uit de vrije hand; 1 killed the animal â hand = ik doodde het dier op slag; He recited the poem â hand = voor de vuist weg; â verb, er vandoor gaan:: He âed it before the danger came = hij âsneed er uitquot;; âlicence = âvergunningquot;., mits de drank niet in het lokaal gedronken wordt; âreckoning = op het traktement (van militairen) gekort geld; The diamond» were » little yellow, âcoloured «» they stty at Kimberley: We painted if â white = wit met eene gelige tint; liondon in the âseason = als het âseasonquot; niet in gang is |
bone = boun; full; fool = fill; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = Jia; longr = loi^; s/tip = sip: occasion = okeiab'n: thin: thvxs = dhus; wine.
OLIGARCH.
314
OFFAL.
|
lt;Zie Season); We Journeyed for several hours without âsadilling = reisden uren â¢lang voort zonder uit den zadel te komen; âscoiiring = afschraapsel, afval; âscnm = schuim of uitvaagsel, droesem; âset = uitlooper (van bergen), vergoeding, spruit (uit â¢den wortel); âshoot = tak (uit den stam); âspring = kroost, kinderen, spruit, voortbrengsel: âtime = vrije tijd; âward = van de kust afhoudend; âins := op611 zee: There came signals iVoni the âin^ = er kwamen seinen uit zee; In the âinp; = in volle zee; \Ve gained (tvok) the â ing; = wij kwamen in (kozen) volle zee; The steamer stood to the âing â hield zeewaarts aan. Offal, ofoL afval, oneetbare deelen v. een dier. 4lfrenâ¬e, ofens, beleediging, overtreding, mis- : daad, ergernis: Yon gave â last night = gij gaaft aanstoot, waart beleedigend; lie takes â without my giving â = hij is al boos zonder dat ik Hem aanstoot of ergernis geef; ! Offend, ofend, beleedigen, aanstoot geven, j overtreden, schenden, zondigen: He luis ol-l'ended against the laws oi* the eountry = heeft de wetten geschonden: He was offended at it = hij was er over geraakt; 1 Offender; Offensive, ofensiv, aanvallend, beleedigend, vertoornend, onaangenaam, walge- : lijk: An offensive smell = walgelijke lucht; i lie stood on the offensive = ging aanval- . lend te werk: Offensiveness. Offer, o/a, subst. aanbod, voorstel,bod,poging: He made no â to break prison = hij deed geene poging om uit te breken; â verb, aan- I bieden, offeren, opofferen, bieden, bereid zijn, trachten: They âed violence = zij vielen aan; Til â to' do it il'you go me halves = ik ben bereid het te doen als gij half meebetaalt; He did not â to run away from lis = trachtte niet; He never âed to pay = maakte volstrekt geene aanstalten, mine;l Many of the prisoners were âed np by the savages = als offers gedood door de wilden; âer; âing = offer(ande); â tory, ofatdri) gedeelte van den kerkdienst in Room- j sche en Anglikaansche Kerk. Oflire, ofis. subst. ambt, dienst, bezigheid, plicht, eeredienst, kantoor: The ministers in â (tegenover out of â) = de thans aan de regeerins: zijnde ministers; Holy â = ' Inquisitie: The Colonial â = het Ministerie van Koloniën; lie gave me the â about it = lichtte mij in (met oneerlijke bedoelingen): | The Home â = Min. van BInnenl. Zaken; â verb, den dienst verrichten; âbearer = bekleeder of bedienaar van een ambt; âs = bijgebouwen; âr, subst. dienaar, ambtenaar, beambte; The â rs of the court = griffier en klerken; Cnstom-house ârs = ambtenaren -der douane: A eommissioned âr = officier bij het leger aangesteld: Superior âr = vlagofficier: â verb, van officieren voorzien: The army was well âred = werd goed .aangevoerd; Offfcial. ofiè'l, subst. ambtenaar; adj. ambtelijk, officieel, ambts . . .: OMicial duties = ambtsbezigheden; The officials = beambten, officiëele berichten; Officialdom = de ambtenaarswereld, bureaucratie; Ofll-ciate, ofiëeit, een ambt bekleeden, de godsdienstoefening leiden; Officinal (ofisairil) plants = geneeskrachtige planten; Oflicious, ofiöds, gedienstig, vriendelijk, overgedienstig, bemoeiziek; Officiousness. |
Oft, oft, dikwijls: Many a time and â = herhaaldelijk; âen, ó/^n (öfri), dikwijls; âeiiness = herhaaldelijkheid; âtimes, -en-times = dikwijls. Ogee, oudzi, Ogive, oudzaiv, lijstwerk in den vorm eener Si gepunte kruisboog, spitsboog. Ogilvie, oitgilvi. «gle, otiy'l, subst. wenk, lonk; âverb, toelonken; âr. Ogre, ougf), weerwolf, boeman: Oj;reish,oi#7Ws, boemanachtig; Ogress, oitgrds. Oh, om. Och! Ach! Ohio, onhaiou. Oil, óil, subst. olie: They have struck â with their llrnt novel* = succes gehad; That is like throwing â into the fire, upon the waves â dat is olie in het vuur (= den twist verergeren), olie op de golven (= de rust of kalmte doen wederkeeren); âbag = vetklier; âcake = lijnkoek, raapkoek; âcloth = wasdoek; âcolour = olieverf (dikwijls âcolours of âs: A good portrait iii âs = een goed portretin olieverf; lie is in the â and colour line = hij doet in oliën en verfwaren); âman = oliehandelaar; âpainting = het schilderen of eene schilderij in olieverf; âsilk, âskin = gewaste taf; âstone = oliesteen; âwell = olie- of petroleumbron; â verb, oliën, met olie insmeren; âer; ây = als olie, bedrie-gelijk; âiness. Oillèt(te). öilet, kijkgat (in de muren der mid-deleeuwsche kasteelen). Ointment, óintrrïnt, zalf. O.k., oukei, in orde, klaar, flink: He is O K, and you had better give him no sauce = een flinke vent (verkorting van OI Krekt, verbasterd uit all correct), en je moet maar niet brutaal tegen hem wezen. Old, ould, oud, versleten, van zekeren duur, vroeger, gewoon, glad, slim: Am in days oi â = als in vroeger dagen; We havé had a gay â time of it = ouderwets plezier gehad'; â age = oude dag, hooge leeftijd; âbachelor = oude vrijer; âclotliesman = âoudskleerquot;; â gentleman, â gooseberry = de duivel; âmaid = oude vrijster; â Tom = sterke soort van E. gin: lie is an â hand = slimme vos of rot; Hisâworld ideas = zijne ouderwetsche denkbeelden: âen, adj. voormalig; In âen days = in vroeger dagen; â verb, verouderen, oud maken; âish = oudachtig; âness; âster = oudere (onder matrozen, etc.). Oldham, ouhVm. Oleaginous, ouliadzinds, olieachtig, vettig. Oleander, ouliandd, oleander, laurierroos. Oiefiiint, ouItfiont, olievormend. Oleiferous, onliiferds, olie voortbrengend. Oleograph, oulidgraf, oleographie. Oleomargarine, oulioumügarin, kunstboter. Oleraceous, nuldreisos, eetbaar (van planten). Olfactory, olfaktdri, tot den reuk behoorende: â nerves = reukzenuwen; Olfactories = reukorganen. Oligarch, oligiik, lid van eene oligarchie (= |
man; ask = ask; farm = fam; bat = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net: care = k£d; fate = feit; tin; asleep = «slip; not; lata = Id; lord = löd; boy = bói;
ONTOLOGY.
315
OLIO.
|
Oligarchy); Olig;nrcliic(»1), oliglikik{Jl), oligarchisch. Olio, oi//iou, mengelmoes. OlivaceoiiN, oliveiéds. olijfkleurig; Olivary, oliv'ri, olijfachtig; Olive, oliv, subst. olijf: adj. van of als de olijf: Olive-hrancli = olijftak, zinnebeeld des vredes; Olive-oil = olijfolie; Olive-yard = Olijfberg (waar olijfboomen gekweekt worden). Oliver, olivd', Olivia, olivjd. Olivet, olivdt, soort van valsche parel, kraal. Olla(-|M)flrida), ol9{pddrtda), Spaansche schotel (fijn gehakt vleesch in groenten gestoofd): allerdwaast mengsel van ongelijke dingen. Olympiafl, dlimpiod. Olympiade (vier jaren): Olympian, Olympic = olympisch; Olympic* games = O. spelen = Olympiër. Omasum, omeis'm, derde maag v. herkauwers. Omhre, ombd of oumbd. omberspel. Ombrometer, ombromste, regenmeter, thnega. owmegd, laatste letter, einde. Omelet(te), omdlet, eierstruif. thneii. own'n, subst. voorteeken: â verb, vóór-beteekenen : Ominous, ominas, onheilspellend. Omeiitum, oiimenfm, darmnet; Omental = | tot het darmnet behoorende. Omission, onmië'n, weglating, verzuim: This is a fault of â rather than of eomniission = de fout bestaat meer in de weglating dan in eene bepaalde onjuistheid; Omissive = verzuimend, weglatend; Omit,nalaten, verzuimen: I shall never again omit congratulating; you = nooit weer nalaten u j geluk tewenschen; Omitter. Omnibus, omnibds. omnibus; âbill = rekening van allerlei artikelen (Am.): âbax = groote of algemeene loge, gelijkvloers met het tooneel (tegenover private-box = eigen ⢠loge). Oiniiirormity, omnifömiti, alvormigheid. Omnigenous, omnidzdnds, alle soorten bevattend. Omniparity, omnipariti, algemeene gelijkheid. Onmiparoiis, omnipords, alles voortbrengend. Omniperripienee. omnipasipj'ns, onbegrensde waarneming. OmniperHpieiit. Oinnipotenee, omnipdt'ns, almacht; Omnipotent = almachtig. Omnipresenee, omniprez'ns, alomtegenwoordigheid: Omnipresent. Oniniseienee,omnlt;5ans,alwetendheid: Omni-seient. Omninm-gatlieriim. omnidmgadhor'm. alle- j gaart je. Omnivorous, omnivords, alverslindend. Omoplate, oumdpleit, schouderblad, t^mphaloeele, omfalesil, navelbreuk. On, on, op, van. naar, tot, te: â purpose = expresselijk, met voordacht; â the contrary = integendeel; â a sudden (All of a sudden) = plotseling; â this side = aan dezen kant: He went â his way = ging zijns weegs; â foot, horseback = te voet. te paard; â high = omhoog; â account of = wegens: â an average = gemiddeld; â condition = onder voorwaarde; â lire = in brand; â pain of death = op straffe des doods: |
â Necond thoughts = bij nader inzien: â the one hand, the other hand = eenerzijds, anderzijds; He was â the alert = op zijne hoede; â the quiet. â the sly = in stilte, in 't geheim: We left cards'â them = hebben onze kaartjes bij hen afgegeven; Swallows â the wing = vliegende zwaluwen: When a man is â he must be put to bed = dronken, aangeschoten: The case was â = de (rechts)zaak was ..vóórquot;: And so â = enzoovoort; The policemairs: âMove â, pleasequot;, is enough to niiiintaiii order = âdüurloopen asjeblief'; âcomer = naderend persoon: â-going = voortgang: âlooker = toeschouwer: â ward(sgt; = vourwaarts(ch). Onager, ondgo, wilde ezel (Aziat. woestijnen). Onanism, ounonizm, zelfbevlekking. Once, wnns, eenmaal, eens, vroeger: Do it at = dadelijk; He was at â my friend and colleague = tegelijk; â again = nog eenmaal; â and again = nu en dan (zelden): â for all = eens en voor al; For this â = voor dezen enkelen keer; For â (in a way) = wel eens enkel; â more â nogmaals; â a freemason, always a freemason = eens macon altijd macon:*â in a while = nuen dan (telkens); â in a blue moon = een heel enkelen keer. One, wvn, subst. zeker iemand, éénheid: adj. een, enkel, ongedeeld, men, zekere: â Williams = een zekere W.; It 's all â to me = 'tis mij hetzelfde: (Miodday, my little â = dag, kleine; The great âs of tliis world = de grooten. voornamen; One in a hundred = uit de 100; They are at â again = zij zijn weer verzoend, het weer eens: 1 met him â day = op zekeren dag: â more = nog een: 1. lor â = ik voor mij; He is the â person who hates it = juist de man; â way and another, the property amounted to £ 2000 = alles te zamen bedroegen de bezittingen; We shall have to place this on â side = ter zijde moeten zetten, links moeten laten liggen; That is a âhorse affair = dat is een onbeteekenend zaakje, armoedig spulletje: The duck and heryouiig â» = eend en hare jongen; 1 was within â of missing the scene = bet was er âan toequot;, of ik had het tooneel gemist, niet gezien; Your âsided views = eenzijdige, partijdige, bekrompen beschouwingen; Hisâsidedness makes him a bitter partisan = door zijne eenzijdigheid is hij een bitter partijman: âness = éénheid, ongedeeldheid. O'Keary, ouniri. Oneirocritic, onairdkritik, droomuitlegger. Oneiromancy, onairomnnsi, het voorspellen of gissen door of uit droomen. Onerary, ondrori. lastdragend. Onerous, ondres, zwaar, drukkend. Onion, ntifn, ui. Only, otnili. alleen, éénig, enkel, behalve; Ou'liness = het alleen of éénig zijn. Oiiomancy, onemansi, waarzegging uit letters van een naam. Onomatopoeia, onnmofópijo, klanknabootsend woord, klanknabootsing door woorden; Ono-inatopoetic,onomdfó;xme^,klanknabootsend. Oiiset(ting), onsaï(i^), aanval, strijd. Onslaught, onslót, woedende aanval. Ontario, ontêriou. Ontology, ontolddzi, leer van het zijn, meta-physica. |
bone = boun; full; fool = fill; 0 = toonlooze vokaal (zie asleep en bare); girl: year = Jia; long = loi^; s//ip = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dlrns; wine.
OPTICIAN.
ONUS.
316
|
Onu», ounds, last, verplichting: â probaiicli, = bewijslast. Onyx, oniks, soort van agaat. Oof, w/i gö'd, âduitenquot; of ^moppenquot;. Ooze, j/r, subst. zachte modder, slijk; â verb. (uit)sijpelen, zacht vloeien, (uit)lekken; Oozy. Opacity, opas/fi, duisterheid; Opaque, o up eik, ondoorschijnend, zwart, donker. Opal, oiij/l, opaal; âesce, opdles, kleuren spelen of verspreiden (als een opaa/); â escence = schittering van kleuren; Au âesccnt liimp = lamp met allerlei schitterende kleuren: âine, oupolin, opaalachtig; âize = als opaal maken. Open, ottpdn, subst. open lucht: 1 .slept in the â = onder den blooten hemel; adj. open, verspreid, bekend, duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, vrij, zacht: â lt;|iieMtioiiN = onbesliste vraagstukken; lie â to entrealie» = toegankelijk voor verzoeken en smeekingen; â verb, openen, verspreiden, bevrijden, beginnen, aanslaan of blaffen (van jachthonden) op het zien of ruiken van wild: Tliewtreetâ» out of liegent Cïmiw = gaat uit van K. C.; The besiegerw âeel tlieir lire (iip)on the town = openden het vuur tegen de stad; lie âed the hall = hij begon, was voorop; âeyed = waakzaam ; âhanded = openhartig, oprecht: âinonthed = met open-gesperden mond, vraatzuchtig, schreeuwerig; âwork = opengewerkt iets; âer; â ins; = breuk, opening, begin, kans, voordeel: Men become Tories or Wiiigs, partly by principle, partly a» âingH come = deels uit principe, deelê al naarmate de voordeelen of kansen, die zich aanbieden; âly = openlijk; âiie»H = hel open zijn, openhartigheid, mildheid. Opera, o/wa, opera; âbonfle = opera comique; âcloak = sortie; ââ¢dancer = balletdanser; âglahH = toonee.kijker; âliat = klak (= hoed met eene veer); âhoiiHe = opera(gebouw),⢠Operatic = tot eene opera behoorende; Operetta = operette. Operate, opereU, handelen, teweegbrengen, uitwerken, opereeren; Operation = werking, uitwerking, handeling, operatie, reeks v. militaire bewegingen(mv.): Operative,op^rat/v, subst. (bekwaam) werkman, handwerker; adji werkdadig. krachtig, werkend, praktisch: Operator, opdreitD, werker, operateur. Opercnliim, opvkjuVin, deksel, blad (van de kieuwen). Operose, oparous, vermoeiend,zwaar: âness. Opetide, onptnid, eerste lentetijd. Ophelia, dfiljo. Ophicleidc, ofiklaid, groote hoorn (met tien kleppen). Ophidinni,o/:iry/,»i. genus aalvormigevisschen. Ophiology, ofiolêdzi, natuurlijke geschiedenis der slangen. Ophiomaiicy, ofidniansi, waarzeggerij uit de bewegingen.' enz. van slangen. OphioniorphoiiH, ofiomofos, vnn slangenvorm. OphiteH, ofails, slangenvereerders. Ophthalinia, /5, oogontsteking = Oph- i\\H\\\\\{\t*,ofthi)lmailis: Ophthalmic,Ophthal-mology = oogheelkunde: OphlhalinoHCope, ofthalowskoup, oogspiegel; Ophthalmoscopy = onderzoek van oog of oogen. |
Opiate, oupiit, subst. en adj. slaapwekkend» pijnstillend, gevoelloos makend (middel); â verb, (oupieit) in slaap maken, met opium vermengen: I have âd lite liquor = opium door zijn drank gedaan. Opine, opain, denken, onderstellen; Opinable = denkbaar: Opining = meening, begrip; Opinion, apinj n, meening, oordeel, gevoelen: In my opinion = naar mijne meening; 1 have no opinion of it = ik heb er geen hoogen dunk van; Opinionated, dpinjdneitid, stokstijf bij zijne meening volhardend: Opi-nionative, eplvjdneïtiv, in de verbeelding bestaande, koppig; Opinioned, dpinf nd, met eene eigen meening, koppig. Opium, oupfin, opium: âeater = opiumschuiver. tlpoHMiini, oposdtn, Amerik. buideldier. Oppidan, opid'n, uitwonend leerling (v. Eton College): He hegan life a» an â at Eton. Opponent, opoun nt, suhst.tegenstander,tegenstrever; adj. tegenstrijdend, opponeerend. Opportune, opatjün, gelegen, geschikt, juist van pas: lie ha» pro\ed it âly = te juister tijd; ânes»; Opportunism. = 'het gebruikmaken van de omstandigheden (zelfs met opolfering van beginselen) ten bate van zijne partij; Opportunist â iemand die het opportunism huldigt; Opportunity, opa/jtlnift, gelegenheid, geschiktheid van tijd en omstandigheden: The book i» a nionuineiit of exceptional op-portunitieH = het boek is een gedenkteeken van buitengewone gaven en omstandigheden: I had occaHion to meet him yesterday, but I found no opportunity to speak to him on the Hiihject. Oppose, opouz, tegenstellen, weerstaan, strijden; Opposable = weerlegbaar, bestrijdbaar; âr = mededinger, tegenstrever; Opposite. op.izit, subst. tegenstander, vijand, het tegengestelde: adj. gelegen of geplaatst tegenover, tegenstrijdend: Opposite the post-ol'üce,on the opposite side = tegenover het postkantoor, aan de overzijde; verb, tegenwerken, opponeeren: He declined either to sup|gt;ort or to opposite the ineasure: Opposition. ' opDzisn, tegenstelling, tegenstand, hindernis, oppositie (tegen de regëering): In opposition to = zich verzettend tegen, in tegenstelling met; In spite of opposition = trots tegenstand; Oppositionist = lid van de oppositie (politiek). Oppress, opres, (onder)drukken, zwaar liggen op; âion, opreè'n, onderdrukking, ellende, ramp, (afge)matheid, gevoel v. volheid; âive = onderdrukkend, zwaar drukkend; âive-ness; âor. Opprobrious, oproubrids, verachtelijk, beleedi-gend: âness; Opprobrium, vuile of schandelijke taal, schande, smaad. Oppugn, opjün, strijden tegen, weerstaan: âancy, opvyrinsi, tegenstand, strijd. Optative, optdtiv of opteitiv, wenschend; â mood = de wijze (v. een werkw.), die een wensch uitdrukt. Optie, optik, tot het gezicht behoorend (â. âs = gezichtsorgaan, oog); ânerves^ = gezichtszenuwen; âal = oog....: âal-delusioii = gezichtsbedrog; â inn,op^n,gezichtkundige. optisch-instrumentmaker; âs = gezichtsleer: |
man; ask = «sk; farm = fiim; hui = but; learn = l«n; line = lain; house = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = dslip; not; law = lè; lord = löd; hoy = ból:
OPTIGIÃAPH.
317
OKGANISM.
â by fire, by water = vuur-, waterproef. Order, ötld, siibst. orde, schikking, methode,
toegangsbewijs, reglement, rang, bouworde: The men were in lull marehing â = marschtenue; Every thing was in working
â = alles was klaar (zoodat men beginnen kon); In holy âh = in den geestelijken stand, het geestelijk ambt; He eannot keep the boys in â = hij kan onder de jongens geen orde houden; I went there in â to ascertain whether every thing was in good â = ten einde mij té vergewissen of alles in goeden staat was: The troops were arranged in â of battle = in slagorde opgesteld: 1 move to proceed with the â of the day = ik stel voor om over te gaan tot de orde van den dag (d. i. de voor de vergadering vastgestelde bezigheden): That is a large (tall) â = dat is heel wat; Kvervthing was out of â = in wanorde; He lias taken â with a view to restore â = hij heeft maatregelen genomen om de orde te herstellen; He took âs = hij werd gewijd in zijn geestelijk ambt: His name v.as mentioned in general âs = werd bij dagorder eervol vermeld: â verb, regelen,bestureu, bevelen, beschikken: I don't wish to be âed about like that = ik wensch zoo niet gecommandeerd te worden; The quack was âed off by the police = den kwakzalver
, werd door de politie gelast heen te gaan: âer;
â iug = regeling, schikking; âly, subst. op-passer(v.een officier), straatveger, stadsreiniger, soldaat die de corvee heeft; adj. ordelijk, geregeld. kalm,in dienst; âly-room = ordonnanskamer:-ly-bojk = orderboek (mil.);âly-inan = diensthêbbend soldaat: âly-ofticer == luitenant v. dienst: â ly-sergeant*= onderadjudant.
Ordinal, iidiril, subst. rangschikkend telwoord, i ceremonieboek (voorpriesterwijding); adj.rangschikkend: â number = rangsch. telw. Ordinance. iidirVns, vastgestelde regel of plechtigheid: Ordinant, subst. wijbisschop; i adj. wijdend.
Ord inary, ödinari. subst. ordinaris. tabled'hóte, maaltijd, geestelijke (die een terdoodveroor-; deelde bijstaat), geestelijke v. eene gevangenis;
adj. gewoon, gevestigd, geijkt (door het ge-1 bruik), middelmatig, alledaagsch: â debts = loopende of dagelijkscheschulden; Ships in â 1 = opgelegde schepen; Ambassador.prolessor in â = gewoon gezant, hoogleeraar. Ordinate, ödinit, geregeld, regelmatig. Ordination, ödineis'n. wijding, bevestiging: Ordinativo. ödineitiv, bevelend.
Ordnance, öcfrïems, (groot) geschut: Piece of â
= stuk geschut: âyard = artilleriepark. Ordonnance, ödomris. inrichting, schikking. ! Ordure, ödjo, drek, mest.
1 the. ö, erts, oer.
Oread. óridd. bergnimf.
thegoii, orng'n.
i tlrexis. oreksis, trek, verlangen. ' thgan.«Æ/gt;?,orgaan,werktuig, orgel: He thinks his owls are âs = hij denkt, dat zijne uilen valken zijn; âbuilder = orgelmaker: âist = organist: âlolt; â nic, öqanik, organisch, organiek, bewerktuigd: âie bodies = dieren en planten; -ie disease = organisch gebrek of ziekte; -ie remains = organische over-1 blijfselen; âical; âicalness; â ism = orga-
Optigrapli, optigrnf, soort v. camera; Opto-iiiefer, optomdts, gezichtsmeter.
Opfimacy, optimdsi, de adel: Optime,o/jfirwi, de ..cum laudequot; geslaagde of gepromoveerde te Cambridge, onmiddellijk volgende op den Wrangler (Zie dit); OptiiniNiii, optimizm, de leer dat alles zoo goed mogelijk is, hoopvolle kijk op de zaken: OptiiniHt. subst. aanhanger van het optimism: adj. hoopvol = j Optimistic.
Option, opè'n, recht of vrijheid van kiezen, i keus, voorkeur (Zie local); âal = v. de keus i afhangend, vrij in de keuze: It i» â ai with you = het staat u vrij. O'puienee,o/}/rns.rijkdc)m,overvloed: Opulent. Opus, oi#/7as(Mv. Opera, oparo), werk (muziek), verk. tot Op (enk.) en »igt;p (mv.); ârule, oupnskji'il. klein werk of geschrift.
Or, ö. eer, of: Kither tiiiH â the other. Oraeh, ordk. melde (plant).
Oracle, orafc'/. subst. orakel, godsspraak, profeet: He lias worked tlie â = hij heeft door list en bedrog zijne zaak gewonnen, het zaakje overlegd; â verb, orakelen spreken: âh = | goddelijke openbaringen; Oraeular, or akju ld. OraeuhniN, orakjulds, orakeltaal sprekend, duister, dubbelzinnig, gewichtig, gezaghebbend; OraeniarneH».
Oral, órl. mondeling, bij den mond gelegen:
â examination.
Orale, oreili, pauselijk zijden halssieraad. Oranje, orinz, subst. en adj. sinaasappel, oranje(kleurig); âbloHHom = oranjebloesem; âniiiMk = soort v. peer; âman = oranjeklant (lersch protestant); âpeel = oranjeschil; âade, ormreid, drank uit sinaasappelsap bereid; âry, ormcVi, oranjerie.
Oraiis-ut'aiis:. órar\ntan. groote apensoort. Oration, or eis n, redevoering: Orator. or?td, redenaar, requestrant (wet): Oratory, orDtori. 1 welsprekendheid, huiskapel: PrieHtH of'the i Oratory = vereenigingen v. Room sche priesters die in'gemeenschap wonen: Oratorical = welsprekend, rhetorisch: t^ratorio. nrotórion, oratorium (muz.). huiskapel; t^ratorize, ora-torniz. eene redevoering houden.
Orb,öb. bol.oog(appel),omloop, kringloop: âed = rond, cirkelvormig = âivular, öbikjah = âic*ulate((lgt;, öbikjquot;le\t(i(l): âit = oogkas, baan (van een hemellichaam); âital = toteen orbit behoorende: âlike.
Orradian, ökeirlfn. tot de Oreaden (of Orkney eilanden) behoorende.
Orflianct. iikonot. roode ossetong (plant). Orchard, ötèad. boomgaard: âlnmwe = glazen huis voor vruchtboomen; âing = het aanleggen van boomgaarden.
Orehestra, iikdstrv, orkest: â1 = tot een orkest behoorende: The â1 seore = partij voor orkest: â tion, ökdstreiè'n. het arran-geeren v. muziek voor orkest; âte, ökdstre'ït, arrangeeren voor orkest.
Orchid, ökid. plant v. de orde der orchideeën; âaeeous. ökideièds, tot de orde der orchideeën behoorende = âeou», ölcidjds; OrehiN, ökis, orchidee.
ttrdain, ödein. instellen, voorschrijven, verorrli-neeren. beschikken, bevestigen of wijden (in kerkelijke ambten): âable: âment: âer. Ordeal, öclilof ödfdl, godsgericht, strenge proef:
I
bone â boun; full; fool = ful; ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; ?/ear = jia; ior?gr = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin: thus = dims; wine.
OSTLER.
|
nische bouw, dier of plant, bewerktuigd lichaam; âize = organiseeren, van organen voorzien; âization = organisatie, bewerktuiging; âo-Keny, ögdnodédni, het ontwikkelen v. organen; âograpliy, ögdnourafi* beschrijving der organen; âológy, öydnolddzU leer der organen. Organziiie, ö^'nzin, getwijnde zijde. Orj^HHin, ögazm, overdreven opgewondenheid. Orgie», ödziz, Bacchusfeesten, drinkgelagen. OrgueH, ögz, Spaansche ruiters (krijgskunde), d.i. met ijzer omgeven houtwerk; evenwijdig loopende geweerloopen. Orgy, ödzi, wilde slemppartij; Zie Orgie». Oriel, öridl, vooruitstekend venster, soort van alkoof. Orient, óridnt, subst. Oosten; adj. opgaande, oostelijk, schitterend, volkomen; â verb, de ligging bepalen met betrekking tot het Oosten: -«I, ( Srienfl, subst. Oosterling; adj. oostelijk, uitstekend, kostbaar: âaliHin = Oostersche gewoonte of taal: âalint = Oosterling,kenner v. Oostersche talen, gewoonten, enz.; â a li tg = Oostersche toestand; âalize = Oostersch maken; âate = naar het Oosten wenden; âation = bepaling van het Oosten, oostelijke ligging. Oriiiee, orifis, opening, mond, gaatje (vooreen oorbelletje, etc.). Origan, origan, moederkruid (Zie Marjoram). Origen, oridVn. Origenes. Origin,begin,oorsprong,oorzaak: âal. oridziril, subst. eerste type, eerste exemplaar, oorspronkelijk stuk, excentriek persoon; adj. oorspronkelijk, eerst, met het vermogen tot voortbrenging, erf...: âal Hin = (eerste of) erfzonde; âalitg = oorspronkelijkheid; âate, oridzinéit, voortbrengen, voortspruiten, voortkomen; âation = oorsprong, begin, wijze van voortbrenging; âator, oridzineitd, oorzaak, bewerker. Oriole, órioul, vogel van de lijsterfamilie. Orion, óraidn, een sterrenbeeld, reus (Gr. myth.). Orison, oriz'n, gebed. Orkney» lt;Tlie), d/ijö/cniz, Orkadische eilanden. Orleaii», ölidnz, Orleans, soort van katoen. Orlop, ölop, laagste dek van een driedekker. Ormolu, ömoulü, geel koper voor klokken, enz. Ornament, öndtrint, subst. sieraad, versiersel; â verb, tooien, versieren: âal, öndmenVl^ tot versiering dienend; ââ ation == wi.ze van versiering; Ornate, ö«eif, versierd, getooid. Ornitliolite, 0nitlwla.it, fossiel overblijfsel v. een vogel; OrnitliologiNt, önithotedtist, vogelkenner; Ornithology, onithohdzi, leer en studie van vogels; Ornitliomancy, önitlwmamp;nsi, vogelwichelarij. Orography, orogrdfi. leer der bergen en bergstelsels = Orology, orotedri; Orographic. Orphan, öfn, wees; âage, öfdnidz, toestand van wees, weeshuis; âed = v. ouders beroofd; âi»m = ouderlooze staat. Orphean, often, v. Orpheus = Orphic, öfik. i}r piment,öpiment, geel sulphuret v.arsenicum. Orpin, öpin, gele verfstof. Orpine, öpin, rooswortel. Orrery, orari, planetarium (v. graaf O.). Orri»,* oris, zwaardlelie, gouden of zilveren lint of band. Ort, öt, brokje, afval. |
Orthodox, öthadoks, rechtzinnig, zuiver in de leer, rechtgeaard, echt, soliede; â armchair» = soliede (ouderwetsche) leuningstoelen; An â pair of lover» = een rechtgeaard paar geliefden; â three-volume novel» = oprechte romans in 3 deelen; ây = rechtzinnigheid, rechtgeaardheid, echtheid. Orthodromic», öüiddromiks, Orthodromy, öthodrdmi, het recht zeilen of rechten koers houden. Orthoepic(al), öthouepikCl), tot de Orthoepy {öthoudpi of öthouopi), of (de leer der) juiste uitspraak, behoorende; Orthoepi»t, 'óthompist of öt/ioiopist, uitspraakkundige. Orthogon, öthdg'n, rechthoek: Orthogonal. Orthography, öthogrdfi, spellingsleer, juiste spelling: Ãrthogrdpher, Orthographist = iemand in Orthography bedreven: Orthogra-phic(al) = tot de juiste spelling behoorende, juist gespeld. Ãrthometry. öthonwtri, leer der verskunst. Orthopny,*ö//i(^m, belemmerde, zware ademhaling. Orthoptera, öthoptoro, tweevleugelige insecten: Orthopterous. Ortive, ötiv, oostelijk, opgaand. Ortolan, ötdlamp;n, ortolaan. 0»can, osk'n, een van het oude volk v. Italië. 0»cillate, osileit, slingeren, weifelen; Oscillation; O»cillatory, osilatdri, slingerend, weifelend. 0»citancy , osiVnsi, slaperigheid, sufheid, geeuwerigheid; 0»citant; Oscitate, ositeil, gapen, geeuwen. 0»ciilate, oskjuleit, kussen, aanraken; Osculation; i)»cu\i\iory, oskjuleitdri, subst. heilig beeld (of beeltenis)^ dat door priesters en volk gekust wordt: adj. kussend, aanrakend; Oscul'* = kleine opening. 0gt;thaughne»»y, oiisónosi. 0»ier, ouzd, wilg, rijsje, teen: âbed, âholt = wilgenboschje, plaats waar wilgen gaarne tieren. 0»niund, ozmdnd, koningsvaren (bloemen-dragend). lt;l»nahiirg, ozndbvg, grof linnen. 0»prey, ospri, vischarend. 0»»ein, osi-in, gelatineachtig beenderweefsel. 0»»elet, osdlet, 0»»icle, osik'l, beentje: O»-»eou», osids, beenachtig; 0»»ilerou»,osifdrax-, beenderen bevattend; Ossification = beenvorming: Ossifg = tot been worden, versteenen: 0»»iüed = zeer oud; 0»»uary, osiudri, knekelhuis; 0»teal, ostidl, beenachtig. 0»»ian, osian; Ossianic = van â. 0»»if*rage, osifreidz, zee- of vischarend. 0»tend, ostend. 0»ten»ihle. ostensib'l, toonbaar, blijkbaar, duidelijk; Ostensibilitg = blijkbaarheid, duidelijkheid; 0»tenHion = vertooning van de hostie (ter aanbidding); 0»ten»lve = (duidelijk) aantoonend. 0»tent, ostent, vertoon, vertooning, voorteeken: âation = (praal)vertooning, vertoon, pracht: âation», osfnteièds, praalziek, ijdel, opzichtig. 0»teogcne»y , ostiddzenasi, beenvorming: Osteography = kennis en beschrijving dei-beenderen = Osteologg; O»teotoiny, osti-otami, beenontleding; 0»titi», ostaitisT beenontsteking. 0»tler, osld, stalknecht. |
man; ask = «sk; farm = fiim; but = bwt; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; boy = boi:
OSTRACEAN.
OUTFKOVVN.
319
|
Ostracean, ostreië'n, tweeschelpig weekdier: OMtreaculture , ostridkvltjd, kunstmatige oesterteelt. OHtnirisin, ostrdsiznt, verbanning, doodverklaring; Ostracize, ostrasaiz, verbannen, doodverklaren. OHtrirli, ostritS, struisvogel. ostrdgoth, Oostgoot. Otalieite, ontahiti, Tahiti. Otalgia, oataldzd, Otalgy, ouVldzi, oorpijn. Other, ndho, ander(s), nóg een: Eiieliâ, One auâ = elkander; Have an â cigar = neem nog eene sigaar; Tkie â day = onlangs; Every â day = om den anderen dag; Some 'person ór â = de een of andere persoon; The â side = de linkerkant; âwhere = ergens anders; âwise = anders, op andere wijze: Much was said, both wise and âwise = zoowel verstandige als domme dingen; 1 am not âwise engaged = ik heb geene andere plannen, ben niet bezet; âness = verschil. Otho, othou. Otic, outik, subst. en adj. (middel) voor het oor: Otitis, oorontsteking; Otography, Oto- logy = anatomie v. het oor, verhandeling over het oor; Otoscope, outdskoup, oorspiegel. Ottava rinia, otAvarinw, couplet v. acht regels, waarvan de zes eerste beurtelings en de twee laatste met elkander rijmen. Otter, ot.K gele verfstof. Ottewa, otdwó. Otto, otoa, Ottar, oto, aromatische olie uit bloemen, vooral rozen. Ottoman, otem'n, subst. Turk, soort van sofa zonder leuning; adj. tot de Turken behoorende, Turksch: The â empire. On hit. übit, behaarde rups. Oubliette, übliet, subst. kerker onder den grond voor levenslang veroordeelden: â verb, inkerkeren. Oude, and. Ought, tiï, subst. iets: For â I know = voor zoover ik weet; â verb, moeten: You â to know that = dat moest ge weten. Ounce, auns, ons (12e van een pound Troy, en lüe v. een pound avoirdupois), sneeuw-panter; An â of help is better than a pound of preaching = de kleinste daad is beter dan veel gememoraliseer. Our, OMd, ons (bez. voorn.w.); A friend of âs == vriend van ons; He was of â s = hij behoorde tot ons regiment; âself = ons, mij, onszelf, mijzelf; âselves = ons. onszei ven, mijzelf. Ouse (The), dhinz. Ousel, Ouzel, «U7, meerle. Oust, aust, uit het bezit stooten; âer = uitzetting, berooving. |
Out, awf, subst. niet regeerend staatsman: He is au â and wants to get into office: adj. en prep, uit, buiten, uitgebluscht, zonder werk, ambteloos, ten einde toe, luid, verkeerdelijk, boos, twistend, uitgeput, op: He is â and away the stronger of the two = verreweg; He is an âandâer in politics = een radicaal; An â and â support of the government = onvoorwaardelijk, door dik en dun; From this â I am a reformed man = van nu af aan; He said such things in season and â = te pas en te onpas; â there = daarginder, in 't buitenland; 1 am â of money (pocket) at present = slecht bij kas op 't oogenblik: I am â of breath = buiten adem; â of the frying-pan into the fire = van den wal in de sloot: lie put me â of couiiteiiance = bracht mij v. mijn stuk: You are completely â of it = ge hebt het glad mis; That is*â of it = haalt er niet bij; â of door, âdoor amusements = in de open lucht; He died â of hand = onmiddellijk; I am â of all hope = ik heb volstrekt geene hoop meer; i never sleep â of hours = buiten de voor den slaap bestemde uren; I fear that he is â of his head = krankzinnig is; â of sight, â of mind = uit het oog, uit het hart; I am â of my time = heb mijne leerjaren achter den rug; Since time â of mind = sedert onheuge-lijken tijd; â of office = buiten betrekking: The book is â of print = uitverkocht, niet meer te krijgen: He was â of sorts yesterday = onwel, brommerig, boos; The rope was â of my reach = builen mijn bereik You are â of temper this morning = uit uw humeur, boos, landerig; âat elbow(s),â at heel(s) = met gaten in elboog of hiel: An âat-elbow place = vervallen; That is rather â of the way = ongewoon; An â of the way place =*eene afgelegen plaats: We are â of harnrs way here = buiten schot, veilig; âof-pocket lees = douceurtjes; âof-pocket expenses = noodzakelijke onkosten; Things are â of trim = onordelijk, niet in den haak: The murder, secret is â = ontdekt; Then the murder was â = toen hadt je de poppen aan het dansen; All the wine is â = op: Hear me â = hoor mij ten einde toe; 1 will sit â the concert = ik blijf zitten tot het concert uit is; The book is â of date = bij zijn tijd ten achter; â upon that fellow = weg met dien vent; I am â = ik ben in de war, van de wijs. boos; The jug is â = de kan is leeg; He came â in the eighties = ging naar Jndië tusschen 1880 en 181)0; I am on my way â = ik ben op weg naar Indië: â verb, uitgaan, trekken (v. sabel): With these words he ups and âs = na die woorden vliegt hij op en de deur uit; I hardly ever get an âing = ik maak haast nooit'een uitstapje; it was her last âing = dat was de laatste maal, dat zij uitging: Summerâings = zomerreisjes; âbound = naar het buitenland bestemd; âparish = buitendistrict: âpatient = uitwonend patient (van hospitalen): âsettlement = buitenkolonie; âer = aan de buitenzijde: â(er)most = uiterste, buitenste; âness = uiterlijkheid. Out, aut (in samenst.), drukt dikwijls uit: over-t.relfen in de door het andere deel uitgedrukte handeling, b.v. âad = krachtiger handelen; âbalance = zwaarder wegen; âbid = hooger bieden; âbrag = overtreffen (in pochen); âbrave = overtreffen (in waarde of dapperheid); âcry = overschreeuwen, uitvaren over (at); âdare = trotseeren; âdo = overtreffen ; âface = brutaliseeren, trotseeren, de oogen doen neerslaan; âflank = overvleugelen; - fly â sneller vliegen dan; âfrown = de oogen |
bone = boun; full; fool = ful; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; ?/ear = jia: long = loij; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; Ihws = dhi:s; wine.
Wm
OUTGENERAL. 320 OUTWIND.
|
doen neerslaan: âgeneral = overtreffen in veldheerschap; âgo = overtreffen, te buiten gaan: âgrow = sneller groeien dan, te groot worden voor; âherod = in woestheid en wreedheid overtreffen; âjest = in het schertsen overtreffen, door een scherts doen verdwijnen; âleap = verder springen dan: âWve âlanger leven dan, overleven; âliver = overlevende; âlook = de oogen doen neerslaan; âmanoeuvre, nutrnvniivd, in het manoeuvreeren overtreffen; ânumber = in aantal overtreffen; : âpray = in hetsmeeken overtreffen; âprize ' = in waarde te boven gaan; ârank = hooger 'in rang zijn; âreach = verder reiken dan, overtreffen: âreign = langer regeeren dan: IHh queen oiilrei^iifMl liim by five years; âride = harder 'rijden; âroar = luider brullen dan: âroyal = den koning of het hof in pracht overtreffen; ârun = te buiten gaan: He âruns lii» income = geeft meer uit dan; âscold = harder schelden of tieren dan: âscorn = diep verachten; âsell = meer verkoopen.of duurder verkoopen.dan (tegenover niHler.Hell = goedkooper verknopen): âshine = in luister en glans overtreffen: âsleep = langer slapen dan; âspeak = beter (langer) spreken dan: -stand = langer staan (blijven) dan, steunen; âstare = brutaliseeren, de oogen doen neerslaan: âstay = te lang blijven: He âstayed liiw welcome = wij waren blij, -dat hij wegging: âstrip â voorbijloopen, overtreffen: âswear = in het vloeken overtreffen, door een eed de getuigenis van een ander te niet doen; âtalk = in het praten winnen van: âvote = bij stemming winnen van; âwalk = in het wandelen overtreffen: âwear â langer dragen dan, verslijten: âweed uitroeien: âloing = in het vliegen de baas zijn: âwit = verschalken, in slimheid overtreffen: âworth = in waarde te boven gaan. Onthar, autbd, arresteeren, uitsluiten. Oiithreak(ins;gt;, autbreik{ir\\ uitbarsting. Oulbreathe, autbrtdh, afmatten, uitademen. Oiilt;bring, autbrtn^ uiten. Oufbiid, autbml, uitbotten, ontspruiten. building, auilnldin* bij-, buitengebouw. OutbiirNf, autbvsU uitbarsting. Ontrast, autkdst, subst. balling, vagebond: adj. verbannen, uitgeworpen. Outoome, atttknm, resultaat, gevolg. tlutrrop, autkrop, subst. het blootleggen van eene aardlaag; â verb, aan de oppervlakte te voorschijn komen. â¢Onlcry, aiitkrai, subst. luid geschreeuw, verwarring, getier. â Outdoor, autdö, buitenshuis; âs = in de open lucht. â OutlalI, autfól, uitval, waterloozing. Outfit, autfiU uitzet, uitrusting; âter = ver-kooper van outfits. â¢Outgoer, autgoua, vertrekkende; Outgoing, subst. het uitgaan (Outgoings = uitgaven); adj. vertrekkend, aftredend. Outguard, autgad; voorpost. Outhouse, au thans, bijgebouw (afgescheiden van het hoofdgebouw), bediendenhnis. -Oiitlandisli, antlandis, vreemd, buitengewoon: The âness of the place = de afgelegenheid van de plaats. |
Outlaw, autló, subst. vogelvrij verklaarde; â verb, vogelvrij verklaren,buiten de wet plaatsen, verjaren; âry = vogelvrijverklaring. Outlay, au tl éi, uitgaven, kosten. Outlet, autlet. uitgang, uitweg, lucht. Outlier, autlaid, een buiten zijn ambtsgebied wonende. Outline, autlain, subst.schets, omtrek: Main âs = hoofdpuntf.n; â verb, schetsen. Ontlook, autluk, uitkijk, wachttoren, gezicht, vooruitzicht: The â is not brilliant. Outlying, autlai-h], verwijderd, ver. Ontpart, autpdt, buitengêdeelte: The âs olquot; this town = de omstreken, buitenwijken. Out port, autpöt, zeehaven van het handelscentrum verwijderd: Vniuiden is au â. Outpost, autpoust, buitenpost. Oiitjiour, autpö, uitstorten,uitgieten; âiiig = uitstorting. Output, autpnt, opbrengst van fabriek, mijn. etc.: The literary â of this year = de letterkundige oogst van dit jaar. Outrage, autreidz, subst. smaad, gewelddadigheid, vergrijp (met on), woeste uitbarsting; â verb, smaden, beleedigen, zich vergrijpen aan: -ons, antreidzos, beleedigend, woest, wreed, snood, sterk overdreven; âousness. Outram, autram. Ontraze, autreiz, met wortel en tak uitroeien. Outrider, aulraido, voorrijder. Outrigger, o«/ir/r/a, pa pegaaistok (scheepsterm), boot met naar buiten springende roeigaten = Ootrigged boat. Outright, au trait, geheel, volkomen, dadelijk, vlak, royaalweg: He laughed â. thitroad. autroud. uitstapje, strooptocht. OiHscouriiiir, autskanrin, afval, afspoelsel. Outset, autset, begin. Outside, rrffteaid, subst. oppervlakte,buitenkant, uiterlijk, buiten passagier, uiterste: Twentgt; guilders at the â = op zijn hoogst; adj. buitenste, van buiten, buitenop: Four âs (âpassengers) = vier passagiers buitenop; The â public = het niet bij de zaak betrokken, maar belangstellend publiek; adv. (autsaid), buiten(op), aan den buitenkant: âr = oningewijde (in eene zaak of wetenschap). Ontskirt, autskttt,grens, omtrek (gew. Meerv.): The âs of the lown = buitenwijken. Ontspan, uitspannen (v. ossen: Z/-Afr.). Outspeak, antspik, luide spreken: He is au outspoken man = iemand die zegt wat hem op het hart ligt; Oulspokenness = openhartigheid. Outspread, autspred, uitspreiden (van vleugels. etc.). Outstanding, antslandin,, uitspringend: âins debts = onvereffende schulden; âing walls = naar buiten uitstaande. Ontstrefcli, antstretè, uitstrekken, uitbreiden. Ontward, autwad, uitwendig, van buiten; âbound = naar eene buitenlandsrhe haven bestemd: I have liever been â ly a worshipper = ben nooit een kerkganger geweest; âs = buitenwaarts. Outwear, autwêd, langer duren dan, vermoeien. Ontwell, autwel, uitstorten. Ontwin, autwin, door winnen verkrijgen. Ontwind, aniwaind, ontwarren, losmaken. |
man; ask = ask: farm = tïim; but = bnt; learn = Iwn; line = lain: house = haus; net: care = kèa; frite = felt: tin; «sleep = »slip; not; law = 16; lord = löd: bo?/ = boi;
OVERPOWER.
OUTWORK.
321
|
Outwork, uulwijk. buitenwerk (vesting). OutwroMt, (intrest, ontwringen, afpersen. Oval, oui/1, subst. iets eivormigs; adj. ovaal; i â binnen, ouvelbjünïn, wit van ei. Ovary, ouvori. kiemcel, eierstok; Ovarian, uuvêridn, tot den eierstok behoorende; O various. 'Hivêrias, uit eieren bestaande. Ovate(dgt;, ouveit(id), eivormig: âohlon^ = langwerpig ovaal. Ovation, ouveiè'n, liulde, ovatie. Oven, oven: llutcli â = fornuis. Over, oitvd, adj. bedekking, buitenste; â verb, heenspringen over: lie âed all the |»OHtH in the «treet = hij sprong over al de paaltjes in de straat: prep, en adv. over, boven, voorbij: â and above what 1 have told you = buiten en behalve 'tgeen ik u verteld heb; â there = daar ginds; I told liini ho â and â = herhaaldelijk: â and â as;ain = tot vervelens toe; I told you wo tentlmeM â = ik hob het u tienmaal*achter elkander gezegd: â against = tegenover; lie is a gentle-man all â = een volmaakt fientleman: The fonrert i» â = uit, over; It is alt â (up) with me = met mij gedaan; 1 went there ten times â = tienmaal achter elkander; I went all â the tow n = ik ben overal in de stad geweest; 1 live â the way = woon hier tegenover; lie is â head and êars in debt = tot over de ooren in de schuld; I lost it â a bet = verloor het bij eene weddenschap: He Cell bead â ears into the water = hals over kop: He took (showed) me â bis picture-gallery = hij liet mij zijne verzameling schilderijen zien; Many advertisements must be kept â = tot een volgend nummer worden uitgesteld: 1 have si ven â doing it = opgegeven, gestaakt: We talked â the matter = bepraatten de zaak (onderscheiden van: We talked about the matter â praatten over de zaak); We discussed our aflairs â a glass of wine = bij een glas wijn; â((bound = buitengewoon of alte overvloedig zijn: âact = overdrijven; âalls, ouvorölz, bovenbroek, broek van cavaleristen; âarch = overwelven, omvatten, verwulven: âawe = ontzag inboezemen, in ontzag houden: âbalance, onv.i-hixVns, subst. overwicht, meer dan het gewicht: â verb, (ouvdbarns) meerwegen, overtreffen; âbeur = onderdrukken, onderwerpen: -beur-hig = aanmatigend, heerschzuchtig, uit de hoogte: âbid = meer bieden dan: âblow = overwaaien: An âblown fellow = overdreven, dwaas; âboard, ouvdböd, over boord; âbold = al te stout of vrijmoedig; -buiid == te veel bebouwen: This part of the town is âbuilt = te dicht bebouwd: âburden = overladen, te veel laden op: âbuj/ = te duur betalen; âcanopy = met een troonhemel bedekken; âcareful = al te zorgvuldig of sekuur; âcast = te hoog schatten, bewolken, verduisteren, losjes in elkaar naaien: The sky iw âcast == de hemel is bewolkt; âcharge, otivdtèadz, subst. te hooge berekening, te groote lading; â verb, (ouvdtëüdz), overdrijven, te zwaar beladen, overvragen, al te zeer vullen; âcloud = bewolken; âcoat = overjas: âcome = overwinnen: He was very mucli âcome = zenuwachtig,verward; |
âcredulous = alte lichtgeloovig; âdo = overdrijven, te gaar koken, afmatten: We are âdone with newspapers nowadays = worden tegenwoordig met couranten overstelpt; I am âdone = op, heb mij overwerkt: The meat is âdone = al te gaar (tegenover: done = gaar, en underdone = niet geheel gaar); âdose, ouvddous, alte groote hoeveelheid of dosis; âdratr = overdrijven, een wissel nekken voor meer geld dan het credit is: âdrive = te ver of te snel jagen of drijven: I am âdriven = ik ben op, afgemat, heb mij overwerkt; âdue, ouvddjn, te laat: The train is âdue = de trein is over zijn tijd; âdue letters = te laat bestelde of bezorgde brieven; âearnest = al te ernstig: âfeed = te sterk voeden, volstoppen; âflow, oucallou, subst. overstrooming, groote overvloed; â verb, (ouvdflou) overvloeien, over-stroomen: âflowing = overstrooming; â fond = al te teeder, dol; âfreight = overladen; â full = al te vol: âgreedy = al te gulzig: âfy/vm^metplantengroeibt dekken;âgrowth, ouvogrouth, te weelderige groei; âhang = overhangen: âhaul, ouvdhnl. subst. streng onderzoek of examen, inspectie, herstelling; â verb, (ouvdhól), streng onderzoeken of in-specteeren, winnen op: We âhauled the steamer = wij kwamen de stoomboot al nader; âhead = boven, boven het hoofd; âhear = toevallig hooren; âhours, ouvdrandz, overuren (boven dlt;jn gewonen werktijd); âindulge = al te^ veel toegeven aan: Slie âindulged her children: âissue, oxivdrisü, te veel in omloop brengen (van bankbiljetten, enz.); âjoy = vervoeren van vreugde: He was âJoyed to find me = verrukt dat hij mij' vond; âlabour = met te veel werk plagen, al te ,.peuterigquot; uitvoeren; âland, ouv.iUxnd, overland: The âland mail: â/«/) = overdekken, gedeeltelijk bedekken: History and geography â lap here and there = geschiedenis en aardrijkskunde raken elkaar hier en daar in de behandeling der stof; Their lives âlap in the last years of our century = hunne levens vallen gelijktijdig; âlavish = al te kwistig uitstorten óf verspreiden; âlay, ouvolei, subst. stuk bedekkend papier; â laying = losse bedekking; â verb, (ouvolei), bedekken^ drukken op: Your performance was âlaid by bis = uwe vertooning werd in de schaduw'gesteld door de zijne: Such books do not preserve, hut âlay the old-world stories = zulke boeken bewaren de oude verhalen niet, zij verknoeien ze; âlea}} = springen over, overtreffen, overslaan: You âleapt yourself = gij hebt te ver of te hoog gesprongen; âHe = liggen op, doen stikken; âlive = overleven, te boven komen; âload = te zwaar beladen; âlook = overzien, het opzicht houden over, over het hoofd of door de vingers zien, bekoren, betooveren; â looker,lt;mi'i)ftiA-9,opzichler,opziener;â = de meerdere zijn, overtreffen; âmui'li, ouvdmvtö, subst. overvloed; adj. te veel; ânight, ouvannit, den nacht (avond) te voren, gedurende den nacht; âpay = te veel betalen; âpersuade, ouvr) pos weid, (tegen zijn zin) overreden; âplus, ouvdplvs, overschot, overmaat; âpower = overstelpen, overwel- |
bone = boun; full; fool = fill; lt;» = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; year = Jia; long = loi^; s/iip = hip; occasion = okeiy/n; thin; thus = dims: wine.
ten bruggencate. Eng. Woordenboek, 21
OVERPRODUCTION.
322
OXYMORON.
|
digen; âproduction = al te groote voortbrenging van iets; âproud = buitengewoon trotsch; ârake = overspoelen, bedekken, beloopen (van de golven); ârank = al to weelderig: ârate = overschatten; âreach = verder reiken dan, de achterpooten te veel vooruitslaan (van paarden),- het evenwicht verliezen; âride = vermoeien of afmatten (door rijden), vervangen, afschaffen: âripe(n) 1 = al te rijp (worden); âroast = te sterk i: braden; ârule = beheerschen, overheerschen, : verwerpen, overstemmen: lie was âlt;1 = i bleef in de minderheid: ârun â overloopen. verspreiden over, invallen doen en teisteren, onderdrukken, uit elkaar loopen (bij het drukken), overstróomen; âsea, oi/yasi, vreemd. ' van over de zee; âsee. Zie âlook; âscer. tmvasia, inspecteur, opziener, armvoogd; âsell j = meer verkoopen (dan men kan leveren): An oversold market = eene markt, waar zooveel effecten verhandeld zijn, dat zij niet geleverd kunnen worden: âset, ouvdsot, snbst. overcompleet aantal: An article standing in the âset = koopwaar of artikel, dat over is. _ verb, (ouvaset), omslaan, onderstboven werpen; âshadow = overschaduwen, beschermen; âshoe = overschoen: âshoot â over het doel heenschieten: I have âshot mysell = mijn neus voorbijgepraat, te veel gezegd of beweerd: An overshot wheel = waterrad, in beweging gebracht door het er overheen stroomende water: âshotted = al te zwaar geladen (van vuurwapens), overdreven (uitdrukking); -sight, ouvdsvüt, opzicht, toezicht, vergissing; âslaugii, oufas/ó, overslaan, in den weg staan, tegenhouden: âsleep = te lang slapen: 1 have overslept inyseit' = ik heb mij verslapen; âsinan. ouvazman, opzichter, scheidsrechter (Schotl.); âspread = bedekken, verspreiden of verstrooien over: â= overdrijven, te veel bewijzen: âstay = langer blijven dan; âstep = te buiten gaan, overtreden; âstoek, ouvdstok. subst. al te groote voorraad; â verb, (ouvdstok) al te zeer vullen, overvoeren: Being âstocked with copy, we can finil no room for your article =' daar we een overvloed van copie hebben, kan uw artikel niet opgenomen worden: âstory, oi«wgt;sfor/, bovenverdieping; âstrain = zich al te zeer inspannen, te veel vergen van; âsure = al te zeker: âswift = al te vlug; âfafce = inhalen, verrassen, overvallen: âtask = met werk overladen: 1 am sorely ! âtasked = ik heb het veel te druk; âthrow, i subst. nederlaag, ondergang, omverwerping: â verb, omverwerpen, onderstboven gooien, veroveren; âthwart, ouvdthwöt, overdwars. | van de eene zijde naar de andere: âthwart and endlong = in de dwarste en de lengte; i âtime, ouvdtaim = tijd dien men buiten de gewone uren werkt; âtone, ouvatoun, boventoon (muz.); âtop = te boven gaan, overtreffen; âtnre, ouvatjud, subst. voorstel, aanbod (van de regeering aan iemand wiens steun j ze zoekt), ouverture (muz.): The â tnres to intimacy should always come from the higher to the lower = de aanbiedingen van 1 vriendschap moeten van den hoogere komen ' tot den lagere in rang; It was dinicnlt to refuse her âtures, she was so kind and ; |
hospitable = aanbiedingen, uitnoodigingen; -turn, ouvalvn, omkeeiing, omverwerping; â verb, (ouvdtvn) omverwerpen, omgooien; âweening^ subst. groote verwaandheid; adj. aanmatigend, verwaand; âweight, ouvdwoit. overmacht, over(ge)wicht; âluhelm = verpletteren, overstelpen; âwork, ouvdwvk, subst. overwerk; â verb, (ouvdiuvk) al teveel werken, overwerken, uitputten; âworn,ouvd-ivöti, uitgeput, afgemat, alledaagsch, dood gewoon, overdreven, geavanceerd. Overt, ouvoty open(lijk), duidelijk, met uitgespreide vleugels (herald.); â ly. Ovictilar, ouvikjnlo, tot ei(eren) behoorende. Oviform, ouvifom, eivormig = Ovoid(al). ouvóidCl). Ovid, ovid, Ovidius. Ovine, ouvain, tot de schapen behoorende. Oviparous, ouvipdrds, eierleggend. Oviposit, owvipozit, eieren leggen: âion, owvipdziamp;n, het eieren leggen of neerleggen in (vooral bij insekten). Ovulite, ouvjulait, versteend ei. Owe, om, schuldig zijn, moeten betalen, verschuldigd zijn, te danken hebben: It is all owing to your negligence = 't komt al door uwe onachtzaamheid; It was still âd to her = het kwam haar nog toe. Owl, aul, uil; âeryr = plaats waar vele uilen zetelen, uilachtige hoedanigheden; âet = uiltje; âlike = uilachtig; âish = als een uil. Own, oim, adj. eigen: lie has a house ol his â = een eigen huis; Every one for his â = ieder voor zich: lie dirf it on his â hook, account = op eigen houtje, verantwoording; lie will have it all his â way = hij wil geheel doen zooals hij het wenscht; That fellow does not know his â mind = weet zelf niet wat hij wil; â verb, bezitten, toegeven,, erkennen: Why don't yon â up about him? = waarom erkent ge jegens hem geen ongelijk; I â to your reproach = ik erken dat uw verwijt vei diend is; I â to miicli less affection for him than for his brother = ik erken, datikzijn broer veel liever mag dan hem; âer = wettige eigenaar; âership = wettig eigendom. Owse(r), auz(p\ leerlooier's run water. Ox, oks (Meerv. âen, oks'ri), os; âbow = ossenjuk, bocht van eene rivier; âeye = groote mees, ossenoog; âeyed =metgroote oogen; âlly = paardevlieg; âheart == groote vleeschkers; âlike = osachtig; -iij. = sleutelbloem; âstall = ossenstal; âtail = ossestaart, soort v. soep. Oxalis, oksolis, zuring; Oxalic, oksalik. tot zuring behoorende, zuring .... Oxford, oksfad. Oxidable, oksiddb'l, oxydeerbaar; Oxidobilitu: Occidamp;te of Oxijdize = oxydeeren; Oxidation: Oxide, oksaid, oxyde. Oxonian, oksounfn, van de universiteit Oxford. Oxygen, oksidz'n, zuurstof; âate, o/töicfêdnei/. mét zuurstof verbinden = âize, ofcsidrawair: Oxygenous, oksidzdnos, tot zuurstof behoorende, zuurstof .... Oxyhydrogen, oksihaidrddfn, uit een mengsel van zuur- en waterstof bestaande. Oxymoron, oksimór'n, redefiguur, waarbij een adjectief van geheel tegenovergestelde betelt;'- |
man; ask = ask; farm = fiim; bwt = but; learn = l«n; line = lain; hot/se = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = Irt; lord = lod; bo;/ = boi;
DBquot;
OXVTONE. 323 PADDLE.
kenis met een woord wordt verbonden: liefe- j âpatty = oesterpasteitje; âshell, subst. lijke wreedaardigheid. \ oesterschelp; â verb, afzonderen, verbannen: Oxytone, oksitonn, met scherpen klank, met lie âHlielled liiiiiHeH* quite out ol' luiden klem op de laatste lettergreep. iiiaiiity'H reach = hij bleef geheel buiten Oyer, oujd, verhoor. j aanraking met de mens'chenmaatschappij. Oyes, Oyez, oujez, hoort! Met dit woord wor- Ozoue, ouzoun, soort van zuurstof: Ozonizd den de openbare afkondigingen begonnen. 1 = van â vervullen.
Oyster, öisto, oester; âbed = oesterbed: j
i».
1', pi: He is on his l*'s «nul O's = op zijn j paard vóórdraven (hij werd op de proef ge-
âqui vive'quot;; Miud your P's and O's, lor steld, moest toonen wat hij kon); â verb,
she is very black (= knorrig) this iiioruing | gaan, wandelen, staf pen. afpassen, afstappen:
= pas op uw tellen; I* staat verkort voor He is thorough- âd = flink geoefend; âr.
page, participle, past, pole en port; Pa = Pace, peisf: â Air. W. = met alle respectvoor.
Pennsylvania; l*aint(ing); ^a(st) l'art(icipley, Paclia, poèó, pacha.
I'ai'(agraph); l*arl{iament); l*articip(ial); Paeliydactyl, pakidaktH, dier met dikke
J*ass(ive); l*at(rick); l*athol(ogical); J'(atres) teenen.
C(onscripti) = de beschreven vaderen: r(olice) Pachyderm, pakidv.m, dikhuidig dier; âatous,
C(onstable); r(rivy) C(oancil); Jf{ai)d; l*emi- paki'ctömdtds, dikhuidig, ongevoelig.
(sylvania); l'eraional); l'ev cent{mn) = per- Pacilic, pdsifik, subst. Stille Zuidzee;adj. â(al)
cent: l'erf\ect); l'ct(er);l*harni{acy);rh[Uo- â vredelievend, verzoenend,rustig, vreedzaam:
sophiae) J)(octor); JP/i. baccalaureus); âation = verzoening, bevrediging; âator =
J'hil(osophy); Phil, trails. = Transactions vredestichter; Pacilier, pasifwïd, bevrediger,
of the Philosophical Society = Handelingen vredemaker; Pacify = bevredigen, stillen,
van het WijsgeerigGenootschap; l*hllol(ogy); tot bedaren brengen.
l'hilosiophy); l*hoto(/{raphy): l*hreu{ology)\ Pack, pak, subst. pak, last, menigte, troep,
rhys^ics); JJhyaiol(ogy): lJinx{it) =hij(zij) spel (kaarten), troep (jachthonden); âhorse
heeft het geschilderd; I\oet) Z(anreate); \ = lastpaard; âman = marskramer,inquot;tklein
J'ioor) hiaiu) C(ommissioners): l*lH{ral); verkooper, die bij afbetaling verkoopt: â
l'lup{erfect)\ l'(ost) meridiem) = na den saddle = pakzadel; âstafi* = stok (vaneen
middag; l\ost) M(aster) G(eneral); l*(ost) marskramer): â thread = pakgaren: â
O(fflce); l'ieninsular amp;) Oriental Steam verb, pakken, inpakken, laden, bergen, weg-
Navigation) Co(mpnny); l*oef(ry): l*of(ish); zenden, de kaarten valsch leggen, eene jury
J*olit(ical)jiJcon(omy);l*(ost)0(ffice)M{oney) zóódanig samenstellen dat ze partijdig is: I
0(rder); ropiulation); l'ortiugal): l'oss- sent iiini âing = ik heb hem de laan uit
(essive); Pph = Pamphlet: l*r(esent, Prince gestuurd; lie was round guilty by a âed
ol' Priest); l'r(esent)l*ar(ticiple); ^{resident Jury = werd door eene partijdige juryschul-
of the) It(oyal) A(cademy); Pref'(iw of Pre- dig' bevonden : âage, pakidz, pakje, pak,
face); l*rep(osition); l'res(ent); rret{erite); emballage; âer; âet. subst. pakje, pakket-
JJrhn(ary); l*rinl(ing): JProh{lem); I'rof- boot; â verb, tot een pakje maken: âing =
(essor); F^rompter's) S^ide) = de rechter zijde vulling, seising: âing-case = pakkist, enz.:
van het tooneel, waar de souffleur staat; âing-needle = paknaald: âing-sheet =
Pr opposition); JPro tempCore^ = voor het pakpapier.
oogenblik); l'rov(erb); l'roxiimo = volgende Paco, peikou, alpaca.
maand); ^(resident of the) Jt(pyal)S(ociety); Pact, pakt, verbond, verdrag; âitious,
JJrus(sia); P.S. = Postscript: J'(rivy)S(eal); sos. bij verdrag vastgesteld.
J'.sialm); l\s}/chol(ogy); release) l\urn) Pad, pad, subst. telganger, rooverij, zacht
O(ver): l'ub(lic); Pxt = l*injc{it). kussen, zachte stof om bij het schrijven als
Pa, pd. Pa. onderlegger te gebruiken: He went upon
Pabuliini, pabjuVm, voedsel, brandstof; Pa- the â = ging uit stelen; â verb, langzaam
bular = voedzaam, tot de voeding of het reizen, opvullen, watteeren; We have been
voedsel beboerende. âding the hooi' = rondgezworven: âding
Paca, pAkd, Z. Amer. knaagdier. = (op)vulsel, iets ter vulling of bladvulling:
Pace, peis, subst. stap, pas, schrede, voortgang: There is iiiucli âding in the book = veel
We went at a great â = stapten Hink door; in het boek, dat er best uit kon; âgroom
You had better inend your â = je deedt = stalknecht, palfrenier.
beter wat aan te stappen; 1 cannot keep â Padar, pada, grof meel.
with him = ik kan niet met hem in den Paddie, padl, subst. korte breede roeiriem of
pas blijven, gelijken tred met hem houden; pagaai, blad (van een roeiriem), schoep (van
We walked twelve miles at a â = twaalf een scheprad); â verb, in het water plassen,
mijlen achtereen; The iiorse (He) was put dood bedaard roeien: lie âs his own canoe tlirough its (his) paces = men liet het \ = hij redt zichzelf, komt vooruit door eigen
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; */ear = ji0; long = loi^: ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dliBs; wine.
21*
PADDLE-BOARD.
|
inspanning; âboard = schoep; âbox = raderkast; --wheel = scheprad. I'mldoek, paddk, besloten park of veld naast een stal, padde; âstool = paddestoel. I*addy, padi. Ier, ongepelde rijst. Padella, pddeld, Padelle, pddel, illumineer-glaasje. FadisliaCli), padiëd, titel van den sultan of shah. Fadlock, padlok, subst. hangslot; â verb, met een hangslot vast maken. I*adra, pddrd, soort v. zwarte thee. l*adiia-soy, padjlosói, soort van zijden stofquot;. I'aean, pion, Apollo, zegelied. PafdobaptiMin. pidoubaptizm, kinderdoop. Faeoiiy, plouni, pioen. Ook Peony. Fagan', peiffn. subst. heiden; adj. heldensch = â iftb; â iwin = heidendom, afgodendienst; âIze = heidensch maken, als heidenen doen. Page, peidz, subst. page, livreijongen, bode, bladzijde, geschrift, episode; â verb.pagineeren; â hoód = pageschap: Paginal, padzin I, uit bladz. bestaande; Pagination. Pageant, padz'nt, vertooning, praal, pracht, schouwspel; â ry = pronkende vertooning. Pagoda, pdfjouda. afgodentempel, gouden of zilveren munt (in Indië). Pali, pd, subst. versterkt kamp bij de Maori's; interj. bah! Paid, peid, imperf. en part. perf. van to pay: All the shareH are â up = al de aandeelen zijn vol gefourneerd; âlist = lijst der gepen-sionneerden. Pail, peil, emmer; âlul: By âluis = met emmers. Pain, pein, pijn, smart, straf: On â of death = op straffe des doods; â verb, pijnigen, kwellen, smarten, bedroeven; â ful = pijnlijk; âtulness; âless; âs = moeite, inspanning: I have been at the âs to help hini = ik heb de moeite gedaan; Xo gains without âs = zonder moeite heeft men niets: He has spared no âs. has taken many âs = heeft geene moeite ontzien, veel moeite gedaan; âstaker: âstaking = inspanning; âweary = vervallen (doodmoe) door de pijn. Painim, peinim, heiden, ongeloovige. Paint, peint, subst. verf, blanketsel; â verb, schilderen, blanketten, poetsen, verven, tinten, schakeeren, afbeelden, beschrijven: A portrait. âed in oils = in olieverf; She âs = zij blanket zich; To â the city red = de inboorlingen doen versteld staan: â-llirtation = groote behaagzucht (door blanketten en andere middelen); âbox = kleurdoos, verfdoos, schildersdoos; âer = schilder, boeglijn om eene boot aan vast te maken (= sloep-dreggetouw); âing = schilderkunst, schilderij, het schilderen: lier letters â in her autobiography = vullen aan; âing-rooni = atelier; ây*= met verf bevuild. |
Pair, pêd, subst. paar (bij elkaar behoorende dingen): A carriage and â = rijtuig met twee paarden; Two â of spectacles = twee brillen; A two-pair front = voorkamer twee hoog; They walked in âs = bij paren, paarsgewijze; There are a â of (hem = zij zijn aan elkaar gewaagd, zijn een paar besten (iron.); lie struck up a â with another member = maakte met een parlementslid der tegenpartij de afspraak, dat geen hunner aan de stemming zou deelnemen: â verb, in paren vereeni^d zijn of vereenigen, bij elkaar passen; â off = in paren heengaan of komen: In the House of Commons they have adopted the system of âing olf, by which an equal number of members óf opposite parties have agreed not to partake of the division, so that the chances remain equal by their non-appearance = in het Huis der Gemeenten bestaat het stelsel van samen wegblijven, waarbij een gelijk aantal leden van tegenovergestelde partijen zijn overeengekomen niet aan de stemming deel te nemen, zoodat de kansen dezelfde blijven bij hunne niet-verschijning; â ing-time = paarijd. Paixlian gun, peiks'ngun, groote houwitser. Palace, palis, paleis, prachtig huis; âyard = slotplein; The â = het kristallen paleis: Palatial, poleis l, als een paleis: Palatial buildings. Paladin, paladin, (dolende) ridder, paladijn. Palanquin. Palankeen, paton/fâ¬n, draagkoets. Palate, palit, verhemelte, smaak; Palatable = lekker, smakelijk; Palatal, subst. verhemelteletter; adj. tot het verhemelte behoorende, door middel van het verhemelte uitgesproken = Palatic. pdlatik = Palatine. paio tain. Palatine, palotain, subst. paltsgraaf, d. i. een met koninklijke privilegiën begiftigde graaf (die van Chester, Durham en Lancaster): The Palatinate of the Khiiie = de Rijnpalts: adj. tot een paleis of hof behoorende, paltsgrafelijk: County â = paltsgraafschap. Palaver, poldvo,' subst. discussie, samenspre-king, gewauwel, vleierij; â verb, bepraten, wauwelen, vleien; âer = iemand die praat, enz. Pale, peil, subst. paal, spietspaal, omsloten ruimte, district, grondgebied, grenzen: Theâ = deel v. Ierland, waarin het Engelschegezag werd erkend: adj. bleek, zwak, dof; â verb, bleek worden, verbleeken, met palen omsluiten: She alternately âd and Hushed with anger = zij werd b'eurtelings bleek en rood van toorn; âeyed = met dolle oogen; âface = blanke (dooi- de Indianen aldus genoemd): âfaced = met een bleek gelaat; âwhite of âness = bleekheid; Paling = omheining van palen; Palish = bleekachtig. Paleaceousvj9eiftclamp;9s, vol kaf. Palearctic, piiliüktik, de gematigde (zoölogische) luchtstreek van Europa en Azië. Paleograph, paltegraf, oud handschrift; Paleography, paliogrofi, verzameling van oude handschriften, de kunst deze te ontcijferen: Paleology, paliofodzi, verhandeling over oudheden, oudheidkunde; Paleologist, pnliolo-dzist, iemand in Paleology bedreven; Paleontology, pal i onto lodzi, wetenschap der fossiele overblijfselen. Paleolithic, paliolithik, tot de vroegere steen-periode behoorende. Pales, peiliz, Romeinsche godin der herders. Palestine, palostmn. Palestina. Palestra, polestro, worstelplaats; âI. Paletot, palotou, losse overjas. Palette, palot, palet, verfbord. Palfrey, pólfri, damesrijpaard, paradepaard. Palgra've, pólgreiv. |
man; ask = ask; farm = fiim; but = but; learn = hm; line = lain: howse = haus; net: care = k«*a; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = lo; lord = lod; hoy = boi:
PANEL-GARDEXIXG.
PALI.
325
|
Pali, pdli of peili, Indische taal (aan het Sanskriet verwant). l*ali(l)logy,/ja/i/arfr lt;, herhaling voorden nadruk. l'alimpseHt, palimpsest, perkament waarvan het handschrift is verwijderd, om het nogmaals te kunnen gebruiken. Paliiidroine, palindroum, woord of zin, evengoed naar voren als naar achteren te lezen, b.v. lepel. Palin^fiiPHia, palindzdnisD, l'aliii^oiiesis, pnlinclzerwsis, wedergeboorte. raliiiode^Palinodia, herroeping. Palisade, paliseid, subst. paalwerk, staketsel; â verb, met paalwerk of storm palen versterken! Palisander, pnlisanda, rozenhout. Pall, pól, subst. mantel, doodskleed (over de lijkkist): âbearer = iemand, die (de slippen van) het lijkkleed draagt; â verb, met een lijkkleed bedekken, verschalen, verzwakken, walgen: It âs upon the reader = de lezer gaat ervan walgen; Beauty alone soon âs upon the Heuse = schoonheid zonder meer verveelt het oog spoedig. Palladlinn, pdleïdj'm, beeld van Pallas (pahs, godin der wijsheid) bescherming, verdediging. Pallet, palot, palet, naam voor verschillende werktuigen van pottebakkers, vergulders, enz.; slecht en klein bed. PalliasHe, pa lias, stroomatras, onderbod. Palliate, palieit, verzachten, verlichten, be-mantelen; Palliation', Palliative, subst. en adj. verzachtend (middel). Pailid, palid, bleek; âness. Pallium, pa/iaw, wollen mantel d. oude Grieken. Pallmall, pdlmel, maliespel, straat (Londen). Pallor, pah, bleekheid, ongezonde kleur. Palm, pdm, palm (van de hand), lengtemaat, palmtak, palmboom, overwinning: lie bears the â = hij is de uitstekendste. eerste: â verb, in de palm der hand verbergen, hanteeren, aansmeren, bedriegen: lie âed liimseirofl' as an artist = deed zich voorals; lie would â off his biitterine on me as best dairy rresli = mij zijne kunstboter als beste natuurboter aansmeren; âhouse = palmenhuis; âoil = palmolie; âSunday = Palmzondag: âar, palrrw, tot dc hand behoorende, van eene handbreed; âariau, palmêrion, uitstekend: IIIh âariau amendation of' that passage = uitstekende tekstverbetering in dat gedeelte; âate(d), palmeit(id), als eene uitgespreide hand, met zwemvliezen aan de pooten: âer. pümo, pelgrim, die als bewijsstuk een palmtak uit het Heilige Land meebracht; âer-worm = harige rups; âist(er). pal-mistig), handkijker, bedrieger; â istry = voorspelling uit dequot; palm van de hand; â y,pümi, vol palmen, zegevierend, bloeiend. Palmerstou, pdmosVn. Palmetto, palmetou, waaierpalm, dwergpalm. Palmineatioii, palmifllceiamp;n, kunstmatige bevruchting van den dadelpalm. Palmiped, palmiped, subst. zwemvogel; adj. met zwemvliezen. Palpable, palpoVl, voelbaar, tastbaar, duidelijk^âness, Pa^aMW//= tastbaarheid; Palpation, palpeis'n, het voelen, onderzoek door voelen. Palpebral, palpahSL tot ooglid of wenkbrauw behoorende. |
Palpi, palpal, voelhorens: â Ibrui, ptilpif'óm, in den vorm van voelhorens; âgerous, pal-pldzdrds, voelhorens dragende. Palpitate, palpiteit, snel kloppen (van het hart), zenuwachtig verbeiden: Palpitation = (abnormale) hartk lopping. Palsgrave,pö/zf/reiv, paltsgraaf: Palsgravine, pólzgrdvin, paltsgravin. Palsy, pölzl, verlamming, beroerte; Palsied, pólzid, door verlamming of beroerte gelrolfen; â in the spine = spit in den rug. Palter, póltv, uitvluchten zoeken, weifelen: Paltry, pöltri, onbeteekenend, treurig, gemeen,* laag, verachtelijk; Paltriness. Paludal, pdljüd'l, Paludinous, p.iljüdinds, moerassig. Paly, peilt, door loodrechte lijnen in vier of me'er gelijke deelen verdeeld (van een wapenschild). Pamela, pomib of parndls. Pampas, pampas, grasvlakten (Z.-Amerika): Pampero, p'mperoa, hevige (Zuid)westenwind in de Pampas. Pamper, pampd, dikvoeren, volproppen, over-vóeren. Pamphlet, pampot, vlugschrift, brochure: âeer, pam/lotid, subst. vlugschriftenschrijver: â verb, vlugschriften schrijven. Pan, pan, subst. pan, hoofd, kop, de god Pan; â verb, aanvallen: The member âned out on the minister. Panaeea, panestn, panacee, algemeen middel. Pauada, poneidd, Panade. peneid, broodpap; Pauary, panori, tot brood behoorende. Panama, panama. Pancake, /tankeik, pannekoek. Paueli, pans, sciieepstros. Pancratist, pankratist, uitstekend gymnasti-cus; Paneratinin, p'nkreism. athletische worsteling. Pancreas, pankrias, alvleesch(klier), zwezerik; Pancreatic = tot het alvleesch behoorende: Pancreatic Huid = alvleeschsap. Pandean, p'ndian, tot den god Pun behoorend: âpipes â lluit van Pan. Pandects, pandakts, volledige behandeling der Romeinsche burgerlijke wet. Paiidemoimini, pandimotinj'm, hel, ;\lle duivelen, algeheele wetteloosheid. Pander, panda, subst. koppelaar: â verb, koppelen: He âed to all their desires = hij voldeed aan (in ongunst, zin); âage, pandaridz, koppelarij; â iHin = het koppelen; â ly = door koppelarij, koppelend. Pandiculafion,^andiAylt;(tet.sn,rekking, gaping. Pandit, pandit. Zie Pundit. Pandora, /fndóra, Pandora: â's-box = doos van P. Pandoiir, Pandoor, panduo, Oostenrijksch voetknecht. Pandurirorm, p'ndjnrifom, vioolvormig. Pane, pein, glasruit; âd = met ruiten: âless = zonder ruiten. Panegyric, panadzirik, (uitgewerkte) lofrede: âal = lovend: Panegyrist â lofredenaar: Panegyrize, panadziriüz, hoogelijk prijzen, eene lofrede houden. Panel, paril, subst. paneel,(naamrol der)jury; â verb, met paneelen maken; âgardening ~ mozaïekwerk (in tuinen). |
bone = boun: full: fool = tul; .» = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; /year = jio: long = loi^: ship = sip; occas/on = okeiy/n; thin; thus = dhvs; wine.
PARADISE.
326
PANG.
|
Pang, Vaih subst. plotselinge folterende pijn, i anpst. doodsbenauwdheid. Panic, panik. subst. plotselinge schrik; adj. plotseling, panisch; âHtruck (Htricken) = ! door plotselinge vrees bevangen. Paiiiriini. panik''m, grassoort, waartoe o.a. de gierst behoort. Paiiiiieation, panifikeiè'n. het broodmaken: | Paiiivorous. panivdvds, van brood levend. Pannadp, paneid, korte sprong (v. een paard). gt; Pannage, panidz, zwijnenvoeder. Paiinel. pan'l, soort v. ruwen zadel. Z. Panel. Paiinirr. panjo, pakmand v. lastdieren. Paniiikhi, panikin. pannetje, schaaltje. Panoply, parwpli, volledige wapenrusting; PaiKip'lied = met een P. Panoptiron, pdnoptiWn, gevangenistoezicht zoo geregeld dat de opziener steeds, zonder zelf gezien te worden, alle gevangenen kan zien; tentoonstellingsvertrek of -gebouw van nieuwigheden, etc. Panorama, panarAmv, panorama: Panoramic. Panslavie. pamleivik, tot alle Slavische rassen behoorende; Pamlavism. PaiiNopliy. pansdfi, algemeene wijsheid of wetensch'ap. Pansophic. Pansy, panzi. veldviooltje. Pant, of prfnï, subst. klopping, snik, zucht; â verb, hijgen, kloppen, snakken; âer = hijger, snakker; âiiiRly = hijgend. Pantalet(te)», pantalets, vrouwen- of kinderbroek. Pant» = onderbroek; broek (Amer.). Pantaloon, pantdlnn, subst. hansworst, persoon in eene pantomime; â» = nauwsluitende broek. Pant.-nnoi'pliic*. /iantdmofik, alle gedaanten aannemende. Fanterlimcon, panteknik'n, verkoopplaats en magazijn van alle soorten v. gemaakte artikelen en huisraad. PantheiHin, panthnzm, leer dat God en het heelal één zijn; Pantheist = aanhanger van die leer; Pantheistic. Panflieon. panthten, Pantheon. Panther, pantlw. panter. Vnutile. /gt;antaH\ dakpan van S-vorm. hooge hoed of âkachelpijpquot;. l*antog;raphy, pantogrdjl, algemeene beschrij-ving. Pantographicial). Pantolo^y, panto te dii, algemeene wetenschap. Panto niet er, pantonidtd, hoogte- en afstandsmeter. Pantoininie,pantamaim, gebarenspel: Pantogt; ininiio, pantdinimik. tot de gebaren of gebarenspel behoorende; Pantomimist, pante-m'imist. speler in eene pantomime. Pantry, pantri, provisiekast of -kamer. PantH, pants, broek (Zie Pantaloons). Pannrgy, panddzi, algemeene bedrevenheid. Pap, pd}), pap, borst, tepel, pulp (van vruchten): âpy = papachtig, zacht, sappig. Papa, popfi, vader. Papacy, peipasi. pauselijke waardigheid en macht, de pausen gezamelijk, U. K.godsdienst; Papal, peip'l. pauselijk. Papaveraceous, pdpéivareièds. papaverachtig. Papaw, pdpó, meloenboom. Paper, subst. papier,blad, verhandeling, |
opstel, document, courant, geldswaardig papier, behangselpapier, (personen met) vrijbiljetten: lie «ent in liis âh = vroeg ontslag (uit den mil. dienst): lie perlonned to houses filled with â = hij speelde voor theaters vol van personen met vrijbiljetten; He is tlireedown the â = hij is No. 3 op de lijst of voordracht; Commit this to â = schrijf dit op; Reflect, before you put pen to â = denk na, vóór gij schrijft; That is all very nice.., on â: it is nothing hu', waste â = het is louter scheurpapier; Where did you buy this blottingâ and letterâ? == waar hebt gij dit vloei- en postpapier gekocht; adj. papieren: â verb, met papier bedekken, in papier wikkelen, behangen: I will have this room âed = deze kamer laten behangen; âchase = snipperjacht; âcredit, ânioney= bankbiljetten, geldswaardig papier; âfolder = vouwbeen; âhangings = behangsel; âmill papiermolen; âstainer = fabrikant van behangselpapieren: âweight = papierdrukker, âpresse-papierquot;; â y = als papier. Paphos, peifus. stad in Cyprus, aan Venus gewijd; Paphian, peijten. van Paphos, tot Venus of haar dienst behoorende. Papilio, pdpiüou, kapellensoort; ânnceoiis, pdpiljouneisDS, (van planten) met vlindervor-mige bloesems, zooals de erwt; kapelachtig. Papilla, popite. kleine tepel, wratje; â ry,âte. Papillose, Papillous = tepelvormig, mét wratjes bedekt. Papist, peipist. Roomsch-Katholieke; âry == R. Katholicisme. Papoose, pepiïz, jong kind (Indianen). Pappous. papos. Pappose, papons, donzig. Papula, papjute. puistje; âr = bedekt met p. Papyrus, pdpairjs, papyrusplant, manuscript op rollen. Par, pa, gelijkheid, parie, verkorting voor paragraph: They are on a â = zij staan op gelijke lijn, óp gelijke hoogte: Below â = beneden pari; There is a â about liini in to-day^s paper = er staat wat over hem in de courant van vandaag. Parable, pardUl, gelijkenis: lie took upa â against him (Bijb.) = hij begon tot hem te spreken. Parabola, pjrabate, parabool,kegelsnede; Pa-rabole, porabnli. vergelijking, parabool: Pwa-bolic(al) = parabolisch, bij wijze van gelijkenis of vergelijking; Paraboliform; Parabolist = iemand, die door gelijkenissen onderwijst. Paracelsian, parasels'n, van Paracelsus. Paracentric, pardsentrik. van den cirkelvorm afwijkend. Parachute, parosnt, subst. valscherm, parachute; â verb, zich met eene parachute laten vallen; Parachutist = iemand, die zich van een valscherm bedient. Paraclete, pardkht, voorspraak. Trooster (H. Geest). Para-coat, pArokout, gummi-overjas. Parade, poreid, subst. parade, vertoon, optocht, paradeplein, exercitieplaats, openbare wandelplaats; â verb, vertoon maken, paradeeren. opgesteld worden om te defileeren, met veel vertoon rondstappen, openbaar maken; At three o'clock the troops were âd = marschvaardig gemaakt. Paradigm, parddaim. voorbeeld. Paradise, parddais, paradijs: They live in a fool's â = zij leven er zorgeloos en gedach- |
man; «sk = ask; farm = fam; b?«t = but; learn = Km; line = lain; howse = hans: net: care = kca; fate = feit; tin; asleep = »slip; not: \aio = ló: lord = Hid: boy = boi:
PARISH-WOHK.
PARADISKA.
327
|
teloos op los; Paradisea, paradiëd, het genus, waartoe de paradijsvogels behooren. Paradox, parodoks, schijnbaar dwaze redeneering of tegenstrijdigheid; âer = maker van paradoxen; âical, parddoksik'l, als een paradox^ geneigd tot paradoxen: A â ical cynic or a cynical âer = een van paradoxen houdend'menschenhater of een cynisch j paradoxenmaker. Paraifine, parafin. vaste vettige zelfstandigheid; ParalTm-oil, pardfmoU, gezuiverde petroleum. Paragoge, parayondz, toevoeging van een lettergreep) aan het einde; Paragogic(algt;, ygt;arlt;9-ijodziki?I). toegevoegd. Paragon, paragf'n, subst. toonbeeld van volmaaktheid, kameraad, wedstrijd; â verb.vergelijken, op zijde streven. Paragraph, paragraf, paragraaf (S), afdeeling, leeken, nieuwsbericht; â verb, paragrafeeren, in eene P. vermelden; â ic(al),parafyra/z/i(7). uit paragrafen bestaande. Paraguay, pardgwei. Parallax*, para laks, schijnbare plaatsverandering van eenig voorwerp; Parallactic(al). Parallel, paraVl, subst. evenwijdige lijn of richting, overeenkomst, gelijkheid, tegenhanger, parallel (loopgraaf evenwijdig met de wallen: steeds meerv.), breedtegraad; adj. evenwijdig, gelijk, overeenkomstig: â verb, evenwijdig maken, gelijk stellen, evenaren, overeenkomen met: Sncli paHHagcH can be easily paralleled from (lie best authors = zulke overeenkomende passages...; âs of latitude = ' breedtecirkels; âmot ion = evenwijdige beweging (van zuigers, enz. bij stoommachines): âmi Ier = linieerwerktuig voor steeds evenwijdige lijnen; âism = evenwijdige toestand of ligging, overeenkomst, vergelijking:âogram, paralelagram, parallelogram. Paralogism, peraladzizm, drogreden. Paralysis, paralisis, verlamming: Paralitic, paralïtik, subst. lamme; adj. aan verlamming lijdende, met aanleg voor verlamming, verlamd; Paralyze, para/aiz, verlammen, de kracht of uitwerking wegnemen. Paramo, parümon, hooggelegen woestijn (Andes). Paramoimt, paramnunt, subst. hoogste, opperste; adj. hoogst, voornaamst. Paraniour,/?ardmud, minnaar, minnares (steeds in slechten zin). Parapet, parapet, borstwering, verhoogde rand of muurtje. Paraphernalia, paraftmeilja, eigendom der bruid buiten den bruidschat, zooals lijfgoederen, sieradiën, etc.; toebehooren, uitrusting, ; versiering: Warlike â. Paraphrase, parafreiz, subst. vrije overzettinglied op een gedeelte der schrift als grondslag, omschrijving; â verb.verklaren^'erduidelijkei^om-schrijven, van poezie in proza overbrengen; Pa-rap}irastic{al) = omschrijvend,verduidel ijkend. Paraplegia, parapledzia, verlamming van het benedenlichaain of de zijden. Paraselene, parasilini, bijmaan. Parasite, parasait, lage vleier, tafelschuimer, woekerplant; Parasitic(al),parasitikCl),vleiend, woekerend: Parasitism,/Jarasaif/cm, het vleien, woekeren. bone = bonn: fnl; fool = fill: o = toonlooze long = loij; s/iip = sip: occasion = okeiz'n; t |
Parasol, parasol, zonnescherm; âette, pbra-salet, klein parasol. Parataxis, parataksis, slordige zinsverbinding. Parathesis, parat ha sis, bijstelling, tusschenzin. Parboil, pahóil, goed koken, ten deele koken. Parbuckle, pübvk'l, subst. schrooitouw; â verb, met een schrooitouw hijschen. Parcae, püsi, de schikgodinnen. Parcel, piis'l, subst. deel, stuk, pakje, pakket, hoeveelheid: By âs = bij gedeelten; That is part and â* «f our contract = dat is een voornaam deel van ons contract; â verb, in deelen verdeelen: It was âled â¬gt;iit to ns = ons toebedeeld; âRilt = ten deele verguld; âpost = pakketpost: âling = bekleeding met smarting. Parcener, pasano, mede-erfgenaam; Parcenary. pdsanari, mede-erfgenaamschap. Parch, piits, opdrogen, verzengen,schroeien: I a in â ed with thirst = ik versmacht van dorst. Parchment, patsnrnt, subst. perkament: adj. gemaakt van of gelijkende op perkament. Pard, pad, panter, luipaard. Pardon, pad'n, subst. vergiffenis, aflaat, vergunning: I beg your â! = neem me niet kwalijk; 1 heg yóur â ? = wat blieft uâ verb, vergeven, * vrijspreken: âable = vergeeflijk: âableness; âer = vergever, ver-koopèr van aflaten. Pardy, pcidi, par Dieu. waarachtig. Pare,* pêa, afsnijden, afschaven, besnoeien: lie âd his nails to the quick = hij sneed zijne nagels totop het vleesch af; âr; Paring = schil, bast, af knipsel, maalsel. Paregoric, paragorik, subst. en adj.pijnstillend (middel). Parembole, parombali, inlassching. Parcnchyma, parenkima, celweefsel. Parent, 'pêr'nt, vader of moeder, bron; âs = ouders; Male â, leinaleâ = vader, moeder; âage, pêr'ntidè, geboorte, afkomst, ouders: âal, parent'l, ouderlijk (vader- of moederlijk), liefhebbend. Parenthesis, parenthasis, tusschenzin, inge-lascht woord; Parentheses, perenthasiz. haakjes: In â, Within marks ol' â = tusschen haakjes: Parenthctic(al) = tusschen haakjes geplaatst: lie said it parenthetically = hij zei het bij zijn neus langs. Pargèt, püdzat, Perget, pvdzat, subst. ruw pleisterwerk; â verb, bepleisteren: âer: âing. Parhelion, pdhilfn, bijzon. Pariah, pêria, paria, uitgeworpene. Paros, pêros, Paros (eiland); Parian, pêrian, subst. soort van porcelein; adj. van Paros. Parietal, paraiafl, tot een muur behoorende, binnen de muren van eene hoogeschool wonende (Amer.), aan de zijden of wanden gehecht: Parietury = muurkruid. Paris, paris, Parijs: He knows his â = hij kent z'n Fransch; âgarden = oude berentuin in Londen; âian, pariz'n, subst.Parijzenaar; adj. Parijsch. Pai-ish, 'paris, kerspel, parochie, kerkelijke gemeente (Amer.): lie came upon the â = hij werd armlastig = lie threw himseir upon the â; adj. tot de parochie behoorende of er door in stand gehouden: âclerk = ondergeschikt leekendienaar in de kerk; â priest = wijkpredikant: âwork = herder- vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = Jia; liin: thus = dhas: wine. |
PARISHIONER.
PARTICULAR.
328
|
lijke werkzaamheid; âioiier, paHëdnd, lid van eene parochie of een kerspel. l'ariHyHalHr(al),pam//aamp;i^(7,), met hetzelfde aantal lettergrepen. Parity, par Hi, gelijkheid, overeenkomst. I*ark, pcik, subst. park, verzameling kanonnen in een artilleriepark; â verb, in een park besluiten, samenbrengen. Parlaiiri', püVns, gesprek: In fomiiioii â = in de taal van het dagelijksch leven. Farley, püli, onderhandeling (tusschen vijanden) omtrent overgave, etc.: They f»eat a â = zij sloegen de trom tot overgave; â verb, onderhandelen met vredelievende bedoelingen. Farliaineiit. pülhrïnt, parlement: âarian. plilim'ntêrion, aanhanger van het parlement in den tijd van Karei 1: âary, pnlimentdri, subst. volgens parlementsbesluit voorgeschreven soort v. lok-ialtrein voor 3e klasse reizigers; adj. door het 1*. vastgesteld. Parlour, huis- of woonkamer; ââ¢boarder = kostjongen, die met de familie aan tafel zit. en als huisgenoot behandeld wordt; âmaid = kamermeisje. Parmesan, piimzzan, parmezaankaas. ParnaHHiiM, panasds, Parnassus, berg der Muzen: ParnaH^iaii, panaamp;n. van den Parnassus. Parnell, piin'l of panel. Parochial, pdrottkjl, tot eene parochie be-hoorende, bekrompen, kleingeestig: â board = armencommissie, armvoogden; â relief = armenzorg; âize = armbezoek doen. enz. Parodiat, paradist, parodieën maker; Parody, parcdi, subst. parodie; â verb, parodieeren. Parole, pdroul. eerewoord, (dagelijksch) wachtwoord: The officers were admhted to their â = werden op hun eerewoord vrijgelaten. Paronomasia, paronomeizo. woordspeling. Paronym, pnrnnim, gelijkluidend woord: âons', pdronimds, van dezelfde afleiding, gelijkluidend; ây, peronimi, gelijkluidendheid. Paroquet, paraket, parkiet. Parotitis, parataitis. ontsteking der wangklieren (= Parotis, parotitis), bof. Paroxysm, pardksizm, plotselinge vlaag of aanval; âal, paraksizml, met vlagen, veroorzaakt of gekenmerkt door plotselinge aanvallen. Parqiiet(tegt;, pdket, plaats in oen theater tusschen orkest en parterre: ook: ingelegde vloer = â ry, pükatri. Parr, po, jonge zalm. Par(r)akeet, purakit. parkiet. Parrhesia, pariéd, vrijmoedigheid, standje. Parricide, parisaid, vadermoord(er): Parricidal, tot vadermoord behoorende. Parrot, parat, papegaai, soort van groot kanon: âcoal = anthraciet: âlish = papegaaivisch; âry = naaperij. Parry, pari, afweren, pareeren: â aiHlthrnst = p'areeren en uitvallen. Parse, jxis, (taalkundig) ontleden. Parsee, pösi, vuuraanbidder, afstammeling der oude Perzen (in Indiö); âism = vuuraan-bidding. Parsimony, piisimani, karigheid, gierigheid; Parsim«gt;nioiis, piisimonnjas, karig, gierig, knijperig. Parsley, püsli, peterselie. |
Parsnip, püsnip, pastinak of witte peen: Fair words butter no âs = praatjes vullen geen gaatjes. Parson, pds'n, dominé, geestelijke (dikwijlsin smalenden zin); âage, pamp;sanidz, predikantsplaats, pastorie. Part, pdt, subst. deel, zijde, gedeelte, aandeel, lid, stuk, rol, belang, gedrag; âs = talenten, hoedanigheden, streek: 1 am a stranger in these âs = hier vreemd: A man «f âs = talentvol, begaafd man; For my â = wat mij aangaat; On our â == onzerzijds; Do you come on his â ? Ko I come on my own â = van zijnentwege; .... voor mijzelf: He took â in the conspiracy = nam deei aan de samenzwering: lie tooli my remarks in good â = nam mijne aanmerkingen goed of vriendelijk op; I hope you will not take it in ill â = ongunstig'of euvel opnemen: in â = gedeeltelijk; The ten âs of speech = de tien rededeelen: Divided into âs = in stukken verdeeld; He was â and parcel of the procession = hij maakte een wezenlijk deel van den optocht uit; â verb, verdeelen, uitdeelen, scheiden, van de hand doen: They had better â = zij de.ien het best, als ze scheidden: I intend to â with my dog, though I feel it will be hard to â from such a faithful friend = van de hand te doen, schoon ik voel dat ik moeilijk van zulk een trouw vriend zal kunnen scheiden; With âed mouth = met open mond; They âed company = gingen uitéén;quot;! âed with hei-at the station = ik verliet haar: --song = drie- of meerstemmig lied a ca pell a; âer: â|y = gedeeltelijk (soms ook Part). Partake, pateik, deelnemen, deelhebben: We partook of a nice Ihtle dinner = namen deel aan een lekker dinertje: It âs of the nature of a crime = het heeft iets van eene misdaad; â r. Parterre, patêa, bloemperk(en). Parthia, Parthië. Partial,püë'l,gedeeltelijk, partijdig, ingenomen zijn voor: Every mother i» â to her children = iedere moeder zal het beste v. hare kinderen denken: I am â to such food = van zulk eten houd ik veel; â ity, paëaliti, partijdigheid. voorliefde, vriendschap. Participant,pöïtsjp'ïiC, subst. deelhebber: adj. deelhebbend. Participate, patisipeit, deel nemen aan, deel hebben in: I â in (of) your happiness = deel in uw geluk; Participation; Participator. Participle, deelwoord; Participial(ly) = deel woordelijk. Partiele, pütiic'l, deeltje, greintje, partikel (onveranderlijk rededeel): He has not a â of sound sense = geen greintje gezond verstand; I don't care a â = ik geef er geen zier om. Particular,pai*A7Jtte,subst. bijzonderheid: in â = bijzonder: He did not enter into âs = hij trad niet in bijzonderheden; For further âs apply to him = nadere inlichtingen bij: adj. bijzonder, omstandig, persoonlijk, merkwaardig: â friend intieme vriend; 1 am not â about it = het steekt me niet zoo nauw; lie is not â to a guilder = het komt hem op een gulden niet aan; â ist = afge- |
man; ask = Ask; farm = fiim; b«t = bwt; \earn = Ion; line = lain: house = hans: net: care = kè»; fate â feit: tin; asleep = oslip; not: ia/a = ld; lord = löd: hoy = boi;
PARTING.
320
PASSION.
|
vaardigde die slechts de belangen v. zijn eigen district, niet die v. h. geheele land, voorstaat; âity, pdlikjnlariti, bijzonderheid, omstandigheid; âize = in bijzonderheden treden, op kleinigheden en bijzonderheden letten. Parting, pittig subst. scheiding, verdeeling, afscheid, vertrek; At â = bij het afscheid: adj. afscheids..., vertrekkend: âkis», âword = afscheidskus, afscheidswoord. PartiHan, püliz'n, subst. aanhanger (van eene bepaalde partij), bevelhebber van een vooreen bepaalden dienst aangewezen troep,partijganger; soort v. hellebaard; adj. partijdig (gewoonlijk in ongunstigen zin, terwijl partial eene gunstige beteekenis kan hebben); âsliip. Partition, pdtiamp;n, subst. afdeeling, verdeeling, tusschenschot, scheidingspuni; â verb, in stukken of afdeelingen verdeelen; âwall = scheidingsmuur. Tartitive, pütitiv, subst. declend woord : adj. een deel aanwijzend. Partner, compagnon,deelhebber, vennoot, makker (in dans of aan tafel), man of vrouw: He is a â In this hnsiiiess = hij is compagnon in deze zaak; âship. Partridge, pütridz , patrijs; âwood = patrijshout. Parturient, putjiiriant, barend, vruchtbaar; Parturition, piitjuriö'n, baring. Party, pa li, subst. partij, gezelschap, ..avondjequot;, zaak', bepaald persoon: I will not be a â to that quarrel = ik wil aan dien strijd geen deel hebben; lie is a queer â = hij is een rare vent; â in contempt = de in gebreke blijvende partij; âeolonred = v. verschillende kleuren, bont; âjury = jury. deels uit Kngelschen, deels uit niet-Engelschen bestaande; âspirit = partijgeest; --verdict = gezamenlijk vonnis of uitspraak: âwall = scheidsmuur, massale muur. Parvenu, püvdnjn, parvenu. Parvis, pnvis, kerkportaal, gebied voor en om eene kerk. Pas,pf/,schrede,stap, voorrang: I yielded him the â = ik liet hem voorgaan; lie takes the â ol* dukes and earls = gaat in rang vóór. Paschal, pamp;sh'Dl. tot het Pascha behoorende; â of Pasque {push) tlower = Paaschbloem. Pasha(w), pesó, pacha; âlie = rechtsgebied van een pacha. Pasigraphy, pdsigrdji, algemeene taal of stelsel van schrijven. Pasquinade, pCiskinehl, schotschrift. Pass, pds, subst. pas. gang, enge weg, bergpas, staat van zaken, doorgangs- of toegangsbewijs, het examen-doen, stoot (bij het schermen): Things had come to such a â that a change was desirable = het was nu zoover gekomen dat eene verandering wenschelijk was; The world is coining to a pretty â = het wordt een mooie boel; I gave thein âes tothetheatre = ik gaf hun biljetten voor de comedie (op zulke biljetten staat b.v.: Pass Mr. So and So to the stalls); â verb, gaan, overgaan, overbrengen, gebeuren, verdwijnen, langzaam veranderen, van de eene hand inde andere gaan; verloopen, weglaten, overslaan, slagen, er door komen, een stoot doen (bij het schermen), toelaten, vaststellen, aannemen (van eene wet): That may â = dat kan er |
bone = boun; full; fool = tul; o = toonlooz \ong = loi^; s/jip = sip; occasion = okel//n: door; lie may â = hij kan slagen; We â ed the candidate = wij hebben den candidaat toegelaten; Vou cannot â this lor a good coin = gij kunt dit niet als goed geld uitgeven; Let us â that = zwijgen wij daarvan, laten wij dat over het hoofd zien: The hill was âed = het wetsontwerp werd aangenomen: The property, âcd under the will, was very large == bij testamentaire beschikking gemaakt; The bill ol' tW I. shall be â ed to the credit ol' your own account = zal op uw crediet worden gebracht: They âed base coin = zij brachten valsch geld'in omloop; The Judge âed sentence on the criminal = sprak het vonnis uit over den beschuldigde: That cannot â muster = dat kan er niet door. den toets niet doorstaan: But let that â = maar... laten we daar niet meer van spreken: lie said it in âing = in 't voorbijgaan; Who brought it to â ? = wie heeit dat veroorzaakt, gedaan: It came to â = het gebeurde: â along that hedge = ga langs die heg; â away, please = ga daar uit den weg; His life was âed away in the country = werd buiten doorgebracht; lie âes for a clever man = hij gaat voor een knappen vent door; âon, please = door-loopen, alsjeblieft; I âed that over = dat heb ik over het hoofd gezien, overgeslagen; He âed up coppers to the conductor = overhandigde; This Judgment was âeil upon him = dit oordeel werd over hem uitgesproken; âhook = bestelboekje, bankbook: âkey = looper (op alle sloten passende sleutel):' â paper = schriftelijke examenopgaaf: âman = geslaagde (tegenover classman = de met grooten lof geslaagde); âport == paspoort; âword = afgesproke:: woord, wachtwoord; -able = gangbaar, dragelijk, ontvangbaar, begaanbaar; âer = die passeert; âer-by = voorbijganger; âing, subst. voorbijgang.Verloop: adj. voortrefi'elijk. uitstekend, in hooge mate; âing-bell = klok, voor een stervende geluid; âing-note = overgangstoon (muz.). Passage, pusidz, doorgang, uitgang, binnenkomst, gang, weg, aanneming (eener wet), gedeelte (van een boek), ontmoeting, treklust, (prijs voor) overtocht, gebeurtenis: Had you a good â ? = hebt ge eene goede (zee)reis gehad; Birds ol' â = trekvogels: They indulged in liequent âs of words = zlj gaven zich over aan herhaalde woordenwisselingen; âmoney = passagiersvracht. Passant,pas'nï,loopend: Lion â = loopende leeuw (tegenover Lion coiichant en Lion rampant: heraldiek). Passenger, pas'ndzd, passagier, reiziger; âcarriage = passagierswagen; âtrain = personentrein; Kfleets of âs = passagiersgoed. Passerine, pasdramp;in, tot de musschensoort behoorende. PasMillora, pasipórd, genus der passiebloemen. Passim, pasim, hier en daar, telkens. PaHsion, paamp;n, het lijden (vooral het laatste lijden des Ueeren), hartstocht, toorn, smart, geestdrift, vuur: He was in a towering â = hij was in hevigen toorn ontstoken: He flew into a â = werd woedend, boos; Don't give way to â = laatu niet door drift medesleepen: I own to a â for her = ik beken dat ik haar vokaal (zie asleep en care)', girl; v/ear = jia; liin; thxxs = dims; wine. |
PASSION-FLOWER.
330
PATRONAGE.
The dress was âed up = in haast en
slordig opgelapt; The piaster is â ing ofl'
the walls = de kalk valt bij stukken van de muren; âed; âer; âock = lummel, verachtelijke vent; ây; âwork = lapwerk. Patchouly, patéuli, geurige plant of olie. Pate, pei't, kop: He broke his â = kreeg een gat in zijn hoofd: âd(insamenst.,zooals; curlâd).
Patella, pdtelo, knieschijf; Patelliform.
Paten, paVn, de (bij avondmaal of mis) voor do hostie of het brood gebruikte schotel. Patent, peWnt, subst. octrooi, vergunning, schenking door de kroon v. een adellijken titel: Why do you not take out a â for your invention's: waarom neemt ge geen octrooi voor uwe uitvinding; adj. openbaar, duidelijk, toenemend: DiMsensions were becoming â to the household = geschillen namen steeds toe in het gezin; â verb, octrooi verleenen. door een octrooi zich verzekeren; âleather = verlakt leder; âollice = bureau dei-octrooien; ârolls = register der ingeschreven octrooien; âyellow = gele verfstof; âable = waarvoor octrooi kan worden genomen; âee, peïVntt = gebreveteerde.
Patera, pafóra, ronde schotel, plat friesornament. Pater, peitd, âouwe heerquot; (Zie Mater); â familias, peitofamiljds, huisvader; ânoster. peitmoste, het âOnze Vaderquot;, rozenkrans: ânal, pdtvn'l, vaderlijk, erfelijk; ânity, pdlnniti, vaderschap.
Path, piïlh, subst. pad, begane weg, spoor, levensweg, gedrag, daad; â verb, wandelen: â lens; âway = voetpad. Pat hetic(al),pégt;V/icïiA:(7), gevoelvol,aandoenlijk. Pathogeny, pdthodidni, ziekteleer. Pathology, pdtholddtl, ziektenkennis; Pntho-lorjic(al); Pathologist = patholoog.
Pathos, peithos, gevoel, hartstocht. Patience,pclt;£'ns, geduld, volharding, lijdzaamheid: 1 am out of â = mijn geduld is op: Take â = heb geduld; Patient, pe/s'aiï, lijder, patient; adj. geduldig, lijdzaam, kalm, toegevend, volhardend, taai; \Vhat is death to the patient is profit to the physician = den een zijn dood is den ander zijn brood. Vi\i\ni%,pf)tino, knieschijf, groene roest op brons. Patriarch, peitriiik, aartsvader, eerwaardige oude, metropolitaan (Grieksche kerk); âal. peitriak'l, aartsvaderlijk; âate = patriarchaat = âship.
Patrician, patriè'n, subst. patriciër, rijk edelman; adj. patricisch.
Patriek, patrik, Patricius.
Patrimony, patr'mwni, vaderl. erfdeel, nalatenschap, schenking; Patrimonial,patHmoto?//, tot het vaderlijk erfdeel of de nalatenschap behoorende.
Patriot, peifr/a/,subst. echt vaderlander, patriot: adj. vaderlandslievend; â ic,pei-ofpaïHoric = vaderlandslievend: âism = vaderlandsliefde. Patristic, pdtristik, tot de Kerkvaderen behoorende.
Patrol, pdtroul, subst. patrouille, ronde, agent op post; â verb, patrouilleeren, de ronde doen. Patron, peitr'n, subst. beschermer, bevorderaar, voorstander, beschermheer, beschermheilig»': adj.beschermend,bescherm...;âage,?;ei/r^«/'/--bescherming, bevordering, begiftiging (met een
man; ask = ask; farm = fiim; b?/t = but; learn = l«n; line = lain; ho^se = haus; net: â care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = lo: lord = löd; bo// = boi;
bemin; â(lower = passiebloem; âplay = passiespel: â Sunday = Zondag vóór Paschen; âtide = lijdenstijd;* âweek = lijdensweek, week voor Paschen; âate â hartstochtelijk, driftig, oploopend, medelijdend; âateneHH; âiwl» = strenge godsdienstige orde der R. Katholieken; âIe»».
Passive, pasiv, lijdend, voor indrukken vatbaar, onderworpen: âobedienee = onvoorwaardelijke, lijdelijke gehoorzaamheid; â verb = lijdend werkwoord; âness.
I'assover, püsouvd, Joodsch paaschfeest (ter herinnering aan den dood der eerstgeborenen bij de Egyptenaren, terwijl hunne eigen kinderen gespaard werden), paaschlam; âcake, âbread = Paasch brood.
Past, past) subst. voorbijgegane tijd, vroegere toestand; adj, voorbij(gegaan), verleden, door- ' gebracht, onovertroüen: lie is a â master in villainy = hij is onovertroflen in schurkerij; adv. enfprep. over, overheen, te boven, voorhij : He eame â our house = langs ons huis; He was â that now = daar was hij nu overheen: â eonipreliension = alle begrip te boven gaande; â hope = hopeloos; The patient is â eure = onherstelbaar, ongeneeslijk: Hall' â lour = half vijf; 1 am â marrying te oud om te trouwen.
I'aste, pcist, subst. deeg (voor pasteien, taarten, enz.), composite voor het maken van onecht edelgesteente, iets onechts; A pair of eardrops of glittering; â = een paar simili oorknopjes: â verb, vastplakken, beplakken, een pak ransel geven; âhoard = bordpapier, plank om deeg op te rollen; Pasty, subst. pasteitje; adj. als deeg (slap en bleek): A ây-faeed youth = bleeke jonge man.
Pastel, weede (plant), pastel.
Pastern, pasten, hiel van een paard: âJoint = hielgewricht.
Pastil, pastil, Pastille, poslil, pastille.
Pastime, pamp;staim, tijdverdrijf, genoegen.
Pastor, püstó,(geestelijk) herder; âlike: âal, subst. idylle, landelijk gedicht, herdersdicht, herderlijk schrijven, pastorale (muziek); adj. landelijk, herderlijk; âalisin = herderlijke omgeving of natuur; âate = herderlijk ambt = âsliip; âless.
Pastorale, pasterdld, pastorale (muz.).
Pastry, peislri, gebak, pastei; âeook = pastei- of banketbakker.
Pasture, pdstjd, subst. weide, gras; â verb, weiden, grazen; Pasturable: Pasturage, pamp;stjerklz. het (vet)weiden, weiland; âless.
Pat, pat, verk. van Patriek, Ier.
Pat, pat, subst. tikje, klapje (met de hand), opgemaakt stuk boter: adj. geschikt, net van pas: lie said the words â olf = glad achter elkaar op; â verb, zachtjes tikken of kloppen; He âted little children on the head = hij tikte (bij wijze van streelen) kindertjes op het hoofd; âness = juistheid, gepastheid.
Patagonia, /?ategotwjd.
Patch, pats, subst. lap, stuk, moesje, stuk of lapje gronds: This coniedian is not a â upon his fellow-artist = deze(blijspel)speler haalt in de verte niet bij zijn kunstgenoot; She laid on âes and made herself ridiculous = zij zag er belachelijk uit met hare schoonheidsmoesjes; â verb, lappen, samenflansen:
PEACOCK-FISH.
PATKON ESS.
331
|
kerkelijk ambt): âal = beschermend: âesw = beschermvrouw; âize,beschermen, begunstigen; â izer: âles». Patronyinir. putranimik, subst. geslachts- of familienaam; adj. v. een voorvader verkregen (naam): âal. ratrooii. patrün, erfpachthouder (Am.). Patten, pat'n, houten zooi op ijzeren ring, onderlaag v. een muur, onderste ring v. eene zuil. Patter, patd, kletteren, ratelen, klateren. Pattern, paton, subst. model, patroon, voorbeeld, staal; â verb, bespikkelen, bezaaien: The streets were starreil and âeil with lights. Patty, pati. fam. voor Mathilda of Hlartha: pasteitje: âpan. Patulous, patjnlds, gapend, uitgespreid. Paucity, /tósiti, geringheid, kleinheid. Paul, /3o/, Paulus; âine, pólain. Paulinisch; âet, póldt; âine. polin. Paulina. Pannt'ii, pons, buik. pens. balg; Bow-âed = met ronden buik. Panper. pOpd, arme, bedeelde; âism = de bedeelden, armoede: âize = tot diepe armoede brengen. Pause, póz, subst. rust, verpoozing, afbreking, wachtteeken, gedachtestreep: Sneh things ninst give a sensible man â = brengen een verstandig mensch tot nadenken; lie stood in â = twijfelde, weifelde: â verb, rusten, verpoozen, wachten. Pave, peir, bevloeren, plaveien: I have âd a way lor yon = ik heb je al een weg bereid, je de introductie gemakkelijk gemaakt; âinent = bestrating.plaveisel; Pootâment = trottoir, kleine steentjes: â r = straatmaker, groote (platte) straatsteen; Paving = het straat-maken, plaveisel. Pavilion, pevilfn, tent, tijdelijke woning, paviljoen, vlag. Pavior. Pavier, peivja, straatmaker, heiblok. Pavo, peivon, sterrenbeeld (Z. halfrond), genus pauwen; â n = ouderwetsche majestueusedans; ânine, pavonn'm, met vele kleuren schitterend (als een pau westaart). Paw, pó, subst. poot met klauw, hand; â verb, (met den voorpoot) krabben (v. paarden), ruw aanpakken, llikflooien. Pa wem, póani, aangenaam gedeelte, in een boek tusschen zwaardere kost ingelascht. Pawky, póki, slim, sluw, schalks(ch): lie takes a â view ol' things. Pawl, Paul, pol, pal. Pawn, pón. subst. pion (schaakspel), pand: I have given my wateh in (at) â = als pand gegeven: â verb, verpanden; âbroker = lombardhouder: âbroking = het houden v. een lommerd: âer; âhouse: âtickets with the equity ol'redemption = lommerdbriefjes met het recht van wederinkoop. Pax, paks. Zie Oscillatory, subst. Pax(y)-wax(ygt;, paks(i)waks{i), sterke, dikke nekspier (bij viervoeters). |
Pay, pei, subst. betaling, loon, soldij: lie is on hall* â = op nonactiviteit; lie stands in in the â ol' traitors = hij is de loonslaaf van verraders; â verb, betalen, vergoeden, kwijten, harpuizen: When he came home there was the devil to â = toen liij thuis kwam, hadt je het âspulquot; gaande, waren de poppen aan het dansen: Why don't you â attention? = waarom Iet ge* niet op; Von â him a bad compliment = gij maakt bem een leelijk kompliment; I paid him a visit = bracht hem een bezoek; lie got well paid = hij kreeg het goed betaald; He robs Peter to â Panl = hij stopt de eene schuld met de andere; The business does not â = kan niet uit, rendeert niet: He paid his addresses to my sister = hij maakte mijne zuster het hof: \Vho is to â the piper? = wie zal dat betalen; II' yon don't wish to get into debt, yon must â your way = als ge niet in schulden wilt komen, moet ge de tering naar de nering zetten: You will have to â down = gij zult moeten opdokken, contant betalen: Will you â lor the book? = het boek betalen': He paid lor his treachery with his life = hij boette -ijn verraad met zijn leven; I have paid him off = bet voile bedrag uitbetaald; â him on = sla er op. raak hem; I have paid him out = het betaald gezet, gestraft: â out more cable = vier meer kabel: We had to â through the nose = wij moesten schandelijk veel betalen, ons werd het vel over de ooren getrokken; I want to â up my arrears = ik wensch mijne achterstallige schuld te betalen: âroll, âbill = betaalsrol; âbox = loket, plaatsbureau (theaters); âday = traktementsdag; âmaster = betaalmeester, kwartiermeester; âolTice = betaalkantoor: âable = betaalbaar: âable at sight to !\Ir. or order = betaalbaar op zicht aan den heer X. of order; âee, pdii, wien betaald wordt: âer = betaler: âment = betaling, loon: He lias stopped âment = zijne betalingen gestaakt. Paynini, peinini, heiden. Paynize. peinaiz, hout voor bederf bewaren door eene injectie van zekere oplossing. Pea, pi, erwt: They are as mncli alike as two âs (in a pod) = zij lijken als twee droppels water op elkaar: â(s)-cod, âshell = erwtendop; ânnt = aardnoot; âse, piz, erwten; â-soup = erwtensoep. Peace, pis, vrede, rust, kalmte, harmonie: They are at â = zij zijn verzoend; 1 am not atâ with mysell' = met mijzelf niet eens; Hold your â* = houd je stil; They kept the â better than I had expected' â zij hielden zich rustiger dan ik verwacht had: He promised to keep the king's (queen's) â = om de orde niet meer te verstoren; He was sent to â, is at â = hij werd gedood, is dood; â there! = stilte daar; âbreaker = rustverstoorder: âmaker = vredestichter: âoflering = zoenolïer; âolTicer = dienaar v. h. gerecht; âparty = vredepartij; âable = vreedzaam, vredelievend; âlui = vredig, kalm, stil: âless = rusteloos, woelig. Peach, pits, subst. perzik; âcoloured = perzikkleurig: He is no small âes of an artist = als kunstenaar is hij geen kwajongen, neemt hij een hoogen rang in: â verb, aanklagen, verklappen: Speak, or I'll â = spreek, of ik getuig tegen je, verklik je, geef je aan. Peacock, pikok, (mannetjes)pauw; Peahen = wijfjespauw: Peachick = jong van een pauw; Peafowl â pauw; âlisli = schitterend |
|
bone = boun: full; fool = ful; a long = loij; slüp = sip: occasion = = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = Jia; okeiz'n: thin: thus = dlirs: wine. |
PEACOCK-HANGINGS.
PEERAGE.
332
gekleurde visch; âliaiigings = schitterend, were rampnnt = verduistering van toever-
rijk gekleurd behangsel. trouwde gelden was algemeen, en misbruiken
Pea-jacket, pidzakdt, jekkertje, pijjekker. vermeerderden steeds; Peculator.
Peak, pik, subst. piek, spits, purit, klep of luifel Peculiar, pdkjülia, subst. uitsluitend eigendom
(van eene pet), gaffel: â verb, kwijnen: er of recht; adj. eigenaardig, bijzonder, persoonlijk:
ziekelijk uitzien, (eene ra) oploppen; âed = Thi» wine lias a â llavoiir = deze wijn heeft
met een punt: âed beard = puntbaard:} een gansch bijzonderen smaak (en geur); âity,
âed-up persons = stijve, opgeprikte perso- pakjüliarlti, eigenaardigheid, bijzonderheid.'
nen; ây = met eene piek of spits. Pecuniary, pdkjilnidri, geldelijk, tot geld be-
Peal,subst. geratel, donderslag, klokgelui: j hoorende* of betrekkelijk: In â trouble»,
The âh were rung = er werd op de klokken dil'ücultieH = in geldelijke moeilijkeden:
gespeeld, klokkenspel weerklonk; â« olquot; Pecuniarily it is no objert = uit een
laughter, of tliuiifler = schaterend gelach, geldelijk oogpunt kan het wél.
ratelende donderslagen; â verb, luide doen Ped, ped, kleine pakzadel, groote mand.
weerklinken of weergalmen: The heil» âed Pedagogue, peddgog, onderwijzer, schoolvos;
lorth their merriest mmiikLs = de klokken Pedagogical, ped^yodzikC I), pedagogisch,
deden hare vroolijkste klanken hooren. onderwijskundig; Pediig«»gics, pcddgodziks,
Pear,pêa,peer; âtree; âniain = peerappel, opvoedkunde, pedagogiek; Pedagog{u)}sm.
Pearl, pvl, parel, iets parelachtigs, cataract (op Pedal, ped'l, subst. pedaal, voetklavier; adj. tot
het oog, ook âeye), diamantletter: .Mother den voet behoorende: ânote = aangehouden
of â = paarlemoer; That's casting âs to toon; âpipes (ol* an organ).
(helore) the swine = dat is paarlen voor de Pedant,?jecrnï,schoolvos, pedant man:âic(al), zwijnen gooien; The girl strung her beads pddantik{'l), verwaand, pedant; âry = verand âs = rijgde hare kralen en paarlen: â waandheid, overdreven vormelijkheid.
verb, met paarlen tooien, beperelen; âash Peddle,ped'/, rondventen, meteen marsloopen,
= ruwepotasch; âbarley = geparelde gerst: zich met beuzelarijen ophouden; â r = mars-
âdiver = parelvisscher; âeye(dgt; = (met) kramer (Z. Pedlar); Peddling = beuzelachtig,
een cataract op het oog: âliHhery = plaats onbeteekenend.
waar gevischt wordt naar âoysters = parel- Pedestal, perfasiV, voetstuk: â writing table
oesters; âshell = parelschelp: âstudded = âbureau ministrequot;.
= met paarlen bezet: âwhite = parelwit: Pedestrian,parfcsfr/an, subst.voetganger,kras
âed = op paarlen gelijkend, met paarlen bezet; looper; adj. wandelend, te voet gaande: âism
ây = parelachtig, vól paarlen. = de gewoonte van wandelen, wandelwedstrijd.
Peasant,pez'nt, subst. en adj. boer(sch ); âlike hardloopwedstrijd.
= boerachtig: âry = boerenstand. Pedicel, pedis'I, bloemsteel; âlate. pediselit,
Peat, pli, turf (ookâ⢠coal): âbog,âmoss â op een steel gesteund.
veen; ây = uit turf bestaande, turf bevattende. Pedigree,/jed/'/n, stam-of geslachtsboom, stam.
Pebble, peWl, kiezelsteen (= âstone), agaat, Pediinent, pedbrint, frontespice.
doorschijnend rotskristal (= âcristal); âd, Pedipalp, pedipalp, soort van spin.
Pebbly = vol kiezelsteenen. Pedirenie, pedirbn, schelpdier, dat met de
Percab'le. pekaVl, geneigd tot zonde; Pecca- pooten roeit.
biUtg = geneigdheid tot zonde: Percadillo, Pedlar, Pedler, pedlo, marskramer; ây =
péfrat/f/ojt, kleine zonde, pekelzonde; Peccancy, marskramerij, kleine koopwaren, bedriegerij.
pekdnsi, zondige staat, zonde, slechte hoedanig- PedobaptiNin, pidonbaptizm, kinderdoop,
heid; Percant = zondig, bedorven, slecht. Fedometer./wt/omafó,pasmeter,afstandsmeter.
Peccavi, pekelvi, ..ik heb gezondigdquot;, schuld- Peduncle, pddnnftl, bloemstengel; l'eduncu-
belijding. lar, pddm\kjiild, Pedunciilate(d), pddm\kju-
Peck, pek, subst. 1/4 v. een bushel, pik of stoot leit(id), uit den stengel groeiend, van een
met een snavel of scherp werktuig, groote hoe- stengel voorzien.
veelheid: it gave ine a â oi'trouble = eene Pecker, piko, indringer, binnengluurder.
heele portie last; We had to keep thein, â Peel, pil, subst. schieter (van bakkers), fort,
and perch, all the year round = wij moesten versterkte toren, blad van een roeiriem; â
hen het gelieele jaar door onderhouden (te eten verb, schillen, afschillen, ontkleeden, van de
en te slapen houden); â verb, pikken, met bovenkleederen ontdoen, plunderen; âed =
den bek of snavel slaan, eten: She âed at kaal, gladgeschoren: -er,schiller,(afjstrooper,
her chop = knabbelde aan, at met kleine klabak (i. e. politieagent); âings = schillen,
beetjes van; She âed up all the cruinbs Peep, pip, subst. gepiep, het eerste opdagen
zij raapte (pikte) al de kruimels op; -er = of verschijnen, gluren, sluwe blik: At the â
specht, snavel, hoofd: Keep your âer up, olquot; dawn = bij het gloren van den dag; â verb,
there is nothing lost yet = houd moed, nog piepen, gluren, gloren, aanbreken, sluw kijken
is er niets verloren; âalley = keel(gat). (met kleine oogen); âbo = kiekeboe!;âhole
Pectin, pektin, doorschijnend sap van rijpe = kijkgaatje; âo'-day boys = lersche op-
vruchten; Pectic = uit P. getrokken. standelingen (1784); -âshow = kijkkast:
Pectinate(d), pektineit{id), als de tanden van âer = pas geboren kuiken, gluurder, kijker,
een kam. oog: lie struck my right -er = sloeg mij
Pectoral, pektorl, subst. borstmiddel,borstlap, in het rechter oog; Single âer = éénoog:
borstbedekking (v. een hoogepriester), borstvin; âing Tom = nieuwsgierige.
adj. voor de borst, borst..: â lin. Peer, pio, subst. hoog adellijke, pair, gelijke.
Peculate, pekjuleit, geld verduisteren; Pecu- makker; â verb, gluren, zijn neus steken in:
lation: Pecniatioii was rife, and abuses âage = pairschap, de hooge adel, boek met
man; «sk = ask; farm = fiim; bui = but; learn = hm; line = lain; bowse = haus; net; care = kèd; fate = feit; tin; «sleep = «slip; not; \aïv = ló; lord = Hid; hoy = boi;
PENNY-WEIGHT.
333
PEERESS.
|
bijzonderheden van den adel: âesw = adellijke dame, vrouw van een peer; âIcsslness) = weergaloos(heid). Peevish, pivis, gemelijk, knorrig; âness. Peewit, /Aivit, kievit. Igt;K. peg, subst. verk. van Margaret, kap, stap, graad, rang, pen of pin, excuus: I'll fake (pull) him down a â or two = ik zal hem een toon of wat lager doen zingen; â verb, met pinnen vastmaken of merken: 1 have âged two far you = twee voor u aangezet; lie was âging away at his translation = hij werkte hard aan zijne vertaling: âs = broek van boven zeer wijd, van onderen zeer nauwsluitend; âtop = priktol. Pegasus, pegdsas. Pegasus, dichtgave. Peggoty, pegdti. Pek in, pikin. Pekoe,' pekoii, Pecco-thee. Pelagian, poleidzon. aanhanger van Pelagius, die de erfzonde ontkende; adj. tot den oceaan behoorende = Pelagic, paladzik; âism. Pelargoniuni, peldyonnf m. genus geranium. Pelasgi, polaz'lzai, Pelasgen; Pelasgic. Pelerine, pelorin, pelerine. Peltquot;, /iel}', âduitenquot; (verachtelijk): It was the â that got her a hiishand = zij kreeg een man om haar âmoppenquot;. Pelican,pelikaan, instrument(tandarts). Pelisse, polis, dameskleed: zware mantel. Pell, pel, huid, vel, perkamentrol; âagra, pefogro, huidziekte: âiele = vliesje. Pellet,balletje: âverb, tot balletjes maken. Pellitory, pelitdri, muurkruid. Pellmcli, pelmel. in groote verwarring. Pclhicid,?;e//igt;s/d. helder,doorschijnend;âness, âity, peljusiditi. Pelt. pelt, subst. vel, vacht, ruwe huid; â verb, gooien, werpen (met steenen, enz.), kletterend neerkomen (van regen en hagel); âmonger = handelaar in huiden en vellen; âwool = wol (van doode schapen); âer; âry = pelterij, huiden. Peltate(d). pelteit('ul), schildvormig. Pelvis, pelvis, buikholte. Peiiibroke. pembruk. Peiiiinicaii, pemik'n, gedroogd en tot koeken geperst vleesch, iets zeer voedends in een klein bestek: This booklet is historical â. Pen, pen, subst. schaapskooi, hok, perk, pen, veder, (schoonschrijver: Slip of the â = fout bij het schrijven, wat onwillekeurig uit de pen vloeit: These âs have hard, soft nihs = dit zijn pennen met harde, zachte punten; I want this â mended = ik wou deze pen vermaakt hebben; â verb.opsluiten, schrijven, opstellen; âcase = pennenkoker; âcraft = schrijfkunst, schrijftalent; âiisfi = pijl-inktvisch; âholder '= pennehouder: âknife = pennemes; ânian = schoonschrijver, leeraar in 't schrijven; âinanship == schrijfkunst, manier van schrijven: âniforni = vedervormig; ânigerons, poniclzdrds, vee-ren dragend: âwiper = pennenwisscher. Penal, ptnal, straf..., straf opleggend: â servitude = dwangarbeid; â code = wetboek v. strafrecht; â laws = strafwetten; â settle-inent = strafkolonie; âty, pen'Ui, wettige straf of boete, extra gewicht op een renpaard; â ize = strafbaar stellen: Abstention of voting ought to be âized = onthouding |
van stemming moest strafbaar gesteld worden: Penance, pendns, straf, boetedoening, het sacrament van vergeving van zonden. Penates, poneitiz. Penaten of huisgoden. Pence, pens, stuivers (als verzamelwoord): St. Peter's â = Pieterspenning. Pencil, pensil, subst. penseel, potlood: A â of rays = stralenbundel; â verb.schilderen, teekenen, met een potlood merken: âcase = potloodhouder; âled; âpointer = potlood-scherper of -punter. Pendant, pewCnt, oorbelletje, medaillon, wimpel, pendant (tegenhanger). Pendency, pemCnsi, het hangen, onzekerheid, opschorting, duur van een proces; Pendent = overhellend. Pendennis, p'ndenis. Pendentive. p'ndentiv, gedeelte van het gewelf, dat op liet steunsel rust. Pending, pendin. adj. hangende, onbeslist; prep. gedurende: â the inquiry = gedurende â het onderzoek. Pendragon, pendragon, opperste koning bij de Oude Britten: âship. Pendulous, pendjuhs, hangend, slingerend, trillend: lie had a â excrescence on his nose = hij had een trillend uitwas op zijn neus; -ness; Peiidiiluin, Tm, slinger (klok). Penelope, pdneldpi. Penetrable, pen#trol/1. doordringbaar, voor indrukken vatbaar; Penetrability = doordringbaarheid; Penetralia, peno treil jo, binnenste van huis of tempel, geheimen; Penetrate. penotreU, doordringen, doorgronden; Penetrant, Penetrating = doordringend, fijn onderscheidend; Penetration, pendtreiamp;n, het doordringen of doorgronden, scherpzinnigheid: Penetrative, penatreitiv, doordringend. Peiunin, pengwin, vetgans. Peninsula, paninsiute, schiereiland; âr = van of in den vorm van een schiereiland: The âr War = de oorlog in Spanje en Portügal tegen Napoleon I. Penitence, berouw, boete; Penitent. subst. boetvaardige, boeteling; adj. boetvaardig, boete doende; Penitential, penitensl, subsi, boeteboek (ten behoeve van biechtvaders): adj. berouwhebbend, boetvaardig: Penitential Psalm = boetpsalm; Penitentiary, peni-tenèdri, subst. verbeterhuis (vooral voor zondige en gevallen vrouwen), voorzitter van het hof, dat over dispensaties en boetedoeningen beslist; adj. boetvaardig. Pennant, pen'nt, vlaggetje, wimpel. Pennate(dgt;, peneit{id), gevleugeld. Pennon, petin, vlerk, wiek, wimpel. Pennsylvania, pensilveinj,'. Penny, peni, 1/12 van een shilling, stuiver, kleine som gelds: A â saved is a â gained = een st. gespaard is een st. gewonnen; I will try to turn a â = ik wil probeeren een duit te'verdienen: In for a â, in for a pound = komt men over den hond, dan komt men over den staart; A â at a time = zachtjes aan. geleidelijk; âa-liiier = loon-, broodschrijver: âa-liiiing = broodschrijverij; Penniless; âroyal = polei (plant, soort van munt): âwedding = bruiloftsfeest, waar de gasten bijdragen tot de onkosten; âweight = 24 |
bone = boun: full; fool = fiil; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = ji9; long = loij; shift = sip: occasion = okeiz'n; thin; thus = dlius: wine.
PENNY-WISE.
334
PEKFECT.
|
grein Troy (zie dit woord): âwise = krenterig: âwise mid poumM'ooliNli = zuinig op de centen en royaal met de tientjes; âworth, pendth, peniivxith, voor de waarde van een stuiver, iets ge- of verkochts, koop, kleinigheid: You have got there a poor âworth = ge hebt u daar leelijk in den nek laten zien. Pensile, pensil, hangend: âness. Peiision, penamp;n, subst. pensioen, geld betaald in plaats van tienden, kostschool of kosthuis (in deze beteekenis: pansioix); â verb, pension-neeren: lie was âed ofl* on another post = hij kreeg pensioen en werd in eene andere betrekking geplaatst; âary, subst. gepension-neerde, pensionaris; adj. door een pensioen onderhouden, als pensioen: âer = gepension-neerde, iemand die geldelijke ondersteuning geniet; (â entleinanâer = lijfwacht des konings bij plechtige gelegenheden. Pensive, pensiv, peinzend, somber, zwaarmoedig; â ness. Penstock, penstok, valdeur (van sluizen). Pent, pent, opgesloten: â-house = schuur, afdak; âroof = dak, waarvan slechts ééne zijde helt. Pentachord, pentdköd, vijfsnarig instrument. Pentacie, pentdk'l, figuur van vijf lijnen = Pentagra.m. Pentadactyl(ous), pentddaktil(ds), met vijf vingers of' teenen. Pentagon, pentdg'n, vijfhoek, lort met vijf bastions; âal, p'ntagon'l, vijfhoekig. Pentagraph, pentdgraf, teekenaap. Pentahedral, pentdhidr'l, met vijf gelijke zijden; Pentahedron, pen tdhidr'n, regel matige vijfhoek. Pentauieter, p'ntamvtj. vijfvoetige versregel. Pentarchy, pentdki, vijfmanschap. Pentaspei'inoiis, pentaspumzs, vijfzadig. Pentastich, pentdstik, vijfregelig 'gedicht. Pen tasty Ie, pentostail, ingang met vijf zuilen. Pentateiich, pentdtjük, vijf boeken van Moses. Pentecost, pentdkost, (Joodsch) pinksterfeest: âal, pentdkostl, tot Pinksteren behoorend. Pennlt, pinvlt, Peniiltima, pinnltinid, Ptmul-timate, tweede lettergreep van achter. Pennnibra, pdnnmbro, bijschaduw, grenslijn van licht en schaduw. Peniirions, ponjiirids, vrekkig, gierig, verachtelijk, schraal, karig; âness; Veuury,penjuri, diepe armoede, volslagen gebrek. Peon, pt.m, Indisch soldaat, Mexicaansche slaaf of arbeider, pion (schaaksp.). Peony, pfoni, pioen. People, pip'l, subst. natie, volk, geslacht, ras, menschen, bedienden: The â = de groote hoop,gepeupel; Myâ = mijne familie; One^s own â = iemands bloedverwanten; â verb, bevolken. Pepper, pepd, subst. peper: â and salt = zwart en wit, gemengdkleurig; â verb, peperen, gooien (metsteenen, enz.), ranselen; --box = peperbus; âcake = peperkoek; âcastor â peperstelletje; âcorn = peperkorrel, iets van zeer geringe waarde: He received the l'ann rent-free or at a âcorn = hij kreeg de pachthoeve zonder huur, of voor eene nominale huur = at âcorn rent; âmint = pepermunt; âsauce = gepeperde zure saus; |
âwort = peperkruid; ây = gepeperd, scherp, driftig, heet gebakerd. Pepsin(egt;, pepsin, pepsine. Peptic, peptik, de spijsvertering bevorderend, met goede spijsvertering; âs = spijsverteringsorganen, middel ter bevordering of wetenschap der spijsvertering: âity,p^)r*sifj, goede spijsvertering, opgewektheid, levensfrischheid. Pepys. peps. Per, pv, per, dooi: â cent. = percent; As â inargin = volgens aanteekening op den rand. Peracnte, pvrdkjnt, zeer scherp. Pe rad ven t ii re, perodven tj,\ m i sschien ,toe vallig. Perambulate, pnrambjuleït, door-, rondwandelen; Perambulation = doorwandeling, rondgang, inspectie, schouw; Perambulator = kinderwagen, rondwandelaar, afstandsmeter. Perceive, pdsiv. waarnemen, bemerken, inzien, onderscheiden; Perceivable = waarneembaar; âr. Percentage, pdsentidz, ten honderd,percentage. Percept, pnsapt, waarneembaar iets, iets reëels: Snow is a â, the white of snow a concept = sneeuw is iets reëels, de witte kleur ervan bestaat niet op zichzelf, maar wordt er aan waargenomen; âibility = waarneembaarheid; âible, poseptWl, waarneembaar (voor = to); âion, pdsepamp;n, waarneming, begrip, gewaarwording: Range of âion = ruimte van opvatting of blik; â ive = vatbaar voor waarneming of gewaarwording; â ivity = waar-nemings-, gewaarwordingsvermogen. Perch, puts, subst. baars, stok, maat van öVi yards, stokje (in eene vogelkooi), hooge zit-of rustplaats: I am off to â = ik ga naar bed (kooi); â verb, als een vogel zitten of gaan zitten, op een stokje plaatsen; âer = groote altaarkaars. Perchance, pdtsüns, misschien, bijgeval. Percipience, pdsipj'ns, gewaarwording, waarnemingsvermogen ; Percipient, subst. denkend wezen; adj. waarnemend, bespeurend. Percolate,pwArateii, doorzijgen; Percolation = doorzijging, iiltreering; Percolator = filter, filtreerkoffiekan. Percursory, pdkvsdri, zeer vluchtig. Percussion, pdkvè'n, schok, slag, onderzoek (van eenig deel des lichaams. vooral borst en longen); âcap = slaghoedje; âlock = slot met slaghoedje; Percussive = schokkend, slaand = Percutient, pakjusdnt. Perdition, pddiamp;n, algeheele vernietiging of ondergang, verdoeming, verdoemenis. Peregrination, perdgrmeis'n, rondzwerving. verblijf buitenslands; Peregrinator: Perr-grine(-falcongt;, perogrinifók'n), trekvalk. Peregrine, perogrin. Peremptorv, per'mteri* volstrekt, beslissend. afdoende: )lis commands are^ â = dulden geene tegenspraak; Peremptoriness. Perennial, pdrenfl, subst. vaste, meer dan twee jaar levende plant; adj. onophoudelijk, een vol jaar durend, meer dan twee jaar durend (van planten). Pereration, perareiS'n, rondzwerving, rondreis. Perfect, püfdkt, ad), volmaakt, zuiver, zondci-gebreken, rolvast; â verb, volmaken, gehet l op de hoogte brengen; âer; Perfectibility = volmaking, volmaakbaarheid; âible, pafel-tible, volmaakbaar; â ion,volmaakt- |
man; rtsk = ask; farm = fiim; b«t = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = «slip; not; \aw = Id; lord = löd; hoy = boi:
PERPENDICULAR.
335
PERFERVID.
|
heid, uitstekendheid; lie perlonned toâion = hij speelde uitstekend, onovertrelfelijk; That approaches âion = dat komt de volmaaktheid nabij; âionist = die op zedelijke volmaaktheid boogt, of zedelijke volmaaktheid bereikbaar acht; ânews = volmaaktheid, volkomenheid. PeiTervid, pufnvid% gloedvol, vurig. Peiiidious, pdfidjds^ verraderlijk, trouweloos, bedriegelijk; âness; Perfidy, /ró/Wi,trouwe- . loosheid, trouwbreuk. Perforate, pw/jj-iï, adj. doorboord, geperforeerd. , met doorschijnende stipjes (van bladeren); â verb, (pnfdreit) doorboren , Perforation = j doorboring, gaatje: Perforator = perforeer-machine. Perforce, pdfös, met geweld, noodzakelijkerwijs. Perform, poföm, volvoeren, uitvoeren, volbrengen, vervullen, spelen (van kunstwerken, vooral drama en muziek; Zie Perfection); âable = uitvoerbaar; âance = uitvoering, daad, vervulling, opvoering: IVo âance to-dav = lieden geene uitvoering (voorstelling;; Morning-âance = morgenvoorstelling; âer = uitvoerder, volbrenger, acteur, speler, gymnast, etc.: 1 attended a âance of llanders Messiah: there were more than a tlion-sand âers = zangers en musici. Perfume, pvfjüm, subst. geur, reukwerk. Perfume, pdfjüm, geuren, met geuren doortrekken; âr; â ry = reukwerk(en), parfumerie. Pcrfunctory, pdfm\ktdri, zorgeloos, onachtzaam, luste'loos; verplicht; Perfnnctoriness. Perfusion, pdfjnzn, uitstorting, besprenkeling. Pergameneous, pryaminjds. met perkamentweefsel (pl.). Perganius, pngomds. Perhaps, pohaps of poraps, misschien. Peri, piri, gevallen engel. Perianth, perianth, bloemkelk. Periapt, periapt, amulet, behoedmiddel. Perihoios, pdHbdlos, hof om een tempel. Pericardium, periküdfm, hartvlies; Pericardial, Pericardial!, Pericardic, Pericardiac = tot het hartvlies behoorende; Pericarditis, periködaitis, hartvliesontsteking. Pericarp, peri kap. wat het zaad omsluit. Pericraniuni, perikreinfm, schedel- of pan-vlies. Perigee, peridz\, punt dichtst bij de aarde: Perigean, peridzidn. Pciigrapli, perigraf, vluchtige schets. Perihelion, perihtlfn, punt dichtst bij de zon. Peril, peril, subst. gevaar: You do it at your own â = ge doet het op eigen verantwoording en risico; â verb, in gevaar brengen, gevaar loopen: lie âled his happiness upon it = hij waagde zijn geluk eraan; âous(iiess) = gevaarlijk(heid). Perimeter, pdrimdtd, omtrek van een vlak. Period, ptridd, rondgang, tijdkring, aantal jaren, bepaalde tijd, duur, zin, punt: Poets of the â = dichters van onzen tijd; That put a â to our labours = dat maakte aan ons zwoegen een einde = brought them to a â; âic, piriodik, geregeld en gezet terugkeerend ; âical, subst. tijdschrift; adj. periodiek, perio-disch, tot een tijdschrift betrekkelijk; Periodicity = het periodiek zijn of terugkeeren. Perioeci, periisai, bewoners van dezelfde breedte maar op tegenovergestelde zijden dei-aarde. |
Periosteum, perioslidm, beenvlies. Peripatetic, peripatetik, subst. wandelaar: volgeling van Aristoteles; adj. rondwandelend, peripatetisch; âism = wijsbegeerte van A. Periphery, p?rifari, omtrek, oppervlakte. Periphrasis, parifrasis, omschrijving; Peri-phrastic{al) conjugation = omschrijvende vervoeging (gramm.). Peripneiimony, peripnjümoni, acute longontsteking. Peripolygonal, psHpaligaril, veelhoekig. Periptery. pariptori, afzonderlijke zuilenrij om een tempel. Periscii, parièiü\, bev/oners der Poolstreken. Perish, peris, omkomen, sterven, vervallen, vergaan; âable = vergankelijk; âableness, -ability = vergankelijkheid. Perispheric, perisferik, bolrond. Peristaltic, peristaltik, gekronkeld. Peristyle, peristall, open plein met colonnade. Pcritoneiim. peritantam, buikvlies: Peritonitis, peritanaitis, buikvliesontsteking. Periwig, periwig, pruik; âmaker. Periwinkle, periiu\i\k''l, alikruik, maagdepalm. Perjure, pvdza, subst. meineedige; â verb.een vaischen eed doen; âd = valsch gezworen: You are âd = gij hebt een meineed gedaan; âr = meineedige; Per jury, piidzari, meineed, meineedigheid, eedschênni's: Subornation of per jury = omkooping dei- getuigen opdat ze een val'schen eed doen. Perk, pvk, gluren, opsteken (van borst of ooren), gaan zitten (van vogels): She âed up her cap = hengelde naar een galant; ây = brutaal, levendig, druk. Perk in, piikin, soort v. peresap. Perlustration. pv.laslreiè'n, algehcele bezichtiging. Perinaiient, pvman'nt, duurzaam, bestendig; Permanence = duurzaamheid, bestendigheid. Permeable, pümiab'L doordringbaar; Pertneo-bility â doordringbaarheid: Permeate, pü-mieit, doordringen, vullen; Permeation. Permission, pamiamp;n, vergunning, verlof: lly (with) your â = met uw verlof; Permissible, jiamisiUl, toelaatbaar: Permissive = toestaand, veroorlovend: Permissive Bill = het recht van twee derden van de belastingschuldigen eener gemeente om het vergunningsrecht binnen haar grondgebied niet te verleenen. Permit, pnmit, verlof, geleibiljet. Permit, pamit, (stilzwijgend) veroorloven, toelaten, machtigen: I may be âted to say = mag ik zeggen?, het zij mij vergund te zeggen; The medical man would not â of any noise in the sickroom = de geneesheer wilde geen geraas in het ziekvertrek hebben; âter. Perniutable,/gt;aw7rtto67, verwisselbaar;âness: Permutation, pvmjuteië'n, verwisseling, omzetting. Pernicious, panièas, schadelijk, verderfelijk. Perorate, perarext, zijne redevoering eindigen: Peroration = einde der redevoering. Peroxidize, paroksidaiz, tot den hoogsten graad oxideeren. Perpend(ergt;, papend(a), streksteen, bindsteen. Perpendicular, ptp'ndikjula, subst. en adj. loodrecht(e lijn, loodlijn); Erect, let fall a â |
= boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl: //ear = jio: = loi^; s/iip = sip; occaston = okeii'n; thin; thns = dlivs; wine.
bone low/
PERPETRATE.
336
PEST.
|
= eene loodlijn oprichten, laten vallen; âity, lnqfndihjularili, loodrechte stand. rerpefrafe. pvpitreit, bedrijven, volvoeren: lie âtl a bad joke; Perpetration: Perpetrator = bedrijver, schuldige. rerpetual, pvpetjuol, eeuwigdurend, vast; â motion = perpetuum mobile; âwerew = schroef zonder eind; Perpetuate, pdpetjneit, vereeuwigen; Perpetuation', Perpetuity, /n';-potjüiti, eeuwigheid, de eeuwige duur. Perplex, pdpleks, verwarren, verlegen maken, ontstellen; âed; âeduews:âiiy = verlegenheid. verwarring, ontsteltenis. PerquiHite, pvkwisit, fooi, emolument (in deze beide beteekenissen gew. meervoud), waarop iemand recht heeft boven het gewone loon, (zooals: een kermislboi, een vrijen dag, etc.): The uurae takeH lier eveniiigH and Sun-dayM, which ih her lawl'ul â and due â de 'min (baker) neemt haar uit-avonden en vrije Zondagen, wsiarop ze wettig recht heeft. Perron, per'n, stoep (vóór het huis), bordes. Perry, peri, perewijn. Persecute, pvsdkjüt, vervolgen (om te plagen of te hinderen), lastig vallen; Persecution = vervolging (voor staatkundige of godsdienstige denkbeelden): Peraeciitor; Persecutrix. Perseus, pvsiüs. Perseus. Persevere, piisavfvolharden: Perseverance. Persia, pvèd. Perzië; ân, subst. en adj. Pers, Perzisch(e taal), soort v. dunne zijde: ân blinds = jalousieën; ân cat = cypersche kat: âii ponder = insectenpoeder; âu wheel = rad met aangehechte emmers om water te putten. Persiinmon. pvsim'n, Virginischedadelpruim. Persist, pasist. krachtig volharden, volhouden: lie âed with that subject = hield zich hardnekkig aan; âence, ency = groote volharding, koppigheid: âent = volhardend, vast, niet afvallend (v. bladeren). Person, pvs'n, persoon, mensch: Artificial â = zedelijk lichaam; lie came in â = hij â kwam zelf, in eigen persoon; There is nó respect of â s with («od = God kent geen aanzien des persoons; âage, pveonidz, gewichtig of voornaam persoon (ook schertsend: Though a headwaiter, he is a âage = een heel heer); âal, adj. persoonlijk: âal equation = persoonlijk verschil in juistheid van waarneming (Astron.); subst.goederen, roerend goed. persoonlijke invloed: âal estate = individualiteit = âality â persoonlijkheid: -alty = persoonlijke bezittingen, roerend goed: The new duty will be charged on both realty and âalty = de nieuwe belasting zal worden geheven zoowel van vast als van roerend goed: âate, ptisdneU, voorstellen, de rol spelen van, â¢in eens anders plaats optreden (vooral om te bedriegen, bij stemmingen, etc.): There are no actresses, women being alwaysâated = ze hebben geene tooneelspeel'sters, en | vrouwenrollen worden altijd door jongens of mannen vervuld: âation = het optreden in eens anders plaats met bedriegelijke oogmerken: âation is a dangerous game: âQtor â iemand die in eens anders rol of plaats optreedt: âiflcation = verpersoonlijking; âily, posonifax, verpersoonlijken. |
Perspective*, pf)S}gt;ektiv, subst. gezicht, verschiet, perspectief, perspectivische voorstelling: adj. de perspectief betreffende, optisch. Perspectograph, pvspektsgmf, instrument tot het mechanisch teekenen van voorwerpen in perspectief: ây, pvspdktogrdfi. Perspicacious, pvspikeiêds, schrander, scherpziend; âness. Perspicacity, pvspikasiti, helderheid, duidelijkheid,doorzichtigheid; Perspicuous, pdspikjuds, duidelijk, in het oog vallend (vooral op intellectueel gebied, terwijl conspicuous op werkelijk zichtbare voorwerpen betrekking heeft); Perspicnoiisness. Perspire, paspaL), uitwasemen, transpireeren: Perspirable = wat uitgewasemd kauworden; Perspirability = uitwasembaarheid: Perspiration, pvspireiamp;n, uitwaseming, zweet: Per-spirative. Perspiratory = uitwasemend. Perstringe, pdstrinz, ciïtiseeren, gispen. Persuade, pdsiueid, overreden, bepraten, brengen tot: 1 am âd that I am lost = ik ben zeker: âr: Persuasibleness, pa.s/reiriö'/nay, Persuasibility. pdsweizihiliti, overreedbaar-heid; Persuasive, pasweizii\ subst. beweeggrond, beweegreden; adj.overredend; Persuasion, pdsiueiz'n, overreding(skracht), geloof, vaste overtuiging. Pert, pvt. brutaal, vrijpostig; âness. Pertain, potein, behooren, betrekking hebben. Pertinacious, pttineiëds, hardnekkig, volhoudend, vastbesloten: âness. Pertinacity,puf/-nasiti, hardnekkigheid, halsstarrigheid. Pertinence, pntirins, gepastheid,geschiktheid, voegzaamheid; Pertinent = voegzaam, passend bij: That is not â to the matter under discussion = dat heeft met de onderhavige zaak niets te maken. Perturb(ate), pdtvb(eit). verstoren, verwarren, verontrusten; âation', âer. Pertuse(d), pdtj{is(t), doorboord, vol gaatjes. Pertussis, patnsis, kinkhoest. Peru, pirü, Peru; â vian, subst. en adj. Pern-viaan(sch); âvian bark = kinabast. Peruke, pavfik, pi'uik. Peruse, poruz, nauwkeurig lezen of kennis nemen van; Perusal = nauwkeurige kennisneming of lezing; âr. Pervade, pdveid, doordringen, vervullen: llis all pervading gooiincHs = zijne alles vervullende, zich tot alles uitstrekkende goedheid: Pervasion = doordringing. Perverse, paviis, hardnekkig, onhandelbaar, onhandig, dwars, knorrig: Perversity of â ness. Perversion, povvamp;n, verdraaiing, afwi.king, onhandigheid, verknoeiing, verkeerde toepassing, afval v. d. waren tot den valschen godsdienst: Perversive. Pervert, puvvt, afvallige (van den waren godsdienst), bekeerling (tot den R. K. godsdienst). Pervert, pdvvt, verdraaien, in de verkeerde richting leiden, misbruiken: It all came from love âed = het kwam alles uit verdwaalde, in verkeerde richting geleide liefde: âer. Pervious, pvvjdS, doordringbaar, toegankelijk: âness. Pesade, peseid, steigeren (van een paard). Pesky, peski, plagend, lastig vallend. Pessiniism, pesimizm, sombere kijk op de dingen, pessimisme; Pessimist, subst. pessimist: adj. pessimistisch = Pessimistic. Pest. pest, plaag, pestilentie, iets zeer onaan- |
man; r/sk = ask; form = fiim: b^t = but; learn = lèn; 1/ne = lain; howse = hans; net; ««re = kerf; f«te = feit; tin; asleep = rfslip: not; \aw = lo; lord = löd; hny = bói:
PHILADELPHIA.
PEST-HOUSE.
337
|
tfenaams: ââ¢Iioiim» = barak voor besmettelijke ziekten; âer = kwellen, lastig vallen; âerer = kwelgeest, plager: â il'eruiiN, pesti-j'drds. verpestend, aanstekelijk, schadelijk, kwaadaardig; âileuce = besmettelijke ziekte, pest; âilenf = schadelijk voor de gezondheid, zeden of maatschappij; âilential, pestilenö'l, besmettelijk, nadeelig, kwaadaardig. I'estle. /Jes7, subst. stamper (van een mortier): â verb, stampen. Vei, pet, subst. lievelingslam, lieveling, gunsteling, aanval van booze luim of gemelijkheid: lie invariably gut in a â at tliatjniiHiire = hij werd altijd boos op dat moment; adj. geliefd, vertroeteld; â verb, vertroetelen: âname = lievelingsnaam. feta!, pet'l, bloemblad: âine, /telalain, met een bloemblad verbonden: â iHin = verbanning (in het oude Syracuse): âonw = met bloembladen. IVtarOlgt;.pc/tfi(tf),springbus: lie was lioiMt(e(lgt; with lii» own â = hij viel in den strik, dien hij voor anderen had gespannen, fetasn*, petdsds, gevleugelde hoofdbedekking van Mercurius; vilten hoed (uit de klassieke tijden). Peter. /gt;?/lt;*. Petrus, valies, mantelzak: They lioiHted llie bhie â = heschen de blauwe vlag (als teeken van afvaart): âman = vis-scher: âboat = visschersboot: âpence, â'H-penee = St. Pieterspenning(en). Felinle, petioul, bladstengel: Petiolar. Petit, peti, klein, gering (Zie Petty). Petition, paliamp;n, subst. verzoek, smeekschrift, request; â verb, requestreeren, een verzoekschrift indienen: âary = smeekend, een verzoek bevattend;âer = smeeker, requestrant, eischer: Petitery. petiteri, smeekend, verzoekend. Petraean, patri dn, tot rots of steen belioorend. Petrel, petr'l, stormvogel. Petreseenee, pdlregns, steenwording: Petre-Hcent = in steen veranderend: Petrifaetion. petril'akamp;n, Petrifieation, petrifikeiamp;n, versteening. steenwording: Petrilaetive, petri-faktiv. Petrilie, pa tri fik, versteenend: Petrify, petrifüi. versteenen, verharden; Petrons, pi tras. steenachtig. Petrograpliy, patrograji, Petrology, patro-Iddzi, studie der mineralogische en chemische samenstelling v.rotsen: l'etrolofiist = iemand, die zich op Petrology toelegt. Petroleum, pltronlym. steenolie (in algemee-nen zin: de olie voor het l)randen wordt gewoonlijk ParalTme genoemd). PettieiiapH, petitsaps, tuinlluiter. Petticoat, petikout, vrouwenrok, vrouw: â government = vrouwenregeering: â-ridden = onder de pantoffel. Pettifog, pctifog, bennhazen: âger = beunhaas: âgery = beunhazerij. Pettish, petis, gemelijk, lichtgeraakt, korzelig; ânesM. Pettitoes, petitouz, pooten v, een speenvarken. Petto, petou, borst: In â = in'tgeheim; To keep in â = in reserve houden, reserveeren. Petty, peti, klein, gering, onbeteekenend: â bag* = voorschrift; --bag office = in 1843 opgeheven bureau (betrekking), die UOOOl-'per jaar gaf. en eene sinecure was; â Jury = hone = boun: full; fooi = fill; o = toonloo lomy = loij; s/iip = sip; occasion = okeiy/n; ten bruggencate, Eng, Woordenboek. |
jury in crimineele zaken (Zie Grand Jury): â larceny = gauwdieverij (van zeer geringe zaken); â-session = crimineele zitting. Petulant, petjuVnt. lastig (van humeur), brutaal, vrijpostig, grillig; Petulancy, -ce. Petunia, pdtjünid, soort v. Z. Amerik. tabaksplant. Pew, pjü, subst. kerkbank: â verb, van afgesloten zitplaatsen vooiv.ien; âwoman = banksluitster. Pe(egt;w it, piwit, kievit. Pewter, pjnta, subst. mengsel van tin en lood, kan, tinnen (keuken)gereedschap; adj. tinnen: âer = tinnegieter: ây = op tin gelijkend. Pliaeton, feiaVn, vierwieler voor twee paarden; soort van zwemvogels. Phaeton. Phagedena, fadtidina, zich steeds uitbreidend zweer: Phagedenic, fadzidenik, invretend, zich uitbreidend. Phalanger, faVnza, klein buideldier (Australië). Phalanstery. faVnstari, gemeenschap van samenlevende personen (stelsel Fourier): het gebouw der gemeenschap. Phalanx, faVr^ks, slagorde der zwaargewapende Grieksche voetknechten: Phalanges, faVn-dz\z. de beentjes van vingers en teenen. Phantasm, fantazm, hersenschim, gezichtsbedrog, valsche voorstelling; âagori», fan-tazmogöria, tooverlantaarn, iDeelden door den tooverlantaarn voortgebracht, bedriegelijke lieelden, mengelmoes. Phantom, fnnt'm. spooksel, droombeeld. Pharaoh, fêrou. Pharisee, farisx. Farizeeër, eigengerechtigde, schijnheilige: Pharisaictal). f:\risei-ikCl). schijnheilig: Pharisaism, fariseiizm, schijnheiligheid, leer der Parizeeërs. Pharmacy, famp;mdsi, artsenijbereidkunde, apotheek: Pharmacentictal), fïimasiulikCI), be-hoorende tot. bezig met artsenijbereiding; Pliarmacentics, pAmasiiitiks, artsenijbereidkunde: PharniactenOist, famds{iüt)ist, iemand in de pharmacy bedreven; Pharmacology, fïimakoladzi, artsenijleer, artsenij-bereidkunst of verhandeling daarover: Pharmacopoeia. fiimakapia, offlcieele lijst der geneesmiddelen met opgave van aard en dosis. Pharniinx. f'amir^ks. oud soort lier. Pharos, fêras, vuurtoren, baken. Pharynx, far inks, keelholte: Pharyngeal. farinzial, tot de â behoorende. Phase, feiz, Phasis. feisis (Meerv. Phases. feisiz). voorkomen, aanzien, toestand, stadium, schijngestalte. Pheasant, fez'nt, fazant; â ry = fazantenhok. Phebe, fihi. Phenix, finiks: Zie Phoenix. Phenol, finol. carbolzuur. Plieiiomenon, flnomarin (Meerv. Plieno-niena. finomana), (buitengewoon) verschijnsel, natuur- of luchtverschijnsel: Phenomenal, rmomaril,gelijk een verschijnsel: Phenomeii-alism = de leer dat alles wat we zien slechts verschijnselen en geene werkelijke dingen zijn. Pheon, groote pijl, pijlkop. Phew,/7«, (p)oef! foef! (vanuitgestooten adem). Phial, faiaU subst. glaasje of fleschje (vooral voor medicijn): â verb, in een fleschje of glaasje hebben of doen. Philadelphia, filddelfja; Philemon. filim'n. 5 vokaal (zie asleep en care): girl: .'/ear = .jia; bin; thus = dlics; wine. 22 |
PHYT1VOROUS.
PHILALOO.
338
|
Philalou, fildlü, gewauwel. Philander, filamte, coquetteeren, sentimenteel verliefd zijn. Pliilnntropy, filanthrdfji, menschenliefde: Philanthrojjic(al) = menschlievend; Philanthropist = menschenvriend. Philatelist, filatelist, postzegelverzamelaar. Philhannoiiir, filhamp;monik, muzieklievend. Philhellenir, filhdlinik, de Grieken of Griekenland liefhebbend; Philhellenist. Philip, filip, Philippus, Filip, Flip; âpine Islands = de Philippijnsche eilanden; âpic, filipik, filippica, scherpe en bittere redevoering. Philister, filistd. Pliilistine, filist(A)in, eig. bewoner van Philistia (deel van Syrië), ploert (studentikoos), bekrompen mensch, de niet tot de orthodoxe E. staatskerk behoorende; adj. alledaagsch, bekrompen, kruidenierachtig; Pliilistinisin, filistinizm, liet philister- of ploertendom, de manieren en denkwijze van een philister. Philologist, filolddzist. Philolo^er, fUolddzd, taalgeleerde, philoloog; Philological = tot de taalwetenschap behoorende; Philology, filo-Iddzi, (vergelijkende) taalwetenschap. Philomel, fihmel, nachtegaal; Philomela, fildmild, Philomele. Philopena, fildpind. filippine. Z. Fillipeen. Philoprogenitive, filouprddzenitiv, van nageslacht houdend; âness = liefde voor nakomelingschap. Philosophe, flldzof, Pliilosophist, filosd/ist, zoogenaamd wijsgeer: âr, ftlosdfj, wijsgeer: He was casting about tor the âr^s stone = hij zocht naar den steen der wijzen; Philo-sópliit'(al). fildSofikC l), wijsgeerig, kalm, zonder hartstocht: Philosophize, filosofdiz, wijsgeerig redeneeren: That is what I call philosophizing, or rather philosophaster-ing; Philosophy, filosd/i, wijsbegeerte (te onderscheiden van Philosophism, zoogenaamde of valsche wijsbegeerte). Philtre, filtd, subst. minnedrank, bekoring; â verb, bekoren, een minnedrank toedienen. Phit, fit, ft (uitblazing). Phiz, /ir, verk. van Physiognoiny. Phlebotomy, flabotomi, aderlating. Phlegm, flèm, vocht, slijm, koelheid, doodbedaardheid; âatic, flegmatik, slijmerig, suf, koel, doodbedaard, onverschillig. Phlegmon, flegm'n, celweefselontsteking, bloedzweer; âons. Phlox, floks, floks (plant). Phoca, foukd, genus zeehond of rob: âI. Phoebus, fibds. Apollo, de zon. Phoenicia, finish, Phoenicië; ân, subst. Phoeniciër; adj. Phoenicisch. Phoenix, finiks, pheniks, dadelpalm, uitstékend persoon of iets. Phone, faun (verk. van telephone), tot den telefoon behoorende: â and telegraph girls = vrouwelijke telefonisten en telegrafisten. Phonetic(al), founetikCl), phonetisch, klanken voorstellend; âs. Phonics, founiks, klankleer; Phonetist, foundlist, Plionologist, founolddzist, kenner van de klankleer; Phonology, f'ounolddzi, geluidleer, klankleer: Phonogram, fourwgmm, geluidteeken, het door een phonograaf opgevangene; Phono-graph, foundgraf, klankschrijver; Phonography, founogrdfi, klankbeschrijving, kortschrift. |
Phosgene, fosdzin, licht voortbrengend. Phosphate, fos fit, zout van phosphorzuur. Phosphor, fosfö, de morgenster. Lucifer, phosphorus = âus, fosfdrss; âate = met phosph. verbinden of doortrekken; âesce, fosfdres, phosphorisch lichten: âescence = lichtgeving, phosph. licht; âe,s*cenï = lichtend, glimmend; âic, fosforik, lishtend, phosphorisch: âons = phosphorachtig. Photo, foutou, photographic, lichtbeeld = Photograph ; âgrapher, âgraphist, foutografa, foutogrdfist, photograaf; âgraphic = photo-grafisch: âgraphic copyright: â graphy, foutogrdfl, photografie, verkrijgen van lichtbeelden; âlithography, foutou lil h ografi, lichtsteendrukkunst; â l'ogy, foutoladzï. leer van het licht; âinetry, foutomdtri, lichtmeting; âphobia, foutdfoubja, lichtschuwheid ; âsphere, foutdsfio, lichtkring om de zon. Phrase, freiz, subst. zindeel, woordverbinding, spreekwijze; â verb, noemen, in woorden uitdrukken: I was al'raifl to â my notion = mijn denkbeeld onder woorden te brengen; âbook = boek met idiomatische uitdrukkingen; âologic(al), fre\ZDlodzik{l), uit zin-deelen en uitdrukkingen bestaande; âology,. freizolddzi, wijze van uitdrukking, woordenkeus, boek met idiomen. Phrenetic, frdnetik, subst. en adj. krankzinnig^), dol, dwaas; Phrenitis, franaitis, hersenontsteking, waanzin; Phrenology, franolddzU schedelleer: Phrenologist = een in de schedelleer bedrevene. Phrygia, fridzia, Phrygië; ân = Phrygisch; âli cap = vrijheidsmuts. Phthisic, tizik, subst. tering(lijder); âal = teringachtig; Phthisis, taisis, longtering. Phylactery, filaktari, toovermiddel, amulet; klein vierkant doosje met perkament, waarop gedeelten staan van de vijf boeken Mpses, en door de Joden op het hoofd of aan den linkerarm gedragen (dikwijls meerv.). Phyllophagous, lilojagas, bladeren etend. Physic, f'izik, subst. geneeskunde, geneesmiddel, purgeermiddel, geneesheer: He takes â = hij gebruikt van den dokter; â verb, geneesmiddelen toedienen, purgeeren, genezen: âal = natuurkundig, zinnelijk waarneembaar, geneeskundig, gezondheidbevorderend: âian, fiziSn, geneesheer, natuurkundige: âian in ordinary = lijfarts; âism, fizisizm, materialisme; âist, natuurkundige: âs = natuurkunde; âo-theology, fizikonthiolc.dzi, natuurkundige godgeleerdheid. Physiognomy, fizio(g)nemi, gelaatkunde, ge-laat, voorkomen; Physiognomic, fizia^gpio-mik, tot het gelaat of de gelaatkunde behoorende; Physiognomist, f\zioig)ndmist, gelaatkundige. Physiography, fiziografi, natuurkundige aardbeschrijving; Physiographer. Physiolatry, fiziolatri, natuuraanbidding. Physiology, fizioladzi, kennis der bewerktuigde wezens en hunne organen: Physiological = physiologisch; Physiologist = phy-sioloog. Physique, fizik. lichaamsbouw. Phytivorous, faitivaras. Phytophagous, fai- |
man; ask = ask; form = fam; b?lt;t = but: learn = hm; line = lain; house = haus: net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; ]aiu = 16; lord = löd; hog = b«»i;
PHYTOGRAPHY.
339
PIECE-WORK.
|
tofdyds, plantenetend; Pliytograpliy, faito-yrdji, stelselmatige ptantenbeschrijving; Phy-tology, faitotodzi, plantkunde; Pliyttuiomy, faitondmi, wetenschap der planten* l'iacular, paiaicjuld, boetedoend, wreedaardig. Piainater, paidmeito, hersenvlies, hersens. Piano, pianou. piano: Square â =⢠klavier: Upright â = staande vleugel; tirand â = concertvleugel; Cottage of Square â = pianino = Pianino, pidninou; âHtooi: Pianist, pianist, pianist; Piano, pidnou, zacht;Piani»8inio,/gt;*ani^im3u,zeerzacht(muz.). Piastre, piastd, piaster (munt van verschillende waarde, varieerend tusschen f 2.00 en /quot; 2.40). Piaz/.a, piazo, plein omringd door zuilengangen of gebouwen; veranda (Am.). Pibroeli, ptbruk, soort v. doedelzak (muziek). Pica, paiko, soort van drukletter (mediaan), ziekelijke eetlust; genus vogels, waartoe de ekster behoort. Picador, pïkddö, ruiter, die den stier opjaagt (bij stierengevechten). Picardy, pi kadi, Picardië. Piearoón, pilamp;rün, bedrieger, (zee)roover, schurk. PiccalilIy,piAv)/i//,Tndische sterk gekruide saus. Piecaninny, pikonini, hummeltje (van kinderen), negerkind (ook Piekaninny). Piccolo, pikdloxx, kleine fluit. Piek, pik, subst. keur, beste, werktuig met twee punten om uit te hollen (soort van houweel): The â ol' the hiKsket = het neusje van den zalm; â verb, met iets puntigs naar iets slaan, openen (met een puntig werktuig), schoonmaken, plukken, kiezen, uitkiezen, oprapen; prikken, stelen, met de vingers spelen op een snaarinstrument: Where did you â up your English? = waar hebt ge* uw E. opgedaan? I do not want to â hole» in your coat = ik wensch geene aanmerkingen te maken; I \vis11 you would â your words = keurig uwe woorden kiezen: 1'have a bone to â with you = een appeltje met u te schillen (eig. een beentje met u te kluiven); Here you cannot walk without â ing your steps = zonder voorzichtig te zijn; He- âed a lock = stak een slot open; Do you wish to â a quarrel = ruzie; He âed my pocket = hij rolde mijn zak; She has âed the brains ol* some celebrities = eenige âberoemdhedenquot; uitgehoord; To â salad = salade schoonmaken; An army of âed men = van uitgelezen troepen; 1 cannot â out the meaning of this = de beteekenis hiervan niet snappen: The black velvet was âed out with bright blue = afgezet met: A mouth, âed out with large teeth = voorzien van, met een muur van; You are âing up straws = je bent aan het stroo dorschen; 1 must try to â up a livelihood somewhere = ik moet zien dat ik ergens aan den kost kom; We have âed acquaintance, âed up acqiiaintance with each other = kennis gemaakt; 1 require a âme up = ik moet een hartsterkingtje hebben; âaxe = houweel; âer; âlock = haak, om een slot open te steken, dief; â pocket = zakkenroller. Piek â¢a-back, pikdba.k, op rug of schouders: I carried him away â. |
Piekeer, pikid, rooven, schermutselen. Pickerel, pikar'l, kleine of jonge snoek. Picket, pikdt, subst. paal, staak, piket, bewakers van winkel of fabriek bij arbeidstwisten: The horses broke their âs = braken los (van de palen, etc.); â verb, met palen omheinen of beschermen, aan een paal binden, stationeeren (als een piket). Pickle, pik'l, subst. pekel, zuur, lastig geval, lastpost (van een kind): I have a rod in â for you = er wacht je een standje van mij: They are pretty boys, but great âs = aardige jongens, maar groote lastposten: â verb, pekelen, inleggen. Picnic, piknik, subst. buitenpartijtje, waarbij de deelnemers provisie meenemen: â verb, een picnic houden. Picric, pi krik, zéér bitter. Vlei. pikt, Piet (bewoner v. N.O. Schotl.): âish. Pictorial, piktöriol, tot schilderijen behoorend. door platen of gravures geïllustreerd: â art = schilderkunst: â Scotland = Schotland in beeld gebracht; â ism = illustraties, beeldrijkheid. Picture, piktjd, subst. schilderij, beeltenis, levendige beschrijving: I will have my â taken. drawn = ik wil mijn portret laten maken: I got him to sit for his â = ik heb hem overgehaald om voor mij te zitten; He is handsome, quite a â = net een beeld; He was altogether out of the â = paste heelemaal niet bij de omgeving: â verb, afbeelden, schilderen, levendig beschrijven; âbook = prentenboek: âgallery = museum (verzameling) v. schilderijen: âsque, piktjdresk, subst. en adj. (het) schil-derachtig(e), levendig(e); âsqueness. Piddle, }rid l, beuzelen, wateren. Pie, pai, pastei, gebakken vleesch of vruchten mét taartkorst, ekster, dooreengegooide copie of letters, gebedenboek: He will have to eat humble â = hij zal zoete broodjes moeten bakken: You made â of the learned man's valuable notes = ge hebt de uitstekende aanteekeningen van den geleerde totaal verknoeid, overhoop geworpen: He has a finger in every man's â = heeft overal de hand in: By cock and â = bij kris en kras: âbald. paibóld, bont: â d = gevlekt, bont. Piece, pte, stuk, deel, voortbrengsel, munt, kanon (stuk geschut), rol behangselpapier: Five guilders a â = vijf gulden per stuk. elk; This paper costs seven and six theâ = dit behang â de rol; They are of a â = van 't zelfde soort, aan elkaar gewaagd: A â of wit, nonsense = een slimme, onzinnige zet; A â of etiquette = beleefdheids-gebruik; A â of cheek = brutaliteit: It was broken (fell) to âs = het brak (viel) stuk; (iive me a â of bread and butter = boterham; I took it to âs = ik nam het uit elkander; â verb, lappen, verstellen, samenvoegen: Von will have to â it out = ver-grooten (door er stukken bij te voegen): Thus must 1 â it out = zóó moet ik dat begrijpen, lezen: âgoods = stukgoederen (d. i. die bij het stuk verkocht worden): âwork = stukwerk (d. i. bij of op stuk gemaakt); âless = geheel; âmeal = bij stukken en brokken: âr = lap per, versteller. |
bone = boun; full; fool = ful; j = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; //ear = .jia; \ong = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dims: wine.
PIEDMONT.
340
PIX.
|
riedinont, ptdm'nt, Piedmont; âewe = Pied-montees. Pier, pto, havenhoofd, havendam. bruggehoofd, steunstuk, landingsplaats (in zee uitgebouwd); âglaws = dam- of penantspiegel; âtable = penanttafeltje: âage, piridz, lidgeld. Pierce, pids, doordringen, doorsteken, doorboren. onderzoeken; âable = doorboorbaar; âr; Piereing rrie» = doordringende kreten. Pierian, pnierion. tot de Muzen beboerende. Piet, paiot, ekster. I'ietist, paidtist. streng orthodoxe (vrome), streng Lutheraan; PietiNin: âie(al), paiz-tistikd), piëtistisch; Piety,paiaïi, vroomheid: Filial piety = kinderliefde. Pig. pig. bigge. varken, klomp ruw metaal: You have bought a â in a poke = ge hebt eene kat in den zak gekocht: In a â whisper = in een oogenblikje; Siifkiiig â = speenvarken; Ciiiinea â = Indisch varken, hij die gepoederd haar bleef dragen niettegenstaande Pitt's belasting daarop van een guinea (1705); â and wliiwtle = engeltje met trompet (naam v. herberg); â verb, biggen werpen, als biggen samengepakt zijn of samenhokken; âeyed = met kleine oogen:âiron = ruw ijzer; âniit = aardkastanje: âgery = varkenshok: âheaded = â met groot, wanstaltig hoofd: dom koppig; âgtah: âsticking = wilde-zwijnenjacht; â«ty = varkenshok, vuile aardigheid; âtail* = varkensstaart, korte losse vlecht haar; tabak in lange reepen gesneden. Pigeon, pidz'n. subst. duif, dommigheid, sul, stakkerd: lie plucked a â at cards = bedroog bij het spel; â verb, bedriegen, villen, alles afhalen; âbreaMt(ed) = (met een) kippeborst; âKnglish = verknoeid dialekt in Chineesche havens gesproken (ook Pidgin Kngli.Hh genoemd); --hole, subst. poortje (van een duivenslag), afdeeling voor papieren en stukken, loket: â verb, in een vakje of eene afdeeling leggen, opbergen: Tliey were very kind to me. hut 1 was âholed = zij waren erg aardig voor mij, maar stuurden mij met een kluitje in't riet, en dachten niet meer om mij; âlivered = beschroomd, zachtaardig; âtoed. âtovd. met naar binnen gekeerde teenen; They were cutting â-wingH = zij maakten krullen en bochten op het ijs; âry = duivenhok. Piggin. pigirii pot of vaatje (met handvatsel) voor natte waren. Pigniean, pigmian. zeer klein, dwergachtig; Pigmy = dwerg (ook Pygmy). Pigment, pigm'nt. kleur, verf(stof); Pigmental. Pigott. pigdt. Pigwidgeon, pigiuidzn, subst. fee, iets zeer kleins; adj. dwergachtig. Pike, pa ik, piek, heuvel, gailel, snoek (zie ook Turnpike); âman = piekenier; âstalt* = schacht van eene piek: As plain as a â staff = zoo duidelijk als een paal boven water: I call a âstaff a âstaff = het kind bij z'n naam: âd = gepunt, puntiff. Pikelet, paikldt, Pikelin. paiklin, gebakje. Pilaster, pi Insta, vierkante zuil. Pilate, pailit. Pilatus. Pilchard, piltèad, sardientje. |
Pile, pail, subst. hoop, massa, brandstapel, ingeheide paal, nop (van laken), groot gebouw, opeenhooping. fortuin: lie went to America and made his (a) â = en maakte fortuin (Amer.); He goes the wliole â = zet alles op het spel: âs = aambeien; Galvanic â = zuil van Volta: â verb, opeenhoopen, stapelen, heien; âdriver = heiblok; âengine = heimachine: âworm = paalworm; âwort = speenkruid: â r = ophooper, stapelaar. Pileatetd), piljdtdd), kapvormig. Pi Her, pilfd, ontfutselen, ontstelen (bij kleine hoeveelheden): âer; âing = gauwdieverij. Pilgarlick, pilgWlik, kaalhoofd (wegensziekte), gluiper. Pilgrim, pilgrim, pelgrim, zwerver; âage, pilgrimidz, bedevaart, pelgrimstocht, levensreis, vervelende tijd. Piliferons, pailifhras, haar dragend. Pill, pil, subst. pil, bittere pil, vlegel: Blueâ = kwikpil; A long-haired â was making a speech to a crowd of rnnians = een vlegel met lang haar hield een rede tegen een zootje schurken: We shall have to gild the â = de pil moeten vergulden: â verb, deballotteeren: I know what it is to he âed. Pillage, pilidz, subst. roof, plundering, buit: â verb, rooven, plunderen, vernielen; âr. Pillar, ftila, (ronde) pilaar, zuil: I was sent trom â to post, and back again from post to â = ze stuurden mij van den een op den ander; The âs of society = de steunpilaren der maatschappij; âbox = (straat-brievenbus; âed = met zuilen of pilaren. Pi llaii. Pil law, pilo, Oostersche rijstschotel. Pillion, pilj'n, zadel, kussen voor eene vrouw om achter iemand op het paard te zitten. Pillory, pibri, subst. kaak: He was put into 'the â = op de kaak gesteld: â verb, op de kaak stellen, te pronk staan, aan de algemeene verachting prijsgeven. Pillow, pilou, subst. peluw, bedkussen: â verb, op een peluw of kussen ter ruste leggen: 1 will advise with my â = me erop beslapen; âcase = kussensloop = âslip. Pilose, pnilous, Pilous, pailas, met haar bedekt, uit haar bestaande. Pilot, pailat. subst. stuurman, loods, gids: â verb, loodsen: He âed the ship into port = loodste binnen; âboat = loodsboot; â bread = scheepsbrood; âcloth = zware stof voor zeelui; âengine = vooruitgezonden locomotief om de baan ruim of schoon te maken: âfish = loodsvischje; âJacket = pijjekker; âage, paibtidz, loodsgeld, leiding of bekwaamheid van een loods. Pilula, piljuld, pil: âr; Pilule, kleine pil: Pilulous. piljalos, als pillen. Pilularia,/gt;i/t/if/êna, kruipplanten langs waterplassen. Piment, paiment, wijn met honig en nagels. Pimento, pimentou, piment, nagelbollen. Piminy, pimini, gemaakt, gekunsteld. Pinip,Vimp, subst. koppelaar: â verb.koppelen. Pimple, pimpl, puist(je); âd = volpuisten. Pin, pin, subst. speld, pin, bout, borstspeld, kleinigheid: There is not a â to cIioom' between them = er is geen zier verschil tusschen beiden, zi jn aan aan elkaar gewaagd: I was on âs and needles all the time â ik stond al dien tijd op heete kolen; 1 don't |
man; «sk = Ask: frrrm = fam; b?(t â but; learn = hm; line = lain; htmse = hans; net: care = kèa; fate = feit: tin; f/sleep = ^slip: not; law = 16; lord = löd: hog = boi:
PIROUETTE.
341
PIN-CASE.
|
care a â = het kan mij geen lor schelen; lie was in iiierry â = vroolijk gestemd; A rainpaiiy playing at nine â w = dat aan het kegelen was;*I have got a â and web = een vlek op het hoornvlies (van het oog); â verb, met eene speld, pin of een bout vastmaken, spelden, insluiten : I â my faith on him = ik zweer bij hein. vertrouw hem; I am âned to it = ik ben eraan gebonden, zit j eraan vast: He âned the governiiient to that declaration = bond: âafore = voor- i spelder, kinderboezelaar (eig. what is âned before): âea«e = speldenkokertje; âdnst = metaalvijlsel bij het punten van spelden ontstaan; âciishion = speldenkussen; â feather = beginnende veer; âfeiitiiered = met nog niet volle veeren; âiire eartridge = patroon met randontsteking (tegenover ; Central-lire cartridge): âhole = speldeprik; âinoney = speldengeld (van ouders aan ! dochters' of van man aan vrouw voor hare private uitgaven). 1'inaHter, pinasta, wilde pijnboom. Pincers, pinsdz, groote knijptang. Pinch, pins, subst. kneep, prise (wat men tusschen duim en vinger kan houden, zooals i eensnuifje),nood, verlegenheid, angst: I could give it von at a â = ik zou het je, als het knijpt (desnoods), kupnen geven: â verb. ⢠knijpen, knellen, bedroeven, in verlegenheid brengen, beperken, knijperig of gierig zijn, vitten: He âed ine black and blue = bont en blauw; That's where the shoe âes = i daar wringt de schoen: He âcd himself (of everything) to give his children a good education = hij ontzeide zich alle genoegens; ; âspotted = met blauwe plekken van het knijpen; âer: âers (Zie Pincers). Pinchbeck, subst. pinsbek. spinsbek (.quot;gt; deelen ; koper en één deel zink); adj. onecht, valsch. Pindar, pindii. Pindarus (Gr. lyrisch dichter); âic, pindarik* subst. onregelmatige ode; adj. Pindarisch; âism = navolging v. Pindaius. Pine, pain. subst. pijnboom,pijnappel; â verb, kwellen, uithongeren, smart lijden, smachten, wegkwijnen: He âd for his friend's arrival and almost âd himself to death = hij smachtte naar de komst van zijn vriend, en kniesde zich haast dood: âapple = ananas; âbarren = grond waarop niets dan pijnboomen groeien (Am.): âclad, â covered = met pijnboomen bedekt; âry = broeikas voor het kweeken v. ananassen; pijnboomenwoud, mastbosch: â tnm, painiVm. plantage v.pijnboomen; ây = vol pijnboomen, pijnboomachtig; Pinic,/gt;«im/r, uit pijnboomen verkregen. quot; i Pinion,pir?./'», subst. vleugel, wiek, vleugelpunt (verst v. het lichaam); â verb, omklemmen, vastklemmen, boeien: He was seized and âcd = gegrepen en weerloos gemaakt (doordat hij de armen niet kon bewegen). Pink, pi7\k, subst. rose anjelier, licht roode kleurstof, uitstekendheid, hoogte, puikje, pink (schip): The cliampion-rider was in theâ of cmiditian = was uitstekend gedisponeerd; He is the â of fashion = hij is de spiegel i der mode: Napoleon dreaded the â of that society more than Russia itself = Napoleon vreesde die uitgelezen maatschappij ] meer dan hij li. zelf vreesde; â adj. rose-kleurig, lichtrood, knipoogend, half gesloten: |
â verb, uitknippen, doorboren, doorsteken: â him behind = doorsteek hem v. achteren; âeyed = met kleine oogen : âsterned = met'hoogen, smallen achtersteven. Pinnace, pinis, op drie na de grootste boot (van een schip) met 0 of 8 riemen, kleine schoener, pinas. PinnaHe, pinnkl. subst. tinne, top, punt: The â of fame = toppunt van beroemdheid; â verb, van eene tinne of een top voorzien. Piniiate(d). piwit{id). in blaadjes verdeeld. Pinnipedia. pinipeiljd, vinpootigen; Pinni-pcd(c), piniped, vinpootig dier (zooals de rob, walrus, etc.). Pinnock, plmtk. meesje. Pint, paint, pint (1/8 deel v. eenuallori)', âpot = klein huisje (Am.); kan die een â inhoudt. Pintle, pinVl. pen, bout, roerhaak. Pioneer. /jaUmta, subst. pionier, baanbreker, wegbereider; â verb, den weg bereiden. Piony, paioni, pioen. Pions, ijaids, vroom, godvruchtig, gehoorzaam: âminded = met vroom gemoed. Pip, pip, subst. pip (vogelziekte), pit (v. eene vrucht), oog (op eene kaart), verk. v. Philip: Count your âs = tel, hoeveel oogen gij hebt; â'verb, piepen, sjilpen. Pipe, paip, pijp, buis, fluiuje), luchtpijp, stem, maat v. twee okshoofden of 120 yalluns: âs = doedelzak: All the children were on full â, on the full howl = waren om het hardst aan het janken en Killen; In a feeble â = met zwakke stem; I'll clear my â first = mijne keel schrapen: I'll put your â out = ik zal je wel: Put that in your â and smoke it = steek dat in je zak*: â verb, op de lluit spelen, schril fluiten: He began to â down = een toontje lager te zingen; âclay = pijpaarde; ârack = pijpenstander: âtree = sering; âr: Who is to pay the âr? = âWie zal dat betalen, zoete, lieve Gerritjequot;? Piping = schril, schel, zwak, kokend heet: The piping days of yore = de vroolijke oude tijd. Piperic, p ai per ik. uit peper verkregen. Pipkin, pipkin, aarden pan. pijpje. Pippin, pi pi a. kleine zure appèl. Piquancy, pik'nsi, scherpheid, stekeligheid; Piquant = scherp, doordringend, levendig, fonkelend; Piqne, /tik. subst. pik of piek. wrok, spijtigheid, preciesheid of juistheid (in den vorm): In a moment of pique she accepted him = in een spijtig oogenblik schonk ze hem hare hand: â of honour = eergevoel: verb, boos maken, beieedigen. prikkelen: She piqued herself on her ladylike tastes = liet zich heel wat voorstaan op haar âfijnenquot;' smaak. Piquet, piket, piketspel (met kaarten». Piracy, pairisi, zeerooverij. nadruk: Pirate, pair it, subst. zeeroovers(schip), nadrukker. letterdief: â verb, zeeroof plegen, nadrukken; Piratical, pairatik'l, zeerooverij of letterkundigen diefstal plegend. Pirn, pön. (garen)klos. Pirogue,piroi«/,uitgeholde boomstam (als kano). Pirouette, piraet, subst. snelle draai op de punt v. den voet, plotselinge draai v. een paard; â verb, eene pirouette maken. |
bone = boun: full; fool = fill; j = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; ?/ear = Jia; \ong = loij; s/iip = sip; occa.s/on = oketf/n; thin; t/ius = dlit^s; wine.
PLACKET.
PISCARY,
342
|
Piscary, piskdrl, vischrecht: Coininon of â gemeenschappelijk vischrecht: I'iHcatorial, piskdtóridl, Piscatory, piskdtdri, visschers..., tot het visschen behoorende: Fiaces, pisfó, de Visschen (dierenriem); Pisciculture, vischteelt; Piscine, pisain, tot de visschen behoorende: Piscivorous, pisivdrds, vischetend. Pise, pizei, metselwerk met leem. Pish, /;/amp;â¢, interj. foei! bah! â verb, verachting uitdrukken: He âeel at hisson^sheliaviour = hij drukte zijne verachting uit voor. Pismire, plzrimid, mier. Piss, pis, subst. urine; â verb, urineeren. Pistachio, pistüsou, pistachenoot. Pistil, pistil, stamper (v. bloemen): â laceous pistileiëc's, als een stamper, groeiend op den stamper: âlate = met een stamper. Pistol. pist'L subst. pistool: â verb, schieten (met een p.); âbag = holster = âcase. Pistole, pistonl, gouden munt (ongev. f ü.60). Pistoii.//i6'f'n, klep,zuiger; ârod = zuigerstang: âstroke = slag met den zuiger. Pit. pit. subst. put, kuil, afgrond, diepte, parterre (schouwburg), plaats voor hanengevechten: The â = het graf; He llew the â = hij gaf den strijd op; He has the power of â and gallows = hij heeft de macht over kerker en aood; He hit the â of my stomach = hij raakte me in de maagholte: â verb, uithollen, in eene put plaatsen, aanzetten, ophitsen, met kuiltjes of pokken merken: He âted his brains against that dilTicult language = hij studeerde hard op die taal: âted with tlie sniall-po\ = van de pokken geschonden (ook: pockâted): âcoal = steenkool; â tites = lui in't parterre (theater), volgelingen van den grooten Pitt: âman = putwerker, steen-graver; âfall = val, strik, valluik; âsaw = kraanzaag (voor twee man: de onderste heet pitman of pitsawyer. de bovenste top-sawyer). Pitapat,pite/9af,subst.zenuwachtige aandoening, klopping, tiktak, getrippel; adv. met zenuwachtige klopping: And my heart went â = en mijn hart ging tikketak. Pitch, pits, subst. pik of pek, hoogte, toppunt, graad of trap, diepte, hélling, toestand, toonhoogte: As dark (black) as â = zoo donker als de nacht; â and toss = kop of leeuw; It rose to the highest â = het bereikte het toppunt: â of a roof = helling v. een dak; â of a saw = helling van de tanden van eene zaag: â of a room = de hoogte van vloer tot zolder: All our rooms arc well âed = van behoorlijke hoogte: â verb, bevestigen, zetten, steken, regelen, werpen, slingeren, met eene hooivork gooien of aanreiken, ruw plaveien, den (grond)toon bepalen, kampeeren, (voorover) vallen, neerkomen, stampen (v.een schip): A âed street = eene met graniet-blokken geplaveide straat: Mind the âing = denk om de gladdigheid (de gladde straat): A âed battle = geregelde slag; âed fields = geregelde veldslagen: They âed a camp near the town = sloegen een kamp op; I could not â upon the right word = het rechte woord niet vinden; The llt;th was âed upon = het werd op den 17en vastgesteld; â into him = toe maar, sla er op; The âing of the ship was something terrible = het schip stampte verschrikkelijk: âfarthing = het spelen met centen in een kuil; ây = pikachtig, zwart, duister, akelig: âpipe = stemfluitje. |
Pitcher, jAtsif, soort v. houweel, kruik of kan met een tuit: So often goes the â to the well, that it conies home broken at last = de kruik gaat zoolang te water tot ze breekt. Pitchfork, pitsfók, subst. hooivork; â verb, als met eene hooivo-k optillen of aanreiken.: He was âed into the office = hij werd aan die betrekking geholpen door invloedrijke hulp. Piteous, piljds, medelijden wekkend, treurig: âness. Pith, pith, pit, kern. merg, kracht, nadruk, voornaamste deel, essens; ây = pittig, kernachtig, krachtig, gewichtig; âiness. Pittance, pifns, (liefdadigheids)gave, kleine portie, armoedig bestaan. Pituitary, pitjAitdri. slijm bevattend of afscheidend; P'ituitoiis, pitjiiitds, slijmachtig. Pity, piti, subst. medelijden, jammer, smart: It's a great â = het quot;is (erg) jammer; Do it, for â's sake = doe het om Gods wil: Take â on me = heb deernis met mij; More is the â = jammer genoeg, wat nog erger is; Have â on him = wees hem genadig; â verb, medelijden hebben, beklagen: 1 â you. though you never complain of him == ik beklaag ü, ofschoon gij nooit over hem klaagt: He is to be pitied = is te beklagen; Pitiable, pitjeb'L, beklagenswaardig: Pitiful = medelijdend, treurig, erbarmelijk: Pitiless = meedoogenloos, hardvochtig: âing = medelijdend: Pitikins, pitik'mz, hemeltjelief. Pivot, pivdt, spil, jalonneur, guide. Pix, Pyx, piks, hostiekastje. Pixy, piksi, fee, too vergodin. Placable, plakvb'l, vergevensgezind, verzoenbaar, kalmeerbaar: Placability,/^ateW/zf/ = âness. Placard, plokücl of plakod, subst. plakkaat, aanplakbiljet; â verb, biljetten aanplakken, bekend maken door plakkaten. Place, pleis, subst. plaats, ruimte, inrichting, gebouw, verblijf, stad, dorp, betrekking, rang. stand, gedeelte (van boek of geschrift): He knows his place = hij weet waar hij staan moet; He has long since gone to his â = ter ruste gegaan, ten grave gedaald: Censure began to give â to curiosity = blaam begon te wijken voor nieuwsgierigheid: If this should ever take â = als dat ooit mocht gebeuren: He is out of â at present hij is op 't oogenblik buiten betrekking; He is entirely out of â here = hier volstrekt niet op zijne plaats; The right man in the right â = de rechte man op de rechte plaats: I do not wish to change my â = ik wensch geene andere betrekking: Shall we change âs = van plaats verwisselen; He filled his â to everybody's satisfaction = hij nam zijne betrekking tot ieders tevredenheid waar; â verb, plaatsen, op intrest zetten, geld beleggen, schatten, aanstellen; âman = regeerings-ambtenaar: â r. Placenta, pldsenta, nageboorte; âI. Placid, plasid, kalm, rustig, vreedzaam; âity. pldsiditi. âness. Placket,(split v.een) rok, vrouwenzak. |
man: ask = ask; ft/mi = tam; b?/t = bot; \cam = Ion; line = lain: house = hans: net: care = kèa: fate = feit; tin: «sleep = aslip; not: \aiv = ló; lord = löd; bo// = boi:
PLAGIARY.
343
PLATEN.
|
Plagiary, pleidziari, subst. letterdief, letterdieverij*: adj. letterdiefstal plegend : Plagiarism, pleidzidrizm. letterdieverij : I'lagiariHt, pleiclziarist, letterdief; Plagiarize = letterdieverij plegen. Plague, pleig, subst. plaag, pest, slag, ramp: â ol* his sentiments = laat hij met zijne opinies naar den duivel loopen; â verb, met de pest besmetten, met eenige ramp bezoeken, kwellen, plagen; âtuil: âless; âr; Plaguy, pleigi, vervelend, lastig, ondragelijk. Plaire, pleis, schol. Plaid, igt;leid of plad, subst. bont wollen klee-dingstuk in Schotland: adj. Schotsch; âed. Plain, plein, subst. vlakte, vlak, veld; adj. vlak, open, helder, duidelijk, eenvoudig, niet schoon, leelijk: That's the â truth = dat is de zuivere waarheid: A â face = alledaagsch (leelijk) gezicht; 1 tell you so âly, in â ternis = ik zeg het je'ronduit; He put it very â = drukte zich zeer duidelijk uit; His* daughters are â girls = zijn volstrekt niet mooi; â verb, vlak, effen maken; â â¢clothes = burgerkleeren; âcooking = eenvoudig eten; Sausage and â = worstjes met gekookte aardappelen; âdealer = oprecht en eerlijk man: âdealing = oprechtheid, rondheid; âhearted = eerlijk, openhartig; âsong = (eentonig) koraalgezang; âspeaking = het openhartig zijn; âspoken = openhartig, rond: âwork = nuttige (of eenvoudige) handwerken (tegenover fanry-work of fancy-needlework); âness. Plaint, pleint', klaagtoon, klaaglied, klacht; âilT, pleinlif, subst.(aan)klager, eischer; adj. klagend: â ive = jammerend, klagend. Plaister. pldstd. Zie Piaster. Plait, pleit, subst. platte vouw, (losse) vlecht, plooi: 8lie carefully removes my âs (= valsche vlechten of valsch haar) and'gingeiiy applies the comb to what is left on my head = ... en kamt voorzichtig het weinig'e haar dat ik nog over heb; â verb, vlechten, vouwen, plooien: âer. Plan, plan, subst. ontwerp, plan, schets, methode: On an entirely new â = volgens eene geheel nieuwe methode; I have changed my âs = ik ben van plan veranderd; â verb, een plan maken, schetsen, ontwerpen: They were always âiiing and plotting = zij waren altijd aan het plannen maken en samenzweren; â less; âner. Planchet, planödt, metalen schijf (voor het munten). Plane, plein, subst. vlak, gebied, schaaf, plataan: adj. vlak. zonder hoogten of laagten; â verb, schaven: â chart = kaart naar Mercators projectie: â geometry = vlakke meetkunde; â sailing = kunst oVn op de kaart de positie van een schip te bepalen; âtable = plan-chette (in graden verdeeld instrument voor liet landmeten); âtree = plataanboom; âr = schaver: Planing-niachine = schaafmachine. Planet, plandt, planeet; âstruck, âstricken = door den invloed van planeten beheerscht, vernietigd: âwheel = rad dat binnen of om den omtrek van een ander draait; âarium. planotêridm; âary = veroorzaakt door of behoorende tot pla'neten, draaiend, dwalend: âoid, plandtóid, kleine planeet = âule. |
Plangent, planz'nt, klotsende (van golven). Planifolious,p/eim/bic/Jas,metplattebladeren. Planimetry, pleinimetri, het meten van vlakke oppervlakken; Pla.nimetric(al). Planish, planië, planeeren (d.i. polijsten door hameren); âer. Planisphere, plants fid, bol, voorgesteld op een plat vlak, wereld- of hemelkaart. Plank, plai^k, subst. dikke plank (losliggend), punt van eén programma: The pirates made their captives walk the â = verdronken hunne gevangenen; â verb, met planken beleggen of bedekken, neerleggen, betalen. Plano, pleinou (in samenst.),plat: âconcave (convex) = plat aan de eene, hol (bol) aan de andere zijde: âconical = plat aan de ééne, kegelvormig aan de andere zijde. Plant, plant, subst. plant, gewas, al het gereedschap voor een bepaalden arbeid, plan, bedriegerij: Railway â = al het gereedschap voor een spoorweg; I am sure he has some â on = dat hij bedriegerij in den zin heeft; â verb, planten, vestigen, neerzetten, zaaien: âing his right foot with some force on the ground = neerzettende; âalion = het planten; boschje, aanleg, plantage; âcanes = oogst van het suikerriet van het eerste jaar; âer; âership; âlet = kleine plant; âlore = plantenkennis. Plantam, plantin, pisang. Plantigrade, planligrèid, zoolganger (beer, das, enz.). Plap, plap, kletteren (v. water). Plaque, plók, geëmailleerd of beschilderd vlak of bord van aardewerk of metaal; plakkaat. Plash, plaè, subst. tak (in eene heg) met andere takken dooreengevlochten, geklots, geplas; â verb, snoeien en dooreenvlechten van takken, plassen, sprenkelen; ây, plasi, met plassen, gemerkt, gespikkeld. Plasm, plazm, vorm; âa = het deel van het bloed waarin de roode bloeddeeltjes drijven (Zie Protoplasm): âatic(al) = vorm of gedaante gevend. Piaster, pldstd, subst. pleister(werk), gips, cement, pleister: â of Paris = gebrande gips; â bust = buste van gips; Court â = Engelsche pleister; â verb, bepleisteren, besmeren, met een pleister bedekken; âer; âing = het pleisteren, pleisterwerk. Plastic, plastik, beeldend,vormend,vormbaar: âclay = pottebakkersaarde; âity, pldstisiti, vormende eigenschap, vormbaarheid; Plasto-graphy, plastografi, het modelleeren in gips. Plastron, plastron, borst- of stootlap (voor schermers), kantwerk, garneersel. Plat, plat, subst. lapje gronds; â verb, in stukken aanleggen; âband = rand van bloemen, steunpunt (bouwk.), platte lijst. Platan, plafn, âe, platein, plataan. Plate, pleit, subst. plaat, bord, metalen vaatwerk, gouden en zilveren schotels, tafelzilver, etc.; harnas; â verb, met zilver of goud bedekken, pletten; âglass = spiegelglas; â layer = legger van spoorstaven; âmark = mérk van echtheid; ârack = rek voor borden en schotels; âful; ây = plat; Plating = het bedekken met metaal. Plateau, pUMou, hoogvlakte, tafelland. Platen, plafn, druktafel. |
bone = boun; full: fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', giii: v/ear = jia; long == loi^; s/tip = sip; occasion = oketf/n; thin; thus = dhus: wine.
PLATFORM.
344
PLEBEIAN.
|
Plat form, platföm, bolwerk, verhoogde vloer, tribune, âbeunquot;, perron (v. station), bepaalde politiek ot' het programma eener partij. Platina, platina. Platinum,ptoïm'm,'platina; Platinic; Plamp;tiniferons = pl. opleverend; Platinons = pl. bevattend. Platitude, platiljnd, platheid, alledaagschheid, onnoozelheid, afgezaagde opmerking: He iscml-leHHly prolix andp/aïiïf«(/moMS = verschrikkelijk langdradig en vol alledaagschheden. Plato, /jleitou. Plato: ânie. plotonik, platonisch, b.v. ânic* love = PlatonieH; ânie year = platonisch jaar (ongeveer 26.000 jaren); âniHin â wijsbegeerte van P.; âni«t = volgeling van Plato. Platoon, pldtün, peleton. Platter, platd, houten bord, groote platte schotel; Platting = stukjes geweven bast, riet of stroo voor matten, hoeden, enz. Plaudit, plódit. toejuiching; âory = toejuichend. Plausible, plöziUl, schijnbaar juist, lof verdienend, aangenaam voor oog of zinnen, mooi pratend, met gladde tong: âness of Pluusi-bility. Play, plei, subst. spel, vermaak, vrijheid van handeling, ruimte, tooneelstuk. wijze van spelen: â ol'eolour» = kleurenspel: A â on (the) word» = woordspeling; liet liim have fair â = geef hem een eerlijke kans, behandel hem zoo royaal mogelijk; That is not fairâ = niet eerlijk: His pen was in lull â = hij gebruikte zijne pen terdege; A child at â = spelend kind; He ealled into â all hta infliienee = hij liet al zijnen invloed gelden; Vou iniiHt try to keep them in â = aan den gang te houden; All the waterworks were in lull â = al de fonteinen spoten: â verb, spelen, dartelen, schertsen, zich bewegen, in eene rol optreden, bespelen: Vou must â or pay = ge moet doorspelen of alles verbeuren (âhangen of verzuipenquot;); He âs last and loose with his money = hij gooit zijn geld weg; We âed the*fish = lieten den gevangen visch uitrazen; lie âs fast and louse = hij is grillig, wispelturig: You â nie_ false = gij bedriegt mij; He âs foul, fair â = hij speelt gemeen (laag), eerlijk spel: 1 only â for safety = alléén op goed af (bilj.); They were âiiig soldiers = aan 't soldaatje spelen: This writer cannot leave off âing on the words = kan het maken van woordspelingen niet laten; He has âed (the) truant = hij is stil uit school (van zijn werk) weggebleven; He âed a prominent part = speelde eene eerste rol; They â into each other's hands = zij helpen elkaar, gooien elkander den bal toe: They âed first at hlindinairs bnff and then at'keep-ing house = ze speelden eerst blindemannetje en toen huismoedertje: Two eau â at this = dat kan ik ook; We will not â for money but for love = niet om geld. maar om dé eer (voor ons pleizier); lie âed off that triek on me = hij bakte mij diepoeis; He has many talents, but he âs them off = loopt er* mee te koop: The musicians must â up = beginnen, zoo goed mogelijk spelen; They did not â up to me = zij deden mijn spel niet uitkomen, enz.; He âed the fool with my hat = heeft mijn hoed bedorven; Vou â'upon me = gij bedriegt mij; 1 âed with his follies as an angler âs the fish at the end of his line = ik |
speelde met zijn dwaasheden, zooals de hengelaar den visch laat uitrazen aan het eind van zijn snoer: He âs the devil with his teacher = hij doet met zijn onderwijzer wat hij wil, neemt hem beet, enz.: They âed out their dinner = zij betaalden hét diner met hun spelen: âed out = op, verbruikt, uitgeput: âbill = affiche, programma: â book = verzameling van tooneelstukken; âday = vacantiedag; âdebt = speelschuld; âer: âfellow = speelmakker: â f'ul = speelsch, dartel, opgewekt: âfulness: â goer = geregeld theaterbezoeker: âhouse = theater; âmate = speelkameraad: âsome = speelsch: â(hing = stuk speelgoed; â wright = schrijver van tooneelstukken. Plea. pit. pleit, pleidooi, excuus, verwering, proces: Court of common âs = Hof voor civiele zaken. Plead, plid. pleiten, een pleidooi houden, zich verweren, bewijzen voor of tegen bijbrengen, smeeken, aanvoeren, verontschuldigen: He âed ignorance, iiinocence, guilty = hij pleitte dat hij er niets van wist, dat hij onschuldig was, hij bekende: âable = wat aangevoerd kan worden: âer: âings = schriftelijke verklaringen der procedeerende partijen, hoofdpunten eener pleitrede. Please, pliz, behagen, genot verschaffen, believen: He was âd at hearing of my success = hij was verheugd te hooren'dat ik geslaagd was; Will you â to walk in? = mag ik u verzoeken binnen te gaan: As you â = naar u verkiest; If you â = alstublieft; ook: met permissie, nota'bene: He was âd to say so = het behaagde hem zulks te zeggen; â. don't say so = zeg dat nu niet: â acknowledge receipt = ontvangbewijs verzocht; The king wasâd with the acting = het spel (der acteurs) beviel den koning: As âd as Punch = zoo vroolijk als Jan Klaassen: Pleasa(u)nce, plez'ns. vermaak, vroolijkheid, afgesloten speelterrein: Pleasiin(-(ness), plez'nt(/os). aangenaam(heid). prettig-(heid). vroolijk(heid); Pleasantry, plez'ntri* vroolijkheid, scherts, grapje: âr: Pleasing, subst. het behagen of voldoen; adj. aangenaam, behaaglijk: Pleasing ways = innemende manier van doen: IMeasingness: Pleasurable, plezardbl. genot verschaffend, genotvol, genot zoekend; Pleasure, plêzo. subst. genoegen, vermaak, genot, wensch, wil, welbehagen, keus, begeerte: I am at your Ãleasure =leasure = ik hang af van uw welbehagen; he pleasure is ours = het genoegen is aan ons; l'se your pleasure = doe wat gij niet laten kunt; â verb, genot verschaffen, behagen; Pleasure-boat = pleizierboot: Pleasure-ground = park, uitspanningstuin; Pleasure-trip = pleiziertochtje (Vergel. Plei-ziertrein = Kvciirsion-train;. Pleat, plit; Zie Plait. Pleach, plits; Zie Plash. Plebeian, plibton, subst. gewoon burger; adj. (laag) burgerlijk, plat, gemeen; âism = ploertenmanieren of -gewoonten, platheid. |
man; ask = ask; farm = fiim; b«t = but; learn = Iwn; line = lain: house = hans: net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \atu = ló; lord = löd; boy = boi:
PLEBISCITE.
345
PLUMP.
|
Plebiscite, plebisa.it. volksstem, daarop gegrond besluit. Plectrum, plektr'm, roedje voor de lier. Pledge, pledz, subst. pand, onderpand, borgtocht, het drinken van iemands gezondheid: He tins redeemed Iiim â = zijn pand inge- ! lost, zijne belol'te gehouden of gestand gedaan: We li ave taken the â = wij zijn tot de afschaffers overgegaan: â verb, verpanden, als borg geven, plechtig verbinden, iemands gezondheid drinken: I â my noiiI on it = ik zet er mijne zaligheid op': He â«I me in return = hij deed mij bescheid: 1 have âd iiiyHelf to you on beliaH'ormy brother = ik ben bij u voor mijn broer borg gebleven: â r. Pledget, 'pledz.it, kdmpres (van pluksel). PleiadeM, plaidrhz, Zevenster. Plenary, pltnori, volkomen, geheel: â indul-geuce,' â absolution = volle allaat, absolutie; â power = volmacht: â inspiration = volkomen ingeving (waarbij alle dwaling is uitgesloten). Plenipotentiary, plonipotenëdri, subst. en adj. gevolmachtigd(*e). Plenist, plinist, aanhanger van het geloof, dat er nergens een ,.ledigquot; bestaat. Plenitude, plenitjüd. volheid, volkomenheid. Plenty, plenti, subst. overvloed: He lias â o 1'money = hij heeft veel geld; Horn ofâ = hoorn des óvervloeds; adj. overvloedig: Plenteous, plentjds, overvloedig, in groot aantal; Plenteousness: Pientilul = overvloedig: Apples were pientilul and rare this year = dit jaar gaf een overvloed van zeldzaam mooie appels. Pleonasm, pltdnazin, overtolligheid (van woorden); Pleonastic = overtollig. Plethora, overvolheid, volbloedigheid, te groote drukte: Plet hor etic{al), Plethoric = overvloedig, volbloedig. Pleura, plftra, borstvlies; â1 = tot hetborst-vlies behoorende; Pleurisy, plurisi, borstvliesontsteking, pleuris; Pleuritilt;-(algt;.pluritikCl), tot pleuris behoorende, aan pleuris lijdende. Plevin, plevin, waarborg. Plexus, pleksds, netwerk van aderen, zenuwen, enz. Pliable, plai.il)'l, buigzaam, lenig, volgzaam; âness. IHuibility = buigzaamheid, volgzaamheid; Pliant, plai.mt. buigzaam, smijdig, gedwee: Plianey = Pliantness. Plieate(d), pl'aik(e)it{id), gevouwen (a!s een waaier); Plication = platte vouw. Pliers, plahiz, vouw- of buigtang. Plight, plait, subst. pand, toestand, geval; It was in good â = in goeden staat: â verb, verpanden, beloven: âed faith = eerewoord: âer. Plinth, plinth, vierkant stuk als basis van eene zuil, plint. Pliny, plini, Plinius. Plod, plod, zwoegen, ploeteren, hard blokken: âder; âding = dom, maar hard blokkend. Plonge, plonz, bovenste helling van eene borstwering. Plot, plot, subst. samenzwering, complot, intrige of knoop (van een roman of toon eel stuk), stuk gronds, platte grond: A eompliratedâ = ingewikkelde intrige; They laid(weaved) a â = zij smeedden eene' samenzwering: lirass â = grasveld: â verb, samenzweren, plannen smeden, peinzen over: They âted against the government = zij zwoeren, samen tegen de regeering; âter = samenzweerder. |
Plough, i)laii, subst. ploeg, landbouw, bebouwbaar land, holle schaaf: You must put your hand to the â = de hand aan den 'ploeg slaan; â verb, ploegen,doorploegen: He was âed â hij zakte voor het examen: âboy = ploegjongen, boerenjongen: âer. âman = ploeger, boer: âland = bouwland, geploegd land: â Monday = Maandag na I^iiekoningen; âsliare = ploegijzer, kouter: âtail = ploeg-einde (dat door den ploeger wordt vastgehouden); He had a âhandle-stoop in his shoulders = hij liep met krommen rug. in gedoken houding. Plover, plvv.), pluvier. Pluek, pluk, subst. ruk, trek, ingewand, moed, vuur: He has no end ol* â = hij heeft veel âdurfquot;: â verb, plukken, rukken, kaalplukken, afwijzen: Vour must â up spirit = moed vatten; 1 have a crow to â with you = ik heb een appeltje met u te schillen; He was (got) âed = hij is gezakt; âer: ây:; Von are a ây tâed) little fellow ='je bent een dapper ventje: The best âed man I ever saw = dapperste. Plug. pln(j, subst. plug, prop. pin: â ol'a iMinip =Minip = zuiger van eene pump: â ol' to-lacco = pruim tabak; â verb, met een pl. dichtstoppen; âging = het stoppen, stopsel: She thinks that I am going to be âged = gedood zal worden. Plum, plnm, versche pruim (Vergel. Prune = gedroogde pruim», rozijn, 100.000 pond sterling, groot fortuin; âcake = pruimentaart: âpie = pruimenpastei; âpudding = rozijnenpudding (waardoor nierenvet, krenten, etc.). Piumage. plnmidz, vederen. Plumb, plnm, sübst.schietlood; adj. loodrecht: â verb, loodrecht zetten, peilen: She âcd their depths ol' misery = peilde.. .ellende; âline = schiet- of loodlijn: ârule = plankje met schietlood; âago, phmiheigou, potlood; âer, plnmd, loodwerker, loodgieter: All the crowned heads, bankers and âers ol' Kurope, = al de gekroonde hoofden, bankiers en groote lui (Amer.) van Europa; -cry = artikelen van loodwerk. loodgieterij, het lood-gieten: -ie. plnmbik. uit lood verkregen; â ilerous. plvoibifdrdS, lood opleverend; âing. pion tin, het werken in lood. Plume, ph'nn. subst. groote veer, pluim, eere-teeken, lauwer; â verb, de veeren terecht of gelijk leggen, met veeren versieren, pochen, plukken, plunderen: The swan âd itself = de zwaan streek zijne veeren glad; Me âd liimself on his liberality = hij liet zich voorstaan op zijne milddadigheid: âless: âlet = pluimpje; Plumiped. plüniiped, subst. en adj. (vogel) met veeren aan de pooten: Plumose, plümons, Plumous, op vederen gelijkend,vederachtig; Plumosity,phhnositi, gevederdheid; Plumy. Plummet, plmn^t, dieplood, peillood. Plump, plump, adj. mollig, dik, uitgezet: A â woman = eene dikke, gezette âmoekequot;: â verb, dik of mollig maken of worden, neer- |
bone = boun; full; fool = fill: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl: //ear = Jia; lorn/ = loij; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; f/ius = dlrcs; wine.
PLUNDER.
