ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

-. ■ ------- ^—■■■ . - —'——--mm 1

/'' A ;gt;; :of.ia«S % ?; •:: • •, :'p ywK, |! ,' ' * ï .civ ^ ■'/

ocr page 5

DA COSTA'S

KOMPLEETE DICHTWERKEN.

^ 8IBLI0T-CA i CONV. WIJCHENS |

vORD. FR . Ml N X

ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8
ocr page 9

DA COSTA'S 3

KOMPLEETE DICHTWERKEN

UITGEGEVEN

DOOK

J. P. HASE BROEK.

Achtste Druk.

*

LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF.

ocr page 10
ocr page 11

VOORREDE BIJ DEN EERSTEN DRUK DER KOMPLEETE DICHTWERKEN.

Met een gevoel van innigen weemoed bied ik aan de vereerders van Da Costa — neen, van echte, schoone en verhevene Poezy, wier geest in hem boven velen leefde en aan zoovele zijner dichterlijke scheppingen een onsterfelijk leven gaf, — hun bied ik hierbij het Eerste Deel van des ontslapenen Zangers Kompleete Dichtwerken aan. — Men zal daarin zijn gedichten zooveel mogelijk naar tijdsorde geregeld vinden. Wat tot opheldering van den inhoud scheen te kunnen bijdragen, is door mij in de Toelichtingen medegedeeld, waarin tevens des Dichters eigen Voorredenen en Aanteekeningen, bij zijne verschillende werken gevoegd, zijn opgenomen; en wel zóó, dat het niet moeilijk zijn zal, het eigen werk des Dichters van mijn bijwerk (welk laatste tusschen [ J is geplaatst) te onderscheiden. Dat ook in de wijze van uitvoering alle zorg is besteed om deze uitgave den grooten Zanger waardig en aldus als een letterkundig gedenk- en eereteeken op zijn pas gesloten graf te doen zijn, — ik vertrouw dat een enkele oogopslag op dezen Bundel genoegzaam zal wezen om den Lezer daarvan te overtuigen.

En zoo ga dan nu deze nieuwe Uitgave, die de gansche dichterlijke Nalatenschap van Da Costa, beide in zijne uitgegevene en nog onuitgegevene Gedichten, kompleet bevatten 7,al, haren weg! Zfl verrijke de Boekverzameling van allen, die het wèl meenen met de Vaderlandsche Letteren en Schoone Kunst! Maar zij vinde niet daar alleen hare plaats: zij worde opgenomen in de hoofden en harten van alle kinderen on zes Volks, die vatbaar zijn om door den klank der dichterlijke luit niet alleen bekoord, gestreeld en geboeid, maar ook bezield, veredeld, geheiligd te worden. Zoo blijve

ocr page 12

II

Da Costa voor ons volk niet alleen een Zanger bij uitnemendheid, maar losse de bewondering en waardering van de eenige gave, hem geschonken, zich op — ik gebruik voor dien wensch hem betreffende, en in zijnen geest geuit, zijne eigene woorden — „in de kennis en aanbidding van Hem, die gekend en geëerd wil worden in Zijne werken ön in de werken van Zijne werken!quot; 30 Juni 1861.

VOORREDE BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

De goede verwachting, waarmede ik, nu negen jaren geleden de eerste uitgave van Da Costa's Kompleete Dichtwerken aan het Nederlandsche volk aanbood, is tot mijne vreugde niet teleurgesteld. Niet alleen is de eerste druk geheel uitverkocht, maar het verlangen naar het bezit van de dichterlijke nalatenschap des on-sterfelijken zangers blijft voortduren. Zoo is het noodig geworden eene tweede uitgave ter perse te leggen, waarvan het Eerste Deel hierbij in 't licht verschijnt.

In dien herdruk zal men alles kunnen terugvinden, wat in de eerste uitgave gegeven werd. Maar daaraan zal bovendien nog het een en ander worden toegevoegd. Behalve eenige noodig geworden aanvullingen en wijzigingen in de Aanteekeningen, zullen nog enkele onuitgegeven gedichten de vroegere verzameling vermeerderen en verrijken. En om aan dit Dichtwerk, nog meer dan voorheen, het karakter van een schriftelijke Gedenkzuil op het graf des Onvergetelijken te geven, zullen, na de verkregene toestemming der Auteurs, onderscheidene liederen van bekende Vader-landsche zangers, Da Costa bij zijn leven of na zijn dood toegezongen, in de Aanteekeningen ter geschikter plaatse worden opgenomen.

Als een borstbeeld des vereeuwigden aan de voorzijde van dit gedenkteeken zal eene kopij van de sprekend gelijkende beeldtenis

ocr page 13

ill

van Da Costa naar de schilderij van J. G. Schwarlze, aan het hoofd der nieuwe uitgave worden geplaatst. De vergunning daartoe is men verschuldigd aan den eenigen zoon des Dichters, Mr. A. Da Costa, die tevens, even als vroeger, mij zyne zeer gewaardeerde medewerking bij de bezorging der nieuwe uitgave welwillend heeft toegezegd, waarvoor ik hem hierbij openlijk mijnen dank betuig.

In de typografische uitvoering is ten deele, ook op raad van mijn' hooggeschatten vriend, Dr. Nikolaas Beets, die mede onder de vrienden van Da Costa steeds eene voorname plaats innam, en, door dit gevoel gedrongen, ook deze nieuwe uitgave met zulk een warm blijk van deelneming in 't openbaar heeft begroet en verwelkomd(1); vooral op zijnen raad dan, is in den uiterlijken vorm der uitvoering van dit dichtwerk eene nog al belangrijke wijziging aangebracht. Zij zal den lezer bij de eerste inzage van zelf in 't oog vallen. Men hoopt dat daardoor mede iets zal worden toegebracht, om de poëzy des grooten Meesterzangers — die soms meer rijk en kernachtig van inhoud en zin, dan glad en effen van vorm, en daardoor niet voor ieder lezer bij de eerste inzage altijd even licht te verstaan is, — te beter te doen vatten en genieten. Het is eene eerste proefneming ten onzent, die wellicht later ook elders navolging vinden zal.

En zoo geve ik dan hiermede deze tweede vermeerderde en verbeterde uitgave van Da Costa's kompleete dichtwerken aan het Nederlandsche volk over. Aan het volk, zegge ik met nadruk: want deze uitgave is vooral bestemd voor dat deel der natie, dat wegens de kostelijkheid en kostbaarheid der eerste uitgave, zich haar niet aanschaffen kon. Dit mocht zoo niet blijven: Da Costa is altijd een man des volks geweest; zoo mocht ook zijn dichterlijke nalatenschap in de hand des volks op den duur niet worden gemist. Er is geen twijfel aan, of aan die bedoeling van de nieuwe uitgave zal in hare ontvangst door de natie recht worden gedaan. En dat te meer, daar de ervaring heeft geleerd, dat, terwijl de lauwer

1

Zie de Aanteekeningen.

ocr page 14

IV

op het graf van vele andere Dichters na eenige jaren al spoedig min of meer verwelkt, de krans, die op Da Costa's eerzuil werd nedergelegd, steeds even groen blijft, ja, zoo mogelijk, nog rijker en voller en frisscher wordt van jaar tot jaar. Moge ook de goede opneming van deze volks-uitgave op die ervaring de kroon drukken, en het alzoo blijken, dat Nederland niet onwaardig was eenen Da Costa te bezitten, in wiens blijvende vereering het zich zelve een eerzuil sticht!

J. P. Hasebroek.

14 April 1870.

Deze nieuwe volksuitgave van Da Costa's kompleete Dichtwerken verschilt in zooverre van de vorige uitgaven, dat zij in drie deelen verschijnt. Tevens zijn hier en daar eenige in de vorige drukken voorkomende misstellingen verbeterd.

ocr page 15

OVERZICHT

VAN

HET LEVEN EN DE WEKKEN DES DICHTERS.

Toen Da Costa het werk, dat zijn jongste dagen grootelijks innam en vervulde, de uitgave der kompleete dichtwerken van zijnen on-vergetelijken Meester, had voltooid, bekroonde hij dien arbeid dcor een standbeeld te plaatsen, dat den Dichter zeiven levensgroot en naar het leven voorstelde; hij schreef de levensschets des Zangers met het opschrift; De Mensch en de DichterBilderdijk. Wie met den mensch Bilderdijk onbekend bleef, kent den dichter van den Ondergang der eerste Wareld maar tenhalve.

Geldt dit nu van Bilderdijk, don meester, het is vooral niet minder van toepassing op Da Costa, den leerling, bij wien, niet minder dan bij zijnen voorganger, de innigste harmonie tusschen den kunstenaar en zijne kunstgewrochten bestaat. Vandaar dat het, ter waardeering van zijne poëzy, volstrekt noodig is, hooger op te klimmpn. Even als men, om de bron van een helderen stroom te vinden, naar de hoogten der bergen moet opstijgen, moet men, om tot den oorsprong van den blinkenden stroom der Da Costiaansche poêzy op te klimmen, zich naar de hoogten begeven, waar het leven van den mensch uit de diepe aderen opwelt. Wat was Da Costa als Dichter? Gij weet het, als gij weet, wie hij als mensch is geweest.

Ik wensch dan eene proeve te nemen, of ik eene bijdrage tot beter verstand van den inhoud, geest en toon zijner poëzy leveren kan. Het is waar, dit is ook door anderen, en soms met gelukkigen uitslag beproefd: in zeker opzicht zou dus mijne Proeve overbodig kunnen schijnen. Maar men vergunne mij eene bescheidene opmerking. De verschillende brochures, over Da Costa in den jongsteti

ocr page 16

OVEKZICHT VAN HET LEVEN

tijd uitgegeven, hebben meer den vorm van vlugschriften, daarentegen zal de tegenwoordige uitgave der kompleete dichtwerken van Da Costa langer blijven bestaan, en nog bij een tal van volgende geslachten in waarde gehouden. Is dit waar, dan schijnt juist voor degenen, die na ons zijn zullen en met ons Da Costa als dichter zullen bewonderen en liefhebben, een eenvoudig overzicht van zijn leven, door een tijdgenoot en vriend, niet gansch overtollig te zijn. En het is op dien grond dat ik met eenige vrijmoedigheid mij tot die zaak zette. Waar echter het werk, aldus door mij aanvaard, als vanzelf eenigszins moeilijker en teederder wordt dan een kort woord voor deze uitgave zou geweest zijn, moge de wensch naar een zachtmoedig oordeel niet te vergeefs zijn!

Eer ik echter verder ga, wensch ik het verband aan te wijzen, dat ik tusschen den mensch en den dichter Da Costa meen te zien, en zal het wel naauwelijks noodig zijn mij te vrijwaren van de verdenking, alsof ik het genie des dichters als een natuurlijk en noodzakelijk produkt van zijne uitwendige levensomstandigheden zou willen beschouwd hebben. De gave, het oorspronkelijk, scheppend vernuft, is het eigendom van den mensch zeiven, hem door zijnen Maker geschonken; dat verklaart alleen de hooge plaats, die de bezitter van zulk eene Godsgave onder de menschen beslaat. De dichter wordt geboren en niet gemaakt. — Maar tevens worde de invloed erkend, dien het leven des menschen op de ontwikkeling der natuurgave van het genie bezit. Den weg der ervaringen bij deu dichter na te gaan, is dus te gelijk zijne poëzy te verklaren.

Wie Da Costa noemt, noemt den naam van een dichter bij uitnemendheid, van een eenig dichter. Het is waar. Da Costa zelf heeft tegen die benaming geprotesteerd. „Ik heb,quot; zegt hij, „voor die vermetele uitdrukking: eenig, waar het bloote stervelingen geldt, geen hart.quot; Verre is het dan ook van mij, het woord eenig op Da Costa te willen toepassen. Maar men kan daaraan de beteekenis hechten, dat hij, dien men met dien naam versiert, iets gansch oorspronkelijks heeft, hetwelk men bij geen ander in 't geheel, of zoo rijk en krachtig wedervindt. En in dien zin meen ik dat de benaming van eenig aan Da Costa niet kan worden betwist; in dien zin geloof ik dat de dichter {1) van hem terecht gezegd heeft:

1

Potgieter.

ocr page 17

EN DE WERKEN DBS DICHTERS.

Geen gave of zs is Godes, en eenio blijkt de uwe.

Er is in Da Costa een nagalm van de poëzy van het heilige Oosten, dien men misschien bij geen anderen ongewijden zanger in die mate vindt. Men heeft hem meermalen een profetenzoon genoemd, en waarlijk! die naam is niet kwalijk gekozen: En toch is hiermede de hem kenmerkende eigenaardigheid van Da Costa nog niet gansch en al uitgesproken. Immers, hij, de Hebreeuwsohe profetenzoon, was niet dit alleen, hij was ook Westerling, zoowel in stemming als vorming: de Grieksche Muze had voor hem niet te vergeefs gezongen: de Germaansche geest bleef den genaturaliseerden Nederlander niet vreemd; al die invloeden, deden zich beurtelings, sterker of zwakker, maar altijd in eenige mate bij hem zien en gelden. Om dus het gelijkend beeld van zijne poëzy voor onze oogen te stellen, moeten wij den blik niet alleen hooger opheffen, maar ook wijder in 't ronde slaan. Op de vrage: van waar het zeldzaam en eenig verschijnsel, moeten wij ons zeiven het antwoord geven: „Vraag het den mensch!quot;

Vraag het den mensch! Gedenk allereerst aan zijne afkomst. Van waar is hij? Hij is een zoon van het Oosten. Ieder beminnaar der Da Costiaansche poëzy kent de merkwaardige regelen van buiten, waarin hij zich daarop ter kenschetsing van zijn dichtgenie beroept:

Ik ben geen zoon der laauwe Westerstrarden.

Mijn vaderland is daar de Zon ontwaakt!

En als de gloed der Libyaansche zanden,

zoo is de dorst naar Dichtkunst, die my blaakt!

Er is in hem een vuur, dat als aan de zon van het Morgenland ontstoken, door zoovele honderden van winters, door zijne Vaderen in het koude Noorden doorgebracht, niet is uitgedoofd, wat zeg ik, in volle kracht en gloed ook nog tusschen de sneeuw onzer koudere luchtstreken blaakt.

Dit geeft aan zijne gedichten iets oorspronkelijks, iets eigenaardigs, dat hem karakteriseert. Men leze zijn Hagar: is het niet als of de gloed der woestijn, waarin „de moeder Ismaelsquot; bij haren van dorst verterenden zoon néder zit, u tegenwaait, als gij dit dóór en dóór Oostersch gedicht doorleest?

En niet alleen was Da Costa oorspronkelijk uit het Oosten herkomstig, hij was tevens een zoon van Israel. Zijn speeltuig is de harp van eenen zanger des heiligen Volks, van eenen stamgenoot des mans, die „liefelijk was in de psalmen Israels.quot; Gelijk Da Costa.

XI

ocr page 18

XII OVERZICHT VAN HET LEVEN

als mensch, boven alles Israeliet was, en zich als zoodanig gaarne liet gelden, spreekt dit Israëlitisch karakter ook sterk in zijne poëzy.

Dit Oostersch-Tsraelitisch karakter vertoont zich niet alleen in den gloed zijner poëzy, maar ook in haren inhoud en vorm, die soms al zeer verre afwijkt van hetgeen de Westersche smaak liefheeft en eischt. Of wat dunkt u, om één voorbeeld te noemen, van eene voorstelling waarbij de dichter, na zich zeiven met een paard vergeleken te hebben, dat zijnen berijder gehoorzaamt, aldus eindigt:

Mijn God! mijn ziel verlangt voor U ten krijg te spoeden!

Maar gaat die zucht te ver, o! tem mijn ongeduld!

Het klemmen van Uw toom zal my de hoop doen voeden, dat Ge in den dag des strijds mijn Ruiter wezen zult!

Toen Israel het heilige land verlaten moest, weken niet weinige van zijne zonen naar Spanje en Portugal Daar herleefde weder eenigzins de uitgedorde stam; daar werden zij niet alleen als ballingen gastvrij onthaald, zij verkregen er rechten en waardigheden, anders voor ingeboienen en burgers bewaard; ja, sommigen van hen werden in den ridderstand opgenomen en verwierven zich een adelijk wapenschild. Bekend is het hoe hoog Da Costa er zich op verhief, niet alleen Israelitisch-koninklijk, maar ook Spaansch-rid-derlijk bloed in zijne aderen te dragen: er is dan ook in Da Costa iets ridderlijks, iets krijgshaftigs, iets fiers en hooghartigs, dat aan den Spaanschen hidalgo doet denken. Hij heeft den strijd lief, meer misschien dan voor zijn geluk, en zeker voor zijne rust te wen-schen was. Dit ridderlijk militair karakter, het vertoont zich niet alleen in eenen heldenzang, gelijk de Slag van Nieuwpoort, maar het openbaart zich ook, wat men minder verwacht zou hebben, in zijne geestelijke liederen uit de eerste periode van zijn christelijk leven.

De storm der vervolging dreef de ballingen van Israel in het Zuiden, straks weder van daar, meer en meer noordwaarts, en zou kwamen zij eindelijk ook in het gastvrije Nederland. Daar, zoo ergens, vonden zij een tweede vaderland. Maar wederkeerig vergolden zij de hun verleende herbergzaamheid door hunne gehechtheid aan het land en volk, dat hun herberg schonk. Ook dit gevoel leefde krachtig in onzen Da Costa. Naauwelijks kan een inboorling, „wien Neêr-landsch bloed in de aders vloeit,quot; Nederland meer liefhebben dan

ocr page 19

EN DE WERKEN DES DICHTERS.

Da Coata, de vreemdeling en gast uit het Oosten. Hoe vele afzonderlijke gedichten van vaderlandschen inhoud en toon zijn daar om dit te staven, van het lied af: Herdenking van Waterloo getiteld, tot op den zang, waarin hij de komst van den derden Willem op zijnen troon vierde. Maar vooral blijkt die echt-vaderlandsche stemming m het geheel zijner poëzy, waarin op menigte van bladzijden liefde voor de glorie onzes lands als een bezielende adem leefde en ruisehte.

Nederland te noemen en van Oranje te zwijgen — hoe zou het mogelijk zijn? Maar voor wien ooit, voor Da Costa zou het ten eenenmaal onmogelijk zijn geweest. Indien hij Nederland als een tweede vaderland liefhad, die liefde concentreerde zich als het ware in zijne ingenomenheid met het edel geslacht der Vorsten, door wie het üode behaagde Nederland te maken tot hetgeen het geworden is. Hij was ook in dit opzicht geheel de leerling, die dichterlijke zoon vagt;n Bilderdijk, den Dichter der V aderlandsche Oranje-zucht. Die Oranje-zucht bezielde ook Da Costa; zij gaf hem menig gedicht in de pen Zij gaf geboorte aan die dichterlijke medaillons, waarin hij, in den vorm van bijschriften, onderscheidene beeldtenissen der Oranjevorsten met de keurigheid eens miniatuurschilders maalde. Zij deed hem in den Slag van Nieuwpoort in den grooter en grootscher stijl eens historieschilders, met niet minder geestdrift de heldenfeiten van Maurits afmalen, dan waarmede een Vondel de groote daden van Frederik Hendrik ten paneele bracht.

Waar nu Da Costa in Nederland het levenslicht aanschouwd had, werd dit land zijner geboorte als van zelf tevens de plek zijner opvoeding en vorming als kind en knaap en jongeling, niet alleen in den moederlijken schoot des huisgezins, maar ook binnen de wanden van school en hoogeschool. Opmerkelijk was de geestdrift, waarmede hij zich op de studie der oude Letteren wierp. Men zou anders naauwelijks in den jongeling

met Oostersch dichtervuur in de aren,

XIII

zulk een liefde voor de dichtvoortbrengselen der klassieke school hebben verwacht. Da Costa aarzelde niet, met het oog op den vorst der Grieksche dichters. Homerus, uit te spreken:

ook gy voldoet den eisch mijns boezems niet!

ocr page 20

OVERZICHT VAN HET LEVEN

En toch, die Homerus, hoezeer was bij desniettemin van jongs af het voorwerp van de bewondering en hulde, die de Oostersche profetenzoon hem steeds toedroeg en toebracht! Ja, die liefde was niet alleen eene liefde der jeugd, zij bleef hem tot het einde zijns levens bij. En niet alleen Homerus was hem dierbaar. Nog sterker misschien voelde hij zich tot Eschylus aangetrokken, tot Eachylua, den Griekschen Oosterling (als ik hem zoo noemen mag), die van alle dichters der klassieke wereld wellicht het meest tot de zangen van het gewijde Oosten nadert. Vandaar dat de jongeling aan Eschylus eene liefde en eenen arbeid wijdde, door geen ander dichter van Hellas of Latium gedeeld. Da Costa vertolkte van hem twee geheele treurspelen, de Perzen en de Prometheus, en nog een fragment uit de Zeven tegen Thebe. En dat hij ook deze eerste liefde tot zijn einde toe getrouw bleef — hoe duidelijk bleek dit niet in de Proeve van Overwerking van den aanvang van de Perzen, waardoor hij nog in 1853 het werk zijner jeugd zocht te verbeteren.

En die liefde voor de klassieke Letteren, zij nam niet weinig toe toen hij den echt-klassieken en smaakvollen David Jacob van Lennep tot leermeester verkreeg. Wat hij aan dezen hoogvereerden onderwijzer, zoowel voor zijne kennis van de Grieksche Oudheid, als inzonderheid ook voor zijn beter en dieper inzicht in de geschiedenis der volken, en allereerst zijns eigenen volks, verschuldigd was, — dit heeft bij met de hem eigene geestdrift der dankbaarheid meermalen uitgesproken en als uitgeroepen.

Dat ook in deze genegenheid des jeugdigen mans de tijd geene verandering of vermindering bracht, maar ook daarop het Semper idem, de leuze van zgnen meester, door hem werd toegepast, ■— wie Da Costa zag en hoorde, had telkens gelegenheid het op te merken. In het openbaar bleek daarvan, onder meer, bij den vijftigjarigen jubel des hoogleeraars, waaraan Da Costa mede deel nam, en waaibij hij hem een lied toezong, waarin de schoonheid van den dichterlijken vorm met de teederheid der daarin uitgedrukte gevoelens en den heiligen gloed der daarin uitgestorte bede om den voorrang streed. De geheele man teekent zich zeiven in dit opzicht als hij aan het hoofd van de levensschets van Bilderdijk met zooveel vurigen hartstocht aan den éénen kant als (ter eerbiediging van de grenzen tusachen hetgeen den mensch al of niet toekomt) met verstandige terughouding aan de andere zijde schreef; Indien ik u vergete.—

XIV

ocr page 21

EN DE WEBKEN DES DICHTEES.

Indien ik u vergete — — Inderdaad, die geknotte uitroep, hij schildert op welsprekende wijze de onuitsprekelijke innigheid des gevoels, waarmede Da Costa aan Bilderdijk vorbonden was, aan hem, van wien het in de Feestrede heet: „De groote man, my een onvergetelijk weldoener, o laat mij liever zeggen in liefde en kweeking een vader.quot; — Op de treffendste en aanschouwelijkste wijze heeft Da Costa een- en andermaal den aanvang der vriendschapsbetrekking tusschen den beroemden dichter en den tot nu toe ganschelijk onbekenden jongeling geschetst. Hoe weinig doorzag Bilderdijk, dat hij in dien jongeling een jonger, en welk een jonger! ja, in sommige opzichten een mededinger voor zich zag! — Da Costa, die vroeger uitsluitend de Latijnsche poëzy beoefende, had ook beproefd de hand aan de Nederlandsche luit te slaan. Een vrucht van die proefneming werd Bilderdijk ouder de oogen gebracht. Hij vond reden den jeugdigen zanger aan te moedigen, en gaf hem dit in persoon te kennen — en ziedaar den eersten draad van dat snoer der liefde, dat later beide meester en leerling zoo onverbrekelijk verbinden zou. Da Costa volgde hem waar heen hij ging: hij bleef niet alleen zijn discipel, hij werd zijn aanhanger, zijn medestander, zijn medestrijder, zijn heraut. Da Costa's dichtgenie, welks vonken reeds vroeger zoo hel gloorden, door Bilderdijks aanblazing tot een hoogopstijgenden gloed geworden, openbaarde zich welhaast naar buiten in al zijne schittering en kracht. Laat in deze voortbrengselen des discipels de invloed des meesters zich niet miskennen, toch was Da Costa en steeds verre van af, een navolger van Bilderdijk te zijn: zijne oorspronkelijkheid was te krachtig, om zich niet zelfs tegenover de met liefde erkende meerderheid zijns meesters te blijven handhaven.

En wèl ons, dat het zoo was. Wat zou een afdruksel van Bilderdijk, een nagalm der Bilderdijksche poëzy, hoe treffelijk en voortreffelijk anders, onzer letterkunde hebben gebaat? Neen, gelukkig voor de vaderlandsche kunst was Da Costa gansch iets anders en meer dan dit. Hij was ook in de dagen waarin hij zich overigens het naauwst aan Bilderdijk aansloot, een zelfstandig dichter.

Verre echter van daar, dat dit verschil de beide dichters zou gescheiden hebben, het verbond hen te naauwer aan elkaar. De bard, die er juichte, dat de poëzy van hem en zijne gade Alceas donder samensmolt met de Eeoolsche snaar, verheugde er zich in, dat zijn stiller luitmuzijk nu en dan door den hoogzwevenden galm eener Oostersche tempelharp aan zijne zijde werd afgewisseld of

XV

ocr page 22

OVERZICHT VAN HET LEVEN

begeleid. Aan Bilderdijk wijdde Da Costa de zangen zijner jeugd: hem verheerlijkte hij in de liederen van zijnen mannelijken ouderdom en afgaanden leeftijd: aan hem wijdde hij nog met veege hand den jongsten arbeid zijner pen. Onuitputtelijk was hij in de lofverheffing van dezen zijnen groeten voorganger en vriend. Toen menigeen zich afvroeg van waar Da Costa, na al het over hem gezegde en geschrevene, op het jubelfeest van zijn verjaardag de stof zijner gedachtenisrede vinden zou, verraste hij zijn gehoor met eene lofrede, zoo versch, zoo frisch, zoo nieuw, zoo rijk en overvloeiende, alsof het zyn eerste woord over Bilderdijk ware geweest! Welk een rijkdom van genialiteit!....

Maar niet alleen aan Bilderdijk gevoelde Da Costa zich door banden van liefde en vriendschap verknocht; buiten dezen bezat hij ook nog onderscheidene andere vrienden, die van jongs af hem dierbaar waren. De voornaamste waren zij, die hij in den kring van Bilderdijk en aan zijn huis leerde kennen. Ik behoef hier alleen de namen van Capadose, van de beide Hogendorpen, Dirk en Willem, van Groen van Prinsterer te noemen. Aan sommigen van hen bracht Da Costa, even als aan Bilderdijk, in zijne sohoone poëzy openlijk eere en hulde toe. Zoo onder anderen aan Capadose, wien hij het lied toezong, beginnende:

Noch voor u, noch voor my is deze aarde gemaakt,

noch de droom van haar laffe vermaken!

eene uitboezeming, die de verhevenste gevoelens, welke ooit het hart van een vriend deden kloppen, wedergeeft in eene taal, die met de stoutste lyrische vlucht opvaart en in de hoogte blijft zweven.

Zoo evenzeer aan Willem De Clercq, in het gedicht hem toegewijd, dat in gelijken toon aanvangt en voortgaat:

Weggesleept door hooger kracht,

doen wy onze snaren galmen,

niet om glorie, niet om macht.

niet om aardsche wierookwalmen! enz.

En voorzeker — Da Costa mocht aldus zijne vrienden en zijne vriendschap bezingen: ook hier waren zang en zanger één. Bij was de teederste der vrienden. Hij bezat eene elasticiteit van hart, waardoor zijn boezem zich als verwijdde en uitzette om zijnen vriend en al wat zijns vriends was daarin op te nemen: deelnemender, gevoeliger, sympathetischer hart dan het zijne beeft nooit in eens men-schen borst geklopt. Wel verried hij in zijnen omgang met hen de i natuurlijke prikkelbaarheid van zijn gestel; wel maakte de fijnge-

XVI

ocr page 23

EN DE WERKEN DES DICHTERS. XVII

voeligheid, die hem in zijne liefde tot anderen kenschetste, zich van de andere zijde meermalen kenbaar in den eisch, dien hij aan anderer liefde deed, zoowel als in het smartgevoel, dat bij wezenlijke of vermeende tekortkoming zijn hart vervulde; maar nooit deed zulk een tijdelijk verschil van meening en inzicht, hoe krachtig ook uitgedrukt, te kort aan de warmte en innigheid, waarmede bij aan zijne vrienden gehecht bleef. Wanneer en waar bleek dit onweder-sprekelijker dan bij zijn graf? Hoe vele en velerlei stemmen, die zich daar lieten hooren! Zij waren slechts de sprekende uitdrukking van het teeder gevoel, dat hij aan zoo vele en velerlei harten had weten in te boezemen.

Maar wat is de gloed der teederste vriendschap bij het allesover-winnend vuur eener ware, trouwe, heilige liefde tusschen man en vrouw'? Ook zulk eene liefde mocht Da Costa bij gelukkige ervaring leeren kennen en smaken. Hanna Belmonte luidt de naam der dochter uit Israël, die den dichterlijken jongeling voor het eerst, en voor het laatst, en vooi altijd, mocht boeien. De eohtvereeniging, daaruit ontstaan, werd voor Da Costa de bron van een volkomen huwelijksgeluk, dat gedurende bijna veertig jaren ongestoord mocht voortduren. Wij zijn aan haar menig schoon lied verschuldigd. Geen erotisch minnelied in Griekschen trant-• maar ook geen huiselijken echtzang in den goeden, ouden Hollandschen toon: neen, maar eer een Bijbelsch gekleurden huwelijkspsalm, waarin door den gloed der aardsche genegenheid het vuur van een hooger en heiliger hartstocht speelt.

Maar in de dagen der jeugd niet alleen! Neen, Da Costa bezong de gade zijns harten in allerlei leeftijd, bij allerlei gelegenheid, met allerlei afwisseling van toon bij de afwisselende lotgevallen zijns huiselijken en echtelijken levens. De echo is niet trouwer aan den klank, die haar het leven geeft, dan de liefde van Da Costa aan haar, van wier hart en mond hij telkens een weergalm op elke zijner gewaarwordingen, bij elke zijner lotwisselingen vraagt.

En waar de dichter zich zulk een teederlievend echtgenoot toonde, was hij als vader niet minder teeder en trouw. Bij alle verschil, dat tusschen Da Costa en Tollens bestaat, hebben beide dichters dit met elkander gemeen, dat zij evenzeer in het stille geluk des huwelijks en des huwelijkslevens hunne grootste vreugde op aarde hebben gezocht, en dat beider speeltuig, zij het ook op grootelijks verschillenden toon, dat geluk menigmaal heeft bezongen. Wel is Tollens

ocr page 24

OVERZICHT VAN HET LKVEN

in dit opzicht nog overvloediger, althans wat den omvang en in 't algemeen de dichterlijke waarde zijner huiselijke poëzy betreft. Maar in hartelijkheid van gevoel, in geestdrift der bezieling, in gloed der uitdrukking, ja, der uitboezeming, geeft Da Costa, ook als huiselijk dichter, aan Tollens niets toe. Ja, soms is het alsof onder den invloed van deze overeenstemming beide dichters elkander naderen en ontmoeten.

Wij hebben een blik geslagen op den grond, om dus te spreken, waarin het dichtgenie van Da Costa als een plant, door Hooger hand geplant, wortelde, groeide en aanvankelijk vrucht begon te dragen. De eerste belangrijke vrucht van de eerste periode zijner ontwikkeling was de uitgave van zijne Poëzy in twee dealen. Een schoone en edele vrucht voorwaar, ja, zoozeer, dat Da Costa, na van stonden aan door deze uitgave zich zeiven als een oorspronkelijk, zeldzaam, en in sommige opzichten eenig dichter geopenbaard te hebben, wellicht later niets heeft geleverd, waarin hij, van het zuiver aesthetisch en poëtisch standpunt gezien, dezen eersteling zijner jongelingsjaren heeft overtroffen. Men vindt hier den dichter in zijne volle, rijpe en volwassene kracht; rijkdom van gedachten huwt zich aan verhevenheid van vlucht; in de behandeling van den vorm toont de jeugdige dichter mede zijn meesterschap; over het geheele dichtwerk ligt de hem kenmerkende Oostersche gloed, die elk dichttafereel, dat men er naast legt, bij den eersten opslag bleek en mat en dof doet schijnen. Er komen in deze twee bundels gedichten voor, die door geen ander vaderlandschen zanger ooit zijn overtroffen, indien geëvenaard.

Waarlijk, de dichter, die aldus begon, nam van stonden aan onder de vaderlandsche dichters een eigen, hooge, koninklijke plaats in. Men kon op zijne Muze toepassen, wat de Latijnsche dichter van de godin zegt: Incessu patuit dea. De eerste trede, door haar gedaan, was een stap naar den troon!

Naarmate nu deze nieuwe, grootsche verschijning op het gebied der poëzy meer belangstelling verwekte, werd ook de vraag te belangrijker naar het godsdienstig standpunt, waarop de dichter stond, die blijkbaar bestemd scheen het oor van velen in den lande aan zijne stem te zullen boeien. Een enkele blik in zijn dichtbundels geslagen, gaf terstond het antwoord op die vraag. De zanger gevoelde zich vóór alle dingen Israeliet, en toonde zich aan zijn stam en volk gehecht; zoo hij de harp nam van de wilgen aan den oever

XVIII

ocr page 25

EN DE WEEKEN DES DICHTEBS.

der wateren, waarbij hij als balling nederzat, bet was om dengenen, die hem een lied vraagden, geene andere dan de liederen Sions t® zingen.

Zonder Da Costa met ontijdige aauvallen van een buitensporigen bekeeringsijver te vermoeien, had nogtans Bilderdijk, den Israeliti-schen jongeling, door hem meer en meer op de geestelijke kern des Ouden Verbonds aandachtig te maken, hem op de erkenning van Jezus van Nazareth als den aan de Vaderen beloofden Christus langzaam en geleidelijk voorbereid: hij had zoo doende, als spelende, een zaad in zijne ziel geworpen, dat vroeg of laat moest opgaan, en de jeugdige spruit in de aarde zoo zorgvuldig gekoesterd, dat zich als van zelf eenmaal de stengel boven de aarde vertoonen en opwaarts verheffen moest.

En zie, de halm ging op! Da Costa, als een andere Saulus op den weg naar Damaskus, door het licht als van eene hemelsche openbaring getroflen, viel Jezus als zijnen Heiland te voet. Hij ontving, te zamen met zijnen vriend Capadose en met zijne gade, den chris-telijken doop van de hand des eerwaaidigen leeraars en voorgangers Lucas Egeling te Leiden. Wat bij geheel deze omwending in zijn hoofd en hart omging, heeft hij onder woorden gebracht in zijn Hymne, ten opschrift dragende: God met ons. Wat het lied De Voorzienigheid is in de poëzy van den Jood, is de zang God met ons onder de gedichten van den Christen. Welk dichterlijk, en vooral welk christelijk hart kan hem ooit vergeten, den prach-tigen aanhef van dat prachtig gedicht, dat Bilderdijk niet alleen „een overheerlijk versquot; noemde, maar waarvan hij uitriep: ,'t heeft zoo ik 't gevoel, geene wederga.quot;

Overigens echter was de tijd, die na Da Oosta's bekeering en doop inviel, betrekkelijk gesproken, een tijd van stilzwijgendheid op het dichterlijk gebied. Terwijl hij door zijne Bezwaren tegen den geest der eeuw, aan den eeuwgeest de handschoen toewierp, en daarmede een strijd aanving, die onveranderlijk en onveranderd heeft voortgeduurd tot aan zijnen dood, schoof hij zijne harp ter zijde en liet deze slechts zeer zelden eenige welluidende klanken hooren. Het voornaamste wat hij in dezen tijd dichtte waren liederen, en wel geestelijke krijgsliederen, die den toon, door hem in zijne prozaschriften aangeslagen, op dichterlijke wijze wedergaven, een vstrre navolging als 't ware van Luther, waar hij mede zijn lied zingt: „Een vaste burgt is onze God!quot;

i Men heeft gevraagd of Da Costa in dien tijd zich uit overgroote

XIX

ocr page 26

OVERZICHT VAN HET LEVEN.

naauwgezetheid des gewetens de beoefening der poëzy, als iets in zich zeiven onwettigs en ijdels, en dus als iets verbodens, zou ontzegd hebben? Zoo verre ging hij ongetwijfeld niet. Integendeel. In een hoogstmerkwaardig gedicht aan den dichter Calisch, die hem opwekte om de hand weêr aan het speeltuig te slaau, beantwoordt hij dezen door hem zeiven aan te sporen om zijne poëtische studiën voort te zetten.

En toch, bij Iaat te gelijkertijde ons als in zijn binnenste lezen, als hij uitroept,

O Calisch! zoo mijn krachten zonken,

miju ader stolde vóór den tijd,

mijn allerlaatste levensvonken

zijn aan een hooger zucht gewijd!

sints Davids harplied voor mijn hert geen dichtkunst bleef, maar waarheid werd.

Bedriegen wij ons, of geeft hier niet de dichter blijkbaar genoeg te kennen, dat hem te midden van den strijd, om der waarheid wille gevoerd, de dichtkunst als zoodanig niet meer genoeg belang inboezemde, of althans niet genoeg bezig hield, om hem tot hare opzettelijke beoefening te kunnen dringen?

Toch verdient het opmerking en waardering, hoe ook deze gedichten, schoon betrekkelijk als kleinigheden voor den zanger van De Voorzienigheid te achten, zich menigmalen en op menige plaats door de oorspronkelijkheid van den greep, of door de karakteristieke eigenaardigheid en stoutheid van den vorm onderscheiden, en uitdienhoofde hoog uitsteken boven soortgelijke dichtvruchten uit anderer pen, die vaak niet beter dan stichtelijke (indien maar stichtende!) rijmelarij zijn. Ook de voortbrengselen uit het tweede tijdperk van zijn dichterlijk leven, — zijn in vollen nadruk des woords poëzy. Al hoort gij de machtige stem van den koning der dieren niet als vroeger door het woud klinken, waar gij zijn spoor ziet, herkent gij terstond den leeuw aan zijne klaauw. — Intusschen werd door die weinige en schaarsche dichterlijke uitboezemingen uit de diepte van des grooten zangers innerlijk gemoedsleven het afwezen niet vergoed van die zeldzaam schoone zangen, waaraan ons zijne oorspronkelijke luit nu eenmaal had verwend. En de dichter Calisch was alzoo de tolk van al wat in den lande de poëzy liefhad, toen hij den dichter wilde overreden om het langdurige stil-

XX

ocr page 27

EN DE WEEKEN DES DICHTERS.

zwijgen af te breken: ja, waar Da Costa zelf de gewijde zangster-Israëls poogde op te wekken, was er meer dan ééne stem, die hem zeiven zijn eigen wekstem wedergaf:

Kan het zijn dat de lier, die sints lang niet meer ruischto,

die sints lang tot geen harten in dichtmuziek sprak,

weer op eens van verrukking en hemellust bruischte,

en in stroomende galmen het stilzwijgen brak?

Hoe openden zich bij het gehoor van het lied, dat aldus aanving, op eenmaal alle ooren en harten om den toon op te vangen, die zoo melodisch en zangerig, en toch te gelijk zoo statig en verheven, tot hen kwam? Men had bij het eerste geluid den zanger herkend. Het was de zanger van De Voorzienigheid, die aldus zong. Maar het was die zanger, na een stilzwijgen van vijf en twintig jaren, bij alle bijblijvende gelijkheid aan zich zeiven, toch iu menig opzicht tot een ander geworden. Neen, Da Costa, de man, di« in de zaal van het Koninklijk Nederlandsch lustituut, zijn onnavolgbaar lied in 1840; Vijf en twintig jaren voordroeg, was dezelfde niet meer, die vroeger zijn dichterlijke bladen op den wind strooide. De jongeling was nu man geworden: man in de volle rijpheid, kracht en werkzaamheid des levens; man, die het scherpziend oog wijd om zich heen sloeg, hoog naar boven opwaarts hief, en diep naar onder liet neder dalen, en wat zijn blik had opgevangen, met de inspiratie van een echt poëtisch en profetisch gemoed, wedergaf. De wensch van Calisch was vervuld:

Grijp aan de harp, en laat uw zangen vloeijen Verhef u in de bovenaardsche sfeer!

Doe hart en ziel in heilige aandrift gloeijen!

Verbaas, sleep weg, en wees Da Costa weer!

Voorzeker, zelden droeg eene Koninklijke benoeming, uitgelokt door de stemming en stem van een geleerd lichaam, rijker vrucht, dan de benoeming van Da Costa in 1839 tot medelid van het Koninklijk Nederlandsch Instituut. Het was alsof de vaderlandsche Letterkunde, terwijl zij begon met hem een lauwerkrans op te zetten, hem uitnoodigde om aan dien krans nieuwe lauwerbladeren toe te voegen. Althans, alsof in die eervolle noodiging zulk eene vraag tot hem gekomen ware, beantwoordde hij de hem aangedane onderscheiding op eene wijze, die de stoutste verwachting overtrof. Heh

XXI

ocr page 28

OVERZICHT VAN HET LEVEN

bleek daarbij, dat de rijke dichtader, bij die langdurige rust, slechts •een des te grooteren overvloed des heldersten waters in haren boezem had vergaderd, die, als zij voor bet eerst zich naar buiten een weg naar licht en lucht zou banen, eer naar een waterval, dan naar een waterstraal gelijken zou.

Inderdaad! Het lied Vijf en twintig jaren van Da Costa is zekerlijk het oorspronkelijkste en karakteristiekste van al zijne dichterlijke voortbrengselen. De vorm is uiterst vreemd: ja, de aanhef der onderscheiden afdeelingen doet aan den stijl der kroniek -denken: ,'t Zijn vijf en twintig jaar! Het zeventiende jaar der «euw! 't jaar twintig.quot; •— Onvergelijkelijk was de geestdrift, waarmede dit gedicht, inzonderheid door het meer dichterlijk gevormd publiek, werd ontvangen. Men begroette den dichter met hooge ingenomenheid: zijne eerste wederverschijning in het strijdperk was eene zegepraal. De ongunst, die zich vroeger aan zijn naam als bestrijder van den geest der eeuw gehecht had, week voor een tijd bijna geheel, en het scheen slechts aan Da Costa te staan om in het midden van de aristocratie van verstand en vernuft onder ons de eereplaats in te nemen.

De Vijf en twintig.ia ren leidde en wijdde een nieuw tijdperk van de poëzy van Da Costa in. Eenmaal op dit gebied den voet gezet hebbende, ging hij daarop verder voort. Hij werd nu de zanger bij uitnemendheid van de Zangen des tijds. Een tweede proef in dit genre gaf hij bij de voorlezing van het lied: Wachter! wat is er van den nacht? — Het dichtstuk kon, na het voorafgaan van de Vijf en twintig jaren, niet meer zoo grootelijks verrassen en verbazen als met zijn voorganger het geval was geweest, maar toch! hoe verbazingwekkend kwam desniettemin aan allen, die ooren hadden om te hooren, ook nu wederom de.eenige dichtgave van den eenigen' dichter voor! En toch, wat in dit gedicht meest opmerkelijk is, is des dichters profetisch uitzicht in het Morgen: waarlijk, het schijnt een profetenblik, dien de dichter van dit lied in de toekomst slaat.

Men weet, hoe Bilderdijk, in zijn beroemd Afscheid, op den lOden Januarij van 1811 uitgesproken, als door hooger geest bezield, de naderende verlossing van Nederland profetisch aankondigde.

Maar waarlijk, het scheen nu als of de mantel van dezen Zanger-ziener bij zijnen opvaart op zijnen discipel gevallen was.

Immers Da Costa's lied in 1847 verkondigde als bij voorbaat en voorraad den orkaan, die na weinige maanden zoo vreeselijk over

xxu

ocr page 29

EN DE WERKEN DES DICHTERS.

Europa, en eemgzms ook over Nederland, zou uitbreken. De uader en nader trekkende donder rommelt als 't ware in den paukentoon van zijn lied, en het eerste flikkeren van het losbarstend bliksemvuur bliksemt uit zijne snaren u tegen. — Gij denkt er bij aan den arend, die telkens nederdaalt op de aarde om er zijn buit tc rapen, en als hij er den klaauw in heeft geslagen, dien met zich in de hoogte, naar den top der bergen en in de nabijheid der zon opwaarts draagt, om er zich meê te voeden

Wat van deze beide gedichten geldt, kan met weinig verandering ook van de beide Zangen des tyds 1648 en 1848 en van De Chaos en het Licht gezegd worden Men ziet uit de opvolging dezer gedichten, hoezeer de luit vau Da Costa als tot nieuw leven was ontwaakt; hij voelde zich gedrongen zich dichterlijk te verlus tigen in de naderende groote ontknooping van het drama der geschiedenis, dat hij van de beloofde wederkomst des Heereu met steeds toenemende helderheid en vastheid van overtuiging, als toekomstig niet alleen, maar zelfs als nabijzijnd. verwachtte.

Nu eenmaal de dichterlijke ader weder begonnen was te vloeien, gaf zij haar water niet alleen in breede stroomen. als de genoemde grootere gedichten, maar ook in kleiner en fijner waterstralen, in dichtstukken van minderen omvang. De dichter schonk ons menig schoon of bevallig lied, dat bewees, hoe hij zich met gemak in onderscheidene genres bleef bewegen. Zoo heeft men de schoone ode Orleans, waarin de geest en toon, die in de Zangen des tijds heerschen, terug gevonden worden; de geheel eigenaardige zangkou-pletten, ten opschrift hebbende: Bij de rivieren van Babel; het zoozeer bekende en geroemde: Aan Nederland in de Lente van 1844, een danktoon bij Neêrlands redding uit financiëlen nood, met den schoenen aanhef:

Hooge waatren zijn, o Neerland! dikwerf over u gegaan, — van de Zuiderbergrivieren, van den Noorderoceaan!

en met zijn nog karakteristieker slot, behelzende een weergalm op het zoogenaamde Rijnlied van Bekker:

Zy zullen het niet hebben,

ons oude Nederland!

Maar behalve deie gedichten van nieuweren oorsprong verzamelde hij ook hetgeen van vroegeren tijd herkomstig tot nu toe het licht

XXUI

ocr page 30

OVERZICHT VAN HET LEVEN

niet had gezien, en vormde daaruit zijnen bundel: Zangen uit verscheidenen leeftijd. Natuurlijk heeft niet alles in deze bundels gelijke waarde: Zoo is het met Jen Lof der dichtkunst, een gedicht dat zijne hoogste waarde ontleent van de omstandigheid, dat het de eerste aanleiding van Da Costa's kennismaking met Bilderdijk werd. Welk een vooruitgang! Welk een afstand, die in de Zangen het eerste gedicht, den Lof der dichtkunst, van de aan het slot diens bundels opgenomen Vijf en twintig jaren, scheidt!

Op andere tijden evenwel klonken weêr andere toonen van meer opzettelijk gewijd en bijbelsch karakter; dan was het, als keerde hij tot de eerste liefde zijner dichterlijke jeugd terug; bij het langzaam zinken van zijne levenszon gaf het avondrood zijner poëzy — het beeld van zijn morgenrood weêr. Dan dichtte hij H agar, dat overschoone en overrijke gedicht, dat ik bij een parelsnoer zou willen vergelijken — Eenigzins in denzelfden trant zijn Elisabeth, Ezechiel, David, ofschoon even zoowel „Elizabethquot; als Ezechielquot; en ,Davidquot; in heerlijkheid voor de moeder Ismaels moeten onderdoen. Ook in de romancen Uit Palestina en Uit Portugal bruischt het oude Joodsche en Spaansch-ridderlijke bloed als in de dagen van vroeger weêr op, terwijl de fragmenten uit Homerus aan de klassische studiën der jongelingschap, en die uit Tasso en Milton aan de aesthatische oefeningen van latere jaren herinneren. Ook in zijae Voorlezingen, of liever in zijne Improvisatiën op den bekenden en door velen geliefden en gevolgden Vrijdag-avond stroomde lt;le poëtische ader, zij het al niet langs het bed des rijms, maar in het dich-terlijkste proza, dat ooit van bezielde lippen vloeide, overvloedig en mild. Ook bij de behandeling van historische of bijbelsche onderwerpen, goot Da Costa over het voorwerp zijner beschouwingen den stralengloed zijner poëtische spelingen en combinatiën uit, en, waar hij zich had nedergezet om voor hoog en laag het Evangelie of de gewijde geschiedenis te bespreken, behalve zijne geestverwanten op dit gebied, ook menig aesthetische letterminnaar of geniale kunstenaar zich 'aan zijne voelen nederzette, om te bewonderen, waar de ander geloofde en aanbad.

Intusschen gingen de jaren voort, en het werd Da Costa eigen, somtijds, van zich zeiven als van „een oud manquot; te spreken. Toch was het vuur der jeugd nog niet in hem verdoofd, maar sprankelde soms in een vuurstraal van dichtvonken heerlijk op; en toch was

XXIV

ocr page 31

EN DE WERKEN DES DICHTERS.

er naauwelijks iemand, die van zijn speeltuig zulk eene uitstorting van dichterlijke klanken had durven te gemoet zien, als in zijnen zwanenzang werd gehoord.

Inderdaad! weinig dacht de Haarlemsche boekhandelaar Van Brede-iodquot;e, toen hij op hex denkbeeld was gekomen om, bij de uitgave van tien lithographisch uitgevoerde platen, kopijen van bekende historische schilderstukken, even zoovele dichters uit te noodigen om daarbij bijschriften te vervaardigen, — weinig dacht hij, dat die inval aanleiding geven zou tot de geboorte van een dichterlijk meesterstuk, gelijk de Slag van Nieuwpoort. Da Costa nam gereedelijk het aanzoek aan om het schilderstuk van den Vlaamschen sehilder De Keyzer, Maurits grootste heldenfeit voorstellende, met eenige dichtregelen te rommentariëren. Maar zie, naauwelijks hart hij zich afgevraagd hoe het onderwerp aan te grijpen — of het onderwerp greep hem aan: het werd hem als meermalen voorheen:

Heil! geest der poëzy! wien 'k aan 't welluidend ruischen

der vleugelen erken, en aan het felle bruischen

mijns boezems, wien uw komst ontzet, en wellust baart.

En die geestdrift, zij nam al meer en meer toe. Toon ging het liem als een schilder, die al spelend een potlood-schets op 't papier werpt, maar die, tot het besluit komt om daarvan eeue uitgewerkte schilderij te maken. Zoo onze schilder-dichter Da Costa, die zich nooit meer dichter gevoelde dan toen hij zijn Nieuwpoort schreef, en nooit meer gevoelde dat zijne dichtgaaf eene gave Gods was. Beurtelings studerende en dichtende, dichtende en studerende, bracht hij de Nieuwpoort op het papier — op het doek had ik haast gezegd — en toen het eindelijk was afgewerkt, besloot hij daarvan een feestgave te maken.

O morgen, de roemrijkste stonde zijns levens!

roept de dichter Potgieter bij het herdenken der Voordracht van de Vijf en twintig jaren uit. Maar inderdaad, er is in Da Costa's dichterlijk leven een avond geweest, die tegen dien morgen over-•staat, of liever daarmede harmonisch samenstemt: de avond van 14 Januarij 1859.

Het was Vrijdag avond. Hij begon zijne voordracht met de kennisgeving van zijn plan om zijn gehoor op de mededeeling van een

XXV

ocr page 32

OVERZICHT VAN HET LEVEN

nieuw dichtstuk te onthalen. Nu kwam de voorlezing van het dichtstuk zelf, van den prachtigen aanhef at';

Hoe zag in Nederland da zon zoo rood, de straten

zoo douilsch!

tot het heerlijk slot toe:

Maar de Overwinnaar in het stof gebogen, bidt.

Moeielijk zou het zijn, de geestdrift der hoorders van die voordracht te beschrijven. Gevoelde men, dat men het stervenslied dei-zangzwaan hoorde? zeker moest ieder wel gevoelen, dat hij bezig was de klanken van een lied op te vangen, dat zóó schoon was als hij, bij den klimmenden opgang van des dichters leeftijd, naauwe-lijks hopen kon er ooit weder een van hem te zullen hooren. Ten minste, deze was mijn indruk; en het was als uit het levendig gevoel daarvan, dat ik, door enkele mijner naastbijzijnde vrienden opgewekt, om den dichter bij het einde van zijn lied een woord van dankzegging toe te brengen, aan die opwekking met liefde en geestdrift voldeed.

Na de voordracht van de Nieuwpoort, trad de dichter af — niet van die plaats alleen waar hij zijn gedicht voorgedragen, maalais 't ware van de spreekplaats in 't algemeen, waarop hij zoo lang als dichter en redenaar geschitterd had. Zonder het te weten was de avond van 14 Januari niet alleen een triumf — maar tevens eenigzins als een afscheidsfeest geweest. Een Tassooskrooning, die een ander, een hooger kroonings-feest van nabij voorafging en voorspelde! — Wel bleef hij sedert nog eenigen tijd arbeiden, en droeg met name zijn Nieuwpoort in een vergadering der Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen te Amsterdam, en voorts te 's Hage en te Rotterdam voor. Maar toch bleek het al spoedig, dat men in De Slag van Nieuwpoort de laatste rijpe vruchten van zijn genie had ontvangen. Slechts nog eenige nagalmen van de bewogen en bezielde luit volgden; de Gelukwensch aan meester en arbeiders ter drukkerij op het Spaarne, een dank- en juichtoon bij de voltooiing van de uitgave van den Bilderdijk, en de opdracht van den laatsten bundel dier gulden reeks aan zijne gade. Treffend! Bilderdijk was de eerste geweest die zijn dichtgave met kracht had doen ontwaken; Bilderdijk zou de laatste zijn, aan wien de dichterlijke uitstorting zijns gemoeds zou worden gewijd! — In den Gelukwensch aan de drukkersgezellen klonk, als een verre

XXVI

ocr page 33

JSN DE WERKEN DES DICHTERS.

nagalm, een toon van herinnering aan Schillers Lied van de Klok, kennelijk den dichter verlevendigd door hot juist in die dagen invallend feest van aandenken aan de honderdste verjaring van des duitschen dichters geboortedag, waaraan Da Costa aldus eeniger-mate als uit de verte deel nam: een nieuw bewijs van dien geest van dichterlijk wereldburgerschap, die hem het waarachtig schoon, alom en bij allen, en in allerlei kleed, huldigen deed. Het heugt mij nog, hoe ik, in die dagen, op zekeren avond bij hem komende, hem met Schiller in de hand vond — ach, reeds zoo zwak, dat de zijnen met welriekend geestrijk water zijne geesten moesten verlevendigen om hem in staat te stellen het onderhoud voort te zetten, dat hij

toch niet wilde staken____ik had hem voor 't laatst in de bekende

en geliefde studeerkamer gezien! Toen ik weder kwam, vond ik hem op zijn leger, dat van toen aan een leger van smarte werd, maar ook een schouwplaats van geloof, waar de christen een hooger en heerlijker triumf vierde, dan den zanger van Maurits bij de voordracht van zijn Nieuwpoort had beleefd!

Maar hoe lang ook uitgesteld en gerekt, eindlijk zou toch aan dien strijd het einde komen. Op den 28 April, op den avond van den Oud-Joodschen sabbat, bij het naderen van den christelijken rustdag, ging Da Costa, den Christen-Israeliet, tot zijne eeuwige ruste

in. Den rouw rondom zijn lijk waag ik niet te beschrijven.....hij

brak op de treffendste wijze op den dag zijner ter aarde bestelling naar buiten uit.

Toen bleek Da Costa, zoo ooit, de meerdere boven Bilderdijk. Bij Bilderdijks graf enkele vrienden, die daar toonen van sympathie en liefde, woorden van geloof, hoop en liefde lieten hooren: maar — bij het graf van Da Costa een aanzienlijk deel van de bevolking der hoofdstad uit allerlei rang en stand, met vele belangrijke mannen van elders vermeerderd, en deze allen hun gevoel lucht gevende als door den mond van onderscheidene vertegenwoordigers, tolken ieder op zijne wijze van den algemeenen rouw. Men heeft de opmerking gemaakt, dat in die toespraken aan den mensch en christen te veel, aan den kunstenaar en dichter te weinig is gedacht — ik gevoel het bezwaar, en mij aangaande, ik had daar ook nog wel eene of andere stem willen hooren, die, als uit een andere sfeer, aan deze verdienste des ontslapenen hadde recht gedaan. Maar men mag toch niet zeggen, dat die lijkhulde niet met Da Costa's eigen geest in overeenstemming is geweest: men hoore hem zeiven, wanneer hij als met veege hand aan het einde van zijne levensschets

XXVII

ocr page 34

XXVIII OVEEZ. V. H. LEVEN EN DE WERKEN DES D' ITERS.

van Bilderdijk, zijn werk met het woord van zijnen vriend De Clerq aldus besluit: „De lof van tijdgenootsn is kort van duur, de toejuiching van het nageslacht onzeker; de lauwerkrans van deu Dichter verwelkt: maar wie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige

leven.quot;

En hiermede hebben wij het overzicht van Da Costa's dichtwerken, met het oog op zijn leven, 'geëindigd. Wat nu is aan het slot de eindindruk van deze beschouwing? Mij dunkt, hij kan het best in één woord worden zamengevat: harmonie! zamenstemming! mensch en christen en dichter één! een tiensnarig instrument, maar alle snaren klinkende in éénen grondtoon, en altijd ter eere

van den Eenigen en Eenen,

die uit harten harpen van dichtmuziek formeren kan!

Mocht ik door deze vluchtige en onvolkomene schets er iets aan liebben toegebracht om die eenheid meer te doen uitkomen, ik zou achten daarmede een lauwerblad te meer te hebben nedergelegd op het graf van den man, die ons in zijn leven en streven een schoon beeld nalaat van de gelukkigste vereeniging van geestesgaven en gaven des Geestes; den man, boven wiens gebeente men naauwe-lijks een beter grafschrift zou kunnen plaatsen, dan er op gebeiteld staat in de dubbele leus van twee familiewapens van den Dichter en zijne Egade, der Da Cosfa's en Belnionte's, daarop in relief aangebracht: Firmesa — Virtute et Fide: Standvastigheid — Deugd — Geloof.

1863.

J. P. Hasebboek.

ocr page 35

LOF DER DICHTKUNST.

't Was nacht als ieder mensch het zoete rnsten smaakte;

my dacht toen in den droom, dat ik den berg genaakte.

die 't schoonst verblijf is van Apolloos zustrenrij;

'k liep langs een welig veld, van koude en hitte vrij,

met myrten rijk beplant en bloeiende laurieren,

waarmee de Musen zich in hare feesten sieren;

geen bloem was daar verwelkt, geen boom van groen beroofd.

Hier hiet de populier, ginds de eikenboom het hoofd,

dat 't helder hemelblaauw vermetel scheen te tergen.

Doch van mijn zwakke lier kan ik 't verhaal niet vergen

van alles wat mijn oog bewonderde in dien oord,

Ik zag er wat ooit ziel on zinnen heeft bekoord.

Maar naauwlijks was ik dus tot Pindus voet gekomen

of 'k voelde me onverwacht door Zeflrs opgenomen:

'k snelde in een oogenblik en lucht en wolken door,

tot dat ik mij bevond in Phebus tempelkoor.

Dat schitterend gezicht verbaasde mijne zinnen:

Hy zat in 't midden van de negen Zanggodinnen:

terwijl niet ver van hem zy, die der Musen gunst

in hunnen levensloop verkregen door hun kunst,

mèt lauweren bekranst, of zijne zangen hoorden

of zelve in dicht het hart van Pindus God bekoorden.

Daar waart ge, Maro! gy, o joem van 't Roomsch gebied!

Gy, die Aeneas daan in uw vei heven lied

bezongt! gy, zonder wien dees vader der Latijnen

in 't aaklig duister der vergetelheid zou kwijnen!

Daar waart ge, Ovidius! o dichter van de min!

Wien een tiran uw land ontzeide en gemalin!

En gy, Honitius! die of in hekeldichten

ocr page 36

LOF DER DICHTKUNST.

de redelooze schaar der burgers wilt verlichten,

of in verheevner maat, den lof van heldenmoed,

den lof van deugd verheft als 't eenig ware goed!

Daar was Anacreon en dartele Catullus,

en teedre Sappho en gevoelige Tihullus,

en al die dichters, wier vernuft met kunst gepaard,

hun naam door 't. schoone werk vereeuwigden op aard.

Doch onder dezen kring, in 't heilig koor gezeten,

zag ik Homerus niet, den koning der poëten.

Daar ik verwonderd bleef en in gepeins verzonk,

scheen 't me of Apoiloos stem aldus me in de ooren klonk

«Verbaasdheid schildert zich, o jongling, op uw wezen!

„Dat hy, wiens werken steeds met geestdrift zijn gelezen,

„die altijd in het hart van kunstbeminnaars leeft,

„Homerus, in dees stoet geen plaats verkregen heeft....

„geen sterveling beschreef de ramp van Trojes wallen,

„en hoe, nadat het voor de Grieken was gevallen,

„de Vorst van Ithaca tien jaren lang en vrouw

„en kind en vaderland in d' allerdiepsten rouw

„gedompeld liet, en steeds op aarde en zee moest zwerven.

„en 't zoo geliefd gezicht van volk en magen derven.

„Ik was 't, o ja, ik zelf. Apollo was Homeer.

„Na Trojes droevig lot daalde ik op 't aardrijk neêr.

„Daar zong 'k Achilles toorn, Ulysses ongelukken,

„en kon het Godendom door mijn gedicht verrukken.

.Veracht, gehoond, verjaagd zoo lang ik was op aard,

„zag ik weldra mijn naam in Griekenland vermaard.

Zoo dra 'k ray weder naar den Pindus had begeven,

„toen ondervond ik, dat geen dichter in zijn leven

„het welverdiende loon van zijne kunst erlangt,

„en hy, in plaats van eer, belediging ontfangt.

,'t Is daarom dat hy hier vermoeid van 't lange lijden,

„na dat de dood zijn ziel van 't lichaam heeft gescheiden,

„het ware leven in een stille rust geniet,

„en niets dan vrolijkheid in mijnen tempel ziet.

„Dus blijft verdienste nooit van 't billijk loon verstoken.quot;

Na dat Apol tot my dees woorden had gesproken, verdween en koor en berg voor mijn verwonderd oog. Zoo ook, als aan de kim de schittrende Irisboog

2

ocr page 37

LOF DEE DICHTKUNST.

in volle sieraad op het schoonst begint te prijken,

ziet men haar duizendtal van kleuren ras bezwijken.

Auroor vertoonde nu haar lieflijk morgenrood,

terwijl zy voor de Zon de hemelpoort ontsloot,

en daar geen donkre wolk haar glans ons kwam ontrooven, scheen zy een' heldren dag aan de aarde te beloven.

Toen wekte me uit den slaap der vooglen zoet geluid;

toen riep ik, door mijn droom verrukt, dees woorden uit:

De schoone poezy zal altijd glansrijk pralen,

zoo lang de gulden Zon haar luisterrijke stralen zal schieten, en de mensch van edel kunstgevoel verrukt zal blaken. Gy, die ver van stadsgewoel,

wanneer aan 's hemels trans de sterren prachtig blinken Apolloos heilig nat in eenzaamheid gaat drinken,

uw naam sterft nooit, o neen, zelfs als de wreede tijd den zwarten sluier op uw lichaam heeft gespreid.

Homeer veracht den nijd van driemaal duizend jaren,

gelijk een vaste rots in 't midden van de baren de kruin ver uitsteekt en haar ijdle woede tart.

De dichtkunst wekt den moed of streelt 't gevoelig havt. Tyrtaeus kon den Griek in oorlogsvuur ontsteken.

Hy zong en geen gevaar deed den Spartaan verbleeken;

doch als Homerus in zijn goddelijk gedicht toont, hoe Andromache met haar onnoozel wicht haar lieven Hector van het slagveld poogt te weeren,

hoe ze om het denkbeeld treurt, dat hy nooit weer zal keeren, wie dan gevoelt zich niet op 't tederst aangedaan?

Wien rolt langs 't aangezicht dan niet een zachte traan?

O wonderlijke kracht van dichterlijke tonen!

Het volk, dat zonder wet in bosschen placht te wonen, bewogen door het zoet van Orpheus lier en zang,

vereent zich op zijn raad voor 't algemeen belang.

Van daar verhaalde men, dat tijgers, boomen, steenen hem volgden, om het oor aan zijne stem te leenen.

Mijn geestdrift sleept mij weg— Ik zie hem zelv' daar staan Omsingeld van het volk, dat luistrend aangedaan.

3

ocr page 38

LOP DER DICHTKUNST.

met open oog en mond hem 't nut van 't zamenleven hoort zingen, en gedwee zich laat de wetten geven. Een man dus door natuur met rijk vernuft begaafd heeft door welluidend dicht den woesten mensch beschaafd.

De dichter schildert ons wat andren slechts verhalen. Als Maro en Homeer het bloedig strijden malen,

zie 'k vonken springen uit het bliksemende zwaard; ik hoor 't geschreeuw van hen die neêrgestort ter aard' den overwinnaar om het leven needrig smeeken;

ik hoor het moordend staal en helm en harnas breken.

Mijn Zangnimf, 't is genoeg. Onmachtig is myn toon, het nut der poëzy en haar verrukkend schoon en onweerstaanbre kracht in sierlijk dicht te zingen.

Laat hen, die Phebus mint, naar dezen lauwer dingen; ik trek uit mijne lier geen liefelijk geluid,

en druk mijn warm gevoel in zwakke verzen uit.

1812

DE VERLOSSING VAN NEDERLAND.

Als 't aardrijk wéér begint te bloeien,

als 't land zich dekt met geurig groen, de stroomen onverhinderd vloeien,

na 's harden winters hevig woên; als blad en bloem de sneeuw vervangen,

een Zefir d' onbetoombren storm, dan klinken Philomeles zangen,

de mensch herleeft — de kleinste worm.

Zoo grijp ik ook, schoon dicht'ren zingen,

het speeltuig in de zwakke hand; ook ik, ik wil de cither dwingen voor 't vrij geworden Vaderland.

ocr page 39

DE VERLOSSING VAN NEDERLAND.

Hoe flaauw mijn laaggespannen snaren,

hoe kunsteloos mijn zangster zij, mijn hart gebiedt, dat 'k uw altaren, o Nederland! dit offer wij'!

Wy zijn dan eindlijk vrij! Wy zijn den ijz'ren band o Dwing'land! dan ontrukt, waarin gy Nederland zoo lang gekluisterd hieldt. Oe ketens zijn aan stukken, waarvoor de fiere kop van Hollands leeuw moest bukken,

dien leeuw, te lang door u en door uw volk veracht,

dien leeuw, die reeds te lang naar wraak, naar vrijheid smacht.

Gelijk de reiziger, die aan 't geweld der baren ontrukt, zijn Vaderland na duizend doodsgevaren herziet, met warm gevoel den dierbren grond betreedt, en sprakeloos van vreugd, 't geleden kwaad vergeet,

het zoetst genoegen smaakt, nu hy het woên der winden, de golf die 't ranke schip al draaiend ging verslinden, al d'ijsselijken nood, waaraan 't ten prooie lag,

in veiligheid aan gade en kind'ren schetsen mag, —

zoo moet ge, o Hollandsch volk! het slaafsche juk herdenken, waardoor een vreemd tiran uw voor'ge roem dorst krenken, en zweren by de deugd der vad'ren, by het bloed van hen, door wie weleer uw vrijheid is behoed:

(wier geesten tot uw heil nog om dees landen zweven)

dat ge eer uw stad, uw land der vlam ten prooi zult geven, of dat ge uw dijken eer doorbreken zult, uw werk vernielen, en de zee doen dondren uit haar perk,

eer vreemde meesters weer van vrijheid u berooven,

en in vergetelheid uw' schoonen naam verdoven. —

o Hoon! o slavernij! o nooit vergeetbre schand! Afstammelingen van de heldenteelt, die 't land van Spanjes wreeden Vorst weleer heeft vrijgeslagen!

Bloost, Nederlanders! bloost, gy hebt den naam gedragen van woeste snoodaarts, die natuur en recht ten spot, hun' koning doemden tot een smadelijk schavot,

hun' koning, die voor 't heil van die ontmenschten blaakte, en eigen veiligheid voor hun behoud verzaakte.

5

ocr page 40

DE VERLOSSING VAN NEDERLAND.

Bloost, Nederlanders! bloost, gy 'hebt het jak getarscht van 't monster, dat naar bloed en naar vernieling dorst; van 't monster, dat uw land ontzenuwde en uw telgen den moederarm ontscheurde ora rijken te verdelgen en gantsch Euroop voor hem in 't stof te zien geknield. De tijd is daar! Wreekt nu, met d'ouden moed bezield, den hoon u aangedaan: gy hebt uw naam herkregen, gy zaagt Oranje weêr; klemt den gevreesden degen,

waar 't Spaansche heir voor vlood! uw sterk gespierde hand duld' nu geen Gauler in 't herboren Vaderland.

Hy viel, hy die Euroop in 't ijzeren juk wou knellen, die waande dat geen macht zijn reuzenmacht kon vellen; het recht verwon; hy viel: een woesten stroom gelijk,

die de ijdle golven breekt voor d' opgeworpen dijk.

't Was middernacht. De slaap, door 't menschdom afgebeden,

goot zijn verkwikkend vocht op d'afgetobde leden.

Maar Frankrijks dwing'land waakt; door felle smart geprangd

ontvlucht de rust zijn oog, dat na haar zoet verlangt.

Nu dondert in zijn oor de wraakstem van 't geweten;

zijn bloed verstijft, terwijl zijn leden rillend zweeten,

de kracht zijn ziel begeeft: beweegloos staat hy daar

met strakgespannen oog en opgerezen hair,

daar schrikbre beelden zich in 't matte brein Vergad'ren,

de schim van Lodewijk hem dreigend schijnt te nad'ren,

het zwaard te toonen, dat zijn misdaên straffen moet,

en hy een bloedrivier ziet zwalpen aan zijn voet.

Zijn moed keert eind'lijk weêr: de nare hersenspoken

verdwijnen: hy barst los, en spreekt in woede ontstoken:

,'Neen, schoon mijn oog door u gefolterd eeuwig waakt,

.schoon gy de dagen my tot nare nachten maakt,

„en my mijn wandaên steeds weergalmen doet in d'ooren,

.Geweten! 'k trots uw wraak, ik zal uw stem versmoren

„wat nienschenbloed, wat ramp het koste, ik zal den tijd

„mijn naam doen sparen, u en gantsch 't heelal ten spijt.

.Europa hate my! Ik zal haar meester wezen;

,'k begeer haar liefde niet; 'k wil my van haar doen vrezen

„Geweten! ja, de straf die gy my dragen doet,

„wordt op dit denkbeeld in het lijdend hart verzoet.

.Welaan! het zwaard hervat! 'k wil tot de verste strekea.

ocr page 41

DE VERLOSSING VAN NEDERLAND.

„'k wil tot Europa's grens het oorlogsvuur ontsteken —

„het uitgestrekte land, door Peters wijze wet

„in vroeger eeuw beschaafd, zij door mijn volk bezet!

't Zal overwinnend zelfs tot in zijn hoofdsteên dwingen,

,en daar zijn opperheer tot onderwerping dringen.

,Zoo vestig ik de kroon onwrikbaar op mijn kruin,

„en heersch op heel Euroop of op Europes puin,'quot;

Hy spreekt: de zon had naauw haar gouden kar bestegen:

by roept zijn benden zaam, voorspelt een wisse zegen,

zy volgen hem, hy snelt, verwint; da vijand vliedt,

en 't zegevierend heir stroomt op zijn grondgebied.

lieeds is 't op 's dwinglands wenk naar Moscows wal getogen,

vol hoogmoed nadert hy — wat schouwspel treft zijn oogenl

Een zwarte wolk van rook stijgt op; aan alle kant

vertoont de vuur'ge lucht den ijsselijken brand.

De schrik op dit gezicht vermeestert zijne zinnen,

hy snelt vertwijfelend in aller ijl naar binnen,

en ziet.... de ontvolkte stad 't vernielend vuur ten buit.

Vergeefs barst hy verwoed in lasterwoorden uit:

Zijn volk tracht op zijn last den woesten brand te doven:

Vergeefs! d'onbluschbre vlam stijgt meer en meer naai- boven.

Driewerven rijst de zon, en driemaal daalt ze neêr,

de vierde dag verrijst — en Moscow is niet meer!

Ja, edelmoedig volk, door eer en deugd bewogen,

hebt gy den dwing'land in zijn' zoetste hoop bedrogen!

Gy hebt ten offer aan 't geliefde Vaderland

(het menschdom zag 't verbaasd) uw eigen' stad verbrand.

Die daad heeft aan Euroop de vrijheid weêr gegeven,

en dankbaar zal 't uw naam, zoo lang 't bestaat, doen leven,

en gy, o Nederland! gy, dat dit voorbeeld ziet!

herleeft in u de gloed der vrijheidsliefde niet?

Denkt ge aan uw Reddren niet, den schrik der dwingelanden,

wier vuist u heeft verlost van Spanjes wreede banden?

Gord, gord in 't eind het zwaard, o Neêrlandl aan nw zg!

En wreek in 's vijanda bloed uw voor'ge slavernij!

Zoo zag de Dwingland dan die stad in asch verkeeren,

waar hy de strengste koü zich vleide te trotseren.

Het kondigt al de komst des grijzen winters aan:

reeds vloeit de stroom min snel, en blijft beweegloos staan,

en dekt zich met een korst: de droeve, lange nachten

7

ocr page 42

DE VERLOSSING VAN NEDERLAND.

verdabblen nu de kou: het krijgsvolk voelt zijn krachten

entzinken; 't zwaard ontvalt de macbtelooze hand.

Daar ligt gy zonder hulp, ver van bet vaderland,

rampzaligen! weleer ontscbeurd aan vriend en magen,

om voor een snood tiran de wreedste smart te dragen.

Daar ligt gy blootgesteld aan d' akeligsten dood,

vermoeid, verteerd, verstijfd, van kou en boogersnood.

Het monster ziet elk dag zijn volk by drommen sneven;

d' een zinneloos van pijn, derft gillende zijn leven,

een ander valt verstijfd en afgemarteld neêr:

de dood dwaalt overal door quot;t uitgeputte heir.

De vijand midd'lerwijl zakt neêr met rassche schreden,

on valt op 't volk, dat door natuur zelf' wordt bestreden,

an jaagt het overhoop; hier baat geen tegenstand;

een laffe vlucht alleen rest nog den dwingeland.

Nog weigert hij den vreede aan 's volks gedurig smeeketi:

by zweert, van spijt ontzind, dien feilen boon te wreken,

ontscheurt den onderdaan op nieuw en kroost en goed,

en snelt vol trotsche hoop zijn vijand te gemoet.

Rechtvaardig God! zal dan de misdaad zegevieren?

Zal dan de lauwer weèr der Gaulen schedel sieren V

Neen, neen, het recht in 't eind behaalt den zegepraal.

en de overwonnen Gal valt nu ten tweeden maal.

O Leipsich, bij wier wal de dwing'land is verslagen,

zoo lang van Marathon het menschdom zal gewagen.

zoo lang 't zal denken aan Platéa, Salamis,

waar Griekens vrijheid op den Pers bevochten is;

zoo lang zal 't ook uw naam, uw heil'gen naam bewaren.

Gelijk wanneer de Nijl zijn opgezwollen baren

op 't schoon Egipte stort, de drooge velden drenkt,

en rijken overvloed aan d' akkerbouwer schenkt,

zoo stroomt aan alle kant het heir der Noordsche belden,

en brengt de vrijheid weêr gekocht op Leipsichs velden.

ïriumf! ook Nederland is van het juk bevrijd,

haar leeuw verheft weêr 't hoofd, den dwingeland ten spijt.

O laat dan ook uw moed, o Neêrlands volk, herleven,

en tracht op 't edelst spoor uw' vad'ren na te streven!

Juicht, lang verdrukten! juicht! en gy, o dapp're jeugd,

hef aan, en uit in zang uw vrijheidsliefde, uw vreugd!

.Diep lag het Hollandsch volk, vervallen kroost van helden;

ocr page 43

de verlossing van nederland.

.diep lag 't vernederd in de ketens die het knelden,

„door een gevloekt tiran, Europes schrik, verdrukt.

,Diep lag het Hollandsch volk, diep lag 't in stof gebukt. ,De Godheid hoorde in 't eind ons hartverscheurend weenen ,By wenkt.... de vrijheidazon, zoo lang voor ons verdwenen .schiet ons haar stralen weêr. Ja, Neêrland! gy zijt vrij! «Geen vreemde hand alleen verbrak uw slavernij.

,Welaan dan! kondt ge zelf uw ketens helpen breken, ,gy kunt dan ook uw ramp, op Frankrijks dwingland wreken „Zie ons ten strijd gereed! wiens hart staat niet in brand? „Wie offert zich niet op aan 't heilig Vaderland? „O Goddelijke kracht van haat tot slavernije,

„zie hoe de Spanjaard zich 't geweld der dwinglandije „onttrok, en brandend voor zijn vrijheid en zijn Vorst „der Gallen legermacht met moed verwachten dorst. „Hy ziet zijn vruchtbaar land door 't oorlogsvuur vernielen, „maar voelt met nieuwen moed zijn eedle borst bezielen, „en zweert dat eer de vlam zijn land verteren zal,

„eer hy zich onderwerp' aan den gehaten Gal.

„Het was in Nederland, (helaas! in andre dagen,

„toen 't heir van trotschen Flips uit Holland werd verslagen, „dat de Iber ondervond hoe alles zwichten moet, „als vrijheidsmin een volk het zwaard aanvaarden doet. „Heeft hy dan uit zijn land den wreevlen Gal verdreven, „en zou het Neêrlandsch volk voor 's dwinglands benden beven T Wy vliegen dan ten strijd en vreezen geen gevaar ,voor 't dierbaar Vaderland: gy teedre vrouwenschaar, die ons het leven schonkt! o stort om ons geen tranen; „wy scharen ons vol moed om vaderlandsche vanen; „de zege volgt het recht: wy keeren winnaars weêr: .de dwingland en zijn rot valt voor ons zwaard ter neêr. „Of doet een droevig lot ons 't leven strijdend derven, „denkt dan hoe schoon het is voor 't Vaderland te stervenl „Dus werd het voorgeslacht van Spanjes dwang bevrijd „na tachtig jaren krijg. Dus zag, in later tijd,

„der Gaulen Vorst, die tot dees landen was gedrongen,

„zich overwonnen tot vernedering gedwongen.

„Oranje! aan uw geslacht zij Hollands dankbaarheid! ,'t Was Eerste wii.lem, door wiens moed en wijs beleid „de Nederlander op zijn beulen triumfeerde,

ocr page 44

DE VERLOSSING VAN NEDERLAND.

„die de eendracht onderhield, den tegenspoed trotseerde,

„en alles wagen dorst voor 't welzijn van den Staat.

„Ja, toen hy lag geveld door 't schandelijkst verraad,

„rees zijn doorluchtig Kroost, in 't zelfde vuur ontstoken,

„en streed tot dat de Belg zijn keetnen zag verbroken.

„Wat Nederlander is zijn vaadren zoo ontaard,

„dat hy Oranjes naam niet in zijn hart bewaart?

„Zoo lang dit edel bloed regeert op Hollands Staten,

„zal nooit de dapperheid het Neêrlandsch volk verlaten.

„Wy vliegen dan ten strijd. Wiens hart staat niet in brand V

„Wie offert zich niet op aan 't heilig Vaderland?

„Neen, nooit vergeten we u, gelukkigste aller dagen!

„toen wy den heldentelg, Oranje, wederzagen.

„Hoe klinkt nog in ons oor de zuivre vreugdezang.

„door 't afgemarteld volk, na jaren ramp en dwang

„van 't haatlijkst monster vrij, met duizenden van tongen,

,o Vorst van Nederland, by uwe komst gezongnn!

„Toen zwoert ge, o Hollands volk! met een onschendbren eed.

„dat gy de ketens, door den dwingeland gesmeed,

„alom vernielen zoudt. Wil, wil dien eed gedenken,

„en vrij, aan andren ook de vrijheid helpen schenken.

„O Gy, die met één wenk 't oneindig Al regeert!

„Gy, wiens onperkbaarheid, al wat bestaat, vereert !

„Hergeef Euroop de rust, zoo lang by haar verloren,

„verlos haar van 't gedrocht, tot hare straf geboren,

„en droog de stroomen van 't gestorte menschenbloed I

„Door eeuwen vrede zij de afgrijsbre krijg vergoed!

,'t Geluk herrijz' voor ons na zoo veel tegenheden,

„en Neêrland bloeie weêr door Eendracht, Moed en Zeden!quot;

1814.

aan de wcl edele heeren

Me. W. BILDERD1JK en Mr. D. J. VAN LENNEP,

Aan de eedle twee, wier oog mijn wankle schredea

op 't glibbrig pad der Dichtkunst gadeslaat, tot Hollands eer door beider voet betreden,

biedt hier mijn hand in Nederlandsch gewaad

10

ocr page 45

AAN Mn. W. BILDERDIJK EN Mb. D. J. VAN LENNEP. 11

den grootschen zang van d* oorlogshaften dichter,

wien Melpomeen haar eersten lauwer schonk,

wiens naam en roem, als kunst- en vrijheidsstichter,

nog in den vloed der eeuwen niet verzonk; den grootschen zang, roemruchtig zegeteeken

op vreemd geweld en dwingelandenwaan,

door d' eigen arm, die 't vaderland hielp wreken,

Gevestigd eens, om nimmer te vergaan.

Maar wien, wien durft mijn lente 't bloemtjen wijden.

onsierlijk kroost van d'eersten zonnegloed?

Aan 't hoog vernuft, den glans van onze tijden,

in 't heiligdom der Dichtkunst opgevoed;

wiens stoute veer, in d'opgang van zijn jaren

een Sophocles in 't Hollandsch lied herschiep,

die op den klank der onweérstaanbre snaren

den outerdienst van d'echten smaak herriep?

En hem, die meê in vaderlandsche streken

zoo menig spruit der Grieken heeft herplant;

wiens kindschheid reeds de Roomsche luit deed spreken,

niet wagg'lend in de meesterlijke hand;

wien de eigen gloed het hart wordt ingedreven

door Latiums en Hollands dichtrengoón?

Het is aan U, door zoo veel roem verheven,

door 't fijnst gevoel voor 't hemelsch kunstensohoon, dat geestdrift voor de kunst, wellicht vermeten,

een gunstig oor, voor wat ze voortbracht, vraagt. Wat zeg ik? Neen: niet aan de puikpoëten,

waar de oude vest des Amstels roem op draagt, verstout ik my dees ruwen zang te heiligen,

op dat hun naam, op Pindus aangebeên,

de teêre vrucht der jonkheid mocht beveiligen,

of als een gift, hun grootheid waardig; neen!

Wier milde zorg geleerdheids eêlste schatten

ontdekt heeft aan 't verlangen van mijn jeugd,

en in dien les den kostbrer wist te omvatten

van 't ware goed, van wijsheid, recht en deugd;

dien biedt mijn hart dees versch gelezen bloemen van Griekschen stam, ofschoon verbasterd, aan. Vermocht mijn tuin op geurig loof te roemen,

of gaarde ik eens op de ingerende baan

ocr page 46

AAN Ma. W. BILDERDIJK EN Ma. D. J. VAN LENNEP.

laurier en palm, den prijs van dichterzangen,

ik sierde er u den achtbren schedel meè.

quot;Wilt dan dees blaan toegefelijk ontfangen,

en met dees blaan, de oprechtste hartebeê.

Bloeit, bloeit nog lang om kennis te verspreiden.

om Hollands eer te staven, om de bloem der jonglingschap op 't eenzaam spoor te leiden, dat naar de bron van Wijsheid voert en Roem! Brengt hen te rag, der Dichtkunst gouden dagen,

op Neêrlands grond, als Griekens, thans weêr vrij En word' haar dank u beiden opgedragen van na- tot nageslacht, zoo vurig als van my!

DE PERZEN,

DRAMATISCH DICHTSTUK.

P ETtSOK A A DJ EN.

xerxes, Koning van Perzié.

a tossa, weduwe van Darius en moedor van Xerxes.

kei van perzische g1ujzaabts.

dk schim van darius.

ben bode.

Het Tooneel is te Suze, in den voorhof van het koninklijk paleis, na by het graf van Darius.

EERSTE TOONEEL.

DE REt.

Het heir dor Perziaansohe scharen dat voor 't gewoel der krijgsgevaren den vaderlandschen grond verliet,

heeft ons de zorg van al hun schatten

ocr page 47

Dli PERZEN.

op 's Konings voorbeeld op doen vatten, die heel zijn machtig rijksgebied vertrouwde aan dees zijn uitverkoren.

Darius, dierbre telg! ach keer!

Breng ons die fiere manschap weer! O! mocht ik 't voorgevoel versmoren dat my een gruwzaam lot voorspelt!

Trok niet heel Azië te veld ?

Terwijl we in eindelooze klachten om onze jonglingschap versmachten, vergeefs van dag tot dag verbeid,

en in de wreedste onzekerheid een boo zelf vruchteloos verwachten. Gy Suze, Cissa, Ekbataan!

gy zaagt uw muren dan verlaten,

uw jeugd, gewapend tot soldaten, in woesten moed' naar 't strijdperk gaan, Hen voert de bloem van onze Grooten, Amistres, Artapbernes aan,

en Megabazes, deeigenooten van vorstelijke macht en eer,

en hoofden van een talloos heir van zaamgedrongen ruiterscharen en schutters vol ervarenheid;

een leger, tuk op krijgsgevaren,

wiens enkele aanblik schrik verspreidt.

Kiet minder uitgelezen helden verzeilen stouten Pharnaces,

Iméus en Artembares;

Daar zelfs de korenrijke velden,

bevrucht door 's Nijlstrooms koestrend slijk, ontelbare onverschrokken benden volijvrig tot hun koning zenden.

Pegaston, in 't Egipfisch rijk geboren, en die Memphis muren en Thebes oude vest besturen,

zijn aan de spits dier legermacht, 't Moerassig land geeft vlugge knapen om 't handig roeien hoog geacht. De Lydiër, in wulpsche pracht

ocr page 48

DE PERZEN.

■verzonken, rukte mee te wapen,

en volgt geheel het vasteland,

dat van het edelst krijgsvuur brandt,

en schaart zich moedig om de vanen

van 's konings machtige onderdanen,

wien hy dees streken heeft vertrouwd.

Het vorstlijk Sardes, rijk in goud,

geeft keur van kostbre wagenscharen,

Wier breede rangen ijzing baren.

Maar Mardon voert van Tmolus voet

zijn krijg'ren aan, in 't heetst verlangen

den Griek in ketenen te prangen.

Het roemrijk Babel zendt een stoet

van scheeplingen, en schuttersdrommen

die met geoefend oog en hand

den taaien boog niet vruchteloos krommen.

Ja! heel dit uitgestrekte land

heeft wat maar wapenen kon dragen

verlaten, en zijn' Vorst verzeld.

Nu slijten we onze droeve dagen,

het hart vol zorgen en bekneld.

By ouders beide en echtgenooten,

steeds in hun hoop te leur gesteld,

dient ieder dag, met angst geteld,

slechts om hun kommer te vergrooten.

KEER.

Ontzachlijk heir! gy zijt gegaan!

Gy hebt den Griekschen grond betreden, en brengt den vijand en zijn steden

in ieder tred verwoesting aan.

De zee, die Hella heeft verzwolgen,

had n vergeefs den weg ontzegd;

haar heeft, hoe schriklijk ook verbolgen uw arm in ketenen gelegd.

TEGENKEEK.

Da koning heeft aan alle kant 't verraschte Grieken overvallen

14

ocr page 49

DE PERZEN.

met onze duizend-duizend tallen,

ter zee gewapend en te land.

Hy voert hen aan, met al de Grooten

omgeven van zijn bloeiend njk; de Vorst, uit godenbloed gesproten, en goden-zelf in rang gelijk!

Met oogen schitt'rend van den gloed van heldenvuur en leeuwenmoed,

en op een rijk versierden wagen aan 't hoofd der benden omgedragen, voert hy den Perziaanschen boog de Grieksche spietsen tegen.

Wat vijand hoopt nog op de zegen, die tegen hem ten strijde toog? Wie waagt het, de opgezwollen stroomen met dijk of paalwerk in te toomen? Zoo schrik]ijk zijt ge, o Perzisch volk! Maar ach, een akelige wolk benevelt, blijde hoop! uw luister. Der goden wegen zijn ons duister: wat sterv'ling kan hun -wil weêrstaan? Des noodlots ijzren wet ontgaan? Of 't loosgespannen net vermijden, hem door der goden hand gespreid? ïe dikwerf door hun gunst misleid, tracht hy zijn loopkring te verwijden; en, altijd verder afgedwaald,

ziet hy zich eindelijk verraden,

vervoerd op afgelegen paden,

waar alle vluchtenspoging faalt!

EERSTE KEER.

Der goden bijstand beeft dit land beveiligd, en van alle kant

ten welvaarts top verheven.

Dankt, Perzen! dankt het haar alleen, die zelfs de sterkst bemuurde steên voor uwe vuist deed beven.

ocr page 50

DE PERZEN.

EEBSTK TEGENKEER.

Dankt haar, die u den wijden vloed, in 't golven schuimend en verwoed,

in 't eind deed overkomen.

Toen ge u een veilgen overtocht op zaamgebonden kielen wrocht,

betemmers van de stroomen!

TWEEDE KEER.

0! laat die gunst u nooit verlaten!

Klink' nooit die rouwkreet door uw straten,

o Suzea teergeliefde vest!

Die kreet, wiens doffe klank mijn harto ontzet door ongekende smarte:

wee, wee het Perzische gewest!

TWEEDE TEGENKEER.

Begeeft my, aaklige gedachten!

Zoudt ge ook, o Cissa, van die klachten

weêrgalmen in uw hoogen wal? Uw vrouwen zich de sluiers scheuren,

door geen vertroosting op te beuren, in wanhoop om des legers val'?

DERDE KEER.

Gelijk een digte bijëuwolk stoof overal het dappre volk uit onze rijkbewoonde steden.

De zee, die ons van d'overkant wou weeren, ligt gedwee in band: en Xerxes leger heeft Europische aard betreden.

DERDE TEGENKEER.

De teedre vrouw slijt dag en nacht in afgebroken klacht op klacht, en 't eenzaam bed is nat van tranen. Het jeugdig, zacht gevoelend hart kwijnt weg in nooit verpoosde smart om d'ega, die haar liet voor 'sKonings heldenvanen.

16

ocr page 51

C.E PERZEN.

Waartoe, waartoe, die ramp gespeld?

Neen' voelen we ons van zorg doorknagen

voor hunne ons overdierbre dagen, —

kom, laten we eer naar de aankomst vragen

eens boden, die ons licht den staat van 't leger meldt,

en tijding geeft van 's vorsten leven,

on wie verwinnaar is gebleven:

de boog der schutters van het Oost

of 't puntig staal van Griekens kroost? —

Maar 's Konings moeder richt haar schreden

tot ons, met glans omstraald gelijk het oog der goön.

6y, bidt haar aan naar onze zeden,

en zij uw hulde haar al knielend aangeboön!

TWEEDE TOONEEL.

ATOSSA, DE REI.

DB REI.

Verheven Koningin der trouwe Perzianen!

Ontfang den 'welkomstgroet van minnende onderdanen, gy, eedle koningsweeuw en moeder van een god van welvaart voor dees Staat, zoo 't albestieiend lot niet keerde, maar ons steeds voor rampen blijft behoeden!

ATOSSA.

Helaas! dit enkel woord doet my het harte bloeden, 't Is daarom, dat ik thans het vorstlijk huis verlaat, en troost en balsem wacht, mijn vrienden, van uw raad. Ik zal u de oorzaak van die jagende angst verklaren, 'k Vrees voor ons Staatsgebouw, te hoog in bloei gevaren. Och! dat dit roemrijk werk, door hemelsche gena gevestigd, niet op eens ter neêr storte en verga!

Een volk, hoe talrijk, zoo 't van rijkdom is verstoken, is kwijnend, maar zijn kracht wordt eerder nog verbroken, waar 't rijk, van schatten vol, gebrek aan manschap heeft. Die ramp is 't waar mijn hart (en zonder end) voor beeft. Wee, wee ons, zoo dit land zijn jonglingschap moest derven! Getrouwen! laat ik heul van uwe reên verwerven! i. 2

17

ocr page 52

DE PERZEN.

Op u heb 'k steeds gesteund: jhet is uw grijzend hoofd wiens wijsheid my ook thans vcldoenden raad belooft.

DE REI.

Doorluchtigste! zoo naauw aan 't vorstlijk huis verbonden, hebt ge ons in raad en daad steeds blakende gevonden; en nimmer wordt die gloed in 't dankbaar hart gebluscht.

ATOSSA.

Mijn slaap wordt ieder nacht door droom op droom ontrust, sints mijn geliefde zoon, verwoed op Griekens steden, op keur van benden trotsch, hun bodem heeft betreden.

Maar nooit nog heeft me een droom met zulk een angst bekneld als 't nachtspook dat mijn geest dees nacht werd voorgesteld.

Een jeugdig vrouwenpaar verscheen me, en hield mijn oogen door dracht en houding van verwondring opgetogen.

De een hing het Perzisch kleed bevallig om de leên,

maar de andre sierde een Grieksch, bel in aanloklijkheên onovertrefbaar. In de fijnbesneden trekken was aanstonds op het klaarst haar zusterschap te ontdekken. Gescheiden door het lot, had deze op Griekschen grond,

gene in dit werelddeel haar zetel. Nu ontstond er twist en grimmigheid, dat beider oogen blonken.

Maar Xerxes nadert haar, en dooft die oorlogsvonken,

maar voert ze met zich meê op 't eigen oogenblik,

en kromt haar onder 't juk, nog roerloos van den schrik, slaat haar zijn teugels om, en ketent ze aan zijn wagen. De een biedt geen tegenstand, vereerd den boei te dragen van d'onverwinbren Vorst van 't Perzische gebied:

maar de andre brandt van toorn, daar zy geen rang ontziet, en rukt zich spartlend los, en waagt het, vrij van banden, den vorstenwagen vol verwoedheid aan te randen,

en trapt het haatlijk juk en scheurt de wielen af.

De vorst stort neer. Ik zie Darius, uit zijn graf verrezen, met een zucht dit droef tooneel aanschouwen, en mijn verneêrden zoon in steeds ontroostbrer rouwen versmelten, 'k Zag dit, en het nachtgezicht verdween, 'k Stond op, en liep vol drift naar zuivre bronnen heen om met een reine hand de goden te vereereu met offers, dat hun gunst dit onheil af mocht keeren. Op eens vernam mijn oog een snellen adelaar

ocr page 53

DE PEEZEN.

(een havik vloog hem na) zich spoedend naar 't altaar. Ik voelde op dit gezicht mijn gorgel toegeknepen.

Reeds heeft de haviksklaauw den vluchtende aangegrepen en pijnigt hem den kop, die zelfs geen weerstand biedt. Ziedaar wat in mijn hart die siddring achterliet.

Wat roem had Xerxes van een zegepraal te wachten! En thans — voorzie 'k den val van zoo veel legermachten. Zoo 't noodlot hem verried.... o! Blijv' hy slechts gespaard, geen neêrlaag maakt hem ooit de koningskroon onwaard.

DE REI.

Wy wagen 't niet. Mevrouw! dit wonder te verklaren:

roep Godenbystand aan, en wil geen offers sparen,

opdat hun almacht die verschrikkelijke wolk verdrijve en zegen storte op u, uw kroost en volk;

en pleng een heilig vocht aan de onderaardsche streken;

licht schenkt uw echtgenoot, vol deernis met uw smeeken en nederige offers, uit het diepst van 's afgronds nacht versterking aan dit rijk en zijn doorlucht geslacht.

Dees raad slechts kunnen we u in uw bekommring geven — en mooglijk wordt zij dus in beter uur verdreven.

ATOSSA.

Mijn dierbren! in dees taal, voor 't lijdend hart zoo zoet, blinkt schittrend in mijn oog uw vroom, uw trouw gemoed. Het lot vervulle uw wensch! 't Paleis weêr ingetreden,

draal ik geen oogwenk meer met reukwerk en gebeden en aai-de- en hemelgoön te naadren. Melde uw mond my dit nog: aan wat kant ligt toch de Atheensche grond?

DE REI.

In 't Westen.

ATOSSA.

En dees stad poogt Xerxes te vernielen?

DE REI.

Heel Grieken zou met haar voor 's konings schepter knielen.

ATOSSA.

En waakt een groote macht tot hoede van haar muur?

DE REI.

Ons heir beproefde 't eens. En ach! het stond ons duur.

19

ocr page 54

DE PERZEN.

ATOSSA.

En heeft ze ook schatten, waar de steden meest door bloeien ?

DE KEI.

Ja, mijnen heeft ze, die van zilver overvloeien.

ATOSSA.

En zijn hun .schutters vlug met pijl en schietgeweer?

DE BEI.

Zy strijden met geen boog, maar met den vasten speer.

ATOSSA.

Wat vorst is aan hun hoofd?

DE BEI.

Zy noemen dit, als slaven in 't onverdraaglijk juk van koningen te draven!

ATOSSA.

Een ordelooze hoop durft de onzen dan weêrstaan ?

DE KEI.

Ach! eens deed zulk een hoop Darius heir vergaan.

ATOSSA.

O al te wreede zorg, voor 't weeke moederharte!

DE BEI.

Versmoor, Mevrouw! een wijl die pijnigende smarte.

Een bode nadert ons. Verkondig' hy ellend

of heil! de onzekerheid, voor 't minste, spoedt ten end.

DERDE TOONEEL.

ATOSSA, DE REI, EEN BODE.

DE BODE.

O smart! o vaderland! o eenmaal blijde steden

van 't schittrend Azië! Wat hebt ge een ramp geleden!

Hoe deed een enkle dag der Perzen heil vergaan

met heel uw voor'gen glans! Helaas! wal gaat my aan?

20

ocr page 55

DE PERZEN.

Ik breng, tot overmaat der jammren die mii drukken,

u nog de bittre maar van al uw ongelukken.

Maar ach! het moet zoo zijn. 'k Weersta den nood niet meer Verneemt, verneemt den val van 't gantsche Perzisch heir.

DE REI. — EERSTE KEER.

Helaas! wat donder trof mijn ooren?

Wat schrikbre ramp brengt my dees dag?

Wie zal in tranen niet versmoren na zulk een pletterenden slag?

DE BODE.

't Is alles redloos. 'k Heb ter naauwrernood mijn leven-van 't hoogst gevaar gered en my tot u begeven,

DE REI. — EERSTE TEGENKEER.

0 droevig einde van mijn dagen!

Ik heb te lang, te lang geleefd!

Nu de ijslijkste van 's noodlots slagen mijn dierbaar land getroffen heeft.

DE BODE.

Helaas! het is te waar. Geen ander deelde my 't verhaal dier neerlaag meê. Ik zelf, ik was er by.

DE BEI. — TWEEDE KEER.

Helaas! de keur van onze helden

werd vruchtloos uitgerust ten strijd.

Zy vielen neêr op Griekens velden,

aan 't machtig Godendom gewijd.

DE BODE.

Het strand van Salamis en de omgelegen vlekken

zag 'k met d' onmeetbren hoop dier lijken gantsch bedekken

DB REI. — TWEEDE TEGENKEER.

Daar dobbren dan die dappre scharen

op de altijd rustelooze zee,

ten spel der hobbelende baren met de afgedwaalde wrakken meê?

DE BODE.

Geen moed, geen wapen mocht hier baten; heel de vloot vond in den heetsten strijd een jammerlijken dood.

21

ocr page 56

DE PERZEN.

DE KEI. — DERDE KEER.

O wee! wat kan ons leed verzachten

o Perzen! by uw ondergang?

Stort uit, stort uit uw bittre klachten in 't allerroerendst treurgezang!

DE BODE.

0 haatlijk Salamis! o hatelijk Athenen!

Hoe zullen we ooit uw naam herdenken zonder weenen.

DE REI. — DERDE TEGENKEER.

Hoe dikwerf, ach! hebt ge onze vrouwen,

Atheen, tot raadloosheid gebracht;

terwijl ze om de echtgenooten rouwen die door uw handen zijn geslacht!

ATOSSA.

'k Bleef sprakeloos, van schrik, by zulk een maar verplet, die me al mijn krachten stremt, en 't schreien-zelf belet: en bevend vrage ik u 't verhaal dier ongelukken.

Maar ach! de stervling moet voor 'snoodlots wetten bukken. Herneem dan zelf den moed, en ik, ik hoor bedaard uw andwoord aan. Wie heeft de wreede dood gespaard ? Wat hoofden zaagt ge hem 't verstrooide volk ontscheuren? Wat helden moet ons hart, met 'siegers val, betreuren?

DE BODE.

Voor 't minst uw zoon, Mevrouw! is 't stervenslot ontvlucht.

ATOSSA.

0 onverwachte troost! Gy geeft mijn boezem lucht.

Een straal van vreugde dringt zich heen door zoo veel wolken

voor heel ons treurend huis en zijn verneêrde volken.

DE BODE.

Maar 't hoofd van duizenden, de stoute Artembares,

viel neêr op 't bloedig strand, en veldheer Dadaces werd, doodelijk gewond, in 't bruischend nat bedolven.

Hier stort op Ajax grond, omsingeld van de golven,

het lijk van Tenago, dien fleren Bactriaan;

daar valt Pheresbus niet Adena, van de monden des afgelegen Nijls uw zoon ter hulp gezonden.

ocr page 57

DE PEEZEN.

van uit het hooge schip in zee; aan de andre zij

Metallus, 't strijdbaar hoofd der zwarte ruiterij.

Dees, prachtig uitgedoscht in 't schitterende wapen,

ziet overal den dood hem dreigend tegengapen,

en verwt in eigen bloed de schoone, blonde baard.

'k Zag wijzen Arathus neertuimelen ter aard,

hem volgden Artames en dappere Arimardes,

(ontzettelijke ramp voor 't glorierijke Sardes!)

Amistris, Sisames, Amphistreus, zoo geacht

•om 't slingren van zijn schicht met meer dan mannenkracht.

De schoone Tharybis, die vijfmaal vijftig schepen

ten striid voert, wordt met hen door 't moordstaal aangegrepen.

Syennezis vindt meé den eedlen heldendood;

hy, die den krijgren van Cilicië gebood,

hy, steeds gewoon in 't bloed van vijanden te baden

en om zijn deugd geroemd als om zijn oorlogsdaden.

Zie daar, die 's noodlots toorn ons heir betreuren deed.

en ach! hoe weinig nog by alles wat het leed!

ATOSSA,

Wat treurenswaard verlies van onze grootste helden, wat onuitwischbren smaad kwaamt ge ons, bedroefden, melden! Heeft dan zoo groot een macht gebukt voor Griekens vloot ? Gy, spreek! wat stelde ons toch aan zulk een onheil bloot? Hoe groot dan was 't getal der Grieksche schepelingen? Hoe dorst het tegen ons naar de overwinning dingen ?

DE BODE.

Helaas! o koningin! 'k beken 't, tot onze schand,

de vijand had, naar 't scheen, slechts luttel tegenstand te bieden, en zijn vloot scheen lichtlijk te vernielen. Zy streden met niet meer dan vijfmaal zestig kielen,

tien uitgelezen, en de Perzen met een macht van duizend, uitgerust met ongelijkbre pracht.

En echter vielen wy, door 't. Grieksche staal verwonnen. Gewis, ter kwader uur werd deze krijg begonnen! De wreedheid van een God, ons eenmaal bloeiend land vijandig, boog de schaal van 't noodlot naar hun kant.

ATOSSA.

Een God beschermt de stad, Minerva toegeheiligd.

23

ocr page 58

DE PEEZEN.

DE BODE.

Onneembaar is ze, ja, en voor geweld beveiligd,

zoo lang der burgren arm haar vestingmuur bewaart.

ATOSSA.

Maar was de Grieksche vloot het eerst ten strijd geschaard Of heeft mijn dierbie zoon den vijand aangevallen, veitrouwend op de hulp van zoo veel duizendtallen?

DE BODB.

Voot zeker heeft een God of woedend heigedrocht,

vóór d' aanvang van 't gevecht, die nederlaag gewrocht. Ors had een vluchteling van uit het heir der Grieken bericht, dat als de nacht zijn zwartgeverwde wieken zou uitslaan, hunne vloot, voor onze macht beducht,

geen zeestrijd wagen, maar een onverwachte vlucht te baat zou nemen en 't gevreesd gevaar ontloopen, als stond geen andre weg voor hun behoudnis open.

Naauw had de looze Griek geëindigd, of uw zoon (onkundig van zijn list en van den haat der Goön)

geeft overal bevel dat, als de zonnestralen ten westen, en de nacht op 't aardrijk neer zou dalen, de gantsche vloot zich schaar' op een driedubble rij,

op dat de vlucht ter zee den Griek onmooglijk zij, en 't strand van Salamis aan alle kant besloten ;

en zoo de vijand nog, zich reddende in zijn boten,

't gevaar ontkomen mocht en onze waakzaamheid,

dan was den schepeling een wisse straf bereid.

Wy zouden, vruchteloos geknield voor 's konings voeten, onze onvoorzichtigheid met onze hoofden boeten.

Zoo waant hy, vol van hoop; helaas, hoe min verdacht op de ongena van 't lot en 't onheil dat hem wacht; Op 's konings hoogen wil stelt elk der schepelingen zich onverwijld in staat den vijand te bespringen,

gesterkt met spijs en wijn; en bindt de riemen aan,

om op den eersten wenk ten vaart gereed te staan.

Maar toen de glans der zon den hemel had verlaten,

vliegt alles saam naar 't strand, en roeiers en soldaten, en klimt de schepen op, en spoort vol vuur en moed zijn tochtgenooten aan tot d' allermeesten spoed.

Wy glijden op en neer op 't wentlen van de baren,

ocr page 59

DE PERZEN.

gehoorzaam aan 't bevel der hoofden, en bewaren

den uitgang ons vertrouwd, en hadden heel den nacht

met brandend ongeduld den vijand afgewacht.

Nu was de duiscernis reeds van den trans geweken;

nog merken we aan het strand geen kiel of vluchtensteeken.

Maar naauwlijks breekt de zon de bleeke kimmen door,

of ijlings treft een kreet ons gretig luistrend oor,

een kreet met zang vermengd, dien de Echo van de rotsen

Terdubbeld wijd en zijd tot ons te rug doet botsen.

Een plotselijke schrik gaat onze dappren aan,

vervallen op dien klank van hun langduurgen waan:

Want ach! het is geen klacht van weeke vluchtelingen,

maar heldenoorlogszang, wat thans de Grieken zingen,

ontstoken op 't geschal der hooge krijgstrompet:

reeds bruischt de holle zee door hunne vloot bezet,

reeds schuimt zy op den slag van 't samenruischend roeien;

en eindlijk zien wy hen tot onze kielen spoeien.

De rechtervleugel gaat de gansche macht vooruit,

op 't schoonst ten strijd geschaard; terwijl een woest geluid

van kreten zonder end zich opheft tot de wolken,

en dus onze ooren treft: „O Griekens eedle volken!

„Strijdt, strijdt uw vaderland van vreemde heerschzucht vrij,

„uw vrouwen en uw kroost van 's vijands woestaardij,

„met de outers van de GoOn, met uwer vaadren graven:

„dees dag beslist uw lot, en maakt u vrij of slaven!quot;

Ons heir heft van zijn kant een schrikbren wapenkreet,

elk in zijn tongval, aan, tot strijden bei gereed.

Nu raakt men handgemeen: de menigte der schepen

heeft reeds van wederzij elkander aangegrepen.

Een Grieksche hulk, die 't eerst aan 't hoofd van 's vijands vloot

't gevecht begon, vernielt een Perziaansche boot.

Wij hadden moedig reeds den aanval afgeslagen,

tot we allen eensklaps ons op 't naauwst besloten zagen

in de engten, dat geen schip tot 's anders redding spoên,

noch iets de Perzen voor een neBrlaag kon behoên.

Wy hooren het gebots der saamgehorte kielen,

en zien onze eigen vloot zich in dien schok vernielen.

De wreede winnaar valt met dubbel woeden aan,

en doet de schepen in 't verzwelgend nat vergaan.

De golven zijn verkeerd in purperroode stroomen,

25

ocr page 60

DE PERZEN.

met wrakken overdekt; de menigte, omgekomen

in 't strijden, ligt op rots en bank en strand verspreid.

Wy hadden vol van schrik ons tot de vlucht bereid,

maar nog moest 's vijands wraak de matte vloot vervolgen.

Hy laat geen oogwenk rust, maar slaat, op 't felst verbolgen,

ons droevig overschot, gelyk een visschenzwerm,

met brokken mast en riem te pletter. Een gekerm

van smart en wanhoop doet zich onophoudlijk hooren,

tot daar de schaSuw der nacht dien gruwbren moord kwam storen.

Neen! 'k melde u niet al 't kwaad dat Xerxes leger leed,

al breidde ik dit verhaal tien dagen uit. Want weet

dat nooit de zonnekar de kimmen heeft beklommen,

ter neêr ziende op den dood van zoo veel heldendrommen.

ATOSSA.

Wat onbeperkte stroom van rampen zonder tal brengt met ons vaderland heel Azië ten val!

DE BODE.

En 'k deed u nog niet eens de helft der plagen hooren,

wier ijslijkheid ons trof. Nog was ons één beschoren,

die op 't verdrukte hoofd met dubble zwaarte woog.

ATOSSA.

Wat nog verschrikbrer lot viel op ons van omhoog? Ach! meld my, welk een slag na zoo veel bittre slagen ons tot nog dieper smaad en wanhoop kon verlagen ?

DE BODE.

Helaas! die fiere rij van onze schoonste jeugd,

die schitterend in rang, en groot in oorlogsdeugd, met onverbreekbre trouw des konings macht verzelde,

werd uitgedelgd door 't zwaard, dat heel ons leger velde.

ATOSSA.

Mijn vrienden! ik bezwijk, verwonnen van de smart.

'k Wil echter, 'k wil, bedrukte, in weêrwil van mijn hart, al 't onheil weten dat dien braven is weêrvaren.

DE BODE.

Niet ver van Salamis, aan d'andren kant der baren,

ligt midden in hun schoot een naauwgenaakbaar land,

waar Pan zijn herderen ten feestdans voert op 't strand.

ocr page 61

DE PEEZEN.

Daar wordt die eedle jeugd vóór 't strijden heen gezonden,

op dat zy, zoo de Griek, door ons gevveld ontbonden,

daar hulp en veiligheid of nieuwe krachten zocht,

zijn laatste poging in zijn bloed versmoren mocht,

en de onzen redden uit den drang der zeegevaren.

Maar anders moest de wil der Goden zich verklaren!

Be zege had zich nu aan 's vijands zij gehecht,

en hy, nog afgemat van 't bloedige gevecht,

springt straks zijn kielen uit en schaart in naauwe kringen

zich om het eiland rond; dat onzen jongelingen

geen uitkomst overblijft, noch wegen om te vliên.

Zy zoeken in dien nood nog wederstand te biên

met vlugge pijl op pijl en pletterende steenen;

maar alles is vergeefsch: hun doodsuur is verschenen.

De vijand valt op eens vereenigd op hen aan

(onmachtig dit geweld nog langer te weerstaan)

en staakt zijn woede niet, van trots en wrevel dronken,

voor ze allen aan zijn voet zieltogend zijn gezonken.

Uw zoon barst middlerwijl in bitt're tranen los:

van op een heuveltop naby het golfgeklots

had hy op 't moordtooneel zijn benden ga geslagen.

Nu ziet hy ijzend neêr op d' afgrond onzer plagen

en scheurt, van wanhoop dol, het vorstelijk gewaad

aan stukken, geeft bevel tot d'aftocht, en verlaat

het slagveld, om met ons op 't spoedigste te vluchten.

Die mare hadt gy nog bij al uw ramp te duchten!

ATOSSA.

o Goon! wat valsche hoop hebt gy ons aangeboón!

Is dit, is dit de wraak voor d' onvergeetbren hoon,

dien 't wijdberoemd Atheen ons eenmaal deed weêrvaren? Of heeft geen bloed genoeg van Perziaansche scharen op 't ons noodlottig veld van Marathon gevloeid?

En moest dan, als mijn zoon dien schandvlek zoo verfoeid poogt uit te wisschen, een nog schrikbrer onheil volgen? Ach! meld ray waar het lot, op de onzen zoo verbolgen, der schepen overschot voor 't minst belanden deed?

DE BODE.

De hoofden stelden zich ter wilde vlucht gereed,

en vliên, op willekeur van golf en wind gedreven.

27

ocr page 62

DE PERZEN.

Van 't ons nog ovrig heir verloor een deel het leven

naby Beotië, van dorst en hitte droog,

daar reeds een frissche bron zich opdeed aan hun oog.

Wy, moede en uitgeput, van rust en spijs versteken,

wy loopen Phoois af en Doris hooger streken,

en waar Sperchéus 't veld met vruchtbre stroomen drenkt

tot daar Thessalië ons een korte schuilplaats schenkt.

Hier zagen wy op nieuw ontelbren onzer vrinden

in honger en gebrek het aakligst sterflot vinden.

Wy, door Magnezië en het Macedonisch rijk

by Axius rivior en Bolbes rietig slijk

tot aan Pangéus berg in 't eind gevorderd, spoedden

naar 't naadrend Thracië, wanneer 't ontijdig woeden

des winters ons den stroom des zilvren Strymons sloot.

Nu smeekten we of ons aard of hemel bystand bood.

en zelfs wie voor dien tijd het Goddelijk vermogen

miskend had, hief met ons zijn noodgebed ten hoogen.

Dus bidden wy de Goón om hulpverleening aan

en wagen het den rug der waatren op te gaan.

Wy stappen veilig op de toegevroren baten,

zoo lang wy nog geen glans aan de Oosterkim ontwaren:

maar toen de zonnekar in brandend licht verscheen,

drong zich zijn hette door 't kristal der stroomen heen

en smolt ze. 't Ovrig heir dat d' overkant der golven

nog niet bereikt had, werd geheel in 't nat bedolven:

en zalig die het eerst den veegen aam verloor!

Wy — kwamen Thracië en haar hindernissen door,

en zien u eindlijk weêr, o vaderlandsche streken!

Maar ach! hoe moet die komst het Perzisch harte breken,

wien onze kleine hoop herinnert aan 't gemis

der dierbre manschap die ons afgestorven is!

Zie daar een deel. Mevrouw, dier onoptelbre plagen,

waarmee der Goden toorn dees landen heeft geslagen.

DE KEI.

Ontzachelijke Goön! hoe heeft uw overmacht in onbeperkte woede ons rijk ten val gebracht!

ATOSSA.

Zoo is dan onze jeugd, o Perzië! omgekomen.

Neen! gy bedroogt my niet, gy spoken, me in mijn droomen

ocr page 63

DE PERZEN.

verschenen, die ray 't lot mijn ramp ten voorboó zond!

Gy, grijzen, die dien wenk miskendet, toen uw mond

mijn angst wou stillen, 'k zal uw raad niet minder volgen:

'k zal plengen aan de Goon, op ons geslacht verbolgen,

en offeren aan de aard en 't bleeke schimmenrijk.

Ik weet, 't geleden kwaad is onherroepelijk.

Maar 't noodlot kan ons nog voor nieuwe jammren dekken.

O! laat uw trouwe zorg my thans tot hulp verstrekken!

Beraadt u onvermoeid en naar der zaken eisch;

en als mijn droeve zoon het vorstelijk paleis

genaakt, leidt gy hem in en troost hem, o mijn vrinden!

En laat zijn lijden hier voor 't minst een eindperk vinden!

VIERDE ÏOONEEL.

DE KEI.

O machtige Oppervorst der Goon,

wiens albeschikkende geboón de ontelbre macht van onze helden op vreemden grond ter neder velden,

zie door uw gramschap Ekbataan en Suzes vest in smart vergaan!

Zie op de tranen onzer vrouwen;

zie ze om ons onheil troostloos rouwen, en rukken met de zachte hand zich hoofdhair af en zilvren band!

Zie heel een schaar van trouwgenooten, die pas den echtknoop heeft gesloten en reeds den echtgenoot betreurt,

haar in 't noodlottigst uur ontscheurd! O kwelling naauwlijks te verdragen!

Zy zal de schoonste van haar dagen van 't zuiver heilgenot beroofd,

haar in dien blijden staat beloofd,

in 't aaklig wednwbed verteeren!

Wat kan de wanhoop van haar keeren ?

Ik zelf, helaas! ik vnei elk oogenblik mijn rouw verdubblen, nog verpletterd van den schrik.

EERSTE KEER.

Hoe treuren de omgelegen velden,

29

ocr page 64

DE PERZEN.

van heel haar mannenteelt ontbloot! Ach Xerxes, Xerxes! moest ge uw helden

ten offer voeten aan den dood?

Och! of een God u had weêrhouên van 't roekloos macht- en zelfvertrouwen

bij d' aanvang dier onzaalge tocht, en 't spoor doen volgen van uw' vader, die, held en vreedzaam vorst te gader,

zijn' volken niet dan weldaan wrocht?

EERSTE TEGENKEER.

Gy! zwarte, vluggewiekte kielen,

met onzer mannen keur belaan! Gy zaagt die dappren dan vernielen,

en alles in hun val vergaan!

De koning zelf, in vreemde landen ter nauwernood uit 's vijands handen behouden door een snelle vlucht,

keert, eindlijk dit gevaar ontkomen,

door Thraciës bevroren stroomen terug in vaderlandsche lucht.

TWEEDE KEEK.

Helaas! hoe menig onzer braven,

op Cychreus heilig strand gedood,

ligt daar misvormd en onbegraven,

verlaten in dien bangen nood!

Ja! laat ons treuren! laat ons klagen! Dat niets voor 't minst na zoo veel plagen

de klanken onzer droefheid stuit'; en 't hart door rouw van één gereten, galme Echo onze wanhoopkreten

door lucht en wolk ten hemel uit!

TWEEDE TEGENKEER.

Hun lijken dwarrlen met de golven

van holle draai- tot draaikolk meê, of zijn in d' afgrond reeds bedolven,

of 't aas der monsters van de zee. O vaders, wien uw zoetste panden door 't staal in 's overwinnaars handen van 't bloedend harte zijn gerukt,

so

ocr page 65

DE PERZKN.

boe stelt ge een eindpaal aan uw klachten ?

Wat zal het foltrend leed verzachten,

wiens last uw grijze haren drukt?

Nu zal der Perzen vorst geen wetten aan heel dit werelddeel meer zetten,

noch van de hoogte van zijn troon de schatting, knielend aangeboon,

ontvangen; want, o smaad! zijn luister verzonk voor eeuwig in het duister met d' ouden rijkdom, bloei en macht.

Ja! bij 't vervallen onzer kracht zal elk dier volken 't juk verbreken, als vrijgeboren handlen, spreken,

niet meer bedwongen door geweld.

Helaas! waar 't leger is geveld,

daar werd, met hun ontzielde leden,

geheel het Perzisch rijk in 't bloedig stof vertreden.

VIJFDE TOONEKL.

ATOSSA, DE BEI.

ATOSSA.

Wien 't wanklend hulkjen op de golf van 't leven voert, zoo lang geen stormgeweld den afgrond nog beroert,

verheft zich op de rust der winden, vol vertrouwen,

dat 't noodlot hem ter gunst hen zal geketend houên —

Maar de opgeruide zee heeft op zijn kiel gewoed:

vervlogen is de waan in quot;t kommervol gemoed;

het kleinste golfjen baart hem doodsangst. Dus, mijn vrinden ï voel ik my 't krimpend hart van zorg en rouw verslinden. In ieder voorwerp, waar 't beneveld oog zich wend',

dreigt my de haat der Goön. 'k Hoor zuchten zonder end, en klachten, die een kou verspreiden door mijn aadren.

Ziet thans uw koningin verslagen tot u naadren, van koninklijken praal en kleederdracht ontbloot.

'k Breng treurige offers aan den Vorst, mijn echtgenoot: Sneeuwwitte melk, de vrucht van vetgeweide koeien,

zal op 't gewijd altaar zijn schim ter eere vloeien.

81

ocr page 66

DE PERZEN.

met honig die de bij uit keur van bloemen wrocht, en onvermengden wijn, en 't kristallijne vocht van bronnen, in wier stroom nooit stervelingen baadden. Het steeds herboren groen der malsche olijvenbladen en 't kroost der weeldrige aard, tot kransen zaamgevlecht hang ik het outer om. Gy middlerwijl, ontzegt me uw zangen niet, en moog', geroerd door uwe beden, Darius éénmaal nog dees dierbren grond betreden!

DE REI.

Vervul, Vorstin! vervul den offerplicht.

die 't aardrijk gunstig moge ontfangen!

Wy storten lof- en offerzangen,

aan de onderaardsche Goon gericht,

en smeeken de uitkomst op 't u dringende verlangen. Gy, sombre üodheên onder de aard!

Gy, die de doón in Plutoos rijk vergaart!

Gy, zelf, o Opperheer der dooden!

zy, door dees kreet Darius geest ontboden in 't langgemiste levenslicht,

en 't hoog besluit der strenge Goden ons door zijn bleeken mond bericht!

EEKSTE KEEB.

O Vorst, gezegend aan de Goon!

daalt niet dees noodbeê tot uw ooren,

als we in de angstvalligheên, die ons de ziel doorboren

met luiden, hartversmeltbren toon de rust van aard en hemel storen?

Treft, treft ons prangend zielsverdriet in 't diepst zelfs vau de hel uw teedren boezem niet?

EERSTE TEGENKEER.

Ontsluit, o hel, de onschendbre poort, van diamanten zaamgeklonken:

zij hy ons schreiend oog een oogwenk weêrgeschonken, de Vorst, de God, met wiens gebooit'

dit eens zoo bloeiend rijk mocht pronken!

Hergeef, hergeef hem aan den dag,

o aard, wier bodem nooit zijn wedergade zag!

ocr page 67

DE PERZEN.

TWEEDE KEER.

Ja, heilig zijt ge ons, en het oord waaraan we, o Vorst, uw asch belrouwden!

Worde onze klaagstem aangehoord!

Herzie, op Plutoos krachtig woord,

't paleis, waarin we uw' glans zoo menigmaal aanschouwden!

TWEEDE TEGENKEER.

Geen dolle zucht naar macht en roem kwelde, onder u, de Perzianen,

noch riep des noodlots ijzren doem op uwer jongelingen bloem,

o vader, aangebeên van dankbare onderdanen!

DERDE KEER.

Ontzachbre, groote, dierbre Honing!

sla onze hartebeê niet af!

Rijs uit de holle doodenwoning

op d' oever van uw heilig graf!

Verschijn voor onze eerbiedige oogen,

gy, nog door gantsch uw volk geloofd!

van 't purpren koningskleed omtogen,

de rijke sluierkroon op 't hoofd!

DERDE TEGENKEER.

Wy zullen vreemde jammren melden,

verschriklijk voor het Perzisch oor:

den dood der duizend duizend helden,

die 't rouwend vaderland verloor.

Da Styxkolk met verpeste dampen

besmette de onbewolkte lucht:

verschijn, verschijn, verneem de rampen waar onze bange borst om zucht!

SLOTZANG.

Wy zitten troostloos aan de randen van uw door tranen vochtig graf,

Want ach! de schepter in uw handen weerde allen rampspoed van ons af.

De dood, die u heeft aangegrepen,

sleepte onze welvaart met u meê;

3

ocr page 68

DE PEBZEN.

en — met de menigte onzer schepen zonk onze welvaart in de zee!

ZESDE TOONEEL.

DE SCHIM VAN DAK1US, DE KEI, ATOSSA.

DB SCHIM.

Getrouwe grijzaartsrij en steunsels van dit rijk,

my, in der jaren bloei, in ouderdom gelijk!

Wat onverwachte ramp heeft u dus overvallen'?

Van waar dit naar gekerm in Suzes dierbre wallen? Wat jammren trof mijn oor in 't stil verblijf der dood? Ik nam het offer aan, dat my mijn gade bood,

en rees, gedrongen door uw sombere gezangen.

De hel ontsluit zich licht om hoopen doón te ontfangen. maar laat geen uitgang vrij aan d'eens verzwolgen buit: my echter liet haar Vorst, mijn rang vereerend, uit, en 'k vloog, om in den rouw die u verteert, te deelen. Gy, spreekt, en wilt my niets van wat u trof verheelen.

DE REI.

Op dees ontzachelijken stond staar 'k roer- en spraakloos op den grond;

de stem besterft my in den mond.

DE SCHIM.

In het koel verblijf der schimmen werd mijn rust door u gestoord 'k Hoorde uw bede, en ijlings spoedde ik naar dit onvergeetbaar oord En nu draalt ge en blijft beweegloos, ach, verdrijft dien ijdlen schrik 'k Toef niet lang, de tijd is kostbaar, maak gebruik van 't oogenblik

DE KEI.

'k Tracht vruchteloos mijn vrees te smoren,

ik zal u jammeren doen hooien,

die heel dit volk het hart doorboren.

DK SCHIM.

Heerscht die vrees zoo onverwinbaar in dees eerbiedwaarde rij, dierbre vrouw, eens deelgenoote van mijn sponde, meld dan gy wat dit zuchten, wat dit snikken, in ons Suze deed ontstaan?

34

ocr page 69

DE PERZEN.

Wees bedaard; gy weet, geen stervling kan des noodiots wil ontgaan: tegen hem spant de aarde zamen met den hemel, met de zee, oin zijn leven te verbittren door onafgebroken wee.

atossa.

0 gelukkigste der vorsten toen gy 't levenslicht genoot! Hoogstgelukkig in de welvaart van het rijk dat gy geboodt,

dat uw troon vereerde en aanbad als den zetel van een God! Ik benij uw zalig sterven. Ja, het eigen zeegnend lot sloot uw oogen voor de rampen die ons thans ter nederslaan. Slechts één woord omvat al 't onheil: 't is met perzik gedaan.

de schim.

Wat geluid verrascht mijn ooren? Viel dit bloeiende gewest door het oproer onzer volken of door d'adem van de pest?

atossa.

Neen! ons leger werd verpletterd voor de muren van Atheen.

de schim.

Onder wien van onze telgen trok het Perzisch heir daar heen ?

atossa.

Onder Xerxes, heet op krijgsroem, 't Gansohe volk vloog met

[hem meê.

de schim.

Toog 't te land naar 's vijands steden, of op de ongetrouwe zee'?

atossa.

| 't Had zich tot een heir vergaderd, en een sterke vloot bemand.

de schim.

En hoe toog het voetvolk over naar het vijandlijke land?

atossa.

Heilaas engte werd gesloten door een breede schepenrij.

de schim.

Kn de zee, voor Xerxes zwichtend, liet hem dan den doortocht vrij ?

atossa.

Ja: een Godheid was het, zeker, die hem bystond met zijn raad.

35

ocr page 70

DE PERZEN.

DE SCHIM.

Ja, een helsche Godheid bracht hem tot die roekelooze daad.

ATOSSA.

De uitkomst leerde 't, welk een onheil deze poging baren zou.

DE SCHIM.

Wat was de oorzaak van die rampen, die u dompelen in rouw?

ATOSSA.

Onze vloot, uit een geslagen, sleepte 't landvolk in zijn val.

DE SCHIM.

2oa verging dan 't Perzisch krijgsvolk in dien strijd geheel en al?

ATOSSA.

Tuig' dit Suzes doffe rouwkreet en haar leêggestorven vest!

DE SCHIM.

Onze roem is dan verloren met den steun van dit gewest?

ATOSSA.

Bactrië verloor de hoop zelfs van het volgende geslacht.

DE SCHIM.

O mijn Xerxes! welke krijg'ren heeft uw waan ter dood gebracht!

ATOSSA.

Hy ontkwam (zoo zegt men) 't onheil, van een zwakken stoet verzeld.

DE SCHIM.

En wat middel voert hem weder in dit land waarnaar hy snelt?

ATOSSA.

Hy bereikte reeds 't gevaarte dat Euroop aan ons verbindt;

't liidt geen twijfel dat hy thans reeds zich in veiligheid bevindt.

DE SCHIM.

Heil'ge orakels van de Goden! in mijn zoon werdt gy volbracht. Op zijn schedel borst hun gramschap. Aan een later nageslacht hoopte 't zorglijk vaderharte dat die straf beschoren was; —

maar wie 't wraakvuur tergt des hemels, slaat de bliksem dra

[tot asch.

Wat onperkbren vloed van plagen heeft uw onbezonnen hand, o mijn Xerxes! doen ontspringen voor dit aangebeden land!

36

ocr page 71

DE PEEZEN.

Ach! de moed van 't jeugdig harte had u 't heldere verstand met een duistre wolk omneveld, toen ge een gruwelijken band om de Hellespontsche golven, als hun meester, durfde slaan.

Toen ge een' God waagde aan te randen in zijn nooit verstoorhrebaan en de vlakte aan zijn waatren dekte met een kielenrij waar uw leger over heen toog naar den grond van de overzij, al den Goden in Neptunus tot een nooit verzoenbren smaad. Licht misleide! neen, gy zaagt niet, dat de rijkdom van uw Staat binnen kort ten prooi kon liggen aan uitheemsche plonderzucht.

ATOSSA.

Haatlijk ras van laffe vleiers! al die rampen zijn de vrucht van de heerschzucht die uw omgang in mijn Xerxes wortlen deed, toen uw mond in 's vaders lofspraak hem zijn werkloosheid verweet, hem de vrede leerde haten, en, de hand aan 't oorlogszwaard, dag aan dag den schat vermeerdren dien mgn ega had vergaard. Gy zijt de oorzaak van zijn dwaasheid, gy zijt de oorzaak van

dien tocht,

die den val van onze grootheid in des legers neerlaag wrocht!

DE SCHIM.

Zoo is dit grootsch ontwerp met schand ten eind gebracht! Een schrikbaar voorbeeld tot voor 't verste nageslacht,

eens noodlots, als nog nooit op Suzes burgren woedde,

sints de Opperste der Goon der volken macht en hoede den deugden van één' Vorst vertrouwde, 't Was een Meed die 't eerst dees streken voor zijn scepter knielen deed: zgn kroost, zijn edel kroost, dien vader waard in wijsheid, verving in 't rijksgebied zijn afgeleefde grijsheid,

en sterkte dag aan dag den vaderlijken troon.

Hem volgde Cyrus op, de liev'ling van de Goön,

wien 's helden deugd behaagde en hartelijke beden.

Dees deed door krijgsbeleid de rondgelegen steden de macht erkennen van zijn onafweerbaar staal,

maar schonk zijn volk de vrucht van zege- op zegepraal, een duurzaam vredeheil. Naauw meester van dees staten,

verloor zijn zoon het licht, 't Rijk werd ten prooi gelaten aan de eerzucht van een Maag, wiens schaamtelooze voet den troon betreden dorst van dit doorluchtig bloed, tot Artaphernes en zijn moedige eedgenooten (door loosheid of geweld) des dwinglands val besloten.

37

ocr page 72

DE PEBZEN.

Zoo schonk my 't gunstigst lot de koninklijke kroon en zegen aan mijn volk. Ik-zelf, 'k was meê gewoon aan 't hoofd te strijden van mijn dappre legerbenden,

maar nooit, door zucht naar roem de rust van 't land te schenden. Mijn zoon vergat de les die ik hem stervend gaf,

en stichtte uw onheil. Neen, nooit dreigde zulk een straf, (gy weet het, dierhren, wien een vroeger eeuw zag bloeien) wat vorst den troon bezat, de Perzen uit te roeien.

DE REI.

Ach! meld veeleer wat raad 't geledene vergoedt,

of 't kwaad kan stuiten dat zoo ijslijk op ons woedt. Wat baat het, of uw taal ons, felbezorgden grijzen,

de deugd der vaadren op dit uur poogt aan te wijzen?

DB SCHIM.

Geen Pers stoor immer met een Godverwaten arm de rust van Griekenland door 't staal, al hadt ge een zwerm van strijdren, grooter nog dan 't leger waar we om klagen. Hun grond zelf is in staat den vijand te verjagen.

DE REI.

Hoe! de onbezielde grond biedt onzen krijgren weer?

DE SCHIM.

Die 't zwaard ontvluchten mocht, valt van gebrek ter neêr.

DE REI.

Nog is ons, voor het minst, één leger bijgebleven.

DE SCHIM.

Helaas! dit derft weldra op d'eigen grond het leven.

DE REI.

Heeft ons die zaalge hoop bedrogen, dat het meê te rug toog over 't nat van Hellaas enge zee ?

DE SCHIM.

Slechts weinig zal de roê van 't straffend noodlot sparen, 't Orakel spelde 't my, wiens echtheid wy ontwaren in 't onheil dat ons drukt. Verblind door wanhoop, liet mijn zoon dat leger na in 't vijandlijk gebied,

daar, waar Azopus vloed zijn onberoerde wateren in 't rijk Beötië door hem bevrucht, doet klateren.

ocr page 73

DE PERZEN.

Daar opent zich voor hen een onvermijdlijk graf;

hun dolle plonderzucht tot een gerechte straf,

wier hand zich niet ontzag de Godgewijde altaren

en 't beeld der Goden in hun woede niet te sparen.

Maar heel den tempelraad te rooven, en in 't end

de heil'ge tempels zelf, door hen alleen miskend,

ten offer aan de vlam te geven. Ja, de Goden,

door zulk een hoon getergd, verpletteren die snoden

met neêr- op neerlaag. Want nog hangt een zwangre wolk

bet overschot op 't hoofd. Een ijsselijke kolk

van bloed breekt op den dag der Dorische geweeren

Platéaas vlakten uit. Het nageslacht zal leeren,

wanneer 't den moord verneemt van dien verschrikbren dag,

dat zich geen sterveling zoo stout verheffen mag.

Der menschen trotschheid maait een oogst van bloed en tranen

voor alles wat zy zaaide, o! Laat de Perzianen,

Atheen en 't gansch tooneel van de ondergane schand'

gedachtig, nimmer weêr den bloei van 't vaderland

voor 't lokkend uitzicht op veroveringen wagen.

Er leeft een Jupiter, die hovaardij verlagen

en 't kwaad, door haar gesticht, ten goede keeren kan.

En nu, daar Xerxes naakt, geliefde rei! verban

den hoogmoed uit zijn hart, die menschen tergt en Goden:

zijn afgematte geest heeft wijzen raad van nooden.

Gy, teedre en dierbre Ga! breng uw bedroefden zoon

een kleeding naar zijn rang. Door d'onverduurbren hoon,

die al zijn hoop verwoest, in 't harte diep gebeten,

heeft hy het vorstlijk kleed uit rouw van een gereten.

Nu hangt het achteloos aan flarden om zijn lijf.

Voor alles, dat uw stem die woeste drift verdrijv'.

Door haar slechts kan de rust in Xerxes borst weêr dalen.

Vaart wel: ik keer te rug in Plutoos sombre zalen.

Gy, dat die felle ramp u niet in wanhoop stort'!

Geniet van dag tot dag dien levenstijd zoo kort,

waarin ge op 'snoodlots gunst u nimmer kunt verlaten:

in 't rijk der dooden zal geen rijkdom meer u baten!

39

ocr page 74

DE PERZEN.

ZEVENDE TOONEEL

DE REI, ATOSSA.

DE KEI.

Helaas! hoe wordt onze angst vermeerderd, daar zijn mond ons nieuwe jammren in de toekomst heeft verkond!

ATOSSA.

Gerechte Goon! ziet neêr op alles wat wy lijden!

Met hoe veel zorgen heeft mijn moederhart te strijden, wanneer 't den hoon herdenkt eens zoons, ter naauwercood, van dekking zelfs beroofd, ontkomen aan den dood!

Ik keer een oogwenk in d' ontsierde vorstenwoning,

en poog te rug te zijn voor de aankomst van den koning; mijn zorg verschaft hem dra een schitterend gewaad, Vloekwaardig, die zijn kroost in 't ongeluk verlaat!

ACHTSTE TOONEEL.

DE BEI. — KEEK.

Toen vorst Darius hier regeerde, die onverwinbre Vorst, in wijsheid Goon gelijk, wien de uitgestrektheid van dit rijk in 't wettige gezag met dankbre aanbidding eerde; toen bloeide ons dierbaar vaderland, gelukkig in den zachtsten band.

TEGENKEEK.

Voor vijandlijke macht en lagen behoedde het een heir, door dapperheid vermaard;

voor innige onrust, 't heilig zwaard de wet; en mocht al eens de vorst een oorlog wagen, nooit werd zijn eerzucht door het bloed van zoo veel burgeren geboet.

In hoe veel wijdberoemde steden

werd niet de schepter aangebeden van vorst Darius, schoon zijn voet niet buiten Halys breeden vloed

40

ocr page 75

DE PERZEN.

noch van den troon zelfs was geweken. Zoo werd hy meester van den grond gelegen aan des Strymons mond,

naast Thracies onvruchtbre streken.

Maar dieper in het vasteland lag stad op stad in d' eigen band,

met die de Hellespontsche stroomen en die Propontis zee omzoomen,

en Pontus onherbergzaam strand.

Ook de eilanden, om wie de golven klotsen door Egens val berucht, bestierden zijn geboón: als Lesbos, rijk in druiventrossen,

met Naxos, Chios, wien de Goon den mildsten wijnoogst steeds verleenen, en Paros, door haar marmersteenen beroemd, en Andros, en Mycoon:

en de aan de zee nabijgelegen steden,

de hoofdvest van Ikaar,

en Temnus, Rhodus, Gnidus, waar de Mingodin op 't sterkst wordt aangebeden; en Paphus, Solus, Cyprus glans:

en gy, o Salamis! die 't aanzijn hebt gekregen van 't piekjen, waar de Grieksche lans het heir der Perzen heeft doorregen.

Al wat de Griek in Azië bezat werd in Darius rijk omvat,

en 't bleef door zijn beleid den ouden bloei bewaren.

Zijn troon werd ondersteund door duizend heldenscharen, en op den eersten wapenkreet was bond- by bondgenoot gereed,

voor hem ten krijg te spoeden.

En nu — nu zuchten we onder 't woeden

van dquot; op ons rijk vergramden God.

Ach! in de roodgeverwde golven waarin ons leger werd bedolven,

toont zich de willekeur van t omgewenteld lot.

ocr page 76

DE PERZEN.

NEGENDE TOONEEL.

XERXES, EE REI.

XERXES.

Wee my! wee my! 'k heb u verloren,

geliefde hoop van beter tijd!

Gy die my 't grievendst leed, o noodlot! hadt beschoren, ik zie te wel, dat ge onverbidlijk zijt.

Mijn afgematte knieën trillen,

en wat mijn jagende angst moest stillen, 't herzien van dit paleis beknelt mijn hart nog meer. O, waartoe moest naast mijn verpletterd heir, o Jupiter! uw bliksem my slechts sparen'?

DE REI.

Der Perzen bloem,

der Perzen roem is heengevaren.

Dees kermende aarde vraagt haar eer.

zy vraagt haar spruiten weêr,

die gy, o Vorst, met Pluto zaamverbonden

gaaft weg te maaien aan den dood. Ook Ekbataan ziet zich geschonden door 't jammerlijk verlies der helden uit haar schoot, vergeefs beroemd door leeuwen-moed en krachten.

XERXES.

Helaas! wat stof tot eindelooze klachten!

DE REI.

Vorst van dit eenmaal machtig rijk!

Zie 't thands verneêrd, vertrapt in 't slijk.

XERXES.

En 't heeft aan my zijn val te danken.

My, wien dees grond het leven gaf,

zich zelv' en mijn geslacht ter straf!

DE REI.

Wy bieden u slechts jammerklanken en tranen aan voor welkomstgroet:

42

ocr page 77

DE PERZEN.

heft onze stem zich tot de wolken,

wy vieren de uitvaart uwer volken,

waar ons 't geteisterd hart van bloedt.

XERXES.

Ja, heft een luiden kreet naar boven!

Hy dringe my door 't rouwend hart!

Zoo 'k my van alles zag berooven,

uw zang vernieuwe in my de smart!

DE BEI.

Gy zult, gy zult een doffen rouwzang hooren. Wy zijn gereed te melden wat gy hebt verloren,

en al ons leed:

en hoe de God van krijg en zegen in vreemde lucht des vijands degen deed zamenspannen met de zee om ons te dompelen in wee.

XERXES.

Mijn vrienden! houdt niet op te klagen!

Gy moogt my vrij naar al ons onheil vragen.

DE REI.

Waar bleef, waar bleef uw trouwste raad,

Alpist, de steun van dezen Staat,

die fiere krijgsman die in de aderen 't bloed onverbasterd draagt van zijn doorluchte vaderen, die met zijn duizenden uw krijgstocht heeft verzeld'? Ligt hy daar mee op 't bloedig veld,

den vijand tot een zegeteeken?

Waar bleven Psammis, Datames,

en Suzas en Pharandaces?

Waar al de grooten dezer streken?

Waar bleef Susiscanes, de roem van Ekbataan ?

XERXES.

Die zijn vergaan! die zijn vergaan!

Ik zag hun menigte op de rotsen van Salamis zieltogend botsen,

en sterven op dat strand, geverwd van Perzisch bloed.

ocr page 78

DE PERZEK.

Is ouk Artembares gebleven?

Pharnuchus, door ontembren moed,

Sebalces, door zijn rang verhevea?

Masistras, Memphis, Tharybis.

en de uit een vorstenstam gesproten Liléus? Treft ook hun gemis u by den dood van zoo veel andre Grooten?

XERXES.

Wat reeks van helden voert uw taal my voor den geest? Helaas! ook dezen zijn geweest.

Het oog gewend naar die gehate muren,

waar al ons onheil uit ontsproot,

zijn zy gedood.

Ik kan het denkbeeld niet verduren.

het hart krimpt me in, mijn gantsche lichaam beeft, terwijl de stem my in den gorgel kleeft.

I)E REI.

En Xanthes, de overste der onverschrokken Marden?

En die. van krijgen onverzaad,

zich tegen moeilijkheên en lijfsgevaar verhardden,

de ruitrenhoofden, Cigdabaat,

Lithymnas. Arsaces? Zaagt ge ook die helden vallen?

XERXES.

Met mijn onteibre duizendtallen

zijn zy door 't eigen lot verrast.

Ach! al die uitgelezen braven zijn onder bergen doön begraven,

van 't eerbewijs beroofd, dat zulke helden past.

DE REI.

Rampzalige offers van den toorn der hemelingen! Uw neerlaag stort ons allen neer.

Van enkel ramp zien we ons omringen;

daar is voor ons geen redding meer.

Met de allerijsselijkate plagen heeft ons des noodlots hand geslagen:

en, laat zijn woeden eindlijk af,

ocr page 79

4

DE PEEZEN. 45

't is onmacht om nog grooter straf by wat \vy lijden uit te denken.

Wanhopig vloeken wy den dag,

die onzen roem, die al ons heil moest krenken,

en voor de Grieksche vloot den Pers verzinken zag.

XERXES.

O welk een heir heb ik verloren!

Wat diepe val was my beschoren en heel dit uitgestrekt gebied!

Van al de pracht waarmee 'k mijn scharen ten verren oorlog deed vergaaren is deze pijl bus 't al, wat my de hemel liet.

Herinnert my de harde rampen,

waarmee gy allen hebt te kampen,

en die gy wijten kunt aan uw misleiden Vorst.

Kweekt, kweekt de wroeging in mijn borst!

Laat sombre rouw- en zoengezangen hier uit uw mond mijn wanhoopkreet vervangen!

DE REI. — EERSTE KEER.

Herinnering aan beter tijden!

Hoe foltert gy d' ontstelden geest!

Te midden van het wreedste lijden

gevoel ik wat wy zijn geweest.

Ik kan het denkbeeld niet verjagen

dat onophoudlijk om my zweeft:

de welvaart die mijn oogen zagen,

en die 'k helaas! heb overleefd.

EERSTE TEGENKEER.

Tot aan het blaauw der hemelstreken

Reikte onzer Perzen oppermacht:

door Godenhulp en 't zorglijk kwekeu

van eedle Vorsten opgebracht.

Haar breede takken hingen over

op heel dit aangebeden land,

en onder schaduw van hun lover was 't hoogst geluk in onzen band.

TWEEDE KEER.

Houd thands, o Pers! het hoofd gebogen,

ocr page 80

DE PERZEN.

uw eens zoo fier gedragen hoofd.

De gunst der Goden is vervlogen:

uw eer, uw bloem is u ontroofd.

Wat zoudt ge, o droeven, thans nog pralen?

met een u ongetrouwen quot;Vorst,

die voor een ijdel roemhehalen uw gantsche welzijn wagen dorst?

TWEEDE TEOENKEEK.

Vraagt, kinders, moeders, echtgenooten!

aan uw te diep verneêrden heer uw dappre vaders en uw loten,

uw jeugdige egaas nimmer weèr.

Zy rusten in den schoot der zeeën

of in 't met bloed gedrenkte zand,

en zijn bevrijd van al de weeën van hun rampzalig vaderland.

DERDE KEER.

Trekt, Grieken! onze muren binnen,

gy, gunstelingen van het lot,

die onze krijgren mocht verwinnen!

verplet hun treurig overschot!

Wat staat ons thands niet nog te wachten, na 't geen dees dag ons heeft verkond ? Wat hoop nog kan ons leed verzachten? Wat, balsem storten in de wond?

DERDE TEGBNKEEK.

Gy, die in tempels en altaren

gehoond door kriigsmansovermoed, uw wreekte in 't bloed van onze scharen!

is nog die schennis niet geboet?

Of zijn wy zelve te misdadig,

en is voor ons geen deernis meer?

Voor 't minst, o Goden! ziet genadig op onze onnoozle telgen neer.

XERXES.

Wat Godheid geeft my ooit mijn dierbaar leger wéér?

46

ocr page 81

DE PEEZEN.

BK REI.

SLOTZANG.

Staak, o Vorst, het nutloos kweken

van uw tomelooze drift;

wil veeleer den Heinel smeekeu

met gebeên en oflergift!

Laat ons onheil dit u leeren,

u en 't laatste nageslacht:

Wie een Godheid durft trotseeron wordt ten wissen val gebracht!

isie.

PROEVE VAN OVERWERKING.

DE PERZEN.

(Bladz. 12—17.)

Het heir der Perziaansche scharen dat voor de Grieksche krijgsgevaren den vaderlandschen grond verliet, gaf ons het opzicht hunner schatten, naar 's Konings voorgang, op te vatten, die tot de zorg voor zijn gebied ons, zwakke grijzaarts, heeft verkoren.

Keer, Koninklijke telg! ei keer! Breng Perzië zijn manschap weór! Ach! kon ik 't voorgevoelen smoren dat me enkel somberheden spelt. De bloem van Azië is te veld;

en, daar we in eindelooze klachten om onze jonglingschap versmachten, wordt in die wreede onzekerheid een tijding zelfs vergeefs verbeid. Gy, Suze, Cissië, Ekbataan !

hoe zaagt ge uw muren dus verlaten, uw jeugd, herschapen in soldaten,

ocr page 82

PROEVE VAN OVERWERKING-

te paard, te scheep, naar 't strijdperk gaan.

Hen voert de bloem van onze Grooten,

Amistres en Astaspes aan,

en Megabazes, deelgenooten

van 's grooten Konings macht en eer,

nu hoofden van een talloos heir

te zaam gedrongen ruiterscharen

en schutters vol ervarenheid,

een leger, tuk op krijgsgevaren,

wiens enkele aanblik schrik verspreidt.

Geen mindere uitgelezen helden

zijn op hun rossen Sosthanes,

Iméus en Artembares,

Masistres en Pharandaces:

daar ook de korenrijke velden

vet van des Nijls bevruchtend slijk,

ontelbare onverschrokken benden

volijvrig tot den Koning zenden.

Pegastagon, zelf uit dat rijk

geboortig, en die Memphis mureu

en Thebes oude vest besturen,

Ariomardus, Arsames,

op hun verheven krijgskalea

voor krijg en krijgsbevel geschapen,

zijn aan de spits dier legermacht.

't Moerassig land geeft keur van knapen

om 't handig roeien hoog geacht.

Dé Lydiër, in wulpsche pracht

gedoken, rukte toch te wapen,

en mét hem 't gansche vasteland

zich moedig scharend om de vanen

door 'sKonings prinslijke onderdanen,

Arceus, Metragathes, geplant.

Het weeldrig Sardes gaf zijn mannen

met tal van wagens, rijk bespannen,

ten schrik des vijands over zee

op d'ongelijkbren krijgstocht meê.

In 't Aziatisch zielsverlangen

den Griek in ketenen te prangen,

zag m' onder 't oog van Tharybis

ocr page 83

PROEVE VAN OVEEWERKING.

en Mardon, wat in Mysië is met Tmolus naaste nageburen hun spiessen tot den oorlog schuren.

Maar 't gouden Babel zond een stoet van scheeplingen, vol gloed en moed, en afgerichte schuttersdrommen die nooit vergeefs den handboog krommen. Wel trok heel Azië te veld!

Het heeft, gehoorzaam aan zijn wenken, den Koning op zijn tocht verzeld.

Maar wy, als wy dien bloem van 't vaderland gedenken, zoo voelt, naar mate 't uur verloopt van tijdingen reeds lang gehoopt,

ons hart tot twijfien zich genoopt.

Voor oudren beide en echtgenooten,

van stond tot stond te loor gesteld,

rijst ieder dag, met angst geteld,

slechts om den kommer te vergrooten.

KEER.

Des Konings heir is uitgegaan.

Het heeft den overkant betreden,

en brengt den vijand en zijn steden

by eiken tred verwoesting aan.

De zee die Hella heeft verzwolgen

had hun vergeefs een pad ontzegd!

Haar werd, hoe woelig en verbolgen, het vlottend juk haast opgelegd.

TEGENKEEB.

De Koning, die van krijgsdrift brandt,

heeft met zijn honderdduizendtallen,

't vermetel Grieken overvallen'

en overdekt ter zee, te land.

Hy zelf gaat voor, door al de Grooten

omringd, gesteund, van 't Perzisch rijk, de Vorst, uit Perseus zelf gesproten,

en goden op hun troon gelijk.

Met oogen glimmend van den gloed van heldenkracht en leeuwenmoed,

voert hem de koninklijke wagen.

49

ocr page 84

PROEVE VAN OVERWERKIKG.

in onuitspreeklijk welbehagen.

dat onafzienbaar leger rond,

met duizend schepen in verbond.

De Grieksche spiessen zullen wijken voor onzen Perziaanschen boog,

en elke vijand haast bezwijken,

waar zulk een macht ten strijde toog.

Of wie zou de opgebruischte stroomen door dijken keeren of betoomen ?

zoo machtig wierp het Perzisch heir zich op 't verbaasd Europa neêr. —

En toch! der Goden weg is duister,

ondanks dien duizelenden luister!

Te dikwerf door hun gunst misleid,

bemerkten eensklaps stervelingen op hunnen weg een net gespreid,

waaruit geen voet, hoe vlug, zich weder los kon wringen.

15ERSTE KEER.

Het Noodlot geeft en deelt en doet gelijk het wil. Dankt hem den moed,

ons, Perziërs, gegeven, —

die kracht in worstling en gevecht,

die ruiters velt en torens slecht,

dat 'svijands steden beven; —

EERSTE TEGENKEER.

Ja ook den wijden blanken vloed voorspoedig overtrekken doet,

verwinnend overkomen op kielen kunstvol toebereid,

dat ook de zee den roem verbreid'

dier temmers harer stroomen.

TWEEDE KEER.

En toch! zoo ongedachte slagen ons eens nog jammer deden klagen;

„Wee, wee der Perzen legerschaar'.''

en 't 's vijands steden moesten hooien dat Suzes manschap ging verloren, de hoofdstad leeggestorven waar!

50

ocr page 85

PROEVE VAN OVERWEHKING.

TWEEDE TEGENKEER.

En dat wie Cissië bewonen de weêrslag trof dier jammertooDen;

„Wee, wee ook dezen hoogen wal!

Ook daar ontroostbre vrouwenscharen den band zich scheurend van de hairen om onzer legerbenden val!

DERDE KEER.

Gelijk een zwarte bijenwolk stoof overal ons heldenvolk uit zijne dicht bevolkte vesten!

De Koning zelve ging steeds voor, de wijdberoemde zeestraat door,

die Azië verbindt aan d' oevergrens van 't Westen.

DERDE TEGENKEEK.

Maar de egade, ach! slijt dag en nacht in afgebroken klacht op klacht!

Doornat is 't huwelijksbed van tranen.

De teedre Perziaansche vrouw gevoelt reeds weduwlijken rouw om hem, die haar verliet voor 's Konings oorlogsvanen.

Maar waartoe, langer, ramp vermeld,

of vreemde jammeren gespeld?

Neen! voelen we ons van zorg doorknagen,

voor de ons zoo overdierbre dagen,

komt, laat ons eer naar de aankomst vragen eens boden, die ons licht den staat der zaken zegt, en tijding geeft van 't kostbaar leven des grooten Konings, ons gegeven naar onzer vaadren heilig recht; —

en wie verwinnaar is gebleven:

de boog der schutters van het Oost,

of 't staal der spies van Griekens kroost! —

Maar 's Konings moeder richt haar schreden tot ons, omstraald met glans als 't voorhoofd van de goön. 'k Val voor haar neêr naar onze zeden,

en ook uw hulde word' haar knielend aangeboon' 1816.

1853.

51

ocr page 86

ZEVEN TEGEN THEBE.

HET VERHAAL VAN DEN BODE

UIT

ESCHYLÜS ZEVEN TEGEN THEBE.

Ik kom, van 's vijands stand op 't zekerste bewust.

'k Zag rondom onze vest zijn Hoofden, uitgerust in vollen wapendosch, en voor de poorten staande,

hun door het lot bestemd: eerst woesten Tydeus, gaande met schrikverwekbren stap naar de oevers van Ismeen en Pretus poort; terwijl des vroomen Wiclilaars reên noch onheilspellingen zijn woede doen bedaren.

Want, heet van ongeduld naar 't tarten van gevaren, en razende van dorst naar stroomend krijgrenbloed,

durft hy Oïcleus zoon gebrek aan mannenmoed verwijten, en roept uit, dat vrees voor 't bloedig kampen alleen de voorboó is van naderende rampen.

Dit schreeuwt hy, met een stem die door den hemel loeit, als 't grommen van een draak, door 't middagvuur geschroeid. Hy gaat, en schudt den helm, wiens breede en zwarte veêren naar 't golven van den wind zich heen en weder keeren, terwijl een holle klank van onder 't schild ontstaat, van brokken schel metaal, waartegen 't koper slaat.

Met een vertoont hy 't schild, dat, kunstig uitgehouwen, het stargewelf verbeeldt. Men ziet er 't luchtruim blaauwen, de sterren glinstren aan de vlakke hemelbaan,

en midden in hun glans de zilvren bol der maan uitblinken. Van zijn trots op 't prachtig wapen dronken, trapt hy op d' oever van d' Ismenus, en schiet vonken van krijgsvuur uit het oog, in rusteloozen moed:

gelijk het jeugdig ros, dat in zijn teugel woedt,

en, brandend van de zucht ten aanval uit te breken,

het blij geluid verbeidt van 't daavrend oorlogsteeken. Wie gaat met dezen held den feilen kampstrijd aan? Wie durft voor Pretus poort als haar beschermer staan Maar schrikkelijker held stapt tegen Thebes wallen,

bestemd Electraas poort in 't stormen te overvallen, 't Is dolle Capaneus, die mensch- noch Godheid eert,

ocr page 87

ZEVEN TEGEN THEBE.

en in zijn lastertaal des hemels wraak braveert.

Hy zweert: zijn krachtige arm zal onzen muur verpletten, ofschoon zich tegen hem de Goden-zelf verzetten,

en Jupiter in toorn zijn woede ging te keer.

Ja, viel het bliksemvuur voor zijne voeten neêr,

hy achtte 't als den gloed van heete zomerdagen.

Maar op het kostlijk schild, met zwier vooruit gedragen, voorspelt een naakte reus, wiens vuist een toorts bevat, in gouden letteren: verdelging aan de stad.

Wie onzer zal den trots van 't Godonteerend spreken op d'onverschrokken kop van dien ontzinde wreken?.... De derde, door het lot voor Neïs poort geplaatst,

is fiere Eteoclus, wiens rossenspan reeds raast en worstlend rondspringt met de teugels die hen klemmen. Men ziet den kalmen held hun ongeduld betemmen,

terwijl ze, in de ijdle drift ter stadspoort heen te spoên, hun vuurgen adem in den omtrek suizen doen,

en 't blanke schuim op aarde en eigen boezem spatten, 'k Zag ook zijn vasten arm den zwaren beuklaar vatten, wiens oppervlakte 't beeld eens forschen krijgsmans draagt, die langs een ladder komt, door 's vijands vest geschraagd. Zijn houding reeds baart vrees. Hij schreeuwt den steedling tegen, dat Mars-zelf van den muur, ééns door zijn voet bestegen, hem niet verdrijven zal. Dus luidt het opschrift, dat zijn schittrend schild omgeeft: dit dreigt hy onze stad. Ook hier, hier wordt een arm, in d' oorlog hoogst ervaren, vereischt, om Thebes vest een droeven val te sparen.... Maar verder voor de poort, die Pallas tempel hoedt,

vertoont Hippomedon, rondzwevende als verwoed,

zijn reuzige gestalte, en heft een schild naar boven,

wiens aanzien reeds vermag den heetsten moed te doven; het is geen grootspraak, wat ik meld. Dees beukelaar (onovertrefbaar werk van d' eêlsten kunstenaar)

verbeeldt een Typho, met wiens adem dikke wolken van dampen uit zijn mond, als uit verpeste kolken gestegen, en een vlam, die in het midden brandt,

zich wentlen naar om hoog, terwijl de breede rand een schrikbren kring bevat van kronkelende slangen, gestrengeld om elkaar. Maar zinloos van verlangen, met oogen, waar de gloed van 't kokend hart in blaakt.

53

ocr page 88

ZEVEN TEGEN THEBE.

dat louter moordzucht aamt, en naar vernieling haakt,

doet hy de lucht alom weergalmen van zijn kreten,

een priesterin gelijk, door Bacchus geest bezeten.

Wie zal de bange stad beschermen tegen hem,

die reeds haar siddren doet door de enkle kracht der stem ?....

Hy, die de poort bedreigt nabij die eenzame ooiden

waar wijze Amphion rust, barst meê in lasterwoordèn

en woeste grootspraak uit. Dees zweert by 't scherpe zwaard.

hem heilger dan een God, en meer dan 't leven waard,

dat Cadmus oude stad, ten spijt der Hemelmachten,

haar ondergang van hem op 't zekerst heeft te wachten.

Zoo roemt een jonge held, de kindschheid pas ontgroeid,

wiens frissche en schoone wang in 't eerste dons nog bloeit,

Parthenopéus, wien een jachtnimf op de dreven

van 't blijde Arcadië het aanzijn heeft gegeven.

Hy voert een stalen hart in 't rijzig lichaam om,

zijn oog blinkt wreedheid, by zoo teêr een ouderdom.

Maar op het koopren vlak, bescherming van zijn leden,

zijn door de hand der kunst twee beelden uitgesneden,

herinnering van smaad en jamm'ren; in dees vest

geleden, 't Is een Sphinx, de schrik van dit gewest,

aan wier gekromde klaauw een Theber schijnt te hangen,

die op 't metalen lijf de schichten zal ontfangen.

Hy gordt niet vruchteloos 't vernielend krijgstuig aan,

noch heeft van Argos rijk zoo groot een weg gedaan,

om van een lang beleg met schande weer te keeren.

Hy durft beloven (dat de Goden 't onheil weeren!)

Dat hy, de zorg ter loon, beproefd in Argos wal,

met Thebes rijke buit haar dra versieren zal....

By Homoloüs poort zal vroomer krijgsman strijden;

de wichlaar, voor wiens oog 't geheim van later tijden

zich opent, en wiens moed zijn wijsheid evenaart.

Hy barst op Tydeus, voor zijn woeden onvervaard,

in bitse woorden uit, en schreeuwt hem toornig tegen,

dat hy, wiens gantsche heil in d' oorlog is gelegen,

wiens moordend staal zich nooit van menschenbloed verzaadt,

die steeds tot misdrijf spoort met zijn vervloekten raad,

ook thands Adrastus hart door valsche taal mocht winnen

en tot den krijg bewoog: de straf der Wraakgodinnen,

die licht het leger treft, wijte Argos hem alleen!

54

ocr page 89

ZEVEN TEGEN THEBE.

Maar tot uw broeder wendt hy dus zijn sombre reen,

zijn naam herhalend met een zucht: ,Gy hebt den zegen

„der Goden voor dees tocht ontwijfelbaar verkregen,

,en onvergankbre roem wacht u by 't nageslacht,

.wiens onberaden toorn een vreemde legermacht

,dorst waapnen tegen 't land, wiens schoot uw eerste dagen

„gekoesterd heeft. Wat straf moet niet de snoodaart dragen^

„die aan eens moeders lijf een gruwbre hand durft slaan?

,En gy, gy randt uw stad in 't dwaas vertrouwen aan,

„dat ze u, die haar verried, niet eindeloos zal haten!

,Voor my; ik vlieg ten strijd en wacht mijn lot, gelaten,

„schoon de aard, die 'k thands betreed, weldra mijn graf zal zijn.

„Men vreest geen sterven met een hart, gelijk het mijn'!quot;

Hy spreekt en schudt het schild, waarop geen beelden schittren,

noch woorden, die den haat door ijdlen trots verbittren.

Hem leert het vruchtbre brein, waar immer wijsheid bloeit,

en 't van gepasten raad en deugden overvloeit,

onwankelbaren moed met zedigheid te paren.

Om tegen dezen held den ingang te bewaren,

wordt vroomheid van gemoed vereischt by leeuwenkracht.

Want vreesselijk is hy, die deugd en Godsdienst acht....

Maar voor de laatste poort staat, razende op dees wallen,

uw eigen broeder, Vorst! gereed haar aan te vallen,

en boezemt in een kreet den wensch der wraakzucht uit.

Verwinnaar van dees vest, door 't schaterend geluid

der zegezangen van zijn krijgsvolk reeds gehuldigd

als meester van een rijk, hem sedert lang verschuldigd,

hoopt hy u-zelv' in 't end te ontmoeten op den wal,

door u verslagen u te sleepen in zijn val;

of, doet ook daar het zwaard hem overwinnaar blijven,

u juichend op zijn beurt in ballingschap te drijven,

met al den smaad belaan, eens door hem-zelv' geleên.

Hiertoe stort hy den Goon onafgebroken been.

Zoo woedt hy, en treedt voort. Men hoort het koper klinken,

op wiens bewerkten grond twee gouden beelden blinken,

een jonge vrouw, wier hand eens krijgstnans schreên geleidt,

ten strijde toegerust, verbeeldt Rechtvaardigheid,

en schijnt het randschrift van den beuklaar uit te spreken:

IK-ZELv', IK VOER HEM WEÊR IN DE OUDERLIJKE STREKEN,

DUES DAG IS 'l DIE HEM STAD EN KROON HERWINNEN ZAL.

55

ocr page 90

ZEVEN TEGEN THKBE.

Zoo schaart zich om den muur het Vorstlijk zevental. Ik heb mijn last volbracht. U is de zorg gelaten den ramp te keeren van uw kwijnende onderzaten! 1816.