346
POETRY.
|
ploffen, stemmen op één candidaat (in plaats van op alle te verkiezen personen): He âed his vote = hij stemde slechts op één der candidaten: adv. plotseling, pardoes, zwaar, eenvoudig, botweg; âer = pruim tabak of prop (omdat ze de wang uitzetten), alles wat uitzet: stem aan slechts één der candidaten, stemmer op slechts één der candidaten: brutale leugen: âlaeed = met een dik en rood gezicht; âly = rond, botweg, platweg: ânew»; ây = dik, mollig, glad. IMiuidei'. pinndd, subst. plundering, buit, roof, bagage (Amer.); â verb, plunderen, rooven: â«ge = wegneming of verduistering aan boord: âer. Plunge, jtlonz, subst. indompeling, doop (door onderdompeling), sprong (met deachterpooten omhoog) van een paard, hooge en roekelooze weddenschap, plotseling en opzienbarend bericht. moeilijkheid, nood: He took a â = hij dook: The â of the Pall Mall Gazette about Mr. (liladMtone'.H retirement = opzienbarend bericht omtrent het aftreden van den minister O.: By â» = bij rukken; verb, (onderMompelen.' plonzen, springen, doopen, de achterpooten omhoog werpen, zwaar en roekeloos wedden, geld uitgeven: 1 have âd a bit in trifles = ik heb wat geld in kleinigheden gestoken: He âed awlully = hij deed er maar dol op los: âr = iemand die de handeling van to plunge verricht, doorbrenger ofdoorlapper van zijn geld. zuiger (v. perspomp). IMupeiTert, plüptfakt^ voltooid verleden. Plural, plnr l. subst. en adj. meervoudig (woord): âi»ni = meervoudigheid, het gelijktijdig hebben van meer dan één kerspel: âiHt geestelijke, die te gelijker tijd meer dan eenc plaats heeft; â ty, plurality getal van twee of meer, meerde'rheid; â ize = meervoudig maken: IMuriliteral, p/uri/iter'/,subst. en adj. uit meer letters dan één bestaand (woord i. Plus, pl/s, plus(teeken) = -f. Plusli, /)/i)s, pluche, ruige stof. Plutocracy. /jhUokrdsi. het heerschen van den rijkdom of de rijken. Pluto. plütoii, Pluto (God der onderwereld); ânian. phitoiinfn, adj. tot Pluto of de onderwereld behoorende, duister: subst. voorstander van de leer, dat de vorming van graniet- en bazaltrotsen door vulkanische werking heeft plaats gehad = âni«t; ânic, p hl toni k, Plu-tonisch; â nic* rorks = rotsen van graniet, bazalt. enz.; ânie theory of âni»in = de theorie der Plutonists. Pluvial, plüvjol, vochtig, regenachtig, aan den invloed van regen toe te schrijven: I'liivion», plüvjds. vochtig, regenachtig: Plnviotnetei'. Plaviameter = regenmeter: Pluviose. plü-vious, vijfde maand van het republik. jaar. Ply, plat, subst. kronkel, vouw, plooi, neiging, zin. aanleg: He took a â trom his tutor = werd geheel geleid door: â verb, zich richten of toeleggen op, ijverig doen of uitvoeren, zich bezighouden, aandringen, geregeld varen of zeilen: The spider plied its nimble legs = bewoog vlug, snel, de lenige pootjes; She plied her task = zij werkte ijverig aan hare taak; Many steamers â between Holland and America = varen; They so plied him with smiles and favours that he grew crazy with ecstasy = zij bewerkten hem zóó met lachjes en gunstbewijzen, dat hij dol werd van verrukking; âer. |
Plymouth, plimdth: â Brethren = Christelijke (soort v. apostolische)sekte (1830; het zijn evangelische (Calvinisten, hebben geen bepaald bedienaar des VVoords, omdat iedere broeder mag spreken als hij den Geest krijgt); âism. Pnenmatic(aigt;, njumatik^l), tot de lucht behoorende, met lucht gevuld: â pump = luchtpomp; âs, Pneumatology = wetenschap of leer der lucht. Fneumonia, njamounjd, acute longontsteking: Piieiimonie, njumonik, subst. middel voor de longen; adj. tot de longen behoorende. Poaeh. poutè, zacht koken, stroopen (van wild), inbreken (om te stroopen), door veel loopen modderig of moerassig maken; âer: âing; ây = nat en zacht, moerassig. Po(a)ehard, poutsdd, poeleend (in het Noorden). l*ock« /ïoA', pok: âmark = pokteeken; â marked, âpitted, âfretten = van de pokken geschonden, pokdalig = = ây. Pocket, pokdt, subst. zak (ook op het'biljart), holte, maat voor hop, gember, enz.: I am in â. out of â = ik win, verlies: 1 am out of â = heb geen cent; Nothing but empty âs lies between her and William = dat zij en W. niets hebben staat alleen hun engagement in den weg: This would have placed Turkey in the â of the Czar = in de macht'gebracht hebben: I am in her â = ik ben bij haar in de gunst; Put that in your â = steek dat in je zak; Hip â. pistol â = heupzak (achterzak) in een pan-talon; â verb, in den zak steken, wegnemen, stoppen (bilj.): He âed the insult, wrong, adront = hij nam aan en verdroeg de be-leediging, het onrecht; Yon âed my ball by a fluke = je stopte mijn bal met een beest: âbook = zakboek(je); âborough = kiesdistrict dat geheel in de macht van één is; âglass = zakspiegeltje : âhole = zakopening; âmoney = zakgeld; âknife = zakmes. Poekwood, pokivud, pokhout (zwart en hard). Poco, poukou, weinig (muz.). Pod, porf, subst. dop, schil: â verb, zwellen, doppen voortbrengen: âded = met doppen. Podagra, het âpootjequot;, voeteuvel: âI. Podag)'ic{al). Podge, podz, modderige poel. Podgy, podzi, kort en gezet. Podrida, poudrtdd, mengelmoes. Podsnap, podsnap, vitter. purist, al te nauwgezet mensch: â pery = al te sekuur, overdreven correct. Poem, pouim, gedicht: Minor âs = kleinere gedichten; Poesy, poudsi, de kunst van dichten: Poet = dichter: Minor Poet = dichter van den tweeden of derden rang: Poet Laureate = gekroonde of hofdichter (in Engeland) : Poetaster, povdtastd, pruldichter, rijmelaar: Poetess, poudtds. dichteres; Poetie(algt;. pouetikCl), dichterlijk; Poetics = gedichten, leer (theorie) der dichterlijke vormen, etc.: Poetize, pouetoAz, verzen maken; Poetry = dichtkunst, poëzie, gedichten. |
man; ask = ask: farm = fam; b?U = but; learn = hm; line = lain: h(mse = hans: net: care = kca; fate = feit: tin: asleep = aslip: not: laa; = 1A; lord = lod; hou = boi:
POLISH.
POH.
347
|
Foil, 2'tou. verb, bah of foei roepen; interj.bah! Foigiiant. póirint, scherp, bitter, stekelig, pijnlijk: l'oisnaiiey = scherpheid. I'oiiidiiis. pólndir], beslag op en verkoop van eens schuldenaars goederen. Point, point, subst. punt, spits stip, bewering, naaldkantwerk, gedachte, uitdrukking, eigenaardigheid, trek, kleine kaap, (spoorbaan)wis-sel: What ih the â = wat is de kwestie? The â» of a speeeh = hoofdpunten: That's what I call romiiig to the â = dat is nu eens op den man af: That i» rather a nice â with him = dat is nogal een teer punt bij hem; This is a case in â = dit is een geval, waarvan we thans spreken: lie eniinier-ated ail the good âs of his horse = hij somde al de eigenschappen van zijn paard op: What yon say there is not to the â = is niet ter zake'dienende (âad rem''); Things were growing to a â = men kon het einde zien aankomen: 1 will not put too line a â upon it = er niet te veel van zeggen, me niet te sterk uitdrukken: Yon didn't gain your â. yon missed it = ge hebt uw doel niet bereikt, uw zin niet gekregen: lie always made it a â to stand high in his employer's regard = hij stelde zich altijd ten doel, om hoog bij zijn baas te staan aange-schreven: The rain always makes a â of setting In when 1 wish to go out = heeft het er altijd op gezet te beginnen: That would be stretching a â = dat zou zijn de zaak overdrijven; He was armed at all âs = liij was van top tot teen (in alle opzichten) gewapend; He is on the â ol* death, of «lying = ligt op sterven: In (from) a literary â of view = uit een letterkundig oogpunt: In â of money = uit een oogpunt van, met betrekking tot 'geld: Things had come to such a â that further delay would have been disastrous = de zaken hadden zulk eene hoogte bereikt, dat langer uitstel schromelijke gevolgen zou hebben gehad; He lias tried to prove it. but his â is not absolutely made = hij heeft getracht het te bewijzen, maar hierin is hij niet geheel geslaagd: He gave me âs in billiards = hij gaf mij vóór; â verb, punten, scherpen, kracht bijzetten aan, mikken, toonen aanwijzen, merken, (van metselwerk): He âed at tiie = behandelde mij verachtelijk: The cannon was âed at (against) the gate = was gericht op (tegen)de poort: The clock â ed to the honr of seven = wees op 7; Would you â it out to me. please? = zou u mij dat eens willen (aan)wijzen: This writer likes to â a moral = deze schrijver houdt ervan een verhaal of werk tot zedeles te doen strekken: What is the good of âing for a man who cannot shoot? = wat helpt het iemand j die niet kan schieten, of hij aanlegt en mikt; â i blank = horizontaal, op quot;den man af, a bout | portant, botweg: I told him so â blank = ik heb het hem in zijn gezicht gezegd; âed = gepunt, scherp, geestig, geestrijk: A âed remark = fijne, scherpe opmerking; She only answered when âedly addressed = zij antwoordde slechts als liet woord bepaaldelijk tot haar gericht werd; âal = punt. spits, stylus: âer = wijzer, staande hond, bone = boiin; full; fool = fill; o = toonlooze lonrj = loi^: s/tip = sip: occasion = okeii'n; t |
stift, graveerstift, etsnaald: âing = het pointeeren, punctuatie, voegen (v. een muur): âless = stomp, dom, niet geschikt of ter zake: âsinan = wissel wachter. l*oise, póiz. subst. gewicht, belang, evenwicht, houding: The elegant â of her head; â verb, wegen, overwégen, in evenwicht brengen of zijn: â down = drukken, onderdrukken. Poison, póiz'n, subst. vergift; â verb, vergiftigen, gift toedienen, besmetten, als vergift werken; âable = vergiftig, voor vergiftiging vatbaar; âer; âons = vergiftig. Poke, pouk, subst. zak, stoot, duw: He bought a pig in a â = eene kat in den zak; That was a sly â at him = dat was eene fijne hatelijkheid tegen hem: â verb, duwen, stooten (met iets puntigs), bewegen, zoeken, onderzoeken, beuzelen: lie âd his head through the window = stak; His life and character were âd into = nauwkeurig onderzocht: He can â fun urbanely = hij kan op fijne, gracieuse wijze spotten of schertsen: He âd some very effective fun at continental customs '= hij spotte raak met vastelandsgewoonten; âr = pook, boeman (Am.), pedèl, bluffen (zeker kaartspel): As stil!' as a âr: A ây little place = bekrompen, klein; A poky little staircase = zeer nauwe trap. Poland, pouVnd, Polen: Polish, poulis, subst. en adj. Poolsch(e taal); Pole = Pool. Polar, potild, van of nabij de Poolstreken: â angle = hoek van twee meridianen aan een der polen; â bear = ijsbeer; â circles = poolcirkels; âstar = poolster; âity, poula-riti. polariteit, strekking of richting naar de polen: âize = polariseeren, polariteit geven: âizable = polariseerbaar: âization = het polariseeren (van licht, b.v.). Polder, pol da, polder. Pole, poul, pool. paal. lange stok, pols, ander uiterste, aspunt: â-ax(e), subst. hellebaard, bijl met langen stok: âaxe isolation will be necessary against the rinderpest = afmaking van aangetast en verdacht vee; â verb, met eene bijl dooden: A lot of crippled crocks, only fit to be âaxed = een troep kreupele vilderspaarden, alleen geschikt om gedood te worden: âcat = bunzing,stinkdier: âstar = poolster. Polemic, polemik, subst. twistschrijver; adj. polemisch = âal; âs = polemiek, twistgeschrijf op theologisch gebied. Polenta, ponlenta, soort van brij van tarwe en maïs. Police, polis, politie: âcourt = politierechtbank (voor eenvoudige rechtszaken): âman = agent; âofficer = ambtenaar bij de politie. Policy, polisi, staatkunde, staatsbeleid, overleg, 'wijsheid, polis, park van een landgoed (Schotland): Honesty is the best â = eerlijk duurt het langst: Life â = levensverzekeringspolis. Poling, pouUn. het omringen met palen, plank om de muren v. gebouwen of aarden werken te steunen, steigerwerk. Polish, polis, subst. gepolijste oppervlakte, poli-toersel, verfijning, beschaving; â verb, polijsten, poetsen, beschaven: He âed his eye-glasses = veegde zijn bril af; âer; âing: Let us vokaal (zie asleep en care): girl; //ear = jia: bin: thus â dhtts; wine. |
PONTOON.
POLITE.
348
|
give it a âing = polijsten, politoeren, poetsen; French â = vernis. Zie Poland. Polite, palait. beschaafd, beleefd (onderscheiden van Civil en die niets meer dan de , âburgerlijke beleefdheidquot; uitdrukken); ânr«» Politic, politik^ politiek, staatkundig, slim,sluw, uit burgers bestaande: The Kody â = bur- j gerlijke staat; âal, palitikl, betrekkelijk de staatkunde of iiet bestuur, staatkundig: âal tleonomy = staathuishoudkunde; Politician, politis'n' staatsman, stnalkundige; âm = staatkunde als wetenschap (tegenover Policy), politieke gevoelens: They were talking â« the whole evening =' zij hadden het den geheeleu avond over staatkunde. Polity, pol Ui. inrichting van staat of kerk, regeering(svorm). Polk. poulk. een polka dansen: They liked waltzing and âing; âa = polka. Poll, ])Onl, subst. hoofd, achterhoofd, register, lijst, stemming, stembus, stembureau, benedeneind van eene bijl: lie wa» at the head ol' the â = hij had de meeste stemmen: The ordinary or â (ook/gt;o/uitgesproken) degree at Cambridge = de gewone graad (âzonder lofquot;); A deed â = onderhandsche acte (tegenover Indenture = ongeveer zooveel als notariëele acte); â verb. topj)en, snoeien, knippen, op een register plaatsen: The jury waw âed = de leden der jury werden hoofdelijk ondervraagd omtrent hun aandeel in de genomen beslissing (Amer.;; âtax = hoofdelijke omslag; âer. Poll,pol, verk.w I'olli/ (Mary), papegaai of lor-reitjej, zonder lof gepromoveerde (Cambridge). Pollard, pohd. geknotte of getopte boom (b.v. âquot;willow = knotwilg), hert dat zijn gewei heelt afgelegd, hoornlooze os. post (visch, zie Chub), zernelenmeel. Pollen. poTn, stuifmeel; Pol li nar. PollinouH = als met stuifmeel bedekt; Pollination â bevruchting met stuifmeel. Polliwig, poliwUj, jonge kikvorsch. Pollute, poljut. bezoedelen, besmetten, bevlekken, ontheiligen; âd(nPMsgt;; âr; Pollution, poljAs'n. bezoedeling, besmetting. Pollux, poldks, ster in de Tweelingen. Polly, /jo/i, Mietje, Marie(t;e). Polo, poiilou. soort balspel, te paard gespeeld. Polonaise, poldneiz. soort v. japon, Polonaise. Piilony, pdlouni, worst van half-gekookt var-kensvleesch. Poltroon,poltrün, subst.lafaard; adj. lafhartig, verachtelijk: âery = verachtelijke lafheid. PolyacoiiHtic, polidkaustik. subst. en adj. klankversterkend (instrument). Polyanthii»,y^o//«/^/^9S, variteitv.sleutelbloem. Poly chord, poliköd, tiensnarig instrument. Polychroniatic, polikromnatik, kleurenspel vertoonend. P o I y ga in y. / gt; o ligo mi. veelwijverij; Polygauiist = voorstander der veelwijverij; Polygamous = veelwijverij uitoefenend. Plt;ilygeiioiiH. polidzindS, uit vele soorten bestaande. Polyglot, polifjlot, subst. een boek in vele talen; adj*. vele uilen bevattende. Polygon, poligon, veelhoek; âal, âouh, poligdriU poligonds, veelhoekig; ây, poligdni, duizendknoop (grassoort). |
Polygraph, po li graf, veelschrijver, verzameling v. verschill. werken; âic(al), poiigraflkCl). Polymorphic,/ïo^'^iö/tA*, veelvormig = Poly-mdrphouH. Polynesia,//o//«f.Sf?, Polynesië; ân = van P.; Polynesiër. Polyp(e), jiolip, poliep: âus = uitwas. Polyp hou ist, j'Jlifonist, buikspreker. Polyphyllous. po li fi los. veelbladig. Polypode, po/.yjou^/. duizendpoot, houtluis. Polysyllable, polisiloh'l, veellettergrepig woord*; l'olgsgllabic(al) = veellettergrepig. Polysyndeton, polisimtet'ft, redefiguur waarbij het verbindingswoord herhaald wordt: Onlief en leed, en smart en vreugd. Polytechnic, po lite knik. tot vele kunsten behoo-rende: âschool = polytechnische school. Polytheism, polithilzni, veelgodenleer: Poly-thêist = geloover in â. Pomace, jtornis, Pom(m)agc, /gt;om/V/r.droesem van vruchtensap, appeldrank. Pomade, pdmücl, l'omafio, poumüflquot;i(, Po-inatuin, pinneit'm. pomade. Pome, Donm. twee- of meercellige vleezige vrucht, zooals de appel: âwater = soort v. zoete, sappige appel; â-grauate. pomgranit, granaatappel; âroy(al) = reinetappel; Ponii-terous. pomniforos, appeldragend. Pomeraiiia, potnayeinjo, Pom meren. Pommel, pttrn'l, subst. zwaard- of zadelknop: â verb, slaan, bont en blauw slaan: They âled his hack = klopten of sloegen op zijn rug; âliiiR. Pomolegy, ponmol.ulzi, de kunst v. vruchten en vruchtboomen kweeken; Nomologist. Pomp, pomp, praal, praalvertooning. Pompey. potnpi, Pompeji: Pompejus. Pompióu. pompj'n, pompoen. Pomposity, pomposili, praalzucht, vertoon,verwaandheid, bluf; Pompons, pompds, pralend, aanmatigend,verwaand: Pompoiisness: Poin-poso, jtompovsou, statig en waardig (inuz.). Pond, pond, vijver, poel. Ponder, pondd, overwegen, overpeinzen : He âed the past = hij bepeinsde wat er gebeurd was; âable = weegbaar; âability,âixhleueH* = weegbaarheid; âer: -ons = zwaar, drukkend, belangrijk, saai; âousness. âosity = zwaarte, gewicht. Pondiciierry, pondiseri. Pone, ponn. brood van maïsmeel, eieren en melk (Am.). Ponent, pourint, westelijk. Pongee, ponzi, mindere soort v. Indische zijde. Poniard, ponjdd, subst. dolk; â verb, doorstéken. Pousonby, pons'nbi. INmtic. pontik, tot de Zwarte Zee behoorende. Vimili'r\,pontifeks (Mv.VontiiXvvH.pontifisiz). lid v. de oud-Hom. priesterkaste; âmaxiinu* = eerste of president dezer priesters, de paus; Pontitr = hoogepriester, paus; Pontilical. pontifilil, subst. boek met geestelijke plechtigheden en gebruiken: adj. hoogepriesterlijk. pauselijk; Pontificals = priester-ofbisschop.s-kleeding: Pontilicate, pontifikit, hoogepriesterlijk e of pauselijke waardigheid. Pont-levis,/gt;fmft'ii'/s. het steigeren (v.een paard gt;. Ponton(ii)ier, pontdnif), pontonnier (d.i. maker van een pontoon, pontün, ponton of brut; |
man; ask = ask: farm = fam; b/^t = bwt; \enrr\ = l«n; line = lain; hcmse = haus; net: care = kèa: fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiu = ló; lord = löd; hoy = hoi:
POXTOON-BKIDGE.
341)
PORTLAND.
|
voor militaire doeleinden); l'ontomi-hridge = schipbrug. I'ony, jiouni. hit. 20 /gt;orul sterling, letterlijke vertaling v. een (klassiek) schrijver (Am.). Poodle. pncVl, poedel. I'ooh. pO, interj. poepoe! ei! â verb, met verachting van zich werpen: lie---ed the poHsilnlity of* ever doins miicIi a (liing. Fool, iml. s'ubst. poel, pot (bij het spelen), inzet, i potspel (biljart); â verb, samenleggen (van i geld, etc.): âer = stok om te roeren. Foop./v^subst.achtersteven of-dek. campagne: ; â verb, over den achtersteven breken (van golven); âed = met een ach Lerdek of campagne; âiiip; = het slaan der golven op het achterdek, met de achterstevens tegen elkaar komen. Poor./)«.', arm, behoeftig, uitgeput, vermagerd, zwak.vervelend.treurig.onbeteekenend. nederig, stumperig: The â and the rieli = armen en rijken: In â health = in slechte gezondheid; A â excuse = een armzalig excuus; Von are making a â dinner = ge eet weinig; â Clares = orde van Franciscaner nonnen: âhouse = armenhuis; âlaw = armenwet: ârate = armenbelasting: âspirited = laag, ellendig, lafhartig; I feel very âly to-day = ik ben vandaag volstrekt niét goed; llow is the patient? âly indeed = hoe is het met de(n) zieke ? Erg'minnetjes; âness. Pop./quot;7?. subst. klap, flap, plof: â verb, plotseling binnenkomen of voor den dag komen, schieten, snel bewegen, duwen, verpanden: She âped her head out ol' the window = zij kwam in eens met haar hoofd buiten het raam; lie âped the question = hij vroeg om hare hand: I could not think you would â in upon me at this hour =* ik had er niet het minste idee op, dat gij nu zoudt komen aanwaaien: Rusty lireloeks were eontiniially âped off = verroeste snaphanen werden onophoudelijk afgeschoten: lie âped a wanting hand on tlie nintilated statue = hij lapte eene ontbrekende hand aan het verminkte beeld; They were âping eorn = zij waren aan het maïs drogen (tot het barst); âeorn = gedroogde maïs: âgun = klein kanonnetje; âshop = nietig winkeltje: He eame in â = hij kwam plotseling binnen; âs = verkorting van Popular Concerts = volksconcerten: He was a regular attendant at Saturday and Monday âs = hij woonde de volksconcerten op Maandag en Zaterdag geregeld bij: âper = mand van ijzerdraad om maïs te schroeien. Pope. po up, paus, (zoetwater)baars. Pope: â Joan, poupclzoii.ni, zeker kaartspel: â's eye = vetklier in de dij van ossen of schapen; â'8-head = lange bezem, ragebol: âdom = pausdom, pausschap; âry = Hoomsch-Kath. godsdienst (in ongunstigen zin): The Xoâry Plots = deanti-I{.-Katholieke samenzweringen; Popish = pauselijk, paapsch; Popian = van Pope. Popinjay, jio/iindzei, papegaai, gaai (schietschijf in clen vorm van een papegaai). Poplar, popli), populier. Poplin, poplin, zijden en sajetten stof. Poppet, pojiDt, popje, marionet, een der blokken waarop het schip ligt bij het van stapel loo-pen; lieverd. |
Poppy, popi, papaver, slaapbol, âpaatjequot;. Populace, popinlis. gepeupel, grauw; Popular, popjuld. bij het volk geliefd, volksgezind, populair, gemakkelijk te begrijpen; Popularity, popjularili, volksgezindheid, volksgunst: Popularize. popjiddViHz populair maken: Populate, popjnleit, bevolken, voortplanten; l'o/ni-lation = bevolking; Populo hm, popjulos, dicht bevolkt, vol menschen. Porcate(d), piik(e)it(id), evenwijdig geribd. Porcela in.y »ö.s7m,su bst.porcelei n; adj .porcelein..: âize = door hitte in eene porceleinachtige stof veranderen; PorcellaneoiiH, p'nsdleinjas, op porcelein gelijkend of ertoe beboerende. Poreh, jiöts, bedekte ingang, portico, portaal: The â = school der Stoïcijnen. Porcine, pösain. tot de zwijnen behoorende. Porcupine, piikjnpain, stekelvarken. Pore, pö, subst. porie: â verb, turen, staren, volhardend studeeren, nauwkeurig onderzoeken: âr: Poriform. póriföm, als eene porie; Porous = poreus: Porousness. PorineNH, Porosity, pörositi, poreusheid. Porgy, pödzi, soort v. zeebrasem (Am.). Perk', pök, varkensvleesch, dom en koppig mensch; âer = varken. Porphyry, fiiifiri. por tier(rots); Porphyri-tic(algt;, 'pöfirilikCl), porfierachtig, porfier bevattend. Porpoise, pöpos. bruinvisch, zeevarken: As fat as a â = zoo vet als modder. Porrect. porekt. horizontaal uitgestrekt. Porridge, poridz, groentesoep, vleeschpap. Porringer, porinzd, kommetje. Port, pöt, haven, houding, voorkomen, portwijn, poort, ingang, bakboord, geschutpoort; â of entry = haven met douanekantoor: adj. aan bakboordzijde: â verb, het roer naar links overleggen; âhar = havenbank, boom om eene haven of geschutpoort af te sluiten; âcharges, âdues = havengelden; â crayon = teekenpen: âcnllis = valpoort; âhole = geschutpoort: âlanyard, ârope = touw om de deur der geschutpoort op te trekken; âlid = deur eener geschutpoort. Portahle. pötdb'l, niet zwaar, draagbaar: âness. I'ortnbiiitu = draagbaarheid: Portage. pötidz, liet dragen, draagloon, afbreking van eene waterverbinding (zoodat de goederen daarover moeten worden gedragen). Portal. pöfl, deur, portaal, ingang, poortje. Porte, pöt. bestuur van liet Turksche rijk. Portend, potend, voorbeduiden, voorspellen; Portent, iiötenl. (slecht) voorteeken. wonder: Portentous, polentas, onheilspellend, dreigend. monsterachtig. Porter, viitd, portier, besteller, drager, kruier, porter (minder soort donker bier): âage. pöldridz, kruiersloon, draagloon: Portress = portierster. Portfolio, pötfouljou, portefeuille, betrekking van minister. Portico, pötikou, overdekte zuilengang. Portion, pösn, subst. gedeelte, portie,aandeel, erfdeel, bezitting van eene vrouw; â verb, ver-deelen, toebedeelen, begiftigen; âed = met een deel begiftigd: âer = ver- of uitdeeler; â ist â- een van de beursstudenten van Merton College (Oxford), deelhebber: âless. Portland, pötldnd, schiereiland in Dorsets/lire: |
bone = boun; full; fool = ful; i» = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: year = jia; = loi^; ship = sip; occas/on = okeii'n; thin: thus = dims: wine.
PORTLAND-CEMENT.
350
POST.
|
â8tone; âcement = cement met de kleur van Portlandschen steen. Portlast, pöUdst, dolboord, ook: Tortoise. Portly, pötli, deftig, waardig, corpulent. Portiiianteaii, pötmantou, valies. Porto, pötou. Oporto. Portrait, piitrdt, portret, levendige beschrijving: Fuli-len^tli â = portret ten voeten uit: Half-lengtliâ = kniestuk, buste: 1 will have my â taken = mijn p. laten maken: âpaiiitêr = portretschilder; âure = portret, gezamenlijke portretten, de kunst van portretten maken of Tan levendig beschrijven. Portray, pötrei, schilderen, uitdrukken, por-tretteeren, levendig beschrijven; âal = schildering, beschrijving; âer = schrijver, beschrijver. Portsmouth, pötsnioth. Portugal, pötjucfl, Portugal; Portiiyee = Portugees (fam.): Portiguese, p'ótjuglz, subst. en adj. Portugees(che taal), Portugeezen. Pose, pouz, subst. pose, houding, stand; â verb, eene bepaalde houding of een bestudeerd karakter aannemen, verlegen maken, in de war brengen; âr = ondervrager, strikvraag, wie of wat verlegen maakt: That's a grammatical âr = dat is grammaticaal (bijna) niet te verklaren; Posing = verlegen makend, scherp ondervragend. Posit, pozit, vaststellen, als waar aannemen: âion, pdziè'n, toestand, houding, gesteldheid, rang, stand, betrekking, beginsel: I am not in a âion to pretend such a thing = ik ben niet in staat, durf niet, zoo iets te beweren; You ciinnot make good thiM âion = die bewering niet bewijzen; lie took up his âion there = hij nam daar positie, zijne positie in; âive, subst. werkelijkheid, stellende trap, positief (tegenover negatief) in photo-graphie; adj. stellig, volstrekt, bepaald, werkelijk, dogmatisch, eigenzinnig, willekeurig: 1 am âive in your doing this = ik sta er op dat gij dit doet; lie is not naturally â ive = het ligt niet in zijn aard, stijf o*p zijn stuk te blijven staan; âive degree = stellende trap; âive electricity = glas-electriciteit; âive-philosophy of âivism = de godsdienst der humaniteit, waarbij het gemeenschapsgevoel de eigenliefde beheerscht, en die zich niet inlaat met het niet waarneembare in het Heelal; âive 4|uantity = positief getal; âiveness; â i vist = aanhanger van âivism. Posnet, pozndt, kommetje, pannetje. Posse, posd, menigte, gewapende macht: A strong â of police dispersed the â of villagers = eene sterke politiemacht verspreidde de dorpelingen. Possess, pezes, bezitten, de macht hebben over, overweldigen, heerschen: He acted like one (a man) âed = als een bezetene; You fellows are âed to disturb order = jullie bent geschikt, hebt het erop gezet, wenscht, om de orde te verstoren; He âes himself = hij kan zich beheerschen; â your soul in patience = bezit... in lijdzaamheid; âion, pdzeamp;n, bezit, eigendom, bezitting: I âed him (gave him âion) of his property = ik stelde hem in het bezit van zijn eigendom; He took âion of his own = hij nam wat het zijne was: âion is nine points of the |
law = zalig zijn de bezitters; A writ of â ion = volmacht ter overdracht van eigendom aan den rechthebbende; He recovered â ion of his goods = hij herkreeg bezit van zijne goederen; âive = bezittende; âive case = tweede naamval; âor = bezitter; âory = bezittend, betrekking hebbende op het bezit. Posset, posdt, warme melk, geronnen door bijvoeging van wijn, etc. PoMsihle, posib'l, mogelijk: 11' â = zoo mogelijk; Possibility = mogelijkheid; Possibly = xnoge 1 ijk(erwijs): 1 cannot possibly assist you = ik kan u onmogelijk helpen. Possum, posdtn, subst. buideldier: To play â = veinzen; â verb, veinzen. Post, poust, paal, stijl, post, bepaalde plaats, militair station of de troepen daar aanwezig, bode, brievenbesteller, postdienst, postkantoor, aanstelling, papierformaat: To ride â = brieven vervoeren, snel rijden: To travel â = met spoed reizen; I was «ent from â to pillar, and from pillar to â =ze stuurden mij van 't kastje naar den muur; 1 sent it you by â = per post; He answered by return* of â = per keerende post; â verb, aanplakken, op de kaak stellen, stationeeren, per post verzenden, geheel op de hoogte brengen, boeken (in het grootboek), snel of met postpaarden reizen: A notice was âed up in the market-piace = eene bekendmaking werd op de markt aangeplakt: He is well âed (up) in this branch of learning = hij is van deze wetenschap goed op de hoogte: Her diary was âed up from her iifteenth year = dagboek was bijgehouden; You ought to have âed me about him =ge hadt mij op zijne aanwezigheid moeten voorbereiden: adv, spoedig, snel; âboy = postillon = ârider; âcaptain = commandant van een oorlogschip: âcurd = briefkaart; âchaise, subst. postkar, postwagen; verb, rijden met eene âchaise; âday = dag, waarop de post aankomt of vertrekt: âhaste, subst. groote spoed; adj. en adv. met grootenspoed: âhorse = postpaard: âhouse = posthuis: âman = brievenbesteller; âmaster = postmeester, directeur van een postkantoor: â master*general = directeur der posterijen: âmark = postmerk; âoffice = postkantoor: âoffice money-order = postwissel: âpaid = franco, gefrankeerd: âpillar = brievenbus: âstage = poststation (om te rusten en van paarden te verwisselen); âtown = stad met een postkantoor: âage, poustidz, port (van een brief): Additional âage = strafport; -age-stamp = postzegel; âal = tot de posterijen behoorende: âal (card) = briefkaart (Am.); âal order = postwissel; âer = renbode, postpaard, aanplakbiljet: He lias not realised his âer = hij heeft zijne belofte, zijnen woorden of zijne aankondiging niet gestand gedaan; âe restante = post-afdeeling waar de brieven of pakjes blijven tot ze afgehaald worden (quot;to be left till called forquot;); âing = het reizen met postpaarden. het boeken van posten: âiiig-house = poststation. Post, poust (in samenst.), na.achter: âconi- |
man; osk = ask: farm = fiim; bwt = bwt: \earn = l«n; line = lain: house = hans; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = «islip; not; \aw â ló; lord = löd; hoy = bói;
POUNCE-BOX.
POSTERIOR.
351
|
iiiuiiion = het deel van den avondmaalsdienst na de communie; âdate = later dateeren: âdiluvian, poustdilüvfn, subst. en adj. na den zondvloed levende; âenvoy = latere boeking; âfix = achtervoegsel; ââ¢meridian, subst. en adj. namiddag, laat; âmortem = na den dood: A ââ¢mortem examination = lijkschouwing; ânote = na uitgifte door de bank te betalen mandaat; ânnptial, â na het huwelijk gebeurende: âobit = obligatie betaalbaar na den dood van een persoon, lijkschouwing; â-position = plaatsing na of achter iets anders: âpositive = na of achter geplaatst; âprandial = na den maaltijd: A âprandial speech (= after-dinner speech) = rede aan het dessert gehouden: âscri igt;t = naschrift, postcriptum (quot;van een brief); âscenium, âstntam, achtertooneel. Posterior, postirw, later, volgend: âs = achterste (van dieren): Posterity, posterifi. nakomelingschap. Postern, poustdn, kleine deur, geheime ingang (ook: âdoor: âgute), gewelfde doorgang onder de wallen eener vesting. Posthumous. ])ostJumas, na 's vaders dood geboren, na den dood, na den dood uitgegeven: â papers, writings = nagelaten papieren, geschriften. PostiUlate), poiistil,postileit,kiintieékeningen maken, de Schrift vers na vers verklaren, van verklaringen voorzien; âlation; âIer = uitlegger, maker van aanteekeningen. Postillon, poustilfn. voorrijder (op het linker paard). PostH|iie, poustik, later bijgevoegd (van ornamenten). Postliminiiim, poMstliminj m, terugkeer naar het vaderland, herstel in vroegere rechten. Postpone, poustpoun, uitstellen, verdagen; âment = uitstel: âr. Postulant, postjuVnl, vrager, sollicitant, can-didaat; Postulate, postjulit, subst. postulaat, d.i. zonder bewijs aangenomen iets omdat het vanzelf spreekt: â verb, (postjuleit) zonder bewijs aannemen: Postulation = aanneming zonder bewijs. Posture, postjd, houding van het lichaam (tegenover Attitude, waarbij tevens de gemoeds-of zielstoestand door de houding wordt uitgedrukt), stand, toestand: In a â of defence = in verdedigende houding: âmaster. Posy, pouzi, dichterlijk motto, bloem(tuiUje). |
Pot, pot, pot, bloempot, kan die een quart inhoudt, formaat papier (31 cM. bij 37Vs), j groote som gelds: The â calls the kettïe black = de pot verwijt den ketel dat hij zwart is; Little âs are soon hot = jongelui stuiven gauw op; Everything; went to â = alles ging op de tlesch, te gronde; They put the â on = zij wedden hoog: â verb, in potten zetten of planten, inmaken of inleggen: To â a ball = stóppen (bilj.); lie was âted out there = hij werd daar geplaatst; lie âted me = wondde mij; âale == draf; âbellied = met uitstekenden, ronden buik; âboiler = kunstwerk alléén om het geld gemaakt: Is it a novel with a purpose, or only a âboiler? = is die roman met eene bepaalde strekking of alleen om den wille van het smeer geschreven; âboy = helper in eene kroeg of een bierhuis; âcompanion = drinkgezel; âhanger, âbangle = pot-of schoorsteenhaak; âbat = hooge hoed. stijve vilthoed met ronden bol: âherb = = moesgroente: âhook = S-vormioe haak om een pot of ketel aan te hangen, hanepoot of .,puthaakquot; (in het schrijven); âhouse = kroeg; âhunter = broodjager: âlid = potdeksel; âluck = wat de pot schaft: I brought my friend home to âluck = ik nam mijn vriend mee naar huis om te eten; âmetal = allooi van koper en lood,, soort v. beschilderd glas; âponrri = allegaartje, mengelmoes (in eig. en fig. zin); â sherd = potscherf; âshot = schot, waarbij men kalm kan aanleggen en dus hoogstwaarschijnlijk raakt of wondt: âtage = soort v. soep, pap: âvalianl = met jenevermoed bezield; âter = pottenbakker: âters-clay = pottenbakkersaarde: âter's lield = nrmen-begraafplaats: -tern-ore = pottenbnkkers-verglaassel: âtery = pottenbakkersgoed, pottenbakkerij. Potable, jionhb'l. drinkbaar; âness. Potamology, potemoldclzi, wetensch. verhandeling over rivieren. Potash, potaè. potasch = Potassta). potds, potasa. Potassium, potasiim. Potation, poitteiamp;n, drank, drinkgelag, het drinken. Potato, pDteilou, aardappel(plant): We ate the âes in the skin = met de schil: âbug = coloradokever. PotCli)een, ]gt;ol(li)in, geheim gestookte whiskey (lerl.). Potenee, pout'ns, krukvormig kruis. Potency, poiit'nsi, macht; Potent. pont'nC, machtig, invloedrijk, sterk, benevelend (van dranken): Potentate, pouVntext. vorst, monarch : Potentness. Potential,7iowïcn^7,gebeurlijkheid uitdrukkend; âity, pout'nèaliti, gebeurlijkheid. Potlier, podli9, subst. rumoer, verwarring: â verb, razen, rumoer maken, plagen, hinderen. Potion, pousn, (vooral geneeskrachtige) drank. Potomac, pdtoumdk. Potter, pot.x zich met nietigheden ophouden of druk maken, zeuren, omhangen, treuzelen; The old âer = de oude zeur of zanikkous. Pottle, poll, maat van vier pint, groote drinkkan, vruchtenmand of -bak. Pouch, pautè, zak, tasch, krop, balg. patroon-tasch, buidel (van het buideldier); âcd. Pouchong, piiso^ soort v. zwarte thee. Poughkeepsie. pouktpsi. Poulp(egt;, pulp, de gewone octopus. Poult, poult. kuiken, jong van kip, patrijs, kalkoen, etc.: -erer = poelier; âry = pluimgedierte; âry^house = hoenderhok: âry-yard = hoenderhof. Poultice, poultis, subst. pap; â verb, pappen. Pounce, paunfi, strooizand (op inkt. etc.), klauw (van roofvogels): He iw on the â = op komst, gereed om aan te vallen: â verb, met zand bestrooien, aanvallen, neerschieten op (als van een arend op zijne prooi): The policeman âd on a little innocent = de agent greep een kleinen bloed, die niets gedaan had: âbox = zandkokertje (in een inktstel), sandrak of parfumeerdoosje. |
bone â boun; full; fool = tul; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = Jia;-lengt = loi^; s/?ip = «ip; occasion = okeii'n; thin; thws = dims; wine.
POUND.
352
PRANK.
|
Toniid. pannd, Engelsch pond (12 ounces Troy-weiglit en 10 ounces AvoirdupoiM), pond sterling, schuthok (voor vee): The bankrupt paid two Nliilliiig» in the â = bankroetier betaalde 100,'o: â verb, in hetschut-hok zetten, slaan, stampen, tot poeder maken, ploeteren, zwoegen, schieten (met zwaar geschut): lie âed steadily at Iiih great histor-ieal work = hij werkte ijverig en geregeld aan; This âins with the big guns at long range is not to my taste = dat schieten met de kanonnen op grooten afstand valt niet in mijn smaak: âeake = lekker zoet gebak; â toolisli = royaal met grootesommen gelds (Z. Penny): âkeeper = bewaker van het schuthok: âage, iiatnulidz, pondgeld, opslui- | ting in een schuthok, staangeld; âer = stuk geschut, stamper. Toupeton. püpdton, klein kindje; fijn gehakt vleesch. Pour. /gt;ö. gieten, storten, stroomen, vloeien: ! It never rains but it âs = een ongeluk komt nooit alléén: lie âed forth his heart to me = stortte zijn hart voor mij uit; Shall I â you out another glass? = zal ik u nog eens inschenken: âer. Poussette, /mset. subst. figuur of beweging van den country-dance; â verb, dansen. 'Fout. jiant, subst. jonge patrijs (zie Poult), het vooruitsteken der lippen, het pruilen; â verb, de lippen vooruitsteken (om gemelijkheid, landerigheid of verachting uit te drukken), pruilen, uitsteken: âer = pruiler, kropduif. Poverty, povdti. armoede, behoefte, gebrek, onvruchtbaarheid: They were reduced to â = tot armoede gebnicht. Powder, pattd^. subst. poeder, buskruit, poeier: Von waste your â and shot = verschiet vergeefs je kruit: â verb, tot poeder maken, bestrooien of bepoederen, zouten, poeieren: I am in good health and âing away at my novel = ik ben goed gezond en schrijf hard aan mijn roman; âbox = (haar)poeder-doos: âeart = caisson of kruitwagen; â ehest = granaat; âflask = kruithoorn = âhorn: âmagazine = kruithuis; âmill = kruitfabriek; â-mine = kruitmijn;âroom = kruitkamer (in een schip); ây = gelijkende op kruit of poeder (poeier), kruimelig, stoffig, 1'ovvel, pauDl. [gepoederd, j 'Power, iiano, macht, kracht, vermogen, geest, bekwaamheid, invloed, gezag, mogendheid: â of attorney = (geschreven) volmacht, procuratie: It does not lie in my â = ik heb het niet in mijne macht; âs = gaven of vermogen: The âs be thanked for it = dank zij den goden; Mereiful âs = goeie Goden! The European âs = Europeesche mogendheden; âloom = stoom weefgetouw: âpress = stoomdrukpers (Amer.); âful = machtig, krachtig, vermogend; âfulness; âlesstness) = machteloos(heid). Powwow, pniiwau. subst. Indiaansche toove-naar, tooverformulier of plechtigheden voor het genezen van ziekten, krijgsdans, rumoerige politieke bijeenkomst (Amer.); â verb, bezweren, drukte en pret maken (Amer.). Pox, /)Oks, pokken: Small â = kinderpokken; Chieken â = waterpokken; A â on that fellow = de duivel hale dien vent! |
Praam, pram, praam of lichter. Praetieable. praklikdbl, uitvoerbaar.doenlijk: ânes» of I Practicability = uitvoerbaarheid, doenbaarheid; Praetieal, praktik'l, praktisch, werkdadig: A practical Joke = leelijke, in daden bestaande, grap. Practice, praktis, praktijk, uitoefening, gewoonte, gebruik, volbrenging: That is in â. out of â = in gebruik, in onbruik; He had been out of - for many years = hij had er jaren lang niet aan gèda'an; It was put (in)to â = in praktijk gebracht. Pi 'actise, praktis, oefenen, zich oefenen, uitoefenen, in toepassing brengen, een beroep ol vak uitoefenen: They âd on my good faith = zij maakten misbruik van mijn vertrouwen, goed'geloovigheid; If you wish to learn to play the piano, you must â every day = moet ge u alle dagen oefenen; Young liien âd at the glass to catch the curl of Byron's lip = de jongeren oefenden zich voor den spiegel om den krul van Byrons lip na te doen: The doctor does not â in the town = de dokter praktiseert niet in de stad; A âd teacher = een volleerd, geoefend onderwijzer; âr = beoefenaar, uitoefenaar van praktijk. Practitioner, praktiéono, praktiseerend geneesheer, praktizijn. Praecordia, priködjd, borstholte met inhoud: ingewanden. Praed, preid. Prague, preiy. Praemunire, primjunid, schending van 's ko-nings prerogatief, rechtsingang daartegen, straf daarvoor. Praeiiomen. prinoimïn, vóórnaam. Praetor, prito, Romeinsch overheidspersoon: -lal, â ian, pritóridl, âdn, praetoriaansch. rechterlijk: âian bands (guards) = lijfgarde der Komeinsche keizers. Pragmatic, proyrnatik, subst. iemand die hot druk heeft in zaken, vorstelijk besluit; adj. pragmatisch: âsanction = onherroepelijk vorstelijk besluit (vooral dat van Karei VI, waarbij hij de erfopvolging in zijne Staten regelde); âal = druk, ijverig, bemoeiziek, overgedienstig; âalness = bemoeizucht. Prairie, prêri, groote grasvlakte in het W.der Ver. Staten: âchicken, âhen = hazelhoen: âdog = knaagdier der prairiën, prairiehond: âoyster = geklutst ei met spiritualiën; â value = waarde van het land vóór het in cultuur is gebracht: â-wolf. Praise, preiz, subst. lof, lofspraak, dank: lie got more â than pudding = werd met mooie woorden afgescheept; Be it said in his â = het zij te zijner eer gezegd; lie sounded his friend's âs = hij verkondigde den lof van zijn vriend; â verb, prijzen, toejuichen, hoog'verheffen ; I â you for it = ik prijs je er om; âr; âful = prijzenswaardig: âworthy = loffelijk, lofwaardige Praisable. Prakrit, prdkrit, Hindoesch dialect (Zie Sanscrit). Pram, pram, verk. van Perambulator. Prance, prdns, subst. het steigeren of springen: I â verb, steigeren, met veel vertoon rijden, trotsch en statig stappen. I Prank, prank, subst. pretje, ondeugende grap 1 of poets, scherts, grapje: Don't play your |
man: «sk = ask; farm = fiim; bwt = but; learn = Urn; line = lain; howse = haus; net: care = kè«»; fate = felt; tin; asleep = aslip; not; \aiu = 16; lord = Hid; hoy = bói;
PRECOGNITION.
353
PRATE.
|
âs upon me = bak mij je poetsen niet; â verb, veel vertoon maken, optooien, pronken. Frate, preif, subst.gewauwel, nietsbeteekenend geleuter; â verb, wauwelen, babbelen, klap-peien; â¢âr; Prating, subst. ijdel gesnap: adj. babbelachtig, wauwelend. Pratique, j ml tik, verlof aan een schip om binnen te vallen en handel te drijven na de quarantaine of na eene verklaring, dat het niet in besmette havens is geweest: The v^SHel wa« admitted to â = de quarantaine werd opgeheven. Prattle, praïl, subst. (kinder)gesnap: â verb, snappen, kakelen; âr. Prawu, prön, garnaal Praxis, praksis, (verzameling van) voor-beeld(en). Pray, prei, verb, bidden, smeeken, aanroepen: â 'be quiet = weest als 't u belieft rustig; interj. eilieve! âer, j)rêd, gebed, smeekbede, dringend verzoek: âer-book = gebedenboek: The Hook ol' Comiiiou âer = de liturgie der Engelsche staatskerk; âer-meeting; = bidstond; The liOrd'w âer = het volmaakte gebed, âOnze Vaderquot;; The child said its âers, and Heaven heard thein = het kind zei zijne gebeden op, en de hemel verhoorde ze: âers = godsdienstoefening (b.v. bijbellezen, etc.) in huis; âer, prêja of preijo, bidder; âerful = godsdienstig, vroom, veel biddend; -lews = het gebed veronachtzamend, ongodsdienstig; âingly = biddend, smeekend. Pre. pri. als voorvoegsel: vóór, vooraf, te voren: âKaphaelitism, prirafolitizm, realistische kunst(smaak); âKapliaelite, prlrafdlait, subst. voorstander of beoefenaar van het realisme in de kunst; adj. realistisch. Preach, prits, prediken, eene leerrede houden, verkondigen: She âed down her daughter's heart with her worldly inaxiuis = zij bedierf (ontnam alle idealen en allen gloed aan) haar dochters hart door hare wereldsche begrippen; They âed up those principles == spraken ten gunste van (verhieven hemelhoog); â er = predikant; âership = predikambt: âinent = freek (in verachtelijken zin): A â ment in a novel is eontraband in art = dat gepreek in een roman is uit den booze in de kunst. Preacqiiaintance. pr\dktveinVns, vroegere kennis(making): Prcarqiiainted. Preadamic, priodamik, vóór Adams tijd: Preadamite, priadomwt, subst. bewoner der aarde vóór Adam; adj. vóór Adam bestaande = Preadaniitic. pr'mdomitik. Preadniinistration. priad}niHistreisn, vroeger beheer. Preadinonish, priodmoniè, vooraf vermanen. Preamble, prtamVK voorrede, inleiding. Preamhle, priamb'l, voorafgaan, van eene inleiding voorzien. Pieambulate, priambjuleit, voorafgaan, vooropgaan. Preappoint, pridpóint. vooraf bepalen of aanstellen; âment. Preaudience. }iri6dfns, voorafgaand verhoor, j echt vóór een ander te worden gehoord, voor-iang (bij de balie). |
Prebend. preUnd, prebende, d. i. onderhoud of bezoldiging aan een âcanonquot; van eene cathe-draal of aan eene kerk uit hare bezittingen: âal, prdbend*l, van eene prebende, eene prebende hebbende; âary = bezitter van eene prebende, domheer. Precarious, prikêrids. in hooge mate onzeker, van den wil van een ander afhangend; âness. Precaution, prikOè'n, subst. voorzorg, voorbehoedmiddel; â verb, vooraf waarschuwen; âary â uit voorzorg: âary measures = voorzorgsmaatregelen; Precautious,prikóéds, omzichtig, behoedzaam. Precede, prisid. voorgaan, voorafgaan; ânee, /irisid'tis, voorrang, voortrelfelijkheid: The French ambassador took (had) ânee of all the court = had den voorrang boven allen aan het hof: ânt, pristd'nt, voorafgaand; Precedent, presid'nt, gezaghebbend voorbeeld. antecedent; Preceding. Precentor, prisentd, koorleider, voorzanger; âship. Precept, prisopt, voorschrift, bevel, grondregel, mandaat; âor, priseptd, onderwijzer. Hoofd eener school, leeraar; âary, prtsoptori, suhst. godsdiens th ui s der tem peliers; adj. voorschriften bevattende. Precession, pi'ises'n, het voorgaan, precessie. Precinct, prtsii\kt, grens, gebied. I'recious, presas. kostbaar, dierbaar: A â fellow = een mooie vent (ironisch); Your â things = jeprullegoed; â metals, stones = edele metalen, edelgesteenten; âness. Precipe, Praecipe, prtsipi, bevelschrift. Precipice, presipis, afgrond, steilte, groot gevaar; He was rescued from the â = uit het groote gevaar verlost. Precipitance, Precipitancy, prisipiVnsii). overhaasting, voorbarigheid: 'Precipitant, adj! overhaast, voorbarig, neerstortend; subst. wat gepraecipiteerd wordt: Precipitate, prisipi-teit, verb, neerstorten, aandrijven met groote haast of met geweld, blindelings voorthollen, verhaasten (van schreden of loop); subst. iprisipitit) het gepraecipiteerde; adj. overhaast, overijld, onbezonnen, (met het hoofd vooruit) nederstortend; Precipitation, presijriteiamp;n. overhaasting, overijling, praecipitaat of neerslag; Precipitator = overhaaster, overijler: Precipitous(ness),/)mvi/gt;/tos(gt;if9s), steil(heid). overhaastig, overhaasting. Precis, prost, korte inhoud, excerpt: lie was appointed as a âwriter in the Foreign Office = hij werd bij Buitenlandsche Zaken als excerptenmnker aangesteld. Precise, prisais, juist, nauwkeurig, overdreven correct, sekuur: âness; Precisian, prisiz'ti, Jantje sekuur, zemelknooper; Precisianism = femelarij,vormelijkheid; Precision, prisiz'n, nauwkeurigheid, stiptheid. Preclude, /yW/t/ilcT, uitsluiten, beletten: This âs ambiguity = dit voorkomt alle dubbelzinnigheid; Space âs us from quoting the passage = door gebrek aan ruimte kunnen wij de passage niet aanhalen; Preclusion. priklüzn, uitsluiting, voorkóming; Preclusive, priklüsiv, uitsluitend, voorkómend. Precocious(neNHgt;. prikonèosinds), vroegrijp-(heid), brutaal(heid); Precocity, prikositi. vroegrijpheid, brutaalheid. Precognition, prXkognisv, voorkennis. |
bone = boun: full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; long = loij; s/iip = Aip; occasion = okeii'n; thin; thus â dhus; wine.
ten bruggencate, Eng. Woordenboek. 23
PRECONCEIVE.
354
PREJUDICE.
|
Preconceive, prikWisiv, vooraf opvatten of eene meening vormen: âd idean = onjuiste (vóór onderzoek opgevatte) meeningen of denkbeelden. Preconcert, prik'nsvt, vooraf overleggen olquot; beramen; âed = van te voren vastgesteld. Precondeinn, pr'xk'ndem. reeds vooraf (zonder onderzoek) veroordeel en. Preconization, prikonizeiamp;n, algemeene be- | kendmaking. Precontract, pritëntrakt, vooraf overeenkomen, door een vooraf gemaakte overeenkomst verbinden. Precursor, prikwsd, voorlooper, voorteeken; ây = voorloopend. inleidend, voorafgaand. Predacean, prideis'n, vleeschetend dier: Pre-daceous = van roof levend. Predatory, preddtdri, plunderend, roovend: â raids'= strooptochten. Predecease, pridisis, subst. vroegere dood; â verb, vroeger of eer sterven. Predecessor, ]gt;ridisesd, voorganger, voorouder. Prede»tinarian,p?irfesiincHan, subst. geloover; in voorbeschikking; adj. wat tot de voorbeschikking behoort; Predestination = voorbeschikking; Predestine, voorbeschikken, vooraf bestemmen, vooraf bepalen. Predetermine, priditümin, vooraf bepalen: Predeteriniiiable = vooraf bepaalbaar; Pre-determinate, priditöminit, vooraf bepaald: Predetermination = vooraf gemaakte bepaling. Pr(a)edial, pridfl, in landerijen of boerderijen bestaande, door het land voortgebracht, uit het grondbezit spruitende. Predicable. predilcab'l, subst. hoedanigheid: adj. wat gezegd of bevestigd kan worden van iets; Predicability, predikabiliti, bevestig-baarheid. Predicament, pridikam'nt, geval, toestand, i kritiek geval, categorie, klasse; âal,predikd-menVl, categorisch, tot eene klasse behoorend. Predicate, predikit, subst. gezegde, praedicaat: â verb. (prerfi/teU) bevestigen; gronden of steunen op (Amer.); Predication = bevestiging; Predicative = bevestigend = Predicutory. Predict, pridikt, voorzeggen, voorspellen: â ion = voorspelling, profetie: â ive = voorspellend: ' âor = voorspeller. Predilection, pridilekamp;n, vooringenomenheid, voorliefde. Predispose, prldispouz, voorbereiden, neiging of geschiktheid hebben of geven voor; Pre-disponent = voorbereidend, geschikt makend; Predisposition, pridispaziè'n, neiging tot, vatbaarheid voor, vooroordeel. Predominance, Predominancy, pridorni-rins{i), overhand, gezag, heerschappij; Predominant; Predominate, pridomineit, de overhand hebben, heerschen; Predomination. Predoom, pridüm. vooraf veroordeelen of beschikken. Pre-elect, pri-ilekt, vooraf kiezen; âion. Pre-eminence,pH-eminViS, voorrang,meerdere voortrelïelijkheid; Pre-eminent. Pre-empt, pri-emt, vooruit bedingen: Preemption, pri-ons'n, recht van vóórkoop. Preen, prCn, subst. scherp of gevorkt werktuig, speld; â verb, met den bek (de veeren) gladstrijken. |
Pre-engage, pri-ongeidz, vooraf verbinden; âment. Pre-establisii, pri-dstablis, vooraf vestigen of vaststellen; -ment. Pre-exaniine,7)ri-aflrramm, vooraf onderzoeken. Pre-exist, pri-dgzist, vooraf bestaan; âence; âent. Preface, prejis, subst. voorrede, inleidend woord: â verb, van eene voorrede voorzien, inleiden: âr; Preratorgt;, prefdtori, inleidend, voorafgaand. Prefect, prifdkt, gouverneur, magistraat, prefect; âship; âure, âtja, prefectuur. Prefer, prifn, voordragen, aanbieden, verkiezen: 1 should like to â a request to you = ik zou u gaarne een verzoek willen dóen (voordragen); A bill was -red = eene klacht werd ingediend; He âred a claim to honourable dealing = maakte aanspraak op: I â this to your going away = ik heb dit liever dan dat gij weggaat: He was âred for that place = voor die betrekking voorgedragen: âable, prefarotfl, verkieslijk (before, to): âableness, Prefer ability = verkieslijkheid: âence, prefar'ns, voorkeur: In âence to = liever dan; â ence-shares = preferente aan-deelen (wier houders een extra-dividend krijgen); âment = bevordering, hoogere betrekking (vooral kerkelijke); âred stock = preferente fondsen; â rer. Prefiguration. prifigjareié'n, voorafgaande afbeelding; Prefigurative = vooraf beeldend of voorstellend: Prefigure, prifiga, vooraf voorstellen of afbeelden. Prefix, priflks, voorvoegsel: Prefix, prifiks. voorplaatsen, aanhechten aan het begin (to). Preform, prif'öm, vooraf vormen; âationi âat ive = voorvoegsel. Pregnancy, pregrinsi, zwangerschap, vindingrijkheid; Pregnant = zwanger, vruchtbaar, vol beteekenis: The times are pregnant with important events = de tijden zijn zwanger van belangrijke gebeurtenissen: It is pregnant = het is duidelijk. Pregravitate, prigraviteit, door de zwaarte zinken. Pregnstation, prtgysteisn. voorproef, voorsmaak. Prehensible, prihensib'l. grijpbaar; Prehensile, prihensail, Prehensory, prihensari. grijpend, geschikt om mede te grijpen: Some animals have prehensile toes and tails = sommige dieren hebben grijpteenen en grijp-staarten; Prehension, prihené'n, het pakken of grijpen. Prehistorie, prihistorik, vóórhistorisch: A âally-minded person = zeer ouderwetsch mensch. Preinstruct, priinstrvkt, vooraf onderrichten. Prejudge, pridzodz, vooraf oordeelen, zonder behoorlijk onderzoek (ver)oordeelen: It was a âd case = het geval was al beslist of uil-gemaakt vóór onderzoek. Prejudice, predzadis, subst. vooroordeel. n:i-deêl, schade; â verb, vóórinnemen, ten gunste of ten schade neigen, schaden: Last nighf* events had prejudiced me in his eyes = hadden mij bij hem kwaad gedaan; 1 am nol in the least âd by what I heard about you = ik word in het minst niet geïnfluen- |
man; ask = Ask; farm = fam; bwt = but; learn = lun; line = lain: howse = haus: net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; net; law = ló; lord = löd; hoy = bói
PREJUDICIAL.
355
PRESENCE.
|
ceerd door hetgeen ik over u gehoord heb; PrejuflieiaUiiesH), prediodiS'linos), nadeelig-, schadelijk(heid). Freknowledge, prinolddi, voorkennis. Prelacy, pre Ids i, ambt van prelaat, alle prelaten, bisschoppelijke regeering; Prelate, pre;/?, prelaat, (aarts)bis'schop: PrelateHiiip = prelaatschap: PrelateHs: Prelatic(al) = vaneen prelaat of prelaten: Prelatist = voorstander van bisschoppelijke kerk regeering; Prelatize, preldteiz, het ambt van prelaat vervullen, bisschoppelijke kerkregeering steunen. Preleel, prilekt, openbare redevoering of voorlezing houden; âion = redevoering, voorlezing: âor = voorlezer, redenaar, onderwijzer. Preliminary, prilimirwri, subst. inleiding; adj. inleidend, voorafgaand. Prelude, preljüd, subst. voorspel, inleiding: â verb, inleiden, vooi-bereiden, een voorspel geven; Prelusive, pvsljtisiv, inleidend, bij wijze van voorspel â Prelusory, prdljüsdri. Premat ure, prtinetjuD, vroegrijp, ontijdig: ânes», Prematurity, prïmdtjüriti, vroegrijpheid. Premeditate, primediteit, bepeinzen, beramen, vooraf overleggen; âd; I'renieditation. Premier, premjd of prtmjd, subst. eerste minister: adj. eerste, voornaamste; âship = waardigheid van eersten minister. Premilleiiial, prumlenfl, vóór het 100-jarig rijk. ^ Premise, premis, voorafgaande stelling als grondslag van eene redeneering, een der twee termen van een syllogisme (ook Premiss gespeld); âs, premisiz, gebouw met alles wat er bij hoort, huis en erf. Premise, primaiz, vooropstellen. Premium, prtmj'ni, belooning, prijs, premie, waarde boven pari, hooge prijs: The Russian railway-shares are at a â now = staan nu hoog; Pews in the centre aisle are at a â = banken in den midden vleugel zijn duur. Premonition, pr'widnis'n. voorafgaande waarschuwing; Vrononitory = vooraf waarschuwend. Premonstrant, prhnonstrnt, Premonstra-tensian, primonstrdtenamp;n, een orde van monniken, in 1119 gesticht, premonstratenzer. Premorse, primus, plotseling eindigend. Premimire: Zie Praeuinnire. Prenatal, prineiCl, vóór de geboorte. Prentice, prentis, verk. van Apprentice. Preoccupancy, priokjupdnsi, het recht op of de daad van vroegere inbezitneming; iVeoc-cupation = vroegere inbezitneming, vooringenomenheid, vooroordeel; Preoccupy = vooraf bezetten, geheel innemen, vóórinnêmen. Preordain, prïódein, vooraf bepalen of beschikken; Preordination = voorafgaande bepaling, vroeger besluit. Prepaid, pripeld, franco. Prepare, pripêd, voorbereiden, klaarmaken.' toebereiden: lie âd lor his departure = hij maakte zich klaar voor zijn vertrek; lam not âd to pretend tiiat = dat durf ik niet beweren: He was almost âd tor anything = hij was haast op alles voorbereid; Preparable = wat vóór- of toebereid kan worden; Preparation, prepdreië'n, voorbereiding, voorbereidsel, toestand, praeparaat (voor studiën); , |
Preparative, priparotiv, subst. en adj. voor-bereidend(e maatregel); Preparatory, pri-paratori, voorbereidend, inleidend; *âd = klaar; âr = (voor)bereider. Prepay, pripei, vooruitbetalen, frankeeren: Send a telegram and â reply = zend een telegram met antwoord betaald; âment = vooruitbetaling. Prepense, pripens, voorbedacht, vooruit beraamd; Malice â. Prepollent, pripoint, de overhand hebbende, oyerheerschend. Preponderance, priponddr'ns, overwicht, overmachtige invloed; Preponderant = overwegend; Preponderate, pripondareit, zwaarder wegen, overweldigen, grooteren invloed hebben; Preponderation = overweldiging, het overwicht hebben. Preposition, prepar/s'»i, voorzetsel; âal =als v.een voorzets.; Prepositive,pripozitiv.subsi. en adj. vooropgeplaatst (woord); Prepositor, pripozitd, oudste leerling die op de anderen let, monitor, prefekt. Prepossess, j/ripazes, vooraf in bezit nemen, innemen: lie has a âing nianner = hij heeft innemende, aangename manieren; âion = vroeger bezit, vroegere inbezitneming, vooraf-gevormde meening, vooringenomenheid (in goeden zin); âor = vroeger bezitter. Preposterous,pripostdrDS, ongerijmd, belachelijk, dwaas, averechtsch; âness. Prepotency, priponVnsi, groote macht, overmacht; Prepotent = overmachtig, zeer sterk, invloedrijk. Prepuce, pripjus, voorhuid; Preputial. Prepunctuality, pripvriktjualiti, het steeds voor zijn tijd zijn uit overdreven vrees te laat te komen. Preremote, prl-runout, verder verwijderd. Prerequire, pririkwate, vooraf eischen: Prerequisite, prirekwizit, subst. en adj. iets vooraf nooclig. Prerogative, priro(jDtiv, voorrecht (v. een bijzonder persoon, b.v. van den koning, rechtens zijne waardigheid; in zooverre onderscheiden vim Privilege. Zie dit woord): â courts bureau tot onderzoek van testamenten. Presage, pris(e)idz, voorteeken, voorkennis. Presage./»,/.seir/r,voorspellen{doorvoorteekens). Presbyopia, prezbioupjo, verziendheid; Pres-byope, prezbioup, l'resbyte. prezbail, een verziende; Presbyopic, prezbiopik, vérziend. Presbyter,/)rczamp;i?a, ouderling, geestelijke van de Presbyteriaanschekerk: âu\u,prezbitiridn, presbyteriaansch, aanhanger v. Presbyterian-ism = stelsel v. kerkbestuur door presbyters, allen van gelijken rang; ây = raad van ouderlingen, het presbyterianisme. Prescience, prisions, vóórwetenschap; Prescient = voorafwetend = Prescious, pHsios. Prescind, prisind, afsnijden, verkorten. Prescribe, priskraib, voorschrijven, bevelen, geneesmiddelen voorschrijven; âr; Prescript, prtskript, subst. voorschrift, bevel; adj. voorgeschreven; Prescriptible = wat voorgeschreven mag worden; Prescription = voorschrift, recept, recht door gewoonte of verjaring; Prescriptive = verjaard, door lang gebruik verkregen. Presence, prefns, tegenwoordigheid, edel gezelschap, audiëntiezaal, geest: â ol' mind = |
bone = botin; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = jia; \ong = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dims; wine.
23'
wm
PRESENCE-CHAMBER.
356
PRETENCE.
tegenwoordigheid van geest; Saving your â
= met allen eerbied voor u; de aanwezige(n)
uitgezonderd; Real â = het werkelijk aanwezig zijn van het vleesch en bloed van Christus bij het avondmaal; âehamber, âroom =
audiëntiezaal; Present, prez'nt, subst. tegen-1 woordige tijd, geschenk, de onderwerpelijke zaak; Presents = aanwezige stukken of documenten; He made me a present of it =
hij gaf het mij ten geschenke = gave it me as a present: At present = op het oogen-blik; For the present = voor het oogenblik = For the time being: adj. tegenwoordig,
bestaand,gereed,onmiddelijk,gunstig: Present tense: Presently = dadelijk.
Present,/gt;riren£, formeel en plechtig voorstellen (tegenover introdnee, dat als gemeenzame;
term geldt), aanbieden, ten geschenke geven, i vertoonen,voorleggen.aanleggen(v.een geweer),
met een kerkambt begiftigen, beschuldigen:
He âed me with it = hij gaf het mij ten geschenke; This noble snbjeet ought to be âed dramatically = dit grootsch onderwerp |
moest eens in dramatischen vorm behandeld ;
worden; â arms = presenteer 't geweer; j âable = die (dat) voorgesteld (aangeboden) .
kauworden; âaneous = snel werkend; âation = voorstelling, aanbieding, vertooning: The !
book contains much humour and vivid âation = het boek heeft veel humor en eene j levendige wijze v. voorstelling; This is good material tor dramatic âation = dit is uitstekend geschikt voor eene dramat. bewerking; âation-copy = present-exemplaar;
âative = het recht hebbend v. voorstelling; 1 âee, prez'ntt. die tot eer. kerkambt of benefice wordt voorgesteld; âer: â ial, prizenamp;l,
werkelijke aanwezigheid insluitende: âive =
eene voorstelling vormend voor den geest:
âive words = begripsnamen; âment =
voorstelling, vertooning, gedrag, aanbieding.
Presentient. prizenèidnt, vooraf voelend of bemerkend; Presentiment,voorgevoel (vooral van naderend onheil).
Preserve, priziiv, subst. ingelegde vruchten,
wildpark; â verb, redden, beschermen, handhaven, bewaren, goed houden, inmaken;
Preservable = wat bewaard of goed gehouden kan worden: Preservation, prezdveis'n, bewaring, behoud (voor verval); Preservative,
Preservatory, subst. en adj. bewarend of goed-houdend(middel): â r = bewaarder,beschermer,
inmaker (van vruchten).
Preses, prtsiz, praeses, voorzitter.
Preside, prizaid, presideeren: He âd at the meeting = hij leidde de vergadering (als voorzitter); He must not â over us = hij moet zich geen rechten over ons aanmatigen;
âncy, prezicVnsi, presidentschap (eene der drie groote afdeelingen v. Eng. Indië), voorzitterschap; âut, prezicCnt, voorzitter, president:
ânt elect = de verkozen, nog niet in functie zijnde president; ântial, preziclcnè'U v. een president: The ântial address was loudly cheered = de toespraak v. den president werd luide toegejuicht; ântship = presidentschap,
zijn tijd van dienst.
Presidial, prisidfl, Presidiary, prisidjori,
garnizoens----
Presignify, prisignifai, vooraf aanwijzen.
man; ersk = ask; fo?'m = fïim; b?/t = but; \carn = Iwn; line = lain; hoilt;se = haus; net:
care = kèa; fr/te = feit: tin: rrsleep = aslip; not; \aiv = ló; lord = löd; hoy = bói:
Press, pres, subst. gedrang, menigte, druk. kast, pers, drukpers, het gedrukte, couranten en tijdschriften: .lust as we are going to â = terwijl we op het punt zijn, de copie naaiden drukker te zenden; 1 have written it out for â = ik heb het voor den druk gereedgemaakt; The hook is in the â = wordt gedrukt: I am correcting the â = ik ben bezig met drukproeven nazien; The ship was under a â of sail = het schip had alle zeilen bij ; â verb, drukken, persen, (uit)knijpen, omhelzen, pakken, dringen, inprenten, geweld uitoefenen, aandringen, krachtig streven, in zijn dienst dwingen: We âed the boat on = wij lieten de boot op het land loopen; The messengers were âing onward = renboden spoedden zich voort; He presses into his service a saying of Macaulay = hij verdraait een gezegde van M.; âagency = agentschap voor de pers (zooals Renter's Office); âbed = samenvouwbaar bed, slaapbank : âgang = troep zeelui met opdracht om mannen totdienstnemen op de vloot te dwingen: âman = drukker, man v. de pers, dagbladschrijver; âmoney = handgeld (voor dienst-nemenden) = prest-nioney: âwork = het afdrukken van vellen op eene handpers; âer = perser, drukker; âing = dringend; âion = drukking, persing; âingly = zéér beknopt: âure. preéd. druk(king), gedruktheid, onderdrukking, moeilijkheid, dringendheid, kracht, drang: He was leading a life at high âure = zijn leven was zéér vol, hij vergde veel van zijne krachten. Prest,gereed,klaar: âmoney = handgeld. Prestation,/^vstetsn, betaling v. geld, verschaffing; âmoney = jaarlijks door dignitarissen aan hunnen bi'sschop te betalen geld. Prestidigitation,goochelarij = Prestigiation.
Prestige, prestidz of prdstiz, invloed, gewicht. Prestimony, prestimvni, ondersteuningsfonds (voor een priester).
Presto, preston, snel: lley â = het .,één. twee, drie: Passequot; van den goochelaar; Prestissimo = zeer snel.
Presume, priziikm, vermoeden, voor waar aannemen, wagen, durven,overgroote verzekerdheid bezitten: Do not â too much on my patience
= verlaat u niet te zeer op (verg niet te veel van); Mr. Williams, I â ? = heb ik niet het genoegen meneer W. te zien? Presumable = vermoedelijk; âr: Presuming = verwaand, aanmatigend, trotsch, durvend (tot naar het roekelooze) = Presumptuous, priznmtjiids: â 'resumption, prizamamp;n, vermoeden, waarschijnlijkheid, onderstelling, verwatenheid, onbeschaamdheid; Presumptive, prizvmtiv. vermoedelijk, waarschijnlijk: Presumptive-evidence = aanwijzingen (d. i. getuigenis ol bewijzen getrokken uit de omstandigheden, die een feit vergezellen); Heir presumptive = vermoedelijk troonopvolger.
Presuppose, prisdpouz, vóóronderstellen, voor waar aannemen; Presiipposal, Presupposition, prXsvpeziamp;n, vooronderstelling. Presurmise, prisvmais, vooraf opgevat vermoeden, argwaan.
Pretence, pritens, voorwendsel, (bedriegelijkci verontschuldiging, aanspraak: He did it on
I b(
a rm
PRICK-PUNCH.
357
PRETEND.
|
(under) a pretence of triendsliip = onder (het valsche) voorwendsel van vriendschap; Prefend, pritend, subst. aanspraak; â verb, voorgeven, voorwenden, (t. onrechte) beweren: Such people cannot pretend to honour = * kunnen op eer geene aanspraak maken (wat ze toch doen); They make pretend that they have got a nice*dinner = zij verbeelden zich* (wat niet waar is), dat ze een lekker di-nétje hebben; He pretendH to he your friend = hij neemt den (valschen) schijn aan uw vriend te zijn; Pretender = pretendent (die ten onrechte aanspraak maakt op den troon): Pretended = voorgewend; PreteiiHion = aanspraak, voorwendsel: I wonder whether he can make good his preteiiHions = het zal mij verwonderen of hij verkrijgt, waarop hij beweert recht te hebben: Pretentious = pretentieus, aanspraken makend; Pretentigt; ouNiieHH = ingebeeldheid. Preterhuman,bovenmenschelijk. Preter-imperlect, priterimpnfdkt, subst. en adj. onvoltooid verleden (tijd). Preterit(e), pretarit, voltooid verleden. Pretermission, pritdmiè'n, het voorbijgaan, uitlating, verleden; Praetermit^ritómif,voorbijgaan, overslaan. Preternatural, prUdnatjdvl, boven-, onnatuurlijk (dik): â calves = gevulde kuiten. Preterperlcct, pritdpnfdkt. volt. verl. (tijd). Pretext, pritekst otpritekst* voorwendsel: lie did it under a â ol' kindness == onderden schijn van. Pretty , priti (door geaffecteerden gewoonlijk putij, lief, aardig, snoezig, mooi, tamelijk (groot, etc.; dikwijls ironisch): You «re a â fellow = een mooie vent! (iron.); He is â much as tall as you = hij is vrij wel van uwe lengte; That* is a â lieftle óf lish = dat's 'n mooie boel; It was not â of her = het was niet lief van haar; I am â sure of his success = vrij zeker, dat hij zal slagen; My mother had a uninher of pretty-pretties: some chiiiii, some household silver, a few hooks, etc. = een aantal keurige dingen, als: wat porselein ,wat zilveren tafelgoed, wat mooie boeken, enz.; He is a âspoken fellow = hij is een aangenaam man om mee te praten. Prefypify, pritipifai. Zie Prefigure. Pretzel, 'pretamp;l, krakeling. Prevail,de overhand hebben, heerschen, v. kracht zijn, invloed hebben: 1 could not â on him to beg pardon = ik kon hem er niet toe krijgen excuus te maken; Such arguments do not â with me = zulke argumenten hebben geen vat op mij, laten mij koud; He âed himself of the opportunity = maakte zich de gelegenheid ten nutte; â iug = heer-schend; âment, Prevalency, -ce, prevDVnsii), overmacht, overwicht, het algemeen heerschen of voorkomen: Prevalent, prevdCnt, overwegend, heerschend, algem. geldend, krachtig. Prevaricate, privarikeit, uitvluchten zoeken, dubbelzinnig zijn, knoeien met zijn plicht; Prevarication = uitvlucht, verzaking van wat waar, plichtmatig en goed is; Prevaricator = uitvluchtenzoeker, plichtverzaker, knoeier. Prevenient, privinfnt, voorafgaand, voorkomend. |
Prevent,privenf, voorkómen, verhinderen, beletten, tegenhouden: He would â me from going there = mij beletten daarheen te gaan; âable of â ible = wat voorkomen of belet kan worden; âafive of âive, subst. voorbehoedmiddel; adj. belettend, voorkomend: âive-scrvice = gewapende kustdienst tegen de smokkelarij; âer = beletter, verhinderaar, borgtouw (op een schip); âion, privenè'n, verhindering: I did it for theâion of worse things = ik heb hetlgedaan om erger te voorkomen; âional = verhinderend, belettend. Previous, pHvjdS, voorafgaand: Mr. Chair-iiihii, before putting this proposal to the vote, I beg to move the â (|uesfion = Mijnheer de Voorzitter, vóór wij over dit voorstel gaan stemmen, stel ik de prealabele questie (b.v. of dit voorstel door deze vergadering kan of mag worden behandeld); âness. Prevision, pririfn, vóórwetenschap, vooruitzien. Prewarn, priwön, van te voren waarschuwen. Pray, pre/, subst. prooi, buit, slachtolTer, plundering, vernieling: Beast (Bird) of â = roofdier, roofvogel; He fell a â to despondency = hij viel aan algeheele wanhoop ten prooi; verb, rooven, plunderen, met geweld nemen: Tigers â on living creatures = tijgers azen op levende schepsels; There is soinefhing âing on your rest and health = er is iets dat u de* rust rooft en uwe gezondheid ondermijnt; âer. Priam, praioiK, Priamus. Pribbles and Prabbles, prib'Izdndprah'Iz, geharrewar. Price, prais, (kostende) prijs, waarde, uitnemendheid: Set âs = vaste prijzen; We settled on that â = wij zijn het over dien. prijs eens geworden = have agreed on that â: A â was set on his head = er werd een prijs op zijn hoofd gezet: Current â = courante (thans geldende) prijs; âcurrent, âlist = prijscourant, prijslijst: âless = onschatbaar. Prick, prik, prik, punt, stip, teeken, prikkel, spoor, wroeging, vinnige pijn: âs and compunctions of conscience = wroeging en knaging van het geweten: It is no use kicking against tiie âs = het helpt niet of men de verzenen al tegen de prikkels slaat : â verb, prikken, steken, opsteken, aansporen, knagen (van wroeging, enz.), door een prikje aanwijzen, zich opzichtig kleeden, snel rijden: The dog âed up his ears = stak zijne ooren op; To â a hare = een haas in de sneeuw speuren; The chart was âed = de koers van het schip werd op de kaart aangegeven (door prikjes); He was âing on at full gallop = hij reed voort in vollen galop; The queen âed him for that place = hij werd daartoe bij koninklijk besluit benoemd; The sheriffs, when nominated annually, are said to be âed, this is called: âiiig for sheriffs; âer = priem; âing = het prikken, vinnige pijn; âIe, subst. stekel; verb, stekels krijgen; âle-back = stekelbaarsje = stickie-back: âly = stekelig, vol prikkels: âly-heat = tropische jeukziekte; âmadam = huislook; âpunch = drevel of doorslag (van smeden). |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; v/ear = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dlitis; wine.
PRICKET.
358
PRINT.
|
Pricket, pHkdt, hert in het 2e jaar = spieshert. Pride, praid, subst. trots, hoogmoed, fierheid, achting voor zichzelf, onbeschaamdheid, aanmatiging, luister: He brought down that inaii^ â = hij vernederde den trots van dien man; That fellow is piifTed up with la-mily â = opgeblazen van familietrots; She takè.s a â in her ehildien = zij is trotsch op hare kinderen; â verb, trotsch zijn op, hoogschatten: He âd liimsell'on beihgthe ! only inan who did not b»c*k down to the i insurgents == hij beroemde er zich op, dat hij de éénige was, die niet bukte voor de opstandelingen; â lui = hoovaardig, trotsch. Prier. praid, snullelaar, bemoeial (Zie Pry). Priest, prist, priester, geestelijke; âcral't = priesterlist; âess = priesteres; âhood = priesterschap, alle priesters: âlike, âly = priesterlijk, als priester: âridden = door priesters geregeerd, onder de plak der geestelijkheid. Prig, prig, subst. verwaand en aanmatigend persoon, dief: They area setofstarehed-iip âs = zij zijn een stelletje opgeprikte âkwibussenquot;; â verb, stelen, ontfutselen: She âged his diamond shirt-pin = zij ontfutselde hem zijn diamanten borstspeld; âgish = verwaand; âgishness, âgism = verwaandheid. Prill, pril, tarbot, het beste deel van erts. Prim, prim, adj. netjes, vormelijk, gemaakt mooi; âverb, zich keurigjes kleeden en tooien, popperig mooi maken: She was very pro-prietous, and even tainted âly = zij was erg vormelijk, en viel zelfs Hauw in allen vorm; âness = formeelheid, preciesheid. Prima, primo, eerste, voornaamste, b.v.: â bulla â eerste komieke actrice; â donna = eerste zangeres. Primacy, praimdsi, opperkerkvoogdschap. Primage, praimidz, som gelds vroeger aan de bemanning betaald voor het laden en lossen. Primal, praitn'l, eerste, voornaamste. Primary, praimdri, eerste, voornaamste, in-leidendj beginnend: â instruction,scIkioI = lager onderwijs, lagere school; â colours = rood, groen, paars. Primate, praimit, opperkerkvoogd (in Engeland de Archbishop of Canterbury)-, âship. Prime, praim, subst. begin, eerste stadium, dageraad, jeugd, lente, beste, volmaaktheid: You can get it at â cost = tegen kostenden prijs: He was still in his â = in den bloei zijns levens = in his â ol'lile; adj. eerste, voornaamste, vroeg bloeiend, uitstekend; â ⢠cigars = puike sigaren; â meridian = eerste meridiaan; â minister = minister-president; â mover = beginner, die het eerst eene beweging op touw zet; âniiniber = ondeelbaar getal; â verb, kruit op de pan doen, gereed maken om afte schieten, klaarmaken, africhten ' (voor een examen, b.v.), in de grond verf zetten, water door stoom uit den ketel in den cylinder brengen: The partisan judge âd the audience and the Jury = de partijdige rechter bewerkte het publiek en de jury (tegen den beschuldigde); He âd his pistol, and wanted to keep the priming dry = hij deed kruit op de pan, eti wilde dit (pan- i kruit) droog houden: -ness = uitstekend-i heid; Priming-iron, Priming-wire = ruim- |
naald (om een gaatje in een patroon te prikken of het gaatje van een geweer schoon te maken). Primer, prima, gebedenboek, boek voor beginners (in elk vak van wetenschap), afec-boek. soort van drukletter: Cilreat â = groot romein; Long â = klein romein; A â ol' Knglish Literature = eerste inleiding tot de E. letterkunde. Primeval, oorspronkelijk: â Forest = oerwoud. Priuiigenial, pmimidzinfl, Primigenous, praimidzinos, eerst geschapen, oorspronkelijk. Priuiitiae, praimiëii, eerstelingen, eerste vruchten. Primitive, pHmitiv, subst. en adj. oorspronkelijk (woord), stamwoord; âness. Primo, primou, eerste: â Basso (Zie Prima). Primogeiiial, praimadzinf l, Priinogenious, praimddzinios, oorspronkelijk, eerst geboren. Priniogenitiire, pnximodzanitjd, eerstgeboorterecht = Primogenitive; âship. Primordial, praimödjl, subst.oorsprong; adj. het eerst naar de orde, oorspronkelijk, van het begin bestaande. Primrose, primrouz, gewone sleutelbloem: âday = gedenkdag van Lord Beaconsfields (B. Disraeli) dood, 1!) April 1888, ingesteld dooide â League = een bond, die de handhaving van godsdienst, regeering en macht van het rijk in zijne statuten heeft geschreven. Primula, primjuld, Primula Veris. Prince, prins, subst. vorst, heerscher, prins, (opper)hoofd, voornaamste: â Consort = prins gemaal; â olquot; Wales = Engelsche kroonprins: âroyal = kroonprins; â verb, den prins uithangen, voor prins spelen: âdom; âlike = vorstelijk = âly; âliness; âss = prinses: âss-royal = kroonprinses: â's-leather = Amarant, duizendschoon; â's-metal = spinsbek (72 d. koper en 28 d. zink). Principal, prinsip'l, subst. hoofd, president, chef. bestuurder, hoofdsom, hoofdpersoon,lastgever of bedrijver: Only âs will be dealt with = op lusschenpersonen wordt geen regard geslagen; adj. voornaamste, eerste, hoogste, hoofd...: â Librarian ot'the British Museum = hoofdbibliothecaris van het B. M.; âity, prlnsipaliti, vorst, vorstelijke Waardigheid*, vorstendom, meerderheid, de naam van eene orde van engelen; âness. Principia, prinsipid, beginselen. Principle, prinsip'l, subst. beginsel, oorsprong, algemeene waarheid, oprechtheid, motief: He acted from a noble â = uit een edel beginsel; Ou â = uit beginsel; Aet up to your âs = handel volgens uwe beginselen: ile laid down the follow ing â = hij stelde dit beginsel voorop; â verb, beginselen inboezemen of inprenten. Prink, prink, zich opsmukken; âer = fat. Print, print, subst. indruk, teeken. merk, blad. prent, gedrukte katoenen stof: When will the book appear in â ? = in druk verschijnen; The first edition is out of â = is uitverkocht; keeper of the âs in the British Mnseiim = directeur van het prentenkabinet; â verb, drukken, indrukken, stempelen, uitgeven: liet me â it on your minds = laat ik het ulieden op het gemoed drukken: |
man; ask = ask; farm = tam; biet = but; learn = Km; line = lain; ho«(se = haus; net: care = kèa; faté = feit: tin; asleep = dslip: not; \aw = ló; lord = Hid; hoy = bói:
PROCATARCTIC.
359
PRINT-SELLER.
|
ââ¢seller = handelaar in prenten en gravures; âshop = prentenwinkel, winkel van een âseller: âwork = werkman in een â works = katoendrukfabriek; âer = boekdrukker; âer's devil = drukkersloopjongen; â's reader = corrector; â ing = het(boek)-drukken: Litho^niphie âing = steendruk; lietter-press â iiiff = boekdruk: âiiis;-iiik = drukinkt; âing*innrliiiie = druk- of snelpers; â ing-paper = drukpapier; âing-type = drukletter; -inpfpress = drukpers; âless = geen spoor of indrukken naliitend. I'rior, praid, subst. prior (Conventual â = kloostervoogd: Clanstral â = abt); adj. eer, vroeger, voorafgaand (met to); âate, pr aid rit. prioraat; âess = priores: âIty, praioriti, voorrang; âship = prioraat: â y = klooster met een prior of eene priores aan het hoofd. Prise, praiz. Zie Prize. Prism, prizm, prisma; âatieal, prizmatik'l, als een prisma, prismatisch; â(at)oidal, prizm{et)6id'met prisma-achtigen vorm; -old â figuur ongeveer in den vorm van een prisma; âlike = prisma-achtig. Prison, priz'n, subst. gevangenis: The thief broke â = brak uit: lie was put in â, taken to â = gevangen gezet, genomen; â verb, gevangen zetten, beperken; âhars of âer's-base = diefjesspel, krijgertje; âer = gevangene: They were taken âer = gevangen genomen; âinent = gevangenneming; âyard = binnenplaats van eene gevangenis. Pristine, pristain, eerst, oorspronkelijk, frisch. Prjthee. pridhi, eilieve! Prittle-Prattie, priVlpramp;VL, gewauwel. Privaey, praiuisi. afzondering, eenzaamheid, geheimhouding: Your â will not be invaded = op uwe afzondering zal geen inbreuk worden gemaakt. Private, praivit, subst. gewoon soldaat, persoonlijke zaak; adj. alléén, persoonlijk,ambteloos, niet-officiëel, vertrouwelijk: The letter was headed quot; = boven den brief stond âVertrouwelijkquot;; In â = in 't geheim, in vertrouwen, quot;met gesloten deuren; The word quot; on this door means: âVerboden toegangquot;; A â person = ambteloos, niet ofli-ciëel, particulier persoon; â hotel = hotel garni: A â a (lair = een onderonsje; A â dinner = maal âen familiequot;: My â debts ainoiint to 3000 guilders = mijne persoonlijke schulden bedragen 3000 gulden: I sold it by â bargain = ondershands; â thea-trieals = liefhebberijkomedie: â ronfessor = persoonlijk (geheim) biechtvader; Privateer: jirRivatid, subst. kaper; â verb, als kaper kruisen; Privateering = kaapvaart, kaperij; Privateersman = kaapvaarder: Privateness == afzondering, geheimhouding. Privation, prniveiè'n, ontbering, behoefte,gebrek, afwezigheid; Privative, privdtiv.subst. on adj. ontkennend (deel of begrip, zooals un in^ unhappu, less in colourless), beroovend. Privet, privdt, Liguster of keelkruid (gebruikt voor heggen). Privilege, privilidz, subst. voorrecht, recht: lireach ot' â = schennis van de rechten van een zedelijk lichaam, zoocils het House of Commons: Writ of â = bevel tot vrijlating van een gevangene bij een civiel proces; â verb, vrijstellen, bevoorrechten, machtigen; âd = bevoorrecht. |
Privy, privi, subst. privaat, belanghebbende; adj.'geheim, afgezonderd, heimelijk, ingewijd: I am â to all his plans = ik ben in al zijne plannen ingewijd: âehamber = kabinet of geheim vertrek; âeouncil = geheime raad. Raad van State; âcouncillor = lid van den geheimen raad of Raad vau State: âpurse = particuliere kas van den koning, thesaurie; âseal = geheimzegel; fjord â seal = geheimzegelbewaarder; Privity = geheime mededeeling, medeweten. Prize, praiz, subst. prijs (in den zin van belooning), buit, belooning. lot, hefboom: He got (won) the lirst â= hij heeft den eersten prijs behaald; adj. wat of wie den eersten prijs behaalt, bekroond: âeat, âox; â verb, waar-deeren. schatten, den prijs bepalen van, met een hefboom loswringen of openen; âcourt = hof dat uitspraak doet over den op zee behaalden buit: âessay = bekroonde verhandeling; â light = wedstrijd in hetkampvechten; âlighter = kampvechter; âlighting = het boksen: âman = prijswinnaar: âmoney = prijsgeld; âring = worstelplaats. Pro and coii, proiundkon, voor en tegen. Proa, ])rotta, lange smalle boot (Indië) met zeilen en riemen. Probabiliorism. probdbiljdrizm, Roomsche leer dat eene wet moet worden gehoorzaamd tenzij er eene waarschijnlijke opinie tegen gekant is. Probability, probdblliti, waarschijnlijkheid: In all â *he will come = hij komt naar alle w.: Probable, probdUl, waarschijnlijk. Probate, proubit, officiëel bewijs van de rechtsgeldigheid van een testament, het recht testamenten geldig te verklaren; âcourt = gerechtshof, waar de rechtsgeldigheid van testamenten bewezen wordt: â duties = successierecht: Probation,proMöe£s'n,bewijs,onderzoek, proeftijd, het leveren van het bewijs: Probationary, proubeièdnarü op proef, proef . . .: b.v. Probationary of Probational sermon proefpreek; Proba'tioner, probeisdno, iemand in zijn proeftijd; Probative = op proef, proef . . .; Probator, proubeitd, onderzoeker = Probatory. I'ro be, proii b, subst. ten t ij zer tot het onderzoeken van de holten van het 'lichaam, van wonden, enz.; â verb, onderzoeken (van wonden, etc.), nauwkeurig nagaan; âscissors, âsiz9z, wondschaar. Probity, probitl, beproefde eerlijkheid of recht-schapenheid, oprechtheid. Problem, probl'm, vraagstuk, lastig geval: lie could not do that â, solve that â = hij kon dat voorstel niet maken, dat vraagstuk niet oplossen: âatic(al), iiroblomatikCl), twijfelachtig, onzeker; âatize, probVmdtaiz, vraagstukken voorleggen. Proboscis, prnbosis. snuit (van olifanten, tapirs, ook van de zuigorganen der insecten), neus: Proboscidea, probdsidw, snuitdieren (zooals olifanten, etc.). Procacioiis, prdkeiëos, brutaal, dartel. Procatarctic, proukotü/ctik, voorafbestaande, geschiktmakend voor. |
bone = boun; full; fool = fül; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; ?/ear = fia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus â dims: wine.
PROCEDURE.
360
PROFESS.
|
Procedure, prasidjo. handelwijze, manier van ! doen. Proeeed, /jrastd, voortgaan, voortrukken, voort- i komen uit, ontstaan, maatregelen nemen, pro- | cedeeren: Let iih â to biiHiiieHs = laten i wij aan het werk gaan, tot onze werkzaamheden overgaan: This ât* from sheer vanity = dit komt louter uit ijdelheid voort; He â e'd on hi» way. Journey = zette zijn weg, zijne reis voort;* Yon â upon the wron£ principle = gij gaat volgens een verkeerd beginsel te werk; Let us â with our business = laten wij voortgang maken met onze taak; âer = die voortgaat; âing = voortgang, handeling, gedragslijn, handelwijze; âings = maatregelen in eene rechtszaak genomen, verslagen van een genootschap : âings ol' the tüeographical Society = handelingen van het Aardrijkskundig Genootschap; lie wound up tlie âings of' tlie meeting with a speech = hij besloot de werkzaamheden der vergadering met eene rede; âs = opbrengst: He lived on the âs olquot; his estates = hij leefde van de opbrengst (rente, huur) zijner (land)goederen. Procerity, prouseriti, lichaamslengte, hoogte. Process,* prousos, voortgang, loop, verloop, handelwijze, maatregel, uitzetting of uilsteking van beenderen, etc., reeks van daden of proeven: In â ol* time = met verloop van tijd; âprint = photogravure: âion, prdseè'n, voortgang, stoet, processie: Funeral â = begrafenisstoet: âional, subst. Roomsch processieboek; adj. tot eene processie of een stoet behoorende; âion(al)ist = deelnemer, aan eene processie; âionary = trekkend, zich in een stoet bewegend. Prochein, prouamp;n, naaste. Prochroiiisni,/gt;roj«Aramrȕ,fout(doortevroeg-stelling) in de tijdrekenkunde. Prociduous, prousidjiws, verzakkend, vallend. Procinct, prousfykt, klaar, gereed: In â = bij de hand, dichtbij. Proclaim, proukleim, afkondigen, openbaar maken, verspreiden, aantoonen, verbannen: The bans were âed = de huwlijksafkondi-ging had plaats: The county was âed = het graafschap was onder streng toezicht gesteld (lerl.):âer; Proclaination,/?ro/i£gt;mefógt;?, bekendmaking, afkondiging. Proclivity, prdkli'iti, neiging, overhelling; Proclivous, prdklaivas, overhellend, geneigd. Proconsul, proukons'l, proconsul: âar(ygt;, prnukonsiuld(ri), behoorende tot of bestuurd door een p; âate, proukonsiulit. proconsulschap = âship. Procrastinate, proukrastineit, uitstellen, verschuiven; Procrastination = uitstel, traagheid; Procrastinator. Procreant, proukridnt, (jongen) voortbrengend: Procreate, pronkrivit, telen, voortbrengen; Proucreation = voortbrenging; Procr, al ve, proukrieitiv, voortbrengend; Procrei tor = voortbrenger. ProcniHtes, proukrnsliz, bekende roover in Attica, die zijne slachtoffers verminkte of uitrekte tot ze van pas waren voor zijne rustbank; Procrustean, proukrnstfn, door geweld pasklaar of geschikt gemaakt. |
Proctor, proktd, ambtenaar (aan E. universiteiten) die met de bewaring van orde en tucht belast is, procureur (in een geestelijk gerechtshof); âage, âridz, het bestuur van een pr.} âship = waardigheid van pr. Procumbent, prouknmVnt, (voorover)liggend. Procurable, prakjürob'l, verkrijgbaar; Procure, prdkjiio, verschaffen, krijgen, bezorgen : 1 could procure au order for you = ik zou u wel een toegangsbewijs kunnen bezorgen; 1 got it through his procurement = bemiddeling, zorg; Procurer = verschaffer, bezorger, koppelaar; Procuress, prokjurds of prdkjürds, koppelaarster. Procuracy, prokjurasi, procureurschap, procuratie; Procuration = verschaffing, bezorging (van eens anders belangen of zaken), volmacht; Procurations = geld door de E. geestelijken te betalen in plaats van het vroeger aan den bezoekenden bisschop of aartsdeken aangeboden maal; Procurator = procureur, gevolmachtigde. Prod, prod, subst. prikkel, gepunt werktuig: â verb, prikken, stooten, aanzetten (ook met up). Prodigal, prodig'l, subst. doorbrenger, verkwister; adj. verkwistend: The â Son = de verloren zoon; â ity, prodigaliti, verkwisting. Prodigious, pradidzas* kolossaal, ongehoord, verschrikkelijk: âness; Prodigy, prodidzi, wonder, voorteeken. Prodition, pradiamp;n, verraad; Proditor, pro-dita^ verrader. Producc. prodjüs, opbrengst, resultaat: Product, prodakt, voortbrengsel, product, resultaat, gevolg; Productile, pradnktil, uitzetbaar. rekbaar; Production, pradnkamp;n, voortbrengsel; Productive = voortbrengend: This law has been productive of much good = deze wet heeft veel goeds gewrocht. Produce, prodjüs, voortbrengen, veroorzaken. vertoonen, bijbrengen: I don't know how many witnesses he offered to â = ikweet niet hoeveel getuigen hij wel zeide er te kunnen bijhalen; His words did not â the least effect = zijne woorden hadden niet de minste uitwerking; He âd his papers = haalde zijne bescheiden voor den dag, leverde ... in; âr; Producible = wat bijgebracht, aangehaald, vertoond Kan worden: Many proofs are producible for this assertion = vele bewijzen kunnen voor deze bewering worden bijgebracht; Producibility. pradjüsi-biliti, Producibleness. Proem, prouam, inleiding (verheven stijl): âial, prouemial, inleidend. Profane, prafein, adj. ontheiligend, spottend, goddeloos, onrein, heidensch: â history = wereldgeschiedenis: â verb, ontheiligen, schenden, besmetten: Profanation, profaneiè'n, ontheiliging, ontwijding, schending; ânesw: âr; Profanity, prafaniti, goddeloosheid, godslasterlijke taal, heiligschennis. Profess, prafes, openlijk verklaren of betuigen, erkennen, zich bedreven of ingewijd verklaren in, vertoon maken: I don't â to be ajudgc of literature = ik geef mij niet uit vooreen kenner op letterkundig gebied; He âed himself an artist ~ gaf zich voor kunstenaar uit; âion = erkentenis, openlijke verklaring, beroep (waarmede eene zekere geestesont- |
man; ask = ask; farm = fam; bwt = but; learn = lón; line = lain; hoiese = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not: law = UV; lord = Hid; hoy = boi:
PROMINENCE.
PROFFER.
361
|
wikkeling verbonden is, tegenover trade = handwerk: He w«» a smitli by trade), stand van personen met een bepaald beroep, kloostergelofte: The learned âionw = rechtsgeleerdheid en geneeskunde; âional, subst. die een beroep uitoefent, die eene kunst niet als amateur beoefent: A âional skater = beroeps-(schaatsen)rijder; âional man = jurist of geneesheer; adj. wat tot een beroep behoort: âor = belijder, hoogleeraar: âor of law, ol' natural history = hoogleeraar in de rechten, in de natuurlijke geschiedenis; âorial, prou-fdsöridl, professoraal; âorship = hoogleer-aarsambt. Proffer, profd, subst. beleefd aanbod, voorstel: â verb, met voorkomendheid aanbieden: I shook hit» âed hand = (hartelijk) uitgestoken; âer. Prolieieney, yjra/'tó'/is/, vaardigheid, bedrevenheid, bekwaamheid; Prolirient, subst. ingewijde, meester: adj. ingewijd, bedreven, bekwaam. Profile, proit/'U, subst. omtrek, profiel, verti-kale doorsnede van een gebouw, etc.; â verb, in profiel teekenen; Prolilist, proufllist, profielteekenaar. Profit, profit, subst. voordeel, winst, nut: 1 have derived inurh â from yonriiistrnc-tion = ik heb veel nut uit uw* onderwijs getrokken; â verb, helpen, van nut zijn, vorderingen maken, rijker worden: 1 have âed very inurh by your advice = uw raad is mij zeer heilzaam geweest; âable = voor-deelig, nuttig, heilzaam, winstgevend; âless = zonder nut, onvoordeelig. Profligacy, profligdsi, losbandigheid; Profligate, profligit, subst. en adj. losbandig(e), losbol; Profligateness. Profound, profaund, subst. diepte, oceaan, afgrond; adj. diep, geleerd, diepzinnig, diepgevoeld; A âly interesting book = hoogst..: âness; Profundity, prdfwnditi, diepte,diepzinnigheid. grondige* kennis, etc. Profuse, profjüs, mild, verkwistend, kwistig, overvloedig: âness; Profusion, profjüz'n, overvloed, verkwisting, mildheid. Progenerate, proudzendreit, voortbrengen: Progenitor, proudzenitd, voorvader, voorzaat: Progeniture, proudzenitjd, voortbrenging, geboorte; Progeny, prodédfii, nageslacht, nakomelingen. Prognathic, proynathik, met vooruitstekende kaken. Prognosis, prognousis, meening omtrent den waarschijnlijken afloop van eene ziekte; Prognostic, prognostik, subst. voorteeken. teeken: adj. voorspellend, vóórbeteekenend; l'rognos-ticdte = voorspellen, wijzen of doelen op: Prognostication, prognostikeiè'n, voorspelling, voorteeken. Programme, prougr'm, programma, gedragslijn. Progress, prougrds ofprogrds, voortgang, reis. bedrevenheid, vorderingen, vooruitgang: The â natter is in â = de zaak is in wording, gaat geregeld voort; The committee reported â = de commissie deelde den stand (en den voortgang) der zaak mede. |
Progress, prougres, voortgang of vorderingen maken, vooruitkomen; âion = voortgang, vooruitgang, (tijds)veiioop, opklimming, reeks-(in de rekenkunde): Arithmetic âion = rekenkundige reeks; Geometrical âion = meetkundige reeks; Ascending, Descending âion = opklimmende, afdalende reeks; âional = voortgaand, vorderend; âionist = die gelooft in de geleidelijke ontwikkeling en volmaking der menschheid; âist, subst. geavanceerd liberaal; adj. geavanceerd (in de politiek)f âive = voortgaand, verbeterend: âive number = doorgaand nummer. Prohibit, prouhibit, verbieden (door de overheid), beletten: ISilhsticking âed here = verboden hier aan te plakken; âer; âion,. prouhibiamp;n, verbod: Writ of âion = bevei tot schorsing: âionist, prouhibiëonist, af-schaUer, voorstander van het verbod om sterke dranken te verkoopen, voorstander van beschermende wetten (in den handel, tegenover free-trader); âive = verbiedend. Project, prodzdkt. ontwerp, (dwaas en onpraktisch) plan. Project, prodzekt, vooruitwerpen, projecteeren. ontwerpen, beramen, vooruitsteken; â ile, -i/, subst. en adj, (wat) voortgedreven (wordt), vooral door de lucht, kogel, bom, pijl; âiou = ontwerp, vooruitspringing, projectie (voorstelling op een plat vlak); âor = maker van (dwaze en onpraktische) plannen: âure = het vooruitsteken. Prolapse, proulaps, Prolapsus, proulapsja* breuk, val. Prolate, prouleit, verlengd of uitgerekt aan de polen (tegenover Oblate). Prolegomena, proulogonwnd, inleiding. Prolepsis, proulepsis, anachronisme (door tevroegstelling); Proleptic^al) = voorafgaand, op den tijd vooruitloopend. Proletaneous, proulitcinjds, met veel kinderen. Proletarian, proxxlotêridn, Proletary, prou-Idtdri, subst. een uit de zeer lage volksklasse; adj. laag, gemeen: Proletariat, prouldtêriaU de gezamenlijke proletariërs. Proliferous, proulifdrds, rijkelijk telend (van planten), afleggers in plaats van bloemen voortbrengend; Prolific, proulifik, vruchtbaar,, telend: A prolific writer = vruchtbaar schrijver; Prolilicness = vruchtbaarheid; Prolification, prouli/ikeiè'n, voortteling. Prolix, prouliks, langdradig,vervelend; âity, proiiliksiti, âness = langdradigheid. Prolocutor, proulekjuto, president (Zie Convocation), woordvoerder: âship. Prologue, pronlog of prolog, voorrede, inleiding, inleidend gedicht: â verb, inleiden, van eene voorrede voorzien. Prolong. prolo)], verlengen, uitstellen; âatiou, proulorigeiè'n, verlenging, uitstel; -er, pro-loi\9. Prolusion, prouljüz'n, voorspel, vluchtig stuk. proev- Prom, prom, verk. van promenade-concert. Promenade, promondd, subst. wandeling, openbare wandelplaats; â verb, wandelen; â r; âconccrt = wandelconcert. Prometheus, prdmithids of prdmithjüs; Pro-metliean, prdmithidn, adj. van Prometheus, levenwekkend. Prominence, Prominency, promlrins(i), uitsteken, uitstekendheid, duidelijkheid; Promi- |
bone = beun; full; fooi = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = Jia; longf = loij; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus â dims; wine.
PROMISCUOUS.
362
PROPHECY.
|
iient = duidelijk, uitstekend, uitstékend, voornaamste. I'romiseuous, prD}niskjuds, gemengd, verward, door elkander: â society = gemengd gezelschap; They always 'came at â hours (op alle uren v. d. dag), never at stated times (= gezette tijden); The two words may be nsed âly = men mag die woorden voor elkander in de plaats zetten: âness = Promiscuity, promiskjüiti. Promise, pró mie, subst. belofte, verwachting: Breach of* â cases are frequent in England = gevallen van (huwelijks)beloftebreuk zijn veelvuldig in E.; You should not have made that â = dat hadt gjj niet moeten beloven: He acted up to his â = deed zooals hij beloofd had; â verb.beloven,toezeggen: lie was very happy, I â you = dat beloof ik je! âbreaker = woord- of beloftebreker; âr; Promissory,pwmisan', belovend: A promissory note = promesse( van betaling). Promontory, pi'om'ntwi, voorgebergte, kaap. Promote, promout, bevorderen, aankweeken, begunstigen, op touw zetten (van vennootschappen, enz.); âr; Promotion, promoué'n, bevordering, aanmoediging: He is on promotion = verwacht bevordering: Promotive = bevorderend. Prompt, promt, adj. gereed, vaardig, gevat, vlug; â verb, aanzetten, aansporen, souftleeren, inblazen: Avarice âed him to that mean action = de vrekkigheid deed hem die ,.minnequot; daad bedrijven: âbook = souffleursboek: âer = aanzetter, souflleur: The âings of nature = de ingevingen (stem) der natuur; âitiide, jyromtitjüd, vaardigheid, vlugheid = âness; âer^s-side = de zijde van het tooneel waar de souffleur staat (in Engeland staat hij achter eene coulisse, en zit niet in een hokje); â uary, promfjuamp;ri, magazijn van gereede goederen, bergplaats; âure, âjd, inblazing, het aanzetten. Promulgate, prumnlgcit, openbaar maken, verkondigen: The secret was âd = bekend gemaakt; Promulgation; Promulgator. Pronaos, prouneios, portiek, ruimte vóór een tempel. Prone, proun, naar voren of beneden gebogen, gretig, geneigd, vooroverliggend (tegenover supine = op den rug): He lay â before the emperor = in het stof gebogen; He is â to mischief = tot alle kattekwaad en ondeugd in staat; Pronation = houding van de hand met de palm benedenwaarts; Pronator = voorarmsspier, die den palm benedenwaarts buigt; âness. Prons, pron, scherp werktuig, (tand van een) vork; âbuck, âhorn = soort van Ameri-kaansche antilope; âed: A three âed fork = vork met drie tanden. Pronominal, pronomiril, als een voornaamwoord; Pronoun, prounaun, voornaamwoord. Prononce, prononsei, met kracht of klem. Pronounce, pronanns, uitspreken, (officieel) verklaren of beslissen, vertrouwelijk spreken: Sentence of death was âd oii the inur-derer = het doodvonnis werd over don moordenaar uitgesproken; He was âd to be a fool = hij werd voor dwaas verklaard; It is not easy to â upon the subject = het is |
i niet gemakkelijk, daaromtrent te beslissen; : âable = wat uitgesproken of beslist kan worden; âinent = uitdrukkelijke verklaring: A âment on that question = eene beslis-1 sing omtrent die zaak; âr; Pronouncing-dictionary = woordenboek met uitspraak; Pronunci'lt;ini(i)ento. prdnv.nsdm(j)entou, manifest, proclamatie; Pronunciation, jiromn-Seamp;Tn, uitspraak, voordracht; Proniinciative, ; prdnnnëeitiv, tot de uitspraak behoorende, dogmatisch. Proof, prüf, bewijs, proef, drukproef, overtuigend bewijs, vastheid, kracht, ondoordring-! baarheid: What can you adduce in â of your assertion? = wat kunt gij tot bewijs i van uwe bewering aanvoeren; We shall put it to the â = op de proef stellen; The â gt; of the pudding is in the eating = ondervinding is het beste bewijs, âdat doet de deur dichtquot;; adj. ondoordringbaar, beproefd, bestand, van zéker alcohol-gehalte: He is â against temptation = tegen de verleiding bestand: A âovercoat = waterdichte overjas; The safe proved to be lireâ = de brandkast bleek tegen het vuur bestand te zijn: âsheet = drukproef; âless = onbewezen. Prop, prop, subst. steun, stut; â verb, stutten, schragen. Propaedeutics, proxxpsdjütiks, voorbereidend hooger onderwijs (in kunst of wetenschap). Propagable, wat voortgeplant, be vorderd of verspreid kan worden. Propaganda, propdgando^ godsdienstig genootschap te Rome tot bevordering der vreemde missies van de Roomsche kerk, het middel om ! leerstellingen, enz. voort te planten; Propa-; gandism = verspreiding van leerstellingen; Propagandist = verspreider van leerstellingen. Propagate,propa(jreU,voortplanten,voortdrijven (in de ruimte), verspreiden, bevorderen, voortbrengen; Propagation = voortplanting, verspreiding, verbreiding; Propagator. ; Propel, propel, voortdrijven: âling force = stuwende kracht; -lent = voortstuwend: âIer = drijver, voortstuwer (zooals de schroef ! van een stoomboot: ScrewâIer), i Propension, propenamp;n. Propenseness, pro-'lt; pensnds, Propensity, propensiti, geneigdheid, j natuurlijke neiging.' Proper, props, gepast, geschikt, eigen(aardig). | behoorlijk, welgevormd, gunstig uitziend, werkelijk: That is the â thing = dat is ,.je warequot;; What's your â limine? = hoe is uw eigennaam: A word used in its â sense = eigenlijke beteekenis; It is not â for you to do só = het past u niet zulks te doen: âness = gepastheid; âty, subst.eigenschap i (van dingen, tegenover quality, van personen). I hoedanigheid, eigendom.deelneming: Funded i âty, Landed âty = rentegevende bezit-| tingen. landbezit óf grondeigendom: Real âty. Personal âty = grondbezit, roerende goe'deren; The âties of quicksilver = eigenschappen van; The âties (altijd meerv.) : = tooneelbenoodigdheden; â verb, zich toe-! ëigenen, met eigenschappen begiftigen; âty-: man = die met de tooneelbenoodigdheden 1 belast is; âty-letter = tooneelbrief; âty-I tax -= vermogensbelasting. ; Prophecy, profdsi, voorzegging, voorspelling: |
man; ask = Ask: farm = tam; b»tt = but; learn = l«n; line = lain; hoilt;se = haus; net: aire = ked; fate = feit: tin; asleep = asllp; not; \aiu = lo; lord = löd; boiiy = bói:
PROPHESY.
363
PROS PEK.
|
Prophesy, profdsnu voorzeggen, voorspellen; I'ropliesler, profdsaid, voorzegger, die profeteert; Prophet, profat, profeet: A prophet liaM no honour in his own country = een profeet is niet geëerd in zijn land; Prop'tietess, profdtds, profetes; Prophetie(algt;,profetikCl), profetisch. Prophyliietie, prowfilaktik, subst. en adj. voorbehoedend (middel) tegen ziekte. Propinquity, propivjcwiti, nabijheid, verwantschap. Propitiate, prdpiëeit, gunstig stemmen, bevredigen, verzoenen; Propitiation = verzoening: Propitiator = bevorderaar; Propitiatory, propiéieitd7%i, verzoenend, zoen ...: Propitiatory Haerilice = zoenoffer: Propitious, propiëds, gunstig, genadig, vergevend. PropiaHticH, prouplastiks, het maken van gietvormen. Propoli», propdlis, maagdenwas. PropontiiH, proupontds, Zee v. Marmora. Proportion, prdpöè'n, subst. evenredigheid, verhouding, regel van drieën: In â as you work wo you will be rewarded =naarde mate dat gij werkt zult gij beloond worden; In â to = met betrekking tot; That iw out of all â to the want = geheel onevenredig aan de behoefte; â verb, toebedeelen, evenredig maken, regelen: The work ought to he âed to hiw Htrength = het werk moet in overeenstemming zijn met zijne krachten: âable = evenredig; âal, subst. evenredige hoeveelheid: Mean âal = de middenevenredige; adj. evenredig; âality = evenredigheid; âate (prapöèdnit), adj. evenredig; â verb, (prdpöëdneit) evenredig maken. Proposal, prvpouzl, voorstel,aanbod: linake this â but onee = ik doe dit voorstel maar éénmaal: Propose, prapouz, voorstellen, aanbieden, van plan zijn, stellen (van candidaten): lie has actually proposed lor her = (haar vader of voogd) om hare hand gevraagd (Vergel. Proposed to her = haarzelf om hare hand gevraagd); Man proposes, hut tiod disposes = de mensch wikt, God beschikt; Proposer: Proposition, propdziamp;n, voorstel, aanbod, verklaring, probleem; Pro-positional = behoorende tot of beschouwd als een voorstel. Propound, propaund. voorstellen, behandelen, onderwerpen of voorleggen (van eene vraag): That question was âed to the meeting = werd der vergadering voorgelegd; âer. Proprietor, projyraiotd. eigenaar = Proprietary. propraidtdri', Proprietress, Proprie-trix, propraidtriks. Propriety, propraioti, gepastheid, juistheid, welvoegêlijkheid: This lellow sets all â at dcliaiice = handelt tegen alle regelen der welvoegelijkheid in; Proprietous,j3ropraidt98, ..netjesquot;, zooals het hoort (met het nevenbegrip van bekrompen of kleingeestig): 1 am stilled at the thought olquot; this pretty girl being guarded by those proprietous dragons of aunts = i'k ijs bij de gedachte dat dit lieve kind bewaakt wordt door die opgeprikte draken van tantes. Props, props, verk. van Properties. I'roinign, proupjamp;n, verdedigen; âer; âation, proupdgneië'n, verdediging, rechtvaardiging. |
Propulsion, propnlè'n, voortstuwing; Propulsive, Propulsory = voortdrijvend, stuwend. Prorate, proureit, naar rato of verhouding verdeelen (Am.); âable (Am.). Prore, prö, voorsteven. Prorogation, prdrageiè'n, verdaging; Pro-rogue. proroug, uitstellen, verdagen, sluiten van de zittingen der wetgevende macht (Parliament was adjourned = de zitting werd verdaagd: The Second Chamber was prorogued by the Home Minister in the Oneen's name = de zitting van de 2e kamer werd in naam der Koningin door den Min. v. B. Z. gesloten). Proruption, prourupamp;n, uitbarsting. Prosalc(al),pro^reijA:(7),prozaïsch,alledaagsch: Prosaism, prouzeiizm, prozastijl; Prosaist, prouzeiist, prozaschrijver, dor schrijver; Prose. prouz. subst. proza, ongebonden stijl; adj. vervelend: â verb, vervelend schrijven of verhalen: This writer never preaches nor proses = deze schrijver moraliseert of verveelt nooit; He is a proser = vervelend spreker of schrijver: The poet's way of handling his materials is diflerent IVo'in the proseman^s = de wijze waarop een dichter zijne stof behandelt verschilt van die van een prozaschrijver: Pi â¢osv = vervelend, langdradig = Prosing: Pi 'osiness = vervelendheid. Proscenium, prousinfm, (voorste gedeelte van 't) toonéel. Proscribe, proskraih, verbannen, buiten de wet plaatsen; âr; Proscription = verbanning; Proscriptive = verbannend. Prosecute, prosukjüt, vervolgen (om te pakken of te voltooien), voortzetten, volgens de wet vervolgen: Trespassers will be âd=: overtreders worden volgens de wet vervolgd; Prosecution, prosdkjüs'n. vervolging, voortzetting; Prosecutor, prosokjntd, voortzetter, vervolger: The public prosecutor = OIT. van Justitie = Counsel lor the Prosecution (ter onderscheiding van Counsel for the defence = verdediger) = ambtenaar v. het Openb. Ministerie; Prosecwtrioc. Proselyte, prosdliüt, subst. bekeerling; â verb, 'bekeerlingen maken = Proselytize, prosdlitixiz; Proselytism, prosdhütizm, proselietenmakerij. Proserpine, prosdpnin, Proserpina. Pro-slavery, pronsleivari. de slavernij bevorderend (Am.). Prosodial, prosoudfl, Prlt;»sodical, prosodik'l, overeenkomstig de wetten der prosodie; Pro-sodist, prosodist, VroHodinn, prosoudj'n, een in de prosodie bedrevene; Prosody, prosddi, leer van de lettergrepen. het accent en de versmaat. Prospect, prospokt, verschiet, uitzicht, hoop, verwachting, aanblik. Prospect, prospekt, onderzoeken van land met het oog op geschiktheid van ligging of voortbrengingskansen (vooral van edele metalen); â ive = vooruitziende, waarschijnlijk, aanstaande: His âive father-in-law = zijn a.s. schoonvader; âor = onderzoeker van land (Zie â); âus = korte schets, plan, prospectus. Prosper,prospa, bevorderen,bloeien,gelukken: âity, prosperili, voorspoed, welvaart, geluk; |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = jia; lonr/ = loij; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus â dhüs; wine.
PROSTATE.
364
PROVIDER.
|
âoiih = voorspoedig, gunstig, gelukkig; âous-neHH = welvaart, voorspoed. ProMafe, prosteit, aan de voorzijde gelegen. ProstlieHiM, prosthdsis, toevoeging van een ol' meer letters aan het begin van een woord. ProHtitute, prostitjüt, subst. veil vrouwspersoon, lage huurling; adj. veil; â verb, aan ontucht overleveren, op verachtelijke voorwaarden of aan onwaardigen aanbieden, ont-eeren; Prostitution = eerloosheid, ontucht; Prostitutor = die zichzelf of een ander aan j ontucht prijs geeft. Prostrate, prostreit, adj. neergebogen, in't stof gebogen, ootmoedig; â verb, nederwerpen,ter aarde werpen, geheel vernielen, doen zinken, eerbiedig buigen: Prostration = ternederwer-ping, diepe vernedering, ootmoedige aanbidding: grootezwakheid: Mental prostration = diepe verslagenheid van geest. Prostyle, prostail, tempel met portiek in front. Protagonist, proutagdnist, hoofdleider, voornaamste speler in een Grieksch drama. Protasis, protasis, grondbeginsel, voorzindeel (v. een voorwaardel. zin), eerste gedeelte v. een klassiek drama dat het onderwerp inleidt. Protect, protekt, beschermen, kunstmatig aankweeken of steunen: â me from mine enemies = behoed mij voor mijne vijanden: I âed him against the attacks of his foes = beschermde hem tegen; âingness = beschermende teederheid: The mother threw her arm ronnd the child with a tender âingness: âion = bescherming, verdediging, vrijgeleide, paspoort, aanmoediging v. de binnenlandsche industrie door inkomende rechten en premiën; âionism = bescher-mingsleer; âionist, subst. aanhanger van de leer, dat de binnenl. industrie beschermd moet worden; adj. beschermend; â ive = beschermend, dekkend: âor = beschermer, protector (van het rijk); âorate = protectorschap = âorship: âreus of ârice = beschermster, beschermvrouw. Protégé, proteizei, beschermeling. Protein, proutiin, essentieel voedingsbeginsel. Protend, proutend, uitstrekken, uitsteken. Protest, proutdst, plechtige verklaring, protest: He entered a â against these measures = hij teekende protest aan tegen. Protest, protest, plechtig verklaren of bevestigen, betuigen, protesteeren: I âed the bill of exchange = ik liet den wissel protesteeren; âant, protesfnt, subst. protestant; adj. protestantsch, protesteerend; âantism = protestantisme; âation = plechtige verklaring, betuiging of verzekering; â er = die protest aan teekent, betuiger; âing. Proteus, proutj,is of proutjOs, Proteus, wispelturig persoon; Protean,gemakkelijk allerlei vormen aannemend. Prolhalamion, lied ter eere van het bruidspaar. ProttlOoiiotary^jroMfcwnoiffrT^eerstegriffier (of notaris) in Amer. gerechtshoven, pauselijk geheimschrijver; âship. Protocol, proutdkol, minuut of oorspronkelijk ontwerp v, een officieel stuk, protocol; âist. Protogenic, proutodzenik, eerst gevormd. Protomartyr, proutoumHte, eerste martelaar. Protophyta, prontefaitd, laagst georganiseerde planten; Protophyte = ééne der â. |
Protoplasm, proutdplazm, protoplasma. Prototype, proutdfaip, oorspronk. type, model. Protozoa, proxxtdzoiia, ééncellige dieren; ân. Protract,/vroïraA:;, uitstellen, rekken, verlengen: A âed struggle = langdurige worsteling; âer; âion = rekking, vertraging; âor = transporteur, instrument om iets uit eene wond te halen. Protrude, protrüd, uitsteken: Soniething âd trom his robe which proved to be a claw = er stak iets uit zijn mantel, dat eene klauw bleek te zijn; Protrusile, protrüsaiL wat uitgestoken en ingetrokken kan worden: Protrusion = uitsteking; Protrusive â uitstekend. Protuberance, protjübdr'ns, uitwas, knobbel, gezwel; Protuberant = uitwassend, uitstekend. Proud, praud. trotsch, edel, eervol, hoovaardig, aanmatigend, fier: It does liim â = het doet hem eer aan; He was â of it = hij was er trotsch op: As â as Liiiciler = zou trotsch als eene pauw; â flesh = wild vleesch (bij wonden, enz.); â spirited, â minded, â hearted = met trotschen, fieren geest, hooghartig; âish = ietwat trotsch. Prove, prtiv. bewijzen, beproeven, ondervinden, aantoonen, de proef maken op, blijken te zijn: The report âd true = het gerucht bleek waar te zijn; I have âd hini to be a mean lellow = ik heb bewezen, dat hij een lage vent is; Provable = wat bewezen of aangetoond kan worden; ân = bewezen (in wettelijken zin); Not ân = vonnis in eene crimineele zaak, zoo de getuigenis voor eene veroordeeling niet voldoende is, waardoor 'vrijspraak volgt; âr = die bewijst of op de proef stelt. Provection. proveks'n, het overbrengen van eene laatste letter naar het begin van het volgende woord (b.v. an uncle en a nuncio, an ickname en a nickname). Provender, prov'ndo, droog voeder, zooals haver, hooi, etc. Proverb, provdb, subst. spreekwoord, zegswijze-kort stukje in dram. vorm, dat een algemeen bekend gezegde illustreert; â verb, van een spreekwoord gebruik maken; âial, provnbj'l, spreekwoordelijk; â ialism = spreekwoordelijke uitdrukking: âialist = maker en verzamelaar van spreekwoorden; âs = Spreuken (Salomo's). Provide, provaid, voorzien van, verschaffen, zorgen, maatregelen nemen: Are. you âd for ? = is er voor u gezorgd; hebt gij genoeg; We must â against it = daar moeten wij maatregelen tegen nemen; You have nobody to â for = gij hebt niemand waar ge voor zorgen kunt; Von have to â for nobody = gij behoeft voor niemand te zorgen; The poor were âd with the necessaries ol'lilV = de armen werden van de noodzakelijkste levensbehoeften voorzien; âd = mits, onder voorwaarde; Providenre^royid'ns, Voorzienigheid, spaarzaamheid, voorzorg, voorzichtigheid: Provident = voorzichtig, zorgend, zorgzaam: Providential, providensl, door Gods voorzienigheid gedaan of daaraan toe te schrijven: Providentness = voorzichtigheid, voorzorg: âr = verzorger, verschaffer. |
man; ask = Ask; f«rm = fam; bnt = but: learn = Iwn; line = lain; hoitse = hans: net; care = kéd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv = ló; lord = löd; hoy = bói:
PROVINCE.
365
PUBLIC.
|
Province, provins, wingewest, provincie, departement, vak, afdeeling: Arhlimetic is not my â = de rekenkunde is mijn vak (en,.fortquot;) niet; That i« within my â = dat behoort tot mijn departement, 'daar moet ik voor zorgen; â8, provinsiz, districten op zekeren afstand v. de hoofdstad: Thiw gentleman i* from tlie âs = meneer komt .,van buitenquot;; l'i 'ovineial, provinèdl, subst. iemand âvan buitenquot;; adj. gewestelijk, boersch,onbeschaafd: l'rovineialiHin = gewestelijke spreekwijze of spreektrant: Provinciality = provincialisme, gewestelijke eigenschap of manier. Provision, prduiz'n, voorraad, voorziening, voorzorg, voorbereidende maatregel; bepaling: The âh of this law = de bepalingen dezer wet; âh = levensmiddelen, eetwaren; âai = voorloopig, voor de tegenwoordige behoeften: A âal inoaMiire = voorloopige (niet voorgoed vastgestelde) maatregel: Vro\\mt,])roiivaizou, voorloopige voorwaarde, beding: With a proviMO = onder voorwaarde; Provisor. prouvaizd, geestelijke in een ambt aangesteld vóór de houder dood is, de schat-of hofmeester van een klooster, etc, provisor; Provisory â voorwaardelijk, voorloopig. Provoeation, jtrovakeiè'n. prikkel, terging, tar-ling, beleediging; Provocative, prdvoukotiv, subst. tergend iets; adj. tergend, prikkelend, boos makend: Provoke, pnrvouk. tergen, aanzetten, verbitteren: Those works provoked my anger = maakten mijn toorn gaande; Provoker; Provoking words = tartende woorden. Provost, provast, opziener, hoofd, voornaamste dignitaris van eene cathedraal, voornaamste magistraat in Schotsche gemeenten: Lord â = titel van de burgemeesters van Edinburgh, Glasgow, Aberdeen en Perth: âmarshal. jiwvoumüè'l = hoofd der militaire politie te velde, provoost-generaal; âship. Prow, prau, voorsteven, boeg. Prowess, prams, (krijgs)moed, dapperheid. Prowl, praul, subst. sluipend rondzwerven en loeren: â verb, plunderen, sluipend rondzwerven: âer. Proximate, proksimit. naast, onmiddellijk: â cause = naaste, onmidd. oorzaak: Proximity, proksimiti, onmiddellijke nabijheid, nauwe verwantschap; Proximo, proksimou, de aanstaande maand: The 71 h prox® = de 7e van de volgende maand. Proxy , proksi, volmacht. gevolmachtigde (vooral bij stemmingen): She married by â = met dén handschoen, bij volmacht; âship. Prude, pn'id, preutsche vrouw: âry = preutschheid: Prndlsh = preutsch. Pniflenee, prüiïns, voorzichtigheid, beleid, wijsheid; Pniflcnt = voorzichtig, omzichtig, beleidvol, spaarzaam: Pnidential. prudenè l, verstandig, beraden, wijs; Prudentials = voorzorgsmaatregelen, zaken v. praktisch inzicht. PriMriiomme, prüdom. lid v. eene commissie van werkgevers en arbeiders, die in alle geschillen beslist. Prune, pn'm, subst. gedroogde gewone pruim; â verb, snoeien (van vruchtboomen), netjes maken; âr: Pniniferoiis, primifdr:)S, pruimen voortbrengend; Pruning-hook (kniie. Mliears) = snoeihaak (mes, schaar). I^nmella, prunela, zachte, donker-wollen stof; |
soort van gedroogde pruim = Prunello. Prurient, prüriont, jeukend, vurig verlangend, hartstochtelijk; Prurience, Pruriency = jeuking, hartstochtelijke begeerte. Prurigo, prüraigou, jeukende huidziekte, schurft; Priiriginous, prüridzinds, schurftig. Prussia,Pruisen; ân, subst. Pruis; adj. Pruisisch: ân blue = Berlijnsch blauw: âte, proëit, blauwzuur zout; i'russic acid = blauwzuur. Pry * prai, subst. nauwkeurig onderzoek, napluizing, ongepast gluren; â verb, gluren, onderzoekend kijken: lie is a Paul â = hij is een nieuwsgierig Jantje sekuur; âing = onderzoekend, onbetamelijk nieuwsgierig. Psalm, sdm, psalm: The âs = Psalmen; âist. sdmist of salmist, psalmdichter: The âist = David; âodist, sdmddist of salmddist. psalmdichter, psalmzanger; âody = psalmgezang, boek met psalmen: Psalter, sólte, psalmboek; Psaltery, sóltori, oud-Joodsch snaarinsirument. Psammite, sainait, zandsteen; Psaoimitic. PseudaestliCMia, siüdds-thisid, denkbeeldig gevoel in een verwijderd orgaan. Pseiido. siiidou. valsck (vooral in samenst.); âgraph, sitkddgnxf, âgraphy, siüdogrdfi, valsch geschrift: âlogy, siüdolddzi, valschheid van taal of spreken; âmorphic, siüdamöflk, van valschen of onjuisten vorm; ânym = valsche of aangenomen naam; ânimity, siuddnimiti, het aannemen van een anderen naam; ânyinoiis, siudonimos, met een valschen of aangenomen naam ; ânymunde, siüdanin1k'l, (verachtelijk voor) iemand, die niet onder zijn waren naam schrijft. Pshaw, su, bah! foei! Psittaccous. siteisds, van papegaaiengeslacht. Psittacus, sitdkds, het geslacht der (Afrik.) papegaaien. Psora, sórd, jeukziekte. Psyche, saiki, psyche, de ziel; Psychic(algt;, sdikikCl), tot de ziel behoorende, zielkundig, geestelijk : Psychologic(algt;, SiükelodzikCl), tot de zielkunde behoorende: Psychologist = zielkundige; Psychologyzielkunde: Psychologize*, soikolodzniz, op iemands gemoed werken, iemands hart overhalen: She psychologized her uncle to the extent of opening hiw arms to her = zij bewerkte haar oom zóó, dat hij zijne armen voor haar opende: Psj/chomancy = tooverkunst, zwarte kunst, kunst om geesten te bezweren. Ptarmigan, JamfV/'w, sneeuwhoen = llrown â. Pteridology, teridoladzi, wetenschap d. varens. Ptisan, tai's'n, gerstewater, afkooksel. Pto'emy, fo/ami, Ptolemeus; Ptolemaic, tola-meiik, Ptolomeisch. Pub, jwb, gewone verk. voor public-house. Puberty, pjübati, huwbare leeftijd: Pitberal = tot dien leeftijd behoorende; Pubescence. pjubes'ns, staat of leeftijd der puberteit, zacht dons; Pubescent, jijuhes'nt, van huwbaren leeftijd, donzig, zacht. Public, pvhlik, subst. het algemeen, publiek, bierhuis: The â at large. The general â = het groote publiek; He did it in â = in het openbaar: The work was brought before the â in 1HNO = het werk werd in 1880 uitgegeven; Who introduced this |
bone = boun; full; fool = ful; 0 = toonlooze vokaai (zie asleep en care)-, girl: t/ear = jia; lorjgr = loi^: ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhvs; wine.
PUBLIC-HOUSE.
PULMONARY.
366
|
work to the â ? = wie heeft dit werk bij het publiek ingeleid ; adj. openbaar, algemeen, bekend: A â m»ii = iemand die eene openbare betrekking bekleedt (tegenover a private perHOii); âhouse = herberg, bierhuis, kroeg: âschool = pensionaat (soort v. gymnasium): openbare of volksschool (Am.); âNpirited = met een hart voor de algemeenebelangen; âau = tollenaar, herbergier, kroeghouder: âation = bekendmaking, afkondiging; âist, pnblisist. schrijver over staatkundige en staatsrechtelijke onderwerpen; â ity,pdblisiti, openbaarheid, bekendheid = ânews: PnhliHh, pvbliè, bekendmaken, uitroepen, uitgeven: Publisher = uitgever, bekendmaker: Publisher and Pablishee = uitgever en schrijver; The publishing; lirin of Mes*^ Sampson, Low and Co. = de uitgeversfirma S., L. en C.; Publish ment = bekendmaking, huwlijks-afkondiging. Pure, pjüs, roodachtig bruin. Puck, pvk, kabouter, elf, fee. Zie l*ii(l'-blt;ill. Pucker, pnkd, subst. vouw, rimpel; â verb, rimpelen, plooien: She âeil up her mouth = zij rimpelde haar lippen. Pudding;, pud'n\, beuling, worst, pudding, gevlochten touw: But the â was richer than that = maar 't was nog veel mooier; âfaced = met dik, rond en zacht gelaat; âpie = vleeschpastei; âsleeve = wijde (pof)mouw van de toga; âtime = etenstijd, het juiste ©ogenblik: He came in âtime = hij kwam net van pas, viel met zijn neus in de boter. Puddle, pod7, subst. kleine modderpoel of plas, klei en zand gemengd; â verb, bevuilen, modderig maken, in smeedijzer veranderen: âr; Puddling = het waterdicht maken met een mengsel van klei en zand, verandering van giet- in smeedijzer: Pnddlv = modderig. Puddock, pmldk. Zie Padflock. Pudenda,?)Æwf/em/a,schaamdeelen; l)udic(al)= daartoe behoorende; Pudicity = kuischheid. Pudgy, pudzi. Zie Podgy. Puerile, pjfidi'ciil, kinderachtig, jongensachtig; âness = Puerility = kinderachtigheid, kinderachtige uitdrukking. Puff, pnf, subst. krachtige windruk, geblaas, trekje of haal. wat licht en poreus is, luchtig gebak, poeierkwast, reclame, holle en snoevende aanbeveling, gemalen klei; â verb, blazen of waaien met korte en krachtige stooten, opblazen, overdreven in de hoogte steken, verachtelijk snuiven: He âed his cigar = trok aan; He âed with anger = snoof van toorn; He was âed with pride = hij was opgeblazen van hoogmoed; These people are âridden = zijn dwaas v. opgeblazen trots; âball = zwam (wolfsveest); âpaste = fijn taartendeeg; âer = snoever, bluffer, opjager (op verkoopingen); ây = opgeblazen, bombastisch, verwaand; âiness: âing, subst. overdreven aanbeveling of lof; adj. dwaas aanprijzend. Pug, png^ leem, ondeugende kabouter, aap, vos, mopshond = âdog; âfaced = met een mopsgezicht; ânose = mopneus; âmill = kneedmolen, steenbakkersmolen. Pugaree, pngdri (ook soms Puggery gespeld), mousseline óm hoed of helm gedragen in tropische gewesten. |
Pugging, pngii\, wat tusschen de zoldering en den vloer wordt gevoegd om den klank te dempen. Pugh, pil, bah! foei! loop! Pugh. pjü, een eigennaam. Pnieilism, pjiidzilizm, het vuistvechten; Pugilist = vuistvechter, bokser; Pugilistic. pjüdzilistik, vuistvechters---- Pugnacious, pvgneiëos, twistziek, strijdlustig; âness of Pugnacity, pvgnasiti. Puisne, pjiini, zwak, 'klein, jongste, v. jongeren of minderen rang. Puissance,pjrtis'ns, macht, gewapende macht; Puissant = machtig, veelvermogend, sterk. Puke, pjük, subst.braakmiddel; â verb.braken, jammeren, bleek uitzien, gerrrtiaktzijn: She is a puking miss; Sounds of puking woe; âstocking = donkere kousen dragende. Pole, pjiil- jammeren, kreunen: The children look wretchedly white and âd = zien er erg bleek en 'schraaltjes (,,pieperigquot;) uit: Puling, subst. gejammer; adj. jammerend, kreunend, kinderachtig. Pu Ik ha, pnlko, slede der Laplanders. Pull, pul-, subst. het rukken, de ruk, het ge-trokkene, teug, toeval, waagstuk, invloed (Am.): He has the â over us = hij is ons de baas: â verb, trekken, rukken, plukken, scheuren: Will you â the bell, please? = wil u wel eens ijellen; He âed at the belUcord) = trok aan; He âed the long b.»w = schoot met spek; He can â a string or two in the press = heeft veel invloed in de letterk. wereld; How many proofs have you âed? = hoeveel proeven hebt gij getrokken; The piece of cloth was âed apart = in stukken gerukt of gescheurd; The old houses near the gate were âed down = werden afgebroken; I will â him down a little = ik zal hem klein krijgen: He âed it off = reddo het, sloeg er zich door, kreeg het gedaan; The shoes were âed off my swollen feet = de schoenen werden van mijne gezwollen voeten getrokken; We âed ourselves together = wij zetten ons beste beentje vóór; â up = vort! hump! haal op! The coachman âed up before the house, at the door = hield stil (eig. trok de leidsels op): The things were âed up = weggenomen: He was âed up as a vagabond = hij werd opgepakt en gedagvaard als landlooper; We âed him up for his insolence = maakten hem een standje; â up a brave heart = vat moed; Xe ver say die, man, 1 hope we shall â you through = nooit opgeven, man, ik hoop, dat wij je er nog zullen doorhalen, je nog zullen redden of in het leven houden; He âed the mairs vengeance down on his head = hij haalde zich *s mans wraak op den hals; He âed a face = hij keek leelijk op zijn neus; âer; âed beu = ruiende kip. Pullet, puldt. kuiken. Pulley,pwii, katrol: Fast â, Loose â = vaste k., vrije katrol. Pul(lgt;icat, pnlikdt, gekleurde en geruite zijden doek. Pullniaii car, pulm'nkii, salonrijtuig, ook Palace-car geheeten. Pulmonary, pnlmandri, tot de longen behoquot;- |
man; ask = ask; farm = fïim; bitt = but; learn = Iwn; line = lain; hoilt;se = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; boy = bói:
; iu
PUPIVOROUS.
PULMONIC.
367
|
rende, long...: â coiiHinnption, complaiiif longtering, âkwaal; â iiiflammatioii = longontsteking; Pulinoiiif, pü/moniA:, subst. longlijder, longmiddel; adj. long ....; Piilmoiii-fei'oii8, pvlmdnifdrds, door longen ademend, met longen. l*iilp,po(p, subst.weeke,vochtige massa, vleezig , deel eener vrucht, pulp, merg: I'll beat you to a â = ik zal je tot mosterd slaan; â verb, tot pulp of weeke massa maken, het \ merg halen uit; âiiig-mill = pulpmolen (waar b.v. kotlieboonen van haar vleesch worden ontdaan, lompen enz. toi pulp worden gemengd, etc.): ây, âouh = pappig, week. zacht; â inews, â oiiHiir»». Pulpit, pulpit, kansel, spreekgestoelte: Tlie â = de predikanten, het preeken; The preacher In in the â = op den stoel; He a â thumper = hij is dominé (in verachtelijken zin); Yhe declaration was read IVoin the â = de bekendmaking werd van den preekstoel afgelezen. Pulsate, pnlseit, kloppen, hard slaan: Our hearts â to the Maine ideal** = kloppen voor: Pulsatile, pnlset'dil. bespeeld door er op te slaan, kloppend: Pulsation = klopping, hart- of aderslag; Pulsative, Pulsatorif ! = kloppend; Pulwe, pvls, subst. pols(slag), j trilling, peulvrucht: The patient ha* a low pulse = een zwakken pols: 1 shall try to teel his pulse = ik zal hem eens zie'n te polsen; â verb, kloppen: My heart pulsed fiercely = klopte woest; My* watch pulsed regularly = tikte: Pulseless = zonder polsslag; Piilsific, pnlsifik. klopping of aderslag veroorzakend; Pulsion, pnWn, voortstuwing. Piilverate, vnlvdreit, tot poeder malen; Pulver-able = wat tot poeder gemalen kan worden = , J)iilverizable: Polverize.po/yarair, tot poeder malen of stoóten, totaal vernietigen: The opponents were pulverized = de tegenstanders werden totaal in het debat verslagen; Pulver'-ization; Pulverizer: Pulvei^ous = poederachtig; Piilverulence, pvlverjuVris, stoffigheid, overvloed van stof of poeder; Pulverulent = stoffig, poederachtig, gaarne in het stof rollend (zooals pluimgedierte); Pulvil, pnlvil, subst. reukpoeder: â verb, daarmede bestrooien of besprenkelen. Pinna, pjünid, Amerik. tijger. Pumice, pjümis, puimsteenrots; âstone = puimsteen; lUimicate = met puimsteen glad wrijven; Piimiceous. pjumiSdS, puimsteenachtig = Piimicit'orm, pjumisifóm. Pumniel, pnm l. Zie Poinmel. Pump, jmmp, subst. pomp, lage schoen, dansschoen: Lift and lorce â = zuig- en perspomp; I could not letch the â = aan den gang krijgen; â verb, (leeg)pompen, op slimme wijze uithooren, afmatten, omhoog pompen: We must try to â him (dry) = wij moeten het (geheel) v. hem zien te weten te komen: The sailors were ordered to â ship = de matrozen kregen bevel aan de pompen te gaan: âbreak = slinger v. eene zuigpomp; âcistern = pompbak; âdale = uitloozingsbuis (op een schip): âgear = pomptoestel; âspear = pomproede; âstock = buitenwerk of romp v. eene pomp; -er. Pumpernickel, ptcm^dni/cr?^, grof roggenbrood. . |
Pumpkin, pnmpkin, pompoen. Pun,/Hm, subst. woordspeling; â verb, woordspelingen maken; âster = die gaarne woordspelingen maakt of ze goed kan maken. Punch, pünè, subst. priem, drevel, punch, slag (met vuist of elboog), korte en dikke kerel, zwaar trekpaard, hansworst: â and Judy = Jan en Trijn; â and Judy shuw = Janklaassenkast; As' proud as â = zoo trotsch als Jan Klaasseri (diesteedsoverwinnaarblijft); He is as pleased as â = hij heeft plezier voor zes; adj. kort en dik; A â gibbet = galg voor één man. gewone galg; âbowl = punchkom; â verb, priemen, doorslaan, knippen, slaan (met vuist of elboog), stompen: Our tickets have not yed been âed = onze kaartjes zijn nog niet geknipt; âer; âinello, pvnèinelou, hansworst; ây = kort en dik. Puncheon, pvns'n, stift, priem, vat. Punctate(dgt;, pur^kteïtiid), gepunt, gestippeld; Punctirorm. pm\ktiföm, als een punt. Punctilio,/gt;ö^A7lt;7/oquot;ioverdreven vormelijkheid of nauwgezetheid: He stands upon â = hij is overdreven precies: Punctilious = overdreven vormelijk of nauwgezet. Punctual, pnn'ktjuDl, precies op tijd tto the hour): â¢~ïiy\pv.7i)ktjualUi,sü\)iheid = âness. VunctuMv.'pvrfitjueit, punctueeren. leestee-kens plaatsen, telkens afbreken; Punctuation : Punctuative = tot de punctuatie behoorende; Punctum = punt. Puncture, pmiktjd. subst. prik, gaatje: â verb, prikken. Pundit, pundit, geleerde Bramin, geleerde (ironisch). Pung, pvn. ruwe slede (Amer.). Pungency, ptmznsi, scherpheid, wrangheid, bitterheid: Pungent = scherp.vinnig,bijtend. Punic, pjünik, subst. taal d. Carthagers; adj. Carthaagsch, verraderlijk, trouweloos. Piiniceous, pjuniëdS, purperkleurig. Punish, pnnië, straffen, kastijden, pijn doen. slagen toebrengen (bij het vuistvechten), toetakelen: The big pugilist was severely âed = verschrikkelijk toegetakeld; âable = strafbaar; âment = straf(fe), boete: On âinent ol'death = op straffe des doods; He took âment very well = hij nam alle straf, teleurstellingen, etc. flink aan: Punitive, pjünitiv, straffend. Punkah, pni\kd, groote waaier (in Indië). Punnet. pnnot. ondiepe bloemen- of vruch-tenmand. Punster. Zie Pun. Punt, pvnt, subst. platboomde boot of schuit, pont; â verb, omberen of hazard spelen (for), voortduwen, boomen; âer = hazardspeler. Puny, pjüni. klein, onvolkomen ontwikkeld: Puniness. Pup, pvp, subst. jonge hond; â verb, jongen werpen; âpy, subst. jong, jonge hond, zot, kwast; â verb, jongen werpen; âpy-dog = jonge hond; â py-headed = kinderachtig, onnoozel; âpyisni = kwasterigheid, gemaaktheid. Pupil, pjülgt;il, leerling, minderjarige, oogappel: âteacher = kweekeling; âage, âidz, minderjarigheid, staat van pupil; âary = tot den oogappel, (tot) mindeijarig(en behoorend». Pupivorous, pjupivdros, larven etend. |
bone = bonn: full; fool = fui; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; //ear = jia; lon.9 = loi^; s/iip = sip: occasion = okeii'n; thin; thus = dhus: wine.
PURSUIVANT.
3G8
PUPPET.
|
Fiippet, pnpdt, pop, marionet, werktuig; â player = marionettenspeler; âplay, âshow = marionettenspel; Puppy, Z. Pup. Ptirbliiid, pvblaind, bijziende, slecht v. gezicht, f'iirciiase. ptïtèis, subst. koop, het gekochte, ieder mechanisch toestel en het voordeel daardoor verkregen: It is mine by â = het is door aankoop mijn eigendom; â price = j koopprijs; In that posture you have a { better â over your instrument = in die i houding hebt gij het instrument beter in uwe macht; I could not ^et any â for my feet = mijne voeten nergens te'gen aanzetten; â verb, koopen, aankoopen. verkrijgen, door mechanische kracht bewegen: We have âed him out = wij hebben hem uitgekocht; 1 have âd it with my own money = voor eigen geld gekocht; âmoney = kooppenningen; âr = kooper. Pure, pjfid, zuiver, rein, kuiscb, echt. onvermengd: It is a newspaper article â and sini|iie = het is niets anders dan een courantartikel; âness. Purfle, pv^li geborduurde rand, garneersel. Purgation, pvgeiè'n, zuivering, reinwassching; Purgative, pügdtiv, subst. purgeermiddel; adj. purgeerend: Purgatory, pvgdtdri, subst. vagevuur, louteringsplaats; adj. zuiverend, boetedoend: Purgatorial, pvgdtórial, tot het vagevuur behoorende; Purgatorian, pvgo-tórim, subst. geloover in het vagevuur; adj. van het vagevuur: Purge, /wdz, subst. purgeermiddel; â verb, zuiveren, reinigen, pur-geeren; Purger; Purging = buikloop, purgatie. Purify, pjiïrif'ai, zuiveren, reinigen, louteren, klaren; Puriiicatfon, pjhrifikeis'n = zuivering, reiniging: Purificative = reinigend, zuiverend = Purificatory; Purifier = zuiveraar, reiniger; Purity = reinheid, zuiverheid. Puriform. pjüriföm, etterachtig. Purim, pikrim, Purimfeest (der Joden). Purism, pjürizm, muggezifterij, purisme; Purist = muggezifler, taalzuiveraar; Puristic, pjuristik, overdreven nauwkeurig, puristisch. Puritan, pjüriVn, subst. en adj.Puriteiri(sch); P\iritanic{al) = puriteinsch; âism = leer of gewoonten der Puriteinen. Purl, pvl, subst. geborduurde rand, boordsel, lus (van een sloop), averechtsche breisteek, alsembier, heet gekruide jenever en bier, kabbeling, gemurmel; â verb, borduren, kabbelen, murmelen: He got âed = hij viel van Purlieus, pfiljüz, omtrek, buurt. [het paard. Purlin, ptilin. dwarsbalk. Purloin, pw/óitt. stelen, kapen, ontfutselen;âer. Purparty, pupiiti, verdeeling van gemeenschappelijk land, ook Pourpnrty, püdpati. Purple, pvp'l, subst. purper(klêur). purperen kleed of mantel, kardinaalschap, keizers- of koningsmacht; adj. purperen, keizerlijk, koninklijk. doodsbleek; â verb, purperkleurig worden of verven; âs = huiduitslag of roodepuistjes; Purplish = purperachtig. Purport, ptjpöt, subst. beteekenis, inhoud, bedoeling; â verb. bedoelen, beteekenen; âless. Purpose, pv/MS, subst. bedoeling, doel, voornemen, plan, resultaat: He did it on â, âly = hij deed het opzettelijk; That is not to the â, to noâ = dat is niet ter zake dienende, te vergeefs; He remembered tin's con ver- | |
sation to someâ, as appeared afterwards = hij herinnerde zich dit gesprek uitstekend en met reden, zooals later bleek; He lias hunted to good â = met succes; They struggled to small â = met weinig succes: For what â did you go there? = waartoe gingt gij daarheen?*You use this knife quite from the â for which I gave it you = gij gebruikt dit mes voor geheel andere dingen dan waartoe ik het u gaf; That does not answer my â = dat kan me niet dienen: It is wide 'of the â = het is heelemaal mis; That man has a wonderful tenacity of â = wonderbaarlijke volharding; These persons fell in love with each other at cross âs, for Alfred loves Alice, but Alice loves Herbert, and Herbert loves Kate, who is dying for Alfred = werden tegen het heil in op elkaar verliefd (zóó, dat de bedoelingen met elkaar in botsing kwamen); â verb, voornemens zijn, het plan hebben: He purposed to write the history of Kngland = hij nam zich voor; Man âs, and (ilod disposes = de mensch wikt, en God beschikt; â ful = belangrijk, expres; âless = zonder doel of resultaat; Purposive, /mpdsiv = belangrijk, met een bepaald doel. lgt;(o)urpresture, pvprestjd, onrechtmatige inbreuk op eens anders eigendom. Pnrpure, püpjd, purper, op een schild voorgesteld door diagonalen van rechts naar links: Purpiireal, pvpjüriel, purperkleurig. Purr, ])v, subst. het snorren of spinnen (van katten vooral); â verb, snorren, spinnen. Purre, jw, pere- of appelwijn. Pui'Me, pvs, subst. beurs, schatkist, middelen, som gelds: He has a light â, an empty â = hij is arm, heeft geene middelen; He has a long â, a heavy â = hij is rijk: He has a well lined â = goed gespekte beurs; â verb, in de beurs steken, rimpelen, den mond samentrekken: His âd out underlip hinted at decision of character = zijne vooruitgestoken en krachtige onderlip gaf vastheid van karakter te kennen; She âd up her mouth dip») = zij trok den mond (de lippen) samen: âbearer = thesaurier; ânet = zaknet: âproud = trotsch op geld: âr = vic-tualiemeester, betaalmeester, kwartiermeester: Pursy = dik en kortademig, asthmatisch: Pursiness. Purslane, püslein, postelein. Pursue, pvsiü, vervolgen (met het doel om in te halen of te vangen), voorzetten, voortgaan: He âd his headlong course = hij zette zijn doldriftigen loop voort; They â after riches = zij jagen rijkdommen na; âr = vervolger, najager; Pursuance â uitvoering, voortzetting; Pursuant = aangenaam, overeenstemmend: Pursuant to your wishcM = overeenkomstig uwe wenschen; Pursuit. pvsiüt, het najagen of vervolgen: His pursuits are literary rather than commercial = hij houdt zich meer met letterkundigen arbeid dan met handelszaken bezig; We were in pursuit of the game = wij vervolgden het wild; The pursuit of knowledge = het najagen van kundigheden. Pursuivant, pnswiv'nt, volgeling, wapenkoning. |
man; ask = ask; farm = fiim; hut = but; learn = Km; line = lain; howse = haus; net: crrre = kca; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = Hid; hoy = bói:
PUT.
369
|
I'urulence, pjüruVns, etterigheid; Purulent = etterig. Purvey, pavet, voorzien van (levensbehoeften), verscfialfen; âmice = het verschallen van levensmiddelen, de versch. levensmiddelen; âor = verschatter, koppelaar. I'urview, pvvjü, uitgestrektheid, grens, omvang. Pus, etter. Piiseyism, pjilziïzm, de leerstellingen van de Oxford School; fimeyite, pjüziait = volgeling van Fusey, een der hoofdleiders van de Oxford Movement. rush, pus, subst. duw, stoot, aanval, volharding: lie brought things to the last â = dreef de zaken op het uiterste; Ata â = in één slag of stoot; â verb, duwen, stooten, voortdrijven, vooruithelpen, (aan)dringen, aanvallen: lie âed the romparison too iiir â hij zette de vergelijking te ver door; lie âed a Joke = tapte eene aardigheid; Let iih â at them = laten wij op hen aanrukken, hen aanvallen: lie âeil himseir forward = hij drong naar voren; We âed him hard = we legden hem het vuur aan de schenen; â on = vooruit! haast u!: He âed on his work = hij zette zijn werk krachtig en met spoed voort; âer; âiug = energiek, ondernemend; To play at âpin = prikken (kinderspel); âHtroiicN are barred = billardeeren mag niet. I'ushto(ogt;, piiètxx, taal der Afghanen. riisillsmimity, pjiisilonimiti, lafliartij?- of kleinmoedigh'eid; Pusillaiiiiiioiis, pjusila-nhnos. Fiims, pus. kat, haas, kind, jong meisje: Have you read â in boots? = Hebt ge âDe gelaarsde Katquot; gelezen.'; To play â in the corner = stuivertje wisselen: ây = poesje, katje, jonge haas; âfared = met scherp, vooruitstekend gelaat. rustiile, pnstjül, puistje, blaartje; Pustular = met puistjes; l'ustiilous, pvstjules = vol p. rut, pvt, subst. handige slag bij het kolven, boerenpummel, lomperd: â verb, bij het kolven den bal door een handigen slag in een gat drijven; âter = kolfstok. Put. puf, liet zetten, duw, drang, dwang: That is a â off = dat is eene uitvlucht; â verb, /etten, plaatsen, leggen, onderwerpen (aan de aandacht), vasttellen, toepassen, uitdrukken: liet us â this case = laten we dit «eval stellen: They â their heads together = staken de hoofden bij elkaar; I do not know how to â it = hoe ik het zal zeggen of uitdrukken: You may â and call these stocks = ge hebt machtiging, om deze elïecten voor een bepaalden prijs te (ver)koopen; I'll â it mildly = ik zal mij zacht uitdrukken: 1 hope 1 don't â you about, that I don't â you to (any) iiiconvenience = ik hoop dat ik het u niet lastig maak: The ship was â ahout = werd gewend; l'ut it back =. zet liet weer op zijne plaats: The watch was â back = werd achteruit gezet: The thing was â beyond a doubt = buiten allen twijfel gesteld; lie â by my remarks with indiflcrence = hij ging mijne aanmerkingen onverschillig voorbij, gaf er niets om, legde ze ter zijde: He had â by some money lor unexpected events = opgespaard voor onvoorziene gebeurtenissen; I will â down his pride = ik zal hem zijn trots wel afloeren; What may I â you down for? = wat mag ik eens voor u opschrijven, voor hoeveel teekent u in?; He â it down to Jealousy = schreef het toe aan: They â it dowii as hare, but miiybe it is a* cat = op het menu noemen ze' het haas, quot;t is misschien eene kat; A declaration was |
â forth = eene verklaring werd uitgevaardigd: He â forth his hand = hij stak zijne hand uit; The trees are âting forth their leaves = de boomen komen in 'tblad; Heâ forth all his strength = hij ontwikkelde, spande in al zijne kracht; He â it in writing, in print = op schrift, in druk: I am glad you â ine in mind of it = ik ben blij, dat ge er mij aan herinnerd hebt; I do not wish to â you in fear of him = u bang voor hem te maken; The ship put in, was â in = liep binnen, werd binnengeloodst; Allow me to â in a word = laat mij ook een woord meespreken: He â in thus = hij sprak als volgt: She has â herself gently into his life = op zachte wijze eene plaats verkregen in; The horses were â in = aangespannen; He â in a word for me == deed een goed woord voor mij; Kever â oIf till to-morrow what you can do to-day = stel nooit uit; He â me off = scheepte mij af, stelde mij teleur: bracht mij in een kunstmatigen slaap (.,maakte mij wegquot;): They â the horse oil* its lood == deden het zijn eetlust verliezen: That â me off most = hinderde mij : He did not offer to â me anything on = hij gaf mij geene gelegenheid met hem te wedden (bij wedstrijden); We can safely â this out of t'onrt = wij kunnen dit gerust buiten beschouwing laten; He â out his money at compound interest = hij zette zijn 'geld intrest op intrest uit: Their plans were â out = gedwarsboomd: I am not afraid of your âting him out = dat ge hem de loef* afsteekt: He was fearfully â out on hearing this = verschrikkelijk ontstemd, boos; His nose was â out of Joint = hij kwam er kaal af; They â out in their canoes = staken van wal in; The actor was â out = was van streek, in de war; Are we to stand here till we â out? = tot we vastgroeien, wortel schieten: We have been hard â to it of late == wij hebben het in den laatsten tijd hard te verantwoorden gehad: He was â to it = hij moest wel; I â it to liiin = stelde hem die vraag, maakte hem erop attent; The criminal was â to the lt;|iiestioii = de misdadiger werd op de pijnbank gebracht; He hovers over the difficulty, but does not â his hand to it = hij fladdert er wat om heen, maar pakt niet aan; â up your sword = steek uw zwaard op: He â iip for that place = hij stelde zich enndidaat voor die betrekking: Shall we â up here, at this hotel? = = zullen wij hier, in dit hotel, onzen intrek nemen: The house was â up (for sale) = aangeslagen: Shall 1 â it up for you |
bone = boun; ful; fool = ful: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; v/ear = Jio; long = loij; ship = sip: occasion = okeiz'n: thin: thus = dlias; wine.
ten bruggencate, Eng. Woordenboek. 24
QUADRAGESIMA.
PUTAGE.
370
|
= inpakken, apart leggen? 1 have â yon up to a good thing = iets goeds aan de hand gedaan; They â up the Hliutters = zij zetten de luiken er voor; She â up her lipn to kiH8 him = stak uit, hield toe; That â my back up = maakte mij boos; You will 'have to â up with it = dat zult gij u moeten laten welgevallen; He â a trick upon ine = hij bakte mij eene poets; He Ih easily â upon = beetgenomen; He was â to death = ter dood gebracht; All the iiihabitants were â to the sword = werden over de kling gejaagd; Can^t you â a stop to that nuisance? = kunt gij aan dien last geen eind maken; Everything was â to hazard = alles werd op* het spel gezet; He â me to great expense(sgt; = hij heeft mij heel wat kosten veroorzaakt; We'll â this to rights = in orde brengen: The prisoners were â to the oath = de gevangenen moesten zweren; I^et us â two and two together = laten wij alles eens bij elkaar rekenen, alle omstandigheden in aanmerking nemen: The inotion was â to the vote = er werd over het voorstel gestemd; âter: âter-on = aanstoker. Putage, piütidz, Piitanisin , pjAtónizm , ontucht. Putative, pjütdtiv, ondersteld, gewaand. Puteal, pjütidl, omsluiting van eene put. Putid, pjütid, vuil, laag, waardeloos. Putlog, pntloy, steigerhout (onderstuk). Putney, pvtni. Putredinous, pjutredinas, verrot, stinkend. Putrelaction, pjütrifaké'n, verrotting, het verrotte = Putrification, pjntrifikelè'n: Pati'efactive = verrottend; Putrefy = (doen) verrotten of bederven, door kanker aantasten: Putrescence, pjwtrcs'ws,rotting; Putrescent: Putrescihle, pjutresib'l, licht verrottend: Putrid, pjütrid, verrot; Putridness, Putridity = het verrot zijn, rotheid. Piittock. pvtok, wouw of kiekendief. Putty, pnti, subst. stopverf, tinasch; â verb, met* stopverf bevestigen. Puzzle, pvz'l, subst. verlegenheid, raadsel: j â verb, verlegen maken, in de war brengen. I verbijsteren: 1 am âd at it = ik ben er verlegen, weet er geen weg mee; It âs me â lt;j, kjü; of Ou. = question; Q{uecris) J$(ench); Q(uei'ris) C(ounsel of College)] Q(uod) e(st) = dat is; Q(iiod) E^rat) J){emon-strandum) = wat bewezen moest worden; Q(uod) JE(rat) Jf\aciendum) = wat gedaan moest worden; Q{uantum) Uibel) â zooveel gij verkiest; Q(uarter)-M(aster)-G(eneral); §r = quarterly of quire; (J(uarter) S(essions): §t = quart; Oquot;- = queen, query, question: Quart(erly); Qy. = query. Qua, kwei, als, in het karakter van. |
dat is ine te geleerd: 1 have not been able to â it out = ik heb het onmogelijk kunnen vinden of oplossen; âdom = verwarde toestand, verduistering; âheaded = verward: He is a âheaded lellow = een warkop; âr. Pyaemia, paitmjd, bloedvergiftiging, Pyaemic. Pygmy, pig mi, subst. pigmee, dwerg; adj. dwergachtig = Pygmean, piymidn. Pyramid, pirzmid, piramide; âs = zeker biljartspel; âal, piramid.l = âic(al), pirD-midikCl), als eene piramide, piramidaal. Pyre, paid, brandstapel voor lijken. Pyrenees, pirdnXz, de Pyreneeën; Pyrenean. óiranfon, Pyreneesch. Pyretic, pairetik, subst. en adj. (middel) tegen koorts; Pyrexia, paireksa. koorts-(achtigheid). Pyrilbrm, pairifóm, peervormig. Pyrites4 pairaittz, vuursteen. Pyro, pairou, (in samenst.),warmte..,vuur..: âlatry, pairolatri, vuuraanbidding: âlogy. pairolddzi, wetenschap of leer der hitte: âmania, puirdmeinja, pyromanie, d. i. waanzin, die zich uit door de begeerte tot brandstichting; ânieter, pairomdtd, hittemetei-. meter van de uitzetting der lichamen door hitte; âmorphous, pairamö/as, kristallisee-rend door vuur; âplianous,pai/'o/a'nas, doorschijnend gemaakt door hitte: âsis, paii^oiisif. branding in de maag, met maagwater gepaard: âtechnic, pamp;irdteknik, tot vuurwerk of het maken ervan behoorende: âtechnics,-tech-ny = vuurwerkmakerskunst; âfee huist = vuurwerkmaker. Pyrrhic, pirik, subst. soort van krijgsdans: a'dj. daartoe behoorende. Pyrrhonism, pirdnizm,twijfelzucht: Pyrrho-nist = (wijsgeerige) twijfelaar. Pythagoras, pithayords, Pythagoras; Pytha-gorian, paithagdridn, subst. en adj. (volgeling) van Pythagoras. Pythian, pithidn, van Delphi of Apollo: âgames = vijfjaarlijksche volksspelen bij Delphi. Python, paith'n. Python, slang door Apollo gedood; âic, paithonik, profetisch; âism = orakelvoorspelling. Pyx, piks, doosje voor staalmunten aan de Ãngelsche munt; hostiekastje. Ouack, kwak, subst. gekwaak (van eene eend), kwakzalver; adj. kwakzalverachtig; â verb, kwaken, bluflen, kwakzalveren; âery = blufferigheid, kwakzalverij, bedrog; âish = kwakzalverachtig;âmedicine = kwakzalversmiddel; âsalver, kwaksalvd, kwakzalver. Ouad, kwod, verk. voor(luadrangle of Quadrat-Quadragesima, kwodrddzesimd, veertigdang-sche vasten; âSunday = eerste Zondag van de vasten; â I = tot den vastentijd behoorende; âIs = offers vroeger aan lt;le |
man; ask = ask; farm = fam; bat = but; learn = lun; line = lain: house = haus; care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; hoy =
; net; ból:
QUADRANGLE.
371
QUARTE.
|
moederkerk gedaan op den middenzondag in de vasten. Ouadrangle, kwodrang'l, open vierkant plein quot;door gebouwen omringd, vierkant; Quadrangular, kwotlrangjuld, in den vorm van een vierkant. Ouadraut, kwodr'nt, vierde deel (van een quot;cirkel), boog van 90 graden, hoekmeter; â of altitude = instrument op eene globe om hoogten te meten; âal, kivodranfl, subst. kubus; adj. tot een quadrant behoorende. Ouadrate, kwodrit, subst. vierkant; adj. vierkant, kwadraat: â verb, (kwodreit) vierkant maken, vaststellen, overeenbrengen, overeenstemmen; Ouadratio, kwodratik, subst. vierkantsvergelijking; adj. tot een vierkant behoorende; Ãiiadratic-equation = vierkants-vergelijking; Ouadratic.s = het deel der algebra dat over vierkants vergelijkingen handelt; Quadratrix, kwodratriks, kwadraatlijn; Ouadrature, kwodretjo, het vierkant maken, oiiadreniiial, kwodrenidl. vierjarig, vierjaar-lijksch. OiiadrirapHular, kwodrikapsiuld, met vier zaadhuisjes. Oiiadrit'orii, kwodrik'ón, met vier(voel)horens; quot;âons, kivodrikönos. Ouadrifid, kwodrifid, in vier deelen gespleten. OuadriKa, kwodraigd, (Romeinsche) wagen op twee wielen met vier paarden naast elkander. OuadrigenarioiiH, kiuodridzanêrids, uit vierhonderd bestaande. Quadrilateral, kwodHlatdr'l, subst. en adj. quot;vierzijdig(e figuur). Ouadrille, kodrU, quadrille (dans en kaartspel). Oiiadrillion, /cifodH/j'n,millioenin de4emacht. Ouadripartite, kwodripdtait, in vier deelen. Quadrivalve, kwodrivalv, vierkleppig = Oun-drivalvular, kwodrivalvjuld. ⢠Ouadroou, kwodrün, spruit v. mulat en blanke. Qiiadruiiiaiia, kwodrünidrid, de vierhandigen; Quadrumanous = vierhandig. Quadruped, kwodruped, subst en adj. viervoetig (dier). Quadruple, kwodrüp'l, subst. en adj.viervou-dig(e hoeveelheid); â verb, verviervoudigen. Qiiadruplieate, kwodrilpIik(e)it, adj. viervoudig; â verb, verviervoudigen; Quadruplication. QuaeHtur, kwestd, thesaurier; âHliip. Quaff, kwaf, subst. groote teug: â verb, in-zwelgen, veel drinken: â it oil' = gooi 'm eens om; âer. Quag, kiuay, moeras; âgy = moerassig, meegevend (van grond); âmire = moeras,schuddende en onvaste bodem, poel. Quail, kweil, subst. kwartel; â verb, den moed verliezen, wijken, bezwijken: lie âed before the geuius of Pitt = voor Pitt's geest deinsde hij terug, verloor hij allen moed; The boy âed beneath your glanee âde jongen sidderde voor uw blik; âpipe, âcall = fluitje om kwartels in het net te lokken. Quaint, kweint, adj. raar, zonderling, schuw, dwaas, grillig, gemaakt, keurig, vergezocht: A â fellow = een rare vent; Your â no-lions of propriety = je zonderlinge (dwaze) begrippen van gepastheid; ânesw. |
Quake, kweik, subst. trilling, huivering; â verb, schudden, beven, trillen; â r = een van de sekte der Kwakers (gew. Society of Friends genoemd); âres»; ârism = leer en praktijk der Kwakers; Quaky; âr-gun = gemonteerd imitatie-kanon om den vijand beet te nemen. Qualify, k wo li fai, (zich) bekwaam, bevoegd ofgescbikt maken, wettigen, wijzigen, beperken, matigen, verdunnen: You Heêni to be âing for a liinatie asylum = gij schijnt gek te willen worden; Would you â this brandy with two thirds of water? = wilt ge 2*3 water door de cognac doen: A âing exami-nation = acte-examen; Oualiüed praise = voorwaardelijke lof: Qualificible = wat geschikt gemaakt, gewijzigd, beperkt of verdund kan worden: Qualification = bevoegdheid, bekwaamheid, geschiktheid, vereischte; Qualifi-cative, subst. wat beperkt of geschikt maakt; adj. bevoegd of geschikt makend; Qualifier. Quality, kivoliti, eigenschap, trek, rang, hoe-danigneid: The â = de groeten of aanzienlijken. Qualm, kwam, misselijkheid, plotselinge ongesteldheid, ongaangenaam gevoel, gewetensbezwaar of wroeging: lie had no âs (of eonseienee) about the life he had entered upon = hij had geen berouw over het leven dat hij aanvaard had; â ish = misselijk. Quandary, kwonddri, verlegenheid, lastig geval: He was in a nice â = hij zat er leelijk in. Quantify, kwontifai, de hoeveelheid aanwijzen of bepalen van; Quantification = hoeveelheids-bepaling; Quantitative = van of volgens de hoeveelheid; Quantity, kwontiti,hoeveelheid, mate, uitgestrektheid, omvang, maatklank; Quantum, kwonVrn, hoeveelheid, bedrag. Quarantine, kwor'ntin, subst. quarantaine: â verb, tot quarantaine verplichten: All ships iniist pass â = zijn aan de quarantaine onderworpen. Quaresimal, kworesim'l: lie preached theâ sermons = preeken in de vasten. Quarl, kwöl. Zie Jelly-lish. Quarles, kwalz. Quarrel, kwor'l, subst. twist, ruzie, gekrakeel, soort v. pijl, ruitvormige vensterruit, pan of steen: Domestic âs = huiselijke standjes: lie wanted to fasten a â upon me, to pick a â with me = hij wou ruzie met mij hebben: There are two parties to a â and 1 won't be one = voor een twist zijn er twee noodig, en ik doe niet mee; â verb, kijven, hevig twisten, krakeelen, aanmerkingen maken: lie âs with his bread and butter = hij maakt ongegronde aanmerkingen; H â with your assertions and statements throughout = ik ben het volmaakt oneens met uwe beweringen en uitspraken; âIer = ruziezoeker; âsome = twistziek, ruzieachtig. Quarry, kwori, subst. steengroeve, vierkante quot;ruit, wild, prooi, het vervolgde: The â was worked by a linn = de steengroeve werd door eene firma geëxploiteerd; â verb, uitgraven, delven uit; âing = het graven van steen uit eene mijn; âings = brokjes steen of marmer; âman = bergwerker = Quai rier. Quart, kwöt, twee pint = 1/4 van een nation, tweepintskan; âan = vierdedaagsch: âan-ague, âan-fever. Quart, kat, vier opeenvolgende kaarten (piket). Quarte, kat, eene der vier verdedigende bewegingen bij het schermen, de lichaamshouding daarbij. |
bone = boun; full; fool = fill; e = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; t/ear = Jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; ï/ius = dims; wine.
QUARTER.
372
QUEST.
|
Ouarter, kwöta, vierde deel, vierendeel, kwartaal (3 mnd), kwartier, 1/4 van eene ïtm,wijk, landstreek, genade, station (voor troepen), bakstag (deel van een schip): No â ought to be given or nIiowii her = geene genade moet haar geschonken of in uitzicht gesteld worden; The uien Htood at â8 = klaar voor den strijd; We came to close with the enemy = wij werden met den vijand hand-gemeen; â« = kwartier, kamer(s): You have got nice â» here = gij hebt hier eene mooie kamer; The driiniH beat to â» = de trommen gaven het sein tot inrukken: â verb, in vier gelijke deelen verdeelen, inkwartieren, voeden: \Ve are âed among friends =wij zijn bier bij vrienden ingekwartierd; I have as much it right to â my arms aw any of you = ik mag evengoed mijne wapens op het*schild plaatsen (ik ben evengoed van adel) als iemand van ulieden; âing = het inkwartieren, het bijeenvoegen van wapens (vlaggen, etc.) in een vlak: lie lias more âinga on his own side than any lionwe in Europe = hij heeft meer verdeelingen op zijn wapenschild (is van ouderen adel) dan eenig adellijk huis in Europa; âly, subst.en adj.driemaandelijksch (tijdschrift); *âbred = met 4/4 zuiver bloed (van raspaarden, etc.); âday = betaal- of kwartaaldag (in Engeland op Lady-day == 25 Maart; Hlidsummer-day = 24*Juni*; Mi-chaelmas-day = 2'J September, en Christ-mas-day = 25 December); âdeck = verhoogd dek op een achterschip; âprofit system = stelsel, waarbij de schrijver 1/4 van de winst krijgt; âsessions = drie-maandelijksche zittingen; ân = 1/4 van een pinf, 1/46 van een bushel', â n-lo«l'=vierponds-brood; âstaff = batonneerstok. Ouartét(te), kwötet, kwartet = âto. Ouarto, kwiitou, kwartijn: subst. en adj. kwarto. Ouartz, kwots, kwarts; âiferous = vol kwarts; ite, kwötsait, kwartsrots; âose. âuus, âons, â9S, meer of minder kwarts bevattend: ây = van of als kwarts. Ouash, kwoë, subst. Zie Squash; â verb. Verpletteren, onderdrukken, nietig verklaren, geschokt worden of daveren: The verdict was âed = het vonnis werd vernietigd. Ouasimodo. kwasimoudou, eerste Zondag na Ouass, kwas, dun Russisch bier. [Paschen. Onassation. kwaseiamp;n, schudding, dreuning. Ouassia, kivasid, bitterhout (Z.-Amerika en quot;W.-Indië); Ouassin = het bittere beginsel van â. Ouat. kwot. puistje, zweertje, onbeteekenend quot;persoon. Onatcrn, kwoton, viervoudig, in vieren groeiende; âary, ktuottinari, subst. het getal vier; adj. uit vier bestaande; âion, kivolvnion. subst. het getal vier, aantal van vier, gelid van vier soldaten (dubbel rot); â verb, in dubbele rotten of in vieren deelen. Onatraiu, kwotrein, kOtrein. vierregelig vers. OiiaterlViii, k(iv)ütofo\l. vierbladig. Ouaver, kweivd, subst. 1/8 noot. trilling; â verb, trillen, met trillers zingen. Ouay, subst. kaai; âverb, van kaaien voordien; âage = kaai- of werfgeld. Oueachy, kwttëi, meegevend, onvast (van den Oiiean, 'kwin, slet, zedelooze vrouw. | bodem). |
Queasy, kwtzi, misselijk, walgingwekkend. Quebec, kwibek. Queen, kwin, subst. koningin, eerste leerling van hare klasse; âverb, als koningin doen of optreden, tot koningin maken (in 't schaakspel): âbee = bijenkoningin; âconsort = gemalin van den koning; âdowager, âdauidzo, koningin-weduwe; âregent = koninginregentes; âregnant = regeerende koningin: â's-bench = afdeeling van het hoogste Gerechtshof; â's-carriage = gevangeniswagen: â's-counsel = rijksadvocaat; â's-Kuglish = zuiver Engelsch; -'s-head = postzegel; â's-metal = wit zilver; â's-ware = geglazuurd crèmekleurig aardewerk; -'s-weather = prachtig weer: âbood = koninginneschap: âing. âapple = renetappel; âly, âlike = als eene koningin; Queenborongb,/rwlntora. Queer, kiote, vreemd, zonderling, wonderlijk, niet gehumeurd, ongunstig gestemd: A â bill = onsoliede wissel; 1 am in âstreet = ik ben in de war: I leel rather â to-day = ik voel me niet lekker vandaag; â isli = vrij zonderling: -ness = zonderlingheid. Quell, kiuel. subst. moord, middel om te bc-quot;d win gen of te dempen, wapen; â verb, onderdrukken, bedwingen, dempen, tot rust brengen: The revolt was âed = het oproer werd onderdrukt; âer. Quench, kivens, blusschen, lesschen. dempen, quot;onderdrukken, doen bedaren: âable = wat gedempt of gelescht kan worden; âless = onbluschbaar, onleschbaar, onverzadel ijk. Quercns, kivvkas, eikensoort. Querent, kivir'nt, vrager, eischer, klager: Querimonious, kwerimounjos, klagend, ontevreden, jammerend; Querist, kwirist,(onden-vrager; Querulous, kwerulds, klagend, ontevreden, quot;jammerend; Query, kwirl, subst. vraag, vraagteeken, vrage: â, which ol'the two is right? = vrage: wie van beiden heelt gelijk; â verb, zoeken (door vragen), vragen, betwijfelen, van een vraagteeken voorzien. Qnerlj kwOl, draaien, kronkelen. Quernal, kwaril, tot den eik behoorend. Quest, kwest, het zoeken, onderzoek, waagstuk, quot;onderneming, commissie van onderzoek: He was in â bf power, money = hij zocht, streefde naar macht, geld; â verb, zoeken of streven naar, onderzoeken: A fresh and -ins mind = origineele en onderzoekende gee^t: â ion, kwestfn, subst. vraag, onderzoek, ondervraging, geschilpunt, interpellatie, pijnbank: The point in âion = het punt van'discussie, geschilpunt; The previous âion = do prealabele kwestie (Zie Previous); It is him without a âion = hij is het ongetwijfeld: lie was put to the âion = hij werd op de pijnbank gebracht; He asked a âion whirli I declined to answer = hij deed eene vraag, die ik niet wenschte te beantwoorden: That is altogether out of the âiou = daar is heelemaal geen sprake van; It is my duty not to put to you a leading âion = ik mag u eene vraag niet zóó doen, dat liet antwoord daaruit reeds vanzelf voortvloeit: lie begged the âion = hij nam als bewezen aan, wat nog bewezen moest worden; 111« repentance was called in âion = zijn berouw werd betwijfeld; He popped the âion |
man; ask = ask; farm = fiim; bwt = but; \eam = Ion; line = lain; howse = hans; net: care = kca; fate = felt; tin: asleep = «slip: not; \aw = ló; lord = löd; hoy â bui:
QUESTION.
373
QUIRK.
|
= hij vroeg haar ten huwelijk; He put a âion to the Home MinlHter = hij interpelleerde den Min. v. Binnenl. Zaken; This âion in Mettled = die zaak is in orde, die vraag is opgelost; There i» ik» âion ahout it = daar is geen twijfel aan; That i» nota lair âion =!dat is eene ongepaste, onbillijke vraag; Question! = uitroep als een spreker buiten de orde is, of ongeloovigheid moet worden uitgedrukt; â verb, vragen, ondervragen, betwijfelen: Kenieniher yon âion with a cruel man = vergeet niet, dat gij met een wreedaard te doen hebt; â ionahle = betwijfelbaar, twijfelachtig; âionability = âiónahlenesM = betwijfelbaarheid; âioner = vrager, onderzoeker; âionleH» = ongetwijfeld; ârist = zoeker; âion-time = tijd om vragen te richten tot de regeering (House of Commons). Oueue, kju, staart of lint van eene pruik. Ouihhle, kiviVl, subst. spitsvondigheid, draaierij, ontwijking, dubbelzinnigheid, woordspeling; â verb, spitsvondig zijn, haarklooven, woordspelingen maken; âr; Ouihhling. Ouiek, kwik, subst. levend vleesch, levende haag: That wonnded me to the â = trof mij zeer diep, gaf mij eene wond in het hart; lie pared his nails to the very â = hij sneed zijne nagels af tot op het levende vleesch; adj. vlug, levend(ig), zwanger, snel, haastig, halsoverkop, gevoelig, opwekkend, versterkend: Be â about it = haast je wat; Ouick march = voorwaarts, marsch; He iw â at ligures = hij is vlug in het rekenen, rekent vlug; He has a â ear, eye = lijn gehoor, scherp gezicht: The â and'the dead = de levenden en de dooden; He is a âanswered hoy = gevat jongetje; âheam = wilde esch; â eyed = scherp van gezicht; âfence = levende haag; âlinie = ongebluschte kalk; âmarch, âstep = versnelde pas; âmatch = gezwinde lont; âsand = drijfzand; â scented = met lijnen reuk; âset = levende plant (vooral voor heggen: A âset hedge = levende heg); âsighted = scherp van gezicht, met fijn onderscheidingsvermogen; âsilver = kwikzilver: âsilvered = met kwikzilver bedekt, kwikzilverachtig; âwitted = scherpzinnig, gevat; âen = verlevendigen, aanzetten, aanmoedigen, opwekken, versnellen; âener = opwekker, opwekking, opwekkend middel; âening = levenwekkend; âness = vlugheid, snelheid, scherpte van blik. Ouid, kwid, tabakspruim, een pond (geldstuk). Ouiddative, kwiddtiv, het wezenlijke van iets uitmakend; Quiddity, kwiditi, het wezenlijk deel van iets, kleinigheid, spitsvondigheid. Uuiddle, kwid'l, den tijdvermorsen, beuzelen; âr = beuzelaar, druktemaker. Ouidniinc, kividnvr^k, nieuwsgierig mensch, iemand die meent van alles te weten. Ouiesce, kwaies, stom zijn, geen klank hebben (letters); ânee, âncy = rust, zielevrede, het stom zijn; -ut, subst. stomme letter; adj. rustig, stil, vredig, stom. |
Ou iet, kwaiot, subst. rust, kalmte, vrede: He is at â = hij is in de rust; When â was restored = toen de rust hersteld was; adj. rustig, stil, gerust, niet opzichtig: Have a â dinner at our house = eet familiaar bij ons; A â dress = stille japon (tegenover A loud dress = opzichtige japon, met sterke kleuren b.v.); He kept it â = sprak er niet van; On the (dead) â = (heel) in stilte; â verb, tot rust brengen, doen bedaren, geruststellen; âen, kwaioVn, tot rust of bedaren brengen: He tried vainly to âen the naiighty child: âer = wie of wat stilt; A âing draught â kalmeerende teug, slaapdrank; âism =rust, vrede, kalmte, mystiek, mysticisme; âist = aanhanger van âism: âness; âus, kwaiilos, duurzame ontheffing of bevestiging, zware slag, dood, bevrediging. Ouill, kiuil, subst. schacht (van vleugels), veeren pen, stekel (van een stekelvarken), spoel: He carries a good, a clever â = hij heeft eene welversneden pen; â verb, lijn plooien; âdriver = veelschrijver, pennelikker; âing = lijn plooisel (in kant, tulle of lint). Ouiit, kwilt, gewatteerde sprei of deken: She felt the daisy â creeping up higher and higher = zij voelde den dood nadereii: â verb, twee stukken stof op elkander stikken met watteeringdaartusschen, omwoelen: The pipe was âed with string for its longer preservation = de pijp was met touw omwoeld voor het behoud of langer goed blijven; Ten-nysoirs works in âed cover = in gewat-teerden band; âing = het stikken en watteeren, gewatteerd werk: He went to the â ings long ago = hij is lang geleden gestorven. Oiiinary, kwinari, uit vijven bestaande. Onince, kivins, kwee(peer). Ouiiiciiiix, kivinkvriks, figuur als deze: X Oiiiiidecagon, kwindekdffn. vijfiienhoek. Oiiindecemviri, kiuindisemviri\ï, 15 priesters belast met de bewaking der sibyllijnsche boeken. Oiiiiigentenary, kwindzentanori = .)00-jarig (leest). Oiiinine, kivinin. chinine. Oiiinquagesima, kw'mkwadzesimd, vijftigste (dag); â Sunday = Zondag vóór de vasten. Ouinquangiilar, kwinkwangjn/,?, vijfhoekig. Oiiin(juennial, kwinkivenfl, vijfjarig of -jaar-lij ksch. O ii i nq ue va I v u la r, kivinkurovalvj u la. v ij f kle p-pig- (Miinqiiina, kwinkwaina, kina. Oninsy, kwinzi, keelontsteking (soort v.). Ou int, kwint, opvolging van vijf. Ouintal, kwint l, 100 (of 112) pounds. Oiiintan, kwinVn, om de vijf dagen. Ouintessence, kwintes'ns, zuivere essens of geest, kern, fijnste deel; Ouintessential. kwintasens'l, tot het fijnste behoorende. Quiiitet(tegt;, kwintet, kwintet. Oiiintillion, kiuintilj'n, millioen in de 5e macht. Ouintuple, kwintj u if I, adj. vijfvoudig: â verb, vijfvoudig maken. Oiiip, kwip, subst. fijne of scherpe zet, schimp-schot; â verb, schertsen, belachen, beschimpen. Ou ire, kwaia, boek papier, koor. Ouirk, kwvk, loopje, uitvlucht, redmiddel, scherpe berisping, los stukje muziek: His paltry âs did not impose on any niemher = zijne verachtelijke uitvluchten bedrogen geen der leden; ây. |
bone = boun; full; fool = fül; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; ï/ear = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhus; wine.
RACEMATION.
374
QUrST.
Oiimt, kwist, ringduif. raadsel, ondeugende Rrap; â verb, voor den
Oiiit, h'wit, adj. vrij, ontslagen: Von may gfo gek houden, foppen, schertsen,begluren; âzer
â = gij kunt vrijelijk gaan, zijtvrij; â Verb. = snaak, schalk; âziciil = grappig,snaaksch;
verlaten, verzaken, overlaten: lie got notice âziiig-gl»»» = oogglaasje (om door te gluren),
to â = hem werd de dienst (de huur) opge- Ouod, kwod, vierhoek, gevangenis: I'll have
zegd; Shall we â scores? = zullen wij onze yon in â = ik zal je in de âdoosquot; zien te
wederzijdsche rekeningen vereffenen; They krijgen.
âted the siege = zij hieven het beleg op: Onodlibet, kwodlibet, spitsvondigheid, kwink-
âs = even, kamp, gelijk: We are âs = slag, woordspeling; âarian, âênVm, iemand
we zijn quitte; He played double or âs = die over alles meepraat.
dubbel of quitte; âclaim, subst. afstand (van Onoif, kóif, kapsel, hoofdtooi.
een recht); â verb, afstand doen van;âreiit= Ouoin, kuin, buitenhoek (van een muur),
erfpacht; âter. Ouoit. kóit, werpschijf; âs = spel daarmede.
Onitchtgrass), kivitégrCxs, hondsgras. Ouondam, kwond'm, vroeger, voormalig.
Ouite, kwait, geheel: I am â with you = Oiiorum, kwór'm, voldoend aantal leden om
ik ga geheel met u mee, ben 't geheel eens; een besluit te nemen.
A â young girl = een heel jong meisje Ouota, kwontd, evenredig aandeel, contingent.
(Vergel. â a young girl = precies een jong Ouote, kwont, subst. aanhalingsteeken; â
meisje); â so* = precies. verb, aanhalen (ter ondersch. van Cite = aan-
Oiiittance, kwiïns, subst. kwijtschelding; â voeren), opmerken, noteeren (van prijzen):
verb, terugbetalen, beloonen; They cried â âable = wat aangehaald kan worden; ^)uo-
= zij gaven leer om leer, gelijk om gelijk. tation. kwouteis'n. aanhaling, (genoteerde)
Ouiver, kwivd, subst. trilling, pijlkoker; â prijs: \Vlieat was not in the market at
quot;verb, trillen, beven, sidderen, ritselen; â ed any quotation = er was geen tarwe te
= van een pijlkoker voorzien, in een koker of krijgen; âless = wat niet aangehaald of ge-
scheede. noteerd kan worden: âr.
Ouixote (Don), donkiviksot; Unixotic, kwik- Ouoth. kwouth, zeide of zegt (ik, hij of zij):
so tik, dwaas romantisch, buitensporig; Oui- âa. kwonthd, voorwaar.
xotism, Quixotry = dwaasheden, romantische Ouotidian, ktuoulidfn, subst. en adj. (wal»
en ongerijmde daden en plannen. dagelijks(ch) (voorkomt).
Ouiz, fcwïz. grappenmaker, plaaggeest, snaak, Ouotient, kwouè'nt. uitkomst (eener deeling).
it
|
R, d; J{(iver), ll{e.x = koning of Regina = koningin). It. A. = Royal Academy, Hoy al Academician. Rear Admiral (schout-bij-nacht) of Royal Ar till er ijx l{ad(i,r â Root). Jt(oyal) A(gHcnltaral) Slociety), Jl{oman) C(atholic), Kiural) D(ean\ It(oyal) JE{xchange\ Reed. = received, Jteept. = Receipt, JRef(erence), Hef {armed) ('h(nrch), Iley(ular), Itegdus) Prof(essor), Jley(istrar of Regiment). Jtel-(igion of Religious), J{cl(ative) l'roii(oun). Item (ark), Jlcp(ort of Representative), Itep-(ublic) of Jtepuh{lican), Retd. = Returned, Iter (elation. Revenues, Reverend, Review), Itioyal) H(orse) A(rtillery), Jtefhioric), Jtlpyal) Il(orse) lt;i(uards), It(liode) l(sland), Jtlequiescat) l(n) J'iace) = hij (zij) ruste in vrede. Jtiv(er), It(oyal) 31 (aiI) S(teamer), Jt(oyal)X(avy), It(eceiving) 0( fflce).ltom(an), Jtoin(an) C'ath(olic), Jt{ight) Jt[everend), Jt(oyal) S(ociety for the) Prevention of) C(ruelty to) A(nimals) = Koninklijke Maatschappij tot Bescherming van Dieren; Rt. lion. == Right Honorable, JR(eligious) l\ract) S(ociety), Jtussi i a). It (e vised) V(ersion),Jt(ight) W(orshipfal) G(rand) Miaster) = Groot Achtbare Meester, Ry. = Railway, The three R's = Reading, (Wiriting and (Arithmetic. Rabate, robeit, op de vuist doen neerdalen (van valken). Rabbet, rabat, subst. sponning; â verb, eene man; «sk = ask; farm = fiim; but = b«t; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = ^ sponning maken; âplane = sponningschaaf. |
Rabbi, rabai, Rabbin, rabin, rabbi, rabbijn: ânic, rabinik, taal of dialect der rabbijnen: ânic(al) = rabbijnsch: ânist, rabinist, aanhanger van den Talmud. Rabbit, rabit, konijn: âwarren = konijnenhok (berg) = â ry. Rabble, rab'l, janhagel, grauw, rhapsodie: âment = woelig gepeupel. Rabid, rabid, dol, krankzinnig; Rabidity = âness. Rabies. reibiAz, hondsdolheid. Raca, rfikd, otiwaardig, losbandig. Rac(c)oon, rdkün, gewone waschbeer (Amer.). Race, reis. subst. geslacht, oorsprong, natuurlijke aard, krachtig bouquet (aan wijn), loop, snelle vaart, wedloop of wedren, loopbaan, wortel; â verb.snel loopen, wedrennen: I will â you home = ik wil om het hardst metu loopen wie het eerst thuis is; âs = (paarden)-wedrennen: The Derby or Kpsom âh: âcourse = renbaan, renperk, molenbeek: âginger = gember (aan stukken); âground = renbaan; âhorse = renpaard, harddraver; âtrack = renbaan: âr = renner, renpaard: Racial = tot de afkomst of het geslacht be-hoorende; Racy = met krachtig bouquet (van wijn), geurig, pittig, vol geest; Raciug-crew = bemanning van eene boot voor wedstrijden. Racemation, rasimeis'n, tros (b.v. van drui- rn = l«n; line = lain; hotese = hans; net: ; not: \aw = ló: lord = löd; bot/ = boi: |
RACEME.
375
RAIN.
|
ven); Rfireme, rasim, bloeiwijze in trossen; Uareinir, rdsimik, uit druiven getrokken of ⢠daartoe behoorende; UHoeinit'eroiiH, rasimi-fords, trossendragend = Raceinose, rasimous â RiiceinoiiN, rasimds. Kachel, rei té'I. llarliitiH, rdkaitis, Engelsche ziekte. Hack, mA:, subst. pijnbank, rad, rek, rooster, ruif, arak; vóórbout van kalfs- of schapevleesch, lichte en dunne wolkjes (wolkenvlucht, wolk-laag), zekere paardepas (tusschen draf en stap), ondergang, vernieling: He was put t« the â = op de pijnbank gebracht: Everything goes to â and ruin in (his hoiiHe = alles gaat hier in huis naar de maan; â verb, pijnigen, op de pijnbank brengen, afpersen, ontwringen, overdrijven, als damp of mist voortdrijven en verdwijnen, met vluggen telgang loopen, voorzichtig aftappen of afschenken (om van droesem te zuiveren): Heâed hta brain about it = brak er zich het hoofd over; â ing pace = vlugge telgang (van een paard); ârent = schandelijk hooge huur: The â rented labourers = de op schandelijke huren zittende arbeiders: âer. Haeket, rakot, subst. raket, verward geraas, rumoer, sneeuwschoen: That's Just our â = dat is net wat voor ons: What a â these hoys kick up = heidensch lawaai schoppen; He fould not stand the â and came to grief = kon niet tegen dat losbandige leven; â verb, pret maken, rondvliegen, met een raket slaan; âs = zeker bal- of raketspel; âing = rumoerige vroolijkheid, het zuiveren van den wijn (van droesem); â y = druk. tierend, lawaaiig. Uad. rad, verk. v. Radical. K add Ie. rad'l, subst. gevlochten tak, gevlochten heg; â verb, vlechten, inéénweven, verwarren: Those jabbering mummers with theirâd laces = die schetterende acteurs met hunne gegrimeerde (oude, verlepte) gezichten. Haddock, raddk, roodborstje; ook: Ruddock. Kadial. reidfl, straalvormig; Radiance, Hadiancy. reidj'ns{ï), straling, schittering, glans; Radiant, subst. punt van uitgang van een sterrenregen, uitstralingspunt, brandpunt: adj. stralend, schitterend, glansrijk: She was radiant with happiness = zij straalde van geluk: Radiate, reidjeit, adj. met stralen; â verb, uitstralen, schijnen, glanzen; Rwdiation = uitstraling; Radiator, reidjeite, uitstralend lichaam. Kadical, radik'L, subst.stamwoord, stamletter, lid van de radicale partij, element van eene samenstelling; adj. oorspronkelijk, uiterst, radicaal, tot den stam behoorende; âparty = radicale partij; âquantity = wortel; âsign = wortelteeken; â ism = de beginselen der radicale partij; âity, radikaliti, âness = radicaalheid; Radicant, radik'nt, wortels uit lt;len stam voortbrengend; Radicate = vast inwortelen, vast wortel doen schieten: Radicated abuses = ingewortelde misbruiken; I indication = het diep wortel schieten; Ra-dieltorm, rddisifóm, van wortelvorm; Rndici-'â¢orous = zich met wortels voedende: Radiometer , reidiomdtd, uitstralingsmeter, hoogtemeter; Radius, reidida, buitenste been van den vóórarm, straal (van een cirkel): Radix, reidiks, wortel,basis,grondgetal, liadish, rad ié, radijs; Horse-â = mierikswortel. |
Raff, i'af, subst. verwarde hoop of menigte, afval, gepeupel: â verb, bij elkaar vegen of zamelen; âmerchant = handelaar in rommel; âish. Ral'fle, ra/quot;/, subst. loterij, verloting (voor wie het hoogste getal kan gooien); â verb, verloten, aan eene verloting meedoen: Ylt;»ii enticed me into raffling for that article = gij hebt mij verlokt, om op dat artikel te loten. Raft, raft, subst. vlot, troep: How shall we get rid of this â of people? = hoe raken wij dit zootje kwijt; â verb, op een vlot vervoeren ; âer, subst. dakspar, balk: â verb, van balken voorzien: âing = het doen voortdrijven van vlotten: âsman = vlotbestuurder; â y = mistig, vochtig, duf. Rag, rag, lap, lomp, vod, verachtelijke courant; âbaby, âpaper = waardelooze effecten: âbolt' = bout met weerhaken: âwheel = kamrad: âwort = St. Jacobskruid: â ged = gescheurd,in lompen: âged schools = scholen voor havelooze kinderen; âgednesH =schab-bigheid, haveloosheid: âman = lompenkoopman, lafaard, duivel: âstone = brokkelige steen. Kagamnffiii. ragdmnfin. subst. ellendeling, lummel, vlegel: adj. vlegelachtig, ondeugend, liage, reidz, subst. woede, toorn, geweld, razernij, buitengewone begeerte, vuur: He was in (got into) a â = was (werd) woedend; Accordion sleeves are all the â now = waaier (harmonica) mouwen zijn nu erg algemeen: He is all the â = hij is het voorwerp van algemeene geestdrift; â verb, woeden, razen, toornen, verwoesten; â ful; Raging, subst. woede; adj. woedend, krankzinnig, liaggee, ragi, Indische gierst. Kaglan. raglan. Kagout, rnyü, gestoofd vleesch, ragout. Raid, reid, subst. vijandelijke inval, strooptocht; â verb, een invalquot;doen: A strong force for â lug = om een strooptocht, etc. te doen; A drug store was âed the other day, and the stock was found to consist wholly of strong liquor = de autoriteiten drongen onlangs plotseling in een (zoogenaamd) chemicaliënmagazijn, en de voorraad bleek uit niets dan sterken drank te bestaan. Rail, reil, subst. slagboom, dwarsstaaf,leuning, spoorstaaf, wachtelkoning: The train went off the âs = de trein ontspoorde: All âs were high = alle spoorwegactiën stonden hoog; â verb, met hekwerk omgeven, met het spoor verzenden, schimpen, schelden, belee-digen: He âs at my bargains = hij schimpt op mijn handel: I hVive âed it = ik ben met het spoor gekomen; âer; âcar = spoor-rijtuig (Am.); âfence = ijzeren hek; âing, subst. ijzeren hek, leuning; adj. beleedigend, schimpend; âroad = spoorweg: âway = spoorbaan = -way-track; â way-guard = spoorwegconducteur; -way-share = spoorwegactie. Raillery, reilsri, boert, scherts: He turned it into* â = hij maakte er een grapje van. Raiment, reinint, gewaad, kleederen. Rain, rein, subst. regen: It never âs but it pours = een (ongeluk) komt nooit alléén; |
bone = boun; full; fool = fül; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl: ?/ear = jia; [ong = loi^; sAiip = sip; occasion = okeii'n; thin; ï/ius = dims; wine.
RAIN-BOW.
376
RANDOM.
A small â lays great dust = kleine oorzaken hebben groote gevolgen; la ten mi-miles we shall be right as â = in tien minuten zijn we geheel klaar; â verb, regenen, met kracht neerkomen: It Is âlug eats ami floes = het valt met emmers uit de lucht; âbow = regenboog; âbow-tinted = met! de tinten van den regenboog; âgauge, âfieidz, regenmeter; âlall = hoeveelheid gevallen regen op eene bepaalde plaats: âtight = waterdicht, tegen regen bestand; âwater = regenwater: âless: ây = regenachtig: To save money (put by*a penny) lor a ây day = geld sparen voor ongunstige tijden, een appeltje voor den dorst bewaren.
Raise, mz, verheffen, opheffen, optillen, tot aanzijn brengen, opwekken (van dooden), ver-hoogen, rechtop zetten, bouwen, opbouwen, verbouwen, heffen, opwerpen: The siege (bloekade) was âd = het beleg (de blokkade) werd opgeheven ; Such a voice would â the dead = zulk eene stem zou de dooden doen opstaan; 1 don't know where to â money = ik weet niet waar ik geld zal loskrijgen; The purchase was âd = de machinerie werd in werking gebracht; The ministry resolved upon raising a loan = het ministerie besloot eene leening uit te schrijven; They â«1 a cry = hieven een geschreeuw aan: To â que'stions = vragen (kwesties) opwerpen; To â the wind = geld zien los te krijgen: âr; Raising.
Raisin, reiz'n, reizin, rozijn (gedroogde druif).
Rajah, radzd, Uindoesch koning of hoofd; âship; Rajpoot, Rajput, ramp;dzput, aristo-kraat (Ind.).
Rake, m'Ar, subst. hark, krabber, losbandig mensch, helling, projectie van vóór- of achtersteven buiten de kiel, helling van mast of schoorsteen: He is as lean as a â = zoo mager als een talhout; â verb, harken, bijeenschrapen, verzamelen, ophoopen, zoeken, naspeuren, âopsnorrenquot;, schieten (door de geïieele lengte), vuren op (en het dek schoonvegen), losbandig zijn. overhellen, nauwkeurig onderzoeken: The lire was âd = werd ingerakeld; A raking lire was kept up by the enemy = een vernietigend vuur werd door den vijand onderhouden; âheil, subst. lichtmis; ' adj. losbandig, roekeloos; The rakings were puf into the dustbin = het opgeharkte werd in het vuilnisvat gedaan: Rakish = liederlijk, losbandig.
RakshaNa, raksasd, booze geest (Indië).
Rale, rei/, ratelend geluid in de long.
Raleigh, rali.
Rally, rali, subst. bijeenbrenging, hereeniging. herstel van orde of krachten, scherts, grove boert, relletje: â verb, hereenigen, samentrekken (van verspreide of uiteengejaagde troepen), de krachten of orde herstellen, plagen, schertsen met: She rallied her liusband on his credulity = zij plaagde haar man om zijne lichtgeloovigheid; Ralliance = Rallying.
Ralph, ralf. Ralston, rólsVn.
Ramadhan, rdmddan, 9e maand (Mohamm.). groot jaarfeest.
Ramagious, rameidzas, tot de takken behoo-rende, wild, ongetemd.
Raniayana, ramaianó, groot Indisch epos. Ramble, raml/l, subst. wandeling, uitstapje, zwerftochtje; â verb, rondzwerven, uitstapjes doen, verward zijn (in het spreken); âr: A rambling village = ongeregeld.
Ranibooze, rambüz, soort v. drank. Rameous, reim'ws. tot takken behoorende: Ramose, reimous, Ramoiis, reirrws, vol takken, getakt.
Ramify, ramif'ai, (zich) vertakken, takken of spruiten schieten; liamification = vertakking, onderverdeeling.
Ramollescence, rarrwles'ns, verzachting. Ramp, ramp, subst. sprong, hellende weg; â verb, klimmen, springen, stoeien; âage, rampidz, subst. opgewondenheid, wildheid: The cows seemed to be on the âage = de koeien schenen dol te zijn; He has been on the âage = hij is er leelijk âvan doorquot; geweest; verb, rondspringen (als een gek): The dog was rampaging through the apartment: âacious, rdtnpeiscis. op de ach-terpooten staande (gewoonlijk van dieren in kunstwerken); âancy = quot;buitensporigheid, overdrijving; âant = springend, overvloedig, de maat te buiten gaande, op de achterpooten staande: A lion âant â staande leeuw: Bribery was âant in the tornier centurx = de omkooperij trad grof op; âant-gardaiif = staande en den toeschouwer aanziende: âant-pass:int = wandelend, met den rechter voorpoot omhoog; âant-regardant = staande en achterwaarts ziende; âant-sejant = zittend met de voorpooten omhoog, opzittend. Rampart, rampdt, subst. wal: â verb. om-Rampion, ramplan, ranonkel. [wallen.
Kamsay, ramzi.
Ramshackle, ramsdkH, losjes, bouwvallig, slecht onderhouden: The four-wheeler wan the most ramshackly of vehicles = de vige-lante was het ârapperigstequot; van alle rijtuigen. Ramnlose, ramjulous, Raniuloiis, ramjuUs. met veel kleine takjes.
Ran, ran, imperf. van to run.
Kana,/VJ/lt;a, geslacht der kikvorschen en padden. Rancescent, ranses'nt, zuur of ranzig wordend. Ranch, rans, hut voor koeherders, boerderij voor veeteelt, ook âo en Cattleâ: âero. rantëêron, koeherder, bewoner van of werker op een ranch.
Rancid, ransid, ranzig, znur; -gt;«y. ransidili. âness = ranzigheid.
Rancorous, ranjcaras, kwaadaardig, vijandin-haatdragend; Rancour, rar^ka. wrok, bittere vijandschap, ingevreten haat, vergif, bederf. Rand, rand, rand, zoom, inlegzooltjé.
Randal, rancTl.
\ Randan, rand'n, boot met'3 roeiers, waarvan alléén de middelste 2 riemen hanteert: They were rowing â = zij roeiden met hun drieön met vier riemen: 1, 2 en 1.
Random, rand'm, subst. toeval, goed geluk, gebrek aan methode: At â = in het wild. zonder doel; adj. zonder berekening, in het wild, zonder methode: A â shot = schot in het wild.
Ram, mm, ram, rammei, ramschip, hydraulische machine; â's horn = ammonshoorn of schelp; âmer = heiblok, straatblok, laadstok; âmish = sterk ruikend, stinkend = i âmy; ârod = laadstok.
man; ask â Ask; farm = tiim; bat = bwt; learn = Iwn; line = lain; house = hans: net; care = kóa; fate = feit; tin: asleep = eslip; not: law = 16; lord = löd; boy = boi;
RANDY.
377
RAT.
|
liandy, randi, rumoerig, wanordelijk. Raiie(dper), Raindeer. Zie lleindeer. Rang, ran., imperf. van to ring. Range, reini, subst. rij, klasse, zwerftochtje, ruimte, macht, keukenfornuis, afstand van een schot: He ih a dead shot at Hhort â = op korten afstand mist hij nooit, raakt hij in 't hart; Within â = op geweer- of kanonschotsafstand; â verb, in eene rij plaatsen, ordenen, zwerven, voortzeilen, rangschikkenj: The revenue-eiitter âd the coast = het kommiezenschip voer langs de kust; âr = rondzwerver, houtvester, speurhond, roover. Ranggoan, rar^gikn, stad. Ranine, reinain, kikkerachlig. Rank. rar\k, subst. rij, gelid, standplaats, rang, graad,(hooge) waardigheid: He was reduced to the â» = hij werd gedegradeerd; The â and lile = alle gewone soldaten, de groote hoop; The â and lile cleared the gronndN at H = het volk verliet het park om 8 uur: He rose from the â» = hij is van gewoon soldaat opgeklommen; The cabman was on his â = de koetsier was op zijne standplaats; He takes â before (of) yon = hij staat boven u in rang; adj. welig, rijk. hoog opschietend, geil, sterk (van smaak of reuk), ranzig, hartstochtelijk, zinnelijk; â verb, tot klassen brengen, opstellen, in het gelid plaatsen, ordenen; âer = schikken die uit de gelederen officier geworden is: âtroupierquot;; âIe, m^/r7, ontsteken of zweren (van eene wond), wrok hebben: Is there anything âling in yonr mind against me? = hebt ge eenigen wrok tegen mij; âling = hevige boosheid, wrok; âness. Ranny, rani, spitsmuis: Z. Slirew-monse. Ransack, ran sak, plunderen, nasnutfelen. Ransom, rans'm, subst. losgeld, bevrijding, aflaatgeld, afkoopgeld: They were held to â by the brigands = 'hielden hen tot een bepaalde losprijs betaald zou worden (als gijzelaars); â verb, verlossen, bevrijden, vrij-koopen; âer; âless = zonder losgeld, etc. Rant, rant, subst. hoogdravende bomb:istische taal: â verb, uitvaren: She was âing and panting with fury = zij voer schrikkelijk uit en hijgde van woede; âer = schreeuwer, drukke prater; âers = spotnaam van de eerste Methodisten; âerism = leer der âers = âism. Rantiponl, rantipoul, subst. wilde meid of jongen; adj. wild, ruw: â verb, als een gek vliegen; Ranty = wild, rumoerig, woest. Ranniicnlns, renm\kjulds, ranonkel. Rap, rap, subst. tik, snelle en pijnlijke slag, knip, valsch muntstuk, nietswaardig iets: I don't care a single â = ik geef er geen .,bar om; There is not a â to choose between them = het is lood om oud ijzer; It is not worth a â = het is geen lor waard; Without a â = zonder een duit op zak; â verb, slaan, knippen, hard tikken, vervoeren of buiten zich zelf brengen, wegvoeren (met geweld): He âped out bis opinion = hij schoot in eens met zijne meening voor den dag; We stood ât at that sight = verrukt, vervoerd doordien aanblik; âper = klopper, deurklopper. Rapacious, rdpeiëds, roofzuchtig, met geweld bone = boun; full; fool = fnl; a = toonlooze long = loi^; ship = sip: occasion = okeii'n: t! |
ontvoerend, gierig, gulzig; âness, Uapacltu. Rape, reip, subst. haast, gewelddadige ont-voerin/, schaking, onteering; afdeeling van Sussex, Zweedsche raap: â of the forest = overtreding d. boschwetten: â verb, schaken, ontvoeren; âcake, âseed, â«eed oil = raapkoek, raapzaad, raapolie. Raphael, ra/fe»/, Raphael; âism = het ideale v. Raphael in de schilderkunst; âite = naaide school van R. Rapid, rapid, adj. snel: â (â onsiimption = vliegende tering: subst. stroomversnelling; âs = snelle daling, waardoor stroomversnelling, in eene rivier; âness = Rapidity. Rapier, reip ja, rapier; âIimIi = z waard visclu Rapine, rap\a)in, subst. plundering, roof. gewelddadige ontneming. Rapparee, rapdi'i, plunderaar, verachtelijke vent. Rappee, rnpi, sterke snuif. Rappel, ra pel, te wapenroeping door de trom.. Rapscallion, rapskalfn, subst. en adj. schurk-(achtig). Rapt, rapt, verrukt, vervoerd: â in his work = geheel ingenomen door. Rap. Raptores, raptóriz, orde van roofvogels, waartoe arenden, valken en uilen behooren: Haptorial, Raptorious = tot de â behoorend.. Rapture, raptja, verrukking, genot; âd = vervoerd; Rapturist = enthousiast, opgewonden mensch; Rapturous = verrukt. Rare, rêd, zeldzaam, ongewoon, buitengewoon prachtig, schaarsch, bijna rauw (Am.), ijlT poreus: The apples were plentiful and â = de appels waren overvloedig en buitengewoon mooi; â bit = lekker hapje; âness = Rarity, rêriti; âripe, subst. vroege vrucht (vooral vroege perzik); adj. vroegrijp. Rai â¢ee-show, rêrisou, kijkkast, rarekiek. R a re fa c t i on, rö.rifa kè'n, verd u n ning, ij 1 ma k ing; Rarefy, rêrifni, ijl, dun of poreus maken of worden: They sèem to breathe a more rarefied atmosphere than we = zij schijnen eene fijnere lucht in te ademen dan wij. Rascal, rfisk'l, subst. schurk, schelm; adj. verachtelijk; âdom, rusJc'ld'm, alle schurken gezamenlijk; âity, rdskaliti, schurkachtigheid, schelmerij: âlion, ?v?.sA«//'n, verachtelijke kerel; âly = als een schurk, gemeen. Rase, reiz, schaven, schuren langs, uitkrabben, doorhalen, wegscheuren, met den grond gelijk maken, vernietigen. Rash, ras, subst. huidroos; adj. vlug, snel, overhaast, gedachteloos, onbezonnen; â verb, grijpen, in stukken of reepjes snijden, verdeelen; âer = sneetje, reepje: A âer of bacon = dun reepje ot sneetje gezouten spek; âling = roekelooze, dolhoofd: âness. Rasp, ramp;sp, rasp, subst. rasp, grove bijl, framboos: â verb, raspen, afschrapen: lie made a âing attack on the House of Lords = grove, beleedigende aanval: âer: âberry, rdzb'ri. framboos; âberry-bush = frambozenstruik: -berry-vinegar* = frambozen likeur. Rasure, reizo. doorhaling, afschraping. Rat, rat, rat, afvallige of overlooper, werkman die voor minder dan het gewone loon, of bij eene werkstaking, werkt: 1 smell a â = ik ruik lont; â verb, afvallig worden, als eenaf- vokaal (zie asleep en care)] girl; «/ear = jia; liin: thus = dln;s: wine. |
REABSORPTION.
RAT-CATCHER.
378
|
vallige (werkman) handelen: He was âting 4«r a place = hij trachtte, al was het door ontrouw worden, een baantje te krijgen; The instances of âting; were not many = er waren slechts weinig gevallen v. partij ve'rzaking; âcatcher = rattenvanger of -verdrijver; âsnake = Indische, op ratten azende siang; âtail, â'«-tail = ziekte bij paarden, waardoor ze de staartharen verliezen; â's-büiie = rattenkruid; âter = rattenvanger; âting = het ontrouw worden aan eene partij: â trap = rattenval. Ratable, reitdb'l, schatbaar, waardeerbaar. Katatia, rntdfid, soort v. alcoholische likeur. K»t(()an, rdtan, riet, rotting, trommelslag. Hatch, ratè^ slagrad v. een uurwerk, pal = âet; -et-wheel = palrad. Rate, reit, standaard, prijs, waarde, maatstaf, plaatselijke belasting, snelheid, rang, graad, klasse van een oorlogschip: Yon must not go an at this â = ge moet op deze manier niet doorgaan: The train niNhed on at a Inrions â (of speeil) = de trein snelde voort met woedende vaart: You may buy that at a cheap â = voor weinig geld; lie will lt;lo it at any â = doet het in elk geval, hoe dan ook; My money is out at the â of live per cent. = mijn geld staat uit tegen 5 perc.; The â of exchange is low = wisselkoers; âs = gemeentelasten: The train flew along at express âs = vloog erlangs met de snelheid van een exprestrein; He is a firstâ fellow = uitstekende kerel; verb, schatten, bepalen, berispen, een standje maken: He âd me for putting in a word = hij maakte mij een standje dat ik een woordje meesprak; Persons of £ 20 rating = die... gemeentelasten betalen; âpayer = belastingschuldige; âr = schatter, bepaler: He is a â¢first â r = firstâ fellow: The vessel is a second âr = een schip 2e klasse. Hath, rath, vóórhistorisch lersch fort. Rather, rddhd, eerder, liever, vooral, in hoogere mate dan, vrij, tamelijk: It is â cold to-day = vrij koud: â less = iets minder; That is â too much of a good thing = dat is wel een beetje veel van het goede; You had â go to the theatre, but you had better study = gij zoudt liever naar de komedie gaan, maar ge moest liever studeeren; Cold, isn't it? Rather =â koud, hé! dat zou ik denken (dat zegje wél): You think it nice? (1 do) rather! = vin'lt ge dit lekker? óf ik. Ratify, rati fai , bekrachtigen, goedkeuren; Ratification, mtifikeiê'n, bekrachtiging; Ratisbon. ratisb'n. Regensburg. Ratio, reisiou, verhouding, reden. Ratiocinate, rasiosineit, redeneeren; Ratiocination = redeneei-ing, gevolgtrekking; Rati-ocinative, raèiosineitiv, redeneerend. Ration,rei^Tn, subst. rantsoen, portie; â verb, voedsel verschaffen, rantsoen geven: He âed awhole nation = verschafte eene gansche natie voedsel; âs = rantsoen voor den soldaat; âal, raéBril, met rede begaafd ( vergelijk Reasonable): Man is a âal and moral being = de mensch is een redelijk, zedelijk wezen: âale, raSdneiii, opgaaf van redenen, beredeneerde opgaaf, rekenschap; âalisin = rede-overschatting (vooral in godsdienstige zaken); âalist = aanhanger van het rationalisme; âa lis tic = tot het rationalisme be-hoorende; âality = redelijkheid, gave der rede; âalize = tot het rationalismebekeeren, de reden inzien van; âalness. |
Ratlin(e)s, ratlinz, weeflijnen (schip). Rattan, ratan, rotting, trommenslag. Ratteen, rdttn, ratijn (soort v. wollen stof); Rattinet, ralinet, dun en lijn ratijn. Ratten, rat'n, de gereedschappen wegnemen (om het werken te beletten). Rattle, rafl, subst. geratel, ratel, gereutel (in de keel), rammelaar, gekakel, ijdel gesnap, babbelkous; The death â = het rochelen of reutelen van een stervende; â verb, ratelen rammelen, beknorren: She âd away for ten minutes = zij babbelde tien minuten achter elkaar door;' He was in a rattling vein = hij was erg op zijn praatstoel; â brained, âheaded, âpated = onbezonnen, dwaas; â r of âsnake â = ratelslang; âwort = Beiigaalsche hennep. Raucity, rósiti, schorheid; Raucous = schor. Ravage, ravidz. subst. roof, plundering, verwoesting; â verb, rooven, plunderen, verwoesten; âr. Rave, reiv, ijlen, raaskallen, gek zijn, dol zijn op, woest rondvliegen; âr; Raving = raaskallend. Ravel, rarfl, verwarren, inwikkelen, zich met lastige kwesties bezighouden: My trousers were âled out at the heels = waren uitgerafeld: â(ment) = verwikkeling. Ravelin, ravlin, ravelijn (vestingbouw). Raven, reiifn, subst. raaf; adj. raaf kleurig. Raven, rav'n, subst. roof, prooi, buit; â verb, verslinden, rooven: âer = dief, roover, plunderaar; â ing = roofzucht; -ons = roofgierig, verslindend, gretig; âotisness. Ravine, ravin, ravijn, bergkloof. Ravish, ravis, ontrooven, onteeren,verrukken: He was âed with joy = verrukt, uitgelaten; âer; âing, subst. geestvervoering, roof, onteering, verkrachting; adj. verrukkend, verrukkelijk; -ment = roof, verrukking, verkrachting. Rawr, rd. subst. rauwe, zeere of pijnlijke plek; adj. rauw. natuurlijk, ongelooid, ongesponnen, onverdund of onvermengd, onrijp, onervaren, ontstoken, koud en vochtig; It was a â morning = gure morgen; She is â and awkward = onbedreven en onhandig; He drank â spirit = hij dronk klare jenever: âboned = zoo mager als een hout; âhead = spook, bullebak; âhide = ongelooide koehuid; grove rijzweep; â ish = iets rauw, enz.; âness. Ray, rei, subst. straal, licht, rog; â verb, stralen schieten, schitteren; âed = met stralen gesierd; âless = glansloos, duister, somber. Raymond, reirrind, Reimond. Rayali, vAjd, niet-Mohammedaan in Turkije. Raze, reiz, slechten, uitroeien, uitwisschen: The enemy's fortress was âd to the ground = inet den grond gelijk gemaakt. Razor, reizd, scheermes; âbill = vetgans: âstrop = aanzetleder, scheerriem. Razure, reitd, doorhaling, uitschrapping. Razzia, razid, roof- of plundertocht. Reabsorb, rxdbzöb. weder opslorpen; Reab-sivrption, rXdbzöpamp;n. |
man; ask = ask; farm = fiim; b?tt = but; learn = Iwn: line = lain: ho«lt;se = bans; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = 16; lord = liid; hoy = boi;
REACCESS.
KEASON.
379
|
RenrceHH, riaksds. nieuwe toegang, terugkeer. Keaeh, ritë, subst. bereik, uitgestrektheid, omvang, watervlakte: â of a river = deel der rivier tusscben twee krommingen; It was not within my â, beyond my â = niet in ! mijn bereik, buiten mijn bereik; He i» out I of â of the police = hij is buiten bereik der politie; Tlie king is a man of â = een veelomvattend man, man van groot vermogen; â verb, uitsteken uitstrekken, aanreiken, overreiken, verkrijgen, bereiken: lie rould notâ at the ceiling = hij kon niet tot a;in het plafond komen; lie âed forth both his arms = hij stak zijne beide armen uit; This writer âes his public = pakt, boeit; What should an author do to â his readers? = te boeien, mede te sleepen; âer; ânie-dowiwlothes = gemaakte heerenkleeding. lieact. riakts nogmaals doen of opvoeren, beantwoorden aan, tegenwerken, terugwerken: âion = terugwerking, wederkeerige werking; âionary, subst. teruggaande,reactionair; adj. terug- of tegenwerpend: âivc(ness). Read, râ¬lt;i, subst. het lezen; â verb, (het imperf. en part. worden uitgesproken: red) lezen, ontdekken, raden, doorzien, studeeren, letterlijk luiden: Can you â this off hand = kunt gij dit zoo voor de vuist lezen; He read out the tiHth psalm = hij las den 68en psalm hardop voor; He read himself in = hij hield zijne intree; 1 must â up for it first = er mij eerst inwerken; 1 have â the book from cover to cover = van voren naar achter gelezen: The book âs very well = laat zich goed lezen; The passage âs thus = de passage luidt aldus; He is âing for his examination = studeert voor zijn examen; â me that riddle = los me dat raadsel eens op; He is well â in the classics = hij is goed thuis, goed belezen in de klassieke schrijvers; âable = leesbaar, geschikt en waard gelezen te worden; âabiliti/ = âableness = leesbaarheid; âer = lezer, voorlezer, corrector, leesboek: The general âer = de lezer zooals hij reilt en zeilt; Where is my English âer? = rnijn Ã. leesboek: âership; âing, subst. het lezen, lezing, boekenstudie, inhoud (van eene passage), voorlezing, belezenheid: The third âing of the bill will take place next week = de derde lezing (artikelsgewijze behandeling) van het wetsontwerp; adj. aan lezen gehecht, ijverig: 1 am not a âing man = ik houd niet van lezen; âing-book = leesboek: âing-room = leeszaal. Heading, redir\. stad. lleadjourn, riarfz»n, nogmaals verdagen. Readjust, rladznst, opnieuw regelen en ordenen; âment. Keadniission, riadmiS'n, wedertoelating. Headopt, ruidopt, weder aannemen. Headorn, rlddön, opnieuw versieren. Readvertency, riddvvCnsi, het weder terugkomen op. Ready, redi, gereed, klaar, vlug. geneigd, glad, nabij, bij de hand, contant: They made â for the Journey = zij maakten zich klaar voor de reis; â verb, gereed of klaar maken: â payment = contante betaling; âmade = vooraf gemaakt: âmade articles = in |
bone = boun; full; fool = fül; » = toonlooze lom/ = loi^; s/jip = sip; occasion = okeix'n; tl voorraad zijnde artikelen: âmoney trans-actions = handel a contant; âreckoner = boek met tabellen om berekeningen gemakkelijk te maken; He is a â witted fellow = hij is een gladde baas; Readiness of wit = scherpzinnigheid: His readiness to please = zijne bereidwilligheid. Reaffirm, ridfttm, opnieuw bevestigen. Reagent, rieidz'nt. reageermiddel. Reaggravation, riagrdveiamp;n, laatste vermaning vóór de excommunicate (R. kerk). Real, rial, werkelijk, waar, echt, vast (tegenover personal estate): âestate = landeigendom; âpresence â =â de werkelijke tegenwoordigheid van Christus bij het avondmaal; âism = realisme: âist = realist (in de kunst); âistic= realistisch: âitv,rialiti, wezenlijkheid, werkelijkheid, feit: Realities of Irish life = het leven in Ierland: âize = verwezenlijken, beseffen, werkelijk maken, realiseeren of in klinkende munt veranderen (van papier), betaald worden, halen: The house âized the price of 800 pounds = het huis kwam op 800 pond; He cannot âize a Joke = hij snapt geene aardigheid; âization = verwezenlijking, tegeldemaking; â |y = werkelijk, waarlijk, voorwaar; âness: âtv = vast goed. Real, rekil, reaal (Spaansch; ongeveer 11 cent). Reallege, rioledz^ opnieuw aanvoeren. Reallianre, ridlaions, hernieuwd verbond. Realm, relm, koninkrijk. Ream, rwi, subst. riem = 20 boek = 480 vel (Printer's â =516 vel): â verb, verbreeden, rekken, uitboren; âer = boorwerktuig. Reanimate, rmmmeif, bezielen, doen herleven; Ramimation. Reannex, rianeks, opnieuw aanhechten. Reap, rip, maaien (van koren), inoogsten. verkrijgen, verdienen: âer = oogster, maaier: âing-hook = sikkel: âing-macliiiie = oogst- of maaimachine; âing-tinie = oogsttijd. Reapparel, rivparl, weer kleeden. Reappear, riapilt;i, opnieuw verschijnen: âance. Reapply, )idplai. zich opnieuw wenden (tot). Reappoint, rldpóint. opnieuw aanstellen; âment. Rear, rfa, subst. achterhoede, laatste, achtergrond: He was (in) at the â, moved (feil) to the â = was op den achtergrond (in de achterhoede), ging naar den achtergrond (de achterhoede, bleef ach ter );The sepoys brought up the â = vormden de achterhoede; â verb, grootbrengen, opkweeken, opheffen, bouwen, oprichten, opwinden, steigeren: The horse âed and plunged = steigerde en gooide de achterpooten in de hoogte; â admiral = schout-bij-nacht; âguard = achterhoede; ârank, âline = achterste gelid; âmouse = vleermuis (Zie Rere-moiise); âward, subst. achterhoede, laatste troep; adj. naar de achterhoede, naar achteren. Rearise, rlitraiz, weer opkomen. Reascend, rldsend. weder beklimmen; Re-ascension. Reason, riz'n, subst. rede, vernuft, oordeel, recht, gematigdheid, billijkheid, reden, evenredigheid: I will pay you any sum in (all) â, which you may ask of me = ik vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = jia; lin; r/ms = dhus; wine. |
REASSEMBLE.
RECEPTION.
380
|
wil u elke billijke som betalen, die gij van mij vraagt; It HtaiidN to â that I cannot go there = het spreekt vanzelf; By â ol' your departure = wegens uw vertrek; lie didift talk â then = toen gebruikte hij zijn verstand niet; That'» the â why 1 declined = dat is de reden mijner weigering; For j that very â yon mIioiiUI have clone it â juist om die re'den hadt ge het moeten doen; â verb, redeneeren. overreden, bespreken: He âcd me into votins; lor that candidate = hij heeft mij overgehaald voor dien c. te stemmen; I could not â him out of hit* folly = Ik kon hem door redeneering zijne dwaasheid niet doen inzien; âahle = redelijk, door de rede bestuurd, voor redeneering vatbaar. billijk, matig: âableneww = redelijkheid, billijkheid; âer = redeneerder; âing = redeneering; â Ie»». UeaHsenible, ri.isemb'l, opnieuw verzamelen. Ileassert, ridstit, opnieuw bevestigen. KeaHsign^ riasain, weder toe- of aanwijzen. KeaH»iire, rieën), opnieuw verzekeren, geruststellen; Henssurance] lleassuriny news, tidingH = geruststellende berichten. ReaHty, risti, roestig, ranzig. Keattach. ruitats, opnieuw verbinden. Keavow, ridvau, opnieuw betuigen. Rehaptize, ribdptaiz, herdoopen. Rebate, ribeit, subst. rabat, korting, soort v. harde steen: â verb, verstompen,verminderen, rabat geven of korten; âment = vermindering, korting. Rebec(k), rtbdk. ouderwetsche twee- of drie-snarige viool. Rebel, reWl, subst. oproerling; adj. oproerig. Rebel, ribel, oproer maken, in opstand komen, muiten: They âed against the lawful authority = 'zij kwamen in opstand tegen het wettig gezag; âIer; âlion, ribelfn, opstand, oproer; â liouM(iieHH) = oproerig(heid). Rebellow, ribelou, terug loeien, een krachtig geluid teruggeven; âiiig= Reboant, /*iamp;oicant. Reboil, ribóil, opnieuw koken, woedend worden, vuur vatten. Rebound, ribaund, subst. terugstuiting; â verb, terugstuiten, weerklinken, weergalmen. Rebreathe. ribridh, opnieuw ademen. Rebuff, ribnf. subst. weigering, afwijking, nederlaag; â verb, terugdrijven, afwijzen. Rebuild, ribild, weder opbouwen. Rebuke, ribjâ uk. subst. berisping, stjindje: He caught a â = hij kreeg een standje: â verb, berispen, kastijden, laken; Rebukable = wat berisping verdient; âr; â ful. Rebullition, riboliSn, opborreling, opkoking. Rebury, riberi, opnieuw begraven. RebiiH*, rtbds, (teeken)raadsel, devies (op een schild) waarbij de naam door eene teekening op een beeld wordt voorgesteld. Rebut, ribot, terugslaan, terugstooten, afweren, van repliek dienen; âtal = tegenspraak; âter = pleiter; antwoord van den beschuldigde op den aanklager. Recalcitrant, rikalsitr'nt, verzettend, tegenstrevend; Carlyle'w style excites recalcitrancy in novices =*de stijl van Carlyle wekt tegenzin bij oningewijden; Uecamp;lcitrate â terugschoppen, zich verzetten, tegenstreven; liecalcitration. |
Recall, rikól, subst. herroeping, terugroeping : That is past â = onherroepelijk: These two ol'licers are under â and on their journey back = deze twee ambtenaren zijn teruggeroepen, en op hunne thuisreis; â verb, herroepen, terugroepen, zich herinneren: I can't â it to mind = ik kan het me niet herinneren; âable. Recant, rikant, afcweren, herroepen; âation = herroeping: He made a âation = hij herriep zijne bewering, trok ze in; âer. Recapacitate, rïkdpasiteït, de bevoegdheid teruggeven. Recapitulate, rikdpitjuleit, in het kort herhalen; Recapitulatiun = korte herhaling; Recapitulatory, r\kdpitjuleitdri, bij wijze van herhaling, herhalend (b.v. Recapitulatory exercises = oefeningen ter herhaling). Recaption, rikapó'n, beslaglegging; Itecaptor = heroveraar, hernemer, die het buit gemaakte terugneemt; Recapture^ subst. herovering,, heroverde prijs; â verb, heroveren, terugnemen. Recast, rik Ast, opnieuw gieten of vormen, opnieuw bewerken, nogmaals berekenen: Second edition. â and augmented = tweede, opnieuw bewerkte en vermeerderde uitgaaf. Recede, risid, teruggaan, zich terugtrekken, wijken: He âd into the background = hij trad op den achtergrond; (rtóCd), weder afstaan aan den vroegeren bezitter. Receipt, visit, subst. ontvangst, hetontvangene. ontvaugplaats, voorschrift, recept, middeltje,, kwitantie: A â for catching birds by putting salt on their tails = een middel om vogels te vangen door hun zout op den staart te leggen; On â of your favour of the 4tli inst. = na ontvangst van uwe ge-eerde van 4 dezer; He acknowledged the â of my letter = hij berichtte de ontvangst van mijn brief; â verb, eene kwitantie geven, voor voldaan teekenen. Receive, risiv, ontvangen, toelaten, verwelkomen, onthalen, aannemen, helen: It was generally âd that he was in fault = men nam algemeen aan dat hij schuld had; âd of Mr. K. = ontvangen van den Heer N. (op kwitanties); He was âd into our club = werd in onze vereeniging opgenomen; âr = ontvanger, heler, recipient, klok (luchtpomp): Both the thief and the âr = zoowel de steler als de heler: âr (in bankruptcy) = curator, bewindvoerder; Receiving-ofHt'e = kantoor voor het aannemen van pakketten, etc.; Receiving-ship = opnemingsschip (waaide nieuwe matrozen blijven tot ze voor den dienst worden aangewezen). Recency, rfs'nsi, frischheid, nieuwheid: Ke-cent. rttfnt, nieuw, versch, frisch: Recent English = het E. van onzen tijd; Recent-ness. Recension, Wsens'n, beoordeeling, kritische tekstuitgaaf, herziene en verbeterde uitgaaf: The work exit is in two different âs = in twee verschillende kritische uitgaven. Receptacle, riseptok'l, vergaarbak, depot. Receptibility, riseptibiliti, ontvangbaarheid, ontvankelij kheid. Recept ion, risepsn, ontvangst, toegang, welkom, onthaal, receptie: They prepared a |
man; ask = ask; farm = fam; b?/t = bwt; learn = Ion: line = lain; house = haus: net: care = kéa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw â l«V; lord = Hid; boi/ = bèi;
RECOLLECT.
381
RECESS.
|
sordini â lor him = zij bereidden hem eene hartelijke ontvangst; Receptive = ontvankelijk: His receptive I'aeuKieN are very great'= zijn opnemingsvermogen is zeergroot; Receptivity = receptiviteit, opnemingsgave. lleeeHS, rises, teruggang, terugtocht, eenzaamheid, opschorting of vacantie (gewoonlijk van de staatszaken); verblijf!, schuilhoek, alcoof: The Easter â will not last more than two weeks = het Paaschreces zal niet langer dan 2 weken duren: The inner âes ol' the heart = de diepste schuilhoeken van het i hart; The passage led to an inner â = de gang leidde naar een verborgen hoek; âion = verwijdering, terugtrekking, het afstand doen. Kei* ha bi te, rekdbait, geheelonthouder. Keeharge, ritèüdè, opnieuw aanvallen of laden, eene tegenaanklacht indienen. Ilecharter, ritèiito, opnieuw bevrachten. Ileeheat, ritsit, subst. hoorngeschal om de honden terug te roepen; â verb, een reeheat doen weerklinken. Ileeheek, ritsek: The luggage (aeeonnt) had to be âed lirst = de bagage(rekening) moest eerst opnieuw gecontroleerd worden. Keeherehe, rdètïéei, uitgezocht, fijn. keurig, lieeipe. resipi, recept. Ileeipient, risipj'nt, subst. ontvanger, adj. ontvangend: Recipiency. Ilreiproral, ris-ipralc'l. subst. hetwederzijdsche; adj. wederzijdsch, wederkeerig; â ity, resiprü-kaliti â âness = wederkeerighêid: iteei-proeate, risiprokeit, wederkeerig geven of aandoen, teruggeven, vergoeden: We have reciprocated kindnesses = wij hebben eenige beleefdheden gewisseld: Reciprocation = wederzijdsch geven en nemen, uitwisseling: Reciprocity â wederzijdsche rechten en ver- , plichtingen. Uecision, risit'n, afsnijden. Hecital. risait'l. het opzeggen, voordracht, herhalen, optellen, verhaal, reciet (muzikale voordracht door één persoon): The â ol' his story drew tears from the audience = het voordragen van zijne geschiedenis ontlokte het gehoor tranen: Recitation = het opzeggen, herhalen, verhaal; Recitative, resitdtiv, recitatief (muz.): Recite, risait, uit het hoofd opzeggen, voordragen: lie recited Tennyson's May-queen; Reciter. Reck, rek, geven om, schelen: 1 do not â = het kan me niet schelen: Little does he â what are the conspquences = om de gevolgen bekommert hij zich geen zier; âless-tncss) = roekeloos(heid), zorgeloos(held): I am âless of his words = zijne woorden laten me volkomen koud. Reckon, rek'n, rekenen, schatten, redeneeren, de rekening vereffenen, onderstellen: That cannot âas an English word = dat woord kan niet als Engelsch-beschouwd worden: lie was âed among yonr friends = geteld onder: The English â by poiindH, shillings and pence = rekenen met,bij; These things are too small to be âed lip = deze zaken zijn te gering om opgeteld (of samen gerekend) te worden; âing from what yon say = te oordeelen naar hetgeen gij zegt: itfodern thought is not âed with by him = hij houdt geene rekening met; He appeared to have âed without his host = hij bleek buiten den waard gerekend te hebben; May 1 â on you? = mag ik op u rekenen; 'i cannot â it up = ik kan het me niet begrijpen ; âer = rekenaar: lie is a ready âer = vlug in het rekenen; âing = berekening, rekening, schatting, gissing, verslag van den loop en den voortgang van een schip: Vou are out in your âing = gij zijt in uwe rekening mis, vergist u; âing-hook = boek van ontvangst en uitgaaf, journaal. |
Reclaim, rikleim, subst. terugroeping; â verb, terugroepen, van dwaling terug en op het rechte pad brengen, in cultuur brengen, op de hand terugbrengen (van een valk), temmen; lie was âed from his sinful ways by his friend = hij werd door zijn vriend op het goede pad teruggebracht:quot; They âed against such measures = reclameerden of kwamen in verzet tegen; âable: âant = reclamant, verweerder; âing = appel (van een vonnis); âIcms; Reclamation, rekk)-rneiamp;n, eisch, verwering, verbetering: Scrooge's reclamation was brought about by the spirits = S.'s verbetering werd door d'e drie geesten bewerkt. Recliuate, riklainit, hellend, schuin; Recline, riklain, achterover leunen, overhellen, rusten, steunen; Reclination = overhelling, het steunen of leunen; Recliner. Reclose, riklouz, opnieuw sluiten. Recluse, riklüs, subst. kluizenaar; adj. eenzaam, afgezonderd: âness = afzondering, eenzaamheid = RcHtiNion, riklüz'n; Reclusive, rikliisiv, afzondering aanbiedend; Re-clusory, riklüsdri, kluis. Recoct ion, rikokamp;n, opwarming, opkoking, opkooksel. Recognition, rekdynisn. herkenning, erkenning. betuiging: In â of his many services = ter erkenning van zijne vele verdiensten: Recognitory = (h)erkennend; Recognizable. rekdynaizdb' l, herkenbaar; Recognizance. rikoyniz'ns, erkenning, teeken, insigne, verplichting tot het doen van iets: They had to enter into their own recognizances to keep the peace = zij moesten de verplichting op zich nemen den vrede, niet weer te verstoren of zich kalm te houden; Recognize. rekdgnaiz, herkennen, erkennen, eene verplichting op zich nemen, zich verbinden: Rpcogni-zee, rikognizt, houder van eene verbintenis of verplichting: Recognizor, rikognizö, afge-ver of onderteekenaar van eene verbintenis of verplichting. Recoil, rikóil, subst. terugslag, wijking, terugsprong: â verb, terugdeinzen, terugspringen, ontaarden, terugdrijven; âer; âing, subst. teruggang: adj. terugdeinzend; âment. Recoin. rikóin, opnieuw munten; âage, ri-köinidz. nieuwe aanmunting. Recollect. r\kdlckt, opnieuw verzamelen: I suddenly âed myself = kwam ineens tot mijzelf. Recollect, rekolekt, zich herinneren, herstellen; 1 can't â having ever seen him before = ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit meer gezien heb; âion: âive = herinnerend. |
bone = boun; full; fool = ful; 0 = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = Jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin: t/ius = dims; wine.
UECOLONIZü.
382
RECRUIT.
|
Reeolonize, rikoldnaiz, opnieuw koloniseeren; Reco Ionization. Kecuinbiiie, riWmbain, opnieuw verbinden of samenvoegen; Recombination. Reeoinlbrt, rikamfdt, opnieuw troosten, nieuwe kracht geven. Recoiniiienee, rMomens, opnieuw beginnen: âment. Recomiiieiid,refcgt;menr/. aanbevelen,aanprijzen, aanraden; âable; âafion; âatory = tot aanbeveling strekkende, aanbevelings*....; âer. Recommit, rikamit, opnieuw bedrijven, weder naar dezelfde commissie terugzenden; âment = âtal; Recommi88ion, rikjmisn, weder afvaardigen of opdragen. Recommiinicate, rikdnijünilceit, opnieuw mededeelen. Reeompai't, rik'mpakt, weder samenvoegen. Recompense, reknipens, subst. belooning, vergoeding; â verb, beloonen, vergelden, schadeloos stellen; â r. Recompile, riknipail. opnieuw verzamelen of samenstellen; âment = Recompilation. Recompose, rikniponz, opnieuw samenstellen, weder geruststellen, weder in orde brengen; Recomposition. Reconcile, reknsail, verzoenen, herstellen (van vriendschap), overeen of tot harmonie brengen, de grieven wegnemen van: They were â d to each other and to their tatc = zij werden met elkander en met hun lot verzoend; Reconcilable(ness) = verzoenbaar-(heid), vereenigbaar(heid), bestaanbaar(heid): âment = Reconciliation: âr: Reconcili-atory, reknsilieiteri, verzoenend. RecoiideiiHe, rikndens, opnieuw verdikken. Recondite, rekdndait, geheim, voor het oog verborgen, afgetrokken, diepzinnig. Reconditory, rikonditori, bewaarplaats, depot. Reconduct,Vi/t'nt/wArf, terug of opnieuw leiden. Reconlirm, riknfnm, opnieuw bevestigen. Reconjoin, rikndzóin, weder samenvoegen. ReconnaiNsaiice. rdkoneiamp;ns, voorloopig onderzoek, verkenning. Reconnoitre, rekdnóito, verkennen. Reconquer, rikor\kd, opnieuw veroveren, herwinnen; ReconqüeHt, rikonkwdst, herovering. Reconsecrate, rikonsikreU', opnieuw wijden; Reconsecration. Reconsider, r\kd)isido, opnieuw in overweging nemen (gewoonlijk om te herroepen of te vernietigen): Reconsideration. Reconstruct, riknstrnkt, opnieuw samenstellen of bouwen: âion. Reconvene, riknvin, opnieuw bijeenkomen. Reconversion, riknvüsn, wederbekeering; Reconvert = opnieuw bekeeren. Reconvey, riknvei, terugvoeren, overdragen op een vroegeren eigenaar. Record, rekod, gedenkschrift, getuigschrift, verhaal, register, officieel afschrift, het hoogste of beste (in sport); âs = publieke documenten, officieele getuigenissen, verslag van de hoofdzaken in een geding, etc.: That is the most famous name (np)on â = dat is de beroemdste naam in de geschiedenis vermeld; This skater has beaten the â = deze schaatsenrijder heeft den besten tijd gemaakt, dus: alle vroegeren overtroffen; He has a clear â = een zuiver geweten; Court of â = griffie; Keeper of the â s = griffier, archivaris; 1 will make a â ol* it = ik zal er een register of eene lijst van aanleggen; He wrote his â upon his generation |
(Amer.) = hij werd bekend bij zijne tijd-genooten. Record, riköd, de herinnering bewaren van, opschrijven, aan teekenen, registreeren, vermelden, diepen indruk maken (op het gemoed): All the glorious names, âed in history = al de beroemde namen in de geschiedenis opgeteekend; âer = rechter, wie registreert, soort van fluit; âership; âiug-telegraph = druktelegraaf. Recount, rikannt, omstandig verhalen. Recoup, riküp, vergoeden, betalen, eene gelijke som inbrengen, herwinnen: 1 will â all losses you may incur by it = alle verliezen vergoeden,* die gij er misschien door zult lijden; I lost more than this book is likely to â me for = ik heb meer verloren dan 'dit boek waarschijnlijk zal opbrengen; 1 never attempted to â mysell' for the money spent so unnecessarily = ik heb nooit getracht om het geld terug te winnen dat ik zoo noodeloos had uitgegeven. Recourse, rikös. toevlucht, toegang, herhaalde doorgang: 1 had â to him â ik nam mijne toevlucht tot hem. Recover, rlknvo, (doen) herleven, herstellen, herwinnen, redden, bevrijden, vergoeden, bereiken, recht krijgen op, een proces winnen: He âed his property = hij kreeg zijn eigendom terug: lie wanted to â damages = hij wenschte recht op schadevergoeding te krijgen; 1 âed the sum to him = ik stelde hem de som ter hand; He couldn't â health = hij kon zijne gezondheid niet terugkrijgen; He âed his legs = hij kwam weer op de been; lie was âed from the hands of his enemies = hij werd gered of bevrijd; âable = herkrijgbaar; ây = herstel, herkrijging: The patient is'past ây = de patient is hopeloos. Recover, rlkovd, opnieuw bedekken. Recreant, rekridnt, subst. en adj. laf(aard), laaghartig(e), valsch(aard), afvallig(e); Recreancy, rekridnsi, lafhartigheid, laagheid, afvalligheid. â Recreate, rekrieit, zich ontspannen, vermaken, verlustigen; Recreation = ontspanning, afleiding; Recreative, rekrieitiv, opwekkend, ontspannend, versterkend. Recreate, rikrieit, opnieuw scheppen; Recreation, rikrieiamp;n, herschepping. Recrement, rekrurint, uit- of afwerpsel; Re-cremental, âitial, âitious = tot de uitwerpselen behoorende, nutteloos. Recriminate, nkrimineit, eene beschuldiging terugwerpen, eveneens beschuldigen; Recrimination = het terugdoen van eene beschuldiging; Recriminative^ Recriminatory = eveneens beschuldigend; RecHminator = tegen-beschuldiger. Ree ross, rikros, nogmaals oversteken. Recrudescence, rikrudes'ns, wederinstorting. het weer pijnlijk worden; Recrudescent. Recruit, rikrüt, subst. versterking, aanvoer, rekruut, nieuweling; â verb.recruteeren, versterken, herstellen, met nieuwe kracht bezielen: |
man; ask == ask; farm = ffirn; b»/t = but; learn = lèn; line = lain; hemse = haus; net; care = kea; fate = felt; tin; asleep = asllp; not; law = lè: lord = Hid; bo?/ = bAi;
RECTANGLE.
383
REDOUND.
|
Will you â (lie lire? = wat bij het vuur doen; lie âed his strength (fleMli) on the Riviera = hij herwon zijne krachten (zijn vleesch) aan de R.: We niiiHt â him and Het him on hiH legN again = wij moeten hem zijne gezondheid teruggeven en weer op de been helpen: We are âiiig the inner mail = wij versterken den inwendigen mensch: A âing-oflicer (sergeant) = werfofficier: âing = het werven (van recruten) =âment. Rectangle, reklwtfl, rechthoek: â«Mieetan-gular, rektavgjuld, rechthoekig; iiectamiti-laritij = rechthoekigheid. Rectify, rektifsü, in orde brengen, leiden, herstellen, verbeteren, overhalen (door distellatie) van dranken: The glohe wa» rectified = de glorie werd in orde gebracht, goed gezet: llectifiable = wat verbeterd kan worden: Rectification = verbetering, het overhalen van dranken of vloeistoffen; Rectifier. Rectilineal, rektilinj'l, rechtlijnig = Rectilinear. Rectitude, rektitjnd. oprechtheid, eerlijkheid, braafheid. Rector, rekte, bestuurder, rector, predikant (van eene parochie): âate, ârit, rectoraat: âial, rdktéridl, rectoraal; âship = betrekking of ambt van een rector', ây = pastorie, predikantsplaats. Rectrices, rektrisiz, staartpennen. Rectum, rekVm, onderste van den grooten darm. Reen in b, rikvmb, leunen, rusten; âence, âency = rust, leunende ofliggendehouding: âent = leunend, rustend, lui. Recuperate, rikjüpdreit, herstellen: She âd lier health = zij herkreeg hare gezondheid: Recuperahle =â herstelbaar, herkrijgbaar: Recuperation = herste], herkrijging; Recuperative = herstellend = Recuperator tf. Recnr, rikv, terugkeeren tot, terugkomen op. zijne toevlucht nemen: He âred to it again and again = hij kwam er telkens op terug: It âred to my memory = het schoot mij weer in de gedachte; *ârenee, ârency. rikar'nsii), terugkeer, toevlucht: The word iw of frequent ârenee in thiH book = het woord komt herhaaldelijk in dit boek voor: ârent, riknr'nt, telkens voorkomend. Recurvate, riküveit, Recurve, rik/üv, achterwaarts buigen of gebogen; Recurvation = achterwaartsche buiging = Recurvity: Re-cnrvons, riknvds, achterwaarts gebogen. Recusancy, rekjuz'nsi, de niet-overeenstem-ming; 'Recusant, rekjuz'nt, subst. van de staatskerk afgescheidene; adj. afgescheiden, niet overeenstemmend Recusation, rekjuzeiè'n. weigering, verwerping of wraking (van een rechter). Red, red, subst. raad, raadgeving: subst. en adj.rood: Deep â = donkerrood: He is â on it = hij is er op verzot; Bright â = helder rood; âbacked shrike = grauwe klauwier: âbook = boek met de namen van alle burgerlijke ambtenaren of met die der Nobility: âbreast = roodborstje; âchalk = rood krijt; âcoat = soldaat; âcross = met het roode kruis van St. George; âcurrant = roode(aal)bes: âdeer = damhert; âhand(ed) = op heeter daad: He was caughtâhanded = hij werd op heeter daad betrapt; âherring = bokking; âhot = gloeiend heet: âlattice phrases = kroegentaai; âlead = roode menie: -letter-day = gelukkige dag (omdat de heiligendagen rood gemerkt waren in de almanakken); âsea = Roode zee; âshort = broos (in heeten toestand); âskin = Roodhuid, Indiaan; âtape = gehechtheid ; aan de officieele routine of bureaucratie; â tapism = bureaucratie; âtapist = bureaucraat: âden = rood worden, blozen; âdish = roodachtig; âdie = rood krijt. |
Redact, ridakt, een bepaalden (letterkundigen) vorm geven, voor de pers gereed maken: âion = het redigeeren of geredigeerde. Redan, rddan, borstwering met twee, een hoek vormende, vooruitspringende zijden; projectie in een muur. Reddition, rediè'n, teruggave, overgave, verklaring; Redditive = antwoordend (op eene navraag). Redeem, riditn. terugkoopen, verlossen, los-koopen, vervullen (van woord of uelofte), boeten voor, goed maken, benuttigen, (van zonde) verlossen: He âed his promise = hij vervulde zijne belofte; He has âed liis wicked deeds = zijne booze daden goed gemaakt ; Jesus lias âed mankind = Jezus heeft het menschdom verlost; âable = (af)-losbaar; âer = de Verlosser. Redeliver, rulilivd, afleveren, nogmaals bevrijden, rapporteeren; âance = tweede of herhaalde bevrijding = ây. Redemand, rxdimünd, terugvorderen. Redemise, r\dimaiz, subst. tweede overdracht: â verb, opnieuw afstaan of overdragen. Redemption, ridemè'n, loskooping, verlossing, vrijkooping, lossing (van een hypotheek): Power of â = recht tot terugkoop; Redemptive = verlossend: Redemptory price (sum) = losgeld, losprijs. Redented, ridentid, getand (als eene zaag). Redgum, redgmn, uitslag (bij kinderen). Redingote, redinuout, gekleede jas. Redintegrate, redintdgreit, verb, vernieuwen,, weer volkomen maken; adj. vernieuwd: Red-interjration = vernieuwing. Redirect, ridirekt, opzenden (van brieven door ze van een nieuw adres te voorzien). Redisb(o)urse. rxdizbüs, terug betalen. Redistribute, ridistribjnt, opnieuw uitdeelen: Redistribution. Redivivus, redivaivds, herleefd. Redolence, Redolency, reddVns{i), geur, welriekendheid; Redolent, redol'nt, geurig: The air in the room was redolent of atta of roses = de lucht in de kamer was bezwangerd met geur van rozenwater. Redouble, ridnb'l, verdubbelen, herhaald worden. Redou(b)t, ridaut, redoute (vestingbouw);, âable = geducht, gevreesd (wegens dapperheid) = âed. Redound, ridaund, overmatig zijn, strekken of leiden tot, bijdragen: No small profit âs from this business to you = uit deze zaak vloeit voor u geen gering voordeel voort; That will â to the credit and advantage of our cause = dat zal tot eer en voordeel van onze belangen (zaak) strekken; Ail this âs on you = dit alles valt op u terug. |
bone = boun; full; fool = fill: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jie^ lor}*/ = lot^; ship = sip; occasion = okeiz'n: thin; thus = tfhtts; wine.
REDOWA.
384
REFIT.
|
Iledowa, reddWd, Boheemsche dans (polka). 'Kedpole, redponl, vlasvink (met rooden kop), liedral't, ridrAft, subst. tweede afschrift of afdruk; â verb, opnieuw opmaken. Redraw, ridrö, opnieuw (een wissel) trekken. HedresH, ridres, subst. herstel (van grieven, b.v.), hulp: â verb, verhelpen, herstellen, vergoeden, verlichten; âer; âible = wat verholpen kan worden; âive measure = verhelpende (weer goed makende) maatregel; âIpmh = zonder herstel; âïiient = herstel. Redriven, ridriv'n, teruggedreven. 'RedNear, redsio, barsten of splijten door te groote hitte (zooals ijzer onder den hamer). RedsbankH, redéanhs. spotnaam voor iemand met bloote beenen. Redstart, redstat, gekraagde roodstaartje. Reduce, ridjiis, terugleiden, terugbrengen tot een vroegeren toestand, brengen, overwinnen, veringen, verminderen, rangschikken, van naam doen veranderen: IIih family was âd fo beggary = tot den bedelstaf gebracht; In âd cirêuniHtaiieeH = in armoedige omstandigheden; The aceoiint was âd to hall'its amoiint = de rekening werd op het halve bedrag teruggebracht; Tlie sergeant was âd t« the ranks = werd tot soldaat gedegradeerd; A âd eopy = verkleinde copie; âment = terugbrenging, onderwerping; ânt, subst. wat terugbrengt of vermindert; adj. verminderend; âr; Reducible = wat teruggebracht kan worden tot. â¢Rednotion, ridwkamp;n. terugbrenging, overwinning, onderwerping, vermindering, verkleining, herleiding; lied active, subst. wat vermindert; adj. verminderend. Hedimdanee, Rediiiidaney,ri£fomrnamp;-(i)tovertolligheid, overdaad; Tliis word is rediindant = overtollig, te veel. Ilednplieate. ridfiïplikcit, adj.herhaald; â verb, vermenigvuldigen, herhalen; Reduplication = verdubbeling, herhaling van eerste lettergreep of stam (der woorden); Reduplicative = verdubbelend, dubbel. lied wing, red wil], koperwiek (soort lijster). Ree, rf, Portugeesche of Braziliaansche munt-éénheid: 1/1000 milreis, ongeveer 1/3 cent. Re-eelio, ri-ekon, weergalmen, weerklinken. Heerhy, rit Si, rookerig, vuil, morsig. Reed, 'rid, riet, herdersfluit, dun metJialstaafje (in een orgel), mondstuk,weverskam; âbird = rijstvogeltje (Amer.); âgrans = rietgras; âed = als riet, met riet bedekt; âless: ây. Re-edilieation. ri-edifikeiè'n, herbouw(ing); Re-edify, riedifai, herbouwen. Reel', rif', subst. rif (rotsketen, aan of onder de wateroppervl.), reef; â verb, reven; â earings = kleine touwtjes om een zeil te reven (steekbouten); ây = vol rilfen. 'Reek, rik, subst. damp, rook; â verb, dampen, rooken; The battle-lield was âing witli blood: ây = vuil. zwart, rookerig. Reel, subst. haspel, klos, waggelende gang (als van een dronken man), Schotsche dans; lie knows it oil* the â = hij kent het op zijn duimpje; I am lor settling matters oil' the â = ik maak de zaken graag zonder ⢠talmen en gezeur in orde; â verb, op een haspel of klos winden, draaien, waggelen, dansen: His head âs = zijn hoofd draait met hem |
in het rond; He âed Irom the pothouse = hij kwam waggelend uit de vuile kroeg. Re-elect, ri-ilekt, nogmaals kiezen, herkiezen; â ion = herkiezing; Re-eligible, ri-elidiib'l, herkiesbaar; Reeiigibiiity = herkiesbaarheid. Re-embark,?,i-cgt;mfcöA,,(zich)opnieuw inschepen. Re-embattle, ri-dmbaVl, zich weer in slagorde scharen. Re-embody, r\-;)mbodi, nogmaals belichamen of inlijven. Re-emerge, ri-immlz, weder bovenkomen. Re-enact, r\-dnakt, nogmaals bepalen of voorschrijven. Re-enlorce, ri-dnfös. Zie ReinToree. Re-enter, ;â¢lt;gt;/??«gt;, opnieuw binnentreden; Ite-en-trance = hernieuwd binnentreden. Reermoiise. riommxs, vleermuis. Re-establish, riasfaö//popnieuw vestigen,herstellen; âment. Reeve, riv, subst. baljuw, kemphaan (het wijfje): â verb, inscheren (scheepsterm). Re-e\amine,n^camm,nogmaals ondervragen; Reexamination = hernieuwd onderzoek. Re-exehange, ridkstseinz, herwissel. Re-export, riekspöt, wederuitvoer. Re-export, riokspöt, opnieuw wederuitvoeren. RelaNliion, rifaamp;n, opnieuw fatsoeneeren. Releetion. rifeks n, verversching, kleine maaltijd; Refect ive. subst. lafenis; adj. lavend; lieleetory, rifektirri, eetzaal (vooral de gemeenschappelijke in kloosters, enz.). Refer, rifó, verwijzen, terugvoeren, in handen stellen (voor consideratie en afdoening), nasporen, toewijzen, een beroep doen op, zich wenden tot, betrekking hebben op, raadplegen: The matter was âred to his deeision = de zaak werd hem ter beslissing voorgelegd: I â to the very words yon spoke = ik beroep mij op (verwijs naar) uwe eigen woorden; tie âred to a passage iinknown to me = hij had het oog op eene mij onbekende plaats; âable = verwijsbaar; âee, refari, scheidsman, beslisser; â ence, refdr^ns, verwijzing, betrekking, beslissing, iemand tot wien of iets waartoe men zich om inlichtingen kan wenden: In âenee to what you said just now = met betrekking tot hetgeen gij pas gezegd hebt; For âenees, apply to editor = men wende zich tot den redacteur om inlichtingen; This adverb has noâence to the principal verb = dit bijwoord slaat niet op het hoofdwerkwoord; Many books (works) of âenee are at the reader's disposal = vele encyclopedieën, woordenboeken, enz. staan den lezer ten dienste: âential, reforenamp;l, betrekking hebbende op: ârible = verwijsbaar, betrekking hebbende op: That is ârible to what he asserted = dat kan met zijne bewering in verband worden gebracht. Refine, rifain, zuiveren, louteren, beschaven: âd manners, language, morals = beschaafde manieren en taal, verfijnde zeden; âd sugar = geraffineerde suiker; âment = zuivering, loutering, beschaving, hooge vorming, gemaaktheid; â r = beschaver, zuiveraar, raffinadeur, haarkloover, uitpluizer; âry = raffinaderij. Relit, rifit, subst. het herstellen of kalefaten: â verb, herstellen, opnieuw geschikt maken, kalfaten; âment. |
man; ask = Ask; farm = fiim; bwt = but; learn = Iwn; line = lain; hoi«se = bans; net; «are = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; hoy = boi:
i tm
REGATHER.
REFLECT.
385
|
Reflect, riflekt, terugkaatsen, terugwerpen, | weerspiegelen, weerkaatsen, overdenken, over- | peinzen, verwijten («n): He wanted ine to â on his proposal = na te denken over; Tliat âh on the memory of my deceased Iriend = dat tast de herinnering van mijn overleden vriend aan; âible; âion, riflekamp;n, terugkaatsing, weerspiegeling, overdenking, berisping, verwijt: Do not say so, lest it seem a âion on your benefactor = zeg dat niet, het mocht eens een verwijt aan uw weldoener schijnen; âive = terugkaatsend, overwegend: âor = reflector (gepolijste oppervlakte, die licht of hitte terugkaatst). Keflex, rifldks, subst. weerkaatst beeld of licht; adj. achterwaarts gericht, teruggeworpen, onwillekeurig (v. beweging); âihility = weer-kaatsbaarheid;âlve=wederkeerend, weerkaats-baar, terugslaand (op iets verledens): âive verb. Keflonrisli, ri/lnris, opnieuw bloeien. Keflow, ri/lou, terugvloeien, ebben. Kennence, Refluency, refltonsii), Refliictn-ation. riflvktj ueié'n, terugvloeiing (van water); Rellnent; Reflux, riflvks = ebbe: Flux and reflux = vloed en ebbe. Reform. W/om, subst. verbetering, hervorming, verbeterd stelsel van volksvertegenwoordiging; â verb, hervormen, (zich) verbeteren: I âed him of bis negligence = ik heb hem zijne achteloosheid afgeleerd: â bill = wetsontwerp tot regeling van het kiesrecht; âschool = opvoedingsgesticht, verbeterhuis (Amer.); âation, refomeiè'n^ herstel, hervorming: âative = hervormend, verbeterend; âatory, subst. opvoedingsgesticht; adj. verbeterend; The âed Cliurch = Hervormde Kerk; âer = hervormer; âist = hervormingsgezinde. Reform, riföm, opnieuw vormen; âation, r'xfömeisn. nieuwe vorming of inrichting. Refortily, rifötiflt;i\, opnieuw versterken. Refract, rifrakU breken (van stralen); âed rays = gebroken lichtstralen; âion = straalbreking: Angle ofâion = brekingshoek; âive = brekend (van stralen); âory = weerspannig, weerbarstig, moeilijk smeedbaar (van metalen, b.v.), koppig; âoriness. Refragability, refrdgdbiiiti, weerlegbaarheid. Refrahi, rifrein, subst. refrein; â verb.(zich) weerhouden of inhouden, nalaten: He âed from saving this = hij onthield zich dit te /.eggen; lie could not â from weeping = hij kon het schreien niet inhouden. Refrangible, rifranzib l, breekbaar; âness. lief'rnngibility. Refresh, rifreé, verfrisschen, ververschen, opwekken, verkwikken: âing news = opwekkend nieuws, prettige tijding; âer = wat of wie verfrischt, etc., vacatiegeld aan een advocaat als eene zaak wordt uitgesteld; âing, âinent = verversching, opwekking, opluchting (na pijn, b.v.); -inent-room = restauratiezaal; âmeiit-Simday = vierde Zondag in de vasten: ânient's = verver-schingen (eten en drinken). Refrigerant, rifridzor'nt, Refrigerative, ri-fridzdreitiv, subst. en adj. verkoelend oif afkoelend (middel); RefHgerate, afkoelen, koel liouden; Refrigeration; Refrigeratoriy) = koelkan, koelvat (verkoelend). |
Refuge, re/yV/rfz, schuilplaats, toevlucht, vesting, heilige plaats, hulp- of redmiddel, uitvlucht: He was obliged to take â with his enemies = om bij zijne vijanden eene schuilplaats te zoeken (tot hen de wijk te nemen): He took â to the wood = hij nam de wijk naar het bosch; A loud cry was raised for the fire-escapes, but these âs had been removed = er werd luide om de brandredmiddelen geroepen, maar deze hulpmiddelen had men verwijderd; The cities of â = de zes steden door God dengene als wijkplaats aangewezen, die onvrij-willigen manslag had gepleegd; House ofâ = liefdadigheidsgesticht voor dakloozen; âe, refjudzi, vluchteling, uitgewekene. Refulgence, Refulgency, ri/uldz'ns(i), glans, schittering, Refulgent.* Refund, rifnncU terugbetalen, vergoeden. Refurbish, rifnbié, opnieuw bruineeren, polijsten. Refusal, rifjtizl, weigering, keus, optie: If this ^eiitleman leaves, you can have the â of his room = als 'deze mijnheer weggaat, kan u zijn kamer krijgen zoo u verkiest: My proposal met with a flat â = mijn voorstel werd kortweg afgeslagen; Refusable = wat geweigerd kan worden; Refuse,rifjtkz, weigeren, afslaan: The horse refused the hedge = wou niet over de heg springen; He âd himself all the comforts of life for the sakeofliischildren = ter willezijner kinderen ontzeide hij zich alle levensgenot; Refuser. Refuse, refjüs, subst. afval, uitschot; adj. waardeloos: â iron = oud ijzer. Refute, rifjiit, weerleggen; Refutable = weer-legbaar; Refutation, refjuteiamp;n, weerlegging: Refutatory, rifjütotari, weerleggend; âr. Regain, rigein. herwinnen, weder bereiken: We roiildn't â home in time = op tijd thuis zijn. Regal, rig'l, koninklijk; Regality, rigaliti, koningschap, teeken der koninkl. waardigheid. Regale, rigeil. koninklijk onthalen (op = with), vergasten, zich te goed doen; âment = verversching, onthaal, bevrediging. Regalia, rigeiljd, souvereine rechten, teekenen der koninklijke waardigheid. Regard, rigüd, subst. aandacht, overweging, achting, eerbied, opzicht, betrekking: We still had a â for him = wij hadden nog genegenheid voor hem; In. With â to = in of met betrekking tot; We must leave that out of â altogether = dat moeten we hee-lemaal buiten beschouwing laten: I am, with kindest âs, yours faithfully = ik ben, na vriendelijke groete, geheel dé uwe; Will you pay him my âs? = wil u hem mijne complimenten do'en; â verb, waarnemen, letten op, beschouwen, achten, hoogschatten, geven om, aangaan: As âs the labour-question. it demands an early solution = wat de arbeidskwestie aangaat, deze ver-eischt spoedige oplossing; âant = omziende (herald.); âer; âfill = oplettend, eerbiedig: He is âfill of his interests = hij houdt zijne belangen goed in het oog; âing = betreffende, met betrekking tot; âless of bis duties = onverschillig voor zijne plichten, deze veronachtzamend. Regather, rigadho, opnieuw verzamelen. |
hone = boun: full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; i/ear = jiaj \ong = loi^: s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin: thus = dims; wine.
ten bruggencate, Eng. Woordenboek. 25
REINDEER.
386
REGATTA.
|
Regatta, rigatd. waterwedstrijd. Regelatidii, redzoleiamp;n, aaneenvriezing van twee stukken ijs. Kegeney, rtdz'nsi, regentschap; Ketent. ridz'nt, subst. regent, bestuurder; adj. regee-rend (gedurende de minderjarigheid, etc. van vorst of vorstin: Oneen Ketent = Koningin-Regentes); llegentHliip = regentschap. Regeneracy, ridzenordsi, Re^eneratene8H, ridzendrithds. wedergeboorte, herleving; Regenerate, ridzendrit. verbeterd, wedergeboren; â verb, {ridzenoreit), opnieuw voortbrengen, wedergeboren worden: Regeneration, ridza-nereisn, herleving,wedergeboorte: llaptimnal regeneration = wedergeboorte door den doop: Rerjenerative = vernieuwend, herlevend = Regeneratory; Regene^iH, ridzendsis = vernieuwing, nieuwe wording. Regicide, redzisaid, koningsmoord(enaar): Regicidal = tot een â behoorende. Reginien, redtim'n, regeering. dieet, leefi-egel: 1 am uiider a â = ik leef op dieet. Reginicnt, redzhrint, regiment; âal, redzi-menVl. van een regiment: The âal band = de regimentsmuziek; âals = uniform (eig. van een bepaald regiment). Regina, ridzaind, Regina; Reginald, red-zin'ld, Reinout. Region, rtdz'n, streek, gewest, lichaamsdeel: 1 i'eel a pain in the â ol' the stomach = maagstreek. Register, redzistd, subst. register, ollicieele lijst, kiezerslijst, opgaaf, verslag, gedenkschrift, sleutel of schuif (v. kachelpijp): The parish â = de registers van den burgerlijken stand; His name was entered in the â = werd ingeschreven op de lijst: To make â = opmaken (van eene drukproef); â verb, registreeren, op de (kiezers)lijst plaatsen, vermelden: I wish to have this letter âed = ik wou dezen brief laten aanteekenen; 1 had my luggage âed = ik liet mijne bagage inschrijven; âoffice = kantoor der inschrijvingen, registratiekantoor, archief, bureau voor dienstboden; âship = het ambt van een ontvanger der registratie, een griffier, etc. = Registrarship: Registrar,redzistrïi,bewaarder der registers, griffier, ambtenaar burgerlijke stand: Registrar's returns = bevolkingsstatistiek: Registrar-general = hoofdambtenaar bij den burgerlijken stand; Registration = inschrijving; Registry = inschrijving, registratie-bureau. Regins,ridzias,koninklijk: He is âprolessor = hij bekleedt een der leerstoelen, door Hendrik VIII aan de E. hoogescholen gesticht. Reglet, regldt, spaan (drukkers). Regnal, regn'l, regeerings...: â years = regeeringsjaren van een vorst: Rêgnancy, regrinsi. regeering, bewindvoering, overheer-sching: Regnant = regeerend. Regorge, rigödz, uitbraken, opnieuw inslikken, gretig verslinden. Regrant, rigrdnt, subst. hernieuwde vergunning; â verb, opnieuw verleenen. Regrate, rigreit, afbikken (van steenen); âr = opkooper van levensmiddelen; Regrating = het afbikken. Regression, rigreè'n, teruggang, terugkeer. Regret, rigret, subst. smart, spijt, berouw; |
â verb, treuren om, bejammeren: I â your having done this = het spijt mij dat gij dit gedaan hebt; It is to be âted = het is te betreuren; âlui; âtable = betreurenswaardig. Regular, regjuld, subst. ordebroeder, geregeld bezoeker, klant; adj. overeenkomstig (de wet, het beginsel, etc.), regelmatig, geregeld, periodiek, volkomen, tot eene kloosterorde behoorende, gelijkzijdig, gelijkhoekig: â troops = â s = geregelde troepen; He is a â tool = hij is een echte (of ware) gek; 1 am as â as clockwork = ik ben zoo precies als een uurwerk, een man van de klok; âity, regju-lariti, regelmatigheid, gelijkmatigheid, methode: Regulate, regjuleit. regelen, in overeenstemming brengen, ordenen; Regulation, subst. regeling, schikking, bevel, reglement: adj. overeenkomstig het bevel of reglement: Regulation chargers = dienstpaarden; Regulation dress = modelkleeding: Regulation sword = modelsabel: A regulation Joke = vaste ui of aardigheid; Regulative = regelend, volgens voorschrift; Regulator = wie of wat regelt, regulateurklok, regulateur: Rcgulus = ster in het beeld âLeeuwquot;: winterkoninkje. Regurgitation, rtgv.dziteis'n, terugwerping, terugvloeiing, opslurping. Rehabilitate,n/ia[u//7eif, herstellen (in vroegere positie), weder instellen; Rehabilitation â herstelling (in vroegeren r.ing of oude rechten). Rehear, rihid, nogmaals hooren of berechten: âing = tweede verhoor of onderzoek. Rehearse, rihvs, repeteeren, v. buiten leeren en opzeggen: Rehearsal, rihüs'l. herhaling, repetitie (van tooneelstukken, etc.), verhaal: The rehearsal ol' his experiences made us shudder = het verhaal van zijne ervaringen deed ons rillen; âr. Reid, rid. Reigate, rtgit. Reign, rein, subst. oppermacht, bestuur, regeering. invloed: It happened in the â of Oueeii Victoria = onder de regeering van; â verb, heerschen, regeeren: The king âs, his ministers govern = de koning heerscht, zijne ministers besturen; A âing disease = eem-algemeen heerschende ziekte. Reillnminate, Reillumine,ri/(/i1mm(ei0, opnieuw verlichten; Reillxiinination. Reimbark, riitnbdk, (zich) weer inschepen. Reimbody, rnmbodi, opnieuw inlijven. Reimburse, riimbvs, terug betalen: He was âd for the costs of liis trial = de kosten van zijn onderzoek werden hem vergoed: âment; âr. Reimport, riimpöt, opnieuw invoeren; âation. Reims, rirnz. Rein, rein, subst. teugel, regeering, bestuur, macht: He gave the âs to his tolly = hij liet zijne dwaasheid den vrijen loop:* He holds a tight â over the boys = hij houdt de jongens streng in toom, hij'rijdt ze op de stang; He lets the reins loose at times â laat nu en dan glippen; I wish you would take the âs = ik wou dat gij de teugels aanvaarddet, het bestuur in handen naamt: â verb, besturen, beteugelen: He âed in the horses = hij hield de paarden in, bracht ze tot staan. Reindeer, reindxd, rendier; âperiod = |
man; «sk = ask: farm = fam; bitt = b«t: learn. = lun; line = lain; hoi/se = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = lo; lord = löd; hoy = boi;
HEINDEKR-TRIBES.
387
KELIEVE.
|
voorhistorische periode, toen liet rendier fn Midden-Europa werd gevonden; âtribes = menschen van die periode. lieinlort'e, r'nnfös, versterken, aanbinden; âment. Hein», reinz, nieren, lendenen. lïeiiiHtal, riinstól, weder installeeren. HeiiiMtate, riinsteit, in vroegere positie her- j stellen: He wa» âlt;1 in Iiih oflice = werd in 1 zijn ambt hersteld; âinent = herstel(ling). i UeiiiHiire, riinèüd,herverzekeren: Reinsurance ' = herverzekering; âr = die zich herverzekert. Reintegrate, rantó(/reiï, hernieuwen, herstellen: Heinteg ration. Ueinve8tnient, riinvestm'nt, nieuwe aanstelling, tweede belegging. Ueinvigorate, 7*iinvigore\t, opnieuw bezielen. Kei», ris, (opper)hoofd, leider; â eHeiifii = Turksch kanselier en Min. v. Buitenl. Zaken. Reissue, rïisiï, subst. nieuwe uitgave of uitgifte; â verb, opnieuw uitgeven of in omloop brengen. Reiterate, riitdreit, telkens herhalen: Reiteration: Reiterative, riitdreitiv, herhalend (en daardoor versterkend, van eene handeling, etc.). Reject, ridzekt, verwerpen, van zich af gooien, verstooten: My snit was âeil = mijn aanzoek werd verworpen, van de hand gewezen: âable = verwerpelijk: âer; âIon = verwerping, afwijzing: â ive = verwerpend. Rejoice, ridzamp;is, (zich) verheugen, verblijden: I â at yonr havinu; come = ik ben blij dat ge gekomen zijt; âr; Rejoicing = vreugdebetoon, onderwerp v. vreugde: lt;ireat rejoicings on the occasion of the Oneen's accession = groote blijdschap (geuit) ter gelegenheid v. de troonsbestijging der koningin. Rejoin, riclzóln, weder vereenigen (na scheiding), antwoorden, hernemen: âder = antwoord, bescheid, lepliek. Rejoint,rldzóint, weder samenvoegen,opnieuw voegen (van metselwerk). Rejuvenate, ridzüult;nie\t, Kejnvenize, ridzü-iw/iair, verjongen: Uejiiveiieseence. Uejn- venescency , rulznrsnes'ns^i), verjonging; I Se juvenescent = verjongend, verjongings... Rekindie, rikind'l, opnieuw aansteken of aanwakkeren. Reland, ril and, nogmaals landen of aan land gaan. Relapse, ri/aps, subst. wederinstorting(ziekte), het weder vervallen (t. vroegere verkeerdheden, enz.); â verb, weder instorten, weder vervallen (tot slechtheid of zonde); âr: Relapsing lever = epidemische koorts (tengevolge van hygienische misstanden), typheuse koorts. Relate, rileit, verhalen, toeschrijven of terugbrengen tot, betrekking hebben op; â«I = verwant, in zekere betrekking staande tot; âr = verhaler; Relation, rileis'n, verhaal, betrekking, verhouding, verwantschap, bloedverwant, overeenkomst: They bear no relation to each other = zij hebben geene overeenkomst met elkander, staan tot elkaar in geenerlei betrekking of verhouding; Hela-tionship = (bloed)verwantschap; Relative, reldtiv, subst. bloedverwant, betrekking heb- ; bend woord, betrekkelijk voornaamwoord; adj. i betrekkelijk: That is not relative to what he said = dat heeft niets te maken met wat j hij zeide; The bomb did relatively little damage = richtte betrekkelijk weinig schade aan; The niimber ot' good books is relatively insignilieant = naar verhouding; Relativeness, Relativitg â verwantschap, verhouding : The relativity of all hiiman knowledge = de betrekkelijkheid van alle menschelijke wetenschap. |
Relax, rilaks, verslappen, verzachten, minder streng of stipt doen zijn, laxeeren, ontspannen, kwijnend of slap maken: l\ow she would be cruel, then â into tenderness again = nu eens was ze wreed, dan werd ze weer erg teeder en gevoelig; âable = wat verlicht, verminderd of ontspannen kan worden: âation = verlichting, ontspanning, verslapping; âative, subst. en adj. laxeerend (middel), verzachtend. Relay, rilei, voorraad om van tijd tot tijd te kunnen aflossen, zulk een span paarden of een troep honden: We got a â of horses every two hours. Relay, rilei, opnieuw leggen of plaatsen. Release, rilis. subst. bevrijding, vrijlating, verlossing; â verb, ontslaan, vrijlaten; Deed of â = acte van overdracht; âr; âe. rilisi. Relessee = iemand, wien eene acte v. overdracht wordt gegeven. Relegate, relogeit. wegzenden, verbannen, sjeezen (v. studenten), verwijderen, plaatsen: This remark might have been âd to a footnote = deze opmerking ware beter op hare plaats geweest onder aan de bladzijde in eene noot: The student was âd to his former pleasures = de student werd gesjeesd en kon zijne vroegere genoegens weer opvatten: Relegation. Relent, ril ent. toegeven, minder hardvochtig of streng worden, ophouden: âing = toegevend; âless = meedoogenloos. Relessor, r'xlesö. die eene acte van overdracht geeft: Relessee./\e Releasee. Relet, rilet, opnieuw verhuren. Relevancy, reldv'nsi, betrekking, toepasselijkheid: * His answer bore no â to my words, was not relevant to my word's = zijn antwoord sloot niet op mijne vraag, was niet toepasselijk op mijne vraag: Tiiis question is not relevant = ongepast, heeft niets met de zaak te maken. Reliable, rilaidUl, be-of vertrouwbaar; âness. Reliability: Reliance, rilaidns, vertrouwen: Von cannot place any relianee on him = in hem geen vertrouwen stellen, niet op hem rekenen. Reliant. Relic, relik. overblijfsel, herinnering, reliquie; âs = stoffelijk overschot; â t = weduwe. Relief, rili{\ verlichting, onderstand of ondersteuning (naar de wet aan armen), atlossing, hulp, uitstekendheid, relief (verheven beeldwerk): indoor â = opnemingen ondersteuning in een armhuis; Outdoor â = ondersteuning aan huiszittende armen; Parish â = onderstand der burgerlijke gemeente; 1 came to his â in the righ t nick of time = ik kwam hem net op tijd te hulp; âticket = soepkaartje; Relieve, riliv, verlichten, opbeuren, steunen, onderstand geven, afwisselen, doen uitkomen: The inonotony of the work was not relieved by anything = de een- |
bone = boun: full; fool = fill; »gt; = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; year = jia; \ong = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus â dhus; wine.
25*
RE MN ANT.
388
RELIGHT.
|
tonigheid van het werk werd door niets afgewisseld; The Holcliers were relieved guard = werden afgelost; The brazen sky was not relieved by a «ingle cloud = geen wolkje stond aan den strak blauwen hemel; Reliever; The relieving officers of the parish = de gemeentelijke armverzorgers; Von have a queer way of relieving your feelings = rare manier om je gevoelens te luchten; Relievo, rilivon. ,,en reliefquot;. Relight, rilait, opnieuw aansteken of ontvlammen. Religion, rilidz'n, godsdienstvorm of plechtigheid), eerbied, piëteit: No â was attached to the property = aan dien eigendom was men niet (door een gevoel v. piëteit)gehecht; lie has got â = hij is bekeerd (Am.); âary = godsdienstig, godsdienst.....; âism = gehechtheid aan uiterlijken godsdienstvorm: â ist = iemand die aan uiterlijke godsdienstvormen hecht: Religiosity. riMziositi, godsdienstig gevoel, godsdienstig vertoon; Religious, rilidzos, godsdienstig, godvruchtig, nauwgezet, streng: All your property will be religiously respected = al uwe eigendommen zullen streng geëerbiedigd worden; A religious house = klooster. Relinqueiit, rUinkw'nt. subst. die iets opgeeft of verlaat: adj. opgevend, verlatend; Relin-«liiish, rilir\kwiè. verlaten, opgeven, laten varen: I have relinquished that claim = ik heb van dat recht afgezien; Relinquisher = die opgeeft, laat varen of afziet van iets; Relinquishinent = afstand. Reliquary, relikwdri, reiiquienkastje. Relish, reliS, smaak (gew. aangenaam), wat het voedsel lekker doet zijn, lekkernij, genot, proefje: He lias no â for poetry, for a Joke = hij heeft geen zin voor poëzie, eene 'aardigheid; That gave a â to my desires = dat maakte mijne begeerte nog krachtiger; â verb, smakelijk maken. smaken , genieten, houden van: I do not â such Jokes = zulke aardigheden mag ik niet: That remark âes of wit = die opmerking is geestig. Relive, riliv. herleven, weer opleven. Relucent, riljüs'nt, schitterend, helder. Reiiiftance. Keluctancy, rHnkVns{i), weerzin, tegenzin, weerbarstigheid; Reluctant = weerbarstig, onwillig: I am reluctant to, have a â to such measures = ik heb een tegenzin tegen dergelijke maatregelen. Relume, riljiim, opnieuw ontsteken, verlichten. Rely, rilai, rekenen of zich verlaten op: That man is not to he relied on = op dien man kan men niet aan; We â on the will = gronden onzen eisch op het testament; Relier = die vertrouwen stelt. Remain, rime-in, (over)blijven, overschieten, gedwongen blijven (van personen): That âs to be seen = dat staat te bezien; âder = overblijfsel, rest (v. eene aftrekking): âs = stoffelijk overschot, nagelaten letterkundige producten, ruïne (van gebouwen, etc.). Remake, rimeik, opnieuw maken. Remand, rimdnd, subst. terugzending; â verb, terugzenden: The prisoner was âed till the 20th = de beklaagde werd tot den 20en in preventieve hechtenis teruggezonden. Renianence, rondrins. duur, voortgang, rest. |
Reniark,Wm Afr, subst. opmerking,aanteekening: â verb, opmerken, aanteekenen, aanmerken: He tlid not â on that = daarop had hij geene aan- of opmerkingen; âable = merkwaardig; âed = duidelijk, merkwaardig; âer = aan- of opmerker. Remasticate, rimastikeit. herkauwen; lie- mastication. Remeant. rimtvnt, terugkeerend. Remediable, r.midjdb'l, herstelbaar; Remedial, r imidj'l, vatbaar of bedoeld voor genezing, herstellend; Remediless, remddiles, ongc-neeslijk, onherstelbaar; Remedy, remddi, subst.geneesmiddel,hulpmiddel, herstel: There is no remedy for it. It is past remedy = er is niets aan te doen; verb, genezen, verhelpen : It cannot be remedied = het kan niet verholpen worden. Remember, rimemba, zich herinneren (onwillekeurig), te binnen komen, onthouden,gedenken : â the Sabbath = gedenk den Sabbathdag: I do not â having seen him before = ik herinner me niet hem eer gezien te hebben; â me kindly to your friend = doe mijne vriendelijke groeten aan uw vriend: I â your reiiiindiiig him of it some time ago *= ik weet nog, dat ge er hem voor eenigen tijd aan herinnerd hebt; âer: Remembrance, rimembfns, herinnering, geheugen, heugenis, gedachtenis: Do it in reinembrance of him = doe het te zijner gedachtenis; Within my remembrance = zoolang mij heugt; Icaimót call it to remembrance = ik kan het mij niet herinneren; Remembrancer = wie of wat herinnert: Your letter was a kind remembrancer = uw brief heeft er mij zachtkens aan herinnerd. Remiges, HmidzXz, slagpennen (v. een vogel). Remind, rimaind, te binnen brengen, herinneren: â me of it = help het mij onthouden; âer: A gentle âer = een vriendelijke aanmaning. Reiiiinisrence, reininis'ns, herinnering: âh of Carlyle = â¢herinneringen aan C.; Remi-nisrenf,'subst. iemand die zijne herinneringen opschrijft; adj. herinnerend. Remise, rimaiz, terugzenden, terugschenken. Remise, ri})iiz, afstand, afzien (v. een recht). Remiss, rimis. zorgeloos, onachtzaam, slap, traag: lie was a very â correspondent: âness. Remission, rimiamp;n. verslapping, matiging, vermindering, vergiffenis: At last there was a â of the hot weather = eindelijk werd het wat minder heet; Remissive = ! verslappend, vergevend. Remit, rimit. terugzenden, overmaken (v.geld, wissels, etc.). verslappen, verminderen, vergeven, kwijtschelden: âting fever = afgaande koorts; His line was âted to half the amount = de boete werd tot op de helft teruggebracht: âtal = overgave, terugzonding, overzending; âtance = het overmaken (van geld, etc.), het overgemaakte geld: Have you got your âtance yet? = is het geld u al overgemaakt; âtent == beurtelings op- en afgaande in kracht: âtent fever = ongeregelde koorts, nu eens toe-, dan weer afnemende: âter. Remnant, remrint, overblijfsel, laatste, stuk. |
man: ask = ask: farm = fiim; bat = bwt; learn = Iwn; line = lain; house = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = dslip; not; lata = lo; lord = löd; horj = hoi;
REPARABLE.
REMODEL.
339
|
Keiiiwdel. rimocCl, opnieuw bewerken : The work was entirely âled = het werk verscheen in nieuwen vorm. Reinullient, rimolj'nt, verzachtend. Remonstrance, rimonstr'ns, vertoog, verzet, protest, vermaning; Remonstrant, subst. remonstrant; adj. vertoogend, vermanend; i Remonstrate, rimonstreit, duidelijk aantoo- i nen, bewijzen, vermanen: 1 IVequently | remonstrated with him on his behavionr | = herhaaldelijk over zijn gedrag onderhouden. 1 Remora, renamp;rd, zuigvi'sch. Remorse, rimös, berouw, wroeging: â Inl = berouwhebend, medelijdend; âless = mee-doogenloos, wreed, onbarmhartig. Remote, runout, afgelegen, verwijderd, lang geleden, vreemd, afgezonderd, gering: A â village = afgelegen dorpje: He made a â allusion to this = hij zinspeelde er heel in de verte op. Remould , rimonld , vervormen , opnieuw vormen. Remoiint, subst. versch paard: We were getting âs lor the cavalry == wij trachtten paarden te krijgen voor de cavalerie (vergel. âDie Remonte betreibenquot;); â verb, opnieuw bestijgen, remonteeren. Remove, rimüv, subst. verwijdering, trap, graad, klasse, bevordering, poststation: The boy missed his â, was not âd = ging niet over, bleef zitten: He is my cousin to the second â = neef van den tweeden graad; Elections at two âs = getrapte verkiezingen ; â verb, verwijderen, wegzenden, verplaatsen, verhuizen, afdanken, dooden: These buildings will be âd = zullen worden afgebroken; I think we shall â the first olquot; â¢luly = ik denk dat we den len.Juli verhuizen (overgaan); âd â verwijderd, afgelegen: A cousin lour times âd = in den vierden graad; /temoi»aWM?/= afzetbaarheid; Removable, rimüvdb'l, subst. afzetbaar ambtenaar; adj. afzetbaar; Removal = verplaatsing, verhuizing, afzetting, verwijdering. Remunerable, rimjiinardUL wat beloond kan worden; Reni\inerability, Reiuiiiierate, ri-mjündreit, beloonen,vergoeden; Rem uneration: Remunerative = beloonend, vergoedend = RemunersLtory. Reniurniur,rimomd,murmelendterugruischen. Renaissance, rmeis'ttts, renaissance (15e eeuw). Renal, rin'l, van de nieren of lendenen. Reuard, renad, Reintje de Vos. Renascence, Reiiiisrenry, rinas'nsd), renaissance, wedergeboorte, herleving; Renascent. Rencounter, r'nkauntê, subst. (onaangename) ontmoeting, botsing: â verb, onverwachts ontmoeten, botsen, handgemeen worden. Rend, rend, vaneenscheuren, verscheuren: The trumpets rend the sky = het trompetgeschal davert door de lucht: It has rent my heart in twain = het heeft mijn hart gespleten; âer = die scheurt. Render, rend,!, subst. teruggave, betaling, overgave, verklaring; â. verb, teruggeven, overgeven, volbrengen, overzetten of vertalen, bewijzen, maken : Would you â me a service? = zoudt ge mij wel een dienst willen doen: He wonldtrt â reason = hij wou geene reden geven; The lortress was âed up to the prince = werd den prins overgegeven; âable = wat over- of teruggegeven kan worden; âer: âing = teruggave, vertaling, verklaring, eerste pleisterlaag op metselwerk. |
Rendezvous, rendavn of rdr^deivü, subst. plaats van bijeenkomst; â verb, verzamelen, samenkomen. Rendition, r'ndië'n, overgave, vertaling. Renegade, rendgeid, afvallige, verrader. Renew, rinjü, hernieuwen, hervatten, nieuwe kracht geven, opnieuw beginnen, herhalen; âabilitji = hernieuwbaarheid; âable = hernieuwbaar: âal = vernieuwing, herleving; âedness = vernieuwde toestand; âer. Renilorin, Hm/om, niervormig. Renitence. Renitency, reniVns(ï), weerstand, tegenstand, tegenzin:* Renitent. Rennet, remt, (kaas)stremsel, renetappel. Renounce, rinauns, subst. renonce (in het kaartspel); â verb, verwerpen, zich verklaren tegen, laten varen, renonceeren (in quot;t kaartspel) : 1 â you and your party = ik wil met u en uwe partij niets gemeen hebben: âment; âr. Renovate, renaveit. vernieuwen, herstellen; âr of Renovator; Renovation, renweiffn. Renown, rinaun, subst. vermaardheid, roem: â verb, beroemd of vermaard maken; âed = vermaard, beroemd. Rent, rent, subst. scheur, scheuring, scheiding; â verb, imperf. en p.p. van to rend. Rent, rent, subst. rente, huur; â verb, huren, in huur hebben, verhuren: âday = betaaldag (van huur of rente;: âroll = opgaaf of lijst der inkomsten: âal = âroll = inkomsten : The house comiiiitiided a good âal = het huis deed eene hooge huur: âer = huurder, eigenaar van eene zitplaats in den schouwburg. Renter, rentd, fijn mazen, haast onzichtbaar aaneennaaien. Renunierate, rinjiirnureit, optellen,opsommen. Renunciation, rinv.nseiè'n, verzaking,afstand. Renverse, r'nvvs. onderstboven werpen. Reopen, rioifp'n, opnieuw openen of opengaan. Reorganize, riöydnaiz, opnieuw organiseeren of inrichten; Reorganization. Rep(pgt;,subst. rips; adj.als rips: â note-paper = geribd postpapier. Repacüy, ripaamp;if'ai, opnieuw bevredigen. Repair,' ripêo, subst. herstel(ling), toestand (van een gebouw), verblijfplaats, schuilhoek: The house was (kept) in (good) â = zag er goed onderhouden uit; The building is in bad â, out ol' â = slecht onderhouden, in verval: â verb, herstellen, vernieuwen, terugkomen op, zich begeven, vergoeden: Kverythiug was soon âed to its loriner Htate* = in vroegeren toestand teruggebracht, hersteld; He âed to the subjcct again and again = kwam telkens terug op: I do not know where to â to = waar ik zal heengaan, waar mij te bergen; I âed to hi in lor inrormation '= ik wendde mij tot hem om inlichtingen; âable; âer. Repand, ripand, met ongelijken zacht kronkelenden rand (v. bladen). Reparable, repardb'l, herstelbaar; Reparation = herstel(ling): lie made reparation lor |
bone = boun: full; füol = ful: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; long = loij; ship = sip: occasion = okeisfc'n; thin; thus = dlres; wine.
REPRESENTATIVE.
390
REPARTEE.
|
his olleiiHive words = hij maakte zijne be-ieedigende woorden weder goed; Reparative = herstellend. Repartee, repdti, gevat antwoord. Repass, ripvs, opnieuw voorbij- of overgaan. Repast, ripdst, maaltijd, voedsel. Repay, ripei, terug betalen, nogmaals betalen, vergoeden, kwijten: âable: âinent. Repeal, ripil, subst. intrekking, herroeping, afschaiïïng; â verb, intrekken, herroepen, afschaffen; âable = herroepelijk; âer = herroeper, opheffer (vooral van de unie van Engeland met Ierland). Repeat, ripit, subst. herhaling, herhalings-teeken (muz.); â verb, herhalen, opzeggen, oververtellen: Let me â to you these lines from Sliakspere = opzeggen, reciteeren: âed = herhaald: 1 have warned him âedly = herhaaldelijk gewaarschuwd: âer = herhaler, opzegger, repetent, repetitiehorloge, repeteergeweer of -pistool, bedrieger bij de stembus (Amer.); âing-wateli = repetitie-horloge; âing-deeinial = repetent. Repel, ripel. terugdrijven, weerstaan, afweren: â lent, subst. en adj. afdrijvend of afwerend (middel); âIer = terugdrijver. Repent, rip'nt, kruipend (herald.). Repent, ripent, spijt of berouw gevoelen (hebben), zich beteren: Why should not yon â of what yon aeknowledge to have been wrong? =' waarom zoudt ge niet berouwen wat ge erkent dat verkeerd is geweest; âance = berouw: The very prooi*ol'ânnce is a better eondnet = het ware bewijs van berouw is een beter gedrag: âant = berouwhebbend, boetvaardig: âer. Itepeople, riptp'I, opnieuw bevolken. Reperenssion, 'ripakvamp;n, weerkaatsing, terugdrijving: A â of the echoes he had awakened by his works = het teruggeven der echo's, dié hij door zijne werken had opgewekt; Repereussive, ripd/cvsiv, weerkaatsend. Repertory ,repaiori,bewaarplaats,lijst^register, uittreksel: A â ol* iiNelnl seienee = een repertorium van nutlige kennis. Repetend, repdtend, repetent. Repetitiim, repdtié'n, herhaling, voordracht; âal. Repetitive, âary = herhalend. Repine, ripain, morren, ontevreden zijn, kniezen, klagen: What is the use of repining at (gt;od's will? = wat geeft het of gij mort tegen Gods wil: âr. Replace, ripleis, weer op de vorige plaats brengen, terugbetalen, vervangen, opvolgen: lie has âd his opponent in the peoplers esteem = hij heeft zijn tegenstander uit de gunst van het volk verdrongen: By what phrase can this word be âd?'= door welke uitdrukking kan men dit woord vervangen; I must â the borrowed sum next week = ik moet aanstaande week het geleende teruggeven; âment. Replait, ripleit, opnieuw vouwen, dubbel vouwen. Replant, rtpldnt. opnieuw planten, verplanten. Repleader, riplid.K tweede pleidooi. Replenish, ripleniè, weder aanvullen, bijvoegen : lie eouldn't â his small fire = hij kon zijn vuurtje niet aanvullen (met brandstof); âment. |
Replete, r/p/tf, vol: â with filth and misery = vol v. vuil en ellende: Repletion = over-lading, volheid, volbloedigheid. Replevy, riplevi, weer in het bezit krijgen, lossen; Repleviable = losbaar, herkrijgbaar: Replevin = (bevelschrift tot) ophelïing van beslag. Replica, replilcd, copie v. een kunstwerk (dooiden maker), herhaling (muz.). Replicate, replikeit, subst. herhaling (muz.): Replication = antwoord, echo, herhaling. Reply, riplai, subst. antwoord, repliek: He made a poor â = hij gaf een ongelukkig antwoord; â verb, antwoorden (om te weerleggen), repliceeren, hernemen: Why did you not â to his accusation? = waarom antwoorddet gij niet op zijne beschuldiging, weerlegdet gij ze niet; The barrister replied on this case = pleiter (advocaat) repliceerde met betrekking tot deze zaak: Replier. Repolish , rlpoliè,.opnieuw polijsten of beschaven. Report, ripöt. subst. rapport, gerucht, faam. bericht, vonnis, verslag, luid geraas, knal. gebulder: A â was drawn up = een^verslag werd samengesteld; I am your friend in good and evil â = wat de wereld ook van u zegge; The â of the guns was heard far off = in de verte hoorde men het kanongebulder; â verb, berichten, verslag doen. rapporteeren, vertellen, berichten: Progress was âed = er werd over den stand der zaak gerapporteerd: Doirt believe all that isâed = geloof toch niet aan alle praatjes: The committee âed upon the bill = bracht rapport uit over het wetsontwerp; lie went to the city, after âing himself at hi* aunt's = nadat hij zich bij zijne tante ver* toond had (b.v. oni te zeggen, dat hij terug was); âer = verslaggever, rapporteur: lli' is a parliamentary âer = hij is stenograaf bij de Tweede Kamer; âers' gallery = tribune voor de pers; âorial = van 'verslaggevers en rapporteurs. Reposal, ripouz'l, rust,berusting,vertrouwen: Repose, ripouz, subst. rust, kalmte, slaap, gemoedsrust, stilte; â verb, uitrusten (van vermoeienis en inspanning), slapen, berusten, zich verlaten of vertrouwen op; âful = kalm: Every page is rich in quiet, âful beauty = elke bladzijde ademt kalme, stille schoonheid. Repository, ripozitdri, bewaarplaats, pakhuis. Repossess, ripezes. weder in het bezit stellen: He was âed of his property = kwam weer in het bezit zijner goederen; âion. Reprehend, reprihend, berispen; Reprehev-sible = berispelijk; Reprehension, repri-henamp;n, berisping, blaam; Reprehensive = berispend. Represent, reprizent, voorstellen, afmaken, spelen voor, vertegenwoordigen, afbeelden: âed by counsel = door rechtskundige hulp bijgestaan; âable; âation = voorstelling, rolvervulling, uiteenzetting (van argumenten», vertegenwoordiging; âative, subst. voorsteller, plaatsvervanger, gevolmachtigde, vertegenwoordiger; adj. voorstellend, vertegenwoordigend, typisch: This work is âative of the spirit of our age = dit werk drukt den geest onzer eeuw uit; âer; âment. |
man: «sk = ask; farm = fiim; b?^t = but; learn = l«n; line = lain; howse = haus; net; care = kerf; faté = feit; tin; asleep = oslip; not; \aiv â 16; lord â Hid; bo?/ = boi;
REPRESENT.
391
RESEIZE.
|
Represent, rïprizent, opnieuw aanbieden: 1 âation = vernieuwd aanbod. ilepreHS, ripres, onderdrukken, bedwingen, in toom houden; âible = bedwingbaar; âion = bedwinging, beteugeling; âive = bedwin- i gend, beteugelend. Reprieve, ripriv, subst. uitstel (van een vonnis); â verb, opschorten, uitstellen. Keprimand, reprimand, subst. strenge berisping, hard verwijt; â verb, streng berispen, openbaar bestrallen. Reprint, riprint, herdruk, afdruk. Reprint, riprint, herdrukken, een afdruk maken. Reprisal, riprnizl, subst. herneming, represaille, vergelding, weerwraak: Letters ol' â = kaperbrieven; Reprise, ripraiz, subst. hernomen schip; refrein; llepriHes = jaar-lijksche vergoeding uit huizen of landerijen. Reproaeli, riprouts, subst. hard verwijt (met verachting gemengd), strenge berisping, schande, oneer: That buy is tl»e â ui'tlie f'aniily, brings â on the ftimily = strekt zijne familie tot oneer: lie iiiriirred several âvu = hij haalde zich allerlei verwijtingen op den hals; âes = reeks van liederen en tegenliederen in de R. K. kerk op Goeden Vrijdag; â verb, streng verwijten, afkeuren, ernstig beschuldigen: What did he â yon wHh? = wat heeft hij u ten laste gelégd; âlui = schandelijk, slecht, beleedigend, laag; verwijtend: IIis was a â ful eondnet = zijn gedrag was schandalig. Reprobate, reprdbit, subst. verworpeling, verachtelijk schepsel; adj. verachtelijk, snood, goddeloos, verdoemd; â verb, (reprdbeit), krachtig veroordeelen, verfoeien: Reprobation. reprdbeiè'n, verwerping, verdoeming: The tenet of reprobation = het leerstuk dei-verwerping en verdoeming. Reprodnee, riprarijüs, opnieuw voortbrengen, copieeren: â r: //e/jro^/iici/on = copie. nieuwe voortbrenging; Heproductive, lieproductory = voortbrengend, copieerend. Reproof, riprüf, berisping: Reprove, riprüv, berispen, een standje maken; Reprover. Reprnne, ripriin, opnieuw snoeien (vrucht-boomen). Reptile, reptail, subst. kruipend dier, verachtelijke kruiper; adj. kruipend, verachtelijk; lïeptilia. reptiljd. kruipende dieren: Jiep-tilian, subst. en adj. kruipend (dier). Repiihiie, ripnblilc, republiek, gemeenebest: â of letters = rijk der letteren en geletterden: âan, subst. en adj. republikeiR(sch); âanisni = republikeinsche gezindheid; âanize = in eene republiek veranderen; âation, ripv.blikeiamp;n, herdruk, nieuwe uitgave: Re-piibliHh, ripnbliè, opnieuw uitgeven, herdrukken. Repudiate, ripjtidieit, verwerpen, weggooien, negeeren; Repudiation = verwerping, verstooting; Hepudiator. Repiignauee, ripngn'ns, afkeerigheid, weerzin, tegenstand; Repugnant = tegenstrijdig, al-keerig, weerzinwekkend. Repulse, ripnls, subst.terugdrijving, weigering, teleurstelling: He got no seeond â = hij werd niet voor de tweede maal afgescheept; â verb, terugdrijven, terugslaan, verwerpen; |
âr; He pulsion = terugdrijving, walging; Repulsive = terugstootend, walgend. Repurehase, ripütëis, subst. terugkoop; â verb, weder- of terugkoopen. Reputable, repjutdb'l, te goeder naam bekend, eervol, geacht; Reputation,repjuteis'n,goedé naam, aanzien, achting; Repntatively, teitivli, volgens zijn naam, volgens gerucht = Reputedly; Repute, ripjüt, subst. goede naam, roem: He is a man offóood)repute â een man van goeden naam; lie stands in high, iu bad repute = hij heeft een goeden, slechten naam; â verb, achten, houden voor: He is well â d = hij staat goed bekend, heeft een eervollen naam; Reputeless = zonder naam, onbekend, schandelijk. Request, rik west, subst. verzoek, vraag, request: I did it at your â = op uw verzoek: May I prefer a â to yon? Yes, but 1 do not'know whether 1 sliall grant it, eomply with it = mag ik u een verzoek doen? Ja, maar ik weet niet of ik het zal toestaan, daarmede zal meegaan; That is uiueli in â = daar is veel vraag naar; â verb, verzoeken, een request richten; âer. Requiem, rtkwidm, zielmis, rust, kalmte. Require, rikwaid, eischen, vorderen, aandringen om te hebben, verzoeken, vragen, noodig hebben: What do you â ine tc» do? = wat verlangt ge dat ik'doen zal; âinent = eisch,vereischte,geëischte; âr; Requisite, rekiviziU subst. vereischte; adj. onontbeerlijk, noodig; Requisition, rekwizis n, subst. vraag, eisch, verlangen, verzoek (bij wijze van klacht, als iets niet in orde is): He put his own ear-riage into requisition = hij requireerdezijn eigen rijtuig: â verb, verzoeken, eischen, re-quireeren: The horses were reqnisitioned for the Royal Artillery = werden gere-quireerd; Re'quirist = eischer. Requite, rikwait, beloonen, vergelden, wreken: Requital = belooning, vergelding, wraak: âr. Reredos, riddos, altaarscherm, open haard. Rereinouse. rfamaus, vleermuis. Resail, riseiU terugzeilen. Resale, riseil, weder verkoop, tweedehandsverkoop. Resalute, risdljüt, opnieuw groeten. Rescind, risind, herroepen, afschaffen, vernietigen; Rescission, vision, herroeping, vernietiging. Rescript, riskript, keizerlijke of pauselijke beslissing over eene rechtszaak, besluit, edict. Rescue, reskjiï, subst. bevrijding, verlossing, hulp, gewelddadige terugneming: The Prussians eanie to the â in time = de Pruisen kwamen tijdig ter hulp: â verb, bevrijden, verlossen, te hulp komen: He was âd from danger: â r. Researeii, risntè, subst. stipt en streng onderzoek: I have made âes into it = ik heb de zaak van alle zijden nauwkeurig onderzocht; â verb, dikwijls onderzoeken, nauwkeurig naspeuren; âer. Reseat, risit, opnieuw plaatsen, weer van zitplaatsen voorzien. Resection, risekamp;n, afsnijding, verwijdering. Reseda, risidd, reseda. Reseize, risiz, weder bemachtigen, weder in het bezit stellen, hernemen: âr; Re8eiziire,r£sC?d. |
bone = boun; full; fool = ful; 9 = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = .ji8; long = loi^; s/np = sip; occasion = okeiz'n; thin: thus = dhvs; wine.
KESORTER.
RESELL.
|
Resell, risel, opnieuw verkoopen. ReHemble, rizemUl, gelijken: lie âd my fallier = geleek op mijn vader: Resemblance = gelijkenis, overeenkomst. Reseiid, rlsend, opnieuw of terugzenden. Resent, rizent, kwalijk nemen, zich beleedigd toonen over, als eene beleediging opvatten: I â sueh opinions = zulke meeningen verwerp ik; âer; âful = geraakt, gebelgd; âment = wrok, toorn, verbolgenheid: He did not show the least âment = hij scheen er volstrekt niet gebelgd over. Reservation, rezdveiamp;n, voorbehoud, achterhoudendheid, bewaring: Mental â = innerlijk voorbehoud (eene meening, die men niet zegt om de zaak niet te schaden of te veranderen, terughouden); Reserve, rizvu, subst. achterhouding, voorbehoud, behoedzaamheid (in taal of daad), uitzondering, reserve, de oudere lichtingen der soldaten: lie kept it in reserve = hij hield dat achter, in voorraad: 1 dare state this without reserve = ik durf dit zonder voorbehoud constateeren; â verb, achterhouden, in voorraad houden, zich voorbehouden: I have reserved the best tbr the last moment = ik heb het beste ... bewaard; I reserve to inysell'the right of reiiising = ik behoud mij het recht van weigering voor; Reserved = teruggehouden, omzichtig, koel, op een afstand (Zie ' Distant); Resi'rver = wie of wat voorbehoudt: Reservoir, rezovwö, bewaarplaats, regenbak. Reset, riset, opnieuw zetten (van drukwerk ofjuweelen); âter. Reset, riset, subst. verblijf, verberging, heling; â verb, helen: âter = beier. Resettle, riset'l, opnieuw in orde brengen, weer vestigen of installeeren; âment. Reship, riêip, opnieuw inschepen, verschepen: âinent = verscheping, overlading. Reside, rizaid. wonen (voor langeren tijd), resideeren, eigen zijn aan; ânee, rezicCns, woning, verblijfplaats), officieel verblijf, residentie: He took up his ânee there, in that town = hij vestigde daar, in die stad, zijn verblijf; Board and ânee = kost en inwoning; âncy, rezid'nsi, officieel verblijf van een Engelsch kroondienaar in Indië; ânt, rezicVnt, subst. bewoner, minister-resident; adj. woonachtig; ântial, rezidenè'U met betrekking tot een verblijf of bewoner; â r = bewoner, verbijfhouder. Residual, raziüjudl, overgebleven; Residuary-legatee, rozidjuarilegdtt, overgebleven (universeel) erfgenaam (nadat alle andere legaten, enz. van de erfenis zijn afgenomen); Residue, rezidjn, overschot, rest; Residuum, rezidjuem, bezinksel, overblijfsel, schuim der maatschappij. Resign, rizain, afstaan, formeel teruggeven, toevertrouwen, bedanken, neerleggen, ontslag nemen: lie was appointed, hut âed after some eonsideration = werd benoemd, maar bedankte na eenige overweging; lie suffered imieh, but was âd = hij leed veel, maar droeg het gelaten; He âed himself up to the decrees of Providence = hij onderwierp zich aan Gods raadsbesluiten; âation, rezig-neiamp;n, onderwerping, gelatenheid, overgave (aan Gods wil), ontslag: He tendered his âation = hij diende zijn ontslag in; âee. |
rezaint, wien iets afgestaan is; âer = die afstand doet; âment = afstand, berusting, onderwerping. Resign, risuin, opnieuw teekenen. Resilient, risilfnt, terugspringend. Resin, rezin, Rosin, rozin, hars; âifevous = hars voortbrengend; âlibrm, raqlnifom, harsvormig; âo, rezinou (in samenst.), met hars verbonden: o-electric = geschikt om negatief electrisch te worden gemaakt; âous = harsachtig; âous-electricltiy = hars- of negatieve electriciteit; ây = harsachtig, als hars. Resist, 7'izist, weerstaan, (zich) verzetten: He âed all such attempts suceessfiilly = hij bood met geluk weerstand aan al zulke pogingen: âance = tegenstand, contrast van licht én schaduw in eene photographic, macht om het electrisch licht (voor het tooneel) van grootere of geringere sterkte te doen zijn; -nut = wie of wat weerstand biedt; âer: â ibleness, âibility = weerstand, weerstandsvermogen; âible = waaraan weerstand kan worden geboden, weerstaanbaar; âive = vermogen weerstand te bieden; âless = on-weerstaanbaar. Resoluble, rezdljnVl, oplos- of smeltbaar; âness. Resolute, rezdljnt, vast besloten, beraden, onverschrokken: âness; Resolution, /â err'-Ijüamp;n, oplossing, verklaring, vastbeslotenheid, standvastigheid, motie, besluit, resolutie: Resolution of an equation = oplossing van eene vergelijking; Resolution of forces (of motion) = ontbinding van krachten (beweging): He took a firm resolution and stuck to it = hij nam een vast besluit en bleef erbij: The resolution of the plot = de ontwarring of ontknooping van de intrige: Resolutive, rezdljè.tiv, oplossend. Resolve, rizolv, subst. vast besluit, beslissing of resolutie: 1 approve your â = keur . . goed; â verb, oplossen, ontbinden, verklaren, besluiten, door stemming uitmaken of beslissen, oplossen van dissonanten (muz.): I am âd = ik ben besloten; Ice âs into water = ijs wordt in water opgelost of veranderd; I cannot â on anything = ik kan tot niets besluiten; 1 am âd' on accompanying you = ik ben besloten en bereid u te vergezellen; The king has the right to â on peace and war = de koning heeft de macht oorlog te verklaren en vrede te sluiten; Resolvable = oplosbaar; Resoluabilitij = oplosbaarheid; ânt, subst. en adj. oplossend (middel»; âer = wie besluit, wat oplost. Resonance, Resonancy, rezon'mi't). weerklank: Resonant = weerklinkeud. Resort, rizöt, subst. samenloop, vereenigings-plaats, hulpmiddel, redmiddel: His usual place of â was the inn = zijn gewone gang was naar de herberg; We must trust to our swords in the last â = als laatste toevlucht moeten wij op ons zwaard vertrouwen; â verb, zich begeven naar, zijne toevlucht nemen tot: Do not go to places where drunkards and gamblers â to = begeef u niet naar de plaatsen, die door dronkaards en dobbelaars bezocht worden: âer = geregelde bezoeker. |
man; ask = Ask; farm = fam; bi«t = b«t; learn = Km; line = lain; house =â hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lo?'d = löd; hoy = ból:
RESTRAIN.
RESOUND.
333
|
Resound, rizaund, subst. echo, weerklank: â verb, weerklinken, weergalmen: The soimd âed through the house like thunder: The smithies âed with hainmering = de smederijen weerklonken van de hamerslagen. Resound, risaund, opnieuw klinken. Resource, risös, hulpbron, hulp(middel), redmiddel; âs = (geld)middelen, middel om geld, etc. los te krijgen; âless = hulpeloos; âfulness: lie has a âfulness «if mind which is quite astonishing = hij heeft een rijkdom van geest die verbazend is. Resp, resp, schapenziekte. Respea k, r fcpC/c, nogmaals spreken,ant\voorden. Respect, rispekt, eerbied, achting, verhouding of betrekking, bijzonderheid: With (In) â to tliat question = met betrekking tot die vraag; He is a clever fellow in every â = in ieder opzicht; There is no â of 'persons with God = aanzien des persoons; â8 = beleefde groeten of komplimenten (minder gemeenzaam dan Regards): Pay (Present) my respects to your lady = mijne beleefde groeten aan mevrouw; â verb, eerbiedigen, betrekking hebben op: (üoddoes not â persons = God kent geen aanzien des persoons; âable = eerbiedwaardig, achtbaar, tamelijk welgesteld, eerzaam, middelmatig, tamelijk: llis father was a âable tradesman = een eerzaam koopman: âable-ness, âability = achtenswaardigheid, aanzien, achtbaarheid, gepastheid: He is a man of âability = van aanzien: âer = die zijne menschen aanziet: He is a âer of persóns = hij ziet zijne lui aan, is niet onpartijdig; âlui = eerbiedig; âing = met betrekking tot, aangaande; âive = betrekkelijk (niet. volstrekt); These persons were condeinned to costs â ively = werden respectievelijk (ieder voor zich) in de kosten veroordeeld. Respirable, respiraWl of rispairdlfl, geschikt om ingeademd te worden; Respirability, resp(a.y\rdbiliti, inadembaarheid = âness: Respiration, respireis'n, ademhaling; Respi-rntor = respirateur; Respiratory, respiréitdri oirispairatori, ademhalings...: Respiratory organs = ademhalingsorganen: Respire, rispaid, ademhalen. Respite, respit, subst. schorsing, uitstel, respijt, geduld: â verb, uitstellen, schorsen, verdagen. Resplendence, risp/emrn.s,schitterende luister, glans; Resplendent = glans- of luisterrijk. Respond, rispond, subst. tusschenzang (kerkdienst); â verb, antwoorden, beantwoorden, vergoeden, verantwoorden; âent, subst. antwoorder, gedaagde; adj. (be)antwoordende, overeenkomstig: âent to our wishes = volgens onze wenschen: âentia, respondensa, leening op schip en lading gesloten; Response, rispons, antwoord: The clerk read the responses = de voorlezer las de antwoorden (kerkdienst); Responsible = verantwoordelijk; liesponsib leness = verantwoordelijkheid = Responsibility, Responsion, risponamp;n, antwoord, tentamen (aan de Hoogeschool te Oxford); = (be)antwoordend, over eenkomstig: Responsive to your kind words = in overeenstemming met (in antwoord op) uwe vriendelijke woorden; Responsory, ris-ponsdri, subst. antwoord (vooral van de gemeente op de woorden van den geestelijke); adj. een antwoord behelzend. |
Rest, rest, subst. rust, kalmte, slaap, doodslaap, rustig plekje, bok (bij liet biljarten of schieten), steun, pauze, rust(muz.), rest, overschot, de overigen, appeltje voor den dorst (fig.): He is at â now = hij is thans de (eeuwige) rust ingegaan; With lance in â = met gevelde lans: I hope I have set your heart at â on that point = ik hoop, dat_ ik u hieromtrent gerustgesteld heb: We retired to â at eleven = wij gingen om elf uur ter ruste; These are glorious times, Christmas among the â = onder andere Kerstfeest; There were men of all kinds, men of genius among the â = en ook mannen van genie: For the â = overigens; â verb, rusten, wachten, ophouden, blijven, steunen, afhangen, slapen, overleden zijn, tot rust brengen: lie âed on his arms = hij steunde op zijne armen: Many members of the family â in this clin'rchyard = vele familieleden liggen op dit kerkhof begraven; Your eye will â with pleasure on that scene = zal met welgevallen rusten; â assured that 1 am your friend still = houd u verzekerd dat ik* uw vriend nog ben; The decision âs with you = staat aan u; Wy do you not â yourself, take â ? = waarom neemt ge geen rust; The train âed at a great station = bleef eenigen tijd (om b.v. water in te nemen, dus verschillend van stopped); 1 am âed now = uitgerust; These thoughts rest me when weary, and comfort me in trouble = deze gedachten schenken mij rust als ik moe. en troost, als ik droevig ben: She âed back in her carriage = zij leunde achterover: âant = volhardend; âful = kalm, rustig; â ing-place = rustplaats, graf; â(ing)-stick = schilderstok: âless = rusteloos, slapeloos, onstuimig, woelig. Restem, ristem, tegen den stroom opduwen. Restitution, restitjü.ïn, teruggave, schadeloosstelling. Restive, restiv, koppig, weerspannig; âness. Restorable, rislórob'l. herstelbaar: âness: Restorati'jn, res fa reis'n, herstel(ling), verlevendiging, terugkeer der wereld tot oorspronkelijke reinheid en geluk: The Restoration = het herstel van het koningschap met Karei II in 1G60; Restorative, rislórotiv, subst. en adj. herstellend, versterkend, genezend (middel); Restor-dtor = restaurateur; Restore, ristö. herstellen, nieuw leven geven, genezen, vernieuwen, vergoeden: He was restored to favour = in de gunst hersteld: Everything was restored to him = werd hem' teruggegeven; You will soon be âd = gij zult spoedig beter zijn: Restorer. Restore, ristö, opnieuw opslaan (in het pakhuis). Restrain, ristrein, bedwingen, beteugelen, inhouden, beperken: All my remarks areâed to these = al mijne opmerkingen zijn niet meer dan deze; He was âed from doing it = hem werd belet zulks te doen: âable = beteugelbaar, beperkbaar; âer = wie of wat beteugelt of bedwingt; âing = weerhoudend, beperkend; â t = dwang, beperking, verkor- |
bone = boun; full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; //ear = jia; low/ = loij; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dlivs; wine.
RESXRICT.
394
RETREAT.
|
ting: That is a ât upon my liberiy = dat is eene besnoeiing van mijne vrijheid; You are iindpr no ât any longer = gij zijt geheel vrij; lie put all kinds of âs tin 11» = hij beperkte ons op alle manieren. Ãestriet, rist rikt, beperken, bepalen; âion, rislrikè'n, beperking, beperkende macht of invloed; âive = beperkend, bepalend. ReMtringent, ristrinè'nt, subst. en adj. stoppend (middel). lieHiilt, rizvlt, sübst. gevolg, uitslag, besluit, slotsom: The long â» of time = al wat de tijd heeft veroverd: â verb, volgen uit, uitloopen op: Let ns see what It will â in = laten we zien wat er van komt; Can any good â from it? = kan er iets goeds uit vo'onkomen: âant, subst. resultaat, resultante (de kracht, die het gezamenlijk vermogen van twee of meer krachten voorstelt): adj. als resultaat: The âant impreHHion is one of eontraHt rather llian of harmony = de totaalindruk, dien men er van krijgt: âles». lieHiime, riziüm. hervatten, weder opnemen, weer aanknoopen: They âlt;1 work = zij hervatten den arbeid: Old friendNhips were âd = oude vriendschapsbanden werden weer gelegd: lleNuniptioii. rizamamp;n, hervatting. Resume, rextumei, kort overzicht. Hesiimmon, risnm'n, opnieuw dagvaarden. lieHiirreetion, rezdrekè'n, opstanding, verrijzenis: rhriHt's â irom (he dead: âman = lijkendief = âi«t; âpie = pastei van overgeschoten vleesch. Hesurvey, risüvei, hernieuwd onderzoek. Rewnrvey, risvvei. opnieuw onderzoeken, herzien. * lleHiiAeitate, risvsiteit, opwekken, doen herleven: Resuscitation.-, Resitscitative = opwekkend; Jiesuscitator = wie of wat opwekt of doet herleven. liet, ret. roten of weeken (v. vlas): âtery, âtory = plaats om vlas te roten: âting = het roteii. Retail, riteil, subst. verkoop of handel in het klein, uitdeeling in kleine porties: Cigart) wholeMiile and â = sigaren in 't groot en klein: To sell by â: lie is a âdealer = kleinhandelaar. Retail, riteil, in het klein verkoopen, uit de tweede hand verkoopen, bij stukjes en brokjes mededeelen, aan velen vertellen: He âed to ns accurate accounts of the dishes, the dresses and the scandal at yesterday's dinner = hij deed ons zoo onder de hand nauwkeurige mededeeling omtrent de gerechten, de japonnen en den achterklap aan het diner van den vorigen dag (Vergel. Detail = in bijzonderheden vertellen); âer = slijter, kleinhandelaar. Retain, ritein, in bezit houden, bezitten, honorarium geven, verbinden door een honorarium: -able = behoudbaar: âer = in bezit houder, aanhanger, volgeling, honorarium: I have a âer from that periodical in my pocket = honorarium (als uitnoodiging om iets te schrijven); A âing fee = vooruitbetaald honorarium (om zich de diensten van een rechtsgeleerde te verzekeren). Retake, riteik, opnieuw nemen of vangen. |
Retaliate, ritaljeit, vergelden: I âd upon him by taking his ink and paper as he had taken mine = ik betaalde hem met gelijke munt; Retaliation] lietaliamp;tive, Heta-liwtory = vergeldend, wraak nemend. Retard, ritütl, subst. vertraging; â verb, vertragen, tegenhouden, uitstellen; âavion = vertraging, uitstel: âative = met de macht om te vertragen; âer = wie of wat vertraagt. Retch, TPtè, braken, pogen te vomeeren. Retell, ritel, opnieuw vertellen. Retention, ritensn. terughouding, vermogen om te onthouden, achterhouding; Retentive = terughoudend, bewarend: lie has a retentive memory = een sterk geheugen: The house was'still retentive of its former Htate = het huis was nog in zijn vroegeren toestand. Reticence, retis'ns, stilzwijgendheid, verzwijging; Reticent = stilzwijgend, verzwijgend.quot; Reticular, ritikjula, Ret'iform, retifom, netvormig, als een net: Keticulated, ritikjuleitid, als netwerk gemaakt; Reticulation = netwerk; Reticule, retikjnt, dames-werktaschje; Reticulum, ritikjuVm. tweede maag der herkauwers; Retina, retind, netvlies; Retinal, retirii, tot het netvlies behoorende; Retinitis, retinaitis, ontsteking van het netvlies. Retinue, retinjü, gevolg, stoet. Retiracy, ritairssi, afzondering, voldoend vermogen *(Amer.); Retire, ritaid, (zich) terugtrekken, verwijderen, naar bed gaan, heengaan, aftreden, uit de zaken gaan, intrekken (van iets dat in circulatie is): He retired from business = hij trok zich uit de zaken terug: A retired baker = bakker die zijne schaapjes op het dr. heelt; They dilt;i not know where to retire to = zij wisten niet waarheen te gaan (om schuilplaats, etc.); I retire to my bedroom = ik ga naar mijne slaapkamer: Retired = teruggetrokken, afgezonderd; Retirement = eenzaamheid, afzondering, verwijdering; Retiring = (zich) terugtrekkend, ingetogen, bescheiden: fie is retiring rather tiian shy = hij is meer ingetogen dan bedeesd. Retort, ritöt, subst. scherp, vinnig antwoord, retort: â verb, terugwerpen, een scherp antwoord geven: 1 âed upon him = ik raakte hem weer, weerlegde hem; âer; âion. Retorsion, ritöSn, weerlegging. Retouch, ritvts, subst. het retoucheeren; â verb, retoucheeren, weer aanroeren. Retrace, ritreis, weer naspeuren, opnieuw nagaan. weer overtrekken (van eene schets, etc.): Let us â our steps to the wood = onzen weg naar het bosch weer inslaan; We âd the events of our lives = wij gingen de gebeurtenissen van ons leven weer na. Retract, ritrakt. terugtrekken, intrekken, herroepen: 1 â the insult = ik trek de beleediging terug; âable, â ible, â ile = herroepbaar: âation = herroeping, intrekking; âor = herroeper, spier voor de terugtrekkende beweging. Retraxit, r it rak sit ^ terugnemen van eene rechtszaak, buiten-vervolging-stelling. Retreat, ritrit, subst. terugtocht, het terugtrekken (voor den vijand), stil verblijf, afzondering, wijkplaats: The enemies sounded, beat « â = de vijanden gaven (op hoorn of trom) het signaal tot den terugtocht; A pleasant â among the valleys = een heerlijk |
man: ask = ask; farm = flim; b?lt;t = but; Xearn = lön; line = lain; ho?/se = haus: net: enre = kt'd: fate = feit: tin: asleep = dslip; not; \niv = M; lord = Hid; bo?/ = boi:
REVERSION.
RETRENCH.
|
plekje te midden der dalen; A â place =â plaats voor godsdienstige afzondering; â verb, (zich) terugtrekken, wijken, eene wijk- of schuilplaats zoeken. Retrench, ritrens, berooven, besnoeien, beperken. van eene verschansing voorzien: âment = afsnijding, besnoeiing, verkorting, verschansing. Ketrihiiter, ritHbjute, vergelder, vergoeder; Ketribution, retribjiïè'n, vergelding, belooning, vergoeding; Retributive, HetHbutory = vergeldend. Retrieve, ritrtv, herstellen, terugvinden, weer goed maken: Slieul'terwardH âd lierMhort- coiiiing» = later maakte zij hare tekortkomingen weer goed: Retrievable = herstelbaar; âment, Retrieval = herstel(ling); âr = jachthond (die geschoten wild haalt). Retroaction, ritrouaks'n, terugwerking; Retroactive = terugwerkend. Retrocede, riti-dsid, teruggaan, achterwaarts gaan. opnieuw afstaan: RetroccëHion, ritra-seamp;n, teruggang, afstand. Retroclioir. rMrdkwaid, bijgebouwd gedeelte achter liet altaar. Retrollexed, r'xtrdflekst, sterk achterover gebogen. Retrograde, r'\trD{/reid, adj. (zich) achterwaarts bewegend, achteruitgaand, tegengesteld: â verb, achterwaarts gaan, .achteruitgaan; Rc-trogradation, ritrougtvdeiè'n, Retrogrew-Nion, ritrdgres'n, achteruitgang, teruggang; Retrogressive = achteruitgaand. Retroi-He. ritrös, achterwaarts gebogen. Retrospect, ri tros pekt, terugblik: âion, ;i-trdspeks'n, het terugzien: Retrospective view = terugblik, teruggewende blik: âive law = wet met terugwerkende kracht; lie is a retrospicient (ritrdspiè'nt) man = een man, die met voorliefde den blik achterwaarts richt, liet verledene beschouwt. Retroversion, ritrdvnamp;n, omkeering. Return, ritiïn, terugkomst, teruggave, belooning, wederkeering, verkiezing, officieel rapport, voordeel(oparbeid, geldbelegging,etc.), retourkaartje: The â of spring = de terugkeer der lente; Please send answer by â of post = antwoord per keerende post wordt verzocht; In â of services rendered = ter vergelding van bewezen diensten; Small profits and quick âs = kleine winst bij vluggen omzet: The government-âs = de officieole staten of lijsten der regeering: Monthly âs = maandstatistiek; 1 wished him many liappy âs of the day = ik wenschte hem toej dat hij het nog dikwijls mocht beleven; â verb, terugkomen, terug-keeren, nogmaals vóórkomen, terugbetalen, kwijten, antwoorden, officieel rapporteeren, verkiezen: My partner did not â my snit = mijn maat heeft niet aan mijne invite-gevolg gegeven: They have not yet âed onr visit = ze hebben ons nog geene visite teruggemaakt; The chairman âed (hanks = de president bedankte; He has not âed evil with evil = hij heeft geen kwaad met kwaad vergolden: A great liberal majority was âed = er werd eene groote liberale meerderheid verkozen; If the cigars are not to yonr taste, yon may â them = terugzenden; âday = dag, waarop een beschuldigde wordt voorgebracht, waarop rapport wordt uitgebracht; âmatch = revanchepartij: âticket = retourbiljet: âable = wat hersteld of teruggegeven kan worden; âer; âing officer = voorzittend ambtenaar bij eene verkiezing: âless = waarvan geen terugkeer mogelijk is. |
Reunion, rijünj'n, hereeniging, reünie (van vrienden of studenten); Reunite, rijnnait. hereenigen, verzoenen. Revaccinate, rivaksinéit, herenten. Revalenta, revdlentd, revalenta, linzenmeel. Reveal, rivil. openbaren, bekend maken: âable = wat geopenbaard kan worden: âer; Revelation, revdleiè'n, openbaring, laatste bijbelboek. Revel, retfl, subst. luidruchtige pret of partij; â verb, pret maken, luidruchtig feest vieren, brassen; âIer = zwierbol, pretmaker: âry = luidruchtige feestvreugde, brasserij. Revenge, rivenz. subst. wraak(zucht), kwaadaardige vergelding: In â of former insults = uit wraak over vroegere beleedigingen; lie glutted his â = hij wreekte zich zwaar; I did it out ofâ = uit wraak; â verb, wreken, weerwraak nemen: I will be âd on you = ik wil mij op u wreken; âful = wraakgierig; âr = wreker. Revenue, reudnjn, inkomsten: The Public -lt;s) = de inkomsten van den staat: âentter = schip tegen den smokkelhandel; âofficer = ambtenaar der douane. Reverb, rivüb, âerate. rivnboreït, terugkaatsen, weergalmen: âerant = weergalmend, terugkaatsend: âeration = terugkaatsing, circulatie der vlam in fornuis of oven, om groote hitte voort te brengen; âeratory, riuvbdrei-tdri, subst. heetoven: adj. terugkaatsend; âeratory-furnace = heetoven. Revere, rivid. eerbiedigen, hoogachten; ânee, revdr'ns, subst. eerbied, hoogachting, eerwaarde (titel aan geestelijken, waarvóór een bez. voornw.: Vour ânee = Uw Eerwaarde): Saving your ânee = met allen eerbied, met alle respect: â verb, eerbiedigen: âneer;ând, revdr'ncU eerwaardig, eerwaarde (voor geestelijken): The very â nd Dean of \V. = de weleerwaarde deken van W.; The right ând bishop of liondon = de zéér eerwaarde: The moHt ând Archbishop of Canterbury = de hoogweleerwaarde: ânt, revdr'nt. eerbiedig, nederig,onderdanig; lie laid the book dowïi ântially (revdrenèdlï) = hij legde het boek eerbiedig neer; â r = vereerder. Reverie, revdri, mijmering, wakende droom. Reversal, rivvs'l, herroeping, vernietiging; Reverse, rivüs, subst. keerzijde, achterkant, omverwerping, omkeer (van zaken), tegenspoed, nederlaag, tegenovergestelde: That is the reverse of the medal = de keerzijde dei-medaille: lie said the reverse of what he intended = hij zeide het omgekeerde van hetgeen hij bedoelde: adj. tegengesteld, achterwaarts gericht: â verb, omkeeren. onderstboven keeren, omverwerpen: The chairman reversed the order of the day = veranderde, keerde om de orde der werkzaamheden; Re-verser = om ver werper; Reversible = her-roei elijk, vernietigbaar: Reversion, Wï'w^j, |
bone = boun; full: fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: yenr = jia; \ong = loi^: ship = sip: occasion = okeiz/n: thin: thus = dims: wine.
REVERSIONARY.
396
RHUBARB.
|
(recht van) opvolging, atavisme (terugkeer tot vroegere hoedanigheden, etc.), het weder toevallen (van een erfgoed) aan den schenker of zijne erfgenamen; Revertuonary, rivüèdrwri, toevallend (van een recht of erfgoed): He had a rever»ioiiiiry right to the crown = het recht op de kroon kon ééns op hem terugvallen; Reversioner = iemand die eene reversion heeft; Revert, rivüt, terugkomen, afwenden, terugkeeren tot den schenker of diens erfgenamen: That will revert to yon = dat zul u later ten deel vallen; He reverted to the Mnb|ec*t ag.-iin and again = hij kwam er telkens weer op terug; Reverter; Rever-tible = teruggaand, terugkeerend. Revest, rivest, bekleeden, weder instellen, terugkeeren tot den vorigen eigenaar. Revetment, rivcim'nt, bemanteling (vestingb.). Revirtnal, rmiÃV, opnieuw v. leeftocht voorzien. Review, rivjü, subst. overzicht, tweede onderzoek, recensie, aankondiging, tijdschrift met opstellen en recensies, inspectie: The â of âs is a well-known nionthly = de ârevue der revuesquot; is een welbekend Vnaandelijksch tijdschrift; â verb, terugzien op, herzien, recen-seeren, inspecteeren: Works âed in this nninber = de in dit nummer besproken werken; The qneen âed the Heet off Spit-head = de koningin hield eene monstering over de vloot op de hoogte van S.; âer = recensent. Re vigor a te, rivigdreit^ nieuwe kracht geven. Revile, rivail, smaden, beschimpen; âr; He said it reviliiigly = smadelijk. Revise, rivaiz, sübst. herziening, revisie (van eene proef): â verb, onderzoeken, her/.ien, verbeteren, revideeren; Revisül, rivaiz'l, herziening, revisie; â r = corrector (van proeven en manuscripten); Revision, riviz'n, herziening, revisie; lievisional, âary. Revisit, rivizit. nogmaals bezoeken. Revival, rivaiv'l^ herleving, weder opleving, herstel, godsdienstige opwekking; âist = voorstander van (bijeenkomsten tot) opwekking van godsdienstig leven; Revive, rivaiv, herleven, nieuw leven herkrijgen, weer opleven, opwekken, vernieuwen, weer moed inboezemen: Let ine revive your memory a little = laat mij uw geheugen eens opfrisschen; Olddiffe-rences should not he revived = men moet geene oude koeien uit de sloot halen; Reviver = wie of wat opwekt of herleeft; Revivify, rivivifox, tot het leven terugkeeren. opnieuw bezielen; Revivor, rivaivd, hervatter van een rechtsgeding dat door den dood was afgebroken. Revocable, rivoukdVl, herroepbaar, herroepelijk; âness, Revocahility = herroepelijkheid; Revocation, reya/ceis'n, herroeping; Revoke, rivouk, subst. renonceeren; â verb, herroepen, intrekken, vernietigen, renonceeren (bij het kaarten): The Jiidginent cannot be revoked = het vonnis is onherroepelijk. |
Revolt, rivoult, subst. opstand, oproer,ontrouw, j plichtverzaking: The labourers were in â = de arbeiders maakten oproer; In vain did he try â = te vergeefs beproefde hij het met oproer; â verb, in opstand komen, terugdrijven, walgen van: A â ing deed = eene stuitende j daad (waartegen men opkomt): The smell is extremely âing = de reuk is buitengemeen j walgelijk; âer = oproermaker, oproerling. Revolution, revdl(j)üè'n, omwenteling, omloop, geregelde loop. omkeer, revolutie: The rotation of the earth on its axis, and its revolution round the sun = de wenteling der aarde om hare as en om de zon; âary, subst. revolutionair; adj. omwentelingsgezind: âary ideas = revolutionaire denkbeelden; âist = omwentelingsgezinde; â ize = eene omwenteling veroorzaken, een geheelen omkeer brengen in: Darwin's works have âixed all our old-world systems == de werken van D. hebben al onze ouderwetsche stelsels omvergegooid. Revolve, rivoiv, omdraaien, omwentelen, overdenken: There he stood, revolving many memories = terwijl hij vele herinneringen bepeinsde; âr = revolver (vuurwapen); Re-volving-light = draaiend licht van een vuurtoren; Revolving-winds = dwarrelwinden. Revulsion, rivnlè'n, plotselinge en geweldige ommekeer (van het gevoel vooral), verplaatsing (eener ziekte); Revulsive, subst. afdrijving; adj. afdrijvend (middel). Reward, riivöd, subst. belooning, vergoeding: («ive it him as a â = geef het hem ter belooning; â verb, beloonen: lie was âcd for his trust = beloond wegens zijn vertrouwen: âer; âless. Rewrite, r Ir ait, opnieuw schrijven: Second edition, entirely rewritten = tweede, geheel nieuw bewerkte uitgaaf. Reynold, ren'ld, Reinout, Reimond. Rliadaniant(lOine, ra.ddmant{h)in. streng rechtvaardig, afdoende, zonder beroep. Rhapsody, rapsddi, rhapsodie, verwardecompositie ; Rhapsodic(algt;, rapsodilc^l), verward, zonder samenhang; Ilhapsadist = maker en reciteerder van verzen, rhapsodist; Rhapsodize â rhapsodieën opzeggen, zingen of voordragen. Rliea, rid, Rhea; genus v. vogels, waartoe de Amerik. struis behoort. Rheiins, rimz. Rhenish, reniS, subst. Rijnwijn; adj. van den Rijn. Rhetia, rièilt;), Rhetië. Rhetoric, reterik, redekunst, declamatie, welsprekendheid; âal, ratorik'l, redekunstig, oratorisch; â ian, reteris'n, redekunstenaar, redenaar. Rheum, rum, abnormale (overmatige) afscheiding van dé slijmvliezen, tranen, speeksel, slij m; plantensoort, die de rabarber bevat(rioni). Rheumatic, rümatik, rheumatisch, jichtig: Rlieumatism, rü/natizm, rheumatisme. Rhine, rain, Rijn; sloot, beek, etc. Rhino, rainou, âduitenquot;, âmoppenquot;. Rhinoceros, rainosdrds, neushoorndier. Rhinoscope, raindskonp, instrument ter onderzoeking van den neus; Rhinoscopy, rai-noskdpi, onderzoek van den neus. Rhodes, roudiz, Rhodes (eiland); Rhodisin. roudfn, subst. en adj. (bewoner) van Rhodes. Rhododendron, rondddendr'n, Rhododendron. Rhomb, rom(b), ruit; âie = ruitvormig. Rhomboid, romboid, ongelijkzijdig parallelogram; âal, rombóidCl, als een ongelijkzijdig parallelogram. Rhone, roun, Rhone. Rhubarb, rübcib, rabarber; ây = als rabarber. |
man; ask = ask; farm = fam; btet = bwt; learn = Ion; line = lain: hottse = hans: net; care = kca: fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = Hid; hoy = bói;
RHUMB.
397
RIDGE.
|
Rliiinib, rvm, deel van het kompas; âliiie = dwarskoers (van een schip), omdat deze alle meridianen onder denzelfden hoek snijdt. Rhyme, Rime, raim, subst. rijm, poëzie, metrum: The plan lint* neither â nor reason = het plan is hoogst ongerijmd en roekeloos; lie answered without â or reaHon = zijn antwoord had slot noch val; Male, t'emaie â = mannelijk (staand), vrouwelijk (slepend) rijm; â verb, (be)rijmen; âless = rijmloos; âr. Rhymist, âster = rijmelaar, verzensmid; Rhymic = tot rijm behoorende. Rhythm, rithm. klankmaat, rhythmus; âir(al) = rhythmisch, welluidend, periodiek (v. ziekten). Rial,Vta/, Spaansche reaal. Rianey, r«i5nsf,vrooliikheid; Riant =vroolijk. Rib, riö, subst. rib, inhout (van een schip), hoofdnerf (van een blad), vrouw, langwerpig steunsel; â verb, met ribben omsluiten, van ribben voorzien; âroast = afranselen; âless; âbed = geribd; -hing = geribd verwulf. Ribald, ribald, subst. en adj. zedelooz(e), on-luchtig(e); âish = liederlijk = ârous; â ry = liederlijke en vuile taal, ontucht. Riband, fiamp;'n(rf), lint: lie took up the âs (ribbons) of the eonversation, and kept them in his own hand = hij nam de leiding van het gesprek en behield die: ook: Ribbon, Hb'n, lint: Bine Ribbon = lint van de orde van den kouseband of van de afschaffers, het beste: This appointment is one ot'the blue ribbons of English scholarship = deze aanstelling is eene van de hoogste onderscheidingen in de Engelsche geleerde wereld;Ri bbon-grass = lintgras; Ribbonism = beginselen der Ribbon men = leden van een geheim lersch genootschap tegen de Oranjemannen. Ribston pippin, ribèVnpipin, soort v. appel. Riee, rais, rijst: The linke and Dnehess lelt for their honeymoon amid a complete shower of â and throwing of the slipper = het jonge hertogelijk paar ging op zijn huwelijksreisje te midden van een bui van ! rijst en het nawerpen van den pantoffel; âbird = rijstvogeltje; âmilk = rijstepap; âplantation = rijstveld: âpudding = rijstpudding, rijsttaart; âweevil = rijstworm. Rich, rité.' rijk, kostelijk, voortreffelijk, overvloedig, vruchtbaar, zoet, saprijk, levendig, zacht, grappig: The â = de rijken; lie is â beyond the dreams of avarice = hij is rijker dan een vrek het zich durft droomen; â in silver = rijk aan zilver; She has a â voice = heerlijke, klankrijke sten;: âes = rijkdom(men), quot;pracht; âness = het rijk zijn, rijkheid, overvloedigheid, enz. Richard, rité,id. Richard. Rick, rik, subst. hooiopper, hoop koren (gewoonlijk overdekt); â verb, ophoopen, tot een opper vormen; den hals uitrekken. Rickets, rikdts, Engelsche ziekte; Rickety = aan de Engelsche ziekte lijdend, zwak iii de gewrichten, wankel, waggelend. Z. Rachitis. Rickshaw, Hkëó, tweewielig karretje door een man getrokken (Indië, China, Japan). Ricochet, W/wser, subst. terugstuiting van eene vlakke oppervlakte (van steenen of kogels), rico- i chetschot; â verb, ricochet schieten, terugstui- j ten, even aanraken. |
Rid, rid, adj. bevrijd; He could not get â of his toothache = van zijne kiespijn afkomen;â verb. bevrijden, afhelpen, gewelddadig uit den weg ruimen: He â me of my pain = hij hielp mij van de pijn af; âdance,*ruTns, bevrijding, verlossing: He made a clear âdance = hij zette alles aan kant; A gentle âdance = daar zijn we netjes afgekomen; He is a good âdance = gelukkig, als men van hem af is. Ridden, ricVn, part. perf. van to ride. Riddle, rid'I, subst. raadsel, groote zeef: He proposed a â which nobody could read = gaf een raadsel op, dat niemand kon raden; â verb, oplossen, in raadsels spreken, ziften, met kogels doorboren: The fence was âd with bullets = was doorboord van geweerkogels; Don't â your plans before they are ripe = laat uwe plannen niet zien, maak ze niet bekend vóór ze rijp zijn; âr = raadselachtig spreker. Ride, raid, rit, toertje (te paard of in een rijtuig), rijweg door een bosch, afdeeling (van een graafschap b.v.): He took a â = hij deed een ritje; The young ladies have gone for a â = zijn uit*toeren; Within a lew niiniites' railroad â = binnen een paar minuten sporens; â verb, rijden (te paard of in een wagen), rusten, drijven, zitten: I like riding in the railway = ik mag graag in 't spoor zitten; He rode to cover = reed ter jacht (zie Cover); They rode at leaps = zij reden (sprongen) over alles heen; The ship was riding at anchor = het schip lag voor anker; The ship âs easy = ligt stil voor anker: The ship âs hard = schommelt sterk (bij het voor anker liggen); The steamer will â out the storm = de stoomboot zal het wel houden, zal niet zinken; He rode roughshod over me = tiranniseerde mij; He was riding the high horse = hij speelde den baas, was brutaal; lie âs well to hounds = bijblijft (bij de vossenjacht) steeds achter en zoo dicht mogelijk bij de honden; He attempted to â off under cover of a mistake = hij trachtte zich met eene vergissing schooon te wasschen: She can't â an onnce under sixteen stone = zij weegt bepaald geen ons minder dan 224 Engelsche ponden: âr = rijder, ruiter, pikeur, temmer, toevoeging (aaii een document), los stuk papier, toegevoegde clausule, vraagstuk: The âr was an old gentleman = passagier; He selected the hardest âr from my book = hij koos het moeilijkste vraagstuk uit mijn boek; âliess; Riding, subst. het rijden, rijweg, rit, eene der drie af-deelingen van Yorkshire: They were playing the game of quot;spy for ridiiig'squot; = ze speelden âvangertjequot;, waarbij de gevangen jongen den vanger op zijn rug moet -laten rijden: adj. rij---- voor het rijden of een rijder bestemd, gebruikt voor het reizen; Riding-habit = rijkleed voor dames; Riding-master quot;= onderwijzer in het rijden: Riding-rimes (rhymes) = rijmen in tweeregelige versjes; R*iding-crock, -crop, -rod, -whip = karwats, rijzweep ; Riding-school (academy) = rijschool; Little Red-Riding-Hood = Roodkapje. Ridge, ridz, hoogte, rug of keten (van bergen of heuvels), nok, vorst (van het dak); â verb. |
bone = boun; full; fool = fnl; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; j/ear = jia; long â loi^: s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; f/ms = dhus; wine.
RIDGE-POLE.
398
HIGLET.
|
voorzien van een ridge of ridges: The wea was ridging roughly eastward, and almost overwhelmed the vessel = de golven vorm-! den hooge kuiven van west naar oost, en deden | het schip bijna vergaan; âpole, âpiece, : âplate = nokstuk (timmerwerk aan den nok); i âtile = vorstpan; Kidgy = zich in ruggen 1 of hoogten verhelfend. Ridicule, Hdikjnl, subst. belachelijkheid. ! scherts, bespotting: lie turned the whole thing into â = hij maakte de geheele zaak belachelijk; lie is a past master of killing ! â = hij is volleerd in vernietigenden (bijtenden) I spot; â verb, belachelijk maken, bespotten: ; liis proposal was âd by the whole meeting = zijn voorstel werd door de geheele vergadering bespot: âr; Kidieulous, ridi-kjuhs, belachelijk, bespottelijk; Kidieulous-ness. Uidotto, ridotou, dans- en zingpartij. Rile, mi/quot;, overvloedig, algemeen heerschend: Bribery was â = omkooperij kwam veel voor; âness. Rinier, rt/te, vijl met convexe punt. RilTrair, rifraf, gepeupel,uitvaagsel; uitschot. Kille, raif 1, subst. geweer met getrokken loop (tegenover smooth-bore = gladloop-geweer): â verb, wegvoeren, rooven, een getrokken loop maken; â» = troepen met rilles gewapend, fuseliers; âbarrel = getrokken loop; â barrelled = met getrokken loop: âeorps, âbrigade = scherpschutterskorps = â rs; âman = scherpschutter; âpit = gedekte plaats voor scherpschutters; âshot = geweerschot: He lived within âshot of my retreat = hij woonde op geweerschotsafstand van mij: â r = roover, plunderaar. Rift, rift, subst. kloof, spleet, scheur; â verb, scheuren, splijten, kerven: The sunshine flecks an oalttree through the âed leaves = de zonneschijn bespikkelt een eikeboom door de gekorven bladeren met licht. Rig, rig, rug, hoogte, wilde deern, slecht vrouws- j persoon, ruwe grap, opschik, middel van ver- , voer, tuigage, want: I am up to yourâs = ik weet wat je in ?t schild voert; 1 never thought of running such a â = ik had nooit gedacht, dat ik zoo'n grap zou hebben: i He ran the â = hij deed aan onaardige | grappen; lie gets a new âout = een nieuw pak: â verb, loszinnig zijn, opschikken, uit- i rusten, optuigen, kleeden: He was âgedout in a pair of new trousers = hij kreeg eene 1 nieuwe broek aan: He âged the market = i hij beheerschte de markt (Am.); âger = takelmeester, bandwielmetomgekruldenrand: âging = tuigage, want: Running, Standing âging = loopend, staand want. Rigadoon, 7'igddün, zekere dans(muziek) voor j één paar. Rigation, rigeisn. besproeiing. |
Rigel, raidfl, ster v. d. eerste groote in Orion. ⢠Right, rait, subst. recht, rechtvaardigheid, oprechtheid, , aanspraak, privilege, eigendom, copierecht, rechterkant, buitenkant (van laken, etc.); rechterzijde (in eene wetgevende vergadering): The â = de zaak of partij, die het recht aan hare zijde heeft; We shall soon put (set) this to âs = wij zullen dat spoedig in orde brengen; I'll send him to the â about very soon = ik zal hem gauw wegzenden, rechtsomkeert doen maken; They killed a â and left of rabbits = zij schoten de konijnen rechts en links neer: (gt;ood shooting does not guarantee âsand lefts at partridges = goed schieten is nog geen waarborg voor eene goede patrijzenvangst; She had a fortune in her own â = zij had zélf fortuin; A duchess in her own â = eene hertogin die zelf de rechten heeft, aan dien rang verbonden (behalve een zetel in The House of Lords); Bill of âs = grondwet (waarbij de rechten van het volk geregeld worden); He was standing on the â = hij stond aan den rechterkant: To the â = naar rechts: You are in the â = gij hebt gelijk; You have no â to it = gij hebt er geen recht op; He does not know the âs of it = hij weet er het ware of fijneniet van; adj. en adv. recht, billijk, rechtvaardig, gepast, juist, rechter of rechts(ch), loodrecht: â about face = rechtsomkeert; it is nat â for you to say so = het past u niet zulks te zeggen; You are â = gij hebt gelijk; On the â hand side = aan den rechterkant; 1 am on the â side of fifty = ik ben nog geen vijftig; On the â side of live guilders = over de: We'll soon set itâ = wij zullen het gauw in orde brengen; All â, my boy = in orde, baasje; That is â. set liim â = mooi zoo, help hem op weg (licht hem in); 1 am â glad that 1 went â up to the top of the building = ik ben erg blij, dat ik heelemaal naar boven in het gebouw gegaan ben; It went â down to the bottom = het ging vlak naar beneden; â across = dwars over; It is â opposite = hier vlak tegenover; â verb, recht doen, recht laten wedervaren: 1 mu.st be âed, or 1 will â myself = er zal mij recht geschieden, of ik zai mij zeiven recht verschaffen; The pole was â ed = de paal werd rechtop gezet; The helm was âed = het roer werd midscheeps gelegd; âangle = rechte hoek: âangled = met rechte(n)hoek(en); --away = direct (Am.); âhand, subst. rechterhand, krachtige en betrouwbare hulp; adj. rechtsch: âhanded = rechtsch, handig; âhearted = rechtschapen; âhonourable = titel voor al de pairs in Engeland, voor den oudsten zoon en alle dochters van pairs boven den rang van viscount, voor leden van den Privy Council, voor de Lord-mayors van London, Dublin en York, en voor den Lord Provost van Edinburgh; âlined = rechtlijnig; âminded(nessgt; = rechtgeaard(heid): âeous, raitjds, rechtvaardig, rechtschapen, heilig, billijk: âeonsiiess = rechtschapenheid, reinheid des harten, volkomen gehoorzaamheid aan Christus; âer = die het onrecht herstelt; âful = rechtvaardig, rechtmatig: He is the âful heir = hij is de rechtmatige erfgenaam; âless = van recht(en) verstoken; âly = terecht: You âly refused to accompany him = ge hebt terecht geweigerd hem te vergezellen. Rigid, ridzid, (ge)streng, stijf, onbuigzaam, hard; âness = Rigidity = strengheid, onbuigzaamheid. Riglet, riglst, lijsthout, staafje, spatie. |
man; ask â ask; {arm = fïim; tmt = bwt; learn = lón; line = lain; house = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló; logt;'d = löd; bo?/ = boi;
HIGMAROLE.
39!)
RISING.
|
liig;iiiai'ole, rlgmdroul, subst. onzin, gewauwel, vervelend verhaal; adj. dwaas, onzinnig, vervelend. Rigol, raifjdl, kroon, diadeem. liigoriHin, riyerizm, (ge)strengheid, stiptheid: liigoriNt. subst. iemand van strenge beginselen; adj. streng, stipt: IligoroiiM, Hgaros. (ge)streng; straf, stipt, onbuigzaam, hard: Rigour, Hfify, strengheid, wreedheid, bitsheid, stiptheid, kille huivering. Uig Veda, rigveidd. het oudste der 4 Veda's. Rile, rail, plagen, âhet landquot; opjagen. Kill, ril, subst. beekje: The iihmui (lancet on the â = beschijnt; â verb, vlieten; âe( = klein beekje. Kim, rim, subst. rand, invatsel, garnituur (v. een bril, b.v.); â verb, van een rand. etc. voorzien: lier eyes were âined round with weeping = ze had kringen onder de oogen. Rime, raim, subst. rijm, rijp (zie Rliyine): â verb, tot rijp doen bevriezen; Riiny = vol rijm, vorstig. RiinoNe, raimous, Rinioi'iH, raintds, vol barsten en spleten (zooals de bast van een boom); UiniOHity, raimositi, het gebarsten en gespleten zijn.' RinipUvim///, subst. rimpel: â verb, rimpelen. Rind, mind, subst. schors,huid,schil: â verb, schillen van de schors ontdoen. KinderpeHt, rinddpest, longziekte (vee). Kindle, riïid'l, stroompje, goot. King, rill, subst. ring, kring, circus, renperk. kliek, klank, stel harmonische klokken, eigenaardige klank: The â (Drive) = rijweg in Hij dep ark: He wa» trained to (lie â = hij is voor den circus opgeleid; Tlie â = de gezamenlijke wedders ot' vuistvechters: There i» a â in lita voice tvliieh gains your Hyinpatliy = eigenaardige toon of klank: There'» a â = er wordt gebeld; â verb, omringen, van een ring voorzien, een kring van schors van een boom snijden, klinken, luiden, doen klinken of weergalmen: The bellt* rang out the old year and rang in the new = luidden het oude jaar uit en het nieuwe in: The iioiiHe rang with inerriinent = vroolijkheid weerklonk door het huis: He rang the ehangeH on her praise = prees haar op alle wijzen; I rang up the eheniist = ik telefoneerde den apotheker; The curtain was rung up lor the second act = de bel voor het tweede bedrijf luidde; âholt = ringbout: âdove = ringduif: âdropper = kwartjesvinder; âer = klokkenluider; â ruiger = 3e vinger der linkerhand; âlonned = ringvormig: âing, subst. het luiden, gelui: adj. klinkend, welluidend: It is still âing in my ears = het tuit me nog in de ooren: âleader = belhamel: âlet = ringetje, krul; âmail = maliënkolder: âmaster = pikeur (van een circus): âstreaked = met ringen gestreept; âtailed = met kringen op den staart; âworm = dauwworm. Rink, rhik, subst. baan voor kunstrijders, bereide vloer voor rolschaatsen; â verb, rijden in een Rink. Rinse, rins, spoelen, omwasschen: âr. |
Riot, raiot, subst. oproer, muiterij, drinkgelag, burengerucht: The â Act was read = de oproerige menigte werd gesommeerd uiteen te gaan; To run â (Zie Run): â verb, oproer maken, muiten, zwelgen, uitspattingen doen, rumoerig zijn; âer = zweiger, oproermaker; âing = ongebonden en oproerig gedrag: âons, vaiotds, oproerig, ongebonden. Rip, rip, subst. scheur, teenen vischmand, bedrieger, waardeloos iets,bezoek: A si\ nionths' â to America; â verb.openrijten,lostornen, openen (om te onderzoeken of bekend te maken,, met up), schandelijk vloeken (met out): The Hoor was âped up to find the treasure = de vloer werd opengehakt om den schat te zoeken; Don't â up old sores = rijt geene oude wonden open. Riparian, raipêridn, van rivieroevers. Ripe, mi/», rijp, geheel ontwikkeld: He is ripe lor the inadhoiise = rijp voor het gekkenhuis: ân = rijp worden of maken; âness. Ripon, rip'n. Ripper, ripd, wie openscheurt of lostornt, iets uitstekends: She is a â = eene aardige, kranige meid; .lack the â = moordenaar. Ripple, rip'/, subst. gekabbel, het kabbelen,, groote kam om vlas te repelen: It excited âs of interest = het wekte algemeene teekenen v. belangstelling; â verb, rimpelen, kabbelen,, repelen: The rippling ol* the waves = het ruischend geluid of kabbelen der golven; âmarks = indrukken van de wijkende golven op het strand: The beach was-âmarked = het strand had overal de indrukken der golven. Riprap, riprup, fondament van losse steenen in diep water of weeken gror.d. Riëe, raiz, subst. opstand, opkomst, rijzing, verheffing, bron, het opkomen (boven den horizon),, toeneming, vei betering, bevordering: The â of the Dutch republic = de opkomst der Nederl. republiek; That gave â to many cordial greelings = gaf aanleiding tot vele hartelijke begroetingen; The Rhine takes-its â in Switzerland = ontspringt in: The water is on the â = aan het opkomen; I took (got) a â out of him = ik ben hem te slim af geweest, heb hem boos gemaakt;. â verb, opstijgen, of staan, opkomen, verdagen, opzwellen, voortkomen, wassen, toenemen : The house rose at three in the morning â de zitting werd gesloten; The words plentif, abundance and exuberance rise upon each other in expressing the idea of fulness = het begrip volheid wordt telkens sterker uitgedrukt door: The wind soon rose to a storm = verhief zich (stak op) weldra tot een storm; The colour rose to her checks = zij kleurde: He rose to the occasion, emergency = hij was tegen de moeilijkheidopgewassen : He w ould not â to my scheme = hij wou mijn plan niet begrijpen, er niets van weten: lie rose to the suggestion = hij begreep den wenk; The company rose from table = het gezelschap stond van tafel op; The whole nation rose in arms = de geheele natie vatte de wapenen op: â r = die opstaat; I am not an early âr = ik ben niet matineus: Rising, subst. opwekking, opklimming, opstand, sluiting (van vergadering;,, gezwel: The rising of Lazarus = de opwekking van L.; adj. opgaande, opkomend., toenemend: They adore the rising sun = |
bone = boun; full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care)\ girl; ?/ear = Jia;. lom/ = loi^; s/?ip = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dims; wine.
ROCK-SALT.
400
RISIBLE.
|
zij aanbidden de opgaande zon (ook fig.): The rising generation = het opkomend geslacht. Ri8ible,rlt;zi^7,belachelijk, lachwekkend; âness = Risibility. Risk, risky subst. gevaar, kans (op verlies of; schade), risico: He did it at the â of his life = met gevaar van eigen leven; I won't i run the (a) â = ik wil mij daaraan niet i blootstellen; Yon are subject to the risks = gij moet de risico dragen: â verb, wagen, ' in de waagschaal stellen; âer; ây = gevaarlijk, gewaagd: A ây experiment = gewaagde proefneming. Risorial, raizóridl, lachwekkend. Risotto, rizotou, Italiaansche rijstsoep. Rite, rair, godsdienstige plechtigheid, ceremonie; Ritual, ritjudl, subst. boek met kerkelijke ceremoniën, wijze van godsdienstoefening; adj. tot kerkelijke ceremoniën behoorende: Ritualism = stelsel v. kerkelijke ceremoniën (vooral in de richting der Hoomsche kerk): Ritualist = voorstander van Ritualism, kenner der kerkgebruiken: Ritualistic. Rivage, rividz, oever, kust. Rival,raiv'l, subst. mededinger, medeminnaar: He was my â for that place = naar die betrekking; adj. mededingend: â verb, mededingen, wedijveren; âry, Rivality = mededinging. wedijver; âship = medeminnaarschap, wedijver. Rive. raiv, subst.scheur, reet; â verb.scheuren, opensplijten: The tree was riven (riv'n) by (with) lightning = door den bliksem gespleten; âr. Rivel. riu'l. subst. rimpel; â verb, rimpelen. River, rtvd, rivier, stroom: We sailed up, down the â == de rivier op, af; In the â = op de rivier; âbasin = stroomgebied; âbed, â-channel = bedding eener rivier: âcourse = loop eener rivier, stroomgebied; âcraft = riviervaartuigen, zooals: kleine schepen, bootjes, etc.; âgod = stroomgod: âhog = rivierzwijn; âhorse = nijlpaard. Rives, rivz. Rivet, Hvdt, subst. klinknagel; â verb, vastklinken, met klinknagels bevestigen, krammen, diep inprenten: It remains âed in my mind for ever = dat staat voor eeuwig in mijne ziel gegrift; He was âed to that post = hij zat vast aan die betrekking (kon er nooit eens uit); The KifTel Tower is the work of the âer = het werk van denvast-klinker, den klinkhamer. Riviera, rivjêra. Ri\ ose, raivons, met kronkelende groeven. Rivulet, rivjuht. beek, riviertje. Rixation, rikseis n, ruzie, twist. Rixdollar,WA-slt;/o/a,rijksdaalder (/quot;1.50 tot/*2.50). Roach, routs, voorn (zoetwater-visch). |
Road, rond. weg, reis, rijweg, reede: He was on the â to Vienna = opreisnaarWeenen; lie has taken to the â = hij is roover geworden: I have lost my â, I am off my â = ik ben verdwaald; There is no royal â to learning = de weg naar de wetenschap is vol moeilijkheden; A â was laid out, which was to be opened to the public = er werd een weg aangelegd, die voor het publiek toegankelijk zou zijn; This i.H an estate â = dit is een particuliere weg (bij een landgoed); â-agent = roover (Am.); âbed = grondlaag v. weg of spoor; âbook = gids voor steden, wegen en afstanden; âmetal = steenen voor mac-adam-wegen; âman â wegwerker; He was sitting by lt;ongt; the âside = zat aan den weg: âstead -- reede; âster = subst. rijpaard, reispaard, koetsier v. diligence, schip (op de reede) dat op getij vaart; A âster safety = soliede velocipede voor grootere tochten: âway = straatweg, bereden gedeelte van een weg. Roam, roum, rondzwerven, omzwerven: I âed the streets of the city aimlessly = doelloos. Roan, roun, subst. roode schimmel of vos, roode kleur: adj. rood- of ijzergrauw. Roar, rö, subst. gebrul, geloei, gehuil,geschater, gejammer: The whole company set up a â = begon te brullen van lachen; He set the company in a â = deed schateren van lachen; â verb, brullen, loeien, schreeuwen, schateren, bruisen; âer = bruller, etc., aamborstig paard; âing, subst. geloei, gebrul, geschater, aamechtige ademhaling (van een paard); adj. brullend,rumoerig,druk,levendig: He has a âing business (trade) = eene woest-drukke zaak. Roast, roust, subst. gebraad: He rules the â (roost) = hij is de baas, beheerschtalles; adj. gebraden; â verb, braden, schroeien,branden, voor het lapje houden, ongenadig plagen; âer; âing-jack = braadspit (eig. waarin het spit draait). Rob, rob, subst. gelei, conserf: â verb, rooven, bestelen, plunderen: He âbed me of my gold watch = ontstal mij mijn g. horloge; He âs Peter to pay Paul = hij stopt de eene schuld met de andere: âber = roover, dief; â bery = rooverij, diefstal. Robe, roi«ö,'subst. toga, tabberd, staatsiemantel: (â entlenien of the long â = advocaten of getabberden; 1 have seen him in his âs in the House of Lords = ik heb hem in zijn staatsiekleed gezien: (ilentleinen of the â = hooge staatsdienaren (met officieel tenue); â verb, kleeden, in een toga of tabberd kleeden. Robert, robat, Robert: ook: kellner, âJanquot;. Robinson, robins'n. Robin, robin: âgood fellow = vroolijke en snaaksche kabouter; âredbreast = roodborstje: That beats the round â = dat is wat al te erg, al te brutaal; zie Round. Roborant, robdr'nt, subst. en adj. versterkend (middel); Roborean, rtmbór/an, Roboreous, roubórids, sterk; van eikenhout. Robust, roubost, krachtig, sterk, gespierd. Roe, ro/t, fabelachtige, kolossale en sterke vogel. Rocambole, rok'mboul, Spaansche ui. Rochester, rotèostd. Rochet, rotèdt, bisschopsopperkleed; voorn. Rock, rok, subst. rots, harde aardkorst, bron van gevaar, wijkplaats, spinnewiel; â verb. wiege(le)n, schommelen, wankelen, daveren: â¢âaluin = rotsaluin; âbasin = rotsbekken: âbound = door rotsen omsloten; âcork = kurk-asbest; âcrowned=m.rotsen daarboven: âcrystal = bergkristal;*âoil = steenolie. petroleum; âpigeon = klipduif; âruby = blauwige granaat; âsalt = klipzout: â |
man: ask = Ask; farm = fiim; Imt = bwt; \earn = lun; line = lain; house = hans; net: â¢care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \c{w = lè; lord = löd: hoy = boi:
ROCKET.
401
ROOK.
|
slieltpr = rotsverblijf; âsnake = python (slang); â-soap = bergzeep; âstaff =blaas-balgstok (smidse); âwood = houtachtig asbest: âwork = rotswerk; âaway = vierwielig rijtuig (soort v. landauer); âér = wie of wat wiegelt of schommelt, onderste van eene wieg; âery = rotswerk (in tuinen, etc.); ây = rotsachtig; âiness; âing, subst. het schommelen; adj. schommelend; âing-«'liair = schommelstoel; âing-horwe = hobbelpaard; âing-stone = schommelsteen; âleMH. Kocket, rokdt, vuurpijl; âer = vogel, diesteil zich van de aarde verheft (zooals de fazant); To â about (on a horse) = rijden, wippen. Rockies = Rocky Mountains (Amer.). Rofoco, roukoukou. rococostijl (17e eeuw). Rod. rod, roede, stok, staf, stang, rotting, scepter, takje: I have a â in pirkle for you = ik heb voor u wat in het vat; Black â = staf (van den deurwaarder van het Hoogerhuis); âfishing = het hengelen. Rode, roud, imperf. van to ride. Rodent, romVnt, knaagdier: Heisa political â = oude rot op staatkundig gebied. Roderick, roddrik. Rodger, rodzo, Rutger, naam voor een stier: We hoisted the Jolly â = wij heschen de vlag (van een kaperschip; de vlag draagt âCrossbones and skullquot; = een schedel met gekruiste doodsbeenderen). Rodney, rodni, luilak. Rodoniont, roddmont, subst. grootspreker, bluffer; adj. blufferig, snoever; âade, rodo-monteid. subst. snoeverij, geschetter; â verb, bluffen, schetteren. Roe. ron, ree, hinde: Soft â = hom; Hard â = kuit (van visschen); âbuck = reebok. Rogation, roMf/camp;S'n, smeeking, litanie; â days = de drie dagen vóór Hemelvaart; â week = hemelvaart sweek. Rogne, rong, schurk, schalk(je), snaak, grappenmaker, woeste wilde-olifant: lie is a â in grain = aartsschurk; âry = schurkenstreek, snakerij: âship = schurkachtigheid, schalksch-heid; liogniHh = schalksch. schelmachtig. Roil, roil, troebel maken, sarren, plagen. Roister, röistd, snoeven, rumoer (pret) maken; â(er) = snoever, rumoermaker. Roland, ronrnd,Roland: That was a deserved â to your Oliver = dat was een welverdiend antwoord op uw aanval. Role, roul, rol. functie. Roll, roul, subst. het rollen (slingering), rol, gerolde massa, rol, lijst, register, rond broodje, rolfel: Master of the âs = griffier; Office of the âh = griffie: lie was striick off the â = hij werd van de rol afgevoerd: To call the â = appèl houden; âs of court, âs of Parliameiit = officieele perkamentrollen van hof of parlement; â verb, rollen, draaien, wentelen, vooruitrollen, roffelen, rommelen (van donder), slingeren van een schip): The ship âed and pitched = slingerde en stampte; lie âs himself in luxury = baadt zich in weelde; âcall = appèl; âer = wie of wat rolt, rolstok, zware golf. lange en breede zwachtel, rolletje; -er-blind = rolgordijn; |
â ing = het rollen, golven, etc.; âing-niill = pletmolen; âing-prairie = prairie met golvende oppervlakte; âIng-press = rolpers, mangel; âing-stock, âplant = rollend materieel (van een spoor); â ing-Htone = ongedurig mensch, die telkens van betrekking verandert. Rollick, rolik, subst. dolle pret; â verb, zich op nonchalante, losse en vroolijke manier bewegen; bluffen: The wood was jubilant with âing children = het woud weergalmde van de dartelende kinderen; We had some âing fun yesterday = gister hebben we dolle pret gehad. Roly-poly, roulipouli, rond, gezwollen; âpudding = beuling; lie has a âgrowlery of Htyle = hij heeft zoo'n gezwollen-brommerigen stijl. Romaic, roumeiik, modern Grieksch(e taal). Romal, roumdl, O.-I. zijdefabriek. Roman, romrin, subst. Romein; adj. Romeinsch, Roomsch, met romein of gewone drukletter (tegenover cursief = Italics); âcandle = Romeinsche kaars (soort v. vuurwerk); â Catholic, subst. en adj. Roomsch-Katholiek(e); âindict ion = tijdkring van 15 jaar; âism = Roomsche leer; âist = Roomsch-Katholieke; Romish = Roomsch. Romance, roamdns, romance, episch verhaal, valschheid, fictie, Romaansche taal; adj. Ro-maansch; â verb, romantische of overdreven verhalen vertellen, overdrijven, liegen: âr = Roinancist = maker van romances of verdichte verhalen; Komanic, roumanik, tot Romaansche taal of dialecten behoorende: Romantic = romantisch, wonderbaarlijk, overdreven, woest en schilderachtig; Romanticism = romantiek: lie is neither a realist, nor a romanticist = hij behoort evenmin tot de volgelingen der realistische, als tot die der romantische school; Komannt = â. Ronianes(|ue, ronmdnesk. subst. zuidelijk Fransch dialect, verbasterde Romeinsche bouwstijl; adj. romantisch, overdreven. Romany, romeni, Zigeuner, taal der Z. Rome, 'roum, Rome. Roinic, roumik, pho-netisch spelstelsel van H. Sweet. Romp, romp, subst. wild meisje, wild spel; â verb, stoeien, dol spelen; â ish = tot wildheid geneigd. Ronde, rond, rondschrift. Rondeau, rondou, gedicht van 13 regels van 8- of 10-lettergrepige jamben: de eerste acht hebben een ander rijm dan de laatste vijf. Rondel, rond'l, gedicht van 14 achtlettergrepige regels met twee verschillende rijmen; ronde toren aan den voet van een bastion. Rood, rüd, kruis, kruisbeeld, roede, stok, 1/4 acre; âloft = kruisgalerij (in eene kerk). Roody, rüdi, grof. lang opgeschoten, weelderig. Roof, rüf, subst. dak,.(troon)hemel, bedekking, verhemelte; â verb, met een dak bedekken, onder dak brengen; âtree = balk in den hoek van een dak, dak; âer = dekker, daklegger; â ing = het dekken, dak; âless = onbeschut, zonder dak; âtile âdakpan; âlet = klein dak: ây = met een dak of daken. Rook, ruk, subs't. kauw, kerkkraai, bedrieger, kasteel (schaakspel); â verb, bedriegen (in het spel vooral): âery = bosch met veel roekennesten, vlucht kauwen, huis of hol voor dieven en bedriegers, vervallen gebouw, verblijf. |
bone = boiin; full; fool â ful; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care)\ girl; ?/ear = jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; f/?us = dims; wine.
ten bruggencate, Eng, Woordenhoek. 23
KOT ATI VE.
ROOM.
402
|
Room, rum of rum, subst. ruimte, plaats, omtrek, kamer, vertrek, gelegenheid, aanleiding, donkerblauwe verfstof: lie gave (left) â = hij ging heen, liet ruime baan voor een ander; Make â there = ruimte daar! uit den weg!: 1 want yourâ = ik wensch, dat gij heengaat; There is no â tbr suspicion = aanleiding tot verdenking; lie was appointed in lt;tliegt; â of his brother = hij werd in zijn broers plaats benoemd; â verb, kamers bewonen (Amer.); âlui = kamervol; ây = ruim: j â iness = ruimte; Turin is uiirivalled in the matter of âiness = er is geene ruimer ; gebouwde stad dan T. Roop, rüp, subst. roep, kreet; â verb, schreeuwen; ây = heesch, schor. Roost, rust, subst. rek of stok (als zit- en rustplaats voor vogels, etc.), troep vogels bij | elkander op een stok: His curse came home to â = zijn vloek trof hemzelf, kwam tot hemzelf terug: I am going to â = ik ga ; slapen: The hens are at â = zijn op stok: ; â verb, slapen, op het rek zitten; âer = { huishaan. Root, rut, subst. wortel, stam, grondtoon (van ! eene snaar), oorsprong, bron: The seed lias taken â = wortel geschoten = struck â; 1 We went to the â of tlie matter = wij i drongen tot den grond der zaak door; Extract the â out of 125 = trek den wortel uit; | The â of bitterness = de dwaling, de zonde; | â verb, doen wortelen, wortel schieten, wroe- j ten, omwroeten, ontwortelen: The sow has âed (out) all the plants = de zeug... omgewroet; Why «lo you not â it out? = waarom roeit ge'het niet uit? He stood âcd to the spot = als aan den grond genageld; ' âbound = ingeworteld, onbewegelijk; â ! erop = oogst van planten met eetbaren wor- , tel; âleaf = bind dat uit den wortel groeit: : âed = ingeworteld: A âed hatred of injustice = ingewortelde haat aan alle onrechtvaardigheid; âer = plant die wortel j schiet, uitroeier, verdelger: âless; âlet = worteltje; âstock = stronk. Rope, roup, subst. touw (van meer dan 21/4 cM. dikte), rist: 1 have not got â enough = ik ben niet vrij genoeg, kan mij niet voldoende ; bewegen; He performed on the slack, tight â = danste op het slappe, gesp. koord; 1 : hope you will put me up to all the âs = dat *ge mij geheel op de hoogte zult brengen; lie knows (has learned) tlie âs = hij weet er alles van; He gave me â(s) = liet me vrij spel; A â of sand = zwakke band; A â of onions = rist uien; â verb, draderig zijn, met een touw vastmaken, inhouden (van een paard bij een wedstrijd): To i rope in = inpalmen,binnenhalen; âdancer 1 = koorddanser; âladder = touwladder: | âmaker = touwslager; A âmaking business = touwslagerij; âwalk = lijnbaan; âyarn = kabelgaren: âry = lijnbaan; Ropy = touwachtig, draderig, kleverig, lij merig; Ropiness. Roquelaure, roukdlö, korte mantel. Roral. rór U Roric, rórik, dauwig, dauwachtig: Roriferous, rórifords, dauw veroorzakend. Rosa, rou-j; Rosalind, rora^'n^; Rosaiiiund, rouzdmond. |
Rosaceous, rouzeisds, tot de Rosaceae {rou-zeisii) behoorende, roosachtig; Rosaniline, rouzanilin, roode verfstof; Rosary, rouzori, rozenkrans, guirlande, rozenperk of rozentuin. Roscid, rosid, dauw bevattend. Roscommon, roskorrCn. Rose, rouz, roos (zoowel de bloem als de huidziekte), rozet, rozenkleur: They drank wine under the â in their rooms = zij dronken stilletjes wijn op hunne kamer; 1 told him so under the â = ik heb hem zulks in vertrouwen gezegd; Once he was very near the â = eens was hij haast geestelijke; âbud = rozeknop; âbug. âchafer = gouden tor; âbush = rozestruik: â cheeked = met blozende wangen; âcold. âfever = zware kathar met astmatische verschijnselen; âcolour = rozenkleur; â diamond = rozetsteen; âdrop = drups (met rozengeur), oorknopje, roode neus (van het drinken): --faced = met rozig gelaat: âlined = met rozentint; âknot = rozet: âleaf = rozeblad: They live in an age of âleaves and velvet *= zij hebben een leventje op een bordje; âmallow = stokroos; âmary, rouzmari,rosmarijn: ârash = roos (op de huid); âwater = rozenwater: Revolutions cannot be made with âwater = die het doel wil, moet de middelen willen: âwindow = rozet( venster); âwood = rozenhout: âal, rouzial, rooskleurig, met rozengeur; âate, rouziit, vol rozen, bloeiend: âola, rouzidh, huidroos; ârv = rozenperk; âtte, rouzet, rozet; Rosy *= rooskleurig, blozend, gunstig; Rosincss': Rosulate, rou-ziulit, met rozetvormige bladeren. Rose, rouz, imperf. van to rise: Rose(y). rouz(i), Roosje. Rosetta stone, rouzetdstoun, steen met hiero-glyphen, enz., in Rosetta gevonden; Rosetta wood = O.-I. oranjekleurig hout. Rr.sicrucian. rouzikrügn, subst. geheim genootschap, lid daarvan; adj. tot dit genootschap behoorende; â ism = leer, enz. van dit genootschap. Rosin, rozin, hars (bereid in vasten vorm). Rosland, rosland, veengrond, drassig land. Rostellum, rosteVm, wortelkiempje. Roster, rostz, rooster, ranglijst (van militairen). Rostral, rostral, tot snavel of rostrum behoorende: Rostrate(d), rostreitiid), gesnaveld: Rostri form = snavelvormig; Rostrum. rostrum, snavel, voorspriet van een oorlogschip). spreekgestoelte, tribune, platform. Rot, rot, subst. verrotting, aardappelziekte, schurft, geklets, onzin: It's awful â = het is verschrikkelijke onzin; U's tommy â = het is louter geklets; It is all â = allemaal bedriegerij; It's dry â = het is waardeloos gewauwel (zie Dry); â verb, verrotten, bederven. Rota, routd, ranglijst, rooster, Romeinsche rechtbank; âry = draaiend,rondgaand: The âry motion of our earth round its axis = omdraaiende beweging; âpump = centri-fugaalpomp; âte, routeit, om een middelpunt wentelen, draaien; âte, routeit, wielvormig: âtion, routeië'n, omdraaiing, omwenteling, geregelde opvolging: By (in) âtion = bij afwisseling, beurt om beurt: âtive = rond- |
man; ask = Ask; farm = fiim; bi/t = b«t; learn = Iwn; line = lain; house = hans; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not: law = ló; lord = löd; bo// = bAi:
ROUT.
ROTE.
403
|
draaiend; âtor, routeito, omdraaier, draai-spier; âtory, routdtari, omdaaiend, beurtelings: âfory motion = draaiende beweging. Rote, rout, sleur, gewoonte (Alléén over in KV â = van buiten, in den sleur). Rottier, rodlw, subst. os; adj. rundachtig. Rotten, rofn, verrot, bedorven; â Row is met de Drive de vereenigingsplaats der groote wereld in Hydepark (Zie Ring): âness. Rotund, routnnd, Vond, bolvormig; âa, rou-tnndd, koepelgebouw; âifolioiis = met ronde bladeren; âity = rondheid, bolvormigheid. Rouble, mö7, roebel (otigeveer f 1.70). Rouen, rüdn, Rouaan. Rouge, rüz, subst. blanketsel; â verb, (zich) blanketten: II' you do not â you won't tell in a hall, liandsoine tlioiign you may be = als ge u niet blanket, maakt ge geen ' indruk op een bal, al ben je nog zoo mooi; â et noir = hazardspel. Rough, rvf, subst. ruwe vent, ploert, een van het janhagel, ruwe schets, grof pleisterwerk: The London âs = het schuim van Londen; In the â = onafgewerkt, ruwweg; adj. ruw, i ruig, hard (op het gevoel), wrang, streng, 1 wreed, krassend: Why should you be â on it? = waarom zou'dt gij er kwaad om zijn; âand-tumble = ruw en druk: It is a âand-tumble faree = het is eene woeste, onregelmatige klucht: â verb, ruw maken, ruw schetsen, op scherp zetten (van een paard), dresseeren (in de manege): We have been âing it = wij hebben het hard te verantwoorden gehad, hebben ons er doorheen moeten slaan, zijn door dik en dun gegaan; The weather was â, but our yaeht âed it out = het weer was ruw, maar ons jacht hield het goed uit: âcast, subst. ruwe schets, ruwe pleisterkalk; adj. ruw gevormd, grof; â verb, ruw schetsen, met ruw pleisterwerk bedekken; âdraught, âdraft, ruwe schets; âdraw, âdrö. in het ruwe schetsen; âdry = laten drogen zonder mangelen, pletten óf strijken: âhew. âJu, in het ruwe houwen, ontwerpen, schetsen; âhewn = ruw, ongepolijst; âinusic = ketelmuziek; ârider = pikeur, paardendresseerder ; â.shod = op ; scherp gezet: lie rides âshod = hij rijdt maar toe, stoort zich aan niets, gaat zijn gang maar; âwrought = grof bewerkt: âen = ruw maken of worden; âish = ietwat ruw; i âness. Rouleau, rCilou, rolletje (vooral van munten); Roulette, rület, roulette, wiel met punten om stippellijnen te maken. Roumaniii, rnmeinjd, Roemenië; ân, subst.en adj. (bewoner) van Roemenië. Round, raund, subst. kring, bol, ommegang, ronding, rondreis, ronde, cursus, omdraaiing, sport, pelotonsvuur, rondelied: A â of beef = runderschijf; A â of cartridges = één patroon voor iederen soldaat; Thirty-six âw were given to every soldier = 'ieder soldaat kreeg zesendertig patronen; The golden â = de gouden kroon: I have made my â of visits = ik heb al mijne bezoeken afgelegd; Shall we have a â ? = zullen we eens vechten; Let us play one more â = nog één rondje spelen; adj. rond, cirkel- of bolvormig, door tien deelbaar, groot, snel. |
vloeiend, openhartig: Christmas has come â again = het is weer kerstmis geworden; 1 assure you that I shall bring you â = ik verzeker u, dat ik u weer zal opknappen of beter maken: It is not easy to bring him â = om te praten, over té halen; He came â to my room = hij kwam mij op mijne kamer opzoeken; He came â = hij draaide bij: He is an honest man all â = in alle opzichten, volkomen; You woirtget â me = je zult mij niet beetnemen, bepraten; They have sent the hat â = zij hebben den hoed rondgezonden (om geld in te zamelen); The children were in the merry-goâ = draaimolen: We were walking at a â rate = wij stapten er vlug overheen: We were riding at a â trot = wij reden in vluggen draf; It is a hundred guilders in â numbers = het is om en bij de honderd gulden; She turned up her nose at â games = zij trok haar neus op voor gezelschapsspelletjes, allegaartjes; â verb, rond maken, afronden, rondgaan, rondreizen, ronddraaien, verzamelen, voltooien, influisteren, boos worden, aangeven: The engine âed a curve in the road = kwam om een bocht in den weg; lie âed it into my ear = hij fluisterde het mij in; To â off ii story = een verhaal besluiten; He âed on me = hij verklapte mij, werd toornig op mij, schold mij uit; The ship was âeil (o =quot; werd naar den wind gewend; prep. rondom, overal: â about the town = om de stad heen: âabout, subst. draaimolen; I sent him to the âabout = ik stuurde hem weg: adj. los, niet openhartig of royaal; âbacked = met ronden rug; âdance = rondedans: âhand = rondschrift; âhead, subst. Puritein in Cromwell's tijd: adj. van de partij der Puriteinen: âhou.se = cachot, tijdelijke gevangenis, kampanje (schip), loco-motiefloods, onderofficierskajuit; ânumber = getal door lO deelbaar; âridge = ronde voren maken bij het ploegen; ârobin = petitionnement met de namen in een kring, zoodat geen naam bovenaan staat; âshouldered = rond in schouders of rug: âtower = hooge ronde toren; âturn = één slag v. een touw om een paal, etc.; âish = zoo wat rond; âing, subst. het ronden; adj. ongeveer rond; âness = openhartigheid, volheid van klank, welluidendheid, rondheid; âsman = inspecteur van politie (Amer.). Roundel, raund'l, klein schild: Roundelay raundelei, ouderw. dichtstuk (8 5 regels). Roup, nï/), kippen-huidziekte. Rouse, opwekken,doen ontwaken,opjagen, aansporen: He was âd to anger = boos gemaakt; âr = wie of wat opwekt of opjaagt: Rousing = opwekkend, aansporend, bezielend, ontzettend; Roust, ranst, opwekken, in opstand brengen: Roust-about = losse arbeider op eene stoomboot, luie vent (Amer.). Rout, raut, subst. volkomen nederlaag, alge-meene vlucht, oproer, twist, gedrang, wanordelijke troep, groote avondpartij : The â = het schuim, gepeupel, janhagel; The enemies were put to â = sloegen in verwarring op de vlucht; â verb, in verwarring op de vlucht drijven, snorken, omwoelen, wroeten: Boys were âing in the streets = waren a*an |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = .ji8; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhus; wine.
26*
ROUTE.
404
KUDE.
|
het stoeien: I âe«l out an edition of Tennyson among his books = schommelde een uitgave van T. onder zijne boeken op: He is a âer-ont of antiquities = hij snort i allerlei oudheden op; 1 âed it up from my j memory = ik bracht het mij na eenige in- ! spanning te binnen; âseats and eliairs = i zitbanken (tegen den muur) en stoelen. Route,nU,weg; Ron tine,gewoonte .sleur; i Routiniary knowledge = sleurwetenschap: | Kontinist, ruttnist. sleurgangen UontledRe. rautlddz. Roux. r//, gesmolten boter en meel. Rove,rOMV, (om)z\verven, in dwarsrijen ploegen (Am.), scheren v. wol door een blok. ontwarren; âr = roover, zwerver, wispelturig en ontrouw persoon: Her sweetheart has proved a âr = haar vrijer is gebleken een vlinder, ontrouwe te zijn; They were shooting at ârs = zij schoten in hét wild; Roving-shot = schot in 't wild. Rove, ronv, imperf. en part. perf. v. to reeve. Row, rou. subst. rij. reeks, gelid, roeitochtje: We had a splendid â = heerlijk tochtje gedaan; In a â = in t gelid, in de rij; I gness yon can hoe your own â = ik denk dat gij uw eigen zaakje wel kunt opknappen (Am.); lie had a hard â to hoe = hij had het hard te verantwoorden (Am.); â verb.roeien: He ean â his own boat, paddle his own canoe = hij kan zijn zaakje alleen wel opknappen; They â in the same boat = zij zijn in hetzelfde schuitje; âboat = roeischuitje, roeibootje; âer = roeier; âlock, r»/a/c, keep of gat waarin de riem rust. Row, ran, standje, ruzie, twist: Hold your â i = houd je b . k; Don't kiek np a â = maak geen standjes of schandaal. Rowan, vatton, lijsterbessenboom = âtree. Rowdy, vattdi, subst. ruwe, woeste kerel; âduitenquot;; adj.ruw, ploertig, oproerig =âish; âism = gedrag van een vlegel, schurkerij. Rowel, vattdl, wieltje of rad van een spoor, , seton (platte ring van een toom); tâ verb, wieltje of seton zetten in; âhead = de as van een spoorwieltje. Rowen, vatton, stoppelveld, nagras. Rowland, voifTnd; Rowley, vanli: Roxburgh, voksbovd. Royal, vóidl, subst. tak van een gewei, papierformaat (30 bij 58), kleine mortier, mast en zeil boven de bramsteng: The â s = het eerste regiment infanterie; adj. koninklijk, edel: The â assent was refused to the resolution = de koninklijke goedkeuring werd eraan onthouden; There is no â road to learning = de wet naar de wetenschap is moeilijk: â Academy = Koninklijke (Teeken)-academie: â grants' = jaargeld aan deleden der koninklijke familie: âism = koningschap, koningsgezindheid; âist, subst. en adj. koningsgezind^); â ize = koninklijk maken; âty, adj. koningschap, majesteit, koninklijke bezitting of rechten, aandeel: We don't often see âty = wij zien de leden der kon. fam. i niet vaak; The author gets a âty of twopence on the shilling = krijgt i/r» van den verkoopsprijs; adj. âty rents = vergoeding voor het gebruik van den bovengrond (bij mijnwerkers). |
Rovster(er). Z. Roister. Rub, vvb, subst. het wrijven, wrijving, hinderpaal, sarcasme, schimp: There's the â = daar zit 'm de knoop; â verb, wrijven, reinigen, verspreiden over de oppervlakte: They âbed elbows with their neighbours = zij'werden gemeenzaam met hunne buren; They began to â noses = zij begonnen op vriendschap-pelijken voet te komen: The horse was being âbed down = werd geroskamd: The piece of sugar was âbed down = werd al kleiner door het wrijven; 1 âbed the dirt oir him = ik wreef het vuil van hem af; He â bed it out = hij veegde het uit; Shall I â up your meinory ? = zal ik je geheugen eens te* hulp komen;*The chairs and tables were âbed up = gewreven: Weâbed our way along the streets = wij baanden ons met* moeite een weg door; They âbed upon him = zij plaagden hem: âstone = s,yPquot; steen, wrijfsteen; -her = wie of wat wrijft of schuurt, slijpsteen, het beslissende spel, gomelastiek: A âber of whist = driespellen, waarvan 2 gewonnen en 1 verloren, of 2 na elkander gewonnen spellen: If you play at bowls, you must look out for âbers = wie kaatst, moet den bal verwachten. Rubbish, rnbiè. puin, gebroken stukken, uitschot, nonsens, klets: â shot here.= plaats voor puin, enz.; ây = van puin of pruilen. Rubble, rvbl, stukken ruwe steen; âstone = bovenste losse deelen van eene steenmassa: âwork = metselwerk met ruwen, onregel-matigen steen; Kubbly. Rubefaction, vhbifakamp;n, het roodmaken. Rubeola, viïbidte, mazelen. Rubicon, viibik'n. Rubicon: To cross the â = een beslissenden stap doen. Rubicund, vnbik'ncl, rood(achtig); â ity, ni-biknnditi; Rnbific. vübifïk, roodmakend: Rubification, vabifikeiè'n, roodmaking: Rn-biform = roodachtig; Rubify = rood maken. Rubigo, vubaiyou, honigdauw. Rubric, vtïbvik, subst. rubriek, afdeeling, opschrift van een hoofdstuk, regel voor de liturgie; adj. rood gemerkt, in rubrieken geplaatst; â verb, met rood merken of onderscheiden = Rubricate, vübvikeit: Rubrical = in rubrieken geplaatst of verdeeld. Rubus, vübzs, rubus (waartoe de braam behoort). Ruby, viibi, subst. robijn, karbonkel, formaat v. drukletter, roode puist of vlek; adj. robijn-kleurig = Rubied, vübid. Ruche, rus, Ruching, vüëin, ruche (van kant. zijde, etc.). Ruck, vvk, subst. rimpel, vouw, hoop, troep, groote massa: â verb, rimpelen, plooien. Ruction, vnké'n, vinnige parlementaire strijd. Rudder, vndd, roer; âpost = roerpen. Ruddle, rnd'l, subst. roodaarde; â verb, met roodaarde merken (zooals b.v. schapen). Ruddock, rnddk, roodborstje. Ruddy, mdi, adj. blozend, met frissche kleur, rood;* â verb, blozend of rood maken; Ruddiness. Rude, rüd, ruw. ongeletterd, onbeschaafd, stormachtig, grof, woest, sterk: Don't be â = wees niet lomp, onbeschoft; It was a â awakening = het was een onaangenaam |
man; ask = ask; farm = fiim; bJ/t = bwt; \earn = Km; Ifne = lain; hcmse = hans; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló; lord = löd; hoy = bói:
RUDESHELMER.
405
RUN.
|
ontwaken; âiiphh = lompheid, ruwheid. RiideHlieimer, rüdzhzimd, soort v. Rijnwijn. Riidiineiit, rüdbrint, subst. wat nog onontwikkeld is, beginsel (gewoonlijk meerv.): The âh of gmiiiinar = de grondbeginselen dei-spraakkunst; â verb, in de eerste beginselen onderrichten; â ary, rhdimenldri, âal, eerste, aanvangs . . ., niet geheel ontwikkeld: âary orgaiiH = organen die niet tot volle ontwili-keling komen. Rue, rfe, subst. wijnruit (met onaangenamen reuk en bitteren sniaak), smart; â verb, smart lijden, treuren om, beklagen, berouwen: You will â the clay, my boy = de dag zal je berouwen; âhiI = droevig, treurig: Knight of the âfill couiitrnaiife = ridder van de droevige figuur. Uiifl*, ruf, subst. groote geplooide kraag, ongelijkheid, feestelijkheid, vertoon van trots, oud kaartspel, het aftroeven, duivensoort: â verb, frommelen, in de war maken, aftroeven; âed groiiHe = gekraagd hazelhoen. Kiifliaii, i'vffn, subst. schurk, vlegel, üelt, dief, moordenaar; adj. woest, gemeen = âly. âlike. Kuflle, rofl, subst. geplooide rand aan mouw of kleed, geraas, getier, drukte, rustverstoring, roffel; â verb.frommelen, plooien, rimpelen,in de war brengen, verstoren, woest worden, tieren, bluffen, zich airs geven, roffelen: Iüh temper was âlt;1 = zijn humeur was verstoord: âr = bluffer, schetteraar: He wan a âr of the eamp = hij was de schreeuwer in het kamp. lluloiiH, rüfds, bruin- of geelrood. reisdeken, haardkleedje. Ungate, rügeit, gerimpeld = Kugose, ItugoiiH, rucjos: UuKOHity, riïyositi, gerim-peldheid. Hugged, rngid, ongelijk, ruw, schamel, lastig (van humeur), vreemd, stormachtig, onwelluidend, krassend; -news. Kuiii, ruin, subst. ondergang, vernietiging, verderf, ruïne: âs = overblijfselen: The hoiiHe ha» lallen into âs = is tot puin vervallen; du the brink of â = op den rand des on-dergangs; Everything went to wreek and â alles ging te gronde; â verb, vernietigen, verwoesten, onderstboven keeren, in het verderf storten: lie ha» âed me = mij ongelukkig gemaakt: âate, rnineit, vernietigen; âation = verderf, ondergang; âed; âer; âon* = bouwvallig, verderfelijk, nadeelig; â ousness. Unie, n'd, subst. regel, bestuur, regeering, gids, levensregel, regelmaat, reglement, orde. duimstok, liniaal: The â of three = de regel van drieën: ThatVt a âof-(hree sum of the simpleMt kind = dat spreekt als een boek; That ih an exception to the â = op den regel; That i« the â now = dat is nu de regel; Ah a â = in den regel: 1 have made it a â to work before break fast = ik heb het mij tot regel gesteld; Who laid down that â ? = wie heeft dien regel vastgesteld; I know it by â of tliuinb = uit de praktijk; This street is in the âs of the priNon = deze straat valt binnen het reglement der gevangenis (hier mogen de gegijzelden nog komen); â verb, regeeren, besturen, bedwingen, linieeren, de oppermacht hebben: His wife âs the roost (roast) = |
zijne vrouw is de baas; You were not entitled to â that witneHM out of eourt = dien getuige te wraken, te verwerpen; -lews = zonder regel, wetteloos; âr = regeerder, bestuurder, liniaal; Kuling. subst. vastgestelde regel of uitgemaakte kwestie (wet); Kuling-price = marktprijs; adj. heerschend, over-iieerschend. Kiim, rum, subst. rum; âbud = roode neus (van het drinken, ook grog-bloHMom); adj. ouderwetsch, vreemd, raar: A â fellow = een zonderlinge snaak, een brave kerel; âmy = met een rumsmaak, vreemd, raar, zonderling. Kunible, roml/l, kattenbak (van een rijtuig), gerommel; â verb, rommelen: 1 heard the rumbling thunder in the distance = ik hoorde van verre den rommelenden donder; âr. Kumelia, riihiiljc), Roemelië. Kiiminant, rüiuin'nt, subst. en adj. herkauwend (dien: Kuminantia. rüminafiëd, herkauwers; Runiinnte = herkauwen, bepeinzen, overdenken: Rami nation â herkauwing, overdenking; Iluminiitor = overdenker, peinzer. Uiiminage, rmnidz, doorsnuffelen, plunderen: He âd among my paper» = hij zocht (rommelde) in mijne'papieren; âr. Klimmer, rumd, roemer, groote beker. Kiimour, rümo, subst. gerucht, faam. loopend verhaal: There i» a â abroad (Kumoiir ban it) that the king will come = het gerucht loopt: â verb.vertellen, rondstrooien, ruchtbaar maken: It was âed abroad = het gerucht werd verspreid; âer = verspreider van geruchten. Kump, rvmp, stuitbeen, stuitje, achterste, achterstuk van iets: âfed = dik: âparliament = romp-parlement; âsteak = biefstuk. Kumple, rvmjfl, subst. vouw, kreukel: â verb, kreukelen, vouwen. Kumpus. rvmpds, rumoer, rustverstoring. Kun, rvn, subst. loop, geloop, toeloop, uitstapje, vrije toegang, plotselinge vraag naar, aard, weide, rumoer, een paar of stel molensteenen, beek, punt (bij het cricket): You will win in the long â = op den duur wint gij het; There i» rather a â on wax dolls = er is thans vrij wat vraag naar wassen poppen; There was a â on tin' b nik = de bank werd door aanvragen tot betaling bestormd; The piece had a great â = had een kolossaal succes; lie Iuih had the full â of himself =. is geheel uitgeraasd; 1 had a â of lurk = het liep mij alles mee; I had a good â for my money = heb een mooie kans gehad; The â of mankind in egotistic = de meerderheid der menschen denkt om nummer één; The general â of legs was crooked = de kinderen hadden haast allen kromme beenen; Thin place is not one of their âs = deze plaats is niet eene van die, welke zij bereizen of bezoeken: By the â = plotseling; lie did it with a* â = plotseling, overhaast; The play had a â of fifty nights = het stuk werd 50 maal achtereen'opgevoerd: The sniugglers are to have a â to-night = do smokkelaars zullen van avond de goederen zien binnen te smokkelen; adj. gesmolten, gereinigd, gesmokkeld: â verb, loopen, snellen, hardloopen, verspreiden, vluchten, meegesleurd |
bone = bonn; full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; 2/ear = Jia; long = loi^; ship â sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhus; wine.
RUSH.
406
RUN.
|
worden, varen, richten: vragen naar, voortgaan, verspreid worden, eene bepaalde hoogte bereiken, schieten, vloeien, smelten, smokkelen: The story âs = het verhaal gaat; The niOHt di Kien I t part waM to â the = het moeilijkste was, de goederen binnen te smokkelen; The treew have â to leave», the flower» have â to seed = de boomen hebben bladeren gekregen, de bloemen hebben zaad geschoten; lleroiHin âs in their blood = de heldenmoed zit hun in 't bloed; l^et rim the rope = laat het touw schieten; I fear he haw â mad = dat hij gek is geworden; Hi» power ol' HamiHin was allowed to â riot = hij gaf overdreven toe aan zijne sarcastische gaven; lie had to â the gantlet of London society = hij moest zich aan de kritiek der Londensche samenleving blootstellen: 1 have â this roach from my IHth year = ik heb deze diligence van mijn 18e jaar gereden; The rompiiny will â an extra-train on iMonday = de* maatschappij laat Maandag een extra-trein loopen; 1 will â you home for a pound = om cen pond met je loopen wie 't eerst thuis is; We â this building as a holiday liome = ex-ploiteeren . . . als een vacantie-verblijf; He that runs may read = de oppervlakkigste lezer kan dat begrijpen; 1 will â theehanee (risk) lor your sake = om uwentwil zal ik het wagen; The thief was â after = werd achtervolgd; The ship ran aground = strandde; They ran at their enemies = ^ij vielen op ...*aan; You run about = je bent aan 't dwalen: Many mills ran away in the sudden squalls == vele molens liepen door in de stormvlagen; The horses ran away = gingen op den loop; He ran on before = hij liep vooruit; The ship was â down by the steamer = werd in den grond geloopen; The ship ran down the coast = voer langs de kust; The dog ran the hare down = haalde in en pakte; 1 hey ran for their lives = zij trachtten door hard loopen het leven er af te brengen; They ran from one extreme to the other = zij sloegen van het eene uiterste in het andere over; He was â hard = hij werd erg geplaagd, lastig gevallen: The thief was â in = werd ingerekend; They have â in trust = zij hebben crediet'gekregen; He ran into mé = liep mij tegen het lijf; He ran into debt = hij maakte schulden, kwam âin de beerquot;; The steamer was â into by an ironclad = de stoomboot werd aangevaren door een pantserschip; The conversation ran on the topics ol* the day =â liep over de onderwerpen van den dag; My mind kept âning on that subject =*ik kon dat onderwerp niet van mij afzetten; He has â out his estate = hij heeft zijne bezittingen verkwist; 1 am â out of money = ik ben platzak; Xow you can â out'easily = gemakkelijk uitspelen (bilj.); The poor fellow was â over by the express = de arme kerel werd overreden door den exprestrein; He ran overall accounts = hij ging alle rekeningen na; He tried to â round the agreement = de overeenkomst te ontduiken; He wanted to |
â me through the body = hij wou mij doorsteken; He ran through 10.000 pounds = hij lapte er door; The bill ran up till it amounted to 50 pounds = de rekening liep op tot ze 600 gulden bedroeg; We shall â up an editorial office for you = wij zullen een redakteursvertrek voor u maken; The piece was â to its liundredtli representation = beleefde de 100e voorstelling; The price of the bread was â up = de prijs van het brood steeg; âaway, rwnawei, subst. vluchteling; adj. wegloop'end: That was a âaway knock = dat was een âdeurtjebeiquot;; âlét = stroompje = ânel = beekje: âner = looper, bode, hardlooper, smokkelaar, bespieder (van paarden bij wedrennen), draaiende molensteenen, ónderhout (of kiel) van eene slede; âning = het loopen; uitloopen of uitvloeien, het etteren: He was out of the âning when compared with his opponent = zijn tegenstander knikkerde hem royaal van dè baan; Death put him out ol' the âning = de dood belette hem verder mee te doen; Five times âning = vijfmaal achtereen; âning-rigging = loopend want; âning-title = loopende titel, hoofdtitel; âning-fight = gevecht tusschen vervolgde en vervolger; âning-flre = aanhoudend kanon- of geweervuur; âning-gear = wielen, assen, etc. van een voertuig; âning-accoimt = rekeningcourant; âning-knot = schuifknoop; âround = fijt (Amer.); âway = stroombedding, pad of spoor van een dier. Runagate, mnegeit, afvallige, vluchteling. Rundie, roncTl. sport, rol, iets ronds. Rune. rwn, (letter van het) runenschrift, runen-poezie: âr = Noorsche bard of geleerde; âic = tot de runen behoorende; âic-knot = runenknoop (dooreengeslingerd ornament op oude Saksische en Deensche gebouwen). Rung, ron, imperf. en p. perf. van to ring; sport, planken vloer (schip). Runiet, rnnldt, klein stroopje (ook: Runnel), vaatje (ongeveer 15 galloyis). Riinnymede, ronimid, eilandje in de Theems, waar* John Lackland tot de Magna Charta werd gedwongen: He had to go to â = hij moest zoete broodjes bakken. Runt, ront, dwergdier, dwerg, stompje, duiven-. soort. Rupee, rüpt, O.-l. munt, nominaal ongeveer f 1.20: He was shaking the â (= Rupy) tree = He was shovelling in the dollars = hij verdiende geld als water. Rupert, rüpdt, Rubrecht; Rupert's drop = springglas. Rupture, rnptjd, subst. breuk, scheuring; â verb, barsten, breken, een breuk krijgen. Rural, rür'l, landelijk, boersch; âdean = geestelijke, die een district onder zich heeft: A ruridecanal (rïiridekatïl) meeting = vergadering of bijeenkomst van âdeans; â ist = landbewoner; âize = op het land wonen, een landelijk aanzien geven; âness. Ruse, rüz, krijgslist, kunstgreep, streek. Rush, 7*vè, bies, beuzeling, nietswaardig iets. snelle beweging, toeloop, inval: \ â to the doors = een bestorming van de deuren; I don't care a â for what he says = ik geef geen lor om zijne woorden; â verb, voortsnellen, invallen, naar binnen stuiven, voort |
man; ask â Ask; farm = fiim; but = but; learn = Km; line = lain; hoi/se = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = dslip; net; law = lo; lord = löd; hog = bói
RUSH-BOTTOMED.
407
SABL1ERE.
|
stuwen, bestormen: The tüiilors âed the boats = bestormden de booten; The bill was âed through Parliament = werd met geweld en spoed gejaagd: The soldiers âed the fortress = carried it with a â = de soldaten namen de vesting door een snellen en onverwachten aanval; He âed in upon me all at once = hij viel me in eens op het lijf; He gave us no time lor rellee-tion, in I'act, âed us = hij gaf ons geen tijd tot nadenken en overrompelde ons feitelijk lt;met zijne vraag); âbottomed = met biezen zitting; âcandle = kaarsje van biezenmerg in talk gedompeld; âlight = licht van een âcandle, zwak en flikkerend licht; âlike = als biezen, zwak; âmat = biezen mat; â time = drukke tijd (in Londen), waarop honderdduizenden 's morgens naar de City gaan, of die 's avonds verlaten: âer; ây = vol biezen; âiness. Ilusk, rosfc, licht gebak, zoete beschuit, hard brood. ItiiMset, rusdt, subst. grove japon of kleed van zelf gesponnen garen, roodbruine kleur, appel met ruwe schil; adj.roodbruin, donkerkleurig, grof, eenvoudig, boersch; âpated = met grauwen ofaschkleurigen kop; âing= Russet; ây = roodbruin. Russia, r»5a. Rusland; â leather = Russisch leder (vooral voor boekbanden): ân, subst. en adj. Hus(sische taal), Russisch: Russophobia, resdfouhjd, Russenvrees, Russenhaat; The Kusso-Tiirkish war. |
Rust, rüst, subst. roest, vuile stof, schimmel, kracht verlies door nietsdoen; â verb, roesten, ontaarden; â v = roestig, beschimmeld, ruw, oud, krassend: He is getting ây = gaat achteruit, wordt vergeetachtig; âiness. Rustic, rnstilc, subst. landbewoner, boer, lomperd; adj. landelijk, eenvoudig, ongekunsteld, primitief, onhandig, lomp; â work = rustiek werk (expresselijk ruw of eenvoudig bewerkt); âallies^ = boerschheid, lompheid; âate, mstikeit, op het land wonen, wegzenden (van de hoogeschool): A âated student = een gesjeesd student; The dean âated the whole party = de deken sjeesde het heele troepje; âation = landleven, tijdelijke wegzending (van de hoogeschool); âity, rvstisiti, landelijkheid, eenvoud, lompheid, boerschheid. Rustle, rosquot;U geruisch, geritsel; â verb, ritselen, ruischen; âr = wie ritselt of ruischt, doorzettend man (Amer.). Rut, rnt, subst. bronstijd, wagenspoor, groef, goot, voor; â verb, met voren of groeven doorsnijden, bronsten; âtish = wellustig, geil: âty = met groeven doorsneden. Rutabaga, rütdbeigd, Zweedsche raap. Ruth, ruth, Ruth, mededoogen, smart; âlui = meedoogend; âless = onbarmhartig, wreed. Rutheiiord, rndhdfdd. Ruth ven, riv'n. Rntilant, rütiVnt^ schitterend, glinsterend. Ruyter (De), cidraitd: Ryswick, rizwik. Ryê, ral, rogge; âbread = roggenbrood; ââ¢grass = ray-gras. |
s.
S, es, S. = Saint. Saturday, Shillinrj, Solo, Superlative, Supplement): Surg (eon) \ Sur-South, Southern, Sun, Sunday, Sabbath, Sec- (gcon)-gen(eral); Surv(eyor): S(ub) V(oce) = ond(s), Sinrjular, See: S(out:i) A(frica of j onder het woord; S(outh) Wiest): Sw(eden); America): Sab(bath): Satn{uel)\Satu(aritan)\ Switz(erland); Syn{onym); SyiwjHsis); JSans(crit); Saturday); Saoc(ony); S(outh) Syr(ia).
C(aroHna): Sc(ientiae) Baccalaureus) â Sabaoth, sobeiouth, heirscharen: tgt;od of â.
Ilachelor of Science; Sciientiae) JHoctor) = Sabbatarian, sabdtêrion, subst. sabbat vierder, Doctor of Science: Sci(ence); Scil(icet) = zondagheiliger; adj. tot den S. behoorende; namelijk, te weten', Sclavonic); Scotland, âism = strenge zondagsviering; Sabbath, etc.); Scrip(ture); Sculpture): S(ociety for sabdth, Sabbat, rustdag, rusttijd; Sabbath-the) IMi/fusion of) V(seful) K(noivledge); breaker = Sabbatschender; Sabbath-S{uuth) 12(ast); Sec(ond); Ser(retary): Sec- breaking = Sabbatschennis; Sabbathless (retary of) X,e{/(ation); Sen(ate, Senator); = zonder Sabbat of rusttijd: Sabbatic(algt;, September): Seq(uentes, Sequentia) ââ de syfefeii/tCO, tot den Sabbat behoorende; Sab-volgenden; Sery(eant): Servian): Solicitor)- batical year = ieder zevende jaar; Sabbatism O(eneral): Sh( i I lings); Siny(ular): S(ociety = Sabbatheiliging, rust.
of) 'J(esus); S(uprone) *T{udicial) C(ourt); Sabe, seib. lont ruiken, snappen.
*Slar{onic); S(ergeant~M(ajor); Soc(iety); Snhlnn^seibfn, subst. aanhanger d. sterrenver-S{ony) of Sol(omon): Sol(icitor)-gen(eral); eering; adj.tot desterrenvereeringbehoorende; Sp(ain, Spanish, Spirit); Speed al); Siociety âism = sterren vereering.
for the) l*{ropagation of the) G{ospel); Sabine, sabain, subst. een der Sabijnen; adj. Sp(ecifir) yr(avity); Sq{uare); S{enio)r: Sabijnsch.
S(acrum) Ji(omanum) l(mperium) = The Sable, seib'I, subst. kleine wezel, sabelbont. Holy Roman Empire; SS = Saints; S.S. = rouw (gewoonl. meerv.); adj.zwart,donker; â Sunday School, Steamship: S(outh) S(outh) verb, zwart of akelig maken; âcoloured = Jï(ast), W(est): St = Saint, Stone, Strait, zwart;âstoled = met zwart kleed;âvested Street; Sfnt(ue); Sii(nday): SuhJ(unctive); = in den rouw gekleed.
Substiantive,Substitute); SuffXix); Sup(erior, Sabliere, samp;blièa, zandgroeve, kleine balk.
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; Ion*/ â loi^; ship = sip; occas/on = okeii'n; thin; thus = dhtis; wine.
SABOT.
408
gt; SAID.
|
$»abot, sAbou, klomp. Sabre, seibd, subst. cavaleriesabel (met krom lemmet); â verb, neersabelen, wonden met den sabel; â ta(H)rlie, seibdtCié, sabeltasch. Sabulous, sabjulds, zandig, korrelig; Sabu- loHity, subjulositi, zandigheid. Sacca'de, sakeid, plotselinge ruk aan den toom (om in te houden). Saccate, sakeit, zakvormig = Saccular, sakjute; Saccule, sakjiil, zakje. Saccharic , sakarik, uit suiker getrokken ; SaccliarilenHiH, siikdHfaros. suiker voortbrengend ; Saccharify, sa/coH/ai, in suiker veranderen = Saccharide, sakdraiz; Saccharine , safcarain, suikerachtig; Saccharou» feriueiilatioii = suikergisting. Sacerdotal, sasddouVl, priesterlijk: â isiu = priestergeest, priesterschap. Sachel, satè'l, zakje, tasch. Sachem, seik'm, Indiaansch opperhoofd. Sacheverell, sdèevor'l. Sack,sa/c, subst. groote zak,zakvol,los overkleed of mantel, plundering, roof, Spaansche wijn: 1 got the â = ik werd weggestuurd; She gave him the â = zij gaf hem de bons = She âeil him; He got âed = werd de laan uit gestuurd; â verb, in zakken doen, de bons geven, wegsturen, plunderen; âpoHMCt = drank v. Spaanschen wijn, melk, enz.; âage, sakidz, bestorming en plundering: âhut = schuiftrompet; âcoat = buis (Am.): âcloth = zaklinnen, grof linnen: lu âdoth and atdie» = in zakenassche; âer = plunderaar: âlui = zakvol; âiug = paklinnen, zeel; âless = onnoozel, onschuldig. Sacrament,saArramant, sacrament. Avondmaal: 1 have received the â = ik ben aan het avondmaal geweest; The last âs were administered to him = hij werd bediend = lie received the last âs: âal, sukramenVI, tot het sacrament behoorende, bij eedegebonden; âarian, sakrdm,ntêridn. subst. iemand die tot de II igli-Chu rc h behoort; adj. tot het sacrament behoorende. Sacred, seikrid, heilig, gewijd, onschendbaar: â Irom attack = veilig voor'aanvallen; âneus. Sacrifice, sakrifaXz, subst. olTer, offerande, koopje, opoffering, verkoop met verlies: At a â = voor een appel en een ei, spotgoedkoop; I will sell at a â = ik verkoop voor lederen prijs (Verg. At a premium = zeer duur); lie fell a â to his passions = hij werd het slachtoffer van zijne hartstochten; 1 will make you that â = wil u dat offer brengen; â verb, offeren, opofferen, met verlies verkoopen, dooden; Sacrifical = bij de offers gebruikt; Sacrificant = offeraar, offerpriester; Sacrificatory^a/vW/zArei^n,offerend; âr = ófferaar; Sacrificial rites, moiiitd = offergebruiken, offerberg. Sacrilege,s«A:ri/et/f,heiligschennis, ontheiliging, ontwijding, kerkroof: Sacrilegious, sakrilid-ids, heiligschennend: Sacrilegist,sa/cri/idzisï, heiligschenner. Sacrist, seiAr/sl, sacristijn, copiïst v. kerkmuziek ten dienste der koren; ânn^sakrisVn^ sakristijn, koster; ây, sakristi, sacristie. Sacrosanct,sa/crasa^/cï, heilig en onschendbaar. Sacrum, seikr'm, heiligbeen. Sad, sarf, droevig, treurig, somber, ernstig: ! |
âiron = strijkbout; âden = bedroeven, droevig worden, donker tinten (v. eene kleur): âneus = droefheid, treurigheid. Saddle, sorf7, subst. zadel, schraag: You have put the â on the right horse = gij hebt den rechte geprezen (gelaakt); He vaulted into the â = hi; sprong te paard; Til win the horse or lose the â = erop of eronder: â verb.zadelen, belasten: He had âd himself with a very arduous task = hij had zich eene zeer zware taak opgelegd; He tried to â me with the responsibility of the undertaking = hij trachtte de verantwoordelijkheid der onderneming op mij te schuiven: âbacked = met ingevallen rug en hoogen nek en kop (van paarden); âbags = zadel-zakken; âbow = zadelknop; âcloth = zadelkleed, schabrak; âtree = zadelboog: âr = zadelmaker; â ry = zadelmakerij; zadelmakersartikelen. Sadducean, sndjiistan, tot de Sadduceën behoorende; Sadducee, sadjusi, Sadduceër: Sadduceeisni = leer (Ier Sadd. Safe, seif, veilige plaats, geldkist, brandkast, provisiekast, vliegenkast; adj. veilig, zeker, goed, Hink,gerust: We arrived â and sound = zijn gezond en wel aangekomen: He is â for a thrashing = hij krijgt bepaald ransel = is â to get it; â from attack = beveiligd voor aanvallen: A â teacher = een goed onderwijzer; You may âly go there = ge kunt er gerust heengaan; --conduct = vrijgeleide; âguard = bescherming, verdediging, vrijgeleide, paspoort; verb, beveiligen: In that way our interests may be âguarded and advanced = op die wijze kunnen onze belangen worden beveiligd en bevorderd; â keeping = veilige hoede of bewaring; âness = veiligheid, zekere bewaring, soort v. velocipede; âty-buoy = reddingsboei; âty-lamp = veiligheidslamp; âty-matches =*Zweed-sche lucifers; -ty-valve = veiligheidsklep. Safflower, safluui), wilde saffraan. Saffron, safr'n, subst. saffraan; adj. saffraan-kleurig; â verb, geel maken, met saffraan tinten; ây = saffraankleurig. Sag(g), scrr/, zakken, overhellen, toegeven-versagen: The dog^s tail âged down with an expression of misery = de hond liet met eene uitdrukking van ongeluk zijn staart hangen; The ship âged to leeward = viel naar lij af. Saga, seigd, Noorsche sage. Sagacious, sogeièds, scherpzinnig, schrander: âness. Sagacity, sogasili, schranderheid. Sagamore, sagjrhö, Indiaansch hoofd (N.Am.). Sage, seidz, subst. salie, wijze of wijsgeer (gew met een ironisch tintje); adj. wijs, omzichtig: âness = wijsheid; Sagy, seidzi, vol salie. Sagittal, sadzifl, pijlvormig; Sagittarius. ssLdzitêrids, Schutter (dierenriem); Sagittary. sadzitdri, subst. centaur, arsenaal te Venetic: adj. van een pijl; Sagittate, sadziteït, als de punt van een pijl. Sago, seigou, sago; âtree = sagopalm. Sago(u)iii, seigüin, Z. Am. aap. Sahib, samp;hib, woord waarmede Indiërs en Perzen Europeanen aanspreken. Said, sed, gezegd, gemeld: The â story = de gemelde geschiedenis; He may be â to |
man; ask = ask; farm = fiim; but = bwt; learn = l«n; line = lain; house = haus; net: care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; laa; = ló; lord = löd; hoy = bói:
SALT.
40!)
SAIL.
|
be honest = men kan zeggen, dat; Be it â = laten we zeggen. Sail, sell, subst. zeil, schip, zeiltochtje; The windmill âh = de wieken van den windmolen; The »liip made â = het schip zette meer zeilen bij, maakte zeil; We set â lor India = wij gingen onder zeil naar I.; The ship shortened â = zette mindei- zeilen bij; Strike â = strijk! The ship carried a press of â = had alle zeilen bij; A Heet of fifty â = vloot van vijftig zeilen (schepen); â verb, zeilen, stevenen, koers zetten, doorklieven, zwemmen, bevaren, glijden over: We set â for China = wij zetten koers naar; lie âs under false colours = hij zeilt onder valsche vlag, houdt zich alsof hij een ander is; She âed near (to) the wind in lier hoiisekeepinp; = ze overlégde het erg zuinig; She âs a Utile near the wind = haar gedrag kan er maar eventjes door, zij verwekt wel eens opspraak: So far all is plain âing = tot dusver gaat het vanzelf, is de zaak in orde; âcloth = zeildoek; â loft = groot vertrek voor het zeilen maken; âmaker = zeilmaker; âroom = bergplaats v. zeilen (in een schip); âyard = ra; âable = bevaarbaar; âer = zeiler, zeilschip; âinp; = het zeilen; âin^-master = zeilmeester; -ing-vessel = zeilschip; âless; âor = matroos: 1 am a poor âor = ik word gauw zeeziek: âorlike = als een matroos; ây = zeilvormig. Sainfoin, seinfoin, spurrie. Saint, seint, subst. heilige, zalige, heiligver-klaarde: The âs = de Mormonen (als ze van zichzelf spreken); He plays the â hij hangt den vrome uit: adj. heilig; â verb, heiligen, heilig verklaren, als een heilige doen, den vrome uithangen: St. Andrew's Cross = kruis in den vorm van een X: Anthony's lire = huidroos: St. Simoniaii = aanhanger van graaf de St. Simon; St. Vitus dance = St. Vitusdans; âcd = heilig-verklaard, zalig, vroom, heilig; âlike, âly = als een heilige, heilig: âlincss; âship = heiligheid. Sake, seik. zaak, reden, oorzaak, doel, wil: I do it for your â, for consciencc* â = om uwentwil, om den wil van het geweten; Forbear, for the â of tüod = laat af om Godswil. Saker, seikd, soort v. valk, klein stuk geschut. Saki, seiki, Z. Am. apensoort, Japansch bier. Sal,sa/, zout (slechts in samenst.): âgein = rotszout: âvolatile = vlugzout. Salaam, Sdlüm, subst. plechtige groet (bij Oosterlingen); â verb, plechtig groeten: âing courtiers = vleiende hovelingen. Salacious, saleiéas. wellustig: â talk = vuile praat; âness, Salacity, sdlasiti, geilheid. wellust. Salad, saldd, salade: Have you mixed the â ? = de sla aangemaakt;* The â was dressed = werd aangemaakt; âcream, âdressing = sla-aanmaaksel, salade-saus: My âdays are over = de jonge jaren zijn voorbij; --oil = slaolie; â ing = slagroenten; âist = sla-aan maker. Salade, salocl. Z. Sallet. Salamander, satomam/a, salamander: â's-hair, â's-wool = asbest; Salamandrine. |
Sdldmandrain, als een salamander, tegen het vuur bestand. Salary, safari, salaris, bezoldiging, loon; Salaried = bezoldigd. Sale, seil, verkoop, veiling, verkooping, vraag: The goods found a dull, a ready â. were dull, ready of â = slappen, vluggen omzet* â by auction = verkoop bij opbod: Deed of â* = verkoopacte: A house for â = een huis te koop: The house was adverti/.ed for â = werd te koop aangeboden: âroom = auctiezaal: âable = verhandelbaar, verkoopbaar, grif van de hand gaande: âsman = verkooper (in quot;t groot): âwork = werk om te verkoopen gemaakt. Salebrous, saldbras, ruw, oneffen; Salebro-sity, samp;lobrositi, ruwheid, onelfenheid. Sii\è\i,sald]). Saloop,Sd/ilt;/lt;, Salop,sa/o^.salep. Salford, salfod. Salian. seilion, tot de Salii, de priesters van Mars, behoorende. Salic, sal ik, Salisch; âlaw = Salische wet (ook Salique, salik of Sdlik). Salicylic, salisilik, uit den wilg getrokken; âacid = salicylzuur. Salient, uitspringend, uitstekend, merk waardig: The â points of hi.s lecture = de opmerkenswaardige gedeelten van zijne lezing; Salience. Sali ferous, sdlifar.is, Sal in iferous, salinifêrds, zout voortbrengend: Sa li li able, salifdiDb'l, een zout vormend; Salify = tot een zout vormen; Salina, s,)lain.i, zoutziederij; Saline, solain, Salinous. solahws, de eigenschappen v. zout hebbende; Salaine, sa/ai/t, zoutbron, purgeermiddel. Salisbury, sólzbri. Saliva, soluivd, speeksel; âI, âry, salirari, Salivous, sdlaivds, tot speeksel behoorende; âI ^iands = speekselklieren: â nt, saliv'nt, subst. en adj. speeksel opwekkend (middel); â te, saliveit, de afscheiding van speeksel bevorderen; âtion, saliveis n. het kwijlen, bevordering van speekselafscheiding. Salix, seiliks, de familie der wilgen. Sal iet, sal./t, lichte helm. Sallow, salon, bleek, ziekelijk, vuilgeel; âish = vrij bleek: âness. Sallust, saldst, Sallustius. Sally, sali, subst. bron, uitval,uitstapje,geestige uitval, onbezonnen daad, wilg, Saartje: The garrison made a â = deed een uitval; Sallies of wit = geestige zetten; â verb, een uitval doen; âport = uitval poort; âlun = soort van gebak of brood: The gaine of âWater = het spelletje âPatertje langs i den kantquot;. Salmagundi, SAlniogundi, mengelmoes, vooral van vleezen. ' Salmi, salmi, regout van gebraden wild met saus, wijn, brood, enz. ! Salmon, sanïn, zalm; âtrout = zalmforel; . â et = jonge zalm. Saloon, solün, zaal, gelagkamer (Am.), groote i kajuit. Salsify, salsifai, haverwortel. I Salt,subst. zout, geestigheid, vernuft, zout-' vaatje, matroos: Her father is an old â = I een oude zeerob; He is worth his â = hij |
bone = boun; full: fool = fül; é = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl: year = jia; long = loi^; ship = sip: occasion = okeiz'n: thin; thus = dhus; wine.
SANDWICH.
SALT-BOX.
410
|
is zijn kost waard; 1 have eaten his â = ik ben zijn (welkome) gast geweest; adj. zout, zilt, gezouten; â verb, zouten, pekelen: âbox = zoutvaatje = âcellar: âbutter = gezouten boter; âer = inzouter, zouthandelaar; âern = zoutkeet; âftali = zoutevisch; âing = het inzouten, aan het zeewater blootgesteld grasland; âisli = zoutachtig; âJunk = I pekelvleesch (voor schepen); â le«» quot;= zouteloos, laf; âlick = zoutbron (Am.); âly == met een zoutsmaak; âniaiHli = grasland, door zeewater dikwijls overstroomd; âmine = zoutmijn: âness; âpan =zoutpan; âpit = kuil waarin door verdamping zout verkregen wordt: âh = vlugzouten (tot opwekking of bijbrenging. waaronder vooral EpHOin âs = Engelsch zout); âspring = zoutbron: â water = zeewater; âwork(B) = zoutkeet: âv = met zouten smaak. gt;lt;aitant, salfnt, springend: Saltarello, snltd-rel011, Napelsche jdans(muziek); Saltation. Sdlteiè'n, het springen, kloppen of bonzpn: Saltatorious, saltdlórids, Saltatory, saltd-tdri, springend, kloppend; Saltigrnde = springend. Saltire, salt aid, teeken (op een wapenbord) in vorm van een X- Saltpetre, sóltpitd, salpeter: SaltpetroiiH, solt-pitros, vol salpeter, als salpeter. Salubrious, sdlübrids, heilzaam, gezond: âness = Salubtüty = heilzaamheid. Salutary, saljutdri, heilzaam, weldadig, voor-deelig. gezond: Salutariness; Salutiferous, sa Ij h ti fdres, hei laan brengend. Salutation. .sa//«?e«sn, groet, begroeting: She kissed him on both cheeks and he returned the â; They parted in their â less nianner = zij scheidden op hunne gewone manier: zonder elkander de hand te drukken, etc.: Salutatory, sdJjütotdri, begroetend, verwelkomend; s'alnte, sdljüt, subst. groet, begroeting, kus, saluutschot of salvo; verb, begroeten, groeten, kussen, eereschoten lossen, buigen; Saluter; Samp;lutiferous â gezondheid bevorderend. Salvabliv, saludb'l, zaligmaakbaar; Solvability = mogelijkheid zalig te worden = âness: Salv age, salvidz, berging (van goederen of schepen uit brand of storm), de premie daarvoor, het geredde; Salvation = redding,behoud, zaligheid; Salvation-army = heilsleger; Salvationist = lid v. het heilsleger; Salvatory, salvdtsri. veilige bewaarplaats. Salve, sAv of salv, zalf,- balsem, tegengif; â verb, genezen, zalven, helpen. Salver, salvd, schenkbord, presenteerblaadje. Salvo, salvou, uitvlucht, verontschuldiging, exceptie, salvo, algemeen gejubel. Samaria, sdmêrid, Samarië; Samaritan, ssma-riVn, subst. en adj. Samaritaan(s ;h), liefderijk (mensch), barmhartig(e). Sambo, sambou, (kind van) neger (en mulat). Same, seirn, zelfde, pas vermeld: It is all the â to ine = mij precies 'tzelfde; The very â boy = precies dezelfde jongen: At the*â time* = terzelfdertijd; lie is much the â as you = vrijwel zoools gij; âness = gelijkheid, eentonigheid. Samiel, seimidl, samoen (verstikkende wind). Samite, samait, rijke fluweelen (zijden) stof. i |
Samlet, samlet, jonge zalm. Sam(my), sam{i), Samuel. Samos, seimos, Samos; Samian, seimidn, van Samos. Samoyed, Sdmoujdd, Samoyeed. Samp, samp, gestampte en gekookte maïs. Samphire, samfaid, zeevenkel. Sample, sAmp'l, subst. staal, monster, model; verb, stalen aanbieden of nemen; âroom = kroeg (Amer.); This Is a fair sampling ol' the complete work = dit gedeelte geeft eene goede voorstelling van het geheel; âr = exemplaar, letterdoek, borduurlap. Sauison, sams'n, Simson; Samuel, samjudl. Sanable, sarja///, geneesbaar; âness,.sV/Ma6i-lity = geneesbaarheid; .Sanative = genezend; Sanativeness = geneeskracht; Sanatorium, sanotóriam, verblijf voor de gezondheid; Sanatory = heilzaam, genezend. San benito, sixnbanttou, mantel van door de Inquisitie veroordeelden (op hun weg naar den brandstapel). Sanctification, sz.r\ktifikeisn, heiligmaking, wijding; Sanctify = heiligen, wijden, van zonde reinigen, rein houden; Sanctified = geheiligd, gewijd, heilig, schijnheilig; Sanctïf'xer â heiligmaker: The Sanctilier = de H. Geest; Sanctimonioiis, SM\ktimonnics, schijnheilig, huichelachtig ; Sanctimony , sar\ktimdni, (schijnheiligheid; Sanction,' saixks'n, subst. bekrachtiging, gezag; verb, bekrachtigen, steunen, goedvinden; Sanctionary measure == bekrachtigende maatregel; Sanctitnde, sai]ktitjüd, heiligheid; Sanctity = heiligheid, plechtigheid, reinheid, heilige: Sanctuary. sanktjuari, heilige plaats, heiligdom, altaarpfek (in ëene kerk), toevlucht, schuilplaats: He took sanctuary there = hij nam daar zijne toevlucht, zocht er eene schuilplaats; Sanctum = gewijde plaats; Sanctum-Nanctorum = het heilige der heiligen, heiligdom, kabinet; Sanctus, = deel v. het avondmaalsformulier; Sanctus-bcll = bel geluid bij het plechtige gedeelte der mis. Sand, sand, subst. zand, leven, levenstijd; âs = zandstreek, zandwoestijn: The mutable âs of the seashore = het drijfzand aan de zeekust; He wants to nuniber âs = hij wil de droppels in de zee tellen; A grain ol' â = zandkorrel; Small â = schuurzand: â verb, met zand bestrooien, op het zand zetten; âbag = rraodzak; âbar = versperring van zand (in rivieren): âbank = zandbank; âbath = zandbad; âblast = methode v. glas snijden en graveeren; âblind â stikziende; âbox = zandkoker; âboy, âhopper = de vlookreeft: As merry as*a âboy = zoo dartel als een jong*paard: âcrack = hoefwond; âeel = zandaal; âpaper, subst. schuurpapier; verb, polijsten, gladwrijven; âstone = zandsteen; --pit = zandgroeve; âed = met zand bedekt, zandig, rossig; ây = zandig, rossig; âisli = zandachtig. Sandal, sand'l, sandaal; âwood, Sanders = sandelhout: âled = met sandalen, sandaalvormig. Sandiver, sandivd, glasschuim. Sandwich, snndwits, subst. dunne sneetjes brood met vleesch er tusschen; â verb. |
man; ask = ask; farm = tam; bat â but; learn â Iwn; line = lain: hoitse = hans; net; care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = 16; lord = löd; bo*/ == boi:
SATISFACTION.
411
SANDY.
|
tusschen andere dingen plaatsen : 1 would not be âed between two sueli men = ik wou niet met zulke twee mannen denderde zijn; The article was âed between a poem and a story = het artikel werd tusschen een gedicht en een verhaal ingeschoven; âman = wandelende advertentie (bord voor en bord achter). Sandy, sandi, kort voor Alexander. Sane*, sem, gezond van geest; ânews = Sanity, saniti. San FranciHco, sanfr'nsiskou, soms verkort tot Frisco, friskou. Sang, sar], imperf. v. to si my. Sangare, safari, wijn met water en suiker of kruiderijen. Sanguiferoim, sangwifdrds, bloed vervoerend: â vessel» = bloedvaten; Sangnificiitioii, sixngwifikeisn, verandering v. chijl in bloed; Sangnilier, sangwifaiz, bloedvoortbrenger; Sang ui fy = bloed voortbrengen; Sanguinary = bloedig, moorddadig, wreed; Sanguine, sanywin, subst. bloedkleur; adj. bloedrijk, bloedrood, opgewekt, vurig, vol vertrouwen; verb, met bloed bevlekken, bloedrood verven; Sanguineous, sar?//win/as, bloedrijk,bloedrood, van bloed; Sangiiinivorous, snngwinivdras, van bloed levend; Saiigiiisuge, sangwisiüdz, bloedzuiger. Sanliedrim, sanhddrim, oppergerechtshof der Joodsche natie. Sanicle, sanik'l, wondkruid. Sanies, seiniiz, dunne roode etter: Sauioiis, seinids, etterig, etterend. Sanitarium, sanitêridm, gezondheidsverblijf; Sanitary (laws) = gezondheids(wetten): Sanitation = het uitvoeren van gezondheidsmaatregelen, hygiène. Sank, sar\k, imperf. van to sink. Sanngasiii, sangasin, Hindoesch kluizenaar. Sans, sanz, zonder. Sanscrit, Sanskrit,sanzfcr^, Sanskriet; âist. Santon, sanVn, Turksch heilige, derwisch. Sap, sap, subst. sap, vocht, spint (v. een boom), levensvocht, bloed, soort van loopgraaf; â verb, vernietigen, onvast maken, ondermijnen, verzwakken: This âped him of all mental aiifl physical strength = dit beroofde hem v. alle ziels- en lichaamskracht: âcolour = uitgeperste plantaardige verfstof; âgreen = verfstof uit het sap der sleedoornbes: ârot = vermolmd hout; âtube = vat of buis voor bet doorlaten van sappen: âwood = spint (v. een boom); âless = zonder sappen, droog: âling = jonge boom of plant; âper = sappeur: âpy = sappig, saprijk, onvast. Sapid, sapid, smakelijk, geurig; âness. Sapidity. Sapience, seipfns. wijsheid: Sapient = wijs, scherpzinnig. Saponaceous,sapanetsas, zeepachtig; Saponification, saponi/ikeisn, verandering in zeep, oplossing van ether in een zuur of alcohol; Saponify, sap on//ai, in zeep veranderen. Sapor, sèipd, geur, smaak: âilic, sapdrifik, smaakaanbrengend; âous, soparas, smaakhebbend, smakelijk; âosity, sapdrositi, smakelijkheid. Sap(p)an, sapan, sapanhout (Z.-Azië). Sappho, sa/ba, Sappho; Sapphic, sa fik, Sapphisch. |
Sapphire,sa/aja, saffier; Sapphi rine, sa/* ram, als saffier. Saraband, saraband, Spaansche dans, statige muziek. Saracen, saras'n. Arabier, Saracener. Sarah, sera, Sarah. Sarcasm, sükdzm, bijtende spot of scherts; Sarcastic = bits, schamper. Sarcenet, sasnat, tafzijde, armozijn. Sarcocarp, sükakïip, vleezig vruchtdeel: Sarcoid, söAV'a/, op vleeschgelijkend: Sarcoline, sükdlin, vleeschkleurig: Sarcology, sakolddzi, wetenschap v. de vleezige doelen des lichaams; Sarcophagous, sakofdgas, vlceschetend: Sar-cophagy,saAo/at/r/,vleeschvoeding:Sarcotic, sa 'subst. en adj. vleesch vormend (middel). Sarcophagus, sakofagas, steenen doodkist. Sard, sad, soort v. quartz (bloedrood). Sardine, sddin, sardine (vischje): We were in the carriage as close as âs in a hox â wij zaten zoo dicht opeengepakt als haring in de ton; â sandwiches. Sardinia, sridinja, Sardinië; ân, subst. en adj. (bewoner) van Sardinië. Sardonic, sndonik, gedwongen vroolijk, bitter, grijnzend, grinnikend: â laugh = grijnslach: A â young fellow = een grinnikend ventje; Sardonian, sridounj'n,grijnzend, bitter. Sardonyx, sadoniks, varieteit v. agaat. Sarlac,*slllak, rundersoort van Thibet. Sarmatia. sümeisa, Sarmatië: ân. Sarmentiim, samenfm, rank of uitlooper; Sarmentose, samen to us, Sarnientoiis, sa~ rnentds, met ranken, rankvormig. Sarplier. saplia, paklinnen. SarsaCparilla). siisa(paHla), sarsaparilla. Sartor, silla, kleermaker, lapper; âial,satórial, i adj. kleermakers.... Sash, sas, subst. sjerp, gordel, raam; â verb, v. ramen voorzien; âwindow = schuifraam. Sa sin, süsin, Ind. antilope. Sass, sas, aanprijzing, lof. Sassafras, sosa/ras. sassafras. Sassenach, sasanak, Sakser (naam door de Kelten aan de Angel-Saksers gegeven). Sat, sat. imperf. en p. p. van to sif (ook Sate, sat of seit, als imperf.). Satan, seitan, Satan, duivel: âie, satanik, Satansch, helsch, duivelsch: âism = Satansche boosaardigheid of slechtheid. Satchel, satamp;l, zakje, schooltasch. Sate, seit, verzadigen; âless = onverzadigbaar: Satiable, seiëdb'l, verzadigbaar; Satiate,sei-5eir, adj. verzadigd: â verb, verzadigen; Satiation, Satiety, sataiati, volheid, verzadigdheid. Sateen, satin, satinet. Satellite, satalait. satelliet, wachter, trawant, achternalooper; Satellitions, satalisas, opeen satelliet gelijkend. Satin, satin, subst. satijn: adj. satijnen, als satijn; âpaper = satijnpapier; âspar = biscuit (soort v. gips); âwood = citroenhout; âet, satinet, satinet: ây = gelijk satijn. Satire, sataia, satire, 'hekelschrift, scherpe ! opmerking: Satiric(al), satirik^l), satirisch, i hekelend; Satirist = hekelschrijver; Satirize, satinxiz, hekelen. Satisfaction, satisfakê'n, voldoening,betaling, j genoegen, overtuiging; Satisfactory, satis- |
bone = boun; ful; fooi = fnl: d = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; ?/ear = jia: longr = loi^; s/iip â sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dims; wine.
SATISFY.