ALFONSÜS DE EERSTE,

TREURSPEL.

camp;Uog yócQ s/d-óog iyévet, amp;ZZr o.uw; lt;Igt;iyog.

EUBIP. PHOEN.

PERSONAADJEN.

don alfonsus, Zoon en opvolger van Graaf Hendrik van Portugal.

dona Mathilda, zijne Echtgenoote.

dona thtresia, Weduwe van Graaf Hendrik, moeder van Don Alfonsus en hertrouwd met

don febdinand pj res. Graaf de trava, Castiljaansch Edelman.

dtn egas MONiz, Portugeesch Edelman, opvoeder van Don Alfonsus.

omar, Afgezant van den Oppervorst der Mooren.

don Lorenzo d'aganil. Hoofd van Don Alfonsus Lijfwacht.

don pei bo d'avila, Hoofd van Graaf de Travaas Lijfwacht.

dona leonoba, Vertrouwde van Dona Mathilda.

Een Schildknaap.

Spaansche en Portugeesche Edellieden, aan de Trava gehecht, met don alonzo GoMtz aan hun hoofd.

Portugeesche Edellieden.

Lgfwachten van Don Alfonsus en de Trava.

Het Tooneel is te Guimaraens, de toenmalige Hoofdstad, liggende op de rivier den Ave Het Eerste, Vierde en Vijfde Bedrijf speelt in het Paleis van Don Alfonsus, het Tweede en Derde in dat van den Graaf de Trava. — Het ctuk neemt een aanvang tegen den middag van den eeneu dag en eindigt tegen dien van den volgenden. Tasschen het Derde en Vierde Bedrijf onderstelt men de ruimte van éénen nacht.

EERSTE BEDRIJF. EERSTE TOONEEL.

DONA MATHILDA, DOXA LEONOKA.

LEONOKA.

Hoe! steeds verdiept, Mevrouw, in zorgen zonder baat!

56

ocr page 91

ALFONSUS DE EERSTE.

Het uur des nachts voert u geen troost; de dageraad

verrascht uw slaaploos oog in steeds vernieuwde tranen.

Wij zien op uw gelaat den glans der jonkheid tanen

in nevelen van smart! Gy, eedle deelgenoot

der trouw, die heel een volk, door moed en braafheid groot,

aan de afkomst toedraagt van den held, die 't deed herbloeien,

gy, wier aanminnigheid zijn boezem deed ontgloeien

in liefde, waar hij sints geheel zijn lust in vond,

gy, treuren zonder end, waar 't al u heil verkondt!

We eerbiedigen, Mevrouw, de smart, die gy doet blijken.

maar 't zachte vrouwenhart pleegt eerder te bezwijken

voor ingebeeld gevaar en dreiging van het lot.

Zoo smoor die bange vrees, wier foltring u 't genot

der kalme zielrust voor licht eeuwig kan verstoren!

De vaderlijke kroon is uw gemaal beschoren,

en ras verrijst de zon, die u begroeten zal

als wettige Gravin van 't juichend Portugal!

O! laat geen knagende angst u zulk een hoop verbittren!

De dag, door ons verbeid, zal onbeneveld schittren.

MATHILDA.

Mijn Leonoor! helaas! hoe dikwerf heeft mijn hart

zich zelf de weekheid niet verweten van zijn smart?

Onwillig baadt mijn oog in tranen: zucht op zuchten

beklemmen my de borst, als stond me een slag te duchten,

niet af te keeren en verschrikkingvol. 'k Aanbid

de deugden van een Ga, die heel mijn ziel bezit!

Ue kroon, waarmee zijn hand my eenmaal moet versieren,

is dierbaar aan mijn hart; maar waan de flonkervieren

der vorstendiadeem niet machtig om mijn wond

te heelen! 't Is die min, die my aan hem verbond,

wier zorgen dus mijn borst, en rusteloos, bezwaren.

Ach! ieder oogenblik verdubbelt de gevaren,

waaraan mijn angstig oog Alfonsus bloot ziet staan!

Bedriegelijke tijd, wiens voorspoed my den waan

van onverstoorbaar heil, zoo onbedacht, deed kweken,

uw uitzicht is van my voor eeuwig afgeweken!

Mijn Leonoor, uw trouw herinnert zich dien tijd,

toen heel mijn aanzijn, aan de zoetste hoop gewijd,

niet vatbaar dan voor vreugd, geen kommer kon vermoeden

57

ocr page 92

ALFONSUS DE EERSTE.

aan mijn Alfonsua zij. 't Noodlottig uur moest spoeden, dat my heel de ijslijkheid mijns noodlots opensloot.

Sints drukt me een looden zorg ter neer: mijn oog verstoot den slaap, geen troost, hoe lief, vermag mijn moed te sterken 'k Doorzag met killen schrik wat heerschzucht kan bewerken En waar ik de oogen wend, of waar ik toevlucht zoek, 't vertoont zich overal als of des hemels vloek gereed staat op het hoofd van mijn gemaal te dalen!

LEONORA.

Wat laat ge dus. Mevrouw, uw sombre geesten dwalen in 't uitzicht op een smart, die gy u-zelve baart!

Waar is die donkre wolk, van jammeien bezwaard,

waar 't voorgevoelig hart een onweer uit kan spellen!

Laat af door ijdle zorg uw teedre jeugd te kwellen,

of leer my wat de bron van zoo veel angsten zij!

MATHILDA.

Een vreemdling oefent hier Graaf Hendriks heerschappij, «n de erfgenaam van 't rijk, door goddelooze boosheid verraderlijk verdrukt in dofTe werkeloosheid,

ziet, in zijn toorn geboeid, door die hem 't leven gaf zijn heiligst recht vertreên op 't vaderlijke graf!

Alfonsus lijdt dien hoon, en ik, ik zou niet beven?

LEONORA.

O! dat dees schrikbare angst uw boezem moog begeven! Hoe! daar heel Portugal den blijden dag verbeidt,

waarop de Trava zelf uw Ga ten troon geleidt,

Gelukkig in den glans, die van zijn kruin zal stralen....

MATHILDA.

Onnoosle!____doch ook ik moest eens zou argloos dwalen!

gy kent de Trava en zijn echtgenoote niet!

Zy willig afzien van het vorstelijk gebied?

Zy-zelven Hendriks kroost 's rijks erfgenaam verklaren,

of dulden dat het heersch', waar zy eens meester waren?

'k Erken 't, de Trava's list en huichelend gelaat

ontveinst met de eigen kunst zijn heerschzucht en zijn haat;

maar nooit gelukte 't hem Alfonsus te misleiden!

Wie meldt de ontwerpen al, steeds uitgedacht door beiden,

ocr page 93

ALFONSUS DE EERSTE.

(Graaf Hendriks Weduw en den Voogd van Portugal!)

om hem op 't wettig huis te storten in zijn val?

Naauw had Don Hendriks dood de teugels dezer Staten

aan 't moederlijk bestier der rijksvoogdes gelaten,

tot eens mijn Ega zelf, met mannelijke kracht

zijn rechten oefnen mocht, of zy, terstond bedacht

haar kroost, haar eigen kroost van de oppermacht te weeren,

en met geroofd gezag zijn volken te regeeren,

deelt door een tweeden trouw de schendige voogdij

een vreemden krijgsman mee, heerschzuchtig, trotsch, als zy,

wiens listig staatsbeleid en oorlogsfaam haar sterken

in 't gruwelijk ontwerp, dat zy hier uit wil werken.

Sints was Alfonsus steeds het voorwerp van haar haat,

de haat, o hemel! van een moeder! Men bestaat

in 't eerst den heldenmoed van 't jeugdig hart te stremmen,

en houdt hem, brandende de vuist om 't zwaard te klemmen,

in laffe rust geboeid, op dat hy dus het bloed

waaruit hy d' oorsprong nam verloochnend, het gemoed

des dappren Portugees zich zou afkeerig maken,

en, diep vervallen, uit die sluimring nooit ontwaken.

En mooglijk waar die list, waarvan gy gruwt, gelukt,

had niet de braafste held hem aan 't verderf ontrukt:

Don Egas, steeds gereed zich voor zijn Vorst te wagen,

dorst met standvastigheid zich by den Voogd beklagen,

dat grooten Hendriks zoon do-s vreemd bleef aan het staal,

en voert zijn kweekeling ten strijd, ten zegepraal!

Van daar is 't, zoo mijn Ga een oorlogsroem mocht winnen,

wiens grootheid hier zijn naam vereeren doet en minnen,

en by den Saraceen nog siddering verspreidt.

En thands, daar heel het volk en de adel zich bereidt,

hem plechtig 't hoog gebied zijns vaders op te dragen,

thands poogt men steeds dien dag op 't kunstigst te vertragen,

en woelt aan alle kant om zich in de oppermacht

te staven; wat ik zie, is my van hun verdacht!

Alfonsus middlerwijl, wiens fier en moedig harte

geweld en onrecht haat, verkwijnt als ik in smarte.

Aan 't welzijn van zijn volk, aan zijn geheiligd recht,

aan de eer zijns Vaders met geheel zijn ziel gehecht,

had hy sints lang de smet, die op hem kleeft, gewroken,

werd niet zijn gramschap nog, hoe fel in 't bloed ontstoken.

59

ocr page 94

ALFONSUS DE EERSTE.

weerhouden door den naam, dien zijn vervolgster voert. En nu, mijn Leonoor, ('k zie u als my, ontroerd!) Is 't zwakheid, zoo ik leve in zorgen, tranen, klachten? Wie weet wat wreede slag mijn liefde staat te wachten? Aan wat verschrikklijk lot ons huis is blootgesteld? De Staatzucht kent geen wet, waar 't overmeestring geldt! Ja, mooglijk ('k ijs van 't woord, dat ik hier uit ga spreken!) durft ze in Alfonsus bloed haar snoode ontwerpen wreken!

LEONORA.

Wat siddring grijpt my aan, op 't hooren van dees taal!

Ach! 'k deel thands in uw angst. Mevrouw____Doch uw Gemaal

schijnt met zijn trouwsten Vrind zijn schreden hier te richten; licht dat uw treurigheid voor hun gesprek zal zwichten: 'k verwijder my.

TWEEDE TOONEEL.

DON ALFONSÜS, DON EGAS, DONA MATHILDA.

MATHILDA.

Wel nu, mijn dierbre, brengt ge in 't end vertroosting aan een hart, der vreugd sints lang ontwend? Of heeft uw Ega nog die somberheid te vrezen,

die op uw voorhoofd heerscht! en meldt my heel uw wezen 't verschrikkelijk besluit, dat in uw boezem broedt, als onherroepelijk aan? O! schenk mijn teêrheid moed! Heb deernis met een angst, de plaag van beider leven, waarvan mijn hart door u, of nimmer wordt ontheven!

ALFONSÜS.

Geliefde, heeft die vrees, en my en u on.waard,

zoo diep geworteld in uw geest? Verbeelding baart der liefde van een vrouw, die zoo als gy kan minnen, bezorgdheid zonder perk, door liefde te overwinnen. Ja, dierbre, veel te lang regeert hier de overmoed eens vreetndlings, die op de asch, op de eer mijns Vaders woedf^ wiens lage heerschzucht, op mijn rechten dol verbolgen,

mijn moeder eigen kroost leert haten en vervolgen!

60

ocr page 95

ALFONSUS DE EERSTE.

Te lang zucht Portugal naar vorsten, harer waard,

en de Adel schaamt het zich het eerlijk oorlogszwaard te voeren tot den dienst des dwingelands! Op heden zal ik mijn recht en rang en afkomst, lang vertreden, handhaven, en welhaast staat hy d' ontroofden staf,

met hoe veel kracht geklemd, den zoon van Hendrik af.'

MATHILDA.

Hoe, is 't dan waarheid, is mijn onheil niet te keeren?

Zoo stelt de onzaalge zucht voor grootheid en regeeren

dus roekloos met uw bloed 't heil van uw gade bloot?

Ga, koop de diadeem voor een oneedle dood!

Wat is my, zonder u, haar glans, mijn rang, mijn leven?

Of zal de Trava thans haar needrig overgeven,

die jaren lang het doel van zijn verwoedheid was?

O! staak dit wreed besluit, 'k bezweer het u by de asch

diens Vaders, die ge op my, op my alleen gaat wreken!

Neen, hy verbiedt u niet te zwichten voor mijn smeken,

hy eischt niet dat ge uw bloed dus zonder vrucht vergiet____

ALFOKSUS.

Verg alles van mijn min, maar verg mijn oneer niet!

MATHILDA.

Uw oneer? dierbre, neen! ik draag in vrouwlijke aadren geen zoo verbasterd bloed van oorlogshafte vaadren,

dat ik mijn echtgenoot lafhartig wenschen kon!

Ja, riep u krijgsmansplicht ten oorlog, 'k overwon met mannelijken moed al de angsten die ik lijde:

ik zou met eigen hand u wapenen ten strijde!

Maar hier, waar 't snoodst verraad om 't Grafelijk gebieii geen laagheid, geen geweld, geen gruwelen ontziet,

bestaat ge in blinden moed die wreeden uit te dagen,

om in hun razernij het uiterste te wagen :

hun troon moet door uw dood met dubble vastheid staan, of hun gevloekte haat u met hen doen vergaan!

Of zou zijn deerenis den zoon van Hendrik sparen? Of mangelt het zijn woede aan vuige moordenaren,

wier laagheid met uw bloed zijn gunsten winnen mag? Afgrijsselijk verdriet! helaas! ik vloek den dag.

61

ocr page 96

ALPONSUS DE EERSTE.

die me in het leven riep, om eindeloos in zuchten te kwijnen, en voor 't lot van 't dierbaarste te duchten;

ALFONSUS.

Mathilde, een Hemel hoedt de brooze menschlijkheid!

Zijn liefderijke zorg baat meer dan ons beleid.

Vertrouw dien zoo als ik. Ik heb mijn recht en leven met onverwrikte hoop in Zijne hoê gegeven,

en sneve ik, 't is voor de eer van 't bloed, waaruit ik sproot! Ik, Egas kweekling, ik, Mathildaas echtgenoot,

ik zou om ijdle vrees de stem der plicht versmoren?

Of, was 't my niet genoeg, voor de Oppermacht geboren, hier, in mijn wettig erf, te leven, onderdaan,

onmachtig zelfs mijn volk in d'oorlog voor te gaan'? En echter 'k droeg dien hoon, en offerde aan een moeder (gevoelloos voor mijn liefde en ieder dag verwoeder)

de drift, die zonder haar mijn hand gewapend had.

Neen, 't is te lang geduld, dat men uw eer vertrad,

mijn Vader! reeds te lang heeft my uw schim verweten, dat ik in laffe rust uw grootheid heb vergeten!

Uw arm heeft dezen grond den Saraceen ontroofd,

uw vuist de Gravenkroon gevestigd op uw hoofd!

en 'k laat een vreemdeling hier ongestoord regeeren, uw krijgsgenooten door zijn bittren trots verneéren,

ik dulde uw Portugal zijn gunstlingen ten buit,

of dat hy met den Moor een laffe vrede sluit',

(wiens duizenden uw arm zoo dikwerf heeft verslagen) om veiliger uw volk zijn ketens te doen dragen!

Neen, 'k eisch nog op dees dag de erkenning van mijn recht, en 't zij de kracht van 't zwaard er de uitkomst van beslecht', het zij men door verraad mijn neerlaag wil verwerven,

ik zal voor 't minst niet meer als onderworpling sterven ! Of, gaat mijn drift te ver? is 't heerschzucht, die my spoort, wanneer mijn boezem nog in droefheid schier versmoort, dat ik een vijandin moet temmen in een moeder?

Heb 'k nog haar niet voldaan? Spreek, eedle Wapenbroeder eens vaders, dien uw deugd te rug voert voor mijn hart, is 't eindelijk lang genoeg, dat men mijn gramschap tart? EGA.S.

Graaf,sints uw eerste jeugd vertrouwd werd aan mijn zorgen.

ocr page 97

ALPONSUS DE EERSTE.

heeft nimmer n mijn mond de waarheid nog verborgen,

en 'k zou noch jonglingsdrift, noch heerschzucht hier ontzien,

om u in zulk een tijd een trouwen raad te biên.

De nagedachtenis van uw doorluchten Vader,

en 't dierbaarste belang van Portugal te gader,

vereischen dat uw hand de teugels klemm' van 't rijk,

en wettelooze macht voor uw geaag bezwijk'.

Gij hebt de plicht voldaan, verschuldigd aan een moeder;

thands ziet het rijk in u zijn Vorst en zijn Behoeder!

Verlos het van den dwang, dien 't van zijn voogden lijdt,

en toon 't door uw bestier uit wien ge ontsproten zijt!

MATHILDA.

Vereent zich 't al dan, om mijn droefheid te vermeêren? Gy ook, getrouwe held, zult dan den slag niet keeren,

die me in mijn Gade dreigt?

EGAS.

Stel u gerust. Mevrouw;

de dag, die thands verrijst, is n geen dag van rouw:

zy is voor u en hem een boö van heil en glorie!

ALFONSUS.

Neen, dierbre, wanhoop niet, de hemel schenkt viktorie,

waar Egas en het recht zich scharen aan mijn zij!

MATHILDA.

Zoo sta zijn gunst uw moed en mijne zwakheid by!

DERDE TOONEEL.

DB VOBIGEN, DON LORENZO D'AGANIL.

LORENZO.

Een afgezant, Mijn Heer, van d' Oppervorst der Mooren vraagt toegang en gehoor.

ALFONSUS.

Van my? 'k Heb nooit te voren den Saraceen gekend, dan met de hand aan 't zwaard.

63

ocr page 98

ALFONSUS DE EERSTE.

'k Ontveins niet dat zijn komst my hier verwondring baart, üelei hem herwaarts.

(Lorenzo vertrekt.)

(Tot Egas, die vertrekken teil.)

Blijf, mijn Egas, mijn vertrouwen zal nooit uw vriendschap vreemd aan mijn belangen houên.

MATHILDA.

Ik store uw onderhoud met d'Afrikaner niet:

en voer uit uw gezicht mijn doodelijk verdriet.

(Zij vertrekt.)

VIERDE TOONEEL.

DON ALFONSUS, DON EGAS, OMAR.

OMAR.

Opvolger van den held, wiens nagedachtnis we eeren,

wien 't schittrendst voorbeeld leerde op mannen te regeeren, en die met heel dit rijk zijn roem uw erfdeel ziet,

als 't welzijn van zijn volk. De Moorsche Koning biedt u, schoon nog in 't bezit van 't Graafschap niet gehuldigd, den broedergroet reeds aan, uw rang en deugd verschuldigd. Mijn Koning, schoon heel 't land en de omgelegen zee zijn krijgsmacht tuigen kan, bemint een eerbre vreê;

en zoo reeds sedert lang uw beider onderzaten in ongestoorde rust d' alouden haat vergaten,

die vriendschap was zijn hart, uit achting voor uw kroon, steeds onuitspreeklijk zoet. Moge, als Graaf Hendriks zoon de teugels van 't gebied met eigen hand zal voeren.

geen wreevlig staatsgeschil die eendracht ooit beroeren....

ALFONSUS.

Mijn Heer, voor dat de zee uw rijk van 't onze scheidt, belove ik nooit een eind aan onze oneenigheid.

Of heeft uw Oppervorst het heilig recht vergeten,

waarmeê de Europeaan dees landstreek heeft bezeten.

64

ocr page 99

ALFONSUS DE EERSTE.

to1 waar hem de Oceaan zijn grens heeft aangeduid? En, maakte zich uw volk ons vaderland ten buit.

wanneer 't met de overmacht van duizend duizendtallen van de overkant der zee ons op het lijf kwam vallen? — Het lot des oorlogs heeft ons uit ons erf verjaagd; de wapens in de hand wordt dit weêr opgevraagd!

Neen, hy kent de inborst niet der fiere Portugeezen, die wanen mocht dat zy den last des oorlogs vreezen! En eert uw Vorst in my Graaf Hendriks erfgenaam,

hy verg' van my geen daad, die ik me als krijgsman schaam!

OMAR.

Mijn last strekt zoo ver niet, om over 't recht te spreken,

dat tusschen u en ons den oorlog kon ontsteken.

Een dringender belang voor u en uw geslacht

heelt my in 's Konings naam. Graaf, hier voor u gebracht.

Als bondgenoot, als vriend, zond hy me in dees gewesten

om 't wankelend gebied in uwe macht te vesten.

Uw Vader (wel is waar) heeft heel zijn levenstijd

ten dienst der vijanden van onzen Staat gewijd:

maar weten we ons óp 't veld met leeuwenkracht te weeren,

■wy kunnen ook de deugd in vijanden vereeren,

beschermen, wreken zelfs, en by den Saraceen

wordt schittrende oorlogsroem, in wien ook, aangebeên!

Sints lang reeds zijn mijn Vorst de schandelijke lagen

bekend, waarmee verraad uw eerste jonglingsdagen

aan alle kant omgeeft. Men spaart noch list, noch bloed,

zoo slechts uw ondergang een vloekbre heerschlust boet!

Mijn Vorst vermag u thands gereede hulp te bieden.

Een vloot, die 't Noordlijkst deel van Spanje moest bespieden,

kruist dicht naby dees kust: verlangt ge in éénen dag

u in 't bezit te zien van 't Grafelijk gezag?

Ik wapen tot uw dienst die dappre vlotelingen,

dat ze onder mijn gelei in deze vesten dringen;

gy-zelf verklaart u Vorst, en zonder tegenstand

vermeestert gy de stad, en met baar heel het land!

En wy, wy vergen niets voor deze dienstbetooning,

dan dat gy Portugal in leen boudt van den Koning!

ALFONSUS.

O stoutheid zonder maat! Ik, leenman van uw Vorst?

65

ocr page 100

ALFONSUS DE EERSTE,

ten loon van 't eerloos feit, dat gy my voorslaan dorst! Ga, vlied naar 't schendig hof van die u heeft gezonden, om hem mijn antwoord — neen! mijn woede te verkonden! Zeg hem, dat ik mijn recht van geen verraders hou,

en dat, schoon anders niets mijn handen waapnen zou,

dees dag, dees dag-alleen, mijn haat zal doen ontgloeien, om hem en heel zijn huis voor eeuwig uit te roeien!

omar.

Zoo loont men 's Konings gunst met smaad....

alponsüs.

Vertrek, Mijn Heer,

ik wil geen enkel woord van zulk een gruwel meer!

VIJFDE TOONEEL.

don alfonsus, don egas.

egas.

Bedaar, en laat de zorg voor dierbaarder belangen uw verontwaardiging, geliefde Vorst, vervangen!

Geen oogwenk dient verzuimd, waar list en Staatzucht waakt, en hartstocht en verdriet voor 't grootsch ontwerp verzaakt!

alfonsus.

Neen, hoe my 't lot vervolgt, getrouwste mijner vrinden, vrees niet dat ge ooit mijn moed zult neergeslagen vinden! Aan vorstenplicht gewijd, aan de eer van mijn geslacht, schenkt, wat ik lijden mag, mijn boezem nieuwe kracht. Kom, gaan we, 't hoog besluit is eindelijk genomen i En moet der burgren bloed in deze wallen stroomen,

mijn hand is schuldeloos. Dees dag getuigt mijn val,

of voert Graaf Hendriks zoon ten troon van Portugal!

TWEEDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

be graaf de trava, dona theresia, Spaansche en Poftugeesche Edellieden, met don alonzo gomez aan het hoofd.

de trava.

Beschermers van den Staat, doorluchte rei van helden.

66

ocr page 101

ALFONSÜS DE EERSTE.

wier wijsheid in de vreê, wier moed op de oorlogsvelden, u 't voorbeeld heeft gemaakt van ridderlijke deugd!

ontfangt mijn welkomstgroet! Hoe is mijn hart verheugd, voor 't heil van mijn gebied, mijn dapperste onderdanen, den adel van dit rijk, den bloem der Castiljanen,

rondom mijn troon geschaard, zoo broederlijk vereend te aanschouwen. Deze band heeft ons de kracht verleend om met standvastigheid dit Graafschap, nauw geboren, te hoeden voor 't geweld der ongetrouwe Mooren;

en zoo 't de rust der vreê, na zooveel jaren strijd met roem erlangen mocht, aan ü is 't, dat men 't wijt!

Doch schoon zich 't al vereende, om dit gebied te sterken, nog is de nijd in staat zijn onheil te bewerken.

Verheft ze als winnares d'afschuwelijken kop,

zoo stort dees troon in puin, en richt zich nooit weêr op!

Mijn vrienden, neen, mijn hart houdt aan uw trouwe zorgen het droevig lot, dat hem bedreigt, niet meer verborgen, 't Is geen uitheemsch geweld, dat ons hier waapnen zal: 't verraad smeedt zijn ontwerp in 't hart van Portugal! Ja, 't kroost van uw Gravin (ik gruw het uit te spreken) bereidt zich tegen haar het oorlogsvuur te ontsteken. Alfonsus, groot door rang en mannelijken moed,

maar trotsch en woest van aart, en in zijn drift verwoed naar de opperheerschappij, werd sints zijn eerste dagen omringd door vleierij, gevormd naar 't welbehagen van staatsliên, onder schijn van trouw aan zijn geslacht, op eigen grootheid slechts bij 's vorsten gunst bedacht. Dus leerde men zijn hart van dolle driften blaken,

't belang van heel een rijk, zijn eigen bloed verzaken.. .. Zijn moeder en haar ga zijn 't voorwerp van zijn haat! Het oogenblik is daar voor 't schaamteloos verraad,

waarop 't de Gravenkroon van onze kruin moet rukken, om ze op het wufte hoofd eens jongelings te drukken! O! zoo 't ontwerp gelukt, rampzalig Portugal!

men voert u met geweld tot een gewissen val.

Geen leidsman, opgevoed in staats- en krijgsgevaren, zal meer uw wanklend rijk voor d'ondergang bewaren! De prooi der driften van een onberaden vorst,

de prooi der gunstlingen, wier onverzaadre dorst naar grootheid, voor zijn macht uw welzijn zal vertreden!

67

ocr page 102

ALPONSUS DE EERSTE.

ziet daar het heilzaam doel der gruwlen, die zy smeden! Het heilig vorstenrecht moet schandelijk versmaad, Castieljes dochter, die den pas herwonnen Staat ten huwlijksgoed ontfing van haar roemruchten Vader, moet in haar wettig erf, gehoond, beroofd te gader,

op dat het, uitgeput, door wie 't beschermen moest, in 't einde nederstort', door 't eigen zwaard verwoest, waarvan 't Castieljes Vorst gered heeft en gewroken. Een enkel oogenblik, en 't twistvuur is ontstoken! Getrouwen, gy-alleen, kunt, wat ons dreigen mocht, de rampen temmen, die gevloekte baatzucht wrocht. Vertoont u één en trouw, in eedle krijgsmanszeden, en leidt den zwakken op, naar 't pad, door u betreden. De zege volgt u! en een dubble glans van eer daalt op het achtbaar hoofd van 's lands bevrijders neêr!

THERESIA.

Geen echte spruit van 't bloed der oude Portugeezen,

geen Castiljaansche held kan ons vijandig wezen!

Ik ben gerust: 't is geen rechtschapen Edelman,

die in 't onschendbaarst recht een vrouw verraden kan!

OOMEZ.

Gebieders van dit rijk, die 't eenig kunt behouën! O ja! ons brandend hart beantwoordt uw vertrouwen. Gy zyt het, die ons steeds het edelst voorbeeld gaaft in oorlogstijd en vreê. Uw macht, uw wijsheid staaft den adel en den rang, geboorte en deugd verschuldigd. Sints lang zijt gy voor ons in 't graaflijk recht gehuldigd. Die hulde stave ons zwaard, en beev' wie 't onderstaat te dingen naar uw kroon door wapens of verraad!

DE TKAVA.

'k Erken in deze taal mijn dierbre wapenbroeders,

steeds gloeiende voor recht, en rijks- en troonbehoeders. Mijn baandors leiden u op 't pad van eer en roem: en volgt ze uw dappre schaar, der Edellieden bloem, ons zwaard of ons beleid zal 't oproervuur versmoren. Wy, houden we ons gereed! Geen oogwenk zij verloren! En barst de staatstorm uit, voorzien sints zoo veel tijd

68

ocr page 103

ALFONSUS DE EERSTE.

zoo voere ons de eerste maar ter raadzaal of ten strijd! Vaartwel!

De Edellieden vertrekken, de tra va vervolgt tegen d' avila, die hij hun uitgaan binnen getreden is.)

Gy, d'Avila, gelei Don Egas binnen!

(d' Avila vertrekt.)

Welaan! het uur is daar, de kampstrijd gaat beginnen! Ik wacht u, trotsche slaaf van een onwaardig Vorst! En wat zich tegen my uw haat vermeten dorst,

om in Alfonsus naam mijn Staten te regeeren,

gy zult op hem en u mijn wraak zien triumfeeren!

TWEEDE TOONEEL.

de graaf de trava, dona theresia, don egas.

de trava, met bitterheid.

Wat onverwacht geval voert hier Don Egas schreên? Het Graaflijk hof sints lang heeft geene aantreklijkbeön voor u, wiens gantsch bestaan aan wichtiger belangen gewijd is, dan 't genot der hoven op te vangen!

Spreek, wat bedoelt uw komst?

egas.

Het welzijn van ons land. de wil eens meesters, aan dat welzijn naanw verwant, vereischen 't onderhoud. Graaf, dat ik u deed vragen! Ik kom, om u mijn last op 't spoedigst voor te draden. Het edel kroost des helds, wiens schittrende oorlogskracht, de vrijheid in dit rijk, de kroon in zijn geslacht gevestigd heeft, wenscht thands, dat rijper jeugd zijn handen in staat stelt zelf de staf te voeren dezer landen.

een einde aan alle macht, die hier nog heerschen mag.

Heel Portugal, als hy, verwacht met drift den dag waarop de rijksvoogdij, wier zorgen zoo veel jaren Graaf Hendriks Weduwe en haar Echtgenoot bezwaren, zal keeren in den schoot van de opperheerschappij!

69

ocr page 104

ALFONStJS DE EERSTE.

THERESIA.

Hoe, wat vermeet men zich? Alfonsus vergt van my dat ik met eigen voet mijn rechten zal vertreden,

mijn Ega zal verraan? De troon, dien wy bekleeden, was Hendriks eigendom, is thans dat van zijn zoon,

als of mijn vaders wil de Grafelijke kroon.

mijn bruidschat, onbepaald, aan vreemden had geschonken! Ontaarde! heeft haar glans u dus in 't oog geblonken,

om ze aan een moeders hoofd te ontweldigen? Welaan! wat mart ge nog, mijn zoon, de hand aan 't zwaard te slaan' om met mijn bloed bespat u-zelf ten troon te heffen? Kom, ear nog moet uw wraak my met de mijnen treffen, eer moet die troon vergaan, en eerder heel dit rijk,

dan dat Theresia gewillig voor u wijk'!

KGAS.

Hoe! heeft dan niet. Mevrouw, Don Hendrik deze Staten aan de Oppermacht zijns zoons, aan uw voogdij gelaten? En hebt ge uzelve niet tot Rijksvoogdes verklaard?

DE TRA VA.

Rampzalige uitvlucht, en zoo stout een aanslag waard! Spreek! wat vermocht een vrouw, van vijanden omgeven, verbitterd op haar rang, haar afkomst en haar leven? Zy zag van 't troonrecht af voor een geliefden zoon, en vestte op hem haar hoop! Zijn haat, zie daar haar loon! Zie daar den invloed van verachtelijke vrinden!

Sints deed een tweede trouw haar een beschermer vinden in d'Ega. dien zy koos. Gy ziet haar thands in staat haar recht te wreken, en te straffen, wie 't versmaadt; — Niet dat haar moederliefde uw kweekling wil verstoten, ofschoon zijn boezem zich voor haar heeft toegesloten! Ik-zelf, zoo dier verknocht aan Don Alfonsus bloed,

heb meê met heel mijn hart de vaste hoop gevoed,

dat hy in 't rijksbezit ons eenmaal zal vervangen.

Maar neen! men eischt veel meer: zijn toomeloos verlangen wacht niet dat onze dood hem 't Graafschap schenken zal. De drift der jonglingschap moet over Portugal,

moet over 't lot van hem, die haar met roem regeerde.

ocr page 105

ALFOSISUS DE EERSTE.

van hem, om wiens ontzag de nabuur haar vereerde, beslissen, en zijn wil reeds heden uitgevoerd!

Dees wankelende Staat, door helsche twist beroerd,

haar Ridderen verkeerd in woeste muitelingen,

om 't al naar willekeur van hun belang te dwingen!

Zie daar het edel werk van hem, wiens vroege jeugd de rijkskroon heeft verdiend door weêrgalooze deugd!

EGAS.

Mijn Heer, heel Portugal kan tuigen, wie van beiden de jammren oorzaak gaf, die zich voor haar bereiden,

indien men door het staal de kroon herwinnen moet!

't Kan tuigen wie van bel de banden van het bloed miskend heeft en vertrapt, en of Alfonsus daden ontembre heerschzucht of rechtaarde deugd verraden!

Maar waartoe een verwjjt, zoo ongegrond, weerlegd ?

Zijn deugd beslist hier niets! 't Is zijn geheiligd recht,

dat 'k opeisch uit zijn naam. Nog blijft dat recht geschonden ? Ik breng uw antwoord wéér aan die my heeft gezonden! Gy ziet mij thands niet meer Alfonsus afgezant:

'k verkondig hier den wil der Ridderschap van 't land. Aan Hendrik en zijn huis heeft ze eens haar trouw gezworen, zy doet dien eed gestand aan 't kroost, uit hem geboren, en van dees dag af aan erkent zy geen voogdij,

noch in heel Portugal een andre macht, dan hy!

Zy zal zich om zijn troon als om zijn lijf vergaren,

en wijden d' eigen arm, die Hendriks krijgsgevaren gedeeld heeft, aan den dienst van zijn doorluchten zoon!

THEEESIA.

O hemel tot hoe lang dulde ik zoo fel een hoon!

Ga, hoofd en afgezant van vuige muitelingen,

die zelve naar de macht van hun gebieders dingen!

Ga, doe hun uit mijn naam hun ware plicht verstaan

Don Hendrik heeft hun eed van trouwheid, hem gedaan,

alleen als Ega van Theresia ontfangen!

Die eed behoudt haar kracht voor hen die hem vervangen

in d' echt, die ons verbond, als in mijn rijksgebied.

EGAS.

Toen de overwonnen Moor dees streken siddrend liet.

71

ocr page 106

ALFONSUS DE EERSTE.

Mevrouw, ontfing de deugd des winnaars, van uw Vader het vrijgevochten land en uwe hand te gader!

maar nimmer had zijn wil (verschoon mijn vrije taal!)

zijn gift onttrokken aan het kroost van uw Gemaal,

noch had hy toegestaan, dat willekeur van vrouwen, aan Hendriks erfgenaam het Graafschap zou onthouèn, om 't op te geven aan eens vreemdlings heerschappij!

DE TRAVA.

Vermetel onderdaan! Hoe! wat verwijt ge my?

Zoo zag Don Hendrik dan het daglicht in deze oorden ? En naauwer band verbond hem Portugal, wien 't Noorden ter weering van den Moor, naar Spanjes Vorsten zond, aan grond en zeden vreemd?

EGAS.

Zijn bloed vloeide op dees grond! Zijn degen deed den naam der eedle Portugeezen in 't overzeesche rijk der Saraceenen vreezen!

Zijn hand sloot nooit met hen een schandelijk verdrag! Beschermheer van zijn volk, voor d' adel vol ontzag,

verried hy hun belang aan geen uitheemsche Grooten. Zie daar wat hem ons hart voor eeuwig heeft ontsloten! Zie daar zijn rechten op de Portugeesche kroon,

verschuldigd door zijn dood aan zijn heldhaften zoon!

DE TRAVA.

Genoeg! 't Is reeds te lang, dat gy 't ontzag dorst krenken, dat u mijn rang beveelt! Gy moest vodi- 't minst bedenken, dat ik nog meester ben, en dat mijn gramschap u,

mijn onderdaan, nog kan noodlottig zijn! En nu — 't is noodloos dit gesprek hier verder te verlengen.

Gy hebt mijn wil verstaan. Gij kunt dien overbrengen.

EGAS.

Ik ga, maar keer terug voor 't uur van middernacht,

aan 't hoofd der Ridderschap, die slechts uw antwoord wacht, om vreedzaam haren Graaf de kroon op 't hoofd te drukken, of 't wraakzwaard uit de schee voor Vorst en eer te rukken^

72

ocr page 107

ALPONSUS DE EERSTE.

DERDE TOONEEL.

DE GRAAF DE TKAVA, DONA THEliESIA,

vervolgens d'avila.

THEBESIA.

O wanhoop! 'k zal den smaad van zooveel overmoed dan dulden, en mijn hand niet in des trotschaarts bloed een muiter straffen, steeds het voorwerp van mijn woede,

die in het hart mijns zoons zijn vloekbre heerschzucht voedde' Zijn dood, zijn dood-alleen, herstelt mijn lijdende eer! Ach! drukte ons dus de keer vau 't trouwloos noodlot neêr dat, waar zoo wreed een hoon mijn boezem doet ontgloeien, onze eigen veiligheid den felsten haat moet boeienquot;3

DE tra VA.

Volharden wy, Mevrouw, by 't dringen van den nood!

Het uur der wraak genaakt, of 't uur van onze dood!

d'avila, hinnen tredende.

Heer Graaf, men vraagt gehoor....

de trava.

't Is de Afgezant der Mooren.

Gelei hem binnen!

[d'Avila vertrekt: hy vervolgt.)

Welk een lot werd ons beschoren! De Saraceensche hulp ter weering van 't gevaar!

O foltring voor een hart als 't mijn'!

VIERDE TOONEEL.

DE GRAAF DE TKAVA, DONA THERESIA, OMAR.

OMAE.

Het uur is daar, heer Graaf, 't ontwerp door u tot heden afgeslagen, kan thands geen uitstel meer, geen aarzeling verdragen! Besluit, en op uw wenk is 't al gereed! De vloot.

73

ocr page 108

74 ALFONSUS DE EERSTE.

wier bijstand u mijn Vorst, ten pand van vriendschap bood,

is eindlijk (dank zij 't lot!) gevorderd tot uw kusten.

't Is tbands het oogenblik de manschap uit te rusten.

Daar, waar zich Aves vloed met d' Oceaan vermengt,

daar moet de dappre stoet, die a de zege brengt,

zich scheiden van de vloot, en varen met hun boten

den stroom op. Laat geen zorg dan meer die hulp verstoten !

De dag, die morgen rijst, berokkent ligt uw val.

Gebruik de gunst van 't lot, en zy brengt Portugal

voor eeuwig in uw macht! Verschoon dit dringend pogen;

gy hebt, als ik, de ramp die u bedreigt voor oogen!

Reeds woelt het wufte volk, reeds mompelt het den naam

uws mededingers, roemt zijn deugd en oorlogsfaam!

't Draagt alles blijk van 't vuur, dat eindlijk uit moet breken !

Nog kunt gy 't smoren, nog regeeren, nog u wreken,

en ge aarzelt?

THERESIA.

't Volk, Mijn Heer, wiens muiterij gy vreest, is aan zijn wettig Heer steeds naauw verknocht geweest. Het liet zich mooglijk thands door listiger verblinden! Een wenk (vertrouw het vrij) doet het zijn plicht hervinden. En 't oog der vorsten ziet in zulke onrustigheên,

geen woede van een volk, met hun gebied te onvreên.

OMAR.

Welnu, zal dit gewoel van zeiven weer bedaren en spelt het in uw oog geen grooter staatsgevaren;

zoo houde ik langer niet op onzen bijstand aan,

en....

DE TRA VA.

'k Deed u nog. Mijn Heer, ons antwoord niet verstaan! Ja, dikwerf weigerde ik uw hulp, my aangeboden!

Dus eischte 't vorstenplicht! Thands dat de macht der snooden een eerbiedwaardig volk in gruwbre rampen tracht te storten, en het al een stouten aanslag wacht,

thands kan het, schoon ons hart onvatbaar is voor vreezen, tot redding van dit volk wellicht noodzaaklijk wezen,

tot steun van dezen troon geen middelen meer te ontzien.

ocr page 109

li

ALFONSUS DE EERSTE,

De heuschheid van uw Vorst liet my zijn bijstand biên! Mijn vriendschap deelde steeds met vuur in zijn belangen! Ik zal van wederzij dit blijk van trouw ontfangen, ter staving van mijn recht, maar meer nog, om als Vorst, het bloed te sparen, waar de muiteling naar dorst.

omak.

Welaan, ik vlieg. Mijn Heer, om d' uitslag te bezorgen, de nacht geleidt ons op de golven, en op morgen is Portugal aan u, en Guimaraêns ') in vree!

'k Vertrek nog in dit uur naar de oevers van de zoe, die onze schepen voert....

db trava.

Vertoef, en wil niet vreezen, dat rijper overleg ons zal noodlottig wezen!

Daar waar één enkle stap het lot van heel een Staat beslist, daar dient geen drift gehoord, maar wijze raad! Ik draal niet ons besluit mijn Eedlen te openbaren;

'k stel hun zijn doelwit voor, zijn omvang, zijn gevaren, den plicht hun opgeleid. Gy, Omar, volg mijn schreên; en ons vooruitzicht moet, om alle onzekerheên,

gevaarlijk, doodlijk voor de hoop op 't zegepralen, te keeren, heel den loop van ons ontwerp bepalen.

(Tot Theresia.)

Gy ziet my weêr, Mevrouw, na d' afloop van den Raad.

omab, ter zijde, in het heengaan.

Ik volg in zegepraal den wreker van mijn smaad!

1 '1

VIJFDE TOONEEL.

doka theresia, alleen.

Op morgen valt de trots van muitende onderdanen, en alles kromt zich voor de Castiljaansche vanen! Op morgen triumfeert Theresia! Het bloed zal vloeien tot een zoen van haar getergd gemoed!

1

') De ae in dit driesyllpLig ^oord wordt als ai tiitgesproken.

O. F. 1 i.

W U C H E N S

75

■ 5

M ■ r-

•!; :

! /I f

ocr page 110

ALFONSUS DE EERSTE.

Mijn oog getuigt den dood van haatlijke verraadren ! en niemand zal mijn troon meer dan met siddring naadren! üw dorst naar wraak wordt haast gelescht! Wat eischt ge meer mijn hart? Wat pijniging slaat al die vreugde neer? Gerechte hemel! kan het waarheid zijn? Geweten!

heeft zoo veel poging nog me uw stem niet doen vergeten'; Neen, zoo veel gruwlen duldt uw strengheid niet. Die trooo dat voorwerp van mijn drift, ontweldigd aan een zoon !

Zijn bloed wellicht gestort, om 't misdrijf te versterken!

Geen banden ooit ontzien, om zijn verderf te werken !

Mijn boezem ijst! 'k verfoei die kroon, zoo duur gekocht, my-zelve en 't huwelijk, dat me aan een Ga verknocht, verhard nog meer dan ik in heerschzuchts ijslijkheden. Wat aangevangen in mijn angsten? Afgetreden van 't onheilvol gebied, de bron van al ons kwaad? Het gruwzaam moordzwaard, dat mijn zoon te wachten staat, geweerd? Kom, vliegen wy.... Wat doe ik, onberaden? Ik ga op 't hachlijkst uur mijn echtgenoot verraden! O denkbeeld, vreeslijker dan alles wat ik lij!

Ik ban en hem en my van de opperheerschappij,

om van mijn eigen kroost in 't eind gena te smeken,

neen, van zijn gunstlingen, wier trotschheid ik ging wreken ij O zwakheid, die me onteert!—Neen, gy verwint my niet! Of is 't een gruwel voor den schijnglans van 't gebied, de banden der natuur in dolle drift te schenden?

Zoo zwicht' mijn zoon, ten spijt van zijn verwoede benden! 'k Verhard my zoo als hy, en mijn gewetenssmart,

zal, ja, een foltring zijn voor 't weeke moederhart!

Maar toonde ik nimmer vrees in krijgs- en staatsgevaren, die foltering kan meê mijn hart geen angsten baren!

'k Kan moedig dragen, wat een toornig lot gebiedt,

maar wijken van mijn recht, maar buigen, kan ik niet!

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

DB GiiAAF DE TRA VA, DONA THERESIA.

DE TRAVA.

't Wacht alles slechts een wenk, om ons ter hulp te spoeden!

76

ocr page 111

ALFONSUS DE EERSTE.

Geen voorzorg werd verzuimd om ons ontwerp te hoeden;

de raad der Edelliên heeft d' aanslag goedgekeurd,

die eenig redden kan; ofaehoon hun fierheid treurt.

den vaak verwonnen Moor den zegepraal te danken.

Hoe 't zij, hun beider trouw slaat nimmer aan het wanken.

En inborst en belang verbindt den Castiljaan;

en Omar, onze zaak met geestdrift toegedaan,

wacht slechts op mijn bevel, om daadlijk te vertrekken.

THBBE8IA.

Hoe! waartoe dit vertrek nog langer uit te rekken,

waar 't dringendste gevaar met ieder oogenblik vermeert?

DE TRAVA.

Verban, Mevrouw, een ongegronden schrik! De zorg van uw Gemaal heeft geen belang vergeten!

Men zal zich tegen ons op heden niets vermeten;

en Omars toeven stremt geen oogenblik den loop van rijpdoordacht ontwerp, het standpunt onzer hoop. Hy heeft in aller ijl een slaaf vooruitgezonden,

die heel ons staatsbesluit den vlootvoogd zal verkonden; en Omars aankomst vindt den vloteling bereid.

Maar voor hy naar de stad zijn vreemde benden leidt, is 't noodig nog een stap voor haar behoud te wagen! Mislukt die, 'k zal hun komst geen oogenblik vertragen. Neen, vleien wy ons niet! dat volk, zoo fier van aart, zal nimmermeer een vorst, wiens kroon het Moorsche zwaard verdedigde, zijn trouw, zijn liefde en eerbied schenken; en 't diep gevoel van eer, dat het bezielt, te krenken,

is de ondergang wellicht van wie het durft bestaan. Zoo pogen we 't gevaar der vreemde hulp te ontgaan,

indien 't nog mooglijk is! Ik heb uw zoon ontboden, Mevrouw, Ik ken zijn hart, ontaard op 't spoor van snooden, door heerschzucht weggesleept, door jonglingsdrift verblind, maar dat de heiige band, die u aan hem verbindt,

nog niet verbroken heeft! 't Waar mooglijk dat uw klachten 't nog wijfelend gemoed tot onderwerping brachten. Eén traan, één enkel woord, dat in zijn boezem daal', is machtiger op hem, dan al de kracht van 't staal.

77

ocr page 112

ALFONSÜS DE EERSTE.

Maar wee hem, zoo hy nog hardnekkig durft weêrstreven! Zijn vonnis is geveld! Wy geven bloed en leven,

met de eer, het heil, 't bestaan van dit weerspannig rijk, op dat zijn hoogmoed met zijn ademtocht bezwijk'!

theresia.

Wat eischt ge van uw Ga? dat zy zich zal verneêren, om met een dubble schand beladen weêr te keerea?

Geen tranen werken meer op zijn verhit gemoed.

Of zoo er zulk een kracht in de inspraak ligt van 't bloed, kunt gy die zwakheid dan niet van een moeder wachten?

de teava.

Hoe! Travaas gemalin mistrouwt dit uur haar krachten, wanneer zich 't dierbaar doel van jaren zorg beslist!

Hier dient geweld gespaard, noch heimelijke list.... Men komt; 'k laat u alleen. Mevrouw! Wil slechts bedenken, dat gy ons op dit uur de zegepraal kunt schenken!

theresia, tot de Trava, die vertrekt.

Ik zal u waardig zijn. — Herinnring aan mijn hoon,

sluit gy mijn boezem toe voor een ontaarden zoon!

TWEEDE TOONEEL.

dona theresia, don alponsus.

alfonsüs, ter zijde, hy het inkomen.

Hoe is mijn ziel ontroerd, bij 't naadren van deze oorden? Gy, hemel, die my kent, verteder voor mijn woorden het moederlijke hart, dat steeds my van zich stiet, en eindig op dit uur mijn folterend verdriet!

{Tot Theresia.)

Men heeft me uit uwen naam ontboden, en ik snelde. Mevrouw, op uw gebod, waar ik me een heil uit spelde, onschatbaar voor mijn hart....

theresia.

Mijn Heer, een afgezant

ocr page 113

ALFONSSUS DE EERSTE.

van muitelingen, aan den roem van 't vaderland vijandig, dorst zich hier aan ons gezicht vertoonen, om plechtig uit hun naam zijn wettig Heer te hooncn. en eischen op uw last zijn afstand van 't gebied.

Is 't laster, of zijt gy 't, die dus den staat verriedt?

'k Eisch voor de laatste maal de rechten van een moeder; spreek, heeft die woeste drift, van dag tot dag verwoeder, u eindlijk dan vervoerd, om aan der muitren hoofd te pronken met een kroon, aan onze kruin ontroofd? om wars van matigheid u tot geweld te wenden,

en in eens moeders recht dat van den Staat te schenden?

ALFONSUS.

De leidsman van mijn jeugd, mijns vaders krijgsgenoot,

(geen muiteling, Mevrouw, van schaamte en deugd ontbloot,) kwam hier om 't Graaflijk recht zijns kweeklings op te vragen-Maar ach! 't is de eigen haat, die sints mijn eerste dagen een hart gepijnigd heeft, geheiligd aan zijn bloed,

die (ik doorzie 't te wel) nog in uw boezem woedt.

O! moet die wreede straf my eeuwig dan vervolgen?

Blijft uw misleid gemoed steeds op een zoon verbolgen? En is (o ijslijkheid!) verzaking van mijn plicht het eenig liefdeblijk, waarvoor uw gramschap zwicht?

THEBESIA.

Ontaarde, durft gy nog van kinderlijke liefde

gewagen, die zoo fel een moeders boezem griefde?

Durft gy gewagen van verplichting, eer of deugd,

wiens dwaze drift naar macht reeds sints uw vroegste jeugd

een eeuwgen oorlog zwoer, aan die haar tegenstönden ?

Helaas! heeft ooit het bloed uw hart aan my verbonden?

Uw kindschheid, my reeds vreemd, wees lïa uws vaders dood

de troost, de teerheid af, die u een moeder bood.

Een stoute hoveling dorst my uw liefde ontrooven,

dorst u de Gravenkroon van Portugal beloven,

ten koste van mijn eer, ten koste van mijn bloed!

Wanhopig, diep gewond in 't vorstelijk gemoed,

wierp zich mijn weêrloosheid in Graaf de Travaas armen.

om door dees tweeden echt mijn rechten te beschermen.

Sints dien tijd groeide uw haat; 'k zag van rondom mijn'troon

79

ocr page 114

ALFONSUS DE EERSTE.

van vijanden bedreigd, en aan hun hoofd mijn zoon! Ge ontveinst het doel niet meer, dat gy u voor dorst stellen de wapens in de vuist ons beiden neêr te vellen,

en grijpen met een hand, nog van dien moord bebloed, de teugels van een rijk, verdiend door muitrenmoed!

Zoo ver werdt gy verleid door een gevloekt verrader,

door lage vleierij en door uw drift te gader!

ALFONSUS.

Wat hoor ik? kan het, zijn? en is 't uw hart, Mevrouw, dat zoo veel misdaan op my laadt, dat Egas trouw miskent, en ons de ramp der droeve oneenigheden.

waarvan ons beider ziel zoo gruwzaam heeft geleden, verwijt? o hemel! Ik, een moeders liefde en recht versmaden? Ik, den glans aan de oppermacht gehecht,

door onrecht en geweld, door moedermoord ontwijden? Helaas! moet ik u nog herinnren aan die tijden,

toen de onschuld van mijn jeugd vergeefsch uw teerheid zocht verzwolgen in 't gevoel, dat Staatzucht in u wrocht?

Neen, nimmer heeft mijn hart die zaligheid genoten,

neen nimmer zaagt ge in my het kroost uit u gesproten, maar steeds den erfgenaam van Hendriks rijksgebied!

Gy zijt het die my haat, gy, die my steeds verstiet.

Gy wilt den Castiljaan mijn wettig erfdeel schenken,

gy, de eer van Portugal, die van mijn afkomst krenken, en dringen haar en my een vreemden meester op.

Hoe lang verdroeg ik niet! Thands rijst uw woede in top, nu alles van my vergt, dat ik mijn macht zal toonen!

Geen wraakzucht wapent my. Men poogde my te hoonen, te domplen in een rust, verachtlijk in een Vorst.

'k Vergeef met heel mijn ziel, wie my vernedren dorst!

Maar de eer mijns vaders, neen! laat ik niet ongewroken; en moet een oorlogsvlam, zoo gruwzaam, hier ontstoken, ik strijd voor 't recht mijns volks, voor 't recht op een gebied, wier hoede hy aan 't zwaard van zijn Alfonsus liet!

Neen, liever met den haat van heel een aard beladen, dan zijn geheiligde asch lafhartig te verraden !

Sints lang, wanneer de nacht reeds heldert aan de kim, verheft zich aan mijn oog zijn eerbiedwaarde schim,

en wijst met de eigen hand, wier kracht in vroeger dagen

ocr page 115

ALFONSUS DE EERSTE.

uws vaders vijanden zoo dikwerf heeft verslagen,

naar de eerkroon, die hem siert, de Gravendiadeem; en 't bleek gelaat vertoont een akelige zweem van droefheid, dat men hem zoo schielijk kon vergeten! en nu — wat misdaan ook uw drift my hoeft verweten,

verg alles van een zoon, die om uw weêrmin smeekt,

beroof hem hier van 't licht, zoo dit uw gramschap wreekt;, maar o! weêrstreef hem niet in 't volgen van zijn plichten!

THERESIA, ontroerd.

En moet mijn fierheid dan voor uwen invloed zwichten? En bleef ik meer dan gy mijn rang, mijn afkomst waard, zoo 'k afzag van den troon, als voor geweld vervaard?

ALFONSUS.

Oeen edelmoedigheid zal u by 't volk verneêren.

't Zal u als moeder, meer dan als Vorstin, vereeren. Verstomp in hunne hand het staal, en dat mijn jeugd den schepter van dit rijk ontvange van uw deugd!

theresia, ter zijde, met ontroering.

Wat vreemd en teêr gevoel wordt meester van mijn zinnen? O hemel! zou zijn taal mijn heerschzucht-zelf verwinnen, en bracht dit oogenblik mij 't hart van moeder weêr?

ALFONSUS.

Men komt....

THERESIA.

Mijn echtgenoot? Gy zijt gered, mijn eer! DERDE TOONEEL.

DE VORIQEN, DE GRAAF DE TRA VA.

DE TRAVA.

Gy zegeviert. Mijn Heer! 't volk heeft zijn plicht vergeten.' De stad weêrgalmt alom van woedende oproerkreten. Men roemt uw naam als Vorst, als vader van het rijk, als wreker van zijn recht; en hoont en vloekt, ten blijk der onverwrikbre trouw u in die drift gezworen,

81

6

ocr page 116

ALFONSUS DE EERSTE.

uw moeder en haar ga. 't Is al voor hen verloren.

De kroon, met zoo veel glans door hen gevoerd, valt af. Een zegeteeken nog ontbreekt uw roem, hun graf! De zwaarden zijn gewet, en niets meer zal ontbreken, om 't lang versmoord verdriet nog in dit uur te wreken. Men spare ons leven niet! Ik wacht van Hendriks zoon geen weldaad, dan een dood, gewensoht na zoo veel hoon! Ondankbren, die nu juicht, als van een dwang ontslagen, voor uw onbuigbren trots onteerend, niet te dragen'.

Pas uit uw nietigheid herboren, hebt ge 't my te danken, en 't ontzag van mijne heerschappij,

wier roem aan uwen naam zijn luister mocht verleenen zoo gy niet nogmaals kruipt in 't juk der Saraceenen. Zoo zij, na zoo veel dienst, uw laffe haat mijn deel!

't Is aan uw eigen hand, dat ik mijn wraak beveel! Wat eerbied wachtte ik nog voor weldaan, rang of plichten? Voor heerschzucht en verraad moet thans het alles zwichten.

ALFONSUS.

'k Erken in deze taal den dwingland van dees Staat,

die de asch, het kroost, den roem van haar bevrijder haat! Men poog' haar grootheid en zijn deugden te verneêren! 'k verwaardig my hier niet die poging af te weeren!

(Tot Theresia.)

Maar gy, o! geef gehoor aan de inspraak der natuur! Mevrouw, uw heil en 't mijn hangt in dit plechtig uur aan u, aan u-alleen! Spreek, mag uw zoon nog hopen'? Of moet hy de eer zijns stams met uwen haat bekoopen!

THERESIA.

Hoe! ik, ik zou ten loon van 't hemeltergendst woén,

van quot;t recht, dat ik bezit, gewillig afstand doen?

Alfonsus kan van my die lafheid niot verwachten!

Zijn voorbeeld leerde my geen banden heilig te achten,

geen weêrstand van het hart te ontzien, waar 't heerschen geldt! Gy ziet my onbeschroomd te zwichten voor geweld,

waar met mijn kroost en volk verraadren samenspannen, om my van dezen troon, mijn erfgoed, te verbannen!

Maar heeft de hemel 't dus besloten, dat ik vall'.

ocr page 117

ALFONSÜS DE EERSTE.

ik zweere 't, dat mijn mond u nooit erkennen zal.

Hier eindigt uwe macht! Laat thands uw grootheid rreezen, dat hem een moeders toorn licht kan noodlottig wezen! Ook ik, ik buige niet! en zij dit de eerste straf,

die neêrdale op 't bezit van een geroofde straf!

ALFONSUS.

O hemel! is 't genoeg voor plicht en eer geleden?

Mijn volk, mijn vaders eer moet schandelijk vertreden, om d'ijsselijken vloek, die my bedreigt, te ontgaan.

Welaan, hy kneuzquot; mijn hoofd! ik heb mijn plicht voldaan!

DF. TRA VA.

Voor wie zich zeker ziet de zege te behalen,

is 't licht met schijn van deugd en tederheid te pralen! tieloof niet dat die schijn de Travaas oog verblindt! Heerschzuchtig, door een drift, steeds opgewekt, ontzind, scheen my, 't is waar, uw hart nog voor een moeder open, en deed my voor haar liefde een beter uitkomst hopen, 'k Bedroog my, en dees dag vernietigde mijn waan. Uw snoode dorst naar macht, schoon 't alles moest vergaan, is in dit opderhoud op 't duidelijkst gebleken!

Ik heb genoeg gehoord! 't is tijd hier af te breken!

Gy kunt thands tegen ons 't geweld verzaamlen gaan. Uw Ridderschap zal dra ons laatst besluit verstaan!

ALFONSUS.

Geveinsde, 't is dit oord, te lang door u ontlieiligtl,

dat u nog voor do straf die lastertaal beveiligt!

De val, bestemd aan uw gevloekte dwinglandjj.

is foltering genoeg voor snoodaarts, zoo als gy!

VIERDE TOONEEL.

DB GRAAF DE TEAVA, DONA THKRESIA.

THERESIA.

Ga, trotschaart, gy kunt thands uw helsche heerschlust boeion; Uw moeder, uw vorstin ziet ge eindlijk aan uw voeten:

83

ocr page 118

alfonsus db eerste.

Geniet met heel uw ziel die langgewachte wraak,

voor dat het dreigend uur van uw verderf genaak'1 Gy zijt mijn zoon niet meer, en niets kan my beletten, wat bloed het kosten mag, 't zwaard tot uw val te wetten!

de tkava.

Mijn boezem is, als de uwe, in feilen toorn ontgloeid! De drift, die my bezielt, kent niets meer dat haar boeit! Neen! 'k draal niet! alles moet ter wraak, ter redding spoeden! Men wil 't: welaan! de krijg zal op deeg vesten woeden. Oproerigen! 'k ontzie uw haat, uw onheil niet!

Vervloekt mijn zegepraal, mijn wetteloos gebied!

ik zal, dien vloek ten spijt, uw opperheerscher wezen,

en met de hand aan 't staal die heerschappij doen vreezen! Mijn troon viel door verraad: door list en krijgsgeweld ziet gy hem morgen weer met nieuwe kracht hersteld! In 't antwoord heden nog door de Edelen bedongen doen we afstand van de kroon, als door hun wil gedwongen! terwijl hun straf genaakt in schaduw van den nacht!

Maar 'k ga! de Saraceen, die mijn bevelen wacht,

moet zonder meer verwijl zich spoeden naar de kusten!

Beef, jongling, nog dees nacht kunt ge als verwinnaar rusten! Gy kunt mijn oppermacht nog zoo lang slechts ontgaande dag, die morgen rijst, ziet u mijn onderdaan!

VIERDE BEDRIJF. EERSTE TOONEEL. don egas, Portugeesche Edellieden.

egas.

Doorluchte Riddienrei, gewoon aan 't zegepralen! Wat treffender triumf kon ooit uw deugd behalen dan die, waarvan dees dag den eersten glans begroet? De zoon des oorlogshelds, zoo heilig aan uw moed. die op ziin vaders spoor en 't uw, met de eigen vanen zijn krijgren steeds het spoor der glorie wist te banen, die in het prilst der jeugd reeds de ongunst ondervond

ocr page 119

ALFONSUS DB EERSTE.

van 't. noodlot, en zoo grootsch quot;t langdurig leed doorstond,

wiens deugd de diadeem hem door zijn rang verschuldigd

verdiende, wordt in 't einde als wettig Graaf gehuldigd!

De dwinglandij, die hier den kop verheffen dorst,

verneêrt zich voor een wenk van d' Adel en den Vorst,

en wie hen hoonen dorst, zal hier geen wet meer geven!

Ja, edelmoedig volk! gy zijt van 't juk ontheven

der vreemden! 't Is het kroost, gekoesterd in uw schoot

van die u redding bracht in d' ijsselijksten nood,

die van een nieuwen dwang u weder wocht bevrijden!

Heil, driewerf heil den dag, die 't eind ziet van uw lijden)

Herbloei, mijn Portugal! en doe den Saraceen,

die zich nog veilig acht door onze oneenigheên,

op nieuw uwe overmacht op 't slagveld ondervinden!

Mijn boezem is verrukt van vreugde! Ja, mijn vrinden,

'k weêrhou de stem van 't hart, by zoo veel blijdschap, niet.

'k Ontfing het levenslicht in dit geliefd gebied:

ik zag den Saraceen, beheerscher dezer streken:

'k zag door Don Hendriks arm die overmeestring wreken,

in 't heetste krijgsgevaar steeds strijdend aan zijn zij':

ik zag het vaderland in zijne heerschappij

gelukkig, en zijn zorg steeds voor haar welzijn vaardig:

ik kweekte 't dierbaar kroost, zoo groot een vader waardig,

in diepen eerbied op voor zijn gedachtenis,

en, zoo hy 't voorwerp thands van uw vereering is,

ik zag die deugden in het jeugdig hart ontluiken,

die 't schandelijk ontwerp van snoode heerschzucht fnuiken.

Maar wat onschatbre vreugd dees dag van glorie biedt,

vergeten wy 't gevaar, dat hier kan schuilen, niet!

De Travaas staatzucht, voor geen misdrijf ooit verlegen,

zoekt, in zijn woede, licht door heimelijke wegen

te keeren tot dien troon, waarvan hy afstand deed.

Gy kent zijn haat voor u en Hendriks zoon. Wie weet

wat gruwelen hy smeedt, om zich op bei te wreken?

Zoo wachten we ons het zwaard reeds zorgloos op te steken!

De Vorst heeft op mijn raad, in d' afgelopen nacht,

driehonderd Ridderen in haast bijeen gebracht,

om op het eerst gerucht van naadrende gevaren,

zich tot de nederlaag der snooden te vergaren!

Gy-zelf houdt u gereed te strijden aan hun hoofd.

85

ocr page 120

ALFONSUS DE EERSTE.

schoon ons dit uur nog niets dan zuivre vreugd belooft! Men komt.... het is de Graaf! zijn Gade volgt zijn schreden.

(Ter zijde.)

Hoe tuigt nog 't voorhoofd, wat zijn boezem heeft geleden!

TWEEDE TOONEEL.

DE VOKIQETf, DON ALFONSUS, DONA MATHILDA.

EGAS.

Ontfang. geliefde Vorst! door 'shemels wil hersteld

in rechten, lang miskend door 't Castiljaansch geweld,

de hulde van een volk, dat, zonder u verloren,

nog 't dwangjuk torschen zou, door vreemden haar beschoren!

Uw trouwelooze voogd, verrader van den Staat,

en by den Portugees sints lang veracht, gehaat,

lei zijn geroofde macht in onze handen neder;

en zien wy dezen dag een wettig meester weder,

zoo breng' de Ridderschap, steeds trouw aan Hendriks bloed,

u, als regeerend Graaf, den allereersten groet!

Wy zweeren plechtig nooit die trouwheid te verzaken, voor u en voor uw kroon, als voor ons land te waken, aan uw en hun behoud ons leven met ons zwaard te wijden! Dierbre schim, die om ons henen waart,

en meê de vrijheid viert van dees geliefde streken!

getuig dees heilgen eed, en help den meineed wreken,

en zie, wanneer het graf ons kluistert in haar nacht,

onze afkomst steeds getrouw aan uw doorlucht geslacht'

ALFONSUS.

En ik, ik zweer met u, aan 't heil der Portugeezen,

aan de eer van deze kroon steeds toegewijd te wezen! Het recht te eerbiedigen, en wie het mocht versmaan, te straffen met dit staal, al moet ik zelf vergaan!

Of zoo ik ooit het spoor mijns vaders mocht vergeten,

zoo 'k me ooit de schennis van uw rechten kon vermeten, zoo wreek' haar uwe deugd, en zij op de eigen stond

86

ocr page 121

ALFONSUS DE EEESTE.

de band vernietigd, hier gesloten door uw mond !

Ja, dierbaar is me een kroon, uit uwe hand ontfangen, en dierbaar het bestuur van Portugals belangen!

Maar ach! de schittering der Graaflijke oppermacht geneest de wonden niet, mijn boezem toegebracht.

Helaas! die hooge rang, waarin ik werd geboren,

heeft voor Alfonsus hart sints lang haar zoet verloren! En zoo zy thands dit rijk van 't vreemd geweld verlost, gy weet het, trouwe rei, wat mij die zege kost.

{Tot Mathilda.)

Eén heil nog is voor my de vrucht van 't zegevieren! Uw schedel met den glans der diadeem te sieren,

geliefde leedgenoote, en heul by zoo veel leed!

En o! dat zy in 't eind den nevel scheuren deed,

die 't voorhoofd overdekt, van kommeren beladen!

MATHILDA.

De bron der tranen, waar mijn oogen steeds in baadden, is nog niet uitgeput. Helaas! nog blijft mijn hart bedrukt, en ducht een ramp, voor mijn verstand verward! De dwingland lei zijn macht vrijwillig aan uw voetenquot;? Welnu! zoo heeft hy thands een dubble wraak te boeten! Ja, helden, wijt mijn vrees de zwakheid van een vrouw! Aan d' afstand, dien hy deed, blijft Trava nooit getrouw! En, daar zijn vijanden zich reeds verwinnaars wanen, schaart licht een snoode stoet zich heimlijk om zijn vanen.

ALFONSUS.

En wien verdenkt uw zorg van zulk een laf verraad, in 't vorstlijk Guimaraêns, dat met geheel den Staat den dwingland met haar vloek sints lang heeft overladen? Zijn Spaansche gunstlingen! Ziedaar, wie hem aanbaden! Ziedaar de vijanden, nog op dit uur geducht!

Of, dierbare, is er vrees, waar op het minst gerucht driehonderd Edelen, gehard in krijgsgevaren,

niet minder groot in deugd, zich om mijn lijf vergaren?

MATHILDA.

Ja, voor mijn angstig oog is alles hier verdacht!

87

ocr page 122

ALFONSüS DE EERSTK.

En zoo ge u voor geweld genoeg beveiligd acht,

kende ooit uw eedle ziel de afschuwelijke paden,

die 't zwart verraad doorkruipt, om zijn vergif te ontladen?

Nog gistren was 't de macht des wreeden dwingelands,

waarvoor ik sidderde! Het is zijn onmacht thands!

O hemel, die my kent, en wat ik heb geleden!

uw gunst verleene een perk aan mijne angstvalligheden! Of dreigt my in deze angst een nog verschrikbrer ramp, dan al de tegenheên, waar 'k jaren reeds mee kamp,

en is dees dag van roem noodlottig voor mijn Gade ; zoo eindig', met mijn dood, des noodlots ongenade! Te siddren zonder eind voor 't dreigen van den nood, is wreeder duizendmaal dan de allerwreedste dood!

DERDE TOONEEL.

DE VORIGEN, DON LORENZO D'AGANIL.

LORENZO.

De Graaf de Trava!

ALPONSUS.

Hy, kan 't zijn!

(Tot Lorenzo.)

Men doe hem naadren!

(Lorenzo vertrekt.)

MATHILDA.

De Trava! Welk een schrik verspreidt zich door mijn aadren! op 't hooren van dien naam, die me ijslijkheen voorspelt!

ALFONSUS.

Gy ziet mij diep verbaasd, 'k Had nooit my voorgesteld,

mijn moeders echtgenoot te aanschouwen in deze oorden!

MATHILDA.

Vertrouw zijn daden niet, maar even min zijn worden!

88

ocr page 123

ALFONSUS DE EERSTE.

VIERDE TOONEEL.

de voeigen, de graaf de tra va.

de trava.

Het onstandvastig lot, dat troonen sticht en slecht,

wiens grilligheden noch verdienste ontzien, noch recht,

heeft op het onverwachtst my van den troon verstoten, waartoe me een huwlijk riep, tót steun van 't rijk gesloten, 'k Zie thands in uwe hand den schepter, dien ik droeg! 'k Betreur die grootheid niet; Het is mijn hart genoeg, dat ik, wat laster zich mijn vijanden vermeten,

nooit vorstenwaarde of plicht laaghartig heb vergeten. In d' oorlog opgevoed, in 't doornig staatsbestier,

wachtte eindlijk kalmer tijd mijn matte grijsheid hier! En, zoo tot nog mijn hand de teugels dezer Staten geklemd heeft, en haar macht van zelf niet heeft verlaten; de roepstem van de plicht weêrhield haar. Heeft mijn echt my deelgenoot gemaakt aan 't thands verschopte recht der Spaansche rijksprinses, mijn gemalin, uw moeder, zoo was ik steeds haar rijk- en eer- en troonbehoeder, en riep zy nog dit uur, als Portugals Gravin,

haar oude rechten, en haar gaas bescherming in,

ik zou niet aarzlen die te omhelzen en te wreken.

Ik volg ook thands haar wil! Haar fierheid is bezweken voor 't openlijk geweld, bevolen door haar zoon!

Zoo woeste muiterij beslist van dezen troon,

zoo acht ik my als haar ver boven hem verheven! — Wy hebben beide ons recht aan 't oproer opgegeven!

alfonsus.

Is dit het doel. Mijn heer, het geen u herwaarts bracht, een volk te lasteren, dat zich gewettigd acht,

zich van een vreemden dwang ontslagen te verklaren! Zoo deedt gy beter my dit onderhoud te sparen!

de trava, ter zijde.

O trots dien 'k nog verdraag, maar haast verplettren zal!

(Tot Alfonms.)

quot;Verschoon, 'k vergat in u den Graaf van Portugal.

89

ocr page 124

ALFONSUS DE EERSTE.

Een wichtiger belang geleidde liier mijn schreden.

Een moeder eischt van u, na wat zy heeft geleden,

één gunst, één recht nog op. Als zoon, als Vorst, mijn Heer.

vraagt zy van u 't herstel van haar geschonden eer.

Zy werd tot d' afstand, ja, der heerschappij gedwongen,

en steeg haar zetel af. Meu heeft nog niet bedongen,

dat wie hier gistren'nog met vorstelijk ontzag

vereerd werd, die den Graaf, gehuldigd op dees dag,

het licht gaf, ook den hoon, dien zy ontfing, zou smoren.

Nog was zij 's lands Gravin, toen zij den smaad moest hooren,

van wie uw naam en last misbruikten. Zy verwacht,

dat hier voor 't minst uw hart, gevoelig aan haar klacht,

om haar-, om uwentwil haar wraak niet zal versmaden!

Wie strafloos onze kruin met hoon dorst overladen,

randt uw ontzag weldra met de eigen stoutheid aan!

ALFONSUS.

O hemel! kan het. zijn, en heb ik wel verstaan?

Of was 't een ijdle klank, als in verwarde droomen, bedrieglijk voor 't gehoor? — Wat deed u herwaarts komen? verklaar uw reedneu, spreek! wat wil men?

DE TRAVA.

Egas straf!

(5f hield dit meê de last, dien hem zijn meester gaf, by d' afstand, dien hy eischte, uw moeder snood te hoonen ? Zoo neen! zoo moet geen gunst een onderdaan verschoonen, waar 't de eer van u-.v gebied, de eer van uw afkomst geldt!

ALFONSUS.

Hoe! durft men van mijn hand de straf van zulk een held verwachten? Ik, den bloem der Portugeesche Ridderen, wiens onverwrikte moed het misdrijf steeds deed sidderen, en voor wiens grootsche ziel ik geen belooning ken,

opofïren aan een haat, waarvan ik 't voorwerp ben?

Mijn band waar' eer in staat den snoodaart neêr te vellen____

'k Vergeef uw wanhoop slechts wat gy my voor dorst stellen i

(Men hoort van binnen een gerucht van inkomenden.)

Maar welk een woest gerucht drong door tot deze zaal?

90

ocr page 125

ALFONSUS DK EERSTE.

Wat zie 'k.... O hemel! 't is mijn moeder!

db trava.

'k Zegepraal!

VIJFDE TOONEEL.

de vokigën, dona theresia, gewapend, gevolgd door Spaansche Edellieden.

theresia.

Gehate muiters, beeft! en kromt u aan mijn voeten!

Gy zult nog in dit uur uw vloekbren aanslag boeten! 'k Verklaar my hier op nieuw Gravin van Portugal!

MATHILDA.

Heb deernis, hemel, en verhoed Alfonsus val!

Verschrikkend voorgevoel, gy hebt te waar gesproken!

theresia

De smet is uitgewischt! onze oneer is gewroken!

Gebannen van mijn erf door een ontmenschten zoon,

wreekt my een vreemde hand van dees ondraagbren hoon. {Tot Alfonsus.)

Ga, hoed de rechten thands, die muiters u verleenen,

voor 't lot dat hun bedreigt! Vijfhonderd Saraceenen ontblooten tot uw val het straffend oorlogszwaard!

alfonsus.

En waant ge Alfonsus ziel voor dreigingen vervaard ? En waant men dat ik niet eer voor mijn recht zou sneven, dan 't aan het krijgsgeweld der Mooren op te geven?

Maar 's hemels gunst waakt nog voor dees verdrukten Staat, en stelt het doel te loor van 't schreeuwendste verraad!

Dees snoodbedreigde stad zal nog beschermers vinden! De vaak verneêrde Moor, die zich durft onderwinden den wil des Lusitaans te dwingen met het staal,

schenkt haast mijn Ridderen een dubblen zegepraal.

91

ocr page 126

ALPONSUS DE EERSTE.

Roem vrij uwe overmacht! Één handvol van mijn helden, zal meer dan duizenden, zal meer dan legers gelden!

MATHILDA.

Gaat, wreedaarts, die nu juicht bij zoo veel gruweldaan, gaat, doet geheel het rijk in mijn Gemaal vergaan,

en beeft! Mijn wanhoop zal zijn neerlaag overleven,

maar zal zijn val ten zoen, verraders, u doen sneven!

DE TKAVA.

Wat waagt men van verraad? — Voor wetteloos geweld bezweek ons recht! De hulp eens bondgenoots herstelt de dochter van Castielje in 't erfgoed van haar vader! En ik, als wettig Graaf, als haar gemaal te gader,

'k gebied het voor het laatst! Men keere tot zijn plicht! Het wraakzwaard is gereed, zoo 't oproer nog niet zwicht!

ALFOKSCS.

Men wil quot;t, ik aarzel niet! Welaan! Ten strijd getogen, en 't recht der kroon door 't bloed beslist! Het Alvermogen waakt. Ridders, voor onze eer en voor het vaderland!

THERESIA.

Ontaarde, ja, ten strijd gevlogen! 'k Voel me ontbrand in nooit gevoelde drift om Vorsteneer te wreken!

Geen kracht zal in den strijd aan dezen arm ontbreken! Veroordeeld door het lot, stelt ge u vergeefsch te weêr! Op heden stort uw trots voor 's hemels bliksem neêr!

(Zy vertrekt met haar echtgenoot en gevolg.)

ZESDE TOONKEL.

DON ALFONSÜS, DONA MATHILDA, DON EGAS,

Portugeesche Edellieden.

ALFONSÜS.

Ten strijd dan, zoo 't moet zijn! Komt, spoeden wy, mijn helden! en rook' het Moorsche bloed op dees roemruchte velden.

92

ocr page 127

ALFONSUS DE EERSTE.

door hen ontheiligd! 'k Ga u voor, waar 't de eer gebiedt! Welaan! de pijn versmoord van 't wreedste zielsverdriet! De hand vergeten, met uw haters saamgezworen.

mijn Portugal! om my den boezem te doorboren!

'k Ben de uwe, de uwe-alleeu, zoo lang hier de oorlog woedt en aan uw vrijheid wijde ik meer nog dan mijn bloed!

Komt, gaan wy, laat dees dag een schooner zege tuigen, dan ooit den Saraceen den snooden kop deed buigen! En dan.... herneem uw prooi, verteeiend smartgevoel!

[Tot Mathilda.)

En gy, mijn dieibre, o! weer de wanhoop! 't krijgsgewoel is niet, wat my bedreigt met de ijslijkste gevaren!

Vertrouw, de kampstrijd zal hem aan uw liefde sparen!

MATHILDA.

De moed mag wondren doen, maar de overmacht verplet!

ALFONSUS.

Het vaderland in nood, geliefde, moet ontzet!

Zy zal het door den moed van mijn rechtschapen Ridderen! En 'k weet, zoo min als zy, voor de overmacht te sidderen! Vaar wel! Gy ziet weldra my als verwinnaar weer! (Hy vertrekt met de zijnen.)

MATHILDA.

O hemel! stem mijn beê!____Helaas! Ik kan niet meer!

{Zy zijgt in een armstoel neder.)

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

DONA MATHILDA, dlUen.

Hoe is mijn borst beklemd! mijn geest ter neergeslagen! O angsten, drukkender dan 't onheil zelf te dragen! O angsten, groeiende met ieder oogenblik!

Helaas! het minst gerucht vervult mijn hart van schrik!

93

ocr page 128

ALFONSUS DE EERSTE.

De stilte beeldt den dood voor mijn benevelde oogen!

Mijn Ega is ten strijd (en welk een strijd!) getogen,

en ik, ik deel met hem in al zijn aakligheên!

De slagen van het zwaard weergalmen door mijn leên! tón ieder slag dreigt my zijn val! Wat moet ik vreezen? Zal de uitslag van den strijd, my, hemel! doodlijk wezen ? — tón niemand nadert nog! — Zal my voor 't minst geen beo de pletterende maar mijns onheils brengen? O!

zoo maakte een snelle dood aan mijne onzekerheden een eind! —Waar vinde ik troost, of waar wende ik mijn schreden ? Ach! mocht ik vliegen naar den strijd! Ach! mocht mijn oog getuigen, dat mijn angst mijn minnend hart bedroog!

Waar-, waarom mocht mijn arm der waapnen last niet dragen ? 'k Zou waken voor zijn hoofd, ik zou des vijands slagen afweeren op mijn borst of sneven aan zijn zij!

In dit paleis geboeid, is 't gruwlijkst, wat ik lij'! Men nadert.... 't is een boo, van uit den strijd gezonden! Hoe klopt mijn hart, voor 't geen zijn mond my gaat verkonden !

TWEEDE TOONEEL.

DONA MATHILDA, EEK SCHILDKNAAP.

MATHILDA.

Mijn echtgenoot....

DE SCHILDKNAAP.

Hy leeft. Mevrouw! Nooit blonk zijn moed met schitterender glans. Het Saraceensche bloed stroomt, waar hy treedt, langs 'tveld, en mengt zich aan de golven des Aves die 't besproeit. De trouwe Ridders volgen den weg hun door zijn zwaard gebaand ten zegepraal!

MATHILDA.

Kan 't zijn? en mag mijn hart dit strelende verhaal vertrouwen? jongeling! laat my uw mond nog melden, wat wonder medewerkt tot redding onzer helden,

dat de overmacht des Moors hun niet te vreezen zij!

94

ocr page 129

ALKONSUS DE EERSTE.

DK ■SCHILDKNAAP.

Ja, quot;s hemels gunst, Mevrouw, stond ouze helden byl De Castiljaansche stoet had dit paleis verlaten! De vloekkreet van het volk weergalmde langs de straten. Zy snellen langs een weg, wier eenzaamheid hen hoedt, de pas ontscheepte macht der Mooren te gemoet.

De Graaf was middlerwijl tot aan het oord genaderd,

waar zich de menigte der Ridders had vergaderd,

verwittigd van 't gevaar door d' algemeenen schrik. Driehonderd krijgeren zijn in een oogenblik rondom den Vorst vergaard, gereed het al te wagen, 't Vertrouwen dat hun deugd de zege weg zal dragen,

leeft in zijn glinstrend oog, en geeft een nieuwen moed aan 't volk, dat hem alom met dankbre zegens groet.

Dus waren wy de stad ter poort toe doorgetrokken in stille statigheid, en stapten onverschrokken den vijand in 't gemoet, wiens ijdele overmacht met brandend ongeduld het uur van strijden wacht. Men schaart zich onverwijld. Van uit het heir der Mooren doet zich aan alle kant het dreigend allah hooren,

en davert door de lucht met steeds vernieuwd geweld. Wy naadren kalm en stil, tot midden op het veld uw Ega aan ons hoofd, het oog ten hemel heffend,

zijn boezem lucht geeft in dees woorden, grootsch en treilend: ,0 hemel, die het lot der menschlijkheid bestiert!