412
SAY.
|
faktdri, voldoende, geruststellend, genoegen gevend; Satisfy, satisfdi, voldoen, tevreden stellen, gerust s'tellen, verzekeren, overtuigen: Tlietie coiulitioiiH the NtateHinau must HatiHly to ('oiiiiuaiid public coiifidciice = aan déze voorwaarden moet een staatsman voldoen, wil hij het algemee;.e vertrouwen genieten; I am satisluMl that it was duly explained to you = ik ben overtuigd dat het jullie behoorlijk is uitgelegd: Siitisfiable, saïis/aiaamp;V, die te voldoen is; Siitislier. Sative, seitiv, gezaaid. Satrap, seilvdp, satraap; ây = satraapschap, provincie. Saturable,satjurdb'l,verzadigbaar; Saturaiit, satjur'nt, verzadigend; Saturate, satjurelt, geheel verzadigen of vullen, overal doortrekken; Saturation. Saturday, satedeï, Zaterdag. Saturn, safón, Saturnus; âalia, sztdneiljd, Saturnusfeest, dolle pret of vroolijkheid; âaliau = dol, los, losbandig; âiau, Sdtunfn, van Saturnus, gouden, gelukkig, rein, dof, looden; âine, satenain, zwaarmoedig, dof, somber; âist = somber mensch. Satyr, sa^,satir, boschgod; âic(iil), sotirikCl), van satirs. Sauee, sós, subst. saus, onbeschaamdheid, brutaalheid: Won't give me â = wees niet brutaal tegen mij; liun^er i« the best â = honger is de beste kok: â verb.sausen,geurig maken, kruiden, brutaal aanspreken, âzijn vetquot; geven; âboat = sauskom; âbox = brutale vent; âpan = sauspan, stoof- of braadpan: âr = schoteltje, sauskommetje: Sauey, sö.si, onbeschaamd, brutaal; Saueine.ss. Saucisse, sósis, groots takkenbos, kruitbuisje (om de lading te doen ontbranden). Sauerkraut, sauokraut, zuurkool. Saunter, sónta. subst. en verb, (het) rondzwerven. drentelen, slenteren, talmen; âer = â treuzelaar, drentelaar. Sauria, sório, de krokodilachtigen; ân, subst. hagedis; adj. gelijk de Sauria, of daartoe be-hoorend. Sausage, sosidz, saucijs, worst; âmeat = saucijzenvleesch; âroll = saucijzenbroodje; Bologna â = saucis de B. Sauterne, soutün, soort v. witte Bordeaux. Savable, seivdtfl, wie of wat te redden is. Savage, savidz, subst. en adj. woest, wild, ongetemd, barbaarsch, wreed (mensch); âness = âry; Savagism, savidzizin, barbaarsche toestand. Sa vanna(h), sovand, groote gras vla kte(tropisch Amerika). Save, seiv, verb, behouden, bewaren, redden, zalig maken, (be)sparen, voorkomen, beveiligen, vangen of pakken: In great haste to â the post = in haast om de post te halen; â the mark = 't is God geklaagd. God betere 't; God â the queen = leve de konmgin! A penny âd is a penny gained = een stuiver gespaard is een stuiver gewonnen; You can â a mile by taking this road = eene mijl uitwinnen; l'have âd my bacon = ik ben er goed afgekomen; You must do something to â appearances â = om den schijn te redden; â me IVom myself = behoed mij voor mijzelf; What sliall 1 do to , be âd? = om zalig te worden; prep.behalve, uitgezonderd; âall = profijtertje, bijzeil; âr = spaarder, redder; Saving, subst. uitzondering, besparing, voorbehoud; adj. reddend, zuinig, zaligmakend, voorbehoudend: Saving is having and saving is no sin = wie wat spaart beeft wat; prep. behoudens, behalve, met alle respect voor: Saving your hononr = met alle respect voor ÃEd.; Savings = spaarpenningen: Savingsgt;bank = spaaarbank: Savings-bank book = spaarbankboekje; Savingness = zuinigheid. |
Saveloy, savloi, gekruide varkensworst. Savin(êgt;, savin, zevenboom. Saviour, seivjd, redder. Zaligmaker. Savory, seivori, boonenkruid. Savour, seivd, subst.geur, smaak, kenmerkende eigenschap; â verb, een bij zonderen geur of smaak hebben: It âs of ginger = het smaakt naar gember; ây = smakelijk,geurig; âles» = smakeloos. Savoy, sdvói, Savoye, savoyekool; âard. SiiVdjUd, Savoiaard. Saw, su, imperf. van to see. Saw, só, subst. zaag, gezegde, spreekwijze, spreekwoord, spreuk; â verb, zagen, heen en weer gaan; Circular â = cirkuleerzaag; â blade = zaagblad: âbones = spotnaam voor een chirurg; âdust = zaagmeel,zaagsel: These books are as âdust in the mouth = deze boeken zijn door en door saai en droog; âlish = zaagvisch; âleaved = met getande bladen; âmill = zaagmolen; âpit =zaag-kuil; âset, âwrist = tandzetter (werktuig om de tanden eener zaag beurtelings buitenwaarts te zetten); âder (verbastering van solder) = gewauwel, gebluf, vleierij: They put me olf with soft âder = met mooie praatjes afgescheept, met een kluitje in 'triet gestuurd; âyer = zager, een door den stroom medegevoerde boom (Amer.). Sawn(e)y, sóni, spotnaam voor een Schot, verkorting van Alexander. Saxatile, sakseta.il, te midden van rotsen levend: Saxicavous, saksikeivds, steen uithollend; Saxifrage, saksif'r(e)idz, steenbreek (plant). Saxon, saks'n, subst. en adj. (Angel)sakser. Angelsaksisch(e taal); ây = Saksen: Upper, Lower ây = Opper-, Neder-Saksen: âblue = Saksisch blauw (indigo); âdom = Saksen-land, nakomelingen der Angelsaksers. Saxophone, saJcsofn, Saxophone (muziekinstrument). Say, sei, subst. verhaal, bewering, rede: Let hi'm have (say) his â = laat hem uitspreken, zijn gang gaan; â verb, zeggen, vertellen, herhalen, aanvoeren, onderstellen, beslissen: ! say, waiter = Aannemen!; 1 say, my boy = zeg er eens. jongen; He said li'is lessonn. prayers = zeide zijne lessen, gebeden op: â your â = zeg wat ge op het hart hebt: To*â mass = de mis lezen; âten shillings = laten wij zeggen; â that he would go = aangenomen: You don't â so = och kom!: lie said it to my face = hij zei het mij in mijn gezicht; As quot;it âs in the bible = zooals er in den bijbel staat; On p. 25 it âs = op pag. 25 lezen wij; That isâing a good deal. inucli = dat zegt wat, is veel gezegd: He has not much to â for himself = is niet |
man; ask = ask; farm = fiim; b/tt â but; learn = Iwn; line == lain; house = haus; net: care = kè»; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv = lö; lord = löd; hoy = ból;
SCARAMOUCH.
SAV.
413
|
erg spraakzaam, kan zich niet verdedigen; Do you mean to â that you ^vould â mo hay? = woudt ge zeggen, dat ge mij woudt weigeren; â me the poem that you made = zeg het gedicht, dat gij gemaakt hebt, eens voor mij op: What do you â to that = wat dunkt u daarvan: âing = gezegde, uitdrukking, spreuk, spreekwoord: The âiugis, that.. . = men zegt, dat; As the âiiiR 1« = zooals men dat noemt (zegt), âzal ik maar eens zeggenquot;; There i» no âiiiR what he will do = men kan onmogelijk zeggen. Say, sei, beproeven, essayeeren: To give the â = vóórproeven (voedsel, wijn, etc.). Seab, skab, roofje (op heelende wonden), schurft, vuile kerel, werkman die niet aan eene werkstaking wil meedoen: âbed, sknbcl of skabid, schurftig, laag, vuil; -by = schurftig; âbines» = schurftigheid; â ie's, skeibiiz, schurft; â iou», s kei bi os, schurftig, ruw, me-laatsch; âroos, skeibrds of skabrss. ruw, oneffen. Scab hard. skabdd. subst. scheede; â verb, in de scheede doen. Sead, skad, elft. Seairold, s kaf ld, subst. schavot, steiger, stellage; â verb, van steiger of stellage voorzien; âing = steigerwerk, steigerhout; â ing-pole = steigerpaal, juffer. Sea^liola. skn/jiould, hard pleisterwerk, als imitatie-marmer geverfd. Scalable, skeiteUl, wat beklommen kan worden. Scalarilorm. skdlêrifóm, laddervormig. Scalawag, «Ara/awagr, deugniet, rakkerd. Scald, skóld, subst. brandwonde, hoofdzeer, oud Noorsch dichter; adj. schurftig, met huid-zeer; â verb, met heete of kokende vloeistof branden, aan groote hitte blootstellen: It ih âing hot = gloeiend of brandend heet; âie = skaldisch. Seale. skeil, subst. schaal, Weegschaal(dieren-riem), schub, opperhuid (van slangen, enz.), dun laagje, schilfer, ladder, trap, voortgaande reeks, opklimming, basis van een talstelsel, toonschaal: Sliding â = veranderlijke maatstaf; â price = tarief voor advertentiën. etc.: On a large, small â = op groote, kleine schaal; By ii - of = op de schaal van; l'air óf âm = weegschaal: That will turn the â = dat zal de schaal doen overhellen: âarmour = geschubd harnas; â verb, afschilferen, van de schubben ontdoen, wegen, met stormladders beklimmen, steunen (van ladders), opklauteren: This paint will not â = schilfert niet af; The tusks oi* the elephant âd 1 don't know what = de slagtanden van den olifant wogen ik weetniet hoeveel; âd = geschubd; âles» = zonder schubben: âr; Scaly = schubbig, gierig, kaal, vrekkig: Sealy-winged = schub vleugelig; Scaliness: Sealing ladder = stormladder. Scalene, skdlin. ongèlijk, schuin: â triangle = ongelijkzijdige driehoek. Scall, s'kól, subst. schurft, melaatschheid, hoofdzeer; adj. laag, verachtelijk: âed-head = ringworm, dauwworm ; âheaded. âpated = met een zeer hoofd: âed = schurftig. Scallion, skalfn, varieteit van de sjalot. Scallop, skalap, subst. schulp, schelp, wijkplaats, bocht; â verb, uitschulpen; âed = uitgeschulpt, met eene geschulpte schelp, gebakken met broodbruimels, melk, etc. (van oesters). |
Scalp, ska lp, subst. schedel, schedelhuid, hoofdhuid (rnet het haar), haarbosje op de kruin van het hoofd; â verb, scalpeeren; â ing-knife = scalpeermes; âer = wie scalpeert. Scalpel, skalpl, ontleed- of opereermes. Seambler, sk(i))d)h, tafelschuimer, klaplooper. Scamp, skamp, subst. schelm, vlegel, bedrieger; â verb, zorgeloos doen: We do not â our work at the Savoy = we loopen er aan het S.-theater niet luchtig overheen. Scamper, skampd, subst. overhaaste vlucht: â verb, rennen, overijld vluchten: They âed across country = zij vluchtten over heg en steg. Scan. skan, scandeeren, nauwkeurig onderzoeken. Scandal, skamVl, subst. aanstoot, schande, smaad, laster: He lies under a â = hij is belasterd; She caused, raised a â in the village = zij gaf aanstoot of ergernis in het dorp; â verb, ergernis geven, lasteren: He is a âmonger, âmvnga = lasteraar; That turns biography into âmonging = dat maakt van eene levensbeschrijving eene âchro-nique scandaleusequot;; âize = ergernis geven, lasteren, te schande maken; âous = schandelijk, lasterlijk; âum inagnatum, sAam/Wm-mayneiV}n, majesteitsschennis. Scandent, skand'nt, klimmend (zooals klimop). Seandian. skandfn, Scandinavisch; Scandinavia, skandineivjd, Scandinavië; ân, subst. en adj. Scandinavisch(e taal), Scandinaviër. Scansion, skanamp;n, het scandeeren. Sennsores, skansóriz, klim vogels; Scansorial, subst. klimvogel: adj. klimmend. Scant, skant. adj. karig, schraal: You do â Justice to that genius = gij laat dat genie maar even recht wedervaren: â verb, bekrimpen, beperken, met mondjesmaat toemeten, bezwijken, minder worden; ây = schaarsch, bekrompen, onvoldoende, gebrekkig: Their ây fare = hunne schrale en onvoldoende kost; âness, âiness. Scantling, skantUn, voorbeeld, model, patroon, kleine hoeveelheid, ruwe schets, plank, maat-plank, balk. Scape, skeip, subst. bladlooze stengel met vruchtbeginsel: â verb, ontsnappen (alléénjn samenst): âgallows = galgebrok; lie was made a âgoat to save his party = hij werd tot den zondebok zijner partij gemaakt: He is a âgrace = deugniet. Scaphoid, skafoid, bootvormig. Scapple, skap'l, gelijkhouwen (van een steen). Scapula, skapjulo, schouderblad; âr, subst. schouderlap (deel van een priesterkleed); adj. tot den schouder of tot het schouderblad be-hoorende; â rs = rugveeren van een vogel: âry, skapjuldri, schouderlap. Scar, skri, subst. litteeken, schram, wond, soort v. baars, rots, klip, steilte; â verb, met litteekens bedekken, een litteeken of wond vormen. Scarab, skavob, tor, zegel of juweel in torren-vorm: âaeus, skiirdbids, torrensoort. Scaramouch, skaramüS. hansworst, bluffer, lafaard. |
bone = boiin; full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: //ear = ji9; lowg» = loi^; s/iip = sip; occas/on = okeiz'n; thin; thns = dhvs; wine.
SCHOOL-MISTRESS.
SCARBOROUGH.
414
|
Srarbormigli, skübara. Scarce, skêas. schiiarsch, zeldzaam: Make yourself â, before 1 make y* \i âr = ga heen, vóór ik je er uitgooi; âly had lie done it when I collared him = hij had het nauwelijks gedaan, of ik had hem bij den kraag; âly ever = bijna nooit; âly anybody, anything = bijna niemand, niets; ânesH = Scarcity, skêdsiti. Scare, skêd, subst. plotselinge schrik, paniek; â verb, verschrikken: They would not be parted, and 1 could not ar^ue them free of that â = zij wilden niet gescheiden worden, en ik kon hun die dwaasheid niet uit het hoofd praten; âcrow = vogelverschrikker, dwaze schrik. Scarf, skcif, subst. sjaal, (soort v. hals)doek, sjerp, ceintuur, lassching,onderscheidingsteeken der hooge geestelijken: â verb, losjes gooien over, blinddoeken, lasschen (van hout); â(â¢Â«kin) = opperhuid; âpin = doekspeld; â ing = het lasschen met zwaluwstaarten.' Scarify, skêrifni, de huid kwetsen of snijden (om bloed te krijgen), koppen zetten, omwerken van den bovengrond, kwellen, meedoogenloos hekelen; Scarification = het koppen zetten, etc.; Scarifier, skêrifaid, wie of wat wondt, kwelt, etc.: 1 have relieved my indisnant HOiil with a scarifier = ik heb mijne verontwaardigde ziel lucht gegeven in eene scherpe kritiek. Scarlatina, skamp;ldttnd, scharlakenkoorts; Scarlet, skdldt, subst. scharlakenkleur, scharlaken kleed: They went to Paris and painted the town a vivid â = zij gingen naar Parijs en hadden daar jool; adj. van scharlaken,purperrood; Sc»riet-beali, Scarlet-runner = pronker (soort v. snijboon); Scarlet-fever = scharlakenkoorts, roodvonk. Scarp, s/cap, subst. (bijna) loodrechte helling, (schouder)sjerp; â verb, eene schuine helling vormen. Scarus, skêros, soort v. zeebaars. Scatch, skatê, kapgebit; âes = stelten om door vuile plaatsen te waden. Scathe, skeidh^snhst. nadeel,schade,beleediging; â verb, benadeelen, beleedlgen, vernietigen. Scathing;, skeidhiT], nadeelig, schadelijk, zéér scherp en streng, vernietigend. Scatter, skatd, in 't rond strooien, verspreiden, weggooien; lie is a âbrain = hij is een dolle, gedachtelooze vent; She gives him but a âbrained aitention = zij schenkt hem slechts verdeelde aandacht; The â ings = de in het rond gestrooide of verspreide dingen; âling = woesteling, dolleman. Scavenger, skav'nzd, straatreiniger; The âing is excellent in this town = de straatreinigingsdienst is hier uitstekend in orde. Scenario, ëdndriou, tekstboekje, uitvoerig programma. Scene, sin, tooneel, tafereel, vertooning, deco-ratie(s), coulisse, opgewonden wijze van doen: Don't make a â here = geen drukte alstublieft; Behind the âs = achter de coulissen of schermen: Side â = coulisse: âpainter = tooneeldecoratieschilder; âry = tooneel, natuurtafereel, decoraties: Was not the âry grand? = vondt ge de decoraties niet prachtig; Scenic(al), sâ¬nifc('0ofsenikCl), dramatisch, tooneelmatig; Scenographic, sinografik, in perspectief, doorzichtkundig; Scenography, sinogre/ï, doorzichtkunde. |
Scent, sent, subst. geur, reuk, reukzin, speur-jacht, vervolging, spoor; â verb, ruiken, (door)geuren: You are on the right â = op het goede spoor; A â of rose-leaven filled the room = eene lucht van rozebladeren doorgeurde de kamer; âless; âbottle = reuklleschje; âbox = eau de reine-doosje; â fonntain = spuitreukfleschje. Sceptic, skeptik, twijfelaar, twijfelzuchtige; â(al) = twijfelzuchtig; âism, skeptisizm, twijfel, ongeloof, twijfelarij; â ize = aan alles twijfelen. Sceptre, septd, subst. staf, scepter, koningsmacht; â verb, met scepter of macht be-kleeden; âd = den scepter voerend, vorstelijk. Schaffhouse, ëaflmus, Schalïhausen. Schah: Scheikh. Zie Shah. Sheikh. Schedule, èedjiil, sedjïil, subst. ceel of cedel, lijst, inventaris; â verb, op eene lijst plaatsen. Scheldt (The), f/ZwsAe/ï, de Schelde. Scheme, skim, subst. stelsel, plan, voornemen: They laid a â against his life = beraamden:* verb, plannen maken, ontwerpen, beramen; âr= plannenmaker; Scheming, subst. plan; adj. overleggend, beramend; Schema-tism, skimdtizm, schets of schema; Schema-tist = plannenmaker. Schism, sizm. scheuring, verdeeldheid; âatic, sizmatik, subst. scheurmaker; adj. gaarne scheuringen maken = âatical; âless = zonder scheuring, eendrachtig. Scholar, skoh, subst. leerling, geleerde: He is a good classical â = hij is uitstekend in de klassieke letterkundige wereld thuis; âly = âlike = als een geleerde, geleerd: This is a âly prodnclion = dit is een geleerd werk; âship = geleerdheid, opleiding, onderwijs, studiebeurs (aan de academie): Scholastic,sA-a/asfiA:, subst. schoolsch geleerde (die tot de scholastieken behoort); adj. schoolsch. scholastisch; Scholasticism = schooischewijsbegeerte (Middeleeuwen); Scholiast, skoulidst, schrijver v. commentaren (vooral bij klassieken); Scholiastic; Scholium, skoulldm, kantteeke-ning, verklarende aanteekening bij een klassiek schrijver door de vroegere grammatici. School, sktil, subst. school, seminarium, leer. examenlokaal (aan de hoogeschool): Elementary â = school voor lager onderwijs; Charity â = armenschool; Cgt;rainniar â = Latijnsche school, gymnasium; lie put ine to â = hij heeft mij op school gedaan; He will tell no tales out of â = uit de school klappen; When â is over = als de school uit is (Zie ook Board); â verb, leeren, onderwijzen, oefenen, beknorren, vermanen: âbag = schooltasch; âboard = schoolraad, schoolcommissie; âbook = schoolboek; âboy = schooljongen; âdame, â ina'ani = schooljuffrouw, schoolmamsel (Amer.); âdivinity = schooische godgeleerdheid; âfellow = schoolkameraad; â house = schoolgebouw, onderwijzerswoning: âman = schoolsch geleerde (wijsgeer), academisch gevormd man; âteacher = onderwijzer = âmaster; âmistress = hoofd of onderwijzeres van eene school. |
man; ask = Ask; farm = fiim; b?tt = but; learn = Km; line = lain; hemse = haus; net: care = kè^; fate = feit; tin; asleep = asllp; not; \aw = lo; lord = Hid; boy = boi:
SCORZONERA.
SCHOONER.
415
|
Schooner, sküro, schoener (schip), bierglas. SclioftiM(c)li(e). èotis, soort v. polka. Sciagraph, saiograf, doorsnede v. een gebouw. Sciatica, saiatikd, heupjicht; Sciatic = de heup betrelïende, daartoe behoorende. Scicnce, saions, wetenschap, kennis, kunde: Natural â = natuurwetenschap; Pure â = wiskunde;Since âteaching was introduced into the board-HchoolH = sedert de natuurwetenschappen in de lagere scholen (in Engeland) worden onderwezen: Scientific, saian-ii/iA-, wetenschappelijk, geleerd; Scientist. saidntist, geleerde (vooral in de natuurwetenschappen, in het bijzonder de scheikunde). Scilicet, sailiset. namelijk, te weten. Scill.v iHland» (The), dhdsiliniVndz. Scimitar, Sciniiter, simitd, Oostersche korte kromme sabel. Scintilla, sintild, vonkje, greintje, schijntje: There i» not a â of evidence lor it = er is geen zweem van bewijs voor; ânt = vonkelend, vonken schietend: âte, sintileit. vonkelen, flikkeren, vonken schieten; âtion, sintileis'n. flikkering, vonk. ScioliHin, saidlizrn, halve wetenschap of geleerdheid: ScioliHt = halve geleerde: Scio-Ioiih, satelos. oppervlakkig. Scion, saidn, ent, spruit, erfgenaam. Scioptric, Scioptic, saiopt{r)ik. tot de camera obscura behoorende; Sciopticon, saioptik'n. soort van tooverlantaarn voor lichtbeelden: Sciopticw, saioptiks, het brengen of vertoonen van lichtbeelden in eene donkere kamer. ScirrhoMity, skirositi, harde klier, verharding; ScirrhoiiH = hard. verhard, met klierverhar-ding; Sc in luis = harde klier of kanker (in de weeke deelen). Sci«8i(h)le, sisi(l/)l, snijdbaar. Scissor, sizd, snijden (met eene schaar): âs = schaar: A pair ol' âs = eene schaar: âs and paste = onzelfstandig werk. vooral bestaande uit aan elkaar geplakte uitknipsels; âs-grinder = scharenslijper. Scissnre. sizd, langwerpige opening of snede, scheur, spleet. Sciurine, satwrain, tot de eekhoorns behoorende. Sclav, sldv, enz. Zie Slav, enz. Scleiunna, skliromd. verharding van het celweefsel : Sclerotic, sklirotik, subst. hoornvlies: adj. hard; Sclerotitis, sklirdtaitis, ontsteking van het hoornvlies. Scobs, skobz, vijlsel, afzaagsel. Scod', skof, subst. schimp, bespotting: â verb, beschimpen.bespotten, uitlachen: lie has âed at my trade = hij heeft mijn beroep bespot; âer: â ing. Scold, skou ld, subst. helleveeg, feeks, ruzie, standje, uitbrander; â verb, uitschelden, kijven, een uitbrander geven; âer; âing: lie got a severe âing = hij kreeg een ernstigen uitbrander: A âing fellow = standjes makende, knorrende kerel. Scolex, skouldks, larve van den lintworm. Scollop, skoldp: Zie Scallop. Scolopendra, skotependrd, duizendpoot; Sco-lopendrimn, skoldpendridm, soort v. varen. Scomber, skombd. makreel. Sconce, skons, subst. bedekking, bescherming, armblaker (aan den muur, b.v.), kaarshouder |
(in een blaker), bolwerk, hoofd, schedel, hersens, boete (aan de hoogeschool); â verb, insluiten, verbergen, versterken,beboeten,a Heiden. Scone, skoim, subst. Scholsch ijzerkoekje. Scoop, sküp, subst. potlepel, schop, emmer (van eene moddermachine), schep: â verb, uithoozen, uitscheppen, uithollen, bij elkaar schrapen (met up): They âd for him a* shallow grave = zij dolven hem een ondiep graf; A âed-ont turnip = uitgeholde raap; ânet = sleepnet, baggernet; âwheel = scheprad met emmers (bij moddermachines); âer = wie of wat uitholt. Scope, skoup, plan, doel, voornemen, omgang, vrij spel, gelegenheid, uiting, vrijheid: I gave him free (full) â = ik gaf hem alle vrijheid, volkomen vrij spel: That's not within our â = in ons bereik. Scopiforin, skoupifjSm, borstelvormig. Scorbutic, skobjütik, subst. iemand, die aan scheurbuik lijdt; adj. aan scheurbuik lijdend. Scorch, sköts, zengen, verschroeien. Score, skö. subst. keep, insnijding, twintigtal, (groot) aantal, gelag, rekening, succes, reden, partituur: Let me pay off old âs = laat mij oude schulden betalen, uit den weg maken, afrekenen; All the â in the debate was to him = het succes in het debat was aan zijne zijde; That was his first and only â = zijn eerste en éénig succes; The stamping of the foot and the beating of the â were irritating = dat voetgestamp en slaan met den dirigeerstok waren erg hinderlijk: That^s your â= dit is uwe rekening, uw aantal behaalde punten, enz.; On that â = op dien grond, om die reden: llis little errors in the â of veracity = zijne foutjes op het punt der waarheid: The â is cheap at two and six = de partituur is goedkoop voor een daalder: On a new â = van nieuws; The dancers went off at â = de dansers dansten er flink op los; Four â = tachtig; l'pon what â ? = op welken grond; â verb, inkerven. opschrijven, aanteekenen, op muziek zetten: It âs one for yon that yon did not get angry = het pleit voor u dat ge niet boos werdt; llis âd tireek testament was always beside him = zijn met aan-teekeningen* voorzien (bekrabbeld) Gr. test. lag altijd naast hem; I have â d them off a bit = ik heb hun âhun vetquot; gegeven, heb ze geraakt; He âd heavily = hij raakte geducht, sloeg krachtig toe; I felt that I had âd = ik voelde dat ik raak geslagen had; He âd over me = was mij de baas af; â up this glass for me = schrijf dit glas voor mij op; â r. Scoria, s/iór/a, metaalschuim, droesem, slak; âceous», skorieiêns, op scoria gelijkend = Scoriform; Scorify = in scoria veranderen, tot scoria maken. Scorn, s/.ön, subst. diepe verachting, versmading, bespotting, verwijt, schande: I langh your threats to â = ik veracht uwe bedreigingen ; â verb, diep verachten, versmaden; âer; âfill. Scorpio, skö pion, Schorpioen (Dierenriem), soort van spin; ân, sköpian. schorpioen, zweep met punten. i Scorzonera, sközjniro, schorseneeren. |
bone = boiin; full; fool = fill: o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; lom/ = loi^; ship = sip; occasion = okeiz/n; thin; thus = dhus; wine.
SCREW.
416
SCOT.
|
Secgt;lt;, skot, deel, belasting; â and lot = hoofdelijke belasting naar draagvermogen: âfree = vrij van belasting, ongedeerd, veilig: tie came ofT âfree = hij kwam er heelhuids af. Scot, skot, Schot (gew. verachtelijk); âcli, skotë, subst. Schotsche natie, Schotsch taaleigen: adj. Schotsch: âliiiid -= Schotland: âcli-barley = ongepelde gerst: âch-lioppei'H = hinkebaan; âcli iniKt = zéér zware mist; âcliiiiitn = Schot, stuk van twee shillings lt;Z. Afrika); âm = Schotsch; âMinan = Schot: âticism = Schotsch taaleigen: âtisli = Schotsch. Scotch, skotë, subst. kerf, snede; â verb, kerven, even wonden, snijden; âcollop» = gestoofde reepjes rundvleèsch. Scotism. skotizm, tak der Schoolsche wijsbegeerte, zoo genoemd naar J. Duns Scotus. Scotograpli, skot Dg ra werktuig om in het duister te schrijven of blinden tot schrijven in stnat te stellen; Scotomy. skotdmi. Scotoma, skotoumd. duizeligheid (met dofheid van gezicht). Scouiidrcl, skaundr'l, subst. schurk, fielt; adj. verachtelijk, laag, schurkachtig: âimiii = laagheid, gemeenheid, schurkerij: âly = gemeen. Sconr, skaiid, subst. diepe, snelle stroom: â verb, schuren, afwrijven, erg purgeeren, even aanraken, doorloópen, varen (gaan) of strijken langs, zwerven, nauwkeurig onderzoeken: The admiral âed the «eaw = veegde de zee schoon: He wa» a.s coiira^eoiis a dog as ever âed the woods = hij was wel zoo'n kranige hond als er ooit door de bosschen rende: âer = sterk purgeermiddel, schuurder of schoonmaker: âings = afdrijvende middelen (voor paarden), uitwerpselen. Scourge, skfidz, subst. geesel, roede, zweep, plaag: In the â of = gegeeseld, gezweept door; â verb, geeselen, erg kastijden, teisteren: Disease âd the country = ziekte teisterde het land; â r. Scout, skaut, subst. spion, éclaireur: â verb, verkennen, spionneeren, bespieden, bespotten, verachtelijk b3handelen: lie âed that idea = hij wierp dat denkbeeld ver van zich. Scovèl, sknv'l, ovendweil, zwabber. Scow, skau. subst. schouw, praam; â verb. vervoeren in een Scowl, skaiil, subst. boos gezicht, zuur gezicht: â verb, fronsen, zuur of boos kijken: lie âed at me = keek mij toornig aan. Scrabble, skrabl, krabbelen, brabbelen. Scrag, skrag, subst, al wat mager, schraal of gerimpeld is; mager persoon; â verb.dooden (door ophanging); ânecked = met langen, mageren hals; â of miitton = het magere van een schapenek; âged, skragd of sier a rj id = âgy = mager, gerimpeld, ruw: Horses with âgy necks. Scramble! skramVl. subst. geklauter, gegrab-bel: There was a â for it = men vocht er om; â verb.klauteren, grabbelen: I have âd through my work = het werk afgeroffeld: âr. Scranch, skranë, kraken, verpletteren. Scrap, skrap, brokje, stukje: âbook = album met ingeplakte teekeningen, snippers uit couranten, gedachten, enz.: âpy = met stukjes en brokjes: âpiness = onsamenhangendheid: |
His work's apparent âpiness yet lias an inner unity = innerlijke éénheid. Scrape, skreip, subst. geschraap, gekras, stijve en onhandige buiging, verlegenheid: lie got into a â = hij kwam in moeilijkheid; He got himself into a â = hij bracht er zichzelf in; He rather left his country in a â than be in a â himself = 'hij liet liever zijn land in nood dan er zelf in te zitten; â verb, schrape-i, krassen, uitschrappen, bijeenschrapen, spaarzaam zijn: He âd np as much money as he conld = hij gaarde (schraapte) zo'oveel mogelijk geld bijeen; He seemed inclined to â acquaintance with me = hij scheen gaarne even kennis te willen maken; The speaker was coughed andâd down = het hoesten en geschuifel van voeten belette den spreker voort te gaan; âr. Scrapper, skrapd, vuistvechter, strijder. Scratch, skrats, subst. krab, schram, kleine pruik, beest of mispunt (op het biljart), streep (op de strijdplaats) waarheen de boksers zich begeven: lie always came up to the â, he toed the â ='hij mankeerde nooit, hij was altijd klaar om te beginnen, hij dorst zich aan de proef onderwerpen: adj. uit nood, wat men niet goed kan laten: We sent him a â invitation = wij zonden hem voor den vorm eene invitatie; A â company = gemengd gezelschap; A â team = een bijeen-gescharreld spannetje; A â race = wedstrijd, waarbij allen gelijk beginnen (tegeno. handicap); He went off at â = hij praatte er op los; â verb, krabben, schrammen, uitkrassen, uitvallen (van een paard bij een wedstrijd), opgeven: The plan hasbeeii âed = het plan heeft men laten varen; 1 have âed it out = uitgekrast: She was the most obstinate old âcat in the county = zij was de koppigste oude kat van hel graafschap; âwig = klein pruikje op het kale gedeelte; âer; ây = niet met geregelden slag (bij het roeien); The crew was ây and by no means up to its late form ?= de bemanning was niet op slag, en volstrekt niet zoo goed gedisponeerd als in den laat-sten tijd. Scrawl, skról, subst. gekrabbel, kattebelletje: â verb, slordig schrijven, krabbelen: The paper was âed over = stond vol hane-pooten; âer; ây = krabbelig, slordig. Scray, slcreU zeezwaluw. Screak, skrik, subst. gegil, gekrijsch, gekras; â verb, gillen, krijschen. krassen. Scream, sArim, subst.gil; â verb.gillen; âer = giller; It was a âing farce = eene dolle klucht; âingly funny = allerdolst. Screech, skrits, subst. geschreeuw, gil: â verb, gillen, gieren: The whole assembly âcd with laughter = gierde van lachen; â âowl = uil, katuil. Screed, skrid, stuk, brok, redevoering, lange tirade, mal. Screen, skrin, subst. scherm, schut, grove zeef, scheiding: Folding â = vouwscherm: â verb, beschutten, beschermen, verbergen, uitzoeken, ziften: He âed us from in,jury = hij behoedde ons voor schade. Screw, skrü. subst. schroef, schroefboot,dranir. drukking, volk, salaris, oude knol: There's a |
man: rtsk = ask: farm = lam; bwt = but; learn = Iwn: line = lain: house = haus; net: -care = kèo; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16: lord = löd; bo?/ = boi:
1
SCREW-BLADE.
417
SCYTHE.
|
â looNe lt;HOinewliere) = het is (ergens) niet recht pluis, niet in den haak; Have you got your â yet? = hebt ge uw geld al; lie put on the â = hij zette de duimschroeven aan: He put â 011 = hij trok (bilj.): â verb, schroeven, eene schroef aanbrengen, aanschroeven, ontwringen, afpersen: lie âed it out of me = hij heeft het mij afgewrongen, is het van mij te weten gekomen: â up your rouras^ = toon al uw nioed; He âeil up hm laee = trok een gezicht; âblade = schroefblad; âdriver = schroevendraaier; â-jiM-k = dommekracht; âpropeller = schroef (ter voortstuwing): --steamer = schroefboot: âworm = schroefdraad: He was awfully âed = hij was stomdronken; âer: â y =* gierig. Scribble, sArib'J, krabbelschrift, gekrabbel: â verb, haastig en slordig schrijven; krabbelen, samenflansen: âr. Seribe. skraib. subst. schrijver, secretaris, copieenler, schriftgeleerde: The present â = schrijver dezes; â verb, merken, lijnen trekken met liniaal of passer. Serimer, skraimd, schermmeester. Serimiiiage, skHmiclz, schermutseling, worsteling, standje, dobbelen of trekken (om werk): He was thrown out in the â = hij was ongelukkig bij het trekken of loten. Scrimp, skrimp, subst. vrek: adj. bekrompen, karig: â verb, beperken, gering maken, bekrimpen. Serip, skrip, tasch, zakje, geschrift, naamlijst, bewijs (v. aandeel); âholder = aandeelhouder. Script, skript, geschrift, druk in schrijlletter-vorm: âoriuni = studeervertrek; âural, fikripljnr/, naar de Schrift: âu ra li sin = gehechtheid aan de letter van de Schrift; â uralist = die zich letterlijk aan de Schrift houdt: âure, skriptjd, subst. geschrift, deH. Schrift: âure History = Bijbelsche Geschiedenis: adj. naar de Schrift: -ure-reader = die de armen bezoekt en hun uit de Schrift voorleest: âurist = schriftgeleerde. Scrivener, skHrdna, opsteller van documenten en contracten, financieel agent of makelaar. Scrofula, skrofjuld, kropgezwel, kliergezwel: Scrofulous, skrofjulos* klierachtig. Scrog, skrog, afgesneden of geknotte struik. Scroll, skroul, rol, lijst, krul. Scrouge, skrudz, dringen, knijpen, persen: dit wordt ook Scrowdge en Scruze gespeld. Scrub, skrob. subst. versleten borstel of bezem, vrek, laag of verachtelijk iets; adj. laag, verachtelijk, vrekkig, met hak- of kreupelhout bedekt; â verb, hard wrijven of schuren, schrobben, oppoetsen, hard zwoegen: âoak = lage eik (N. Amerika); âbiiig-brush = luiwagen, boender: âby = vlegelachtig, met hakhout bedekt, geknotj klein, ruw, ongeschoren: âby fellows = lummels van kerels, sjofele lui. ScruIf, skrüf, nek: lie took him by the â of the neck = hij pakte hem achter bij zijn nek. Scrumptious, skrnmsos, uitstekend, keurig. Scrunch, skmnè. vertrappen, verpletteren. Scruple, skrilp'l, subst. scrupel: aarzeling, bezwaar; â verb, aarzelen, bezwaren maken: Scrupnlize. skriïpjulmz, met zwarigheden bone = boun: full; fool = ful; a = toonloo lom/ = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; ten bruggencate. Eng. Woordenboek. |
overstelpen, zwarigheden maken; Scrupulous = nauwgezet, zorgvuldig, schroomvallig, erg op den vorm gesteld; Scrupulousness = Scrnp uIosity, skrü;y ulositi. Scrutineer,-s/rrütmfa, stemopnemer; Scru-tini/.e = nauwkeurig onderzoeken, navorschen; Scrutinizer; Scriitinous, skrütinas. zorgvuldig. precies; Scrutiny = nauwkeurig en kritisch onderzoek, stemopneming. Scud. skvd, subst. wolkenjacht, snelle vaart, voorbijgaande bui: â verb, snel loopen, lenzen (d. i. bijna zonder zeilen voor den wind snellen): We were âding under bare poles = wij lensden voor top en takel. Scudo, sküdou, naam voor verschillende oude Ital. munten. Sen file, skvfl, subst. verwarde strijd of worsteling: â verb, verward vechten; âr. Scnll, sküL subst. korte roeiriem, wrikker; â verb, met korte riemen roeien, wrikken: âer. Scullery, skvlori, (potten)kast, achterkeuken (waar 'potten en pannen gereinigd worden); âmaid = keukenmeisje; Scullion, sknlfn. vaten reiniger, keukenjongen, asschepoester. Sculpt, skolpt, beeldhouwen: âor = beeldhouwer; âure, skvlptjd, subst. beeldhouwkunst, gesneden beeld, beeldwerk; â verb, beeldhouwen, met beeldhouwwerk versieren: âural = tot de beeldhouwkunst of beeldwerk behoorende; âuresque, sknlptjdresk, van den aard van beeldwerk. Scum, skviH, subst. schuim, metaalschuim, afval, uitwerpsel, uitschot; â verb, afschuimen; âniings = afschuimsel: ânier = schuimlepel. Scumble, skvmb'l, met half donkere kleuren ' bedekken. Scupper, sknpa, spie- of spuigat: âhose, âshoot = goot buiten het spiegat om het water af te leiden; âplug = spiegatstop. Scurf, sknf, roofje, bedekking; ây = met roofjes bedekt, schurftachtig. Scurrile, sknril, laag, vuil, plat; Scurrility, skdriliti, laagheid, gemeenheid; Scurrilon's, skorifos, laag, gemeen, vuil (van taal). Scurry, sknri, drukte, haast, verwarring. Scurvy* skiivi, subst. scheurbuik; adj. aan scheurbuik lijdende, schurftig, laag, gemeen, verachtelijk, gering, klein. Sent, skht, kort staartje, b.v. van haas of hert. Scntage, skütidz, geld, in plaats van persoonlijke diensten, in ouden tijd betaald. Scutate, skjüteit, door groote schalen beschermd, als een schild gevormd: Scutifonn = schildvormig. Scutch, sküts. door slaan opmaken, zooals katoen of vlas. Scutcheon, skntè'n, wapenschild, sleutelschild. Scutellate(d), skjnteleil(id), in kleine plaat-vorm ige vlakken verdeeld. Sentter, skntd, snel loopen, trippelen. Scuttle, sJcnVl. subst. breede ondiepe mand, kolenschop, luik (in muur of dak), deksel, luikje, vlugge tred, hardloop: â verb, vlug loopen, rennen, gaten boren in bodem of zijde van een schip, om het te doen zinken; âbntt, â â¢cask = watervat; âfish = inktvisch. Sciitnm, skjüVm, schild der zwaar bewapende Romeinsche soldaten, schildvormig plaatje. Scythe, saidh, zeis. i vokaal (zie asleep en care); girl; ?/ear = jia; liln; thns = dims; wine. 27 |
SCYTHIA.
418
SEARCH.
|
Seytliia, sithid, Scythië, de Krim; ân, subst. eil adj. (bewoner) van Scythië of de Krim. Sdeath, sdeth, voor den duivel. Sdainl'ul, sdeinfli verachtelijk. Sea, si, subst. zee, oceaan, golf, baar, branding, i deining, richting der golven, groote hoeveelheid: You are at â = gij zijt op zee, gij hebt het , glad mis, zijt in de war; The pocketH in my pocket-book are lull of â = de zakken in'mijn zakboekje zijn vol zeewater; lie was hall' âh over = hij was halfdronken, âsik-kemquot;; On the high â» = in volle zee: Chopping, Cros» â = holle zee (waarbij de golven verschillende richtingen uitgaan): He went to â, followed the â = is matroos geworden; Between the devil and the deep â =. tusschen Scylla en Charybdis; We went there by â = over zee, ter zee; The â was rolling and tossing = de zee rolde en slingerde; Pitch â = stampzee; These lishing-sinacks can bow the â = deze pinken kunnen goed zee bouwen; When do they put to â = wanneer steken ze in zee; Calling ol* the â = gonzend of dreunend geluid, dat van de kust uitgaat, en soms verscheidene mijlen landwaarts in gehoord wordt: âaction = zeegevecht; âaneinone = zeeanemoon: âape = zeeotter; âbank = zeekust, dijk; âbar = zeezwaluw; âbear = witte beer; âbeast = zeedier; âheat(en) = door de golven gebeukt; âboard, subst. aan zee grenzend land, zeekust; adj. aan zee grenzend; âbiscuit, âbread = scheepsbeschuit; âboat = zeeschip; âborne = op de zee gedragen; âboy = scheepsjongen: âbreach = doorbraak van de zee; âbreeze = zeewind; âcall' = zeehond, zeekalf; â captain = scheepskapitein; âcard = kompasroos; âchange = verandering door de zee teweeggebracht: The great gilt olquot;Thackeray has suflered a âchange in a voice which knows lew satirical tones = Th.'s groot talent heeft in dezen (Amerikaanschen) schrijver eene groote verandering ondergaan in eène stem die weinig satirieks heeft; â coal = steenkool; âcoaMt = zeekust: âcob = zeemeeuw; âcook = scheepskok: Son of a âcook = schooier; âcow = zeekoe; âcrow, âconiiorant. âdrake = kokmeeuw; -âdog = zeehond, rob; âelephant = grootste zeehondensoort; âl'arer = zee-man. zeevaarder; âfaring = ter zee varend: âfight = zeegevecht; âlish = zeevisch; âfowl = zeevogel; âfox = zeevos; â-ga(n)ge. âyeidz, diepgang (van een schip), getijmeter, toestel om diepe peilingen te doen: âgirt = door de zee omringd; âgod, â deity = zeegod; âgoing = ter zee varend; âgreen = steenbreek, zeegroen(e kleur): âhog = bruinvisch; âhorwe = zeepaard, walrus, fabelachtig dier: half paard en half visch; âisland cotton = katoen van de kusten van Georgia, Z. Carolina en Florida; âkale = zeekool; âking = viking; âlegs = vermogen om bij ruw weder op het dek te staan of zich te bewegen; 1 have got my âlegs now = ik kan me nu vrijelijk op het dek bewegen; âleopard, â lepad, zeehond uit de Zuidzee; âletter â¢= zeebrief (in oorlogstijd door de douane aan ieder onzijdig schip uitgereikt); âlevel = zeeoppervlakte; âmaid = (zee)meermin; âman = zeeman, matroos; âmanlike = als een zeeman: âmanship; âmark â zeebaken (op het land); âmew = zeemeeuw; âneedie = geep; âpad = zeester; âpie = gerecht van deeg en vleesch (beurtelings in lagen, en samen gekookt); âpiece, âscape = zeegezicht, zeestuk (schilderij); âpike = geep; âport = zeehaven, zeestad; âpurse = lederachtig omhulsel waarin b.v. haaien hunne eieren leggen; ârisk = zeegevaar; ârobber = zeeroover; âroom = ruimte om meteen schip te manoevreeren zonder gevaar op de kust of het strand te loopen; ârover = zeeschuimer, kaperschip; âserpent = zeeslang; âshell = zeeschelp; âshore = zeekust; âsick = zeeziek; âsickness = zeeziekte; âside = zee, zeekant; We are going to the âside thi.H summer = we gaan van den zomer naar eene (zee)hadplaats: âstores = (magazijn van) scheepbbehoeften; âtang = soort v. zeewier; âterm = matrozen- of zeemansuitdrukking; âtossed = door de zee geslingerd; âunicorn = walrus; âward = zee waar ts(ch); âweed = zee-plant, zeegras, wier; âwolf = zeewolfviking; âworthiness = zeewaardigheid van een schip; âworthy = zeewaardig. |
Seal, sil, rob, zeehond, zegel, lak of ouwel om een brief te sluiten, bezegeling, bevestiging, verzekering: The great â = 's lijks zegel: Keeper of the great â = grootzegelbewaarder; Writs were issued under the great â = officieele besluiten met 's rijks zegel werden uitgevaardigd; â verb, zegelen, bezegelen, stempelen, bevestigen, sluiten, geheim houden, zijn zegel hechten aan: The deed was âed = de acte werd gezegeld; Will you â this letter for me? = dien brief eens voor mij lakken; âring = zegelring; --skin = robbevel; âer = robbenvisscher: âing = het vangen van zeehonden; âling-whaler = zeehondenvaarder; âing-wax = zegellak. Seam, sim, subst. zoom, naad, naaiwerk (Amer.), laagje, maat van 8 bushels: â verb, zoomen, met litteekens bedekken; âless = zonder zoom of naad; ây = met naden of zoomen: You see only the ây side of things = ge ziet de zaken slechts Van den ongunstigsten kant; He wore his coat the ây wide without = hij droeg zijne jas het binnenste buiten. Seamstress, semstrds, naaister. Seance, seio^s, zitting (vooral spiritistisch). Sear, sto, schroeien, branden, ongevoelig maken: The wound was âed up = de wonde werd dichtgeschroeid; âwood = droog hout (Zie Sere); âed = verhard, ongevoelig. Search, svt$. het zoeken, onderzoek: The ancient and modernâes after the mysteries of creation = het vroegere en 'tegenwoordige onderzoek naar de geheimenissen der schepping; lie instituted a strict â into the matter = hij stelde een nauwkeurig onderzoek in naar de zaak; The right of â = het recht aan bevelhebbers gegeven om schepen en scheepspapieren van andere naties in oorlogstijd te onderzoeken; I was in â |
man; «sk = ask; farm = fiim; b?ft = but: learn = Km; line = lain; bouse = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = dslip; not; law == ló; lord = löd; hoy = bói;
SEARCH-LIGHT.
419
SECRETORY.
|
of my right = zocht mijn recht te (her)krij-gen; â verb.onderzoeken, nasporen: TIiHioiihc was âe«l = er werd huiszoeking gedaan; The visitors were âeil before they left the meeting = de bezoekers werden gefouilleerd vóór zij de bijeenkomst verlieten; The truth was âeil out at length = de waarheid werd eindelijk uitgevorscht; âlight = (electrisch) zoeklicht; âwarrant = machtiging tot huiszoeking; âer = onderzoeker, navorscher; â iug. subst. nauwkeurig onderzoek: There were âlugs of heart over that religious question = er werd een gemoedelijk onderzoek naar die godsdienst-vraag ingesteld; adj. onderzoekend, nauwkeurig, scherp: He gave ine a â ing look = hij sloeg een doordringenden blik op mij; A âing March wind = een snerpende Maartsche wind; âingness = onderzoekende geest. Season, stz'n, subst. seizoen, geschikte tijd, tijdperk, jaargetijde: lie eaine in â = hij kwam van pas: Your remark is out of â = uwe opmerking is niet op hare plaats; The London â = de tijd van Maart-Augustus (in Londen, wanneer liet parlement zijne zittingen houdt); The silly, dull, dead â = de komkommertijd; The height of the â = de tijd dat de âseasonquot; in vollen gang is; â ticket = maand- of abonnementskaart (op spoorwegen); â (ticket) holder = houder van eene maand-of abonnementskaart: â verb, geschikt maken, gewennen, rijp maken of worden, toebereiden, smakelijk maken, droog of hard worden (van hout): The meat is not well âed = niet goed toebereid of gekruid: He âed his speech with pleasant anecdotes = hij kruidde zijne redevoering met aardige anecdoten; He is âed to it = hij is er aan gewoon, er tegen gehard; âable = geschikt, gepast, gelegen: It isâahle weather for ('hristmas = het is net weer voor Kerstmis; âer = wie of wat toebereidt of kruidt; âing = toebereiding, kruiderij. Seat, sit. zetel, stoel, bank, zitting, zitplaats, zittende houding: The â of war was transferred to Bohemia = het tooneel van den oorlog werd naar 13. overgebracht; Take a â = ga zitten; Keep your â = blijf zitten; He resumed his â = hij ging weer zitten: He wanted to vacate his â = hij wou zijne betrekking neerleggen; â verb, zetten, piciatsen. inwijden, vaststellen: Will you not be âed? = wil u niet gaan zitten; âing = het zitten, stof voor zittingen (van stoelen, enz.). Sebaceous, sibeiêds, vettig; Sebacic,sibasik. uit vet getrokken: Sebiferous, sibifdras, vet opleverend. Sebastian, sibastj'n, Sebastiaan. Secale, sikeili, graansoorten (o. a. rogge). Secancy, sik'nsi, snijding; Secant, sik'nt, subst. snijlijn: adj. snijdend, verdeelend. Secco, sekon. soort van fresco. Secede, sisid, zich afscheiden of terugtrekken: He âd from the royal party; âr = afvallige, die zich terugtrekt. Secern, sisün. scheiden, afscheiden; âent, subst. en adj. afscheidingsorgaan, afscheiding bevorderend (middel); âment = afscheiding. Secession, siseè'n, afscheiding, verwijdering. |
de afgescheidenen; â ism = de leer en beginselen der afgescheidenen; â ist = afgescheidene. iemand die het in den burgeroorlog met de Zuidelijke staten hield (Amer.; deze wordt ook kortweg Secesh, siseê, genoemd): The âist Bauers = de Boeren, die niet Krügers regeering steunen. Seclude, siklüd, afsluiten, buitensluiten, afzonderen; âd = afgezonderd: He leads a âd life â hij leeft zeer afgezonderd en eenzelvig; Seclusion, siklüz'n, afzondering, uitsluiting; Seclusive, siklüsii', afzonderend, uitsluitend. Second, sek'nd, subst. tweede, secondant, helper, seconde: 1 can play a â on the piano = accompagneeren; adj.* tweede, volgende op, ondergeschikt, ander: Kvery â day = om den anderen dag; I am â to none'in love of country = ik doe voor niemand onder in vaderlandsliefde; â verb, steunen, helpen, volgen: The motion was âed = werd gesteund: âs = grof, minder of tweede soort meel; He came oilquot; âbest = hij was op één na de beste, verloor den wedstrijd; âcousin = achterneef (-nicht): âhand = uit de tweede hand, voor oud: A âhand bookseller = een tweedehandsboekhandelaar; ârate = van den tweeden rang: A ârate actor = een acteur van den 2en rang; âmourning = lichte rouw: âsight = vermogen om profetische visioenen te zien; âary, subst. afgevaardigde, gedelegeerde; adj. 'ondergeschikt, niet oorspronkelijk, ontleend, bijkomend: âary circiimstances = bij-omstandigheden: âary colours = secundaire kleuren (uit vereeniging van primaire ontstaan); âary tints = zachte, grijze tinten; âer = steuner (van een voorstel), bevestiger (van eene bewering, etc.); â ly = ten tweede. Secrecy, sikrisl, geheimhouding, eenzaamheid, bedaardheid, omzichtigheid: In â = in 't geheim, stilletjes: 1 hound them over to â, en joined â on them = ik legde hun geheimhouding op; 1 trusted to (relied on) your â = ik vertrouwde (rekende) op uwe geheimhouding; Secret, sikrdt, subst. geheim, stil gebed (bij de mis): The great â = het hiernamaals: He did it in â = in stilte; Can you keep a â ? Then keep this (a) â = kunt gij een geheim bewaren? Houd dit dan geheim: 1 would not let him into this â = ik wou hem niet in dit geheim inwijden; adj. geheim, verborgen, stil, vertrouwelijk; Secretness. Secretary, sekrdtari, secretaris, minister: The Home. ('olonial. roreign â = de Minister van Binnenl. Zaken, van Koloniën, van Buitenl. Zaken; The â of war = Minister van Oorlog; He was the king's private â = hij was 'skonings particulier secretaris; â of an embassy ^ (legation) = gezantschaps-secre-taris; âbird = secretaris( vogel); Secretarial. sekr.itêrial, van een secretaris: Secretariat sekrdtêriot, secretarisambt = âship. Secrete, sikrit, verbergen, verhelen, afzonderen, .afscheiden (uit het bloed, enz.); Secretion. si kris'n. afscheiding (van de huid, etter, uit het bloed, etc.); Secretive = afscheiding bevorderend, geheim, heimelijk; Secretory, sikritdri, afscheidend. |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; \ong = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhtjs; wine.
SEEM.
420
SECT.
|
Sect, sekt, sekte, gezindheid; âarian, sektêrien, subst. aanhanger eener sekte, afgescheidene; adj. van eene sekte..; âaritiiiiHin = sektengeest; âarianize = van sektengeest doortrekken ; âary = volgeling, leerling, aanhanger eener sekte. Seelile, sekti/, snijdbaar; Section, sekö'n. snijding, verdeeling, het afgesnedene, afdeeling, paragraaf, doorsnede: Transverse section = dwarse doorsnede: Lon^ittidinal section = in de lengte: Sectional = tot eene section behoorende, uit sections bestaande: Sectionalism = bevordering van districtsbelangen boven die van het land; Sector = sector, hoekmeter, enz.; Sectorial, scktóridl. subst. snijtand; adj. snijdend. Secular, sekjuld, subst. leek, koorzanger, wereldlijk priester; adj. wereldlijk, tijdelijk, wat zich over een langen tijd uitstrekt, niet door kloostereeden gebonden: â day = weekdag; âism = naam van een ethisch stelsel op de natuurlijke zedeleer gegrond; â iwt, subst. aanhanger van âism; adj. tot âism behoorende: âness = âity, sekjulariti, wereldsgezindheid: â ize = wereldsch maken, godsdienstige of kerkelijke zaken en goederen tot het gebruik van den staat aanwenden of aan den staat trekken: âization = het trekken van kerkelijke goederen aan den staat. Seciimline, saknndain, nageboorte. Secure, sikjüd, adj. veilig, vertrouwend op, zeker: â verb, beveiligen, vastmeeren (van schepen), verzekeren, beschermen, beperken, zich in het bezit stellen van: I have âcl two seats in the stalls = ik heb twee plaatsen in de stalles genomen; In this way yon will be âd against snch mistaken = op deze wijze zult gij u voor zulke vergissingen hoeden of bewaren: âness. Security = veiligheid, verzekerdheid, pand. waarborg.bewijsstuk: Security is mankind's 8;reateNt enemy = de veiligheid (d. i. het zich veilig weten of wanen met daaruit voortspruitende zorgeloosheid) is 's menschen grootste vijand. Seenrilorm, sikjnrifóm. bijlvormig.^ Sedan, sddan. draagstoel = âchair. Sedate, sideit, kalm, rustig, bezadigd : âness. Sedative, seddtiv. subst. en adj. pijnstillend of kalmeerend (middel). Sedentary, sed'ntdri. zittend: Mine in a â life = ik heb een zittend leven; Sedentariness. Sederunt, sidtr'nt, zitting van een hof, uitdrukking om aan te wijzen wie op de zitting waren. Sedge, sedz, duinhelm, waterplant: Sedgy = vol waterplanten of duinhelm. Sedgwick, sediwik. Sedilia, sidiljd, steenen zitbank voor den priester aan de zuidzijde van het altaar. Sediment, sedim'nt, bezinksel, droesem, grondsop; -ary = seclimentdri, door bezinking gevormd: âary rocks. Sedition, sidis n. opstand, gisting, aanzetting daartoe; Seditions, sidièos, oproerig: Sediti-onsness = oproerige houding, muitend gedrag. Seduce, sidjüs, verleiden; âment = verlokking; âr = verleider; Sedncilile = verleid-baar; Seduction, sidnkè'n, verleiding: Seductive = verleidend, verleidelijk, verlokkend. |
Sedulity, sidjüliti, naarstigheid; SediiloiiM. sedjulds, naarstig, ijverig; Sednloiisness. See, «i, subst. pauselijk hof, pauselijke macht, rechtsgebied van een (aarts)bisschop: â verb, zien, aanschouwen, kijken, ondervinden, bezoeken, vergezellen. geleiden,zorgen voor, oppassen: I will â about it = ik zal het overwegen; Will you â to it? = wilt gij er voor zorgen: â that everything i* in order = zorg dat alles in orde* is; 1 will â to your dinner = ik zal zorgen dat gij wat te eten krijgt: Will you â him to bed? = zorgen, dat hij...komt; I have ân quite enough ol' him = ik ben hem moe; I will â you somewhek'e first = vóór dit gebeurt mag jij naar de hel loopen : I â into your plans = ik doorzie uwe plannen; We don't â much company = wij ontvangen niet dikwijls menschen: I'll â you home, to the station = ik zal u thuis, naar het station brengen: We don't â much of him = gaan niet druk met hem om: lie saw me downstairs and to the door (out) = hij ging met mij de trap af en liet mij uit: I have ân him olf = ik heb hem weggebracht (naar boot of trein, enz.): I will â yon through = er doorhelpen; lie soon saw round their plans = doorzag, begreep geheel; Let me go and â = laat ik eens gaan kijken; lie came to â my daughter = hij maakte mijne dochter hét hof (Amer.); That is the truth, â! = dat is de waarheid, begrijp je?: Don't you â ? = zie je wel; âing, subst. gezichtsvermogen; conj. aangezien,voorzoover: âr. sïd. ziener, profeet; âress = profetes. Seed, sid) zaad, oorsproner. beginsel, nakomelingschap, afstamming: The â of David = Davids nageslacht: The flowers have run to â = hebben zaad geschoten ; âverb, zaaien, zaad schieten; A âbed of crime = broeinest van misdaad: âbud = zaadknopje; âcake = kruiderig gebak, kruidkoek; âcoat = zaadbolster, zaadomhulsel; âcorn, âgrain = zaaikoren: âleaf, âlobe = zaadvlies, zaadlob; âleap, âlop = vat waarin de zaaier het zaad draagt; âpearl, kleine parel; âplot = kweekerij, zaaibed; âtime = zaaitijd; âtin = zaadbusje; âvessel = zaadhuisje; âed = zaaddragend, met zaad bestrooid; âling, subst. zaaiplant; adj. uit zaad ontsproten: âHinau = zaadhandelaar; ây = vol zaad, kruid, kaal, schabbig, âkatterigquot;, boos; âincHS. Seek, sik, verb, zoeken, verzoeken, zijne toevlucht nemen tot. pogen; In hiw knowledge of men and things he is sadly to â = van menschen en zaken is hij al bitter slecht op de hoogte; A man so much ti» â is ill qualilied for that post = iemand die zóó slecht op de hoogte is, is niet geschikt voor die betrekking; 1 have sought for it = ik heb er om gezocht; You must â after truth = gij moet naar waarheid streven; âer = (onder)zoeker. Seem, sim, schijnen, lijken, doorgaan voor: Things are not what they â = de schijn béantwoordt niet aan de 'werkelijkheid; It would â that he has been slandered = het schijnt wel dat hij belasterd is; It âs to me that you are right = het schijnt me toe. |
man; ask = ask; farm = fiim; bwt = b«t; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net: core = kca; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv = lè; lord = löd; hoy = boi:
SELVAGE.
421
SEEN.
|
dat ge gelijk hebt; âiiiR, subst. schijn, voorkomen; adj. schijnbaar, oogensehijnlijk: Hei» âingly virfuoiiH = in schijn is hij deugdzaam; âly = betamelijk, gepast: It in not âly lor yoii to be present â het past ii niet tegenwoordig te zijn; â Jinesw. Seen, sin, p. part, van to see. See-Maw, stsö, subst. wip(plank), het wippen, i heen en weer gaande beweging; adj. op en | neer gaand; â verb, op en neer (heen en i weer) gaan. Seethe, sidh, koken, zieden; âr = wie of wat kookt, kookketel. Segtg), sey, volwassen os. Segment, segm'nt, subst. segment; â verb, in s. verdeelen; âal, SdymenCl, segment...; âation = verdeeling (verdeeld zijn) in segmenten. Segregate, sigrdgeit, adj, afgescheiden, afgezonderd, uitgelezen; â verb, afzonderen, afscheiden: Segregatitni,.si(/rrgt;(/ei«/lt;, afzondering, afscheiding. Seidlitz-powder, saidlitspaudo, bruispoeder: Seidlitz-water. Seignior, sinjd, subst. heer: tirand â = de sultan van Turkije; Seigii(i)oiMge.sinjeridz, heereuknecht, privilege, recht van te munten; âlal, sinjóridl, onafhankelijk. Seine, sein, zegen (vischnet); Seine. Seint, seint, gordel, ceintuur. Seize, siz, plotseling grijpen, vatten, (wederrechtelijk) in bezit nemen, in het bezit stellen, aantasten, bevangen: I will â the very lirst opportunity = ik zal de eerste de bes'te gelegenheid aangrijpen; We were landowners now, «Inly âd and poswewwed = wij waren nu landeigenaren, behoorlijk in het genot en bezit van land gesteld = \Ve had been duly âd of our property: lie âlt;1 on our property = hij nam wederrechtelijk bezit van onzen eigendom; âr: Seizin. Seiwin, sizin, bezit, inbezitneming; Seizor = beslaglegger. Seizure, sizo, inbezitneming, beslaglegging, plotselinge aanval (van eene ziekte, b.v.gt;. overrompeling: 1 told her the cause of her lather^ â = ik deelde haar de oorzaak van haar vaders aanval van beroerte mede; The â of the thief was rather difficult = het was vrij moeilijk, den dief te vatten. SeJ(e)ant, stdi'nt, zittend met rechte voor-pooten (her.). Seldom, seld'm, zelden. Select, si lekt, adj. uitgelezen, keurig: The company Is small but â = het gezelschap is klein maar rein; â committee = speciale commissie; â writers = uitgelezen schrijvers; â verb, uitkiezen: I have âed some = ik heb er eenigen uitgepikt; âion, silekë'n. keuze, keur: lie formed a choice âion of pictures = hij legde eene keurige verzameling van schilderijen aan; Natural âion = natuur-keus; âman = jaarlijks gekozen ambtenaar om de belangen der stad en de naleving der wetten te bevorderen (Amer.): âness = uitgelezenheid, keurigheid: âor â = uitkiezer. Selene, Sdlini, Selene, de maan; Selenography, selinogrofi, maanbeschrijving. Selenoltxji/. Self, self, subst. en pron. persoon, ik(heid), i bloem of bloesem van uniforme kleur: lie is my other â = mijn tweede ik: The love of â is innate to man = de eigenliefde is den mensch aangeboren; lie leads a life for |
â = is een egoist; I am not myâ = ik ben mezelf niet; Scrooge saw his formerâ = zijn vroeger ik; The thing speaks for itâ = de zaak is duidelijk genoeg; He did it of himâ = uit eigen vrijen wil; âabasement = zelfverlaging, zelfvernedering; âabsorption = het opgaan in zichzelf; â abuse = misbruik van eigen vermogen; âacting = zelfwerkend: âannihilation = zelfvernietiging; âassertive = aanmatigend; âbegot(ten). âboni = door eigen vermogen voortgebracht; âcommand. âcontrol. âpossession = zelfbeheersching; âcomplacent = met zichzelf ingenomen; âconceit = verwaandheid; âconceited = verwaand, laatdunkend; --confidence = zelfvertrouwen: âconscious = zichzelf bewust; âconsumed = in zichzelf opgaande; âcontained = koel, eenzelvig, zichzelf meester; âdenial = zelfverloochening; --destruction = zelfmoord; âdoubt = twijfel aan zichzelf; âesteem = achting voor zichzelf; âevident = klaarblijkelijk, zoo klaar als de dag; âexistence = onafhankelijk bestaan; âglorious = ijdel, blufferig; â-government = zelfregeering, democratische of republikeinsche regeering; â hood = baatzucht; âliood(ednessgt; = zelfverblinding; âinterest = eigenbelang; âish = zelfzuchtig; âishness = zelfzucht: âkilled = door eigen hand gedood; âlove = eigenliefde; âmade = door zichzelf gebracht waar men is, door eigen inspanning geslaagd; âpossessed = kalm. bedaard, zichzelf beheerschend; âpossession = zelfbeheersching; âreproach = zelfverwijt = âreproving; ârighteous = eigengerechtigd; âsame = precies dezelfde; âslaughtered = door eigen hand gedood; âsufficiency = zelfgenoegzaamheid, verwaandheid, eigenwaan; âsufficient = zichzelf genoeg, verwaand; âtrust = zelfvertrouwen: âviolence = geweld zichzelf aangedaan; âwill = eigenzinnigheid, koppigheid: âwilled = koppig, zelfstandig, onafhankelijk. Sell, sel, subst. bedrog, onaangename grap of aardigheid: ntfalls. limed twigs, decoys, bait, sucks- and âs = kuilen, lijmstokken, verlokkingen, lokaas, bedriegelijke dingen en zwendelarij; â verb, verkoopen. handelen, van de hand doen, verkocht worden, bedriegen, beetnemen: The article âs rapidly = het artikel gaat grifvandehand; My description of the eartliqiiake sold twenty thousand = er werden '20000 exemplaren van mijne beschrijving van de aardbeving verkocht; The paper âs thousands in the capital = in de hoofdstad worden duizenden exemplaren van de courant verkocht; 1 discovered he had sold me = dat hij mij âverlaktquot; had; I sold it for a song = voor een appel en een ei; lie sold out = verkocht zijne officiers-plaats; We were obliged to â out as soon as possible = wij waren verplicht, er ons zoo spoedig mogelijk uit te koopen; The âing-of!' had begun = de uitverkoop (liquidatie) was begonnen; âer. Seltzer water, sellsdwotd. Selterswater. Selvage, Selvedge, selvidz, zelfkant, geweven |
bone = boiin; full; fool = fill; j = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = jia; longf = loi^: ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dims; wine.
SEMAPHORE.
422
SENT.
|
rand; â lt;1, Selvedged = met een zelfkant. ; Seiiifinlioie. semdfó, seintoestel; Seiiiapho- | riciai). semeforikCl), telegraphisch. Seinblaiice, sembVns, schijn, voorkomen. Semen, siz/i'n, zaad; Seiiieiial, semiril, tot | het zaad behoorende, oorspronkelijk. Semi, semi, half, gedeeltelijk: âaimiial(ly) = halQaarlijks(chj; âannular = halfrond'; â breve = heele noot = \\ev crotchets: âdioniH = koorzang (door een deel van het koor); â circle = halve cirkel; âcireiilar= halfrond; âcolon = kommapunt; âdiameter = halve middellijn; âfluid, subst. niet geheel vloeibaar; --lunar = als eene halve maan: â metal = halfmetaal: ââ¢metallic = half-metaalachtig; âonicial = ofTicieus; â ped = halve voet (in prosodie); âpedal = een halven voet hebbend; âqua ver = zestiende noot; âtone = halve toon: âtonic = van een halven toon; âHplierie(algt; = half bolvormig: â vocal = onvolkomen klinkend; âvowel = halfklinker, vloeiletter. Seminary, semindri. bron, oorsprong, kweekschool, k'ostschool: Elementary, Superiorâ = klein, groot seminarie (voor geestelijken): Seminarist. Seminarian, seminêrion, seminarist (vooral een Eng. Kath. priester aan een vreemd seminarie). Semite, semait. subst. Semiet; adj.Semitisch: Semitic, sdmitik. Semitisch; Semitic-lan-guageM = de Semitische talen. Seni(»lina, semdltna, griesmeel (ook: Midd-lingH). Semper vivinn, sempdvaiv'm, huislook, en dergelijke. Sempiternal, sempittin'l. eeuwigdurend, eindeloos: Sewpiternity = eeuwigheid. SempstrewH, semstrds. naaister. Senary, senori. zes bevattend, zestallig. Senate, senit. senaat,hoogerhuis(Amer.),raad; â Iioiihc = senaat,raadhuis; Senator, senate, senator: Senatorial, sendtóridl. tot senaat of senator behoorende (eig. Am.); Senatorship; Seuatus, seneitds. academische sennat. Send, send, subst. beweging der golven: â verb, zenden, verzenden, doen gebeuren, doen komen of zijn: I went in (up) my uaine = ik liet zeggen wie daar was, liet mij*aandienen; Tlii» sent him mad = maakte hem razend; 1 will â you word as soon as I know it = bericht'zenden; I have sent him ahont his hiisiness = ik heb hem de laan uitgestuurd; They sent the hat round = zij gingen met den hoed rond (om geld, etc.); God â that all may he right = God geve dat alles goed zij; lie sent forth light tobacco-cloiids = hij dampte lichte rookwolkjes uit; They have sent for him = lie was sent for = er werd om hem gestuurd; Will you r- the servant for cigars? = wilt gij de meid sigaren laten halen: This measure sent up the price = deed stijgen; We have sent him to Coventry = wij hebben hem dood verklaard; He was sent to Botany Bay = hij werd naar de strafkolonie gezonden: âer. Sendal, send'l, lichte, dunne zijde. Senegal, senagöl. Senescent, senes'nt, verouderend. Seneschal, sends I, hofmeester, ceremoniemeester, baljuw. |
Sengreen, sengrin, huislook. Senile, sSnail, den ouden dageigen; Senility, sdnUiti, ouderdom; Senicide, sfmsaid,moord op ouden van dagen; Senior, sinid. subst. oudere of hoogere in rang: adj. ouder, oudste, hooger in rang: â clerk = eerste klerk: â counsel = voornaamste raadsman in eene rechtszaak: Seniority, sinioriti, voorrang of superioriteit door rang, diensttijd, enz. Senna, seno. gedroogde senebladeren. Sennight, senait, acht dagen: To-day â = vandaag over eene week. Sennit, segt;u7, platting, d.i. gevlochten touwwerk. Sensate(dgt;, sens(e)it{id), met de zinnen waargenomen; Sensation, sanseië'n, gewaarwording, gevoel, aandoening, opwinding, opzien, opschudding: It caused quite a sensation = het bracht heel wat opschudding teweeg, baarde heel wat opzien; Sensational = gewaarwordend, gevoelend, opschudding teweegbrengend: Sensational novels = sensatie-romans: Sensationalism = opgewonden taal of geschrijf: leer dat de kennis het resultaat van zinnelijke indrukken en gewaarwordingen is. Sense, sens, zin. gevoel, gewaarwording, begrip, besef, rede, oordeel, meening, beteekenis: The eye of â = het zinnelijk oog (tegenover niiiid'seye): Common â = gezond verstand: He is not in his âs = bij zijne zinnen: That is visible to the â = waarneembaar voor het oog; He has a keen â of right and wrong = een lijn gevoel voor recht en onrecht; Let us talk â now = laten we nu eens verstandig praten; In a â = in zekeren zin; In every (all) â = in ieder opzicht; He took the â* of the meeting = hij liet de vergadering uitspreken (hare meening): âless gevoelloos, onzinnig, dwaas: Sensibility,sen-sibiliti, vatbaarheid (voor indrukken, vooral van zien en gevoelen), gevoeligheid,aandoening of sympathie (gew. meervoud): His quick sensibilities = zijne levendige sympathie; Sensible = waarneembaar, gevoelig, verstandig. merkbaar, teeder, fijngevoelig, oordeelkundig, bij volle kennis: 1 am sensible of your considerate kindness = ik ben gevoelig voor uwe vriendelijke beleefdheid; That is not sensible to sight or feeling = niet waarneembaar voor oog of gevoel; Are you sensible? = ben je wel wijs: He is a sensible man = verstandig man: Sensibleness; He was sensibly affected by your words = zicht- of merkbaar aangedasin; Sensitive. sensitiv, (fljn)gevoelig, licht geraakt of aangedaan: Sensitive plant = kruidjeroermeniet: Sensitive to an affront = eene beleediging diep gevoelend; Sensitiveness, Sensitivity = (teer- of fijngevoeligheid; Sensitize, sen-siiaiz, gevoelig maken. Sensoriiim, sensóriam, orgaan van alle gewaarwording, hersenen = Sensory, sensdri: Sensorial = tot de hersenen, etc. behoorende. Sensual, senèudl, zinnelijk, vleeschelijk, wellustig; â ism = ity, senëualiti = zinnelijkheid, wellust; âist' = wellusteling, zinnelijk mensch; âize. sensitdlmz, zinnelijk maken; âness = zinnelijkheid; Sensious, sensuds, tot de zinnen sprekend, een beeld oproepend voor de zinnen, licht door de zinnen aangedaan. Sent, sent, imperf. en part. perf. van to send. |
man; ask = ask; frrrm = fam; b?^t = but; learn = l«n; line = lain; howse = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv = ló; lord = löd; hoy = bói;
SERGEANT.
SENTENCE.
423
|
Sentence, senVns, subst. vonnis, oordeel, beslissing, zin : â parsed on him = hij werd veroordeeld, er werd een vonnis over hem geveld: Tlii» â iiiakea no hciihc = deze zin heeft geen zin; The â was carried into execution = het vonnis werd ten uitvoer gebracht: â verb, vonnissen, veroordeelen: He was âd to death, but the â of death was coinmiited into lit'clong iiiiprisonineiit = hij werd ter dood veroordeeld, maar het doodvonnis werd in levenslange gevangenstraf veranderd; The âlon^-sentciicersquot; are, as a rule, the best behaved = de levenslang veroordeelden gedragen zich gewoonlijk het best; Sententious, sdntenëds, rijk aan kernachtige gezegden, spreuken en maximen; bondig, krachtig. Sentience, Sentiency, senè'nsd ),waarnemings-vermogen,gevoelvermogen; Sentient,senamp;nt, waarnemend, gevoelend. Sentiment, sentinVnt, gevoel, aandoening, gewaarwording, gevoelen, gedachte (in krachtige taal), toast (niet op een persoon, maar b.v.op liefde, vriendschap, etc.): The â ol* a religion ol' sorrow has an advantage over the â ol* a religion ol* pleasure = de grondslag van een godsdienst der smart gaat ver boven dien van een godsdienst van genot; Vou cannot prove truths of â = gevoelswaarheden laten geen bewijs toe; .lohn proposed a â: âThe important dayquot; = Jan stelde een dronk in op den gewichtigen dag; They are my own âs = dat's ook mijn idéé; -al. 'sentiment'l, (overdreven) gevoelig of gevoelvol: That isa âal question = kwestie van gevoel, gevoelsvraag; âalism = âality = (overdreven) gevoeligheid; âalist = (overdreven of gemaakt) gevoelsmensch: âalize = overdreven of gemaakt gevoelig zijn. Sentinel, scnfm'i, verb, schildwacht: lie stood â = stond op post: The â was relieved = afgelost; adj. als schildwacht: The â Ntar» set their watch in the sky = de sterren zetten aan den hemel hunne* posten uit; â verb, bewaken. Sentry, sentri, schildwacht, hoede: lie stood â = stond op schildwacht; âbox = schilderhuisje. Sepal, sr/)7, kelkblad: âine, sepelnln. Separable, sepdrah'l, scheidbaar, deelbaar; âness = Separability. Separate, separit, adj. afgescheiden, afzonderlijk: â entate = de eigendom van eene getrouwde vrouw onafhankelijk door haar beheerd en genoten; â'y = apart'; â verb, (sepdreit) scheiden, verdeelen. afzonderen, heengaan, uiteengaan: They âd without speaking another word = zij gingen van elkander zonder meer te spreken; âness; Separation, sepd-reiè'n. scheiding, afzondering; Separatism, â sepdreitizm, afscheiding (van kerk of partij); Separatist = afgescheidene, sektenmaker: Separator, sepdreitd, afscheider; Separamp;tory = scheiding veroorzakend; Separatrix, sepd-reitriks, decimaalpunt. Sepawn. sipón, maïsmeel in water gekookt. Sepia, sipjd, inktvisch, sepia. Sepoy, sipói, Indisch soldaat in E. dienst. Septangular, septangjuld, met zeven hoeken. September, saptembd. September. |
Septempartite, sepVmpatait, in zeven deelen verdeeld. Septenary, sopteneri, zeventallig, zevenjarig. Septennial, sdptenfl, zevenjarig, om de zeven jaren. Septentrional, soptentridril, noordelijk. Septloil, septfuil, zevenblad, d.i. figuur van zeven gelijke cirkelsegmenten. Septi. septi (in samenst.), zeven; âfarious, septifêrias, naar zeven verschillende kanten gekeerd; âform = zeven vormig. Septic, septik, subst. en ndj. rotting bevorde-rend(e stof): âal; âilt;y,,s-^ïisj7t,bevordering van verrotting. Septillion, sdptilf n, millioen in de 7e macht. Septuagenarian, septjuddzonèridn. zeventigjarige, iemand tusschen 70 en 80; Septuage-nary, septjuadzondri, subst. en adj. zeventigjarige). Septuagint, septjuddzint, Grieksche vertaling van het O. Testament. Sepulchral, sipnlkrl, lot een graf of eene begrafenis behoorende: â voice, rites, monument = grafstem, begrafenisplechtigheden, grafteeken: Sepulchre, sep'lko, graf, kleinen tijdelijk altaar; Sepulture,sep'ltjd,begrafenis; Sepultural, sipnltjdr'L van eene begrafenis. Sequel, sikiu'l, het volgende, vervolg, gevolg, resultaat; âa, sokivild. aanhanger, gevolgtrekking: Sequence, sikw'ns, opvolging, orde, regeling, reeks, gevolg: lie has a sequence of cards = hij heeft volgkaarten; Sequent = volgeling, opvolger, gevolg; Sequential, sikwenamp;l, opvolgend. Sequester, sikwestd, afzonderen, afsluiten, in beslag of bewaring nemen, afstand doen van; âed = afgezonderd, eenzaam, van eigendom beroofd of ontdaan: lie ran his course in the âed paths of life = hij zette zijnen levensloop voort in de stille paden des levens, in afzondering; Sequestrate, sikwestreit. sequestreeren; Sequestration = afzondering, beslaglegging: Sequestrator, sekwdstreitd, beslaglegger; die het goed waarop beslag gelegd is, beheert of onder bewaring heeft. Seraglio, sordljou, harem, paleis (v. d. Sultan). Serai, serei, paleis, herberg (Perzië). Serapli, serof, engel der hoogste orde (Meerv. âs of âlm); âic, Sdrafik. van een engel, verheven, bezield (met liefde of heilig vuur); âine, âina, serDfin{d), seraphine-orgel. Seraskier], siraskjd, Turksch generaal of minister van oorlog. Serbonian, svbounj'n, moeilijkheid, lastig geval, verwarring. Sere, std, droog, verwelkt, dor. Serenade, seraneid, subst. serenade; â verb, eene serenade brengen of geven; âr. Serenata, seranamp;td, cantate met liefde of landleven tot onderwerp. Serene, sarin» helder, rein, kalm, duidelijk, doorluchtig: Vour â llighiies.s = Uwe Doorluchtigheid; The weather was â = het weer was.helder; âness = Serenity, sjreniti, helderheid, kalmte, doorluchtigheid! Serf. svf, slaaf, lijfeigene; âage, âdom. - bood, âism = lijfeigenschap. Serge, éndz, wollen of lichte zijden stof. Sergeant, südz'nt, deurwaarder, sergeant: âdrummer = tam boer-majoor (zoo ook |
bone = boun: full; fool = ful; é = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; i/ear = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n: thin; thus = dlivs; wine.
SESQUIALTERAL.
SERIAL.
424
|
âpiper en âtrumpeter voor de pijpers en trompetters); âiniijor = sergeant-majoor: âcy = rang van sergeant = â Nhip. Serial, siriol, subst. tijdschrift, verhaal, dal bij gedeelten (in een tijdschrift) verschijnt: The novel lirMt appeared in â = is eerst bij gedeelten of in afleveringen verschenen: adj. tot eene reeks beboerende; Seriate, siriit, in eene reeks geplaatst of gerangschikt: Seriatim, sirieitim, in geregelde orde ol opvolging. SerieeoiiH, sirisds, zijdeachtig; Sericulture. sirikv.ltje, zij de wormen teelt. Serie», sirijyiz, reeks, opvolging. Serin, serin, Europeesche kanarie. Serio,stWou (in samenst.),ernstig: âeoniit'(al) = half ernstig, half komisch. Serious, strios, ernstig, plechtig, gevaarlijk: You iniiHirt take things tot» âly = de zaken niet te ernstig opnemen; âneM.s. Serjeant, südz'nt, rechtsgeleerde v. d. hoogsten rang; âat-arniM = ambtenaar (of adjudant) van den Speaker in het House of Commons -(r)y = soort v. leengoed. Sermiin, sütrin. preek, vermaning, leerrede: The â on the Mount = de Bergrede: âi/.e = preeken, vervelend zijn, toespreken. Seroon, sdrün, Seron, seron, gewicht, baal. SerouH, stras, waterachtig, dun, als wei: Serosity, sirositi, waterigheid, het waterig deel vari het bloed. Serotinous, sirotinos, laat verschijnend. Serpent, süp'nt, slang, blaasinstrument, slim en boosaardig mensch: âbearer = Ophiuchus (sterrenbeeld): âcliarmer = slangenbezweerder: âcliarming â slangenbezwering: âworsliip = slangenvereering; âariuw. stp'ntêrids, Ophiuchus; âine, svp'ntain. subst. soort van marmer (slangensteen), kronkelende vijver (in Hydepark), gekromde lijn: adj. slangachtig, kronkelend, sluw en boosaardig: âverse = versregel, die met hetzelfde woord begint en eindigt; verb, kronkelen. Serpigo, süpaiyow, huidziekte (dauwworm): Serpiginous, sfjpidzims, den dauwworm hebbende. Serrateil, sereit(id), zaagvormig, getand; Ser-rature, ser.njo, het getand zijn; Serrulated, 8eriuleït(id). fijn getand. Serried, serid, aaneengesloten, dicht samengedrongen : The â billows = de elkander snel opvolgende baren; The front ranks were close â = de eerste gelederen waren dicht opeengedrongen. Serum, sir'm, waterig deel v. het bloed, wei. Serval, svu'l, Afrikaansche tijgerkat. Servant, süv'nU bediende, knecht, meid,dienaar. dienares: 1 am. Your obedient â = ik heb de eer te zijn, Uw dv. Dienaar; âman, âmaid = dienstknecht, dienstmaagd (Cf. manâ, maidâ = knecht, meid); â of all work = meid alléén; âs' hall = dienstbodenvertrek. |
Serve, svv, dienen, bedienen, dienst of eer bewijzen, voorzien van, voldoen, ondergaan, zich onderwerpen, helpen, baten: The guns were âd by picked giinners = de stukken werden door uitgelezen kanonniers bediend; 1 âd a five years9 apprenticeship with that master = ik diende bij dien baas vijf jaar als leerjongen: That will hardly â your turn = dat zal u wel niet passen; He d me a bad trick = hij bakte mij eene leelijke poets; That âd him right = hij kreeg zijn verdiende loon; The letter being marked ^immeditate^, 1 âd it at once = daar op den brief spoedquot; stond, behandelde ik hem dadelijk; He âs the time, is a time- âr = hij praat al naar de omstandigheden; 1 assure you I have âd him out = ik verzeker u dat ik hem gediend (het betaald gezet) heb; To â au altachment = een exploit van gijzeling of beslagneming be-teekenen; To â an execution = een exploit van executie beteekenen: He âs in Parliament = is lid van: I!p âd olfice == hij vervulde dat ambt; He has âd on a Jury = hij is lid eener jury geweest; To â a warrant = een persoon in hechtenis nemen; To â a writ = eene dagvaarding beteekenen: The lood was âd out = de porties voedsel werden uitgedeeld; The soup has been âd up = de soep staat op tafel; â r = dienaar, presenteerblad. Servia, siïijd, Servië: â n, subst. en adj. Service, stivis, dienst, dienstbaarheid, onderdanigheid, compliment, gerecht, servies, vervoermiddelen, kerkmuziek, lijsterbes: This ol'ücer has seen â bothhere and in the colonies = deze officier is zoowel hier te lande als in de koloniën in actieven dienst geweest; The table had seen â ol' late = de gerechten op de tafel waren zooeven goed aangesproken geworden; He was attested for. discharged from the â = hij werd voor den dienst aangenomen, uit den dienst ontslagen: Ou Her Majesty's â = dienstzaken: He puts them to iiard â = hij laat ze hard werken: 1 am at your â = tot uw dienst; My â to you! = op uwe gezondheid; Can 1 be of any â to you? = kan ik u van dienst zijn: My â to you. Sir = Uw dienaar, mijnheer; His daughters went out to â in respectable families = gingen dienen bij voorname families; â is no â = de mensch is geen geboren knecht, d. i. ieder kan vooruitkomen zoo hij wil; The â for the visitation of the ttick = het formulier van den ziekentroost: âberry = lijsterbes; âpipe = zijleiding; â busli, âtree = lijsterbessenstruik of -boom: âable = dienstbaar, dienstig, voor-deelig, dienstvaardig; âableness; Serving, subst. het dienen; adj.dienend; Serving-man: Serving-maid. Servile, svv(a)il, slaafsch, kruipend, vleiend, afhankelijk; âness. Servility, svviliti, slaafsch-heid, onderworpenheid, kruiperij. Servitor, èüvitd, aanhanger, volgeling, dienaar, huisknecht, suppoost (in een schouwburg), oppasser; âship; Servitude,swyirjüt/,dienstbaarheid, slaafschheid: Penal servitude = dwangarbeid. Sesame, sesam/, sesamum (plant); Open â = tooverformule (Arab. Vertellingen), sleutel tot eene moeilijkheid of een geheim. Sesquialteral, SQskwiólter'l, verhouding van drie tegen twee; Sesquiduplicate, seskwi-djüpHkiU verhouding van vijf tot twee: Sesquipedalian, seskwipddeilfn. v. anderhalven voet : l'biquitous sesquipedalian adver- |
man; ask = ask; form = film; but = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = oslip; not; laa; = ló; lord = löd; boy = bói;
SESSION.
425
|
tiseuiPiitH = overal aangeplakte, kolossale j advertenties. SeMHion, ses'n, zitting, zittingstijd: âal = tot i eene zitting behoorende. Se»lt;et, sestet, âsostetou, stuk voor zes j stemmen of instrumenten. Sef, set, subst. houding, positie, ondergang, ! loot, telg, stekje, richting, stel, vereeniging. troep, bende, kliek: (airlH in lier â flidirt think it good form to do ho = meisjes van hare positie achtten het niet gepast zulks te doen; They «re a â ot' rogue» = een zootje schurken; The dog made dead âh at my troiiHeiH = de hond greep mij bij de broekspijpen. staarde stokstijf naar mijne broek (als om ze te grijpen); Things have come to (are at) a dead â = de boel zit vast, we kunnen niet meer vooruit; They served as a â off to each other = zij deden elkanders talenten, enz. wederzijds uitkomen: lie has broken a china cup and spoiled the â = een porceleinen kopje gebroken, en zoo het stel (twaalftal) geschonden; A â of hooks, writers = een stel boeken, schrijvers: A â of Lancers = quadrille des Landers; I was tenant of a top â = ik had een stel kamers op de bovenste verdieping: adj. gezet, geplaatst, onbewegelijk, vastberaden, geregeld, voorgeschreven, behoorlijk: A â visit = formeel bezoek: Hooks at â prices = voor vaste prijzen; lie did it csf â purpose = meteen bepaald doel; These are his â phrases = dit zijn zijne vaste uitdrukkingen; lie made a â speech = hield eene vooraf geprepareerde redevoering: A â face = strak gelaat; lie is â on mischief = hij is steeds op ondeugende streken uit; â verb, zetten, plaatsen, inrichten, schikken, planten, versieren, aanstellen, ondergaan, vast worden, staan (van een hond), te koop aanbieden, uitloopen op: She â her cap at my nncle = zij hengelde naar mijn oom: There* was nothing he could not â his hand to = daar was niets, dat hij niet kon doen: lie â his hand to this contract = hij onderteekende: E will â yon to work = ik zal u aan 't werk zetten, werk geven; The song had heen â to new music = op nieuwe muziek gezet; lie â to study in good earnest = hij begon in allen ernst te studeeren; lie has â me a dilTicnlt task = opgegeven; They â the church on lire, â lire to the church = staken de kerk in brand: He won't â the Thames (river) on fire = hij zal nooit veel beteekenen, niet veel naam maken; Yon boys miist â yonr small friends a good example = jullie jongens . .. een goed voorbeeld geven; Sheâ her teeth = zette ... op elkaar; It â my teeth on edge = het maakte de tanden stomp, deed mij griezelen, huiveren: The story âs yonr hair on end = doet uwe haren te iJerge rijzen ; Obey those who are â over yon = gehoorzaam hen die boven u staan; The nndertaking was â on foot = de onderneming werd op touw gezet; They â a brand upon his head = zij zetten een brandmerk op zijn hoofd: I have â them together by the ears = ik heb hen op elkaar aangehitst, tegen elkander opgestookt: Weâ each other riddles = wij gaven elkander i raadsels op; They â their faces against |
the measure = zij verzetten zich tegen den maatregel; We must â about it = er aan beginnen; The law was â aside = werd (voor een tijd) buiten werking gesteld, afgeschaft; He âs all the rules at defiance = hij trotseert, negeert alle regels: Let me â yon at ease on that = laat ik u daaromtrent geruststellen: He â all my orders at naiight = hij verachtte al mijne bevelen; We were â at work = wij werden beziggehouden; The proposal was â before the meeting = het voorstel wei d der vergadering voorgelegd; We âit by till the next day = wij legden het tot den volgenden dag ter zijde: It was â down for a rule = als regel aangenomen; He âs down the public for an old w oman = hij beschouwt . . . als een oud wijf: He â light by it = versmaadde het. achtte het onbeteek'enend: I shall never â eyes on him again = ik zal hem nooit weer zien; The barometer points to quot;set fairquot; = wijst op vast en mooi weer: It was â forth publicly = het werd openbaar gemaakt: We â forth (forward) on our Journey = wij gingen op reis; The prisoners were* â free = vrij gelaten: Let ns â it in order = in orde brengen, klaar maken: The cold has begnn to â in = de koude is begonnen; We â little or much (store) by what he sagt; s = wij geven weinig of veel'om wat hij zegt, hechten er veel (weinig) waarde aan: Let ns â off for that place directly = laten wij dadelijk daarheen vertrekken: She â off her friend's beauty = zij deed de schoonheid barer vriendin uitkomen (bij wijze van contrast); Who â them on? = wie heeft hen aangehitst; They were â on to violence = tot geweld aangespoord: He â himself to that work = hij legde zich daarop toe; The currents of people set towards Trafalgar Square = menschendrommen begeven zich naar (loopen uit op): They â to gathering strawberries = begonnen aardbeien te plukken; The narrative is lucidly â ont = het verhaal is helder gesteld: â out with pearls and Jewels = getooid met paarlen en edelgesteenten: The servant â out my pistols = legde mijne pistolen klaar; We â ont lor Paris = vertrokken naar P.: He â ont in trade = hij begon handel te drijven: The two comliatants began to â to = begonnen te vechten: It was â np for a rule = als regel aangenomen: He âs np for a clever fellow = hij hangt den knappen kerel uit: Tiiis windfall â me np again = dit meevallertje heeft mij weer op de been geholpen: His father â him np in trade = heelt hem in eene zaak gezet; A stout, well ânp man = een forsch en goed gebouwd man; After some time I hope to â up for myself = na eenigen tijd hoop ik voor mijzelf te beginnen: How many pages have been â up now = zijn nu al gezet; To âupon = aanvallen; The book â him wild to go to America = bracht zijn hoofd op hol: The ship â sail for China = ging onder zeil naar: All sails were â = alle zeilen werden bijgezet; The sim bas â, is â = is ondergegaan, is onder: He gave me a |
bone = boun: full; fool = fnl: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = Jia; lon(/ = loij; s/jip â sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhiss; wine.
SET-DOWN.
426
SHACKLE.
|
terrible âdown = een vreeselijk standje, strenge berisping; The âin of HUinmer = | het begin van den zomer: âline = drijvend , hengelsnoer met vele angels; That i« a tieaiitil'nl âoff â versiering, tegenstelling; The âto was inideeided = de strijd, het gevecht (bokspartij), woordenstrijd bleef on- | beslist; There was au awl'ul âto about the proposal = het voorstel werd druk beredeneerd : âtee = lange zitbank met leuning, I soort v. sofa: âter = zetter, staande hond; 1 âter-np = stichter, verheffer (tot eene waardigheid); âter-wort = stinkend nieskruid; ^ting; = het zetten, stellen, ènz., verharding, waarin iets (b.v. een juweel) gezet wordt; He wants a -ting-down = moet op z'n plaats gezet worden; â tinggt;pole = schippersboom. Setaeeons, .sf7e«amp;gt;s. met rechtopstaande haren, borstelachtig; Setiferous = borstels dragend; Setiforin, sitiföm, borstelvormig: Setigerous, sitidzords, met borstels of haren bedekt = Setons. sitds = Setose, sitous. Seton , siCn, seton (in eene wonde, om het sluiten daarvan te beletten). Settee, seti, schip met één dek en twee masten (Middell. Zee); âsail. Settle, setl, subst. lange zitbank met hooge rugleuning; â verb, vestigen, vaststellen, bepalen, bevestigen, beslissen, herstellen, ver-elfenen. stillen, bedaren, ordenen, bezinken, bevolken, uitmaken, trouwen : Her features express the eonipoNiire of âd distress = haar gelaat drukt de kalmte eener gevestigde smart uit; We -il aeeonnts = wij rekenden af: 1 have âd with my ereditors = ik heb met mijne schuldeischers een accoord getroffen; That s my âd opinion = gevestigde meening; A 'pension was âd upon him â werd hem toegelegd; That^s âd = dat is afgedaan; That âd thein = zette hen op hunne plaats: At last the narrative âd down to what I have related = eindelijk kwam het verhaal neer op wat ik heb medegedeeld: â to one thing at a time = bepaal u tot één ding tegelijk; He âd for life = hij heefteen huishouden opgericht, is getrouwd, enz.; The Europeans âd many parts of the other eontinents = de Europeanen hebben vele deelen der andere werelddeelen gekoloniseerd: The notary was âd at Ij. = had domicilie genomen* te L.; âment = vestiging, vereffening, schikking, volkplanting, domicilie: The Aet of âment = wet op de troonopvolging (1702); He made a âment on me = ik sta in zijn testament; They made us an offer of âment = boden aan de zaak in der minne te schikken; â r = kolonist, afgedaan (uitgemaakt) iets: Settling = beslissing, oplossing, regeling, volkplanting; Settlings = bezinksel, droesem. Seven,scfXsubst.zeven; adj.zeven: âleagued boots = âleaguers = zevenmijlslaarzen:â deadly sins = de zeven doodzonden (= Pride, Covetónsness. Lust ov Lechery, Gluttony, Anger or Wrath, Envy, Sloth); That noise would rouse the â sleepers = zou de dooden doen ontwaken: â stars = zevenster; âup = een kaartspel: âfold = zevenvoudig = âfolded; ânight = week, acht dagen;. |
âteen = zeventien; âteenth = zeventiende: âth = zevende; âthly = ten zevende; âtieth = zeventigste: âty = zeventig: The âty = de zeventig vertalers van de Septuagint; de evangelisten door Jezus uitgezonden (Lucas X, 1-24). Sever, sevD, met geweld scheiden of afsnijden, afscheuren: His liead was âed from his body: Remember this if we should ever be âed = denk hieraan, als het lot ons ooit mocht scheiden; âal = verscheiden, onderscheiden; âally: Take them âally = elk in 't bijzonder:' âalty = afgescheidenheid: Held in âalty = in apart bezit (tegenover in eomnion = in gemeenschappelijk bezit); âanee = scheiding, afscheuring, verdeeling. Severe, sivtd, streng, gestreng, ernstig, wreed, onbuigzaam, pijnlijk, stipt, kritisch: I have suffered a â loss = een wreed verlies geleden ; We will let him âly alone = wij zullen hem expresselijk voorbijgaan, negeerenquot;; Vou are â upon me = streng jegens mij; Severity, sdveriti, gestrengheid, wreedheid, scherpheid, stiptheid. Severn (The), dhdsevdn. Sew, sou, naaien: The wound was âed (ân) up = werd dichtgenaaid; âer; âing = het naaien, naaiwerk: She plied her âing = zij zat druk te naaien; âmg-niaehiiie = naaimachine: -ing-work = naaiwerk. Sewage, siüidi, rioolslijk: Sewer, siti.t, riool: Sewerage, siiidridz, rioolstelsel. Sewn, soun, part. perf. van to sew. Sex, seks, natuurl. geslacht (tegenover Gender = grammat, geslacht): The fair, female â = de schoone, vrouwelijke sekse: The male â = de mannelijke sekse; The â = de vrouwen: âless = geslachtloos. Sexagenarian, seksddédnêrion, subst. en adj. (iemand) van zestig jaar; Sexagenary, sek-sadtdiwri, subst. zestigjarige, iets uit zestig deelen bestaande; adj. zestig. Sexagesima, seksddzesinw, tweede Zondag voor de Vasten. Sexagesimal, SQksddzesimquot;l, zestigtallig. Sexangle, seksangl, zeshoek: âd = Sexan-gular, seksangjuld, zeshoekig. Sext, sekst, Hoomsche dienst voor den middag. Sextain, sekstein, zesregelig vers. Sextant, seks Vut, zesde deel van een cirkel. Sextile, sekstail, de ligging van 2 planeten op 60 graden van elkander. Sextillion, sekstilfn, millioen in de 6e macht. Sexton, seksVn, koster, doodgraver; âship. Sextuple, sekstjupH, zesvoudig. Sexual, seksiuel, tot het geslacht of de geslachten behoorende; âity , seksiualiti, geslachtsonderscheid(ing). Seymour, sinid. Shabby, öabi, kaal, haveloos, min, laag: Our â genteel people = onze kale chique; I eall that â = dat noem ik gemeen: The book is â of eovering = heeft een slordigen omslag, band; Shabbiness. Shack, sak, subst. recht van winterweide; â verb, vallen (zooais het gemaaide koren), zich voeden met stoppels of afval der aren. Shaekle, sak'l, boei, kluister, verhindering, belemmering; â. verb, boeien, ketenen, be |
man: ask = j\sk; farm = lïim; b?tt = but; learn = Ion; line = lain; hoitse = hans; net: care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not: \aw = lo; lord = löd; boy = boi:
SHANDYGAFF.
427
SHAD.
|
lemmeren, koppelen (v. spoorwagons; Amer.), hinderen. Shad, èad, elft. Sliaddock. èadak, pompelmoes. Shade, èeid, subst. donkerheid wegens het onderscheppen d. lichtstralen, schaduw, schim, schakeering, (lampe)kap, scherm: Xo â i»f difTerence = geen zweem verschil; This i» a â Htronger = een tikje sterker: He was parHeular to a â = verschrikkelijk sekuur, tot op een haartje nauwkeurig; Hè kept in the â = bleef op den achtergrond, hield zich gedekt; That throws your work into the â = dat laat uw werk ver achter zich; âs = het schimmenrijk, hades, wijnkelder, de donkere deelen eenèr schilderij; â verb, verdonkeren, verduisteren, beschaduwen, beschutten (tegen licht of hitte), schaduwen, met donkere tinten schilderen;âless: âr; Shady = lommerrijk, beschaduwd, dubbelzinnig; dof, achteruitgaande: On the shady (sniiny) side of seventy = boven (onder)* de 70 jaar: A shady business = zaak, die geen licht kan lijden; Shadiness = lommerrijkheid, dubbelzinnigheid, dofheid, somberheid; Shading = het beschermen, schaduwen. Shadow, sadou, schaduw (met bepaalde omtrekken), duisternis, donkerheid, schuilplaats, weerkaatst beeld, geest, zwakke voorstelling, onafscheidelijk gezel, geheim politieagent: The shadow(sgt; of death = de schaduwen des doods; He wrongly took the â lor the substaiiee = hij nam verkeerdelijk den schijn voor het wezen: â verb, schaduwen, bewolken, in donkere kleuren schilderen, beschermen, verbergen, voorstellen, volgen (als eene schaduw): The poliee are âins hini = de politie gaat al zijne gangen na: ây = schaduw- of lommerrijk, duister, hersenschimmig; âiness; âless. Shalt, sdft, pijl, schacht, disselboom, deel van een zuil tusschen voetstuk en kapiteel, nauwe mijningang; âed = met kleine zuilen, met een handvatsel (herald.); âhorses = de achterste (aan den disselboom loopende) paarden van een vierspan: âlews. Shaftesbury, samp;ftsb'ri. Shag, sm/, subst. pluis, ruw haar, nop (v. laken, enz.), reep, soort v. tabak; adj. ruig; â verb, ruig maken, misvormen; âgednes*. âginess = ruigheid: âgy = ruig, met lang, wollig haar: A âgy pony, bear = ruige hit, beer. Shagreen, amp;gt;ryrfn, subst. en adj. (van) ongelooid leder. Shall, sd, keizer of vorst van Perzië. Shake, sei/c, subst. schok, ruk, trilling, scheur (in hout), (hand)druk: Vour cordial â did me good = uw hartelijke handruk heeft me goed gedaan: He is no (not any) great âs = hij is niet veel zaaks of bijzonders; â verb, schudden, schokken, beroeren, trillen, verzwakken. roeren: When taken to be well ân = vóór het innemen goed schudden; I think I shook him = ik geloof, dat ik hem diep getroffen heb; We have ân hands over it. have ân eaeli otiier by the hand = wij hebben elkaar de hand er op gegeven, een handdruk gewisseld; 1 shook him oil' like a dog = ik wierp hem van mij als een hond; The bedroom carpets should be repeatedly âii = de vloerkleedjes der slaapkamers moéten vaak uitgeklopt worden; âdown = kermisbed; 1 congratulated niyseH' that the âhands was disposed of = ik was blij dat dat handjesgeven over was; A limp âhands = een slappe (karakterlooze) handdruk: â r = lid van eene godsdienstige secte (verg. Ouaker); ârism = beginselen der ârs; Shaky = slapjes, zwakjes, bouwvallig, trillerig: The candidate was rather shaky = de examinandus was vrij zwak: Shakiness. |
ShakeNpeare, ëeikspid; âan, Shakespearian. èeilcspiridn, van of als Sh. Shako, samp;koii. sjako. Shale, èeil, leirots (zooals b.v. de Lore ley): Shaly = met leirotsen. Shall! èal, zullen: Thou shalt not steal. Shalloon, sdlün, saai, sajetten stof. Shallop, saldp, visschersvaartuig met twee masten, sloep. Shallot, salot, sjalotte. Shallow,««/ou, subst.ondiepte.zandbank: adj. ondiep, oppervlakkig, onnoozel: His high collars get âer as he advances in years = zijne hooge boorden worden lager naarmate hij ouder wordt; âbrained = dom,onnoozel; âhearted = beuzelachtig, oppervlakkig: âness = ondiepheid, bekrompenheid. Sham, .sam, subst. bedrog, bedotterij, voorwendsel : lie cut a â = hij bedroog; adj. geveinsd, voorgewend: â verb, bedriegen, valschelijk voorwenden: He is âining Abraham = hij houdt zich maar zoo (b.v. ziek, gek.dronken,etc.): There were many cases of âniing mad = heel wat gevallen van voorgewende krankzinnigheid; He is a ânier = bedrieger, veinsaard; âdoor = blinde deur; âerrand = gemaakte boodschap; A âlight = spiegelgevecht. Shamble, sanib'l, schuifelen, onvast of lummelig gaan: Shainbling, subst. onvaste gang: adj. onvast. Shambles, èamb'lz, vleeschbankjes, vleeschhal, slachtplaats, abattoir, vergaarbak: Tribunals then were an unclean public â. Shame, seim, schaamte, schande, bescheidenheid: Fie, for â = foei! schaam u: He is lost to every Hense of â = hij heeft alle schaamtegevoel verloren: Such a small boy should not put you to â = mag u niet beschaamd maken*: â verb, beschamen, te schande maken, zich schamen: You â your worth = doet uwe waardigheid schande* aan; âfaced = bedeesd, schaamachtig: â faced-ness = schroom; âful = schandelijk, ongepast, onwelvoegel ijk: -Hess = schaamteloos. Shanioy, samöi, Sliaimny. èami, gems(leder). Shamoying, èanu'niii, soort van leerbereiding (met olie). Shampoo, s'rnpü. subst. wrijving v. hoofd of lichaam; â verb, na een warm bad het lichaam wrijven of knijpen, het hoofd wrijven en was-schen (bij een kapper). Shamrock, èamrok, klaverblad (nationaal zinnebeeld v. Ierland): Itose, thistle and â = Engeland. Schotland en Ierland. Shandry(dan). sandrid'n. lersch karretje. Shandygall', ëandigaf, mengsel van bier en gemberbier. |
bone = boun: full; fool = tïil: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = Jia; Ion# = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin: thus = dims: wine.
SHANK.
428
SHEEP.
|
Shank, sank-, been v. knie tot enkel, scheenbeen, beenstuk, steel; Longâ« = langbeen; Spindle âh = spillebeenen, spillebeen; â-painter = touw dat het anker aan de zijde van het schip vastmaakt; âed (in samenst.) = met een been of steel. Shanty, santi, ruwe hut, loods, liedje. Shape*, ëeip, subst. gedaante, gestalte, vorm, ! leest, wezen : A lew poeniH in the âol'son-netM = in sonnettenvorm; â verb, vormen, j scheppen, richten, inrichten, bezweren, passen: She âd her life t« her duties = zij regelde haar leven naar hare plichten: They âd a cmirse Tor the island = zetten koers naar: âable, Shapakle = vormbaar, welgevormd: âlews = vormloos; âly = goed gevormd, welgemaakt, schoon; âsliirtinp; is eoinnioii in nursery tales = plotselinge gedaanteverwisselingen zijn in sprookjes zeer gewoon. Shard, ècid. potscherf, eierschaal, slakkeschelp, schildvleugel (v. insecten): The âs of lile = de harde of wreede levensomstandigheden. Shai'e, êêd, subst. aandeel, gedeelte, ploegschaar: âs were at a preniiiiin = de aandeelen stonden hoog: Let ine bear a â = laat mij ook meedoen of bijdragen; Shall we go âs? = zullen we samen doen, elk een gelijk deel bijdragen; It fell to my â = viel mij ten deel; Kor my â = wat*mij aangaat; Scrip, translerabie â = aandeel aan toonder (= bearer); i'ersonal. noniinal â = aandeel op naam; â verb, verdeelen, deelen, deelnemen: 1 â your opinion = ik ben het met u eens. deel in uwe meening: We did not â in these transports = deelden die verrukkingen niet: We must â and â alike = gelijk op deelen; âbroker = makelaar in effecten, enz.: â holder = aandeelhouder; âr = deelhebber. Shark, èak. subst. haai. schurk, vrek; â verb, gauwdieverij plegen, sluw meenemen, schuimen, zich door list en streken een bestaan verschaffen: He âed out of it = draaide er zich uit. Sharp, scijt. subst. (noot met een) kruis; adj. scherp, spits, puntig, doordringend, glad, slim, scherpzinnig, op het kantje v. eerlijk af, zuur, waakzaam, bij-de-hand: lie is â at sinus = vlug in 't rekenen: I had a â lit ofgripiu^s = een hevigen aanval van buikpijn; He is a â little boy = bij-de-hand jongetje; He is a â hand = gladde, gewikste, gewetenlooze vent; He has a â wit = gevatten geest: The sails were â trimmed = scherp bij den wind gezet; As â as a ferret = zoo scherp of doordringend (van oog) als een fret; Look â = vlug, haast u wat: â dealing = afzetterij, bedriegerij: â practices = kuiperijen, bedrog; The dinner conies off at six â = het diner begint precies te zes uur; Fâ = fis (muz.); â verb, scherp maken, van een kruis voorzien, bedriegen; âcut features = scherp belijnde trekken; âset = gretig, hongerig; âshooter = scherpschutter; âsighted = met een scherp oog, scherpzinnig; âwitled = schrander, scherpzinnig: âen = scherpen, wetten, aansporen, doordringender of zuurder maken; âer =' bedrieger, afzetter; âness. Shaster, sastD, naam van de Vedas, enz. Shatter, sntd, verbrijzelen, verpletteren, ver- ⢠|
strooien, krenken of in de war brengen, ruineeren ; âs = brokken. Shave, Seiv, subst. het scheren, sneetje, spaander, schaafmes, valsch gerucht: A close â = een nauw ontkomen; â verb, scheren, zich scheren, in sneetjes verdeelen of snijden, langs strijken, afschuimen, villen: I want to get âd = ik wou me laten scheren; He âs notes, is a noteâr = hij koopt schuldbewijzen voor heel weinig geld,quot; hij drijft woeker: âgrass = paardestaart (plant); â r = barbier, woekeraar, schurk,grappenmaker, ventje: The baby is a nice â r = het kleintje is een aardig rakkerdje; That was a â r = a close â = dat liepen we net vrij; Shavie, seivi, streek, dolle grap, valsch gerucht; Shaving = het scheren, krul; Shaving-basin = scheerbekken. Shaw, so, kreupelboschje, klein bosch. Shawl, 5(3/, subst. sjaal; â verb, meteen sjaal omhullen. Shawm, som, schalmei (blaasinstrument). She. èi, subst. vrouw; adj. vrouwelijk ;pron. zij: His wife is a âboss = driedekker, baas (Amer.). Sheadiiii;, sidin, een der zes districten v.-Van. Sheaf, èif\ subst.schoof, bundel (Meerv. Sheaves); â verb, in schoven of bundels binden; ây Sheal, s/quot;/, doppen, schillen. Shear, sta, subst. vischhaak met verscheidene tanden: â verb, afsnijden, scheren, oogsten, maaien: The shaven and shorn clergy = de U.K. geestelijken (omdat hun gelaat gladgeschoren is en ze eene tonsuur hebben): âbill = schaarbek (vogel); âsteel = sterk verhard staal: âer = scheerder, oogster: âiiig = het scheren of maaien, hetafgescho-rene (gew. meerv.); âling = eens geschoren schaap: âs = groote schaar (om heggen, enz te scheren); âwater = pijlstormvogel. Sheat*lish, sitf'xs, meerval. Sheath, èüh. scheede, schild (van een vleugel); âwinged = schildvleugelig: Sheathe, .só//lt;, in de scheede steken, beschermen, verbergen, bekleeden, stomp maken: They âd {sidhcl} the sword = zij maakten vrede: He âd a dagger in the enemy's breast = hij doorstak zijn vijand met 'een dolk; âer; â ing, sidhiri, het bedekken, dubbeling (d. i. bekleeding van den bodem van een houten schip met metaal, etc. tegen de wormen); âless = zonder scheede. Sheave, siv, schijf van blok of katrol. Sliebeeu, sibin, gemeene kroeg, stil drankhuis Shed, sed, subst. verdeeling, scheiding, helling keet of loods, schamele hut; â verb, storten, vergieten, verspreiden, afwerpen, loslaten: The stag has â its horns = het hert heeft zijne horens afgeworpen; This coatâs water = deze jas laat het water afloopen (is waterdicht); âder; âder-crab = krab die pas zijne schaal heeft afgeworpen; âding = het storten, wat afgeworpen wordt, aaneenschakeling van loodsen of hutten. Sheen, sm, subst. glans, pracht, schittering: adj. glanzend, schitterend; â verb, schitteren: ây. Sheep, 'èipi schaap, schapen, sullig en bedeesd mensch: She seems to have become a white â = zij schijnt haar leven gebeterd te |
man; «sk = ask; farm = fam; bitt = but; learn = l«n; line = lain; house = hans; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = oslip; not; law = 16 lord = Hid: hoy = bói:
SHEEP-COT.
429
SHIFT.
|
hebben; lie is lt;lie black â «1' the family = hij is âde verkeerdequot; in de familie; âcot, âcole = kleine schaapskooi, herdershut; âdog = (schaap)herdershond; âfared = bedeesd, schaapachtig dom: âfold = schaapskooi: âmarket = schapenmarkt: âiiiawter = schapenhouder of-fokker: ârun = schapenweide^ âshearer = schapenscheerder; â Hheariiig = het scheren van schapen; âskin = schapevacht, schaapsvel, perkament; âtick = schapeteek of-luis; âtraek = schapenpad: âwalk = schapenweide (minder groot dan ârun): âwhittling = schapen hoedend; â's-eye = zedige blik, lonk, oogjequot;: She has neen easting âquot;s-eyes at liini many a day = zij heeft hem al dagen lang toegelonkt: â's-head = schaapskop, schapekop; âish = schaapachtig, sullig, bedeesd. Sheer, SCa, subst. bocht van het schip naar vóór- en achtersteven, ligging van een schip voor één anker; adj. en adv. zuiver, rein, eenvoudig, zeer dun. loodrecht, plotseling, in eens: lie pitehed him â into the water = hij gooide hem zoo maar in het water; â verb, afwijken (van de ware richting), geren of gieren; â off = weggaan, heengaan, afzetten (van boot of sloep van een schip), afhouden; âs = hijschtoestel van twee opstaande masten of juffers; âhulk = schip van âs (= eene hijstelling) voorzien, mast-schip. Sheerness, éianes. Sheet, è it, subst. laken, bedlaken, groot vel papier, zeil, groote oppervlakte, schoot van een zeil: A wind ins; â = lijkwa: It eame down in âs â het goot van den hemel; I have got the work in âs = in losse bladen of vellen: â of snow = sneeuwlaken; â of water = groote waterplas; We were sailing with llowing âs = wij zeilden ruimschoots, met gevierde schoten; Then 1 was quietly between the âs = lag ik lekkertjes onder de wol; âanehor (eig. shoot-anehor) = plechtanker: He held o» to it as by a âanehor = hij hield er zich aan vast als aan een plechtanker; Courage is the âanehor of iiide|gt;eiidenee = moed is het plechtanker der onafhankelijkheid: â eopper = geplet koper; âiron = plaatijzer; âlightning = weerlicht (tegeno. forked lightning = bliksemstralen); âed = tot een laken gevormd: The âed smoke = de hangende of zwevende rook; âing = linnen of katoen voor lakens, beddelaken. Sheik(h). sik. hoofd van een Bedouinenstam. Shekel, .scA-7, gewicht (ongeveer 8 dr.), munt (f 4,50). Sheld,se/(Z, gespikkeld, bont: ârake. â(djmok = mannetje en wijfje van de (middelste) zaagbek. Shelf, èelf, vaste plank (tegenover plank = losliggende plank), rotslaag, plaat: lie was laid on the â = gepensioneerd, op non-actief gesteld. Shell, èel, schaal, schil, bolster, schelp, lier, dop, geraamte (van een gebouw), romp, ruwe lijkkist, bom, granaat: They were stormed at with shot and â = aangevallen of beschoten met kogels en granaten; â verb, schillen, doppen, ontbolsteren, bombardeeren. |
afvallen (van schil of bast): If you doirt â out promptly, I shall dun you = als ge niet dadelijk vanzelf betaalt, maan ik u; â fish = oesters, mossels, kreeften, enz.: â Jacket = soldatenbuis; âae = schellak: âlinie = schelpkalk: âmoniids: zie Kit-chenmiddens: âproof = bomvast; âwork = schelpwerk; âed = van bast, schil oi schelp ontdaan; ây = vol schelpen of doppen, schelpachtig, van schil of schelp voorzien. Shelter, seltd, subst beschutting, schuilplaats: â verb, beschutten, beschermen, eene schuilplaats geven, schuilen, verschuilen; âless. Shelty, Sheltie, selti. Shetlandsche hit. Shelve, selv, op eene plank plaatsen, wegzetten, ter zijde leggen, zacht hellen: The land âs away to the water = het land loopt zacht naar zee af: The shore âd gently up from the ^water's edge = liep zacht héllende op: Society âd him = de maatschappij negeerde hem; Shelving, subst. de gezamenlijke planken. hout voor planken: adj. heliend: This is a shelving-trap for the admission of éasks = dit is een luik met zacht alloopende plank om vaten te bergen. Sheni. sem, Sem; âitic = Semitic. Sheol, stol. plaats der dooden, hel. Shepherd, sepdd. subst. (schaap)herder; â verb, hoeden; â's crook = herdersstaf: â's-dog = herdershond: â's-needle = het genus geranium: âquot;s pouch = herderstaschje; â'srod( staff gt; = kaardebol: âess = herderin, landmeisje. Sherbet, sfibot, sorbet (verkoelende drank uit vruchtensap). Sherd, sod. brok. stuk. Shereef, Scherif, sdvif. vorst of heerscher, eerste magistraat v. .Mecca. Sheridan, serid'n. Sheriff, serif, schout, bestuurder van een graafschap; âclerk = secretaris der graafschap: âalty, âdom, âship = gebied van een schout, graafschap. Sherry, sen. Spaansche wijn; âcobbler = sherry, suiker en ijs water, door een rietje opgezogen. Shetland, sethind, eilandengroep = The âs: âpony; Zie Shelty. Shew, Sou; Zie Show. Shibboleth, sibdleth, wachtwoord, kenmerk, etc. eener partij. Shield, sild, subst. schild, beukelaar, huid van een wild zwijn, verdediging, verdediger; â verb, beschermen: Cüod â you from your enemies = God bescherme* u voor uwé vijanden: âless(ness). Shieling, silir^, hut in de Hooglanden. Shift, sift, subst. verandering, vervanging, verwisseling (van kleederen), troep werklieden. (vrouwen)hemd, list, uitvlucht, hulpmiddel: He makes â to live = hij redt zich op de een of andere manier: He made â to get there in time = hij legde het zóó aan, dat hij er op tijd was; That's my only and last â = mijn eenig en laatste redmiddel: This is only a makeâ = middel in den nood (omdat er niets anders is); â verb, schiften of scheiden, overbrengen, verwisselen (van kleeren), verhuizen: You must â for yourself = gij moet uzelf redden: Within a week |
bone = boun: full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl; ?/ear = jia: \onfj = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n: thin; ï/ius = dln:s: wine.
SHIFTER.
430
SHOCK.
|
we had âed, bag and ba^Stage = binnen eene week waren we met pak en zak over; Hp was âing about on Iiih chair = bewoog zich zenuwachtig heen en weer: I have âed it oir = de zaak uitgesteld; You â oir niy argiiinent»* = ge ontduikt; Vou are always âiiiR about = ge wilt nu het een, dan Het ander: ge weet niet, wat gij wilt: We âed the HailM = wij hebben de zeilen overgelegd: We âed our »hirt(4 = deden een ander hemd aan: The Heene was âed = werd veranderd: The wind âed to the east = draaide naar; âer = veranderlijk mensch, bedrieger, slimmerd: âinp, subst. verhuizing, wegneming, overlading, het zich behelpen: adj. veranderlijk, weifelend, sluw, listig; âless = onbeholpen; ây = veranderlijk, slim, loos. Shillelah. Shillelagh, Shillalah, Sileilo, dikke eiken stok of knots (Ierland). Shilling, silii},. Eng. munt (ongev./ 0.60): All my brothers have taken the Oaeen's â = al'mijn broers zijn in dienst gegaan, onder dienst: âshoeker. âdreadl'ul = sensatie-of rilroman van één sh. Shilly-shally, èilièiili. subst. besluiteloosheid, aarzeling; â verb, aarzelen; adv.besluiteloos. Shiinnier, 5t»?a.subst.schemering, schittering; â verb, schemeren, gloren: The snow lay âing brightly in the w intry sun = helder te glanzen. Shin, 5m, subst. scheen(been): â verb, klimmen in een boom (met geld leenen; â plaster = bankbiljet (Amer.). Shindy, ëindi, sta ndje, pretje, voorliefde (Amer.): Eat your words or there will be a â = trek je woorden in of we krijgen ruzie. Shine, sain, subst. zonneschijn, glans, standje, ruzie: It's a inerey, ilquot; he does not kiek up a â = we moge'n van geluk spreken als hij geen ruzie maakt; You were true to ine through good and evil, storm and â = onder alle omstandigheden des levens; I'll take the â oil* you = ik zal er je van âgevenquot;; â verb, schijnen, schitteren, blinken, krachtig uitkomen: The busy bee improves each shining hour = de nijvere bij gebruikt den tijd goed: It shone lorth in all its glory = het schitterde in al zijne heerlijkheid: Shiny = schitterend, helder: â r = wie of wat blinkt, nieuwe munt, goudstuk; Shining, subst.glans; adj. schitterend, glanzend, glimmend,uitstekend. Shingle, èing'l, subst. dekspaan (in plaats van pannen of lèi), keisteentjes, doctorsbul (maar even verkregen); â verb, met dekspanen dekken: âbeaeli = strand met keisteentjes; âoak = dakspaan-eik; âtrap = golf of waterkeering; âs = huidziekte, gordeluitslag; Shingly = gelijkende op of bedekt met â. Shinty,' èinti, soort v. kolfspel, kolfstok. Ship, subst. schip, vaartuig, driemaster: â lis â has eome home = hij heeft een gelukje gehad: â ol' the line = linieschip; The â draws twelve feet of water^ = heeft twaalf voet diepgang; â in eommissioii = in dienst gesteld schip; â in ordinary = opgelegd schip; lie is on the â's roll = hij staat op de (scheeps)rol; We went on board â yesterday = gister zijn wij aan boord gegajïn: The sharks followed in the man; ask = ask; farm = tarn; bJlt;t = bwt; care = kèd; fate = feit; tin; asleep = a; |
â's wake = volgden het schip (kielwater, zog); When will the king take â? = wanneer gaat de koning scheep; Several âs were being launehed = werden te water gelaten: Our â was brought to = ons schip werd bijgedraaid; The enemy tried to blowr up the admiral â = in ile lucht te doen vliegen; The sieamer hailed our â off*the Norway eoast = praaide ons op de hoogte van de * Noorweegsche kust; There is a â ahead = een schip vooruit, voor den boeg: â verb, inschepen, vervoeren, aan boord nemen, op de behoorlijke plaats brengen, aannemen (in dienst): I have âped him off = weggezonden, afgescheept: âboard = scheepstimmerhout: We are on âboard = aanboord: âbroker = scheepsmakelaar; âbuilder = scheepsbouwmeester; âearpenter = scheeps-timmerman: â(handler = handelaar in scheepsbenoodigdheden: âmate = scheeps-kameraad: âinent = inscheping, verscheping: âmoney = belasting vroeger geheven op havensteden en aan de zee grenzende graafschappen ten behoeve van de landsverdediging: âowner = reeder; âshape = netjes, behoorlijk in orde: â's-hiisband = iemand die voor de reparaties, proviandeering en andere benoodigdheden zorgt; â's-timbers = spanten; âwreek = schipbreuk: â verb, schipbreuk lijden: We were -wrecked; â w right = scheepsbouwmeester; âped = van schepen voorzien, aan boord geplaatst: â per = inscheper, verscheper; âping, subst. alle schepen te zamen, scheepsmacht, vloot, tonnenmaat: adj. tot schepen behoorende: They took âping = zij gingen aan boord: âping articles = contract tusschen kapitein en scheepsvolk. Shire, said (in samenst. sd), graafschap: âmote = hof. vroeger tweemaal per jaar in een Shire gehouden. Shirk, sw/i, subst. iemand, die zich aan werk of plicht zoekt te onttrekken: â verb, vermijden, op slinksche wijze ontduiken, zich onttrekken aan: He never âed his work. Shirr, sv. elastiek in laken of stof: âed garters = elastieken kousebanden. Shirt, snt, subst. overhemd: â of mail = maliënkolder; He has not a â to (put on his) back = hij is zoo arm als Job; â verb, een hemd aandoen, bedekken, bekleeden; â ing = gebleekt of ongebleekt katoen; â -frill. Z. Frill; âless; âpin = borstspeld (in het overhemd): âsleeve = hemdsmouw. Shive, ëaiv, schijQe, sneetje. Shiver, sivd, subst. brok, schaard, schilfer, leirots; â verb, verbrijzelen, fladderen, beven, rillen, sidderen, huiveren; âing; ây = broos, los, trillend. Shoal, soul, subst. groote troep, school, menigte, zandbank, ondiepte: adj. ondiep; â verb, verdringen, samenscholen, ondieper worden; ây = vol ondiepten; âiness. Shoat, Sout, jong varken. Shock, sok, subst. schok, botsing, hevige aanval, walging, hoop graanschoven, ruigharige hond: âs of yellow hair = bossen; adj. ruigharig; â verb, schokken, botsen, aanvallen, walgen, schoven tot hoopen verzamelen: 1 am âed at hearing such opinions expressed = l«n; line = lain: ho^se = hans; net: lip; not; law = 16 lord = löd; hoy = bói: |
SHOCKER.
431
SHOUT.
|
= het ergert mij, enz.; âing to = stuitend; lie was a âheaded lad = een jongen met een dikken bos haar; âer = wie of wat schokt, rilroman; âiiiR = walgelijk, ijselijk: âist = schrijver van sensatie- of rilromans. SImmI. ëod, beslagen, imp. en p. p. van to shoe. Shoddy, ëodi (eig. Am.;, wollen stof uit afval, enz. weer opgemaakt, kunstwol: lie tried to eHtabliHli the worNhi|gt; of the god of â = hij trachtte den eeredienst te stichten voor de godheid van prulwerk en oppervlakkigheid: adj. prullerig, niet echt of van ouden stam: Kew and â people = nieuwe, pas opgekomen families (van jongen adel); They were deemed the very «hoddlest of â' = zij werden geacht tot'zeer parvenuachtige families te behooren; The world Neeined to him to go âwards = de wereld scheen hem achteruit te gaan. Shode, soud, scheiding in het haar. Shodkin, sod kin, huwlijksmakelaar (bij de Joden). Shoe, SM, subst. schoen, hoefijzer: That HeeniH to me another pair ol' âm = dat schijnt mij heel wat anders toe: I wish 1 were in your âs = ik wou dat ik in uwe plaats was, in uwe schoenen stond; A pair of wooden âw = een paar klompen: â verb, beslaan, bedekken (boven of beneden), eene biljartqueue van een pomerans voorzien, schoeien; â black = schoenpoetser; âbniHh = schoenborstel: âhiiekle = schoengesp: âhorn = schoenentrekker: âlaee = schoenveter: âleather = schoenleder; âmaker = schoenmaker; âstring, --tie = schoenriem; â tacks = schoenspijkers; âing; = beschoeiing, het beslaan of beschoeien: âiiiK horn = schoenentrekker. (verachtelijk) werktuig; â le.sH: âlews and HtoekiiiRleN^ children = de kinderen der armen; âr = schoenmaker, hoefsmid. Shog. éorj, subst. schok,stoot: â verb, schokken, stooten, weggaan, heensjokken. Shone, son, imperf. en part. pevf. van to shine. Shoo, ëiï, maak dat je wegkomt, ksh! Shook, silk, imperf. van to shake. Shook, suk, duigen, duighout, stel planken. Shoot, süt, subst. schot, vuilnisplaats, jonge tak of scheut, spruitje of knop: â verb, schieten, afschieten, laten vliegen of schieten, doorschieten, snel bewegen door, uitsteken, uitbotten, uitspruiten, vooruitgaan, opschieten: We shot the bridge rapidly = wij voeren snel door of onder de brug heen: The light boat shot the water = vloog over het water heen; lie has shot the moon = is met de noorderzon vertrokken: Don^t â rnhhiHh or soil here = hier geen puin of afval neer te werpen; lie shot at everything within range = schoot op alles dat onder zijn bereik kwam; Me shot ahead ol* ns = hij kwam ons vóór, streek ons voorbij; He âs a mass ol* raw material upon us in these bulky volumes = hij overstelpt ons met onverwerkte gegevens in deze dikke deelen: Von yourself have shot the bolts of yonr dimgeon = gijzelf hebt de zware grendels voor uwen kerker geschoven; Let them â out the lip at me, if they like = laat hen gerust de lip verachtelijk tégen mij uitsteken: |
They were all shot out (of the boat) into the water = zij werden in het water geslingerd; They shot out the tongue at this = staken *de tong er voor uit; They went out âing = gingen op de jacht: *âer = schieter, schutter, vuurwapen (in samenst.); â ing = het afschieten, het pijnlijk door de leden schieten, jachtterrein; âing-bo\ = jachthuisje; âing-iron = jachtgeweer, ganze-roer(Amer.); âing-pony, -ing-horse,(klein) jachtpaard; âing-jaeket = jachtvest; âing-range = schietterrein; -ing-star = vallende of verschietende ster. Shop. sop, winkel, werkplaats: We shut up â at 8 = wij sluiten om 8 uur; He has shut up â = heeft zich uit de zaken teruggetrokken: That smells of the â = dat ruikt naar het vak: \o â in company = niet over het vak praten in gezelschap:' lie talks the most unlimited â = hij heeft het een wig en altijd over zijn vak: â verb, inkoopen doen: We have been âping = wij zijn de winkels langs geweest; âbook = winkelboek, opschrijfboek: âboard = werkbank; â keeper = winkelier: They were âkeepering = zij speelden winkeltje of winkeliertje: âlil'ter = ladelichter: âman = kleinhandelaar, winkelknecht; âper = iemand die inkoopen doet; âwalker = winkelchef; âocracy = de neringdoenden. Shore, sö, kust, oever, strand, schraag, stut: They went on â = aan wal; â verb.schragen, schoren, stutten; âless = zonder oever of kust, onbegrensd. Shorling, sölin, schapevacht, pas geschoren schaap. Shorn, èon, afgesneden, beroofd (metof), p.p. van to shear. Short, söt, subst. korte inhoud, kort begrip: lie is a foid in â = kortom hij is gek; The long and the â of it is = de hoofdzaak, om kort te gaan; adj. kort, beperkt, beneden peil, schraal, gebrekkig, kortaf, driftig, broos: lit* in â of sight = bijziende, kortzichtig (lig.): I am â of money Just now = ik ben op 't oogenblik niet bij kas: â ol' heaven, he could lead his men anywhere = behalve naai- den hemel, kon hij* zijne manschappen krijgen waar hij ze hebben wou; It fell â of my expectations = het beantwoordde niet aan mijne verwachtingen; Nothing â of having my tooth extracted could rid me of that toothache = niets minder dan den kies te laten trekken kon mij van de pijn afhelpen; This deed is little â of heroic = komt eene heldendaad nabij ; The translation is â of the original = blijft beneden; The orator stopped â in his speech = de redenaar hield plotseling op; Let it be â = maak het kort; I am rather â ol' hands = ik heb gebrek aan werkvolk: My yacht is in a crippled state, for I am â óf hands = mijn jacht is hulpeloos, want ik heb geen equipage genoeg; He cut me â = hij belette mij voort te gaan, hield mij plotseling tegen; I have sold my stocks â = ik heb mijne effecten op latere levering verkocht; He turned â = maakte een plotselingen draai; I was taken â = ik was in dringenden nood; We have gone â frequently to save up for |
bone = boiin; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = jia;-lon.gr = loi^; s/iip = sip: occasion = okeii'n; thin thns = dims wine.
SHORT-ALLOWANCE.
432
SHOW.
|
a dinner = wij hebben vaak âkrom gelegenquot; om een diner te kunnen geven; âallowance = schrale hoeveelheid levensbehoeften: â bread, ârake = zoet, lekker en broos gebakje; âbreathed = kortademig: Exrepti-oiiiilly â eoinmoiiH = een buitengewoon schraal maal: The little one wanâroated = de kleine kwam uit de lange kleeren: llis âc-oiniiigH are many = zijne tekortkomingen zijn vele: âdated = van korten duur: âhand = kortschrift: The oration wa» taken down in âhand = er werd een stenographisch verslag van gegeven: I am ratherâhanded at present = ik heb op 't oogenblik weinig hulp of werkvolk: âhoi-n = beroemd veeras lt;met korte horens): âhorned = korthoornig: âlived, âlaivd: Onr» is a âlived lainily = wij worden geen van allen oud; ârib = valsche rib: âshrii't = weinig tijd om te biechten: I gave him a â shrift = ik speelde het gauw met hem klaar, rekende spoedig met hem af; âsisht(ednessgt; = bijziendheid: âsighted = bijziende, kort-zichtig: âtempered = kort aangebonden lt;= â of* temper): âwaisted = kortlijvig: 1 âwinded = kortadeiViig; âwitled = met weinig oordeel: âen = verkorten, verminderen. samentrekken, afsnijden: They âened sail = de zeilen werden ingenomen of geminderd; âener = wie of wat verkort, enz.: âeniiig = het verkorten, het broosmaken (bij het bakken); âly = in het kort. binnen kort: lie wrote âly = hij schreei' een klein briefje: âness = kortheid, zwakheid, geringheid: âs = mengsel van zemelen en de grovere meeldeelen. Shot, sot. subst. schot, schroot, hagel, bereik (van kogel of geweer), schutter, gelag, rekening: lie is a dead â = wat hij onder schot krijgt is âer bijquot;: lie made a â at a Frenrh wórd Tor quot;intendedquot; = hij trachtte te vinden: The photograph took two âs at my face = nam mijn gezicht tweemaal: Mistaken am I? Kot by a long â = wat? heb ik het mis? â Volstrekt niet; lie was off like a â = hij was ineens weg; 1 gave up my promise like a â = ik liet dadelijk mijne'belofte varen: They were received by a volley of â = hagelbui van kogels: lie is out óf, within â = hij is buiten, onder schot; We lired random (wild) âs = wij schoten zoo maar toe: lie is not worth powder and â = hij is geen schot kruit waard: The â came home, fell aboard = was raak; The â of a cable = splitsing van kabels: adj. geschoten, met veranderlijke kleur: âsilk = weerschijn (zoodat de zijde allerlei tinten vertoont); â verb, met kogels laden (ook: imperf. en p. p. van to shoot): A heavy âted gnn = met kogel van zwaar kaliber geladen kanon; The article is too heavily âted for the ordinary reader = al te zwaar, geleerd: âbag == schrootzak; âbelt = lange lederen zak voor hagel als gordel gedragen; âbelled = met een hagel-zak als arordel: âgauge = kogelmal; He came off âfree = hij is er goed, zonder kleerscheuren afgekomen: âhole = kogelgat (in een schip): âpile = kogelstapel; âprop = houten prop om een âhole te stoppen; |
âtower = hageltoren; âten = de kuit geschoten hebbende, ontwricht, zuur, gestremd. Shough, sok, ruige hond. Should, sml, imperf. van shall: Tell him so if he â come = als hij mocht komen: Kot as It â be = niet zoo het hoort. Shoulder, soulcld, subst. schouder, schoft, schouderstuk: lie gave ns the cold â == hij zag ons met den nek aan; lie hit out straight from the â = hij gaf een roijalen, krachtigen slag; Xo sooner was he in the room, than she attacked him straight from the â = in ééns, op den man af; lie clapped me on the â saying: Yon are my prisoner = hij legde de Hand op mij; lie has round âs = een ronden rug: Put your â to it = zet er uw schouder onder, steun het; lie shrugged his âs = hij haalde de schouders op: â verb, met den schouder duwen, krachtig duwen, op den schouder nemen, overnemen (van het geweer): I âed the responsibility = nam ... op mij: He âed me aside'= duwde mij op zij: The French were âed of!'the direct way to Berlin = den Franschen werd belet, direkt op Berlijn aan te rukken; â arms! = over 't geweer (Vergel. Carry arms = op schouder 't geweer); âbelt = gordel over den schouder, draagband: âblade, â bone = schouderblad; âknot = schouderbedekking of passant, epaulet; âof-nmtton-sail = loggerzeil (driehoekig); âshotten = verlamd (door verrekking) in den schouder: â .slip = schouderontwrichting; âstrap = schouderriem: He is a broadâed fellow = kerel met breeden schoft. Shont, èaut, subst. gejuich, geroep: â verb, juichen, hard roepen: They âed like anything = juichten ..van je vvelstequot;: âer. Shove, sdv, subst. duw, stoot; â verb, duwen, stooten, voortduwen: The measure was âd by = terzijde gelegd, verworpen: We âlt;1 from shore = wij zetten van wal. Shovel, èurfl, subst. breede schop; â verb, scheppen, opscheppen, in groote hoeveelheden vergaren; âboard = spel waarbij houten schijven naar een bepaald punt worden geschoven: â hat = schuithoed (door Eng. geestelijken gedragen); â fnl = schopvol; â Ier. Show, soa, subst. vertoon, tentoonstelling, voorkomen, schijn, praal, schouwspel, vertooning: Lord Mayor's â = optocht van den L. M. in Londen*(!) Nov.): He makes no â of his learning = hij loopt niet met zijne geleerdheid te koop; l'nder a â of friendship = onder den schijn van vriendschap; The meeting expressed their opinion by â of hands = door het opsteken der handen : â verb, toonen. vertoonen, (aan)wijzen, ontdekken, duidelijk maken, bewijzen, onderrichten, zich hóuden als: Even in rebuke his great heart âs = zelfs waar hij berispt, toont zich zijn edel hart; You should not â = u decoileteeren: He âed his heels = ging aan de haal; The heavens â forth the glory of Hie Lord = de hemelen verkondigen Gods eer; Will you â the gentleman in? = wil je mijnheer binnenlaten; His face âed of a purple hue = zijn gelaat nam eene purperen tint aan; He is a clever |
man; ask = ask; farm = fam; bilt;t = but; learn = lun; line = lain: howse = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = «slip; not; \aw = 16; lord = löd: bo// = bói:
SHUTTLE.
433
SHOWER.
|
fellow, but he does not â it off = maar hij loopt er niet mee te koop; lie âh ofFhis gold chain = hij pronkt met zijn gouden ketting; lie âed ine over the picture-gallery = hij liet mij het museum van schilderijen zien; Will you â him up? = wilt ge hem boven laten'komen; He was ân up in town = hij werd in de stad in zijne ware gestalte bekend gemaakt (b. v. als wanbetaler, huichelaar, etc); âbill = groot aanplakbiljet; âbox = kijkkastje; âbreads = toonbrooden (bij de Israeiieten), âcase = uitstalkistje; ânian = spulleman; âplace = uitstalplaats, plaats voor het publiek te zien, zooals een paleis, etc.; âpupil = model (artiest); âroom = staalkamer; âwindow = uitstal venster; âer = wie of wat toont, toonder; â ing = het toonen; â y =⢠praalziek, met veel vertoon, schitterend; âiness; ân, p. p. van to shoiu. Shower, scma, subst. bui (van regen, hagel, etc.), drom, vloed; â verb, beregenen, begieten, overstroomen, rijkelijk doen nederdalen: He âed down wealth and honour on his favourites = hij deed zijnen gunstelingen geld en eer toestroomen; âbath = stortbad; âless = zonder buien; ây = buiig, regenachtig. Shrank, érar^k* imperf. van to shrink. Shrapnel(shellgt;, srapn'l(ëel), granaat. Shred, srerf, subst. reepje, stukje, tittel of iota, lap; â verb, in reepen snijden, knippen; âding = stuk, lap, brok, reepje; âless. Shrew, ërü, subst. helleveeg, manwijf, vlegel, pummel, spitsmuis; adj. lastig, listig: âmole == Amer. mol; âmouse = spitsmuis; â ish(nesH) = twistziek(heid), lastig(heid). Shrewd, Srüd, sluw, listig, loos, doortrapt. lastig, netelig, spijtig; âness. Shrewsbury, srüzbri, èrouzbri. Shriek, sri/c, subst. gil, schel geluid; â verb, gillen: He âed out: ''Murderquot; = hij gilde: .,moordquot;; âer. Shrievalty, srivlti; zie Sheriffalty. Shrift, ér'ift, biecht. Shright, ërait, subst. gil. Shrike, èraik, klapekster. Shrill, sr'U, subst. schel gelluit; adj. schel, snerpend; â verb, gillen, uitkrijschen, een schel geluid geven; âgorged = met snerpenden klank; âtongued = met schelle stem; âness; ây. Shrimp, srimp, garnaal, klein ventje, dwerg. Shrine, ërain, subst. reliquieënkastje, graf, altaar, heilige plaats; â verb, in een shrine plaatsen. Shrink, èrir\k, subst. ineenkrimping (van vrees), samentrekking, gapende scheur; â verb, samentrekken, inkrimpen, rimpelen, terugdeinzen, ineenkrimpen, huiveren: 1 â at the very thought = ik huiver bij de gedachte alléén; He did not â from the task = hij deinsde niet voor de taak terug; He shrunk into a recess = hij kroop in een hoekje; âage, âidz, krimping, bekrimping: There were âages, as living had become more expensive = men moest zich bekrimpen, daar het leven duurder was geworden; âer. Shrivalty, sraiv'lli; zie Sheriffalty. Shrive, 'sraiv, biechten, absolutie 'geven: He âd himself = hij biechtte; The priest would not â him = hem geene absolutie bone = boun; full; fool = ful; a = ---------- long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n: t ten bruggencate, Eng. Woordenboek. |
geven; He was shriven (ëriv'n) nt sight = hij kreeg absolutie zonder op te biechten; âr; Shriving-time = biechttijd; ân,^r/v'n, gebiecht. Shrivel, ëriv'l, krimpen, rimpelen, verschrompelen: âled with age = door ouderdom gerimpeld, etc. Shroff, ërnf, O.I. bankier of wisselaar; âage =r onderzoek en schifting van munten. Shroud, ëraud, subst. stuk goed, kleed, kleederen, dekkleed, lijkwa, omhulsel, beschutting, gewelf (âs = want, hoofdtouwen); â verb, bedekken, in een doodkleed wikkelen, zich verschuilen: He âed himself from danger = beschutte zich tegen; âless; ây = eene schuilplaats aanbiedend. Shrove, ërouv, imperf. van to shrive. Shrove, ërouv, het feest meevieren van âtide = vastenavond = â Tuesday; Shroving = vastenfeesten. Shrub, ërob, subst. heester, struik; drank van citroensap, brandewijn en suiker; â bery = verzameling v. heesters, heesteraanleg; âby = vol heesters, heesterachtig; âless = kaal, zonder struik of heester. Shruff, ërof', metaaldroesem. Shrug, ërny, subst. schouderophaling; â verb, de schouders ophalen. Shrunk, ërvr^k, imperf. en part. perf. van to shrink; âen = gekrompen, verwelkt, dor. Shuck, ëvk, schaal, bast, dop, bolster; âs = onzin, malligheid. Shudder, èvdo, subst. beving, huivering; â verb, huiveren, trillen, sidderen; ây = akelig, ijzingwekkend. Shunie, s»/quot;7, subst. geschuifel, schuifelende gang, uitvlucht; â verb, voortduwen, dooreenschudden, wasschen of schudden (van kaarten), mengen, tusschenschuiven (met bedriegelijk'e bedoelingen), veranderen, uitvluchten zoeken, sloffen, schuifelend loopen: He âd away my card = heeft mijne kaart weggemoffeld:'! am glad 1 âd him off = dat ik van hem af ben: Everything was âd up = alles werd verward'en haastig bijeengegooid; âcap = spel, waarbij geldstukken in eene muts geschud worden: âr = bedrieger, uitvluchtenzoeker; Shui'lling, subst. voorwendsel, uitvlucht; adj. schuifelend loopend, listig, uitvluchten zoekend. Shun, ëvn, schuwen, vermijden, ontvlieden; âless = wat niet te vermijden is. Shunt, ëvnt, subst. zijspoor, zijtak, het op een zijspoor brengen: He now gives you theâ = nu stuurt hij je weg; â verb.'op een zijspoor brengen, wegzenden: The train was âed on to a siding = de trein werd opeen zijspoor gebracht; âer = wisselwachter. Shut, ëat, sluiten, dichtdoen, dichtgaan: â the door, but don't lock it = doe de deur dicht, maar niet op slot; â in by enemies = omringd door vijanden; He must be â «ut = hij moet buitengesloten worden; The road (passage) was â up = versperd, gesloten; â up, Sir = houd je mond, vent: 1 â liim up = stopte hem den mond; He pushed the door â with his foot = hij duwde met zijn voet de deur dicht; âter == wie of wat sluit, luik, blind: liefs have the â ters up = zet de blinden of luiken er vóór. Shuttle, s»t7, schietspoel (wevers); âcock e vokaal (zie asleep en care); girl; ?/ear = jia; hin; thus = dhus: wine, 28 |
SIGH.
434
SHY.
|
= pluimbal, raket: To play at âcock = raketten. Shy, sai, subst. worp, mik, plotseling op zijde vliegen van een paard: Shall we have a â at the ^amhliii^-table? = zullen we een kansje wagen; 1 had a â at the pheasant = ik mikte en schoot op den fazant; We have been â of our neighbour» = hebben ons op een afstand gehouden van; 1 liglit â ot* him = ik ontwijk hem; XoveliHtaHhould fight â of HCiiMation = romanschrijvers moeten zich van sensatie onthouden; adj. schuw, beschroomd, schichtig, argwanend; â verb, gooien, mikken (met een steen, etc.), schuw worden: The horse Hhied at a tree = werd schichtig; He whied at the weathercock = hij gooide op den weerhaan: âness: âster = schurk, beunhaas (Amer.). Siani, saiom. Siam: âese. sabmfz, van S., Siamees; Siberia, sibirid, Siberië; Siberian. Sibilant, sibiVnt, subst. sisklank; adj.sissend: Sibilance, Sibilancy, sibirns(i), het hebben van een sissend geluid: Sibilatioi^siM/etó'n, het sissen, sisklank. Sibyl, sibil, Sybille, profetes: âline, sibilsiin, Sybillijnsch, profetisch: âline Hookn. Sic, si/c, zóó, dus (staat het er). Siccation, sikeis'n, het drogen: Siccative, sikdtiv, subst. en adj. opdrogend (middel). Siccity, siksili. droogte, schraalheid. Sice, sais. het getal zes (in 't dobbelspel). Sicily, sisiii. Sicilië: Sicilian, sisilj'n, Sici-liaan(sch); Sicilian-Vespers. Sick, sik. ziek (als zóódanig gewoonlijk attributief, behalve in Amerika; zie III),misselijk, walgend, voor zieken bestemd: I am â of it = ik walg er van. ik ben het moe: He l'eel» â at heart = hij gevoelt zich mistroostig, droevig gestemd: lie is sick to death = doodziek (van zeeziekte); 1 am as â as a horse = zoo misselijk als eene kat, ziek als een hond; He is â at the stomach = misselijk; âberth = ziekenvertrek (oorlogschip); âlist â ziekenlijst: I am on the âlist = ik ben patient; âen = ziek worden, walgen, kwijnen, verzwakken: All my joy âened into sorrow = al mijne vreugde werd tot smart vergald: Charlie is âeniiig lor the measles = K. heeft de mazelen onder de leden; This has âened ine ol' soldiering lor life = heeft mij voorgoed van het soldaatzijn doen walgen; This is a âening draught = walgelijke teug of drank; ; âish = eenigszins ziek of misselijk; âly = zwak, ziekelijk: A âly smell = walgelijke lucht; âness = ziekte, ongesteldheid. Sicker, siko, adj. en adv. zeker, vast; â verb, verzekeren. Sickle, sikl, sikkel; âd = van een sikkel voorzien; âman = korenmaaier, oogster. Side, said, subst. zijde, kant, rand, deel tusschen top en voet (van bergen of heuvels), richting, partij, effect (biljart): I felt a pain inniy â = pijn in de zij; On (At) your â = aan uwen kant; The letters were placed on one â, and passed out of knowledge = werden ter zijde gelegd en vergeten; He looks at the worlcl from the wrong â = hij ziet de wereld van den verkeerden kant aan; The driver walked on the near â of the horse = de voerman liep links van het paard; He is my uncle by the father's â = hij is |
mijn 'oom van vaderskant: â by â = zij aan zij, naast elkaar; On bothâs, on either â = aan beide zijden, aan weerskanten; Let us choose âs = laten we ons verdeelen (voor het spel); They took a â (âs) for, against the prime 'minister = zij kozen vóór, tegen den eersten minister partij: Only your shoddy man puts on â = alleen het parvenu 'geeft zich âairsquot;; Cioveriiment-ofücers should not put on too much â = regeeringsambtenaren moeten zich niet te veel airs geven: Vou have put too much â on = gij hebt (den bal) te veel elfect gegeven; â verb, partij kiezen, zich scharen, het houden met: They âd with, against the government = 'zij kozen partij voor. tegen het ministerie; She âd away, and plied her household-task = zij verwijderde zich, en deed hare huiselijke plichten: âarms = zijdgeweer; â hoard = buffet; âbox = zijloge; âcut = zijkanaal, zijweg, zijtak: âhead = op- of bijschrift (op den rand); âissue = bijgebeurtenis, bijzaak; âlight = licht van ter zijde, toegevoegd licht (üuitsch: Streiflicht); âpiercing = hartverscheurend; ârope = valreep; âsaddle = dameszadel: âscene = coulisse; âshow = bij-uitstalling of vertooning (naast de hoofdzaak) op eene tentoonstelling : âstitch = steek of pijn in de zij: âsplitter = kolossale aardigheid; âtable = schenktafel, wandtafeltje; âview = gezicht van ter zijde; âwalk = trottoir: â -wheel = rad ter zijde van eene stoomboot (tegenover Stern wheel); âd = met eene zijde of zijden; âling, subst. helling; adj, hellend: adv. zijdelings; âlong, adj. en adv. zijde-lings(ch); âr = partijgenoot: âsinan â-kerkbeambte die den kerkvoogd terzijde staat, partijganger; âways, âwise = vari ter zijde, schuin; Siding, suöst. het partij kiezen, wisselspoor; adj. partij kiezend; Sidle = zich zijdelings bewegen: lie sidled olTto the door = hij ging met zijwaartsche beweging naar de deur. Sidereal, Sideral, saidir(i)dl. tot de sterren behoorende, met sterren bezaaid; â physics = sterrenkunde; âyear = den duur van den loop der aarde om de zon. Siderography, suïdorogrdfi, staalgraveerkunst: Sideroyraphist = staalgraveur: Siderogra-phic(al), SPL\ddrdgrafik('/), tot de staalgraveerkunst behoorende. Sidmouth, sidmdlh: Sidney, sidni. Siege, stdz, subst. beleg(ering): They laid â to the town but soon raised it = zij sloe-gen het beleg voor de stad, maar moesten het spoedig opbreken; â verb, belegeren; âguns = belegeringsgeschut. Sierra, sierd, bergketen met getanden rug. Siesta, siesta, middagslaapje. Sieve, siv, subst. zeef. Sift, sift, zeven, ziften, nauwkeurig nagaan, uitvragen: 1 must â grain from husk in your story = bet ware van het onware scheiden; âer. Sigh, sai, subst. zucht: She fetched a deep â = zij slaakte een diepen zucht; â verb, zuchten, treuren, klagen: You â lor the past. rather look forward to the future = gij |
man; ask = ask; farm = fam; bj«t = but; learn = Km; line = lain; house = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv = ló; lord = löd; bo?/ = bói
SILVAN.
SIGHT.
435
|
zucht om het verledene, sla liever het oog op de toekomst; âer: âingOy) = zuchtend. Sight, sait, subst. gezicht, * visioen, de oogen, oordeel, vertooning, kijkgat, schouwspel, merkwaardig iets, korrel (op het geweer): Payable at â = betaalbaar op zicht; 1 caught'â «1* liim = ik zag hem: lie took â and fired = hij mikte en schoot; She ih a â more MeiiHihle than yon = oneindig: verstandiger; He got throiiglV a â ol' work = deed heel wat: He hat* a â of money = een âbomquot; geld; At lirwt â = op het eerste gezicht (Zie Khmh en Da^h): The steamer in in â = in het gezicht; They were drowned in (the) â of the harhonr = zij verdronken met de haven in 't gezicht: Out olquot; â out of mind = uit het oog uit het hart; That is a â to see = de moeite waard om te zien: I gained (lost) â of it = ik kreeg het in, verloor het uit het oog; 1 liate the â of the fellow = ik mag den kerel niet zien ; lie recovered, lost hls (eye-) â = hij kreeg zijn gezicht terug, is zijn gezicht kwijt; She plays by â = zij speelt van 't blad; 1 know* hiin by â = van aanzien; My cheeks and nose are so swollen, 1 look a perfect â = ik zie er uit om van te schrikken; âverb, zien, in het gezicht krijgen, richten: These repeaters were âcd up to a thousand yards = tot op duizend yards kan men met deze repeteergeweren juist mikken; We âcd an island, hut we did not touch at it = wij kregen een eiland in het gezicht, maar deden het niet aan; âhole = kijkgat; âseeing = het bezien van merkwaardige dingen; He is a âseer = hij houdt van het bezien van nieuwigheden, enz.: âed = ziende (in samenst., zooals: Longâed. Shortâed, etc.); âless = blind, onooglijk, onzichtbaar; âly = aangenaam voor het oog, treilend schoon; âsman = iemand die van het blad speelt. Sigil, .s-ic/ci/, zegel, handteekening. Sigismnnd, sidzism'nd. Sign, sain, subst. teeken, aanwijzing, gedenk-teeken, zinnebeeld, wonder, uithangbord, sterrenbeeld: We have put np a newâ = een nieuw uithangbord ophangen; Of course, all âw fail in dry weather = natuurlijk, dan kan men er niet oprekenen; We stayed at the â of the ship = wij hebben gelogeerd waar het schip uithangt (in het logement âHet Scliipquot;); â verb, teekenen, een teeken geven; âboard = uithangbord: âiiianiial = handteekening (vooral koninklijke): âpost = handwijzer, uithangbord; âable = wat geteekend kan worden; âer. Signal, sigril, subst. sein, teeken: We heard a â gun = een seinschot; adj. uitstekend, in het oog vallend: We gained a â victory = eene glansrijke overwinning; â verb, melden (van een trein), signalen geven: The new periodical has long been âled = het nieuwe tijdschrift is al geruimen tijd aangekondigd; âlire = seinvuur; âize = uitstekend maken, in het oog doen vallen. Signatory, signdteri, subst. onderteekenaar; adj. teekênend, bij het zegelen gebruikt: Signature, signdtjd, onderteekening, teeken, kenmerkend teeken (letter of getal) onderaan de |
bone = boun; full; fool = ful; e = toonloozlt; \ong = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; ( eerste bladzijde van ieder vel, kruis of mol (muz.); He affixed his signature to the deed = hij zette zijn naam onder de acte. Signet, signdt, zegel(ring) = âring. Signilicance. Signilicancy, signifUc'ns(i)^be-teekenis, nadruk, gewicht;* Significant, Significative = beteekenisvol, gewichtig, heteeke-nend, aanduidend: Signilicatioii, signifikeiè'n, beteekenis; Signiflcntor = wie of wat betee-kent of aanduidt; Significatory,subst.aanduiding, kenLeeken; adj. beteekenend, beteekenisvol: Signify, signifdi, beteekenen, aanwijzen, bekend maken, voorstellen, van gewicht zijn: He signified his wishes = gaf te kennén: That doesn't signify = dat mag geen naam hebben, zegt niet, doét er niets toe. Signor. sinjd. Mijnheer (Ital.); âa, sinjóro, Mevrouw (Ital.); âina, sinjorind,MejufVrouw. Sike, sa ik. kleine beek of stroom. Silas, sailds. Silvanus. Silence, sail'ns. subst. stilte, stilzwijgen, geheimhouding, stilzwijgendheid: â gives consent = wie niets zegt stemt toe; Keep â there = weest daar stil: We pass this over in = wij gaan dit met stilzwijgen voorbij; â verb, tot zwijgen brengen, den mond snoeren, kalmeeren; interj. stil! Zwijg! Silent, saiVnt, zvyijgend, stil. zonder geraas: WYlliain the Silent = Willem de Zwijger; Silent-partner = stille vennoot: Silcnt-system = stelsel van eenzame opsluiting (ih gevangenissen): Silentiary, sailensori, die de stilte handhaaft (in een gerechtshof), die gezworen heeft staatszaken geheim te houden: Silentness. Silenus. sailinds, vader der Satyrs, gezel van Bacchus. Silesia, saiItso. Silezië. soort v. linnen stof;ân. Silex, sailoks, vuursteen. Silhouette, sUhuet, silhouet: The elephant's form was âd against the rock = het beeld viel op de rots. Silicle, si l i k' l. Siliqna. silikwd. Silique. si lik. vier grein, een karaat, schil; Silicnlose, st/t-kjulous. tot schillen of doppen behoorende. Silk, silk, zijde, zijden stof, zijden japon: He wears (has taken) â = hij is Queen's Counsel (geworden): He is a learned â = een knap advocaat: adj. zijden, zijdeachtig: A â dress = zijden japon: âman.âmercer = zijdehandelaar; âmill = zijdefabriek; âthrower, âthrow(st)er == zijdewerker; âweaver = zijdewever; âworm = zijdeworm; -worm-gut = lijn hengelsnoer: âen, adj. zijdeachtig (gew. figuurlijk, zooals âen hair = zacht haar): â verb, zacht of zijdeachtig maken; ây = van zijde, glanzig, zacht: âiness. Sill, sil, drempel, steunbalk, kozijn. Sillabub. siLibvb, gerecht gemaakt van wijn of cider met room of melk. Silly, sill, onnoozel, sullig, dwaas: He had been knocked â for a time = hij was een tijdje bewusteloos geslagen; The â season = komkommertijd: A â notion = een dwaas idee; Sillily = sukkelig, onnoozel: Silliness. Silo, sailon, kuil voor groen voeder of aardappelen, inkuiling. Silt, silt, subst. mengsel van klei en zand; â verb, verstoppen (met â), sijpelen,iianslibben. Silvan, Sylvan, silv'n, boschachtig, bosch...: vokaal (zie asleep en care)', girl; ï/ear = jia: lin; f/ius = dhus; wine. |
28*
SINGULAR.
436
SILVER.
|
Silvainis,si^cinas,Romeinscheveld-eii veegod. Silver, silvd, subst. zilver, geld, zilveren munt: adj. zilveren, zilverachtig, zacht: lie was born with a â Mpoon in liis inontli = is een Zondagskind; â verb, verzilveren, doen glanzen: It in only copper âeil over = het is slechts verzilverd koper; âbeater = zilverpletter; âlir = witte of zilverden; âfox = zilvervos; â-haired = met witte of zilverachtige haren; âleaf = zilverblad; âplate = tafelzilver; âshafted = met zilveren pijlen; âwide = het malsche gedeelte van een stuk vleesch; âsmith = zilversmid; âHtiek = officier (van de lijfwacht) die den paleisdienst heeft; âwire = zilverdraad; âing = verzilvering, verzilversel; âite, silvdramp;it, voorstander van den zilveren munt-standaard; âling = zilveren munt; âly = zilverachtig, met zachten en reinen klank :*ây = met zilver, schitterend, rein. Silvester, silvesta. Simarre, sima. vrouwenkleed, wijde japon. Sinieonites, sirnjdnaits, de fclng.evangelischen. Simia, simid, aap; ân, subst. aap: adj. alsof van een aap = âI = SiniioiiN, simids. Similar, simild, subst. gelijke; adj. gelijk, dergelijk: âity, similariti, overeenkomst, gelijksoortigheid; âly = op gelijke wijze; Simile, simil'i, vergelijking; Siinilitwe = gelijkenis uitdrukkende: Similitude, gelijkenis, gelijkhei l, overeenkomst, voorstelling, beeld; Similitiidinary, similitjiidiiidri, vergelijkingen makend of bevattend. Similor, simiió, spinsbek. Simitar. Z. Scimitar. Siminer, sima, zacht pruttelen of koken: The plan is âing already = het plannetje staat al te vuur. Simon, sint'n, Simon: There will be little difliciilty in finding out the real â pure = het zal niet moeilijk vallen om den waren naam (den waren Joseph) uit te vorschen; âiac, simounidk, die zich schuldig maakt aan Simony (zie beneden); âiacal. simonaiaK'l, schuldig aan Simony; âians, simounfnz, volgelingen van Simón Magus, den eersten ketter; âions, simounids, schuldig aan Simony, simani, het koopen of verkoopen van geestelijke ambten. Simoom, simüm, Simoon, simün, heete wind. Simons, saimds, met platten neus, hol. Simper, simpd, subst. gemaakte glimlach, domme lach: â verb, gemaakt lachen, meesmuilen: âer; âing(ly). Simple, simpl, subst. geneeskrachtige plant; adj. eenvoudig, enkel, niet samengesteld, rein, begrijpelijk, onnoozel, naïef, argeloos: â and gentle birth = nederige en hooge geboorte; â Simon = onnoozele hals; âhearted = oprecht, rond, argeloos: âness: âton,âton, sukkel, onnoozele bloed: Simplicity, simplisiti, eenvoud, natuurlijkheid, onnoozelheid. Simplify, simp £//ai, vereenvoudigen; Simplification = vereenvoudiging; He is simply a fool = hij is eenvoudig mal. Simulacriim, simjuleikr'm, bedrog. Simulate,sirnjw/eM,veinzen, nabootsen; Simulation = veinzerij. Simultaneous, siw7teln^s, gelijktijdig;âness = Simultaneity, sim'ltontiti. |
Sin, sin, subst. zonde, slechtheid, overtreding: Deadly (mortal) â = doodzonde; Venial â = vergeeflijke zonde; Closet â = pekelzonde; Original â = eerste zonde; â verb, zondigen, overtreden; âoffering = zoenoffer, otferande (om vergeving van zonden); â ful(nessgt; = zondig(heid), verdorven(heid); âless; âner. Sinaitic, saineiitik, gegeven op Sinaï. Sinapls, sineipis, mosterdplant; âm, sino-pizm., mosterdpleister. Since, sins, adv. en prep, sedert (voor een tijdpwnO: Long â = lang geleden (Vergel.: Sedert lang = For a longtime); Is it longâ you saw him? = is het lang geleden, dat ge hem gezien hebt; I have loved him everâ = van dien tijd af heb ik hem liefgehad: conj. omdat, dewijl, vermits: â you cannot get there, you had better not complain = aangezien gij daar niet kunt komen, deedt ge beter niet te klagen. Sincere, sinsid, oprecht, zuiver; âness = Sincerity, sinseriti. Sinciput,* sinsi/ntf, boven-voorhoofd; Sincipital, sinsipiCL, tot het â behoorend. Sine, sain, sinus: Sinical, sinikH, tot een â behoorende. Sinecure, sainakjud, beloond ambt (zonder werk). Sinew, sinjü, pees, zenuw, spier, ziel, kracht: Credit is the â of trade = crediet is de ziel van den handel; â verb, stalen, hecht verbinden; âed, ây = gespierd, krachtig; âles» = zonder kracht. Sin Ion ia, sinfounjd, symphonie. Sing, sb\, zingen, bezingen: lie âs out of tune, out of time = hij is van de wijs, is uit de maat; I â the glories of summer = ik bezing de heerlijkheden van den zomer; My head is âing = ik heb suizing in de ooren; To â out = luid zingen (roepen); âsong = deun, vervelend of slecht gezang, partijtje waar ieder een lied moet zingen: âerquot;= zinger, zangvogel; âing, subst. het zingen; adj. zingende: -ing-bird = zangvogel; âing-boy, âing-inan = jongen of man van het koor: *âing-iiiaster = zangonderwijzer; âiiig-school = âing-academy = zangschool. Singe, sini, subst. zenging; â verb, zengen. Single, s-fyg'l, adj. enkel, alleen, ongetrouwd, eenvoudig, rein; lie continued â = hij bleef ongetrouwd; He was killed in-combat = in een tweegevecht; The natives were marching in â file = de inboorlingen marcheerden één voor één, in enkele gelederen (achter elkander); â verb, uitkiezen; Some of them had been âd out for destruction = sommigen hunner waren ten doode opgeschreven: âblessedness = ongetrouwde staat; âentry = enkele boeking; âhanded = alléén, mei één werkman: âhearted = oprecht, eerlijk, rond; âminded = eerlijk; âstick = knots, schermen met den stok; âness = eenvoud, oprechtheid, het enkel zijn; âs = in elkaar gedraaide zijden draad; âton, âtdn. ééne kaart van eenige kleur; 1 undertake t« fight you singly = ik neem het tegen ieder van jullie afzonderlijk op. Singular,sftw/uto, subst. enkelvoud; adj. apart, zonderling, bijzonder, zeldzaam, enkelvoudig: |
man; ask = ask; farm = fiim; bitt = but; learn = Iwn; line = lain; howse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = lo; lord = Hid; hoy = bói;
SINGULTUS.
437
SIX.
|
lie is â in his kind = éénig in zijn soort; In tin» notion lie waw not â = in dit idee stond hij niet alléén; âity, sïngjularilU bijzonderheid, zonderlingheid,'zeldzaamheid, eigenaardigheid; âly. SingnltiiH, sinywltas, hik. Sinie, sinik, Chineesch. Sinister, siniste, linker, ongelukkig, onheilspellend, oneerlijk, slecht. Zie Bar. SiniHtral, sinistral, met de spiraal naar links (van schelpen). Si n i strorse, ^tnisïrös, Si n i st rorsa ^simsirös' /, naar links gericht. Sink, subst. riool, zinkput, gootsteen; â verb, zinken, zakken, langzaam dalen,bezwijken, achteruitgaan, afnemen, inzakken, vermageren, hol worden, ruineeren, laten zinken, (beleggen (van geld), achterhouden, graven: lie wa» âine: last = hij ging hard achteruit: She sank last night = is gestorven; Her heart sank = de moed begaf haar; lie has sunk his personal views tor the good of the eonntry = hij heeft zijne persoonlijke meeningen'voor 's lands welzijn laten varen; I have sunk a capital ot' £ 400 in this iindertaking = ik heb eene som van £ 400 in deze onderneming gestoken: A mine was sunk there = er werd daar eene mijn gegraven; That has sunk into my niiiid = dat is diep in mijne ziel doorgedrongen; Let him â into his iinhonoiired grave = laat hem ongeëerd ten grave dalen; Tiiev had sunk ships where the river was deepest = zij hadden op de diepste plaatsen der rivier schepen laten zinken; lie sank down under l'atigne = hij bezweek onder de vermoeienis; âhole = zinkput, riool; âer = zwaar gewicht om te doen zinken; âing-rnnd = amortisatiefonds. Sinology, sinolddzi. kennis v. Chineesche taal, letterkunde, enz.; Sinologist, sinolDclzist, Sinologue, sirwlog, kenner van China, enz. Sinuate, sinjuit, adj. geslingerd, gebogen ; â verb, (sinjueit) winden, slingeren; Sinuntion = binnen- en buitenwaartsche bocht: Sinuosity, sinjuositi, kromming, kronkeling; Sinnoii's, sinjuas, gebogen, bochtig. Si nn8,sainlt;tö, baa i, bocht, holte, kronkeling,fistel. Sion, saion. Sioux, siü. Sip, sip, subst. teugje : She gave the poor fellow a bite and a â = wat te eten en te drinken; â verb, met kleine teugen drinken of opslorpen, een teugje nemen; âper. Sipe, saip, Seep, sip, sijpelen. Siphon, saifn, subst. hevel, siphon; â verb, door een hevel overbrengen ; âage, â?V7z, hevelwerking; âie, sifonik, tot een hevel behoorende. Sippet, sipdt, teugje, geweekt brood. Sir, sv, Mijnheer (zonder naam daarna); vóór den doopnaam is het de titel v. een baronet of knight: â to yon = tot uw dienst. Sirdar, sndci, Hindoesch (opper)hoofd. Sire,6'a£cgt;, subst. vader, vader (vooral bij dieren), Sire; â verb, verwekken (bij dieren). Siren, sair'n, subst. sirene, verleidster, groote misthoorn: adj. betooverend, bekorend. Sirene, sairtn, meter van geluidstrillingen. Si rins, sirids, hondsster. Sirloin, svloin, lendestuk v. een rund. Siroc(eo), sirok(ou), sirocco, heete wind. |
Sirrah, sira, vent, kerel, schavuit. Si nip, sirop, stroop. Zie Syrnp. Siskin, siskin, sijsje. Sist, sist, blijven, tegenhouden, dagvaarden. Sister, siste, zuster: âin-law = schoonzuster; â hood = alle zusters, zusterschap; âly = zusterlijk. Sisy phiis,sisi/as,de titan Sisyphus;Sisypliean, sisifton, vergeefs zwoegend, onophoudelijk. Sit, sit, zitten, broeden, officieel zitten of zitting hebben,blijven,passen: lie âs a horse very well = hij rijdt goed; I am glad yon will â to me lor your portrait = dat gij voor mij voor uw portret wilt zitten; â down,Sir = ga zitten, mijnheer; The French sat down before the town = legerden zich voor de stad; lie sat on me and ordered me about = hij zat mij op den kop, en drilde mij; Boys always roniplain of being sat upon = de jongens klagen altijd dat men hun op den kop zit, de vrijheid ontneemt; lie did not choose to be sat upon = hij \vou zich niet uit het veld laten slaan; These lineries â well on yon = staan u goed (ook lig.); We sat out the concert = wij bleven tot het laatst op het concert; They sat out the dance = zij bleven onder di'en dans zitten; They were âting out = zij zaten buiten; Did'you ever â under that clergyman? = hebt ge dien domino ooit geregeld gehoord: lie sat up in bed = hij ging in zijn bed overeind zitten: His productions made bis friends upquot; = deden . . verbluft staan; I will â np for you = ik zal voor je opblijven; That sorrow âs heavily upon him = die smart drukt hem ter neer: They sat in Judgment upon life and death = zij beraadslaagden en beslisten over leven en dood; âfast = blijvend, stoelvast; âter = zitter, broedende vogel; âting, subst. het zitten of broeden, zitplaats, stel broedeieren: I read the book at one âting = ik heb het boek in eens uitgelezen; adj. zittend, broedend. Site, sa it, ligging, bouwterrein. Situate, sitjidt, gepfoatst, gelegen, vast geplaatst; The palace is â on a height = ligt op eene hoogte: â d, sitjueitid, gelegen, geplaatst: How are you âd? = hoe staat het met u; Situation = sitjueisn, ligging, toestand,betrekking, omstandigheden: la this situation of things = in dezen stand van zaken; lie is out of situation = buiten betrekking; She was always in a situation = in interessante conditie. Sitxbath, sitsbiUh, zitbad. Siva, siud, Hindoesche godheid. Sivan,saiy'n, derde maand v. het Joodsche jaar. Sivathei'iuni, snivdthïridm, uitgestorven Aziatische herkauwer v. monsterachtige afmetingen. #i\,siks,zes: Things are at -es and sevens = de boel ligt overhoop; It is â of one and half a dozen of the other = het is lood om oud ijzer; âfold = zesvoudig; âfoot way = weg ter zijde van de spoorbaan; âpence = zesstuiversstuk = âpenny-piece; âteen = zestien; He talks âteeii to the do/.en -- hij praat honderd uit; âteenth, subst. en adj. zestiende (deell: âth = zesde (deel); âthly = ten zesde; âiieih, sikstioth, subst. en adj. zestiende deel; â ty = zestig(tal). |
bone = boun; full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; ï/ear =Ji0; \ong = loi^; slnp = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhüs; wine.
SKITTLES.
SIZAR.
438
|
8izar, saizo, student te Cambridge en Dublin, die voor minder studeert dan de overigen. 8ize, sr/is, subst. grootte, formaat, witkalk, pap (in katoen), lijmwater (schilders): The book appeared in octavo â = in octavoformaat; â verb, naar de grootte regelen, vermeerderen, ziften (v. erts), met lijmwater of witkalk bedekken of bereiden: lie âil up the new arrival = hij nam den pasgekomene op; âd = van eenê bepaalde grootte (in samenst.: fjargeâd = van groote afmeting, formaat; lie i» a middleâd person = van middelbare grootte); âable. Sizable, saizb'l, van aanzienlijke grootte, van redelijken of behoorlijken omvang; Sizing = het bestrijken met lijmwater, etc.; (extra) voedsel: lie had lii» Nizing* Htinted = zijn voedsel werd hem schraal toegediend. Sizz(le), sis('0, subst. sissend geluid; â verb, doen opdrogen( met een sissend geluid )door vuur. Sjamboek, satnbok, zweep van huidenreepjes. Skate, skeit, subst. rog, schaats; â verb, schaatsen rijden; âr: Are yon a âr? = doet gij aan schaatsen rijden; The roller Hkating-rink = rolschaatsenbaan. Skean, Skeen, skin, lang mes of kortzwaard. Skeary, skiri, schrikachtig. Skeda'ddle, skddacVl, zich uit de voeten maken. Skeel, skil, ondiepe melknap. Skeet, skit, bleekersschop om het goed nat te Skeg[a, skeyz, soort van wilde haver, [maken. Skein, skein, vlucht wilde ganzen (zwanen), streng. Skeletology, skeldtolodzi, leer v. h. geraamte; Skeleton,'sA'c/af'n, geraamte, magere schram, schets of eerste ontwerp, iets zeer onaangenaams ; ^Skeletons = ouderw. jongenspakje met de broek aan de blouse geknoopt; Skeleton-key = haak, looper; Skeletonize, skelotdnaiz, tot* een geraamte maken. Skellnin, skeldm, leelijkerd, gevaarlijk beest. Skelp, skelp, subst. slag; â verb, slaan. Skerry, skeri, rotsachtig eiland. Sketch, sketé, subst. schets, omtrek; â verb, schetsen, in 'talgem. aangeven of beschrijven; âbook â schetsboek, boek m. schetsen; âer; ây = onafgewerkt, vluchtig: âine»». Skêw, skjü, schuin, scheef; âback = rustpunt v. een boog: âbald = gespikkeld, geappeld. Skewer, skjiio, subst. ijzeren of houten vleeschpen; â verb, met een â vastmaken of vaststeken. Skiagraphy, skaiagrafi, het photografeeren met X-stralen; Skiagram, skaLxjnxm, de daardoor verkregen photograph ie. Skid, skid, subst. rem(ketting), schuinliggende planken (bij laden of lossen); â verb, remmen, steunen (met planken), schuin afglijden. Skiff, skif, subst. bootje; â verb, in een bootje vervoeren. Skilful, skilfuU bekwaam, handig, ervaren: â at everything = handig in, klaar voor alles: âne«8;*Skill, skil, subst. bekwaamheid, ervarenheid, geschiktheid; â verb, bekwaam zijn, begrijpen, handig zijn, v. belang zijn: Skilled labourers = volleerde (in een vak bekwame; arbeiders. Skillet, skilat, metalen pan m. lang handvatsel. Skilligolee, skilig,ili, gortwater, dunne soep = Skilly. |
Skilling, slciliri, deel v. een schuur of hut. Skim, skim, subst. schuim; â verb, afschuimen, de oppervlakte even aanzien, vluchtig doorzien: The HwallowH â the water = de zwaluwen scheren over het water; lie was âining the pages of a missionary report = hij liep een zendingsrapport vluchtig door: âcónlter = ploeg(ijzer) om het land gelijk te maken; âmilk = afgeroomde melk, taptemelk; ânier = afschuimer, schuimspaan, oppervlakkig geleerde of beoefenaar, schaarbek: âinings = schuim, het afgeschuimde of afgeroomde. Skimp, skimp, adj. vrekkig; â verb, beknibbelen; âer = vrek. Skin, skin, subst. huid, bedekking, lichaam: Kear is my shirt, but nearer is my â = het hemd* is nader dan de rok; He wore it next to his â = droeg het op het bloote lijf; lie is but skin and bones = hij is niets dan vel en been; He got through by the â of his teeth = hij is er net door en meerook niet; The whole thing is a damned â = eene vervloekte beetnemerij ; â verb, villen, afstroopen, pellen, met eene huid of rootje bedekken; He has âned the lamb = alles gewonnen; âdeep = oppervlakkig: âHint = groote vrek; âfn! = boordevol: I am âfill = ik kan niet meer eten; â grafting = het opbrengen van een nieuw stuk huid; âless = zonder huid; âner = vilder, huidenkooper; âwool = wol van een dood schaap; âny = erg mager, niets dan vel en been. Skinch, skins, bekrimpen, beperken. Skink,skh^k, subst. Oostersche hagedis, drank: â verb, inschenken. Skip, skip, subst. vlugge sprong, teenen mand op wieltjes; â verb, vlug springen, huppelen, dartelen, overspringen, overslaan: Don't yon know yon âped this passage? = dat ge dit ged'eelte hebt overgeslagen: To â at a person = op iemand aanvliegen; âjack = parvenu, kniptor; âping = vluchtig, dartel; -ping-rope = springtouw. Skipper, skipo, kapitein van een beurt- of koopvaardijschip, springer, gedachteloos en vluchtig persoon, kaasmijt. Skippet, skipdt, kistje voor offic. stukken, enz. Skirl, sknl, subst. gil; â verb, gillen. Skirmish, skümiè, subst. schermutseling; â verb, schermutselen: âer: âing. Skirr, skó, snel overheen gaan, hard loopen. Skirret, skiret, Skerret, skerot, cichoreiwortel. Skirt, sküt, subst. pand, rand. zoom, slip, vrouwenrok, middenrif (bij de lagere diersoorten): By this time they had reached the âs of the town = de buitenste (eerste of laatste) huizen van de stad; She held on by her mother's âs = zij hield hare moeder bij de rokken vast; â verb, omzoomen, begrenzen; âing (board) = plint langs den vloer. Skit, skit, scherts, boert, schotschrift, parodie: llis performance is a â on the right thing = zijn spel is een parodie op goed spelen: âtisïi = schuw, schichtig. Skittles, skiflz, kegels, kegelspel: Life is not all beer and â = het leven is er niet voor |
man; ask = ask; farm = fiim; b^t = bot; karn = l«n; line = lain; house = hans; net: care = ked; fate = felt; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; bo?/ = boi:
SLAVE-TRADE.
SKIVER.
43!)
|
de pret alléén; Skittle-alley = kegelbaan = Skittle-ground. Skiver, skaivd, mes om leder te snijden. Skreek, skrik, gillen, piepen. Skreel,skrib, jammeren: She âed away for hours. Skulk, skvlk, subst. gluiper; â verb, loeren, schuilen, gluipen, sluipen; âer = iemand die zich achteraf houdt om niet te werken. Skull, skül, schedel; ârap = ijzeren hoofdbeschermer in muts of hoofddeksel, Friesche kap, oorijzer, kalotje. Skunk, skvrik, N. A. bunzing, vuilik, stinkerd; âbird, âblackbird â¢= rijstvogeltje. Skurry, sknri: She skurried oil* on his arm *= verliet in haastige verwarring ... het vertrek. Zie Scurry. Sky,skai, subst. uitspansel,hemel,lucht: Their cries rent the â = hunne kreten verscheurden de lucht; â verb, in de hoogte gooien, hoog ophangen; âblue = hemelsblauw; â colour = azuur, hemelsblauw; âh i^h = zeer hoog; âlark = leeuwerik: âlarking = het zwieren: We have been âlarkinu; = wij zijn aan de zwier geweest; âlight = vallicht; âplanted = aan den hemel geplaatst: --rocket = vuurpijl; â Hail = vliegend zeil (boven de Roijal = bramzeil); âscape = luchtgezicht: The âscape» in our country are tsu^seHtive to paintei'H = de luchten in ons land doen den schilders kleur en toon aan de hand; âscraper = zéér hoog gebouw (Am.): âward = hemelwaarts. S\nh,slab, subst. vochtige aarde, modder, platte steen, plaat(je): A marble â, â of marble = marmeren plaat: â of tin = massa gegoten tin: adj. dik, kleverig; âline = touw onder aan een zeil; âsided = met platte zijden, lang en mager (Am.); âby = dik, kleverig, modderig, vuil. Slabber, slabd, subst. kwijl, speeksel; â verb, kwijlen, met speeksel besmeren, opslobberen: âer: ây = bespat, bekwijld, modderig. Slack, slak, subst. loshangend eind v. een touw, slappe tijd, slapte in handel, kleine kolen: adj. slap, los, traag, soezerig: lie performed on the â rope (wire) = hij danste op het slappe koord; The ship is â in stays = is moeilijk te wenden; ISiisiness is â = de zaken gaan slapjes: âwater = stilstaand water (tusschen ebbe en vloed); â verb, verslappen = âen = verminderen, vertragen, losser spannen, vieren: âened limc = gebluschte kalk; lie âened his pace = hij verminderde zijn (snellen) gang; The train âened speed, âened up to the station = de vaart van den trein verminderde, hij reed langzaam binnen; âness. Slade, sleid, klein dal, laag stuk vochtig land. Slagf, slag, metaalschuim, sintels; âgy. Slain, slcin, part. perf. van to slay. Slake, sleik, lesschen, blusschen, met water vermengd worden. Slam, slam, subst. bons, harde'slag, afval van aluin, vole (in ivhist); â verb, hard dichtslaan, slaan, vole maken. Sl:iin(mergt;kin, slain(d)k'm, slet, slordig wijf. Slander, «/am/a, subst. verachtelijke laster(ing); â verb, (be)lasteren; âer; âous(iiess) = lasterlijk(heid). |
Slang, subst. zéér gemeenzame, eenigszins platte en min of meer onjuiste taal of uitdrukking (b.v. That's the peach, the cheese = dat is je ware!); adj. als slang; â verb, plat toespreken en uitschelden: .lolin swears at him and âs him = vloekt en raast tegen hem; I was âed = uitgescholden; ây = â sprekend: Your IViend is rather ây = uw vriend is vrij plat in zijne taal. Slant, slant, subst. helling, sarcastische opmerking, hatelijkheid; adj. hellend, schuin; â verb, hellen, schuin zijn, eene schuine richting hebben; âiiig(ly), âly, âwise. Slap, slap, subst. klap (niet de open hand of iets breeds); â verb, een klap geven: lie âped me in the face, in my face = hij gaf mij een klap in het gezicht; adv. vlak, plotseling: â up = schei uit, hou je mond; âbang = plotseling dichtvallend (van eene deur, b.v.): lie bought the article in a âbang shop = hij kocht het in een klein winkeltje (met een vanzelf dichtvallende deur); âdash = zorgeloos, vrij, eensklaps: âdash hurrv and Hurry = overgroote haast en drukte; --jack = groote pannekoek; âup = gemeenzaam: lie had made some âup acquaintances in Paris = hij had in Parijs met fideele lui kennisgemaakt; She is a âup girl = eene aardige, llinke meid. Slash, slas. subst. lange snede, veeg, jaap, split; â verb, snijden, een langen jeep geven, geeselen, m. de zweep klappen; â ing = streng, sarcastisch, groot. Slat, slat, smal en dun reepje hout, doodevisch. Slatch, slats, slappe eind v. een touw, voorbijgaande bries, tijdje van mooi weer. Slate, sleit, subst lei, voorloopige lijst v. Candida ten (Am.): lie has a â (tile) loose.(otf) = hij is niet goed bij 't hoofd; â verb, met leien'dekken, scherp hekelen; âpencil = grillel; âquarry = leigroeve; âr = leien-fabrikant, leiwerker, leidekker; Slating = het leidekken, lei werken, duchtige kritiek: lie gave the government a sound slating = hij gaf er het ministerie duchtig van langs; Slaty = leiachtig; lie wore a slaty-grey dressing-gown = hij droeg een leigrauwe kamerjapon; Slatiaess. Slatter, slatd, slordig zijn, slonzig gekleed gaan, verspillen; ân, subst. slons, slordige vrouw; adj. slonzig, slordig = â nly. Slaughter, slótd, subst. slachting, bloedbad, het slachten; â verb, slachten, vermoorden; â(ing)-house = slachthuis, abattoir, slachtingsplaats: âer. Slav, slnv, subst. een der Slaven: adj. tot de Slaven belioorende; âonia, sldvoanjd, Slavonic; âon ia ii, slevonnj'n, Slavoniër, van S.; âonic, sbvonik. subst. taal der Slaven; adj. tot de Slaven belioorende = âic. Slave,s/eiv, subst. slaaf, slavin, arme ploeteraar: lie is a â to his w ild passions = hij is de slaaf zijner woeste hartstochten; â verb, slaven, hard zwoegen; --coast = deel van Afrika's westkust; --driver = slavendrijver; âgrown = door slavenarbeid voortgebracht; âholder = slavenhouder: â like = slaafsch; âstate = staat waar de slavenhandel bestond (Am.); âtrade = slavenhandel; â r = slavenhandelaar, slavenschip; ây = dienstmeisje; |
bone = boun: full: fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; Urn;/ = loi^; ship = sip: occasion = okeiz'n: thin; thus = dhus; wine.
SLAVER.
440
SLIP.
|
âry = slavernij, afmattende en ploeterende arbeid; Slavish = slaafsch, verachtelijk. | Slayer, slava, subst. speeksel, kwijl; â verb, kwijlen, met speeksel bestrijken of bemorsen; âer = kwij Ier, idioot. Slaw, slö, koolsla. Slay, slei, dooden, vernietigen, vermoorden: Twenty were slain = twintig sneuvelden: âer. Slay, Sley, slei, weversrietje. Sleave, s/tt», subst. verwarde en ongesponnen zijde, tloszijde: â verb, scheiden en uit elkander halen (v. draden). Sleazy, Sleezy, slizi, dun, licht, ruw. Sled, sled, subst. soort van slede; â verb, in een â vervoeren; âdiiij; = het vervoer per slede, voldoende sneeuw om met sleden te rijden. Sledge, subst. slede, vóórhamer: â verb, in eene slede vervoeren of reizen; âliaininer = vóórhamer. Sleek, slik, subst. wat zacht en glanzend maakt; adj. zacht glanzend: â liair = glanzend haar (Vergel. sluik haar = lank hair); â verb, glad of aangenaam maken; âheaded = met glad of behoorlijk gekamd haar, behendig, nauwkeurig; âquot;ly; ânews; â stone = polijststeen; ây = glad, sluw, huichelachtig. Sleep, slip, subst. slaap,doodslaap: Beauty â = slaap vóór middernacht; 1 am-dying with â = ik val om v. slaap: lie started froni his â = hij sprong op, werd opgeschrikt uit zijn slaap; The inother lulled (s:uiggt; her Hiild to â = suste (zong) haar kind in slaap; â verb, slapen, sluimeren, soezen, gedachteloos en zorgeloos voortleven, snel en onmerkbaar in het rond draaien (van tollen): 1 have slept like a top = ik heb geslapen als een os; lie ha» slept hiniseH' soher = hij heeft zijn roes uitgeslapen; He slept away the best part «f'day = hij versliep hetmooiste deeljV.den dag; I have got a headache, and must try to â it off = ik moet er door slapen zien af te komen; 1 never â out = ik ben 's nachts nooit buitenshuis; He had slept far into the following day = hij had een gat in den dag geslapen: 1 will â over it = ik zal er mij eens op beslapen; âwalker = slaapwandelaar; âwalking = het slaapwandelen; âer = slaper, dwars legger (spoor), tribune; ây = slaperig; ây-drink = slaapdrank, âslaapmutsjequot;; âiness; âing, subst. het slapen; adj. slapend: âing-partner = stillevennoot; âing-car = slaapwagon: âing-room = slaapkamer; âless. Sleet, slit, subst. natte sneeuw met hagel; â sneeuwen (of hagelen) met regen; ây. Sleeve, sliv, subst. mouw: lie laughed in his â = hij lachte in zijn vuistje; He had several cards up his â = hij had verscheidene kaarten in de mouw; â verb, van mouwen voorzien: âbut tun = knoopje om de mouw vast te maken = --link; âd = met mouwen; âless = zonder mouwen, vergeefsch. Sleigh, slei, slede (Am.); âing = het sledevaren: âbells = sledebellen. Sleight, sluit, kunstgreep, behendigheid, listige zet; â of hand = handhabiliteit (bij het tooveren). |
Slender, slendd, slank, dun, zwak, spichtig, gering, onvoldoende, armzalig, bescheiden: lie is a man of â parts = van geringe talenten; âness. Slept, slept, imperf. en part. perf. v. to sleep. Sleswick, sleswik, Sleeswijk. Sleuth, slüth, spoor; âhound = bloed- of speurhond. Slew, imperf. van to slay; zie ook Slue. SI ice, slats, sneetje, vlakje, vischlepel, spatel, vuurschop: A â of bread and butter = boterham; â verb, in dunne sneden snijden, (af)snijden, opdisschen, verdeelen: They luid their ears âd = hun werden de ooren afgesneden; âr. Slich, Slick, slik, gestampt gouderts. Slick, slik, glad, dadelijk, vlug: A â brush = een zacht penseel (kwast); âness. Slid, slid, imp. en part. perf. van to slide. Slidder(y), slider(i), glad, glibberig. Slide, slaid, subst. glijbaan, hellend vlak, schuifglas van een toovenantaarn, lade, aardverschuiving : lie took a â down the street = hij ging baantjeglijden op straat: â verb, glijden, zacht overgaan, schuiven: We slid down the slope = wij gleden de helling af: We will let things â a little = een tijdje op hun beloop laten; âr, Sliding-seat = losse bank in eene roeiboot: 1 am used to fixed seats and not to ârs; A sliding knot = slipknoop; Sliding-case = stoomschuif; Sliding-scale = schaal die al naar omstandigheden verandert: Sliding-gange = afstandsmeetwerktuig; liis slidings «re many = zijne overtredingen zijn vele. Slight, slait, subst. minachting, verwaarloo-zing, versmading; adj. gering, onbeteekenend, zwak, dun, beuzelachtig, vèrgankelijk; â verb, versmaden, verwaarloozen, verachten â You have âed over your work = ge hebt uw werk afgerolleld; My letters and advice were âed (off) = mijne brieven en raadgevingen werden versmaad, verachtelijk ter zijde gelegd; âer; âing(ly) = verachtelijk: âness = oppervlakkigheid, geringheid, beuzelachtigheid. Sligo, slaigou. Slily, slaili, op listige wijze. Sliiii. slim, dun, slank, schraal; âness. Slime, slaim, slijk, slib, asfalt, alles wat kleeft en bevuilt; Slimy = slibbig, slijkachtig, kleverig; Sliminess. Sliinsy, slimzi, broos, zwak. Sling.' sih], subst. slinger, zwaai, harde slag, riem, blijdschap, draagband: lie had his arm in a â = zijn arm in een doek: â verb, slingeren, werpen, zwaaien: lie slung his hook = hij schuurde zijne piek; âer. Slink. slir\k, (wêg)sluipen, ontijdig werpen: 1 wouldn't â off with her on the sly = ik zou haar niet in alle stilte willen schaken. Slip, slip, ontglipping, vergissing, abuis, takje, loot, reepje, koppel of ketting voor honden, wat gemakkelijk aan- of uitgetrokken wordt, jonge tong (visch), scheepshelling, plaats vanwaar de coulissen op het tooneel worden geschoven, plaats waar de acteurs vóór het optreden staan, lange en smalle (kerk)bank: 1 saw some rosy little âs in the nursery = blozende snoesjes in de kinderkamer; He |
man; ask = Ask; farm = fiim; bi«t = but; learn = lun; line = lain; house = haus; net: care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = Hid; hoy = b6i:
SLIP-CARRIAGE.
441
SLUE.
|
gave me the â hij ontglipte mij (en liet mij alleen zitten); My health often make» a â = laat mij vaak in den steek; There'rt many a â Betwixt the eup and the lip (Z. Cup); He got the â = is gezakt; That i» a â of the pen, tongue = dat is eene verschrijving, verspreking; â verb, ontglippen, uitglijden, neervallen, zich ontdoen van, over het hoofd zien, wegsluipen, overtredingen begaan, stilletjes en heimelijk wegvoeren, loslaten, ontijdig werpen, afsnijden (van takken of loten): My foot âpod and 1 fell = ik gleed uitenviei; We let the dog» â = wij lieten de honden los; The «'able was âped = de kabel werd gevierd; It ha» âped uiy ineinory = ontgaan; Von iniist not allow the opportunity to â(by) = gij moet de g. niet laten voorbijgaan;*! âped off my mantle = ik legde mijn mantel af; When* I heard the cry of lire, 1 âped on my troiiMens and âpers = stapte ik in mijiie broek en pantollels; Many erroi-H âped into the lirnt edition = véle fouten slopen in den eersten druk: âcarriage = slipwagon (van een âtrain = sliptrein); âknot = schuif knoop: ârope = tros (op een kabel); âper = wie of wat ontglipt, enz.; pantoffel, remschoen, morsschort: They played at hunt the âper = zij speelden âslofje onderquot;; â pered = met pan-tolTels aan: âpery = glibberig, glad, onvast, onbestendig,sluw, listig: He Ih the HlipperieHt raNcal I ever heard of = de sluwste schurk: âpinesM = âperinea»; âNhod = met afgetrapte hakken, slordig: It ia written in âshod Knglish = in slordig E.; He went âshod all over the house = hij slofte het geheele huis door. Slipslop, slipslop, subst. slechte drank, prullerig werk, verkeerd gebruik van een woord voor een ander, .als: prodigy voor protege, etc.: adj. armzalig, prullerig. Slish, slis, slag, houw: â and slash = klits klats. Slit, slit, subst. split, reet, lange snede, sponning: His month was of a reptilian width of â = hij had een mond als een brievenbus: â verb, in de lengte snijden, in lange reepen snijden, verdeelen, splijten, klooven: âter; âting*miil = machine om juweelen te splijten of om geplet metaal te snijden; âlike = als een reet. Sliver, sl(a)ivd, subst. lang afgesneden of afgescheurd stuk, sneetje, tak; â verb.in lange, dunne stukken verdeelen, splijten, spouwen. Sloam. sloum, aardlaag tusschen kolenlagen. Sloat, slout, smal stuk hout ter verbinding. Slobber, slobd, opslobberen: They will â their gowns without the pinafores = als ze geen schort vóór hebben, bemorsen ze , hare jurken; ây = modderig, vochtig. Sloe, slou, slee-pruim, wilde pruim, sleeboom. i Slogan, sloug'n, oorlogskreet der Hooglanders, er, slogd, bokser, kampvechter. Slqjd, slóid, slojd. Sloop, slüp, sloep: â of war = klein oorlogschip. |
Slop, slop, subst. gestort water, poel, slechte drank, prullerig werk, kiel, nachtkleed, soort v. mantel; â verb, morsen, storten, schrob- j ben, bevuilen: Woodcuts loosely âped i over with watereolonrs = houtgravures slordig met waterverf besmeerd of bestreken: âs = vloeibaar voedsel (He was kept on âs = hij leefde van dunne soep, enz.), vuil water, spoelwater; âbasin. âbowl = spoelkom; âpy = nat, modderig, bespat, morsig: âpy,* slithery tnrf = drassige, glibberige zoden. Slope, sloup, subst. helling of schuinte (vooral nederwaarts); â verb, hellen, schuin aüoopen, bedricgon en zich uit de voeten maken, doen hellen. Slops, slops, wijde broek, gemaakte kleederen, kleederen en beddegoed van matrozen: Slop-seller. Slopman = koopman in gemaakte kleederen; âshop = gemaakte-kleeren winkel (vooral voor zeelui). Slosh, slos, modder, slijk, natte sneeuw. Slot, slot, subst. gleuf, valdeur, sponning, dun stuk hout, spoor (van een hert); â verb, het spoor nagaan. Sloth, slouth. traagheid, luiheid, onverschilligheid, luiaard of aï; âfnl = lui, traag. Slottery, sloteri, vuil, slordig, slonzig, nat. Slotting marhine, slotini'idèin, machine om gleuven of groeven in stukken metaal te maken. Slouch, slants, subst. het laten hangen van het hoofd of andere lichaamsdeelen, lompe en boersche gang. lompe en logge vent; â verb, slungelig loopen, de oogen neergeslagen houden, laten hangen, neerdrukken (van den hoed); âhat = hoed met breeden, slappen rand; âing = neerhangend, naar beneden gedrukt, lummelig, lomp, log. Slongh, slau, poel, moeras, zinkput; ây = moerassig. Slongh, slof, subst. afgeworpen slangevel, korst of roof (van eene wond): â verb, scheiden, afwerpen, afvallen (als eene roof of korst van de wond), het wild vleesch wegnemen (met o IT); ây = vuil. S\oush,'slai(s, spoelen, kletsen. Slovae, slouvak, Slavisch bewoner v. Noord-Hongarije. Sloven, slnv'n, slordig mensch, morsebel; âly. Slow. slou. langzaam, traag, trapswijze, achterlijk, saai, vervelend, levenloos: â and sure = langzaam maar zeker: A â town, dinner, person = een saai stadje, diner, persoon; A â train = boemeltrein; My watch is â = is achter: Writing a dictionary is â work = het schrijven van een woordenboek is saai en schiet niet op; â verb, de snelheid verminderen: The ascent slowed up the vehicle = deed het voertuig langzamer gaan; He is a âcoach = treuzelaar; â-lever = binnenkoorts; âgaitrd = zich langzaam bewegend; âmatch = lont (van hennep, katoen, etc.); âpaced = met langzamen schred; --worm = hazel worm. koperslangetje; â ness. Slnb, slvb, subst. gedraaide streng wol; â verb, wol tot strengen draaien; -her = bezoedelen, bemorsen. Sludge, slodz, modder, natte sneeuw(jacht); Sludgy. Slue, Slew, sliï, omdraaien (om eene spil): lie slewed his parachute up to one of the cords = hij rolde zijn valscherm om een van de touwen; The charger shied and the rider slewed = het paard werd schichtig (en |
bone = boun; full; fool = lïil; «gt; = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; i/ear = jia; logt;75r = loi^; ship = sip: occasion = okeiz'n; thin; thus = dlrus: wine.
SMELL.
442
SLUG.
|
sprong achteruit), en de ruiter rolde bijna uit den zadel. Slu^. slog, luiaard, traag mensch, slak (zonder huisje), schroot, (geïmproviseerde) kanonskogel; âgard = luilak, langslaper; âgisli = lui, traag: âgiHlineNH. Sluice, slüs, subst.sluis,sluiswater, waterbuis: â verb, eene sluis openen, laten uitstroomen, overvloedig stroomen: It in Hliiicing down = het valt met emmers uit de lucht: âgatc» = sluisdeur: âkeeper = sluiswachter. Sluit, sh'it, sloot (Afr.). Slum, slnm, subst. slop, achterbuurt, vuil straatje: The âh «f the low London preHH = de (vuile) kolommen der Londensche vuile kranten; â verb, de achterbuurten en hunne bewoners bezoeken. Slumber, slnmbd, subst. sluimering, slaapje; â verb, slapen, sluimeren; âer; âins. Slump, slomp, subst. bruto bedrag, moeras, modderpoel, plomp (doffe val inwater): Then the â eame = toen kwam de ..krachquot; (op de beurs): â verb, inzakken, invallen, vallen, samenvoegen. Slung, sim], imperf. en part. perf. van to sling; âshot = kogel aan riem of ketting (om mede te slaan). Slunk, slmik. imperf. en p. perf. van to slink. Slur, slv, sübst. vlek, smet, schandvlek, verwijt, verbindingsteeken (muz.): lie east a â on me = hij heeft een smet op mij geworpen; â verb.bevlekken,besmetten, bezoedelen, losjes overheen loopen, onzuiver uitspreken, slepen (muz.): He âred it over = hij liep er losjes overheen, behandelde het achteloos: âred = van een verbindingsteeken voorzien (muz.). Slush, slvs. subst. natte half gesmolten sneeuw, smeer (om glad en glibberig te maken); â verb, laten neerstroomen; ây = slijkerig, modderig, gesmeerd. Slut, slDt, slons, slet. vuil wijf, morsebel; âtery = vuilheid, slordigheid; âtish = slordig, morsig, vuil. Siiiys, sluis, Sluis. Sly; s/rtt, sluw en listig (in slechten zin), niet oprecht, loos: He did it on (by) the â = in 't geniep; âboots = slimmerd, looze kwant: âly; âness, Sliness. Smack, smafc, subst. smaak(je), geur, geringe ondervinding of kennis, harde slag, klap, klapzoen. gekraak, smak of pink (schip); â verb, een smaak of geurtje hebben van (met of), een harden klap geven, barsten of kraken, smakken: What you say there âs of heresy = heeft 'iets van ketterij; inter], klets!'klap! Small, snwl, het dunne of smalle deel van iets: A stream of water came down the |
â of my back = liep mij bij den rug neer; adj. klein (met het oog op leeftijd, grootte, enz., tegenover Little, dat eenvoudig âniet grootquot; beteekent), min. beuzelachtig, gering, zwak, kleingeestig, zelfzuchtig: 1 never felt so â in my life = ik voelde mij nooit zoo klein (onbeteekenend, zoo deemoedig) in mijn leven; I was invited to a â and early dinner: how I hate those âs and earlies = ik werd familiaar en op een vroeg uur te eten gevraagd; ik heb het land aan die familiare en vroege diners: lie is a â partner = hij heeft een aandeeltje in de zaak; lie is au autocrat in a â way = hij is een klein autocraatje: â beer = dun bier: Do you think 1 will chronicle all the â beer you talk? = denkt ge dat ik al uw gewauwe'lzal notuleeren; The house sat into the â hours = het huis (der gemeenten) zat tot na middernacht; âs = korte broek, candidaatsexamen; âarms = draagbare wapenen; âclothes = korte broek; âcoal = geklopte kolen; â craft = kleine vaartuigen; âfruits = vruchten, zooals aardbeien en frambozen, enz.; âfry = klein goed, kinderen; âpox = kinderpokken; âtalk = luchtig gesprek, gepraat: They are literary âtalkers = ze zijn letterkundige wauwe'laars; âwares = garen, band, galanterieën, enz.; âage,eppe-kruid; âish =viij klein, kneuterig, popperig; âness. Smalt, smolt, smalt (blauwe glasachtige stof). Sniaragdine, smoragclain, als smaragd. Smart, smat, subst. vinnige pijn, groote smart: lie laved his â in thoughts of his greatness = hij verzachtte zijne smart door gedachten aan zijne grootheid; adj. pijnlijk, vinnig, doordringend, krachtig, vlug. levendig, geestig, knap, sluw, bij-de-hand: The characters are clever without being â = de karakters zijn mooi geteekend zonder âmooidoenerijquot;; There is a danger in being â = er steekt gevaar in het âaardigquot; willen wezen; That kind of society which is known as â = sluw (als kooplieden); He is as â as sixpence = alsof hij uit een doosje kwam: He is âer than anything = vlugger, gladder: isn't he a â little boy? = een bij-de-hand jongetje; â verb, scherpe pijn voelen, boeten, smart veroorzaken, lijden: It'oiril â for it = gij zult er voor âhebbenquot; of boeten; üe is still âing under his loss = hij lijdt nog onder zijn verlies; âlooking = chique; â money = rouwkoop, rouwgeld, smartegeld; âticket = bewijsstuk van ontvangen wonden, waardoor de drager aanspraak op âmoney heeft: âen = opschikken, mooi maken; âing = vinnige pijn; âness: llis âness mars several passages = zijne poging om aardig (geestig) te zijn bederft verschillende gedeelten. Smash, smds, subst. bankroet, het breken; â verb, met geweld breken, bankroet gaan, valsche munt in omloop brengen: The windows were âed = de ruiten werden ingegooid; âers out (of doors) = uitsmijters; adv. kapot, verloren: The real purpose goes â = het ware doel gaat verloren; âup = vermorzeling, verbrijzeling. Smatter, smato, subst. geringe en oppervlakkige kennis; â verb, geringe kennis hebben van, oppervlakkig spreken: lie has a âing of Spanish = hij weet een beetje van het ! Spaansch: âer. i Smear, smid, subst. vlek, smet; â verb, besmeren, bezoedelen, bestrijken met iets kleverigs of verzachtends; â y = vettig, vuil, kleverig. Sinell, smel, subst. reuk, geur; â verb, ruiken, rieken, speuren: i â a rat = ik ruik lont; He never smelt powder as vet = hij is nog nooit in ?t vuur geweest: iie smelt it out = hij heeft het uitgevorscht; The wine |
man; ask = ask: farm = fiim; hut = but; Imrn = lua; line = lain; house = haus; net: care = keo; fate = feit; tin; asleep = dslip: not; \aiu = lo; lord = löd; boy = bói;
SMELLER.
443
SNAP.
|
âs ol* fhf! cork = ruikt naar den kurk; âer = snuirelaar, ruiker; âin^ = reukorgaan, het ruiken; â ing-lmttle = reukfleschje. Smelt, smelt, imperf. en part. perlquot;, van to smell. Smelt, smelt, subst. spiering: lie i* an dead as a â = zoo dood als een pier; â verb, smelten en zuiveren (van erts); âer; âery = smelterij; âing = het zuiveren en smelten: âinjj-furnace = smeltoven. Smerk(y), smukt, keurig, netjes, fijn, kranig. Smew, 'smjiï, nonnetje. Smiddy, smidi; Zie Smithy. Smile, smail, subst. glimlach, vriendelijk voorkomen, hapjequot; of slokje (Amer.): lie gave me a â = hij glimlachte tegen mij; â verb, glimlachen, vriendelijk kijken, een âhapjequot; nemen: We âd our thanks = drukten. . . uit door een glimlach; lie âd at me = glimlachte tegen mij: We âd him into good humour = door onze vriendelijke blikken werd ook hij opgewekt gestemd; Fate â» upon iiH = het lot is ons gunstig of genegen; 1 have âd away Iiih cares = ik heb door een vriendelijken blik zijne zorgen verdreven: âr; -lews: Smiling. Smirch, smots, bekladden, bevuilen, besmeren. Smirk, smuk, subst. gemaakte glimlach; adj. fijn, kranig; â verb, gemaakt glimlachen, meesmuilen (met at). Smite, smait, slaan, treden, dooden, vernietigen, schieten, botsen: Smitten with anton-ishmcnt = verbluft van verbazing; Smitten with love = verliefd; â r. Smith, smith, smid: ây, sm it hi of smid hi, smederij: âing = het smeden; âereens, sm'idhdHnz: The powder blew the hon.se to âereens = het kruit vernietigde het huis geheel. Smitten. smiVn, part. perf. van to smite: lie is â with her = dol op haar verliefd. Smock, smok, vrouwenhemd, boerenkiel = âIrock: âmill = zich zelf richtende windmolen. Smoke, smouk, subst. rook. damp. uitwaseming, sigaar, ijdelheid, gewauwel: Will yon have a â ? = wilt gij eens opsteken; â verb, rooken, dampen, ontvlammen, stof of rook opjagen (door snelle beweging); Put that in yonr pipe and â it = steek dat in je zak; âd spectacles = bril met zéér donkere glazen; âblack = lampzwart: âconsuming = rookverterend; âdried = gerookt (v. vleesch, b.v.); --jack = toestel om een braadspit door den luchtstroom in den schoorsteen te doen draaien; âless; âr; Smoke-stack = (vereeniging van) schoorsteen(en in één stuk); Smoky = rookerig, berookt, als rook: Smo-kincss: Smoking-cap = kalotje, mutsje; Smoking-rooiii = rookkamer. Smollett, smoldt. Smolt, smoult, jonge zalm die schubben heeft gekregen. Smooth, smüdh, subst. het gladmaken, het gladde, weide (Amer.); adj. glad, vlak, zacht, glanzig, effen, aangenaam, vriendelijk, vleiend; â verb, glad maken of worden, glad strijken, gemakkelijk maken: lie âed the path lor me = hij heeft mij het pad geëffend; That song âed bis iorehead = dat lied streek zijne rimpels weg; The report was âed down a little = het rapport werd in wat zachtere termen uitgedrukt; I shall try to |
â him down = ik zal hem zien te kalmeeren of te bevredigen; A âbore gun = gladloop (kanon of geweer); âchinned = baardeloos; âlaced = glad, vriendelijk en zacht gelaat; âshaven = glad geschoren; âtongiied = vriendelijk van taal, vleierig; âing = glad makend; âing-iron = strijkijzer; âing-plane = gladschaaf; âness. Smote, smout, imperf. van to smite. Smother, smvdho. subst. dichte rook, stof, verwarring, onderdrukking; â verb, smoren, doen stikken, smeulen: ây = volâ, verstikkend, smorend. Smoulder, smouldB, smeulen, dof zijn. Smudge, smvdz, subst. vlek, smet, smeer, verstikkende rook, smeulend vuur; â verb, bevuilen, verstikken. Sniug,smi7fir,subst.dienstdoenei*, poenig mensch; adj. netjes, keurig,opgesmukt,gemaakt;âness. Smuggle, smwy'l, smokkelen, binnensmokkelen; âr: Smuggling = het smokkelen. Smut, snwt, vlek, roet, koolzwart, vuile taal, bederf in 't graan: His linen had sutfered rrom the âs of a London log = zijn linnengoed was vuil geworden van de roetdeeltjes van een L. mist; â verb, bemorsen, bevlekken, bevuilen,bederven (van koren): âty = besmet, bedorven, vuil. zedeloos. Smutch, smvts, subst. vuile vlek, smet; â verb, bevuilen met rook, roet. etc. Snack, snak, lichte, in haast gebruikte maaltijd; deel, onverwachte aardigheid (Amer.); Shall we go âs? = zullen we samen deelen; A â luncheon = haastig twaalfuurtje. Snarile, snafl, trens = âbit. Snag, snag, afgebroken tak, knoest, uitsteeksel, bult, boomstam (aan het eene eind op den bodem der rivier vastgemaakt; Amer.); âged = vol âs; âgy = knoestig, boos, korzelig. Snail, sneil, subst. huisjesslak, hommel, langzaam persoon; â verb, kleven; âlike = slakachtig. langzaam; âslow = langzaam, lui; âtrefoil = slakkenkruid. Snake, sneik, subst. slang: There is a â in the grass = er schuilt een adder onder't gras; â verb, spiraalsgewijs omwinden, naar buiten of uittrekken; âfence = zigzagschutting (Amer.); âroot = slangenkruid = â-weed: âstone = slangensteen (tegen den beet eener slang); Snakish = slangachtig; Snaky =â ⢠als eene slang, kronkelend, sluw, bedriegêlijk; Snaky-headed = met slangen in plaats van haar óp het hoofd (zooals de wraakgodinnen). Snap, snap, subst. plotselinge breuk, hap of beet, geknal, veer of knip, plotseling opkomende en hevige bui, broos gebakje, kinderspelletje (met kaarten); I do not care a â of my lingers = ik geef er geen lor om; The piece will go with a â = het stuk zal âgaanquot; als een lier (Amer.); adj. vlug,snel, plotseling: Ministers tried to capture a fresh majority by a â dissolution = de regeering trachtte 'eene nieuwe meerderheid te krijgen door eene plotselinge ontbinding; â verl3. plotseling breken, afknappen,hard dichtklappen, plotseling grijpen of vangen, toesnauwen. bijten naar, dadelijk toehappen (bij een aanbod): lie âped at the proposal = hij |
|
bone = boun: full; fool = ful; o lonu = loi^; ship = sip; occasion = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; t/ear = jia; = okeiz'n; thin; thws = dhi:s; wine. |
SNAP-DRAGON.
444
SNUFFLES.
|
hapte dadelijk toe; The whips âped = de zweepen klapten; The chain âped (off) = knapte plotseling af; 1 âped liiin up severely = ik maakte hem een hevig standje; She âped at the servants = zij snauwde de bedienden af: âdragon = spelletje waarbij rozijnen uit brandende spiritualiën worden gegrepen en opgegeten; eene plant (Antirrhinum): â«hot = schot in't wild, instantanée opname in een kodak; âvote = onverwachte en oneerlijke stemming: âper = wie grijpt, hapt, enz.; âpiHh = scherp, bits, vinnig; âpishness. Snare, snêd, subst.strik, lus; â verb, verstrikken; âdrnni = kleine (gewone) militaire trom; â r = strikkenspanner. Snark, snak, monsterachtig dier. Snarl, snal, subst. grauw, snauw, verwikkeling, verwarring, klem, moeilijkheid; â verb, grommen, knorren, verwarren, verstrikken: 1 am âed at by everybody = iedereen snauwt mij af; âèr = brompot, ruziemaker. Snatch, snatë, subst. greep, ruk, beet, hap, brok, deel: We did it by âes = wij deden het met rukken, bij gedeelten; âes ol'old songs (ineludie.s) = gedeelten van oude liedjes; â verb, zonder komplimenten pakken, snel en plotseling grijpen, ontvoeren: He âed at my right hand = hij deed in eens een greep'naar mijne rechterhand; âer. Snathe, sneidli, stok of handvatsel van eene zeis. Sneak, snik, subst. gluiper, gauwdief (ook âthief); â verb, gluipen, sluipen, kruipen: You have âed of ine (v. schooljongens) = me verklikt; âer; âing: lie may be a queer lellow, yet 1 have aâing kindness lor him = mag ik hem eigenlijk wel. Sneap, snip, berispen, knijpen. Sneer, snid, subst. verachtelijke of grijnzende blik, hoon, bespotting; â verb, den neus optrekken. spottend lachen, honen, verachting uitdrukken; âlui. Sneeze, sniz, subst. het niezen; â verb, niezen: Five thousand a year is not to be âd at = is niet te verachten: âwort = nieskruid; Sneezing. Snick, s)iik, mes, litteeken, teeken: It was a â and snee = gevecht met messen. Snicker, snikd, onderdrukt lachen. Sniff, snif. Snift, snift, subst.gesnuffel, reuk; â verb, snuiven, snuffelen, ruiken: The dog âed at my trousers: SnilTmg-valve = klep voor lucht- of waterloozing in een stoom-cylinder. Snig, snig, kleine aal; âgle, peuren, verstrikken, vangen. Snigger, snif/a, subst. gegichel; â verb, giebelen, onderdrukt lachen; Z. Snicker. Snip, snip, subst. snipper, stukje, kleermaker; â verb. (af)knippen (van spoorkaartjes, etc.); âper = kleermaker; âHiiap = scherpe woordenstrijd. Snipe, snaip, snip, onnoozele hals, straatventer (Am er). Snippet, snipdt, deel, stuk; ây = kort afgebroken: His style, though too ây, is clear and forcible == zijn stijl, schoon wat hakkelig, is helder en gespierd. Z. utter. |
Snivel, sniv'l, subst. neusvocht, snot, huichelarij; â verb, het vocht in den neus ophalen, snotteren, grienen; âIer. Snob, snob, iemand die de groote wereld wil nadoen, werkman die niet aan vereeniging of werkstaking wil meedoen, ploert (studententaal, d. i. townsman tegenover gownsman), schoenmaker; âby = âbish: â bishness = âbery = ploertigheid, ploerterij = âbism; âocracy, snohokrast, de zoogen. groote lui. Snood, snüd, band, haarlint, dun lijntje waardoor de haak aan het hengelsnoer wordt bevestigd. Snoodle, snüd'l, gezellig of vertrouwelijk zitten: Tiie old couple sat âd together, beaming with happiness. Snook, snuk, geniep: Kever again will 1 cut a â, Sir = ik zal nooit weer iets in 't geniep doen. Snoop, sniip, bemoeial: He went about âing (Amer.) = hij bemoeide zich met alles en nog wat. Snooze, snüz, subst. dutje, slaapje; â verb, dutten; âr. Snore, snö, subst. het snorken, gesnork: â verb, snorken: He âd away his drunkenneHs into the sober headache = hij ronkte, tot zijn roes tot hoofdpijn in nuchtèren toestand geworden was; âr. Snort, snot, subst. het snuiven (paard); â verb, krachtig uitsnuiven; âing; âer. Snot, snot, snot; âty = snotterig, vuil, smerig. Snout, sndut, subst*snuit, neus (verachtelijk), mondstuk; â verb, van eeii mondstuk voorzien; âed; ây = als een snuit. Snow, shou, sneeuw, snauw (soort v. brik); â verb, sneeuwen, als sneeuw neervallen: â ball, subst. sneeuwbal (ook eene ronde witte roos), neger (ironisch); â verb, met sneeuwballen gooien; âblind = door de sneeuw verblind; âbroth = mengsel van water en sneeuw, zeer koude drank; âbunting = sneeuwgors; âcapt = met sneeuw op den top = âcrowned; âdrift = sneeuwbank, hoop samengejaagde sneeuw; âdrop = sneeuwklokje: âline = sneeuwgrens, sneeuw-linie; âplough = sneeuwploeg, sneeuwop-ruimer; âshed = reeks van afdaken om eene spoorbaan voor sneeuwstormen te vrijwaren; âshoe = sneeuwschoen; âslip = sneeuw-storting, lawine; âstorm .= sneeuwjacht met harden wind; âwhite = sneeuwwit: âwreath = hoop opeengewaaide sneeuw; âlike = sneeuwachtig, sneeuwwit = ây. Snub, snnb, knoest of bult (in hout), berisping, stompneus; â verb, berispen, bestraffen, met verachting behandelen, bits antwoorden: The cable was âbed = de kabel werd plotseling onder het ailoopen ingehouden; ânose â stompneus, platneus; ânosed. Snuff, snvf, subst. opsnuiving, snuif, snuitsel (van eene kaars): I never take â = ik snuif niet; A pinch of â = snuifje: He is up to â = hij is glad, laat zich niet beetnemen: â verb, snuiven, opsnuiven, ruiken, snuiten; âbox = snuifdoos, neus (ironisch): âer, âtaker = snuiver; âers = (kaars)snuiter: âHe, subst. het spreken door den neus. huichelarij ; â verb, moeilijk ademhalen of door den neus spreken; âfles = het verstopt zijn van de neusgaten: He has got theâfles |
man; ask = Ask; farm = fiim; bat = but; learn = Ion; line = lain; htwse = hans; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not: law = Id; lord = löd; boy = bói;
SODOM.
445
SNUG.
|
= hij haalt moeilijk adem en spreekt alsof hij zwaar verkouden is: ây = als snuif, met snuif bemorst. 8niig, snvQ) adj. gezellig, dicht opeengepakt, verscholen: The hoMmth were ordered lie â = den soldaten werd gecommandeerd zich te dekken, bedekt op te stellen; â verb, zich vlijen tegen; âgle = zich warmpjes vlijen tegen: The child âgled eloHe toi(Hmother = het kind vlijde zich warmpjes tegen zijne moeder aan; âsjery = gezellig warm vertrek, gelagkamer: TIhm* room is tlie inoMt eom-lortable âgery in the house = deze kamer is het lekkerste vertrek van het huis; âneMH. Snnr, snv, snorken: The Hleeping lions made a âring Hound. So, sou, zoo, dat, zulks, zoodanig, dus, mits: Mr. âandâ = Meneer âDingesquot;; Do it â as to please your parents = zóó dat gij uwen ouders plêizier doet: â far â good = tot hiertoe is 't in orde, gaat het goed: Your âralled friends = zoogenaamde: And â forth. And â on = enzoovoort; lie did not â miicli as thank me = hij heeft mij niet eens bedankt: It is hut â, don't you think â too? = het is maar zoozoo of lala, vindt gij ook niet; As the master â the man = zoo heer zoo knecht: If it were â = als het zoo ware; As it were = â to say = als het ware, om zoo te zeggen; That is â inueh the better = des te beter; I don't rare why you laugh. â that you langh = als ge maar lacht; I told him to go there, and â he went = en daarom (dus)ginghij. Soak, souk, weeken, inzuigen, met vocht doortrekken, zuipen: The ehildreii âed their bread in milk = de kinderen weekten hun brood in melk: I am âed with the rain = ik ben doornat; âer = weeker, indooper, zuiplap; It was a âing rain = het was een tot op de huid doordringende regen. Soap, soup, subst. zeep: Krown â = groene zeep: â verb, zeepen, met zeep wasschen: They âed the old man into leaving them his property = met mooie praatjes kregen ze er hem toe; âboiler = zeepzieder; â bubble = zeepbel; âdish = zeepbakje; âpan = zeepketel; âsuds = zeepsop: â work(sgt; = zeepziederij; ây = zeepachtig, glad, zacht, met zeep besmeerd, zoetsappig. Soar, sö, subst. hooge vlucht; â verb.omhoog vliegen, hoog vliegen, zich hoog verheifen: He âed above all his eonteiiiporaries = hij stond ver boven; âmg. Sob, .sob, subst. snik: â verb, snikken; âbiug. Sober, soubd. matig, zich onthoudend, nuchter, kalm, plechtig, ietwat saai, bescheiden: lie has slept himself â = hij heeft zijn roes uitgeslapen; The departure «fall my friends made me feel â = het vertrek van al mijne vrienden vond ik saai; in â earnest = kalm en ernstig: In â reason = naar de nuchtere rede, het gezond verstand: â verb, ontnuchteren, kalm worden: He âed down into a sensible man = hij werd langzamerhand verstandig; He âed his laugh into a smile = verminderde tot; âminded = kalm, bedaard; âness; âsides = iemand van bedaarde en kalmelevenswijze; Sobriety, so matig heid, ontho uding, gematigdheid, ernst,deftighei d. |
Sobriquet, sonhHkel, bijnaam, scheldnaam. Socage, sokidz, land voor zich en erfgenamen voor eene vaste som onopzegbaar in huur = Fee-farm. Sociable, sousdbl, subst. soort v. rijtuig, driewieler voor twee personen naast elkaar, gezellige samenkomst; adj. gezellig, vriendelijk: The dancing-school âs = de gesloten gezelschappen en dansen op eene dansschool; âness = Sociability, souéobiliti, gezelligheid, gemeenzaamheid.* Social, sousl. maatschappelijk, in maatschappijen of vereeniging levende: Ants are â insects = de mieren vormen eene maatschappij; âdemocrats = socialisten; â evils = de rampen en zonden der maatschappij, de prostitutie; â science = de wetenschap der samenleving; âism = het socialisme; âist, subst. sociaal-democraat: âist of the municipaiity = kathedersocialist; adj. soci-alistiscli: âness = gezelligheid, maatschappelijkheid = âIty, souêaliti: Society. SDsaidti, maatschappij, genootschap, gemeenschap, vereeniging, compagnie, de beschaafdere maatschappij: She was a Society actress = actrice voor degroote wereld; Society journal = dagblad dat het leven der hoogere standen behelst; He never goes into Society = hij doet niet mee met de groote wereld; Siiciety-scandals = âchronique scandaleusequot;. Soclniaii, sousinfn, Sociniaan; âism = de leer van Socinius. Sociology, souéolddzi, de wetenschap van de ontwikkeling en inrichting der maatschappij; Sociological, sonèdlodzik'l, tot deze wetenschap behoorende: Sociologist = socioloog. Soek, sok. sok, binnenzooltje, blijspel, ploegschaar; â less = zonder kousen of schoenen. Socket, solxdt, holte, kas: His arm is out of the â = zijn arm is uit het âpotjequot;, is ontwricht; The candies had burned down into the âs = waren neergebrand tot in de bus of pijp; His eyes started from their âs = puilden uit hunne kassen; âpole = boom om schuiten voort te duwen (Amer.); âed = met eene holte. Socle, sottk'l, plint, laag voetstuk. Socotra, soukdtre, eiland (Ind. Oceaan); So-cotrine, soukdtnnn, subst. bewoner van â; adj. tot â behoorende. Socrates, soKtüüz, Socrates; Socratic(al), soukratikCl), van S.: Socratic-method; So-cratism = leer van S.; Socratist â volgeling van Socrates. Sod, sod, subst. zode; â verb, met zoden bedekken; âdy = met zoden bedekt. Sod(dengt;, so*rf('n), imperf. en p.p. van fo seei/ie. Soda, soudz, soda; âsalts = sodium zouten; âwater = soort v. spuitwater. Soda lity,soitrfa/jf/, broederschap,gemeenschap. Sodden', sod'n, adj. gekookt, geweekt, slap, bleek, doortrokken: A â drunkard = een groote zuiplap: A â sky = met waterdamp bezwangerde lucht; â verb, doorweekt of gekookt worden, bezinken, doorweeken, doortrekken. Sodgeries, soudzoriz (verb, van soldieries), cantine, recreatiezalen, tentoonstelling op militair gebied. Sodom, sod'm, Sodom; â ite, soc/amatt, bewoner |
bone = boun: full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; year = jia; long = loi^: ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhus; wine.
SOLVENT.
SOFA.
4i6
|
van S., iemand schuldig aan ây = sodomi. Sol'i», soufd, sofa; Sol'ett, kleine â. Sofi, soufi, Perzische derwisch; âwin = leer der â s. Solt, soft, subst. sul, âhalve zoetequot;; interj. stil wal! zachtjesaan! adj. zacht, week, malsch, verwijfd, zoetsappig, onnoozel, stemhebbend (van consonanten): lie i» a â .loliniiy (head) = onnoozele bloed, halve idioot; â* money = papieren geld; â Tommy = brood (scheepst.); The â «ex = de teedere kunne: âhearted = teerhartig, medelijdend, flauw; âroe = hom (van visch); âMoap = grove soort v. zeep, vleierij, geklets: We'll try to âsoap him = te vleien; âspoken = vriendelijk, zacht; âen, sofn, verzachten, verlichten, verminderen, verteederen, ontzenuwen, verweekelijken, toegeven: He âened at Hight ol* his victim = hij kreeg medelijden, toen hij zijn slachtoffer zag; lie was âened into ioiKiviiig me = hij werd bewogen mij te vergeven; âener; âening = het verzachten of verteederen, overgaan van kleuren in elkander, achteruitgang in gezondheid; âish = weekachtig; âiy = zachtjes of zoetjes aan; ânes»; ây =' sul, ..halve zoete''. Soggy, sogi, doorweekt, doornat. Solio, sohou, verb, achterna schreeuwen: interj. hela! hei daar! een jagersroep (bij het zien van 't wild). Soil, soil, subst. grond, land, smet, vlek, vuiligheid, moerassige plaats: The deer lias taken â = is naar de moeras gevlucht; â verb, vuil maken, bezoedelen, besmetten, in den stal met versch gras voeden, purgeeren door groen voedsel: Yon have âed your trousers ail over = je hebt je broek'heelemaal vuil gemaakt; âpip® = afvoerbuis (vooral van faecaliën). Sojourn, so(it)dzfjn, Sddzvn, subst. tijdelijk verblijf; â verb, vertoeven, tijdelijk verblijven: âer, so(u)dzvn9, gast, reiziger. Soko, soukou, Afrikaansche (mensch)aap. Sol, sol, subst. zon, goud (in het wapen van vorsten), sol (muz.); â verb, de toonschaal van ut (c) zingen = âla. Sola, sold, hei daar! houd op! Solace, solis, subst. troost: â verb, troosten, opvroolijken, verlichten; âment = vertroosting. Solan goose, souVngiis, bassaangans. Sola until, soulein,)ii, plantensoort, waartoe o. a. de aardappel behoort; Solaniiie, soukmin, solanine. Solauo, souldnou, heete wind (Middell. Zee). Solar, sou ld, tot de zon behoorende, zonne...: âflowers = zonnebloemen; âmieroseope = zonnemicroscoop; âmyth = zonnemythe; âspots = zonnevlekken; âsystem = zonnestelsel; âyear = zonnejaar; âism = leer der zonnemythen; âist; âize = te langaan het zonlicht blootstellen. Solatium, souleisdin, vergoeding voor nadeel, etc. Sold, sou ld. imperf. en p. perf. van to sell. Solder, soldo, subst. soldeersel; â verb, sol-deeren; âing-bolt, âing-inm = soldeerbout. Soldier, sonldzd. souldjd, subst. (gewoon) soldaat: Von won't eome the old â over me = mij niet afzetten; â verb, als soldaat dienen; |
âlike, âlv = krijgshaftig, een soldaat pas-: send; âship = krijgsmanshoedanigheden. Soldo, soldou, Ital. 'munt van 2% cent. Sole, soul, subst. zool, voetzool, onderste, tong (visch); adj. enkel, eenig, ongehuwd; â verb, van zolen voorzien; âly; âness. Solerism, solisizru, ongrammaticale uitdrukking. taalfout; Solecistic(al) = onjuist, ontaalkundig. Soienin. sol'm. plechtig, heilig, indrukwekkend, formeel,ernstig; âiiy^solemniti, plechtigheid, statigheid, deftigheid = âness; âize, so-Idmnuiz, plechtig vieren, heiligen; âization, soldmnaizeié'n, viering, heiliging: âly. Solen, sote/tu, weekdierensoort met lange schelp. Solent (The), diiasouVnt, deel van het âKanaalquot;; Soleure, soljüd, Solothurn. Soli, souli, solo's. Solicit, solisit, ernstig vragen, bidden, dingen naar; âant, subst. vrager, smeeker, dinger; adj. vragend, verzoekend: âation = verzoek, het lastig vallen; âor, solisito, procureur (bij Eng. gerechtshoven); âor-geueral = op één na de hoogste rechtsambtenaar der E. kroon: âorship; âous = bekommerd, bezorgd: 1 am âous about (for) your wellare = uw welzijn gaat mij zéér ter harte; âtide, so li-si tj (id, bezorgdheid, angst. Solid, solid, subst. vast lichaam, alles wat lengte, breedte en dikte heeft; adj. vast, stevig, kubiek, krachtig: I studied lor three â hours = drie volle (dikke) uren: âs = vast voedsel: beenderen en vleesch of vaste deelen (tegenover de vloeibare); âarity = gemeenschap in winst en verlies, gemeenschap van belangen, éénheid: âviy,solidifA\. vast maken of worden, massief (degelijk) maken, verdichten; â ifiahle = wat vast of massief gemaakt kan worden; âification = het vast of massief maken of zijn. verdichting; âity, soliditi, vastheid, hardheid, stevigheid, dichtheid = âness. Soliloquy, sdlildkwi, alléénspraak; Soliloquize, selildkivaiz, eene alléénspraak houden. Soliped, soliped, âe, solipid, eenhoevig dier. Solitaire, solitèd, halssieraad, manchetknoop, diamantje, een spel dat men alléén kan spelen; Solitary, solitdri, eenzaam, eenzelvig, somber, verlaten: Solitary eoiilinement = eenzame opsluiting: Solitariness: Solitude, so Hij (id, eenzaamheid, eenzaam plekje. Soli vagant, solivdg'nt, eenzaam dolend. Solo, soulou (Meerv. â8 of Soli), solo; âist = solist. Solomon, solduïn, Salomo. Solor, solo, slnny-woovA voor Solicitor. Solstice, solstis, zonnestilstand; Solstitial, solstiamp;l, tot een â behoorende, wat op den langsten of kortsten dag plaats heeft. Soluble, soljub'l, oplosbaar; -ness, Solubility, soljubiliti, oplosbaarheid; Solution, so-Ijiié'n, oplossing, verklaring, ontbinding; So-lutive, soljutiv, ontbindend, laxeerend. Solve, solv, uitleggen, verklaren, oplossen; Solvable, solvdUl, oplosbaar; Soluabilitu = vermogen om te betalen = âncy; ând = op te lossen of te ontbinden stof; ânt, subst. oplossende vloeistof; adj. oplosbaar, in staat om te betalen: A âut estate = goederen waaruit de schulden wel betaald kunnen wor- |
in; ask = ask; iarm = fiim; but = but; learn = Iwn; Itne = lain; howse = haus; net; â¢e = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv = ló; lord = löd; hoy â bói;
man
car
SORROW.
SOMA.
447
|
den; âr = wie of wat verklaart of oplost. 80111a. sotniiD, Indische plant, uit welker sappen een opwekkend en bedwelmend middel werd bereid. Somatic(al), soumatikCl), tot het lichaam be-hoorende; âh = de leer van de stof en hare eigenschappen = Somatology, somndtolodzi: SomatiMt, soumotist, materialist; Somatoto-my, soumdtotdmi, anatomie van den mensch. Sombre, sombd, somber, dof, duister, donker v. tint = SombroiiH: ânet*». Some, svm, eenige, zoowat, ongeveer: â fifly guilciei'M = om en bij de vijftig gulden; Let me Imve â of Hiis = geef mij hier wat van; 1h there any lelt? Yes, there is â left = is er wat over; ja, er is wat over; is lie â body? 1 tell you lie is a nobody = is hij nog al wat? ik zeg u, dat hij een nul is; â«leal = in zekeren graad (mate); You muMt do it âhow = op de een of andere wijze; There ih âthing; iindelinahle about him = hij heeft iets âik en weet niet watquot; aan zich: You will repent of it â time, 1 said âtimes to him = je zult er eens (te eeniger tijd) berouw over hebben, zei ik soms tot hem; âtime or other = te een of ander tijd: That ïh âtime ago = dat is al wat geleden; Let me have âwhat = geef mij wat; lie is âwhat saucy = hij is vrij brutaal: I have laid it âwhere but 1 cannot find it anywhere = ik heb het ergens neergelegd, maar ik kan het nergens vinden. Somersault, snmesólt. Somerset, svnidset, salto mortale, luchtsprong over den kop. Somers, sunidz. Somersetshire, snmasetSo. Somnambiilisni, somnambjulizm, slaapwandelen, het somnambulisme; Somnambulist. Somniferous, somnifdrds. Sumni lie, soinnifik. slaapwekkend. Somnipathy, somnipothi, slaap door invloed van buiten,* zooals mesmerisme. Soinnoleney,Soninolenee,.somgt;2lt;?r?2s(i),slaapzucht, slaperigheid; Somnolent = slaperig. Sou, svn, zoon: You â of a ^un = jij ellendeling; âin-law = schoonzoon: âHhip. Sonanee, Sonaney, sourins{ï), klank, toon: Sonant, subst. stemhebbende letter; adj. klinkend. Sonata, sonate: Sonatina, sonolino. Song, S075, lied, gezang, zang, poezie, kleinigheid: â of Solomon = Hooglied; Sacred â = gewijd lied of gezang; Cüive us a â = zing eens wat; I bought the pieture for a (mere) â = voor een appel en een ei; Ifs the same â over again = het is altijd het oude liedje; âbird = zangvogel: âsmith = zanger, lyrisch dichter; âless, âster = zanger; âstress = zangeres, zangster. Soniferous, souniferos, klank geleidend (voortbrengend). Sonnet, sonot. subst. sonnet; â verb, sonnetten dichten; âeer, sonotid, subst. sonnettendichter; verb, sonnetten dichten. Sonometer, so?lt;no/gt;/9fó, klankmeter; Sonoriiie, soundrifik, klank voortbrengend; Sonorous, sanórds. welluidend, klinkend. Sonties, sóntiz, alléén in; By iiod's â = waarachtig. Soon, stm, weldra, spoedig, vlug: Noâer had he seen me, than = nauwelijks.......of; |
â got â gone = zoo gewonnen zoo geronnen; I would Just as â be hanged = ik zou liever hangen; As â as he eame â zoodra. Soosoo, Siisii, süsü. dolfijn (van den Ganges). Soot, silt, subst. roet; ây = roetachtig, vuil. Sooth, süth. subst. waarheid, werkelijkheid: In â= voorwaar; Forâ= voorwaar; âsay = voorzéggen; voorspellen; âsay er = waarzegger; âsaying = voorspelling'. Soothe, sïidli, verzachten, verlichten, aangenaam stemmen, vleien, bevredigen; âr; Soothing. Sop, sop, subst. iets ingedoopts of geweekts, wat in een glas blijft staan (âstaartjequot;), sop(je), iets stillends: It was a â for the rage of the nation = het stilde de woede der natie; I must adminiHter a â to my creditors = ik moet mijne schuldeischers zien te bedaren, bevredigen; â verb, doopen, soppen, weeken; âs-in-wine = kruiderij om wijn geurig te maken: âper; â py = doorweekt = âping. Soph, so/', verk. van Sophister, en Sophomore = student in zijn tweede jaar (Amer.). Sophia, Sdfaid, Sophy, so/t, Sophia, Sophie. Sophism, sofizm, drogrede; Sophist, sofist, wijze, drogredenaar; Sophister = 1 eeraar in de wijsbegeerte, drogredenaar, debatteur, student te Cambridge na het eerste jaar; SophiNtic(al). sofistik^l). bedriegelijk, met drogredenen; Sophisticate, sofistikelt, ver-valschen, verknoeien; Sophist iaat ion: Sophis-ticator, sofistikeitd, vervalscher; Sophistry = alle drogredenaars, drogredeneerkunde, valsche redeneering. Z. ook S«)ph. Sophomore, sofomö, Amerik. student na het le jaar; Sophomoric. Sop(»riferous, so{\i)p9rifdros, slaapwekkend; Soporific, subst. en adj. slaapwekkend (middel); Soporous, soitperos. Soporose, sotiporous, slaapwekkend, slaperig. Soprano, sopramp;nou, (Meerv. âs. Soprani), sopraan. Sorb, söb, sorbe(boom); âapple = lijsterbes: âic = getrokken uit de lijsterbes; â ic-acid = lijsterbessenzuur. Sorbet, söb,ft, citroenijs met rum. Sorcerer, siisdro, too venaar; Sorceress = too-venares; Sorcery, sosari, toovenarij. Sordes, siidiz, droesem, uitwerpselen, vuil. Sordid, södid, vuil, laag, vrekkig; âness. Sordine, södtn, Sordet, södot, sordine. Sore, sö, subst. pijnlijke plek, rauwe wond, zweer, éénjarige valk, vierjarig hert; adj. pijnlijk, zeer, ontstoken, hevig, gevoelig, scherp: i' have got a â throat = ik heb pijn in de keel; I am âly (sadly) in want of money = ik heb'groot geldgebrek; The pessimists and âheads = de pessimisten en mopperaars; âness. Sorel, sor'l, reebok in het derde jaar. Sorex, sóroks, genus der spitsmuizen. Sorn. sön, zijn anker ergens neerleggen of gaan logeeren zonder genoodigd te zijn. Sororicide,sorómakf,zustermoord; We have fraternized or rather sororized = wij hebben ons verbroederd, of liever verzusterd. Sorrel, sor'l, subst. zuring, rossige of geelbruine kleur, vos (paard); adj. rossig. Sorrow, sorou, subst. diepe smart, droefheid; |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; 7/ear = Jio-\ong â loi\; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhus; wine.
SOUTH-WESTER.
SORRY.
448
|
Every â Iihm its twin Joy = de tweeling der smart is de vreugde; lie drowned hi» â in liquor = hij verzette zijne smart door jenever; 1 heard it to my â = ik heb het tot mijn leedwezen gehoord: â verb, treuren, smart lijden: Who goes a-borrowiiig goes aâing = borgen baart zorgen; âfill. Sorry, sori, bedroefd, armzalig, raar, verachtelijk: 1 am very â = het spijt me zéér; I am â to say == het spijt mij te moeten zeggen; I am*â lor what I have done = wat ik gedaan heb, spijt mij: It was a â sight = het was een treurig gezicht; He made a â lignre = hij maakte eene armzalige figuur: Sorrily. Sort,, sof, subst. soort, orde, stel, manier,rang, wijze: He is a had â â hij deugt niet: I am out of âs = ik voel me riiet lekker, ben niet monter, ben wat korzelig; He â of diimbfounded me = hij deed me zoowat versteld staan; We are out of âs = wij hebben niet meer van die letter; We run upon âs = wij moeten kolossaal veel van eene bepaalde lettersoort hebben; â verb, uitzoeken, sorteeren, samenvoegen: You two are well âed = jullie beiden hoort net bij elkaar: 1 will not â with siieh rogues = ik wil mij met zulke schurken niet ophouden of verbinden: âer = sorteerder. Sortes, sötiz, eene vraag aan het noodlot door toevallig eene plaats in een boek op te slaan. Sortie, söti. uitval (bij belegering). Sortilege, sötiledz, het loten. Sori, sórai, vruchtvlekjes op varenbladeren. Sospiro, sospirou, één kwart rust (muz.). Sot, sot, zuiplap: âtish = zot. dwaas,zuipend, stomp en dof (door het vele drinken). Sotheby, svdhbi. Soubrette, sübret, dienstmeisje(srol, etc. in een zangstuk). Souehong, susor], zwarte thee. Soudan, siidan óf sodan. Sough, so/quot;, swr/, subst. zuchtend geluid, gesuis, zachte koelte: The â of the bellows = het hijgen der blaasbalgen; â verb, zuchten, suizen. Sought, sof, imperf. en p. perf. van lo seek. Soul, som/, ziel, geest, verstand, wezen, hart, moed: He is a good â = een goeie ziel; Not a â eau hear us = geen schepsel hoort ons; Cure of âs = zielezorg; 1 could not for the â of me understaiid it = ik kon het mij ter wereld niet begrijpen; With all my â = van ganscher harte: Upon my â =*bij mijne ziel; He is eompletely eowed by liis wife and dares not call his â his own = zijne vrouw heeft er hem heelemaal onder, en hij durft geen boe of ba zeggen; 4iiod rest his â = zijne ziel ruste in vrede; â verb, met ziel of geest begiftigen; âheil = doodsklok; âsiek = zedelijk ziek of zwak; âed == met eene ziel (in samenst.); âless = zonder hart of ziel. Sound, saund, subst. geluid, geschal, knal, klank of toon, sond of zeeëngte, luchtblaas (van een visch), inktvisch, sondeernaald; adj. gezond, volkomen gaaf, flink, krachtig, solide, sterk: We arrived safe and â â gezond en wel; As â as a roaeh = zoo gezond als een visch; Yours is â reasoning = gij redeneert gezond; He got a â thrashing = |
een duchtig pak ransel; He was as â asleep as a ehiireli = hij sliep als een otter; 1 feel on â ground = op vasten bodem; â verb, klinken, weerklinken, doen klinken, schallen, uitbazuinen, bekend maken, peilen, sondeeren, onderzoeken, looden, uithooren: His praise was âed all over the eountry = zijn lof werd door het geheele land uitgebazuind; We âed the charge = bliezen tot den aanval; Have you âed him on that subject yet = hebt* ge hem daarover al eens gepolst; *âboard = klankbord; âhole = klank- of galmgat; âiug = klinkend, welluidend; âiiigs = peilbare plaats(en) in den oceaan: We lost our â higs = wij konden geen grond meer vinden; We struck âings = wij peilden grond; â(iiig)»board = klankbord; â ing-line = schietlood; âing-post = plankje beneden den kam eener viool; âing-rod = peilstok (met daarop aangebrachte graden); âless = stil, zonder klank, onpeilbaar, diep; âness = degelijkheid, zuiverheid, gaafheid. Soup, stip, soep: Portable â = bouillonkoekjes; âkitchen = soepkokerij (voor de armen); âmaigre = soep (zonder vleesch); --ticket = soepkaartje. Sour, sauo, adj. zuur, scherp, bitter, norsch, knorrig, bedorven (door het bewaren); â verb, zuur maken, verzuren, knorrig maken: That has âed my joy = dat heeft mijne vreugde vergald; Rye-brêad âs on my stomach = van roggebrood krijg ik het zuur; âcrout, âkrout = zuurkool; âdoek = gewone zuring; âdough, âdon, zuurdeeg, gist; â faced = met een zuur of knorrig gezicht; âing = het bleeken met zwavelzuur, een zure of wilde appel; âish = zuurachtig; âness. Source, sös, bron, eerste oorzaak, oorsprong. Souse, saus, subst. zult, saus, de ooren en pooten van varkens in pekel, onderdompeling, hevige aanval; â verb, zulten,onderdompelen, neerschieten op (upon-, van roofvogels), plotseling aanvallen, slagen uitdeelen; adv. plotseling, hevig. Soutane, sütdn, opperkleed van Roomsche geestelijken. Souter, süld, schoenmaker. Sou'h, sauth, subst. zuiden, zuidelijke streken, zuidenwind; adj. zuid; â of the island = ten zuiden van het eiland; â verb, zich naar het Z. bewegen; âdown, subst. schaap uit de Zuid-Engelsche duinstreken; adj. tot het Z. van Engeland behoorende; âeast = subst. zuidoosten; adj. zuidoostelijk; âeasterly,â eastern = zuidoostelijk ; âerly, svdhdli, van uit het zuiden, naar het zuiden; âern, s»-dhdn, zuidelijk; âern-cross = sterrenbeeld in het Z. Halfrond; -ern-wood â averuit; âerner, sadhdna, bewoner van de Z. staten der Amer. Unie; âernmost = het dichtst bij het z. gelegen; âing, sauthing, subst. richtinorof beweging naar het Z.: âron,sigt;rf/irgt;?, subst. bewoner van een zuidelijk gelegen land, naam van de Schotten voor de Engelschen; adj. zuidelij k;âward,s«uMM;arf,zuidwaarts(ch): âwest, subst. zuidwesten; adj. zuidwestelijk; âwester, Souwester, sau(tli)iuestd, krach- |
man; ask = Ask; farm = fiim; but = but; learn = lun; line = lain; house = haus; net; care = kè»; fate = feit; tin; asleep = asllp; not; law = 16; lord = löd; boy = ból;
SOUTHAMPTON.
449
SPARROW.
|
tige zuidwestenwind, matrozen-oliemuts met achter afhangenden rand; âwesterly, â western. Soiitliampton, saudhamVn, Soutliey, sandhi. Soutliwark. sndhdk, sauthwdk (Amerika). Sovereign, sovdrin, subst. heerscher, opperheer, souverein, monarch, E. goudstuk van ongeveer f 12; adj. oppermachtig, heerschend, vorstelijk, krachtdadig; â ty = oppermacht. Sow, -sa//, zeug, langwerpige metaalmassa; âback = volksnaam voor de lange evenwijdige bergruggen in de Schotsche Laaglanden; âbread = varkensbrood (plant); âthistle = melkdistel. Sow, sou* zaaien, verspreiden, uitstrooien: He lias âed (ân) his wild oats = de wilde haren zijn er uit; â ens, âans, âenz, haver-brij; âer = zaaier, zaaimachine. Spa, spd, minerale bron. Spaee, speis, subst. ruimte, wijdte, uitgebreidheid, duur, metaalstaafje om te spatiëeren (bij het drukken): For a â voor een tijdje: â verb, spatiëeren (metout): Spaeial,Spatial, speis l, tot Spaee behoorende; Spaeious, speiëds, ruim, uitgestrekt: A spaeious hall = ruime, groote zaal. Spaddle, spad l, kleine spade, schopje. Spade, speid, subst. spade, schop, schoppen (in 't kaartspel), driejarig hert, gecastreerd dier: Aee, King, Oneen, Knave of â s = schoppenaas, heer, enz.; He calls a â a â = hij noemt het kind bij zijn naam; In his speech he called âs soniething more than âs = in zijne rede droeg hij de waarheid wel wat al tè naakt voor; â verb, graven, spitten; âbayonet = breede bajonet; â guinea = schopjesguinje (wegens het schop-vormig schild op de keerzijde); âhusbandry = bebouwing van 't veld door diep omgraven: â Tul. Spadiceous, speidiëds, lichtrood. Spadille, spddil, schoppenaas in omber en quadrille. Spado, speidou, gecastreerde. Spadroon, spddrün, zwaard voor stooten en hakken. Spain, Spahee, spdhi, Janitschaar, Algerijnsch cavalerist in Franschen dienst. Spain, spein, Spanje. Spake, speik. oud imperf. van to speak. Spalier. Zie Espalier. Spalt, spolt, handelsterm voor zink. Span, span, subst. span, 221/2 c.M., korte tijd, span paarden, etc., spanning (van een boog): A beantilul â of black oxen = een mooi jok zwarte ossen; The Almighty has seen fit to shorten his â = het heeft den Almachtige in zijne wijsheid behaagd hem vroeg van ons te nemen: Spick and â new = spiksplinternieuw; âlong = eene spanne lang; âroof = gewoon dak met goten; â verb, afspannen (met de vingers), goed bij elkaar passen (van een span paarden); âner = instrument om moer schroeven aan of af te draaien, sleutel. Spancel, spans'l, touw om de achterpooten v. koeien of paarden te binden. Spandrel, spandr'l, begin van het gewelf. Spangle, spang''l, subst. loovertje, schitterend iets; â verb, met loovertjes tooien of versieren: bone = boun; full; fool = ful; a = toonloos long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; ten bruggencate, Eng. Woordenboek. |
The sky was âd with Inminons stars = de hemel was bezaaid met lichtende sterren. Spaniard, spanjod, Spanjaard; Spanish, spanië, subst. en adj. Spaansch(e taal): Spanish bayonet = aloëbladige palmlelie (Yucca); Spanish lly = Sp. vlieg: Spanish juice = drop; Spanish black, white =Sp. zwartsel, wit. Spaniel, spanfl, subst. patrijshond, lage vleier; adj. laag vleiend, kruipend. Spank. span,k, subst. klap met de vlakke hand; â verb, met de open hand slaan, vlugloopen: The grey went at a âing pace = de schimmel liep er vlug overheen; âer = achterzeil of brikzeil, harde klap, lange en krachtige kerel; âing = groot, grof.krachtig, kranig, flink, aanzienlijk: A âing breeze = een krachtige bries. Span-new, spanjvx, spiksplinternieuw. Spar, spci, spar, boom, mast, spriet, enz., rondhout. spaath, vuistwedstrijd, woordentwist: â s = alle masten, ra's, enz. van een schip; â verb, met de armen slaan bij het boksen, aan eene bokspartij deelnemen : He was âring away like clockwork = hij sloeg er naar den eisch op los; âring-match = bokspartij; âry = spaathachtig, overvloedig spaath bevattend; âhung = met kristallen behangen (van rotsen). Sparable, sparoUl, schoenspijker. Sparad rap, sparodrap, hechtpleister. Spare, spêa, adj. schraal, matig, spaarzaam, overtollig, wat over is: lie made it in his â time = in zijne snipperuren; There was room enough and to â = er was meer dan ruimte genoeg: A â anchor, sail = reserve (nood)-anker of zeil; I have a â bedroom = ik heb nog eene slaapkamer over: A â gnest-bed-cliamber = logeerkamer; â verb, matig zijn, onbezet hebben, sparen, ontzien, overhebben, hesparen, nalaten, toestaan: I will â you the trouble = wil u de moeite sparen; You need not â costs, for I have saved plenty of money = gij behoeft geene kosten te ontzien, want ik heb genoeg geld gespaard; Could you â (me) your grammar for half an hour? = kunt ge uwe grammatica een half uurtje missen, mij afstaan: He did not â himself = hij ontzag zichzelf niet; The teacher did not â for his crying = sloeg maar toe. niettegenstaande zijn schreeuwen: I cannot â this workman = ik kan dezen werkman niet missen: âly = sparend, spaarzaam, matig; âuess = magerheid: ârib = magere varkensribbe; SparingOiess) = spaarzaam(heid): He is Hparinic of time = hij is zuinig op zijn tijd; Mparing diiuirrs = schrale diners. Sparger, spddia, vat om te sprenkelen. Spnrk, spak, subst. vonk, sprank, minnaar, galant jonker: lie i» hut a dull â = hij is een echte suffer: The Htune emitted âm = wierp vonken; â verb, het hof maken, vrijen: IIIh master was âins within = zijn heer was binnen aan het hof maken; âle,spUk'l, subst. het fonkelen: verb, fonkelen,schitteren; âlint; = fonkelend, schitterend, levendig. Sparling, spdl/n; z. Smelt. Sparrow, s;)n)W(, musch: Hedge â = boom- vokaal (zie asleep en care): girl: i/ear = jia; lin; '/jus = dhus; wine. 29 |
SPARROW-BILL.
450
SPECTACULAR.
|
musch; âbill = schoenspijker; âgrass = asperge; âhawk = havik. Sparse, sp«s, hier en daar geplaatst, dun gezaaid of verspreid: The population is â = bevolking woont verspreid; âly; âness. Sparta, spütd, Sparta; ân, subst. enadj.Spar-taan(sch), onverschrokken, gehard, lakoiiiek. koelbloedig; â n-dog = bloedhond, bloeddorstig persoon. Sparterie, spütdri, artikelen v. eene Spaansche grassoort gemaakt, zooals raatjes, etc. Spasm, spar//?, kramp, plotselinge vruchtelooze poging; âodic, spazmodik, subst. en adj. krampstillend (middel), krampachtig, hevig, van korten duur; Spastic, spastik, krampachtig: Sp asticity, spastisiti, kramperigheid, neiging tot kramp'erigheid. Spat, spat, imperf. en p. perf. van to spit. Spat, spat. subst. zaad v. schelpdieren (oesters, etc.); â verb, zaad schieten; âs = slobkousen: He was neatly âted = had keurige âh aan. Spatrli-roek, 'spatëkok, gedoode en onmid-dellijk daarop gebraden vogel. Spate, speit, plotseling opkomende vloed: Mountain streams in â = bergstroomen die hoog gezwollen zijn. Spatter, spatd, bespatten, spatten, bekladden, âsputterenquot; of spatten (bij het praten). Spatterdashes, spalddaéiz, slobkousen, leeren beenstukken voor ruiters. Spatula, spatjuld, Spatule, spatjül, spatel, breed en dun mes voor het smeren v. pleisters en verven: âte, spatjulit, gevormd als een spatel. Spavin, spavin, spat (bij paarden); âed. Spawl, spoZ, subst. speeksel; â verb.spuwen. Spawn, spon, subst. kuit, voortbrengsel (in verachtelijken zin): This is the latest â the press lias cast = dit is het jongste prul dat de pers heeft geleverd; â verb, kuitschieten, voortbrengen (verachtelijk); âer =t kuiter. Speak, spik, spreken, uiten, uitdrukken, zeggen, vermelden, te kennen geven: ll:s life âs (proclaims) him a man ol' sweet temper = zijn leven bewijst, dat hij een vriendelijken aard had; These two facts â the whole book to the intelligent = lichten den goeden verstaander omtrent het geheele boek in: lie was worth âing fair, if only to keep him from doing you a mischief *= het was de moeite waard, mooi met hem te praten; He was a chivalrous man and spoke her fair = hij was ridderlijk, en sprak vriendelijk tot haar; This âs volumes = dit zegt meer dan boekdoelen vol: The fact âs for itself = het feit is duidelijk genoeg; He spoke to me under his breath = hij sprak fluisterend met mij; He wants to be spoken to = moet eens een standje hebben; To â by word of mouth = zich mondeling uiten; A* âing likeness = sprekend gelijkend; âing generally = in't algemeen gesproken; Speak out = spreek vrijelijk; â up = spreek luid, vrij uit; We have always spoken up for the good qualities in his poetry = wij hebben het altijd opgenomen voor de goedé eigenschappen in zijne poëzie; They do not â now = zij groeten elkander niet meer; We spoke the ship off Dover = praaiden; âer = spreker, voorspraak, voorzitter v. het House of Commons: fie is an excellent public |
âer = uitstekend redenaar; âership = voorzitterschap; âing-trunipet = scheepsroeper; âing-tiibe = spreekbuis. Spear, spCa, subst. speer, lans, spriet (als van gras); â verb, met lans of speer doorboren of dooden, hoog opschieten; âfoot = linkerachterpoot van een paard: âgrass = speergras, wilde haver; âhand = rechterhand van een ruiter; âhead = punt v. lans of speer; âman = speerdrager; âmint = soort v. kruizemunt; âside = mannelijke lijn v. een geslacht; âthistle = speerdistel; âwigeon, tvidz'n; Z. Sheld-duck; âwort = verschillende ranonkelsoorten. Spec, spek, verk. v. Speculation: âs = verk. van Spectacles. Special, speèdl, subst. persoon of zaak voor een bepaald doel aangewezen, exprestrein: The newspaper âs are not in it with you = de bijzondere correspondenten der couranten halen niet bij u; adj. bijzonder, buitengewoon, voor een bepaald doel aangewezen: â constable = (beëedigd) onbezoldigd politiedienaar; â pleading = schoonschijnende bewijsvoering, het aanvoeren v. nieuwe zaken en argumenten; â verdict = vonnis der jury omtrent de feiten, zoodat de toepassing der wet bij het hof verblijft; âism = speciale wetenschap (vooral in de geneeskunde): âist = specialiteit: âist critics = specialiteiten in de kritiek: âness, âity, speëialili, bijzonderheid, bijzondere af-deel'ing: Chance brought him a âity = het toeval speelde hem de gelegenheid in handen; âization = toewijding aan een bijzonder vak (van studie, etc.), aanwending of geschiktmaking van een bepaald orgaan voor bepaalde functiën; âize = wijden aan een bepaald vak of eene bepaalde functie: â ty = specialiteit, bijzonder contract. Specie, spièi, gemunt goud of zilver. Species, spièiz, soort, geslacht. Specific, spdsifik. subst. onfeilbaar middel, middel voor eene bepaalde ziekte of pijn: A â for the tâ¬gt;othache = onfeilbaar middel tegen kiespijn; adj. soortelijk, bepaald, onfeilbaar; â gravity = soortelijk gewicht; â name = de naam van het geslacht of de familie; âally = op bijzondere wijze, specifiek: âation â het in bijzonderheden onderscheiden, bijzondere vermelding, nauwkeurige opgaaf van bijzonderheden; âness; Specify, spesifAi, in bijzonderheden vermelden, expresselijk (met woorden) aanwijzen. Specimen, spesim'n, proef, voorbeeld, staalr proefblad, staaltje; âbook = staalboek. Specious, spiëas, schoonschijnend, plausibel; Speciosity,s/?f5iosèïi, mooi uitwendig vertoon; âness ='schoonschijnendheid. Speek, spek, subst. vlek, smet, blaam, deeltje, stofje, stip; â verb, bespikkelen, bevlekken: â Ie, subsL spikkel; verb, bespikkelen; âled = gespikkeld, getijgerd; âledness. Spectacle, spektdk'l, schouwspel, vertoon(ing), verschiet, vergezicht; âs = bril: He wears âs = hij draagt een bril; âd = met een bril, gebrild; âcase = brillenhuisje, étui; Spectacular, spdktakjuld, bij wijze van schouwspel of vertooning; Spectator, |
man; ask = ask; farm = tam; bitt = bwt; learn = Iwn; line = lain; house = bans; net: care = kêa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = 16; lord = löd; boj/ = bói;
SPECTATRESS.
SPICY.
451
|
toeschouwer; Spectatress, Spectatrix, spek-teitrds {âtriks), toeschouwster. Spectral, spektrl, spookachtig, spook..., tot het spectrum behoorende; Spectre, spekta, spook, geestverschijning: The spectre sellquot; = de spookgestalte, het visioen. Spectroscope , spektrdskoup , spectroscoop; Spectrum, spcAtfr'm, spectrum, gekleurd beeld , (of beelden), ontstaande wanneer de lichtstralen j gebroken worden dooreen prisma; Spectrum-analysis =: spectraal-analyse. Speciilar, spekjuld, als een spiegel, met gladde, weerkaatsende oppervlakte; Speculate, spe- j kjuleit, overpeinzen, bespiegelingen maken, speculeeren (in land, stocks, etc.); Speculation,speAy^feis'n, overpeinzing, bespiegeling, speculatie, een kaartspel; Speculative, spe- , kjuleitiv, bespiegelend, theoretisch, specu-leerend, gewaagd; Speculator, spekjuleitD, theoreticus, speculant: Speciiliim, spekjuVm, spiegel, holle spiegel (reflector), instrument met daaraan verbonden spiegel voor geneeskundige 1 doeleinden. Sped, sped, imperf. en p. p. van to speed. Speech, spitè, taal, spraak, redevoering: The Earts ol'arts ol' â = rededeelen; He delivered a ril Mant â = hij hield eene schitterende redevoering; No â niakiiiK, please = houd je redevoeringen voor je, alsjeblieft; âday = | jaarl. prijsuitdeeling in scholen met de van buiten geleerde lesjes der leerlingen; âmaker = redevoeringen houder; â ify = eene redevoering of toespraak houden; âless = sprakeloos, stom (uith amaxement = van ! verbazing); âlessness. Speed, spid, spoed, snelheid, voorspoed: We were steaming on at full â = wij stoomden voort met volle kracht; The horseinan was spurring on at the top of his â = de miter reed spoorslags voort; Cüood â = goed succes!; â verb, slagen, haast maken, snellen, begunstigen, doen bloeien, uitvoeren, goed j succes, of: het beste, wenschen, varen: llow âs life under your roof? = hoe vaar jullie allen; May God so â me as I wish your welfare = moge God zóó in waarheid met j mij zijn als ik u het beste wensch: We sped on through the forest = wij haastten ons om door het woud te komen; âer; ây = spoedig haastig, snel; âwell = eereprijs* (plant). Spell, spel, subst. betoovering, karwei, ver- | lichting, aflossing, wacht (op het schip), tijdje: : We had a â of rainy weather = wij hadden een tijd van regenachtig weer; He spoke for some ininuteM at a â = achtereen: The hirdie was under the serpent's â = het vogeltje kon van angst voor de slang niet weg, was door de slang gebannen = It was âhound, âstopped; â verb, betooveren, bannen, bezweren, aflossen, spellen, verhalen: 1 can â out this lesson if necessary = ik kan dit lesje desnoods met wat moeite lezen; How does it â ? = hoe spelt men dat: âer: âing = het spellen, spelling: âing-hee = wedstrijd (gew. voor de aardigheid) in het spellen; âing-hook = spelboek. Spellican, spelik'n. Spelt, spelt, imperf. en p. p. van to spell. Spelt, spelt, spelt, mindere soort tarwe. Spelter, speltd, handelsterm voor zink. |
Spence, spens, zijkamer, provisiekamer. Spencer, spens,i, spencer (korte mantel). Spend, spend, uitgeven, verteren, doorbrengen, vroolijk worden, uitputten: We were invited to â the evening there, but âing the evening did not begin until 10 = om daalden avond door te brengen, maar de vroolijk-heid begon eerst tegen 10; The horse had spent its strength = het paard was doodaf; You â your words (breath) in vain = al uwe woorden zijn vergeefsch: 1 have spent much money on my garden = ik heb veel geld aan mijn tuin besteed; They were spent with being at the pumps the'whole night = zij waren op van het pompen gedurende den geheelen nacht; âer, âthrift = uitgever, doorbrenger; âthrift, adj. doorbrengend, geld weggooiend. Spenser, spensd, Edm. Spenser; âian, sp'n-siridn, van Spenser: The âian stanza = bepaalde versbouw van Spenser's Faery Oneen. Sperm, spwm, zaad, kuit; âoil = spèrmaceti-olie; âwhale, -aceti-whale = spermaceti walvisch: âaceti, spiamdsiti, vetachtige stof, getrokken uit de olieachtige bestanddeelen van den kop van den âwhale; âatic(al) = tot zaad behoorende, het zaad overbrengend; âology, spomolddzi, wetenschap of leer dei-zaden. Spew, spjü, subst. braaksel; â verb, braken, uitwerpen, met afschuw wegwerpen; ây = vochtig, moerassig. Sphacelate, sfasileit, door koudvuur aangetast worden, versterven, wegvreten: Sphacelation = wegvreting, versterving; Sphacelus, sfa-silos, koudvuur, kanker, beeneter. Sphagnuni, sfagrim, moerasmos. Sphenodon, s find don, hagedis (N.-Zeeland). Sphenography, sfinogrofi, het schrijven of ontcijferen van spijkerschrift. Sphenoyraphic. Sphenoid, sfinuid, wigvormig. Sphere, sfid, bol, hemellichaam, globe, kring, schijf, omvang, gebied, rang, klasse, lucht, hemelgewelf: That is out of my â, within my â = dat ligt buiten (binnen) mijn gebied of (werk)krkig; Parallel â = bol waarvan de polen in het zenith en nadir liggen; Kight â = bol die de polen aan den horizon heeft; Oblique â = ieder andere dan de parallel en de right â; âmelody, âmusic = de harmonie der sferen: â verb, onder de hemellichamen plaatsen, rond maken; Spherical, sferik'l, bolvormig: Spherical triangle = boldriehoek: Spherical trigonometry = bol-driehoeksmeting; Sphericity, sfdrisiti, bolvormigheid; Sphende, sfèrik'l. Spherule, sfenll, kleine bol; Spheroid, s fir aid, sphe-roïde, d. 1. een lichaam ontstaan door de omwenteling van eene ellips om eene harer assen. Sphinx, sfi)\ks, sfinx (half vrouw half leeuw). Spliyginometer, sfifimomdtd, polsmeter. Spice, spais, subst. specerij, kleine hoeveelheid, oppervlakkige kennis: He has a â of the wilful in his character = hij is wat eigenzinnig: â verb, kruiden: âwood, âbush = Benzoëboom: The â Islands = de Moluk-ken; âd = gekruid; âry = specerijen in quot;t algemeen, specerij bergplaats; Spicy, spais i, kruiderig, geurig, scherp, bijtend, mooi, pralend, opzichtig; Spiciness. |
bone = boun: ful; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; ?/ear = jia; long = ioi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dh^s; wine.
20*
SPIRITUAL.
452
SPICK.
|
Spick, spik, nagel, spijker: âand-Hpaii = spiksplinternieuw. Spicone, spniIcons. Spicons, spaikos, Spi-oate, spaikit. met eene aar, spijivormig. Spicosity, spaikositi, het hebben van of vol zijn met aren. Spirillar, spikjuld. met scherpe punten, pijlvormig: Spieiilate, spikjulit, adj. bedekt met of verdeeld in fijne punten; â verb, (spikjulelt), punten, aanscherpen; Spicule, spikji'il,naald-vormig; SpiculigenouN. spikjulidzinds, naald-vormige dingen bevattend of voortbrengend. Spider, spaidd, spin, al wat in vorm op spinnen lijkt; âcatcher = muurkruiper: âcrab = eene soort v. krab; âlike = spinachtig; âline = spindraad; â-'s web = spinneweb. Spigot, spigdt, zwikje (in een vat). Spike, spaik, subst. aar, lange spijker, pin, walvischnet, stuk gepunt ijzer; â verb, vernagelen: The guns were âd = de kanonnen werden vernageld; Thiw argument âd hi* battery = dit argument bracht hem tot zwijgen; â-lavender = lavendel; ânail = lange nagel of pin; ânard = nardus; âd = met aren of pijlen; Spiky = met scherpe punten. Spile, spni/, pen, spil, staak, paal. Spill, spil, subst. fidibus, val, tuimeling, worp: lie twisted a piece of paper into a â; â verb, storten (nooit van bloed en tranen', zie Shed), doen vallen, vergieten, vernietigen, vallen (Amer.); âer; âing-line» = geilijnen, brastouwen: âikiim = knibbelspel. Spilt, spilt, imp. en p. pertquot;, van to spill: It i» no use crying over â milk = gedane zaken nemen geen keer. Spin. spin, subst. het spinnen of draaien, snelje onafgebroken beweging, poging: Vour life is not worth the â of a farthing = uw leven is geen duit waard; â verb, spinnen, lang rekken, doen draaien, snel ronddraaien, in een klein stroompje uitloopen: lie was spun at courting = hem werd te verstaan gegeven, dat zijn aanzoek niet aangenaam was; lie was spun at the examination = hij zakte; I'm glad that the prig has got spun = ik ben blij dat die verwaande fat den wind van voren kreeg, zakte; The blood spun from the wound = gutste uit de wond; That blow sent him âniiig back = deed hem achteruit vliegen; The carriage was seen âning along the road = snorde er overheen; 1 will â you a yarn = ik zal jullie een verhaal doen (gew. uit het zeemansleven); Will you â my top? = wil je mijn tol eens z'etten; âdrift = dikke spinnewebben; âdie = spoei, dunne en puntige as (van kaapstander of weerhaan): âdle-legged, âdle-shanked = met spillebeenen; âdle-legs, âdle-shanks = spillebeenen; -file-shaped = spoel- of spilvormig; lier mouth is a -die-edition of her uncle's = zij heeft een mond als haar oom; -dle-side = vrouwelijke (spille) linie; âner = spinner, spinmachine, spinnekop; âneret = spinklier; ânery = spinfabriek; âning, subst. het spinnen; adj. spinnend, spin . . .: âning-jenny = spinmachine: âiiing-mill = spinfabriek: âning-wheel = spinnewiel; âtext = vervelend preeker. |
Spinach, Spinage, spinidz, spinazie: AH gammon and â = allemaal geleuter en gewauwel, bedriegerij; Spinaceous, spineiëds. als spinazie. Spinal, spairil, tot de ruggegraat behoorende: â column = ruggegraat; â cord, â marrow = ruggemerg; Spine, spain, ruggegraat, doorn, scheenbeen, rug: Spinule, spainjül, kleine doorn of punt: Spinescent. spaines'nt, doornachtig; Spinitenuis, spainlfdrds, doornig, doornen hebbend; Spinous, spainds, Spinose, spainous, doornig, vol doornen: Sp i nosi ty, spai nosi ti, doornigheid, neteligheid; Spiny, spaini, doornig, netelig, moeilijk. Spinli. spink, vink. Spin(n)et, spinot, spinet. Spinn(egt;y, spini, struikgewas, boschje. Spinoxisui, spaindzizm, wijsgeerig stelsel van Spinoza: Spinozist = volgeling van S. Spinster, spinstd, jonge dochtei-, ongetrouwde vrouw. Spiracle, spnirdk'l, klein gaatje. Spi raea, spairio, spiraea. Spiral, spair'l, subst. spiraal; adj.puntig, met eene spits, kronkelend, schroefvormig: â staircase = wenteltrap. Spirant, spaiv'nt, schuringsgeluid. Spire, spaid, subst. de stad Spiers, sprietje, spits toeloopend voorwerp, top, torenspits, spiraallijn, krul, draai; â verb, zich verheffen als eene piramide of spits, uitspruiten (zooals koren bij het mouten); âd =⢠met eene (toren)spits. Spirit, spirit, subst. geest, leven, levenskracht, geestverschijning, spook, geestkracht, opgewektheid, geestdrift (gew. meervoud), aard, humeur, geestrijke dranken (steeds meerv.): The (lloly) â = de H. Geest; â of wine = wijngeest; He deals in âs = hij handelt in spiritualiën; He was in low, in high âs = terneergeslagen, opgewekt; His flow of âs was wonderful = zijne vroolijkheid was buitengewoon; 1 think you are in âs = opgewekt, al te vroolijk, dronken; You cannot raise (lay) a â = geen geest oproepen (tot rust brengen, bezweren); She recovered her âs = kreeg haar bewustzijn terug; â verb, bezielen, aanvuren, in stilte wegvoeren of doen verdwijnen: it was âed away = het verdween: The servant was âeil out of the country = werd in alle stilte buiten het land gebracht; âcd = bezield, levendig, opgewekt: A highâed man = een fier, hoogmoedig man; Narrowâed = bekrompen; He is a dullâed fellow = een sulfer: âlamp = spiritus-lamp; âlevel = instrument (met luchtbelletje) om te zien of iets horizontaal is; ârapper = geloover in â rapping = spiritistische manifestaties, zooals geklop, het bewegen van tafels, enz.: She bas gone stark mad on the ârapping impo-sition = dat spiritistisch bedrog heeft haar volslagen gek gemaakt; âtrade = handel in spiritualiën; âing = de diensten of werkzaamheid van een geest, vlug en in stilte gedaan werk (als door geesten); âism = spiritisme; âist = geloover in het spiritisme; âless = geesteloos, terneergeslagen, suf; âoso, spiritousou, met opgewektheid (muz.); âual, spiritjiol, geestelijk, onstoffelijk, rein, heilig, goddelijk, verstandelijk: âual |
man; ask = ask: farm = tam; bat = but; learn = lim; line = lain; house = hans: net; care = kèa: fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; hoy = bói;
SPIRITUAL WIFE.
SPOLIATOR.
453
|
c*oiirt8 = geestelijke gerechtshoven; âunl wife = extra-vrouw bij de Mormonen; âiiaiiHiii = geestelijke aard, leer dat geest geheel onderscheiden is van stof, spiritisme; âiialist = spiritist; â ualiwfie, spïHtjudlistik, tot het spiritisme behoorende, door geesten bewerkt: âualiHtic meetings = spiritistische bijeenkomsten; â uality, spiritjuaiiti, onlichamelijkheid, geestelijke 'aard, wat tot de kerk behoort; âualize, spiritjtwlaiz, geestelijk maken, met geest bezielen, eene geestelijke beteekenis geven; âualization = het geestelijk maken of bezielen; â nous, spiritjuds, geestrijk, onstoffelijk, sterk: âuoiih liquor = sterke drank; âuw = ademhaling, aanblazing: âus awper = geaspireerde letter; âus leiiis = niet geaspireerde letter; Spirometer, spairomdtd, meter v. h. volume lucht in de gevulde longen. Spirt, spvt-, Zie Spurt. Spit, spit, subst. (braad)spit, landtong, spade, speeksel, eieren van insecten, evenbeeld: That boy is the very â of his lather = evenbeeld zijns vaders; â verb, aan het spit steken, doorboren, spuwen, braken: lie was spat upon (at) everywhere = men spuwde overal op (naar) hem; âted = aan het spit gestoken; âter = brader, tweejarig damhert, spuwer; âtie = kleine spade, speeksel; âtoon, spitün, spuwbak, kwispedoor. Spitchfot'k, spitskok, subst. gespleten en gebraden paling; â verb, in de lengte splijten en braden. Spite, spait, subst. spijt, wrok, wrevel, kwaadaardigheid: 1 did it (in) â of warnings = ten spijt van waarschuwingen; I owe you a â (grudge) = ik koester wrevel (wrok/tegen u; â verb, kwaadaardig dwarsboomen, krenken, kwellen; âful = spijtig, kwaadaardig. Spitfire, sjjitfaui, opvliegend mensch, driftkop. Splaiiehnie, splariknik, tot de ingewanden behoorende; Splanehnology, splanknolddzi^ verhandeling over de ingewanden, enz. Splash, splaë, subst. bemoddering, geplas, geklater: lie made a big â = hij baarde heel wat opzien; The undertaking'is sure to make a â in the book world = zal heel wat opzien baren in de letterkundige wereld; I can hear the---of the great fountain = het klateren; â verb, bespatten, beslijken, plassen, klateren; âboard = spatbord (van een wagen); -er = plasser, spat-blad (van een rad); ây = modderig, slijkerig. Splatter, splato, plassen, klateren. Splay, splei, subst. binnen- of buitenwaartsche verbreeding van eene opening; adj. uitzettend, verbreedend, buitenwaarts gekeerd; â verb, hellen, ontwrichten (van een paardeschoft), uitspreiden; âfoot = platvoet, buitenwaarts gezette voet; âfooted = met een âfoot: âmouth = groote mond, gelaatsvertrekking: âmouthed = met grooten mond. Spleen, splin, milt, toorn, droefgeestigheid: â ful = toornig, gemelijk, vurig, onstuimig = âish; âless = vriendelijk, zacht, gemoedelijk; âsiek = zwaarmoedig. Spleget, spledzdt, compres, nat lapje om eene wond te wasschen. Splendent, splencVnt, schitterend, beroemd, blinkend; Splendid, splendid, prachtig, luister-: rijk, rijk, weelderig, grootsch: We gained a I splendid victory over the enemy = wij |
hebben eene glansrijke overwinning op den vijand behaald; Splendour, splendo, pracht, praal, glans: Sun in splendour = de zon voorgesteld met menschengelaat en doorstralen omringd; Splendrous, splendrds, prachtig. Splenetic*, spldnetik, gemelijk, slecht geluimd: Splenie, splinik, van de milt: Splenie-fever â miltvuur (bij vee); Splenitis, splduaitis, ontsteking van' de milt; Splenography = anatomische beschrijving van de milt. Splenius, splinids, nekspier. Spliee, splais, subst. splitsing (en in elkander werking) van touwen; â verb, vereenigen (van touwen na splitsing): He ran over to England to get âlt;1 = om te trouwen kwam hij in haast naar Engeland; To â the main braee = een extra oorlam aan de matrozen geven. Splint, splint, splinter, spalk: âer, splints, subst. splinter, stuk, brok; â verb, splinteren, splijten, stutten met stukken hout; -er-bar = zwengelhout (waaraan het âinspanquot; van een wagen wordt vastgemaakt); âer-proof = bomvrij: âery = uit splinters bestaande, als splinters, schilferig, met schilfers. Split, sp/iï, subst. scheur of barst (in de lengte), scheiding, verdeeling, scheuring (van partijen in kerk of staat), halve llesch; adj. gescheurd, verdeeld, gescheiden: â infinitive == de door een bijw. gescheiden deelen v. een infinitive, zooals: Allow me to /jmrti/*/congratulate you; â verb, scheuren, splijten of verdeelen (in de lengte), verschillen, bersten, vreeselijk veel pijn doen, verklappen, het vertrouwen schenden: I have a âting headache = ik heb eene razende hoofdpijn; We â (our sides) with laughing = wij barstten van lachen; Let us not â hairs = laten wij nu geen haarklooverijen beginnen: The ship â on a rock = werd tegen eene rots verbrijzeld; He has â on a rock = hij is niet geslaagd, is er tegen aan geloopen: liet us finish him off, then he won't â on us = laten we hem dooden, dan zal hij ons niet verklappen: âpeas(e) = spliterwten: âter = wie of wat splijt of klooft. Splotch, splots, vlek, smet. Splutter, splutd, subst. verward geraas,drukte; â verb, rammelen, d. i. haastig en verward spreken: âer. Spoil, spoil, subst. buit, plundering, roof, vernietiging, bederf: â verb, rooven, plunderen, bederven, omkoopen, schaden, vernietigen: lie âed me of the best furniture I had = hij beroofde mij van mijne beste meubels: He came in, and was âing lor a fight in a minute = hij kwam binnen, en dadelij k jeukten hem de handen om te vechten; âer = plunderaar, roover, bederver, verleider; âful = roofzuchtig, bedervend. Spoke, spouk, ân, spouk'n, imp. en p. p. van to speak-, âsman = voorspraak, woordvoerder. Spoke, sponk, spaak, sport: I'll put a â in your wheel (cart) = ik zal je eene spaak in het wiel steken; âshave = soort v. schaaf voor krulwerk. Spoliation, spoulieis'n, roof, plundering, verwoesting; Spoliator, sponlieïtd, roover, plunderaar. |
bone = boun: full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; 7/ear = jia; longr = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thxxs = dims; wine.
SPONDEE.
454
SPRAWL.
|
Spondee, spondi, versvoet v. twee lange of beklemde lettergrepen; Spondaic, spondeiik. Spoiidyl(e), spond(a)il. wervelbeen. Sponge. spvnz% subst. spons, gerezen deeg, punt V. een hoefijzer, klaplooper, tafelschuimer, kanonwisscher: He threw (chucked) up the â = hij gaf zich gewonnen; â verb. (af)sponzen, uitwisschen, inzuigen, klaploopen, rijzen(v.deeg): That fellow I» a downright âr = een echte klaplooper; âlei = sponsje âcake = Moscovisch gebak; Spongilorin, .sp»nz//om,sponsvormig; Spongy, SpongioHC, spnnzious, SpongioiiH, spnnzids, sponsachtig, doorweekt, doortrokken; SpongineNS, Spong-iole, spnnziowl, wortelvezeltje; Sponging-house, spnnzir^hüMS, huis of kroeg waar gijzelaars een dag werden gehouden vóór ze in de gijzeling gingen. Sponsion, sponamp;n, borgtocht. SpoiiHon, spons1 n, ruimte onmiddellijk voor en achter de raderkast ter zijde v. h. schip. Sponsor, sponsd, borg, peetvader, peetmoeder: The poor child was barely âed = had zoo te zeggen niemand, die het onder zijne vleugels nam: lie had stood â tbr her dramatic talent = hij had haar aanleg voor het tooneel ontwikkeld; âial, sponsóridl. tot een sponsor behoorende: âship = peetschap. Spontaneity, spontoniiti, vrijwilligheid, ongedwongenheid: Spontaneous, sponleinjds. vrijwillig, ongedwongen: Spontaneous cum-biistion = zeifont- en zelfverbranding. Spontoon, spontün, piek. Spool*, spiïf, zéér ingewikkeld clubspel. Spook, spük, spook, kabouter. Spool, spul, spoel, klos. Spooin. spüm, hard voor den wind zeilen; âdrift. Spoon-drift = door den storm opgezweept schuim. Spoon, spun, subst. lepel, kolfstok, sukkel: I was not born with a silver â in my inoiith = ik ben geen zondagskind: Brought up with a â = met kunstmatig voedsel groot gebracht; Don't stand staring like a â = sta daar niet zoo ezelachtig te gapen; You are past the â = gij ziit den kinderjaren ontwassen; He is dead âs on the girl = hij is âsmoorlijkquot; op het meisje; He is the wooden â = hij is de laatste der voor mathesis geslaagde of gepromoveerde candidaten (Cambridge): â verb, met een lepel eten, vangen (v. visschen), den minnaar spelen: He has âed her for ever so long = hij heeft ik weet niet hoe lang met haar gevrijd; He had all the tackle necessary for â ing pike = hij had al het noodige tuig om snoek te vangen; âbill = lepelaar (zwemvogel); âmeat, âvictuals, âviVlz = lepelkost; â(e)y, subst. sukkel, hals; adj. sullig, ..smoorlijkquot;: He is â(e)y on her = hij is dol verliefd op haar; -tul = lepelvol, kleine hoeveelheid; âwort = lepelblad. Spoor, spiid. subst. spoor (van een wild dier); â verb, een spoor volgen (Z. Afr,). Sporadic(al), spomdikl, verspreid, gescheiden, apart: âplants, â disease = slechts hier en daar voorkomende planten, slechts hier en daar iemand aantastende (besmettelijke) ziekte. Spore, spö, spoor (van planten) = Sporule. |
sporül', Sporuliferous, sporiilifdrds, sporen dragend. Sporran, spor'n, tasch of beurs d. Hooglanders. Sport, spot, subst. alle uitspanning in de open lucht, naam voor alle vormen van athletische en andere spelen en gevechten om prijzen; vermaak, scherts, boert, spot, tooneelvoor-stelling, een stuk speelgoed, ieder afwijkend organisme: 1 said it only in â = uit de grap; He made â of (with) me = hield me voor 't lapje; I'll use you for my â if you get angry = ik zal om je lachen als ! ge'boos wordt; *â verb, zich vermaken of verlustigen; beuzelen, dragen, pronken met: He âs a gold watch-chain = hij geurt met een | gouden horlogeketting: He âed his oak, to evade his duns = hij deed zijne kamer op ; slot, om aan zijne schuldeischers te ontkomen j (van studenten); âful = vroolijk, dartel: âing = aan sport doende: 1 am not a âing man = ik houd niet van sport: âive = vroolijk speelsch, wat op sport betrekking heeft: His âive knowledge is very wide = hij is van sport geheel op de hoogte: âsinaii = iemand die aan sport (zooals jacht, visscherij, enz.) doet: âsmanlike = zooals een âsinaii past; âsmanship = bedrevenheid in en liefde voor sport; âswonian = vrouw die aan sport doet. Spot, spot, subst. spat, vlek, smet, klad, plek(je), acquit (bilj.), stoot op den rooden bal v. het acquit (ook âstroke): Do it on the â = ! onmiddellijk; That went to the â = die was raak; â verb, besmetten, bevlekken, bespikkelen, acquit geven, herkennen, snappen: I âted it at once = ik begreep het dadelijk; We are âted = wij worden nagegaan en herkend; He attacked Mr. âSpotsquot; with his sword = hij viel den luipaard met zijn zwaard aan; âhazard = stoppen van den rooden bal van'tacquit; âless = vlekkeloos, rein; âted = gevlekt, bont; âted fever = vlekziekte; âter; âty = vol vlekken, gespikkeld. ; Spousal, spauz'l, subst. huwelijk, bruiloft(gew. meerv.); adj. huwelijksâ, echtelijk: Spouse, spauz, echtgenoot, bruid: The spouse of Christ: Spouseless = ongetrouwd. Spout, spant, subst. tuit, pijp, buis, spuit, inrichting of ascenseur om goederen naar boven te vervoeren (vooral in de pandjeshuizen): My watch is up the â = mijn horloge is bij mijne tante (in den lommerd); â verb, uitgieten, spuiten, met vertoon of hoogdravend ! spreken, verpanden: He âed some poetry of Byron = reciteerde (ironisch); IIquot; I had a gold watch, 1 would â it like a shot = ging het dadelijk naar den lommerd: âer = hoogdravend redenaar. Sprack,spmfc, Sprag,spralt;7,keurig, opgewekt: Sprag = jonge zalm, kabeljauw, rol hout. steun voor het dak van eene mijn. Sprain,.sprein, subst. verrekking, verstuiking: â verb, verrekken, verstuiken: I have âed my ankle = ik heb mijn enkel verstuikt. Spfaints, spreints, ottermest. Sprang, 8prar\, imperf. van to spring. Sprat, sprnf, sprot: A â to catch a whale = een spiering om een kabeljauw te vangen. Sprawl, spról, languit en nonchalant gaan |
man; ask = ask: farm = fiini; b?/t = bwt; \earn == hm: line = lain: hoi«se = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = oslip; not; \aiu = 16; lord = löd; bo*/ = bói;
SPRAY.
455
SPUR.
|
liggen, zich rekken, spartelen, onregelmatig ontplooien (v. cavalerie). Spray, sprei, subst. schuim, takje, rijsje, bou-quetje; roem, roep. â Spread, spred, subst. uitgebreidheid, omvang, uitgestrektheid, bedekking, welvoorziene disch; â verb, zich uitstrekken, verbreiden, ontplooien, verspreiden, met levensmiddelen bezetten, strooien: Yourn is a good figure lor our artist to â liimHelt* on = aan uwe taille kan onze coupeur zijne kunst eens toonen: You â it thin = gij smeert de boterhammen dun, zijt zeer gierig; The report was â abroad everywhere = werd overal bekend gemaakt; The table was â (over) with good cheer = de tafel was met lekkere dingen bedekt: âeagle, subst. adelaar met uitgespr. vleugels (herald.); gebraden, opengesneden en met paddestoelen opgediende vogel: adj. bombastisch gezwollen; âeaglisiii = bombast, grootspraak, nationale bluf (Amer.); âer = verspreider, uitstrooier. Spree,sprf. pret,drinkgelag: Berlin is a merry town, being always on the â. Sprig, sprig, subst. takje, rijsje, jongeling: â verb. m. takjes of bloemen versieren, spijkertjes slaan in; âgy = vol takjes of spruitjes. Spright, spruit, subst. geest, gesteldheid; â verb, rondwaren, spoken: âful, âly = levendig; vroolijk, opgewekt, dartel; âle'ss = dof, geesteloos. Spring, sprir\, subst. sprong, veerkracht, terugkaatsing, veer. bron, lente, fontein : The lion took a â = deed in eens een sprong; â verb, springen, opspringen, opschieten, voortkomen. terugvliegen, krom trekken, opjagen lt;van wild): He sprang at us = hij sprong naar ons toe; The water âs forth from the earth = borrelt uit den grond; All his faults â froni neglert = komen uit achteloosheid voort: The niountaiii-goat sprang on trom rock to rock = de klipgeit sprong van rots tot rots: Plants â (up) from the earth = â¢de planten komen uit den grond; The ship sprang a leak = het schip kreeg een lek; The police sprang their rattles = de agenten deden hunne ratels hooren; The death of the heroine is sprung upon the reader = treft den lezer zonder eenige voorbereiding: The diplomat sprang this treaty on the congress = deed het c. versteld staan v. het verdrag; âback = wijze van inbinden waarbij de bladen plat liggen; âbox = trom waarin lt;le veer van het mechaniek zit; âbok = antilope (Z. Afr.); â-carriage = rijtuig op veeren; âcart = karretje op veeren; â chicken = piepkuiken; âhalt = plotselinge spiervertrekking van de hakpees v. een paard; âhead = fontein, bron, oorsprong = ~fet; âtide(s) = hooge vloed bij nieuwe en volle maan; âtime = lentetijd; âwheat = voorjaarstar we; âai, spring* l, levendige jonge man, spring-int-veld: âer = springer, opjager van wild, naam voor springbok en jonge zalm; ây = veerkrachtig, licht, bronrijk, sponsachtig, vochtig: âiness; âing, subst. het springen, toeneming; adj. springend; -ing-board = springplank: lie used his position as a â ing-board to higher flights; âily, adv. springend, dansend. |
Springe, sprinz, subst. strik, lus; â verb, strikken, in eene knip vangen. Sprinkle, sprir^kH, subst. sprenkelwerktuig; het gesprenkelde; â verb, (be)sprenkelen, bestrooien, stofregenen: The floor had been âd with sand = met zand bestrooid; âr = wie of wat (be)sprenkelt; Sprinkling = het strooien of sprenkelen, kleine (verstrooide) hoeveelheid: lie has got a sprinkling of Spanish = hij weet een hap en een snap van het Spaansch; There was a fair sprinkling from the two universities at the meeting = de beide hoogescholen waren op de bijeenkomst goed vertegenwoordigd. Sprint, sprint, er vandoor gaan, wegloopen; -er = die zich snel voortbeweegt (vooral sportlui). Sprit,sprif, subst. spruit,spriet, boegspriet; â verb, uitspruiten, knoppen, ontkiemen; âsail = sprietzeil. Sprite, spraif,geest,fee, kabouter; Sprituous, spraitjuds', Zie Spirituous. Sprod, sproei, zalm in het tweede jaar. Sprout, spraut, subst. spruit, loot: â verb. (uit)spruiten, opschieten, zich vertakken; âs = spruitjes. Spruce, spriïs, subst. denneboom; adj. netjes, keurig, vlug, piekfijn: As â as a racehorse = zoo vlug als een renpaard; â verb, keurigjes opschikken of kleeden; âbeer = jopenbier, bier van de bladen en takjes van âlir, met suiker en stroop gekookt; âness. Spruit, spn'it, stroompje: A little â or runnel of water (Z. Afrika). Sprung, sprnn,, part. perf. van to spring. Spry, sprai, levendig, vlug, wakker; bij-de-hand, glad (Am.): As â as a lark = zoo vlug als een leeuwerik. Spud, spod, korte spade, tuinmes, alles wat kort en dik is. Spume, spjüm, subst. schuim; â verb, schuimen; âscence, spjümes'ns, het schuimen; âscent, .s/yiJmes'nf,schuimend;Spu mi ferous, spjümifdrds, schuim voortbrengend; Spumous, spjümds, schuimend = Spumy. Spun, spun, imperf. en p. perf. van to spin', âhay = gesponnen hooi (voor vervoer geschikt gemaakt); âyarn = lijn of garen uit verschillende ineêngedraaide garens bestaande = schiemansgaren. Spunge, spnnz (Zie Sponge): Her black gown was âd and turned and lengthened into something like decent inourning = hare zwarte japon werd schoongemaakt en gekeerd en verlengd tot die op fatsoenlijke rouw geleek. Spunk, spvi\k, tonder, zwam, moed, vuur, geest; ây = vol moed en geest. Spur, spit, subst. spoor, prikkel, spoorslag, aansporing, grootste wortel van een boom, zijtak van een gebergte, brand (in het koren): The horse did not obey the riders â = luisterde niet n.aar de sporen: He set âs to his horse = hij gaf zijn paard de sporen: He did not know what to say on the â of the moment = hij wist niet wat hij zoo gauw zou antwoorden; He acted on the â of the moment = hij volgde zijne ingeving; â verb, de sporengevèn,aanzetten, van sporen voorzien, zich haasten, snel rijden: He was |
bone = boun: full; fool = ful; u = toonlooze vokaal (zie asleep en care)\ girl; j/ear = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus â dhus: wine.
SPURGALL.
456
SQUARE.
|
âring on at the top of his speed = hij reed spoorslags voort; âgall, subst. spoor-wond; verb, wonden of schaven met een spoor; âroyal = gouden munt uit den tijd van Eduard VI; ârowel = spoorraadje; -âway = rijpad; --wheel = tandrad; âless;âred: ârer; ârier = sporenmaker. Spurge, spvdz, wolfsmelk; âlaurel = laurier-quot;bladig peperboompje. Spurious, spürids, onecht, bastaard . . . . , valsch: Yours is a â edition = uwe uitgave is een nadruk: âness. Spurling, spvliri, spiering; âline = lijn van het stuurrad naar den âverklikkerquot; in de kajuit. Spurn, npvn, subst. schop, trap, smadelijke verwerping; â verb, schoppen, trappen, verachten, versmaden, de hielen in he hoogte werpen, achteruit slaan: I â doing this action = ik versmaad het dit te doen; âer. Spurt, spnt, subst. krachtige straal, het knappen, korte en plotselinge inspanning: I heard the quick â ol' a match and he lit another cigar = ik hoorde het plotseling knappen (knetteren) van een lucifer en hij stak nog eene sigaar aan; He tried to get a â ol' work out of me = hij trachtte, gauw wat werk van mij gedaan te krijgen: He made a â and won = hij zette voor 't laatst krachtig aan en behaalde de overwinning: â verb, opspringen, uitwerpen, zich krachtig inspannen: lie was âing for the goal = hij deed op het laatste moment krachtig zijn best om den eindpaal te bereiken; âIe = spatten. Sputter, spntd, subst. wat uitgespat wordt, speeksel; â verb, onder het spreken spuwen, spatten: He âat me = hij voer hevig tegen mij uit = âed his gall; âer. Sputum, spjütam, speeksel, fluim(en). ^py» spai, subst. spion, loerende blik: â verb, in 't oog krijgen, ontdekken, spionneerén, nauwkeurig onderzoeken: Don't â into it = vorsch er niet naar; 1 have not been able to â it out = het uit te vorschen; âboat â adviesjacht, spionneerboot; âglass = kijker; âism = het spionneeren, het spionnenstelsel. Squab, skwob, subst. korte dikkerd, jonge duif, soort van rustbank; adj. kort en dik, plomp, vogel die nog niet kan vliegen; verb, plomp neervallen; adv. plomp, zwaar: He feil â into the pit = hij viel plompverloren in den kuil; âpie = pastei van vleesch, appels en uien; âbish = log, plomp; âby = kort en dik, log. Squabble, sktuoVl, subst. ruzie, gekrakeel, geharrewar; â verb, krakeelen, twisten, scheef zetten, in de war brengen, door elkaar gooien; âr = ruziemaker. Squad, skivod, kleine troep soldaten, sectie, rot: Awkward â = troep rekruten, nog niet genoeg geoefend om in de compagnieschool mee te doen; Servile â = meiden en knechts (scherts.). Squadron, skwodr'n, groote troep soldaten, escadron, smaldeel; âed =tot een â of âs gevormd. Squalid, skwolid, vuil, erg smerig; âneas, âity, skwoliditi; Squalor, skweite, skivolo, vuilheid, morsigheid. |
Squall, skwól, subst. luid gegil, kreet, windvlaag: You may look out for âs = gij kunt buien verwachten: â verb, gillen, luide schreeuwen; âer = giller, gillend kind; ây = stormachtig, buiig, onstuimig, hier en daar onvruchtbaar. Squaloid, skwalóid, op een haai gelijkend. Squama, Squame, skiveitn(d), schaal, schub; Squamifor'.n, skweimifóm, schubvormig; Squamigeroiis. skweimidzaras, schubben hebbend: Squamoid = met schubben bedekt, schubbig; Squamose, skweimous, Squani-ous, skweimds, met schubben of rudimenten van bladeren bedekt. Squander, skwondd, verspillen, verkwisten, weggooien; âer; âiug. Square, skwêd. subst. vierkant, plein (met huizen langs de vier zijden), escadron, ruit, kwadraat, winkelhaak, glasruit, regelmaat, overeenstemming: We met each other on the â = op voet van gelijkheid: He did everything on the â =hij deed alles eerlijk en w*el; You moved two âs = ge hebt eene ruit (bij dammen of schaken) overgesprongen (eig. ge zijt twee vierkantjes verder gegaan); They are at âs = zij staan vierkant tegenover elkander, hebben ruzie; You will be set all âs to-morrow morning = zult gij geheel op streek zijn; It is not the â thing to do so = billijk, eerlijk; Everything is â and above board = alles is 'eerlijk en kan het licht lijden; 1 will break (no) âs = ik wil de orde (niet) verbreken of verstoren; How do the â s go? = hoe staat het met het spel (dam- of schaak-); adj. vierkant, rechthoekig, Hink, krachtig, billijk, eerlijk: Threeâ, liveâ, etc. = met drie, vijf. enz. gelijke zijden: 1 had a good â talk with him = ik had een oprecht, eerlijk gesprek met hem; Theâ man in the â hole = de rechte man op de rechte plaats; I will see if I can come â â (= even) with you = het u betaald kan zetten; â verb, vierkant maken, incarré'sopstellen, naar een bepaalden standaard regelen, vereifenen, in orde brengen, voegen, passen, ruzie maken, tot de tweede macht verheffen: He tried to â the circle = hij trachtte de quadratuur van den cirkel, d. i. het onmogelijke, te vinden of te doen; The yards were âd = de ra's werden rechthoekig met den mast gebracht (vierkant getopt); The difüculty was âd = uit den weg geruimd; I will â my behaviour by yours = ik zal mijn gedrag naar het uwe richten; They âd themselves in their new dresses* = kwamen kranig voor den dag; He âd himself up to more than his usual height = verhief zich, rekte zich; He âd his enemy = overwon, maakte onschadelijk: 1 will â these fellows = afrekenen met; This does not â with what you told me = dat klopt niet met uwe mêdedeeling; Let us â the constable = laten we den agent zien om te koopen; After this 1 was âd for a start on my own hook = hierna was ik geschikt op eigen hand of voor mijzelf te beginnen: How sIihII we â our duty to the state with our duty to God ? = hoe zullen wij onze plichten jegens den staat met die jegens God overeenbrengen; Though he might be âd to bolt. |
man; ask = ask; farm = fiim; bwt = b«t; learn = Km; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv = ló; lord = löd; boy = bói :
SQUARE-DEALING.
457
STAG.
|
lie could not be âlt;1 to do murder = al kon hij tot de vlucht, hij kon niet tot moord overgehaald worden; âdealing = eerlijkheid, rechtschapenheid: âface = een zekere drank; âmeal = hoofdmaaltijd (Amer.): ânumber = kwadraat van een getal; âpiano = piano: ârig = razeilen; ârigged = met razeilen: âroot = vierkantswortel; âsail = breefok, razeil; âtoed = precies, keurig; âtoe» = precies mensch erg op de vormen gesteld: ânes»; âr = wie of wat vierkant maakt; I Squarish, skwêrië, ongeveer vierkant. Squarrose, skwdrous, Squarrous. skwdros, rechthoekig uit den stengel komend. Squarson, skwamp;s'n, geestelijke, die te gelijk Squire van de parochie is. Squash, skwoè. subst. iets zachts dat licht te kneuzen is, iets onrijps, onrijpe peulschil, schok of val van zachte dingen, pompoen; â verb, kneuzen, verpletteren, tot pulpe maken of slaan; âer; ây = zacht en nattig, als pulpe. Squat, skwot, subst. gehurkte houding, kleine afzonderlijke ertsader; adj.(neer)hurkend, kort, dik, plomp: A â volume = dik (naar evenredigheid der lengte en breedte) deel; â verb, neerhurken, zich zonder recht op land neerzetten: He was âting like a frog on the other side of the lire = hij zat dik en opgeblazen als een kikker: âter = neerhurker, kolonist. Squaw, skwó, vrouw (N. Amer. Indianen). Squawk, skwók, subst. gil: â verb, gillen. Squeak, skwik, subst. gegil, gepiep: We had a narrow (near) â = ontkwamen ternauwernood; â verb, gillen, piepen: âer = jonge vogel, wie of wat piept. Squeal, skivil, subst. gejank; â verb, janken; een geheim verklappen (Amer.). Squeamish, skwimië, spoedig walgend, overdreven kieskeurig, lichtgeraakt; âness. Squeasy, skwtzi, kieskeurig, spoedig walgend; Squeasiness. Squeegee, skwidzi, plaat van gutta percha aan een handvatsel om straten, enz. te reinigen. Squeeze, skwiz, subst. druk, drukking, persing, omhelzing: He gave my hand a parting â = hij drukte mij tot afscheid de hand; â verb, drukken, persen, verpletteren, liefhebbend vatten, afpersen: 1 âd myself through the crowded street = ik baande mij met geweld een weg; My friend was âd into, and his place was iilled by another =mijn vriend werd er uit gedrongen: Squeezable = wat geperst of samendrukt kan worden; Squeezability = handelbaarheid, kneedbaarheid; âr = wie of wat perst of knijpt: Squeezing = het persen, drukking, wat uitgeperst wordt. Squelch, skwelé, subst. harde slag, smak: â verb, verpletteren: He tried to â his wife and failed = hij trachtte zijne vrouw tot , onderwerping te krijgen, maar slaagde niet: This âed animosity = dit maakte aan alle vijandschap een einde. Squench, skwenë, stillen (van honger, b.v.). Squib, skwib, subst. voetzoeker, schotschrift; â verb, schotschriften schrijven, stekelig zijn. Squid, skwid, pijl-inktvisch. Sqniggle, skwig'l, vloeistof in den mond heen en weer schudden met gesloten lippen. Squill, skwil, zeeajuin. |
Squiiiance, skwirins, ontstoken keel. Squint, skwint, subst. het scheelzien of loensen; adj. loensch, scheel; â verb, scheel zieny indirect slaan op, schuin loopen; âeye = scheeloog; âeyed = scheel, schuin,indirect; âing = het scheel zien; Squiny. skiviniy scheel of loensch zien. Squire, skwaid, subst. schildknaap, landjonker, galant heer: â of dames = saletjonker; â verb, als schildknaap dienen, vergezellen, geleiden; âarchy, sJnuairaki. de gezamenlijke landjonkers, hun politieke invloed: Squireen, skwairin, kleine landjonker; â hood = landjonkerschap = âship. Squirm, skwvm, subst. kruipend bewegen; â verb, kruipen (als een worm), kriewelen, klonteren. Squirrel, skwir'l, eekhorentje. Squirt, skwöt, subst. spuit, straal: â verb, spuiten, uitspuiten: The oil kept âing up = de petroleum spoot met een krachtigen straal uit den grond; âer = wie of watspuit; -ing. Stab, stab, subst. steek, wonde, boosaardige aanval of beleediging; â verb, doorsteken, wonden, treffen door gemeenen laster, stooten naar: lie âbed at my heart = hij stak naar, doorstak mijn hart; That âbed me to the heart = dat griefde mij diep: He âbed my gooil name = gaf mijn goeden naam den doodsteek; âher = doorsteker, sluipmoordenaar. Stabiliment, stebilim'nt, vaste steun, vestiging; Stability = vastheid, duurzaamheid, vastberadenheid. Stable, steib'l, subst. stal: They simt the âdoor after the steed is stolen = zij dempen den put als het kalf verdronken is; adj. vast, vastberaden, duurzaam, bestendig: â verb, stallen: âboy = staljongen: â keeper = stalhouder; âman = stalknecht; âness = vast(beraden)heid, duurzaamheid, kracht. Stabling, steiblin. het stallen, stalling: Stably = op vaste en duurzame wijze. Stablish, stablië, verk. van r stablish. Stack, stak, subst. korenschoof, hooimijt of opper (gedekt), groep naast elkander staande schoorsteenen, alleenstaande rots (in zee): A â of arms = een rot geweren: â verb, tot een hoop vormen, opstapelen: The soldiers were ordered to â arms = de soldaten kregen bevel de geweren aan rotten te zetten; To â shot = kogelstapels maken: âyard = plaats voor hooioppers of graanschoven. Stad(d)le, stad'l, subst. steun, stut. boompje, paal; â verb, de kleinere boomen bij het omhakken laten staan; âroof = bedekking of dak van oppers. Stadium, steidf m, zekere maat, wedloop in de Olympische spelen. Stadtholder, stathouldd, stadhouder: âship, âate (âit). Stad', stdf', subst. stok. staf, steun, paal, schacht, notenbalk: âof-life = brood; âofficer = stafofficier. Stag. stag, (mannetjes)damhert, hert in het. 5e jaar; âbeetle = vliegend hert: âlioiind = groote, ruigharige hond voor de hertenjacht; âparty = heerenfuif (Amer.). |
bone = boun: full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhi;s; wine.
STALL-FEED.
STAGE.
458
|
steidt, subst. tooneel, steiger, stellage, tribune, schouwplaats, station of pleisterplaats, afstand tusschen stations of aanlegplaatsen, phase, stage, trapswijze vooruitgang, postwagen, diligence: He was dressing by easy â8 = hij kleedde zich dood op zijn gemak; llecoii-tracted an imprudent passion for iiorsing long â s = hij wendde zich aan den onvoor-zichtigen hartstocht om lange ritten te doen vóór te pleisteren (en dus zijne paarden af te jakkeren); The illness is in its first â = eerste periode of stadium: The piece was got up lor the â = voor het tooneel bewerkt; â verb, ten tooneele voeren, in 't openbaar tentoonstellen: The piece was well âd = het stuk was goed gemonteerd; âcoach = diligence; âdriver = voerman eener diligence ; âmanage = als tooneeldirecteur werkzaam zijn, eene tooneeluitvoering leiden of regisseeren: âmanager = tooneeldirecteur, regisseur: âplay = tooneelspel: âplayer = tooneelspeler; âstruck = verzot op'het tooneel: The âwaits never reached two minutes = de pauzen tusschen de tooneelen duurden geene twee minuten; âwhisper = door een acteur terzijde gesproken woorden; âr = ervaren tooneelspeler, man van ervaring, slimmerd, diligence-paard: â ry = tooneel-vertooning, het spelen: ây = onwerkelijk, gemaakt: Staging, steidzir], tribune, stellage, het ondernemen van ean diligence-diei.st, monteering van een tooneelstuk. Staggiird. stagad, vierjarig Stag. â¢Stagger, .sfar/a,subst. plotselinge lichaamsschok: It gave me a â = het deed me plotseling opschrikken: â verb, waggelen, wankelen, suizebollen, aarzelen, dralen, schokken: Such an assertion âs beliel' = zulk eene bewering is ongelooflijk; I am fairly âed at what you say = wat ge daar ze*gtverbaast mij ten hoogste', doet mij ontsteld staan; âing; â» = duizeling, verlegenheid, paarden- en veeziekte (waarbij ze duizelig zijn en waggelen): It gave me the blind âs = het deed me totaal duizelen. Stagirite, stddzairait, Stagyrite, stadzirnit, naarn voor Aristoteles naar zijne geboorteplaats Stagira. -stedzaird. Stagnant, stagnant, stilstaand, onrein, levenloos, dof, suf: Stagnancy = stilstand: The stagnancy in the sn^aV-trade = de âmalaisequot;' in den suikerhandel: Stagnate, stagneit, tot stilstand komen, stilstaan, onrein of levenloos worden; Stagnation = stilstand, stremming, malaise. Staid, steid, kalm, vast, ernstig: Aâjournal = een ernstig blad: âness. Stain, stein, subst. smet, vlek, schande, smaad, smaakje: â verb, vlekken, tinten,verven,met figuren drukken, besmetten, bezoedelen, verduisteren: âed paper-hangingH = gekleurd en bedrukt behangselpapier; âed-glass windows = beschilderde ramen; âed wood = gekleurd, gevlamd hout (of hout zoodanig geschilderd); âer = verver, bezoedelaar; âless = smetteloos, onbesmet. |
Stair, stêa, trap. trede, graad; âs = trap, aanlegplaats: A flight of âs, A pair ofâs = trap; A room two pair (of âsgt; high = kamer op de tweede verdieping; He is downâs, upâs = hij is beneden, boven; A downâ room = eene benedenkamer; âcarpet = traplooper; âcase = trap (van de eene verdieping naar de andere); tirand âcase = hoofd- of eeretrap; Private âcase = geheime trap; ârod = looperroede; âway = trap. Staith, stcith, verhoogde spoorlijn, om de kolen uit de wagens in schepen over te laden. Stake, steik, staak, paal, paalwerk, brandstapel, martelaarschap, inzet, prijs, handaambeeld: Your life is at â = staat op het spel; Their father perished at the â = stierf den marteldood op den brandstapel; They played for the âs = zij speelden om de inle'ggelden; lie has swept the â»,= hij heeft den pot gewonnen; He went to it as a bear goes to the â = hij ging er metloome schreden naar toe; âverb, met palen steunen of stutten, afpalen, met een paal doorsteken, wedden, inzetten, als pand zetten: 1 â my life on the truth of what 1 tell = ik verpand mijn leven er onder; âhead = paal in een lijnbaan om de touwen te steunen; âholder = inzethouder, potbewaarder; ânet = netwerk op palen om zalm te vangen. Stalactite, stalektait, druipsteen(kegel); Stal-actic = druipsteenachtig = Stnlactiform. Stalagmite, staldgmnxt, druipsteenvloer van eene grot; Stdlagmitic. Stabler, stóldo, stellage voor vaten. Stale, steil, subst. ier of urine (van dieren), lokaas, valstrik; bedrogene, die uitgelachen wordt: He was made a â of = hij werd gebruikt om anderen hun doel te helpen bereiken; adj. oud, verschaald, oudbakken, muf; â wine = verschaalde wijn; â verb, waardeloos maken, laten bederven, wateren (van dieren); âmate, subst. stand in het schaakspel, die onmiddellijk het , matquot; voorafgaat, zoodat de koning geen zet kan doen zonder schaak te zijn, en geen ander stuk meer kan worden verzet; â verb, tot staan brengen, alle beweging onmogelijk maken; âness. Stalk, stök, subst. een der zijstukken van eene ladder, stengel, steel, schacht, trotsche en statige gang; â verb, voorzichtig loopen, besluipen, trotsch stappen: We âed the deer = wij beslopen de herten, naderden hen voorzichtig zoo dicht mogelijk; âed plants = stengelplanten; -er = soort van v. vischnet, trotsche stapper; âing = het besluipen van wild; -ing-horse = paard of paardevorm waarachter een jager zich verbergt voor het oog van het achtervolgde wild, voorwendsel, masker; âless: ây = als een steel, hard. Stall, stol, subst. stal, stalletje, kraam, afdee-ling voor één in een Stable, koorstoel,eerste rang in een schouwburg: My hor^e bas the best â in the stable = heeft de beste af-deeling van den stal; â verb, in een stal plaatsen, de ontsnapping beletten, veilig bewaren, in den modder dompelen, installeeren, wonen, in een hok plaatsen, van het eten genoeg hebben (van vee): A âed ox = vette os; She would not be âed otf, and contended that her opinion was right = zij wou zich niet laten overtuigen (afschepen), en beweerde, dat hare meening de juiste was; âfeed = in den stal (met niet groen voeder) |
man; ask = ask: form = fiim; but = but; learn = lun; line = lain; howse = haus; net; care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not: \aiv = Id; lord = löd; hoy = bói;
STALLION.
450
STANDER.
|
voederen; âkeeper = houder van een stalletje (voor boeken, etc.); âage, stólidz, recht om met een kraam te staan, staan- of marktgeld. Stallion, stalfn, (dek)hengst. Stalwart, stalwdt, Stalworth, stalwr/th, krachtig, flink, stoutmoedig, geducht. Stamen, steim'n. meeldraad; âeel; Stamina, stamind, vaste deel van een lichaam dat dit tot steun dient, weerstands- en volhardingz-vermogen; Staminiferous = met âs. Stamin, steimin, lichte wollen stof. Stammel, starrtl, soon v. wollen stof, soort v. hardroode kleur. Stammer, stamd, subst. gestamel; â verb, stamelen, stotteren, aarzelend uitbrengen; âer; â iiir. Stamp, stamp, subst. stempel, zegel, merk, karakter, naam, aanzien, aard. postzegel, prent, het stampen, ertsstamper: They are all of the same â = van dezelfde soort; â verb, stempelen, zegelen, inprenten, een postzegel doen op, stampen, stampvoeten: The lire was âed out = het vuur werd uitgetrapt; We must try to â these abuse» out = die misbruiken uit te roeien; â Aet = zegelwet; âcollector = (post)zegelverzamelaar; â duty = zegelrecht: âoffice = zegelkantoor; âs'= (geld)middelen: âer = stempel(aar). Stampede, stampid of sfmpid, subst. plotselinge schrik (onder paarden en vee) die hen op den loop doet gaan. plotseling henensnellen: j There was a regular â of teachers to the sea-side = er was een kolossale toeloop 1 van onderwijzers naar de zeeplaats: â verb, plotseling (in groote troepen) op de vlucht Stanch, stdnë; Zie Staunch. [slaan, i Stanchion, stans n, steun, paal, stut, schoor. Stand, subst. stand, stilstand, ophouding, halt. weerstand, rang, standertje, stommeknecht, staanplaats (voor rijtuigen), tribune (voor toeschouwers bij een wedstrijd, etc.): Then ministers were at a â = toen zaten de ministers met de handen in het haar; The troops made a â against the enemies = hielden halt, om den vijanden tegenstand te bieden; Things came to a sudden â = toen stokten de zaken in eens, konden niet meer vooruit; 1 take my â by yon and on my right = ik sta u ter zijde en houd mij aan mijn recht; A watch â = horlogestanderd; A â of arms = geweer met toe-behooren; Fifty â of colours were taken = vijftig standaarden (vaandels) werden genomen; These towns are one night âs = in deze steden geven wij maar ééne voorstelling: â verb, staan, zich verheffen, gaan staan, stilhouden, heelhuids wegkomen, doorgaan, doorstaan, niet wijken, standvastig zijn, hardnekkig zijn, varen; in de rij geplaatst worden, zich candidaat stellen, een zekeren koers volgen, trakteeren, zetten: I stood the flowerpot in the window = ik zette den bloempot voor het raam; lie âs first on the list = hij staat bovenaan op de lijst; The troops stood lire admirahly = de troepen hielden zich bewonderenswaardig onder 's vij-ands vuur: You have stood your ground firmly = ge hebt flink stand gehoudèn; lie wanted to â trial = hij wenschte aan een onderzoek te worden onderworpen; He stood sentence on that count = had zich te verantwoorden wegens die aanklacht; I take the thing as it âs = zooals het is; I have stood sentry here for ever so long = ik sta hier ik weet niet hoe lang al op post; He âs six feet in his boots = met schoenen aan is hij zes voet lang; I will â you a bottle (a treat) = ik sta eene flesch (trakteer); I stood them a supper = ik onthaalde ze op een souper; I stood a supper for them = ik betaalde hun souper: 1 will â you halves = ik sta je half: His hairs â on end = zijn te berge gerezen; This passage âs sorely in need of correction = deze passage heeft ernstig verbetering noodig; He â s for that place = solliciteert naar: He âs fair for (getting) that place = hij heeft groote kans op die betrekking; The money will â me in good stead = zal mij goed te pas komen: He âs in awe of his father = hij heeft ontzag voor zijn vader; It âs to reason that you cannot go there = het spreekt vanzelf; He stood to win much in that case = hij had kans: â aside = ga op zij; He stood against fearful odds = hij weerstond de hachelijkste kansen; 1 will not â by and see yon olfended = ik wil er geen getuige van z'iin, dat gij beleedigd wordt: Vou must |
â ?gt;V = gij , moet u gereed houden: That will â in hand = dat zal uwe belangen bevorderen: The witness was told to â â down = naar zijne plaats te gaan, te gaan zitten; You â in my light = staat me in den weg, werkt mij tegen, stelt mij te leur; He stood in with the th-ief, smuggler = hij maakte gemeene zaak met, was de heeler; The ship stood for the Atlantic = stak den A. oceaan in; â forth = kom naar voren; He stood forth asainst his enemies = bood het hoofd aan; We stood from the shore = kozen het volle sop; He âs off = hij houdt zich op een afstand = He is awfully âoff=hij is erg op een afstand; The ship stood oil* and on = nu eens naderde, dan weer verwijderde het schip zich (van de kust); He higgles and âs out till the shopman gives in = hij dingt en houdt vol tot de winkelier toegeeft;quot;! â to (by) what I said = ik blijf bij (houd vol); They stood to their guns = wisten van geen wijken; I â to win with the horse = Iaat mijn paard deelnemen: He has stood under many troubles = hij heeft veel smart geleden; The whole people stood up to a man = kwam onder de wapenen; I â up for my right = ik handhaaf mijn recht; They stood up for the dance = namen hunne plaats in, traden aan; You must-on your defence = gereed zijn u te verdedigen: She always stood upon her dignity = zij wilde hare waardigheid altijd ophouden:'Don't â on the ceremony of leave-taking = maak van dat afscheid nemen niet te veel werk: âpoint = standpunt; âstill = stilstand; âup = manmoedig gevochten: It was a âup light = het was een kranige strijd; A âup supper = loopend souper; âer = wie staat, etc.; Several âers-by = |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; j/ear = jia; \ong â loi^; ship = sip; occasion = okeiz/n; thin; thus = dhus; wine.
STANDARD.
460
START.
|
verschillende omstanders; â ing, subst. stand, plaats, duur, rang, standplaats (voor rijtuigen, enz.): She (ook him ïor his âiiig = om zijn hoogen rang, positie: A flebt ol'several year» âing = eene schuld die al eenige jaren oud is; Cronies of ohl âing = kameraden van lang herwaarts; adj. âing = vast. bepaald, vaststaand, stilstaand; That is a âing dish with uw on Friday = dat eten we vast op Vrijdag; lie i» a â'ing question = is eene aangekleede vraag, hij vraagt altijd door; 1 have no âing room = plaats om te staan; âing orders = orde van werkzaamheden, agenda; âing rigging = staand want (tuig); âing-stones = hunebedden: âing-out dehts = achterstallige schulden; âish = inktstelletje, draagbare inktkoker. Standard, standdd. subst. standaard, vlag. maat, alléénstaande boom, allooi: The â fgt;rlength = de lengtestandaard of -éénheid; adj. vastgesteld; âbearer = vaandeldrager. Stang, ïtan,, lange paal of schacht: lie rode the â = hij zat schrijlings op een paal, en werd ten spot rondgedragen. Stanhope, stan(h)dp, licht tweewielig wagentje zonder kap, soort v. drukpers. Stank, stank., imperf. van to stink. Stannary, '.sfemaW, subst. tinmijn; adj. tot tinmijnen behoorende: âcourts = rechtbank voor de tinmijnwerkers in Cornwall en Devonshire; Stannic = uit tin getrokken; Stannil-erous, stanifdvds, tin voortbrengend of bevattend; Stannous = tot tin behoorend, dit bevattend. Stanza, stanza, vers, afdeeling (v. een gebouw). Staphyle. stafili, huig. Staple*, steipl, subst. stapel, vezel of draad van wol, katoen of vlas; stapelplaats, plaats van voortbrenging, voornaamste goederen of fabrikaat, hoofdbestanddeel, hoofdvoortbrengsel, kram: â of land = bijzonder goed soort land; adj. vast, verkoopbaar, voornaamst: That is the â ainusement of our village = hoofdamusement: â verb, de verschillende draden of soorten uitzoeken; âd = met een draad of vezel; âr = handelaar; âtrade = stapelhandel. Star, sta, subst. ster, sterretje (*}, gestarnte, beroemd kunstenaar (vooral voor tooneel of zang): He is a â of the first magnitude = hij is eene ster van de eerste grootte; 1 thank my â(s) for it = de hemel zij gedankt; If you don't shut up, you see âs = als je je mond niet houdt, krijg je er een. dat de vonken je uit de oogen springen; Oh, my âs (and halters) = O goeie genade!; â verb, met sterren versieren, bezaaien met iets fonkelends, schitteren, uitsteken: The aetor was âring in the provinces = de acteur gaf gastvoorstellingen in de provinciesteden; âblasting = vernietigende invloed der sterren; âblind = halfblind; âchamber = civiel en crimineel gerechtshof, vooral berucht onder Karei I; âcrossed = ongelukkig; â linch = roodstaartje; âfort = veelhoekig fort: âlish = zeester; âgazer = sterren-kijker; âgazing = sterrenkijken, beuzelen; â less; âlight = sterrenlicht; âlike = als eene ster, schitterend; âlit = helder, door de sterren verlicht; âproof = ondoordringbaar voor het sterrenlicht; âred = gestemd: His ill (evil) âred father = zijn ongelukkige vader; â ry = met sterren bezaaid, schitterend, gelijk'eene ster; âriness; âring, subst. het geven van gastvoorstellingen: 1 have several âriiig-engagements for the autumn = ik heb vele contracten gesloten, om in den herfst gastvoorstellingen te geven: âshoot = gewoon sterreschot (soort v. wier); âspangled = met sterren bezaaid; The âspangled (American) baiincr; âstone = variëteit van saffier; âtrap = tooneelluik (waardoor een geest, etc. plotseling verschijnt en verdwijnt). |
Starboard, stüböd, subst. stuurboord; adj.aan stuurboordzijde, rechtsch. Starch, staté, subst.stijfsel; adj.stijf,gemaakt, keurigjes: â respectability = het fatsoen, dat in stijve boorden, manchetten, enz. zit; â verb, stijven; -cd = gemaakt, opgeprikt; â(ed)ness; âer = stijfster; ây = van stijfsel, formeel, precies. Stare, stêa, subst. starende blik, spreeuw: lie gave me such a â = hij keek mij o zoo strak aan; â verb, aanstaren, aangapen, verschrikt of verbaasd kijken, duidelijk zijn of aan het licht komen, ernstig aanzien: Don't stand staring at me = sta mij niet aan te gapen; He âd me out of coiintenanre = zijn blik maakte mij verlegen, hij keek me brutaal aan, deed me de kluts kwijt raken; He âd me down == zijn blik deed mij de oogen neerslaan; Don't â me in the face = kijk me niet zoo strak aan; It âs you in the face = het is zoo klaar als een klontje: âr; He looked staringly at me = hij keek me aan met opengesperde* oogen. Stark, stak, streng, stijf, geheel: The good you did is â naught = is absoluut niets: lie told the ânaked truth = geheel naakte waarheid. Starling, stitlii], spreeuw, ompaling in de bedding eener rivier en van boven vastgemaakt. Start, stat, subst. plotselinge beweging (als van schrik of ontsteltenis), sprong, vlaag, (punt van) vertrek, begin: He has (got) the â of me = hij is mij vóór, heeft mij de loef afgestoken; By fits and âs = met horten en stooten, bij buien; He did it with a â = plotseling, met een ruk; He gave a â = hij sprong ontsteld op; â verb, opschrikken, opspringen, ontstellen, ineenkrimpen, vertrekken, afrijden, beginnen, aan den gang brengen, opjagen; The train âs at live = vertrekt om vijf uur; Don't â such arguments on Sundays = werp zulke kwesties niet op Zondag op; We âed a branch establishment = hebben een filiaal opgericht; The table was âed at two guineas = de tafel werd ingezet voor; He fairly âcd = schrok er bepaald van; I âed at*the sight = ik verschrikte, ontstelde op het gezicht; We are âing for America = wij gaan op reis naar A.; He âed from the hideous dream in time = hij ontwaakte (door angst, etc.) bij tijds uit dien akeligen droom; He often talks and âs in his sleep = hij praat en woelt veel in zijn slaap; Tears would â into her eyes = zij kreeg soms in eens tranen in de oogen; He may be dull at âing game, he is unrivalled in hunting it down = hij is |
man; ask = Ask; fa7'm = fiim; bwt = but; learn = l«n; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = dslip; not; \aiv = ló: lord = Hid; bo?/ = boi;
STARVE.
401
STAY.
|
misschien niet wakker bij het opjagen van wild, hij is ongeëvenaard in zijne volharding om het te vangen; lie was ugly to â with = om te beginnen: hij was leelijk; âer = die bij wedrennen, enz. het teeken van vertrek geeft, hond die het wild opjaagt; âlui = schichtig, schrikkerig; â ing; â ing-liole = uitvlucht, kijkgat; âing-poiiit = punt van vertrek of uitgang, uitgangspunt; âiiiK-puHt = beginpaal (bij een wedren; de twee andere palen zijn: de distanee-poHt en de winning-post); âingly = met rukken en horten; âish = schuw, schichtig; âie, subst. schrik, schok (door plotselinge ontsteltenis); â verb, schrikken, ontstellen, van schrik, enz. wegsnellen: He was âled at wliat lie heard tiiere = hij ontstelde van hetgeen hij daar hoorde; âling = hoogelijk verbazend, schrik aanjagend, ontstellend. Starve, stav, van gebrek en honger (doen) omkomen, gebrek (doen) lijden: He tried t« â the garrison into surrendering = hà trachtte het garnizoen door honger tot de overgave te dwingen; They were starving with eold = zij kwamen om van koude; Starvation â gebrek, het honger lijden: We were reduced to a state ot* starvation: âling, subst. kwijnende plant, uitgehongerd dier: adj. hongerig, ellendig, mager: His own threadbare and âling condition = zijn eigen treurige en ellendige toestand. Stash, staè, ophouden: â that grin = schei uit met dat gegrinnik. Stasis, stasis, stilstand van 't bloed of de sappen. Statant, steifnt. staande met de vier pooten op den grond (herald.). State, steit, subst. staat, (opgewonden) toestand, rang, stand, troon, troonhemel, luister, rijk, staatsmacht: The queen appeared in â = de koningin verscheen officieel, in allen luister; The lying in â of the king = het op het praalbed liggen des konings; Yöuneed not get into a â over it = er niet zoo driftig om te worden; adj. staatsie . . . statig, tot den staat behoorende; â verb, vaststellen, de bijzonderheden mededeelen, verhalen: 1 wish to â this first of all = eerst wensch ik dit te constateeren; Liet us â the case lucidly = laat ons het geval duidelijk stellen; â-affairs = staatszaken; âcarriage = staatsierijtuig; âcraft = (praktische) staatkunde, diplomatie: âcriminal = politiek misdadiger; âhouse = statenzaal (Amer.): âinonger = staatkundig tinnegieter; âpaper = officieel stuk; âprison = staatsgevangenis; âprisoner = staatsgevangene; âroom = staatsiezaal. kleine elegante kajuit; âtrial = gerechtelijk onderzoek in staatsvergrijpen; âd = vastgesteld, geregeld: You must keep âd hours for your work = gij moet bepaalde uren hebben voor uw werk; âless = zonder praal of staatsie; -iy = statig, prachtig, grootsch; âliness; âlily = op deftige, grootsche, statige wijze; âment = verhaal, stelling, opgave; âr = oude Grieksche munt; âs general = de Staten-generaal (Frankr.); âsmaii = staatsman, klein grondbezitter; âsmanlike, âsmanly = als een staatsman; âsmanship = staatkunde. |
Static(al), statikCI), tot evenwicht behoorende, drukkend zonder beweging voort te brengen; â» = statica, leer van liet evenwicht. Station, steië'n, subst. stand, het staan, standplaats, post, rang, (politie)bureau, station: His â in life was exalted = zijn rang in de maatschappij was hoog; 1 take (up) my â there = ik plaats mij daar: â verb, plaatsen, stationneeren: Policenien areâed at street-corners = politieagenten staan op de hoeken der straten op post; âhill = scheepsrol; âhouse = politiebureau, huis van bewaring; âmaster (mistress) = stationschef: âal = tot een â behoorende; âary = stilstaand, vast; âary-engine = vaste machine om door middel van touwen wagens, enz. te trekken; âer = handelaar in schrijfbehoeften: Fancy âer = handelaar in luxe-papier, fantasieartikelen,'enz.; âery = schrijfbehoeften. Statism. steitizm, staatkunde; Statist,sïeêïfsï. Statistician, stati.stis'n, statisticus; Statistical, stJtistikCl), de statistiek betrelfende; Statistics = statistiek(en). Stative, stciliv, tot een vast kamp behoorende. Statuary , statjiori, beeldhouwkunst, beeldhouwer, de gezamenlijke standbeelden: Statue, statjü, subst. standbeeld: A statue was erected to him = er werd een standbeeld voor hem opgericht: â verb, een standbeeld maken van of oprichten voor; Statued = van standbeelden voorzien; Statuette, stntjnet, beeldje; Statueslt;|ue, statjuesk, standbeeldachtig, kalm, onbewegelijk = Statue-like. Stature, sta tja, gestalte, lengte; âd = tot volle lengte ontwikkeld. Status, steitds, maatschappelijke rang, stand. Statute, statjüt, wet, keur, instelling: â law = de geschreven wet (tegenover Cominon law = gewoonterecht, ongeschreven wet); â of limitations = wet omtrent schuldverjaring; âcap = wollen muts; Statutable = volgens de wet. wettelijk: He was not sta-tutably eligible = volgens de wet verkiesbaar; Statutory, statjütori, volgens de wet, wettelijk voorgeschreven. staunch, stdnë, adj. sterk, krachtig, hecht, trouw, betrouwbaar: He is a â Catholic = een trouw Katholiek: â verb, stelpen, tegenhouden: He tries to â the wound in his breast = hij tracht de wonde in zijn hart te stelpen (zijne smart tot zwijgen te bréngen): âer = wie of wat stelpt: âless = wat niet te stelpen is: âness = vastheid, trouw. Staunton, stdnt'n, stónVn. Stave, steiv, subst. duig (van een vat), paal of stuk hout van aanzienlijke lengte, zang van een gedicht: â verb, in duigen slaan, doen barsten, vooruit duwen, afweren: The ship was âd = werd afgebroken, gesloopt; He contrived to â oil* actual baiikniptcy = hij slaagde er in faillietverklaring af te wenden; He tried to â off his perplexities = hij trachtte al wat hem hinderde van zich af te zetten; The fore coiiipartment is stove right in = is geheel ingedrukt (bij eene aanvaring of botsing; z. Stove); â s = Meerv. van Staff. Stavesacre, ëteivzeikd, sta verzaad. Stay, stei, subst. steun, stut, verblijf, afwezigheid, stilstand, hinderpaal, uitstel^ stag (een |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = jia; lorj^f = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; f/ms = dln;s: wine.
STAY-LACE.
462
STENCIL.
|
sterk touw, dat den mast steunt); â verb, blijven, steunen, verhinderen, uitstellen, wachten, logeeren, weerhouden, aandringen op: Will you â (for) supper? = wilt ge blijven soupeeren; We are âing at llie sign olquot; the ship = wij logeeren in het hotel (waar) âhet schipquot; (uithangt); You are âecl lor = men wacht op u; li' you â out beyond eleven, you Hiiall â quot;in to-morrow = als ge na elven uitblijft, blijft ge morgen thuis; 1 will â up for you = ik zal voor je opblijven; âs = keurslijf, korset; Tlie ship was in âs, was hove in âs = lag op den wind, laveerde; The vessel missed âs = weigerde te wenden; lie is a sad âat-hoine (man) = hij is een echte huishen; âlace = korsetveter; âmaker = korsetmaker; âsail = stagzeil: âtackle = stagtakel; âer = blijver, steuner, weerhouder. Stead, sted. subs't. plaats, plek, stede, geval, oogenblik: It has done me â. stood me in good â = het ]ieeft mij dienst gedaan, is me goed te pas gekomen: In â ol' = in plaats van; â verb, van dienst zijn, vervangen; â last, âfast, standvastig, vastberaden, onwrikbaar; âfastness: ây, adj. vast, onveranderlijk, geregeld: A ây young man = soliede jonge man; ây-going = kalm, bedaard; â verb, geregeld of bestendig maken of houden; âiness: âing = hofstede. Steak, steik, runder- of varkenslapje, etc. Steal, stil, stelen, wegnemen, steelswijze verkrijgen, sluipen: We have stolen a march upon you = wij zijn u vóór, hebben u de loef afgestoken; To â a marriage = (schaken, om) in 't geheim (te) trouwen; He stole a look at her = hij wierp een steelschen blik op haar: He stole into the house = sloop het huis binnen; He stole upon us = besloop ons; âer; âth, stelth, diefstal, het gestolene, geheime beweging: He did it hy -th = ter sluiks, steelswijze; âthy, stelthi. sluipend, heimelijk. Steam, stim, subst. stoom, uitwaseming: We went forth through the waves with all the â on = met vollen stoom gleden we door de golven; The â was put (turned) on = de stoom werd toegelaten; You must try to get â up = ge moet op gang zien te komen, stoom zien te maken; 1 have got (the) â up = ik ben in vollen gang; â verb, stoomen, opstijgen als stoom, door stoom bewegen, aan de werking van stoom blootstellen: The potatoes were âcd instead ol'boiled = de aardappelen werden gaar gestoomd in plaats van gekookt: âboat = stoomboot; âboiler = stoomketel; âcarriage = stoomwagen; âengine = stoommachine; âgauge = stoomdruk meter; âhauiincr = stoomhamer; âheat = verwarming door stoom: He intends to put in âheat = hij is van {)lan zijn huis met stoom te verwarmen: â )lan zijn huis met stoom te verwarmen: â auiich = klein stoomschip; ânavigation = stoomvaart; âpacket = mailboot; âship = stoomschip; âtug = sleepboot; âvalve = stoomklep: âvessel = groot stoomschip; âwhistle = stoom lluit; âer = stoomboot, pot of pan om door stoom iets te bereiden: ây = vol stoom, mistig. Stearin, stidrin, stearine. |
Steatite, sttdtait, speksteen. Steatoma, stidtowna, vjen, krop. Steed, stiel, (strijdgt;ros. Steel, stil, subst. staal, zwaard, groote hardheid, wetstaal; adj. stalen, als staal: â verb, stalen, (ver)harden, aan staal gelijk maken: 1 am âed against adversity = gehard tegen rampspoed; â your heart with courage = staal uw hart met moed: âclad = met staal of wapenrusting bedekt; âengraving = staalgravure, het graveeren op staal; â headed = met stalen hoofd (kop); âpen = stalen pen; âplated = met platen van staal bedekt; âtrap = val met stalen veeren: âwire = staaldraad; âworks = staalfabriek; ây = van staal gemaakt, als staal, hard, onbuigzaam; âyard = unster. Steen, stin, met steen'bekleeden; âing = de steenen binnenzijde van put of riool. Steep, stip, subst. steilte, afgrond, indoopsel, indooping, vloeibare mest; adj. steil; â verb, indoopen, bevochtigen, doorweeken, roten: âed in blood = in bloed gedoopt, met bloed doorweekt: âdown = steil; âen = steil(ergt; worden; âness = steilheid; ây = steil. Steeple, stip'l, toren met spits: âchase = wedren over heg en steg; âJack = iemand die op torens of in palen klimt voor reparatie of voor steigerwerk; â d = met torens voorzien, zich hoog verheffend. Steer, stio, subst. jonge stier, os van2â4jaar; â verb, sturen, richten, naar het roer luisteren: It will be wellnigh impossible to â clear of all these vessels = het zal haast niet aangaan om al deze schepen vrij te loopen; âage, sttridz, stuurmanskunst, het sturen, tusschendek; -age-way = voldoende snelheid om te kunnen sturen; âer = stuurman, gids; âing = het sturen: âing-gear = âing-chain metâing-wheel (stuurrad, met kettingen, touwen, enz.); âsinan = stuurman, roerganger; âmate = stuurman; âling = jonge stier. Steeve, stiv, hellen (van den boegspriet), laden en pakken (van balen); Steeving = hoek van den boegspriet met den horizon. Steganography, steganografi, geheimschrift. Stegnosis, stegnousis, verstopping; Stegnotic, stdfjnotik, subst. en adj. stoppend (middel). Stele, stil, steel, handvatsel. Stellar, stela, vol sterren, met sterren bezaaid, sterren . . . . = ây; Stellate(d), sleleit(id). stralend, gelijk eene ster; Stelliferous = vol sterren'; Stel li form = met stralen, als eene ster; Stellular, steijuld, klein en stralend (als sterren). Stem, stem, subst. stam, steel, stamvader, geslacht, loot, tak, boeg, voorsteven: A stream of iiioonlight, no thicker than the â of an arrow = een bundel stralen niet breeder dan de schacht van een pijl; The ship was filled from â to stern = van vóór- tot achtersteven; â verb, tegenhouden, zich verzetten: We â the tide, we ride the blast = wij zeilen op tegen tij of stroom, en rijden op den wind; âleaf = stengelblad; âwinder = remontoir-horloge (ook: Keyless watch); âless. Stench, stené, stank; ây = stinkend. Stcmcil, stensil, dunne metalen plaat, waaruit |
man; «sk = ask; farm = fain; bitt = b«t; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kca; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = liid; hoy = bói;
STENOGRAPH.
STICK.
463
|
modellen of letters zijn gesneden, en die voor het schilderen van deze op muren of vaten gebruikt wordt; â verb, met een â merken of verven. Stenograph, stendyraf, stuk in kortschrift: âer, stdnogrdfd, stenograaf: âie, stendgrafik, stenografisch: ây, stenogrsfl, kortschrittkunst. Stentor, stentö. Stentor, iemand met zéér luide en krachtige stem; âian, sVntöridn, âo-plionie, sVntordfonik, zeer luid klinkend. Step, step) subst. stap, trede, trap, sport, tred, kleine ruimte, maatregel, huistrap: lie work» hard, and I cannot keep â with him = hem niet bijblijven: With these allies min-iatert* have to keep â in the line olquot; march they have chosen = met zulke bondgenooten moeten de ministers rekening houden in den koers dien zij hebben gekozen: â by â = voetje voor voetje; He walked (followed) in your âs = hij volgde (drukte) uwe voetstappen: There is a flight «»1' âs before the house = eenestoep: â verb.stappen, wandelen, gaan, afstappen, vastzetten (van een mast): Here my brother â ped in = hier kwam . . . tusschenbeide, sprak een woordje mee: 1 âped after him = ik ging hem achterna; He âped into his property = hij aanvaardde zijn eigendom: âs = 'stoep; âbrother = stiefbroer: âdame, âmother = stiefmoeder: âgirl '= dienstmeisje voor ruw werk, om b.v. de stoep schoon te houden; âped gables = trapgevels: âping = stap. beweging; âping-stone = steenen in beek of moeras om op te stappen, middel: This post became a -ping-stone to greater honour = baande den weg tot grootere eer. Stephen, stiv'n: Stephenson, stiu'ns'n. Stercoraceous, sltkdreièds, als mest. van mest; Stercorary, stnkdrari^ mestvaalt (voor het weer beschut); Stercoration,slvfcdreis'n, bemesting. Stereo, stiriou, verk. van Stereotype; Stereo- grap hy,.sferio{//,e/i, kunst om vaste lichamen op een plat vlak te teekenen; Stereographictal). steridgrafikCl), naar de regelen d. âgraphy. op een plat vlak geteekend: Stereometry, steriomotri, het meten (v. d. inhoud) van vaste lichamen, bepalen van het soortelijk gewicht der lichamen: Stereopticon,steriop-tik'n, too verlantaarn met photographische schuifglazen; Stereoscope, ster ids kou p, stere-oscoop; Stereotomy, steriotdmi, de kunst of wetenschap vaste lichamen in zekere figuren te snijden of te verdeelen: Stereotype, stirid-tamp;ip. subst. metalen plaat gegoten uit een vorm van gips of papier maché naar beweegbare typen; â verb, een stereotype nemen van, onveranderlijk maken of vaststellen (dikwijls | steridtaip gesproken): Here a man gets soon stereotyped = hier begint iemand weldra te vegeteefen; Stereotypography, stiriotaipo-grefi, het drukken vlt;iri stereoty'pplaten. Sterile, steril, onvruchtbaar, dor, zonder denkbeelden; Sterility = onvruchtbaarheid, armoede aan denkbeelden; Sterilize,sïeW/air, onvruchtbaar maken, uitputten van land, roofbouwen. Steriet, stvlet, kleine steur (Rusland). Sterling, stvlir], adj. echt, onvervalscht, zuiver. |
Stern, stvn, subst. achtersteven, achterschip, achterste en staart (van dieren); adj. ernstig, i ruw, streng; âboard = achterwaartsche beweging van een schip; âchase = jacht waarbij twee schepen denzelfden koers volgen 'r âchaser = kanon gericht van uit de spie-gelpoort (aan den achtersteven): âfast = meertouw aan den achtersteven; âframe = achterwerk (van schepen); âport = spiegelpoort; âpost = achterbalk (van boot oi schip); âsheets = deel van een boot tus-i schen de laatste roeibank en den achtersteven, j stuurstoel; âway = achterwaartsche beweging van een schip; âwheel = enkel schep-; rad aan den achtersteven eener stoomboot; âwheeler = stoomboot met âwheel: âmost = geheel achteraan, het dichtst bij den achtersteven; âness = strengheid, ernst, ! barschheid. ; Sternum, slvn'm, borstbeen: Sternal, stiiril. tot het â behoorende. Sternutation, stv.njuteiamp;n, het niezen: Sternutative, stfmjütdtiv, Sternutatory, stijnjü-tetdri, het niezen opwekkend. Stertorous, stvtdrds, snorkend = Stertorian,. i stvtóridn. Stethoscope, stetlidskoup, stethoscoop. Steve, stiu, stuwen, stouwen (in quot;t scheepsruim); âdore, stiv'dö, scheepslader, sjouwerman: Dockers andâdores = dokwerkers en sjouwerlui. Stew, stjü, subst. bad, kleine vijver, gestoofd-vleesch of eten: All that â of caluiiiny and envy = al dat brouwsel van laster en nijd; Eve'rything is in a â = in beroering; You have* made a â of it = gij hebt den boel verknoeid, er een âpotjequot; van gemaakt;. â verb, stoven; âs = bordeel. Steward, stjüsd, rentmeester, opzichter, hof- en ceremoniemeester, een Staatsambtenaar; âess = hofmeesteres: âship = betrekking van â: Stewartry = Schotsche provincie onder een â; Lord High â = rechter in een geval van hoogverraad tegen een pair. Stibium, slibidm, antimonium, spiesglans. Sticcado, Sticcato, stiküdon. âfoM,instrument uit stukjes hout van verschillende lengte bestaande, en bespeeld met een hamertje. Stichomancy, stikdmansi, voorspelling uit voor de vuist opgeslagen passages in een boek. Stick, stik, subst. stok, pijp, stoot, onhandige en domme kerel: A â of sealing-wax = eene pijp lak: Composing â = zethaak; She was as cross as two âs = zoo boos als eene spin; â verb, doorsteken, steken, vaststeken, prikken, kleven, plakken, blijven, getrouw blijven: â no hills = verbóden hier iets aan te plakken; A big placard was stuck on the wall = een groot biljet werd op den muur geplakt; They stuck their heads (wigs) together = staken de koppen bij elkaar, raadpleegden onderling: He âs like a bur = hangt (aan iemand) als eene klis; He âs at nothing = hij staat voor niets = he is a âat-nothiiig fellow: He âw at no scruples = gewetensbezwaren kent hij niet; He âs by us = hij steunt ons getrouw; The carriages stuck in the mire = bleven in den modder steken; You â it on rather too stiff = ge overvraagt wel wat erg: He â s out to the last = hij houdt vol, weigert tot het laatst toe: I have |
bone = boun; full; fool = ful; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl: year \ony = loij; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhus; wine.
pa;
STICK-JAW.
464
STIPEND.
|
Htiiek out an excellent plan = ontworpen; He Htuck out Ihh legs = stak de beenen uit; They â out their Htomaclis = zetten â eene hooge borst op; His ear» â out = staan ver van het hoofd; lie âh to lii» work, and âs to Iiih IriendM = hij volhardt in zijn werk, en blijft zijnen vrienden getrouw; 1 will â up tor you as long as I possibly ean = ik zal het zoo lang mogelijk voor u opnemen: â up to that lady = quot;neem het ojj voor; â and groove = middel om vuur te maken door een puntigen stok in een gegroefd stuk hout snel op en neer te bewegen; â.jaw = kleverige lekkernijen, zoon\s treacles â¢(steken) and toffies (kokinjes); âer = incourant artikel dat lang in den winkel staat zonder verkocht te worden; âing = klevend; âing-plaster = hechtpleister; âups = vadermoorders; ây = kleverig, lijmachtig, vasthoudend ; Hints lor the ây season = wenken voor het winter(sneeuw of ijs)seizoen. Stickie, -sti/vl, zich bij eene partij aansluiten, hardnekkig op kleinigheden staan; Why should you â to going to them = waarom zoudt ge*aarzelen naar hen toe te gaan; You should not be stickling about the rights of others = ge moet geen bezwaar maken omtrent de rechten van anderen; â r = secondant bij een duel, scheidsrechter, ij veraar, bezwaren maker; He was a âr lor the dignity ol'the church = hij ijverde voor; She is a â r lor old-fashioned gallantry = zij is erg gehecht aan ouderwetsche ridderlijkheid (tegenover dames); âback = stekelbaarsje. Stiddy, stidi. aambeeld, smidse. Stiff, stif, stijf, 'onbuigzaam, vasthoudend, dicht, zwaar, kostbaar: The arithmetic was pretty â = vrij moeilijk; 1 gave it him pretty â = ik heb hem duchtig geraakt; He was â in such points = stond hardnekkig op; That is â at first = dat valt in het begin niet mee; This is the last glass of grog, but it shall be a â one = maar het zal een sterke grog zijn: We sold them at â prices = voor hooge prijzen; He is as â as a poker = zoo stijf als een stuk hout; ânecked = koppig, hardnekkig, eigenzinnig; âen = verstijven, ongevoelig maken of worden, verlammen; âener = wie of wat verstij ft of verlamt; âening. âish = eenigszins stijf; âness. Stille, staif'l, subst. knie van een paard, ziekte in de knieschijf v. dieren; â verb.verstikken, smoren, uitblusschen, dooden: The air was stilling = de lucht was om te stikken. Stigma , stigma , brandmerk, moedervlek, schandvlek; âtic. stiymatik, geschandvlekt, gebrandmerkt, misvormd; âtize, âfair, brandmerken, schandvlekken. Stile, stail, subst. naald (van den zonnewijzer), opstap (om over hekken te klimmen), loodrechte stijl (van deuren, enz.). Stiletto, stiletou, kleine degen met rond en puntig lemmet, stilet (om vetergaatjes te maken): The man was all â and mask = de man was in geen enkel opzicht te vertrouwen. |
Still, stil. subst. kalmte, stilte, distilleerketel; adj. stil, zacht, kalm, rustig, niet mousseerend (v. wijnen, enz.); Some wines are â and some' are sparkling = sommige wijnen zijn niet mousseerende, andere zijn parelend; â verb, stillen,kalmeeren, inhouden,doen bedaren, distilleeren, in druppels neervallen; âboni = doodgeboren, ontijdig, zonder succes; âburn = branden bij het distilleeren; âhouse = stokerij, branderij; âlife = stilleven; â room = distilleerkamer, provisiekamer; âatitious, stildtiéds, druppelsgewijze neervallend; âer = distillateur, wie of wat doet bedaren; âiform = druppelvormig; âing = het distilleeren, schragen om vaten op te leggen; -ness = kalmte, stilte; ây = kalm, stil, rustig. Still, stil, nog, steeds: Is not he a child â ? = is hij niet nog een kind? He was â not coming = hij kwam nog maar niet (Vergel. She is not yet eighteen = nog niet). Stilt, stilt, subst. stelt, ploeghandvatsel; â verb, op stelten zetten, aanzetten, opwinden; âed = bombastisch, opgeblazen, hoogdravend (van taal). Stilton, stilfn, soort v. vette kaas. Stiinulaiit, stimjuVnt, Stimulative, stimju-leitiv, subst. en adj. prikkelend, levenwekkend (middel), sterke drank; Stimulate,sri»^w/eiï, aansporen, aanzetten, de werking verhoogen, prikkelen; Stimulation = aansporing, prikkeling; Stimulator = aanzetter, aanspoorder; Stiniulose, stimjulous, met prikkels of haren bedekt; Stimulus, stimjulds, prikkel; Stimuli, stimjulai, stekels of stekelige haren. Sting, stil], subst. angel, stekel, prikkel, steek, grootste pijn of angst, knaging; â verb, steken, bijten (v. slangen), prikkelen, vinnige pijn veroorzaken: Your narrative âs me to the heart = uw verhaal doorboort mijn hart; Stung with sorrow = doorboord van smart; âer = stekelrog = âray en âaree, stinydri; â er = wie of wat s'teekt of bijt, vinnige slag: He received a -er in bis face = hij kreeg een harden slag in 't gezicht; âbuil = pieterman; âfish = kleine pieterman; âing = stekend, prikkelend; âless; âo,stingou, prikkelend oud bier; ây = steek-achtig, kunnende steken. Stingy, stinzi, vrekkig, gierig; Stinginess. Stink, stir^k, subst. stank, onaangename blootstelling; â verb, stinken, in slechten reuk staan: it âs in the people's nostrils = het is het volk een walg; âard = verachtelijke vent, stinkdier; âer = wat stinkt; âing = stinkend, walgelijk; âpot = stinkpot (d. i. een in vroegere oorlogen gebruikte aarden pot met brandende stoffen van walgelijken reuk). Stint, stint, subst. grens, perk, maat, zeezwaluw , bepaalde hoeveelheid, toebedeelde taak; â verb, beperken, ophouden, eene bepaalde taak aanwijzen, in een bepaalden tijd afmaken: He does not â his conlidenre = is niet karig met; They were âed to a certain number of dishes = zij mochten niet gaan boven, waren beperkt tot; âed in growth = in den groei belemmerd; âless = overvloedig. Stipe, staip (Meerv. Stipes, staipiz), stengel, stronk, stam. Stipend, staip'nd, jaarwedde, bezoldiging, inkomsten van een geestelijk ambt; âiary, staipendjdri, subst. bezoldigde, loontrekkende: |
man; ask = Ask; farm = fam; b?lt;t = but; learn = lun; line = lain; hottse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = «slip; not; law = ló; lord = löd; hoy = bói;
STOMATOMORPHOUS.
STIPPLÃ.
465
|
adj. voor een bepaald salaris dienende, loontrekkend. Stipple, stijf I, subst. en verb, (het) graveeren door middel v. stippels, popperig schilderen: âr = lijn penseel. Stipulate,s?lt;/yie/eif, eene overeenkomst sluiten, voorwaarden vaststellen,bedingen; .SïipM/oï/ogt;j; Stipulator. Stir, srö, subst. beroering, oproer, geraas, drukte, opwinding: It mnfle quite a â = baarde veel opzien: â verb, bewegen, beroeren, aanzetten, prikkelen: loli «hall not â abroad (1'roiii the liolise) to-day = ge komt vandaag de deur niet uit; He* âred the hot mixture rofiiid and round = hij roerde het heete mengsel maar steeds: Thewe measure»âred Up the nation = schudden de natie uit den slaap; âabout = ha verpap; Stir-np Sunday = de 266 Zondag na Pinkster; ârer; There ^as nobody âring in the house yet â er was nog geen gewag in huis. Stirk, stdk, jonge stier, vaars. SfiiTiin, stirop. stijgbeugel: He has his Toot in the â = hij heeft zijn voet in den beugel, komt aan den gang, etc., etc.: âcup afscheidsglaasje (op de valreep); âleather, ââ¢strap = leeren riem van den stijgbeugel: âuil = flink pak ransel. Stitcli, stits, subst. steek (in de zijde), steekje (breien), strook, voor: A â in time saves nine = werk op zijn tijd maakt welbereid; â verb, naaien, innaaien (van boeken), met de naald werken, stikken: The surgeon âed up the wound = de chirurg naaide de wond dicht; âel = soort van harige en ruige wol; âer; âiilg = het naaien, stikken, innaaien, tot (voren of) strooken vormen; âwort = sterremuur. Stive, staiv, stoppen, volstoppen, doen stikken (als in benauwde lucht). Stiver, staivd, stuiver, iets v. weinig waarde. Stoa, stou.i. portico, ingang. Stoak, stonk, verstoppen, verstikken. Stoat, stout, hermelijn. Stoecade, stokeid, stoot of uitval (schermen). Stoek, stok. subst. stam, paal, blok, zuil, botterik. voornaamste steun van iets, houtwerk van een geweer of pistool, oorspronkelijk geslacht, voorraad, veestapel, kapitaal, aandeelen, ctfecten, fonds, stropdas, bouillon: The clergyman took â uiquot; the young fellow = nam den jongen man op; The notary took â of everything = maakte een inventaris lt;begrooting) op; He took little â in the Franco-lliissian alliance = stelde weinig belang in, gaf niet veel om; He cried his â = hij prees door luid geroep zijn voorraad aan: He was put in the âs = hij werd in den stok geplaatst (een martelwerktuig); Uolling â = rollend materieel (van sporen): Our â in hand is insignificant now = onze voorhanden waren beteekenen thans niets; â in trade = voorhanden goederen, gereedschap (van werklieden); adj. overgeleverd, ouderwetsch, vast: That is a â piece = een repertoire-stuk; â verb, opleggen, vullen, voorzien, van vee voorzien, opslaan: We are well âed with everything = wij zijn ruim van alles voorzien; Being overâed, we caiinot insert your paper = aangezien wij bone = boun: full; fool = ful; a = toonloo; lon.Q = loi^; s/jip = sip; occasion = okeiz'n: ten bruggencate, Eng, Woordenboek. |
te veel copie hebben, kunnen we uw artikel niet plaatsen: âs = stok (martelwerktuig), aandeelen, effecten, raam waarop een schip wordt gebouwd: We must get it on the âs soon = wij moeten het spoedig in gereedheid brengen: Live â = levende have (op eene boerderij); Dead â = werktuigen en producten (id.); âbroker = makelaar in effecten; âdove = kleine houtduif; âexchange = effectenbeurs; âfish = gedroogde en ongezouten kabeljauw of leng: Mute as a âfish r= zoo stom als een visch; âgilliflower = winterviolier; âbolder = aandeelhouder; --jobber = effectenhandelaar of -speculant; âman = veedrijver; âmarket = geldmarkt, veemarkt; âpiece = een bij het volk geliefd tooneelstuk; ârose = stokroos; âstill = bewegeloos; âtaking = geregelde inventariseering en waardebegrooting van de aanwezige goederen; âticker = instrument, dat den stand der beurs aangeeft; âyard = omsloten plaats voor vee; âade, stokeid, subst. omheining, palisadeering; â verb, omheinen, met palisaden versterken; ây = dik, sterk, gezet. Stockinet, stokinet, rekbare stof voor japonnen, etc. Stocking, stokir], kous: He stands six feet in his âs = zonder hakken is hij zes voet lang; He wants to fill his â = hij wenscht genoeg te ontvangen: âframe = machine om kousen enz. te weven. Stodgy, stodzi, adj. dik, gezet, stijf, sterk; â verb.Volstoppen: Schools should not merely stodge us with information =descholen moeten niet alléén kermis aanbrengen. Stoic, stouik, subst. Stoicijn, iemand (zoogenaamd) onverschillig voor genot of smart; adj. stoicijnsch: âal = stoicijnsch, ongevoelig, ondoordringbaar voor genot of verdriet; âalness; â ism = leer der Stoïcijnen, ongevoeligheid. Stoke, stonk, stoken (vooral in eene machine); âhole = stookgat; â r = stoker (in Amerika alléén op stoomschepen). Stola, stoulo, los gewaad van Romeinsche vrouwen over de tunica. Stole, stoul, smalle zijden band door priesters over de schouders gedragen, japon, stola: (â room of the â = opperkamerheer. Stole, stouik Stolen, stouVn, imperf. en p. p. van to steal. Stolid, stolid, dom, ongevoelig, hartstochtloos, dwaas; âness, âity, stoliditi. Stolon, stouten, uitspruitsel dat weer wortel schiet. Stomach, maag, eetlust, neiging, moed, toorn, norschheid, aanmatiging: lit kicks at my â, turns my â = ik walg ervan; It goes against the â with me = het stuit mij tegen de borst; Such food sticks in the â = ligt zwaar op de maag, zit in de maag; â verb.slikken: He âed that injury = hij slikte die beleediging; âache = maagpijn; âpump = maagpomp; âer, stnmdtSd, keursje; âic, stemakik, subst. en adj. maag-versterkend (middel). Stomatic. stdmatik, mondmiddel; Stomatitis, stomdtaitis, ontsteking in den mond; Stonin-tomorphous, stomdtdmöfds, mondvormig. ï vokaal (zie asleep en care): girl; ?/ear = jia; thin; thxxs = dlius; wine. 30 |
STONE.
4(3(5
STORY.
|
Stone, stuun, subst. steen, edelsteen, pit, nier, glas (v. d. spiegel), gewicht van 14 pounds, orchidee (in samenst. zooals bloodâ), hardheid, ongevoeligheid: He left no â¢â niitiinied to attain liiw end = hij liet geen middel onbeproefd om zijn doel te bereiken; You cannot got blood out of a â = waar niets is heeft de keizer zijn recht verloren: I will not east the ttr»t â at liini = ik zal den eersten steen niet op hem werpen; The loHopher't* â = steen der wijzen: He killed two birds with a â = hij sloeg twee vliegen in één klap: adj. van steen; â verb, steenigen. met steenen beleggen, bedekken, bemetselen of repareeren, van de pitten ontdoen: âage = steenperiode; âblind = stekeblind; â bottle = kruik: âbreak = steenbreek(plant): âbroke = onhandelbaar, hardvochtig, schraal bij kas, aan lager wal: Your money came in |»i'eeions handy, for 1 was close on âbroke = uw geld kwam precies van pas. want ik was ..er aan toequot;: âbuck = steenbok; âcoal = anthraciet; âchat(ter) = roodborst-tapuit; âcoral = massief koraal (tegenover getakt): âcrop = rooswortel; âcurlew(plover) = griel: â cutter = steenhouwer: âdead = zoo dood als een pier; âdeaf = stokdoof: âdresser = steenhouwer, steenbikker; âfalcon = steenvalk: âfruit = steenvrucht; â-liammer = steenhamer: âhard = zoo hard als steen, ongevoelig: âhearted = met een hart v. steen: âhatch = bontbek-pluvier: âmason = steenhouwer: âpillar = steen als godheid vereerd; âpit = steengroeve = âquarry: âsquarcr = steenhouwer, steenhakker; â still = volkomen stil, bewegeloos: â's-cast. â's-throw = steenworp: Within a â's-throw = op den afstand v. een steenworp: âwall = steenen muur; âware = aardewerk of steengoed: âwork = metselwerk; âworship = steenaanbidding: âwort = kranswier: Stony = steenachtig, vol steenen. meedoogenloos, verhard; Stony-hearted = hardvochtig. Stood, stud, imperf. en p. perf. v. to stand. Stook, stuk, subst. verzamelen v. opstaande korenschoven; â verb, in schoven zetten. Stool, still, kantoorkruk, zitplaats zonder rug voor één persoon, stoelfgang), stomp waaruit I takken spruiten (zooals b.v. bij knotwilgen): ( He has given us a book which falls between two âs = een boek, dat noch het eene, noch het andere geeft of bereikt: â of repentance = zondaarsbank (voor onkuisch-heid); â verb, uitspruiten; âpigeon = lokduif, lokvogel, kooieend. Stoop, stüp, het bukken, neerbuiging, kruik of tlesch; stoep, bordes (Amer.): â verb, bukken, buigen, neerschieten (van roofvogels), neervallen, afdalen, vernederen, overwinnen: His hair is grizxled, and he begins to â = gedoken of gebukt te loopen (â in his shoulders); He âed to the meanest measures = vernederde zich: âer; âing. Stoor, stüo, subst. ronddwarrelend stof; â verb, in wolken opvliegen (v. stof of rook). Stooter, stütd, oude Ned. munt v. 121/2 c. |
Stop, stop, subst. beletsel, hinderpaal, stoornis, i ophouding, leesteeken, toets, klep, register i (orgel),einde: Full â = punt; Things have come to a â = zijn ten einde gebracht; Put a â to his nonsense = maak een einde aan zijn onzin: 1 found him on the top of the bus, and pressed him to â off = ik vond hem bovenop de omnibus, en drong aan, dat hij een tijdje met mij naar huis zou gaan; â verb, verstoppen, stelpen, beletten, verhinderen, weerhouden, onderdrukken, den klank of toon regelen (door toets of kiep): â thief = houd den dief; lile âped short = bleef plotseling staan, hield ineens op; Where are you âping? = logeert gij; âcock = kraan: âgap = noodhulp, bladvulling, stopwoord; âwatch, subst. horloge dat naar verkiezing kan worden stilgezet; adj. vluchtig, te hooi en te gras: Most of them are --watch excursionists = het is den meesten om een vluchtig (niet met een bepaald doel) bezoek te doen: â page, s^opirfz, het stoppen, tegenhouden, inhouden (v. salaris), stilstand (in handel, etc.): âper, subsi, wie of wat stopt of tegenhoudt, stop (van eene flesch), kort eind touw om vast te maken; verb, een kurk doen op, stoppen, sluiten: A âperlcss cruct = een olie- en azijnstelletje zonder stop of kurk; âping = het ophouden, verhindering; âple, subst. stop, prop: verb, met een stop sluiten. Storax, stóraks, soort v. welriekende hars. Store», stö, subst. voorraad, overvloed, groot aantal, pakhuis, magazijn; winkel (Am.); We have many articles in â = voorhanden: I set great â by your advice = ik stel uwen raad op hoógen prijs, waardeer hem zeer: 1 lay great â on my introduction by you = ik stel er grooten prijs op door u geïntroduceerd te worden; A great pleasure, a scolding is in â for you = u staat een groot genoegen, een standje te wachten; adj. opgestapeld, voorhanden; â verb, opstapelen, opleggen, in het pakhuis bergen, voorzien; The ship was âd to the last scuttle of coals = was v. alles tot het geringste toe voorzien: â« =. coöperatieve winkel of bazar: The army and navy âs = de coöperat. winkels der ambtenaren*van oorlog en marine; Baby âs = magazijnen voor kindergoed: Commissary of âs = intendant; Storage, stóridz, opberging, bergloon, opstapeling, âSammel-fleissquot;; âfarmer = veehouder; âhouse = pakhuis, bergplaats, voorraadschuur: This booklet is a âhouse of fads = dit boekje bevat een schat van feiten; âkeeper = magazijnhouder, winkelier (Amer.); âroom = magazijn kamer, bergplaats; âship = proviandschip: â r. Storicule,.stóW/r/ü.',verhaaltje; Storial.,s^6Wrgt;/, historisch, waar; Storied = beroemd, beschreven of versierd m.tafereelen uit de geschiedenis, met eene geschiedenis (in samenst.; met eene verdieping); Storiology. stóriolddzi, studie van volkslegenden en -verhalen: Story,stór/, subst. verhaal, vertelling, geschiedenis, verdieping; But that's another story = maar dat is heel wat anders, daar hebben we het nu niet over; He is wrong in the upper story = het schort hem in den bol; That is but an idle story = maar een praatje: Here my story ends = nu is mijn verhaal nit; Don t you tell stories = vertel nu |
man; ask = ask; farm = fiim; but = bot; learn = l«n; line = lain; hoitse = hans; net; lt;ia?*e = kamp;gt;; fate = feit; tin; asleep = oslip; not; law = lo; lord = löd; hoi/ = bói;
STORY-BOOK.
467
STRAIT.
|
geen leugentjes; As the »t«ry lias it, goes = zooals het verhaal of praatje luidt; verb, verhalen, vertellen, verklaren; Story-book = vertelselboek; Story-teller = verhaler, verteller, leugenaar; Story-tellins; = het verhalen, of leugens vertelfen; Story-post = stijl om eene verdieping te steunen. Stork, stök, ooievaar; â's-bill = ooievaars-bek (plant). Storm, stöm, storm (met onweer, regen, hagel, enz.), vlaag, hevige stoornis, ontroering, groote ramp: The ship was overtaken by a â = door een storm overvallen; The town was taken by â = stormenderhand: This raised a â of indignation = dit deed een storm v. verontwaardiging ontstaan; A period ol* â and streks = tijd van opwinding en onrust; The â and Stress period in Cgt;ernian literature = de âSturm und Drangquot;' periode in de D. letterkunde; â verb, bestormen, stormen, woeden: They were âed at with «hot and shell = aangevallen; âbeat(en) = door stormen geteisterd; âbird, âtineh = stormvogel; âeock; zie Missel-thrush; âdnnn = trom v. een stormsignaal: --.jib = storm-stagzeil; âsail = stormzeil; ânignal = stormsignaal; âer = bestormer; âfnl = met herhaalde stormen: âing party = aanvallende of bestormende afdeeling; ây = stormachtig, hevig, hartstochtelijk; ây-'petrel = stormvogel: âiness. Storthing, stötin. parlement v. Noorwegen. Story, stóri; Zie bij Storienle. Stot, stot, jonge driejarige stier. Stound, staund, smart, knagende of plotselinge pijn. Stoup, stüp, wijwatervat, flesch, kruik. Stour, stüj, strijd, verwarring, dwarrelend stof. Stomiord, sluiffdd. Stout, staut) subst. donker Eng. bier; adj. krachtig. Hink, dapper, sterk, gezet, vrij corpulent; âbuilt = krachtig gebouwd: â hearted = moedig, dapper; âish = vrij gezet: âness. Stove, stouv, subst. kachel, fornuis, stoof, broeikas; â verb, warm houden, verhitten: âpipe hat = hooge hoed, kachelpijp. Stove, stouv, imp. en p. p. van Stave: lier bows and bulwarks were â in, and her rudder was lost = de beide boegen en verschansingen waren verpletterd, en het schip was zijn roer kwijt. Stow, stou, stuwen, bergen, plaatsen, sjorren: â that = schei daarmede uit; âage, âidz, het wegbergen, geborgen zijn, bergplaats, be-waargeld, pakhuisloon: It is saiely âed, in sale âage = veilig geborgen of geplaatst; âaway = iemand die zich om vrijen overtocht aan boord verscholen houdt. Stowe, stou. Stowel, stouol. Straehan, strdn. Strabismus,strabiznids, Strabism. streibizm, het scheelzien; Strabotomy, stvdbotdmi, genezing van scheelheid door het doorsnijden van spieren. Straddle, strad'l, het wijdbeens staan of loopén, afstand tusschen de beenen: â verb, wijdbeens staan of loopen, schrijlings staan boven of zitten op: Yonder â cannot be the eharaeteristie of the sublime = gindsche wijdbeensche gestalte kan toch niet het verhevene voorstellen; He rode âlegged = schrijlings. |
Straggle, stray'l, afdwalen, zwerven, verstrooid zijn, in ongeregelde orde loopen (They âed after their eommander), ronddwalen, met te grooten omvang opschieten of groeien; âr = zwerver, landlooper, achterblijver, wilde tak of uitlooper: Some ârs ot'the hunting-train = eenige achtergeblevenen v. den jachtstoet; Straggling hoiiHes = verstrooide huizen; A straggling street = onregelm. straat (vooral als de huizen niet op eene lijn staan); A straggly beard = een ongelijke baard. Straight, streit, recht, direct, rechtop, oprecht, eerlijk, v. onberispelijke zeden, eenvoudig: We shail make it â = in orde brengen, recht maken; She set her furnitureâ = meubels teiecht; He is a â up and down man = door en door eerlijke vent; Do it â = direct, onmiddellijk: âen = recht maken: This mistake ought to be âened out = deze vergissing moet verholpen worden; 1 unconsciously âened myself = onbewust rekte ik mij: âener; âforward = oprecht, ronduit, eerlijk; âness; âway = onmiddellijk, dadelijk. Strain, strein, subst. inspanning, krachtige poging, streven, verstuiking, richting, lied, melodie, onderwerp, trant, stijl, deel van een muziekstuk, afkomst, ras: That is rather a â on me = dat vergt vrij wat inspanning van mij: There was a great â on the masts = de masten hadden heel wat te houden; lie read on in the same â = hij las maar âkoekoek óénzangquot; voort: Expectation is still on the â = de verwachting is nog hoog gespannen; â verb, rekken, uitrekken, verrekken, spannen, overspannen, drukken, dwingen, zuiveren door filtreeren : A âed relation = gespannen verhouding: He âed every nerve to remove the dinicuUy = hij spande alle krachten in; They â a point iii support of their friends = zij trekken de zaak zoover mogelijk; That would be â ing a point = dat zou overdrijving, overschrijding, enz. wezen; The links of the chain were rudely âed = de schakels werden ruw losgerukt; Tiiey â at (beter: out) the gnat and swallow the camel = zij zuigen (zijgen) de mug uit en slikken den kameel door: You â the law and all the rules in your support = gij verdraait wet en regel om u te dekken: We have âed the mi ik through linen = wij hebben de melk door het linnen laten loopen en gefiltreerd; To â off the water = het water afgieten (door eene zeef, etc.); All the impurities were âed out = het werd van alle onreinheden gezuiverd; You â courtesy = gij maakt te veel complimenten; âer ='zijgdoek, vergiet; âing = het inspannen, filtreeren. Strait, streit, subst. straat (tusschen twee zeeën, gew. meerv. âs), moeilijkheid, verlegenheid: The âs of taibraltar = de straat van G.; We were in a â. (in âened cir-ciiinstaiices) = wij zaten âerinquot;, in de klem; adj. nauw, beperkt, streng, moeilijk: The âest advocate of popular rights must acknowledge this = de krachtigste voorstander van volksrechten moet dit erkennen; |
|
bone = boon; full; fool = fill; d long = loi^; ship = sip: occasion = = toonlooze vokaal (zie asleep en caré)\ girl; year = jia; okeii'n; thin; thus = dims; wine. |
30*
STRAIT-WAISTCOAT.
468
STRESS.
|
â gate = nauwe poort; â verb, vernauwen, verlegen maken; âjacket, âwaistcoat = dwangbuis; âlaced = stijf of strak geregen, gedwongen, stijf, onnatuurlijk, overdreven: âlaeeu formality = onnat. vormelijkheid; âen = nauw maken, beperken, strak aanhalen, verlegen maken, in geldverlegenheid brengen: This circuniMtaiice lias âeiie«l me in moiiey-iiiatter» = deze omstandigheid heeft mij op geldelijk gebied in ongerief gebracht; ânes» = bekrompenheid, gestrengheid, verlegenheid. Strake, sïrei/t, band om de velling v. een wiel. gangplanken (op een schip). StramaHii, slrdmas, subst. verwarring, strijd, rumoer, worsteling; â verb, slaan, dichtgooien, breken. Stramineous, straminjds, van stroo, licht. Strand, strand, subst. strand, kust, land, streng, kronkel (van een touw): I used my skill in smootliiiig the âs of their lives = ik deed mijn best om de oneffenheden uit hun leven weg te nemen; â verb, op het strand (doen) loopen, stranden, tot stilstand brengen, verlegen maken ; âwolf = gestreepte hyena. Strange, streinz, vreemd, zonderling, onbekend, ongewoon, wantrouwig: â to say, lie did not know me = en 't is raar, maar hij kende me niet; âness; âr, subst. vreemdeling (tegenover Foreigner = iemand uit een ander land), onbekende, gast, oningewijde: This foreigner is no âr here = deze buitenlander is hier goed bekend; lie is a âr to onr plans = hij is niet op de hoogte met: â verb, vervreemden. Strangle , Strang'I, worgen, onderdrukken, verstikken; âr = worger; âs = (wilde) droes (bij jonge paarden en varkens); Strangulated , straiigjuleitid, onregelmatig, tot stilstand gebracht (v. bloed, enz.) door samendrukking: Strangulated hernia = beklemde breuk; Strangulation, strxnyjuleiamp;n, worging, beklemming. Strap, strap, subst. riem (scheerriem = Strop), ijzeren plaat om twee stukken hout te verbinden, bretel; â verb, met een riem vastmaken, ermee afranselen, aanzetten op een riem; â shaped = lang en smal gevormd; âper = lange krachtige vent; âping = flink, groot en sterk gebouwd: A âping young fellow. Strasburg, strdsbóg. Stratagem, stratddz'm, krijgslist, sluwe zet, list. Strategic(al), strdtedzikCl). strategisch; âs = krijgswetenschap = Strategy, stratMzi, (als zoodanig verschillend van krijgskunde); Strategist, stratddzist, krijgskundige. Strath, strath, riviervallei. Stratification, stratifikeié'n, laagvorming; Stratiform = in den vorm van lagen; Stratify, strati fax, inlagen vormen of rangschikken; Stratigraphy = wetenschap der laagvormin-gen; Stratum, streiVm, laag, weefsel. Stratography, strotogrdfi, legerbeschrijving. Stratus, strêitds, groote horizontale wolkenmassa, die als het ware op den grond rust. Straw, stro, stroo, stroohoed (fam.): 1 do not care a â (two âs) = ik geef er geen zier om; It is not worth a â = het is geen lor waard; He is a man of â = stroopop. |
nietsbeteekenend man, oplichter, denkbeeldig wezen; Women in the â = kraamvrouwen: We got from the bed on the â = wij kwamen van den wal in de sloot; He does not sit here to pick âs = hij zit hier ook niet om vliegen te vangen (d. i. 'voor niemendal); You have been picking âs = gij zijt aan het stroo dorschen geweest; âbail = waardelooze borgtocht; âberry = aardbei; -berry-leaves = hertogdom '(aangezien in de hertogskroon acht aardbeibladen zitten); -berry-tree = aardbeziënboom; âbid = waardeloos bod (omdat de bieder zijne verplichtingen niet kan of zal nakomen; Amer.); âbuilt = van stroo gemaakt; âcolour = lichtgele kleur; âcoloured = lichtgeel,stroo-kleurig; âcutter = hakselmachine; âhat = stroohoed; âpaper = stroopapier; ârope = strootouw; â y = van stroo, als stroo. Stray, sir ei, subst. verdwaald dier; adj. verdwaald: The boy looked like a â babe from Faradise = als een uit het paradijs verdwaald kind; â notes on Pronunciation = losse wenken over uitspraak; â verb, zwerven, dwalen, afdwalen, verkeerd doen: He âed from the right path = hij raakte van het goede pad af; âer, âling = verdwaalde, afgedwaalde. Streak, strik, subst. streep: I had a â of luck, and followed it up = ik had een kansje, en maakte er gebruik van; â verb, strepen vormen, schakeeren; âed = gestreept, geschakeerd; ây = gestreept, vet en mager beurtelings (als ham). Stream, strim, subst. stroom: Tributary âs = zijrivieren; You are going against theâ = ge roeit tegen den stroom op; Up, down the â = stroom op, stroom af; â verb, stroomen, uitstroomen: âing flags = waaiende, wapperende vlaggen; âer = wimpel, lichtr bundel (van uit den horizon); âlet = stroompje, riviertje; â y = rijk in stroomen of lichtbundels. Streel, stril, sleepen: Her train âed after her like the tail of a comet = haar sleep volgde haar gelijk den staart van een komeet. Street, strit, straat: In (the middle of) the â = (midden) op straat: The â was blocked, stopped up = de straat was versperd; âarab â verwaarloosd kind; âcar = tramwagen (Amer.); âdoor = voordeur; âorderly = straatveger, vuilnisman: âsweeper = straatveger; âwalker = iemand van de âdemi-mondequot;, zedeloos vrouwspersoon. Strength, stre7\th, kracht, spierkracht, sterkte, taaiheid, steun, invloed, levendigheid, stoutheid van opvatting: He claimed acquaintance with me on the â of having seen me there = hij zeide dat hij mij kende op grond dat hij mij daar gezien had; He recovered â very soon = hij kreeg weldra zijne krachten terug;* âen = versterken, bevestigen, doen toenemen; âener = versterker, versterkend middel. Strenuous, strenjuds, vurig, ijverig, dringend, krachtig: â exertion = krachtige poging of inspanning; -ness; Strenuosity, strSnjuo-siti, het wérken op, of jagen naar elfect. Stress, stres, subst. nadruk, klem, aandrang, kracht,gewicht: Principal, Kvenâ= hoofdklem, zwevende klem; 111 through â of work |
man; ask = ask; farm = fain; hut = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; lazv = ló; lord = löd; bo*/ = bói:
STRETCH.
STRING.
469
|
= ziek door overwerken; He laid â upon it = hij drong er op aan, legde er nadruk op; â verb, den nadruk of klem leggen op: The Heronil Hyllable is âed = dé klem valt op de tweede lettergreep. Stretch, stretS, subst. uilgestrektheid, moeite, worsteling, inspanning, richting: 1 have worked six hours at (on) a â = achtereen, zonder ophouden; You eau get this at a â = desnoods; â verb, uitstrekken, uitsteken, rekken, inspannen, overdrijven, met volle zeilen varen: His life was not such as to warrant âing a point in his I'avour = zijn leven was niet van dien aard, dat wij gerechtigd zijn te zijnen behoeve wat te tlatteeren of te overdrijven; Shall 1 â the gloves for you? = zal ik uwe handschoenen even oprekken: i want to have my shoes âed = ik moet mijne schoenen op* de leest laten slaan; I want to â my legs = ik moet eens even opstaan en rondwandelen; To â metals = metaal pletten; You are âing the truth = ge doet der waarheid geweld aan; lie âed forth his hands = hij stak zijne handen uit; âer = rekker, draagbaar, spoorstok (waar de voet op rust) van den roeier; âer-bearers = de soldaten aangewezen om gewonden weg te dragen: âing course = reeks steenen horizontaal in een muur, streksche steenen. Strew, .s-?r«,(be)stroolen, verspreiden, bezaaien, uitstrooien: Illustrations â almost every page = bijna iedere bladzijde is rijkelijk geïllustreerd; âing = het strooien, wat gestrooid wordt. Stria, straid, groef, fijne streep: âte(d),strai-cit{id), gegroefd, met fijne lijnen of strepen gemerkt; âtion. straieiè'n, het gegroefd zijn; âture = ligging der groeven. Stricken, striken, geslagen, ver gevorderd: He is â in years = hoog bejaard; Come to my heart, my own â deer = kom aan mijn hart, gewonde lieveling (eig. hert). Strickle, strik'l, afstrijkstok (bij het graan-meten), wetsteen voor zeisen. Strict, .strikt, precies, nauwkeurig, streng: He kept a â watch over us = hield streng toezicht; âness; âure, striktjd, strenge kritiek. strictuur: 1 object to your âures = ik teeken protest aan tegen uwe scherpe aanmerkingen. Stride, straid. subst. groote stap, schrede, klein eindje, snelle voortgang: It's only a â = het is maar een hanescbred, kleine afstand; â verb, groote stappen doen, afstappen: He strode up to me = hij stapte naar mij toe. Strident, straid'nt, krassend, hard krakend: Stridor, straicte, hard krassend of krakend geluid; Stridulate, stridjuleit, een hard en krassend of krakend geluid maken; Strïdu-lation = het voortbrengen van een piepend en krassend geluid (zooals van krekeltjes b.v.), krassend en piepend geluid: St millions, srri-djulds, Stridulatory, slridjuleiteri,krassend,: piepend, knappend. Striljp, struif, strijd, twist, vijandschap. Strig, strig, benedenst engel van bloem of blad. Strike, straik, subst. strijkbout of strijkstok (bij het graanmeten), eenwerkstaking; i |
â verb, slaan, stooten, botsen, treilen, strijken, afstrijken (bij het graanmeten), strijken, licht aanraken, eene werkstaking beginnen, wortel schieten, munten, stranden of stooten op: Toâ lire = vuur slaan; lie has struck lioine = raak geslagen; The labourers have struck work = arbeiders . . . het werk gestaakt; We struck sail = wij streken de zeilen; The camp was struck, marching orders having been received = het kamp werd opgebroken, aangezien een bevel tot oprukken gegeven was; \Ve could â no soundings there = konden er geen grond vinden; lie began to â foolish attitudes = hij begon dwaze houdingen aan te nemen; l^ach of them struck an attitude = zette zich in postuur, nam eene bepaalde houding aan; We struck a bargain = wij sloten een koop; Heaven has struck him blind, dumb = de hemel heeft hem met blindheid, stomheid geslagen; It âs me that you are pale = het valt mij op: Shall we *â accounts? == de rekeningen opmaken, afsluiten; Our ship struck a hidden rock = ons schip stootte op een verborgen rots; We struck oil = wij vonden olie (petroleum); He has struck oil = eene rijke bron van inkomsten gevonden; Several new coins were struck =er werden onderscheidene munten geslagen; We struck hands with them = wij sloten een verdrag met hen; He struck at my heart = richtte een slag op; The moment he comes back, I â for a subscription = schiet ik uit den hoek om hem te laten inteekenen; â oil' a shilling = doe er een sh. af: Here the cricket struck in = hier viel het krekeltje mee in, begon mee te doen; lie died of small-pox struck in = naar binnen geslagen; TH try to strike in with your wishes = ik * zal trachten overeenkomstig uwe wenschen te doen; He struck off the heads of all the poppies = hij sloeg af; Struck on a girl = verliefd; He struck out forcibly = hij sloeg krachtig armen enbeenen uit (bij* het zwemmen); Why did you â out this word? = waarom hebt* ge dit woord doorgehaald; I have struck out an entirely new plan = ik heb een geheel nieuw plan verzonnen: The band struck up (with) the national anthem = de muziek begon (het concert) met het volkslied; I have strnrk up a friendship (an acquaintance) with him = vriendschap (kennis) met hem aangeknoopt; The man was stricken in age = hoogbejaard; âmeasure = strijkmaat (waarbij met den afstrijkstok alles vlak wordt gemaakt); âr = wie of wat slaat, treft, enz.; ruzieachtig persoon, werkstaker, een der cricket-spelers (ook Katsman genoemd); Strik ing = treffend, aandoenlijk, verrassend, krachtig: \ striking-looking person = met een opvallend uiterlijk. String, strh\, touw of touwtje, reeks, serie, aaneenschakeling, snoer, snaar, koord, vezel, spier: He has two âs to his bow = hij heeft meer dan een middel bij de hand, heeft twee bedoelingen op het oog; Have you got a bit of â for me? = hebt ge ook een touwtje voor me; A â of endearing names = eene reeks .,lievequot; namen; A pretty â of prattling schoolgirls = een snoezig'troepje babbelende schoolmeisjes; Schubert's Ouar- |
bone = boun; full; fool = ful; j = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl; j/ear = jia; \ong = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dims; wine.
STRING-BAND.
470
STUD.
|
tetfe lor âs = S.,s kwartet voor strijkorkest; â verb, besnaren, aan een touwtje rijgen, spannen, van snaren of vezels ontdoen: All hie* nerves were strinit; to the iitinoHt = al zijne zenuwen waren ten hoogste gespannen: She lelt completely strung up = zij voelde zich zeer krachtig én vol leven; Have you strung the beads? = de kralen aangeregen; âband = strijkorkest = âed-band (tegenover tvindlt;band = blaasorkest, en brassband = fanfarekorps); â-beans = snijboonen (Amer.): âboards = de deelen der trap waarin de treden bevestigd zijn; âed = van snaren voorzien; âer = wie besnaart, aanrijgt, etc., dwarsbalk, verbindingsbalk; âless = zonder snaren; ây = vezelig, touwachtig, krachtig: ây-bark = bast van den reuzen-eucalyptus; *âbarker = jong kolonist (omdat ze in huizen woonden van ây-bark gemaakt). Stringency, strinz'nsi, strengheid, preciesheid, schaarschte, duurte: Stringendo. strin-dzendon, met versnelde maat; Stringent = precies, streng, bindend; Stringeiitness. Strip, strip, subst. reepje, strookje, vernietiging; â verb, afstroopen. ontkleeden. ontdoen, berooven, wegnemen, afvellen: llewasâped of everything = van alles beroofd: âper; âping8*= de laatste melk uit eene koe. Stripe, straip, subst. streep,striem,slag, kleur (als insigne van eene partij): He has got (lost) his â s = hij is van soldaat korporaal of sergeant geworden (en omgekeerd); â verb, strepen vormen, striemen; âd = gestreept. Stripling, striplin,, subst. en adj. aankomend of jeugdig (man), jong meisje. Strive, straiv, streven, zich inspannen, pogen, mededingen, strijden: He strove against his weakness â hij streed tegen zijne zwakheid; âr. Stroke, stronk, subst. slag, botsing, streep, trek, haal. zet, stoot, liefkoozing, plotselinge ziekteaanval, ellende, smart, slag (van een roeiriem), achterste roeier in eene boot (die den slag aangeeft,ookâoargenoemd): This is a good â = een goede zet, stoot, enz.; I have done a good â of business = ik heb een goeden slag geslagen; â of grace = genadeslag; It was on the â of eleven = op slag van; He fetched ine a back â = hij gaf mij een slag in \ geniep, steek onder water; He rowed â in our boat = hij gaf den slag aan in onze boot; â verb, streelen, in ééne richting strijken, glad strijken, den slag aangeven: You â him the wrong way = gij jaagt hem het land op; You do nót know how to â him the right way = gij weet hem niet aan té pakken; â r = wie strijkt of streelt, strijkdokter; âsman = achterste roeier. Stroll, stroul, subst. wandeling (dood op zijn gemak); â verb, zwerven, wandelen, ronddwalen; âer = zwerver; âing actors = reizende tooneelisten: âing-booth = kermistent. Stroma, strouma, laag. |
Strong, stroii, sterk, krachtig, hevig, vurig, vast, flink, gezond, in getal, benevelend of koppig (van dranken): The ship was sailing on under a â breeze = onder een krachtige bries; What you pretend there is coming it â = wat ge daar beweert is sterk gezegd: He used â language = hij vloekte; He is a little too â = hij overdrijft wat al te zeer; âbox = geld- of brandkast; âlixed = goed of krachtig gevestigd; âframed = krachtig gebouwd; âhold = vesting, fort; âminded = met krachtige ziel, mannelijk (vooral van vrouwen); âset = krachtig, stevig; â verbs = sterke werkwoorden; âwaters = gedistilleerde dranken. Strontium, stronèidm, strontium. Strop, strop, subst. scheerriem, rond gespleten touw voor een katrol of blok; â verb, scherp maken: The bird âped his beak upon the tree. Strophe, stroufi, deel eener ode, strophe; Strophic, stroufik, strophisch. Strophulus, stroufjulds, spruw. Stroiiding, strandh], grof soort van laken. Strove, strouv, imperf. van to strive. Strow, stroiv; Zie Strew. Strown, stroun, p. p. van to strow. Struck, strnk. imperf. en p. p. van to strike; âmeasure = Strike-measure. Structure, strnkijd, (groot) gebouw, vorm, maaksel, schikking, inéénzetting; Structural, stroktjar'l, tot den bouw of den vorm behoo-rende: âd; âletss. Struggle, stmg'l, subst. worsteling, strijd, poging ter verkrijging of afwending: The â for life (existence) = de strijd om het bestaan; The â of life = levensstrijd; â verb, worstelen, zwoegen, strijden: He âd hard to get out of it = hij deed zoo hard mogelijk zijn best, om er uit te komen; âr. Struin, strvm, krassen (op eenig snaarinstrument): 1 heard the âining all the evening = ik hoorde dat getjingel den geheelen avond. Struma, striimd, kropgezwel, uitwas; Stru-mose, strumous. Strumous, strümos, met uitwassen, klieren. Strumpet, strmnpdt, subst. gemeen wijf, slet; â verb, lasteren, gemeen leven. Strung, strvi^. imperf. en p. p. van to string. Strut, stmt, subst. trotsche majestueusegang, gemaakte deftigheid bij het loopen, stut; â verb, trotsch en gemaakt deftig slappen: âter. Struthious, strüthids, gelijk een struisvogel. Strychnine, striknin, strychnine (vergif). Stub, stob, subst. stomp van een boom, het overblijvende, hoefnagel; â verb, uitroeien, met de wortels uitrukken, met den voet stooten tegen: ânail = korte, dikke spijker; âbed = stomp, kort en dik, gehard, kieskeurig: -by = vol stompen, kort, dik, grof; âbiness: â ble = stoppel; â blefed = met hettusschen stoppels groeiende gras gevoed; â ble-lield = stoppelveld; âbly = met stoppels bedekt, als stoppels, kort en dik. Stubborn, stnUn, hardnekkig, koppig, halsstarrig, weerspannig, volhardend, ruw, mee-doogenloos, onhandelbaar; âness. Stucco, stvkou, subst stukadoorskalk of-werk: â verb, stukadoren, bepleisteren;âed,stagt;A:owrf. Stuck, stok, imperf. en p.p. van to sticky lie stares like a â pig = hij kijkt of hij het in Keulen heeft hoeren donderen; A âup fellow = een pedant of trotsch kereltje. Stud, stvd, subst. stoeterij, verzameling v. paarden voor wedrennen, rijden, enz., knop. |
man; ask = ask; farm = lam; bi^t = but; learn = Km; line = lain; house = haus; net; care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; boy = bói;
STUD-BOLT.
471
STYGIAN.
|
paal, balk, overhemds- of manchetknoopje: â verb, met knopjes of spijkertjes bedekken of versieren: The eiitrjinre ol* the lioiiHewaH low âdetl = de ingang was laag onder verdieping: A high âded room = eene hooge kamer; The âding had already given shape to thé building = het paal- en balkwerk deed den vorm van het gebouw reeds onderkennen: âded with quotation» = vol aanhalingen; âbolt = steunbout: âbook = register van raspaarden, veestamboek; â horse = raspaard, dekhengst: âgroom = pikeur: -ding-sail = lijzeil. 8(udent, stjüd'nt, student, geleerde, onderzoeker; âship = het student zijn; Studied, stndid, bestudeerd, onderzocht, wei overwogen, gestudeerd: lie did it studiedly = met voordacht; Stiidier, stntlja, student; Studio, stjikdjou, atelier (van beeldhouwer of schilder); Studious, stjüdids, vlijtig, ijverig, leergierig, overlegd, zorgvuldig: He is quot;studiousol'per-Ibrming your wishes = hij doet zijn best uwe wenschen te vervullen; Studiousness; Study, stvdi, studie, oplettendheid, hetbestu-deerde, studeervertrek: lie is a lt;|uick study = kan vlug leeren: This actress is aqiiiek sfudy = deze actrice kan vlug rollen leeren; lie was in a brown study = hij was in somber gepeins verzonken; I'll make it my study to please you = ik zal mijn best doen* het u naar den zin te maken; â verb, studeeren, bestudeeren, nadenken, ijverig zijn, ijveren: I have studied you in everything = ik heb steeds getracht, al uwe wenschen te voorkomen. Stula, stüfd, straal van stoom die in vulkanische streken uit den grond komt. Stuff, stvf, subst. stof, materie, goederen, prullen, benoodigdheden, drankje, malligheid, dwaasheid: What you say there is â and nonsense = wat ge daar zegt is klinkklare onzin; This poetry is â ami trash = deze poëzie is armzalige rijmelarij; â verb, volproppen, vullen, volstoppen, opzetten (van dieren), netjes en vast pakken of stoppen: A âcd tiger = opgezette tijger; The birds had âled their nests in all corners = in alle hoeken hadden de vogels hunne nestjes gemaakt: âer = wie of wat stopt of vult; âing = het opvullen, vulsel (vooral bij gebraden vogels,etc.): The long-expected gush of âing issued forth = de lang verwachte stroom van vulsel barstte uit (den opengesneden vogel): âing-bo\ = hennepbos (om zuiger en cylinder luchtdicht te maken); ây = benauwd, benepen, volgepropt; nijdig of norsch (Amer.); âiness; A hot and ây theatre = eene heete en benauwde schouwburgzaal. Stnlm, stvlm, schacht om water uit eene mijn te halen. Stultify, stnltifai, dwaas maken, verdwazen, onbeteekenend maken, krankzinnig maken, zich zelf tegenspreken (reflex.): Stultilier: Stuttifi-calion; Stiiltiloqnence, stvltildkiu'ns, ijdel gesnap, zotternij: Stultiloquent. Stumble, stvmb'l, subst. struikeling,domheid, vergissing; â verb, struikelen, strompelen, knoeien, met den voet tegen iets stooten, tot misdaad of dwaling vervallen, toevallig treffen: |
I stumbled on it when looking for something else = ik trof het toevallig toen ik naar wat anders zocht; âr; Stumbling-block = struikelblok = Stunibling-stone = steen des aanstoots. Stump, stvmp, subst. stomp, stompje, paaltje van een wicket (bij het cricketspel), doezelaar: lie went (was) on the â = hij ging het land door redevoeringen houdende; He lias taken to the â = hij houdt verkiezingsredevoeringen; âs = beenen; â verb, tot een stomp(ie) maken, redevoeringen houden, stijr of onhandig loopen; Three candidates went âing = hielden in het district verkiezingsredevoeringen; He âcd the country = hij reisde al redevoeringen houdende het land af; We have âcd it = wij zijn er uitgesneden; Xow I am âcd = zit ik er in, ben ik verlegen; âorator = verkiezingsredenaar, bombastisch spreker; âoratory = verkiezingswelsprekendheid; âspeaker = populair politiek redenaar (Amer.); âspeech = verkiezingsrede, bombastische toespraak; ây = vol stompen, knoestig, dwergachtig, klein, kort en dik. Stnn, stvn, verdooven, bedwelmen (door een harden slag), verbazen; âner = wie of wat bedwelmt of verbaast: Isn't he a âner? = is hij niet een kranige, bovenste beste vent; That's a â ner= dat is een kolossale leugen, beneemt je den adem, overdondert je; A âning thing = iets dat verbazend groot, mooi, enz.is. Stiindist, stnndist,protestantsch afgescheidene in Rusland (omdat hun dienst een uur duurde). Stung, stm\i imperf. en p. p. van to sting. Stuuk, 8tvr\k, imperf. en p. p. van to stink. Stnnt. stunt, subst. belemmering (in den groei), iets dat in den groei achterlijk is; â verb, belemmeren, den groei beletten; âed(ness). Stupe, stjiïp, subst. touw, vlas of flanel als compres gebruikt: â verb, stoven, warm maken. Stupefaction, stjüpifakamp;n, subst. bedwelming, verdooving, gevoelloosheid,stompheid; Stupe-facicnt, stjüpifeiëdnt, subst. en adj. bedwelmend of verdoovend (middel) = Stupefactive; Stupefy, stjnpifm, bedwelmen, verdooven, gevoello'os maken; Stupefier; Stupendous, stjïipendds, verbazend groot, kolossaal, machtig; Stupid, stjüpid, stom, dom, onzinnig, dwaas, lomp; Stupidity, stjupiditi, domheid, stompheid = Stupidiicss: Stupor, stjüpd, gevoelloosheid, stompheid (in zedelijken zin). Stupose, stjüpous, vol draden, behaard (van planten). Stu prate, stjiipreit, verkrachten; Stupration. Sturdy, stïidi, subst. hersenziekte (bij schapen); adj. krachtig, stoer, forsch; âbeggar = vagebond. landlooper; Sturdiness. Sturgeon, stiïdè'n, steur = Stiirionian, stu-riounfn. Stutter, stvtd, subst. aarzeling, stameling; â verb, stamelen, stotteren: âer; He brought it out âingly = hij kwam er stotterend mee voor den dag* Sty, stai, subst. varkenshok, vuile plaats, huis van ontucht, stijgje of strondje (op het oog); â verb, in een kot of varkenshok sluiten, klimmen. Stygian, stidzdn, tot den Styx behoorende, hêlsch: â darkness = helsche duisternis. |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; ?/ear = Jia; long = loij; ship = sip; occasion = okeiy/n; thin; thus = dims; wine.
STYLE. 472 SUBLIME.
|
Style, stall, subst. stilus of schrijf-of graveerstift, stijl, naald van een zonnewijzer, eigenaardige manier, mode, smaak: Slew â = Gregoriaansche tijdrekening; Old â = Juli-aansche tijdrekening; That is the â = zoo hoort het, zoo is het naar den aard; lie lives in â = voornaam; In good â = volgens goeden smaak; â verb, betitelen, noemen, aanwijzen: ât = stilet, stijl, tentijzer (om eene wond te peilen); Styliform, stailiföni, pen- of pinvormig, als eeiie stift; Stylish = naar de mode, lijn, opzichtig: A stylish dreHs = een âchiquequot; japon; Stylist = meester van letterkundigen stijl (dikwijls in den zin van iemand, die door zijn stijl naar ellekt jaagt). Stylite, stailait, een Oostersch kluizenaar, die op eene hooge zuil zijn verblijf had, waar hij altijd moest staan. 8tylubate, staildbeit, basis, piedestal, onderbouw van een tempel; Stylobation = piedestal van eene zuil; Styloid, stailuid, als eene zuil. Stylography, stdilogrdfi, teeken- of graveer-methode mét de stift. Styptic, stiptik, subst. en adj. (bloed)stelpend (middel); Styptieity, stiptisiti, bloedstelpend vermogen. Styria, stirid, Stiermarken; ân, subst. en adj. (bewoner) van Stiermarken. Suable, siüdVl, vervolgbaar (in civiele zaken): Suahility, siüdbiliti, vervolgbaarheid. Siiant, Siient, siiidnt, elfen, éénvormig, glad. gelijkmatig. Suasihle, sweizib'l, overreedbaar; Suasion, sweiïn, overreding; Suasive, sweiziv, overredend. Suave, sweiv, vriendelijk, met aangename manieren; Suavity, sivaviti, vriendelijkheid, minzaamheid, lieftalligheid. Sub, sagt;amp;, ondergeschikte; in samenst.: eenigs-zins, zoowat, onder, lager dan: âarctic = nabij den Noordpool; âbeadle = onderpedèl; âbreed = onderverdeeling van een ras; âbrigadier = tweede luitenant bij de Horse Guards; âclass = onderafdeeling; âcoin-uiittee = subcommissie; âcontract = ondercontract; âeditor = tweede redacteur: âgenus = onderverdeeling van een geslacht: âorder = onderverdeeling van eene orde; âprior = onderprior; ârector = conrector: âspecies = tweede soort; âtutor = ondermeester; âtreasury = schatkist van een district tegenover die van den staat; â variety = tweede varieteit. Subacid, sobasid, subst. en adj. zuurachtig(e stof). Subacrid, svbakrid, tamelijk scherp of prikkelend. Subact, snbakt, onderwerpen; âion = onderwerping. Subaerial, svbeiiridl, onder de lucht. Subah, sübd, provincie (Indië); âdar,slt;lamp;arfa, gouverneur eener provincie, kapitein. Subalpine, Sübalpain, lager dan de Alpen. Subaltern, svb'ltvn, svbóltdn. subst. en adj. ondergeschikt (ambtenaar of officier onderden rang van kapitein); âate, svbdllvnit, orjder-geschikt, opvolgend. Subaquatic, subdkwatik, Subaqueous, svb-eikwids, onder het water (gevormd). Subaxillary, svbaksifori, onder den oksel. |
Subcelestial, svbsilestjdl, aardsch. Subcentral, sobsentr'l, onder of nabij het middelpunt. Subclavian, Süb/c/eivy'n, onder het sleutelbeen. Subconseious, sobkonêas, nauwelijks bewust. Subcordate, snbködeit, eenigszins hartvormig. Subcostal, svbkosd, onder de ribben. Subcranial, svbkreinfl, onder den schedel. Subcutaneous, svbkjuteinws, onder de huid: â injection = onderhuidsche inspuiting. Snbdêaron, snbdik'n, geestelijke (K. kerk). Subdean, svbdin, onder-deken(E.kerk); Suii-decanal, svbdikein'l, tot een â behoorende. Subdistinction, sv.bdistifiks'n, tweede onderscheiding. Subdivide, sv.bdivaid, in onderafdeelingen verdeelen; Subdivisible, svbdivizibl, onderverdeelbaar; Subdivision, svbdiviz'n, onderafdeeling. Subdoniinant, svbdomirCnt, de vijfde toon beneden of de vierde toon boven den grondtoon. Subdue, svbdjü, voorgoed onderwerpen, ten onder brengen, overwinnen (door redeneering, vriendelijkheid, enz.), temmen, inhouden, onderdrukken,' verzachten: Subdued hiiinoiir = kalme, ingehouden humor: âr = overwinnaar, onderwerper. Subereous, siubtrids, Suberose. siübaraus, knrkachtig,zacht, elastisch; Suberic,siuberik, tot kurk behoorend, dit bevattend. Subglacial, svbgleië'l, onder een gletscher. Subjacent, svbdzeis'nt, lager liggend. Subject, snbdzdkt, subst. onderdaan, onderwerp, behandelde zaak of persoon, thema, lijk voor dissectie, het âsubjectquot;, de ikheid: 1 approached the â with great predilection = ik ging aan de taak met groote voorliefde; We shall not dwell on this â any longer, and touch upon an other â = wij zuilen hierbij niet langer stilstaan, en een ander onderwerp aanroeren; adj.onderworpen, blootgesteld, vatbaar, onderhevig, genegen: â matter = onderwerp van gedachte of gesprek. Subject, sdbdzekt, onderwerpen, brengen tot, blootstellen, verplichten; âion = onderwerping, afhankelijkheid; âint (svbdzï)ktist),âl\ist = aanhanger van â ivisni, d. i. de leer, dat alle menschelijk weten subjectief is: âive = subjectief; â iveness, âivity, svbdzdktiviti, subjectiviteit, ikheid. Subjoin, Sdbdzóin, toevoegen, achteraan voegen: 1 â the lollowing remarks = ik voeg hier de volgende opmerkingen bij; âed = hiernevens; Subjunction = bijvoeging, toevoeging; Subjunctive = aanvoegende, onderstellende (wijs). Subjugate, snbdzugext, onder het juk brengen; Subjugation; Subjugator = onderwerper. Sublate, snbleit, wegvoeren, verwijderen. Subiet, svblet, weer aan een ander verhuren. Sublimate, snblinieit, verb, sublimeeren (d. i. een vast lichaam door hitte in dampvorm igen toestand brengen en dat door verkoeling weer tot vasten toestand kan worden gebracht), veredelen, verhoogen: Our time tries to â away many dogmas = vele leerstukken te doen verd'wijnen (en zoo tot den oorspronkelijken en reineren godsdienst terug te keeren); subst. (.s»WimiO, sublimaat: Sublimation = het sublimeeren; Sublime. |
man; ask = ask; form = fiim; hut = bot; \earn = Iwn; line = lain; howse = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló lord = löd: bof/ = bói:
SUBLINGUAL.
SUBSTANCE.
473
|
sdblaim, adj. verheven, hoog, voortreffelijk, indrukwekkend, opgewonden: The Hiiblimc = het verhevene; Sublime Porte = de Verheven Porte; â verb, verheffen, verhoogen. verbeteren, veredelen, vatbaar zijn voor subli-meeren; Sublimity, sdhlimiti, verhevenheid, zedelijke grootheid,quot; grootschheid, majesteit. Sublingual, svblingw'l, onder de tong. Subluuary, svblün.)ri, ondermaansch, aardsch. Submarine, svbmortn, onderzeesch. Submaxillary, svbmdksiteri, onderkaaksch. Suhmedu^^svbmtdfl^Snhmediiui^snbniiclfn. onder het midden gelegen. Submental, svbmenVl. onder de kin. Submerge, svbmndz, onderdompelen, (doen) verdrinken, overstroomen; Submersion, svb-mvè'n = ânee = onderdompeling, overstrooming; Submerge, snbmvs, adj. onder water zijnde of groeiende; â verb, onderdompelen. SubmisHion, svbmiamp;n, onderwerping, onderdanigheid, schulderkenning, nederigheid; Submissive = onderdanig, onderworpen, nederig: Submit, svbrnit, (zich) onderwerpen of vernederen. afstand doen: He had to Hiibmh to that humiliation = hij moest zich aan die vernedering onderwerpen: 1 hu bin it tlii^ matter to your better JiHlginent = ik onderwerp deze zaak aan uw rijper oordeel: Submitter. Submnltiple, svbmvltip'l, evenredig deel van een getal, zooals 7 van 21. SubmuHciilar, svbmnskjula, onder eene spier of spieren. Subniide, svbnjüd, bijna bladloos. Suhocnlar, st/bokjnld, onder het oog. Siibonlinale, snbödinit, subst. en adj. onder-geschikt(e), onderhoorig(e): â verh.isvbödineil) onderwerpen, ondergeschikt maken; ânes». Subordination = ondergeschiktheid, onderwerping, inferioriteit of minderheid in rang: SM^orrfmatiï;e=ondergeschikt, onderschikkend. Snborn, svbön, omkoopen, tot meineed verleiden, door oneerlijke middelen verkrijgen: He was hanged unlaw hilly, the evidence being âed = hij werd onwettig gehangen, aangezien de getuigen omgekocht waren; âation = omkooping, verleiding; âer. Suboval, svbouv'l, Suhovate, svbouveiL eenigszins eirond. Subpoena, svbptno, subst. dagvaarding met strafbedreiging bij niet-verschijning; â verb, dagvaarden. Subpolar, svbpould. nabij de polen. Subpurchaser, svbpvtèisn, kooper (2de hand). SnbramoHe, svbreimous, Siibrainons, svb-reimds, schaars getakt. Subreption, svbrepamp;n, gunstverkrijging op slinksche wijze of door misleiding: SuÃTepti-tious = op slinksche wijze verkregen. Subrogation, svbrouyeiè'n, opvolging, in-de-plaats-stelling. SubNeapular, svbxkapjuld, onder het schouderblad. |
Subscribe, sdhxkraib, onderteekenen, bij in-teekening uitgeven, bijdragen, inteekenen. inwilligen, (zich) abonneeren: A gold medal had been âd lor him by tlie learned society in acknou ledgment of this treat-ine = was hem vereerd geworden . . . ter belooning voor deze verhandeling; I eaniiot â to this = dat kan ik niet onderschrijven, dat ben ik niet eens; Shall we â to this monthly together? = zullen we samen op dit maandelijksch tijdschrift inteekenen; âr = onderteekenaar, inteekenaar; Subscript, subskript, onderteekend: Subscription == in-teekening, onderteekening, handteekening;. SubMcriptioii'liHt = inteekenlijst. SubHection, sobseksn, onderafdeeling. Subsequence, svbsikw'ns, opvolging; Subsequent (to) = later komend, volgend, opvolgend: She subsequently stated this = vervolgens constateerde zij dit. Subserve, svbsüv, dienen, ondergeschikt zijn, zich ondergeschikt maken: The bane ol'criticism Irequently is that it âs interests not its own = *de vloek der kritiek is nog al eens, dat ze andere belangen dan hare eigene dient: Subservience, Subserviency,. snbsüvfnsii). dienstigheid, bevorderlijkheid,, geschiktheid; Subservient = dienstig, dienstbaar, ondergeschikt: Subservient to your interests = dienstig voor uwe belangen. Subside, snbsaid, zinken, zakken, zich op den bodem zetten (van droesem, b.v.), bedaren,, rustig worden: The children went to bed and so âd = en kwamen zoo tot rust; He âd into silence = had niets meer te zeggen; ânee, âncy, snbsid'nsi i), het zinken of zakken.. Subsidiary^ svbsidjori, subst. wie of wat hulp of toevoer verschaft, bondgenoot: â troops,. Subsidiaries = hulptroepen; adj. helpend,, steunend; Subsidize, svbsid-.nz. subsidieeren, geldelijk steunen; Subsidy, svbsidi, geldelijke steun, bijdrage in de oorlogskosten. Subsist, subsist, bestaan, blijven indentegen-woordigen toestand, middelen van bestaan hebben, leven, eigen zijn: Man exists, and must â on lood which should consist of nourishing ingredients = de mensch bestaat, en moet bestaan van voedsel, dat uit voedende bestanddeelen moet bestaan;; âence, âency = levensonderhoud, broodwinning: He gains his âence = verdient den kost: âent = werkelijk bestaande of levend, bevattend. Subsoil, snbsóil, ondergrond; âplough = diepe voren makende ploeg (voor den ondergrond). Substance, snbst'ns, zelfstandigheid, stof. werkelijkheid, hoofdbestanddeel, vastheid, rijkdom, vermogen, wezenlijke inhoud: That is in â what he told me = naar den inhoud;. Substantial, svbstauamp;l, zelfstandig, werkelijk,, wezenlijk, krachtig, deugdelijk, vast, welgesteld, belangrijk, vrij aanzienlijk: A substantial meal = deugdelijke maaltijd; Many substantial citizens maintained order = vele aanzienlijke burgers bewaarden de orde;. Siibstantials = wezenlijke deelen, hoofdzaken: Substantially correct = in hoofdzaak juist; Substantiality = zelfstandigheid,, deugdelijkheid, vastheid = Snhstanlialness; Substantialize = deugdelijk of zelfstandig maken; Substantiate, sobstanseit, werkelijk maken, bewijzen, bevestigen: He could nut substantiate the charge = de beschuldiging niet bewijzen: Substantival, snbsVnfaitfl, tot een zelfst. naamw. behoorende, als zelfstandig |
bone = boun: full: fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jioi long = loi^: ship â sip; occasion = okeiz'n; thin; thus â dhtrs; wine.
SUBSTANTIVE.
474
SUCROSE.
|
naamwoord; SuhHfaiifive, subsVntiv, subst. en adj. zelfstandig (naamwoord), onafhankelijk: The several paper» have a substantive unity = vormen op zichzelf eene éénheid, vormen een onafhankelijk geheel. Substitute, svbstitjnt, subst. plaatsvervanger; â verb, in de plaats stellen; Substitution = (plaats)vervanging. Substratum, svbstreit'rn, onderlaag. Substriietion. svbstitfkamp;n, Substruetiire, j svbstmktjd, benedenbouw, fundament. Subsultive,s»fcs»/r/v, springend, stuiptrekkend; SubsultKS = (onwillekeurige) stuiptrekking. Subsumptioii, snbsnmpö'n, indeeling, opneming. Subtenant, snbtennt, huurder v. d. huurder. Subteiul. sobtend, onderspreiden, staan tegenover. SuhierlUientiSobttïfludnt, Snhteriluous. «/gt;/gt;-tófluos, onder of beneden vloeiend. Subterfuge, svbtdfjiidz, uitvlucht. Subterrane. svbt.wein, onderaardsch hol of vertrek: âan, svbtoreinfn, âons, svbtarei-nids. onderaardsch = Subterrene, svhtortn. Subtile, snbtiU fijn, dun, teer, ijl, scherp, sluw, spitsvondig; Subtilize, svbtiluiz, fijne onderscheidingen maken, verfijnen, verdunnen, haar-klooven; Subtilizafion; Subtilty, snbtilti, dunheid, fijnheid, spitsvondigheid,haarklooverij. Subtle, svt'l, slim, schalksch; âness, âty = slimheid, schalkschheid, valsche voorstelling. Subtonic..sgt;«[;fon/7i,stemhebbende medeklinker. Subtorrid, svbtoricl, nabij deheete luchtstreek. Subtract, snbtrakt, aftrekken, afleiden, verminderen: That does nut â Ironi his merit = dat vermindert zijne verdienste niet; âer, âor: âion = aftrekking, vermindering; âive = verminderend; Subtrahend, svb-trohend, aftrekker. Subtiiple, snbtrip'l, één deel van drie bevattend: â ratio (proportion) = verhouding van l tot 3. Subiilatetd), siübjul(e)it(id), elsvormig. Subuii!;u(i)al, svbmigw(i)dl, onder den nagel. Suburb, svbvb, voorstad; omtrek (gew. âs); -au, snbvb'n, subst. en adj. (bewoner) van de voorstad. Subvention, svbvenamp;n, subst. hulp- of steun-zoeking, rijksbijdrage; â verb, eene (rijks)-, bijdrage verleenen (b.v. aan noodlijdende gemeenten). Subversion, subvus'ii, omverwerping, vernietiging: Subversive = omverwerpend, vernietigend: That would be subversive of every rule = dat zou alle regels omvergooien. Subvert, svbvtit, omkeeren, het onderstboven keeren, volkomen vernietigen of verwoesten; âant, âed = omgekeerd (herald.): âer = omverwerper; âible = wat omvergeworpen kan worden. Subway, snbiuei, onderaardsche doorgang, tunnel.' Sub worker, snbwrko, helper. Suecades. svkeidiz, succade, in 't algemeen ingemaakte en gecandeerde groene vruchten. Sneredaneous, se Ars/deiryas, plaatsvervangend; Succcdaneum = wat of wie de plaats inneemt van. |
Succeed, sdkstd, opvolgen, komen na. slagen, verkrijgen, goed atloopen: As darkness âs light = zooals de duisternis komt na het licht ; lie âed to the title and property = hij werd erfgenaam van titel en bezitting; Xo-thing âs like sueress = wie heeft, dien wordt gegeven: lie did not â in getting the place = hij slaagde er niet in de plaats te krijgen; âer; â ing. Success, sokses, gunstige uitslag, voorspoed; â t'ul(ness); âion = (erf)opvol«ing, volging op, volgreeks, nakomelingschap: War ofâion = successieoorlog; In âion = achtereenvolgens; âion-duty â successierecht(en): âion-»ale = verkoop van goederen ten einde eene verdeeling (eener erfenis) mogelijk te maken; â ional = achtereenvolgend, opvolgend; âive = achtereenvolgend: âor = opvolger, nazaat. Succin(itegt;, suksin(ait), Siiccinuni, snksirim, barnsteen: âic, svksinik, van barnsteen, er toe behoorende = -ons. Succination, sv.ksineis'n, het vasten (schertsend van Succi, den Italiaanschen vaster). Succinct, soksi7]kt, kort, bondig, beknopt; âness. Succory, sukdri, suikerij, cichorei. Succotash, snkdtas, maïs en boonen (samen gekookt). Succour, svki), subst. hulp, bijstand, steun: He ran to my â = snelde mij te hulp; â verb, te hulp 'snellen, steunen', verlichten, ontzetten; âer: âless. Succubus, sokjubjs, booze geest met het vermogen zich in eene vrouw te veranderen. Succiila, svkjula, as of cylinder (zonder trommel). Succulence, Succulency,snkjiiVns(i), sappigheid; Succulent. Succumb, sokom, bezwijken, toegeven, onderwerpen; âent, svknmb'nt. bezwijkend, onderdanig. Succursal, svkvs'l, tot hulpkerk dienende. Succus, sukas (Meerv. Succi, snksai), uitgeperst plantensap. Succiissation, sv.kaseisn, draf, het draven, het schudden, schok = Succussion: Shccus-sive = op en neer gaande, schokkend. Such, svtê, zoodanig, zulk, zóó: â a one = zoo een, zoo iemand: â and â = die en die, eenige; â as won't believe me = zij, die mij niet willen gelooven; Take â measures as will be effective = neem uwe maatregelen zoodanig, dat ze effect hebben; âlike = dergelijke. Suck, snk, subst. het zuigen, zog, melk, bedriegerij, kokinje: To give â = zoogen; â verb, inzuigen, zuigen: â in = inzuigen, opslorpen, beetnemen; â up = opzuigen; It was a âin = het was beetnemerij; âer, subst. zuiger, loot of spruit uit het benedengedeelte van stam of stengel; â verb, loten schieten, de loten afsnijden; âet = suikerballetje; âing = zuigend, jong en onervaren; âing-bottie (= Feeding-bottle) = zuigllesch; âing-pig = speenvarken: âIe = zoogen; âling = zuigeling, witte klaver; Suction, süAts'w, het zuigen, inzuigen, het wegnemen van den luchtdruk: Suction-pipe = zuigpijp, zuigbuis; Suctioii-pnmp = zuigpomp; Suctorial, svktóridl, zuigend, vastzuigend; Suctorian, soktóridn, iedei dier met zuigorganen. Sucrose, siükrous, rietsuiker. |
man; ask = ask; farm = fiim; bwt = but; learn = Km; line = lain; house = hans; net; care = kèa; fate = felt; tin; asleep = dslip; not; \ciw = 16; lord = löd; hoy = bói;
SUDATION.
475
SUIT.
|
Sudatioii, siudeiè'n, het zweeten, zweet; Sudatorium, siiïddtóridm, lieete-luchtbad (om het transpireeren te bevorderen); Sudatory, siüddtdri, broeikas, zweetbad; SiidorilerouH, sixlddrifaras, zweetafdriivend=Sudoripar«»us, sidcforipdrds: Sudorifif*. sixiddrifik. subst. en adj. zweetverwekkend of zweetafdrijvend (middel). Sudden, .swrf'jï, plotseling, onverwacht, snel, vlug: On a â, All olquot; a â = plotseling, in eens, onverhoeds; â ly. Suderiiiania, siüddmemjd, Sudermanland. Sud», svdz, zeepsop: \Ve are in the â = wij zitten er leelijk in: ây = als zeepsop, schuimend. Sue, siü. aanzoek doen om of dingen naar (de hand), recht of schadevergoeding zoeken, eischen. in rechten vervolgen, srneeken, het hof maken: The wife âd her hiiNhaud 011 the plea of iiou-tMipport = trachtte eene echtscheiding te verkrijgen op grond, dat, de man haar niet onderhield of kon onderhouden: lie âd out a pardon for u« = hij verzocht (en verkreeg) pardon voor ons: lie âd u» lor daniageH = hij eischte (in rechten) schadevergoeding van ons. Suet, sittof, nierenvet (van schaap of rund); ây = als nierenvet, of dit bevattende. Suifeet, svfekt, adj.plaatsvervangend; â verb, vervangen. Sulfer, lijden, dragen, dulden, uithouden, toestaan, laten, straf ondergaan: We âed ehaiiiH for religion'^ Hake = om den wil van den godsdienst droegen we ketenen: You will have to â for it = gij zult er voor moeten boeten of lijden: Doirt â yourself to be fooled = laat je niet versukkelen; We have âed a reverne = ons proces (zaak) verloren; âable = draagbaar, toelaatbaar: âanee = het lijden of verdragen, lijdzaamheid, smart, ellende, (negatieve) toestemming of verlof: lie i» here on âanee = volgens (passieve) toelating, omdat men hem duldt; âer = lijder, duider, die toelaat: YouMI be the âer = gij zult er het slachtoffer van worden; âing = het lijden, verlies. Sufliee. snfaiz, genoeg of voldoende zijn, voldoen: Sufüeieney, spfiö'nsi, voldoendheid, genoegzaamheid, ruime toevoer of voorraad, volkomen geschiktheid; Sufficient = voldoende, genoegzaam, ruim, geschikt, deugdelijk: Suf-fieient reason = de leer dai niets zonder reden gebeurt of bestaat. Sufüx, sw//A's, achtervoegsel. Sufüx, svfiks, achtervoegen; âion. Sufflate, svfleit. opblazen, bezielen. Sulfoeate, sofoheit, (doen) stikken, smoren, worgen: It was Hufroeatins;ly hot there = het was er stikkend heet; Suffocation â verstikking: Suflocative, snfdkeitiv, stikkend. SiifToHsitm, snfoè'n, ondermijning. Suffragan, snfrwf n, subst. en adj. helpend of assistent (bisschop). Suffrage, snfridz, stem, goedkeuring, kiesrecht, gezamenlijk gebed: Au advoeate of wonieirs â = voorstander van het vrouwenkiesrecht. Suffraginous. svfradtinds, tot het kniegewricht der dieren behoorende. Suffriitex, si)früt.)ks, lage heester. |
Siiffinnigate, svfjiimirjeit, berooken (van de deelen des lichaams); Suffamiyation. Suffiise, svfjuz, overgieten, spreiden over: She was all âd with blushes = blosjes kleurden hare kaken; Suffnsion = verspreiding over, overgieting. Sugar, ètigd, suiker, vleierij: A glass of â and water = suikerwater; â of lead = loodsuiker; adj. van suiker, zoet, suiker opleverend ; â verb, besuikeren, vergulden en daardoor aannemelijk maken of bedriegen: We âed the trees = wij bestreken de boomen met een mengsel vaii rum en stroop, ook â ing genoemd (om daardoor de nachtvlinders te lokken en te vangen); âbaker = suikerwerker, raffinadeur; âbeet = suikerbiet; âeandian = kandijsuiker: âeane = suikerriet; --house = suikerraffinaderij: âloalquot; = suikerbrood: âloaf hat = steek of hoed in den vorm van een suikerbrood; âloaf waves = korte hooge golven; âmaple, âtree = suikerahorn (Amer.); âmill = suikerfabriek: âmite, âlouse = suiker-worm: âorchard. âbnsh = aanleg van âmaples; âplanter = suikerplanter; â plantation = suikerplantage: âpluni = suikerballetje (andere namen zijn: âed almonds, bull's eyes, aeidnlated drops, barley sugar, peppermint lozenges, toffees. lollipops): ârefiner = suikerraffinadeur: ârefinery = suikerraffinaderij; â spirit = rum; âtongs = suikertangetje; ây = zoet, suikerachtig; â iness; âless; âing = het suikeren. Suggest, sddzest, ingeven, aan de hand doen, inblazen, opperen; âion = ingeving, wenk, aansporing (tot iets verkeerds), inblazing: At this âion the man immediately withdrew = toen hij dit hoorde (toen dit geopperd werd) ging de man dadelijk weg: I did it on your âion = ik deed het op uwen wenk of raad: âive = opperend, een wenk gevend, eene gedachte wekkend: Yonrs is a very âive present = uw cadeau is al heel toepfisselijk: In a Freneh comedy, âiveness is expected = kan men gewaagde toespelingen verwachten. SuggilatioiiySür/zi/etó'n, kneuzing, slag, blauwe plek. uitgesijpeld bloed. Suicide, siiVsaid, zelfmoord, zelfmoordenaar, vernietiging van eigen belangen; Suicidal, siuisaid'l, van zelfmoord: Suicidal thoughts = gedachten van (aan) zelfmoord; Snicidism, siüisaidizm, neiging tot zelfmoord. Suilline, siüihün, (een) van de varkenssoort. Snit, siiU, subst. rechtsgeding, verzoek, hofmakerij, aanzoek, stel, kleur (in het kaartspel), pak kleeren, kleeding: Civil â = civiel proces: 1'riniinal â = strafzaak; A â of armour = complete wapenrusting; A nice â = een mooi pak: The housemaid gave notice, and the cook followed â = de binnenmeid zei den dienst op. en de keukenmeid eveneens; I played diamonds, and he could not follow â = ik speelde ruiten, en hij kon niet bekennen: â verb, passen, geschikt zijn, overeenkomen, schikken: That will exactly â me = dat is net wat ik hebben moet: lie âed the action to the word = voegde de daad bij het woord; Such a behaviour does not â you = voegt u niet: |
bone = boun; full; fool = fnl: » = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: t/ear = jia; lonfif = Ion; ship = sip: occasion = okeiz'n; thin; thus = dhtts; wine.
SUITABLE.
476
SUNNV.
|
âable = gepast, voegzaam, geschikt; âable-neHS, âability, siHtobiliti, gepastheid, voegzaamheid; âor = verzoeker, vrijer, minnaar, partij in een proces. 8uite, swit, gevolg, reeks, stel: A â of rooniH = eene suite. Suk(egt;y, siüki, theeketel; verb, van Susan. Sulfus* svlkds, voor, groef; Sulcate(d). Sulk, SDlk, subst. booze luim: lie stood out against her âs and pouts = hij gaf niet toe aan hare luimen en haar pruilen; â verb, stuursch of in kwade luim zijn; âs = onaangename stemming, kwade luim: He was in the â s = hij had eene verkeerde bui; ây, subst. licht tweewielig karretje voor één persoon; adj. norsch, gemelijk, pruilend. Sullen, svl'n gemelijk, knorrig, norsch, naargeestig, onheilspellend; âness: âs = kwadebui. Sully , snli, subst. smet, vlek; â verb, besmetten, bemorsen, bezoedelen, bezwalken: That sullies your honour = dat bezoedelt uwe eer. Sulphoiiiil, snlfêril, geneesmiddel tegen een overspannen zenuwtoestand. Sulpliur, snlfo, zwavel; âsprings = heete zwavelbronnen; âate, snif ju reit, met zwavel verbinden of verzadigen; âation, svlfjureiamp;n, het zwavelen (vooral van stoffen, om ze te bleeken); âator, snlfjureitd, zwaveltoestel; âeons, svlfjiirws, -ons, sulfjuras^ zwavelig, zwavelachtig: âous-ac*id = zwavelzuur; âetted = met zwavel verbonden; âetted-hydrogen = zwavelwaterstof: âic, snlfjürik, ui't zwavel getrokken: âic-acid = vitriool. Sultan, snlfn, Sultan: âa, soltamp;nD, sultane = âess. svltdrids; âate, sultonit, sultanaat; âie, snltanik, van een sultan; âship. Sultry, svltri, zeer heet, brandend, drukkend, zwoel, zwaar, smoorheet; Sultriness. Sum, svm, subst. som, geheel, inhoud, reken-voorstel: The civil engineer's advances are great In the â = de vooruitgang van den , civiel-ingenieur is te zamen genomen groot; ; That is the â total of my experiences = dat is het totaal mijner ervaringen; He could not do a â in multiplication = hij kon geene vermenigvuldigsom maken; Ciood at âs = vlug in't rekenen; â verb, optellen,opsommen, ten volle ontwikkelde vederen heb- ; ben, in het kort teruggeven of herhalen (vooral den loop van de rechtszaak, vóór de jury eene beslissing neemt): The Judge's âniing-iip was lucid and impartial ='s rechters korte herhaling v. het geheele geding was helder en onpartijdig. Sumac(h), siümak, sumak (door ververs, looiers en in de geneeskunde gebruikt). Summary, snmdri, subst. korte inhoud, kort begrip: The Judge gave a âmary of the case = âiiiiiig-np; adj. beknopt, kort, snel afgedaan: He was condemned siimmarily = hij werd kortweg (zonder omhaal of uitstel) veroordeeld. Summation, svmeiamp;n, het samentellen. Summer, svmd, subst. zomer; horizontale balk, kalf of bovendrempel (eener deur), groot.e steen over zuilen en pilaren, waarop de bovenbouw rust; adj. zomer . . ., zomersch; â verb, den zomer doorbrengen, voeden of houden in den zomer, warm houden: We went lor a brief âing in the country = wij gingen voor een kort tijdje in den zomer buiten wonen; Indian â = nazomer (in N.-Amer.); St. Luke's â = mooiOctoberweer; St. Martin's |
â = zacht en mooi najaarsweer, voorspoed na ongelukken en rampen; âcolts = dampachtige trillingen van heete lucht nabij den grond; âfallow, subst. braakliggend land in den zomer, om het te zuiveren van onkruid en voor wir.terbouw geschikt te maken; â verb, in den zomer beploegen en bewerken voor den winterbouw; âhouse = tuinhuisje, zomerverblijf; âtime = zomertijd: âwheat = zomertarwe; âing = vroege appel. Summerset, suhiBnet, Suminersaiilt, smnd-solt, buiteling. Summit, snmit, top, hoogste punt; âlevel = hoogste punt van eene spoorbaan, een kanaal, etc. Sumnion, smrin, oproepen, dagvaarden, op-eischen, zenden om: âer = dagvaarder, deurwaarder; âs, subst. dagvaarding: A âs was issued = eene dagvaarding werd beteekend: â verb, dagvaarden: âh me for that if you like = dagvaard me hier eens voor indien je verkiest. Sump, snnip, moeras, poel, zoutput, mijnput,, eerste smeltoven. Sumph, sumf\ sukkel, domkop. Siimpter, smnpto, subst. pakpaard: adj. tot pakkendragen, enz. gebruikt. Sumptuary, snmptjudri, de uitgaven betreffende: â (Sumptiiuiis) laws = wetten tegen te groote weelde; Sumptuous, SDmptjudSr kostbaar, duur, weelderig, prachtig; Sn nipt u-onsness. Sun,«on, subst. zon, zonneschijn, zonnig plekjer bron v. licht, alles wat prachtig of lichtgevend is: The â rises, declines, sets = de zon gaat op, daalt, gaat onder; He had the â very much in his eyes = hij was erg dronken = was in the --shine; Everything that is under the â = alles op aaide; â verb, aan de zon blootstellen, warmen of drogen in de zon; âbeam = zonnestraal; âbeamed = met stralen als van de zon; â bird = soort van kolibri; âbonnet = zomerhoed (met breeden rand); âbright = zonnig, door de zon beschenen; âburn = roode vlek van het verbranden door de zon ; âburnt = door de zon verbrand, met sproeten; âclad = in stralen gehuld; âdial = zonnewijzer; âdown = zonsondergang= âset(ting); âdried = in de zon gedroogd; âüsh = maanvisch: âllower = zonnebloem: âglass = brandglas; âlight = zonnelicht; --Tit = verlicht door de zon; âgod = zonnegod: âmyth = zonnemythe: âproof = tegen de zón bestand; â of Righteousness = Christus; ârise, ârising = zonsopgang. Oosten; ârose = zonnekruid; âshade = parasol, zeil of scherm, etc. voor winkels; âshine = zonneschijn, warmte, reinheid; âshiny = zonnig, schitterend; âspots = zonnevlekken; âstricken, --struck = door een zonnesteek getroffen: âstroke = zonnesteek; âup = zonsopgang (Am.); âless = zonder zon,beschaduwd; âlike; âny = zonnig, opgewekt, blijde: I am on the âny side of lifty = ik ben nog geen vijftig; âny eye» = vriendelijke oogen; âniness. |
man; ask = ask; farm = flim; but = but; learn = hm; line = lain; hoase =â haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = 16; lord = löd; hoy = bói:
SUPERSTITIOUS.
SUNDAY.
477
|
Sunday, s»nrf(e)j, Zondag: A moiiHi «1* âs = lange en onbepaalde tijd; âschool = Zondagschool; He waHclreH^ed in hiH â best = in zijne mooie Zondagsche kleeren. Sunder, snncld, subst. slechts in de uitdrukking: In â = vanéén, in tweeën; â verb, scheiden, verdeelen; Sundries = allerhande, allerlei kleine artikelen; Sundry = verscheidene, verschillende: Ail and sundry = alle gezamenlijk. Sun^ svr^ part. perf. van to sing. Sunk, svr^k, part. perf. van to sink] âen = op den bodem van het water. Suii(n),^n, Indische hennepplant; ân-lieinp. Siinna . sünd, mondelinge voorschriften van .Mohammed; Siinnites, sunaits[, orthodoxe Mohammedanen. Sup, svp, subst. hapje,slokje; â verb.slurpen, soupeeren,een avondmaal verschaffen: I âped and dined tliein for several weeks = ik zorgde weken lang voor hun avond- en middagmaal; We âped on cold beel'= wij hadden koud rundvleesch voor het avondeten. Super, siüpd, verk. van Superniinierary. Superable, siüpdrdb'l, wat te overkom'en is, overwinbaar. Superabound. siuparabatind, ruim overvloedig zijn (met with); Superabundance = groote overvloed; Superabundant = meer dan genoeg. SuperHi'UUiUiteil.siupdrdsidjaleitid, al te zuur gemaakt. Superadd, siüpdrad, nog eraan toevoegen: âition = het bijvoegen of bijgevoegde. Superangelic, siwpdrdndzeiik, meer dan engelachtig. Superannuate, siüperanjueit, door ouderdom en zwakheid ongeschikt maken of zijn, pension-neeren; âd spinsters = vaatjes zuur bier (schertsend voor: erg oude vrijsters); Superannuation â ongeschiktheid, pensioen. Superb, siupüb, grootsch, prachtig, rijk, voor-treffelijk; âness. Supercargo, siupdkügou, iemand aan boord van een koopvaarder met de handelsbelangen belast. Supercelestial, siupdsilestfl, meer dan hemelsch. Superciliary, siupdsiljdri, boven de wenk-brauw(en); Supercê/iimi = wenkbrauw. Supercilious, trotscb, aanmatigend, verachtelijk, verwaand; âness. Supereniinence, siupsremirins. buitengewone voortrelfelijkheid; Supereminent. Supererogation, smpdrerougeiamp;n, meer dan de plichtvervulling eischt: Doctrine of â = leer, dat de goede werken van den eenen Christen aan de gezamenlijke Christenen ten goede komen: Works olquot; â = vrijwillige werken (boven hetgeen God van den Christen eischt), die den medechristenen ten goede komen; Supererogatory = meer dan de plicht eischt. Superexaltation, siuparegzólteis'n, verheffing tot buitengewone hoogte. Superexcellence,s/up^re/cs.9rns,buitengewone voortrelfelijkheid: Superecccellent. Siiperrecnndity, siupdfikunditL buitengewone vruchtbaarheid'. Superficial, siüpdfis'l, oppervlakkig, ondiep; |
âness, âity , siupdftSaliti; Superficies, siüpefiëiz, oppervlakte. Superfine, siupofain, allei fijnst, overprecies; âness. Superfluity, sixipofliliti, overtolligheid, overdaad: Superlluoustness), sinpnfludsinas), overtollig(heid), overdadig(heid). Superfoliation , si üpafo u Ij eis''n, weelderige bladergroei. Superf'rontal, siupdfrnnVl, bedekkende deel v. het altaarlaken. Superlirat. siüpdhtt, bovenmate verhitten, in gasvormigen toestand brengen. Siiperliuinan. siCipdhjtim'n, bovenmenschelijk. Siiperincuinbent, siupdrinknmVnt, liggende op. Superinduce, siwporindjüs, bij- of toevoegen; Super induct ion. Superintend, s/upaWwienrf, het toezicht hebben op. controleeren: âence, âency = oppertoezicht; âent. Superior, siupirij, subst. meerdere, superieur: adj. hooger, boven, opper, meer. verhevener: â courts = opperste gerechtshoven; â planets = planeten verder van de zon dan de aarde; âity, siicpirioriti, meerderheid, voorrang, overrnacht. Superjacent, siupzdieis'nt, liggende op. Superlative, siupvldtiv, subst. en adj. overtreffende (trap), ongemeen, zeer voortretfelijk; âness. Siipernaciiluin, siupdnakjuVm, voortreffelijke drank (die daarom geheel uitgedronken wordt); Supernacular = heerlijk, lekker. Supernal, siupiiril, bovenste, hemelsch: She was â in intelligence = haar geest was voortreffelijk. Siipernatural, siüpanatjar'l, bovennatuurlijk; âism = het bovennatuurlijke, bovennatuurlijke toestand; âist; âistic-, âness, Super-nditurality. Supernniiierary. sijponjiimorori, subst. surnumerair, figurant (ook rroceMsioiwiian en Walking-gentleinaii); adj. een bepaald getal overtreffende. Superpose, siüpdpouz, leggen op; Superposition = liggen boven of op. Superpraise, siüpspreiz, bovenmate prijzen. Superreward, smporiwöd, te zeer beloonen. Superroyal, sixxjidrfnol, formaat papier (CS1/quot; bij 471/2 cM.). Supersalieiit, sinpdseitj'nt, springende op. Supersaturate,s*upas»0'i/reiï, oververzadigen; Supersaturation. Sn perscri be, siLipas/iTrtf 6, schrijven op of boven; Superscription = opschrift. Supersede, sinpdsid, afschaffen, opschorten, ter zijde stellen, vervangen, noodeloos maken; Supersedeas, siupdstdids, bevel tot opschorting of afschaffing; Supersedure, siupasidjd, opschorting, afschaffing = Supersession, siupdseamp;n. Supersensible, sinposensiVl. bovenzinnelijk = Supersensiial, sinpdsenèiol. Superstition, sinpdstiamp;n, bijgeloof, bijge-loovigheid, 6verpreciesheid; Superstitious = bijgeloovig, overprecies. nauwgezet: Superstitious use = gebruik van land, enz. ter verspreiding van een door den staat verboden godsdienst. |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; year = jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; thus == dhes; wine.