„het zij mijn degen in den kampstrijd zegeviert,

„het zij me een eerlijk graf op 't slagveld is beschoren; „getuig gy welk een drift my heden aan kon sporen, „den slag te weeren dien een moeder my bereidt!

,'k Strijd voor mijn vaders eer, voor de onafhankelijkheid „van 't rijk, bevrijd door hem, door zijn gebied beveiligd. „Ik heb aan hunne zaak mijn leven toegeheiligd,

„en 'k zal voor hunne zaak verwinnen of vergaan.quot; Wy heffen op dees taal een kreet ten antwoord aan :

reeds woedt des veldheers zwaard op 'svijands dichtste drommen, wy volgen hem! de vlam des oorlogs is ontglommen! 't Gekletter van het staal, der krijgren woest gerucht, het nederploffen der gewonden vult de lucht.

Wie maalt de stroomen bloed, die bruischen langs de velden ?

95

ocr page 130

ALFONSUS DE EERSTE.

Wie meldt de menigte der reeds gevallen helden? De aanvallers dringen aan met leeuwenkracht. De Moor biedt hun wanhopig weêr, en staat hun woede door!

Maar wat verduurt de kracht van Don Alfonsus degen'? Waar hy dien bliksem zwaait, staat hem geen vijand tegen; en mooglijk had de Moor, voor zijnen arm beducht,

zich reeds beveiligd door een overhaaste vlucht!

Maar Trava en zijn Ga, die woedend op ons vielen, en steeds vooruit zijn in het heetst des strijds, bezielen hun bondgenooten met den haat, die ia hen brandt!

Doch wat die woeste moed vermag, hun tegenstand (geen twijfel!) zal weldra voor eedier moed bezwijken.

Toen ik het slagveld liet, zag 'k reeds allengs hen wijken ! Verwacht elk oogenblik de tijding van hun val,

Mevrouw! ik spoed naar 't oord, dat dien getuigen zal!

DERDE TOONEEL.

dona Mathilda, daarna dona leokora.

mathilda.

O onverwachte troost, gy schenkt my 't leven weder! Voltooi dien zegepraal, o hemel, en verneder den haat, die aan den rang van mijn Gemaal gehecht de wreedste foltring schiep uit een zoo zaalgen echt! {Tot Leonora, die binnen treedt.)

Wat brengt mijn Leonoor? Wat heeft uw oog vernomen? Is reeds mijn echtgenoot 't gevreesd gevaar ontkomen ? Heeft de overwinning zich voor de onzen reeds verklaard ?

leonora.

Van op den torentrans heeft lang mijn oog gestaard op 't slagveld, dat eerlang ons noodlot moet bepalen! 'k Zag 't zwaardgeflikker in den gloed der zonnestralen, mijn oog vernam den krijg- en woede- en wanhoopkreet der atrijdren, die geen blijk my onderkennen deed, in 't wisselend gewoel der wapenen verzwolgen.

Zoo mocht mijn oog alleen den stand der legers volgen;

96

ocr page 131

ALFONSUS DE EERSTE.

ik staar dien bevend na; mijn hart richt naar den loop der golvende banier zijn angsten en zijn hoop.

Lang stond de kans des krijgs; de Castiljaansche vanen zag 'k beurtlings deinzen voor 't geweld der Lusitanen, en beurtelings den grond herwinnen; als in 't end op eens een voorval, me op dit uur nog onbekend, het stijgend krijgsrumoer een tijd lang deed bedaren. Aan beide kanten zag 'k het heir zich vreedzaam scharen; de klank van 't moordmetaal zweeg eensklaps in de lucht. — Eén schrikkelijke kreet vernieuwt het woest gerucht. De woede van de wraak schijnt thands den strijd te mengen,, het zwaard met heeter dorst des vijands bloed te plengen! Maar toen ik tot u spoedde en van den toren week,

scheen 't my de Saraceen, die reddeloos bezweek!

MATHILDA.

Wat heeft mijn bange ziel van uw verhaal te wachten? Een enkel oogenblik mocht slechts mijn smart verzachten; een enkel oogenblik stort me in nog wreeder angst!

LEONORA.

Het uitstel tergt, Mevrouw, uw tedere verlangst!

Wat vreest gy, als de Moor voor de onzen is geweken?

MATHILDA.

Ach! 't is mijn Gade licht, dien thands zijn Ridders wreken....

LBONOKA.

Lorenzo nadert ons. Verban uw vrees. Mevrouw,

'k voorspel uit zijne komst het einde van uw rouw!

VIERDE TOONEEL.

DE VORIGEN, LOEENZO.

LORENZO.

Mevrouw, de zege is ons! De Saraceenen vluchten! Geen overweldiging staat langer ons te duchten! Uw Ega heeft den kop des dwingelands verplet! Ons Portugal is vrij en Guimaraêns gered!

MATHILDA.

Alfonsus triomfeert! O vreugde zonder gade! O zielverrukkend blijk der hemelsche genade!

97

ocr page 132

ALFONSUS DE EERSTE.

Spreek, bode van mijn heil, hoe is dit toegegaan?

Doe my een trouw verhaal des zegepraals verstaan!

LORENZO.

't Is u bewust. Mevrouw, hoe de aanval onzer Ridderen

bij d' allereersten schok den Saraceen deed sidderen,

en hoe hy daadlijk reeds, verbaasd van zoo veel moed,

met onuitwischbre schand zijn stoutheid had geboet,

zoo Travaas woede niet zijn arm met zijn vertrouwen

gesterkt had, en zijn voet op 't veld van eer weêrhouên.

Maar toen Alfonsus zwaard zijn krijgren wijd en zijd

ter neer velde en vervolgde, en de uitslag van den strijd

naby scheen met de vlucht van Travaas bondgenooten,

toen heeft de wanhoop hem één middel nog ontsloten,

de laatste poging van zijn moed en krijgsbeleid!

Zijn krijgren, in 't gevecht te ver uit een verspreid,

vergaart hy in één wenk tot dichtgesloten drommen,

en stelt zich aan het hoofd dier machtige kolommen,

en rukt op de onzen aan met onverdeelde kracht.

Wy staan een oogenblik voor Travaas overmacht

verbaasd — Op 's Vorsten spoor in nieuwe woede ontstoken,

heeft onze vuist weldra dit oogenblik gewroken!

Nu was der strijdren bloed van weêrzij' felst ontgloeid,

nu was de strijd ten top van hevigheid gegroeid;

als op het onverwachtst, waar hy het schrikbaarst blaakte,

een treffender tooneel de krijgsrumoeren staakte,

en aller oogen op één punt gevestigd hield.

Don Egas, in 't gevecht nog met het vuur bezield

der jeugd, en in 't gewoel der dringendste gevaren

gereed om met zijn bloed zijn kweekling te bewaren,

had Travaas wakend oog getroffen. De oude haat,

waarmee zijn snoode ziel de reinste deugd belaadt,

juicht dat zy in het eind Don Egas mag ontmoeten!

Hy vliegt, om in zijn bloed haar heete dorst te boeten,

en roept, eer dat de held dien aanval nog vermoedt,

hem woedend toe: .Versmoor, oproerige, in uw bloed,

„en klaag uw Hendrik 't lot, aan wie hem eert, beschoren!quot;

De stem des dwingelands drong in Alfonsus ooren:

reeds is hy toegesneld, reeds is de slag geweerd,

en 't zwaard, dat Egas dreigde, op uw Gemaal gekeerd.

«8

ocr page 133

ALFONSO'S DE EERSTE,

Zijn hart ontbrandt in drift: „Uw straf hoort my, verrader!quot; dus galmt hy vurig uit: ,Gy, schimmen van mijn Vader, „te lang ontheiligd door zijn ovennoed! Zijn val „verzoen' dit uur uwe asch en de eer van Portugal!quot; Hy spreekt, en heeft met een den tweestrijd aangevangen, van wiens beslissing 't lot der legers af zal hangen.

Lang weifelt de oorlogskans; lang vindt des wrekers hand in 's vijands grijs beleid hardnekkig tegenstand.

Nu waagt hy 't uiterste, om 't uiterste te trachten,

en tilt het zwaard om hoog, en zamelt al zijn krachten, en klieft den koopren helm, en met hem 'sdwinglands kop! De galm des zegekreets heft zich ten hemel op,

de kreet der woede van (Jen vijand galmt hem tegen. De wanhoop van den Moor is nu ten top gestegen.

Hy wil in blinden moed zich wreken en vergaan! De trouwlooze Afgezant voert zelf hen op ons aan: 't is vruchtloos: 's vorsten staal heeft ras zijn borst doorstoten, en alles is gedaan! Zijn woeste krijgsgenoten verliezen met zijn dood hun redeloozen moed,

en vlieden over 't veld, bedekt met stroomen bloed. Uw Egaas moeder zelf zoekt vruchtloos door te breken om d'echtgenoot, wiens lot zy pas vernam, te wreken: de stroom der vluchtenden vervoert haar met geweld!

De Ridders middlerwijl vergaderd op het veld,

biên hulde aan uw Gemaal voor zoo veel deugdbetooning: de lucht herhaalt op eens hun kreten: leef de koning! Het is die naam voortaan, waaronder Portugal zijn redder en 't geslacht zijns redders eeren zal!

De stad weergalmt dien naam, van blijdschap uitgelaten, 't snelt alles samen door haar vrijgevochten straten, om d'aangebeden Vorst den eersten groet te biên.

Gy zult weldra. Mevrouw! hem in deze oorden zien.

Elke oogwenk toevens torgt zijn ongeduld!

(Men hoort het gejuigh der menigte van verre.)

Hy nadert!

De kreet van 't juichend volk rondom zijn schreên vergaderd, verkondigt ons den Vorst!

99

ocr page 134

ALFONSUS DE EERSTE.

VIJFDE TOONEEL.

DE VOBIGEN, DON ALFONSUS, DON EGAS. Gevolg van Portugeesche Edellieden.

MATHILDA.

Wees welkom aan mijn hart, verwinnaar van 't geweld, en temmer van mijn smart! Des hemels eêlste gunst heeft u der min behouên!

ALFONSUS.

O zaligende stond, die me u weêr deed aanschouwen!

die de aakligheên verdrijft der zorg die u verteert!

gy ziet me in zegepraal als Koning weergekeerd;

maar weet hoe min die glans my kan gelukkig maken! Het is slechts aan uw zij', dat ik nog heil kan smaken!

MATHILDA.

Wat somberheid trekt uw gelauwerd voorhoofd saam?

Uw moeder ?____(ach! mijn mond noemt bevende dien naam!) —

Is Travaas gade u nog de bron der bangste zorgen?

ALFONSUS.

Wat heeft mijn hart voor u, mijn zielsvriendin, verborgen? 'k Ontveins niets voor het oog der liefde! Ja, dees stond bestemt het lot van heel mijn leven, door den mond dier moeder, zoo geducht! — Na dat zy met haar benden in 't eind genoodzaakt werd zich tot de vlucht te wenden, heeft ze in haar nederlaag, met d'eigen moed bezield,

zich in een burcht verschanst, vervallen, half vernield, om met haar zwakken stoet verslagen oorlogslieden,

van alle hoop ontbloot, nog wederstand te bieden!

Ik deed haar onverwijld den vrijen aftocht biên —

en wacht elk oogenhlik den zendling hief te zien.

Daar is hy-zelf! Wat lot zal my zijn komst verkonden?

100

ocr page 135

ALFONSÜS DB EEKSTE.

ZESDE TOONEEL.

DB VOBIGEN, DB SCHILDKNAAP.

ALFONSÜS.

Welnu!

DE SCHILDKNAAP.

Ziedaar, mijn Vorst, het antwoord, u gezonden!

{Alfonsus leest den brief, hem overgegeven, met zichtbare ontroering.)

MATHILDA.

Hoe is zijn oog ontroerd!

EGAS.

Hoe is mijn ziel begaan!

ALFONSUS.

Gerechte hemel! 't Is met alle hoop gedaan!

Verneemt, verneemt met my het vonnis van een moeder! den laatsten slag van 't lot, steeds op mijn hoofd verwoeder! „De roever van mijn kroon, de moorder van mijn Ga, „tot overmaat van smaad, biedt my nog lijfsgena!

,'k Verfoei den hoon dier gunst, en ga een rijk verlaten, „dat ik van dezen stond, zoo fel als u, zal haten;

„maar baan my-zelf een weg, zoo 't zijn moet, met mijn bloed! „Mijn vloek, ziedaar uw straf, ziedaar mijn afscheidsgroet!quot; Verpletterende wraak! werd daartoe dan mijn leven gespaard? O! had me uw hand op 't slagveld eer doen sneven, mijn moeder, en uw haat getriomfeerd op 't lijk • van uw rampzaalgen zoon!

MATHILDA.

Ach! dat die wanhoop wijk', geliefde, voor de smart, die my ter dood zal voeren. Hoe! kan mijn teederheid uw boezem niet ontroeren?

Is zy, die tot uw val geen gruwel heeft gespaard,

u meer dan 't leven van eene echtgenoote waard?

101

ocr page 136

ALFONSÜS DE EERSTE.

EGAS.

Mijn Koning! uwe hand heeft voor de zaak gestreden des hemels, en uw deugd een moeders vloek verbeden! Geniet den roem der zege, en, schuldeloos, vergeet, wat zich haar razernij nog tegen u vermeet!

ALFONSÜS.

Neen, aangebeden vrouw! neen, edelste aller vrinden! de wond van deze borst zal nooit verzachting vinden! Het lot, wiens toorn ik lij', vereeuwigt zich dees dag! Ga, stervling, leer van my wat al de glans vermag van rang en grootheid! Op den koningstroon gezeten, is 's overwinnaars borst van rouw van een gereten, en rein van hart en hand draagt hy des booswichts straf! O hemel! 'k onderwerp me, aan wat uw gramschap gaf! Ik weet het, ook de deugd kan hier rampzalig wezen! Uw liefde spaart voor haar een heil meer uitgelezen! Maar ach! verhoor de beê die hier mijn boezem stort! Tndien een moeders vloek door u gehandhaafd wordt, behoed, na zoo veel smart, mijn aangebeden Gade !

behoed mijn Portugal, bevrijd door Uw genade!

'k Stond jaren droefheid door, met beiden lotgemeen:

maar treff' dees laatste slag Alfonsus hoofd alleen.

BY HET OPENBAAR EXAMEN

DER

NEDERLANDSCEE P0RTÜGEESCHE-ISRAËLIT1SCHE ARMENSCHOOL. 15 Julij 1818.

VOORZANG.

1.

God, vol deernis, vol genade, van wien alle zegen daalt!

sla uw teére kinders gade,

waar hun zwakke poging faaU!

In uw albezielende oogen ligt de luister van dees dag!

Dale een wenk dan uit den hoogen, die ons kracht verleenen mag!

102

ocr page 137

EY HET OPENBAAR EXAMEN.

2.

Wat is al hetgeen wy derven,

rijkdom, wereldgrootheid, Heer!

wat uw liefde ons deed verwerven,

is ons eindloos, eindloos meer;

Eedle raensch- en kindervrinden,

die een hopelooze jeugd aardsch geluk doen wedervinden in beschaafdheid en in deugd!

3.

God, vol deernis, vol genade,

o! bekroon hun grootsche zucht!

sla uw teêre kinders gade

by het oogsten van de vrncht!

Zij hun weldaad niet verloren !

Maar laat onze dankbre mond liier geen woord, geen klank doen hooren, die niet hunnen roem verkond'!

TÜSSOHENZANG.

1.

't Beeld van God kwam niet in 't leven

tot een onverpoosd genot,

maar 't verstand werd hem gegeven, om met kracht en werk te streven naar het schitterende lot,

hem bereid, beloofd door God!

2.

Zalig, die zijn gaaf waardeeren,

niet in aardsche lust verdwaald! lt;iie verstand en harte leeren God en deugd veréenigd te eeren, uit wie 't zielsgenoegen daalt,

waar geen ander heil by haalt!

3.

Zalig, die zijn kostbre gaven kweken in het hart der Jeugd!

103

ocr page 138

BY HET OPENBAAR EXAMEN.

God-zelf zal hun poging staven! Hy zal waken voor die braven,

voor de poging van een deugd, waar Hy zelf zich in verheugt.

SLOTZANG.

1.

Tot aanbidding van Gods naam voegt zich aarde en hemel saam! Laat ons, zwakke stervelingen, meê zijn macht, zijn weldaan zingen Voert dien nederigen toon englen, voor Gods hemeltroon!

2.

Dat wij leven, is van Hem! Hem behooren hart en stem! Dat dan onze dankbre klanken eerst Hem om het leven danken, hem, die waar zijn oogwenk daalt, leven en genieting straalt!

3.

Maar verwijderd van zijn hof, wat vermogen we op dit stof? — Hy zal onze zwakheid staven, hy verzorgt den weg des braven, en geheel de wereld zwicht,

waar de mensch zijn oogen richt?

4.

Eindloos loven we TJ, o God, liefdrijk Meester van ons lot! Gy-alleen, gy kunt verheffen, gy-alleen, met rampen treffen, gy, gy-zelf waakt om het hoofd van die in Uw naam gelooft!

ocr page 139

AAN RAPHAEL GOMEZ SALSEDO.

OP DEN MAUTELDOOD VAN

RAPHAEL GOMES SALSEDO.

Voor de eer van d' éénen God in 't foltrend vuur te sterven,

was nooit een offer, voor het Joodsohe hart te groot, 't Is leven, Zijn gena door martling te verwerven,

te leven buiten Hem is eerst de ware dood.

Salsedo, ook uw moed trotseert de moordaltaren

en staat voor 't heil der ziel het nietig lichaam af, zoo moest geloof uw dood, die dood uw glorie baren,

de vlam ontrukt uw lijf, maar ook uw naam aan 't graf!

Laat dan de Dwinglandij nog op uw assche woeden,

gy hebt den boei geslaakt, die u van God weerhield,

en teekent ons den weg om hemelwaart te spoeden met de eigen outervlam, die 't lichaam heeft vernield.

Naar het Spaansch.

Sept. 1818. _

OP HET FEEST DER VERBROEDERING.

AAN LEYDENS HOOGESCHOOL,

21 November 1818.

De levendige vlam, die 't jeugdig hart bezielt,

is onder 't heilig dak van Pallas tempelkoren,

geen onbetembaar vuur, dat rust en lust vernielt,

om tot gevloekte vete en woesten nijd te sporen:

Wien hier de boezem overvloeit,

wien hier het bloed in de aadren gloeit

van rusteloos verlangen:

die heeft in dien onbluschbren gloed een uit den hemel spruitend goed,

geen geest van twist ontfangen.

Gy weet het. Broeders, wat het zegt,

dat, wat in dit gebied de fiere borst kan treffen,

de zucht voor Waarheid is, voor Schoonheid, Deugd en Recht, de zucht om 't edel hart ten hemel te verheffen,

de zucht voor Roem, voor Edelmoedigheid.

Minerve, ja, is ook ten strijd bereid;

105

ocr page 140

AAN LEYDENS HOOGESCHOOL.

zy voert niet vruchteloos den krijgsbelm op haar schedel,

zy drilt niet vruchteloos de goddelijke lans!

Maar de oorlogsvlam, die in haar blaakt, is edel:

en waagt zy zich aan de oorlogskans,

zoo zij 't voor de eer van haar ontzachtbren Tempel!

zoo zij 't voor Vaderland en Vorst!

En siddre dan, wie haar miskennen dorst!

Maar zij de Broedertwist gebannen van haar drempel!

Hier, in dit koor, strekk' zich de hand niet uit,

dan om des Broeders hand te drukken.

De band, die Leydens Jeugd omsluit,

vennoog het algeweld des tijds niet los te rukken.

Grijze Rhijn, zoo lang uw golven door dees wallen strandwaarta gaan, zal by Pallas kwekelingen de open borst eenstemmig slaan!

Kweke uw adem, frissche Zefirs, Pallas heiligen olijf,

en ontziet hem, woeste stormen, dat hy immer bloeien blijv'.

Onder schaduw van zijn takken klink' het lö van haar Jeugd, en de vrucht, die hy zal rijpen, zal beroemdheid zijn en deugd! Leydens vest, in vroeger dagen door standvaste trouwheid groot, bloeie steeds in Pallas zoonen, die zy koestert in haar schoot, lo! leve deze vriendschap, in de schoonste zucht gegroi.d!

Schooner, schittrender dan immer rijze ze uit het schoonst Verbond! Wie in helsche broedertwisten immer lust of grootheid zoek',

dien bant Pallas uit haar reien, dien belaadt zy met haar vloek! Maar die tot haar dienst vergaren, voor de stem der Tweedracht doof, voor dier schedel buigt de lauwer zijn voor eeuwig groenend loof! Heft den feestbokaal ten hoogen, en met hem 't oprechte hait, om den blijden dag te zeegnen, temmer van Minerves smart. Kwekelingen van de Godheid! stemt uw harte met het mijn? Gloeie u 't hart steeds van de vriendschap, als dees beker van haar wijn ■'

BY HET OPENBAAR EXAMEN

DËU

KEDEELANDSCHE PORTUGEESCH-ISRAELITISCHE ARMENSCHOOL. 19 Mei 1819.

VOORZANG.

1.

Dag van vreugd, dien we aan de kimmen vol verlangen zagen klimmen!

106

ocr page 141

BY HET OPENBAAR EXAMEN.

Met een opgeruimd gemoed brengen we u den welkomstgroet! Bode van Gods rijksten zegen!

galme u 't dankbaar loflied tegen, dat het kindeiharto slaakt aan den God, die voor hen waakt!

2.

Morgenzon, wier gjuden stralen onze zangen blij onthalen!

op uw goddelijk gezicht wordt dees donkre aardbol licht-Zoo ontleent al 't heil der aarde van dien God geheel zijn waarde, wien ons hart zijn loflied slaakt, van den God, die voor ons waakt!

3.

Hem, wiens weldaan ons omringen, Hem te danken. Hem te zingen, is een zaligheid op aard,

meer dan al haar schatten waard! Wat, wat zou ons staan te vreezen, welk een lot beklaag! ijk wezen, als ons hart zijn loflied slaakt aan den God, die voor ons waakt?

4.

Goedertieren Alvermogen!

zoo ons zwak, maar hartlijk pogen aan uw vaderhart behaagt,

ziet dees dag ons onversaagd! Ja, wy treên vrijmoedig nader,

in Uw naam. Almachtig Vader!

daar ons hart zijn loflied slaakt aan den God, die voor ons waakt?

TtJ S S CHENZ ANG.

1.

Voor ons waken Vaderoogen uit den Hoogen!

God,

107

ocr page 142

BY HET OPENBAAR EXAMEN.

God had deernis met ons lot!

't Zijn Zijn weldaan die ons voeden,

die ons hoeden;

Hy is 't, die voor onzen nood eedle harten open sloot!

O! laat onze zwakke klanken Hem bedanken tot den jongsten levensaara,

en die brave stervelingen

mee bezingen,

die ons redden in Zijn naam!

2.

Dat de beê, die wy verheffen, ü moog treffen,

God!

God, Beschermer van ons lot! overlaad, o Heer, die braven

met uw gaven, die onze onmacht, onze jeugd leiden tot geluk en deugd!

Immer zullen onze klanken ü bedanken tot den jongsten levensaam,

en die brave stervelingen

meê bezingen,

die ons redden in Uw naam!

SLOTZANG.

1.

Aan God zij de glorie! Geluk en Viktorie ontspruiten van Hem! Verhef u naar boven, om Zijn naam te loven, klink luid, o mijn stem!

2.

Hoor, Hemel, hoor Aarde! de kracht, die u baarde,

108

ocr page 143

BY HET OPENBAAR EXAMEN

is de Almacht van God! Zijn wenken bezielen!

Zijn wenken vernielen! Zijn woord is ons lot!

3.

Slechts Hy kan verheffen! wat rampen u treffen, de hoop blijve op Hem! Zijn troostende zegen straalt, droeven, u tegen, en daalt op uw stem!

4.

Aan God zij de glorie I Geluk en Viktorie ontspruiten uit Hem! Verhef u naar boven, om Zijn naam te loven, klink luid, o mijn stem!

5.

Neen! staakt uwe zangen De Heemlen vervangen den lof van hun Vorst! Laat de Engelenkoren faun hymnen doen hoeren! God leest in uw horst!

6.

7rn naam zij gezegend! Wat lot ons bejegent, 't zij voorspoed of smart! den Vader hierboven is 't wellust te loven! — Aanbid, o mijn hart!

ocr page 144

PEOMETHEUS

PROMETHEUS.

DRAMATISCH DICHTSTUK.

NAAR

ESCHYLUS.

110

Nee fuliuinantis magna Jovis manus!

I'ERSON A A D J B N.

PROllTlTnEUS. VULCAAN. UK WBAAKGODiX. OCEAAN.

MERCUEIUS,

HKI VAN ZEENIMFEN

EERSTE TOONEEL.

DE WRAAKGODIN, VULCAAN, PKOMETHEUS.

DE WRAAKGODIN.

Ziedaar dan 't oord bestemd Prometheus straf te tuigen! Hier leer' de oproerige voor hooger machten buigen! Vulcaan, ge ontfingt den last van d' oppersten der goOn, uw vader, 't Is uw plicht hier Themis stouten zoon te kluistren aan de rots met diamanten boeien,

om in deze eenzaamheid zijn misdrijf te verfoeien. Hy waagde 't, aan den mensch een godenheilgenot te schenken: zoek' hy thands verlichting van zijn lot in menschendankbaarheid! De elendeling verzaakte aan godenplicht en rang, u-zelf die 't vuur bewaakte, der heemlen schat en roem, ten onvergeetbren hoon; ontfang' hy van uw hand het lang verdiende loon !

VULCAAN.

Godesse, 'k ken den last my door Jupyn gegeven :

vermetel waar' 't en dwaas dien wil te wederstreven. Gy hebt uw plicht volbracht; laat, laat de zorg aan my den mijnen te voldoen. Het treuren staat my vrij,

wanneer 'k veroordeeld ben eens dierbren broeders handen, de handen van een god te knellen in dees banden.

O al te fiere zoon van Themis! de eigen smart

ocr page 145

PROMETHEUS.

die uwen boezem knaagt, vervult ook my het hart op dit noodlottig uur, Helaas! ik ben gezonden om u in naam der goon uw vonnis te verkonden.

Gy zijt verbannen tot dees aaklige woestijn.

Dit rotsgebergte moet voortaan uw woonplaats zijn,

waar zelfs de nagalm niet van menscbentaal mag naadren. Hier moet u ieder dag een gloeiend vuur in de aadien ontsteken; hier de nacht, waarnaar gy dor geroost zult smachten, 't matte lijf voor lafenis en troost doen siddren van zijn kou en schadelijke dampen;

verwisslen telken reis van steeds vergroote rampen,

waar aan 'k geen eind voorzie. Wie waagt, of wie vermag uw redding uit een boei, bestemd reeds sints den dag,

dat gy voor 't menschlijk heil der goden gunst verzaaktet? Waar was uw wijsheid, toen ge u hein ten vijand maakt et, wiens hand nog ongewoon aan 't klemmen van den staf gevoelig tuchtigt, en geen dernis kent by straf?

DE WRAAKGODIN.

Wat mart gy? Is 't geen tijd den snoodaard te kastijdon, zoo haatlijk aan de goón? Waartoe dat medelijden met hem, die u, u-zelv' zoo fel beleedigd heeft?

VULCAAN.

Beleedigd? 't zij zoo! maar hoe nauw hel harte kleeft aan maagschap, weet gy niet!

DE WRAAKGODIN.

En 't vonnis van uw vader? Is niet zijn hooge wil, Vulcaan, u eindloos nader?

VÜLCAAN.

Uw woorden zijn altoos van bitterheid vervuld.

DE WRAAKGODIN.

Bezielt u nog de hoop dat gy hem redden zult?

Zoo niet, wat baat het u den tijd in nutloos treuren te slijten?

VULCAAN.

Dat ik me aan dit schrikoord mocht ontscheuren! Helaas! moest mijne hand Jupyn ten dienste staan?

Ill

ocr page 146

PROMETHEUS.

DE WRAAKGODIN.

Wat zwakheid! hebt gy ooit iets tot zijn val gedaan?

VULCAAN.

O! had my Jupiter van dezen last ontslagen!

DE WRAAKGODIN.

Neen! machtig zijn de goón, maar steeds hun welbehagen te volgen, staat aan hen, zoo min als 't meuschdom, vrij! Het is die godheid slechts, die de opperheerschappij der heemlen voert, wier wil zich waarlijk vrjj kan achten!

VULCAAN.

Hoe ondervinde ik dit!

DE WRAAKGODIN.

Welaan, besteed uw krachten aan 't u vertrouwde werk, zoo gy in de ongena des heiligschenners niet verkiest te deelen. Sla de diamanten boei hem om de forsche leden,

en knel hem aan de rots! Maar kost gy schakels smeden van keetnen, waar zijn list niet uit te breken weet?

VULCAAN.

'k Volbreng mijn last met smart; maar wat ik hier ook deed deed 'k naauwgezet en trouw; dees ketens mogen 't tuigen!

DE WRAAKGODIN.

Hier leer' dan de onverlaat voor 's hemels vorst te buigen! Wegkrimpende in de pijn, wijt hy zich-zelv' het al!

VULCAAN.

O Themis eedle zoon, wie ooit mij haten zal,

gy, gy-alleen hebt recht!.... Hoe deele ik in uw lijden!

DE WRAAKGODIN.

Hoe? met d'oproerling, die ons allen dorst bestrijden, te treuren, schaamt ge u niet? Gij stort u-zelv' in 't leed, verblinde!

VULCAAN.

Neen! zijn lot, zoo hartverscheurend wreed, ontzeg 'k mijn deernis niet, schoon 'k even veel mocht wagen

112

ocr page 147

PROMETHEUS.

de wraakgodin.

Een muiter in zijn straf! Geeft u dit stof van klagen? Klem eer des booswichts voet wat naauwer in zijn ting, dat hy zich niet op eens uit onze handen wring',

en wy onze achtloosheid niet boeten met de woede van Jupiter, wien niets Prometheus straf vergoedde!

vuloaan.

Zwijg, wreede, zwijg in 't eind! Uw vreesselijk gelaat verraadt genoeg dat hart, niet slaande dan voor haat.

DE WRAAKGODIN.

Lust het u laf te zijn, ik gun u dit genoegen!

'k Verkies niet by zijn straf die van my-zelf te voegen.

vulcaan.

Neen! langer wedersta 'k dit aaklig schouwspel niet.

{Uy vertrekt.)

de wraakgodin, tot Prometheus.

Waar is uw trotschheid thands, vermetele? Gy ziet wat heerlijk lot hem wacht, die 't hemelrijk ontwijden, en voor des aardrijks heil Jupyn zelf durft bestrijden. Hoog klonk in vroeger tijd de roem van uw verstand: aan kloeken raad was zelfs de klank uws naams verwant. En kost ge niet voorzien dat dit uw lot zou wezen? Of had uw stout ontwerp geen tegenstand te vreezen? Gy hebt uw faam verbeurd, zoo gy geen middel weet, de boei te ontkomen, die ge u-zelven hebt gesmeed.

TWEEDE TOONEEL.

Prometheus, alleen.

Alziende godheid, die mijn geest ontwaart in 't ruisohen der winden, in 't geklots der golven, in het bruischen, ontzachlijke oceaan, van uw onmeetbren vloed!

O aardgodes, wier schoot steeds voortbrengt, laaft, en voedtl gy. Zon, wier hemelsch oog zijn glans leent aan de dagen! getuigt het, wat een god van goden moet verdragen! I. 8

113

ocr page 148

PROMETHEUS.

Gy kent mijn onschuld; kent mijn schrikbaar noodlot mêe! Ja, duizenden van eeuwen zullen haar onafzienbren kring vervullen,

eer ik-den hemelgrond, mijn oorsprong, weer betree!

En by die boeien, die geweld en onrecht smeedden,

moet, goden, de genade uws Konings aangebeden? —

Mijn foltring groeit met ieder oogenblik!

De toekomst opent zich en spelt nog wreeder plagen.

Groeit, folteringen, groeit! 'k Verwachtte u zonder schrik, en 'k zal u de eeuwen door steeds onvernederd dragen!

Want, zoo 'k u thands gevoel, reeds lang waart gy voorzien, toen t teêrst gevoel my drong om 't menschdom hulp te biên, en immer was mijn moed, als 't noodlot, ons beschoren,

niet om te zetten! Neen, 'k doe hier geen klachten hooren; geen weekheid past een god, en 't allerminst aan my.

Maar 't is me een wellust in de doodsmart die ik lij'

my-zelf te erinneren aan wat ik heb misdreven.

Rampzalig menschdom, ach! een leven zonder leven ontfiingt gy van de goon! Mijn hand heeft u bezield,

toen zy het hemelvuur, dat u hun trots onthield,

u meedeelde, en uwe aard den hemel deed gelijken!

Geen vloek van 't algeweld deed me in dit uur bezwijken. Ik boet die zege thands, en gruwzaam; maar mijn hart ziet juichend op u neêr, en zegent zelfs zijn smart!

DERDE TOONEEL.

PROMETHEUS, DE BEI DER ZEENIMFEN vertoont zich in een wagen boven de rots.

PROMETHEUS.

Maar wat gerucht dringt tot mijn ooren?

Wat nieuwe plaag is my beschoren? —

Of nadert iemand my ? Wie zijt ge, mensch of god,

die 't schouwspel tuigen wilt van mijn verschriklijk lot? De vijand van den Vorst der goden, van hen allen, die zelfverloochenend hem voor de voeten vallen,

staat voor u, boetende voor wat hy 't menschdom gaf. — Wie nadert? Rondom heen voel ik den luchtstroom trillen en wieken klepperen.... Ach! wat kan 't my verschillen?

Ik wacht alleen verzwaring van mijn straf!

ocr page 149

PROMETHEUS.

DE REI.

Vrees niets, wy brengen u geen plagen,

maar troost, indien 't kan zijn. De hemelen gewagen met aarde en zee en hel, Prometheus, van 't geweld,

dat u aan deze rots zoo wreed heeft vastgekneld. —

Door zulk een rampspoed diep bewogen,

heb 'k, voor de schaamte doof, die 't maagdlijk hart bestiert, doof voor mijns vaders raad, mijn deernis bot gevierd,

en ben der waatren rijk ontvlogen,

om u mijn zwakken troost te biên!

PROMETHEUS.

O! dat ge in zulk een staat een hemeling moet zien!

6y, teedre nimfenstoet, gesproten uit hem die heel deze aard houdt in zijn arm gesloten,

kroost van den grijzen Oceaan!

O kunt gy, kunt gy 't nog bestaan,

den droeven balling te genaken,

den droeven balling, en de rots,

waarop hy, by den klank van 't brommend zeegeklots, gedoemd is eeuwen door te waken?

DE REI.

Prometheus, ach! mijn ziel ontzet!

Zou ons geen traan het oog ontvloeien,

dat u in deze onbreekbre boeien

geprangd moet zien? — Een nieuwe wet regeert d'Olympus, en de goden,

vol schrik voor Jupiters geboden,

vernietigen met hem wat éénmaal heilig was.

PROMETHEUS.

Beneden 's aardrijks schoot, beneden

des Tarters giftige moeras,

waar' nog de keten, die mijn leden

omstrengelt, machtloos op mijn ziel.

Zoo iets mijn zuchten op kan wekken,

zoo is het, dat ik hun ten schouwspel moet verstrekken,

die uit den hemelhof, waar van ik nederviel,

ter neêr zien op een leed, niet aan hun smaad te onttrekken.

115

ocr page 150

PROMETHEUS.

DE REI.

Wie, wie der goden zou in 't hart geen deernis voeden met uw smait?

Wie in de ontembre gramschap deelen van Jupiter, die daar hy 't Al regeert, een heemling straffeloos verneêrt,

en straffeloos zijn ziel met wraak vermag te streelen, waaraan 'k geen ander einde wacht,

dan 't einde van zijn oppermacht.

PROMETHEUS.

En echter zal dees rota nog eens het uur getuigen dat Jupiter den trotschen kop zal buigen,

op dat des doemlings veege mond de duistre Godspraak, die zijn kroon bedreigt, verkond'! Wanneer 'k, noch voor de list van honigzoete klanken, noch voor het woedendste geweld, in 't heiligste besluit zal wanken,

voor dat 'k, in d'ouden rang hersteld,

van hem voldoening zal erlangen,

van wien mijn godenhand dees kluisters heeft ontfangen.

DE REI.

Uw stoutheid baart me een killen schrik. Hoe! schier verzonken in steeds aangegroeide rampen, bestaat gy 't met den dond'raar nog te kampen?

Uw roekelooze taal, uw onverzette blik

vernielt de hoop die ik nog voedde.

Neen! Jupiters verschrikbre woede

zwicht voor geen woesten wanhoopkreet. Uw stalen moed verdubbelt slechts het leed.

PROMETHEUS.

Ja, machtig en niet om te zetten schijnt hy, voor wiens onzaalge wetten

de Olympus thands de kruin verneêrt: En echter kan de dag ontluiken,

die zijn ontzachtbren toorn zal fnuiken,

en onzen haat in eendracht keert.

DE REI.

Indien de erinnering aan d' oorsprong uwer kwalen

116

ocr page 151

PROMETHEUS.

niet machHg was de wond nog dieper op te halen,

die u de boist verscheurt, zoo wensohten we uit uw mond

te hoeren uit wat bron zoo fel een straf ontstond!

PEOMETHBUS.

Verscheurend is 't verhaal, verscheurender 't versmooren

der ramp, waar 'k onder zwoeg, wier oorzaak gy zult hooren.

Ach! aan mijn rang ontscheurd, wat had ik sints dien val

te wachten rondom heen, dan plagen zonder tal? —

De twist is u bekend, die 't godendom beroerde,

voor dat nog Jupiter den hemelsohepter voerde.

Een deel wou Cronus hoofd ontblooten van de kroon,

en schenken de oppermacht aan zijn ondankbren zoon.

Een ander koos de zij der aangerande grijsheid:

het zijn zijn broeders, 't kroost van üranus, dat wijsheid

noch krijgsbeleid ontziet, op enkel krachten stout.

Ik toonde hun vergeefs den weg aan van behoud.

'k Voorzei dat krijgsgeweld voor krijgslist hier zou wijken.

Hun trots verwierp mijn raad; de vijand -moest bezwijken

voor wapens, moed alleen de hemelsche oppermacht

beslissen, en het recht afhangen van de kracht.

Doch ik, ik had te vaak van Themis zelf vernomen,

dat niemand in 't bezit van Cronus rijk zou komen,

dan die 't veroovren mocht door bloed niet, maar door list.

Het was mijn plicht den wil van 't noodlot, dien ik wist,

te volgen; 't was mijn plicht die trotschaarts te verlaten,

en 'k bracht den wijzen raad, die nimmer hun kon baten,

(mijn moeder stemde 't meê) aan Cronus trotscher zoon.

En zoo de Titans nu in d' afgrond van de doön

hun weerstand boeten met onafgebroken slagen,

zoo Jupiter de kroon des hemels weg mocht dragen,

en d'ijzren schepter klemt der wreedste dwinglandrj,

mijn vijand triumfeert door my! Hy dankt het my,

dat hy my foltren kan! Ja, 'k moest het ondervinden,

de dwingland haat het al, en allermeest zijn vrienden!

Hoort nu van welk een schuld ik hier de straf ontfang.

Naauw meester van d' Olymp, bestemde hy den rang

der goón en nam op zich 't bestier der hemelzaken;

maar voor het droevig lot der menschlijkheid te waken

was Jupiter onwaard; het reeds bestaand geslacht

117

ocr page 152

PROMETHEUS.

der menschen moest verdelgd, een nieuw her voortgebracht! Geen andre godheid dorst dit wreed ontwerp weêrspreken. Ik dorst hen voorstaan, en ik deed het onbezweken! Het menschdom werd nog niet vernietigd over de aard.

Mijn deernis was me een straf, zoo gruwzaam knellend, waard. En ik, by wien vinde ik die deernis met mijn plagen,

als smart, en spijt, en smaad mijn ingewand verknagen, wanneer my de aartstiran van uit den hemel bant, ten schouwspel van 't heelal, maar tevens hem tot stand?

de rei.

Van ijzer is het hart, van deernis niet doordrongen,

wanneer 't, Prometheus, u in boeien ziet gewrongen.

Geen droeve mare kon my treffen, dan uw straf,

en 't oog, dat haar getuigt, wendt zich in tranen af.

pkometheus.

Gij-zelf, mijn vijanden, gy zoudt hier tranen plengen,

o goden! Deernis zou zich by uw woede mengen,

ware alle deernis niet gebannen uit uw ziel.

de rei.

Maar heeft geen andre schuld de straf die op u viel verlokt ?

prometheus.

Eén weldaad nog! 'k Onttrok aan 'smenschen oogen de toekomst, hem bestemd. Het lot werd overtogen door 't schemerlicht der hoop, en 't menschdom werd bevrijd van angsten zonder tal. My zag dezelfde tijd het vuur der heemlen aan den stervling mededeelen,

dat de aard verkwikken moest, en niet dan weldaan teelen. Ziedaar 't geen ik misdeed.

de bei.

En 't geen Jupyn verwoed u met een eindloosheid van plagen boeten doet!

Of hoopt gy tegen hem door moed iets uit te richten?

prometheus.

Ik hoop niet, maar ik wacht dat eens zijn toorn zal zwichten.

118

ocr page 153

PROMETHEUS.

de kei.

Gy wacht? En op wat grond? Waar voert de drift u heen? Miskent gy dat gy dwaalde! Ach! u met scherpe reên te tergen in den nood, is ons gevoel onwaardig,

maar vinden we u voor 't minst tot eigen redding vaardig?

prometheus.

't Is licht, wanneer het lot eens anders kruin verplet,

met wijzen raad gepraald! Ik word niet omgezet

door 't schijnschoon van belang, dat recht en eer weêrspreken.

Ik wist het, dat Jupyn zich op mijn deugd zou wreken:

ik wist het, en mijn wil bleef onveranderd. — Maar

dat my die ijslijkheid van straf beschoren waar,

tot de eenzaamheid gedoemd van deze afschuwbre streken!____

wie had my 't ooit voorzegd? — Doch blijven we onbezweken! En gy, o Nimfen, spaart me uw moedelooze klacht!

Op 't geen eens wezen moet, heeft smart noch wanhoop kracht. Stijgt voor een oogenblik eer van uw hemelwagen op deze rotsen af. Getuigen van mijn plagen,

onttrekt my niet de troost, die my uw bijzijn geeft.

Als ik u 't lot vertrouw, dat me overrompeld heeft.

Wie kan zich voor den keer van 't noodlot veilig achten? Wie weigert zich 't genot een onheil te verzachten,

dat al wat ademt treffen kan ?

de kei, van den wagen afstappende.

Gewillig late ik dezen wagen,

op raderen van goud den luchtstroom doorgedragen,

voor 't rotsig strafoord van den man,

die zich voorlang zijn jammren zag ontscheuren,

indien ik iets vermocht met ongeveinsd te treuren.

VIERDE TOONEEL.

peometheüs, oceaan, de kei.

oceaan.

Ontfang den gullen groet van d' ouden Oceaan, Prometheus! 'k Heb den ramp die u weêrvoer verstaan, en haastte me om het oord dat u ontfing te naderen.

119

ocr page 154

PEOMETHEUS.

't Is niet het godenbloed alleen, dat beider aderen doorstroomt, wiens naauwe band my dus aan u verbindt: om wijsheid en om deugd heb ik u meer bemind.

Maak op de vriendschap staat, die ik u heb gezworen!

Het ia geen \jdele klank, dien u mijn mond doet hooren. Spreek, eisch van my een dienst, wat die my kosten magt Hangt bet van vriendschap af, ik redde u nog dees dag!

PKOMBTHEUS.

Hoe! gy ook in dit oord van ballingschap en plagen? Hoe dorst gy zulk een reis, mijn grijze vader, wagen? Hoe hebt ge uw zeepaleis verlaten voor dit strand,

van ijzer slechts bevrucht, met enkel rots beplant?

Komt ge ook den godentelg, die Jupiter de kroon gaf, beschouwen in den boei, die hem zijn haat ten loon gaf'? Ja, 't is wel de eigen hand, die 't hemelsche gebied besliste, die gy hier in ketens knellen ziet!

OCEAAN.

'k Aanschouw 't met diepe smart! Doch duld den raad der grijsheid,

hoe hoog de glorie reikt van uw verstand en wijsheid!

Keer in u zeiven weer, en ban van uit uw ziel

die onbetoomde drift! De godenstaf verviel

van Cronus op zijn zoon, de Olymp eert nieuwe wetten;

't is niet in onze macht 't voorleden om te zetten.

Zoo buig gedwee het hoofd met heel het godendom!

Wat baat het of uw toorn tot zulk een hoogte klom,

dat gy u niet ontziet door onbedwongen smalen

de dubble wraak van hem u op den hals te halen,

wiens strafroê, reeds zoo streng, licht nog verschrikbrer wordt ? -

Wellicht mishaagt de taal, die hier mijn boezem stort;

uw borst, verhard in 't leed, verfoeit gena te vragen!

Het zij zoo! maar u steeds aan 't ijslijkste te wagen,

en tegen smart en nood te wapenen met haat,

is dwaasheid. Geef gehoor, Prometheus, aan mijn raad!

Geen machtig koning zwicht voor morrende onderdanen,

en wat hier baten kan is needrigheid en tranen.

Welaan! ik werpe my den donderaar te voet;

'k bedaar door zachte taal zijn fel verhit gemoed,

indien 't nog mooglijk is; maar wil die kreten staken

van oproer, die uw lot nog vreeselijker maken!

120

ocr page 155

PROMETHEUS.

Den druk te ontlasten van 't verkropte hart is zoet;

maar vluchtig is 't genot, en lang de straf, die 't boet.

PROMETHEUS.

O ondoordringbaar lot! gy bleeft voor straf beveiligd, ofschoon ge aan ééne zaak met ray waart toegeheiligd,

't zij verre dat 'k de rust die gy geniet benij!

maar werd ik 't offer van gevloekte dwinglangdij,

verg gy niet dat 'k raijn lot verdiene door te buigen!

Spil hier geen kostbren tijd, noch tracht my te overtuigen; zorg eerder dat ge u-zelf niet meê stort in het leed!

OCEAAN.

Tot heil van andren hebt ge uw wijsheid steeds besteed, en nimmer voor u-zelf! Waartoe my thands weêrhouên? Zoo 'k snelle naar Jupyn, 't is in het vast vertrouwen, dat gy op mijne beê uw ketens vallen ziet.

PROMETHEUS.

De deernis, die uw hart den droeven balling biedt,

de hulp, die gy voor hem met eigene gevaren beraamt, vergeet ik nooit! Maar wil die poging sparen! Ze is vruchteloos voor my, en stelt u-zelven bloot!

Of zou het voor dit hart een troost zijn in den nood, dat vrienden de ijslijkheid mijns noodlots ondervonden?

OCEAAN.

Neen! niet om u-alleen heb ik my onderwonden

Jupyn te naderen. Mijn broeder Atlas draagt

zijn ongena, als gy. Zijn forsche schouder schraagt

en aard en hemelen, tot straf van vroeger pogen.

Ook Typhoos lot was hard, en heeft my diep bewogen.

Wy zagen hem, den reus, het honderdvoudig hoofd

(thands kwijnend en verneêrd, van d' ouden moed beroofd)

ten hemel heffen met een blik die 't al deed beven.

Wy zagen hem verwoed de goon in 't aanzicht streven,

die hy alleenig stond. Zijn longen aamden vuur:

zijn oog schoot vlam op vlam. Wy tuigden haast het uur,

dat hy op Jupiter de zege ging behalen. . . .

maar't bliksemvuur daalt neer en zet zijn woede palen!

De slingerende schicht treft hem het kokend hart,

ocr page 156

PEOMETHEDS.

en kracht en strijdlust zijn verzwolgen in de smart.

Daar lag hy uitgestrekt, als waar' hy zonder leven,

maar de onbezielde klomp deed wie hem zag nog beven.

Heel de Etna dekte nu den reeds verslagen kop, en 't aanbeeld van Vuloaan dreunt op haar hoogen top, nog veilig. Want de dag zal aan den hemel klimmen dat Etnaas kruin van één zal scheuren, en de kimmen bespatten met ten vuur, dat op Sicieljes grond by stroomen vloeien moet. 't Is de eigen Typhoos mond, die d'onderaardschen gloed tot vlammen aan zal blazen, die vlammen over de aard, die op weegt, doen razen, en toonen dat hy nog, door 't lot onomgezet,

zijn haat den teugel viert, schoon door Jupyn verplet!

PROMETHEUS.

Welnu? Begeert gy meê die ijsselijke plagen ten deel? Laat af, laat af zoo stout een kans te wagen!

Voor my, laat my een leed, dat 'k zonder zwakheid lij; 'k wacht met^standvast geduld het eind der dwinglandij.

OCEAAN.

Gepaste reden kan dat einde licht bespoeden.

PROMETHEUS.

Neen! 't Is niet in het felst van 't vijandlijke woeden, dat zich de ontroerde geest door zachtheid paaien laat.

OCEAAN.

De poging voor het minst ....

PROMETHEUS.

vernedert zonder baat.

OCEAAN.

Is 't dwaasheid, laat m' in my dien trek van dwaasheid wraken 't Is wijsheid, soms den schijn van wijsheid te verzaken.

PROMETHEUS.

Helaas! dit is te waar.

OCEAAN.

En gy, gy aarzelt niet,

en stoot de hulp te rug, die u de vriendschap biedt?

122

ocr page 157

PROWB l'HEUS.

PBOMETHKUS.

Ik moet. Licht vielt gy reeds dit uur in ongenade,

OCEAAN.

PROMETHEUS.

hem?

OCEAAN.

Ik sloeg den afloop gade van uw vermetelheid, en 'k vvete wat ik waag.

PROMETHEUS.

Zoo ga, en wacht u steeds voor 't geen Jupyn mishaag'.

OCEAAN.

Ik zie het al te wel, uw haat is niet te teugelen! —

Mijn zeepaard trapt sints lang, en geesselt met zijn vleugelen de lucht rondom hem heen. Ik voere hem ter rust.

en my uit de aakligheid van dees rampzaalge kust.

(//ij vertrekt.)

VIJFDE TOONEEL.

PROMETHEUS, DE REI.

Doorluchtig godenkroost, uw lijden

is voor ons mee een bittre smart: de traan, die wy uw jammren wijden,

welt uit een fel beknepen hart!

Streng is uw straf, o Vorst der goden!

maar allerhevigst drukt uw macht op hen die zeiven eens geboden,

en op hun diep vorneêrd geslacht!

TEGENKEER.

In de oorden, die uw grootheid zagen, Prometheus! galmt een kreet van rouw!

123

Van Jupiter?

Van

ocr page 158

PROMETHEUS.

Wie dacht het, dat (iit heir van plagen

op 't hoofd van goden storten zou?

Om 't lot der heemlen treurt nu de aarde!

De sterveling beklaagt zijn goon!

het lot vooral, dat u weêrvaarde,

uw vaderzorg voor hem ten loon!

TWEEDE KEEB.

Die Colchis rijken grond bewonen,

en 't heir der manlijke Amazoonen betreuren 't onheil dat u trof!

In 't woeste Scythië weêrgalmen jammer'oonen,

en paren zich aan uwen lof!

TWEEDE TEGENKEEK.

Zelfs in deze afgelegen streken,

die enkel moordend ijzer kweken,

en waar de strijdbre borst verhard voor deernis schijnt, voelt zich het mannenharte breken,

dat gy in zulk een leed verkwijnt!

DERDE KEER.

'k Zag slechts één held, als gy, die goden had tot ouderen, en onder 't juk zwoegt van hun straf!

'k Zag Atlas vast gespierde schouderen,

wien Jupiter geheel zijn rijk te dragen gaf,

den nooit verpoosden last verrichten,

waardoor de kracht van goOn zelf scheen te zwichten.

DERDE TEGENKEER.

't Gebied der zeeën gromt met ongestuime golven zijn klachten tegen 't noodlot uit!

Ook de onderwereld is verbolgen:

des aardrijks bodem dreunt met naar en dof geluid!

't Bezielt zich al van 't medelijden,

dat we aan uw lot, vervallen heemling, wijden!

PROMETHEUS.

Misduid mijn zwijgen niet, o Nimfen! 't Is geen trots noch achterhoudendheid. De vreemde keer mijns lots houdt op dit tijdstip nog mijn geesten ingespannen!

124

ocr page 159

PROMETHEUS.

Hoe! ik, ik door de goón van uit mijn rang gebannen,

wier macht, mijn ondergang, ik-ze!f heb doen ontstaan!

Gij weet het! zegge ik eer wat 'k verder heb misdaan

uit deernis voor 't geslacht der menschen, door de goden

vernederd en gehaat, maar die ik hulp geboden

en schier tot goon hersteld heb! Hun bestaan

was nietig, 't Voorwerp deed alleen het zintuig aan,

niet meer verbonden aan een werkkring, meer verheven.

De zielskracht sliep. De zelfbewustheid van het leren

ontbrak als in den droom. Zy stichtten nog op de aard

geen schuilplaats, voor de kracht van zon en lucht bewaard.

Een duistre boschspelonk was mensch en dier tot woning,

en niets bestond er dat 't gedierte van hun koning

nog onderkennen deed; want woest en onbeschaafd

was heel de kracht des geests aan 't grove lijf verslaafd,

een hooger vlucht ontwend. — Wie mocht de hemelteekeuen

met de oogen nagaan, en den weg der zon berekenen?

Wie perkte nog 't gebied der jaargetijden af,

of leerde wat gesternt' het bloeiend voorjaar gaf,

wat andren 't feestgetij der herfstgodes voorspellen,

of 't stroomnat met geweld zijn oevers uit doen zwellen?

Door my is 't, zoo zy thands het op- en ondergaan

der sterren en den stand der heemlen gadeslaan,

Het denkbeeld van getal in vast bepaalde klanken

en beelden uitgedrukt, heeft de aarde my te danken!

Aan my meê, dat de taal, die uit den boezem breekt,

tot 's werelds uiterste eind en tot de toekomst spreekt,

in teekens afgemaald, naar 't buigen onderscheiden,

van 't spraakdeel, in wiens vorm de toonen zich verspreiden!

'k Deed d' arbeid van den mensch door 't redelooze dier

verpozen, 't Moedig paard, eens op zijn vrijheid fier,

leerde ik zich in den toom, die hem bedwingt, verblijden.

'k Deed d' uitgeholden boom op de oppervlakte glijden

den waatren, toegerust met vleugelen van doek.

Dit waagde ik en nog meer, die ondanks 's hemels vloek

den diep vervallen mensch gelukkig wist te maken,

maar ach! geen middel weet om dezen boei te slaken.

DE BEI.

Gy lijdt, het is te waar, maar verre dwaaldet gy'!

125

ocr page 160

PROMETHEUS.

Wat ziekte krenkte u dus? Wat wondre razernij dreef u in't dreigend leed? Gy hadt uw lot voor oogen, en thands zijt ge onbekwaam tot redding iets te pogen!

PROMETHEUS.

Ach! tot der menschen heil ontbrak my nooit de macht; Heb ik niet tegen 't heir der ziekten hulp gebracht? Wat wisten zy vóór my van heeling voor hun wonden? Geen balsem kenden zy, maar lagen onverbonden, en stierven zonder hulp of laafnis. quot;s Aardrijks schoot gaf vruchtloos heilzaam kruid, en de onverbidbre dood verraste steeds een prooi, wier zwakheid zich niet weerde, voor dat hun hooger hulp de tooverkrachten leerde dor godlijke artsenij. Geheimen van het lot,

zoo diep verborgen voor het oog zelfs van een god! 'k Vermocht u wederom aan 't rnenschdom te openbaren. Haast spelde hem de kunst, wat heil of wat gevaren hem wachtten; alles sprak tot d' eens verlichten geest. Uen zin des duistren drooms ontwikkelt hy, hy leest zijn toekomst in de vlucht der vooglen, gaat te rade bij bosch- en stroomgedruisch, en slaat elk teeken gade met naauwgezet vernuft. De heilige offerand ter eer van 't godendom is 't eerst door mijne hand ontstoken, en de vlam, die opgolft tot de wolken, en 't rookend ingewand tot nieuwe orakeltolken verheven. Uit het diepst des aardrijks rees de gloed van goud en zilver, die het menschdom met den voet vertrapte, onwetend nog wat schatten de aard hem baarde van vierderlei metaal, waarvan 'k gebruik en waarde hem leerde, voor zijn heil zorgvuldig zonder maat. Ja, deze is de een'ge troost, dien my het noodlot laat, dat wat de stervling ooit voor weldaan heeft genoten, hem uit Prometheus borst alléén zijn toegevloten.!

DE REI.

Ja, zorgloos voor u-zelf, aan andrer heil gewijd,

zoo waart gy! Maar het leed waar ge in gedompeld zijt is nog door buigzaamheid te ontkomen. O! verneder uw hoogmoed, en welhaast groet u de hemel weder zijn burger, die Jupyn in wijsheid evenaart!

ocr page 161

FUOMBTHEUS.

PROMETHEUS.

Neen! Niet langs dezen weg is my het eind bespaard

van deze ballingschap. Met onoptelbre rampen

heeft my de wil van 't lot nog opgelegd te kampen;

en ik, ik onderwerp me. O! deze borst heeft kracht

en moed, die met de smert van ijdle kwalen lacht.

Maar om den loop dien zich het noodlot koos te keeren,

is 't vruchtloos iets getracht. Haar vonnissen vereeren

de goón; zelfs Jupiter wijkt van haar wet niet af.

Van haar ontstond zijn macht, van haar ontstond mijn straf;

en wat de ziel vermag, is dulden en verwachten.

DE KEI.

Maar hoe! verwacht gy dan dat weêr de hemelmachten verwisslen zullen, en de zetel van Jupyn!

PROMETHEUS.

Neen! Blijve dit geheim, en wilt gedachtig zijn

dat ik van zwijgen slechts mijn redding heb te hopen!

De dwingland moet 't geheim met mijn ontslag bekoopen!

DE REI. — KEER.

Bewaar, bewaar, o machtig lot,

mijn zwakke ziel van met den god die op d'Olymp regeert in zulk een strijd te treden! O! winne ik zijn gena door offers en gebeden!

Ik zal, ik zal hem steeds ontzien,

hem innig needrig hulde bièn!

Want wat, wat baat het hem te tergen,

voor wiens geweld zich niets vermag te bergen?

TEOENKEER.

Waartoe steeds angst en zorg gezocht?

Waartoe een oogwenk heils gekocht voor rampen, waar 't verstand geen eind aan kan bepalen? Zijn dan ook wy bestemd van ramp in ramp te dwalen, en is der aardbewoonren lot gemeen aan 't leven van een god?

Prometheus! schrikbaar is uw voorbeeld! Een godheid, tot de straf eens stervelings veroordeeld!

127

ocr page 162

PROMETHEÜS.

TWEEDE XEER.

Ga, roep hen thands ter hulp, die gy gelukkig maaktet, voor wie gy 't hemelsch heil verzaaktet!

Wat is het sterfelijk geslacht?

Wat is zijn aanzijn? Wat zijn macht?

Een schim, een schaduw, die een oogwenk doet verschijnen,

een oogwenk wederom verdwijnen,

blind voor 't gevaar, dat hem omgeeft aan alle kant!

Zal u hun dankbaarheid bevrijden van uw band?

TWEEDE TEGENKBER.

O! moet ik u mijn groet in rouwgezangen brengen?

Moet ik hier tranen, zuchten plengen?

ik, de eigen die in vroeger tijd,

den dag aan uwen echt gewijd weêrgalmen deed van andre zangen,

door 't heilgejuich der zeegoön opgevangen,

toen 'k zuster Hesioon uw liefde in de armen bracht? O ommekeer van 't lot, wie had u ooit verwacht!

ZESDE TOONEEL.

PBOMETHEUS, IÖ, DE BEI.

IÖ.

Waar ben ik, wat geslacht van menschen voedt dees grond?

Wat zie ik? aan den top van deze bergen een godheid vastgesnoerd? Wat schrikbaar vonnis bond hem aan dit foltertuig?

(Tot Prometheus.)

Mag 'k u een antwoord vergen, o! zeg my, waar my 't lot gebracht heeft op dees stond? Helaas! hoe wreed is 't nog op my verbolgen!

Hoe rustloos voel ik my vervolgen door 't duizendoogig spook, dat leefde voor mijn straf,

en dat, vergeefs verzwolgen in het graf,

my nog van killen schrik de wereld door doet zwerven !

Laat my in 't eind, o goden, rust verwerven!

128

ocr page 163

PEOM. TUBUS.

Ik val van angst, 'k val van vernaoeinia neamp;r!

De poorten van de hel heroopnen zich, en geven de schim van Argus de aarde weer!

Ik zie het monster om my zweven,

het volgt my waar ik sta, 't bewaakt op nieuw mijn 'schreên....

nog ruischt de toon der rietpijp door mijn zinnen,

die eens vermogend was den woestaart te overwinnen,

maar machtloos thands! — Waar, waar voert gy my heen, o Jupiter? Van waar die reeks van plagen op my, die ach.' uw deernis slechts verdien?

Moet eerst de laatste van mijn dagen

het einde dezer foltring zien?

Of zoo ik misdaan heb te boeten,

zoo splijte de aarde voor mijn voeten,

of zij my de afgrond van de zeeën tot een graf!

Uw bliksem moge my verpletten!

De doodwond zal alleen my van mijn leed ontzetten!

'k Ben afgefolterd, 'k zal bezwijken in mijn straf!

Bespoedig slechts het uur, bespoedig 't op mijn smeken!

DE KEI.

Hoort ge uit het hart der maagd den kreet der wanhoop breken?

PROMETHEUS.

Ik hoor den kreet der maagd, vervolgd door Junoos haat,

eens door Jupyn geliefd, thans door Jupyn versmaad.

Het kroost van Inachus treedt tot ons, moe van 't zwerven, en 't hijgen naar een rust, die zy te lang moest derven.

10.

Wie noemt mijn vader in dit oord? —

O! onderrichte my een woord,

één woord slechts, wie gy zijt, en waar my 't noodlot voerde? Wie zijt ge, gy wiens stem mijn ziel zoo diep ontroerde? Die, ongelukkig zoo als ik,

mijn naam, mijn afkomst toont te weten,

en de oorzaak van dien helschen schrik,

waar loos geest zoo wreed van is bezeten? —

Wie is er, buiten my, die dus, die schuldloos lijdt?

Gy ziet het offer van den dolsten minnenijd! — I. 9

129

ocr page 164

PEOMETHEUS.

O gy, dien alles my een hemeltelg doet denken!

kunt ge Inaehus wanhopig kroost

een enkel oogenblik van troost,

een enklen straal van licht omtrent haar toekomst schenken?

PROMETHEUS.

Vraagt gy my, wie ik ben? 'k verheel mijn naam u niet,

verbonden als wy zijn door eenerlei verdriet!

Gy ziet Prometheus hier, den vriend der stervelingen!

10.

Prometheus? En wie dorst u in dees ketens wringen?

PROMETHEUS.

De handen van Vulcaan, het vonnis van Jup3'n.

10.

En welk een gruwelstuk kon hiervan de oorzaak zijn?

PROMETHEUS.

Ik meldde u de oorzaak reeds: mijn weldaan aan de mensclien.

10.

Voldoe nog met een woord den billijksten der wenschen! Hoe lang nog zwerve ik rond ten prooi aan 't eigen leed?

PROMETHEUS.

Ach! zwijge ik hier van eer! Wat baat u dat ge 't west?

iö.

Verberg, verberg my niets, wat lot me ook zij beschoren.

PROMETHEUS.

Wat ik u melden zou, zoudt gy met wanhoop hooren!

iö.

't Is zulk een wijsheid niet, wier weldaad ik behoef.

PROMETHEUS.

Wel nu dan! 't is uw wil; 'k zal spreken.

130

ocr page 165

PROMETHEUS,

DG REI.

O vertoef

een wijl! 'k Voel löos klacht geheel mijn borst doordringen! Ach! mochten wy den loop dier lotsverwisselingeu,

wier storm haar voor ons voert, vernemen uit haar mond,

voor dat uw godspraak hier des hemels wil verkond'.

PROMETHEUS.

Ontvouw ons, droeve Nimf! door wat gebeurtenissen gy 't vaderlijk gebied sints reeds zoo lang moet missen? 6y hebt de zusteren van Inachus gehoord!

Verstoot haar bede niet, zy sproot uit deernis voort. Een deernistraan geeft lucht aan 't teêrgevoelig harte: 't verwekken van dien traan verlicht de zwaarste smarto!

10.

'k Gevoel in my geen kracht uw reednen te weerstaan;

't verbaal dat gy my vergt vang 'k zonder dralen aan.

Maar ftch! mijn voorhoofd wordt van droefheid overtogen

en schaamte, dat ik dus my toone voor uw oogen;

en 'k bloos, schoon schuldeloos, om 't geen my zoo ver bracht.

De kindschheid pas ontgroeid, ontwaarde ik nacht op nacht

een wondre, zachte stem, dus fluistrende in mijn ooren:

„Gelukkige, waartoe het heillot u beschoren

.ontweken? Jupiter verlangt u tot zijn bruid!

,Hy brandt van min voor u: gy, lö, vlied van uit

„uws vaders watergrot naar Lernaas breede weiden!

„De koning van d'Olymp zal daar uw komst verbeiden.quot;

'k Bepeinsde heel den dag het wonder van den nacht,

onzeekrer ieder stond, hoe meer ik 't overdacht.

Was ik door de ijdelheid eens vluggen drooms bedrogen?

of daalde wezenlijk een stem van uit den hoogen,

den wil verkondigend van Jupiter? In 't end

maakte ik mijn droeven staat aan Inachus bekend.

De grijzaart hoorde en schrikte. Een menigte van boden

verspreidde zich alom om 't antwoord van de goden

uit Pythoos heiligdom en 't Dodoneesche bosch

te lokken. Doch vergeefs. De taai des zonnegods

bleef duister en verward, en de eikenboomen zwegen; —

tot we eindelijk op eens 't verplettrend antwoord kregen.

131

ocr page 166

PROMETHEUS.

dat ons en ons geslacht de bliksem van Jupyn verdelgen zou, zoo 'k nog mocht wederspannig zijn;

en dat zijn hooge wil reeds voorlang had besloten,

dat my mijn vader uit zijn armen moest verstoten en nimmer weêrzien mocht. Wanhopig scheiden wy,

rampzalige offers van de scherpste dwinglandij.

Doch onderwerping zelfs mocht lö niet meer baten!

Ik had den grijzaart naauw en zijn verblijf verlaten,

of 'k zag my dus misvormd! Mijn voorhoofd, eens zoo fier op d' eerbren maagdenblos, verlaagt my tot het dier.

Maar weinig nog; gezweept door angsten zonder voorbeeld, zag 'k, Lerna in het eind genaderd, my veroordeeld,

eens herders wenk te ontzien, die 't honderdvoudig oog steeds wakende op my richtte, en last had van omhoog mijn schreden ga te slaan, en me op quot;t wreedaardigst kwelde, 'k Weet niet wat keer van 't lot dat gruwzaam monster velde. Hy viel. Maar 't helsche beeld leeft in mijn zwak gemoed, en spreidt me een nieuwen schrik door 't fel verhitte bloed. Zoo vluchte ik voor my-zelf wanhopig over de aarde,

en zoek vergeefs den dood. —- Welaan, ik openbaarde u de oorzaak en den loop van mijn hardnekkig leed;

ontvouw my 't oovrig thands, zeg moedig 't geen gy weet. ik smeek, verbloem my niets uit ijdel mededogen:

ik vrees niets erger thands, dan dat 'k dus werd bedrogen!

DE KEI.

O dag van nooit beproefde smart!

hoe wordt op ieder stond mijn hart door slag op slag van een gereten!

quot;k Zie goden uit hun rang in d' afgrond neergesmeten;

ik zie de onnoozelheid verdrukt en onder jammeren gebukt.

waar 'k nooit me een denkbeeld van kon maken! Hoe wenschte ik, ach! Prometheus boei te slaken!

Hoe meng 'k mijn tranen aan uw klacht,

o lö! Dat voor 't minst mijn rouw uw smart verzacht'!

PROMETHEUS.

Gy treurt om haar verhaal. Gy zult nog bittrer treuren, wanneer gy weten zult het geen nog moet gebeuren!

132

ocr page 167

PROMETHEUS.

DE KEI.

Zoo spreek! wy luisteren. Deel haar een uitzicht mee op 't end, hoe ver nog af, van haar onlijdlijk wee!

PROMETHEUS.

ü\v ongeduld heeft thands geen uitstel meer te wachten.

Gy, lö, geef gehoor, en wapen u met krachten!

Gy zult van my verstaan hoe en tot welk een tijd

gy quot;t offer nog moet zijn van min en minnenijd!

Het Oosten roept u 't eerst. Gy zult uw schreden wenden

naar 't woeste Scythië, wier onbeschaafde benden

geen vaste haardsteen, maar slechts tenten, met hen rond

gedragen kennen, en verplaatst op ieder stond.

Zoek geen gastvrijheid daar, maar schuw hen na te komen.

Trek door dit aaklig oord in allerijl, de stroomen

der zee langs, die 't bespeelt, tot aan Hybristes vloed.

Treed daar den oever op, tot waar die stroom den voet

des Caucasus ontspringt, die de aarde met de kimmen

tot één te voegen schijnt. Gy moet dien overklimmen,

en keeren u naar 't Zuid. Hier wordt door de Amazoon

naby Thermodons vloed u teedre hulp geboón,

en de enge zee getoond, die gy moet overvaren,

en die aan 't nageslacht de erinn'ring zal bewaren

dat gy door dezen weg het andre werelddeel

bereiktet! — Gy verschrikt, 't geen 'k spel schijnt u te veel?

Onnoozle, kent Jupyn of deernis of genade?

Om u versmaadde hy in dartle lust zijn gade;

maar om dier liefde wil u hulp of troost te biên ....

wacht dit van hem niet, die gewoon is niets te ontzien!

10.

O goden!

PROMETHEUS.

lö, moed! en wil die wanhoop smoren!

Gy eischtet dat ik sprak. Gy hebt nog meer te hooren.

DE REI.

Helaas! is nog de maat dier rampen niet vervuld?

PROMETHEUS.

Niet vóór het tijdstip, dat gy straks vernemen zult.

133

ocr page 168

PROMETHEUS,

Gy, goden, die my haat! ach! ware ik nooit geboren,

of in de wieg gesmoord! Maar neen! 't was mij besehoren

te leven tot een spel van uwe heerschappij!

Doch ik, ik-zelf, wat draal 'k? Waartoe niet zelve my

ter neêr geslingerd van dees rotsen tegen de aarde,

en 't lot te leur gesteld, dat my uw -wreedheid spaarde?

PROMETHEUS.

Hoe dus vervreemd van geest? Wat zwakheid spoort u aan, liet op u rustend leed door zulk een stap te ontgaan? Wat zoudt gy, die u dus door wanhoop laat vervoeren,

indien ge u, zoo als ik, aan ketens vast zaagt snoeren, waarvan geen dood my redt, die eeuwig leven moet, ja, eeuwig lijden, zoo my 's dwinglands val niet hoedt ?

10.

Zijn val? Wie waagde 't ooit hem naar de kroon te steken?

PROMETHEUS.

'k Voorspel, ik zie den tijd, die u en my zal wreken.

10.

Wie rukt de koningstaf uit een zoo forsche hand? N

PROMETHEUS.

Zijn eigen roekloosheid, een dwaze huwlijksband.

iö.

Heeft hy de gade dan, die hy zich koos, te vreezen? PROMETHEUS.

Zijn eigen kroost zal eens de schrik zijns vaders wezen, zoo hy mijn boei niet slaakt, en dus zich zelf behoedt.

iö.

Wie anders brak dien los?

PROMETHEUS.

Een held van uit uw bloed.

134

ocr page 169

PROMETHEUS.

lö.

Is 't mooglijk? Van mijn kroost hebt gy uw heil te wachten.

PROMETHEÜS.

Van 't kroost uit uwen schoot na dertien nageslachten.

iö.

't Is duister voor mijn geest, wat my uw mond voorspelt.

PROMETHEUS.

Welaan! u zij de keus, wat wenscht gy dat ik meld', of d'afloop van uw reis, of d'afloop van mijn plagen?

DE REI.

Ontzeg ons niet, kan 't zijn van beiden te gewagen!

Haar hebt ge 't een beloofd, vergun aan onze beê het ander: één gevoel treft ons om beider wee!

PROMETHEUS.

Gy, wie uw deernis noopt den balling niet te laten,

hoe wreed hem 't lot vervolgt, hoe fel de goón hem haten,

wat zoude ik ooit uw beê, ontsproten uit een zucht

van weldoen, afslaan? neen! En gy, schep eindlijk lucht,

beklagenswaarde maagd! wy zijn aan 't eind gekomen

der rampen, die uw jeugd, uw onschuld overstroomen.

Ik meldde u langs wat weg gy uit dit werelddeel

't naburig Azië zult intreên, een tooneel

van nieuwen schrik. Hier hebt ge Phorcys kroost te mijden,

wien beide zon en maan 't weldadig licht benijden,

het menschdom hatend, en van wederzij verfoeid

door al wat sterSijk is. Een nest van slangen broeit

op 't hoofd wiens aanschijn moordt. Wacht, wacht u haar te naderen!

Vermijd de reuzen ook die 't oevergoud vergaderen

der Arimaspias. Met één oog uitgerust

aamt hun misvormd gelaat de moord- en plonderlust.

Gy, waan geen vreemdlingsrecht by deze monsters heilig!

Ku opent zich voor u een landstreek meerder veilig.

TJ buigt de Egyptenaar zijn schedel, zwart geblaakt

door 't zonvuur, waar geen wolk een frisschen droppel slaakt.

Heil, heil u, wen de Nyl zijn zegenende golven

135

ocr page 170

PROMETHEUS.

zal rollen voor uw oog! Het lot, zoo lang verbolgen bevredigt zich; de grond, waarop gy d'eeraten troost erlangt, ia uw gebied, ia 't erfdeel van uw kroost!

Ziedaar hetgeen me 't lot veroorlooft u te ontdekken:

en moog' die godspraak u een nieuwen moed verwekken! Of twijfelt gy, en heeft mijn taal nog duisterheid?

Spreek! waar ik helpen kan, vindt me lö steeds bereid.

DE BEI.

Heb dank, doch duld met een dat wy nog meer verwachten!

PROMETHEUS.

Van 't geen 'k heb toegezegd, kunt gy u zeker achten.

O telg van Inachua! ten teeken dat mijn mond

hier 't echte vonnis van het strenge lot verkondt,

zal u mijn kennis zijn van reeds vervlogen tijden.

'kZal hier heel d'omvang niet van uw langdurig lijden

herhalen! Dat ge u slechts het uur herinn'ren mocht,

toen gy Thesprotië en Dodonea bosch bezocht!

Gy zaagt, terwijl gy vloodt, de godgeheiligde eiken

hun takken neigen naar den grond en tot u reiken,

en murmelen u toe: heil, gade van Jupyn!

Maar ach! dit kon geen troost by zoo veel jammren zijn.

Uw angst verdubbelde; de wanhoop gaf u krachten;

gy vloodt langs 't strand der zee, die volgende geslachten

benoemen zullen naar den naam dien gy nog draagt,

en ijldet naar dit oord! — Gy ziet, bedroefde maagd,

dat ik uw noodlot ken! — 'k Weet wat gy hadt te lijden,

en nog te lijden hebt; maar 'k spel u beter tijden.

Daar waar de Nyl zijn vocht aan 't zilte zeenat mengt,

daar snelt der goden Vorst u in 't gemoet. Hy wenkt:

nu gaan uw smerten zich in louter vreugde keeren.

Zoo ver de Nyl zich atrekt, zal uw geslacht regeeren.

Een fiere heldenstam zal spruiten uit uw schoot,

en bloeien de eeuwen door. Een' hunner zal de nood

met vijftig dochteren naar Argos wederbrengen,

om aan zijn broeders bloed het zijne niet te mengen.

Vergeefs! In Argos zolf vervolgt een vijftigtal

van minnaars 't huwelijk, dat hen verdelgen zal.

Want hier, hier moet de nacht geen minvlam zien zien ontbranden,

36

ocr page 171

PROMETHEUS,

maar tuigen mannonmoord, gepleegd door vrouwenhanden. Slechts ééne, ééne enkle maagd ontziet haar echtgenoot, en toont zich vrouw, en waard haar afkomst uit uw schoot. Met haar geredden ga zal ze Argos rijkskroon dragen,

en hy, wiens heldendeugd heel 't aardrijk zal gewagen,

dat hy verlossen moet van monsters zonder tal,

die me uit een foltering van eeuwen redden zal,

moet spruiten uit dit bloed. Ziedaar den wil der goden, en 't geen ik melden mag; en meer is my verboden!

10.

Gezegend tijdstip, spoed, spoed aan! ....

Maar wat bedriegelijke waan gelogenstraft door de angst, waarvan 'k my voel bespringen! Neen, zelfs in d' afgrond van het graf hoop ik geen eind aan dees mijn straf!

Verheugt, verheugt u, hemelingen,

in 't geen onschuldige lö lijdt,

en gy vooral, neem wraak, onzaalge minnenijd!

'k Bezwijk niet, neen! noch ben bestemd te sterven !

Ik ben bestemd van smart tot smart,

van foltering in foltering te zwerven,

en enkel wanhoop is de toevlucht van mijn hart!

(Zy vertrekt))

DB BEI. — KEER.

Met recht, o sterveling! met recht schuwt gy een ongelijken echt!

De liefde stort in onafzienbre rampen,

als zy verbinden wil hetgeen het noodlot scheidt. Ge erkent u machteloos om tegen dit te kampen,

en wien by u zijn gunst een troon heeft toegezeid,

slaat op geen herdersmaagd een blik van tederheid!

TEG ENKEER.

Rampzalige lö, ach! uw lot sproot uit de liefde van een god!

Wie dacht haar ooit gedoemd tot zulk een lijden,

om wie der goden Vorst verliefde zuchten slaakt?

Kn wie, wie zou haar thands die hooge gunst benijden daar Junoos minnenijd zoo vreeslijk om haar waakt,

en voor de onnoozle maagd een hel van de aarde maakt!

137

ocr page 172

PROMETHEUS.

SLOTZANG.

Slaat nooit op ons, o «oden, de oogen noêr!

Zij ons een ga bestemd van uit het rijk der zeeën!

Ons neêdrig hart verlangt niets meer,

en siddert om de bron van loos weeën !

PROMETHEUS.

En echter zal die trots zich eenmaal diep vernederen! Dat hart zal beven, dat geen liefde kan vertederen,

geen wanhoopkreet doordringt. Gy werkt uw eigen val, vrijmachtbre Jupiter! De vloek uws vaders zal zich eens vervullen! Ja, de grijze godenkoning,

verstoten door zijn zoon van uit de hemelwoning,

moet zich gewroken zien, wanneer die zelfde zoon door eigen overmoed zal tuimlen van den troon!

Uw donder moge nog verschriklijk om ons grommen:

eens zal zijn schrikgeluid in uwe hand verstommen! Uw bliksem moog nog de angst verspreiden over de aard: voor al dien praal van macht is 't Noodlot niet vervaard! De kroon wankt op uw kruin; gy zult uw gruwlen boeten! Onmijdbaar is uw val, of 'k zie u aan mijn voeten!

Ziet gy den vijand niet, die u verpletten moet? Met vlammen, ijslijker dan heel uw bliksemgloed,

bestormt hy uw Olymp. Zijn hoofd reikt tot de starren; hy trapt van krijgsdrift, en doet d'afgrond openspairen! De bergen daavren, en de zee ontspringt haar bed!

En gy, gy stort ter neêr! Van zulk een slag ontzet,

ziet Pluto u vol schrik 't gebied der hel betreden;

terwijl het menschdora juicht, dat eindelijk zijn beden verhoord zijn door dat Lot, dat eenig 't Al regeert,

en dat de goden zelf, als 't Hem behaagt, verneért!

DE REI.

Wat waanzin, laat, laat af dus Jupiter te tergen!

PROMETHEUS.

Wat zou ik dees mijn wensch den dwingeland verbergen ? 't Is waarheid, wat 'k verkond'! Daar leeft een hooger macht, uit wie de zijne daalt!

138

ocr page 173

PROMETHEUS.

DE KEI.

Maar nog, nog heeft hy kracht u om zoo stout een taal op 't ijslijkst te kastijden.

PEOMETHEUS.

Mijn dood vermag hy niet, en 'k heb geleerd te lijden. Verneêre zich wie wil voor dwingelandentrots, Prometheus kent geen vrees; zijn boezem is van rots, wanneer het rechten geldt die hy niet mag verzaken! — Maar 'k zie Mercurius dit eenzaam oord genaken.

Wat of zijn komst ons brengt'? — De bode van Jnpyn, den Oppervorst der goOn, zal hy niet lang meer zijn!

ZEVENDE EN LAATSTE TOONEEL.

PEOMETHEUS, DE BEI, MERCURIUS.

MERCURIUS.

Hardnekkige, wiens list het heiligste aan dorst randen, en goOn verachten; die met doemenswaarde handen het vuur, tot hunnen dienst ontglommen, aan 't geslacht der slijkbewoon'ren, als uw eigen weldaad, bracht! De Koning van de goön gebiedt u my te melden, wat gruwzaam huwelijk uw woeste orakels spelden dat hem van 't wettig rijk een dag verstoten zou! 'k Verwacht, Prometheus, hier geen tegenstand. Ontvouw de waarheid zonder kunst en trouweloos verdichten! Of waant gy dat Jupyn voor uwen wil zal zwichten?

PROMETHEUS.

'k Erken in deze taal en schaamtloos trotschen toon den zendling van een Vorst, zijn schepter ongewoon. Onnoozlen! waant u vrij in uwe hemel wallen beveiligd tegen 't lot! 'k Zag reeds twee goden vallen en zinken van hun troon in d' afgrond. Dieper schand verwacht by sneller val den derden dwingeland!

En my, my zou 't geweld dier pas verheven goden doen siddren? Mijn gemoed zich krommen voor die snooden Ga, Jongling, keer te rug naar die u herwaarts zond! Het antwoord dat gy vergt komt nimmer uit mijn mond.

ocr page 174

PROMETHEUS.

MEKCDRIUS.

Die hoogmoed heeft sints lang u 't levenszoet verbitterd

PROMETHEUS.

Voor al den hemelglans, waarvan uw slaafschheid schittevi. ruilde ik de wreedheid niet van 't noodlot dat ik lij'. Geketend aan dees rots, mijn foltertuig, maar vrij,

zie 'k met verachting neêr op u en uws gelijken,

die voor dit nieuw gezag met kruipende eerbied wijken.

MEECURIUS.

Zoo is de droeve staat, waarin gy thands verkwijnt, nog zalig in uw oog, zoo 't uit uw reednen schijnt'?

PROMETHEUS.

Treff' zulk een zaligheid mijn vijanden! 'k Benijde u 't laf genoegen dier bekentnis niet, ja, 'k lijde,

en plagen, zoo als gij verdiend hadt te ondergaan!

MERCURIUS.

Hoe! ik? Wat heb ik toch tot uwe ramp misdaan?

PROMETHEUS.

Mijn fel getergde haat kan geen der goón verschoonen, die met een ijzren hart mijn braafheid dus beloonen!

MERCURIUS.

Wat woeste ziekte heeft uw geestkracht dus ontsteld ?

PROMETHEUS.

De haat voor laagheid en voor wetteloos geweld.

MERCURIUS.

O! zoo gy heerscher waart, wat lot werd ons beschoren!

PROMETHEUS.

Helaas!

MERCURIUS.

In 't hemelsch hof doet nooit zich weeklacht hooren

PROMETHEUS.

De tijd treedt langzaam voort, en voert mijn antwoord meê.

140

ocr page 175

PROMETHEUS.

MEKOUKIUS.

Zoo weigert gij dan steeds voldoening aan mijn beê,

en laat my zonder vrucht, gelijk een slaat', hier wachten!

PROMETHEUS.

Slaaf zijt ge, en als een slaaf zal ik u immer achten!

Maar wat toch geeft uw hoop dat ik verandren zal,

voor dat dees vuige boei van om mijn leden vall' ?

Geen straf, geen pijniging, geen loos bedachte vonden doen ooit mijn veege borst de orakelstem verkonden. Zoo plettere de schicht des Donderaars mijn kruin,

en keer zijn dolle storm heel 't aardrijk tot een puin! Ik buig niet, en 't geheim dat hem zoo wreed doet zorgen, blijft voor zijn angstig oog, zoo lang hy heerscht, verborgen

MERCURIUS.

Wat baat dit aan uw leed?

PROMETHEUS.

Ik heb het dus bepaald.

MERCURIUS.

Ontzie de stormen, die den weg waarop gy dwaalt bedreigen, en keer weêr!

PROMETHEUS.

O! staak dit ijdel pogen!

Gy hadt dees strandrots eer dan mijn gemoed bewogen. Ik voer geen vrouwenbloed, om bevend voor een troon te knielen, of den glans van een geroofde kroon te aanbidden, recht en eer lafhartig te verlaten,

en smeken om de gunst van wien 'k het felst moet haten! In zulk een gruwelstuk vervalt Prometheus niet!

MERCURIUS.

Vergeefsch dan is de raad, dien u mijn vriendschap biedt. Geen rede kan het staal van uw gemoed doordringen.

Maar vruchtloos worstelt gy om u den nood te ontwringen, als 't jong en vurig ros, dat in zijn teugels woedt:

als hy zult ge in het end bezwijken. De overmoed baat weinig, waar geen macht gereed staat haar te sterken.

141

ocr page 176

PROMETHEUS.

Doch is geen bede in staat uw redding te bewerken,

zoo boor voor 't minst het lot verhonderdvuldigd wreed,

dat langer tegenstand u zal berokk'nen. Weet

dat Jupiter dees rots van uit zijn wortel rukken,

u-ielven, door de lucht geslingerd met zijn stukken,

geen rustplaats gunnen zal, dan in het diepst der hel.

Daar opent zich voor u een nieuwe jammrenwel;

daar zult ge uw vrijheid nog in schrikbrer boei betreuren;

daar zal u de adelaar het ingewand verscheuren,

herlevend telkens tot vernieuwing van een pijn,

uw godenleven lang bestemd uw straf te zijn;

zoo niet een held verrijst, die in het rijk der plagen

met onvertsaagden voet zich levende durft wagen,

en u te rug voert in het lang gemiste licht.

Beraad u naar dit kort maar onvervalscht bericht

der toekomst! 't Past geen god door Jupiter gezonden,

verachtbre striktaal voor orakels te verkonden.

En o! dat niet altoos onbuigbre hovaardij

u meer dan wijsheid, meer dan heel uw aanzijn zij!

DE KEI.

Uw rede, zendling van Jupyn, heeft ons bewogen. Ja, overdreven trots, Prometheus! blindt u de oogen!

Durf ze oopnen! 't Is den man, die wijsheid mint, geen schand zich te onderwerpen aan den invloed van 't verstand.

PROMETHEUS.

Om my mijn toekomst te openbaren had ik geen hemelboo van nooden. 'k Ken Jup3'n:

wat dan zijn felste haat kon my beschoren zijn ?

Het onweêr moog zich om mijn hoofd vergaren! Ontbrand' de bliksem van rondom,

en laat zich 't woedende gegrom der stormen aan 't geknal des schorren donders paren! De bevende aarde spiijte, en oopne zich de hel!

En dat de zee tot aan de wolken zwell'!

Laat my die zelfde schok in 't diepst des afgronds voeren, waar een onbreekbre band mijn leden klemmen zal!

Geen kwelling zal mijn vrij gemoed ontroeren!

Mijn leven en mijn wil zijn hooger dan 't geval!

142

ocr page 177

PROMETHEUS.

MERCÜBIÜS.

Zijn onbetembre zinnen dwalon!

De vrees der opgehoopte kwalen,

die hem bedreigen, voert de rede hem niet weêr! Gy, schoone Nimfenrei, wier troost hem bijstaat, kear naar veilger oord, en dat een snelle vlucht u hoede voor 't enkele geraas van 's hemelskoninga woede!

DB KBI.

Wy volgen nimmer dezen raad;

hy is ondraaglijk aan onze ooren!

Ik heb den lafaart steeds gehaat,

die d' ongelukkige overlaat aan 't onheil dat hem staat beschoren.

Wy deelen in zijn jammerlijken staat,

en kozen, kon het zijn, eer met den held fe sneven,

dan met den smet van snood verraad te leven.

MEKCUKICS.

Zoo wp u-zelve 't kwaad dat u bereiken moog',

en waagt het nimmer op Jupyn de schuld te iaden,

als of 't u dreigend leed ontgaan was aan uw oog! Gewaarschuwd voor zijn toorn, zijt gy 't die onberaden

u in gevaren storten gaat,

waarin geen naberouw uw roekeloosheid baat!

(Hy vertrekt.)

PROMETHEUS.

De godspraak wordt vervuld: de daavrende aarde scheurt weg: het bliksemvuur, dat zich aan 't zwerk vergaarde, is losgebroken, en geheel de trans ontgloeit.

De donder gromt, de noodstorm loeit,

het stof steigt op in reuzige kolommen,

de zee, ontwassen aan haar perk, is opgeklommen tot aan de hemelen, die neigen tot hun val!

't Is alles saamgespannen in 't Heelal,

om mijn gemoed tot slavernij te dwingen!

Gy, Godheid, waar 'k uit wierd, die over stervelingen en goden 't alziend oog, de tijden door, laat gaan!

getuig gy wat ik lijde, en wat ik heb misdaan!

1819 (Hy verdwijnt.)

143

ocr page 178

CASSANDEAAS VOORZEGGING.

CASSANDRAAS VOORZEGGING.

EEN FRAGMENT

UIT

ESCHYLUS AGAMEMNON.

clytemnestra, cassandra, de bei.

clytemnestka tot Cassandra.

Stijg af, en volg mijn schreên, Cassandra! Zoo de goon u redloos teisterden met Trojes staat en troon,

«n doemden tot slavin, by 't zinken van haar wallen;

geen harde slavernij is u te beurt gevallen!

Ja, kluisters vielen vaak ten deel aan 't edelst bloed!

Heeft niet ook Hercules des noodlots toorn geboet en ketenen getorscht? — Bevoorrecht moogt ge u roemen, lt;lat gy geen anderen dan Vorsten heer moet noemen! Verplettend is de last van opgekomen macht;

de hand, den toom gewend der heerschappij, is zacht.

de kei.

Verstandig is dees taal. Gy, vreemde, leer de slagen van 't noodlot met geduld (het morren baat niet) dragen!

clytemnestka.

Zij onderwerpe zich aan een onmijdbre smart!

De troost, dien ik haar bied, dringt zeker haar door 't hart, zoo slechts 't barbaarsch gehoor zich aac de Grieksche klanken niet weigere!

de bei tot Cassandra.

Gy moogt uw koninginne danken voor zulk een wijzen raad en volgen dien gedwee!

clytemnestka.

'k Heb reeds te veel vertoefd. Reeds bracht men 't offervee bij 't plechtig feestaltaar. Erkentlijk vier ik heden den dag der wederkomst, zoo vurig afgebeden!

144

ocr page 179

CASSANDEAAS VOOBZEGGING.

(Tot Cassandra.)

Gy, doe u voor het minst door teekenea verstaan,

zoo de uitdruk u ontbreekt!

DE KEI.

'k Ben met haar lot begaan! Aan taal en zeden vreemd heeft zy hier hulp van nooden!

CLYTEMNBSTKA.

Weerspannig toont zy zich aan 't vonnis van de goden! en om den val van Troje is ze innig nog verwoed! Dus poogt zich 't vurig ros, bespat met schuim en bloed, te ontworstlea aan de hand des ruiters. Wat kan 't baten? Bedaar' haar ijdle drift? Voor my, 'k moet u verlaten.

{Zij vertrekt.}

DE KEI.

Geen wrevel vult ons hart, maar deernis met uw rouw!

Geef onze stem gehoor, stijg af, rampzaalge vrouw!

CASSANDKA.

Uw bijstand smeeke ik. God der dagen!

DE REI.

Hoe durft ge van Apol in dees uw toestand wagen?

CASSANDKA.

Apol, uw bijstand roepe ik aan!

DE KEI.

Wat klanken doet gy ons verstaan?

Men roept dien god niet aan, om zich van leed te vrijden! Die uitgalm dient tot niets, dan om zijn naam te ontwijden!

CASSANDRA.

Toon u dees dag voor 't eerst weldadig jegens my!

145

Apol, Apol, uw bijstand heb 'k van nooden!

De toekomst vult haar 't hart. Nog in de slavernij voelt zy zich weggesleept door d'invloed van de goden! I. 10

ocr page 180

146 CASSANDEAAS VOOEZEGGING.

CASSANDRA.

Apol, waar heeft my 't lot geleid?

Apol, wat leed wordt my bereid?

Waar ben ik? In wat oord ben ik gelast te wooncn?

DE REI.

Gy zijt aan 't hof van Koning Atreus Zonen!

CASSANDRA.

O schrikkelijke naam! Zoo ben ik in het oord,

waarop de vloek rust aller goden,

't verblijf der meest ontmenschte snoden,

waar alles steeds getuigt van gruwelen en moord!

DE KEI.

Nog deed de tijd het bloed, hier eens gestort, niet droogen Der vreemde Wichlares gloeit deze smet in de oogeu!

CASSANDRA.

Ziet gy die kinderen niet zweven langs de wand,

die Wraakzuchfs godvergeten hand deed sneven, en voor spijs den vader voor dorst zetten ?

DE REI.

Laat af, o Wichlares! Wil 't hart ons niet verpletten met die herinnering. We erkennen in uw mond de ware orakeltaal; maar spaar ze ons op dees stond!

CASSANDRA.

'k Zal niet meer reppen van 't voorleden! De toekomst, die ik zie, voert erger gruw'len meê!

Paleis van Atreus stam, tooneel van ijslijkheden!

verwacht, verwacht een nieuwe zee van jammeren, niet af te weeren! —

Die ze éénig weeren kon, ziet gy helaas! niet keeren! (*)

DE REI.

Hoe moet ik deze taal, dees duistre taal, verstaan?

CASSANDRA.

Verraderes, wat vangt gy aan ?

Hoe is mijn mond in staat uw misdaad uit te spreken ?

O Orestes, Agameranons zoon.

ocr page 181

CASSANDRAAS VOORZEGGING.

O! met hoe valsch een voorhoofd spoedt ge uw Ega juichend in 't gemoet !

Uw eene hand omhelst, en de andere stort bloed! —

Mijn stem, gy weigert u! Mijn oogen, 'k voel u breken!

DE REI.

De klanken, die gy slaakt, zijn telkens meer verward!

CASSANDKA.

Hoe pijnigt 't geen ik zie mijn hart! —

De hel, de hei-zelf legt hier lagen,

en broeit een nooit gehoord verraad!

Hier moet een vrouw den aanslag wagen,

en drukken hem aan 't hart, dien zy vermoorden gaat!

Heft, heft den vloekkreet aan, o eerbiedwaarde grijzen! en doet uw stad van haar beheerschers ijzen!

DE REI.

Een vloekkreet op dit huls! Wat vergt gy van mijn trouw'? Onthou ons zulk een taal, meêlijdenswaarde vrouw!....

Maar hemel! waar van daan verbleeken my de wangen? Van welk een angst voel ik mijn boezem prangen, of 't ware een doodelijke slag mijn oogen dicht sloot voor den dag?

Iets gruwzaams schijnt voorwaar ons over 't hoofd te hangen!

CASSANDRA.

Wat draalt ge? Ontrukt, ontrukt den Vorst aan de armen van een trouwelooze Gade,

eer zy zich in de stroomen bade van 't bloed, waarnaar de wraakzucht dorst!

DE REI.

O duistre orakeltaal, die ik niet uit mag leggen!

Ik sidder voor uw donkren zin Ach! 't geen ons Wichelaars voorzeggen,

heeft al te zelden voorspoed in!

CASSANDRA.

O mijn te lang gerekte dagen!

zou 'k om het vreeslijk eind niet klagen,

147

ocr page 182

CASSANDBAAS VOORZEGGING.

dat u op vreemden bodem wacht? Op Trooischen grond mocht ik niet sterven! O ongelukkig Vorst, gy hebt my hier gebracht om met u 't levenslicht te derven!

DE EET.

quot;Wat god bezielt den toon, die uit uw boezem welt? Pe zangerige stem, die dus in klachten smelt,

is als de stem der nachtegalen,

wanneer ze 't nooit vergeten leed.

en Itys noodlot, al te wreed,

aan 't luisterende bosch herhalen!

CASSANDRA.

Uw lot is zacht by 't mijn, o Philomeel! Het godendom, meêwarig met uw klachten,

deed u op dunne vleugelschachteu het hartverscheurende tooneel ontvlieden, en door kweelende gezangen den doffen wanhoopkreet vervangen!

En my! Weet gy wat lot my wacht? Te stikken in mijn bloed, door monsters omgebracht.

DE GEI.

Wat zwarte toekomst doet ge ons vreezen! Maar boe betoovert ge ons gehoor! Een godlijke invloed straalt in al uw woorden door; hetgeen gy spelt, moet waarheid wezen!

CASSANDRA.

O Paris, Paris! ijslijk boet ons droef geslacht uw overmoed! — Scamander, wiens verlaten stroomen nog rood zien van het Trooische blosd! ontfang mijn verren afscheidsgroet!

De tijd is in het end gekomen,

dat my Cocytus sombre boord de wichlarijen slaken hoort,

zoo vaak versmaad in uw nabijheid,

{oen ik den val voorzag van Trojes roem en vrijheid!

148

ocr page 183

CASSANDRAAS VOORZEGGING.

Helaas! het blijkt, het blijkt te zeer,

dat ge ons iets ijslijks hebt te spellen!

'k Bevroed het uit dien toon van wanhoop, maar nog moer uit de angsten die mijn eigen hart beknellen!

CASSANDRA.

O afsohrikbarend lot van een gevallen stad !

o Troje, Troje! vruchtloos had mijn vader uw behoud door zoo veel duizendtallen van offeranden afgebeêu!

Ik zag, helaas! uw muren vallen,

uw vorsten in het stof vertreên!

uw vorsten, wie de goön, als heel hun rijk verfoeien!

Mijn bloed alleen ontbrak hun woede nog; 't zal vloeien!

DE KEI.

Hoe kwelt die godheid u, wier adem u bezielt!

Die invloed is geen gunst, maar foltring, niet te dragen! De komst vooruit te zien van zulke schrikbre dagen verdubbelt slechts het kwaad, terwijl 't de hoop vernielt!

CASSANDRA.

Welaan! mijn angstig hart, van sombre orakels zwanger,

geev' zich in 't einde lucht! 'k Omwikkel thands niet langer

de waarheid, die ik zie, in woordenduisterheid!

Verschijne dan voor u de toekomst, ons bereid!

Gy, volgt mijn schreén, en voer' mijn hand u tot de boorden

diens Oceaans van ramp, die al te dra deze oorden

moet overweldigen! — Herdenkt den vroeger tijd!

Is, is dit schrikpaleis niet aan den vloek gewijd

der Eumenieden? Ziet, den roodgevlekten drempel

omzwerven zy verwoed, en merken met den stempel

der onontgaanbre wraak geheel dit schendig oord,

tooneel van broederhaat, van overspel, en moord,

en kinderslachting, die de Zon terug deed treden ....

Wel nu! ben 'k onderricht van 't weggesneld voorleden?

Slaat men mijn wichlarij nog roekloos in den wind?

Ziet ge enkel in dees taal een vrouw, van smart ontzind?

En kent gy d'invloed van een godheid niet? Spreekt grijzen!

Deelt me uw gevoelens meê!

149

ocr page 184

CASSANDRAAS VOORZEGGING.

DE REI.

Uw woorden doen my ijzen! Ach! verg niet dat ik spreek'! .... Van d'overkant der zee kwaamt gy! Wie leerde u dus 't aloud en erflijk wee van Argos Koningstam?

CASSANDRA.

ü heb 'k die gunst te danken. Apol! Uw aam bezielt dees borst met hemelklanken! en 't menschdom niettemin is voor mijn woorden doof!

DE REI.

Helaas! maar al te veel verdient gy zijn geloof!

CASSANDRA.

Op nieuw grijpt my de geest der godheid aan! De dagen der toekomst dreigen wraak, en naadren, zwaêr van plagen! Zijn niet die knapen, die den ingang van 't paleis bewaken, uit het graf herrezen, om den eisch van 't Lot voldaan te zien, en hunnen moord gewroken? O! slaat de houding ga dier onverzoende spoken!

Zy wijzen op den disch, die met hun vleesch en bloed beladen (groote goön!) hun vader heeft gevoed!

De schuld uws vaders gaat gy boeten, o mijn Koning! Een wolf, verhit op moord, sloop in de vorstenwoning, en loert daar, in den nacht gewikkeld van 't verraad, het lang berekend uur der wraak af! Ach! het slaat! Gy valt, doorluchte Vorst! Verwinnaar der Trojanen, gy valt! Uwe echtgenoot, die met geveinsde tranen u in haar armen drukt, biedt offers aan de goOn van vreugde, dat ze in 't end haar Gade in 't rijk der doSn mag neer doen storten! O voorbeeldelooze woede!

O opzet, bloediger dan immer tijger broedde!

O vrouw, vloekwaarder dan Charybdis, als haar schoot den scheepling inzwelgt, en weêr opgeeft aan den dood! Uw naam te noemen is me een gruwel! Ja, de zegen is u! Gy roept die uit, en de afgrond juicht u tegen! .... Gy siddert, eedle rei? ... . maar twijfelt aan mijn reên? Hoe! sluit gy de oogen nog voor 't licht? ... Wat zeg ik? neen houd, houd dien twijfel vast! te dra zult gy hem derven, en ik mijn wichlarij bezeeglen met te sterven!

ocr page 185

CASSANDEAAS VOORZEGGING.

DE BEI.

Ik ken de gruw'len die gy meldt: Thyestes disch,

en al 't onschuldig bloed, dat hier vergoten is!

Maar ach, wat baat het u een toekomst te verkonden, waarvoor ons hart zich sluit, en die 't niet kan doorgronden?

CASSANDRA.

Dat Agamemnon nog op heden sterven moet,

zie daar wat ik u spel!

DE REI.

Dat ons de Hemel hoed'!

CASSANDRA.

Kan 't woord eens stervelings den wil van 't Lot doen falen?

DE KEI.

Neen! maar kent gy dien wil? Ook wichlaars kunnen dwalen.

CASSANDRA.

O hemel! welk een vlam doortintelt mijn gemoed!

De dwang der godheid is 't, die my nog spreken doet!

Ik zie de tijgerin den fleren Woudvorst zoeken!

in blakend ongeduld elk oogwenk toevens vloeken!

De laffe deelgenoot van haar ontuchtig bed,

Egisth verzelt haar schreén: de dolken zijn gewet, hun zegepraal genaakt, uw sterfuur is gekomen,

o Argos groote Vorst! en ook mijn bloed gaat stroomen! — Weg! dorre kransen! en gy, ijdle wichlaarstaf,

lig daar! Wat baat ge my in 't naar my gapend graf?

AVat hebt ge my gebaat in 't bloeien van mijn leven,

toen ik de heiige gaaf, my door de goOn gegeven,

van vijand beide en vriend miskend zag en bespot,

terwijl mijn hooploos hart den wil doorzag van 't lot? Onzaal'ge hulsels! weg! Versiert eens anders haren!

Gy kunt een andre kruin thands met het leed bezwaren, dat zoo lang woog op my! Hier, hier wenkt my de hand des langgeweuschten doods! Ver van mijn vaderland verrees in dezen dag de laatste van mijn dagen!

Want zelfs aan 't vlietend bloed van mijn vermoorde magen

151

ocr page 186

CASSANDEAAS VOORZEGGING.

de stroomen van het miin te mengen, werd me ontzeid, en 'k werd gespaard voor 't lot, dat me op dees grond verbeidt! Doch onze laatste zucht zal niet met d'aam der winden vervliegen, en onze asch haar wreker eenmaal vinden,

mijn Koning! 't Is uw zoon, thans zwervende over de aard! Hem voert een godheid hier, om 't onmeêdoogend zwaard zijn moeder door het hart te stooten, tot verzoening der felvertoornde goön, en onze wraakvoldoening! —

Maar 'k staak mijn klacht in 't end. De dood is my geen leed! Zag 'k niet den val van Troje? — Ach! die haar zinkendeed derft dra met my het licht! Verwinnaar en gevallen hervinden zich in 't graf! één lot veréént ons allen! Zoo vloeie dan mijn bloed bet kwijnend lichaam uit!

En spoed u, stervensuur! O! reeds van zeiven sluit mijn oog zich voor deze aard en al haar ijslijkheden!

Verblijf der rust, ontfang me! Ik heb te lang geleden!

DE BEI.

O ongelukkige! het zij ge waarheid meldt,

het zij zich uw gemoed met hersenschimmen kwelt!

Maar hemel! waar van daan by de aaklige bewustheid van 't dreigendste gevaar die wondre zielsgerustheid ?

CASSANDRA.

Mijn uiteinde is bestemd: 'k zie 't naadren zonder schrik! Gelatenheid verzoet het stervensoogenblik!

DE REI.

O stervling! leer van haar, zoo lang des voorsp oeds dagen zacht henenrollen, u in 't onheil mee gedragen!

CASSANDRA.

O mijn verdelgd geslacht! 't uur onzes weerziens slaat! {Ztj xvil in het paleis treden, maar deinst met afgrijzen terug.) O gruwel!

DE HEI.

Wichlares! Wat nieuwe siddring gaat u aan, dat zich uw tred niet op den drempel veste!

CASSANDRA.

't Is de adem van den dood, die reeds dit oord verpestte!

ocr page 187

CASS ANDKAAS VOORZEGGING.

de rei.

O overmaat van schrik!

cassandka.

'k Verlate u in het end!

't Geen thands gebeuren gaat, maakte u mijn mond bekend! Herdenkt my, Grijzen, als ons beider bloed zal stroomen! Herdenkt my, als de tijd der hemelwraak zal komen; wanneer uws konirgs kroost der overspeel'ren bloed aan vaders gramme schim ten offer plengen moet!

Herdenkt my dan, en tnigt Cassandraas laatste klanken! Eén woord nog! Aan den god, wien ik de gaaf moet danken dier droeve wichelknnst, met zoo veel leeds betaald! O Zonnegod, wiens gloed my hier voor 't laatst bestraalt doe haast den dag der wraak aan deze kim ontluiken, dag, die der snooden trots en zegepraal zal fnuiken, gekwetste vorsteneer herstellen, en dit oord bevrijden van den smet van laffen vrouwenmoord! —

Zoo is het menschlijk lot! Het heden te vertrouwen,

is op de wenteling der holle zee te bouwen!

Denk, stervling, aan de les van reeds beproefden nood, en, midden in uw heil, wacht tegenspoed en dood!

1819. (Zy ijlt naar binnen.)

HET TREURSPEL.

(ode.)

Aartsengelin, die van Gods zij gevlogen, uw aanbidbre heerschappij op ons, vervallen stervelingen,

als op de reine hemelkringen, onwederstaanbaar werken doet! o Dichtkunst! tolk van God in 't u gewijd gemoed lust het u soms de blanke Cherubsveêren van uit de hoogste hemelsfeeren,

naar onzen stofklomp uit te slaan?

Lust het u soma in schraler lucht te zweven, om met een nieuw, een Godlijk leven te zaligen, zoo ver uw wenk kan gaan?

153

ocr page 188

HET THEUESPEL.

O neen! Wat zeg 'k'? het ware u konen,

uw vlucht te lokken naar deze aard!

Hoe zou de hemelklank dier tonen,

voor de Englen Gods alleen bewaard,

die klank, waar Zijn volkomenheden zich spiegelen in al haar pracht,

voor dit ons uitgedord beneden

zich wederscheppen in zijn kracht?

Voor altoos weekt gy van deze aarde,

met al de weldaan die gy baarde

met ware schoonheid, deugd en recht!

En thands! één toon van u, die in verheevner orden geheele werelden doet worden,

deed ons, onheiligen, aan aardsche lust gehecht,

met heel deze aarde, in 't niet, waaruit wy werden, zinken!

Doch o! is 't voor het minst geen al te stout bestaan dien toon, hoe flaauw ook, na te klinken?

Is 't met der schoonheids rijk voor eeuwig niet gedaan? Is 't niet vergeefs dat West en Noorden zich paren aan de weeldrige oorden

van 't door God-zelf geheiligd Oost,

om door hun vlammende gezangen uwe albezieling te vervangen

by 't u onwaardig menschenkroost?

Verkond ons wie der Kunstgodinnen in Griek en Romers tempeltinnen met heidensche offers aangebeén,

na u diea troon op de aarde mocht bekleen,

van waar gy ée'nmaal zelf het menschlijk harte roerdet verhieft, vergeestiyktet, en aan Gods voeten voerdet!

Wien hoort de glans dier zegepraal?

Is 't Clio, wier manhafte taal den roem van 's aardrijks vroegste tijden aan 't laatste nageslacht verkondt?

Die door des blinden dichters mond het plekjen, waar eens Troje stond,

aan de eeuwigheid vermag te wijden?

Een rij van koningen, een fiere heldenstoet,

154

ocr page 189

HET TREURSPEL.

dien ze uit het graf herroept en ons aanbidden doet,

kent haar de zege toe! Zy vlechten hun laurieren,

stemt gy het meê, in één, om Clioos kruin te sieren!

Maar neen! een andre toon ontstaat!

Euterpe roert de gouden snaren!

Daar treedt zy voor met losse haren,

de Godheid in het oog, die door haar spreken gaat! Zy zingt! Het aardrijk is verdwenen!

't Verleden en de toekomst smelt in éénen! De hemel opent zich voor 't menschdom. 't Is te veel! Geen stervling viel de kracht ten deel,

haar stouten hemelvaart te teugelen,

of 't spoor te volgen van haar vleugelen!

De ziel verliest zich in die vlucht,

erkent haar machtloosheid, en stort in lager lucht!

Gy zijt het, Melpomeen! de kroon past op uw haren! U zij het dichterlijk gebied!

u, die den gloed der lierzang weet te paren aan 't grootsch geluid van 't heldenlied! O! weigert gy niet aan deze oorden

dien toon, der hooge heemlen lust?

O! tokkelt ge die zilvren koorden,

■waar op der heemlen waarheid rust'? . . . Ge ontrukt, ge ontrukt ons aan ons-zelven! Gy voert ons tot de stargewelven,

tot voor dat licht, waar meê Gods Almacht zich omhult. Gy kent, en gy verkondt die wegen,

waar door Zijn vonnis of Zijn zegen zich in dit jammerdal vervult!

Maar hoe? wat bloed-, wat treur-, wat schriktooneelen: Meestres van 't diep geschokte hart,

die door het knijpen zelfs der smart de ziel te boeien weet, te streelen!

Wat ijslijkheden voert ge ons aan?

Hier broeders, heet op 't bloed van broeders,

daar aan zich zelve ontvallen moeders,

die aan haar eigen kroost verwoede handen slaan!

Hier vorsten, by den troon geboren,

155

ocr page 190

HET TEEUKSPEL.

ter neêr gebliksemd van dien troon!

Daar de eer, die braafheid scheen beschoren,

ontwijd aan gruwelen ten loon!

Wat vreemde tegenstrijdigheden,

door 't sterfelijk verstand bestreden,

en die ge 't weggesleept gemoed erkennen en aanbidden doet!

Wat zwevende op azuren wolken ontdekt gy d'opgetogen volken

't onzachelijk geheim van 't Lot!

En wijst, by 't stroomen onzer tranen,

bij 't bulderen der driftorkanen,

op de Alvoorzienigheid van God!

De loop van werelden en tijden,

dus leert ge, is door één woord voor de eeuwigheid beschikt, en 't eens bestemde lot blijft pal en on verwrikt!

Den slag, door dit gedreigd, te mijden,

is boven 't perk der menschlijkheid,

en al die standverwisselingen,

die zich elk oogenblik verdringen,

geleiden ons naar 't heil, door Zijn gena bereid!

Verheven rei van 's Oudheids t.reurspeldichteren! van schoon-, van groot-, van waarheidstichteren!

en gy vooral, doorluchte dichtrenvorst,

o Eschylus! uw stoute dichtvlucht dorst het spoor tot hooger waarheen banen,

dan blinde heidnenzielen wanen!

De zetel van hun valsche goon schokte op het galmen van uw toon!

Uit hooger, ja, uit hemelsche oorden drong met den klank van uwe «voorden een straal van waarheid in het hart,

verheffend voor den geest, en balsem voor de smart! Zoo, Dichtkunst, voegt het u te loven!

de traan in 't oog, het oog gericht nfiar boven!

bezield met heldenkracht, op vorstengrootheid fier! Gy zijt het, Melpomeen! de kroon past op uw haren! Dat dan die kroon uw haren sier',

156

ocr page 191

HET TEEUBSPEL.

en roere uw Zustrenrei ter uwer eer de snaren!

Ter uwer eer? Tot die van God,

van Hem, die heel des werelds lot met éénen wenk bestemde, in één hand houdt omsloten! Van Hem, uit wien de glorie daalt,

die om het hoofd van Vorsten straalt,

waarvan Zijn hand het éénig kan ontbloten:

Van Hem, die zegent. Hem, die wreekt,

wiens invloed in den dichter spreekt,

wanneer het woudgediert zich opdringt aan zijn kluisteren, het stof zelf zich bezielt, en aarde en heemlen luisteren! 1819.

LIEFDE.

In d'eersten gloed der jeugd, wen 't licht getroffen hart de prikkling van 't vermaak, en 't knellen van de smart in al hun kracht ontfangt, wanneer de driften woelen door heel ons aanzijn, en de Godheid doen gevoelen, die noopt tot zaligheid — wat voorwerp hoeft natuur den dichter waardiger, dan liefde! uw hemelsch vuur?

Voor u dan klink' mijn zang! Geliefde zanggodinnen! bezielt me, 'k ga een lied. het lied der jeugd, beginnen.

Wie zijt ge, hemeltelg! wier goddelijke gloed 't heelal in wezen houdt? Wat drift de boezem voed, van u is de edelste, de heiligste van allen,

van u de machtigste! By duizend duizendtallen biedt u het menschdom dag aan dag het offer aan van harten, die voor u, voor u-alleenig slaan!

Uw aam is heeter dan de gloed der hemeldaken,

wen Sirius gesternt' het aardrijk dor doet blaken;

de drift, die op uw wenk het ziedend hart vervoert, is woester dan de orkaan, die d'Oceaan beroert.

Wie zijt ge, hemeltelg? Uw frissche myrtenkiansen zijn duizendwerf meer waard, dan de onbetrouwbre glansen der kroon. De vorstlijke eik, de slanke populier verneêren voor uw myrt hun fierheid. De laurier

157

ocr page 192

LIEFDE.

beschaduwt 's dichters hoofd, om zich aan haar te paren. Aanschouw de menigte, die zich om uw altaren verdringt. Het bleek gelaat getuigt de minnesmart die merg en bloed verteert, gekoesterd in het hart! Des krijgsmans woestheid is in tranen weggezonkeu uit de oogen, die alleen van oorlogsijver blonken:

zijn moordlust is gesmoord; hy ademde in de lucht,

die in dees streken speelt, een liefelijker zucht.

Verg, dichtei! van uw Her geen moedige oorlogszangen, het kweeleud liefdelied heeft die van zelf vervangen, en alles stemt to zaam, om d'invloed van de min te zingen, alles roept haar dierbre gunsten in.

Wie zijt ge, hemeltelg? Wat, dit uw alvermogen?

Daal neêr, aanbidlijke, voor onze aanbiddende oogen. Een lentekoelte waait, en spreidt zijn ambergeur door 't trillende geboomt': de frissche grond stort keur van bloemen, alles aamt een nieuw, een beter leven. Wat ruischt gy, golfjes! door een teedre lust gedreven en spat in schuim op? En gy, zoete melody van 't tjilpend pluimgediert! spreek, wat verkondigt gy? Wees welkom, heilgodes! gy nadert uit den hoogen! Verblindend is uw glans, uw schoonheid voor onze oogen. Maar ja, wy kennen u, des hemels oudste kroost!

door wie het menschdom werd, en die zijn jammren troost; geen kind vol wreedheid, dat, met dartelende handen vermaak schept met zijn gif het weêrloos hart te branden; o neen, een engelin, die, waar haar voetstap naakt, het doode levend, en wat leeft gelukkig maakt!

Gelukkig duizendmaal, op wien uw gaven dalen,

wie al de schatten van een wereld niet betalen;

gelukkig duizendmaal, wiens uiterste ademtocht,

aan u geheiligd, uw gezegend heil bekocht.

Vergeefs misgunt een zee u de allerzoetste kussen,

Leander! zou haar woede uw brandend minvuur blusschen? Uw arm tart golf en storm, en overwint; de nood verhonderdvoudigt uw geluk; maar zelfs de dood waar' zoet, mag Heroos hart er 't offer van ontfangen!

O! mocht mijn boezem eens zich aan uw boezem prangen.

158

ocr page 193

LIEFDE.

naar wie mijn liart vergeefs sints de eerste kindschheid zucht,

wier tooverbeeld me omzweeft wier wezen my ontvlucht!

'k Zou door het bruiaschen heen der opgezette haren

my storten in uw arm; ja duizend doodsgevaren

trotseeren om één blik van uw aanminnig oog.

De roem van oorlogsmoed, de roem der kunst klinkt hoog,

en zoet weergalmt haar stem in vrijgeboren harten!

Maar ach! wat is dat zoet by 't heil, ja by de smarten

der liefde! Lauwerkrans! die 't dichtrenhoofd omvlecht!

Was ooit mijn jeugdig hart aan uw bezit gehecht,

't waar' om u met dit hart der schoonheid aan te bieden!

Maar gy, o Engelin! wat spoedt gy, ons te ontvlieden? U danken we, u-alleen, wat de aard tot hemel maakt!

Verleen uw bijzijn aan den dankgalm, dien zy slaakt.

Maar neen! gy toeft niet: moé van 't nietig stofgewemel, spreidt gy den goudglans van uw wieken uit ten hemel; ons oog verliest u in zijn bogen! voer de beê van 't onvoldane hart voor 't minste met u meê.

Ik vraag geen aardsche macht noch licht vergankbre schatten, die onrust zonder maat. geen rein geluk bevatten;

ik hijg naar 't heil van een door u gezegelde echt.

O mag ik heel den loop mijns levens aan het recht ter Godgeliefde dienst van d'onderdrukten wijden,

zoo laat my voor die zaak de felste rampen lijden.

Ik ben gelukkig, 'k ben verheven boven de aard,

zoo gy my slechts een bloem op dit mijn pad bespaart.

1819. ____

AAN BILDERDIJK

BY HET AFSTERVEN VAN ZIJN* ZOON JULIUS WILLEM.

Ja, TRANEN ZIJN ONS DEEL OP AAR»,

en wat de weg des levens baart,

is distel voor den voet, en voor de lippen alsem!

Hier treffen slagen, waar wy treên,

hier groeien jammren rondom heen,

en de aarde die ze teelt, teelt voor ons leed geen balsem.

159

ocr page 194

AAN BILDEBDIJK.

Dit klonk uw lier, doorlachte Bard,

zoo vroeg reeds aan de wrangste smart, 't hardnekkigst lijden, prooi gegeven!

Dit klonk die lier, wier melody steeds somber, maar steeds groot en vrij, de waarheid in den toon der Poëzy deed leven.

Gy wachttet sints uw eerste jeugd,

van geen ontluisterde aarde vreugd,

dan die geboren wordt uit moed en plichtsbetrachting! Gewapend tegen 't grimmig lot,

met onbeperkte hoop op God,

en met de toovermacht der Dichtkunst tot verzachting!

Ach! 't was geen aardsche tegenspoed,

die zulk een steun, die zulk een moed in d'eedlen boezem kon verwrikken!

Des noodlots toorn verzelde uw schreên! Gy zaagt haar dreigende om u heen met onverzette blikken!

Maar ach! een ijsselijker slag dan al wat jammer heeten mag,

trof uw in 't leed vergrijsde haren!

Een slag, o God!.... O! had mijn bloed den eisch van 't ijzren lot geboet,

het had gestroomd, om hem uw hoofd te sparen!

Vergeefs ontzag het brandende Oost,

ontzag de storm het dierbaar kroost dat aan den boezem snelt, te lang van hem gescheiden ! De dood staat van haar prooi niet af en de akelige toon van 't graf vervangt het welkomstlied, wiens galmen hem verbeidden.

Wie zal, wie kan het thands bestaan,

de bittre, hartverscheurbre traan,

die op de wangen brandt der ouderen, te drogen ? Wie spreekt hier ijdle troostreên uit,

verzwolgen in het smartgeluid,

waarin de spraak verstikt by 't onbescheiden pogen ?

ocr page 195

AAN BILDEEDIJK.

Neen! wie uw zielsgevoel vertaat,

stort hier geen machtelooze maat om de overstelpte borst aan 't foltreud wee te ontscheuren. Zijn lier, omfloersd met treurend zwart.

geeft slechts den doffen toon der smart en wat zijn hart vermag, is met het uw te treuren:

Van U alleen, o God, komt troost!

Gy geeft, en Gy herneemt het kroost,

vaar 't ingewand aan kleeft, de ziel in leeft der ouderen! Is niet van U en ramp en vreugd,

en 't aardsche lijden zelfs der deugd?

Verlicht niet Gy den last van de afgetobde schouderen?

Van uit Uw alomvattend Hof,

waar 't alles juicht in Uwen lof,

slaat Gy Uw droeve kinders gade;

en uit de diepste kolk der smart verheft Uw hand wéér 't zinkend hart,

en de Englen loven Uw genade!

Der troostelooze moeders zucht zal niet versmelten in de lucht,

maar voor Uw glansrijk aanzijn stijgen!

De kreet des vaders om zijn zoon,

dringt door, o God, tot voor Uw troon.

en doet de hemelvreugde zwijgen!

De geest des afgestorv'nen leeft!

De geest des afgestorv'nen zweeft raby het kwijnend moederharte!

Zijn geest omzweeft dat achtbaar hoofd, in leedverduring afgesloofd,

en lenigt, ongezien, zijn smarte.

Ja, heilboö van Gods oppermacht,

zal hy in schaduw van den nacht u 't uur verkondigen, dat onzen boei moet slaken; den heildag, die het gantsch Heelal in d'éénen God vereenen zal,

161

en in der schepslen heil des Scheppers werk volmaken 1819.

I.

li

ocr page 196

BY HET OPENBAAR EXAMEN.

BY HET OPENBAAR EXAMEN

DEB

NDDEK1ANDSCHE POKTUGEBSOH-ISRAELITISCHE ARMENSCHOOL.

17 Mei 1820.

VOORZANG.

1.

Gezegend Gy, die ons het leven gaaft!

Wy danken U voor 't uit. ü spruitend leven, wy danken ü, die de armen troost en laaft, om 't geen Ge ons meer dan 't leven hebt gegeven! Ontfang den toon, dien ü onze onmacht biedt! In ü begint, in U voleindt ons lied!

2.

Weldadigheid houdt hoogtijd op dees dag! Op dezen dag viert men het heil dei armen!

Wy smeken U met kinderlijk ontzag,

dat uwe gunst hun poging moog beschermen! Gun ons dees dag der schepslen hoogst genot: tot Uwen lof te hand'len, o mijn God!

3.

En voor dees Rij, wier milde zorg en deugd ons de ongena van 't grillig lot vergoeden,

voor die heft meé dees diep getroffen jeugd den smeekzang aan, dat Gy hen moogt behoeden! Dw zegen ruste op hun eerwaardig hoofd! — en zij Uw naam in eeuwigheid geloofd!

, .1

'■

EERSTE TUSSOHENZANG.

1.

Brave, wakk're hovenieren

strooien hier het zaad der deugd, 't zaad van kennis en beschaving, in het hart der schaamle jeugd! Moog Gods oog dat zaad doen rijpen,

als een koesterende zon!

Moog Zijn heilgena volmaken, wat hun liefdezorg begon!

162

ocr page 197

BY HET OPENBAAB EXAMEN.

2.

Eind'lijk is de dag gekomen,

lang met angst en hoop verbeid!

Angst, om onze jonk- en zwakheid,

hoop op Uw Voorzienigheid!

Schenk ons. Hemel! schenk ons krachten!

Laat het blijken op dees dag, wat, vertrouwen op Uw invloed, wat erkentlijkheid vermag!

3.

Weezen strekt (iy tot een Vader!

en Gy zijt der armen schat!

In uw gunst, almachtig Koning!

Is het heil der aarde omvat!

quot;Waarom zouden wy dan sc' men?

Gy verzorgdet steeds ons loi!

Onze kracht is Uwe bijstand,

onze Vader, onze God!

TWEEDE TUSSCHENZANG.

1.

't Oog, dat wy naar boven slaan, is bevochtigd met een traan,

uit het jeugdig hart gevloeid, dat van dankerkentnis gloeit! Met de wijsheid van een vader, met een moeders tederheid,

voelen we ons door God geleid tot geluk en deugd te gader!

2.

God! als onze stem zich paart met geheel een lovende aard, dan verzinken we in Uw lof van verukking weg in 't stof! Maar Uw teedre zorg te roemen, is nog zoeter aan ons hart; en 't vergoedt de wrangste smnrt, dat we U Vader mogen noemen!

ocr page 198

BY HET OPENBAAR EXAMEN.

Deze naam pa?t onzen moml!

past vooral op dezen stond,

daar Gy met een Vaderoog ons versterktet van omhoog! Vader! goedertieren Vader!

die Uw kinders hebt verhoord! De enkle uitspraakvan dit v oord voert ous aan Uw hemel nader!

SLOTZANG.

Looft den God, die aarde en hemel

op een wenk ontspruiten deed!

Looft den Vader van zijn schepsels,

die versterking schenkt in 't leed!

Hy, alwetend, alvermogend,

zorgt niet eenig voor 't geheel:

neen. Zijn oog, Zijn zorg, Zijn zegen,

hoedt ook 't allerkleinste deel!

Heft uw stem dan naar den Hoogen!

Looft Hem met een rein gemoed!

Hy verhoort oprechte harten,

in genot en tegenspoed!

Looft den God, die aarde en hemel

op een wenk ontspruiten deed!

Looft den Vader van zijn schepsels,

die versterking schenkt in 't leed!

Zalig, die op Hem vertrouwen,

die Hem ware hulde doen!

Heel de wereld, saamgespannen,

zou op zulken vruchtloos woén!

Wie dan Hy vermag te straffen?

Wie dan Hy deelt schande en eer?

Laat het menschdom vrij verneêren!

Hy verheft den brave weer!

God regeert op aarde en hemel!

Hy is meester van ons lot!

Wanhoop niet, bedroefde zwakheid! .

voor uw welzijn waakt een God'.

ocr page 199

AAN DR. IMANUEL CAPADOSE.

DEN HEERE

Dr. IMANUEL CAPADOSE,

BY HET AFSTERVEN ZIJNER ECHÏGENOOTE,

VROUWE

BATSEBA CAPADOSE, GEBOREN DA COSTA.

Mijne ziel sterve den dood der oprechten, en myu uiterste zij gelijk het zyne!

NUM. XXIII. 10.

Rechtschapen Grijzaart, die het eerbiedwaardig hoofd weemoedig buigt ter aard, en dus versmelt in smarte!

Ach! zoo ons zulk een smart nog troost veroorelooft, ontfang d'oprechten toon van 't met u nokkend harte!

De God, wiens heil'ge wil zich hier vervullen moet,

wiens doel ver boven 't oog van 't menschdom is verheven,

de God, die lijden doet, de God, die sterven doet,

maar lijden, uit gena; maar sterven,om te leven;

die God heeft ook uw kruin, vergrijsd in deugd en eer, getroffen met een slag, niet heelbaar op deze aarde!

Eene aangebeden Ga vraagt ge aan de grafkuil weer: de helft uws levens stierf, en de andre mist haar waarde!

De dierbre viel, wier heil in 't uw besloten lag,

wier lijden 't uwe was, sints tweemaal achttien jaren!

Die dierbre, lijdensmoê, sloot de oogen voor den dag,

dien zelfs uw liefdezorg haar langer niet kon sparen!

Vier, vier den teugel aan 't rechtmatigste verdriet, en slaak den zilten traan, die opbruischt naar uwe oogen!

want heilig is die traan! lly is van wanhoop niet,

maar wekt op uwe wang der heemlen mededogen!

Gy, brave, aanbidt ook hier Gods liefderijke hand, die immer balsems druipt, die 't aardsche leed verzoeten!

U wijst een heiige Hoop op beter vaderland,

waar de Englen reeds uw Gade als nieuw geboren groeten! —

Ach! 't nietig stof alleen zonk in de nacht van 't graf; de reine ziel stijgt op om hooger welzijn te erven,

maar ziet nog neer op u; zy, die het voorbeeld gaf van wel te leven eerst, en thands — van wel te sterven!

1820.

165

ocr page 200

EUBYDICE

EUETDICE.

Te, veniente die, te, decedente, oanebat.

YlROiLIUS.

,Herhaal, miin lier, herhaal den zang,

„dien eenmaal Orpheus zong,

„den toon, dien 't klemmendst zielsverdriet „hem uit den boezem wrong!quot;

Eurydice, Eurydice!

„Dus galmde dag en nacht „aan Strymons eenzaam oeverzand „des dichters jammerklacht,quot;

Eurydice, Eurydice!

Keer weêr tot uw gemaal!

Mijn boezem slaakt geen andre beê, zoo lang ik adem haal.

Genot des levens op deze aard!

gy hebt gedaan voor my!

Eurydice werd u ontscheurd,

en haar gemaal, al» zy!

Mijne oogen, gunt den tranenvloed

een onbeperkten loop!

Da tranen zijn mijn toeverlaat,

de wanhoop is mijn hoop!

Wat anders bleef er voor dat hart

niet levend dan in schijn?

Voor welk een vreugd, voor welk een leed zou 't nog gevoelig zijn?

Ten tweedenmale kwijne ik weg

in weduwlijken rouw!

't Sterf tweemaal ééne zelfde dood,

'k derf tweemaal ééne vrouw!

O goden! hadt ge nog uw haat

niet fel genoeg geboet,

toen ik uw strengheid tuigen moest met meerder dan mijn bloed?

166

ocr page 201

EUBYDICE.

Toen ik in d'eersten bloei der jeugd

een gade sterven zag,

en op 't meèdogenlooze graf waanzinnig, stervend lag!

Toen ik uw bliksems tergen dorst,

en afriep op mijn hoofd,

en my ten prijs bood aan de dood,

die me alles had ontroofd!

Maar neen! uw toorn misgunde my

de kalmte van het graf,

en 'k werd gespaard, na al dien rouw, tot nog verschrikbrer straf.

Op eens schiet door mijn veege borst

een straal van hoop en moed, en stort een nieuwen levensgeest in d'omloop van mijn bloed!

'k Heradem, 'k voel weêr dat ik leef,

ik ben my-zelve weêr,

'k ben de Orpheus weêr van vroeger tijd! Neen! duizendmalen meer!

De heil'ge drift der poëzy,

vervangt de plaats der smart; 'k Ontwaar met nooit beproefden gloed de Godheid in mijn hart!

De Godheid, ja! der poëzy

verleent my godenkracht!

Een meer dan menschelijk bestaan moet op dien stond volbracht!

't Verleden onheil moet hersteld,

de wet van 't Lot bestreen,

en de onverbiddelijke dood door mijne stem verbeên!

Op de inspraak moedig van den God,

die 't dichtrenhart bezielt,

ontruk ik my aan 't dierbaar graf,

dat my geketend hield.

167

ocr page 202

EURYDICE

Ik hang het gouden speeltuig om,

Callioiices geschenk,

dat eens 't verbaasde woudgedievt deed hangen aan mijn wenk.

'k Vertrek, ik spoed, ik ijl, ik vlieg

naar 't uiterst eind der aard,

waar zich het rijk der levenden aan 't rijk der dooden paart!

De zwarte golven van den Styx

bespoelen reeds mijn voet!

Reeds heelt my Charon in het oog, en roeit my in 't gemoet!

Hy nadert, maar erkent een mensch,

geen schim, van vleesoh ontbloot! „Van hier!quot; graauwt my de grijzaart toe, rgeen levende in dees boot!

„Daar is geen toegang tot dit oord, „dan door de nacht van 't graf, „en wachte, wie het kennen wil,

„het uur van sterven af!quot;

Ik antwoord niet, maar grijp met één

de cither van mijn zij!

k Lok uit de zacht bewogen snaar een sombre melody!

Een onbestemde melody,

zielroerend als een zucht,

die uit het diepst des harten welt, en wegsmelt in de lucht.

De bootsman luistert, en voor 't eerst

treft hem eens menschen klacht!

Zijn fronslend voorhoofd heldert op,

zijn norsche blik verzacht!

'k Vervolg: het bootjen nadert steeds

den oever meer en meer!

'fc Ontfangt my eindlijk, en, o heil! de grijzaart biedt geen weer!

168

ocr page 203

EUBYDICE.

Nu vare ik met de zoetste hoop

in 't opgeruimd gemoed de negendubble kronklirig om van d' onderaardschen vloed!

Wy landen; 'k richt een vasten tred

naar Plutoos schrikpaleis,

als op des hemels hulp gerust op mijn vermeetle reis!

Nu valt Cerbeer my grommend aan —

één toon slechts van mijn luit bedwingt zijn opgespanle keel.

en dooft zijn gramschap uit!

De ivoiren poorten oopnen zich;

de hel wacht staat geschaard;

k stap midden door die monsters heen, voor dood noch leed vervaard!

Eén oogwenk voert my in 't gezicht

der onderaardsche goón! Eén oogwenk voert my aan den voet van hun ontzachbren troon!

Daar zat de norsche geestenvorst

naast Ceres schoone spruit,

dien trek van strengheid op 't gelr.at, die weinig heil beduidt!

Met de uitgezochtste mengeling

van tonen, hemelzoet,

breng ik het koninklijke paaiden dichterlijken groet!

Door nooit gevoelde boezemdrift,

door nooit gekende kunst,

■win ik by de eerste snarengreep hun aandacht, ja, hun gunst!

Ik huw aan d' invloed der muzijk

de kracht der dichtrentaal, en, golvend op den cithergalra,

vervult mijn stem de zaal!

169

ocr page 204

EUKYDICE.

Nu zing ik van de kracht der min,

het zoet der huwlijkstrouw,

nu zing 'k het hoogste heil des mans, de weermin van een vrouw!

'k Verhef in gloeiend maatgezang

den lof van 't godlijk kind, dat aarde en hemelen bezielt, en goden-zelf verwint.

fk voer die gouden dagen weêr van uit der eeuwen nacht,

toen Pluto zelf zich onderwierp aan Liefdes oppermacht.

fk zing de hemelschoone maagd

van Ennaas bloeiend veld,

ten troon van 't schimmenrijk gevoerd door 't. wenschelijkst geweld.

Maar nu vervangt een ander lied

het zachte lied der min.

Ik stel in hoog gestemden toon den lof der goden in!

Den lof der godeu hef ik aan

van hemel, hel en zee,

liedeelera van der menschen lot. gevoelig aan hun wee.

Groot en aanbidlijk is hun hand,

als zy kastijdt voor 't kwaad:

maar de eigen hand herstelt ook vaak de wonden die zy slaat.

En met een tweeden overgang

tot teedrer melody,

begint mijn stem het droef verhaal der rampspoed die ik lij'.

Ik maal dat meer dan menschlijk heil,

helaas! zoo ras verbeurd.

Ik maal de aanminnigheén der gamp;, my van het hart gescheurd.

ocr page 205

EUEYDICE.

Ik melde wat ik eenmaal was!

Ik toone wat ik werd:

oen bloote schaduw van rny-zelf,

een levénd beeld der smert.

Ik zinge uit overmaat van rouw,

als droeve Philomeel:

«n 't is haar kunstelooze toon,

dien 'k half bewustloos kweel.

In 't eind begeeft my zelfs die kracht;

ik wil, maar kan niet meer!

Mijn cither zwijgt, ik storte my voor 's Vorsten voeten neêr!

,Weldadig God!quot; roep ik nog uit,

„Eurydice of 't graf!quot;

dus eindig ik mijn bittre klacht en wacht mijn vonnis af.

Dat vonnis (hemel! welk een vreugd!)

zal my genadig zijn.

k Bespeur den voorboo van mijn lieil in 't oog van Proserpijn.

Dat oog, doorglinsterd van een traan,

wendt zy tot haar Gemaal!

Dat oog dringt door tot in zijn hart! — en ik, ik zegepraal!

„Vermeetle, maar gelukkige!quot;

dus spreekt my Pluto aan,

„de dood hergeeft voor 't eerst haar prooi: „uw bede is toegestaan!

,'k Hergeef Eurydice aan de aard —

„maar hoor naar mijn gebod!

„want uw gehoorzaamheid alleen „beslist uw volgend lot.

„Bedwing uw vuur'ge liefdedrift!

„Aanschouw uw gade niet „zoo lang uw voet den grond betreedt „van mijn geducht gebied!

171

ocr page 206

EUEYDICE.

„Wend thands uw aanzicht van ray af!

„Ontfang uw êgaas hand!

,Lcid haar in hooger luchten weêr!

„maar doe mijn woord gestand!quot;

Zoo spreekt hy: 'k dank hem met een traan!

Ik wend mijn aanzicht af,

en 't machtig heilwoord wordt vervuld, dat my de Godheid gaf!

Ik druk die aangebeden hand,

daar ze in de mijne rust,

de boezem vol van tederheid,

verlangst en hemellust!

Ik worstel met mijn ongeduld,

terwijl wy opwaarts gaan!

k Bedwing mijn oog, en zelfs mijn stem — het uur der vreugd spoedt aan!

Reeds glanst de heldre gloed der zon

weldadig op ons neer!

Een enkle oogwenk toevens nog,

en 'k heb mijn gade weêr!.

Helaas! een enkel oogenblik verandert heel mijn lot!

Mijn brandend ongeduld vergeet het Vorstelijk gebod!

Aan mijn te volle borst ontvloeit

het zalig wellekom!

„Wees welkom (roep ik) dierbre ga!quot; En, hemel! ik zie om!

'k Zie om, en ach! geen gade meer!

Ik ben op nieuw alleen!

In 't zwart verschiet versmelt een schim —• Eurydice verdween!

Wat zoude ik op dien schrikbren stond

my-zelf van schuld bewust,

het hart van schaamte en rouw vervuld, in plaafs van hoop en lust?

172

ocr page 207

EURYDICE.

Helaas! ik deed geen poging meer

tot redding in dien nood! 'k Verwachtte voor geen tweede maal genade van den Dood!

Ik geef my over aan mijn lot, aan wanhoop zonder perk,

cn keer naar 't aardsohe strafverblijf, in dit vooruitzicht sterk.

Gy, Strymons Stroomgod, ziet my sints

verkwijnen aan uw bourd,

terwijl noch sterveling, noch God mijn bittre klachten hoort!

De zon, die opstijgt uit de zee,

verrast my in dien staat;

i) de eigen houding ziet ze my,

als zy de kim verlaat!

Dit droevig oord kent reeds mijn smart!

en aan den doffen toon,

die mijne Eurydice herroept,

is de Echo reeds gewoon.

Gy, Stroomgod, die mijn tranen zwelgt!

tuig eenwig van mijn leed,

tuig Orpheus nooit verbroken trouw, tuig Orpheus dieren eed!

Ik zweer 't by mijn verloren heil!

by mijn onlijdlijk wee!

by uwe nagedachtenis,

o mijne Eurydice!

Ja, by de waatren van den stroom

van 't wreede rijk der doon, (oen eed, nooit strafloos overtreên zelfs door de Hemelgoón!)

Dat nooit een tweede huwlijksvlam

zal blaken in dat hart,

mijn gantsche leven lang bestemd tot weduwlijke smart!

ocr page 208

EUEYDICE.

Ja! 'k zweer, o wufte Mingodes!

uw dienst voor eeuwig af, aan de assche van mijn gS getrouw, tot aan den rand van 't graf!

Intusschen klink, mijn cither, kliuk,

maar niet dan wee en ach, ter eer der aangebeden schim, tot aan mijn jongsten dag!

En als de naneef Orpheus roemt

als dichter eenmaal groot, zoo kenne, zoo betreur' hy ook zijn lot, als echtgenoot!

DE TRAAN.

bet engelsch van lord byeon van zeer verre gevoloigt;.

De traan, die opbruischt naar onze oogen, in liefde en vriendschap, vreugde en smart, die is de ware tolk van 't hart!

Wie door een mond ooit werd bedrogen, die een geveinsden glimlach plooit, een traan!.....een traan misleidde nooit!

De traan, naar boven opgedreven by 't heimlijk slaken van een zucht,

geeft den gepersten boezem lucht!

Men ziet hem als een nevel zweven:

maar door dien nevel speelt de gloed van 't weder ademend gemoed!

De traan van 't smeltend mededogen,

dat in des naasten lijden lijdt,

en hem eens broeders zorgen wijdt,

verkondigt in de glinstrende oogen de Godlijke afkomst onzer ziel,

hoe diep zy van zich-zelf verviel!

De traan des zeemans, die gevaren,

noch 't naderende doodsuur vreest.

ocr page 209

DE TRAAN.

is 't afscheidsteeken van den geest aan vrouw en kind, wanneer de baren van d' opgeruiden Oceaan het dobbrend schip verzwelgen gaan!

Waar Roemzucht, wederzijds ontstoken, d'onmenschelijken kampstrijd mengt, ook daar wordt vaak een traan geplengd l Kn 't recht der menschheid is gewroken, wanneer hy 's winnaars oog ontvloeit, en 't vijandlyko lijk besproeit!

Of, als wy 't dierbaar oord begeven,

dat onzen eersten kinderlach,

dat. onzen eersten bloeitijd zag,

om dieper in te treên in 't leven;

dan staren wy 't weemoedig aan,

en 't droef Vaarwel spreekt door een traan!

Maar gy, vooral, gevoel van liefde! uw alveroverende tocht wekt stroomen van dit balsemvocht'.

Voor wie uw gloênde pijl doorgriefde zijn tranen wellust van het hart,

in liefdes vreugd, in liefdes smart!

Ook wien de geestdrift heeft bevangen,

die 't moedig hart, waarin zy blaakt, tot aller harten meester maakt,

dien verwt een gloeiend rood de wangen,

dien wemelt in het oog een traan,

die meer dan woorden doet verstaan.

Wien eerbied ooit de ziel vervulde in 't brandend tijdperk van de jeugd,

voor mannenmoed, voor mannendeugd; de traan is 's harten eëlste hulde,

en die de nagedachtenis van groote mannen waardig is!

Zoo wekken Cesars lauwerkroonen, zoo Alexanders fiere moed,

zoo Maurits grootheid, waard zijn bloed.

175

ocr page 210

DE TRAAN,

diep uit het hart der heldenzonen een traan op, die voor 't oog verraadt van welk een zucht de boezem slaat!

Het marmer is een koude hulde!

Mijn vrienden! welle een enkle drop uit uw gevoel'ge harten op,

(is slechts de geest die my vervulde zoo liefelijk een hulde waard)

wanneer 'k zal rusten onder de aard!

DE HOLLANDSCHE POEZY.

VOORGELEZEN OP DE MAALTIJD, GEHOUDEN Bï GELEGENHEID VAK DE

JAAEL1JKSCHE ALGEMEEXE VEEGADEEIN(i

DEE

HOLLANDSCHE MAATSCHAPPIJ VAN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN, IN MDCCCXX.

Daar waar der Kunsten outer blaakt

van feestlijke ofleranden,

en 't hart de reinste zuchten slaakt

voor 't heil der Nederlanden;

daar moogt. by 't vonklen van den wijn, gy, Dichtkunst, niet vergeten zijn,

op dezen grond zoo bloeiend!

Voor Hollands dichterlijke taal klink' dan op nieuw de feestbokaal,

van 't purpren druifnat gloeiend!

Bloeit, Hollands taal en poëzy!

Vlecht Deugd en Godsdienst palmen!

Doet door uw stoute harmony

den toon der Wijsheid galmen!

Gy kunt het! Geve uw Helicon,

waar nimmer ondeugd lauwren won,

het zwakke rijk der Logen aan vreemde Zanggodessen op,

maar lokk' ze op haar verheven top de Waarheid uit den hoogen!

176

ocr page 211

D3 HOLLANDSCHE POEZY.

Aam hier, o Dichtkunst, dubblen moed!

Sla uit uw breede veêren!

Zoek voedsel voor uw heraelgloed

in 't hoogst der hemelafeeren!

De taal, die 't Hollandsch hart ontvloeit, was immer van uw vlam doorgloeid!

Uw adem is haar leven!

Zy, zy vermag geheel den schat,

■dien Uwe scheppingskracht bevat, in klanken weêr te geven!

■Geen andre kweelt de zucht zoo zoet,

aan 't minnend hart ontvallen!

Geen andre doet met wanner moed

de krijgstrompetten schallen! lt;3een andre weet zoo schoon een brand van geestdrift voor het Vaderland

in aller hart te ontsteken!

Noch 't diep ontzag voor God en plicht, waarvoor 't geweld des onheils zwicht, met zoo veel klem te kweken!

Welaan dan, achtbre priestrenrij

van onze Zanggodinnen!

bewaakt die kostbre poëzy

als 't vuur der Vestalinnen! Dat dweeperij noch ongeloof haar onbezwalkten glans verdoov', die over de aard moet schittren! En laat geen vreemde bastaardij het zoet van taal en melody

voor kieschheids smaak verbittren!

Dan is de luister, dien zy spreidt, een toorts van geestverlichting,

die op het doornig pad geleidt van koene plichtverrichting!

Dan is ze een zwaard, dat onverstand vervolgt, en nederveit, en bant,

en de ondeugd doet verbleeken; een stroom, die, uit zijn bed geslaakt.

ocr page 212

DB HOLLANDSCHE POEZY.

de dorre velden vruchtbaar maakt,

en 't heilzaamst kruid doet kweken.

Bloeit, Hollands taal en poëzy!

Vlecht Deugd en Godsdienst palmen!

Doet door uw stoute harmony

den toon der Wijsheid galmen!

En als, by 't jammerlijkst verval,

geen plek op de aarde wezen zal

voor Schoon- of Waarheid veilig,

dan nog blijv' beider naam en macht tot aan het laatste nageslacht op Neêrlands Zangberg heilig!

DE ZESDE DECEMBER.

Wat schijnt gy lachend aan de transen,

o dag, welks wederga den held ontluiken zag,

wiens onverwelkbre lauwerkransen zich Hollands grond met wellust eignen mag! Ook die werd door de jubeltonen van Nederlands rechtschapen zonen als de allerheuchelijkste dag begi'oet! Maar ach! hy blonk niet met dien luister, die thands ons hart ter gulle vreugd ontsluit! Een grijze damp rees toen het duister van 's afgronds diepten dreigend uit,

en dofte 't blaauw der hemelwanden, en mengde in 't dankbaar wierookbrandea

een ongekend gevoel vaft smart,

een angst, die 't juichend hart beknelde, en rampen aan Euroop voorspelde,

nog voor het zwak verstand verward.

Maar ja! dit smartgevoel sprak waarheid!

Straks keerden trans- en zonneklaarheid

in een ontzachbre, doodsche nacht!

Orkanen gromden uit de wolken!

Een oproerzee sprong uit haar kolken,

en dreigde 't aardrijk met haar kracht I Ook Holland moest het ondervinden,

't geweld van dien ontembren vloed.

178

ocr page 213

DE ZESDE DECEMBER.

die over dijk en dam zich ■wegen wist te vinden!

Der Vrijheidsmaagd ontviel en speer en hoed. 6y ook, die thands de glorie der Bataven met eigen bloed en doodsgevaar hielpt staven, gy moest, van 't leven naauw bewust,

de uoor den Gal verpeste lucht ontweken, gestevend naar een vreemde kust, uw kindfcchheid slijten ver van Vaderlandsche srken. Van 't nog standvastig Britsche strand zaagt gy den moedwil triumfeeren. d' afgrijsselijksten dwingeland met moorden en verraad Europa overheeren.

Dit zaagt ge, en voeldet 't jeugdig bloed (dat bloed van de edelsten der mannen,

aloude temmers van tirannen)

ontstoken in een nieuwen gloed,

en greept het wrekend zwaard in handen, dat eens de ondragelijke banden

des wreevlen Gaulers stuk zou slaan. Een heldenvolk was opgestaan in 't Zuiden, groot en lier geboren, de Spanjaard en zijn nagebuur,

die in 't verhevenst oorlogsvuur zich-zelv' den dood, hun land verdelging zworen, eer Frankrijks bloed- en onrechtvaan ooit op hun vrijen grond zou staan!

Daar vloogt gy heen, en hielpt die braven zich tegen 's dwinglands woeste slaven van 't gruwelijk gareel ontslaan!

Uw eedle Vaadren zagen 't aan van uit der Zaal'gen vreedzame oorden, en zegenden hun kroost, daar Taag- en Iberboorden zijn roem weergalmden wijd en zijd.

Maar Holland, zuchtende in zijn keten,

was de oude dapperheid vergeten,

en voedde een hoop op U, schoon nog niet rijp ten strijd. Zy zag baar kinders zich ontwringen, gewapend met onzaal'ge klingen,

ten dienst eens booswichts, tegen Vrijheid, Godsdienst, Eer! En zelfs de naam van Holland was niet meer!

179

ocr page 214

DE ZESDE DECEMBEE.

Maar herroepen wy die tijden ran geweld en achande niet,

om het vreugdgevoel te ontwijden, dat dees schoone dag ons biedt!

Holland bleef niet altijd zuchten,

jammren, schreien in haar bami, en, geknield, den aanblik duchten van den trotschen dwingeland!

Stervling! mocht gy 't ooit verwachten,

wat uw oog getuigen mag?

Uit dien aakligsten der nachten rees de schitterendste dag!

Aan de Noordelijke transen

glom der Vrijheid dageraad,

en stort thands haar schoonste glansen weer op Neêrlands ouden Staat!

Maar, o overmaat van zegen!

's Hemels weldaad schonk nog meer! Holland heeft zijn naam herkregen, en, met hem, zijn krijgsroem weêr!

Heil dien naam dan, pas herkregen !

Heil die vrijheid! heil dien roem! Heil den glorierijken degen

van Oranje en Hollands bloem;

Driemaal heil den held, wiens strijden,

ja, wiens bloed ons vrij behield!

wien we hart en zangen wijden, met den warmsten gloed bezield!

Ja mijn broeders, Pallas zonen,

die voor eer en vrijheid blaakt! vangt ze gunstig op, die tonen,

die mijn dankbre boezem slaakt!

Thands de feestkelk vol geschonken

met het edelst druivenvocht.

en met geestdrift leêg gedronken — voor den boei van 't schrikgedrocht!

ocr page 215

DE ZESDE DECEMBER.

Dan voor Holland, pas herboren!

Dat het bloeie in krijg en vreé! En, wat nijd zijn rust moog storen, met den leeuwenklaauw vertreê!

Voor den Vorst der Nederlanden.

die deez' Staat verlossing bracht uit de gruwelijkste banden! hem tot heil en zijn geslacht!

Dat de Held van Neêrland leve!

Dat zijn echt volzalig zij!

Dat die echt hem telgen geve, Hollands steunsels, zoo als hy!

TER VERJARING VAN DEN

VELDSLAG BY WATERLOO.

Ciriekenland was vrijgevochten, en het schaatrend zegelied had den wapenkreet vervangen op zijn bloedig grondgebied!

't Hart, ontlast van 't moedig krijgsvuur dat hun kracht gaf in den

[strijd,

gaf zich over aan een invloed, even krachtig, meer gewijd! Nog bevlekt van 't bloed des vijands, greep de dichterlijke hand 't door een God besnaarde speeltuig voor 't geredde Vaderland! Lofgezang vervulde 't luchtruim, en verkondigde overal de overwinning van de Vrijheid, en des overheerschers val!

Alles luisterde, alles voelde 't, alles werd op eens bezield,

en bood hulde aan 't zwaard der volken, dat hun rechten heilig hield! Leed en kommer was vergeten, en het fiere heldenoog zag de neerlaag slechts des Konings, waar heel Azië voor boog!

Meer beschaafd, en meer gevoelig, kweekte Pallas stad alleen, midden in haar zegefeesten, midden in haar krijgstrofeên 't droef geheugenis der helden, die haar redden met hun bloed, en de vreugd verloor haar woestheid in het diep geroerd gemoed! Dus, dus vierde Atheen haar zegen, en een sombrer poëzy vloeide aandoenlijk van de lippen der Atheensche dichtrenrij,

181

ocr page 216

182 TER VERJAEING VAN DEN VELDSLAG BY WATERLOO.

en de lof-, en treur-, en lijkzang vloeide met een tranenplas op het eerlijk graf der helden, dierbaarst offer aan hun ascli! Dichters! dit 'seen zang, u waardig, en de redders van Euroop! Zingt hen aan het roemrijk einde van hun aardschen levensloop! Wie de zege mocht beleven, huldigt heel een juichende aard; maar den dooden held te kroonen, bleef voor uwe hand bewaarJl Zoo vereeuwig' hen uw zangtoon, en vervang' het ruwer lied, dat de volheid van mijn boezem aan hun nagedachtnis biedt!

Wanhopig op het graf gebogen

van 't kroost, gesproten uit haar schoot,

verwijt, met blind gekreten oogen,

het brekend moederhart zijn dood aan heel de wereld, die haar 't leven van den op 't roemrijk oorlogsveld voor 't Vaderland gevallen held niet weer kan geven!

Zy vloekt den oorlog en zijn plagen,

verwenscht dat onmeêdoogend zwaard,

naar dolle staat- en eerzuchtsvlagen verdelger van de kermende aard;

met hem, die, uit een rots gesproten,

het eerst het gruwelstuk bestond,

't metaal te delven uit den grond,

om 't in een menschenborst te stoten!

Rampzalige! Ja! wy ook treuren

in uw onlijdelijke smart!

Wie 't zwaard voor 't onrecht op kan beuren,

is meê vloekwaardig aan ons hart!

Het bloed, dat druppelt van zijn handen,

zal op hem kleven tot in 't graf,

en tot een eindelooze straf,

op 't schuldig harte branden!

Maar wie, om de eerbanier to volgen

van Recht en Onschuld, 't zwaard aanvat,

dien is geen Godheid ooit verbolgen

om 't bloed, dat om zijn voeten spat!

Die hiervoor dood- en krijgsgevaren

ocr page 217

TER VEEJAEING VAN DEN VELDSLAG BY WATEELOO. 18amp;

met onverschrokken hart bespot,

diens degen is gew^d aan God,

den G od der legrmhaien!

Dit zwaard, o oordelijke helden!

blonk in uw ridderlijke vuist op Waterloos roemruchte velden;

en Frankrijks krijgsmacht werd vergruisd!

Te sterven onder 't zegepralen

was 't wenschlijkst lot voor uwen moed,

gy, braven! die met eigen bloed Europes vrijheid mocht betalen!

Dus wenschten die rechtschapen zielen,

en 's Hemels wil bestemde 't zoo!

Met d' overwonnen vijand vielen

ze op 't zoenaltaar van Waterloo!

Nog treurt Europe in 't triumfeeren om 't heldenvolk dat zy verloor,

en dankbaar zal zy, de eeuwen door,

bun zegepraal, hun graf vereeren!

Dat lijkcypressen 't oord versieren,

waar 't zielloos lichaam molmt tot stof,

en eeuwig groenende laurieren verkondigen des dooden lof!

De wind, die dartelt in die luchten,

verspreide op d' uitgestrekten vlerk den naam, die schittert op den zerk,

en dien de vijand nog zal duchten!

Waar 't bloed gevloeid heeft dier getrouwen,

daar durft geen vijand ooit meer staan!

By wien hun tombe mag aanschouwen zal nooit de vrijheidszucht vergaan!

Zoo voer' de heiligste der dagen

het nakroost samen op hun graf,

en legge 't daar den eed met geestdrift af, om nimmermeer der vreemden dwang, der vreemden naam te dragen!

ocr page 218

GEVOEL.

GEVOEL.

O! wie beschrijft my 't seen gy zijt,

gevoel van 't kloppend harte!

wiens werking vaak de ziel verblijdt, maar meer nog klemt in smarte!

Gy, mijner Dichtkunst ziel en doel!

gy zijt de bron mijns levens!

maar, overweldigend gevoel!

die van mijn sterven tevens!

Gy zijt de onwederstaanbre gloed,

die my tot dichter maakte'

die in mijn rusteloos gemoed

sints de eerste kindschheid blaaktet

Gy zijt die min, wier zaal'ge smart

mijn eerste zuchten riepen,

toen in 't nog pas ontluikend hart der driften stormen sliepen.

Gy zgt die zucht naar hooger lust

dan van een nietige aarde,

waardoor 'k my zei ven ben bewust van een verheevner waarde!

Gy zijt, 't geen my verbindt met Hem

voor wien de Serafs knielen! Gy zijt de weergalm van Zijn stem in onze doffe zielen!

Gelijk de poging van het kind,

dat zwikt fiy iedre schrede,

en ieder stond zich hulploos vindt* zoo is de kracht der Kede!

Maar als gy onze stappen leidt,

gevoel, van God gegeven! zoo snellen wy ter zaligheid,

door 't stormen heen van 't leven?

181

ocr page 219

GEVOEL

'k Wil op mijn Rede, zwak en koel,

mijns levens hoop niet bouwen!

Mijn krachtig, brandend zielsgevoel! op u wil ik vertrouwen!

Het zy gy vreugde brengt of smart,

en sterven doet of leven,

aan uwen invloed wil mijn hart zich eindloos overgeven!

'k Wil naar uw tooverend gebod

beminnen, zingen, loven!

en 't oovrig van mijn levenslot verblijve aan God hiér boven!

Doordring het stof, dat my omkleedt!

Dooradem en beziel het!

Of, is uw ademgloed te heet,

ontzie niet, en verniel het!

Te sterven op het veld van eer

is echte krijgsmansglorie!

De dood heeft niets verschriklijks meer in de armen der viktorie!

Maar ook de priester van het schoon

laat zonder leed het leven,,

wanneer hy in zijn laatsten toon zijn laatste zucht mag geven!

HET GENIE.

Weg met lauwertak en palmen! Weg met dwaze gloriegalmen!

Waant niet dat uw ijdelheid moed of kunstdrift kan ontwikkelen, of den grootschen aanleg prikkelen, door Natuur in 't hart geleid!

Zoudt gy om een handvol loveren, Alexander! de aard veroveren'?

Hadt gy ooit een laffe vreè

ocr page 220

HET GENI1S-

boven 't krijgsrumoer verkoren,

schoon geen faam in menschlijke ooien uw bedrijven galmen deê?

Gy, Homeeren en Pindaren!

als aan uw gewijde snaren

die verheven toon ontviel,

dien der eeuwen dichtkoralen met een heil'ge drift herhalen; ■wat gevoelde toen uw ziel?

Of wat deed uw boezems zwellen, Praxitelen en Apellen!

als ge uit marmer goden schiept, als ge op ziellooze paneelen met een zwaai van uw penseelen leven uit den hemel riept?

Was het om een naam te winnen by een volkshoop, wuft van zinnen?

Of op dat eens onder de aard nw gebeente nog mocht juichen als de naneef zou getuigen

hoe verheven ge eenmaal waart?

Vorsten, helden, malers, dichters! onvergangbre gloriestichters!

ver van u die gloriedorst!

't Is ora waarlijk groot te wezen,

niet als groot te zijn geprezen,

dat de drift roept van uw borst!

Neen! die drift is te verheven!

hoort niet tot dit mensehlijk leven!

is een vonk van Gods verstand! En gy zijt, wanneer gy wetten aan geheel een aard durft zetten, werktuig in een hooger hand!

Hollands taal, zoo rijk, zoo krachtig, is het echte woord niet machtig, dat ons uitdrukt, 't geen gy zijt,

186

ocr page 221

HET GENIE.

gaaf des hemels! die verovert, loutert, wegsleept, en betoovert, en van 't logge stof bevrijdt!

Geen verdrukking houdt u tegen! Bergen mogen op u wegen;

gy ontworstelt hnn gewicht! en uw hoofd reikt tot de transen, schittrend in het wederglansen van het ongeschapen Licht!

Als het stroomnat niet zal vloeien, als het zonvuur niet zal gloeien,

dan op menschelijk gebiên; dan eerst zullen groote zielen voor een lauwertakjen knielen, en den blaam der aard ontzien!

VOORAFSPRAAK

by de

VOORLEZING VAN EEN1GE DICHTSTUKKEN

in de

HOLLANDSCHE MAATSCHAPPIJ VAN FRAAIE KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN,

APDEELING AMSTERDAM.

Van uit den stroom, die Pindus voet omkronkelt, een teug geschept, die 't dorstig hart verkwikk'!

Als onze kelk van dezen nektar vonkelt,

geniet de ziel haar zaligst oogenblik! —

Een enkle drup uit dien gewijden ader wekt in de borst een nieuwe levenskracht!

De vrije geest voelt zich zijn oorsprong nader, en schept zich licht uit dezer wereld nacht!

Dit stof versmelt in gloeiende idealen,

met zorg en leed, met ziels- en lichaamspijn!

Dit stof zinkt weg: der heemlen vreugden dalen5 Gevoel van heil doortintelt heel ons zijn!

O! dat de galm, aan 'sdichters lier ontsprongen,

187

ocr page 222

VOOEAFSPEAAK.

van dit gevoel de ziel doordringen mocht,

dat de adem, zich vernieuwend in uw longen,

u 't eigen heil in 't diepst des boezems brochti O! dat mijn tong hier woorden wist te kneden,

gelijk mijn ziel, gebaad in poëzij!

Ik schroomde niet als dichter op te treden,

bezitter van der harten heerschappy! De krijgstrompet zou schallen in mijn verzen!

Het heldenhart zou bruischen op mijn zang! Gf 'k zou, geschoeid met Sophocleesche laerzen

een heilzaam vocht doen leken langs uw wang'. De heetste drift zou aller borst vervullen

voor Godsdienst, liefde, en plichtgevoel, en moed! 'k Zou voor uw oog der Waarheid schoon onthullen t

Gy zoudt haar zien in al haar hemelgloed!

Maar ach! mijn hart, verslingerd en verloren in de overmaat van 't hrandendste gevoel,

als 't dit gevoel herscheppen wil voor de oorcn,

vindt ieder klank, vindt ieder uitdruk koel!

O! wil my dan, begaafde Rei! verschoonen,

stelt hier mijn lied uw grootsche hoop te loor. Verwacht van my geen hoog gespannen tonen:

'k ben in de ziel meer dichter dan voor 't oor! Doch om aan U den dichtgeest in te geven is mogelijk mijne onmacht zelfs in staat!

Eén vers, één woord, gelukkig neergeschreven,

doordringt een hart, dat voor de schoonheid slaat! Een Orpheus, ja! moest toovren op de snaren,

om, bijgestaan door zijner Muse gunst,

in de ijzren borst van Thracische barbaren

een sprank gevoel te scheppen voor de kunst!

Hier is die vlam niet moeielijk te ontsteken!