SUPERSTRATUM.
478
SURBASE.
|
SiiperHtratum, siüpdstreifm, bovenlaag. SiiperHtruet, siüpdstrvkt, bouwen op, oprichten; âive = gebouwd op; âure = gebouw, bovenbouw. Superterre8trial,siüpaïaresïriaZ,bovenaardsch. Supervene, siüpdvin, bijkomen, overkomen, gebeuren; Supervenient, siüpdvinjdnt, bijkomend. Supervise, siüpdvaiz, subst. opzicht, toezicht = Sapervisal; â verb, liet toezicht hebben of houden op, inspecteeren; Siipervi8ioii, siüpdviz'n, opzicht, toezicht: Under police supervision (Supervision ol' lt;lie police) = onder voortdurend politietoezicht; Supervisor, siüpavaizd, opziener, inspecteur, aanschouwer: Supervisory power = macht om toezicht te houden. Supniation, siüpaineië'n, achteroverligging, ligging v. de hand met de palm naar boven: Supine, siüpain, supinum (Gramm.). Supine, sittpain, achteroverliggend, hellend, lusteloos, gedachteloos; âness. Suppeflaneoii», svpideinjds, onder de voeten. Supper, suplt;i, subst. avondmaal: We lia\e partaken of the Lord's â = wij hebben aan 's Heeren disch gezeten; â verb, het avondmaal gebruiken of geven; âtime = tijd van avondeten; âless. Siipplant, svplünt. wegnemen, vervangen, omverwerpen, den voet lichten; âer. Supple,sw;//, adj. buigzaam, lenig, meegevend, meegaande, vleierig, slaafsch: â verb, buigzaam en lenig maken of worden; âjack = gladbladige paullinia: ânews. Supplement, svplim'nt, subst. toevoegsel (om te completeeren), aanvulling, supplement; â verb, aanvullen: âal, âary, svp li ment' l, svp Hm enter i, aanvullend , bijvoegend, bijgevoegd. Suppliant, svpliont, Supplicant, svplik'nt, subst. smeeker, nederig verzoeker; adj. smeekend, verzoekend; Supplicate, snpükeit. smeeken, vragen, bidden; Supplication = smeeking, smeekgebed; Supplicatory = smeekend, nederig. Supply, sdplai, subst. aanvulling, versterking, vervanger: Demand and â = vraag en aanbod; Supplies = benoodigdheden; door het parlement aan de regeering toegestane gelden: The supplies were voted = gelden werden toegestaan; â verb, aanvullen, ver-schalfen (het noodige), verzorgen, versterken, deplaats vervullen van: They were supplied with the necessaries of life = voorzien v. de noodzakelijke levensbehoeften; Will youâ my place for a while? = wilt gij mij een oogenblikje vervangen; Supplier. Support, sdpöt. subst. ondersteuning, onderstand, hulp. steun, verzorging; â verb, steunen, onderhouden, stuiten, helpen, uithouden, volhouden, lijden, dulden; lie cannot â himself = zichzelf niet onderhouden; 1 won't â such insults = ik wil zulke beleedigingen niet verdragen; â arms = schouder quot;t geweer; âable = verdraagbaar, steunbaar, houdbaar; âer = steuner, helper, verdediger, voorspraak, aanhanger, versterker, figuur aan weerskanten v. een wapenschild om het omhoog te houden (= schildhouder). |
Supposable, sapouzob'l, onderstelbaar, vermoedelijk; Supposal, seponfl, onderstelling, meening; Suppose, sepouz, onderstellen, vermoeden, voor waar aannemen, onderstellingen maken: Let it be supposed that . . . = laten we aannemen, dat...; Supposing this to be true = aangenomen dat dit waar is; â we go = zouden we niet eens gaan?; Supposer; Supposition, svpdzis'n, onderstelling, stelling, gissing, vermoeden; Suppositional, vermoedelijk; Supposititious, STBpdzitiêds, ondergeschoven, onecht, nagemaakt,valsch: The supposilitioiisjoys of basking in luxury = het twijfelachtig genot van zich in weelde te baden; He was believed to be a supposititious child = hij werd voor een ondergeschoven kind gehouden; Suppositive, svpozitiv, subst. onderstellend woord; adj. ondersteld, onderstellend: Suppository, svpoziteri, zet- of steek pilletje. Suppress, svpres, onderdrukken, dempen, overweldigen, verpletteren, verstikken, inhouden, de verspreiding tegenhouden, stuiten, opheffen: The circulation of the letters was âed = de verspreiding der brieven werd gestaakt; âer, âor: âion = onderdrukking, weglating, verstopping, obstructie: The âion of one letter may give an entirely diflerent sense = het weglaten van eeiie letter kan eene geheel andere beteekenis opleveren; âionist = voorstander van onderdrukking van den handel in sterke dranken; âive = onderdrukkend, verbergend. Suppurate, snpjiireit, doen etteren: Suppuration = het etteren, etter; Suppurative, subst. en adj. ettering bevorderend (middel). Supputatioii, sv.pjuteiamp;n, berekening. Supra, siüprd (in samenst.), boven, aan de andere zijde: âaxillary = boven den oksel; âciliary = boven de wenkbrauw; âclavicular = boven het sleutelbeen; âcoralline = op koraalbedden rustend; âcostal = boven of op de ribben; âfoliaceous, âfoliar = op een blad groeiend; âlapsarian = voorstander van de Calvinistische leer van den zondenval en de verkiezing vóór de schepping der wereld; âmaxillary = boven de kaken; âmundane = bovenaardsch,hemelsch: ânatural = bovennatuurlijk; ârenal = boven de nieren; âscapular(y) = boven het schouderblad. Supremacy, siupremasi, oppermacht: Oath of â = eed waarbij de oppermacht van den Engelschen souverein in geestelijke en wereld-sche zaken erkend en die van den paus ontkend wordt; Supreme, siiiprim. hoogste, opperste: The Supreme = de Allerhoogste: His will ought to be supreme = zijn wil moet het hoogste zijn: Supreme Court of .liidicature = het in 1875 gevestigde hof, waarin de Courts of Chancery, Queen's Bench, Common Pleas, Exchequer en het Court for Admiralty, for Probate, Divorce and Matromonial Cases werden vereenigd; het bestaat uit tweeafdee-lingen: het High Court of Justice en het Court of Appeal. Sura, süro, hoofdstuk van den koran. Surah, sürd, soort v. zijden stof. Sural, siürl, tot de kuit behoorende. Snrat, sural, grof katoen (Voor-Indië). Surbase, svbeis, lijstwerk boven langs een |
man: ask = ask; farm = fam; but = b«t; learn = lisn; line = lain; hoiese = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = löd; hoy = bói;
SURVISE.
SURBED.
479
|
piedestal, podium, enz.; lijstwerk langs den kamerwand, even hoog als het bovenste van de stoelruggen; âd = met lijstwerk boven de basis. Surbed, sóbed, recht overeind zetten (van een steen). Surcease, svsia, subst. ophouding, dood, staking: â verb, ophouden, een einde maken aan. Siircliar^e, sütéadz, overlading, overlast. Surcliai gp. sMèddz, overladen, meer vee in de weide doen dan men recht heeft, eene vergissing toonen in eene rekening; â r. Surcingle, sntdnrfl, zadelgordel, -riem. Surde, svk'l, takje, loot, twijgje. Surcloy, svklói, overvoeren. Surcoat, snkout, overjas, opperkleed. Surd,.süd,subst.onmeetbaregrootheid,zooais y 2 adj. stemloos (van medeklinkers), onmeetbaar Sure, éttd,zeker,ongetwijfeld,onfeilbaar; Asâ as death and taxes = zoo zeker als 2 x 2: As â as a gun = zoo zeker als wat = Ak â as can be; lie is a good lellow to be â = hij is buiten kijf een goede kerel: I will make â where he is = ik wil mij vergewissen waar hij is; I am â 1 shall nol go = ik ga bepaald niet: 1 won't be â = ik durf het niet zeker zeggen; lie is â not to come = hij komt bepaald niet: That's â enough = dat is vast en zeker; That's him. â enough = hij is het waarachtig: I can do that âly = dat mag ik toch wel doen, hé?; âfooted = vast van voet, stevig op de beenen; âness = zekerheid; â ty = veiligheid, zekerheid, borg, gerustheid:* Ol' a âty = zeer zeker; I'll be âty lor you, be your âty = ik wil voor u instaan* borg voor u zijn; âtyship = het borg zijn, borgschap. Surf, «»/', branding; âboat = reddingboot: âduck (scoter) = gebrilde zeeëend: ây. Surface, söjis, subst. oppervlakte, uiterlijk, vlak; adj. oppervlakkig, onoprecht, schoonschijnend: lier information is oi'the moHt â kind = hare kennis is zoo oppervlakkig mogelijk: â verb, eene zachte oppervlakte geven, glad wrijven: âman = wegwerker (aan eene spoorbaan): âwater = bovenwater. Surfeit, xrifit, subst. overlading (der maag), walging; â verb, overladen, volproppen: âcd with too much appetite = overladen (volgepropt) door te grooten eetlust; âer = gulzigaard, pretmaker; â iug = gulzigheid. Surge, svdZ) subst. groote golf, baar; â verb, golven, hooge baren vormen, plotseling een deel van een touw of kabel laten vliegen (schrikken); âut = zwellend, zich verheffend (van de baren). Surgeon, swrfz'n, heelmeester, chirurg: âcy = betrekking van arts (in leger of vloot); Surgery = heelkunde, snijkamer; Surgical, svdzik'l, heelkundig: Surgical iiistrumeiHs = chirurgische instrumenten. Suricate, siurikeit, familie van Z.Afr. wezels. Surinam, .stlrmawi, Suriname. Surly, süli, norsch, knorrig, gemelijk, afsnauwend: Surliness. Siirloin, svlóhi, lendestuk. Zie Sirloin. Siirmaster, svmiistd, ondermeester. SuriniHe, svrnaiz, subst. vermoeden, gissing; â verb, vermoeden, onderstellen; âr. |
Simnoiiiit, svmaunt, te boven komen, overwinnen; âable = overkomelijk, verwinbaar; âed = overwonnen, overtroffen, bovenop geplaatst: A weathercockâed cupola = koepeltje met een weerhaan er op; âer. Surmulot, sünijulot, bruine rat. Surname, snneim, subst. bijnaam, toenaam: â verb, een bij- of toenaam geven. Surpass, svpds, overtreffen, te boven gaan; -able = overtref baar; âiug = uitstekend, schitterend, roemrijk: A maiden of âiug beauty = eene maagd van weergalooze schoonheid. Surplice, suplis, koorkleed: âd. Surplus, siïplos. subst. overschot: adj. overtollig; âage, svpldsidz, overschot, groot aantal: lie has a âage of daughters = hij heeft eene heele collectie dochters. Surprise, söpraiz, subst. verrassing, onverwachte gebeurtenis, overrompeling: That was a â to me = dat verraste me zeer: â verb, onverwachts gebeuren, overrompelen, verrassen, ontstellen, verlegen maken: I am âd at what gt;ou say = ik ben getroffen door hetgeen gij zegt; The beggars âd Hrielle = de watergeuzen verrasten denBriel; âparty = (in Amerika) een troepje personen, die ongenood in het huis van een gemeenschappe-lijken vriend komen, en ieder hunne bijdrage voor een souper leveren; âr: Surprising = verbazingwekkend, buitengewoon. Surrebut, sv.ribvt, voor de derde maal repli-ceeren: âter = derde wederantwoord. Surrejoin, siiridzóin, voor de tweede maal repliceeren; âder = tweede wederantwoord. Surrender, sorenda, subst. overgave, uitlevering; â verb, (zich) overgeven, afstaan, afstand doen : The town âed to the enemy at discretion = gaf zich aan den vijand over op genade of ongenade: âee, surendarf, iemand wien land wordt toebedeeld of afgestaan; âor = iemand die land of goederen afstaat. Surrept ion, 6'/?re^5'n, overrompeling,besluiping, bedriegelijke verkrijging van iets. Surreptitious, svraptisds, op slinksche wijze gedaan of verkregen, bedriegelijk, ongewettigd. Sm â¢rey, sori. Surrogate, surageit, subst. afgevaardigde, gevolmachtigde; âship = ambt van â. Surround, saraund, subst. jachtwijze door omsingeling, aldus omsingelde plaats; â verb, omringen, omsingelen, insluiten; âing = het omringen of insluiten: âings = omgeving, omstandigheden: l^oiidon and its âings = Londen met zijne omgeving. Surroyal, söramp;ial, hoofdtak van een gewei. Surso'lid, siïsolid, vierde macht van een getal. Surtax, sfitaks, extra belasting. Surtax, si)taks. extra belasten. Surtout, süln, overjas, gekleede jas, rok. Siirturbrand, svtvbnmd, soort v. bruinkool. Surveillance, svveilj'ns. toezicht Survey, svuei, overzicht, uitzicht, oogenschouw, inspectie: lie took a â of the matter = hij nam de zaak op, onderzocht ze. Survey, suvei, overzien, het toezicht houden op, nauwkeurig opnemen, scherp onderzoeken, meten (van land): âing = het landmeten: âor = opziener, onderzoeker, landmeter: âorship. Survise, svvaiz, overzien, toezicht houden. |
bone = boun: full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; ï/ear = Jia; long = loi^; ship = sip: occasion = okeiz'n: thin; thus = dliBs; wine.
SÃRVIVAL. 480 SWAMP-MONEVSUCKLÃ.
|
Survival, svvaiv'l, het overleven, het blijven bestaan, laatst overgeblevene van (dus: uit) zijn tijd: â of the fittest = natuurkeus. Survive, sovaiv, overleven, nog leven, inleven blijven: They are all dead, but lie survives = zij zijn allen dood, maar hij is er nog: Surviver. Survivor = langst levende; Survivorship = recht van den langst levende. 'Suzan, süz'n of siüz'n, Suzanne, Suze; âna, suzand, Susanna. rSiisreptible, svseptib'l, vatbaar, toegankelijk, gevoelig, teeder; âuess; Susceptibility = teergevoeligheid, lichtgeraaktheid (dikwijls Meerv.): Susceptive, svseptiv. vatbaar, toegankelijk; Suscipieucy, snsipfnsi, ontvangst, toelating. 'S(o)iislik, suslik, gewone ziesel. Suspect, snspdkt, verdachte. Suspect, svspekt, vermoeden, verdenken, wantrouwen. achterdocht koesteren: âed = verdacht. gewantrouwd; âer. Suspend, SDspencl, ophangen, hangen aan, opschorten, schorsen, doen ophouden, tijdelijk de rechten ontnemen: The lamp was ~ed by a chain to the ceiling; = hing met een ketting aan het plafond; I wish to â my Judgment = mijn oordeel op te schorten; The oftlcer was âed = de ambtenaar werd geschorst: The firm â ed payment = de firma staakte hare betalingen; âers = bretels : âers they were called, braces not being a parliamentary word = ze werden âers genoemd, aangezien braces niet parlementair is; Suspense, snspens. onzekerheid (met angst of vrees), besluiteloosheid, uitstel: He was in a mortal suspense = hij was in doode-lijken angst; adj. onzeker, twijfelachtig; ! Suspensible = wat opgehouden of drijvende gehouden kan worden; Suspension, svspens'n, (op)hanging, ophouding, opschorting, uitstel, onzekerheid, schorsing: Then came a suspension of hostilities = toen kwam er eene staking der vijandelijkheden, een wapenstilstand = Suspension of arms: Suspen-8ion-bridge=hang-ofkettingbrug;S«/s/;e»ism?, = twijfelachtig, onzeker; Snspensor = draagband. bretel; Suspensory = hangend, dragend. Suspicion, szspiamp;n, achterdocht, vermoeden, j verdenking, âschijntjequot; of kleinigheid: Suspicious = achterdochtig, verdacht: A suspicious frame of mind = achterdochtige aard: Suspiciousness. Sustain, snstein, dragen, ondersteunen, schragen, verdragen, helpen, versterken, door bewijzen of getuigenissen vaststellen, volhouden: This admirable spirit is âed throughout the work = deze bewonderenswaardige zin (geest) wordt het geheele werk door volgehouden; âable = wat volgehouden, enz. kan i worden; âed = volgehouden; âer = ondersteuner, geduldig lijder; Sustenance, sostón'ws, onderhoud, levensmiddelen: Sustentation, svsfnteiè'n, steun, onderhoud,voedselgebruik: Sustentation-fiind = ondersteuningsfonds (vooral voor noodlijdende kerken), weer-standskas. Susurrant, siusnr'nt, fluisterend, zacht rui-schend; Susurration, siüsweiamp;n, gefluister, geritsel; Susurrus, siusnras, geruisch, gefluister. |
Sutler, swtte, zoetelaar; âship; Sutling^ sntlir^, van zoetelaars, zoetelaars..... Suftcé, svti, verbranding der weduwe met haren overleden echtgenoot, weduwe die met haar overleden echtgenoot verbrand wordt; âism = de plechtigheid dezer verbranding. Suttle, netto gewicht (zonder den genomen aftrek van 4 pounds van de 404). Suture, siütjuo, het naaien, zoom, naad; Su-tural, siutjür'l, tot een naad of zoom behoo-rende: âd = met naden of zoomen. Siizeraiii(egt;, siiizdre'm, subst. leenheer, opperheer: adj. heerschend, machtig; âty. Swab, sivob, subst. zwabber, wisscher, zuiplap: You drunken â = jij dronken jenevervat; â verb, dweilen, zwabberen, afwisschen: He âbed the perspiration from his face == veegde zich het zweet af; â ber = zwabber, opdweiier (van het dek). Swahia, sweibjd, Zwaben; ân = Zwaab(sch). Swad, swod, kort en dik persoon, pummel. Swaddle, swocl'l, zwachtelen, krachtig en stijf binden, inbakeren; âr = scheldnaam in Ierland aan Protestanten gegeven; Swaddling = stijf bindend, inbakerend: Swaddling-bands = Swaddling-clothes = Swaddling-clouts = luren, pak (waarin een klein kind gebonden wordt). Swag, sway, subst. ongelijke of hortende beweging, groote hoeveelheid, gestolen goed, buit; â verb, los en z^aar hangen, heen en weer slingeren: â belly = iemand met een hangbuik. Swage, siveiclz. subst. vorm; â verb, een vorm drukken op. Swagger, swagd, subst. gebluf, ijdel snoeven, onbeschaamde gewichtigheid van manieren; â verb, snoeven, met gemaakte gewichtigheid rondstappen, schetteren; âer = bluifer,grootspreker, tiran. Swain, swein, jonge man, boerenknecht, (landelijk) minnaar. Swale, sweil, laag gelegen, vochtig dal. Swallow, swolou, subst. zwaluw, groef om een takel, keel, slokarm, vraatzucht, groote hap of slok: At one â = in één slok, hap; â verb, verzwelgen, doorslikken, opslorpen, verteren, slikken, gelooven, goedvinden: 1 won't â such insults = zulke beleedigingen slik ik niet; He âed all this nonsense like gospel-truth = hij slikte al dien onzin alsof het de waarachtige waarheid was; The poor fellow was âed by the waves = werd door de golven verzwolgen; âfish = groote knorhaan; âtail = zwaluwstaart, rok, wimpel (in den vorm van een zwaluwstaart), vooruitgeschoven bastion van dien vorm; âtailed = met een zwaluwstaart, gevorkt, met smal uitloopende slippen (als een rok); âtailed butterfly = koninginnepage; âer = ver-zwelger, 'gulzigaard. Swam, swam, imperf. van to swim. Swamp, swomp, subst. moerassig of drassig land; â verb, in een moeras zinken, vol water loopen (van eene boot), omslaan, zinken, in onoverkomelijke moeilijkheden geraken, zeer | in aantal overtreffen: The Chinanian âs the labour-market of America = bederft (door te groote aanbieding van werkkrachten); We got âed = wij kwamen er leelijk in te zitten: âhoneysuckle = naaktbloemige azalea: |
man; ask = Ask; farm = fam; hut = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; bo?/ = bói:
SWAMP-HICKORV.
481
SWEET-HEART.
|
âhickory = bittere pekan-noot; ây = moerassig* drassig. swon. zwaan; âhopping, ânppiiig = het merken van zwanen; âlike = gelijk een zwaan (zoo blank); âshot = gan/.enhagel; âdown, âdown = zwanendons: âMkin = soort van fijn en dik flanel, molton; â wort = soort v. orchidee. ^waiiKf sivan, laag gelegen grasland. Swansea, swensi. Swap, swop, subst. slag. ruil: â verb, ruilen, wisselen: We smoked a final pipe, and âped a final yarn = wij staken de laatste pijp op en vertelden nog een laatst verhaal; quot;We fell to âpine; notes about customs in Germany = wij begonnen onze bevindingen uit te wisselen (te vergelijken) over de zeden in Duitschland. quot;Swape, sweip, lange roeiriem, zwengel eener pomp. lange zwengel om water te putten. quot;Sward, SLUÃd, grasveld, huid, bast; âcutter = ploeg (voor grasvelden), grasschaar. quot;Sware, swêd. imperf. van to swear (dichterl.). â Swarm, sivöm. subst. zwerm, dichte menigte; â verb, zwermen (van bijen), krioelen, wemelen, zich verdringen, in een'boom of mast klimmen (gew. met up); âiiiR = het samen-stroomen van groote menigten. quot;Swarry. swori. warm eenvoudig soupétje. Swart(li). swöt(h), zwart, donker; âhy = getaand, bruin: âhinpss. Swartii, swöth, verschijning van een stervende geest. Swash, swoë, subst. gepoch. gezwets, het âgeurenquot; of bluffen, watergeklots of-gekabbel; adj. zacht, overrijp, murw: â verb, bluffen, zwetsen: âhuckler = schetteraar. blulTer, sluipmoordenaar; âer; âing; = bluffend, zwaar neerploffend, verpletterend. Swath, swóth. rij gemaaid en bijeengelegd gras of koren, wat eene zeis of maaimachine bereikt, band, zwachtel. Swathe, sweidh, subst. zwachtel: â verb, zwachtelen, bakeren: Swathiii8;«clothes = luren, pak (zie Swaddle). Sway, swei, subst. zwaai of slag (van een wapen), overwicht, overmacht, heerschappij, invloed, het doorslaan (van den balans)': â verb, zwaaien, slingeren, hanteeren, overhellen, neerdrukken, richten, (be)heerschen, invloed oefenen: He was âed by my advice = mijn raad had invloed op hem:* â on = ga onbeschroomd voort; âed = afgebeuld (van paarden). Sweal, swiU afloopen (van eene kaars), verbranden zonder vlam, het haar van een dood varken afbranden. Swear, swêd, subst.eed, vloek; â verb.zweren, vloeken, bezweren, beëedigen, onder eede bevestigen: The Jury was sworn = werd beëedigd; He swore by all that is holy = hij (be)zwoer bij al wat heililg is; I â by yon for the best of friends = ik vertrouw u als mijn besten vriend; They were sworn to silence = zij beloofdenquot; onder eede te zullen zwijsren; lie swore an oath = deed een eed; The new mayor was sworn in = de nieuwe burgemeester werd beëedigd: 1 â off lying; = ik beloof plechtig niet meer te zullen liegen; He swore the peace against me = hij bezwoer, dat ik den dood of mishandeling van hem kon verwachten; âer = vloeker, die een eed doet. |
Sweat, swet, subst. zweet, zware arbeid, het bezweet zijn: In the â of thy face shalt thou eat bread; â verb, zweeten, (doen) zwoegen yoor^ schamel loon, uitwasemen: You'll â lor it = gij zult er van hebben, moet er voor ploeteren; The âed carry on their miserable lives = de slachtoffers van hongerloon voor harden arbeid zetten hun ellendig bestaan voort; âer = zweeter, uitzuigend werkgever; âing = zweetend, wat doet zweeten: -iiiff-batli = stoombad: âing-house = inrichting voor stoombaden: âing-iron â roskam: âiiiff-rootn = kamer met stoombad, droogkamer(kaas); âing-sickness = zweetziekte; â ing-system = hongerloon voor hard werk (vooral bij naaisters); ây = zweeterig. bezweet, zwoegend, zwaar; âiness. Swede, swid^ Zweed, Zweedsche raap: ân = Zweden; Swedish, subst. en adi. Zweedsch(e taal). Swedenbargian, SwUrnbödzidn, subst. en adj. (volgeling) van Swedenborg; âism = leer van de â s. Sweep, swip, subst. het vegen, veger, veeg, zwaai, draai, omvang, uitgestrektheid, grens, voortvluchtige blik. ploert, lange roeiriem, vernietiging, rijpad door den tuin van een buiten : We heiird the âh of the oars = de riemslagen; He killed them at one â = met éénen slag; â verb, vegen, wegvegen, even aanraken, voorbij vliegen of schieten, langs schuren, zwaaien: Everything was swept away = alles werd weggevaagd, vernietigd: The waves â (over) the deck == de golven slaan over het dek, vegen het dek schoon: ttnr cannon swept the walls = ons geschut veegde de muren schoon; He was swept from our sight = aan ons oog onttrokken; ânet = sleepnet; âwashings = afval in goud- en zilversmederijen: âer = wie of wat veest; âing = overweldigend, veelomvattend: The motion was carried by a âing majority = het voorstel werd door eene verpletterende meerderheid aangenomen: A âing reduction = kolossale prijsvermindering; âing assertioiiN = algemeene beweringen; âiiigs = op- of uitvaagsel, vuilnis: His troops were the âings of the galleys = zijne troepen bestonden uit galeiboeven; âstakes = wijze van spelen om den pot of het inzetgeld der spelers: They got up âstakes â zij zetten geld in, om*het onder de winners te verdeelen; ây = voorbijsnellend, trotsch stappend, met Ideine golven. Sweet, swit, subst. zoetheid, het zoet(e). vrien-delijke, aangename, lieverd: The âsand bitters of life = het zoet en zuur des levens: âs to the â = het lieve voor de lieve; â» = bonbons, lekkernijen, suikerwerken, enz.: adj. zoet, geurig, welluidend, schoon, lief. aangenaam, frisch. bevallig: â manners = zachte, vriendelijke manieren: He is â on her = is verliefd, dol op haar. vol attenties voor haar; He has a â tooth = hij houdt van zoetigheid; âbread = zwezerik: --briar = eglantier; âbroom = heidekruid; âcorn = varieteitvan maïs: âheart, subst. minnaar. |
bone = boun: full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; Kong = loi^; ship = sip: occasion = okeiz'n: thin: thus = dhrs: wine.
31
ten bruggencate. Eng. Woordenboek.
SWEET-HERBS.
482
SWINGE.
|
minnares, geliefde; verb, het hof maken: My master is âhearting iiiHide = mijn baas is in 't huis aan het vrijen: âherbs = geurige keukengroenten; âmarjoram = marjolein; âmeat = suikerwerken, bonbons, gecandeerde vruchten, al wat zoet is (zooais b.v. honig); âoil = zoete olie, olijfolie; â orange = sinaasappel; âpea = welriekende lathyrus = eene klimplant; âpotato = soort van convolvulus met eetbaren wortel; â seented = geurig, welriekend = âsmelling; âviolet = welriekend viooltje; âwilliam = duizendschoon; âwines = quot;wijnen met veel suiker daarin opgelost; âwort = elke plant van zoeten smaak; âen = verzoeten, verzachten, aangenaam maken, zuiveren, reinigen, ontsmetten: She âened up the applesauce = zij zoette de appelmoes aan; âener = wie of wat zoet maakt; âening = het zoetmaken, wat zoet maakt; â ing = soort v. saprijken appel = St.Jansappel: âish = tamelijk zoet; â ly pretty = snoezig; âness = zoetheid, welluidendhe'id, geurigheid, wellevendheid: The âness ot' his manners was only equalled by his liberality = de vriendelijkheid zijner manieren werd* slechts geëvenaard door zijne milddadigheid; ây = ulevelletje, bonbon. 8weli, swel, subst. zwelling, gezwel, het trapsgewijs toenemen, rondachtige landverhooging, deining, groote heer, âheele pietquot;, fat, man van beteekenis (op eenig gebied), crescendo- of decrescendoteeken: He does the â = hij hangt den fijnen meneer uit; What was called a â 25 years ago is a dnde or an effete youth now; You are quite a â with your new suit! = wat ben jij mooi met je nieuwe pak: adj. lijn, chique, fatterig; â verb, zwellen, opzwellen, toenemen, zich verheffen, opgeblazen zijn, langzaam toe- of afnemen, toornig of trotsch zijn of worden, zich verhoovaardigen: My book âs to an unexpected size = mijn boek groeit aan tot niet verwachten omvang; He has âed all expenses = hij heeft alle uitgaven vermeerderd; He was swollen with pride = opgeblazen van trots; The wind had âed the sails = had de zeilen doen zwellen; âmob = bende van als heeren gekleede gauwdieven of zakken-ollers; âmobsman = lid van een âmob; âdom = nageaapte voornaamheid: An ounce ol'comfort is worth a pound ofâdom = een onsje gezelligheid is een heel pond zoogenaamde âchiquequot; waard; âing = gezwel, uitzetting: The âing of the sea = het deinen der zee; âish = als een fatje. Swelter, sweltd, smoren ofbraden van de hitte, door hitte voortbrengen: It was a âing inorning = een smoorheete morgen; Sweltry, swellri, smoorheet, broeiend. Swept, swept, imp. en p. p. van to sweep. Swerve, swóv, subst. beweging naar ééne zijde; â verb, afdwalen, afwijken van de baan of den weg, opwaarts klimmen langs kronkelingen, overhellen: He never âd from the path of duty = verliet nooit het pad van den plicht. Swil't, swift, subst. gierzwaluw; adj. vlug, snel, kort: â of foot = rap van voet; A â horse = een snelloopend paard; âer, subst. boomtouw (voor de boomen van den kaapstander), sjorring: â verb, sjorren; âness. Swig, swig, subst. groote teug, talie; â verb, met groote teugen drkiken, gretig slokken of drinken: He âged off a great bumper. Swill, swil, subst. groote teug, overmatig veel drank; â verb, gretig en overmatig drinken., dronken maken, zuijjen; âer = zuiplapjenevervat; âings = varkensdraf. |
Swim, swim., subst. het zwemmen, draaiende beweging, bad, vischplaats, zwemblaas: He is in the â = hij is m het geheim ingewijd,, weet âhet naadje van de kousquot;; â verb, zwemmen, voortglijden, doornat worden, overzwemmen, onder water dompelen terwijl de lichtere deelen bovendrijven, duizelig zijn: He-swam with, against the tide = hij ging met den stroom mee, tegen den stroom in: He âs in wealth and luxury = hij baadt zich in rijkdom en weelde; My head begins-to â = het begint mij voor de oogen te draaien, te duizelen; The general swam his horse across the river = deed zija paard de rivier overzwemmen: We swam down the river = de rivier af: â(ming)-bladder = luchtblaas; âmer = zwemmer, zwemvogel, waterspin, plankje op een vollen emmer die gedragen wordt: âming, subst, duizeling, het zwemmen; adj. zwemmend:. We are getting on âmingly = wij maken het uitstekend: The work 'is getting on âmingly = het werk vordert vlot: âining-girdle = zwemgordel: âming-jacket = zwembuis; âming-scliool = zwemschool. Swindle, swind l, subst. het zwendelen, oplichterij, zwendelarij; â verb, zwendelen, oplichten: He âd me out out of my watch = hij heeft mij mijn horloge ontfutseld, afgezet; âr = zwendelaar, oplichter: Swindling = afzetterij. Swine, swain, varkenT zwijn; âbread = truffel; âberd = zwijnenhoeder: âpipe = koperwiek; âpox = steenpokken; â*s snout = paardenbloem; âsty = varkenskot? Swinish, swainiè. zwijnachtig, vuil, lomp. Swing, swir\, subst. het zwaaien, schommelende beweging, schommel, zwaai, ongedwongenheid-onbeperkte vrijheid van beweging: We played to our full â = naar hartelust; She got into the â of her work = raakte geheel er mede vertrouwd, deed het best; All the mills are in full â = al de fabrieken zijn. in volle werking; The party was in full â = de partij was in vollen gang; The praise of mankind was bis â = fort,lusten leven;. â verb, schommelen, slingeren, ophangen, plotseling zwaaien, met het getij ronddrijven (als een schip voor anker): He swung round the corner = hij reed met korten draai den hoek om; âbridge = draaibrug; âdoors = toeslaande dubbele deuren; âplough = ploeg zonder rad; âtree = zwengelhouti âwheel = balanceerwiel (in een horloge);âer. Swinge, swinz, subst. veeg, klets, slag, machU invloed; â verb, afranselen,kastijden: Swin-g(e)ing, swinzin, kolossaal groot, verbazend: â I, swinz11, losse deel van een dorschvlegel: Swingle, swh\cfU subst. zwengel, vlegel; â verb, vlas zwengelen; Swingle-bar Ctreegt; = zwengelhout; Swiiigie-staff = vlaszwengel, vlegel = Swingling-stafr, Swingliiig-knife, |
man; ask = èsk; farm = fiim; bift = b«t; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net: care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; net; \aw = ld; lord = lod; boy = ból;
SWIPE. SYMPATHIZE.
|
Swingling wand; Swingliiig-tow = het j grove gedeelte, dat door het zwengelen van het vlas wordt verwijderd. Swipe, siuaip, subst. lange stok om een steunpunt, pompzwengel, harde slag (bij wicket of kolfspel); â verb, met kracht slaan; âr. SwippH, swaips, dun bier. Swiple, swip'l, losse deel van een vlegel. Swirl, swól, subst. draaiende beweging, draai-(kolk): Tlie Hi leut â ol' bat» geruischloos rondvliegen der vleermuizen; â verb, snel ronddraaien of bewegen. Swi»li, swis, zwaaien, slingeren, ranselen: lie was â«â¢lt;! several li mow = afgestraft. SwiMs, sw'is, subst. zwitser, pedel of koster in K. K. kerken; adj. Zwitsersch; âiniiHlin = fijne, opengewerkte mousseline: Switzer = Zwitser; Switzerland. Switch, switè, subst. teentje (takje), roede, karwats, wisselspoor; â verb, slaan, ranselen, op een ander spoor brengen (Am.; Shunt is Engelsch), de verbinding (bij telefoon of elec-trisch licht) bewerkstelligen of verbreken: The teiephone-girl» have quite enough to do with âing on and off = met de aansluiting te maken of te verbreken; Tlie train was âed on to a side-rail = werd op een zijspoor gebracht; âback = op-en-neerbaan, Slontagnes russes; âman = wisselwachter. Swivel, swWl, subst. schijf, wervel, draaiend kanon of draaibas (op een schip) = âgun: â verb, op eene spil of schijf draaien; âbridge = draaibrug; âchair = draaistoel; âeye = scheel oog; âeyed = scheel: âhook*= wartelbaak (om de* draaien uit een takel te Swob, swob. Z. Swab. [verwijderen). Swollen, Swoln, siuouln, p. p. van t'u stvell. Swoon, swün. subst. het in zwijm vallen, bezwijming; â verb, bezwijmen: âing. Swoop, swüp, subst. plotseling neervallen of grijpen (van een roofvogel); He killed theni all at a â = in één onverhoedsclien slag; ! â verb, neerschieten op, neerstrijken. Swop, swop, subst. ruil; â verb, ruilen. Sword, sörf, zwaard, vernietiging, dood: lie stood on his deiencc, â in hand = hij had, met het zwaard in de hand, eene verdedigende houding aangenomen; Sheathe your â = steek uw zwaard op: They were all put to the â = alien over de kling gejaagd: His â was broken = hij werd gedegradeerd; âarm = rechterarm; âbayonet = sabelbajonet; âbearer = zwaarddrager; âbelt = sabelriem of gordel; â blade = degenkling, lemmet; âcane = degenstok; âcut = sabelwonde; âdance = sabeldans (der Hooglanders); âHgiit = ge-vecht op den sabel, het schermen; âlish = zwaardvisch; âgrass = akker-schubmuur; âknot = sabelkwast, dragon; âlily = zwaardlelie; âplay = gevecht of duel op den degen; âshaped^ in den vorm van een zwaard; âstick = degenstok; âless; â s-man = soldaat, schermmeester; âsinanship = schermkunst met den degen. Swore, swö, imperf. van to swear. Sworn, swön, gezworen, onder eede; â broker = (beëedigd) makelaar (in de City); â enemies = gezworen vijanden; â I'riends = dikke vrienden. |
Swot, swot, bestudeeren (universiteit); It^sno use âting this up, they never set it in exams = het geeft niets of men dat besta-deert, we krijgen het op het examen toch niet. Swum, swum, p. perf. van to swim. Swung, stuvn, imp. en p. p. van to swing. Sybarite, sibdrait, verwijfd persoon, iemand o'vergegeven aan vermaken, lekker eten en drinken; Sybaritictal) sibdritikCl), verwijfd, wellustig; Sybaritism, sibdraltizm.verwijfdheid, wellustigheid. Sycamine, siA^main, moerbeiboom. Sycamore, sikom'6, wilde vijgeboom; âlig = wilde vijg = Sycomore, sikdmö. Sycophancy, sïkdfïxnsi. lage vleierij, verklik-kerij, slaafsheid, pluimstrijkerij; Sycophant, sitofant, subst. lage vleier, pluimstrijker, bedrieger; â verb. den pluimstrijker, etc. spelen; Sycophantic,s'xkufantik', Sycapitantish; Sy-cophantize, sikdfuntaiz, laag vleien^ llikllooien, aanbrengen, verklikken. Sycosis, sikousis, baardworm. Sydenhaiii, siddrim. Syke. sa ik, klein beekje. Sy \\i\hiv,silabik. tot de lettergreep behoorende; Syllabicate, Syllabify = tot lettergrepen vormen ; Syllabication, Syllabification = ver-deeling in of vorming tot lettergrepen. Syllable, sildbl, lettergreep, kleinigheid. Syllabub, silobvb; Zie Sillabub. Syllabus, silebvs, korte inhoud, overzicht. Syllogisni, silDdzizm, sluitrede, bestaande uit twee premises en dsconclusion', Syllogistic, silddzistik, tot een â behoorende: Syllogi-zation, siludzaizeiö'n, het maken van'eenâ; Syllogize, .sibidzaiz. eene sluitrede maken. Sylph, silf. sylphide, luchtgeest, bevallige vrouw, nimf; âlike = bevallig, slank. Sylvan, siiu'n, subst. landman,boer, baschgod, satyr; adj. tot een woud behoorende, landelijk, boschrijk, lommerrijk, in bosschen groeiend; Sylviculture, silvikaltjd, boschcultuur. Sylvan, silv'n, Silvanus; Sylvia, siluia. Symbol, simb'l, subst. zinnebeeld, teeken, kenteeken; âic(al), nimbolikCl),zinnebeeldig, voorstellend; âicalness: âics = studie der zinnebeelden en geheimzinnige plechtigheden der Ouden, studie van de geloofsvormen en geloofsbelijdenis; âism = zinnebeeldige voorstelling, symbolisme: âist: âization = zinnebeeldige voorstelling, verzinnelijking; âize, simbdlaiz, zinnebeeldig voorstellen; âogy, simbolodzi, de kunst van zinnebeeldige voo'r-stelling. Symnietral,«ime«r7, Syninietrical,smlt;erriA:7. Symmetrie, simetrik, evenredig, evenmatig; Symmetrian, simetrion, Syinmetrist, s-imo-trïst, die zich op e ven red igh'eid toelegt; Symmetrize, simdtraiz, evenredig maken; Symmetry, simdtri, evenredigheid, onderlinge verhouding der deelen. Sympathetic, simpdthetik. medegevoelend, medegevoel opwekkend; âink = kleurlooze inkt. die door eene zekere bewerking zichtbaar wordt; Synipathcticisni, simpdthetisizm. Sympathy, simpdthi, medegevoel, sympathie, wederkeerige werking der lichaamsdeelen op elkander; Sympathize, simpathmz, medegevoel hebben, overeenstemmen: 1 don't sym- |
bone = boun; full; fool = ful; e = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; t/ear = jia; \ong = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dlias; wine.
31*
SYMPHONIC.
484
T.
|
pafhize with siieh an opinion = ik gevoel niets voor zulk eene meening. Syinphonic. simfonik. Syniplionions, sim-founids, overeenstemmend, welluidend. SyinplioniHt, simfdnist, componist van sym- ! pbonieën; Symphony, simfani, symphonie, welluidende samenstemming. SyinpOHiinn, simpouz'm, drinkgelag, pretje, feest, tijdschriftartikelen door verschillende schrijvers over hetzelfde onderwerp: Sympo-siac. simpouzidk, tot een â behoorende; Sym- | posiarch, simpouzvxk. president van een â. 1 Symptom, simVm, kenteeken, aanwijzing, verschijnsel; âatic(al) = behoorende tot â kenmerkend lt;ol*gt;; â a to log y = leer en studie der ziekteverschijnselen. ^yniptoHis, simtottsis, hiaat of opeenhooping van klinkers. Synaeresi», sinirdsis, samentrekking van twee lettergrepen (of klinkers) tot eenfe). Sv nagoKue. sinagog, Synagoge; Synagogical, shwgodzik'U tot eene â behoorend. Synantlioiis. sinanthds, met bloemen en bladen tegelijk uitkomende. Synehronal, sii\krdril, subst. en adj. (het) gelijktijdig(e) = Synchronous, sinkrands; Synclironisin, sir\kt%dn\zm, gelijktijdigheid, aaneengeschakelde gebeurtenissen: Synchro-nistic(al) = gelijktijdig: Syncliionization, sirikrdnaizeië'n, het gelijktijdig plaats hebben van gebeurtenissen; Synrlironize, ^i^/cranair, terzelfder tijd (doen) 'plaats hebben. Syncope, weglating van letter(s) of Tettergreep uit het midden van een woord, flauwte, bezwijming; Syncopal = als eeneâ; Syncopate, sinkapeit, samentrekken van een woord (door uitlating in het midden); Syncopation = samentrekking. Syncretism, s-inkrdtizm, poging tot vereeni-ging van verschillende godsdienstige stelsels tot één. Syndic, sinüik, gevolmachtigde van de regeering, voornaamste magistraatspersoon, gemeenteambtenaar; âate, sindikit, raad, syndicaat of vereeniging ter bevordering van eene bepaalde onderneming. Synecdoche, sinekddki, redefiguur waarbij tiet geheel voor het deel, of omgekeerd, wordt genomen. Synergy, sinadzi, onderlinge betrekking tus-schen verschillende organen. Synod, siwad, synode, kerkvergadering; âal. |
tot eene synode behoorende, synodaal = âic(«!gt;, sinodikCl). Synonym, sinanim, een woord met ongeveer gelijke beteekenis als een ander: â ic, si»w-nimik, van ongeveer gelijke beteekenis; âics = de wetenschappelijke behandeling van â sinanimiti. Synonymy, sinonimi, het synoniem zijn, stelsel van synoniemen: âize. sinonimaiz, door een synoniem of synoniemen uitdrukken of verduidelijken; âons, sinoni-nws, van ongeveer gelijke beteekenis. Synopsis, sinopsis, kort en algemeen overzicht of begrip; Synoptic, subst. en adj. synoptisch (bijbelboek; een van deze drie: Mat-t he lis, Marcus, Lu kas); Synoptical: Synoptist = schrijver(s) van een der drie eerste N. Testa-mentische boeken. Syntiictic(al), sintaktikC l\ samengevoegd, overeenkomstig de regels der Syntax = syntaxis. Synthesis, sinthasis, samenstellins:, samenvoeging; Syiitlietic(al), sinthetikCl), samenstellend. Syplion. saif n, hevel. Syracuse, sirakjnz; Syracusau, sir.ikjüz'n, van Syracuse. Syren, sair'n, sirene. Syria, siria, Syrië; âc, ân, subst. en adj. Syrisch(e taal),'(inwoner) van Syrië. Syringii, siringa, sering. Syringe, sirinz, subst. pomp, spuit; â verb, reinigen met eene spuit. Syrinx, sirinjes, beneden-larynx, pansfluit. Syrtis, stitis, drijfzand. Syrnp, sirap, stroop: ây = als stroop. System, sisCm, stelsel, lichaam: Kervous â = zenuwstelsel; It was reduced to a â by a (lierman =een Duitscher maakte daar een stelsel van: âmaker = stelselmaker; â monger, =imm\ga, stelselaar: âatic(al) = stelselmatig, methodisch; âatist, âatizer = stelselmaker; âatization = het stelselen of maken van een stelsel: âatïze = tot een stelsel brengen; âic, sisie/m/c, t.ot een stelsel, tot het lichaam als geheel behoorende; âless = stelselloos. Systole, sistali, samentrekking (van lange lettergrepen; van het hart). Systyle, sis tail, rij van zuilen om een gebouw geplaatst, gebouw met dicht bijeenstaande zuilen. |
T
|
T, ti; T(un, Tuesday), Tecli(nical), Teun- | (essee), Teuf(onic), Tex(as). Text(iis) ree-(eptus) = The received text; Th(omas, | Thursday), Theo{dore). Theol(ogy), Thess-(alonians). Tho(mas), Thn{rsday), Thtirs-(day), Tirn(othy), Tit (Ie, Titus), T(urn) 0(ver), Topog(raphy); Tr. = Translation, Transpose, Treasurer, Trustee; Trans. = |
Transactions, Translator: Trariels). Trig. of Trigon{ometry), Triti(ity), l\exa)s, Tir. of Tues(day), Typ(ogr ipher), Typography): He is marked with a â = hij heeft gezeten, is een dief; 1 can tell it you to a â = ik kan het u precies vertellen; It fits me to a â = past me precies; She rested her loot on a â = op een steuntje, stoeltje. |
man; ask = Ask: farm = fiim; hwt = but; learn = Iwn; line = lain; hoitse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló; lord = löd; hoy = böi;
TACTILE.
TA.
|
Ta. ta: I'll say â for hi in = ik zal voor hem bedanken;--= da-ag (afscheid). Tab, tab, tlapleertje van een schoen, kant of boordsel voor mutsen. Tabard, tabdd, tabbaard, mantel van een heraut; âer = getabberde. Tabaref, tabdret, dikke geribde zijden stof. Tabby, tabi, subst. gewaterde (onregelmatig gegolfde) zijde, kalk met schelpen en kiezel, gestreepte kat of katje, ook âcat, âkitten genoemd; adj.gewaterd,gestreept; â verb.gegolfde of gewaterde oppervlakte aan stoffen geven; âing = gewaterde stoffen. Tabelaetion, tabi fakè'n, wegkwij ning; Tabeiy, tabifai, wegkwijnen, wegteren. Tabernacle, tabdjwk'l, tent, tempel, lichaam als zetel der ziel, tabernakel, godshuis (gew. met amphitheatersgewijze zitplaatsen): The feast of âs = loofhuttenfeest; â verb, in een tabernakel wonen, verblijven; âwork = gesneden houtwerk boven een kansel, etc.; Tabernacnlar, tabonakjula, van beeldhouwwerk voorzien. Tabes, teibiz, uittering; Tabetie, tdbetik, aan uittering lijdende = Tabid = uitgeleerd: Tabitnde. tabitjCid, kwijnende toestand. Tabinet, tabinet, half wollen, half zijden stof. Tabithii, tabithd. Tablature, tabbtjd, verdeeling van den schedel in tweeën, muurschildering. Table, teib'U subst. tafel, tablet, tabél, afdeeling van den schedel, register, korte inhoud: The proposal was laid on the â = ter griffie gedeponeerd (voor onbepaalden tijd uitgesteld); Pembroke â = tafel met inlegbladen; lie took the head (bottom) of the â = hij ging aan het hoofd (benedeneinde) der tafel zitten: â of contents = inhoud(sopgaaf): The Lord's â = communie- of avondmaalstafel; lie keeps a good â = hij heeft eene goede tafel, eet lekker; We were at â = zaten aan tafel: Who waited at â ? = wie heeft bediend; The knights of the round â = de ridders der ronde tafel (Arthur en zijne ridders); â verb, den kost geven, van voedsel voorzien, rangschikken, op de tafel leggen, ter griffie deponeeren, lasschen (van twee stukken hout); âs = triktrakspel, tabellen, tafelen: They were playing at âs = zij waren aan het bakken (triktrakken); Astronomical âs = sterrekundige tabellen; The law of the twelve âs = de wet der twaalf tafelen (hoofdinhoud der Komeinsche wet); To serveâs = de aalmoezen der kerk uitdeelen; The âs were turned = de bordjes werden verhangen, de kans keerde; 1 turned the âs on him = ik kaatste hem den bal terug, betaalde hem met gelijke munt; âBay = Tafelbaai: âbeer = tafelbier, gewoon bier; âbell = tafelschel; âbook = notitieboekje: âbrush â¢= tafelborstel; âcloth = tafellaken, tafelkleed; âcoiupanion = tafelgenoot; âd'hote = ordinaris; âland = berg- of hoogvlakte; âlinen = tafellinnen; âmoney = tafelgeld; âmoiintaiii = Tafelberg; -âshore = lage en vlakke kust; âspoon = eetlepel; âspoonful = eetlepelvol; âsteel = messen-scherper; âtalk = tafelgesprek(ken); â-turning = tafeldans (door geesten teweeggebracht): âr = houder van kostgangers; ât. |
tabid, tafeltje, plat stuk hout of ivoor (om op te schrijven); Tabling, teiblin, het opnemen in registers of tafels; kost, onderhoud, het lasschen van hout. Taboo, tdbü, subst. terzijdezetting, het negeeren; adj. uitgesloten, verboden: That is â = dat mag niet; â verb, terzijde zetten, negeeren: Let's â such an unpleasant subject = laten we dat onaangename onderwerp verder niet aanroeren; It has become the fashion to â sentinientalism = de sentimentaliteit te negeeren, af te keuren. Ta hor, teibo, subst. kleine trom; â verb, trommelen, zacht en herhaaldelijk slaan op; âer; âet = kleine â: âine, teiborm, kleine trom = Tabret. Taborites, tabdrzits, Taborieten. Tabouret, teibdret, tabouret, stoeltje. Tabular, tabjuls, tafelvormig, met platte oppervlakte, tabellarisch; âize = tot tabellen brengen: Tabulate, tabjulit, adj.tafelvormig; â verb, (tabjuleit) in tabellen brengen, vlak of plat maken. Tacainahaca, takdnidhdko, hars op de knoppen van den populier. Tache, Mé, lus, knoopsgat, knoop. Tachometer, tdkonwto, snelheidsmeter; Tachy-grapiiy, tdkicfrdfi, kort- of snelschrift. Tacit, 'tasit, stilzwijgend: â consent = stilzwijgende toestemming; âurn, tasitiin, zwijgend, stil: William the âurn = Willem de Zwijger; âiirnity = stilzwijgendheid. Tack, tak, subst. spijkertje, stift,quot;tijdelijk weide-recht, hals (touw aan een zeil of het lagere deel van het zeil waaraan het touw is vastgemaakt), koers of gang (van een schip met betrekking tot den stand der zeilen): Tin â, White â = vertind spijkenje; These ships stand on the same â = liggen over denzelfden boeg; I must change the â = het op andere manier probeeren, van koers veranderen; The â of a flag = de lijn die de vlag aan het val verbindt; â verb, hechten, vastmaken, rijgen, bij den wind omwenden, bij den wind zeilen, over den anderen boeg gaan, laveeren: He often âs on something to the substance of his work = hij rijgt soms het een of ander vast aan den hoofdinhoud van zijn werk; I must â this frilling into my dress = ik moet deze âruchequot; nog in mijne japon rijgen; âblock = halsblok (scheepsterm); âet = korte spijker met groo-ten kop; âing = het omwenden van het schip: âsnian = iemand die land in huur heeft. Tackle,' tak'l, toestel, tuig, takel, talie, wapenen, werktuigen: Fish(ing)â = vischtuig: â verb, te doen hebben met, betrekken in, krachtig aan het werk zetten of gaan: I am not prepared to â a ghost = mij met een spook af te geven, het er tegen op te nemen; He is too good a whist-player to be âd at double dummy = hij speelt te goed voor een partijtje met twee lummels (âblindenquot; of slechte spelers); âd = van verbonden touwen: âd-stalr = touwladder; Tackling = takelage (al wat tot de masten en raas behoort), gereedschap, tuig. Tact. takt, gevoel, tact, slag: â ic(algt; = tactisch; âician, taktis'n, krijgskundige; â ics = tak-tiek, krijgskunde; ile, tak tail, voel- of |
bone = boun; full; fool = ful; é = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: year = jia; longr = loi^: ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhus; wine.
TACTION.
486
TAKE.
|
tastbaar; âility = voel- of tastbaarheid: âioii = aanraking; âIphs = zonder tact of slag; ânal, taktjudl, voel- of tastbaar: The material world is a visible and âual iiiHiiifVHtation of fiod'H power = destoife-lijke wereld is eene zicht- en tastbare open-baring van Gods macht Tadpole, tadponl, jonge kikvorsch. Ta'en, tein, verk. van Taken. Taenia, tinjd, genus, waartoe de lintworm be- 1 hoort: Taenioid = lint(worm)vormig. Tafieta, tafata, TalTety, taf,itl, taf. Tafl'raii, TafTerel, hakkebord (boven- achtei-dek). TaflXy). taf{i). iemand uit Wales, David. Talin', tfifid. soort v. rum uit stroop bereid. T«K, tag, subst. aanhangsel, zedelijke toepassing, adreskaart, nestel, malie, wat aan iets anders verbonden of geregen is. iets laags of verachtelijks, herkenningswoord: He delivered Latin âs with an EngliMh arcent = hij kraamde Latijnsche woorden (uitdrukkingen) uit met een iMigelsch accent; â verb, van nestel of malie voorzien, aanhechten, vastmaken. aanraken: Have yon no other moral to â to thi» Htory =*zedeles trekken uit? tie is always âRing after his elder brother = Hij volgt zijn oudsten broeder als eene schaduw, doet net als hij; ârag, subst. janhagel: ârag and bobtail = Jan nip en z'n maat: adj. tot het janhagel behoo-rende: âwore = schapenziekte (in den staart). Taglia, tal ja, talie (eigenaardige verbinding van katrollen). Tagns, teirps, Taag. Tail, teil, subst. staart, laagste van iets, sleep, beperking, pand (van eene jas): The dog turned â immediately = ging ei- onmiddellijk van door; Head or â = kop of kruis, kruis of munt; The â of the trenches = de plaats waar de belegeraars hunne loopgraven beginnen : Kwtate in â = landgoed waarvan de overerving beperkt is tot één persoon en zijne kinderen: The â of a horologe = de slinger van eene pendule; Hereby hangs a â (tale) = daar is meer aan vast; âblock = staartblok; âboard = achterplank van een wagen (die men bij het afladen kan wegnemen of neerlaten); âlight = rood licht achter aan een spoortrein; âpiece = vignet (op het eind van hoofdstuk of boek), onderstuk van de viool waaraan de snaren vastzitten; âpocket = achterzak ^n eene jas; â race = geul om het gebruikte water van een molenrad af te voeren; âed = met een staart; âings = kaf; âless. Tail(lgt;age, teilidz. Talliage, foO'/rfr, belasting, tol; Taillager, teilidzd, ontvanger van â. Taille, teil, rekening, kerfstok. Tailor, teil.j. subst. kleermaker, modemaakster; â verb, kleermaker zijn, kleeren maken; âess = kleermaakster; â ing = kleermakersvak of -werk; â's goose = persijzer. Tailzie, teilji, subst. onvervreemdbaar erfgoed; â verb, onvervreemdbaar maken. Taint, teint, subst. kleur, smet, vlek, besmetting, bederf, schande, roodkleurige spin; adj. besmet, bevlekt, doortrokken; â verb, besmetten, bederven, bevlekken: The air is âed with all kinds of smells = de lucht is . |
bedorven door allerlei âluchtjesquot;; âless = smetteloos; âworm = parasiet; âure, teintjd, besmetting, smet, vlek. Take, teik. subst. het ontvangene, genomene, vangst, trek. haal; â verb, nemen, aannemend grijpen, pakken, betrappen, meevoeren, aanvallen, vatten, gevangen nemen, huren, zich toeëigenen; begrijpen, onderstellen, gelooven, zich wenden tot, uitkiezen, gewoonlijk gebruiken, aanteekenen, verduren: He soon took a back-Heat = hij bakte weldra zoete broodjes, deed afstand van zijne aanspraken; Tom Thumb was ân aii English tonr = de ondernemer maakte met T. Th. eene reis door E.; Do you â me = snap je mij ? 1 am sorry hé took advantage of yoni' miserable' state = dat hij een ongepast gebruik maakte van, u verraste in uwen treurigen toestand; I took his advice = volgde zijn raad; He took his departure = nam afscheid; âyour own time about it = neem er zooveel tijd voor als gij verkiest; The soldier took aim = mikte; He will not â an affront, a denial = hij wil niet be-leedigd worden, geene weigering aannemen: The opprenspd people took (up) arms = het onderdrukte volk vatte de wapens op; It has ân my breath clean away = het heeft mij roijaal versteld doen staan, den adem benomen; â care, my boy = pas op, jongen; She took good care'not to be ensnared again = zij paste wel op dat ze er niet weer inliep; The mother took care of her ailing child = verzorgde goed en waakte over haar sukkelend kind; You miiHt â your chance = de kans wagen; 1 will â down your pride a peg or two = ik zal je trots'wel wat verminderen; We cannot â all these circumstances into consideration = in overweging nemen; What course have you ân? = tot welke maatregelen hebt gi'i uwe toevlucht genomen; You may â credit for having done your best = ge moogt er u op beroemen, gerust zeggen: His remarks were ân down, and by a few additions converted into a man'iial for students = werden neergeschreven en door eenige toevoeging tot een handboek vervormd; The horse took the fences to every body's admiration = sprong over de barrières heen: The cannonading took effect and several houses took fire = het bombardement miste zijne uitwerking niet. en verscheidene huizen geraakten in brand: 1 â exception to your words = ikteeken protest aan tegen; He took fire at once = hij stoof dadelijk op; He took it as a great favour = beschouwde het als: I took yon for your brother = ik hield u voor uw broer; â a good heart = vat moed; â heed = wees op uwe hoede; They will â horse at five = zij rijden om vijf uur uit: Shall we â a drive, a ride? = zullen we gaan rijden; I had ân hold of the rope = had het touw gepakt; I will â hold of this = ik zal mijne keus hiertoe bepalen; I hope you don't take it ill = niet kwalijk neemt: My friend was ân ill (unwell) = werd ziek; The poor fellow was ân in by all his comrades = werd beetgenomen; He |
man; ask = Ask; farm = fiim; b?lt;t = but; learn = Urn; line = lain; bowse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = 16; lord = liid; hoy = bói;
TALESMAN.
487
TAKE.
|
was âii in the very «et = hij werd op heeterdaad betrapt; The matter was âii in hand by the king hiiiiself = de koning zelf pakte de zaak aan: The ship was ân in tow = op sleeptouw genomen; I was frequently ân like that = ik ben er zelf dikwijls zoo aan toe geweest; His nncle was | ân in stone = in steen uitgehouwen, gebeiteld: Who took you in to dinner? = wie leidde u de eetzaal binnen; Do not â lt;aod's name in vain = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Can't you â a jest? = kunt gij geene vrap hebben, verstaat gij geen «cherts; We took a hearty leave = wij namen hartelijk afscheid; He took no notice, â and continiied on his headlong course = hij lette er niet op. en zette zijn doldrif-tigen loop voort; I â it that he will come = ik houd het er voor; The mayor has âli his oath to-day = is heden beëedigd; 1 â yon at your word = houd u aan; This actor caii â off a person's peculiarities admirably = iemands eigenaardigheden 'wonderlijk* goed nadoen; He took himself off = hij ging heen: â off your glass = â¢drink eens uit; I will â it out ol* you = zal het je wel inpeperen, afleeren; His' kind-liness took me a bit ont ol' niysell* = zijne goedhartigheid verzette mij wat', gaf mij wat afleiding, bracht mij tot aangenamer gedachten; lie took over my business = .heeft overgenomen: We have â n part (sides) with the government against «Mir party = wij hebben het ministerie gesteund tegen ónze «eigen partij: He took my part = hij koos mijne partij ; 1 don't know what took place «n that day = gebeurde, plaats had; The plant has ân root = wortel geschoten; The 'thing has ân air = zaak is ruchtbaar geworden: Von must â the air, â an airing for two hours every day = ge moet alle -dagen twee uur in de iucht*(wandelen. rijden, â¢etc.); He âs airs â geeft zich âairsquot;; The army took the Held = trok te velde; l^et's â breath for a moment = ademscheppen; The wound took cold = er kwam koudvuur 'bij; The patient was ân much worse = werd veel erger; Don't â it too much to â¢heart = trek het u niet te zeer aan; We will â the first opportunity that offers = wij zullen de eerste de beste gelegenheid aangrijpen; Don't â offence at my words = laten . . . u niet beleedigen; He took great pains = hij heeft zich veel moeite getroost; 8lie took a pride in her children = was trotsch op; He âs pleasure in whatever makes us happy = hij schept behagen in t geen ons gelukkig maakt; They were ân prisoner on the spot = gevangen genomen: â pity on me = heb medelijden met mij; He will â the voyage shortly after his marriage = de reis aanvaarden; She took my sister up very strongly, and invited her to spend a few days at her country-seat = zij interesseerde zich zeer voor mijne zuster; All my brothers have ân the shilling = zijn onder dienst gegaan: Wrill you â me up at the station = bij het station opvangen, meenemen; You must â up with plain fare = eenvoudige kost voor lief nemen: She was glad to âup with it = ze was er erg blij mee; 1 am mncli ân up with your affairs = boezemen mij veel belang in; Small girls took her up in class = streefden haar voorbij op school; He took me up very sharp over that point = hij maakte mij'daarover een erg standje; The public has ân un with a new favourite = het publiek heeft een nieuwen lieveling gekozen; He was ân up by me = werd doorgehaald: He took a fancy to it = kreeg er aardigheid in; That will â up all my time, too much room = dat zal al mijn tijd, te veel plaats innemen: Yon have ân us a long way about = ons een omweg laten maken: â a seat = neem plaats; I was ân aback = stond versteld, verbluft; Will you â me across = naar de overzijde brengen? They took down our names = schreven op*; Will you â down the second volume = (van de plank) krijgen? She has ân on with another chap = een anderen vent aan den haak geslagen: He took on much from the language of his own age = nam veel over (aan) uit; He took upon himself the right to do this = hij matigde zich het recht aan; I am sorry you have â umbrage at my words = dat'ge u geërgerd hebt aan: That won't â = dat gaat niet aan (op); The vaccination has ân beautifully â de pokjes hebben mooi gevatquot;; He âs after his father = hij aardt naar zijn vader; He was â n off his legs in no time =: in minder dan geen tijd lag hij op den grond; Don't â on ho = ga niet zoo te keer, wees niet zoo hevig ontroerd: He took to me very kindly = hij trok zich mijner vriendelijk'aan; He took to it = hij mocht het graag: 1 am ân with that picture = die schilderij valt in mijn smaak; To â off = (af)schildëren, nabootsen; âoff = nabootsing: Did you ever see such a âoff = hebt ge ooit 'zulk eene caricatuur gezien; âin = misleiding, beet-nemerij; âr = nemer,aannemer, etc.; Taking, subst. het nemen, pakken, vatten, slechte invloed: He was in a pretty taking = hij was vreeselijk ontroerd of geagiteerd, zat er leelijkin; adj. innemend, aanlokkelijk, besmettelijk; Taking-off = terdoodbrenging; Takings = recette (aan de kas): The takings of tlie drama were simply tremendous = de ontvangsten (recette) 'waren (was) eenvoudig kolossaal: Takingness = innemendheid. Talaria, tdlêrio, vleugeltjes aan de enkels van Hennes (Mercuriiis). |
Talbot, tólbdt, soort van hazewind^ Talc, talk, talkaarde; âite, talsait; âose. Tale, teil. subst. verhaal, vertelsel, sprookje, (ge)tal of rekening, inlichting: Don't tell âs = klik niet; They are all in a â about hini = over hem zijn ze het allen eens; I will pay you full â for this = dit betaald zetten; âverb, verhalen,vertellen; --bearer: He stooped to be a âbearer = hij vernederde zich tot de rol van klikspaan, verklikker: âbearing = het verklikken of praatjes verspreiden; â ful = vol verhalen; âs = menschen van gelijken goeden naam, plaatsvervangers van juryleden: âsman = |
bone = boun; full; fool = ful: a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl: //ear = Jia; long = loi^; ship = sip: occasion = okeiz'n; thin: thus = dhvs: wine.
TANGENT.
TALENT.
|
plaatsvervangend-jurylid; â-teller = verteller, klikker. Talent, taVnt, talent (ook oude munt: die van Attica was ongeveer /quot;2925), gaven, vermogen, begaafd man, karakter, neiging; âed = begaafd. Tal lord, tölfad. Tal ion, teiiidn, wet der vergelding. TalipeH, talipiz, horrelvoet. Talipot, talipot, waaierpalm. TaliMinan, talizm'n, talisman; âie, talizinanik, met too verkracht begaafd, er door bewerkt. Talk, tók, subst. (familiaar) gesprek, praatje, gerucht, onderhandeling: That in the com-nion â = hetalgemeene praatje; The Herie» will consist ol' original â8 and sketcheN = de reeks zal uit oorspronkelijke âpraatjes over allerleiquot; en schetsen bestaan; Tall â = gewichtig gewauwel, gesnoef; â verb, praten, keuvelen, vertellen: lie wa» â iiiR big = hij was aan het âopsnijdenquot;; We âeclahont the plan, and he âelt;l me into taking Home Hhares, though my better hall' tried to â me out ol* it = wij praatten over het plan, en hij bepraatte mij eenige aandeelen te nemen, ofschoon mijne wederhelft het mij trachtte te ontraden: She wat* âing to her triend at her lniMbaiifl = zij praatte tegen hare vriendin op onaangename wijze over haar (aanwezigen) echtgenoot; We âed the matter over = wij bespraken de zaak; lie wants a good âing to = hij moet eens onder handen genomen worden; Yon â turkey = je rekent (praat) naar je toe, in je eigen voordeel; Let us â sense lor once = laten we nu eens verstandig praten; âing ol' travelling = a propos, van reizen gesproken; Don't â shop = praat niet over het vak, over je zaken; They were âing horses, law, linanre, dinners, billiards, etc. = zij hadden het over . . . (Vergel.: Nous par Ions peinture); âative(iiess) = praatachlig(heid); â ee = gewauwel: All this âeeâee is rather annoying = al dat gewauwel is vrij vervelend; âer = prater, babbelkous, bluffer; âing, subst.gepraat, gesprek; adj. praatziek, spraakzaam. Tall, tol, lang, slank, groot, hoog; âtalk = bluf; âness. Tall(i)age, tali{i)dz, belasting of subsidie aan den koning. Tallow, talou, subst. talk, kaarsvet; â verb, met talk besmeren, vet maken; âcandle = vetkaars; âchandler = vetkaarsenmaker of -handelaar: âface = bleekneus; âfaced = bleek; âkeech = klomp vet: âing = het vetmesten, etc.: âish, âv = talk-ofvetachtig. Tally, tali, subst. kerfstok, inkeping, tegenhanger; â verb, op den kerfstok zetten of aanstrepen, passen, overeenstemmen: Your experiences do not â with mine = uwe ervaringen strooken niet met de mijne; The âkeeper tallied one for our opponents = de aanschrijver noteerde er een voor onze tegenpartij; âman. Tallier = houder van een âshop = winkel waar crediet, met we-kelijksche afbetaling, gegeven wordt; het stelsel heet âsystem: âwoman = vrouw die met een man leeft zonder huwelijksverband. |
Tallyho, tnlihou, kreet (van jagers tegen de honden bij het zien van het wild), naam van, een postwagen. Ta Image,. ta{l)midz. Talmud, talmud, Talmud: âic, tal om dik, tot den â behoorende; â ist = uitlegger van den â. Talon, taln, klauw (van roofvogels), kornis (Zie Ogee): âed = met klauwen. Talook, tdlük, groot landgoed: âdar, tAlükdöy bezitter van een groot landgoed. Talpa, talpd, het genus nwl. Talus, teilds, enkel, helling, wal. Tamable, teimoVl, tembaar; âness = ï'a-mability. Tamarack, taoidrak, Amerik. lorkenboom. Tamarin, tamdrin, Z. Am. apensoort. Tamariiifl, tamdrind, tamarindeboom): âs = de vrucht van de â in gelei, eic. geconserveerd,. Tamarisk, tamdrisk, tamarisk. Tainbour, tambikf), subst. fijn borduurwerk (met goud- en zilverdraad), borduurraam, trom,, palisadeering; â verb.borduren of tamboereeren:, âine. tnmburin, tambourijn, tooneeldans. Tame, teim, adj. tam, getemd, mak, gedwee,, kleurloos, suf, vervelend, saai; â verb, temmen, onderwerpen; âless = ontembaar, wild;, âness = tamheid, geesteloosheid; â r = temmer, veroveraar. Tamil, tamil, dialect van Madras en Ceylon. Tamine, tamin, Taminy, tamini, Tainniyâ tand, stamijn (dunne wollen stof), zeef, Tamis, tami, zeef, doorzijgdoek. Tanikin, tamkin, prop van een kanon = Tampion, tampidn. Tam trshanter, tumdèanto, wollen muts. Tamp. tantp, eene springmijn vullen: âing. Tampan, tamp'n, Z. Afr. insect met vergiftigen beet. Tamper, taoipd, zich bemoeien met (zaken waarmede men niet te maken heeft), verknoeien, aan geheime en verkeerde praktijken doen: Doirt â with what 1 have written = verknoei niet (blijf af van) wat ik heb geschreven; He âed with the enemies = hij heulde met de vijanden. Tamtam, tamtam, soort van trom (O. Indië en Afrika). Tan, tan, subst. run of gemalen eikenschors;, adj. runkleurig, als run; â verb.looien, bruin maken (door de zon), de frischheid der jeugd verliezen; âhouse = runmagazijn; âpit,. âvat = looivat, looikuip; âspnd = instrument om boomen van de schors te ontdoen;; âyard = looierij; âling = een door de zon verbrande; ânable = looibaar; âner = looier; ânery = looierij; ânic = uit eikenbast getrokken. Tancred, tankrdd. Tandem, tand'm, subst. rijtuig met twee paarden achter elkander, rijwiel voor twee achter elkander zittende rijders; adv. met twee paarden achter elkander. Tang. tar\, âsmaakjequot;, sterke smaak, eigenaardige lucht of geur, klank, toon, kling van mes, beitel, degen, etc.; tong van eene gesp,, angel: â verb, (doen) klinken, weerklinken. Tangent, tanz'nt, subst. tangens: He went (Hew) off at a â = hij hield onmiddellijk er mede op, begon op staanden voet wat anders, etc.; adj. rakend; âial, tdndzenèdly als of in de richting van een tangens. |
man; ask = rtsk; farm = lam; bwt = but; learn = lön; line = lain; house = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló: lord = löd; hoy. = bói;
TANGIBLE.
TART A IJ.
489
|
Tangible, tanziUl, voel- of tastbaar; âness, Tangibility. Tangier, tdndzid, Tanger. Tangle, tan/fl, subst. verwarde knoop, klit, zeegras; â verb, verwarren, dooreenweven, verstrikken ; âibo((leggt; = whisky (Am.); Tangly = verward, met zeegras bedekt. TaniHt, tanist, houder van landgoed, enz. gedurende zijn geheele leven; â ry = bezit voor het leven. Tank, tar\k. water- of regenbak; âard = vat voor dranken, drinkkan, kan (met deksel). Tansy, tanzi, reinvaren: âpuddingH. Taiitaligm, tantdlizm, kwelling, terging: Tantalize, tantohnz, martelen, tergen; Timtali-zation = kwelling, marteling; Tantalizer: Tantalus, tantelds. Tantamount, tantDmnunt, gelijkwaardig (met to). Tantivy, tantivi, spoorslags: We rode â. Tantrnin, tantram, aanval van kwade luim of woede: She got into a â about nothing. Tap, tap, subst. zachte slag of tik, kraan, zwik, tap, tapse', tapperij: We have no ale on â Just now = geen bier meer aangestoken;* That's the same â you gave me just now = dat is hetzelfde' âspulquot; dat ik zooeven gedronken heb: â verb, zachtjes slaan of tikken, opensteken, aansteken (van vaten), aftappen, doen vloeien, iets uit iemand zien te krijgen: Let us â a fresh bottle = nieuwe llesh aanbreken: To â a mine = eene mijn exploiteeren, bewerken: 1 heard a soft â ping on the window' = zacht getik; He âped me on the shoulder = hij klopte mij op den s.; Open the pieturè-galleries on Sunday, and you'll â the publie-hoiise = zet de musea Zondags open, en dekroegen loopen leeg; The book is interesting, wherever we â it = waar wij het ook opslaan, beginnen -te lezen (Zie Brain); He tried to â my brains = mij uit tehooren; âhouse = tapperij; âroom = gelagkamer; âroot = hoofd wortel eener plant; âster = tapper: âping = het aftappen. Tape, teip, lint, band, strook papier («aan de telegraaftoestellen): Annoiincements of large orders lor iron appeared on the âs ol' the thousands ol' stock-indicators throughout New-York = berichten van groote bestellingen op ijzer verschenen op de papierstrooken v. de duizenden beursklikkers (openbare toestellen, die den stand der beurs, zoolang deze open is, aangeven); He is a slave ol* the stockâ = hij is een slaaf van de beursklikkers (en bouwt daarop speculaties): Betting on the â is going on in ]\ew-Vork in every street = in N.-Y. wordt in iedere straat gewed op den stand der beurs; The â was originated to inrortn the public how securities were going = oorspronkelijk dienden de klikkers om het publiek van den stand der geldswaardige papieren op de hoogte te houden; Ked â = bureaucratie (Zie Red); âline = maatlintje (waarop een meter, etc. met onderverdeelingen); âworm = lintworm. Taper, teipn, subst. kleine waskaars, toorts; adj. lang en spits uitloopend: â nails, fingers; â verb, zachtjes aan smaller of dunner worden; âing; âness = het zachtjes aan spits toeloopend zijn. |
Tapestry, tapastri, subst. geweven behangsel; â verb, met â versieren of behangen; â carpet = rijk wollen vloerkleed: Tapestried chambers = kamers met behangsels van geweven stof; Tapet, tapat, gewerkte stof;, geweven behangsel. Tapinage, tapinidz, het loeren of sluipen. Tapir, teipa, Z. Am. wild zwijn. Tapis, tript, vloerkleed, geweven behangsels: It is (comes) on the â = wordt overwogen, is in behandeling: âer. teipisa, behanger, maker van tapijtwerk. Tar, la, subst. teer, matroos, pikbroek: â verb, met teer bestrijken, teeren: They are âred with the same briiMh = met hetzelfde sop overgoten; âry, türi, teerachtig, geteerd. Taradiddle, taradid-l, jokkentje, praatje. Tarantass, tarantas, Russische reiswagen. Tarantella, tarantela, soort v. Napelschen dans- Tarantism, tarantizm, danswoede als gevolg van de vrees voor den beet der Tarentula of Tarantula, t.irantjula, eene groote spin. Tarboosh, tdbüè, fez of rood wollen muts. Tardigrada, tWdigreida, familie der.,luiaardsquot;; Tardigrade, tüdigreid, subst. luiaard; adj. zich langzaam bewegend of gaande; Tardy, traag, langzaam, dralend, laat, weerstrevend^ â verb, uitstellen, beletten: Tardiness. Tare, têa, subst. tarra; voeder-wikke; onkruid; â verb, de tarra bepalen van. Targe, klein schild, schietschijf = Target,. tiigat: They were practising at the ât = zij oefenden zich in het schijfschieten : The bull's eye ol* the â t = het hart of de roos van de schijf: âted; âteer, âtier, tUfiatidi iemand met een beukelaar of schild gewapend. Tarifl*. tarif, subst. tarief, lijst van goederen,, waarvoor inkomend recht verschuldigd is: â verb, een tarief opmaken. Tarin, tarin, meesje. Tarlatan, tülatnn, tarlatan, soort v. mousseline. Tarn, tan. klein meer op een berg, poel, moeras. Tarnal. tün'l (verb. v. eternal?), vervloekt. Tarnish, lilnië, bezoedelen, bevlekken, bezwalken, dof of zwart maken of worden. Tarot, Uir.it, spel v. 78 kaarten (waarzeggerij).. TarpaulintgK tapólir^, teerkleed, matrozen-hoed, matroos. Tarpeyan Rock. tapianrok, Tarpejisclie rots. Tarragon, tarag'n, dragon (plant). Tarriance. tarians, draling, uitstel; Tarrier.. taria, draler: Tarry, tari, tlralen, toeven: I'll not â to come back = ik kom gauw terug. Tarsal, tas'l, tot de wreef of de kraakbeenderen der oogleden behoorende; Tar se, Uis, Tarsus,. tas,)s, wreef, kraakbeenderen d. oogleden: Tarsi. tüsai, laatste segmenten v. insectenpooten. Tart, tat, subst. kleine pastei of vruchtentaart (ook âlet = taartje); adj. wrang, scherp,zuur,, bits: A â reply; âish = eenigszins â: âness â wrangheid, etc. Tartan, tdt'n, subst. Schotsch wollen geruit goed, kleed van deze stof, kleine één master;; adj. gemaakt van â. Tartar, lata, subst. Tartaar, driftig persoon, wijnsteen, kalk (op de tanden): I have caught a â = ik heb mijn man gevonden, meer dan mijne portie; lie went out üshing lor a |
bone = boun: full; fool = fnl; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thns = dhes; wine.
TARTARIAN.
490
TEA-CUP.
|
'wile iind caught a â = en kreeg er me ook eentje; adj. Tartaarsch = Tartariiin, tatêrwn; Tartary, tütori, Tartarije. Tartarean, tdtêridn, behoorende tot de hel of den Tartarus, tütdrds. Tartareou»,f(/fengt;s, wijnsteenachtig: Tartaric, tatarik*uit wijnsteen getrokken: Tartaric-arid = wijnsteenzuur: Tartarou», tütdrds, wij nsteen bevattend of gelijkend. Tartiiffe. tatuf, huichelaar; TartulTiHli. Tank, task, subst. taak, bepaald werk. les, onderneming, arbeid: He was taken to â for it = bij werd er voor onder handen genomen, bestraft; â verb, eene taak opgeven, afbeulen, altijd bezig houden met werk; âer = opgever of afmaker v. eene taak: âmanter = werkopgever, heer, overwinnaar: They rose agniiist their âmasters = kwamen tegen hunne onderdrukkers in opstand; âwork = opgelegd werk, karwei, werk bij 't stuk. Tasmania, tdzmeinje, van Diemensland; ân, bewoner van â. Tassel, kwast, franje, lint, schoorsteenlijst (onder den mantel), man netjes va Ik; âled = met kwasten of franjes behangen. Taste, teist, subst. smaak, het proeven, proef, proefje, fijne waarneming, stijl: That's in ^oad (bad) â = dat is smaakvol, smakeloos; I am out ol' â = ik kan niet proeven, heb geen smaak; Isn't this to your â ? = is je â¢dit niet naar den zin: To my â claret is not in it = naar mijn smaak haalt Bordeaux er niet bij; Every one to his â, my hoy = deder zquot;nsmaak,'baasje; That's a matter of â = eene kwestie van smaak; There is no | accounting for âs = over den smaak valt niette twisten: The lurnitiire was innocent â of â = het ameublement was volkomen «makeloos; â verb, proeven, smaken, deelnemen aan, nuttigen, een proefje nemen, met mate gebruiken, keuren: I never âd of Chainiia^ne hut onre = ik heb maar eenmaal Ch. geproefd; He âd of everything on the table = hij gebruikte van alles een 'beetje: The wine âs of the cork = de wijn â¢smaakt naar den kurk: Tastable, teisldb'l, smakelijk, wat te proeven is; â ful = smakelijk, krachtig van smaak, smaakvol; âless = smakeloos; âr, teisto, proever, proefglas; The literary ârs of the day = de letterkundige fijnproevers of toongevers: Tasty = smaakvol, naar de mode, smakelijk, lekker. Tat, tat, frivolitó maken; âting = frivolité. Ta-ta, tdld, dag (kindertaal bij het heengaan). Tatta, tato, Tattie, tali, scherm v. gespleten bamboes voor deuren en ramen (Indië). Tatter, tatd, subst. vod, lap, lomp, flard: â verb, in flarden scheuren: âed = in lompen, aan flarden: Tatterdemalion, tatodinieilfn, have-looze kerel = Tatterdeniallion, tatddimalfn. Tattersairs,rlt;ïtos-Wr, verzamelplaats v.paarden- liefhebbers (met mooie stallen en paarden). Tattle, tan, subst. gebabbel, gesnap: â verb, babbelen, snappen: âr = snapper: Tattling = babbelziek. Tattoo, tatü, subst. taptoe (Zie Devil), figuren of teekens in de huid geprikt; â verb, tatoueeren. Taught, tót, imperf. en p. p. van to teach (Zie ook Taut). |
Taunt, tónt, subst. schimp, hoon, smaad, schamper gezegde; adj. hoog (van masten): â verb, hoonen, hekelen, beschimpen; âer; âing = scherp verwijtend, bitter. Taunton, tónfn. Tanriform, tóriföm, als een stier gevormd of gebouwd: Taurine, tórain, als of v. een stier. Taurus, tóras, stier (Dierenriem). Taut, tót, strak, gespannen, op gebeurlijke dingen voorbereid: I liope these lines will ünd you pretty â = ik hoop. dat deze regelen u in goeden welstand vinden; The ship was â and trim =. het schip was geheel in orde, klaar vooi de reis, het gevecht, etc.; âen = strak aanhalen, in orde maken. Tautologir(algt;, totdlodzikCl). noodeloos herhalend; Tautologist. tótotedzist, iemand die gebruik maakt v. Tautology, tótolodzi, noode-looze herhaling v. hetzelfde'begrip. Ta vern^ayan, herberg, wijnhuis, kroeg; âbush = de krans of struik (vroeger als uithangteeken van herbergen): Cüood wine needs no (â) bush = goede wijn behoeft geen krans; â keeper = logementhouder, etc. Tavistock, tavistok. Taw, tó, subst. knikker, knikkerspel; â verb, huiden tot zeemleer bereiden; âer, âyer = bereider van zeemleer. Tawdry, tódri, smakeloos mooi. rijk zonder bevalligheid: The â binding detracts somewhat from the value of the work = de smakeloos rijke en opzichtige band ontneemt het boek eenigszins zijne waarde; â dress = opgedirkte kleeding; Tawdriness. Tawny, tóni, taankleurig, getaand, bruin, dofgeel én bruin; Tawniness. Taws(egt;, tóz, gespleten leeren riem als straf-instrument: 1 was thrashed with the eight-tongiied â = ik kreeg ransel met de karwats met acht riemen; ^(letting the â nieans'5: Thrashing (in een Schotsche school). Tax, taks, subst. belasting, afpersing, eisch, zware plicht of taak: Poll â = hoofdelijke omslag: tiraduated inroine â = progressieve inkomstenbelasting: Heavy âes were levied = er werden zware belastingen geheven: â verb, belasten, afpersen, beschuldieen, berispen: 1 was âed with having offended him = werd beschuldigd: âgatherer = belastingontvanger; âoffice = belastingkantoor; âpayer = belastingschuldige; âable, taksaWi, belastbaar; âabilitij = belastbaarheid; âation = belasting, het belasten, het onderzoeken v. eene opgaaf der gerechtskosten; âer = zetter (van de belastingen), ambtenaar aan de hoogeschool te Cambridge, die voor de uitdeeling, voorgoede maat en juist gewicht zorgt. Taxel, taks'l, Am. das. Taxidermy, taksidv.mi, de kunst dieren op te zeiten; Taxidermist = iemand die â verstaat. Taxus, taksds, taxus; Taxin, ïwArsm, harsachtige stof uit taxus-bladeren. Tea, ti, thee, avondmaaltijd, bouillon (= beefâ): We take â at seven = wij drinken om zeven uur thee; Will you make (the) â ? = thee zetten; âboard = theeblad; âcaddy = theekistje; âcake = theekoekje; âcanister = theebus: âchest = theekist; âcup = theekopje: The âcup and saucer school |
man; ask = ask; farm = tam; bwt = but; learn = l«n; line = lain; howse = haus; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = «slip; not; \aw = 16; lord â löd; boij = bèi;
TELEPHEME.
491
TEACH.
|
in literature and art = de peuterige methode in letteren en kunst; A Htorin in a â cnp, âpot = een storm in een glas water; âdealer = theehandelaar; âequipage, â ekwipidz, theeservies (met alles wat voor theedrinken noodig is, zooals koekjes, etc.); âlight = theepartij ; âkettle = schenk-ketel; âpot = theepot; âHpoon = theelepeltje; âtanter = theeproever; âurn = thee-urn. Teach, titë, subst. kleine pan bij het suiker-koken: â verb, onderwijzen, leeren, aan het verstand brengen: Fll â you iiiannerH = ik zal je wel leeren; âable = wat te onderwijzen is, leerzaam; âer = onderwijzer: âing = het onderwijzen of onderwezene, onderwijs: The âing prolession = de onderwijzers (als corps). Teagne, tig, Ier (spottend). Teak, tik, teek (soort v. hout) = âwood. Teal, til, taling. Team, tim, span, toom, groep v. elf personen (cricket of voetbal), tal v. personen, die door één belang zijn verbonden: âwine = als een span; âster = die een span ment. Tear, tio, subst. traan: Her âs started unbidden = onwillekeurig kwamen haar de tranen in de oogen: The âs trickled down her cheeks = biggelden langs; lie burst into âs = barstte in schreien uit: âdrop = traan: âstained = beschreid; âless; ây == âlui = tranen stortend. Tear, têa, suhst. scheur, spleet: The donkey ran away lull â = ging ervan door; The wear and â of the engine = de slijtage der machine; â verb, scheuren, trekken, losrukken, openrijten, tieren, vliegen: All at once ihe children came âing in = kwamen binnenstormen; He tore his hair and clothes = hij rukte zijne haren uit en ver-â scheurde zijne kleederen; He could not â himself away from his wile = hij kon van zijne vrouw zich niet losrukken: He tore through the pages = vloog er doorheen: â¢Doirt â it to pieces, rags = scheur het niet aan stukken of flarden; The llesh was â torn from the bones = van de beenderen gescheurd: The doth was torn up into several pieces = werd gescheurd; He went â up and down, âing and swearing = tierend en vloekend; âer = wie of wat scheurt, rumoerig en druk persoon. Tease, Hz, subst. plager, plaaggeest: What a â you are = wat ben je een plaaggeest, een sarrer; â verb, plagen, sarren, kwellen, kaarden; âr = plager, lastig geval: That's a âr = daar zitten we nu verlegen. Teat, tit, tepel, uier. Teathe, ticlh, subst. de door grazend vee op het land geworpen mest of het gras dat daar omheen groeit; â verb, land door grazend vee bemesten. Teazel, Teazle, tiz'l, kaardebol. Tebeth, tibath, tiende maand van het godsdienstig jaar der Joden. Tec, tek, samentr. van Detective. |
Technic, teknik, subst. techniek, kunstvaardigheid, artistieke uitvoering; adj. â(al) = technisch, tot de werktuigkunde behoorende: âalitij, âdlness = technische eigenaardigheid of uitdrukking; âs = leer der werktuigelijke kunsten of ambachten; Techiiic|ue, teknik, de techniek of methode eens kunstenaars: Technology, teknolddzi, de leer der industri-eele kunsten; Techiiologic(algt;, teknalodzik'L technologisch. Techy, tetèi, knorrig, gemelijk, lichtgeraakt. Tectrices, tektrisiz, dekveerên. Ted, ted, verspreiden of uitleggen (v. gemaaid gras); âder = machine om te verspreiden, hooischudder (Z. ook Tether). Te Deum, tididrn, lof- en danklied. Teddy, tedi, verk. voor Edward. Tedious, tidjos, vervelend, saai, verdrietig, lam: Tedium, tidf m, verveling = âness. Teem, tim, vol zijn, overvloed hebben van: This part of thé country âs with gold = bevat veel goud: âer == barende; âing = zwanger, vol, overvol. Teen, tin, subst. tarting, verdriet: â verb, tarten, plagen. Teens, tinz, de jaren v. dertien tot negentien: In her â = beneden twintig (maar minstens twaalf); Out of her â = boven de negentien. Teeter, titd, wippen (Am.). Teeth, tith, Meerv. van Tooth = tand: He did it in the â of opposition = hij deed het trots allen tegenstand: He cast those reproaches in my â = hij deed me die verwijten vlak in 't'gezicht; He escaped by the skin of his teeth = ontsnapte ternauwernood; â verb, (tidh) tanden krijgen; âing, ttdhh\, het tanden krijgen. Teetotal, titouVl, geheel, volkomen: âism = geheelonthouding (van sterke dranken): âIer = geheelonthouder. Teetotum, titoufm. A-al tolletje. TVste), te'j, jong schaap, wijfjesdamhert. Tegment, tetprint, huid, natuurl. bedekking = Tegument, terjjum'nt. Tegular, teg juli), tot tegels behoorende, uit tegels of pannen bestaande. Tehee, tiki, subst. gelach, gegichel; â verb, lachen, gichelen; interj. hihi. Teignmouth, t(e)inmóth. Teil, til, lindeboom (= âtree). Teind, tind, tiende deel, tiend. Teint, teint, tint, kleur. Telamon, telamoiin, mannenfiguur als zuil. Teledu, teladh, Javaansche bunsing. Telegram, telogram, telegram: Telegraph, te lag va f, subst. telegraaf, telegram; â verb, telegrafeeren, seinen; Telegrapher = telegrafist = Telegraph operator; Telegraphic. te lag ra fik. telegrafisch: Telegraphist, tale-grafist, telegrafist; Telegraphy, talegrafl. telegraphic. Telemachus. tolemakas. Teleology, telioledzi, de leer dat alles in de schepping een bepaald doel heeft en daartoe geschapen werd. Telepathy, ta lepel hi, het overbrengen (v. uit de verte)* van onzen geest op een ander door wilskracht: Telepathie, telapathik, tot â behoorende: Card-guessing. bank-note-finding and the various other forms of telepathic hide and seek. Telephone. telafown, subst. telefoon, vérspreker; â verb, telefoneeren; Telepheme, telafim. telefonisch bericht; Telephonic = |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = jia; long = loi^: ship = sip: occasion = okeiz'n; thin; thus = dlivs: wine.
TELEPHONIST.
TENACE.
|
telefonisch, per telefoon overgebracht; Tele-phoiiiHt, tdlefanist. die het gebruik van den â goed kent; Telephony, tdlefdni, de kunst van telefoneeren. Telescope, talsskoup, subst. verrekijker, soort van langwerpige spiraalschelp; â verb, in elkander schuiven, zooals een telescoop: The book trien to he an encyclopaedia, âd into a dictionary = in een woordenboek saamgevat; The first and the second carriage were âed (into each other) at the accident = werden in elkander geschoven bij het spoorwegongeluk; Telescopic(al), teloskopik^l), telescopisch, vérziende, vér-reikend; Telescopy, t.ilesk.)pi^ de kunst van telescopen te maken of te gebruiken; A good telescopist. Telesia, tdHzd, varieteit van saffier. Telle, te lik, het einddoel aanwijzend. Teil, tel, vertellen, optellen, opsommen, mede-deelen, bekennen, verklikken, onderscheiden, uitwerking hebben: Can you â the clock yet? = kun je al op de Ulok kijken: Don^t *â stories (ühs) = jok nu niet: That âs against you = pleit tegen u; The heavy work has told on his constitution = heeft zijn gestel aangepakt; The speech told on the hearers: it was a âing speech = maakte indruk .... indrukwekkend; Every shot told = was raak; 1 was told that you were 111. â Your intorniers are wrong, I can â you = men vertelde mij . . . dat kan ik je verzekeren; 1 had my fortune told ine by an old tiypsy = ik héb me de kaart laten 'leggen door eene oude Zigeunervrouw; You can â them otT by hundreds = bij honderden aanwijzen; Onê of the clerks was always told off to sleep in the house = aangewezen: You can â this wine from vinegar only by the label = onderscheiden van... alléén door het étiket; It Is difficult to â good paste from diamonds = simili van diamant te onderscheiden: That âs for Homediing = dat is lang niet mis, telt mee; âer = verteller, teller, stemopnemer, klerk in een bank die met de klanten rekent; âership = betrekking van een âer; âtale, subst. babbelaar, verklikker, klikker; adj. praatjes verspreidend, babbelziek, lasterend. Tellina, telaind, tweekleppige weekdieren. Tellural, tetjür'l. van de aarde; Tellurian, teïjürian, bewoner der aarde; Telluric = uit de aarde voortkomende, uit Tellurium getrokken ; Tellurion, teljürian, tellunon: instrument om de beweging der aarde, der hemellichamen, enz. te doen zien. Telotype, tehitnip. druktelegraaf. Telplier, telfd, subst. het materieel voor elec-trische beweegkracht of vervoermiddelen; adj. behoorende tot âage, telfdridè, vervoer door electriciteit; âline = electr. spoorlijn, enz. Temerarious, temorêrids, vermetel, roekeloos, koppig, zorgeloos, in 't wild: Temerity, tdmeriti, vermetelheid, roekeloosheid. Temper, temps, subst. aard, natuur, humeur, gemoed, gematigdheid, bedaardheid,opvliegend-heid, hardheid (v. metaal): He has an even â = gelijkmatig humeur; He lost hls â = is uit zijn humeur geraakt; Your friend Is not a good â = heeft geen gemakkelijk humeur; |
You must keep him in â = je moet hem in zijn humeur houden: He was out of = this niorning = uit zijn humeur; What a â you are In! = hé, wat ben jij knorrig; He kept his â better than we had supposed = hij bleef bedaarder dan wij gedacht hadden;. â verb, matigen, regelen, verzachten, doen bedaren, temperen, harden, geschikt maken, in orde brengen, bevredigen: The Lord âs the wind to the shorn lamb = geeft kracht naar kruis; âanient = gestel, geaardheid, temperament; âance = matigheid, gematigdheid, afschaffing (van sterke dranken), geduld, kalmte: âance Society = matigheids- of afschaifersgenootschap; âate, temp.wit, bedaard, kalm, gematigd: âate zone = gematigde luchtstreek; âateness; âature, tem-pordtjd. temperatuur, trap (eener hoedanigheid);. âed = met een zekeren aard of neiging, van eene bepaalde hardheid: A sweetâed girl = een meisje met zachten aard. Tempest, teinpost, hevige storm, orkaan, zwaar weer, hevige opschudding of verwarring: âbeaten = door de stormen gebeukt; â tossed = door de stormen geslingerd (van schepen); ânou», Vmpestjmts, stormachtig,, hevig; â iiousness. Templar, tempi), tempelier, student in de rechten, advocaat of jurist, lid v. h. afschaifersgenootschap: quot;tiood â squot;. Temple, temp'J, tempel, godshuis, die.,Temple' (in Londen, voor juristen), slaap (v. h. hoofd); âd = in een tempel besloten of geplaatst. Templet, templot, korte balk of groote steen, tot steun. Tempo, tempoK, snelheid van beweging: âral = tijdelijk, aardsch, wereldlijk: âral Lords = wereldlijke, ter onderscheiding van geestelijke, pairs van Engeland; âralitif â tijdelijk of wereldlijk bezit; âralities = inkomsten der geestelijken uitland, tienden,enz ; ârary = tijdelijk, niet duurzaam: ârlze,. lempèrzaz, zich in den tijd schikken, meedoen met zijne omgeving, in orde brengen of geschikt maken; â rizer = iemand die met de wolven meehuilt, den mantel naar den wind hangt, etc. Temtp)se, tems, zeef, vergiet(test); âbread = brood van fijngebuild meel. Tempt, temt, verleiden, verlokken, in verzoeking brengen: He âed me into giving up my plan = verlokte mij mijn plan te laten varen; âation, verlokking, verzoeking, aanvechting:. He yielded to âation = hij bezweek voor de verzoeking; âer = verleider: The âer = de duivel; âing = verleidelijk; âress = verleidster. Ten, ten, tien: There were â of them â ze waren met hun tienen; The â Tribes = tien stammen Israels; âfold = tienvoudig; âth = tiende (deel); âplus = spel met tien kegels; He made many âstrikes = gooide dikwijls alle tien. Tenable, tendbl, houdbaar, verdedigbaar: âness, Tenability = houdbaarheid. Tenace, tends, de âfourchettequot; (de hoogste en op twee na de hoogste kaart) in handen van den vierden speler (Whist); âminor = kleine âfourchettequot; (de hoogste en op drie na de hoogste kaart). |
man; ask = «sk: farm = lïim; bj/t = but; learn = Iwn; Ifne = lain; hoïtse = hans; net; care = kèa; fate = felt; tin; asleep = dslip; not; \aw = ló; lord â Hid; bo?/ = ból;
TENACIOUS.
493
TERM.
|
Tenar ioiiH, teneièds, vasthoudend,weerhoudend, kleverig, taai: lie Iihh got a â memory = een trouw of sterk geheugen: He it* â of whatever lie get» = hij houdt vast wat hij krijgt; âness, Tenacity, tinasiti, vasthoudendheid, kleverigheid, getrouwheid. Tenail(le), teneil, versterking in de gracht (om eene vesting ter bescherming der bastions, etc.); Teiiaillon, tdneilj'n, ^ met uitspringen-den hoek. Tenancy, terinsi. subst. huur. verhuring, gehuurd land, etc.; Tenant = huurder, pachter, bewoner, gedaagde in eene zaak: Tenant in tail = houder van eene erfpacht; Tenant at ivill = opzegbare huurder: Tenant in capite, in chief = huurder direct van de kroon: â verb, in huur hebben, verhuren; Tenantable-(nesH) = geschikt(beid) om ge- of verhuurd te worden: Tenanted = verhuurd; TenantlcHH = onverhuurd; Tenantry = de gezamenlijke pachters of huurders. Tench, tenè, zeelt. Tend, tend, vergezellen, bewaken, verzorgen, letten op, denken om, strekken, zich richten, bijdragen, om het anker zwaaien: That way instruction ought to â = dien kant moet hét onderwijs uit; âency = strekking, neiging: âer, subst. oppasser, verzorger, tender of kolenwagen (spoor), wacht- of voorraadschip (dat een grooter schip vergezelt), (dienstaanbieding. aanbod v. geld ter voldoening eener schuld: lie made a âer ol' his friendHhip, «ervice» = hij bood zijne vriendschap, diensten aan; adj. teeder. zwak, zacht, malscb, spoedig verliefd, teergevoelig, vriendelijk, zorgvuldig: The â paHHion(Hgt; = de liefde; He wan still âer ol' lier, though she had betrayed him = hare eer was hem toch nog dierbaar; -er-loot = nieuweling (kolonist in Australië); âer-hearted = teergevoelig; âer-loin = malsch lendestuk van rund of varken; âer-minded = teerhartig; verb.aanbieden: Allow me to âer you my cordial thanks = het zij mij vergund u mijn hartelijken dank aan te bieden; He died at a âer age = op jeugdigen leeftijd : âerliug = vertroetelde lieveling, een van de eerste horens van een hert; -ness = teederheid, nauwgezetheid, vriendelijkheid, bezorgdheid voor (met of); âing = het vergezellen, zwaaiing v. een schip om zijn anker: âsome = veel zorg vereischend. Tendon, tencVn, pees; Teiidinous, tendinds, peesachtig, gespierd; Tendril = rank (van klimplanten). Tenebrae, tendhri, de meten en het lof op de drie laatste dagen der Paaschweek in de kath. kerk. Tenement, tenament, woning, huis, stel vertrekken door één gezin bewoond, pachthoeve; âhouse = huis, dat bij gedeelten aan verschillende gezinnen verhuurd wordt: âal, tenament'l, tot eene woning behoorende, wat bewoond kan worden: âary, tenamenteri, bewoon- of verhuurbaar, verhuurd, bewoond. Tenesmus, tdnezmos, moeilijke stoelgang. Ten esse, tenasi. Tenet, tenat, leerstuk, beginsel. Tenner, teno, bankbiljet van tien pond. Tennis, tenis, bal- of kaatsspel; âhall = kaatsbal; âcourt = kaatsbaan. |
Tennyson, tenia'n. Tenon, tenan, subst. pen van een balk of stuk hout ter verbinding; â verb, met eenâ verbinden. Tenor, tena, subst. gang, loop, richting, inhoud, geest, afschrift, tenor, altviool: The â of this man's life = de richting van zijn leven: The â of this work = de bedoeling of hoofdgedachte van dit werk. Tenotomy, tanotami, verdeeling eener pees. Tense, tens, tijd (gramm. term, tegenover time). Tense, tens, streng, strak, gespannen: âness = strakheid; Tensile, tens ail. rekbaar, tot spanning behoorende: Tensile force = spankracht: Tensility = rekbaarheid: Tension. tenè'n, spanning, rekking, overspanning,groot»^ inspanning; Tensor, ten sa. spanspier. Tent, tent, subst. tent, rolletje lint of spons om eene wond open te houden, donkerroode Spaansche wijn; â verb, sondeeren, peilen ol openhouden van eene wond: âed = van tenten voorzien; âbed = ledikant met hemel: âmaker = tentenmaker. Tentacle, tentak'l, Tentacnliim, VntakjuVm, zuig- of tastorgaan; Tentacular, Vntakjula. van den aard van een â: Tentaculatê(d), t'ntaki ul(é)it(id), van zuigorganen voorzien. Tentative, tentativ, subst. proeve, proef, poging; adj. pogend, beproevend. Tenter, tenia, subst. raam om stollen op te spannen, droogkamer, spanhaak; â verb, opspannen, rekken; âground = plaats voor het stellen van spanramen, droogkamer; â hook = spanhaak: We are on (the) â hooks = wij zijn in angstige spanning, in gespannen verwachting. Teniiifolious, tenjuifouljas, met fijne en smalle bladen: Tenuity, tanjüiti, fijnheid, dunheid, ijlheid; Tenuous, tenjuas, dun, fijn. klein, ijl: Tenure, tenja, leenroerig recht op eigendom, de diensten van den houder van het land aan zijn heer: Tenure of life = levenstijd. Tepefaction, tepifakè'n, matige verwarming; Tepefy = matig verwarmen, lauw worden: Tepid, tepid, lauw; Tepidity = Tepidness. Teraphim, terafini, huisgod der Joden. Terce, tvs, vat van 42 gallons = 1/3 pipe: âmajor = de drie hoogste kaarten; ât = drieregelig gedichtje, een derde. Tercel(et), tiisal(et), mannetjesvalk. Tercentenary, tüsentanari, subst. en adj.drie-honderdjarig*(e gedenkdag). Terebinth, terabinth, (Venetiaansche) terpentijn, (Canadeesche) balsem; Terebinthine, terabinthain, van â. Teredine, ïcrarfam. Teredo, fórfc/ow,paalworm. Tergiversation, tv.dzivdseis'n, draaierij, aarzeling, afvalligheid. Term, töm, subst. grens, beperking, (bepaalde) tijd of duur, termijn, vervaldag, collegetijd. berechtingstijd, uitdrukking, voorwaarde, verhouding, voet (gew. meervoud): A naval â = zeemansuitdrukking; Couldirt you come to âs? = kondt gij het niet eens worden: 1 got on âs with niin = ik kwam op goeden voet met hem; They married on equal âs = in gemeenschap van goederen; We are not on speaking âs = wij spreken elkaar nooit; They are on intimate âs, âs of |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; ?/ear = jia; lowlt;7 = loi^; s/iip = sip; occas/on = okeii'n; thin; thus = dims: wine.
TERMINABLE.
T EST ü DIN AL.
|
intimacy = zij zijn zeer intiem met elkaar, op intiemen voet; \Vliy don't yon expresH yonrHeir in nilt;»i'e delinite â»'? = waarom | druktgij u niet j uister uit; What a re yourât* = wat vraagt u daarvoor; â verb, noemen, benoemen, uitdrukken; âer, âor = iemand die voor bepaalden tijd of voor het leven een landgoed in pacht heeft; âinable = begrensbaar; âinal, subst. einde, grens, uiterste; adj. eindigend, begrenzend; âiuate, tiiminit, begrensd, beperkt; â verb, {tvmineit), begrenzen, eindigen, een einde maken aan: 1 ftthall mooii be ânated with you = tusschen ons beiden zal het gauw uit'zijn; âination = grens, einde, begrenzing; âinative = dienende om te eindigen; âmafor = wie of wat een einde maakt, scheidingslijn tusschen het duistere en verlichte deel der maan: âinisin = leer, dat na bepaalden leeftijd geene vergeving van zonden meer mogelijk is; âintat. Termagant, tiïmognt, ruzieachtig, opstuivend, driftig. Tennew, tvmiz. witte mieren: Termite, tnmait, witte mier; Termitary, tvmitdri, witte-mie-renhoop. Terminology, tvminohclzi, (leer der) technische uitdrukkingen of kunstwoorden. TerminiiH, turnings (Mv. Termini, tvniinamp;i), grens, grenssteen, eindstation. Ternary, Uhwri, subst. getal drie, drietal, groep van drie; adj. van of bij drieën, drietallig. Terpsichore, tnpsikdri. eene der Muzen; âan, tv.psikdridn. van T. Terra, ter.), de aarde: â del Fuego, terodel-fjiïgou, Vuurland: â cotta = soort van compositie; âcultural = bebouwend; âculture = landbouw; âqueouK, tdreikwids. âquean, tdreikwidn, uit land en water bestaande. Terrace, terix, subst. terras, balkon, plat dak, rij v. huizen (vooral langs eene helling), straat; â verb, tot terrassen vormen. Terrapin, terdpin. zoetwaterschildpad (Am.). Terrene, terin of tdrin, subst. oppervlakte der aarde, terrine; adj. aardsch = Terrestrial, tdrestriol, ondermaansch. Terret, terdt. de ringen aan het tuig voor de leidsels. Terrible, terib'l, verschrikkelijk, ontzagwekkend, ijselijk, kolossaal: ânew». TerricoIouM. terikolis, de aarde bewonend. Terrier, terid, dashond; kadaster of register van landerijen. Ter ritte, torifik, schrik- of ontzagwekkend; Terrify, terifai. doen verschrikken, schokken: 1 wa« terrified to death = ik schrikte me dood; Terror, tero, schrik, ontsteltenis: The King of terror» = de Dood; The Reign of Terror = het schrikbewind: 1 am Mtrurk with terror, terror-struck, terror-ntncken = van schrik verpletterd; Terrorism = schrikbewind; Terrorist = lid of voorstander van het schrikbewind; Terrorize, fcraraiz, schrik aanjagen, door schrik dwingen; Terrorless. Terrigenous, tdrididrids, aan de aarde ontsproten. Territorial, teritórial van een grondgebied, tot land of een zeker gebied behoorende; Ter-ritoried, teritdrid, land in eigendom hebbende; Territory, teriteri, grondgebied, landstreek, nog niet als Staat erkende of tot de Unie toegelaten provincie (Amer.). |
Terry, teri, stof van pluche; âvelvet = zijden, pluche, geribd fluweel. Terse, tvs, sierlijk en beknopt; âness. Tertial. tfamp;l, subst. een van de tertiare vederen van een vogel; adj. daartoe behoorenden Tertian, triPn, anderdaagsche koorts; adj. om den anderen dag. anderdaagsch; Tertiary,. tiïèdri, van de derde orde, derde: Tertiary-feathers = de vleugelvederen het dichtst bij het lichaam; Tertiate, tóèeit. de dikte en kracht van een kanon beproeven. Tertnllian, tvtvlfn, Tertulianus. Terzetto, tvtsetoii. terzet (muz.). Tessel(l)ated. tesdleitid, geruit, als mozaiek: Tessellation = ruit- of mozaïekwerk; Tes-sellar, tessld, Tesseral, fesarV, met ruiten-Tessera, tesara, Tessella, tesdld, kubiek stuk marmer, etc. voor mozaïekwerk. Test, test, subst. toets, toetssteen, onderzoekt proef, beproeving, onderscheidend middel r oordeel, kroes tot zuiveren van metaal: That'll a fair â = dat is eene redelijke opgaaf (bij een examen, b.v.); 1 will .just put you to the â = ik zal u eens even op de proef stellen; â verb, toetsen, beproeven, onderzoeken, keuren, zuiveren, vaststellen en dateeren n - Art = wet die oplegt, dat men van zijn geloof, etc. doe blijken; âable = wat gelegateerd kan worden; âiug = proef, toets. Testacea, tdsteisd, schelpdieren; ân, subst-schelpdier; adj. tot de schelpdieren behoorendep Testaceous, LhsteiSds, van eene harde schelp voorzien. Testainent, testam'nt, testament, verbond: New â; Old â; âal, âary, testD})ienVlr testdmenteri, tot een testamelit behoorende, vastgesteld bij testament; âation = het vermaken volgens testament: Testamur, tosteinwr (universiteits)diploma; Testate, testit, subst. die een testament gemaakt heeft: adj. met een testament; Testator, tdsteito. Testatrix, tasteitriks, erflater, erflaatster. Tester, testo, oude munt (6 stuiver), vierkante ledikantshemel, plat klankbord (kansel). Testicle, testik'l, zaadbal; âsofTestes, testiz:. Testicuiate, tdstikjulit, Testicular, tosti-kjula, gelijk een â. Testificate, trstifikit, plechtige schriftelijke verklaring; Testification = het schriftelijk verklaren of getuigenis afleggen; Testificator. tdxtifikeita, die eene plechtige verklaring aflegt; Testifier, testifnia, getuige: Testify = plechtig verklaren, getuigen, getuigenis afleggen: 1 shall never testify against you = ik wil nooit tegen u getuigen; He testified to my good conduct = hij gaf getuige van. TeHtimouial, testimoimj'l, subst. getuigschrift, verklaring, attestatie; adj. van een getuigschrift, dit bevattende; â ize = een getuigschrift of eene attestatie geven; Testimony, testimani, plechtige verklaring, getuigenisopenbaring, Gods woord: In testimony w hereof we award this medal = ten bewijze waarvan wij deze m. uitreiken; That hears testimony to your perfect tnist-worthiness â¢= dat legt getuigenis af van (bewijst) uwe volkomen betrouwbaarheid. Testiidinal, tastjüdiril, van of gelijkende op |
man; ask = ask; farm = fiim; hut = bwt; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; bo*/ = bói;
TESTY. 495 THEMSELVES.
|
de (land)schildpad; TestiidinateOl). tdstjüdi-neit{id), gewelfd, met een boog; TcMtudo, tdsfjüduu, soort van Romeinsch schild bij de bestorming, landschildpad. Testy, testi, knorrig, gemelijk, prikkelbaar; TesliiiesM. Te(Oc*liy, tetëi, knorrig, gemelijk, driftig; Te(t)t*liiiieMH. Tetlier, tedhd, subst. touw waaraan een gra- : zend dier is gebonden, grens, ruimte van ! beweging: lie came fo the end of hfc â = zijne middelen waren uitgeput; â verb, beperken, begrenzen, vastbinden. Tetra, tetro (in samenst.), vier: âehord = halve octaaf (van c tot f of van g tot c); âd = het getal vier, viertal; âdactyl, tetrodaktil. viervingerig; âdactylous =' viervingerig: âdiapaHon, tetrDdnidpeiz'n, viervoudige octaaf; âgoii, vierhoek; âgonal, fafra-yon l, vierzijdig, vierhoekig; â^rain = woord van vier letters; â liedron, /efrp/ifrfr'»?. regelmatig viervlak; âhexaliedron, tetrehekw-hidr'n, vierentwintigvlak; âmeter, totramotd. viervoetige versregel; âpetaluiiH, tetrdpetolds. vierbladig; âpod = vierpootig; âpteran, tz tra pterin, viervleugelig insect; â pteroiiH = viervleugelig; âreli, tttrak, gouverneur van het vierde van een wingewest (Hom.), vorstje; ârcliate. litrakit. âreliy, te Iraki. grondgebied van een â reli; âMpei iiioiih, tetrdspmrws, vierzadig; âsticli, tetrastik. vierregelig gedicht: âstyle, tetrdstail,portiek met vier zuilen; âsyilahle, tetrdsildb'L vierlettergrepig woord. Tetter, teto. subst. naam voor velschillende huidziekten; â verb, eene huidziekte bezorgen. Teuton, tjüCn, iemand van Teutonischen stam; âie, tjntonik, Teutonisch. Germaansch: âic lan^iiaKes = Gennaansche talen; âicism, tjutonisizm. Germaansch idioom. Tew, f/w, materialen (in het algemeen), ijzeren ketting, dik touw. Tewel, tjüdl. schoorsteenpijp, pijp, buis. Tewkesbury, tjükslfri; Texel (The),dhdteksl. Text, tekst, tekst, onderwerp,inhoud; âbook = handboek, tekstboek; âhand = grootschrift; âile, tekstail, subst. geweven stof; adj. geweven, wat geweven kan worden; âual = geleerd in de schrift, tot den tekst behoo-rende; ânalist = schriftgeleerde, iemand die zich streng aan den tekst houdt; âuary, tekstjiori, subst. schriftgeleerde; adj. in den tekst besloten, gezaghebbend; âu'iHi, tekst juist, iemand die vaardig teksten kan aanhalen; âure, tekstja, het weven, weefsel, wijze van verbinding. Thackeray, thak9r(e)i. Thaler, t/ib. Thaler. Thalia, Thalia, Muze der comedie: ân. Thames, trmz, Theems: lie will not set the â on lire (Zie Fire). TChgt;ainmiiK, t(h)amdz, tiende maand van het Joodsche burgerlijk jaar. Than, dhdn, dan (alléén na comparatieven): He is older â I by seven years. Thanatology, thanotolddzi, verhandeling over den dood. Thane, Meinf adellijke titel; âlands = landgoederen aan een â geschonken; â«hip. Thank, thar^k, subst. dank (thans steeds meervoud): âs to thee, I am sale = ik bea. |
veilig, dank zij u; âs = ik dank u: â verb, danken, bedanken (dikwijls ironisch): Ko â ylt;»u = ik dank u; â you, yes = alstublieft;; *â you for nolhiiiK* = ik zou je danken;: â uod we are rid of hiin = Goddank dat wij van hem afzijn; I'll â you not to do it = gij doet me plezier als gij het laat; â ollering = dankoffer; âworthy = dankens-waard(ig); âful = dankbaar; âless â ondankbaar, geen dank verdienend; âsgiver = bedanker, dankzegger; âsgivin^ = dankzegging (aan God); â sgiving-day = dankdag. Tharm, tham, darmen tot een snaar gemaakt. That, dhat, gene, die, dat, opdat: â is me = dat ben ik; He is a good fellow for all â = hij is tóch een goede vent: 1 have read a sensational novel, â is = ik heb namelijk een sensatieroman gelezen: This is horrible,. â is = dit is bepaald afgrijselijk; He lias been here, but what of â? = wat zou. dat, wat bewijst dat; He is rieh at â = hij is rijk daarbij, bovendien; I send you word â you may be prepared = ik z'end je eene boodschap, opdat gij voorbereid zijt: Do teil me, â's a good girl = dan ben je eene beste meid; I am â sorry = het spijt me zóó!: Thateli, thaté, subst. (dak van) stroo, biezen of riet; â verb, met stroo, biezen of riet dekken;, âer = rietdekker; âing = materialen voor het dekken. Thaiimalnrge, thómdtvdz, volbrenger van. wonderen = Thamp;mnaturgist; Thaumatur-gie(al), thomatndzikCl), wonderdadig; Thau-maturgy, th6mdtv.dzi, het doen van wonderen-goochelarij. Thaw, thólt; subst. dooi, het dooien: â verb, dooien, oplossen, ontdooien, hartelijk worden. The, dhi (vóór een klinker), dhó (vóór een. medeklinker), de, het: â more â merrier = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; â sooner â better = hoe eerder hoe beter;; â more 1 see you â better I like you = hoe meer ik u zie, hoe meer ik van u' houd;. â more so, as I do not know him = des te meer omdat ik hem niet ken. Thea, thw, theeplant. Theanthropie(al|, tliwnthropikCf), zoowel met goddelijke als menschelijke natuur. Theatre, thijtd^ theater, schouwburg, tooneel:. Theatrical, thiatrik'l, theatraal, met veel vertoon; Theatrilt;*als = tooneelvertooningen:. Private theatricalM = liefhebberij tooneel; Theatricality, thiatrikaliti, theatrale manier van doen, vertoon. Theave, thiv. Thave, thciv, ooi v. het eerste jaar. Thebes, thibz, Thebe; Thcban, thib'n. subst.. en adj. Thebaan(sch); Theban-year = 365 d. en 6 u. Theea, thikd, scheede, étui. Thee, dhi, u (object van Thou): They â and thou eachother = spreken elkaar aan met.. Theft, theft, diefstal. Theine, thiain, theeïne. Their, dhêd, hun, haar; âs = van hen, van haar: These books are âs = zijn de hunne.. Theism, thtizm, geloof in den niet-geopen-baarden godsdienst; Theist: Theisticnl. Them, dhem, hen, haar (object van They);, âselves, dhemselvz, zich zeiven, zij zeiven. |
bone = boun; full; fooi = fnl; a = toonlooze vokaal (zie asleep en caré)\ girl; ?/ear = jia^ \ong â loi\; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; thns = dln;s; wine.
THEME.
496
THICK.
|
Theme, thim, onderwerp, thema, onverbogen -naam- of werkwoord, indeeling: Tlieiiialir, thimatik, thematisch. Tiiemis. t/iemis, Themis (godin van het recht). Then, dhen. adj. toenmalig: Tlie then measures were iiiHiiffieient = toen genomen maatregelen; adv. en conj. toen, d:in. Inter, alsdan, daarom, diensvolgens, derhalve: You mi^lit have had a had fall â = daarhadt je leelijk kunnen vallen; What did he way â ? = wat zei hij daar toch; Did he Iaus;h at you? â he oiiKht not = maar dat moest hij niet: lie was richer than I â supposed = dan ik toen onderstelde: I hear his footstep. â he is hack = dus is hij terug; 11' lie sees us, what â ? = wat zou dat. wat hindert dat: !\ow and â = nu en dan; quot;Every now and â â telkens; Kow â, what eau you say to the contrary? = welnu, wat kunt ge' daartegen inbrengen; 1 ordered him to leave the room â and there = onmiddellijk de deur uit te gaan; You may remain here till â = tot dien tijd kunt ge hier blijven; âce, vandaar, derhalve: From âre = van uit die plaats; âeelortli, dhensfólh, âeeforward, dhens-fótvod, van dien tijd af aan. Theohald, thtdbdld. 'Theocracy, thiokrasi, godsregeering, priesterheerschappij; Theocrasy, thiokrdsi, aanbidding van verschillende góden, innige vereeni-ging van de ziel mef God: Theocrat, thtdki'SLt, theocraat: T/ieocratic(al); Theodicy, thiodisi, rechtvaardiging van Gods wereldplan en schepping; Theogony. thiofidnU deel der mythologie dat van den oorsprong en de geslachten der goden handelt: Theologian, t h\dlo adz a n, godgeleerde: Theological, thidlodzik'l, frodge-leerd: The theological virtues are: Faith, Hope and Charity = de goddelijke (godsdienstige) deugden zijn: Geloof, Hoop en Liefde; Theologize, thioladzaiz, over godsdienstige onderwerpen spreken of denken; Theology, thiotedzi, godgeleerdheid: Natural theology = de kennis Gods uit Zijne werken: Theo-machy, thiomdki, strijd der reuzen tegen de goden,* verzet tegen Gods wil; Theophilan-thropy, thioufilanthrdpi. de aanbidding van God en liefde voor den mensch; Theosophy, thiosdfi, theosophie, d. i. eene soort van Christelijk mysticisme dat naar de kennis Gods 1 streeft; Theophilus, thiofites. Theodore, thiddö, Theodoor. Theorbo, thiöbou, theorbe (oud snaarinstrument); Theorbist = bespeler daarvan. Theorem, thidrem, te bewijzen stelling; âatic(al) = uit âs bestaande, vervat in een â. Theoretictal), thidretikCl), theoretisch, bespiegelend: Theoretics = het theoretisch gedeelte i eener wetenschap; Theorist, thidrist, theoretisch of bespiegelend mensch; Theorize = theoretiseeren, bespiegelingen houden; Theory, thidri, theorie, stelsel, bespiegeling: llis prac-tice falls short of his theory = zijne praktijk haalt niet bij zijne theorie. Therapeutic, theropjütik, tot de geneeskunde behoorende, genezend; âs = geneeskunde. There, dhêd, daar, er: When did he leave |
â = wanneer is hij vandaar vertrokken; You ' are right (wrong) â = daar hebt ge gelijk I (ongelijk) in; Here and â = hier en daar: 1 am all â = ik weet drommels goed wat ik doe; â you are! = klaar is 't; alstublieft: â is a horse for you = dat is nog eens een paard! 1 am no' match for yon â = in dat opzicht kan ik niet tegen u op; You have got a tile off and are not all â = je bent niet recht bij het hoofd, en weet niet wat je doet; Stop, â's a good fellow = dan ben je een beste; âabout(sgt; = daaromtrent: A guilder or âahouts = een gulden of daaromtrent; âafter = daarna, volgens dat, daarnaar: âanent = met betrekking tot dat punt; âat = daar, om die reden, bovendien: lie is poor and a fool âat = en een dwaas op den koop toe; âby = daarnevens, daardoor, diensvolgens, daaromtrent: âby hangs a tale = daar is meer aan vast; âfor = hiervoor; âfore = daarom, met dat doel: âfrom = daarvan, daaruit; âin = daarin, hierin; âinto = daarin; âof, dhrrov, hier- of daarvan; âon = hier- of daarop, er op; âout = daaruit; âto = daar- of hiertoe, buiten en behalve; -nader = daaronder; â unto = daartoe; âupon = hier- of daarop, ten gevolge daarvan, dadelijk: âivith = daarmede, onmiddellijk: â withal, clhèdwidhól, daarbij, terzelfdertijd, daarenboven. Theresa, tirïsd, Therese. Theriacal, thiraidk'l. genezend, heilzaam. Therniae, thümi, heete bronnen of baden = Thermal waiters. Thermal springs. Therinidor, elfde maand (republ.jaar). Theriii(ogt;, thvm(ou), (in samenst.) van of met betrekking tot hitte: âometer = thermo- of warmtemeter: âonietric(al), tlivmametrikCI). tot een thermometer behoorende: âostat, thvrnastsiti toestel ter regeling der temperatuur; âotics, thvmotiks, wetenschap der warmte. Thermopylae, thómopili, de Thermopylcn. Thesaurus, thisóras, schatkamer, woordenboek. These, dhiz, (meerv. van This), deze. Thesis, thisi.s, stelling (Mv. Theses, thtsiz). Thespian, theapion, subst. tooneelspeler: adj. van het drama of de tooneelkunst. Thessaly, thesdlU Thessalië. Thessalonica, thesdloniko, (Thes)salonica; Thessaloiiian, thesdlounfn, Thessaloniër, van (Thes)salonica. Theurgy, thivdzi, bovenaardsche inwerking; Theurgic = magisch. Thews, thjüz, spierkracht, spieren; Thewed, thjüd, met krachtige spieren. They, dhei, zij, degenen: â say = men zegt. Thick, thik, subst. dikke gedeelte, heetst (van den strijd), dikte: I am your friend through â and thin = ik ben'je vriend wat er ook gebeure; He was in the â of the light; adj. dik, dichl, troebel, mistig, opeengedrongen, snel, overvloedig, intiem, vriendschappelijk: They are as â as peas in a shell = zij zijn 'zeer overvloedig; zij zijn vrienden als olifanten; 1 got awfully â with him â kwam op erg intiemen voet; They are asâ as thieves together = het zijn twee handen op één buik, zij spelen onder één hoedje; I am â of hearing = hardhoorig; A â pronunciation = onduidelijke uitspraak; His blows came down as â as hail = zijne slagen vielen zoo snel en krachtig als hagel- |
man; ask = Ask; farm = fiim; but = but; learn = Km; line = lain; house = haus; net; â care = kè»; frrte = feit; tin; asleep = asllp; not; laiu = ló; lord = löd; bo?/ = bói;
THOROUGH-FARE.
497
THICK-GROWN.
|
â¢steenen; â verb, verdikken; âp:r«wii = dicht; âhead = dik-of domkop; âheaded = dom, stomp: âlipped = met dikke lippen: â ribbed = met knichtige ribben; âwide = â¢dikhuid(ig): His âside pafier.ce = olifant-achtig geduld; âen = verdikken, verdichten, talrijker worden, dik maken, verdubbelen; âet = kreupelbosch(je); âiwli = dikkig, ietwat dik; âness = dik- of dichtheid, dikte; âset, subst. en adj. dicht beplantlt;e heg); âskin = ongelikte beer, vlegel, domkop; âskull = domkop. Thief, thif\ dief (zie Thirk); ârateher = dievenleider; Thieves' Latin = dieventaal. Thieve, thiv, stelen: â ry = het stelen,dieverij; Thievish = diefachtig, steelswijze, sluiksch. Thigh, thai, dij; âbone = dijbeen. Thill, thil, lamoen; âhorse = lamoenpaard = âer. Thimble, thimb'l, vingerhoed, ijzeren ring met groef; âberry = poort v. framboos; ârig, subst. goocheltoer met drie bekers en eene erwt; â verb, bedriegen door vlugheid, enz.; ârigger = goochelaar, bedrieger; âful = vingerhoedvol. Th in, thin, dun, gemakkelijk te doorzien, onvoldoende, mager, dunnetjes: This inoiilh's niiniber is a little â = is vrij dunnetjes of onbeteekenend; His disguise was very â = zijne vermomming was er geene; â â¢streets = ledige str.; â verb, verdunnen, ijler maken, dunnen, wegkwijnen: The strata were âning out and away = de lagen werden langzamerhand dunner en verdwenen eindelijk geheel; âiac-ed = met een smal en schraal gezicht; âskinned = met fijne huid, overgevoelig, prikkelbaar; âner = wie of wat verdunt of dun maakt; âness. Thine, dhain, van u, het of de uwe. Thing, thin, ding, zaak. acte. wetgevende vergadering (bij de Scandinaviërs: dan tin, uitgesproken): He is a â of nothing = hij is een kerel van niets; That's a â of nniight (nothing) = dat is niets waard; That's the very â = dat moet ik net hebben, zoo is het precies; You have got the wrong â = gij hebt het verkeerde; It eomes all to the same â = het komt alles op hetzelfde neer; He knows a â or two = hij is slim, goed op de hoogte; 1 like him ahove all âs = bovenal; It was quite in the nature ofâs = het sprak (volgde) vanzelf, lag in den aard der zaak; He took away my âs = hij nam mijne kleeren, bagage, etc. weg. Th i iigu in in y, thincfvmi, iets k 1 eins, verachting: Their pinü silk thinguniniies â hunne rose zijden japonnetjes; His name was held up to â = aan de verachting prijs gegeven. Think, thirik, denken, vinden, oordeelen, bedoelen, onderstellen, achten, zich herinneren: What do you â of him? = wat, is uwe meening omtrent hem; Kow that I eometo think of it = nu ik mij eens goed bezin: I have thought better of it = ik heb mij bedacht; He âs inucli of you = hij schat u hoog, heeft een hoog idee van u; If you â proper you may do it = als gij het gepast acht; Kó, thought I to mvself = neen, dacht ik bij mezelf; Don't think any more about it = denk er niet meer over;*! have bone = boun; full; fool = tïil; a = toonlooa lona = loi\; ship = sip: occasion = okeiz'n; ten bruggencate, Eng, Woordenboek. |
thought on it = ik heb er over nagedacht; Meâs = mij dunkt (verouderend); More than you â for = meer dan ge verwacht; 1 â with you = ben het met u eens; âable = bedenkba'ar; âer = denker, peinzer: âing, subst. meening. gedachte, oordeel: To my â ing you might have profited more by it = m. i. hadt gij er meer van kunnen profiteeren. Thionville, tionvil, Diedenhoven. Third, thud, subst. en adj. derde (deel): The â Estate = de burgerij; âly = ten derde; âs = het derde van de bezittingen van den overleden man, waarvan de weduwe hut vruchtgebruik heeft. Thirl. i/iïgt;/,doorboren, perforeeien; â age, Mw- lidz, maalrecht. Thirst, thvst, subst. dorst, droogte, verlangen: His â after wealth and honour = zijn vurig verlangen naar rijkdom en eer; âing for power = het streven naar macht; My throat is parched with â = mijne keel is droog, ik versmacht van dorst; â verb, dorsten, vurig verlangen; ây = dorstig, droog, versmachtend: 1 am ây = ik heb dorst. Thirteen, thvtin, subst. en adj. dertien(tal); âth, subst. en adj. dertiende (deel); Thirtieth, thntidth, subst. en adj. dertigste (deel); Thirty, thüti, subst. en adj. dertig(tal); The Thirty Years' War = Dertigjarige Oorlog. This, dhis, deze, dit: Just allow it for â once = sta het dezen éénen keer nu eens toe; You must be ready by â (time) = thans moet ge klaar zijn; â' much he told me = dit heeft hij mij verteld; Come â way = kom hiernaartoe; 1 have not seen him these three months = ik heb hem in geene drie maanden gezien. Thistle, this'l, distel: Order of the â = Schotsche ridderorde; âdown = distelpluisjes: As light as â down = als een veertje; Thistly = vol distels. Thithef,daarheen; âto = tot hiertoe; âward = derwaarts. Tho% dhon, hetzelfde als Though. Thole, subst. roeipen = âpin; â verb, dulden, lijden. Tholobate, tholdbeit, koepel, deel v. h. gebouw waarop hij staat. Thomas, tonws; Thomism, tomizm, wijs-geerig-godsd. stelsel v. Th. Aquinas] Thomi'st. Thomson, toms'n. Thong, thon,, riem v. leer; âdrill = drilboor. Thor, thü, Thor (Scandin. god); â's hammers = steenen werktuigen en gereedschap. Thoracic, thorasik, tot de borst(kas) behoo-rende; â lins = buikvinnen: Thorax,MóraA'S, borst(kas), borstplaat, cuiras. ThoraI, thör'l, tot een bed behoorende. Thorn, thön, doorn(struik), stekel, prikkel, zorg; âapple = doornappel; âback = gewone rog; âbush = doornstruik; âhut = tarbot: âhedge = doornhaag; âletter = de oude A.S. lettervorm voor de tegenwoordige th; ânet = met doornen bezet of beplant; ây doornachtig, scherp, lastig, kwellend. Thorough, thvr.), subst. voor, afvoersloot; adj. volkomen, volmaakt, volledig: He is a man of â = hij tast door; âbred = subst. en adj. volbloed (paard), vurig, bevallig en vlug; âfare = doorgang, (hoofd)straat: No vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; bin; thus = dhes; wine. 32 |
THOROUGH-GOING.
498
THRID.
|
â-fare = voor het verkeer gesloten, dood-loopende straat; âgoing = doortastend, afdoend,radicaal: A military reroiitriruetioii of (lie immt âgoing; kind = radicale militaire hervorming; The âgoingneHS of » newspaper = de partijdigheid en kracht v. eene courant; âlighted = met ramen aan tegenovergestelde zijden; âpared = voltooid, volmaakt, goed geoefend: A âpared villain = een volleerde schurk; âness = volkomenheid, uitstekendheid. Tliorp(eK thöp, dorp. gehucht* Those, d/jOMZ (mv.v. Thai),die: There are â who pretend = er zijn er, die beweren. Thou, dhau, Gij (alléén tegen de Godheid, in verheven taal of in poezie). Tiioiigh, dhov, ofschoon, indien al, niettegenstaande: â it were true = al was het ook waar (verg. If it were true = indien het waai was): lie is a good fellow â = hij is toch een goede kerel; What (rare) â the hod\ dies = wat hindert het of het lichaam sterfi (verg. What, if he died? = wat zou het we! zijn, wat zouden we beginnen, als hij stierf). Thought, tliot, imperf. en p.p. van to think. Thought, Uwt, gedachte, ernstige overweging, zorg, bezorgdheid, gepeins, bepeinzing, oordeel, meening, voorstelling, schijntje: 1 shall no( do it on second â s = bij nader inzien doe ik het niet; He was a â taller than the ordinary run of people = hij was ietwai langer dan het gewone menschenslag: I will be baek upon a â = ik ben in een wip terug: That â oerurred to me = die gedachte kwam bij mij op; I raniiot read your âs = ik kan uwe gedachten niet lezen of raden; Yon had better take â and not be rash = gedeedt beter u goed te bedenken, en niet lichtvaardig te handelen; He took no â for to*niorrow = bekommerde zich niet om de toekomst; âreader = gedachtenlezer; âreading = het gedachtenlezen: âful = bepeinzend, vol gedachten, attent, bedachtzaam, bedacht: He is âful of his interestM = hij is bedacht op zijne belangen; A âful book = een boek dat vele gedachten bevat, en daardoor andere wekt; She talked âfully and sensibly = bedachtzaam en verstandig: Very âful of you not to forget my birthday' = erg attent van u; âless = gedachteloos, zorgeloos, suf, dom. Thousand, thauz'ndy subst. en adj. duizend(tal). zeer groot (aantal): He is one in a â = één uit de duizend: 1 have a â things to do = ik heb allerlei dingen te doen; They appeared in their âs = in grooten getale; âfold = duizendvoudig; âlegs = duizendpoot; âth, subst. en adj. duizendste (deel). Thowl, thoul. Zie Thole, subst. Thraee, threis, Thracië. Thraldom, thröldCm, slavernij, lijfeigenschap: Thrall, thröl, slaaf, slavernij. Z. Enthral. Thrapple, thrap'l, strot, keel. Thrash, f/ira^dorschen,afranselen, sloven: âel = dorschvlegel; âer = dorscher; â ing = het dorschen, pak ransel: He got a sound âing = zijn buis werd flink uitgeklopt; âing-floor = dorschvloer: âing-maehiiie, âing-mill = dorschmachine. Thrasonie.(al),£/imsomAr('0,snoevend,blufferig. |
Th rave, threiv, vierentwintig schoven (= twee shoeks. Thread, thred. subst. draad,garen: The â of a screw = draad eener schroef; Air âs = herfstdraden; â verb, een draad in eene naald doen, zich een doorgang banen, doorheen dringen: To â the needie = figuur in een dans, waarbij de paren onder opgeheven, en verbonden handen doorgaan: âbare = kaal, versleten, afgezaagd; âbareness = kaalheid, armoede, afgezaagdheid; âbobbin = garenklcs; âpaper = dunne reepjespapier: I am not going to fret myself into âpaper for her = ik zal me niet om haar doodkniezen; âworm = draadworm; âiness-= draderigheid. Threap, thrip, hardnekkig beweren. Threat, thret, subst. bedreiging; â verb, bedreigen; âen = dreigen, bedreigen, schrik aanjagen (door bedreigingen), een dreigend aanzien hebben; âener; âening, subst. bedreiging; adj. dreigend: âening-Ietters = dreigbrieven. Three, thri, subst. en adj. drie(tal): The rule of â = regel van drieën; 1 had round number â with him = ik heb duchtig met hem afgerekend: A âbottle man = iemand, die drie llesch kan hebben: â-cornered = met drie hoeken of punten; âcornered constituency = kiesdistrict dat drie leden afvaardigt, terwijl ieder kiezer slechts op-twee van dezen mag stemmen; âdecker = driedekker, ouderwetsche kansel met drie verdiepingen of lessenaars; The â F's = eischen der lersche pachters (FreeSale, Fixity of Tenure, Fair rent); I won't sell it under â ligures = ik verkoop het niet onder i? 100; âKgure accidents are alniOHt unknown now = ongelukken, waarbij 100» of meer menschen hun leven verliezen; â foot = van drie voet; âheaded = met drie koppen of hoofden; The â Hoursquot; Agony (Service) = dienst op Goeden Vrijdag van 1*2â3: A âpiled Persian carpet = een rijk, fijn, zwaar, Perzisch kleed; âply = drievoudig; âribbed = met drie ribben: âsquare = driehoekig, met drie punten: A bottle of âstar brandy = fijne cognac (étiket met drie sterren erop); âsuited = armoedig, boersch; âfold = drievoudig; â pence, thrip'ns, driestuiverstukje; âpenny, thrip'ni, van drie stuiver, gewoon, gering: It's a âpenny concern = het is een min boeltje; â pemiy-piece = driestuiverstuk = -penny-bit = 'iets van geringe waarde; â score = zestig. Threnetic, thrinetik, klagend, treurend; Threnodial, thrinoitdfl, tot eene Threnody {threnddi, thrinddi = lijklied, klaagzang)-behoorende. Thresh, thres, dorschen. Zie Thrash. Threshold, threëould, drempel, ingang, begin. Threw, thrü, imperf. van to throw. Thrice, thrais, driemaal, herhaaldelijk, met nadruk, zeer veel; âbiest = overgelukkig: â favoured = buitengewoon begunstigd. Thrid, ï/tr/rf, doorsteken (zie Thread),doorgaan,, langstrekken: The pilgrims âded the highway with their chain of tales = trokken, langs den weg met hunne reeks verhalen. |
man; ask = Ask; farm = fam; but = but; learn = lun; line = lain; house = haus; net; cosre = kca; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; hoy = bóip
THRIFALLOW.
499
THUMB.
|
Tliri fallow, thraifamp;lou, voor de derde maal ploegen vóór het zaaien. Thrift, thrift, voorspoed, zuinigheid, spaarzaamheid; ây = spaarzaam, zuinig; âles» = verkwistend, buitensporig, nutteloos. Thrill, thril, subst. neusgat, drilboor, rillerig gevoel; â verb, doordringen, doorboren,! trillen, kweelen, rillen: It âelt;l him with a j vague dread = eene onbepaalde vrees doortrilde hem; He âed at hearing thiw = hij i sidderde toen hij dit hoorde; âer = rilroman: âert» and curdlers â sensatie-romans; âing = rilling. Thrive, thraiv, bloeien, vooruitkomen, gelukkig zijn,gedijen,toenemen: He that will â Must rise at live, He that ha» ân May lie till seven = Zal het u goedgaan. Wil dan vroeg opstaan. Hebt ge 't geld verdiend, Lig dan langer, vriend; III weed» are sure to â = onkruid groeit overal; ân, thriven, p.p. van â; â r = voorspoedig man; Thriving = voorspoedig, bloeiend; ThrivingneH». Thro', thru, samentr. van Thorough. Throiit, throat, keel, strot, stem, ingang, nauwe doorgang: Thewe two nierchantH are cutting earli other'» â» = deze twee kooplui werken elkaar er onder; You cut your own â by doing thi» = ge ruïneert uzelf op deze 'manier; He lied in hi» â = hij loog schandalig; 1 have the exhibition up to my â = de tentoonstelling hangt me de keel /i uit; 1 wa» down her â in a inoinent = ik hield haar onmiddellijk aan haar woord; He held a knife to my â = hij zette mij het mes op de keel; âlatch = keelriem (v. een paard); âwort = halskruid (soortv.klokje); A fullâed »ong = lied uit volle borst; ây = gutturaal, uit de keel. Throb, throb, subst. klopping; â verb, snel kloppen (van hart of pols): My pul»e» were âbing with emotion. Throe, throu, subst. barenswee, hevige pijn: â verb, in barensnood verkeeren, groote pijn lijden. Throiiibo»!», thrombousis, vorming v.geronnen bloed in hart of aderen. Throne, thrown, subst. troon: Speech from the â = troonrede; He mounted the â in 184!) = besteeg den troon; â verb, op den troon plaatsen of zitten, verhoogen; âIe»» = zonder troon; âroom = troonzaal. Throng, thron, subst. gedrang, groote menigte: â verb, verdringen, opdringen, toestroomen: The people came âing in = de lui stroomden naar binnen: âed-out streets = schoongeveegde straten. Thropple, throjfl, luchtpijp, slokdarm. Throstle, thros'l, lijster. Throttle, throVl, subst. luchtpijp, keel, stoomklep (= âvalve); â verb, smoren. (ver)stikken. Through, thru, door, doorheen, geheel, v. het eene einde naar het andere, wegens: It's all â you = 't komt al door u; My intention will be carried â = doorgezet worden; The plan has fallen â = het plan viel in duigen; I read it â from cover to cover = las het heelemaal door: I will go â with it = ik zet het ten einde toe door; He saw |
â my intentions = doorzag; âfare = ⢠doorgang, (hoofd)straat; â ly = geheel, volkomen: âout = overal, geheel en al, altijd: âout the day = den geheelen dag lang. Throve, throuv, imperf. van to thrive. Throw, throu, subst. gooi, worp, slag, kans, oogenblikje, kort tijdsverloop; â verb, werpen, smijten, slingeren, dobbelen, storten, in haast aan- of omdoen, afwerpen, uiten, draaien, slingeren : I wrestled with my pride and threw it = streed tegen mijn trots en overwon hem; They have ân stones at us = ons met steenen gegooid; That's âing money away = dat is ^eld in 't water gooien; Cüood advice is âii away upon him = is niet aan hem besteed; Thé rellectors threw back the light = de reflectors kaatsten het licht terug; âing baek = atavisme; He ha» â n it by = terzijde geworpen; The building was â'n down = werd tegen den grond gegooid: A âdown cracker = voetzoeker; Allow me to â in a word = mag ik ook een woordje meespreken? I was âii into enthnsiasiii = tot geestdrift gebracht; I have ân liiui off = ik wil niets meer met hem te maken hebben; 1 threw on my trousers = ik schoot in mijne broek; He threw himself down = hij ging liggen; I â myself on your mercy = ik geef me aan uwe genade over: He threw it out quite suddenly = hij kwam er in eens mee voor den dag; The bill was ân out = werd verworpen; Her Jet ornaments threw up the whiteness óf her skin = deden uitkomen; lie has ân up the sponge = hij heeft zich gewonnen gegeven: She has ân him over = hem de bons gegeven: We find ourselves ân out = teleurgesteld; He was ân with that girl = verliefd op: 1 had never thought I should be ân much with such people = aangehaald worden, veel omgang hebben met; ân silk = getwijnde zijde; âer = werper, gooier, twijnder: âster = twijnster (v. zijde). Thrum, thrvm, subst. eind van de schering oi geweven draden, grof touw; â verb, knopjes hennep in de mazen eener mat bevestigen (d.i. eene mat spekken); â verb, krassen, tokkelen, trommelen (op piano): The âming of an old guitar = het tokkelen van of spelen op. Thrush, thrnê, lijster, spruw. Thrust, thrvsU subst. stoot, steek, aanval, horizontale drukking: â verb, stooten, drijven, duwen, steken, indringen: He â (made a â) at me = stiet naar mij; He â himself in(to) our society = hij drong zich in ons gezelschap; âer = doorsteker; âing = het stooten of duwen, uitdrukken van geklonterde melk met de hand: de uitgeperste wei heet âings. Thud, thvd, slag, bons(gew. op iets betrekkelijk zachts): lie fell with a dull â on the path = hij viel met een doffen slag op het pad: A dull. âding pain = drukkende, zware pijn. Thug, thvg, plunderaar, moordenaar (Indië); âgee = de praktijken der âs: âgism. Thumb, tl mm, subst. duim: He bit bis â at me = hij maakte een verachtelijk gebaar tegen mij; Tom â = Klein Duimpje; He is under my â = ik heb hem in mijne macht; â verb, bevuilen, beduimelen, betasten, met de vingers trommelen, onhandig doen; âband |
bone = boun; ful; fool = fill; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; thns = dims; wine.
32*
THUMB-NAIL.
500
TIDE-GATE.
|
= lint van een duim breed; ânail, subst. nagel van den duim, schetsje, teekeningetje, penkras: 1 flanliefl oil* a ânail on the envelope = ik gooide een schetsje op de enveloppe; adj. klein: ânail sketehes = penkrassen, kleine schetsjes: âscrew = duimschroef; âstall = duimeling; âed = met duimen; âkin» = duimschroeven. Thump, thvmp. subst. zware slag, bons, plof; â verb, stompen, plotten, zwaar neerkomen: It is a downright âinp lie = het is een groote leugen; âer = wie of wat stompt of neerploft, iets diks of kolossaals. Thunder, thvnda, donder, luid geraas, verschrikkelijke bedreiging, scherp gezegde, banbliksem: Rolling peals of â = ratelende donderslagen: That is not my thunder, but Goldsmith's = dat scherp* gezegde is niet van mij, maar van G.; It is the â that strikes, bilt the lightning that smites = de donder ratelt, de bliksem slaat in; By â = voor den donder (drommel); â verb, 'donderen, luide afkeuren, bulderen; âholt = bliksemstraal, donderslag, stoutmoedig en onweerstaanbaar held. banbliksem: liike a (â)bolt from the blue = gelijk een donderslag uit onbewolkten hemel; âclap = donderslag = Clap of â; âclouds = onweerswolken; âdart = bliksemstraal; âmusic = zware rollende muziek; âpiek = volksnaam voor inktvisch: âproof = beveiligd tegen bliksem of donder: âshower = onweersbui; âstone = bliksemstraal, dondersteen; â âstorm = zwaar onweer; âstruck = als door den bliksem getroffen, verbaasd, aan den grond genageld; âer = donderaar, naam v. quot;77?e Timesquot;: âing, subst. (het) donder(en); adj. donderend, zeer groot; âons = donderend; ây = als donder, van donder vergezeld. Thurible, thflrib'/, wierookvat: Thurifer, thürifv, wierookvatzwaaier; Thuriferous, thurifdrds. wierook bevattend of voortbrengend; Thurification = bewierooking. Thuringia, thürinzid, Thuringen; ân, subst. en adj. (bewoner) van Th., Thuringsch. Thursday, thvzdi, Donderdag: Holy â = Hemelvaartsdag; Maundy â = Witte Donderdag. Thus, d/jos, subst. wierook, hars; adv. aldus, dientengevolge, dus, tot aan: â far = tot hiertoe; As â = als volgt: I told you â much = dit alles heb ik u gezegd. Thwack, thwak, subst. slag met iets stomps en hards; â verb, slaan, stompen. Th wait, thiueit, lap gronds in bouwland veranderd. Thwart, thwot, subst. doft, d. i. bank voor de roeiers; adj. dwars, schuin; â verb, kruisen, dwarsboomen: adv. dwars; prep. dwarsover; âer = wie of wat verhindert of dwarsboomt; âness = dwarsheid, weerbarstigheid: âships Th witel, thiuitl, zakmes. [= dwarsscheeps. Thy, dhai, bez. vnw. uw; âself = uzelf. Thyestean, thaiestfn, kannibaalsch. Th'ylacine, thaildsain, buideldier (N. Zeel.). Thyme,thaim, tijm; Thymy = vol tijm,geurig. Thyroid, thairóid, schildvormig; âcartilages = schildvormige kraakbeenderen; hunne ver-eeniging heet adamsappel (keel). |
Thyrse, f/iws, Thursus, thvsos, bacchusstaf; Tliyrsoid. thvsóid, in den vorm v. een â. Tiaf, ïairr. Tiara, taiêra of tnidrd, driedubbele pausenkroon (zinnebeeld v. wereldlijke macht), soort v. tulband, mijter; âaed, taiêrdd, met een â getooid. Tib, tib, laag vrouwspersoon; âcat = âbie = kat (tegenov. Tom-cat = kater); â out = de deur uitsluipen. Tiber, taibo, Tiber. Tibia, tibid, scheenbeen, soort v. fluit; â1. Tic. tik, neuralgie, zenuwpijn, aangezichtspijn. Tick, tik. subst. crediet, rekening, teek, tijk (voor bedden en matrassen), tikje, teeken, getik: He that has no monty, needs no purse, but â = wie geen geld heeft, heeft crediet en geene beurs noodig; He buys everything on â = op den pof, op crediet; â verb, borgen, crediet geven of krijgen! merken, tikken: Vou cannot â a man off into columns in a parliamentary return = men kan een mensch niet in rubrieken verdeelen ineeneregeeringsstatistiek: âbean â paardeboon;---- tiktak; âen, âing = stof voor beddetijk. Ticket, tikot, kaartje, lot, toegangsbewijs, plaats, plaatskaartje, gedrukte candidatenlijst bij verkiezingen (Am.): That's the â = dat is je ware: To buy one's â (Am. voor Eng. to book) = een* kaartje nemen; He was elected on the radical â = op het rad. program; âcollector = kaartjesophaler; âday = dag voorafgaande aan den betaaldag op de effectenbeurs: âof-lea ve = vrijheid aan een gevangene vóór zijn straftijd om is: âof-leave-man = voorloopig vrijgelatene; âporter = gepatenteerd of door eene maatschappij aangesteld portier of kruier. Tickle, tik'l, adj. onstandvastig, onzeker; â verb, kietelen, amuseeren, een kittelend gevoel hebben: That âd them = dat deed hun aangenaam aan; lie tried to â my palm = hij trachtte mij om te koopen, mij duimzalr te geven; â r = wie of wat kittelt, iets dat moeilijk te beantwoorden is; Tickling = het kittelen, methode van forellen vangen: Ticklish = kittelig, wankel, onstandvastig, lastig, moeilijk. Tidal, taid'l, wat tot ebbe of vloed behoort: â wave = vloedgolf; I leave by the â (train) for France = ik ga met den trein, die op het getij rijdt; Tide, subst. tijd, tij, getij, hooge stand, vloed, stroom, loop der omstandigheden: He took fortune at the tide = hij greep de gelegenheid aan toen ze het gunstigst was: We leave at the shifting of the tide = wij vertrekken bij het kenteren van het getij ; Outgoing tide = ebbe; We are sailing with the tide = wij zeilen met den stroom; We could hardly stem the tide = wij konden den stroom haast niet doodzeilen; The tide was going at a strong (great) rate = het tij stroomde hard; â verb, met het getij eene haven binnenvallen of verlaten, met het tij zeilen of drijven: We tided over those days = wij zijn die dagen gelukkig te boven gekomen; 'It remains to be seen whether you can tide over these difficulties = of gij er u doorheen kunt werken; Tide-gate = sluis v. een kanaal dat |
man; ask = ask; farm = fiim; but = bwt; learn = lèn; line = lain; house == haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = Hid; hoy = bói;
TIDE-GAUGE.
TIME.
501
|
den invloed v. het tij ondervindt; Tide-gnuge = peilschaal; Tide-iiiill = vloedmolen; Tide-table = tafel der hoogwatergetijden; Tide-waiter. Tidesinan, Tide-surveyor = ambtenaar der douane, die de inkomende rechten int; Tide-water = water dat den invloed v. ebbe en vloed ondervindt; Tide-wave = vloedgolf; Tideless = zonder tij. Tid-bit, tidbit^ lekker hapje = Tit-bit. Tidy, taidi, subst. gehaakte bedekking voor den rug van een stoel, gehaakt kleedje, antima-casser (Am.); adj. flink, netjes, proper, zindelijk: It cost me a â penny = een mooien duit; â verb, opruimen, in orde brengen: 1 must â away all^lie memories of yore = ik moet al de vroegere herinneringen verdrijven; Tidiness. Tidings, taidir\z, nieuws, tijding, bericht; Tidingless = zonder bericht. Tidology, taidoledzi, wetenschap d. getijden. Tie, fai, subst. band, knoop, haarbos, gelijkheid der partijen (bij een wedstrijd), verbindings-balk, verbindingsteeken, halsdas: The âs of friendship, love, kindred = de banden van vriendschap, liefde, bloedverwantschap; lie is a â on me = is mij tot last, bindt mij de handen; This poet scores a â with Tennyson in the colleetion = van beiden zijn evenveel stukken opgenomen; â verb, binden, verbinden, knoopen, beperken, precies gelijk zijn (bij een wedstrijd): To â a knot = een knoop leggen; I am âd down to my work = ik ben aan mijn werk gebonden;* I have âd it up = ik heb het dichtgebonden: She âd up her money that her husband could not get at it = zij zette haar geld vast, zoodat haar man het niet kon krijgen; âbeam = horizontale verbindingsbalk; âr = wie of wat (ver)bindt. Tier, tio, reeks, rij (vooral van twee of meer boven elkander), galerij (in een theater, etc.): The cells were built in âs, one over the other. Tierce, ftas, maat voor natte waren (1/3 van een pipe, of 42 gallons), vat van 42 gallons, volgkaarten, terts, veld in drie deelen (herald.): ât = terzet, drieregelig gedicht. Tiercel, tids'l, man netjes valk. Ti ff, tif', subst. slokje, booze bui, kleine ruzie: She was in a â = zij had eene kwade bui; The two lovers have had a â = hebben standjes gehad; She is a little âed, and thinks we have treated her ill = boos. Tiffany, tifdni, dun zijden gaas. Tillin, tifin, lunch of kleine maaitijd. lis, tig, vangspelletje (met tikjes). Tiger, taiga, tijger, livreiknecht(je): They were lighting the â = zij waren aan het dobbelen (Am.); âcat = tijger kat; âflower = tijger-bloem (met oranje en gele spikkels); âfooted = zoo vlug als een tijger; âwood = soort t. kostbaar hout uit Britsch Guiana; Tig(e)rish = tijgerachtig, woest, wreed = Tigrine. taigrin; Tigress, taigros. Tight, tait, (luchtdicht, vast(gebouwd), strak, dicht, nauwsluitend, goedgebouwd, gierig, dronken: The â and the slack rope = het gespannen en het slappe koord; That's an uncommonly â fit = dat sluit zeer nauw, dat moet er buitengewoon precies ingepakt worden, dat kan er nauwelijks in; He keeps his children â = netjes, proper; Everything on the deck was set â = |
vastgezet, vastgesjord; âen = aanhalen, rekken, spannen; âness: âs = nauwsluitende onderkleeren, tricot (zooals van acrobaten, etc.), spanbroek. Tigris, taigris. Tiger. Tilbury, tilbori, soort van sjees. Tile, tail, subst. (dak)pan, aarden deksel, hoed, deur v. eene vrijmetselaarsloge: Ridge â vorstpannen; He has a â off = hij is niet recht bij 't hoofd; â verb, met pannen dekken, zorgen dat geene oningewijden binnenkomen, geheim houden; âdrain = afvoerbuis van pannen: âkiln = pannenbakkersoven; â work(s) = pannenbakkerij; âd = met pannen bedekt; â r = pannendekker, portier v. eene loge (vrijmetselaars); âry = pannen-bakkerij : Tiling = het dekken met pannen, pannendak, pannen. Tilia, tilid, linde(boom); âceous, tilieiéds. gelijkende op of verwant met de â. Till, til, lade, winkellade. Till, til, beploegen, bebouwen : âable = bebouwbaar; âage, tilidz, bebouwd land, akkerbouw: âer = akkerman, boer; âing = het bebouwen, akkerbouw; âth = akkerbouw, bebouwd of geploegd land. Till, til, tot, tot aan (alléén van tijd): He did not come home â five = hij kwam eerst om vijf uur thuis: â now = tot nu toe; â then = tot dien tijd toe. Tiller, tilo, subst. handvat (v. eene spade), roerpen, helm(stok), schoot, uitlooper, jonge tak; â verb, uitloopen, nieuwe takken krijgen; ârope = stuurtouw, stuurreep. Tilnins, tibiws: Zie Floccilation. Tilt, tilt, subst. tent, bedekking, huif, regentent, dekzeil, stoot, steekspel, smeehamer, vooroverhelling (van vaten): lie ran full â at his enemy = hij liep met alle kracht op zijn vijand aan; â verb, met eene tent of een zeil bedekken, tournooien, stooten, steken, vechten, (voor)overhellen (van vaten), scheef staan, eene lans breken, kenteren, hameren, wiegelen of dansen (op de golven): They âed at each other = zij renden op elkander in, vielen elkander aan; âboat = tentboot; âhamnier = smeehamer; âroof = rond dak (als eene huif); âyard = tournooiveld; âer = kampvechter; âing = het hameren van staal. Tim, tim, verk. van Timothy. Timhal, timbH; Zie Tymbal*. Timber, tim to, subst. timmerhout, hout,boomen, stam, barrière (voor jagers), woud (Amer.); â verb, met hout beschieten, van hout bouwen: He had a wellâed frame = een goed gebouwd en krachtig lichaam; âhead = gedeelte der ribben van een schip, dat boven het dek uitkomt; âtrade = houthandel; âmerchant = houtkooper; âtree = boom die timmerhout oplevert; âwork = houtwerk, timmerwerk; âyard = houtstek, houtloods; âed = van hout gemaakt, met hout beschoten, bedekt, met boomen voor timmerhout, massief, krachtig. Timbre, timbo, helmpluim, timbre (van stem). Timbrel, timbrel, pauk, soort van tambourijn. Time, taim, subst. tijd, duur, keer, maat, ge- |
bone = boun; full; fooi = fnl; » = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; t/ear = Jia; Xong = loi^; ship = sip: occasion = okeii'n: thin; thus = clhi:s; wine.
TINCTURE.
TIME.
502
|
legenheid: Apparent â,Solar â = zonnetijd; Sidereal â = sterrentijd; â and tide wait» for no man = de tijd schikt zich niet in ons, wij moeten ons in den tijd schikken; â was, when . . = er was een tijd, dat; â and the hour runs throiig;h the roughest day = aan den hardsten dag komt éénmaal een einde: The good old âs = de goeie oude tijd; It's a dull â = het is een slappe, saaie tijd; What â is it, What is the â ? = hoe laat is het; At âs = nu en dan; Greenwich â = tijd naar den meridiaan v. Gr.; Von had better repent in â = berouw te toonen vóór het te laat is; 1 received your favour in due â = ik heb uwe (letteren) behoorlijk ontvangen; He came here in good â = op het juiste oogenblik; Do everything in good â = doe alles op zijn tijd; We hope to marry in good â = als de omstandigheden gunstig zijn; We had a good â = hebben plezier gehad (Am.); The mean â = middelbare tijd; In the mean â = middelerwijl; You ought to be ready by this â = thans; 1 must stop for the â being = ik moet voor het oogenblik uitscheiden; We shall have the sum by that â = tegen dien tijd hebben wij het geld; 1 have known him â out of mind = ik ken hem ik weet niet hoe lang al: From âs immemorial = sedert onheu-gelijken tijd: It is close â now = de jacht is thans gesloten; 1 have not seen you for a long â = ik heb u in lang niet gezien; â after â = keer op keer; â and again = telkens weer; That is quite a length of â = dat is een heele tijd; Many a â and oft did I warn you = ik heb u* dikwijls en herhaaldelijk gewaarschuwd; 1 saw him a short â since = ik hem nog pas geleden gezien; 1 am not going to marry at myâ of day = ik ga op mijn leeftijd niet meer trouwen; It is foolish to complain at this â of day = bet is dwaas thans nog te klagen; A bit behind (before) your â = een beetje te laat (vroeg): Two at a â = twee tegelijk; At the â of his death = ten tijde dat hij stierf; He did it in less than no â = hij deed het in een ommezien: â enough always proves little â = menschen die den tijd hebben komen altijd tijd te kort; Once upon a â there were a king and a queen = er was 'reis een koning en eene koningin; In course of â it will come about = mettertijd zal het gebeuren; Have you got the true â ? = weet gij precies hoe laat het is; In âs (â) to come = in de toekomst; He lived here for a â = hij heeft hier een tijdje gewoond; I shall do it in proper â = te bekwamer tijd; You must go there in the flay â = bij dag; He did it in the right nick of â = te juister tijd; Your remark is out of â = te onpas; Up to this â he paid regularly = tot hiertoe heeft hij geregeld betaald; An orchestral conductor has to beat â = een orkestdirecteur moet de maat slaan; He has husbanded (out) his â = zijn tijd zuinig besteed; You must improve the â gij moet den tijd zoo goed mogelijk besteden; â You don't keep â, are out of â = gij zijt uit de maat; He was knocked out of â = half dood geslagen; That will take up a good deal of â = heel wat tijd kosten; I'll see yon at one â or other = ik kom u te |
eeniger tijd bezoeken; Kost â is never found again = verloren tijd keert nimmer weer; Ladies and gentlenieii, â is up = het is tijd, detijdisom: The soldiers were marching at quick time, at double quick â = marcheerden met versnelden pas, met den looppas; I wish to kill (the)â, forâhangs heavy on my hands = den tijd te korten, want'de tijd valt mij lang; I shall not lose â to visit you = ik zal u spoedig komen bezoeken; â verb, voor den tijd of de omstandigheden gepast maken, te juister tijd doen, regelen, den duur van iets bepalen of vaststellen, de maat slaan: Will you allow me to â myself? = Mag ik eens op mijn horloge kijken (om te zien hoe lang ik noodig heb gehad of hier geweest ben); ÃTIie train is âd to reach li. at 8 = moet . . . zijn: The visit was âd at an inopportiine moment = het bezoek kwam zeer ongelegen; It was an ill âd thought = eenevoordien tijd ongelukkige gedachte; âbargain = (verkoop met levering op een bepaalden tijd; â expired = zijn tijd uitgediend; âglass, (a lass of â = zandlooper; âhonoured = achtenswaardig: A âhonoured usage = eene eerbiedwaardige gewoonte; âkeeper = uurwerk, chronometer, tijdregelaar; âlock = slot dat slechts op bepaalde tijden kan worden geopend; âpiece = uurwerk, chronometer: âpleaser = iemand, die de huik naar den wind hangt = âserver, âserving, subst. het huilen met de wolven; adj. zich schikkend naar de heerschende opinie; âtable(s) = spoorboekje, spoorweglijst; âworn = versleten; âful = gepast, tijdig, vroeg; Timist, âi»t = maathouder (muz.); âless = ontijdig, ongeschikt; âly = tijdig, vroeg: A âly remark = eene te juister tijd gemaakte opmerking. Timid, timid, beschroomd, bedeesd: As â as a hare = zoo bang als een wezel; âness, -quot;y, timiditi. Timocracy, taimokrdsi, regeering van rijken en aristocraten. Timon, tairrin, Timon. Timoneer, ïaiwanCa, stuurman. Timorous, timdras, schroomvallig, vreesachtig; âness; Timoroso, timarousou, weifelend, aarzelend (muz.). Timothy grass, timdthigrXs, doddegras. Tin, tin, subst. tinyblik, geld,splint: Kice girls but not much â = lieve meisjes, maar geen geld; adj. van tin: â roof = zinken dak, plat: â verb, vertinnen,in blik bewaren: âned meat, fruit = vleesch, vruchten in blik; â foil = bladtin; âmine = tinmijn; âman, âsmith = blikslager; âtack = vertind spijkertje; âtype = photographic op metaal (Am.); âworm = duizendpoot; âning = het vertinnen, vertinsel; âned = met tin bedekt, in tinnen bussen; âiiy ^ van of als tin, vol tin; âplate = vertind ijzer, blik. Tincal, tinifl, borax (in ruwen vorm). Tinclnll, Tinchei, tink'I, kring van jagers, die het wild insluiten, om ontkomen zoo goed als onmogelijk te maken. Tincture, tiy\tjd, subst. tint, kleur, smaak. |
man; ask = Ask; farm = fiim; but = but; learn = Km; line = lain; lumse = haus; net; care = kte; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = lö: lord = löd; boy = bói;
TITLE-PAGE.
503
TINDEK.
|
zweem, tinctuur, gekleurde oplossing; â verb, kleuren, verven, tinten. Tinder, tindd, tonder, zwam; âbox = tonder- doos; âlike = als tonder. Tine, fain, tand van eene vork, etc.; âd. Tinea, ï-inia, motten (v. kleederen), ringworm. Ting, tir\, subst. klank; â verb, klinken. Tinge, tinz, subst.tint, kleur, smaakje.zweem: She had experienred nharp â» of regret = zij had scherpe aanvallen van berouw gehad; â verb.tinten, kleuren, verven,kruiden: Principles, slightly âd with radicaliHin = iets radicaal getinte* beginselen; âr. Tingle, tingl, tintelen, klinken, rillen, tuiten, jeuken: My ear» âd with it = tuitten ervan; Tingling = trillende gewaarwording, rilling. Tinker, subst. (ketel)lapper: Political â8 = politieke tinnegieters; â verb, (ketellappen, slordig lappen, knoeien, soldeeren. zich bemoeien met: lie was always âing those contracts = hij bemoeide zich altijd met en knoeide aan die contracten. Tinkle, tir\k'l^ subst. gerinkel, gekabbel, ge-ruisch; â verb, rinkelen, (doen) klinken, tuiten : The tinkling of hells = getjingel. Tinsel, tins'l, subst. klatergoud, stof van goud en zilver; adj. oppervlakkig rijk maar waardeloos; â verb.met klatergoud bedekken,uitwendig mooi maken, oppervlakkig inzien; â ly = als â. Tint, tint, subst. tint; â verb, tinten: âed glasses = gekleurde bril; âless. Tintinnabiilatidn, tintinabjnleiè'n, getjingel. Tiny, taini, klein, teer, zwak. Tip. tip, subst. punt, tip, topje, zaadpluisje, tikje, puin (uit eene steengroeve), geschenk, fooi. inlichtingen, bericht: lie gave me the â = hij waarschuwde mij, bracht mij op de hoogte; Take my â and get an elTicient â army = neem m'ijn raad (wenk) aan, en zorg voor'een krachtig leger; 1 don't know where 'he gets his âs = ik weet nietwaar hij zijne berichten of nieuwtjes vandaan haalt; The pendants shook in the âs of her pretty â¢ears = de knopjes trilden in (aan) de lellen van hare oortjes; The letter is full of âs = wenken, aanwijzingen; That is a straight â = een duidelijke wenk; Wait till yon get â «that he is ready = tot ge gewaarschuwd wordt; âtilted = met de punt omhoog; â verb, punten, de punt beslaan met, kantelen â¢(van eene kar, om den inhoud er uit te gooien), .schenken, eene fooi geven, verklappen: lie â ped ine the wink = gaf me een teeken, «eene waarschuwing; The minister had been âped the wink as to the writer of the â¢pamphlet = den minister was heimelijk een wenk gegeven wie de schrijver was; Heâped me a guinea at parting = hij gaf me... bij het afscheid; lie âped the liquor 00*= hij gooide â'mquot; om; Have you âped the servant ? = de meid een fooi gegeven; âstaff = gerechtsdienaar, zijn staf. Tipper, tipd, soort v. ale. Tipperary, tiporêri. Tippet, tipat, bonten kraag. Tipple, tipl, subst.drank, geliefkoosde drank: A place of â = kroeg; â verb, herhaaldelijk drinken, gewoonlijk veel drinken; âr = drinkebroer; Tippling-house = (vuile) kroeg. Tipsy, tipsi, dronken, aangeschoten; âcake = gebak met madera of iets dergelijks gedrenkt en met amandelen belegd; Tipsiness. |
Tiptoe, tiptov, subst. punt van de teen: adj. en adv. op de teenen, tersluiks: He was (stood) on â = hij stond op de teenen, hield een wakend oog, was op zijn âqui vivequot;; We are on the â of expectation = in gespannen verwachting. Tiptop, tiptop, subst. bovenste, beste: adj. zeer goed, uitstekend, bovenste beste: A â education = voortreffelijke opvoeding. Tirade, tireid, hevige uitval, verwijt, berisping, scherpe redevoering, loopje (muz.). Tirailleur, tireiljv, scherpschutter. Tire, taio, subst. rij, reeks, band (van ijzer of guttapercha) om de veiling vaneen wiel, drijfriem, kleeding, tooi; â verb, uitputten, vermoeien, vervelen,afmatten: I am âd to death = ik ben doodmoe; He âd me to death = hij heeft mij doodelijk verveeld; 1 am âd with (of) listening to your complaints = ik ben moe (ik heb genoeg) van het luisteren -naar uwe klachten; âd = vermoeid, met banden om de wielen: Airâd bicycles = rijwielen met luchtbanden; âdness = vermoeidheid, uitputting: âsome, taios'm, afmattend, vermoeiend (Am.), vervelend; Tiring-house = kleedkamer (voor acteurs) = Tiring-room. Tiro, tairou, beginner; Zie Tyro. Tirralirra, tirahra, tireliere, trara, etc. Tirwit, tmuit, kievit. 'T is, tiz, samentr. van It is. Tisic, tisik] Zie Phthisic. Tlsri, tizri, eerste maand van het burgerlijk en zevende maand van het kerkelijk jaar (Israel.). Tissue, tiëu, subst. weefsel, goudlaken, aaneenschakeling, soort v. vloeipapier tegenover eene illustratie in een boek = âpaper; It is a â of lies = weefsel, reeks van leugens; â verb, weven, doorweven, schakeeren. Tit, tit, subst. meesje, paardje, wijf, stukje, brokje, tikje: 1 gave him â for tat = ik gaf hem leer om leer; â verb.tikken, gooien: Why should I â up for it? = er om opgooien; âbit = lekkernij, iets fijns. Titan, taiVn, subst. en adj. (als een) Titan; âian, taitanfn, âic, taitanik, reusachtig, bovenmenschelijk, als een Titan; âia, tai-teinja, Titania, 'de feeënkoningin en vrouw van Oheron. Tithe, taidh, tiende (van de opbrengsten, etc.): Titheable, taidhab'l, tiendbaar; âfree = vrij van het tiendrecht; Tithing, tnidhin, het heffen van tienden, getal van tien huismannen, gedeelte van honderd; Tithing-man = hoofd van een Tithing, onderkonstabel, koster of ordebewaarder in eene kerk (Amer.); Tithing-house = magazijn waarin de tienden worden opgeslagen (Amer.). Titillate, titileit, kietelen, prikkelen. Titivate, tiïiveit, opdirken, opzichtig kleeden. Titlark, tilliik, graspieper = Titling. Title, taiVl, subst. titel, opschrift, naam, benaming, aanspraak, eigendomsrecht: He has a â to this honour = is tot deze eer gerechtigd: He took possession by the clearest â = met de duidelijkste (Volste) aanspraken: â verb, betitelen, noemen; âdeed = eigendomsacte of -bewijs; âpage = titel- |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); ghi; ?/ear = .jis; long = loi^; ship = sip; occasion = okeiy/n; thin; thus = dlius; wine.
TITMOUSE.
TOILET.
|
blad; A âd gentleman = met een titel; âless = zonder titel. Titmouse, titmnus, mees. Titter, tite, subst. gegichel, onderdrukte lach: â verb, giebelen, onderdrukt lachen, wippen. Tittle, tit'I, subst. iets kleins, stip, iota: That is it to a â = zoo is het precies; â verb, wauwelen, babbelen; âtattle, subst. gewauwel, gebabbel, wauwelaar; adj. wauwelend; â verb, babbelen; âtattler = verteller, snapper. Tittle-bat, HVlbat, stekelbaarsje. Titty-wagger. titiwagd, leugentje. Titubant, titjub'nt, struikelend, onvast, gejaagd; Titubation = schommeling, gejaagdheid. Titular, titjuld, titulair (ranghebber), in naam = Titulary, titjuldri. Titus (Brown), brauntaitds, gewone volks-etymol. verbastering van Broneliitis. Ti ver, taivd, subst. roode oker om schapen tc merken; â verb, met â merken. Tiverton, tivdVn. To, tü, adv. en prep. naar, tot, totaan, tegen, toe, in, voor, vergeleken met: The horses were â = de paarden waren voorgespannen: That is death â the patient = dat is de dood van den patient; That i« nothing â what 1 saw = dat haalt niet bij wat ik gezien heb; It is ten â one that he'll rome = het is tien tegen één dat hij komt; â his eternal honour be it said = het zij tot zijne onvergankelijke eer gezegd; We were singing to our hearts' eontent == zongen naar hartelust; That's pleasant â the pagt; late, the taste = dat doet het gehemelte, den smaak weldadig aan; lie took a liking â her = hij vatte liefde voor haar op; It was war â the knife, â the death between them = het was een strijd op leven en dood tusschen hen; lie exerted his powers â the utmost = spande zijne krachten tot het uiterste in; â the best of my ability (abilities) = zoo goed ik kan; They were singing â the strumming of a guitar = zij zongen bij; As â this question, I am sorry 1 can't act according â your wish = wat betreft .... overeenkomstig; Done â a turn = precies gaar; They were â a man in white gloves = ze hadden allen zonder onderscheid witte handschoenen aan; A quarter â three = kwart vóór drie; He is kind â a fault = doodgoed; Described â the life = getrouw naar het leven beschreven: He took my sister â wife = hij trouwde met mijne zuster; 1 told it him â his face, â his teeth = ik heb het hem in zijn gezicht gezegd; The lamp was swingingâ and fro = de lamp schommelde heen en weer; â it again = maar weer opnieuw: âday = vandaag; âdo = drukte, ontsteltenis; âmorrow = morgen: The old prison was blown intoâmorrow = vloog in de lucht (eig. in de eeuwigheid); ânight = van avond, van nacht. Toad, toud, pad(de); âeater = lage vleier, pluimstrijker; âeating, subst. lage vleierij; adj. verachtelijk vleiend; âfish = padde-visch; âflax = wild vlas; âspit = schuim op planten van sprinkhaantjes; â stone = fossiele tanden van zekere visschen. basalt; âstool = paddestoel; ây, subst. |
laag vleier; â verb, laag vleien: He toadie» to the great = hij loopt de rijken achterna: âyism = kruiperij, lage vleierij. Toast, toust, subst. geroosterd brood, toast., dame (of nog algemeener: iemand) op wie gedronken wordt: She was the â of Bath = zij was zeer gezien in B.; 1 had him onlt; â = ik had het hem afgewonnen; â verb, roosteren, een toast drinken of instellen, door en door warm maken; âmaster = ceremoniemeester, die op officieele maaltijden de toasten' aankondigt; ârack, âstand = standertjevoor geroosterd brood; âer = ijzer of vork om te roosteren, wie een dronk instelt; âing-fork = roostervork. Tobacco, tdbakou, tabak; âpipe = tabaks-pijp; âpipe-clay = pijpaarde; âpouch = tabakszak; âstopper = instrument om brandende tabak in de pijp neer te drukken; âite^ tebakouamp;it = liefhebber of voorstander van. rooken; ânist = tabaksverkooper. Tobias, tdbaids = Tobit, toubit. Tobine, toubain, zware zijde v. japonnen. Tobit, toubit, een der apocryphe boeken. Tobog(g)iin, tobog'n, slede (vooral om vanhellingen neer te glijden; Canada); â verb, bergaf glijden in sleden; âer, âist = dieaan âing (= het bergafglijden) doet. Tocher, to fa, subst. huwlijksschat; â verb, een huwlijksschat geven; âless = zonder bruid- Tocqueville. toukvil. [schat. Tocsin, toksin, alarmklok, alarmgelui. Tod, tot/, dichte struik, massa, bundel; âstove-= houtkacheltje (Amer.), kachel (Amer.). Toddie, tod'l, subst. waggelende gang, klein waggelend loopend kind; â verb, waggelend gaan, familiaar omgaan: We have not begun to â yet = wij gaan nog niet familiaar om;. He âs on at my side, anil dribbles out small talk = hij loopt naast mij voort enlt; wauwelt maar door; âr = klein kind. Toddy, todi, palmdrank, grog met suiker. Toe, 'tou, subst. teen: From top to â = van. top tot teen; lie has turned up his âs = hij is het hoekje om, is dood; â verb, met de teenen aanraken: â the line, boys = alien met de teenen aan de streep; âd = metâs.. Tolf, tof, fijne mijnheer, aristocraat. Toffy, Toffee, to)i, kokinje. Toft, toft, boschje, hofstede; âman. Toga, tougd, toga, tabberd. Together, toged/ia, te zamen, vereenigd: It has rained for four days â = vier d.. achtereen; By the hour â = een uur lang. Toggery, togóri, plunje, ook Togs genoemd. Toggle, tag'l, knoop, houten pen bevestigd in het eind van een touw (= knevel); âjoint = knevelverbinding. Togs, togz, plunje: Best âs = Zondagsplunje.. Toll, tóil, subst. zware arbeid, inspanning, net of strik (gew. meervoud): We hail the enemy in the âs = in onze macht, ingesloten; â verb, werken, zwoegen: He was âing it up the inoiintaiii = hij bracht het zwoegend den berg op; âworn = doodaf; âer = zwoeger;, âsome = zwaar, afmattend. Toilet, tóildt, linnen of zijden kleedje over kaptafels, enz.; nachtzak, toilet: She was at her â, making her â = zij was bezig haar toilet te maken. |
man; ask = ask; farm = fam; but = bwt; learn = lèn; line = lain; howse = hans; net; care = kèa; fate = felt; tin; asleep = »slip; not; \aw = 16; lord = leid: hoy = bói;
TOISON.
TOOTH.
505
|
Toison, ïóiz'n, schapevacht; â d,or = gulden Vlies. Tokay, toukei, Tokayer (Hongaarsche wijn). Token, touk'n, teeke'n, zinnebeeld, herinnering, gedachtenis, niet-officieel gangbaar maar toegelaten geldstuk; âmoney = geld gangbaai voor meer dan de reëele waarde (ook Bnngtown genoemd); âed = met teekens of vlekken. Tol(i), toul, wegnemen, vernietigen: Heâled the Hweels lïom the lipw ot' the ronntry round = hij snoepte van al de lippen dei-landelijke schoonen. Tola, tonld, gewicht van 180 greinen Troy. Told, ton ld, imperf. en p.p. van to tell. Toledo, toulidou. kling van het fijnste staal. Tolerable, foteraW, dragelijk, tamelijk, redelijk: 1 a in tolerably well = ik ben vrij goed: Tolerance, tolar'ns, verdraagzaamheid, dragelijkheid, het dulden, toelating; Tolerant = verdraagzaam, lijdend; Tolerate, tolereit. dulden, verdragen, toelaten; Toleration = toelating, verdraagzaamheid. Toll, toul, subst. tol, schatting, maalloon (in den vorm van een deel van het graan), langzaam en statig klokgelui; â verb, verlokken, luiden: â lor llie brave = luid de klok voor den dappere(n): The bell âed one = sloeg één; âbar = tol- of slagboom; âbootli = tolhuis, gevangenis; âbridge = tolbrug: âcorn = maalloon (in den vorm van koren): âgate = tolhek; âlioiiae = tolhuis; â man, âgatherer = tolgaarder; âer = klokluider. Zie ook Tol(l). Tom, torn, verk. van ThomaH of Tommy, kater = âcat; I can't answer every â. Dick and Harry = Jan, Piet en Klaas,quot; Jan en alleman; ânoddy = ezel, domkop. Tomahawk, tomdhók. subst. strijdbijl; â verb, dooden met een â. Tomato, tdmdtou, tdmeitou, tomato (Amer. vrucht); âsauce = tomatosaus. Tomb, turn, subst.graf, grafgewelf,graftombe; â verb, begraven, in eene graftombe bijzetten: âlews; âstone = grafsteen. Tombac, tombdk, allooi voor goedkoope juweelen. Tomboy, tomb'A, wilde meid: The â was transforiiied in si\ montlis into a modisli woman of the world = het wilde kind was in zes maand eene wereldsche juffer geworden. Tome, toum, (zwaar) boekdeel. Tomentose, toumentovs, Tomentons, tou-mentds, wollig, donzig, met dichte haren bedekf: Tomeiitum, toument'm, dicht haar. Tomlool, t om fill, groote gek, kwast, beuzelaar; âery = nonsens, malligheid. Tomin, toumin, tien grein (juweliersgewicht). Tommy, tomi, verk. van Thomas, brood, ruil: It is all ârot = klets. Tompion, tompfn, stop(per), prop. Tomtit, tomtit, mees. Tomtom, tomtom, trom (O. Ind. en Afrika). Ton, ton, ton,, mode. Ton, Wn, ton (20 Cwt. of 2240 E. ponden; in schepen 40 kub. voet, ongev. 1.1327 M:lt;); ânage, tnnidz, tonnemaat, last, tonnegeld: ânage and poundage = oude belasting op in- en uitgevoerde koopwaren, wijn, etc.; ânage-car = goederenlorrie (Am.). Tonal, touriU tot den toon of klank behoorende; |
-ity, tounaliti, juiste toonhoogte: Our Wilhelmus iu the old âity = het W. in de oudetoonzetting; Tone, toun, subst. toon, klank, dreun, gejammer, veerkracht, geestkracht, heer-schende manier, aard, gezonde lichaamstoestand; â verb, een toon geven of hebben: The-colour tones gently Irani deepest blue to liveliest red = de'kleur gaat zachtkens van donkerblauw tot lichtrood over; Tone-syllable = beklemde lettergreep; Toned = met een zekeren toon, klinkend; Toneless = toonloos,, onwelluidend. Tong, toil, tong van een gesp. Tongres, tounrjs. Tongeren. Tongs, tonz, tang: A pair of â =eenetangi The â and the bones = ruwe muziekr mopjes: A few people like classical music, but a very iniich larger majority prefer the â and* the hones. Tongue, tvi\, subst. tong, taal. spraak, woorden (zonder daden), klepel, tong (van eene gesp),, leertje (van een schoen), landtong: Hold your â = houd je mond; That's a slip of the â = dat is eene vergissing; It fell from my â before I knew it = het ontglipte me vóór ik het wist: 1 have it on the tip of my â, at my â's end = het ligt mij op de tong (maar ik'kan het niet zeggen): lie has an oily â, a well-oiledâ = eene gladde, radde-tong; He thrust his â in his cheek = keek bedenkelijk en ongeloovig; â verb, met de tong den klank wijzigen (bij blaasinstrumenten); âlashing = standje: âtied = met de tong aan het gehemelte gebonden,, niet in staat goed te spreken, lispelend, sprakeloos: He stoodâtied in his wickedness-= hij stond sprakeloos door (van); âd = met eene tong (in samenst.); âless = zonder tong,, sprakeloos: ây = met mooie praatjes. Tonic, tonik, subst. grondtoon, versterkend middel; adj. tot geluid behoorende, spannend, versterkend, veerkrachtig; âsol fa = het voorstellen van klanken en tonen door letters,, enz.; âspasin = zenuwtrekking; âity,. tdnisiti, elasticiteit der spieren, enz. Tonsil, tonsil, keelklier: â(l)ar: Tonsilitis, tonsilaitis, ontsteking der amandelen. Tonsile, tonsail, wat geknipt kan worden; Tonsure, tonsa, subst. schering, het scheren of geschoren zijn, tonsuur: â verb, de tonsuur geven, tot den priesterlijken staat toelaten: Tonsured = met eene tonsuur. Tontine, ton tin, leening op lijfrente gesloten. Tony, touni (verk. v. Anthony). onnoozele hals. Too! til, al te, tevens, ook: Tliat's rather-- = dat is wel wat al té. Took, tuk, imperf. van to take: geluid dat de kip maakt bij het roepen der jongen. Tool, tul, subst. werktuig, gereedschap; â verb, vorm geven, een wagen of diligence rijden l â ing = wat met een werktuig is gemaakt. Toom, tiim, adj. ledig; â verb, ledigen. Toot, tut, toeteren, blazen: The horn was- âing; âer. Tooth, tilth, tand, smaak, punt: He has a sweet â = houdt van zoetigheden: We are getting rather long in the â = worden al een dagje ouder; I did it, told it liiiii in tspite of) his teeth = ik deed het trots zijn, verzet, zeide het vlak in zijn gezicht; He cast |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; t/ear = Jia; lonp = loij; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus. = dhus; wine.
TOOTH-AC HE.
506
TORSION.
|
it in my teeth = hij gooide het mij voorde voeten; I saiy it to your teeth = ik zeg het ii in uw gezicht; It set my teetii on edge = het deed me griezelen, ik werd er akelig van; The dog Hhowed its teetii = liet zijne tanden ?ien; lie defended his principle â and nail = met hand en tand; A set of new teeth = een stel nieuwe tanden; He â¢clenched his teeth = zette de tanden stijf op elkaar; The baby has cut its first â = de kleine heeft haar (zijn) eerste tandje: 1 want to have a grindingâ (= grinder) extracted = ik wou een kies laten trekken; It makes my teeth water = het doet mij watertanden; -Show him your teeth = laat hem uwe tanden zien (bok fig.); âache = tand- of kiespijn; âbrush = tandenborstel; â â drawing = het tandentrekken; âedge = het tintelend gevoel door harde en krassende geluiden veroorzaakt; âkey = sleutel om tanden te trekken; â âlette«l = fijn getand (van bladeren); âpick(ergt; = tandenstoker; --powder = tandpoeder; âed = met tanden; â ful = mondjevol; âless = zonder tanden; âing = het tanden krijgen of wisselen; âsome = lekker, smakelijk. Top, fo/),top(punt), hemel, bovenste kant, kroon (van het hoofd), tol: I have slept like a â = als eene roos, als een otter; The â of the morning to you = ik wensch je een goeden morgen; It is no joke togotramping to the poll on the â óf a day's work = om na eene harde dagtaak nog een heel eind .naar de stembus te loopen; They ore stories without â or tail = verhalen (of leugens) zonder kop of staart, waar niets van aan is; Inside or on the â, sir? = binnenin of bovenop (de omnibus), mijnheer; He was always at the â of his cIons = nummer -één; From â to bottom = van onder tot boven; adj. hoogste: The top (bottom; lower end) of a hall = voorin (achterin) -de zaal; â value = hoogste prijs of noteering:âverb. uitsteken, overtreüen, bedekken, zich verheffen, de toppen of koppen afsnijden ⢠of afslaan, voltooien: This trip âsand caps all others = dit uitstapje overtreft (bekroont) alle andere; A âping passion = een alles beheerschende hartstocht; They âped up with that work = zij eindigden met dit werk; Some cream to â up with = nu nog wat room na; The haystack was âped 'Off = de hooiopper werd voltooid; âped off with gold and silver = versierd met; âper .= vertreffelijk persoon,uitstekend iets; âmost = hoogste; âping, subst. het snoeien; adj. verheven; âboots = laarzen met gele verlakte kappen; âcloth = marskleed; âcoat = overjas; âdraining = droogleggen van â¢de oppervlakte van land; âdress, subst. bovenmest;â verb, de oppervlakte bemesten; âdressing = bovenmest; âgallant, subst. bramsteng, hoogste; adj. van de bramsteng, voornaamste, uitstekend; --heavy = topzwaar, dronken; âknot = strik op'het hoofd; âknotted = verwaand, pedant; â-sail = bramzeil; âmast = steng; âman, â sawyer = bovenste van twee zagers, bovenste-beste. hoogste; âsoil = bovengrond; âstone = deksteen. |
Toparch, topak, voornaamste man in stad of provincie; ây = klein landje (zooals Monaco, b.v.). Topaz, toupdz, topaas (geelachtige edelsteen); âalite, toupazeidit, soort van granaat. Tope, totrpi subst boschje of groep boomen; â verb, zuipen, veel drinken; âr = zuiplap. Topee, Topf, toupt, helmen der E. soldaten in Indië. Toph(us), tofas, soort van tufsteen; âaceous, tefeiéds, zandig, korrelig. Tophet, tonfdt, hel. Topiari, toupjori, door snijden en snoeien verkregen; âwork = kunstmatig en tot bepaalde vormen snoeien v. boomen, heggen, enz. Topic, topik, onderwerp (van gesprek), uitwendig (plaatselijk) geneesmiddel; âal song = gelegenheidsgedicht of -lied; There is no âal interest whatever in the paper = de inhoud (der courant) is niets waard. Topographer, topogrdfd, plaatsbeschrijver; Topographic(al), topdgrafikCl\ plaatsbeschrijvend; Topography, tdpogrdfi. plaatsbeschrijving. Topple, top'l, (voorover) tuimelen, neervallen: My airy castle âd to the earth = viel in. Topsyturvy, topsitvvi, verb, onderstboven keeren, verwarren: adv. onderstboven; âtica-tion = omvergooiing: The book is a regular âfication of morality = gooit alle moraliteit omver. Toque, touk, Toquet, tonkei, muts, hoofdtooi. Tor, to, rots of heuvel met hooge punt. T(h)orah, tóiv, Mozaïsche wet, Tien Geboden. Torch, tötè, toorts; âbearer = fakkeldrager; âdance = fakkeldans; , â-liglif, subst. fakkel- of toortslicht; adj. bij fakkellicht gedaan: ârace = fakkelwedloop; âthistle = soort van Cactus. Tore, /ö, imperf. van to tear. Tor(r)eador, toriodö. toreador,stierenbevechter. Torinent, töirint, kwelling, marteling. Torment, töment, martelen, pijnigen; âer, âor; âing, subst. het kwellen; adj. kwellend. Tormentil, löm'ntil, zevenblad. Tormina, tömirw, erge krampen. Torn, tön, part. perf. van to tear. Tornade, toneidou, tropische wervelwind. Torose, törous, Torous, tóros, ongelijk, knobbelig. Torpedo, töpidou, siddering, torpedo; âboat torpedoboot; ânet = net ter bescherming tegen torpedo's; âist, torpedist. Torpent, töp'nt, subst. en adj. verdoovend (middel), stijf; Torpescence, töpes'ns, verstijving, verdooving; Torpescent, verdoovend, verstijvend; Torpid, töpid, subst. tweedeklasse roeiboot (Oxford), de bemanning daarvan; adj. verstijfd, bewegingloos, langzaam, traag; Torpidity. Torpidness = verstijfdheid, bewegingloosheid = Torpor, töpo. Torrefy, torifai, drogen, uitdrogen; Torre-faction, torifakè'n, uitdroging. Torrent, tor'nt, subst. hevige stroom^ vloed; adj. snel en krachtig voortrollend. Torricellian, toriselj'n, van Torricelli. Torrid, torid, verzengd, brandend; âness. Torse, tös, krans (herald.); âI, alles wat gedraaid of gekronkeld en kransvormig is; Torsion, töö'n, draaiing, terugdraaiing. |
man; ask = ask; farm = fjim; bat = bot: learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló; lord = löd; hoy = bói;
TORSK.
507
TOUT.
|
Torsk, tüsk, soort v. kabeljauw (Scandin.). Torso, tösou, romp van een standbeeld. Tort, töt, onrecht, nadeel: The Law of âs, ' ori a Treatise on the Principles of Obli- ! tsations arising from civil wrongs in the ; â¬0111111011 Law; âfeasor = overtreder,! benadeeler; âions, töèds, nadeelig, onrecht- i vaardig. Tortile, tötail, verdraaid, gekronkeld. Tortoise, tötds, (land)schildpad; âshell, subst. en adj. (van) schildpad. Zie Turtle. Turtnoiis, tiitjios, Tiirfnose, tötjuous, gekronkeld, gedraaid, slinksch; ânes». Tortuosity, t'ótjuositi, krans, kronkeling, slinkschheid. Torture, tötjd,subst. marteling, zielsangst, pijniging; â verb, kwellen, martelen, verdraaien; âr. Torulose, torjulous, Torulous, torjulds, cy- lindrisch, rond, met kronkels. Tory, tóri, subst. en adj. conservatief; âism = 'de beginselen der conservatieve partij. Toss, tos, subst. het opgooien, worp, ruk (met het hoofd), schok: You are in a â = erg gejaagd; â verb, werpen, opgooien, slingeren, rukken, schokken, verontrusten, krampachtig ineenkrimpen, dobbelen (door het opgooien : van geldstukjes): Shall we â (up) for it? = zullen we er om opgooien; â oftquot; your glass = gooi 'm eens om; To â pancakes = bakken en omgooien in de pan; I âelt;l it in -my niiiifl = overlegde het: The rowers âêd the oars = de roeiers hieven de riemen loodrecht op (als begroeting); We âelt;l hiin In a blanket = we hebben hem âgejonastquot;, â¢met hem gesold; We will â up for it, head or tail = wij zullen er om gooien: kruis of munt (De winner wordt gezegd 4kto win the âlie could not â away the image of his love = van zich afzetten: âup = het opgooien, gelijke kans: It i« a âup = de kansen staan volkomen gelijk; âer; âiiig; âpot = zuiplap; The ship was tempeHt-âed, tempest-tost = werd door den storm heen en weer geslingerd. Tot, ïoï, subst. iets onbeteekenends, optelsom, snoesje, teug: 1 have drunk your health in a â of rum = met een glas rum: â verb, optellen: The Highlander knows how to â you up a high bill = weet hooge rekeningen te schrijven. Total, touVl, subst. en adj. (het) geheel, volslagen: âabstinence = geheelonthouding; ! âisator, toutdlaizeits, werktuig of toestel voor het wedden bij wedrennen; âity, ton- i talüi, de geheele som, het totaal. Tote, tout, dragen (Amer.): You must â fair = ge moet eerlijk en billijk handelen. Totem, touVm, symbolisch teeken (van dier of plant), waarnaar de leden van een stam zich noemen en dat hen verbindt, stamvader; âclan = familie-stam, met een gemeen-schappelijken â als stamhoofd; âiQ^toutemik, tot een totem behoorende; âism = verdeeling van een volk in stammen ieder met zijn hoofd; â ist = lid van een iofem-stam. Tother, tvd/10, samentr. van that (the) oth^r. Toüer, tota, waggelen, wankel loopen: Tlie baby is at the âing and tumbling age = de kleine begint alléén te loopen (valt dus wel eens); ây = bevend, waggelend. Tottie, loti, kleine of jonge Hottentot. |
Totty, toti, subst. kleine âhummelquot;; adj. duizelig. onvast, wankel. Touch, tnts, subst. aanraking, gevoel, proef, toetssteen, toets, kenmerk, trek, wenk, aandoening, aanslag (van piano of orgel), eigenaardige behandelingswijze: lie came into â with his century = kreeg voeling met zijne eeuw; I have found â of my fellows = ik heb voeling gekregen met; lie was in â with the great personages of his days = hij onderhield voeling met; I gave my work the last â = ik heb de laatste hand aan mijn werk gelegd; Yon niiist keep â with us = ge moet voeling met ons houden; quot;Xo,quot; he said, with a â of temper = eenigszins geraakt; He has a â of the gout = een aanval van jicht: It was â and go = het was er aan toe, het kon weinig lijden, de toestand was dreigend; â verb, aanraken, gevoelen, voelen, aanroeren, zich bemoeien met, benadeelen, bereiken, beseffen, behandelen, handelen over, de hand leggen op, bespelen, toetsen: Shall we â glasses = zullen we eens klinken; That does not â the question = heeft er niets mee te maken; It âed me to the quick = trof mij diep; We âed the wind = wij hielden hei schip zoo dicht mogelijk bij den wind; We sighted an island, but did not â at it = wij kregen een eiland in 't gezicht, maar deden het niet aan; He would â no food = hij wou geen eten aanraken; It âes you more than any of us == het raakt u meer dan één onzer; We will â of that next time = de volgende maal behandelen; Let me Just â on it = laat mij het even aanroeren: The ship âed = raakte (den grond) met de kiel: Two of the characters are excellently âed in = uitmuntend geschetst; We shall â it up = zullen het wat repareeren, in orde brengen; âhole = zundgat; ânie-not = kruidje-roer-me-niet; âneedie = toetsnaald, proef-naald: âpan = kruitpan; âpaper = met salpster gedrenkt en als lont gebruikt papier; âstone = toetssteen: Irish âstone = basalt van den Giant's Causeway; âwood = zwam: âable = raak- of voelbaar; 1 can do it in four minutes, as near as a toucher = op den kop af; âing, adj.roerend,treffend; prep, betreffende, aangaande; ây = knorrig, lichtgeraakt, gemelijk; âiness. Tough, subst. gemeene kerel, straatroover (Amer.); adj. taai. hard, streng, vasthoudend: He is a â enstomer = hij laat niet los; That is a âpiece of work = dat is moeilijk werk; âen = taai worden of maken; â ish = ietwat taai; âness = taaiheid, buigzaamheid. Toupee, Wipt, Toupet, tiïpei, pruikje. Tour, tiïj, subst. rondreis, langer uitstapje; â verb, zijne rondreis doen, een uitstapje doen; â ist = tourist, reiziger (voor genoegen). Tournament, tüdndm'nt, Tourney, tiidni, tournooi, steekspel. Tournay, tionei. Doornik. Tournure, titenjio, tournure, houding, gestalte, vorm. Touse, tanz, rukken, scheuren, plagen. Tousle, Touzle, tauz'l, in wanorde brengen. Tout, taut, subst. klantenlokker, iemand die inlichtingen geeft omtrent voor wedrennen ge- |
bone = boun; full; fool = fill; d = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl: year = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dlres; wine.
TRADITIONARY.
508
TOW.
|
oefend wordende paarden: A money-lender's â = de handlanger (die inlichtingen geeft) van een geldschieter: â verb, toeteren, klanten trachten te winnen: She was âing lor »p-pI»use â zij bedelde om toejuiching: What eau be got by âing among the erlties is not worth the Ignominy = wat men bij de critici wint door ze achterna te loopen is de schande (van het achternaloopen) niet waard; âer = hetzelfde als Tont, subst. Tow, tou, subst. grove deel van hennep of vlas, sleeptouw: The steamer took the ship in â = op sleeptouw; â verb, boegseeren, | sleepen; âboat = sleepboot: âcloth = pak-linnen; âheaded = met geel en grof haar; --line = sleeplijn =ârope; âage, touidz. het boegseeren, geld daarvoor betaald; -age-duty = sleeploon; âinggt;path = jaagpad: âing-vessel = sleepboot; ây = als touw. Toward(ly),ïoiW(/(/i),ge wiHig,g*ehoor/.aam,leerzaam; To*ward(sgt;, touad(z\tawöd(z)oftöd{z). naar toe, in de richting van, bijna, omtrent. Toweester, tausto. Towel, taudl^ handdoek; âling = grof linnen voor handdoeken, pak ransel, duchtig standje. Tower, ïoi/a, subst. toren (van kasteel of kerk) zonder spits, burcht, kasteel: â ol'silenee = ronde toren, waarin de Perzen (in Indië) hunne dooden (tot aas voor de gieren) leggen; â verb, zich hoog verhellen, omhoog zweven, beheer-schen, verheven of uitstekend zijn: She âs over me = onderdrukt mij; âbastion = kleine toren in den vorm van een bastion; âed = van torens voorzien, met torens verdedigd; âing = zeer hoog of groot, buitengewoon hevig, gewelddadig. Town, tann, subst. stad, stedelingen: â and gown = de stedelingen tegenover professoren en studenten; lie is a man about â = een man van de wereld, bon-vivant; A man on â = een ,.cityquot;-man: âelerk = gemeentesecretaris en archivaris; âeouneil = gemeenteraad;âeouneillor=gemeenteraadsiid: âerier = stadsomroeper; âhall = gemeentehuis, raadhuis; âhouse = raadhuis, huis âin stadquot;; âland = land nabij eene stad; âmeeting = vergadering der gemeentenaren; âtalk = praaatje van de stad; â wall = stadsmuur; âsfolk = stedelingen: âship = gemeente, stadsgebied: âsnian = stadgenoot, stedeling (tegenover (üownsnian = universiteitsman); âspeople = stedelingen. Townsliend, taunz'nd. Towser, tauzd, groote hond, gewone hondennaam. Toxie(al), toksiki^l), vergiftig; Toxieologieal. toksikdlodzitfl, tot de vergiftenleer behoo-rende: Toxicology = vergiftenleer. Toxophilite, toksofiidit, subst. boogschutter; adj. tot de boogschutterskunst behoorende. Toy, tói, subst. (stuk) speelgoed, kleinigheid, beuzelarij; â verb, dartelen, stoeien, spelen^ beuzelen; âdog = rashond, soort v. patrijshond; âer = stoeier, beuzelaar, grappenmaker; âful = dartel, beuzelachtig =âish: âman = speelgoedkoopman; âshop = speelgoedwinkel: âtrade = speelgoedhandel. |
Traee, treis, subst. spoor, teeken, voetspoor, streng (waaraan de paarden een rijtuig trekken), kleine hoeveelheid: All boys are inelined to kiek over the âs = alle jongens willen graag uit den band (uit het gareel) slaan ^ â verb, opsporen, precies nagaan, uitvorschenr met teekens â aanwijzen, schetsen, doorloöpenr doorkruisen; âable = naspeurbaar, vervolgbaar; âr = wie of wat naspoort of opspoort; âry = de ornamenten van den Gothischen bouwstijl; Tracing = loop, pad, het natrekken of copieeren; Tracing-paper = doorschijnend papier voor copieën. Trachea, rrei/rja, luchtpijp; âI = van de luchtpijp; Trachitis, ïJvA-aiïtó-, luchtpijpontsteking. Track, trak, subst. spoor, voetindruk, weg, begaan pad, teeken, koers, spoor (van een schip), spoorlijn (Amer.; Eng.: line): lie tbllowed in your â = hij drukte uwe voetstappen;. The old gentleman has made âs = is er haastig vandoor gegaan; The â and rollingstock = tractie en rollend materieel; â verb, het spoor volgen, nagaan,op sleeptouw nemen:. We âed the deer = wij volgden het spoor van het hert; The tiger was âed down = werd opgespoord; âroad = jaagpad; ârope = jaag! ij n; âage = trekloon; âer = iemand die opspoort; âless = zonder spoor, onbetreden, onbegaan, spoorloos. Tract, trakt, (onbepaalde) uitgestrektheid, streek, korte verhandeling, traktaatje; âariany traktêridn, subst. lid der High Church (R. Katholiek getinte E. kerk); adj. tot de High C/iwrc/i-be weging behoorende; âarianism = de herleving van den Kath. eeredienst in de E. kerk; âile, frafciaü, rekbaar.gehoorzaam; âion = rekking, (aan)trekking, voorttrekking: âengine = zware locomotief of machine; âive = trekkend; âor = wat trekt of tot trekken wordt gebruikt. Tractable, traktdUl, handelbaar, volgzaam,, leerzaam; âness, Tractal/ility. Tracy, treisi, Treesje. Trade, treid, subst. handel, zaken, beroep, bedrijf, ambacht: lie lollows the â of a smith = hij is smid van zijn ambacht; She practised all the tricks of her â = zij bracht al de slimme zetten van haar beroep in praktijk; The board of â = ministerie van handel; â verb, handel drijven, verhandelen, verruilen: 1 will â this for something better = verruilen,verhandelen; This country âs to Turkey = drijft handel met Turkije; You have âd on me = gij hebt mij voor den gek gehouden; I will â watches with yoii = ik wil van horloge met u ruilen; âguild = handelsgilde; âmark = handelsmerk: âprice = handelsprijs, slijtersprijs; âsale = verknoping van bepaalde handelsartikelen; âwinds of âs = geregelde winden, passaatwinden; âs-lblk = neringdoenden = â s-people = handelslui; âs-maii = handelaar, handwerksman; â(s)*union = vakvereeniging; âs-iinionism = de beginselen of het stelsel der vakvereenigingen; âs-unionist = lid van eene vakvereeniging; â r = koopman, handelaar, koopvaardijschip = Trading-vessel. Tradition, tradiè'n, overlevering; âal = op overleveringen berustend, overgeleverd, aan oude gewoonten gehecht; âalism = gehechtheid aan de overlevering, het stelsel dat alle menschelijke kennis door God geopenbaard en zoo overgeleverd is; âary, subst. Jood, |
man; ask = ask; farm = lam; bïft = but; learn = lun; line = lain; howse = haus; net; care = kèd; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = lb; lord = löd; hoy = bbi;
TRANSGRESS.
509
TRADUCE.
|
die de autoriteit der overlevering erkent; adj. overgeleverd: âer = die aan overleveringen gehecht is. Traduce, trddjüs, lasteren,smaden; âr; Tra-cluetioii. trudokè'n, afstamming van iemand van dezelfde soort, voortplanting, overgang. Trafalgar, trdfalgd. Traffic, trafik, subst. koophandel, (handels)-verkeer, goederendienst; â verb, (ruil)handel drijven, omzetten: âmanager = directeur van den goederendienst; âker = handelaar. Tragacanfli. tragdkanth^ soort v. gele gom. Tragedian, trddztcifn, treurspelspeler of-dichter; Tragedienne, ïradftrfjen, treurspelspeelster: Tragedy, tvadzddi, treurspel; Tragic(al), tradzikCl), tragisch, treurig; Tragi-comedy, tradzikomddi, middending tusschen treur- én blijspel. Tragopan, trngdpan, soort v. fazant (Oosten). Trail, treil, subst. sleep, spoor, eetbaar ingewand van wild of visch, pad (gemaakt door reizende N.-Amer. Indianen), soort van raam (bord): I cominanded tliein to carry tiieir arnm at a â = ik commandeerde: Omlaag 't geweerquot;; â verb, langs den grond sleepen, liet spoor volgen, opsporen, het geweer omlaag dragen, neerhangen, rekken: She âed «ff into a howl = zij hief een langgerekt gejammer aan: lie âed Iikh coatHkirtN over the green = hij liet zijne jaspanden over het gras slepen (Zie Cüreen); ânet = sleepnet; âer, âing-plant = afhangende slingerplant. Train, trein, subst. trein, reeks, stoet, voortgang, sleep (van eene japon), staart, soort v. slede (Canada), spoortrein, loopvuur (lijn v. buskruit), stel beweging overbrengende raderen, reeks: â ol' artillery = zeker aantal veldstukken of kanonnen: Fverything \h in â = in gang; He left the town on a regular â = met een gewonen trein (Amer.); â verb, met den trein reizen, zich oefenen lt;voor wedstrijden, etc.): The gun was âed = het kanon werd gericht; lie was âed up for it = hij werd er voor opgeleid; âband, âed-band = weerbaarheid(skorps): âbearer = sleepdrager: âoil = traan(olie); âroad = lichte spoorweg voor kleine lasten; â tackle = kanontakel (waardoor het geschut aan een ring van het dek wordt vastgemaakt); âable = wie of wat geoefend of opgeleid kan worden; âed = geoefend, onderwezen, met een sleep: âer = africhter, oefenaar, drilmeester; âing, subst. opvoeding,oefening, exercitie, het lelden van leiboomen; âing-ship = oefeningsschip, opleidingsschip. Traipse, treips', zie Trapes. Trait, treilt), eigenaardige en kenmerkende trek, streek, haal, toets. Traitor, treita, verrader, trouwelooze: âorous = verraderlijk: Traitress, treitrss, verraderes. Trajan, treidz'n, Trajanus. Traject, tradzdkt, overhaal, overvaart; âory, trddzektdri, baan van planeet of projectiel. Tram, tram, boom (van een wagen), rail van een paardespoor, paardespoor, tramwagen; âline = tramweg; âroad = tramweg = âway; --way-car = tramwagen. Tramble, tramb'l. wasschen (van erts). Tramniel, tram l, subst. (sleep) net, kluister (voor een paard), vuurbaak (in een schoorsteen), hinderpaal, boei, ovaalpasser: â verb, onderscheppen of vangen, beperken, boeien; ânet = sleepnet. |
Tramontana, trCim'ntünd, noordenwind in de Middell. Zee, scherpe wind. Tramp, tramp, subst. gestamp, getrappel, voetreis, landlooper; â verb, (ver)trappen, stappen, treden, dwalen: âer = landlooper, rondzwerver. Trample, trampquot;l, subst. getrappel, gestap; â verb, vertreden, vertrappen, verachtelijk behandelen, trappelen: â r. Trampoos, trampüz, rondzwerven (Amer.). Trance, trans, subst. verrukking, geestvervoering, bezwijming, schijndood, vallende ziekte; â verb, in vervoering brengen, bekoren; âd: She was âd, was lying in a â = lag in eene zielsverrukking of bezwijming, lag voor dood terneer. Traneen, tranin, kamgras: It is not worth a â = geen lor waard. Tranquil, trankivil, rustig, kalm, ongestoord: âlity, trdr\kiüiliti, kalmte, gerustheid, rust = âness; â liz.e = tot bedaren brengen, kalmeeren; âlizer; âUzation. Transact, tranzakt, volbrengen, doen, verrichten: He âed with his political convictions = transigeerde met; âion = verrichting, uitvoering, daad. handelszaak, handeling: âions of the Philological Society = Handelingen van het philologisch Genootschap; âor = volbrenger, handelaar. Transalpine, tranzalpain, transalpijnsch. Transatlantic, tranzatlantik, transatlantisch. Transcend, transend, te boven gaan, overtreffen; âence, âency = voortreffelijkheid; âent = zeer voortreffelijk, transcendentaal, buiten of boven de ervaring gaande (wijsbegeerte) = âental, trans'ndenVl. Transcribe, trans kraib, overschrijven, afschrijven; âr; Transcript, transkript,copie. Transcription, transkripamp;n, het overschrijven, afschrift. Transept, transapt, kruisvleugel (eener kerk). Transfer, transfu, overdracht, overbrenging, overgeplaatst soldaat, wat overgedragen kan worden; âpaper = overdrukpapier; âability = overdraagbaarheid, verhandelbaarheid: â (rgt;ee, transfart, wien iets overgedragen wordt; â(r)ence, transfvr'ns, het overdragen; ârer, transffira, overdrager = â ror. Transfer, transfv, overbrengen, overdragen, verkoopen, afdrukken; âable = verhandelbaar. Transfigure, transfig(j)a, het uiterlijk voorkomen veranderen; Transfiguration = verheerlijking (Matth. XVII, 1â9). feest ter gedachtenis daaraan (0 Augs.). Transfix, trans fiks, doorboren, doorsteken: I stood âed = als aan den grond genageld. Transform, transl'ö)n (van vorm of gedaante) veranderen, herleiden: âable = veranderbaar, herleidbaar; âation, ïram/3meii5gt;ï,gedaanteverandering of -verwisseling; âation-scene = het tooneel in eene pantomime, waarbij de voornaamste personen in de personen der harlekinade overgaan. Transfuse, transfjüz, overgieten, overstorten, overbrengen van bloed van het eene dier op het andere; Transfusion, transfjüz'n, overgieting. overbrenging van bloed. Transgress, transgres, te buiten gaan, over- |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; year = jia; \ong = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n: thin: thxxs = dims; wine.
TRANSHIP.
5J0
TRAVERSE.
|
treden, schenden, zondigen; âion = overtreding, schennis; â«r = overtreder, zondaar. Trnntiliip, tranéip, verschèp-^n, overladen; âment = verscheping. Trmisient, tranè'nt, vergankelijk,kortstondig; âness. TraiiHire, transtro, geleibiljet. Transit, transit, doorgang, vervoer,overgang: Tliey went there to observe the â ol'Vennet; âduty = transitorecht; âinstrument = instrument, om den overgang van eene planeet over den meridiaan of de zon waar te nemen; âion, trdnsië'n, verandering, overgangsperiode); âionnl = een overgang betrelfende; âive = overgaande, overgankelijk; âiveness: âory = vergankelijk, vluchtig, kortstondig. TrAiislate, transleit, verplaatsen, overplaatsen, overbrengen, vertalen, ten hemel voeren (zonder doodgt;: What will the duke say? â The duke be âd = Wat zal de hertog zeggen? â Die kan naar de hel loopen; Trans* lation, trjnsleisn, overbrenging, overzetting, vertaling; Translator = vertaler. Transliterate, translitdreït, in andere letters overbrengen (b.v. Grieksch met Latijnsche letters schrijven), herspellen op andere wijze; Transliteration. Translurent, tronsljns'nt, doorschijnend, duidelijk; Translucence, TransUicency; Trans-lucid, tronsljiisid, helder, duidelijk. Transmarine, tmnznidrin, overzeesch. Transmigration, tranzmigreiamp;n, (ziels)ver-huizing. Transmissible, tronzmisibl, wat overgebracht of verzonden kauworden; Tra-nspi issibili ty = verzendbaarheid; Transmission, trdnzmiamp;n. overbrenging, overzending, doorlating (van licht door glas, b.v.), overerving; Transmit, tranzmit, overbrengen, overzenden, doorlaten: Transmittal = overbrenging, overdracht: Transmitter = wie of wat overbrengt of doorlaat; Transmittible = overzendbaar. Transmutable, trdnzmjiltdUl, veranderbaar, verwisselbaar; âness, Transmutability = veranderbaarheid; Transmutation, «ranrwjii-teiamp;n, verandering, verwisseling; Transmute, tranzmjnt, veranderen: The Hentenre ol' death was transmuted into lirelong ini-prisonment = het doodvonnis werd veranderd in levenslange gevangenisstraf; Transmuter = wie of wat verandert. Transoceanir, tranzousanik, aan de andere zijde van den oceaan. Transom, trans'm, dwarsbalk (van deuren, ramen, enz.); âwindow = raam met dwarslatten. Transparency, transpêr'nsi, doorzichtigheid, transparant(e*schilderij): Transparent = door-zichtig, doorschijnend, klaarblijkelijk; Trans* parentness. Transpire, trdnspaia, uitwasemen, uitdampen, aan het licht komen, uitlekken; gebeuren (Amer.); Transpirable, trdnspaireVl, wat kan uitlekken, enz.; Transpiration, transpi-reié'n, uitwaseming. Transplant, tronzplAnt, overplanten, overbrengen ; âatlon = verplanting, overbrenging; âer = verplanter. Transport, transput, vervoer, transport, transportschip. verrukking, vervoering. |
Transport, tronspöt, vervoeren, dragen, naaide andere wereld zenden, transporteeren, verrukken: lie was âed for life = hij werd tot levenslange galeistraf veroordeeld; âed' with Joy = vervoerd van vreugde; âable = vervoerbaar; âability = vervoerbaarheid; âation = vervoer, overbrenging, verbanning,, transportatie; âer = wie vervoert; âing = verrukkend, bekorend. Transpose, tronspouz, verplaatsen, verschikken, omzetten; Transposal = verschikking, omzetting; Transposition, transpdzié'n, verplaatsing, omzetting. Transubstantiation, transdbstanëeié'n, verandering van brood en wijn in het lichaam van Jezus. Transude, transiüd, doorsijpelen, doorzweeten;: Transudation. Transiimpt, trdnsmnt, afschrift. Transvaal, tranzvamp;l. Transversal, trdnzvvsl, subst. dwarslijn, snijlijn; adj. dwars(loopend); Transverse, tranz-vus, subst. wat snijdt of dwarsover ligt; adj.. dwars, in dwarse richting, snijdend. Transylvania, transilueinjo. Zevenbergen; âii, subst. en adj. (bewoner) van Z. Trap, trap, subst. val, strik, hinderlaag, klep, karretje, balspel, beweegbare ladder; â verb, in eene val of een strik vangen, verstrikken,, versieren (gewoonl. slechts als participia)-. âs = bagage, goederen: âdoor = valdeur: âdoor-spider = aardspin (met een door eene deur gesloten nest): âvalve = valkiep; âtntr, âtula = vulcanische asch; âper = strikkenzetter, paard voor een karretje. Trapan, trapan, subst. strik; â verb, verstrikken. Trapes, treips. subst. slons, vuil wijf, vagebond: â verb, slonzig rondloopen, vagebondeeren: 1 won't be âing in the mud = ik wil niet slonzig in den modder rondloopen. Trapeze, trapiz, zweefrek of trapezium. Trapezitorm, trapizifom, als een Trapeziiiin^ trdpiïm, trapezium. Trappings, trapinz, paardentuig, harnache- ment, sieraad, opschik, versieringen. Trappist, trapist. Trappist (kloosterorde). Trash, traè, subst. uitschot, afval, nietswaardig iets, touw (om een hond vast te houden):. Poor white â = naam door de negers dei-Zuidelijke Staten aan de armste blanken gegeven; â verb, snoeien, vernederen, verpletteren, afmatten, onderdrukken; ây = nietigr nietswaardig. Trass, tras, tras (soort v. cement). Traumatic, trómatik, subst. en adj. wond-heelend (middel), van eene wond. Travado, trdveidou. Tra vat, travdt, hevige windvlaag met regen, bliksem, etc. (N.-Amer. kust). Travail, travil, subst. arbeid, barensweeën z â verb, zwoegen, kwellen, in barensnood zijn. Trave, treiv, hoefstal, dwarsbalk. Ti â¢avel, traval, subst. het reizen, verre reis:: â verb, reizen, verre landen bezoeken, reizen voor zaken, voortgang maken, doortrekkenl âs = (ontdekkingsreizen, reisverhalen; âled = bereisd, ervaren; âIer = reiziger; âler's-joy = soort v. clematis] âling, subst. het reizen; adj. reizend, van reizen houdend. Traverse, travds, subst. dwarshout of -strik- |
man; ask = Ask; farm = fiim; bid, = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not: law = ló; lord = Hid; hoy = bói :
TRAVESTY.