Gelijk de snaar beantwoordt aan de snaar,

en onze stem de Nimf der lucht doet spreken,

zoo stemmen Lier de harten met elkaêr!

Wel aan! 'k heb dan uw strengheid niet te vreezen,

als 'k mijn gevoel aan zang en versmaat huw! Gy-zelf, gij zult daar heel mijn hart in lezen! gy, mijn gevoel volmaken in het uw!

188

ocr page 223

ik het album van den heer mr. j. de vries. 189

in het album VAN 1gt;EN HEER

MB. JER0N1M0 DE VRIES.

Voor rijkdom, heel den schat der fijn geletterde Ouden;

voor macht, het zacht gebied van 't minlijkst huisgezin;

dit deel begeerde uw hart, en 't werd u niet onthouden!

Dit lot had steeds, de veies! voor u den hemel in!

Zoo blijve uwe kalme ziel, vreemd aan den klem der smarte, in 't heil, dat haar omringt, nog lang aan de aard geboeid! Zie daar der vriendschap stem! zie daar den wensch van 't harte, die met den trek mijns naams de oprechte pen ontvloeit!

WAARHEID.

Zoek d' oorsprong van het dichterlijke lied,

gy, die my leest! in 't dor geschiedboek niet! De werklijkheid van 't dagelijksche leven wordt moeielijk tot poëzy verheven!

En echter 't is, 't is Waarheid, wat de geest in 't droomgezicht der dichtvervoering leest! 't Is Waarheid, ja, maar Waarheid uit den hemel, en onerkend by 't duizlend stofgewemel; en 't geen op aard voor 't sterflijk oog geschiedt, bestaat, als beeld daarvan, en, op zich zelve, niet!

Naar het Hoogduitsch van Müllneb.

ZUCHT TEN HEMEL.

Dierbaar leven van mijn leven! ziel van mijn verlaten ziel! met wie rust en zelfbewustheid aan mijn dorrend hart ontviel! De Almacht riep u tot dien hemel, naar wiens heil gy smachtend

[waart;

«nst volzalig; en (zoo 't zijn moet) blijve ik sterven op deze aard! Doch van uit dat schittrend lustoord, zoo de keurlingen van God oog met deernis mogen ncêrzien op der aardbewoon'ren lot.

ocr page 224

ZUCHT TEN HEMEL.

werp een blik dan op mijn minvlam, die u eenmaal heeft behaagd, en, nog in mijn oogen glansend, aan mijn laatste krachten knaagt! Zoo de droefheid, die my wegsleept, u niet ongevallig is,

bid dan, als ik zal bezwijken in de smart van uw gemis,

bid dan God, dat my zijn Engel even snel weêr tot u voer',

als hy d' echtknoop losgerukt heeft, die ons beider hart bezwoer.

Naar het Portugeesch van Camoens.

GRAFSCHRIFT.

De Roomsche Themis treurt op 't stille graf des braven: 't is van der kbessel, wiens gebeent' hier ligt begraven! Gy, wie ge ook zijn moogt, die dees tombe naadren zult, is 't meer dan zucht voor 't aardsch, wat u het hart vervult, en is 't gevoelig voor vernuft, voor kundigheden,

voor onvervalschte deugd, en zuiverheid van zeden;

zoo eer hier, met den naam der Godspraak van de Wet, de nagedachtenis eens leeftijds zonder smet!

VIJF BIJSCHRIFTEN.

Je maintiendrai.

AAN JHB. MB. W. VAN HOGENDOBP.

't Palladium van Hollands rust en glorie.,

te menigmaal aan 't zuchtend volk ontroofd, by 't blij gejuich der heiligste viktorie

te rug gevoerd met nieuwen glans om 't hoofd, de aloude stam van 't vlekkeloos Oranje,

wiens schaduw roem en vrede en vrijheid spreidt, wiens heldenteelt meer heerschzucht dan van Spanje

tot Hollands heil in ketens heeft geleid,

omhangen weêr met gouden welvaartsvruchten,

en wortelvast in aller ziel geplant,

heeft eindelijk geen Staatschok meer te duchten,

en Nassaus Leeuw werd die van Nederland!

Maar zag dit volk zijn wenschen en zijn rechten vervullen, en een Vorstelijke kroon

190

ocr page 225

AAN JONKHEER Mn. W. VAN HOGENDOEP. 191

zich om de kruin van zijn beschermers vlechten,

drie honderd jaar van weldaan tot een loon;

ean andre stem doet mee haar eischen gelden;

het is de stem der Waarheid, lang versmoord, der Waarheid, lang door Staat- en Letterhelden

van uit den rang verstoten, die haar hoort! t Historieblad is zijn vervalsching moede,

en vergt een hand, herstelster van zijn smaad, die, onbeducht voor des Vooroordeels roede,

en onbesmet van Loevensteinschen haat,

het onrecht wreek', door ongetrouwe pennen

aan ware Deugd en ware Trouw begaan, en 't naaeslacht het voorrecht dwing' te erkennen,

ten allen tijd gehecht aan Nassaus vaan!

Zie daar den eiscb dei klagende Historie,

en, wie dien eisch of zijn voldoening wraak'

de Poëzy, bedeeleres van glorie,

staat aan haar zij, en ijvert voor haar zaak!

Die Poëzy, het leven van mijn leven,

voor Vorstengunst en wereldgrootheid koel,

maar, waar het geldt tot Waarheids hulp te streven,

vol ongeduld, en bruischend van gevoel,

die Poëzy bezielt dees beeldtenissen

der eedle Reeks van 't Vijftal zonder ga,

(wiens roem geen Nijd in staat was uit te wisschen,

geen kroonengoud verhoogt, of komt te nfi);

wanneer mijn hart, met luttel kunstvermogen,

maar met een hand, bestierd door 't hart-alléén, hun trekken schetst, en schittren doet in oogen,

te vaak verblind door schijnhoedanigheên!

Doch, schoon geen blaam mijn Zangster staat te vreezen,

als 'k aan haar lied mijn zielsgevoelen huw:

■wien zal dat lied, die denkwijs welkom wezen?

Wien, dit tafreel? — van hogkndorp! aan U!

aan ü, die steeds van de eigen geestdrift blaaktet

voor zoo veel moed en zelfverloochening,

en vaak met my een traan van weemoed slaaktet,

de schim ter eer der helden, die ik zing!

Die met een hand, bezield door Calliope fde Zanggodin van koningen en goón).

ocr page 226

AAN JONKHEER MB- W. VAN HOGENDOEP.

en in den naam van 't vrijgewerkt Europe,

een parel vlocht in Derden Willems kroon! Ontfang ze dan, dees dichterlijke bladen,

waarop de Trouw haar stempel heeft geprent! Gy, dierbre Vriend, gy zult ze niet versmaden, gy, die mijn hart, gy, die mijn doelwit kent! En tuigen zy, als de omloop van de jaren

bestemmen zal de waarheid van mijn zang, getuigen zy, hoe eensgezind wy waren

in onze zucht voor Nederlands belang!

Die zucht by my ontwikkelt zich in zangen:

zy brengt by u gantsch andre vruchten voort, reeds bloesemend in 't edele verlangen,

dat voor de dienst des schepters in u gloort! Van HoGENnoEP! ik durf het U voorspellen!

een tijd spoedt aan, met nieuwen roem bevracht, (o! mocht mijn lier zijn grootschen loop verzeilen!)

die schittren zal by 't laatste nageslacht. Ja! Neerland zal der volken voorbeeld wezen, en, onverleid, door 't filozoofsch geschreeuw, aan God en plicht nog trouwer dan voordezen,

verplettren eens het oproer dezer eeuw.

Oranjes kroon zal heel Euroop vereeren.

Oranjes troon staat onomstootlijk vast;

Oranjes stam zal heel de wereld leeren,

wat houding thands aan 's werelds Vorsten past! en gy, gy zult, verheven Vaderlander,

zuil van een rijk, met zoo veel trouw gesticht, onwrikbaar steeds, wat weifele of verander'

in 't echt besef van onderdanenplicht,

Europe 't beeld des braven Staatsmans toonen, die, als zijn mond zijn' Koning hulde zweert, geen staf aanbidt, die straffen kan en loonen,

maar in den Vorst Gods Stedehouder eert!

192

ocr page 227

WILLEM DE EERSTE

i.

WILLEM DE EERSTE.

Unus, qui lestituit rem.

Der Middeneeuwen Zon ging in Euroop verdwijnen,

en Staatskunst trad in 't Recht van Kidderoorlogsmoed,

toen 't Willem van Oranje, ontzagvol, zag verschijnen,

in staat- en oorlogskunst door Karei opgevoed;

die by de heldenkracht van Ridderlijke Vaderen

de Wijsheid schittren deed van een verlichter tijd,

en, op de stem van 't bloed in de onverbasterde aderen,

aan des Gewetens recht die beiden had gewijd.

Standvastig, moedig, vroom, doordringend, ondoordringbaar,

beleidvol in den raad, beleidvol in het veld,

door list, noch nood, noch ramp in zijn besluit verwringbaar,

tot wijken onbekwaam voor de almacht van 't geweld,

het oog met kalme hoop tot God den Heer geslagen,

met de eene hand aan 't zwaard, met de andre aan 't roer van Staat, dorst hy den stoutsten kamp, dien ooit Euroop zag, wagen,

en temde uitheemsch geweld en binnenlandschen haat. Wat drijfveêr deed die reeks van deugden samenwerken

tot een zoo grootsch bestaan, tot een zoo heerlijk doel?

Was 't roemzucht? zucht naar macht, ontspattend aan haar perken?

Neen! Godsdienst was 't alleen, en heilig plichtgevoel! Wie twijfle, de Almacht zelf verklaarde hier haar oordeel!

Toen Hollands vrije Maagd, beveiligd door zijn hand,

min uit erkentenis dan tot haar eigen voordeel,

zijn kruin ging sieren met den Vorstelijken band;

toen was het einde daar van dat doorluchtig leven,

waarnaar zoo menige arm tot dien dag vruchtloos dong.

De kogel des verraads deed grooten Willem sneven -—

hem was een martelkroon bestemd, geen Gravenwrong.

II.

MAURITS.

Esse quam videii. Hy, die by 's Vaders deugd en manlijke gehechtheid aan 't Godgevallig pleit voor Neerland aangegaan, I- 13

m

ocr page 228

194 MAUEITS.

Achilles leeuwenmoed en mannelijke oprechtheid,

en Cesars vorstenziel ten toon spreidde in zijn da3n.

Prins Maurits leeft in 't hart des echten Nedeilandors,

hy leeft in ieder hart, dat van Gods invloed blaakt:

niet als de held alleen, die aan zijn oorlogstanders met heel Europes lof de zege dienstbaar maakt,

maar als de Staatsman mee, die straffen wist, waar 't hooide.

en met een brekend hart, maar met een vaste hand,

(hoe zwaar hem 't pleit ook viel) de slang van oproer smoordo,

die naar de hartaar stak van 't dierbaar Vaderland!

Eer Hem, voor wien de Dwang zijn ijzren nok moet krommen.

wanneer zijn forsche vuist den oorlogbliksem klemt!

Eer Hem, die 't wangeluid der Staatszucht doet verstommen,

en 't droef verdeelde Land tot zijn behoudnis stemt!

Eer Hem, die, altijd kalm wanneer de golven woelen

en 't alingrend schip van Staat naby is aan 't vergaan, het dwaalgesternte niet van 't wufte volksgevoelen,

maar 't spoor alleen vertrouwt, dat Plicht hem in deed slaan! Eer hem, die, waar hy wenkt, zijn vijanden doet zwichten,

maar die geen vijand kent, dan wie den Staat beroert,

en in het hart te vreê met Orde en Recht te stichten,

door voorspoed nooit verblind, door heerschzucht nooit vervoerd; meer dan de diadeem, aan Willems bloed verschuldigd.

de lauweren bemint, die hem zijn degen won,

en, in der braven ziel alleen als Vorst gehuldigd,

als Dienaar sterft van 't Land, waarop hy heerschen kon!

III.

FREDRIK HENDRIK.

Fortes cresntnr fcitibns.

Die aan des legers spits een Maurits kon vervangen,

de glorie winnen kon met Maurits oorlogszwaard.

Prins Fredrik Hendrik leeft in onvergankbre zangen,

en Grols Veroveraar was Vondels loflied waard. Hy schittert in de rij dier Duitsche Machabeeën,

aan wier ontzachbre reeks dit land zijn aanzijn dankt; met wie het d'oorlog tart en zijn verschrikbre weeën, en zonder wie het kwijnt, en machtloos wordt, en wankt!

ocr page 229

FREDEIK HENDBIK.

Maar 't strekke tot den roem van Fredriks stamgenooten,

dat in zoo schoon een rij hy-zelf de minste stond ;

en tuig' 't historieblad, door Waarheids hand ontsloten,

wanneer 't aan 't nageslacht zijn grootheid luid verkondt, dat hy nog grooter waar, zoo 't voorbeeld van een broeder

hem meer bewogen had, dan vrees voor muitrenhaat,

cn in zijn Nassausoh bloed een meer verheven moeder

geen zwakheid had gemengd, gevaarlijk voor den Staat! Ja! dan, dan had zijn naam eerst vlekloos uitgeblonken,

indien hy een party, door Maurits moed getemd,

en tot het heil des volks reeds half in 't niet gezonken, de hand niet had gereikt, en in haar wensch gestemd; indien hy d'overmoed van kleine dwingelanden,

verdrukkers van het volk, en haters van zijn stam, met een manhaften blik weerhouden had in banden,

wier strengheid alle hoop aan 't Staatsverraad ontnam. Hoe 't zij, ook hy was groot, en toonde zich Oranje!

wel, in de vastheid niet van 't binnenlandsch gebied, maar in den heldenstrijd, gestreden tegen Spanje,

en in het kroost vooral, dat hy aan Neerland liet.

IV.

WILLEM DE TWEEDE.

Ta Uarcellas eris!

De krijgskans is beslist, en Neêrland vrijgevochten;

en Munster heeft den hoed gevestigd op haar kruin! —

De Spaansche macht stortte in. Maar nieuwe Staatsgedrocliten verhieven 't gruwzaam hoofd, gerezen uit haar puin!

Van op het Raadgestoelt der opgekomen Steden doemt Burgerdwinglandij de Vrijheid tot haar buit.

Zy ijvert om den leeuw der Nassaus plat te treden,

en ziet met ongeduld naar hun verwijdring uit!

Vergeten zijn de dienst, het bloed, de heldenwerken, tot Neêrlands heil besteed door hun doorluchten stam.

Men moet hun arm, hun macht verlammen en beperken — en de eerste tegenstand gaat op uit Amsterdam.

De tweede Willem weet, wat stormen zich vergaren,

doorziet zijn recht, zijn plicht, met grijsheids kalmen zin;

195

ocr page 230

WILLEM DE TWEEDE.

en, met een kracht van ziel, zoo bloeiend als zijn jaren,

rukt op het middenpunt van 't broeiend cnweêr in!

Doch 't uur was nog niet dédr van Neêrlands rust en glorie.

Het grootsch ontwerp mislukt. De brave Willem sterft! Nu heerscht de ondankbaarheid, nu kraait zy luid viktorie,

ten spot van 't jamm'rend volk, dat zijn beschermers derft. En gy, o Nageslacht, dat uw verdrukking huldigt!

ook gy valt Willem af, en hoont zgn heldenascb:

en hy wordt door uw mond van tiranny beschuldigd,

wiens braafheid haar bestreed, wiens zucht uw vrijheid was, by, die, zoo de arm des doods zijn vroege jeugd gespaard had,

d' ondragelijken trots der Steden had beperkt,

en 't heillot, dat Gods gunst voor dit geslacht bewaard had, door onbezweken moed reeds in zijn tijd bewerkt!

V.

WILLEM DE DERDE.

Hic muruB aheneus esto!

In 't nimmer feilbaar boek des Noodlots stond geschreven,

dat Frankrijk, zelf in 't juk eens dwingelands gekneld, naar de Opperheerschappij der wereld eens zou streven,

en stichten op haar grond een troon van Algeweld! De tweede Lodewijk van 't stamhuis der Bourbonnen

waant in zijn Babeltrots dien roem voor zich gespaard, en 't vleigezang van 't hof, zoo slaafsch als onbezonnen, verheft zijn Koning reeds tot Koning van heel de aard! Nu ijvren om het Al in Prankrijks wet te dwingen de moed in 't oorlogsveld, de list van 't kabinet; het schitterende staal van ridderlijke klingen,

en 't goud, dat harten wint en weêrstand nederzet; en alles waar gelukt aan hun vereenigd pogen,

had niet één Jongling toen het Staatstooneel betreen, en met onwrikb'ren moed en steeds hernieuwd vermogen

der Heersohzucht wapens en haar invloed moê gestreén! Een Willem is 't op nieuw, een Willem van Oranje

voor wien de Dwinglandij, gelijk het Oproer, beeft; die Frankrijk siddren doet, gelijk zijn Vaadren Spanje, eu 't waggelend Euroop zijn evenwicht hergeeft.

19e'

ocr page 231

WILLEM DE DEBDE.

Zoo heeft Hy, wien van Nijd men 't Staatsroer eenmaal weerde,

niet Holland slechts gered, maar heel Euroop met haar; ontzaggebiedend groot, wanneer hy triutnfeerde,

maar eindloos grooter nog in onheil en gevaar;

en, als een Josua, die, machtig door vertrouwen,

den loop stuit van de zon in 't wentlend hemelveld, den machtigsten Monarch in 't stoutst ontwerp weêrhouên, en 't lot, dat de aard bedreigde, een eeuw lang uitgesteld.

DE GAAF DER POËZY.

Gevoel, Verbeelding, Heldenmoed, tot ééne ondeelbre kracht verbonden,

te zaam gesmolten tot één gloed,

en door den boezem uitgezonden

op vleugelen van melody om al wat ademt te betooveren,

om al wat hart heeft te veroveren — zie daar de gaaf der Poëzy!

Gevoel, dat plotseling ontwaakt by ieder indruk uit den hoogen,

zich uitbreidt, meêdeelt, brandt en blaakt met telkens aangegroeid vermogen!

en ieder zenuw trillen doet door fijner dan lichaamlijk prikkelen, en hemelwellust weet te ontwikkelen uit ieder druppel van ons bloed!

Verbeelding, grijpende om zich heen, om voedsel voor die vlam te vinden,

en machtig, het Heelal tot één,

een enkel denkbeeld te verbinden!

De buit, die zich haar kracht vergaart, is, beide, Toekomst en Verleden,

haar buit, natuurs verborgenheden,

haar buit, de hemelen en de aard!

Des Dichters hand stort wel geen bloed, (hy is geen gruwzaam tweedrachtstichter!)

197

ocr page 232

DK GAAF DER POEZY.

maar echter is zijn wezen — moed en zonder heldenmoed geen Dichter!

Moed, die waar recht of waarheid spreekt, tirannen vreest noch schandschavotten,

noch voor het woedend samenrotten eens God vijandig' volks verbleekt!

Moed, die de snaren hymnen vergt hij 't lasteren der Ongodisten;

en 't oproer met de hulde tergt,

die 't Gods gezalfden durft betwisten!

Moed zonder steun, dan in zijn God, en zonder wapen, dan die zangen, in Goddelijke drift ontfangen,

waar meê hy inrukt tegen 't lot!

Zie daar de gaaf der Poëzy!

Wie roemt zich dat zy in hem levequot;?

die oefene zijn heerschappij,

dat Dwaas- en Boosheid voor hem beve!

Hem juicht de brave te gemoet!

Gods wenk verzekert hem viktorie!

Gods Almacht schiep hem tot haar glorie! Het leed der wereld is hem zoet!

Versmade hy de lauwerkrans,

hem door een aardsche hand gevlochten!

Geen andre zege geev' hem glans,

dan die op d'Afgrond is bevochten!

Geen menschenblaam mag hy ontzien! Hy moet hun ongenade dragen!

Niet streelen moet hy, niet behagen,

maar overwinnen, maar gebiên!

Hy dwing' met reuzenovermacht den geest der eeuw terng te treden!

Hy leere ons zinnelijk geslacht den weg tot hooger zaligheden!

Aan 't hoofd der menschheid streve hy om alle zelfheid te verdelgen, en Englenwellust in te zwelgen, van wereldsche verleiding vrij!

198

ocr page 233

DE GAAP DER POEZY.

Zie daar de gaaf der Poëzy!

Het ideaal van dichtvermogen,

verwant aan heiige profecy,

ala zy, gezante van den hoogen!

Wat is, by dit, het maatgeluid van ongewijde cithertonen;

lt;Iio de aarde toejuicht, waar we op wonen, geen ziel, die uit den hemel spruit'?

Wat, dan het nederige riet by den standvasten vorst der boomon?

Wat, dan een namelooze vliet bij Donau-, Rhyn- of Wolgastroomen?

Wat, dan, by zomermiddaggloed, het wufte hupp'len der kapellen by 't aarde- en luchtverbazend snellen des Aadlaars, die de zon ontmoet'?

V R IJ H E I D.

Odi profanum valgus.

HOBAT1CS.

liet oproer heeft zich door de volken als een verslindend vuur verspreid!

Een woeste kreet heeft tot de wolken

zijn daverenden galm verbreid!

Een leus van waanverstand en logen verrijst Godlasterend ten hoogen ;

en 't zinneloos Euroop juicht toe!

't Juicht toe, en ziet met gretige oogen naar 't uur uit, dat een gruwzaam pogen het in den afgrond zinken doe!

Om Vrijheid schreeuwen die verwaten, om Vrijheid, bandloos als de orkaan,

die uit zijn kerker losgelaten

een halve wereld doet vergaan!

Om Vrijheid — van de hemelwetten!

Om Vrijheid — de onschuld te verpletten,

en wat hun driften weêr durft biên!

199 '

ocr page 234

VRIJHEID.

Om Vrijheid — Koningen te moorden, en smaad te werpen op Gods woorden en geen Jehovah meer te ontzien!

Geen Vorsten! Het zijn dwingelanden!

Geen God! ook Hy is een tiran!

Geen plichten met haar slaafsche banden

De Wijsbegeerte gruwt er van!

Neen! weg met troonen en altaren! Worde in het bloed der martelaren,

(vermeetle dienaars van hun plicht!) hun allerlaatste puin verslonden,

en op den bodem, waar zy stonden, de kerk van Lucifer gesticht!

Gaat! hemelstormers onzer dagen!

poogt op het voorbeeld van uw' Held op God de zege weg te dragen,

het zij door list dan, of geweld!

't Zij met de wapens in de handen, waarmeê hy God waande aan te randen,

en openlijken oorlog deed!

Of met de slangenhuid omtogen,

die 't eerste menschenpaar bedrogen en meêgesleept heeft in zijn leed!

Gaat! om de Godsdienst uit te roeien,

moet ieder middel dierbaar zijn! Uw zwaard doet bloedrivieren vloeien!

Uw tong verspreide haar venijn! Bedwingt de snood verleide volken met moordschavotten en met dolken,

en wringt den gorgel dicht der deugd Of dooft met ijdlen praal van klanken lt;le Goddelijkste waarheidsspranken in 't argelooze hart der jeugd!

Veroveringen zult gy maken!

(de Hemel heeft het voorbestemd!') tot dat de Wreker zal ontwaken,

en d'opstand van Zijn schepping temt Die tijden zullen zich vervullen!

ocr page 235

VRIJHEID.

De leeuw der gramschap Gods zal brullen,

en n verstijven doen van schrik!

en uw rampzaal'ge volksverlichting en uw verfoeihre waanzinstichting in 't niet doen zinken met één blik!

Want Hy, Hy leeft, de God der goden,

de Heer, de Rechter van 't Heelal,

die de overtreding van de snooden

duldt en herstelt, maar straffen zal! Wee u! Hy leeft, de onzichtbre Koning, die Dagon in zijn godenwoning

tot stukken brijzelt zonder strijd!

Ontbindt u, woedende kohorten!

want ook uw Dagons zullen storten, afgodendienaars van mijn tijd!

Maar gy! onnoozlen en verblinden,

wie een misbruikte naam verleidt, die Waar- en Vrijheid waant te vinden

in 't spoor der ongerechtigheid!

breekt los in 't eind van uit die bandon, waar iilozoofsche dwingelanden

uw ziel in boeien aan den grond!

Rukt af den blinddoek van uw oogen! Aanschouwt de waarheid in den hoogen! Aanbidt den God, die ze u verkondt!

Aanbidden, loven en gelooven, —

ziet daar den sleutel van 't Heelal!

de zon van kennis, die van boven

op den getrouwe stralen zal!

ten spijt van dwaze Liberalen,

den dwang, de drogreén, en het smalen,

waarraeê zy heerschen over de aard, aanbidden, loven en gelooven,

en hun ontmenschte leus verdoven,

dit is een Vrijheid, onzer waard!

Voor my! één doel slechts heeft mijn leven!

Eén uitzicht vult geheel mijn ziel! En moog my de adem eer begeven,

201

ocr page 236

VRIJHEID.

dan dat dit uitzicht my ontviel! 't Is: niet der Dichtkunst geestverrukking het Ongeloof en zijn verdrukking

om ver te stoten van zijn' troon!

Hy, die de Goliaths doet treffen,

kan de aard van 't ongeloof ontheffen door éénen dichterlijken toon!

AAN MIJNE EGADE.

Zeg het my, herhaal het my,

dat ik u gelukkig make,

dat de zucht, waar van ik blake,

als ik u mijn leven wij',

niet vergeefs ten hemel steigert,

noch dat God Zijn zegen weigert,

als ik 't oog naar boven sla voor uw welzijn, dierbre Ga!

'k Ben u schuldig, wat een man met geen schatten, met geen kroonen,

met zijn bloed zelf niet beloonen

of genoeg erkennen kan;

liefde, mildlijk toegedragen,

waar des Hemels welbehagen zich in spiegelt op eene aard,

buiten haar zoo luttel waard!

'k Weet, uw zacht, uw rein gemoed wenscht geen schatten, wenscht geen kroonen om uw teêrheid te beloonen,

noch het offer van mijn bloed!

'k Weet, uw boezem is te vreden met de ontfangen huwlijkseeden,

met het u geheiligd hart van een onberoemden Bard!

Doch een hart, gelijk het mijn,

sints den aanvang zijner dagen treurig, kwijnend en verslagen,

kan dat uwer waardig zijn?

£02

ocr page 237

AAN MIJNE EGADE.

Of wat vreugde kunt gy smaken my heel de aard te zien verzaken, om te drijven op den stroom van een' dichterliiken droom V

Zeg het my, herhaal het my;

dat gy deel neemt zonder smarte in den toestand van mijn harte,

in mijn dorre poëzy!

Dat de lente van uw dagen «loor de sombre najaarsvlagen van de klachten, die ik stort,

niet geheel ontluisterd wordt!

O! gezegend zij de traan, «n de glimlach zij gezegend,

die mijn oog van u bejegent,

die me uw antwoord doen verstaan! .la! uw ziel verstaat de mijne,

en de zucht, waarvan ik kwijne, (wie haar ooit miskennen moog'j is geheiligd in uw oog!

Meer nog! — Dierbre! wy zijn één! Aan de weerhelft van mijn leven is mijn zucht niet vreemd gebleven!

Ze is ons beiden thands gemeen! De eigen dag, die onze handen sloot in zachte huwlijksbanden, stemde ook onze zielen saam in des Echtbeschikkers naam!

Sints dien onvergeetbren tijd werd nw boezem in de smarten mijns aandoenelijken harten

(maar blijmoedig) ingewijd! O! gy deelt in mijn verdrukking! Maar gy deelt ook mijn verrukking, als me een licht des hemels treft, of de Dichtgeest my verheft!

Op de vleugelen der min stijgen wy vereend ten hoogen;

ocr page 238

AAN MIJNE EGADE.

keeren naar deze aard onze oogen

met gelijken wederzin;

branden van gelijk begeeren naar de ontmoeting onzes Heeren, en verachten 't rijk der stof, men.schenblaam en menschenlof

Voor de Waarheid leven wy!

Voor de Waarheid wil ik strijden,

voor de Waarheid wil ik lijden,

en, mijn dierbre! gy met my!

Als de stormen zich vergaren die dees sombre dagen baren,

wilt gy aan mijn zijde staan!

en uw wenschen zijn voldaan!

Heer der Schepping! neen! een wensch leeft in 't hart steeds van een gade! 't Is de trek, dien uw genade ingeplant heeft in den mensch!

Dat ook onze huwlijkssponde d' ouden zegen weer verkonde,

dien üw liefde aan 't achtbaar hoofd onzer stammen heeft beloofd!

O! indien een dierbaar kroost mocht herbloeien uit mijn aderen,

tot de glorie van zijn vaderen,

't droevige verval ten troost!

en in dit herbergzaam Noorden als aan Taag- en Iberboorden Costaas oud en eerlijk bloed weder blonk van riddergloed!

O! indien..... doch zwijg, mijn mond!

Weten wy, verblinde menschen,

wat wy van den hemel wenschen,

in een onbedachten stond?

Die ons 't aanzijn heeft gegeven zal dat aanzijn doen herleven,

dierbre weerhelft! uit uw schoot, op den dag, dien Hy besloot!

204

ocr page 239

AAN MIJNE EGADE.

Neen! ik slake slechts één wensch, en die wensch wordt niet. verstoten! want hy is uit God gesproten,

niet uit d'opgeblazen mensch! 't Is, Almachtige Genade dat ik leve voor mijn gade,

dat ik sterve voor mijn God! en — gezegend is mijn lot!

AAN DOGTOR ABRAHAM CAPADOSE.

Noch voor u, noch voor my is deze aarde gemaakt,

noch de droom van haar laffe vermaken!

Onze vleugels gerept! onze boeien geslaakt!

om een hooger aanschouwing te smaken!

Vliegen we uit naar de Hoop, die de Toekomst omkleedt

met den weerschijn van 't schoone Voorleden,

uit de sombre tooneelen van 't wereldsche leed!

uit den treurigen kerker van 't Heden!

Ach! uw hart, als het mijn, by het roerend verval,

dat de Wijsgeer verbeetring moog wanen,

by de kwijnende ziekte van 't menschlijk Heelal,

werd een bronwel van bloedige tranen!

Ja! de hand dezer Tiiden is zwaar over de aard!

't Is een herfst, die de bosschen ontbladert!

't Is een winter, die stormen en nevels vergaart! —

maar de lente der hemelen nadert!

Treure uw ziel met de mijne over Israels lot,

't schuldig kroost der verkorene Vaderen, 't wederspannig geslacht der miskenners van God met het bloed der Profeten in de aderen!

O! hun vleesch is ons vleesch, en hun bloed is ons bloed!

hun vergrijp is een nacht in onze oogen!

Hun verval is een dolk, en doorpriemt ons gemoed — maar herstel is beloofd uit den hoogen!

205

ocr page 240

AAN DOCTOE A. CAPADOSE.

Treur met my om den Leeuw van ons Voratlijk geslacht,

die in Spanje zoo wakker nog brulde,

dien het West, vol ontzag voor zijne Oosteische kracht, met den glans van zijn Bidders omhulde!

Hy viel neêr, en hy slaapt, en zijn glorie heeft uit! —

Maar hy zal, ja! hy zal weêr ontwaken op de daavrende klank van 't bazuinengeluid,

dat den kerker der dooden zal slaken!

Welk een hoop, o mijn Vriend! is de hoop die ik zing!

welk een glans stort zy uit op ons leven!

't Licht des hemels breekt door in dquot; etherischen kring,

die wy lovende samen doorzweven!

Blijf my by in dien kring! Blijf my by in die vlucht!

teedre Vriend van mijn zaligste dagen!

Eén in bloed, in geloof, in verwachting, in zucht,

moet de eigenste wieken ons dragen!

Blijf my by met uw edel en dichterlijk hart,

met uw schittrend verstand, met uw voorbeeld; gy, wiens lijdzaamheid, juichend by 't nijpen der smart,

nooit wanhopig uw noodlot veroordeelt!

In de dorre woestijn van den weg naar het graf,

is me uw vriendschap een smeltende regen!

By de stormen des Lots in dit leven van straf,

is me uw vriendschap een schuilplaats! een zegen!

Aan den overkant eerst van het graf, dat ons beidt, stroomt de bron, naar wier laving wy smachten! en de Tempel der Godlijke onsterlelijkhoid

is 't gebouw, waar wy rust in verwachten!

Al de vreugd, al de smart van dit nietige stof

wordt gelouterd, versmolten, verloren in de bruischende zeeën van eeuwigen lof,

dien de zielen der Zaligen hooren!

Doch de vriendschap, die hier onze harten verbond

in den naam van den God onzer Vaderen,

zinkt niet weg in den schoot van den gapenden grond, die onze asch in zijn nacht zal vergaderen!

206

ocr page 241

DICHTEEBN - WERELD.

DICHTERE N-WERELD.

Wat zoekt ge, o sterveling, genot op een vervallen wereld, God en al wat Gods is vreemd geworden?

Wat zoekt ge, wijsgeer, op een aard,

die niets dan smert en onzin baart, die waarheid, 't eigendom van meer verheven orden?

Neen! 't is het brooze zintuig niet,

dat laafnis aan de weetdorst biedt

van die naar kennis zwoegen!

Neen! 't is het brooze zintuig niet,

waardoor zich 't hart bevredigd ziet,

wanneer het rustloos hijgt naar onvermengd genoegen!

Versmaad, wat u een wereld geeft,

waar 't logge werktuig slechts in leeft,

geen ziel, naar 't evenbeeld des Eeuwigen ontsproten. O! Wil slechts! en een hooger kring,

die van den reinen hemeling,

is voor uw reine zucht ontsloten.

o Hemelkroost! o poëzy!

wy roepen uwen invloed by!

om d' aardschen wansmaak te vernielen!

Galme uit Gods liefelijken hof een toon van u op dit ons stof,

en 't doode stof zal zich bezielen.

Neen! eindloos grooter is de macht van uw aanbidbre tooverkracht,

die hoogste wellust van de heil'ge Cherubskooren!

Geheel dit stofverblijf vergaat van uit het hart, dat u verstaat.

Een nieuwe wereld is geboren!

Gy, zwarte neevlen, die ons oog,

wanneer 't zijn toevlucht zocht omhoog, de vaderhand verbergt, die onze stappen veiligt!

Gy zijt verdwenen met den nacht, die Dwaasheid voor het daglicht acht,

en tot wiens eer de naam van waarheid wordt ontheiligd!

207

ocr page 242

DICHTEBEN-WERELD.

Ja, in het dichterlijke rijk zijn wy aan de Engelen gelijk,

Almachtige! die aan uw voeten zweven!

De blinddoek die ons drukt, viel af!

Uw zegen zien wy in de straf,

en in het graf den ingang van het leven.

Vervallen stervling, triumfeer!

Hier zijt gy 's hemels lievling weêr!

hier, weêr de vorst van dit beneden!

wien heel een wereld schatting bood,

en wien geen onheil of geen dood in 't vlekloos aangezicht dorst treden!

En gy, aan wier standvasten moed geen wreevlige aarde hulde doet,

vernederdet Hebreeuwen!

mijn broeders! op uw achtbaar hoofd,

van de oostelijke kroon beroofd,

drukt vruchtloos de ongena van twintig woedende eeuwen!

In onze wereld vindt gy troost!

In onze wereld zijt gy 't kroost,

dat de Almacht zich heeft uitverkoren;

en schiet de vonkelende gloed van Judaas leeuw u in 't gemoet,

reeds grijpend naar de staf hem over de aard beschoren.

Geen waan is 't, die 't verstand beroert! De dichtgeest, die ons hart vervoert,

is de echte Godspraak van de waarheid!

Onfeilbaar woord der profecy!

wat zijt ge dan die poëzy,

voor wie der toekomstnacht versmelt in zonneklaarheid!

o! Dat me uw adem steeds omzweef!

o! Dat me uw wereld nooit begeef'!

gy Schoon-, gy Waarheidskroost, gy leven in dit leven! Onttrek' geen nevel aan mijn oog den gloed, waarmede uw vlucht omhoog liet stoute spoor bekleedt, om hemelwaart te streven!

208

ocr page 243

DICHTEEEN-WEEELD.

Aan dezen Goddelijken gloed ontsteekt zich hier onwinhre moed, om uwer haatren haat te dragen;

en waar het Recht en Waarheid geldt, het saamgezwiftene geweld van duizend werelden ten open strijd te dagen! 1820.

GELUK EN PLICHT.

Neen! heerschappij, noch rang, noch schatten

doen, stervling! u gelukkig zijn;

't is zorg en lust wat zy bevatten,

en al hun heilbelofte is schijn;

verblindend is de glans der kroonen, verlokkend is de praal der macht:

maar ach! waar hun bezitters wonen,

daar houdt een eeuwige onrust wacht!

Waartoe het strand gevlucht, ontzinden!

en een onzeekre zee gebouwd;

waartoe aan d' adem van de winden het lot uws levens loebetrouwd?

Waartoe op ongestuime baren

een ijdle schaduw nagejaagd,

en zich aan ziels- en lijfsgevaren om wereldsche ijdelheén gewaagd?

Zoo ge al het voorwerp van uw zwoegen, goud, staat en aanzien machtig werdt, nog zou dit uiterlijk genoegen

geen vrede schenken aan uw hart! Wat meest aan 's noodlots vlagen bloot leit,

is juist die hoog verheven stand;

en in de schaauw der aardsche grootheid schuilt al te dikwerf leed en schand!

't Is waar dan wat de dichters zingen

en wat de strenge wijsgeer leert: De middenstand geeft, stervelingen!

dat heil, met zooveel drift begeerd!

ocr page 244

GELUK EN PLICHT.

Ver van het dartle hot der grooten,

ver van het wichtig roer van Staat,

wordt die tevredenheid genoten,

die aan der Eerzucht wensch ontgaat!

Almachtige! de beê des braven

is om dien zaalgen middenstand!

Deze is de dierbaarste der gaven,

die 't menschdom afsmeekt van uw hand! Geluk met veiligheid te gader

woont by den huisseliiken haard, en 't stille heil van gade en vader is 't wezenlijkste heil der aard!

Maar anders klinkt de beê des braven, wanneer de plicht zijn bijstand vergt! Als door een hoop verachtbre slaven

uw hemelsch wraakzwaard wordt getergd! Als 't oproer, woedend losgebroken,

en vorst en vaderland bedreigt,

en 't volk, in dweepzuchts gloed ontstoken, tot een verfoeiden afval neigt!

Dan is het lafheid, slechts te streven

naar 't kalme huisselijk genot!

Dan moet de wellust opgegeven,

en de ongena geduld van 't lot!

Dan past het grootsch geboren harten (zoo slechts hun eedle poging baat!) en zee- en stormgevaar te tarten op 't dobberende schip van Staat!

Maar dan ook is geen wereldglorie des braven hoop, of loon, of doel!

Zijn prikkel, de eer niet der viktorie,

maar zuiver Gods- en plichtgevoel! Wel hem, die 't needrig burgerleven ver boven roem en grootheid stelt!

maar ook dien heilstaat op kan geven, wanneer het plichtsbetrachting geldt,

1820.

210

ocr page 245

AAN MIJN VADER.

AAN MIJN VADER.

(opdracht van den buniiel „poezy-quot;)

Gant gy 't, hoog vereerde Vader!

dat een zoon ü hulde bied'

met den eerstling van een ader, die nog ruwe zangen schiet?

Dat hy drie en twintig jaren,

in uw weldaan doorgebracht,

met de galmen van zijn snaren

(ach! hoe min!) te erkennen tracht?

Voor het sterflijk oog verborgen,

richt de Koning van 't Heelal met in al voorziende zorgen

heel den loop van 't Lotgeval!

Door Zijn ondoorzienbre wegen worden wy hier rondgeleid! De aardsche beeldtnis van dien zegen is eens Vaders tederheid!

Wat die teerheid kan omvatten,

o mijn Vader! toondet 6y!

'k Loonde met geen aardsche schatten,

met geen wereldheerschappij,

al uw zwoegen, al uw pogen

in de vorming van mi]n jeugd,

immer zwevend voor mijn oogen,

met het voorbeeld van uw deugd 't Bloed vooral, dat in mijn aderen met een deel uws aanzijns vloeit; kostbaar erfdeel onzer Vaderen,

die, met Oostersch vuur doorgloeid, daar, waar Taag en Iber vlieten,

eenmaal schitterden op de aard, en wier grootheên ons verlieten;

doch — hun eer bleef nog bewaard!

God beschouwt het uit den hoogen,

wat Gy voor my waart en zijt!

Ik ik bloos van 't onvermogen

ocr page 246

AAN MIJN VADEB.

der erkentnis, U gewijd.

Ik bied vruchten aan, voor danken,

in der Muzen hof geplukt:

klanken, ja! maar in die klanken heeft mijn ziel zich afgedrukt!

O mijn Vader! 'k leg dan heden met een diep geroerd gemoed,

(steil' mijn zucht uw recht te vreden!)

hart en dichtlier aan uw voet! Wil die van elkaêr niet scheiden,

neem ze beiden gunstig aan,

schenk uw zegening aan beiden, en mijn wenschen zijn voldaan!

VOORAFSPRAAK

BIJ DE

VOOKLEZIKG VAN HET DICHTSTUK

„DES DICHTERS LOTBESTEMMING.quot;

Wat vergt ge my, dat ik hier zingen zal?

Dat ik voor u de dichtlier zal bespelen?

Bedriegt ge u niet? Heb ik dien hemelval, die eeniglijk uw kiesch gehoor kan streelen?

Heb ik dien toon, dien onweêrstaanbren toon, die innig roert en zielen weg kan slepen?

Zal zich die lier, een meesterhand gewoon,

niet weigeren aan mijn onvaste grepen?

En moet dees zaal, waar Hollands dichtrenrij zoo menigmaal de harten wist te buigen

door 't zoet geweld der schoonste melody,

mijn flaauwen galm, mijn machtloosheid getuigen? —

Gy wilt nochthans? Welaan! 'k weersta u niet! Ik weet, gy zult mijn poging heusch onthalen,

en vordren niet van 't ruwe jonglingslied den tooverklank van uwe nachtegalen!

Maar ook den toon der schaterende vreugd moet ge in mijn zang, mijn hoorders, niet verwachten.

Schoon in den bloei der pas ontloken jeugd,

stort hier mijn hart slechts weemoed uit en Itlachten!

212

ocr page 247

VOOBAFSPEAAK.

Verwondert ge n?... Ach! dichtkunst is gevoel; des is ze niet de davtling van 't genoegen,

des blijft haar toon voor ijdel juichen koel, en weet zich niet by 't volksgeschreeuw te voegen!

En of het bloed nog frisch door de aders vloeit, of de ouderdom zijn sneeuw strooit op de haren, wat dichter is, wordt van één vlam doorgloeid, en deelt één zucht, één zelfde zielsbezwaren. —

Maar waar van daan in 't dichterlijk gebied die somberheid, die wondre hartbeklemming ?

Die vraag, wellicht! beantwoordt u mijn lied; ik zing u hier: des dichïees-lotbbstkmming!

DES DICHTERS LOTBESTEMMING.

VulnuB alit venis et caeco carpitur igni

VIRGILIUS.

Wie zijt ge, gunsteling des hemels, aan wiens oog geheel een wereld hangt, als de invloed van omhoog in menschlijke aderen dat hemelsch vuur doet vloeien, waarvan uw adem brandt, waarvan uw tonen gloeien!

wiens enkel stemgeluid met onbeperkter kracht zich uitbreidt, dan 't geweld der waapnen, dan de macht der scherpste dwinglandij! Want gy regeert op zielen,

en wat een hart bezit, moet voor uw almacht knielen! Wie zijt ge, o dichter! mensch of Engel? Engel wis!

indien der Englen taal'der Englen kenmerk is!

Of mensch? O dan voor 't minst gelukkigste der menschen! begaafd met hooger heil, dan quot;t doel zelfs van hun wenschen, als zy den glans van roem, van aanzien, rang en goud afsmeeken van het Lot, en zich hun mond verstout aan de Alvoorzienigheid de wegen af te perken,

waar langs zich 't levensheil zijns schepsels moet bewerken! Neen! dichter! neen, gy deelt in hun verblindheid niet!

Dier driften heerschappij is vreemd aan uw gebied!

Te vreê met in uw borst der Godheid aSm te ontfangen, en dien met heel uw ziel te storten in uw zangen,

kent gy noch hooger gloed, noch d' aanval van de smart, en 't heil der wereld woont in uw gelouterd hart!

Het heil der wereld ? Ja! in die volzaalge stonden

213

ocr page 248

DES DICHTEBS LOTBESTEMMING.

{Te vluchtig), wen de geest als van het stof ontbonden weêr naar zijn oorsprong trekt, en 't wereldsohe gewoel van om hem heen verdwijnt en plaats maakt voor 't gevoel, wiens zaligend geweld hem wegsleept; idealen van schoon- en waarheid uit de hemelkringen dalen, de aloudheid zich herschept, de toekomst zich onthult! O heilig dan de vlam, die 's dichters hart vervult,

en voor een oogwenk, ja! de weelde leent der Engelen,

als ze in den aanschijn Gods hun lofgezangen mengelen! O! voor het hemelsch licht, dat deze vlam verspreidt, vervliegt de duisternis van drieste onwetendheid,

en bleekt de scheemring weg van ingebeelde kennis,

waar de afgevallen mensch zich meê tot heiligschennis en eigen jammer heeft gewapend. Dichter, gy geniet dien heilstaat reeds, door 't woord der profecy aan 't menschdom eens beloofd, wanneer de nietigheden der aarde voor 't genot van 't ons herwonnen Eden bezwijken zullen, en voor blinden eigenwaan het wezenlijk geluk by 't menschdom zal bestaan!

Maar ach! niet altoos blaakt die toovervlam in 't harte! Ook gy, o dichter! werdt voor de aardsche levenssmarte! Door 't lichaam zijt ge meê aan 't doode stof verwant, en tegen d' invloed van een God is 't niet bestand!

Voor dierlijk zijn gevormd zou 't in dien gloed verteeren, of 't grove lichaam moest in 't fijnste weefsel keeren'

Zoo breekt die droom dan af (die waarheid eens zal zijn!) wiens weldaad, machtiger dan ziel- en lichaamspijn,

u inwijdt in 't besef van leven. Ach! te spoedig ontglipt hy u, en gy, verlaatne, die zoo moedig de ziel verheffen dorst tot heemlenheilgenot,

gy zinkt weêr in ons niet, gy deelt weêr in ons lot.....

Helaas! des werelds heil omvat uw hart niet langer!

maar meerder nog! dat hart, van andre zuchten zwanger dan de aarde kan voldoen, en aan zich-zelf bewust van hooger vatbaarheên, en van verheevner lust,

vernoegt zich met geen praal van grootheid, met geen logen der zinnen. Hemelsch heil zweeft voor uw sterflijke oogen, verbeelding stookt de vlam van uw verlangen aan

ocr page 249

DES DICHTERS LOTBESTEMMING.

en de aard heeft niets meer dat voldoening schenkt, 't bestaan

geen oogenblik genot, dan slechts de zielsvervoering

der Dichtkunst, de eigen bron dier steeds vernieuwde ontroering!

O treurig strafverblijf van Adam en zijn bloed,

dat nog voor 't eerst vergrijp van d' eersten vader boet!

tooneel van gruwelen, van onrecht, leed en plagen!

hoe kwelt gy 's dichters geest! Hoe diep is hy verslagen by 't jammerlijk gezicht der strenge wraak van God!

Zijn oogen schreien bloed by 't diep vervallen lot van Edens ballingen. Ach! waar hy de oogen wende,

wat ziet hy, dan het merk van misdaad en ellende?

Waar bleef dat wezen, naar zijns Scheppers evenbeeld geschapen, dat den rang der Geesten heeft gedeeld?

Wien 't alles hulde bracht als Opperheer der aarde? Die Engelen vernuft aan kindrenonschuld paarde?

Waar bleef dat hemelsch schoon van lichaam beide en ziel? Waar bleef hun kracht? hun glans? — Helaas! dat wezen viel! 't Vergat zijn God, zich-zelf, zijn vroeger heil eu grootheid, en 't menschlijk harte werd het heiligdom der snoodheid, het menschlijk lichaam tot der wormen aas bestemd!

Sints heeft een ijzren doem des geestes vlucht gestremd,

als hy naar hooger tracht dan de aardsche schijnvermaken! Hy blijft, gevallen eens, zijn afkomst steeds verzaken!.... En gy, o dichter! zoudt niet treuren? Gy, wiens oog nog soms doordringen mag wat zegens van omhoog op 't nog onschuldig hoofd des menschdoms moesten dalen, die thands niet anders zijn dan blinkende idealen!

Neen! 't treuren past u, en de toon der droefenis

't eenig troostgevoel by zulk een wreed gemis!

Zoo is die boezem dan, zoo fijn-, zoo diepgevoelig,

steeds somber en bedrukt, steeds onbestemd en woelig in 't rustloos haken naar een meer dan aardsch genot! Ach, onverschilligheid is vreemd aan 's dichters lot!

Als 't needrig beekjen niet, wiens golfjens zachtkens klotsen, maar als de woeste stroom, die neêrschuimt van de rotsen, zoo vloeit een eedle drift zijn kokende aders door,

het zij de plicht hem roept, om lijdende onschuld voor te strijden, en 't geweld van onrecht en verdrukking

215

ocr page 250

DES DICHTEHS LOTBESTEMMING

manhaftig weêr te biên; 't zij teedrer zielsverrukking zijn hart vermeesterd heeft, en hy zich-zelf verliest in de aangebeden vrouw, die hem de liefde kiest!

De liefde?... Zoo bestaat er heil nog voor den dichter? Aanminnig, machtig kind, en eêlste welluststichter,

wien de oudheid Venus gaf tot moeder! was zijn borst ooit voor uw invloed koel? Of kon de heete dorst,

verwekt door uw kwetsuur, ooit boezems meer verschroeien, dan waar uw tooverschicht poëeten deed ontgloeien!

Strooi gy dan rozen op zijn doornig levenspad!

Wat ooit dit dorre stof nog hemelsch in zich had,

dankt u het menschdom! u verheffen 's dichters tonen!

U golft zijn wierook toe! Gy kunt die hulde loonen! Om u versmaadde hy een halven leeftijd smart,

en op uw gunst alleen hoopt zijn gefolterd hart!

Maar ook uwe ongena heeft hy te vaak te duchten! O! vlijmend is uw schicht, wanneer de vuurge zuchten der miu verwaaien, en een lot, ondraaglijk wreed,

ons hart van 't voorwerp scheurt, waar voor 't zich-zelf vergeet. Wat kweelt gy. Puikpoëet, die door Vaucluses dreven uw nagedachtenis door de eeuwen heen ziet leven?

Wat kweelt ge, als 't vogeltjen dat om een gade schreit, en stort uw roerend lied met sombere achtloosheid?

Slachtoffer van een min, zoo rein, zoo zielverheffend!

wie deelt niet in uw smart, meer dan uw kunst nog, treffend? Ach! de aangebedene mag nimmer de uwe zijn!

Het leven heeft gedaan, voor u, Petrarca! kwijn in smeltend klagen weg, tot u de dood verrasse! —

Thands stort Euroop een traan van deernis op uw assche! En nog beklagen we u, na zulk een tijdsverloop,

u, minnaar, steeds zoo trouw, en minnaar zonder hoop!

Itaalje, bakermat en voedstrares van kunsten,

wie 't zanggodinnendom steeds overlaadt met gunsten!

Itaalje, waar natuur zich met de kunst verbond, om hemelschoon op de aard te scheppen, om uw grond te kweken tot een hof van ziels- en lichaamsweelde! Ook Tassoos wieg droegt gy! Ook Tassoos Zangnimf speelde het ridderlijke lied op Italjaansche maat!

216

ocr page 251

DES DICHTERS LOTBESTEMMING.

Maar ook zijn vroegen dood getuigt gy! Hy vergaat,

het offer meê der min. Een doodeiijke smarte

stolt zang- en mindrift beide in 't hopelooze harte!

Gy, wie zijn taal en toon door merg en zenuw dringt,

het zij zijn fiere stem van oorlogsglorie zingt,

't zij liefde en tederheid zijn dichtpenseel bestieren!

O siert zijn tombe niet met bloeiende laurieren,

(de lauwer groeit van zelf by 's dichters overschot!)

maar plant er wilg en myrt! — Of kent gy niet het lot,

wiens wreedheid in het eind den draad brak van zijn leven,

zoo hoort my! maar ('k voorzie 't) gy zult voor d' invloed beven

van 't dichterlijk gevoel op d'aardschen levenstocht!

Sints Tasso voor het eerst Ferrares hof bezocht,

ontsprong de bron der ramp, aan 't teedre hart beschoren!

Uit adelouden stam en deugdzaam bloed geboren,

en wijd en zijd befaamd door dichterlijken lof

en schitterend vernuft, ontfing hem 't vorstlijk hof

met d' eerbied die een eeuw van ware geestbeschaafdheid

aan d' invloed toedraagt van die hemelsche begaafdheid.

Maar ach! in Tassoos oog had hoffelijke praal

geen waarde; noch de gunst van 't vorstelijk onthaal,

noch 't juichen van een volk, dat in den heldendichter

Homerus volgling, en Itaaljes gloriestichter

aanschouwt. Eén voorwerp slechts is Tassoos aanblik waard!

Eén voorwerp, dat alléén al 't schoon vereent der aard!

't Is 's Vorsten zuster zelf, Lenora, in wier oogen

de zetel is geplaatst van Liefdes alvermogen,

en met de majesteit van 't koninklijke bloed

de zacht- en teerheid spreekt van 't engelrein gemoed!

Hy ziet haar, en bemint! Het lot van heel zijn leven

bestemt zich! hoop en rust moet eeuwig opgegeven!

Wat doet ge. Dichter! en wat dolheid gaat u aan?

Hoe durft ge op uw vorstin een blik van liefde slaan?

Hoe durft ge?.... Ach! kent de min den invloed van de rede?

Zy streelt niet, maar gebiedt, en sleept, en rukt u mede!

En gy, gy lijdt en kwijnt in radelooze smart!

maar kropt de kwelling in van 't fel getergde hart!

Slechts de Echo van het woud, gewoon aan minneklachten,

die voor een oogenblik de storm der drift verzachten.

217

ocr page 252

DES DICHTEBS LOTBESTEMMING.

getuigt uw wanhoop soms, terwijl ze met u treurt.

Maar welk een boezem ooit, van minnewee verscheurd,

kon voor 't geoefend oog de diepe wond bedekken'?

Ach! alles kenmerkt haar! De stem, de ontstelde trekken

van 't beurtlings blozende en verbleekende gelaat

by 't naderen van haar, voor wie ons harte slaat!

't Noodlottige geheim ontvalt de smeltende oogen

in tranen, vruchteloos weerhouden! Al uw pogen

is ijdel! 't Werd bekend wat ïasso zich vermat,

hoe hy van liefde gloeide en Leonore aanbad!

Nu moet des noodlots schuld op 's dichters hoofd gewroken !

De vorstelijke trots, in feilen toorn ontstoken,

verbant hem van zijn hof. Eens kerkers aakligheid

is 't heilloon, dat de Min haar Dichter heeft bereid!

Daar ligt hy nu, en zwoegt de dagen en de nachten,

in sombre wanhoop door, en stort onvruchtbre klachten,

en roept den dood te hulp, die naar geen klachten hoort!

Of als dan de overmaat der smart de smart versmoort,

en zich de dichtgeest weêr een oogwenk lucht kan geven,

dan meldt zijn doffe zang de plagen van zijn leven!

Dan in 't aandoenlijk beeld van droevigen Tancreed

of teedre Erminia schetst hy zijn eigen leed,

en smaakt een bitire vreugd hun onheil te betreuren

en 't zijne, en telkens zelf zijn wonden op te scheuren.

Zoo leefde Tasso, zoo vervulde zich zijn lot als dichter, tot de hand van d' éénig wijzen God hem tot zich riep in 't end, en uit de nietigheden en foltringen der aard het leven in deed treden!

Gevoelige poëet, dus vindt ge in d' eigen gloed Jt vermogen van de kunst, en de onrust van 't gemoed! En 't menschdom, dat uw! vlucht meê opvoert tot de wolken, biedt u by zoo veel leed geen troost? Geheele volken verheffen niet uw naam, en galmen niet den lof van 's hemels keurling uit, wiens toon hen zaligt? Of bestrooien niet het pad, waar langs hy heen zal treden, met feestelijk gebloemt? O neen! de grilligheden van algeweldnaars toe te juichen, als hun vuist voor eigen glans en roem der volken hoop vergruist —

ocr page 253

DES DICHTERS LOTBESTEMMING.

cn om de zegekar te dringen van die helden,

zoo lang de onzeekre kans der bloedige oorlogsvelden hun woeste heerschzueht dient: zie daar des menschdoms smaak! Wat is hun, of uw hart van 's hemels invloed blaak'? Wat weten zy van deugd- en echte kunstwaardeeren? l)e Dichtkunst werd niet voor hun ijdlen lof! Homeeren verrijzen en vergaan, vergeten! of verdrukt,

wanneer hun moedig hoofd voor willekeur niet bukt!

Maar wat is de ongena van lot en menschdom tevens,

voor u, wiens hoop begint aan 't eindperk eerst uws levens? Hiermeê staat gy geweld en smaad en onrecht door!

Hiermee staat ge onschuld, deugd en 't recht der Waarheid voor, en gadert langs uw baan de vrucht der levenswijsheid,

en deelt die met de jeugd in 't kalm saisoen der grijsheid, en zoekt naar wetenschap tot aan den rand van 't graf, en draagt, het oog op God, wat God te dragen gaf,

tot de Engel van den dood u quot;t wrakke lijf moet slopen! En dan — triumf in 't end! De hemel staat u open!

Jongling, waar van daan dat treuren in uw schoonsten levenstijd? Waar van daau dat heimlijk zuchtjen, dat uw weeke borst ontglijdt ? Waar van daan dat glinstrend traantjen, dat uw kwijnend oogbesproeit? en dat onbestemd verlangen, dat u op de wangen gloeit?

Voor de schatten van do wereld, voor haar kroonen zijt ge koel, en de zucht die u vermeestert heeft gewis een ander doel!

Ja! gy haakt naar hooger wellust! naar het hoogste heil der aard! meer dan schatten, meer dan kroonen, meer dan't leven zelve waard Ja! gy zoekt de lieve gade, die dat leven deelen moet,

en uw borst kweekt geen verlangen, dan naar dit geheiligd goed! In den droom reikt gy haar de armen, en zy stort zich aan uw hart! maar ge ontwaakt, en mist haar weder, en verdort op nieuw in smart! Doch de macht die 't harte dorst gaf, geeft ook laafnis voor dien dorst! en dien trek naar min- en echtheil plantte God-zelf in uw borst! Eens dan zal de dag ontluiken, die zijn heilig doel vervult,

als ge (niet in droomen langer) haar in de armen knellen zult, die met de eigen zielsvervoering uwe liefde heeft verbeid;

en gy zult met al de volheid van genot en dankbaarheid zelfs die stonden weldaad reeknen, toen u, wars van aardsclie lust' 't leven onverdraaglijk toescheen, van uw toekomst onbewust!

210

ocr page 254

DES DICHTERS LOTBESTEMMING.

O! zoo ia de trek naar hooger, die in 's dichters boezem brandt, waarborg van een beter leven in een beter Vaderland!

Ballingen zijn wy op 't aardrijk, en de dichter doet geen stap, die hem niet de straf herinnert van die bittre ballingschap!

Daar van daan die zweem van droefheid, die zijn maatgezang doorzweeft, daar van daan die rusteloosheid, die ons geen genoegens geeft! Grod-zelf schiep hem dat verlangen naar een dierbrer heil dan de aard: dierbrer heil dan dat der wereld heeft zijn goedheid hem bespaard ! Daar, waar 't koor der Serafijnen zijn éénstemmig Hallel zingt, waar het heir der Uitverkoornen om den troon der Godheid kringt, daar eerst is het rijk der Dichtkunst, derwaarts richt zich onze vlucht! daar is Schoonheid, daar is Waarheid, daar voldoet zich onze zucht!

HET NATUURLIJK VERBAND VAN

WIJSBEGEERTE EN DICHTKUNST.

Et prodesse volunt et delectare poëtae.

HOBATIUS.

De krijgsman in 't geweld der waapnen opgevoed,

als Mavors kreet weergalmt en de oorlogsbliksem woedt,

ontwijkt geen dorstend staal, noch dichte pijlenregen,

maar ijlt, ontembaar in zijn vaart, den vijand tegen,

waar hem zijn heirspits sterkst, 't gevecht verschriklijkst schijnt.

Zijn zwaard maait wijd en zijd, dat drom op drom verdwijnt:

de drift zijns boezems, door geen menigte in te toornen,

doet vloeibre vlammen in zijn zwellende aders stroomen,

schiet vonken uit zijn oog, en verwt zijn fier gelaat;

en de overwinnende arm verplettert wat weêrstaat!

Niet anders is de gloed door uwe hand ontstoken, o dichtkunst! Engelin, voor wie 'er outers roken waar menschen zijn! die uit het hemelsche gebied 't verrukte menschdom aan uw voeten storten ziet,

als 't heilig priestrendom door uwen aam gedreven in taal en tonen, uit een wereld meer verheven ontleend, de drift ontlast die hun op 't harte drukt!

O! zalig driewerf hy, dien ge aan dit stof ontrukt,

en met u opvoert in de op aard onzichtbre kringen,

waar tallooze Engelen 't eenstemmig Hallel zingen,

nw wezen kennen leert, en in zijn grootsche vlucht

220

ocr page 255

HET NATUÜEL. VERB. VAN WIJSBEG. EN DICHTKUNST. 221

*en hooger denkkracht schenkt in meer verfijnde lucht.

Die deelt uw oppermacht, verheft de ontvlamde zielen,

en dwingt de luistrende aard voor 't voorwerp neêr te knielen,

dat hy, veredeld of geschapen in zijn lied,

aan d' opgetogen geest in al zijn grootheid biedt.

't Gevoel dat in hem leeft, door geen geweld te doven,

schiet allen weêrstand met vernieuwden gloed te boven:

niets in het wijd Heelal is dit gevoel te hoog,

en meer zelfs dan natuur omvangt des dichters oog!

Wat stervling waant dan nog dit onbegrensd vermogen omsloten in den kring van hersenschim en logen,

en bant hem uit uw rijk, o Wijsbegeerte! kroost des hemels, die u zond het aardsche leed ten troost?

Neen! aan geen krijg alleen, geen bloedige tafreelen van heldenkracht en moord, geen losse minnespelen,

geen treur- of zegelied, geen herderlijken kout is 's dichters stem gewijd! Meer uitgebreid, meer stout,

waagt zy 't in grover lucht den zang der hemelkoren te volgen, en verheft den lof van d'Ongeboren,

en kweekt in 't menschlijk hart de erkentnis voor zijn God, leert hem vertrouwen op Zijn zorgen, leert hem 't lot verwinnen, en dees aard, dit stofgewaad verachten,

maar in een beter oord een beter noodlot wachten.

Dit durft ge, o Poëzy! niet roekloos als Ikaar de heemlen naadrend met geleende vleuglen, maar gelijk der vooglen vorst door eigen aart gedreven en d' aandrang der natuur! Uw wezen dus verheven smelt Schoon- en Waarheid in zijn Godlijk vuur tot één!

Maar wat is dan die bron van uw aanloklijkheên?

Wat is die oorzaak van uw uitgestrekt vermogen?

Godes! verspreid uw licht voor mijn verlangende oogen! — 'k Erken het, quot;t is gevoel wat :s dichters geest ontsteekt, wat in uwe aadren leeft en uit uw boezem spreekt.

Uw wezen is gevoel: dit deelt ge uw priesterscharen,

wier stem u aanroept, meê! Gelijk de zilvren snaren op d'indruk trillen van de hand die haar bespeelt,

zoo ijlings storten ze uit, wat dit gevoel beveelt.

Wee hem, die dit miskent, en de onbezielde klanken

ocr page 256

HET NATUUBLIJK VERBAND VAN

aan 't pijnigende werk van 't koude brein moet danken!

Heil wie dien indruk volgt! Met Englen in verband ontvalt hem op uw wenk de sluier, die 't verstand benevelde, en gy-zelf, aanbiddelijke Waarheid!

straalt in 't aanbiddend oog met onbeperkte klaarheid.

Want gy ook spreekt in 't hart, daar doet ge ons 's werelds Heer gevoelen, daar ons-zelf, daar plicht en recht en eer!

Waar anders werd de band, de heiige band gesloten,

die de oudren kluistert aan hun kroost, die echtgenooten omvat, die mensch en mensch verbroedert en veréént? — Ja! wat gy edelst hebt, is uit uw hart ontleend;

vergeefs in 't hoofd gezocht wat daar slechts is te vinden, onzeekre stervling, ook door Rede te verblinden! Ach! raadpleeg uw gevoel; verlicht door hooger macht, is 't Godspraak wat zy meldt, niet straffeloos veracht.

De Rede volg' haar stem! Ze is in dit korte leven 't Hart, door de weldaad van uw God, ten dienst gegeven. Dit heersche op haar en u; zy schrijf' geen wetten voor,

noch kies' zich-zelve een weg, u lokkend op haar spoor.

Beef, zoo zy 't onderstaat, en van haar boei ontslagen u meêvoert in de vaart, die ze onbezuisd dorst wagen!

Beef! de afgrond is het eind van haar verdwaalden loop!

Die dwaling boette ge ook, geschokt, verzwakt Euroop! Uw bodem werd geweekt in bloed- en tranenstroomen,

sints 't wufte menschdom in bedriegelijke droomen, als waarheid voorgesteld, zich-zelf een bron ontsloot van plagen zonder tal, van misdaad, krijg en dood!

De Rede was 't, wier trots, verhit en onberaden,

de stem van 't hart, de stem der Godheid dorst versmaden, geen waarheid hulde deed dan die haar kortziend oog mocht treffen, en wat aard en aardsch begrip te hoog,

zich langs verheevner weg aan 't menschdom openbaarde, van op haar rechterstoel voor hersenschim verklaarde!

Helaas! dees schuldige eeuw, door gruwelen berucht,

zag in haar dolle drift gezag en wet ontvlucht allengs haar dwinglandij verbreiden, 's menschen zielen vervreemden van hun aart, en voor een afgod knielen,

door 't licht verblinde volk voor Waarheid aangebeén!

522

ocr page 257

WIJSBEGEERTE EN DICHTKUNST.

't Beefde alles voor haar staf: een droeve voorboó scheen

verschrikbre rampen aan het aardrijk te verkonden.

De altaren wankten op hun daverende gronden!

De diadeem viel af van de achtbre koningskruin!

gelijk wen de Etna met haar stroomen gloeiend puin

het om haar siddrend land in vuur dreigt weg te spoelen.

De grond voelt schok op schok, waaronder vlammen woelen:

de zon verbergt haar glans, het vee springt angstig rond

met akelig gehuil; daar uit des vuurbergs mond

een dichte nacht van damp zich opheft tot de wolken;

tot eindlijk uit het diepst der fel beroerde kolken

een zee van steenen barst, met alverzwelgbren gloed

vermengd, die gantsche steên op eens verdwijnen doet!

Zoo woedde de oproervlam, door uw gevloekte spoken.

o valsche Wijsbegeerte! in 't menschlijk hart ontstoken,

en aan de onrustige aard sints zoo veel tijd voorspeld!

Kuropa werd een prooi van bandeloos geweld;

de volken, dol van zucht naar heerschappij, verpletten,

wat plicht en recht getrouw, haar paal of perk wou zetten,

wat in de afschuwlijkheên van 't laagst, het schaamt) oost rot

niet deelde. Onschuldig bloed vloot stroomend van 't schavot

dat dèugd, geen misdrijf strafte, en met bevlekte handen

bestond hun razernij het heiligste aan te randen,

door 't afgedwaald verstand miskend. De bevende aard

zag de outers neêrgetrapt in 't stof; een heilloos zwaard,

de Godheid-zelf ten smaad, 't ontzag der vorsten schenden!

Ach! om uw deugd gehaat, door woeste rooverbenden

veroordeeld, boette gy, verheven Lodewijk!

met dquot; eêlsten marteldood de gruwlen van uw rijk.

Gy vielt! Uw troon stortte in, werd door een vlam verslonden

van uit den schoot der Hel! Maar uit zijn asch ontstonden

met ijsselijk misbaar twee monsters. Krijg en Dwang,

verwoesters van 't heelal, die twintig jaren lang

de wereld teisterden, onstuitbaar in hun woede,

tot de Almacht opgestaan ter wraak, hun strenge roede

vermorzelde, en Euroop op nieuw het leven gaf!

Zy-zelf, zy had dien vloed van rampen, tot uw straf,

verwaten sterveling! doen stroomen, die haar gaven

onwaard, u aan 't gebied des Hoogmoeds liet verslaven,

de Rede op 's levens pad u door den Hemelvorst

223

ocr page 258

HET NATUURLIJK VEEBAND VAN

ten steun gegeven, in haar dwaling volgen dorst,

en, met haar, Recht en Deugd verlaten en verachten!

Gy leedt, dien hoon ten zoen; leer, leer voor 't minst haar krachten mistrouwen, ?t smeekend oog op 't uit Hem stralend licht geslagen, dat u 't spoor van waarheid toont en plicht.

Maar, wat deze eeuw misdeed, door ingebeelde kennis vervoerd tot oproerzucht, tot moord en heiligschennis;

wie aan den schijn gehecht, dit wijsbegeerte noemt,

haar om de wandaan, in haar naam bedreven, doemt,

wil nooit dien eedlen trek, met uw bestaan geboren,

naar 't hemelsche genot van ware kennis smooren!

Zy heft u boven 't stof, zy maakt u d'eernaam waard van mensch, haar dankt ge uw heil, uw grootheid op deze aard, haar de onverschilligheid voor aardsche nietigheden,

haar 't uitzicht op een tijd, hersteller van 't voorleden!

Ja! ook de stervling is voor wetenschap gemaakt!

Gedreven door een vlam, die steeds zijn boezem blaakt, beproeft hy 't, aan natuur haar diepst geheim te ontwringen, de korst der aarde en 't ruim der heemlen door te dringen, om voedsel voor zijn geest, van weten nooit verzaad! Wat voorwerp in den kring van 't zichtbaar Al bestaat, de lucht die om hem golft, de ontelbre flikkervieren die voor zijn starend oog langs 's hemels vlakten zwieren, de grond dien hy betreedt, het uitgebreid geslacht der dieren, meê dit stof bezielend, en de kracht die 't lichaam dat hy draagt, beweging geeft en leven,

't wekt alles in hem op die weetlust, zoo verheven,

waarmee hy aan den klem der zinlijkheid ontschiet!

En zou die eedle drift in 't edelst schepsel niet ontvlammen, om den God, wiens aldoordringend wezen zich in wat adem haalt gevoelen doet en vreezen,

te naadren, en een straal te ontfangen van dat licht,

wiens schittring wijsheid is, verblindend voor 't gezicht!

Zou 't menschdom vol van zucht zich kennis op te delven in wat zijn zinnen treft, naar kennis van zich-zelven niet hijgen, zijn natuur, zijn plichten, en den band die hem aan wezens hecht van meer verheven stand?

Neen! dit ook heeft de mensch met d' adem ingezogen,

het is geen dwaze waan, geen meer dan menschlijk pogen!

224

ocr page 259

WIJSBEGEERTE EN DICHTKUNST.

De Godheid kweekt dien lust; Haar invloed openbaart ons waarheid, en die gunst is 't hoogste heil op aard.

Maar 't is de Eede niet, van wier bekrompen krachten, te licht, te vaak misbruikt, die weldaad is te wachten. De Godspraak vult het hart, en wijsgeer is, wiens mond de onwankelbare wet van dit gevoel verkondt.

Wat priester dan mag die orakelstem doen hooren,

dan gy, o dichter! gy, des hemels uitverkoren!

wiens ziels versmei tbre toon in 't hart zijn oorsprong heeft, wien steeds een grooter macht 't belauwerd hoofd omzweeft. Gy, voor wiens toovrend lied verwoede tijgers vielen, 't geboomte leven krijgt en steenen zich bezielen!

Dwing gy den mensch tot deugd, tot liefde voor zijn God, doe gy hem zalig zijn ten spijt van 't nijdig lot.

't Is schoon, wanneer uw zang het krijgsvolk bloed en leven voor eer en vaderland met geestdrift op doet geven;

maar schooner, voor die zucht naar krijg en krijgsgewoel, in 't schepsel, aan uw mond gekluisterd, 't rein gevoel van vrees en dankbaarheid voor die hem schiep te wekken, en wat uw ziel doorziet, aan 't sterflijk oog te ontdekken. Want ja! de koeling-zelf van dichterlijken gloed in vloeiend maatgezang, veredelt uw gemoed,

en loutert uw verstand van de aardsche wanbegrippen,

die d' uitgerekten arm de waarheid doen ontglippen.

't Almachtig scheppingswoord had uit het dorre niet d'onmetelijken klomp van 't stoffelijk gebied doen worden; zee en lucht zag 't nieuw geslacht der dieren nog pas zich zelf bewust, het feest der schepping vieren. Maar wat die aan 't gezicht van de alziende Englenrij voor wondren bood, hun geest zag dit tooneel voorbij,

daar ze in ondeelbre zorg hem, hem-alleen beschouwde,

voor wien zich al die pracht, die vruchtbaarheid ontvouwde! Op Adam, op een bed van bloemen uitgestrekt,

en naauwlijks uit den slaap, waarin hy wierd gewekt, op Adam rustte 't oog der heemlen, op de ontroering die heel zyn lichaam schokt, de hooge geestvervoering, en 't nooit beproefd gevoel, dat in zijn borst ontstaat en sneller dan het licht op 't Godlijk schoon gelaat

22

15

ocr page 260

HET NATUURLIJK VEEBAND VAN

te rug werkt, toen hy 't eerst, een vreemdling op deze aarde

van wat zijn zinnen trof, een duister beeld ontwaarde.

't Was al verwarring van zijn denkkracht! Dit alleen

begreep zijn kloppend hart in deze onzekerheên,

het aanzijn van een God, ver boven hem verheven,

en alles wat bestond, wiens weldaad hem deed leven.

In quot;t overstelpend heil, waarvan zijn boezem smelt,

wordt hem door de Almacht-zelf steeds grooter heil voorspeld;

en, mooglijk waar de mensch, van zulk een denkbeeld dronken,

in 't niet, waar aan hy naauw ontrukt was, weer gezonken,

bezweken in 't gevoel der heetste dankbaarheid;

had niet de Godheid hem één gaaf nog toegezeid,

voor 't menschelijk geslacht meer waard, dan al de schatten,

die de onbegrensheid der verbeelding mag bevatten!

Het lichaam naar den wil, de werking van 't verstand

bewogen, leert de vlam, die in de ziel ontbrandt,

in klanken, waar zich 't hart in spiegelt, uit te drukken.

Nu schijnt een gunstige arm de banden los te rukken

om Adams borst gehecht; een warme tranenvloed

ontspringt hem en ontlast de volheid van 't gemoed.

Hy richt het vonklend oog in geestdrift naar den hoogen

en ademt zangen uit, van godsvrucht opgetogen,

die wat zijn boezem op dit heilig uur ontroert

vernieuwen voor 't gehoor! De vlugge Zefir voert

het streelendste geluid tot voor de hemeltroonen,

en alles blijft geboeid aan zijn verheven tonen!

Hy zwijgt, — heel 't schepslendom vervangt het vurig lied

dat 's menschen zilvren stem zijn God ten hulde biedt.

Een nieuwe lust schijnt heel de schepping te doordringen,

om meê zijn grootheid, meê zijn weldaan te bezingen,

en doet de lucht alom weêrgalmen van zijn lof!

Nu eindlijk mag de mensch de wondren van het stof

begrijpen, en het doel waar God hem toe bestemde;

de duisternis verdwijnt, die om zijn zinnen klemde,

op eens wordt alles aan d'ontboeiden geest verklaard,

en Adam kent zich-zelf, en voelt zich Vorst der aard!

Dus, Stervling! is de kracht der Dichtkunst, als uw zangen den heilgen invloed van de Wijsbegeerte ontfangen,

en 't rijk der stofloosheid het rijk des Dichters is!

226

ocr page 261

WIJSBEGEERTE EN DICHTKUNST.

Gelukkig dan die tijd, waar op de erkentenis,

de liefde voor een God en zijn geboun, de snaren

bezielden in de hand der vrooms priesterscharen!

Zoo zong, o Israël! uw Moses, toen de vloed

geweken voor uw schreên, Egiptes overmoed

ten straf, tot d'ouden loop te rug vloeide, om haar telgen

in 's afgronds diepten met hun koning te verdelgen!

Zoo deed zijn treffend lied de Goddelijke hand

erkennen in den val van Isrels dwingeland,

en leerde hart en mond die zeegnende Almacht eeren;

Gy ook, gewijde grond, zoo vruchtbaar in Homeeren!

o Grieken! ook by u verhief de poëzy

haar stem, om 't luistrend volk door zoete melody

tot eerbied voor zijn goön, tot liefde voor zijn plichten

te vormen, en op 't pad der wijsheid voor te lichten!

Ja! zusters zijt ge en door een onvernielbren band vereenigd, Wijsbegeerte en Dichtkunst! hand aan hand daalt ge uit de wolken neamp;r, om 't menschdom op te leiden tot hooger werelden: en wee die u wil scheiden!

die is geen dichter, neen! wiens onbeduidend lied (een ijdle klank voor 't oor) het hart geen voorschrift biedt van waar- of zeedlijkheid. Den dichter is 't gegeven in 't schoone dat hy schept die bei te doen herleven, en, wat ook 't voorwerp van zijn geestverrukking zij,

zijn dierbaarst doel is steeds der zielen abtseny.

Homerus zing' den val der Trooische legergrooten,

of Vorst Ulysses lot, die van zijn vlootgenooten door de ongena der zee en 't woeden van den wind beroofd, na jaren leed zijn Ithaka hervindt;

of, doe een Sophocles in treurige tafreelen het diep geroerde hart in 't lot der helden deelen,

herboren op 't tooneel: en treff' het statig koor met wisslend liergezang het licht aandoenlijk oor!

't Dient alles om den mensch in 't edelst vuur te ontsteken voor deugd; om in zijn borst de zaden aan te kweken van liefde voor zijn land, van mannelijken moed, van Godsvrucht die de ziel haar oorsprong naadren doet, van zucht om wel te doen, van 't teder mededogen der broedermin, met hem, die, onder 't leed gebogen.

227

ocr page 262

HET NATUUBLIJK VERBAND VAN

geen heil mag smaken dan die zaligende troost!

Bit is de poêzy: geen ongebonden kroost

der hersnen, dat alleen, Verbeelding! door uw sproken

('t gebied der waarheid vreemd) in zangdrift wordt ontstoken:

van hier dan hy, wiens toon, uit grove zinlijkheid

gesproten, ;t hart verlaagt en ten verderf bereidt!

hem weert de Dichtkunst af van haar ontzachtbren tempel!

Hy vluchte en wage 't nooit dees onbevlekten drempel

te naadren, voor zijn geest, van aardsche lust en smaak

gezuiverd, zich in 't end haar gunsten waardig maak!

Wel aan! gij aohtbre Rei van uitgelezen dichters, die Vondels heilig pad betreden durft! gy, stichters des vaderlandschen roems! gy, die den vreemdling toont dat de echte dichtgeest ook het Hollandsch hart bewoont;

niet in het vocht verstikt van dampige moerassen,

noch door de kou van 't Noord verhinderd op te wassen!

Zult ge ook uw gouden lier niet stemmen op den toon der Wijsheid? Zal haar kracht zich aan 't verheven schoon niet mengen in uw zang? Uw godentaal niet leeren de deugd, als 't hoogste goed, met daden te vereeren? Het duivlenrijk heeft uit, dat heel Euroop geknield,

het lijdend hart verkropt en toegeknepen hield!

Het is geen noodzaak meer, wat heiligst is, te honen,

en de ondeugd heerscht niet meer in schaauw van koningstroonen! Nog echter heeft die trots van 't menschelijk gemoed zoo lang door 't zuchtend volk bezuurd, niet uitgewoed.

Gelijk de holle zee, wier breede golven koken door 't zweepen van den wind haar boorden uitgebroken,

schoon reeds het stormgeweld de heldre lucht verlaat nog met zijn bruischend schuim op rots en banken slaat; of wen 't verslindend vuur, onmerkbaar opgerezen,

weldra een gantsche stad haar ondergang doet vreezen,

en de onvermoeide zorg der burgren haar den buit ontweldigt, en in 't end den loop der vlammen stuit,

terwijl een heimlijk vuur blijft smeulen onder de asschen, dat licht het zorgloos volk met nieuwen schrik verrassen, in 't onheil domplen zal; zoo is de helsche lust naar dwaze nieuwigheên by 't menschdom, ja, gebluscht,

maar liet nog vonken na, door uwe hulp te smoren,

238

ocr page 263

WIJSBEGEERTE EN DICHTKUNST.

o heiige poëzy! Doe gy de lessen booren der echte Wijsbegeerte; en zij do hoogo roem den mensch ter zaligheid te voeren, aan den bloem der Barden, uit uw schoot, o Nederland! geboren, bestemd! ontwijk' hun voet reeds plat getreden sporen! Hy kieze een nieuwer pad, dat naar den zangberg leidt! Zoo wordt uw roem met hen door heel Euroop verbreid, en, door bet nageslacht met huivering betreden, 't herschapen Griekenland in Neêrland aangebeden!

Wie heft me in onnazienbre vlucht door wolken heen en etherlucht,

en voert my nader aan de boorden van een nog ongerepte bron,

waar zich mijn dorst aan lesschen kon in onuitputbren stroom van woorden!

Uw grootheid zong ik, uwen lof,

bezielster van het doode stof als van de zalige Englenkringen!

ü. Godgewijde Poëzy!

wier onweérstaanbre heerschappy 't heelal in ketenen kan dwingen'

O! naar het buigen van mijn toon zonk de aard aanbiddend voor uw troon, en stortte blakende gezangen;

en zee en hemel spanden saam om in het loven van uw naam de stem van 't menschdom te vervangen!

Ten prooi aan 't wisselzieke lot,

en van den zetel van zijn God verwijderd, balling op dees aarde,

zijt gy het, dierbaar hemelkroost,

die 'smenschen jammeren vertroost,

die hem herinnert aan zijn waarde!

Egipte stapel' marmer op tot torens, die den vasten kop tot aan het starrendak verheffen!

Ook die gevaarten zal de tijd,

ocr page 264

WIJSBEGEERTE EN DICHTKUNST.

wiens nijd geen menschengrootheid lijdt, met zijn getergden bliksem treffen.

Maar wat de dichterlijke gloed in onzen boezem rijzen doet,

is boven 't eigen lot verheven:

die eedle vlam blijft by den val van 't in den baaiert keerend Al met de onvergangbre geesten leven!

Heil, heil den naam van d' oorlogsheld, door 's dichters loflied eens vermeld! Die is voor ondergang beveiligd!

Die leeft met nooit vervallen kracht tot by het verste nageslacht,

door heel de menschlijkheid geheiligd!

Maar heil het gantsche wereldrond, wanneer, o dichtrenrei! uw mond de ware wijsheid zal verkonden!

Dan is voor 't eerst beneveld oog natnurs geheim niet meer te hoog om op uw voorbeeld te doorgronden.

Dan voelt het menschelijk verstand zich aan het Englenrijk verwant,

door u hervormd tot reiner zeden: en onder d' invloed van een God verzacht de hardheid van ons lot,

en de aard verkeert zich in een Edenl

En by de naadiing van het uur waarop het vonnis der natuur het broze lichaam dreigt te slopen; dan ziet, voor sterven onbevreesd, de door uw toorts verlichte geest het rijk der heemlen voor zich open!

230

ocr page 265

TOELICHTINGEN.

Voorrede Lij den tweeden druk, bladz. 11. Waar in deze Voorrede sprake is van een Brief van Dr. Beets aan den uitgever, den Heer d. a. thibme te Arnhem, schijnt het niet ongepast, dien Brief hier in zijn geheel te laten volgen. Hij luidt aldus:

,Ik verheug mij zeer dat door U het voornemen is opgevat de „Kompleete Dichtwerken van Da Costaquot; in eene zoogenaamde Volksuitgave te doen verschijnen, waaronder ik eene zoodanige versta, waardoor deze uitnemende poëzie onder het bereik van het groot publiek gebracht en haar genot en bezit niet grootendeels tot die bevoorrechten beperkt wordt, wie het niet ongelegen komt drie, vier gulden voor een enkelen versbundel uit te geven. Het is hoog tijd dat onze Nederlandsche klassieken, door het grootste en beste deel hunner landgenooten niet meer enkel uit Bloemlezingen, en derhalve veel minder gekend worden dan de buitenlandsche, wier meesterwerken geen bezwaar opleveren voor hunne beurs. En dat Da Costa in eene eerste plaats tot onze klassieken behoort, zal wel door niemand worden betwist. Van harte wensch ik U dan ook allen mogelijken voorspoed op deze in mijn oog zoo goede onderneming toe. Vergundet gij mij U daarbij eenen raad te geven, het zoude die zijn, in deze uitgave van de hiertoe onder onze vaste gewoonte af te wijken om iederen versregel met een hoofdletter aan te vangen, en die alleen daar te behouden waar, met den voorgaanden versregel ook de volzin geëindigd is, of in eene eenig-zins grootere mate dan door het zinteeken is aangegeven opgehouden wordt, zoo dat men mag aannemen dat de dichter, behalve op het zinteeken, ook op de rust gerekend heeft, die de afloop van het veis medebrengt, en de aanhef van den nieuwen versregel met de daarbij gewone stemverheffing kan worden uitgebracht. Ik

ocr page 266

TOELICHTINGEN.

ben van oordeel dat vooral bij eene versificatie als die van Da Costa en bepaaldelijk in zijne grootere, in alexandrijnen geschrevene, stukken, de geringe opoffering van een overbodig uitwendig sieraad de innerlijke schoonheden beter zal doen genieten, en door de meeste lezers met oprechte dankbaarheid zal worden vergolden.

Met verschuldigde achting heb ik de eer te zijn.

Uw Dinstw. dienaar. (get.) NICOLAAS BEETS.

Utrecht, 24 Maart 1870.

Wat nu de door Dr. N. Beets hierboven voorgestelde wijziging in den vorm der uitgave betreft, onwillekeurig rijst daarbij de vraag, hoe Da Costa zelf over eene dergelijke vernieuwing zou hebben gedacht? Met zekerheid kan dit natuurlijk niet worden uitgemaakt. Desniettemin heeft het mij evenwel getroffen, dat mij in de jongste dagen een handschrift des Dichters onder het oog is gekomen, bevattende afschrift van zijne hand van een uitvoerig dichtstuk uit vroegere dagen, met alle zorg en keurigheid ten pa-piere gebracht, waarin vrij wat dichtregels voorkomen, die niet met een hoofdletter, maar met een gewone letter aanvangen. Er blijkt althans uit, dat het denkbeeld van eene wijziging, als nu wordt beproefd, ook hem voor den geest heeft gestaan, al heeft hij later in zijne uitgegeven gedichten den gewonen vorm behouden. Het bedoelde gedicht, omtrent 250 regels groot, draagt tot opschrift; Onsterfelijkheid, maar scheen, hoeveel goudaderen daarin door het erts heenloopen, in zijn geheel te weinig kenmerkends te bezitten om hier te worden meegedeeld. Dit dichtstuk werd evenals de beide eerstelingen in dezen bundel: Lof der Dichtkunst en De Verlossing van Nederland het eerst voorgedragen in een letterkundig genootschap, welks leden allen tot het Israëlitische kerkgenootschap behoorden, en dat tot leuze had: Concordia crescimus. Da Costa was daarin niet alleen gewoon lid, maar ook later, op zeer jeugdigen leeftijd, voorzitter, en werd er meermalen op uitgeschreven prijsvragen bekroond. Na de voordracht van zulk een prijsverhandeling liet hij wel eens eene proeve van zijne poëzie volgen. De kennismaking met een en ander ziin wij verschuldigd aan den WelEdelgeboren Heer D. Henriques de Castro, een stamgenoot zoowel als bewonderaar van Da Costa, die de verzameling der Verhandelingen en Gedichten, in der tijd iu

232

ocr page 267

TOELICHTIKUEN

dit genootschap voorgedragen, op eene boekverkooping, onlangs door den Heer Frederik Muller gehouden, aankocht, en mijnen vriend Mr. A. Da Costa en mij daarvan inzage verleende, waarvoor hem hier onze openlijke dank wordt toegebracht. Het scheen ons niet ongepast toe, ook uit die geheel onuitgegeven verzameling eene enkele proeve te geven, en wij kozen daartoe het onderstaand gedicht, zoowel om de reeds veelbelovende mannelijke versificatie, als om den inhoud, waarin een en andermaal toonen klinken, die, ons als een voorspel doen hooren van de muziek, die ons later in nog veel forscher en melodieuser klanken, van de luit des Meesterzangers zou toeklinken.

Het genoemde dichtstuk heeft tot opschrift:

DE DICHTER.

SLOTZANG NA DE VOOKDHAOHT EENEE BEKROONDE PRIJSVERHANDELING OVER HET ONDERSCHEID TUSSCHEN DEN DICHTER EN DEN REDENAAR, VOORGEDRAGEN IN HET LETTERKUNDIG GENOOTSCHAP: CONCORDIA CKESCIMUS.

Orator ftt, poeta uascitur.

Van waar, van waar die felle ontroering,

waarmee uw kunst quot;t gevoelig harte treft?

Van waar die hooge geestvervoering,

die op uw toon, o Dichters! ons verheft?

Rukt uw Verbeelding ons ten hoogen by 't klinken van uw schelle luit?

En oefent zy dat goddelijk vermogen op 't hart der stervelingen uit?

Neen, geen Verbeeldings vlugge spoken,

wier invloed ooit den waren Dichter maakt!

Neen, in Gevoel geheel ontstoken,

deelt hy het vuur, waarvan zijn boezem blaakt,

met hart- en geestverheffend zingen,

de zielen van zijn hoordren meê,

en naar zijn wil voelt elk zijn borst doordringen van zaligheid of nijpend wee.

Gelijk de zon, als zy haar stralen door 't maatloos ruim des hemels schieten doet.

233

ocr page 268

TOELICHTINGEN.

de werelden, die om haar dwalen,

oen deel verleent van haar onblusclibren gloed, zoo treft ons ook, o Febus' zonen!

een vonk van 't vuur, dat u doorgloeit,

wanneer ons oor aan uwe hemeltonen met wondre wellust wordt geboeid.

Gy ook, wier achtbro hand mijn hairen niet d'eerekrans, des winnaars loon, versiert!

Gy voeldet ook, wat kracht de snaren der gouden lier in 's Dichters hand bestiert!

Gy schetstet duidlijk aan onze oogen, wat Dichter maakt, wat Redenaar;

eu hoe ze ook meer verschillen mogen, al 't onderscheid ontspruit van daar!

Ja! Vorst van Nederlands poëten,

gy, Bilderdijk! met de echte kunst begaafd!

Wat ijdle rechters zich vermeten,

aan smaak en wet van vreemden gansch verslaafd. Verbeelding als de Godheid te eeren,

wier adem 's dichters boezem blaakt,

my zal altijd uw les, uw voorbeeld leeren,

dat waar Gevoel den Dichter maakt!

Maar dat Gevoel is ingeboren,

en zonder 't werk der Goddelijke gunst

is vlijt en oefening verloren;

die hemelvlam ontsteekt men niet door kunst

Moog' de oefning dan het werk volmaken, ze ontwikkel' 't nog verborgen vuur,

maar laat' zy af naar scheppingskracht te haken; die kracht behoort slechts aan Natuur.

Beploeg het zand der dorre stranden,

of worstel met de kracht van d'Oceaan;

ja, waag 't den woudvorst aan te randen;

belet den loop der wentelende maan;

maar poog geen Dichter ooit te maken van hem, dien, voor Gevoel te koud,

geen schoonheid van natuur of kunst kan raken, geen grootheid opgetogen houdt!

234

ocr page 269

TOELICHTINGEN.

Maar gy, des hemels Lievelingen,

gy, in wier hart die gaaf is ingedrukt!

gy voert ons op in hooger kringen,

cn, waar gy wilt, daar volgen we u, verrukt.

Geen Cicero, hoe ook zijn woorden

als honig vloeien van zijn tong,

ontroerde ooit zoo den geest van die hem hoorden, als slechts één vers, dat Maro zong.

Welaan, hebt gy die macht ontvangen,

en oefent gy ze op onze harten uitquot;?

Vereert de deugd in uwe zangen!

Geen zeedloos lied ontspringe aan uwe luit!

Leert ons op 't noodlot triumfeeren;

leert Heldenmoed, Menschlievendheid!

Zoo zal elke eeuw des Dichters naam vereeren,

daar hy den raensch ter Deugd geleidt!

18U.

Bladz. 1.

[De kompleete dichtwerken van Da Costa worden geopend met het gedicht, getiteld: Lof der Dichtkunst. Het komt voor in den Bundel Zangen uit verscheidenen Leeftijd, waarin, nevens dit, nog meer andere Gedichten uit het eerste tydperk van des Zangers dichterlijk leven en werken voorkomen. Deze Bundel werd uitgegeven bij Kruseman in het jaar 1847. Hij werd voorafgegaan door de Voorrede, die hier volgt:]

VOORREDE VOOR DE

ZANGEN UIT VERSCHEIDENEN LEEFTIJD.

Do herdruk der twee Deelen mijner Poëzy gaf aanleiding tot het denkbeeld, om het hier en daar in Tijdschriften of Jaarboekjes verstrooide, met een en ander uit hetgeen nog gantsch onuitgegeven daar lag, in een Deeltje te vergaderen van gelijk formaat en by wege van vervolg der even vermelde nieuwe Uitgave, Als nu sommigen mijner Vrienden den wensch hadden te kennen gegeven, dat daarin eene plaats werd verleend aan een in den handel niet meer verkrijgbaar Dichtstuk uit mijne vroegere jongelingsjaren (de Verlossing van Nederland a0 1814), zoo ging ik, hieraan voldoende, nog een kleinen stap verder achteruit; — in overeenstemming met

235

ocr page 270

236 TOELICHTINGEN.

dien trek naar completeering, die ons tot in het onbeduidendste wel eens vervolgt, wordt nu deze kleine Bundel geopend met het eerste Hollandsche vers, dat ik my herinner geschreven te hebben en nog voorhanden had. Als zoodanig had evenwel het stukje: Lof der Dichtkunst toch nog eene waarde van herinnering voor my: daarin namelijk, dat ik door dit vers het eerst in kennis kwam met bilderdijk. Iemand bad het hem als den arbeid van een jeugdigen Israëliet medegedeeld, en hij vond er iets in dat hem aantrok; waarschijnlijk het hoofddenkbeeld, ontleend voor het overige van een bekend Grieksch Byschrift op den oudsten en grootsten der Heldendichters. Hoe het zij, van dat oogenblik gaf ik de Latijnsche Muze haar afscheid, — (ik had tot dien tijd toe nooit anders dan in het Latijn poëzy geoefend, ingenomen als ik was, geheel en uitsluitend, met de oude Klassieken, en wat in de nieuwere talen dat voetspoor betrad,) — voor het eerst had ik nu in my-zelven eenig gevoel voor Nederlandsche poëzy ontwaard. De vrucht hiervan was eerst en meest de overbrenging eeniger Griek-sche modellen in onze taal, by name uit esohylus, den Treurspeldichter, wiens vereenigde Homerische en Oostersche grootaardigheid my bijzonder had aangetrokken. Zoo gaf ik in 1816 zijne Perzen, in 1820 zijnen Prometheus in Nederduitsche dichtmaat. Aan een Fragment uit de Zeven tegen Thebe en nog een ander uit den Agamemnon, welke by die overbrengingen als een soort van toevoegsel gegeven zijn, ruimde ik in deze tegenwoordige Verzameling eene plaats in, mitsgaders aan de Ode aan het Treurspel; zy karakteriseeren voor een aanmerkelijk deel de toenmalige richting van mijn gemoed in poëzy.

Eerst wezenlijk als dichter ontwaakte ik, toen in my de Israëlitische zelfbewustheid ontwaakte; toen voor my, na lang dobberen tusschen een philosophisch Deïsmus en een zucht naar positieve Godsdienst, het voorleden mijner natie tot historie van Gods Openbaring en Wereldregeering geworden was; toen my de bestemming van dat volk, de toekomst der wereld, en de eenige weg te gelijk van eigen zielsbehoud begon helder te worden in Mozes en de Propheten, — straks in de openbaring des Nieuwen Testaments, in het Evangelie des naams van Jesus Christus. De eerste bladen en bloesems der nieuwe poëzy, zoo wel als de geschiedenis harer eerste wording, zijn nedergelegd in den Dichtbundel van 1821 en 1822. Een meftr gerijpte vrucht van hetzelfde beginsel gaf ik later

ocr page 271

TOELICHTINGEN.

(a0 1826) in de Hymne: God met ons, en in het Dichterlijk Krijgsmuzijk (van dat zelfde jaar), de Feestliederen en Feestzangen (der jaren 1828 en 1829), en misschien in een en ander lied in deze Verzameling van Zangen uit verschei-denen leeftijd, gelijk die sedert 1821 een meer bepaald en zelfstandig karakter hebben gekregen.

Later gingen er weder jaren om, dat het poëtisch element zich by my minder bepaald in den eigenlijken dichtvorm lucht gaf. Daar is, vooral in onzen tijd, op allerlei gebied eene natuurlijke strekking der poëzy tot proza-wording, d. i. van het geestelijk-ideale naar het praktisch-reëele, die ik geloof, dat weinige dichters van onzen leeftijd hebben kannen ontgaan. Toch pleegt onder dien indruk aan geen waar dichter zijne poëzy als hoofdelement in denken, spreken en schrijven, geheel te ontvallen. Ook de prosa (wie betwijfelt het?) heeft hare poëzy, en rampzalig (omgekeerd!) de poëzy, die geen ander uitwerksel van zich nalaat, dan dat van deu weiluidenden klank of bevalligen vorm.

Intusschen ook waar de Dichter uit hoofde van de stof die hem ter harte gaat, uit hoofde van de schare tot welke hy zich richt, uit hoofde van den tijd waarin hy leeft, de meer vrije en populaire vormen van het prosa verkiest, keert hy als van zelve meer dan eens te rug tot dien van rijm- en maatzang, alsof voor hem toch enkel daarin de fijnste en gevoeligste nuances van zijne gedachten zijn weder te geven! Doch ook aan deze poëzy kleeft dan wederom wel eens iets van den prosavorm aan, — eene menging, die (zoo een oordeel, zelfs door vergelijking met eigene verzen, niet reeds eene aanmatiging is!) by my althands een meer rustig gevoel verwekt, dan vroegere meer bruischende misschien, maar ook minder bestemde voortbrengsels van mijn vroeger tijd. Tot deze menging in elk geval schijnen my de meeste latere verzen (sedert 1830) van dezen tegenwoordigen Bundel te behooren, in het bijzonder de Vijf en Twintig jaren, waarin ik voor het eerst die wijziging, na een vrij lange pause in mijn dichterlijke loopbaan, recht duidelijk onderscheidde by my-zelven.

Hoe het zij, prosa of poëzy, of beide vereenigd, — zoo in mijne vroegere of latere schriften immer iets eenige gehalte bezat, 't was my of vrucht des Evangelies, of voorbereiding of behoeftewekking

ocr page 272

TOELICHTINGEN.

tot die eeuwige Waarheid. Aan deze worde dan ook wederom wat hier wordt aangeboden getoetst, — aan deze dienstbaar gemaakt! Ook op het gebied van Kunst en Wetenschap heeft dat woord: Één dingisnoodig! zijne hooge beteekenis, en de tijden waarin wy leven en die wy te gemoet gaan, zullen eerlang ook daar geen ding onverschillig laten tusschen dat ontzachlijk; Vóór my of tegen My, waarin de Heer al wat van ver en van naby tot Zijn Rijk in betrekking staat, eenmaal voor altoos onderscheidde.

November 1847.

Bladz. 1.

[lof der dichtkunst. Deze eersteling des Dichters is, gelijk hier boven gezegd werd, als zoodanig merkwaardig, omdat hij de aanleiding werd tot de eerste kennismaking met Bilderdijk.]

Bladz. 10.

[aan de wel edele heeren mr. w. bilderdijk en mr. d. j. van

lennep. Deze opdracht heeft betrekking tot het Treurspel: de Perzen, waarvan de eerste oorspronkelijke uitgave in 1816, da tweede in 1853 verscheen.

De Voorrede voor den eersten druk luidde als volgt :J

VOORREDE

voor den eersten druk.

Een enkel tooneel van Eschylus Perzen, oefeningshalve door my in Hollandsche verzen overgezet, bracht my op het besluit, een zoo genogelijken arbeid aan het gantsche stuk te besteden. De vrucht van dezen arbeid deel ik thands mijnen landgenooten mede, niet in den waan, hun hierdoor een juist denkbeeld van het oorspronkelijke in hunne moederiaal te geven, maar met zucht om de aandacht nader te vestigen op een dichter, mijns oordeels, niet genoeg naarmate van zijne buitengewone verdiensten gelezen en geacht. Misschien mag dit stuk tn deze tijden eenig bijzonder belang inboezemen, uit hoofde van eene in het oog loopende overeenkomst lusschen deszelfs onderwerp en de jongste gezegende gebeurtenissen n Europa. Voor de eer echter der personaadjen van dit stuk (die in al hunne rampen toch altoos eene recht eerbiedenswaardige grootheid behouden) had ik niet gaarne dat men deze overeenkomst te veel in détail toepaste. Hetgeen ik voorts over den Dichter-zelven sn zijne Perzen te zeggen had, heb ik bewaard voor

238

ocr page 273

TOELICHTINGEN.

de Inleiding van eenige Aanteekeningen, achter de overzetting ge. drukt. Deze Aanteekeningen hebben voor het grootste gedeelte geen ander doel dan de verklaring van het geen nog in ons Hol-landsch voor den min bedrevene eenige moeilijkheid kan hebben, als toespelingen op oude gebeurtenissen, namen van landen en steden, en meer diergelijks. Somtijds ook heb ik gemeend rede te moeten geven van den zin, waarin ik de eene en andere plaats van het oorspronkelijke opgevat en overgebracht heb. Dramatisch Dichtstuk voeren de Perzen in mijne navolging ten titel, omdat ik vreesde, dat het Grieksche woord Toaymóia door Treurspel uitgedrukt een verkeerde gedachte van hetgeen men by de lezing te verwachten heeft, zou doen geboren worden. Er is voorzeker onder alle de oude dichteren niemand, wiens Tragediën meer van wat men tegenwoordig met den naam van Treurspel bestempelt afwijken, dan Eschylus. Laat mij eindelijk nog dit, betreffende mijn eigen werk, aanmerken, dat ik in het aannemen der geslachten en het regelen der spelling my voornamelijk heb gedragen naar de gronden aangegeven door den Heer Mr. Bilderdijk in zijne Verhandeling over de Geslachten der Naamwoorden.

Moge de hooge bewondering, waarmede de grootheid van den oorapronkelijken Dichter mijn hart steeds vervuld heeft, haren invloed op deze navolging uitgeoefend hebben! Het is hier aan alleen en geenszins aan eigene verdiensten, dat ik een gunstig onthaal van mijnen arbeid, bijaldien my dit te beurt viel, zou hebben to danken!

[De tweede druk, opgenomen in den Bundel getiteld: Eschylus dramatische dichtstukken, werd voorafgegaan van een Voorbericht, dat dus luidt:]

VOORREDE

VOOK BEN TWEEDEN DEUK.

Toen ik my, nu omstreeks zeven en dertig jaar geleden, met een schier kinderlijke dichtpen en misschien ruim zoo zeer kinderlijken overmoed, aan de overbrenging van Eschylus Perzen, vier jaren later aan die van zijnen Prometheus waagde, gaf ik my eigenlijk aan een onwederstaanbaren indruk, een persoonlijken door niemand zoo zeer by my opgewekten smaak, daarby over. Weinig wist ik, dus doende, dat deze smaak, die indruk, in verband stond met

239

ocr page 274

TOELICHTINGEN.

eene op dat tijdstip overal ook elders herlevende en sedert steeds meer toegenomene waardeering van den verheven Athener, het kolossaal vernuft, hetwelk men in deze dagen zoo te recht vergeleken heeft met die twee hoofden der nieuwe Europeesche Letterkunde: Dante en Shakespeare. En toch het was zoo: want op elk gebied moet vroeg of laat elke lof of blaam van loutere conventie, elke miskenning of overdrijving, voor de wezenlijke waarde en waardeering der dingen onderdoen en plaats maken. En zoo was dan ook op het gebied van klassieke Dichtkunst de tijd aangebroken, dat de voorrang, door den veel te hoog opgetilden Euripides onder het by uitstek beroemde drietal der Grieksche Tragedie-dichters ingenomen, niet eens meer aan Sophocles, maar aan den veel te lang ongekend gebleven Eschylus moest worden toegewezen. Het Europa der negentiende eeuw vereenigde zich, uit zijn zoo geheel onderscheiden standpunt en onder zoo geheel andere omstandigheden en begrippen, met de uitspraak by Socrates en Euripides geestigen tijdgenoot, Aristophanes: „Wat my betreft, ik acht dat aan Eschylus de zege toekomt.quot; Maar ook met betrekking tot den eiseh der echte Grieksche taal, kende hem nog onlangs onze Nederlandsche Meester in dat vak denzelfden voorrang toe (Cobet, Commentatio de emendande ratione grammaticae graecae discernendo orationem artificialem ab oratione populari, p. 11).

Zy is inderdaad een opmerkelijk en geenszins op zich-zelf staand verschijnsel (trouwens wat verschijnsel op het gebied van den menschelijken geest en van een zijner beduidendste organen, de poëzy, staat of stond immer op zich-zelf?); zij is voorzeker een merkwaardig verschijnsel, die toegenomene waardeering van Eschylus, die eerplaats door den zoo geheel oorspronkelijken Puikdichter heroverd, juist in onze door allerlei bewegingen en bewerkingen zoo veelzijdig geoefende en gescherpte negentiende eeuw. In vroeger dagen had het zekerlijk ook dezen sieraad der Atheensche gouden eeuw aan geene geleerde uitleggers en hoogschatters ontbroken. Doch wat de laatste veertig jaren op in het oog loopende wijze en in nog ongekende mate voor hem, den Griek, even als voor den even herinnerden Engelschman der zestiende eeuw, tot volle rijpheid brachten, was een vermeerderde en nieuwe keur èn van dichterlijke navolgers èn van bevoegde bewonderaars, — van zorgvuldige proevers en verbeteraars van den schroomlijk bedorven Griekschen tekst, bovendien.

•240

ocr page 275

TOELICHTINGEN.

Allerlei natiën, de Fransche zoo wel als de Engelache en Hoog-duitsche, de Belgische zoo wel als de Nederduitsche, brachten daaraan als om strijd het hare toe. Op Goethe, dien dichterlijken Titan van Duitschland, is ook van dezen Titan der klassieke Oudheid de invloed merkbaar en aanmerkelijk geweest. Lord Byron verklaarde dat de indruk van Esohylus Prometheus, die door hem op Harrow-college met zijne medestudenten driemaal in een enkel jaar gelezen was, op alles wat hy sedert zelf heeft geschreven een beslissende uitwerking geoefend heeft. Sints vertaalden hem Fransche dichters als Edgar Quinet en Cohen, en verschenen, naast de Commentariën en Aanteekeningen der Blomfields, Elmsleis, Schneiders, Wellaners, ook van den beroemden Parijschen Bois-sonnade keurige noten, van den vroeg gestorvenen Emile Frensdorff te Brussel zijne belangwekkende studiën op en over Eschylus. In ons Nederland heeft niet alleen te Groningen de overleden Hoogleeraar van Limburg Brouwer zich in meer dan éénen letterkundigen arbeid de machtige verdiensten ook van dezen oudste en stoutste van het Tragische Drietal aangetrokken, maar wijdden mede nog onlangs de Hoogleeraar Karsten te Utrecht, de school van Cobet te Leyden, eene in het oog vallende aandacht en moeite het zij aan de phiologische en esthetische toelichting, het zij aan de kritische behandeling en genezing van hetgeen, in de nalatenschap der klassieke Grieksche Oudheid, uit de pen van Eschylus tot ons kwam.

Omtrent geenen anderen puikdichter misschien heeft de tegenwoordige richting en beweging binnen het evengemeld drieledig gebied van geleerdheid, kritiek en kunstsmaak een meer beduidenden en verver-schenden invloed op belangstelling en behandeling ten gevolge gehad.

Van my, Israëliet die ik ben van afkomst en aanleg, zal het niemand bevreemden, als ik hier by herhaling te kennen geef, dat hetgeen my zoo vroeg en zoo sterk in den Dichter van de Perzen, van de Zeven tegen Thebe, van den Prometheua van den Agamemnon aantrok, de ruim zoo zeer Oostersche als Grieksche adem is, die deze meesterstukken doorwaait en bezielt. Men duide het my evenmin ten kwade, indien ik, nog wat verder gaande, aan even diezelfde oorzaak, aan des Dichters veelszins Oostersche physionomie en verhevenheid, de buiten alle vroegere evenredigheid in onzen tijd aan Eschylus te beurt vallende hoogschatting wijt. (Ook Frensdorff was, zoo wel als Cohen, meen ik, Israëliet.) Zy liggen in de eigenaartigheid, zy behooren tot de teekenen van on-

I. 16

241

'

d.

ocr page 276

TOELICHTINGEN.

zen veel bewogenen, veel (al zij het ook soms zijns ondanks) op nieuw erkennenden; vooral veel voorspellenden tijd, — die trek en aan-dirft naar het Oosten, van waar zoo veel dat groot en goed is, van waar alles dat op aarde Goddelijk is zijnen oorsprong herleidt; maar dat Oosten, van waar de zon uitgaat en werwaart zy, ook terwijl wy slapen, en buiten het bereik onzer zinnelijke waarneming, terug keert. Naar het Oosten, het zij dan over oud-Griekenland, het zij over het oude Byzantium, of al ware hot ook over het Americaansche Westen, om weder op te frisschen, om eenmaal geheel weder op te leven, moet het met onze menschheid vroeg of laat toch eens heen!

Als dan nu, by dergelijken onverflaauwden, of liever vernieuwden indruk van een geliefkoosden Dichter mijner jeugd, het voorstel eener nieuwe uitgave, na schier veertig jaren tusschenpozing, door mijn geachten vriend den Boekhandelaar Kruseman tot my kwam, kan het niemand die op dit gebied zelf geen vreemdeling is, bevreemden, dat allerlei gedachten, plannen, wenschen, zich op dien naamklank van Eschylus by my verdrongen. Men zoude zich bijna jeugdige krachten op nieuw, en vooral ruimte van vrijen tijd toe-wenschen, om zich weder eens bepaald by zulk eene gelegenheid in den Griekschen hoofddichter van alle zijden in te studeeren. Maar jeugdige krachten voor zoo veel die nog niet geheel mochten geweken zijn, maar ruimte van tijd zoo veel die gegund wordt, zijn aan plichten en werkzaamheden verbonden, die voor geene nevenstudie, hoe ernstig en belangrijk ook anders, moesten plaats maken. Na allerlei plannen, om èn de dichterlijke overbrengingen, èn vooral de veel te ledige Voorréde mitsgaders de onbeduidende Aanteekeningen van 1816 en 1820 geheel over te werken, kwamen al de barensweeën van den berg op het zeer onschuldige besluit neder, om by dezen herdruk de vroegere uitgave zoo goed als onveranderd, onverbeterd en onvermeerderd, alleenlijk weder te geven. Zie daar dan het weinige, dat ik mijn goedgunstigen Lezer hier heb aan te ibieden, met uitlating voorts van het fragment uit de Zeven tegen Thebe, dat vroeger in de Perzen hl. 72—88 gelezen werd, en van het fragment uit den Agamemnon achter don Prometheus in der tijd geplaatst, mitsgaders van de O d e op het Treurspel, ter inleiding van deze laatste overbrenging gegeven. Alle drie deze vruchten van jeugdigen dichtergloed zijn later opgenomen in mijne Zangen vanverscheidenenleef-t ij d (Haarlem, by Kruseman, 1847).

242

ocr page 277

TOELICHTINGEN.

Hetgeen intusschen, als natuurlijk, wel het meest door my by dezen onveranderden herdruk betreurd wordt, is het onveranderd geblevene van geheel de dichterlijke overbrenging-zelve. Ik had my voorgesteld onder het overlezen hier en daar verbeteringen, althands berispingen, van mijne eerstelingen in het vak, by deze gelegenheid te geven. Doch het bleek weldra: partieele verbeteringen hadden meer geschaad dan gebaal; de zelfkritiek ware in den grond eene aartigheid geweest, waar ik-zelf althands minder nog voor over-, dan mede ophad; aan een degelijke algeheele overwerking was, zonder lang en herhaald uitstel althands, van wege tijdsgebrek niet wel te denken.

Doe ik, na al het gezegde, kwalijk wanneer ik evenwel nog aan het slot eene kleine proeve laat volgen, hoe ik op deze mijne jaren wellicht denzelfden arbeid zoude opgevat hebben, in elk geval iu beginsel my nader aan de letter van het oorspronkelijke zou getracht hebben te houden? Jeugdige beoefenaars van dichterlijke vertaalkunst mogen tusschen de twee overzettingen van een enkel fragment uit de Perzen (den aanhef) eene keus doen, aan welke der twee proeven (behoudens hunne billijke vrijheid om ze beide gelijkelijk af te wijzen of ze te berispen) zy voor zich zelve by gelijksoortige onderneming, de voorkeur zouden geven; aan den tekst van den achttienjarigen of aan de variante van den vijf-en-vijftigjarigen Overzetter!

En hiermede zij den vriendelijken Lezer op dat gebied vooral met nadruk, het vaarwel toegeroepen, na nog even gevraagde verschooning voor zinstorende op de proef voorbygeziene drukfouten, en wat verder zijne opmerking, hopen wy, niet ontsnappen zal, maar evenwel op zijne oogluiking mogen rekenen.

Amsterdam, Junij 1853.

Bladz. 10.

[In de Opdracht van de vertolking van de Perzen aan Bilderdijk en van Lennep openbaart zich de innige vereering, die de Dichter, reeds als jongeling aan deze zijne dierbare Leermeesters toedroeg en betoonde. Omtrent zijne betrekking tot Bilderdijk, toen en later, behoeft hier wel niets meer te worden gezegd. Maar ook de betrekking, die tusschen Da Costa en van Lennep van des eersten studiejaren af bestond, bleef later steeds voortduren. Ondanks menig verschil van inzicht was het Da Costa immer eene behoefte des harten luide te betuigen, hoeveel hij dezen hoogvereerden Meester

243

ocr page 278

TOELICHTINGEN.

in meer dan één opzicht verschuldigd was. Hij bezong dan ook diens Vijftigjarigen jubel als Hoogleeraar in een schoon gedicht, dat later zal voorkomen, en wijdde hem ook na zijn overlijden in proza eene Hulde toe, die mede is gedrukt in het Album van Schoone Kunsten, 1853 pag. 49.1

Bladz. 47.

[Proeve van ovebwerking uit de perzen. — De chronologische orde in de opneming der dichtstukken, die men anders zooveel mogelijk heeft pogen te bewaren, wordt hier voor een enkele maal eenigszins verbroken. Immers deze Proeve dagteekent van het jaar 1853. Men meende echter de beide vertolkingen op elkander te moeten laten volgen, niet alleen omdat zij bij elkander be-hooren, maar ook omdat het dus den dichtlievenden lezer gemakkelijk gemaakt wordt de beide vertalingen met elkander te vergelijken.]

aahteekeningen op

DE PERZEN.

De dichter van het oorspronkelijke stuk, waarvan wy deze navolging aan onze landgenooten aanbieden, is een der genen geweest, welke meest toebrachten tot vestiging van den roem der oude Grieken in het vak van tooneeldicht. Den voorganger van Sophocles en Euripides in deze voortreffelijke soort van poëzy, zou dit alleen genoeg zijn, om hem onsterflijk te maken, al had hy-zelf geene meesterstukken voortgebracht, welke met die van zijne volgers verdienden gelijk gesteld te worden. Van een eenvondigen lierzang, ter eere van eene Godheid by plechtige gelegenheden door een Koor aangeheven, nu en dan doorweven met eenige verzen, door slechts één tweede personaadje voorgedragen, heeft hy een tooneel geschapen dat niet dan geringe beschaving van noode had, om tot een trap van volmaaktheid te geraken, waartoe gedurende meer dan twintig eeuwen geen volk op aarde, in de laatste tijden slechts één enkel, genaderd is. Dan die zelfde beschaving, welke een regelmatig treurspel deed geboren worden, heeft aan den anderen kant de oorspronkelijke kracht van den lierzang, welke er de hoofdrol in speelde, doen verflaauwen en langzamerhand den toon, waar by onzen dichter zelfs de diverbia (of samenspraken buiten het koor) op gedicht zijn, in hoogte en stoutheid doen afnemen. Van daar is het, dat, schoon men zijnen mededingers den

244

ocr page 279

TOELICHTINGEN.

voorkeur geve, wat aangaat de schikking en leiding van des Treur-spels onderwerp, by Eachylus (die zoo wel ten aanzien van zijne voortbrengselen, als van den tijd waarin hy geleefd heeft, een midden houdt tusschen deze en de oude nog ruwe lierzangdichters, als Thespis) zeker oneindig meer te vinden is voor hem, die het meur om pracht van stijl, rijk- en grootheid van beelden, kracht en verhevenheid van uitdrukking, stevigheid en zwier van versificatie te doen is. De Atheners-zelve hebben hem niet alleen boven Euripides, maar zelfs boven Sophocles gewaardeerd; de nieuweren, hoe zeer niet zoo gunstig over hem denkende, hebben echter steeds grooten prijs gesteld op het weinige dat van hem overgebleven is: en, voorwaar, zonder ons over de verdiensten van die drie groote mannen te bestemd uit te laten, meenen wy echter te kunnen be-weeren, dat Eschylus, in een ander opzicht als zijne twee volgeren uitmuntend, geen minder recht heeft op onze bewondering. — Wy gelooven den lezer geen ondienst te zullen doen, zoo wy deze aan-teekeningen aanvangen met een nader bericht over Eschylus-zelven, en over zijne Perzen in liet bijzonder.

Onze dichter dan werd uit een der aanzienlijkste geslachten te Athene geboren en maakte zich by ziine landgenooten niet minder door dapperheid dan door een voortreffelijken dichtgeest beroemd. Hy woonde de slagen van Marathon, Salamis en Platéa by, en schijnt aldaar bijzonder uitgemunt te hebben. Hy heeft echter in dat vaderland, hetwelk hy door zijn moed hielp verdedigen en tot wiens onsterflijken roem in het vak der letteren hy niet weinig heeft toegedragen, zijne dagen niet geëindigd. In de laatste jaren van zijn leven den prijs van het treurspel tegen den jongen Sophocles, of, gelijk anderen met minder waarschijnlijkheid willen, dien van een treurdicht op de gesneuvelden by Marathon tegen Simonides, verloren hebbende, verliet hy de stad en begaf zich naar den Vorst van Syracuse, Hiero, denzelfden, wiens overwinning in de Olympische en Pythische spelen door Pindarus bezongen is, en aan wiens hof zoo wel deze laatste, als Simonides, Bacchylides (beiden uitstekende dichters van dien tijd) en onze Eschylus het gunstigst onthaal genoten. Uit erkentenis voor de weldaden die hy daar ontfing. zegt men dat hy, ter eere van den koning, een treurspel geschreven heeft onder den naam van de Etna; welk treurspel echter niet tot ons gekomen is. Hy stierf te Gela, eene stad in Sicilië, drie jaren na zijne komst in dit land, in het vijf en zestigste jaar zijns ouderdoms. Na zijnen dood stelde men te Athene zulk een waaide

245

ocr page 280

TOELICHTNIGEN.

op zijne werken, dat men met een stuk van Eschylua behoorlijk verbeterd ter mededinging tot den prijs van het treurspel werd toegelaten. Men verhaalt ook dat treurspeldichters dikwijls hunne verzen op zijn graf kwamen voorlezen, als een hulde toegebracht aan de schim van hunnen verhevenen voorganger. Het getal der stukken, die zijne vruchtbare pen opgeleverd heeft, beloopt volgens sommigen op een en zeventig, (waar onder vijf Saterspelen), volgens anderen op negentig; van al het welk slechts zeven treurspelen tot ons gekomen zijn, met name: Prometheus, het beleg van Thebe, de Perzen, de Offeraarsters, Agamemnon, de Smeekenden, de Schrikgodinnen. Dertienmalen is hy overwinnaar geweest, en zelfs na zijn dood zijn sommige van zijne stukken bekroond geworden.

Uit alles, wat de oudheid van dezen man te boek gesteld heeft, kan men licht opmaken dat hy met een schitterend vernuft eene zeldzame vastheid van karakter en edelheid van gevoelens vereenigde. Dit blijkt ook voornamelijk uit den rol, dien hy zijne personaadjen over het algemeen doet spelen. Overal, het zij in voor- of tegenspoed, onderscheiden zy zich door eene nimmer vervallende grootheid van denken en spreken, welke te gelijk eerbied voor hen inboezemt, te gelijk een by uitstek hooge gedachte doet opvatten van de denkwijze des dichters, die zulke voorwerpen weet voor te stellen. Er is geen van zijne treurspelen, welke hier van geene bewijzen in menigte oplevert, en ook onze Perzen zyn er gantsch niet van misgedeeld. De Rei, bestaande uit mannen, door hunne wijsheid en hooggevorderde jaren uitstekend, en daarom door den koning-zelven gekozen om gedurende zijne afwezigheid het opzicht over zijne staten te voeren, betoont zelfs na de verschrikkelijke tijding van des legers volkomen nederlaag, en te midden van de klachten die zy doet ontstaan, eene Zidi altijd gelijk blijvende deftigheid. Xerxes-zelf, hoe roekeloos, hoe vernederd hy voorkome, behoudt in alle zijne handelingen, in alle zijne zeggingen, in al zjjn wanhoop zelf, iets treffends, dat geen medelijden alleen wekt, maar zelfs ontzag. Zoodanig is Eschylus in de daarstelling van zijne personaadjen, zoodanig is hy in de wijze waarop zy zich uitdrukken. Het grootsche, het verhevene, is altijd het kenmerk van zijne verzen, en de taal, die hy zijnen helden, halven goden en goden in den mond legt, is zoo verre boven den gewonen uitdruk verheven, als zy-zelven boven den gewonen kring der menschen.

246

ocr page 281

TOELICHTINGEN.

Wy zeiden hierboven dat Eschylus, ook ten aanzien van zijne voortbrengselen, een midden houdt tnsschen Thespis en diens tijd-genooten, aan den eenen kant, Sophocles en Euripides aan den anderen. En indedaad, zoo men den trant, waarin zijne stukken geschreven zgn, aandachtig nagaat, geloof ik dat deze aanmerking weldra bevestigd zal worden. Maar het zal daar dan ook te gelijk uit blijken, dat er grooter krachten vereischt werden, om het treurspel op te voeren tot den trap, dien het Eschylus heeft doen bereiken, dan om het op zulk eene hoogte zoo veel volkomenheid in het werktuiglijk gedeelte by te zetten, als by voorbeeld in Sophocles Koning Edipus bewonderd wordt. In een woord, behalve al het geen de Atheners den eersten te danken hadden voor al wat hy aan de behoorlijke uitvoering der stukken toegebracht heeft (iets, dat voor ons van minder belang is) heeft hy zoo vele voortreffeliike nieuwigheden in de pas geopende dramatische loopbaan ingevoerd, dat men hem met het beste recht den naam van Schepper van het Grieksche Tooneel zou kunnen toekennen.

En dit is, voor zoo verre men hem beschouwt, met betrekking tot den invloed dien zijne stukken op de vorming van het treurspel gehad hebben. Dan eerst komt Eschylus in het schitterendste daglicht voor, wanneer men hem als dichter beschouwt. By hem heerscht nog de lierzang in zijn volle zwier en kracht, en daar zelfs, waar de lateren, inzonderheid Euripides, een toon aannemen, den gematigden redenaarsstijl nader by komende, daalt hy van de eens bereikte hoogte niet af, maar mengt in den toon des zuiveren lierzangs, welke, by de koren uit haren aart vereischt, in de di verb ia minder te pas komt, eenen naar dien van het heldendicht eenigszins zwemenden; voor deze laatsten, den bestendigen jambischen (somtijds ook wel den trochaïschen) voetmaat bezigende. Van daar is het dat de stoutste vergelijkingen, overdrachtige en andere figuurlijke uitdrukkingen overal in menigte by hem gevonden worden. Over het algemeen heeft zijne poëzy eene kracht, waarvan niet alleen by de Pransche treurspeldichters, maar zelfs by zijne Grieksche volgeren, voor zoo verre hunne werken tot ons gekomen zijn, weinige of geene voorbeelden zijn. Tot deze kracht werkt niet weinig mede zijne recht schoone en grootsche versificatie, en het gepaste gebruik dat hy weet te maken van eene onwaardeerbare eigenschap der Grieksche taal (die ons Hollandsch met haar gemeen heeft), de vrijheid namelijk van nieuwe woorden

247

ocr page 282

TOELICHTINGEN.

door samenstelling te vormen. Verwonderlijk is de werking, welke dit op zijne verhalen vooral uitoefent. Deze zijn altijd vol vuur en leven, even als zijne hooguravende koorzangen met nieuwe en keurige epitheta, als het ware, bezield; en stellen met korte maar krachtige trekken de allertreffendste beelden aan den geest voor. Eindelijk, om nog iets tot 's mans lof te melden {want hem in alle deelen, waar hy in uitmunt, na te gaan, is hier niet te doen), is het alleropmerkenswaardigst hoe zelden onze dichter, in welke omstandigheid ook geplaatst, tot een toon, ja tot een uitdrukking vervalt, het treurspel, zoo als hy het zich voorstelde, onwaardig; iets, hetwelk van het grootste belang is en echter onder de menigte groote mannen, die zich in dit vak beroemd gemaakt hebben, niet altijd zoo streng in acht genomen is.

Het heeft ook hier wederom niet aan lieden ontbroken, die zijne verdiensten door allerlei spitsvondigheden zochten te kort te doen. Zoo zijn er die hem verwijten, dat zijne poëzy niet roerend is, gelijk die van Sophocles, niet vervuld met zedelessen en wijsgee-rige denkbeelden, gelijk die van Euripides. Wat aangaat het eerste, willen zy, die hem dit voorwerpen, daarmede te kennen geven dat aandoenlijkheid niet het kenschetsende van Eschylus is; wat zegt dit anders, dan dat de manier van den eenen dichter, van die des anderen verschilt? Ieder moge nu, naar mate zijner bijzondere gesteltenis of smaak den een boven den ander verkiezen; geeft deze keuze daarom, zonder eenige andere gronden, recht, het daarvan afwijkende te veroordeelen ? Gewis, aan aandoenlijkheid van uitdrukking daar, waar het onderwerp het vereischt, mangelt het Eschylus evenmin als aan alle de overige vereischten der tooneelpoëzy. Dat hy voorts niet zoo vruchtbaar in wijsgeerige en zedelijke lessen is, als Euripides, dit strekt hem veel eer tot lof dan tot verwijt; niet, dat de zedeleer en de verbetering en verheffing van het menschelijk hart door groote voorbeelden van deugd of ondeugd geen vereischten zijn van het treurspel, maar om dat Eschylus, zonder dit belangrijk doel te veronachtzamen, nimmer, gelijk Euripides, den natuurlijken loop van zijn stuk er in het minst om stoort; of de hartstochtelijke taal zijner sprekers door ongepaste uitstappen doet verkoelen. By hem is de zedeleer van de geheele behandeling van zijn onderwerp onafscheidbaar, en doet zich ieder oogenblik gevoelen. Dus, by voorbeeld, wordt die gewichtige waarheid, dat men zich op de oogenblikkelijke gunst der fortuin niet moet verlaten; dat men de Godheid als de eenige bron van alle

24S

ocr page 283

TOELICHTINGEN.

249

welvaart hebbe te erkennen en aan te bidden, en zich te wachten van haar door heiligschennis tot een gerechte wraak aan te zetten, in zijne Perzen gedurig betoogd, niet met ijdelen praal van woorden en in den kouden vorm van wijsgeerige redeneering, maar met al het dichterlijke vuur, waar dit uitstekend werk in alle zijne deelen van schittert. Op dezelfde wijze gaat ook Sophocles met de zedeleer te werk, wiens zoo even aangehaalde Koning Edipus de waarheid van het zeggen, dat niemand voor het oogenblik van zijne dood gelukkig mag genoemd worden, overal in het grootste licht stelt; terwijl de Rei eerst by het einde van het stuk met weinige woorden deze waarachtige spreuk door de op Edipus zoo plotseling uitgebarsten rampen bevestigt. Eindelijk verwijt men onzen dichter ook, dat hy door eene te ver gedreven deftigheid dikwijls in het ruwe en reusachtige vervalt: en voorwaar het is geen gering oordeelkundige die hem iets dergelijks nageeft. (1) Merken wy dit echter aan, dat, zoo men zich in het beoordeelen van Eschylus by den staat bepaalt, waarin het treurspel na hem gebracht is, zijn toon zeker te dikwijls veel te hoog rijst; doch zoo men deszelfs oorsprong nagaat, en het, volgens het denkbeeld dat men zich in de oudste tijden er van vormde, als een soort van lyrische poëzy aanmerken wil, deze tegenwerping aanstonds geheel verdwijnen zal. Uit dit oogpunt moet men onzen dichter beschouwen, om hem naar verdienste te waardeeren. Over den oorsprong voorts van het Grieksche en het hedendaagsche treurspel en het daaruit voortvloeiende onderscheid tusschen deze beiden, raadplege men de Verhandeling van den Heer Mr. Bilderdijk, te vinden in het Tweede Deel van zijne Treurspelen. Men zie vooral bladz. 127 en volg. —

Het is dan, na het geen wy tot nog toe van Eschylus gezien hebben, geenszins te verwonderen, dat hy zijn uitstekend dichterlijk vermogen onder anderen ook aan de vereeuwiging besteedde eener gebeurtenis, zoo gewichtig voor zijne landgenooten, en waaraan hy-zelf zoo veel deel genomen had, als de verdrijving der Perzen en het verijdelen van hunne ontwerpen tegen de vrijheid van Griekenland. Het zal hier, dunkt my, niet onvoegzaam zijn iets te melden van den Perzischen oorlog en hoe het met de zaken der Grieken in dit opzicht geschapen stond ten tijde, waarop Eschy-

1

Rudis in plerisque et incompositus wordt hy by Qulntlliauus^ liistitt. Oratt. Lib. X, C. I, gezegd te zijn.

ocr page 284

TOELICIITINGEN.

250

lus dit zijn treurspel vervaardigde. In het jaar 502 dan voor de gewone tijdrekening, bestond Histiéus van Miletus, eene stad in lönië, deze gantsche landstreek van de heerschappij der Perzen, toen ter tijd meesters van schier heel Azië, te bevrijden. Door hem tot opstand gewekt, roepen de löniërs de medewerking in der Europeesche Grieken, van wie zy-zelve een volkplanting waren, cn bekomen werkelijk twintig schepen van Athene en vijf van Eretrië, in het eiland Eubéa. Aldus gesterkt wagen zy het op Sar-des, de hoofdstad van Lydië (insgelijks, sedert Cresus val, onder Perzië behoorende) aan te rukken en maken zich gezamenlijk met hunne hulptroepen meester van de stad; maar verlaten door de Atheners, worden zy, na verscheidene wisselingen van de krijgskans, in het zesde jaar na hunnen opstand weder aan de Perzische macht onderworpen. Een geruimen tijd hierna besluit Darius, sedert lang vlammend op de beheersching der Grieken, en daarenboven door den uit Athene gejaagden tyran Hippias, Pisistratus zoon, gedurig aangehitst, in Griekenland den oorlog te voeren, onder voorwendsel van de hulp door de Atheners en Eretriërs aan de oproerigen toegebracht, maar indedaad om alle de Grieken onder zijne regeering te vereenen. Hy verzamelt hiertoe een machtig leger, dat onder geleide van twee zijner beste bevelhebbers «erst op zeshonderd schepen naar het eiland Eubéa trekt, Eretrië inneemt en verwoest, en van daar naar Attica oversteekt om Athene het eigen lot te doen ondergaan. Op de velden van Marathon, een burcht niet ver van Athene, komen hen tien duizend Atheners en duizend Plateërs te gemoet, door tien Veldheeren aangevoerd, waaronder Miltiades en Aristides de voornaamsten. Na een bloedig gevecht verklaart zich de overwinning voor de Grieken. Darius overleeft zijne nederlaag niet lang. Zijn zoon, door eigen heerschzucht en den raad van zijne hovelingen aangespoord, houdt zich gedurende vier jaren met vreesselijke toebereidselen tot den oorlog bezig. Hy verlaat zelf zijne hoofdstad aan het hoofd van het leger, rukt in Griekenland, komt alle hinderpalen met geweld te boven, verbrandt Athene, wier inwoners zich alle op de vloot ingescheept hadden; maar wordt in een zeeslag, dien hy kort daarna by Salamis levert, volkomen verslagen en begeeft zich op de vlucht naar zijn rijk, latende zijn schoonbroeder Mardonins met een talrijk leger in Beötië achter. Maar ook dit leger wordt niet lang daarna by Platéa door de verbondene Grieken geheel uit elkander gejaagd. Dit gevocht en de zeeslag by

ocr page 285

TOELICHTINGEN.

251

Mycale, een kaap van lönië, op denzelfden dag voorgevallen, beslisten den Perzischen oorlog en de vrijheid van Griekenland. Het is dan voornamelijk de slag by Salamis dien onze dichter tot het voorwerp van zijnen zang wilde maken. Maar hy was de man niet. die zich tevreden kon stellen met het bewerken van zijn onderwerp op eene gewone manier. Het was geen triomfzang op de overwinning, geen treurlied op de in den slag geblevenen of iets diergelijks, waardoor hy naar waarde zulk eene gebeurtenis meende te kunnen verheffen. Hy wilde daarenboven den Grieken (het Atheen-sche volk in het bijzonder) de vleiendste hulde toebrengen door hen te midden te plaatsen van het in rouw gedompelde hof des Perzischen konings. En hiertoe verkoos hy den vorm van het statige treurspel; eene onderneming voorwaar van ongemeene stoutheid, en de hooge vlucht, die hy in alle zijne stukken pleegt te nemen, overwaardig; vooral wanneer men in acht neemt welke onderwerpen te dier tijde voor het treurspel geschikt gerekend werden. Immers voor Goden, Halve goden, of Helden uit de oudste tijdvakken der Grieksche geschiedenis, de eigenlijke hoofdpersonaadjen van het dichtstuk, moest hy zieh thands vergenoegen met menschen voor te stellen, in de eeuw zelf levende waarin hy schreef, en aan wien dus niet eens door dichterlijke versiering die bovenmenschlijke grootheid scheen te kunnen gegeven worden, welke tot de oorspronkelijke kracht van het Treurspel volstrekt onmisbaar is. Maar ook deze moeilijkheid moest voor den vurigen dichtgeest van Eschy-lus zwichten. Hy voerde de schim van Darius, den Grooten Koning, den Held, den Vader van zijn volken, den eerbiedigen aanbidder der Goden in, de eerste oorzaak aan den dag brengende van het gebeurde, en wat nog te gebeuren stond voorspellende; en dit alleen was genoeg om dit zijn stuk tot de hoogte van zijne overigen te verheffen. Uit deze plaatsing van het Tooneel in 's vijands eigene hoofdstad sproot het dubbel voordeel, dat de lof aan den overwinnaar uit den mond van de overwonnenen toegebracht, oneindig streelender werd, dan hy, onder eenigen anderen vorm voorgesteld, zou kunnen geweest zijn, terwijl den verslagen Pers in al zijn onheil eene grootheid toegeschreven wordt, die de zegepraal der Grieken nog schitterender doet voorkomen. En aldus werden de Perzen van Eschylus geboren. Wat aangaat nu den loop van het stuk, deze is, gelijk gewoonlijk by hem is, allereenvoudigst. Eéne voorname verdeeling doet zich by de lezing dra gevoelen. Het eerste deel stelt den tijd voor, waarop het Perzische hof nog

ocr page 286

TOELICHTINGEN.

geslingerd wordt tusschen de hoop waartoe de verbazende macht, door den Koning tot den inval in Griekenland verzameld, rede gaf aan den eenen kant, en de ongerustheid, uit de achterblijving van tijdingen uit het leger, de te dikwijls ondervondene wispelturigheid der fortuin en ongunstige voorteekenen spruitende, aan den anderen kant. Het tweede gedeelte bevat de mededeeling der geledene nederlaag by Salamis door een bode, die der nog dreigende by Platéa, door Darius, en de klachten van Xerxes en de zijnen over hunne ongelukken. Dus wordt de tegenstelling tusschen de oude reusachtige macht der vijanden en hunne tegenwoordige vernedering, als zijnde iets van het hoogste gewicht, in het schitterendste licht geplaatst; en voorwaar niet zonder reden. Het is immers juist deze tegenstelling, welke de bereiking van het hoofddoel des dichters, de verheerlijking der Grieksche overwinnaars, en die van een tweede niet minder belangrijk oogmerk: de zedeleer, by uitnemendheid bevordert. Voor het overige, wat men ook door ongepaste vooringenomenheid voor het latere tooneel, tegen deze eenvoudigheid in de schikking van dit treurspel hebben moge, zonder blijkbare ongerijmdheid echter zal men toch zijne poëzy en versificatie de hoogste goedkeuring niet kunnen ontzeggen. Men hoore echter op welk een toon de bekende La Harpe zich over een' man als Eschylus uitlaat (in zijn Cours de Literature Vol. I, p. 326), alwaar hy, na zijn oordeel over den Prometheus geveld te hebben, in dier voege van de Perzen spreekt:

„Les Perses, dont le sujet est plus rapproché de la nature, n'of-rent rien de plus régulier, mais on sent combien eet ouvrage devoit plaire aux Athéniens. C'est la défaite des Perses amp; Salamina, qui occupe cinq actes en recits, en descriptions, en presages, en song es, en lamentations-, nulle trace encore d'action ni d'intrigue. La scène est a Suze. Des vieillards, qui forment le choeur, attendent avec inquietude des nouvelles de Vexpedition de Xerxès. Atossa, mere de ce prince, vient leur raconter un songe qui Vépouvante. Arrive un soldat échappé de l'armee, qui raconte le désastre des Perses. Atossa évoque Vombre de Darius, et contre Vordinaire des ombres, qui ne reviennent que pour rêvéler aux vivans guelque grand secret, celle-ci ne revient que pour entendre de la touche d' Atossa, ce qu'elle même vient d'apprendre de la défaite de Xerxès. Au cinquihne acte, Xerxès lui-même parait seul avec un carquois vide qui est, dit-il, tout ce qui lui reste de cette prodigieuse armée, qu'il avoit amenée contre les Grecs. II s'est sauvé avec Hen de la peine. II

252

ocr page 287

TOELICHTINGEN.

pleure, il gémit, et ne fait autre chose que de recommander a sa tnère et aux rieillards de pleurer et de gémir. Toute la piece d'atl-leurs est remplig, comme on pent se Vimaginer, des louanges du peu-ple d'Alhènes: ü est invincible, il est favorisé du del, il est le soutien de la Grèce. Tout cela étout vrai aio is, mais le poëte met ces louanges dans la houcke même des ennemis vaincus et Von sent comhien elles en deviennent plus flatteuses. II leur montre pendant cinq actes les Perses dans la terreur, dans Vhumiliation, dans les larmes, dans I'admiration pour les vainqeurs. Avec un tel sujet traité devant des républicains énivrés de leur gloire et qui n'avoient pas encore appris a itre difficiles on pouvait étre courronné satis avoir fait une scène tragique, et c'est ce qui arriva.quot;

Behalve alle de onnaauwkeurigheden van deze korte oordeelvelling, zoo men alleen op haren zakelijken inhoud letten wil, valt het aanstonds in het oog, dat de beoordeelaar, ongevoelig voor de menigvuldige zoogenoemde schoonheden van détail, die dit stuk bevat, zich met deszelfs geheel bezig houdende, hierin de Fransche Tooneel-poëzy tot maatstaf gebruikt; zeker geen middel om met vrucht over de Grieksche te spreken. Op sommige plaatsen zoude men ook wellicht in verzoeking raken te onderstellen dat hy de woorden of de meening van den dichter niet begrepen heeft. Wy zullen eenen trek uit het zoo even aangehaalde kiezen, waar in dit het geval is, niet om den in vele opzichten zoo verdienstelijken La Harpe in zijnen roem te kort te doen, maar om dat zy, die met het oorspronkelijke niet bekend zijn, zich veellicht door zijne oppervlakkige en lichtvaardige beslissing een verkeerd denkbeeld van hetzelve konden voorstellen. Op een luchtigen toon geeft hy dan onder anderen te kennen, dat de verschijning van Darius schim eigenlijk niets ter zake doet, daar hy niet, naar het geen by de schimmen gewoonlijk is, een groot geheim komt openbaren, maar alleenlijk van Atossa vernemen, wat zy-zelve eenige oogenblikken te voren ran de nederlaag by Salamis gehoord heeft. Deze aan merking mag voor hem van belang schijnen die niet verder gelezen heeft dan de plaats, waar Darhis naar de rede vraagt van de droefheid, waar heel Suze in gedompeld is, en het antwoord daarop. By wien het geen hierop volgt bekend is, hoe deze Vorst zich een orakel van vroeger tijden herinnert en hierdoor nieuwe ongelukken by het reeds geledene aankondigt, de eenige bewaring voor gelijke rampen in het toekomende in het ongeschonden laten van den Griekschen grond stelt, en de gramschap der goden, door Xerxes

253

ocr page 288

TOELICHTINGEN.

krijgsvolk in Griekenland in hunne tempels gehoond, voor de naaste oorzaak van den val der Perzen verklaart, by dezen, zeg ik, zal het belang, ja de noodzakelijkheid dezer geestverschijning niet in twijfel worden getrokken en La Harpes berisping niet nalaten te vervallen. Het is echter op grond van zoodanige misvattingen dat hy, wat vroeger (p. 320) onzen dichter zoo verre beneden Corneille stelt, als hy-zelf boven den ouden Treurspelmaker Hardy verdient geacht te worden. Doch men neme in aanmerking het onderscheid tusschen het Grieksche en het Fransche tooneel, men vergelijke de stukken van deze hunne wederzijdsche stichters, den staat waarin zy hun tooneel vonden, den staat waarin zy het aan hunne volgers lieten, de hulpmiddelen die zy beiden hadden, en vrage zich dan waarop dit partijdige en onbepaalde oordeel des Franschen Letterkundigen steune? De vergelijking tusschen Eschylus en Corneille als dichters moet, al ware het slechts uit den aart hunner tooneelen, noodzakelijk ten voordeele des eersten uit vallen. Misschien zijn de Treurspelen van onzen Vondel de eenige, welke in dit opzicht met die van Eschylus verdienen in vergelijking gebracht te worden.

Ten slotte van dit kort bericht over Eschylus en zijne Perzen, kunnen wy nog aanmerken dat dit Treurspel te gelijk met den Prometheus, en nog twee andere stukken, waarvan de namen alleen tot ons gekomen zijn, ten tooneele gevoerd en bekroond is geworden. De dichter was toen omstreeks zestig jaren oud.

Bladz. 12. v. 25.

Het heir der Perziaansche scharen, enz.

Na eene korte inleiding, dienende om den aanschouwer te onderrichten, uit welke personen de rei samengesteld is, gaat de dichter onverwijld over tot de voorstelling van de ongerustheid der Per-zianen gedurende de afwezigheid van hunnen Koning. Een beknopte vermelding van alle de volken, die Xerxes krijgsmacht uitmaken, geeft gelegenheid tot verheffing van zijne grootheid, tot bemoediging omtrent den uitslag van zijne onderneming. Deze stree-lende hoop wordt gestoord door het denkbeeld, dat zonder de gunst der goden alle toebereidselen vruchteloos zijn, dat men meermalen den hoogsten voorspoed in verschrikkelijke tegenspoeden heeft zien verkeeren (bl. 14, v. 26). De daaraanvolgende Keeren en Tegen-keeren breiden deze gedachte uit, en worden gesloten met een beklag over den toestand van het rijk, door den bloem van zijne manschap verlaten. Zoodanig is de samenhang en overgang der

254

ocr page 289

TOELICHTINGEN. ki r 255

%r*r

denkbeelden in dezen eersten koorzang, welke ik met weinige woorden heb gemeend te moeten ophelderen, uit hoofde van de moeilijkheid, die de bevatting derzelven in lyrische poëzy voor den min bedrevene hebben kan, en die ik oordeelde, dat misschien niet genoegzaam door mijne overzetting uit den weg geruimd was.

Bladz. 13. v. 8.

Trok niet heel Azië te veld?

Dat dit geen dichterlijke grootspraak is, maar met het historisch verhaal overeenkomt, blijkt uit de volgende woorden van Herodotus: ^tiiXwv yap tiav ïó/.isv noXlü órj tliyfrit'K outq; iykvtto,

w;te /tijte tov Jageiou tuv int Zy.uamp;ai nagu tovror firjóhv (paiveaamp;ui, ixrita tov Sxvamp;ty.uv, ore Sxuamp;aL Kiuatniou; öirijxovteg, i; trjv /fuQtjv l^liagt;.órtss, a/eóöv navta tic arw tij; Hait]; xataatQtipaiuevoi ivé-uoito' — u rtÊ y.ata ta ïi-'/lt;'/ueviï titv 'ArntLóimv i; 'U.ioy, u'r:rt tuv Mvawv te y.ai TevXQwv, tov Ttgö töjv Tquityjhv ysvóiuevov. — Jlütat al naaat oiió' étenat noö; taiittjat yevónsvat arnattf/.aaiai /uifjs t/jaós oiix asiat. Ti yag ovx ijyay* tijg e9-vo; irti t))v 'EXZdóa ; !) —

Jdfiy (Jè ó atouto; autou iv trtta t)/ii?nijai y.rA iv ènta evcpoóvrjat, èhvüoa? ovóévu /qóvov. ''Eamp;vavta i-iyitai, Ségamp;ut 'jdtj ótoc^s^tjxótog tov 'EMy'iartovtov, avóga elittlv 'EXhianóvtioV JSi Zbv, ri ói) (iviioi clóóftevo; lltnoi;, „xui „ovvopa itvti Jiö? ^f^isvog, icvaatatov ti)v 'EU.aSa iamp;ëltLi; nouiaat

„ayojv Tlavtaz avamp;Qiónov;; xal yün avsv toutÉcov è^ijv tot Tlotéeiv tauta.quot; 2) — quot;Oouv juév vvv i'xaatoi, Ttageï/ov nZïjamp;og è; ckqlamp;hov, oix e/oj eirtai ro atQty.ig' oi) yün léyatai Ttoog ouêa/uihv Ixvffnwrtviv' avunavtog 6i tov aïQaroü tov 7te£ov to TtXïiamp;og itpavy] Zftóoiutjxovta xal éxatov /jvgiaósg. 3) — Tüjv óh tinrnkov ani^uoz fiir iyéveto knta xal Sit]xóaiat xal /uiaL- ^). —

dat is: Van alle tochten, die wy gezien hebben, is deze verre da grootste: zoo zelfs, dat noch het leger van Darius tegen de Scythen hy dit in vergelijking kan gebracht worden, noch dat van de Scythen, toen zy de Cimmeriërs vervolgende, in het Medische rijk vielen, en schier heel het noordelijk Azie meester werden: — noch wat men van dat der Atriden tegen Ilium, en in vroeger tijden nog, van de Mysiërs en Teucriérs verhaalt. — Alle deze tochten en nog anderen daarbij kunnen dezen éénen niet opwegen; want welk volk is er in Azië, dat Xerxes niet heeft medegevoerd? — Het

1) L, 7. o. 20, 21. 2) Ibid, c, 56. 3) Ibid. c. 60. 4) Ibid, c. 89.

ocr page 290

TOELICHTINGEN.

leger voer {naar Europa) over gedurende zeven dagen en zeven nachten, en dat wel zonder zich op te houden. Men verhaalt dat, toen Xerxes den Hellespont reeds over was, een bewoner der kusten van deze zee uitriep- „o Jupiter! waarom hebt gy de gedaante van eenen Pers en den naam van Xerxes aangenomen en met het geheele menschdom eenen tocht ter vernieling van Griekenland begonnen, daar gy dit toch zonder al dien toestel vermocht te doen?quot; — Hoe vele legerknechten nu elk volk geleverd heeft kan ik niet met zekerheid bepalen; men vindt dit nergens aangeteekend. Dit is zeker dat het getal in het geheel beliep op een miljoen, zeven maal honderd duizend. — Het getal der oorlogschepen bedroeg twaalf honderd en zeven.

Bladz. 13. v. 14.

Gy, Suze, Cissa, Ekbataan!

Suze, de hoofdstad van Perzië, in de landstreek Suziana, Cissa in Cissië, insgelijks een landstreek onder Perzië behoorende, Ekbataan, de hoofdstad van het oude Medische rijk.

Bladz. 13. v. 34.

Pegaston, in 't Egiptisch rijk, enz.

Memphis en Thebe, beide voorname steden van Egipte, welk land Cambyses, Cyrus zoon, het eerst aan de Perzische heerschappij onderwierp! Het Egiptische Thebe wordt van het Grieksche veelal onderscheiden door het epitheton Uatóunu/.o^ of honderdpoor-tige.

Bladz. 13. v. 38.

't Moerassig land, enz.

Men versta de moerassen van Egipte.

Bladz. 14. v. 10.

Maar Mardon voert van Tmolus voet, enz.

Tmolus een berg in Lydië.

Bladz. 14. v. 13.

Het roemrijk Babel zendt een stoet, enz.

Babel, de hoofdstad van Babylonië, welk land insgelijks door vroegere overwinningen onder Perzië gebracht was.

256

ocr page 291

TOELICHTINGEN.

Bladz. 14. v. 31.

De zee, die Hella heeft verzwolgen.

De Hellespont, dus genaamd naar Hella, eene Thebaansche prinses, die in hare vlucht naar Azië, in deze engte uit het schip gevallen zijnde het leven verloor.

Bladz. 15. v. 5.

de Vorst, uit godenbloed gesproten.

Xnonoyuvov yireü; laófhos, heeft het oorspronkelijke letterlijk: de goddelijke man uit een gouden geslacht gesproten, dat s; uit het edelste geslacht gesproten. De Perzische Vorsten werden voor afstammelingen van Perseus, den zoon van Jupiter en Danaë, gehouden. Misschien ook is dit woord /oumyovo; eene meer bijzondere toespeling op deze afkomst. Men weet dat Jupiter gezegd werd zich in een gouden regen veranderd te hebben, om Danaë, door haren vader Acrisius, wien volgens eene voorspelling van het orakel haar kroost van het leven moest beroven, in een weibewaarden toren opgesloten, te genaken.

Bladz. 16. v. 5.

Toen ge u een vei'lgen overtocht op saamgebonden kielen wrocht.

Volgens het verhaal van Herodotus ') liet Xerxes twee bruggen van schepen, op hunne ankers gevestigd, over den Hellespont slaan, en werden er tot de eene drie honderd en zestig, tot de andere drie honderd en veertien schepen gebruikt.

Bladz. 17. v. 13.

en zij uw hulde haar al knielend aangeboon!

257

Het was aan het Perzische hof niet geoorloofd tot de Vorsten anders dan knielende en aanbiddende te naderen. De vreemdelingen, die zich hier aan niet wilden onderwerpen, werden ten hove niet toegelaten. Het is bekend dat de vrije en aan niets dergelijks gewone Grieken, wanneer zy den Koning van wege hun vaderland moesten onderhouden, deze vernederende plechtigheid door allerlei wegen zochten te vermijden. Uit denzelfden hoogen eerbied der Perzen voor hunnen vorst, welke aan dit gebruik den oorsprong gaf, is ook de groet te verklaren, dien Eschylus in het begin van het volgende Tooneel den Rei in den mond legt, daar hy Atossa met

') L. 7 c. 36. I.

17

ocr page 292

TOELICHTINGEN.

den naam aanspreekt van amp;eoj uh eitdteiga Hegawv, ')tov Ji xa' /iijrijj, dat is: echtgenoote en moeder van Goden by de Perzen.

Bladz. 17. v. 25.

en troost en balsem wacht, mijn vrienden, van uw raad. De woorden olóiiuiJi: ijuavrij; Ouo' aóeiftato; heb ik anders verstaan, dan zy gewoonlijk uitgelegd worden. Ik meen dat de samenhang deze is: Ik zal, zegt zy, u mijne zorgen mede-de e 1 e n, («15 öpa; tyó* jiüamp;ov) daar ik in my-zelve gantsch niet zonder vreeze ben dat, enz., onder welke woorden te kennen gegeven wordt dat zy van den Rei eenige geruststelling begeert omtrent het voorwerp van hare angst. Dit laatste denkbeeld heeft mijne overzetting in het hier aangebrachte vers uitgedrukt.

Bladz. 18. v. 13.

Een jeugdig vrouwenpaar, enz.

De löniërs, eene volkplanting in Azië van de Europeesche Grieken, en dus door het bloed aan hen verbonden, waren ten tijde van Xerxes aan de Perzen wederom onderworpen, terwijl dezen vruchtelooze pogingen deden om de andere Grieken in hetzelfde juk te dwingen, en hunne ondernemingen met de grootste onheilen boetten. Dit is hetgeen, met dichterlijke versiering, deze droom te kennen geeft en wat door denzei ven zoo wel als door het voorteeken van den adelaar, door een havik vervolgd, voorspeld wordt.

Bladz. 19. v. 27.

aan wat kant ligt toch de Atheensche grond?

Het zal misschien vreemd voorkomen, dat een Vorstin, wier echtgenoot met Griekenland in oorlog geweest was en wier zoon het nog werkelijk was na zich zoo langen tijd tot den inval in dit land bereid te hebben, naar de ligging ran Athene vraagt, als ware die haar onbekend. Men zou wellicht deze vraag op eene of andere wijze kunnen verklaren, waardoor hare schijnbare ongepastheid verschoond mocht worden. Doch het komt my voor dat ook hier wederom in den aart van het Grieksche Treurspel de ware uitlegging gezocht moet worden. Het is de dichter-zelf, die in zijne personaadjen spreekt. Hy beschouwt hen, in eene dichterlijke abstractie (indien ik het eens zoo noemen mag) alleen in die omstandigheid, waarin in hy-zelf ze plaatste buiten verband met hunne

258

ocr page 293

TOELICHTINGEN.

andere betrekkingen, dan voor zoo verre die met het hoofdonderwerp onmiddellijk samenhangen. Op deze wijze stelt dan Eschylus ons in dit gedeelte van zijn stuk de ongerustheid voor van de moeder des Konings over het lot van haren zoon, en laat haar dus alle die vragen doen, welke uit die ongerustheid kunnen geboren worden, zonder zich te storen of omstandigheden daarbuiten dezelve minder natuurlijk maken. Hoe anders dan op evengemelden grond zal men, by voorbeeld, de inleiding van alle die Treurspelen kunnen verdedigen, waarin een der personaadjen, om den aanschouwer met het onderwerp bekend te maken, hem zijn naam, afkomst en lotgevallen zelf komt mededeelen?

Bladz. 20. v. 4.

Ja, mijnen heeft ze, die van zilver overvloeien.

Deze zilvermijnen, welke meermalen by de Ouden geroemd worden en onder de voornaamste bezittingen der Atheners gerekend werden, waren gelegen onder den berg Laurium in Attica.

Bladz. 20. v. 17.

Ach! eens deed zulk een hoop Darius heir vergaan.

By Marathon. Men zie de Inleiding dezer Aanteekeningen.

Bladz. 22 v. 33.

Hier stort op Ajax grond, omsingeld van de golven.

Salamis, een eiland tegen over Athene gelegen, waarop Telamon de vader van Ajax, regeerde, en deze laatste zelf geboren was.

Bladz. 24. v. 11.

Ons had een vluchteling van uit het heir der Grieken, enz.

Deze list had Themistocles bedacht om de Perzen op een voor hen nadeelige plek tot den strijd te lokken. Omstandig kan men dit alles by Herodotus verhaald vinden, in zijn VIIIst0 Boek.

Bladz. 26. v. 35.

Niet ver van Salamis, enz.

Psyttalia werd dit eiland genoemd, alwaar Xerxes vier honderd man dead post vatten tot het doel by onzen dichter vermeld.

Bladz. 27. v 12.

Zy zoeken in dien nood nog wederstand te biên, enz.

259

ocr page 294

TOELICHTINGEN.

Het oorspronkelijke heeft: apyi óh 'ExoxloOvro naaav vfjaov, Sor' amp;firj/areïvt quot;Onoi rnanoirro. Uo/./.U /iiv yun ix xtqwv TJf-rai.oiy iigilcnnovro, ro^txtjg r* icitü amp;(ii/lityy0? '0'[ rtgoartitvovtss üX^uaav. TéXog d' hponii ^ amp; êvus adtou, TTaiovat, y.QtoxoTtovoi óvatr]vüjv [ititj, x. r. K welke

woorden ik zie dat men anders pleegt op te vatten, dan ik gedaan heb. Men begrijpt het namelijk als of de Grieken de op Psyttalia geplaatste manschap aangevallen waren: om geene andere reden naar mijn oordeel, dan om dat by het even voorgaande Afitixavnv noodzakelijk de Perzen moeten verstaan worden, en men daarom dezelfden ook tot het subject van ïjoaaaovro wil maken. Doch hoe licht deze plotselijke verwisselingen van subject in het Grieksch plaats vinden, behoeft, dunkt mij, geen betoog. In de aangehaalde woorden doet zich reeds een voorbeeld op van soortgelijke verwisseling: öi 'Ey.vxi.oüvto (quot;ƒ•;//.qw; klaarblijke

lijk) naaav vfjaov, wat* ain;/avtïv (tous JJsgaa; hier noodzakelijk), örtoi rnanoivro. Daar nu beide uitleggingen grammatisch aannemelijk zijn, zoo verdient die de voorkeur, welke in andere opzichten waarschijnlijker is. Het komt voorzeker minder natuurlijk voor, dat de dichter mannen, van wier dapperheid hy bijzonder gewaagd heeft, doe omkomen, zonder van eenigen tegenstand melding te maken. Maar het geen voor mijne uitlegging gunstigst schijnt te zijn, is het vermelden hier ter plaatste van pijlen, een wapen, dat den Perzen eigen is en waardoor zy dikwijls van de Grieken onderscheiden worden. Een belangrijk voorbeeld hiervan doet zich in dit Treurspel zelf op, aan het einde van het Eerste Tooneel, alwaar de Rei zich aldus uitdrukt: '^novnau y.sdvi]v xai (iafrópovXov — — nótegov rnsov nüfta rit vixibv, '7/ óoqvxqócvou ia/v;

xtxyati/xêr; Letterlijk: Laten wy de vereischte zorg nemen, (op dat wy te weten komen) wat overwonnen heeft, het schieten met den boog, of de ijzeren punt van de lam: dat is: wie over winnaars zijn gebleven, de Perzianen of de Griehen. Sterker nog ten onzen voordeele is de plaats van het Tweede Tooneel, alwaar het gebruik van pijlen by de Grieken uitdrukkelijk ontkend wordt. Op de vraag van Atossa:

Jlótega yttn ro^ovXxb; al/fifj ()iiV / f o ^ ■/ au Tol: nnirtn;

(En zijn hun schutters vlug met pijl en schietgeweer?)

wordt door de Rei geantwoord:

///f; araöata, xai (psQaontóeg aayai.

(Zy strijden met geen boog, maar met den vasten speer.)

2ö0

ocr page 295

TOELICHTINGEN.

Bladz. 28. v. 6.

en waar Spercheus 't veld met vrachtbre stroomen drenkt.

Sperchéus, een rivier die aan den berg Eta in Theasalië zijn oor sprong heeft.

Bladz. 28. v. 10.

Wy, door Magnezië en het Macedonisch rijk

by Axius rivier en Bolbes rietig slijk

tot aan Pangéus berg in 't eind gevorderd, spoedden

naar 't naadrend Thracië, wanneer 't ontijdig woeden

des winters ons den stroom des zilvren Stryraons sloot.

Magnezië, een gedeelte van Thessalië; Axius, een rivier in Macedonië, Bolbe, een moeras in Mygdonië, zijnde dat gedeelte van Macedonië, hetwelk evenals de berg Pangéus naast aan Thracië grenst. De rivier Strymon scheidt Macedonië van Thracië af.

Bladz. 29. v. 15.

O machtige Oppervorst der Goón!

quot;Si ZeS paaiivü, o koning Jupiter! zegt het oorspronklijke uitdrukkelijk. En zoo ook doet het in den geheelen loop van het stuk de Grieksche goden door de Perzianen inroepen. Men begrijpt dat dit eene bloote dichterlijke vrijheid is, ten einde de voorstelling voor den Atheenschen aanschouwer duidelijker te maken. Het is immers bekend dat de Perzen de Zon onder den naam van Mithras aanbaden. Op deze dichterlijke versiering echter steunt een groot go-deelte van de zedeleer van dit Treurspel.

Bladz. 30. v. 7.

en 't spoor doen volgen van uw' vader,

die, held en vreedzaam vorst te gader,

zijn' volken niet dan weldaan wrocht!

Darius-zelf echter was niet veel gelukkiger geweest in zijne onderneming tegen de Grieken. Maar het is in het karakter van eenen lierzang, in deze gesteltenis aangeheven, vorige rampen voor niets-beduidende te rekenen by die. welke men op het oogenblik-zelf betreurt, en dus eenen Vorst, die dan toch ook in vele opzichten zijnen zoon verre overtrof, in tegenstelling van de verwijten die deze laatste verdiende, met loftuitingen hemelhoog te verheffen.

261

ocr page 296

TOELICHTINGEN.

Bladz. 80. v. 23.

op Cyclireus heilig strand gedood.

Cychreus strand, wederom eene benaming van het eiland Salamis naar een' harer Koningen, Cychreus, een' zoon van Neptunus, en behuwdvader van Telamon, die hem in de regeering opvolgde.

Bladz. 32. v. 16.

Gy, die de doón in Plutoos rijk vergaart!

Mercurius, die geloofd werd de zielen der afgestorvenen naar Carons boot te leiden, waarmede zy dan de Styx overvoeren.

Bladz. 36. v. 16.

Bactrië verloor de hoop zelfs van het volgende geslacht. Bactrië, een aanmerkelijk gedeelte van het Perzische gebied.

Bladz. 37. v. 2.

toen ge een gruwelijken band om de Hellespontache golven, als hun meester, durfde slaan. Toen ge een' God waagde aan te randen, enz.

Men versta dit zoo wel van de schipbrug over den Hellespont, waarvan wy reeds boven gezien hebben, als van den dwazen trek dien de Grieken van Xerxes verhalen, en waarvan Herodotus *) dus gewag maakt: ICaï ói) è^vy/nérov toö nóonitfiyerójUsvog ytiuinv utyu; auvtxüipé rs ijttïva Ttavra xai ótéXvos. 'S2g lt;!' èjtuamp;ero óuva noLhiutvo;, tov *EM.rja7tovrov ixékevae rnii-y.oiilaz iTtixéaamp;ai intatr/i y.al r.atelvat is tb néXayos neóéwv CtOyo;. — dat IS: En de see reeds gesloten zijnde, hwam er een geweldige storm op, die de schepen uit elkander dreef. Xerxes dit vernemende nam het euvel op, en beval dat men den Hellespont driehonderd zweepslagen zoude geven, en een paar ketenen in die zee werpen.