511
TRESPASS.
|
boei, middelschot, galerij, wederwaardigheid, tegenspoed, zigzaglijn door een laveerend schip beschreven, het doorreizen, streek, wending, uitvlucht; adj. dwars; â verb, ronddraaien, draaien, dwars loopen (van paarden, b.v.), kruisen, doorloöpen, wenden, zigzag zeilen; adv.dwars-over; âsailing = het dwarszeilen; Traversable = betwistbaar, wat tegengewerkt kan worden; âr = reiziger, beschuldigde. Travesty, travdsti, subst. (dwaze) parodie: â verb, parodieeren. Travis, travis, hoefstal, dwarsbalk. Trawl, trol, subst. sleepnet = ânet: â verb, met een sleepnet visschen; âer = vischkotter. Tray, trei, schenkblad, bakje, tobbe, lade. Treaelierous, tretèdras, verraderlijk: âness; Treachery, tretédri, verraad, trouweloosheid. Treacle, trik'l, (suiker)stroop, theriakel: â stick = strooppil; Treacly. Tread, tred, subst. stap, trede, schrede, hane-trede; â verb, treden, trappen, drukken, wandelen, volgen: lie âs on it, âs it under loot = vertrapt het, zet er den voet op: One trod on the heels of the other = de een kwam vlak achter den ander aan; We have trodlt;dengt; out the fire = het vuur uitgetrapt; âmill = tredmolen; âer; âIe, trecVl, trapper (v. naaimachine, etc.), trede, pedaal. Treason, ïrfr'n, verraad (jegens vorst of vaderland): High â = hoog verraad; Petty â = verraad jegens een gewoon persoon; âable = verraderlijk; âahleness. Treasure, trezd, subst. bijeengegaarde rijkdom, schat; â verb, vergaren, verzamelen, bewaren als een schat: He âd up all these memories = hij bewaardeal deze herinneringen zorgvuldig; âcity = stapelplaats; âhouse = schatkamer; --trove = op geheime plaats of in den grond gevonden schat; â r = schatmeester, penningmeester; ârship. Treasury, trezari, schatkamer, schatkist, departement v. financiën en de ambtenaren; Lords of the â = (vijf) hooge ambtenaren die de schatkist beheeren (de minister-president is altijd First Lord of the â); âbench = voorste bank (re^eeringsbank) rechts van den Speaker in het House of Commons; ânote = regeeringscirculaire aan de partijgenooten om tot trouwe opkomst aan te sporen (thans Whip genoemd); âwarrants = schatkistbiljetten. Treat, trit, subst. onthaal, traktatie: He insisted on standing â = wou met alle geweld tracteeren; It is a â to me = het is een genot, eene traktatie voor mij; â verb, behandelen, handelen over, ontwikkelen, bespreken, onderhandelen, het eens worden, een verdrag sluiten, onthalen: You have âed me well, ill = gij hebt mij goed, slecht behandeld; lie âed of many subjects = handelde over; Ambassadors were sent to â with Russia = om met R. te onderhandelen: He âed us to a bottle and some excellent cigars = hij schonk eene flesch en liet ons i lekkere sigaren rooken; âer = onderhandelaar, ! verhandelaar, onthaler; â ise, iritis, verban- ; deling; âinent = behandeling, handelwijze; j ây = verdrag, tractaat: ây of Partition = verdeelingsverdrag; They'are in ây with the (ireeks = in onderhandeling met. |
Treble, treb'l, subst. het drievoudige, hooge-bovenstem of sopraan; adj. drievoudig, hoog (van stem of instrument); â verb, verdrievoudigen, diiedubbel worden; You are doubly, nay trebly blessed = dubbel, neen driewerf gez'egend. Tree,fri,subst.boom, boompje, galg(in samenst.):. 1 have got you up a â = ik ïiebjeinmijne macht, ge zit er leelijk in; As the â so the fruit = zoo boom zoo vrucht; He is at the top of the â = hij heeft het hoogste punt bereikt: â of kuowlectge = boom der ken-nisse des goeds en des kwaads; â of life = boom des levens; â verb, in een boom jagen of vluchten, in verlegenheid brengen of in de macht krijgen; âdeity = afgodsboom: âfrog = boomkikvorsch; âlouse = plantenluis... bladluis; âiiyinph = dryade; âtoad = boomkikvorsch; âworship = boomver-eering; âless = zonder boomen; âlike = als een boom. Tre(e)nail,ïrâ¬weiZ,Tminel,irew7,houten nagel. Trefoil, trefoil, trifóil, klaver(blad). Treillage, trelidz. Trellis, trelis, latwerk, traliewerk, leilatten: Trellis-work = kruiselings loopende latten voor verandahs, prieeltjes, etc.; Trellised = met latwerk. Trek, trek, subst. trek (Transvaal); â verb., trekken (id.). Tremble, tremVl, subst. beving, vrees: 1 am all of a â = beef over m'n geheele lijf: â verb, beven, rillen, sidderen, schudden,trillen: He âd with fear = van angst; âment = triller (muz.); âr = bever, ril Ier; Trembling-poplar = esp, trillende populier. Tremendous, trimendds, geducht, verschrikkelijk. wondei (baar)lijk; âness. Tremolo, tremdlnu, triller, trilling. Tremor, tremd, rilling, huivering; Tremulous, trernjulds. bevend, trillend, sidderend. Trench, trené, subst. gracht, greppel, sloot, afvoersloot, loopgraaf: The enemy opened the âes = begon met de belegeringswerken; â verb, eene sloot of een greppel graven, loopgraven maken, inbreuk maken, diep graven of ploegen: âplough, âplau, diepsnijdende ploeg; âant, trenè'nt. snijdend, scherp, bits: âancy = beslistheid, vastbeslotenheid; âer = graver, houten schotel, tafel; â er(-cap) = hoofddeksel (met vierkant bovenstuk) van de E. studenten; âer-knight = tafeldienaar;: âer-niaii = goed en smakelijk eter; âing = he^ graven of ploegen om den ondergrond bloot te krijgen. Trend, trend, subst. neiging, richting, bocht: The â of the sea-shore = de bocht der zeekust: â verb, geeren, zich richten, loopen» zich uitstrekken: The coast âed to north = de kust liep noord; âing = bocht, richting. Trental, trenfl, dagmis gedurende eene maand. Trepan, tripan, subst. schedelzaag of -boor, strik, valstrik, bedrieger; â verb, doorboren of trepanneeren,verstrikken,bedriegen; âner; âuilig = operatie in den schedel. Trepidation, trepideië'n, siddering, trilling, beverigheid, ontsteltenis. Trespass, trespas, subst. overtreding, zonde, nadeel: Forgive us our âes as we forgive those who have âed against us = vergeel ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl: year = jia; [ong = loi^; »/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thxxs = dhus; wine.
TRIGONON.
512
TRESS.
|
schuldenaren; â verb, overtreden, zondigen, schenden, te ver gaan, misbruik maken, zich indringen: I hope 1 have not âed upon your lime = ik hoop, dat ik niet te veel van uw tijd geroofd heb; âer. Tres», tres, (haar)lok, krul, vlecht; âed. Treslle, tres'l, beweegbaar raam, schraag: A â quot;bridge = noodbrug; âboard = teekenbord (v. architecten); âwork = viaduct of steiger werk op palen en schragen. Tret, tret, vier Eng. ponden toe op elke -104, Trevelyan, trovelfn. [refactie. Treves, trii\ Trier. Trevet, trevdt, driepoot, enz. Zie Trivet. Trey, trei. drie (op dobbelsteen of kaart). Triable, traidUl, wat of wie beproefd of verhoord kan worden; âness: Trial, proef, verhoor, (gerechtelijk) onderzoek, beproeving, bewijs: Ijet liim liave a trial = laat hem eens probeeren; 1 have made a trial of it = ik heb er de proef van genomen; A trial at bar = gerechtelijk onderzoek in .tegenwoordigheid van alle rechters; A trial by Jury = gerechtelijk onderzoek door de jury; 1 have done it by way of trial = bij wijze van proef; The case i« on trial = de zaak is in onderzoek; lie was brought to (put lt;o) his trial = hij werd in verhoor genomen, vervolgd: The steamer gave much satisfaction in her trials = op den proeftocht. Triad, traidd, verzameling v. drie; triade. Triangle, traiang'l, traiangU driehoek, triangel; âd = met drie hoeken = Triangular, trai-â¢angjuld, driehoekig: Triangular-compasses = passer met drie beenen (voor het teekenen van kaarten); Triangulate, traiangjuleit, in driehoeken verdeden, tot driehoeken maken; Triangulution = triangulatie, het brengen v. een stuk land tot driehoeken. Triarchee, traiüki, gevormd van drie bogen (herald.). Tribe, trail, stam, klasse, geslacht, familie, aantal personen (gew. in verachtelijken zin); Tribal,irai^7,v. een stam: The tribal rules which regulate savage life. Tribometer, tribomdtd, wrijvingsmeter. Tribrach, tribrok, voet v. drie korte syllaben. Tribulation, tribjuleiè'n, groot verdriet, zware beproeving. Tribunal, traibjün'l, rechtbank, gerechtshof, rechterstoel: Tribune, irüytm, tribuun, tribune, verhevenheid; Tribuneship. Tributary, tribj uteri, subst. en adj. schatplichtig^ staat), zijrivier; Tribute, tribjut, schatting, cijns, schatplichtigheid; Tribute-money = «ijns, schatting. Tricapsular, traikapsiute ,meidrie zaadhuisjes. Trice, Trise, trais, ophijschen. Trice, trais, oogenblikje: In a â = in een wip. Tricentenary, traisentendri; Z. Tercentenary. Triceps, trctisnps, driehoofdig. Trichiasis, trikaiosis, nierziekte. Trichina, trikaiiid, trichine; Trichinosis, Irlkinotisis, trichinenziekte. Trichoeenous, trikodzones, haargroei bevorderend; Trichologist, ïr/A-ofedrisf, haarkundige. Trichord, traiköd, subst. en adj. driesnarig (instrument). |
Trick,/riA', subst. streek, kunstgreep, handigheid, poets, grap, trek, slag, âvoltequot;, eigenaardigheid: 1 know a â worth two of that = ik weet iets veel beters; We have the odd â = wij hebben een slag (trek) meer; He played you a bad â = heeft u eene leelijke poets* gebakken; He has done the â = is dood, kapot; âs = aardige grappen, pretje; â verb, bedriegen, bedotten, versieren, blazoeneeren, opschikken: He âed me out of a considerable sum -- bedroog mij voor; 1 am tired of those 'J ra mat ic âchanges = ik heb genoeg var die dramatische verrassingen; âer = bedrieger; âery = bedriegerij, bedotterij; âish = vol streken, bedriegelijk; âishness; âster = bedrieger, schurk; âsy = schalksch, snaaksch, fijn; ây = vol streken, ondeugend, snaaksch; âiness. Trickle, trik'l, subst. stroompje; â verb, zachtkens vloeien, in droppels neerdalen: The blood âd down my fingers = het bloed liep tappelings langs mijne vingers. Triclinium, traiklinism, stel lage divans om drie zijden eener eettafel, elk stel voor drie personen; Rom. feestzaal. Tricolour, traikvld, driekleurig(e vlag); âed. Tricycle, traisik'l, subst. driewieler; â verb, op 'een driewieler rijden; Tricyclist = rijder op een driewieler. Tridactyl(ousgt;, traidaktil{ds), m. drie teenen of vingers. Tride, traid, kort, vlug, van zessen klaar (van paarden). Trident, traid'nt, drietand, scepter, macht; -al, traidenfl, m. een drietand (of scepter); âate(d), traidenteit(id), met drie tanden. Tridentine, traidentain, subst. en adj. (die de besluiten aanneemt) van het concilie v. Trent. Tridimensional, traidimensariI, met drie afmetingen. Tried, traid, beproefd: A â friend = trouw; Trier, traid, rechter, examinator, proef. Triennial, traienwl, driejarig, driejaarlijksch. Trilid, traifid, in drieën gespleten. Trifle, traifl, subst. kleinigheid, beuzeling, schoteltje v. een gebak in sherry gedrenkt en met room en geslagen eieren bedekt: I don't stand upon âs = ik geef niet om die kleinigheden; â verb beuzelen, dartelen, speelsch zijn: Don't - with me = houd me niet voor den gek, spot niet met mij; Vou are trilling away your lime and money = ge vermorst tijd en'geld; âr = beuzelaar; Trilling = beuzelachtig, onbeteekenend, gering: Trilling expenses = niet noemenswaardige uitgaven; Trillingness = beuzelachtigheid. Trifoliate(d), traifouljeit(id), driebladig; Tri-foliolale, traifoiiljdlit, met drie blaadjes; Tri folium, traifoulfm, klaver. Trifurcate(dgt;, traifvkeit(id), met drie takken of vorken. Trig, trig, subst. remketting; adj. netjes, keurig; â verb, remmen, vastzetten; âger = trekker (v. een vuurwapen); âger-guard = beugel (onder den trekker); âness = netheid. Trigon, traig'n, een der vier deelen van den Dierenriem, het samenkomen v. drie teekens; âal = driepuntig, driehoekig; Trigonome-tric(al), trigdridmetrik^l), tot de driehoeksmeting behoorende. Trigonometry, triganomatri, driehoeksmeting. Trigonon, tngourin, oude driehoekige lier. |
man; ask = ask; farm = fiim; but = bwt; learn = l«n; line = lain; luwse = haus; net; «nre = kè^; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law â 16; lord = löd; hoy = bói;
TRIGRAMMATIC.
513
TRIUMPH.
|
Trigrammatic, traigrdmatik, van drie letters â Trigrammic. Trigrapli, traigrdf, drie klinkers met één klank, b.v. eau in beau. Trihedral, traihtdr'l, met drie gelijke zijden; Trihedron = gelijkzijdige driehoek. Trike, traik, verb, van Tricycle: These Rirls are adepts at triking = deze meisjes rijden goed op driewielers. Verg. Bike. Trilateral, trailatdr'l, driezijdig. Triletto, triletou, korte triller (muz.). Trilinear, trailinjd, met drie lijnen. Trilingual, trailingw'l, in drie talen. Triliteral, trailitdr'l, (woord) v. drie letters. Trill, subst. trilling, getrilde letter vzooals de r), tremblant (muz.); â verb, trillen, schudden, fluiten, draaien; âando = met trillers (muz.); âo = triller (muz.). Trillion, trilfn. trillioen. Triloenlar, trailokjuld, met drie cellen. Trilogy, trilddzi, trilogie (vooral van tooneel-stukkên). Trim, trim, subst. kleeding, opschik, toestand (vooral ook v. een schip, waardoor het voor het zeilen geschikt is), staat, orde : We are In good â = wij zijn in goeden staat, op ajles voorbereid: She was dressed in regulation â = gekleed overeenkomstig de voorschriften (op bals, etc.); adj. netjes, keurig, proper: â verb, in orde brengen, netjes maken, versieren, uitrusten, snoeien, geschikt maken, in goeden staat brengen (van een schip met betrekking tot lading, ballast, masten, enz.): Will you â the lire? = vuur aanstoken of oppoken en den haard aanvegen, etc.; He â med the lani|» = maakte de lamp schoon, enz., draaide ze op; He âmed his candle = snoot; I have âmed this piece in here = ik heb dit stuk hier ingevoegd; The sails were âmed = zoo gunstig mogelijk (naar den wind) gezet; âiner = optooier, slimmerd, middenman, politieke weerhaan; â ining = het in orde brengen, onstandvastigheid, weifelmoedigheid, oplegsel, of bezetsel (v. japonnen), pak ransel; âmings = wat bij een schotel hoort, bij-spijzen ; âness. Trimeter, trimdtd, drievoetige versregel. Trimorphic, traimöfik, met drie vormen. Tri nervate, trainnvit, met drie nerven. Tringle, tring'l, gordijnroede, kleine kroonlijst. Trinitarian, «rinifc^'n, subst. en adj. (belijder) v. de drieéénheidsleer; âism = het leerstuk der drieéénheid; Trinity = drieéénheid: Tri-nity-hoiiHe = instelling bij welke het bestuur der* vuurtorens en boeien aan kusten en in rivieren berust: Trinity-Sunday = Zondag na Pinkster; Trinity-t'erm = 'een der vier afdeelingen v. h. jaar (22 Meiâ42 Juni) voor rechters, enz. Trinket, trinjat, kleinood, kleinigheid, lijfsieraad in 't algemeen. Trinomial, trainoumfl, subst. en adj. drie-namigfe term) = Trinominal, trainomiril. Trio, traiou, trtou, trio. Triolet, traiolet, triolet (gedicht v. acht regels met twee rijmen, zoo dat de 4e regel dezelfde is als de le en de 7e, en de tweede dezelfde als de 8e). Trior, imfo, onderzoeker of eene wraking van juryleden juist is. bone = boun; full; fool = fill; a = toonloo: long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; ten bruggencate, Eng. Woordenboek. |
Trip, trip, subst. trippelpas, getrippel, uitstapje, plotselinge en onverwachte slag of greep (bij het worstelen), struikeling, misstap, val, kleine fout (Zie Atrip): They went on their wedding-trip = huwlijksreisje; â verb, trippelen, vlug loopen, huppelen, een uitstapje doen, struikelen, een mispas doen, dwalen, op eene fout betrappen, doen vallen (door beentje te lichten): 1 âped him up = ik heb hemden voet gelicht; They âped up one another's heels = zij volgden elkaar onmiddellijk, zaten elkaar achterna; I was âped up by that branch = ik viel over dien tak; âhammer = smeedhamer; âper = trippelaar, danser, pleizierreiziger : Cheap -pers = lui die op een goedkoopje uit zijn; âping = het struikelen; âpje = korte galop: He put the tired nag into a wort ol' âpie or ambling canter much aflected by Kouth-African horses. Triparted, traipütid, in drie stukken verdeeld; Tripartient, traipüèdnt, in drie deelen ver-deelend; Tripartite, in drie deelen verdeeld; Tripartition, trn.\pntis,n. verdeeling in drieën. Tripe, traip, pens, ingewanden, buik. Tripetalous, traipetdlds. driebladig. Triphthong, tripthen,, drieklank; âal, trip-thong11, met drie klinkers of klanken. Triple, trip'l, adj. drievoudig, driemaal; â verb, verdrievoudigen; âcrown = pauselijke kroon: âcrowned = met drie kronen gekroond; âheaded = driehoofdig: âtime = trippelmaat; ât, subst. drie (in één), één der drielingen, drieling, drieregelig versje; adj. drievoudig: Triplex = compositie in drie gedeelten; Triplicate,?rip//A:*7. verdrievoudigd, drievoudig; Triplication = verdrievoudiging (Zie Surrejoinder); Triplicity, triplisiti, drievoudigheid. Tripod, traipod, drievoet(ige stoel, tafel of ketel). Tripoli, tripoli, Tripoli. Tripos, traipos, gedrukte lijst(met drie graden) v. de gepromoveerden, promotie (Cambridge). Tripsin, tripsis. fijnwrijving. Triptych, triptik, boek in drie gedeelten; schilderij, etc. op paneel met twee bladen aan weerszijden, waardoor ze van voren kan worden gesloten. Tripudiate, tripjiidieit, dansen. Triquetrous, trikwitras, driehoekig, driezijdig. Triradiate(d), traireidieit(id), met drie stralen. Trireme, trairim, galei met drie roeibanken aan elke zijde. Trise, trais, snel ophijschen. Trisect, traisdkt, in drie gelijke deelen ver-deelen; âion, traisekè'n, verdeeling in drie gelijke deelen. Trispermous, traispvmds, driezadig. TriHyllabic(al), trn\silabik( l).drielettergrepig; Trisyllable, traisildbquot;l, drielettergrepig woord. Trite,* trait, afgezaagd, alledaagsch; âness. Tritheism, traithnzm, driegodenleer. Triton, traiVn, zeegod, hagedis: He is a â among the minnows = hij steekt verre boven zijns gelijken uit. Triturate, tritjureit, tot fijn poeder malen of stampen; Trituration. Triumph, traiomf, subst. praal, overwinning, triomft(tocht), zege, zegeviering, troef kaart; â ! vokaal (zie asleep en care)] girl; year = jia; hin; thxxs = dhus; wine. 33 |
TRIUMPHAL.
514
TROW.
|
verb, zegepralen, zegevieren: lie has âed over all dlfTiruKies = hij heeft alle moeilijkheden glansrijk overwonnen; âal, trainrnfl, zegevierend; âal-arch = eereboog; âant, trainmfnt, zegevierend, zegepralend; âer = overwinnaar, gevierde held. Triumvir, trainmvv, drieman; âate, traivm-virit, driemanschap. Triune, traijün, drieëenig. Tri valvular, traivalvjute, driekleppig. Trivet, trivat. treeft, drievoet: I am (as) right a» a â = ik ben zoo gezond als een visch. Trivial, trivj'l, onbeduidend, plat, gering; â name = populaire naam voor dier of plant: âity, trivjalili, alledaagschheid, onbeduidend iets; âness. Trivium, trivfm, naam voor de drie voornaamste der liberal arts, nl.: grammatica, rhetorica en logica. Trixy, triksi, fam. voor Beatrice. Troa't, trout, subst. het schreeuwen van een hert in den bronstijd; â verb, schreeuwen (van een hert). Trochaic, tronkciik, uit trocheeën bestaande; Trochee, trouki, tweevoeter (oordeel). Troche, tro(u)të, artsenijkoekje. Trocliil(usgt;, trokilds, Egyptische pluvier. Trocliing, troukin, een der kleine takken van een hertenhoorn. Trochus, trokos, soort van schelpdieren. Trod, trod, imperf. van to tread-, Trod (den). trodl'n), p. perf. van to tread. Troglodyte, troglddait, holbewoner; â s, trou-gloditiz, genus vogels, waartoe het winterkoninkje behoort; Troglodytic(al),ïrof/tedi£iA-('/). van de holbewoners; Troglodytism, troglo-ddXtizm = het leven in holen. Trojan, troudz'n, subst. en adj. Trojaan(sch), moedig persoon. Troll, troul, subst. lied (kanon), rondzang, rolletje, rolwagentje, groot vischnet, reus oiquot; reuzin (met bovenaardsche macht), heks, toovenares, berg- of boschgeest; â verb, achtereenvolgens zingen, den naam of roem verspreiden van, hengelen, voorttrekken, aan een rondgang meedoen. Troll(e)y, troli, soort van rolwagentje. Trollop(egt;, trolsp, slons, zedelooze vrouw; ây = slonzig, vuil, zedeloos. Trombone, tromboun, schuiftrompet. Tromometer, tramomdtd, meter van aard-trillingen. Tromp, tromp, blaaspijp. Trone, troun, klein afvoerkanaal. Troop, trap, subst. troep, hoop, menigte, es-cadron, ritmeestersplaats, troep soldaten (gew. meerv. âs = krijgsmacht, troepen): He 8old out, and the sale of his â gave us a competence = hij kocht zich uit, en de opbrengst van zijne ritmeestersplaats verschafte ons genoeg om van te leven; A â horse = cava-leriepaard; â verb, in een troep loopen, tot troepen of in eene menigte vereenigen; âship = transportschip (voor troepen); âer â = cavalerist, transportschip: He swears like a âer = hij vloekt als een dragonder. Trope, troup, redetiguur, fig. uitdrukking; Tropology, trapolddzi, rhetorische en figuurlijke wijze* van spreken. Trophy, trofi, zegeteeken, tropee, eerbewijs. |
Tropic, tropifc, subst.keerkring: â of Cancer = kreeftskeerkring; â of Capricorn = steenbokskeerkring; âs = verzengde luchtstreek; âal = tot de tropen behoorende, binnen de keerkringen gelegen, figuurlijk, overdrachtelijk. Trosachs, trousdks. Trot, trot, subst. draf, dribbeltje of hummeltje: Little âs of four or live years old = kleine hummels van 4 of 5; AJog â = sukkeldrafje; He brought his horsê to a â = hij bracht zijn paard in draf; He was driving on at full â = in vollen draf: â verb, draven, hard loopen: He âted out his horse = hij liet zijn paard voortdraven; We'll have to â you out = wij zullen u moeten examineeren, u zal op de koord moeten; âter = draver, (schape)poot; âting = dravend; -ting-horse = harddraver. Troth, troth, trouw, geloof, waarheid, trouwbelofte: In â = voorwaar, waarachtig; By my â = op mijn woord; They plighted their â = beloofden elkaar trouw. Trottoir, trotwö, plaveisel. Troubadour, trübddxxd, troubadour, minnezanger. Trouble, troVl, subst. onrust, zielsstoornis, droefheid, verlegenheid, ongeluk, moeite, inspanning: There's no good in meeting â = geen zorg vóór den tijd; 1 fear 1 have put you to some â = ik vrees dat ik u last heb veroorzaakt; Will you take the â ? = wilt ge de moeite doen, u den last getroosten; My boy, you'll get into â = jongen^ je loopt er' in, je zult nog straf krijgen; lou might have saved me that â = gij hadt me dien last kunnen besparen; I will spare no â = ik wil geene moeite ontzien; â verb, verontrusten, storen, lastig vallen, hinderen, verdriet doen, moeite veroorzaken, angst aanjagen: May 1 â you for the gravy? = mag ik u 'eens om de jus verzoeken; Don't â about this = heb daar geene zwarigheid over; 1 will â myself no more about him = ik zal me niet meer druk om hem maken; There the wicked cease from troubling = daar houden de boozen op van beroering (Job III, 17); The âd ocean = onstuimige; âr = verontruster, verstoorder; âsome = lastig, moeilijk, vervelend; A troublous life = leven vol zorgen. Trough, trof, trog, bak, etensbak, schenkblad: â of the sea = golfdal, laagte tusschen golven. Trounce, trauns, afrossen; Trouncing = afstraffing. Troupe, trüp, troep tooneelspelers. Trousers, Trowsers, trauzsz, broek: A pair of â = eene broek; Trousered = met eene broek aan; Trousering = broekstof (dikwijls meerv.). Trousseau, trüsou, uitzet van de bruid. Trout, traut, forel(len): âcoloured = forel-kleurig (wit met zwarte spikkels); âstream = forellenbeek: âlet = kleine forel. Trouvere, truvêd, minnezanger. Trove, trouv; Zie Treasure; âr = bezit-verkrijging door vinden, proces wegens gevonden doch niet op aanvraag ingeleverde goederen. Trow, tran, gelooven, vertrouwen, denken. |
man; ask = Ask; farm = fam; bt«t = bwt; learn = lön; line = lain; house =. hans; net: care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; latu = ld; lord = löd; hoy = bói;
TROWBRIDGE.
515
TRUST.
|
Trowbridge, traubridz. Trowl, troul (andere vorm van Troll), liedje. Trowel, traudl, subst. troffel: You are laying it on with a â = gij legt het er dik op, vleit verschrikkelijk; â verb, met een troffel opleggen. Troy, tróU Troje, Troyes (stad Z.O. van Parijs); â(â¢weight) = gewicht van 12 ounces in het pound, alléén voor goud, zilver en juweelen (voor andere dingen gebruikt men Avoirdupois). Truancy, triidnsi, het heimelijk uit school blijven; Truant, tritent, subst. leeglooper, kind dat heimelijk de school verzuimt: lie often plays (the) truant = hij blijft dikwijls stil uit school; â verb, zich verwijderen, stil wegblijven; Triinnt-Hciiuol = school voor geregelde verzuimers. Truee, tnïs, wapenstilstand, tijdelijke opschorting: Flag of â = witte (parlementaire) vlag: A â to your doggerel = schei uit (weg met) je prulpoezie; You have broken (the) â = gij hebt den wapenstilstand verbroken; â breaker = verbreker van contract of wapenstilstand. Truck, trok, subst. ruilhandel, handelsartikelen, handel, verkeer, houten wiel, handwagen, lage stellage op wielen, open goederenwagen, kleine ronde schijf of kloot boven aan vlaggestok of mast; â verb, ruilhandel drijven; âman = ruilhandelaar, wagenrijder, voerman; âsystem = gedwongen winkelnering; âage, trnkidz, ruilhandel, vervoerloon; â ful = wagenvol. Truckle, trnk'l, subst. wieltje, rolletje, laag bed op rolletjes = âbed: â verb, zich aan den wil van anderen onderwerpen, slaafsch zijn, kruipen, voortrollen: lie âs to circumstances = hij onderwerpt zich aan de omstandigheden; People crawl and â for social success = de menschen kruipen en zijn gedwee om maatschappelijk te slagen; âr = die zich gedwee aan iemands wil onderwerpt. Triicufence, trokjuVns, woestheid van doen, forschheid, wreedheid, woestheid van blik; Truculent = forsch. Trudge, tnodz, te voet met moeite reizen, tobben: lie âd after hls father = hij sukkelde achter zijn vader aan. Truc, trü, waar, trouw, standvastig, eerlijk, echt, zeker, natuurlijk, oprecht: What you say there is â enough = is volkomen waar; He was â to his country and loyal to his king = trouw aan koning en vaderland: He gave us a â account of it = een nauwkeurig verhaal; âbill = acte van beschuldiging met rechtsingang door de grand jury na getuigenverhoor; âblue, subst. trouw, oprecht en eerlijk persoon, echte whig; adj. onwrikbaar trouw en eerlijk; âhorn = echt, van wettige geboorte; âbred = van echt ras, van goede opvoeding; âhearted = trouwhartig, eerlijk; âlove, subst. minnaar, geliefde; adj. oprecht, liefhebbend; âlove(r,s-)knot = soort van dubbele knoop (zinnebeeld van wederzijdsche trouw en liefde); âness = trouw, oprechtheid; âpenny = eerlijke kerel; Truism = waarheid als eene koe; Truly. Truffle, tmfL truffel; âilog = truffelzoeker (hond). bone = boun; full; fool = fül; a = toonloo long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; |
Trug, trog, kalkbak. Trullization, trvlizeié'n, het pleisteren. Trump, tromp, subst. troefkaart, trompet, goede kerel, kranige vent: You always turn up âs = gij boft altijd, u loopt alles mee; He was put to his âs = hij was tot het laatste uiterste gebracht; â verb, troeven, troef (uit)spelen, verdichten: 1 âed her conversation = sloeg mee op, deed mee; An accusation was â ed up against us = er werd eene beschuldiging tegen ons verzonnen; âery, subst. vodden, prulleboel, bedriegerij; adj. waardeloos. Trumpet, trnmpdt* subst. trompet, scheepsroeper, loftuiter: The last â = de bazuin van den oordeelsdag; A flourish of âs = fanfare; He blows (sounds) his own â = hij verkondigt zijn eigen lof; â verb, met veel ophef bekend maken, uitbazuinen, uitbundig prijzen, trompetten (vooral ook van het geschreeuw van den olifant): He âed forth his friemrs praise = hij slak de loftrompet van zijn vriend; âcall = trompetsignaal; âlish = trompetvisch; âfly = schapenhorzel; âer = trompetter, loftuiter, schette-raar, soort v. Z. Amer. kraanvogel, varieteit van de gewone duif. Truncal, tmrik l, tot den stam of romp be-hoorende; Truncate, trm\keit, adj. afgeknot; â verb. (fro^Aeii) afknotten, snoeien, afronden: Truncated cone (pyramid) = afgeknotte kegel (piramide): Truncation, trüi\keiamp;n, afknotting, het afgeknot zijn. Truncheon, tronamp;n, subst. knuppel, knots, staf (van macht); â verb, met een knuppel afrossen. Trundle, trond'l, subst. rond voorwerp, wieltje, wagentje op lage wielen, rolwagen; â verb, rollen, doen rollen, hoepelen; âbed = rolbed; âhead = kop van een kaapstander; âtail = krulstaart. Trunk, trm\k, romp. stam, snuit (van olifant, etc.), koffer (Am.; Engelsch: box), bak (om graan, puin, etc. te vervoeren); --hose = korte wijde broek boven de knieën ingenomen = âs; âline = hoofdlijn van spoor, kanaal, etc.; âmaker = koffermaker. Trunnel, trvril, verbastering van Treenail. Trunnion, tmnj'n, tap (van een kanon). Truss, trvs, subst. bundel, pakje, bosje, stellage of geraamte, breukband; â verb, stijf binden, krachtig vasthouden, meevoeren, aantrekken van kleeren), opknoopen, opmaken (van een vogel voor den maaltijd): He âed up his hair = hij bond zijn haar op; He âed on his rags = hij hing zijne lompen om; A âed fowl = opgemaakte vogel (gereed om te worden gebraden); âed = door sterke touwen, latten, enz. gesteund. Trust, trvst, subst. vertrouwen, geloof, toevertrouwd iets, crediet (zonder onderzoek en op vertrouwen gegrond), zorg, vereeniging van personen ten einde het monopolie te verkrijgen of te behouden: A distillers' â = vereeniging van distellateurs; You are in my â = gij zijt mij toevertrouwd, onder mijne hoede; Bonds in â = effecten, etc. in bewaring; 1 took it on â = op goed geloof, op crediet; Don't put your â in such people = stel geen vertrouwen op zulke lui; The watch vokaal (zie asleep en care)', girl; year = jio; lin; i/ius = dhvs; wine. |
33*
TRUSTEE.
516
TULA.
|
was committed to my â = werd mij ter bewaring toevertrouwd; adj. toevertrouwd; â verb, vertrouwen, gelooven, toevertrouwen, op crediet verkoopen, lichtgeloovig zijn, zich verlaten op: 1 will â you with this = ik zal u dit toevertrouwen, opdragen; 1 shall not give in, â me for that == ik geef niet toe, daar kunt ge op aan; â him to do it = hij âlapt het hemquot; wel; It was âedtomyrare = aan mijne zorg toevertrouwd; âee, trvsti, beheerder (van goederen of vermogen); âee-ship; âer = geloover, borger, credietgever: âful = vertrouwend, trouw, vertrouwens-waardig = âworthy; ây = trouw, getrouw, krachtig, beproefd; âingly = met onvoorwaardelijk vertrouwen; âless = trouweloos, onbetrouwbaar. Truth, truth, waarheid, oprechtheid, getrouwheid, standvastigheid, de ware godsdienst: Why don't you speak the â ? = waarom zegt gij de waarheid niet; in â = in waarheid, waarachtig, inderdaad; Of a â = waarlijk; He did â = hij volgde Gods bevelen op; âteller = waarheidlievend persoon; âful = waarheidlievend. Truttareous, trdteiëds, van de forel. Try, trai, subst. proef, poging; â verb, beproeven, onderzoeken, op de proef stellen, verhooren (rechtbank), aanwenden, verleiden, ondervinden, zuiveren (van metalen): I have tried hard to do it = ik heb terdeeg mijn best gedaan; Surh work tries a man = zulk werk ver-eischt alle inspanning; That tries the eyes = vermoeit de oogen; We will â this quarrel hilt to hilt = dezen strijd met de degens uitmaken; 1 will â eoneliisions with him = ik wil het tegen hem opnemen; I tried on my new coat = ik paste mijne nieuwe jas; Don't try it on = probeer het maar niet (vulgair voor Don't â it); We will â the matter out = wij zetten door tot de zaak beslist is; He was tried and condemned = hij werd verhoord en veroordeeld; âsail = barkzeil (in stormen); âing, subst. bewijs; adj. beproevend, smartelijk, moeilijk: Such things are âing to a man = zulke dingen zijn hard voor een mensch; A âing climate = ongezond klimaat; â your-weigliter = weegmachine (die werkt, als een geldstukje in de gleuf, Slot, wordt geworpen). Trygon. traigan, genus van roggen. Tryst, ïrisï, afgesproken bijeenkomst; âiiig = bestemd ter bijeenkomst; âing-place = plaats van bijeenkomst. Tsar, tsri, Czaar. Tsetse, tsetsd, Zuid-Afr.groote vlieg, wiersteek gewoonlijk doodend is voor os, paard en hond. T square, tiskivèd, teekenhaak = T- Tub, tvb, subst. tobbe, klein vat, badtobbe: Tale of a â = bakersprookje: â verb, in eene tobbe doen, baden, een voetbad'nemen; âflsh = groote knorhaan; âman = advocaat met bijzondere voorrechten; â ber = soort v. houweel; âby = tobvormig, dik, klankloos. Tuba, tjübd. tuba (muziekinstr. met lagen toon). Tube, ijüb, subst. buis, pijp, ader; - verb, van pijpen of buizen voorzien; âform = buisvormig. |
Tuber, tjübd, vleezig gezwel aan ondergrond-schen stam, knol, soort v. onderaardsche gewassen, zooals de truffel; âcle, tjübdk'l, klein gezwel, puist, wrat, knobbeltje, tuberkel; âcled = met âcles; âcular, tjubnkjula, vol knobbels of tuberkels, lijdende aan tuberculose; âculose, tjubvkjuloiis, lijdende aan tuberculose, vol tuberkels = âculous; âculosis = tuberculose; âose, tjiibdrous, subst. tuberoos (plant); adj. met knobbels of uitwassen = -ons; âosity, tjübdrositi, knobbeligheid, gezwel, zwelling. Tubing, tjübir\, reeks van (materiaal voor) buizen. Tubular, tjübjute, buis-, koker- of cilindervormig = Tiihulate(dgt;, tjübjul(e)it(id) = Tiibiilous, tjiibjuld»; âboiler = stoomketel met door vuur omringde pijpen; âbridge = kokerbrug (met een weg, etc. door den koker); Tubule, tjübjül, pijpje, buisje; Tubulif'orm = in den vorm van een buisje. Tnck, tvk, subst. haal. trek, plooi, net (om gehengelde visch aan land te krijgen), trommelslag, rapier: â of drum = slag op trom; It was nip and â with us = het kwam er op aan, was een strijd op leven en dood; â verb, opschorten, insteken, instoppen, vollen (van laken): I have âed them in warmly = ik heb ze er warmpjes ingestopt; The handkerchief about his neck was âed in at the bosom = was (nl. de punten er van) in zijn borst gestopt; He âed up his sleeves = hij stroopte zijne mouwen op; They âed him up as bewt they could = pakt'en hem zoo goed mogelijk in;'You look âed up = vermagerd, verhongerd; âer = kanten halskraag of chemisette; âet = fanfare, trompetgeschal; â(ing)-niill = volmolen; ânet = netje, om gehengelde visch aan land te halen; âshop = snoepwinkeltje. Tuciim, tjük'm, Z.-Amer. palmboom. Tudor, tjrïdd, subst. en adj. (van) Tudor; â Htyle = Gothisch-engelsche bouwstijl. Tuêfall, tjüfól, afdak, schuur. Tuesday, tjüzcli, Dinsdag, Tufa, tjüfd, kalksteen; âceous, tjufeiéds, gelijkend op, bestaande uit â. Tuff, tuf, tufsteen. Tuft, tvft, subst. bosje (haar), trosje, hoop, groep, kwast (aan muts, etc.), jonge edelman aan de hoogeschool; â verb, in bosjes of hoopjes verdeelen, met kwastjes of trosjes versieren: âhunter = nalooper van de grooten; âhunting â het naloopen van de grooten; âcd = met kwastje of trosje versierd, met smallen kinbaard, in trosjes groeiend. Tiig, tvg, subst. krachtige haal, sleepboot, rommelwagen of rammelkast: The real â of war will come on the electoral question = de ware strijd zal ontstaan bij de kieswetkwestie; A â of war was going on between thoHe workmen = een vinnige (woordenstrijd werd gevoerd; â verb, krachtig trekken of halen, rukken, sleepen: He was âged like a dog by fate = door het lot als een hond heen en weer gegooid; We wereâging against wind and tide = wij roeiden tegen wind en stroom; âger = harde rukker of trekker, zwoeger. Tuition, tjuië'n, onderwijs, opzicht. Tula, tiib, stad in Rusland, kookplaats |
man; ask = ask; farm = fam; but = bwt; learn = lèn; line = lain; house = haus; net; care = kca; fate = feit; tin; asleep = »slip; not; law = 16: lord = löd; hoy = bói;
TURKEY-COCK.
TULA-METAL.
517
|
(Indië); âmetal = allooi van goud, zilver en lood. Tulclian, tnWn, opgezette kalfshuid. Tulip, tjülip, tulp; âoiiiauia, tjulipdmeinjd, tulpenmanie (17e eeuw); Tulipomaniac. Tulle, tul, dun opengewerkt zijden net. Tuinbie, tnmVl, subst. val, buiteling; â verb, rollen, vallen, buitelen, neervallen, neergooien, opgooien, onderstboven gooien, tuimelen, bewegingen en verdraaiingen met het lichaam maken: â up, will you? = allo uit jebedi; âdown = vervallen: It would be good to improve tliOHe âdown lever-den» off tlie lace of the eartfn = het zou goed zijn die vervallen koortsholen van den aardbodem te doen verdwijnen; âr = buitelaar, kunstenmaker, bierglas, de inhoud ervan, tuimelaar (eene soort v. duifj; â rlul = groot glas vol; Tumbling = kunsten van kermisgangers. Tumbrel, Tumbril, tnmbr'l, mestkar, stort-kar, zondaarskar, ammunitiekar (voor mineurs en sappeurs). Tumetaction, tjnmifakamp;n, zwelling, gezwel, puist = Tume»f'eiit*e. Tumid, tjümid, gezwollen, uitgezet, bombastisch; âity, tjumidili, gezwollenheid, hoogdravendheid = âne»H; Tumour, tjüma, gezwel, zweer, puist. Tump, tvmp, subst. heuveltje; â verb, aanaarden, eene hoogte vormen om eene plant, een gedood dier naar huis sleepen (Amer.). Tumtum, tnmVni, W.-Ind. pisangschotel; maag (scherts.). Tumulous, tjümjulos, berg-of heuvelachtig = TumiiloHe, tjünijulous. Tumult, tjfonolt, opschudding, beroering, opwinding, verwarring, oploop; âuary, tjumnl-tjiori, verward, opgewonden, oproerig, onstuimig; âuarinesH; ânation, tjümvlljueiamp;n. ontsteltenis, beroering; âiiouh, tjumwlijuds, oproerig, onstuimig; â uoiiHiieHS. Tiimnlii», tjümjuldSi grafheuvel. Tun, ton, vat, ton (als wijnmaat: 252gallons), gistvat eener brouwerij; verb, in 't vat doen; â â¢bellied = met ronden, dikken buik. Tunable, tjündb'l, welluidend, opgewekt, vroolijk. Tun bridge, tvnbridz, stad in Kent; âware = kabinetswerk met opgelegde stukken van verschillend gekleurd hout. Tune, tjün, subst. klank, toon, wijsje, melodie, het juiste inzetten bij zingen of spelen, harmonie, eendracht, gemoedsgesteldheid, stemming: Til make you sing another â = ik zal je wel anders leeren,- My piano iw out of â = ontstemd; lie wa» rather out ofâ to-day = hij was vandaag niet erg gestemd; That coHt» to the â ofüfty pounds = dat zal zoowat vijftig p. kosten: â verb, stemmen, melodieus en harmonisch zingen, een wijsje neuriën; âable. Tunable = welluidend, opgewekt; âtul = muzikaal, welluidend; stil, zonder stem of klank; âles» = klankloos, stil, onwelluidend; â r = stemmer; Tuning = het stemmen: Tuning-lork = stemvork; Timing-lianimer, Tuning-key = stemhamer, stemsleutel. |
Tun^8ten, tm\sVn, zeldzaam grauwwit metaal. Tunic, tjünik, tunica, kiel, militaire rok, vlies; âIe = kleine tunica, vliesje, nauwsluitend kleed door Roomsche bisschoppen gedragen. Tunker», tür^kdz, sekte van Duitsche baptisten. Tunnage, tvniüz, tonnemaat. Zie Tonnage. Tunnel, tvrtl, subst. vat, trechter, pijp, schoorsteenpijp, tunnel, patrijsnet (= ânet = met wijde opening, maar zich steeds vernauwende); â verb, (als) een tunnel maken, in een patrijs-net vangen; âshaft, â-pit = toegang tot het midden van een tunnel van uit den bovengrond. Tunny, tvni, tonijn (soort v. makreel). Tup, 'tvp, subst. ram; â verb, stooten als een ram, bespringen. Tupaia, tjupaio, kleine insectenetende zoogdieren in Z. Azië (gelijkende op eekhorentjes). Turanian, tjureinfn. Turban, tvb'n, tulband; âed = met een â. Turbary, tvhorl, plaats waar zoden of plaggen worden gestoken, het recht ze te steken. Turbid, tvbid, troebel, modderig, drabbig, onrustig, verstoord; ânes». Turbinate(d), tvbin[e)it(id), ronddraaiend, spiraal-kegelvormig. Turbine, tub in, waterrad. Turbit, tvbit, varieteit van de huisduif. Turbot, tubdt, tarbot. Tiirbnleiice, Turbuleiiey, tvbjuVnsd), onstuimigheid, beroering, oproerigheid; Turbulent = onstuimig, wanordelijk, onrustig, uitbundig, rumoerig. Tureism, t-ókizm, gewoonte, enz. der Turken: Tureopliil(e), ttiki)f(a)il. Turkenvriend; Tur-cophïlism = meeningen van zoo iemand. Ture.o, tükou, Arabische scherpschutter (Fran-sche leger). Tiirconiania, tvkdmeinja, Turkomanië. Turd, tud, mest, uitwerpselen. Tureen, tjurtn, soepterrine. Turf, tuf, subst. zode, plag, turf, renbaan: He i» on the â = hij leeft van (doet aan) hardrijderijen en wedden op renpaarden: 1 have broken with the â and sold my stud off = ik doe niet meer aan hardrijderijen en heb mijne verzameling renpaarden verkocht: â verb, met zoden of plaggen bedekken; âclad = met zoden bedekt; âhedge = scheiding door eene bank van zoden; âhouse = stulp van plaggen; âmoss = veenland: âman = iemand die aan wedrennen doet of ervan houdt = âite, tvfail', âspade = spade om zoden te steken; âing = het bedekken met zoden; âing-iron, ing-spade = spade voor zoden; âless = zonder zoden; ây = vol zoden, tot wedrennen of de renbaan fiehoorende. Turgent, tudfnt, gezwollen, opgeblazen; Tur-gesrenee, Tnrgeseency, tudzes'ns^i), opgezwollenheid, opgeblazenheid; Turgescent = opgeblazen wordende; Turgid,gezwollen, opgeblazen, hoogdravend; Turgidness, Turgidity, tndzidili. Turin, tjürin, Turijn. Turk, tok, Turk, .Mohammedaan, onbeschaamde en gevoellooze kerel, lastige en alles bedervende jongen: He has turned â = hij is er niet op verbeterd; âish, subst. en adj. Turksch(e taal); âish-bath = heet bad (van 110° tot 165°); âish delight = soort v. lekkers; âophile, tvkdfuil. Turkenvriend. Turkey, tüki, Turkije, kalkoen^ âbird (Zie Wry-neck); âcarpet = Turksch vloerkleed, Smyrnasch tapijt; âcock = kalkoensche haan; |
bone = boun; full; fool = fill; » = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; «/ear = jia; lonflf = loi^; ship = sip: occasion = okeii'n; thin; thus = dhvs; wine.
TURKEY-HEN.
518
TURN.
|
âhen = kalk. hen; âhead broom = ragebol. Turmoil, tömóil, kwellende arbeid, verwarring, ontsteltenis. Turmoil, tvmamp;il, in beroering zijn. Turn, tón, subst. draai, omwenteling, bocht, kromte, hoek, wandelingetje, verandering, wisselvalligheid, gelegenheid, aanleiding, doel, daad, voorval, dienst, mode, strekking, gedaante, aard, neiging, luim, stemming, poets, grap, beurt, karweitje, zenuwschok, woordstelling (in een zin), ophanging: One good â deserves another = de eene dienst is den anderen waard; That will hardly serve your â = dat zal je wel niet kunnen dienen: 1 am good tbr a â at any game = ik doé gaarne mee aan een spelletje; The tide was on the â = het getij begon te kenteren of te keeren; That soldier seems to have a â for desertion = neiging tot desertie te hebben; The â of a wager = de kans van eene weddenschap; His answers are mere âs of wit = zijn louter geestige wendingen; The meat was done to a â = perfect gebraden; â for â = leer om leer; We must fo there by âso there by âs = om beurten; You must o it in â = op uwe beurt; Kaeh in his â = ieder op zijne beurt; We must take âs = beurtelings elkanders plaats innemen: He does so at every â = bij elke gelegenheid; Things have taken a favourable â = de zaken hebben een gunstigen keer genomen; 1 At the â of the river, road = bij de bocht van de rivier, den weg; The news gave me such a â = het bericht heeft mij een ergen schok gegeven, mij erg doen schrikken; In the â of a hand = in een oogenblik; A |
â of work = klein karwei: â verb, wenden, 1 keeren, draaien, vormen, omkeeren, aanwenden, richten, strekken, overhalen, bekeeren, ver- i draaien, veranderen, paraphraseeren, vertalen, : overbrengen, overpeinzen, doen gisten, schiften, verzuren, walgen, terugkeeren, weerstaan (een vijand), weifelen: We were âed adrift = wij werden aan wind en golven ten prooi gegeven; He âed aside and wept = hij wendde zich af en schreide; 1 have âed hun away = weggezonden, ontslagen; The man âed bark = keerde zich om; The leaf was âed down (back) at the top = het blad was bovenaan omgeslagen; Everything was âed upside down = onderstboven gekeerd; I have âed it in = naar binnen gevouwen; He âed it in his mind = hij overlegde het bij zichzelf; â this into Dutch = vertaal dit in 't N.; He âed German ballads into English verse = bracht... over; The steam (gas) was âed off = de stoom (gas) werd afgesloten, afgedraaid; I have âed off an article = een artikel op 't papier gegooid; Will you â on the s;as? = wilt ge dé gaskraan openzetten? Miss Miggs âed on her tears = liet de tranen loopen (eig. zette het kraantje open); I will â my hand to that work = ik wil mij op dat werk toeleggen; He could â his hand to many things = hij kon van allerlei dingen maken; A merchant must â his money or goods = een koopman moet steeds zijn geld of zijne waren omzetten; â him out = zet hem de deur uit; We have âed out the cows = wij hebben de koeien in de weide gedaan; He did not â out much = het resultaat van zijn arbeid was gering; I have âed it inside out = ik heb het binnenste buiten gekeerd; He âed over more than fifty thousand pounds a year = hij zette per jaar meer dan f 600.000 om; We have âed over a new leaf = wij zijn met een nieuw blad, een heel ander leven begonnen; 1 have âed it over and over = van alle kanten bekeken; The money was âed over to the owner = werd overgemaakt aan den eigenaar; The boat was âed over = werd omgeworpen, sloeg om; 1 âed it over in my mind = ik overlegde het bij mijzelf; The enemies âed tail = de vijanden sloegen schandelijk op de vlucht = They âed the back; He âed the back on us = verliet ons, liet ons in den steek; He âed the back to us = wendde ons den rug toe; She âed colour = verschoot van kleur; We âed water (in)to ice = veranderden; The news has âed his head (brain) completely = heeft hem geheel in de war of van stuur gemaakt, zijn hoofd op hol gebracht; Will you â the key? = de deur open of dicht doen; That ine'asure âed the scale (balance) = deed de schaal omslaan, was beslissend voor ons succes; His brother âed soldier = werd soldaat; The medicine âs my stomach = ik walg van dat geneesmiddel; The tables were âed = de bordjes werden verhangen; I âed the tables upon him = ik deed de kans omslaan, sloeg of doodde hem met zijne eigen wapens; 1 âed his arguments upon himself = sloeg hem met eigen woorden; 1 hope something will â up in time = ik hoop dat er nog bijtijds wat gunstigs zal gebeuren: â up page (he seventh = slapag. 7 op; I âed upon him suddenly = plotseling viel ik hem aan; He has âed bis coat = is afvallig geworden, heeft zijne partij verlaten; She âed the heel of her soek = zij begon van de hiel aan den voet; He â ed iiilbriner on me = verklikte, verried mij; He âed his income to the best account = besteedde zoo goed mogelijk; He âed up his nose at it = trok er zijn neus voor op; I will try to â a penny = een duit te verdienen; He âed the corner on the spot = werd in eens beter; The railway-shares have âed the corncr and are increasing = hebben zich hersteld en gaan omhoog; She can â an epigram and point a satire = geestig iets zeggen en satiriek zijn; The wine âed sour = werd zuur; Heâed pale = werd bleek; My head (brain) âs = ik word duizelig; That has âed my head = mijn hoofd op hol gebracht; We nave âed the dogs loose = de honden losgelaten; â the points = verzet den wissel (spoorweg); He âed about = hij keerde zich om; â again = keer terug, keer om; Heâed away = wendde zich af; He âed away from the path of duty = verliet; You inust â in now = moet nu naar kooi, onder de dekens kruipen; He âed in with me = deelde mijn bed, mijne hut: The road âs in and out = de weg kronkelt gedurig; Everythingâs on your answer = alles hangt van uw ant- |
man; ask = Ask; farm = fïim; b?lt;t = bwt; learn = lön; line = lain; howse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \avj = 16; lord = löd; hoy = bèi;
TURN-BENCH.
519
TWIB1LL.
|
woor.1 af: The fate of the country âs on the king^ derision = hangt af van's konings beslissing; He is âed of fifty = is boven de vijftig; She whs only Just âed forty = de 40 gepasseerd; The leaves â in autumn = worden geel in den herfst; It âed out to be a most happy rircumstance = het bleek eene zeer gelukkige omstandigheid te zijn; The hook is well âed out = het boek is goed uitgevoerd, ziet er keurig uit; llis Hol lies had been âed out by the best tailor = zijne kleederen waren gemaakt door; Let us â over = van plaats veranderen; He â ed round = h j veranderde van houding, keerde zich om; She loved him for some time, and then âed round (to another) = zette toen haar zinnen op een ander: 1 must have time to â rouiri = tijd om te overleggen of overwegen; His eyes were âed to the stage = op het tooneelgericht; What shall I â to? = wat zal ik nu doen, waarop zal ik mij toeleggen; Everything has âed turtle = alles ligt overhoop; The ironclad âed turtle = het pantserschip sloeg om, verging; You must try to â this to profit, advantage, account = gij moet hiervan trachten te profiteeren; The conversation âed upon all kinds of topics = liep over allerlei ondenverpen; âbench = kleine draaibank; âcap = schoorsteengek; âcoat = afvallige; âcock = kraanomdraaier; âdown = omgevouwen, dubbelgeslagen; âkey = cipier; âout = werkstaking, grootê partij, prachtige equipage of mooi âspulletjequot;, opbrengst, wisselspoor: A well âed-out stranger = net gekleed: âover = onderstbovenwerping, halfcirkelvormig gebak, omgezet geld of goed (in eene zaak in bepaalden tijd), copie voor iets meer dan eene kolom; âover-table = klaptafel; âpike = tolhek, slagboom,wenteltrap; âpike-man = tolgaarder: âpike-road = straatweg met tollen; âscrew = schoevendraaier;âserving = bjiatzucht(igehandeling);âsick ^schapen-ziekte; âsole = zonnebloem; âspit = spit-omdraaier; âstile = molentje (hek met draaischijf op voetpaden); âstone = soort v. snip; âtable = draaischijf (op spoorwegen); âer = kunstdraaier, varieteit v. duif: âery = kunstdraaierij, draaiwerk; âing, subst. het draaien, draai, bocht, afwijking, kronkeling; âing-lathe = draaibank;âi ng- pi a t form=draaischij f (voor spoorwagens): âing-point = keerpunt. Turner, frtana, gymnast (amateur). Turnip, tvnip, raap, knol; âradish = knolradijs. Turpentine, tdp'ntain, terpentijn. Turpitude, tvpitjamp;d, laagheid, verdorvenheid. TurquoiHe, tnkdis, tvkwóz, turkoos (blauwgroene of hemelsblauwe edelsteen). Turrel, fwr'Z, bodemtrekker (v. kuipers). Turret, tv rot, torentje, draaibare toren op een oorlogschip; âship = (ram)torenschip; âed. Turriciilate(d), tdrikjul(e)it{id\ gelijk een torentje. Turtle, subst. tortelduif,-zeeschildpadfsoep); â verb, schildpadden vangen; âback = helmslak; âdove = tortelduif; âshell --schildpad (de stof); âsoup = schildpadsoep; âr = schildpadvanger. |
Tuscan, tvsk'n, subst. Toskaner; adj. van Toskane; â order = Toskaansche bouwstijl; ây = Toskane. TuhIi, /üü, pst! stil! poe! Z. ook Tusk. Tusk, tvsk) slagtand (van olifant of wild zwijn); âed, ây = met slagtanden; âer = olifant of wild zwijn met goed ontwikkelde slagtanden. Tusser, twse, zijde van den âsilkworm = zijdeworm in Midden Indië = Tussore, tvsö. Tussle, tvs'l, subst. worsteling, kloppartij: We had a sharp â with the enemy = een vinnigenstrijd; â verb.worstelen,vechten. Tussock, Tussa'c, tnsak, bosje, lok, bosje gras. Tut, tvt, st! pst! stil! poe! och kom! Tutelage, tjütdlidz, voogdij(schap); Tutelar(y), tjütdld{ri), beschermend: TutelarCy) spirits = beschermgeesten; Tutor, tjütd, subst. voogd, (privaatonderwijzer; â verb, onderwijzen, oefenen, berispen; Tutorial, tjutóridl, be-hoorende tot, uitgeoefend door een Tutor; Tutorship = voogdijschap, onderwijzersbetrekking. Tiitiorism, tjiisdrizm, strenge gehoorzaamheid aan wet en voorschriften (godsd.). Tutta, tutd, geheel; Tutte, tuti, allen (muz.). Tutty, tnti, bloesem van den pruimeboom. Twaddle, twod'l, subst. beuzelpraat, gewauwel; â verb, wauwelen, kletsen; âr = leuteraar. Twain, twein, subst. paar; adj. twee: In â = in tweeën. Twaite, tweit, elft. Twang, twar\, subst. scherp geluid, neusgeluid, neusklank, smaakje, onaangename smaak: There is a â about it = er is een (leelijk) smaakje aan; â verb, scherp klinken (als van eene strak gespannen snaar): The âing of a fulMoned guitar = het scherpe geluid van eene krachtige guitaar; A âing sound = scherp, doordringend geluid. Twank, tivar\k, verbastering van Twang. Twankay, tLuai\kei, soort v. groene thee. 'T was, 'twoz, samentr. van It was. Twat, twot, gewauwel. Twattle, twoVl, streelen, liefkoozen. Tweak, twik, subst. kneep, ruk; â verb, knijpen, rukken: He got his nose âed. Tweed, twid, lichte wollen stof (manskieeren); adj. van â; Heather â = bruine â. Tweedie, twid'l, zacht behandelen, cajoleeren, vleien, bepraten: He insisted upon the difference between âdiini and âdee = hij stond op het verschil tusschen zes en een half dozijn, deed aan haarklooverijen. Tweel, twil: Zie Twill. *Tween, twin, samentr. van Between. Tweezers, tiviznz, haartangetje. Twelfth, twelfth, subst. en adj. (het) twaalfde; âcake = driekoningengebak: âtide, âday = Driekoningen; ânight = de avond voor Driekoningen; Twelve, fweto;, twaalf: The Twelve = de twaalf apostelen, de twaalve; Some writers strike twelve all at once = verschieten hun kruit al dadelijk; Twelve-month = een jaar: In a twelve-month = overeen jaar, in een jaar; Twelve-pence = een shilling; Twelve-penny = van twaalf stuiver waarde; Twelve-score = 240. afstand van 240 aards. Twentieth, twent'wth, subst. en adj. (het) twintigste: Twenty, tiventi, twintig. I Twibill, twaibil, tweesnijdende bijl. |
bone = boun; full; fool = tïil; ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = |i9; long = loiy. s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dlres; wine.
TYRANNOUS.
TWICE.
520
|
Twice, twais, tweemaal; âtold = tweemaal verteld, welbekend. Twiddle, tivid'ly trillend bewegen, beuzelen. Twig, twig, subst. takje, roede (om te raden of uit te vorschen waar goed water in den grond is); â verb, opletten, gadeslaan,âsnappenquot;: I âged you there = daar hid ik je. snapte ik je; âgy = vol takjes. Twilight, twailait, subst. schemering,gedeeltelijke openbaring of ontdekking; adj. schemerend, onduidelijk, in de schemering gedaan. Twill, twil, subst. keper; â verb, keperen; âed. Twin, twin, subst. tweeling, iemand (of iets) zeer gelijkend op een ander: The â s = Tweelingen (sterrenbeeld); adj. dubbel, als tweelingen, evenhoog, zeer gelijkende op; â boni = tegelijk geboren; âbrother = tweelingbroeder; âsiHter = tweelingzuster. Twine, twain, subst. draai, kronkeling, omhelzing, twijn, getwijnd garen, touw; â verb, draaien, twijnen, omhelzen, samen weven, kronkelen, zich slingeren: The ivy âd about the old tree = de klimop s'lingerde zich: Twining = zich kronkelend, zich opwaarts slingerend. Twinge, twinz, subst. plotselinge pijn, steek, kneep, wroeging: She lelt âhorcoiiHcience for her treachery = zij had gewetenskna-ging over haar verraad; â verb, pijnigen,een steek krijgen of geven. Twinkle, twinftl, subst. wenk, schittering, flikkering, fonkeling, trillend licht, oogenbUkjej â verb, fonkelen, schitteren, flikkeren: In the twinkling ol' an eye = in een oogwenk. Twinter, twintd, koe van twee jaar. Twirl, twól, subst. snelle draai, kronkeling: â verb, snel (doen) ronddraaien: 1 âed the teetotum = ik zette het al-tolletje: She âed in a polka = zij danste de p. Twist, twist, subst. draai, bocht, kronkel(ing), touw, streng, koord, tabak in rollen gedraaid, zijden draad, beweging in kromme lijn; â verb, draaien, vlechten, samentrekken, (zich) wringen, strengelen, kronkelen, winden, verdraaien: 1 can â him round my linger = ik kan hem om mijn vinger winden; âer = vlechter, enz., met een draai weggeslingerde bal (cricket); ây = verdraaid, vol kronkels en bochten: A ây-twirly imp = een verdraaide, in allerlei bochten verwrongen kabouter. Twit, twit, plagen, verwijten, honen: 1 âted him with his superhuman patience = ik verweet hem zijn bovenmenschelijk geduld; âter = bediller; âtiugly = vol verwijten of aanmerkingen. Twitch, ttuilè, subst. plotselinge ruk, zenuwtrekking; â verb, rukken, grijpen, eene zenuwtrekking hebben of krijgen; âing = ruk. zenuwtrekking. Twite, twait, heidebarmpje, fratertje. Twitter, twite, subst. gekweel, gesjilp (vooral als dat van zwaluwen), zenuwachtige gejaagdheid: â verb, kweelen, sjilpen, gejaagd zijn; Zie Twit; âing = gesjilp. Twittle-twattle, twiVltwoVl, gewauwel. 'Twixt, twikst, samentr. van Betwixt. |
Two, tü, twee(tal): 1 will make him do so â n â â s = ik zal het hem âéén, twee driequot; laten doen; I could smash him like--s = ik kon hem te pletter slaan; He will always put â and â together = zijne gewoonte is te vergelijken en te redeneeren, alles in aanmerking te nemen; It was cut in â = in tweeën geneden; A âedged sword = tweesnijdend; âlaced = met twee gezichten, bedriegelijk, onoprecht; âfold = tweevoudig, dubbel; A âfoot ruler = liniaal van twee voet; âhanded = met twee handen, machtig groot, handig, met twee handen te hanteeren (van een zwaard); âheaded = tweehoofdig, tweekoppig; We made a âhour stop at the hotel = wij rustten twee uur in dat hotel; âpair = twee trappen hoog: A âpair front (back) = voorkamer (achterkamer) twee hoog; âpence, tnp'ns, dubbeltje: He is not good for âpence = hij is geen lor waard; âpenny, tnpdni, van twee stuiver waarde, gering; âpenny-half-penny, tvp'niheip'ni, van geringe waarde, onbeteekenend; âsome, subst. dans of spel, etc. door twee personen uitgevoerd; adj. door of voor twee personen. Twy-natured, twaineitjdd, met twee naturen, karakterloos. Tyburn, taibdn, vroegere gerechtplaats (Londen); âtree = galg. Tyke, taik, hond, bewoner van Yorkshire. Tyler, taild: Zie Tiler. Tymbal, timb'l, bekken, keteltrom. Tympan, timp'n, timpaan (waarop het te drukken vel wordt gelegd), trom; â ic, tim-panik, als eene trom; âo = pauk. Tympanum, timpdrim, trommelvlies, paneel van eene deur; Tympanites, Ãmpdnaitiz, trommelvliesontsteking = Tympany = verwaandheid, opgeblazenheid. Tyneinoiitli, tinuidth. Type, taip, subst. zinnebeeld, type, kenteeken, voorbeeld, beeld op munt of medaille, letter, alle letters; â verb, afbeelden, drukken (met een âwriter), voorstellen, typeeren: The lirst sheet is in â now = het eerste vel is nu gezet; Bold, Crowded â = groote, compresse druk; âfounder = lettergieter; âfoundry = lettergieterij; âmetal = letterspecie; â'setter = letterzetter; âwriter = schrijfmachine of die daarmede schrijft; â written = met een âwriter geschreven; âwriting = het schrijven met een âwriter; âwritist, die met een âwriter schrijft; âwork = het gedrukte; Typic, tipik, typisch, zinnebeeldig, tot voorb'eeld of type dienend = Typical; Typic-fever = geregelde koorts; Typicalness; Typify, tipifóX, door een type of model voorstellen; Typist, taipist, die met een âwriter werkt of schrijft; Typo, taipou, verk. van Typographer, taipogrdfd, drukker; Typography, tdipogrdfi, drukkunst. Typh, tif, verk. van Typhus, taifds, typhus = Typh(us)-fever; Typhoid, fai/(5idttypheus; âoid-fever = typheuze koorts; Typhomania, taifdmeinjd, delirium bij typhuslijders; Typhous, taifds. van typhus. Typhoon, taifün, hevige orkaan (Japan). Tyrannic(al), tairanik('l), tyranniek, onderdrukkend, wreed; âalness; âide, tairanisaid, tirannenmoord of -moordenaar; Tyrannous, tirdrids, tiranniek, willekeurig, onderdrukkend: |
man; ask = Ask; farm^= fiim; bttt = but; learn = lón; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló; lord = löd; \)oy = bói;
UNACCOMMODATING.
521
TYRANNY.
Tyranny, tirdni, tirannie, dwingelandij, j Tyro, tairou, beginner, nieuweling.
wreedheid. Tyrannize = onderdrukken; Ty-I Tyrol (The), dhotir'l, Tirol; âese, tiroliz, rant, tair'nt, tiran, alleenheerscher, gewei- i (bew.) v. Tirol; âieiine, tirouljen, tiroolsch denaar, despoot, wreede meester. lied (dans).
Tyre,ïaia, Tyrus; wielband: Pneinnatieâs = Tytlie, taidh; Zie Tithe.
luchtbanden; Tyriaii, tirian, (bew.) v. Tyrus. j Tzar, za, tsaar.
u.
|
U, ;u; U{rbis) C(onditae) = van af de stichting der stad Home; U{pper) C(anada); U(ta)h', U(triusque) *T{uris) JJ{uctor) = doctor in de beide rechten; U(nited) K{ingdom)', Ult(imo = laatste, van de laatste maand); Unitarian)', University)] Untti{arried)-, Upiper)] U(nited) S(tates) = U(ncle) S(am)\ u\t) S(upra) = als boven: U(nited) S(tates of) A{merica); U(nited) S(tates)A.{ivny)ofX(avy): Usu(al)\ U(tah) T(erritory). Ubiety, jubaidti, aanwezigheid van iets. UbiquitouH, jubikwitas, alomtegenwoordig, overal tegelijk zijnde; Ubiquity = alomtegenwoordigheid. Udal, jüd'L, allodiaal; âIer, âinan = grondbezitter (volgens allodiale rechten). Udder, «cte, uier; â ed = met uier(s). Udometer, judoïnste, regenmeter. ügli, jü, bah! Ugl.v, vyli, leelijk, wanstaltig, terugstootend. hatelijk, spijtig, kwaadaardig; UglineHe*. Ulilan, firn, Ulaan. Ukase, jükeis. ukase (Rusland). Ukraine, jükrein. Ulcer, nlsd, zweer, gezwel; âate = zweren: His heart was âated with hatred = hij droeg een ingekankerden haat in zijn hart; âation, zweer, het zweren,verzwering; âed: âouh = als eene zweer; âousnes». Ule, jilli, caoutchoucboom. Ullage, wlidz, de hoeveelheid ontbrekende vloeistof om een vat vol te doen zijn. Ullaloo. vldlü, woeste klaagtoon. UlmaceoiiH, vlmeisds, tot den olm behoorende; UlimiH, nlmds, genus olm. Ulna^ »/na, ellepijp; âr = daartoe behoorende. Ulotrichi, julotrikai, menschenrassen met wollig en gekruld haar, zooals de negers. Ulster, vlstd, lange losse overjas. Ulterior, dltirid, verder (af gelegen), aan de andere zijde. Ultimate, nltimit, verste, laatste, uiterste, achterste; Ultiiiiatinn, vltimeiCm, laatste voorstel, slot-verklaring: Ultimo, nltimou,de laatste (der) maand; Ultimogeniture, vlti-mondèenitja, alle vormen en bepalingen van Borough-l^ngliHli (zie dit). Ultra, nltrd, subst. die tot uiterste of overdreven maatregelen of inzichten overhelt = âist; adj. uiterst, buitensporig; âism = het voorstaan van uiterste maatregelen, etc.; âmarine, vltrdmarin, subst. schoone blauwe verfstof; adj. overzeesch; âmontane, vltra-montein, subst. ultramontaan: adj. aan de andere zijde der bergen gelegen; â nionta-nisni, vltrdmonteinizm, ultramontanisme; âmontanist. |
Ulnlation, vljuleié'n, gehuil, gejank. Umbel, vmbH, bloeiwijze der schermbloemigen; âIate(d),omöeieii(id;,scheimbloemig,scherm-dragend = â lilerous, vmbdiilards', âlet, âInie, ttmbdljnl, klein scherm. Uinber, nmbd, subst. vlagzalm,verfstof: Raw â is olijfkleurig; Burnt â is veel rooder; adj. olijf bruin; â verb, met â verven of kleuren, beschaduwen. Uuibilie(algt;, vmbilikCl), tot den navel behoorende; âal-cord = navelstreng; âal-region = navelstreek; âate(d) = navelvormig; âu» navel, genus navelkruid. Unibies, vmb'lz, ingewand van een hert. Umbo, vmbou (Meerv. -nes, vmbotmiz), (puntige) knop van een schild. Umbra, vtnbt'd. middendeel van eene zonnevlek, schaduwkegel (sterrenk.). Umbrage, â ombridz, schaduw, lommer, verdenking, toorn: He gave â to the more advanced = ergerde de meer geavanceerden; 1 am sorry you have taken â at my words = dat *gij u aan mijne woorden geërgerd hebt; âons, dmbreidids, schaduwrijk, lommerrijk. Uinbre, vtnbd, Z. Afr. vogel (soort v. reiger). Umbrella, vmbreid, paraplu; âstand = paraplustander. Umbria, nmbrid, Umbrië. Umbrosity, dmbrositi, schaduwrijkheid. Umpli, vmp, interj. H'm! Umpire, vmpaw, subst. scheidsrechter; â verb, als scheidsrechter optreden: âship. Unabashed, vndbaèt, schaamteloos, onbeschaamd. Unabated, vnobeitid, onverminderd, onver-T zwakt, onverllauwd. Unable, vneibH, onbekwaam, niet opgewassen, niet in staat: Unability. Unabtdished, v.ndboiist, niet afgeschaft, nog van kracht = Unabrogated, vnabrogeitid. Unabraded, viiabreidid, niet afgesleten. Unabridged, vnabridzd, onverkort. Unabsorbed, vnebzöbd, niet opgeslorpt. Unaccented, vnaksentid, niet beklemd. Unacceptable, onaangenaam, on aannemelijk, niet welkom. Unaeclimated, vndklaimeitid. niet aan het klimaat gewend. Unaccommodatiiig, vnakoniadeitin, niet inschikkelijk of vriendelijk. |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dlics; wine.
UNACCOMPANIED.
522
UNATTAINABLE.
|
Uiiarcompniiied, vndkDmpanid, nietvergezeld, zonder begeleiding. Unaccomplished, vndkompliSt, onvoltooid, onvolvoerd. Unaccoiiiitable, vrwkauntsb'l, onverklaarbaar, onverantwoordelijk; ânes», Unaccountability. Uiiaccreclited, vndkreditid, niet gemachtigd, zonder behoorlijke volmacht. UiiaccuHtonied, quot;endknsVmd, ongewoon, ongebruikelijk, ongewend. Unachievable, v.ndtsivab'l, onuitvoerbaar; Unachieved = onuitgevoerd, onvoltooid. Unacknowledged, vndknoüdzd, onerkend. Unacqiiainted, vnakiveintid, onbekend; âness. Unacquired, quot;cndkwaidd, onverkregen. Unacquifted, vrwkwitid, niet vrijgesproken. Unactable, vnaktdVl, niet opvoerbaar; Unacted, vnaktid, onopgevoerd. Unactuated, vnaktjueitid, niet bewerkt ofge-influenceerd: â by such opinions. Unadopted, vnsdaptid, ongeschikt. Unaddicted, vrwdiktid, niet overgegeven of verslaafd. Unadjusted, vnddzvstid, niet geregeld. Lnodmired, vriddtnaidd, onbewonderd, niet geëerbiedigd. Unadiiionislied, vnadmonièt, onvermaand, on-gew.aarschuwd. Unadored, vrwdöd, onaangebeden. Unadorned, vAwdönd, onversierd. Unadulteratetd), MYi9dalt9reit(id), onver-valscht, zuiver, echt. Unadvisable, v.nddvaizdUl, niet raadzaam, niet geschikt; Wnadvised = ongeraden, onverstandig, onvoorzichtig; âness. Unaffected, Ena/eA-r/d, natuurlijk, ongedwongen, niet aangedaan of geïnfluenceerd; âness. UnafTectionate, vnefekëenit, zonder genegenheid of teederheid, onhartelijk. Unagitatcd, vnedziteitid, onaangedaan, kalm. Unagreeable, vndgridb'l, ongepast, onaangenaam. Unaided, vneidid, zonder hulp, niet geholpen. Unalanned, vnalümd, niet ontsteld; Unalarm-ing = niet ontstellend. Unalienable, vneitjanob'l, onvervreemdbaar; Unalienated, nneiljdneitid, vervreemd. Unalleviated, vnolivjeitid, niet verlicht of verzacht. Unallied, vndïaid, niet verwant of verbonden. Unallowable, vrwlaudVl, ongeoorloofd, niet toelaatbaar. Unalloyed, vnolóid, onvermengd, zuiver. Uiiallurin^, vndljüriv,, niet aanlokkend. Unalterable, vnóltdrdb'l, onveranderlijk, onbuigzaam, onverwrikbaar; âness; Unaltered = onveranderd. Unambiguous, tmamWAr/ifas, niet dubbelzinnig, klaar, helder; â iicsm. Unambitious, vndmbiêds, niet eerzuchtig, bescheiden; âuess. Unamenable, vnomtnab'I, niet verantwoordelijk, onhandelbaar. Unamended, vndmendid, niet verbeterd. Unamiable, vneimjdVl, onvriendelijk, onbeminnelijk; Unamiaöility. Unamnsed, vnsmjilzd, niet onderhouden; Un-amusing = niet vermakelijk. |
Unanalogoiis, vndnabgds, geene overeenkomst vertoonende. Unanalysed, vnanalaizd, onopgelost. Uiianiniated, vnanimeitid, onbezield. Unanimity, jitoanimiti, eenstemmigheid; Un-animons. jünanimds, eenstemmig. Uiianuexed, vndnekst, niet verbonden. Unannounced, vndnaunst, onaangekondigd. Uiianointed, vnonóintid, zonder het laatste oliesel te hebben ontvangen. Unanswerable, vndnsdrdb'l, onweerlegbaar; âness, UnaiiMuerability; Unanswered, vnAnsdd, onbeantwoord, onwederlegd. Unappalled, vndpóld, onvervaard. Unappeasable, yneptzdb'l, onverzoenlijk; Un-appeased = onbevredigd, onverzoend. Unapplaiided, v.nsplódid, niet toegejuicht. Unapplausive, v.naplóziv, niet toejuichend. Unapplied,imapteid,niet toegepast of toegewijd. Unappreciated, vnapriéei ti d, niet gewaardeerd. Unapprehended, vnaprihendid, niet begrepen; Unaipprehensible = niet te vatten, onbegrijpelijk ; Unapprehensive = niet vlug v. bevatting, niet argwanend of achterdochtig. Unapprised, vnopraizd. niet onderricht. Unapproachable, vmaprotf^damp;^ongenaakbaar; âness; Unapproaclied, v.nnproutèt. Unappropriated, v.ndprouprieitid., niet toegeëigend, geschonken of voor een bepaald doel aangewezen. Unapproved, vndprüvd, niet goedgekeurd. Unapt, vnapt, ongeschikt, ongenegen, onbevattelijk; ânews. Unargued, anügjüd, niet besproken. I narni, vnam, ontwapenen, de wapenen neerleggen;âed = ongewapend; âoured,antfm9d, niet van wapenrusting voorzien. Unarraigned, vtidreind, niet voorgeroepen of gedaagd. Unarrayed, v-nareid, ontredderd, niet in slagorde geplaatst, ongekleed. Unarrested, vndrestid, onbelemmerd. Unartistic, vnatistik, niet naar de regelen dei-kunst. UnaHcertainable, wat niet uitge maakt of uitgevorscht kan worden; Unascertained = niet zeker bekend. Unasked, vnamp;skt, ongevraagd, ongenood. Unassailable, vndseiteb'l, onaantastbaar, onbetwistbaar; Vnassailed = onbetwist. Unassayed, vndseid, onbeproefd. Unasserted, Mnasvtid, niet bevestigd. Unassessed, -emsest, onbelast, onbezwaard. Unassignable, vndsaineb'l, wat niet overgedragen of toegewezen kan worden; Unassigned. Unassimilated, andsimileitid, niet geassimileerd of gelijk gemaakt. Unassisted, vnosistid, niet geholpen. Unassociated, vnasouèeilid, niet vereenigd. Unassorted, vndsötid, niet gesorteerd. Unassuaged, vnasweidzd, niet bevredigd of gestild. Unassuming, bescheiden, niet aan matigend. UnasHured, vncëüdd, niet verzekerd, niet overmoedig, bescheiden. Unatoned, vndlound, onverzoend. Unattached, vnvlatét, niet verbonden. Unattackable, v.ndtakdb'1, onaantastbaar. Uiiattainable,Bnaieinet7,onbereikbaar;âness. |
man; ask = ask; farm = fam; bat = but; learn â ligt;n; line = lain; hoitse = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law; = ló; lord = hid; boy = bói;
UNATTEMPTED.
523
UNCALLED.
|
Uiiattempted, vndtemtid, onbeproefd, liiatteiifled^naïendi^onverzeld,zonder gevolg. I'nat tired, vnataidd, ongekleed. ünau, tino, tweeteenige luiaard. Unaudited, vnóditid, niet nagezien of verevend. Unautlientieated, vnöthentikeitid, niet bekrachtigd, waarvan de echtheid niet bewezen is. Unauthoritative, vnóthoritativ, zonder gezag; UnautiioriHed, vnóthsraizd^ onbevoegd, onwettig, niet echt. Unavailable, vmveileVl, nutteloos = Una-vailing; ânesw. Unavenged, vnavenzd. ongewroken, ongestraft. Una verted, vnevntid, onafgewend. Unavoidable, vndvamp;iddUl, onvermijdelijk; âness; I navoided = onvermeden, onvermijdelijk. Una vowed, vnovaud, niet erkend. Una wakened, anaweik'nd, niet gewekt. Unaware, adj. onwetend, onwillekeurig, zorgeloos, onattent; â (s), adv. plotseling, onverhoeds, onverwachts. Unawed, vnód, onbeschroomd. Unbacked, vribakt^ niet gesteund, nog niet gedresseerd om een ruiter te dragen; niet achterwaartsch. UnbaHled, vnbaf'ld, niet in de war gebracht. Unbaked,niet gebakken,ongaar, onrijp. Unbalaiiced, vnbaVnst, niet in evenwicht, onvast. licht geschokt of aangedaan. Unbalinsted, imbaldstid, zonder ballast, onvast. Unbandaged, vnbandidzd, zonder verbanden. Unbaptized, vnbaptaizd, ongedoopt. Unbar, vnbü, ontgrendelen, ontsluiten. Unbarbed, vnbübd, ongeschoren, zonder weerhaak. Unbathed, vnbeidhd, niet bevochtigd. Unbattered, vnbatod, niet gekneusd of gedeukt. Unbearable, vnbêrab'l, ondragelijk. Unbearded, vnbtddid, baardeloos. Unbeaten, imbifn. niet geslagen, ongebaand. Unbeautified, nnbjütifdid, niet verfraaid. Unbecoming;, v.nbikvmir\, ongepast, onbehoorlijk, onwelvoegelijk = Mnbefilting i âness. Unbefriended, v.nbifrendid, zonder vrienden. UnbeRot(ten),TïnWf/o^'w), niet geboren, eeuwig. Unbelield, vnbiheld, niet aanschouwd, onzichtbaar. Unbeknown, vnbinoun, subst. en adj. onbe-kend(e); The land of the â = het onbekende land. Unbeliel', v.nbilif, ongeloof; Unbelievable = ongeloofelijk; Unbeliever = ongeloovige; Un-be lie ving = ongeloovig. Unbeloved, v.nbilvvd, onbemind. Unbend, unbend, ontspannen, losmaken, zich ontspannen, minzaam zijn; â ing = onbuigzaam, stijf, ontoegevend, zich ontspannend; Unbent = losgemaakt, ontspannen. Unbeneüted, vnbenif'itid, geen weldaad ontvangen hebbende. Unbeqiieatlied, vnbikividhd, niet nagelaten. Unbeseeming, vnbisimi^ ongepast. Unbesuuj^ht, vnbisót, ongevraagd. Unbestowed. vnbistoud, niet geschonken of weggegeven. Unbewailed, v.nbiweild, onbetreurd. Unbiassed, vnbaidst, onpartijdig. Unbidden,?gt;nMd'n,vanzelf,ongenood: lier tears started â = vloeiden onwillekeurig. |
Unbigoted, vnbigdtid, vrij van dweeperij. Unbind, vnbaind, losbinden, losmaken. Unbianiable, vnbleimdb'l, onschuldig,onberispelijk, onlaakbaar, âness; Unblamed. Unblasted, vnbldslid, niet vernietigd of verweerd. Unbleached, vnblttèt. ongebleekt. Unblemished, vnblemièt, onbevlekt, zonder smet. Unblended, vnblendid, onvermengd. Unblessed, Unblest, vnblest, ongezegend, onheilig, vervloekt. Unblighted, vnblaitid, onvernietigd, onbedorven. Unblinkered, vnblinkdd, met open oogen: llis eyes were â by fees = zijne oogen werden niet dichtgedaan 'door geschenken. Unbloody,ünMwdi,niet bebloed of bloeddorstig: â sacri'lice = bloedlooze offerande. Unblotted, vnblolid, on(uit)gevlekt. Unblown, vnbloun, ongeblazen, niet ontknopt. Unblunted,ünb/ünï?V7,niet verstompt of versuft. Unblushing, vnblusin,, schaamteloos. Unbodied, vnbodid, onlichamelijk, van het lichaam bevrijd of ontdaan. Unboiled, vnbóild, ongekookt. Unbnlt, vnboult, ontsluiten, ontgrendelen: âed = ontgrendeld, ongebuild, ongezift. Unbonnet, rmbonat, de muts of den hoed afnemen of afzetten: âed. Un booted, vnbütid, ongelaarsd. Unborn, rmbön, ongeboren, toekomstig. Unborrowed, vnborond, niet ontleend, oorspronkelijk, echt. Unbosoni, vnbuz'm: lie âed himself = hij zei wat hem op het hart lag, stortte zijn hart uit. Unbought, vnbót, ongekocht, geschonken. Unbound, vnbaund, niet gebonden, los. Unbounded, onbegrensd, eindeloos. Unbowed, nnbaud, ongebogen, overwonnen. Unbrace, vnbreis, losmaken: âd drums = ontspannen trommen. Unbranched, vnbrdnèt, ongetakt. Unbreathable, nnbridhdVl, niet inadembajir; Unbreathed = oningeademd. Unbred, vnbred, niet onderwezen, ongeboren. Un breeched, rmbritèt, zonder broek. Unbrewed, vnbrüd, rein, onvermengd. Unhribed, vnbraibd, niet omgekocht. Unbridle, nnbraid'l, aftoomen. loslaten; âd = ongetoomd, losbandig, onordelijk. U n broke(n },vnbrouk{ 'n), on(af gt;gebroken,regel-matig, ongeschonden, ongetemd, onontgonnen. Unbrotherly, vnbrndliDli, onvriendelijk, onnatuurlijk, onbroederlijk. Unbruised, vnbrüzd, ongekneusd. Unbuckle, vnbvk'l, losgespen. Unbuilt, vnbilt, ongebouwd. Unbuogt;ed, vnbwamp;id, ongesteund. Unburden, vnbüd'n, ontlasten, afwerpen, ontdekken, openbaren. Unburied, vnberid, onbegraven. Unburned, rmbrind, Un burnt, vnbvnt, ongebrand, onverbrand. Unbusinesslike, unbiznaslaik, niet overeenkomstig de handelsusanties, onpraktisch. Unbutton, vnbnVn^ losknoopen. l'ncage, vnkeidz, uit de kooi laten. Unealled,ongeroepen: Your pity is â |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = jia; longr = loi^; s/iip = sip: occasion = okeii'n: thin; thns = dht?s: wine.
UNCANCELLABLE.
524
UNCOMMITTED.
|
for = uw medelijden is te onpas, nietnoodig; Your Jealousy i» â for = uwe jaloerschheid is zonder grond, onredelijk. Uncaiieellable, vnkansahb'l, onvernietigbaar; Uncancelled = niet doorgehaald, etc. Uncandid, vnkandid, onoprecht. Uncanny, vnkani, gevaarlijk, geheimzinnig, onvoorzichtig, roekeloos, onwerkelijk: â legal dociiment» = geheimzinnige, duistere documenten ; The contrast between the shining eyes and the impassive face was so extraordinary as to he almost â = zoo buitengewoon dat het haast iets spookachtigs had. Uncanonical, v.nkanonik'l, niet kanoniek; âhours = uren waarop geene huwlijks-inzegening mag plaats hebben (in Engeland tusschen 8 a.m. en 3 p.m.); âness. Uncap, vnkap, openen, de bedekking afnemen; âped = met ongedekt hoofd. Uncape, vnkeip, het kapje (v. d. valk) afnemen opdat hij kan jagen. Uncared, imkêdd, zonder dat er op gelet wordt: There he lay â for = verwaarloosd. Uncaressed, vnkdrest, niet geliefkoosd. Uncarpeted. vnküpdlid, zonder vloerkleed. Uncase, vnkeis, uit de bedekking of étui nemen, openbaren, ontplooien (van de regiments vlag), 1 ontkleeden. Uncatchahle, vnkatëdVl, niet te vangen; J Uncanght, vnkót, niet gevangen. Unceasing, vmishi, onophoudelijk. U needed, vnsidid, niet afgestaan. Uncelebrated, vnseldbreitid, ongevierd. Uncensnrable,onlaakbaar; l'n* censured, wnsenèdd, onberispt. Unceremonious, vnseivmounjas, zonder complimenten, familiaar. Uncertain, onzeker, onvast,dubbelzin nig, weifelend, wispelturig; â ty = onzekerheid, twijfelachtigheid, gebeurlij khe'id. Uncertificated, vnsdtifikeitid, niet gediplomeerd. Unchain, vntéein, ontketenen, loslaten. Unchallengeably , vntsaVnzdbli, ontwijfelbaar, zonder eenige kwestie; Unchallenged = niet betwijfeld. Unchancy, vntsdnsi, ongelukkig, gevaarlijk, ongelegen, ongeschikt. Unchangeable, vntëeinzeb'l, onveranderlijk; âness; Unchanged-, Unchanging. Uncharacteristic, vnkardktdristik, niet kenschetsend. Uncharged, vntsüdzd, ongeladen, niet aangevallen. Uncharitable, vntèaritüb'l, onliefderijk, onweldadig; âness. Uncharnied, vntédmd, niet bekoorlijk. Uncharted, antèütid, niet op de kaart aangegeven. Unchary, vntéêri, onmatig, verspillend. Unchaste, vntèeist, onkuisch, losbandig; Unchastised, vntëdstaizd, ongestraft; Un-chastity, vntèastiti, onkuischheid. Unchecked, vntèekt, ongehinderd. Uncheckered, vntëekdd, niet gevarieerd. Uncheerfulness, vntëtafulnds, neerslachtigheid, droefheid. Unchewed, vntëüd, ongekauwd. Unchided, vntëaidid, onbeknord. |
Unchivalrous, vnëivlrds, onridderlijk. Uncliristened, vnkritfnd, ongedoopt. Unchristian, vnkristfn, heidensch, onchristelijk. Unchronicled, vnkronik'ld, onvermeld. Uncial, onë'l, subst. en adj. (met) groote letter. Unciform, vnsifóm, gehaakt, gekromd. Uncircumcised, vnsvk'msaizd, onbesneden. Uncircumscri bed, vnsnk'niskraibd, onbeperkt. Uncircumspect, vnsük'mspekt, onbedachtzaam. Uncivil, vnsivil, onbeleefd, lomp: âized = barbaarsch, onbeschaafd; âizable. Unclad, onklad, ongekleed. Unclaimed, vnkleimd, niet opgevraagd of op-geëischt. L'nclarilied, vnklarifsad, ongezuiverd. Unclasp, vnklamp;sp, loshaken, openen. Uncle, nnfth oom, pandjeshuishouder: My watch is at my â's = in den lommerd: â Sam = de Veieenigde Staten (Amer.). Unclean, vnklin, adj. onrein, vuil, onkuisch = Uncleanly, vnklenli; âly, adv.; âness; âliness; âsed, vnklenzd, ongereinigd. Unclerical, tmklerik'l, niet tot den geestelijken stand behoorende. Undipped, vnklipt, ongesnoeid, ongeschoren. Uncloak, vnklouk, den mantel afleggen. Unclog, vnklog, de belemmering wegnemen, vrijmaken; â ged = niet belemmerd. Unclose, vnklouz, openen, openbaren; âd. Unclothe, vnkloudh, ontkleeden. Unclouded, vnklaudid, onbewolkt; âness; Uncl^udy = helder. I nco, quot;ortfeou, Schotsch voor Uncouth. Uncoagulable, vnkouagjuldb'l, onstrembaar. L'ncoated, vnkoutid, zonder jas of rok. Uncock, vnkok, in rust zetten (den haan van een geweer), uitspreiden (van hooi). Uncockneylicd, vnkoknifoid, natuurlijk, ongemaakt. Unconined, onkofintl, niet in eene kist gelegd. Uncoiled, vnkóift, zonder kapsel. Uncoil, vnkóil, losdraaien (van opgerold touw). Uncoined, vnkóind, ongemunt, echt. Uncollected, vnkdlektid, niet verzameld, niet weer tot bedaren of bezinning gekomen. Uncoloured, vnkvldd, ongekleurd, eenvoudig, onopgesmukt. Uncombed, vnkoumd, ongekamd. Uncombinable, v.nk'mbaindb'l, onvereenig-baar; Vncombined = eenvoudig. Uncomeatahle, v.nkomatdVl, ongenaakbaar. Uncomely, vnkvmii, onbevallig, onwelvoege-lijk; Uncomeliness. Uncomfortable, vnknmfdldb'l, ongemakkelijk, niet op zijn gemak, somber, droevig; âness; Uncomforted = troosteloos, ongetroost. Uncommanded, vnkzmamp;ndid, onbevolen. Uncommeiiiorated, vnkoniemifreilid, niet herdacht. Uncommeiidable, â vnkdmenddUl, niet (aan)-prijzenswaardig; Vncommended. Uiicommercial, vnksmvë'l, geen handel drijvend, tegen de handelsusanties. Uncommiserated, vnkomizoreitid, onbetreurd. Unconimissioned, vnkdmiëdnd, zonder aanstelling, ongewettigd. Uncommitted, vnkamitid, niet commissoriaal gemaakt, ongebonden. |
man; ask = ask; farm = fiim; but = bwt; learn = Iwn; line = lain; house = hans; net; care = kea; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; boy = bói;
UNCOMMON.
525
UNDECEIVE.
|
Uncommon, nnkorrin, ongewoon, ongemeen; âness. Uncommnnieatecl,TïntomjömA:ei«irZ,niet medegedeeld (aan derden); An nncommunicative man = zwijgend, gereserveerd persoon. 11 ncompa88ionate,Tmfc'mpa.samï,zonder medelijden. Uncompelled, vnk'mpeld, ongedwongen. Uncompensated, vnkomp'nseitid, niet vergoed. Uncomplaining, unkmpleinii], gelaten. Uncompleted, vnk'mplttid, niet voltooid. Uncomnlicated, vnkomplikeitid, niet ingewikkeld, eenvoudig. Uncomplimentary, vnkomplimentdri, zonder complimenten, ruw, lomp. Uncomplying, vnk'mplaibi, oninschikkelijk, onhandelbaar. Uncomposed, vnk'mpouzd, niet samengesteld, onrustig, zenuwachtig. Uncompoiinded, vnk'mpanndid, niet samengesteld, eenvoudig; âness. Uncomproniising, vnkomprdmaizin, onbuigzaam, recht door zee, onhandelbaar. Unconcealed, â cnk'nsild. onverholen. Unconceived, v.nk'nsivd, onbegrepen. Unconcerned, vnk'nsnnd, belangeloos, zorgeloos, onbekommerd: âness. Unconcerted, vnk'nsvtid. niet beraamd. Unconciliated, vnk'nsiljeitid, onverzoend; Unconciliatory, vnk'nsiljeitdri, niet te verzoenen. Uncondemned, vnk'ndemd, niet veroordeeld. Uiicondensable, vnk'ndensdb'l, wat niet verdicht kan worden; Uncondensed. Unconditional,â Bn/c'ndtóaw.'i, onvoorwaardelijk, absoluut; Unconditioned = absoluut. Unconfessed, vnk'nfest, niet beleden, ontkend, zonder gebiecht te hebben. Uiicon(ined, vnk'nfaind, onbeperkt. Unconfirmed, nnk'nfnmd, niet bevestigd, zwak, onervaren. Unconrormable, vnk'nfömdb'l, niet bestaanbaar of overeenkomstig: Unconformity = onovereenkomstigheid, onbestaanbaarheid. Uncongealable, vnk'ndzildb'l, wat niet stollen of bevriezen kan: Uncongealed. Uncongenial, vnk'ndztnj'l, ongelijksoortig. Unconnected, vnkonektid, onsamenhangend. Unconquerable, vnkoixkdrdVld, onverwinbaar: Unconqiiered, vnkonkdd, onoverwonnen. Unconscientions^n/c'nsdwifas,niet nauwgezet. Unconscionable, vnkonëdnab'l, onredelijk, onbillijk, onver.antwoordelijk, kolossaal: At an iinconscionably early hour = op een onmogelijk vroeg uur: -néss. Unconscious, vnkonsds, onbewust; âness. Unconsecrated, vnkonsikreitid, ongewijd. Unconsenting, nnk'nsentin. niet goedvindend of toestemmend. Unconsoled, vnk'nsould, troosteloos; Uncon-soling = geen troost verschaffend. Unconstitutional, vnkonstitjüèdril, ongrondwettig; -ify, vnkonstitjnsdna liti, ongrondwettigheid. Unconstrained, v.nk'nstreind, ongedwongen. UncoiiHiilted, vnk'nsvltid, niet geraadpleegd. Unconsunied, vnk'nsiümd, onverteerd. Uncontemplated, nnkonVmpleitid, niet beschouwd of overdacht. Uncontested, vnk'ntestid, onbetwist. |
Uncontradicted, vnkontrddiktid, niet tegengesproken. Uncontrived, vnk'ntraivd, onoverlegd. Uncontrollable, vnk'ntrouldb'l, onhandelbaar, wat niet nagegaan kan worden; Uncontrolled, vnk'ntrould, onbeheerscht, onbuigzaam. Uncontroverted, vnkontrdvv.tid, onbetwist. Unconverted, vnknvvtid, onbekeerd; Unconvertible, v.nk'nviïtib'l, onveranderbaar. Unconvinced, vnknmnst, onovertuigd. Uncord, vnköd, losbinden. Uncork, vnkök, ontkurken. Uncoroneted, vnkordnetid, niet gekroond. Uncorrected, vnkorektid, onverbeterd, ongestraft, ongeschoren, ongemaaid. Uncorroborated, vnkdrobdreitid, niet bevestigd. Uncorriipt(edgt;, vnkdrtgt;pt(id), onbedorven, on-vervalscht; âedness: âness. Uncoimted, vnkauntïd, ongeteld. Uncouple, vnknp'l, loskoppelen. Unconrieons, vnkötjds, onhoffelijk; âness; Unconrtliness = onbeleefdheid, lompheid; Uncourtly = lomp, onbeschaafd. Uncouth, vnküth, vreemd, zonderling, onhandig; âness. Uncovenanted, vnknvdnantid, niet volgens contract beloofd, onafgesproken: â civil service = tak van den burgerlijken dienst (Indië) waarvan de leden geen examen doen en geen pensioen krijgen. Uncover, vriknvd, ontblooten, ontdekken; âed = ontbloot, blootgelegd. Uncramped, vnkrantpt, onbeperkt. Uncreated, Tm/cneitfrf, ongeschapen, vernietigd. Uncredited, vnkreditid, niet geloofd. ' Uncritical, vnkritik'l, niet kritisch. Uncropped, vnkropt, ongeoogst, ongeplukt. Uncrossed, vnkrosl, niet doorgehaald, niet 1 tegengewerkt. 1 Uncrowded, vnkraudid, niet vol, ruim. Uncrown, vnkraiin, ontkronen, onttronen. Uncrushed, vnkrvst, niet onderdrukt. Unction, wr^A^'n, oliesel, zalf, zalving (van taal, dikwijls in ongunstigen zin): Extreme â = laatste oliesel; Unctnoiis, nnjktjuds, vettig, olieachtig, verzachtend, zalvend, vleiend; Unctnonsness, UnctnoHity, v)]ktjuositi. Unciilled, tmkwld, ongeplukt, ongescheiden, l'ncultivable, vnkvltivdb''l, onbebouwbaar; Uncultivated = onbebouwd, verwaarloosd. Uncurbed. wnA'wfed. ongetemd, niet weerhouden. I ncurl. vnkvl, ontkrullen, recht maken. Unciirsed, vnkvst, niet vervloekt. Uncurtailed, vnkdteild. onverkort. Uncustomary, vnkvstamari, ongewoon. 1 Uncut, rmkot, ongesneden. 1 Undamaged, vndamidzd, onbeschadigd. ; Undamped, imdampt, niet ingevocht of be-j vochtigd, niet ontmoedigd. Undated, vndeitid. ongedateerd. i Undaunted, vndóntid. vndamp;ntid, onversaagd. Undazxled. vndaz'ld, niet verblind. ! Undebased, vndibelst, onverbasterd. Undebauched. v.ndibótèt, onbedorven. | Undecagon. mulekdffn, elfhoek. Undecay ed,i3m/iA-ctd,onvervallen; Undecaying = onsterfelijk, niet vervallend. Undeceitful, v.ndisitri, niet bediiegelijk; Un-j deceive, vndisiv, uit den droom heipen, de |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = jia; long = loi\; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dims: wine.
UNDECENNARY.
526
UNDERSOIL.
|
oogen openen: At last I was undeceived = eindelijk vielen mij de schellen van de oogen; 1 have undeceived his error = hem van zijne dwaling genezen. Undecennary, vndisendri, elfde, om de elf jaar. Undecided, vndisaidid, onbeslist, weifelend. Undecipliered, vndisaifdd, niet ontcijferd. Undeclared, vndiklêad, niet verklaard, latent. Undeclinable, vndiklaindb'l, onverbuigbaar; Vndeclined = onverbogen, niet afwijkend. Undecomposable, vndWmponzdb'l, onoplosbaar; Undecomposed = onontleed. Undecoratcd, VYidekorextid, onversierd. Undedicated, vndedikeitid, niet opgedragen. Undelaceable, vndifeisQb'l, onuitwischbaar; Undefaced = onuitgewischt, niet misvormd. Undelended, vridifendid, onverdedigd, onbeschermd. Undelied, vndifaid, niet getart of uitgedaagd. Undefiled, vndifaild, onbesmet, rein. Undefinable, vndifaindVl, niet bepaalbaar: ââ nes»; Undefined = onbepaald, vaag. Undelrayed, vndifreid, niet betaald of gedekt. Undelegated, vndeldgeitid, niet afgevaardigd. Undeliberated, vndilibdreitid, onoverlegd. Undelighted, vndilaitid, niet vermaakt. Undelivered, vndilivad, niet afgeleverd of verlost. Undeinandcd, vndimündid, ongevraagd. UndemoliHlied, v-ndimolièt, niet gesloopt. Und'enioiiHtrable, vndimonstrab l, onbewijsbaar; IJndemonstrdted = onbewezen; Un-demomtrative = niet aan den dag leggend, gereserveerd. Undeniable, vndinaiob'l, onloochenbaar. UndenoiiiiiiatioiiHl, vndinomineisdJi'l, niet van eene sekte: â school = neutrale school. Undeposable, vndiponzdVl, onafzetbaar. Undeplored, vndiplöd, onbetreurd. Undepraved, vndipreivd, onbedorven. Undeprived, -cndipraivd, niet beroofd. Under, vndd, onder, lager dan. beneden, minder: â the royal seal = met het koninklijk zegel; He was â an «atli = hij had een eed gedaan, was onder eede; I am labouring; â a severe cold = ik lijd aan eene zware verkoudheid; lie was â a cloud = terneergedrukt, melai.choliek, had geldgebrek; He did it â colour of taking an interest in me = onder den schijn van belangstelling; 1 won't sell it â three figures = ik verkoop het niet voor minder dan 100 (gulden of pond); The bill was â cliscussion = het wetsontwerp was in behandeling; He was disqualified â another rule = hij mocht niet meedoen (geen lid worden) volgens eene andere bepaling; â your favour = met uw verlof; Your brother is â age = minderjarig; The nation was â arms = onder de wapenen; The troops were â the enemy's fire = i aan's vijands vuur blootgesteld: He* trampled it â foot = onder den voet; The ship was â sail, â weigh (way) = onderzeil, onderweg; lie is â sentence of death = is ter dood veroordeeld; He spoke â his breath = hij sprak nauw hoorbaar; They drank wine and smoked cigars â the rose = in't geheim, stilletjes; Keep him â =houd hem onder de plak; â water = onder water; âbearer, âöcra, drager (bij eene begrafenis); j âbid = minder bieden dan; âbred = slecht opgevoed; âbrush, hak-of kreupel |
hout; âcharge, minder vragen voor; âclay = laag klei onder den bebouwden grond; âclothes, âkloudhz, onderkleeren = âclothing; âcroft = gewelf onder het koor (kerk); âcurrent, subst.benedenstroom, neveninvloed; adj. verborgen,geheim; âditch, onddditë, eene diepe sloot graven; âdo, âdü, minder doen (dan men kan): The meat was âdone = niet gaar; âdose = onvoldoende hoeveelheid of dosis: âdrain, unctedrein, subst. onderaardsche leiding; â verb, (vndo-drein) rioleeren; âfaction = nevenpartij: âeyelid = benedenste ooglid; âfeed, â/quot;trf, onvoldoende voeden; âfoot, âfut, onderden voet, beneden; âfurrow, -fnrou, adv.onder eene voor; âgird, âytid, beneden steunen; âgo = ondergaan, doorstaan, ondervinden, lijden; âgrad(uategt;, vnddgrad(juit), student, niet gepromoveerde; âground = onder den grond, onderaardsch: âground (railway) = onderaardsche spoor; -growth, âgrouth. onderhout, hakhout; âhand = heimelijk(gew. in slechten zin), onderhands geslagen (van een bal in 't cricketspel): His sneaking, â handed ways = zijne gluiperige, heimelijke manier van doen; He is treacherous and â handed = hij is verraderlijk en achterbakse h; âhangman = helper van den beul: âhung = met vooruitstekende benedenkaak; âlaid = waaronder iets ligt: âlay, verb, iets onderleggen; subst. ipnddleï) onderlegger: âlease = onderpacht, onderhuur: âlet = onderhuren, onder de waarde verhuren; âletter = onderhuurder, die onder de waarde verhuurt; â He = ten grondslag liggen: Heâlay the accusation contained in those word's = hij had de hand in de in die woorden vervatte beschuldiging; âline = onderstrepen; âling = ondergeschikte, mindere, handlanger; âloeit = wol onder den buik van een schaap; âmanned, âmand, niet voldoende van manschappen voorzien; âmasted, âmOstid, niet van voldoende masten voorzien; âmine = ondermijnen, benadeelen (door laster, b.v.); âminer = ondermijner, geheime of stille vijand; âmost = onderste: âneath, ânith, beneden, onder; âpart = ondergeschikte rol, minder belangrijk deel; â/gt;«// = onvoldoende bezoldigen of betalen: Tlie poor seamstresses are shamefully âpaid = de arme naaisters worden schandelijk slecht betaald; âpin = ondersteunen, stutten; â plot = episode, nevenintrige; âpoliced, âpdltst, niet voldoende van politie voorzien: London is very much âpoliced = heeft veel te weinig politie; âprop = ondersteunen, stutten; ârate = onderschatten, te laag waardeeren; ârun = onderdoorloopen (van een touw onder het schip, etc.); âscore, âskö, onderschrappen; âsell â verkoopen onder de waarde en goed-kooper dan; âset = benedenstroom (tegen den bovenstroom in); âshot = bewogen door onderdoorstroomend water: âshot wheel; âshrub = kreupelhout; âsign, âsain, onderteekenen: The âsigned = de ondergetee-kende(n); âsized = onder de middelbare grootte; âsoil = ondergrond; âstand â volkomen begrijpen, verstaan, vernemen, ken- |
man; ask = Ask; farm = fam; bitt = but; learn = l«n; line = lain; house = haus; netr care = kèa; fate = feit; tin; asleep = oslip; not; \aw = 16; lord =?= Hid; hoy = ból;
UNDERSTANDINCx.
527
UNDOMESTIC.
|
nen, hooren, het bezit der verstandelijke vermogens hebben: He could not make liiiu- »ellquot; âstood = hij kon zich niet verstaanbaar maken, hij werd niet begrepen; Sueli thing;» are âstood = spreken vanzelf; We â that many are expected = wij vernemen; 1 was given to âstand = mij werd te kennen gegeven; He will have me âstand = hij wil dat ik begrijpe; 1 âstand trom what yon say = ik begrijp uit hetgeen ge zegt; YouMi have to âstand yourself with him = ge zult u met hem moeten verstaan; âstandable = begrijpelijk; Kot âstanded ol'the people = niet door het volk begrepen; âstanding, subst. verstand, begrip, kennis, verstandhouding, oordeel: We could not come to an âstanding with him = tot eene schikking komen; 1 will do it on theâstandingthat you help me = mits, met dien verstande dat; adj. bekwaam, verstandig, ervaren; âstate = niet de volle waarheid mededeelen; âstatement = niet de volle waarheid; âstrapper = ondergeschikte; âstrapping = ondergeschikt, dienend; âstudy, âstvdi, subst. plaatsvervanger van een acteur (die de rol heeft geleerd om ze desnoods te kunnen vervullen); â verb, in geval v. nood vervangen; âtake = ondernemen, op zich nemen, aanwenden, zich belasten met, borg blijven, wagen, beloven: You have âtaken to he here at seven = op u genomen, beloofd; âtaker = aannemer, ondernemer (vooral van begrafenissen); âtaking = onderneming: âtaxed = te laag getaxeerd of belast: âtenant, âten'nt, onderpachter; âtenancy = onderhuur, onderpacht: âtone = lage of zwakke toon: He spoke to me in an âtone = op zachten toon; âtook, imperf. van to âtake; âtow, âtou, benedenstroom (tegen denbovenstroomin); âvaluation,âva^'Mei^n, onderschatting, te lage waardeering; âvalue. subst. te lage prijs; â verb, onder de waarde schatten, minachten; âvalued mindere waarde; âvaluer = die onder de waarde schat; âtt;ear = onderkleeren (Am.); âwent. imperf. van to âgo; âwood, âwud, laag hout, kreupelhout; âworld = de tegenvoeters, onderwereld, hel; âwrite = onderschrijven, inteekenen, zich onderwerpen aan, assureeren (van schepen); âwriter = assuradeur; âwriting = zeeassurantie. Underanged, vndireinzd. niet gekrenkt of gestoord. Ãnderived, vndiraivd, niet ontleend. Uiidesrribed, vndiskraihd, niet beschreven. Undescried, vnddskraid, onontdekt. Undeserved, xindiztivd, onverdiend; Undeserver = iemand zonder verdienste; Undeserving = niet verdienend, onverdienstelijk. Undesignated, vndezigneitid, niet aangewezen of bepaald. Undesigned, tmf/izafrW, onopzettelijk; âness: Undesigning = oprecht, zonder bedrog, kunsteloos. Undesirable, Bm/tzairaÃ/f,onbegeerlijk; Vnde-sired = niet gewenscht of begeerd; Undesiriag = niet verlangend, zorgeloos; Mndesirous = niet begeerlijk of verlangend. Undespoiled, v.ndispóild, niet beroofd. Uiidestroyable, vndistramp;idb l, onvernietigbaar. |
Undetached, vnditatst, onafgescheiden. Undetected, vnditektid, onontdekt. Uiidetermined, vnditümind, onbeslist, onbepaald, zeker, niet beperkt. Undeterred, vnditvd, onversaagd. Undeveloped, v.ndivefopt, onontwikkeld. Undeviating, vndivjeitin, niet afwijkend, geregeld, vast. Undevout, vndivant, ongodsdienstig. Undextrous, vndekstros, onhandig. Undiaphonoiis, vndaiafonos, niet doorschijnend. Undid, vndid, imperf. van to undo. UndilTusedfimctf/^ftz^, niet verstrooid, beknopt. Undigested, vndidzestid, onverteerd, niet behoorlijk bewerkt of geordend. Undignilied, imdignifaxd, onwaardig. Undiminished, vndiminist, onverminderd. Undine, undin, waternimf. Undinted, vndintid, ongeschonden. Undipped, vndipt, niet gezonken of ingedoopt. Uiidiscerned, \.ndizünd, onopgemerkt; U«-discernible = niet te onderscheiden, onzichtbaar, onbemerkbaar; Vndiscerning = kortzichtig, niet onderscheidend. Undischarged, vndistèüdzd, niet ontlast, onafbetaald, niet vervuld. Undisi'iplined, vndisijdind, niet geoefend^ ongeregeld, zonder tucht. Undiscouraged^mlisamp;oridzt/,niet ontmoedigd. Undiscoverable, vndisk»vdrab'l, niet te ontdekken; Undiscovered = niet gezien. Undiscriminating, vndiskrimineitbi, niet onderscheidend, zonder onderscheid. Undisgraced, nndisgreist, niet onteerd. Undisguisable, nndizgaizab l, niet te vermommen; Undisguised = onvermomd, openlijk. Undi»heartened,Bndïs/jöi'/?t/, niet ontmoedigd. Undishonoured, x.ndisonad, niet onteerd. Undismayed, vndizmeid, onverschrokken. Undisplayed, v.ndispleid, onontplooid. Undisposed, vndispouzd, niet geneigd, niet verkocht, ongeschikt. Undisputed, vndispjütid. onbetwist. Undissembled, v.ndisemh'ld, ongeveinsd, eerlijk, oprecht = \]n dissembling. Undissolved, vndizolvd, niet opgelost of gesmolten, niet verbroken. Undistinguished, vndistirigwist, niet onderscheiden, niet met eerbied behandeld, niet uitstekend, onberekenbaar, onverklaarbaar r Undistinguishing = niet onderscheidend. Undistorted, vndistötid, onverwrongen. Undistracted, v.ndistraktid, niet verstrooid of afgeleid; Undistracting = niet afleidend. Undistributed, v.ndistribjutid, niet verdeeld. Undisturbed, vndistvbd. ongestoord, kalm. Undividable, vndivaiddb'l. on(ver)deelbaar; Undivided â onverdeeld, geheel. Undivorced, vndivöst, niet gescheiden. Undivulged, v.ndivnldzd, niet bekend, niet openbaar of ruchtbaar gemaakt. Undo, vndü, te niet doen, vernietigen, ophelfen, losmaken, bederven: 1 am âne = ik ben geruïneerd; Don't â what I taught him = bederf niet wat ik hem geleerd heb; He left the thing âne = onafgedaan; âer, vndüo,. tenietdoener, bederver, verwoester; â ing = ondergang, vernietiging. Undomestic, vndamestik. niet huiselijk: âa.ted |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; t/ear \ong = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhus; wine.
: j 10
UNEXPOUNDED.
528
UNDOUBTED.
|
= niet getemd of aan den mensch onderworpen. Undoubted, vndautid. ongetwijfeld, ontwijfelbaar, zonder vrees; Undoubting = niet twijfelend of aarzelend, vol vertrouwen. Undowered, vndatiad, zonder bruidschat. Undrainable, onuitputtelijk; Un- drained = niet droog gelegd, gevuld. t'ndramatieial^imrframa^At'O, ondramatisch. Undrape, vndreip, de draperie wegnemen; âd = niet gedrapeerd. Undrawn, vndrón, niet geteekend of beschreven. Undreaded, vndredid, ongevreesd. Undreamed, vndrimd, Undreamt, vndremt, niet gedroomd: Dangers â ol' before = gevaren die men zich vroeger niet had voorgesteld. UndreHS, vndres, négligé, klein tenue. UndresH, vndres, ontkleeden, ontzwachtelen, ontdoen van; âed = ongekleed, niet toebereid of gekookt, niet opgemaakt, ruw. Undrted, vndraid. ongedroogd. groen. Undrilled. vndHld, ongeoefend. Undrinkable, vndrinkoUl, ondrinkbaar. Undriven, vndriv'n, niet voortgestuwd. Undrooping, vndrüph\, niet vertragend. Undue, vndjü, ongepast, onwettig, niet door het recht geëischt, overmatig; Unduly. Undulate, â ondjulit, adj. golvend: âverb. (»n-djuleit) golven, kabbelen; Undulating = golvend, trillend: Undulation, vndjuleiè'n, golving, krassend geluid(muz.); Undulatory, nndjuleitdri, golvend: Undulatory theory = golvingstheorie (licht). Undutifnl, vndjütiful.ongehoorzaam; âneaa. Undying, vndaiin,, onsterfelijk, eeuwig: It reflects â lionour cm you = het strekt u eeuwig tot eer. Unearned, vnnnd, onverdiend: â inrrenient = vermeerdering van de waarde van den bodem zonder eenigen arbeid van of kosten voor den eigenaar. Unearth, vniith, opdelven, opgraven, aan het licht brengen: Shall we ever succeed in âing him? = zullen we hem ooit opsporen; 1 âed this trom an old newspaper = ik heb dit uit eene oude courant opgediept; âly = niet van de aarde of de wereld. Uneasiness, vnizines, ongerustheid, angst: You have given me much â; Uneasy = niet op zijn gemak, rusteloos,angstig, knorrig: Don't be uneasy about him = maak u over hem niet ongerust. Uneatable, vnttdb'l, oneetbaar; Uneaten = niet gegeten, niet vernietigd. Uneclipsed, eniklipst, niet verduisterd. UnedHied, vnedifaid, niet gesticht; Unedifying = onstichtelijk. Uneducated, vnedjukeitid, onopgevoed, onwetend, ongeletterd. Uneflaced, v.ndf'eist, onuitgewischt. Uneflectual, vnafektjudl, niet krachtig. Unelastic, vni las tik, niet veerkrachtig. Unemanclpated, vnimansipeitid, niet vrijgemaakt of geëmancipeerd. Unembalmed, -endmbdrnd, ongebalsemd. Unembarassed, vnombardst, niet verlegen, onbelemmerd, onbezwaard. Unembodied, vnombodid, niet belichaamd, van 't lichaam ontdaan. Unembroidered, v.nambróiddd, ongeborduurd. |
Unemotional, vnimouëdrtl, zonder aandoening of gevoel. Unemphatic(algt;, vndmfatikCl), zonder klem. Unemployable, vnamplóidWl, niet te gebruiken; Unemployed = niet gebruikt, zonder werk: The unemployed = de werkloozen. Unempowered, vnsmpaudd^ niet gemachtigd. Unemptied, vnemtid, niet geledigd. Unenclosed, andnklonzd, niet ingesloten, open. Unencumbered, vnankDmbdd, onbezwaard. Unendeavoiiring, nnandevori^ niet pogend. Unending, vnendiT], eindeloos. Unendowed, vnsndaud, niet begiftigd of begaafd. Unendurable, â endndjürdiïl, onduldbaar. Unenervated, vnenaveitid, onverzwakt. Unengaged, vnangeidzd, vrij, niet gebonden. Unenglish, vninglië. onengelsch. Unenjoyed, v.nandzóid, niet genoten. Unentered, vnented, niet opgeschreven. Unenterprising, vnentdpraizin, niet ondernemend. Unentertainiiig, vnejitdteinin,, niet onderhoudend, vervelend; âness. Unentliralled, v.nznthróld, niet onderworpen. Unentombed, vnantfimd, onbegraven. Unenviable, vnenvjdb'U niet benijdbaar; Uilen vied, vnenvid, onbenijd; Unenvious, vnen-vjds, niet jaloersch. Unequable, vnfkwdUl, niet overeenkömstig; Unequal, vnikw'l, subst. en adj. ongelijk(e), onvoldoende, niet opgewassen: He is unequal to that task = niet berekend voor; Unequalled = ongeëvenaard. Unequipped, vnikwipt, niet toegerust. Unequivocal, vnikwivdk'l, ondubbelzinnig, duidelijk; âness. Unerring, vnvrin,, onfeilbaar. Unescapable, vndskeipdbl, onvermijdelijk. Unessayed, vndseid, onbeproefd. Unessential, vrwsenamp;l, adj. en subst. (gew. meerv.) niet wezenlijk ofabsoluutnoodig (iets). Uneven, vntv'n, ongelijk, oneffen, onbillijk, ongestadig, oneven; âness. Uneventrul, vniventful, onbelangrijk. Unexaggerated, vndgzadzdreitid, niet overdreven. Unexamined, vndgzamind, onbeproefd, niet onderzocht. Unexampled, v.nogzdmp'ld, voorbeeldeloos. Unexcelled, vndkseld, onovertroffen. Unexceptionable, vndksepëdndUl, zonder fout of aanmerking; âness. Unexcited, vndksaitid, niet opgewonden, onopgewekt. Unexcïuded. vndkskltidid, niet buitengesloten. Unexecuted, tmeksikjütid, niet uitgevoerd, ongezegeld, ongeteekend. Unexhausted, v.nagzhóstid, onuitgeput. Unexorcised, üne/csö.saizrf, niet uitgebannen. Unexpected, vndkspektid. onverwacht; âness. Unexpended, v.nakspendid, niet uitgegeven. Unexperienced, vndkspiridnst, onervaren. Unexpired, v.ndkspaidd, niet afgeloopen. Unexplained, vndkspleind, onverklaard. Unexplored, vnaksplöd, niet doorzocht. Unexplosive, vnaksplousiv, niet losbarstend. Unexposed, v.ndkspouzd, niet blootgesteld, beschut. Unexpounded, vndkspatmdid, onverklaard. |
man; ask = Ask; farm = fam; bwt = but; learn = Iwn; line = lain: howse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = Id; lord = löd; hoy = ból;
UNEXPRESSED.
529
UXGIRD.
|
I nexprenwed, vnaksprest, niet uitgesproken: {Jnexpressive = niet krachtig. Vnexpurgated. vrwksptigeitid, ongezuiverd, niet gecastigeerd (van letterk. werken). VnextiiiguiHliable, v.ndkstinlt;iwièr'b' L onuit-bluschbaar; Unextinguished = onuitgebluscht. lTne\traeted, vndkstrmktid, niet (uit)getrokken. In faded, vnfeidid, onverwelkt: Unfading = onverwelkelijk. Vnrailiiij^, vnfeilin, onfeilbaar, zeker. quot; Vu fair. vnfêd, partijdig, onoprecht. Ijifaithful, vnfeitlifnl, ontrouw, verraderlijk, trouweloos; â ness. Vu tallen, vnfêVn, niet gevallen. Vnfallilile, nnfalilfl, onfeilbaar. Viifaltering, vnféltsrin^ niet aarzelend. Viirained, vnfeimd, onberoemd, onbekend. Vnramiliar, wifomiljd, onbekend, vreemd; âity, v.nfamiljariti, ongemeenzasimheid. VnlaWiiiated, vnfasineitid, niet 'bekoord. VnlaHliionable, niet naar de mode of in den vorm: âiieM»; Viifaflliioned, vn-fas'nd, vormloos, ruw, lomp. VnlaNten, vnfAs'n, losmaken. Vnfatlierly. vufddkati, onnatuurlijk. Vnratlioinable, imfadhamdjl, onpeilbaar; âiieH«; Vnfathomed = ongepeild. Viifati^ued, xsnfatigd, onvermoeid. V nfavonrable. vnfeivarah' I, ongunstig; âiie»«. Vnfeared, vnfiod, ongevreesd: l'nfearing = onbevreesd. Vnfeatliered. nnfedihdd, ongevederd. Vu fed, vnfed. ongevoed. Vnfeed, vnfid, onbezoldigd, onbetaald. Vnleeliiig:, tnifilin, ongevoelig, wreed: âhchm. Vn reigned, vnfelnd, ongeveinsd, oprecht; âness; l iifVigniiiK = oprecht, echt. Vnfelf, vnfelt, niet gevoeld. Vnieiniiiiiie, vnfennnin, onvrouwelijk. Vnfenced, vnfenst. onbeschut, niet omheind. Vnrerinented. TBnf.wie.ntint, ongegist. Vn fertile, vnfutil, onvruchtbaar. Vn fetter, nnfetd, ontboeien, ontketenen. Viifi^nred, vnfigjad. geen vorm voorstellend, zonder vorm of gestalte. Vnfiled, vnfaild. ongepolijst, ongevijld. Vnfllial, vnfilfl, onkinderlijk. Vnfilled, nnfild. ongevuld. Vnflnislied, imfinièt, onvoltooid; l 'nfinishing = niet afwerkend of voltooiend. Vnlit, vnfit, ongeschikt, onbekwaam; ânews. âted; âting = ongepast, niet passend. Vnfl\, onfiks. losmaken, onvast maken; âed = los, zwervend, onzeker, doelioos. Vnflagging, unflagii\. niet verslappend. Vnflaxved, vnfléd, zonder scheur of reet. Vnfledged, nnfledzd. zonder veeren, onrijp, ontijdig, jong. V nfleslied, vnfleèt, ongeoefend (v. jachthonden), niet van vleesch voorzien. Vuflinehine;, vnflinëh\, onvermoeid, onverschrokken. Vnfold, wnfould, ontvouwen, uitspreiden, openbaren. uit de (schaaps)kooi laten; âing = mededeeling, openbaring. Vnfollowed, 27n/b2oMd, onverzeld, niet gevolgd, i'nfool, nnfiïl, van dwaasheid genezen, het scheldwoord ,,/oor terugnemen. Viiforbearing. vnföbêrin, niet toegevend. Viiforbid(deii), v.nföbidCn). niet verboden. bone = bonn; full; fool = tul; a = toonloc Hong = loi^; s/iip = wip: occasion = okeii'n: ten BRUGGENCATE, Eng. Woordenboek. |
I n forced, vnföst, ongedwongen, natuurlijk, bevallig, trapsgewijze. Vnlordable. vnföddb'l, niet doorwaadbaar. Vnforeknown, vnfönoun, onvoorzien = Unforeseen. l nforewanied, vnföwönd.nietgewaarschuwd. Vn forfeited, vnföfitid, niet verbeurd. Vnforgetful, vnfdgetful. niet vergeetachtig. Vnforgiven, nnfdgiv'n, niet vergeven; Xlnfor-giving = niet vergevend of vergevensgezind. Vnforined. vnfömd, ongevormd, ongeschapen: â stars = geïsoleerde, niet gegroepeerde sterren. Vn forsaken, vnfdseik'n, niet verlaten. Vnfortiiied, vnfötifaid, onversterkt, zwak. l'nfortiinate, nnfötjunit. ongelukkig. Infostered, nnfostdd, niet beschermd of gekoesterd. l'nfonglit, mifót, niet be- of gevochten. Vnfonled, vnfauld, onbevlekt, rein. Lnfonnd, unfaund, niet gevonden. Vnfonnded, unfaund id, ongegrond. Vnfragant, vnfreigrnt, ongeurig. Vnfranied, vnfreimd, ongevormd, onomlijst. Vnfranrliised, vnfranéaist, niet vrijgemaakt. Vnfree(d), vnfri(d), onvrij, onbevrijd. Vnfreeze, mifrtz. smelten, ontdooien. Vnlïcquent, vnfrikw'nt, ongewoon, zeldzaam. Vnfre(|uent, vnfrikwent, niet meer bezoeken: âed = onbezocht. Vnfriend, nnfrend, vijand, tegenstander; âed. imfrendid, onbevriend, ongesteund; â ly , vnfrendli, onvriend(schapp)elijk, ongunstig, vreemd. Vnfroek, nnfrok. ontkleeden. onthelfen, ontzetten v. priesterlijke betrekking en rechten. I nfrozen. vnfrouz'n, onbevroren. l'nfrngal. nnfrüg'l, onmatig, niet zuinig. Vnfriiitfnl, vnfi-ütful, onvruchtbaar, ijdel, nutteloos; âness. l'nfnlfilled, vnfulfild, onvolbracht. Vnfunded, mifvndid, zonder (waarborg)fonds. I n furl, anfnl, ontplooien, losgooien. ViifurniMiied, vnfnnièt. ongemeubileerd, ledig, l'nfurrowed, onfnroud, ongerimpeld, zonder voor of greppel, glad. I nfiiNed, nnfjüzd, ongesmolten. Vngained, nngeind, nog niet gewonnen, verkregen. Vngainly, nngeinli, lomp. ongunstig. Vngallaiit, vngelant, onhotTelijk. i'ngalled, vngóld. ongewond, ongedeerd. Vngarbled, ungiib'ld, onverknoeid. l'ngarniHlied, nngiiniM, niet getooid. LngarriHoned, vngariz'nd, zonder garnizoen, l'ngartered, vngütdd. zonder (de orde v. den) kouseband. l'ngatliered, vngadhod, niet verzameld. Vngeneratlve, vndzendre'itiv, niets voortbrengend. Vngenerons,wnrfrcnar3s, onedelmoedig, onedel, onvriendelijk. Vngenial, hndzinfl, ongunstig (voor den groei, b.v.), onaangenaam, niet v. denzelfden aard. ; l'ngenteel, vndz'ntil, onbeleefd, lomp. Vngentle, vndzenVl, onzacht, ruw; âness. l'ngentlenianlike, vndzenVlrrtnlAik, onwellevend, plat = ingentlemanly; âness. i Vngifted, vngiftid, niet begaafd. 1 Vngird. vngtïd, losgorden, losmaken. vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; lin: thus = .db^s: wine. 34 |
UNIMPROVABLE.
530
UNGLAZED.
|
I nglazed, vnyleizd^ zonder glas of ruiten, riiglove, vnglnv^ de handschoenen uitdoen; âa = zonder handschoenen. Unglue, nnglü, losmaken (v. iets gelijmds). Unloaded, unyondid, niet geprikkeld. Ungodlv, ongodli, goddeloos, zondig, onheilig; i'ligodliiiesH. l'ngored, vngöd, ongewond, onbebloed. Ungovernable, vnguvandb l, niet te besturen, losbandig, ontembaar; L' ngoverned, vngnv'nd, onbeteugeld, anarchistisch, losbandig. Ungraced, vngreist, niet getooid of versierd, l'ngraeeful, rmgreisful, onbevallig, lomp: âness; Ungraeioii», vngreiées, onvriendelijk, onaangenaam, ruw. l'ngrammatical, vngrdmatik'l, niet grammatisch. I'ligraspable, vngramp;spdh'l, niet te grijpen, onbegrijpelijk. tiigrateliil, vngreitful, ondankbaar; âness. f ngratilied, vngratifsLid, onvoldaan. I ngregaricius, vngrigêrids, niet in kudden of troepen levend, ongezellig. Ungrounded, vngraundid, ongegrond. Ungrowu. vngroun, niet opgegroeid, onrijp. Ungrndged, imgrodid, gegund; Ungrudging = edelmoedig, vrijgevig. Ungual, vngWl, van of met klauw of hoef = Unguical, migwikl; Unguieiilated, vr^gwi-kjnl{e)it{id), met klauwen, klauwvormig = Lnguiform, nngwifóm: Unguis, nnguns. klauw, hoef, nagel; Ungula, »gt;lt;.77///lt;?, (paarde)-hoef; Ungulate, vngjulit. hoefvormig, met hoeven = UnguloiiH, nr\gjnl9S. Unguarded, vngüdid, onbewaakt, onbezonnen, zorgeloos: In an â mouient. Unguent = vngw'nt, zalf, smeersel; Ungiiin-ou», ttngwinds, zalf-, olieachtig. UngueHHed, vngest, niet geraden of vermoed. Unguided, ungaidid, niet geleid of geregeld. UnTiabituated, lenhabitjueitid, niet gewend. Unbacked, vnhakt, ongehakt, niet verstompt, ^aaf. I nhaekneyed , nnhaknid, niet afgezaagd, frisch. Unbailed, vnheild, niet aangeroepen. Unbair, vnhêo, van haar ontdoen. Unballowed, nnhaloud, onheilig, ontheiligd. Unliand, unhand, loslaten; âsome = leelijk, moeilijk, lastig, ongelukkig, niet roijaal, onaangenaam: âsoinenes»; ây = onhandig, niet van pas; âine»». Unhang, miliary, afhangen (van deuren of vensters), van behang of draperie ontdoen: âed, Unhung = niet (op)gehangen. Unhappy, onhapi, ongelukkig, rampzalig, vol streken:* He i» â (not blewt) in bi» ebildren = ongelukkig met; Unhappine»». Unhai'a»»ed, vnharasU ongekweld. Un hardened, â onhüd'nd, niet gehard of verhard. Unharmed, vnhümd, onbeschadigd, ongedeerd. Unharinoniou», vnhamounias, onwelluidend. Unharne»», vnhönds, het tuig afnemen. Unhasting, vnhei8tir\, zonder te haasten. Unhatehed, nnhatét, onuitgebroed, niet gerijpt of aan het licht gekomen. Unhazarded, Dnhazddid, ongevraagd. Unliealable, nnhtldbl, ongeneeslijk. Unhealthy, on/lt;e^/H, ongezond, schadelijk (nooit van spijzen of dranken): UnhealthinesH. |
Unheard, vnhüd, niet gehoord: â ol'erueltie» = ongehoorde- wreedheden. Unheated, nnhitid, onverhit. Unheeded, onhiilid, verwaarloosd, achteloos, zorgeloos = Unheeding, nnhidir^. Unhelmet, onhelmat, v. d. helm ontdoen. Vnhelpett, vnhelpt, niet geholpen; Unhelpful = onbehulpzaam, hulpeloos. Unhe»itatiiig, vnheziteiti)], vaardig, niet aarzelend. Unhewn, onjtïn, ongehouwen, ruw. Unhidden, vnhicTn, niet verborgen, overholen. Unhindered, vnhinddd, onbelemmerd. Unhinge, onhinz, uit de hengsels lichteiiy overhoop gooien, in wanorde brengen: She wa» nervou» and âd = zenuwachtig en zichzelf niet. Unhistorictal), xmhistorikCl). niet geschiedkundig, fabelachtig. Unhiteh, vnhits, loshaken, vrijmaken. Unholy, vnhouli, onheilig, goddeloos,, onrein. Unholiiie»». Un honoured, vnoned, ongeëerd. Unhook, vnhuk, loshaken, losmaken. U11 hoop, vnhüp, v. hoepels ontdoen. Unhoped,igt;///lt;oif/gt;f,ongehoopt: â IbraecidentN-= onverwachte gebeurtenissen; Unhopeful = niet hoopvol, hopeloos. Unhorned, imhönd, ongehoornd. Unhorse, vnhös, de paarden uitspannen, vaik het paard werpen. Uiiliung, vnhan, imp. en pp. van to unhang* Unhurt, vnhot, ongedeerd, ongekwetst; âing = onschadelijk. Vnia\{\)i\\Jütiiak8(s)dl, uit ééne as ontwikkeldw Unieelliilar, jnniseljifl,*, ééncellig. Unieorn, jünik'ón, éénhoorn; Sea â =â narwal; âons, Junikënds, éénhoornig. Unilaeial, jünifeié'l. met ééne voorzijde. Unifier, jünif'aid. veróéner. I niflorous. Juni {ld ras. érnbloemig. Uiiifoliar, juni foulJd, éénbladig. Uniform, jtïniföm, subst. uniform; ad*-éénvormig, onveranderlijk, homogeen; âity. junifömiti, éénvormigheid,.éénparigheid, overeenstemming, gelijkheid. Unify, Jrtm/ai, veréénen, tot één maken. Unilabiate, jxmileibjit. éénlippig. Unillustrative, vnilnstrdtiv, niet verklarend. Unimaginable, vnimadzinobH, ondenkbaar; Vnimagined = onbegrepen. Unimpaired, vnimpêdd, ongeschonden, onverzwakt. Unimpassionate, vnimpaSsnit, onhartstochtelijk; Vnimpassioned = kalm, rustig. Unimpeaehable, vniuipitsaVl, zonder blaam; âness = vlekkeloosheid; Vnimpeached = onbeschuldigd. Unimpeded, vnimpidid, ongehinderd, open. Unimplied, vnhnplaid, niet besloten, niet volgende uit. niet vanzelf sprekend. Uilimportant, vnimpöt'nt, onbelangrijk. Unimposing, vnimpouzin, geen indruk makend, vrijwillig. Uiiimpressionable, vnimpreësnab'l, niet voor indrukken vatbaar; Unimpressive = weinig-indruk makend. Unimprisoned, vnimpriz'nd, niet gevangen. Unimprovable, vnimprAv.ib'L onverbeterlijkr onbetrouwbaar: Unimproved = onverbeterd- |
man: ask = ask: farm = fam: bflt;t = b«t: \earti -- hm: 1/ne = lain: house = haus; net; care = kèd; fate = feit; tin: asleep = aslip; not; law = ló: lord = lod; hoy = bói;
UNLICENSED.
531
|
onbebouwd; Xjnimproving = geen vorderingen makend. I iiincloHed. vninklouzd, niet omsloten. I nindebted, vnindctkL zonder schulden. I niiilected, vninfektid, onbesmet; l'ninfer-tiouH, uninfekêds, onbesmettelijk, l iiinllueiired. vninftudnst. niet uit vooroordeel of invloed voortkomend; l'niiiniieiitial, Bn/X-flKensdl, zonder eenigen invloed, l iiiiilbrmefl, aninföhid, niet onderricht, l'iiinhabitable, v.ninhabitdb'l, onbewoonbaar; âiieH«; Uninhabited = onbewoond, i'iiinitiated, vniniêeitid, oningewijd. In injured, vninzdd, onbeschadigd; l iiiii|ii-riouH, xmindzürtDS, onschadelijk, l'iiinspired, vninspaidd, niet bezield. I niiiHtriicted, vninstroktid, niet onderwezen: {JnUistructive = niet leerzaam. l'iiiiiHiirelt;l, v.ninèüdd, onverzekerd. I iiiiiteilectuai. v.nintdlektjudl, niet verstandelijk; l'niiitelliKeiit, vnintelidz'nt, dom, onkundig. l'iiintelligible. v.nintelidziUl, onverstaanbaar, onbegrijpelijk; âiichh = Xlnintelligibility. I iiiiitenilcd. vnintendid, niet bedoeld, zonder opzet; l iiinteiitifHial. v.nintenè.iri'l, onopzettelijk. l iiintereHted . vnintarestid, geen belang hebbend bij, onbaatzuchtig, onbemiddeld; Un-interestiny = niet belangwekkend, saai. l'iilnterinitted. â¢enintamitid, onafgebroken. i'iiiiiter|ioiated, vnintnpdleitid, niet tusschen-gevoegd. I niiiterpreted, vnintiïpratid, niet vertolkt of vertaald. i ninterred, vnintód, onbegraven, i'iiinterriipled, vnintwvptid, onafgebroken, voortdurend. l'ii int rod uc-ed, vnintrddjust. niet voorgesteld, zich opdringend. I niiiveHted, vninvestid, niet belegd (v. geld), l'niiivited, vninvaitid, ongenood; IJninviling = niet ajinlokkelijk. I iiinvoked, aninvoukt, niet ingeroepen, l ui», jüniou, genus verschwater-mossel. I iiion. jünfn, vereeniging, verbond, twee of meer kerspelen tot één vereenigd ter uitvoering van de armenwet, arbeiders- of werkmans-vereeniging. werkhuis van eene â, devies van eene vlag met de kruisen v. St. George, St. Andrew en St. Patrick, vlag met deze kruisen = âjack; âworklionse = armen-of werkhuis van eene â: âimiii = vereeni-gingsstelsel (van werklieden, etc.), stelsel tot instandhouding der unie v. Groot-Britanje met Ierland; âist = lid van eene â. I niparoiiH, .//mi/wn?s, één jong barend, l iiique, junik, éénig, ongeëvenaard; ânes». I niMerial, jnnisiri,)!, van eene reeks. I iiiHexual, jimiseköudl, éénslachtig. I iiison, jiinis'n, overeenstemming, harmonie, accoord : In I nit.jrtnif, éénheid, één ding of persoon; âary = tot eene éénheid behoorende. I nitiirian, jiinitêrien, subst. geloover in één God; adj. met dit geloof verbonden; âiHin. l nite,./fmai(, vereenigen,toetreden, één worden: âd = verbonden, vereenigd (to = met): âd State» of America = de N.Am. Unie; The âd Provinces = de Vereenigde Provinciën: âlt;1 Brethren = Hernhutters: âr; l'nity, |
i éénheid,overeenstemming: This couple, though living in iniion, does not live in unity = al leeft dit paar samen, ze leven niet in overeenstemming: The three unities = de drie (dramatische) eenheden (nl. van tijd, plaats en handeling). I nivalve, jilnivalu. subst. en adj. éénschelpig (weekdier); âd = Vni valvular. l'niversal, jünivvsl, subst. en adj. algemeen(e voorstelling,opmerking): â snflnige = algem. stemrecht; The general, though not â opinion = de meening v. velen, schoon niet van allen; âity = jnnivDsaliti, algemeen-i heid; LTniverse, Jünivi:s, heelal; i'nivcrsity. ' jnnivnsiti. het geheele heelal, corporatie, ! hoogeschool. I nivocal. Junivdkl. gelijkluidend, zeker. i i njaiiiidiccd, nndzóndist, onbevooroordeeld, l'njoin, vndzóin, scheiden. I njoint, vndzoint, ontwrichten; âed = onsamenhangend, zonder gewrichten, l'njudgcd, nndzvdzd, niet veroordeeld of i gevonnist. rnjiist, andzvst, onrechtvaardig, onbillijk. l n|ustiliah!e, vudzxtstifaLib' 1, onverdedigbaar, | niet te rechtvaardigen; âness; l iijustilied, | vndzvstifaid, ongerechtvaardigd. l'nkeint, tmkemt, ongekamd, ongelikt, rnkennel, vnken'l, uit het hok of hol jagen, i'nkept, onkept. niet onthouden, niet gehoorzaamd, niet gevierd. l'nkernelled, tmkmild, zonder pit. I nkind, mikaind, onnatuurlijk, onvriendelijk, wreed; âly = onvriendelijk, onnatuurlijk; âness; âliness. Inking, nnkin, onttronen, afzetten: âlike, -ly = niet koninklijk. l'nliink, vnkink, losmaken, rekken (one*s muscles). l'nkissed. vnkist, zonder kus. l'nknightly, vnnaitli, onridderlijk. l'nknit, vnnit, uithalen (v. breiwerk), glad-j strijken (v. voorhoofd, b.v.), scheiden. l'nknowable,wnnoii^67, onnaspeurlijk: The â i = de Ondoorgrondelijke; Unknowing = on-1 wetend, onkundig; Unknown = onbekend, onberekenbaar, onmetelijk. l'nlahoured, rmleibdd, onbewerkt, natuurlijk, gemakkelijk, onbebouwd. l'nlace, nnleis. losrijgen, ontkleeden. l'nlade, vnleid, ontladen, lossen: ân. I nlaid, vnleid, niet gelegd, niet bepaald, niet bezworen, niet afgelegd (met out. v. een lijk), l'nlamented, vnlomentid, onbetreurd. I nlatch, vnlatS, openen «door de klink op te lichten): âed = niet op de klink, l'nlavished, vn lavièt, niet verkwist. I nlawlul, nnlóful, onwettig; âness. l'iilearn, nnltin, verleeren, aileeren; âed. nnhtnid, adj. onwetend, ongeleerd (het part. v. Unlearn wordt nnlvnd gesproken), l'nleash, vu lis, loslaten (tegen = upon). I'nleavened, vnlev'nd, ongezuurd. i'nled, vnled, zonder leiding. I nless, vnles, tenzij, indien niet. l'nlessened, vnles'nd. onverminderd. I'nlettered, vn let ad. ongeletterd. I'nlevelled, vnleifld, niet glad of gelijk, i'nlicensed, tmlaisonst, zonder patent. |
bone = boun; full; fooi = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; year = jia; long = loij: ship = sip: occasion = okeii n: thin; thus = dims: wine.
34*
UNOFFENDED.
532
UNL1GHTED.
|
i nliglited, vnlaitid, niet aangestoken of verlicht. Unlike, vnlaik, ongelijk: âly = onwaarschijnlijk; âliliood = onwaarschijnlijkheid; âlines» = onwaarschijnlijkheid, ongelijkheid; ânew». Unlimited, vnlimitid. onbegrensd, onbeperkt, vrij : An â concern = onderneming, welker aandeelhouders niet alléén voor hunne aandeden, maar voor alle verplichtingen aansprakelijk zijn. Vnlink. onlii\k, ontschakelen, losmaken, i nliquidated, vnlikwideititl, onvereüend. L'nlively, vnlaivli. niet levendig, suf. Unlnadjim/oifrf, ontladen, ontlasten, zijne geldswaardige papieren of goederen verkoopen. Unlock, wnZofc, ontsluiten; âed = niet gesloten. Unlooked lor, vnlnktfö, onverwacht. Vnloimedi). vnlüsCn), losmaken, vrijlaten. i'nlovable^H/wï^öV.nietbeminnelijk; Unloved = niet bemind; Unlovely, vnlwli^ onbeminnelijk; Unloveline»»;*/'n/ovinr/ = niet liefhebbend. Unlubricated,»n/uigt;riA-eii/lt;/, niet glad gemaakt. Unlucky, unlvki, ongelukkig, onvoorspoedig: It was an â party = ,.parti manquéquot;; UnlnckinewH. Unmade, nnnieid* ongemaakt. Unmaidenly, vnmeid'nli, ónmaagdelijk. Unmanned^ vnmeimd, onverminkt. Unniakable,on/gt;te£A^67,onmmkbaar; Unmake, tmmeik, bederven, vernietigen, ongeschikt maken, afzetten. Unmalleable, imtnalj.il/1, onsmeedbaar; i'n-mdiUeabHity. Unman, nnman, ontmannen, ontmoedigen, van manschappen of troepen ontblooten. Unmanageable. vnmanidtib,l, onhandelbaar. Unmanly, vnnianli, onmannelijk, lafhartig; Unmanliness. Unmannerly, vnmandli, ongemanierd, lomp. Unmaiitle, 'nnmanVl. ontmantelen, onttakelen (a lort re mm, a room). Unnianiired,vnm.9»?.ytlt;ad,onl)emest. onbebouwd. Unmarkeil, vnmiikt, onopgemerkt. Unmarketable, vnmdkdtoVU onverkoopbaar. Unmarred, nnmiid, onbedorven. Unmarriable, onmarjab'l, niet huwbaar; Unmarried, vnmarid. ongetrouwd. UnmaHk, vnmösk, het masker afleggen, ontmaskeren; âed = ontmaskerd. Un mastered, immAstad. onbedwongen. UnmaHticable. vnmastikabl, niet kauwbaar. Unmatclied, immatèt, ongeëvenaard. UiimeaniiiK, vnminir^. niets beteekenend, zinloos; âness; Unmeant, mimen*, onbedoeld. Unmeasnrable. nnmezdrah,l, onbegrensd, onmetelijk; Unmeasured = onbegrensd, ongemeten. Unmeddled, tmmed'ld, onaangeroerd (with). Unmeditated, vnmediteitid, onoverdacht. Unmeet, vnmit. ongepast, onvoegzaam. Unmellowed, nnmeloud. nief geheel rijp. Unmelodioiis, rsnmdloudjds. wanklinkend. Unmentionable. wnmcnsi»Jt'ö7, niet noembaar; âs = broek; Unmentioned = onvermeld. Unmercantile, immiïk'ntml, niet overeenkomstig de handelsusantiën. Unmerciliil, nnmiisiful. onbarmhartig, wreed, buitensporig; âness. |
Unmerited, rmmerllid, onverdiend. Unmetallic. v.nrndtalik, niet de eigenschappen van metaal hebbende. Unmilitary, vnmilitdri, niet militair. Unmilkedl vnmilkt, niet gemolken. Unmilled, nnmiid. niet in een molen geplet. Unminded, onmaindid. niet behartigd, achteloos; Unmindi'ul of bis promise = niet denkende om zijne belofte. Unmingled. Dnmiï\g'ld, onvermengd, zuiver. I iiniissed, immist, niet gemist of verloren. Unniistak(e)able, v.nmisteikdb'l, onmiskenbaar; Unmistaken = zeker, bepaald. Unmitigated, onmitiijeitid, niet verzacht of verminderd, onredelijk. Unmixed, nnmikst, onvermengd. Unmodifiable, vnmodif-aSab'l, niet voor wijziging vatbaar; Unmodified = ongewijzigd, zonder verandering (van klinker). Unnioistened, vnmóist'nd, niet bevochtigd. Unmolested, v.nmdlestid, ongestoord. Unmoor, vnmiïd, van de ankerplaats losmaken, het anker lichten. Uninortga^ed, vnmögidzd, onbezwaard. Unmotlierly, vnmvd'hdli, niet moederlijk. Unmoiilded. vnmouldid. ongevormd. Uninonnted, vnmauntid, onbereden, niet te paard, niet gemonteerd (v. teekeningen). Unmoiirned, vnmönd, onbetreurd. Unmov(e)able. vnmüvdb'l, onbeweeglijk; Un-moved = onbewogen, ongeschokt, ongeroerd, koel,standvastig; Untnoving = onaandoenlijk, bewegingloos. Unmiil'lle, rnmnfU ontblooten. UiimiirmiiriiiK, vnmvmd7Hr\. zonder morren. Unmusical, vnmjüzik'l, onwelluidend, niet muzikaal. Unmntilated, onmjutileitid, onverminkt. UnmnzKle, vnmnzJl, van muilkorf ontdoen, van dwang bevrijden. Unnamed, tmneimd, ongenoemd, zonder naam. Unnatural, rniatjdr'l. onnatuurlijk, gedwongen, gemaakt, onmenschelijk; âness. Unnavig;ated, nnavigeitid, onbevaren. Un necessary .'üwc,sas'n, noodeloos= l'nnecessitated. vnisesiteitid, niet geboden door de omstandigheden. Unnesotiable. vn-nigouèdlfl, onverhandelbaar. Unneigbboiirly. nnneibdli. onbuurschappeüjk. Unnerve, rmntiv, ontzenuwen, verzwakken; âd. Unnoted,vnnoutid.onopgemerkt; Unnoticed. nnnontist, onopgemerkt, verwaarloosd. Unnumbered, nnnnmbdd. talloos, ongeteld. Unnutritious, r.rrjntrisds, niet voedzaam. Unobeyed, v.nobeid. niet gehoorzaamd. Unobjectionable, vnabdzekSandbl, onberispelijk. Unobliging, vndb laid zin, onvriendelijk. Unobscured. vndbskjiïdd, onverduisterd. Unobservable, vnobztivdb'l. niet waarneembaar; [Jnobservant = onoplettend; Unobserved = niet waargenomen; Unobserving = achteloos. onoplettend. Unobstructed, Mndbstrnktid, onbelemmerd. Unobtainable, vnobteindb'l, onverkrijgbaar: 1 {] nob tain ml niet verkregen. 1 Unobtrusive, vnzbtnlsiv, bescheiden. Unoccupied, nnokjnpaid, onbezet. I Unoffeiided, v.mfendid. niet beleedigd: Un |
man; ask = Ask; farm = fiim; bwt = but; learn = Ion; line = lain; hemse = haus; net; care = kè»; fate = feit; tin; asleep = dslip; not: \atu = lo; lord = liid; hoy = boi:
UNPROVIDED.
ÃNOFFERED.
|
olJ'entlirig = niet beleedigend, onschadelijk = l nofleiiHive, vnaf'ensiv. I nu lie red, onofdd. niet aangeboden. i iiot(if-ial, v.ndfiè'l, niet ambtelijk. i'nupeiied, vnoup'nd, ongeopend, dicht; Un-opening = gesloten blijvend. l'noppuMed, vridpouzd, niet betwist, l'iiorganized, Hnögonaizd, onbewerktuigd, l'iioriglnal, vndridi'ui'ly niet oorspronkelijk, afgeleid. l'iioriiaineiital, vnöiwmenfly eenvoudig; i'n-oriiaiiiented, vnönamentid, onversierd. I northodux, vnöthddoks, kettersch. l'noHteiitatioiia, miosVnteiéds, zonder praal of vertoon, eenvoudig, bescheiden. Unowed, vnovd, zonder eigenaar, niet schuldig; i'iiowned, vnound, zonder eigenaar. Liipacilied, mipasifdiUl, onbevredigd. l'npack, vnpal;, ontlasten, openen. l'npaid, vnpeid, onbettuild, zonder salaris: The great â = de niet bezoldigde magistraatspersonen, enz. l'npaired, vnpêad, ongepaard. i'iipalatable, vnpaldteb% onsmakelijk, onaangenaam. l'iiparalleled, tmparaVld, weergaloos. I iipardoiiabie, vnpüddndlil, onvergeeflijk; Unpardoned = niet vergeven: Unpardoning == niet vergevend, onmeedoogend. L iipariiaineiitary, TsnpiUimentori, niet parlementair. i'iipartiHan, vnpütiz n, onpartijdig, t iipatented, unpeiVntid, ongepatenteerd, l'iipatriutii*, vnpeitriotik, niet vaderlandslievend. Lnpaved, vnpeivd, ongeplaveid. L'npawned, onpónd, onverpand. I npenal, vnptril, niet strafbaar, i'iipenetrated, nnperidtreitid, niet door(ge)-drongen. 1 iipeiiHioned, unpens nd, zonder jaargeld, t'npeupled, unptpld, onbevolkt, ontvolkt, i npereeivable, vnpdstvdbl, onbemerkbaar; Vnperceived = ongemerkt, onbemerkt, i'liperlonned, vnpdfömd, niet gedaan, niet opgevoerd, onverricht. Unperjured, mipudzod, niet meineedig. I iipernihted, vnpdniitid, ongeoorloofd. l'nperHiiadable. vupasweiddb1^ niet te overreden. l iipeniHed, vnpdruzd, niet doorgezien. I iipliiloHuphic-. vn/ildsofik, niet wijsgeerig. l'upicked, vnpikt, niet geplukt, niet opengestoken (van een slot), niet gestikt. I npierced, vnptdst, niet doorboord, rnpilluwed, hnpiloud, zonder peluw. I npin, vnpin, losspelden. i'npltled, unpitid, onbeweend, onbetreurd; l npitying, tmpiti-in., onbarmhartig. I nplaced , nnpleist, ongeplaatst, verward. dooreengegooid, niet onder de 3 eersten (wedren). I nplagned, vnpleigd. ongekweld. I nplaiitefl, unplamp;ntid, ongeplant, vanzelf. I npleasant, onp/ez'nf,onaangenaam; ânes»: l iipleaHed, misnoegd; I npleaHing, onplizi^ onbehagelijk; ânewH. I npledged, onpledzd, niet verpand, l'npluuglied, vnplaud, ongeploegd, onbebouwd. |
l'npuetif*(al), vnjxjuetikCl), niet dichterlijk, l'npuinted, nnpöintid, ongepunt, zonder bepaald doel. I n pul tailed, vnpolist, ongepolijst, onbeschaafd, lomp; i'npulite, vnpdlait, onbeleefd, i'npuiled, vnpould, ongeschoren, ongeknipt, niet als kiezer ingeschreven. i'npulluted, vnpdljütid, onbevlekt, l'npupular, vnpopjuld, niet bij 't volk geliefd; âity, unpopjulariti. In practical, vnpraktikquot; l, onpraktisch; âity, nnpraktikaliti, het onpraktisch zijn; l iiprac-tined, vnpraktist, onervaren. I npraiHed, nnpreizd, ongeprezen, l'npreeeded, vnprisidid, niet voorafgegaan, l'nprecedented, vnpresidentid, zonder voorbeeld. i'npredeMtined, v.npridestind, niet voorbeschikt. l'iiprejiidired,on/3rerffc9rfist,onbevooroordeeld, iHpremeditated, vnprimediteitid, niet expresselij k, niet overdacht, ongekunsteld. I nprepared.im/gt;npamp;*/. onvoorbereid: ânesM. i'nprepuHHeHMed, un/tripazest, onbevooroordeeld; Unprepossessing = niet innemend. Liiprewervable, vnpriztïvdb'l, wat niet bewaard of ingelegd kan worden. i'npreHHed, vnprest, ongedwongen, i npreHiiniptiiuuM, vnpriznmtjuos, niet verwaand, bescheiden, onderdanig. i'npretendiiig, vnpritendin, niet aanmatigend, i'nprevailing, vn/friveilin,, krachteloos, l'npreventable, vnpriventeb'l, wat niet te voorkomen is; {Jn/trevented = onverhinderd, l'nprincely, unprinsli, niet vorstelijk, i'nprincipled, nnprinsip'ld, beginselloos, onzedelijk. l'n printed, vnprintid, niet be-of gedrukt, wit. i nprisuiied, vnpriz'nd, vrijgelaten, i'npriviieged. vnprivilidzd, zonder voorrechten. I npruclainied, v.nprokleimd, niet afgekondigd, i'nproductive, vnprddnktiv, onvruchtbaar, geeue winst afwerpend; âne«M. i'nprureHMiunal. ^enprofeèdriL niet tot een beroep behoorende. I'nprulitable, mipro/ltaUl, niet voordeelig, zonder vrucht; ânes». l'nprugreH»ive, vnprdgresiv, niet vooruitkomend. I npruliibited, vinprdhibitid, niet verboden, wettig. l'nprüliiic, v-nprnlifik. onvruchtbaar, l iipruiiiiHing, vnpromis\i\, niet veel belovend: Tliat^H au â Hiibject = ondankbaar. I npruiiiutable, v.nprornoutjb'l, niet geschikt om promotie te maken. l'nprunuunceable, vnprDnaunsdb'l, niet uit te spreken; XJnpronounced. l'nprup, nnprop, van steun berooven. I iipruplietic(al), vnpr.ifetikCl), niet pro-phetisch. i nprupitiuiiH, vnprapièds, ongunstig. i'nprupuHed, v.nprdpouzd, niet voorgesteld. 1'iipruHperuuH, onprosp,ir9sy onvoorspoedig, l'npruteeted. vnpratektid, onbeschermd, i'nprutrarted, v.nprdlraktid, niet gerekt, l'npruved, miprilvd, niet bewezen. | l npruvided, vnpravaidid, niet verzorgd, on-; voorzien. |
bone = boun; full; fool = ful; é = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; t/ear = jio; long = loi^; ó/iip = »ip; occas/on = okeii'n; thin; thus = dlitis; wine.
UNPROVOKED.
534
INREVENGED.
|
I'iiprovoked, vnprdvoukt, niet uitgedaagd of aangezet. l'iipriiiiecl, onpründ, ongesnoeid. 1'iipiibliHlied, impvhUèt. onuitgegeven. Uiipiiiictual, vnpw\ktjudl, onnauwkeurig. l^npuiiiHlied. vnpnnist, ongestraft. l]iipun*haHefl, vnpiïtèist, ongekocht. Ijipiirged, onpviizd, ongezuiverd, niet geboet of vrijgewasschen (van schuld) = L'npiiriiied, nnpjürifAid. I'iipursued, vnpdsiütl, onvervolgd, niet voortgezet. l iipiirveyed, vnpdveid, onverzorgd. I'liquafTed, vnkwdft, ongeledigd. liiquailin^, vnkivellii\, standvastig = l'n-quakiiie, vnkiveikin. rnqualHied, imkiuolifnid, ongeschikt, onbevoegd, onvermengd. I'nqiieilable, vnkivehVU onbedwingbaar, riiqiieiieliable, vnkwenédhquot;l, onbluschbaar; l'iiqneiK'lied, unkwcnèt, ongebluscht. lTiiqiie»fioiiabIe,/m/i:wes(y£)n3^7,ontwiif6lbaiir, afkeerig van vragen en praten: l'iiqiieMtioned, ünkivestfnd, ongetwijfeld; i'iiqiieHtioning, onkiuestjdnin. vanzelf sprekend, l/nqiiickeiied, vnkwik'nd, onbezield. l/iiquiH, nnkwaiit, onrustig, ongerust; âneM». i'nrarked, onrakt, ongeklaard. I nraked, vnrelkt, ongeharkt. l iiraiiged. vnreinzd, niet gerangschikt. i'nraiiHacked, vnransdkt, ongeplunderd. I iiraiiHoined. vnram'md, niet vrijgekocht. In ra vel, nnrav'l, ontwarren, ontwikkelen, afwikkelen, in verwarring brengen. U nreaelied, imritst^ on bereikt. l'nread. onred, ongelezen, ongeletterd; l'n-readahle, vnriddb'l, onleesbaar. i'iiready, vnredi, niet gereed, niet vaardig. I'lirea !,*»gt;? rfói, onwerkelijk, denkbeeldig; âily, nnrialiti. onwerkelijkheid. Vnreaped, vnrtpt, ongeoogst. I iireaNonable, vnrizanzb l, onredelijk, dwaas, buitensporig; âiibhh; {]nreasuniriff = dwaas, zonder redeneervermogen. i'nrebuked, vnribjükt. onberispt. l'nreraiHed. vnvikantid, niet herroepen. Unrerkoned, vnrek'ml. ongerekend, niet geteld, rnreclaiinable, vnrikleimdbl, niet op te eischen. onverbeterbaar: Vnreclaimcd = niet opgeëischt, niet getemd, niet op den goeden weg teruggebracht, onontgonnen, riirecognized. vnrekdgnaxzd, niet (h)erkend. riirecoiiiiiienued, vnrekamendid, niet aanbevolen. l'iirelt;'oiiipeii»ed, nnrek'nipenst, onbeloond. Unreconcilable, vnrek'nsailab'l, onverzoenbaar, onbestaanbaar; Lnreeonciled, vnrek'n-â¢saiW, onvei-zoend. Unrecorded, vnHködid, onvermeld, l'nrecovered, vnrikmamp;d, niet herkregen of hersteld. l'nrectified, vnrektifaid, niet verbeterd. I'nredeemable, vnridimdVl, wat niet vrijgekocht kan worden; I n redeemed, vnridimd, niet vrijgekocht, niet gelost, niet opgewogen. i'nredrewMed, vnridrest, niet hersteld. Unrefined, vnrifaind, onbeschaafd, ongezuiverd. 1'nrellectiiiK, v.nriflektin, gedachteloos. I nrelormed, vnrifömd, 'onverbeterd. |
l'nrelreslied, mirifrest. onverkwikt; L'nre-freshing = niet verkwikkend. Inrefiited, v.nrifjütid, on weerlegd. In regard »'d, v.nrigddid. verwaarloosd, veronachtzaamd; VI nr egardfal = achteloos. l'iiregeiierate(dgt;, \mridèen9r(e)it(id), niet wedergeboren tot nieuw leven. l'nregtatered, vnrediistdd, niet aangeteekend of ingeschreven. I nre^retted, vnrigretid, onbetreurd. rnreliearHed, vnrilitist, onvoorbereid. Unreined, vnreind, onbe- of ongeteugeld. Unrejoicing, quot;Bnridióisir^ droevig, somber. Unrelated, vnrileitid, niet verwant. UnrelaKing, mir'ilaksin, niet toegevend. UnreletitiiiK, vnrilentii\, streng, hardvochtig, onverbiddelijk. Unreliable, vnrilaidb'l, onbetrouwbaar. Unrelieved, vnrilivd, ongesteund, ongeholpen, niet afgelost: Tlie moiiotoiiy is â by brilliant touches = de eentonigheid wordt niet afgebroken door schitterende passages. Unremarkable, Twrim#£db7,nietmerkwaardig, onbemerkbaar; Unremarked = onopgemerkt. Unremedied, nnremddid, onverholpen. Unremeiiibered, vnrimembdd, vergeten. Unremitted, vnrimitid, niet vergeven; ümv-mitting = niet vergevend, onophoudelijk. Unremovable, vnrimüvdb'l, vast,onverplaatsbaar; Unremoved = niet weggenomen, vast. l'nreniiinerative, vnrimjümrdtiv, niet voor-deelig. Unrenewed, vnriniüd, niet ver-of hernieuwd, niet wedergeboren. Unrenowned, vnrinaund. niet beroemd. Unrepaid, v.nrijjeid, niet vergoed. Unrepaired, vnripêdd, onhersteld. Unrepealed, vnripild, onherroepen. Unrepentant, vnripenfnt, Unrepeiiting, vn-ripentin,verstokt; Unrepented = onberouwd. Unrepining;, vuripainiii, niet klagend, geduldig, gelaten. UnrepleniHlied, vnriplenièt. onaangevuld. 1'nrepreHented, vnreprizentid, onopgevoerd. Unrepronclied, vnriproiitst. onberispt. l'nreprovable, vnriprüvdb*l, onberispelijk: XJnreproVfid = onberispt. l'nre(|iieHted, vnrikwestid. ongevraagd. Unrequitable, vnrikwaitdb'l, niet te vergelden: Unrequited = onvergolden. U nrcHcued. vnreskjücl^ niet bevrijd. UnreHented, vnrizentid, ongewroken: l nre-Mentin^, vnrizentin, zonder wrok of haat. Unreserve, vnrizvv, vrijmoedigheid, openhartigheid; âd = openhartig, vrijmoedig; âdiiesw. Unresigned, vnrizaind, niet gelaten. UnreHisted, vnrizistid, niet weerstaan; Unresisting = zonder weerstand te bieden. Unrewolved,BnWro/^/, besluiteloos,onopgelost. Unrespected, vnrispektid, niet geëerbiedigd, onopgemerkt. Unrest, vnrest. onrust, ongerustheid: âing; = onophoudelijk. Unrestored, vnristöd, niet hersteld. Unrestrained, vnristreind, onbeteugeld,bandeloos; Unrestricted = onbeperkt. Unretracted, vnritraktid, onherroepen. Unrevealed, vnrivild, ongeopenbaard. U nre vended, v.nrivenzd. ongewroken; Unre-vengeful = niet wraakgierig. |
man; ask = ask; farm = tam; bwt = bot; learn = lón; Ime = lain; house = hans; net; care = kèd; fate = feit; tin: asleep = aslip; not; \aw = lo; logt;'d â löd: hog = b«\i;
UNSLACKENED.
535
UNREVERSED.
|
Unreversed, â enrivtisL onherroepen = lquot; ure- 1 voked, vnrivoukt. Unriideable, unraitJabl, onberijdbaar, i'nriddle, vnrid'l. oplossen, verklaren. Unrifled, tmraifld. niet geplunderd. Vurig, nnriii, onttuigen. onttakelen. Unrighteous, nnrmitjds, onrechtvaardig, zondig; âness. Unrip, mirip, opensnijden. Unripe, vnraip, onrijp; âned = niet gerijpt; âness. Unrivalled, rmraiv l(L ongeëvenaard. Unrobe, onroub, van het kleed ontdoen. Unroll, vnroul, ontplooien, van de rol afvoeren, loskronkelen. Unroniantie. nnrammitik, niet romantisch. Unrool', wmtV, het dak wegnemen. Unroot, vnrikt. ontwortelen. Unroiinded, vnranndid. niet gerond. Unrouted, vnrautid, niet verjaagd. Unrnriled, nnrnfld, kalm. bedaard. Unriily, rmrii/i, toomeloos, bandeloos; Un-rulinêss. Unrumple, unrompl, uitspreiden. Unsaddle, vnsad'l, ontzadelen. Unsafe, vnseif, onveilig, gewaagd; ânes». Unsaid, loised, ongesproken, niet ge/.egd. Unsaleable, nnseildUl, onverkoopbaar. Unsalted, onsêltid, ongezouten, versch. I nsaluted. v.nsdljütid. onbegroet. Unsanctiliefl, inisanktifaxd. onheilig, ongewijd. i nsaiietioned, viisankamp;nd. niet bekrachtigd. Unsatiable, vnseiédb l, onverzadelijk; l nsat-ing, vnseitin, niet te verzadigen. UnsatiMlactory, vnsatisfaktvri, onvoldoende; 'Unsatisfactorincss: Unsatisliable, vnseitis-faXdb'l, niet te voldoen of te verzadigen; â¢Unsatisfied. = onvoldaan, ontevreden, niet overtuigd, onbevredigd; i'nsatisfyinff = on- i voldoende. Unsaturated, nnsatjureltid, niet verzadigd. UiiMavoury, vnseivdri, onsmakelijk, walgelijk, smakeloos*; Unsavouriiiess. Unsay, rnisei, herroepen, intiekken. Unscalable, nnskeiktb'l, onbeklimbaar. Unsrared, unskêid, niet verschrikt. Unsearred, vnsküd. zonder litteeken(s). Unscathed, onskeidhd, ongedeerd. Unscattered, vnskatod. niet verstrooid. Unschooled, miskAld, ongeletterd. Unscieiitinc, nnsdAsntijik, onwetenschappelijk. Unscorched, nnskötèt, niet geschroeid. Unscoured, vnskam/d, ongereinigd., onge-schuurd. Unscratched, vnskratèt, niet doorgehaald of verscheurd. Unscreened, vnskHnd, onbeschut (from). Unscrew, tmskt*ü, losschroeven. Unscriptural, vnslcriptjerl, niet naar de Schrift. Unscrupulous, vaskiHpjutes, gewetenloos; âness. Unseal, nnsil, ontzegelen; âed = ongezegeld, ontzegeld. Unsearchable, nnsvtsab' l, onnaspeurlijk; âness; Mnsearched = niet onderzocht. * Unseasonable, vnsizdndb'L ontijdig, niet van â pas, ongelegen, ongeschikt voor voedsel (van â visch of wild niet in den goeden tijd gevangen); |
âness; Unseasoned = niet toebereid, niet gekruid, onervaren, ongewend. Unseat, vnsit, van het paard werpen, vaneene plaats (in het Lagerhuis) berooven. Unseaworthy, vnsiwvdhi. niet zeewaardig. Unseconded, unseKndid, niet ondersteund. Unsectarian, vnsdktêrLm. niet van eene sekte, niet sektemakend, neutraal. Unseduced, vnsi/liüst, niet verleid. Unseemly, vnsimli, onbetamelijk, ongepast; l'nseemliness. Unseen, nnstn, ongezien, onzichtbaar: The â = geestenwereld, hiernamaals. Unseized, unsizd^ niet gegrepen. Unselfish, miselfiè, onbaatzuchtig; âness. I iisent, onsen t, ongezonden: â for = ongenood, ongevraagd. l'nsepulchred, nnsep'lkdd, onbegraven. Unserved, vnsnvd, niet (op)gediend; l'nser-viceable, onsvvisaVl, ondienstig. Unset, unset, niet geplaatst of geplant; âtie = doen weifelen, uit de voegen of het verband rukken, schokken: Your tidings have âtied me = mij geheel van streek gebracht; âtie-men t = verwarde toestand. In severed, vnsevdd, ongescheiden, onverdeeld. Unsex, vnseks, het geslacht doen veranderen: Ambition has âed her = haar wreed gemaakt, het zacht-vrouwelijke ontnomen. Unshackle, vnëak'U ontkluisteren. I nshaded, vnëeidid, onbewolkt, zonder schaduw of duisternis = Unshadowed, I nshaken, vnéeik'n, on verwrikt. UiiMhapely. vnéeipli, wanstaltig. Unshared*, nnéêod. ongedeeld. Uiisheath(egt;, nnéidh, uit de scheede halen. In shed, vnëed, niet vergoten of gestort. Unsheltered, on^e/fóf/,onbeschut: l'nshelter-ing = niet beschuttend. Unshielded, vnsildid, niet verdedigd. Unshifting, imèiftir^, niet veranderlijk. Unship, onsi/), ontschepen, lichten: We âped the oars = wij namen de riemen in. Unshocked. vrisokt, ongeschokt. I'nshod, unsod, zonder schoeisel of hoeven. Unshorn, vnéön, ongeschoren. i:nsliot, vnsot, adj. niet geschoten; â verb, een kanon of geweer ontladen. l'iiHhriiiking. nnèrinjci^ onvervaard. l'nshriven, imsriv'n, zonder absolutie. Unshriink. nnsmr^k, niet gekrompen. Unsliut. nnsnt, ongesloten. l'nsifted, onsiftid, ongezift, onbeproefd. l'nsighted, vnsaitid, ongezien, onzichtbaar. Unsightly, vnsaitli, afzichtelijk, leelijk, wanstaltig; Ãiisightliness. Unsilvered, vnsilvdd, niet met kwikzilver bedekt. I nsinged. unsinzd, ongezengd. Unsinning, unsinin. zonder zonde, onzondig. Unsisterly, vnsistdïi, niet zusterlijk. Unsizablê, vnsaizdb'l, niet van de behoorlijke grootte; Unsized, vnsaizd, ongesteven. Unskilful, vnskilful, onbekwaam,onbedreven; -ness; Unskilled, imskitd, onbedreven: Unskilled labour = eenvoudige handenarbeid; Unskilled labourers = werklui die geen vak verstaan. Unslackened, vnslak'nd, onverminderd (vaa spoed) = Unslacked. nnslakt. |
bone = boun; full; fool = fill; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; t/ear = jia: long = loi^; sMp = Aip; occasion = okeii'n: lliin; thus = dli^s: wine.
UNTENANTABLE.
UNSLAKED.
536
|
LiiHlaked, vnsleikt, niet geleschtofgebluscht. Liisleeping, onsltpir^, steeds waakz;iam. Dnsluniberiiig, vnslnmUrir^ waakzaam, ijisinirched, vnsm-ótët, niet bevuild. Ljisiiioked, vnsmoukt, ongerookt. i'iiHoaped, Dusoupt. niet gezeept, ongewas-schen: The â = het janhagel. i'iismciable, vnsouéabl, ongezellig; ânesH; l'nsorial. tmsotiè'lj eenzelvig. i'iisocket, onsokaty uit eene holte of kas nemen: Tlie ^ storm Iihh âed the oak = den eik l'nsoiled, vnsóild. onbezoedeld, [ontworteld. Limold, vnsould, niet verkocht. I iiHolder, nnsoldd, scheiden, oplossen. I nsoldierlike, vnsouldzolmk, een soldaat onwaardig = Umoldierly. I iiHolicited, vwolisitid, ongevraagd. I nsolicitoiiH, wnsdlisitos, onbezorgd, i^nsolved, vnsolvd, niet opgelost. LiiNophistirated, vnsdfistikeitid, onbedorven, echt, kunsteloos. Lnsorted. vnsötid, niet gerangschikt. Ijisouglit, vnsót, ongezocht. I iisouiid, vnsannd, ongezond, zwak, ziekelijk, niet gaaf, onoprecht, beginselloos, gebrekkig: âness. Lnsounded, vnsaundid, ongepeild. l ii hou red, vmaudd, ongezuurd, niet knorrig of brommerig gemaakt. Ijisowii, vnsoun, ongezaaid. Uimparing, nnspêrir], ongenadig, mild, royaal: âness. Unspeakable, vnspikdbl, onuitsprekelijk: An â kind of person = onmogelijke vent. Unsperifled, viispexifaid, niet afzonderlijk vermeld. I nsperioiis, nnsptéds, niet schoonschijnend. Lnspent, vnspent, onverbruikt. i'nspied, vnspaid, onopgemerkt, niet nagespeurd of onderzocht. Lnspilt, onspilt, ongestort. Unspiritual, vnspiritjiidl, wereldsch. Unsplit, vmplit, ongespleten. I nspoiled, vnspamp;ild, onbedorven. ijispoken, vnspouk'n. onvermeld, i'nspotted, vnspotid, ongevlekt, zonder blaam, volmaakt, zonder gebreken. Tiisqiiared, vnskwêdd, onregelmatig, ongeschikt. Ijistable, vnsteib'l, onvast, wankelend. Unstaid, vnsteid, onstandvastig. i;nstained, nnsteind, onbesmet, ongeverfd, onbezoedeld. Ijnstamped, vnstampt, zonder zegel. l'nstanched,ünstónsi,ongestelpt, onbevredigd, onverzadigd. l iistatesmanlike, vnsteitsm'nla.ik, een staatsman niet passend. i'nsteady, vnstedi, ongestadig, onvast, wispelturig, losbandig; l'nsteadiness. I n steeped, vnsitpt, niet geweekt. Unstimulated, vnstimju/eitid, niet aangespoord of aangewakkerd. Unstinted, vnstintid, niet misgund. Unstirred, vnstnd, niet be- of geroerd. Unstitch, vnstitè, lostornen. Unstop, vnstop, openen, de belemmering wegnemen, ontkurken. Unstored, vmtöd, niet opgeslagen (in een pakhuis). |
Unstoried, vnstfo'id, niet vermeld. Unstrained, vnstreiiid, ongedwongen, natuurlijk. Unstraitened, mistreiVnd, onbekrompen. UnstreiiKthened, nnstrer^th'nd^ niet versterkt of gesteund. Unstring, vnstrin, losmaken, ontspannen, de snaar ot snaren afnemen. Unstrung, vnstrw\. i. en p.p. van to unstring^. Unstudied, onbestudeerd, natuurlijk, ongestudeerd, onbekwaam; Unstudious, vn-stjüdids, niet leergierig. Unstuffed, vnstvft, niet volgestopt. Unsubliined, vnsdblaimd, niet veredeld. Unsubdued, v.nsobdjüd, onverwonnen. Unsubstantial, vnsabstanamp;l, onvoedzaam, onwerkelijk. Unsuocessrul, vusdksesful, niet gelukkig, zonder resultaat: He has been â = hij is niet geslaagd; âness. Unsiireoured, nnsvkdd, niet gesteund. Unsuflerable, vnsnfdrdVl, on(ver)dragelijk. Unsusared, vnéugod, ongesuikerd. Unsuitable, nnsiihtdb'l. ongepast,onvoegzaam, onbekwaam = Unsuited; âness. Unsullied, vnsvlid, onbevlekt. Unsung, vnsn)^ niet be- of gezongen. Unstipplied, vnsdplaid, niet voorzien. Unsupported, vnsdpötid, niet gesteund (bevestigd). Uiisiirmountable, vnsaniauntdbl. onoverkomelijk. Unsurpassable, viisdpdsob'l, onovertrelfelijk: Unsurpassed = onovertroffen. Unsusceptible, viisdscptib'l, niet vatbaar (voor = of). Unsuspected, vnsdxpektid, onverdacht; U/'-s us pectin y = niet achterdochtig: Unsuspicious, Miisdspiëds, niet wantrouwend, niet verdacht. Unsustainable, vnsdsteindbl, ouhoudbaar; Unsustaincd = niet gesteund. Uns way able, vasiveidb'l, niet te beheerschen: Unswayed, nnsiveid, niet bewerkt of door invloede'n beheerscht. I nswept, vnswept, ongeveegd. Unswerving, vnswïivin, niet afwijkend. Unsworn, vuswiin, niet beëedigd. Unsymiiietrical, vnsimetrik'l, niet met goede verhoudingen. Unsystematic, v.nsistdmatik, stelselloos. Untack, vntak, losmaken. Untainted, vnteintid, onbesmet. Untalked. vntókt, onvermeld, niet besproken, (met of). Untain(e)able, vuteinwbH, ontembaar; Untamed, nnteimd, ongetemd, woest, wild. Untairnished, vutdnièt, zonder smet of blaam. Untasked, vntdskt, /onder taak, ledig. Untasted, nnteistid, onbeproefd, ongeproefd: Untasteful, vnteistful, smakeloos. Untaught, vntöt, onwetend, ongeletterd. Untaxed, nntakst, onbelast, niet beschuldigd. Unteachable, viititëdb'l, onleerzaam. Untempered, vntempdd, niet toebereid, niet gehard, niet gematigd. Untenipted, vn tem tid, niet verleid of verlokt. Untenable, vrdendb'l, onhoudbaar. Untenantable, niet (ver)huurbaar; Untenanted = onverhuurd, onbewoond. |
man; ask = Ask; farm = füm; bat = b«t; learn = lón; line = lain; hoase = haus; net; care = kèi»; fate = feit; tin; asleep = asllp; not: \aw = ló; lord = löd; boii = ból;
ÃNWITHEKED.
537
UNTENDED.
|
l'iitended, vntendul, onverzorgd. L'nteiifler, dhtends, liefdeloos. I'nteiity, vntenti, zorgeloos. Tiiterrestrial, mitarestridl, niet aardsch. IUterriiied, nnterifaxd, onverschrokken, i'ntested, vntestid, onbeproefd. l'iitlianked, v)ithaiikt, zonder dc\nk; Unthankful = ondankbaar; IntliniikiiiliieHH. I ntliaued, vuthód, niet opgelost of ontdooid. l'iitliinkHhle, Dnthir\kdf/1, ondenkbaar; Unthinking = onnadenkend, onbezonnen; Ln-tliouglit, vnthót, niet gedacht, onverwacht (met of). l'ntliread, vnthred. van den draad ontdoen, l'ntlirit'ty, vnthriftiy verkwistend. l'ntidy, vntaidi, slordig, onordelijk. i ntie,* vntai, losbinden, bloot leggen; âd. l'nlll, ontil, tot: He did not write â yesterday = hij heeft gister pas geschreven. Lntillèd, nntild, onbebouwd. l'iitiinbered, vntimbad, los, zwak, zonder boomen of timmerhout. t'iitiineiy, vntaimli, ontijdig, ongelegen: â inerriineiit = ongepaste vroolijkheid; l'nti-ineous, ontaimids, al te vroeg: It reached an untiiiieoiiH end = het kwam vóór zijn tijd aan een eind. l'ntinged, vntinzdy ongeverfd, ongetint, l'ntirable, wntairab'l, onvermoeibaar, onvermoeid = l ntired. I ntirin^. I ntitlied. ontaidhd, niet bezwaard met tienden, l'nto, vntü of vntu, tot (aan). Intold, vntould, ongeteld, niet verhaald, l'ntouclied, nntvtèt, on(aan)geroerd. l'ntoward, nntoudd, stijfhoofdig, weerbarstig, eigenzinnig, ongelukkig, leelijk. l'ntrared, vntreist, ongebaand = i'ntrac*ked. vntrakt, niet opgespoord. I ntractable, vntraktsbl, onhandelbaar. I ntrag:ic'(algt;. vntradzikCl), bclachelijk.grappig. I ntrained, on trein d, niet geoefend of gedrild, l/ntraininelled. nntram'ld, onbelemmerd. I ntransleralile, vntr'nsfwrdb'l, niet over te dragen. rntraiiHlatable. onvertaalbaar. Intra velled, ontrav'ld, onbereisd. Intra versed, vntravdst, niet doorsneden of gekruist. I ntried, nntraid, onbeproefd, onervaren, l'ntriniined, vntrimd, niet gesnoeid, niet in orde gebracht of opgemaakt. l'iitrofl(den), vntrody n), onbetreden, l'ntroiibled, vntrvb'ld, ongestoord, onbewogen (van de zee). l'ntrue, vntrü, onwaar, trouweloos, wispelturig; i'ntruly: l'ntrutli, vnirüth, onwaarheid, trouweloosheid, leugen; I'litriitlifnl = onoprecht. l'ntrnstworthy, vntrdstiundln, niet te vertrouwen. l'ntuck, öntuk, losvouwen, de plooi wegnemen, l'ntiinable, nntjündbl, onwelluidend, l'nturned, vnttind, ongekeerd: He left no atone â to get it = hij heeft hemelenaarde bewogen om het te krijgen. I ntntored, nntjütdd, niet onderwezen, onbeschaafd. i'ntwine, vntwain, losdraaien, uit de war maken, uitrafelen = Untwist. |
L'nnsed, vnjüzd, ongebruikt, ongewoon; Unusual, nnjütudl, ongewoon, niet veelvuldig, i'niitterable, vntttdrdbH, onuitsprekelijk, on-uitwischbaar; Unuttered = niet geuit, l'nvaccinated, vnvaksinextid, oningeënt. in valued, vnvaljad, ongeschat. l'nvanquished, vnvai\kivist, onverwonnen. i'nvaried, onvêrid, onveranderd, zonder afwisseling!; Unvarying = éénvormig. I'n varnished, vn ril niét, ongevernist, onverbloemd, onopgesmukt, eenvoudig. I'nveil, vnveil, ontsluieren, bekend worden. I'nventilated, vnventileitid, niet van frissche lucht voorzien. i'nveraeeous, vnvoreiéDS, onwaarheidlievend; Inveracity, vnvorasiti, gebrek aan waar-i'nversed, 'nnvnst, onbedreven. [heidsliefde. 1'li vindicated, unvindikextid, ongewroken, l'nviolated, vnvaialeitid, ongeschonden, l'nvisited, vnvizitid, onbezocht. I n vitiated, vn \risQ\tid, onbedorven. in voiced, vnvóist, zonder stemtoon, l'iivonched, unvautsl, niet ten volle beproefd-of onderzocht. I'n vowel led, onvaudld, zonder klinkers. In wakened, nnweik'nd, ongewekt. I'n walled, nnn'öld, zonder muren, i'nwaiiike, unwölaik, niet geschikt of gebruikt, voor den oorlog, onkrijgshaftig. In warned, nmvönd, ongewaarschuwd. In warped, nmuöpt, onbevooroordeeld; Un~ tv ar ping = niet toegevend of afwijkend, i'nwarraiitable, vnwor'ntdl/l, onwettig, onverantwoordelijk, onverdedigbaar; I'n warranted, nnwor' ntid,onge\\etügQ, ongeoorloofdr ongewaarborgd, onzeker. l'nwary, onivêri, onbew.aakt, niet waakzaam,, niet voorzichtig. I nwaHlied, umvost, ongewasschen. ongerei-nigd, vuil: The â = het janhagel. I n wasted, omuetstid, onverkwist, onverteerd^ onverspild. In watched, n iet bewaakt; l'nwatch- fulness = onwaakzaamheid. In watered, vnwöted, onbesproeid, droog. In wavering, un(ueivrriy\, standvastig. I n weaned, vmrind, niet gespeend. In wearied, vnwtrid, onvermoeid. I'n webbed, vntnebd, zonder zwemvlies, l'nwedded, un/redid, ongetrouwd. In weeded, onwidid. ongevvied. l'nwelcoine, nnwelk'm, niet welkom, onaangenaam: He has made me â = heeft mij. onhartelijk ontvangen. In well, onwel, niet wel, ongesteld. In wept, unwept, onbeweend. In whipped, vnii'ipt, ongestraft, l'nwiiolesoiiie, vnhouls'm, ongezond, ziek. l'nwieldy, unwildi, onhandelbaar, niet te-hanteeren, zwaar, lomp. rnwilling, unwilin,, ongewillig, ongenegen:. I am â to go there = ik heb geen zin; Willing or â= willens of onwillens; âness = ongeneigdheid. I'n wind, onwaind, loswinden. In wiped, vnwaipt, onafgeveegd. l'nwise, onwaiz. onwijs, dwaas. l'nwished, onwièt, niet gewenscht: â lor circunistances = ongewenschte. I'n withered, vnwidlwd, onverwelkt; lJn~ tvithering = onverwelkbaar. |
bone = boun; full; fool = ful; » = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl; geur = Jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dims; wine.
UPPER-WORKS.
538
UNWITNESSED.
|
I1 iiwitnessed, vnwitnast, ongezien, niet door getuigen gestaafd, nooit beleefd. tJnwittiiigly, onwiti^li, zonder te weten. Unwitty, vnwiti, flauw, zonder geest. l'iiwoiiianlv. vnwum'nli, onvrouwelijk. Unwonted,ongewoon, ongewend; ânesw. Unwooed, muvüd, ongezocht, niet begeerd. fnworkiiianlike, vnivükm' nlaik, onbekwaïim, niet goed afgewerkt. Unworldly, vawiildli, niet wereldsch. Unworn, 'onwön, onafgesleten. Unworried, onwnrid, niet gekweld. Unworthy, viuvtïdhi, onwaardig, ongepast, verachtelijk. Unwonnd, miwaund, imp. en p. p. van to 'lt; unwind. - Unwoiinded, vnwündid, ongewond. Unwoven, vnwouv'n, ongeweven. Unwrap, onrap, loswikkelen. Unwrenclied. onrenët. onverwrongen. Unwritten, imriVn, ongeschreven: â law = de wet der gewoonte. Unwroiifflit, vnrót, onbewerkt, ruw. Unwrung. vtirmx, niet geknepen of gepijnigd, losgewrongen. Unyielded. vnjifdid, onovergegeven: Unyielding = niet toegevend, halstarrig. Unyoke, unjouk, het juk afnemen: âd = zonder juk, zonder dwang. Up, verb, aanleggen: He âped gnn, and let drive at a young; hare = legde aan en schoot op: adv.* op, omhoog, op de been. in het zadel, etc.: The «treet i» â = is opgebroken, wordt gemaakt: 1 wa» â at seven = om zeven uur od: tlis blood is â = hij kookt van woede: The pcame is â = liet spel is uit: Shall we play fifty â ? = vijftig uit lt;bilj.): The snn is â* = is op: We go â to iown = naar stad; Time is â = de tijd is om: The quarter is â = het kwartaal is verschenen: It is all â with him = hij is totaal geruïneerd; Hold your tonngiie â there = daar ginder, daar bóven; He raine â to me = kwam naar mij toe: He came â with me = hij haalde mij in: He will not go â for his examination = hij zal zich niet aan het e. onderwerpen: The students ro â to-niorrow = morgen keeren de studenten naar de academie terug; â and down = op en neer: The âs and downs of life = de wisselvalligheden des levens; He agreed with me â to a certain point = tot (op) zekere hoogte was hij het met mij eens; That fellow is â to snuir = dat is een gladde kerel, slimme kwant: We went â to the hub = 1 tot het uiterste punt (Amer.); We were siiiline â stream = tegen den stroom op, de rivier op: The emigrants went â (the) country = trokken verder het land in (Amer.); i The river is frozen â = dichtgevroren: All the town was â = de geheele stad was in opstand; I have been attached to him from my youth â = ik ben van mijne jeugd af zijn quot;vriend; â to this time = tot dezen tijd toe: We waded â to our knees through the snow = tot aan de knieën; What arc you â to? = wat voert gij uit; He is â to'mischief = hij voertkattekwaad i uit; I am â to what you mean = ik be- , grijp wat gij bedoelt; He is well â in English = hij kent goed Engelsch; Do you think lie is â to the task? = acht gij hem berekend voor die taak; The candidate is not â to the mark = de examinandus is onvoldoende. |
1'pasC-tree), jüpdstrï, upas (boom op Java), l'pbear, epbêv, ondersteunen, schragen, opheffen: His firm faith upbore him = zijn onwankelbaar geloof schraagde hem. l'pbraid, cpbreid, subst. verwijt, standje; â verwijten, een standje maken: He â ed me for having been there = hij nam mij onder handen omdat ik daar geweest was; âer. l'pcast, vpkcist. verwijt, worp. l'pcast, apkdst, omhoog gericht of geworpen, l'pheaval,dphiv'l. verheffing: l'pheave,dphtv, opheffen. I pheld, dpheld, imp. en p. p. van to uphold. Uphill, »p/ii/, bergopwaarts(ch). moeilijk: That^s â work = dat werk valt niet mee. l'phold, dphould, omhoog houden, steunen, schragen, handhaven, laten (doen) gelden, goedkeuren; âer = verdediger, steuner. I pholster, dphoulste. voorzien van ây = bedden, gordijnen, karpetten, kleeden, kussens, enz. enz. om huizen te meubileeren: de zaak van een âer = de man die de genoemde artikelen verschaft; L'pholstress. l'pland. npVnd, subst. hoogland, het platte land; adj. hooglandsch. plattelandsch, boersch. I plift, dplift, adj. opgeheven: â verb, opheffen, optillen. I pline. »/gt;Jam, lijn naar het hoofdstation. 1 pmost, npmoust, bovenste. l'pon, opon, dpnn. op. bovenop, omtrent, bij (gew. volkomen hetzelfde als on): He stands â ceremonies = hij houdt van complimenten of plichtplegingen; lie stood â his dignity = was op zijne waardigheid gesteld: He took â himself to arrange the matter = hij nam op zich de zaak te regelen; He made war â this people = hij deed dit volk den oorlog aan: â the whole = over het geheel: On. â my arriving (arrival) = bij mijne aankomst; This town lies â a river = ligt aan een rivier; I call â this assembly to do away with such an abuse = ik doe een beroep op deze vergadering om zulk een misbruik af te schallen: 1 called â (on)him = ik ben bij hem aangeloopen; I do not want to be imposed â = ik wensch niet bedrogen te worden: Look â me = zie mij aan: Don't rely â such people = vertrouw niet op zulke menschen; I will think â it = ik zal me er eens op bedenken; You do it â your own danger = op eigen risico: I don't wish to be played â = ik wil niet voor den gek gehouden' worden; 1 learned this â inquiry = bij onderzoek. l'pper, »/?a, subst. bovendeel van laars of schoen; adj. hooger, bovenste, boven: âcrust = de hoogere kringen, aristocratie = The â ten (tliousand): âhand = overhand, bovenhand; âHouse = het Huis der Lords, Senaat, Eerste Kamer; âleather, âledhd. bovenleer; âlip = bovenlip; âsails = boven-zeilen: âstory = bovenverdieping: He is not right in liis âstory = het scheelt hem in den bol: âteeth = bov'entanden; âworks |
man; r/sk = ask; farm = fiim; b?/t = but: learn = Iwn: line = lain; house = hans: net: care â kèa; fate = feit: tin: asleep = aslip; not; law â ló; lord = löd: hoy = bói;
UPPER-WOULD.
LSHER.
|
= bovenschip; âworld = hemel, aarde (tegenover de benedenwereld); âinoMt = bovenste, hoogste, heerschend. beste: That fellow sayt* whatever eomeH âmost = die vent zegt maar wat hem voorden mond komt. IJpptali, trotsch, aanmatigend. Upraise, npreiz, opbellen. Upright, vprait, nprait, subst. opstand van een gebouw, gevel, paal, pilaar; adj. rechtop, oprecht; âness (gew.npraitnss),oprechtheid. Uprising, npraizin. verhelTing, opgang, beklimming, opstijging, opstand. Uproar, up ra, oproer, verwarring, drukte; âious,3/)rónas, oproerig, verschrikkelijk druk, lawaaimakend; âiousness. Uproot, nprüt, ontwortelen, omwroeten. Uprouse, vprauz, opwekken. Upsaddle, vpsad l, te paard gaan. Uusala. vpsdte. Upset, vpsdt, subst. het omvallen of omgevallen zijn; adj. vast: âprice = inzet (vangoederen op verkoopingen). Upset, ï?/)«e^,omver\verpen.onderstboven gooien, van zijn stuk brengen, overstuur maken, teleurstellen. Upshot, »gt;p«oï, resultaat, uitkomst, einde: That's the â of the riiinour = de geheele inhoud; daar komt het gerucht op neer. Upside, upsaid, bovenzijde; âdown = onderstboven, in volkomen verwarring. Upstairs, vpstêdz, boven: lie was kicked â = hij werd vooruitgeschopt, voortgeholpen, tot pair gemaakt. Upstand, opstand, zich verhellen. Upstart, npstati subst. parvenu; adj. plotseling tot groote macht of aanzien gebracht. Upstroke, vpstronk, ophaal (bij het schrijven). Uptake, upteik, opneming, begrip. Uptear, vptêd, openscheuren. Uptown, npfann, in de bovenstad gelegen (Amer.). Up-train, op trein, trein naar het hoofdstation, de reizigers daarin heeten U p-travellers. Upturn, vptnn, omwerpen, omslaan. Upward, upwdd, adj. bovenwaartsch; â(s). adv. naar boven, opwaarts: it costs âs ol'a hundred guilders = over de honderd gulden: Ten guilders and â = meer dan; From Ave guilders â = van vijf gulden af aan en hooger. Up whirl, npwtil, opwaarts slingeren. Upwind, vpivaind, oprollen, insluiten. Ural, jür^L Uralisch. Urania, Jureinjd, Urania (muze der sterrenkunde); Uranic, juranik. hemelsch. sterrenkundig; Uranography, jnrdnogrdfi, hemelbeschrijving, beschrijving der hemellichamen; Uranology, jüranolddzi, sterrenkunde; I'rhinoscopy, fixrdnoskdpi, beschouwing der hemellichamen: Uranus, jureiyids, Uranus. Urban, subst. ürbanus; adj. stedelijk; âe, vbein, holfelijk, beschaafd, wellevend; nhaniti. holfelijkheid, wellevendheid. Urbauist. nbdnist, soort v. tafelpeer. Urchin, Atèin, stekelvarken, schalk, rakkerdje, deugniet. Urdu, üddü, taal van Hindostan. Ureter, juritd, pisleider. Urge, udi, voortdrijven, aandringen, duwen, ernstig verzoeken, aansporen, bewijzen bijbrengen: He was âed into doing it â hij |
werd met zachten dwang er toe gebracht: Hè âed along his flight == hij verhaastte zijne vlucht; He âd ine to this act = hij spoorde mij aan tot; Allow me to â the necessity of the inquiry = vergun mij op de noodzakelijkheid van het onderzoek aan te dringen: He âlt;1 it on me = drukte het mij op het hart; âncy, tidz'nsi. drang, aandrang, ernstig verzoek, noodzakelijkheid: âncy was declared = de urgentverklaring werd aangenomen; ânt = dringend, verzoekend, noodzakelijk; âr; Urging. ïidzir\,haastig,aandringend. Uriah, jurate, Uria. Urim, jürim, sieraad door (.loodsche) hooge-priesters gedragen. Urinal, waterplaats, pisbak: Urinary, Jürinori, subst. ierbak (voor bemesting); adj. tot urine behoorende; Urine, jürin, subst. urine; â verb, urineeren, wateren: Urinous, jürinds, vol urine, als urine; Uroscopy, Juroskapi, onderzoek van urine. Urn, vu, subst. urn, kruik, theeketel, stembus, het graf: â verb, in eene urn doen. Uropygial, jnrapidz'l, vetklier (vogels). Ursa.' aJi-», de Beer; â Major = Groote Beer: â M inor = Kleine Beer; Ursiiorm, nsiföïïi, beerachtig, als een beer: Ursina, tisain, van een beer; l'rson, ws'n, boomesrel (N.-Amer.); U rsula, ós in la, Ursula; U rsus,j3amp;vgt;s,genus beer. Ursuline, fisiulain, orde van nonnen. Uruhu, ürilbü, zwarte gier (Midden-Amer.). Uruguay, ürugwéi. Us, us, óns. Usage, jüzidz, gebruik,gewoonte, behandeling, doorloopend gebruik, gewone uitdrukking. Usance, jüz'ns, gebruik, interest, woeker, tijd voor het betalen van een wissel gegeven. Use, jus, gebruik, nut, vruchtgebruk,gewoonte, praktijk, kerkplechtigheid van een bepaald district of land: It is ninch in â = het wordt veel gebruikt of toegepast: â and wont = gewone en veelvuldige praktijk; I have no â lor it = ik kan het niet gébruiken, weet niet wat ik er mede zal doen; It is of great â = van veel nut; it is of no â = het is van geen nut; It is no â. little â het helpt niets, haalt niets uit; There is no â in doing it = het geeft niets of: That is out of â â now = het is thans in onbruik: I'll make a good â of it = ik zal er een goed gebruik van maken = Put it to good â; âfill = nuttig, dienstig; âless = nutteloos, doelloos. Use, juz, gebruiken, behandelen, uitputten, gewennen, gewoonlijk bezoeken, zich gedragen, gewoon zijn; He âd (jnst) to â my compasses and to return them after having âd (jiizd) them = hij placht mijn passer tè gebruiken, en gaf hem steeds na gebruik terug; You have âd me well, ill = gij hebt mij goed, slecht behandeld; They are âd tó hardships = zij zijn aan ontberingen gewoon; He âd (just) to say = hij placht te zeggen; I am âd up = ik ben op, uitgeput; âr = gebruiker, etc. Usher, nsa, subst. portier, ceremoniemeester, deurwaarder, ondermeester; â verb, inleiden, aanmelden, aankondigen: He âed me into the room = hij liet of bracht mij in de kamer: We were âed into the rudiments of liatin |
bone = boun; full: fool = tul: = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; 7/ear = jia; long = loi^; ship = sip: occasion = okeii'n; thin; tl ins = dlius; wine.
USQUEBAUGH.
VACUITY.
540
|
by you = gij hebt ons de eerste beginselen van het Latijn geleerd; â Hhip. i'squebaugli, nskwdbó, (lersche) whiskey, t'stulate, ostjuléit, zwart gebrand; Ãstulation = branding, zending, schroeiing. LhiihI, jüzudL, gewoonlijk, veelvuldig: Just «s â = net als gewoonlijk; âly; âiipm». I Huraptiun. jdiukapamp;n, rechtverkrijging op eigendom gedurende zekeren tijd. I'snlriiet, jüzufrvkt, vruchtgebruik: âuary, jamp;zufmktjusri, subst. vruchtgebruiker; a^j. in of als vruchtgebruik. L surer, ju£?lt;rvgt;, woekeraar; \j»urUnt»Juzürid8. woekerend, woeker...; VHury^jüztiri^woeker. I Mur|», juzup, overweldigen*: âatiou, jLirfl-/teiè'n, overweldiging (vooral van eene kroon of een troon); âer = overweldiger; âiug; = i overweldigend. 11, lit. ut of do (muz.). I'teiisil, jutensil, werktuig, (keukengereedschap: kitchen âSacred â» = heilige vaten. l'teriue, jrtterain, van de baarmoeder = i'teniH, jütdrds; â brother. »i«ter= broeder (zuster) van dezelfde moeder. l'tilitariau, jüïi/ifértan, subst. voorstander van 1 âiwin = nuttigheidsleer; adj. nuttigheids...: itility, jutiliti, nut, nuttigheid, het grootste : geluk voor het grootste aantal: It ïh ol' 110 utility = van geen nut; A man ot'iüHtaiice and utility = een voorbeeldig en nuttig man; l'tilization, jiUt^aizefóVt, gebruikmaking, benuttiging; l tilize, jütilaiz, benuttigen, nuttig aanwenden. l'tinoMt,»tmoif.sf, uiterste,grootste: 1 will uhc my â endeavours = ik zal mijne uiterste i po'gingen aanwenden; The â = het uiterste, hoogste: Twenty guilders at the â = op zijn hoogst; lie did his â to succeed â |
zijn uiterste best. i'topia, jutoupjd. denkbeeldig eilana, plaats of toestand van denkbeeldige volmaaktheid (eig. nergens)', ân, subst. bewoner van â, vurig maar hersenschimmig hervormer v.maatschap-pelijke toestanden; âuiHin = denkbeelden der â ns. Utricle, jütrik'l, iets in den vorm van een zakje, blaasje, ééncellige vrucht; l tricular, jutrlkjula. gelijkende op â s. I tter, »tö, adj. volkomen, volstrekt, volslagen: â poverty = volkomen armoede; You have âly negl'ected my advice = gij hebt mijn raad volkomen in den wind geslagen; â verb, in omloop brengen, verhandelen, uiten, uitdrukken, openbaren: He did not â another word = hij zei geen woord meer: The false coiners âed several false bank-notes = brachten verscheidene valsche bankbiljetten in omloop; âable = uitsprekelijk, wat geuit kan worden; âance = uiting, uitspraak, voordracht, rede, woorden, uiterste: He gave âmice to the wish = hij uitte den wensch; llis âance was very indistinct = manier van spreken was zeer onduidelijk; âer = wie uit of spreekt, in omloop brengt of openbaart. l'tterinost, wfómousï, uiterste, verste: He oppressed them to the â = hij onderdrukte hen op ondragelijke wijze. I veous, jüvios, als eene druif. L vula, jiïvJulj, huig, uitstekend gedeelte: âr = van de huig: All his r's are âr = hij brouwt al zijne r's. 1quot; \oricide, vijzorisïii'l, vrouwenmoorder; l' xo-rious, Ofjzórids. dwaas verzot op zijne vrouw; l xorioiiHiiess = dwaze verzotheid op zijne, vrouw. |
v
V. ri; V. = Verb, Verse, Victoria, Violin: Such nations are vacant ol'our glorious
Viersus) = tegen: V(itle) â zie: V{icar) civilization = zulke natiën hebben onzeheer-
Aipostolic); V{irgini)a: Var{iety); Vat(ican): iijke beschaving niet.
V(erb) Aux(iliary): V(ice C\liancellor, of: Vacate, vakeit, ledig maken, afstand doen vany
Victoria Cross): V(erhi) JJ(ei) M(inister) = | vernietigen: He âd the throne = hij deed
bedienaar van Gods Woord; Ven(erable): afstand van den troon; Vacation, vakeiS'nr
Ver{mont = een van de Staten der Unie): afstand, vernietiging, openzijn of openvalling
F( icar) G(eneral): l'(erbi) y{ratla) = bij wijze (v. plaats of betrekking), vacantie, rusttijd,
van voorbeeld: V(erb) Kit transitive); Vice- Vaccinal, vaksirtl, tot vaccine of vaccinatie
president); V(erb) irr(egalar): Visc(ount): behoorende; Vaccinate,i'«/isi//ei/',vaccineerenr
Viz = videlicet â namelijk: Voc(ative); inenten; V'acci/#«fion = koepokinenting; V'ac-
Vol(iime); Vol(nme)s; Victoria Jt(egina): cinationist = voorstander der vaccinatie;
V(erg) Itev(erend); V(eterinary) Sturgeon): Vaccinator = inenter, instrument voor in-
Vuli/iate); Vuly(ar): Vv. II. = variae lecti- enting; Vaccine, faAr.s/)#, v. koeien verkregeny
ones â verschillende lezingen. tot koeien behoorende: Vaccine-matter =
Va, V'?, ga voort (muz.). koepokstof; Vaccinia, vdksinja, koepokken.
Vacancy, velk'nsi, ledigheid, ledige ruimte, Vachery, vAëdri, koestal, melkhuis.
gaping, vacante betrekking: He stared into Vacillate, vftsileit, weifelen, wankelen: Vacil-
(at) â = hij keek in het wild rond; Vacant. lating; Vacillation = weifeling.
veik'nt, ledig, openstaand, onbezet, vacant: Vacuity, vdkjüiti, ledige ruimte, ledigheid,
A â stare = een onwijze, nietszeggende blik: j afwezigheid van begrip; Vacuous. vakjudSy
man; ask = ask; farm = fam; bwt = bwt; learn = lèn; line = lain; luwse = haus; net; care = kèo; fate = feit; tin; asleep = dsllp; not; \aw = li»; lord = löd; boy = bói;
VANITY.
541
VA DE.
|
ledig, hol: Vanioiisnew»; Varinim,vakjiom, | (lucht)ledige ruimte: Vaciniin-ltrake = j luchtrem. Vade, veid, venvelken. verdwijnen. Vadeineciiio, veiddmik'm. handboek (om na te slaan), zakboek. Vagabond, vagdbond, subst. landlooper, zwerver, luie vent: adj. rondzwervend, omdolend: âage, ''(igdbondidz, âiHin = het rondloopen of landloopen, de gezamenlijke landloopers : âize = rondloopen. rondzwerven. Vagary, vayêri. subst. kuur, gril. Vaginal. vddzaiiTlj als eene scheede: Vagi-nated, vddzaineitid, in eene scheede besloten. Vagrancy, iWgrr'ifsi,rondzwerving,landlooperij; Vagrant, subst. rondzwerver, landlooper: adj. zwervend, zonder vaste woonplaats (Soms Vagroni. veigr'm, gespeld). Vagne, veig, twijfelachtig, dubbelzinnig, vaag, onbepaald: âne«». VailH, veilz, fooi(en) door logé's aan dienstboden. Vain, vein, ijdel, nutteloos, waardeloos, ver-geefsch. dwaas, bedriegeiijk. verwaand: lie i» too proud fo be â = hij is te trotsch om ijdel te zijn; it was all in â = het was alles vergeefsch: Don't take (ilod'a name in â = gebruik Gods naam niet ijdellijk: âglorionw. âglórids, verwaand, blufferig, ijdel op gaven of verdiensten: âglovg = groote ijdelheid, verwaandheid, ongepaste verhelling óp nijne gaven, enz.: âneHH. Vakeel, vdktl, speciaal gezant (0.-lndii;). Val. Valentijn. Valance. vaVm, subst. draperie, valletje of franje om bedgordijnen, enz.; â verb, met franje of draperie versieren. Vale, vei U vallei. Valediction, validiksn, afscheid, vaarwel; Valedictory, vamp;lidiktori, subst. rede door een dergenen, die den candidaatstitel verwerven en de universiteit verlaten (Am.; N.B. de houder dier rede wordt Valedictorian, valadiktóridn, genoemd): adj. afscheids..... Valentia. Vd lens id. stof van sajet, katoen en zijde (voor vesten). Valentine, vaCntsin. Valentijn, lietje op St. Valentine's dag (14 Febr.) gekozen, briefje of cadeautje door jongelieden van beide seksen op dien dag elkander gezonden: Valentinian, vnrntinf)!. Valentinianus. Valerian, wliridn. valeriaan (plant), Valerianus. Valet, valdt, valei, subst. bediende: â verb, als bediende dienen. Valetudinarian, vatetjïidinêridn, Valetudinary, valdtjiïdiiidri, subst. en ad. ziekelijk of zwak (persoon): â i.Hin = zwakke gezondheid. Vallialla, valhalo. Walhalla. Valiance, valfns, moed. dapperheid: Valiant, valfnt. moedig, dapper, heldhaftig, onverschrokken: ValiantneMH. Valid, valid, krachtig, sterk, geldig, deugdelijk, bindend; âation = bekrachtiging:âity = vdli-diti, kracht, geldigheid, billijkheid; âne«8. Valincli, vdHns. (zuig)hevel. Valide, vdlis. reistasch. Valkyr, valko, nimf van het Walhalla: âian, Vdlktridn. van de âs. Valiancy, vaVvsi, subst. en adj. (groote) het gelaat Bedekkende (pruik). |
Vallation, valeiè'n, wal, versterking; Valium = wal van een kamp. Valley, va//, dal, dakhoek (binnenzijde). Valorous, valords^ dapper, moedig, on verschrokken; Valour, vals, (persoonlijke) dapperheid, moed, onverschrokkenheid. Valparaiso, valpdraizou. Valuable, vaijMa/)'/.subst.en adj. kleinood, (iets) v. groote waarde, schatbaar: All the â» were saved = al de kostbaarheden werden gered: âness = kostbaarheid; Vjihiation, vnljueis'n, schatting, waardeering; Valuator, valjueito, schatter: Value, ralju. subst. waarde, gewicht, prijs, beteekenis: For value received = waarde ontvangen, genoten; The value was depreciated = de waarde werd gedrukt of verminderd; â verb, waard zijn,achten,schatten, waardeeren : The goods were valued at halt' the original cost = werden of de helft van den kostenden prijs geschat: Valued = geschat, gewaardeerd; Valueless shares = waardelooze aandeelen, eifecten; Valuer = schatter, taxateur. Valvate valveit, met eene klep. klepvormig; Valve, valv, vleugel (van eene vouwdeur of porte-hrisee). klep: Safety-valve = veiligheidsklep; Valved, wi/ud. v.*kleppen voorzien of daaruit bestaande: Valvelet. Valviile, valvjul. klapvlies: Valvular, valvjuld. met kleppen. Vanioto)Ne, vvmiiz. er van doorgaan, afzien van: He âd the claim = deed afstand van zijn recht (eisch). Vamp, vamp, subst. bovenleer, nieuwe lap op iets ouds om dit schoon te doen schijnen; geïmproviseerd accompagnement (op een snaarinstrument): â verb, oplappen, een lied accom-pagneeren op eene harp, etc.: He has a knack of âiiig up forgotten operettas = hij heeft er slag van om oude operettes weer (met andere muziek, p.v.) op te lappen: âer. Vampire, vampaid, vampier, bloedzuiger (soort v.vleermuis;Z.Am.),uitzuiger; Vampirism = geloof in âs; het bloedzuigen of afpersen. Vamplate, vampleit, metalen plaatje aan eene lans ter bescherming van de hand. Vamp*, vamps, korte sokken (lot de enkels). Van, van, voorhoede (van leger of vloot), smaldeel, wan, reiswagen, goederen- of conducteurswagen: Vanning = het zuiveren van erts door wasschen. Vandal, vandl, vandaal, verwoester, vernietiger (vooral v. kunstwerken): Vandalic, v'ndalik, als vandalen, ruw, barbaarsch; âism = vandalisme. vernielzucht, barbaarscbheid. Vandyke, vandaik, subst. kanten puntkraag: adj. als in de portretten v. Van Dijk (1599-1641) gekleed: â verb, den rand schulpen of punten. Vane, vein, weerhaan, windvaan, wiek (v. een windmolen), breede deel v. eene veer. Vanellus, vanelss. genus kievit. Vanguard, vangiUl, voorhoede. Vanilla, vonih, vanille. Vanish, vanië, verdwijnen: lie âed from sight = hij verdween voor het oog; âing = verdwijnend, wegkwijnend, wegstervend. Vanity, vaniti. ijdelheid. dwaze trots, ijdel genot,vruchtelooze poging, kleinigheid, persoon in de oude moralities of,.zedespelenquot;, iemands bepaalde drank: That'.s my â = dat drink ik graag of geregeld. |
bone = boun; full: fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl: year = jio: long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dlii:s: wine.
V EG ETA B LE-MA HR() W.
542
VANQUISH.
|
VanquiHh, vankwié, overwinnen, weerleggen: Tliougli âed lie could nrgne Mtill = al had hij het afgelegd, hij redeneerde toch maar door; âer = overwinnaar. VaiiHiere, vausaio, wezel (Madagascar). Vantage, vdntidt, voordeel, gunstige toestand, schoone gelegenheid, punt (bij het spel): He got â of ine = hij behaalde een voordeel op mij: 1 spied liim from a coin of â = ik bespiedde hem van eene geschikte plaats; So mucli to the â = zooveel te goed, daarenboven: âground = gunstige plaats of ligging. Vapid, vapid. Hauw, verschaald, geesteloos; ânews = âity, vdpiditi. Vaporability, veiparabiliti, verdampbaarheid; Vapor able = verdam pbaar: Vamp;poration = verdamping; Vaporifie, veipdrtfik, verdampend; Vaporizahle, veipdroizdh'l = in damp veranderbaar; Vaporizittion, veipdraizeiamp;n, damp vorming; Vaporize â in damp veranderen, in damp verdwijnen: Vaporous, veiparas, dampvormig, opgeblazen, winderig, vol dampen of uitwasemingen; VaporousnesH; Vapour, veipd, subst. damp, wasem, ijdele voorstelling: verb, verdampen, .,geurenquot; of bluffen, brutaal optreden; Vapours = ziekte (door zenuwzwakte) waarin vreemde beelden en voorstellingen in het brein opkomen,neerslachtigheid; Vapour-hath = damp- of stoombad; Vapouring = blufferig, snoevend; Vapourish = dampachtig, winderig, mistroostig, melancholiek; Vapoury = dampig, vol dampen, aan de vapours'lijdende. Vaquero, vdkêrou, veehouder (.Mexico). Variable,subst. veranderlijk iets, steeds veranderende hoeveelheid; adj. veranderlijk, ongedurig; âness = Variability. Variance, vêrians, subst. verandering, verschil, geschil, twist: They are at â = zij zijn het oneens; They were set at â = zij werden tegen elkaar opgezet: Variant, subst. verschillende vorm of lezing, etc.; adj. verschillend, veranderlijk, ongedurig; Variate. vêrieit, verschillend maken, varieeren; Variation, vèr/etó'u, verandering,wijziging,afwijking;Vari-coloured (tinted) = van verschillende kleuren of tinten; Vari-formed = van verschillende Varicella, vurisela, waterpokken. [vormen. Varicose, varikous, Var icons, varikas, onnatuurlijk uitgezet of gezwollen (van aderen): Varicosity, vdrikositi, gezwollenheid. Varied, têrid, afgewisseld, gevarieerd; Variegate, vêriageit, schakeeren, bespikkelen, appelen; Variegation, vèriarjeiamp;n, schakeering, veelkleurigheid; Variety, varaiati. verscheidenheid , veelzijdigheid ,* verschil, varieteit: Variety-entertaiiiineiit = varieteiten-vertooning. VarU»la,ylt;?micgt;te,kinderpokken;âr, Variolous, rarnialas, tot de kinderpokken behooiende. Variorum, vèrióram, met de aanteekeningen van verschillende uitgevers voorzien, b.v. â edition of Shakespeare^s works. Various, vêrias, verschillend, verscheiden. Varix, vêrilcs, uitzetting (aderen), puilader. Variet, villat, page, bediende, schurk; âry = het grauw of gepuis. Varmint, vilmint, ongedierte, schadelijk wild beest, gemeene of lage persoon. |
Varnish, vdniè. subst. vernis, verlak, uitwendig vertoon; â verb, vernissen, verlakken, verglazen, mooi vertoon geven; âer; â ing. Varsal, vds'l (verknoeid uit universal), erg-groot. sterk, etc. Varsity, vüsiti, universiteit (Oxf. en Cambr.). Varus, veras, soort v. horrelvoet. Vary, vêri, subst. verandering, wijziging; â verb, veranderen, wijzigen, verschillen, afwijken, opvolgen. Vascular, vaskj/1la, t. de bloedvaten behoorende of die bevattende: Vasculares, vaskjulêriz, planten met celweefsel en vaten. Vase, vdz, veiz, vaas, vat, etc. Vaseline, vasal in, vaseline. Vassal, vasl, subst. leenman, vazal, onderdaan, slaaf; adj. slaafsch; âage, vasalidz, leenmanschap, de leenmannen, dienstbjiarheid; âed = aan volstrekte macht onderworpen. Vast. vast, subst. grenzenlooze vlakte, de oceaan, de middernachtelijke duisternis; adj. groot, uitgestrekt, grenzenloos, onmetelijk: He squandered away â sums of money = hij gooide onmete'lijke geldsommen zoomaar weg; That is a â project = veelomvattend, grootsch plan: âness. Vat. vat, vat, kuip. Vatican, vatik'n, vaticaan, pauselijke regeering of macht: The thunders of the â = de pauselijke banbliksems; âism = ultramon-tanisme; âist. Vaticinatc,i^isi/gt;ei£,voorspellen; Vaticination = voorspelling: Vaticimxtor = profeet. Vaiifl (Pays lie), peitdavd, Waadland: âois = Waldenser(s). Vaudeville, vondvil, luchtig en satiriek lied, blijspel met zang. Vaughan. von. Vault, vólt, subst. (graf)gewelf. hol, kerker, kelder, hemelgewelf, groote sprong, gewelfd vertrek: â verb, verwulven, overwelven, springen (terwijl men met de hand op iets steunt), voltigeeren: He âed into the saddle = sprong in het zadel; âed = gewelfd, hol: âer = springer, voltigeur; âing â gewelfd metselwerk. Va un t, vdnt, v6n r, subst. gebluf,pocherij,pralerij; â verb, bluffen, snoeven op, zich beroemen: âer; â ful = snoevend, pochend; âing,. subst. snoeverij; adj. snoevend. Vauntlay, i'ówt/ei,vooroploopende troep honden. Vaux, vuks. Va ward, vdwad, subst. voorhoede, voorste gedeelte; adj. voorste, vooropgaand. Veal, vil, kalfsvleesch: âtea = kalfsbouillon. Veda, veida, oudste heilige boek (Hindoes) in vier gedeelten: Vedic = van de Veda's. Vedette, vadet, schildwacht te paard. Veer, via, draaien, wenden, vieren, van koers veranderen: The wind âed to the nortli = liep om naar het N.: â and haul = beurtelings vieren en aanhalen (van touwen); â away = laat schieten of glijden: â out = laat vieren; âing, subst. het veranderen of draaien; adj. veranderend, veranderlijk. Vegetable, vedtatab l, subst. plant (vooral eetbare): No âs. thanks = dank u voor groente; adj. plantaardig, planten......; âearth, â â noiild = plantenaarde, humus; âkingdom = plantenrijk: âmarrow = eierplant; Ve- |
man; ask = Ask; farm = fam; bwt = bwt; \earn = lön: line = lain: house = hans: net: care = kc«»: fate = feit; tin; asleep = «slip; not; \aiu â ló: loj'd = löd; bo?/ = ból;
VENTRILOQUIZE.