Bladz. 37. v. 24.

't Was een Meed die 't eerst dees streken voor zijn schepter knielen deed.

262

Astyages bedoelt de dichter, Cyrus grootvader, wien zijn zoon Cyaxares opvolgde en zelf door Cyrus in het gebied vervangen

') li. VII. c. 34. 35.

ocr page 297

TOELICHTINGEN.

werd. Het verhaal van Eschylus komt echter hierin met dat van de geschiedschrijvers geenszins overeen.

Bladz. 37. v. 34.

Naauw meester van dees staten,

verloor zijn zoon het licht.

Cambyzes, Cyrus zoon, is in zijne terugkomst van een gelukkig ten end gebrachten tocht tegen de Egiptenaren omgekomen, tei-wijl by zijn leven reeds een priester gebruik gemaakt had van zijne afwezigheid, om zich voor 'sKonings broeder Smeidis, door dezen in vroeger tijd omgebracht, uit te geven, en alzoo den troon meester te worden. Eenige Grooten van Perzië, tegen den overweldiger samengezworen, beroofden hem van het leven, en lieten vervolgens aan het lot ter beslissing over, wie van hen de regeering aanvaarden zou. Op deze wijze geraakte Darius aan het koninklijk bewind.

Bladz. 38. v. 24.

Nog is ons, voor het minst, één leger bijgebleven.

Dat namelijk, waarover Mardonius het bevel voerde, doch hetwelk kort daarna by Platéa in Beotie een volkomene nederlaag onderging.

Bladz. 39. v. 2.

hun dolle plonderzucht tot een gerechte straf,

wier hand zich niet ontzag de Godgewijde altaren en 't beeld der goden in hun woede niet te sparen.

Maar heel den tempelraad te rooven, enz.

By de inrukking van Xerxes in Griekenland hadden de Athe-ners op gedurige aansporing van Themistocles besloten hunne stad te verlaten, en zich op de vloot ingescheept, de grijsaarts met een gering getal burgers in de vesting latende, hunne vrouwen en kinderen in naburige steden. Xerxes, de Thermopylen doorgekomen en in Attica gevallen zijnde, maakte zich weldra van Athene meester. De stad werd uitgeplonderd en verbrand, en zelfs de tempels bleven niet gespaard.

Bladz. 39. v. 12.

Het nageslacht zal leeren,

wanneer 't den moord verneemt van dien verschrikbren dag, dat zich geen sterveling zoo stout verheffen mag.

263

ocr page 298

TOELICHTINGEN.

In deze geheele rede van Dariua wordt voornamelijk de zedeleer van het gantsche stuk aan den dag gelegd. Den Perzen wordt hier door den geest-zelven van hunnen overledenen Koning aangekondigd, dat zy aan Xerxes overdrevene heerschzucht, aan de oneerbiedigheid jegens Neptunus, en de heiligschennis te Athene gepleegd, alle hunne tegenwoordige rampen te danken hebben.

Bladz. 40. v. 33.

niet buiten Halys breeden vloed.

Halys, een rivier in klein Azië, aan de grenzen van Lydië.

Bladz. 41. v. 8.

on die Propontis zee omzoomen,

en Pontus onherbergzaam strand.

Propontis, thands de zee van Marmora genoemd. Pontus, of Pontns Euxinus, is de tegenwoordige Zwarte Zee.

Bladz. 41. v. 10.

Ook de eilanden, om wie de golven klotsen,

door Egeus val berucht, bestierden zijn gehoon:

Egeus, Koning van Athene, wiens zoon Theseus den tocht tegen den Minotaurus in Crete had ondernomen met belofte by eene gelukkige terugkomst witte zeilen te zullen spannen, maar deze belofte vergetende met zwarte zeilen was te rug gekomen, had zich uit wanhoop over de ramp, die hy vermeende dat hem door dit teeken aangekondigd werd, in de zee geworpen, die thands de Archipel genoemd wordt en die in oude tijden daarvan den naam kreeg van Egeïsche Zee.

Bladz. 41. v. 19.

en Temnus, Rhodus, Gnidus, waar de Mingodin op 't sterkst wordt aangebeden;

en Paphus, Solus, Cyprus glans.

Jfyiror (Lemnon) leest men in het oorspronkelijke. De vermelding vaa Lemnus echter heeft my hier ter plaatse altijd gehinderd, daar de dichter de eilanden van de Egeïsche Zee, die ten tijde van Darius onder het gebied van Perzië stonden, reeds opgenoemd heeft, en thands, gelijk het my toeschijnt uit den zin

264

ocr page 299

TOELICHTINGEN.

duidelijk te blijken, vóór heeft van eenige van die steden te gewagen, welke door de Perzianen op het vasteland buiten hun rijk of afzonderlijk op eilanden bezeten werden. Het komt my dus waarschijnlijk voor dat hier met eene lichte verandering voor Jiimuv (Lemnon) Tinimv (Temnon) moet gelezen worden. Temnus vindt men onder de Eolische steden genoemd by Herodotus, Boek 1, Hoofdst. 14). Ik heb dienvolgens gemeend dat het my vrystoud deze lezing in eene dichterlijke overbrenging aan te nemen, schoon ik het niet op my zou nemen den Griekschen text zeiven naar mijne gissing te veranderen. Verder meen ik, ingevolge mijne uitlegging, dat door Rhodus hier niet het geheele eiland, maar de stad van dien naam verstaan moet worden. Men ziet dat de dichter in het vervolg ook hier dan van enkele steden gewag maakt. Gnidus is eene Dorische stad in klein Azië, Paphus en Solus zijn steden op het eiland Cyprus gelegen.

Bladz. 41. v. 22.

en gy, o Salamis! die 't aanzijn hebt gekregen van 't plekjen, waar de Grieksche lans het heir der Perzen heeft doorregen.

Dit Salamis is insgelijks eene stad van het eiland Cyprus, Teu-cer, zoon van Telamo, na zijne terugkomst van den tocht tegen Troje door zijnen vader verbannen, om dat hy den dood van zijn' halven broeder Ajax, die zich uit wanhoop Achilles wapenen tegen Ulysses verloren te hebben, zelf van kant geholpen had, op dezen laatste niet gewroken had, zette zich op Cyprus neder en stichtte daar eene stad, die hy ter geheugenis van zijn geboortestad den naam van Salamis gaf.

Bladz. 45. v. 20.

Herinnering aan beter tijden! enz.

Van dezen laatsten Koorzang van het laatste Tooneel (het welk ik over het algemeen met meer dan gewone vrijheid, ja, met verplaatsing en uitlating van een aantal verzen heb overgebracht) heeft het oorspronkelijke volstrekt niets. Het stuk eindigt daar met een vrij langdurige afwisseling van afgebroken klachten en uitroepingen tusschen Xerxes en de Rei, iets, het welk niet alleen voor onzen smaak allervreemdst is, maar by de Grieken-zelve, naar alle waarschijnlijkheid, door de muziek alleen verlevendigd en op-

265

ocr page 300

TOELICHTINGEN.

gehouden werd. Dit, hoop ik, zal my ter verschooning dienen, dat ik het gewaagd heb achter eene overbrenging van Eschylus eene plaats aan mijne eigene verzen in te ruimen.

Bladz. 52. v. 1.

[het verhaal van den bode uit eschylus zeven tegen thebe kwam voor in de eerste uitgave van de Perzen, en werd latei-herdrukt in de Zangen uit verscheidenen leeftijd.]

Bladz. 56. v. 5.

[alfonsus de eerste. Dit Treurspel werd voor de eerste maal in 1818, voor de tweede maal in 1845 uitgegeven. Het werd by de eerste en tweede uitgave voorafgegaan van de volgende:]

voorrede.

Omstreeks het einde van de elfde eeuw werd een aanmerkelijk deel van het tegenwoordige Portugal door een vreemd Prins, in dienst van Koning Alfonsus den Zesden van Leon en Castielje, op de Saraceenen gewonnen. Deze Prins, algemeen onder den naam van Hendrik bekend, was waarschijnlijk een jonger broeder uit het Huis van Bourgondië, schoon Camoens hem van Hongarijen, anderen wederom van het Grieksche Keizerrijk doen komen. Hy ontfing ter belooning van zijne diensten het door hem-zelven herwonnen land, mitsgaders alles wat hy verder op den Moor mocht veroveren, met den titel van Graaf in leen, en 'sKonings natuurlijke dochter, Dona Theresia, ten huwelijk. Na zijn dood poogde deze de haar nagelaten voogdij in eene onbepaalde heerschappij voor zich eu haar tweeden echtgenoot. Graaf de Trava, met achterstelling van haren en Hendriks zoon, Alfonsus, te veranderen. De Spaansche en Portugeesche Historieschrijvers zijn het over de omstandigheden dezer gebeurtenissen niet eens, maar hierin komen zy allen overeen, dat de jonge Alfonsus, met behulp der voornaamste Ridders van het Graafschap, de vijandelijke ontwerpen van zijne moeder verijdeld en zich in de Grafelijke macht gesteld heeft. Onder dien titel heeft hy lang geregeerd, en het is eerst na zijne beroemde overwinning op vijf Moorsehe vorsten by Ourique, dat hy dien van Koning, welken ik hem reeds by den afloop van mijn stuk geve, heeft gedragen. Even zoo onderstelt het zijn huwelijk

266

ocr page 301

toelichtingen.

reeds voltrokken, schoon dit eerst vele jaren later in de geschiedenis vermeld wordt.

Bladz. 102. v. 23.

[by het openbaak examen enz., afzonderlijk uitgegeven. Merkwaardig is het verschil van geest en toon in dit en het later volgend school-gedicht, vergeleken met de latere voortbrengselen van Da Costa. Waarschijnlijk is het ook wel daaraan toe te schrijven, dat de Dichter in strijd met den door hem-zelven vermelden „trek naar completeering, die ons tot in het onbeduidendste wel eens vervolgtquot;' (Voorrede vóór de Zangen), deze liederen in die verzameling niet mede opgenomen heeft.]

Bladz. 105. v. 1.

[op den marteldood van raphael gomez salsedo. Dit dichtstukje

is eene vrije vertolking van een sonnet van den Spaanschen dichter Daniel Levi [Don Miguel] de Barrios, waarvan het oorspronkelijke hier wordt medegedeeld:]

SONETO.

al glorioso martirio de R. G. Salsedo.

[Triumphal Carro, Flores y Luzes pag. 9.]

Eaphaël, no hay tormento qua se evite.

Por confesar un Dios omnipotente:

Muerte prolixa en quanto vive, siente,

Eterna vida en quanto muere admite.

Lengua de fuego en su loor repite Constancia tan feliz sobre ara ardiente,

Que si el Zelo a le pena lo consiente,

A la Gloria le pena lo remite.

Del material incendio al soberano A^ando el buelo Phenix peregrino,

Dexa el polvo a la vista del Tirano.

Dando luz al que sigue su camino,

Raphaël, medicina Angel humano.

Y por medio mortal se faz divino.

Bladz. 105. v. 17.

10p het feest der verbroedering aan leydens hoooeschool.

Dit dichtstukje komt voor in een bundeltje van gedichten ter

267

ocr page 302

TOELICHTINGEN.

gelegenheid van een verbroederingsfeest aan Leidens Hoogeschool in 1818. Er schijnt toen onder de Leidsche studenten eene vete bestaan te hebben die later is bijgelegd, en waarvan de beslechting, en daarop gevolgde verbroedering, aanleiding gegeven heeft tot feestelijkheden, waarby dit dichtstukje is vervaardigd. Ook de Hoogleeraar Speyert van der Eyk bezong in eenige Latijnsche dichtregelen die gebeurtenis.]

Bladz. 106. v. 31.

[by het openbaak examen enz., mede afzonderlijk gedrukt.]

Bladz. 110. v. 1.

[prometheus. Om de chronologische orde komt dit gedicht nu eerst voor, ofschoon het in Eschylus Dramatische dichtstukken onmiddellijk achter de Perzen werd geplaatst. De Prometheus kwam in het licht in 1819, met de volgende:]

voorrede.

Even als de navolging der Perzen van Eschylus, die nu ruim drie jaren geleden in het licht verscheen, zoo is ook deze van het meesterstuk van denzelfden dichter haren oorsprong verschuldigd aan den bijzonderen smaak, dien ik voor my in zijne poëzy boven die der twee andere Grieksche Treurspeldichters altoos gevonden heb. Dikwijls heeft de onbeschrijflijke aandoening, die my zijne verzen veroorzaken, mijne verbeelding zoodanig opgewekt, dat ik my niet wederhouden kon, den dichter, zoo als ik hem opvatte, in Nederduitsche dichtmaat uit te drukken; en alzoo ontstond dan weder, zonder eenig bepaald voornemen en bijna ongevoelig, uit de bewerking van eenige enkele tooneelen deze overbrenging van den geheelen Prometheus, die ik wensche dat aan hem, die het oorspronkelijke kent, niet onbehagelijk zijn moge, en aan die het niet kent er eenig denkbeeld van zal kunnen geven. Intusschen is er voor den laatste wellicht eenige voorbereiding oodig tot het ware verstand van een Grieksch tooneelstuk, en voornamelijk van dit. Men houde my dan eenige weinige aanmerkingen ten goede, die ik hier te dien einde laat voorafgaan.

In de eerste plaats herinner ik den lezer aan den oorsprong van de Grieksche Tragedie. Een dithyrambe ter eere van Bacchus, zie daar de kern, waar zich een der fraaiste planten van den dichterlijken hof uit ontwikkelen moest. De lof van goden en halve goden,

268

ocr page 303

TOELICHTINGEN.

eerst in een onafgebroken zang aangeheven, vervolgens doorweven met verhalen van hunne weldaden en heldenwerken, die eindelijk door afwisselende personaadjen of bezoiigen of zelfs voorgesteld werden, werd weldra het meer algemeene onderwerp dezer dithyramben, waaruit Eschylus vernuft een afzonderlijk soort van poëzy gevormd heeft. Zijne stukken, nog in den hoogdravenden stijl der lierzang geschreven, hadden eigenlijk slechts ééne belangrijke omstandigheid van eenig god of held ten onderwerp, en deze omstandigheid stelde hy, door de personen die er deel aan hadden zelve te doen spreken, en onder de illusie van de door hem ingevoerde tooneelpraal, aan het gezicht zoo wel als aan het gehoor van den aanschouwer levendig voor. Nu was het Treurspel geboren en tot een bloeiende jongelingschap opgekweekt. Sophocles volgde en volmaakte het werk. By hem werd het Treurspel de dichterlijke ontwikkeling van eene door het Noodlot voorbeschikte gewichtige gebeurtenis: en nu had de Grieksche Tragedie ook haar tijdperk van mannelijke rijpheid gehad. Voor Euripides, die deze twee groote mannen opvolgde, bleef niets meer overig dan het tijdvak des ouder-doms van het tooneel te vervullen!

Maar keeren wy tot Eschylus, met wien alleen wy hier eigenlijk noodig hebben, te rug. Om zijne stukken, en inzonderheid zijnen Promethus wel te vatten, moeten wy ons allereerst in een wereld van goden verplaatsen! Maar van goden, even als het menschdom, aan den wil ondergeschikt van een oppermachtig Noodlot, Noodzakelijkheid, Voorbestemming, of zoo men het noemen wil, dat by de Ouden de plaats verving van het aan ieder mensch en bijzonder aan den dichter zoo dierbaar denkbeeld eener alles bepalende Voorzienigheid. Doch misschien heeft dit nadere opheldering van noo-den. Eene korte beschouwing van ons dichtstuk zal die opheldering misschien kunnen geven, terwijl ze tevens tot bet begrip van het stuk zelf niet ondienstig zijn zal.

Volgens onzen dichter dan regeert het Noodlot over hemel en aarde: doch niet onmiddellijk, maar door tusschenkomst van de zoogenaamde Olympische goden, aan wier hoofd allereerst de god Uranus gestaan heeft. Dezen verjoegen zijne zonen, de Titans, waaronder Cronus (of Saturnus), die hem in het gebied opvolgde. Jupiter, Cronus zoon, bijgestaan door Prometheus en andere goden en halve goden, berooft op zijne beurt zijn vader van de hemel-kroon, en doet hem met de Titans, die zijne partij gekozen hadden, den Olympus ruimen. Nu gebruikte hy weldra zijne goddelijke

269

ocr page 304

TOELICHTINGEN.

macht, om het menschdom, dat onder Cronus zeer gelukkig geweest was, te vernederen en te kwellen. Prometheus verzet zich tegen dit voornemen, zoo lang hy kan; doch toen het menschdom dooide ongenade van Jnpiter, zoo verre vervallen was, dat er schier geen onderscheid meer tusschen dit en het redelooze dier bestond, braeht hy het vuur der hemelen, dat een goddelijke bezielingskracht bezat, op de aarde, en herstelde alzoo den mensch tot zijn vroe-geren en beteren stan~d. Nu had hy zich ook den haat van Jupiter en de overige ondergeschikte goden op den hals gehaald: en, tot straf zijner weldaden aan het menschdom, wordt hy op bevel van Jupiter in het woeste Scythië aan een rots op het strand der ze© vastgeklonken, en op allerlei wijzen gefolterd.

Het is hier dat ons dichtstuk eigenlijk een aanvang neemt, niet om den toeschouwer nieuwe gebeurtenissen voor oogen te brengen, maar eenvoudig om hem den lijdenden held in zijne droeve omstandigheid te leeren kennen, en zijn gedrag en karakter, als twee by uitstek dichterlijke voorwerpen, in de hoogere taal der poëzy af te schilderen: door hem-zelven sprekende in te voeren en in tegenstelling te brengen met de overige personen van het dichtstuk, die om hem, en om hem-alléén, ten tooneele gevoerd worden. Men verwachte dus hier geene eigenlijk gezegde daad, gelijk Sophocles die naderhand tot het wezen der Tragedie gemaakt heeft, en gelyk zy op het hedendaagsche tooneel een hoofdvereischte uitmaakt. Prometheus in zijne kluisters: zoo luidt de Grieksche titel, en belooft dus geene voorstelling van een daad of gebeurtenis, maar alleen van het op zich-zelf beschouwde uitwerksel van vroegere gebeurtenissen. Een lofzang op de tegen alle geweld onwrikbare braafheid en het innige vertrouwen op een hooger Macht, in een wezen, dat de menschelijke natuur wel te boven, maar niet te buiten gaat, en dat ons alzoo te gelijk verheffen en belang inboezemen kan, ziedaar het eenige doel van den dichter in zijn Prometheus. Laat ons zien op wat wijze hy dit doel bereikt!

Prometheus, zelf van goddelijken oorsprong, acht zich, geheel het stuk door en in al zijn lijden, den gelijke van dien Jupiter, aan wiens vervolging hy nu bloot staat. Hy heeft zelfs van zijno moeder Themis een geheim vernomen, dat Jupiter betreft en voor Jnpiter-zelven nog verholen is. Dit geheim bestaat daarin, dal, volgens de bestemming van het Noodlot, Jupiter de heerschappij des hemels moet verliezen, wanneer hy met Thetis, eene van Oceaans dochteron, een huwelijk aanging. Want uit dit huwelijk moest een

270

ocr page 305

TOELICHTINGEN.

zoon geboren worden, die zijn vader in macht verre zou overtreffen, en hem de kroon der hemelen ontrukken. Dit lot kon Jupiter alleen ontgaan, door zich van dien echt te onthouden. Een van beiden vertrouwt derhalve Promotheus dat gebeuren moet (want de zekere en bepaalde kennis welk der twee plaats zal hebben behoort alleen en uitsluitend aan het Noodlot): of Jupiter moet eens den schepter verliezen, en hy alzoo van-zelf uit zijne boeien ontslagen worden; of die god moet, om van Prometheus het gewichtige geheim en de middelen om zich voor den bedreigden val te hoeden, te vernemen, zijn kluisters breken en zich voor hem vernederen. In dit vertrouwen, en met de zelfbewustheid van wel gedaan te hebben, trotseert hy alle folteringen en het verschrikkelijke uitzicht op de voortduring daarvan gedurende eeuwen, en heeft hy stellig besloten, noch zijne verontwaardiging tegen zijnen machtigen vervolger te ontveinzen of te matigen, noch hem het geheim der toekomst te openbaren, voor dat hy in zijn vorigen staat hersteld worde en voldoening van het geledene ontfange. Om hem van dit voornemen te rug te brengen zijn de smerten vruchteloos, die hy op de rots, waaraan hem de aanschouwer vastgebonden ziet, ondergaat: vruchteloos de raad en de innemende taal van een Rei van Zeenimfen, die hem in zijn leed komt bezoeken. De God des. Oceaans vertoont zich nu ook om hem te bewegen, maar zijne redenen dienen nergens anders toe, dan om het mannelijke karakter van Prometheus tegen de buigzaamheid van het zijne in een zoo veel te schitterender licht te plaatsen. Aan lö die, mede oen offer van Jupiters wreedheid, de aarde wanhopig en half zinneloos doorzwerft, en uit wie na dertien geslachten Hercules, de bestemde verlosser van Prometheus, spruiten moet, aan lö, zeg ik, spreekt hy, hoe lijdende zelf, liefderijken troost toe, en openbaart haar, ten blijke van zijne zekere kennis der toekomst, het einde van hare jammeren. Tegen Mercurius eindelijk, die hem op een gebiedenden toon de verklaring komt vragen van het orakel, waarmede hy Jupiter bedreigt, toont hy zich met dezelfde waardigheid onverzettelijk in zijn besluit, en wacht met kalmte de vervulling af der verschrikkeliike gebeurtenissen, die hem Jupiters zendeling aankondigt. Met deze vervulling eindigt dan ook het dichtstuk, en, te midden van geweldige aardbevingen en dwarrelwinden, zinkt Prometheus weg, om in het gebied der hel op eene nog wreed er wijze gefolterd te worden.

Dit weinige zij genoeg tot opheldering des zakelijken inhoud»

271

ocr page 306

TOELICHTINGEN.

van het oorspronkelijk. Ik voeg bier nog een woord by over mijne navolging, die deze reis veel vrijer nog uitgevallen is, dan mijne vroegere overbrenging der Perzen. Voor wie zich over deze vrijheid somtijds verwonderen mocht, merke ik alleen aan, dat het vertalen van een dichter een hoogst ondichterlijk werk zijn zoude, indien men daarbij iets anders zocht, dan de denkbeelden die ons getroffen hebben op onze wijze en in eene ons meer eigene taal en dichtmaat weder te geven. En hiermede valt alle opzet, om of het oorspronkelijke getrouw te blijven, of daarvan naar willekeur af te wijken, noodzakelijk weg.

Wat eindelijk de Aanteekeningen betreft, deze hebben geen ander doel, dan om den lezer de moeite van nazoekingen omtrent de toespelingen des dichters op het een en ander geschiedkundig of mythologisch feit te besparen.

[De Prometheus werd besloten met de volgende] AANTEEKENINGEN.

Bladz. 110. v. 12.

DE WRAAKGODIN.

Het oorspronkelijke Grieksch voert hier een dubbele persoon (Kracht en geweld) ten tooneele, om Vulcaan in het volbrengen van Jupiters last te helpen. Ik heb gemeend, dat in eene Hol-landsche overbrenging deze rol gevoeglijk aan de meer bekende personaadje van de Wraakgodin of Nemesis kon opgedragen worden.

Bladz. 111. v. 23.

maar hoe nauw het harte kleeft aan maagschap, weet gy niet!

lilpetus, Prometheus vader, was een der zonen van Uranus en lt;le Aarde, Titans genoemd, en alzoo broeder van Cronus of Satur-nus, den grootvader van Vulcaan.

Bladz. 113. v. 21.

aan kloeken raad was zelfs de klank uws naams verwant.

De Grieksche naam van Prometheus geeft de eigenschap van voorzichtigheid te kennen.

Bladz. 116. v. 11.

En echter zal dees rots nog eens het uur getuigen, enz.

■272

ocr page 307

TOELICHTINGEN.

Deze voorzegging wordt bewaarheid in het laatste tooneel.

BIz. 120. v. 1.

't Is niet het godenbloed alleen, dat beider aderen enz.

Oceaan was de zoon van Uranus en de Aarde.

Bladz. 121. v. 25.

Mijn broeder Atlas, enz.

Atlas was niet de zoon, gelijk Oceaan, maar de kleinzoon van Uranus, door lapetus. Oceaan noemt men hier broeder, om dat hy mede onder den algemeenen naam der Titans begrepen werd, en in hunne zaak en lotgevallen in den oorlog tegen Jupiter ge-gedeeld had.

Bladz. 121. v. 28.

Ook ïyphoos lot was hard.

Een reus, geboren uit den Tartaar en de aarde, die mede den oorlog tegen de hemelgoden had helpen voeren.

Bladz. 125. v. 26.

Aan my meê, dat de taal, die uit den boezem breekt, enz.

Wien deze verzen «iet duidelijk zijn, raadplege de onlangs in het licht verschenen Verhandeling van den Heer Mr. Bilderdijk over den oorsprong van het Letterschrift, en hy zal daar het eenige systema over dit onderwerp vinden, dat den Dichter waardig is en den Wijsgeer, die de Waarheid zoekt, voldoen kan. Dat ik hetzelve Prometheus in den mond legge, behoeft, denk ik, geene rechtvaardiging.

Bladz. 128. v. 31.

door 't duizendoogig spook, enz.

lö, dochter van den Stroomgod Inachus, door Jupiter bemind en verleid, werd door de ijverzucht van Juno in eene koe veranderd en aan de wacht vertrouwd van een monsterachtig herder, Archus geheeten, en met honderd oogen toegerust. Dezen wachter deed Jupiter door Mercurius ombrengen. Doch dit bevrijdde lö van haar leed niet. Juno joeg haar een geweldigen schrik aan, en deed ze alzoo een gedeelte der aarde doorzwerven, tot dat ze eindelijk in Egipte rust vond, Jupiter een zoon baarde, en als godesse vereerd is geworden.

I- 18

ocr page 308

TOELICHTINGEN.

Bladz. 129. v. 6.

nog ruischt de toon der rietpijp door mijn zinnen, enz.

Mercurius, namelijk, had Argus door het geluid eener rietpijp in slaap gezongen, en hem in den slaap van kant geholpen.

Bladz. 131. v. 10.

Gy hebt de zusteren van Inachus gehoord!

Inachus werd, als alle Stroomgoden, voor een zoon van Oceaan gehouden.

Bladz. 131. v. 37.

en de eikenboomen zwegen;

De eikenboomen van het Dodoneesche bosch werden gezegd geluid te geven en orakels te verkondigen.

Bladz. 132. v. 9.

Mijn voorhoofd, eens zoo fier, enz.

Men neme in acht, dat de Dichter de zwervende lö wel onder een menschelijken vorm ten tooneele voert, maar tevens, ter herinnering aan Junoos vervolging, met horens op het voorhoofd.

Bladz. 133. v. 21.

en de enge zee getoond, die gy moet overvaren, enz.

Versta de tegenwoordige zeeëngte van Caffa, eertijds Bosporus (overvaart der koe in het Grieksch) genaamd, ter geheugenis van loos overvaart in hare viervoetige gedaante.

Bladz. 135. v. 23.

Hier hebt ge Phorcys kroost te mijden.

Drie in de fabel zeer vermaarde zusteren, waaronder Medusa vooral, die zich beurtelings van één oog, aan alle drie gemeen, bedienden.

Bladz. 135. v. 29.

der Arimaspias.

De Arimaspias was een rivier in Scythië, dus genaamd naar hare oeverbewoners, de Arimaspen.

274

ocr page 309

TOELICHTINGEN.

Bladz. 136. v. 33.

Een' hunner zal de nood, enz.

Men kent de geschiedenis der vijftig dochters van Danaiis, die om het huwelijk van Egyptes vijftig zonen te ontgaan, haar geboorteland Egypte verlieten, en in Argos een schuilplaats zochten. Doch ook daar door hare minnaars vervolgd, gingen zy het opgedrongen huwelijk aan, maar brachten hare jonge echtgenooten, op haars vaders bevel, in den eersten huwelijksnacht om. Een enkele, Hypermnestra, ontzag haar gemaal, redde hem, en besteeg vervolgens met hem den troon van Argos. Egyptus en Danaüs waren broeders, zonen van Belus, den kleinzoon van Tö uit Epaphus.

Bladz. 139. v. 29.

'k Zag reeds twee goden vallen.

Uranus werd door zijn zoon Cronus, en deze op zijn beurt door zijn zoon Jupiter uit den hemel verjaagd.

Bladz. 144.

[cassandhaas vooEZEGGiNG. Dit fragment uit Eschylus Agamemnon werd als een toevoegsel tot den Prometheus, te zamen met dit dichtwerk in 1819 uitgegeven. Het werd voorafgegaan van de hierna volgende korte]

INLEIDING.

Agamemnon, Koning van Argos, van het beleg van Troje te rug komende, wordt door zijn echtgenoote, Clytemnestra, en haren overspeligen minnaar, Egisthus, verraderlijk omgebracht; en met hem, de ïrojaansche Prinses Cassandra, die hij gevankelijk met zich gevoerd had. Het is bekend dat deze Vorst een zoon was van Koning Atreus, zoo berucht in de oudheid door zijn wederkeerigen haat tegen zijn broeder Thyestes, Egisthus vader. Zie daar de geschiedenis waarvan Eschylus zijnen Agamemnon heeft gevormd. Het fragment, dat hier in het Nederduitsch onder den naam van Cassandraas voorzegging gegeven wordt, stelt het tooneel van dit stuk voor, alwaar Cassandra, die van Apollo de gave van wichelarij in vroeger tijd reeds had ontvangen, Agamemnons en haar eigen naderend uiteinde aan een Rei van Argivische Grijzaarts, die niets dergelijks vermoeden, aankondigt.

275

ocr page 310

TOELICHTINGEN.

Het tooneel speelt voor den ingang van het vorstelijk paleis, alwaar Cassandra in een wagen zittende een weinig te voren is aangekomen. Verdere ophelderingen, waar die noodig mochten zijn, blijven voor de aan het slot geplaatste Aanteekeningen bewaard.

[Bij oassandraas voobzegging behooren de volgende]

AANTEEKENINGEN.

Bladz. 144. v. 12.

Heeft niet ook Hercules des noodlots toorn geboet en ketenen getorscht?

Dit moet verstaan worden van den tijd van zijn verblijf aan het hof van Omphale, Koningin van Lydië, op wie hy smoorlijk verliefd was, en die zoo veel invloed op hem had, dat zy hem vrouwenwerk liet verrichten.

Bladz. 144. v. 23.

zoo slechts 'tbarbaarsch gehoor, enz.

Barbaarsch noemden de Grieken al wat vreemd was.

Bladz. 146. v. 16 en volg.

Ziet gy die kinderen niet zweven langs de wand, enz,

Atreus, woedend om het tusschen zijne echtgenoote en zijn broeder Thyestes gepleegd overspel, had twee van Thyestes kinderen omgebracht, hun vleesch doen toebereiden en op huns vaders disch plaatsen. Naar het verhaal der fabel deed deze verschrikkelijke wraak de Zon van afgrijzen te rug gaan, en riep den vloek dei-goden op geheel het huis der Pelopieden, dat te Argos regeerde. De gebeurtenissen, die het onderwerp van den Agamemnon uitmaken, waren het gevolg hiervan.

Bladz. 148. v. 10.

en Itys noodlot, al te wreed, enz.

Philomele, door haar schoonbroeder Tereus gewelddadig geschonden, klaagde haar leed aan hare zuster, Tereus echtgenoote, en ontstak die in zulk eene woede, dat zy haar eigen zoon Itys ombracht, en den vader met zijn vleesch spijsde. Alle die ongel ukkigen verwisselden na deze gebeurtenis van gedaante en wezen, en Philomele werd in een nachtegaal herschapen, in wier smeltende tonen de oudheid een klacht over Itys dood waande te bespeuren.

276

ocr page 311

TOELICHTINGEN.

Bladz. 150. v. 9.

en 't mensohdom niettemin is voor mijn woorden doof!

Apollo had Cassandra met het vermogen van wichelarij begaafd, in de hoop dat zy zijne liefde voldoen zoude. Zy weigerde dit: en, daar de God haar de eens verleende gaaf niet weder ontnemen kon, voegde hy er tot straf by, dat hare voorzeggingen door niemand geloofd zouden worden. Het oorspronkelijke geeft hier détails van, die wy gemeend hebben te kunnen achterlaten.

Bladz. 150. v. 31.

O vrouw, vloekwaarder dan Charybdis, enz.

Charybdis is by de Ouden eene vrouw, die, omdat ze Hercules bestolen had, van den bliksem getroffen en in de Middellandsche Zee geworpen was, alwaar zy aan een vreesselijken kolk den naam gaf.

Bladz. 153.

[het treurspel. Deze Ode verscheen het eerst in het licht als toevoegsel tot den Prometheus in 1819. Zy werd later op nieuw uitgegeven in de Zangen uit verscheidenen leeftijd. Da Costa merkt zelf in „de Voorrede van die Zangenquot; op, dat zy voor een aanmerkelijk deel de toenmalige richting van zijn gemoed in poëzy karakteriseert.]

Bladz. 157.

[liefde. Vroeger niet gedrukt. Het eerst opgenomen in de Zangen uit verscheidenen leeftijd.]

Bladz. 159.

[aan bilderdijk by het afsterven van zijn' zoon julius Willem, den eersteling van des grooten Dichters echt, als Adelborst in Z. M. zeedienst, op eene terugreis van China aan boord van het schip in 1819 overleden. De Zanger verheerlijkte de nagedachtenis des beminnelijken jongelings in een bundel Rouwzangen.

De eerste regel van Da Costa's Rouwdicht zinspeelt op den aanhef van Bilderdijks Voorzang voor De Echt (Bilderdijks Dichtwerken, XI, blz. 122:

De tranen zijn uw deel ip aard.

Rampzalig sterveling!

277

ocr page 312

TOELICHTINGEN.

Van daar by Da Costa de uitboezeming:

Ja, tkanen zijn oks deel op aakd.]

Bladz. 162.

[By het opbnbaak examen enz., afzonderlijk gedrukt.]

Bladz. 165.

[Dit gedicht is het eerste, dat ontleend is aan den Bundel getiteld Poëzy, die in twee deelen te Leiden by Herdingh en Zoon in het licht verscheen. Het was vooral door de uitgave van dien Bundel, dat Da Costa, reeds als gelukkig dichterlijk vertaler beroemd, zich ook als geniaal oorspronkelijk Dichter deed kennen en van stonden aan zich eene eigene plaats verwierf, die hem door niemand, zelfs niet, in het genre, waarin hy vooral uitmuntte, door zijnen grooten Meester Bilderdijk werd betwist. Wy hebben hielden Wakenden gloed der jeugd, by de volle rijpheid des manne-lijken leeftijds, en die beide overstraald door de zon van het heilige Oosten! Het eerste deel van de Poëzy werd ingeleid door de volgende]

VOORREDE.

By de tokkeling der Dichterlijke lier openbaren zich de diepste verborgenheden van het hart; en zoo staan des Dichters persoonlijke gevoelens aan de kennis van het Algemeen, aan hetwelk hy de uitvloeisels zijner aandoeningen, tot voorwerpen van kunst geworden, mededeelt, oneindig meer dan die van eenig ander Schrijver bloot. Misschien geldt dit inzonderheid van dezen bundel. Opgevoed in een denkwijze, geheel strijdig met den heerschenden geest der eeuw, en in die denkwijze bevestigd door de les en het voorbeeld van den grooten Dichter, die zoo krachtig als onveranderlijk zich jaren lang tegen dien geest verzet heeft en nog verzet, moet het des niemand verwonderen, dat ik, ook in de hier verschijnende stuk-jens, geheel andere dan de tegenwoordig algemeen wordende begrippen belijde, en daar openlijk en met nadruk voor uitkome. Hierin stel ik eer en genoegen. Dan, voor weidenkenden, die (uit hoofde van wat omstandigheid het zijn mag) aan de eene of andere mijner uitdrukkingen eene beteekenis mochten kunnen hechten, voor hunne eigene gezindheid aanstotelijk, achte ik het plichtmatig

278

ocr page 313

TOELICHTINGEN.

tevens te verklaren, dat, wel zeer verwijderd van zoodanige bedoeling, mijn hart geen afkeer voedt en uitdrukt dan tegen de by faen evenzeer gehate beginselen van Ongodisterij en omverwerping der maatschappelijke orde, en zich (behoudens ieders wettige gehechtheid aan zijne wijze van beschouwen in de verdere hyzonder-heden) gaarne vereenigt met al wie de hand leent aan de bestrijding en verdelging dier afschuwelijkheden. Met deze ter goeder trouw gegevene verzekering heb ik de misvatting van oprechte belijders van welk Godsdienstig geloof hier te lande ook niet te vreezen.

Dit weinige zij genoeg over den geest van deze verzameling. Nog een enkel woord betreffende het een en ander der Dichtstukken, in dit Eerste Deel vervat. Omtrent de Tnes de Castro merke ik aan, dat dit Dichtstuk, in den vorm van een Tooneel naar den trant der Ouden geschreven, geenszins als een gedeelte van een vervaardigd of ontworpen Treurspel moet beschouwd worden. Mijne denkbeelden omtrent de vereischte inrichting van een hedendaagsch Treurspel brengen niets diergelijks mede. Het vers was bestemd tot de vervulling eenar spreekbeurt in het te Amsterdam nieuw opgericht Genootschap Voor uiterlijke Welsprekendheid, en had alzoo geen ander doel, dan om, overeenkomstig de instellingen dezes Genootschaps, tot een proeve te verstrekken van den stijl en toon van tragische poëzy en versificatie in onze taal. De mededeeling der drie door my overgebrachte stukjes van Lamartine zal misschien den lezer welkom zijn, het zij als herinnering aan het oorspronklijk, het zij als eene gelegenheid tot kennismaking met dezen voortreflijken en belangrijken Dichter, tegen wien sommige Pransche zoogenaamde Liberale Dagbladen (die zich waarschijnlijk schamen zouden gezonder denkbeelden over Schoonheid en Kunst te uiten, dan zy van Recht en Waarheid ioonen te bezitten!) zich beijverd hebben een ongunstig vooroordeel te verwekken. Deze aanmerking moge tot beveiliging strekken tegen diergelijke partijzuchtige beoordeelingen, waardoor vreemdelingen in eene taal zich op het gezag van landgenooten des Schrijvers al zeer licht laten wegslepen, en diene tevens tot opheldering der aan Lamartine door my gerichte dichtregelen achter de overbrengingen uit zijn werk geplaatst. Wat eindelijk mijne Navolging betreft van Ovidius bekenden redestrijd tusschen Ajax en Ulysses ter zake van Achilles wapenen, ik heb, hoe vervuld dit stuk zij van eene menigte toespelingen op de Ilias, die het versieren en verlevendigen, het echter noodeloos geacht, zoodanige plaatsen aan

279

ocr page 314

TOELICHTINGEN.

te wijzen en door aanhaling nader op te helderen, daar zy den met Homerus bekende lezeren van zelve voor oogen springen, en daarentegen weinig -waarde meer liebben, als men er eerst naderhand en buiten den samenhang der verzen op aandachtig wordt gemaakt.

En hiermede is het Eerste Deel van dezen bondel, dat door een Tweede en laatste vóór den afloop van het jaar (zoo ik hope) gevolgd zal worden, besloten. Vaar intusschen wel. Lezer! en kunt gy, by den overvloed van heerlijke zangen, waarvan de Hollandsche Pindus tegenwoordig wedergalmt, een oogenblik met welgevallen het oor leenen aan mijne nederiger tonen, het zal meer zijn dan ik durf verwachten, die in het gebied der Dichtkunst op geen andere verdienste aanspraak make, dan op een brandend gevoel voor hare voortreflijkheid, en een diepe overtuiging van do waarheden, die ons door hare bespiegelingen ontdekt worden!

[Aan het Tweede Deel ging vooraf deze]

VOORREDE.

Ter geleide van dit Tweede Deel, waarvan byzondere omstandigheden de uitgave tot nog vertraagd hebben, voege ik nog eenige weinige woorden by het geen aan het hoofd van dezen Bondel in het algemeen ter voorafspraak gezegd is. Deze woorden betreffen alleenlijk twee der in dit Deel verschijnende Dichtstukken, waarover eene korte opheldering noodig is tot dat rechte begrip van den inhoud, tot hetwelk de uitgevende Dichter zich verplicht gevoelt zijn lezer de hand te bieden.

Ten eerste dan zij het aangemerkt, dat het Dichtstuk onder den titel van de Tocht uit Babel hier geplaatst eene omstandigheid onderstelt, die ik niet geloove algemeen genoeg bekend te zijn, om er hier een byzonder gewag van te kunnen nalaten. Deze omstandigheid is de in het Spaansche Schiereiland, zoo wel als onder de uitgewekenen dier landen sedert eeuwen verspreide overlevering, volgens welke een groot aantal der Vorstelijke aan den Vorstenstam verwante geslachten uit Juda dadelijk, of ten minste korten tijd, na de verwoesting van den eersten Tempel in het land van Spanje zich hebben nedergezet en voortgeplant, en de kiemen dier groote bevolking gebracht, die onder het over den aardbodem verspreide Volk van Israël wederom als een op zich-zelf staand geheel behoort te worden beschouwd. Deze overlevering, gelijk zy voor die haar van naby heeft onderzocht, hoogst waarschijnlijk is, wordt eene waarheid van het hoogste gewicht, wanneer men haar in toepassing

280

ocr page 315

TOELICHTINGEN.

neemt op de Spaansche en Portugeesche Geschiedenissen, over wier diepere kennis zy onbegrijpelijk veel licht verspreidt, zoo ten aanzien van den toestand der Joden in die landen gedurende eene lange reeks van eeuwen, als ten aanzien van verschillende zeer gewichtige gebeurtenissen (als onder anderen de vestiging der nieuwe Inquisitie tegen het einde der vijftiende Eeuw), welke tot nog toe of geheel niet, of althands zeer gebrekkig gekend worden. Hoogst belangrijk (en in meer opzichten dan men wel vermoeden zoude) kon eene opzettelijke en uitvoerige behandeling van dit punt van historie wezen, en het is een mijner vurigste wenschen te eeniger tijde in de gelegenheid te zijn hetzelve uit te maken met die naauw-keurigheid, die de zaak in mijne oogen by uitstek verdient, maar tot welke eene menigte bouwstoffen onontbeerlijk zijn, waarvan de toegang met even zoo vele zwarigheden belemmerd is. Hier ter plaatse zij het genoeg eenvoudig van het bestaan der voormelde overlevering te gewagen, en daar by aan te merken, dat het Dichtstuk, waarvan zy het onderwerp is, het oogenblik onderstelt, waarop de uit de Babylonische heerschappij ontslagene geslachten zich gereed maken in een ander deel der wereld een schuilplaats te zoeken.

Onze tweede aanmerking geldt het Fragment van Lord Byron's Caïn, het vierde der in dit deel geplaatste stukken. Dit Fragment is in het door den Autheur onder den titel van Mysteriespel uitgegeven Dichtstuk het Tweede en Derde Too-neel van het Eerste Bedrijf, met weglating alleen van eenige niets-beduidende Verzen over een zeer te onpas aangevoerd geschilpunt tusschen de twee hoofdpersonaadjen van het stuk, en met bijvoeging van eene Rei van Engelen, wier woorden door een cursie-ven lettar in den druk onderscheiden worden, ten einde den Lezer den zamenhang van het Engelsche Oorspronklijk te gemaklijker te doen bemerken. Ten aanzien van dit Oorspronldijk-zelf merke ik op, dat de Gain van den Lord Byron wederom is een dier dichtwerken, waarin zich dit voor den menschkundige meer nog dan voor den beminnaar van Poëzy beschouwenswaardig wezen in alle de vreemdheid van zijn persoonlijk karakter vertoont. Men vindt hier den Noordschen Edelman, den zwaarmoedigen Engelsch-man, den gevoeligen Poëet, den hoogmoedigen en tevens lichtzin-nigen Twijfelaar, wiens ongelukkige geestgesteldheid zich de kwade Geest van onze ongodsdienstige eeuw heeft weten ten nutte te maken, met alle zijne tegenstrijdigheden te rug. De Poëzy is hier.

281

ocr page 316

TOELICHTINGEN.

als in de meeste van 's mans schriften, by vele gewichtige gebreken, overvloeiende tevens van verbeelding, warmte en verheffing, en andere dichterlijke hoedanigheden, die van eenheid evenwel en consequentie, of wat daar naar zwemen mag, geheel uitgesloten. Zoo ver men uit dit stuk dan eenig bepaald stelsel van des dichters denkwijze kan opmaken, schijnt hy hier eene soort van Manicheïsm us te belijden, hetwelk op geen vastere gronden steunt, dan de eentonige steeds onder verschillende vormen voortgebrachte sofismen der Ongodisterij, doch die in de schitterende kleuren van Lord Byron's Poëzy gehuld, niet nalaten konden, by de meerdere verontwaardiging, die zy by my verwekten, «en geheel andere uitwerking dan die eener bloote wegwerping van het boek te weeg te brengen. En zoo werd dan het denkbeeld by my geboren, om ze met de wapenen der Dichtkunst van mijne zijde te bestrijden, en by eene overbrenging van een gedeelte van dit zonderlinge stuk eene wederlegging te voegen door het invlechten van eenen Rei, die naar de wijze der oude Treurspeldichters Waarheid en Zedelijkheid handhaven moet. Deze mijne wederlegging geloove ik te berusten op gronden van Goddelijke Openbaring; althands ik zoude gruwen van het denkbeeld iets te hebben nedergeschreven, daarvan onafhankelijk. Doch voor wie mijne oplossing van de drogredenen der Booze Wezens, die de Engelsche Dichter tot zijne tolken schijnt te maken, aannemelijk vinden moge, dient vooral aangemerkt, dat deze en alle andere oplossingen van het menschelijk verstand behooren te zijn ondergeschikt aan dat alles omvattende geloof des harten, waarin de Rechtvaardiging Gods, buiten de medewerking eener bekrompene redeneering, geschiedt, en op hetwelk alle de aanvallen eener gewaande filosofie afstuiten, schoon ook de Tijd nog niet daar is, waarop de Verborgenheden der wijsheid Gods ook voor de oogen van het Verstand zullen geopend worden!

[Bij de nieuwe uitgave der twee deelen in 1847 werd gevoegd dit] VOORBERICHT.

De Boekhandelaar Kruseman heeft het wenschelijk geacht, van dezen Dichtbundel, welke sedert eenigen tijd tot zijn boekenfonds behoort, een nieuwen druk in klein formaat te geven. Op de behulpzame hand daartoe van den Autheur had deze onderneming hare aanspraak. Die medewerking intusschen bepaalde zich uit den aart der zaak tot niet veel meer dan het nazien der proeven. Indien

-282

ocr page 317

TOELICHTINGEN.

dan nu by die gelegenheid hier en daar in uitdrukking of punctuatie iets naar het gevoel of den indruk van het oogenblik veranderd werd, de Bundel verschijnt, behoudens deze onbeduidende wijziging, als bloote herdruk der uitgaven van de jaren 1821 en 1822. Aan verbetering, die indedaad overwerking ware geworden, kon daarby wel niet gedacht worden; hoe ook anders na een zoo aanmerkelijk tijdverloop, alleen reeds uit het standpunt der dichterlijke kritiek, zich een trek tot overwerking mag hebben doen gevoelen.

In het geheel moet wel eene poëzy, na meer dan het vierde eener eeuw op nieuw onder de aandacht gebracht, niet alleen tot een nieuw geslacht van Lezers, maar ook tot den Dichter-zelven in eene gewijzigde betrekking komen. Toch blijft aan dezen de belangstelling in de vrucht van een vroegeren leeftijd eigen. Wel moge hem thands de keus of kleur van menige uiting, het zij om hare sterkte, het zij om hare zwakte, een glimlach, zoo niet scherper afkeuring dan dezen, afpersen, op meer dan eene plaats herkent hy nog steeds de oogenblikken, waarin de zelfbewustheid van dichter te zijn in zijn gemoed opwaakte, en misschien reeds eenige zelfstandigheid bekwam. Meer dan belangrijk, neen! dierbaar wordt hem die herkenning, voor zoo ver zy zich tevens aansluit aan de gedachtenis van toestanden, die voor zijn in- en uitwendig leven beslissend zijn geweest.

Doch is dan alzoo de poëzy ook van deze Verzameling geen bloot spel geweest met taal en denkbeelden, maar veeleer de uitdrukking van een innerlijk leven of streven, bovenal die van inwendige bewegingen en behoeften op Godsdienstig gebied, zoo acht de Dichter zich, by deze wederverschijning, in gemoede tot ten minste eenige rekenschap verplicht van de verhouding, waarin zijne tegenwoordige overtuigingen staan tot hetgeen hy ook in dezen Bundel eenmaal uit zijne binnenste gewaarwording heeft nederge-legd. Inzonderheid van die zijde beschouwd, kan hy deze poëzy niet betrekken dan tot een tijdstip van wording en allerminst van rijpheid. Wie met mijne gevoelens gelijk die in latere, vooral in de tien laatste jaren, bij schrifte openbaar werden, eenigermate bekend is, dien zal in den hier voorhanden Bundel een soort van bajert bejegenen, waaruit veel zicb sedert tot bestemde denkbeelden ontwikkeld heeft, of in eene voortgaande beweging van ontwikkeling gebleven is, maar waaruit ook niet weinig, het zij men op de zaken of op de woorden zie, eerder als verzwonden en op

283

ocr page 318

TOELICHTINGEN.

gelost te beschouwen is, en voov ray althands geene andere dan eene (mag ik ze dus noemen) personeel historische beteekenis meer heeft. Zoo rust dan (welke toegeeflijkheid men ook in het oordeel over de poëtische waarde zal willen betoonen!) op my althands, ten aanzien van het wezen dezer dichterlijke uitboezemingen, de plicht van een stellig protest tegen iedere andere richting, welke daaraan zoude kunnen gegeven worden, dan overeenkomstig met mijne later uitgesprokene belijdenis omtrent de hoogste en dierbaarste waarheden. Ja, veeleer, voor zoover in deze poëzy mijner jeugd galmen gevonden worden, die evenzeer of meer in het godsdienstig gevoel der Eeuw dan in het positief geloof des Evangelies eenen weêrklank vinden, acht ik het hier de plaats tegen alles wat tot het eerstgemeld terrein behoort des te nadruklijker te waarschuwen, als ik voor mij-zelven ieder dag meer behoefte heb aan de vastigheid van die historische Openbaring, waarvan het leven en de grondslag is de Heilbelofte des Ouden en des Nieuwen Testaments.

Zoo ik de toepassing van dit protest eenigszins noodig heb te byzonderen, ik zou, ten voorbeelde van de schifting die ik hier wensch aan te bevelen tusschen wordend en blijvend, tus-schen wezenlijk en bykomstig, tusschen algemeen Godsdienstig en bestemd Bijbelsch, bepaaldelijk wijzen op drie der grootere Dichtstukken in den Bundel: de Hymne der Voorzienigheid, de Reien in Byrons Cain, en de Tocht uit Babel. De twee eerstgenoemden mogen inzonderheid mijnen jongen mededichteren nog steeds eenig belang inboezemen als poëzy; zij vorderen, van wie het om hoogere belangen te doen is, naauw-lettende toetsing aan het Woord van God, ter onderscheiding van beproefde waarheid en gewaagde dichting. Ik zoude thands zeer zeker geen van beide zóó schrijven; ik zou geen van beide thands onderschrijven zonder eene zekere medeplichtigheid aan richtingen, die ik toen ter tijd daarin niet zoo zeer vreesde of besefte. Vooral zou ik huiveren van het wedergeven, al zij het ook om ze te wederleggen, der lasteringen van het Engelsche Dichtstuk; lasteringen, waartegenover in elk geval de toon van lofzang en aanbidding, maar geenszins eene poging tot oplossing voegt, buiten dat ééne woord van den Apostel: Wie zijt gy, die tegen God antwoordt? — Wat de Tocht uit Babel betreft, zekerlijk blijft my de historische grondslag van dit Vers altijd gewichtig.

284

ocr page 319

TOELICHTINGEN.

als hebbende betrekking tot eene nationale, in mijne mondelinge Voorlezingen over de moderne Geschiedenis der Joden later in het breede behandelde, overlevering; die der vestiging, voor een gedeelte, van den koninklijken stam van Juda nit Babel in het Spaan-sohe schiereiland kort na de eerste stad- en tempelverwoesting van Jeruzalem. Ten aanzien evenwel der bewerking, zoude ik mij thands voorzeker niet meer veroorloven de prophetische glansen der toekomstige heerlijkheid van het Joodsche volk onder hunnen eigenen Koning Christus, toe te passen op eenig tijdvak, hoe belangwekkend ook anders, van Israels geschiedenis buiten het erfland der vaderen en de gehoorzaamheid aan dien Verlosser, die alléén de Leeuw uit Juda is, wien toekomt de schepter, de wetgeving, en de eere, — wiens koninkrijk kome!

September 1847.

Bladz. 165.

[den heebb or. IMANUEL CAPADosE. Deze Capadose was lijfarts van koning Lodewijk, gehuwd met Batseba Da Costa, zuster van Daniel Da Costa, vaders des Dichters, wier afsterven hier dichterlijk herdacht en betreurd wordt. Hij was een oom van Dr. Abraham Capadose, den boezemvriend van onzen Zanger, aan wien zoo menig schoon gedicht door hem toegewijd werd.

Daar de gedichten in den Bundel Poëzy niet alle een jaartal dragen, heeft men de chronologische orde niet verder kunnen volgen, dan dat men ze allen een plaats in het tijdperk van de jaren 1818—1822 gegeven heeft.]

Bladz. 166.

[edrydice. Een nagalm van de antieke Grieksche luit, in schoone llollandsche dichtklanken weergegeven!J

Bladz. 174.

[de traan. Het oorspronklijke van dit gedicht komt voor ia de Hours of Idleness van Byron, en behoort dus tot het tijdperk van dezes Dichters eerstelingen. De wensch aan het slot is voor Da Costa, nog meer dan voor Byron, boven hopen en denken vervuld. Onder hoevele stroomen van tranen daalde de Hol-landsche Zanger ten gravel]

Bladz. 189.

[in het album van den heek mr. jeroximo de vries. Een

285quot;

ocr page 320

TOELICHTINGEN.

dichtbloem ter eere van den getrouwen vriend van Bilderdijk, later ook hoogschatter en vriend van Da Costa, mocht in de poözy dezes Dichters niet ontbreken.]

Bladz. 190.

[grapschkift. De hoogschatting van Bilderdijk voor den beroemden Leidschen Hoogleeraar in de Rechten Van der Keessel was op zijnen leerling Da Costa, die ook zelf mede het onderwijs van dezen uitstekenden Rechtsgeleerde genoot, overgegaan, en uit zich in een Bijschrift, dat in kortheid en kernachtigheid den geest en toon der in dit opzicht zoo voortreffelijke oud-Hollandsche dichtschool weêrgeeft.]

Bladz. 190.

[vijf bijschriften. Deze vijf bijschriften op het vijftal Oranjevorsten, die onzen staat hebben gegrondvest en bevestigd, zijn opgedragen aan Jhr. Mr. W. Van Hogendorp, die aldus genoemd wordt: „de onvergetelijke, de vroeger gedwongene en met geweld weggevoerde Garde d' honneur, en in deze betrekking nog in de macht der Franschen, toen zijn vader Gijsbert Karei in die gedenkwaardige maand November 1813 de vaan der bevrijding opstak, toen zijne broeders voor het aangezicht van vriend en vijand, van het volk en zijne verdrukkers, het huis op den Kneuterdijk uittraden met de oranjekleuren op hoed en rok.quot; Da Costa geeft van hem in „De Mensch en de Dichter Bilderdijk,quot; eene per-soons- en karakter-beschrijving, die de innigste bewondering en de tederste vriendschap ademt, zoowel als de hartelijkste droefheid over des veelbelovenden vroegen dood.]

Bladz. 197.

[de gaap der poëzy. In deze bezielde Ode is wel geen trek meer algemeen bekend en beroemd geworden, dan de zoo dikwijls aangehaalde aanhef:

Gevoel, Verbeelding, Heldenmoed!

een eisch, waaraan Da Costa-zelf als Dichter de volkomenste vervuiling schonk. Treftend werd dit onder anderen erkend in den weêrgalm in Potgieters voortreffelijken Rouwzang Isaac Da Costa. (Gids 1860.)

Het is door den Dichter vergund geworden, dit lied hier in zijn geheel mede te deelen:

286

ocr page 321

TOELICHTINGEN.

ISAAC DA COSTA.

1798—1860.

Hervormd Amsterdam! gij, gelukkige moeder der fiere gemeent die u glansrijk herschiep,

bleek immer uw menschlijkheid vroomer of vroeder

dan toen zij 'tHuis Jacobs het wellekom riep;

dan toen Ge, voor eigen behoud nog te velde,

verdrukten hun leed vast in liefde vergoldt,

tot straks in 't hoezee dat uw zege vermeldde

de hulde van 'tridderlijk Israël smolt?

Gij wist wat het zegt voor geloofsdwang te buigen,

gij gundet dien zwervren een huis des gebeds,

en uwer verdraagzaamheids wolk van getuigen

gloort eeuwig op Rembrandt's zich licht scheppende ets!(') Al 't voordeel waarderend van vlijtigen wandel

weest ge ijlings hun plaatse in der poorteren rij,

't verlaten Lisboa riep wee om zijn handel,

de korlen des Taags werden staven aan 't IJ!

De wijsgeeren vóór op 't gebied der gedachte, (t)

aan 't leger der kranken als englen begroet,

zoo kuste u die schaar, van geslacht tot geslachte

haar goud en haar gaven u biedend, den voet. Een dankbaarheid, 't wisslen beschamend der eeuwen,

U trouwst in 't verval, U vernieuwd na 't herstel, een weergalm van 't woord van den God der Hebreeuv/en: „Ik doe wie Mij wèl wilde in eeuwigheid wel!quot;

Gij, jonkske uit het bloed zulker oudren geboren,

gij jongling, wiens toekomst de meester vermoedt,

hoe neigt gij naar Bilderdijk's heldendicht de ooren (§),

hoe zet hij, 't u zingend, uw boezem in gloed.!

Ze is de uwe, die wereld oorspronklijk zoo edel!

Wat geldt bij uw adel d'aeloudste uit Euroop?

287

ocr page 322

TOELICHTINGEN.

En de uwe, wat lauwer ook ritsle om zijn schedel,

wordt eenmaal zijn krans, schoon ge bloost bij die hoop. Aanschouw 't in de klimmende geestdrift des grijzen hoe hoog hem uw klimmend bewonderen streelt;

Triomf is de traan die Klpine doet rijzen,

triomf iedre flikkring die 't scheemren doorspeelt! Hoe zoudt gij het zien, in verrukking verloren,

hoe zoudt gij het zien, die u stort aan zijn borst, die waandet de ontzagbre profeten te hooren,

dien 't eeuwige blaakt met onleschbaren dorst!

Ach! 't jeugdige bloed moge u bruischen door de aadren

wanneer naar de heilige harpe ge grijpt,

de roemrijke ballingschap spellend der vadren,

waar 't goud van d'oranje onder 't lommerdak rijpt; en 't harte zijn togten slechts strijdend bedwingen zoo vaak gij de blik op de schoone moogt slaan,

wier ziele gij wint door uw zielszucht te zingen,

wier liefde gij leest in een lach of een traan; — wat zegt u de glorie van 't grijze verleden,

wat schat gij een weelde als de wereld nog biedt, zoo lang over 't zonnige, zalige heden

de schaauw zich verzwaart van ons somber verschiet? 't Verderf grijnst u aan in de bloeijende gaarde,

„het graf,quot; gilt ge toe, wie u oudervreugd prijz', „verganklijk, vervloekt is 't genot dezer aarde,

„onze oorsprong was hemelsch, herbloei 't paradijs!____quot;

Stil Bilderdijk! stil die vervoerende klagten,

gij kent bij het regt ook den plicht der genie.

die vaak in den duister naar 't uchtendrood smachte,

maar vaak in den weerschijn ook morgenglans zie! Ge voelt hoe zijne armen uw knieën omklemmen,

of meer dan een vriend, of ge vader hem waart, wie hooger dan Gij onze harpe zal stemmen,

hem blijv' — 't zij uw roem! -— uwe ellende gespaard: Die bittere beker ten bodem geledigd,

die strijd met eene eeuw n den reus zelfs te sterk, die twijfel door kunst noch door kennis bevredigd,

die ruste gezocht in de kilte der kerk!

Wéér ze af eer die stormen elkander verdringen, en blinkende bloesems doen stuiven in 't slijk!

288

ocr page 323

TOELICHTINGEN.

„De beek laat zich leiden, de stroom doet zich dwingen, „de zee,quot; zegt ge grootsch, „schept zich zelve haar rijk!quot; Of ziener -ge waart, gaat dat woord in vervulling,

't wordt duister in 's jonglings verbijsterd gemoed en schrik grijpt ons aan bij een oogwenks onthulling,

wat vreeze van doodskou hem huiveren doet;

of trillen van 't kloppen der koorts niet zijn slapen,

bij 't zoeken der ziel naar den levenden God,

in stelsels door 't brein van vernuften geschapen,

die 't gister bewonderde en 't heden bespot?

In walging van 't West wendt hij weêr zich naar 't Oosten,

waar Mozes uit steenrotsen laafnis mogt slaan,

waar Silo de treurende weduw zal troosten,

en, andere Saulus, blikt Christus hem aan !

Hij knielt, hij aanbidt! — houdt eerbiedig u verre,

zijn tweede geboort' staat door de eerste hem duur,

hein boeit voor der Bergrede lieflijke sterre der Apocalypsis verterende vuur!

Harmonisch ontwikkelt de schepping haar gaven,

de knop windt zich los en de bloesem wordt vrucht, hoe lang ook de rups in de pop schijn' begraven,

van windsels bevrijd neemt de vlinder zijn vlugt; Bezielde! wiens morgen een middag beloofde

van luister, als schaars langs ons luchtgewelf schiet, wat zucht ge dat ijvren uw zangdrift verdoofde?

't geloof tot dien prijs is het hemelsche niet!

Schoon 't hart van de dwaasheid des hoogmoeds u gruwe,

al de ijdelheid raoê der verganklijke faam,

geen gave of ze is Godes en eenig blijkt de uwe,

hoe smelt'de poëtische trits in u zaam!

Gevoel? in geen vrouwlijke borst schuilt er teerder!

Verbeelding? gij vliegt met des dageraads vhigt! En Heldenmoed? toon bij de koensten uw meerder!

Geef, Oosterling, Hollander, Christen, u lucht!

Helaas, uit de sfeer van de schoonheid aan 't dolen

wordt elke dier gaven baldadig verkwist,

heur wieken verlamd door het stof van de scholen,

heur trekken ontluisterd door toornigen twist;

doch waar bij beklag u de blaam er voor trefïe,

289

19

ocr page 324

TOELICHTINGEN.

zij ook tot de schare de bede gericht,

dat ze eindelijk de almagt der liefde beseffe,

die, weldoend wie wee doet, beschamende sticht! Het Teisterbantsch vaandel beurt hooger zijn banen,

de strijdkreet des veldheers doordavert het heer; ach! ziet hij dan niet hoe 'sLands Muze haar tranen

met moeite weêrhoudt, hij, haar lievling weleer!

Weleer! of zij nog om zijn tente niet zweefde,

weleer! of haar ademloos nog ieder nacht de borst bij het trillen der snaren niet beefde, —

of liefde verflaauwde hoe lang zij verwacht'!

O morgen, waarop ons de wellust gebeurde {1),

getuige te zijn van 't herrijzen dier zon,

die langzaam den sluijer der nevlen niet scheurde, wat wist zij van worstling? die rees en verwon! O morgen, de roemrijkste stonde zijns levens!

de lof is te laauw voor zoo goddlijk een gloed; de roemrijkste zege onzer zanggodin tevens,

wees, heerlijke erinnering! wees driewerf gegroet! Hij zingt en niet enkel de bloem van die dagen,

de kunst en de kennis vergaderd in 't koor,

voelt naauwlijks zich weer op die golven gedragen,

of ze is bij 't melodische voorspel reeds oor;

hij zingt in de heilige hal der historie,

omringd van de helden der zeventiende eeuw, en schittrender gloort dier onsterflijken glorie,

te land en te water verrijst weêr de leeuw!

„Het Lied van 't Jaar Veertig!quot; — mogt over 't gebeente

een adem de dooden bezielende ooit gaan,

dan luistert die goede, die groote gemeente,

dan hoort hem de Vader des Vaderlands aan!

Of dunkt het u droom dat die toonen hen treffen,

dat schimmen den lofzang waarderen der lier, en Willem de handen ten zegen zou heffen

290

nu 't laauwerloof ruischt om zijns naneefs banier? Verklaar bij deez' menigt 't verbazender wonder hoe schoonheid het stugste gemoed overbeert;

1

Vjjt en twintig jaren, het dichtstuk, waarmefle Da Costa, in 1810 in. het Kon. Xed. Instituut de lange stilte afbrak.

ocr page 325

TOELICHTINGEN.

haar schepping, die 't ongeloof dreigt als de donder,

dat ongeloof echter tot eerbied bekeert;

zij 't hart van den hitteraten vijand verovert,

verrukkend 't beschaamt, overtreffend 't verzoent, en 't westlijk Europe zou hebben betooverd,

had slechts buiten Holland zijn taaltak gegroend.

Onloochenbare eenheid van kunst en karakter!

Wat spits van 't gebergte is uw wieken te steil? de vleugel van 't kleiner gevogelte knakt er,

den adelaar geeft gij heel 't landschap er veil;

en geest en gemoed, door 't geloove geprikkeld!

voor wie zich de dampkring van 't aardsche verdunt, hoe straalt u 't verschiet dat der ziel zich ontwikkelt,

hoe blaakt haar de blik in de heemlen gegund! Da Costa! zoo vaak gij den stralenden bondel

van flitsen versmaadt en uw haatren vergeet,

niet maar onze tweede, onze grootere Vondel

die waardig den regtstoel der tijden bekleedt, — Da Costa! die, zoo gij uws meesters ellende

den landgenoot kwijtscheldt, in 't grootscher gemoed van teederder liefde dan Bilderdijk kende

vervuld blijkt voor 't volk eens uw' vadren zoo goed, —■ o Zoon van het Oost! die de zengende stralen

gebiedt en wij zien en ons schroeit de woestijn, wat weelde met Ismaëls moeder te dwalen,

die moeder van tallooze volken zal zijn!

't Penseel wijkt beschaamd voor uw schildring van smarte,

geen beitel, die treffender boetlinge geeft,

en tusschen die beide voor hoofd en voor harte

wat hymne, die de eeuwen verklarend doorzweeft! (1) o Trots van het West, die bij Nieuwpoortsche duinen

nog eens der hervorming de zege behaalt, en 't schimmenheir groept op de zilveren kruinen,

gestarnte dat lieflijk door schaduwen straalt;

maar menschlijker voelt dan onz' voorzaten voelden,

maar hooger dan louter tot dulding u heft,

291

als daar, waar de blakendste togten krioelden.

1

Het dlchtstnk: Ha gar.

ocr page 326

TOELICHTINGEN.

Flips-Willems gemoedsstrijd u 't innigste treft; (1) tuig, dichter! dien, zoo aan het hof van Oranje de kunsten den luister verhoogden der kroon,

een lot als Carl August, die roem van Germanje,

aan Göthe bereidde, ten dank waar geboón!

Tuig, dichter! die, hadde u het zonlicht beschenen,

waar 't dubbele Huis van de wereld beschikt, een streelender hulde dan 't goud van Mecenen, de schatting eens edelen volks had verkwikt; wat glans was uw sier in deez' gastvrije wallen,

waar lag wel uw lusthof, aan Aemstel of IJ?

ach! 't ridderlint moge u ten deel zijn gevallen,

al 't overig ging uwe blikken voorbij! — Een leerstoel voor u? ü, den leidsman der dwaling!

Onz' jeugd, met vernuften tot meesters, uw buit! Het hof om te rusten, benoemd bij herhaling,

voor wien niet al plaatse? slechts u sloot het uit! Zwijg, bitterheid! zwijg, die tot waardiger wraking

mogt stijgen uit drieërlei dichterennaam.

wanneer niet Da Costa een grootscher vermaking

dan Vondel of Bilderdijk liet aan de faam;

wanneer ons de hemelsche glimlach niet heugde

waarmeê hij, op 't leger der smarte gestrekt,

slechts woorden verkondde van vrede en van vreugde,

zijn leed met den mantel der liefde bedekt!

Waarop, ja, zijn vurige geest zich vermeldde

in 't gaan door den tijd der verkorenen Gods, „de beide Verovraars, de Jood onder beide!quot; (t)

maar vrij van een zweem van den vroegeren trots 1 waarop van geen menschen miskenning hij klaagde,

waarop hij een stervende martelaar scheen,

die blij van zijn Heer en zijn Heiland gewaagde,

maar zegende wie hij het felst had bestreen!

292

1

Het dichtstuk: de Slag bij N leuwpo ort.

(t) „Waar en wanneerquot; hooren wij den verscheidene, In dichterlijke mijmering, quot;nog op zijn krankbed uitroepen: „waar en wanneer treft ge die zwervers „niet aanï in de tent van Alexander, In het kamp van Napoleon, alom ea quot;altyd, maar ook altijd en alom afgezonderd, altijd et alom Jood:quot;

ocr page 327

toelichtingen.

o Volk! met zoo goed, met zoo grootsch een verleden!

o Volk! met zoo donker, zoo droef een verschiet, zoo lang gij den sluimrenden krachten van 't heden

ontwaken vergunt, noch ontwikklen gebiedt! o Neêrland! wat zoudt gij eene eerzuil doen rijzen

waarbij, schoon de bleekheid des marmers niet bloost, de vraag van den vreemdling uw vonnis zou wijzen,

wat hulde gij hragt in zijn gade en zijn kroost? Verrukte zijn harpe u, zijn doel zou u blaken,

die liefde voor 't eeuwge, die 't aardsche doorzocht om stout in den tijd zijn vergoding te wraken,

om hoog te waarderen wat heerlijks die wrocht! Vernieuwing, herschepping bad hij uit den hoogen

op stofïïijk, op zeedlijk, op geestlijk gebied;

hoe 't stralen der waarheid zich kleure in onze oogen,

elk onzer belove in geweten zijn lied!

Eerst dan, ak die luister weêrschijnt in den lande,

eerst dan bij dat koor hem een tombe gesticht,

waar Vondel vereerd heet, drie eeuwen ten schande,

waar pralend, niet prikklend, De Ruyter nu l'sjt, — om, beurtlings op de asch dier geniën van 't Westen

of de asch dier genie uit het Oosten geknield, den dankbaren blik er ten hemel te vesten,

waaruit zoo verscheiden verwachting bezielt!

Bladz. 202.

[aan mijne egade. Jonkvrouwe Hannah Belmonte, den dichter in den bloede verwant, later in den gelukkigsten echt met hem verbonden. Dit gedicht is de eersteling van een ganschen stroom van zangen, haar toegewijd, waarin het van liefde blakend hart des tederminnenden Echtgenoots niet moede werd zich uit te storten. Had men alles willen geven, wat er van dien aard in des Dichters nalatenschap voorhanden was, het had op zich zelf een kleinen dichtbundel gevormd. Treffend is het, dat aan deze tot in den dood toe geliefde Gade ook als met brekend hart en stervende stem de allerlaatste toon van des Dichters harp in de Aan-

203

ocr page 328

toelichxlnöen.

bieding van De mensch en de Dichter Bilderdijk toegewijd werd. Dit gedichtje zal aan het slot van deze dichtverzame-ling zijne plaats vinden.]

Bladz. 205.

[aan dootob abkaham capadose, den bloed- en geestverwant des Dichters, die te zamen met hem tot de Christelijke kerk overging en door Lucas Egeling te Leiden uit ééne zelfde vonte gedoopt werd. Ook later bleven de beide geloofs- en strijdgenooten in denzelfden geloofsstrijd door de innigste en vertrouwelijkste vriendschap met elkander verbonden. Menige harptoon des Dichters klonk den boezemvriend hij onderscheidene gelegenheden ter eere, gelijk later uit verscheidene, ook vroeger onuitgegevene, dichtproeven zal blijken. Het slot van dit overschoone dichtstuk werd door Capadose bij het graf van zijn dichterlijken vriend op de treffendste wijze in herinnering gebracht en herhaald.]

Bladz. 211.

[aan mijn vadeb. Ter opdracht van den Bundel, getiteld Poëzy. Deze opdracht ademt niet alleen een geest van plichtmatigen eerbied van den zoon voor den vader, maar tevens klinkt daarin een toon van innige zamenstemming van den vurigen jongeling met de beginselen, hem door dien vader ingeprent, ja, van fierheid en verheffing op het bloed diens vaders, dat hij in zijne aderen draagt en voeit. En inderdaad. Da Costa's vader verdiende zulk een hulde; hij, die ons geschetst wordt (Koenen, Levensbericht) als zijnde, niet zoozeer wetenschappelijk gevormd, maar rechtschapen, werkzaam en zich kenmerkende door zekere aangeboren fierheid, die men in den zoon hervindt. Aan de zorg, die deze Daniel Da Costa, in vereeniging met zijne vrome Gade, Rebecca Ricardo, voor de opleiding van zijnen zoon droeg, op wiens buitengewonen aanleg beide ouders met reden trotsch waren, heeft Nederland het te danken, dat het kostbaar juweel, hun ter bewaring toevertrouwd, van den beginne af met ijver en kunst geslepen en gepolijst, en aldus voorbereid werd om eens in vollen luister te stralen.]

Bladz. 213.

[dbs dichters lotbestemming. Dit gedicht werd in de Am-sterdamsche Afdeeling van de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen voorgelezen. Het is opmerkelijk, dat

294

ocr page 329

TOELICHTINGEN.

295

terwijl aldus deze Maatschappij reeds van den beginne af toonde de gaven des dichterlijken jongelings op prijs te stellen, zij het tevens was, die het voorrecht had den laatsten toon van zijnen zwanenzang op te vangen, daar hij in eene harer wintervergaderingen op dringend verzoek zijnen „Slag van Nieuwpoortquot; slechts korten tijd vóór de ziekte, die hem ten grave sleepte, met jongelingsgeestdrift voordroeg. Da Costa was met eenige weinige voorname Let-kerkundigen Ecrelid van deze Maatschappij.]

ocr page 330

INHOUD.

BI adz.

Voorredenen.................'..........i.

Overzicht van het leven en de werken des dichters- ix.

Lof der dichtkunst .........................1.

De verlossing van Nederland................................4.

Aan de wel edele heeren Mr. W. Bilderdijk en Mr. D. J.

Van Lennep............................................10.

De Perzen..................................................12.

Proeve van overwerking....................................47.

Het verhaal van den bode uit Eschylus Zeven tegen Thebe . 52.

Alfonsus de Eerste..........................................56.

By het openbaar examen der Nederlandsche Portugeesch-

Israëlitische armenschool. 15 Julij 1818.........102.

Op den marteldood van Raphael Gomez Salsedo..............105.

Op het feest der verbroedering aan Leydens Hoogeschool.

21 November 1818.................. 105.

By het openbaar examen der Nederlandsche Portugeesch-

Israëlitische armenschool. 19 Mei 1819.........106.

Prometheus........................110.

Cassandraas voorzegging..................144.

Het treurspel................................................153.

Liefde...........................157.

Aan Bilderdijk, by het afsterven van zijn' zoon Julius Willem. 159. By het openbaar examen der Nederlandsche Portugeesch-

Israëlitische armenschool. 17 Mei 1820 ..................162.

Den heere Dr. Imanuel Capadose, by het afsterven zijner

echtgenoote.....................165.

Eurydice....................................................166.

ocr page 331

INHOUD.

Bladz.

De traan.........................174_

De Hollandsche Poëzy...................176.

De zesde December.....................178.

Ter verjaring van den veldslag by Waterloo........181.

Gevoel...........................184

Het genie..................quot;......185.

Voorafspraak by de voorlezing van eenige dichtstukken . . . 187.

In het album van den heer Mr. Jeronimo De Vries.....189.

Waarheid.........................189

Zucht ten hemel..........................189.

Grafschrift ........................19^

Vijf bijschriften, aan Jhr. Mr. W. Van Hogendorp......190.

1. Willem de Eerste.................193.

II. Maurits......................I93

III. Predrik Hendrik..................194

IV. Willem de Tweede.................195

V. Willem de Derde.....................

De gaaf dér Poëzy........................

Vrijheid..........................I99]

Aan mijne egade......................202

Aan doctor Abraham Capadose...............205

Dichteren-wereld......................207

Geluk en plicht......................209

Aan mijn vader. (Opdracht van den bundel „Poëzyquot;.) .... 211.

Voorafspraak........................212

Des dichters lotsbestemming................213.

Het natuurlijk verband van wijsbegeerte en dichtkunst . . . 220.

Toelichtingen..........................

ocr page 332

In dB VIJFTIG-CENTS-EDITIE zijn vbrschenen;

No.

1 Mr. J. Van Lennep, De Pleegzoon.

2. — Ferdinand Huyck.

3. — De Roos van Dekama.

4. — Elizabeth Musch.

5. — Novellen en Vertellingen.

6— 8. — Onze Voorouders.

9—II. — De lotgevallen van Klaasje Zevenster,

78. — Vertellingen van vroeger en later tijd.

12. J. J. Cremer, Dokter Helmond en zijn Vrouw.

13. — Daniels Sils.

14. — Tooneelspelers.

15. — Hanna de Freule.

16—17. — Anna Rooze.

18. — Overbetuwsche Novellen.

19—20. — Novellen en Vertellingen.

21. — Betuwsche Novellen en een Reisgezelschap.

22. — De Lelie van 's-Gravenhage.

23. — Emma Berthold. — Boer en Edelman.

24. J. J. L. Ten Kate, Stichtelijk Huisboek.

42* J. Van den Vondel, 1605—1616. Het Pascha. —

Den Gulden Winckel. — De Vaderen.

43* — 1617. Vorstelycke Warande der Dieren.

44* — 1618—1620. Hierusalem verwoest. —De Heerlyck-

heyd van Salomon. — Helden Godes.

45* — 1621—1625. De Ameteldamsche Hecuba —Pala medea.

46* — 1626—1629. Hippolytus.

47* — 1630—1636. Sofompaneas.

ocr page 333

48* J. Van den Vondel, 1637—1639. Gysbr. v. Aemstel. — Elektra. — Maeghden.

49* — 1639—1640. Gebroeders. — Joseph in Dothan. — Joseph in Egypten.

50* — 1641—1642. Peter en Pauwela. — Heldinnebrieven

51* — 1642—1645. Brieven der Heilige Maeghden. — Grotius' Testament.

52* — 1645. Altaargeheimenissen.

öB—54* — 1646. Publius Virgilius Maroos Wercken.

55* -— 1646—1647. — Maria Stuart. — De Leeuwendalers.

56* - 1648-1651. Salomon.

57* — 1652—1653. Horatius' Lierzangen.

58* — 1654—1655. Lucifer. — Inwydinge van't Stadthuis t' Amsterdam.

59* — 1656—1657. Salmoneus. — Koning Davids Harpzangen.

60* — 1657. Koning Davids Harpzangen.

61* — 1657—1660. Koning Davids Harpzangen. — Jeptha. 32—63* — 1660. Publius Virgilius Maroos Wercken in Neder-duitsch dicht vertaelt.

64* — 1660. Koning Edipus. — Koning David in Balling schap. — Koning David Herstelt.

65* — 1660—1662. Samson. Adonias. — Bespiegelingen.

66* — 1662. Bespiegelingen II. — Joannes de Boetgezant.

67* — 1663. Batavische Gebroeders. — De Heerlyckheid der Kercke. — Faëton.

68* — 1664—1667. Adam in Ballingschap. — Ifigenie.— Zungchin.

69* — 1667—1671. Noah. — Feniciaensche. — Herkules in Trachin. — Ovidius' Herscheppinge I.

70* — Ovidius' Herscheppinge II.

71* — 1671. Ovidius III.

/2—75. Nicolaas Beats' Dichtwerken.

76—77. Bernard Ter Haar, Dichtwerken.

ocr page 334

106* Mr. J. Van Lennep, De vermakelijke Spraakkunst.

opgehelderd door een aantal 111. van Alfred Ronnbb.

107* — De vermakelijke Latijnsche Spraakkunst, opgehelderd door een aantal Illustratiën van Alfred

itonnek.

108—110. Da Costa's Complete Dichtwerken.

Ill* A. G. L. Westenberg, Nationaal Kookboek, samengesteld door Nederlandsche Vrouwen. 2e druk. 112—113. Dr. Jan Ten Brink, De Schoonzoon van Mevrouw de Roggeveen.

114. — Het vuur, dat niet wordt uitgebluscht. 115—116. — Oost-Indische Heeren en Dames.

117. — Nederlandsche Dames en Heeren.

118. — Drie Reisschetsen. Op de grenzen der Preanger. -

Drie dagen in Egypte. —Van den Haag naar Pary=

119. — Jeannette en Juanito.

120. — Het verloren Kind.

121. — De familie Muller Belmonte.

122. — Eene „schitterende Carrièrequot;.

123—124. G. KeUer, Van Huis.

125-126. — Novellen.

127. — Gederailleerd.

128—129. — Novellen.

130. — Het Testament van Mevrouw De Tonnstte.

131. — Novellen (Overcompleet).

132. — Het Huisgezin van den Praeceptor.

Geïllustreerde boeken, met ' geteekend, koatsn 60 Cents ingenaaid en 90 Cents gebonden.

ocr page 335
ocr page 336
ocr page 337
ocr page 338