543
VEGETARIAN.
|
getal, vedzdt'l, subst. plant; adj. tot de planten behoorende; Vegetarian, vedidtèrinn, vegetariër, (die zich van vleeschspijzen onthoudt): Vegetarian diet = plantaardige voeding of voedsel; Vegetate, vedzdteit, als eene plant groeien of leven, een saai en onbeteekenend leven leiden; Vegetation = plantengroei, de gezamenlijke planten: Vegatative = als planten groeiend, den plantengroei bevorderend. Velieiiience, Veiieiiieney, vihim'nsii), hevigheid, vuur, drift, onstuimigheid; Vehement = hevig, geweldig, vurig, onstuimig. Vehicle, vihik'l, voertuig (ook fig.), geleimiddel (om geneesmiddelen in te nemen): The print-ing-presH ha» become the â ol' ideaw = de boekdrukkunst is het voertuig der denkbeelden geworden; Vehiciilar(y), vi hik ju la{ri), van een voertuig. Vehinic, veimik, van het veemgericht = Vehmic court. Veil, veil, subst. sluier, voile, masker: She haH taken the â = zij is non geworden, in een klooster gegaan; We don't ivish to raise the â, which wa« cast over this scene = wij wenschen den over dit tooneel geworpen sluier niet op te hellen; â verb, sluieren, verbergen, vermommen, bewimpelen: You have âeil your looks l'roni your friends = gij hebt u aan het oog uwer'vrienden onttrokken; -ed-voice = gedempte stem. Vein, vein, subst. ader, streep, holte, eigenaardige neiging of gemoedsaard, stemming, luim: lie was in a rattling â = hij was geducht aan het kakelen: 1 am not in the â tbr it = ik voel er thans geen trek of neiging toe; There is a grating â in him = hij heeft iets onaangenaams over zich; â verb, aderen, met aderen doorsnijden; âed = geaderd, gestreept, geschakeerd: â-ing = het aderen, vertakking, netwerk: âless = zonder aderen: âlet = kleine ader: âous = met zware of dikke aderen;ây = vol aderen, aderrijk. Velarium, vilêrtem, groote zeil boven Ro-meinsche (amphi)theaters. Veil, vel, subst. lebmaag van een jong kalf; subst. de zoden afsnijden. Vellicate, velikeit, krampachtig samentrekken of bewegen: Vel li cation = krampachtige samentrekking; Veliicaitive = krampachtig knijpend of samentrekkend. Vellum, veVm, kalfsperkament: âpost = fijn soort v. schrijfpapier; â y, Velocimeter. yetesimató,*snelheidsmeter; Velocipede, vilosipxd) door de voeten bewogen voertuig, rijwiel; Velocipedist. vilosijndist, wielrijder; Velocity, vilosili, snelheid, vlugheid; Initial, tinal velocity = aanvangs-, eindsnelheid; Accelerated velocity = toenemende of afnemende snelheid: 'l'nirorni velocity = gelijkmatige snelheid. Velutinóiis, vd IJütinds, lluweelig. Velvet, velvdt, lluweel: Vou have heen on â all your life = ge hebt altijd een leven op een bordje gehad; adj. van fluweel; â verb, met tluweel bedekken; âpile = zacht wollen tapijt; âed, âlike, ây = als tluweel. Ilu- I weelig: âeen, velvotin, katoenfluweel = Cottonâ; âeens = jachtopziener (naar zijne i kleeding); âing = de fijne nopjes van fluweel. Venal, vinl, aderlijk, omkoopbaar, laag; Venality = vinaliti, omkoopbaarheid, veilheid'. Vend, vend, verkoopen, te koop bieden: âee. v'ndi, kooper; âer, âor = verkooper; âible = verkoopbaar: âibles = verkoopbare goederen, koopgoederen. |
Vendace, vendels, soort v. houting. Vendetta, vandetd, familiewraak. Veneer, vanid, subst. fijn hout ter oplegging, opgelegd hout, uiterlijk vertoon: 11quot; they are not good Ibrm, they are at least lacquered with the â ol it = als ze geene fatsoenlijke lui zijn, hebben ze toch allemaal het uiterlijk voorkomen ervan; â verb, bedekken met dunne schilfers fijn hout, vergulden, mooi. maken; âmoth = rietmot. Venerable, venaraVl, eerwaardig (titel vaiL archdeacons)-, âness, Venerabiliti/: Venerate, venareit, met eerbied behandelen, eereiu eerbiedigen: Veneration, eerbied, ontzag, vereering; Venwative, eerbiedig, eerbied gevoelende Venery, venari, jacht(vermaak), wild. Veiiesectioii, venisekamp;n, aderlating. Venetian, vaniè'n, subst. Venetiaan, jalousie:: adj. Venetiaansch; âblind = jalousie: â chalk = zacht poeder (voor handschoenen, etc.):. âdoor = deur met langwerpige ruiten op-zijde (om b.v. een ingang te verlichten): â-weight = âpresse-papierquot; van glas: Venice,. L'enis, Venetië. Vengeance, venzns, wraak: With a vengeance = met buitengewone kracht of hevigheid; Vengclul = wraakgierig. Venial, vinial, vergeeflijk: â ttin = dage lij ksche zonde (tegenover Deailly sin): âness! Venison, ven(i)z'n, wildbraad. Venom, ven'm, subst. vergif, venijn, kwaadaardigheid : â verb, vergiftigen, venijnig maken: âmouthed, niaudhd = giftig, kwaadaardig; âous = vergiftig, venijnig, kwaadaardig,, schadelijk; âonsness. Venous, vfnas, geaderd, aderlijk. Vent, vent, subst. kleine opening, luchtgat,, laadgat, uitweg, uiting, bekendmaking, kijkgat, zundgat: lie gave â to his anger = hij gaf lucht aan zijn toorn: It has taken â = is ruchtbaar geworden, uitgelekt: â verb, uitlaten, doorlaten, uiting geven, bekend maken: âhole = luchtgat (in een vat); âpeg.. âpin = zwikje van het âhole; âplug = prop of plug voor het laadgat: âage, âklz^ luchtgaatje; âiduct = luchtbuis: âilate = blazen op, ventileeren, luchten, wannen, vrijelijk, bespreken: Several questions wereâilatèd = werden openbaar en vrijelijk behandeld:, âilation = luchtverversching. openbare en vrije behandeling; âilator = lucntververscher.. luchtschepping; âose, âoas, subst. zesde maand van het republikeinsche jaar; adj.. winderig, opgeblazen. Ventral, ventr'l, tot den buik behoorende; â üns = buikvinnen; Ventricle, vent rik'l, holte, hartkamer, een van de vijf hersenholten: Ven-tricous, ventrikas, Ventricose, rentrikons, gezwollen, opgeblazen, buikvormig = Ventricular, vantrikjula. Ventriciilous. ventri-kjulas; Ventriloquial, ventriloukwial, Ven-triloquons, vantrilakwas, behoorende tot Ventriloquism, vantrilakwizm, buikspreekkunst; Ventriloquist = buikspreker; Ventriloquize, vantrilakiuaXz, buikspreken. |
bone = boun: full; fool = fill; ^ = toonlooze vokaal (zie asleep en care): girl; «year = jia; long = loi^; s/np = sip: occasion = okeiy/n; thin; thus = dims: wine.
VERTE BR ATA.
544
VENTURE.
|
Yenfnre, rentjd, subst. waagstuk, waaghalzerij, handelskans of-onderneming, inzet, kans: 1 did it at a â = op goed geluk af; I advise you not to run the â = de kans niet te loopen, het niet te wagen; â verb, durven wagen, ondernemen, op het spel zetten: I do not like to â at (upon) it = ik wensch er mij niet in te begeven: Nothing â iiotliing have =die niet waagt die niet wint; âtwine. Venturous = stoutmoedig, onverschrokken. quot;Venue, renjiï, strijd, proeve van bekwaamheid. Yenus, vinos. Venus, groene tint op wapenrusting: van prinsen (herald.), genus Clani (Zie dit woord). quot;VeraoioiiM, vdreièas, waarheidlievend, waar; Veracity, vdrasiti, waarheid, waarheidsliefde: i'uquestioned veracities = onbetwijfelde waarheden. Veranda(h), varandd, warande. Teratrum, vareitr'm, witte nieswortel. Terb, vvh. werkwoord: âal, subst. van een werkwoord afgeleid naamwoord; adj. woordelijk, mondeling, letterlijk, van een werkwoord afgeleid; A âal translation = mondelinge vertaling: âal quibbling = ijdel woordenspel; âalisin = iets mondeling uitgedrukt: âali-zation. vfjbdlaizelamp;n, verandering in een werkwoord: âalize = in een werkwoord veranderen: âatim, roheithn, woordelijk, mondeling: âiage, vttbiidz, nutteloos woordenverbruik, woordenrijkheid; âose, -ons = woordenrijk, â¢uitvoerig, met een omhaal van woorden, vervelend: âoseness. âosity, vdbositi, omhaal â¢van woorden, al te groote uitvoerigheid. Terbena, vobind^ ijzerkruid. Terdancy, vwFnsi, groenheid, onervarenheid: Verdant = groen, bloeiend, onervaren: Ver-dautique, vtd'nttk, groene korst op oud koper, groen marmer. Terderer, vïnldrd, houtvester. Terdirt, rtidikt, uitspraak, vonnis, beslissing: The Jury found (brought in) a â = gaf hare uitspraak. Verdigris, trodigris, kopergroen. quot;Verdure, vndjd, groen(heid), frissche plantengroei; âless = van groen beroofd; Verdurous = met frisch groen bedekt. Verge, vrtdz, subst. roede, staf, spil. rand, zoom. omvang, grasrand om een bloembed: He is on the â of ruin, of madness = hij is op den rand des ondergangs, aan de grens van den waanzin; â verb.naderen, nabij 'komen, grenzen, neigen, hellen: Such a deed âs on madness = zulk eene daad grenst aan waanzin: We stood upon a hill which âd to the south = die naar het zuiden afbelde: âut = het einde naderend; â r = stafdrager, soort v. koster, banksluiter. Verifiable, uerifaiobl. wat bewezen, gestaafd of bevestigd kan worden: Verification = bevestiging, staving, echtheid: 1 did it in verification of inv good will = tot staving van mijn goeden wil; Verifier; Verify, rert/ai, bewijzen, bevestigen, vervullen, waar maken, handhaven. Verily, verili, waarlijk, waarachtig: Verisimilitude, verisimilitjïid, waarschijnlijkheid; Veritably, reiitdbli, waarlijk; Verity, veriti, staving door feiten, waarheid. Verjuice. vmlzi\s. zure sap van onrijpe appels, |
druiven, enz.: Every word and look of his smacks â¬gt;f â =* ieder zijner woorden en blikken heeft iets zuurs (onaangenaams). Vermeil, viimil, vermiljoen. Vermicelli, vvmitSeli, vermicelli. Vermicide, vtimisaid, wormkoekje, wormmiddel; Vermicular, vamikjute, wormachtig, wormvormig: Vermicularlt;work = soort v. rustiek metselwerk; Vermiculate, vamikju-leit, kronkelend of wormvormig inleggen: Vermiculalion = kronkelende Of wormvormige beweging, wormvormige inlegginjr of versiering; Vermiculous, vaniikjtites, Ver-miculose, vamikjulous, vol wormen of maden, gelijk wormen; Vermiform.fwmiTbw.wormvormig: Vermifuge, tromi/ziirfz, wormmiddel; Vermifugal = als een wormmiddel. Vermilion, vamilfn, subst. en adj. (van) vermiljoen: The â Sea = Golf van California: âed = vermiljoen-rood geverfd. Vermin, vfimin, kruipend dier, schadelijke dieren, ongedierte, verachtelijke of schadelijke personen; âkiller = vergift voor hetdooden van ongedierte; âous = wat ongedierte voortbrengt, door ongedierte veroorzaakt. Vermont, vamont. Verni(ogt;uth, vumiit, vermout. Vernacular, vanakjula, subst. en adj. vader-landsch(e taal), taaleigen, inlandsch: âism = idioom, dialect. Vernal, viïn 1, van de lente, tot de jeugd be-hoorende; âequinox == voorjaarsdagen, nachtevening: âsigns = teekens van den dierenriem in welke de zon staat in de lente: Vernation = bloeiwijze. Verona, varouna, Verona; Veronese, t'er.mic. subst. en adj. (bewoner) van Verona. Veronica, varonika, Veronica. Verruca, wrat; Verrucose, verukoux, Verrucous, rerukas, vol wratten. Versailles, vaseilz. Versatile, vfisetail, veranderlijk, onvast, veelzijdig: A â talent]; âness = Versatility. vvsatiliti. Verse, vvs, subst. vers, poëzie, metrische taal. versregel: A poem in six stanz»s, each of eight âs = eedicht in zes verzen, ieder van acht regels; Blank â = rijmloozevijfvoetige jamben: â verb, in poëzie verhalen, verzen maken: Verset, vnsat, vers (van den Bijbel): Versicle, vvsik'l. klein vers door den priester opgezegd met een antwoord van de gemeente, klein dichterlijk product; Versification, vv.si-fikeiamp;n, metrische compositie, rijm- of verskunst: Versifier, vnsifa.\a, verzenmaker, die proza in verzen overbrengt; Versify, vvsifaX. berijmen, bezingen, verzen maken. Versed, vvst, bedreven, ervaren. Version, vrië'n, het vertalen, vertaling, verhaal, mededeeling. Verst, vvsU 3500 E. feet (Russisch), werst. Versus, vnsas, tegen (in processen). Vert, vvt (verkorting van convert), subst. be-keeren van R. Katholicisme tot de E. kerk of omgekeerd; â verb, bekeeren, bek. worden. Vert, vvt, al het groen in een woud. vrijheid om groen of hout te snijden, groen (herald.). Vertebra, vtitabra. rugwervel: âI = tot de wervel beenderen {Vertebrae) behoorende: âI column ~ wervelkolom; Vertebrata,vftobrei^, |
man: ask = ask; farm = fam; btlt;t = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; â¢care = k^a; fate = feit; tin: asleep = dslip; not; \aw â lo: lo7'd = lod; boy = bèi;
VERTEBRATE.
545
VICE.
|
gewervelde dieren; Vertebrate, subst. en adj. gewerveld (dier) = Vertebrated, vvtdbreitid. Vertex, vütdks (Meerv. âes, of Vertices, vw- tis\z), hoogste punt, toppunt, zenith: â ol* a curve = punt waaruit de middellijn wordt getrokken; Vertical, vvtik'l, loodrecht, in het zenith of toppunt; Verticality == loodrechte stand = Verticalness. Verticity, vvtisiti, draaikracht. omdraaiing, omwenteling; Vertiginous, vótidzinvs, ronddraaiend, omwentelend, duizelig; Vertigo. vvtigon, vvtaigou, duizeligheid, duizeling. Vertu, vntu, artistieke voortreffelijkheid, kunstwerken en curiositeiten: A boudoir tilled with articles ot' â. Verulam, veruVm. Vervain, vvvein, ijzerkruid. Verve, vvv, geestdrift, vuur. Very, veri, adj. werkelijk, waar, enkel, zelfs, echt: The â tlioiight of it makes me shudder = alleen de gedachte daaraan doet mij huiveren; The â man came on the â day of the funeral = dezelfde man kwam op den dag zelf der begrafenis; That^s the â best you could do = het allerbeste; It was the veriest old building I ever saw = het was het alleroudste gebouw dat ik ooit gezien heb; adv. zeer, in hooge mate. Vesica, vdsaiko, de blaas; âI, vesik'l, tot de blaas behoorende; âut, vesik'nt, âtory, vesi-keitori, trekpleister; âte, vesikeit, blaren trekken; Vesication = het blaren trekken; Vesicle, vesik'l, blaar, blaasje; Vesicular, Vesiculate, Vesiculose. Vesiculous = als een blaasje of eene blaar, blaas- of celachtig. Vespa, ve.spd, genus wesp; Vespiary, vespjjri, wespennest. Vespasian, vospeiz'n, Vespasianus. Vesper, vespa, subst. avondster, avond; adj. tot den avond of de vesper behoorende; â s = avonddienst, vesper; âtine = tot den avond behoorende of daarin gebeurende. Vessel, ves'l, vat, bloedvat, kan, schip, vaartuig, instrument, vergaarbak: The weaker â = de vrouw; Consecrated â s = gewijde vaten. Vest, vest, subst. kleed (van flanel, etc.) kleeding : vest (Amer., en naam door kleermakers hieraan gegeven); â verb, bekleeden, omringen, begiftigen, overdragen of bekleeden, overgaan op, komen op, gevestigd zijn in: He was âed with that power = met die macht bekleed; His money is âed in lands = is belegd in landerijen;'The right to the estate âs in you = het recht op de bezitting is bij u; âed = gekleed, gevestigd, vast: âed interests = vaste rechten op toekomstig bezit; âed legacy = vast legaat; âiary, vestjdri, subst. kleedkamer, kleerkast, garderobe: adj. tot de kleeding behoorende; â ing = laken voor kleederen: âment = kleeding, gewaad(Meerv. misgewaden); âure = kleeding. Vesta, vestd, Vesta (Rom. godin), waslucifer; âI, subst. Vestaalsche maagd, kuische vrouw, non: adj. van Vesta, aan V. gewijd, rein, maagdelijk, kuisch: âI Virgins = Vestaalsche maagden. Vestibule, vestibjul. vestibule, voorhuis, kamer (in het oor); Vestibular, Vdstibjuld, tot eene â behoorende. bone = boun; full; fool = frtl; a = wuuwwa. long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; t ten bruggencate, Eng. Woordenboek. |
Vestige, vestidz, spoor, indruk (van den voet), overblijfsel; Vestigial, vestitlzdl, als een â. Vestry, vestri, consistoriekamer, kerkekamer, kerkeraad: Select â = bijzondere kerkeraad: âclerk = secretaris van den kerkeraad: âhall = kerkeraadsgebouw; âman = kerkeraadslid. Vesuvius, vdsüvjds, Vesuvius; Vesuvian, vdsüvfn, subst. soort v. windlucifer; adj. tot den â behoorende. Vet, vet, verkort, v. Veterinary (Surgeon). Vetch, vetê, wikke (plant); âling = Lathyrus. Veteran, vetdr'n, subst. en adj. oud(-gediende), beproefd (soldaat), soldaat die opnieuw dienst neemt (Amer.); âize = opnieuw dienst nemen (Amer.). Veterinarian, vztaHnêridn, veearts; Veterinary, vetdrindri, subst. veearts(= Veterinary surgeon); adj. veeartsenijkundig. Veto, vttou, subst. (recht van) veto, verwerping, weigering, verbod; â verb, verbieden, afstemmen, weigeren. Vetturino, veturinou, huurkoets(ier). Vex, veks, verontrusten, kwellen, plagen, bedroeven, ergeren: Slightly âed at my words = eenigszins geërgerd over mijne woorden: âation = ergernis, kwelling, plaag; âatious, vdkseièds, kwellend, verdrietig, hinderlijk, ergerend; âed questions = lastige, veel besproken, niet uitgemaakte vraagpunten; âer = plager, sarder, kweller; âing = kwellend, plagend, sarrend, vervelend, bedroevend. Vexil, veksil, standaard, vlag; âlar = tot vlag of standaard behoorende; âlary = vaandeldrager. Via, vaid, over: He went to Italy â Paris and Lyons = over P. en Lyon. Viable,* vaidVl, levensvatbaar (van pasgeborenen); Viability = levensvatbaarheid. Viaduct, vaiddvkt, viaduct. Vial, vaidl, subst. Ileschje, fiool: He poured out âs of wrath upon his enemies = hij stortte de fiolen des toorns over zijne vijanden uit, nam wraak op hen; â verb, in een Ileschje doen. Via Isictea, vaid lak tid, melkweg. Viands, vatendz, levensmiddelen, voedsel. Viaticum, vaiatik'm, gewijde hostie een stervende toegediend. Viator, vaieitd, reiziger. Vibrant, vaibr'nt, trillend, bevend; Vibrate, vaibreit, slingeren, schommelen, weifelen, golven, trillen, klinken, meten (door schommelingen of trillingen); Vibration, wztamp;reamp;'n, trilling, schommeling, slingering, resoneerend geluid: Vibrative, Vibratory = slingerend, trillend, tot trilling of slingering behoorend of deze veroorzakend; Vibroscope = trillingmeter. Vicar, viko, plaatsvervanger, vicaris, predikant: â of (Jesus) Christ = de paus; âage, vikdridz, predikantsplaats, pastorie; âiate, vikêriit, subst. vicarisschap, gedelegeerde macht; adj. met gedelegeerde macht; â ious, vikêrids, plaatsvervangend, afgevaardigd: Vicarious piinisliment = straf, ondergaan in plaats van een ander; Your experience is vicarious = uit de tweede hand; âship. Vice, vais, fout, gebrek, ondeugd, leelijke kuur (van een paard), wenteltrap, bankschroef: He vokaal (zie asleep en care)] girl; 7/ear = jia; lin; thus = dliiïs; wine. 35 |
VINIC.
546
VICE.
|
grasped me as in a â = hij had mij als in eene schroef gekneld. Vice, vais (in samenst.). onder, in de plaats van: âadmiral = vicé-admiraal; âadmiralty = dienst of post van een âadmiral: âchair = (stoel van den) ondervoorzitter; âcliairmaii = vice-president = âpresident; âchancellor = vice-kanselier; â consul = vice-consul; âgerent, âdzir'nt, subst. plaatsvervanger; adj. plaatsvervangend: âgerence = plaatsvervangerschap; âregal, ârig'I, tot een onderkoning of onderkoningschap behoorende; âroy = onderkoning: âroyalty = onderkoningschap. Vicinage, visinidz, nabijheid; Vicinity, visi-niti, nabuurschap, omstreken. Vicious, viöds, leelijk, ondeugend, gebrekkig, onvolmaakt, niet goed gedresseerd (van paarden), onrein, boosaardig; âness. Vicissitude, visisitjxid, geregelde verandering of afwisseling, wisselvalligheid: The âs of life, ol'tortune; Lrile has blessed liim with â = hij heeft tot zijn geluk veel ondervonden. Victim, viktim, slachtoffer, dupe, sukkel: lie was (fell) a victim to his ambition =ahi| was (viel) ten prooi aan zijne eerzucht; âize = tot slachtoffer maken, beetnemen, bedriegen. Victor, viktd, overwinnaar; âia, viktOrid, Victoria (Rom. godin), rijtuig met óéne bank voor twee personen; âia Cross = decoratie (ongeveer gelijkstaande met onze Militaire Willemsorde); âine, viktorin, bonten kraag, soort v. perzik; âious, viktórios, overwin-nings..., overwinnend; âioiisneAs = zegeviering, roemrijkheid; ây. viktdri, overwinning, behaald voordeel; Victress = over-winnares. Victual, vifl, proviandeeren, van leeftocht voorzien; âIer, vita la, proviandmeester, slijter, victualieschip: âling â wat levensmiddelen verschaft; âling-olTire = victualiebureau; âs, vit Iz, levensmiddelen. Videlicet, vaideliset, te weten, dat is. Vie, vai, wedijveren, mededingen. Vienna, vjena, Weenen; Viennese, vjaniz. subst. en adj. (bewoner of bewoners) van W. View, vjil, subst. gezicht, uitzicht, inzicht, overzicht, bezichtiging, onderzoek, schets, kijk, oordeel, meening, voornemen: You must keep this in â = in het oog houden; Let us take a good â of it = laten we het goed bezien: In â of what you have to olfer = met betrekking tot (m'et het oog op) wat gij kunt aanbieden; The picture is on â now = is nu te zien; Our points of â are different = we staan op een verschillend standpunt; 1 never looked at it from this point ofâ = uit dit oogpunt heb ik het nooit beschouwd; The measures I have in â = de maatregelen die ik op het oog heb; A bird's-eye â of Cologne = Keulen uit de vogelvlucht; 1 did it with a â to ascertain whether he was sale = ik deed het met de bedoeling om mij te vergewissen of hij veilig was; â verb, zien, aanschouwen, onderzoeken, nagaan, beschouwen; âer = die ziet, enz., opzichter, onderzoeker; â ing = het aanschouwen, inspectie; âles» = onzichtbaar, niet te zien, onzienlijk; He is ây = volgt zijne eigen inzichten. |
Vigil, vidzil, het waken, waakzaamheid, slapeloosheid, heilige dienst, dag en nacht vóór een feest; âance = waakzaamheid; âance-committee = veiligheidscomité; âant = waakzaam, omzichtig. Vignette, vinjet. vinet, subst. vignet, photographic van hoofd en schouders met langzaam verdwijnenden achtergrond; â verb, zoo verlichten dat de randen of lijnen onmerkbaar verdwijnen. Vigorous, virjaras, krachtig, sterk, flink; âness: Vigour, viga, kracht, sterkte. Viking, v{a)ikii\. Viking (zeeroover). Vile, vail, laag, verachtelijk, waardeloos, gering, snood; âness. Vilify, vW/ai, lasteren, honen, smaden- Vilifier. Vilipend, vilipend, minachten, geringschatten, zich ongunstig of wegwerpend uitlaten over. Vill, vil, gehucht, verzameling v. huizen; âa, vila, buitenplaats, buiten; âadom = de gezamenlijke villa's, de gegoede stand; âage, vilidz, subst. en adj. (tot een) dorp (behoorende); âage-cart = karretje op twee wielen; âager = dorpsbewoner. Villain, vilin, lijfeigene, schurk: âons = schurkachtig, laag, gemeen, treurig, ellendig; ây = schurkerij, slechtheid, eerloosheid; Vil-laiiage, vilinidi, lijfeigenschap = Villenage. Villanelle, vUaiieU gedicht in terzetvorm. Villein, vilin, subst. en adj. leenman (in ver-achtelijken zin) of daartoe behoorende. Villi, vilai, dicht opeenstaande haartjes (als bij fluweel); Villous, vilas, Villose, vilous, harig, ruig; Villosity, vilositi, behaardheid, ruigheid. Villiers, viijaz. Vim, vim, kracht, energie, wilskracht. Vimineous, viminias, van takjes gemaakt. Vinaceous, vaineièas, tot wijn of druiven behoorende, als wijn. Vinaigrette, v'meigret, eau-de-reine-doosje. Vineent, Vincentius; âinn^vinsensn, van den H. Vincentius. Vincible, vinsiVl, verwinlijk, verwinbaar; Vïncibility â verwinbaarheid. Vinculum, viï\kjnVm, band, verbinding. Vindemiate, vindimieit, den wijnoogst binnenhalen; Vindimiation = wijnoogst. Vindicable, vindikaUl. rechtvaardigbaar, verdedigbaar; Vindicability = verdedigbaarheid; Vindirate, vindikeit, handhaven, verdedigen, rechtvaardigen, steunen: I will vindicate my right = mijne rechten verdedigen; Vindication = rechtvaardiging, verdediging: I did it in vindication of my liberty = ter verdediging mijner vrijheid; Vindicditor = verdediger, steuner; Vindieatory, vindikeitari, verdedigend, rechtvaardigend,quot;wrekend, straffend; Vindictive, vindiktiv, straffend, wrekend, wraakgierig: Vindictive damages = schadevergoeding als straf den beschuldigde opgelegd; Vindictiveness = wraakgierigheid. Vine, vain^ wijnstok, wingerd, wijnrank; âclad = met wijngaardranken begroeid; âdisease = wijngaardziekte; âdresser = wijngaardenier; âfretter, âgrub = wijnstokbladluis; âgrower = eigenaar van een wijnberg; âshoot = wijngaardrank; âyard, vinjad, wijngaard; âry = broeikas voor wijndruiven: Vinic, vain ik, uit wijn getrokken, tot wijn |
man; ask = Ask; farm = fiim; but = but; learn = lun; line = lain; howse = haus; net; care = kèa: fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd: bov = bfti:
VISITOR.
VINOUS.
547
|
behoorende; VinoiiH, vaiiios, Vinose, vaiuous. wijnachtig: Vinous loquacity = spraakzaamheid door den drank; Vinosity, vainositi, wijnachtigheid; Vintage, vintidt, wijnoogst, wijn van een bepaalden oogst, wijn in 'talgemeen; Vintner, vintud, wijnhandelaar, wijnhuishouder, herbergier; Vintry = wijnkelder, wijnbergplaats. Vinegar, vinaga, subst. azijn, iets zuurs; adj. zuur, norsch; â verb, met azijn wrijven: Iüh temples were âed = zijne slapen werden met azijn gewreven; âsauee = zure saus; âyard = azijnmakerij, azijnbergplaats; ây = zuur, gemelijk, norsch. Viol, vaiol, vial, groote viool, kabel (voor het anker): âa, vaiold, altviool, genus viooltje. Viola, va id ld. Violable, vaia/a///, schendbaar; Violate, yaia-/eif, schenden, onteeren, verkrachten, ontheiligen, verbreken, ontwijden; Violation = schending, verkrachting, inbreuk, ontwijding: Violative, vaioleitiv, schendend, onteerend; Violator, vaialeitd, schender, verkrachter, verbreker. Violence, vaiaVns, geweld, hevigheid, beleedi-ging, verkrachting, ontheiliging, inbreuk: It was done by â = niet geweld, gewelddadig: lie was done â to = hij werd beleedigd, hem werd geweld aangedaan; lie put a â on himself = deed zichzelf geweld aan, sloeg de hand aan zichzelf; Violent, vaidVnt, adj. geweldig, hevig, driftig, beleedigend; â verb, met kracht of geweld aandringen op. Violescent, vamp;\dlesnt, paarsachtig; Violet, vaidldt, subst. viooltje; adj.paars, violetkleurig. Violin, vaidlin, viool: lie played (on) theâ = speelde viool: âist, vaidlinist = vioolspeler; Violoncello, vamp;wVnselou, vïaVntëelou, violoncel; Violoncellist = violoncelspeler. Viper, vaipi), adder, verachtelijk of kwaadaardig persoon: 1 have nnrtiired a â in my hosoni = ik heb een adder aan mijn boezem gevoed; Viperifonn, vaiperiföm, Viperine, vaipdrain, adderachtig, vergiftig, kwaadaardig = Viperous, vaipords', âquot;s grass = genus .schorseneeren. Virago, vireigoK, manwijf, helleveeg. Viresccnce, vaire.s''ns,groenwording;Virescent = groen, bloeiend. Virgate(d(, vAgeit(icl\ vol takjes. Virgil, Vergil, ytïrfz//, Vergilius;âian,wdzi/j'n, van V. Virgin, vticlzin, maagdelijk persoon, (kuische) maagd: The â = de Maagd Maria, de H. Maagd; adj. maagdelijk, rein, onbevlekt, onontgonnen, in oorspronkelijken staat; âhorn â uit eene maagd geboren; â's-hower = clematis; âal = maagdelijk, rein; âals = oud snaarinstrument (klavecimbaal); âhood. Virginity, vódziniti, maagdelijke staat, kuisch-heid; Virgo, vügon, Maagd (dierenriem). Virginia, Vddzinjd, Virginia; ân; ân-bower = wintergroen; ân-cTceper = wilde wingerd. Viridescence, v\rides'ns, groenwording: Viri-descent = groen wordend; Viridness, Virid-viriditi, groenheid, groen, frisch groene kleur. Virile, vir(a)il, mannelijk, manbaar; Virility, viriliti, mannelijkheid, manbaarheid. Virtual, vntjiol, krachtig, in de daad, in ver-kelijkheid: That is âly the same thing |
= dat is feitelijk of praktisch hetzelfde; â loens = brandpunt waaruit de stralen schijnen voort te komen; âvelocity = onderstelde snelheid: âity, vv.tjnaliti, vermogen, kracht, vermogendheid: Virtue, vvtju, deugd, zedelijke kracht, kracht, vermogen, dapperheid, reinheid, kuischheid, voortrelïelijkheid: He did it in (by) virtue of his ol'lire = krachtens zijn ambt; Cardinal virtues, zie Cardinal; Virtueless = zonder kracht of deugd; Virtuous, vvtjuds, deugdzaam,krachtig, deugdelijk. Virtuoso, vttjuousoa (Meerv. Virtuosi, oi\-tjuousai), virtuoos, kenner van oudheden, etc.; Virtuosity, vvtjuositi, de gezamenzijke virtuozen, studio van een deel der schoone kunsten (vooral muziek). Virulence, virjuVns. venijnigheid, kwaadaardigheid, bitterheid; Virulent. Virus, vairos, vergif, etter. Vis, fis, kracht, macht, energie. Visage, vizidz, gelaat, gezicht: âd = met een (bijzonder of eigenaardig) gelaat. Viscera, visera, inwendige deelen van schedel, buik en borst; ingewanden; âI = tot de â behoorende, zacht, gevoelig. Viscid, vis id, kleverig, lijmerig; âity, visiditi, kleverigheid = Viscosity, viskositi. Viscous, kleverig, klam; Viseousness. Viscount, vailcciunt, adellijke titel tusschen ewl en baron in; âess = vrouw van een â. Visrum, visk'm, genus woekerplanten, waartoe marentak of vogellijm behoort. Visible, vizib'l, zichtbaar, duidelijk; âness. Visibility = zichtbaarheid. Visigoth, vizigoth, een der Goten uit Dacië. Vision, Hz'ti, het zien, gezicht, visioen, spooksel, verschijning; âal = ingebeeld, hersenschimmig; âary, vifnari, subst. dweper, droomer, fantastisch mensch; adj. hersenschimmig, droo-merig, fantastisch; âed = hersenschimmig, vizioenen ziende, geïnspireerd, bepaald; âless = blind. Visit, vizit, subst. bezoek, inspectie: 1 was on a â there = ik was daar op bezoek; He paid ine a â and I returned it = hij bracht mij een bezoek en ik bracht hem een tegenbezoek; He made a â to his birthplace = bezocht; â verb, bezoeken,inspecteeren,overvallen, straffen, betaald zetten: We should not â those measures with a return in kind = wij moeten die maatregelen niet met met gelijke munt betalen; His oHeiices against flecorum were â ed with rigour = werden gestreng gestraft; I never â at his house = ik maak nooit visites bij hem; âing, subst. het bezoeken; adj. bezoekend, gemachtigd of gerechtigd om te bezoeken of te inspecteeren; â iug-card = visitekaartje; â ing-commissioner = maandcommissaris, commissielid dat dienst heeft; -ing-governess = onderwijzeres (lessen buitenshuis); âant = bezoeker; âation = bezoek, visitatie, periodieke inspectie, bezoeking Gods: âation of the sick = ziekentroost: âation of the Virgin Mary = Maria Boodschap; âatorial, vïzitatörial, tot eene visitatie behoorende; âe, vizit, visite (manteltje); âor = bezoeker, inspecteur, visiteur. |
bone = boun; ful; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl; ?/ear = jia; \ong = loij' ship = sip; occasion = okeiz:n; thin; thus = diros; wine.
35-
VISOR.
548
VOID.
|
Visor, vira, vizier; âed = met een vizier, gemaskerd, vermomd. Vtata, ristd, uitzicht of verschiet door eene laan of rij boomen, laan, rij boomen: This book opens splendid âs to the intelligent reader = geeft den denkenden lezer heerlijke kijkjes (schoone denkbeelden), vergezichten. Vistula, vistjuld, Weichsel. Visual, i*izndl, tot het gezicht behoorende: â nerves = gezichtszenuwen; âangle = ooghoek; âpoint = oogpunt: ârays = = stralen, die schijnbaar van het beschouwde tot het oog komen: âize = verzinnelijken voor het oog. Vital, vaifl, tot het leven behoorend of dienend, noodig voor het leven, onmisbaar, levens ...: The â parts are afferted = delevensdeelen zijn aangedaan; We tried to revive his â spirits = zijne levensgeesten weder op te wekken; That is â to our cause = eene levenskwestie voor; IIis â forces ebhed = zijne levenskracht begaf hem; âity,vaitaliti, leven, duurzaamheid, levensvatbaarheid: âize = bezielen, leven geven; âization = bezieling; âs = levensdeelen. Vitascope, vaitaskoup, instrument om zich bewegende voorwerpen levensgroot op een doek te reproduceeren. Vitellus, vitelds. dojer van een ei. Vitiate, visie\L bederven, schenden, aantasten, vernietigen; Vitiation; Vitious: zie Vicious. Viticulture, vitikvltjd, aankweeking van den wijnstok; Vitis, vaitis, genus wijnstok. Vitreo, vitriow (in samenst.), als glas, van glas: âelectric = positief-electrisch; Vitreous. vitrics, van glas, glasachtig, glazen: Vitreous electricity = glaselectriciteit; Vi-trescence, vitres'ns, geschiktheid om tot glas gevormd te worden; Vitrescible, Vitriliable, ritrifiiiabl, verglasbaar, in glas veranderbaar; Vitril'action, vitrifakamp;n, glasbereiding, verglazing = Vitrification; l itriform = glas-vormig; Vitrify = tot glas maken, verglazen. Vitriol, vitriol, vitriool: Oil of â = zwavelzuur: âthrowing = het gooien van vitriool in iemands gezicht, gemeene wraakneming; âate, vitridleit, in vitriool veranderen = âize; âic, vitrio lik, vitrioolachtig, uit vitriool verkregen, scherp, kwaadaardig. Vituline, vitjulain, kalfachtig, van een kalf. Vituperate, vitjüpareit, heftig of kijvend berispen; Vituperation = berisping, het uitschelden, razen; Vituperative, vitjüporeitiv, (uit)scheldend, scherp lakend. Vitus, vaites. Vivacious, vaiveiëas, langlevend, taai, levendig, opgewekt; .âness = Vivacity, vai-vasiti, levendigheid, vlugheid, opgewektheid, bezieling. Vivarium, vaivèridm, plaats waar dieren in zoo mogelijk natuurlijken toestand in leven worden gehouden. Vivat, vivdt. dat hij (zij) leve! ââ Vive, viv. Vivian, vivfn. Vivid, vivid, levendig, krachtig, treffend, realistisch; âness: Vivification, vivifikeiamp;n, verlevendiging, weder-opleving: Vivify, vivi-/ai, leven wekken, bezielen: The air was vivifying = de frissche lucht schonk nieuw leven. |
Viviparous, vivipdros, levende jongen ter wereld brengend; Viviparity = het ter wereld brengen van levende jongen = âness. Vivisect, vivisekt, levend ontleden; âion. viviseké'n, ontleding van levende dieren, pijnlijke (wetenschappelijke) operatie; âional: âor, âionist, vivisekëdnist, ontleder van levende dieren of voorstander dier methode. Vixen, viks'n, wijljesvos, helleveeg; âish = boos, slechtgeluimd, ondeugend. Vizard, vizdd: A â mask = masker voor 't gelaat. Vizi(e)r, vizfo, vizier; âate = vizierschap. Vocable, vokob'l, woord, naam, uitdrukking: Vocabulary, vakabjuldri, woordenlijst, woordenboek, voorraad woorden, woordenkennis; Vocal, vouk'l, tot de stem behoorend, met een stem, met stem gesproken, vocaal; Vocal-c(hgt;ords = stembanden; Vocal music = gezang; Vocalic, voukalik, uit klinkers bestaande; Vocalism = oefening der stemorganen; Vocalist =zanger(es): Vocalize = uitspreken, tot stem maken; Vocalization, vonkdlaizeiamp;n, het uitspreken, het vormen van klanken; Vocalness = stemvermogen, het uitgesproken kunnen worden: Vocative, vokdtiv, subst. vocatief, wijze van aanspreken; adj. noemend, vocatief.' Vocation, voukeiè'n, roeping, oproeping, beroep: Reading is not much in my â = tot lezen voel ik niet veel roeping; âal = tot eene â behoorend. Vociferance, vousifdr'ns, lawaai, rumoer; Vociferant = schreewend, rumoerig; Vociferate, vousifdreit, luide schreeuwen, uitroepen; Vociferation = geschreeuw, luid geroep: Vociferous, voiisifdras, uitroepend, schreeuwend, uitbundig juichend. Vocule, vokjül, zwakke uitspraak. Voe, voii, baai, kreek. Vogue, voug, zwang, mode, algemeene roep: That is much in â now = dat is nu zeer algemeen. Voice, vöis, subst. stem, geluid, taal, oordeel, stemming, bevel: He was elected without a single dissentient â = hij werd zonder ééne stem tegen verkozen; He was chosen with one â = eenstemmig gekozen; He lifted up his â = hief zijne stem op (bij-belsch); Active, Passive â = bedrijvende, lijdende vorm; â verb, stemmen, teruggeven: This article âs the public sentiment = dit artikel geeft terug (geeft lucht aan) de openbare meening; The organ pipes were âd = het orgel werd gestemd; âd = met stem gesproken: This is a âd s = deze « wordt met stemtoon gesproken; â ful = met krachtige stem; âless = zonder stem: A -less consonant = stemlooze medeklinker: Voicing = het stemmen (van een orgel, b.v.), het met stemtoon spreken. Void, void, subst. leciig(e ruimte): That loss made a â in my life, which can never be filled up = bracht eene leemte, die nooit weer aangevuld kauworden; adj. ledig, vacant, ontbloot, nietig: It i» null and â = van nul en geene waarde; That sentence is â of reason, of sense = die zin heeft geen zin: The law was made â = werd terzijde gesteld, geschonden; â space = ledige ruimte; |
man; ask = ask; farm == fiim; bwt = biet; learn = hm; line = lain; bowse = haus; net; care = k^a; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ld; lord = löd; hoy = bói;
VOUCHSAFE.
540
VOIDABLE.
|
â verb. ledigen, ontruimen, ruimen, leeggooien, ontlasten (van de ingewanden), vacant verklaren; âable = wat ontruimd, geledigd of vernietigd kan worden; âer = ontruimer, lediger; âing, subst. het ledigen of ontruimen; adj. loozend, ontruimend; âness = ledigheid, nietigheid. Volant, vouVnt, vliegend, vlug, snel,vliegende voorgesteld (herald.). Volapuk, volêpuk, Volapuk; â ist = beoefe- ; naar of voorstander van â. Volatile, voldtail, vluchtig, vliegend, vervliegend, grillig, ongedurig, dartel: âoils = vluchige oliën; âsalt = vlugzout; Volati-lity, volotiliti, vluchtigheid, wispelturigheid, wuftheid; Volatilixahle, votoïiioizab'/, instaat vluchtig te worden gemaakt; Volatilixation, voldtilaizeiè'n, vervluchtiging; Volatilize = vluchtig maken. Volcanic, volkanik, vulkanisch; âsoil = vulkanische bodem; âity, volkdnisiti, het vulkanisch zijn, vulkanisch'e kracht = Volca-nisin; Volcanist = iemand met de geschiedenis, enz. der vulkanen bekend; Volcano, uolkeinou, vulkaan. Vole, voul, groote muizen- of rattensoort. waterrot. Volition, voulis'n, wil, het willen, wilsdaad, wilskracht; âal = tot â behoorende; Volltivc, volitiu, wilskracht hebbend: Volitive faculty = wilsvermogen. Volley, voli, subst. salvo, losbarsting: («ive them a â = geef hun een salvo; A â of words = een woordenstroom; â verb, losbarsten, een salvo losbranden. Volt, volt, ronde of cirkelvormige pas of gang, plotselinge zijsprong bij het schermen om een stoot te ontduiken. Volta, volte, Volta; âie, volteiik, van Volta; âic-battery = galvanische batterij; âic-electricity'= galvanisme; âic-pile = batterij van V.; âism = galvanisme: ânieter, voïtamdtd, instrument ter meling van de kracht van galvanische stroomen. Volubilate, vdljübileit. Volnbile, voljubil, ; kronkelend, klimmend, slingerend. Voluble, voljub'l, woordenrijk, praatziek, rad van taal, geschikt tot rollen; Volubility, : coljiibiliti, praatzucht, groote woordenrijkheid. Voliinic, uoljüm, iets opgerolds, kronkel, rol, boek(deel), grootte, massa, volumen: Sneb figures speak âs = zulke cijfers bewijzen heel wat, zeggen meer dan geheele boekdeelen i vol; Her anger was gathering â = haar toorn nam steeds in hevigheid toe; âd = in deelen bestaande, bestaande uit rollende massa's; Volnininoiis, voljüminos, omvangrijk, uitgebreid, uit vele deelen bestaande, groot: He is a voliiniinons writer = hij heeft veel geschreven, hij is een vruchtbaar schrijver. Voluntary, voVntorl, subst. vrijwilliger, improvisatie of fantazie (op een orgel); adj. vrijwillig, willekeurig, vrij; âschools = vrije scholen (meestal van kerkelijke richting) waarvan de kosten gedeeltelijk door vrijwillige bijdragen (= â contributions) gevonden worden; Voliintariness. Volunteer, voVnlid\ subst. vrijwilliger; adj. vrijwillig dienst nemend, uit vrijwilligers be- . |
staande: The â corps = het vrijwilligerslegioen; â verb, vrijwillig geven of aanbieden, als vrijwilliger dienen: lie did not â an explanation = hij gaf geene verklaring ten beste; Shall we â ? = zullen wij vrijwillig (ongedwongen of ongenood) gaan. Voluptuary, vdlvptjuori, subst. wellusteling; adj. wellus'tig, zinnelijk = Voluptuous, tjudS] Voluptuousness. Voluta, Vdljütd, genus spiraalslak; Volute, voljüt, subst. spiraalvormige krul in Grieksche kapiteelen, spiraalslak; adj.opgerold; Voluted = met een spiraalvormige krul. Volvulus, volvjulds, hardlijvigheid. Voinira, vomikd, longzweer. Vomit, vomit, subst. braaksel, braakmiddel; â verb, braken, uitbraken; âing = het braken. Voracious, voreièds, gulzig, verslindend; âness, Voracity, vorasiti, gulzigheid, vraatzucht; Vorant, vór'nt, verslindend (herald.). Vortex, vötaks (Meerv. âes. Vortices, vötisiz). dwarrelwind, draaikolk; Vortical = dwarrelend, draaiend = Vorticose, vötikous, Vorti-giiuuis, vötidzinos. Vosges, vouz, Vogezen. Votaress, voutaros, ordezuster; Votary, voutdri, subst. ordebroeder, toegewijde; adj. gewijd, eene gelofte afgelegd hebbende. Vote, vout, subst. stem, stemrecht, de uitgebrachte stemmen, artikel, onderdeel: The niotion came (was puO to the â == werd in stemming gebracht: lie was within a â of losing his situation = met éénestem meerderheid behield hij zijne betrekking; The chairnian has a casting â = beslissende stem: The reniaiiiiiig âs of the army estimates were considered and agreed to = de nog overblijvende artikelen der oorlogs-begrooting werden behandeld en aangenomen; One man one â = ieder man ééne stem; The niinistry had a close escape, and carried the inotion by fourteen âs = het ministerie ontkwam ternauwernood aan eene nederlaag en kreeg de motie met eene meerderheid van veertien stemmen aangenomen; â verb, stemmen,kiezen, verklaren: A motion of tiianks was âd to the chairman = den president werd de dank der vergadering gebracht; lie âd himself into the chair = hij benoemde zichzelf tot voorzitter; ^ He spoke for the governnient andâd against it = en stemde er tegen; Voting by ballot = geheime stemming (eig. met balletjes): Voting-paper = stembiljet: âr = kiezer, stemgerechtigde. Votive, voutiv, gegeven, betaald of gewijd ter vervulling eener gelofte; âmedal = herinneringsmedaille; âoffering = dankofler. Vouch, vautè. subst. waarborg, getuigenis; â verb, waarborgen, verzekeren, handhaven, getuigenis afleggen: Will you â for the truth of it; = staat gij voor de waarheid in; âee = gedaagde (in civiele zaken): âer = getuige, bon(netje), borg, getuigenis, declaratie (voor uitgegeven en onvergolden gelden); My âer has left the audit-olfice = mijne declaratie is al bij de Kekenkamer geweest; A âer for a drink = bon; âor = die een ander daagt (zie âce); âsafe = toestaan, de goedheid hebben, zich verwaardigen: He did |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = jia; long = loi^; s/iip = sip; occasion = okeiz'n; thin; f/ms = dhvs; wine.
WAGE.
vow.
550
|
not âsafe any reply = verwaardigde zich niet te antwoorden. Vow, vau, subst. gelofte, plechtige belofte: She lias taken the âs = zij heeft de kloostergeloften afgelegd; â verb, beloven, eene gelofte doen, plechtig afzweren of bedreigen; âer. Vowel, vaudl, subst. en adj. (van een) klinker. Voyage, vamp;i-idz, subst. verre (zee)reis (N.B. korte zeereis is Passage): On our â out, our ontward â = op onze heenreis; Our â in, onr hoineward â = onze terugreis; 1 met him on my â = op reis; lie went on a â = op reis; â verb, reizen, bereizen, bevaren; âr = (zee)reiziger; ânr, vóiozv., Canadeesch schuitevoerder. Vnlean, volk'n, Vulcanus; âJan, vdlkeinfn. van Vulcanus of een vulkaan; â ic, vdlkanik, tot Vulcanus behoorende, vulkanisch; âi»t = iemand die het ontstaan der (basalt)rotsen aan de werking van het vuur toeschrijft; âology, vvlkdnolddzi, wetenschap der vulkanen en vulkanische werkingen. |
Vulgar, vvlgd, subst. gewone volk,groote hoop, het gemeen; adj. gewoon, gemeen, ordinair, grof, lomp, laag, volks...: The â tongue = taal van liet volk; â fraction = gewone breuk; âian, vdlgêrldn, subst. ordinair persoon, rijke poen; adj. laag, gemeen; âitmi = platheid, platte uitdrukking; âity, vdlgariti. laagheid, platheid, grofheid; âize = plat of laag maken, plat of gemeen doen; â ization = het plat of gemeen maken. Vulgate, vulgeit, vulgate of Latijnsche bijbelvertaling van den H. Jeromus (329â420).' Vulnerable, volndrdb'l, kwetsbaar, wondbaar; ânes» = Vulnerability; Vulnerary, rari, subst. heel- of wondmiddel; adj! (wonden of kwetsuren) heelend; Vulnerate, vubidreit, wonden, treffen, beleedigen; Vxxlneration = het wonden, wond. Vulpicide, vnlpisnul^ het dooden van een vos op andere wijze dan met honden: Vnlpine, vnlpain, vosachtig, listig, slim; Vulpinisin, volpinizm, sluw- of slimheid. Vulture, vnlfjd, gier, iemand van roofzuchtigen aard; Vulturine, vDltjdra'm, gierachtig, roofgierig = Vulturous. Vying, vai-iri, mededingend. |
w.
|
W, dub'Iju; W. = Wednesday, Weak, Welsh, ' Western (postal district, London); IVallach-(ian), IValt(er), W(ater) C(loset), Jf'(estern) C(en tral postal district), Wednesday), Wel{sh), Wht*. = Wharf, IfÃP.s'O J(ndies, West Indian), Wisc^onsin), \Vk. = Week, W(est) Lony(itude), Win. = William, W(orshipful) M{aster) = achtbare meester; W(est) ^{orth) W(est), Wp. = Worship, | Wplul. = Worshipful, lV(riter to the) S(ignet), lV(est)S(puth) IV(est), W(ashington) T(erritory), Wt. = Weight. Wabash, wóbds, rivier. W7abble, Wobble. lt;foö7,subst. schommeling, ; onregelmatige beweging; â verb, schommelen, waggelen: âr; Wabbly = schommelend. Wad, tuod, subst. vulsel, prop, watten, enz., geweerprop: A âded box = een bekleed doosje, bekleede kist; â verb, tot eene prop maken, opvullen, watteeren; âhook = kras- | ser (om proppen uit een geweer te halen): âding = opvulsel, watten, prop: The paper had served as âding for the gun. Waddie, Waddy, wadi, knots (Australië). Waddie, wocTl, subst. waggelende, schommelende gang; â verb, waggelen, met vluggen en korten pas loopen; âr; Waddling(ly). Wade, weid, waden, doorwaden, met moeite gaan door: We were wading up to our knees through the mud = wij waadden tot onze knieën door den modder; âr = die waadt, hooge waterlaars, steltlooper = Wading-bird; Wady = stroom, droge bedding daarvan. Wadsetter, tvodsetd. hypotheekhouder. Wae, wei, wee; Zie Woe. |
Wafer, weifd, subst.ouwel, wafel, hostie (naam door Protestanten gegeven): âverb, ouwelen, dicht plakken; --cake = knijpkoekje, ijzerkoekje; Beetle â = papier of ouwel om torren te dooden. Waffle, wofl, wafel; âiron = wafelijzer. Walt, wdft, subst. wenk, sein, ademtocht, signaalvlag als noodteeken; â verb, voeren of dragen, overbrengen, drijven, seinen; âage, wdftidz, vervoer. Overbrenging. Wag, wag, subst. het heen en weer schudden, grappenmaker, spotvogel, schalk: lie played the â from school = hij bleef stil uit school weg; â verb, schudden (horizontale beweging, tegenover Xod = schudden of knikken, verticale beweging), kwispelstaarten: There was iniicli âging of heads at his insolence = men schudde algemeen het hoofd over zijne onbeschaamdheid: The dog âged its tail = kwispelstaartte; The boy âged from school = liep uit school weg; A 'cordial laugh âged his beard = hartelijke lach deed zijn baard schudden; That will set the tonguesâging = daar zal wat over gepraat worden; Thus the world âs = zoo is 's werelds beloop; Thus 1 â through the world = zoo scharrel ik door den tijd; âgery = schalkerij, ondeugende aardigheid: lie'is full of âgery = hij zit vol looze streken; âgish = grappig, ondeugend, schalksch; âgisliness; âtail = kwikstaartje. Wage, weidz, subst. loon, huur, betaling: The living â = het loon dat een menschwaardig bestaan verzekert; âfund = loonstandaard; â verb, wagen, ondernemen, borgtocht nemen, staan tegenover: He âd war on mankind = hij voerde strijd tegen de geheele wereld; |
man; ask = ask; farm = fiim; bwt = but; learn = Iwn; line = lain; house = hans; net; care = kca; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; hoy = bói;
WALK IX G-L AD V.
351
WAGE-WORK.
|
âwork = loonarbeid; âs = loon, belooning: The â» of 8111 is death = het loon der zonde is de dood; âles» = zonder loon. Wager, weidza, subst. weddingschap, aanbod om onder eede zijne onschuld te betuigen, het zweren met elf anderen ter versterking van den eed des beschuldigden: I will lay yon a â = ik wed met u; What is your*â? = hoe hoog hebt gij gewed; â of battle = beslissing door een tweegevecht; â verb, wedden. Waggle , wag''I, subst. vlugge, waggelende gang; â verb, waggelen, vlug en waggelend loopen (als eene eend, b.v.). Wag(g)oii. tvag'n, vracht- of goederenwagen; âage,âidr,vracht(loon),vereenigingv. vrachtwagens; âer = vrachtrijder; âeiie^iungdnet^ wagentje, pleizierwagen (voor zes of acht personen); âing = vervoer per wagon. Waluibi, Waliabee, ivdhdbi, Mohammedaan-sche secte; âism = beginselen der âs. Waif, weif, onbeheerd goed, zwerver, daklooze, door de dieven bij de vervolging weggeworpen goederen. \Vail, weil, subst. weeklacht; â verb, weeklagen, beweenen; âful = weeklagend, treurig; âing = gejammer, weeklacht = âment. Wain, luein, wagen, vrachtwagen: Charleses â = GrooteBeer; âhouse = wagenschuur; âman = vrachtrijder; ârope = wagenreep of -touw; âwriglit = wagenmaker. Wainscot, weinskot, subst. lambriseering, wagenschot; â verb, met hout beschieten of bekleeden; âIng = lambriseering. WaiHt, iveist, middel (v. het lichaam), keursje of corset(Am.), middeldek; âband = broeksband die het middel omsluit, (dames)ceintuur; âbelt = gordel; âeloth = schans- of dekkleed ; âcoat, iveslcot,vest; -er = onervaren of niet bruikbaar matroos. Wait, iveit, subst. hinderlaag: They laid â = zij legden eene hinderlaag; The cat was lying in â for the mouse = lag op de loer op de muis; The âs were iinnsually long = de pauzen tusschen de bedrijven waren buitengewoon lang; â verb, wachten, bedienen, vergezellen: You have kept me âing = mij laten wachten; 1 am going to â at table = ik zal aan tafel bedienen ; 1 have been âing for you (for) ever so long = ik heb ik weet niet hoe lang op u gewacht; Am I to â you there = daar wachten, tot gij komt? Who âs on you? = wie past u op, bedient u; We herewith â on you with the abstract of your afcount *= hierbij iiebben we de eer,*U eene verkorte rekening te zenden; lie âed (up)on the mayor = hij maakte zijne opwachting bij den burgemeester; That pa oer may â till to-morrow = dat stuk tot kan morgen wachten, blijven liggen: We â on you, o Lord! = wij wachten op u, o Heer: The boats are in âing on the little pier = de booten liggen klaar aan het havenhoofd; 1 am playing a âing game = ik heb den tijd nog; Who is going to â np for me? = wie zal opblijven totik thuis kom; Ladies in âing = hofdames; Lords in âing = kamerheeren van dienst; âer = kellner, bediende, stomme knecht, presenteerblad; âing-gentleman = kamerdienaar; â ing-maid, -ing-woman = kamenier; âing-rnom = wachtkamer; âress = vrouwelijke bediende, kellnerin. |
Waits, weits, troep muzikanten die met Kersttijd serenades brengen. Waive, weiv, verlaten, afzien van: I â my claims = ik zie af van mijne rechten; â r. Wake, weik, subst. het waken of wakker zijn, heilige avond, wijdingsfeest v. eene kerk, waken bij een lijk, zog (v. een schip), spoor: He left a â of victory behind him = hij behaalde steeds overwinningen waar hij ook kwam; We followed in the â of the steamer = wij kwamen achter de stoomboot aan; They followed in your â â zij kwamen onmiddellijk achter u aan; â verb, wakker zijn, wakker worden, wekken, onrustig zijn, tot laat in den nacht pret maken, opwekken: A laugh woke about the comers of his mouth = een lachende trek kwam om zijn mond; ârobin = aronswortel; âful = wakend, waakzaam; â fulness; ân = wekken, oproepen, aansporen; âner; âr; Waking, subst. het wakker zijn, de tijd daarvan; adj. wakend, uit den slaap wekkend; Waking-hours = de uren dat men niet slaapt. Waldenses, itfoWensts, Waldensers; Walclen-sian = van of als de â. Wale /, subst. streep (door roede of zweepslag op de huid veroorzaakt), barghout (= breede plank langs een schip van vóór- naar achtersteven) ; â verb, met strepen of striemen teekenen; â d = met striemen gemerkt. Wales, weilz, Wallis. Walk, wók, subst. wandeling, (wandel)pas, wandelplaats, laan, marskramersdistrict, levenswijze: Shall we go (out) for a â ? = zullen wij eene wandeling gaan doen = take a â ?; The liberals had a â over = de liberalen behaalden gemakkelijk de zege (omdat de andere partij geen candidaat had gesteld); In this walk he is without a competitor = in deze afdeeling (vak) staat hij alléén: â verb, wandelen, gaan, betreden, slaapwandelen, zich gedragen, doen loopen of wandelen: Will you â the little three-year-old? = wiltgij den kleine van drie jaar bij het handje nemen; The watchman had Just âed his round, when the lire broke out = had juist de ronde gedaan; Does your friend â ? = is uw vriend een slaapwandelaar; lie has â ed the hospitals for three years = hij heeft de kliniek aan de hospitalen gevolgdquot;: The pirates made their victims â the plank = de zeeroovers verdronken hunne slachtoffers; lie had to â the plank = hij moest ontslag nemen; They âed the streets = liepen 's avonds langs de straten, leidden een zedeloos leven; lie âs alone = hij is een verstootene, balling; He âed over us = hij deed ons zijne macht gevoelen; The Tories were allowed to â over = de conservatieven wonnen den zetel (terwijl de liberalen geen candidaat stelden); He âcd up to me = kwam naar mij toe; âmill = volmolen; âable = be-wandelbaar; âer, subst. wandelaar, houtvester, lakenvoller, zonderling, geleuter, klets; interj. Loop! .,Mot je mijn hebben?quot;; âing = het wandelen; âing-geiitlemaii = figurant in eene heerenrol; âing-lady = figurant in eene dames- |
bone = boun; full; fool = ful; e = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl; f/ear = Jia; iong = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dhus; wine.
WALKING-STICK.
WAR.
|
rol; âiiig-slick = wandelstok; âiiig-ficket = verlof briefje, ontslag (uit de gevangenis); âist = wandelaar van beroep (Am.). Wall, wol, muur, wand. wal (gew. meervoud), verdediging: What with lier painting, what with her inusie the household afiair* went a little to the â = de huishouding leed eenigszins onder hare liefhebberij voor schilderen en muziek; lie was weak and went to the â = hij was zwak en bezweek, stierf; The big prize-fighter went to the â = de groote worstelaar verloor den strijd: Kvery one went to the â to make room for him = ging opzij; They were piiHhed to the â = door de overmacht verpletterd: 1 have taken the â olquot; him = ik heb het van hem gewonnen; Give him the â = laat hem aan den hoogen kant (tusschen den muur en uzelf) gaan: The enemiet* were witliin the âs = binnen de muren der vesting: â verb, ommuren, versterken, verhinderen: Tl»' opening was âed np = werd dichtgemetseld: âcreeper = muurkruiper (soort v. specht): â eye = glanzig oog. ongezond oog; âeyed = met slechteoogen, verblind: Because you are âeyed you think we have the s»iiilt;gt; blank outlook = omdat gij blind zijt (de zaak met een verkeerd oog beziet), deilkt gij dat dit met ons ook het geval moet zijn; âflower = muurbloem, dame die op een bal blijft zitten; âfruit = vrucht(en) van leiboomen; âknot = knoop door de rafels van het eind van het touw saam te binden; âmoss = muurmos; âpaper = behangsel: âpepper = muurpeper; âpiece = kanon op een muur geplaatst; âplate = muurstuk (hout om de balken te schragen); âsideil = met rechtopstaande zijden boven de waterlijn; âspring = rotsbron; âstreet = straat waar de effectenbeurs staat (N.-York): lie lost his money on âstreet = met specu-leeren; âtent = tent met rechtopgaande zijden; âtree = leiboom; âwort = muur-kruid; âed = met muren omgeven; âer = bouwer van muren; âing = muurwerk, materialen voor muren. Wallaba, woldbo, boom uit Britsch Guiana, hoog gewaardeerd om zijn donkerrood hout. Wallace, ivo lis. Wallachia, wdlakjd, Wallachije; ân, subst. en adj. (bewoner) van â; ân-sheep. Wallet, wobt, knapzak, voorraad. Wallis, wo lis. W7alloon, tudlün, subst. een der Walen. Waalsche taal; adj. Waalsch. Wallop, ivotep, koken, borrelen, opborrelen, duchtig ranselen: This is only a tickling to the âing you'll get to-morrow = dit is nog maar kietelen bij het pak slaag dat je morgen krijgt. Wallow, wolou, subst. waggelende gang: â verb, wentelen (in het slijk), rollen, woelen, slecht of zondig leven; âer = die zich wentelt of in het slijk wpelt. Walmer, if'ówa.'Walmsley, wómzlL Walnut, wólnvt, walnoot. Walpole, wolpoul. Walsh, wolè. Wal-singliam, wolsir^m. Walrus, tvolrds, walrus. (luólt'n. Walter, wólld. Waltham, wolfm. Walton. |
Walt(y), wolt(i), rank (v. scheepjes, etc.). Walts, wólts (door geurmakers gesproken), subst. wals(muziek); â verb, walsen; âer. Wal worth, wolwdth. Wamble, womb'l, walgen. Wampee, wdmpi, oranjeachtige boom (China). Wampum, womp'm, schelpkoralen, schelpgordel. Wan, won, adj. bleek, ziekelijk, flets; â verb, bleek worden; âness. Wand, uond, roede, tooverstaf, staf; âlike. Wander, luondd, zwerven, ronddolen, malen of ijlen, afdwalen (van het onderwerp): Your wits are âing = ge hebt er een paar op den loop: You are âing from the subject = ge dwaalt van uw onderwerp af; lie âed in his mind = hij ijlde; âer = zwerver, afdwaler (van het goede pad); âing, subst. afdwaling, rondzwerving, verlaten v. het goede pad, het ijlen of malen; adj. zwervend,onvast: They lead a âing life = een zwervend leven; The âing Jew = de Wandelende Jood; âment = rondzwerving. Wandsworth, ivonzwdth. Wane, wein, subst. afneming, vermindering: The moon is on the â = aan het afnemen; â verb, afnemen, verminderen: Waning strength = verminderende krachten. Wanghee, wavjii, bamboes (China en Japan). Wankle, woY\h?l, zwak, onvast, wankel. Wanley, wonli. Wrant, wont, subst. gebrek, behoefte, gemis, armoede, nood: They are in â of everything = zij lijden aan alles gebrek; She felt the â of it = gemis er van; 1 do it for â of better einployment = uit gebrek aan beter werk; lie died of â = hij kwam van gebrek om; First supply the âs of the poor, and then give way to luxury = voorzie eerst in de behoefte'n der armen, en voldoe dan aan uwe weelde; â verb.ontberen, behoeven, noodig hebben, verlangen, wenschen: What do you â ? = wat moet je; I â you to go there = ik wensch dat gij daarheen gaat; You are âed=jou moet men hebben: 1 â my inainma = ik zoek naar ma'tje; It âs ten' minutes to live = het is tien minuten voor vijf; I â for nothing that money can procure = ik heb alles wat voor geld is te krijgen; Kotliing is âing to my happiness = quot;er ontbreekt niets aan mijn geluk; 1 shall not be âing to send you word = ik zal u zeer zeker eene boodschap zenden; lie was never found âin^ = mankeerde nooit; Three more are âing = er mankeeren nog drie; âof-confidence-vote = motie v. wantrouwen; âwit = dwaas, sul. Wanton, wonVn, subst. lichtmis, zedeloo/.e man of vrouw, bedorven of verwijfd schepsel; adj. losbandig, wulpsch, dartel, speelsch, roekeloos, brooddronken; â verb, dartelen, stoeien, mallen, weelderig opgroeien; âness. Wanty, wonti, pakriem, gordel. Wapentake, weip'nieiA:,district (in Y'orkshire; hetzelfde als The hundreds; zie dit). Wapiti, wapiti, N.-Am. hert of eland. Wappet, wapat, (jankende) hond. War, iv'ó, subst. oorlog, strijd, vijandschap, vijandelijkheid: He made â upon these states = hij deed dezen staten den oorlog |
man; ask = ask; farm = fiim; but = but; learn = hm; line = lain: house = hans; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = oslip; not; \aw = ló; lord = löd; hoy = boi;
WAR-COUNCIL.
WARRANT.
553
|
aan = declared â aKainst (hem; A â waw carried on between I lie we powers = er werd oorlog gevoerd tusschen; \V e are engaged in a â = in een oorlog gewikkeld; The spirit is at â with the Hesh = voert strijd tegen: It was â to the knile (to the death) between (hem = het was een strijd op leven en dood; Holy â = heilige oorlog, kruistocht; Many prisoners of â were made= krijgsgevangenen; A council of â (âcouncil) was held = krijgsraad werd gehouden; Several inen-of-â were equipped = onderscheidene oorlogschepen werden uitgerust; â verb, beoorlogen, strijd voeren: âringagains( his be((er self = strijd voerende tegen zijn beter ik; âcouncil = krijgsraad; âcry = oorlogskreet, oorlogsleuze; âdance = oorlogsdans; âdrum = krijgstrom; âfare, subst. strijd, (wijze van) oorlog (voeren), vijandelijkheden; verb, oorlog voeren,strijden: âfarer = krijgsman; âlield = oorlogsveld, slagveld; âhorse = strijdros; âinsurance = assurantie tegen ooriogschade; âman = krijgsman; âmarked = met de teekenen v. oorlog of strijd; âmonger = huurling, huursoldaat; â-office = Ministerie van Oorlog: âpaint = oorlogsverf (Indianen), groot tenue, marschtenue; âpath = militaire expeditie: We are on the âpath = op expeditie; âplume = oorlogspluim; âproof, subst. beproefde dapperheid; adj. bestand tegen oorlog; âscot = oorlogsbelasting; âship = oorlogschip; âsong = krijgslied; âsteed = krijgsros, strijdhengst; âtorch = oorlogstoorts: âwearied = door of in den oorlog uitgeput; âwhoop = oorlogskreet, krijgsgeschreeuw; âworn = in den dienst versleten: âlike = krijgshaftig, strijdbaar, oorlogs...: âlike paraphernalia (pamp;rafdneiljd) = oorlogstoebereidselen: ârior, tuorid, krijgsman, soldaat, held. Warble, rvöb'l, subst. gekweel, lied. gezwel op den rug van een paard; â verb, kweelen, zingen, trillers slaan; âr = kweeier, zangvogel: Warbling, subst. gekweel, lied; adj. kweelend, trillend. Wa rd, tt/öd, subst. bewaking, wacht, verdediging, bescherming, garnizoen, sterkte, het pareeren. voogdijschap, minderjarigheid, pupil (tegenover (â uanlian = voogd), wijk, afdeeling of vertrek in een hospitaal, werk (van een slot); â verb, bewaken, verdedigen, beschermen, terugdrijven, afweren: The thrust w as âed off by me = gepareerd of afgewend; âmote = wijkbijeenkomst; âpenny = bewakingsgeld, waakgeld; ârobe = kleerkast, garderobe: âroom = kajuit voor luitenants; âship = voogdijschap, minderjarigheid: âen = bewaker, bewaarder, titel voor de hoofden van sommige colleges of scholen, soort van peer: Lord âen of the Cinque-ports = ambtenaar met de rechtspraak der Cinque-ports belast; âen-pie = perenpastei; âensliip = bewaarderschap: âer = bewaker, wacht: âers of (he To wei-ambtenaren ter bewaking v. staatsgevangenen; âerer = bewaker. |
Ware, ivê,i, waren, goederen, zeegras: China â = porcelein; Earthenâ = aardewerk: Hard â = ijzerwaren: âhouse = pakhuis, magazijn, entrepot; âhouse-man = pakhuishouder, pakhuismeester; âhousing = het opslaan van goederen in pakhuis of entrepot; â housing-system = het entrepot-stelsel, waarbij ingevoerde belastbare artikelen zóólang onbelast in een entrepot worden opgeslagen, tot zij voor binnenlandsch gebruik worden aangewend; âroom = pakkamerr uitstalkamer. Warhani, wor'm. Wariness, wêrinds; Zie Wary. Warlock, ivö bk, too venaar, geestenbezweerder^ âry = toovenarij. Warm, worn, subst. verwarming: Have a â = warm je eens goed; adj. warm, heet, vurigT ijverig, prikkelbaar, boos, woedend, krachtigT levendig, gegoed, rijk: Vou are getting â = je brandt je (bij het blindemanspel); He is â = hij zit er warmpjes in; â verb, verwarmen, in vuur brengen, opwinden, verlevendigen, doen gloeien: He âed to his subject = zijn onderwerp sleepte hem mede; âblooded = warmbloedig: âcolours = kleuren met geel of rood als basis; âhearted = hartelijk, oprecht; âer = wie of wat verwarmt; âing, subst. pak slaag; adj.verwarmend: âing-pan = beddepan, iemand die eene betrekking vervult om deze open te houden tot de bedoelde persoon ze vervullen kan; âness, âth = warmte, vuur, gloed, hartelijkheid. Warn, won, waarschuwen, aanzeggen, bevelen,, oproepen: He âed us of the coming of the general = hij kondigde ons de komst van den generaal aan; I â you against such a behaviour = ik waarschuw u voor zulk een gedrag; The danger was âed off = werd afgewend; They were âed off the hunt, being unfit to ride = hun werd aangezegd, niet mee te gaan op jacht, aangezien ze niet konden rijden; The inlirm and aged are âed off = zwakken en ouden van dagen worden hier niet toegelaten (worden gewaarschuwd weg te blijven); âer; âing = waarschuwing, aankondiging, dienstopzegging: My mistress has given me âing = mevrouw Heeft mij den dienst opgezegd; Take âing of his example = spiegel u aan zijn voorbeeld. W arp, zuöp, subst. schering (lengtedraden van een weefsel), ontijdig gebaarde jongen» kronkeling, werptouw (= klein kabeltouw); â verb, krom trekken, krimpen, verdraaien, ontijdig jongen werpen, kunstmatig besproeien of inundeeren, afwijken, verergeren, een schip verhalen of omwenden door touwen aan iets anders vastgemaakt: A âed, iiiiframed photo stood on his desk = een kromgetrokken, niet omlijste photographic: âed = krom, verdraaid, vertrokken: His conclusions are occasionally âed by sympathy = zijne voorliefde maakt dat zijne conclusies wel eens wat verdraaid zijn; âer = wever; âing = het onderwaterzetten van het land voor de vruchtbaarheid, het maken van de schering; âing-bank = dam om het water op een stuk land te houden; âing-mill, âing-machine = handmolen tot het maken der schering. Warrant, wornt, subst. volmacht, machtiging, recht ot bevel (lot inhechtenisneming, enz.), wettigheid: The deathâ was signed by the king = bevel tot executie; A search â 1 = bevel tot huiszoeking, opsporing, enz.; â |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; year = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhvs; wine.
WARRANT-OFFICER.
554
WATCH-DOG.
|
of altorney = procuratie of notarieele volmacht voor een bepaald geval: â8 were ishikmI = bevelschriften werden uitgevaardigd; âofficer = onderofficier tusschen sergeant â¢en luitenant, dus: sergeant-majoor, adjudant-onderofficier, bootsman, enz.; â verb, waarborgen, machtigen, toestaan, bekrachtigen, verzekeren, instaan voor, betuigen: I â you â¢that he is a clever fellow = verzeker u, sta er voor in; âable = verdedigbaar, wettig, oud genoeg voor de jacht erop (v. herten); âed = gemachtigd; âer = volmachtgever, waar-borger; âize = machtiging; âor, wor'ntö, wie een recht aan iemand verzekert (deze is de âee); ây, subst. belofte, waarborg. quot;Warren, wor'n, konijnenpark, vischweer; âer = houder van een â. quot;Warsaw, tvösö. Wart, wö£, wrat: âhog = genus wrattenzwijn; â ed = met â-les» = zonder wratten; âwort = wrattenkruid; ây = vol wratten, wratachtig. Warwick, worik: âshire, so. Wary, wêri, omzichtig, behoedzaam. quot;Was, tuoz. imperf. (enkelv.) van to be; Thou wast of wert (dichterl.). AVase, weiz, kussen door sjouwers op het hoofd gedragen. quot;Wash, woë, subst. het wasschen, de wasch, spoeling, water achterlaten door schip of boot, moeras, watertje voor de toilettafel, dunne metaallaag, blad van een roeiriem, dun verf-laagje: The â and turmoil of the water = het klotsen en de beroering; Til do the â = ik ga de wasch aan kant maken: I have sent them to the â = ik heb ze in de wasch gedaan; â verb, wasschen, afwasschen, afspoelen, bespoelen, uitwisschen, door wasschen lt;loen verdwijnen, met eene dunne verllaag bedekken, met een metaallaagje bedekken, â¢reinigen (van erts): The sea âs the rocks = de zee bespoelt de rotsen; All their Hins were âcd away = zij werden van al hunne zonden, gereinigcf; I â my hands of it = in onschuld; 1 â my hands of him = ik wil niets meer met 'hem te maken hebben: Those spots cannot he âed out = die vlekken gaan er in de wasch niet uit; Copper âed with silver = verzilverd koper; This soap won't â clothes = deze zeep is alléén toiletzeep: That will not â = dat zal niet baten, niets geven; quot;That beats my record,quot; he said, as we were âiuR up *= dat heb dk nog nooit beleefd, zeide hij, terwijl wij ons stonden te wasschen; A âed-out creature = bleek schepsel; âball = zeepbal (voor de toilettafel); âboard = waschplank (met geribde oppervlakte), zetboord (op boot of sloep): âgilding = zekere wijze van vergulden (Zie Water-gilding); âhand-basin = wasch-kom; âhand-stand, âstand = waschtafel; âhouse = waschhuis; âleather = zeemleer; âpot = waschkom, waschbak; âtub = waschtobbe; âable = goed blijvend in de wasch: â cr = wie of wat wascht, wasch vrouw, waschmachine, ringplaat (onder de moerschroef); âer-man = waschbaas, waschman, bleeker; er-woman = waschvrouw: âi:ig, subst. het wasschen, afspoeling: adj. gebruikt bij het wasschen : âing machine = wasch- | machine; âinggt;powder = waschpoeder (preparaat van soda); ây = waterig, zwak, dun, krachteloos: ây-loókin^ wine = dunne, krachtelooze wijn; Washiness. |
Washington, woèir\fn, Washington; âian, woêifltöunfn, subst. afschaffer; adj. afschaffers.. .,v. Washington: The âian movement = âianism = afschaffersbeweging, hunne beginselen. Wasp, luosp, wesp; âish = met eene wespentaille, boosaardig, prikkelbaar, giftig; âish-headed = prikkelbaar, opvliegend; âishness. Wassail, tvosil, subst. feestelijke gelegenheid, drinkgelag; gekruid warm bier met Kerstmis of Nieuwjaar en opgediend in den âbowl; âcup = beker waaruit â werd gedronken; â verb, drinken, eene drinkpartij houden; âer = drinkebroer, pretmaker, die aan een drinkgelag meedoet. Waste, iveist, verwoesting, vernieling, verspilling, afneming, achteruitgang, woestenij, wildernis, onbewoonde grond, onbruikbaar iets, afval, roof, schade (aan buizen, enz. toegebracht), verlies, verkwisting: Your candle is running to â = uwe kaars loopt af = is guttering; adj. woest, verwoest, eenzaam, naar, onbebouwd, ongeschikt gemaakt, waardeloos, onnut: The country aronad was laid â = werd verwoest; â verb, verwoesten, vernielen, verminderen, verspillen, uitteren, verteren, kwijnen, beschadigen, (v. gebouwen, enz.), al zijne kracht of zwaarte op een bepaaldi punt richten: llis illnes had âd him to skin and bones = zijne ziekte had hem geheel uitgeteerd; You â (away) your time and money = gij gooit geld en tijd weg: âbasket = papiermand = âpaper-basket = prullenmand; âbook = kladboek (v. een koopman); âgate = afvoersluis; âlands = braakland; âpaper = scheurpapier; âpipe = afvoerbuis; âweir = afvoervveer; â ful = vernielend, verkwistend, verspillend: âfulness = vernielzucht, spilzucht; â r = doorbrenger, dief aan de kaars, soort knots, stomp zwaard, schermdegen; Wasting, subst. vernieling, vermagering: adj. vernielend, uitterend, verzwakkend; Wastrel = vernieling, het verwaarloosde, verwaarloosd kind, kind zonder thuis of onderkomen ; Wastrie, weistri, vernielend, verwoestend. W7at, wot, fam. voor Walter. Watch, ivots, subst. wacht, waakzaamheid, het waken, oplettendheid, schildwacht, wachtpost, horloge, uurwerk: Alarum â = wekker (met uurwerk); Repeating â = repetitie-horloge; 1 am on the â = ik sta op den uitkijk, lig op de loer; The â was relieved = de wacht werd afgelost; I set a â over them = ik liet hen bewaken; lie set his â to the city-dock = hij regelde zijn horloge naar de stadsklok; My â has run down = mijn horloge is afge'loopen; â verb, waken, bewaken, gadeslaan, de wacht houden, acht geven: Many eminent lawyers were âing the case = woonden het proces bij; I âed the thunderstorm from this elevated position = ik sloeg het onweer van deze hoogte gade; lie â ed over (kept â over) my childhood = hij waakte over mijne kindsheid; âbox = schilderhuis; â-case = horlogekast; âdug = wacht |
man: ask = Ask; farm = fam; bwt = but; learn = lun; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = «slip; not; law = Id; lord = löd; boj/ = bói;
WATCH-GLASS.
555
WATTLE.
|
hond; âglans = horlogeglas; âguard = horlogeketting of -lintje; âhand = horloge-wijzer; âhouse = wachthuis; âkey = horlogesleutel; â-light = nachtlicht; â maker = horlogemaker; âman = nachtwaker, nachtwacht: âmairs rattle = ratel van een nachtwacht; ânight = laatste nacht van het jaar: 1 attended a â-night service in the Wesleyan chapel = ik woonde den kerkdienst van het oude jaar in het nieuwe bij in de W. kapel; âstand = horlogestander; âtower = wachttoren; âword = wachtwoord, leus, motto; âer = waker, wacht, waarnemer, bespieder; â fnl = waakzaam: I have always been âlui ol'your interests = ik heb uwe belangen altijd nauwlettend behartigd; âing = waakzaamheid, het waken. Water, subst. water, zee, rivier, glans |
van diamant of parel, elfecten uitgegeven zonder gewaarborgden intrest: Diamonds of the first â = diamanten van het zuiverste water; Cüentlenieii of the lirst â = hoogsten rang; He is a prig of the first â = hij is een verschrikkelijke kwibus; That will not hold â = dat is lek: Your reasoning won^t hold â = uwe redeneering gaat niet op; You have got into hot â = gij ziter leelijk in; We were in deep â = ineenemoeilijke positie; Yon must put on plenty of pace when riding at â = gij moet flinC aanzetten om het paard over een sloot te doen springen lt;Z. Ride at leaps); He threw cold â over my enthusiasm = hij gooide een emmer koud water op mijne geestdrift; Slack â = doodtij; itilge â = ruimwater (dat niet verwijderd kan worden omdat het niet bij de pomp kan komen); The ship made â = was lek, kreeg water in; Our vessel made foul â = ons schip raakte met de kiel den bodem, ging door den modder; Shall we go by â or by land? = te water of te land reizen; lie lias â on the brain = hij lijdt aan hoofdwaterzucht: â verb, besproeien, bespoelen, nat maken, van water voorzien, water innemen, in water dompelen, watertanden, sterk verlangen: The flowers were âd = werden begoten; It made my moiitli â = het deed me watertanden: After âing we sailed away = nadat wij versch water ingenomen hadden; âback = warmwaterbak of reservoir in een fornuis; âbailifr= waterschout; âbattery = (electrische) waterbatterij; âbearer = Waterman (dierenriem); âborne = drijvend, vlot; âbuck = waterbok (Z. Afr.), eene soort v. antilope; âbugs = watertorren; âbutt = water-of regenton; âcarriage = vervoer te water; âcart = sproeiwagen; âcloset = geheim gemak, sekreet; âcock = waterkraan: âcolour = waterverf, schilderij in waterverf = painting in âcolours; â-colorist = waterverfschilder; âcourse = stroompje, stroom, waterloop; âcraft = schepen, booten, enz.; âcrane = waterpomp (voor een locomotief); âcress = waterkers; âcrowfoot = waterranonkel; âcure = waterkuur; âdeck = gekleurd linnen ter bedekking van zadel, enz. van een huzarenpaard; âdial = wateruurwerk; âdog = waterhond, zwemhond; â drain = waterbuis; -drainage = water-loozing; âdressing = koudwatercompres; âdrop = droppel water, traan; âengine = watermachine; âewer = gietkan, gieter; âfall = waterval; âflag = lisch, waterlelie; âflea = watervloo; âflood = overstrooming; âfly = waterinsect; âfowl = watervogel; âliirrow, subst. voor of greppel om water af te voeren; â verb, draineeren door greppels; âgate = deur van eene sluis; âgnll = gat in den grond door hevigen regen, bijregenboog; âgas = watergas; â gauge = watermeter; âgilder = iemand die de kunst verstaat van âgilding = het vergulden op lijmgrond; âgruel = watergruwel; âhen = waterhoentje; âkelpie = watergeest; âlevel = watervlakte, waterpasinstrument; -level-line = waterpeil; âlily = waterlelie; âline = waterlijn (diepgan'g van een schip): âlogged = vol water ge-loopen door een lek en daardoor ten prooi aan golven en stroom; âlot = onderwater-staand bouwterrein (Amer.); ânian=schuiten-voerder, voerman, waterman (die de huurpaarden op hun standplaats van water voorziet); âmark = watermerk, waterhoogte, waterpeil; âmeadow = weide die door irrigatie besproeid kan worden; ânielon = watermeloen; ânieter = watermeter; âmill = watermolen; ânymph = najade; âordeal = waterproef; âparsnip = breedbladige water-eppe; âpitcher = waterkan; âplant = waterplant; âpoise = vochtmeter of -weger (om het soortelijk gewicht te bepalen); âpot = waterpot, waterkan; âpower = waterkracht; âpox = waterpokken; âproof, subst. voor water ondoordringbare stof of jas; adj. tegen water bestand; â verb, ondoordringbaar maken voor water; âram = hydraulische pompmachine; ârat = waterrat; ârate = waterbelasting; ârot = in water roten (van vlas); âscape = rivier- of meer-gezicht (schilderij); âshed = waterscheiding; âside = waterkant; âsnake = waterslang; âspaniel = waterhond; âspoilt = waterhoos; âsupply = wateraanvoer; â tank = regenbak; *âtight = waterdicht; âvole = waterrat; âwagtail = rouw-kwikstaart; âway = waterweg, vaarwater; âweed = waterplant; âwheel = scheprad; âworks = de waterleiding (in vollen omvang, met fonteinen, enz., enz.); âworn = door het water gerond of afgesleten; â worship = wateraanbidding; âage, ivótdridz, loon voor vervoer per water; âeir= gewaterd of gegolfd, moiré; A âed-down belief = verwaterd: âing = bespoeling, besproeiing, plaats waar water wordt gegeven of uitgedeeld; âing-eall = hoornsignaal om de paarden te drenken; âing-place = wed, plaats om water in te nemen, badplaats; â ing-pot = gieter; âing-troiigh = drinkbak (voor paarden); âless = droog, zonder water; ây = waterachtig, waterig, smakeloos, flauw. Waterloo, ivotdlü. \Vatt(sgt;, wot(s). Wattle, wot'l, subst. horde van twijg of teen, deklat, takje, teenen twijgje, lel van haan of kalkoen, soort v. acacia (Australië); â verb, met teenen twijgjes binden of vlechten, met eene horde omringen; Wattling and daubing = het bouwen van hutten van gevlochten twijgen |
bone = boun; full; fool = ful; 0 = toonlooze vokaal (zie asleep en care)] girl; year = Jia; lon.a = loi^; «/lip = sip; occasion = okeii'n; thin; ï/ius = dhi:s; wine.
WATTLE-BARK.
556
WAY.
|
en leem: âbark = bast der Austral.acacia; âbird = honigzuiger (Austr.); âwork = werk van gevlochten teen; âlt;1. Wauffli, wo. Waul, Wawl, ivul, janken, gillen, krollen. Wave, weiv, subst. golf, baar, golvende lijn op stoffen, moiré-zijde, enz., golving, sein (door wuiven), troep menschen: The ship wa» tossed on (by) the âm = op (door) de golven i geslingerd; â verb, golven, wapperen, heen en weer doen gaan (bij wijze van signaal), wenken, ' wuiven: He âd his hand and motioned me to a chair = hij wuifde met zijne hand en | gaf mij een teeken te gaan zitten; âlength = afstand tusschen twee golven; âmotion = golvende beweging; âofTering = offerande bewogen naar de vier hemelstreken ter erkenning van Gods heerschappij; âshell = golving (bij aardbevingen); âworn = door de golven afgesleten of gerond; âd = gegolfd, | gekronkeld; âles» = kalm,rustig, onbewogen, zonder golfslag; âlet = golfje, rimpel; âlike = golvend, ais eene golf; Waving motion = golvende beweging; Wavy = golvend, op en neer gaand, gegolfd. Waver, weivd, subst. jonge boom: â verb, wapperen, weifelen, aarzelen, waggelen: 1 â in my eonvietion = mijne overtuiging raakt aan liet wankelen: âer = weifelaar, besluite-looze; âing = weifelend, onvast. Waveson, weivs'n, op zee drijvende goederen (na eene schipbreuk). Wax, ivaks, was, lak, woede, wasachtige afscheiding, oorsmeer: A stick of sealing â = pijp lak; A man of â = kranige vent; â verb, met was bestrijken, wrijven, lakken, wassen, toenemen, grooter worden: llis eyes are âmg dim = zijne oogen worden dof; âcandle = waskaars; âchandler = waskaarsenmaker; âcloth = wasdoek, vloerzeil: âdoll = wassen pop; â(ed)-end = met was bestreken naai- of schoenmakersgaren, pikdraad; âflower = kunstbloem (van was); âlight == waskaars == âtaper; âlight coil = ineengedraaide waslont (om lichten aan te steken); âmodelling = het maken van figuren of beelden (in was); âtree = ; guttegomboom (Amer.); â vesta = waslucifer; âwiek = pit of lont van was; âwork = wassenbeelden, anatomische preparaten van was: Made Tnssand's âworks (familiaar: ; âers) = Mevr. T.'s wassenbeeldengalerij: The âwork room = wassenbeeldenzaal; âworker = die in was werkt, bij; âed = gewast; âen = van was, wasachtig, met was bestreken; ây = als was, met was, wasachtig, toornig, nijdig. Way, lueij subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand, plan, manier, wijze, opzicht, kijk, spoed of beweegkracht, gebruik, gewoonte: That's the â = zóó moet het, zóó gaat ie , goed; It's that â, is it? = ah! zit de vork zóó in den steel; It is the other â about (round) = het is juist andersom, omgekeerd; He told me so by the â = in 't voorbijgaan, tusschen haakjes: I send you my photo j by â of apology = ik zend'u mijn portret bij wijze van excuus; That is by â of learning a trade = het is met het'doel om een ambacht te leeren; We went there by , |
â of Cologne = via Keulen; Come your -(»): allo! ga mee; She is in the family â = ze moet bevallen; You are very much in my â = ge hindert me erg, staat me leelijk in den weg; Take the old home in your â for a wedding-trip = maak uwe huwlijksreis zóó, dat ge ?t oude huis kunt bezoeken; In a general â = over 't algemeen; Tli^ picture is, in a â, Huislied = in zekeren zin: lie has got into bad âs (fallen in evil âs) = op 't verkeerde pad geraakt; Have you nothing for me in the â of a parcel? = hebt ge geen pakje voor me; That is rather out of the â here = dat komt hier niet te pas, hoort hier niet; Will you get out of the â ? = wil je maken,* dat je weg komt; An out of the â place = afgelegen plaats; 1 shall be glad to put myself out of the â on your account = het zal mij aangenaam zijn mij om uwentwil wat last te getroosten; Such work is out of my â = zulk werk ligt niet op mijn weg; He was put out of the â = uit den weg geruimd; Keep out of harm's â = zorg dat u niets kwaads overkomt; He went out of his â to inform me of it = gaf zich heel veel moeite; 1 won't go out of my â to benefit you = wil geen moeite doen te uwen behoeve; He lives over the â = hier tegenover; WTe have enjoyed this right of â for ever so long = wij hebben al sedert onheugelijken tijd het recht over dit pad te gaan; The ship got, was under â (weigh) = raakte, was op weg, in beweging; He went his â(s) = hij ging heen, vertrok; He has gone the â of all flesh (of all the earth) = hij is gestorven; He will always have his â = zijn zin hebben; Will you lead the â ? = vooropgaan; He is sure to make (lind) his â in the world = hij zal zeker vooruitkomen, zijn weg wel vinden; 1 had lost my â = ik was verdwaald; You must take your own â = ge moet zelf weten wat ge doet, uw eigen zin doen; He took his â to Antwerp = hij vertrok naar Antwerpen; âs and means = middelen van bestaan, bronnen van inkomsten; The committee of âs and means has granted the supply = de commissie voor de financiën heeft het credlet toegestaan; It is not the lirst time by a long â = het is op verre na de eerste maal niet; His influence goes a long â with the minister = hij heeft veel invloed op; The village lies half â between the towns = ligt halverwege tusschen; â in, â out = ingang, uitgang (opschrift op eene plank, een bord, etc.); Come this â, sir = kom eens hier, jongen!; Any â, he didn't know what to answer = hij wist althans niet wat hij zou antwoorden; You are wrong every â = gij hebt in alle opzichten ongelijk; Where there is a will there is a â = wie wil zal ook kunnen, als de wil goed is kan men veel doen: He begged his â back to his native village = hij ging al bedelende naar zijn geboortedorp terug; Clear theâ, there! = maak daar ruim baan; He elbowed hisâ through the crowd = hij baande zich al dringende een weg door de menigte; At your |
man; ask = ask; farm = fam; but = but; learn = Iwn; line = lain: howse = haus; net; care = kèaj fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = ló; lord = Hid; hoy = bói;
WEATHER.
557
WAY-BILL.
|
age you must make â lor another = moet ge plaats maken, wijken; We made the bést of our â home = wij maakten dat we zoo gauw mogelijk thuis kwamen; â verb, reizen, gaan; interj. Ho! geroep van ho! (om een paard te doen stilstaan): Oh, do â John = Och toe, Jan, houd stil! âs = de balken waarop men een schip laat afloopen; âbill = lijst van de namen der passagiers in eene diligence of der goederen in een vrachtwagen; âboard = scheidingslaag, tns-schenlaag; âbread = weegbree; âtarer = reiziger; âtaring = het reizen; â faring;gt;tree = wollige sneeuwbal; âgoing = vertrekkend, aan den vertrekkende behoo-rende; âgoing erop -= oogst van het land in hetjaar dat de huurder weggaat; â(z)gooMe = jaarlijksche maaltijd aan de knechts eener drukkerij in Engeland; âlay, iveilei, belagen, opwachten (om te bestelen.*etc.); âlayer = belager; âleave = recht om een weg te leggen; âinenting = gejammer, geweeklaag; âpaHsenger = onderweg opgenomen passagier; âside, subst. weg, kant van den weg: Tale» of a âside inn = verhalen in eene herberg aan den weg; âstation = tusschen-station (Amer.); âward = dwars, grillig, eigenzinnig; âwarden = wegopzichter; âwardness = eigenzinnigheid; âworn = moe van het reizen. Waywode, Waiwode, iceiiuoud, gouverneur van stad of provincie (Rusland); âship. We, m, wij: It is â = wij zijn het. Weak, wik, zwak. uitgeput, ziekelijk, niet sterk, broos, onvoldoende, gebrekkig, niet te verdedigen: lie is as â as water in his wife's hands = hij is een kind in de handen van zijne vrouw; This coffee is as â as ditch-water = deze koffie is zoo slap als spoelwater; That is his â side and it is there you must take him = dat is zijne zwakke zijde, en daar moet ge hem zien te pakken: In the struggle for life the âest go to the wall = in den strijd om het bestaan bezwijken de zwaksten: â verbs = zwakke werkwoorden: âeyed = met zwakke oogen: âheaded = met* gering verstard: âhearted = flauwhartig: âkneed = gemakkelijk bezwijkend, niet vastberaden: âmade = zwak gebouwd, onsterk: âminded = zwak. besluiteloos: â sighted = met een zwak gezicht; âspirited = lafhartig, beschroomd: âen = verzwakken, verslappen; -ener = wie of wat verzwakt of verslapt; âling = zwakkeling, bloed, stum-perd; âly, adj. en adv.zwak, slapjes; âness = zwaklieid, slapheid, besluiteloosheid, gebrek, fout. Weal, ivil, subst. welzijn, geluk, gemeenebest, striem of streep, teeken van striemen: The ronimon. general, public â = hei algemeene welzijn of nut; â verb, met strepen of striemen merken; â th, welth, rijkdom, overvloed; â thy = rijk: Early to bed and early to rise. Makes a man healthy and âthy and wise = Vroeg op en vroeg naar bed, Dat is de schoonste pret; âthiness = rijkdom, weelde. Weald, wild, open boschland, vlakte met bosch; âen = tot het â van Kan ten Sussex behoorende. |
Wean, ?lt;'m,subst.gespeend kind; âverb.spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen: She had no desire to â him from Bessie = zij wenschte hem niet aan B. te onttroggelen: âling, subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend. Weapon, wep'n, wapen, alles wat tot aanval of verdediging dient, doorn, prikkel: 1 had no â handy but a poker = een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had: âed = gewapend, toegerust: âless = ongewapend. Wear, zuêd, subst. het dragen of gedragen zijn, slijtage, mode: The building and its ornaments had sutfered much from the â and tear of time = had erg geleden door den tand des tijds; â verb, dragen (aan het lichaam), laten groeien, slijten, afslijten, trapsgewijze teweegbrengen of veroorzaken, wenden of op-halzen (van een schip): She carried a mantle to â it in the night-time = zij had een mantel over den arm, om dien 's nachts te dragen; Time has worn away most of the inscription = afgesleten het voornaamste van het opschrift; The night wore itself away = ging langzaam voorbij; One way and 'another the day âs away = op de een of andere manier komen we den dag door; These inarkN will never â away = deze teekenen zullen nooit weer uitslijten: This cloth âs well = deze stof houdt zich goed in het dragen; You â (your age) well = ge houdt u goed voor uw leeftijd; You â your sweet smile to-day = hebt uw vriendelijken glimlach; The water has worn off the stone = heeft den steen rond gesleten; 1 was worn (out) with fatigue = kapot van vermoeienis: Time was âiiig on = de tijd verliep: All his wild pranks will â óf!' with time = al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan: She âs the breeches = zij is de baas, heeft de broek aan; She âs the willow = zij treurt over haar minnaar, geliefde; âable = geschikt om te dragen: âer = drager, wat uitslijt: âing = geschikt om te dragen: âing-apparel = lijfdracht, kleederen. Wear, ivio, rivier: -month, wiomdth. Weary, wtri, adj. vermoeid, mat, uitgeput, moe:quot;l am â of working = het werken moe; 1 am â with working = moe van het werken; â verb, vermoeien, afmatten, vervelen, hinderen: 1 soon wearied of the same suecesMion of fields and houses = spoedig verveelde mij die eentonige opeenvolging van velden en huizen: The soldiers were wearied out = geheel uitgeput; Weariness = ver-, moeidheid; Weariful, Wearisome = vermoeiend. vervelend, hinderlijk. Wreasand, wtz'nd, luchtpijp. Weasel, wtz l, wezel; âfaced = met een scherp en mager gezicht. WTeatlier, wedlu, subst. weder of weer: The ship was under a stress of â = het schip had met hevige winden (stormen) te kampen: The ship makes goad (bad) â = het schip houdt zich goed (slecht) in een storm, krijgt weinig (veel) water in: The â lias been very setlied these three weeks = wij hebben de laatste drie weken vast weer; The â hooii changed from foul to fair = het |
bone = boun: full: fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en car's); girl; year = jia: long = loi^: ship = sip; occasion = okeiz'n: thin: thus = dims: wine.
WEATHER-ANCHOR.
558
WEEP.
|
weer werd weldra gunstig; â and wind per-initling = wind en weder dienende; â verb, zich goed houden, overwinnen, te loever zeilen: This Hliip is sure to â (out) (lie storm = dit schip zal bepaald den storm doorkomen, zich goed houden in: We have âed a point = trots tegenstand hebben wij het gewonnen; âanclior = anker aan de windzijde; â heat en = door stormen geteisterd, verweerd: A âbeaten roast, lace = eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat; âbitten = door de vorst verschrompeld, verwelkt; âboard, subst. loefzijde, waterbord (aan een schip), ter beschutting tegen het weer over elkander gespijkerde planken = âboarding: â verb, planken over elkander spijkeren tegen het doordringen van regen, sneeuw, etc.; âbound = door het weer teruggehouden of opgehouden; âbox = weerhuisje; âbreeder = een mooie dag die slecht weer voorspelt: âelotli = verschansingskleed; âcock = weerhaan, wispelturig persoon: She is rather âcocky = zij is nog al wispelturig; âeye = oog dat naar de lucht ziet om te zien. Koe het weer zal worden: lie keeps his âeye open = hij is op zijne hoede, hij weet drommels goed wat hij doet; âiish = modderkruiper; âga(ii)ge, tvedlwgeidz, loef, voordeel, meerderheid: âglass = weerglas; â house = weerhuisje (met twee poppetjes, waarvan het vrouwtje bij goed, het mannetje bij slecht weer buiten komt); âmoiildiiigs = rege:.lijst (boven deur of venster); âprooi' = tegen het weer bestand; âprophet = weervoorspeller, iemand die verstand van het weer heeft; âquarter = loefzijde, windkant; âreport = weerbericht; âroll = rollen van het schip naar loefzijde; âside = loefzijde; âstrip = tochtlat; âtide = stroom of tij tegen den wind in of aan lijzijde; â vane = windwijzer; âwise = weerkundig, naar loefzijde: âed = door het weer geteisterd, verweerd: â ing = ver weering, glooiing, helling: âly = goed bij den wind zeilend; âmost = liet meest te loefwaart. Weave, fviv, weven, samenweven, spinnen; âr = wever; âr-bird = wevervogel; âr-lish = pieterman; âr's shuttle = eihoorn (Brazil.; soort v.slak); Weaving = het weven: Weaving-looni = weefgetouw. Weazen, fotz'n, verwelkt, verdroogd, mager: A â, piping, shrill Hurrah! = een scherp, pieperig, schel Hoera; âlaced = met mager, uitgedroogd gelaat. Web, tveb, subst. weefsel, (spinne)web, groote rol papier, vlies voor het oog, zwemvlies; â verb, als met een weefsel bedekken; âeye = onduidelijkheid van gezicht, oog met een vlies erop; âloot = zwempoot; âfooted = met zwempooten; âbed = met zwemvliezen; âbing = geweven banden voor gordels, etc. Wed, wed, huwen, trouwen, vereenigen, samensnoeren: tie has been âded to truth from his infancy = van zijne jeugd af is de waarheid zijne 'leidsvrouw geweest; âlock = huwelijk: Born out of âlock = buiten huwelijk geboren; âding = huwelijksfeest, bruiloft: It was only a marriage and no âding; there was no breakfast and no feasting = het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden, etc.; Silver» golden, diamond âding = 25-, 50-, 60-jarige bruiloft; W7ooden, tin,crystal,china -ding |
= 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft (Amer.); -ding-cake = bruiloflsgebak, aan de gasten gegeven bij het feest, terwijl stukken ervan later aan afwezige vrienden worden gezonden; âding-canl = huwelijkscommunicatie; âding-day = trouwdag; âding-breakfast = lunch na de huwlijksvoltrekking; âding-dower, âdaua, huwelijksgift; âding-favour = rozetten of lintjes door de bruiloftsgasten gedragen; âding-feast = huwelijksfeest; âding-riiig = gladde gouden ring dien de bruigom bij de huwlijksvoltrekking aan den linker ringvinger dér bruid steekt. Wcdge, tvedz, subst. wig, keg, staafje: de laatste op de lijst van de geslaagden in klassieke letteren {Cambridge): Take care (beware) of the thin (small) end of the â = hoed u voor den eersten stap; â verb, met eene wig klooven, met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of wiggen bevestigen; âshaped = wigvormig = âwise. Wedgwood ware, ivedzwudwèd, soort van verglaasd aardewerk. Wednesbury, ivenzUri. Wednesday*, ivenzdi, Woensdag. W ee, ivi, klein. Weed, wid, subst. onkruid, nutteloos of lastig iets, kleed, harddraver niet van echt ras, sigaar, tabak: Are you a lover of the â ? = rookt gij graag; âs grow apace = onkruid vergaat niet; She was dressed in her â» = in haar weduwenrouw; â verb, wieden, uitroeien, uitrukken: Many defects will have to be âed out first = zullen eerst moeten worden uitgeroeid; âgrown = met onkruid begroeid; (ing)-hook = wiedijzer; â â prairie = prairieland met veel wilde bloemen en struiken; âer = wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden: âing = het wieden; âing-Hhears = wiedschaar; â ing-tongs. -ing-forceps = wiedtang; ây = vol onkruid, lang, mager en hoog op de pooten(van paarden), waardeloos als ras- of renpaard; met ongunstig uiterlijk: W7eediness. Week, week, werkdagen: Next â, Lawt â = aanstaande, verleden week; The next â = de volgende week: The last â = de laatste week: To-day (This day) â = vandaag over acht dagen; I'll call again a â or ten days after this = ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan; A prophetic â = zeven jaren; âday = werkdag; âly, subst. en adj. wekelijksch (tijdschrift): adv.quot;elke week, wekelijks. Weel(y), strik (van twijgjes) om visch te vangen. Ween, ivin, denken, wanen, meencn. Weep, rvip, schreien, weenen, in druppelen (doen) neervallen, doen neerhangen: He wept for Joy = hij schreide van vreugde; They wept over their losses = zij schreiden bij hun verlies; âer = weener, klager, witte band als teeken van rouw, kleine Z.Amer. aap: Drooping whiskers of the kind that used to be called Piccadilly âers = lange bakkebaarden van een soort'die men .... noemde; âing, subst. het schreien, gewee- |
man; ask = Ask; farm = farn; bat = but; learn = Iwn; line = lain; hoitse = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiu = lo; lord â löd; bo?/ = ból;
WEEPING-ASH.
559
WELL-BRED.
|
klaag, rouw; adj. beweenend, neerhangend, verwelkt; âiiig-»Mli = treuresch; âiiig-birch = treurberk; âing-ripe = op het punt van te schreien; âiiig-r«ck = poreuze rots; âing-Mpring = bron die slechts langzaam water geeft; -ing-tree = treurboom; âing-willow = treurwilg. Weel, ivit, weten, onderricht worden. Weever, tvivd, pieterman (visch). Weevil, ivtvil, korenworm; âled, â(l)y = vol wormen. Weft, iveft, teeken door wuiven; weefsel: inslag. Weigh, ivei, subst. zeker gewicht (van wol: 182 pounds; van haver en gerst: 48 bushels: van kaas: 224 pounds; van zout: 40 bushels: Zie Wey): We are gelling uiuler â at last = éindelijk gaan we onder zeil, op weg; â verb, wegen, opheffen, opwegen, toewegen, overwegen, van gewicht zijn. schatten, hoogachten: IIih great reHponsibility âed liim down = drukte hem; They âeel anchor = zij lichtten het anker; lie* was âed and loiind wanting = hij werd gewogen en te licht bevonden; The llonr was âed out to the poor women = het meel werd . . . toegewogen; That does not â (with him) = dat beteekent niets (bij hem); 1 have heen âing it carefnlly = ik heb het zorgvuldig overwogen; âable = weegbaar; âage, vjeiidz = weegloon, waaggeld: â er = weger; âing = het wegen, het in één keer gewogene: âing-hoiiNe = waag; âing-inachiiie = bascule; â t, subst. gewicht, zwaarte, iets zwaars, druk, last, belangrijkheid, invloed: He i» a person of some ât = hij beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien; You have given me short ât = gij hebt mij te weinig gewicht gegeven; This book is worth its ât in gold = dit boek is zijn gewicht in goud waard; This 1 give you only to make ât = om het gewicht vol* te maken; What he tells of Africa has a special ât just now = is thans bijzonder gewichtig; The Jovial light ât bocanie a serious man = het vroolijke zieltje-zonder-zorg werd een ernstig man; â verb, gewicht of zwaarte toevoegen aan: His mind must not be âted with all that stuff = zijn geest moet niet bezwaard worden met al die malligheid: His words were âted with the sorrow of parting = waren droevig door de smart der scheiding: âty = gewichtig, zwaar, belangrijk, overtuigend, drukkend: Weightiness. Weir, ivid, waterkeering of dam. omheining van palen of netten in eene rivier om visch te vangen. Weird, ividd, subst. noodlot, betoovering; adj. onheilspellend, bovenaardsch, woest, noodlottig. Welaway, wetewei, Helaas! Ach! Welcome, tv elk'm, subst. welkom, vriendelijke ontvangst: You cannot outstay your â = gij kunt niet te lang blijven; 1 hifi you â = ik heet u welkom; Thank you very 'much. â (You are) quite â (to it) = Dank u wel.â Tot uw dienst; You are â to go = gij kunt om mij wel gaan; He might have died and â = om mijn part was hij doodgegaan; I!e made us â = hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst; â verb.verwelkomen, aangenaam aangedaan worden; âness = vriendelijke ontvangst, vriendelijkheid; âr = die verwelkomt of vriendelijk ontvangt. |
Weid, weid, subst. wouw (soort van reseda)v vereeniging door aaneensmeding: â verb, wellen (van metaal), nauw verbinden: llis statements are not thrown together, but properly âcd = zijne beweringen zijn niet slechts aaneengeregen, maar met elkander onafscheidelijk verbonden; A âing heat came from the furnace = eene verschrikkelijke hitte kwam uit den smeltoven; âable = wat geweld kan worden; âer = die welt; âing = het wellen van twee stukken metaal. Welfare, welfèo, welvaart, voorspoed. W7elkin, weikin, lucht, hemelgewelf, zwerk. Well, wel, subst. wel, put, bron, ruimte voor de advokaten in de rechtszaal, uitholling in de aarde, afdeeling van eene visscherspink (= âboat) met geperforeerden bodem (om het water toe te laten en de visschen in leven te houden): The â of a carriage = beneden binnenruimte van een wagen; â verb, opwellen, ontspringen, vloeien: Tears would â (up) into her eyes = de tranen welden dan op in hare oogeii; The âing tears suffused her eyes = de opwellende tranen vulden hare oogen; âdeck = open ruimte tusschen den bak en de campagne; âdrain = draineerput, waterloozing; âhead = bron. oorsprong, bronwel; âhole = opening in den vloer voor ascenseur of wenteltrap; â room = drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat: âsinker = putgraver, -boorder; âsinking = het graven of boren van putten: âspring = onuitputtelijke bron; âstaircase = wenteltrap; âsweep = lange stok om water te putten; âwater = wel- of bronwater. Well, wel, adj. wel, juist, goed, gezond, gelukkig (van de dooden): I am very â = ik ben heel goed: adv. goed, wel, gezónd, gelukkig,, geheel en al, ten volle: â, 1 never = heb ik ooit van m'n leven! You had as â stay at home = ge deedt net zoo goed met thuis te blijven; â done = Bravo! â! = welnu!quot; Hoe staat het? etc.; He is virtuous as â as rich = hij is zoowel deugdzaam als rijk: You may â say so = dat zegt gij wèl; All's â that ends â = eind goed al goed;: Leave â alone = het betere is de vijand van het goede: All â and good = alles goed en wel; The clergy are â to the fore in this novel = de geestelnkbeid heeft eene eerste rol in dezen roman; At si\ we were â on our way = een heel eind op weg; l-think he is rather â otf = ik geloof dat hij het nogal goed heeft: We are â on in July = een groot deel van Juli is al om;. It is â enough = het is tamelijk goed; You are ânigh sixty = welhaast; âa-day = helaas!; âadvised = goed geraden, go'eden raad ontvangend; âapparelled = goed gekleed, getooid; âappointed = volledig gewapend en uitgerust; âauthenticated = door goede autoriteit gestaafd; âbalanced = evenredig, gelijkmatig; âbehaved = van goed gedrag, hoffelijk, fatsoenlijk; âbeing = welzijn; âbeloved = veelgeliefd, dierbaar; âborn = van goede geboorte; âbred = |
bone = bonn; full; fool = fül; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; i/ear = jia; long = loi^; ship = sip: occasion = okeii'n: thin; thus = dhus; wine.
WELL-CHOSEN.
560
WHAT.
|
beschaafd, van goeden stam, welopgevoed; ârliOHeii = juist gekozen; âcoiitent(ed) = gelukkig, tevreden; âderived = van goede afkomst: âdeserving = verdienstelijk; â â¢dispoHed = trouw, loyaal; âdoing = plichtsbetrachting, rechtschapenheid; âfavoured = mooi. welgevormd; âfonnded = op goede gronden steunend; --kuit = krachtig gebouwd; âniHimered = van goede manieren, -welgemanierd; âineaning = wel m eenend; âmeant = oprecht, hartelijk; âmet = heil, welkom; ânigli = bijna; âofr=in goeden -doen; âpaid = goed betaald; âpainted = goed geschilderd; âproportioned = goed geëvenredigd; âread = belezen; ârefined = hoogst beschaafd; âreputed = te goeder naam bekend, geëerbiedigd; âHeaaoned = uitstekend geschikt: An army ofâseaHoned â Holdiern = volleerde soldaten; âwet = goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd: â spoken = welsprekend, vriendelijk; âto-do = welgesteld: The âto-do = de gegoede burgerstand; âwisher = die een ander het goede toewenscht of het goed met hem meent: âwon = eerlijk verdiend. IVellesley, welzli. 'Wellington, welinfn, laars met lange schacht. Welsh. iuelè, subst. en adj. (taal of bewoners) van Wales: ââ¢flannel = fijne soort v. flanel; âharp = soort v. harp; âman = inwoner van Wallis; âmutton = fijn schapevleesch; ârabbit, ârarebit = geroosterd brood met gesmolten kaas; ârag» = soort v. lei; âwig = kalotje (van wol of sajet). 'Welsh, wels, bedriegen bij wedrennen en daarna er vandoor gaan; âer = die bedriegt. Welt, welt, subst. boordsel, reepje leer tusschèn bovenleer en zool; â verb, van â voorzien, slaan: âed = slap neerhangend, verwelkt. Weiter, welta, subst. slijk, modder; â verb, zich wentelen, rollen, baden; âing = in het slijk of vuil wroetend. Wen, wen, wen, zweer, uitwas. Wench, luenë, jong meisje of jonge vrouw, maagd, vrouw van slechte zeden, vrouwelijke negerbediende (Amer.); âlike = als van een â. Wend, wewL gaan, zich begeven naar; We âed our way to the town = besavenons. Wend, wenrl. Vend, vend, een lid vaneen Slavischen stam (vroeger in het N. en O. van Duitschland); âish, subst. en adj. (taal) van Went, went, imperf. van go. [de âs. Wept, xuept, imperf. en p. p. van to weep. Were, wv, imperf. van be. Werewolf, wtdwalf, weerwolf. AVert, tuvt, 2e pers. sing. imp. van be. Wesley, wezli, Wesley: âan, subst. en adj. (lid van de secte) door W. gesticht; âanism. West, west, subst. Westen; adj. westelijk: Tlie â end = het rijkenkwartier in Londen; adv. ten westen, naar het westen: â of the city = ten westen van de stad; âering = westwaarts trekkend; âerly = westelijk; âern = westersch, westelijk: The âern Empire = het WesLersch-Homeinsche rijk; âmost = het meest naar het Westen gelegen; â ing = ruimte of afstand ten westen; âward = naar het Westen, westwaartsch; âwarcl(sgt; = ten westen, westwaarts. |
Westmeath, westmlth. Westminster, west-minstd, Westmoreland, westwoZand, Westphalia, westfeiljd, West falen; Westplialian, subst. en adj. (bewoner) van W. Wet, wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, .,hapjequot;; adj. nat, vochtig, regenachtig, miezelig: I am â through = doornat; Her face was â with tears = nat van tranen; â verb, bevochtigen, nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken; He is a âblanket = hij is een vreugdebederver (zie Kill-joy); He is a âbob = jongen (te Eton) dié aan watersport doet; âdoek = drijvend dok; ânurse = min (tegenover Dry-nurse = baker); âness: âshod = met lekke schoenen; âtish = nattig, eenigszins vochtig. Wether, wecilid, hamel. Wetteravia, wetdreivjd, Wetterau. Wey, wei, zekere maat (zie Weigh). Weymouth, weimdth. Wh'aek, wak, subst. slag, handslag (als bij een koop), stuk: Say the word and it is a â = zeg het, en de koop is gesloten; Take a â = neem een stuk; â verb, ranselen, slaan. Whale, weit, walvisch: Your story is very like a â = uw verhaal is heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven; âbird = donkerkleurige stormvogel; âbone = balein; âboat = walvischsloep; âfin = handelsnaam voor balein; âfishery = walvisch vangst; âman = walvischvaarder; âlouse = parasiet van den walvisch: âoil = walvischtraan; âr = walvisch vaarder, schip voor de walvisch vangst; Whaling, subst. het vangen van walvisschen; adj. voor de walvischvangst; Whaling-ship. Whall, Whaull, wól, oogziekte (Z. Wall). Whalley, woli. Whame, weim, horzel. Whang, ivar\, subst. leeren riem, geesel, stuk of snede; â verb, ranselen, geeselen. Whap, wop', Zie Whop. Wharf, wöf, subst. werf, kaai; â verb, met eene werf of kade omgeven, op de kade leggen; âage, wöfidz, kaaigeld, werven (collectief genomen); âing = werven in 't algemeen, los-of ligplaats; âinger, wöfinzd, kaaimeester, kaaiwerker = âporter. Wharton, wöfn. What, wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulk, deels: â is your name? = hoe heet gij? â do you call that? = hoe noemt ge dat; â day of the month is to-day = de hoeveelste is het vandaag; â is tlie time (of day), â time is it? = hoe laat is het; â is the game? Twenty-sixâFifteen = hoe staat de partij? 26 om 15 (bilj.); What is up there? = wat is daar aan de hand; I will tell you â = ik zal je eens wat zeggen; â then? = wat zou dat; lampoor, but â of that = maar wat zou dat^ â i (care) though 1 am but poor? = wat I hindert het of ik arm ben; â though he comes = aangenomen (wat hindert het) dat hij komt; â if he comes = wat zullen we doen, zoo hij komt; â between . . . and = deels door . . . deels door â = â with . . . 1 â with : â nonsense! = wat eene mallig- 1 heid! He called me fool and â not = en wat ai niet; He knows â is â = hij heeft |
man; ask = Ask; farm = fiim; bat = but; learn = lèn; line = lain; house = hans; net; â¢care = kèo; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aiv = ló; lord = löd; hoy = bói;
WHIMBREL.
561
WHAUP.
|
zijn weetje wel; â about him? = hoe gaat het hem; â liâ¬gt;! = hei daar! â like = van welken aard; âe'er, â ever, â soever = al wat, wat ook. hoedanig ook: âever is that on your head? = wat drommel heb je toch op het hoofd; ânot = étagère of kastje met planken voor ornamenten, boeken, etc.; Mr. â (lo-you-call-him ? = Meneer van der Hummes. Whaup, wóp, watersnip. Wheal, wil, puistje, litteeken: mijn. Wheat, wit, tarwe: Bearded â = spelt; â ear = tarwe-aar, tapuit (vogel): âmoth, âworm = tarwemot; âen = van tarwe; âen bread = tarwebrood. Wheedle, wicCl, subst. verlokking, vleierij; â verb, flikflooien, vleien, bepraten: lie âd me out of 5 pounds, âd me into lending him that sum = hij kreeg er mij door mooie praatjes toe, hem vijf pond te leenen: â r = wie vleit of flikflooit ; Wheedling, subst. het gevlei of bepraten: adj. vleiend, mooi pratend. Wheel, wil, subst. wiel, rad, cirkelvormige beweging, omdraaiing, vuurrad, stuurrad: He was broken upon the â = hij werd geradbraakt: I will put my shoulder to the â = ik zal flink aanpakken; lie put a spoke in your â = hij heeft u een spaak in't wiel gestoken, in de wielen gereden; 1 feel my se 11* to be a fifth â to the ooaeh = ik voél wel dat ik het vijfde rad aan den wagen ben; â verb, wentelen, ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, op eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, rijden: We were âing along at a last rate = wij rolden of reden er snel overheen: â it back = rol het achteruit: âed = op of met wielen; âanimals, âaninialrnles(amma/-kjülz) = raderdiertjes; âbarrow =krui wagen; âboat = raderboot; âcarriage = voertuig op wielen; âchair = ziekenstoel; âcutter = radsnijder; âcutting = het radsnijden; âdrag = remschoen: âhorse; Zie Wheeler; âman = wielrijder; âshaped = rad-vormig: âwindow = rozet; âwork = raderwerk; âwright = radermaker, wagenmaker; âer = wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard: The leaders and the âers = de voorste en de achterste paarden van een vierspan; âing = vervoer per as, het zwenken (van soldaten), het wielrijden. Wheeze, wiz, subst. aardigheid (van clowns, etc.); â verb, hijgen; A wheezy whisper. Whelk, welk, puistje,gemeene wiilk (schelpd.). Whelm, welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren, vernietigen. Wlielp, welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit; â verb, jongen werpen; âless. When, wen, wanneer, toen, als: At the very time â he told me this = juist toen hij mij dit vertelde: Even â you told meso = juist toen gij mij dit zeidet'; â as = wanneer, terwijl: âce = vanwaar, waaruit; âce-soever = waar ook vandaan; âever, âe'er = wanneer ook, telkens wanneer = âsoever. Where, wêd* waar, waarheen, alwaar; â are you going? = waar gaat ge naar toe; â about(sgt;, subst. plaats waar zich iets bevindt: We discovered the âabouts ol' the missing lady = waar de vermiste dame was; 1 sent liim to the âabout(s) = ik heb hem de laan uitgestuurd; adv. nabij welke plajits, waar ongeveer; âas = terwijl daarentegen, aangezien, nademaal; âat = waarop: âby = waardoor, waarbij; âfore = waarom, met welk doel, zoodat; âin = waarin; âinto = waarin; âness = plaats waar zich iets bevindt; âof = waarvan; âon = waarop = âupon; âsoever = waar dan ook; âto, âunto = waarheen, waartoe, met welk doel; âver, wérem, waar ook; âwith = waarmede; âwithal, wèdwidhól, subst. middel (v. bestaan): He has not got the â withal to live = hij heeft geen middel van bestaan; adv. waarmee, waarvan. |
Wherry, weri, roeiboot, veerboot, drank uit het sap van wilde appels; âman = veerman. Whet, luet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust, etc.); âslate = oliesteen = âstone-slate; âstone = wetsteen, slijpsteen; âter = slijper, slijpsteen. Whether, wedha, prori. welke van twee; coni. hetzij, of: â he come or go = hetzij hij kome of ga; â or no(t) = al of niet. Whew, wjü, Poeh! Bah! Foei! Whewell, hjiVL Whey , wei, wei: âtub = weivat; âey, treii. âisli -- weiachtig. Wliicli, wité, welk, hetwelk, die of dat, welke: â i» ylt;111 fm? = welke (van deze) is van u: lie knon-H â 18 â = hij weet er alles van; âever, âwoever = welke ook; âway = cirkelvormig waterpas, dat naar alle zijden de afwijking in hoogte aangeeft. Wliilf, wi/quot;, subst. haal, trekje (aan pijp of sigaar), ademtocht, haastige blik, soort van lichte roeiboot, soort v. tarbot: I will tnkr n â or two = ik wil eens een trekje doen; â verb, dampen, uitblazen v. rook, meevoeren (met den wind). Wliirile, luifl, subst. (luitje: â verb, met den wind draaien, veranderlijk zijn (van opinie), wispelturig zijn, uitvluchten zoeken, fladderen: âtree = roode kornoelje; Wliinling = uitvlucht. Whig, wig, subst. wei, liberaal (in de politiek); adj. van de partij der Whigs; âgery = beginselen der âpartij = âgi'sni; âgiftli = van de â8. While, wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl,poos: He vi8it8 us between â8 = zoo nu en dan: It 18 hardly worth lt;yoiir| â to look at = het is haast de moeite niet waard, er naar te zien; In the inran â = middelerwijl; liisten lor a â = luister een oogenblikje; I see yonr name in the papers onee in a â ~ zoo nu en dan; She has got iiioiiev to invest every onee in a â (Am.) = ze heeft telkens geld te beleggen; Ouite a â = een tijdlang (Am ); The â = ondertusschen; â verb, verdrijven, korten: I have âd away my time in reading this book = ik heb mijn tijd gezellig doorgebracht met: coni. terwijl, zoolang; âs = soms; Whilom, waiïm, voorheen, vroeger; Whilst = terwijl; The whilst = ondertusschen. Whim, tvim, gril, kuur, windas, kaapstander, mijn: She is lull of â8 = volkuren; -sical-(ness), ivimzik'l(nss),grillig(heid); Whimsical-ily = grilligheid: âsy = grillig. Wliimbrel, wimbr'l, kleine watersnip. |
bone = bonn; full; fool = fill; 3 = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; year = Jig; long = loij; ship = sip: occasion = okeii'n; thin; thus = dhus; wine.
ten BRUGGENCATE, Eng. Woordenboek. 30
WHITE-BEAM.
502
WHIMPER.
|
Whimper, wimpo^ subst. gegrien, gekreun; â verb, grienen, kreunen, kermen ; â er: â ing. Whin, win^ gaspeldoorn; âchat = paapje. Whine, wain, subst. gejammer, gekerm,geweeklaag; â verb, jammeren, kermen, huilen; âr. Whinny, ivini, subst. gehinnik, gebriesch; â verb, bfieschen, hinniken; adj. vol bremstruiken, vol rots- of basaltsteen = Whin-stone. Whip, tvip, subst. zweep, koetsier, de man die de jachthonden het afdwalen belet (de leider heet First â), die zijne partij oproept bij gewichtige parlementsstemmingen, de oproeping daartoe, kleine katrol of takel, lijn zonder eind. signaalvlag, wiek (met zeil) van een molen: He rode to it â and «pur = hij reed er spoorslags heen; Crack (Smack) went the â« = de zweepen klapten; He is a passable â with one of the best turned-out coaches = vrij goed voerman met een van de beste reiswagens; â verb, snel bewegen, grijpen, ronddraaien, takelen, geeselen, zweepen, sarcastisch behandelen, tol schuim slaan of kloppen: We have âped tiiis part of the stream = dit gedeelte van de rivier hebben we afgevischt; lgt;o you want me to help you to âthe devil round the stump? = woudt ge, dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen; It was âped about (around) with brown paper = het was in bruin papier gewikkeld; He âped it from us = hij gapte het van ons; He âped his head into the window = hij stak plotseling zijn hoofd naar binnen; The tooth was âped out in less than no time = de tand werd er in een wip uitgehaald; They âped up the cherries = zij gapten de kersen weg; âped eggs = eieren met geklopt wit, geklopte eieren: âcord = zweepslag, zweepkoord; âhand = hand waarin men de zweep houdt, rechterhand, voordeel,overmacht: He did not frequently venture to take the âhand of her = hij waagde het niet vaak, haar terecht te zetten; As you have the âhand of me, you may be'as liuinoroiis as you please =s daar je me'de baas bent, kun je goedkoop geestig zijn; âlash = het slag v. eenezweep; âsaw = trekzaag; âstitch = het ondiep ploegen; âstock =zweepstok; â|ier, âster = geeselaar, zweeper, etc.; -per-in = hondenjongen; de man die zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is; -per-snapper = kleine nietige kerel; âping = het geeselen, enz.; -ping-post = geeselpaal; -ping-top = drijftol. Whip-poor-will, wipüwïl, geitenmelker. Whipple-tree, wip'ltri, roode kornoelje. Whir, ivD, subst. gesnor (v. een wiel), gegons (v. opvliegende vogels); â verb, snorren, gonzend of ruischend opvliegen (v. patrijzen, b.v.); -ring = het gesnor of gegons. Whirl, tvvl, subst. snelle draai(ing), dwarrelwind, spinnewiel; â verb, snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen: They were âed away = zij snelden weg van ons; âer = wie of wat ronddraait; âigig, wvligig, draaitol, draai, draaimolen: The âigi'g of time = het snelle vlieden van den tijd; âing = snel draaiend, woest, tierend, dol, buitensporig; âpool = maalstroom, draaikolk; âwind = wervelwind, hevige kracht of aanval: She was in a âwind of passion = |
zij werd voortgesleurd door haren hartstocht. Whish, wië, sissen, suizen. Whisk, wisk, subst. veeg, snelle beweging, bosje gras (stroo of haar) om te vegen, kleine borstel of bezem, eierklopper, roomklopper, sleep (v. japonnen), kap, brutale vent; â verb, snel veger of borstelen, roeren, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen: He âed with his pocket-handkerchief at a fly = hij sloeg met zijn zakdoek naar eene vlieg; All the Hags and decorations were âed away during the night = werden snel en plotseling in- en afgenomen gedurende den nacht. WThisker(s), wiska(z), bakkebaard, snor (van katten, enz.); â ed = met bakkebaarden. Whisket, ivisfat, mand, korf. Whisk(egt;y? wêsAri,korenbrandewijn of whiskey, sjees voor eén paard. Wisp, wisp, eind: A long â of your gown trails along the ground. Whisper, i(.'isp,i, subst. gefluister, geruisch, wenk: No, she said in a â = tluisterend; â verb, fluisteren, iets kwaads al fluisterend overléggen: He âed it in my ear = fluisterde het mij in 't oor; âer = fluisteraar, lasteraar (geheim); âing, subst. gefluister, het fluisteren; adj. fluisterend, lasterend; âing-gallery, âing-dome = koepel of galerij van ellips- of cirkelvorm, waar gefluister gemakkelijk verstaan wordt. Whist, wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil! Whistle, ivtël, subst. gefluit, gegier, fluitje, bootsmansfluitje, mond of keel: I'll wet my â first = ik moet eens eerst drinken; You pay (too dear) for your â = gij betaalt nwe liefhebberijen duur; It is not worth the â = het is niet noemenswaard; â verb, fluiten, gieren, schel geluid voortbrengen: He can â back the parrot's call = hij kan een papegaai precies nadoen; I âd up the cabin-boy = ik liet den kajuitsjongen boven komen; V on may â for it = ge kunt ernaar fluiten (d. i. krijgt het toch niet); He lias been whistling for a wind = hij heeft door fluiten eene bries trachten te krijgen (matrozen-bijgeloof); The train was âd off = de trein vertrok na het sein op het fluitje; She âd her lover down the wind = zij liet haar minnaar schieten, wou niet meer van hem weten; âr = fluiter, aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel = W7histling shop. Whit, ivit, zier, jota, weinigje. Whilaker, lultakd. White, wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt: He has hit the â = in de roos geschoten; She was dressed in â = in het wit; He showed the âs of his eyes = het wit; adj. wit, rein, zuiver, blank, vlekkeloos, grijs,zilverkleurig: It was a â day for you (a day to be marked with a â stone) = geluksdag voor u; â nights = slapelooze nachten; He showed the â feather = hij gaf blijk van zijne lafhartigheid; It was the âst of â lies = het onschuldigste van alle noodleugenljes; â verb, pleisteren: âd sepulchres = gepleisterde graven; âbait = gewone haring; âbeam = sneeuwbes; â |
man; ask = Ask; farm = fiim; but = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; hoy = bói:
WHITE-BEAR.
563
WIDE.
|
bear = ijsbeer; âbeard = oude man; âboy = lid van een geheim agrarisch genootschap (Ierland, 1759); âclover = witte klaver; â-erop, âcorn = tarwe, gerst, rogge, haver; âear = tapuit (vogel); âface, âblaze = bles (paard); âfis li = witvisch, stokvisch; âloot = witte plek (op den poot van een paard); âfriars = Carmelieten; âfrost = rijm; âgold = platina; âhanded = met blanke, reine (onbezoedelde) handen; âbeaded = met grijze haren: âlieat = witte gloeihitte, hoogste toppunt v. hartstocht of aandoening; âiron = dun plaatijzer met tinlaag, blik; âland = taaie witachtige kleigrond; âlead = loodwit; âlime = witkalk; âlimed = gewit; âlivered â lafhartig; âmeat = melkspijzen, etc.; âmoney = zilvergeld; âpaint = loodwitverf: âpoplar = witte populier; âpoppy = witte papaver; âpot = koek van melk, brood, eieren, suiker, enz.; ârent = belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in Devon en Cornwall, belasting in zilver; ârope = ongeteerdtouw; âsmith = tinsmid; âsquall = storm of windvlaag met onbewolkte lucht; âstocking = groote witte vlek op den poot v. een paard; âtail = tapuit; âthorn = hagedoorn, meidoorn; âthroat = grasmusch; âupturned = met opgeslagen blik, zoodat het wit zichtbaar is; âwash, subst. witkalk,witsel; verb, witten, reinigen, den goeden naam teruggeven, homologeeren; âwasher = witter; âwax â gebleekt was, witte was; âwashing = het witten, schoonwasschen; âwine = witte wijn (daaronder ook madera, sherry, enz.); â wood = spint (van hout); âly = witachtig, bleek: ân = wit maken, bleeken, bleek of wit worden; âner = bleeker; âness = witheid, bleekheid, reinheid, onschuld; âs = fijn tarwemeel, witte goederen, bleekzucht; Whit-ish(iiessgt; = witachtig(heid); Whit(egt;y = witachtig. Whitefield, waitfild. Whither, tvidher, werwaarts, waarheen: â soever he goes = waarheen hij ook gaat. Whiting, waitir\, fijngemalen kalk, witkalk, wijting (soort v. visch). Whit-leather, ivitledho, wit leder. Whitlow, foitlou, fijt, rotziekte (schapen). Whitinonday, witm'ndei, Pinkstermaandag; Whitsun recess = Pinksterreces (parlement); Whitsunday, wits'ndei, Pinksterzondag; Wrhitsuntide, ivits'nta.id, (de drie) Pinkster-(dagen); Whitsunholidays â Pinksterdagen, Pinkstervacantie; Wliitweek â Pinksterweek. Whittle, luit'l, subst. mes, omgeslagen deken (bij wijze v. mantel): â verb, snijden, scherp maken, met dunne laagjes afsnijden: The radicals want to â down Parliament till nothing remains but the House of Coni-inons = het Parlement te doen afslijten tot alleen het Lagerhuis overblijft. Whiz. wiz, subst. snorrend of gonzend geluid: â verb, snorren (van kogel of pijl). Who, hü, wie, die; âever = alwie; âin = wien, dien, dat; â msoever. Whoa, wou, ho! (tegen paarden). Whole, hotel, subst. het geheel: Upon the â = alles wel beschouwd, over het geheel; Take the â of it = neem alles maar; adj. |
geheel, gezond, ongeschonden: The â town = de geheele stad (nl. de huizen, tegenover All the town = de bewoners); âblood = volbloed; âhoofed = éónhoevig; âlength = van het eene einde naar het andere, in de volle lengte; âmeal = ongebuild meel; â note = heele noot; âness = volkomenheid, ongeschondenheid, gezondheid; âsale = groothandel, handel in 't groot: By âsale = bij of in de massa; adj. in 't groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken: Wines âsale and retail = wijn in'tgroot en klein; They were killed âsale = zij werden bij massa's gedood; âsome = gezond, heilzaam (v. spijzen, dranken, raad, enz.): âsome morals = gezonde zedelijkheid of zeden; âsome teeth = gave tanden; âsonieness = gezondheid, heilzaamheid; Wholly, houli, geheel en al, volkomen. Whoop, hup, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen. Whooping*cough, hilpiï]kof, kinkhoest. Whoot, hüt; Zie Hoot. Whop, wop, slaan, plotseling neervallen; âper = iets kolossaals, groote leugen: That's a âper = dat is een leugen alsof het gedrukt was; âping, subst. pak ransel; adj.kolossaal: A âping lie. Whore, hö, subst. zedelooze vrouw; â verb, hoereeren, afgoderij bedrijven; âdom = zedeloosheid tusschen de verschillende seksen, afgoderij ; âmonger, , hoereerder; Whorish = zedeloos, vuil, onkuisch. Whorl, ivvl, draai van eene schelp; âed = edraaid of gekronkeld. 'hortleberrv, ivvt'lberi, heidebes = Whort of \Vhurt, ivvt. Whose, hüz, wiens, welker, welks, wier; Whosesoever = van wien ook; Whoso = al wie = Whosoever. Whur, ivo, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast; â verb, gonzen, snorren, knorren, de letter r ratelend uitspreken. Why,/mi, subst. reden, oorzaak, doel; I wish to know the â and the wherefore = ik wou gaarne weten waarom en waartoe; It's not yours to reason why = het staat niet aan u de reden te vragen; adv. waartoe, waarom?; â «o = waarom.' interj. wel!; â, I never saw such a fool = wel, wel! ik heb nooit zoo'n dwaas gezien; â, there is enough left = daar is toch genoeg over, niet waar ? Wiek, wik, pit (v. lamp of kaars); âing = los katoen voor het maken van âs. Wicked, wikid, slecht, zondig, goddeloos, onzedelijk, ondeugend, boosaardig; âness. Wicken(-tree), wik'nitrï), bergesch. Wicker, ivikd, subst. rijs,teen,wilgentakje,dun hout, mandewerk; adj. van teenen of twijgjes: âcradle = mandewieg; âwork. Wicket, wikdt, deurtje, poortje (vooral als deel v. eene grootere poort, zooals bij staldeuren), de drie in den grond geslagen paaltjes met een dwarspaaltje erop Cv.cricket)-, âkeeper. W'iclifTe, tviklif'. Zie Wyclifle. Wide, waid, breed, wijd, ruim, uitgestrekt, ver van (met of): llis glory resounded far and â = zijn roem weerklonk heinde en ver; Yonr answer is â of the mark = is |
|
bone = boun: full; fool = fill; a = toonloozi longf = loi^; ship == sip; occasion = okeiz'n; t vokaal (zie asleep en care)', girl; year = jia; lin; th\xs = dhus; wine. |
36*
WIDE-AWAKE.
WIN.
564
|
geheel en al mis; The agreement was very âly drawn â omvatte, zoo te zeggen, alles; âawake, subst. zachte vilten hoed met breeder!, opstaanden rand; adj. goed of klaar wakker, bij-de-hand, klaar, gevat; âskirted = met breede randen, uitgestrekt, op een afstand; â spread = heinde en ver verspreid; ân = verwijden, verbreeden, opengooien; âness = grootte, uitgestrektheid; XVidth, iviöth, wijdte, uitgestrektheid. \Vi(d)geon, ividf n, smient. Widow, iriduu, subst. weduwe: Being a â, she had no bridesmaids; her train was held up by a boy = daar zij weduwe was, had zij geene bruidsmeisjes; haar sleep werd gedragen door een jongen; â verb, tot weduwe maken, berooven; âhunter = die op eene rijke weduwe uit is; âwail = kleine olijfboom; âed = beroofd, verlaten, eenzaam: lie was âed of his power = van zijne macht beroofd of verstoken; âer = weduwnaar; â(er)hood = weduw(naar)staat; â's-weeds = weduwenrouw. Wield, ivild, hanteeren, zwaaien: lie âI'd the sceptre = zwaaide den scepter, heerschte oppermachtig; It is impossible to â such a sword = te hanteeren: âable = hanteerbaar; âer, wie zwaait of hanteert; âless = niet te hanteeren. Wi fe ivnif, (getrouwde) vrouw, huisvrouw, gade; â hood = staat eener getr. vrouw; âless = zonder vrouw, ongetrouwd; âlike = als eene vrouw, haar betamend of passend. Wig, u ng, pruik (Zie ook Welsh); âged = met eene pruik; âging = uitbrander,standje; âmaker = pruikenmaker. Wigan,lüig'n: Here is to the mayor ofâ, i. e. to ourselves = wij ledigen dit glas op Wiggle, wig'l. Zie Wriggle. [onszelf. Wight, wait, menschelijk wezen, oogenblikje. Wigwam, ivigtvsm, Indiaansche hut. Wild, iuaild, subst. wildernis; adj. wild, woest, zwervend, bloeddorstig, hartstochtelijk, onredelijk, loszinnig, roekeloos, buitensporig, onordelijk: Our flowers have run â = zijn verwilderd, wild opgeschoten; âboar = everzwijn; ââ¢born = in wilden staat geboren; âcat = wilde kat; âfire = Grieksch vuur, weerlicht, roos (huidziekte): The report spread like â lire = als een vuurtje; âfowl = wild gevogelte (vooral watervogels); âfowling = het jagen op âfowls; âgoose, subst. wilde gans; adj.dolzinnig, dwaas; Aâgoose chase = dwaze onderneming, dol plan; âhoney = wilde honig; âland = woest of braak liggend liggend land; âmare = ongetemde of ongedresseerde merrie: They were riding tlie â mare = zij waren aan het wippen; âoats (Zie Oats); âerness, tvilddnds, wildernis, woestijn; âing, subst. in 't wild groeiende plant of vrucht daarvan; adj. in 't wild groeiend; âness. Wile, ivail, slimme streek of zet, list; Wily = listig, slim, doortrapt; Wiliness. Wilful, nril fid, opzettelijk, moedwillig, onredelijk, onzinnig, onbuigzaam; âness. Wilhelmina, w'ühdlmaino. Wilk, tuilk, gemeene wulk. |
Will, wil, subst. wil, wilskracht, willekeur, verlangen, testament: You may change it at â = gij kunt het naar uw welgevallen veranderen; He hohls his power at the people's â = hij ontleent zijne macht aan den wil des volks; The little girl would have her â = wou haar zin hebben; He fell (set) to work with a â = hij ging met lust en ijver aan den arbeid: Good â = welwillendheid, klandizie, toegenegenheid: tüood â to man = in menschen een welbehagen; Yon have girded this chain on of your own free â = gij hebt geheel vrijwillig dezen keten vastgeklonken, om u gelegd; lie bears me a good (an ill) â = hij is mij welgezind (hij draagt mij een kwaad hart toe. heeft een wrok tegen mij); Zie ook Way; â verb, willen, wenschen, begeeren, bevelen, vermaken: He â get jwgry =hij is wel eens boos, wordt gauw boos: Boys â be boys = jongens zijn jongens; He â have me dine with him to-morrow = hij wil mij morgen te eten hebben; The Lord âs me to go = de Heere wil dat ik ga; â he nill he = of hij wil of niet, willens of onwillens; 1 â see it = ik wil het zien (onderscheiden van: Ik wil het zien = 1 want, wish to see it); Von are free to â your property away to anybody = gij moogt uwe bezittingen aan wien ge wilt vermaken; âpower = wilskracht; You arc a selfâed character = gij zijt eigenzinnig, koppig; âing = geneigd, bereid, gewillig: I am âing = ik ben bereid, wil wel; God âing = indien God het wil; âing-liearted = toegevend, bereid: âingness = gewilligheid, genegenheid. Willow, wllou, wilg: He (she) is wearing the â = hij (zij) treurt of rouwt over een verloren lief; âgarland = wilgenkrans: â tree = wilgenboom; âwren (warbler) = fitis; âed = vol wilgen, met wilgen beplant. ây = vol wilgen, als wilgen, als eene wilg. Will-oMhe-wisp, wilddhdwisp, dwaallichtje = Will-with-a-wisp. Willy, wili, werktuig om wol te reinigen; â uilly = of hij wil of niet. Willy, will. Will,/wi,verk.v. William,wiiym. W illoiighby, ivildbi. Wilt, wilt, verwelken, achteruit (doen) gaan; 2e pers. enk. van WJIl. Wilton carpet,uriWnkdpdt, soort v.Brusselsch tapijt. Wrimb1e, wimVl, subst. drilboor; â verb, boren, drillen. W7iinbrel, urirribr'l, kleine watersnip. Wimple, (ook \Vhimplegespeld),subst. zijden of linnen kap (v. nonnen), soort v. sluier: â verb, met een kap of sluier bedekken, bewimpelen, vouwen, rimpelen, kronkelen: The wimpling waves = de gerimpelde golven. W7in, win, subst. overwinning, succes; â verb, winnen, verkrijgen, behalen, overwinnen, zegevieren, inhalen, gunstig stemmen voor: He could not â the ear of the audience = zijn gehoor niet boeien: He has won me over = mij overgehaald; We have won through this dreary time by the help of illusions = dezen naren tijd te boven gekomen met behulp van illusies; That has won upon the hearts of the people = het hart der menschen ingepakt; We have won upon the enemy = wij hebben een voordeel behaald op; He |
man; ask = Ask; farm = fiim; bat = but; learn = lèn; line = lain: house = haus; net; care = kte; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = löd; hoy = ból;
WINDOW.
WINNER.
|
wooed and won her = hij dong naar hare hand en kreeg ze; âner = winner; â11111^ = bekoorlijk, innemend; âiiiggt;po8t = eindpaal (bij wedrennen); They al way» divide their âuilig» = zij verdeelen altijd wat ze gewonnen hebben; âsome = levendig, lief, innemend: A âsome look = vroolijke, innemende blik; âsomeiieHs. Wince, wins, terugdeinzen (af), ineenkrimpen, schoppen: lie âd under the blow; âr. Winch, winë, subst. kruk of handvatsel (om eene as te draaien), schop of getrappel (van ongeduld, etc. van een paard); â verb, trappelen of trappen. W i nc hel sea, tnintsd /.si. Winchewter, zviniSdstd; â rille = geweer met reservekamer voor kogels. Wind, wind (zoo noodig voor den rijm: icaind), wind, tocht, ademhaling(sorganen), lucht, opgeblazenheid, iets luchtigs, zucht, maagkuil, blaasinstrument: Wood â» = houten blaasinstrumenten; The delicacy of the â in the prelude = het tijn opgevatte gedeelte voor de blaasinstrumenten in het voorspel; â» and Htring.s = blaas- en strijkinstrumenten; Everything here is going down the â = alles gaat te niet, naar de maan; 1 wish to ascertain how the â blow» = ik wensch mij te vergewissen uit welken hoek de wind waait; Sit» the â in that corner? = waait de wind uit dien hoek; We were Nteaining in the tecth oftheâ, intheâ eye = vlak in den wind; With the â ahead, aft = in den wind, met den wind; The four â« = streken v. h. kompas; The lioi'He carries the â = draagt zijn kop (neus) hoog; We must try to raise the â = geld zien te krijgen; I got â of it = ik kreeg er lucht van; The affair got â = de zaak werd ruchtbaar; I have (take) the â of yon = ik ben je de baas, ik hou je in de gaten; I will take the â out of his sails = ik zal hem te pakken nemen, dc loef afsteken, beetnemen: He sails the â = hij hangt de fok naar den wind, huilt met de wolven; There is sonie-thing in the â = er is wat aan de hand, er broeit iets; He was three slice's in the â last night = hij was gisteravond goed aangeschoten, âsikkemquot;; Trade âs (ook Tralt;les genoemd) = passaatwinden; Xear the â, close to the â = dicht of scherp bij den w.; You must go as near the wind as you possibly can = ge moet het zoo zuinig mogelijk a'anleggen; (The part of a ship) between â and water = het deel dat door het rollen van het vaartuig of den golfslag dikwijls boven het water uit komt; |
â and weather permitting = wind en weder dienende; It is an ill â that blows nobody any good = aan de doornen zitten rozen; verb, aan den wind blootstellen, wannen, ventileeren, ruiken, op den reuk het spoor volgen, den adem doen verliezen, doen rusten: The ship was âcd = geheel omgedraaid; There he stood, quiteâed = geheel buiten adem; âage, âidz, speelruimte (kanon), invloed van den wind op de afwijking van een kogel; âbag = windzak, bluffer, praatjesmaker; âbound = door tegenwind opgehouden; âbreak = heining of hek om den j wind af te houden; âbroken = dampig (= brokenâed, v. paarden); âdropsy = windzucht; âegg = windei; âfall = wat door den wind af- of neergewaaid is, meevallertje, buitenkansje; âlallen = door den wind afgewaaid; âflower = anemoon; â furnace = ertsoven; âgall = gezwel onder aan de pooten v. een paard; âgauge = windmeter; âgun = windroer; âhover = soort v. valk; âhatch = plaats waar het erts uit den grond wordt gehaald: âinstniment = blaas-of windinstrument; âlass = windas, draaispit; âmill = windmolen; âpipe = luchtpijp; ârode = schip voor anker en door den wind geslingerd; ârow = uitgespreid gras ot een hoop turf (om te drogen); âsail = koel-zeil (als ventilator beneden in het schip); â shaked = door den wind geschokt of gedreven; â tiglit = ondoordringbaar voor den wind; âed = met adem (alléén in samenst., als: Longâcd = van langen adem, etc.); âless = zonder wind of adem, glad, vlak; âward, subst. loefzijde; adj. naar den wind: To âward = te loever; I have laid my anchor to the â ward = ik heb tijdig mijne maatregelen genomen; 1 have got the âward of him = hem de loef afgestoken; ây = winderig, opgeblazen, ijdel,ledig; Windlness. Wind. waind, winden,draaien, rollen,kronkelen, wikkelen,telkens veranderen,blazen; The horn was wound = er werd op den hoorn geblazen: He cleverly woimd It into his speech = hij vlocht da't handig in zijne rede; The skein was wound off = de streng (garen) werd afgewonden; He wound himself out of it = hij redde er zich uit, draaide er zich uit; The thread was wound up = draad werd opgewonden: â up your watch = wind uw horloge op; The liaud wound up with the national anthem = het orkest speelde het volkslied tot besluit; The business was wound up = werd geregeld, in orde gebracht, gelikwideerd; âup = likwi-datie: âup sale = finale uitverkoop; If this sort of thing goes on any longer, 1 shall be wound up in the bankruptcy court = als dat langer duurt, zal het einde van het liedje een failliet zijn; A âing river = kronkelende rivier; He wound his way through all the intricacies of the debate = hij kwam goed en wel door het ingewikkelde debat heen; âer, subst. wie of wat windt, enz., haspel, slingerplant; â verb, wannen; âing» subst. bocht, kronkeling, draai; adj. draaiend, kronkelend, krom, draai . . .: âing-engine = hijschmachine; â Ing-sheet = lijkwa; -ing-stairs = wenteltrap; âing-tackle = hijsch-takel. Windham, wincVm. Windle-straw, wind'lstrn, soort v. riet. Window, luindou, venster: Have you got French âs or sasii âs in your room? = openslaande ramen (deuren) of schuiframen; The book was in the â at («reeii's = lag bij Green (den boekhandelaar) voor het raam; He came in at the door and got out at the â = en ging weg door het raam; He looked out at the â = hij keek door het raam naar buiten; He looked out of the â hij keek uit het raam naar buiten; He broke |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = Jia; longr = loi^; ship = sip; occasion = okeii'n; thin; thus = dhvs; wine.
WINDOW-BLIND.
566
WISE.
|
all the â8 = hij sloeg alle ruiten in; â blind = zonneblind, jalouzie; venstergordijn = curtain; âframe = vensterkozijn; â glass = vensterglas; âsaHli = vensterkozijn; âseat = vensterbank; âslut = venstergleuf; âtax = belasting op de vensters; âed = met (veel) vensters. Windsor, wlnzd, stad; âcliair = gemakstoel met hoogen rug; âsoap = fijne toiletzeep. Wine, wain, wijn, dronkenschap, wijnfuif: Good â needs no bush â goede wijn behoeft geen krans; He never mixes his âs = hij drinkt nooit verschillende wijnen door elkaar; Still â = niet parelende wijn: Sparkling; âs = parelende wijnen; â and ! water = water met wijn; Spirit ol* â = wijngeest, alcohol; It is a pity to dilute this â = te verdunnen: When â is in, wit is out = als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan; âbag = wijnzak; âbibber = pimpelaar: âbiscuit = wijn-beschuitje; âcask = wijnvat; âcellar = wijnkelder; âcooler = koelvat (voorwijnen); âglass = wijnglas; âgrower = wijnbouwer; âlees = wijnmoer; âmerchant = wijnkooper; âpress = wijnpers; âshop = wijnhuis; âskin = wijnzak; âstone = wijnsteen; âvault = groote wijnkelder; âvaults = proeflokaal; âless = zonder wijn; Winy = wijnachtig. Winlred, tuinfrdd, Winfried. 'Wing, wir\, subst. vleugel, wiek, vlerk, vlucht, : snelheid, bescherming, coulisse, molenwiek, wan, hetzelfde als Sponson: Swallows on the â = vliegende zwaluwen; She went there under the â of her mother = onder de hoede van: We are on the â = aan den arbeid bezig; We went there upon the âs of the wind = op de vleugelen des winds, met den grootsten spoed: His soul has taken â = zijne ziel is (het lichaam) ontvloden; The bird beat its âs against its prison = sloeg met de vleugels: The general was on the left â = aan den linkervleugel; â verb, van vleugels voorzien, bevleugelen, vliegen, doorvliegen, schieten (eig. in den vleugel treffen): The angel âed his flight to the earth = richtte zijne vlucht naar de aarde: 1 doubt if I can â the riinian = ik vrees dat ik den schurk niet onschadelijk kan maken; âcase = vleugelschild = â shell; âfooted = met gevleugelde voeten, vlug; âed = ge- of bevleugeld, vlug, verheven; âless = zonder vleugels, met rudimentaire vleugels; âlet = vleugeltje. Wink, wink, subst. knipoogje, wenk, oogenblikje: 1 did not get a â of sleep, 1 did not sleep a â = ik heb geen oog dichtgedaan; 1 will just *take forty âs = ik ga even dutten; â verb, knipoogen, wenken: lie âed at my shortcomings = hij zag mijne tekortkomingen door de vingers; âa-peep = guichelheil; âer = die wenkt of knipoogt; âing, subst. het knipoogen; adj. knipoogend, door de vingers ziende: It was done like âing, like âey = het werd zeer snel en flink ten uitvoer'gebracht. Winnow, winou, wannen, ziften, schiften; âer; âing. Winslow, winzlou. |
W7iiiter, wintd, subst. winter, jaar, onaangename tijd of toestand, hoofd eener drukpers: It happened at (the) death of â, in the depth of â = het gebeurde in het hartje van den winter; adj. bij of tot den winter behoorend; â vërb. overwinteren, gedurende den winter bewaren, den winter overhouden (van planten, etc.); âapple = winterappel; âbarley = wintergerst; âcitron = soort v. winterpeer; âcough = chronische bronchitis; âerop = winteroogst, wintervrucht; âgarden = wintertuin; âgreen = wintergroen; âground = eene plant tegen de koude met stroo bedekken; âkill = door strenge koude dooden; âpear = winterpeer: âquarters = winterkwartier: They went into âquartern = zij betrokken de winterkwartieren; âsolstice = winter-zonnestil-stand; âtime = wintertijd; âwheat = wintertarwe; âly = wintersch, winterachtig, koud, somber ='Wint(e)ry. Wipe, lualp, subst. veeg, het vegen, slag, smaad, hoon: lie gave me a â = schold mij uit; â verb, vegen, afvegen, afwisschen, uitwisschen, bedriegen (met of): lie was âd (out) of his watch = zijn horloge werd hem ontfutseld; Kverything was âd off = weggevaagd, afgeveegd; â it out = veeg of wisch het uit: I have âd up the floor with hi ui = ik heb hem tegen den grond gesmakt, totaal afgemaakt; â r = veger, af veger, stoffer, etc. WTire, waid, subst. draad, ijzerdraad, telegraafdraad, telegram: He replied by â = hij antwoordde per draad: â s = kooi van ijzer-draad; Thai boy seem to be all on âs = die jongen kan niet stil zitten, heeft kwik in zijn lijf; â verb, met een metalen draad vastmaken, aan een draad rijgen, in een strik (van metaal) vangen, telegrafeeren, met ijzeidraad omringen: He has âd in = is met kracht aan den arbeid gegaan|; â back, please = antwoord per draad verzocht; âblind = horretje; âbridge = hangbrug; âdraw = trekken of rekken van metaaldraden, heel lang maken; âdrawer = draadtrekker; âdrawing; âedge = draad (van een pas geslepen mes, schaats, etc.); âgrate = cha-sinet; âgauze = fijn metaalgaas; âpulier = die aan de draden trekt of de draden in handen heeft, (politieke) intrigant; âpulling = geheime invloed, intrige(s); âstabbing = het hechten (door het geheele boek heen) van de bladen met ij zerdraad; âworker â werker in metaaldraad; âr = verstrikker (van wild, etc.); Wiry = van of als ij zerdraad, mager en gespierd, taai, scherp: His wiry chin = zijn scherpe, puntige kin; 1 am rather wiry, and can stand a good deal of fatigue = ik ben taai, en kan tegen heel wat vermoeienis; Wiriness. Wisconsin, wiskonsin. Wisdom, wizcCm, wijsheid, wetenschap; â tooth = verstandskies: Has he cut his âtooth yet? = heeft hij zijn verstandskies al; Wise, waiz, subst. wijze, beginsel, vermomming: In this wise yoifll soon be ready = op die wijze; Personal grievances make bad fiction; our novel is on this wise = persoonlijke grieven bederven een |
man; ask = ask; farm = fiim; bjlt;t = but; learn = lun; line = lain; hoitse = haus; net; pare = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; lait; = lè; lord = löd; hoy = bói;
WISEACRE.
567
WITNESS.
|
roman; de onze is op deze gebouwd (volgens die methode); adj. wijs, verstandig, voorzichtig, ernstig, geleerd, ervaren, bekwaam: Why, man, take if, who is the wiser? = wie weet er wat van, wordt er wat van gewaar; Wiseacre, waizexks, waanwijze, wijsneus, sukkel; âhearted = wijs, bekwaam, handig; âwoman = heks; Wisely; Wiseness. Wish, tuiè, subst. wensch, verlangen, begeerte: â verb, wenschen, sterk verlangen, geneigd zijn, verwenschen: I âelt;l him over the moon = dat hij op de Mookerhei zat; I â von jon lt;ol* it) = ik feliciteer u (er mee); f â yoy well = ik mag u graag, ben u goed gezind; I â he may ilo it = dat hij het doe(n zal); I âed for yonr return = ik verlangde naar uwe terugkomst; â(inK)-hone = gevorkt been in de vogelborst (het wordt door twee personen, die ieder aan een eind trekken, gebroken, en het volksgeloof zegt dat hij, die het langste stuk houdt, weldra zal trouwen of een wensch vervuld zal zien); âer: âfnl = wenschend, verlangend. Wishart, wiëdt. Wlsh-wash, iviëwoë, slappe drank: ây = slap. Wrisp. tvisp, wisch of bundel stroo (hooi): A | â of a girl = een klare (kranige) meid; Will-oMheâ = dwaallicht. Wist, wist, oud imperf. van to wit. W'istlul, ii'istfal, peinzend, ernstig, droefgeestig, vol droef verlangen; âness. W'istiti, Ouistili, wisiiïi. soort v.Z.Amerik.aap. Wiston-wish, ivisVmuië, prairiehond. W it, subst. kennis, verstand, vernuft, rede, scherpzinnigheid, grappigheid of geest(igheid), geestig man, humorist: By this reply he showed his ready â = zijne gevatheid; Motherâ = natuurlijk gezond verstand; lie is at his â's end, at his âs' end = ten einde raad; lie is ont ol' his âs = hij is de kluts kwijt, gek: Are yon in your â s? = hebt gij ,.de vijfquot; bij u: lie has all his âs about him = ,.de vijfquot; goed bij elkaar; He would live by his âs only = hij wou zonder werken aan den kost komen; You have Irightened them out of their âs = gehebt hen vreeselijk doen schrikken: That will set your âs to work = dat zal u alle overleg doen gebruiken: Use your âs = gebruik uw verstand; â verb, weten (vooral in de uitdrukking: To â = namelijk, te weten); âless = dom, onverstandig, dwaas; âled = vernuftig, vol geest (in samenst., zooals Dullâed, ^liiiekâted, enz.); âticisni= geestige zet; âlin^ = povere sire, die zich verbeeldt aardig te zijn; âty geestig, scherp, snedig; âtiness: â(iiiRly = voorbedachtelijk. Witch, ivitè. subst. heks, oud leelijk wijf, bekoorlijke jonge vrouw, tak, soort v. boom; â verb, beheksen, betooveren; âelm = berg-iep; âhazel = toovernoot: -craft, ivitëkr-Xft, tooverij, betoovering, onweerstaanbare invloed; âery â betoovering, bekoring: â iiis; = betoo-verend, bekorend. W7itenagemot, loitdnngdmot, nationale vergadering (Angel-Saksers), ook: Witan. quot;With, widh, met, mede, door, bij, van. etc.: Frantic â despair = gek van wanhoop; It rests â you = staat aan u; I have no power with him = vermogen op hem; |
One year â another = het eene jaar door het andere; The bed swarmed â fleas = wemelde, leefde van de vlooien; âal, w id hól, daarbij, bovendien, verder. Withdraw, widhdrö, terugtrekken, weggaan, onttrekken, terugnemen: lie withdrew his support = hij onthield ons zijn steun; âal = terugroeping, terugtrekking, terugneming = âinent; âer; âing = weggaande, teruggaande; â ing-rooni = salon (gewoonlijk Drawing-room); ân, p. p. van â. Withe, widh, subst. wilgentwijgje, rijsje; â verb, met rijsjes of twijgjes binden; âlt;i = met âs gebonden: Withy, uridhi, subst. groote soort van wilg, twijg* rijs; adj. van twijgjes of teenen gemaakt, buigzaam en taai. W7itlier, widlw, verwelken, verdorren, vernietigen: One of those mornings when it is hot and cold, wet and dry, bright and lowering, sad and cheerlul, withering and genial, in the compass of an hour = in één uur heet en koud, nat en droog, helder en donker (dreigend), somber en vroo-lijk, vernietigend koud en lekker; âed = verdord, uitgedroogd; âingly = vernietigend. Withers, midhdz, gewricht van de schouderbeenderen (de schoft) van een paard: My â are nuwTiing = ik ben van alle werk'ontslagen, vrij (eig. het zadel is van mij af); Wlther-lock = bosje haar (aan deâ), waaraan de ruiter bij het opstijgen zich vast grijpt; Wither-wrung = aan de â bezeerd of geschaafd. Withheld, widh}ield,'\m^. en p. p. van withhold. Withhold, widhhonld, weerhouden, onthouden, onttrekken: The permission was withheld from him = werd hem geweigerd; âer; âing; âment. WTitliin, widhin, adv. en prep. binnen, in, van binnen, inwendig, niet te buiten gaande: It is not â my power = in mijne macht; â a month's time = binnen eene maand: He lives â his incoine = hij geeft niet meer uit dan hij in te komen heeft: llisroom is â mine = men komt in zijne kamer dooide mijne; The deer was â range = was onder schot; Who's - = wie is daar? (vooral op het tooneel). Without, widhaut, adv. en prep. zonder, buiten, van buiten, uitwendig, vrij, beroofd van, onafhankelijk van: I can do â it till tomorrow = ik kan het tot morgen missen; The station is â the town = buiten de stad = outside the town; I can get ready â you = zonder u (Vergel. But for you *1 should never get ready); â day = zonder een dag te bepalen voor samenkomst of behandeling; geheel van de baan (Amer.); Within and â doors = binnen- en buitenshuis. Withsny, widhsei, tegenspreken, ontkennen. Withstand, widhstand, weerstaan, zich verzetten; -er = tegenstander, die zich verzet. Withstood, widhstud, imp. en p. p. van to withstand. Withwind, widhwind, kamperfoelie. Witness, witnds, subst. getuigenis, getuige, oorkonde: â for the crown, for the prosecution = getuige a charge; â for the defence, defendant (prisoner) = getuige a décharge; 1 bear â to his having been |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; i/ear = ji9; lonfif â loij; ship = sip: occasion = okeii'n; thin; thus â dims: wine.
WITNESS-BOX.
WOOD-BIRD.
568
|
absent = ik leg de getuigenis af dat hij er niet was; In â whereof = ten bewijze waarvan; 1 took him to â = nam hem tot getuige; When we turn to the art ol' education, the English educationist doen not leave iiiinseir without â = laat zich niet onbetuigd; â verb, getuige zijn van, ondervinden, beleven: You have been romping:. â your hot face = je bent woest aan 't stoeien geweest,^ getuige je vuurroode gezicht; The moHt violent Htonn 1 ever âe«I = de hevigste storm dien ik ooit beleefd heb; Did you ever â wucli a thing? = hebt je ooit zóó wat gezien; âbox = getuigenbank: âteaser = advocaat die het den getuige lastig maakt door hem scherp aan te kijken en allerlei vragen te doen. Wittol, witdl, man met ontrouwe vrouw. Wit wall, witivol, soort van specht. Wive, waiv, trouwen, tot vrouw nemen: Hanging and wiving goes by destiny = hangen en trouwen is eene loterij; This Hottentot chief is the most âd man (scherts.) = heeft de meeste vrouwen. Wiveliscombe, wilsk'm. Wiver(n), waiv3{n)\ Zie Wyvern. Wizard, wizod, subst. toovenaar, goochelaar. Wizen, uriz'n, adj. hard, droog, verwelkt; â verb, verwelken, verschrompelen. Woad, woud, weede (plant); âed = uitweedc geprepareerd, blauw gekleurd. Wobble, waggelend loopen: quot;Quawkquot;, said the pig, and âd off. Wobiirn, wübdn, woubdn. Woe, tuou, subst. smart, verdriet, wee: â is hip = wee mij; â worth the chase = wee zij de jacht; âbegone = naargeestig, in smart gedompeld; Wo(e)ful = treurig, ellendig, naargeestig, droevig; âworn = door smart verteerd, de teekenen der droefheid dragende. Wolcott, wolkdt. Wold, would, woud, bosch, vlakke streek, lage heuvel; âs = heuvelachtige landstreek. Wolf, wulf, subst. wolf (ook in vleesch of tanden), wreedaardig en roofgierig persoon: He always cries â = hij maakt altijd valsch alarm; I have a â by the ears = ik heb mijn man gevonden; We could hardly keep the â from our door = wij konden gebrek en honger haast niet buiten de deur houden; â verb, vraatgierig verslinderi; âdog = wolfshond; âfish = zeewolf = Seaâ: ânet = wonderkuil (soort v. net): â's-bane = wolfswortel; â's-claw, â's-foot = soort v. mos; â's-peach = tomato; âish = ^ wolfachtig, wreed, vraatzuchtig; âkin, âling = jonge wolf; Wolves = wolven. Wolfe, wulf. Wolfram, wulfrdm. Wolfram. Wolliiston, wuldsVn, Wolstonecrafl, «m/srn-krïift. Wolseley, wulzli. Wolton, wulVn. WoIverhamptón, wwlvdramVn. Wolverine, wulvdrm, veelvraat. |
Woman, wuirin, vrouw, vrouwelijke bediende: Lady's â = kamenier; He played (acted) the â = hij speelde de rol der zwakke vrouw, schreide, gaf lucht aan zijne aandoeningen: She is a â of the world = kent de wereld, komt veel in gezelschap, etc.; She regarded all forms of episcopacy as little better than the scarlet â herself = dan de moeder van alle ontucht en onheiligheid (Openb. XVII, 4); ââ¢born = uit eene vrouw geboren; âbuilt = door vrouwen gebouwd; âgrown = tot vrouw opgegroeid; âhater = vrouwenhater; âhood = vrouwelijke staat; âvested = in vrouwenkleeren; âed = vergezeld van of verbonden met eene vrouw; âish = vrouwelijk, als eene vrouw, verwijfd; âkind = het vrouwelijk geslacht, de vrouwen (in eene huishouding, b.v.); âlike = vrouwelijk, zacht = âly; âliness; Women,loinCn,vrouwen: Women's rights = rechten der vrouw: Women's suffrage = vrouwen-stemrecht. WTonib, tvüm, subst. schoot, baarmoeder; â verb, omsluiten, koesteren, bevatten: â brother, âsister = broeder, zuster (van ééne moeder). Won, tvon, imp. en p. p. van to win. Wonder, wvndd, subst. wonder, verbazing, bewondering: It caiiHed considerable scandal, and remained a nine days' â = het baarde vrij wat aanstoot, en bleef een tijdlang de aandacht trekken; No article in a review is a nine days' wonder = de artikelen van eene revue baren nooit lang opzien; She had not come to be a nine days* â, she had come to stay = niet voor een tijdje, maar voor goed; In the name of â = om 's hemels wil; It is no â he refused = het is heel natuurlijk dat hij weigerde; He is here, for a â = hij is hier zoowaar (vreemd genoeg); The seven âs of the world = de zeven wonderen der wereld; â verb, verbaasd staan, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn: 1 â where he can have been = ik zou wel eens willen weten waar hij gezeten heeft: 1 â how much he left me = ik ben toch nieuwsgierig hoeveel hij mij heeft nagelaten; âstruck = verbaasd, door verwondering getroffen; âworking = wonderdadig; â-wounded = door verbazing getroffen; âer = die zich verbaast, etc.; -fill = verwonderlijk, vreemd, verbazend; âing = zich verbazend; âlaiid=land der wondéren; âinent = verwondering, verbazing; Wondrous = verwonderlijk, vreemd. Won't, wount, sameutr. van will not. Wont, wount, wvnt, subst. gewoonte, gebruik; â verb, gewend zijn; âed = gewoon, gewend, bekend; âless = ongewoon, niet gewend. Woo. wü, verlangen, begeeren, het hof maken, trachten te winnen: They â the battle = willen den strijd; âer; âing. Wood, wud, subst. woud, bosch, hout,timmerhout, houtinstrument: It was drawn from the â = uit het vat getapt; The ale is in the â = in het vat; I shall soon be out of the â = weldra buiten gevaar of de moeilijkheid te boven zijn; She is ontofthe â again = ze is weer bij (kennis); Have you taken in your stock of â yet? = hebt ge al hout opgedaan; He doesn't see the â for frees = hij ziet wegens de boo men het bosch niet: â verb, van hout voorzien, hout opdoen; âant = boschmier; âband = houtorkest, de blaasinstrumenten, âhet houtquot;; â'bine = kamperfoelie; âbird = |
man; ask = ask; farm = fjim; but = but; learn = Iwn; line = lain; howse = haus; net; care = kèa; fate = feit: tin; asleep = «slip; not; law = ló; lord = löd; hoy = bói;
WOOD-BOUND.
569
WORK.
|
boschvogel; âbound âingesloten doorhooge en zware heggen; âchuck = aardvarken, soort v. marmot; âcoal = houtskool: âcock = houtsnip, sukkel; âcraft = boschkuituur, jacht, jachtvermaak; âcut = houtsnee(plaat): âcutter = houthakker, maker van houtsneden; âdrink = af kooksel van medicinale planten; âecho = boschecho; âengraver = houtgraveur; âengraving = houtgraveerkunst, houtgravure; âfretter = houtworm: âgear = raderwerk van hout; âgrouse = auerhaan; âhole = houtpakhuis; âIioiinc = houtloods; âknife = hertsvanger; âland, subst. boschland, land met bosch begroeid; adj. tot hout of bosch behoorende, boschachtig: âlark = kleine of boschleeuwerik; âlot = stuk land waarop brandhout wordt verbouwd; âlouse = houtluis; â-(s)iiian = boschwachter, boschbewoner, houthakker; â -mite (worm) = houtworm; âinoiiNe = (langgestaarte) veldmuis; ânymph = boschnimf; âoffering = houtoffer, brandoffer; âpavement = houten bestrating; âpecker = specht; âpigeon = houtduif =âquest; ââ¢pile, ârick = houtmijt; âreeve = houtvester; âruff = Lieve Vrouwe Bedstroo; â rock = soort v. asbest; âsare = koekoekslijm: âscrew = houtschroef; âshed = houtloods; âskin = boot of kano van boombast (Guyana): âsoot = houtroet (bemesting); âsorrel = wilde zuring; âspite = plaatselijke naam voor specht; âtar = houtteer; âvetch = boschwikke; âwale = wielewaal (soort v. lijster); âwax(cn) = soort v. genista; âwork = houtwerk (van een gebouw, b.v.); -cd = voorzien van of bedekt met bosch; âen = van hout, uit bosch bestaande, stijf, onaangenaam, dom, zonder geest of uitdrukking: What are you so âen about? = hoe ben je zoo suf; âen-shoes = oude spotnaam voor de Fransche natie, klompen: âenness =r blindheid, geslotenheid: That particular âenness which has in all ages been characteristic of mere philologiHts = die eigenaardige bekrompenheid, alle eeuwendoor het kenmerk van den blooten taalgeleerde; ây = vol hout of bosch, houtachtig, boschrijk: j --fibre (tissue) = houtvezels (weefsel): | âiness. Woof, ivxlf, inslag (deel van het weefsel, dat dwars door de schering of loopt), weefsel, i Wool, wul, wol, bont: It's a great cry and little â = veel geschreeuw en weinig wol = More squeak than â: âball = wolbal: âbearing =wol dragend of -voortbrengend; âcomber, â/rouwa. wolkammer; âcombing = het wolkammen; âcotton = boomwol; âdyed = in de wol geverfd: âgathering, subst. liet vergaren van pluisjes wol; adj. dwaas, onzinnig: His wils are a---gathering = zijn verstand is op den loop, hij houdt zich met dwaze dingen bezig: âgrower = schapenfokker: âman = wolkooper; âmill = wolspinnerij; âpack = baal wol {2^0 pounds)' âstaple = wolmarkt, vezel van wol; â stapler = wolhandelaar, wolsorteerder; â-trade = wolhandel; âsack = wolzak, zetel van den Lord Chancellor in het Hoogefhuis: âsorter = wolsorteerder; âlen = van wol, grof, lomp, boersch; âlen-draper = laken-kooper, handelaar in wollen goederen; âlens = wollen goederen; â len-printer = wol-drukker; âlen-scribbler = machine om wol te kammen; âly == wollig, wolachtig; âly-head = neger. |
W7o*old, ffMW,omwikkkelen met touwen; âed; âiiig = touw om te wikkelen om masten,enz. Woolwich, wulidz. Wootx, wüts, fijn staal (O.-Indië). Worcester, wustd. Word, wixi, subst. woord, uitdrukking, gesprek, mededeeling, bericht, bevel, wachtwoord, motto: He coinmniiicated it to me by â of mouth = mondeling; 1 will speak a good â for you = ik zal u aanbevelen; In a (one) âr iie is the greatest fool 1 ever saw = in één woord; The â = de H. Schrift, de tweede persoon der Drieëenheid; There you have it in a â = met dat ééne woord is alles gezegd; 1 repeated it to him â for â = ik heb het hem woord voor woord herhaald; I must have a â with you = ik moet u eens spreken; He is a hero in â(s) = een held met den mond; You shall eat your âs = ge zult uwe beleediging (bewering) terugnemen; He is as good as his â = hij houdt trouw zijn woord; There were angry âs between us = er werden tusschen ons hooge woorden gewisseld; l' pon my â = op mijn woord, waarachtig; I'll send you â = ik zal u eene boodschap zenden; Did he write you â ? = heeft hij u geschreven; He gave me many kind âs = hij sprak zeer vriendelijk tegen mij; He took me at uiy â = hield mij aan mijn woord; You must keep your â, stick to your â = houden: You'may take my â for it = ge kunt erop aan; He took up the â again = vatte... weer op; A â to the wise is enough = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig; â verb, in woorden uitdrukken: A wellâed letter = een goed gestelde brief; âbook = woordenlijst; âbuilding = het maken of vormen van woorden; â catcher = woordenzifter, woordenvitter; â painter = schilder (in woorden) of beschrijver; âpainting = het schilderen (met woorden); âpicture = beeld of beschrijving (in woorden); âsquare = reeks van woorden (in een vierkant) die hetzelfde woord opleveren hetzij naar beneden of van rechts naar links gelezen; ây = woordenrijk, langdradig; âiness; âiiig = het uitdrukken, de manier van zeggen; âless = sprakeloos; âspin = met woorden schermen (zonder veel te zeggen): .lournalists can âspin on occasion = krantenschrijvers verstaan zoo noodig de kunst om met veel woorden niets te zeggen. Wordsworth, wodzwdth. Wore, ivo. imperf. van to wear. W7ork, wvk. subst. werk, inspanning, onderneming, taak: He has set me to (on) â = mij aan het werk gezet; That is a good day's â = dat is eene flinke dagtaak; It's hard and nIow â = moeilijk en langzaam vorderend werk; Hicycling is warm â = van het âfietsenquot; kan* men warm worden; They were at â on the map = aan het werk met de kaart: A maid of all â = meid alléén (die alle werk moet doen); We are out of |
bone = boun; full; fool = ful; o = toonlooze vokaal (zie asleep en care)-, girl; v/ear = jia; \ong = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin; thus = dims; wine.
WORM-SEED.
570
WORK-BAG.
|
â at present = op 'loogenblik zonder werk j They fell (went) to â with a will = zij gingen met ijver aan den arbeid; You have made sad â of your translation = ge hebt uwe vertaling heelemnal verknoeid; 1 must try to get through all this â to-day = ik moet al dit werk vandaag zien af te krijgen; You are going the right (wrong) way'to â = gij legt het goed (verkeerd) aan; Take up the â you dropped last week = vat het werk weer op, dat gij verleden week hebt laten steken; â verb, werken, zwoegen, zich inspannen, invloed oefenen, gisten, slagen in de praktijk: The mill was âed by him = de machine, etc. werd door hem aan den gang gezet of gedreven; They âed the guns = zij bedienden het geschut; This eompany âs the railway = deze maatschappij exploiteert den spoorweg; âed in iron, gold, etc. = van ijzer, goud bewerkt; lie âed out his dinner = hij verdiende zijn middagmaal met werken; The problem (seheine) was âed out = het vraagstuk (plan) werd opgelost (uitgewerkt); The ship is âing to windward = zeilt of vaart tegen den wind in; He is a hard âed man = hij moet hard werken; I have been âing at my grammar = ik heb aan mijne spraakkunst gewerkt; That diil not â on him = dat had geen invloed op hem; lie âed himsell' into the king's favour = hij drong zich in'skonings gunst; I had a headache but I have âed it off = maar ze is met werken overgegaan; We have steadily âed through all the exhibits = wij hebben alle uitstallingen bedaard nagegaan; He âed up his rage = hij werd al woedender; it was â ed up into soniething quite different = er kwam geheel iets anders van: He âed himself up into a passion = hij maakte zich driftig; He âed with a will = greep (zich) flink aan; âs = industrieele inrichting (vooral in samenst. als: An ironâs = ijzergieterij), goede werken, zedelijke plichten (tegenover -,genade '), muren, loopgraven, versterkingen, vestingwerken: The Board of âs holds its sessions here = de commissie voor de openbare werken heeft hier zitting; âbag = werktaschje; âbox = werkdoos, naaikistje; âday = werkdag: âfolk(s) = werklui; âhouse = werkhuis (waarin de armen worden opgenomen, en de voor werk geschikten tot arbeid gedwongen worden); âman = arbeider, werkman; âmanlike = knap, handig, vaardig, mooi; âmaiiship = wijze van uitvoering, bekwaamheid, handigheid, het voortgebrachte: This is a box of excellent âman-ship = dit is eene uitstekend bewerkte doos â¢(koffer); âroom = werkkamer (voor vrouwen) in huis of fabriek, timmerkamer; âshop = werkplaats; âta ble = werktafeltje; âwoman = werkvrouw, werkster; âable = wat bewerkt, in beweging of gang gebracht, geëxploiteerd kan worden; âa-ilay = alledaagsch, daagsch, zwoegend, moeilijk; âer = werker, werkman, arbeider: He was my fellowâer for a time = wij hebben een tijdlang samen gewerkt; âing, subst. werk, gisting, arbeid, beweging: adj. werkend, arbeidzaam, werkzaam: âing class(es) = arbeidende klasse; |
âing expenses = exploitatiekosten, noodzakelijke onkosten; âing-day, subst. werkdag; adj. als van een werkdag, zwoegend, gewoon; âing-drawing = plan of teekening om den werkman tot leiddraad te dienen; âing-man = werkman, arbeider; âing-party = troep soldaten voor eene korvee bestemd; â ing-point = deel der machine waarop het vereischte effekt wordt teweeggebracht; âless = zonder werk, werk(e)loos: The âless, the Thriftless and the Worthless, a book by Francis Peek. World, wfjkl, wereld, heelal, aarde, aardsch bestaan, levensloop, menschelijk geslacht, de menschen, het publiek, maatschappij, menigte, levenskring: It's him, for all the â = hij is het waarachtig; 1 wouldn't part with you for all I he â = ik zou voor niets ter wereld van u willen scheiden; All the â say so = alle menschen zeggen het; â without end = van eeuwigheid tot eeuwigheid (For ever and ever); What in the â do you mean by it? = wat kunt ge daar toch met mogelijkheid mede bedoelen; He is a man of the â = hij is een man van de wereld; He is of the â worldly = hij is een wereld-ling. wereldschgezinde; We have travelled all over the â, all the â over = degeheele wereld door- of rondgereisd; All the â and his wife goes there = Jan en alleman: He thinks the â of his nephew = hij heeft een hoog idéé van zijn neef; She was beginning the â = zij begon in de wereld te komen, in de wereld op te treden; 1 wish 1 could begin the â over again = ik wou dat ik nog eens weer van voren af aan kon beginnen; He has renounced the â = hij heeft van de wereld afstand gedaan; As the â goes = zooals het gaat in de wereld; That is how the â wags. Such is theâ, That's the way of the â = dat is's werelds beloop; âEnglish = phonetisch internationaal spelstelsel van Melville Bell; âpain = wereldsmart (âWeltschmerzquot;); âwearied = de wereld moede, wereldzat; âwide = oneindig, zeer groot; âliness = wereldschgezindheid; âling = wereldling; âly = wereldsch, menschelijk, aardsch, verachtelijk; âly-niinded-(ness) = wereldschgezind(heid); âly-wise = wijs naar de wereld (gew. in afkeurenden zin); The âto-be = het hiernamaals. Worm, /vvm, subst. worm, larve, verachtelijk wezen, blokker, al het spiraalvormige, schroefdraad, krasser op den laadstok, destilleerpijp: Even the trodden â will turn = zelfs het wormpje laat zich niet zoo maar trappen: adj. tot wormen behoorende ofdoor deze voortgebracht; â verb, kruipende vooruitkomen, in het geheim en langzaam werken, opslinksche wijze bewerkstelligen, de lading uit geweer of kanon halen, touw spiraalsgewijs ontwikkelen: He âed himself into the king's couHdence = hij verkreeg op slinksche wijze 's konings vertrouwen; He tried to â that secret out of me = van mij los te krijgen; âeaten = wormstekig, door de wormen aangevreten = âed; âlever = malaria bij kinderen; âgrass = wormkruid; âhole = wormgaatje; â like = wormachtig; âpowder = wormpoeder, wormkruid = âseed; â |
man; ask = ask; form = lam; but = but; learn = Iwn; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; la?t; = 16; lord = löd; hoy = bói;
WORM-SHAPED.
571
WRAPPER.
|
shaped = wormvormig; âwheel = rad met schroef zonder eind; âmeat = voedsel voor wormen, lijk; ây = vol wormen. Wormwood, wmmvud. alsem. Worn, wtin, p.p. van to wear, versleten, uit-j?eput, uitgeteerd = âout. Worrlt, wnrit (nevenvorm van Worry; Zie dit woord): Doift â yourself = plaa'gjezelf toch niet. Worry, wnri, subst. kwelling, angst, zorg, drukte, âsoesaquot;, bezwarenmaker: You have no worries = niets dat u hindert; Doift be uneasy, my dear old â = wees niet ongerust, lieve tobber (bezorgde moeder); â verb, kwellen, tobben, plagen, verscheuren met de tanden (zooals de honden doen), rukken, vervolgen, uitputten: The dog worried the old gentleman's gaiters = de hond rukte en scheurde aan de slobkousen van den ouden heer; The ehief had been âiiir for her for two hours = chef . . . naar haar gevraagd, overal gezocht: lie is a worrier = hij is een kwelgeest, onaangenaam mensch; It has caused ine inueh worriment = het heeft me veel last en verdriet veroorzaakt (Amer.). Worse, uws, subst. verlies, schade, ergere toestand, iemand of iets minder goed: lie was the â for (something; â of) liquor = hij was (eenigszins) dronken; lie ehanged for the â = hij veranderde ten kwade; The enemies went to the â = werden verslagen; They got (had) the â of it = zij kregen op Hun kop, dolven het onderspit; adj. erger, slechter, snooder, bedorvener: lie is getting â and â = hij wordt al erger; So inueh the â for you = des te erger voor u; I am none the *â for it = dat heeft me niets gehinderd; The â for wear = versleten; lie is â off than his brother = hij is slechter af dan zijn broer; And, to make things â, one of the horses fell down dead = en tot overmaat van ramp viel een der paarden dood neer; â n = verergeren, ontaarden; een voordeel behalen op; His betters or his ârs = zijne meerderen of zijne minderen (schertsend). WorHhip. ivnêip. subst. uitstekendheid, eerbied, eerbewijzen, aanbidding, godsdienst, eeredienst, titel (vooral van magistraatspersonen): Yes, your â = ja. edelachtbare; â verb, aanbidden, vol eerbied behandelen, vereeren, hoogachten, zich toewijden; âfnl = eerbied afdwingend, eerbiedwaardig, titel van magistraatspersonen ; âlews = zonder aanbidding of aanbidders; âper = aanbidder. Worst, luvst, subst. en adj. slechtst(e), ergst(e), minst(e), snoodst(e): If the â eomes to the â = als het op het ergst loopt; Let him do his â = laat hem het ergste doen dat hij kan; The â of the thing was = het ergste van de zaak was; He had (got) the â of it = hij verloor het geheel: Why should you suppose the â ? = waarom zoudt gij het ergste onderstellen: â verb, totaal verslaan (Zie Best): They were âed in the battle = zij werden in den strijd totaal verslagen. Worsted, WHstid, subst. en adj. (van) sajet. Wort, tuvt, kruid, plant. Worth, wvtJi, worden of zijn (alléénin: âWoe |
worthquot; met volgenden datief: Woe â the ehase, woe â the day. That eosts thy life, my gallant grey = wee zij de jachten wee den dag, die u, mijn schimmel, het leven kost). Worth, wvth, subst. (innerlijke) waarde (tegenover Value = kostende prijs), waardij, bezit, rijkdom, verdienste, uitstekendheid; adj. waard, verdienend, bezittend: It is hardly â looking at = het is haast geen aankijken waard; What's that man â ? = hoeveel bezit die man; He gave the last shilling he was â = dien hij had; lie liked to think that he was â his salt = hij verblijdde zich in de gedachte, dat hij den kost waard was; You are not â a two-penny rope = je bent het ophangen niet waard; âiness, wudhinds, waardigheid, deugd, uitstekendheid; âless(ness) = waardeloos(heid), verachtelijkheid); ây, wvdki, subst. held, uitmuntend karakter, êccentriek mensch: The Killeâies = de negen helden der Oudheid (Hector, Alexander, Julius Caesar, Jozua, David, Judas Maccabaeus, Arthur, Karei de Croote, Godfried v. Bouillon)] adj. waardig, edel, verdienstelijk: This work is not ây of your talents = is uwe talenten en gaven onwaardig: â verb, waardig maken, tot een held verheffen. Would, wud, imperf. van will: â to (tod = God gave; He â often go there = placht; â you have me go there? = woudt ge, dat* ik daarheen ging; âbe, subst. ijdele aanspraakmaker; adj. zoogenaamd: A âbe friend = valsche, zoogenaamde vriend; A âbe sportsman = Zondagsjager, etc. Wound, ivünd, subst. wonde, smart (vooral die der liefde); â verb, wonden, kwetsen, schaden: âer = wie of wat wondt; â ing = verwonding, wonde; âwort = wondkruid. Wound, waund, imp. en p.p. van to wind. Wove, wouv. Woven, wouv'n, imperf. en p.p. van to weave: â(n) paper = velijnpapier. Wow wow, tv au wa u, zilverkleurige apensoort (Malacca en de Sunda eilanden). Wrack, rak, op de kust geworpen zeewier, wrak, wolk (Zie Rack): Let the world go to â = laat de wereld ten onder gaan. Wrain-bolt, reinbonlt-, Zie Wring-holt. WTraith, reith, geest(verschijning) van iemand vóór zijn dood. schaduw: His friendship for me was henceforth a hollow â = niets dan eene schim, een holle klank. Wrangle, rang'l, subst. gekijf, ruzie; â verb, kijven, rumoerig twisten: The birds were wrangling for the seed = vochten om de zaadjes: â r = twister, ruziemaker; aan de universiteit te Cambridge een van hen. die het beste examen in wiskunde hebben afgelegd: de beste heet Senior âr; ârship; âsome = ruzieachtig; Wrangling = twist, ruzie. Wrap, rap, subst. omhulsel, mantel, deken;â verb, samenvouwen, samenwik kelen, bedekken, inwikkelen, omringen, oprollen: 1 don't understand why you are so âped up in your country = ik begrijp niet, hoe gij zoo geheel in uw*land opgaat; The world was â ped in silence, darkness = in stilte, duisternis gehuld: âper = wat omhult of omwikkelt, wat bedekt, los over- of opper- |
bone = boun: full; fool = fül; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care)', girl; t/ear = jia; long = loi^; s/üp = sip; occasion = okeii'n; thin; ï/tus = dhvs; wine.
WRAPPING.
572
WRONG.
|
kleed, négligé; âping, subst. bedekking, mantel, omhulsel; adj. ter bedekking, etc. dienende: âping-pAper = pakpapier. WraHse, ros, soort v. baars. Wrath, roth, rot/t, rath, groote toorn, gramschap; â lui = vol toorn en gramschap; â lulneHH; ây = zeer toornig, gramstorig. Wreak, ri/c, rek, subst. wraak, woedende drift, woede, wraakneming; â verb, wreken, uitoefenen, terechtstellen: Til â my vengeance on you â ik zal mijne wraak op u verhalen, i Wreath, rith, krans, kring: âof Hinoke. Wrea(li(egt;, ridh, omkransen, bekransen, tot een krans maken, strengelen. Wreek, rek, subst. wrak, ondergang, vernietiging, overblijfsel, strandvonderij: Everything; went to â and ruin = alles ging te gronde; â verb, vernietigen, stranden, schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: The ship was âed off Kijkduin = strandde op de hoogte vanK.; The train was âed in the collision = de trein werd bij de botsing verbrijzeld; The rebels -ed the hakeiV shops = vernielden en plunderden; âcoinuiission = comité om de oorzaken van schipbreuken, enz. te onderzoeken; âTree = vrij van de verbeuring van gestrande goederen en schepen, zooals b.v. de Cinque Ports-, âmaster = , strandvonder; âage, rekidz, het schipbreuk lijden, schipbreuk, overblijfselen v. een wrak; âer = stranddief, iemand die de lading uit een gestrand schip haalt; âing car = spoorwagen met materialen om na een spoorwegongeluk den weg vrij te maken (Am.). Wren, ren, winterkoninkje: A â in the hand is better than a crane to be caught = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; âuilig = jacht op âs; de 2(je Dec. heet in 't Z. van Ierland âning-day, omdat oudtijds de âs op dien dag gevangen, en in triomf van huis tot huis gedragen werden om geld voor een pretje op te halen; de deelnemers aan de jacht heetten âboys. Wrench, renè, sul)st. verdraaiing, ruk, verstuiking, schroefsleutel: It was a shocking â to part with her = het was zeer hard van haar te scheiden; â verb, verdraaien, verstuiken, verwringen, afpersen, rukken of bijten (met zijdelingsche beweging): Students have a fancy lor âing off knockers = mogen graag kloppers (bellen) ,.moerenquot;. Wrest, rest, subst. verdraaiing, schroefsleutel; ; â verb, verdraaien, verwringen, afpersen, verkeerdelijk aanwenden, ontrukken; âer = wie verdraait, etc.; âIe, res7, subst. worsteling, worstelwedstrijd; â verb, worstelen, strijden; -Ier = worstelaar, kampvechter; âling = het worstelen of kampvechten. Wretch, reté, ellendeling, ongelukkige; âed, retèid, ellendig, ongelukkig, betreurenswaardig, verachtelijk, armzalig; âeduess. Wrexham, reks'm. Wriggle, rig'l, subst. wriemelende beweging, draaiing; â verb, wriemelen, zich kronkelend bewegen, draaien, op lage en draaierige wijze zijn doel bereiken; â r = draaier, knoeier, onoprecht mensch; Wriggling. Wright, rait, werkman, maker (bijna alléén i in samenstellingen, als Shipâ = scheepstimmerman). |
Wring, rir\, subst. wringing (als van smart); â verb, wringen, draaien, persen, trillen of schokken, kwellen, afpersen, uitknijpen, verdraaien: lie wrung the conression from ine = hij perste mij de bekentenis af; âbolt = bout v. scheepstimmerlieden om de planken voorloopig te bevestigen; âer = wie wringt, wringmachine = âing-machine; âiugs of conscience = gewetensangst; â ing-wet = zóó nat dat men het kan wringen. Wrinkle, riiik'l, subst. rimpel, plooi, vouw, bondige informatie, degelijke raad, wenk, idee; â verb, rimpelen, plooien, vouwen: He âd up his face, nose. Wriotesley, raiot*li. Wrist, rist, handgewricht; âdrop = het neerhangen der handen door eigen zwaarte; âband = boord van de (over)hemdsmouw, vaste manchet; âlet = handboei, armband. Writ, rit, het geschrevene, schriftel. opdracht, besluit, bevel: âs were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; lloly â = de H. Schrift; A â was served upon him = er werd hem eene acte beteekend. Write, rait, schrijven, beschrijven, opstellen, verklaren, inprenten, door teekenen te kennen geven: I have written him word = ik heb hem geschreven, schriftelijk kennis gegeven; Will you â this fair? = wilt ge dit in 't net schrijven; They wrote down what I dictated = zij schreven op wat ik dicteerde; She writes down too much in her books for children = zij schrijft al te kinderachtig in hare kinderwerkjes; The critic's objections were written down = de bezwaren van den recensent werden afdoende weerlegd; The debt was written off = de schuld werd doorgehaald; The ship was written offas wrecked = als vergaan van de lijst gevoerd; Will you â it out? = wilt ge het copieereb; He lias written himself out = hij heeft zijn schrijversvermogen uitgeput; The novel was written up (down) = deroman werd gunstig (ongunstig) gerecenseerd, in de hoogte gestoken (afgemaakt) door de kritiek; âr = schrijver, klerk: âr to the Signet = rechtsgeleerde (Schotland; ongeveer een Attorney in Engeland); ârship = schrijversambt;quot; Writing, subst. geschrift, opschrift, het schrijven: lie put it in writing = hij bracht het op schrift; adj. tot schrijven behoorend: Writing-book = schrijfboek; Writing-desk = schrijflessenaar, schrijfmap; Writing-master = schrijfmeester; Wrriting-paper = schrijfpapier; Writing-school = school om schrijven te leeren; Writing-table = schrijftafel; Written = geschreven: It is written = er staat geschreven (in de II. Schrift); W7ritten Law = geschreven wet = Statute Law (ter onderscheiding van Common Law = wet op de gewoonte of vroegere beslissiügen gebaseerd). Writhe, raid//, verwringen, verdraaien, verkeerdelijk toepassen: He âd his features as in pain = hij verwrong zijne gelaatstrekken als van smart. Wrong, ror],subst. onrecht, onrechtmatige daad. overtreding, beleediging, nadeel, misvatting: Private (public) â = onrecht een persoon (de maatschappij) aangedaan, inbreuk op de rechten van een persoon (v. de maatschappij); |
man; ask = Ask; farm = fiim; bwt = but; learn = l«n; line = lain; house = haus; net; care = kèa; fate = feit; tin: asleep = aslip: not: laa; = ló; lord = liid; bo// = b6i:
WRONG-DOER.
YACCA.
573
|
He has done â = hij heeft verkeerd gedaan, slecht gehandeld; He is â, is in the â = hij heeft ongelijk; He has had â = hij is verongelijkt, hem is onrecht aangedaan; adj. onrecht, kwaad, ongeschikt, verkeerd, mis, onrechtmatig: There is something â somewhere = er is ergens iets niet in den haak; He got up the â loot foremost = hij is met het verkeerde been uit het bed gestapt; I am on the â side of sixty = ik ben over de zestig; The â side uppermost (outward) = de verkeerde kant boven (buiten), ondersteboven (binnenstebuiten); That is deridediy lt;altogethergt; â = dat is bepaald (heelemaal) mis; â verb, verongelijken, onrecht aandoen, slecht behandelen: He never âed me â¬gt;f a penny = hij heeft mij nooit een cent te kort gedaan; âdoer = overtreder, onrechtvaardig of oneerlijk mensch: âdoing = onrecht, het kwaad of verkeerd doen: âer = verongel ijker; âful = onbillijk, benadeelend, verkeerd; â fulness: âheaded = met onjuiste begrippen, expresselijk verkeerd, eigenzinnig, dwaas; âheadediiess = verkeerdheid, koppigheid, weerspannigheid; âless = zonder onrecht; âIy = verkeerdelijk, onrechtmatig; âons = onwettig (Schotl.). Wrote, rout, imperf. van to write.. |
Wroth, róth, roth, verbitterd, toornig. Wrought, rut, gewrocht, bewerkt, gevormd, gesmeed, geslagen: He was â on by his relations = hij werd geïnfluenceerd (bewerkt) door zijne familie; â to great fury = tot groote woede gebracht; â iron = geslagen ijzer; Highâ expectations = hooggespannen verwachtingen. Wroxeter, roksitd. Wrung, run,, imp. en p.p. van to ivring. Wry, mi, scheef, verdraaid, verkeerd: âface â vertrokken gezicht; âneck = scheevenek (hals), draaihals (vogel); ânecked = met scheeven of verdraaiden nek, ziekte bij schapen: âness = scheefheid, verdraaidheid. Wycli, witë, zoutput; âhazel (Z. Witch); âhouse = zoutziederij. Wicherlev, witèali. Wyclifle,* iviklif: WycliHite, wiklifdit, volgeling van W. (1324â1384). Wye, war, een Y-vormige schraag. Wykehamist, wikomist, naam van de leerlingen van Winchester College. Wyndhiiin. tvind'm. Wyoming. waioumir\. Wyvern, Wivern, ivaiv'n, denkbeeldig dier (g'evleugelde draak met twee pooten en een slangestaart). |
x.
|
X, eks\ X. of Xt. = Christ; Xm., Xmas = Christmas; Xn. = Christian = Xtian.; Xnty. = Christianity; Xpher, Xr. = Christopher. Xantheiii, zanthi-in, gele, in water oplosbare kleurstof van bloemen; Xanthic, zant hik, geelachtig. Xanthippe, zdntipi. Xanthiis, zantlws. Xanthus: Xanthian. zan-thidn, van â; Xanthian-niarbles = marmeren beeldhouwwerken nabij â, in 1838 ontdekt (thans in het British Museum). Xanthin, zanlhin, gele, niet in water oplosbare kleurstof van bloemen. Xantho, zanthou, een genus v. krabben. Xantliocarpous, zanthokilpos % met gele vruchten. Xanthochroi, zanthdkrouai, blanken met geel of rood haar en blauwe oogen. Xantliospermous, znnthdspvmas, met geel zaad. Xebec, zibdk, kleine driemaster (Spanje). |
Xeniiim, zeniom. gastgeschenk. Xeiioplion, zendf'n. Xenodochy, zenoddki, gastvrijheid. Xeres, zer'iz, soort v. wijn (Sherry). Xeroderma, zlrodwna, droogheid v. huid. Xerophagy, zirofddzi, het vasten. Xerxes, zvksiz. Xiphias, zifids, genus zwaardvisch, zuidelijk sterrenbeeld, zwaardvormige komeet; Xiphoid, zifoid, zwaardvormig. Xylobalsamnm, zailoubalsotrim, balsemhout Xylograph, zaitegraf, houtgravure: âer,zai' logrdfd, houtgraveur; âic(al), zaildgrafik^l), behoorende tot de houtsnee(kunst) = ây, zailogrdfi. Xyloid, zailöid, houtachtig. Xylophagan, zailofeg'n, houtkever. Xyst(os), zist(os), lange overdekte portiek of open plein voorathletischespelen; Xystarch. zistdk, leider der athletische oefeningen. |
v.
|
Y, oeai; Y(ear). Y(ar)fl, y(ar)fls, Ye = The of Thee; Y(oung) Mien's) C(hristian) A(sso-ciation) = Christelijke Jongelingsvereeniging; Yr. = Year, Younger, Your; Ys. â Years, |
Yours; Y(oung) Women's) C(hri8tian) Association) = Christelijke Jonge-dochters-vereeniging. Yacca, jakd, kostbare houtsoort (VV. Indie). |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; long = loi^; ship = sip; occasion = okeiz'n; thin: thus = dhus; wine.
YACHT.
574
YIELD.
|
Yacht, jot, subst. jacht; â verb, in een jacht varen; âer = wie in een jacht vaart; âiiig = het varen met een jacht; âtmian = bezitter van een jacht; âsmaiisliip = de kunst een jacht te besturen. Yah, jd, interj. Och kom! Bah! Yahoo, jóhü, naam door Swift (in Gulliver's Travels) aan een halfwild ras gegeven; ruwe en lompe kerel, groen of sukkel (Amer.). Yak, jak, soort van os (Thibet). Yakslia, jdkëd, Hindoesche geest. l^ain, jam, broodwortel, broodplant. Yank, jar^k, subst. ruk, draai; â verb, rukken, draaien, knap werken (met on). Yaiik(ee), jai\k{i), subst. Amerikaan, glas whiskey met stroop (Amer.); adj, van een âee; âclock = koekoeksklok; âee-dooille = Amerikaansch volkslied; âeeliecl,.ya?^A:i/aid, als een âee; âeeism = idioom of gewoonte der âee». Yap, jap, subst. geblaf, gekef; â verb, keffen. Yard, jdd, subst. Eogelsche en Amer. lengtestandaard (3 feet of 86 inches = 91.44 c.M.), ra, plaats, erf: lie writeH by the â = is een veelschrijver; â verb, op hét erf plaatsen; âarm = halve ra, nok der ra; âarm and âarm = ra tegen ra; âmeasure, âstick, âwand = (Engelsche-) ellestok of ellemaat; -âtackle = ratakel. Yarn, jan, subst. garen, draad, matrozenver-haal, lang en ongeloofwaardig verhaal: Shall I spin you a â ? = zal ik jullie een verhaal opdisschen; â verb, een langdradig verhaal vertellen. Yarrow, jarou, duizendblad. Yataghan, jatdgamp;n, degenvormig zwaard. Yate, je it, N. Engelsche vorm van Cgt;atc. Yanp, jóp, subst. gegier, gegil; âverb, gillen. Yaw, jó, subst. tijdelijke afwijking vaneen schip; â verb, van den koers afwijken, in blaren opkomen. Yawl, jol, subst. jol of gedekte boot; â verb, janken, huilen. Yawn, jon, subst. het geeuwen, gaping; â verb, gapen, geeuwen, wijd openen; â ing, subst. het geeuwen, geeuw; adj. gapend, geeuwend, slaperig, suf. Ye, ji, gijlieden. Yea, ;ei, subst.bevestiging, vóórstemmer; adv. jazelfs, zeker, voorwaar. Yean, jin, lammeren werpen; âling, subst. lam; adj. jong, pas geworpen. Year, Æ Ca, jaar; â s = ouderdom, leeftijd; Solar, Tropical, Civil â = het burgerlijk jaar of het zonnejaar; The â ol' Grace = het jaar onzes Heeren = The â of our Lord; l\ew â's day = Nieuwjaarsdag; New â's Eve = Oudejaarsavond; Next â = aanstaande jaar; Last â = verleden jaar; One â with another = het eene jaar door het andere; - i*y â == jaar op jaar; It may be âs first befo're that happens = daar kunnen nog jaren over verloopen; You bear your â s well = gij houdt u goed voor uw leeftijd; âbook = jaarboek; âling, subst. dier van één jaar; adj. éénjarig; âly = jaarlijks(ch), een jaar durend. Y'earn, jvn, vurig verlangen, reikhalzen, diep bewogen of smartelijk geroerd zijn(bijbelsch); âing, subst. vurig verlangen, het smachten; |
adj. reikhalzend, smachtend, teeder, gevoelig. Yeast, jisf, gist; âbitten = tegistig(v.bier): ây = gistig, gistend, schuimend; â iness. Yefd, jeld, geene melk gevend (Schotl.). Yelk, jelk, dooier; Zie Yolk. Yell, jel, subst. gil; â verb, gillen, huilen; âing, subst. gegil; adj. gillend. Yellow, jefrne, subst. het geel; adj. geel (drukt jaloerschheid, nijd, droefgeestigheid, ouderdom of verval uit); â verb, geel maken of worden: â s = geelzucht; â bachelors buttons = dubbele ranonkel; He opened the â envelope het telegram; âammer, âhamuier = goudvink (ook Gold-hammer of âbunting genoemd); âbird = Amerikaansche goudvink; âblossomed = met gele bloesems; âboy = goudstuk; âearth = gele pijpaarde; âfever = gele koorts; âjack = gele koorts, vlag op hospitalen voor besmettelijke ziekten of op in quarantaine liggende schepen: âochre = gele oker; âsnake = boa of slang (Jamaica); âïmIi = geelachtig; âish-ness; âness = geelheid; ây = van gele kleur. Yelp, jelp, subst. gekef, geblaf; â verb, keilen, blaffen; âer; âing. Yeoman, jourrin, klein grondbezitter, heere-boer, dienaar van den baljuw, onderofficier op een schip (die voor de materialen van den kanonnier, den bootsman en den scheepstimmerman zorgt): â of the wine-cellar = keldermeester: YVomen of the guard = lijfwacht der E. koningen; âlike, âly = als een â, een â passende; âry = alle Yeomen (bereden landmilitie met eige'n paarden en uniformen, terwijl het gouvernement de wapens en de munitie verschaft); âservice = uitstekende dienst, krachtige steun: lie lias done his party âservice = hij heeft zijne partij voortreffelijke diensten bewezen. Yeovil, jouvil. Yerk, jvk, subst. plotselinge ruk of snelle beweging; â verb, rukken of snel bew egen, met de beide achterpooten schoppen. Yes, jes, ja. 1 est, jest, gist. Yester, jesta, gister of vorig (alléén nog in samenstellingen, als: âday; âeve, âeven, âevening; âmorn; ânight; ânoon; âweek; âyear): The day beforeâday = eergister; âii = van gisteren. Yet, jet, nog, bovendien, verder, thans, reeds, vooralsnog, nochtans, al, echter: I have not seen him as â = ik heb hem tot nu toe nog niet gezien; Shall 1 go now? Not â = nog niet; Do you know your lesson â ? = kent ge uwe les al. Yew, jü, subst. en adj. (van den) taxus; âtree; âen = van taxushout gemaakt. Yew, jü, komen (v. schuim op kokend zout). Yield, jild, subst. opbrengst, voortbrengend, voortbrenging; â verb, voortbrengen, opbrengen, afwerpen, geven, aanbieden, overgeven, toegeven, vergunnen, toestaan, zwichten, zich onderwerpen: Such days would â much pleasure = plachten veel genoegen te schenken; Let him â who fears to die = laat hij zich overgeven, die den dood vreest; He âed up the ghost, the breath of life = hij gaf den geest; I will not â to such sentimental reasonings = ik luister niet |
man; ask = Ask; farm = fam; but = bwt; learn = hgt;n; line = lain; hoilt;se = haus; net; care = kè^; fate = feit; tin; asleep = aslip; not; \aw = ló; lord = löd; hoy = bdi;
YIELDANCE.
ZIGZAG.
575
|
naar, doe niet op zulke sentimenteele redeneeringen; You must â to the limes = u in den tijd schikken; âance = toestemming, concessie; âer; â ing, subst. voortbrenging, voortbrengsel, toestemming; adj. tot toegeven geneigd, buigzaam, meegaande. Y level, ailev'l, instrument ter bepaling van hoogte en afstand. Y inudi. aimoth, gamma-uil. Yodel, Yodle, joiid'l, subst. gejodel; â verb, jodelen (zooals Tyrolers en Zwitsers) bij het zingen; âiwt = iemand die aldus zingt. Yoiek(8), jouik^s), subst. oude jachtkreet; â verb, aanzetten, o.ansporen. Yoke, jouk, subst. juk, jok, span, band, stuk lands dat twee ossen in een dag kunnen omploegen, spitsroeden (twee rechtopstaande speren met eene derde er bovenop, waaronder de overwonnenen moesten doorgaan), slavernij, onderwerping, deel (of juk) van het roer waaraan de stuurtouwen zitten: â verb, onder het juk brengen, het juk aandoen, vereenigeu, tot slavernij brengen: Tliese two are ill âcl together = passen niet bij elkaar; âline, ârope = stuurtouw. Yokel, joule11, boerenkinkel, pummel. Yolk, jouk, dooier, afscheiding der schapenhuid, waardoor de wol zacht blijft; âbag, âsack = dooiervlies. Y on (der), jondd, ginds(ch), ginder. Yore, jö, alléén in: In day» of â = in vroeger dagen, lang geleden. Yoric k, jorik. York, jö/c, (bij het cricket) spelen met eenâer Z. zet/; Zach(ary), Zach(ariah),Zeph(ania}i), Z{pological) G(ardens), Zoochem{istnj), Zoo-geoyiraphy), Zool(oyij). Zaehariah, za,kdrai9; Zaehary, zakdri. Zaim, zei-im, Turksch hoofd of aanvoerder; âet = district van een â. Zain, zein, geheel zwart of bruin piard. Zambo, zambou, kind van een mulat (of Indische en een neger. Ziimouse, Zdmüz, W. Afrikaansche os. Ziinonia, zdnounjd, komkommerachtige plant. Zany, zeini, grappenmaker, hansworst: âism. Zayat, zAjdt, openbare schuur of afdak in Burmah ten behoeve van reizigers. Zea, zio. maïs. Zeal, zil, vurige ijver, drijverij, geestdrift, vuur, gloed; âful = volijverig; â«»t, ze tot, ijveraar, drijver, dweper; âous, zelos, vurig, ijverig; âousness. Zealand, ziland. Zebee(k), zibek; Zie Xebee. Zebedee, zebddi, Zebedeus. Zebra, ztbrd, zebra, Kaapsche ezel; Zebrine, zibrain, tot de â behoorende; âwolf = buidelwolf. Zebu, zibjü, zeboe (Indische os of bison). Zedekiah. zeddkaid, Zedekia. |
= een soort van bal bij het cricket; âsliire, jökëd, graafschap York; âHliire^flngH = bouw- en plaveisteennen uit âsliire; âsliire-maii = iemand uit âsliire geboortig; âsliire-undding = soort van vleeschpudding. Yon, jic, gij, u, gijlieden, ulieden; âr, jndr uw(e); âr», jfoz, de of het uwe: â and âr» = gij en de uwen; This servant of âr» = van u; ârself, â rwelves = gijzelf, uzelf, gij-zelven, uzelven: Teil me ârwelf, \v liet lier that waw right = zeg mij zelf, of dat goed (behoorlijk) was. Yonng, jvi\, subst. jong (van een dier); adj. jong, jeugdig, krachtig, frisch'. Hink, groen, onervaren: â person = (jong) meisje; Your â hopeful = veelbelovend zoontje; âeyed = met frisch, jeugdig uitzicht; âer, jnngo^ jonger; âe«t, jongst; âish, ja)]ié, vrij jong, jeugdig; âling, subst. jong dier of persoon; adj. jong; âness = jonkheid, hetjongzijn; âster = jongeling, jongen, knaap; Younker, jv)\ka, jonge man, jongeling; Youth, jiUti, jeugd, jongeling, jonge man, de jongelui; Youthful = jeugdig: A youthful-looking girl = een jeugdig uitziend meisje; Youth-lulness. Yowl, Jaw/, subst. gehuil; â verb, huilen. Y'urca, jokd, jucca (Amer. plant). Yuck. jö/c, subst. jeuk; â verb, jeuken. Yui'ts, jofts, Russisch leder (van ossenhuid). Yule, jül, kersttijd; âblock, âlog = groot blok hout voor het kerstvuur; âtide = kersttijd. Zemindar, zemindü, Indisch ambtenaar met alle rechten van Britsche grondeigenaren; ây, zemindori, subst. gebied of landbezit van een â; adj. tot het gebied enz. van een â behoorende. Zenana, zdnünd, vrouwenverblijf (der aanzienlijken) in Indië. Zend, zend, oude taal v. Zoroaster; âa vesta = de heilige boeken aan Zoroaster toegeschreven. Zenith, zenith, zenith, toppunt: lie was in the â of his glory = hij had het toppunt van zijn roem bereikt. Zephaniah. zefsnaio, Zephanja. Zephyr, ze/igt;, ze/», zachte westenwind, zefier; âus, zefiras. de verpersoonlijkte w.wind. Zero, ztrou, hul, nulpunt (thermometer). Zest, zest, stuk sinaasappel- of citroenschil (of het sap dezer schillen) om geur aan dranken te geven, noteschil, lekkere smaak of geur, genot, welgevallen: kindness gives a â to iiitereourse = hartelijkheid is de ziel van den omgang. Zeteties, zititiks, de leer van het zoeken naar onbekende grootheden (algebra). Zeticula, zltikjuld, kleine salon. Zigzag, zigzag, subst. zigzag, alles wat korte draaien en scherpe hoeken heeft; adj. met |
bone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asj.eep en care); girl; j/ear = jia; lona = loi^; ship = sip: occasion = okeii'n; thin; thus â dhvs; wine.
ZYMOTIC.
ZINC.
576
|
scherpe hoeken en bochten; â verb, zigzagvor-mig maken, zigzagsgewijs vooruitkomen; âged, âgy = met scherpe hoeken en bochten. Zinc, zir{/c, subst. zink: Flowers of â = het witte zinkoxyde, dat opstijgt bij het smelten van zink in open vaten; â verb, met zink bedekken; âwhite = zinkwit (veel voor loodwit gebruikt); âworker = bewerker van â, zinkwerker; âie, zit\kik, â r(kgt;y = van zink, zinkachtig; âode, zfykoud, positieve pool eener galvanische batterij; âograpli, zirfidgraf, teekening op zink, zinkgravure; âographer, ziiikogrofj, zinkgraveur; âo-graphy, zinjcógrafi, het graveeren op zink, het drukken van zinken platen; âoid = zinkachtig, als zink: -ons = van zink. Zingari. zingdri, Zigeuner. Zion, zaian, Sion, afgescheiden kerk, kerk Gods. Zitlier(iigt;, tfdtd(n\ cither. Zodiac, ?oudid/r, Dierenriem; âal, zoudaidk''l, van den Dierenriem of ei toe behoorende: âHl-foii8(ella(ioii» = de twaalf teekenen of sterrenbeelden van den â. Zofra, zoufrd, Moorsch tapijt. Zoilns, zou-ilds, de naam v. een bitier Grieksch criticus; Zoilean, zomltoti^ van Zoilus, boosaardig, scherp, vinnig; ZoiliHin, zouilizm, boosaardige en onbillijke kritiek. Zola, zould, hedendaagsch Fransch romanschrijver; âism = naturalisme; âistic. Zone, zonn, subst. gordel, omtrek, luchtstreek: Torrid, Temperate, Frigid â = heete, gematigde, koude luchtstreek; â verb.als met een gordel omgeven; Zonal, zouril, als eene â; Zonar, zouna, gordel door Oostersche Christenen en Joden gedragen ter onderscheiding van de Mohammedanen; Zoned = met een gordel, gestreept; Zonule, zourtjül, kleine gordel; Zonulet, zounjulet, gordeltje. |
Zoo, zü, verk. van Zoological Garden(s). Zoochemistry, zoudkemistri, dierscheikunde. Zoographer, zouogrofd, dierenbeschrijver; Zoography = dierenbeschrijving. Zoolalt;ry, zouoldtri, dieraanbidding. Zoology, zouotedzi, dierkunde; Zoological, zoudlodzik'l) dierkundig; Zoological Gar-den(H) = dierentuin; Zoologist, zouolddzist, dierkundige. Zoomorpliic, zoudmöfik, met of in dierenvorm. Zoophilist, zouofilist, dierenliefhebber. Zoophyte, zotiafait, plantdier; Zoophytology. zouDfaitolddzi, natuurl. geschiedenis der â Zootoniy,zoMofóm2,dierontleding;Zootomisf = ontleder v. dieren; Zootomical, zoudtomik'l, tot â behoorende. Zoroaster, zoronasta, de naam van een godsdiensthervormer; Zoroastrian, zoroiiastridn, tot â behoorende, volgeling van â. Zouave, zwdv, ztidv, zouaaf. Zounds, zaiindz, interj. donders, duivels! Zulu, züliï. Zoeloe. Znmic, ziümik, door gisting voortgebracht. Zurich, ziürik. Zuyder Zee, zaiddzi. Zygodactyle, zaujddaktail, Zygodactylous, zix\g9daktilds,Zty%odnciy\ie,za.]gddaklil'ik,met twee teenen voor- en twee teenen achterwaarts aan de pooten (zooals de papegaaien). Zymology, zaimoladzi, leer der gisting; Zymometer, zaimomdtd, Zymosymeter, raima-simdtd, gistingmeter; Zymo'tic, zaimotik, gisting voortbrengend: Zimotic diseases = besmettelijke (epidemische) ziekten. |
man; ask = Ask; farm = fiim; but = but; learn = Iwn; line = lain; bowse = haus; net; care = k^a: fate = feit; tin; asleep = aslip; not; law = 16; lord = l«id; hoy = bfti; toone = boun; full; fool = ful; a = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year = jia; Con# = loi^; s/iip = sip; occasion = okeii'n; thin; f/ms = dhus; wine.
:
- B WÃÃsmBSm lt;gt;. it. -f .'quot;.i
H
iffiS :â¢
wiéif9SÃ^sSüÃïsÃta